aM
À
x)
u | in na LI iù 7 EN, 7 iy) ite
en (UT ee Boye 7
' NI ee yy A ar
fi EDT VA Di Par Ri tn
Ih a n 7 os ji A) si air
i A Wi | dai fit dii DNA id Mee VAI M HN, Br
à Un | ta x ij Ru i ae i, ar Ù i a qu sl DE i | o he \ Où Km. ] N ii | galli Ru ù
ER Pes DIRLA i | ite a i HA
LAI 00 Ais : Ha Di) | RIM À ul n Do
| « n ty | i in i Ki oa VA
fo Men x | An nu ti
Ru Di lo n i?
OUR à u gen BEN
(PAS
i x A + FE ú JE ne
di “nl me mo ui ni 4 ae
I An lis ji vr di an
si La
ni mu NE 1 E RL oe i } u a}
dl LS i i | a Vili ibi N nj ae i
LION ne ni US 7 i a a Kur i a n AL A a
er
en al {
7 | il I ne ne I 4 Bont i iy il i IO a A i) N; ET On
ie à | SR ibe N) I DER RR RL Pt ee ae DL > GINA
l a Li Lan ANI L my UnA n N Min di si [ nel hi u Tin È ll a 2 Di LE
Eon nid ui Di i
È
TT Ohh pi
re) i} À a A Aven
Ki dl Li rs (Le tu Pot
on dut LL a
i
RR NN
i)
une gi m v
5 VAE ij: à '
ACRE Aen,
| |
x x hi 0 Ri 0 i i: bi
3
|
VA
AL ARRET N
N n eu my dadi in 5 n Ni ii a 7 ‘ | | È MEA
Ed Se oe an, LUE A
I E , n (TI Ia ra ap Pou ni ma) IDRA 4 L
| La u . Ù LT NÀ È ta
TITANI an | 4 i
D ba 8 PE N
un is ion
do a i, ti
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
UITGEGEVEN DOOR
JE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
ONDER REDACTIE VAN
Pror. J. VAN DER HOEVEN,
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
EN
Dr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
k- è; ELFDE JAARGANG.
rep”
TWEEDE SERIE. — DERDE DEEL.
S GRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF,
1868.
De
Pare:
TEA
si |
INHOUD VAN HET DERDE DEEL DER TWEEDE SERIE.
Bladz.
Verslag van de 22° Algemeene Vergadering der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, gehouden te Utrecht, 15 Juli
1867.
Lijst der leden
Bijgekomen boeken .
Inhoud van ontvangen Tijdschriften
Lijst van Coleoptera, nieuw voor de Fauna.
Microlepidoptera, nieuw voor de Fauna .
Zeiten, Grapholitha tomiana
WEVENBERGH, Entomologische aanteekeningen
Zeiten, Ueber Geom. Chenopodiata L.
Van per Werp, Diptera uit den Oost-Indischen Archipel
SNELLEN, Aanteekeningen op Herrjch-Schaeffer’s Prodromus
Systematicus Lepidopterorum. .
Pracer, Lijst van Parasitica
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, Naamverwisseling.
Dezelfde, De inlandsche Hemipteren. 1° stuk
RirsEMA, eene nieuwe soort van Pulex .
Van Hasserr, Kleine entomologische mededeelingen
Verslag der buitengewone Vergadering, gehouden te Leiden,
Cera BOOM FAs A
Verslag der wetenschappelijke Vergadering, gehouden te
Leiden, 3% Decx1867; "1,1.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, De inlandsche Bladwespen. 14° stuk.
De Roo van Wesrmaas, Boekaankondiging . :
Van ver Were, Dipterologische aanteekeningen. N°. 1
VERSLAG
VAN DE
TWER-EN-TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING DER NEDERLANDSCHE
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
GEHOUDEN
te Utrecht, den 13d4en Julij 1867.
Tegenwoordig zijn de heeren:
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, President ;
Dr. M. C. Verloren, Vice-President ;
Mr. H. W. de Graaf, Secretaris ;
en van de leden: P. C. T. Snellen, van Bemmelen, G. M. de
Graaf, van Hasselt, van der Wulp, Heylaerts, de Jonchecre,
Groll, Backer Jr., Brants, Lodeesen, Kinker, Breukelman ,
Dr. Rauwenhoff, Jhr. Martens, Hartogh Heys van de Lier,
Prof. Berlin, Dr. Rombouts, Mr. H. Verloren en Dr. Piaget.
Van de heeren N. H. de Graaf, Mr. W. Albarda, Mr. Mau-
rissen, Baron Lewe van Middelstum, en Jordens is schriftelijke
kennisgeving ontvangen, dat zij tot hun leedwezen verhinderd
worden de vergadering bij te wonen.
De voorzitter van het Bestuur Mr. Snellen van Vollenhoven,
tevens presiderend lid der vergadering opent haar met eene
korte toespraak, waarin hij allen hartelijk welkom heetende, in
herinnering brengt dat het Bestuur in het vorige jaar wegens
de toen heerschende gevreesde ziekte, de menschenmoordende
cholera, gemeend heeft wel te handelen met de algemeene ver-
1
2 VERSLAG VAN DE TWEE-EN-TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
dl
gadering die, zoo als ondersteld mogt worden, om de epidemie
zeer schaars bezocht zou zijn, tot geschikter tijd uit te stellen;
dat die meer geschikte tijd evenwel, ten gevolge van het gure
en ongestadige weder, dat alleen eene bijeenkomst, maar geene
excursie veroorloofde, in het najaar niet meer was aangebroken,
zoodat het Bestuur zich genoodzaakt had gezien het jaar 1866
te laten voorbijgaan zonder algemeene vergadering. Na een
hartelijk welkom te hebben toegeroepen aan de aanwezige nieuwe
leden eindigt spreker met den wensch, dat ook deze vergadering,
als alle voorgaande bijeenkomsten, bezield mogt zijn met een
algemeenen geest van welwillendheid, zamenwerking en vriend-
schap en dat de nieuwe leden door daarvan getuigen te zijn de
vereeniging in hare strekking en werking mede mogten leeren
waarderen en hoogschatten.
De notulen der vorige vergadering worden goedgekeurd en
geteekend.
De president van het Bestuur brengt het volgende verslag uit:
M. H.
De Vereeniging bevindt zich heden in een’ exceptionelen toe-
stand, in een toestand, die zich sedert hare oprigting, nu 25 jaren
geleden, nog niet had voorgedaan. Er is namelijk door de
ontstentenis der vergadering ten vorigen jare geen verslag van
den toestand des genootschaps over het jaar 1865 tot Sept. 1866
uitgebragt, op de wijze zoo als de wet zulks verlangt. Om in
dit gemis eenigzins te voorzien is door mij in de eerste afleve-
ring van ons tijdschrift voor het loopende jaar eene korte op-
gaaf omtrent dien toestand gepubliceerd. Veronderstellende dat
deze korte opgaaf in handen van alle leden en zoo ook onder
ieders oogen gekomen is, zal ik heden niet herhalen wat daar
gedrukt staat en mij bepalen tot hetgeen sedert het schrijven
van dat opstel is geschied.
Mogt ik toen met dankbaarheid vermelden dat de dood in
het toen voorbijgespoede jaar al onze werkende leden had ge-
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 6]
spaard, het is met een gevoel van diepen rouw dat ik, dit
verslag aanvangende, U wijzen moet op het verlies door ons voor
weinig tijd geleden in het overlijden van onzen hooggeschatten
Claas Mulder. Wie uwer was niet getroffen toen hij de mare
vernam dat de achtingswaardige geleerde onverwacht , ten huize
van zijnen neef te Amsterdam, en dus verwijderd van zijne
gade en zijnen eenigen zoon, aan eene beroerte bezweken was?
Diep zal het ieder uwer gesmart hebben als hij bedacht hoe
betrekkelijk jeugdig, hoe ijverig, hoe levenslustig die grijsaard
was, die schier nimmer aan onze vergaderingen ontbrak, hoezeer
hij verlangde van den overvloed van tijd, die hem sedert zijne
rustverwerving van ambtelijke betrekking ten dienste stond, een
groot gedeelte te besteden aan zijne lievelingsstudie, de biologie
en anatomie der insecten. Professor Mulder, eerst botanicus,
daarna zooloog, was slechts later tot de beoefening der entomo-
logie overgegaan, maar voelde voor die studie het vuur van een’
jongeling; hij verdiepte zich niet in de duisterheden der syste-
matiek, maar werd krachtig aangetrokken door de raadselen
der metamorphse en physiologie. Getuige daarvan de mededee-
lingen hier gedaan en de leerrijke gesprekken in onzen kring
gehouden. Als ik mij zijne persoonlijkheid, dat is zijne geleerd-
heid en tevens zijn minzaam, welwillend karakter , zijne eigene
wijze om ook met de jongsten onder ons om te gaan herinner,
wanneer ik mij voor den geest breng, dat hij, hier binnen-
tredende, alle voorregten van zijn ambt ter zijde legde en niets
anders wilde zijn dan lid, medgezel, vriend , dan herhaal ik:
wij hebben veel verloren, en voorspel ik dat zijne nagedachtenis
in onzen kring nog zal voortduren, wanneer ook zij, die hem
persoonlijk gekend hebben, reeds allen zullen zijn ten grave
gedaald.
Tot leden onzer vereeniging zijn sedert September 1866 toe-
getreden de Heer F. J. M. Heylaerts Jr., stads genees- en
verloskundige te Breda, Dr. N. W. P. Raauwenhoff, leeraar aan
de hoogere burgerschool te Rotterdam, en A. van den Brandt,
4 VERSLAG VAN DE TWEE-EN-TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
leerlooijer te Venlo, zoodat onze Vereeniging op dit oogenblik
telt 8 eereleden, 2 begunstigers, 8 corresp. leden en 60 ge-
wone leden.
Onze relatién met het buitenland, die reeds een zeer gunstig
aanzien hadden, zijn nog toegenomen of staan daartoe op het
punt. Niet alleen dat wij aanzoek ontvangen van ruil van ge-
schriften met genootschappen, wier annalen tot heden geen of
zeer weinig opstellen over entomologie opleverden , welke derhalve
voor ons van geringe waarde zijn, maar er zijn ook, behalve door
anderen , onderhandelingen aangeknoopt door Prof. Schiödte uit
Kopenhagen , anatoom, opkweeker van larven van Coleoptera, die
een uitmuntend tijdschrift redigeert, waarvan de koperen platen
gedeeltelijk door hem zelven, gedeeltelijk onder zijne leiding
door zijne leerlingen op voortreffelijke wijze worden gegraveerd.
Voorts zijn weder van verschillende schrijvers brochures en
overdrukken in tijdschriften ontvangen, zoo als zulks zal worden
aangeteekend in de opgaaf der aanwinsten onzer bibliotheek.
Van ons tijdschrift is het 1° deel der 2° serie uitgegeven; een
exemplaar daarvan is wederom opgezonden aan onze Maecenaten
HH. Bestuurders van Teyler’s tweede stichting en meer dan 20
anderen aan onze eereleden en aan de verschillende genoot-
schappen, met wie wij in ruil van publicatiën zijn. In de
onlangs verschenen 92° aflevering van het 2° deel der nieuwe
serie zult gij, M. H., een stuk van den Heer G. Mayr over
mieren uit onze Oost-Indische koloniën hebben opgemerkt, als-
mede eene beschrijving van een nieuw Hemipteron uit Morotai,
door ons corresponderend lid Prof. Stäl. Beide stukken mogen
ten bewijze strekken dat ons Tijdschrift ook door Duitschers en
Scandinaven gewaardeerd wordt. Voor de volgende afleveringen
van het loopende deel ligt copij in overvloed voorhanden, zoodat
het deel waarschijnlijk wel met November ten einde gebragt
het licht zal zien.
Van ons eerelid Prof. J. J. P. Hoffmann te Leyden is een
brief ontvangen, inhoudende mededeelingen van Duitschers , be-
treffende de kweeking van de Japansche zijderups Jama-mayu.
Voor die welwillende toezending is door den Secretaris schriftelijk
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. ò
bedankt op den laatsten Dec. 1866, met kennisgeving dat de
waarnemingen in den brief vervat, zullen worden opgenomen
in het Tijdschrift, zoodra daarvoor plaats beschikbaar zou zijn.
In de gedrukte korte opgaaf van het vorige jaar vermeldde
ik dat het photographisch portret van den grooten Lyonet in
drieërlei formaat was afgeleverd. Het is hier de plaats om
daarbij te vermelden dat de eommissie, te dier zake benoemd,
behalve de lijst die ter vergadering op den 26%" Aug. 1865
rondging, nog ter uitvoering van haar mandaat aan de leden
eene circulaire heeft gerigt. Velen hebben daarop geantwoord,
dat zij een zeker aantal photogrammen verlangden; die exem-
plaren zijn hun toegezonden. Mogten er nog leden zijn die meer
photogrammen begeeren, zoo zal aan hun verlangen door onzen
geëerden secretaris worden voldaan.
Omtrent den staat der kas, die gunstig is, zullen U, M. H.,
door den Secretaris in deze vergadering de noodige mededee-
lingen worden gedaan, welke tevens eene bijzondere opmerking
verdienen, wanneer zij in verband gebragt worden met een der
twee, in den beschrijvingsbrief kortelijks opgegeven voorstellen
van het Bestuur.
Omtrent de insecten-collectie valt niet veel nieuws mede te
deelen; het is uwen verslaggever tot zijn groot leedwezen niet
mogelijk met zekeren welluidenden ophef te gewagen van de
menigte insecten of van de zeldzaamheid van eenige insecten,
aan de Vereeniging ten geschenke gegeven. Wel is de collectie
met eenige voorwerpen vermeerderd, maar die bijvoegselen zijn
zoo gering dat wij die niet hoog kunnen tellen; het meest
merkwaardige daaronder zijn twee onbeschreven soorten van
Ephemera uit Gelderland. Wat den toestand betreft, deze is
over het algemeen voldoende, doch het kan niet ontkend wor-
den dat, waarschijnlijk ten gevolge van den meer dan over-
vloedigen regen in den afgeloopen zomer, vele insecten, en
daaronder, helaas ! kleinere soorten zeer zijn beschimmeld. Bij
eenigen is dit gebrek alleen door bijbrengen van nieuwe voor-
werpen te herstellen.
Ik heb gezegd.
6 VERSLAG VAN DE TWEE-EN-TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
De secretaris leest het verslag voor van den conservator.
Daaruit blijkt dat de bibliotheek voortdurend in uitgebreidheid
toeneemt, hoofdzakelijk door ruil, gedeeltelijk ook door geschen-
ken en aankoop, zoodat reeds drie kasten noodig zijn om de
boeken behoorlijk te plaatsen. Buitenlandsche genootschappen
en geleerden stellen er meer en meer prijs op om in het bezit
te komen van ons tijdschrift, zoo als blijkt uit daartoe strekkende
aanvragen, die bij voortduring gedaan worden. Al de boeken zijn
nu genommerd en eene uitvoerige catalogus is daarvan gemaakt.
Omtrent de collectie insecten valt alleen te zeggen dat zij
door den amanuensis Steenhuyzen goed in orde wordt gehou-
den, onder het waakzame oog van onzen verdienstelijken presi-
dent. Waarschijnlijk zal in een volgend jaar vergunning worden
gevraagd om nog twee loketten met zes laden te laten maken.
De heer Maurissen zond eene kleine collectie Lepidoptera, waarvan
echter het grootste gedeelte niet in Nederland was gevangen en
daarom geene plaats had kunnen vinden in de verzameling der
Vereeniging.
De Macro-coleoptera zijn vrij volledig in de verzameling ver-
tegenwoordigd, zoodat de tijd gekomen is om eene lijst op te
maken van nog ontbrekende soorten, die door het Bestuur aan
de leden zal worden toegezonden, met beleefd verzoek het ont-
brekende zoo veel mogelijk te willen aanvullen. Het verslag
eindigt met eene opwekking aan de leden om de collectie te gaan
bezigtigen, wanneer zij een uitstapje naar Leiden mogten maken.
De secretaris doet verslag van den staat der kas:
De ontvangsten hebben over het maatschappelijk jaar 1865/66
bedragen ana Sun ar Lt e en dine f 1507.20:
De \uitgavennt. uint. al Ak rd haven a Ra au 851.714
zoodat die rekening sloot met een batig saldo van . f 655.49
De ontvangsten over het maatschappelijk jaar 1866/67 hebben
bearagen I e AGI
De UNBAN ER u neue e o g(t
zoodat de rekening sluit met een batig saldo van . f 842.581
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 7
waarbij dezelfde opmerkingen gelden als in het 21° Verslag,
bladz. 9, zijn aangeduid.
De voorzitter benoemt de hecren Kinker en Breukelman om,
ingevolge art. 25 der wet, de rekening en verantwoording van
den secretaris na te zien.
De voorzitter stelt aan de orde de volgende punten van be-
schrijving:
1°. Voorstel van het Bestuur om aan den heer Snellen te
Rotterdam, ter tegemoetkoming aan de kosten der uitgave van
zijn ter perse liggend werk: Macrolepidoptera van Nederland,
uit te keeren 1/5 van het legaat van van Eyndhoven en een
nader te bepalen som uit de kas; met bepaling dat daarvoor
een geëvenredigd aantal exemplaren aan de Vereeniging zal
worden afgestaan.
2°. Voorstel van het Bestuur om, behalve de Algemeene Ver-
gadering, in de maanden December of Januarij eene Winter-
Vergadering, uitsluitend gewijd aan het doen van wetenschappe-
lijke mededeelingen, te houden in eene der groote Hollandsche
steden of in Utrecht.
De Heer Snellen verlaat de vergadering.
Eerste punt. Dit wordt nader door den Voorzitter toegelicht
en de stand van zaken uiteengezet. Nadat de Secretaris voorle-
zing had gedaan van een brief door den Heer Snellen aan het
Bestuur geschreven, wordt het voorstel in beraadslaging gebragt.
Verscheidene leden nemen daaraan deel. De uitslag is dat de
vergadering het volgende besluit neemt.
Aan den Heer Snellen zal tot het voorgestelde doel worden uit-
gekeerd f 1 of f 100 van het legaat van van Eyndhoven, met al de
ontvangen renten van het geheele legaat, berekend op f 60, en
daarenboven nog uit de kas eene zekere som; alles te zamen
tot een maximum van f 500; met bepaling dat daarvoor een
geëvenredigd aantal exemplaren van het werk aan de Vereeniging
zal worden afgestaan. Daar het waarschijnlijk is dat het ge-
stelde maximum niet zal behoeven uitgekeerd te worden, omdat
een enkel lid nog eene vrijwillige bijdrage heeft toegezegd,
8 VERSLAG VAN DE TWEE-EN-TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
magtigt de vergadering het Bestuur om naar bevind van zaken
de som, die zal worden uitgekeerd, binnen het gestelde maximum
te bepalen en aan den heer Snellen uit te betalen.
De Heer Snellen treedt de vergadering weder binnen.
Tweede punt. De Voorzitter licht dit voorstel van het Bestuur
nader toe en zegt dat het hier eene proefneming geldt, maar
geene blijvende maatregel , omdat daartoe eene wetsverandering
zou vereischt worden. Het Bestuur wenscht voor dit jaar bloote-
lijk eene wintervergadering te houden, uitsluitend gewijd aan
het doen van wetenschappelijke mededeelingen. Mogt die ver-
gadering aan de verwachting beantwoorden, dan zullen later
maatregelen worden voorgesteld om het houden van dergelijke
vergaderingen bij de wet te regelen.
Na langdurige discussie, onder welke ook een brief van den
Heer Jordens, betreffende dit onderwerp, door den Secretaris
is voorgelezen, besluit de vergadering met meerderheid van
stemmeén :
dat in dit maatschappelijk jaar eene wintervergadering zal
worden gehouden , uitsluitend gewijd aan het doen van weten-
schappelijke mededeelingen ;
dat die vergadering zal gehouden worden te Leyden;
dat zij plaats zal hebben op Zondag;
dat de bepaling van de maand aan het Bestuur is overge-
laten ; met dien verstande, dat de maanden September tot April
onder de wintermaanden zullen gerekend worden, en eindelijk,
dat de leden eene maand te voren zullen worden opgeroepen.
Op voorstel van het Bestuur worden bij acclamatie tot eere-
leden der Vereeniging benoemd de Heeren Prof. Dr. Carl Bohe-
man te Stockholm en Dr. Gustav L. Mayr te Weenen; en tot
corresponderende leden de Heeren Prof. P. C. Zeller te Meseritz
en Wilhelm Mink, Hoofdleeraar aan de hoogere burgerschool te
Crefeld.
Op voorstel van Dr. Verloren wordt besloten dat de leden,
die mogten verlangen iemand als eere- of corresponderend lid
voor te stellen, verpligt zullen wezen daarvan voor de jaarlijksche
algemeene vergadering aan het Bestuur tijdig kennis te geven
LER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 9
en dat voortaan dergelijke voorstellen van het Bestuur onder de
punten van beschrijving zullen worden opgenomen.
De Secretaris zegt dat hij van den Heer H. de Bonvouloir ,
archiviste de la Société entomologique de France, een brief heeft
ontvangen, met verzock hem als lid der Vereeniging voor te
stellen. Hij heeft echter gemeend aan dit verzoek geen gevolg
te kunnen geven, omdat de wet der Vereeniging blijkbaar geene
gewone buitenlandsche leden kent en de toelating van hen met
dezelfde regten en verpligtingen als de Nederlandsche leden,
deels tot moeijelijkheden , deels tot onbillijkheden aanleiding zou
geven. Hij heeft het daarom wenschelijk geacht die aangelegen-
heid in deze vergadering ter sprake te brengen. Hij is van
oordeel dat zeer zeker buitenlanders gewone leden der Vereeni-
ging moeten kunnen worden, maar meent dat het noodzakelijk
is dat ten hunnen aanzien afzonderlijke voorschriften in de wet
worden opgenomen. Wat nu daaromtrent regtens zal zijn, kan
in deze vergadering niet bepaald worden; maar daar de aan-
vrage van den Heer de Bonvouloir niet de eerste is van dien
aard, welke tot de Vereeniging gerigt wordt, stelt spreker voor
dat de vergadering eene commissie benoeme, aan welke zal
worden opgedragen een ontwerp-wet te maken, met het oog op
het gewone lidmaatschap aan buitenlanders toe te kennen.
Na eenige discussie wordt dien overeenkomstig besloten en
benoemt de vergadering als leden dier commissie de Heeren
Dr. Piaget, Dr. Rauwenhoff en den Secretaris.
De vergadering wordt voor een half uur geschorst.
Na de heropening worden de huishoudelijke werkzaamheden
voortgezet.
Vermits in het vorige jaar geene vergadering is gehouden zijn
twee leden van het Bestuur aan de beurt van aftreding, en wel
de Vice-President en de Secretaris.
Voor dat men overgaat tot de verkiezing van twee leden van
het Bestuur, deelt de Heer Mr. de Graaf mede, dat hij voor
de betrekking van Secretaris niet meer in aanmerking verlangt
te komen,
De stemming heeft plaats met gesloten briefjes.
10 VERSLAG VAN DE TWEE-EN-TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
Dr. Verloren wordt als Vice-President herkozen met 17, en
en Mr. de Graaf als Secretaris, met 19 van de 20 uitgebragte
stemmen.
Dr. Verloren verklaart, zich de op hem uitgebragte keuze te
laten welgevallen.
De Heer de Graaf zegt dat hij gevoelig is voor de onder-
scheiding, die hem bij vernieuwing is te beurt gevallen, hoewel
het hem leed doet dat de vergadering op zijn verzoek geen acht
heeft geslagen. Hij blijft bezwaar maken weder voor 4 jaren de
post van Secretaris op zich te nemen, doch verklaart zich be-
reid dit nog voor een jaar te doen, opdat alsdan een ander
zijne plaats inneme.
Met 14 tegen 6 stemmen wordt besloten dat de drie-en-twintigste
algemeene vergadering zal gehouden worden te Nijmegen op een
tijdstip nader door het Bestuur te bepalen, in overleg met den
te benoemen Voorzitter van die vergadering.
De leiding dier algemeene vergadering wordt door de leden
met algemeene stemmen opgedragen aan Dr. A. W. M. van
Hasselt, die zich deze keuze welwillend laat welgevallen.
De Heeren Breukelman en Kinker brengen verslag uit dat zij
de rekening en verantwoording van den Secretaris over de
maatschappelijke jaren 1865/66 en 1866/67 nagezien, met de
bescheiden vergeleken, conform bevonden en goedgekeurd hebben.
De Voorzitter dankt den Secretaris namens de vergadering
voor zijn gehouden beheer en de Commissie voor haar onder-
zoek en verslag.
De heer Snellen van Vollenhoven komt terug op hetgeen door
hem in de vorige vergadering (verslag pag. 15) is gezegd be-
treffende zijn voornemen om de studie der inlandsche Hymeno-
piera te helpen vergemakkelijken door het uitgeven van schetsen,
voorstellende de eene of andere soort van elk genus in systema-
tische volgorde, begeleid door analytische tabellen der afzonder-
lijke familien. Hij heeft ru de afbeeldingen der Ichneumoniden
gereed , waarvan de uitgave drie lithographische platen en een
vel druks zal bevatten. Hij stelt voor dat de Vereeniging hem
voor dit eerste gedeelte f 100 van het legaat van van Eynd-
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 11
hoven zal toestaan en zal de onkosten der volgende afdeelingen,
voor zoo verre die niet uit den verkoop van dit cerste gedeelte
zouden worden vergoed, zelf dragen. Ieder lid der Vereeniging
zou alsdan een exemplaar ontvangen, spreker zelf eenigen meer,
terwijl de overigen aan den Bibliothecaris zullen worden ter
hand gesteld om voor fl het ex. te worden verkocht. De ver-
gadering geeft door acclamatie hare ingenomenheid met dit plan
te kennen. .
Ter voldoening aan art. 55 draagt het Bestuur twee dubbel-
tallen voor, opdat uit ieder dubbeltal een lid worde gekozen
voor de redactie van het tijdschrift.
Voor de stemming deelt de Secretaris den inhoud mede van
een gesprek dat hij met Prof. van der Hoeven heeft gehad, be-
treffende diens reeds meermalen uitgedrukt verlangen om niet
meer als lid der redactie van het tijdschrift in aanmerking te komen.
De Secretaris doet die mededeeling op uitdrukkelijk verlangen
van Prof. van der Hoeven, ten einde de leden bekend te maken
met den aard der bezwaren, die bij hun hooggeschat medelid
wogen. Dat die bezwaren echter niet door de vergadering werden
gedeeld, blijkt uit de stemming.
Eerste dubbeltal: de Heeren Prof. J. van der Hoeven en Prof.
M. Salverda.
Tweede dubbeltal: de Heeren Dr. A. W. M. van Hasselt en
F. M. van der Wulp.
Voor het tweede dubbeltal wordt een stembriefje van on-
waarde verklaard. Een-en-twintig stemmen worden uitgebragt.
De uitslag is dat
Prof. van der Hoeven . . . 20 stemmen
Da Salverdais us. me en de vante tdi stem
Dr. van Hasselt . . . . . 12 stemmen
Wand dery Walpys, verw op diese 1308 »
op zich vereenigd hebben, zoodat als leden der redactie van
het tijdschrift zijn herkozen Prof. van der Hoeven en Dr. van
Hasselt.
De Heer van Hasselt verklaart zich na eenige bedenkingen
bereid nog een jaar lid der redactie te blijven. Aan den
12 VERSLAG VAN DE TWEE-EN-TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
Heer van der Hoeven zal van de benoeming kennis worden ge-
geven door den Secretaris.
De Heer Hartogh Heys van de Lier het woord verkregen heb-
bende, stelt voor dat de vereeniging eene verzameling zal bijeen-
brengen van de photographische portretten der begunstigers en
leden van de Vereeniging, in albumformaat. Eenstemmig wordt
daartoe besloten.
De Heer Hartogh Heys van de Lier zegt alsnu dat hij zich
het genoegen voorbehoudt om aan de Vereeniging een album
ten geschenke te geven, waarin de verzameling portretten zal
kunnen bewaard worden.
Toejuiching !
Nog wordt besloten, op voorstel van Mr. Verloren, dat de
leden zullen worden uitgenoodigd hun portret aan de achterzijde
van hunne gewone handteekening te voorzien, en op voorstel
van den Heer van der Wulp, dat men ook de portretten van
overleden leden, zooveel mogelijk, in het album zal opnemen.
Aan den Secretaris wordt opgedragen de leden bij circulaire
uit te noodigen hunne portretten aan hem toe te zenden, zullende
het album daarna in de bibliotheek worden geplaatst.
In de lijst van determinatoren, opgenomen op bladz. 11 en
12 van het verslag der negentiende algemeene vergadering,
wordt geene verandering gebragt.
De Heer Snellen van Vollenhoven opent de wetenschappelijke
medeelingen.
Hij herinnert de leden aan hetgeen in vorige vergaderingen
door verschillende onderzoekers op het gebied der physiologie,
en wel voornamelijk de Heeren Verloren en Maitland, is voorge-
dragen, met betrekking tot het geluid dat Acherontia Atropos
in staat is voort te brengen en vestigt de aandacht op een on-
langs in het licht verschenen werk van Dr. H. Landois: «die
Ton- und Stimm-Apparate der Insecten». Hij zegt dat genoemde
schrijver de verschillende meeningen der auteurs met opzigt tot
de voortbrenging van dit geluid kritisch had getoetst en voor-
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 15
namelijk was blijven staan bij de meening van Rud. Wagner,
volgens wien de lucht bij dezen Sphinx uit de zuigmaag in
den engen slokdarm wordt opgenomen en door een spleet van
den zuiger uitgedreven. Dr. Landois had de onhoudbaarheid
dezer stelling bewezen door het onderbinden van het abdomen
(dus tevens van de zuigmaag), waarna het voorwerp nog ge-
durende acht uren bleef piepen.
L. had voorts de stigmata, den zuiger en de palpen anato-
misch onderzocht en bij deze laatsten bevonden dat zij aan de
naakte binnenzijde zeer fijne rigcheltjes bezitten, tegen welke
de kanten van den zuiger bewogen worden, 't geen het geluid
veroorzaakt ; hij had evenwel ook bij vier andere Sphingiden
dergelijke rigcheltjes waargenomen en meent nu dat deze en
misschien ook nog andere Sphingiden evenzeer in staat zijn een
geluid te laten hooren, maar dat voor het menschelijke gehoor-
orgaan te hoog van toon zou zijn.
Daarna deelt spreker in zeer ruwe omtrekken den inhoud
mede van een ander onlangs verschenen werk, getiteld : « Eu-
gereon Boeckingi(i) aus dem Todtliegendem », waarvan de schrijver
is Dr. A. Dohrn. Het beschrijft de overblijfselen van een fossiel
insect, gevonden in de «thonige Sphaerosideriet» te Abenteuer-
hütte in Birkenfeld. De auteur meent dat dit dier de ken-
merken van twee orden gelijkelijk en in verbinding vertoont,
dat het de Hemipteren met de Neuropteren verbindt, en leidt
daaruit allerlei redeneringen af ten voordeele van het bekende
stelsel van Darwin. Spreker.is evenwel van andere meening en
steunende op de beschrijving van den Heer Dohrn en de plaat
die bij het werk gevoegd is, erkent hij dat het Neuropterisch
karakter te vinden is in de gedaante der sprieten, het aderbeloop
der vleugels en de doorntjes en lijstjes der scheenen, overeen-
komende met die van de familie der Fulgoriden, maar ontkent dat
de monddeelen, de vorm van den kop en de relative breedte
van den thorax de kenmerken der Hemipteren zouden dragen,
gelijk de schrijver wil. Hij brengt ook deze organen met analoge
vormen in de rijke orde der Neuroptera tot die orde terug.
Ten derde gaat de Heer v. Vollenhoven de verschillende ge-
14 VERSLAG VAN DE TWEE-EN-TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
daanten na, die de kop der insecten aanneemt; hij herinnert
eerst daaraan dat de kop, als zijnde een dertiende segment van
een afgerond cylindrisch of spoelvormig ligchaam, in zijn typi-
schen toestand op een’ halven bol of een’ kegel gelijken moet, en
stelt zich voor dat deze vorm nu door zamendrukking of uit-
rekking verschillende wijzigingen ondergaat. Deze nu ter ver-
duidelijking zijner rede afgeteekend hebbende, toonde hij aan
dat al deze wijzigingen werkelijk in de natuur bestaan en noemde
de geslachten van insecten op, bij welke zij voorkomen. Daarna
sprak hij over de vijf verschillende wijzen van aanhechting van
den kop in verhouding tot de as van het ligchaam en toonde
aan dat ook dezen allen in de natuur voorhanden zijn. Eindelijk
verdeelde hij den kop in afzonderlijke gedeelten, onderscheidde
eene schedelstreek, een voorhoofd, eene streek van het aan-
gezigt, van de wangen, van de kaken en van het achterste
gedeelte van het hoofd, dat men hals zou kunnen noemen. Al
deze hoofdstreken stelde hij afzonderlijk voor als gezwollen ,
verhoogd of verlengd boven de gewone verhouding tot de overige
gedeelten en toonde door afteekening der koppen van werkelijk
bestaande insecten, dat geene afwijkingen zoo vreemd en zonder-
ling kunnen gedacht worden of zij zijn in de nu reeds bekende
soorten van gekorvene dieren aan te treffen. Zelfs komen ge-
daanten voor, als Empusa, Ectatosoma, Fulgora, Proscopia ,
Tetrix limosina, Toxeutes en Apoderus spectrum, die ’smenschen
meest verhitte phantasie nog ver te boven gaan.
De Heer J. Kinker zegt in substantie, dat wanneer men soms in
het voorjaar bij Amsterdam, des sprekers woonplaats, langs dijken
aldaar of aan den Schinkel, een water op de ringvaart van den
Haarlemmermeerpolder uitloopende, iemand vindt, die bezig is
in een zeeftoestel van wit linnen, dood riet en bies te rapen,
daarna dien toestel heen en weder schudt, het grove vuil weg-
werpt en het uitgezifte in een blikken bus stort, men bijna
zeker kan zijn hem te ontmoeten.
Door het onderzoek van dat uitziftsel en later gedurende den
zomer na het sleepen met een zak over gras en lage planten en
het uitpluizen van boleten, heeft hij kennis gemaakt met eene
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 15
menigte landgenooten, die als zoodanig niet bekend waren. Hij
wenscht die landgenooten thans bij onze Vereeniging te intro-
duceren, ten einde zij als medebewoners van ons vaderland
zouden worden erkend en aangenomen, en legt eene lijst over
van 100 soorten van Coleoptera, nieuw voor onze Fauna, met
opgave van tijd en plaats en wijze van vangst. (Zie de Bijlage).
Velen zijn door hem zelven gedetermineerd. De Heer Wilhelm
Mink, « Oberlehrer an die Realschule» te Crefeld, heeft met vrien-
delijke bereidwilligheid, die spreker niet genoeg kan roemen,
de moeijelijkste geslachten en soorten, onder anderen van Ho-
malota, behandeld. Aan diens medewerking, erkent spreker,
is dus voor een goed deel deze aanzienlijke vermeerdering van
het cijfer van als inlandsch bekende Coleoptera te danken. De
voorwerpen zelven, soms slechts in enkele exemplaren, zijn allen
in des sprekers collectie voorhanden.
De Heer Kinker biedt eindelijk voor de collectie der Vereeni-
ging eenige Coleoptera aan, deels van voornoemde nieuwe soorten ,
deels van de zoodanigen, welke volgens vroegere opgaven nog aan
onze collectie ontbraken , onder de laatsten Prionus coriarius ,
door hem op Beekhuizen bij Velp gevonden.
De Heer Heylaerts Jr. spreekt over eene voor onze Fauna nieuwe ,
door hem te Breda ontdekte Psychide, namelijk £pichnopleryx
Sepium Speyer. Hij vond die in November 1866 op de met
mos bedekte iepenboomen der stadswallen. Hij laat daarna de
rups met haar zakje, de pop, den vlinder en het mos, dat tot
spijze der larve dient, rondgaan. Hij weidt verder uit over het
voorkomen van verscheidene andere Psychiden rondom Breda,
ten bewijze waarvan hij de door hem gevonden zakken ver-
toont.
Hij zegt verder dat Hypocampa Milhauseri Esp. ook rondom
de stad zijner inwoning zoo zeldzaam niet is, hebbende hij
in den nazomer van 1866 een negentiental rupsen daarvan
op verschillende plaatsen verzameld. Ook deze rupsen, op
liquor, en hare spinsels laat hij onder de oogen der leden
rondgaan.
Wijders vertoont hij een, nog niet in onze Fauna bekend
16 VERSLAG VAN DE TWEE-EN-TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
Neuropteron, door hem in Mei 1867 te Strijbeek uit een masten-
boschje geklopt, namelijk Neuronia reticulata L.
Als merkwaardige en in Nederland zeldzame Hemiptera laat
hij twee door hem gevangene en veel van elkander verschillende
exemplaren van Centrotus cornutus L. zien.
De Heer van Hasselt geeft verslag van twee nieuwe werken
over Araneologie en laat die ter staving van zijn gevoelen bij
de leden rondgaan.
Het eerste werk is eene monographie van Dr. Ludwig Koch,
getiteld: «die Arachniden-Familie der Drassiden », waarvan reeds
zes «Hefte» te Neurenberg in 1866 zijn uitgekomen, elk à raison
van f 1.90. Volgens prospectus zal het loopen over niet minder
dan 280 soorten, zoo exotische als Europesche, terwijl de be-
schrijving zoo uitvoerig mogelijk wordt gegeven, om de «Schwie-
«rigkeiten zu überwinden, welche die Bestimmung der Drassiden
«mit sich bringt.» Daarenboven werden er bij elk Heft twee
« Kupfertafel» toegezegd, die dan ook inderdaad zijn versche-
nen, ..... maar die, tot groot leedwezen van den verslag-
gever, niet anders bevatten, dan afbeeldingen van een groot
aantal mannelijke en vrouwelijke generatie-organen, die werkelijk,
zoo als bij alle spinnensoorten „ eene overgroote verscheidenheid
van vormen aanbieden. Daarop is, als op «der wichtigste Cha-
rakteristik der einzelnen Arten», blijkbaar de grootste arbeid
van den schrijver besteed, daar deze uitsluitend de platen
vullen, zonder dat er eene enkele van de zeer vele novae
species, al ware het maar ongekleurd, — even als de epigynes
en de mannelijke palpen, — is geïllustreerd! Referent betreurt
dit zeer bij een’ monographischen arbeid van zoo grooten om-
vang; het werk mist daardoor bepaaldelijk het karakter van eene
monographie, in welke men geene Bijdragen tot de kennis eener
familie verlangt, maar die familie in haren geheelen omvang en
alzoo wel voornamelijk in afbeelding, zonder welken alle be-
schrijvingen hoe uitvoerig ook, veeltijds toch duister blijven en
de «Schwierigkeiten», waarvan schr. sprak, niet gemakkelijker
dan te voren kunnen worden overwonnen.
Met Thorell en anderen hecht ook verslaggever zeer veel aan
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 47
de kenmerken uit de generatie-werktuigen te ontleenen; met
Westring en anderen erkent ook hij de groote waarde van het
opmerken en het tellen der haarborstels; doch hij meent, dat
schrijver beide deze deelen, schoon op zich zelf niet te verwer-
pen, toch ten nadeele van het geheel, te veel op den voorgrond
heeft gesteld. Wat uitvoerig, wat alleen is afgebeeld zijn de
sexual-organen , veel vergroot (waaraan men in praxi, bij het
determineren van slechts een enkel exemplaar, dikwijls zeer
weinig heeft, dewijl men het niet wil mutileren, en men, zonder
isoleren of beschadigen, die deelen hoogst moeijelijk naauw-
keurig met het microscoop kan onderzoeken). Wat uitvoerig,
wat minutieus zelfs is beschreven, is de « Bestachelung» van
al de vier paren pooten in hunne onderdeelen (bijv. 1 Beinpaar :
Femur oben 1. 1. 1., vorn 1. 1. am Ende. Tibia unten 2.2.9.
Metatarsus unten 2, en zoo voor al de pooten!). Schrijver moet
wel zeer vele exemplaren ter beschikking hebben gehad, om de
haarborstel-verdeeling als eene zóó constante grootheid in be-
rekening te hebben gebragt tot het onderscheiden van verwante
species, om het noodig te oordeelen, haar aan alle beschrijvingen
toe te voegen. Het is bovendien ook nagenoeg niet mogelijk , om hem
deze optelling vóór, boven, onder, achter enz. en dat aan alle
de femora, tibiae enz. van alle vier de pooten, en dit bij alle
Drassides , na te doen. Ware het nog, dat in den text duidelijk stond
opgegeven , waarop men in deze beharing meer bepaald te letten
heeft, zoo als dit hier en daar, doch bij uitzondering, in de
analytische Tabellen geschied is, dit kon zijn groot nut hebben
en is vóór schrijver reeds algemeen erkend, doch zijne « Be-
stachelungs» methode komt Ref. op zeer vele plaatsen overbodig
voor en tot niets dan complicatie dienende, waartoe juist mo-
nographiën niet behooren te dienen. Even zoo is van de vele
verschillen in de vormen der genitalia, ter differentiëring der
species, weinig of niet en nog minder toepassing gemaakt dan
van de «Bestachelung», waaromtrent men slechts de analytische
Tabellen der beschreven species bij ieder genus behoeft in te
zien. Dat het werk, voor zoo verre het thans bekend is, pleit
voor groote naauwkeurigheid, dat de schrijver daarbij over een
2
18 VERSLAG DER TWEE-EN-TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
ongemeen rijk materiaal te beschikken heeft gehad, dat hij
vlijtig geteekend, geteld en gemeten heeft (want, more solito ,
zijn ook overal de lengte-maten van den cephalothorax en van
den 1% en 4° poot vermeld), valt niet te ontkennen en zelfs
mag ten dezen zijn noeste vlijt worden geprezen. Doch niet
alleen om de opgegeven gebreken, en niet alleen om het ont-
breken van afbeeldingen, maar ook om dat wij ook bij hem
weder bij de beschrijvingen missen eene bepaalde (en dan cursijf
te drukken) aangifte van karakteristieke teekenen, moet Ref. be-
kennen, dat hij op dit vrij dure vervolg-werk, als hij het te
voren had gekend, niet zou hebben ingeteekend, en dat hij het
in gemoede ook aan anderen niet bijzonder kan aanbevelen.
Met meer vrijmoedigheid durft hij het tweede door hem ver-
toonde werkje als aanbevelenswaardig voor beginnende araneolo-
gen vermelden, of voor hen, die, bij andere entomologische na-
sporingen, ook eenige kennis verlangen aan onze Europesche
spinnen, t. w. «Die Araneiden v. Preussen», door Dr. Ohlert,
Leipzig 1867, prijs f 1.90. Ofschoon de schrijver door zijne
onderzoekingen over den vorm der poot-haken en kammen (de
«Klauen-Bildung») en anderen aan Ref. reeds bekend was,
schijnt hem dit werkje eene bijzondere, praktische waarde te
bezitten. Behalve dat het een kort en zakelijk algemeen overzigt
van het onderwerp geeft en voorzien is van een Tabel met de
afbeeldingen der oogen van de 55 voornaamste Europesche
spinnen-geslachten, komen hem zijne bijzondere beschrijvingen
(ofschoon weder zonder cursijf-kenmerken!) regt duidelijk voor
en zonder onnoodigen omhaal. Als eene kleine bijzonderheid
wordt door Ref. opgemerkt, dat de strekking en inhoud van
Ohlert’s Araneiden op eene merkwaardige wijze overeenstemmen
met zijne eigene bevindingen niet alleen, maar ook dat zijne
spinnen-Fauna van Pruissen eene zeer groote overeenkomst ver-
toont met die van ons land.
De op alcohol van 50° bewaarde collectie van den verslaggever
toch, — waarvan hij eene gedeeltelijke eapositie ter vergadering
heeft gebragt, — loopt, even als de beschrijving van Oblert, over
een 50 à 60-tal genera en een 190 à 200-tal species, — met
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING, 19
enkele verschillen, nagenoeg geheel van denzelfden aard. Gaarne
onderschrijft Ref. dus de woorden van O. in diens « Vorwort», waar
hij over zijn boekje zegt: «dass es, ungeachtet seiner Unvoll-
kommenheiten, den Freunden der Natur ein leichtes und be-
quemes Mittel bieten werde, sich mit einer bisher sehr ver-
nachlässigten Gruppe der niedern Thiere bekannt zu machen».
Ten slotte vertoont de heer van Hasselt een twaalftal kolos-
sale individuen van Oost-Indische Orthoptera, Hemiptera en
Hymenoptera, hem, bij verschillende spinnen-bezendingen, uit
Java, Borneo, Sumatra toegezonden, en stelt die ter beschik-
king van den hooggeachten voorzitter, den heer S. van Vollen-
hoven. Hij doet opmerken, dat deze insekten zeer goed gecon-
serveerd, in slappen spiritus, waren overgekomen, terwijl zijne
spinnen grootendeels vergaan of geheel beschadigd waren. Toe-
zendingen van araneae moeten, vooral uit Indiën, steeds in
sterken spiritus (alcohol van 25°—50°) worden gedaan, willen zij
aan het doel beantwoorden.
De heer van der Wulp deelde eenige bijzonderheden mede over
het geslacht Lispe. Daar zij bestemd zijn, om eenigermate uit-
gewerkt, later in het Tijdschrift te worden opgenomen, kunnen
zij hier worden voorbijgegaan. Alleen zij vermeld, dat van een
paar soorten, die vroeger slechts uit het zuidelijke deel der
Europesche fauna bekend waren, het nu gebleken is, dat zij
ook in Midden-Europa voorkomen. ZL. simplissima Löw is na-
melijk door Ruthe bij Berlijn gevonden, en Z. pulchella Löw
werd door spreker in de omstreken van den Haag aangetroffen.
Een dergelijk feit van wijde verbreiding, maar dat veel sterker
spreekt, bestaat daarin, dat door den heer J. Kinker een Psilopus &
bij Amsterdam is gevangen, hetwelk door spreker, zoodra het
onder zijne oogen kwam, voor eene soort herkend werd, die
nog niet in ons land was gevonden. Bij onderzoek bleek dit
voorwerp te zijn Ps. albonotatus, door Löw in zijne Neue
Beiträge V, p. 4, duidelijk beschreven. Intusschen was het te
verwonderen, dat deze soort in ons land voorkomt, omdat Löw
alleen exemplaren van het eiland Rhodus kende en de soort
overigens in Europa door niemand was gevonden. Nog meer
20 VERSLAG DER TWEE-EN-TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
steeg des sprekers verwondering, toen hij later bemerkte, dat Löw,
bij het behandelen der Noord-Americaansche Dolichopoden ', in
Psilopus pallens Wied., die in de Vereenigde Staten zeer ge-
woon schijnt te zijn, zijnen Ps. albonotatus van Rhodus had
herkend; en inderdaad beantwoordde ook het voorwerp van den
heer Kinker geheel aan de beschrijving in Wiedemann’s Auszer-
europäischen Zweiflügler.
Deze soort is derhalve in Noord-America gemeen, doch komt ook
voor in het Zuiden van Europa (eiland Rhodus) en ontbreekt ook niet
in de fauna van Midden-Europa, aangezien zij in ons land is gevangen.
In het museum te Weenen zijn, volgens Löw, een paar voor-
werpen van dezelfde soort geëtiquetteerd uit Nieuw-Holland; doch
Löw oppert twijfel, of het vaderland daarvan wel Juist is aangegeven.
De heer J. Bakker Jr. vertoonde eene voor onze Fauna nieuwe
Psyche (villosella Ochs.). De door rupsen bewoonde zakken dezer
soort, waarvan reeds vroeger ledige voorwerpen op de heide bij
Wolfhezen waren aangetroffen, had spreker in den loop van het
vorige najaar (1866), ten getale van ongeveer 20 op de Veluwe
gevonden, met heide (Calluna vulgaris) gevoed en gedurende
den winter overgehouden. Verder liet hij zakken van Psyche
umicolor Hfn. rondgaan en deed daarbij het onderscheid opmer-
ken tusschen die, waaruit mannelijke, en die uit welke vrouwe-
lijke vlinders waren gekomen; zijnde de woningen der laatsten
veel eenvoudiger en minder met stukjes van dorre bladeren be-
kleed dan de zakken der mannetjes. Dit onderscheid had spre-
ker bij een twaalftal zakjes, in het begin van Junij 1867 bij
Oosterbeek gevonden „ bevestigd gezien.
De heer P. C. T. Snellen deelde mede dat de heer de Roo
van Westmaas had bedacht om platina-draad te bezigen tot het
opsteken van kleine insecten, waartoe vroeger zilverdraad was
aangewend. Het groote voordeel van het platina-draad bestaat
daarin, dat het niet oxydeert, gelijk het zoogenaamde zilverdraad,
eigenlijk slechts verzilverd koper, welk laatste metaal zeer ligt
door de vetzuren der insectenligchamen wordt aangetast , hetwelk
» Neue Beiträge, VIII en Monographs of the Diptera of North- America, Il.
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 91
het ontstaan van eenen groenen aanslag ten gevolge heeft, die
de voorwerpen vernielt.
Verder liet de heer Snellen twee zeer opmerkelijke varieteiten,
of liever aberraties, van Larentia ferrugata L. en Montanaria WV.
ter bezigtiging rondgaan. Bij de afwijking van de eerstgenoemde
soort waren de voorvleugels genoegzaam eenkleurig grijs en alleen
de dwarslijnen, die bij typische voorwerpen het bruine midden-
veld begrenzen, donkerder. Het voorwerp van Montanata miste
den lichtbruinen middenband der voorvleugels bijna geheel;
alleen in een zwart, donkergrijs beschaduwd komma-teeken was
er een spoor van te zien.
De heer H. W. de Graaf zegt dat hij met den heer P. C.T.
Snellen eene supplement-lijst heeft zaamgesteld van Microlepi-
doptera nieuw voor de Fauna van Nederland. Zij hebben daarbij
tot hun genoegen gebruik kunnen maken van de welwillende
voorlichting en medewerking der heeren Stainton en Zeller.
In weerwil daarvan zien zij zich toch genoodzaakt een groot
aantal inlandsche specimina onvermeld te laten, omdat de deter-
minatie daarvan voor als nog niet met zekerheid te geven is.
De supplement-lijst zal niet, zoo als gewoonlijk, achter dit
verslag worden gevoegd, maar in eene afzonderlijke aflevering
van dit tijdschrift worden opgenomen, omdat er twee platen
bijgevoegd zullen worden, die nog niet gereed zijn. De teeke-
ningen daarvoor zijn door het geoefend penseel van den heer
Snellen van Vollenhoven vervaardigd.
Na deze mededeelingen en de daaruit ontspringende discus-
sien, sluit de voorzitter de vergadering.
Den volgenden dag maakte een zevental leden eene excursie
naar Maarsbergen met weinig hoop op goeden vangst wegens
het aanhoudende regenen van den vorigen dag en de stevige
bries, die nu woei. Desniettegenstaande werden de verschillende
collectien en ook die der Vereeniging met eenige zeldzame en
merkwaardige insecten verrijkt. Het zou voor de kennis onzer
fauna van belang zijn, indien de leden die aan zoodanige ex-
cursie deel nemen, den secretaris tijdig mededeeling wilden doen
van het buitengewone, dat door hen op dien dag is buit gemaakt.
LIJST DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
op 13 Julij 1867,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
EERE-LEDEN.
De heer C. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch
Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
» H. T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861.
n__n Dr. C. Felder, Lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis-
senschaften en Vice-President der K. K. Zool. Bot. Gesell-
schaft te Weenen. 1861.
» n Dr. H. Löw, Director der Real-Schule, te Meseritz in Posen.
1862.
» w# Prof. J. O. Westwood, F. L. S., Directeur van het Hopean
Museum te Ozford. 1862.
vw» À. E. W. Ludeking, Officier van gezondheid bij het Nederl.
Indische leger, thans met verlof in Huropa. 1862.
» » Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, Officier van gezond-
heid der 3de klasse, thans te ’s Gravenhage. 1864.
» w Prof. J. J. P. Hoffmann, te Leiden. 1865.
» » Prof. Dr. Carl Boheman, te Stockholm. 1861.
„ » Dr. Gustav L. Mayr, te Weenen. 1861.
BEGUNSTIGERS.
De heer Mr. C. W. Hubrecht, te Leiden. 1859.
» « C. G. B. Ontijd, Huize Rhienderstein bij Brummen. 1864.
v» wu J. Kneppelhout, te Arnhem. 1867.
CORRESPONDERENDE LEDEN.
De heer Th. Lacordaire, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Zuik.
1853.
vw» ©. Wesmael, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Brussel.
1853,
LIJST DER LEDEN ENZ. By
De heer Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de hoogere Burgerschool te
De
u
Aken. 1853.
Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
Dr. C. Stäl, professor aan het Kon. Zoologisch Museum te
Stockholm. 1864.
Frederic Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige
Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864,
J. W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te Londen. 1865.
Mr. J. W. van Lansberge, Secretaris-Generaal bij het Ministerie
van Buitenlandsche Zaken te ’s Gravenhage. 1865.
Prof. P. C. Zeller, te Meseritz. 1867.
W. Mink, Hoofdleeraar aan de hoogere Burgerschool te Cre-
feld. 1867.
GEWONE LEDEN.
184546.
heer Dr. J. G. Rombouts, te Amsterdam.
#
“
4
F. M. van der Wulp, Spui, n°. 60, te ’s Gravenhage, —
Diptera.
Dr. M. C. Verloren, huize Schothorst, te Hooglaud bij
Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
J. Backer Sr., te Oosterbeek. — Kweeking van Bomb,
Yama-mayu in de vrije natuur.
J. W. Lodeesen, Prinsengracht bij de Reestraat, KK, 561,
te Amsterdam. — Lepidoptera indigena.
Dr. J. R. E. van Laer, te Utrecht.
Th. J. van Campen, te Amsterdam.
D. P. H. J. Wellenbergh , Veeartsenijschool te Utrecht.
Mr. H. Verloren, te Utrecht. — Lepidoptera.
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Breedestraat , IV-276 ,
te Leiden. — Algemeene Entomologie.
W. O. Kerkhoven, te Amsterdam.
184647.
heer Jhr. J. C. Martens, te Meern bij Utrecht. — Coleoptera.
“”
Prof. J. van der Hoeven, Breedestraat, te Leiden. — Alge-
meene Zoologie.
1849-50.
De heer J. J. van Voorst, te Amsterdam.
De
“
1851-52.
heer R. T. Maitland, Directeur van den Koninkl. Zoolog. Botan.
u
“”
tuin te ’s Gravenhage. — Algemeene Entomologie.
P. C. T. Snellen, Nieuwe Haven, XII-145 , te Rotterdam.
Europesche Lepidoptera.
Dr. J. A. Herklots, te Soeterwoude bij Leiden. — Algem.
Entomologie.
24
LIJST DER LEDEN ENZ.
De heer Dr. M. Imans, te Utrecht.
LA
De
u
[4
[4
”
UA
heer
uw
Dr. W. A. J. van Geuns, Oude Gracht, te Utrecht.
1852—53.
N. H. de Graaf, Haarlemmerstraat, te Leiden. — Lepidoptera.
Mr. H. W. de Graaf, Oppert, VI-217, te Rotterdam. —
Lepidoptera.
G. M. de Graaf, te Leiden. — Lepidoptera.
Dr. L. A. J. Burgersdijk, professor aan het Athenaeum te
Deventer. — Algem. Entomol.
G. A. Six, Weerd-Cingel, wijk M, n°. 610°, te Utrecht. —
Hymenoptera.
Prof. W. Berlin, te Amsterdam.
1853-54.
Mr. J. P. van Wickevoort Crommelin, Groote Markt, te Haarlem.
1854-55.
Corn. Sepp, te Amsterdam.
Dr. C. de Gavere, te Groningen. — Algemeene Entomologie.
1855-56.
A. A. van Bemmelen, Directeur van den Zoologischen tuin
te Rotterdam. — Algemeene Entomologie.
Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen, te Velp. —
Lepidoptera.
M. Breukelman , Coolcingel, te Rotterdam.
1856-57.
Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Inlandsche Lepi-
doptera, bijzonder Microlepidoptera.
Mr. W. Albarda, Poelestraat, te Groningen.
A. P. H. Kuipers, te Leeuwarden.
Dr. A. W. M. van Hasselt, Domplein, te Utrecht. — Arachnidea.
1857258:
J. W. Schubärt, te Utrecht.
W. K. Grothe, te Zeist.
1858-59.
J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht. —
Lepidoptera.
J. Backer Jr., te Oosterbeek. — Lepidoptera.
1860—61.
J. Kinker, Oudezijds- Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort ,
B. 261, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
Dr. E. Piaget, Kortenaarstraat, te Rotterdam. — Diptera en
Parasitica.
H. Weijenbergh Jr., phil. nat. stud. , Rozenlust , bij Haarlem. —
Lepidoptera.
De
De
heer
heer
NAAMLIJST DER LEDEN ENZ. 95
1861-62.
H. Hartogh Heys van de Lier, te Delft. — Entomologische
Bibliographie.
1862-63.
H. Baron Lewe van Middelstum, te Beek bij Nijmegen. —
Lepidoptera.
F. ter Meer, te Haarlem.
1863-64.
heer Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van Ellemeet, te Oosé-Capelle
bij Middelburg.
M. G. van Woerden, Botersloot, te Rotterdam. — Lepi-
doptera.
Mr. R. Th. Bijleveld, Rapenburg, te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
Prof. M. Salverda, te Groningen. — Vergelijkende ontleedkunde.
M. Snellen, te Delft.
D. J. R. Jordens, Sussenpoorterwal , F, 3471, te Zwolle, —
Lepidoptera.
1864—65.
Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Lepidoptera.
H. J. Veth, Phil. nat. stud. , te Leiden. — Lepidoptera.
H. W. Groll, Lange Viesteeg , te Utrecht. — Coleoptera.
1865-66.
heer Dr. H. C. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat, te
#
Arnhem. — Lepidoptera.
W. J. Boogaard , Kleine Houtstraat, te Haarlem. — Micro-
lepidoptera en Hymenoptera.
A. Brants, Student in de regten, te Leiden. — Lepidoptera.
1866-67.
F. J. M. Heylaerts Jr., te Breda. — Lepidoptera enz.
N. W. P. Rauwenhoff, Leeraar aan de hoogere Burgerschool
te Rotterdam. — Algemeene Zoologie.
A. van den Brandt, te Venlo, — Lepidoptera.
1867-68.
De Heer C. Ritsema Cz., Phil. nat. stud., te Leiden. — Hymenoptera.
”
W
Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil. nat. Doct. te Delft.
BIBLIOTHEEK
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
Bijgekomen Boeken 1865/67.
eK
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche Ento-
mologische Vereeniging, deel VIII, afl. 6.
Annuaire de l’Académie Royale des sciences, des lettres et des beaux
arts de Belgique, 1865 et 1866.
Annual report of the board of regents of the Smithsonian Institution
for 1864. Washington 1865.
The Entomologist’s annual, London 1866.
Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch Indië, deel XXVII en XXVIII,
1864—65.
Berliner entomologische Zeitschrift, herausgegeben von dem entomologi-
schen Vereine in Berlin, Jahrgang IX und X, 1855—66.
Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van weten-
schappen, Afdeeling Natuurkunde, deel XVII, 1865.
The entomologist’s mounthly Magazine, vol. II, London 1864.
List of the Linnean Society of London, 1865.
Entomologische Zeitung, herausgegeben vom dem entomologischen Ve-
reine zu Stettin, Jahrgang XXVI und XXVII, 1865 und 66.
Verhandlungen des zoologisch botanischen Vereins in Wien, Band XV
und XVI, 1865—66.
Bericht des Offenbacher Vereins für Naturkunde über seine Thatigkeit,
n°, VI, 1865.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VER. 97
Annales de la Société entomologique de France, Paris, IV* Série,
tome V, 1865.
Korrespondenzblatt des zoologisch-mineralogischen Vereins in Regens-
burg, 1865, Jahrgang XIX.
Proceedings (The) of the scientific Meetings of the Zoological Society
of London, 1865.
Bulletins de l’Académie Royale des sciences, des lettres et des beaux
arts de Belgique, 2° Série, 1865 et 66, tome XX et XXI.
Abhandlungen, herausgegeben vom naturwissenschaftlichen Vereine zu
Bremen, 1866, I Bd. 1° Heft.
Morawitz (A.), Mélanges biologiques , 1862—64. 4 parties. (Geschenk
van den schrijver).
Siebke (H.), Entomologiske undersogelser, i aarene 1864 og 1865,
Christiania 1866.
Sars , Oversigt af norges echinodermer, ib. 1861.
Stal (C.), Monographie des Chrysomélides de l'Amérique, Upsal 1865,
tome III.
Boheman (C. M.), Monographia Cassididarum, Holmiæ, 1850—62,
4 vol. (Geschenk van den schrijver).
‚ Insecta Caffrariae, annis 1838—45, a J. A. Wahl-
berg collecta, ib. 1848—57, 2 tomi, 3 partes. (Geschenk van
den Schrijver).
Naamlijst van torren, volgens de rangschikking van A. J. Olivier,
MS. fol. (Geschenk van den Heer Sepp).
Schäffer (J. C.), Zweifel und Schwierigkeiten welche in der Insecten-
lehre annoch vorwalten. Regensburg 1766. (Geschenk van den
Heer Sepp).
Maurin (A.), Invasion des sauterelles, Paris 1866.
Van der Wulp (F. M.), Beschrijving van eenige nieuwe of twijfelachtige
soorten van Diptera, uit de familie der Nemocera. (Overdruk).
Moore (F.), List of diurnal Lepidoptera, collected by A. M. Lang in
the N. W. Himalaya. (Overdruk).
, On the Lepidopterons insects of Bengal. (Overdruk).
Stal (C.), Hemiptera Africana, tom. I—IV, Holmiæ 1864—65.
98 BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VER.
Snellen v. Vollenhoven (S. C.), Diagnosen van eenige nieuwe soorten
van Hemiptera Heteroptera. (Overdruk).
Moses Harris, Exposition of English Insects, including the several
classes of Neuroptera, Hymenoptera et Diptera, Exhibiting on
51 copper Plates near 500 Figures etc. London 1782. (Geschenk
van den Heer F. J. M. Heylaerts Jr.).
Bulletin du Congrès international de botanique et d’horticulture , réuni
à Amsterdam les 7, 8, 10 en 11 Avril 1865. (Geschenk van
het Congres).
Bulletin de la Société Linnéene de Normandie. X° vol. Années 1864—65.
Caen 1866. (In ruil tegen het Tijdschrift).
Een woord over de Veepest, uitgegeven voor rekening van het Hoofd-
bestuur van het Genootschap ter bevordering van den landbouw
in Drenthe. (Geschenk van het Genootschap).
Mededeelingen en berigten van het Hoofdbestuur en van de afdeelingen
der Hollandsche Maatschappij van Landbouw. 1865 n°. 1 en 2
en 1866 n°. 1, 2 en 3. (Geschenk van de Maatschappij).
Wandelende bladen. Overgedrukt uit het Jaarb. van Natura Artis Ma-
gistra, 1866. (Geschenk van Prof. Cl. Mulder).
(Het vervolg in de volgende lijst.)
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
De Nederlandsche Entomologische Vereeniging ontving:
November 1866.
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society for the
year
1865. 3 Parts. Zonder platen.
Entom. inhoud :
Part
Part
Part
I. Niets.
IT. Description of Six New Species of Diurnal Lepidoptera
in the British Museum Collection. By A. G. Butler. Pag. 430.
(Papilio virgatus, Syria. Pieris Glauce, Borneo. Anthocharis
Phlegyas, White Nile. Gonepteryx Gobrius, Borneo. Heli-
conia Vulcanus, Demerary. Danais Oenone, Philipp Isl.)
Description of Six New Species of Exotic Butterflies in the
Collection of the British Museum. By A. G. Butler. Pag. 455.
(Pieris Pactolicus, Bogota. Pieris eruentata, Mysol. Pieris
vecticlusa, ? Pieris avivolans, Mexico. Gonepteryx Urania,
North-India. Callidryas bracteolata, Brasil.)
Descriptions of the Characters of Six New Species of Rhopaloc.
Lepidopt. in the Collection of the British Museum. By
A. G. Butler. Pag. 481. (Danais inuncta, Waigiou. Cy-
restis Achates, Mysol. Cyrestis sericeus, Borneo. Victorina
Aphrodite, Mexico. Zeuridia amethystus, Sumatra. Hetero-
chroa Californica, California.)
List of Diurnal Lepidoptera, collected by Capt. A. M. Lang
in the N. W. Himalayas: by Frederic Moore. Pag. 486.
III. Monograph of the Species of Charaxes, by Arthur
G. Butler. Pag. 622. — Descriptions of Six Butterflies
new to Science, belonging to the Genera Heterochroa and
Romaleosoma; by Arthur G. Butler. Pag. 667. — Note on
the presence of Teeth on the Maxillae of Spiders; by Miss
Staveley. Pag. 673. — Description of a new Species of
Cetonia, with remarks on the allied Species; by Arthur
G. Butler. Pag. 729. (Schizorhina ebenina, Oceania). Report
50 INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
of the Council of the Zoological Society of London read at the
annual general Meeting. April 1866.
Abbandlungen, herausgegeben vom Naturwissenschaftlichen Vereine zu
Bremen. 1 Bd. 1 Heft.
2 exx. Geschenk.
Bevat niets entomologisch.
December 1866.
Annales de la Société entomologique de France. 4° Série. Tome cinquième.
Inhoud :
1 Trimestre. — Boieldieu, Coléopt. nouveaux des îles d’Eubee
et Baléares. — F. de Saulcy, Esp. nouv. du genre Articerus
(Syriacus) ; genre nouveau et esp. nouvelle (Scotodylus pa-
radoæus). — Chevrolat, Coléopt. de l’île de Cuba (suite). —
L. Fairmaire, Monographie des Chrysomèles de Suffrian
(traduction, suite). — Guérin-Méneville, sur une Chalcidite
sortie des pépins d’une pomme. — Lucas, Mue de la My-
gale bicolor. — Guenée, Souvenirs de Zermath. — J. Fallou,
Note et description relative à la Setina Andereggii; Note
sur une var. de Polyommatus Virgaureae; Aberration de
Melitaea Parthenie. — Bellier de la Chavignerie, Noctuelle
nouv. de Corse, Caradrina variabilis. — Girard, Note sur
les femelles aptêres du genre Hibernia et note sur une
double aberration de Lycaena Adonis. — Signoret, quelques
Hémiptères nouveaux, propres à la faune française. —
Puton, nouv. esp. de Malacoderme (Malachins Barnevillei). —
Milne Edwards, Crustacés nouveaux, tribu des Maiens. —
Desmarest, Bulletin des séances.
2° Trimestre. — Milne Edwards, Crustacés nouveaux (suite). —
Montrouzier, Crustacés nouveaux de Ja Nouv. Calédonie. —
C. Stal, Hemiptera nova vel minus cognita. — A. Constant
fils, 15 nouvelles esp. europ. de Lépidoptères. — Mathan,
Note sur Z’Ochthebius Lejolisii Mulsant. — Lucas, Note
sur les Plusiotis Adelaida et Costata, Rutélides. — Lucas,
Note sur le genre Diodyrhynchus Germ. (Rhinomacérides). —
Desbrochers des Loges, nouv. espèces de Coleopt. français. —
Laboulbène, Liste des travaux d’entomologie, publiés de
1811 à 1864, par M. Léon Dufour. — Desmarest, Bulletin
des séances.
3° Trimestre, — Laboulbène, Travaux de Léon Dufour, suite. —
Brisout de Barneville, Monogr. des espèces europ. et algé-
riennes du genre Orchestes. — Wankowicz, Coléopt. nou-
veaux de Lithuanie. — Guenée, Procris Statices, Geryon
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. 51
et Micans et Lithosia vitellina. — Lucas, Observations
sur le genre Zriodon, Araneides. — Kirby (W. J.), Cata-
logue des Rhopalocères d'Europe dont les chenilles ne sont
pas connues. — Sichel, Études hymenopterologiques (Ozaea
Klug, Phasganophora Westw. et Conura Spinola). — Des-
marest, Bulletin des séances.
4 Trimestre. — Sichel, Révision du genre Sphecodes Latr. et
moeurs de ces insectes nidifiants et non parasites. — Revi-
sion des genres Stephanus Jurine et Megischus Brullé. —
Le même, Abia aurulenta, sp. nov. — Goossens, Notice
sur la préparation des chenilles. — Fallou, Argynnis Paphia,
hermophr. — Lucas, var. du CArysophanus Phlaeas et de
la Leuconea Crataegi. — Perris, nouv. espèces de Coléopt. —
Jekel, Classification natur. des Geotrupes de Latr. — Bri-
sout de Barneville, sur les genres Gymnetron, Bagous et
Acalles. — Reiche, Mylabrides de sa collection et note
sur le genre Zrigonurus Mulsant. — Kiesenwetter, Notice
sur la vie et les travaux du docteur H. Schaum. — Des-
marest, Notice sur la vie et les travaux de L. P. Gratiolet. —
Fairmaire, Larve de la Phaleria cadaverina. — Desmarest,
Bulletin des séances; Bulletin bibliographique et liste des
membres de la société.
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. 1865,
n°. 4 et 1866, n°. 1.
Entom. inhoud :
1865, n°. 4.
V. Motschulsky. Enumération des nouvelles espèces de Co-
l&opteres, rapportés de ses voyages, — J. H. Kawall, Die
den genuinen Ichneumoniden verwandten Tribus in Rus-
land, vorzugsweise in Kurland.
1866,..0%., 1.
V. de Motschoulsky , Catalogue des insectes reçus du Japon.
Januarij 1867.
Van de »Kongelige Norske Universitet i Christiania. Geschenk:
Dr. Michael Sars, Oversigt af Norges Echinodermer, in 80.
pagg. 160 met 16 platen.
H. Siebke, Entomologiske Undersogelser i Aarene 1864 og
1865. — In 8°. pagg. 48.
(Dit laatste bevat verhalen van twee zomerreizen, benevens
eene opgaaf van gevangen Diptera).
52 INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
Van het Stettiner Entomologische Verein, in ruil tegen het tijdschrift :
Entomologische Zeitung, 27° Jahrgang (1866).
Inhoud:
Heft 1. — Zeller: über Sepp’s Werk. Hopffer: neue Papilionen
Putzeys: Clivinides. Staudinger: über Colias. Drei neue
Sesien. Zur Gattung Heliodes. Hagen: über Léon Dufour. C. A.
Dohrn: Fang der Höhlenkäfer. Wagner: Diplosis Tritici et
et aurantia. Suffrian: Synon. Miscellen. Keferstem : Lepid.
Mittheilung. Literatur (Taschenberg, Hymenopteren, Brun-
ner, System der Blatten, Cornelius, Zug- und Wander-
thiere). Philippi: Chilenische Insekten. Vereinsangelegen-
heiten. Hopffer: über Cenea (Stoll). Teich: Lepid. Mit-
theilungen.
Heft 2. — Zeller: Amer. Wickler und Crambiden. Suffrian :
Synon. Misc. (Chrysomela). Dohrn: Cassida Desertorum,
Lacordaire Genera VII. Wagner: Diplosis Tritici (Schluss).
Hagen: Psociden. Bethe: Platyderus und Haptoderus. Sam-
melbericht. Suffrian : Synon. Misc. (Cryptocephalus). Vereins-
angelegenheiten. Necrolog (von Heyden). Behr. Calif. Rho-
palocera. Keferstein: Lesefrüchte. Dohrn: Literatur (Lin-
naea Ent. XVI. Murray, Nitidula, Saussure und Sichel
Scolia, Dietrich Zürich’s Käferfauna).
Heft 3. — Hagen: Psociden. Helicopsyche-Gehäuse. Vereins-
Angelegenheiten. Notiz über De Geer. Dohrn: Sphenoptera
Beckeri. v. Heyden: Bemerkungen über Coleopt. aus Fin-
marken v. Prittwitz: Literarisches (Koch, Vollenhoven , Sepp).
Dohrn: Literatur (Chapuis, Matthews). Hagen: Pictet’s
Neuropt. von Spanien. Heinrich Dohrn: Reise (Schluss).
Staudinger: Otto Grüner, Stendel: Gelechia sepiella. Dohrn:
Antilocale Bedenken.
Heft 4. — Anton Dohrn: Zur Anatomie der Hemipteren. C. A.
Dohrn: Rutela coerulea Perty. Zeller: Senta maritima. C. A.
Dohrn: Homalocerus nigripennis. Claus: Psyche helix. Mac
Lachlan: Lasiocephalus taurus. Darwin: Entom. Notizen.
C. A. Dohrn: Entomogrip. Aberrationen. Hagen: Heme-
robius, Synopsis synonym. Anton Dohrn: Physiologische
und biologische Notizen. — Pfeil’s Necrolog.
Februarij 1567.
J. P. I. Koltz, Les petits ennemis de la Betterave. In 8°. met hout-
sneden.
Geschenk van den schrijver.
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. dd
Berliner Entomologische Zeitschrift, Zehnter Jahrgang (1866) Viertes
Vierteljahrsheft.
Inhoud :
Prof. Schenck, Hymenoptera aculeata Germania, — G. Kraatz,
Ueber die Bockkäfer-Gattungen Dolocerus Muls. und Bra-
chypterona Heyden. — Dr. C. Hampe, Beschreibung einiger
neuen Käfer. — W. Scriba, Beitrag zur Kenntniss der
Staphylinen Unteritaliens. — Analecta hemipterologica ,
auctore Carolo Stäl. — J. Gerhardt, über Linnebius. —
Sammelberichte von W. Klotze, Gerhardt und Michow. —
G. Kraatz, Synonymische Bemerkungen und Neuere Literatur.
Een werk getiteld : Société des Amis des Sciences Naturelles de Rouen. —
Première année. 1865.
Ten geschenke van het genootschap, met verzoek om in ruil van
geschriften te treden.
Entom. inhoud :
Eenige kleine aanteekeningen in het Compte-rendu des travaux
de la Société, pendant l’année 1865. — Desgelijks in
Rapport sur l’excursion à Villequier. — Ducondré, Note
sur l’habitat du Nacerdes melanura. — Le même, Note
sur le ver à soie de l’Ailante. — Lacaille, Note sur les
dégats causés par l’Urocere géant,
Maart 1867.
Verhandlungen der K. K. zoologisch-botanischen Gesellschaft in Wien.
Jahrgang 1866, Band XVI. — In ruil tegen het Tijdschrift.
Entom. inhoud.
G. von Frauenfeld, Beschreibung der Larven und Puppen von
Ditomyia fasciata Meig. p. 200. — H. Hagen, Psocinorum
et Embidinorum Synopsis synonymica. p. 201. — J. Mik,
Beitrag zur Dipterenfauna des österr. Küstenlandes p. 301
met een plaat. — J. Mann, In der Dobrudscha gesam-
melte Schmetterlinge met fig. p. 321. — Gust. L. Mayr,
Diagnosen neuer Hemipteren p. 361. — Graf Ferrari,
Drei neue österreichische Käfer. p. 367. — G. von Frauen-
feld, Zool. Miscellen VIII Ueber Thereva, p. 447. — F. X.
Fieber, Neue Gattungen und Arten von Cicadina met
p. 497. — Derselbe, Grundzüge zur generischen Tei-
lung der Delphacini met Tafel. p. 517. — G. v. Frauenfeld,
Zool. Miscellen TX. Teichobia verheullella et Phyllo-
toma melanopyga p. 552. — F. Brauer, Beschreibungen
neuer exotischer Libellen. p. 563, — Prach , Monographie
der Thomisiden , met Taf, p. 597. — G. von Frauenfeld ,
8
54 INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
Ueber landwirthschaftliche Insektenschaden. p. 641. — Brauer,
Ueher Oestromyia leporina Pall. p. 647. — Dr. J. R. Schiner,
Die Wiedemannschen Asiliden, mit Tafel. p. 649. — L.
Miller, Neue Käfer-Arten. p. 817. — G. R. v. Frauenfeld ,
Weitere Mittheilung über die Raspwespe, 839. — Schiner,
Nachtrag über die Asiliden W.’s. p. 845. — Brauer, Ein
Oestride aus dem Rachen des afr. Elephanten, p. 879. —
Dr. Gust. Mayr, Diagnosen neuer Formiciden. p. 885. —
Dr. Schiner, Bericht über die von der Fregatte Novara
mitgebragten Dipteren, p. 927. — Dr. Franz Löw, Zoolo-
gische Notizen, p. 943. — v. Frauenfeld, Zoologische
Miscellen, Käfer. p. 961. — Brauer, Zusätze und Be-
richtigungen zu Hagen’s Hemerobidarum Synopsis und Be-
schreibung einer neuen Nymphiden-Gattung aus Australien.
p. 983. — Rud. Damianitsch, Hymenopterologische Beiträge
(Taf. 21). p. 993. — Al. Rogenhofer, Zur lepid. Fauna
Oesterreichs.
Maart 1867.
Van hetzelfde genootschap:
1.-Nachträge zur Flora von Nieder-Oesterreich von Dr. August
Neilreich.
2. Contribuzione della Fauna dei molluschi Dalmati per Spiri-
dione Brusina.
Afzonderlijk van den Heer G. Ritter von Frauenfeld de overdrukken
der opstellen door hem in het 16° deel der zoo even vermelde
Verhandlungen geplaatst.
April 186%.
Correspondenz-Blatt des Zoologisch-mineralogischem Vereines in Regens-
burg. Ten geschenke van die Vereeniging.
Entom. inkoud:
Gredler, Bericht über Zuchtversuche der Saturnia Cynthia in
Bozen. — Herrich-Schaeffer, Eine für Deutschland neue
Geometrine. — Jäckel, Beitrag zu der Frage von welchem
Sinne die Inseeten bei Aufsuchung ihrer Nahrung geleitet
werden. — Herrich-Schaeffer, Schmetterlinge aus Cuba. —
Referate über Literatur.
Diagnosen van eenige nieuwe soorten van Hemiptera Heteroptera door
S. C. Snellen van Vollenhoven.
Geschenk van den schrijver.
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. 35
Junij 1867.
Abhandlungen herausgegeben vom naturwissenschaftlichen Vereine zu
Bremen. 1 Bd. 2 Heft.
Geschenk van het Genootschap. Behelst niets over entomologie.
Julij 1867.
Annales de la Société entomologique de France 4™ Série, Tome 6°me,
1866—67. In ruil tegen het Tijdschrift.
Inhoud :
1° Trimestre. — Grenier, Discours. — Fairmaire et Coquerel ,
Col. de Barbarie 4° part. — de Lansberge, Deux nouv.
esp. du genre Agra, originaires de la Guiane holland. —
de Chandoir, Additions à la revision du genre Agra; Mo-
nogr. du genre Platyderus et description d’une nouv. esp.
de Nebria d'Espagne. — E. Simon, Monographie des esp.
europ. du genre Pholcus, — Bellier de la Chavignerie,
Note sur les moeurs de l’Acmaeodera ovis Chevr. —
Jourdheuil, Note sur une aberration de la Chelonia Quen-
sel. — Künckel, Sur les ravages causés par le ver gris
(Agrotis Segetum). — Signoret, Revue du groupe de Tet-
tigométrides, — Desmarest, Bulletin des séances.
21 Trimestre. — Signoret, Tettigométrides, fin. — Aubé,
Descript. de nouv. esp. de Coléopt. de France ; nouveaux
matériaux pour servir à l’étude des Apion. — Goureau,
Sur les larves de quelques insectes. — Mac-Lachlan , Des-
cription du Melannodes Zelleri n. gen. Trichoptères. —
Perris, Descript. de quelques ins. nouveaux. — J. Giraud,
Communic, sur div. Galles du Chêne ete. — Bigot, Nouv.
genre et nouv. esp. de Diptères (Anaeropsis Lorgninii). —
A. Milne Edwards, Trois nouv, esp. du genre Boscia. —
M. Girard , Note relative à des expériences sur l’action des
courants électriques sur les chrysalides de Lépidoptères, —
H. Lucas, Sur une nouv. esp. d’Arachnide Trachéenne ,
Scotolemon Querilhaci ; Quelques remarques sur les Lépid.
du genre Argynnis et descr. d’une nouvelle esp.; Idem,
Note sur un fourreau appartenant à un Lépid. de la tribu
des Psychides. Idem, Note sur une nouv. esp. de Carabus
(stenocephalus). — M. A. Rojas, Etudes entom. suite. —
Catal. des Longicornes de la prov. de Caracas. — L. Fair-
maire, Notice sur les Coléopt. recoltés par M. Lederer sur
le Bosz-Dagh (Asie mineure). — E. Simon, Sur quelques
Araignées d'Espagne, — FP. Desmarest , Bulletin.
56 INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
3me Trimestre. Ch. Coquerel, Faune de Bourbon, Coléopt. —
Idem , Des différentes espèces de Bombyx, qui donnent de
la soie à Madagascar. — F. de Vuillefroy, Coléopt. nou-
veaux trouvés en Espagne. — Putzeys, Amarides et Clivi-
nides, trouvés en Espagne. — Brisout de Barneville, Coléopt.
nouveaux trouvés en Espagne. — Girard, Notes sur la
sériciculture. — H. Lucas, Note sur 2 varr. du Geotrupes
vernalis. — J. Giraud, Ins. qui habitant les tiges sèches
de la Ronce. — E. Desmarest, Bulletin des séances.
4=e Trimestre. Piochard de la Brulerie, Rapport sur l’Excur-
sion faite en Espagne. — Mabille, Sur les Lépid. de la
Corse. — M. Girard, Sur l’aberration ¢araxacotdes du
Bombyx castrensis; Note sur une aberration de la Pyra-
meis Atalanta; Sur l’emploi des poulaillers roulants. — L.
Reiche, Quelques remarques sur la monogr. du genre
Anthazia. — Laboulbene, Sur la préparation des Ins. de
la taille la plus exigué. — Goossens, Du phénol. — Sallé,
Notice nécrologique sur Dr. M. A. Rojas. — Signoret, d°.
sur J. B. Amyot. — H. Deyrolle, d°. sur A. Moufflet. —
Desmarest, Bulletin, Bulletin bibliogr. etc.
Augustus 186”.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indie. Deel 29 of zesde
Serie, Deel IV. Afl. 2—4. Van de Kon. natuurk. Vereeniging
in Nederl. Indie.
Bevat niets entomologisch.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou. Année
1866. N® III et IV.
Entom. inhoud :
III. Catalogue des Lépidoptères rapportés des environs du fleuve
Amour, par v. Motschulsky. — Enumération des espèces
de Coléoptères rapporteés de ses voyages, par v. Mot-
schulsky. 5" article. — Entomologische Notiz von K.
Lindemann,
IV bevat niets over entomologie.
September 1867,
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society of
London for the year 1866.
Entom. inhoud :
A. G. Butler, Descriptions of some new Exotic Butterflies in
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. 37
the National Collection. — Idem, A Monograph of the
Diurnal Lepidopt. belonging to the Genus Danais. —
Idem, Note on the Genus Brahmaea of Walker. — Idem,
Supplement to a Monograph of the Genus Danais. —
Idem, A Revision of the Genus Hypna with descriptions
of the new, Species. — F. P. Pascoe, Catalogue of Lon-
gicorn Coleopt. collected in the Island of Penang by James
Lamb. Part. 1. — A. G. Butler, A Monograph of the
Diurnal Lepid. belonging to the Genus Huploea. — Exhi-
bition by Mr. W. H. Flower of some Insects taken on
board a ship at sea. — H. W. Bates, On a collection of
Coleoptera from Formosa, sent home by R. Swinhoe, Esq. —
A. R. Wallace and Fr. Moore, List of Lepidopterous Insects
collected at Takow, Formosa, by R. Swinhoe. — A. G.
Butler, Corrections and additions to certain Papers on Lepi-
doptera, published during the years 1865—66. — Idem,
A Monograph of the Genus Zupéychia (Fam. Satyridae). —
F. P. Pascoe, Catal. of Longic. Col. collected in the Island
of Penang, Part. 2. — Dr. J. Kaup, Description of two
new species of the Genus Bacillus Latr. — A. G. Butler,
Note on some species of Butterflies, belonging to the Genus
Catagramma. — James Murie, On the Occurence of Oestrus
Tarandi L. in a Reindeer in the Society’s Gardens.
The Journal of the Linnean Society. — Zoology. Vol. IX. N°. 34 et 35.
Entom. inhoud :
A. G. Butler, A List of the Diurnal Lepidoptera recently col-
lected by Mr. Whitely in Hokodadi (Japan). F. P. Pascoe,
On the Longicornia of Australia, with a List of all the
described species. — Sir John Lubbock, On Pauropus, a
New Type of Centipede.
Schriften der K. Physicalisch-oekonomischen Gesellschaft zu Königsberg.
6° und 7° Jahrgang 1865 und 1866.
Entom. inhoud :
6° Jahrgang. — C. G. A. Brischke und Prof. Dr. Zaddach ,
Beobachtungen über die Arten der Blatt- und Holzwespen,
3° Abhandl. (Zyda).
jer Jahrgang. — Dr. Lentz, Zweiter Nachtrag zum neuen Ver-
zeichniss der Preussischen Käfer.
Acta Universitatis Lundensis, 1865 in tribus partibus in 4°.
Geschenk der Academie.
Bevat niets over entomologie.
58 INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
Annuaire de l’Académie Royale des Sciences, des lettres et des beaux-
arts de Belgique. 1867.
Geschenk der Academie.
Bulletins de l’Académie royale des sciences, des lettres et des Beaux-
Arts de Belgique. 1866 et 1867.
Entom. inhoud :
1866. Felix Plateau, sur la force musculaire des insectes ; et
rapport de M. Poelman sur ce travail.
1867. Coemans, Notice sur un insecte et un gastéropode pul-
moné du terrain houiller. — F. Plateau, Observations sur
Vareyronéte aquatique, — Terby, Sur le procédé qu’em-
ployent les araignées pour relier des points éloignés par
un fil,
Voorts in den loop van het maatschappelijk jaar:
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. X™ vol. Année
1864—65. Caen 1866.
Entom. inhoud :
Etudes sur ies Staphylinides de Amérique centrale, principale-
ment du Mexique, par M. A. Fauvel (Phlaeocharini ,
Omalini, Oxytelini, Oxypori). Remarques synonymiques
sur un certain nombre de Coléoptères de la famille des
Staphylinides, par M. A. Fauvel. — Notes sur les Sphaeria
qui se développent sur les chenilles, par M. Eudes-Des-
longchamps. — Observations de M. A. Fauvel sur la
possibilité de rencontrer des insectes aveugles dans les
grottes de stalactites des îles Loyalty. — Excursion de la
société à Falaise, le 16 juillet 1865. Partie entomologique,
par M. A. Fauvel. — Insectes coléoptères Staphilinides du
Chili, par M. A. Fauvel (Aleocharini, Tachyporinini ,
Staphylinini genuini, Xantholinini).
The Entomologist’s Annual for 1867, with a plain plate.
Inhoud :
Hemiptera. The British Hemiptera. Vol 1. Hemiptera-Hetero-
ptera. By J. W. Douglas and John Scott. (Eene aankondi-
ging van dit werk.)
Coleoptera. New Britisch Species, Corrections of Nomenclature
etc., noticed since the publication of the Entomologist’s
Annual, 1866. By E. C. Rye.
Lepidoptera. Observations on Tineina and new British Tineina.
By H. T. Stainton. — Notes on new and rare British
Lepidoptera (excepting Tineina) in 1866, By H. G. Knaggs.
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. 59
„ Beetles». By Martin F. Tupper.
In memoriam — Carl von Heyden.
Op de plaat zijn voorgesteld: Cryptophagus Waterhouse: ,
Macronychus quadrituberculatus , Telephorus Darwinianus ,
Anisotoma Silesiaca, Dichrorampha flavidorsana Knaggs,
Tortrix ochreana Hübn. en Xylina Zinckenii.
The Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. 3. 1866 en 1867. Met
2 platen.
Inhoud :
Description of a British species of Scoparia (Eudorea) new to
science (zijnde Scop. basistrigalis). By Knaggs. — The
Lepidoptera of Ireland. By Edw. Birschall. — Observations
on the economy etc. of a larva of Nepéicula aurella, together
with some remarks respecting the habits of the parasite of
that species. By Ch. Healy. — An essay towards a Know-
ledge of British Homoptera. By the Rev. Marschall. (Ver-
volg van Dl. 2.) — Additions to the British Fauna (He-
miptera). By Douglas and Scott. (Vervolg van DI. 2). —
On a new method of collecting Micro (and other) lepi-
doptera. By Barrett. — About aquatic hemiptera. By Dou-
glas. — Notes on collecting, management etc. (Lepidoptera).
By Knaggs. — On the similarity of the insects of North
America and of England. Bij Jordan. — New species of
Butterflies from Guatemala and Panama. By Bates. —
Remarks on the distinctiveness of certain species of Erycina.
By Butler. — Observations on Tineina. By Stainton. — Des-
criptions of some new species of Diurnal Lepidoptera in the
collection of the British Museum. By Butler. — A few
words about Gelechia triannulella. By Stainton. — Des-
cription of a new species of Cryptophagus. By Rye. — Des-
criptions of new species of Brachelytra. By Rye. — A few
words on the Gall-making aphides of the elm. By M’Lachlan.
— Notes on the British species of Eunomos. By the Rev.
Hellins. — Description of a new genus of diurnal Lepido-
ptera belonging to the family Erycinidae; with characters
of two new species. By Butler. — Description of a new
species of Tortrieina (Dichrorampha flavidorsana). By
Knaggs. — A monograph of the British Psocidae. By
M’Lachlan. — Observations on the study of Gall-flies (Cy-
nipidae). By Smith. — Description of a new genus and
species of British Hymenoptera, allied to Pezomachus. By
the Rev. Marschall. — On some peculiarities in the deve-
lopment of Hemiptera-Heteroptera. By Douglas. — Descrip-
tion of an hithertho unacknowledged species of Scoparia
40
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
(5. ulmella, Dale.). By Knaggs. — Corrections of errors
hitherto existing in the nomenclature of several species of
* the genus Nymphidium. By Butler. — Descriptions of
British Hymenoptera (Proctotrupidae) new to science. By
the Rev. Marschall. — Description of a new species of
Elater. By Rye. — Verder bevat dit deel eene menigte
korte opgaven betreffende levenswijze, voorkomen in En-
geland enz. van een menigte insekten, meest Lepidoptera.
The Entomologist: a Journal of British Entomology. Conducted by
Edward Newman. London 1867. Afleveringen 1 tot en met 5.
Inhoud. (Behalve eene menigte Entomological Notes and captu-
The
res, Proceedings of the Entomological society of London enz.):
Irish list of Lepidoptera. By Edw. Birchall. — Notes on
aculeate Hymenoptera observed in 1866. By F. Smith, —
Notes on the habits of Mpeira apoclisa. By F. Smith. —
Life-history of Péerophorus lithodactylus and osteodactylus.
By Gregson. — Irish Insect-huntings grounds. By Birchall.
—- Variation in Lepidoptera. By Gregson. — Heliothis
armiger and the Army-worm. By Muller. — Habits of
Epeira apoclisa. By the Rev. Cambridge. — Life-history
of Satyrus Aegeria, Tithonus, Lycaena boetica. By New-
man, — Description of the larva of Phibalapteryx vitalbata,
Epunda viminalis , Herminia grisealis, Pionea margaritalis,
Yponomeuta padella, Depressaria carduella. By Gregson. —
Naclia ancilla a British insect. By Newman. — A revision
of the British species of the genus Bombus, gevolgd van
een List of species. By Smith.
Bijlage.
LIJST VAN COLEOPTERA,
nieuw voor de Fauna van Nederland, Julij 1867,
medegedeeld door J. KINKER, Amsterdam.
10.
12.
13.
u
. Anchomenus Thoreyi Dej., Maart, bij Amsterdam, aan den Schinkel,
onder steenen.
. Bradycellus pubescens, Payk., April, bij Amsterdam , aan den IJ kant,
onder dood riet op klei.
. Acupalpus dorsalis Gyll., April, bij Amsterdam en Overveen, in
dorre bladen.
. Acupalpus exiguus Dej., Maart, bij Amsterdam, Rozenburg, uit Hypnum.
. Bembidium obtusum Dej., Mei, bij Amsterdam, aan den IJkant,
onder aangespoeld riet enz.
assimile Gyll., Maart, bij Amsterdam, aan den Schinkel,
onder aangespoeld riet enz.
flammulatum Clairv., April, bij Amsterdam, in Fran-
kendaal , onder steenen.
varium Oliv., | Februarij, te Hillegom, uit Hypnum.
ustulatum Ill., ? April Mei, bij Amsterdam, aan den
IJkant, onder steenen en aangespoeld riet enz.
tibiale Dft., Mei, bij Amsterdam, aan den IJkant,
onder aangespoeld riet enz.
decorum Panz., April, bij Amsterdam, op het Zaagpad,
onder steenen.
pusillum Gyll., Maart, bij Amsterdam, Rozenburg,
uit Hypnum.
idem " Mei, bij Amsterdam, aan den IJkant,
onder aangespoeld riet enz.
glaciale Heer, Maart, bij Amsterdam, aan den IJkant,
onder steenen.
bipunctatum L., April, bij Amsterdam, aan den IJkant,
14. Amara nitida St., April, bij Amsterdam, aan den Schinkel, onder
aangespoeld riet enz.
15. Ochthebius metallescens Rosenh., April, bij Amsterdam, aan den
IJkant, uit gras gesleept.
42
16.
LIJST VAN COLEOPTERA.
Cercyon obsoletum Gyll., Mei, bij Amsterdam, aan den IJkant,
onder aangespoeld riet enz.
idem " aan den Vogelenzang, uit paarde-
of koemest.
» granarium Fr., April, bij Amsterdam, aan den Schinkel,
onder aangespoeld riet enz.
. Megasternum boletophagum Marsh., April, bij Amsterdam, aan den
Schinkel, onder aangespoeld riet enz.
. Autalia rivularis Grav., Mei, bij Amsterdam, in Frankendaal, uit
Boleten geklopt.
. Falagria obscura Grav., April, bij Amsterdam, op het Zaagpad,
onder steenen.
. Ocalea badia Er., April, bij Amsterdam, aan den Schinkel , uit
gras gesleept.
. Myrmedonia funesta Grav., Maart, te Noordwijk, bij Myrmica fuliginosa.
” lugens » " ” ”
Homalota umbonata Er., » bij Amsterdam, in Rozenburg, uit
Hypnum.
Mei, bij Amsterdam, in Frankendaal, van
Boleten geklopt. 5
” graminicola Grav., Maart, bij Amsterdam, in Rozenburg,
onder dorre bladen.
n a aan den Schin-
kel, onder aangespoeld riet enz.
” pavens Er., Maart, bij Amsterdam, in Rozenburg, uit Hypnum.
, hygrotopora Kr., Maart, bij Amsterdam, in Rozenburg ,
onder dorre bladen.
” fluviatilis » Maart, bij Amsterdam, #
onder dorre bladen.
” meridionalis Muls., April, » aan den IJkant,
uit gras gesleept en onder aangespoeld riet.
” velata Er., April, bij Amsterdam, aan den IJkant, uit
gras gesleept.
” linearis Grav., April, bij Amsterdam, aan den Schinkel,
uit gras gesleept.
7, parallela Mannh., Maart, bij Amsterdam, N
onder aangespoeld riet.
” merdaria Thoms., Julij, aan de Steeg op Rhederoord,
uit Boleten geklopt.
” fungicola Thoms., Julij, aan de Steeg »
uit Boleten geklopt.
” nigritula Thoms., Maart, te Hillegom, uit Hypnum.
7 coriaria Kraatz, Junij, te Overveen, op Middenduin ,
uit Boleten geklopt
Julij, aan de Steeg op Rhederoord,
uit Boleten geklopt.
38.
39.
40.
41.
42.
43.
44,
45.
LIJST VAN COLEOPTERA. 45
Homalota sordidula Er., April, bij Amsterdam, aan den IJkant,
onder aangespoeld riet.
Mei, bij Amsterdam, op Frankendaal,
uit Boleten geklopt.
” longicornis Grav., Februarij, te Hillegom, uit Hypnum.
Mei, bij Amsterdam, aan den IJkant,
uit gras gesleept.
” atramentaria Gyll, Maart, te Hillegom, uit Hypnum.
April, te Overveen, uit paardenmest.
” bij Amsterdam, op het Zaagpad,
onder steenen.
” pygmaea Grav., Maart, bij Amsterdam, op Rozenburg ,
uit Hypnum.
” subsinuata Er., April, bij Amsterdam, »
in de zonneschijn vliegende.
" Fungi Grav., Maart, bij Amsterdam, aan den IJkant,
Ò onder steenen,
Oligota pusillima Grav., April, bij Amsterdam , 2
uit gras gesleept.
Hypocyptus laeviusculus Mannh., April, bij Amsterdam, op Fran-
kendaal, onder steenen.
Mei, ” aan den
IJkant, uit gras gesleept.
Tachinus collaris Grav., Maart-April, bij Amsterdam, aan den
Schinkel , onder aangespoeld riet.
. Philonthus cephalotes Grav., Mei, bij Amsterdam, op Frankendaal,
van Boleten geklopt.
” quisquiliarius Gyll., Maart, bij Amsterdam, op Amstel-
zigt , onder dorre bladeren.
” nigrita Grav., April, bij Amsterdam, aan den Schinkel,
uit gras gesleept.
” nigritulus Grav., Maart, bij Amsterdam, aan den Schinkel,
uit gras gesleept.
. Cryptobium fracticorne Payk., Maart, bij Amsterdam, aan der
Schinkel, onder aangespoeld riet.
. Evaestethus scaber Grav., Maart, bij Amsterdam, aan den Schinkel,
onder aangespoeld riet.
. Stenus buphthalmus Grav., Februarij-April, bij Amsterdam, aan
den Schinkel, onder aangespoeld riet.
» niger Mannh., Maart, bij Amsterdam, aan den Schinkel,
onder aangespoeld riet.
» nitidus Lac., April, bij Amsterdam, aan den IJkant, onder
aangespoeld riet.
» morio Grav., Mei, bij Amsterdam, op Frankendaal, uit
gras gesleept.
LIJST VAN COLEOPTERA.
. Stenus unicolor Er., Maart, bij Amsterdam, aan den Schinkel,
uit gras gesleept.
. Trogophloeus elongatulus Er., Maart, bij Amsterdam, aan den
Schinkel, onder aangespoeld riet.
” foveolatus Sahlb., Maart, bij Amsterdam, aan den
Schinkel, onder aangespoeld riet.
Olophrum assimile Payk, Maart, te Hillegom, onder dorre
bladen.
. Syntomium aeneum Muller, Maart, bij Amsterdam, op Rozenburg,
uit Hypnum.
. Omalium caesum Grav., Mei, bij Amsterdam, op Frankendaal, uit
Boleten geklopt.
. Megarthrus denticollis Ill., Mei, bij Amsterdam, op Frankendaal ,
uit Boleten geklopt.
. Scydmaenus collaris M. en K., April, te Overveen, op Duin,
onder dorre bladeren.
” Sparshalli Denny, Mei, bij Amsterdam, aan den IJkant,
uit gras gesleept.
. Catops anisotomoides Spence, Mei, bij Amsterdam, op Frankendaal ,
uit Boleten.
. Amphicyllus globus Fabr., Junij, aan den Vogelenzang, bij zwarte
mieren.
67. Ptilium Kunzei Heer, Junij, bij Amsterdam, op Frankendaal, uit
Boleten geklopt.
68. Scaphisoma agaricinum Oliv., Junij, bij Amsterdam, op Franken-
daal, uit Boleten geklopt.
69, Abraeus granulum Er., Maart, bij Amsterdam, op het Laagpad ,
onder een’ steen.
10. Phalacrus Caricis St., Maart, Hillegom, uit Hypnum.
71, Meligethes viduatus Steph., April, bij Amsterdam, aan den IJkant,
uit gras gesleept.
13. Atomaria linearis Steph., Mei, bij Amsterdam, ”
uit gras gesleept.
14. ” atricapilla Steph. , ) April, bij Amsterdam, aan den Schinkel,
nigriceps Er. uit gras gesleept.
15. ” terminata Comoli, Maart , bij Amsterdam, op Rozenburg,
uit Hypnum.
16. Z basalis Er., Maart, bij Amsterdam, op Rozenburg, uit
Hypnum.
11. Ephistemus globosus Walk., Maart-April, bij Amsterdam, aan den
Schinkel, onder aangespoeld riet.
12, Laemophloeus corticinus Er., Julij, in Amsterdam, op een pakhuis.
18. Lathridius nodifer Westw., April, bij ” aan den Schinkel,
uit gras gesleept.
19
. Corticaria similata Gyll., Februarij, bij Hillegom, uit Hypnum.
80.
81.
82.
83.
84.
85.
86.
81.
88.
89.
90.
91.
92.
93.
94,
95.
96,
97.
98.
99.
100
LIJST VAN COLEOPTERA. 45
Heterocerus laevigatus Panz., Maart-April, bij Amsterdam, aan
den Schinkel en den IJkant, onder
aangespoeld riet.
Aphodius niger Panz., bij Amsterdam, aan den Schinkel, onder
aangespoeld riet enz.
Aphodius plagiatus L., Maart, bij Amsterdam, aan den Schinkel,
onder aangespoeld riet enz.
Chrysobothris affinis F., Mei, bij Amsterdam.
Throscus obtusus Curt., April, bij Amsterdam, aan den IJkant,
onder aangespoeld riet enz.
Telephorus rusticus Fall., Mei, bij Ginneken (N.-Brab.), op bloemen.
# albomarginatus Märk., Mei, bij Hillegom , ”
” folvicollis F., Julij, bij Amsterdam, aan den IJkant,
op bloemen.
Salpingus castaneus Panz.,) Julij, Velp, op Beekhuizen, uit gras
Piceae Germ. | gesleept.
Apion rufirostre F., Mei, bij Amsterdam, aan den IJkant, onder
aangespoeld riet.
Apion vernale F., Mei, bij Amsterdam, 7 uit gras
gesleept.
Anoplus plantaris Naezen, April, bij de Bilt, uit gras gesleept.
Orchestes Saliceti F., Mei, bij Sloten, op wilgen.
Ceutorhynchus floralis Payk., Mei, bij Amsterdam, aan den Ringdijk,
uit gras gesleept.
Centhorhynchus pollinarius, Forst., April, bij Amsterdam, aan den
IJkant, uit gras gesleept.
Gymnetron villosulus Schh., Maart, bij Amsterdam, op Franken-
daal, uit Hypnum.
Phaedon concinnum Steph., Mei, bij Amsterdam, aan den IJkant,
onder aangespoeld riet enz.
Psyliiodes Rapae Ill.
Napi Ent Heft.,j April, bij Amsterdam, op Franken-
daal, op Glechoma hederacea.
Longitarsus pusillus Gyll., Julij, Velp, bij Beekhuizen, op Heide.
Plectroscelis Sahlbergii Gyll., April, bij Amsterdam, aan den
Schinkel, onder aangespoeld riet enz.
Corylophus cassidoides Mannh., April, bij Amsterdam, aan den
Schinkel, onder aangespoeld riet enz.
=
tes Poe riens hi
sabes REN ln +
à oi QE
Pie pap. Agi
heid. a ? i MELO ee
Kuren ob: mai, piaci he Loi 0) ar
A “ARE dob, DR tu SE | LE
den mig fs cae Bie iid’ ite PRINT senile pure zie
a ‚ragen wor. dol NX BI, E aiar ssBotoTO" ER i
ge hai abad, ainsi vi, M; Sa inte an GO
Fe Aalden Bn HIL u PNRA
zh man ERIN ieh ile. Genie li doit La
fan: ae qua artist Bi ‘Sanit tae! wat 1 OR ge.
a INTE y HE He nb Eur
AA Ina “ai ha A gld zich raie à steige, olan Dit és
«astenga, sata du la! el. We i
ZN dott i He
nd: do edi a
sien tages sab dl Di bi
ae st i LS, Br EN
À Vie à
Mm i tang Ê pi ‘nai RE 4
an ie a er ;
iv oa 17773
y
vj i en
ii st
MICROLEPIDOPTERA
ALS
NIEUW VOOR DE FAUNA VAN NEDERLAND,
OPGEGEVEN IN DE
Algemeene Vergadering van 13 Julij 1867.
lie het Verslag dier Vergadering, hierboven pag. 21.
PYRALIDINEN.
Crambus ericellus Hübn. 571. — Treits. IX. 1. 77. —
H.S. IV. p. 54. — Zell. Chil. p. 20. — v. Hein. Zünsl. p. 121.
In Friesland gevangen te Oldeberkoop in Augustus, door
Mr. J. H. Albarda (de Graaf).
Crambus verellus Zinck. in Germ. Mag. 2. 81. — Zell.
Chil. p. 28. — v. Hein. Zünsl. p. 150. -- Cr. verellus, var. ?
obscurior de Graaf, in Bouwstoffen dl 5, p. 195, in de noot.
Gevangen in Julij en het begin van Augustus. Noord-Holland:
Overveen (Grebner) en in den Haarlemmerhout, op eene gras-
plaats tusschen hakhout (de Graaf). Gelderland: Ede (Lodeesen)
en Oosterbeek (Backer Jr.)
Men vergelijke hierbij hetgeen ik aanteekende in de Bouw-
stoffen t. a. p. Sedert verschenen Zeller’s Monographie en von
Heinemann’s Zünsler, beide hierboven aangehaald. De laatste
geeft eene uitvoerige beschrijving van Cr. verellus, die volkomen
op onze exemplaren past. Bovendien zag Prof. Zeller dezen
4
50 MICROLEPIDOPTERA.
winter hetzelfde individu, dat ik in de Bouwstoffen beschreef
en aan de heeren Stainton en Mann ter bezichtiging gezonden
had, en hij teekende daarbij aan «ein wohl erhaltenes Exemplar
des Crambus verellus». Dat Mann het evenwel met een? als
Verellus bestemde, doet onderstellen dat het van den gewonen
vorm afwijkt, omdat men mag aannemen dat Verellus hem niet
onbekend zal zijn geweest. Wat daarvan zij, dit is zeker dat
al de inlandsche exemplaren, die ik zag en welke onderling
geen noemenswaardig verschil opleverden, niet kleiner, maar
veeleer grooter waren dan Cr. falsellus. Herrich-Schaeffer en von
Heinemann geven eene omgekeerde verhouding op en de eerste
beeldt deel V, fig. 157 eene Cr. verellus af, die ongeveer 1/5
kleiner is dan onze voorwerpen zijn, welke eene vlugt hebben
van 18 mm. Bovendien is de schuins tegen de dwarslijn ge-
plaatste witte vlak op hunne bovenvleugels niet halfmaanvormig
gebogen, zoo als op de afheelding, maar regt. Zij loopt ook
niet door tot aan den binnenrand, maar te naauwernood tot aan
de vleugelvouw, terwijl niet die vlak, maar een boven haar
geplaatst vierkant vlakje tegen den achterrand aankomt (de Graaf).
Pempelia Betulae Göze. — Zell. Isis 1848, p. 780. —
v. Hein. Zünsl. p. 156. — Phyeis obtusella Treits. IX. 1. 57. —
Phyc. holosericella F. v. R. Abbild. tab. 57. fig. 2.
Noord-Holland: een mannetje, op 29 Junij 1865, te Midden-
duin bij Overveen door den heer J. Kinker gevangen, is ook
door Zeller gezien (de Graaf).
Epischnia farrella (Pl. 1, fig. 1). Curtis, Annals et
Mag. of Nat Hist 2° series Vol. v. p. 115 — Wood, Ind.
Meth. Supp. Pl. 56, n°. 1755. — Sta. Syst. Catal. 1849 p. 4
onder Aner. lotella en Man. of Brit. Moths II. p. 168. —
Fologne, Ann. Soc. ent. Belge 1864. p. 275. — Ep. leucoloma
Snellen, Tijdschr. v. Ent. 2° ser. DI. I. p. 61. — Werner,
Stett. Ent. Zeit. 1865. p. 155 (zonder naam). — Myelois La-
fauryella A Constant Ann. S. E. Fr. 1865. p. 189. pl. 7. f. 1.
In Tijdschr. v. Entomol. t. a. p. p. 42 abusivelijk opgegeven als
Epischnia leucoloma.
or
Epischnia farrella, Curt.
. Homocosoma binaevella.
. Teras hastiana, var.
> ©
. Gelechia terrella, var.
. Gelechia proximella, var.
. Argyresthia conjugella, var.
MICROLEPIDOPTER A. 51
Dat de bovenvermelde vlindersoort tot het genus Epischnia
Herr.-Sch. behoorde, is door mij op de aangehaalde plaats van
dit Tijdschrift juist opgegeven; ik dwaalde echter door haar
voor Epischnia leucoloma Herr.-Sch. te houden en zijne afbeel-
ding onnaauwkeurig te noemen. Het is Ep. Farrella Curtis,
die ook aan von Heinemann eerst na de uitgave van zijne
« Zünsler» (Die Schmetterlinge Deutschlands und der Schweiz,
2° Abth. Kleinschmetterlinge, Band I, Heft II, Braunschweig
1865) is bekend geworden.
De vier exemplaren , die ik voor mij heb, hebben eene vlugt
van 20—22 mm. (5 44) 21 mm. (1 g) en zijn vrij slank gebouwd.
Sprieten van het 2 boven het verdikte wortellid met eene flaauwe ,
buitenwaartsche bogt, die zes leden beslaat en aan de binnen-
zijde even zoo vele tandjes heeft (fig. 14). De sprieten zijn
verder dun en hebben eene fijne, gelijkmatige beharing die
korter is dan de breedte van den schaft. Bij de wijfjes ver-
toonen zij slechts eene uiterst flaauwe bogt even boven het
wortellid en eene zeer spaarzame, kortere beharing. Bijoogen
duidelijk; zamengestelde oogen groot en uitpuilend (fig. 15);
hunne doorsnede ongeveer als de breedte van den schedel; deze
glad beschubd. Voorhoofd met eene stompe kuif van schubben;
de kleine bijpalpen liggen er van onderen tegen aan (fig. 1c).
Zuiger lang, hoornig. Lipvoelers ruim 53 zoo lang als de door-
snede der oogen, naar beneden gewend, vooral het eindlid,
dik en glad beschubd (fig. 1d).
Thorax klein, ietwat plat, glad beschubd. Voorvleugels lang,
met flaauw en gelijkmatig gebogen voor- en regten binnen- en
achterrand; de binnenrand ter lengte van vijf zesden, de ach-
terrand ongeveer ter lengte van een vijfde van den voorrand.
De achterrand is vrij schuin, de vleugelpunt stomp doch duide
lijk, de binnenrandshoek afgerond. De grondkleur van kop,
palpen , thorax en der fijn beschubde voorvleugels is een licht
muisgrauw (bij een enkel voorwerp wat tot het bruine over-
hellende) en op den thorax, in de wortelhelft van cel 14 en 1b
en soms tegen den wortel van cel 2, 5 en 4 der voorvleugels
in het houtgele overgaande. Tegen den achterrand ziet men
59 MICROLEPIDOPTERA.
zwarte schubben. Het geheele voorrandsderde der voorvleugels
is verder donkergrijs bestoven en deze bestuiving tot de punt
verdeeld door eenen ruim een halven mm. breeden, helderwitten
langsstraal uit den wortel, welke eerst tegen het eind wat ver-
smalt. Tot even voor de helft van den’ vleugel beslaat deze
straal den voorrand, daar voorbij loopt hij er onder, boven zich
eene smalle donkergrijze streep vrijlatende. Op de dwarsader
staan bij twee mijner exemplaren twee zwarte stippen schuin
onder elkander, bij een eene, het vierde mist ze geheel. De
onderste zwarte stip is de grootste. Op een derde van ader 1
staan nog twee zwarte stipjes overlangs en voor de fijne donkere
franjelijn eene dwarsrij van zes flaauwe donkere. Franje lang,
fijn, iets lichter dan de vleugel, door drie donkere lijnen over-
langs gedeeld; die der dun beschubde, lichtgrijze (tegen punt
en achterrand wat donkerder) ongeteekende achtervleugels bij
2 voorwerpen iets lichter grijs, bij 2 exemplaren bijna wit. De
achtervleugels zijn overigens groot, ruim tweemaal zoo breed als
de voorvleugels met duidelijke, stompe punt en ongebogen ach-
terrand, de voorrand is ruim anderhalfmaal zoo lang als de
binnenrand, de staarthoek stomp, de binnenrand der middencel
op de bovenzijde lang behaard. Onderzijde iets lichter dan
boven, bijna eenkleurig, ongeteekend. In de voorvleugels ader
2—5 ongesteeld, digt bij elkander om den binnenrandshoek der
middencel ontspringende, 6 en de gesteelde 8 en 9 uit de punt,
7 niet aanwezig, 10 en 11 kort, uit den voorrand der midden-
cel, 12 uit den vleugelwortel. In de achtervleugels komen ader
2 en de steel van 5, 4 en 5 uit den binnenrandshoek der
middencel, 6 en 7 uit de punt, 8 uit 7; ader 5 en 8 zijn vrij
kort. Achterlijf een vierde langer dan de achtervleugels, licht-
grijs, glad beschubd, bij den 4 met eene korte, grijze staart-
pluim, bij het ¢ aan de punt geel, met uitstekenden eijerlegger.
Pooten lang en dun, glad beschubd, gewoon gevormd en ge-
spoord, lichtgrijs, bij den & de voorpooten aan den wortel met
een haarbosje (Snellen).
‘
MICROLEPIDOPTERA. do
Myelois advenella Zinck. in Germar’s Magaz. 5. p. 141.
18. — Treits. IX. 1. 184, X. 5. 276. — Zeller in Isis 1848.
p. 669. — H. S. IV. p. 97 en V. fig. 201. — Sta. Man. 2.
p. 175. — v. Hein. Zünsl. p. 180.
Zuid-Holland: de ontdekking dezer soort hier te lande hebben
wij te danken aan den heer J.G, J. de Joncheere te Dordrecht,
die dit jaar (1867) de rupsen, bij zijne woonplaats, op haag-
doorn (Crataegus oxyacantha) gevonden heeft. Een der vlinders
kwam uit 29 Junij (de Graaf).
Homoeosoma binaevella (Plaat 1, fig. 2). Hübn. 589. —
Zell. Isis 1848. p. 605. — Sta. Man. p. 170. — v. Hein.
Zünsl. p. 198. — Petrella HS. IV. p. 106 (onder Binaevella)
en.V.. fig. 81,
Noord-Holland: een ¢ op 18 Mei 1862 bij Amsterdam ge-
vangen door wijlen den heer Grebner.
Dit exemplaar is door mij op gezag van Mann in de Bouw-
stoffen als Myelois furcatella opgenomen (DI. 5, p. 205). Nadat
von Heinemann’s « Zünsler» in het licht waren verschenen, begon
ik evenwel bij raadpleging van dit werk, vroegeren twijfel aan
de juistheid dier determinatie bevestigd te zien, zoodat ik
Grebner’s exemplaar met welwillende toestemming van den
tegenwoordigen bezitter, den heer J. W, Lodeesen, aan Prof.
Zeller opzond als Hom. binaevella. En het antwoord was: «die
richtige Binaevella ».
Herrich-Schaeffer beeldt af Binaevella fig. 80 en eene af-
wijking fig. 81, onder den naam van Petrella. Ons eenig in-
landsch 4 gelijkt het meest op die afwijking, maar heeft eene
vlugt van 24 mm. en is dus merkelijk grooter. Ook is de lichte
dwarsband voor den achterrand niet zoo regtlijnig als op de
afbeelding, maar ietwat naar dien rand gebogen.
Bovendien heeft het besproken exemplaar zwarte stippen langs
den achterrand, die op fig. 81 ontbreken. Ik heb er de vol-
gende diagnose van gemaakt.
Espans. alar. 24 mm, Alis anterioribus dilute cervinis costa
54 MIGROLEPIDOPTERA.
late albida, maculis 2 (superiore magna gemina) transverse po-
sitis ante medium, punctisque 2 venae transversae, nigris; striga
postica pallida, subarcuata, utrinque fusco notata; margine pos-
tico punctis nigris notato. Alis posterioribus dilute fuscescenti-
cinereis; ciliis exalbidis (de Graaf).
TORTRICINEN.
Teras tristana Hb. — v. Hein. Tort. p. 17. — Logiana
Hübn. 217.
Zuid-Holland: een exemplaar gekweekt uit eene rups bij den
Haag op Salix repens gevonden; uitgekomen 1 October 1865
(Snellen). Gelderland: een exemplaar uitgekomen in September
1866; de rups te Velp gevonden op Viburnum {van Medenbach
de Rooy Jr.)
Eene veranderlijke soort, waarvan ik alleen de twee vermelde
exemplaren zag. Omtrent de bestemming verkeerde ik dan ook
in het onzekere; maar Zeller brengt ze beide tot 7. tristana.
De teekening op de bovenvleugels is dan ook zoo als v. Heine-
mann die beschrijft, dat is te zeggen: een donkere lijn, die
het wortelveld afsluit, een zwart punt in de vleugelvouw , een
donkere band, die uit den voorrand ontspringt en een drie-
hoekig vlekje daarachter, ‘twelk bij de Rooy’s exemplaar in
den band wegvloeit. De kleur der bovenvleugels van het exem-
plaar van Snellen is roestgeel, de teekening roodbruin. De kleur
van het andere voorwerp is blaauwgrijs, de teekening paars-
bruin. In de drie figuren van Herrich-Schaeffer, door v. Hei-
nemann aangehaald, heb ik onze twee inlandsche exemplaren
niet kunnen herkennen. Van Hübner’s afbeeldingen, komt de
aangehaalde figuur het best met Snellen’s voorwerp overeen
(de Graaf).
Teras rubidana H. S. IV. p. 146. fig. 528.
Zuid-Holland: een exemplaar bij Hillegom, 12 Julij 1865,
door den heer Kinker gevangen, wordt ook door Zeller voor
Rubidana H. S. gehouden.
uu
MICROLEPIDOPTERA, 55
Var. Selasana H.S. IV. p.147. fig. 570. — v. Hein. Tort. p.27.
Zuid-Holland: Wassenaar, April (Snellen). — Noord-Holland: in
middenduin bij Overveen, 8 Juli, — Utrecht: bij Amersfoort,
51 Julij (Lodeesen). — Gelderland: 51 Juli} te Oosterbeek uit
berken geklopt. (Snellen). — Beekhuyzen, 25 Julij (Lodeesen). —
Roosendaal, in Julij (de Graaf). — Velp (de Roo v. W.).
Hoewel de mogelijkheid niet verwerpende dat Teras rubidana
met de var. Selusanu tot de zeer veranderlijke Teras ferrugana
konden behooren, is het toch zeker cat de bovenvermelde voor-
werpen zich van Ferrugana onderscheiden:
1°. door de dikke zwarte stip in den vouw der voorvleugels;
29, door de bleek ledergele kleur;
5°. door de korte vleugels;
4°. door vroegeren vliegtijd, al hetwelk v. Heinemann als
specifieke kenmerken zijne Selasana opgeeft. Bovendien zijn al
de bovengemelde exemplaren kleiner (14—16 mm.) dan Ferru-
gana (16-—19 mm.). Dat de genoemde zwarte stip ook bij
Ferrugana aanwezig is, doch meest door het afvliegen verloren
gaat, zoo als Zeller (in litt.) meent, is stellig niet zoo, daar
gekweekte, onafgevlogen Ferrugana’s geen spoor daarvan ver-
toonen en de bovenvermelde voorwerpen van Selasuna bij welke
die zwarte stip goed zigtbaar is, allen door uitklopping enz. ver-
kregen zijn en dus min of meer gevlogen hebben; terwijl het
exemplaar dat in April gevangen is en dus blijkbaar overwinterd
had, de stip mede duidelijk heeft. Zoolang dus geene meer
overtuigende bewijzen voor het tegendeel worden aangevoerd ,
houd ik Rubidana voor afzonderlijke soort (Snellen). Hiervoor
schijnt ook het volgende te pleiten. Toen ik nam. dezen zomer
bij mijn’ vriend de Roo van Westmaas logeerde, zag ik aldaar een
vlinder van Selasana gekweekt uit eene rups door hem te Velp op
een eik gevonden den 51sten Mei 1867. Volgens eene korte aantee-
kening was die rups licht groenachtig geel en deed denken aan de
rups van Chimabacche phrygarella. Mr. de Roo v. W. had dus in
haar geenszins de rups van 7. ferrugana herkend, ofschoon hij
deze meermalen gekweekt had. Het diertje werd 9 Junij pop en de
56 MICROLEPIDOPTERA.
vlinder kwam te voorschijn 24 Junij d. a. v. Hij heeft de ge-
wone 5-vlekkige voorrand vlak, in welks onderste vlekje een wit
puntje zigtbaar is. De stip in de vleugelvouw is donker zwart.
Dat Guenée (Ind. Method. p. 15) onze Selasana als Brachiana
Freyer beschrijft, acht ik zeker. Of echter Brachiuna Freyer
onze Selasana is, moet ik in ’t midden laten, omdat ik dat
werk (Neuere Beitr.) niet bij de hand heb. Aan de opmerking
van Guenée dat Fischer von Röslerstamm onder de vele afwij-
kingen van 7. ferrugana, die hij afbeeldt, geene enkele Sela-
sana heeft opgenomen, is minder waarde te hechten dan men
oppervlakkig zou meenen, wanneer men den tekst leest. Se- .
lasana is hier te lande geene zeldzaamheid. Door kweeking
zal moeten uitgemaakt worden of wij te regt of ten onregt
Selasana van Ferrugana hebben afgezonderd (de Graaf).
Tortrix centrana Herrich-Schaeffer, Neue Schmetterl.
fig. 54. -— v. Hein. Tort. p. 58.
Zuid-Holland: op 12 Julij 1867 was de heer de Jonchecre
zoo gelukkig twee mannetjes dezer zeldzame soort bij Dordrecht
te vangen. Zij hebben de kenmerken van het subgenus Idio-
graphis van Lederer. Bij v. Heinemann’s beschrijving der soort
heb ik dit op te merken, dat de zijde-glanzende bovenvleugels
der twee vermelde exemplaren niet overal met een roestbruin
net overdekt zijn. Zij hebben integendeel een eenkleurig, bleek
okergeel, wortelveld, dat van boven door den bruinen voorrand
en van buiten in schuine rigting door donkere schubben is
afgesloten , zoo als op Herrich-Schaeffer’s aangehaalde figuur ,
hoewel die gele kleur zich niet zoover uitstrekt als dáár, maar
bij het eene exemplaar op 1/5 der vleugellengte, en bij het
andere kort voor de dwarsader-punten ophoudt. Bovendien
staan die twee punten op eene bleek okergele plek, waarvan het
donkere net als ’t ware is afgewischt, ter plaatse waar de vleu-
gels geknakt zijn.
Herrich-Schaeffer’s figuur 54 stelt een mannetje voor. Dat
de bovenvleugels nog breeder zouden zijn dan door hem is
afgebeeld, zoo als hij in den tekst opgeeft, vindt ik bij onze
MICROLEPIDOPTER A. 47
exemplaren niet bevestigd. v. Heinemann geeft dan ook op dat
de bovenvleugels naar buiten weinig breeder worden. De palpen
van de aangehaalde figuur zijn veel te kort. Bij onze exem-
plaren zijn zij tweemaal langer dan de kop, horizontaal geplaatst,
van binnen bleek okergeel, even als het wortelveld, en van
buiten met grove bruine haarschubben bedekt.
Dat Lozop. alternana Steph., Illust. tab. 55. fig. 5, onze
soort zoude zijn kan ik Herrich-Schaeffer, niet toegeven. In
zijne Syst. Bearb, IV. fig. 575 beeldt hij het 2 af van 7. centrana,
hetwelk mij onbekend is (de Graaf).
Tortrix diversana. Hübner 251. — Treits. VIII. 176. X.
o. 64. — H.S. IV. p. 161. fig. 50—52. — v. Hein. Tort. p. 41.
Zuid-Holland: twee exemplaren, van de kleur van Herrich-
Schaeffer’s figuur 52, bij Leiden in Julij uit vruchtboomen ge-
klopt. «Zij behooren „ schrijft Zeller, tot de donkere varieteit ,
die ik eens talrijk uit kersenboomen klopte, terwijl de gele
meer tegen olmen voorkomt. Als Transitana ontving ik deze
varieteit uit Engeland». Het is blijkbaar ook deze varieteit, die
door Guenée als Tori. transitana wordt beschreven in zijne Ind.
Method. Europ. Microl. (1845) p. 4 (de Graaf).
Tortrix viburnana W. V. — v. Hein. Tort. p. 45.
Noord-Holland: een 4 met eenkleurige, zijde-glanzende, groen-
achtig graauwe bovenvleugels, op 8 Julij 1867 door den heer
Lodeesen uit eene rups gekweekt, die hij in Middenduin bij
Overveen, op Salix repens had gevonden (de Graaf).
Phtheochroa rugosana Hübn. 84. — v. Hein. Tort.
p. 90. — Wilkins. Tort. p. 281. pl. 2. fig. 9.
Gelderland: een exemplaar in Mei bij Oosterbeek gevangen
door den heer van Woerden (Snellen).
Retinia duplana Hübn. 229, 250. — H.S. IV. p. 999. —
yy Hein. Tort, ps; 95.
Gelderland: Arnhem, in Mei, door den heer van Medenbach
7
de Rooy gevangen (Snellen),
58 MICROLEPIDOPTERA.
Penthina betuletana Haw. — Wood. fig. 887. — Wil-
kins. Tort. p. 22. — Sta. Man. MI. p. 195. — v. Hein. Tort.
p. 107. — de Roo v. W., in 't werk van Sepp, 2° ser. Deel 2.
p. 65. pl. 15.
Zuid-Holland: jaarlijks enkele exemplaren in ’t laatst van Julij
en in Augustus (vooral in de eerste dagen) uit berken geklopt
onder Noordwijkerhout en in de berkenpannen der Wassenaar-
sche duinen (d. G); Lisse 25 Juli} (Kinker). Gelderland: Voorst,
Julij (Wttewaall) en Wolfhezen 1 Aug. uit berken geklopt (Snellen),
Velp (d. R. v. W.). |
Over de levenswijze, zie de Roo v. W. t. a. p.
Penthina praelongana Guenée Ind. method. Microl
p. 18. — Wilkins. Fort. p. 24. pl. 1. fig. 2. — Wood Ind. Addit.
fig. 1775. — v. Hein. Tort. p. 107. — Betuletana H. S. IV.
p. 250. fig. 251, 252.
Gelderland: Velp, in Junij, (d. Roo v. W.); Apeldoorn, 94
Junij 1867 uit elzen en berken geklopt (Snellen); Nijkerk (v.M.
de Rooy). — Volgens de auteurs komt Praelongana zelden voor.
Eerst verleden jaar (1866) is zij hier lande ontdekt door Mr. de
Roo v. W. en ook dit jaar heeft hij er exemplaren van gevan-
gen, zoo als mij bleek, toen ik dezen zomer zijne verzameling
zag (de Graaf).
Penthina sauciana Hübn. 508. — H.S. IV. p. 229. fig.
181. — Wilk. Brit. Tort. p. 51. — v. Hein. Tort. p. 108.
Gelderland: Wolfhezen, 6 Augustus 1865, een afgevlogen
exemplaar uit Vaccinium Myrtillus geklopt (Snellen); aldaar in
Junij 1866 een ander exemplaar door den heer van Medenbach
de Rooy gevangen (de Graaf).
Penthina metallicana Hübn. — v. Hein. Tort. p. 119.
Gelderland: Nijkerk, een exemplaar (van Medenbach de Rooy),
met zeer eenkleurige , olijfgele, zwart bestovene bovenvleugels,
waarop een breede zwartgrijze, onduidelijk begrensde midden-
band en loodkleurige lijnen. Het is, zoo als Zeller schrijft,
eene «recht auffallende var. wie ich sie noch nicht sah» (de Graaf).
MICROLEPIDOPTER A. 59
Penthina decrepitana H.S. IV. p. 216. fig. 222. —
v. Hein. Fort. p. 128. — Sericoris bifasciana Wilk. Brit. Tort.
p. 274.
Gelderland: twee 34 te Wolfhezen, 24 Junij 1866, uit Pinus
sylvestris geklopt (van Medenbach de Rooy). Zij hebben een
Conchylis-achtig aanzien. Bij het eene 4 zijn de bovenvleugels
eenigzins glanzend zilverwit. Bij het andere zijn zij dof wit en
gelijken meer op Herrich-Schaeffer’s afbeelding (de Graaf).
Penthina Hercyniana Tr. VIII. 150, X. 5. 78. — v. Hein.
Tort. p. 151. — Coccyx clausthaliana H. S. IV. p. 220. fig. 151. —
Ratzeb. Forst Ins. II. tab. 12. fig. 2.
Gelderland: Velp, 10 Junij 1866, bij Larix (de Roo van
Westmaas) en aldaar 1 Junij gevangen door v. Medenbach de
Rooy (de Graaf).
Grapholitha microgammana Guenée, Ind. Meth. Europ.
Microl. p. 54. — H S. IV. p. 257. fig. 291. — v. Hein. Tort.
p. 180.
Noord-Holland: Middenduin bij Overveen, tegen den avond,
in Junij, verscheidene exemplaren (Kinker, Lodeesen).
Zeller, die van onze exemplaren zag, vermoedt dat de rups
in de vruchten van Ononis spinosa leeft.
Naar onze exemplaren te oordeelen is Herrich-Schaeffer’s af-
beelding niet naauwkeurig. De kleur is wat te groen, de don-
kere golflijntjes, die deze soort kenmerken, ontbreken en de
voortste voorrandhaakjes, die zich op onze exemplaren in het oog-
punt vereenigen , zijn niet weergegeven. Ook is de spiegel wat
al te geel (de Graaf).
Grapholitha tomiana Zeller. Nov. Spec.
Zuid-Holland: Hillegom, 51 Mei 1865, een 2 (Kinker).
Wij hebben de determinatie dezer nog onbeschreven soort aan
de welwillendheid van Prof. Zeller te danken, die daarbij het
volgende aanteekende: «Ik heb een voorwerp dezer zeldzame
soort, die ik drie- of viermaal tegen pijnboomen (Kiefern) ving
60 MICROLEPIDOPTER A,
en ook uit Koningsbergen in Pruissen ontving, aan Heinemann
gezonden om den naam te weten te komen. Hij antwoordde
mij dat deze Tomiana Mus. Zell. nieuw voor hem was en hij
ze voor zijne «Nachträge» beschreven had.
Op ons verzoek echter heeft Prof. Zeller zelf eene beschrijving
gemaakt van zijne Tomiana, die in dit deel van ons Tijdschrift
zal worden geplaatst (de Graaf, Snellen).
Grapholitha coniferana Ratzeburg, Forst-Ins. Il. p. 217.
tab. 12. fig. 1. — H.S. IV. p.266. — v. Hein. Tort. p. 187. —
Separatana H. S. IV. fig. 522.
Gelderland: een 4, op 17 Junij 1867, te Wolfheze uit
Pinus sylvestris geklopt (Snellen).
TINEINEN.
Semioscopis avellanella Hübn. 27 2. — H.S. V. p.114.
fig. 555 d. — Frey p. 9.
Gelderland: Rosendaal, in Maart, een & en te Velp, in April,
een 2 gevangen door van Medenbach de Rooy Jr. (de Graaf).
Tinea argentimaculella Stainton, Syst. catal. (1849)
p. 6; Ins. Brit. p. 56; Entomol. Annual for 1868. p. 15. —
Frey p. 28. — v. Heyden, Entom. Zeit. 1865. p. 106. —
Aysmalodoma argentimaculella Zeller, Linn. Ent. VIL. p. 566. —
H. S. V. p. 89. fig. 600.
Zuid-Holland. Op 7 Augustus 1867 heb ik op het buiten
van Dr. Everwijn te Noordwijk een zeer gaaf mannetje dezer
soort gevangen, terwijl een tweede exemplaar mij ontsnapte.
De diertjes hadden zieh verscholen tusschen de wortels van
seringen en kurk-ijpen, die door de uit mos, gras enz. be-
slaande bovenbekleeding van een zandwal hingen, waarvan het
zand aan de eene zijde verstoven was.
Met Frey zie ik duidelijk vier palpen die glanzig, geelachtig
wit van tint zijn. De bekleeding boven op den kop is donkergrijs.
Herrich-Schaeffer kleurt ze, in strijd met zijn tekst, geel. De
MICROLEPIDOPTERA. 61
door hem misteekende bovenvleugels zijn aan de punt afgerond,
ietwat glanzend, grauwachtig zwart; de eerste zilveren band is vol-
komen, een weinig gebogen, met de holle kant naar den vleu-
gelwortel gekeerd en in de vleugelvouw van een fijn donker
streepje doorsneden; die band loopt dus niet regt zoo als op
Herrich-Schaeffer’s figuur. De tweede band, waarvan de auteurs
melding maken, is tot een voorrands- en binnenrandsvlekje be-
perkt. Zeer duidelijk is ook «the silver spot near the anal
angle», waarvan Stainton spreekt. Herrich Schaeffer plaatst die
stip tegen de franje op zijne afbeelding. Op mijn exemplaar
staat zij in het vleugelvlak in schuine lijn midden tusschen de
binnenrands- en voorrandsvlek. Drie zilveren punten om de
vleugelpunt (de Graaf).
Nemotois scabiosellus Scop. — Treits. IX. 2. 146. —
Staint. Ins. Brit. p. 52. — H.S. V. p. 97, fig. 229. — Frey p. 45.
Gelderland: te Beek bij Nijmegen gevangen door den Baron
Lewe van Middelstum, in Junij 1867. Het exemplaar berust
thans in de collectie van den heer van Medenbach de Rooy, die
het mij ter determinatie toezond (de Graaf).
a
Theristis caudella L. — Staint. Ins. Brit. p. 74; Manual
p. 515. — Cultrella Hübn. 109. — Treits. IX. 2. 41; X. 5.
190. — H.S. V. p. 152. — Frey p. 78. — Acinacidella Wood
Ind. Meth. fig. 1529.
Gelderland: op 15 Junij 1864 te Arnhem gevangen door den
heer van Woerden. De meeste auteurs geven een lateren vliegtijd
op. Vergelijk echter Treitschke X. 5. 191 (de Graaf).
Depressaria hypericella Tr. IX. 1. 256. — Zell. Linn.
Ent. IX. p. 242. — de Graaf, Tijdsch. v. Ent. I. p. 54 (onder
Conterminella). — Sta. Ins. B. p. 90; Nat. Hist. VI. p. 101.
pl. 5. fig. 1. — Frey p. 85.
Zuid-Holland: een exemplaar is door den heer Snellen ge-
kweekt, 10 Julij 1865, uit eene rups bij den Haag gevonden
op Hypericum perforatum (de Graaf).
69 MICROLEPIDOPTERA.
Depressaria Pimpinellae Zell. Isis 1859. p. 196;
Linn. Ent. IX. p. 298. — Staint. Ins. Br. p. 95; Nat. Hist.
VI. ip. 447. pl 4.) fig. 22: è
Gelderland: te Hatert bij Nijmegen is in Augustus 1866 een
exemplaar gevangen door den heer Snellen (de Graaf).
Depressaria badiella Hübn. 92. — Sta. Ins. Br. p. 99. —
H. S. V. p. 128. fig. 447. — Zell. Linn. Ent. IX. p. 506. —
Frey pi ‘90.
Utrecht: Soest op de heide gevangen, 25 Augustus 1866,
door den heer Kinker (de Graaf).
Depressaria pastinacella Sta. Ins. Br. p. 99. — Dis-
cipunctella H. S. V. p. 128. fig. 446.
Gelderland: bij Arnhem op het lange water (van Medenbach
de Rooy). Het exemplaar is door Stainton zelf bestemd (de Graaf).
Gelechia nigra Haw. — Sta. Ins. Br. p. 107. — Cautella
Hy S.) Vo pe 182; figs 309.
Zuid-Holland: langs den duinkant bij Wassenaar twee exem-
plaren op Lychnis, 16 Julij 1865 (Snellen). Ik had reeds in
de Bouwstoffen, deel 5, p. 544 mijn vermoeden te kennen ge-
geven dat deze soort hier te lande voorkwam (de Graaf).
Gelechia vulgella W. V. — Sta. Ins. Br. p. 119; Man.
2. p. 556; Nat. Hist. IX. fig. 5. tab. 5. — H. S. V. p. 169.
fig. 500. — Frey p. 120.
Gelderland: Nijkerk, in Julij 1862 (van Medenbach de Rooy).
Het exemplaar van den heer v. M. de Rooy heeft , even als
Duitsche voorwerpen, die ik van Mann ontving, een Stal zwarte
punten op de bovenvleugels geplaatst, zoo als door Herrich-
Schaeffer is afgebeeld. @. vulgella gelijkt veel op G. dodecella L. ;
maar 0. a. is er verschil in den vorm der ondervleugels, zoo als
Herrich-Schaeffer in figuur 500 en 501 heeft aangegeven. Even-
wel moest de vleugelspits van fig. 500 ietwat langer zijn (de
Graaf),
MICROLEPIDOPTERA. 69
Gelechia scalella Scop. — Aleella Sta. Ins. Br. p. 198;
Man. 2. p. 541. — H.S. V. p.165. — Alternella Hübn. 151, —
Wood 1229. — Bicolorella Tr. IX. 1. 255; X. 5. 205.
Gelderland: Beek, bij Nijmegen, 10 Junij 1866 (van Meden-
bach de Rooy (de Graaf) ’.
Gelechia anthylidella Hübn. 550. — Staint. Ins. Br.
p. 155; Man. 2. p. 544; Nat. Hist. X. pl. 14 fig. 1. p. 210;
Entomol. Annual for 1868, p. 25. — H.S. V. p. 195. fig. 595. —
Frey p. 128. — v. Heyd. Ent. Zeit. 1861. p. 56.
Gelderland: bij Arnhem op het lange water, 5 Julij 1866,
een mannetje gevangen (v. Medenbach de Rooy), hetwelk geen
geel vlekje heeft in den binnenrandshoek der bovenvleugels (de
Graaf).
Gelechia superbella Zeller, Isis 1859. p. 202. — H. S.
V. p. 188. fig. 546. — Frey p. 152.
Holland : op verschillende plaatsen in en langs de duinen, in
Mei (Boogaard , Snellen , Weyenbergh).
Zeller zag van deze exemplaren. Zij hebben eene vlugt van
7 à 7,5 mm. en zijn dus ongeveer 1/5 kleiner dan Gel. Germa-
rella Hübn., die 10 mm. vlugt heeft en waarmede zij overigens
veel overeenkomst hebben. De op Herrich-Schaeffer’s plaat aan-
gegeven vlugt van Superbella moet 1/5 minder zijn, naar onze
voorwerpen te oordeelen (de Graaf).
1 Te oordeelen naar een exemplaar door v. M. de Rooy, op 27 Junij 1866, bij
Archem op het lange water gevangen en ’t welk tot Gel. ligulella of G. vorticella
behoort, moet een van beide inlandsch zijn. Welke, durf ik evenwel niet te be-
slissen. Zijn het twee soorten? De beschrijvingen zijn zoo onbestemd dat men niet
weet waaraan zich te houden. Ook de toezending van de Rooy’s exemplaren aan
Prof. Zeller gaf geene voldoende uitkomst. Deze schreef mij daaromtreut het volgende:
„Bij menig exemplaar moet men noodzakelijk in twijfel staan of men het tot
n Vorticella of tot Ligulella zal rekenen, ofschoon de uitersten geen twijfel toelaten.
» Daarom wilde ik ze als eene soort aannemen ; maar Fischer von Rôslerstamm, die
» niet gemakkelijk variëteiten tot soorten verhief, streed voor het soortregt als pro
w aris et focis en beriep zich op de verschillende levenswijze der rupsen in de natuur,
„die ik evenwel nog niet heb waargenomen. Op mij maakt 52 (het exemplaar van
„v. M. de Rooy) den indruk als of het tot Zigulella behoorde » (de Graaf).
64 MICROLEPIDOPTERA,
Ypsolophus sabinellus Zeller, Isis 1859. p. 190. —
Gelechia sabinella H S. V. p. 165. fig. 468, 469. — Frey p. 154.
Utrecht: Soest op de heide, 25 Augustus 1866, een zeer
scherp geteekend wijfje door Kinker gevangen (de Graaf).
Oecophora sulphurella Hübn. 150. — Tr. IX. 2. 60. —
H. S. V. p. 159. — Frey p. 156.
Gelderland: Wolfheze, 24 Junij 1866, een exemplaar uit
Pinus sylvestris geklopt (Snellen), hetwelk vrij sterk is afgevlo-
gen. Zeller, die het in weerwil daarvan als 0. sulphurella her-
kende, meldde er bij dat deze soort slechts in het gebergte zoo
laat in goede exemplaren voorkomt (de Graaf).
Oecophora fulviguttella Zell. /sis 1859. p. 195. —
H. S. V. p. 140. — Frey p. 159,
Zuid-Holland : een exemplaar op 26 Augustus 1866 bij Rot-
terdam, uit het rieten dak eener turfschuur geklopt (Snellen).
Gelderland: Arnhem, Langewater, bij eiken in Augustus (v.
Medenbach de Rooy).
Op eerstgenoemd voorwerp staat een «gelbes strichelchen in
der Falte». Cf. Herr.-Schaeff. 2. I. (de Graaf).
Oecophora cinnamomea Zell. Isis 1859. p. 192. —
H. S. V. p. 159. fig. 415.
Gelderland: Velp, 28 Julij 1866, door v. Medenbach de Rooy
gevangen (de Graaf).
Argyresthia glaucinella Zell. Isis 1859. p. 205; Linn.
Ent. II, p. 265. — Sta. Ins. Br. p. 185. — H. S. V. p. 277.
fig. 649.
Gelderland: te Velp gevangen door van Medenbach de Rooy
(de Graaf).
Argyresthia illuminatella Zell. Isis 1859. p. 205;
L. Ent. II. p.291. — H. S. V. p.271. tab. 86. fig. 685 (moet
zijn 655). — Frey p. 195.
Gelderland: Velp, bij eiken, 8 Junij (d. Roo v. Westmaas) en
MICROLEPIDOPTERA. 65
bij Arnhem (v. Medenbach de Rooy). Een dier exemplaren is
ook door Stainton bestemd (de Graaf).
Gracilaria falconipennella Hübn. 517. — Tr. IX. 2.
205. — Zell. Zinn. Ent. II p. 525. — Staint. Ins. Br. 196. —
Ba 94 Map. SST. Ag, 227:
Gelderland: te Velp in het najaar (v. Medenbach de Rooy)
een exemplaar, door Zeller gezien en gelijk aan dat door
Herrich Schaeffer afgebeeld (de Graaf).
Euspilapteryx Ononidis Zell. Isis 1859. p. 209; Linn.
Ent. II. p. 558. — Staint. Ins. Br. p. 200; Nat. Hist. Graci-
barda, VIII. 1. p. 174. pl. 5. fig. 4. — H.S.:V. fig. 758. —
Frey p. 240. — Ononidella H. S. V. p. 292.
Noord-Holland: Middenduin bij Overveen den 21° Junij ge-
vangen door Kinker (de Graaf).
Coriscium cuculipennellum Hb. — Tr. IX. 2. 204. —
Staint. Ins. Br. p. 202. — Zell. Zinn. Ent. IL. p. 570. — H.S.
V. p. 285. — Alaudellum MH. S. V. fig. 718.
Gelderland: Velp, de rups op liguster en fransche seringen
en de vlinder in Augustus gevangen door v. Medenbach de Rooy
(de Graaf).
Ornix avellanella Staint. Ins. Br. p. 204 ; Nat. Hist. Ornix
VII. 1. p. 280. fig. 1. pl.5. — Frey, Linn. Ent. XV. p. 25. —
Wocke, Berichte des Thüringischen Tauschvereins 1857 p. 75, 74.
Drenthe: Mr. J. H. Albarda heeft de rups in October bij
Gieten op Corylus avellana gevonden en de vlindertjes in Mei
daaraanvolgende uitgekregen. De soort is ook in Gelderland te
Velp gevangen door v. M. de Rooy (Snellen).
Ornix Betulae Staint. Zas. Br. p. 204; Nat. Hist. VII.
1. p. 262. pl. 2. fig. 2. — Frey, Linn. Ent. XV. p. 55. —
Wocke Ber. des Thür. Tauschver. 1857 p. 74.
Zuid-Holland: de rups in October bij den Haag op Betulus alba ;
de vlinder in het laatst van April en begin van Mei daaraan-
volgende (Snellen).
5
66 MICROLEPIDOPTER A.
Coleophora aleyonipennella Kollar. — Zell. Linn. Ent.
IV. p. 208. — Staint. Ins. Br. p. 211. — H. S. V. p. 229.
fig. 665.
Gelderland: Langewater bij Arnhem, 20 Mei 1866 een man-
netje door v. Medenbach de Rooy gevangen en door Zeller ge-
zien (Snellen).
Coleophora deauratella Zell. Isis 1846 p. 295. n°. 2;
Linn. Ent. IV. p. 204. — Staint. Ins. Br. p.210. — H. S. V.
p. 229. fig. 664. — Frey p. 205.
Utrecht: een 9 28 Julij 1867 bij Abcoude gevangen. De
sprieten zijn eenkleurig , ongeringeld; de spits is wit en aan den
wortel zijn zij tot 1/5 harer lengte door koperen en purpere
schubben verdikt en dus verder dan door Herrich-Schaeffer is
voorgesteld (Snellen).
Coleophora virgatella Zell. Linn. Ent. IV. p. 291. —
H. S. V. p. 247. fig. 717% (alleen de zak).
Zuid-Holland: Noordwijk, 16 Julij 1864 (Kinker). Door
Zeller bestemd. Hij schrijft ten opzigte dezer soort dat zij
dikwijls zoo licht van grondkleur is dat hij haar van de volgens
den zak stellig specifiek verschillende ©. chamaedryella niet kan
onderscheiden (Snellen).
Bedellia sommulentella Zell. — Staint. Zus. Br. p.
296. — H. S. V. p. 57 en 556. fig. 819. — Frey p. 265.
Friesland: de rupsen door Mr. Albarda gevonden te Jelsum
in het begin van September in de bladen van Convolvulus
Sepium ; de vlinders kwamen in het laatst dier maand uit. Bij
vergelijking met deze voorwerpen heeft Herrich-Schaeffer’s figuur
te spitse bovenvleugels. Zij zijn ook niet alleen aan de vleugel-
punt, zoo als daar wordt voorgesteld , maar over de geheele
lengte, minder evenwel op den lichteren binnenrand, met
donkere schubben bestrooid (de Graaf).
Elachista nigrella Haw. — Staint. Ins. Br. p. 254. —
Frey, Linn. Ent. XIII. p. 255.
MICROLEPIDOPTERA 67
Zuid-Holland : een exemplaar bij Rotterdam in Mei (Snellen).
Friesland : in Julij te Wommels (Albarda).
Zeller bestemde deze exemplaren, die ik vroeger, om de
groote overeenkomst van verscheidene verwante soorten en de m. i.
verwarde synonymie niet in de Bouwstoffen heb vermeld (Snellen).
Elachista obscurella Staint. Ins. Br. p. 257. — Frey
Linn. Ent. XII. p. 247.
Gelderland: Velp, op klaverland in Mei (v. Medenbach de
Rooy). — Friesland: 6 Junij bij Lekkum een exemplaar op eene
meerassige plaats (Albarda).
Een dier Geldersche voorwerpen is door Stainton bestemd
(Snellen).
Elachista Paludum Frey, Zinn. Ent. XII. p. 285. n°. 59.
Zuid-Holland: in het laatst van Julij een aantal rupsen in
Carex , bij Rotterdam, in een moerassig boschje gevonden. De
vlindertjes zijn uitgekomen van 16 Augustus tot 1 September
(Snellen).
Volwassen rupsen zijn 9 tot 10 millimeter lang, smal, aan de
eerste ringen achter den kop iets breeder, doch overigens de
zijden parallel; de kleur van het lijf is groenachtig grijs, over den rug
loopt eene fijne witte lijn en op zijde van de borstringen staan
witte vlekjes (aan beide zijden twee); de kop is zwart; de voor-
pooten of kleur van den buik heb ik niet beschreven. Het popje,
op de wijze der Pieriden vastgehecht, zonder een tentje van
spinsel boven zich, gelijk de rupsjes van Elachista Poae Staint.
te maken, is bleekbruin, kantig, met een paar donkerbruine
langslijnen.
Dikwijls ziet men twee mijnen naast elkander in de Carex-
bladen; de mijnen zijn vrij breed en de uitwerpselen der rupsen
vervullen de geheele mijn.
Het vlindertje, dat eene vlugt van 83 tot 10 mm. heeft, bezit
een van de overige inlandsche Elachisten tamelijk afwijkend voor-
komen en doet aan eene Ornix of groote Lithocolleet denken.
Uit den wortel der bruingrauwe voorvleugels komt namelijk eene
68 MICROLEPIDOPTER A.
schuin naar den binnenrandshoek gerigte witte lijn, die onge-
veer tot twee derden van cel 1b in de vleugelvouw loopt en in
het midden door een zwart blokje is afgebroken, terwijl om de
vleugelpunt langs voor- en binnenrand eenige wille, min of
meer spitse vlekjes staan, en eene zwarte schubbenlijn de franje
tot aan den binnenrandshoek deelt.
De kleur van kop en palpen is een onzuiver wit, de sprieten
zijn donkergrijs, de schouderdeksels vuilwit. De kleur van den
rug rigt zich naar die der voorvleugels, welke in het algemeen
bruingrauw zijn, donkerder of lichter; bij een paar lichte exem-
plaren is het grauw tegen de vleugelpunt zoo sterk met donker-
okergele schubben gemengd, dat de bruine tint de overhand
krijgt; een derde, nog iets lichter grauw voorwerp, is op het
achterrandsderde bepaald okergeel.
De teekeningen bestaan uit het volgende: vooreerst de vermelde
witte wortellijn, welke min of meer spits eindigt, doch aan den
wortel steeds dunner is en achter het min of meer langwerpige
en schuine zwarte blokje altijd breeder wordt; dan komt een
wit blokje aan den voorrand op twee derde, dat eenigzins schuin
naar den binnenrandshoek staat, wortelwaarts door een naar
binnen spits toeloopend koolzwart streepje is afgezet, en vier-
kant, van onderen regt afgesneden is of spits toeloopt. Geheel
aan de punt, tegen de achterrandfranje aan, staat grootendeels
in de voorrandsfranje, een spits, wit streepje, fijner dan het
eerste en ook schuin, doch in tegenovergestelde rigting van het
eerste, terwijl aan den binnenrand, in den binnenrandshoek
een wit driehoekje wordt gezien. Op de beide laatstbeschreven
witte teekeningen vertoonen zich enkele, doch verstrooide
zwarte schubben en bij een paar exemplaren ziet men aan den
voorrand, wortelwaarts van het eerste witte blokje of streepje
nog een fijn, spits, zeer schuin wit streepje. De achtervleugels
en het aan de punt geelwitte achterlijf zijn iets lichter, doch
zuiverder grijs dan de voorvleugels, de franje nog iets lichter,
met gele haren in den binnenrandshoek der voorvleugels onder
het witte driehoekje. De onderzijde is grijs met een of twee
geelwitte vlekjes aan de punt der voorvleugels, een dergelijk aan
MICROLEPIDOPTERA. 69
hunnen binnenrandshoek, eene gele spits der achtervleugels ,
terwijl het geelachtig wit aan de punt des achterlijfs zich over
eenige ringen van den buik uitbreidt. De pooten zijn grijsachtig wit.
Met de aangehaalde beschrijving van Stainton (in litteris) welke
Frey mededeelt, komen mijne exemplaren wel overeen, behalve
dat bij allen de kop en palpen stellig eer wit dan grijs te noemen
zijn (Stainton zegt: kop grijs, soms wit op het voorhoofd; pal-
pen grijs).
Het grootste deel der 50 exemplaren, die ik kweekte , heeft
twee witte voorrandsvlekjes, slechts bij twee zijn er drie. Onder
de 28 met twee zijn er verder 26 bij welke het eerste voor-
randsvlekje vierkant is en twee bij welke het tot eene spits is
uitgerekt. Stainton beschrijft de gedaante der voorrandsvlekjes
niet, doeh omdat de vorm met een vierkant blokje de meest
voorkomende is (althans hier) neem ik dezen als type aan, ter-
wijl ik de exemplaren bij wie het eerste vlekje spits is tot
varieteit I reken en die met drie voorrandsvlekjes tot varieteit Il
breng, het verschil in de grondkleur der voorvleugels buiten
rekening latende.
Deze soort, alsmede Ahynchosporella Staint., zijn in de be-
schrijving van het genus Elachista door Frey op eene verkeerde
a
plaats gezet. Mijns inziens moeten zij beiden tusschen n°. 54
(Serricornis) en n°. 55 (Cerussella) staan, waarmede zij blijkbaar
naauw verwant zijn.
Volgens den catalogus van Staudinger en Woeke (Corrigenda
et Addenda p.191) zou Elachista Caricis Staint., Entomologist's
Annual 1859, synoniem zijn van Paludum Frey. Ik wil het
gaarne gelooven, doch uit de bedoelde plaats in het Annual
(p. 155) is dit niet op te maken, want Stainton geeft aldaar
geene beschrijving, maar zegt alleen dat Elachista Caricis naauw
verwant is aan Aynchosporella, maar donkerder, met stomper
voorvleugels, waarop de subapicale costaal-vlek (bij den type
mijn eerste voorrandsvlekje) regter staat.
Elachista Paludum is mij overigens alleen uit Engeland bekend
»n komt ook in het voorjaar voor, daar de rupsen mede in
het laatst van April zijn gevonden,
70 MICROLEPIDOPTERA.
Behalve de gekweekte stukken ving ik ook een exemplaar van
den vlinder in het boschje, waar ik de rupsen had gevonden
(Snellen).
Elachista biatomella Frey p. 501; Linn. Ent XII.
p. 284.
Noord-Holland : Middenduin bij Overveen 10 Julij (Kinker).
Ook dit exemplaar is door Zeller bestemd, die het vergeleken
heeft met voorwerpen dezer soort, die hij van de heeren
Stainton en Frey ontvangen had. Wij halen echter Stainton’s
Ins. Brit. niet aan, omdat onzes inziens zijne beschrijving niet
past op ons eenig inlandsch exemplaar (de Graaf, Snellen).
Lithocolletis Amyotella Dup. — Zell. Linn. Ent. 1.
p. 180. fig. 7. — H. S. V. p. 522. fig. 755.
Gelderland: bij Arnhem in Mei gevangen door v. Medenbach
de Rooy (Snellen).
Lithocolletis cerasicolella H. S. V. p. 526. fig. 784,
785. — Frey p. 541.
Gelderland: Arnhem, in Juli}, uit kersenbladen (onderkant)
verkregen (van Medenbach de Rooy).
Ik betwijfel het specifiek verschil van Cerasicolella H. S. en
Spinicolella Staint. (Pruniella H. S.), zoo als Frey reeds t. a. p.
gedaan heeft. Een exemplaar door v. M. de Rooy, volgens
zijne opgave uit den onderkant van een pruimenblad gekweekt ,
heeft gevlekte middentarsen even als een kersenblad-vlinder ,
terwijl juist de ongevlekte middentarsen het specifiek verschil van
Spinicolella zouden uitmaken (Snellen).
Lithocolletis Coryli Nicelli. — H. S. V. fig. 771. —
Staint. Nat. Hist. 1. p. 107. pl. 2. fig. 2. — Corylella H. S. V. p. 529.
Drenthe: de rups bij Gieten in October; de vlinder verkregen
in Mei daaraanvolgende door Mr. Albarda (Snellen).
Lithocolletis connexella Zell. Linn. Ent. 1. p. 226. —
H. S. V. p. 550. fig. 812.
MICROLEPIDOPTERA. 71
Friesland: Jelsum, een exemplaar 10 Mei uit een populier ge-
klopt (Albarda).
Dit exemplaar , het eenige dat ik ooit van deze soort zag, is
beschadigd en wijkt ook af. Om deze reden maakte ik vroeger
bezwaar ZL. connexella als inlandsch te vermelden. Zeller evenwel,
die het voorwerp zag en het stellig als die soort benoemde,
schrijft ons: « Het is zeer beschadigd, zeer licht en zonder
teekening tegen de spits van den voorrand» (Snellen).
Lithocolletis Nicellii Staint. — H. S. V. p. 555. fig.
792. — Frey p. 561.
Gelderland: te Velp, bij Arnhem, verkregen uit den onder-
kant van hazelaarbladeren door van Medenbach de Rooy. Ver-
gelijk ook Bouwstoffen III. p. 296 (Snellen).
Nepticula septembrella Staint. — Frey p. 977. — v.
Hein. Wien. Ent. Monatschr. VI. p. 245, 251.
Gelderland: Arnhem, 20 Mei, uit Hypericum (van Meden-
bach de Rooy). Dit exemplaar heeft het eerste lid der achterste
tarsen donkergrijs, de overigen wit en de witte dorsaalvlek der
voorvleugels is bijna cirkelrond (Snellen).
PTEROPHORINEN.
Platyptilus isodactylus Zell. (PI 2. fig. 1, 2 en 5.)
Zell. Linn. Ent. VI. p. 528. n°. 4.
Zuid-Holland : langs de plassen bij Rotterdam heb ik ver-
scheidene rupsen gevonden in het begin van Augustus 1866 in
de toppen der stengels van Senecio nemorensis. Zij waren vol-
wassen anderhalve Nederlandsche duim lang, in het midden
ruim drie streep dik, voor en achter wat dunner, rond, naakt,
vuil groenachtig grijs, met flaauwe roode rug- en zijlijn, verder
met de gewone stippen , vooral duidelijk op de eerste ringen ,
zwarten kop, halsschild en ook op de laatste ringen met eenige
zwarte hoornachtige vlekjes. Jonge rupsen zijn vuilpaars , getee-
kend als de grooten, met kleiner stippen. Op den 21% Julij vond
79 MICROLEPIDOPTERA.
ik volwassen rupsen en ook reeds eene pop; half volwassen voor-
werpen, die ik echter niet medenam, zag ik ook nog 12 Augustus.
De pop is slank, bruingeel, met drie bruine langslijnen en dik-
wijls over iederen ring nog met verscheidene langstreepjes op
rug en buik. Sterk bruin geteekend zijn ook de vleugelscheeden,
en tusschen de ooghulsels steekt eene spits vooruit, gelijk bij
de poppen der Nonagrien. Het rolronde achterlijf loopt in eene
stompe punt uit, doch aan de buikzijde, even voor de spits,
staan eenige korte, stijve haartjes. Deze zeer bewegelijke pop
vindt men in den stengel, gewoonlijk boven in, met eenig spinsel
onder en boven haar; soms zit zij ook in het midden van den
dikken stengel der plant en dan heeft de rups een vrij groot,
van binnen besponnen, vlieggat voor den vlinder gemaakt.
Uit de door mij gevonden rupsen en poppen verkreeg ik van
6 tot 28 Augustus tien vlinders, die tamelijk variëeren. De
vlugt bedraagt van 27—52 mm. Zij behooren tot Zeller’s af-
deeling A van Pterophorus (genus Platyptilus H.S), blijkens de
slechts tot op 1/5 hunner lengte in tweeën gespleten voorvleu-
gels, welker lobben beide breed zijn, met zeer duidelijke, op
de voorrand-lob omgebogen, punt en binnenrandshoek , terwijl
de derde veder der achtervleugels in het midden een tand van
zwarte schubben heeft.
Het voorhoofd draagt eene spitse kuif van schubben, die bijna
de lengte der doorsnede van het oog of wel ongeveer de helft
van die der palpen heeft. Kop, palpen, rug en voorvleugels zijn
bij vijf mijner exemplaren (var. A. fig. 1 en B. fig, 2) bruinachtig
leemkleurig, bij de overige vijf helt de grondkleur meer naar
het okergele over (var. C. fig. 5). In het oog vallend is eene
bruine, driehoekige vlek, die op 2/5 van den voorrand, juist
voor de spleet, met hare basis aan den voorrand hangt en on-
geveer tot halverwege den binnenrand reikt. Zij vervloeit wortel-
waarts en is franjewaarts scherp begrensd en iets hol uitgesneden.
Voor die vlek ziet men over den geheelen vleugel vele kleine
ietwat geslingerde witte dwarsschrapjes, voorbij de vlek op de
voorrandslob slechts enkele lichte stippen aan den voorrand.
Bij var. A. (fig. 1.) een wijfje, dat ik als het sterkst geteekende
Pl. 2.
1.2.3. Platyptilus isodactylus, Zell.
4 Pterophorus serotinus, Zell. 5 Pter. Loewii, Zell.
fil nl
Na RICO
ij Lp
LLN
TIN
MICROLEPIDOPTERA. Ta
het eerst beschrijf, is de voorrand des voorvleugels boven de
onderrandsader tot aan de driehoekige vlek veel donkerder dan
het overige van den vleugel, zwartbruin, met vrij sterk afste-
kende witte stippen of streepjes; de vlek is mede zwartbruin ,
franjewaarts tegen de spleet eerst door een gebogen zwart lijntje
begrensd, waarvan men het ondereinde als eene stip ziet; boven
het zwarte lijntje tot den voorrand is de vlek begrensd door
eene lichte bijna okergele plek die naar boven breeder en hel-
derder wordt. Op de bovenste der beide lobben ziet men nog
eene donkerbruine (doch lichter dan de eerstgenoemde) vlek ,
die ook driehoekig is en met hare basis aan den voorrand hangt.
Zij is nergens scherp begrensd. De tweede lob is tegen den
achterrand geheel verduisterd door donkerbruine schubben en
over beide lobben loopt een zeer flaauw licht dwarslijntje op de
bovenlob achter de bruine vlek. De franjelijn is onafgebroken ,
zeer scherp, donkerbruin, zonder lichte of donkere stippen; de
franje langs den achterrand en in de spleet lichter dan de
vleugel , grauwgeel, om den binnenrandshoek van iedere lob
zwartgrijs , het breedst aan de benedenste lob; de binnenrands-
franje is helderder, bijna okergeel, met twee zwarte schubvlekjes.
De achtervleugels met franje zijn donker bruingrijs, langs den
binnenrand der derde lob tot aan de punt met eene van den
schubbentand uitgaande donkere deelingslijn. Onder zijn de
vleugels zwartgrijs met eene lichtgele vlek aan den voorrand
der bovenste lob van de voorvleugels op dezelfde plaats waar
boven de bruine driehoek franjewaarts licht begrensd is; de
bovenste lob is mede verder geheel geelachtig; het lichte lijntje
voor den achterrand iets duidelijker dan boven, de eerste lob
der achtervleugels geheel ongeteekend, de franje als boven. Het
achterlijf is donkerbruin, aan den wortel lichter, bijna geel; de
heupstukken en dijen der pooten bruin; de scheenen eveneens,
boven wit bestoven, de voortarsen en de sporen der midden- en
achterpooten zuiver wit, de midden en achtertarsen mede wit,
bruin gevlekt.
Bij var. B (fig. 2) een 4, iets bleeker en minder bont geteekend
dan A is de voorrand voor de spleet slechts weinig donkerder .
74 MICROLEPIDOPTERA.
de lichte gele vlek aan de franjezijde der voorrandsvlek ont-
breekt en wordt door eene flaauwe lichte zoom vervangen; ook
ontbreekt de donkere vervloeijende bruine vlek op de bovenste
lob en de sterke donkere bestuiving van de onderste. Van het
lichte dwarslijnije ziet men slechts een zeer flaauw spoor. Onder
is het geheele achterrandsderde der voorvleugels hoog okergeel
gekleurd en de lichte vlek boven de spleet benevens het dwars-
liintjes flaauwer dan bij A.
Var. € (fig. 5) een 2, bet lichtstgekleurde exemplaar heeft voor de
voorrandsvlek geen donkerder voorrand der voorvleugels, de drie-
hoekige vlek zelve is helder lichtbruin niet zoo in het oog vallend
veel donkerder dan de grondkleur, evenzoo de beide lobben
slechts zeer weinig donkerder getint, zonder dwarslijntje „ doch
met zigtbare witte dwarsschrapjes, vooral op de onderste lob.
Onder de geheele franjehelft der overigens bruingrijze vleugels
geelbruin (met uitzondering van de tweede lob der achtervleu-
gels, welke lob bruingrijs blijft) en het lichte vlekje boven de
spleet tot eene gele stip aan den voorrand verkleind, het dwars-
lijntje bijna onzigtbaar, de pooten minder bont dan bij varieteit
A en B.
Behalve deze tien exemplaren kweekte ik uit eene ontoereikend
gevoede rups een klein voorwerp van var. C, dat zeer flaauw
geteekend , iets grijsachtig van tint is en eene meer uitstekende
punt der voorvleugels heeft, met schuiner achterrand der eerste
lob dan mijne overige voorwerpen. Als kunstmatige varieteit
behoeft het echter niet nader beschreven te worden. Prof. Zeller,
die van ieder der drie beschrevene varieteiten een exemplaar zag,
benevens het laatstvermelde kleine, zegt te haren opzigte het
volgende: « Zonder de ontvangen berigten (over de rups) had ik
in deze exemplaren ten minste twee soorten gezien. Nemoralis
(wij hielden namelijk de hem toegezonden exemplaren voor die
soort) onderscheidt zich behalve door het ontbrekende lichte
dwarslijntje (op de onderzijde van de eerste lob der achter-
vleugels) alleen door de, niet eens constante meerdere grootte
van Zellerstedtii en kan dus niet tot uwe exemplaren behooren.
Van den als rups in 7ussilago farfara levenden Gonodactylus
MICROLEPIDOPTERA. 75
onderscheiden zich uwe exemplaren door hun geheele voorkomen
en zeer waarschijnlijk als goede soort. N°. 95 ' schijnt mij zeer
goed op de beschrijving van Zsodactylus (waarvan ik geen ander
dan het in de Linnaea vermelde exemplaar zag) te passen. Zeer
schoon stemmen de 4 exemplaren * overeen in het ontbreken
der witte stip in de bruine achterrandslijn der eerste lob, en ik
ben zeer geneigd al deze exemplaren voor /sodactylus en voor
eene goede soort te houden.»
Dat het vermelde kleinere en flaauw geteekende exemplaar
door Zeller bevonden werd goed met zijne beschrijving in de
Linnaea overeen te stemmen, laat zich daaruit verklaren, dat
die beschrijving naar een oud en beschadigd voorwerp is gemaakt,
waarop de teekening zeer onduidelijk was geworden. Over het
algemeen komt de beschrijving met mijne voorwerpen goed over-
een. Alleen moet ik als belangrijke afwijking vermelden, dat ik
bij geen mijner exemplaren iets van de menigte witte schubben
op de onderzijde van de eerste lob der achtervleugels zie.
Overigens zijn de verschillen te verklaren uit den toestand van
het door Zeller beschreven voorwerp, dat waarschijnlijk tot mijne
var. À behoorde, welke dus als type kan beschouwd worden.
De door Zeller aangehaalde en ten deele afgeschreven beschrij-
vingen van Similidactylus Curtis, Dale en Monodactyla Haworth
zijn zoo onbepaald, dat deze namen voor onze soort niet in aan-
merking kunnen komen.
Van Zetterstedtii Zell., na Nemoralis de naast verwante soort,
waarvan ik twee origineelen voor mij heb, onderscheidt /sodac-
fylus zich door meerdere grootte. Mijne Zellerstedtii hebben
namelijk slechts eene vlugt van 22 en 24 mm. Dan zijn de
voorvleugels sterk helder okergeel en bruin gemengd, de laatste
kleur voor de spleet in den vorm van eene of twee schuine
bruine dwarsstrepen, doch zonder gelijkmatig verdonkerden voor-
rand ; ook zie ik niets van de witte dwarsschrapjes van /soduc-
tylus ; de bruine voorrandsvlek is helder donkerbruin, ook
t Bovenvermeld klein exemplaar (Snellen).
» Ook de zes overigen (Snellen).
76 MICROLEPIDOPTERA.
wortelwaarts scherp begrensd, franjewaarts helder okergeel; over
de beide lobben loopt onder en boven een duidelijk licht dwars-
lijntje, dat ook op de onderzijde der eerste achtervleugellob te
zien is; eindelijk is de achterrandsfranje der voorvleugels wit.
Gonodactylus nog verder verwijderd is grijs met eene donker-
grijze voorrandsvlek als bij Zeiterstedtii gevormd en een licht
dwarslijntje over de lobben onder en boven, ook, doch flaauw,
op de onderzijde der eerste achtervleugellob. De achterrands-
franje der voorvleugels is bij een mijner exemplaren grijs met
eene wilte stip, gelijk Zeller beschrijft, bij een ander (collectie
Kinker) bijna geheel wit, zoo als Herrich-Schaeffer afbeeldt.
De beide exemplaren van Gonodactylus zijn iets grooter dan
Zetterstedtii, met welke zij overigens in den aanleg der teekening ,
ook in het gemis op de voorvleugels der witte dwarsschrapjes
en van eenen gelijkmatig verdonkerder voorrand overeenstemmen.
De vliegtijd van Gonodactylus schijnt dezelfde als van Zsodactylus ;
ik ving ten minste een afgevlogen exemplaar der eerstgenoemde
soort in September. Waarschijnlijk komen dus van Gonod. twee
generatiën voor, daar Zeller Mei en Junij opgeeft (Snellen).
De Heer Stainton, aan wien ik van Snellen’s gelukkigen vond
mededeeling had gedaan, heeft daarvan melding gemaakt in
The Entomologists Monthly Magazine, Julij 1867, pag. 59.
Dat hij evenwel in dit berigt den naam van Snellen van Vollen-
hoven in de plaats van Snellen schreef, laat zich alleen daaruit
verklaren, dat hij in de meening schijnt te verkeeren dat beide
Heeren een en dezelfde persoon zijn. |
Ik wil ten slotte nog de aandacht vestigen op eene aanteekening
en afbeelding voorkomende in de Natuurlijke Historie of uit-
voerige beschrijving der dieren, planten en mineraalen volgens
het samenstel van den Heer Linnaeus door Houttuyn en wel in
het eerste deels elfde stuk , vervolg der Insekten. Amsterdam 1767.
Nadat Houttuijn over Pterophorus pterodactylus gehandeld
heeft, spreekt hij t. a. p. pag. 748 over eene andere soort van
veer-uiltje , hem toegezonden door den heer Juliaans te Utrecht
en afgebeeld in fig. 18, plaat 92 van zijn werk. Dit veer-uiltje
had, zoo als de tekst leert, «de voorste wieken maar een
MICROLEPIDOPTER A. 77
weinigje gespleeten en vliesachtig, bruingeel van kleur, met een
donkeren vlek; terwijl de achtersten ieder in drie pluimen ver-
deeld waren». De heer Juliaans «hadt het rupsje daarvan in
de steelen van de Solidago sarracenica ontdekt ».
De aanteekening is kort, maar de afbeelding vult aan. Jam-
mer evenwel dat de figuur, waarover sprake is, juist de eenige
op die plaat is, die niet met zekerheid kan worden bestemd ,
hetgeen met geen der overige figuren het geval is, althans voor
zooverre zij Europesche vlinders voorstellen. Zooveel is echter,
geloof ik, zeker, dat fig. 18, ofschoon wat vleugelvorm aangaat
misteekend , zoo als de vorm en teekening der bovenvleugels aan-
toonen , eene Platyptilus voorstelt en dus behoort tot dezelfde
onderafdeeling der Pterophoren als Zsodactylus. De afbeelding
heeft eene donkere driehoekige vlek op de bovenvleugels, waarvan
de basis aan den voorrand hangt, en de punt tot het begin der
spleet reikt.
De fijne witte lijnen, die langs twee zijden van den driehoek
loopen, zijn overdreven , want zoo scherp geteekend komen zij
bij geen bekenden Platyptilus voor; daargelaten dat mij geen
voorbeeld bekend is van eenen lichten zoom langs de naar den
vleugelwortel gekeerde zijde van den donkeren voorrandsdriehoek,
Wij hebben dus eenen Platyptilus met bruingele bovenvleugels
en donkeren voorrandsdriehoek met lichten zoom.
Dit alles past zeer goed op de door Snellen beschreven var. B.
van /sodactylus. Dat in figuur 18 de schubtanden aan den
binnenrand der bovenvleugels en de schubtand aan de derde
veder der ondervleugels zijn weggelaten, kan geene verwondering
baren, wanneer men let op de weinige naauwkeurigheid waar-
mede men de twee Pterophoren , die op plaat 92 voorkomen ,
heeft bekeken, daar men in figuur 19, aan de welbekende
Pter. pentadactylus , in overeenstemming met den tekst, slechts
twee, in plaats van drie veders in de ondervleugels heeft ge-
geven. Hetzelfde geldt omtrent den vorm van de vederen der
ondervleugels in fig. 18. Men kan toch gerust aannemen dat
lijnvormige ondervleugelvederen bij een Platyptilus in strijd zijn
met de natuur.
78 MICROLEPIDOPTERA.
En nu de plant, waarin de rups door den heer Juliaans ge-
vonden was. Een mijner botanische vrienden deelt mij mede,
dat volgens de Candolle’s Prodromus, Pars. VI. p. 555, Solidago
sarracenica Fuchs, dezelfde plantensoort is als Senecio Fuchsii
Gmel.; en dat volgens Koch (Synops.) Senecio Fuchsii eene
varieteit is van Senecio nemorensis, in systematische orde ge-
plaatst tusschen Senecio nemorensis en Senecio sarracenicus.
Voegt men het gezegde bijeen dan is het zeer waarschijnlijk
dat de aanteekening en afbeelding van Houttuijn onzen Zsodactylus
betreffen , in welk geval de levenswijze dier soort reeds honderd
jaar geleden hier te lande zou bekend geweest zijn (de Graaf).
Pterophorus serotinus Zeller. (Pl. 2. fig. 4). Zeller,
Linn. Ent. NI. p. 561. n°. 27.
Gelderland: de heer P. C. T. Snellen heeft op 24 Augustus
1865, op een moerassig stuk grond bij Nijmegen vier gelijk-
soortige Pterophoren gevangen, waarvan een door den heer
Zeller als zijne Serotinus bestemd is. Alleen dit exemplaar is
in goeden staat, maar ietwat afgevlogen, waaraan waarschijnlijk
zal zijn toe te schrijven dat van de «strigula laciniae anterioris
in cilia usque albida», door Zeller in zijne diagnose vermeld,
niels te zien is. Zie echter ook Frey: Die Tineén und Ptero-
phoren der Schweiz, p. 611. Een ander exemplaar , hetwelk
sterk is afgevlogen, en door Mr. J. H. Albarda op 5 Augustus
in Friesland te Oldeberkoop werd gevangen , wordt door Zeller
ook voor Serotinus gehouden.
In den Catalog der Lepidopteren Europa's und der angren-
zenden Ländern van Dr. Staudinger en Dr. Wocke, wordt Pt.
bipunctidactylus Haw. met een? als synoniem van Serotinus ver-
meld. Stainton, die Bipunctidactylus Haw. der Bouwstoffen,
dl. 5. p. 409 (niet 509) n°. 9, voor mij bestemde, schreef mij
later, dat hij wel geloofde dat deze soort één was met Serotinus.
Ik kan die meening niet deelen, wanneer ik de exemplaren,
die Stainton als Bipunetidactylus bestemde, met het voorwerp
vergelijk, dat Zeller als Serotinus benoemde. Het blijft een
punt van nader onderzoek (de Graaf).
MICROLEPIDOPTER A. 79
Pterophorus Loewii Zeller. (PI. 2. fig. 5.) — Linn. Ent.
VI. p. 564. n°. 98. — Het grijze vedermotje Sepp. VI. p. 177.
tab. 45.
Ook van deze soort, door den heer Zeller benoemd , zond
ik hem twee exemplaren ter bezigtiging, Beide zijn gekweekt
door den heer Mr. J. H. Albarda, uit rupsen in het laatst van
Augustus eu begin van September 1866 gevonden op het eiland
Schiermonnikoog , op het zaad van £rythraea littoralis.
«De rupsen zijn, zoo schreef hij, naar voren zeer verdund
met zeer kleinen kop, sterk behaard, groen, met rooden rug-
gestreep. Zij zijn thans (14 September) allen (5 in getal) ver-
popt. De popjes hangen aan het staarteinde. — Ik twijfel er
volstrekt niet meer aan of deze soort is bedoeld bij Sepp VI.
45». Zoo is dan Albarda’s waarneming de determinatie komen
bevestigen, die Werneburg van de aangehaalde plaat van Sepp
heeft gegeven! De aldaar afgebeelde rupsen waren, blijkens den
tekst, op Erythraea centaurium gevonden. Omtrent de aantee-
kening van Albarda, dat de popjes aan het staarteinde hangen,
schrijft Zeller: «Ist ganz richtig», met verwijzing naar zijne
Abhandlung über die Pterophoriden in de Isis (die ik niet bij
de hand heb) en onder bijvoeging, dat zij nog op eene andere
plaats zijn vastgehecht; maar niet zoo als de Pieriden. Aan een
ledig popje, dat Albarda mij zond, zie ik alleen dit, dat het
behalve aan het staartpunt ook nog aan het daarop volgende lid
is vastgehecht.
De twee mij toegezonden exemplaren van het volmaakt insect
wijken aanmerkelijk af in tint en scherpte van teekening.
Het eene exemplaar heeft een vlugt van 22 mm., kop en voor-
rug licht bruinachtig graauw; bovenrug en einden der schouder-
bedekking lichtgrijs bestoven. Bovenvleugels bruinachtig grauw,
vooral de voorrandhelft vóór en achter de spleet; de binnenrand
is smal bleek roodachtig geel; overigens is de binnenrandhelft
der bovenvleugels van den wortel tot aan de spits der onderste
lob lichtgrijs bestoven, even als de spits der bovenste lob. Zwarte
schubben zijn, aan den vleugelwortel beginnende, in de geheele
lengte der vleugelvouw geplaatst als fijne puntjes; dergelijke
80 MICROLEPIDOPTERA.
schubben, maar hier en daar wat meer opeengehoopt, ziet men
tusschen het langwerpige vlekje op 1/5 der vleugels en de spleet.
Dit vlekje, even als het langstreepje tegen de spleet, wordt door
opeenhooping van zwarte schubben gevormd. Op de onderste lob
zijn twee fijne zwarte langstreepjes boven elkander geplaatst; het
bovenste in tweeën gedeeld. Op de bovenste lob ziet men één,
dikkere, langstreep, die boven het begin der spleet aanvangt,
en eindigt waar de tip grijs wordt. Vier zwarte punten aan de
einden der lobben; 2 in den binnenrandshoek der eerste lob
(op de regtervleugel evenwel duidelijker dan op de linker) en 2
aan de spits der tweede lob. Voorrandfranje der eerste lob van
het midden der vleugels tot aan de spits in toenemende breedte
duidelijk wit. Binnenfranje der spleet lichtgrijs, die der achter-
randen donkergrauw; langs den binnenrand der vleugels rood-
achtig grauw. — Onderzijde der bovenvleugels roodachtig bruin-
grauw; de lobben vóór de spits lichtgrijs bestoven. De zwarte
franjepunten zijn zeer duidelijk. De witte voorrandfranje steekt
scherp af.
De ondervleugels zijn op de boven- en onderzijde roodachtig
grauw; de franje wat zuiverder grauw.
Achterlijf licht bruinachtig grauw; de twee eerste ringen van
boven wit en twee fijne witte streepjes op het derde lid. Staart-
pluim met witte haarschubben. Een 4.
“Van het andere exemplaar, een vlugt hebbende van 20 mm.,
zijn de boven- en ondervleugels roodachtig grauw. De boven-
vleugels zijn minder met wit bestoven en niet zoo rijkelijk met
zwarte schubben bezet als bij het eerst beschreven exemplaar ,
zoodat dan ook de zwarte streepjes meerendeels zeer onduidelijk
zijn, of geheel of ten deele ontbreken. Voorrandfranje wit. Twee
zwarte punten in de franje der bovenste- en 2 in de franje der
onderste lob.
Geen der beide exemplaren heeft een binnenrandshoek aan de
eerste ondervleugelveder. Deze is zuiver lancetvormig. Daarin
verschillen deze twee exemplaren van de vier hierboven vermelde
voorwerpen van Serotinus, die Snellen bezit en welke een duide-
lijken binnenrandshoek aan die veder hebben. Dit kan een goed.
MICROLEPIDOPTERA. 81
soortkenmerk wezen. Ook is de punt der eerste veder wat langer
dan bij Serotinus.
Ik voeg hier nog bij dat ik ook een exemplaar van Loewi ter
determinatie ontving van den Heer van Medenbach de Rooy Jr.
Hij had dit veertje op 9 September 1867 bij Arnhem gevangen
(de Graaf).
Pterophorus stigmatodactylus Zeller, Linn. Ent. VI.
p. 574.
Zuid-Holland : een exemplaar, 6 Julij 1862 te Staalduin
in het Westland door Snellen gevangen is door ons, als Pt.
stigmatodactylus Z. bestemd, aan Zeller ter bezigtiging gezon-
den ten einde zijn gevoelen te leeren kennen. Zijn antwoord
was: «ook ik kan het exemplaar voor niet anders dan Stigma-
todactylus verklaren, hoewel de costa der lacinia anterior over
minder lengte wit is en niettegenstaande het mij vreemd voor-
komt, dat eene soort, die op de drooge hoogten bij Mödling
(waar veel Globülaria groeit) zoo menigvuldig is, ook aan de
kusten der Noordzee zou voorkomen. Bij Mödling ving ik haar
zelf, maar kreeg ze overigens alleen uit Sarepta». Nu onze
determinatie op Zeller’s beschrijving gedaan door hem zelven
bevestigd is, kan, dunkt mij, de localiteit geen reden zijn om
de soort niet als inlandsch op te nemen (de Graaf).
De volgende aanteekeningen betreffen een viertal variëteiten.
Teras hastiana L. var. (Pl. 1. fig. 5).
De aangehaalde figuur stelt eene afwijking voor van Teras
hastiana. Zij werd door Mr. J. H. Albarda in October gekweekt
uit eene rups, die hij onder meer anderen een maand vroeger op
het eiland Schiermonnikoog gevonden had, in de eindscheuten
van Salix fusca en repens. Deze varieteit is zeer opmerkelijk.
Zeller verklaarde ons dat hij onder 168 exemplaren van Hastiana,
die in zijne verzameling voorkwamen, eene dergelijke afwijking
niet bezat (de Graaf).
82 MICROLEPIDOPTERA.
Gelechia terrella W. V. var. (Pl. 1. fig. 4).
Men vindt hier eene afbeelding van de varieteit, die ik in de
Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland, dl. 5. p 547 (niet 247)
onder n°. 115 vermeld heb. Zij heeft op de bovenvleugels drie
(de gewone) groote zwarte punten en bovendien eene onregel-
matige streep van dezelfde kleur, welke door het midden der
vleugels van den wortel naar de vleugelpunt loopt (de Graaf).
Gelechia ? proximella Hb. var. 4. (Pl. 1. fig. 5).
Op den 8® Junij 1864 ving de heer J. Kinker in Middenduin te
Overveen bij Haarlem eene Gelechia, die t. a. p. is afgebeeld.
Stainton acht het waarschijnlijk dat dit exemplaar eene varie-
teit is; maar laat de soort in 'tmidden. Zeller zegt er van:
«als dit eene aberratie is, waartegen het lichte punt op de
dwarsader zich schijnt te verzetten, dan kan zij alleen tot
Notatella behooren». Wat mij betreft ik vind het meer aanne-
melijk dat ons exemplaar, indien men 't voor eene aberratie
moet houden, eene afwijking is van Gel. proximella en wel,
omdat de vorm der boven- en ondervleugels niet van Prowi-
mella verschilt en de vorm, kleur en teekening der palpen en
pooten bij beide volkomen dezelfde is.
Vlugt 15 mm. Palpen witachtig, het tweede lid aan den
buitenkant van den wortel tot over de helft zwart beschubd ,
met een zwart vlekje vóór het eind; het derde lid draagt twee
zwarte ringen, een op het midden en een voor de spits.
Sprieten witachtig met zwarte, digt bijeenstaande, ringen.
Pooten aan de buitenzijde zwartbruin; tarsen met witachtige
ringen. Kop en rug lichtgrauw; de laatste op ’t midden
donkergrijs.
Grondkleur der bovenvleugels lichtgrauw, grootendeels in de
lengte met donkergrijze schubben bedekt, vooral op de aderen.
De grondkleur vertoont zich streepvormig in de geheele lengte
der vleugelvouw en onder den voorrand, beginnende aan den
vleugelwortel en eindigende ietwat over 't midden van den voor-
rand, alwaar die streep voor een donkergrijs voorrandvlekje, in
MICROLEPIDOPTER A, 85
den voorrand ophoudt. Voorbij dat voorrandvlekje is de voor-
randfranje, die door donkergrijze schubben verduisterd is, langs
hare inplanting met donkergrijze streepjes geteekend; evenzoo de
bleek leemgele achterrandfranje, door welke een fijne donkere
lijn loopt. Eene lichte stip is op de dwarsader geplaatst.
Lijf aan wederzijde donkergrijs; eindbeschubbing der geledin-
gen lichtgrijs; zóó het geheele laatste lid.
Ondervleugels helder, lichtgrijs met flaauwen weerschijn.
Franje bleek leemgeel, met eene gelere lijn langs den vleugel-
rand. De vleugelpunt is kort, driekantig, even lang als breed;
zoo lang als de kop breed is. Buitenrand gelijkmatig afgerond
zonder hier of daar uitgezet of ingebogen te zijn. Binnenrand
parellel met den voorrand.
Onderzijde. Bovenvleugels door digt opeen geplaatste donkere
schubben paarsbruin, even als de voorrand der ietwat weer-
schijnende blaauwgrijze ondervleugels. Franje van al de vleugels
als op den bovenkant (de Graaf).
Argyresthia conjugella Zeller. var. (Pl. 1. fig. 6).
De aangehaalde figuur stelt eene opmerkelijke afwijking voor
van Arg. conjugella. Dat het diertje daartoe behoort, is ook de
meening der Heeren Stainton en Zeller, en blijkt ten duidelijkste
bij vergelijking met andere exemplaren, die de Heer Kinker op
denzelfden dag op dezelfde plaats gevangen heeft.
Type. Kop, gezigt, palpen en rug lichtgeel. Schouderbe-
deksels violet-grauw. Bovenvleugels, ook door de loupe gezien,
violet-grauw met krijtgelen binnenrand en fijne witte voorrand-
streepjes. Een donkerbruine basaalstreep in de vleugelvouw ; een
dergelijk vlekje in ’t midden van den voorrand en een donker-
bruine dwarsband, die tegenover dit vlekje aan den binnenrand
begint en schuins gebogen in den voorrand uitloopt, vlak voor
een wit vlekje, dat door een klein wit stipje gevolgd wordt,
’t welk in de vleugelspits zigtbaar is en van evengenoemd vlekje
door donkerbruin is gescheiden , hoedanig ook de vleugelspits en
de franje daaromheen gekleurd zijn. 1 4.
Var. u, als de type, maar de basaalstreep heeft boven hare
84 MICROLEPIDOPTER A.
spits een bruin vlekje, dat met die spits en het voorrandvlekje
in ’t midden des vleugels, in een schuine lijn is geplaatst. De
dwarsband die over den vleugel loopt, is onregelmatig van vorm.
Het witte stipje in de vleugelpunt ontbreekt. 1 2.
Var. bh, als a; maar de bovenvleugels zijn, door de loupe
gezien, wit, met flaauwen violetten weerschijn en (de lichte
binnenrand en donkerbruine teekening uitgezonderd) met een
fijn, digt net van donkerbruine streepjes overdekt, waartusschen
het wit ruitvormig uitkomt. 1 4.
Var. c, als 5; maar de dwarsband houdt voor den voorrand
op. 1 2. x
Var. d, als c; maar de violette tint en het donkere net ont-
breken geheel. De bovenvleugels zijn geelachtig, beenwit, glan-
zig. De binnenrand schijnt door den glans bijna wit. De basaal-
streep loopt niet tot den vleugelwortel door. 1 9. Vlugt 12 mm.
(Fig. 6).
Al deze exemplaren zijn door den Heer J. Kinker in Zuid-
Holland, 21 Mei 1865, te Hillegom gevangen, met uitzondering
van var. a, die hij op 27 Mei van dat jaar in Middenduin bij
Overveen bemagtigde (de Graaf).
Julij 1867.
GRAPHOLITHA TOMIANA N. SP.
Alis anticis oblongis, infra apicem vix sinuatis, cinereo-fuscis,
opacis, costa ante medium et ante apicem obsolete nigro cine-
reoque strigulata, macula dorsi medii albida, fusco dissecta,
lineolis speculi obsoleti tribus nigris; posteriorum costa in 4
lineam atram gerente. & 2.
Ueber die Neuheit dieser Art ist Herr van Heinemann mit
mir einverstanden, so wie darüber, dass sie wegen des unter
der Spitze äusserst schwach eingedruckten Hinterrandes der
Vorderflügel eine nahe Verwandte der Grapholitha funebrana ist.
Von dieser und andern unterscheidet sie sich auf den glanzlosen
Vorderflügeln durch den verloschenen, fast viereckigen, hellgrauen
in der Mitte getheilten Innenrandsfleck, und im männlichen Ge-
schlecht ausser dem durch den tiefschwarzen Längsstrich auf
dem Vorderrande der Hinterflügel.
Grösse einer kleinern Gr. funebrana. Kopf dünkelgrauhaarig,
Taster etwas heller. Thorax dunkler als der Kopf. Hinterleib ,
beim 2 wenig dicker als beim 4, bräunlichgrau, an den Hinter-
rändern der Segmente hellgrau beschuppt, am Bauch weissgrau.
Vorder- und Mittelbeine grau, die Mittelschienen mit weisslichem
Bande in der Mitte und am Ende; Hinterbeine weissgrau; alle
Füsse dunkelgrau, weisslich gefleckt.
Vorderflügel mehr oder weniger gestreckt länglich, beim 2
am kürzesten, graubraun. An der Mitte des Innenrandes liegt ein
weisslichgrauer „ fast viereckiger, ziemlich schmaler, nach innen
nicht scharf begrenzter Fleck, der in der Mitte durch einen
bräunlichen Strich gespalten ist; jede Hälfte ist wieder, doch
verloschener gespalten.
Vor der Flügelhälfte ist am Vorderrande eine helle Stelle, von
86 GRAPHOLITHA TOMIANA N. SP.
Q—5 dunkeln Randstrichelchen durchschnitten; sie vereinigt sich
nicht mit dem Innenrandsfleck, lässt aber das Wurzelfeld des
Flügels als in der Mitte durch eine scharfe Ecke begrenzt er-
scheinen. In einiger Entfernung vor der Flügelspitze hat der
Vorderrand 5—5 schwärzliche, durch hellen Grund getrennte,
schräge Strichelchen. Das undeutlich begrenzte, graue Spiegel-
feld enthält 5 undeutliche, kurze, schwarze Längslinien. Die
Hinterrandlinie ist schwarz; an der eingebogenen Stelle des
Hinterrandes unter der Spitze liegt ein sehr verloschener, bis-
weilen fehlender ,„ grauer Punkt, der aber nicht hilft einen
Apical-ocellus abzuschliessen. Franzen dunkelgrau, an der Wurzel
heller.
Hinterflügel einfarbig braungrau met helleren, beim 2 weiss-
grauen Franzen. Der vom Vorderflügel verdeckte Theil des
Vorderrandes ist fast bis zum Anfange der Apicalfranzen weiss-
lich und erhält beim d nahe am Rande selbst einen tiefschwar-
zen, nach hinten zugespitzten Längsstrich, der nicht bis zur
Flügelbasis reicht.
Unterseite bräunlichgrau, die Vorderflügel am Vorderrande
heller mit vielen braunen Fleckchen, am Hinterrande hell mit
verloschenen welligen Querlinien; die Hinterflügel am Hinterrande
in grösserer Breite ebenso gezeichnet.
Von dieser seltenen Art habe ich bei Glogau, stets an Kie-
fergesträuch, im Ganzen 5 Exemplare (2 4 1 ¢) in der End-
hälfte des Mai gefangen. Ein 9 erhielt ich auch von Dr. Santer
in Königsberg in Preussen zur Bestimmung.
Meserits , Dezember 1868. P. C. ZELLER.
BENIGE ENTOMOLOGISCHE AANTEEKENINGEN
DOOR
H. WEYENBERGH Jr.
1. Over ORCHESTES FAsı, Gyll.
In de maand Mei van 1864 werden zelfs de, zich over het
algemeen weinig met natuurkennis bemoeijende, mannen van
zaken getroffen door het kwijnend en ziekelijk uiterlijk der in
den Haarlemmerhout zoo talrijke beuken. De anders donker-
groene en duistere beukenlanen zagen er uit als in November,
wanneer reeds een stevige nachtvorst over het gebladerte is ge-
streken. Bij onderzoek bleek de oorzaak geene andere te zijn
dan duizenden bij duizenden individus van Orchestes Fagi, Gyll.
Nadat de bladeren door de volkomen insekten als ’t ware in
zeven waren veranderd „ zoodra zij slechts even de knophulsels
hadden verbroken, werden zij nu door de mineerende larven
geheel en al vernield. De larve, die bij plekken en niet in
gangen mineert, is geelachtig wit van kleur en volwassen on-
geveer’ 6 tot 7 millim. lang. Het spinseltjen dat zij tusschen de
bladplaten vervaardigt, is vuilwit en eenigzins pergamentachtig.
De kleine zwarte kevertjes zelven zijn bijzonder levendig en vlug,
en kunnen, zoo als hunne sterke dijen reeds aanwijzen, groote
sprongen doen. Toen deze duizende larven in imagines waren
overgegaan , was bij eenige stilte in het bosch een gekletter
waar te nemen als van eene zachte regen. Dit gekletter werd
door het springen der "kevertjens door de bladen veroorzaakt.
Eenige daarop volgende slagregens vernietigden bijna het gehcele
broed, zoodat de beuken door de zoogenaamde St. Jans- en
88 EENIGE ENTOMOLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
Augustus-scheut zich vrij wel herstelden en in het najaar nog
slechts enkele sporen der verwoesting vertoonden.
Dat eene overmatige vermenigvuldiging dezer dieren nadeelig
moet zijn voor de houtkultuur laat zich begrijpen, als men na-
gaat hoe gewichtig de physiologische beteekenis der bladen voor
de plant is. Menige heester zal sterven, wanneer men hem in
ens van zijne bladeren berooft.
Het schijnt mij toe dat dit insekt door den snellen groei der
arven verscheidene generaties ’s jaars kan voortbrengen.
9. Over LIBELLULA QUADRIMACULATA, L. (?)
Op een der eerste warme dagen van April was ik eens in de
gelegenheid een trek van libellenlarven waar te nemen in de
Leidsche vaart digt bij Haarlem. Zij trokken langs den wal in
de richting naar Leiden in eene smalle en ongelijke kolom, die
ongeveer 25 tot 50 schreden lang zal zijn geweest. Ik nam hem
waar in den namiddag tusschen twee en drie uur. Den vol-
genden dag waren zij verdwenen; alleen vond ik er hier en
daar eenigen te samengeschoold. Een paar dezer larven, die ik
uit het water schepte, meende ik voor die van de bovengenoemde
soort te mogen houden ',
5. Over TAENIOCAMPA MUNDA, W. V.
Toen ik eens in de nabijheid van Overveen in het laatst van
April op eenige boomstammen de gewone noctuasmering gezet
had, was ik zeer verwonderd, niettegenstaande het gunstige
weêr en de bijzonder goede qualiteit mijner smering, geen
enkelen vlinder tegen de besmeerde boomstammen aan te treffen.
Ik besloot nu met de ontstoken lantaarn de wilgen te gaan be-
zien, die op een paar minuten afstands bloeiden.
De vlinders, die ik aan de boomstammen te vergeefs had ge-
zocht, zaten hier in grooten getale gezellig bijeen, onder het
‘ Mijn vriend Ritsema verhaalt mij meermalen een’ dergelijken trek te hebben
waargenomen.
EENIGE ENTOMOLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 89
genot van den nectar der wilgenbloesems; of deze ook bedwelmend
op hen werkt of wel of zij te zeer in het genot verdiept waren,
weet ik niet, maar zooveel is zeker, dat ik hen allen op mijn
uiterste gemak van de katjens kon afhalen, zonder dat er een
eene poging deed om weg te vliegen. Dit is te opmerkelijker ,
daar, zelfs als de smering een bijzonder groote hoeveelheid
alcohol bevat, er steeds nog eene zekere handigheid vereischt
wordt om den vlinder het ontsnappen te beletten.
Van de toen gevangen soorten noem ik alleen T. munda, W.V.,
O. ruticilla, Esp. (in var.) Orr. Vaccinii, L. (met var. polita,
Hübn.), 7. gothica, L., T. stabilis, W. V. (met var. juncia.)
P. piniperda, Pz., Sc. satellitia, L. (ook de var. met bruine
niervlek), B. repandata, L., A. aescularia, W. V., Cid. mul-
listrigaria, Haw. enz.
Vooral van 7. munda, W.V. ving ik vele exemplaren en daar
ik er den volgenden dag weder verscheidene vond, kwam eene
niet onaardige reeks varieteiten in mijn bezit. Ik kon deze
varieteiten in drie schakeeringen groepeeren en wel bruine,
roode en grauwe. De bruinen waren over het algemeen dui-
delijk geteekend en de teekening werd minder duidelijk naar-
mate zij meer in het roode overgingen; onder deze was een
exemplaar van lichtbruine kleur, bij hetwelk de niervlek bijna
zwart was. Van deze tint waren de mannetjes talrijker dan de
wijfjes.
Bij de exemplaren met roode tint waren enkelen van zeer
flaauwe teekening, maar over ‘t algemeen hield de duidelijkheid
der teekening het midden tusschen de bruinen en grauwen.
Van deze kleur ving ik de meeste individuen.
De grauwen waren over het algemeen het lichtst en ondui-
delijkst in de teekening, zoodat bij velen (even als bij enkele
rooden het geval was) de zwarte randstippen moeijelijk te vin-
den waren, ja bij eenigen was de randteekening geheel verdwenen.
Een enkel exemplaar kwam in duidelijkheid de bruinen nabij.
Verder ving ik vier mannetjes, die in kleur het midden
hielden tusschen de bruinen en de grauwen, maar niet duidelijk
van teekening waren. Deze vertoonden evenwel de bijzonderheid
90 EENIGE ENTOMOLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
dat de zwarte randteekening (de zwarte stippen) helderbruin
was, hetgeen zeer in het oog liep. Na eenige dagen kreeg ik
ook nog een dergelijk exemplaar (2) uit de pop.
4. Over CALYMNIA TRAPEZINA, L.
In dit voorjaar (1867) waren de rupsen van deze soort zoo
buitengewoon menigvuldig, dat vooral de linden in den Haar-
lemmerhout er uitzagen of er met hagel door geschoten was
en de grauwe zandpaden zwart zagen van de menigte excre-
menten, die men bij eenige stilte als waterdroppelen door het
gebladerte hoorde kletteren.
3. Over soLENOBIA TRIQUETRELLA, F. v. R.
Het is algemeen bekend dat deze soort, nevens de gewone
wijze van voortplanting, zich ook door parthenogenesis verme-
nigvuldigt. Ook ik heb deze voortplantingswijze waargenomen.
De in het begin van Juni uitgekomen individuen, allen wijfjes,
leefden slechts een paar dagen en lieten dan het zakje dat haar
tot woning gediend had, vol eieren na. De in verhouding tot
het diertje vrij groote eieren zijn ovaal van vorm en geel van
kleur. Ongeveer een maand nadat de eieren gelegd zijn, kruipen
de jonge rupsjes uit den zak en hullen zich dadelijk in een
zakje, dat zij van losse vezeltjes van den moederzak maken.
Deze jonge rupjes, die ongeveer 1 millim. lang zijn, zijn vuil
wit van kleur, de kop alleen is zwart en op den rug der beide
eerste ringen ziet men een’ zwarten schaduwachtigen veeg. De
eieren kwamen geregeld in den voormiddag uit. Het mogt mij
gelukken met verschillende grassoorten de rupsen groot te
brengen „ hoewel zij zeer langzaam groeiden. Het volgend jaar
kwamen de volkomen insekten (weder allen wijfjes) te voorschijn
en plantte de soort zich weder op dezelfde wijze voort. Ook
de volgende generatie bestond weder alleen uit wijfjes, uit wier
evenzeer onbevruchte eieren zich de rupsen ontwikkeld hebben,
die toen evenwel door een verzuim van mijnen kant het leven
hebben verloren.
EENIGE ENTOMOLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 91
Ik had nu de zekerheid dat drie generatien door parthenoge-
nesis waren voortgekomen en dat de eerste generatien alleen
wijfjes geleverd hadden.
Het zou van belang zijn de kweeking dezer diertjes jaren
achtereen voort te zetten om daardoor het antwoord te zoeken
en misschien (?) te vinden op de volgende vragen:
Tot de hoeveelste generatie kan de soort zieh door partheno-
genesis voortplanten en bij welke generatie is eene gewone be-
vruchting door mannetjes noodzakelijk om haar voor uitsterven
te behoeden? Komt er eindelijk eene generatie te voorschijn ,
die van zelf mannetjes levert? Zoo ja, de hoeveelste? Of
komen bij deze soort steeds, geslacht uit geslacht in, alleen
wijfjes voort uit de door eene maagd gelegde eieren, terwijl bij
de bijen de onbevruchte eieren, juist omgekeerd, alleen tot
darren zich ontwikkelen, en hoe dit te verklaren.
1867.
1 Zoo is het ook bekend dat onbevruchte eieren van B. Mori, L., zoowel manne-
lijke als vrouwelijke individuen opleveren. (Zie v. Siebold, Wahre Parthenogenesi
bei Schmetterl. und Bienen. p. 120—136.
ÜBER PHALÆNA GÉOMETRA CHENOPODIATA LINN.
DOOR
BG Re
In den neuesten Bearbeitungen der Spanner (der Heinemann-
schen in den Schmetterlingen Deutschlands, I, p. 747 und in
Snellen’s Vlinders van Nederland, Macrolepidoptera, p. 647)
wird Phalanea chenopodiata Linn. unbedenklich als identisch
mit Geom. mensuraria Wien. Verzchn. angesehen und letztere Art
demgemäss Chenopodiata genannt. Dasselbe Resultat sehen wir
in Werneburg’s «Beiträgen zur Schmetterlingskunde», wo I,
p- 256 die Sache sehr ausführlich behandelt worden ist.
Wenn nun aber auch kein Zweifel besteht, dass Phal. comi-
tata Linn. ungeachtet ihrer kurzen Beschreibung die Chenopo-
diata Tr. bezeichnet, so ist das Verhältniss nicht dasselbe zwischen
Chenopodiata Linn. und Mensuraria W. V. Da ich zu einem
andern Ergebniss hinsichtlich der Linnaeischen Chenopodiata als
die vorgenannten Autoren, und wie ich glaube zu einem völlig
sicheren, gelangt bin, so scheint es mir nicht nur nicht über-
flüssig, sondern nothwendig, trotz aller früheren Untersuchungen,
eine neue vorzulegen.
Die Linneische Beschreibung in der Fauna Suecica Ed. 9,
p. 992 muss dabei als entscheidend betrachtet werden und da
nicht jeder sie zur Hand hat, so schreibe ich sie hier wörtlich ab:
Chenopodiata seticornis, alis anticis testaceis; fasciis tribus
griseis puncto prominulo apicisque lineola supra fusca.
Descr. Alae superiores plano-patentes, flavae, nitidiusculae,
fasciis tribus griseis: quarum prima ad basin, secunda spatio
ÜBER PHALAENA GEOMETRA CHENOPODIATA LINN. 93
remota, angusta; tertia magis remota, latior, pone undulata (:)
litura linearis ad apicem alae superioris nigricans. Alae infe-
riores flavescentes: singulae alae subtus in medio puncto nigro
notatae: pedum priorum palmae albo fuscoque variae, magnitudo
mediocris: in alis superioribus inter fascias duas posteriores
punctum nigrum; pars postica alarum superiorum immaculata
flavescens. Maris antennas pectinatas esse retulit T. Bergman.
In dieser etwas unordentlichen Beschreibung, die wie aus
zweien zusammengestellt aussieht, had man bisher eine Angabe
gar nicht ins Auge gefasst, die von der höchsten Wichtigkeit
und daher vorweg zu erwähnen ist. Es sind die Worte: pedum
priorum palmae albo fuscoque variae, d. h. die Tarsen (und
Schienen) an den vorderen Beinen sind weiss und braun bunt.
Da bei Mensuraria alle Beine einfarbig hell lehmfarben sind,
so geht daraus unwiderleglich hervor, dass Mensuraria von
Linne nicht gemeint sein konnte, und dass Treitschke Recht
hat, Bergmans Angabe über die männlichen Fühler für einen
Fehler zu erklären, der in einer Verwechslung der ächten Men-
suraria mit der Linnaeischen Art seinen Ursprung hat. Wenn
man nun aber ferner sieht, dass die Chenopodiata Tr. recht
auffallend dunkelbraun und weiss gefleckte Tarsen (und Schienen)
an den Vorder- (und Mittel-) beinen hat, so wird man nicht
abgeneigt sein, die übrigen Worte der Beschreibung mit Exem-
plaren der Chenopodiata Tr. zu vergleichen.
Wer diese Worte unbefangen vergleicht, wird gestehen, dass
sie durchaus nichts Widerstrebendes enthalten.
Werneburg sagt zwar, die alae anticae festaceae der Diagnose
passen nur auf Mensuraria; er übersieht aber ganz, dass, selbst
wenn dieses bei Linné’s anerkannt schlechten Farbenbestimmun-
gen als wahr angenommen werden sollte, die Berichtigung —
wie so oft — gleich in Anfang der Beschreibung mit dem Worte
flavae (bei Comitata in der Diagnose: flavescentes, in der Be-
schreibung flavae’) erfolgt. Ferner behauptet er, Linné sage
® Sonderbarer Weise lässt Werneburg dieses flavae gesperrt, das flavae bei Che-
nopodiata klein drucken.
94 ÜBER PHALAENA GEOMETRA CHENOPODIATA LINN.
ausdrücklich, der dunkle strich in der Flügelspitze sei nur
oben vorhanden, während er bei Chenopodiata Tr. auch auf der
‘Unterseite vorhanden ist, bei Mensuraria dagegen fehlt. Mann
muss gestehen, Linne hätte besser gethan, das supra in der
Diagnose wegzulassen (wie er es in der Beschreibung weggelas-
sen hat) weil dann Niemand ein nur hinzudenken könnte. Da er
aber für gut fand es hinzuschreiben, so wird man sagen müssen,
er habe weder ein tantum hinzugefügt, noch das Fehlen auf
der Unterseite irgendwo ausdrücklich angegeben. Dass endlich
die fascia tertia pone undulata nach Linné’s kurzer Beschrei-
bungsweise auf Chenopodiata volle Anwendung findet, wird
Werneburg nicht ferner bestreiten, wenn er zugiebt, dass es
sich nicht mehr um Mensuraria „ sondern bloss um Chenopodiata Tr.
handelt. Dass es sich aber nicht um erstere handelt „ beweisen ,
ausser der oben angegebenen entscheidenden Angabe über die
Füsse:
1. Die alae superiores flavae ; solche hat Chenopodiata Tr. *)
2. Die pars postica alarum superiorum immaculata flaves-
cens; diese hat Chenopodiata Tr., während sie der Mensuraria ,
wo der Hinterrand verdunkelt ist und gewöhnlich die bei Scopoli
erwähnten braunen Längsstrichelchen besitzt, gänzlich abge-
sprochen werden muss.
5. Die alae inferiores flavescentes ; diese hat Chenopodiata Tr.
so sicher, wie sie der Mensuraria abzusprechen sind.
4. Die singulae alae subtus in medio puncto nigro notatae ;
diese Punkte hat Chenopodiata Tr. auf allen 4 Flügeln sehr
deutlich; bei Mensuraria zeigen die Hinterflügel entweder gar
keinen Punkt oder ein so unmerkliches dunkles Strichelchen ,
dass Linné es nicht gesehen oder doch nicht erwähnt hätte.
: Ich will nicht urgiren, dass die alae nitidiusculae sein sollen, obgleich sie bei
Mensuraria gar keinen Glanz haben. Ebenso bestimmt hat Chenopodiata Tr. eine
fascia prima ad basin, d. h. ein dunkles Wurzelfeld ; bei 22 Exemplare der Mensu-
raria, die ich vergleiche, fehlt es, oder ist nur durch eine dunkle Querlinie an
seinem Ende angedeutet. Ich übergehe dieses Moment, weil sowohl Treitschke wie
Snellen ein dunkleres Wurzelfeld anerkennt 2.
2 Ik moet aanmerken dat ik het wortelveld slechts gefs bruiner dan de grondkleur
noem (Snellen).
ÜBER PHALAENA GEOMETRA CHENOPODIATA LINN. 95
In Linné’s Sammlung existirt kein Exemplar seiner Chenopo-
diata (Guénée X, p. 477 unter Comitata).
Esper meldet, dass er in Schreber’s Sammlung ein mit Linne’s
eigener Handschrift bezeichnetes Exemplar der Mensuraria , das
mit Taf. 44, fig. 6 seines Werkes genau stimmte, gesehen habe.
So interessant dieses Espersche Zeugniss ist, so entscheidet es
offenbar nichts, da Linné gar nicht infaillibel war, und seine
gedruckten Worte es genügend widerlegen.
Wenn man also der Linneischen Beschreibung die gehörige
Beachtung schenkt, so wird man anerkennen, dass Treitschke
und andere frühere Autoren sie mit Recht auf den Spanner ge-
deutet haben, der auf Ghenopodiumarten lebt, von denen sich
die Raupe der Mensuraria sicher nicht nährt.
Wie es zugegangen ist, dass Chenopodiata Tr. von Linne
zweimal beschrieben wurde, das zweite Mal (als Comitata) sogar
mit der befremdenden Angabe: praecedenti paulo minor, wird
schwer jemals befriedigend erklärt werden. Wenn er auch Notod.
dietaea (zuerst als Bomb. tremula, dann als Bomb. dictaea) und
Breph. Parthenias (zuerst als Noct. parthenias, dann — wobei
auch der T. Bergman seine Hand im Spiel hatte! — als Noct.
plebeja), jede zweimal beschreibt, so folgen diese Beschreibun-
gen doch nicht so unmittelbar auf einander wie die der Che-
nopodiata und Comitata. Etwas menschliches ist ihm hier
jedenfalls begegnet! Das Exemplar (oder die Exemplare, wenn
er ja mehrere hatte) seiner Chenopodiata muss sehr zeitig aus
seiner Sammlung und so aus seiner Erinnerung geschwunden
sein. Aber der Namen, der das Recht der Anciennität gegen
Comitata hat, muss der Art verbleiben, mag Linné die Raupe
selbst kennen gelernt haben, was wenig wahrscheinlich ist,
oder mag er sich bei der Bildung des Namens nach Albin’s
Abbildungen gerichtet haben.
Diejenigen, die, wie Werneburg, Linné nicht als den ter-
minus gelten lassen wollen, über den bei der Namengebung
nicht zurückgegangen werden darf, finden bei Guenée für Che-
nopodiata Tr. den Namen Comitata Albin, der sie befriedigen
mag, wenn sie damit einverstanden sind, dass Jemand als
96 ÜBER PHALAENA GEOMETRA CHENOPODIATA LINN.
Schöpfer eines Namens gelten kann, an den er nie gedacht hat.
Denn Albin hat so wenig den von ihm abgebildeten Arten la-
teinische Namen gegeben wie Rösel und andere diejenigen bil-
deten, die Guenée ihnen zuschreibt. Daher wird man auch den
Namen Mensuraria bei De Geer vergebens suchen „ obgleich
Guenée (X, p. 487) getrost: Mensuraria De Geer schreibt; dieser
Name ist erst nach dem Erscheinen der De Geer’schen Memoiren
im Wiener Verzeichniss bekannt gemacht worden.
AULT 39,
DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
De rijke entomologische schatten, die in de laatste jaren uit
onze bezittingen in den Oost-Indischen Archipel naar ’s Rijks
Museum van natuurlijke historie te Leiden zijn gevloeid, hebben
de insecteu-fauna van die, ook in dat opzigt zoo belangwekkende
landstreken al meer en meer doen kennen, vooral onder de be-
werking van den even kundigen als ijverigen conservator, die reeds
hier en daar eenen greep heeft gedaan, om deze schatten voor
de wetenschap aan het licht te brengen !, en ongetwijfeld daar-
mede reeds veel verder zou zijn gevorderd, indien van lands-
wege terstond eenige ondersteuning had kunnen worden verleend,
om in de aanzienlijke kosten der uitgave te gemoet te komen.
Gelijk gewoonlijk het geval is met de insecten-collectién, die
ons van buiten s’lands worden overgezonden, zoo is ook in die,
welke de Nederlandsche natuuronderzoekers in Oost-Indië ons
doen toekomen, de orde der Diptera meestal zeer schraal ver-
tegenwoordigd. Het schijnt wel, dat de vliegen en muggen
bijna alleen iets aanlokkends hebben voor hen, die zich uit-
sluitend op de kennis dezer dieren toeleggen. Dit neemt echter
niet weg, dat er onder de groote massa’s insecten, die het
museum uit die verwijderde gewesten ontvangt, ook nu en
1 Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Essai d'une Faune entomologique de
l'archipel Indo- Néerlandais, waarvan eene eerste monographie de familie der Scutelleriden,
eene tweede die der Pieriden behandelt, en de derde eerstdaags zal verschijnen.
7
98 DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.
dan Diptera voorkomen, en daaronder niet zelden de merk-
waardigste vormen. Mijn geachte vriend, de heer Snellen van
Vollenhoven, wetende hoe gaarne ik ook de exotische vormen
bij de Tweevleugeligen wil leeren kennen, is zoo goed van tijd
tot tijd deze voorwerpen onder mijne oogen te brengen, en ik
weet van deze zijne welwillendheid geen beter gebruik te maken,
dan om voor de resultaten van mijn onderzoek eene plaats in
dit tijdschrift te verzoeken, in de hoop dat zij den toets eener
wetenschappelijke critiek zullen kunnen doorstaan.
I TABANIDAE.
Verscheidene merkwaardige voorwerpen tot deze familie be-
hoorende, ontving het museum van den te vroeg ontslapen,
verdienstelijken Bernstein, uit Halmaheira, Obi en Salawatti,
alsmede door von Rosenberg, van Celebes en Aru. Daaronder
bevond zich onder anderen Tabanus rubidus Wied. (Auss. Zwei-
flügler I. 127. 25), die ik als zoodanig met meer zekerheid heb
kunnen bestemmen bij het lezen der noot bi) 7. partitus Walker,
in de Proceedings of the Linnean Society, deel I. blz. 9; voorts
T. recusans Walk. (Proc. II, blz. 85, n°. 21), en eindelijk eenige
soorten, die ik in geen der werken over uitlandsche diptera
vermeld vond, en waarvan daarom de beschrijving hieronder volgt :
1. TABANUS LEUCOPTERUS N. Ss.
Cinerascens ; capite rufescente; fronte lata, immaculata ;
oculis nudis; antennis, palpis, abdominis incisuris pedibusque
pallide ochraceis ; alis albescentibus, nervis testaceis; ramo
superiori nervi longitudinalis tertiù appendiculato. — ¢ 6 lin.
Kop eenkleurig licht roodachtig grijs; voorhoofd breed, bijna
een vijfde der kopbreedte, bandvormig, zonder eenige teekening.
Oogen naakt, groen met eenigen purperen weerschijn, doch
zonder strepen '. Sprieten licht okergeel; het derde lid van boven
* Ten aanzien van deze, alsmede van de volgende soorten van Tabaniden , zij
vermeld, dat ik door opweeking der voorwerpen er toe ben gekomen, om in mijne
beschrijvingen ook van de teekening en kleur der oogen gewag te maken.
DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL. 99
een weinig uitgesneden; palpen bleekgeel. Het geheele lijf
aschgrauw; de achterlijfsringen, zoowel op den rug als op den
buik, met smallen geelachtigen achterzoom ; de geringe en zeer
korte beharing geel. Pooten bleek okergeel; de heupen van
dezelfde grauwe kleur als het lijf. Vleugels eenkleurig wit-
achtig, met bruingele aderen; de bovenarm der derde langs-
ader heeft aan hare hoekige ombuiging een terugloopend adertje.
Eiland Aru (Rosenberg).
9. 'TABANUS ERYTHROCEPHALUS N. S.
Fuscus; capite, humeris, pleurarum maculis et abdominis
segmentis basalibus in latere rubiginosis ; fronte lato, immacu-
lato; oculis nudis; antennis, palpis, abdominis incisuris pedi-
busque ochraceis ; alis hyalinis, nervis flavidis ; ramo superiori
nervi longitudinalis tertii appendiculato. — 2 6 lin.
Voorhoofd breed (ongeveer een vijfde der kopbreedte), band-
vormig , zonder eenige teekening of wratachtige verhevenheid,
even als het aangezigt donker roestkleurig, met weinig in ‘t oog
vallende grijze beharing; kinbakken zwartbruin. Oogen naakt,
blaauwgroen met fraaijen purperen weerschijn, doch zonder
strepen. Sprieten helder okergeel; het derde lid met vrij stompen
tand; palpen bleek okergeel. Thorax en schildje bruinzwart; de
schouders, eene driehoekige vlek vóór den vleugelwortel en de
zijnaad tot aan het schildje roestkleurig; ook de borstzijden
grootendeels met vlekken van die kleur; de beharing grijs en
in de zijden vrij digt. Achterlijf bruinzwart, met scherp afge-
scheiden bleekgelen achterzoom der ringen; de zijden van de
beide eerste ringen roestkleurig; de buik even als de rug ge
kleurd en geteekend; beharing des achterlijfs grijs, platliggend ,
op den rug onbeduidend. Pooten en kolfjes okergeel; de tarsen
een weinig bruinachtig. Vleugels glasachtig, met gele, aan de
spits bleekbruine aderen; de bovenarm der derde langsader met
cen terugloopend adertje.
Noord-Halmaheira (Bernstein).
100 DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.
5. TABANUS PICTIPENNIS N. S.
Ochraceus , fronte angustissima, linea media nigricante ; oculis
nudis ; antennis testaceis ; segmentorum abdominalium margine
anteriore fusco; pedibus nigricantibus ; alis fusciis duabus fuscis ;
costa testacea. — 9 83 lin. PI. 5, fig. 1 en 2.
Kop okergeel, van onderen met evenzoo gekleurde beharing ;
het voorhoofd zeer smal, streepvormig, met zwarte, naar onde-
ren naauwelijks iets verbreede middenlijn. Oogen naakt, brons-
kleurig, zonder teekening. Sprieten kaneelbruin ; het eerste lid
naar boven puntig toeloopende; het tweede lid zeer kort, van
boven in eene doornachtige spits verlengd; het derde van boven
malig uitgesneden Palpen okergeel. Thorax en schildje zwart-
achtig , met okergele bestuiving en vooral in de borstzijden met
okergele beharing. Achterlijf zwartbruin, met digte helder oker-
gele, bijna goudgele bestuiving, die den voorzoom der ringen
vrij laat, waardoor min of meer donkere, in de zijden eenigzins
verbreede dwarsbanden worden gevormd. Pooten zwart; de
heupen deelen in de kleur van het lijf en de grondkleur der
dijen wordt door de vrij digte okergele beharing min of meer
gewijzigd. Kolfjes geel. Vleugels met grauwachtige grondkleur
en zwartbruine aderen; de wortel en de voorrandcel bruingeel ;
over de dwarsaderen ligt eene bruine schaduw, die een smallen
halven zigzag-band in ’t midden der vleugellengte vormt; en op
het laatste derdedeel bevindt zich een breede bruine dwarsband,
die aan den voorrand de ruimte inneemt van de uitmonding der
eerste tot aan die van den bovenarm der derde langsader; deze
band, die aan den achterrand verflaauwt, is binnenwaarts afge-
rond en buitenwaarts, aan de vleugelspits, driehoekig ingekeept;
de bovenarm der derde langsader is zonder aanhangend adertje
en bij hare basis zacht gebogen; de eerste achtercel is aan haar
uiteinde gesloten en kort gesteeld.
Celebes (Rosenberg).
4. TABANUS TRIANGULARIS n. s.
Niger; thorace cinereo-pollinoso; fronte angustissima, linea
DIPTERA UIT DEN OOST INDISCHEN ARCHIPEL. 101
media nigricante; oculis nudis; palpis flavis; antennis nigro-
fuscis, artieulo tertio superne dentato ; abdomine maculis dor-
salibus trigonis incisurisque albis; pedibus lestaceis, coxis fe-
moribusque migricantibus; tibiis anticis et larsis omnibus in
apice brunneis; alis subhyalinis, nervo costali et nervo longi-
tudinali primo nigris , fusco limbatis. — ® 6—74 lin.
Voorhoofd uiterst smal, streepvormig, donkergrijs met zwarte
middenlijn; het driehoekige gedeelte boven de sprieten met
bruingele bestuiving. Aangezigt en wangen lichtgrijs, met digte
en fijne beharing van dezelfde kleur. Oogen naakt, donker
blaauwgroen , met purperen weerschijn, doch zonder strepen.
Sprieten zwartbruin of zwart, het tweede lid van boven tand-
achtig uitstekende ; het derde van boven niet eigenlijk uitgesne-
den, maar bij den wortel met eenen tand. Palpen bijna zoo
lang als de zwartachtige zuiger, spits toeloopend , bleekgeel, aan
het uiteinde gebruind. Thorax en schildje zwart, doch door
eene uiterst fijne, digte beharing in sommige rigtingen grijs
schijnende; van langsstrepen is zoo goed als niets te zien; som-
wijlen zijn de borstzijden donker roodbruin gevlekt; overigens
hebben zij even als de borst eene lichtgrijze beharing, die
meestal de grondkleur geheel bedekt. Achterlijf zwart, met
eenigen glans en met smallen witten achterzoom der ringen,
welke zich in het midden verbreedt, waardoor op den rug eene
rij van kleine driehoekjes wordt gevormd, die door eene zuiver-
witte platliggende beharing bedekt, op den donkeren grond
sterk uitkomen; de beide laatste ringen missen deze teekening;
de onderzijde heeft eene platliggende lichtgrijze beharing en
den witachtigen achterzoom der ringen als boven. Heupen en
dijen zwartachtig, door de digte beharing grijs; de knieën,
schenen en tarsen geelbruin, lichter of donkerder; het uiteinde
der voorschenen en dat van al de tarsen donkerbruin. Kolfjes
bruin. Vleugels bijna glasachtig, met zeer flaauwe bruinachtige
tint, sterk glanzig als vernis; de hoofdtak der eerste langs-
ader aan haar uiteinde en van daar, doch flaauwer, ook de
voorrand bruin gezooind; de bovenarm der derde langsader ge-
102 DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.
woonlijk met ronde buiging; zelden is die buiging iets hoekig
of heeft zelfs, bij afwijking, eenig spoor van een terugloopend
adertje.
Eiland Obi (Bernstein).
5. SILVIUS DIMIDIATUS N. S.
Pallide ochraceus ; thorace postice, scutello, segmentorum abdo-
minalium secundi, tertiù et quarti limbo posteriore, segmentis
quinto et sexto totis, pedibusque nigris; alis limpidis, limbo
costali nigro-fusco irregulariter dentato et in fasciam mediam
producto. — 2 53 lin. PI. 5, fig. 5, 4, 5.
o
Kop bleek okergeel; voorhoofd vrij breed; de plek tusschen
de onderste ooghoeken even als de schedel koflijbruin ; de
zwarte verhevenheid langwerpig, van boven streepvormig, naar
onderen verbreed. Aangezigt onder de sprieten en ter weder-
zijde diep gegroefd, van onderen even als de kinbakken, met
vrij digte, bleekgele beharing. Oogen met uiterst korte, naau-
welijks merkbare beharing, donker purperachtig blaauw; een
fraai groene dwarsband loopt schuin en eenigzins versmallend ,
naar den ondersten ooghoek; ook de onderkant is groen; de
bijoogen klein. Sprieten en palpen bleek roestkleurig; de beide
eerste sprietleden niet puntig uitstekende; het derde lid aan den
wortel breeder, maar niet diep uitgesneden en dus van boven
niet tandvormig; de palpen loopen zeer spits toe en zijn aan het
uiteinde bruinachtig; de zuiger is zwart, bijna zoo lang als de
kop. Thorax van voren, de borstzijden en de borst fluweel-
achtig, bleek okergeel , eenigzins zandkleurig ; de achterste helft
van den rug benevens het schildje fluweelzwart, van voren scherp
afgescheiden. Achterlijf bleek okergeel; de tweede, derde en
vierde ring met breeden zwarten achterzoom; op den derden en
vierden wordt ook de grondkleur donkerder, meer geelbruin;
de vijfde en zesde ring bijna geheel zwart; de laatste ring weder
okergeel; de buik geheel geel of bruingeel; beharing des achter-
lijfs geelachtig, kort. Pooten zwart; alleen de heupen geel.
Kolfjes geel, de knop grootendeels verdonkerd. Vleugels bijna
DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL. 105
glasachtig; de wortel en de voorrand tot aan de spits zwartbruin;
op 't midden breidt zich de donkere kleur tot eenen dwarsband
uit, die naar onderen puntig toeloopend, den achterrand bereikt
aan de spits der achterste wortelcel (anaal-cel); een weinig
verder heeft de donkere zoom nog eene tandvormige uitbreiding,
die tot in den binnensten hoek der spitscel reikt; de bovenarm
der derde langsader is vrij hoekig omgebogen.
Salawatti (Bernstein).
6. Curysors ALBICINCTUS n. Ss.
Niger; epistomate testuceo, latere nigricante; callis facialibus
nigris nilidis; antennarum articulis duabus ultimis brunneis,
articulo primo testaceo; thorace subcanescente nigro-trilineato ;
abdominis segmento secundo «albo-limbato ; pedibus anticis tes-
taceis, posterioribus fuscis, tarsis flavidis; alis limpidis, limbo
costali, fasciaque media integra, cellulam posteriorem quurtam
includente, brunneis; nervo longitudinali quinto fusco-limbato ;
alarum apice cinereo. — 2 5% lin. PI. 5. fig. 6.
Voorhoofd zwartachtig; de schedel en de breede, tot aan de
sprieten reikende voorbult glanzig zwart; aangezigt glanzig
bruingeel, aan de kanten zwartachtig, waarin zich eene zeer
glanzige , donkerzwarte vlek vertoont. Sprieten dubbel zoo lang
als de kop; de leden onderling bijna van gelijke lengte; het
eerste lid vuil roodgeel, de beide volgenden meer bruin. Palpen
geel of bruingeel; zuiger bruin. Thorax zwart, op den rug in
sommige rigtingen schimmelgrijs, waarin alsdan drie zwarte
langslijnen te voorschijn komen; de zijden en de achterrand met
korte goudgele beharing. Schildje en achterlijf zwart; de tweede
lijfsring aan den wortel met smallen doorschijnend witten zoom,
die aan wederziide zich verbreedt; van onderen is die ring ,
met uitzondering van eenen langsband in 't midden, geheel wit
en doorschijnend; de volgende ringen hebben van boven een
aschgrauwen achterzoom, die zich aan wederzijde vlekachtig
uitbreidt. Pooten bruin; de voorpooten bruingeel; de achterste
tarsen bleekgeel. Kolfjes bruin. Grondkleur der vleugels glas-
104 DIPTERA UIT DEN OCST-INDISCHEN ARCHIPEL.
achtig of witachtig, met eenen zoom langs den voorrand bruin,
van waar, voorbij de halve vleugellengte, een breede dwarsband
van dezelfde kleur uitgaat, die schuin naar den achterrand
loopt, de discoidaal-cel en de vierde achtercel invult, doch de
vijfde achtercel vrij laat, en waarin de kernen der cellen die er
door bedekt worden, weder lichter zijn; de wortel-dwarsaderen
en de vijfde langsader zijn donkerbruin gezoomd; de vleugelspits
is bruingrauw, welke kleur door eene glasachtige streep van
den bruinen dwarsband is afgescheiden.
Salawatti (Bernstein).
I. STRATIOMYIDAE.
Van deze familie heb ik slechts ééne soort te beschrijven ,
namelijk:
7. SARGUS RUFESCENS N. S.
Rufescens; fronte nigra nitida, supra antennas sulphurea,
ocellis in triangulum dispositis; antennis flavis, articulo ultimo
saepe brunneo; tibiis posticis nigris; tarsorum posticorum ar-
ticulo primo nigro, apice el articulis sequentibus albis vel
flavidis; alis testaceis, apud costam fuscis. — 4 Q 7—83 lin.
Pid. 08.7 5285.93.
Voorhoofd en schedel zwart en zeer glanzig, met zwarte be-
haring; het voorhoofd naar onderen zeer versmald, vooral in 2;
boven de sprieten eene zwavelgele, blaasachtige verhevenheid ;
de bijoogen digt bijeen op den schedel in eenen driehoek ge-
plaatst. Sprieten helder roodgeel; het derde lid somwijlen bruin;
de borstel zwartbruin, vrij lang; monddeelen roodgeel. Thorax,
schildje en achterlijf roestkleurig, van boven bruinachtig; het
schildje vrij spits; beharing op den thorax en in de zijden des
achterlijfs geel Pooten helder roestgeel; aan de achterpooten
de scheenen en het eerste tarsenlid zwart; dit laatste aan de
spits, benevens de volgende leden geheel, in 4 vrij zuiver wit,
in 2 geelachtig, doch steeds lichter dan de gele kleur der
pooten ; het korte eindlid meestal bruinachtig. Kolfjes roodgeel,
10,9
1,2. Tab pietipennis. 3,4, 5. Silvius dimid. 6. Chrys. albicinctus
Sard. rufescens. 10, Ex Satyrus,F 11 Ex. tristis
12. Anthrax terminal
i
DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL. 105
soms met bruinachtigen knop. Vleugels met krachtige bruin-
gele tint, aan den voorrand tot donkerbruin overgaande; de
aderen donkerbruin; die welke de discoidaal-cel omgeven , alsmede
de vijfde langsader, zijn dik en eenigzins bruin gezoomd.
Halmaheira en Waigeoe (Bernstein).
Onder de voorwerpen , die ik tot deze soort meen te moeten
rekenen, bevindt zich een 2, dat over het geheel wat helderder
van kleur is en zich vooral door de vleugels onderscheidt, die
wortelwaarts veel lichter en meer zuivergeel, niet bruingeel
zijn, en waarvan ook de aderen bij den wortel niet, gelijk bij
de andere exemplaren , donkerbruin maar geel zijn.
Deze soort behoort tot eene groep, die vele verwante soorten
telt, welke allen in de heerschende kleur met Sargus rufescens
overeenkomen en aan de achterpooten zwart en geel of wit ge-
teekend zijn. Walker heeft er eenigen uit zuidelijk Azië be-
schreven in de Proceedings of the Linnean Society; die be-
schrijvingen zijn echter moeijelijk geheel op mijne soort toe te
passen. Zijn Sargus luridus (l. c. I. 8. 19) heeft het uiteinde
des achterlijfs zwart en de achterscheenen niet geheel, maar
slechts aan de spits zwart; S. complens (l. c. HI. 81. 15) en
S. latifascia (1. c. I. 110. 28) hebben beiden het achterlijf met
breede zwarte of zwartbruine dwarsbanden; S. rogans eindelijk
(I. c. III. 81. 16) heeft de achtertarsen geheel zwart.
Het schijnt mij toe, dat S. rufescens en misschien ook de
bovengenoemde soorten van Walker zouden behooren tot het
geslacht Ptecticus, door Löw aangegeven in zijn overzigt der
Sarginen- geslachten , geplaatst in den 5°” jaargang van de Ver-
handelingen der Wiener zoologisch-botanischen Gesellschaft; doch
wijl ik geene gelegenheid heb om dit tijdschrift daarop na te slaan,
durf ik in deze niet beslissend te werk te gaan en moge mijne
soort althans voorloopig in hei geslacht Surgus blijven staan.
III. BOMBYLIDAE.
Verscheidene voorwerpen uit de afdeeling der Anthracinen
ontving het museum van Aru en Salawatti door Rosenberg ,
106 DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.
van Halmaheira door Bernstein en van Timor, door Wienccke.
Onder de soorten, tot het geslacht £xoprosopa Macq. behoorende,
bevond zich weder de bekende E. Tantalus Fabr., en voorts
E. Satyrus Fabr., die, als veel minder in de collectién voorko-
mende en tot dusver niet dan onvolledig beschreven, wel ver-
dient op nieuw beschreven en afgebeeld te worden, en eindelijk
eene, zoover ik kan nagaan, nog onbeschreven soort. Allen
hebben vier onderrandcellen en niet drie, zoo als de Europesche
soorten van dit geslacht. De bovenarm der derde langsader
namelijk is niet alleen door eene dwarsader van boven met de
tweede langsader verbonden, maar heeft bovendien onder aan
zijne tweede buiging nog eene dwarsader , die eene vereeniging
vormt met den hoofdtak, waardoor eene vierde onderrandeel
wordt afgesloten. Dit kenmerk gaat gepaard met een kegel-
vormig vooruitstekend aangezigt; en althans aan de soorten, die
ik heb leeren kennen, bevindt zich aan den uitersten vleugel-
wortel een klein, naar voren gerigt haakje. Het zijn meeren-
deels de grootste en stevigste Anthracinen.; zij vormen in Wie-
demann’s Aussereuropäische Zweiflügler de eerste afdeeling van
het geslacht Anthrax en bewonen de tropische gewesten , zoowel
in de oude als in de nieuwe wereld. Ongetwijfeld zullen zij later
een afzonderlijk geslacht moeten uitmaken.
Behalve de bovenbedoelde soorten van Ewoprosopa vond ik van
het geslacht Anthrax, in meer beperkten zin, nog drie nieuwe
soorten, en voorts nog eene, die tot het geslacht Comptosia
Macq. behoort.
8. Exoprosopa Saryrus Fabr.
Nigro-fusca; capite testaceo, vertice obscuro; thoracis margine?
anteriore pleurisque rufo-hirsutis ; abdominis segmento primo albo-
limbato , segmentis tribus ultimis maculis lateralibus albis ; alis
nigro-fuscis, in apice et angulo postico dilutioribus. — 3 2.7—9}
lin: PL 3.759.710.
Syn. Fabr. Syst. ent. 758. 10. Bibio Satyrus.
Id. = Mantissa il. 529. 16. » »
DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL. 107
Fabr. Ent. syst. IV. 259. 15. Anthrax Satyrus.
Wied. Aussereur. Zweifl. I. 522. 95. » »
Aangezigt iets meer vooruitstekend dan bij £ Tantalus, in
profiel stomp driehoekig, bruingeel met zijdeachtig gele beharing ;
voorhoofd boven de sprieten bruingeel, naar boven donkerder,
met zwarte beharing; achterhoofd zwartachtig, langs den ach-
tersten oogrand witachtig gezoomd. Sprieten zwart, het derde
lid kegelvormig. Thorax donkerbruin, met korte platliggende
beharing; de halskraag en de borstzijden met lange, vosroode
beharing; de borst zwart; achterrand van het schildje met een
krans van zwarte borstels. Achterlijf zwart, flaauw glanzig; aan
den wortel van den eersten ring een zoom van korte en digte
witte beharing en op de drie laatste ringen dergelijke zijvlek-
ken; in de zijden van den eersten ring is bovendien eene langere
geelachtige beharing; op den buik is de eerste ring geheel, de
tweede aan de voorste helft en voorts de vierde geheel met
korte witte beharing. Pooten en kolfjes zwart, de knop der
laatsten lichtbruin. Vleugels zwartachtig, aan de spits en vooral
aan den achterhoek verflaauwend; de wortel en het begin van
den voorrand zijn roestkleurig; de aderen zwart, meerendeels
door eene bruine schaduw begeleid.
Op de Aru-eilanden door Rosenberg verzameld.
9. Exoprosopa TRISTIS N. S.
Nigra; scutello pedibusque piceis ; thorace utrinque rufo-
piloso ; abdominis segmentis tribus posticis maculis lateralibus
albis; alis nigro-fuscis, in apice dilutioribus. — & 5 lin. PL 5. fig. 11.
Kop met sprieten en monddeelen zwart; aangezigt matig voor-
uitstekend, eenigzins lichtbruin; voorhoofd met korte zwarte
beharing ; achterste oogrand met flaauwen witten haarglans.
Thorax zwart; schildje pekkleurig ; ter zijde van den thorax,
vooral achter den vleugelwortel, eenige grove vosroode beharing.
Achterlijf zwart; de drie laatste ringen ter wederzijde met eene
witte haarvlek. Pooten pekbruin. Kolfjes zwart; de bovenste
108 DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.
helft van den knop geelachtig. Vleugels eenkleurig donker
zwartbruin, alleen aan de spits lichter en grijsachtig; deze
lichte tint neemt het verbreede eind der randeel, benevens de
drie buitenste onderrandeellen in, en is daardoor hoekig inge-
bogen; de discoidaal-cel, benevens de drie langsaderen, die zij
naar den vleugelrand uitstoot, zeer bogtig; de discoidaal-cel van
boven bij haar uiteinde buikig uitgebogen, waardoor de eerste
onderrandeel vóór haar midden is vernaauwd; ook aan hare
uitmonding is deze cel sterk vernaauwd; de anaal-cel aan hare
uitmonding even geopend.
Timor (Wienecke).
Deze soort schijnt na verwant aan £. fuscipennis Macq. Dipt.
Exot. 5™ suite. p. 55.
10. ANTHRAX TERMINALIS D. S.
Nigra velutina; abdominis basi utrinque rufo-hirsuta ; pedibus
nigris ; tibiis tarsisque testaceis et squamis argenteis vestitis ;
alis nigrofuscis, margine posteriore in apice punclisque in
medio hyalinis. — ? 42 lin. PI 5, fig. 12.
Donkerzwart, door de digte zwarte beharing fluweelachtig;
voor aan de borst is de beharing geelachtig; aan den wortel van
het achterlijf is ter wederzijde een dot van vosroode haren.
Kop . ...... Het lijf vrij slank. Pooten zwart; de scheenen,
met uitzondering van den wortel, en de tarsen geel of bruin-
geel, zilverachtig beschubd. Kolfjes vrij groot, zwart. Vleugels
zwartbruin, alleen aan de spits en het laatste deel van den
achterrand glasachtig; de afscheiding tusschen het donkere en
glasachtige gedeelte ligt schuin en is onregelmatig getand; aan
het eind van den voorrand is de zwartbruine kleur tot eene tong
langs de spits uitgebreid, doch laat een’ zeer smallen zoom vrij;
ongeveer in t midden des vleugels, een weinig voorbij de kleine
dwarsader, is een klein licht plekje; de tweede langsader is
vóór haar uiteinde zacht gebogen; het punt waar de derde
langsader uit de tweede ontspringt, ligt ongeveer boven de
kleine dwarsader ; de bovenarm der derde langsader is niet ver
van zijn begin regthoekig, met een terugloopend aanhangadertje,
4
ee eee kee
DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL. 109
en vervolgens zacht gebogen; de discoidaal-cel is van boven vrij
regt, van onderen bogtig; de kleine dwarsader staat vóór het
midden der discoidaal-cel; de eerste achtercel is aan hare uit-
monding vernaauwd; de onderste wortelcel (anaal-cel) loopt aan
haar uiteinde spits toe en is op den achterrand gesloten.
Halmaheira (Bernstein).
De beschrijving is gemaakt naar een koploos, doch overigens
gaaf voorwerp.
41. ANTHRAX TRIPUNCTATA N. s
Nigra; abdominis basi utrinque albo-pilosa; segmentis duabus
penultimis argenteo-pilosis; alis hyalinis, triente basali subo-
blique punctisque tribus nigro-fuscis. — & 53 lin. PI. 4. fig. 1.
Kop met sprieten en monddeelen, benevens de beharing zwart;
oogen van achteren op de helft eenigzins hoekig ingekeept. Lijf
zwart, met deels grauwe, deels zwarte beharing; aan den wortel
van het achterlijf ter wederzijde een dot van witte haren; de
beide voorlaatste lijfsringen met zilverwitte schubachtige beharing.
Pooten en kolfjes zwart, de laatsten met witten kop. Vleugels
aan den wortel voor ruim een derde zwart of zwartbruin,
overigens glasachtig; de afscheiding tusschen het donkere en
glasachtige gedeelte schuin en boglig, aan den voorrand zich
bijna tot de uitmonding der eerste langsader uitstrekkende, aan
den achterrand tot het uiteinde der onderste wortelcel (anaal-
cel) beperkt; op het vleugellapje verbleekt de donkere kleur
eenigzins tegen den rand; overigens zijn in het glasachtige ge-
deelte drie zwartbruine kleine vlekjes, namelijk een aan den
wortel van den bovenarm der derde langsader, een ander, dat
een’ smallen zoom vormt langs het dwarsadertje, waarmede de
discoidaal-cel gesloten wordt, en een derde, nabij de donkere
kleur, op het begin der bogtige dwarsader, welke tot sluiting
der discoidaal-cel in de vijfde langsader is ingewricht; de tweede
langsader is daar waar zij zich van de derde scheidt, regthoekig
en bij haar uiteinde zacht gebogen; de bovenarm der derde
langsader is aan zijn begin mede regthoekig en met een terug-
110 DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.
loopend adertje, en is verder zeer diep ingebogen; de kleine
dwarsader ligt ongeveer boven het midden der discoidaal-cel;
de eerste achtercel is vernaauwd, de onderste wortelcel (anaal-
cel) aan hare uitmonding in den achterrand even geopend.
Salawatti (Bernstein).
19. ANTHRAX TRIMACULATA D, S.
Nigra; abdominis basi utrinque albo-pilosa; segmentis duabus
penultimis argenteo-pilosis ; alis hyalinis, basi, semifascia
costali maculisque tribus nigro-fuscis. — g 42 lin. Pl. 4. fig. 2.
Deze soort is op het naauwst met de vorige verwant; zij
onderscheidt zich echter duidelijk door de teekening der vleugels.
De zwartbruine kleur is meer naar den wortel teruggedrongen ,
zoodat zij slechts de binnenste helft der onderste wortelcel
(anaal-cel) vult; hare afscheiding is nog onregelmatiger, zoo zelfs
dat er eenigzins een halve band uit den voorrand tot over de
kleine dwarsader nederdaalt; in de donkere kleur bevinden zich
enkele lichtere plekken; de drie donkere vlekken staan op
dezelfde plaats als bij tripunctata, doch zij zijn grooter; die op
den wortel van den bovenarm der derde langsader is rond en
bereikt van boven de tweede langsader; de langsader, die de
bovenste begrenzing der discoidaal-cel vormt , is buikig uitgebogen.
Timor (Wienecke).
Deze en de voorgaande soort behooren tot eene eigenaardige
groep, door de zilverachtige beharing aan het uiteinde des
achterlijfs gekenmerkt, en waartoe onder anderen ook A. Aygulus
Fabr., A. bimacula Walk. en À. semiscitu Walk. moeten gere-
kend worden.
15. Comprosia BRUNNIPENNIS N. S.
Nigra opaca; pleuris, pectore ventroque testaceo-pilosis ; oculis
supra cohaerentibus ; alis nigro-fuscis. — 3 4 lin. Pl. 4. fig. 5.
Geheel zwart en glansloos. Voorhoofd smal driehoekig en
even als de schedel met zwarte beharing; de oogen van boven
DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL 111
volkomen zamenstootend; aangezigt smal, aan wederzijde tegen
de oogkanten met okergele beharing. Sprieten kort, zwart; het
eerste lid van boven met borstels, het tweede zeer kort, het
derde peervormig met de griffel van dezelfde lengte als het lid.
Boven op het lijf is de beharing onbeduidend en zwart; in de
borstzijden, op de borst, aan de onderzijde des achterlijfs en
aan den anus staan langere bruingele of okergele haren; ter
wederzijde van het achterlijf, aan den zoom van elken ring,
enkele zwarte haren. Pooten zwart; de scheenen met weinig in
‘toog vallende, zeer korte doornachtige borsteltjes. Kolfjes bruin-
geel. Vleugels met krachtige zwartbruine tint, aan den wortel
en den voorrand het donkerst; de discoidaal-cel langwerpig,
hare begrenzing van boven vrij regt, van onderen met hoekige
buigingen daar waar zij met andere aderen verbonden is; de
kleine dwarsader ligt iets voorbij het midden der discoidaal-cel ;
de tweede langsader loopt evenwijdig met den bovenarm der
derde langsader; beiden gaan kort vóór de vleugelspits opwaarts
en eindigen in den voorrand, alwaar het einde der tweede
langsader nog een weinig teruggebogen is; de eerste achtercel
is bij hare uitmonding duidelijk vernaauwd, de vijfde aan haar
uiteinde even geopend.
Timor (Wienecke).
IV. DOLICHOPODAE.
Van deze familie heb ik eene prachtige soort van Psilopus
te beschrijven, door Bernstein op Nieuw-Guinea ontdekt.
14. PsiLopus SPLENDIDUS 0. S.
Aeneo-viridis; thorace villis tribus atro-purpureis ; abdomine
atro-purpureo, fasciis aeneo-viridibus; antennis testaceis, seta
elongata capillari; pedibus fuscis, coxis anticis flavis , femoribus
posterioribus testaceis; alis fuscis, apice albo; nervo transver-
sali posteriori undulato. — 3 4 lin. PI. 4. fig. 4, 5, 6 en 7.
Voorhoofd en aangezigt fraai glanzig metaalgroen, met zilver-
witten weerschijn, die op de onderste helft van het gezigt de
119 DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.
overhand neemt; zuiger en palpen zwartachtig. Sprieten vuil-
geel, klein; het laatste lid vrij spits, met langen haarfijnen
eindborstel. Thorax glanzig metaalgroen; op den rug drie breede
zwarte, in purper weerschijnende banden; borstzijden digt met
witte bestuiving en hier en daar vlekkig met groenen weerschijn ;
schildje en achterrug fraai metaalgroen; de achterrand van het
schildje en eene plek daaronder donker purperkleurig. Achterlijf
purperachtig zwart, met den achterzoom van de tweede en
volgende ringen metaalgroen; deze groene kleur heeft op den
tweeden ring een witten weerschijn; hypopygium en aanhangsels
zwart of zwartbruin; deze laatsten zeer zamengesteld; de bui-
tenste aanhangsels toegespitst, aan het uiteinde met een borstel-
haar en ven boven met een klein bladvormig uitwas; het onpa-
rige orgaan ruim zoo lang als de aanhangsels, aan de bovenste
helft iets verdikt en aan het uiteinde met twee spitsen De
beharing van het achterlijf zwart, aan den zoom der ringen
eenige langere borstels; ter wederzijde van den thorax enkele
stevige zwarte borstels. Voorheupen geel, achterste heupen don-
kergrijs, allen met witten weerschijn ; de achterste dijen bruin-
geel, met donkerbruine spits; overigens de pooten zwartbruin ;
de beharing kort, digt en zwart; de voordijen hebben van
onderen verscheidene borstelharen, die aan de wortelhelft zeer
lang zijn; aan de voorscheenen zijn aan de buitenzijde drie zeer
lange borstels; aan de voortarsen is het eerste lid zoo lang als
de scheenen en ruim dubbel zoo lang als de vier volgende leden
te zamen. Vleugelschubben met zwartachtige wimpers; kolfjes
zwartachtig, met bleekgelen steel. Vleugels groot en breed,
zwartbruin, aan de spits breed wit; ook aan het begin van den
achterrand is eene eenigzins lichtere plek; de spitsdwarsader is
zacht gebogen; de vierde langsader is aan haar uiteinde, voorbij
den hoek, die digt bij den achterrand ligt, golfachtig gebogen;
de achterdwarsader is sterk gezwaaid; de vijfde langsader be-
reikt niet volkomen den achterrand.
Vv. SYRPHIDAE.
Onder de talrijke soorten van Zristalis wijken een aantal
I. Anthrax Spunct, 2 Anthr. 3macul. 3 Complosia brunnipenn
4, 5, 6, 7 Psilop splend 8. Megaspis sculpt 9 10, 1,12. Cleitam. astrolab.
ei. à
DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL. 115
tropische soorten zeer van den Europeschen vorm af, door in-
eengedrongen gestalte, uiterst korte beharing en vooral door den
grooten sterk gewelfden kop; de oogen zijn naakt en stooten bij
het 2 in eene lange lijn te zamen, terwijl zij bij het 2 door
een breed voorhoofd gescheiden zijn; het voorhoofd steekt niet
vooruit, maar is van voren afgerond. Deze groep beantwoordt,
welligt met eenige uitbreiding, aan het geslacht Megaspis Macq.
waarvan de soorten evenwel nog zoo veel verscheidenheid op-
leveren, dat het waarschijnlijk later weder generiek zal moeten
worden gesplitst. Een dezer afwijkende vormen vond ik in eene
aan Eristalis crassus verwante soort, die zich vooral kenmerkt
door een zeer kort achterlijf, dat door den tweeden ring bijna
geheel is ingenomen.
De beschrijving van deze Megaspis , en voorts nog van eene
nieuwe soort van Eristalis en eene van Helophilus volgen hieronder :
15. Meeaseis SCULPTATA. N. S.
Nigra, statura brevi; abdomine nitido, murgine albo-piloso ;
segmento secundo magno, elevatione media circulari praedito ;
femoribus posticis elongatis robustis, rufis apice nigro, tibiis pos-
ticis curvatis, in medio rufis; squamis magnis, albidis, nigro-
marginalis; alis hyalinis, costa basim versus late, apicem versus
anguste, linea media subobliqua punctoque subapicali nigris. —
8 94 lin. PI 4. fig. 8.
Kop bijna zoo groot als de thorax, half kogelvormig; alleen
het gezigt onder de sprieten een weinig ingedrukt en aan den
mondrand iets uitstekend; de oogen door het voorhoofd geschei-
den, dat van boven ongeveer een derde gedeelte der kopbreedte
heeft. De grondkleur van den kop is zwart, doch door eene
witachtige platliggende beharing zoo digt bedekt, dat zij tot
grijs wordt gewijzigd; achterste oogrand witachtig grijs. Sprieten
half zoo lang als het gezigt, grijs; de beide eerste leden don-
kerder; het derde lid eivormig; de sprietborstel bruingeel, kort
gevederd. Thorax, schildje en achterlijf glanzig zwart, de
thorax met flaauwen glans; het schildje groot en breed, half-
Q
414 DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL. ;
rond, met diepe groeve vóór den achterrand; achterlijf breed en
kort; de eerste ring klein; de tweede neemt bijna de geheele lengte
van het achterlijf in en heeft in het midden eene cirkelvormige ver-
hevenheid en ter wederzijde een’ gegroefden rand; de derde ring
is weder zeer kort en de vierde daaronder bijna geheel verbor-
gen; aan den voorzoom van den tweeden ring is een smalle
zoom van korte witte haren; tegen de kanten van het achterlijf
staat naar onderen eene franje van witte, eenigzins ruwe haren ;
overigens is het geheele lijf zoo goed als naakt. Pooten vrij
stevig, zwart; wortel der voorscheenen geelachtig met witten
weerschijn; aan de zeer glanzige achterpooten zijn de dijen tot
bijna aan het eind en de scheenen in het midden bruinrood; de
achterdijen zijn verdikt en zeer verlengd, de achterscheenen
gebogen en aan de binnenzijde met zwarte wimpers. Vleugel-
schubben groot, vuilwit, met zwartachtigen achterrand. Vleugels
zuiver glasachtig, aan den wortel en langs den voorrand bruin-
zwart; deze donkere kleur strekt zich tot even voorbij de wor-
teldwarsaderen over ruim de halve breedte des vleugels uit, en
vult vervolgens als een zeer smalle voorzoom de voorrandeel tot
haar eind geheel in; aan ‘teind van het breede gedeelte gaat
een tak daarvan uit, die eerst even langs de tweede langsader
regt uitsteekt, d«ch zieh vervolgens regthoekig ombuigt en de
achterdwarsader bedekt; even boven de vleugelspits ligt een
zwarte stip op het steeltje waarmede de spitscel eindigt; deze
is van boven diep en puntig ingekeept en deze inkeeping heeft
benedenwaarts een klein aanhangend adertje; de anaal-cel loopt
spits toe en is aan haar uiteinde lang gesteeld; behalve het
gewone vleugellapje hangt aan den wortel, boven de vleugel-
schubben, nog een afzonderlijk vleugelaanhangsel, dat geheel
zwart is met lange zwarte franje.
Timor (Wienecke).
16. EniSTALIS CUPREO-FASCIATUS. N. S.
Nigricans ; antennarum seta oculisque nudis; thorace vittis
duabus flavis; scutello melleo, abdomine fasciis cupreis, prima
subinterrupta ; ventre nigro nitido ; facie flava nigro-fasciata ;
DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL. 115
pedibus ochraceis, femorum basi fusca; alis subhyalinis, macula
costali subquadrata fusca. — 2% 52 lin.
Voorhoofd matig smal, naar voren een weinig verbreed, zwart,
eenigzins metaalglanzend, met zwarte beharing; aangezigt onder
de sprieten uitgehold en daarna-een weinig bultig uitstekend,
metaalachtig geel, zeer glanzig, in ’t midden met een’ glanzig
zwarten band. Oogen naakt. Sprieten geelbruin, met naakten
borstel. Thorax zwart, op den rug naar achteren een weinig
metaalachtig, met twee gele naar achteren iets versmalde en
daar niet geheel doorloopende langsbanden; de beharing kort
en digt, vaalgeel, in de borstzijden en op de schouders langer,
op laatstgemelde plaats meer okergeel. Schildje wasgeel ; door
de helder okergele, bijna oranjekleurige beharing wordt de kleur
eenigzins gewijzigd. Achterlijf zwart, op den tweeden en de volgende
ringen met koperkleurige banden; die op den tweeden ring smal
afgebroken, tegen den achterrand een zeer langwerpigen driehoek
overlatende; die op den derden ring doorloopend, in ’t midden
van achteren versmald en in het overblijvende zwarte gedeelte
nog eene koperkleurige streep; de vierde ring koperkleurig, met
een vrij smallen zwarten dwarsband; de vijfde ring geheel koper-
kleurig; de korte beharing des achterlijfs is op de koperkleurige
gedeelten okergeel, overigens zwart; de buik glanzig zwart.
Pooten okergeel; al de heupen, de voorste dijen aan den wortel
en de achterdijen tot vrij digt bij de spits zwartbruin; de
achterscheenen met eenig spoor van een’ bruinen ring; zij zijn
een weinig gebogen, de achterdijen slechts weinig verbreed.
Vleugels glasachtig met flaauwe bruinachtige tint; de aderen
zwartbruin, bij den wortel dik; de randvlek is tot eene groote,
min of meer vierkante donkerbruine vlek uitgebreid, die van
onderen door de vierde langsader en buitenwaarts door de
kleine dwarsader is begrensd
Een 2, uit Amboina (Hoedt).
Deze soort schijnt te behooren tot het geslacht Plagiocera Macq. ,
in den meer uitgebreiden zin door Löw daaraan gegeven in
zijne Dipternfauna Südafrika’s, blz. (589) 517.
116 DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.
17. HELOPHILUS ALBICEPS. N. S.
Niger; facie albida, nigro-vittata; oculis in & cohaerentibus ;
thoracis margine laterali lineisque duabus flavis ; scutello flavo
aut testaceo; abdomine fasciis latis flavis, prima interrupta ;
tibiarum basi flava; alis infuscatis. — 4 2 5-53 lin.
Aangezigt regtstandig, witachtig, met zwarten langsband , die
boven den mondrand met een glanzig zwart wratje eindigt;
voorhoofd in 4 iets kegelvormig vooruitstekend , driehoekig, wit-
achtig, de oogen zamenstootende; in g het voorhoofd matig
breed, aan de kanten bleekgeel, in "t midden met een breeden,
glanzig zwarten langsband; de beharing van voren bleekbruin,
van achteren zwart; schedel zwart met zwarte beharing; achter-
hoofd donkerbruin met gele beharing; de achterste oogrand wit-
achtig. Sprieten zwart; het derde lid schijfvormig, aan de
binnenzijde met lichtgrijzen weerschijn; de borstel geelbruin.
Thorax zwart, met de zijranden en twee tamelijk smalle zij-
strepen geel; de korte, digte beharing op den rug vaalgeel , in
de zijden helderder; schildje glanzig geel, soms min of meer
bruinachtig. Achterlijf kegelvormig, zwart; op den tweeden
en de volgende ringen met een’ gelen dwarsband; die op den
tweeden ring het breedste en in ‘t midden breed afgebroken,
die op de volgende ringen doorioopend, maar van achteren in-
gekeept ; de derde ring heeft een’ ecnigzins koperkleurigen , de
vierde een’ gelen achterzoom; in ¢ is de derde ring naar ach-
teren versmald en de eindringen, ofschoon niet breeder , een
weinig kolfachtig verdikt; de beharing van het achterlijf is deels
zwart, deels geel, al naar gelang van de grondkleur. Pooten
zwart; wortel der scheenen geel, aan de achterscheenen slechts
aan den uitersten wortel; de achterdijen zijn sterk verdikt en
hebben aan de binnenzijde, van het midden tot de spits, eene
langsgroeve; de achterscheenen gebogen; beharing der dijen geel,
onder aan de voorsten langer en digter; die der scheenen zwart,
kort maar vrij digt; aan de onderzijde der tarsen, inzonderheid
der achtertarsen eene zijdeachtig gele beharing; de haken der
DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL. 77
tarsen geel met zwarte spits, de voetballen geel. Vleugelschub-
ben en de daaraan gehechte franje geel. Vleugels grauwbruin,
aan den voorrand donkerder.
Celebes en Aru-eilanden (Bernstein).
VE ORTALINAE.
Uit deze subfamilie heb ik een voorwerp leeren kennen, door
Bernstein op Nieuw-Guinea gevonden en dat ongetwijfeld dezelfde
soort is als door Macquart in de Suites à Buffon en in zijne
Dipteres exoliques onder den naam van Cleitamia Astrolabei is
beschreven en ook als van Nieuw-Guinea herkomstig is vermeld.
Daar intusschen zijne beschrijvingen zeer kort en oppervlakkig
zijn en de bestaande afbeeldingen weinig met de natuur over-
eenstemmen, is het niet ondiensiig te achten hier eene vollediger
beschrijving te geven, met eene verbeterde afbeelding o.a. van
den vleugel, die zeer cigendommelijk geaderd en geteekend is.
Het geslacht Cleitamia, waarvan zoover ik weet, nog geene
tweede soort bekend is, kan op de volgende wijze worden ge-
kenmerkt:
Ligehaam vrij smal; thorax in ’t midden verbreed, naar voren
en naar achteren versmald. Kop zoo breed als het middenge-
deelte van den thorax; het aangezigt weinig of niet vooruit-
stekend; voorhoofd ongeveer de halve breedte van den kop be-
slaande; op den sehedel enkele stevige borstels. Sprieten tot
halverwege het gezigt afdalende; het tweede lid iets verbreed,
het derde lang en smal; de borstel fijn en digt gevederd.
Zuiger kort. Thorax in de zijden met borstels; aan den achter-
rand van het schildje vier borstels. Achterlijf klein, gewulfd,
peervormig , aan den wortel vernaauwd, in 2 aan ‘t einde in
een’ spitsen eijerlegger uitloopende. Kolfjes klein. Vleugels groot
en breed, met bruine en witte teekening; hoofdtak der eerste
langsader lang; hare uitmonding op drie vierden van den voor-
rand, op grooten afstand van die der hulpader, die merkelijk
vóór de halve vleugellengte uitmondt; tweede langsader sterk
gebogen, in ‘t midden ver van de eerste verwijderd en bij hare
uitmonding zeer digt aan deze genaderd; de derde en vierde
118 DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL
langsaderen zeer sterk gegolfd, ver van elkander liggende; de
kleine dwarsader, die daardoor zeer lang is, digt naar de vleu-
gelspits geplaatst en scheef liggende; de achterdwarsader niet
ver van den achterrand geëindigd, een weinig boven haar mid-
den hoekig omgebogen en buitenwaarts met een klein aanhan-
gend adertje; de vijfde langsader zacht gebogen.
18. Crerramra AstroLagei, Boisd.
PI. 4. fig. 9—12.
Syn. Boisduval, Voyage de l'Astrolabe. Entom. p. 668. PI. 12.
fig. 17. (Ortalis Astrolabei).
Macquart, Suites à Buffon, I. 440. 1. Pl. 19. fig. 4.
Id. Dipt. exot. II. 204. PI. 27. fig. 7.
Voorhoofd purperachtig zwart, aan de kanten en boven de
sprieten met smallen witachtigen zoom; schedel metaalachtig
blaauwgroen, met vier stevige zwarte borstels. Aangezigt zwart,
met witten weerschijn; mondrand geelrood; de kinbakken smal,
wit. Sprieten kaneelkleurig, het derde lid aan de spits iets
verdonkerd. Thorax en schildje dof bruinzwart; de borstzijden
en achterrug glanzig metaalachtig groenzwart; over den thorax
ligt eene zwakke lichtgrijze bestuiving en op de voorste helft
vertoont zich flaauwelijk een donkere dwarsband. Achterlijf
zwart, met eenigen blaauwgroenen metaalglans; op den tweeden
en de volgende ringen is eene platliggende zilverachtige beharing ;
de zeer dun uitloopende eijerlegger is zoo lang als de beide
laatste ringen, aan den wortel breeder en zeer glanzig zwart,
verder roestkleurig. Pooten zwartbruin; de voorheupen en al
de dijen tot bij de spits bleek roodgeel. Kolfjes zwartachtig.
Vleugels donker roetbruin en wit of glasachtig geteekend ; aan
de eerste helft van den voorrand sluit de bruine kleur vier
glasachtige vlekken in, waarvan de laatste driehoekig is; ver-
volgens gaat een smalle bruine band naar den voorrand en om-
zoomt dezen tot aan de vleugelspits, even voorbij de uitmonding
der derde langsader; terwijl eene groote ronde bruine vlek, die
bijna de geheele spitshelft van den vleugel vervult, een paar
DIPTERA UIT DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.
119
banden uitwerpt naar het laatste gedeelte van den achterrand ;
meer naar den wortel staan tegen den achterrand nog twee of
drie glasachtige, eenigzins driehoekige vlekken, en ook het
weinig uitspringende vleugellapje is glasachtig of althans veel
lichter dan het overige; digt boven de vijfde langsader is in de
discoidaal-cel een klein licht stipje.
De bovenstaande beschrijving is die van een wijfje, dat 52 lijn
lengte heeft.
BE:
PI 4.
Qt
—
eS Ol LO
. . .
Neo
ce
Verklaring der afbeeldingen.
Tabanus piclipennis n. s. £.
» » (spriet.)
Silvius dimidiatus n. s. 2.
» » (kop van voren).
» » (spriet).
Chrysops albicinctus n. s. 9. (vleugel).
Sargus rufescens n. s. d.
» » (kop £ van boven).
» » (kop ? van voren).
Exoprosopa Satyrus, Fabr. 2.
» tristis n. s. (vleugel).
Anthrax terminalis n. s. »
» tripunctata n. s. »
» trimaculata n. s. »
Comptosia brunnipennis n. s. »
Psilopus splendidus n. s. 4.
n » (kop van voren).
» » (voorpoot).
» » (eind van het
achterlijf).
Megaspis sculptata n. s. 2.
Cleitamia Astrolabei, Boisd. ¢ (kop van
(kop vans voren).
» » (spriet).
» »
» n (vleugel).
mannelijk
ter zijde).
/
AANTEEKENINGEN
OP
HERRICH-SCHAFFER'S
PRODROMUS SYSTEMATICUS LEPIDOPTERORUM,
in het Correspondenz-Blatt des Zoologisch-
Mineralogischen Vereins 1864, p. 89 enz.
In den bovengenoemden jaargang van het Correspondenz-Blatt
is door Herrich-Schäffer een begin gemaakt met de uitvoering
van een voornemen, dat hij reeds in het Berliner Entomologische
Zeitschrift van 1857 had te kennen gegeven, namelijk het pu-
bliceeren eener synonymiek van alle bekende vlindersoorten.
Voorloopig geeft hij analytische tabellen voor de gezamenlijke
familien der Rhopalocera en voor de genera van de tien eerste
familiën, met lijsten der soorten. Ik heb die tabellen gebezigd
tot generieke determinatie van een honderdtal soorten van
exotische dagvlinders en dezelve verder getoetst aan al de Euro-
peesche, voor zoo ver zij in mijn bezit zijn. Daarbij heb ik
eenige aanteekeningen gemaakt, die ik zoo vrij ben mede te
deelen in de hoop dat zij mogen strekken om een werk meer
bruikbaar te maken, dat alle beoefenaars der Lepidopterologie
zeker met genoggen van den geleerden en ijverigen schrijver
hebben ontvangen en welks voortzetting zij stellig spoedig hopen
te zien
Ik begin met:
p. 94. «Analytische Tafel der Familiën der Tagschmetterlinge. »
In de cerste plaats wensch ik als resultaat der onderzoekingen
#3
AANTEEKENINGEN OP HERRICH-SCHÄFFER S ENZ. 191
van Herrich-Schäffer geconstateerd te zien, hoe moeijelijk het
valt, de meesten der door hem aangenomene familiën te karak-
teriseeren. Wanneer men de Hesperidina uitzondert, die zich
scherp onderscheiden door 12 ongesteelde aderen der voorvleu-
gels, benevens de £quitini met eene binnenrandsader der ach-
tervleugels en een in den binnenrand verloopend sprankje aan
den wortel van de binnenrands-(dorsaal-)ader der voorvleugels,
bemerkt men vooreerst dat de familiën waarbij de vlinders in
beide seksen slechts vier volkomen pooten hebben, zeer gelei-
delijk met die, waar de volkomen insekten in beide kunnen zes
ontwikkelde pooten bezitten, verbonden worden door de Liby-
theina en Erycinina. Bij de soorten dezer twee familien hebben
de mannelijke vlinders onvolkomen, de vrouwelijke volkomen
voorpooten, zoodat vooral voor de Erycinina ter karakteriseering
eene uitvoeriger omschrijving noodig is dan Herrich-Schäffer
geeft. In de beschrijving der £rycinina wilde ik al vast voorop
stellen: Het 3 met onvolkomen, het g met volkomen voorpoo-
ten. Achtervleugels met praecostaalader en twee binnenrands-
aderen.
Wat nu nog daarbij zoude moeten worden gevoegd om de
Eryeininen-wijfjes van de Pieridina te onderscheiden, kan ik,
slechts de eenige Europeesche Nemeobius Lucina bezittende,
niet opgeven. Opmerken moet ik echter dat eene gesloten
middencel van voor- en achtervleugels reeds bij al de Piridinen
voorkomt.
Terugkeerende tot de eerste afdeeling van Herrich-Schaffer :
« Schmetterlinge mit unentwickelten Vorderbeine» — vinden wij,
dat de genera, die hij onder den naam van Satyrina vereenigt,
zich als familie gezamenlijk van geen der overige familiën dier
afdeeling laten afscheiden, want slechts bij een gedeelte is
«Die Mittelzelle der Hinterflügel auf Rippe 4 am weitesten vor-
tretend» — Sutyrina a — bij de overige genera is: «Die Mit-
telzelle der Hinterflügel an der gemeinschaftlichen Ursprungs-
stelle der Rippen 5 und 4 am weitesten vortretend » — Satyrina b.
Wat evenwel belet om de Satyrina in twee familiën te splitsen
die door het bovenstaande verschillen, is dat de genoemde ken-
1192 AANTEEKENINGEN OP HERRICH- SCHAFFER'S
merken langzamerhand in elkander overgaan. Dit blijkt reeds
uit Herrich-Schäffer’s analytische tabel van de genera der Saty-
rinen. Hoe nu verder het tweede gedeelte der Satyrina van
de Elymniina, Ragadina, Eurytelina en Nymphalina te onder-
scheiden, is iets dat ik mede niet weet te zeggen, want bij al
deze familién komen soorten voor, bij welke de costaalader der
voorvleugels opgeblazen is, terwijl ook bij vele Satyrina slechts
deze ader aan den wortel is opgezwollen; ader 5 en 4 der
voorvleugels zijn bij vele Nymphalina even ver van elkander
verwijderd als bij de Satyrina, eene geslotene middencel hebben
sommige Nymphalina en naar Herrich-Schäffer, ook zijne Zlym-
ntina. Wel is waar is, ten minste bij al de door mij onder-
zochte Nymphalinen, de slaiting der middencel (dwarsader) fijner
dan de overige aderen, terwijl zij bij de Satyrinen even dik is
als de onderaderen en had hierop wel meer gewigt kunnen ge-
legd worden, doch ik moet bekennen dat zoo er niets anders
overbleef tot scheiding der beide familien, dit kenmerk mij al
zeer nielig zou voorkomen. Moeijelijk is het mede de Elymniina,
Ragadina en Eurytelina te scheiden van de Nymphalina , want
ook onder de laatsten komen Genera voor, waar de costaalader
der voorvleugels opgeblazen is, en Herrich-Schäffer merkt p. 105
op «Dies Aufgeblasen-sein tritt aber sehr allmählig auf und es
giebt viele Arten bei welchen man in Zweifel bleibt ob man sie
(die Rippe) aufgeblasen nennen soll oder nicht.
Hoe weinig overigens, wanneer men ook de exotische Saty-
rinen beschouwt, deze blaasvormige verdikking der aderen te
heteekenen heeft, zien wij in de tabel der Genera van die
familie, waar het van genus 4, Cyllo, heet «Nur die Gostalis
ganz wenig aufgeblasen» en van 19 Antirrhaea, 20 Sita, 21
Hipio «keine der Wurzelrippen aufgeblasen, die Costalis gegen
der Wurzel nur ganz allmählig dicker. »
Uit een en ander volgt, dunkt mij, duidelijk, dat de boven-
vermelde familien der Rhopalocera, Herrich-Schäffer, langza-
merhand in elkander overgaan en waarschijnlijk de eerste tien
niet anders kunnen worden behouden dan als subfamiliën, om
het overzigt en determineeren gemakkelijker te maken.
esn di
ve
PRODROMUS SYSTEMATICUS LEPIDOPTERORUM. 193
Beter zijn de Lycaenina en Pieridina te scheiden, doch ik
moet opmerken (vergelijk ook mijne vlinders van Nederland,
p. 709) dat het door Herrich-Schäffer vooropgestelde kenmerk
niet deugt, want vele Pieridinen hebben geene praccostaalader,
o.a de Europesche Coliaden, Gonopleryx Rhammi en Cleopatra
terwijl men bij vele soorten van Callidryas in twijfel staat of
men het dier zulk een adertje moet toeschrijven of niet. Wat
echter bij de door mij onderzochte soorten (ongeveer 80 Lycae-
ninen en 40 Pieridinen doorgaat, is, dat bij de eersten de
dwarsader der achtervleugels tusschen ader 4 en 6 regt en zeer
fijn is, terwijl ader 5 en 4 uit een punt of zeer na bij elkander
ontspringen. Daarentegen staan bij de Pieridinen 5 en 4 steeds
ver van elkander, steekt de middeneel op ader 4 het meest- uit
en is de dwarsader tusschen 4 en 6 dik en schuin. De ovale,
van onder spitse oogen met hunnen wit beschubden rand, die
bij de Europesche Lycaeninen zoo opmerkelijk zijn en deze
familie op het eerste gezigt van de Pieridinen onderscheiden,
schijnen, naar eenige exotische soorten die ik bezit, te oordeelen ,
niet bij alle Zycaenina zoo geprononceerd dien vorm te hebben,
terwijl de schubbenrand ligt verloren gaat.
p. 101. Tabel der Satyrina.
I. «Die Entfernung der Rippe 5 von 4 der Hinterflügel ist
über halb so lang als jene der Rippen 2 und 5.» Bij een
exemplaar van Salyrus (Epinephele) Ida (het genus rangschikt
Herrich-Schäffer onder afdeeling I) is dit niet zoo, de afstand
bedraagt veel minder; ook bij vele exemplaren van Erebia-
soorten is zulks het geval.
— 2. e. «Costal- und Subdorsalader stark aufgeblasen »
Dit gaat niet door; gelijk o. a. von Heinemann reeds op-
merkte, is bij Salyrus Circe, Dryas en Cordula de subdorsaal-
ader (mijne middenader) niet noemenswaardig dikker dan de
subeostaalader. Verder is ook bij Satyrus (Epinephele) Ida en
Janira de dorsaalader eveneens vrij duidelijk gezwollen. Hoewel
in mindere mate dan bij Caenonympha het geval, loopt het
toch in het oog.
—
wo
=~
AANTEEKENINGEN OP HERRICH- SCHAFFER S
p. 101. b. 7:8—9 oder 7: 8-10'. «Mittlere Discocellulär-
ader (mijne dwarsader) kürzer als die untere. . . Satyrys».
p. 101. e. 7 : 8—10. «Die Vorderflügel in Zelle 5 und 6
mit gemeinschaftlichem, doppelt weiss gekerntem, scharf gelb
umzogenem' Auge a De ra m NND REA Tnt
Ik kan hieruit niet opmaken wat het eigenlijke onderscheid
is, daar Herrich Schäffer niet bepaald zegt dat wat hij aan
ieder der beide genera toeschrijft, bij het andere niet voorkomt.
p. 111. Tabel der Nymphalina.
IH. «Die Subcostalader der Hinterflügel lauft dicht an der
Costalader hin und trennt sich von ihr ziemlich rasch „ deutlich
ehe sie die Praecostalader abgibt».
— bij Cyrestis Thyoneus is dit zeer onduidelijk.
— I. «Mittelzelle aller Flügel geschlossen ».
Bij Charaves Jason L. (Jasius Ochs.) zoo onduidelijk, dat
men beter doet met te zeggen, dat zij open is.
p. 125. — 2 «Ast 8 der Vorderflügel in den Saum. — Bij
de kleinere Melitaeen bijna in de punt.
p. 125. —* «Ast 8--10 aus 7.» Bij eene Argynnis Ino loopt
ader 10 in den beginne zoo digt langs den steel van 7 —9 dat
men slechts met groote moeite zien kan dat zij ongesteeld is.
Ook overigens komt mij de verdeeling van Argynnis Ochsenh.
in twee genera (Brenthis Hbn. en Argynnis O.) niet zeer aan-
bevelenswaardig voor en ik zou dus in bedenking geven om bij
de verdeeling van * liever het naakt of behaard zijn der oogen
op den voorgrond te stellen.
p. 125. b. «Ast 5 von 4 der Vorderflügel wenigstens halb so
weit entfernt als 2 von 5».
Bij eenige exemplaren van Melitaea Maturna, Iduna, Cynthia
en Aurinia komen 5 en 4 bijna uit een punt.
p. 125. — + «Ast 8 und 9 aus 7.»
= — ++ «Ast 8, 9, 10 aus 7.»
Bij sommige exemplaren van Melitaea Aurinia zijn ader 7—10
gesteeld, bij anderen 7—9, terwijl 10 uit den voorrand der
1 Dat is: ader 8—9 uit 7 of: ader 8—10 uit 7.
u
PRODROMUS SYSTEMATICUS LEPIDOPTERORUM, 249
middencel komt. Het is dus duidelijk dat het door Herrich-
Schäffer opgevene tot vorming van twee afdeelingen „ ieder met
eenige genera, niet in aanmerking kan komen daar het niet eens
voor specifiek, laat staan generiek verschil deugt.
p. 126. 2. — «Ast 8, 9 und 10 gegen die Mitte von 7 zu-
sammengedrängt. Bij Agraulis Vanillae juist niet.
p. 126. c. + «Ast 7 ist durch und 9 in 5 gleiche Theile ge-
theilt. »
Bij mijne exemplaren van Apatura Ilia zijn de takken veel
korter dan de steel.
Herrich-Schäffer rekent tot het genus Apatura ook Tonia
Fischer de Waldheim (Ammonia U. S.). Deze soort heeft echter,
iets dat Lederer reeds lang geleden (Verhandl. des Zoöl. Bot.
Vereins 1852) mede opmerkte, duidelijk gesloten middencellen
van voor- en achtervleugels. Het is reeds bij onderzoeking met
terpentijn te zien. Daarbij heeft zij sterk behaarde oogen en
behoort dus in het genus Pyrameis. Ten opzigte van het laatst-
genoemde genus merk ik op, dat Herrich-Schälfer de verschil-
punten niet opgeeft die het van Grapta en Vanessa en deze
twee weder van elkander scheiden. Indien men het punt van
verschil soms voor Grapla in den geslingerden binnenrand der
voorvleugels mogt zoeken, moet ik aanteekenen dat dit wel bij
sommige exemplaren van Grapla C- Album in hooge mate voor-
komt, doch lang niet bij allen even sterk en dat die binnenrand
bij Grapta Egea weinig meer gebogen is dan bij V-Album, die
tot Vanessa gerekend wordt. Van den tand op ader 4 der
achtervleugels , die bij de soorten van Grapta en Vanessa zeer
groot is, ziet men bij Pyrameis Cardui reeds een zeer duidelijk
spoor.
Rotterdam, 21 December 1867. P.C. T. SNELLEN.
Docophorus
Nirmus
”
» 0)
Goniocotes
”
[4
Goniodes
Lipeurus
A
NW
”
LIJST VAN PARASITIGA,
Dr. BE, ETAGE
voor de Verzameling der Vereeniging ten geschenke
gegeven, den 22 December 1867.
fulvus
2
aquilinus
Lari
cephalus
rostralus
incompletus
passerinus
?
aquilinus
superciliosus
Bassanae
?
?
9
?
?
reclangulatus
fuleicornis
staphylinoides
4
quadripustulatus
leucopygus
+0 +0 HO + +40 +0 HO
As PA a
+0
?
?
+
?
?
?
?
?
d van
SEE I SEE
d
d
d
J
“
(Garrulus glandarius).
(Diomedea ewulans).
(Buteo lagopus).
(Larus canus).
(Larus atricilla).
(Stryx passerina).
(Ciconia alba).
(Motacilla alba).
(Sturnus cristatellus).
China.
(Haliaelos vociferoides).
(Picus viridis).
(Sula alba).
Phalaropus hyperboreus).
Eurystomus Temminckit).
Casuarius sc ai. JE
Accentor modularis).
Ardea qularis).
Rougelius Bernieri).
Madagascar.
(Negerhaar hoen).
(Gallus Bankiva). Java.
(Pavo spicifer).
(Pavo cristatus).
(Sula Bassana).
(Sula alba).
(Aquila fulva).
(Ardea cinerea).
|
|
(
(
(
(
LIJST VAN PARASITICA. 197
Lipeurus ? 2 Svan (Phoenicopterus Anti-
quorum).
7 ? 2 d » (Phasianus pictus).
7 ? 24 »” (Phasianus nyctheme-
rus).
” ? 2d » (Perdix javanica).
7 ? 2 d # (Ibis cristata).
7 ? 28 » (Eclectus puniceus).
2 ) 24 7 (Carbo javanicus).
7 ? 2d » (Anastomus lumellige-
rus). Madag.
Colpocephalum Fregili 2 & » (Corvus seneca).
” ? 24 » (Phoenicopterus Anti-
quorum).
2 ? 23 » (Ibis cristata).
Menopon Perdicis ? 24 » (Perdix javanica).
” ? 2 2” (Gallophasis melanotus).
” ? 22 pn (Nulla mangola).
7 ? 28 » (Corvus validissimus)
7, ? 243 » (Corvus senex).
" ? 24 » (Edolius longus). Java.
2 ? 2d » (Pavo spicifer).
” ? 24 » (Sula alba).
7 i 2 v (Platalea leucorodia).
” ? 4 » (Sturnus cristatellus).
Nitschia Burmeisteri 2 v (Cypselus nazarius).
Haematopinus eurysternus 2 v (Bos taurus, vache).
Nirmus Vanelli (?) 2 „ (Anser Segetum).
” sellatus 2 v (Larus argentatus).
” attenuatus 2 „ (Purra sinensis).
” sellatus 9 d pn (Larus canus).
” ? 2 yu (Endynamis picalus).
Ternate.
Goniocotes 2 2d » (Perdix javanica).
Lipeurus ? 2 v (Gallophasis Cuvieri).
Menopon gonophaeum 2 ” (Corvus cornia).
7 ? 2 v (Porphyrio melanopte-
rus). Gelebes.
Colpocephalum ? 2d » (Pavo spicifer).
flavescens gd » (Haliaëlus leucocepha-
lus).
NAAMVERWISSELING.
Men heeft mij de zeer gegronde opmerking gemaakt , dat de
naam Zuploea superba, onder welken ik in het tweede deel
dezer serie op bladz 207 beschreven en op plaat 10 afgebeeld
heb eene nieuwe soort uit het geslacht Zuploea , niet aangenomen
kon worden, aangezien reeds J. F. W. Herbst in zijn « Natur-
system aller bekannten in- und ausländischen Insekten, deel VI
(Berl. 1795)» een Papilio superbus beschreven en afgebeeld * heeft,
die tot hetzelfde genus behoort. Hoe het mogelijk was dat ik
dien zelfden naam voor mijne soort gebruikt heb, is mij zelven
een raadsel, daar Zuploea superba Herbst door mij, goed ge-
determineerd, op het Museum te Leyden aangetroffen is en ik
bovendien wist dat Herbst dien naam gegeven had aan dezelfde
soort, die later door Godardt onder dien van Daneis Alopia be-
schreven is.
Ik zoude nu geregtigd zijn den naam Superba van den door
mij beschreven vlinder in pretiosa, pulchra, elegans of iets der-
gelijks te veranderen, indien niet reeds mijn vriend Dr. C. Felder
mij door zijne publicalien van deze moeite ontheven had. Op
bladz. 527 toch van het 2° deel der Zoologische afdeeling van
de «Reise der Österreichischen Fregatte Novara um die Erde»
worden twee Euploeae beschreven en genoemd Vollenhovii en
Schlegelii, van welke de laatste, tevens afgebeeld op plaat XLI
van het prachtige werk, dezelfde is, wie ik de reeds door
Herbst vergeven naam toekende. Het exemplaar van Felder
stamt uit de beroemde verzameling van der Capellen, de onzen
zijn door von Rosenberg overgezonden. Allen waren in het
Noorden van Celebes gevangen.
SW. Vi
1 Plaat CXIX. fis. 3.
3.1359,
PRE
JUL!
— a, a A ne ______m KZ
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN
BESCHREVEN EN MEERENDEELS OOK AFGEBEELD
DOOR
S. ©. Snellen van Vollenhoven.
Eerste stuk met twee platen.
EN LBT D IEN. CG
Het is mijn voornemen in langzaam elkander volgende opstel-
len in dit Tijdschrift alle inlandsche Hemipteren te beschrijven;
de grooteren, die der beide eerste familien zijn waarschijnlijk
reeds allen tot mijne kennis gekomen; voor het bijeenbrengen
der kleinere soorten roep ik de hulp van alle Nederlandsche
entomologen in en voornamelijk van hen wier welwillendheid
mij reeds zoo vaak gebleken is.
Gelijk men weet, wordt de Orde der Hemipteren niet zoozeer
door de natuur en inrigting der vleugels, als wel door die der
monddeelen gekenmerkt. Deze bestaan namelijk uit een zuig-
toestel, gevormd uit zes deelen, eene gootvormige naar boven
als toeslaande onderlip, in welke vier borstelharen besloten zijn,
die de boven- en onderkaken der kaauwende insecten vertegen-
woordigen, en eindelijk een gewoonlijk zeer smalle, wigvormige
bovenlip, die den zuiger aan de bovenzijde bij den wortel sluit.
Men wil, dat de mannetjes van eenige coccus-soorten geheel
van monddeelen verstoken zouden zijn; bij alle overige Hemi-
ptera is de mondtoestel naar het zoo even beschreven model
gevormd.
150 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Wat de vleugels betreft, hunne inrigting verdeelt de orde in
twee groote afdeelingen; de bovenvleugels zijn namelijk zamen-
gesteld uit tweederlei weefsel, een lederachtig en een vliezig,
of wel zij bestaan geheel uit een vliezig weefsel, met luchtbui-
zen, zoogenaamde aderen doortrokken. De dieren der eerste
afdeeling worden Heteroptera, die der tweede Homoptera ge-
noemd. Wij zullen ons voor als nog tot de eerste bepalen en
eene korte algemeene beschrijving geven der ligchaamsdeelen van
de dieren, die er toe behooren.
Het ligchaam is, gelijk bij alle volkomen insecten, uit drie
voorname deelen gevormd, den kop, het borststuk (thorax) en
het achterlijf. De kop, gewoonlijk zeer diep ingedoken in de
voorste opening van het borststuk, heeft nimmer eene zoo groote
gemakkelijkheid van beweging als de kop der vliegen , ofschoon
bij sommige Capsinen en Reduvinen eene halsvormige verlenging
van het achterhoofd zigtbaar is. Aan den kop worden ver-
schillende streken onder verschillende namen onderscheiden, als
schedel, voorhoofd, aangezigt, wangen, keel enz. wier grenzen
niet in het algemeen op te geven zijn en wier eigenlijke plaats
men gemakkelijk bij analogie kan vaststellen. Boven op, aan de
zijden van den kop ziet men de twee zamengestelde oogen, die
dikwijls zeer groot, een enkele maal als gesteeld zijn ; bijoogjes
of enkelvoudige oogen (ocelli) zijn dikwijls voorhanden en dan
op den schedel tusschen de groote oogen, doch meer naar ach-
teren geplaatst.
De sprieten, gewoonlijk ter wederzijde voor aan den kop in-
geplant, bestaan uit 5, 4 of 5 leedjes, waarbij echter moet
opgemerkt worden, dat bij de Reduvinen somtijds tusschenleed-
jes voorkomen, zoodat bij hen het getal der sprietleedjes ver-
meerdert.
De zuiger is aan het voorste gedeelte of aan de onderzijde
van den kop geplaatst, zeldzaam vrij nederhangend , gewoonlijk
tegen de keel en borst aangedrukt, zeer verschillend in lengte,
even als de sprieten. Zijne bekleeding, de onderlip, bestaat
uit drie of vier aan elkander gevoegde langwerpige leedjes , van
welke het onderste volgens de meening van Burmeister de eigen-
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 151
lijke doch vergroeide onderlip en de overigen de vergroeide lip-
voelers zouden zijn. |
De thorax is uit drie deelen gevormd, 1 het voorborststuk of
prothorax, in hetwelk de. kop zijne aanhechting vindt, 2 het
middelborststuk of mesothorax en 5 het achterborststuk of meta-
thorax. Bovendien wordt de thorax in rug, borst en zijden
verdeeld, doch alleen naar aanleiding der rigting in betrekking
tot zekere denkbeeldige as in het midden van het borststuk van
den kop naar het achterlijf loopende, zonder dat die vier ge-
deelten zuiver door vaste lijnen van elkander zouden kunnen
gescheiden worden, gelijk prothorax, meso- en metathorax in
de werkelijkheid van elkander gescheiden zijn. Hier dient echter
opgemerkt te worden dat de zijden somwijlen, b. v. bij de
Capsinen, door naden of gegroefde lijnen in verschillende deelen
afgedeeld zijn, zoodat tusschen de zijde en de borst van den
metathorax nog een vrij breed stuk ingeschoven schijnt te zijn,
in welk geval men in de zijden van midden- en achterborststuk
drie deelen waarneemt, aan welken, van voren naar achteren
gerekend, de namen gegeven zijn van scapulae (zijden van den
mesothorax) pleurae en daaronder parapleurae (zijden van den
metathorax) Voor den rug van den prothorax wordt zeer dik-
wijls de benaming pronotum gebezigd.
Aan dat pronotum onderscheidt men een voor- en achterrand
en twee zijranden, ’t geen vier hoeken maakt, doch bij sommige
Hemiptera, met name die der eerste familie zijn aan het pro-
notum zes hoeken voorhanden, aangezien de achterrand zich
over den middelrug uitstrekt en aldaar aan wederzijde op den
rand van het schildje nog een stompen hoek vormt De beide
eerste hoeken, aan den kop gelegen, zullen wij voorhoeken, die
waar de zijkanten en achterrand tot elkander komen , achlerhoeken
noemen, terwijl de beide overigen , die niet altijd voorkomen,
achterrandshoeken moeten worden genoemd. De achterhoeken
van het borststuk zijn dikwijls puntig of wel gedoornd.
Het middelborststuk is gewoonlijk gedeeltelijk onder het voor-
borststuk verborgen. Daar dit bedekte gedeelte in de beschrij-
vingen niet vermeld wordt, schijnt het mij niet noodig er een
159 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN,
naam aan te geven. Het meest in het oog loopende stuk van dit
middelborststuk is het schildje, een driehoekig of half elliptisch
stuk op het midden van den rug, dat bij de eerste familie bij-
zonder groot is, zoodat ’t het abdomen en de vleugels gedeelte-
lijk bedekt.
Aan den mesothorax zijn de voorvleugels ingeplant, van welken
wij reeds gezegd hebben dat zij in deze afdeeling half leder-
achtig, half vliezig zijn. In hunnen meest ontwikkelden vorm
bestaan zij uit vier deelen, welke bij figuur A op plaat 5 door
de volgende letters worden aangeduid.
L. of C. is het grootste stuk, genoemd het Leder of Corium.
Cl. is de Clavus of het Sluitstuk, waarvan de buitenrand tegen
de zijde van het schildje aansluit.
W. is de Wigge of Cuneus, een stuk, dat zeer dikwijls ontbreekt.
M. is de Membraan of het Vleugelvlies.
Van deze vier stukken zijn de beide eersten steeds lederachtig,
het laatste altijd vliezig, terwijl de wigge dikwijls aan de basis
van harder en dikker zelfstandigheid schijnt te zijn dan aan de
punt. Wanneer de bovenvleugels gesloten zijn, raken zij elkander
alleen aan in het gedeelte van den rand tusschen o en b gele-
gen, hetwelk wij daarom den naad noemen; b is voor ons de
boven-naadhoekpunt en o de onder-naadhoekpunt.
De ondervleugels, die aan den metathorax zijn vastgehecht ,
zijn steeds vliezig, op een zeer smal langwerpig lederachtig
strookje na, bij soorten der eerste familien; gewoonlijk zijn zij
ook geheel ongekleurd of doorschijnend.
Bij eenige soorten, gelijk bij de bedwants, ontbreken de
vleugels geheel, bij anderen missen zij membraan en wigge, of
zijn op eenige andere wijze slechts half ontwikkeld. Bij enkele
soorten, als Velia currens is dienaangaande slechts individueel
verschil, zoodat men voorwerpen met geheel ontwikkelde of half
ontwikkelde vleugels en ook vleugellooze voorwerpen aantreft.
Van den metathorax is op de rugzijde gewoonlijk niets te
zien, wanneer de vliegtoestel voorhanden en in rust is. Bij vele
soorten wordt het midden, geheel naar de gedaante van het
schildje, door twee schuin loopende groeven van het overige
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. | 155
afgescheiden en alsdan Postseutellum genoemd. Bij het geslacht
Gerris is dit deel duidelijker dan bij anderen, aangezien het
daar in een doorn uitloopt.
Aan de onderzijde van het borststuk zijn de pooten ingeplant;
aan elk der drie deelen een paar. Iedere poot bestaat uit 5
deelen, nam.: 1. de heup, Coza; 2, de dijring, Trochanter ;
5. de dij, Femur; 4. de scheen, Tibia en 5. de voet, Tarsus.
Deze pooten zijn zeer verschillend van vorm, naar mate dat zij
tot loopen, zwemmen of grijpen en vasthouden van den buit
dienen moeten. Hunne tarsen hebben drie leedjes, somtijds
slechts twee, of zeer zelden aan de voorpooten een leedje; het
laatste lid is nagenoeg altijd met twee eenvoudige klaauwtjes
gewapend. Het is noodig hier de gebruikelijke terminologie
der pooten, naar mate van de plaats van aanhechting op te
geven, waartegen wel eens gezondigd wordt. De 4 voorste
pooten worden pedes anteriores genoemd, de 4 achtersten pedes
posteriores, die van het voorste paar pedes antici, die van het
midden-paar pedes medii, die van het achterste paar pedes
postici.
Het derde ligehaamsdeel is het achterlijf of abdomen, dat uit
zes ringen bestaat met een aanhangsel van 1, 2 of 5 vergroeide
ringen, die tot de organen der voortteeling behooren. Het is
meestal breed (sessile) aan zijne inplanting, zelden aldaar inge-
snoerd (coarctatum). Elke der zes ringen draagt aan de zijden
aan de buikvlakte een luchtgat (Stigma), gelijk er ook twee paar
aan de borst aanwezig zijn. De organa generationis zijn ver-
borgen; men kan echter bij de Geocorisae de mannetjes vrij
gemakkelijk van de wijfjes onderscheiden, door beschouwing
van den laatsten ring van het abdomen, welke alleen bij de
vrouwelijke kunne in de lengte gespleten is.
De beschrijving van den sexuelen apparatus rekenen wij ove-
rigens tot de anatomie der inwendige deelen te behooren.
De gedaantewisseling der Heteroptera is onvolkomen. De
voortteeling geschiedt door eijeren, welke dikwijls een zeer
sierlijken vorm hebben en waarvan het bovengedeelte als een
deksel met een scharnier opgeligt wordt, gelijk reeds Marti-
154 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
net (') heeft waargenomen. Het uit het ei gekomen insect ver-
velt tweemaal zonder buitengewone verandering in gedaante,
behalve het toenemen in grootte; men noemt het dan, ofschoon
met eene onjuiste benaming, larve. Wanneer het dier voor de
derde maal van huid verwisselt, komen de vleugels te voorschijn,
als rudimenten aan wederzijde in eene huidachtige scheede ste-
kende; alsdan heet men het dier nymph. Eindelijk wisselen zij
voor de vierde maal van huid en zijn dan volwassen , met vleugels
voorzien en volkomen insecten of imagines. De onvolkomen
dieren (larven en nymphen) hebben dikwijls dikkere sprieten
met minder leedjes, en tarsen van een lid minder, terwijl hun
de bijoogjes altijd ontbreken. De larven der waterwantsen
ademen door stigmata, gelijk de volkomen insecten, en niet
door kieuwen of kieuwvormige aanhangsels.
Vele landwantsen verspreiden, als zij aangeraakt worden, eenen
meestal onaangenamen geur. Van de bedwants is dit aan ieder-
een bekend. Denzelfden geur vindt men bij verscheidene andere
soorten, b. v. Cimex Baccarum, lituratus, Cymus Resedae,
Heterogaster Urticae terug. Volgens Gorski ruikt Reduvius
personatus naar muizen, stinkt Nepa cinerea naar rottende visch,
Trigonosoma lineatum naar verrotte appelen; doch er zijn ook
soorten, die een aangenamen geur verspreiden b. v. Capsus
Pastinacae en Alidus calcaratus. De Maleische naam van som-
mige Hemiptera op rijstvelden «Walang sanghit» duidt aan dat
deze mede een weinig verkwikkenden geur verspreiden. De geur
is aan zekere olieachtige vloeistof toe te schrijven, welke door
klieren in het abdomen liggende afgescheiden wordt en haren
uitweg naar buiten vindt in twee spleten, ter wederzijde der
borst in den metathorax gelegen en gewoonlijk door vrij dikke
zoomen omvat.
! Zie Martinet, Catechismus der Natuur, Deel III. Pl. 1.
me
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 155
SYSTEMATISCHE VERDEELING EN
BESCHRIJVING.
Wij hebben reeds gezien dat de Orde der Hemiptera zich in
twee groote afdeelingen scheidt, naar de zamenstelling der vleugels.
Dit kenmerk gaat met een ander gepaard, dat in de plaatsing
of liever aanhechting van den zuiger gelegen is. De HereRoPTERA,
wier voorvleugels uit twee weefsels zijn zainengesteld, hebben
een zuiger, die voor aan den kop of ten minste ver van de
heupen der voorpooten ingeplant is; bij de Homorrera daaren-
tegen ontspringt hij bijna uit de keel, nagenoeg tusschen de
voorste heupen. De eerste afdeeling wordt dan ook door Zet-
terstedt die der Froxrirosrria, de tweede die der GULAEROSTRIA
genoemd. De eerste omvat de Wantsen, de tweede de Cicaden,
Blad- en Plantluizen.
De afdeeling der Heteroptera wordt weder in twee sectien
verdeeld naar gelang der plaatsing en lengte van hunne sprieten
op de volgende wijze:
1. Sprieten, gewoonlijk zoo lang als het halve ligchaam,
steeds ten minste zoo lang als de kop, van 5—5 leedjes, met
de inplanting zigtbaar, of zoo die van boven niet zigtbaar is,
damesteedsn Nin ee. AO iaia TA OA Sectto.
2. Sprieten korter dan de kop, aan de onderzijde van dien
ingeplant van 5 of 4 leedjes, de basis bedekt . . 2° Sectio.
De eerste sectio noemt Burmeister die der Geocores; Amyot
en Serville zeggen Geocorises, Fieber en Flor Gymnacerata ,
terwijl wij haar met eene Hollandsche benaming die der Lanp-
WANTSEN zullen noemen.
De tweede seetio noemt Burmeister die der Hyprocores; Amyot
en Serville zeggen Hydrocorises, Fieber en Flor Cryptocerata ,
terwijl wij haar de sectie der Warerwantsen zullen noemen,
Wel is het waar dat onder de eerste sectie eenige geslachten
voorkomen, wier individuen op het water loopen of roeijen,
-
15
6
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
doch vooreerst zwemmen die dieren niet onder water, gelijk
de waterwantsen, ten andere zijn de namen eenvoudiger en
welluidender dan die van naakt- en bedektsprietigen, welke
termen bovendien als slaande alleen op de basis der antennen
onjuist zijn.
De Landwantsen worden in de volgende familien afgedeeld:
1. (14)
9. (3)
5. (2)
4. (11)
5. (8)
6. (7)
7. (6)
8. (5)
9. (10)
10. (9)
11. (4)
12, (15)
Zuigerscheede of onderlip van 4, zelden 5 leedjes. Twee
huidlapjes tusschen de klaauwtjes.
Sprieten dikwijls onder de oogen ingeplant, van 5
leedjes. Het schildje groot, ten minste half zoo lang als
het achterlijf.
1° Fam. Schildwantsen. — Scutali.
Sprieten van 4, zelden van 5 leedjes, vooraan of op
zijde van den kop, voor de oogen ingeplant. Het schildje
korter dan de helft van het achterlijf.
Tarsen van 5 leedjes. Sprieten van 4 leedjes.
Bijoogen aanwezig.
Membraan met meer dan 5 langsaderen.
2° Fam. Coreodes.
Membraan met 5 langsaderen of minder.
4° Fam. Lygaeodes.
Bijoogen ontbrekend.
Bovenvleugels zonder cuneus, of membraan.
9° Fam. Pyrrhocorides.
Bovenvleugels met een cuneus. Membraan met twee
gesloten cellen, van waar eenige aderen uitstralen.
5° Fam. Capsini.
Tarsen van 2 leedjes. Sprieten van 4 of 5 leedjes.
Geen ocellen. In plaats van het schildje een uitsteeksel
van het pronotum. Bovenvleugels glasachtig met een
netwerk van aderen, zoodat zij eenigermate op kant
gelijken. Sprieten van 4 leedjes.
7 Fam. Tingidides.
14.
15.
16.
17.
18.
49:
. (19)
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 157
Ocellen. Een onbedekt schildje. Sprieten van 5 leedjes.
Bovenvleugels niet op kant gelijkend.
9° Fam. Hebroides.
Zuigerscheede meestal van 5, zelden van 4 leedjes.
Geene huidlapjes tusschen de klaauwtjes.
Klaauwtjes steeds wan het einde van het laatste lid der
tarsen ingeplant.
Zuiger in eene goot tegen de keel aangedrukt. Ligchaam
zeer plat. Tarsen van 2 leedjes.
8° Fam. Schorswantsen. — Corticicolae.
Zuiger loshangend. Tarsen van 5 leedjes.
Ocellen, zoo zij aanwezig zijn, geplaatst achter eene
denkbeeldige lijn, van den achterrand van het eene oog
tot dien van het andere getrokken.
Voorvleugels met een wigge. Kop in een langwerpig
vierkant of een eylinder verlengd.
6° Fam. Anthocorides.
Voorvleugels zonder wigge. Kop achter de oogen hals-
vormig uitgerekt.
11° Fam. Reduvini.
Ocellen digt bij elkander tusschen de oogen geplaatst.
10° Fam. Riparii.
Klaauwtjes zeer klein in eene inkeeping geplaatst, voor
het einde van het laatste lid der tarsen.
12° Fam. Hydrodromici.
158 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Sectie 1. — Landwantsen.
EERSTE FAMILIE. — SCHILDWANTSEN.
SCUTATI.
De benaming is afgeleid van het groote schild, het meest
kenmerkende ligchaamsdeel. — Het lijf dezer dieren is gewoon-
lijk aan de boven- en onderzijde bol, dikwijls met scherpe kanten
aan de zijden; de bedekkende huid is van eene harde of vrij
harde zelfstandigheid. De kop is aan de zijden voor de oogen
meest scherp gerand, aan de spits door twee voren in drie
lappen verdeeld , waarvan de middelste niet altijd den voorrand
bereikt. De oogen zijn matig bol, soms vrij plat, bij eene
soort ter zijde uitpuilend, als gesteeld; de ocellen ontbreken nooit
en staan op den schedel schuin achter de oogen, elke ocel dig-
ter bij een oog dan bij hare wedergade. De sprieten zijn altijd
aan de onderzijde van den kop ingeplant, meest zoo dat aan de
schedelzijde slechts de tip van het eerste lid gezien kan worden;
zij bestaan uit vijf leedjes, van welke het laatste gewoonlijk spoel-
vormig en dikker is dan de drie voorgaanden. De zuigerscheede
of onderlip is uit 4 leedjes zamengesteld, waarvan het tweede
gewoonlijk het langste is; meestal reikt zij tot aan de heupen
van het 2° of 5° paar.
Het voorborststuk is aan de bovenzijde gezien meer 6- dan
4-hoekig met de achterhoeken dikwijls uitstekend, of zelfs wel
doornachtig. Het schildje bij de eerste geslachten bijzonder
groot en aan de achterzijde afgerond; bij de volgenden iets
kleiner en meer driehoekig van gedaante. De bovenvleugels
hebben ccrium, clavus en membraan; aan het eerste onderscheidt
men eene duidelijke en soms ook nog eene onduidelijke langsader ;
een wiggestuk ontbreekt ; de membraan telt vijf of meer gebo-
gene langsaderen, die dikwijls uit eenige cellen aan de basis
ontspringen.
De pooten zijn alleen tot gaan ingerigt, niet tot springen,
zwemmen of grijpen. Somwijlen hebben de voordijen een enkelen
doorn ; bij een geslacht zijn alle pooten met stekels bezet. De tarsen
zijn bij een geslacht van twee, bij alle anderen van drie leedjes.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 159
Aan de borst vindt men nu eens eene gleuf voor den zuiger,
dan weder aan de midden- en achterborst een’ plaatvormig uit-
stekenden kiel, dan weder een’ kleinen kiel alleen tusschen de
middenpooten. Aan den buik treft men bij sommige soorten een’
doorn of uitpuilend bultje aan op den tweeden ring in het
midden.
Schildwantsen vindt men in bosschen, boomgaarden en moes-
tuinen, in de duinen en op de heide. Hun voedsel bestaat
hoofdzakelijk uit plantensappen, ofschoon men enkele soorten
ook aan versch gedoode insecten ziet zuigen, waarbij het echter
nog niet uitgemaakt is of zij die zelf vermoord hebben. Een
paar soorten zijn hoogst onaangenaam door den viezen geur en
de walgelijke smaak, die zij aan de frambozen kunnen mede-
deelen Eene enkele verzorgt en beschermt hare jongen, zoo lang
zij larven zijn.
Verdeeling der geslachten.
1. (22) Zuiger aan de basis slank even als in het midden;
zijn eerste lid in eene sleuf aan de keel geborgen.
2. (15) Schildje zeer breed, aan het einde toegerond en zoo
lang als het abdomen.
5. (10) Scheenen niet met stekeltjes bezet.
4. (7) Het abdomen steekt zijdelings met een breeden rand
buiten het schildje en het corium der vleugels uit.
5. (6) Voorrand van den kop eene ellips vormend; sprieten
vrij kort; membraan met ongeveer 12 aderen.
Gen. 1. Teryra F.
6. (5) Kop driehoekig; sprieten vrij lang; membraan met 5
aderen. 4
Gen. 2. ‘Tricoxosoma Burm.
7. (4) Van het abdomen is aan de bovenzijde nagenoeg niets
te zien.
8. (9) Een doorntje voor de oogen, naast de sprieten ; voor-
rand van den prothorax aan de onderzijde gewoon.
Gen. 5. Povors Lap.
140
9.
10.
TI,
15.
22.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
(8) Geen doorntje voor de oogen; voorrand van den pro-
thorax plaatvormig uitstekend.
Gen. 4. Puimopera Germ.
(5) Scheenen met stekeltjes bezet.
(12) Ligchaam behaard.
Gen. 5. OpontosceLIs Lap.
. (11) Ligchaam onbehaard.
Gen, 6°. Coreomeras White.
(2) Schildje veel korter dan het achterlijf, van driehoeki-
gen vorm.
. (15) Scheenen met stekels bezet.
Gen. 8. Cypnus F.
(14) Scheenen zonder stekels.
. (21) Tarsen van drie leedjes.
. (18) Het ligchaam plat aan de bovenzijde, Rand van het
abdomen aan de zijden uitstekend.
Gen. 9. Sciocoris Fall.
. (17) Het ligehaam aan de bovenzijde min of meer bol; rand
van het abdomen niet of slechts weinig uitstekend.
. (20) Het ligchaam langwerpig; de achterhoeken van den
prothorax zeer. stomp.
Gen. 10. Agua F.
. (19) Het ligchaam vrij breed; de achterhoeken van den
prothorax tamelijk of sterk uitstekend.
Gen. 11. Cimex F.
. (16) Tarsen van twee leedjes.
Gen. 12. Acanruosoma Curt.
(1) Zuiger aan de basis zeer dik, los nederhangend; het
eerste lid niet in eene sleuf geborgen.
Gen. 7. Asorus Burm.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 141
Genus 1. Teryra F.
Ligchaam aan de bovenzijde eenigzins bol, aan de onderzijde
platachtig; de lengte gelijk 13 maal de grootste breedte. Kop
eenigermate neergebogen, meer breed dan lang, met den voor-
rand gekromd, niet hoekig. Oogen niet zeer groot, noch ook
bol. Sprieten korter dan 1/5 van de ligchaamslengte; hunne
inplanting verborgen onder de vooruitstekende lappen van de
voorborst ; lid 1 en 2 gelijk van lengte, 5 en 4 iets korter, 5
het langste en tevens dikste, aan beide zijden toegespitst. De
zuiger reikt tot even voorbij de middelheupen. De prothorax
meer dan 2 maal zoo breed als lang, met scherpe zijranden ,
afgeronde achterhoeken en een regten achterrand tusschen de
buitengemeen stompe achterrandshoeken. De buitenrand van
het corium blijft door het schildje onbedekt. De membraan
heeft steeds meer dan 12 langsaderen. De pooten matig lang,
zonder iets bijzonders. Het achterlijf met scherp uitstekenden,
platten rand, zijn eerste ring half onder den metathorax ver-
borgen , zoodat men aan wederzijde slechts 5 luchtgaten telt.
1. Tetyra Maura L.
Plaat 5. fig. 1, 1a en 12.
Linn. Fn. Suec. 246, 915. — Fabr. S. Rh. 156, 56 (maura)
et 58 (picta). — Panz. Fn. Germ. 112, 15. — Burm. Handb.
IL p. 590. n°. 5. — Hahn, W: I. II. p. 44. fig. 159, 140. —
Flor, RA. Livl. I. p. 85.
Lengte 94 —11 mm. Donker lederbruin met lichtere strepen en
vlekken. Kop en borststuk aan de randen donkerder dan in het
midden, over welk midden twee donkere langsstrepen loopen,
door eene veel smallere lichte streep gescheiden. Schildje met
twee lichte, gladde ietwat bolle vlekjes aan de basis en drie
vrij groote langsvlekken, waarvan de middelste voor zeer smal
en achter vrij breed is. De van boven zigtbare rand van het
149 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
achterlijf verdeeld in vierkante lichtere en donkere vlekken. Aan
de onderzijde is de borst gelijk in kleur aan de bovenzijde , de
buik ietwat rooder, met eene donkere streep over het midden.
De sprieten geelachtig, hun laatste lid, of de beide laatsten don-
kergrijs of zwart; het 2° lid ietwat krom. Pooten lederbruin
met zwarte stippels.
Sommige voorwerpen zijn lichter, anderen donkerder; een in
de collectie der Vereeniging bewaard, is steenrood van kleur
met zeer weinig vlekken,
Meer voorkomende dan de volgende soort. Gevonden op de
Hollandsche duinen (v. Voll.), bij Utrecht (Six), bij Nijmegen
(Snellen), in Julij en Augustus.
2. Telyra Hottentotta F.
Plaat 5. fig. 2.
Fabr. S. Rh. 156, 57 et 59 (nigra). Hahn, W. I. II, 44,
tab. 45, fig. 159.
Lengte 15 mm. — In tweederlei kleur voorkomende 1°. leder-
geel; 2°. zeer donkerbruin, nagenoeg zwart; herkenbaar aan
eene duidelijke kielvormige streep op het midden van het schildje.
Kop aan de zijden omzoomd, min of meer driehoekig, geheel
met ingedrukte putjes bedekt, die op de middellob dikwijls
zwartachtig zijn; de zoom alleen is glad. De zijlobben reiken
iets verder dan de middellob. Oogen van dezelfde kleur als
de kop; bijoogjes met zwarte kern. Sprieten bruinachtig geel,
eind van het 4° lid lichtbruin, het 5° zwartachtig, behalve aan
de basis die geel is. Laatste lid van den zuiger zwart. Pro-
thorax vrij bol, gestippeld, aan de voorhoeken met ingedrukte
putjes; de zijden met een’ ongeslippelden zoom, die veelal iets
lichter van kleur is. Het schildje eenigzins roestkleurig aan de
basis, overal gestippeld behalve op den verheven middenkiel,
niet gezoomd. De kiel en somtijds twee vlekjes aan de basis
zijn lichter van kleur. Het bedekte gedeelte van het corium is
glanzig pekkleurig, de uitstekende rand van het achterlijf soms
iets rooder dan de grondtoon. De onderzijde van het lijf in
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 145
kleur gelijk aan de bovenzijde , zoo ook de pooten. De kop en
de zijden van den prothorax aldaar met zeer diepe puljes in-
gedrukt. Op de dijen eenige zwarte stippen; aan den rand der
ringen van het achterlijf in het midden een klein zwart vlekje.
De zwarte verscheidenheid verschilt alleen in kleur.
Dit insect schijnt zeldzaam te zijn. De heer Weijenbergh
vond het in Mei te Overveen, de heer van Eyndhoven vond de
zwarte varieteit (waarschijnlijk in Gelderland).
Gen. 2. Triconosoma Burm.
Ligchaam aan beide zijden bol, met scherpe zijranden, het
borststuk op den rug kussenachtig verheven; de lengte gelijk aan
11 X de grootste breedte. Kop zeer sterk neergebogen, drie-
hoekig, iets langer dan breed; de zijlobben veel langer dan de
middellob. De oogen sterk uitpuilend; ocellen tamelijk groot en
nog al digt bij de oogen geplaatst. Sprieten reikende tot aan
de basis van het schildje, lid 1 kort en nog al dik, lid 2 veel
slanker en bijna driemaal zoo lang, 5 iets dikker dan 2 en zoo
lang als 1, 4 anderhalfmaal zoo lang als 5 en naar de spits
dikker wordend, 5 bijna zoo lang als 2 en het dikste van allen,
De zuiger reikt tot aan de achterheupen. De prothorax vrij bol,
met scherpplatte zijranden en ronde schouders. Het schildje
langwerpig, aan de basis tweemaal zoo breed als aan het einde,
aldaar als afgesneden en daarna bijgerond. Het vleugelvlies vrij
groot met 5 aderen , waarvan de tweede aan den top gevorkt.
Pooten matig lang en forsch, de einden der scheenen en zoolen
der tarsen sterk behaard. Het achterlijf als bij het vorige genus.
Trigonosoma nigrolineata Rossi '.
Plaat 5. fig. 3.
Linn. S. N. I. 2. 716, 6. — Fabr. S. Rh. 155, 52. — Wolff,
1 Linnaeus beschreef deze soort onder den naam van Cimer lineatus, Rossi in
zijne Fauna Etrusca (II. 226. 1288) onder dien van C. nigrolineatus. De eerste
benaming heeft dus het regt van prioriteit en toch is het beter de tweede te gebrui-
ken, omdat zij zeer juist het verschil aanduidt tusschen deze soort en de zeer na ver-
wante 7. rubrolineata , wier grondtoon zwart is.
144 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Cim 1. tab. 1. fig. 1. — Stoll, Wantsen tab. 11. fig. 9. —
Panz. Fn. Germ. 1. tab. 2. — Hahn, W.I.I. 175. tab. 27. fig. 90.
Lengte bijna 1 cm. Bloedrood, sterk gestippeld. De sprieten
zwart. De kop met 2, het borststuk met 6, het schildje met
4 tamelijk breede, zwarte langsstrepen; de uitstekende rand van
het achterlijf met vierkante zwarte vlekken. Het lijf aan de
onderzijde met zwarte vlekken gepanterd.
Deze zeer kenbare soort behoeft geen uitvoeriger beschrijving.
De diagnose van Fabricius deugt niet; men kan haar ongeveer
juist vinden als men daarin de kleuren verwisselt, doch de
grondtoon is rood en niet zwart; er is evenwel geen twijfel
aan of hij heeft deze soort bedoeld.
De heer Baron van Ittersum vond eenige voorwerpen van deze
soort op de heide, toen hij in Noord-Brabant kampeerde.
Gen. 5. Popors Lap.
Het ligchaam aan beide zijden vrij bol, met de zijkanten niet
zeer sterk uitstekend; de kop in het midden vrij hoog uitpuilend.
De grootste breedte gelijk aan iets meer dan de helft der lengte.
Kop weinig neergebogen, van voren toegerond met de zijkanten
scherp, de middellob even lang als de zijlobben. De oogen
sterk’ uitpuilend, bijna als of zij gesteeld zijn. Ocellen moeijelijk
te onderscheiden. Sprieten kort, de vier eerste leden weinig in
lengte en dikte verschillend, het vijfde tweemaal zoo lang en
tweemaal zoo dik als het 4°. De zuiger reikt tot aan de basis
van het abdomen. De prothorax meer dan tweemaal zoo breed
als lang, met de voorhoeken in platte vierkante uitsteeksels ver-
lengd, de achterhoeken als met een haakje voorzien, de achter-
randshoeken zeer stomp. Het schild groot en breed, aan het einde
toegerond. Het vleugelvlies met 4 evenwijdige , doch naauwelijks
zigtbare aderen. De rand van het abdomen weinig uitstekend !.
1
De figuur op plaat 5 is slecht uitgevallen; de rand van het achterlijf steekt te
ver uit; de middellob aan den kop moest korter zijn; het schouderuitstecksel aan de
regterzijde is niet krukvormig genoeg en in plaats van 4 witte vlekjes aan de basis
van het achterlijf moeten er 3 staan, 2 bij den rand en 1 in het midden.
Inlandsche Hemiptera
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 145
De pooten middelmatig van lengte en dikte, aan het eind
der scheenen en de tarsen behaard. Het achterlijf als bij het
voorgaande genus met dit verschil dat de laatste ring niet z00
elliptisch uitgesneden en dus ook de daarin passende anaalplaat
breeder is.
Podops inunctus F.
Plaat 5. fig. 4.
Fabr. Ent. Syst. IV. 90, 45. — Idem, S. Rh. 159, 55 et
158, 49 (Tangira). — Burm. Handb. Il. p. 587, 2. — Amyot
et Serv. Hemipt. 57, 1. — Wolff, Icon. Cim. 5, 5. tab. 1.
fig. 5. — Schellenb. Cimic. tab. 1. f. 5 et b. — Panz. Fn.
Germ. 56. f. 24. — Flor, Rh. Livl. p. 78.
Lengte 6 mm. Grauw met ronde ietwat donkerder stippeltjes,
terstond herkenbaar aan de uitpuilende oogen en de platte uit-
steeksels aan de voorhoeken van den prothorax. De kop vrij
groot, in het midden eenigzins opgeblazen, naar voren rond
toeloopend, doch de middellob iets korter dan de zijlobben ,
die elkander niet aanraken. Voor elk oog een doornachtig uit-
steeksel. De oogen zwart; ocellen moeijelijk te onderscheiden.
De sprieten bijna zwart met lichte geledingen, een weinig be-
haard, het laatste lid vrij sterk behaard. De zuiger vuilgeel
met het laatste lid bruin. De prothorax met eene vrij diepe
gleuf even voor het midden; de voorhoeken met uitsteeksels ,
die naar krukken van deuren zwemen; de achterhoeken haak-
vormig ingekeept. Het schildje aan de basis ietwat hooger,
welke verhevenheid naar het midden in eene punt toeloopt, aan
de basis 2 of 5 gladde, lichtgekleurde knobbeltjes. De onder-
zijde iets donkerder dan de bovenzijde; de omgeving van het
reukorgaan wratachtig en dus in miniatuur gelijkende op een
rhinoceros-huid ; de daarop volgende rand van den metathorax
lichter van kleur Het abdomen met eene bruingele streep aan
wederzijde en met lichtkleurige knobbeltjes aan den rand, op elk
segment een. Pooten vuilgeel; twee ringen aan het eind der
dijen, vlekken aan de onderzijde der scheenen en het laatste lid
der tarsen bruin.
10
146 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Gevonden bij Rotterdam in Maart (Snellen), bij den Haag
(van Vollenhoven), bij Utrecht in Junij (Six).
Gen. 4. Puimopera Germ.
Dit geslacht heeft groote overeenkomst met het voorgaande ,
maar onderscheidt zich door de volgende kenmerken. De kop
puilt op het voorhoofd niet uit, is zeer sterk neergebogen en
door het zijdelings uitsteken der zijlobben aan de spits vrij breed.
De ocellen zijn duidelijk te onderscheiden. De voorhoeken van
den prothorax zijn puntig, maar niet in platte vierkante uit-
steeksels verlengd. Het schildje bedekt de vleugels bijna geheel,
en is dus naar evenredigheid hier veel breeder dan bij het vorige
genus. De membraan heeft 7 of 8 aderen. De voorrand van
de voorborst steekt in eene vrij breede plaat uit, tegen welke
de kop in de rust aangedrukt zit en waaronder de sprieten
kunnen verborgen worden. De apophysen der achterpooten eenig-
zins doornachtig van gedaante.
Phimodera galgulina H.-Sch.
Plaat 5. fig. 5.
Herr.-Schaeff. Wanz. Ins. IV. p. 29. tab. 119. f. 579. —
Flor, Rhynch. Livl. I. p. 82.
Lengte 6 mm. Grijs met olijfkleur en zwart getijgerd. De
zeer naauwkeurige voorstelling op onze plaat maakt eene uitvoe-
rige beschrijving overbodig. De buik is als met een zacht grijs
vilt bekleed; de achterhoeken van elk segment van het achterlijf
steken als kleine knobbeltjes uit. De dijen zijn geelachtig wit
met fijne geslingerde zwarte dwarsstreepjes naar de knie toe,
deze is geel; de scheenen zijn zwart met een gelen ring in het
midden; de tarsen zwart met het tweede lid iets lichter.
Deze soort schijnt bijzonder zeldzaam. Ik ving een voorwerp
op het duin bij het Scheveningsche badhuis; het is mij niet
bekend dat iemand anders er een aangetroffen heeft.
En
NI
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 1
Genus 5. OpovnrosceLis Lap.
Het lijf zeer bol aan de bovenzijde, zeer weinig bol aan de
buikzijde, van boven geheel met korte stoppelachtige haartjes
bedekt, aan den rand met langere haren. Kop breed, stomp
toegerond, eenigzins neergebogen. Oogen niet uitpuilend, nier-
vormig _ Sprieten vrij kort, hun 2° en 5° lid de langsten, 1,
5 en 4 kort, aan elkander gelijk, 2 en 5 dun. De zuiger, die
nog al breed is, bereikt den achterrand der middelheupen.
Prothorax meer dan tweemaal zoo breed als lang, aan de zijden
in eene kromme lijn verbreedend, met de achterhoeken afge-
rond en de achterrandshoeken naauwelijks bemerkbaar. Schild
zeer breed, op een zeer smal randje na de vleugels en het
achterlijf geheel bedekkend. Pooten vrij krachtig, dijen met
haren en scheenen met haren en stekels bezet.
Odontoscelis fuliginosa L.
Plaat 5. fig. 6.
Emo, S. N. 2, 716. 8. — Fabr. S. Ah. 159, 50 et 51
(litura). — Curt. Br. Ent. XV. tab. 685. — Burm. Hab. I.
583, 5. — Hahn, W. I. II. p. 49—51. tab. 46. fig. 142, 145,
144. — Wolff, Ic. Cim. p. 50. tab. 5. fig. 47. — Flor, Rh.
Livl. 1. 152.
Lengte 4—7 mm. In twee verscheidenheden voorkomend.
De grootere zeer donker bruin met onregelmatige zwarte vlekken,
eene fijne lichtgekleurde langsstreep (die soms ontbreekt) over
het midden van den rug, te beginnen met het midden van den
prothorax en digt bij den zoom van het schild in een breeder
langsstreepje eindigend; eindelijk aan wederzijde bij de basaal-
hoeken van het schild een vierkant wit of witachtig vlekje. De
kleinere varieteit veel lichter van kleur, ledergeel of bruin, met
den kop en het voorstuk van het borststuk donkerder en 4
zwarte langsstreepjes op het schild, 2 aan elke zijde, De sprieten
zijn vaalbruin met het 1° en laatste lid donkerder. Het geheele
148 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
lijf is zeer fijn gestippeld, de onderzijde ietwat glanzig. De
pooten zijn zwart of donkerbruin, de scheenen driekantig.
De groote verscheidenheid (Zitura F.) werd door mij, doch
zelden in de Hollandsche duinen aangetroffen; de kleinere is
volgens den heer Six op heigrond bij de Bildt (Utr.) in Junij
geene zeldzaamheid; ook werd zij, blijkens twee voorwerpen
op ‘sRijks museum bewaard, door van Eyndhoven in Holland
gevonden.
Gen. 6. Coreometas White ‘i
Tusschen dit genus en het vorige bestaan slechts weinig
punten van verschil en het is dus meer met het oog op de vrij
talrijke exotische soorten, dat wij het ook hier opnemen. Het
verschil is dit: bij Coreomelas is het geheele ligchaam glad en
haarloos, het 2° lid der sprieten is korter dan het 5°, de voor-
hoeken van het borststuk zijn geheel afgerond en het schild,
dat naar evenredigheid smaller is, laat een’ rand der bovenvleu-
gels en den zoom van het abdomen vrij.
COREOMELAS SCARABAEOIDES L.
Plaat 5. fig. 7 (2).
Linn. Fauna S. 912. — Wolff, Ic. Cim. 4. tab. 1. f. 4. —
Fabr. S. Rh. 145, 70. — Hahn, W. Ins. II. p. 47. tab. 45,
f. 141. — Burm. Handb. I. p. 585. 1. — Flor, Ah. Livl. I. p. 150.
Lengte 4 mm. Glanzig gebronsd zwart van kleur, overal zeer
fijn gestippeld Membraan grijs. Sprieten, zuiger en tarsen
donkerbruin of roodbruin.
Op Geum urbanum bij Driebergen, zeldzaam, Six.
» Dit geslacht werd door ons in de naamlijst van Nederl. Hemipteren verkeerde-
lijk Tavreogoris Schranck genoemd.
2 In deze figuur, welke niet betint is om de randen der deelen beter te doen
uitkomen , ontbreken de fijne doorntjes aan de pooten.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 149
Gen. 7. Asorus Burm.
Ligehaam van boven slechts weinig gewelfd, sterker aan de
onderzijde. Kop van boven plat, gewoonlijk iets langer dan
breed, met de zijlobben doorgaans iets verder uitstekend dan de
middellob, naar voren niet driehoekig toeloopend. Oogen vrij
groot, doch niet uitpuilend; ocellen duidelijk zigtbaar, verder
van elkander, dan elk van het oog aan zijne zijde. Sprieten
draadvormig met het laatste lid ietwat dikker en het eerste
slechts even onder den zijrand van den kop uitkomend. De
prothorax steeds breeder dan lang, aan de basis veel breeder
dan aan den voorkant, de achterhoeken zeer verschillend in vorm.
De zwiger zeer dik, los nederhangend (zie fig. 8a) met het
1° lid niet in eene sleuf der borst verborgen, de spits nimmer
tot het abdomen reikend. Het schildje driehoekig met eene
ronde punt, die niet veel verder dan de helft van het abdomen
reikt. De tweede ring van het achterlijf somwijlen met een
doorn gewapend. Het corium der vleugels iets langer dan het
schildje; hun membraan met 6 —9 aderen. De pooten vrij lang
en forsch; de voordijen soms gedoornd, alle scheenen steeds
met gleuven en kanten voorzien: tarsen van drie leedjes, het
1° zoo lang als of langer dan de beide anderen te zamen ge-
nomen.
Tabel der soorten.
1. (6) Voorste dijen ongedoornd.
2. (5) Tweede ring van het abdomen zonder stekel.
9. (4) Glanzig blaauw of blaauwgroen. . . . . . coeruleus.
RON OO OE ORN tte be ese vel on a CUStOS.
5. (2) Tweede ring van het abdomen met een stekel. luridus.
6. (1) Voorste dijen met een doorn voorzien,
7. (8) Achterhoeken van den prothorax afgerond... . dumosus.
8. (7) » Dn » puntig. . . bidens.
150 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
1. Asopus coeruleus L.
Plaat 5. fig. 8 (2) en 8a.
Linn. S. N. p. 722. 50.. — Panz. Fn. Germ. 52. 14. —
Fabr. S. Rh. 178. 119. — Curt. Br. Ent. I. t. 20. — Burm.
Handb. I. 378. n°. 4. — Hahn, W. Ins. Il. p. 65. tab. 50.
f. 154. — Wolff, Ic. Ctm. p. 18. tab. 2. f 18. — Flor, Rh.
Livi. 1. p. (90.
Lengte 6—7 mm. Donker staalblaauw, met groenen en paar-
schen weerschijn, de laatste voornamelijk op de voorvleugels;
over het geheele lijf gestippeld „ vrij grof aan den voorrand en
in eene dwarsgleuf midden over het borststuk, eenigzins rimpelig
in de zijden van het schildje. Oogen, sprieten en zuiger zwart,
van de leedjes der sprieten het 1° het kleinst, dan het 5°, 4°,
2 en 5°, toenemende in lengte. De geledingen van den zuiger
vuil wit van kleur. De membraan zwart of donkerbruin. De
pooten groenachtig blaauwzwart; de voordijen zonder stekel, de
achterdijen bijna tweemaal zoo lang als deze. Een tandje aan
de binnenzijde der voorscheenen. De buik ongewapend.
In Friesland aangetroffen door den Heer Gerlach. Bij Utrecht
door den heer Verloren. In Junij bij Leyden en in het midden
van Julij op tarwearen bij Brummen, v. V. In Mei op eikenloof
te Strijbeek bij Breda, Heilaerts.
2. Asopus dumosus L.
Plaat 5. fig. 9.
Linn. S. N. I. 2. 721: 46. — Fabr. S. Rh. 168. 71. —
Panz. Fn. Germ. 55. f. 18. — Hahn, W. Ins. I. 101. tab. 16.
f. 54 et 55. — Burm. Handb. IL. p. 578.
Lengte 12 of 15 mm. Ligt herkenbaar aan de afgeronde
schouders en de orunje ringen om de scheenen. Het ligehaam
bijna tweemaal zoo lang als breed. Kop zwart bronskleurig,
2 Deze figuur is wat breed uitgevallen; vooral steken de achterhoeken van het
borststuk te veel uit.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 151
fijn gestippeld met tamelijk breede bruin- of roodgele langs-
streep. Oogen donkergrauw. Sprieten zwart, de vier laatste leden
schier even lang. Zuiger zwart of bruin met roodachtige bovenlip.
Prothorax lederkleurig geel of met een rooden tint; de voor-
helft zwart, met randen en middenstreep van de grondkleur,
de achterhelft met verspreide zwarte putjes. Schildje geheel
met fijne slippels bedekt, behalve drie vlekken aan de basis,
waarvan de middelste dikwijls zich tot eene streep verlengd.
Bovenvleugels gestippeld als het schildje; membraan als berookt.
Bovenzijde van het abdomen groenachtig zwart. Onderzijde van
het lijf zwart; zijranden van het borststuk en van de buik,
doch aldaar smaller, geel of rood. Pooten zwart, een gele of
roode ring om de scheenen, die aan de voorscheenen soms uit-
blijft. Voorste dijen met een stekel aan de onderzijde, niet ver
van de knie, voorscheenen met een scherp haakje aan de bin-
nenzijde. De buik ongewapend.
Deze soort werd in eenige exemplaren door den heer de Graaf
en mij op de duinen van Holland gevangen, door den heer Six
in Junij te Driebergen. Zij schijnt evenwel zeldzaam.
o. Asopus luridus F.
Plaat 5. fig. 10.
Fabr. S. Rh. 157. 6. — Panz. Fn. @. 99. f. 9. — Wolff,
Ic. Cim. 150. tab. 15. f. 150. — Hahn, W. Ins. L 97. t. 15.
f. 55. — Burm. Handb. II. 579. — Flor, Rh. Livl. I. p. 95.
Lengte 10—12 mm. Herkenbaar aan den buikstekel en het
oranje uiteinde van het 4° lid der sprieten. Grondkleur leder-
geel, doch aan de bovenzijde met zulk eene menigte zwarte in-
gedrukte putjes gestippeld dat die zijde bruin schijnt, soms cene
groene bronskleur op den kop en aan de zijden van den thorax,
die ook wel vaal zwart zijn. Sprieten zwart, behalve het 1° lid
aan de binnenzijde en de spitshelft van het 4°, het 2° tweemaal
zoo lang als het 5°. Het begin der zijranden van het borststuk
met witte zaagpunter voorzien, de achterhoeken breed, rond en
4
159 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
sterk uitstekend, zeer fijn gerimpeld. Aan de basis van het
schildje somwijlen 2 of 5 witte of gele vlekjes. De membraan
roodkleurig met 2 bruine vlekjes, een aan den ondernaadhoek,
een aan de spits. Het abdomen aan de bovenzijde glanzig kool-
zwart, de rand doffer zwart met oranje bandjes in het midden
der ringen. De onderzijde van het lijf lichtgeel. met verspreide
zwarte stipjes; aan wederzijde op den buik eene rij van 4 grootere
slippen, 2 dergelijken aan den rand op ieder segment, eene
zwarte vlek op segment 6 in het midden en 2 kleineren aan
wederzijde tegen den anus. Het 2° segment draagt in het
midden een doorntje, dat naar voren tusschen de achterheupen
uitsteekt. De pooten zijn geel met zwarte slippen; het laatste
lid der tarsen is zwart; de voordijen zijn ongewapend, maar de
voorscheenen hebben een haakje aan de binnenzijde.
Deze soort schijnt niet zeer zeldzaam. In Holland werd zij
door mij gevonden bij Wassenaar en in Mei in het Haagsche
bosch. In Sept. werd zij in een tuin te Driebergen gevonden
(Six). De heer Albarda vond haar te Huisum, van Walchren in
Gelderland. Een voorwerp dat ik te Brummen bemagtigde, heeft
den linkerspriet uit 4 leden bestaande, waarvan het 9° en het
4° bijzonder lang zijn, waaruit naar mijne meening blijkt, dat
het 5° voor de laatste vervelling is afgebroken.
4. Asopus Custos F.
Fabr. S. Ath. 157. 7. — Hahn, W. Ins. I. tab 15. fig. 52. —
Burm. Handb. 1. p. 579. n°. 5. — H. Schaeff. Fauna Germ.
114. f. 9. — Wolff, Te. “Cim. tab. 14. f. 151. — Flor, Rh. Lil.
1.233.
Lengte 10 mm. Verschilt van den vorige door het gemis van
den buikstekel eu de gele kleur der sprieten. Geelachtig rood of
grauw, aan de bovenzijde met ontelbaar vele lichtbruine of bruine
stipjes. Kop en borststuk zonder bronskleur. Oogen van de kleur
van den kop. Sprieten rood of geel met een zwart ringelje om
het 5°, soms ook om het 4° lid. Zuiger rood of geel. Membraan
zonder vlekken. Rand van het achterlijf boven en onder met 2
D.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 133
zwarte vlekjes op iederen ring. Eene rij van 5 zwarte stippen
aan iedere zijde van de borst en eene van 4 aan iedere zijde
van den buik. De pooten schier niet gestippeld; de voordijen
ongedoornd, de voorscheenen met een haakje aan de binnenzijde.
Door de heeren de Graaf en Herklots bij Wassenaar in Oct.
gevonden, door mij op de Gliphoeve bij Heemstede, door den
heer Six op de heide te Driebergen in Aug., door van Walchren
en van Bemmelen te Brummen.
5 Asopus bidens L.
Plaat 5. fig. 11.
Linn. S. N. I. 718. 25. — Fabr. S. Rh. 155. 2. — Panz.
B Germ. 26. f. 22. — Wolff, Ze. Cum. tab. 1. f. 7. — Hahn,
W. Ins. I. 92. tab. 18. f. 51. — Burm. Handb. I. 579. n°. 6. —
Am. et Serv Hem. p. 84. — Flor, Rh. Livl. I. p. 95.
Lengte 10—12 mm. Herkenbaar aan de scherp doornachtig
uitsteekende achterhoeken van den thorax. Boven grauw of bruin
met tallooze kleine stippen, onder roodachtig. Kop nog al lang,
voorwaarts gestrekt met cen stomp puntje tusschen oogen en
sprieten. Deze lichtrood; hun 1° lid vrij kort, het 2° iets langer
dan het 5°. Prothorax vrij breed; het begin van den zijrand ter
wederzijde gekerfd; de achterhoeken in een scherpen, donker-
gekleurden doorn uitstekend, die aan de achterzijde nog een
tandje vertoont; achterrandshoeken met een plat, geel puntje.
Het schildje dikwijls met 2 kleine gele bolle plekjes aan de basis
en steeds met een’ ongestippelden gelen achterrand. Vleugelvlies
bruin met gelen gloed. Uitstekende rand van het abdomen met
zwarte en donkerbruine vlekken afwisselend, Aan de onderzijde
eenige vlekjes en de dikke zoomen van de stankspleet rood of
oranje. Pooten rood met vrij bruine knieën. Voordijen met een
stekel en voorscheenen met een haakje.
Bidens schijnt niet zeer zeldzaam. Ziehier de opgaaf der vind-
plaatsen: bij Leyden (Herklots); te Noordwijk aan zee (v. Bem-
melen); in Oct. op wolwilgen te Noordwijk en Wassenaar, en in
September te Katwijk op Salix repens (de Graaf); bij den Haag
154 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
(v. d. Wulp); bij Driebergen (Six); bij Zeist in Sept. (de Graaf);
bij Haren in Groningen (de Gavere..
Gen. 8. Cyonus F.
Ligchaam kort eivormig, onder en boven vrij bol. Kop gewoon.
lijk iets breeder dan lang, met opstaanden rand der zijlobben,
die sterker uitsteken dan de middellob. Oogen slechts weinig
naar boven uitpuilend. Sprieten zoo lang als de helft van het
ligchaam of korter, naar de spits toe dikker; het 2° en 5° lid
verschillend van lengte, het 4° en 5° meestal behaard, dit iets
langer dan dat. Zuiger de midden- of achterheupen aanrakend.
Prothorax tweemaal, of meer dan dat, breeder dan lang, aan de
zijden toeloopend en meestal gezoomd, zonder achterrandshoeken.
Het schildje breed driehoekig, aan de spits toegerond, langer
dan de helft van het achterlijf, welks rand van boven geheel
bedekt is. Membraan breed, met 5—7 weinig duidelijke, zich
onderling door zijtakjes verbindende langsaderen, of wel zonder
aderen. Pooten van matige lengte; scheenen zeer overvloedig met
stekels bezet.
Tabel der soorten.
1. (8) Kop en halsschild aan den rand onbehaard.
2. (5) Tweede lid der sprieten veel korter dan het derde.
5. (4) Zwart met witte vlekken op de dekschilden. bicolor.
4. (5) Zwart met een vuilgeel randje aan de dek-
schilden ais BEE ME ie aen Else shes albomargina ls
5. (2) Tweede lid der sprieten nagenoeg even
lang als het 5°
GETZ) Geheeliaware Ai ee ale morio.
7. (6) Zwart, rand van halsschild en dekschilden,
benevens een vlekje op hun midden wit. biguttatus.
8. (1) Kop en halsschild aan den rand behaard. flavicornis.
1. Cydnus bicolor L.
Plaat 6. fig. 1.
Linn! St 1E2292455.2 = HEabr: SARA 176441094 Pane
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 155
Fn. Germ. 52. f. 11. — Wolff, Ze. Cim. 65. tab. 7. fig. 60. —
Schellenb. Cimic. tab. 1. fig. 2. — Hahn, W. 7.1. pl. 51. f. 99. —
Burm. //andb. Il. p. 574. — Flor, Rh. Livl. 1. p. 157.
Lengte 7—8 mm., breedte 5. Blinkend zwart met een’ blaauwen
gloed; voorste gedeelte van de halsschilds-zijranden met een wit-
ten zoom, een zeer hoekige en bogtige witte vlek aan de basis
van het corium, een andere kleinere aan de tip daarvan; mem-
braan wit of vuilwit Het geheele lijf fijn gestippeld , alleen dwars
over den prothorax eene streek van grove stippels. Sprieten zwart;
hun 2° lid slank en nagenoeg half zoo lang als het 5°. Pooten
zwart met eene witte vlek of streep aan de bovenzijde der scheenen.
Een vrij gemeene soort in het voorjaar, aangetroffen op lage
planten, door de Graaf te Warmond, van der Hoeven en mij bij
Leyden, door mij bij Bennebroek en door Six bij Driebergen. —
Ook in Aug. aangetroffen bij Katwijk en Arnhem door de Graaf,
Het schijnt dus wel dat er twee generatien bestaan.
2. Cydnus albomarginatus F.
Plaat 6. fig. 2.
Fabr. S. Rh. 197. 121. — Am. et Serv. Mem. p. 97. —
Hahn, W. Z. I. p. 167. tab. 26. f. 86. — Wolff, Ic. Cim. tab. 7.
f. 62. Burm. Handb. W. p. 575. n°. 4. — Flor, Rh. Livl. p. 156.
Lengte 5.5—4 mm. Zwart met weinig glans, grof en duidelijk
gestippeld, vooral dwars over het halsschild in de helft der lengte.
Rand van het corium smal bruinachtig wit of geel gezoomd.
Membraan rookkleurig wit. Sprieten bruinachtig of dof zwart;
hun 2° lid zeer klein. Pooten zwart, tarsen bruin.
Op zandige gronden. Bij ter Heyde (Six), bij Scheveningen
(Piaget), bij Katwijk in Augustus onder walstroo (de Graaf), bij
Brummen (v. Walchren).
9. Cydnus morio L.
Linn. S. N. 2. 722. 51. — Fabr. S. Rh. 184, 5. — Panz.
Fn. Germ. 52. f. 15. — Wolff, Ic. Cim. tab. 7. f. 64. — Hahn,
156 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
W. Ins. I. p. 165. tab. 25. f. 84. — Burm. Handb. IL. p. 575.
n°. 6. = For RA. Ze p.189.
Lengte 6—7 mm. Zwart, niet blinkend, maar met een vettig
uiterlijk, ruw en grof gestippeld; op de voorste helft van het
halsschild twee ongestippelde dwarsplekken. Sprieten zoo lang
als de helft van het ligchaam, zwart, met het 2° lid rood en
nagenoeg even lang als het 5°. Zuiger lichtbruin, reikende tot
aan de middenheupen. Pooten zwart, Larsen licht roodachtig bruin.
Op verschillende gronden aangetroffen. Bij Leyden, Haarlem,
Bennebroek, Brummen, Breda enz,
4. Cydnus biguttatus L.
Plaat 6. fig. 3.
Linn. S. N. 2. 792. 54. — Fabr. S. Rh. 178, 116. — Hahn,
W. I. I. 169. tab. 26. fig. 88. — Burm. Handb. II. p. 574.
n°. 5. — Am. et Serv. Hemipt. p. 98. 2. — Flor, Rh. Liel. I.
p. 162, n°. 6.
Lengte 6 mm. Zwart; de zijrand van halsschild en dekschil-
den met een vrij bol wit zoompje en eene kleine hoekige witte
vlek op het midden van het corium. Dwars over het midden
van het halsschild een diepe gleuf ; prothorax daar en naar de
zijden zeer grof gestippeld , schildje en dekschilden fijner. Sprieten
zwart, hun 5° lid ongeveer 13 maal de lengte van het tweede.
Membraan berookt. Pooten zwart met bruine tarsen. Een aller-
fijnst wit zoompje langs den rand van het abdomen.
Deze soort is zeldzaam. Ik ken vijf inlandsche voorwerpen,
doch weet van 4 hunner niet te bepalen, waar zij gevonden zijn.
De heer Heylaerts vond er in Januarij een onder boomschors te
Breda.
5. Cydnus flavicornis F.
Plaat 6. fig. 4.
Fabr. S. Rh. 184. 2. — Panz. Fn. Germ. 55. f. 25. — Wolff, Ze.
Cim. tab. 7. fig. 65 a. b. — Hahn, W. 1.1. p. 165. tab. 25. f. 85.
Lengte bijna 4 mm. Donkerbruin of zwart met roodbruine
5 tata
Zig dd ve
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 157
randen en dekschilden. Deze soort is in evenredigheid iets breeder
aan den kop en het voorste gedeelte van den prothorax dan de
andere soorten. De rand van kop, thorax en voorhelft van het
abdomen met roode borstelachtige haren bezet Het lijf spaar-
zaam gestippeld, het sterkst dwars over den prothorax, onge-
veer in de helft. Sprieten kort, rood, de twee laatste leedjes
vaal zwart, behaard. Zuiger helder bruinrood. Membraan dof
wit, Pooten bruinrood met roode tarsen,
Niet zeldzaam in September op de duinen. Gevonden bij
Scheveningen, Wassenaar, Katwijk en de Vogelenzang.
Gen. 9. Sciocoris Fall.
Ligchaam plat aan de boven- ,„ een weinig bol aan de onder-
zijde. Kop zeer groot en breed, toegerond driehoekig, met de
middellob korter dan de zijlobben '. Oogen tamelijk groot en
vrij sterk uitpuilend; ocellen duidelijk, de afstand tusschen hen
tweemaal grooter dan van een enkelvoudig tot een zamengesteld
oog. Sprieten korter dan de helft van het ligchaam; lid 1 zeer
kort, 5 iets langer dan 2, 4 en 5 aan elkaar gelijk. Zuiger
tot aan de basis van het achterlijf reikend. Prothorax meer dan
2 maal zoo breed als lang, met alle hoeken afgerond, en vooral
de achterrandshoeken stomp; schildje breed, aan het eind toe-
gerond, reikende tot aan den 5° achterlijfsring. Dekschilden
aan de basis vrij ver buiten het abdomen uitstekend, met het
corium niet langer dan het schildje en de membraan met 4 of
3 bijna onzigtbare aderen. Pooten kort, vrij gedrongen; dijen
zonder doornen, scheenen met eene menigte zeer korte stekeltjes;
tarsen van drie leedjes, het middelste zeer kort. Builenrand
van het abdomen ver uilstekend buiten de membraan der vleugels.
Sciocoris umbrinus Wolf.
Plaat 5. fig. 12.
Wolff, Ze. Cim. p. 142. tab. 14. f. 156. — Fallen, Hem. I.
1 Dit is in onze figuur niet juist uitgedrukt.
158 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
p. 21. 1. — Fabr. S. Rh. IL 8. (volgens Boheman). — Burm
Handb. Il. p. 575. 5. — Hahn, W. Ins. I. p. 195. tab. 51.
f. 100. — Panz. Fn. Germ. 95. f. 15. — Flor, Ah. Livl. I.
p. 111. — Am. et Serv. Hem. p. 120.
Lengte 5--6 mm. Zandkleur, dat is eenigzins roodachtig grijs.
Het geheele ligchaam vrij sterk gestippeld, zoo dat er donkere
langslijnen schijnen te bestaan op kop en borststuk. Oogen
vaalzwart. Sprielen geelachtig aan de basis, grauw van de spits
van het 5° lid tot den tip. Zuiger geelachtig. Buitenrand van
prothorax en dekschilden zeer licht van kleur en ongestippeld.
De basis van het schild wisselt af met bruine en witte vlekjes,
in de lengte is het midden weinig gestippeld. Membraan geheel
doorschijnend. Builenrand van het abdomen met twee donkere
vlekjes aan den rand van iederen ring, een boven, een onder.
Onderzijde van den thorax met bruine vrij breede langsstreep
aan wederzijde onder den rand. Tweede segment van het ach-
terlijf met eene zwarte dwarsstreep op het midden , van welker
uiteinden twee langsstrepen afdalen op segment 5, 4 en 5; het
6° segment met eene vrij groote zwarte vlek in het midden.
Voorts aan iedere zijde van den buik eene vrij breede grauwe
langsstreep, in welke de gele stigmata en aan den achterrand
van elk segment een bruin vlekje. Pooten vaalgeel met bruin-
achtige tarsen.
Op duingronden in Junij en Julij niet zeer zeldzaam.
Gen. 10, Agua F.
Ligchaam vrij langwerpig, tamelijk bol aan de boven „ meer
nog aan de onderzijde. Kop vrij groot, nog al — of zeer sterk
naar beneden gebogen, zweemende naar dien van sommige Curcu-
lionen; de middellob veel korter dan de zijlobben. Sprieten iets
korter dan de helft van het lijf, slank met de 2 laatste leden dikker;
het 1° lid kort, het 2° dan eens langer dan eens korter dan het 5°, het
ö° het langste van allen. Oogen klein en best van ler zijde te
zien; bijoogjes zeer ver van elkander staande. Zuiger tot aan
ah sr
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 159
het abdomen reikend. Prothorax tweemaal breeder dan lang,
naar voren smaller toeloopend, vrij bol digt bij den achterrand,
met weinig uilstekende achterhoeken. De voorrand der borst
aan de onderzijde in twee platen verlengd, die als kragen de
keel en de inplanting der sprieten kunnen beschutten. Schildje
langwerpig driehoekig met afgeronde spits, ongeveer zoo lang
als 2 van het abdomen. Corium der dekschilden zeer scheef
afgesneden; membraan zoo lang als of iets langer dan het ach-
terlijf. Pooten middelmatig; tarsen van 5 leedjes, waarvan het
2° zeer klein.
Tafel der soorten.
Kop weinig neergebogen (fig. 54). . . . . . acuminata.
Kop iets meer neergebogen (fig. 6) . . . . . Klugü.
Kop sterk neergebogen (fig. 7a) . . . . . . inflexa.
1. Aelia acuminata L. *.
Plaat 6. fig. 5 en 5a.
Linn. S. N. 2. 725, 59. — Fabr. S. Rh. 189, 6. — Panz.
Fn. Germ. 52. f. 17. — Curt. Brit. Ent. XV. t. 704. — Burm.
Handb. II. p. 566. n°, 8. — Hahn, W. Ins. I. p. 120. tab. 19.
f. 65. — Flor, Rh. Livl. I. p. 121 (Pallida Küst.). Misschien
ook Küster, Ent. Zeit. 1852. p. 594. n°. 4.
Lengte 8—9 mm. Sterk gestippeld, lederkleurig geel met
zwarte langsstrepen. Kop weinig neergebogen, op zijde tweemaal
flaauw gegolfd. Halsschild met zeer stomp haakvormige achter-
hoeken. Op den kop eene gestippelde fijne gele langsstreep, be:
1 Küster heeft in de Stettiner Ent. Zeit. voor 1852 eenige soorten van Aelia
trachten te onderscheiden, waaronder volgens hem 3 nieuwe. Ofschoon Flor (2. 2. 122
deze determinatien zeer prijst, kan ik er nog niet hoog mede loopen, omdat het mij
niet gelukt is mijne soorten daarnaar te bestemmen Jk vrees dat de 3e en 4° soort
van Küster slechts varieteiten zijn van dezelfde soort, en wanneer het tandje aan de
keelplaat bij de 2e eens niet zeer scherp of duidelijk mogt zijn, zou die soort mede
gevoegelijk ingetrokken kunnen worden. In allen gevalle zal iedereen mij toestemmen
dat de verschilpunten dier soorten al zeer subtiel zijn; zij schijnen mij bovendien on-
standvastig toe. Ik blijf dus liever bij het onde en noem de groote soort Acuminata,
omdat ik vermoed dat Linnaeus de minst zeldzame voor zich zal gehad hebben, Ik
geloof dat men dit altijd veronderstellen moet in dusdanig geval,
160 | DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
ginnende bij de spits der middellob; dezelfde zet zich ongestip-
peld en ietwat bol verheven voort over het midden van den
prothorax tot op het schild, waar zij langzamerhand smaller
wordt en eindelijk voor de spits verdwijnt. Daarnaast ter weder-
zijde eene zwartachtige streep, eigenlijk bestaande uit ingedrukte
zwarte stippen, zijnde het breedst even voor den achtterrand
van het schild. Aan den zijrand van den kop ter wederzijde
eene zwarte streep, die zich achter het oog naast het gele boord
van het halsschild breeder wordende voortzet. Aan de hoeken
van het schildje zwarte streepjes. Dekschilden met zwarte stipjes
bezet, behalve de zijrand en de aderen; membraan doorschij-
nend met eenige bruine aderen. Drie eerste leden der sprieten
geel, de twee laatsten paars-bruin; het 2° niet veel langer dan
me
de helft van het 5°. Pooten geel met zeer fijne zwarte stipjes;
op iedere dij, even voorbij het midden, 2 of 5 grooteren. Ter
wederzijde van de borst vier zwarte stippen ; de stigmata van
het abdomen zwart.
Bij Leyden gevangen door Prof. van der Hoeven, door de
Gavere te Diever in Drenthe, door Maurissen in Limburg, door
mij in Holland.
2. Aelia Klugii L.
Plaat 6. fig. 6.
Hahn, W. Ins. I. p. 122. tab. 19. f. 64. — Küster, Stelt,
Ent. Zeit. XI (1852). pag. 596. n°. 5. — Flor, Rh. Livl. I. p. 119.
Lengte 6--3 mm. Kleiner dan de vorige en daarvan duidelijk
onderscheiden: de kop veel meer gebogen, aan den zijrand
minder gegolfd, doch aan de spits als ingeknepen De grond-
kleur donkerder of rooder geel, waarop vrij sterk, als lichtgeel
uitkomen de middelstreep, de zoomen van het halsschild en
eene scheeve streep op de dekschilden, aan de binnenzijde tegen
eene zwarte streep aanliggende. Voorts is het zwart op het
schild scherper en minder breed en vertoont de buik meestal
zes zwartachtige vegen in de lengte.
lets gemeener dan de vorige. Bij de Bildt op heidegrond ge-
Inlandsche Hemiptera
È a rai La
È
|
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 161
vangen door G. Six, bij Noordwijkerhout in Junij door de Graaf,
bij den Haag door van der Wulp.
5. Aelia inflexa Wolf.
Plaat 6, fig. 7a.
Wolff. Ic. Cim. p. 188. tab. 18. f. 182. — Hahn, W. Ins.
I. p. 129. tab. 69. f. 210. — Am. et Serv. Hem. p. 154. n°. 2. —
Flor, Rh. Livi. I. p. 124.
Lengte 5,5- 6 mm. Korter, maar vooral meer gedrongen van
statuur dan de vorige. Donkerbruin met zwarte stipjes bedekt,
‘ met eenigzins lichter gekleurde dekschilden. Kop zeer krom naar
beneden gebogen, bijna zwart; de insnijdingen naast de middel-
lob zeer diep. Oogen eenigzins uitpuilend, vrij licht bruin.
Sprieten bruingeel, de 2 laatste leden nagenoeg zwart; het 5° lid
iets kleiner dan het 2°. Zijranden van het borststuk zeer smal
beenwit gezoomd, aan den voorhoek een zeer klein puntje. Over
het midden van borststuk en schildje eene zeer smalle gele streep.
Een kort geel streepje ter wederzijde aan de basaalhoeken van het
schild. Membraan wit met een bruinen glans. Abdomen zwart
met fijnen geelachtig witten zoom. Pooten lichtrood met zwarte
langsstrepen over de dijen.
Een enkel voorwerp in Junij bij den Haag (v. Voll); twee in
Noord Brabant (yv. Eyndh.).
Gen. 11. Cimex L.
Ligchaam aan beide zijden tamelijk bol, in vorm gelijkende
op dat van Asopus, doch van dit genus duidelijk door den slan-
ken, gedeeltelijk in eene borstsleuf verborgen zuiger verschillend.
Kop aan de bovenzijde plat, vierkantig met toegeronde hoeken:
van de drie lobben de middelste iets kleiner, doch de zijlobben
meestal gescheiden houdende. Oogen groot of middelmatig ; ocellen
duidelijk. Sprieten zoo lang als of langer dan de helft van het
lijf; het 2° lid of langer of korter dan het 5°, Zuiger ongelijk
van lengte, bij eene soort reikende tot den 2° ring van het
11
162 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
achterlijf. Prothorax meest met eenigzins (somtijds sterk) uit-
stekende achterhoeken. Schildje driehoekig, voor de punt aan de
ziiden naar binnen gegolfd, de punt zelf afgerond. Leder der
dekschilden veel verder uitstekend dan de spits van het schild,
hun membraan voorbij het achterlijf uitstekend. Van dit laatste
is gewoonlijk de rand op zijde buiten de vleugels zigtbaar. De
pooten zijn vrij lang en krachtig; de tarsen hebben drie leedjes.
Bij twee soorten is de 2° ring van het achterlijf gedoornd
5 5
Tabel der soorten.
1. (4) Tweede ring van het achterlijf met een doorn naar voren
tusschen de heupen uitstekend.
2. (5) De achterhoeken van den prothorax breed en plat uit-
SEEK EN Gist re ne begi dei Nasa ile OR RA UDC Se
5. (2) De achterhoeken van den prothorax niet voor- ‘
uitstekendk Zere Jee char toe seo i EEE 7 LSA
4. (1) Tweede ring van het achterlijf zonder doorn.
5. (6 en 7) Ongevlekt groen . . . . . . . . prasinus.
6. (5 en 7) Paarsachtig bruin met witte spits van het
schild: ioni arie PUR a teen. PEN WRITE
7. (5 en 6) Metaalgroen met wilte of roode vlekken. oleraceus.
1. Cimex rufipes L.
Plaat 6. fig. 8.
Linn. S. N. 2. 719. 24. — Fabr. S. Rh. 156. 5. — Wolff,
Ic. Cim. tab. 1. f. 9. — Hahn, W. Ins. II, 54. tab. 47. f. 145. —
Burm. Mandb. II. 566. n°. 7. — Am. et Serv. Hem. p. 149. 1. —
Panz. Fn. Germ. 115. f. 11. — Schellenb. Cimic. tab. 1. f, 5. —
Flor, Rh. Livl. p. 107.
Lengte 12—15 mm., grootste breedte 9. Kenbaar aan groolte
en kleur. Aan de bovenzijde roodbruin, min of meer metaal-
achtig, sterk gestippeld; aan de onderzijde bruingeel. Kop van
voren rond toeloopend; de zijlobben gebogen en de middellob
naar het eind smaller uitloopend. Sprieten slank, langer dan het
halve lijf, rood; 1° lid het kleinst, 2° iets grooter, 5° weder iets
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 165
grooter, 4° gelijk aan 5 doch dikker, zwartachtig met roode basis.
aan de inplanting met een zeer slank tusschenvoegsel, dat bijna
voor een afzonderlijk leedje gelden kan, 5° iets korter dan 4,
geheel zwart. Oogen bruin, niet bol uitpuilend; ocellen rood.
Prothorax zeer breed met den voorhoek eenigermate gedoornd,
de zijrand eerst ingebogen, min of meer gezaagd, daarna sterk
naar buiten gebogen en naar boven gerigt tot aan den achter-
hoek, die scherp puntig uitsteekt, van daar naar den achter-
randshoek weder gegolfd Spits van het schildje bijna zonder in-
gedrukte puntjes en dojergeel. Membraan taankleurig met 6 langs-
aderen. Zuiger eerst geel, dan rood, eindelijk zwart, reikende
tot op het midden van het derde segment. Aan wederzijde van de
borst twee doffe bloedkleurige vlekken; in de grootste daarvan
de geurspleet , die zeer klein is. De 2° ring van het achterlijf
met een’ stompen doorn tusschen de heupen der achterpooten
uitstekende. Insnijdingen van het achterlijf, stigmata en dwars-
streepjes daaronder donkerbruin. Pooten lang, geelachtig rood
met zwarte slippen.
Vrij gemeen op boomen en schuttingen. Aangetroffen in de
provineien Holland (N. en Z.), Utrecht, Gelderland, Groningen,
Noord-Brabant en Limburg; stellig door het geheele Rijk voor-
komende.
2. Cimex lituratus Klug.
Plaat 6. fig. 9 en 9a.
Burm. Handb. 11. 565. n°. 5. — Hahn, W. Ins. Il. 62. tab. 49.
f. 151 (purpuripennis).
Lengte 10—12 mm. Herkenbaar aan den langen doorn tus-
schen de achterpooten. Aan de bovenzijde vaal olijfgroen, soms
met rood gemengd op borststuk en dekschilden, altijd met zwart
gestippeld; onderzijde vuilgeel. Oogen lichtgroen of lichtbruin ;
ocellen geel. Sprieten rood; de beide laatste leedjes soms bruin;
lid 2, 5, 4 bijna even lang. Zijrand van thorax en bovenvleugels
met een smal geelachtig wit zoompje. De van boven zigtbare
rand van het abdomen geel of roodgeel, aan de uiterste punten
164 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
doornachtig. Spits van het schild gelijk van kleur met het overige.
Stigmata van den buik groot, rond, zwart. Pooten geel met
roode of bruingele tarsen. De doorn van het achterlijf steekt uit
tot voorbij de middelheupen.
Bij Utrecht gevangen door den heer Six; bij Breda in Mei
en Junij tegen ijpenstammen door Heylaerts. Op berken en
brem in September en October bij Wassenaar en Noordwijk de
type en de var. (met roode dekschilden) de Graaf. De fraaije
verscheidenheid ook door mij gevangen in Augustus 1866 bij
Wordt-Rheede in Gelderland.
5. Cimex prasinus L.
Plaat 6. fig. 10.
Linn. S. N. 2. 722, 49. — Fabr. S. Rh. 166, 58 et 167, 59
(dissimilis). — Panz. Fn. Germ. 55. f. 15. — Hahn, W. Ins. I.
p: 60. tab. 492 2.149. Wolff, lc. Cin. tab 6. 1.249
et 50. — Burm. /andb. 1. 570, n°. 17 (dissimilis). — Flor,
Rh. Livl. I. p. 150.
Lengte 11—15 mm. Buik ongedoornd. Van boven grasgroen,
sterk gestippeld, van onderen geelachtig groen of oranjeachtig.
De zijlobben krom naar elkander gebogen en elkaär voor de
middellob somtijds aanrakende. Oogen lichtgrauw of grijs; ocel-
len geel. Sprieten van vorm nagenoeg als bij de vorige soort,
doeh het 2° lid iets langer; lid 1—5 groenachtig geel, 4 rood,
5 rood aan de basis, verder bruin. De sprieten zijn ingeplant
op een hoekig voetstuk. Zuiger groen of groengeel, reikende
tot de basis van het achterlijf. Zoom van den zijrand van thorax
en dekschilden groen (Prasinus) of roodachtig geel (Dissimilis).
Schildje met een zweem van geel aan de spits. Voorhoeken van
den thorax soms met een fijn stekeltje, achterhoeken nooit veel
uitstekend, altijd stamp toegerond. Membraan rookkleurig met
5 uit eene basaal-cel ontspringende en soms zich vertakkende
aderen. Zijrand van het abdomen, van boven zigtbaar, òf groen,
of olijfbruin met roode randen. De middel- en achterborst aan
de zijden roodgevlekt; de punt van den zoom der geurspleet
es
DE INLANDSCHE (IEMIPTEREN. 165
zwart. Stigmata soms met bruine randen, Pooten groen met
roode of lichtbruine tarsen; de midden- en achterdijen hebben
dikwijls aan hun’ voorkant een zwart slipje even voorbij de helft.
De beide varieteiten gemeen, gevangen in Junij, Julij, Au-
gustus te Leyden, Bleiswijk, Warmond, Sassenheim, Utrecht,
Driebergen, Renkum, Oosterbeek , Rheede en Groningen; in
Augustus op wilgen te Breda.
4. Cimex Baccarum L.
Plaat 6. fig. 11.
Linn. S. N. 2. 721, 45. — Fabr. S. Rh. 172, 92. — Panz.
Fn. Germ. 55. 20. — Flor, Rh. Livl. I. p. 157. — En vele
andere schrijvers.
Lengte 9—11 mm. Zoo algemeen bekend, dat eene uitvoerige
beschrijving overbodig is. Herkenbaar aan den ongedoornden buik,
de vrij stompe schouders en de kleur, vooral die der sprieten.
Bovenzijde grauw met zwarte stipjes, corium gewoonlijk paars-
achtig van tint, eind van het schildje geel, zoom van het ach-
terlijf zwart en lichtgeel geblokt. Onderzijde vaalgeel, op den
buik met vrij groote zwarte stippen. Eerste lid der sprieten
vaalgeel, 2°, 5°, 4° zwart met vaalgele basis en spits, 5° zwart
met vaalgele basis.
Alom zeer gemeen. Lastig in moestuinen, waar men haar
veel op frambozen aantreft.
5. Cimex oleraceus L.
Plaat 6. fig. 12.
Linn. S. N. 2. 722, 55. — Fabr. S. Rh. 177, 112. — Panz.
Fn. Germ. 52 f. 12. — Hahn, W. Ins. 1. 182. t. 29. fig 94. —
Wolff, Ze. Cim. tab. 2. € 16. — Burm. Handb. II. p. 568,
n°. 11. — Flor, Rh. Livl. p. 147.
Lengte 6-7 mm. Donkergroen, blaauwgroen of groenachtig
zwart aan de bovenzijde, zwart met groenen weerschijn aan de
onderzijde. Fijn gestippeld op kop en dekschilden, grof op het
166 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
midden van den prothorax, rimpelig op het schildje. De buiten-
rand der zijlobben eenigzins naar boven omgeslagen. Sprieten
zwart, het 2° lid langer dan het 5°. Zuiger zwart, reikende
tot aan de middelheupen. Wit, geel of rood gekleurd zijn
(evenwel niel standvastig, want er is verbazend veel verschil in
de individuen) 1°. aan de bovenzijde de voorrand van den kop,
de voorrand van den prothorax (smal), zijne zijranden (breed),
eene breede streep in de lengte over het midden, 2 punten in
de hoeken van het schildje, twee scheeve vlekken op het mid-
den, de spits van het schildje, de zijrand van het corium aan
de basis, eene vlek aan den achterrand, schuin naar het mid-
den gebogen; 2°. aan de onderzijde, de plek van inplanting der
sprieten, de zoom van thorax, dekschilden en abdomen, eenige
vlekken aan de heupen. Voorts zijn aan de pooten de kniën
en een band om de scheenen wit of geel. De membraan is wit,
met eene zwarte vlek op het midden of zwart met witten zoom.
Bij eene varieteit is het abdomen wit of geel met 5 rijen
zwarte vlekken en zijn de dijen wit aan de basis tot over de helft.
Op verschillende plaatsen in ons land in zekeren overvloed
gevangen, als bij Haarlem en Leyden, in de duinen bij Scheve-
ningen, bij de Bildt in April, te Driebergen in Augustus, te
Zutphen , bij Brummen in Augustus, in Noord-Brabant.
De vermelde varieteit vond de heer Schubärt bij Utrecht.
Gen. 19, AcantHosoma Curt.
Ligchaam van gedaante als bij het vorige genus, doch som-
wijlen lang gerekt, steeds vrij bol even voorbij het midden van
het halsschild en ‘van daar naar voren scheef neergedrukt. Kop
plat met de middellob aan het uiteinde breeder en verder uit-
stekende dan de zijlobben. Oogen middelmatig, ocellen vrij-
groot en vrij digt bijeenstaande. Zuiger tot aan de middenheupen
reikend. Sprieten zoo lang als het halve lijf, slank, voor de
oogen ingeplant, zoodat het 1° lid van boven geheel zigtbaar is.
Prothorax met vrij sterk uitstekende, soms doornvormige achter-
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 167
hoeken, de achterrandhoeken meestal duidelijk. Schildje drie-
hoekig, noch breed, noch Jang, derhalve eer klein te noemen,
de spits in gedaante van een lancetvormig uitsteeksel. Dek-
schilden met zeer scheeven achterrand ver voorbij het schildje
uitstekend; membraan lang, voorbij het abdomen reikend „ met
6 of 7 aderen, van welke 5 uit eene basaalcel ontspringen.
Pooten lang en slank met farsen van 2 leedjes (zie fig. 15 b).
Voor- en middenborst met eene verticaal uitstekende, platte of
half schijfvormige kiel, tegen welke van onderen aankomt een
zeer lange doorn van het 2° achterlijfs-seginent.
Tafel der soorten.
1. (4) Achterhoeken van den prothorax doorn-
achtig uitstekend.
©
TS
=
LI
ei
De doorn stomp. Lengte des insects 14 mm. huemorrhoidale.
©
PS
Lo
=
De doorn zeer puntig. Lengte d. ins.
Ba Ns M UE sale Terrugator:
ESS
(1) Achterhoeken van den prothorax weinig
uitstekend.
©
(6 en 7) Membraan met een driehoekig bruin
vlekje aan den buitenrand . . . haematogaster.
6. (Ben 7) Membraan met een zwart streepje
in „het midden hs di wa ain 422 clypeatum.
7. (5en 6) Membraan met bruin en wit ge- |
SURAT IGGL At ea a LE a ITASCUNE.
I. Acanthosoma haemorrhoidale L.
Plaat 6 fig. 13.
Linn. S. N. 2. 720 55. — Fabr. S. Rh. 160. 27. — Wolf,
Ic. Cim. t. 1. f. 10. — Burm. Handb. Il. p. 560. n°. 5. —
Curt. Brit. Ent. I. pl. 28. — Hahn, W. Ins. Il. 71. tab. 52.
f. 158. — Panz Fn. Germ. 114, 12. — Flor, Ah. Livl. p. 99.
Lengte 14— 16 mm. Groenachtig geelbruin of bruinrood, aan
de onderzijde lichter. Sprieten bruin of zwart met het 1° of
de 2 voorste leden rood; lid 1 zoo lang als de kop. Deze meer
168 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
of min, soms alleen voor de ocellen met zwarte stippen bezet.
Zuiger geel met zwarte spits, reikt tot aan de middenheupen.
Prothorax sterk met zwarte ingedrukte putjes bezet, behalve
eene fijne middellangsstreep en twee knobbels achter den voor-
rand; de zwarte putjes hoopen zich op naar de sterk uitstekende
achterhoeken toe , zoo dat deze, behalve aan den zoom van
den zijrand, geheel zwart zien. Het schildje met minder en
dus wijder uit een staande stippen; zijn spits glad. Dekschilden
fijner gestippeld dan de thorax, membraan geel. Het achterlijf
onder de vleugels menierood met driekoekige zwarte vlekken
aan de basis. De doorn van het achterlijf aan de onderzijde
(verg. fig. 15a ...a) strekt tot aan de voorste heupen en ligt
op zijde tegen de borstplaat (8) aan. Het achterlijf is vrij scherp
kielvormig; de achterhoeken van het 6° segment zijn bij het
wijfje nog al scherp, bij het mannetje afgerond. De pooten zijn
geel of roodachtig geel met bruine tarsen.
Door de heeren de Graaf, van der Wulp, Herklots en mij in
Holland gevonden (eenmaal in December), door den heer Six
bij Utrecht, door den heer Heylaerts te Breda in Junij en door
wijlen den Schout-bij-nacht Ver Huell te Arnhem.
2. Acanthosoma haematogaster Schranck ').
Plaat 6. fig. 14.
Schranck, Ins. Austr. 270, 520. — Fabr. S. Rh. 170, 84
(lituratus). — H.-Sch. Fn. Germ. 115, f. 15. 14. — Wolff, Ze.
Cim. tab. 2. f. 14. — Burm. Handb. IL. p. 560. n°. 4. —
Flor, Rh. Livl. 101 (dentatum de G.)
Lengte 9—10 mm. Sterk op den vorigen gelijkend, doch
veel kleiner en gewoonlijk glanziger, als gevernisd. Kleur olijf-
geel met zwarte stippen; de achterrand van het halsschild dik-
wijls, de basis van het schildje (in het midden) en aan de
dekschilden de beide binnenranden bloedrood. Bij een mijner
voorwerpen zijn beide dekschilden geheel van die kleur. Verdere
* Schranck schreef Haemagaster, ’t geen door Burmeister tot Haematogaster ver-
beterd werd.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN, 169
punten van onderscheid met de vorige soort zijn: 1° lid der sprie-
ten iets korter dan de kop lang is, kleur der sprieten olijfgeel
en bruin; de achterhoeken aan den prothorax weinig uitstekend,
met zoo zwart. Een driekoekig rookbruin vlekje aan den buiten-
rand der membraan. De achterrand van het 6° achterlijfs-seg-
ment bij het wijfje gedoornd. De doorn aan den buik reikt slechts
even ‘voorbij de middelheupen. Stigmata zwart.
Nog al vrij gemeen. Gevangen bij den Haag, Leyden, Wassenaar,
Noordwijk, Heemstede, Haarlem, aan de Bildt, te Driebergen,
Breda en Groningen van Maart tot September.
9. Acanthosoma clypeatum Burm. '
Burm. Handb. II. p. 561. n°. 7. — Panz. Fn. Germ. 40. f. 19.
Lengte 10 mm. Appelgroen met grijzen kop, pooten en onder-
zijde, de geheele binnenzijde der dekschilden vaalbruin. Het
ligchaam zonder zwarte stippen. De kop lang gerekt, driehoekig
met aan den tip rondgebogen zijden, langer dan het 1° lid
der sprieten. Oogen en ocellen grijs. Sprieten zeer groen , de
beide laatste leden zwart aan de spits. Zuiger reikende tot aan
de achterheupen, met het laatste lid zwartachtig. Achterhoeken
van den prothorax niet uitstekend, afgerond, van dezen tot de
achterrandshoeken een roode veeg. Schildje vrij breed aan de
spits. Clavus en grootste deel van het corium vaal bruin, ge-
deeltelijk met donkerder stippen en met een zwart driehoekje
niet ver van de spits. Membraan geelachtig wit met een donker -
bruin streepje nagenoeg in het midden. Pooten grijs, met
groenachtige scheenen. De doorn aan den buik reikt slechts tot
aan de middenheupen. De achterrand van segment 6 met een
bruin stekeltje bij het wijfje.
ik ken slechts een individu, een wijfje, gevangen door den
+ Het spijt mij zeer dat ik het unieke voorwerp niet vroeger onderscheiden
heb, eer de platen, bij dit opstel behoorende, gedrukt werden. Een gevolg hiervan
is nu dat juist de afbeelding van dit zeldzame dier ontbreekt. Het insect schijnt ook
elders zeldzaam en ik schrijf hieraan toe de verwarring der eitaten, zelfs bij den
naauwkeurigen Flor,
170 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
heer Weijenbergh in Februarij te Overveen bij Haarlem en door
hem aan de collectie der N. E. V. geschonken.
4. Acanthosoma griseum L.
Plaat 6. fig. 15.
Linn. Fn. Suec. 248, 996. — Fabr. S. Rh. 170. 82 {Aga-
thinus). — Wolff, Ic. Cim. tab. 6. f. 55. — Herr.-Sch. Fn.
Germ. 114. f. 10 et 11. — Burm. Handb. II. 560. n°. 6. —
Flor, Ah. Liol. I. p. 102.
Lengte 7—8 mm. De kleinste soort, kenbaar aan de bruin
gemarmerde membraan. Taankleurig geel, aan de bovenzijde
grof zwart gestippeld en hier en daar rood gekleurd. 5° en 4°
lid der sprieten rood of roodbruin, 5° zwart. Zuiger reikend
tot aan de middelheupen. Achterhoeken van den thorax vrij
stomp. Schildje met eene zeer groote bruine vlek aan de basis.
Bovenzijde van het abdomen glanzig zwart, de rand geel met
zwarte inkervingen. Het voorborststuk aan de onderzijde mede
zwart gestippeld; de anus meest rozenrood. De doorn van het
2° achterlijfssegment vrij kort. Stigmata -en uiterste hoekpuntjes
der ringen van het achterlijf zwart. Pooten geel of vuil geel.
Vrij gemeen in het najaar op berken. In de tweede Naamlijst
leest men dat de var. agathinum F. veel gemeener is dan de
type griseum L.; ik moet echter verklaren dat dit geene obser-
vatie van groote waarde is, indien, gelijk ik vermoed , agathinum
niets dan wijfjes bevat, die bij de wantsen veel talrijker zijn dan
mannetjes. Ik weet niet of er wel ooit een vrouwelijke griseum
aangetroffen is. De laatste (of type) vond de Graaf bij Doorn;
de zoogenoemde varieteit werd in de duinstreken van Holland,
te Driebergen, Arnhem (in Junij) en Breda gevangen.
3. Acanthosoma ferrugator F.
Plaat 6. f. 16.
Fabr. Ent. Syst. IV. 101. 86. — Panz. Fn. Germ. 26. f. 25
(bispina). — Wolff, Ic. Cim. 8. tab. 1. £8. — Schellenb. p. 11.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 171
fab, 4. £ 4 — Hahn, W. Ins: IL p. 72. tab. 52..f. 159. —
Burm. Handb. I. 560. n°. 5. — Flor, Rh. Liel. p. 105.
Lengte 7—8 mm. Kenbaar aan de scherp gepunte achterhoeken
van het borststuk; het abdomen bovendien in vergelijking met
de vorige soorten, breeder en ronder.
Roodachtig geel van kleur, overal met zwart gestippeld. Kop
en voorste gedeelte van het borststuk zeer sterk naar beneden
gebogen. Zwart of ten minste donkerbruin zijn: de kop behalve
aan den zijrand en van onderen, het 1° en het laatste lid der
sprieten, de doornen van het borststuk, eene ruitvlek op het
schildje en drie blokjes op den van boven zigtbaren rand van
het abdomen. De membraan is bij eenige voorwerpen met bruin
gemarmerd, bij anderen slechts met 2 bruine strepen voorzien.
De pooten zijn geel zonder stippen; tarsen en uiteinden der
scheenen bruinachtig.
Van deze soort ving de heer Six drie voorwerpen op blaauw-
bessenkruid en de heer Wttewaall een in Noord-Brabant.
Verklaring der Platen.
Plaat 5.
Fig. 1, 1a en 15. Tetyra Maura L.
n 2. Tetyra Hottentotia F.
v 9. Trigonosoma nigrolineata Rossi.
v 4. Podops inunctus F.
» 35. Phimodera galgulina H. Sch.
v 6 en 6a. Odontoscelis fuliginosa L.
v 7. Coreomelas scarabaeoides L.
” 8 en 8a. Asopus coeruleus L.
» 9. Asopus dumosus L.
PES LI SM, luridus F.
MAMAN PIE bidens L.
v 12. Sciocoris umbrinus Wolff.
„ À. Vleugel van een Capsus.
179 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Plaat 6.
Fig. 1. Cydnus bicolor L.
DES. » albomarginatus F.
RCE ”» Diguttatus I.
n 4 ” flavicornis F.
» 5 en da. Aelia acuminata L.
„ 6. Aelia Klugii Hahn.
» 7 en 7a. Aelia inflexa Wolff.
„ 8. Cimex rufipes L.
„ 9 en 9a. Cimex lituratus Klug.
„ 10, Cimex prasinus L.
pr Baccano dk.
».42. =: oleraceus Li.
„ 15, 15a en 155. Acanthosoma haemorrhoidale L.
v 44. Membraan van Acanth. haematogaster Schr.
DO ” ” ” griseum L.
„ 16 Acanthosoma ferrugator L.
BE
Pulex obtusiceps, Rits
OVER EENE NIEUWE SOORT VAN HET
GESLACHT PULEX, LINN.
DOOR
C. RITSEMA Cz.
(Zie Plaat 7).
Op een mijner entomologische uitstapjes in Augustus 1866
ondernomen, vooral met het doel om nesten van Hymenoptera
op te sporen, vond ik op het Bolwerk te Haarleın in een nest
van Bombus sublerraneus Linn., dat 2,5 palm diep in den grond
lag, eene vloo, die de soorten welke ik van het geslacht Pulex
kende, verre in grootte overtrof, daar de lengte 3 tot 4 Ned.
streep zal hebben bedragen. Hetgeen verder bij eene oppervlak-
kige beschouwing met eene zwakke vergrooting mijne aandacht
trok, was de sterke ontwikkeling der achterpooten, en de dikke
zwarte borstelharen waarmede zij bezet waren, waaruit men tot
een grooter springvermogen zou besluiten, dan de vloo werkelijk
bezat; hare bewegingen waren zelfs langzaam en onzeker, en
hare sprongen klein. In weerwil van de traagheid wist zij mij
te ontsnappen, voor ik haar eenigzins naauwkeuriger had kun-
nen beschouwen.
Eenigen tijd later, en wel in het begin der volgende maand,
een hommelcolonie van dezelfde soort, die ik uit den Haarlem-
merhout in onzen tuin had overgebracht, verstorende, en het
nest in handen nemende om het voor mijne collectie schoon te
maken, werd ik verrast door het vinden van eene dergelijke
vloo (en wel een 4 exemplaar), als die waarvan ik hierboven
gesproken heb, Door het ontsnappen van het vorige exemplaar
174 OVER EENE NIEUWE SOORT VAN HET GESLACHT PULEX LINN.
voorzichtiger geworden, paste ik zorgvuldig op dit mannetje, en
plaatste het in mijne collectie, waar het zich nog thans bevindt.
Voor ik het daartoe doodde, nam ik op nieuw de traagheid zijner
bewegingen waar; bij meting bleek het 4 Ned. streep lang te zijn.
Nadat ik deze vloo in de Vergadering der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging van 22 December 1867 had laten
bezichtigen, kwam het verlangen hij mij op, te weten welke
soort ik voor mij had. Uit het onderzoek dat ik hiervoor in
het werk stelde, en waarbij ik vooral geraadpleegd heb, hetgeen
Duges, Bouché, Curtis en Kolenati over de soorten van dit ge-
slacht geschreven hebben, bleek mij echter dat zij tot geen der
beschreven soorten van het geslacht Pulex Linn., die ik heb
kunnen opsporen, behoort. De kop vertoont echter veel overeen-
komst met dien van Pulex Talpae Curt, van welke soort zij
echter in andere opzichten afwijkt.
Het schijnt mij dus niet te gewaagd toe, deze soort voor
onbeschreven te houden, en haar als zoodanig Pulex obtusiceps
te noemen, naar aanleiding van den stomp kielvormigen kop.
Ik laat mijner soort den ouden geslachtsnaam Pulex van Linnaeus
nog behouden, daar zij niet goed tot een der geslachten door
Kolenati gevormd (zie Horae Societatis Enlomologicae Rossicae,
fase. sec. 1865) kan worden gebracht; naar mijne meening be-
hoort zij tusschen de geslachten Ctenopsyllus Kol. en Cerato-
psyllus Curt. geplaatst te worden.
Opmerkelijk is het, vooral met betrekking tot de vindplaats
der door mij te beschrijven soort, dat Macquart in October
1829, in zijn’ tuin in een nest van Bombus lerrestris Linn.,
eveneens vlooijen van eene aanzienlijke grootte (une ligne et demie)
aantrof, die hij Pulex terrestris noemde (Macquart, Sur une
espèce particulière de Puce; Ann. des Sc. nat. tome 22. 1851.
p. 468 —467); aan deze soort schrijft hij een kam van platte
stekels aan alle segmenten van den thorax en van het abdomen
toe, hetgeen met de afbeelding van Pulex Talpae Gurt. (Brit.
Entom. MI. pl. 114) overeenstemt, welke kam bij Pulex obtu-
siceps echter slechts aan den prothorax en de drie eerste
achterlijfssegmenten voorkomt.
1 "x
OVER EENE NIEUWE SOORT VAN HET GESLACHT PULEX LINN. J
Den heer van der Wulp verlang ik mijn’ dank te betuigen,
voor de welwillendheid waarmede hij mij behulpzaam is ge-
weest in het vervaardigen der afbeeldingen van het beschreven
voorwerp.
Beschrijving van Pulex obtusiceps mihi. De gedaante is in
hoofdzaak die der andere soorten van dit geslacht, de kleur
kastanjebruin, lengte — 4 Ned. streep.
De kop is kort, van voren aan beide zijden als afgehakt, met
eene stompe kiel op het midden en even als de prothorax, aan
de bovenzijde van eene overlangsche breede ondiepe groef voorzien ;
de oogen zijn zeer klein en langwerpig; de sprieten staan ver
naar voren, zijn in de groef niet door eene schub bedekt, en
bestaan uit 5 leedjes, waarvan het 2° het kortste en het 5° het
langste en breedste is; de 1° en 2° leden dragen eenige licht-
bruine haren; het 5° is duidelijk in 10 ringen verdeeld, en van
ter zijde min of meer platgedrukt. De wangen zijn aan den
achterrand, tusschen de groef der sprieten en den mond, voor-
zien van 10 platte zwarte stekels, met de spits naar achteren
gekeerd. De bovenlip is ongetand, en draagt in het midden
eene overlangsche rib; de onderkaakvoelers bestaan uit 4 fijnbe-
haarde leedjes, van welke het 5° her kortste is.
De prothorax draagt aan den achterrand eenen kam van 44
platte zwarte stekels, die over het voorste gedeelte van den
mesolhorax heen liggen. De rudimenten der vleugels zijn met
eenige rijen van donkerbruine haren bezet.
Aan den achterrand van de drie eerste segmenten van het
achterlijf, vindt men weder platte zwarte doorntjes, doch korter
dan die der wangen {die de langsten zijn) en die van den pro-
thorax. Aan het 1° segment vormen zij een’ kam van 40 stekels,
die op den rug door een ovaal, lichtbruin gekleurd plaatje
wordt afgebroken, aan het 2° segment is het aantal stekels tot
12, en aan het 5° tot 9 aan iedere zijde, verminderd. Het
voorlaatste segment draagt op zijn’ rug 6 groote zwarte borstel-
haren, drie aan drie bij elkander geplaatst, waarvan het mid-
delste het langste, en het binnenste het kortste is; op den rug
176 OVER EENE NIEUWE SOORT VAN HET GESLACHT PULEX LINN.
van het laatste segment komen er 4 voor, die twee aan twee
onmiddelijk op dit segment liggen.
De pooten, vooral het achterste paar, zijn sterk ontwikkeld;
aan het voorste paar is de heup langer dan de dij en de scheen,
en met vele zwarte haartjes bezet; de heupen der beide ach-
terste paren zijn zeer breed, kort en plat, niet behaard, doch
doen zich door kuiltjes grof gestipt voor. De scheenen van
alle pooten zijn aan den achterrand met dikke, zwarte borstel-
haren van zeer verschillende lengte bezet, die van het voorste
paar ook aan de uiteinden; aan de achterpooten zijn deze borstel-
haren het sterkst, en hier ook aan de tarsen aanwezig De
leedjes der tarsen volgen in grootte aldus op elkander, aan het
1 paar: 1,5,2,5,4; aan het 2° paar: 1,2 — 5,5, 4 en aan
het 5° paar: 1, 2, 5, 5, 4. Vooral het laatste lid der tarsen
is aan de onderzijde van twee rijen zwarte stekeltjes voorzien,
terwijl daar ook voor ieder klauwtje, een puntig knobbeltje ligt.
AANTEEKENING. In Horae Socielatis Entomologicae Rossicae,
fase. sec. 1865, levert Dr. F. A. Kolenati «Bijdragen tot de
kennis der Phthirio-Myiarien», en neemt aldaar, in de groep
der Aphaniptera Kirby, 8 geslachten en 24 soorten aan.
KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN
DOOR
Dr. A. W. M. VAN HASSELT.
N°. VII .
Iets over de oorzaak der tegenwoordige ziekte van
den Zijdeworm, naar J. VON LIEBIG.
In Dagbladen en Tijdschriften werd in den laatsten tijd de
mededeeling gedaan, dat het aan de Scheikunde gelukt zou
zijn, om regtstreeks uit de bladeren van den moerbezieboom
cen voortbrengsel te verkrijgen, dat in de meeste opzigten over-
eenkomt met de gewone zijde. Ook uit de uitloopers, den jongen
bast der takken enz. zou eene spinbare soort van « vezelstof»
(fibröine), die als zijde glinstert, zijn gemaakt. Mogten zich
deze berigten uit Frankrijk en Oostenrijk omtrent het vervaar-
digen eener zoodanige «plantaardige zijde » verwezenlijken (2),
zoo zou daarin een tegenwigt zijn gevonden tegen het groote
verlies, dat de productie der Europeesche dierlijke zijde reeds
sedert eene reeks van jaren ondervindt °.
Dat daaraan verscheidene ziekten van de zijdewormen ten
1 Vervolg. Zie deel IX, blz. 211.
2 Van den omvang dezer kwaal, even als van die der druivenziekte, in Italië,
kan men zich, volgens ooggetuigen naauwelijks eene voorstelling maken. In de
meeste streken staat sedert een vijftiental jaren de wijnoogst nagenoeg geheel stil en
door het voortdurend mislukken van de zijdeteelt dreigt dit land der armuede te
gemoet te gaan. Honderden van familien, schrijft L., die vroeger in grooten welstand
verkeerden , zijn geheel verarmd; villa’s op villa’s worden voor spotprijzen verkocht,
en de honger drijft duizenden van voormalige nijvere zijde-werklieden tot landverhui-
zing in massa aan!
12
175 KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN.
grondslag liggen is algemeen bekend. Ook is de aard van deze
ziekten op uitstekende wijze nagespoord. En toch schijnt men
tot den wortel der kwaal nog niet te zijn doorgedrongen, en
hare ware oorzaak althans niet te hebben kunnen uit den weg
ruimen, getuige de voortdurende klagten over hare verwoestin-
gen. Zij die de hoofdoorzaak zochten in eene trapswijze voort-
gaande degeneratie der zijdewormen, hebben wel is waar ge-
tracht, door invoer en telkens vernieuwen der eijeren, daaraan
te gemoet te komen, doch ook deze maatregel schijnt niet
geheel aan de verwachting te beantwoorden. Ook blijken de vele
middelen, die tegen het voortwoekeren der schimmel-plant ,
welke bij deze ziekten het meest gevreesd is, t. w. der bekende
Botrytis Bassiana, in proef zijn gebragt, op verre na zoo ge-
gelukkig niet te slagen, als die waarmede het Oidium Tuckeri,
bij de druifschimmelziekte is bestreden. Het is dan ook bij de
muscardine (even als bij meer andere schimmelziekten van plan-
ten en dieren) nog altijd eene niet onbelangrijke vraag, of de
sehimmelvorming «oorzaak» dan wel «gevolg» van eenen bepaal-
den ziekte-toestand is. Met het oog op dit vraagstuk is het mij
voorgekomen, dat het bovengenoemde opstel van den beroemden
scheikundige Liebig, — te vinden in Büchner, N. Repert
f. d Pharmac., Bd. XVI, H. 5, 1867 —, allezins de aandacht
niet alleen der zijde-industrielen, maar ook der entomologen
verdient, «en het is dus uit dien hoofde, dat ik gemeend heb
een kort uittreksel daarvan in ons Tijdschrift te mogen over-
nemen.
Reeds voor vier jaren had Liebig hypothetisch en a priori het
vermoeden uitgesproken, dat de zijdewormziekte (of ziekten) in
oorzakelijk verband zou staan met onvoldoende voeding der zijde-
wormen. In Zeitschrift des landwirthschaftlichen Vereins in
Bayern, voor 1864, schreef hij daarover de volgende regelen:
«De ziekte der zijdewormen berust hierop, dat de moerbezie-
«bladeren die bestanddeelen, welke tot voeding dezer dieren
«noodig zijn, niet meer in de juiste verhouding bevatten, (ver-
«moedelijk) omdat de bodem daarvan geen voldoenden aanvoer
«meer kan verschaffen, als zijnde aan dezen sedert eeuwen
KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN. 179
«stoffen onttrokken, die niet behoorlijk werden aangevuld.
«Zijdewormen gevoed met bladeren, die op zoodanige gronden
«zijn gekweekt, moeten dien ten gevolge, uit inanitie, reeds
«vóór het verpoppen, bezwijken, en dit is (waarschijnlijk) de
«reden, waarom men sedert 26 jaren in Opper-Italié de zijde-
«teelt qualitatief en quantitatief voortdurend ziet afnemen. »
Sedert kwam L. meer en meer tot de overtuiging, dat de
zijdewormziekte(n) het best in haren waren aard zou worden
toegelicht. door eene betere en meer naauwkeurige kennis van het
voedsel der zijdewormen. Hij gaf den heer H. Scheibler, van
Crefeld, den raad om te trachten uit verschillende landen en
streken der zijde-industrie, het daar gebruikelijke moerbezieloof,
ter onderlinge vergelijking te verkrijgen. Dit mogt hem gelukken
en hij kreeg uit China, Japan, Lombardije, Piemont en Frank-
rijk hoeveelheden dezer bladeren, groot genoeg om die aan eene
quantitatieve scheikundige analyse te kunnen doen onderwerpen.
De daartoe noodige bewerkingen en becijferingen werden in
Liebig’s laboratorium door een’ bekwamen scheikundige, den
heer Dr. Reichenbach , verrigt. In hoofdzaak werd daarbij acht
geslagen op het stikstof-gehalte der verschillende soorten van
bladeren, als zijnde daardoor de voornaamste voedingswaarde
(althans in betrekking tot de zijdeproductie) het best vergelijkbaar.
Het belangrijkste resultaat dezer vergelijking was, dat dit ge-
halte der zijde- en vleesch-vormende stoffen in de verschillende
moerbeziebladeren aanmerkelijk uiteenliep.
Het stikstof-gehalte namelijk bedroeg voor:
Bra OOMEN) +... ee lh te AIS SN ROR,
BENEN ee a de netwer rn 20T.
en EEEN PP RE
OOR REED tener 4 Pins tert 1499.
ERBER N houte e lane er TOM
Hieruit blijkt alzoo, dat de met moerbezieloof uit Tortona en
Alaïs gekweekte rupsen bijna 4° minder stikstofhoudend voedsel
ontvangen dan die uit China en Japan (en Brescia?) '.
1 Het komt mij voor, dat Brescia verder uit de vergelijking behoort te worden
uitgesloten. Immers, dat het st.-gehalte aldaar zoo hoog werd bevonden, ver-
130 KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN.
Hieruit vloeit voort, dat wanneer eene parlij rupsen eene
hoeveelheid van duizend gram Chinesche of Japansche bladeren
gebruikt, 195 à 206 gram zijde-, bloed- en vleeschvormende
stoffen worden opgenomen, terwijl daarentegen eene gelijke partij
rupsen uit eene gelijke hoeveelheid bladeren van Tortona of
Alaïs slechts 149 à 150 gram dezer stoffen zal kunnen assimileren.
Of met andere woorden, dat de eerste partij aan 1000 gram
bladeren genoeg hebbende, de laatste 1400 gram loof zal moe-
ten verwerken.
Wanneer men dit feit nu toepast op de rupsen, die, uit
Japansche of Chinesche eijeren gekweekt, te Tortona of te Alaïs
worden opgevoed, zoo zal een bepaald aantal daarvan, dat in
China of Japan 1000 gram der dáár groeijende moerbezieblade-
ren zow gegeten hebben, nu ook te T. of A. niet meer dan 1000
gram van Piemonteesch of Fransch loof verbruiken.
Het gevolg daarvan kan niet uitblijven. De zijdewormen zullen
op die wijze slechts onvolkomen worden gevoed, de volgende
generatie zal weder zwakker zijn dan de vorige, zoowel in ontwik-
keling als in voortbrengingsvermogen, en zoo voortgaande moet
noodwendig eene derde, eene vierde generatie nog meer en meer
ontaarden.
Terwijl men dan ook waarneemt, dat de eerste rupsen, die
uit Japansche en Chinesche eijeren zijn gekweekt, rusteloos eten,
zoodat men haar zelfs kan hooren bijten en deze nog genoeg
zijdevormende stof opnemen, om zich te kunnen inspinnen, zoo
ziet men de kaauwacte in de tweede, derde en vierde gene-
ratie al meer en meer afnemen.
Evenzoo is het als een der eerste kenteekenen van « deze
ziekte» opgemerkt, dat de zijworm minder gretig eet en kleiner
blijft. Daarbij verliest hij het vermogen van behoorlijk te ver-
vellen, terwijl diegenen hunner, welke zich nog vermogen in te
klaart L. zelf daaruit, dat het van daar verkregen moerbezieloof blijkbaar nog onvol-
komen uitgegroeid en nog zeer jeugdig was. Wet was aldaar in het vroege voor-
jaar geplukt. Bij het bekende feit, dat de jorge bladeren over het algemeen steeds
een betrekkelijk Aooger stikstofgehalte bezitten, kan deze analyse hier dus niet dienen ,
en is het te verwonderen, dat L haar toch in de reeks heeft gesteld. Beter ware het
seweest, van daar later eene hoeveelheid volkomen ontwikkelde bladeren te hebben ontboden.
KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN, 181
spinnen , door een los en dun spinsel omgeven blijken te zijn. Hunne
poppentoestand duurt wijders ook ongewoon lang; de vlinder is
klein, traag en heeft veeltijds weinig ontwikkelde vleugels '. —
Dit zelfde onderwerp kan men meer in het breede behandeld
vinden in een beredeneerd Verslag dezer scheikundige proeven,
dat door L.’s assistent, den heer Reichenbach zelven, sedert is
gegeven in het Julij-nommer van de Annalen der Chemie und
Pharmacie, v. 1867. R. bespreekt daarin ook de beteekenis van
het tevens door hen gevonden verschil in het gehalte der
anorganische bestanddeelen van de verschillende onderzochte
bladeren der Morus alba, — met het oog op de daarin voor-
komende potasch, kalk, magnesia, chloorsodium, kiezelzuur en
phosphorzuur.
Wanneer toch de zijdewormen, — zoo als Péligot reeds heeft
beweerd, — «zich uitsluitend voeden met moerbeziebladeren ,
«omdat die veel meer potasch en phosphorzuur bevatten, dan
«alle andere tot hiertoe onderzochte bladeren», — zoo kan het
niet missen, of eene vermindering ook van deze bestanddeelen
moet eene nadeelige uitwerking hebben op het geheele voedings-
proces bij deze insekten. |
R. vond dan ook, onder anderen, dat de hoeveelheid van het
voor de voeding zoo noodige phosphorzuur , in de Italiaansche
en Fransche moerbeziebladeren, in gelijke evenredigheid ver-
minderd was, als hun stikstofgehalte. Het kalkgehalte daaren-
tegen steeg in dezen veel hooger, iets, wat volgens zijn gevoe-
! Bij deze geheele en getrouwe schildering van den voortgang der kwaal, schijnt
L. mij toch toe, zoo niet van een valschen, dan toch van een niet geheel bewezen
major (bevat in de hierboven door mij cursijf gestelde zinsnede) te zijn uitgegaan. Hij
zegt: de zijwormen krijgen ontoereikend voedsel, omdat ze aan de 1000 gram blade-
ren, — waaraan ze in China genoeg zouden hebben gehad, — in Europa niet genoeg
hebben. Maar wie dwingt hen , om van het minder voedzame loof, zoo als L.
poneert, » evenveel» te eten? en waarom eten ze daarvan niet meer ? zóóveel dat ze
verzadigd zijn en tot volle ontwikkeling komen? Van erwten en boonen behoeft
een mensch niet evenveel te eten, als van rijst of aardappelen, en van de eene hooi-
of haversoort behoeft het rund en het paard meer dan van eene andere met mindere
voedingswaarde. Of zouden misschien de zijdewormen aan een’ bepaalden tijd, aan
een vast getal etensuren gehouden zijn, voor eu aleer zij vatbaar zijn voor vervellen
en verpoppen? Ik meen, dat hiervoor geen genoegzame grond bestaat en dat in dic
tijdperken nog al eenig verschil voorkomt, zelfs naar de individuen, van welken bet
een zich veel vroeger dan het andere verpopt.
189 KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN.
len, mede het zijne kan toebrengen tot de minder goede ver-
teerbaarheid der Europeesche bladeren.
Aan het slot hunner opstellen wijzen L. en R. op het hooge
gewigt, dat er voor de zijdeteelt in is gelegen, meer aandacht
te schenken aan de voedingswaarde van het moerbezieloof. Zij
achten het noodzakelijk, om, zoo veel mogelijk, de vermeerde-
ring daarvan, vooral van het stikstofgehalte, in de Europeesche
moerbeziebladeren te bevorderen. Daartoe dringen zij, onder
andere voorzorgen, aan op eene naauwlettende aankweeking van
nieuwe, jonge moerbezieboomen, — op het zorgvuldig snoeijen
daarvan (aan welke bewerking in China en Japan veel zorg zou
worden besteed) — op het uitkiezen van de meest geschikte,
goede gronden voor aanplanting, en — niet het minst, — op eene
meer krachtige bemesting (welke veeltijds zou worden verzuimd !).
Volgens L.’s overtuiging zal de zijdeworm dan niet zoo ligt
meer ziek worden; zij zal overvloedig zijde voortbrengen overal
waar zij ruim wordt gevoed met loof van versch aangeplante,
niet verouderde, moerbezieboomen, op goed bemesten bodem,
waarin het volle gehalte aan alle noodige planten-voedselstof
voorhanden is.
Voor hem althans staat het vast: «dat de zijdeteelt niet te
«worstelen heeft met eene specifieke ziekte als zoodanig, maar
«dood eenvoudig met het noodzakelijke gevolg van ontoerei-
«kend voedsel voor de zijdewormen ! »
Met allen eerbied voor het genie van den beroemden Duit-
schen scheikundige, — die ook in dit belangrijke sociale vraag-
stuk weder een zijner, trouwens steeds op hetzelfde aanbeeld
slaande, geniale grepen heeft gedaan en daarbij in elk geval
hoogst behartigingswaardige voorschriften heeft gegeven tot het
tegengaan der zijdeworm-ziekte, zij het mij toch vergund, te
doen opmerken, dat zijne conclusie geenszins vrij is te pleiten
van eenzijdigheid.
Uit zijne mededeeling van zuiver organisch-chemischen aard, —
zonder voldoende entomologische en pathologische determinatiën, —
en welke alleen handelt over « die Seidenraupen krankheit »
KLEINE ENTOMOLOGISCUE MEDEDEELINGEN. 185
zonder meer, is niet op te maken, welke der vele ziekten ,
waaraan de Bombyx Mori in hare verschillende ontwikkelings-
phasen onderhevig is', door hem wordt bedoeld.
Het meest waarschijnlijke is echter, dat hij het oog had op
de meest voorkomende, de schimmelziekte, de beruchte « mus-
cardine» (in Walië ook «calcinaccio», «mal del segno», «marina»,
«zuccherini» enz. genoemd).
Dat nu aan deze, even als aan andere zijdewormziekten , de
door hem geheel op den voorgrond gestelde oorzaak, als voor-
beschikkend moment, ten gronde kan liggen, wie zal zulks be-
twijfelen? Een groot aantal ziekten in het algemeen, vooral die
van eenen epidemischen of besmettelijken aard, vinden bij voor-
keur eenen geliefkoosden bodem in verarmde individuen, zoo-
wel bij plant en dier als bij den mensch. De hooge vatbaarheid
van dergelijke verzwakte organismen om aangedaan te worden
door schadelijke invloeden van buiten, is, even als hun gering
vermogen van wederstand daartegen, van universele bekendheid
in de geneeskunde,
Maar mag daarom worden aangenomen, dat men ten dezen
slechts met één enkelvoudigen ziekelijken toestand , eene zuivere
verarming of mindere voeding (atrophie) zou te doen hebben en
niet met eene of meerdere specifieke ziekten? Dit kan ik L,
in geenen deele toegeven. Met de hedendaagsche pathologen
(ofschoon die op hunne beurt soms overdrijven), hecht ik daartoe
eene te gewiglige beteekenis aan den verwoestenden invloed, die
door het intreden en de ontwikkeling van schimmelcellen in en
op de dierlijke bewerktuiging kan worden uitgeoefend. Zoowel
bij de muscardine, als bij de galtine, enz. spelen deze cellen of
schimmel-sporae voorzeker eene hoogst belangrijke rol. Dat zij
gaarne verarmde of verzwakte individuen aandoen, is buiten kijf,
maar dat zij overigens volkomen gezonde zijdewormen, vliegen
en andere insekten doodelijk kunnen aantasten, staat niet min-
der vast. Men behoeft daarover, onder anderen, slechts de
ı Als daar zijn, vooral volgens CorNarra: de giallume (of geelzucht), de
tdropisia (of waterzucht), de mordo rosso (of roodworden), de riecioni (of atrophie) ,
de negrone of gatline (eene soort van drooge versterving), enz.
184 KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN.
inoculatie-proeven van Bail en vele andere waarnemingen over
«Krankheiten erzeugende Pilze» na te slaan.
Het bevreemdt mij dan ook zeer, dat L. zelf daaraan niet
meer heeft gehecht, aangezien hij op een zijner reizen in Opper-
Italië, zonder er misschien op in te gaan of nader er over te
hebben gedacht, eene ten onzen opzigte treffende waarheid te
boek heeft gesteld: «Het viel mij, — schrijft hij, — destijds
«zeer op, dat op alle plaatsen, waar de drwivenziekte (dit is
«toch bepaald eene schimmelziekte!) heerschte, insgelijks de
«zijdewormziekte voorkwam, en omgekeerd, dat overal waar de
«zijdeteelt toenmaals nog goed slaagde, ook de wijngaarden ge-
«zond werden bevonden».
Kan wel een schooner argument worden bijgebragt voor de
waarschijnlijkheid , dat aan beide deze ziekten eene analoge,
occasionele oorzaak (besmetting door van buiten aangebragte
schimmelcellen) ten gronde ligt? En dit te meer, als men in
het oog houdt, hoe krachtig vele tegenwoordige mycetologen
het uitspreken en leeren, dat bij verandering van medium of
organischen bodem, waarop deze cellen intreden, uit één en
dezelfde celsoort verscheidene « Pilz-vormen (alzoo op den wijn-
stok misschien het Oidium Tuckeri, op en in de zijderups de
Botrytis Bassiana) zich kunnen gaan ontwikkelen.
Eindelijk nog eene aanhaling ontleend aan Fr. Leydig (Müller's
Archiv, 1865, S. 187): «Gerade in Hinblick auf die neue Krank-
«heit, welche in den letzten Jahren unter die Seidenraupen so
«grosse Verheerungen angerichtet hat, schien es mir vom Inte-
«resse, zeigen zu können, dass der Parasit, der in inniger Be-
«ziehung zur Krankheit steht, ein bei Fliegen und andere In-
«sekten, bei Spinnen, Krebsen und anderen Wirbellosen weit
«verbreiteter ist. Derselbe macht nicht nur die unter der Pflege
«des Menschen stehenden Seidenraupen erkranken, sondern auch
«viele andere in Naturzustande lebende Thiere». — En dan be-
«sluit ik met de vraag: zouden al de genoemde dieren in den
natuurstaat «dood eenvoudig» beschimmelen uit gebrek aan toe-
reikend stikstofhoudend voedsel? Mihi non constat.
VBE LA Ct.
Buitengewone Vergadering van de
Leden der Nederlandsche Entomologische Vereeni-
ging, gehouden te Leiden op 22 December 1867,
des middags ten 12 ure.
Tegenwoordig zijn de heeren: Dr. Verloren, vice-president;
Mr. de Graaf, Secretaris; N. H. de Graaf, Conservator; Kinker,
van der Wulp, Hartogh Heys van de Lier, Dr. Hartogh Heys
van Zouteveen, Veth, Dr. Piaget, van Woerden, P. C. T. Snellen,
Ritsema, Weyenbergh, Dr. van Hasselt, G. M. de Graaf, Groll
en Brants.
De Voorzitter Dr. Verloren opent de vergadering met eene
korte toespraak en herinnert dat de leden zijn bijeengeroepen
ten einde een besluit te nemen omtrent twee voorstellen, opge-
nomen als punten van beschrijving in de brieven, die op 22
November Il. van wege het Bestuur aan de leden zijn toegezonden.
Het eerste voorstel is van het Bestuur en luidt als volgt:
«Het Bestuur stelt voor aan den heer Mr. S.G. Snellen van
Vollenhoven te Leiden, uit te keeren 1/5 van het legaat van
van Eyndhoven, zijnde eene ronde som van honderd gulden; ter
tegemoetkoming in de kosten ter uitgave van zijne « Schetsen
ten gebruike bij de studie der Hymenoptera, 1° Stuk. Ichneu-
moniden.» Met bepaling dat van deze en alle volgende afle-
veringen aan ieder lid een exemplaar zal worden toegezonden.»
Eenige leden vragen inlichtingen. De Voorzitter geeft die,
voor zooverre hij daartoe in staat is, en laat ter bezigliging
186 VAR, (HIS AL RG,
rondgaan de drie platen, welke het cerste stuk van het werk
zullen uitmaken. Ook verklaart de Voorzitter op eene vraag van
een der leden dat het de bedoeling is de uit te keeren f 100
te doen strekken ler tegemoetkoming in de kosten der uitgave
van het geheele werk, niet van het eerste stuk alleen.
Het voorstel van het Bestuur in stemming gebragt zijnde,
wordt aangenomen met algemeene stemmen.
De Voorzitter stelt alsnu aan de orde het voorstel der be-
noemde Commissie, bestaande uit de heeren Dr. Piaget, Dr.
Rauwenhoff en Mr. de Graaf.
«Het strekt tot wijziging der wet in dezer voege:
Art. 6 der wet zal luiden: « De Vereeniging erkent gewone
leden, eereleden, begunstigers, corresponderende leden en
buitenlandsche leden. »
Art. 9 wordt art. 11 en zal luiden; «Ook aan entomologen» enz.
‚10% Bde
ds Us Mile » 10.
Nieuw art. 11° «Buitenlandsche leden betalen f 50,—
entrée en zijn vrijgesteld van contributie.
VI.
‘igendommen der Vereeniging.
Nieuw art. 45° «Geen eigendommen der Vereeniging wor-
den naar het buitenland ter leen afgestaan. »
Tot toelichting van dit voorstel wordt kortheidshalve alhier
verwezen naar het Verslag der laatste Algemeene vergadering,
op 15 Julij 1867 te Utrecht gehouden, pag. 9; in welke Ver-
gadering aan genoemde commissie is opgedragen , een voorstel in
gereedheid te brengen omtrent de voorwaarden , waarop buitenlan-
ders als leden der Vereeniging zouden kunnen toegelaten worden.
Dr. Piaget licht het voorstel der commissie toe.
Op art. 6 wordt door den heer Snellen een amendement
voorgesteld. Hij wil in de plaats van de voorgestelde verande-
ring lezen: «De Vereeniging erkent gewone leden, buitenland-
sche leden, eereleden, begunstigers en corresponderende leden.»
VALET BS ot A: 6, {87
-
De commissie vereenigt zich met deze gewijzigde redactie.
Art. 6, in dier voege gewijzigd, wordt aangenomen met alge-
meene stemmen.
De Voorzitter stelt voor alsnu het nieuwe art. 11°" in discussie
te nemen. De Vergadering keurt dit goed.
De heer N. H. de Graaf geeft in bedenking de som van f50
op f 55 te stellen, omdat dit cijfer nagenoeg gelijk staat met
75 francs, met 5 Engelsche ponden sterling en met 20 Thaler.
Neemt men het door hem voorgestelde cijfer aan van f 55,
dan zal men bij wisseltrekking de daarmede overeenkomende
buitenlandsche geldswaarde in de plaats kunnen stellen. Niet
alzoo, wanneer men f 50 vaststelt.
Na gedachtenwisseling blijkt uit de stemming, dat vijf leden
zich voor eene entrée van f 50 en 12 leden zieh voor eene
entrée van f 55 verklaren, zoodat deze laatste som, krachtens
art. 42 der wet, is aangenomen.
Art. 11°" geeft overigens geene aanleiding tot discussie en
wordt, zooals het gewijzigd is, aangenomen met algemeene
stemmen.
Het nieuwe art. 45°" wordt, zonder discussie, mede aange-
nomen met algemeene stemmen.
De voorgestelde verplaatsing van art. 9, 10 en 11 en de
voorgedragen veranderde redactie van art. 9 worden afgestemd
met bijna eenparige stemmen. Men wilde het aan het Bestuur
overlaten, zoo noodig, omtrent deze punten een nader voorstel
te doen tegen de eerstvolgende Algemeene vergadering.
De Vergadering vereenigt zich met een voorstel van den heer
Hartogh Heys van Zouteveen om nu ook aan Buitenlandsche
leden het regt toe te kennen, zich het Tijdschrift voor f 6 aan
te schaffen, per jaargang, indien zij zich daartoe, op de wijze
voor gewone leden bepaald, bij den Secretaris aanmelden.
De Secretaris deelt aan de Vergadering mede, dat hij dezen
morgen tot zijn genoegen van Mr. Snellen van Vollenhoven ver-
nomen heeft, dat de heer Francois Pollen zich bereid heeft
verklaard begunstiger der Vereeniging te worden. Toejuiching.
De heer van Woerden geeft te kennen, dat hij van plan is
188 VER SL VA E:
binnenkort het vaderland te verlaten, ten einde zich voor handels-
zaken aan de westkust van Afrika te gaan vestigen. Hij hoopt
evenwel tijd en gelegenheid te zullen hebben om ook aldaar
zijne entomologische onderzoekingen voort te zetten en stelt zich
voor, door toezending van insekten aan cenige leden der Veree-
niging, daarvan het bewijs te geven. Hij geeft, tot eene ge-
dachtenis, aan de Vereeniging ten geschenke een fraai gebonden
exemplaar van: «The genera of British Moths by H. Noel
Humphreys.
De Voorzitter zegt den heer van Woerden dank voor dit be-
langrijke geschenk, hetwelk blijkens de teekenen van bijval, die de
leden geven, door de Vergadering op hoogen prijs wordt gesteld.
Verder niets te behandelen zijnde, sluit de Voorzitter deze
Buitengewone vergadering.
Wetenschappelijke Vergadering der
Nederlandsche Entomologische Vereeniging, op
Zondag 22 December 1867, des avonds ten 6 ure,
gehouden te Leiden.
e
Behalve de leden, die aan de Buitengewone vergadering van
dezen dag hebben deelgenomen, zijn tegenwoordig de heeren
Mr. Snellen van Vollenhoven en Prof. Berlin.
De heer Snellen van Vollenhoven, Voorzitter, opent de Ver-
gadering met eene korte toespraak, waarin hij doet uitkomen
hoezeer de talrijke opkomst der leden in dit barre jaargetijde
ten bewijze strekt van hunne ingenomenheid met het denkbeeld,
om eene bijeenkomst te houden uitsluitend gewijd aan weten-
schappelijke mededeelingen. Hij twijfelt er dan ook niet aan of het
aantal en het gehalte van de bijdragen der leden zullen de noodzake-
lijkheid doen inzien om telken jare zulk eene vergadering te houden.
Voor dat men tot de werkzaamheden overgaat, vraagt de
VEESRASEE À 1G: 159
Secretaris het woord. Hij had namelijk dezer dagen het portret
ontvangen van wijlen den Schout-bij-nacht Q. M. R. Ver Huell,
met een’ begeleidenden brief van diens zoon, den heer Mr.
Alexander Ver Huell, die hem daarbij verzocht had dit portret
aan de Vereeniging aan te bieden. De Secretaris zegt, dat hij
met veel genoegen aan deze aangename taak voldoet en laat het
portret rondgaan.
Bij monde van den Voorzitter geeft de Vergadering hare in-
genomenheid te kennen met dit hooggewaardeerde geschenk,
waardoor de Vereeniging in het bezit komt der beeldtenis van
den man, die bij zijn leven zoo veel heeft gedaan voor de
entomologie en aan wien zoo vele leden door banden van vriend-
schap verbonden waren. Namens de Vereeniging zal aan Mr.
Ver Heull dank worden gezegd voor dit prachtige cadeau.
De heer P. C. T. Snellen opent de rei der wetenschappelijke
mededeelingen. In de eerste plaats legt hij ter opname in het
Tijdschrift eene bijdrage over van Prof. Zeller, te Meseritz.
Deze bijdrage bestaat in eene beschrijving van Grapholitha
fomiana nov. spee (zij is hierboven pag. 85 afgedrukt, en men
vergelijke daarbij de aanteekening pag. 59). In de tweede plaats
leest de heer Snellen eenige aanteekeningen voor, die hij ge-
maakt heeft op Herrich-Sehaeffer's Prodromus systematicus
Lepidopterorum, voorkomende in het Correspondenz-Blatt des Zool.
mineralog. Vereins, 1844, pag. 89 en volgg. (Deze aanteeke-
ningen zijn reeds in dit deel opgenomen, pag. 120 en volgg.)
Het voorgelezen stuk doet eene korte gedachtenwisseling ont-
staan, die den Voorzitter aanleiding geeft den heer Snellen ge-
luk te wenschen met de pas verschenen uitgave van diens werk
over de vlinders van Nederland. Dit werk toch legt op iedere
bladzijde de getuigenis af van den ijver en de moeite, die
daaraan besteed zijn en het is den Voorzitter eene aangename
pligt den heer Snellen voor de uitgave van zijn werk den dank
der Vergadering te brengen. De leden bekrachtigen deze toe-
spraak door levendige teekenen van bijval.
De heer Snellen betuigt zijne erkentelijkheid en drukt den
wensch uit, dat hij ook voor het volgend gedeelte van zijn werk
190 VER ROS EADE:
dezelfde ondersteuning van zijne medeleden zal mogen onder-
vinden, die hem tot dusverre is te beurt gevallen.
Mr. H. W. de Graaf hoopt dat de heer Snellen tijd en gele-
genheid zal vinden om, zoo als zijn plan is, ook eene sys-
tematische beschrijving der Microlepidoptera van Nederland te
geven. Vele bouwstoffen zijn daartoe reeds bijeengebragt ; maar
het is er nog verre af dat wij al onze inlandsche soorten zouden
kennen. Hoewel men ijverig verzamelt en jaarlijks eene menigte
soorten vindt, die hier te lande nog niet waren aangetroffen ',
zal er nog wel eenige tijd moeten verloopen, voordat men het
bedoelde werk verwachten kan. Spreker acht het niet ongepast
inmiddels de aandacht bepaaldelijk te vestigen op de onzeker
heid, die nog altijd bestaat, omtrent het soortregt van een
menigte Micro’s. Indien men toch de auteurs vergelijkt zal men
zien dat dezelfde vorm, die door dezen als eene soort beschre-
ven of afgebeeld wordt, door genen voor eene varieteit wordt
gehouden, en omgekeerd. Ten einde niet te uitvoerig te worden,
bepaalt spreker zich tot de Tortricinen. Tot staving van het
gezegde bespreekt hij Teras caudana met hare afwijkingen en
Teras effractana, Teras schalleriana en comparana, Teras
ferrugana en rubidana var. selasana, Tortrix ribeana en cera-
sana, de Schiaphiliden uit de Wahlbomiana-groep, Penthina
capreana en corticana enz. enz. Verder wordt de vraag behan-
deld of men voldoenden grond heeft specifiek verschil aan te
nemen tusschen Grapholitha augustana en excoecana, scutulana
en cirsiana, suffusana en rosaecolana en anderen, en of men
daarentegen teregt tot een brengt Rhopobota naevana en gemi-
nana en Tmetocera ocellana en luricana. Vervolgens worden
de middelen behandeld, die men zal moeten aanwenden om ten
opzigte der besproken punten tot zekerheid te komen. Wanneer
het soorten geldt, die vele afwijkingen plegen op te leveren,
zal het bijeenbrengen van eene menigte specimina een allezins
geschikt hulpmiddel zijn om te doen zien, dat de uiterste vor-
men door een’ schakel van overgangen aan elkander verbonden
1 Zie ten bewijze de in dit deel geplaatste lijst pag. 49 en volgg.
VER SDL A&A 6. 191
zijn. Kan men zulk eene serie niet nagaan dan zal men al ligt
de van elkaar verwijderde schakels dier keten voor afzonderlijke
species houden. Getuige de lange lijst der synoniemen van de
welbekende Teras sparsana. Maar het aanleggen van serien
zal niet altijd afdoende zijn, ook omdat er afwijkingen bestaan
tusschen welke men nog geene overgangsvormen gevonden heeft.
Daarom is het opkweeken van rupsen te verkiezen, hetgeen ook
daarom aanbeveling verdient, omdat men langs dien weg gave
exemplaren verkrijgt van het volmaakt insekt. Niet ieder heeft
evenwel tijd en gelegenheid om rupsen op te brengen en dan
nog wel uit eijeren, hetgeen toch ongetwijfeld de zekerste weg
is om uit te maken in welke afwijkingen eene bepaalde soort
voorkomt en dat dus zoogenaamde verwante species inderdaad niet
specifiek verschillen. Spreker hecht dan ook zeer veel waarde
aan de aanvankelijk gelukkig geslaagde proeven van Mr. de Roo
van Westmaas om Tortricinen uit eijeren te kweeken. Hij ver-
wacht daarvan met het oog op het besproken onderwerp af-
doende uitkomsten, vooral ook, wanneer men daarbij proeven
neemt met verschillend voedsel en onderzoekt of het b.v. waar
is, dat de rups van Tmetocera ocellana met Pinus larix gevoed
de door v. Heinemann vermelde Zaricana oplevert en dat uit
de rups van 7metocera naevana met Vaccinium gekweekt als
volmaakt insekt Tel. geminana te voorschijn komt, en omge-
keerd. Spreker heeft gemeend een en ander aan de aandacht
onzer Lepidopterologen te moeten aanbevelen. Hij is overtuigd
dat, om bij de Tortricinen te blijven, nog verscheidene soorten
door de schrijvers als zoodanig aangenomen, zullen moeten ver-
vallen; maar alleen waarnemingen kunnen beslissen. Men heeft
meermalen geklaagd, dat de Tortricinen door de entomologen
als stiefvlinderen behandeld zijn. Voor de systematiek is in den
jongsten tijd veel gedaan; maar er is nog verbazend veel te doen
voor dat wij deze diertjes goed zullen kennen.
Dr. Piaget zegt dat hij door de welwillendheid van de heeren
Prof. Schlegel, van Bemmelen en Mr. van Wickevoort Crommelin
in de gelegenheid is geweest eene menigte huiden en doode
vogels en zoogdieren te onderzoeken, ten gevolge waarvan hij
199 VIER. IS Ne ANG:
wederom een zeker aantal Parasitica heeft bijeengebragt, waar-
onder verscheidene soorten, die hij nog niet gevonden had. Een
doos met geprepareerde voorwerpen, waarvan een aantal niet
had kunnen bestemd worden, is door Spreker medegebragt en
wordt door hem aan de Vereeniging ten geschenke aangeboden.
(De daarbij behoorende lijst is hierboven pag. 126, 127 afge-
drukt). De Voorzitter bedankt den heer Piaget namens de Ver-
gadering voor dit belangrijke geschenk.
De heer Hartogh Heys van de Lier brengt ter tafel de teeke-
ningen, die voor de platen van het bekende werk van Godart
en Duponchel gediend hebben. Deze fraaije en keurige teeke-
ningen wekken in hooge mate de belangstelling en bewondering
der Vergadering op, die bij monde van den Voorzitter hare
erkentelijkheid betuigt aan den heer Hartogh Heys, dat hij haar
wel op dit kunstgenot heeft willen vergasten.
De Secretaris vraagt naar aanleiding van een en ander aan
den voorzitter of de oorspronkelijke teekeningen van het werk
van Sepp, van het begin af, zijn bewaard gebleven en, zoo ja,
of er geene mogelijkheid zou bestaan, dat zij in het bezit der
Vereeniging overgingen. Wat de eerste deelen betreft kan de heer
Snellen van Vollenhoven geen bevestigend antwoord geven. Hij
verklaart zich echter bereid daaromtrent informatiën in te winnen.
Rene menigte teekeningen van den heer Ver Heull heeft hij na
diens dood ten geschenke gekregen. Zoo ook is hij in het bezit
van vele andere teekeningen, waarnaar de platen van de laatste
deelen vervaardigd zijn. Hij verklaart zich bereid dit alles aan
de Vereeniging af te staan.
Mr. Hubrecht, begunstiger der Vereeniging, treedt de Verga-
dering binnen.
Dr. van Hasselt behandelt een punt van pathologische entomo-
logie, naar aanleiding van een opstel van Prof. Liebig over het
onvoldoende gehalte aan stikstofhoudend voedsel in de meer en
meer degenererende moerbezien-bladen als oorzaak der heerschende
zijdewormen-ziekte. Dien’s bijdrage is afzonderlijk in dit Tijd-
schrift opgenomen. Zie hier voor, blz. 177 en volgg.) Dezelfde
spreker handelt over Lathrodectus malmignatus var. Gurassavica. Hij
Ve BR S ni A Ge 195
laat den nog onbeschreven 2 zien, die zeer in grootte met het
g verschilt en hoopt dien later uitvoerig te beschrijven. Ook
wijst hij voor deze spin-soort op het groote verschil in teekening
tusschen 29, die eijeren hebben gelegd en die welke dit nog
niet hebben gedaan.
De heer Ritsema vertoont een stuk barnsteen of copaal, ge-
vonden aan het strand der Noordzee, bevattende twee of drie
insekten, alsmede eene groote vloo, in een hommelnest gevonden
en behoorende tot eene nieuwe soort. (Zie de beschrijving daar-
van op blz. 175 en volgg.)
De heer Snellen van Vollenhoven vertoont een zeer merk waar-
dige groote sluipwesp, door den heer Maurissen in Limburg
gevangen, welke aan Gravenhorst en Ratzeburg onbekend is ge-
bleven en eerst voor eenige jaren door den heer Giraud is be-
schreven, als eene nieuwe soort van Anomalon (A. fusciatum)
tot welk geslacht zij evenwel kennelijk niet behoort. Hij spreekt
voorts over het laatste geschrift der heeren Balbiani en Signoret,
handelende over den Periphyllus Testudo van ons geacht mede-
lid Prof. van der Hoeven, waarin deze schrijvers de meening
opperen en voorstaan , dat genoemd insect eene bijzondere (en
onvruchtbare) vorm zou zijn der gewone bladluis van den Spaan-
schen aker (Acer campestre) Aphis Aceris. Spr. deelt hunne
meening niet en vertoont twee poppen van andere Hemiptera
(in natura en in zeer vergroole afbeeldingen), hem door den
heer Six uit Driebergen toegezonden, die volgens dezen beide
ontwikkelingstoestanden van Delphax guttula Germ. zouden zijn,
ofschoon de een daarvan in gedaante veel gelijkt op de poppen
van Psylla of Chermes, zoo als die zijn afgebeeld bij de Geer
(Psylla Urticae). Deze, eene breede, ronde, vrij platte pop
heeft het lijf geheel omzet met vrij lange, stijve doorziglige
borstels, die door het microscoop gezien sterk op gesponnen
glas gelijken. Indien nu de Periphyllus eene larve is, vermoed
spreker dat zij eer tot eene Psylla dan tot eene Aphis zouden
behooren.
Dezelfde spreker doet eenige mededeelingen met betrekking
fot onze Fauna: hij zegt dat hij eene doos met inlandsche Phry-
13
194 VIE RESULT AC.
ganiden ter onderzoek toegezonden heeft aan den heer R. Mac
Lachlan te Londen en dat deze geleerde die heeft gedetermineerd,
als behoorende tot 48 species, welk getal merkwaardig is, als
men bedenkt dat niemand ten onzent zich nog op het verzamelen
van Phryganiden heeft toegelegd, terwijl in Engeland, waar dit
wel het geval was, slechts 124 soorten zijn aangetroffen. Voorts
spreekt hij over zijn voorloopig onderzoek van inlandsche Braco-
niden, over ontvangen verzamelingen van dieren dezer familie
uit Duitschland en over het groote aantal Hymenoptera dat de
heer G. A. Six in de omstreken van Utrecht heeft opgespoord.
Lijst der Genera van inlandsche Phryganiden ,
volgens R. Mac Lachlan.
Phryganea 9 soorten.
Agrypnia Lady
Limnephilus VCR
Glyphotalius Lf
Anabolia 4 ERIN,
Neuronia 1 ”
Stenophylax liv
Grammotaulius 2
Notidobia 1 7,
Leptocerus dr
Polycentropus 5 7
Enoieyla pusilla, leeft huiten het water. 2 vleugelloos.
Agraylea Aer
Hydroptila NET
Cyrnus 9! u
Beraea | 7
Tinodes Ar
Silo | ”
Psychomia | ”
Mystacides CENE
Triaenodes | 7
Phacopteryx Ril ye
48 soorten.
mn —
Vor hk S L'A-G 193
De heer Weijenbergh zegt het volgende:
Op de laatste Vergadering heeft onze president gewag gemaakt
van een fossiel insekt, de Eugereon Bockingii A. Dohrn en ik meen
dat bij die gelegenheid het eerste woord over Palaeo-entomolo-
gie in onze vergaderingen en in ons tijdschrift gesproken is.
Dat ook op dit gebied nog een rijk materiaal in ons land te
bearbeiden is, is misschien slechts enkelen uwer bekend, en het
is daarom dat ik op die schatten even de aandacht wil vestigen,
om er later, wellicht in ons tijdschrift, op terug te komen.
Ik bedoel met dit groote veld voor bearbeiding niet de enkele
plaatsen in ons land waar fossielen voerende aardlagen voorko-
men, maar een museum, waar een tal van fossiele insekten be-
waard wordt en als 't ware op beschrijving ligt te wachten; het
palaeontologisch museum van Teyler’s stichting te Haarlem, de
bewaarplaats van zoovele wetenschappelijke pretiosa.
Voor heden bepaal ik mij slechts tot het geven van een kort
overzigt dier entomologische schatten.
De oudste crustacéen , uit de palaeozoische periode, de Trilobiten, -
die alleen onder de steenkoollagen voorkomen en daarboven ver-
vangen worden door meer hedendaagsche vormen, doch in andere
geslachten en soorten, zijn er vertegenwoordigd door ongeveer
200 soorten in + 450 exemplaren, waarbij meer dan 95 onge-
determineerde , waarschijnlijk grootendeels onbeschreven soorten.
Eerst in het steenkooltijdvak komen, zoo als bekend is, andere
arthropoden voor en wel spinnen, hoewel slechts zeer zelden,
en de eigenlijke insecten. Deze, de mesozoische periode, wordt
er dan ook, behalve door + 80 Crustacéen in meer dan 500
exemplaren — behoorende tot de afdeelingen der Cirripedia
pedunculata 15 soorten, Poecilopoda 6 soorten, Isopoda 9 soorten
en Decapoda macroura meer dan 60 soorten, waarbij zeker 20
ongedetermineerde, wellicht voor de wetenschap nieuwe — ver-
tegenwoordigd door eenige arachniden, hemiptera, diptera ,
orthoptera en vele neuroptera, waarbij vele novae species, terwijl
meer dan 200 exemplaren uit den lithographischen schiefer van
Solenhofen , grootendeels, zoo niet allen, onbeschreven soorten
uit verschillende orden, ter bearbeiding liggen.
196 VAE ENS ML ANG:
Uit de aan insekten rijke cainozoische periode vindt men hier
een tiental soorten van crustacéen en arachniden, waarbij een
viertal nieuwe, voor ‘tmeerendeel uit de tertiaire lagen van
Oeningen, voorts diptera, neuroptera en kemiptera in een
twaalftal soorten (waarbij eenige nov. spec.), hymenoptera circa
50 soorten, meest van het geslacht Formica (enkele nov. spec.),
Coleoptera 25 soorten (+ 10 nov. spec.) , te samen in 995
exemplaren, allen van Oeningen en meerendeels door Prof. Heer
beschreven, en daarenboven van dezelfde plaats nog een 120tal
geheel niet gedetermineerde voorwerpen, die zeker ook grooten-
deels nieuwe soorten zijn.
Tevens is nog voorhanden eene collectie ongedetermineerde
insekten van verschillende orden in barnsteen.
Ik geloof dus niet te veel te rekenen als ik zeg dat daar 400
à 500 voorwerpen, die volgens Darwin tot onze familie be-
hooren, op onze kennismaking liggen te wachten.
Hiermede liepen de wetenschappelijke bijdragen ten einde en
het vergevorderde uur noopte buitendien tot het sluiten der
Vergadering.
DE INLANDSCHE BLADWESPEN
IN HARE GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN
DOOR
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.
VEERTIENDE STUK.
CIMBEX LUCORUM L.
N°. 2 der Bouwstoffen.
Wesp: Linn. S. Nat. ed. 12. n°. 1527. — Fagr. Ent. Syst. IL
105. n°. 2. — Kroo, Vers. Cimb. p. 85. n°. 4. -- Harrie,
Blatt- und Holzw. p. 68. n°. 5.
Larve: Briscuxe und Zavpacu in Schrift d. K. Phys. Oekon.
Gesells. zu Königsb. IN. p. 257. n°. 7. pl. II. fig. 7.
Cimbex migra fusco villosa, antennis rufo annulatis , tibiis
tarsisque fulvis.
BI
Eindelijk is het mij mogen gelukken de larve van Cimber
Lucorum op te kweeken. Men zal zich misschien herinneren
dat ik in 1845 in het » Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis
en physiologie der heeren van der Hoeven en de Vriese een
opstel geplaatst heb, dat tot opschrift voerde: over de Larve
van Cimbex Lucorum en hoe ik eenige jaren later in het 2° deel
van dit Tijdschrift (voor Entomologie) aantoonde dat ik mij in
de benaming vergist had. Sedert heb ik vele soorten van het-
14
198 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
zelfde wespengeslacht tot volkomen insecten gebragt, waarvan
eenigen afgebeeld en beschreven zijn, doch het gelukte mij niet
de soort magtig te worden, wier naam ik eenmaal aan eene
andere had toegekend, tot dat mij in het vorige jaar de larve
uit Gelderland toegezonden werd. Het is wederom aan mijn’
vriend de Roo van Westmaas, dat ik de nadere kennis dier
larve te danken heb.
In het laatst van Junij 1867 ontving ik door zijne welwillend-
heid twee jonge larven, bij Velp op berken gevonden. Zij waren
in kleur en gedaante volkomen gelijk aan die van Beluleli (zie
deel II, pl. 5, fig. 1), doch daar deze zich uitsluitend voedt
met meidoorn en het mij uit het aangehaalde opstel van Prof.
Zaddach bekend was dat ©. Lucorum op berken leeft, besloot
ik af te wachten of eene volgende vervelling ook eenig verschil
met de reeds door mij beschreven soort zou opleveren. En dit
was het geval. Na de laatste vervelling werd er een vrij groot
verschil bemerkbaar. De kleur der larve was lichter en blaauw-
achtiger groen dan die der larve van Betuleli; hare huid was
gladder, niet zoo digt met witte puntjes gekorreld, de vorm en
kleur van de vlek op den kop was anders en de stigmata (verg.
fig. 5) waren elliptisch met eene zwakke inbuiging op zijde
Ofschoon de vorm van het hoofd bij mijne twee larven niet ver-
schilde, was er onderscheid in den grondtoon der kleur en de
gedaante van de licht-sepiakleurige vlek op den schedel. Bij
de eene namelijk was de kleur flaauw roodachtig geel met twee
wigvormige, elkander niet aanrakende dwarsvlekken; de kleur
van den kop bij de andere was waskleurig geel en op den
schedel zag men eene groote, aan beide zijden puntig uitloopende
dwarsstreep. Bij beiden stonden de kleine oogen in ronde zeer
donker zwarte vlekken. De kop der eerstgenoemde is afgebeeld
bij fig. 2.
De teekening van fig. 1 werd door mij een dag of acht te
vroeg vervaardigd; de larve was toen nog niet geheel volwassen.
Zij worden bijna zoo groot als fig. 2 op plaat 5 van het 2° deel
en de witte wratjes in de zijden steken dan meer uit en zijn nog
helderder van kleur. Overigens zal ik niet behoeven te zeggen
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 199
dat de larve 22 pooten had, maar wel is het noodig op te
teekenen dat de klaauwtjes aan de voorpooten zwart waren.
Ik heb niet kunnen bespeuren dat deze larven, gelijk andere
Cimbices, vocht uit de zijden spuiten konden, ook heb ik boven
de stigmata geene openingen of klepjes bemerkt. Dezelfde
negative waarneming is door den heer Brischke gemaakt.
Den 25° Julij begonnen de larven zich tusschen de berken-
takjes in te spinnen. Het spinsel, voorgesteld bij fig. 4, was
hard, bruin van kleur, niet zoo groot als dat van Zucorum en
met meer wild en ruw spinsel aan de takjes en bladeren vast-
gehecht.
Daar ik slechts twee spinsels bezat, heb ik er geen van open
willen knippen en ben dus niet in staat iets van de pop te
zeggen, die wel waarschijnlijk sterk gelijken zal op die der zoo
na verwante soort.
Den 9° April van dit jaar (68) vond ik twee levende man-
netjes uitgekomen in de doos, waarin ik de cocons bewaard
had, van welke op de gewone wijze een rond calotje was afge-
knipt. In het laatst van Maart en het begin van April hadden
wij vrij warme, zeer zonnige dagen gehad.
Ziehier de beschrijving dier mannelijke wespen, waarvan de
eene vliegende is voorgesteld bij fig. 5, de andere rustende bij
fig. 6.
Het geheele ligchaam is oppervlakkig gezien zwart, naauwkeu-
riger beschouwd van eene donkere gebronsde aardkleur. De kop
onder de sprieten, de elypeus en de kaken zijn, evenzeer als
de oogen en ocellen gedurende het leven blinkend zwart. De
sprieten (zie fig. 8) zijn slank en bestaan uit 6 leedjes, waarvan
de twee eersten basaal, kort, vrij dik en in elkaar gedrongen,
zwart, het 5° iets langer dan de drie volgenden te zamen , eenig-
zins gebogen, zwart met donkerroode spits, het 4° en 5° rood
of roodachtig bruin, beiden naar het uiteinde verbreed zijn en het
6° waarschijnlijk uit 6—9 zamengegroeid, in allen gevalle nog
den naad tusschen 6 en 7 vertoonende, een zwarten peervor-
migen knop uitmaakt. De mondwerktuigen staan bij een der
uitgekomen voorwerpen eenigermate naar voren opgewipt. De
200 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
kop is rijkelijk met vrij lange zwarte haren bezet, behalve
onder de wangen, waar geelgrauwe haren staan
Het geheele borststuk is onder en boven met een’ dergelijken
dikken grauwen pels bekleed. Ook het abdomen heeft eene
zoodanige bekleeding, doch wat dunner en vlokkiger. De vleugels
zijn uit den geelrooden betint en hebben een’ fijnen rookkleuri-
gen zoom, die in iedere cel naar binnen inspringt. De groote
stammen der aderen zijn roodgeel, de vertakkingen en uiteinden
bruin; het stigma is zeer langwerpig bruinzwart.
Aan de pooten zijn heupen, dijringen en dijen glanzig zwart,
weinig gestippeld; de achterdijen niet bijzonder dik en slechts
met een’ zweem van een doornachtig uitsteeksel voorzien. De
scheenen zijn bruinachtig geelrood van kleur, de tarsen iets
minder bruin of geler, beiden met fijne goudgele haartjes bezet.
De binnenzijde der voorscheenen is geheel bezet met eene digte
rij goudgele korte borsteltjes. De klaauwtjes aan de pooten zijn
roodbruin met zwarte tipjes, de kussentjes daartusschen dof bruin.
De wijfjes verschillen van de mannetjes, behalve in de organa
generationis , alleen doordien het ligchaam grover en grooter is
en daarentegen de kaken kleiner zijn, alsmede de bovenlip en
de doorn aan de achterdijen.
Cimbex Lucorum schijnt in ons vaderland niet zeer gemeen;
er worden slechts nu en dan eenige voorwerpen waargenomen ;
evenwel herinner ik mij dat ik jaren geleden eens in een boschje
hakhout bij Voorschoten een tamelijk aantal dezer dieren elkander
om het versche groen der berkenboompjes heb zien najagen en
ik veronderstel dat wie het eerste voorjaar buiten doorbrengt,
wel gelegenheid zal hebben somwijlen vele individuen bijeen te zien.
In dit Tijdschrift heb ik nu van het geslacht Cimbex de
volgende soorten beschreven: connata Schr. (Deel VII, bl. 59,
1 en 2), axillaris Panz. (Deel V, bl. 49, pl. 1), Zucorum L.,
Vitellinae L. (lateralis Leach, Deel VI, p. 65, pl. 4), Betuleti
Hart. (door Zaddach Crataegi genoemd, Deel II, bl. 65, pl. 5},
Amerinae L. (Deel III, bl. 104, pl. 8) en van het zeer na ver-
wante geslacht Abia de soort aenea Kl. (nigricornis Leach, Deel I,
bl. 144, pl. 5). Mij blijven dus ter beschrijving overig Cimbex
Cimbex Lucorum, L.
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 201
Saliceti Zadd., door Lyonet en Voet in Nederland waargenomen,
Cimbex Sorbi Hart. indien deze, gelijk ik vermoed, ook in ons
vaderland voorkomt, met Abia fasciata L. en sericea L., die
beide in wespentoestand of als imagines hier waargenomen zijn.
Verklaring van Plaat 8.
Fig. 1. Eene bijna volwassen larve.
„ 2. Haar kop, vergroot.
” 9. Een luchtgat, sterk vergroot.
„ 4. Het cocon tusschen bladeren vastgesponnen.
v 5. Eene wesp vliegend.
„ 6. Eene wesp rustend.
” 7. Achterscheen en tars van het mannetje, vergroot.
„ 8. Ken voelspriet vergroot.
209 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
CLADIUS DIFFORMIS, Panz.
N°. 19 der Bouwstoffen.
Vergelijk voor de imago en larve:
Panzer, Fauna Germ. 72, fig. 10.
LEPELETIER DE St. Farceau, Monogr. p. 57, n°. 165.
BruLLé in Ann. de la Soc. Ent. de Fr. I, p. 508, pl. 11.
Hanrie, Blatt- und Holzwespen, p. 175, n°. 1.
Cladius niger, alarum tegulis, genubus, tibiis, larsisque
exceptis tarsis poslerioribus, flavescenti-albis, antennis maris
ramosis.
Van alle mij bekende Tenthredincten onderscheidt zich Gladius
difformis door den zonderlingen, fraai getakten vorm der sprieten
bij het mannetje. Wel vind ik bij Lepeletier de St. Fargeau t.
a. pl. onder n°. 166 eene tweede dergelijke soort onder den
naam van Cl. Geoffroyi beschreven, doch deze soort, die mij
nog nict is voorgekomen, schijnt slechts eene verscheidenheid
van de vorige te zijn en wel eene varieteit, die Lepeletier zelven
niet onder de oogen gekomen was, Cl. Geoffroyi verschilt door
gele kleur der pooten en door dien de kamstraal van het derde
lid der sprieten wit was, misschien ten gevolge van onvolledige
ontwikkeling.
De gedaante der sprieten van Difformis & moge bij het eerste
gezigt treffen, zeldzaam is de soort geenszins en men heeft dus
dikwijls gelegenheid deze aardige voelhorentjes in beweging te
zien. De soort leeft op vele soorten van rozen, misschien op allen.
Het is mij nog niet mogen gelukken het ei waar te nemen
of de plaats waar het geborgen wordt te ontdekken; ik veron-
derstel dat het eenvoudig in een sleufje van de bladnerf wordt
nedergelegd en wel elk eitje afzonderlijk op een afzonderlijk
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 205
blad, omdat men de larven zelden bij paren op de bladeren
aantreft.
Reeds in Mei vind ik larven op de rozen, verder den geheelen
zomer door tot op het eind van Augustus, ja bij warme zomers,
gelijk die van 1846, nog tot half September. Zij zitten altijd
aan de onderzijde der bladeren en grazen dan plekken van het
parenchym af, zoodat de bladeren een zeer treurig uitzigt krijgen,
gelijk ik zulks voorgesteld heb bij fig. 1. Later, als de larven
de derde vervelling doorstaan hebben, eten zij ook gaten in de
bladeren en knagen aan de randen.
De larve wordt tot 15 mm. lang. Zij is, even als die der
overige Cladien, met uitzondering van Cl. viminalis (verg. Deel I,
bl. 176, pl. 10) platter en breeder dan gewoonlijk larven van blad-
wespen plegen te zijn en heeft 20 pooten, daar de vierde en
elfde ringen des ligchaams alleen geene pooten bezitten. De
kop, bij jonge larven werkelijk bruin, is bij volwassen voorwer-
pen groen met honderden kleine bruine stippen, zoodat hij,
zonder de hulp van een vergrootglas beschouwd, bruin schijnt
te zijn; hij is met betrekkelijk lange grijze haartjes bezet; de
oogen staan in zwarte ronde plekken en de monddeelen zijn
bruin.
Het ligchaam dat naar achteren in hoogte en dikte eenigzins
afneemt, is geelachtig groen met eene donkerder streep over
den rug (zie fig. 2). Op ieder segment bevinden zich drie rijen
van knobbeltjes (verg. fig. 5), die met zeer fijne witte haren
bezet zijn en waarvan die van de laatste rij langer en donkerder
zijn dan die der beide anderen. Ook boven iedere poot ziet men
twee schuin onder elkander geplaatste, meer elliptische knob-
beltjes, insgelijks behaard. De buikpooten zijn geheel groen,
de meer hoornachtige voorpooten glasachtig groen met bruine
klaauwtjes.
Enkele voorwerpen waren boven op den rug groen en in de
zijden bleek vuilgeel met twee donkerder strepen langs den
hals; eene andere was geheel vuil okergeel van kleur, doch
scheen ziekelijk en is ook voor het inspinnen gestorven.
Over het geheel zijn deze larven traag en kruipen moeijelijk.
=
204 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
Zij spinnen zich in onder afgevallen biaderen of in de scheuren
en spleetjes der rozenstammetjes. Het spinsel is dubbel, gelijk
zulks bij de vierde figuur afgebeeld is, waar a het buitenste,
doorschijnende en losse weefsel en b het binnenste, altijd ovale
en iets dikkere, lichtgrijze of witte spinsel voorstelt. Hetzelfde
hebben wij bij Cl. albipes en uncinatus waargenomen.
De lengte van den tijd, dien het insect binnen deze weefsels
doorbrengt, hangt af van het tijdperk van het jaar, waarin de larve
zich inspint. Geschiedt dit in het voorjaar of den zomer, dan
duurt het verblijf slechts veertien dagen of drie weken, maar
spint de larve zich in September in, dan komt de wesp eerst
in het volgende voorjaar uit. Eene larve, ingesponnen 25 Mei
leverde de wesp 14 Junij; uit volwassen larven die ik den derden
Augustus gevangen had, ontwikkelden zich reeds in het midden
dier maand drie wespen, allen mannetjes.
Knipt men zoodanig spinsel even voor den tijd van uitkomen,
dat is den 16° of 17° dag open, zoo vindt men de pop reeds
geheel, of nagenoeg geheel, gekleurd daarin liggende, in gedaante
als onze fig. 5, welke een popje voorstelt, dat reeds zoo na bij
het uitkomen is, dat het bewegingen begint te maken met de
sprieten, de palpen en de laatste leedjes der tarsen. Het was
toen ik het teekende, reeds zwart met vuilwitte pooten en eene
grauwe streep in de zijden, zijnde de membraan tusschen de
rug- en buikplaten.
Bij Brullé zijn in Julij de volkomen insecten na 15 dagen
ontwikkeld.
De wespen (zie fig. 6 en 7) zijn zwart met gedeeltelijk vuil-
witte of licht okergele pooten. De mannetjes zijn 4 of 5, de
wijfjes 5—7 streep lang. De kop is bijna zoo breed als het
borststuk, glanzig zwart met zeer korte grijze haartjes dun be-
kleed. De voelers aan den mond zijn bij beide geslachten vuil-
wit. Het borststuk is zwart met dunne grijze beharing, soms
bij de wijfjes met een tint van zeer donkere sepia; de rugge-
korreltjes vuilwit, het achterlijf glanzig zwart. De pooten zijn
glanzig zwart tot aan de knie en van daar vuil wit of bij som-
mige mannetjes licht okergeel; de drie laatste leedjes der tarsen
e
Cladius difformis, Panz.
LEA
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 205
aan de achterpooten, soms allen en de spits der scheenen
bovendien, vuilbruin. De vleugels zijn van de basis tot over de
helft rookkleurig met bruine aderen, vuilwitte of roodachtig
lichtbruine randader en het stigma van dezelfde kleur of vaalbruin.
De sprieten zijn iets langer dan kop en borststuk, zwart en
bij het mannetje zeer eigenaardig gevormd (de afbeelding bij
Hartig op Tab. 2, f. 20 is niet volkomen juist, verg. onze fig. 8 4).
De twee eerste leden zijn kort en dik, ringvormig, het derde
draagt aan de onderzijde een klein harig knobbeltje en aan de
bovenzijde bij de spits een behaarde vertakking als die aan de
hertenhoornen, 13 maal langer dan het lid zelf; het vierde,
vijfde en zesde lid dragen dergelijke takken, doch die bij elk
volgend lid korter worden, zoodat die van het zesde slechts even
aan het einde uitsteekt; het zevende lid is aan zijn einde naar
boven toe iets puntiger dan naar onderen, het achtste is een-
voudig eylinder- en het negende priemvormig.
Bij het wijfje (zie fig. 8 2) ontbreken de knobbel en de ver-
takkingen; de leedjes 5, 4, 5 en somtijds ook 6 zijn alleen
naar boven eenigzins verbreed, scheef afgesneden en aan de uit-
stekende bovenzijde van een fijn stekeltje voorzien.
De zaag en eijerlegger van het wijfje gelijken zeer op die
van Clad. albipes, doch zijn iets breeder en de eerste is met
fijner en scherper puntjes gewapend.
Cl. difformis is op verschillende plaatsen in ons land gevangen
en zal waarschijnlijk wel overal gemeen zijn, waar rozen worden
gekweekt.
Verklaring van Plaat 9,
Fig. 1. Een blad van een rozenstruik, door de larve afge-
weid en doorvreten.
„ 2. De volwassen larve.
„ 3. Een der segmenten van het ligchaam, vergroot.
” 4. Het spinsel; a buitenste, h binnenste weefsel.
Het popje even voor het uitkomen , vergroot.
Eene mannelijke wesp, vergroot.
Eene vrouwelijke wesp, vergroot.
x
OO NI D cx
Mannelijke en vrouwelijke spriet.
206 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
NEMATUS ABBREVIATUS, Hanr.
N°. 49 der Bouwstoffen.
Vergelijk voor het volkomen insect:
Marrie, Blatt- und Holzwespen, p. 205, n°. 58.
De larve nog onbeschreven.
Nematus fusconiger, crassus, abdomine contracto , prothorace
supra, trochanteribus, femorum apice, tibiis tarsisque anlerio-
ribus luteis, tibiis tarsisque posticis variegalis.
In het geslacht Nematus van Jurine, dat eigenlijk eerst door
Hartig juist afgebakend is, maar dat, gelijk de geheele verdee-
ling van laatstgenoemden schrijver, werkelijk voornamelijk berust
op kenmerken aan het beloop der vleugeladeren ontleend, treft
men groepen aan, vrij sterk verschillend in ligehaamsbouw.
Eenigen zijn vrij lang gestrekt en slank van ligehaam en tot die
groep behooren N. Salicis, septentrionalis en dergelijke soorten,
wier larven 20 pooten bezitten, ofschoon zij de laatste paren
weinig gebruiken en het achterlijf telkens en bijna zonder op-
den op en neder wippen. Anderen , waartoe onze Abbreviatus
behoort, zijn kort en gedrongen van gestalte en schijnen voort
te komen uit larven met slechts 18 pooten voorzien. Indien dit
als regel doorging, ’t geen ik nog geenszins durf beweren, dan
zou het mijns inziens een bewijs zijn dat de verdeeling uitslui-
tend steunende op verschil in aderbeloop kunstig en niet na-
tuurlijk is. Het zou evenwel voorbarig zijn voor als nog te veel
waarde te hechten aan eene waarneming omtrent de metamor-
phose van eene enkele soort gedaan.
Het volkomen insect van Nem. abbreviatus wordt zelden ge-
vonden. 't Kan zijn dat het met verachting wordt over het
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 207
hoofd gezien, als behoorende tot die weinig belangwekkende
menigte van zwarte bladwespjes met witte, gele of roodachtige
knieen en voorscheenen, die men nagenoeg overal tegenkomt;
‘tis echter ook mogelijk dat de wesp waarlijk zeldzaam is en ik
wil wel bekennen dat ik tot dit gevoelen overhel, als ik bedenk
welk eene moeite ik gehad heb om een larve uit een dertigtal
tot verandering te brengen. Die moeite moge dan ook tot mijne
veroûtschuldiging strekken, indien soms iemand aanmerking zou
maken op de onvolledigheid van deze levensgeschiedenis.
In het begin van Mei vond ik jaarlijks op de bladen van twee
pereboomen in mijn tuin groene larven, gelijk die afgebeeld zijn
op onze tiende plaat. Wanneer zij zeer jong zijn, hebben zij
een rond gat uit het blad gebeten, dat noch de middennerf,
noch den zijrand raakt, en zij zitten alsdan met eenigzins inge-
bogen rug tegen den door haar beknaagden rand van het gat,
zoodat zij alleen door scherpziende oogen bemerkt zullen worden.
Nimmer heb ik larven gevonden kleiner dan die bij fig. 1
voorgesteld, zoodat het ook hier weder zeer moeijelijk schijnt
om het allereerste punt van uitgang te ontdekken. Ondertusschen
vond ik bijna altijd in den steel van de bladeren, op welke
of liever in welke zulke jonge larven leefden, een lidteeken (zie
fig. 2), dat mij toescheen de plaats aan te wijzen, waar het
eitje verborgen was geweest, waaruit het larfje voortgekomen was.
Het schijnt wel dat de maskers zich verplaatsen, dat wil
zeggen, niet voortdurend het eens aangebeten gat blijven ver-
grooten; want men vindt vele gaten van de grootte van een
stuivertje zonder bewoner, alsmede bladeren met twee of drie
gaten. Heeft de larve de grootte bereikt die bij fig. 5 aange-
geven is, zoo wordt het haar onverschillig of zij mede van den
bladrand eet en wanneer zij eenmaal zoo ver in haar levens-
tijdperk gevorderd is, blijft zij, die vroeger steeds met een’
hollen rug zat, voortaan zoo regt mogelijk zitten, zoo zelfs dat
hare 2 of 5 laatste segmenten dikwijls zonder steun regtuit
steken. Larven die ik den 8° Mei als fig. 1 gevonden had,
waren drie weken later als fig. 4 volwassen.
De groene kleur van het masker is in de jeugd eenigzins
208 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
geelachtig , later op den rug een grijsachtig groen, gelijk aan
dat van sommige wilgenbladen en op buik en pooten lichter en
tevens eenigzins naar het gele zweemende. De kop is flaauw
uit den bruinen betint, of zeer licht feuille-morte. Het ligchaam
is vrij slank, glad, onbehaard met twee vrij dikke rimpels op
elken ring, loopende tot aan de rij der stigmata. Van dezen
is alleen het eerste zeer duidelijk te zien, zijnde betrekkelijk
groot en zwart omzoomd, terwijl de overigen veel kleiner zijn
en witte randen hebben. Aan den kop zijn de bovenkaken
bruin en staan de kleine oogen in ronde, zwarte plekjes.
Behalve de drie paar groene, nog al vrij lange borstpooten,
telt men slechts zes paren vliezige buikpooten en aan het laatste
segment niet, gelijk gewoonlijk, nog een paar pooten. Deze
ontbreken geheel. Het staarteinde is eenigzins puntig. Van
wippen met den staart of uitstrekbare kliertjes tusschen de pooten
was bij deze soort geene spraak.
Tegen het einde van Mei deed ik mijne larven (die ik tot nog
toe buiten gelaten had, omdat ik bij ondervinding wist dat
perentakjes, ofschoon in water gestoken, zeer spoedig verleppen)
in groote suikerglazen tot zekere hoogte met vochtige aarde ge-
vuld. De eene voor, de andere na liet zich van de bladeren
vallen en kroop in de aarde. Den geheelen zomer door zag ik
van tijd tot tijd de glazen na, onderzoekende of ik er ook leven
in zou kunnen bespeuren, doch steeds te vergeefs, zoodat ik in
October het nazien naliet, hopende in het voorjaar met het zien
vliegen der wespjes verrast te zullen worden. Doch het werd
Mei en ik had nog geene wespen gezien. Ik nam al de oude
perenbladen weg en vond daaronder eene vrouwelijke wesp dood,
waarschijnlijk had zij zich voortdurend onder de bladeren ver-
scholen gehouden en was dit de reden waarom ik haar niet
had bespeurd. Vruchteloos keerde ik nu bij kleine gedeelten al
de aarde uit de flesch om, in de hoop nog eenige poppen en
bijna ontwikkelde wespen aan te treffen; ik vond niets en moest
met mijn unicum te vrede zijn.
Dit was een wijfje. Voorwerpen van dezelfde soort door den
heer G. A. Six en mij in April of Mei gevangen, waren ook
Nematus abbreviatus, Hart
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 209
wijfjes en ik kan dus geen mannetje beschrijven. Ook Hartig,
die van onze soort zegt «fliegt Mitte April in Garten», schijnt
niets dan wijfjes te hebben onder de oogen gehad. Men zal
zich herinneren dat bij meer soorten van bladwespen en zelfs
daaronder vrij gewonen, de mannetjes schijnen te ontbreken,
‘tgeen Prof. Siebold doet vermoeden dat hier even als bij som-
mige galwespen, parthenogenesis voorkomt.
De wesp is slechts 4 tot 5 Ned. streep lang en heeft eene
vlugt van 1 duim. Het geheele ligchaam is glanzig zwart. De
breede en zeer weinig vooruitstekende kop is, even als de thorax
met zeer fijne, plat nederliggende zijdeachtige haartjes bedekt.
De oogen, die wijd uit elkander staan en langwerpig rond en
matig bol zijn, hebben eenen ietwat bronsachtigen tint. De
zwarte sprieten hebben de lengte van het achterlijf en zijn ge-
heel gelijkvormig aan die van andere Nematus-soorten, bij voor-
beeld Vallator. De uiterste hoeken van den prothorax naar de
inplanting der vleugels toe en de gewrichtsknobbel van de voor-
vleugels zijn roodachtig vuil wit. De voorpooten, van even voor
de knie, hebben dezelfde kleur, die naar de tarsen toe iets
donkerder wordt; aan de middel- en achterpooten zijn de knieën
mede vuil roodachtig, doch de dijen en tarsen zijn vaalgrauw,
al de apophysen en de tippen der heupen hebben mede dezelfde
vale roode kleur. Aan de doorzigtige, min of meer iriserende
vleugels valt niets bijzonders op te merken; de aderen zijn
vaal aardkleurig zwart, behalve de grooteren aan de inplanting,
waar zij vuil wit zijn.
Verklaring van Plaat 10.
Fig. 1. Eene zeer jonge larve.
„ 2. Het lidteeken aan den steel, vermoedelijk van de eibeurs.
„ 5. Eene meer gevorderde larve.
„ 4. Eene volwassen larve.
„ 5. Dezelfde, vergroot
v 6. Eene vliegende vrouwelijke wesp, vergroot.
„ 7. Een der voorpooten, vergroot.
„ 8. Een der achterpooten, vergroot,
BOEKAANKONDIGING,
De vlinders van Nederland (Macrolepidoptera) ,
systematisch beschreven door P.C. T. SNELLEN,
Lid der Nederlandsche Entomologische Vereeniging.
's Gravenhage, Martinus Nijhoff. 1867.
Bedenkt men hoezeer de wetenschappelijke beoefening der
dierkunde, zich in de laatste jaren allerwege ontwikkeld heeft
en welke belangrijke uitkomsten daarvan het gevolg geweest
zijn, dan is het voor ons, Nederlanders, eene voldoening, het
bewijs te kunnen leveren dat ook wij, in dit opzicht, evenmin
ten achteren bleven. Men vergelijke daartoe slechts de heden-
daagsche voortbrengselen onzer litteratuur op zoologisch gebied
en de vrij volledige kennis welke wij tegenwoordig van onze
inlandsche fauna bezitten, met den toestand die zich voor een
dertigtal jaren hier te lande voordeed, toen de meesten onzer,
soms zelfs rijke verzamelingen, in waarheid meer den stempel
droegen eener dorre verzamelaars-liefhebberij, dan wel van echt
wetenschappelijke studien. Niet dat wij daarom willen beweren,
dat alle streven naar meerdere kennis ontbrak en dat ook toen
geene verdienstelijke mannen de eer van ons vaderland hand-
haafden; de wereldberoemde werken van onzen onlangs ontslapen
Professor J. van der Hoeven bewijzen het tegendeel, doch gemis
aan gemeenschappelijke samenwerking en vooral aan goede leiding
hadden langzamerhand een’ staat van onverschilligheid doen ge-
boren worden die het verklaarbaar maakt, hoe zelfs het bekende
vlinderwerk van Sepp slechts een kwijnend bestaan kon voort-
ille Ban
BOEKAANKONDIGING. 211
slepen en alleen door de hand van den talentvollen Ver Heull
van eenen gewissen ondergang bewaard bleef.
Om uit dien toestand te geraken en de zucht tot het nasporen
der natuurwonderen, die vroeger landgenooten als Swammerdam,
Lyonet, Voet en zoo vele anderen bezielde, weder meer alge-
meen op te wekken, was een krachtige stoot noodig. Velen
gevoelden dit, en van daar eene poging tot herstel, die in 1845
ten gevolge had de oprichting onzer thans zoo bloeijende £nto-
mologische Vereeniging, welke zich ten doel stelde de beoefening
der insektenkunde in Nederland te verbreiden en daartoe, bij
het in 1852 herziene reglement, als een der beste middelen
aanprees het samenstellen van lijsten van inlandsche insekten,
als grondslag voor eene later te bezorgen Fauna entomologica.
Het was de heer J. À. Herklots, van wien het voorstel tot deze
aanvulling afkomstig was en aan wien bovendien de eer toekomt
van reeds in 1851 den waren weg te hebben aangewezen door
het uitgeven zijner «Bouwstoffen voor eene fauna van Nederland»,
waarbij hij van de juiste stelling uitging, dat de kennis der in
ons vaderland voorkomende diersoorten de hoofdbron is van alle
ontwikkeling onzer studie. Door dit werk werd, voor het eerst,
de gelegenheid geopend om zoo wel eigene waarnemingen te
kunnen mede deelen, als om die van anderen te leeren kennen
en menigvuldige bijdragen toonden dan ook spoedig het doel-
treffende van dien maatregel.
Zoo verschenen, gedurende vijftien jaren, verschillende op-
gaven en lijsten, niet alleen van vogelen en visschen, maar ook
van alle insekten-orden en geraakte de nog verborgen rijkdom
van onzen uit zoo vele grondsoorten bestaanden bodem, meer
en meer bekend, tot dat de heer Herklots onlangs besloot zijn
werk te eindigen, oordeelende, dat het nog ontbrekende nu
verder in andere Tijdschriften kon aangevuld worden en dat de
verschijning van het gedeelte van Kruseman’s « Natuurlijke ge-
schiedenis van Nederland», dat de dieren bevat, het hoofddoel
van deze lijsten van inlandsche dieren deed vervallen.
In hoe verre deze beschouwing, in allen deele, juist zij,
willen wij niet beoordeelen; zeker is het echter, dat de omvang
919 BOEKAANKONDIGING.
van bedoeld werk het slechts mogelijk maakt om enkele orden,
gelijk Professor Schlegel dit van die der visschen en zoogdieren
gedaan heeft, volledig te behandelen. Voor de afdeeling der
insekten was dit door de ontzettende uitgebreidheid van het
onderwerp niet doenlijk en dus moest zich de heer Snellen van
Vollenhoven, die de «Gelede dieren van Nederland» bewerkte,
noodwendig bepalen tot het geven van een overzicht, dat door
hem besloten werd met den wensch, dat het spoedig mogt op-
gevolgd worden door eene meer in bijzonderheden afdalende
en alle soorten naauwkeurig behandelende beschrijving van eenige
familien of orden van Articulaten.
De wensch is eerst thans, wat de Macrolepidoptera betreft,
door den heer Snellen vervuld en daarmede tevens een gedeelte
van het doel bereikt, dat men zich met het stichten der Ento-
mologische Vereeniging voorstelde.
Wij noemen dus bovenstaand werk een verblijdend verschijnsel
en begroeten het met vreugde als de eersteling eener systema-
tische beschrijving onzer Fauna entomologica. Daarom, vooral
ook, achten wij het ons een aangenamen plicht het met een
kort woord bij onze Nederlandsche entomologen in te leiden, in
de overtuiging, dat allen en niet het minste zij, voor wie de
meestal kostbare werken uit den vreemde ontoegankelijk zijn,
er met ons den heer Snellen voor zullen dank wijten, dat noch
moeite, noch opoffering van tijd, hem van het ondernemen zijner
zoo omvangrijke taak terug hielden.
Van groot belang is het daarbij dat de schrijver getoond heeft,
volkomen op de hoogte van zijn onderwerp te zijn, dat door
hem op eene meesterlijke wijze is uitgewerkt.
De behandeling heeft veel overeenkomst met die welke door
von Heinemann, in zijn bekend werk « Die Schmetterlinge Deutsch-
lands und der Schweiz», gevolgd is en is eveneens op analytische
wijze ingericht.
Vooraf gaat eene inleiding die de kenmerken van het verschil tus-
schen Lepidoptera en andere insekten schetst en die tevens de be-
schrijving inhoudt van de lichaamsdeelen der vlinders, welke tot her-
kenning der verschillende familien het meest in aanmerking komen.
BOEKAANKONDIGING. 915
Het systeem van een aderloop der vleugels is hier uitvoerig
ontwikkeld en ligt voornamelijk ten grondslag aan de geheele
indeeling; ook zijn de vier achter het werk gevoegde platen,
die meerendeels vergroote afbeeldingen bevatten, allezins ge-
schikt om de beschrijvingen der hoofdafdeelingen te verduidelijken.
Van de eerste toestanden, namelijk, van het ei, de rups en
de pop is zeer weinig gezegd. Wij hadden daaromtrent wel
eenige meerdere volledigheid gewenscht en vooral ook eene be-
schrijving der lichaamsdeelen van de rupsen en poppen niet
overbodig geacht, hoewel wij gaarne toegeven dat eene uitvoerige
behandeling te dien opzichte minder in het plan van een systematisch
werk ligt. Evenwel zullen eerstbeginnenden, aan wien men dit
boek in handen geeft, zich hierin eenigzins teleurgesteld vinden.
Voor de terminologie zijn de Duitsche en Engelsche schrijvers
gevolgd, vooral echter Herrich-Schäffer.
Voor de soorten is de oudste systematische naam aangenomen
en van dezen regel slechts in enkele gevallen afgeweken, zoo als
b. v. bij Ypsilon Hb., waarvoor de nieuwere naam Fissipuncta
Haw. is in plaats getreden, ten gevolge van het veranderen van
Suffusa Hb. in Ypsilon Hufn , waardoor anders dezelfde naam
tweemaal onder de MNoetwina zoude voorkomen. Om dezelfde
reden ware het zeker niet ondoelmatig geweest ook eene uit-
zondering toe te laten voor Bapta temeraria Hb., die nu Pun-
ctata F. heet, ofschoon wij onder de Geometrida reeds eene
Punctaria L. bezitten. Dat wij thans eene Orgya en eene
Agrotis Ericae, benevens eene Asphalia en Axylia Putris beko-
men hebben, is te verdedigen door het voorkomen dier soorten
in verschillende familien, hoewel het twee maal gebruik maken
van dezelfde namen, zoo het verschil niet buitengewoon sterk
in het oog loopt, gelijk dit b. v. bij Brassicae, Crataegi enz.
het geval is, ons minder verkieselijk toeschijnt.
Ook heeft de schrijver geoordeeld de namen te moeten aan-
nemen zonder veranderingen om redenen van taalkundigen aard.
Wij zijn die stelling niet toegedaan en achten alle verbeteringen
te dien opzichte wenschelijk. Zoo komt het ons voor dat er,
ten minste, geslachtsovereenkomst dient te bestaan tusschen de
15
914 BOEKAANKONDIGING.
genera en species, en daarom verbindingen als b. v. Sciapteron
tabaniformis of Heliophobus leucophaea moeten vermeden wor-
den. Evenzeer keuren wij af het verminken van woorden waarvan
de afleiding niet twijfelachtig is, gelijk dit plaats heeft met
Hepialus sylvina, waarvan de geslachtsnaam ontleend is aan het
Grieksche woord grioAos (lichtmot) dat mannelijk is, zoodat men
zoude behooren te schrijven Epiolus sylvinus.
Het werk is gesplist in twee groote afdeelingen Rhopalacera
en Heterocera, waarvan de eerste 2, de laatste 19 familien be-
vat, die te samen in 220 genera verdeeld zijn.
Het aantal behandelde soorten bedraagt 686, waaronder er
55 zijn die vroeger niet als inlandsch bekend waren, namelijk,
95 alleen uit Limburg, 2 uit Limburg en Noord-Braband, 2 uit
Gelderland en Limburg, 1 uit Gelderland en Noord-Braband,
1 uit Gelderland, 1 uit Noord-Braband, 1 uit Zuid-Holland en
9 uit Noord-Holland, onder welke laatsten wij eene geheel nieuwe
species, Sericaea Snel., aantreffen.
Aan iedere afdeeling gaan analytische tabellen vooraf, waarbij
de soorten in groepen zijn gerangschikt, die ten doel hebben
om het opzoeken der onderdeelen gemakkelijker te maken.
Hierbij is de schrijver met veel zorg en overleg te werk gegaan
en heeft hij, ofschoon zelf erkennende eene volkomen natuurlijke
opvolging niet doenlijk te achten, toch getracht deze zoo gelei-
delijk mogelijk daar te stellen. Hierdoor is van zelfs eene
eigene wijze van rangschikking ontstaan, die, gevoegd bij menig-
vuldige andere wijzigingen, het werk in vele opzichten van dat
van vroegere schrijvers onderscheidt.
Om een en ander beter te doen uitkomen, gelooven wij dat
eene vergelijking met de werken van Lederer, von Heinemann
en Staudinger een’ geschikten grondslag voor onze verdere be-
schouwingen oplevert.
Wij zien dan, dat niet alleen de volgorde grootendeels ver-
anderd is, maar ook dat verscheidene genera zijn weg gebleven
of door anderen vervangen, dat enkele nieuwe zijn ingevoegd
en dat een aantal soorten uit het eene geslacht in het andere
zijn overgeplaatst.
BOEKAANKONDIGING. 915
Ofschoon wij meenen de verzekering te kunnen geven, dat de
schrijver bij dit alles eene groote naauwkeurigheid heeft betracht
en geene verandering heeft gemaakt zonder die door een grondig
onderzoek te hebben doen voorafgaan, laat evenwel ons bestek
niet toe dit uitgebreide werk in alle zijne onderdeelen te ont-
leden en bepalen wij ons daarom tot het opgeven van de vol-
gende punten van verschil die wij bij eene vergelijking met
bovengenoemde schrijvers ontdekten.
Uit de familie Psychidae, die nu niet gelijk bij von Heinemann,
op de Hepialidae, maar even als bij Staudinger onmiddelijk op
de Cocleopodae volgt, zijn in navolging van Herrich-Schäffer, op
grond van eenig verschil in den aderloop, twee genera wegge-
laten, namelijk G. £pichnopterix Hb. en G. Fumea Haw., waarvan
de beide soorten Pulla Esp. en Nitidella Hb. tot de microlepi-
doptera gebracht worden.
De familie der Chelonariae is thans in drie afdeelingen ge-
splitst, Maliadea, Nolina en Chelonariae, waarvan de eerste
G. Halias Tr., G. Earias H. S. en G. Chloeophora Stph., de
tweede G. Sarrothripa Staud. (beter Sarothripa) en Nola Leach
bevat. Bij von Heinemann zijn daarentegen de soorten van het
G. Nola onder G. Roeselia Hb. in de Lithosina opgenomen,
terwijl het G. Wola van dien schrijver de soorten bevat, die nu
onder G. Nudaria Stph. en Calligenia Dup. geplaatst zijn en
deze het G. Sarrothripa onder zijne Deltoidae aan het slot zijner
Noctuidae heeft opgenomen. De schrijver heeft hier, naar ons
inzien, terecht Staudinger gevolgd, die echter het G. Sarrothripa
aan het hoofd zijner Nycteolidae stelt en Prasinana L. benevens
Quercana W. V. in een afzonderlijk G. //ylophila Hb. plaatst.
Even als bij de nieuwere schrijvers, komen de genera Aventia
Dup. en Boletobia Bd., waarvan de soorten Flewula W. V. en
Fuliginaria Clerck, vroeger tot de Geometridae gerekend wer-
den, nu onder de Wocluinen voor en volgen ook daarop onmid-
delijk, de eertijds onder de Pyraliden gerangschikte genera
Hypena O., Hypenodes Gn., Tholomiges Led. , Herminia Latr.
(waaronder Barbalis L., die Lederer en Staudinger in het G.
Pechipogon Stph. hebben), Zanclognata Led., Sophronia Gn. en
216 BOEKAANKONDIGING.
Rivula Gn., terwijl wat de familie Brephidae betreft, die nu
achter de Noctuina komt, Staudinger gevolgd is en niet von
Heinemann, die deze familie aan het einde zijner Bombyces
plaatst.
Onder de genera Nemoria Hb., Phorodesma Bdv., Geometra L.
en Pseudoterpna H. S. komen bij Snellen voor de soorten die
men bij von Heinemann onder G. Geometra, Thalera Hb.,
Nemoria en Pseudoterpna vindt, doch in eene andere rang-
schikking, even als de genera zelven , die bij hem als gen. XVI—XIX
achter G. Macaria Curt. en bij v. Heinemann als gen. LXIX —LXXII
achter Paruscotia Hb. volgen. Ook Lederer en Staudinger hebben
dezelfde genera, met bijvoeging nogtans van het G. Jodis Hb.,
waarin Putata L. en Lactearia L. zijn opgenomen, maar plaatsen
hen aan het begin hunner Geomelrae.
Verder vinden wij bij Snellen de volgende genera die, be-
halve G. Aporia, G. Axylia, G. Ilarus, G. Pyrrhia en G. Cerigo
ook allen door Staudinger zijn opgenomen, doch niet bij von
Heinemann voorkomen, G. Aporia Hb., waarin Crataegi L. die
bij Staudinger en von Heinemann onder G. Pieris Schr. staat.
G. Deilephila O., waarvan de soorten bij von Heinemann
onder G. Sphinx O. voorkomen.
G. Phragmatoecia Newm. alleen met Castaneae Hb. bij von
Heinemann onder het G. Zeuzera Latr. geplaatst.
G. Nudaria Stph. met Senex Hb. en Mundana L. die door
von Heinemann in G. Nola Leach zijn opgenomen met Miniata
Forst., die door Snellen in een afzonderlijk genus Colligenia Dup.
(bij von Heinemann subgenus van G. Wola) geplaatst is.
G. Dyschorista Led. met Suspecta Hb. en Fissipuncla Haw.
die bij von Heinemann in het G. Hadena 0. voorkomt.
G. Panolis Hb. met Piniperda Esp., die bij von Heinemann
in het G. Trachea Hb. staat, welk genus ook door Snellen behou-
den is, die er echter alleen Atriplicis L. in plaatst, door von
Heinemann onder het G. Hadena O. opgenomen.
G. Axylia Hb. alleen met Putris L.
G. Ilarus Bdv. alleen met Ochroleuca W. V., die bij de andere
schrijvers onder het G. Agrotis O. en G. Hadena 0. voorkomen.
BOEKAANKONDIGING. 917
G. Heliophobus Bdv., waarin drie soorten, Popularis W. V.,
Cespitis W.V. en Leucophaea W.V., waarvan de andere schrij-
vers de beide eersten onder het G. Neuronia Hb. (dat Snellen
niet heeft) en de laatste soort onder G. Mamestra Hb. plaatsen.
G. Helotropha Led. met Haworthii Curt., Nictitans L. en
Leucostigma Hb., waarvan von Heinemann MNictitans L onder
G. Hydroecia Gn. en de beide anderen onder G. Hadena 0.
opneemt
G. Pyrrhia Wilde (moet zijn Hübner) met Umbra Ufn., bij
Lederer en Staudinger onder G. Chariclea Kirby, bij von Heine-
mann onder G. Hydroecia Gn. geplaatst, in welk laatste genus
Snellen alleen Micacea Esp. heeft.
G. Cerigo Bdv. alleen met Matura Hfn. die bij von Heinemann
onder het G. Hadena, bij de andere schrijvers onder het G.
Luperina Bdv. voorkomt,
G. Phorodesma Bdv. alleen met Pustulata Hfn., die bij von
Heinemann onder Geometra L. slaat.
G. Phigalia Dup. met Pilosaria W. V. die door von Heinemann
in het G. Amphidasis is opgenomen, welk genus bij Snellen en de
andere schrijvers alleen Betularia L. bevat, doch bij von Heine-
mann al de soorten die door Snellen in het G. Nyssia Bdv. en
door de anderen in het G. Biston Leach geplaatst zijn.
G. Selidosema Hb. met Plumaria W.V. en Strigillaria Hb.,
zijnde de eerste soort door von Heinemann onder G. Cleora Bdv.
(subgenus van Boarmia Tr.) de tweede door hem onder het G. Per-
conia Hb. (dat bij Snellen vervallen is) en door de andere schrij-
vers onder het G. Aspilates Tr. opgenomen.
G. Thamnonoma Led. alleen met Wavaria L., die bij von
Heinemann onder G. Fidonia Tr. is gebracht.
G. Zerene Tr. alleen met Adustata W.V. bij von Heinemann
onder Fidonia Tr. geplaatst.
Behalve de bovengenoemden ontmoelen wij nog bij Snellen
twee geheel nieuwe genera, namelijk, G. Craniophora Sn. met
Ligustri W. V. en G. Spudaea Sn. met Ruticilla Esp., welke
soorten bij de andere schrijvers onder de G. Acronycta Tr. en
Orthosia Esp. zijn opgenomen. Ook is het G. Bupalus Leach door
218 BOEKAANKONDIGING.
Snellen veranderd in het G. Bupala Sn., waarin alleen voorkomt
Piniaria L., die von Heinemann in het G. Fidonia Tr. heeft.
Van de bij von Heinemann en ook bij Staudiger, behalve G.
Scodra, Egeria, Emmelia, Arrhostia, Ptychopoda en Lurentia
voorkomende genera, zijn bij Snellen weggebleven :
Het G. Dasychira Stph. en de daarin opgenomen soorten
onder het G. Orgyia 0. geplaatst, behalve Salicis L., die even
als bij de schrijvers alleen in het G. Leucoma staat, dat von
Heinemann niet heeft.
Het G. Drynobia Dup. alleen met Velitaris Hfn. nu onder No-
todonta O. opgenomen.
Het G. Cosmia Tr. en de eenige soort Palacea Esp. onder
Calymnia Hb. gebracht. |
Het G. Egira Dup., waarvan de eenige soort Solidaginis Hb.
nu in het G. Calocampa Stph. staat.
Het G. Dianthoecia Boisd. en de soorten onder Hadena 0.
geplaatst.
G. Pachnobia Gn. waarvan de eenige soort Rubricosa W. V.
onder Agrotis O. is opgenomen.
G. Grammesia Stph. met Trigrammica Ufn., die bij Snellen
onder Caradrina O. voorkomt.
G. Emmelia Mb. alleen met Trabealis Sc., welke soort bij
de andere schrijvers in een afzonderlijk genus Agriphila Bdv.
staat en deze opgenomen in het G. //ydrelia Bdv., met de soorten
die vroeger in het G. Erastria Tr. geplaatst waren, in welk
laatste genus Snellen alleen behouden heeft Pyrarga Hb.
G. Bomolacha Ub. alleen met Crassalis en deze gebracht
onder het G. Hypena Tr. met Proboscidalis L. en Rostralis L.,
die ook bij de andere schrijvers in dat genus staan.
G. Arrhostia Hb. en Ptychopoda Stph. en al de soorten onder
het G. Acidalia Tr. opgenomen.
G. Anaitis Dup. en de eenige soort Plagiata L. onder het G.
Chesias Tr. geplaatst.
G. Larentia Tr. en daarvoor weder in de plaats gesteld het G.
Cidaria Tr., met weglating van Sparsata Tr., die door Snellen,
zeer te recht (even als door Lederer, maar niet door Staudinger)
BOEKAANKONDIGING. 219
in het G. Eupithecia Gurt. is behouden en met invoeging van
Luteata W.V., Sylvaria H. S., Albulata Hufn. en Obliterata Hufn.,
die men bij von Heinemann in het G. Hydrelia Boisd. vindt, welk
genus ook bij Snellen voorkomt, doch daar de soorten bevat
die bij von Heinemann in het G. Emmelia Hb. en Erastria Tr.
geplaatst zijn.
Overigens is het G. Cidaria Tr. door Snellen geheel anders
gegroepeerd dan door de andere schrijvers. Het bevat 68 soorten,
zoodat hier eene afdeeling in subgenera met afzonderlijke namen
zeker wenschelijk geweest ware, hoewel wij erkennen, dat ook
ons eene volmaakt natuurlijke volgorde dier soorten zeer be-
zwaarlijk voorkomt.
Nog zijn bij Snellen G. Gastropacha 0. geworden G. Bombyx L.
en G. Lasiocampa 0., Gastropacha O. alleen met Dumeti L.
Bij Staudinger vindt men Bombyx L. en Lasiocampa O. met
eene geheel andere en naar ons gevoelen minder goede rang-
schikking der soorten.
Het G. Tapinostola Led. is door Snellen behouden, doch
daarin gebracht Phragmitidis Hb. die door de andere schrijvers
onder het @. Calamia Hb. is opgenomen, in welk genus Snellen
nu alleen heeft Lutosa Hb.
Even als bij von Heinemann, is het G. Triphaena als zoodanig
vervallen en als subgenus onder het G. Agrotis geplaatst, waarin
Lederer en Staudinger de soorten daarvan opnemen, doch in
eene veel minder goede volgorde dan Snellen en von Heinemann
dit gedaan hebben.
Behalve de hier boven opgegeven afwijkingen van von Heine-
mann, bevonden wij nog, dat verscheidene genera, hoewel
dezelfde soorten bevattende, onder andere namen voorkomen.
Zoo zijn bij Snellen veranderd:
G. Ilipparchia F. in G. Melanagria Meig.
G. Gonopterix Leach in G. IRhodocera Bd.
G. Cyclopaedes Ub. in G. Carterocephalus Led.
G. Glyphidia Stph. in G. Gluphisia Bav.
G. Scodra Hein. in G. Asphalia Ub.
G. Eugramma Stph. in G. Dicycla Gu.
ko
20 BOEKAANKONDIGING.
G. Cerastis Tr. in G. Orrhodia Hb.
. Brotolomia Led. in G. Phlogophora O.
G. Parascotia Hb. in G. Boletobia Bdv.
G. Opistograptis Mb. in G. Rumia Dup.
G. Plagodis Hb. in G. Eurymene Dup.
Dezelfde door Snellen gebezigde namen komen ook bij Lederer
en Staudinger voor met uitzondering alleen van PAogophora 0.
waarvoor eveneens het G. Brotolomia Led. gekozen is.
Nog vindt men de soorten die bij von Heinemann onder G.
Hadena O. staan, bij Snellen onder G. Zuperina Bdv., behalve
de reeds bovengenoemde Atriplicis L., Leucostigma Hb., Ochro-
leuca W. V., Fissipuncta Haw., Suspecta Hb. en Adusta Esp.,
welke laatste soort bij Snellen alleen in G. Mamestra Tr. voor-
komt, terwijl het G. Hadena 0. bij hem al de soorten bevat die
von Heinemann in Mamestra Tr. en Dianthoecia Bdv. geplaatst
heeft.
Wij hebben thans de voornaamste afwijkingen van het vroeger
gevolgde systeem opgesomd en zullen verder, om niet al te uit-
voerig te worden, in geene bijzonderheden daaromtrent treden,
evenmin als ten opzichte van de opvolging der familien en genera,
het aan onze entomologen die het werk van Snellen bij hunne
studien benuttigen, overlatende, een oordeel te vellen in hoe-
verre de door hem ingevoerde veranderingen en gevolgde rang-
schikking ook hunne goedkeuring wegdragen mogen.
Ten slotte nog een enkel woord over de tabellen, diagnosen
en beschrijvingen.
Van de eersten gaat eene algemeene tabel der familien, in
den vorm van die van Herrich-Schäffer ingericht, vooraf, dan
komt aan het begin van elke afdeeling eene tabel der genera en
vervolgens voor ieder genus, eene laatste tabel der soorten.
Daardoor zijn de tabellen door het geheele werk verspreid en is
men genoodzaakt, wanneer men eene soort wenscht te determi-
neren, dit op verschillende plaatsen op te slaan. In dit opzicht
zijn de tabellen van von Heinemann, die achter elkander , aan
het einde van zijn werk staan, gemakkelijker in het gebruik en
daarom zal aan dezen, waarschijnlijk door sommigen de voor-
BOEKAANKONDIGING. 99
keur geschonken worden, alhoewel het niet te ontkennen valt
dat, voor het overige de methode van Snellen, bij eenige kennis
der hoofdafdeelingen, het opzoeken minder omslachtig maakt.
Eene determinatie volgens analytische tabellen zal echter altijd,
hoe die ook ingericht moge zijn, eenige oefening en veel geduld
vereischen, vooral wanneer men met familien of geslachten als
F. Noctuina, F. Geometrae of G. Cidaria te doen heeft. Met
dat al gelooven wij toch dat de analytische methode de zekerste
weg is om met volkomen juistheid te determineren en kunnen
wij het dan ook niet anders dan goedkeuren dat de schrijver,
door de wijze waarop zijn werk is ingericht, daartoe de gele-
genheid aanbied. Wij hadden echter wel gewenscht, dat deze
ons in zijne naauwkeurige en breed uitgewerkte tabellen het op-
zoeken eenigzins gemakkelijker had gemaakt door bij de aandui-
dingen der onderverdeelingen meer verscheidenheid van letter-
of cijferschrift te gebruiken en in plaats van verdubbelde letters
meer van elkander verschillende teekens te gebruiken, ook zoude
het zeker niet ondoelmatig geweest zijn, zoo eene gebruiksaan-
wijzing der tabellen, door een enkel voorbeeld opgehelderd ,
ware voorafgegaan.
Boven iedere soort wordt de reeds vroeger in de tabellen op-
gegeven diagnose nogmaals herhaald, hetgeen had kunnen ver-
meden worden, zoo de schrijver eenige meerdere beknoptheid
gezocht had, doch niet te misprijzen is, daar het zeker tot
gemak bij de determinatie strekt.
Overigens munten de diagnosen , zoo wel als de beschrijvingen
uit door eene juiste en duidelijke wijze van voorstelling en
slaan zij in dit opzicht, ver boven die van Ochsenheimer ,
Treitschke en von Heinemann, ofschoon enkele bij eene opper-
vlakkige beschouwing wel wat al te uitvoerig schijnen. Dit is
echter een gevolg van het plan van den schrijver, wiens be-
doeling het was, om niet alleen de kenteekenen ter onderschei-
ding onzer inlandsehe soorten op te geven, maar ook die welke
noodig zijn om hen van de uitlandsche te onderkennen, zoodat
hetgeen men eerst geneigd zoude zijn te laken, bij nader in-
zicht veeleer eene verdienste te noemen is.
999 BOEKAANKONDIGING.
Alleen bij het G. Eupithecia had, naar ons gevoelen, toch
eenige meerdere beknoptheid kunnen worden in acht genomen,
“hoewel eene te groote inkrimping van den tekst, bij het moeije-
lijke om het verschil tusschen deze zoo zeer op elkander gelij-
kende soorten aan te duiden, evenmin verkieselijk geweest ware.
De onder de diagnosen geplaatste citaten zijn wel niet over-
vloedig, doch genoegzaam en met oordeel gekozen, daar zij niet
alleen verwijzen naar de werken van Nederlandsche, maar ook
naar die van buitenlandsche schrijvers, welke door platen of
goede beschrijvingen uitmunten.
Het heeft ons echter bevreemd nergens de in het zesde,
achtste en negende deel van het Tijdschrift voor Entomologie
voorkomende lijsten van Lepidoptera aangehaald te vinden, om-
dat toeh ook deze hetzelfde gezag bezitten als die der Bouw-
stoffen en een aantal soorten bevatten, die thans eenvoudig ver-
meld worden als «niet in de Bouwstoffen opgenomen».
Ook komt het ons voor, dat de schrijver wel wat zeer streng
is geweest in zijne beoordeeling der platen van het werk van
Sepp en van het Tijdschrift, die dikwijls met de benamingen
van slecht, onkenbaar enz. worden bestempeld en had het ons,
de gegrondheid dier uitdrukkingen geheel daargelaten, voor de
eer dier werken billijk toegeschenen, dat ook al de goede en
uitstekende, die gewis zoo zeldzaam niet zijn, waren aangewe-
zen, hetgeen nu slechts als bij uitzondering is geschied.
Bij al de soorten is eene opgaaf van den tijd van het voor-
komen der vlinders en van de plaatsen waar zij hier te lande
gevonden zijn, gevoegd, terwijl nog bij een aantal, eenige bij-
zonderheden omtrent de rupsen en poppen zijn aangeteekend ,
waaromtrent wij hier en daar wel eenige meerdere volledigheid
gewenscht hadden, die wellicht door ruimere medewerking van
anderen zoude te verkrijgen geweest zijn.
Het lijvige boekdeel bevat 765 bladzijden, benevens vier on-
gekleurde platen en is in zeer groot 8°., welke vorm waarschijn-
lijk ter wille der tabellen is gekozen, hoewel een kleiner formaat
voor het gebruik zeker handiger geweest ware. Papier en letter
zijn uitmuntend en doen den uitgever eer aan.
BOEKAANKONDIGING. 995
Het spreekt wel van zelf dat een werk, van den omvang van
dit, nog te kort het licht gezien heeft om reeds nu in al zijne
onderdeelen met juistheid te kunnen beoordeeld worden. Wij
hebben daarom gemeend ons te moeten bepalen tot eene korte
schets van de wijze van behandeling en van den inhoud, ons
vleijende daardoor een algemeen denkbeeld, zij het dan ook
oppervlakkig, van het geheel te hebben gegeven en eindigen
thans met de verzekering, dat, naar ons gevoelen, een aan-
houdend gebruik de inderdaad wetenschappelijke waarde van het
door ons besproken boek meer en meer zal doen kennen en op
prijs stellen.
Wij wenschen den schrijver dan ook geluk met zijnen zoo
goed geslaagden arbeid en durven gerust aan zijn werk eene
eervolle plaats in onze entomologische bibliotheken voorspellen,
terwijl wij, vooral in het belang onzer Nederlandsche Lepidopte-
rologen, van harte hopen, dat lust, noch tijd den heer Snellen
zullen wederhouden van ook later onze Microlepidoptera op
dezelfde uitmuntende wijze te bewerken en tevens, dat zijn voor-
beeld aan onze entomologen ten prikkel moge strekken om dit
eerste gedeelte onzer Fauna Entomologica spoedig door syste-
matische beschrijvingen der andere orden te doen volgen.
Mei 1868. DE Roo van WESTMAAS.
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
NOS,
I. EPIDAPUS.
Bi) cene kleine bezending van Diptera, die ik in October jl.
van mijn’ geachten vriend, den heer G. A. Six te Utrecht, ontving, —
en waarin, zoo als steeds met diens bezendingen het geval is, ver-
scheidene belangrijke soorten voorkwamen, — bevond zich ook
een zeer klein insect, door hem den 29° September langs eene
sloot in het Rijzenburger bosch aangetroffen, en dat, ofschoon
geheel zonder vleugels en kolfjes, al het uiterlijk had van eene
Sciara 2. Te regt hield de heer Six dit voorwerp voor eene
soort van het geslacht Zpidapus Hal., dat tot dusver alleen
in ? bekend is, en ik geloof zelfs het te kunnen bestemmen als
E. venaticus Hal., de eenig bekende soort van dit geslacht,
wijl het in de meeste en voornaamste kenmerken wel overeen-
stemt met de beschrijving, welke Schiner van die soort gecft
in zijne Fauna austriaca I, blz. 416%. Intusschen mag ik niet
verzwijgen, dat er eenige punten van verschil zijn aan te wijzen,
die de genoemde bestemming niet boven alle bedenking doen
zijn, wat de soort, niet wat het geslacht betreft. Zoo meldt
de heer Six mij, dat hij aan de sprieten 17 geledingen meende
1 De oorspronkelijke beschrijving van Haliday ben ik niet in de gelegenheid te
vergelijken, doch de aangehaalde beschrijving van Schiner is, blijkens de daaronder
geplaatste noot, zeker nog uitvoeriger en vollediger.
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 995
te zien, terwijl Schiner er slechts 16 opgeeft; ook zijn de
sprieten, in tegenspraak met de beschrijving, niet volkomen ter
halve lengte van het ligchaam, en kan ik aan het gedroogde
voorwerp volstrekt niet herkennen, dat de sprieten van het
vierde lid af «kort gesteeld» zouden zijn. Het diertje heeft, in
den toestand waarin ik het nu voor mij heb, eene algemeen
zwartachlige of zwartbruine kleur; alleen zijn de zijden van het
achterlijf en de buik lichter, bijna vuilgeel; maar bij het leven
had het achterlijf, op eene vuilgele grondkleur, eene zeer in
het oog vallende zwarte teekening, waarvan de heer Six mij de
volgende korte beschrijving, en wat de bovenzijde betreft, ook
eene afbeelding mededeelde (zie pl. 11, fig. 1). Op elk der
vier eerste ringen namelijk was eene zwarte dwarsvlek, op elk
der beide volgende ringen twee langsstreepjes en op den buik
eenige groote dwarsvlekken. Ik veronderstel, dat aan het achterlijf,
‘tgeen met eijeren opgevuld was, de ringen cenigzins uit elkander
waren geschoven en daardoor deze teekening te voorschijn kwam;
aan het gedroogde exemplaar is zij bijna niet meer te zien, en
dit komt daarom beter met de beschrijving overeen. Nog een
ander verschil bestaat daarin, dat Schiner het achterlijf «rauh-
haarig» noemt, terwijl ik daaraan geene beharing zie. Niet-
tegenstaande dit een en ander, geloof ik toch hier niet aan eene
andere soort te moeten denken. Hoogst waarschijnlijk is het
nog onbekende 3 gevleugeld, en welligt komt het reeds onder
de beschreven Sciara-soorten voor.
II. MACROCERA.
Van Macrocera viltata Meig. was tot dusverre alleen het 2 be-
schreven ; ik heb van deze soort ook het 4 leeren kennen, dat
mij door den heer Six werd medegedeeld, die het te Driebergen
in Junij gevangen had. Het komt volkomen met het beschre-
ven g overeen, en heeft, behalve de afgebroken ruggestreep over
het achterlijf, ook de beide laatste ringen en tangarmen don-
kerbruin; de sprieten zijn, even als bij de zoo verwante .M. lutea,
dubbel zoo lang als het lijf.
296 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
Als synonym tot M. phalerata Hfmg. (Meig.) geloof ik te moeten
rekenen M. maculipennis Macq. (bipt. du nord de la France,
Tipul. 54. 4 en Suites à Buffon, 1. 127. 2); de beschrijving van
Macquart past volkomen op die soort.
M. pusilla Meig. moet eigenlijk nana Macq. heeten. Dat beide
deze soorten dezelfde zijn, is reeds door Winnertz en Schiner
erkend; maar de beschrijving van Macquart dagteekent van
1826 (Dipt. du nord de la France, Tipul. I. 54. 6), die van
Meigen eerst van 1850.
II. PLATYPEZA.
Ten opzigte van dit geslacht is mijne verzameling vrij arm;
de meeste soorten zijn dan ook nog al zeldzaam. Behalve de
zeven soorlen, reeds in de lijst der Bouwstoffen vermeld, na-
melijk: fusciata Fabr., ornata Meig., atra Fall., brunnipennis
Macq., dorsalis Meig., picta Meig. en rufa Meig., heb ik er
nog ééne leeren kennen, die ik voor nieuw moet houden en
die ik hier onder den naam van rectinervis zal beschrijven.
Tot dusverre zijn de soorten van dit geslacht in twee afdee-
lingen gesplitst, naarmate de onderste arm van de vork der
vierde langsader al of niet tot den vleugelrand is doorgetrokken.
Ofschoon het waar moge zijn, dat vele soorten dit kenmerk
standvastig genoeg bezitten, om daaraan herkend te kunnen
worden, is dit echter niet bij allen het geval. Zoo wordt b. v.
Pl. rufa Meig. gerangschikt in de afdeeling waar de genoemde
ader volkomen den rand bereikt. Deze soort, die bij ons wel
de minst zeldzame van het geslacht is en waarvan ik een aantal
exemplaren heb vergeleken, heeft mij doen zien, dat wel is
waar in den regel het bedoelde adertje tot den rand doorloopt,
maar dat er ook wel voorwerpen gevonden worden, waarbij
het duidelijk is afgekort. Nu is een kenmerk, dat bij eene af-
zonderlijke soort reeds blijkt zoo wankelend te zijn, niet zeer
geschikt, om daarop de verdeeling van een geheel geslacht te
gronden; men zou door het te gebruiken, alligt verleid worden,
om bij voorb. de voorwerpen van Pl. rufa, welke onderling op
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 997
de gezegde wijze verschillen, niet in dezelfde afdeeling te rang-
schikken en tevens voor twee afzonderlijke soorten te houden.
Ik vermoed zelfs dat iets dergelijks heeft plaats gehad met
Pl. subfasciata en dorsalis Meig. De eerste wordt door Meigen
gerangschikt in de afdeeling waar de vorkader is afgebroken,
de andere in die, waar zij tot den vleugelrand doorloopt. Blijkens
de beschrijvingen onderscheiden beiden zich door de plaatsing
der achterdwarsader, die veel meer van den achterrand is ver-
wijderd dan bij de andere soorten. Van subfasciata beschrijft
Meigen alleen het 9, van dorsalis beide seksen. Bij vergelijking
der beide beschrijvingen van het 2 blijkt, dat er bijna geen
noemenswaard verschil bestaat; volgens de diagnosen zou dit
hoofdzakelijk liggen in de teekening des achterlijfs, want bij
subfasciala heet het: Hinterleib schwarz mit blaulichgrauen
Seitenflecken, en bij dorsalis: Hinterleib blaulichgrau mit
zusammen geflossenen Querbinden; doch in de beschrijving van
dorsalis wordt daarbij gevoegd, dat de zwarte dwarsbanden des
achterlijfs zich in ’tmidden zoo verbreeden, dat zij de grijze
kleur slechts als zijvlekken overlaten. Dat de kleur van pooten
en kolfjes bij subfasciata bruin of pekbruin, bij dorsalis bruin-
geel (ziegelbraun) met geelachtige tarsen wordt genoemd, zal
wel geen bezwaar maken voor een geslacht, alwaar de kleur
der pooten zeer wisselvallig is en meer dan elders afhangt van
den ouderdom van het voorwerp. De weinige exemplaren, die
ik van dorsalis gezien heb, hadden allen de onderste ader der
vork geheel doorloopend en laten dus in dit opzigt aan de be-
stemming niet twijfelen; doch even waar is het dat, met uit-
zondering alleen van dit kenmerk, op mijne voorwerpen de be-
schrijving van subfasciata bijna nog beter past dan die van
dorsalis. In het werk van Schiner is daarover geen licht te
vinden; hij bezat slechts een enkel 2 en vond dit zeker met
Meigen’s subfasciata overeenstemmend.
Is nu het al of niet verkort zijn der onderste vorkader geen
standvastig kenmerk, gelijk bij rufa stellig blijkt en uit de
waarschijnlijk ten onregte afgescheiden soorten dorsalis en sub-
fasciata is af te leiden, er zijn toch nog andere kenmerken ook
298 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
in het aderbeloop der vleugels, waaraan wij ons bij het bestem-
men der soorten kunnen vasthouden. Zoo levert de uitmonding
van den bovensten tak der eerste langsader, in verband tot de
plaatsing der kleine dwarsader, een standvastig kenmerk. Bij
twee soorten, fusciata Fabr. en brunnipennis Macq., en welligt
ook bij anderen, welke ik niet ken, ligt die uitmonding juist
boven de kleine dwarsader, met andere woorden, is de eerste
voorrandeel even lang als de bovenste basaalcel (zie pl. 11, fig. 2);
terwijl bij al de andere soorten, voor zoover zij mij bekend zijn,
de uitmonding van den bovensten tak der eerste langsader verder
reikt dan de kieine dwarsader, zoodat de eerste voorrandcel
langer is dan de bovenste basaalcel. De beide genoemde soorten,
fasciata en brunnipennis, maken alzoo eene eerste afdeeling uit,
en laten zich onderling, ook wat het aderbeloop betreft, gemak-
kelijk onderscheiden, wijl bij de eerstgenoemde de afstand tus-
schen de beide dwarsaderen ongeveer driemaal zoo lang is als
de steel der vork, terwijl bij brunnipennis de afstand tusschen
de beide dwarsaderen ten minsten viermaal zoo lang is als de
lengte van den steel.
In de tweede afdeeling, die waar de eerste voorrandeel langer
is dan de bovenste basaalcel, kan in de eerste plaats tot onder-
scheiding dienen de plaatsing der achterdwarsader, die bij dor-
salis ongeveer in het midden ligt tusschen de kleine dwarsader
en de basis der vork (pl. 11, fig. 5), terwijl zij bij de overige
soorten digt bij die basis is gelegen. De nieuw te beschrijven
soort (rectinervis) biedt nog eene merkwaardige afwijking in het
aderbeloop aan, niet alleen in deze afdeeling, maar zelfs bij
vergelijking met al de andere Platypeza-soorten; bij haar loopt
namelijk de bovenste arm der vork niet gebogen, maar regt
(pl. 11, fig. 4). Overigens verlaten ons hier verder bijna geheel
de kenmerken aan het aderbeloop ontleend, en kunnen wij
slechts in de kleur en teekening het verschil tusschen de soorten
aangeven. Al dadelijk onderscheidt zich Pl. rufa (rufiventris
Macq.) door de roodgele kleur van achterlijf en pooten; atra
daarentegen door de geheel zwarte of fluweelzwarte kleur van
het ligchaam, waarin ook het 2 deelt, hetwelk de anders zoo
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN 999
gewone grijze teekening op het achterlijf mist; terwijl bij de
nog overblijvende soorten, ornata en picta, althans in 2, de
thorax grijs is met zwarte langsbanden, waarvan er bij ornata
drie, bij picta vier aanwezig zijn. Of van deze beide soorten
het g anders gekleurd is, durf ik niet beslissen; niet onwaar-
schijnlijk acht ik, dat het geheel fluweelzwart is; ik bezit althans
nog een d van die kleur, dat ik tot geene der bekende soorten
weet te brengen en dat in grootte en aderbeloop vrij wel met
picta overeenkomt.
Van al de bovengenoemde soorten, loopt de onderste arm
der vork geheel tot den vleugelrand door bij dorsalis en picta:
terwijl zij integendeel steeds verkort voorkomt bij ‘ornata (pl. 11,
fig. 5), brunnipennis, atra en rectinervis. Bij rufa is zij meest
geheel doorloopend, maar komt soms ook verkort voor; bij
fasciata is zij bijna altijd verkort, doch ik bezit ook een exem-
plaar, waarbij zij bijna tot aan den rand is doorgetrokken.
Ten slotte geef ik hier de beschrijving van
PLAT. RECTINERVIS N. S.
gg 1-14 1. Kop donkergrauw; het voorhoofd neemt onge-
veer een derde der kopbreedte in. Sprieten zwart; de beide
eerste leden somwijlen bruinachtig, het derde groot, min of
meer rond (fig. 4). Monddeelen zwartbruin. Thorax en schildje
zwart, bijna zonder glans, van boven met eenige bruinachtig
aschgrauwe bestuiving; schildje aan den achterrand met eenige
zwakke borstels. Achterlijf zwart, met matigen glans; de om-
gebogen 4 geslachtsdeelen met een paar stevige haakvormige
aanhangsels, anus in g soms bruinacktig. Pooten en kolfjes in
4 zwart, in 2 bruingeel, soms vrij donker en tot het donker-
bruine overhellende; bij het 4 zijn de 5 eerste leden der ach-
tertarsen verbreed en onderling van ongeveer gelijke lengte; bij
het g is het derde lid ruim zoo lang als de beide eersten te
zamen; de verbreeding strekt zich ook duidelijk tot het vierde
lid uit, dat naar de buitenzijde puntig uitsteekt; de haken en
voetballen klein. Vleugels met flaauwe grijsachtige tint; de
16
250 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
bovenste arm van de vork der vierde langsader
loopt in eene regte of bijna regte lijn en nadert in
schuine rigting de uitmonding der derde langsader ; de onderste
arm, die met den bovensten een’ vrij scherpen hoek maakt ,
loopt niet geheel tot den vleugelrand door’; de bovenste arm der
eerste langsader heeft hare uitmonding een weinig voorbij de
kleine dwarsader, zoodat de eerste voorrandeel langer is dan
de bovenste basaalcel; de achterdwarsader staat vrij steil en is
tamelijk ver van den achterrand verwijderd.
Ik ving eenige exemplaren van deze soort in de duinen bij
den Haag, alwaar zij ook door Dr. Piaget werd aangetroffen ;
ook werd zij door den heer Kinker gevangen bij Hillegom; zij
komt in Mei voor.
IV. LISPE.
Mijne kennis van dit geslacht is gedurende langen tijd zeer
beperkt geweest; een enkel 4 voorwerp van L. tentaculata Deg.,
door een der heeren de Graaf verscheidene jaren geleden te Kat-
wijk gevangen, was voor weinige Jaren het eenige exemplaar,
dat ik van dit geslacht ooit gezien had; later bragt de heer
Snellen van Vollenhoven, bij een togtje in Zeeland, van eene
andere soort een 9 mede, dat hij aan den Scheldedijk om den
Wilhelmina-polder bij Goes had opgedaan, en dat ik, wegens
de zwarte palpen, zonder bedenking voor Z. litorea Fall. hield,
doch omtrent welke determinatie later twijfel bij mij is ontstaan,
waarover hieronder meer. Bijna te gelijkertijd kwam ik door
de goedheid van den heer Puls te Gent, in het bezit van een
aantal diptera, door Prof. Ruthe in de omstreken van Berlijn
bijeengehragt, waaronder eenige exemplaren niet alleen van Z.
tentaculata, maar ook van ZL. wliginosa Fall. (volkomen over-
eenstemmende met de beschrijving door Löw in de Stettiner
Entom. Zeitung, 1847, blz. 24, gegeven) en eene andere klei-
nere soort, door Puls mij als Z. pygmaea toegezonden, doch
1 Slechts bij een enkel exemplaar vond ik deze ader, en dan nog slechts aan een
der vleugels, tot den rand doorgetrokken.
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 951
welke deze niet kan zijn en later met zekerheid door mij is
bestemd als Z. simplieissima Löw, volgens de uitvoerige beschrij-
ving in de genoemde Entom. Zeitung, blz. 50. Eerst in de
zomers van 1865 en later ben ik gelukkig genoeg geweest om
het geslacht Lispe, die ik vroeger ten onzent voor zeer zeldzaam
hield, in nog meer soorten en de meesten in een aantal
exemplaren te leeren kennen. Aan eene zeer bepaalde plek in
de duinen bij den Haag, alwaar men bezig is door zandafgraven
kanalen te vormen, zag ik, behalve door eenige Dolichopoden
en Ephydrinen, de kanten van die kanalen ook door een groot
aantal voorwerpen van Zispe bewoond; en ik heb die gelegen-
heid waargenomen, om mijne collectie er ruim van te voorzien,
Verreweg de meeste exemplaren, die aldaar in Junij en Julij
dagelijks te vinden waren, behoorden tot de beide digt verwante
soorten fentaculata Deg. en consanguinea Löw (Wiener Entom.
Monatschrift 1858, blz. 8). Eene derde, merkelijk kleinere soort
die niet zoo veelvuldig voorkwam, maar waarvan ik toch eenige
weinige exemplaren van beide seksen magtig werd, is ontwijfel-
baar £ pulchella Löw (Stett. Entom. Zeitung 1847, blz. 29).
Ook vond ik er wederom de soort met zwarte palpen, waarvan
ik boven melding maakte, nu in eenige exemplaren, waaronder
ook 4; en eindelijk een enkel paar van ZL. hydromyzina Fall.
Twee der bovengenoemde soorten, simplicissima en pulchella,
waren tot dusver, zooveel mij bekend is, alleen tot het zuide-
lijkst gedeelte der Europeesche fauna (Italië, Griekenland, Klein -
Azië, enz.) gerekend; terwijl het nu blijkt dat zij ook in Midden-
Europa aanwezig zijn, daar simplicissima door Ruthe bij Berlijn
en pulchella door mij bij den Haag is gevonden. De soorten
van het geslacht Lispe, althans de beide laatstgenoemden, schijnen
dus zeer verspreid te zijn.
Omtrent de beide zeer na verwante soorten, tentaculata en
consangwinea, heb ik niet anders in het midden te brengen ,
dan dat ik die uit Léw’s en Schiner’s beschrijvingen zeer ge-
makkelijk en duidelijk heb leeren onderscheiden. Het verwondert
mij echter, dat Schiner geen woord zegt van het vrij lange ,
eenigzins doornachtige, maar stomp eindigende aanhangsel, dat
252 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
zich bij het 4 van deze beide soorten, buitenwaarts aan de spits
van het eerste lid der voortarsen bevindt (zie pl. 11, fig. 6 en 7).
Zetterstedt vestigt er, wat tentaculata betreft, de aandacht op,
doch voegt daar te regt bij, dat dit aanhangsel dikwijls weinig in
het oog valt, omdat het meestal digt tegen het tweede lid ligt
aangesloten ; het heeft bijna de lengte van het eerste tarsenlid
waaraan het bevestigd is, en is van eene gele kleur met zwarte
spits, ook dan wanneer het eerste tarsenlid zelf, zoo als dikwijls
bij tentaculata het geval is, eene zwarte of zwartbruine kleur heeft.
Zeer onlangs (in Julij 1868) vond ik aan den verlaten oester-
put nabij het Scheveningsche badhuis andermaal een aantal exem-
plaren van Lispe-soorten, en daaronder verscheidene voorwerpen
van L. uliginosa , die dus ook inlandsch is, benevens een enkel
4 van L. litorea. Dit laatste heeft mij geheel bevestigd in mijne
vroegere overtuiging, dat de bovengemelde soort met zwarte
palpen werkelijk eene nog onbeschreven soort is. Er zijn der-
halve twee soorten met zwarte palpen, namelijk die welke voor
litorea Fall. wordt gehouden en die welke ik hieronder als Z.
gemina n. s. zal beschrijven. Intusschen hebben de beschrijvin-
gen, door Fallen, Meigen en Zetterstedt van liforea gegeven,
alleen betrekking op het 9; Haliday, in the Entomological
Magazine I, 166, beschrijft het d, doch ik ben niet in de ge-
legenheid zijne opgaven te vergelijken’. Löw beschrijft in de
meermalen aangehaalde Ent. Zeitung 1847, blz. 25, beide
seksen en verklaart daarbij dat ook Haliday’s soort dezelfde als
de zijne is, vooral ook op grond, dat de zeer kenmerkende
vorm der middenpooten in 4 (namelijk de lange scheenen en
het zeer korte eerste tarsenlid) ook door Haliday wordt vermeld.
Ook mijne Z. gemina bezit dit kenmerk, doch bij de vergelij-
king met Löw’s zeer uitvoerige beschrijving blijkt het, dat zij
eenigen der wezenlijkste kenmerken mist, die door Löw en ook
vervolgens door Schiner (Fauna austriaca I, blz. 659) aan Z.
litorea worden toegeschreven. Het & namelijk van liforea heeft
1 Haliday beschrijft t. a. pl. het mannetje niet, doch zegt alleen: » the middle
feet of the male are very short ». Rep.
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 955
aan den mondrand geene knevelborstels en onderscheidt zich
daardoor van alle andere bekende soorten (pl. 11, fig. 8). Voorts
hebben de lange middenscheenen van het 4 bij litorea binnen-
waarts aan de onderste helft eene in het oog vallende bewimpe-
ring van borstels en het eerste lid der middentarsen 4 draagt
aan den wortel van onderen een lang gebogen borstelhaar
(pl. 11, fig. 9); noch die bewimpering, noch dat borstelhaar is
bij gemina aanwezig. Van deze laatste volgt hier de beschrijving.
LISPE GEMINA n. s.
& 2 Lengte 23—51 I.
g Aangezigt zilverwit, met eenigen zwartachtigen weerschijn,
in ‘t midden geelachtig; mondrand met twee vrij lange
en stevige knevelborstels (pl. 11, fig. 10); voorhoofd
de helft der kopbreedte innemende, zwart; de van voren vrij
spits toeloopende middenband en een smalle zoom langs de
oogkanten bruinachtig grauw ; achterhoofd donkergrauw , naar
onderen tegen den achterkant der oogen tot het lichtgrijze over-
hellende. Sprieten zwart, matig lang; het tweede lid van boven
eenigzins opgehoogd en met korte borstels bezet; het derde lid
ongeveer dubbel zoo lang als het tweede, aan de spits afgerond;
borstel tot op het midden verdikt, vervolgens haarvormig, alleen
in 'tmidden van boven schraal gevederd. Palpen zwart, aan
het uiteinde met eenigen, weinig in ’toog vallenden, witten
weerschijn. Thorax donkergrauw, in “tmidden met een paar
zwarte langsstrepen, waartusschen zich, inzonderheid van voren,
meestal eene lichte of witachtige bestuiving bevindt, en waar-
door de thorax soms het aanzien krijgt als met twee breede
donkere langsbanden geteekend ; de schouders en een band van
daar tot den vleugelwortel grijsachtig bestoven; ook de borst-
zijden hebben eene dergelijke, vlekkige bestuiving. Schildje
bruingrauw. Achterlijf zwartachtig, in goed bewaarde exem-
plaren op de tweede en volgende ringen eene zwakke lichtgrijze
bestuiving, die tegen den achterhoek der ringen zwarte of zwart-
bruine, eenigzins glanzige zijvlekken overlaat; van soortgelijke
954 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
middenvlekken is naauwelijks eenige aanduiding; de anus glanzig
zwart, in 'tmidden met eene lichtgrijze vlek. Pooten zwart,
met grijsachtige bestuiving; aan de voorheupen is de bestuiving
soms bijna wit; de voorpooten van gewonen vorm, het eerste
tarsenlid zoo lang als de volgenden te zamen; aan de midden-
pooten (pl. 11, fig. 11) de scheenen bijzonder lang en slank,
de tarsen daarentegen kort, het eerste lid naauwelijk zoo lang
als het tweede en iets dikker; aan de achterpooten is het eerste
tarsenlid zoo lang als de drie volgenden te zamen, die even als
het laatste, zeer slank zijn; de borstels der pooten zijn talrijk,
aan de onderzijde der dijen lang, bij de achterdijen kamachtig
geplaatst, aan de scheenen en tarsen zeer digt en over ’t alge-
meen kort; aan de voor- en achterscheenen een weinig onder
het midden aan de buitenzijde één — en kort voor de spits
twee langere borstels; de middenscheenen hebben aan de binnen-
zijde geene in ‘toog vallende borstelharen , maar buitenwaarts
van digt onder de wortel tot voorbij het midden eenige langere
borstels; ze zijn voorts bij het uiteinde aan de voorzijde, even
als de middentarsen, mede met langere borstels bezet; aan het
eerste lid der middentarsen is geen lang gebogen
borstelhaar aanwezig. Vleugelschubben witachtig, geel
gezoomd. Kolfjes zwart. Vleugels met flaauwe grauwachtige tint
en zwarte aderen; de achterdwarsader bijna regt en vrij steil;
het voorlaatste gedeelte der vierde langsader een weinig korter
dan het laatste, hetwelk naauwelijks iets gebogen is.
2 Het aangezigt is minder helder wit; de grondkleur van den
thorax is lichter, meer bruingrauw; het achterlijf bij zuivere
voorwerpen meer geheel grijs, met zwartbruine vlekken aan de
zijden en ook in het midden, welke laatsten door hunnen lang-
werpigen vorm bijna eene afgebroken ruggestreep uitmaken ; ook
op den eersten ring zijn de vlekken aanwezig, ofschoon zij daar
kleiner zijn; de anale ring is geheel lichtgrijs. Pooten eenvoudig,
dat is, de middenscheenen van gewone lengte en het eerste lid der
middentarsen niet verkort; de borstels ongeveer als in het 3; doch
aan de middenscheenen slechts enkele langere borstels voorhanden.
Zoo zeker als de hier beschreven soort verschillend is van die,
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 233
welke door Löw en Schiner als ZL. litorea beschreven werd, zoo
weinig is het uit te maken, welke der beide soorten nu de
ware Falleensche soort is; de beschrijvingen van Fallen, Meigen
en Zetterstedt, als enkel op het ¢ betrekking hebbende, geven
daaromtrent geen het minste licht en zijn met even veel regt
op de eene als op de andere toepasselijk. Daar evenwel de
Falleensche naam is toegepast op de soort, door Löw eu Schiner
geheel kenbaar beschreven, ligt het voor de hand haar dien
niet te ontnemen. De beide verwante soorten, die in het 4 ge-
makkelijk te onderscheiden zijn, zijn dit zeker niet in het 2,
voor alsnog zie ik ten minste geen kans duidelijke onderschei-
dingskenmerken aan te geven.
Lispe hydromyzina Fall., naar het schijnt aan Löw en Schiner
onbekend gebleven, is eene soort, die wegens hare lichtgrijze
kleur, bijna geheel zonder vlekken of teekening, niet met andere
soorten kan worden verward. Zij wijkt bovendien van alle
andere, mij bekende soorten af door meer ineengedrongen,
dikkere gestalte; de sprieten zijn korter (pl. 11, fig. 12 en 15)
het derde lid naauwelijks iets langer dan het tweede; de spriet-
borstel vooral zeer kort en tot digt bij het uiteinde verdikt en
daar zoo fijn haarvormig uitloopende, dat de haren, waarmede
het uiteinde gevederd is, zich als met dat uiteinde vermengen ;
de beide mondborstels zijn zeer kort, vooral in het 4, alwaar zij
naauwelijks van de daarnevens staande kleinere borstels aan den
mondrand te onderscheiden zijn; de pooten zijn zwart, met
digte grijsachtige bestuiving en geelroode knieën; de borstels
der pooten zijn matig lang en digt; bij het 4 is het voorlaatste
lid der middentarsen zeer kort en heeft aan de binnenzijde een
doornachtig, doch stomp eindigend aanhangsel (pl. 11, fig. 14);
overigens zijn de pooten eenvoudig en de Jengteverhouding der
tarsenleden in beide sexen nagenoeg gelijk, De beide donker-
bruine vlekken op den vierden lijfsring liggen tegen den voor-
rand en zijn bij het 2, dat ik bezit, bijna geheel onder den
achterrand van den derden ring verborgen, bij het g daaren-
tegen duidelijk zigtbaar.
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
Verklaring van Plaat 11.
Achterlijf van Epidapus venaticus Hal.
2. Vleugel van Platypeza fasciata F.
Js “” uv
4. ” A
4*, Spriet »
5. Vleugel »
6. Voortarsen
7: W
8. Kop
9:
10.
14
12.
15. Spriet van
14.
” dorsalis Meig.
7 rectinervis v d. W.
W N MH
7 ornata Meig.
& van Lispe tentaculata De G.
1m consanguinea Löw.
HAE, ” litorea Fall,
Middelpoot van dezelfde,
Kop 4 van Lispe gemina v. d. W.
Middenpoot 4 van dezelfde.
Kop van Lispe hydromyzina Fall.
dezelfde.
Middentarsen van @ van dezelfde.
SULT 20085!
BERIGT.
Aangezien de Redactie van het Tijdschrift voor
Entomologie niet altijd bij magte is, het twaalital platen
voor iederen jaargang voltallig te maken, hangende dit
voornamelijk af van den aard der onderwerpen die be-
handeld worden, zoo heeft zij in overleg met den Uitgever
besloten om iedere aan het normale dozijn ontbrekende
laat met 3 bladen text te versoeden.
| 5
Voor de Redactie.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
AU
EN,
“4
4
PIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
UITGEGEVEN DOOR
EDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
_Pror. J, VAN DER HOEVEN,
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
EN
Dr S. €. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
ELFDE DEEL.
TWEEDE SERIE. — DERDE DEEL.
ar mr nm
SGRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF.
1868.
Bij MARTINUS MJHOPF te ‘sGravenhage zet het licht:
~
DE VLINDERS VAN NEDERLAND.
MACROLEPIDOPTERA.
SYSTEMATISCH BESCHRÉŸEN
P.C. T. SNELLEN.
Fraai boekdeel. Imp. 8vo. Met 4 platen. Prijs / 9.50.
ESSAI D’UNE
FAUNE ENTOMOLOGIQUE
DE L’ARCHIPEL INDO-NEERLANDAIS,
PAR
S.C. Snellen van Vollenhoven.
I" et 2° Monographie. 2 vol. Gr. in-4to. Avec 11 planches
dont 10 coloriées. / 14.50.
HRIFT VOOR ENTOMOLOGIE.
UITGEGEVEN DOOR
ONDER REDACTIE VAN
EN
S.C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
BA TWEEDE SERIE.
3 TWEEDE DEEL.
/ Aflevering
ue 'S GRAVENHAGE,
MARTINUS NIHOFF,
1867.
pi
Ca
(
Si
À NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
; TWEEDE SERIE.
| Lia TWEEDE DEEL.
| TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
UITGEGEVEN DOOR
ONDER REDACTIE VAN
Pror. J. VAN DER HOEVEN,
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
EN
Dr. S. G. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
CL \flevering,
S GRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF,
1867.
_TIIDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE.
È UITGEGEVEN DOOR
4
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
ONDER REDACTIE VAN
Pror. J. VAN DER HOEVEN.
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
EN
Dr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
5
TWEEDE SERIE. LL
BL:
ENEEBE DEEL.
J Mlevering
S GRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF.
1867.
TP dl Ne tr —__
ONDER REDACTIE VAN
N Pror. J. VAN DER HOEVEN,
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
EN
DR. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
CR?
We Pe OA at ‘+
-
= Py |
TWEEDE SERIE. Sen!
PORN REN
A Mlevering,
S GRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF,
1867.
SCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
UITGEGEVEN DOOR
ONDER REDACTIE VAN
Pror. J. VAN DER HOEVEN,
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
EN
à Dn. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
{
(ORE ci tie >
” v
ane el
ER è 9
RE DI e E df us
+ > ? 4
Pas ‘ 1548 5 1 + nl «sE
Di: Fe, . T W E E D E SE R | E. ny
PEED E DEEL,
FJ AENlovering,
SGRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF,
1867
TIJDSCHRIFT VOOR ENTONOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
P. C. T. SNELLEN (voor afl. I),
Dr. J. Ta. OUDEMANS (voor afl. II—IV),
Jar. Dr. Ep. J. G. EVERTS EN Mr. A. F. A. LEESBERG.
ZES-EN-VEERTIGSTE DEEL
JAARGANG 19055 94 40
PT ah
EN
Derde en Vierde Aflevering
met 4 platen
(4 Mei 1904)
'S GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1904.
ve
tee
nn
=
a)
> L
a)
IN i
1
a
MI
fa)
WA
u Alk, ” I È nu fi : Ù A EX 1
| | iv, vr II dl = n | {NV
Lu, Di wg ALAN si > ;
oe ial u di, Î x ETS : ’
Hi | Bl, DE u r : ay = |
Ta Pen D TE
|
i Da | x | as,
1 A u |
i |
ur | | 7 a
RE OO |
0 | N
En , SA
u
i D
? 7 “i
7
n 1 mn a
os |
| 2 a A
u ® |
| 50 a EL
7.
Ni
| |
Er
i vt
i u
na
\
î A
a
ie
2
(al il
. u
Ù Sul
pare
u
i NN '
| 0 ri
IV «
E i 7
(A if ‘a
| in :
DI - | gu
i
| | À ‘HA
jn, APR
i I mn u
o | Nr Fr
| | I AL BE
N Ü
D Mo.
D Zw. ILE,
: if Ù uy | ¢ ji I | 7
TIC | i | n |
| | i . | . : È i
MANI i! ll fy ny
Phil ¢ Wi. DI | . ; Ari i
DIS ur Ù si LE N DI | Ji
n D . ne Da » È è | ; wi i
27 ms f =) 7 | Dr à Le u x L
Vi a + LEO n La mi È 0 ni j |
| MANIA A à bi ù : kn OT {
x . i | : 7 i La Ì | ni, Pio ol u Ve "i | ì
i | | | |
; I zen Eu a oe Las _ M | 7
ar ty. th di vi pa dali 7 Ve È i Pa sì
ts ed a a | n | |
} : | AS di ER
| u Ù u è PRI |
i i |
Le | È no DÌ “2
eas, |
ne re
2
LL
\ i
er
Di HN] a} i
wires Dar EN
rik Nn u | KE
7 |
7 TE
Ti
RENEE
‘ts Ku
N
A
| N; ni
D
|
OTA
zur
za
un
Da, FE
} ti CI A :
ILE È
o ENT
8 A PR, ke)
ROMAN EEE
A 5
| Ir get i‘
L a wi ay
BS!
A
fail
me
|
dt iy li I
a) ME AAS ee
NO
MIA
y
i
KR 14
ROTTI
# ut hi È
Ku!
LAN I
Li Pye
I
"i
Ne
ANTI
FF el è,
I)
N
| sf:
FE
“ré
a To Pd:
ae Nr 410
if FA
ibe i d
I
18
|
|
|
9088 00908 7
VS
N
|
|
|
|
|
|
N
|
|
|
|
|
I pate
ppi ee
ee ee Nee ad at Re