CT re
erp E ILA I Aq
= anni
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
ONDER REDACTIE VAN
Dr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN ,
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
EN
F. M. VAN DER WULP.
TWAALFDE JAARGANG.
TWEEDE SERIE. —- VIERDE DEEL.
'S GRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF,
1869.
Verslag van de 25° Algemeene Vergadering.
Lijst der leden
Bijgekomen boeken .
Inhoud van ontvangen Tijdschriften SRO
De inlandsche Hemipteren 2° stuk, door SNELLEN van VOLLEN -
HOVEN (met 2 platen) RA CAINO
Mededeeling omtrent de kweeking van Bombyx Jama-mayu
in Beijeren, door Barter ERICE
Nog iets over Noord-Americaansche Diptera door van vex Wurr.
Mededeeling betreffende de Carabici der Verzameling door
N. H. DE Graar pe TN ae
Nieuwe naamlijst van Nederlandsche Hymenoptera, door
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (met eene plaat)
lets over het dooden en zuiver bewaren van insekten, voor-
namelijk van vlinders, door Mr. pe Roo van Wesrmaas
Description d'une espèce nouvelle de Paederus par M. Ars.
Fauvez (met 1 figuur) . Prick oe
Dipterologische aanteekeningen door F. M, van DER Werp
(met gene plant); un es
Nederlandsche Diptera in metamorphose en levenswijze
beschreven door H. Wevenserc Jr. (met 2 platen) .
Aanteekening over Chloantha Hyperici W.V. door P. C. T.
SNELLEN . ARIA IN SL IE AO TEE D
Aanteekening omtrent de inlandsche Dipters door G. A. Six.
Verslag van de wetenschappelijke Vergadering, gehouden
Zaturdag 19 December 1868. u
Zwerm van Musca corvina, waargenomen te Haarlem, door
H. WevENbER6H Jr. . . . . .
. 128
Microlepidoptera, nieuw voor de Fauna, door H. W. pe
Graar en P. C. T. SNELLEN PR A . 205
‘ Drie Membraciden uit Suriname, door wijlen H. J. ScneLLER
(met 5 platen) RIE AI AS EEE N
Lepidopterologische aanteekeningen door P. C. T. SNELLEN . 294
Prodromus en algemeene beschouwing der fossiele insecten
van Beijeren, door H. Weyenseren Jr. 250
Description d’un parasite de l’éléphant par E. Pracer (met
eene plaat). À re 249
Description de six espèces nouvelles de Hémiptères Hétér.
par SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (met eene plaat) 253
DRUKFOUT.
Bladz, 185, regel 4 staat: 1867, lees: 1868.
VERSLAG
VAN DE
DRIE-EN-TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING DER NEDERLANDSCHE
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN
te Nijmegen, den 25sten Julij 1868.
Tegenwoordig zijn de heeren: Mr. S. C. Snellen van Vollen-
hoven, President, Dr. M. C. Verloren, Vice-President, Mr. H. W.
de Graaf, Secretaris, N. H. de Graaf, Conservator, Dr. van
Hasselt, Hartogh Heys van de Lier, van der Wulp, Gordon,
Veth, Ritsema Cz., G. M. de Graaf, P. C. T. Snellen, Baron
Lewe van Middelstum, Heylaerts Jr., Mr. J. Herman Albarda.
Van de heeren Mr. W. Albarda, Dr. Burgersdijk en Mr.
Maurissen is schriftelijk kennisgeving ontvangen dat zij tot hun
leedwezen verhinderd worden de vergadering bij te wonen.
Dr. A. W. M. van Hasselt, aan wien als presiderend lid de
leiding der werkzaamheden is opgedragen, opent de Vergade-
ring met de volgende toespraak:
M. H.!
Toen in den vorigen zomer, uwe welwillende keuze voor de
betrekking van presiderend lid op mij viel, heb ik dien lastigen
eerepost, of wilt ge liever, eervollen last-post, — niet willen
afwijzen.
we
VERSLAG.
Ik was daartoe te zeer doordrongen van het gevoel onzer
aller verpligting als leden, om, ieder op zijne beurt, iets te
moeten bijdragen tot verligting van den arbeid van ons «eminent »
Hoofd, van onzen eigenlijken voorzitter.
Boven eigen neiging tot het «dolce far niente» stelde ik het
gemeenschappelijk belang, en rigte ik mij naar den wensch
eener Vereeniging, wier sympathie ik op hoogen prijs stel, en
wier bloei mij na aan het harte ligt.
Maar die ook U na aan het harte gaat, — getuige onze
jongste Wintervergadering te Leyden.
Bleek niet daaruit op nieuw, -dat het uwe innige begeerte is, niet
alleen om van elkander te vernemen , welke schoonheden , doch ook
welke wetenschappelijke leeringen onze lievelings-studie aanbiedt ?
Sneeuw- en stormvlagen zijn niet ontzien geworden, om
slechts eenige uren te zamen werkzaam te kunnen zijn.
Geeft het Verslag in het Tijdschrift voldoende op, wat daar
verhandeld werd, — ik mag niet zwijgen van het, trouwens
niet officiele, intermezzo, waarvan dat Verslag niet spreekt.
Immers reeds dit alleen loonde den togt naar Leyden, dat
ware brandpunt der entomologie in ons Vaderland.
Welk een rijkdom, wat een pracht, maar ook wat eene orde
en regelmaat werd aan ons, die de natuur-kunstbeschouwing in
's Rijks Museum bijwoonden, te genieten gegeven.
Nogmaals zij ook hier onzen dank gebragt aan den heer van
Vollenhoven, zoo voor den ijver en zorg waarmede hij voor ons
die schatkamers ontsloot, als voor het talent, waarmede hij
voor ieder onzer die laden expliceerde, tot welke men zich in
het bijzonder aangetrokken gevoelde.
Hoe opgewekt ook, bleek het jaargetijde niet bijzonder ge-
schikt om ons allen warm genoeg te houden ook ter algemeene
Vereeniging aan éénen vriendschappelijken disch.
Of was daarvan de ongewoonte oorzaak bij deze eerste bijeen-
komst in den winter ?
Ik weet het niet, maar betreur het, dat daaraan iets heeft
ontbroken wat deze onze «aloude» Zomer-reunies zoo gezellig
maakt, — de gemeenschappelijke maaltijd.
WER ALA 5
Trouwens er bestond, — voor dien éénen dag, — gebrek
aan tijd. Hadden wij daarvan slechts enkele uren tot feestvie-
ring afgezonderd, zoo waren er voorzeker voor de wetenschap-
pelijke avondvergadering niet veel meer dan eenige minuten
overgebleven.
Laat ons dus op het goede alleen dier eerste proeve terug-
zien; — laat ons niet slechts heden maar ook morgen onze ten
dezen geleden schade dubbel inhalen, in een meer liefelijk
saizoen, dat tot een’ welligt rijke en vreemde jagt- tevens uit-
noodigt.
En waar ter plaatse zoude wij daartoe beter in de gelegen-
heid zijn dan in het zoo bekoorlijk gelegen Neomagum, een
der meest geliefkoosde lustoorden reeds van Karel den Groote?
Van dien beroemden Vorst, wien het trouwens niet alleen om
natuur-schoon, maar ook om natuur-kennis te doen was, voor-
stander en begunstiger als hij zich toonde van alle Scientiae
et artes liberales !
Doch deze ontboezeming doet eene reeds dikwerf bij mij op-
gewelde gedachte op nieuw levendig worden.
Waar zijn toch de oude voorstanders en begunstigers der
entomologie in Nederland gebleven? Waar zijn de Maecenaten
van onzen tijd?
Zij doen zich niet meer voor, dan als enkele lofwaardige
uitzonderingen, als rariora van een geslacht, dat weldra dreigt
uit te sterven.
Bij de toenemende stoffelijke rigting onzer eeuw, blijkt de
Gods-verheerlijking door de voortdurende beschouwing zijner
Scheppings-wonderen geene behoefte meer te zijn, gelijk zulks
bij ons voorheen in eenvoud des harten, zoo zeer algemeen het
geval was. |
Maar zou die sympathie niet weder zijn aan te wakkeren?
Niet dat onze tegenwoordige toestand zulks onmisbaar noodig
heeft, maar toch omdat iedere tak van kennis, die miel tot
de regtstreeks lucratieve behoort, op den duur steun behoeft,
zou dit mij wel wenschelijk voorkomen.
Zou inderdaad onze Entomologische Vereeniging niet meer
4 VERISTUANG
begunstigers verdienen dan ons edel viertal en het hooggeéerd
Bestuur der Stichting van Teyler?
Naar mijn oordeel moet daartoe de groote hefboom onzer
hedendaagsche maatschappij, de publiciteit, meer nog dienstbaar
worden gemaakt.
Het zou mijn wensch: zijn, dat voortaan in de Dagbladen
niet alleen werd aangekondigd: dat wij vergaderen, maar ook
wat er verhandeld werd; — dat jaarlijks werd gegeven een
kort verslag van den toestand onzer Vereeniging, onder publi-
catie van het getal onzer leden en van de namen onzer begun-
stigers, — onder bijvoeging: wat onder dien laatsten eerenaam
wordt verstaan.
Maar ik wil U niet langer van den arbeid afhouden. Met
den wensch alzoo, dat onze bijeenkomst te Nijmegen zich on-
derscheiden moge door steeds toenemende zucht naar meerdere
kennis, — en in het vertrouwen, dat zij dan vruchtbaar
zal worden voor onze ontwikkeling en veredeling, — en ten
slotte met een vriendschapsgroet aan de oude leden en een
«hartelijk welkom!» aan de nieuwe, — open ik onze 295“
Algemeene Vergadering.
De notulen der vorige zomervergadering worden goedgekeurd
en geteekend.
Mr. Snellen van Vollenhoven brengt als president van het
Bestuur het volgende verslag uit omtrent den toestand der
Vereeniging :
M. H.!
Gelijk een reiziger, die verlangt met vrucht te reizen en
later zijne meest belangrijke waarnemingen in het licht te geven
en aan anderen mede te deelen, trouw iederen avond zijn
dagboek openslaat en daarin de voorvallen van den afgeloopen
dag en zijn oordeel over de personen, die hij heeft leeren
kennen, opteekent, zoo ook handelt het Bestuur uwer Vereeni-
ging, wanneer het jaarlijks volgens de wet verslag uitbrengt
VERSLA& 5
over het goede en kwade dat het verloopen maatschappelijke
jaar heeft opgeleverd.
Wanneer wij dit nu doen over het tijdperk, ingesloten tus-
schen onze 22ste algemeene vergadering en den dag van heden,
dan is het eerste wat ons aller herinnering terstond als met
den vinger aanwijst, de overeenkomst met het voorgaande
blad van ons reisverhaal ten opzigte van het verlies onder onze
leden door den dood te weeg gebragt. Hadden wij toen het
verlies van onzen hooggeachten Claas Mulder te betreuren,
heden herdenken wij dat de uitstekende geleerde Prof. J. van
der Hoeven uit ons midden is weggenomen. Ik zal mij niet
vermeten eene parallel te trekken tusschen deze twee geleer-
den; munte de een boven den ander misschien in streng weten-
schappelijken zin uit, dit werd door meer affabiliteit en grooter
gemak van omgang voor ons vergoed. Zelfs, M. H., zal ik
geen levensschets geven van het medelid dat ons ontviel. Zeer
vele dagbladen en tijdschriften hebben korter of langer tijd na
den 10den Maart, den dag van zijn overlijden, dit gedaan; ons
medelid, Prof. Salverda, gaf zoodanige schets in het Ned. Tijd-
schrift voor Geneeskunde, ik zelf in den Ned. Spectator. Ik
mag dus vertrouwen dat ieder uwer een dezer opstellen gelezen
heeft en vermijd herhaling.
°t Zij mij evenwel, als geheel analoog aan de onderwerpen
onzer discussien, vergund u te herinneren wat Prof. van der
Hoeven in den kring der entomologische wetenschap geleverd
heeft. Hij begon met de mededeeling aan het publiek eener
ontdekking, waarschijnlijk van hemzelven, waardoor de classifi-
catie der Libelluliden gemakkelijker werd gemaakt, die van het
driehoekje in de Libellenvleugels; korten tijd daarna volgden
zijne onderzoekingen over het vleugelhaakje bij de avond- en
nachtvlinders; later die over het lichten van Elater noctilucus,
waarvan hij een levend voorwerp bezat, hier te lande aange-
troffen in een pakhuis met campèche-hout. Ofschoon hij niet
veel ophad met los daarheen gestrooide beschrijvingen van nieuwe
diersoorten, zoo beschreef hij toch in zijn tijdschrift, ter wille
van zijnen vriend Dr. Dalen, eenige novae species van diens
6 VEEERSStEa AS GY
uitmuntend en rijk kabinet. In hetzelfde tijdschrift vindt gij
zijn opstel over Monstrositeit bij Carabus. Eindelijk behoef ik
u, leden dezer Vereeniging, wel niet te herinneren, dat hij ook
in ons tijdschrift, waarvan hij gedurende jaren lid der redactie
was, eenige belangrijke opstellen in het licht gaf, als: « Quel-
ques mots sur le cri que fait entendre le Sphinx Atropos»,
«Over Cecrops en Laemargus», Over Acarus erudilus» en
« Over een klein Hemipterum, dat op de bladen van Acer cam-
pestris leeft ».
Dit alles, M. H., strekke ten levendigen bewijze, dat van
der Hoeven , ofschoon door de hem van Staatswege opgedragene
vakken van onderwijs telkens van de entomologie afgetrokken,
en die wetenschap slechts in groote omtrekken behoevende te
kennen en te doceren, toch ook gaarne in bijzonderheden en
tot de studie van nieuwe soorten afdaalde en dus ook belang
stelde in hetgeen door de leden onzer Vereeniging werd verrigt.
Moge hij, door de zeldzaamheid zijner tegenwoordigheid in onze
bijeenkomsten, voor velen onzer eene ster zijn geweest die meer
blonk dan zij wel verwarmde, zijne herinnering zal bij ons
levendig blijven zoo lang onze Vereeniging zal bestaan.
Evenmin zal de naam in vergetelheid geraken van een ander
lid, ons in dit jaar door den dood ontvallen, den heer Sepp,
wiens vader wi) hier meermalen naast den grijzen Backer zagen
aanzitten. Met hem gaat de firma J. G. Sepp en Zoon, die
zooveel heeft gedaan voor onze wetenschap, te niet. Wij vragen
ons af, welk zal het lot zijn van het insectenwerk, om zijne
eerste platen wereldberoemd , en dat gewoonlijk eenvoudig met
den naam «het werk van Sepp» bestempeld wordt?
Buiten deze twee offers aan den dood, verloor de Vereeniging
drie leden, die hun lidmaatschap hebben opgezegd , de heeren
Mr. J. P. van Wickevoort Crommelin, F. ter Meer en M. G. van
Woerden, van welken de laatste naar de Westkust van Midden-
Africa is vertrokken. Moge hij van die onbekende of weinig
bekende streken heerlijke zoologische schatten naar het vader-
land overzenden.
Tegenover deze verliezen staat de aanwinst van drie gewone
VIER! SLA, 7
leden, de heeren C. Ritsema Cz., Mr. H. Hartogh Heys van Zoute-
veen en J. J. M. Gordon, van een buitenlandsch lid, den heer
Vicomte de Bonvouloir, en van twee begunstigers, de heeren
Francois Pollen en 3. Kneppelhout.
De heer de Bonvouloir is de eerste onzer buitenlandsche
leden , en, zoo wij hopen , de voorganger eener groote schare.
Uit de mededeelingen van onzen Secretaris is mij gebleken, dat
hij ook gebruik heeft gemaakt van het voorregt, bij ons regle-
ment ook aan buitenlandsche leden toegekend, om het tijdschrift
voor verminderden prijs te verkrijgen.
Onze betrekkingen met het buitenland zijn overigens dezelfde
gebleven, met inbegrip der uitvoering van het op de laatste
vergadering genomen besfuit, dat is te zeggen: op 29 Julij 67
zijn door den Secretaris missiven gezonden aan de heeren
Prof. P. C. Zeller, W. Mink, Prof Dr. C. Boheman en Dr. Gust.
L. Mayr, houdende kennisgeving dat de Vereeniging hen respec-
tivelijk had benoemd, de beide eersten tot corresponderende
leden, de beide laatsten tot eereleden, en verzoekende hun
aannemend antwoord. Dit is van al de heeren ontvangen en
daarop hun door den Secretaris het diploma toegezonden.
Ook is de ruil van ons tijdschrift, gelijk in vorige jaren, ge-
regeld voortgezet en zijn eenige boekgeschenken van vreemden
ontvangen. Een aanzoek van Prof. Schiödte uit Denemarken,
om ruil van zijne anatomische en systematische opstellen in
Kröyer’s Tidskrift tegen onze publicatien , is door toevallige om-
standigheden aan eenige vertraging van antwoord onderhevig
geweest, zoodat deze zaak nog hangende is gebleven.
Onder de van onze leden ontvangen boekgeschenken moet in
de eerste plaats vermeld worden het werk van den heer Snellen,
«de Vlinders van Nederland, Macrolepidoptera », een boekdeel
van grooten omvang, getuigenis afleggende van de uitmuntende
studie en den volhardenden ijver van ons medelid, die daarmede
de gordijn voor het tooneel der entomologische Fauna van ons
vaderland voor een gedeelte heeft opgetrokken. Eene andere,
tot heden veel minder omvattende poging tot bereiking van
hetzelfde doel, is het opstel in ons tijdschrift, behelzende de
8 VIER (SUL (AG;
beschrijving en afbeelding der Nederl. Schildwantsen, door den
Voorzitter van uw Bestuur, die voornemens is op die wijze de
geheele orde te behandelen.
Aan de leden is overigens toegezonden een exemplaar van
de «Schetsen der Ichneumoniden » , door denzelfden teekenaar,
ten behoeve van welker uitgaaf door u op onze wintervergade-
ring een derde gedeelte van het legaat van Eyndhoven is toe-
gestaan. Het is mij niet mogelijk u iets omtrent het debiet
dier schetsen mede te deelen, zijnde het tijdsverloop sedert die
uitgaaf nog te kort, maar aangenaam is het mij, u de mede-
deeling te kunnen doen, dat de teekeningen der Braconiden
op eenige weinigen na gereed liggen, en derhalve slechts op
het berigt van eenige niet al te zwakke réussite harer voorgang-
sters liggen te wachten.
Wat het werk van den heer Snellen betreft, is na van hem ontvan-
gen opgave betreffende de kosten der uitgaaf, op den 12den Maart
dezes jaars door het Bestuur aan bem uitgekeerd de som van f 290.
Onder de geschenken , door ons genootschap ontvangen , is
er een, dat zeer zeker dikwijls door allen, en niet uitsluitend
door de entomologen van een bijzonder vak zal worden be-
schouwd en doorbladerd. Ik bedoel, gelijk gij ligtelijk zult
vermoeden, het album, ons door de welwillendheid van den
heer Hartogh Heys van de Lier geschonken. Sierlijk en prachtig
van uiterlijk, zal ons dit album het wel te waarderen genoegen
schenken, van ons allen (of nagenoeg allen) te vertoonen, die
aan onze vanen hebben trouw gezworen, en bovendien dat van
kennis te maken met de gelaatstrekken van hen, die door al
te verren woonplaats-afstand of andere minder overwegende
redenen weerhouden worden om onze vergaderingen bij te wonen.
De uitgaaf van ons tijdschrift is geregeld voortgezel; aan
heeren Bestuurders van Teyler’s tweede Stichting is volgens ge-
woonte een prachtig gebonden exemplaar van het laatst voltooide
deel toegezonden. De 4de afl. van het loopende deel wordt
dezer dagen uitgegeven; voor de volgende, is de text voor-
handen, en daaronder een verslag over het werk van Snellen,
uit de pen van ons medelid de Roo van Westmaas.
WAE UIA Gi 9
De toestand onzer kas is zeer bevredigend te noemen , gelijk
u uit de rekening van onzen naauwkeurigen Secretaris blijken zal.
Evenzeer zal uit het verslag van onzen wakkeren bibliothecaris
blijken , dat de toestand der collectie niet minder is dan hij
was in het jaar 1867. Uwe scherpzinnigheid bemerkt echter
dadelijk dat dit eene parlementaire phrase is en vermoedt dat
dit beteekent, dat de verzameling in het afgeloopen jaar niet
bijzonder sterk is toegenomen. Het zal altijd eene bezwaarlijke
opgaaf blijven, haar tot eene standaart-collectie voor de Nederl.
Entomologische Fauna te verheffen, daar dit eene bijna onmogelijke
belangeloosheid bij de leden , uitmuntende plaatsing der kasten
en onafgebroken oplettendheid bij den amanuensis veronderstelt;
doeh voortdurend blijft er evenwel, vooruitgang bij te bespeuren,
en wel zoodanig, dat het getal voorwerpen niet alleen toeneemt,
maar ook dat der soorten en genera. Het groote bezwaar is
voor het tegenwoordige oogenblik daarin gelegen , dat sommige
orden wegens de betrekkelijk al te kleine disponible ruimte
moeten worden verschikt, daaronder bijv. die der Coleoptera
en Neuroptera. Een nieuw loket van 6 laden zal daartoe dienen.
Voorts zou het wel noodzakelijk wezen, lijsten van Desideraten
te laten drukken, indien ten minste de algemeene geest der
leden de hoop kon laten voeden, dat de tijd en kosten, daar-
aan besteed , niet vruchteloos besteed zouden zijn.
En hiermede Mijne heeren, eindig ik dit verslag, vertrou-
wende u een naauwkeurig, doch niet al te minutieus beeld van
den toestand onzer Vereeniging te hebben voor oogen gehouden.
Het gesprokene geeft den Voorzitter aanleiding om het ge-
schenk van den heer Hartogh Heys van de Lier, hetwelk door
den Secretaris is medegebragt, ter tafel te brengen. Al de
leden bezigtigen dit inderdaad prachtige album met veel be-
langstelling en met gevoelens van erkentelijkheid jegen den
milden gever.
Het verslag van den conservator bevat,’ wat de insecten-
verzameling betreft, in hoofdzaak hetzelfde dat reeds door den
10 VERS ALAN:
Voorzitter van het Bestuur is medegedeeld. De bibliotheek
neemt voortdurend in uitgebreidheid toe, zoodat eene vierde
kast noodig is geworden. Met het inbinden der boeken wordt
geregeld voortgegaan. Uit de lijst, die achter dit verslag zal
worden geplaatst, blijkt welke aanwinsten in het afgeloopen jaar
zijn verkregen.
Op voorstel van den conservator besluit de vergadering bij
acclamatie , na vooraf inlichting ‘te hebben ontvangen omtrent
den staat der kas:
1°. Het Bestuur te magtigen eene vierde boekenkast te laten
maken; en
20, Het Bestuur te magtigen uit de kas een maximum van
f 150 te besteden tot aankoop van boeken op de binnen kort
verwacht wordende verkooping der bibliotheek van wijlen Prof.
van der Hoeven. De keuze der boekwerken wordt door de
vergadering aan het Bestuur overgelaten.
De Secretaris doet verslag van den staat der kas:
De ontvangsten hebben over het maatschappelijk jaar 1867/68
bedragen. Siene e Die. EO
DE, UNBaVEN AO ed TTI NE OET due A0 rl NEN
Zoodat de rekening sluit met een batig saldo van f 599.75
Van het legaat van Eyndhoven is nog over f 200.00
Ranlen told Juli; vent aus 28
De Voorzitter benoemt de heeren Hartogh Heys van de Lier
en Heylaerts om, ingevolge art. 25 der wet, de rekening en
verantwoording van den Secretaris na te zien.
Die heeren brengen na eenigen tijd verslag uit, dat zij de
rekening nagezien, met de bescheiden vergeleken, conform be-
vonden en goedgekeurd hebben.
De Voorzitter bedankt de commissie voor haar onderzoek en
verslag en den Secretaris voor zijn gehouden beheer.
WBR & Li A: Gi 11
De Voorzitter stelt aan de orde het eerste punt van beschrij-
ving, opgenomen in den brief waarbij de leden ter vergadering
werden opgeroepen. Het luidt: «Verkiezing van een secretaris
«(zie Verslag van de 22“ Algemeene Vergadering, gehouden te
« Utrecht, 15 Julij 1867, pag. 9 en 10) en van een conservator,
«daar de heer N. H. de Graaf aan de beurt van aftreding is.»
De heer H. W. de Graaf refereert zich aan hetgeen door hem
in de laatste algemeene vergadering ten opzigte van zijnen wensch
om als secretaris vervangen te worden gezegd is, en ook de
heer N. H. de Graaf geeft zijn verlangen te kennen om bij de
te doene keuze niet weder als conservator in aanmerking te komen.
De stemming heeft plaats met gesloten briefjes.
De uitslag is dat de heer H. W. de Graaf als seeretaris en
de heer N. H. de Graaf als conservator worden herkozen; beiden
met 11 van de 15 uitgebragte stemmen.
De Voorzitter vraagt de benoemden of zij kunnen besluiten
zich de op hen uitgebragte keuzen te laten welgevallen.
Beide heeren antwoorden dat zij gevoelig zijn voor het ver-
nieuwd bewijs van onderscheiding, hetwelk zij van hunne mede-
leden mogten ontvangen: maar toch, zi) blijven bezwaar maken
op nieuw het lidmaatschap van het Bestuur te aanvaarden voor
den tijd bij de wet bepaald. Mr. de Graaf ontvouwt de redenen
en zegt in hoofdzaak het volgende: Naar het voorschrift van
art. 15 is men lid van het Bestuur voor den tijd van vier jaren,
want elk jaar treedt een lid af, dat evenwel dadelijk weder
verkiesbaar is. In de laatste jaren heeft men van het regt om
de aftredende leden te herkiezen een getrouw gebruik gemaakt,
zoodat nu reeds sedert 1857 in het Bestuur geene verandering
is gekomen. In den boezem van het Bestuur is echter de vraag
gerezen of het wenschelijk zij mede te werken om dien toestand
te bestendigen en of het belang der Vereeniging niet veeleer
medebrengt dat hare bestuurders afwisselen. Het is eene vraag,
die men aan de gezette overweging der vergadering wenscht te
onderwerpen. Spreker is niet bevreesd tegenspraak te zullen
ontmoeten, indien hij zegt dat de tegenwoordige leden van het
Bestuur getoond hebben hart te hebben voor de Vereeniging,
19 VIELBAKSTLURATG:
want drie hunner, waaronder hij zelf, hebben reeds zitting
sedert 1852. Zijn verlangen om alsnu plaats te nemen onder
de gewone leden komt hem niet onbillijk voor. Ook de ver-
deeling der werzaamheden onder de gewone leden van het Be-
stuur, zoo als die bij de wet geregeld is, draagt er toe bij om
hem minder opgewektheid te geven nog voor drie jaren het
secretariaat op zich te nemen. Die verdeeling moge vroeger
geene, of althans mindere bezwaren hebben opgeleverd; zeker
is het, dat zij dit wel heeft gedaan naarmate de Vereeniging
in groei en bloei is toegenomen. De wet belast den secretaris
met het voeren der correspondentie, ook die welke de biblio-
theek aangaat. Maar volgens dezelfde wet berust de bibliotheek
onder den conservator en nu is de secretaris telkens wanneer zijne
correspondentie de bibliotheek raakt (en dit gebeurt meestal) ver-
pligt eerst de noodige inlichtingen van den conservator in te wach-
ten, voor dat hij zijnen brief kan opstellen. Dat dit uitermate
omslagtig en tijdrovend is, behoeft niet te worden gezegd. De
secretaris is ook volgens de wet tevens penningmeester en als zoo-
danig belast met het incasseren der contributien ; eene bemoeijing
die elk jaar terugkeert. In de meeste zuster-vereenigingen zijn
beide betrekkingen geplitst. Doch al ware dit zoo niet, toch
zou Spreker het, ook met het oog op alle latere bestuurders,
veel beter achten, indien de wet de verdeeling der werkzaam-
heden van de leden van het Bestuur onderling aan het Bestuur
zelf overliet. Die verdeeling zou dan ieder jaar, naar omstan-
digheden, kunnen plaats hebben met het oog op hetgeen aan
ieder lid het best paste. Zoolang de wet evenwel niet veranderd
is, blijft men aan hare voorschriften gebonden. Maar , geheel
afgescheiden van de tegenwoordige leden van het Bestuur, komt
het hem wenschelijk voor dat de wet met de behoeften en ver-
anderde toestanden, die zich sedert haar ontstaan hebben voor-
gedaan, gelijken tred houde. Nu eene wetsverandering voor te
stellen kan niet in Sprekers bedoeling liggen. Hij heeft alleen
zijne bezwaren willen motiveren.
Mr. Snellen van Vollenhoven als president van het Bestuur
spreekt in gelijken geest. Hij is in het volgende jaar aan de
WER Sì Las @ 15
beurt van aftreding. Het zou voorbarig zijn en ongepast, vooruit
te loopen op hetgeen de Vergadering alsdan doen zal. Maar
toch, dit wil hij zeggen, dat ook hij niet afkeerig is van het
denkbeeld om in het volgend jaar aan de leden te verzoeken
hem niet als president te herkiezen. Gaarne zal hij alsdan ver-
vangen worden. Nieuwe Bestuurders hebben andere inzigten.
De Vereeniging kan daarbij winnen. leder Bestuur, dat te lang
regeert, krijgt iets autocratisch. In dien geest hebben de leden
van het Bestuur met elkander gesproken en toen is goedgevon-
den aan de leden in deze Vergadering opening van zaken te
doen en den wensch van het Bestuur kenbaar te maken om
met het volgende maatschappelijke jaar af te treden.
Uit de hierop volgende gedachten wisseling blijkt, dat de leden
vele van de opgeworpen bezwaren moesten billijken, doch allen
zijn tegen het denkbeeld gestemd om het geheele Bestuur te
zien aftreden. Ook Mr. J. Herman Albarda komt daartegen op
en stelt ten slotte voor aan het Bestuur een onderzoek op te
dragen, of er verandering moet worden gebragt in de inrigting
van het Bestuur en in de verdeeling der werkzaamheden onderling.
Dit voorstel wordt aangenomen. Het Bestuur verklaart zich
bereid aan dit besluit gevolg te geven en in de volgende ver-
gadering verslag uit te brengen. De heeren N. H. de Graaf en
Mr. H. W. de Graaf zullen tot dien tijd respectivelijk de be-
trekkingen van Conservator en Secretaris blijven waarnemen ,
doch zij verklaren overigens omtrent hun alsdan te nemen be-
sluit geheel in hun geheel te willen blijven.
De Voorzitter stelt alsnu aan de orde het tweede punt van
beschrijving , zijnde een voorstel van het Bestuur om in de wet
de volgende bepaling op te nemen:
« Art. 40bis. Jaarlijks zal, in een der vier wintermaanden,
«te Leiden eene bijeenkomst der leden plaats hebben, uitslui-
«tend gewijd aan het doen van wetenschappelijke mededeelingen.
«Die vergadering zal gehouden worden op een Zaturdag,
«des avonds. De Secretaris zal aan al de leden eene maand
«te voren kennis geven van dag en plaats der bijeenkomst ,
«door het Bestuur te bepalen. »
14 VIRNRISILHATG:
Dit voorstel wordt deor den President van het Bestuur toe-
gelicht. De bijeenkomst in December 1867, bij wijze van proef-
neming te Leiden gehouden, heeft bij uitnemendheid aan het
beoogde doel beantwoord. Het komt daarom wenschelijk voor
bij de wet te bepalen, dat voortaan eene dergelijke zamenkomst
jaarlijks zal plaats hebben.
Nadat enkele leden eenige inlichtingen hebben gevraagd ,
wordt het voorstel in rondvraag gebragt en aangenomen met
algemeene stemmen.
De Conservator noodigt de leden, die de wintervergadering
zullen bezoeken , uit, bij bun verblijf in Leiden een half uurtje
af te zonderen, ten einde ten zijnen huize de bibliotheek te
komen bezigtigen.
Ter voldoening aan art. 55 draagt het Bestuur twee dubbel-
tallen voor, opdat uit ieder dubbeltal een lid worde gekozen
voor de redactie van het tijdschrift.
Eerste dubbeltal: de heeren Dr. A. W. M. van Hasselt en
Mr. E. A. de Roo van Westmaas.
Tweede dubbeltal: Mr. J. Herman Albarda en F. M. van der
Wulp.
De uitslag is, dat de heer van Hasselt met 14 en de heer
van der Wulp met 9 van de 15 uitgebragte stemmen als leden
der redactie van het tijdschrift zijn gekozen. |
Beide heeren verklaren zich bereid die benoeming aan te
nemen.
Met 11 tegen 4 stemmen wordt besloten, dat de vierentwin-
tigste algemeene vergadering zal gehouden worden te Zwolle,
op een tijdstip nader door het Bestuur te bepalen, in overleg
met den te benoemen Voorzitter van die vergadering.
De leiding dier vergadering wordt door de leden met alge-
meene stemmen opgedragen aan Mr. J. Herman Albarda, die
zich deze keuze welwillend laat welgevallen.
Op voorstel van het Bestuur benoemt de Vergadering met
algemeene stemmen tot corresponderend lid den heer M. G.
van Woerden, vroeger lid der Vereeniging, doch thans verblijf
houdende te Loango, aan de Zuid-westkust van Afrika.
VERSLAG. 15
De werkzaamheden worden voor eenigen tijd geschorst.
Na de hervatting deelt de heer Hartogh Heys van de Lier
mede, dat hij het genoegen heeft als begunstigster der Ver-
eeniging voor te stellen zijne echtgenoote, mevrouw Hartogh
Heys van de Lier, geboren Snoeck (Levendige teekenen van bijval.)
De Voorzitter vat het woord op om den geachten voorsteller
dank te zeggen voor deze aangename mededeeling, en hem te
verzoeken bij mevrouw zijne echtgenoote de tolk te willen zijn
van de vergadering, die met zooveel belangstelling van haar
besluit had kennis genomen, en hoopte dat zij later de vol-
doening zou smaken haar voorbeeld door vele Nederlandsche
vrouwen gevolgd te zien.
Mr. J. Herman Albarda opent de wetenschappelijke mede-
deelingen. Hij heeft eenige opmerkingen gemaakt omtrent
Trochilia apiformis Clerk, waarvan de vlinders dit jaar in de
nabijheid van Leeuwarden in groot aantal verschenen. Het heeft
o. a. zijne aandacht getrokken, dat hij de 25 individuen, welke
hij in het laatst van Junij, in weinige dagen, des voormiddags
tusschen 8 en 10 uur, op de stammen van Populus canadensis
vond, allen, op eene uitzondering na, in copula aantrof. De
vlinders hadden de bruine schubjes nog op de vleugels en had-
den dus niet gevlogen, en telkens vond hij aan den voet van
iederen stam, waarop een paar dezer vlinders zat, ook juist
twee ledige poppen.
Het verdient zijns inziens allezins de aandacht , dat van een
insect, hetwelk bijna twee jaren in den staat van rups leeft,,
op denzelfden dag, ja op hetzelfde uur en op dezelfde plaats,
juist van iedere sexe een individu als vlinder uitkomt.
Dezelfde spreker vertoont 5 exemplaren van Botys stachytalis
Zinck., op 16 Junij Il. te Oldebercoop door hem gevangen.
Deze soort is nieuw voor de Nederlandsche Fauna. Hij laat die
voorwerpen. ter bezigliging rondgaan, te gelijk met eenige
exemplaren van Bolys sambucalis W. V., waarmede de soort
veel overeenkomst heeft en ligt kan verwisseld worden, en
maakt op het verschil tusschen beide opmerkzaam. Op de plaats
waar dit insect vloog , een vochtig bosch, groeide noch Parie-
16 VUE AR IS YLHANG:
taria noch Stachis sylvatica; daarentegen Valeriana officinalis
in menigte. Nu heeft spreker in het najaar van 1867 op laatst-
genoemde plant eene hem onbekende Botys-rups gevonden, die
in een lang wit spinsel onveranderd overwinterde, doch in het
voorjaar is gestorven. Het komt hem daarom niet onwaarschijn-
lijk voor, dat de rups van Botys stachytalis ook op die plant
leeft.
Ten slotte zegt de heer Albarda, dat hij eene lijst heeft laten
drukken ter ruiling van Nederlandsche Microlepidoptera, als
vervolg op die, welke indertijd door de heeren Lodeesen c. s.
met hetzelfde doel van de Macrolepidoptera bezorgd is. Spreker
legt een 50tal exemplaren zijner lijst over aan den Secretaris,
ten einde die aan de leden rond te deelen.
De Voorzitter zegt den geachten gever dank voor dit geschenk
en de Secretaris verklaart zich volgaarne bereid daarmede te
handelen overeenkomstig de bedoeling van den heer Albarda.
In den loop der vergadering worden aan de leden, die het
verlangen , exemplaren dier lijst uitgereikt *.
De heer Snellen van Vollenhoven biedt voor de bibliotheek
een exemplaar aan van zijne derde Monographie ter vermeerde-
ring der keunis van de Indische Fauna en wijst een paar bij-
zonderheden aan, in dit werk vermeld.
Hij spreekt vervolgens over de vele aanwinsten onzer inland-
sche Fauna gedurende het afgeloopen jaar, voornamelijk met
betrekking tot de beide orden der Hemiptera en der Hymeno-
ptera. Onder anderen had spreker van de heeren Heylaerts,
Maurissen, Ritsema en Six een zeer groot aantal insecten onder
de oogen gehad, die na determinatie vele soorten, nieuw voor
onze Fauna bleken te behelzen. Voornamelijk was daaraan rijk
eene verbazend groote bezending van den heer Six, bevattende
meer dan 500 soorten zeer kleine insecten. Nu en dan werden
in die toezendingen ook soorten aangetroffen, van welke met
+ Later zijn er ook toegezonden aan de Lepidopterologen , leden der Vereeniging.
De Secretaris zal verder op aanvrage der leden exemplaren toezenden, zoo lang de
voorraad strekt,
CEE AG: aa
volkomen zekerheid de verklaring af te leggen was, dat zij
onbeschreven waren. Spreker staafde dit met een voorbeeld.
De heer Ritsema had hem onlangs eene nieuwe soort van Cephus
toegezonden, van welke eene ongekleurde afbeelding vertoond
en eene korte beschrijving gegeven werd. Den 27°” Mei was
dit dier, dat een wijfje was, gevangen aan de Vogelenzang.
Bij naauwkeurige beschrijving zou aan deze soort de naam van
den vinder worden toegekend en zij voorts in de naamlijsten
vermeld als Cephus Ritsemae.
Uit een brief van Prof. Haupt te Bamberg deelde voorts het-
zelfde lid mede dat de teelt van Yama-mayu-rupsen in Beijeren
nog steeds levendig gedreven wordt en dat zekere mevrouw
Baumann te Bamberg nog meer dan 500 geheel gezonde, uit-
muntende rupsen bezat, afkomstig van de eijeren, die Prof.
Haupt haar eenige jaren geleden uit den voorraad van Prof.
Hoffmann had medegedeeld. De ziekte, waaraan de derde
generatie dier zijwormen hier te lande uitgestorven was, had
derhalve in Beijeren niet of ten minste niet in zoo felle mate
gewoed.
Eindelijk sprak de heer van Vollenhoven nog over een zeer
merkwaardig netvleugelig insect, dat hij voor eenigen tijd in
eene doos met voorwerpen van Noordelijk Indië en de Himalaya
aangetroffen, of liever ontdekt had. Dit dier schijnt tot die
familie te behooren, welke de geslachten Nemoptera en Asca-
laphus omvat, en moet als nieuw geslacht tusschen deze twee
geplaatst worden. Nemoptera of Nematoptera behoort volgens
Klug (Monogr. in Abhandl. der Kön. Academie der Wissensch.
Phys. klasse 1856) tot de Hemerobiden. Het kenmerk van dit
geslacht wordt aldus opgegeven: os rostratum; alae inaequales,
posteriores lineares. De palpen hebben 5 leedjes; die der
onderkaken 2 langere en 5 zeer korte, die der onderlip hebben
een lang basaal lid. Deze karakteristiek komt die van het
Himalayaansch inseet zeer nabij, doch de snavel van Nemoptera
is verticaal naar beneden gerigt, terwijl die van het nieuwe
insect horizontaal naar voren staat; bovendien komt de aderloop
in de voorvleugels bij dit veel meer overeen met Ascalaphus
— >
-
18 VE RIS LIA
dan met Nemoptera. De achtervleugels van Nem. zijn wel zoo-
genaamd lineair, doch toch altijd nog eenigermate breed en
meestal aan het einde verbreed; Nem. aristata uit Ambukohl
en een paar andere Africaansche soorten hebben alleen achter-
vleugels, die tegen het einde niet verbreed zijn. De costa,
subeosta en radius vereenigen zich voor het pterostigma; deze
drie aderen zijn duidelijk te bespeuren in de achtervleugels van
Nemoptera, doeh in de achtervleugels der nieuwe soort ziet
men slechts 2 aderen en een huidvlies daartusschen tot op 4 der
lengte; deze aderen schijnen mij toe de subcosta én radius te
zijn. Spreker liet eene potloodschets van het zeldzame dier be-
zigtigen en legde de volgende beschrijving er van over:
NEUROPTERON VAN DE HIMALAYA.
Lengte van het lijf . . . . . 8 millimeter.
» van een voorvleugel . . 10 ”
n van een achtervleugel . . 25 7
Kleur op kop en borststuk zeer licht grauw, bijna wit, op het
abdomen zeer licht grijs, pooten doorschijnend glasachtig , oogen
groenachtig grijs.
De kop naar voren in een langen regtvooruitstekenden snuit
verlengd, die van onder open en hol schijnt te zijn en aan de
uiterste tip twee fijne roodbruine draadachtige deelen doorlaat.
Sprieten niet veel langer dan die snuit, slank, draadvormig
met twee dikke basaalleedjes. Prothorax zeer lang. Vleugels
doorschijnend met bruingekleurde aderen aan den voorrand en
een eerst lichbruin, daarna dofwit stigma. 12 dwarsaderen
tusschen costaal en subcostaal ader. Achtervleugels met zwart
geringeld , tot aan de lengte van het abdomen, dan nog eenige
millimeters aan beide zijden harig, verder spierwit en lineair,
en dus volkomen borstelvormig.
Tarsen van 4 of 5 leedjes.
De heer Veth deelt mede dat Liparis V nigrum door den
heer Brants te Bentheim is gevangen, en geeft zijn vermoeden
te kennen, dat die soort ook wel in ons land zal worden aan-
VERSLAEG 19
getroffen. De heer Lewe van Middelstum voegt er bij, dat hij
de rups dier soort in het Reichswald bij Cleve heeft gevonden
en dat zich daaruit een mannelijke vlinder ontwikkeld heeft.
Ook vertoont de heer Veth een exemplaar van Cucullia Ab-
synthii L. en van Mlarus ochroleuca W. V., beide door hem te
Sint-Oedenrode bij ’s Hertogenbosch gevangen. C. Absynthii
was nog niet als inlandsch bekend.
De heer Ritsema deelt voorloopig eenige waarnemingen mede,
die hij omtrent Periphyllus Testudo v. d. Hoev. gedaan heeft
en die het voor hem waarschijnlijk maken , dat dit diertje de
tweede generatie is van eene bladluis. Hij hoopt echter later
op dit onderwerp terug te komen.
De heer Hartogh Heys van de Lier vraagt namens den heer
J. Backer Sr. te Oosterbeek, of er nog leden van de Vereeniging
zijn, die zich onledig houden met de kweeking van Yama-mayu,
daar de heer Backer zijnen wensch heeft te kennen gegeven om
zich met de zoodanigen in verbinding te stellen.
De vergadering vindt goed dat dit verlangen van den heer
Backer, door opname in het verslag, meer algemeen bekend
zal worden gemaakt.
De heer Snellen leest eenen brief voor, dien hij van den heer
M. G. van Woerden ontvangen heeft, en waaruit blijkt, dat die
heer ook aan de Zuidwestkust van Afrika zijne entomologische
onderzoekingen , zoover tijd en gelegenheid zulks toelaten „ met
ijver voortzet, in weerwil van de vele moeijelijkheden die hij
daarbij te overwinnen heeft.
De heer Lewe van Middelstum vertoont aan de vergadering
eenige zeldzame vlindersoorten, door hem te Beek bij Nijmegen
gevangen. Ook brengt hij ter tafel eene rups van Lasiocampa
betulifolia en eene menigte jonge larven van Lasiocampa Pini.
De heer van der Wulp laat, ten vervolge op zijne mededeeling
in de laatstelijk te Leiden gehouden wintervergadering , een
paar soorten van Lispe zien, nieuw voor onze Fauna, waaronder
L. litora Fall., door welker bezit hij volkomen zeker was ge-
worden dat de soort, door hem destijds als Z gemina n. s.
aangeduid , werkelijk eene onbeschreven soort is,
20 VIERBÄSÄLHANG,
Als tweede punt gaf hij zijne bevreemding te kennen, dat
Stratiomys Chamaeleon L., die elders in midden-Europa zeer
gewoon moet zijn, nog niet als inlandsch bij ons is voorgeko-
men, en zulks ofschoon Linnaeus de afbeelding in Swammer-
dam's Biblia Naturae aanhaalt. Die afbeelding en de daarbij
gevoegde zeer uitvoerige beschrijving past intusschen volkomen
op de bij ons zeer veel voorkomende Str furcata Fabr.
Voorts laat hij eenige nog onbeschreven soorten van inland-
sche Tachiniden zien, waarvan er zelfs een paar aanleiding
geven tot het oprigten van nieuwe geslachten.
Eindelijk maakte hij de vergadering opmerkzaam op eene
exotische Asilide, door Wiedemann beschreven onder den naam
van Asilus distendens, naar een zeer gebrekkig exemplaar in het
Frankforter museum. Dit voorwerp, nog aldaar aanwezig, heeft
onlangs op nieuw de aandacht getrokken van Jaennicke, die
er in zijne Neue ewotische Diptern het geslacht Dyciclus op
heeft gegrond. Het merkwaardige van dit geslacht bestaat in
den sterk ontwikkelden achtterrug en vooral in de zeer verdikte
en harige achterpooten. In het eenige voorhanden exemplaar
was echter het derde lid der sprieten afgebroken, en van al
de pooten was slechts een enkele achterpoot, en deze nog zon-
der de drie laatste tarsenleden, aanwezig. Vooral door het ge-
mis der sprieten was het niet uit te maken of Diciclus disten-
dens Wied. tot de Asiliden dan wel tot de Laphriden moest
gerekend worden. In Jaennicke’s afbeelding herkende de heer
van der Wulp terstond een voorwerp, sints lang onbenoemd in
zijne collectie, en dat nu bleek, zoo niet dezelfde, dan toch
zeker eene zeer digt verwante soort te zijn, en althans bepaal-
delijk de kenmerken bezit, door Jaennicke aan zijn geslacht
Dyciclus toegeschreven. Dit voorwerp , geheel gaaf zijnde , heeft
onder anderen de sprieten zonder eindborstel, waaruit blijkt dat
het tot de Laphriden behoort, en Wiedemann heeft misgetast,
toen hij de soort in het geslacht Asilus plaatste.
Daar verdere bijzonderheden omtrent de door hem behandelde
onderwerpen zullen worden opgenomen in artikels, later in het
Tijdschrift te plaatsen, meenen wij daarnaar te moeten verwijzen.
VERSLAG. 24
De heer F. J. M. Heylaerts Jr. zegt ongeveer het volgende:
Elke wetenschap heeft hare schaduwzijde, alzoo ook de en-
tomologie. Wie toch, die eenigzins teergevoelig is, vindt het
niet onaangenaam een diertje te moeten dooden, ja, soms
martelen, om het der studie dienstbaar te doen wezen?
Edel vindt hij dan ook de pogingen, aangewend door ver-
schillende entomologen, om pijniging aan het arme offer te
besparen en het zoo spoedig mogelijk voor altijd gevoelloos te
maken. Verscheidene middelen zijn er voor aangewezen : aether,
chloroform, enz. enz., doch niet een van die anaesthetica werkt
zoo doeltreffend als het cyanuretum potassii. Spreker neemt
eene groote suikerflesch, bedekt den bodem met eene laag
watten, legt daarop ongeveer twee drachmen cyaankalium, be-
dekt dit andermaal met eene laag watten en over dat alles
gaat een stuk schrijfpapier, waarin gaatjes geprikt zijn, juist
ter groote van het lumen der flesch. In deze worden nu de
te dooden insekten, op een’ reep kurk gestoken, gezet en ver-
volgens alles hermetisch gesloten. De sterkste gekorvenen, zoo als
Sphingiden, Carabi enz. worden in een oogenblik gevoelloos en,
na betrekkelijk korten tijd, kan men ze opspannen, zonder dat
men, als met het gebruik van aether of chloroform, bang be-
hoeft te wezen, dat zij herleven zullen en de marteling op
nieuw zal beginnen.
Uitnemend daarenboven werkt bovengenoemde toestel, om,
door mijt of stofluis aangedane insecten daarvan te zuiveren.
Men late deze ongeveer twaalf uren in de flesch, waarna men
ze gerust in de collectie kan terugbrengen, terwijl men de
parasieten dood op den papieren bodem vindt:
Een groot voordeel van het gebruik des cyaankalium’s is,
dat de daardoor gedoode gekorvenen vrij lang van den rigor
mortis bevrijd blijven, en alzoo nog verscheidene uren na den
dood kunnen worden uitgespannen; bij langeren duur der be-
waring kungen zij, bij weeking, zeer goed worden opgezet,
dat bijv. niet het geval is met het gebruik van benzine en
andere insecticiden.
Op de kleuren der vlinders of op de spelden heeft de eva-
99 VUE AR IS. IL HA XG.
poratie geen invloed, zoo men slechts vermijde, dat ze in on-
middelijk contact met de cyaanverbinding komen.
Een opmerking van Mr. Albarda als zouden tot hetzelfde doel
gekneusde bladeren van lauro-cerasus kunnen worden gebezigd
in een opzettelijk daartoe vervaardigd toestel, beantwoordt spreker
met de meening, dat, ofschoon hij zich zeer goed daarmede
kan vereenigen voor het dooden van microlepidoptera en andere
kleine insecten, hij evenwel gelooft, dat het voor grootere ge-
korvenen niet dat spoedige resultaat zal hebben en misschien
wel het doel zou gemist kunnen worden.
Dr. Verloren zegt, dat het gebruik van cyanuretum potassii , als
zijnde een zeer zwaar vergift, om des gevaars wille, niet is aan te
raden en verder, dat genoemd zout spoedig water opneemt , ten ge-
volge waarvan de evaporatie ophoudt en het alzoo werkeloos wordt.
Dat hij vroeger liever, bij het dooden van grootere dieren , de speld
even doopte in poeder van cyankalium en dan ook een’ plotselingen
dood tot resultaat kreeg. Spreker antwoordt, dat hij het roekeloos
gebruik van zulk zwaar vergift stellig voor gevaarlijk houdt, dat het
alzoo niet aan kinderen moet worden in handen gegeven ; dat hij
evenwel gelooft, dat het poeder van cyankalium evenzeer zoo niet
zelfs meer gevaarlijk is. Dat de vorm, waarin hij genoemd zout
gebruikt, is de onzuivere, amorphe, geelwitte cyankalium uit
den handel (die ook tot technisch gebruik wordt gebezigd), welke
ofschoon zeer hygroscopisch, toch zeer lang kan gebruikt worden,
aangezien Spreker in April Il. twee drachmen in de flesch deed
en heden, 25 Julij, nog steeds hetzelfde effect waarneemt.
Als entomologische bijzonderheden deelt de heer Heylaerts het
volgende mede:
In den zomer van 1867 een prachtig d van Orgyiu Ericae
Germ. op de Galdersche heide gevangen hebbende, meende hij,
dat waarschijnlijk ook wel daar ter plaatse aan rupsen dier
soort zou te komen zijn.
Bij het nazoeken van vooral met Calluna vulgaris begroeide
plaatsen vond hij daar ongeveer 120 stuks en wel in de maanden
Mei en Junij. Daardoor was hij in de gelegenheid veel omtrent
de levenswijze dier vlindersoort te leeren kennen.
VERSLAG, 25
De rupsen vond hij niet alleen op Calluna, doch ook op
Erica tetraliw, Salix repens (?) en andere wilgensoorten. De meesten
sponnen na korteren tijd een cocon, het vrouwelijke was door
de meerdere grootte en den lichteren tint gemakkelijk te her-
kennen. Zeer vele larven waren intusschen door sluipwespen
en parasietvliegen met eijeren bezet, want van de 120 rupsen
kreeg spreker slechts ongeveer 40 43 en 22 uit. De 44 varieer-
den vrij sterk in teekening en grootte; de 22 bleven allen in
haar cocon, waarin evenwel door haar eene opening was ge-
maakt door welke zij bij voortduring haren eijerlegger naar
buiten brachten, om als het ware de 44 tot copulatie uit te
noodigen, welke ook spoedig plaats had, naarmate er 33
uitkwamen. Het 4 namelijk zette zich op het vrouwelijke cocon
met het achterlijf gekromd in de richting der vrouwelijke ge-
slachtsdeelen. De paring had dus plaats zonder dat het 4 het
2 gezien had, en de vereeniging duurde niet lang. Het 3 begaf
zich vervolgens naar een ander ?, en zoo zag Spr. hetzelfde 4
vier 22 bevruchten. Het eijerenleggen begon onmiddelijk na de
copulatie en stuk voor stuk werden de eitjes door de boven-
genoemde opening naar buiten gestooten en eindelijk het in-
wendige van het cocon geheel met eijeren bezet. — Zonderling
intusschen was de manier, waarop de sluipwesplarve van de
bezette rups naar buiten kwam. De laatstgenoemde maakte
tegen de wanden der flesch een plat spinsel, waaraan zij zich
vasthield; na korteren of langeren tijd berstte zij aan de buik-
zijde open, in de scheur daardoor ontstaan, zag men een door-
schijnend blaasvormig spinsel, waarin men de larve zich zag
bewegen. Langzamerhand werd dit minder doorschijnend en
ontstond een gewoon sluipwespencocon.
Spreker laat een d een 2, in het cocon bezig met eijeren te
leggen, en eene rups in gebersten toestand met de nog door-
schijnende blaas ter bezigtiging rondgaan.
Als bijzondere merkwaardigheid vertoont hij een 4 en 2 van Am-
phidasis betularia L., welke beide geheel zwart zijn’, be-
® In The Entomologist, uitgegeven door Newman, en wel in het September-
24 VERS dA ee
halve eene witte kuif op het voorhoofd en een klein wit stipje
aan den wortel der voorvleugels. Het 4 is een derde grooter
dan het 2. Beide zijn door hem 21 Julij 1867 in copulatie,
op een iepenboom der vestingwallen te Breda gevangen. Het 2 heeft
geene eijeren gelegd.
Als voorbeeld hoe de psychiden ook ander dan plantenvoedsel
nemen kunnen en daarbij gedijen, haalt hij aan eene rups van
Psyche mitidella Hbn., die zich gedurende ruim twee maanden
voedde met twee doode vlinders, waarmede zij in een doosje
was opgesloten. Een gave mannelijke vlinder ontstond er uit.
Hij verhaalt verder, dat Lophyrus Pini in het Mastbosch bij
Breda geduchte verwoestingen aanricht. Verscheidene mudden
cocons waren verzameld. Bij telling bleek, dat 5500 spinsels
in één halve liter waren.
Ten slotte wijst spreker op het groote nut, dat ook voor
Nederlandsche entomologen kan hebben het pas uitgekomen
werkje van Dr. Rössler te Wiesbaden, getiteld: « Verzeichniss
der Schmetterlinge des Herzogthums Nassau, mit besonderer
Berücksichtigung der biologischen verhältnisse und der Entwick-
lungsgeschichte.
De praktische beschouwingen en naauwkeurige beschrijvingen
nommer van 1868, vind ik onder de opgave van gevangen vlinders de volgende aan-
teekening: » Negro variety of Biston Betularia. Many pairs of the black variety of
» Biston Betularia have been taken ix cop. in this locality during this and last season:
"one pair of them has produced more than a hundred black specimens. John
» Thorpe; Middleton, near Manchester». Ook in deel 2, n°. 10, p. 150 van
datzelfde Tijdschrift vindt men de volgende opgave, verstrekt door den heer R. S.
Edleston.
» Amphydasis betularia. Some sixteen years ago the » Negro» aberration of this
„common species was almost unknown; more recently it has been had by several
„ parties. Last year I obtained the eggs of a female of the common form, which had
» been in cop. with a » Negro» male: The larvae I fed on willow and had this year
„some remarkably pretty aberrations, the connecting-link between the negro and the
„usual form, but far before either as regards beauty: I placed some of the virgin
# females in my garden, in order to attract the males, and was not a little surprised
„to find that most of the visitors were the » Negro» aberration: if this goes on for
„a few years the original type of A. detularia will be extinct in this locality. »
In een der laatste afleveringen van Millieres Zcones is deze Neger-verscheidenheid
afgebeeld. Ook die schrijver houdt haar voor eene in het oog loopende afwijking van
Amph. betularia. DE. GR.
WEMA ek & 25
van rupsen en vlinders maken het tot een bepaald vademecum
voor den lepidopteroloog ».
De heer van Hasselt laat ter bezigtiging rondgaan twee zeer
zeldzame spinnen, tot hiertoe nog onbekend in de Fauna van
ons vaderland. Hij doet opmerken, hoe bij het vinden van
kleinere dieren vooral, dikwerf het toeval tot de kennis daarvan
medewerkt. Sedert een twaalftal jaren zich vlijtig bezig houdende
met de jagt op Araneiden, waren deze twee soorten hem nim-
mer voorgekomen, die nu, geheel toevallig, de eerste door zijne
vrouw, de tweede door zijne dochter , ontdekt werden.
De eerste, op spiritus bewaard, is een bijzonder fraai exem-
plaar van Atypus Sulzeri 3, op eene wandeling in het bosch
van Zeist gevonden den 22sten October des vorigen jaars. Deze
spinnensoort is de eenige representant der Mygalidae, die, naar
men weet, overigens geheel tot de tropische, of althans zeer
zuidelijke spin-groepen behooren. De Atypus was hem tot hiertoe
slechts bekend als voor te komen in Zwitserland, Italië en het
Zuiden van Frankrijk en Duitschland, Het is niet aan te nemen,
dat hij op de eene of andere wijze als vreemdeling was inge-
voerd. In het late najaar, op een weinig begaan plekje van het
Zeisterbosch, is dit wel niet denkbaar. Dat men hem tot hiertoe
nog bij ons niet heeft gezien, kan in elk geval uit de zeld-
zaamheid en uit de gewone verblijfplaats dezer spinsoort in den
grond worden afgeleid. Hahn zegt er bovendien van; « Die ist
überall sehr selten». Werd deze aard- of metselspin op den
grond op verdorde bladeren loopende aangetroffen, de tweede
voor Nederland vreemde spin werd gevonden in eene galanterie-
winkel binnen de stad Utrecht, in het begin van de maand
Julij, waar zij van den zolder af was gedaald, in het midden
van eenige luxe-artikelen nederkomende. Deze spin werd in
levenden toestand aan de vergadering vertoond, zijnde een
exemplaar van Pholeus opilionöides 2. Spreker herinnert, dat
hij vroeger heeft medegedeeld, van deze voor ons land mede
zoo bijzonder zeldzame spin, het 4 te hebben verkregen , ook
levend gevangen in den Hortus botanicus te Utrecht. Destijds
meende spreker, dat dit exemplaar, als voorgekomen in eenen
96 VERSLAG
houten kist, waarmede Indische planten waren overgebragt , als
vreemdeling mogt worden beschouwd, te meer daar het eenig
exemplaar, aan de Zweedsche araneoloog Westring voorgekomen ,
te Gothenburg ook in een Oost-Indisch pakhuis was gevangen.
Behoort zij thans bij ons toch te huis? Het kon evenwel,
met het oog op de vindplaats, nog wel wezen, dat zij, als in
een’ winkel gevonden, alwaar uit Engeland en Frankrijk onder-
scheidene artikelen worden aangevoerd, van daar in eenen of
anderen kist was aangebragt. Het was daarom van belang,
haar, als een 2 zijnde, in het leven te houden en verder te
bestuderen. Werkelijk beloofde zulks in het eerst van gevolg
te zijn, daar zij den 7den Augustus ' hare gewone wijze van
eijer-leggen heeft gevolgd, d. i. die slechts aaneen gekleefd als
een klein rond pakje, zonder eenig cocon-bekleedsel, tusschen
de mondhaken houdende. Doch twee dagen later waren de
eijeren verdwenen. Zij lieten zich in het fleschje nergens vin-
den. Had de spin ze zelve opgegeten? Het ware interessant
geweest op te merken, of de eitjes bevrucht waren en de jon-
gen waren uitgekomen. Zulks had dan althans het vermoeden
kunnen versterken , dat zij hier te lande gepaard had en alzoo
als inlandsch mogt worden beschouwd. Daar zij weder gravida
blijkt te zijn, zal, casu quo, nader worden medegedeeld of dit
al dan niet is gevolgd. Hoe dit .zij, ofschoon in Frankrijk zeer
algemeen zijnde en ook in Groot-Brittannië en in Duitschland
niet zelden voorkomende, blijkt deze spin bij ons in elk geval
hoogst zeldzaam te zijn.
Omtrent bare overigens bekende levenswijze valt nog mede te
deelen , dat, wat spreker er van waarnam, in de meeste op-
zigten geheel overeenstemt met de beschrijvingen van Walcke-
naer, Koch, Simons en anderen. Enkele punten van verschil
waren op te merken. Van het schudden of sidderen dat zij
gezegd wordt te doen, op de wijze van sommige « Zittermücken »,
werd weinig of niets waargenomen. Ook niet dat zij hare uit-
gezogene prooi uit haar web verwijdert; wel hangt zij die op
1 Spreker heeft sedert de vergadering deze mededeeling verder aangevuld.
VERSLAG. 97
eenigen afstand van hare gewone zitplaats op. Ook de wijze
waarop zij vliegen vangt, komt overeen met de beschrijvingen.
Maar toch heeft spreker daarbij iets opgemerkt, dat nog niet
beschreven was. Vooreerst, dat zij de vlieg niet alleen, zoo
als men weet, met de lange achterpooten ongeloofelijk snel
inwikkelt, maar ook dat zij die veeltijds alvorens met één der
haakjes van hare zeer lange voorpooten in de vleugels vasthaakt.
Maar nog meer bijzonder en onbeschreven is het volgende.
Tot tweemalen zag hij eene allermerkwaardigste wijze waarop
dit diertje bij haren voedings-arbeid te werk ging. Eene vlieg
verwarde zich even in eene der meest excentrische webdraden.
Deze liepen langs een in den flesch geplaatst takje. De spin
schiet toe, wikkelt haar slagtoffer op de bekende wijze in,
maar nu? — Hare gewone zitplaats is tegen het bovendeksel
der flesch en derwaarts trok zij steeds hare prooi. Daartoe
hecht zij van boven af herhaaldelijk eenige sterkere draden aan
de vlieg vast, en deze wordt dan gewoonlijk naar het middel-
punt van het deksel, hare zitplaats, opgetrokken , waar zij op
haar gemak en zeer langzaam de vlieg uitzuigt. Dit gelukte
haar in die beide gevallen niet; de vlieg zat, door de spinrag-
draden geheel ingesponnen, vast aan het takje. En nu zag
spreker ten duidelijkste, dat zij zoo lang zich van hare scherpe
kaakhaken bediende, tot zij alle hare eigene draden aan den
buitenkant der vlieg had doorgebeten , zoodat zij die nu eerst
vrijelijk kon medeslepen naar hare gewone zitplaats. Dit ge-
bruik der mandibulae als mes of schaar was hem tot hiertoe
nog niet bekend, en het is in elk geval merkwaardig, hoe, in
ongewone omstandigheden '
gerakende, men zou zeggen iets
meer nog dan instinkt door de spin (die toch reeds zoo vernuf-
tige arbeidster) kan worden ontwikkeld !
Mr. de Graaf zegt het volgende:
In Snellen’s werk «de Vlinders van Nederland» word ik
genoemd als de eenige, die iets omtrent de rups van Cidaria
' De Pholeus houdt zich op aan zolders of kamerhoeken, waar wel nimmer
„ takjes » voorkomen.
28 VAE RSI:
lignata Hübn. heb bekend gemaakt. Hetgeen ik in de Bouw-
stoffen dl. 2, pag. 188, mededeelde, was echter zeer weinig.
Waarschijnlijk achtte ik het daar de plaats niet eene beschrij-
ving der rups te geven, en stelde ik mij destijds voor dit ter
gelegener tijd te doen. Hoe dit zij, ik heb er later niet meer
aan gedacht, maar nu ik er aan herinnerd ben, dat ik eene
beschrijving der rups in portefeuille heb liggen, wil ik die niet
langer ongebruikt laten. Ik schrijf mijne aanteekening, met een
paar tusschenvoegingen, af zoo als ik die in 1851 gemaakt heb.
In April van dat jaar vond een mijner broeders op eene
grasplaats onder Oegstgeest, bij Leiden (ik denk in het sleep-
net) een 10pootige spanrups. Lengte 20 mm. De kop was
rond , bleek groengeel , met bruine atomen. Het ligchaam was
leemkleurig met flaauwe rooskleurige tint, vooral in de inker-
vingen. Het ruggevat was bruin; aan wederzijde daarvan liep
een lichte langslijn en tusschen dezen zag men door de loupe
op de middelste leden (de gewone puntjes? als) onduidelijke
oogjes. De buik en eene van boven donker begrensde streep in
de zijde waren vleeschkleurig. Het diertje verpopte 5 Mei in
een spinsel. De mannelijke vlinder kwam half Junij uit.
De heer Heylaerts Jr., die dit voorjaar eijeren van C. lignatu
had en mij over het voedsel der rups schreef, deelde mij later
mede, dat hij aan de jonge rupsen verschillende grassoorten
had voorgezet, doch dat zij daarvan niet hadden willen eten *.
De Secretaris verzoekt de leden nota te willen nemen van
zijne veranderde woonplaats, zoo als die op de lijst der leden
is opgegeven.
Daar geen der leden meer het woord verlangt, sluit de
Voorzitter de Vergadering.
1 Mr. de Roo van Westmaas liet mij dit jaar, in Augustus, jonge rupsen van
Cid. lignata zien, die hij met Plantago kweekte. — De opgave van den heer
Snellen, dat genoemde soort op moerassige weilanden voorkomt, schijnt mij te be-
perkt, want nog dit jaar ving ik in het begin van Augustus twee vlinders onder
Noordwijkerhout op droogen zandgrond in berkenbosch. DE GR.
VER LAN 29
Den volgenden dag werd door de meeste leden, welke op de
vergadering waren tegenwoordig geweest, deel genomen aan
eene excursie, die onder leiding van den Baron Lewe van
Middelstum plaats had op de Water-Meerwijk , in de omstreek
van het zoo liefelijk gelegen Beek. In weerwil der vermoeijenis
van den buitengewoon warmen dag, hield men zich ook nog
des avonds met het vangen van insecten onledig en keerde eerst
laat naar Nijmegen terug, allen zeer voldaan over den genoe-
gelijken dag en de meesten tevreden over hunne vangst.
Het is ons aangenaam hierbij te kunnen voegen eene lijst der
gevangen Hymenoptera, opgesteld door den heer Ritsema, be-
nevens opgave van de vangst van den heer van Vollenhoven.
Wij hopen dat ook andere leden dit voorbeeld zullen volgen en
opgave doen van de insecten, welke dien dag uit andere orden
verzameld zijn.
50
VE RS L AG.
LIJST der Hymenoptera, doer den heer
GC. Ritsema
Cz., 26 Juli 1868, op de
algemeene excursie aan de Water- Meerwijk
bij Nijmegen gevangen.
Lophyrus pallidus , Kl.
Selandria serva, F.
Athalia Rosae, L. .
Hedychrum lucidulum , F.
Omalus aeneus , F.
Crabro cribrarius, L. .
Cerceris arenaria, L. .
Dinetus pictus, Pz.
Pompilus trivialis , KI.
» viaticus, L.
Psammophila arenaria, L. .
Ammophila sabulosa, L. . |
Lasius spec. ? .
Odynerus Parietum, L. facie Fò
Vespa Germanica, F. .
« vulgaris, L.
oY Fula Br.
» sylvestris, Scop.
Prosopis variegata, F.
» confusa, Nyl.
Spheeodes gibbus, L.
Halictus quadricinctus, F.
» laevigatus, Kirb.
» flavipes „ F. ;
» lucidulus, Schenck .
Panurgus ater, Latr.
» lobatus, F.
Nomada interrupta, Pz. of volgens
Schenck’s tabel: Solidaginis
Epeolus variegatus, F. .
één 9 exemplaar.
één 9 exemplaar.
één 4 exemplaar.
niet zeldzaam „ een var. 9 ge-
kleurd als 4.
eenige 29.
niet zeldzaam.
& en 2 menigvuldig op bloemen.
één d en twee 22.
één d.
niet zeldzaam.
4 en 9 algemeen op bloemen.
één 2 exemplaar.
één 4 exemplaar.
88 zeer talrijk.
enkele 3%.
enkele 38.
een g exemplaar.
enkele exemplaren.
& en 2 niet zeldzaam.
twee d exemplaren.
eenige dd.
twee dd.
eenige dd.
een & exemplaar.
één 4g exemplaar.
één 4 exemplaar.
niet zeldzaam.
vrij algemeen.
u
VAR RS Ls G: 51
LIJST der aan de Water- Meerwijk door
S. GC. Snellen van Vollenhoven gevangen
insecten.
Blatta livida F. (an pallida Steph. ?) 2 4.
Odontura punctatissima Bose. 4.
Anthrax hottentotta F. £.
Pyrellia cadaverina L. 4.
Hylotoma ustulata L.
Selandria morio F. 2 (met een haak aan de dij).
Ichneumon nigritarius Grav. 4.
» fusorius L. 2 4.
Chrysis auripes Wesm. 9.
Cerceris arenaria L,
Dinetus pictus F. 2.
Oxybelus uniglumis L. 2.
Lindenius albilabris F.
Prosopis variegata F. 2.
» communis Nyl. (annulata Kirb.) g.
Epeolus variegatus L.
Osmia hirta? Fourer.
Psithyrus vestalis Fourer.
Phryganea (Hydropsyche) sp.
LIJST DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
op 25 Julij 1868,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
EERE-LEDEN.
De heer C. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch
Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
o o« H.T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861.
”„ n Dr. C. Felder, Lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis-
senschaften en Vice-President der K. K. Zool. Bot. Gesell-
schaft te Weenen. 1861.
« n Dr. H. Löw, Director der Real-Schule, te Meseritz in Posen.
1862.
n» Prof. J. O. Westwood, F. L. S., Directeur van het Hopean
Museum te Oxford. 1862.
n» A, E. W. Ludeking, Officier van gezondheid bij het Nederl.
Indische leger. 1862.
n__n Shr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, Officier van gezond-
heid der 3de klasse, thans te ’s Gravenhage. 1864.
n» Prof. J. J. P. Hoffmann, te Leiden. 1865.
n» Prof. Dr. Carl Boheman, te Stockholm. 1867.
n__n Dr. Gustav L. Mayr, te Weenen. 1867.
BEGUNSTIGERS.
De heer Mr. C. W. Hubrecht, te Leiden. 1859.
n__n €. G. R. Ontijd, Huize Rhienderstein bij Brummen. 1864.
uv» J. Kneppelhout, te Oosterbeek, 1867.
vo w Frangois Pollen, te Scheveningen. 1867.
Mevrouw Hartogh Heys van de Lier, geboren Snoeck, te Delft. 1868.
CORRESPONDERENDE LEDEN.
De heer Th. Lacordaire, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Zuik. 1853.
a « €. Wesmael, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Brussel. 1853.
De heer
uM “
u ”
“ [7
” a
u ”
“ u
u u
n u
De heer
u [7
“” u
“” u
A u
uv u
u “
a u
u u
“ ”
u ”
De heer
De heer
De heer
1/4 L/4
LA ”"
LIJST DER LEDEN ENZ. 55
Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de hoogere Burgerschool te
Aken. 1853.
Emil vom Bruck, te Orefeld. 1853.
Dr. C. Stäl, Professor aan het Kon. Zoologisch Museum te
Stockholm. 1564.
Frederic Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige
Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864.
J. W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te-Londen. 1865.
Mr. J. W. van Lansberge, Secretaris-Generaal bij het Ministerie
van Buitenlandsche Zaken te ’s Gravenhage. 1865.
Prof. P. C. Zeller, te Meseritz. 1867.
W. Mink, Hoofdleeraar aan de hoogere Burgerschool te Cre-
feld. 1861.
M, G. van Woerden, te Zoango, Zuidwestkust van Afrika, 1868.
GEWONE LEDEN.
184546.
Dr. J. G. Rombouts, te Amsterdam.
F. M. van der Wulp, Spui, n°. 60, te ’s Gravenhage. —
Diptera.
Dr. M. C. Verloren, huize Schothorst, te Hoogland bij
Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
J. Backer Sr., te Oosterbeek. — Kweeking van Bomb,
Yama-mayu in de vrije natuur.
J. W. Lodeesen, Prinsengracht bij de Reestraat, KK, 561,
te Amsterdam. — Lepidoptera indigena.
Dr. J. R. E. van Laer, te Utrecht.
Th. J. van Campen, te Amsterdam.
Dr. P. H. J. Wellenbergh, Veeartsenijschool te Utrecht.
Mr. H. Verloren, te Utrecht. — Lepidoptera,
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Breedestraat, IV-276,
te Leiden. — Algemeene Entomologie,
W. ©. Kerkhoven, te Amsterdam.
1816-417.
Jhr. J. C. Martens, te Meern bij Utrecht, — Coleoptera.
1849-50.
J. J. van Voorst, te Amsterdam.
1851-52.
R. T. Maitland, Directeur van den Koninkl. Zoolog. Botan.
tuin te ’s Gravenhage. — Algemeene Entomologie.
P. C. T. Snellen, Nieuwe Haven, XII—145, te Rotterdam.
Europesche Lepidoptera.
Dr. J. A. Herklots, Rapendurg over ’s Rijks Museum te Leiden, —
Algem. Entomologie.
3
94
De
u
De
uv
u
De
heer
u
heer
u
u
u
heer
LIJST DER LEDEN ENZ.
Dr. M. Imans, te Utrecht.
Dr. W. A. J. van Geuns, Oude Gracht, te Utrecht.
1852-53.
N. H. de Graaf, Haarlemmerstraat ‚te Leiden. — Lepidoptera.
Mr. H. W. de Graaf, Hoogstraat, V-374, te Rotterdam, —
Lepidoptera.
G. M. de Graaf, te Zeiden. — Lepidoptera.
Dr. L. A. J. Burgersdijk, professor aan het Athenacum te
Deventer. — Algem. Entomol.
G. A. Six, Weerd-Cingel, wijk M, n°. 610, te Utrecht. —
Hymenoptera.
Prof. W. Berlin, te Amsterdam.
1854-55.
Dr. C. de Gavere, te Batavia. — Algemeene Entomologie.
1855-56. _
A. A. van Bemmelen, Directeur van den Zoologischen tuin
te Rotterdam. — Algemeene Entomologie.
Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalkuizen, te Velp. —
Lepidoptera.
M. Breukelman, Schiedamsche Cingel, te Rotterdam.
1856-57.
Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Inlandsche Lepi-
doptera, bijzonder Microlepidoptera.
Mr. W. Albarda, Poelestraat, te Groningen.
A. P. H. Kuipers, te Leeuwarden.
Dr. A. W. M. van Hasselt, te Amsterdam. — Arachnidea.
1857-58.
J. W. Schubärt, te Utrecht.
W. K. Grothe, te Zeist.
1858-59.
J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht. —
Lepidoptera.
J. Backer Jr., te Oosterbeek. — Lepidoptera.
1860-61.
J. Kinker, Oudezijds-Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort ,
B, 261, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
Dr. E. Piaget, Kortenaarstraat, te Rotterdam. — Diptera en
Parasitica.
H. Weijenbergh Jr. , Phil, nat. stud. , Rozenlust, bij Haarlem, —
Lepidoptera.
1861-62.
H. Hartogh Heys van de Lier, te Delft. — Entomologische
Bibliographie.
De heer
De heer
u n
u „
“ u
u u
De heer
u u
u A
De heer
” Vv
” u
De heer
a uw
LÀ a
De heer
n a
De heer
u “
LA “
LIJST DER LEDEN ENZ. 55
1862—63.
H. Baron Lewe van Middelstum, te Beek bij Nijmegen. —
Lepidoptera.
1863-64.
Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van Ellemeet, te Oost-Capelle
bij Middelburg.
Mr. R. Th. Bijleveld, Rapenburg, te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
Prof. M. Salverda, te Groningen. — Vergelijkende ontleedkunde.
M. Snellen, te Delft.
D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F, 3471, te Zwolle, —
Lepidoptera.
1864-65.
Mr. A. H. Maurissen , te Maastricht. — Lepidoptera.
H. J. Veth, Phil. nat. stud., te Leiden. — Lepidoptera.
H. W. Groll, Lange Viesteeg, te Utrecht. — Coleoptera.
1365-686.
Dr. H. C. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat, te
Arnhem. — Lepidoptera.
W. J. Boogaard, Kleine Houtstraat , te Haarlem. — Micro-
lepidoptera en Hymenoptera.
A. Brants, Student in de regten, te Leiden. — Lepidoptera.
1866-67.
F. J. M. Heylaerts Jr., te Breda. — Lepidoptera enz.
Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Leeraar aan de hoogere Burgerschool
te Rotterdam. — Algemeene Zoologie.
A. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
1367-68.
C. Ritsema Cz., Phil. nat. stud., te Leiden. — Hymenoptera
en Aphaniptera.
Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil, nat. Doct. te Delft.
1868-69.
J. J. M. Gordon, te Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
R. Sinia, Phil. nat. stud., te Leiden. — Orthoptera.
J. G. de Man, Phil. nat. stud. te Zeiden. — Algemeene
Entomologie.
8.
12.
16.
45.
46.
BIBLIOTHEEK
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
Bijgekomen Boeken 1867/68.
A.
The Entomologist’s annual, London 1868.
Berliner entomologische Zeitschrift, herausgegeben von dem entomo-
logischen Vereine in Berlin, XI Jahrgang, 1867.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, 2° serie, Deel I tot III.
. Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou, Moscou
1867 n°. 13.
. The Entomologist’s monthly Magazine, .vol. IV, London 1867—68.
. List of the Linnean Society of London, 1865.
. Entomologische Zeitung, herausgegeben von dem entomologischen
Vereine zu Stettin, Jahrgang XXVIII, 1867.
Verhandlungen des zoologisch-botanischen Vereins in Wien, Band
VEE 1861.
. Bericht des Offenbacher Vereins für Naturkunde über seine
Thätigkeit, n°. VIII.
. Annales de la Société entomologique de France, Paris, IV° Série,
tome VII, 1867—68.
Proceedings of the Entomological Society of Philadelphia, vol. IV.
Boston Journal of Natural History, containing papers and communi-
cations read before the Boston Society of Natural History, New
Series, vol. I, part I and II, 1866—67.
54,
65
67.
68.
52
55.
57.
58,
22.
23.
17.
26
BIBLIOTHEEK DER NED, ENT. VEREENIGING. 57
Mededeelingen der Hollandsche Maatschappij van Landbouw,
1867, n°, 1.
Abhandlungen, herausgegeben vom naturwissenschaftlichen Vereine
zu Bremen, I Band, Heft 3.
The Entomologist, a Journal of British entomology, conducted by
E. Newman, London, vol. II, 1864/65.
Verslag van den Landbouw in Nederland over 1865.
Es,
Ohlert (E.), die Araneiden oder echten Spinnen der Provinz
Preussen, Leipz. 1867.
Frisch (J. L.), Beschreibung von allerley Insecten in Teutschland,
I— VIT Theil, Berlin 1720—28 in 1 Band 4, (Geschenk van
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven).
Möller (L.), die Abhängigkeit der Insecten von ihrer Umgebung,
Leipz. 1867.
Goureau (Ch.), les Insectes nuisibles à l’homme, aux animaux et
à l’économie domestique, Paris 1866.
C.
Leconte (J. L.), List of the Coleoptera of North America,
Washington 1863—66, part. I.
Leconte (J. L.), New species of North American Coleoptera,
ib. part I.
D.
. Scudder (S. H.), an Inquiry into the zoological relations of the
first discovered traces of fossil Neuropterous insects in North
America; with remarks on the difference of structure on the wings
of living Neuroptera, 1865, 4'°. (Overdruk).
E en F.
Niets bijgekomen.
IF;
Winnertz (J.), Beitrag zu einer Monographie der Sciarinen,
herausgegeben von der K.K. zoolog. botan. Gesellschaft in Wien,
1867.
EL.
Stainton (H. T.), Zeller and J. W. Douglas, the Natural History
of the Tineina, London 1855—65, Vol, X, Gelechia. Part. 2.
58
54,
55.
56.
57.
10.
23.
24.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING,
Noel Humphreys, the Genera of British Moths, populary described and
arranged according to the System new adopted in the British Museum,
illustrated by a Series of picturesque Plates, exhibiting the insects
in their different stages, with the caterpillars and the plants on
which they are generally found, London in 2 vol. (Geschenk van
den heer M. G. van Woerden).
Noel Humphreys, the Genera and Species of British Butterflies,
ib. (Geschenk van den heer M. G. van Woerden).
Ouekaki-Mourikouni, Yo-san-fi-rok, l'Art d’élever les vers à soie
au Japon, annoté et publié par M. Bonafous, av. 50 planches;
ouvrage traduit du texte Japonais par J. Hoffmann, Paris 1848, 4",
Moore (F.), on the Lepidopterous Insects of Bengal (page 44—98
and 612—86), London 1867. (Overdruk).
I.
Stal(C.), Bidrag till Hemipternas systematik, 1867. (Overdruk).
Hi
Bulletin du Congrès International de botanique et d’horticulture
à Amsterdam, 1866.
Neilreich (A), Nachträge zur Flora von Nieder Oesterreich, Wien
1866.
25. Brusina (S.), Contribuzione nella Fauna dei Molluschi Dalmati,
26.
27.
28.
Vienna 1866.
Mulsant (E), souvenirs d’un voyage en Allemagne, Paris 1862.
(Geschenk van Dr. C. A. Dohrn).
Neilreich (A), Diagnosen der in Ungarn und Slavonien bisher
beobachteten Gefässpflanzen, welche in Koch’s Synopsis nicht ent-
halten sind, herausg. v. d. k. k. zoolog. bot. Gesellschaft in
Wien, 1867.
Schumann (J.), die Diatomeen der hohen Tatra, Wien 1867.
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
De Entomologische Vereeniging ontving in:
Ootober 1867.
Van de Smithsonian Institution te Washington U. S.:
New Species of North American Coleoptera by John L. Leconte M.
PE Part. I
List of the Coleoptera of North America, by the Same. Part I.
List of the Works published by the Smithson. Inst. Jan. 1866.
Annual Report of the Board of Regents of the Smithsonian Institution
for the year 1865.
NB. Dit zonder begeleidende missive.
Van B. P. Johnson, Secretary N. Y. State Agricultural Society
Albany N. Y.:
Sixth, 7th, St and 9th Reports on the noxious, beneficial and other
Insects of the State of New York, by Asa Fitch, M. D.
Van den heer Samuel H. Scudder:
An Inquiry into the Zoölogical Relations of the first discovered traces
of Fossil Neuropterous Insects in North America. in 4to.
Van the Essex Institute. — Salem, Massachusetts U. S. A.
(F. W. Putnam, Superintendent E. J.):
Proceedings and Communications. Vol. IV and n°. 1 et 2 of Vol. V.
also containing the Naturalist’s Directory, North America and the
West-Indies (Adresboek).
Entom. Inhoud :
A. S. Packard Jr., Notes on the Family Zygaenidae. — F, W. Put-
nam, Notes on Leaf-cutting Bee. — A. S. Packard Jr., The
humble Bees of New England and their Parasites.
Van de » Boston Society of natural History » :
1%. Memoirs read before the Society. Vol. I. part. 1 et 2.
Entom. Inhoud:
40 INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
In part. 2 staat het bovenvermelde opstel van Samuel H. Scudder.
20, Journal of natural History. Vol. I-—VI. (Hieraan ontbreken vele
platen.
Entom. Inhoud :
Vol. I. Cieindelae of Massachusetts, by Aug. A. Gould. — Upon
the economy of some American Species of Hispa, by T. W. Har-
ris. — Descriptions of new North-Am. Coleopterous Insects, by
Thomas Say. — Descriptions of new Species of N. Amer. Hyme-
noptera, by Thom. Say.
Vol. II. Descript. of new Species of Coleopterous Insects, inhabiting
the State of Maine, by John W. Randall. — Descript. of new
Species of Coleopterous Insects, inhab. the State of Massachusetts,
by John W. Randall. — Remarks upon the N. Amer. Insects
belonging to the genus Cychrus of Fabr. by Th. W. Harris.
Vol. IV. Descriptions and figures of the Araneides of the United
States, by N. M. Hentz. — Description of an African Beetle,
allied to Scarabaeus Polyphemus, with Remarks upon some other
Insects of the same Group, by T. W. Harris.
Vol. V. A monography of the N. Amer. Histeroides, by John Le
Conte. — Descr. and figures of the Araneides of the U. S. by
Hentz (Vervolg). i
Vol. VI. Descriptions and figures of the Araneides of the United
States, by N. M. Hentz (Vervolg). — On the Pselaphidae of the
United States, by John L. Le Conte.
30, Proceedings. Vol. II—VII. — Vol. X blad 19 tot het eind en
Vol. XI blad 1—6.
40, Annual Report, May 1866.
Van de Entomological Society of Philadelphia :
Proceedings of the Society. Vol. 4 in 3 nummers 1865 Jan —Junij.
Vol. 5 in 2 nummers 1865 Julij—Dec. Vol. 6, n°. 1 1866.
Inhoud :
Vol. 4, n°, 1. E. T. Cresson, on the Hymenoptera of Cuba. —
W. H. Edwards, Description of certain species of Diurnal Lepi-
doptera found within the limits of the United States and British
America, N°. 4. — H. W. Bates, Notes on the variation of
sexes in Argynnis Diana. — Aug. R. Grote, on the synonymy
of Parathyris Angelica Grote. — Henry Shimer, Description of
the imago and larva of a new species of Chrysopa.
Vol. 4, n°. 2. J. S. Bethune, Descriptions of 3 new species of
Canadian Nocturnal Lepidoptera. — Tryon Reckirt, Observations
upon some American Pierinae. — A. R. Grote et C. T. Robinson,
_ INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. 41
Description of a new species of Citheronia and Remarks on Anisota
rubicunda, — R. Osten Sacken, Description of some new genera
and species of N. Am. Limnobina, — E. T. Cresson, Catalogue
of Hymenoptera from Colorado Territory. — Ch. A. Blake, Papilio
Grotei. n. sp. — A. R. Grote, Descriptions of N. Am. Lepidop-
tera n°. 6.
Vol. 4, n°, 3. R. Osten Sacken, Contributions to the nat. hist. of
the Cynipidae of the Un. States and of their galls. Art. 4. —
James H. B. Bland, Several new species of N. Am. Coleoptera. —
E. T. Cresson, Some new species of Mutilla from California. —
James H. B. Bland, Compiled Descriptions of N. Am. Staphy-
linidae, — E. T. Cresson, Catal. of Hymen. from Colorado
(Vervolg). — A. R. Grote et C. T. Robinson, Lepidopterological
Notes and Descriptions n°. 1.
Vol. 5, n°. 1. Sam. H. Scudder, Revision of the hitherto known
species of Chionobas in N. Amer. — Emil. Brendel, on some
new species of Pselaphidae. — Aug. R. Grote, Notes on Cuban
Sphingidae. — È. T. Cresson, Monograph of the Philanthidae of
N. America. — Brackenridge Clemens, North-American Micro-
lepidoptera, — Wm. H. Edwards, Description of new species of
Limenitis.
Vol. 5, n°. 2. A. R. Grote et Col. T. Robinson, A synonymical
Catalogue of N. Amer. Sphingidae. — Benj. D. Walsh, on phy-
tophagie varieties and phytophagie species. — Tryon Reakirt,
Descriptions of some new species of Danainae. — Idem, Descrip-
tions of some new species of Zresia. — Aug. R. Grote, Notes
on the Bombycidae of Cuba. — E. Brendel, New species and
corrections in the family Pselaphidae.
Vol. 6, n°. 1. A. R. Grote and Coleman T. Robinson, Lepidop-
terological notes and descriptions n°. 2. — Emil Brendel, Synopsis
of the Family Pselaphidae. — A. S. Packard Jr., Revision of the
fossorial Hymenoptera of N. America. — Benj. D. Walsh, Prof.
Dana and his entomological speculations. — Tryon Reakirt, Co-
loradean Butterflies, — S. B. Buckley, New species of N. Am.
Formicidae.
December 1867,
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Année
1867 n°. 1.
Entom. Inhoud :
Enumération des espèces de Coléoptères rapportées de ses voyages.
Par V. Motschoulsky. 5°" article. — Noch einige Mittheilungen
über Astrachaner und Sareptaör Pflanzen und Insecten, von A. Becker.
42
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
Januarij 1868.
Entomologische Zeitung ; herausgegeben vom dem entomologischen Vereine
zu Stettin. 28° jahrgang.
I
Inhoud:
Zeller, Europ. Setinen — Mac Lachlan, Europ. Phryganiden. —
Cornelins, über Eichengallen. — Speyer, Lepidopt. Mittheilungen. —
Ein brief Fischer’s von Waldheim. — Pfaffenzeller, Gelechia
Petasitis. — Stainton, Gelechia sepiella und Gel. triannulella. —
Schaufuss, Beiträge zur Gruppe der Malacodermata. — Hagen,
Uhler’s Odonaten. — Hagen, Scudder’s Odonaten. — Staudinger,
Neue Lepidopteren. — Müller, Entomogrip. — Nachtrag. Intelligenz.
. Fairmaire, Ichthyurus. — Kawall, Miscellanea. — Speyer, engl.
Schmetterlinge. — Hagen, Literatur (Köppen, Südruss. Heuschreck).—
Schleich, Behandl. der Microlepid. — Suffrian, Rhaebus Beckeri;
Sphaenoptera Beckeri. — Ant. Dohrn, Eugereon Boeckingi. —
Meyer, Phrygan. Westfalens. — Putzeys, Amara (additions). —
Zeller, Fidonia fasciolaria. — Zeller, über Entschuppen. — Zeller,
Literatur (von Heinemann). — Wahnschaffe, Nachtrag zum Reperto-
rium. — Dohrn, Epistel an einen Dilettanten. — Hofmann, 3
Gelechien, 1 Chauliodus. — Wocke, 2 Chauliodus. — Staudinger,
Gelechia petasitella, Phyllobr. Hartmanni. — Cornelius, Galeruca
Calmariensis. Entwickelung. — Hagen, Cuba Neuroptera. — Christoph,
Neue Schmetterlinge. Biologische Notizen. — Dohrn, Phal. Bombyx. —
Intelligenz.
Von Pritwitz, Lepidopterologisches. — Keferstein , über Setina. —
Crüger, Austral. Lepid. von Scott. — Bethe, Neue Staphylinen. —
Suffrian, Cryptoceph. astracanicus. — Dohrn, Ceterum quidem. —
K. Lindemann’s Notiz. — Keferstein, Lepid. Mittheilungen. —
Dohrn, Literatur (Wilken) Insecten-Gallen. — Zeller, Literatur
(Wallengren). — Ballion, Synon. Bemerkungen. — Dr. H. Dohrn,
Dermapteren. Neue Forficulinen. — Speyer, Lepid. Mittheilungen. —
Dohrn, Entom. Gastrosophie. — Intelligenz.
Zeller, Micolepidopt. in Aegypten und Palaestina gesammelt. —
Zeller, Ostindisch microlep. — Speyer, Lepidopt. mittheil. —
v. Ziegler, Melitaea. — Gerstaecker, Paussiden. — Cornelius,
zur Naturgeschichte von Lucanus cervus. — C. A. Dohrn, Gratias. —
Suffrian, Synonym. Miscell. — Schleich, Microlepid. Beobachiung. —
Ball, Insecten-Epidemien durch Pilze. — Intelligenz.
Proceedings of the scientific Meetings of the Zoological Society of
London for the year 1867. Part. 1 et 2.
Entom. inhoud:
Part. I. Note on the Identity of certain Species of Lycaenidae. By
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. 45
A. G. Butler p. 34. — On the Lepidopterous Insects of Bengal.
By Frederic Moore p. 44. Plates VI et VIT. — Descriptions of
some new Species of Satyridae belonging to the Genus Zuptychia.
By Arthur G. Butler p. 104. PI. XI et XII.
Part II. On the Coleoptera of the Azores. By George R. Crotch
p. 359. Pl, XXIII,
Februarij 1868.
Berliner entomologische Zeitschrift, Eilfter Jahrgang (1867). Van den
Entomologischen Verein in Berlin in ruil tegen het Tijdschrift.
Inhoud :
Heft I et II. Vereinsangelegenheiten. — Loew, über Hmpis ci-
liata F. und über die ihr zunächst verwandten Arten. — Der-
selbe, über diejenigen mit Zmpis chioptera Meig. verwandten Arten.—
F. Jaenicke, Beiträge zur Kenntniss der europäischen Bombyliden,
Acroceriden, Scenopiniden, Thereviden und Asiliden, — Derselbe,
Beitr. zur Kenntn. der europ. Leptiden. — v. Hagens, über
Ameisen mit gemischten Colonien. — H. v. Kiesenwetter, Beitr.
zur Käferfauna Spaniens (2° Stück). — Derselbe, Ptinus coarti-
collis Sturm. — Derselbe, Revision der Dasyliden-Gattung Doli-
chosoma. — F. Jaennicke, Zur Hymenopteren-Fauna der Umge-
gend von Frankfurt a. M. — Prof. Schenck, Zusätze zu dem
Verzeichnisse der nassauischen Hymenoptera aculeata. — Loew,
Nachträgliche Bemerkungen zu den Eimpis-Arten aus den Verwand-
schaftskreisen der E. stercorea und chioptera. — G. Seidlitz ,
Einige entomol. Excursionen in den castilischen Gebirgen im
Sommer 1865. — M. Wahnschaffe, Eeine Notiz über Insekten
des Meeres. — J. H. Kawall, Deilephila Nerii L. in Curland. —
J. Pfützner, Verzeichniss der in der Umgegend von Berlin vor-
kommenden Schmetterlinge. — Kleinere Mittheilungen.
Heft III et IV. Vereinsangelegenheiten. — Th, Kirsch, Beitr. zur
Käferfauna von Bogota (3° Stück). — E. v. Harold, Notiz über
einige Germarsche Typen. — Th. Kirsch, Ueber zwei Fliegen-
larven aus dem Nacken eines jungen Sperlings. — Dr. G. Fritsch,
Das Insektenleben Süd-Afrikas. — E. v. Harold, Die chilensischen
Aphodiden. — H. Loew, Die Amerikanischen Ulidina. — H. v.
Kiesenwetter, Entomol. Beiträge zur Beurtheilung der Darwin’schen
Lehre von der Arten. — Dr. Kraatz, Nachwort dazu. — H. Rein-
hard, Beiträge zur Kenntniss einiger Braconiden-Gattungen. 4°
Stück. — Beiträge zur Kenntn. der deutschen Käferfauna. 1° St,
von H. von Heyden, 2° St. von Dr. Kraatz, 3° St. von Pfarrer
Scriba, 4° St. von Oberförster Eichhoff, 5° St. von J. Gerhardt. —
Dr. G. Kraatz, Die Zahl der deutschen Zenedrio-Arten, — J. P.
44 INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN,
Stein, eine der Gerste schädliche Fliege. — Derselbe, Ueber
Mantispa Styriaca Poda (pagana F.). — L. v. Heyden, Exotische
Xenos-Arten. — Eichhoff, Neue amer. Borkenkäfer-Gattüngen und
Arten. — Ders., Neue Südeurop. Borkenkäfer. — Graf Ferrari,
über Monarthrum Chapuisi Kirsch. — Dr. Kraatz, über Curabus
Schönherri Fisch. und Stchlegovi Muh. — Kleinere Mittheilungen
und Sammelberichte.
Maart 1868.
Van de K. K. Zoologisch-Botanische Gesellschaft in Wien, het volgende:
1°, Verhandlungen der K. K. Zool. etc. XVII” Band. Jahrgang 1867.
Mit 23 Tafeln.
Entom. inhoud:
Fr. Brauer, Beschreib. neuer exotischer Libellen aus den Gattungen
Neurothemis, Libellula, Diplax, Celithemis und Tramea. — Fr.
Brauer, Larve von Aypochrysa nobilis Heyd. — Dr. H. Hagen,
Notizen beim Studium von Brauer’s Novara-Neuropteren. — Jos.
Mann, Schmetterlinge gesammelt im J. 1866 um Josefsthal in
der croat. Militärgrenze. — Ant. Ausserer, Die Arachniden Tirols.
Mit 2 Tafeln. — Dr. L. Koch, Beschreibungen neuer Arachniden
und Myriapoden. — Vit. Graber, Die Orthopteren Tirols, mit 2
Tabellen. — Fr. Brauer, Beitrag zur Kenntniss der Mantispiden-
Gattungen. — Idem, Bericht über die von Hrn. Dir. Kaup
eingesendeten Odonaten. — Dr. Schiner, 2° Bericht über die von
der Fregatte Novara mitgebrachten Dipteren. — Ferd. Kowarz,
Beschreib. sechs neuer Dipteren-Arten. — Dr. Schiner, über die
richtige Stellung von Ochthiphila litorella Fall. im Systeme. —
Prof. Dr. Max Nowicki, Beschreibung neuer Dipteren. Mit 1 Taf. —
Dr. Schiner, Neue oder weniger bekannte Asiliden des K. Zool.
Hofcabinettes in Wien. — Jos. Mik, Dipterol. Beiträge zur Fauna
Austriaca. — G. R. von Frauenfeld, Zoologische Miscellen XI.
Mit 1 Tafel — L. Miller, Timarcha Lomnickü n. sp. — Fr.
Brauer, Beschreibung neuer Neuroptera. — Idem, über Myrmeleon
sinuatum Oliv. — G. v. Haunhoffen, über die Eichengalle von
Cynips coriaria Hart. — L. v. Kempelen, Bemerkungen über
Spinnen im Allgemeinen. — L. Miller, Beitrag zur unterirdischen
Käferfauna. — G. v. Frauenfeld, über Verwüstungen des Rapsglanz-
käfers. — Dr. Schiner, das neue Dipteren-System. — A. v. Pelikan,
über Getreideverwüstungen durch <Antsoplia. — Georg Semper,
Beiträge zur Entwickelungs-geschichte einiger Ost-asiatischen Schmet-
terlinge. Mit einer Tafel. — Fr. Brauer, Dr. Gerstaecker’s Einwen-
dungen gegen die neue Dipteren-Eintheilung. — Dr. Fr. Löw,
Zoologische Notizen. — G.R. von Frauenfeld , Zoologische Miscellen
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. 45
XII et XIII. — Dr. Kriechbaumer, Ein Zwitter von Zrebia Medea
S. V. — Fr. Brauer, Neue exotische Odonaten. — J. Mann,
Schmetterlinge, gesanımelt in Bozen. Zehn neue Schmetterlings-
arten. — Dr. L. Koch, zur Arachniden- u Myriapoden-Fauna
Süd-Europa’s. — D. Bilimek, Fauna der Grotte Cacahuamilpa in
Mexico. — F. Brauer , Beschreibung und Verwandlung des Dendroleon
pantherinus F. Mit Tafel. — Idem, über den Dimorphismus bei
Neurothemis,
20, Dr. Aug. Neilreich, Diagnosen der in Ungarn und Slavonien
bisher beobachteten Gefiisspflanzen, welche in Koch’s Synopsis nicht
enthalten sind.
3%. Joh. Winnertz, Beitrag zu einer Monographie der Sciarinen. Mit
einer Tafel.
40, J. Schumann, Die Diatomeen der Hohen Tatra; mit vier Tafeln.
April 1868.
Achter Bericht des Offenbacher Vereins für Naturkunde über seine
Thätigkeit. — Geschenk van het Verein.
Bevat niets over entomologie.
On the Lepidopterous Insects of Bengal. By Frederic Moore with
two Plates,
Geschenk van den schrijver.
Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde 19° und 20° Heft.
Mit 2 Tafeln.
Van het Verein in ruil tegen het Tijdschrift.
Entom. inhoud :
Verzeichniss der Schmetterlinge Nassau’s, mit besonderer Beriick-
sichtigung der biologischen Verhiiltnisse und der Entwicklungsge-
schichte von Dr. A. Rösler.
Beobachtungen über Lepidopteren von A. Fuchs.
Annuaire de l’Académie royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-
Arts de Belgique 1868.
Bevat niets over entomologie.
Bulletins de l’Académie royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-
arts de Belgique 36° année. 2™ Ser. T. XXIV. 1867.
Entom. inhoud:
Ichneumonologica documenta par M. Constantin Wesmael (renseigne-
ments restés épars et inédits parmi les manuscrits de l’auteur sur
les Ichneumons) p. 441. — Note additionnelle à ces documents.
p. 537.
46 INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
Frederic Moore, on the Lepidopterous Insects of Bengal. — 3de stuk,
overgedrukt uit de » Proceedings of the Zoological Societys. Geschenk
van den schrijver.
Mei 1868.
Verslag van Burg. en Wethouders omtrent de gemeente Leyden.
Bulletin de la Société imp. des Naturalistes de Moscou, Année 1897 n°, 2.
Bevat niets over entomologie.
Julij 1868.
Bulletin de la Société imp. des Naturalistes de Moscou, Année 1867 n°. 3.
Entom. inhoud :
N. Petroff, Etwas über die Maulwurfsgrille.
Augustus 1868.
Schriften der Kön. physikal. oekonomischen Gesellschaft zu Königsberg.
Achter Jahrg. 1867. 1° und 2° Abth.
Bevat wiets entomologisch, dan ter loops in de Sitzungs-Berichte.
September 1868.
Report of the Commissioner of Agriculture for tlie Year 1866. (Geschenk
van het Ministerie van Landbouw der Vereenigde Staten van America).
Entom. inhoud:
Report of the Entomologist. p. 27—45.
Monthley report of the Department of Agriculture (van hetzelfde
Ministerie) for the years 1866 und 1867.
Entom. Inhoud :
Insects injurions to the cotton plant. 1866. — Grasshoppers. Insects
infesting cotton and cereals. Potatoe-bug. Silkworms 1867.
Transactions of the Chicago Academy of Sciences. vol. I. part. I.
(Geschenk van de Academie.)
Bevat niets over entomologie.
Van de Boston Society of Natural History :
1°. Memoirs. vol. I. part. III. (Niets over entomol.)
2°. Annual. 1868—69.
3°. Annual Reports May ’67 et May ’68.
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. 47
4°. Proceedings vol. XI. vel 7—31. (Van deze losse bladen is de
inhoud moeijelijk op te geven.)
NB. Daarbij in afzonderlijken omslag de volgende overdrukken uit
de Proceedings, waarschijnlijk ten geschenke door de schrijvers:
Additional Remarks upon the Odonata of the Isle of Pines and of the
White Mountains of New Hampshire. By Samuel H. Scudder.
Notice of some Nort American species of Pieris, by the Same.
Supplement to the Descriptions and Figures of the Araneides of the
United States, by N. M. Hentz.
Proceedings of the Entomol, Society of Philadelphia. Vol. 6, n° 2.
(1860—67.)
Inhoud :
S. B. Buckley on North American Formicidae. — Aug. R. Grote,
Notes on the Zygaenidae of Cuba. Part. 1. — Dr. Brendel, Some
new species of Pselaphidae. — W. H. Edwards, On certain N.
Amer. species of Satyrus. — Dr. H. Behr, A new sp. of Chryso-
phanus. — A. S. Packard M. D., On certain entomol. specula-
tions. — R. Osten Sacken, On two new Am. Cecidomyiae. —
Dr. Brackenridge Clemens, On Thyridopteryx ephemeraeformis. —
Benj. D. Walsh, On the Insects inhabiting the galls of certain
species of Willow. — Dr. G. H. Horn, Notes on the habits of
a few California coleopt. — Idem, On Usechus Lacerta Motsch. —
Idem, On Rhagodera tuberculata Mann. — A. R. Grote, Notes
on the Zygaenidae of Cuba. Part. 2. — Dr. Packart, Revision of
the Fossorial Hymenopt. of N. Amer. — A. R. Grote, Two new
sp. of N. Amer. Brachycerous Diptera.
The Practical Entomologist. A monthly bulletin published by the Entom.
Society of Philadelphia, vol. II, n°. 3—12.
(Het is niet wel mogelijk van deze berigten, vragen en ant-
woorden den inhoud op te geven.)
Transactions of the American Entom. Society, vol. I, n°. 1-4.
(Blijkt hetzelfde genootschap , herdoopt.)
Inhoud :
Numb. 1. A. R. Grote and C. T. Robinson, Descriptions of Amer.
Lepidoptera. N°. 1 met 2 fraaije gekleurde platen. — Edw. Norton,
Cat. of the described Tenthredinidae and Uroceridae of N. America. —
E. T. Cresson. Notes on the Pompilidae of N. America.
Numb. 2. E. T. Cresson, Pompil. (Voortzetting.) — Geo. H. Horn,
Description of a new Pseudomorpha from California. — Idem, On
other Amer, Coleoptera. — A. R. Grote and Robinson, Lepido-
48 INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
ptera continued (met eene gekleurde plaat). — Norton, Teuthre-
dinidae , continued.
Numb. 3. Norton, Tenthredinidae continued. — Dr. H. Shimer,
a new sp. of Aleyrodes, and a new sp. of Cecidomyia. — Idem,
On a new Genus of Aphidae. — W. H. Edwards, Descriptions
of certain species of Diurnal Lepidoptera, found in the United
States. — E. T. Cresson, A list of the Ichneumonidae of North
America, with descript. of new Spec. Part. 1. — Dr. G. H. Horn,
Geotrupes of -Boreal America. — Record of the Meetings.
Numb. 4, Dr. Horn on Geotrupes , continued. — Grote and Robinson,
American Lepidoptera n°. 3 (met 2 gekleurde platen). — Dr. H.
Shimer, Notes on the Apple-Bark-Louse (Lepidosaphes conchifor-
mis Gmel. — E. T. Cresson, Catal. of a small collection of
Hymenopt. made in New Mexico,
Annual Report of the Board of Regents of the Smithsonian Institution
for the year 1866. (Geschenk van de Stichting.)
Behelst niets over entomologie.
Proceedings of the Essex Institute. Vol. V, n°. 5 et 6. (Van de Essex-
stichting te Salem, Massachusetts).
Bevatten niets over insecten.
TY 9A an
JULY 39 pri
.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN
BESCHREVEN EN MEERENDEELS 00K AFGEBEELD
DOOR
S. C. Snellen van Vollenhoven.
Tweede stuk met twee platen.
TWEEDE FAMILIE. — COREODEN.
COREODEA.
Het zou zeer moeijelijk zijn eene gepaste benaming in zuiver
Hollandsch voor deze familie van Landwantsen te vinden; indien
de Grieksche naam, gelijk mij toeschijnt het geval te zijn, af-
geleid is van Kogıs (eene wants), heeft zij eigenlijk geene ster-
kere betrekking tot deze dan wel tot de overige familien. Het
komt mij dus het verstandigst voor den naam onvertaald, doch
met een’ Hollandschen uitgang te bezigen.
Tot deze familie brengen wij het geslacht Berytus, ofschoon
het in zijne membraan niet meer dan 5 langsaderen bezit en
dus in zeker opzigt niet volkomen aan de vereischten der in de
tabel aangeduide kenmerken voldoet. Doch ten eerste sluit de
plaatsing der sprieten boven zekere ideale lijn, getrokken van
het midden der oogen tot de punt van den elypeus, Berytus
buiten de Lygaeoden en doet het tot de Coreoden naderen,
ten andere is de habitus zoo sterk gelijkend op dien van Myr-
mus Schillingii, dat het vreemd zou schijnen beiden niet nevens
elkander te plaatsen. Berylus is een verbindende schakel tusschen
4
50 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
twee familien, maar maakt onzes inziens niet eene familie op
zich zelf uit, gelijk de meening is van Dr. Flor; daartoe schijnt
ons het kenmerk van het aantal aderen in de membraan van te
geringe waarde.
De Coreoden hebben over het algemeen een’ slankeren vorm
dan de Schildwantsen; hunne bekleeding is wel niet zoo hard
als bij dezen, maar toch harder en steviger dan die der Cap-
sinen. Hun kop is vierkant (van boven gezien) en draagt dan
de sprieten aan den voorrand, of hij is driehoekig, met de
sprieten op zijde. De basis van dezen is van boven zigtbaar;
zij zelven bestaan uit vier leedjes en zijn meestal op een voor-
uitspringend grondstuk ingeplant, boven de denkbeeldige lijn,
wier rigting wij zoo even opgegeven hebben; hunne lengte en
de respective lengte hunner leden zijn niet wel in eene algemeene
formule te brengen. Bij Berytus zijn de sprieten het langst,
bij Pseudophloeus het kortst; het laatste lid is dikwijls spoel-
vormig en dikker dan het derde. De oogen zijn over het alge-
meen klein en half bolvormig, de bijoogjes (bij Berytüs moeije-
lijk te onderscheiden) staan gewoonlijk even ver van elkander
als elk afzonderlijk van het oog aan zijne zijde, De zuiger, die
uit vier leedjes bestaat, reikt nimmer verder dan de basis der
achterheupen ; zijne leedjes verschillen onderling weinig in lengte.
De prothorax is aan de achterzijde bij de meeste genera veel
breeder dan aan den voorrand, loopt dikwijls van voren naar
achteren zeer sterk naar boven en is somwijlen aan de zijden
getand of gekarteld. Het schildje is driehoekig of langwerpig
driehoekig, middelmatig van grootte of klein. De bovenvleugels ,
die bij eene enkele soort onontwikkeld blijven, bestaan uit
corium, clavus en membraan, doch zonder wig. In den regel
ziet men in het corium 2 langsaderen, die zich aan het einde
gaffelen en twee hunner gaffels in een doen loopen. De mem-
braan heeft gewoonlijk 6, 7 of 8 aderen, waarvan eenigen zich
vertakken, anderen anastomeren. De pooten uitsluitend tot gaan
ingerigt zijn gewoonlijk matig lang en krachtig, bij het geslacht
Berytus zijn zij zeer lang en dun; de dijen zijn daar knods-
vormig. de achterdijen bij anderen aan de onderzijde gedoornd.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 51
De tarsen hebben steeds drie leedjes, waarvan het tweede het
kortste is.
De Coreoden treft men in bosschen, op heiden en duinen aan.
Ik geloof dat men vertegenwoordigers van deze familie te ver-
geels in onze moestuinen, op weiden en lage, moerassige landen
zoeken zal. De levenswijze van het geringe aantal soorten is
nog zeer weinig onderzocht, zoodat het nog niet mogelijk is op
te geven of hun voedsel uitsluitend uit plantensappen bestaat.
14.
ot to =
(8)
Analytische tabel der geslachten.
Eerste lid der sprieten langer dan de kop.
Sprieten glad en onbehaard.
Kop vierkant met eene lamel of 2 doorntjes tusschen
de sprieten.
Gen. 1. Syromastes Latr.
Kop driehoekig, naar voren puntig.
Dijen en eerste lid der sprieten knodsvormig.
Gen. 5. Berytus F.
Dijen en eerste lid der sprieten niet knodsvormig.
Gen. 6. Rmopatus Schill.
Sprieten ruw, ten minste het eerste lid korrelig.
Gen. 2. Coreus F.
Eerste lid der sprieten zoo lang als of korter dan de kop.
Derde lid der sprieten viermaal langer dan het tweede.
Gen. 5. PseupopuLorus Burm.
Derde lid der sprieten ongeveer even lang als het tweede.
Achterdijeu aan de onderzijde gedoornd.
Gen. 4. Auyous F.
) Achterdijen ongedoornd.
) Kop even lang als breed. Dekschilden en vleugels ge-
woonlijk weinig ontwikkeld.
Gen. 7. Mynmus Hahn.
(15) Kop kort en breed. Oogen uitpuilend.
Gen. 8. Corizus Fall.
59 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Genus 1. Synomastes Latr.
Het ligchaam zou bij dit geslacht, te rekenen van de helft
van den prothorax naar achteren toe vrij wel een’ langwerpigen
vierhoek uitmaken, indien het achterlijf niet aan beide zijden
ver buiten de dekschilden uitstak. De kop is vierkant met een
verticaal plaatje of twee doorntjes tusschen de sprieten. Oogen
middelmatig en weinig uitpuilend. Zuiger tot aan de midden-
heupen reikend met ongeveer even lange leedjes. Sprieten
voor aan den kop ingeplant, onbehaard, doch korrelig en ruw;
hun eerste lid iets langer dan de kop, naar de binnenzijde toe
verbreed en in het begin wat gebogen, het tweede iets langer
en veel smaller, eylindrisch, het derde eveneens doch bij eene
soort niet langer dan het 1°, het 4° iets dikker en korter,
spoelvormig. Voorborststuk naar achter sterk verbreedend en
naar de hoogte opstijgend , doch van de achterhoeken naar de
achterrandshoeken toe weder versmallend en zelfs weder een
weinig dalend, zoodat de grootste breedte en hoogte juist tus-
schen de achterhoeken komt te vallen. Schildje middelmatig
van grootte, plat, driehoekig met een scherp doorntje aan de
spits. Dekschilden met slechts bij vergrooting zigtbare aderen,
hunne buitenranden in rust parallel hebbende. Membraan met
eene langwerpige cel aan de basis en een vrij groot aantal
(soms 15) van daar uitstralende, onregelmatig slingerende ade-
ren, die somtijds weder in elkander loopen. Het achterlijf
steekt aan beide zijden, gelijk reeds gezegd is, ver buiten de
dekschilden uit. De pooten leveren niets bijzonders; tusschen
de midden- en achterheupen ziet men een gleufje voor den
zuiger.
Kenmerk der soorten.
Kleur donkerbruin; lid 2 en 5 der sprieten rood;
twee doorntjes tusschen de sprieten . . . . . Marginatus.
Kleur lichtbruin; lid 2 en 5 der sprieten geel;
een verticaal plaatje tusschen de sprieten . . . Quadrutus.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN, dò
1. Syromastes marginatus L.
Plaat 1, fig 2 en 2a.
Linn. Syst. nat. V. p. 485. 28. — Fabr. S. Rh. 192. 6. —
Burm. Handb. H. p. 515. 4. — Am. et Serv. Hem. p. 207. —
Hahn, W. Ins. II. p. 102. f. 185. — Stoll, Wantsen. p. 22.
tab. 5. f. 57. -- Wolff, Icon. Cim. p. 20. tah. 5. f. 20. —
Schilling, Beytr. p. 58. tab. 4. f. 1. — Panz. Deutschl. Ins. 117. 11.
Lengte 12 of 15 mm. -- Vrij donker of grauwachtig bruin ,
geheel met nog donkerder fijne puntjes gekorreld, aan de onder-
zijde iets lichter. De kop zeer laag in vergelijking van den
achterkant van den thorax, doch horizontaal vooruitgestoken
en niet gebogen. Tusschen de sprieten twee naar elkander toe
gerigte stekeltjes. Het 1° lid der sprieten van de kleur als de
kop, het 2° en 5° fraai koraalrood (na den dood dikwijls on-
zuiver rood), het laatste zeer donker bruin, bijna zwart; bij
een mijner voorwerpen is ook het eerste lid rood, doch met
een’ bruinen tint. De thorax aan de zijden eenigzins gekarteld,
naar achteren sterk stijgende, tusschen de afgeronde achter-
hoeken meer dan driemaal zoo breed als aan den hals, heeft
even voor den achterrand een smal, iets verheven lijstje. De
laatste leden van den zuiger, de scheenen en tarsen zijn bruin-
rood. De dunne, buiten de vleugels uitstekende zoom van het
achterlijf is rond, zonder hoeken, en eenigzins opgewipt. De
voordijen en dikwijls ook de dijen der andere paren aan den
onderkant bezet met twee rijen kleine tandjes ; de achterscheenen
bij den man aan de spits eenigzins naar buiten gebogen. De
anaalplaat van het 4 is afgerond, die van het 2 eindigt in
twee weinig scherpe punten.
De mannetjes zijn aan de onderzijde en de pooten rooder dan de
wijfjes. Een paar malen ving ik een inseet, dat ik voor de larve
dezer soort houd; indien ik mij in die determinatie niet vergis,
dan bezit de larve zeer zonderlinge sprieten. Zij zijn even lang
als bij de imago, doch veel breeder; de twee eerste leden zijn
driekantig en behaard; het derde lid is tot een paletje ver-
54 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
breed, wit aan de basis en met een verheven rigcheltje aan de
onderzijde, het laatste spoelvormig.
Ik meen dat deze soort niet zeldzaam is in Utrecht en Gelder-
land, maar wel in Holland. Ondertusschen werd zij in April
door den heer Weijenbergh in den Aerenhout bij Haarlem ge-
vangen. De heeren Six en Schubärt vonden haar bij Utrecht,
de eerstgenoemde verscheidene voorwerpen op Persicaria orien-
talis in een tuin te Driebergen. Door den heer van Walchren
werd zij te Brummen, door mij aan de Watermeerwijk bij
Groesbeek aangetroffen.
2. Syromastes quadratus F.
Plaat 1, fig. 3.
Fabr. Ent. Syst. 4. p. 152. 20. — Idem, Syst. Rh. 199. 56. —
Wolff, Ze. Cim. p. 70. tab. 7. f. 67. — Stoll, Wantsen. pl. 5.
f. 56. — Schill. Beytr. I. p. 40. 5. — Hahn, W. Ins. Il. tab. 61.
f. 187. — Burm. Handb. U. p. 514. n°. 1.
Lengte 10 of 11 mm. — Van boven lederkleurig of licht
geelachtig bruin, van onder bruinachtig geel; de grondkleur is
eigenlijk aan beide zijden dezelfde, doch de donkerder tint der
bovenzijde wordt veroorzaakt door een ontelbaar aantal bruine
korrelachtige puntjes. De kop is niet zoo zuiver vierkant en ook
niet zoo laag in verhouding tot den achterkant van den thorax
als bij de vorige soort, waarvan deze bovendien verschilt door
het gemis van doorntjes tusschen de sprieten, die vervangen
worden door een verticaal plaatje, dat tot even op den zuiger
afdaalt. Het 1° lid der antennen heeft de kleur van de boven-
zijde van den kop, de 2° en 5° zijn geel en het laatste is vrij
donker bruin, ietwat rossig aan de spits. De oogen zijn iets
meer langwerpig dan bij de vorige soort, de bijoogjes donker-
bruin met 2 gele streepjes aan de zijden die naar oogleden
zweemen. De zijranden van den prothorax zijn niet gekarteld,
geel; de achterhoeken steken niet bijzonder uit. De aderen op
de dekschilden zijn nog al duidelijk zigtbaar; het achterlijf is
aan wederzijde in een stompen hoek verbreed, zoodat het vier-
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 35
kant schijnt te zijn. De anaalplaat van den man is ovaal en
het sluitstuk er van rond met eene inkeping in het midden,
die van het wijfje eindigt in vier afgeronde punten. De pooten
zijn van dezelfde kleur als de borst en buik; hunne scheenen
zijn aan de uiteinden niet (of nagenoeg niet) gebogen. De stig-
mata zijn naauwelijks te ontdekken, de geurspleet is klein. Aan
wederzijde van den mesostethus en verder op elk der zes eerste
ringen van het achterlijf ziet men een pekzwart stipje.
Deze soort is zeldzaam, voor vele jaren ving ik er een wijfje
van in de omstreken van den Haag. Later vond de Heer de Roo
van Westmaas den 12” Augustus een mannetje bij Velp.
Gen. 2. Coreus F.
Dit is het geslacht waarnaar de geheele familie genaamd is,
eenvoudig omdat bijna al hare soorten door Fabricius in het
door hem afgezonderde en benoemde Genus Coreus geplaatst
werden. Het ligchaam is gerekt eivormig met bijna evenwijdige
zijden. De kop is groot, tot aan de basis der sprieten even
breed blijvend, tusschen dezen in een stompen kegel verlengd.
De oogen zijn klein, zijdelings geplaatst, de ocellen staan aan
den achterrand van den kop. De sprieten, wier leedjes ongeveer
even lang zijn, zijn ruw en harig; hun 1° lid is het dikst. De
zuiger reikt tot aan de middenheupen; haar tweede lid is het
langst. De prothorax is iets breeder dan lang, heeft regtloopende
met doorntjes bezette zijkanten en is aan den achterrand ietwat
ingebogen. Het schildje is een gelijkzijdige driehoek, die in een
scherp puntje eindigt. De boven- en ondervleugels zijn wel ont-
wikkeld, reiken niet over het einde van het abdomen heen en
laten op zijde een smal randje er van vrij; de membraan heeft
aderen, die dikwijls in elkander vloeijen en aan hunne basis op
eene dwarsader rusten, die niet ver van den rand van het corium
af staat. De pooten zijn nog al krachtig gebouwd, vooral de
achterpooten, wier dijen eenigzins gezwollen en aan de onder-
zijde bedoornd zijn.
56 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
1. Coreus pilicornis Burm. (Klug.)
Plaat 1, fig. 4 en 4a.
Burm. Handb. I. p. 509. n°. 2. — Wolff, Ze. Cim. p. 71.
tab. 7. f. 68. — Schill. Beitr. I. p. 44. tab. 4. fig. 6. — Hahn,
W. Ins. IL. p. 106. f. 188. — H.-Sch. id lib. IV. p. 97. f. 441,
Lengte 9 mm. — Aan de bovenzijde licht roodbruin, aan de
onderzijde bruinachtig geel. Kop en thorax zeer fijn behaard,
de eerste met eenige langsrimpels op de bovenzijde. Sprieten
dik, ruw, korrelig en vrij lang behaard. Het eerste lid donker
wijnrood; het tweede en derde iets donkerder, het laatste bijna
zwart met rooden tip. De zijden van den prothorax zijn met
vrij groote witte doornachtige tandjes bezet, de bovenzijde
eenigzins naar den kop toe afhellend, ruw met korreltjes bedekt.
Het schildje en de dekschilden zijn gestippeld; de zijrand der
laatsten is met microscopische haakjes bezet; de membraan is
vuil wit, ietwat iriserend met flaauw roode aderen. De pooten
zijn in kleur gelijk aan de bovenzijde van het lijf; alleen de
uiteinden der tarsen zijn donkerder; de pooten zijn mede harig,
de doorntjes aan de onderzijde van de achterdijen hebben door-
schijnende tippen. Aan de onderzijde van het lijf vertoont de
keel een zwarte langsstreep en het 6° lid van het abdomen is
bij het mannetje in het midden voor de genitaalplaat zoodanig
ingesneden, dat de zijkanten in den vorm van groote kaken
naar achteren uitsteken.
De Heer van der Wulp ving op den eersten September in het
duin bij ’s Gravenhage een mannelijk voorwerp van deze soort,
dat door hem welwillend aan de insectenverzameling der Ned.
Entomologische Vereeniging werd afgestaan.
2. Coreus difficilis Voll.
Plaat 1, fig. 5.
Na het voorwerp, dat ik nu ga beschrijven, met alle beschrij-
vingen en afbeeldingen van Europeesche Coreoden, die ik onder
de oogen kon krijgen vergeleken te hebben, kom ik tot het
besluit dat het tot eene onbeschreven soort behoort, die eeniger-
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 37
mate naar het geslacht Gonocerus overhelt en hare naaste ver-
wante vindt in Herrich-Schaeffer’s Coreus gracilicornis (W. Ins.
VI. p. 59. fig. 620), welke evenwel slanker sprieten schijnt te
hebben en eenigzins anders gekleurd is.
Lengte 1 centim. — Nootkeurig of geelachtig bruin aan de
bovenzijde, vaalgeel van onderen. Oogen zwart, ocellen rood-
achtig. Op den schedel en het voorhoofd vier donkere langs-
strepen, van welke de binnensten een geelachtig streepje insluiten.
Het 1° lid der sprieten roodbruin, korrelig, het 2° rood, aan
het einde wat behaard, het 5° zwart met roode basis, vrij lang
behaard, het laatste zwart met zeer weinig haren. Prothorax
met twee korte donkere streepjes in het midden aan den voor-
rand, naar achteren oploopende, doch even voor den achterrand
weder plotseling dalende; zijne zijkanten tot over de helft met
korte, breede, omgekromde zwarte tandjes bezet en aan den
achterhoek met een geel zoompje omgeven. Dekschilden vrij grof
gestippeld, vooral langs de aderen; de aanvang van den zijrand
met een’ gelen zoom. Membraan rookkleurig met de aderen
onregelmatig afwisselend licht en donker bruin. Rand van het
abdomen met zwarte stipjes op den zoom der ringen. Pooten
geel met zwarte stipjes, welke vooral veelvuldig zijn op de achter-
dijen; spitsen der scheenen en der tarsen donker. De onderzijde
der achterdijen vertoont twee grootere en eenige kleinere tandjes.
Een mannelijk voorwerp van deze soort werd in Maart door
den Heer P. Snellen bij den Haag gevangen.
Gen. 5. PseuporuLoeus Burm.
De relative lengte der leden van de antennen scheidt dit
geslacht zeer scherp af van het vorige, ofschoon overigens de
habitus en vorm van het ligchaam nagenoeg dezelfde zijn. Zie
hier de kenmerken van het genus.
De kop is naar verhouding van het borststuk groot, vrij breed ,
tusschen de sprieten stomp kegelvormig uitstekend en aan weder-
zijde van dit middelstuk als het ware een voetstuk aanbiedend
58 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
voor de antennen. Dezen hebben het eerste lid vrij kort, ruw
gekorreld, tamelijk dik, het tweede smaller en korter, hei derde
nog iets dunner, aan de spits een weinig gezwollen en viermaal
langer dan het tweede, eindelijk het vierde langwerpig spoel-
vormig of liever gelijkende op een eikeltje in zijn napje, veel
dikker dan het 5°. De sterk tegen de borst aangedrukte zuiger
ligt in eene sleuf en reikt tot aan de middenheupen. De ocellen
staan iets verder van elkander af dan elke ocel van het oog aan
zijne zijde. Aan den korreligen prothorax zijn de achterhoeken
geheel afgerond en de zijden fijn getand. Het schildje driehoekig
met een opgewipt stomp spitsje. De aderen op de dekschilden
duidelijk; hun membraan met 9 of 10 geslingerde langsaderen,
welke uit eene dwarsader ontspringen, die vrij ver van den
rand van het corium af staat. Het abdomen, dat op de dwars-
doorsnede driehoekig is, steekt eenigzins buiten de dekschilden
uit. De pooten zijn tamelijk krachtig, niet zeer lang, de dijen
naar de spits toe dikker. Het eerste lid der tarsen is zoo lang
als de beide volgenden te zamen.
Pseudophl. Fallenii Schill.
Plaat 2, fig. 1.
Schilling, Beitr. I. p. 46. n°. 9. tab. 1. f. 2. — Hahn, W.
Ins. II. p. 112. PI. 64. f. 192. — Burm. Handb. II. p. 508.
n°. 1. — Curt. Brit. Entom. n°. 500? (Atractus literatus.)
Lengte 7—8 mm. — Rossig grauw met grijze tinten op de
dekschilden en den zijrand van het abdomen. Het voorname
kenmerk der soort in tegenstelling van andere niet inlandsche
soorten is, dat het eerste lid der sprieten bijzonder ruw en als
met stekeltjes bezet is. Het 2° en 5° lid is iets lichter van kleur
dan het 1°, het laatste is aan de basis zwart, verder zwart-
achtig. De oogen zijn mede zwart, even als de vrij groote
ocellen. De prothorax aan den voorrand rossig, is in het mid-
den van den achterrand zwart, aan de kanten grauw, terwijl
kartelige zijkanten en twee langsstrepen over het midden vuil
wit zijn. Het schildje heeft een smal, verheven lijstje in het
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 59
midden wit en het stompe spitsje zwart. Het lederachtige deel
der dekschilden is met vele putjes ingeprikt, grijs; de ader naast
den clavus is met zwarte blokjes versierd; de binnenzijde van
de randader even zeer; de vork van de buitenste langsader ,
die mede twee zwarte blokjes draagt, is aan de binnenzijde
donker gekleurd en omvat cene bijna melkwitte vlek. De mem-
braan vertoont aan de basis vier cellen en voorts naar den
buitenrand en de spits toe, 8 zich vertakkende en soms onder-
ling samengehechte aderen, die met zwarte stipjes en lijntjes
zijn versierd. De rand van het abdomen vertoont aan de basis
van iederen ring een’ zwarten band en iets verder op ieder
segment cene zwarte stip. De onderzijde van het lijf is iets
donkerden grauw met onnoemelijk veel zwarte puntjes, hier en
daar tot vlekken vereenigd. De pooten, die dezelfde kleur heb-
ben, zijn bijzonder ruw gekorreld en op de dijen bijna stekelig.
Deze soort schijnt tamelijk zeldzaam. De heer Snellen ving een
duidelijk geteekend voorwerp den 21° Mei in de duinen, de heer
van der Wulp vond er twee bij Scheveningen; ik vond twee
grauwere en doffere voorwerpen, een bij den Haag in Julij,
het andere bij Leyden. Misschien evenwel komt zij niet zoo
zelden voor, maar leeft verborgen. Schilling meldt dat zij aan
de wortels van Genista tinctoria leeft, Herrich-Schaeffer noemt
Spartium scoparium.
Gen. 4. Atvpus F.
Dit geslacht wordt gekenmerkt door den stomp naar beneden
afgeronden kop, het lange vierde lid der sprieten en de lange
knodsvormige, aan de onderzijde met stekels bezette achterdijen.
Het ligchaam is langwerpig, nagenoeg overal even breed met
eenigzins uitpuilenden buik. De kop is tusschen de oogen vrij
breed, naar voren driehoekig, aan de spits naar beneden ge-
bogen. De oogen en ocellen puilen uit; de laatsten staan even
ver van elkander als van de oogen. De sprieten zijn langer dan
de helft van het ligchaam, slank; het 1° lid korter dan het 2°,
dit even lang als het 5°, het 4° meer dan 14 maal langer, iets
60 DE ‘INLANDSCHE HEMIPTEREN.
dikker en cen weinig gebogen. De snavel reikt slechts tot de
middenheupen, de 2 voorste leedjes langer dan de 2 achtersten.
Het voorborststuk min of meer bol, naar achteren oploopend
en breeder, met regte zijranden; achterrandshoeken in de achter-
hoeken opgenomen. De dekschilden smal met zeer groote mem-
braan, in welke men tien of elf geslingerde aderen telt. De
voorpooten vrij lang en stevig, de achterpooten veel langer met
dikke dijen, die aan de onderzijde naar de spits toe met 4
stekeltjes bezet zijn. Het abdomen is aan de onderzijde uit-
puilend, aan de bovenzijde als ingevallen met opstaande zijranden.
De eerste ring is onder den metathorax verborgen, de derde
veel breeder dan de overigen.
Alydus calcaratus L.
Plaat 1, fig. 6 en 6a.
Linn. S. Nat. V. p. 505. 114. — Fabr. S. Rh. 251. 15. —
Curtis, Brit. Ent. VII. n°. 569. — Burm. Handb. Il. p. 525. —
Wolff, Ze. Cim. tab. 14. f. 158. — Schill. Beitr. 1. p. 49. tab. 5.
f. 1. — Herr, Sch. Deutschl. Ins. 121. 10. — Hahn, Wanz.
Ins. I. p. 198. f. 101. — Am. et Serv. Hemipt. p. 226. —
Flor. Ins. Livl. I. p 185.
Lengte 12 mm. — Zwart, zwart behaard, op den rug van
den prothorax donkergrauw, aan den buik gebronsd; tusschen
de opstaande zwarte haren is het ligchaam met een zilvergrijs
dons bedekt. Oogen en ocellen bruin. Drie eerste leden der
antennen vuilgeel met zwarte spitsen, het laatste zwart met een
slipje geel aan de basis (het schijnt uit beschrijvingen wel dat
het zwart in de sprieten soms de grondkleur wordt). Uiterste
spits van den kop, kopschild en twee plaatjes op zijde van de
zuiger-basis geel. Zuiger vaalzwart. Dekschilden vaalbruin met
donkere stippen, de aderen sterker gekleurd. Membraan rook-
kleurig met geslingerde aderen, ontspringende aan eene dwars-
ader, “die vlak tegen den achterrand van het corium ligt. Rug
van het abdomen met eene groote oranje vlek in het midden,
de opstaande zijden vertoonen op ieder segment aan den voor-
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 61
rand een vuil oranje vlekje. Aan de onderzijde vlekken aan de
voorborst, zoomen- der heuppannen en van de stankspleet geel.
Aan de pooten de heupen vaalzwart, de apophysen bruin, de
scheenen behalve de einden en het eerste lid der tarsen aan de
basis bruinachtig geel, al het overige bronskleurig zwart. —
Individuen uit andere landen zijn gewoonlijk donkerder van kleur.
Slechts eenmaal gevangen en wel een vrouwelijk individu door
den heer van Bemmelen bij Driebergen.
Gen. 5. Beryrus F.
Een ietwat afwijkend geslacht, dat evenwel nergens beter
geplaatst kan worden. Ligchaam zeer lang en smal en daardoor
overeenkomst hebbende met Zimnobates onder de waterbewoners,
en Bacteria onder de Orthoptera. Kop veel langer dan breed,
meestal achter de oogen in eene soort van hals uitgerekt; voor-
hoofd wel eens tot een verticaal plaatje vergroeid. Oogen middel-
matig, weinig uitpuilend, ocellen zeer klein. Sprieten zeer lang
en dun, bij eene soort zelfs langer dan het ligchaam. Het 1° lid
het langste aan de spits kolfvormig, het 2° veel kleiner, het 5°
weder langer, het laatste kort, spoelvormig, dikker dan de
overigen. De zuiger reikt bij eenigen tot aan de voor-, bij anderen
tot digt bij de middenheupen. De prothorax, langer dan breed,
is naar achteren toe op den rug ietwat opgezet, aan de zijden
kantig en draagt gewoonlijk op het midden van den rug een
verheven lijstje, terwijl de zijden grof met putjes ingedrukt zijn.
Het schildje is bijzonder klein, spits driehoekig. Het abdomen,
veel langer dan kop en borststuk, is op den rug plat, aan den
buik bol. Dekschilden zeer lang en smal, meest iets verder
reikend dan het achterlijf, met korten clavus, uitgerekt corium
waarin de langsaderen duidelijk uitkomen en membraan met
niet meer dan 5 aderen, die niet allen altijd duidelijk zijn,
Pooten zeer lang en slank met korte heupen, de dijen aan het
einde knodsvormig gezwollen, de scheenen haarfijn , buitenge=
woon lang, de tarsen kort met vrij groote klaauwtjes; het 1°
tarsaallid, in lengte gelijk aan de beide overigen te zamen.
62 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Overzigt der soorten *.
1. (6) Voorhoofd tusschen de sprieten in den vorm cener lamel
vooruitstekend. (Verg. fig. 7a.)
2. (5) Tweede lid der sprieten grooter dan 3 van
het volgende... oe ….. Lai à RUT.
3. (2) Tweede lid der sprieten korter dan 4 van
het volgende.
4. (5) Membraan ongevlekt. . . . . . . . clavipes.
5. (4) Membraan met 2 bruine langsstrepen . . driebergensis.
6. (1) Voorhoofd zonder lamel. . . . . . «elegans.
1. Berytus tipularius L.
Plaat. 1, 62.7 en 7a.
Linn. S. Nat. V. p. 506. 120. — Fabr. S. Rh. 264. 1. —
Fallen, Hem. I. p. 165. 1. — Burm. Handb. Il. p. 515. 1. —
Hahn, W. Ins. I. p. 155. pl. 21. f. 68. — Am. et Serv. Hem.
p. 253. 1. — Schill. Beitr. p. 56. tab. 7. fig. 5a. — Wolff,
Icon. Cim. p. 204. tab. 20. f. 198. — Flor, Rhynch. Livl. 1.
p. 206.
Lengte 10—10,5 mm. — Bruinachtig lichtgeel met zwarte tarsen
en zwarte knop aan de sprieten. De soort onderscheidt zich van de
overigen vooreerst door hare grootte, ten andere door de verhouding
der lengte van de sprietleden, gevoegd bij de lamel op het voor-
hoofd. Deze laatste is namelijk op zijde gezien zeer merkwaardig
en steekt een geheel eind vooruit, gelijk onze fig. 7a aantoont.
Achter de zwarte oogen is eene soort van dwars-insnijding in
den kop. De basis van het 1° lid der antennen, een ring nabij
het einde daarvan en het geheele 4° lid zijn zwart; het 2° lid
is iets grooter dan de helft van het 5°. De zijkanten van den
1 De synonymie is hier zeer verward. Wat B. clavipes F. zij, is niet wel uit
te maken; de soort door Flor aldus genoemd, schijnt te verschillen van die van
Burmeister en Herrich-Schaeffer. De fig. a op plaat 4 van Schellenberg is ook niet
wel op eenige soort te duiden; het zou B. crassipes Panz. kunnen zijn indien de
kleur van sprieten en dijen overeenkwam. Men zal de soorten niet wel van elkander
kunnen afscheiden, tenzij men voorwerpen in copulatie vange en serien verzamele.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 65
thorax en de middelstreep zijn lichtgeel zonder bruinen tint;
onder de zijkanten ziet men eene zwarte veeg. Op de dekschil-
den zijn de langsaderen zeer duidelijk te zien. Sommige voor-
werpen hebben eene zwarte langsstreep aan hare buitenzijde en
4 tot 8 zwarte vlekjes op den rand van corium en membraan;
deze laatste is gewoonlijk ongevlekt doorschijnend, somwijlen
een weinig bruin gevlekt. De uiteinden der dijen hebben eenige
zwarte stippen en streepjes, de tibien-spitsen en tarsen zijn
zwart. Aan de onderzijde is de kop en borst zwart met langs-
rijen van wit vilt; ook de laatste leedjes van den zuiger zijn
zwart en de gele buik is overal, behalve in het midden, met
zwarte putjes bezet,
Deze soort is in de duinen en heidestreken niet zeldzaam.
Ik vond haar bij Scheveningen (in cop.) en bij Wassenaar in
Augustus, alsmede in Junij bij Bennebroek op Verbascum. De
heeren van Hasselt, de Graaf en Six troffen haar in de om-
streken van Utrecht, bij de Bildt en Driebergen aan.
2. Berytus clavipes F.
Plaat 1, fig. 8 en 8a.
Fabr. S. Rh. 165. 2. — Id. Ent. Syst. IV. p. 192. 20. —
Schill. Beitr. I. p. 56. n°. 2. tab. 7. fig. 5b. — Hahn, W. Ins.
I. 155. pl. 21. f. 69. — Burm. Handb. Il. p. 515.
Lengte 6—7 mm. — Geheel rosachtig lichtbruin ; alleen de
uiteinden der dijen zijn donkerbruin, zwartachtig; de knods
me
van het 1° lid der sprieten, de spits van het 5° en het geheele
4° zijn zwart. Het tweede lid haalt misschien slechts 1/6 der
lengte van het derde. Ook bij deze soort heeft de thorax drie
gele lijstjes, 2 aan de kanten, 1 in het midden, doch er is
geen zwart in de zijden noch op de borst. De buik is rosser
dan de rest. De uiterste tip van het corium heeft een zwart
vlekje en de membraan is geheel doorzigtig en ongevlekt.
NB. Als B. crassipes Panz. heb ik in de Naamlijst individuen
van deze soort met zwarte dijen afgezonderd, die ik nu voor
niets dan eene verscheidenheid houde.
64 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
In aantal gevonden te Driebergen en bij Utrecht door den
heer Six, eenmaal in Julij door mij te Heemstede.
5. Berytus driebergensis Voll.
Plaat 1, fig. 9.
Misschien is deze nieuwe soort het mannetje der voorgaande;
de heer Six en ik vingen elk een voorwerp van die sexe en bij
gebreke aan frischheid der individuen kan ik niet bepalen of onder
de voorwerpen van de vorige soort ook een mannetje schuilt;
het schijnen mij allen wijfjes te zijn. De heer Six noemde
deze soort, die hij ook voor onbeschreven hield, inmaculatus ,
doch die naam komt mij minder gepast voor wegens de vlekken
in de membraan. ,
Lengte 4 mm. —- Geheel okergeel met de dekschilden iets
lichter, de uiteinden der dijen en de knods van het 1° lid der
sprieten iets donkerder. De kam op den kop is betrekkelijk
groot; de voorhoeken van den prothorax zijn puntig. De tip
van het 5°lid der sprieten, het 4° geheel en het laatste lid der
tarsen. zijn zwart. Op de membraan ziet men twee bruine
langsstrepen en soms nog een vlekje. Op den buitenhoek van het
corium staat een pekzwart slipje en aan de basis der aderen van
de membraan fijnere stippen, die echter niet altijd duidelijk zijn.
Misschien is deze soort niets dan eene kleine bleeke verschei-
denheid van B. minor H. Sch., doch in allen gevalle komt zij
niet overeen met de beschrijving, welke Flor van die soort geeft.
Twee voorwerpen, beide mannetjes zijn mij bekend; het eene
ving de heer Six bij de Bildt in Augustus, het andere werd
door mij in Juli} op Sterkenburg bij Driebergen gevangen *.
ı Ik bezit nog een voorwerp, door den heer Six te Driebergen gevangen, dat
niet tot onze derde soort gebragt kan worden, maar ook niet tot een der beschreven
soorten ; misschien is dit wel eene var. van Minor. Het heeft door beschimmeling te
veel geleden om het omstandig te beschrijven. In grootte en in evenredigheid der
ligehaamsdeelen is het Driebergensis, doch het is grauw van kleur; kop en uiteinden
der dijen zijn donkerbruin, zoodanig ook, doch iets meer uit den roode het abdomen.
De knods van het 1° lid der sprieten, de tip van het 2e, die van het 3e en het ge-
heele 4e lid zijn zwart. Aan de spits van het corium eene zwarte vlek. De mem-
braan niet met bruine strepen, maar aan den buitenrand breed met vuilbruine stippen
gezoomd. De sexe is onherkenbaar.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN, 65
4. Berytus elegans Curt.
Plaat 1, fig. 10.
Curtis, Brit. Ent. IV. pl. 150. — Burm. Handb. Il p. 514
4 (annulatus Germ.).
Lengte 5 mm. — Onder de inlandsche soorten dadelijk her-
kenbaar, ten eerste aan de kleinheid, ten andere aan den pek-
zwarten kop. De soort is naar evenredigheid korter en meer
gezet dan de drie anderen. Fraai helder geel met zwart gevlekt.
De glanzig zwarte kop heeft geen vooruitstekenden kam tusschen
de sprieten en den hals met oranje gevlekt. De zuiger is bijna
doorschijnend. Het 1 lid der sprieten is zoo lang als kop en
thorax, naauwelijks dikker aan het einde, geel met zwarte
ringeltjes, het 2° en 5° zijn even lang, zonder rimpels, behalve
aan de spits, het 4° lid is zwart met zeer fijne witte beharing.
De geheele spriet is veel langer dan het lijf. Thorax gekorreld
met een glanzig zwart bandje (of twee dwarsvlekken) achter den
gelen voorrand; de achterhoeken knobbelig en op het knobbeltje
zwart gevlekt, een fijn zwart langsstreepje in het midden bij
den achterrand, die eenigzins omgebogen en wit is. De dek-
schilden geel doorschijnend, het corium zeer smal, bijna sabelvormig
aan het eind, fijn bruin gezoomd; de membraan zeer groot, wit
doorschijnend met eene rookkleurige veeg aan de spits en eene
andere bij den binnenrand. Abdomen zwartachtig aan de basis.
Pooten stroogeel met vele fijne zwarte bandjes; knods der dijen
ietwat roestkleurig; de twee laatste leden der tarsen zwart.
Van deze fraaije soort ving Dr. Piaget drie exemplaren in
het duin, Augustus 1866. Ook de heer van der Wulp zond
mij een voorwerp, in Augustus op de duinen van Scheveningen
gevonden.
Gen. 6. Ruoparvs Schill.
Het ligchaam is bij dit geslacht mede zeer slank en uitgerekt,
doch de niet knodsvormige gedaante van dijen en sprieten on=
derscheidt het kennelijk van het voorgaande. De kop is cylinder-
5
66 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
vormig tot aan de sprieten en tusschen dezen in een stompen
kegel verlengd, die door twee naden in drie parallele punten
verdeeld is. De oogen en ocellen puilen tamelijk uit; de laatsten
staan verder van elkander, dan elke ocel van het oog aan
zijne zijde. Het 1° lid der sprieten is iets langer dan de kop,
aan de basis scheef naar binnen uitgegroeid, vrij dik; het 2°,
langer dan het 4°, wordt gaandeweg dunner, het 5° is bijna
even lang, doch ietwat dunner, het 4° spoelvormig, weinig
verdikt en korter dan de helft van het voorgaande. Prothorax
nagenoeg vlak, van achteren iets breeder, weinig kantig op de
zijden. Schildje klein, langwerpig driehoekig. Dekschilden korter
dan het achterlijf, smal; de membraan grooter dan het corium,
met ongeveer 12 aderen bezet. Het achterlijf lang en smal,
niet buiten de vleugels aan de zijden, maar ver naar achteren
uitstekend. De zeer slanke zuiger reikt tot aan de middelheupen.
Pooten lang en slank; de achterdijen dikker, doch niet knods-
vormig.
Rhopalus Schillingi Schill. (Schum.)
Plaat 2 fig. 2 en 2a.
Schilling, Beitr. I. p. 55. 7. — Burm. Handb. Il. p. 512. 2. —
Curtis, Brit. Ent. n°. 297. — Herr. Sch. W. Ins. IV. p. 74.
tab. 151, f. 402,
Lengte 14—16 mm. — Lichtgrauw of bruinachtig geel, in
het leven soms groenachtig. De spits van den kop aan de tip
behaard. Oogen, bijoogjes en sprieten iets donkerder dan het
ligchaam. Eerste en tweede lid dezer laatsten met uiterst fijne
haartjes bezet. Prothorax onregelmatig met fijne putjes bezaaid,
een middenlijntje ietwat verheven aan de voorzijde in een
dwarslijstje uitloopende; in de hoeken hierdoor gevormd twee
knobbeltjes. Het schildje met een verheven langsstreepje. Dek-
schilden tusschen de aderen doorzigtig ; membraan glasachtig
met doorschijnende aderen. Abdomen aan de bovenzijde met
twee donkerbruine of~grijze strepen, aan de onderzijde grauw
of vuil bruingeel, bij het mannetje met eene purperkleurige
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 67
streep aan wederzijde; aan het laatste lid ziet men bij die sexe
kegelvormige uitsteeksels, bij het wijfje eene vrij breede legpijp.
De onderzijde der dijen is met korte haartjes stekelig bezet ;
de spits der achterscheenen en de tarsen zijn gewoonlijk zwart-
achtig.
Van Junij tot in Augustus niet ongemeen op onze duinen en
geestgronden, vooral in aantal aan te treffen op de aren van
den helm.
Gen. 7. Mramos Hahn.
Dit geslacht heeft groote overeenkomst met het vorige doch
onderscheidt zich in de volgende punten. Het lijf is veel breeder
in verhouding tot de lengte; de kop is iets meer breed dan
lang; het 1° lid der sprieten is korter dan de kop en de dek-
schilden en vleugels zijn (ten minste hier te lande) altijd onuit -
gegroeid. Er bestaat slechts eene soort van:
Myrmus miriformis Fall.
Plaat 2, fig. 3.
Fall. Hem.1. p. 44. 4. — Hahn, W. Ins. 1. p. 82. f. 46 et 47. —
Schilling, Beitr. I. p. 54. pl. 6. f. 5. — Burm. Handb. II p.
512. 4. — Curtis, Brit. Ent. VII. n°. 297 (Chorosoma micro-
ptera) *. — Herr. Sch. Deutschl. Ins. 121, 11 en 12. — Flor,
Rhynch. Livl. I. p. 186.
Lengte 8—9 mm. — Fraai papegaai-groen, soms in het gele
vallend, met rozenroode verciering. «Kop met zeer fijne witte
haartjes bezet, achter de oogen geel gekleurd. Oogen vrij bol,
roodbruin; ocellen geel, ver van elkander afstaande. Sprieten
rozenrood, vrij lang grijs behaard; hun laatste lid bruin. Zuiger
tot voorbij de middenheupen reikend, fraai groen doorschijnend.
Prothorax breeder dan lang, plat aan de bovenzijde, met gele
zijranden; op het midden eene T-vormige figuur, uit fijne bolle
lijstjes bestaande. Schild vrij breed. Dekschilden niet verder
__—
1 Wel beschreven, maar niet in plaat gebragt.
68 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
reikend dan 1/5 van het abdomen, nagenoeg ovaal met twee
rozenroode strepen aan de binnenzijde, grof gestippeld aan de
buitenzijde. De membraan ontbreekt; van de vleugels zijn slechts
stompjes ontwikkeld. De zijranden van het abdomen bij het
wijfje zeer hoog opgezet, bij het mannetje minder; de rug van
het achterlijf is bruinachtig, de buik heeft aan wederzijde eene
gele langsstreep. Pooten geel, groen of roodachtig met zwarte
klaauwtjes aan de tarsen.
Als de vorige in het midden van den zomer op heide- en
duingrond, zoo het mij voorkomt, evenwel iets zeldzamer.
Gen. 8. Corızus Fall.
Ligchaam gezet, niet veel meer dan driemaal langer dan
breed, vrij harig en gewoonlijk grof met putjes gestippeld. Kop
met de oogen breeder dan lang, tusschen de sprieten in een
tamelijk puntig spitsje eindigend. Oogen groot, sterk uitpuilend;
ocellen wijder van elkander af staande dan elke ocel van het oog
aan zijne zijde. Sprieten iets langer dan de helft van het lig-
chaam; hun 1° lid het kortst, doch tamelijk dik, 2 en 5 slank
en nagenoeg even lang, 4 iets dikker, spoelvormig, langer dan
5. Zuiger tot aan de middelheupen of die van het laatste paar
pooten reikend. Prothorax aan den achterrand veel breeder dan
de lengte, aan den voorrand smaller dan de kop, met nagenoeg
regte en vrij kantige zijranden, gewoonlijk met een kort lijstje
in het midden, van den voorrand naar den achterrand loopende
zonder dien te bereiken ;-digt bij den voorrand eene dwarsplooi.
Schildje iets meer lang dan breed, aan de spits soms ietwat
gespleten, meestal lepelvormig uitgehold. Dekschilden zoo lang
als het abdomen en dit geheel bedekkend; het corium tusschen
de aderen meestal dun, doorschijnend, de membraan gewoonlijk
glasachtig; het aantal harer aderen ongelijk. Abdomen op de
rugzijde plat met opstaande randen, aan de buikzijde kielvormig.
Pooten middelmatig met tamelijk dikke dijen; 1°lid der tarsen
zoo groot als, of iets grooter dan de beide anderen te zamen;
klaauwtjes en kussentjes zeer groot.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 69
Tabel der soorten.
1. (6) Corium en clavus tusschen de aderen vliezig en door-
schijnend; kleur niet menierood.
. (5) Achterdijen duidelijk dikker dan de overigen.
. (4) Schildje van eene kleur . . . . . . . crassicornis.
. (5) Schildje aan de spits vuilwit gekleurd . . capitatus.
. (2) Achterdijen even dik als de middelsten . . pratensis.
co = à dI 19
. (1) Corium en clavus hoornachtig en ondoor-
schijnend; kleur menierood en zwart. . . Hyoscyami.
1. Corizus crassicornis F.
Plaat 2, fig. 4.
Fabr. S. Rh. 201. 46. — Fall. Hem. I. p. 41. 1. — Hahn,
W. Ins. II. p. 2. pl. 75. f. 227. — Panz. D. Ins. 92. 18. —
Burm. Handb. Il. p. 506. n°. 4. — Schilling, Beitr. I. p. 50.
tab. 6. f. 2. — Flor, Rh. Livi. I. p. 190. 1.
Lengte 7—7,5 mm. — Roodbruin, bruin of bruingeel, kort
behaard, aan de onderzijde met witte haartjes. De sprieten
bruin- of geelachtig rood met het laatste lid donkerbruin , het
1° soms in de lengte zwart gestreept. Het schildje aan de spits
niet lichter, deze ecaigzins lepelvormig. Dekschilden tusschen
de aderen glasachtig, met den buiten- en achterrand van het
corium dikwijls zwart bestippeld. Membraan doorschijnend.
Pooten gewoonlijk zwart bestippeld, somwijlen zoo dat zij met
plekken zwart zien. Rug van het achterlijf zwart, het 6° seg-
ment, twee vlekken op het 5° en 1 op het 4° geel of vuilwit;
zijranden van het abdomen oranje of bruingeel met zwarte
blokjes. Dijen der achterpooten vrij dik.
Bij Brummen en Driebergen aangetroffen.
2. Corizus capitatus F.
Plaat 2, fig. 5.
Fabr. S. Rh. 201. 49. — Fall. Hem. I. p. 42. 2. — Hahn,
W. Ins. Ill. p. 5. f. 228. — Wolff, Ic. Cim. p. 75. tab. 8.
70 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN,
f. 72. — Panz. D. Ins. 92. f. 19, — Burm. Hb. IL 507. n°. 5. —
Schilling, Beitr. I. p. 51. 2. — Flor, Rh. Livl.1. p. 192, n°. 2.
Lengte 6,5—7,5 mm. — Het verschil tusschen deze en de
vorige soort is gering en bepaalt zich tot het volgende. Het
lijf en vooral de kop is langer behaard. Het schildje is bruin-
rood met gele of vuilwitte spits, die eenigzins ingekeept is en
doordien de zijranden nog al dik zijn, uit twee lamellen schijnt
te bestaan. Reeds Fabricius heeft de soorten afgescheiden en
alle volgende schrijvers zijn hem gevolgd; evenwel komt mij het
kenmerk van verschil te subtiel voor en zoude ik dus liever
beide soorten ineengesmolten zien. Kweeking uit het ei alleen
kan hier bepalen wat waarheid is.
Bij Wassenaar gevangen.
5. Corizus pratensis Fall.
Plaat 2, fig. 6, 6a en 62.
Fallen, Hem. I. p. 42. 5. — Hahn, W. Ins. Ill. p. 4. t. 74.
f. 229, — Herr. Sch. W. Ins. VI. p. 2. — Id. D. Ins. 117.
10. (Rhop. parumpunctatus). — Schilling, Beitr. I. p. 55. 4. —
Burm. Handb. II. p. 507. 6. — Flor, Rh. Livl. I. p. 195. 4.
Lengte 6,5—7 mm. — Van de beide voorgaande soorten door
dunnere achterschenkels onderscheiden; even als dezen veran-
derlijk van kleur, geel, groenachtig of bruinachtig geel, rood
en bruinrood. Kop, thorax en schildje met vrij lange grijze
haartjes bezet. Sprieten geel met het 1° en het laatste lid rood;
somwijlen zijn de drie cersten met zwarte stipjes bezet. De
spits van het schildje is tamelijk scherp. Dekschilden tusschen
de aderen glasachtig, op de aderen met eenige zwarte stippen.
Membraan en vleugels geheel doorschijnend. Abdomen op de
rugzijde zwart met gele of roode zijranden, eene ovale vlek op
het 4° segment 2 kleinere op het 5° en twee bogtige streepjes
op het zesde, alles geel of rood. De buikzijde is zwartachtig
tusschen de midden- en achterheupen. De pooten gewoonlijk
met uiterst fijne donkerbruine of zwarte vlekjes bezet.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 71
De in de Naamlijst (p. 176) vermelde verscheidenheid Tigri-
nus Schill. onderscheidt zich door grooter aantal van zwarte
stippen, die ook grooter van vorm zijn en den schedel en de
basis van het schildje geheel bedekken.
Deze soort is vrij gemeen; zij werd in groot aantal door ver-
schillende personen in de Hollandsche duinen aangetroffen ;
voorts bij Utrecht, aan de Bildt door Dr. van Hasselt en den
heer Six, eindelijk op Walcheren door Dr. Herklots.
4. Corizus Hyoscyami L.
Plaat 2, fig. 7.
Linn. S. Nat. V. p. 496. 76. — Fabr. S. Rh. 218. 65. —
Hahn, W. Ins. I. p. 18. pl. 5. f. 10. — Wolff, Ic. Cim. 27.
tab. 5. f. 27. — Panz. D. Ins. 79. 21. — Schill. Beitr. I. p. 49.
tab. 5. f. 5. — Curtis, Brit. Entom. n°. 481a. — Am. et Serv.
Hem. p. 245. 2. — Flor, Rh. Livl. I. p. 196.
Lengte 10 mm. — Menierood, met grijze haartjes bezet en
sterk gestippeld. Sprieten en pooten zwart; oogen bruin, van
ieder oog tot over de digst daarbij staande ocel eene zwarte
vlek. Voorrand van den prothorax en twee groote van voren
ingekeepte vlekken aan den achterrand zwart. Schildje zwart
met roode spits. Clavus der dekschilden zwart; twee kleine
vlekjes daartegen aan op het corium en eene groote dwarsvlek
op het breedste punt van het corium zwart; membraan rook-
kleurig. Het achterlijf daaronder zwart. De borst met onregel-
matige zwarte vlekken, de buik met drie langsrijen van regel-
matige vlekken. Zuiger zwart.
Deze fraaije en zeer kennelijke soort is zeldzaam. De heer
Six ving er eenige exemplaren van in het Driebergsche bosch;
's Rijks Museum bezit twee inlandsche voorwerpen zonder nadere
aanteekening van vindplaat®
73 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
DERDE FAMILIE. — PYRRHOCORIDEN.
PYRRHOCORIDEA,
Door een enkelen representant wordt deze eigenlijk uitheem-
sche familie in onze Fauna vertegenwoordigd. Zij onderscheidt
zich van de overigen, wier zuiger uit vier leden bestaat, wier
sprieten 4 en tarsen 5 leedjes bezitten, door het gemis van bij-
oogjes en doordien de beide laatste leden der sprieten even dik
zijn als de beide eersten. Daardoor en in vorm en habitus
komen zij het naast met de Lygaeoden overeen, terwijl het
gemis van ocellen hen nader bij de Capsinen brengt. Daar wij
in deze familie slechts een geslacht kennen, vallen de familie-
kenmerken met die van het genus te zamen.
Gen. unicum. Pyrruocoris Fall.
Ligchaam gestrekt eivormig, boven plat, onder bol. De kop
vormt van den achterrand der oogen af gerekend, of met andere
woorden zoo ver zigtbaar, een gelijkzijdigen driehoek aan
wederzijde bezet met een klein knobbeltje, waarop de sprieten.
Deze bereiken in lengte de helft van het ligchaam en bestaan
uit 4 leedjes, waarvan het 1° zoo lang als de kop tusschen de
oogen breed, een weinig krom en knodsvormig is, het tweede
iets langer cylindrisch, zeer weinig dikker aan het eind, het
derde korter dan het 1° en vrij dik aan het einde, het 4° aan
de tip afgerond bijna zoo lang als het 1°. De oogen zijn vrij
groot en bolrond; bijoogjes ontbreken. De zuiger heeft 4 leedjes
en reikt tot even voorbij de middgnheupen; het 1° en 2° lid
Se
schier even lang, het 5° korter, het 4° weder korter. De pro-
thorax aan de rugzijde een trapeziumvormig plat schild, aan de
zijden flaauwelijk ingebogen en langs die zijden als gezoomd ;
dwars over het midden eene gleuf en het gedeelte tusschen
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 75
deze en een’ bogligen rimpel achter den voorrand kussenachtig
verheven. Het schildje een gelijkzijdige driehoek met vrij scherpe
spits. Dekschilden zonder cuneus en membraan, alzoo het ab-
domen niet geheel bedekkende, aan den zijrand bij de basis een
weinig opgewipt. Pooten vrij lang en forsch, vooral met zware
sterk uitgezette dijen, de voorheupen staan vrij ver af van de
middenheupen , de voorste dijen hebben eenige tandjes aan de
onderzijde. Tarsen met drie leedjes, waarvan het eerste zeer
lang, het tweede zeer klein; klaauwtjes eenvoudig, daartusschen
twee zuiglapjes. Aan de onderzijde het ligehaam gewelfd, met
opgezette heuppannen en geene sleuf aan keel of borst voor den
zuiger. Het 6° abdominaalsegment bij het mannetje regt afge-
sneden en de daardoor ontstaande opening bijna verlicaal door
de genitaal-plaat gevuld.
Pyrrhocoris apterus L.
Plaat 2, fig. 8.
Linn. S. Nat. V. p. 496. 78. — Fabr. S. Rh. 227. 116.. —
Burm. Handb. I. p. 286. 12. — Am. et Serv. Hemipt. p. 269.
4. — Curtis, Brit. Ent. X. tab. 465. — Hahn, W. Ins. !.
p- 19. f. 11. — Stoll, Wants. p. 49. tab. 15. f. 105. — Wolff,
Ic. Cim. p. 108. tab. 11. f. 102. — Flor, Rh. Livl. I. p. 212.
Lengte 9—10 mm. — Zwart met een olieachtigen glans en
roode vercierselen. Van de laatste kleur zijn de randen van het
borststuk (soms zecr breed), het corium der dekschilden behalve
twee vlekken van de grondkleur op ieder (van deze beide vlekken
is de bovenste klein, de onderste zeer groot, cirkelrond), de
zij- en achterrand van het abdomen en de heuppannen. Dik-
wijls zijn ook de achterranden van meso- en metastethus rood.
Deze soort komt op sommige plaatsen in geheele scholen voor;
zij is onder anderen aangetroffen op Walcheren en bij Zierikzee,
bij Utrecht en Driebergen, bij Katwijk en Scheveningen. Mij
zijn geene inlandsche voorwerpen met ontwikkelde membraan
bekend, zoo als dikwijls in het zuiden van Europa en somwijlen
zelfs in Engeland worden aangetroffen.
74 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Verklaring der Platen.
Plaat 1.
Fig. 1. Acanthosoma clypcatum Burm. (Zie deel III, bl. 169).
„ 2en2a. Syromastes marginatus L.
y 5. Syromastes quadratus F.
„ 4en4a. Coreus pilicornis Burm.
» 5. Coreus difficilis Voll.
„ 6en6a. Alydus calcaratus L.
» 7en7a. Berytus tipularius L.
„ 8en 8a. ” clavipes F.
„ 9. Vleugel van Berytus driebergensis Voll.
» 40. Berytus elegans Curt.
Plaat 2.
Fig. 1. Pseudophloeus Fallenii Schill.
„ Zen 2a. Rhopalus Schillingii Schum.
„ 5. Myrmus miriformis Fall.
„ 4. Corizus crassicornis F.
D. v capitatus F. (Schildje).
6,6aen 65. Corizus pratensis Fall.
N
x
w 7. Corizus Hyoscyami L.
» 8. Pyrrhocoris apterus L.
„ 9. Lygaeus equestris L.
MEDEDEELING
OMTRENT DE KWEEKING VAN BOMBYX
JAMA-MAYU IN BEIJEREN.
In de bijeenkomst onlangs te Nijmegen gehouden, werd uit
cen’ brief van Prof. Dr. Haupt te Bamberg medegedeeld dat de
teelt der Jama-mayu-rupsen in Beijeren nog steeds levendig en
met het beste gevolg gedreven wordt. De welwillendheid van
den heer Prof. Hoffmann, eerelid onzer Vereeniging, aan wien
Beijeren de eerste eijeren van den Japanschen zijdespinner te dan-
ken had, stelt ons nu in staat de hier onder volgende ofliciele
mededeeling uit het «Königlich Bayerisches Kreis-Amtsblatt von
Oberfranken» in ons Tijdschrift op te nemen.
De REDACTIE.
Die Gattin des königl. Oberpostmeisters Herrn Baumann in
Bamberg, welche von ihrer Jugend auf eine Vorliebe für Sei-
denzucht hatte und sich hierin besondere Kenntnisse erwarb,
erhielt vor vier Jahren (Febr. 1865) durch die Vermittlung des
Inspectors des Naturalienkabinets Herrn Dr. Haupt in Bamberg
von dem Professor Herrn Hoffmann aus Leyden 92 Eier der
Japanesischen Seidenraupe Juma-mai.
Aus diesen Eiern erzielte sie 40 Raupen, bekam auch im
Jahre 1866 von 190 Cocons zwei Strängchen Seide.
Sie beabsichtigte damals diese Zucht wieder aufzugeben und
liess desshalb nur wenige Schmetterlinge zur Eiererzeugung aus-
kriechen.
76 MEDEDEELING OMTRENT DE KWEEKING
Im heurigen Frühjahre (1868) hatte sie indessen wenigstens 500
Stück kräftige und gesunde Raupen, von denen ein grosser
Theil sich bereits eingepuppt hat, wesshalb sie voraussichtlich
ebensoviele Cocons bekommen wird.
Die Eier dieser Thiere sind von bräunlicher Farbe und etwas
grösser als der Knopf einer starken Stecknadel. (O)
Sie dürfen nicht zu warm und nicht zu feucht gehalten werden.
Nach den bisher gemachten Erfahrungen ertragen sie eine
Temperatur von 2 Graden unter Null.
Aufbewahrt werden sie in einer blechenen Büchse, die eine
kleine Oeffnung hat, damit etwas Luft zuströmen kann; die
Büchse wird im Winter in einem ungeheitzten Nebenzimmer
des Wohnzimmers aufgestellt.
Wenn die Würmer bei schnell eintretender Wärme im Früh-
jahre auskriechen würden, bevor es Eichenlaub gibt, so würden
sie wegen Mangel an Nahrung zu Grunde gehen.
Im heurigen Frühjahre war diese Gefahr vorhanden. Um also
das Auskriechen der Würmer zu verhindern, wurde das Blech-
gefäss, worin sich die Eier befanden, in Eis gestellt, und da-
durch das Auskriechen so lange hingehalten, bis es Eichenblät-
ter gab. |
Das Auskriechen geschieht gewöhnlich gegen Ende April oder
Anfangs Mai.
Man lässt dieselben auf einem weissen Tuche auskriechen,
weil sie Anfangs so klein sind, dass mann sie auf einem Brette
oder einem anderen dunklen Gegenstande nicht wohl sehen würde.
Die Ausgekrochenen bringt man sofort auf Eichenlaub, wo
sie auch gleich zu fressen anfangen.
Die Räupchen wachsen schnell heran bis zu einer Grösse von
vier Zollen ; sie werden dick und stark , und von sehr schöner Farbe.
Auf dem Rücken haben sie die Farbe der Eichenblätter, an
dem Bauche sind sie gelblich grün und zeigen hier an den
Warzen der Länge ihres Körpers nach zwei Reihen von Punkten,
die wie Silber glänzen.
Sie sind sehr gefrässig und müssen wenigstens über den andern
Tag frisches Eichenlaub erhalten.
VAN BOMBYX JAMA-MAYU IN BEIJEREN. 77
Sie fressen zwar jedes Eichenlaub, am liebsten jedoch das
von der Stieleiche (Quercus pedunculata.).
Das Lokal, worin sie sich befinden, ist mässig warm und
etwas feucht zu erhalten.
In Bamberg befinden sich dieselben in einem Zimmer von
25 Fuss Länge und ebensoviel Fuss Breite.
In einem Zimmer solcher Grösse können aber wenigstens
noch einmal so viele Raupen unterhalten wierden.
Zur Feuchthaltung der Luft wird das Zimmer öfters aufge-
waschen und werden ausserdem die Eichenblätter von Zeit zu
Zeit etwas mit Wasser bespritzt.
Zur Fütterung der 500 Raupen sind auf mehreren aneinander
gestellten und mit einem weissen Tuche übergezogenen Tischen
50 Gutterkrüge’ aufgestellt, und in jeden Krug zwei Eichenzweige
eingesteckt.
Diese Krüge stehen einen bis zwei Fuss aus einander und
zwar so, dass sich die Zweige an den Spitzen berühren.
Die Raupen bedürfen übrigens diesen Uebergang von einem
Zweig zu dem andern nicht; denn, sobald ein Zweig abgefressen
ist, so kriechen sie herab auf den Tisch und den nächsten
Krug hinan.
Mitte Juni verfallen die Raupen nach und nach in einen
Schlaf, worauf das Einspinnen rasch vorwärts geht.
Dermalen hat sich bereits eine ziemlich grosse Zahl von den
drei Hundert Stücken eingesponnen und hängen als Cocons an
den Eichenblättern; andere befinden sich gerade im Zustande
des Schlafes, die übrigen nagen noch tüchtig an den Eichen-
blättern.
Eichenblätter werden übrigens täglich frisch beigeschafft. Die
Cocons sind von gelblich grüner Farbe, gegen 13 Zoll lang
und beiläufig 1 Zoll im Durchmesser dick.
Sie enthalten viele Seide und können 14 Tag nach dem Ein-
spinnen abgehaspelt werden.
Will man die Seide unverkürzt gewinnen, so muss man die
in den Cocons befindlichen Würmer tödten, was gewöhnlich
durch heisse Wasserdämpfe geschieht.
78 MEDEDEELING OMTRENT DE KWEEKING
Aus den zur Zucht bestimmten Cocons lässt man die Thiere
auskriechen ; erstere bekommen dadurch ein Loch, und geben
eine kürzere Seide, die sogenannte Floretseide.
Die für die Nachzucht bestimmten Cocons bringt man in
einen nach allen Seiten hin abgeschlossenen Raum, in welchen
die zum Vorschein kommenden Schmetterlinge ihre Eier abzu-
legen gezwungen sind.
Im gegebenen Falle wird hiezu ein leichtes Holzgestell von
beiläufig 6 Fuss Länge, Höhe und Breite benützt, welches mit
Gaze überzogen ist.
Die Weibchen der Schmetterlinge, welche von einem Männ-
chen befruchtet worden sind, setzen ihre Eier horstweise an
dieser Gaze ab, von welcher sie dann abgenommen und in das
oben erwähnte Blechbehältniss gebracht werden.
Die Schmetterlinge sind Nachtfalter von verschiedener Farbe
und haben mit ihren Flügeln eine Breite von 5 Zoll.
Sie leben nur drei Tage lang und ein befruchtetes Weibchen
legt beiläufig 500 Eier.
Nothwendiger Weise muss man mehrere Schmetterlinge von
einer und derselben Bildungsperiode auskriechen lassen, um zu
derselben Zeit Weibchen und Männchen sicher zu erhalten;
weil man ausserdem der Gefahr ausgesetzt ist, bei der kurzen
Lebensdauer der Schmetterlinge keine Eier zu bekommen.
Was nun die Seide selbst anbelangt, so ist dieselbe stärker
und haltbarer als die von der chinesischen Seidenraupe, aber
weniger fein.
Sie wird daher am zweckmässigsten zu Kirchenparamenten
und zu anderen ähnlichen Stoffen verwendet.
Herr Oberpostmeister Baumann hat bisher schon nach allen
Richtungen von Deutschland insbesondere an Vereine Eier ge-
sendet, dessen Gattin will aber im heurigen Jahre noch mehr
Eier zu gewinnen suchen als bisher.
Nach den bisher gemachten Erfahrungen dürfte es keinem
Zweifel unterliegen, dass diese Art von Seidenzucht bei uns
eine Zukunft hat, wesshalb man sich erlaubt, dieselbe als
einem neuen Industriezweig auf das angelegentlichste zu empfehlen.
VAN BOMBYX JAMA-MAYU IN BEIJEREN. 79
In grösserem Maasstabe aber lässt sich diese Zucht auch nach
der Ansicht der genannten Frau Züchterin innerhalb der Mauern
einer Stadt nicht wohl betreiben.
Sie muss auf das Land verlegt werden und dort könnte man
auch wohl vielleicht den Versuch machen, die Raupen auf
niederigem Eichengebüsch im Freien heranwachsen und sich
einspinnen zu lassen.
Gelingt diess, und es wird gelingen, wenn nicht Insekten und
Vögel zu grösse Verheerungen unter der jungen Raupenbrut an-
richten, so liesse sich diese Zucht im grössten Maasstabe ohne
grosse Schwierigkeit bei uns einführen.
Jedenfalls aber würde die genannte Dame die geeignetste
Persönlichkeit sein, diese Zucht in grösserem Maasstabe zu be-
treiben, möglicher Weise wäre sie bei ihrer grossen Vorliebe
für die Sache selbst zu bewegen, zur Förderung dieses Industrie-
zweiges ein Paar Monate im Frühjahre auf dem Lande zuzu-
bringen.
Ob und in welcher Weise derselben hiezu eine Unterstützung
aus irgend einem Fonde gewährt werden könne und solle, muss
höherem Ermessen überlassen bleiben.
BARLET.
NOG IETS OVER NOORD-AMERICAANSCHE DIPTERA
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
Na het plaatsen van mijn stukje over Noord-Americaansche
Diptera in dit Tijdschrift’, zijn mij nog eenige soorten van het
Leidsche museum in handen gekomen, die mede aldaar uit
Wisconsin in Noord-America van den heer Thure-Kumlien waren
ontvangen. Ik trof daaronder weder een vijftal soorten aan,
die als Europa ook bewonende, mij niet vreemd waren, te
weten: Scatopse pulicaria Löw, Dolichopus aeneus Deg., Lucilia
cornicina Fabr., Madiza annulitarsis Zeit. en Ornithomyia
avicularia Linn. Wat Lucilia cornicina betreft, moet ik er
echter de opmerking bijvoegen, dat het exemplaar (een 4) kleiner
is dan de meesten onzer Europesche voorwerpen en dat ook
de kleur minder blaauw, maar daarentegen meer koperachtig
is; in vorm en gedaante zag ik geen het minste verschil.
Voorts kon ik de volgende soorten naar reeds bestaande be-
schrijvingen determineren, als:
Penthetria atra Macq. Suit. à Buffon I. 175. 2. Alleen
het ¢ is aldaar en dan nog slechts in naauwelijks ander-
halve regel beschreven. De kenteekenen, door Macquart
opgegeven, passen vrij wel op dit 3 exemplaar; de vleugels
zijn een weinig langer dan het achterlijf, tgeen zeer af-
wijkt van onze P. holosericea, bij welke in 3 de vleugels
zeer kort en naar het schijnt niet volkomen ontwikkeld zijn.
Tweede serie, deel II. biz. 125.
NOG IETS OVER NOORD-AMERICAANSCHE DIPTERA. 81
Bihio pallipes Say. Zie hieromtrent lager.
Odontomyia intermedia Wied. Auszereur. Zweifl. Ins. II. 64, 5.
(Stratiomys).
Hybos triplax Walk. List of the dipt. in the Brit mus. III. 486.
Tetanocera pictipes Löw, die mij voorkomt als moeijelijk van
de Europesche 7. punctulata te scheiden.
Wat Bibio pallipes betreft, het is niet geheel zonder twijfel,
dat ik deze soort als zoodanig heb bestemd. Door Say en
Wiedemann wordt alleen het 2 beschreven , terwijl het exem-
plaar, dat ik voor oogen heb, een g is. De opgegeven ken-
merken zijn allen toepasselijk, met uitzondering van de kleur
der heupen; deze is bij mijn voorwerp geel als de pooten,
terwijl volgens de aangehaalde beschrijvingen de heupen zwart
zouden zijn; welligt een sexuëel verschil, daar dit bij het genus
Bibio, in opzigt tot de kleur der pooten, meermalen voorkomt.
Ten overvloede moge hier eene korte beschrijving van het 2 volgen:
2 lin. Zwart met eenigen glans; de schouderknubbels, de
borstzijden, de pooten met de heupen wasgeel; de gewrichten
der pooten, benevens de laatste tarsenleden zwartbruin; het
schildje heeft iets geelachtigs. De kop heeft eene zwarte, het
lijf eene lichtgrijze beharing; de pooten zijn digt behaard; aan
æ het eind der voortarsen is de beharing langer; de voor-
dijen zijn dik, ter wederzijde met eene langsgroeve, de achter-
dijen zijn aan den wortel zeer dun, aan de spitshelft merkelijk
verbreed. Kolfjes geel met donkerbruinen knop. Vleugels met
bruingele tint, donkerbruine aderen en eene langwerpig eivormige ,
duidelijk afgescheiden, roetbruine randvlek; de kleine dwarsader
is slechts een weinig langer dan het grondstuk der 5° langsader.
Een vijftal soorten scheen mij voor nog geheel onbeschreven
te zijn, waarom ik van deze de beschrijving hieronder laat volgen:
1. Bigio sENILIS.
Niger mitidus, albo-hirtus; femoribus flavis; alarum stigmate
et nervis costalibus fuscis. 2 5% lin.
Kop met sprieten en monddeelen zwart; beharing der oogen
6
82 NOG IETS OVER NOORD-AMERICAANSCHE DIPTERA.
donkerbruin, die van het achterhoofd zwart. Thorax , schildje
en achterlijf glanzig zwart, met lange vuilwitte beharing. Heupen
als de thorax gekleurd en behaard; dijen helder geelrood, met
zwarte spits; scheenen en tarsen zwart; de doorn aan de voor-
scheenen, de sporen aan de achterste scheenen en de uiterste
wortel van al de tarsen geelrood; de voordijen matig verdikt;
de achterdijen aan de spitshelft verdikt en aan wederzijde met
eene langsgroeve; de dijen hebben eene lange vuilwitte beha-
ring; die aan de bovenzijde der achterdijen is korter en don-
kerder; die der scheenen en tarsen kort en zwart. Kolfjes
zwart. Vleugels met flaauwe graauwachtige tint, de voorrandcel
bruingeel ingevuld; de voorrandsaderen en de langwerpige,
duidelijke, ofschoon niet scherp afgescheiden randvlek donker-
bruin; de overige aderen bruingeel, even dik als de anderen; het
wortelstuk der derde langsader zoo lang als de kleine dwarsader.
2. Asitus (Machimus Löw) avipus n. s.
Fusco cinereus, opacus; mystace albo, superius nigro; thorace
vitlis fuscis, abdomine nigro-fusco, ‘incisuris cinereis, bast
pilis lateralibus albidis; forcipe nigro nitido, recto; pedibus nigris ,
tibiarum basi ferruginea, tibiis et articulo primo tarsorum anticorum
et posticorum interne pilis fulvis nitidis vestito ; alis hyalinis , ad
apicem et marginem posticum distincte cinereo-limbatis. 3 8 lin.
Kop licht aschgrauw; voorhoofd met zwarte haren; de ge-
zigtsbult iets meer dan de onderste helft van het gezigt inne-
mende; knevelbaard wit, van boven met verscheidene en ook
in de zijden en langs den mondrand met enkele zwarte borstels;
de kinnebakken en het achterhoofd met digte, vrij lange, witte
beharing; van boven tegen het achterhoofd eene rij zwarte borstels.
Sprieten zwart; de beide eerste leden met zwarte borstels; het
derde lid bijna zoo lang als de beide eersten te zamen; de
griffel een vierde korter dan het derde lid. Monddeelen zwart.
Thorax aschgrauw; de langsbanden zwartbruin, de middenhand
scherp afgescheiden, van voren breed; de zijbanden vlekachtig
afgedeeld; de tusschenruimten tusschen de banden in sommige
NOG IETS OVER NOORD-AMERICAANSCHE DIPTERA, 85
rigtingen eenigzins roestgeel; borstzijden met onregelmatige, niet
duidelijk afgescheiden donkere vlekken. Schildje aschgrauw,
aan den achterrand met drie zwarte borstels; ook op de ach-
terste helft van den rug staan zwarte borstels, waarvan de zij-
delingschen steviger zijn. Achterlijf slank, van boven zwart-
achtig of zwartbruin; de tweede en de drie volgende ringen
met lichtgrijzen, helder geelwit weerschijnenden, aan de kanten
een weinig verbreeden achterzoom , in sommige rigtingen wordt
het geheele achterlijf, ook de anders donkergrijze buik, een-
kleurig licht aschgrauw; de eerste ring, die breeder is dan de
volgenden, heeft van boven ter wederzijde eenige zwarte borstels
en voorts in de zijden en van onderen eene vrij lange, uit-
staande, witachtige beharing; dergelijke beharing, hoewel korter,
hebben ook de beide volgende ringen; geslachtsdeelen glanzig
zwart, met fijne, van boven zwarte, in de zijden en van onderen
meer grijsachtige beharing; de boventang de helft langer dan
de ondertang en in ’t midden eeu stomp tepelvormig uitsteeksel
doorlatende. Pooten zwart; de heupen donkergrauw als de
kleur der borstzijden; ook de dijen door de digte grijsachtige
beharing eenigzins grauw; de scheenen aan den wortel roest-
kleurig; aan de voor- en achterpooten hebben de scheenen en
het eerste tarsenlid aan den binnenkant eenen helder roestkleu-
rigen haarglans; behalve de grijze beharing aan de onderzijde
der dijen, hebben de voordijen van boven, de middendijen aan
de voorzijde en de achterdijen aan de voor- en onderzijde eenige
stevige zwarte borstels; dergelijke borstels van onderscheidene
lengte bevinden zich ook aan de scheenen en tarsen. Kolfjes
licht okergeel. Vleugels met grijsachtige tint, tegen de spits
en het laatste deel van den achterrand grauw, welke kleur
vrij scherp afgescheiden in de cellen treedt, doch die geen van
allen geheel vult; de aderen donkerbruin; de randcel, tusschen
de beide takken der eerste langsader, aan den wortel geelachtig.
Aanmerking. Bij de bestemming dezer soort zou welligt kunnen
in aanmerking komen As. notatus Wied. De beschrijving (Aus-
zereurop. Zweiflügler I, blz. 451, n°. 40) komt vrij wel overeen,
doch de daar beschreven soort is wat klein (53 1.) en de buik
84 NOG IETS OVER NOORD-AMERICAANSCHE DIPTERA.
wordt beschreven als met roodachtige insnijdingen, terwijl van
den roestkleurigen haarglans der voor- en achterscheenen en
tarsen niet gesproken wordt, maar daarentegen de achterpooten
(dus met inbegrip ook der dijen) aan den binnenkant als met
leemgele digte beharing worden aangeduid.
5. Asırus (Stilpnogaster) AucePs n. s.
Obscurus ; abdomine nigro nitido, incisuris albidis ; forcipe
modice lato; epistomate, barba et mystace fulvis ; pedibus
nigris; tibiis et tarsorum basi ferrugineis; alis hyalinis, ad
apicem leniter cinereis. 3 62 lin.
Aangezigt helder okergeel, bijna goudgeel bestoven ; de knubbel
donkergrauw, groot, naauwelijks een derde van het gezigt vrij-
latende; knevelbaard stroogeel, van boven en in de zijden met
enkele zwarte haren, die dunner zijn dan de overigen. Voor-
hoofd donkergrauw, met zwarte beharing; achterhoofd van
boven met digte, zwarte, omgebogen beharing; naar onderen
wordt de beharing stroogeel, even als die der kinnebakken , waar
zij tevens langer is. Monddeelen en sprieten zwart; de beide
eerste sprietleden met zwarte borstels. Thorax aschgrauw, met
zwartbruinen vlekkigen weerschijn, ook in de borstzijden; de
rugbanden zwart; de middenband duidelijk gespleten, naar
voren verbreed en aan de kanten zacht ingebogen; de beide
zijbanden ieder in twee bijna ronde vlekken opgelost. Schildje
donkergrauw. Thorax op de achterste helft met vrij digte en
fijne zwartachtige beharing, van welke de zwakke borstels, die er
tusschen staan, bijna niet zijn te onderscheiden. Achterlijf slank,
glanzig zwart; de achterzoom van den tweeden, derden en
vierden ring scherp afgescheiden lichtgrijs; beharing vuilwit,
over ‘talgemeen vrij lang, vooral in de zijden en aan den on-
derkant der eerste ringen; aan wederzijde, een weinig vóór
het eind der ringen, zijn enkele witachtige borstels; geslachts-
deelen glanzig zwart, deels met lichtgrijze, deels met zwarte
beharing; de. boventang dubbel zoo lang als de ondertang,
half overeind staande, onregelmatig gevormd en in ’t midden een
tepelachtig orgaan (Penis ?) doorlatende. Heupen als de borstzijden
NOG IETS OVER NOORD-AMERICAANSCHE DIPTERA, 85
gekleurd; dijen glanzig zwart; de scheenen en de spits der
voordijen helder roodgeel; aan de overigens zwarte tarsen is de
wortel van het eerste lid roodgeel, aan de achtertarsen naau-
welijks ter halver lengte, aan de voorste tarsen tot digt bij de
spits, en aan deze laatsten ook de uiterste wortel van het
tweede lid zoo gekleurd; daarentegen hebben de midden- en
achterscheenen weder eene zwarte of bruinzwarte spits; de voor-
heupen hebben eene lange en digte, bleek stroogele beharing;
de beharing der dijen is vuilwit; de borstels der pooten zijn
vrij spaarzaam en matig lang en stevig, meest zwart, doch aan
de scheenen zijn hier en daar ook gele borstels. Kolfjes geel.
Vleugels glasachtig , alleen aan de spits met eene wegsmeltende
grauwe tint; aderen donkerbruin.
4. ARICIA PROXIMA D. S.
Cinerea; capite albo, nigro-micante; antennarum articulis
basalibus ferrugineis, articulo ultimo lanceolato, nigro; thorace
viltis quatuor nigris; abdomine maculis micantibus fuscis ;
scutello pedibusque flavis, tarsis fuscis; alis cinereis, nervis
transversis obscuris ; nervo transversali posteriori curvato. 3 5} lin.
Aangezigt en wangen zijdeachtig wit, met zwarten weerschijn ;
de onderste gezigtshelft iets vooruitstekend ; mondrand een weinig
roodachtig; achterhoofd donkergrijs, tegen den oogrand witachtig;
voorhoofdsdriehoek zwart, aan de kanten wit gezoomd; de
oogen van boven door een’ zeer smallen witten, in 't midden
fijn donker gedeelden band naauwelijks even gescheiden. De
beide eerste sprietleden geelrood; het tweede eenigzins verdikt;
het derde lid smal, even als de vrij lang gepluimde borstel
zwart. Oogen duidelijk behaard. Palpen zwart. Thorax grijs ,
met vier vrij breede, zwarte langsbanden, die op de dwarsnaad |
afgebroken zijn; in sommige rigtingen komt van voren nog eene
zwarte middenstreep voor den dag. Schildje gewelfd, roodgeel,
een weinig doorschijnend en glanzig, aan den achterrand met
eenige witte bestuiving. Achterlijf geelachtig aschgrauw, met
zwartbruine weerschijnvlekken, die over den rug in sommige
riglingen een’ afgebroken langsband vormen, een evenzoo ge-
86 NOG IETS OVER NOORD-AMERICAANSCHE DIPTERA.
kleurde borstelwratten Pooten helder roodgeel, met zwart-
bruine tarsen; de voorheupen aan de voorzijde met witten
weerschijn. Vleugels zonder randdoorn, met grauwachtige tint;
de langsaderen min of meer roodgeel, de beide dwarsaderen
donkerbruin ; de achterdwarsader is duidelijk gezwaaid; de
vierde langsader loopt regt naar den vleugelrand; de wortel der
vleugels is een weinig geelachtig, de vleugelschubben ook van
die kleur, doch krachtiger.
Aanmerking. Deze soort staat eenigermate tusschen onze
Aricia erratica en signata in. Van de eerste onderscheidt zij zich
door mindere grootte, door donkerder thorax en een meer ge-
welfd en eenkleurig roodgeel schildje, alsmede doordat de vierde
langsader aan hare uitmonding niet opwaarts is gebogen. Van
A. signata, met welke zij meer in grootte overeenkomt, ver-
schilt zij door de niet bruin gezoomde dwarsaderen, door een
geheel roodgeel schildje en door den geelachtigen vleugelwortel.
5. COENOSIA INCISURATA n. S.
Canescens ; capite albido ; antennis, humeris punctoque fron-
tali nigris; abdominis incisuris nigris nitidis; pedibus pallide
flavis, tarsis fuscis. 2 13 lin.
Kop witachtig grijs; voorhoofd ruim een derde der kopbreedte
beslaande; de middenband weinig donkerder dan de grond;
boven de sprieten een zwarte stip. Sprieten ruim ter halve
lengte van het gezigt, zwart, van voren met witten weerschijn;
het derde lid smal; de borstel zwart, lang, naar beneden ge-
bogen, naakt. Het lijf geheel lichtgrijs bestoven; de schouder-
knubbels zwartachtig; schildje plat; achterlijf met smalle glanzig
zwarte insnijdingen. Pooten bleek roodgeel; de voorheupen van
‘voren met witten weerschijn; de tarsen zwartbruin. Vleugel-
schubben en kolfjes witachtig. Vleugels met flaauwe bruingrijze
tint, aan den wortel en voorrand iets geelachtig; de aderen
bruingeel; het laatste gedeelte der vierde langsader is twee en
een half maal zoo lang als het voorlaatste; de voorrand is fijn
en kort gewimperd, doch zonder randdoorn.
MEDEDEELING
BETREFFENDE DE CARABICI
DER VERZAMELING.
Men zal zich wel herinneren dat door mij op de voorlaatste
Algemeene Vergadering autorisatie aangevraagd is voor het laten
maken van een loket met 6 laden, ten einde de Coleoptera en
Neuroptera der verzameling Insecten van onze Vereeniging eenig-
zins ruimer uit elkander te zetten. Die magtiging werd ver-
kregen en het loket vervaardigd, doch ik haastte mij niet met
de verschikking uit vreeze voor de slechte gevolgen dat het
niet volkomen droog zijn van het voor de laden gebruikte hout
zou kunnen hebben. Eindelijk is het mij voorgekomen, dat de
laden bruikbaar zouden zijn en heb ik met de verschikking een
aanvang laten maken. Het is mij daarbij gebleken dat de hier-
onder opgenoemde soorten, wier voorkomen is ons Vaderland
bewezen is, nog niet in de Collectie vertegenwoordigd zijn. Ik
verzoek alle leden hunne duplicaten te willen nazien en indien
zij van eene of meer der onderstaande soorten doubletten be-
zitten, die aan mij te willen opzenden ter wille van de ver-
meerdering der verzameling.
N. H. pe Graar.
Nebria livida L. Dromius fasciatus Dej.
Leistus rufescens F. ” sigma Rossi.
Carabus purpurascens F. Blechrus glabratus Dfts.
» glabratus Payk. Metabletus obscuroguttatus Dfts.
nm convexus F. 7, pallipes Dej.
wv intricatus L. Dyschirius thoracicus F.
Cymindis macularis Man. ” aeneus Dej.
88 MEDEDEELING BETREFFENDE DE CARABICI DER VERZAMELING.
Dyschirius salinus Schm. Amara bifrons Gyll.
” politus Dej. w rufocincta Sahlb.
” nitidus Dej. » convexiuscula Marsh.
Licinus depressus Payk. ” consularis Dfts.
Badister humeralis Bon. „ apricaria Payk.
Diachromus germanus L. vw patricia Dftsch.
Dichirotrichus pubescens Payk. Calathus fuscus F.
Harpalus sabulicola Panz. ” ochropterus Dej.
” azureus Illig. ” micropterus Dfts.
” puncticollis Payk. Anchomenus scrobiculatus F.
” rufibarbis F. ” impressus Panz.
7 discoideus F. 7, gracilis Sturm.
” latus L. ” Thoreyi Dej.
7 melancholicus De]. Olisthopus rotundatus Payk.
” serripes Sch. Pogonus luridipennis Gebl.
” auxius Dfts Trechus discus F.
w . servus Dfts. » secalis Sturm.
” picipennis Dfts. Tachypus pallipes Dfts.
Stenolophus teutonus Schr. Bembidium pallidipenne Ill.
” skrimshiranus Steph. ” bipunctatum L.
Acupalpus dorsalis F. x pygmaeum F.
” exiguus Dej. ” Sturmii Panz.
Feronia minor Gyll. ” decorum Panz.
” madida F. ” tibiale Dfts.
„Eiger Pz. ” Bruxellense Wesm.
” terricola F. ” ustulatum L.
Amara similata Gyll. " lunatum Dfts.
» nitida Sturm. " flammulatum Clairv.
» curta Dej. ” obtusum Sturm,
De namen zijn genomen naar den Catalogus Coleopterorum
Europae van de Marseul.
NIEUWE NAAMLIJST
NEDERLANDSCHE VLIESVLEUGELIGE INSECTEN
(HYMENOPTERA),
DOOR
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Fam. I TENTHREDINIDEA.
Cimgex „ Oliv.
1, CONNATA Schr. | Schr. Znum. Austr. 684, Panz.
(montana Pz.) Fn. 84. f. 12. Lepel. Mon. Tenth.
p. 31. n°. 83 e. p. Klug, Cimó. p.
83. Hart. Blatt- u. H. W. p. 65
De larve op els gevonden door
Lyonet, v. Bemm., de Roo en
mij. Imago, gevangen door Fran-
sen bij Rott., v. Bemmelen bij
var. c. Brischk. u. Zadd. Beob.|Wassenaar, Weijenbergh bij Scho-
p. 254. Voll. Zÿdschr. VII. bl.!ten in Mei, Voll. op Schothorst;
59. Plaat len 2. Lyon. Recherch.|in het Scheveningsche duin den
p. 175. t. 16. l4den Junij, v. d. Wulp.
2.SYLVARUM F. | Fabr. Ent. Syst. 105.4. Panz.| De larve op berk, gevonden
(BetulaeZadd.) Fr. 88. 16. Fabr. Piez. p. 16.|door de Roo en mij. Imago ge-
3. Hart.l.c. p. 64 var. ad et ae. vangen door Ritsema aan de duin-
Fabr. Piez. p.17. 7 var. Zrisis.\waterleiding bij de Vogelenzang
Zadd. Beob. p. 249. in Sept. ; een geheel zwart 2 (var.
tristis), door v. Bemm. te Hil-
versum uit een cocon verkregen,
3.1uTEA L. (Sa-| Linn. S. N. n°. 2. Panz. Fn.| De larve op wilg door Lyonet,
liceti Zadd.) |105. 14. 113 et 236. Hart.1.c.|Voet, Heylaerts en Voll. Imago
p. 63 (variabilis, femorata Kl.) door Wtt. in Noord-Brabant en
Lyonet, Rech. p. 168, PI. 15.|bij Schalkwijk, door Fransen bij
f. 20—29. Zadd. Beoë. p. 251.|Rott., door Voll. bij Voorscho-
Waarschijnlijk ook Goedaert.|ten. De verscheidenheid Pallens
Metam. 1. tab. 64. in Aug. bij Arnhem, v, d. W.
-
90
4.
5.
6.
1.
8.
9.
10.
DIS
NIEUWE NAAMLIJST DER NEDERLANDSCHE.
HUMERALIS Fourer. Ent. Paris. 361. n°. 1.
Fourer. (axil- Panz. Fw. 84, f. 11. Jurin.
laris Panz.) itab. 6. f. 1. Klug, Cimd. p. 84.
Hart. 3.6, ip. (682 n.22. Voll:
Tijdschr. V. bl. 49, Pl. 1.
Linn. S. N. n°. 4. Fabr. Piez.
16. n°. 2. Steph. Zustr. VIII.
PB: 0a Hart. 1. ep. 68.
n°. 3. Voll. Züdschr. 2e Ser.
D. III. bl. 197, Plaat 8. Zadd.
Beob. p. 257, n°. 7.
LUCORUM L.
VITELLINAR Linn. 28, N. n° bn Habr.
L. (lateralis |Piez. 17. n°. 8. Steph. Illustr.
Leach.) VII. p..9. n°. 2. Curto Brit.
Ent. 1. pl. 49. Hart. l.c. p. 69.
var. 2. Zadd. Beod. 259. n°. 8.
Voll. Tijdschr. VI. bl. 65. PI. 4.
BETULETI Kl.| Hart. 1. c. p. 70. Westw.
(Crataegi Gardin. chron. 1852. p. 68 (Trick.
Zadd.) Lucorum). Voll. Züdschr. 1.
bl. 63. Plaat 3. Zadd. Beod.
pi 268. n°. 10:
AMERINAE L.| Linn. 7. Suec. n°.3 et 8. N.
n°. 2. Fabr, Piez. 16, 5 et 17,
6. Panz. Fr. 65. 1 en 17. 14.
Hart. p. 71. Zadd. Beod. p. 265.
Voll, Zijdschr. III. bl. 104. Pl. 8.
(2 marginata
L.
Agia, Leach.
Fabr. Piez. 18. 9. Panz. Fr.
17. f. 15. Klug, Cimb. n 6.
Hart. 1. e. p. 712, n. 6. Zadd.
Beob. p. 268. Curt. Brit. Ent.
OE
FASCIATA L.
Leach, Zool. mise. III. p. 113.
Lepel. Mon. n°. 100. Hart. 1. c.
p. 13, 0. 7. Vol. Zydschr. I.
p. 133. Pl. 5. Curt. Brit. Ent.
IT. pl. 89. Steph. ZUustr. VII.
13: 0% ae
NEGRICORNIS
Leach.
(aenea Kl.)
SERICEA L, Linn. S. Nat. n°. 8. Fabr.
De larve op meidoorn gevon-
den door Wtt. te Voorst, de Roo
te Velp, Voll. te Brummen. Imago
bij mij ontwikkeld.
De larve op berk in menigte
door de Roo te Velp gevonden.
Imago bij hem en mij ontwikkeld , ~
door de Gavere in Maart bij
Gron. gevonden, door mij bij den
Haag in Maart, door ter Meer
bij Roelof-Arents-veen.
De larve op berk gevonden door
mij te Velp. Imago door v. Bem-
melen bij Wassenaar en door mij
bij Voorschoten gevangen.
De larve op meidoorn gevon-
den door Verloren en Voll. Imago
daaruit opgekweekt, en in het
begin van April uit pop in den
Haarlemmerhout. Rits. Te Breda
in Mei gevangen Heyl.
Bij den Haag Maitl. — Bij
Utr. Verl. — Bij Roelof-Arends-
veen, Pastoor v. d. Stoot. — De
larve op wilgen bij Rott. door
Fransen en mij, bij Leiden door
mij.
Bij Loenen Lodeesen. — Een
wijfje in Julij 1860 te Rhiender-
stein bij Brummen. v. Voll.
De larven gevonden door de
Roo bij Velp, door mij te Zwam-
merdam en Leyden, de wesp ge-
vangen door Wtt. bij Utrecht.
Een ¢ bij Utr. den 2den Julij
Piez. 18. 10. Hart. 1. c. p. 73.|64 Six. — Een 2 bij Groningen,
n°. 8. Panz. Fn.17.16et17. Klug,ide Gay.
Cimb. p.92. Zadd. Beob. p. 273.
n°. 4. Steph. 72. VII. 14. n°. 2.
12. ENopis L.
13. BERBERIDIS
Schr.
14. CYANELLA KI.
15. USTULATA L.
16.SEGMENTARIA
Pr
17. ROSAE L.
18. PAGANA Panz.
19. COERULES-
CENS F.
20. MELANURA
Kl.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 91
HyLoroma, F.
Fabr. Piez. 23. 10. — Panz.| Bij Utrecht, Six en Verl. Bij
Fn. 49. f. 12 et 13. — Klug, den Haag beide sexen in Aug.,
Blattw. p. 53. n°. 1. — Lepel.|v. d. W. In Sept. het 4 bij Breda,
Mon. n°. 127. — Hartig, 1. c.|Heyl. Bij Rotterdam en Haarlem,
p. 81. n°. 1. — Steph. Illustr.|v. V. Bij Meliskerke den 2° Junij,
VII. 2..16,,2°..& de Man. Bij Leyden in Junij, Dozy.
Klug, Blattw. p.55. n°.3.—| In Nederland, de Haan. Een
Hart. 1. c. 83. n°. 3. — Panz. Fn.| aan de Vogelenzang 27 Mei,
112. f. 10.— Steph. Illustr. n°, 2.|Rits.
Klug, Jakrb. I. p. 231. —| Bij den Haag, v. d. Wulp.
Hart. l. c. 83. n°. 5. Op Schothorst en te Brummen
in Julij, v. V. Te Naarden, de
Haan.
Linn, 8. N. 922.13. — Klug,| Bij Driebergen, Six. Den 23”
Blattw. p.58. n°. 8. — Panz. Fn.|Mei in den Haarl. hout, Rits.
81. 10. — Lepel. n°. 120. —|In Mei te Breda, Heyl. In Junij
Hart. 1. c. 84. 10. — Steph.lop de Gliph. in Julij te Brummen,
Illustr. p. 17. n°. 1. te Roozendaal en bij Groesbeek,
vw V.
Panz. Fn. 88. f. 17.— Hart.| Beide sexen bij Utr. Six. In
l. c. p. 85. n°. 12. — Lepel.|Julij 2 wijfjes te Brummen en 1
n°, 121. — Steph. ZZustr. p. 18.|man bij den Haag, v. V.
hi 10:
Linn. 8. N. II. 925. 30. —| Te Leyden en bij Heemst. in
Klug, Blattw. p. 60. n°.10. —|Junij, v. V. Bij Utrecht, Slx.
Fabr. Piez. 25. 16. — Panz. Fn.|Te Voorst, Wttewaall. In Junij
49. f. 15. — Hart. I. c. p. 85.\in een’ tuin te Breda, Heyl.
n°. 13. — Lepel. n°. 130. —
Steph. ZZustr. p. 18. n°. 13. —
Voll. Zödschr. IV. p. 70. PI. 2.
Panz. Fn. 49. f.16. — Hart.| Bij Leyden, v. V. Bij Gro-
Le. p. 87. n°. 14. — Klug,|ningen, van Swinderen. Een 4
Blattw. p. 61. n°. 11. — Lepel. te Driebergen, Six.
ne, 123. Steph. p. 19. no. 15.
Fabr. 8. P. 24. 12. — Klug,| Drie voorw. te Groningen, v.
Blattw. p. 62. n°. 13. — Hart.|Swinderen. Een bij Brummen,
I. c. p. 87. n°. 15. Lepel. n°. 116.|v. V. Een 4 in Noord-Brabant,
Wtt.
Scmzocera, Latr.
Klug, Blattw. in Magazin VI.| Een 2 bij Driebergen, Six.
p- 303. n°. 33. Hart. 1. c. p. 88.
n°. 3,
92 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Lorayrus, Latr.
21. NEMORUM Kl.| Klug, Blattw. in Mag. VI.| Een 2 in Mei op het Valken-
p. 49. n°. 1. Hart. 1. c. p. 116. burg te Breda, Heyl.
n°. 1. Ratz. Forstins. III. p. 117.
22. virens KI. Klug, p. 58. n°. 7, — Hart. I. c.| Bij Driebergen, Verl. en Six.
p. 119. n°. 2. — Ratz. Forstins. Een 2 bij Borculo, Brants. —
III. p. 114. tab. 2. f. 5. — Panz.|Bij mij uitgekomen uit larven van
Fn. 129, f. 5 en 6. Driebergen en cocons van Groes-
beek, v. V.
23. HERCYNIAE Hart. Blatéw. p. 123. n°. 3.| Een 9 bij Driebergen , Six.
Hart.
24. PALLIDUS KI] Klug, p. 54. n°. 4. — Hart.) De larven bij Driebergen, Verl.
l. c. p. 126. n°. 5. — Ratz./In 1851 schadelijk bij Arnhem,
Forstins. III. p. 112. Backer, in 1864 en 67 te Epe
in de bosschen van prof. Buys
Ballot, Verl. Een g gevangen te
Velp in Julij, de Roo.
25. PINI L. Linn. 8. N. ed. 10. 556.9. —| De larven bij Driebergen en
Fabr. Piez. 22. 1. — Panz. Fn.|Zeist, Verl. en v. V.; bij Velp
87. f. 17 et 119. f.5. — Lepel.|in Julij, de Roo; bij Hilversum,
n°. 154. — Ratz. Forstins. III.|Lod.; bij Voorst, Wtt.; bij Ren-
p. 85. tab. 2. f. 1. — Volljkum en Noordwijk, v. V. De
Tijdschr. I. bl. 180. Plaat 11.|imago te Drever, de Gav. te
Hart. l. c. p. 141. Driebergen , Six.
26. sIMILIS Hart.| Hart. 1. c. p. 160. — Ratz.| De larve in zeer groot aantal
Forstins. III. p. 116. tab. 2.|op zieke dennen bij Rott., v. V.
f.3. — Voll. Zijdschr. II. bl.134.|— Bij Voorst, Wtt. — Bij Drie-
Plaat 8. bergen, V.— Bij Velp, de Roo.
27. CATOCALUS Voll. Bouwstoff. II. bl. 276.| Uit cocons, ons van Groesbeek
Voll. toegezonden, V. en v. V.
28. ELONGATULUS| Klug, p. 55. n°. 5. — Hart.| De larven te Velp, de Roo.
KI. A, erp. 269m. 4; Uit de door dezen gesponnen
parelglanzige cocons kwamen bij
mij zeer kleine voorwerpen uit,
meest 4.
29. rupus Klug. | Klug, 1. c. p. 53. n°. 3. —| Bij Velp, de Roo.
Hartig, 1. c. p. 164. n°. 11. —
Ratz. Forstins. III. bl. 109. tab.
II. f. 7. — Voll. Zidschr. IV.
np: 65 Nl |
|
|
|
|
30.
32.
33.
54.
85.
86,
31.
DIFFORMIS
Panz.
+ ERADIATUS
Hart.
UNCINATUS
Hart.
ALBIPES Hart.
VIMINALIS
Fall.
HYPOGASTRI-
cus Hart.
SEPTENTRIO-
NALIS L.
LATIPES de
Vill.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 95
CLapius, Leach.
Panz. Fu. 62. f. 10.— Hart.| In den zomer de larve zeer
I. e.p. 175. — Lepel. n°. 165. —|gemeen op rozen. — Imago bij
Steph. Zllustr. VII. p. 23.n°.1. —|Amersfoort, V.— Bij den Haag, v.
Voll. Züjdsehr. 2e serie. DI. III.|d. W. Bij Utr., Six. — Op Wik-
bl. 202. Pl. 9. kenburg in Julij, Wtt. — Te
Middelburg in Aug., de Man. —
Bij Warmond, v. Bemm.
Hartig, L c. p. 176. n°. 2. Te Rott., Fransen. — Te Ley-
den in Junij, v. V. — Zuid-
Holland, H.
Hartig, 1. c. p. 177. n°. 3.—| De larve in het najaar vrij ge-
Voll. Zijdschr. IV. p. 84. Pl. 4.|meen op ijpen, Voll. — Wesp bij
Amersfoort, V.— Op Walcheren,
H.— Te Overveen 2 Julij, Rits. —
Te Voorst in Junij, v. Voll. —
Te Rotterdam, Fransen.
Hart. 1. c. p. 178. n°. 5. —| De larve op morellenboomen
Ratz. Forstins. III. p 129. — te Leyden, v. V. Junij in den
Brischke, Larven, p. 12 Taf. 2.|Haag, v. V. Op Wikkenburg in
f. 2. — Voll. Zijdschr. VI. bl.|Julij, Wtt. — Wesp bij Drieb.,
iQ. Blaateib; Six. — In Mei bij Breda, Heyl. —
In Mei te Middelb., de Man. — In
Febr. op Frankendaal en in Julij
bij Schoten, Rits.
Ratz. Forstins. III. p.129.—| De larve op popels te Bleis-
Hart. L c. p. 177. (Eucera).— wijk, Rott. en Leyden, v. V.
Steph. ZZusér. VII. p. 14. n°. 7.|Bij Voorst, Wtt. — Imago bij
(Luteicornis) Pl. 38. f. 1. —/den Haag in Junij, v. d. W.
Brischke, Blaétwespenlarven. p. 9.|Op Walcheren, de Man. — Bij
tab, 2. f. 7. — Voll. Züdschr.|Haarl. 16 Junij, Rits.
ROBE ETES PESTO.
Nematus , Leach.
Hart. Blatt. u. Holzw. p. 184.) Een g in Junij bij den Haag,
a, VEN“
Fabr. Piez. 42, 63. — Panz.| De larve opels gemeen bij den
Fn. 64. 11. — Hart. 1. c. p.|Haag, Boskoop, Leyden, v. V.:
184. n°. 2. — Ratz. Forstins.\bij Utr., Witt. De larve op berk
III, p. 118. tab. 3.f.3. — Villaret,te Leyden, v. V. 1mago in Mei
Ann, de la Soc. Ent. d. France.\te Heemst. v. V. Bij Utr. Six.
I. p. 305.— Voll. Zijdschr. II.\In Sept. bij Breda, Heyl. In
bl. 74. Plaat 5. Sept. te Middelburg, de Man.
Villaret, dan. I. p. 306. PI.XI.| De larve op berk bij Zeist,
f, 4—6. Hartig, 1. c. p. 185.|v. V.; bij Velp, de Roo. Imago
n°. 3. — Voll. Zijdschr. 2e ser.|bij mij uitgekomen den 6den Mei
II, bl. 174, Plaat 8. 67.
94 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Villaret, Ann. Fr. I. p. 306.| De larve eenzaam op els te
n°, 2. Pl. XI. f. 8.— Hart. 1. c. p.|Leyden, v. V. Wesp bij Voorburg
186. n°. 4. — Voll. Zijdschr. VI.\en den Haag in Aug., v. d. W.
bl. 76. Plaat 6.
38. varus Vill.
Een 4 26 April in den Aeren-
hout, Rits. — Op Walcheren, de
Man.
Panz. Fr. 82. f. 10. — Hart.
ch BOT SB.
39. LUCIDUS Pz.
De larve bij den Haag en
Leyden , v. V. De imago in April
uit de pop gekweekt, v. V. —
Bij Utr., Six. — Een buitenge-
woon groot ¢ bij den Haag in
Junij, v. d. W.
40. COERULEO-
CARPUS Hart.
Hart. p. 187. n°. 8. — Voll.
Tijdschr. I. bl. 148. Plaat 6.
Hart. 1. c. p. 187. n°. 9. —| De larve op larix te Brummen,
Ratz. Forstins, III. p.121. tab.lin Aug., v. V. Bij Voorst, Wit.
DARA If Imago door mij in Holland ge-
vangen, v. V.
4l. ERICHSONII
Hart.
42. PALLICERCUS Bij Leyden in Junij, v. V.
Hart.
Hart. l. c. p. 190. n°. 13. —
Voll., Zödschr. VI. p. 179 PI. 11.
Aan de Bildt op wilgen en te
Driebergen , Six.
43. HISTRIO St.
Farg.
Lepel. Mon. p. 63. n°. 185. —
Hart. 1. e. p. 191. n°. 15 2. (ru-
escens.) — H. Sch. Fn. Germ.
164, 24.
In Holland, de Haan. Bij
Driebergen, Six. In Junij bij
Leyden, v. V.
Panz. Fn. 64. f. 4. — Hart.
192) mn} 16.
44, VENTRALIS
Panz.
Hart. I. c. p. 192. n°. 17.—| De larve bij Roozendaal, v. V.
Voll. Zijdsch. 2e serie IT. bl. 165.) Opgekweekt uit de larve in Sept.
Plaat 6. te Wort-Rhede, v. V.
45. BETULARIU3
Hart.
Bij Utr. in Junij, Wtt. Bij
Haarl. in Maart op doornbessen,
Rits,
46. LEUCOTRO-
cuus Hart.
Hart de. p. 195, n. LB,
In Junij en Julij bij den Haag,
v. d. W en v. V. — Bij Drieb.
in Julij, Six. — In den Aeren-
hout in Junij, Rits.
47. ruLvus Hart.| Hart. 1. c. p. 194. n°. 19.
48. sALICIS L. Fabr. Piez. 40,52. — Goedaert,, De larve te Voorschoten, bij
1. p. 58. n°. 19. — Hart. p. 194./Loosduinen en bij den Haag, v.
n°. 20. — Lepel. n°. 203.— de|V.; bij Voorst, Wtt. — Imago
Geer, II. 2. p. 264. — Voll.jop Walcheren, H. Bij Utr., Six.
Tijdschr. V. pi 60. Pl. 3. Bij Haren en Helpman in Aug.
de Gav. Bij Middelb. in Aug.,
de Man.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA).
49, IMMACULATUS
Voll.
Brischke, .Blattwespenlarven.
bl; \6l'HafoT. £.2.
Panz. Fn. 90. f. 10. — Hart.
I. c. p. 195. n°, 21. — Steph.
IUustr. VII. p. 29. n°. 11.
50. LUTEUS Panz.
51. PESTACEUSSt.
Steph. Zllustr. VII. p. 29. n°. 9.
52. TRIMACULA-
tus Voll.
Voll. Zijdschr. V. bl. 69. Pl. 4.
53. WTTEWAALLI
Voll.
Voll. Zijdschr. V. bl. 65. Pl. 4.
54. VENTRICOSUS
Hart. p. 196. n°. 23.— Bouché,
Hart.
Nat. Gesch.d. Ins. p. 140.n°.7.—
Voll. Zijdschr. II. bl. 69. Pl. 4.
55. ALBIPENNIS
Hart.
Hart. Le. pi 196. 29. 22.
56. HORTENSIS
Hart. 1. c. p, 197. n°. 24. —
Hart.
Voll. Tijdschr. I. bl. 151. Pl. 7.
57. AURANTIACUS
Hart.
Hart. 1. c. p. 197. n°. 25. —
Voll. Zijdsehr. VI. bl. 184. P1.12.
58. CAPRÆAE L. Fabr. Piez. 35, 30. — Panz.
Fn. 65. f. 8. — Hart. I. c. p.
198. n°. 26.
95
De larven bij Voorst, Wit.
Deze larven zijn gelijk aan die
van Salicis, doch blaauw van
kleur, waar de anderen groen
zijn. Imago te Schoten in Aug.,
Rits. Bij Rott., Fransen.
Te Leyden in Junij en te Voorst
in Julij, v. V. Bij den Haag in
Junij, v. d. W. Bij Utr., Six.
— Bij Breda in Aug. Heyl. —
Op Walcheren, de Man.
Een 2 in Mei bij den Haag,
Voi:
De larve te Leyden, v. V. In
Julij imago bij Breda, Heyl. Bij
Haarl. 11 Junij, Kits.
De larve te Voorst en Utr.,
Wtt.; te Velp, de Roo; bij Leyden
en Driebergen, v. V.
Zeer gemeen te Rott., Heem-
stede, Leyden, den Haag, v. V.
De larve te Tholen, v. V. Bij
Utr., Wtt. — Imago bij Utr.,
Six; op Walcheren, de Man.
Bij Rott., v. V. — In Julij
bij Breda een g, Heyl. — In het
laatst van Mei te Beek bij Nij-
megen, Six.
Vrij gemeen bij Heemstede,
Leyd. en Velp, v. V. De larve
te Voorst en Breukelen, Wtt. —
Wesp aldaar in Julij, Wtt. Bij
Epe, V. — Bij Utr., Six. — Bij
Brummen en Rhede, v. V. —
Te Middelb. in Maart en Aug.,
de Man. — Te Gron., de Gav.
De larve op popels bij War-
mond, Wassen. , Leyden, v. V. —
Wesp bij Driebergen, v. B. —
Bij Utr., Six. — In Junij bij Oegst-
geest, v. V.
In April aan de Glip, v. V.
In Mei bij den Haag, v. d. W.
fi Sept. te Haarl., Rits. — Bij
96 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Warmond, v. Bemm. — Bij Drie-
bergen een 2, Six, — Bij Brum-
men in Aug., v. V. — In Mei
bij den Haag, v. d. W. — Te
Schoten in Aug., Rits.
59. Leucoropius | Hart. l. c. p. 200. n°. 29. In Mei te Groningen, de Gav.
Hart.
60. MYOSOTIDIS Fabr. S.P. 41, 60. — Lepel,}| In Junij bij den Haag, v. d.
F. Mon. p. 59. n°. 170. — Hart.|W. Op Wikkenb. in Julij, Wtt.
l. c. p. 199. n°. 27. — Panz.|Bij Leyden in Julij, Voll. — 24
298.1. 18. Mei en 8 Julij bij Haarl., Rits. —
Bij Middelburg in Junij, de Man.
61. mozzis Hart.| Hart. 1. c. p. 201. n°. 30. Beide sexen op larix bij Empe,
v. Eyndh. — Twee grootere exx.
bij Utr., Six. — In Junij bij
Breda, Heyl. — In Juni} bi
Groningen, de Gav.
62. APICALIS Hart. a. erp. 101: noo. In Mei bij den Haag, v. d.
Hart. W. en v. V. — Bij Driebergen,
Six (1). — Bij Haarlem in April
op doornbessen, Rits. — Bij
Koudekerke op Walcheren in April,
de Man.
63. OBDUCTUS Hart. cop. 201. n°. 32. In Sept. bij den Haag, v. V.
Hart. Bij Driebergen , Six.
64.1EucosTıctus| Hart. 1. c. p. 202. n°. 33. Een zeer klein g in Mei bij
Hart. Ultra, Six:
65. APPENDICU- Hart. Ie. 9: 202. m7. 84. Op Wikkenb. in Julij, Witt,
LATUS Hart. Uit de larve, die op roode aalbes
leeft, gekweekt te Leyden, v. V.—
Beide sexen te Haarlem, Rits.
66. LARIcIs Hart.| Hart. 1. c. p. 208. n°. 35. Bij Rott., Snell. — In Junij
bij den Haag, v. d. W. — Bij
Houten in Julj, Wtt. — Bij
Driebergen , Six.
67. VALLATOR Voll. Zyjdschr.I. bl.191.P1.12.] Uit de larven, die op popels
Voll. leven, te Leyden en in Gelder-
land; Vv. N.
2 Dit voorwerp, een d', staat eigenlijk tusschen Mollis en Apicalis in. Het is een Apicalis
met wit omzoomden halsrand. Het vleugelstigma is lichtbruin. (De linkerspriet heeft 10 leedjes)
Zijn Mollis en Apicalis wel waarlijk twee soorten ?
68.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 97
CRASSICORNIS| Hart. 1. c. p. 204. n°. 37. In Mei bij den Haag, v. d.
Hart. W. In Julij en Sept. te Leyden,
v. V. — Te Voorst in Julij,
Wtt. — In Maart bij Middelb.,
de Man.
69. ABBREVIATUS] Hart. 1. c. p. 205. n°. 38.—| In Junij in een tuin te ’s Gra-
Hart. Voll. Zydschr. 2e Serie, DI. 1II.|venhage en te Leyden in Mei,
bl. 206. PI. 10. v. V. — In Mei te Utrecht in
een tuin, Six, — In Mei op rozen
te Breda, Heyl. — Larve op peren-
bladeren , v. V.
70. AQUILEGIAE Voll., Tjdsehr. 2e Serie, DI. I.| De larven te Renkum en Leyden,
Voll. bl. 202. PI. 9. mV.
71. vALLISNIERI | Hart. l. c. p. 205. n°. 40. De larve gemeen op wilgen,
Hart. v. V. — De imago bij Rott. in
April, Snell. — Bij Noordwijk, Wtt.
12. VIRESCENS Hart. 1. c. p. 217. n°. 50 et} De larve op wilg in Holl. en
Hart. 216. n°. 49 (Prasinus). — Steph.|Zeel., v. V.— Bij Velp, de Roo.
Illustr. VII. 30. n°. 13 (Ziridis).|Imago, bij den Haag, v. d. W. —
— Voll, Zijdschr. 2e Serie, DI. II.|Bij Houten, Wtt. — Bij Brum-
bi 168: Biv Ji men, v. V. — Bij Amst., Kin-
ker. — Te Haren, de Gav. —
Bij Utrecht, Six.
13. viminaLis L.| Dahlbom in Zn£. Zeit.1848.—| De gallen, waarin de larve
74.
75.
76.
(HE
—+
18.
Hart. p. 220. n°. 55 (Gallarum).—|leeft, gemeen op duinwilg bij
Voll. Zijdsehr. II. bl. 145. Pl. 10./Scheveningen, Katwijk, Noord-
wik, v. V.
PERSPICILLA-| Ratz. Forstins. III. p. 126.| De larve in Sept. op Salix alba
RIS Hart. Ph IE, fig 6; te Voorst, Wit.
OCHRACEUS Hart. I. c. p. 218. n°. 51.—| De larve in Aug. op gele bind-
Hart. De Geer. II. 2. p. 257. tab. 37.|wilg te Breukelen, Wtt. — De
fig. 111. wesp uitgekomen in Oct., v. V.
CATACHLORIS| Zie de beschrijving hier achter.| Bij Leyden, v. V.
Voll.
De larven bij Leyden en de
BETULAEHart| Hart. 1. 1. p. 119. — Voll.
wesp daaruit opgekweekt, v. V.
Tijdschr. VII. p. 70. PI. 3.
Cryprocampus, Dahlb.
AMERINAE L.| Dahlb. in Ext. Zeit. 1848. —| Uit de larve op wolwilg te
Hart. p. 223. n°. 3 et (p. 224. Leyden gekweekt in Junij, v. V.—
n°. 4)? Populi et mednllarius. Imago bij Utr., Six. — In Sept.
te Groningen, de Gav. — In
April bij Heemstede, v. V.
8
98
79. ANGUSTUS
Hart.
80. FUSCICORNIS
Hart.
81. DE GEERI KI.
82. STILATA Kl.
83. DESPECTA
Hart.
84, ALNI L.
85.RUFA Panz.
86. PALLIPES
Hart.
NIEUWE NAAMLIJST DER NEDERLANDSCHE.
Hart, lite. p.. 2222 nt. U Een 2 bij Haarlem in Mei, Rits.
Hart. IL. c. p. 225. n°. 5. In Junij aan een waterkant in
de duinen bij den Haag, v. V.
Dinevra, Dahlb.
Hart. 1. c. p. 227. n°. 1. —| In Junij bij den Haag, v. d.
Klug, Blattw. in Mag. VIII. W. en v. V
p. 213. n°. 169.
Hart. 1. c. p. 227. n°. 2. — Bij Haarlem 15 Mei 9, Rits.
Klug? a. e.p. 82. nek
Hart. l. c. p. 228. n°. 4. In April 1853 een 2 bij den
Haag, vil.
Linn. 8. N. p. 925. n°. 29. —| Bij Rott. en Leyden , v. V. —
Fabr. S. P. 31. 12. — Hartig, Bij Utrecht, Six. — Bij Voorst,
l. c. p. 228. n°. 6. — Lepel, Wtt. — Bij Noordw., v. Bemm.
Mon. n°.207 (Australis).— Steph.
Illustr. VII. p. 55. Pl. 38. f. 2.
— Voll. Zijdschr, VIII. bl. 84.
Plaat 5.
Panz. Fn. 12. f. 2. — Hart.| Op Walcheren, Herkl. — In
l. ©. p. 228. no. 7. — Steph.|Mei en Aug. bij den Haag, v.
Zllustr. VII. p. 55. n°. 2. —|d. W.— Aldaar in Julij , te Leyd.
Voll. Züdschr. VIII. bl. 89.jen Wassenaar, v. V. — Bij Utr.,
Plaat 6. Six. — Bij Rotterdam, Fransen.
Hart. 1. .c..p. 229. n°. 9. Bij den Haag, v. d. W.— In
Mei in het Haagsche bosch op
lijsterbezieboomen , v. V. — Twee
exx. in Mei in de Schapenduinen
bij Haarl., Rits.
Doterus , Leach.
87. EGLANTERIAE Fabr. S. P. 25, 18. — Panz.| In Mei bij Utrecht, Six. —
F.
88. ANTICUS Kl.
| Fn. 82. f. 11. — Hart. p. 232./In Junij bij Voorst, Wtt. en v. V.—
n°. 1. — Steph. ZZustr. VII.|In Julij bij den Haag en Wasse-
p. 82. n°. 1. — Lepel, Mon.|naar, v. d. W.— 20 Meiin den
n°. 356. Haarlemmerhout, Rits. — Bij de
Vogelenzang, v. V. — In Mei
te Breda, Heyl. — In Julij in
Zeeland, Wtt. — Op Walcheren,
de Man.
Klug in Magaz. Berl. VIII.) In Mei bij den Haas, v. V.
p. 294. n°. 219. — Hart. 1. c.
p. 232. n°, 2, — Panz. Fw. 147.
Lodo,
89.
90.
91.
92.
93.
94.
95.
96.
9.
98.
99.
BUSAEI Voll.
PALUSTRIS KI.
MADIDUS Kl.
DUBIUS KI.
PALMATUS Kl,
HAEMATODES
Schr.
GONAGRA F,
VESTIGIALIS
NIGER Kl.
ANTHRACINUS
KI.
VARISPINUS
Hart.
100. LEUCOBASIS
Hart.
101. CENCHRIS
1
Hart.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA).
Voll. in Bouwst. II. bl. 277.
Klug, Blattw. in Mag. VIII. p.
296. n°. 222. — Hart.1. c. p. 233.
n°, 6. — Panz. Fn. 147, 19 et 20.
Klug, 1. 1. n°. 224. — Hart.
p. 233. n°, 8.
Klug, I. 1. n°. 228. — Hart. p.
234, n°. 11.— Panz. Fn. 147. f.17.
Klug, 1. 1. n°. 236. — Hart.
p. 235. n°. 16.
Schranck, Zus. Austr. n°. 678.
— Panz. Fn. 52. f. 10. — KI.
L. 1. n°. 238. — Hart. p. 235.
n°, 18.
Fabr. S. P. 34, 25, — Panz.
Fn. 45. f.6 et 65, 4. — Hart.
p. 236. n°. 21. — Lepel. n°. 370.
— Klug, l. c. p. 305. n°. 241.
Klug, Blattw. in Mag. VIII.
p. 305. n°. 242. — Hart. 1. c.
p. 236. n°. 22.
Klug, L c. n°, 232. — Hart.
ps 237. n°. 25.
Hart. p. 238. n°, 27.
Hart. l. c. p. 239. n°. 30.
Hart. l. c. p. 240. n°, 31.
Hart. 1. c. p. 240. n°. 32.
99
Bij Haarlem, Buse. — Op
Wikkenb. in Julij, Wtt. — In
Junij bij Wassenaar, v. V. —
Bij Overveen 31 Mei en in den
Aerenhout 8 Julij, Rits.
Een wijfje den 15° Mei bij
Utrecht, Six. — Een man in
bij Utrecht, Rits. 1,
Een 4 bij Harkstede in April,
de Gav.
In Holland, v. V. — In Mei
op de wallen van Breda, Heyl.
In April bij den Haag, v. V. —
In Noord-Braband, Wtf.
De larve op Juncus, v. V. —
De wesp in April bij Leyden, v. V.
— Bij Breda, Heyl. — Bij War-
mond, v. Bemm. — In Mei bij
den Haag, v. d. W.
In Mei bij Utr. en aan de Bildt,
Six. — In April bij Amst., Grebn.
— In Mei bij Leyden, de Gav. en
v. V.— In Mei bij Breda, Heyl.
—In April op Walcheren, de Man.
In Mei bij Utrecht, Six. — In
Junij bij Voorst, v. V. — In Mei
bij Haarl. Rits.
In Z.-Holl. v. V. — Bij Drie-
bergen, Six. — In Mei bij Breda,
Heyl.
In Mei bij Leyden, v. V.
Bij Utrecht, Six. — Bij den
Haag in Junij, v. d. W.
Bij Rott. v. V. — Een g aan de
Vogelenzang in Maart, Rits.
Bij Heemstede en Noordw. in
April, v. V. — Bij Leyd. Overdijk.
— In Maart bij den Haag, v. d.
Het is eenigzins twijfelachtig of dit voorwerp wel tot deze soort behoort.
100
102. AENEUS
Hart.
103. GIBBOSUS
Hart.
104, rıssus Hart.
105. cINcTUS L.
106. GROSSULA-
RIAE Kl.
107. Dipymus
108. PATELLATUS
KI.
109. FILIFORMIS
110. TIBIALIS
Panz.
111. RUFOCIN-
crus Kl.
NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
W.— In Junij bij Voorst, v. V.
— In April bij Wolfheze, Snell. —
In Mei bij Breda, Heyl.
Hart. 1. c. p. 241. n°. 33. April Heemstede, v. V. — Bij
Utr. Six; bij den Haag, v. d. W.
— Aan de Ruischerbrug in Apr.
de Gav. — Bij Haarlem, Rits.
Hart. l. c. p. 241. n°. 34. Bij Leyden, v. V. — Haagsche
bosch in Mei, v. d. W. — In.
Mei bij Breda, Heyl. — Bij
Utrecht, Six.
Hart. l. c. p. 243. n°. 37. Bij Groningen, v. Bemm.
Empsytus, Leach.
Linn. Faun. Suec. n°. 1556. —| De larven op rozen te Rott. en
Klug, Blattw. in Mag. Berl. VIII.|Leyd. v. V. — De wesp te Voorst,
p. 279. n°. 194. — Hartig,1.c.p.|Renkum, Utr. en den Haag in
248. n°. 3.— Panz. Fn. 144. f. 18|Mei, Wtt. — In Junij te Gron.,
et 19.—Steph. Jddusér. VII. p. 89.|de Gav. — In Mei bij Utr., Six. —
n°. 4. — Voll. Tüjdschr. VIII. bl. Op Walcheren, Herkl. en de Man.
13. Pl. 3. — Te Amsterdam, Lodeesen.
Klug, Le. p.283. n°. 202.—| In April en Julij bij den Haag,
Hart. i cp: 249200. 10; v. d. W. — In Julij op Wik-
kenburg, Wtt. — In Mei bij
Brummen en Noordwijk, v. V.
Klug, 1. c. p. 282. no. 201.| Bij den Haag, v, d. W.
— Hart. l. c. p. 249. n°. 9.
Klug, le. p. 283. n°. 203. —| In Mei bij den Haag, v. d. W.
Hattielse. “ps 26000012, en v. V. — Bij Utr., Six. —
Bij Brummen, v. V. — Een 4
den 15 Aug. bij Haarlem, Rits.
Klug, 1. c. p. 285. n°. 207.) Wit. heeft een 9 dat eenigzins
— Hart. p. 251. n°. 15. afwijkt van de beschrijving (4)
uit de larve gekweekt.
Panz. Fn. 62. f. 11. — Hart.) De larve te Voorst, v. V. —
lc. p. 251. n°. 17. — Voll.|De wesp bij Heemstede in Aug.
Tydschr. II. bl. 143. Pl. 9, v. V.— Te Brummen en Ooster-
beek, v. Bemm.
Klug, l. c. p. 286. n°. 210.| In Julij bij Voorst, Wit.
— Hart. 1. c. p. 251. n°. 18.
112.
113.
114.
115.
116.
117.
118.
119.
120.
121.
122.
123.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 101
SEROTINUS Klug, 1. c. p. 288. n°. 215.] Uit de larve bij Voorst gevan-
Kl. — Hart. l. c. p. 252. n°. 22. |gen, v. V. — In een tuin te
Breda, Heyl. — In Oct. te
Leyden, v. V.
LEPIDUS Kl.| Klug, 1. c. p. 277. n°. 191.) In het laatst van Mei bij den
— Hart. l. c. p. 253. n°. 25. |Haag, v. d. W.— en te Brummen,
Ve. V
PALLIPES Spin. Zus. Ligur. II. p. 19. | Te Voorst uit de larve in es-
Spin. | schenhout, Wtt.
MAJALIS | Zie de beschrijving hierachter.| In Mei bij Utrecht, Six.
Voll,
Puyıroroma, Fall.
MELANOPY- | Klug, Blattw. in Mag. VIII.| De larve in elzenbladeren te
ga Kl, p. 275. n°. 185. — Hart. 1. c.!Rott., Snell. — Bij Leyden en
ip. 255. n°. 4. — Voll. Tüjdschr.\Amersfoort. v. V.
gersene „DI. ‚I. bot 96. Pls.
PINGUIS Nader te beschrijven. In Mei bij den Haag,v.d.W.
Voll. |
Fenusa „ Leach.
PUMILA Kl. | Klug, Mag. VIII. p. 276. n°.| Bij Beek den 1 Junij, Six.
190. — Hart. 1. c. 259. n°. 3.
PYGMAEAKI./ Klug, B/attw. in Mag. VIII.| Bij den Haag, v. d. W. —
p- 73. n°. 55. — Hart. I. c. p.|Bij Utrecht in Mei, Six. — Bij
259. n°. 4. Haarlem in Mei, Rits.
NIGRICANS Klug, Mag. VIII. p. 276.| In Aug. bij Gron., de Gav.
n°. 189. — Hart. p. 259. n°. 2.
SeLANDRIA, Leach.
PUSILLA Klug, 1.1. p. 71. n°. 52. —| In het voorjaar op rozen te
Klug. Hart. 1. c. p. 267. n°. 2. —|Leyden, v. V. — Te Utrecht,
Voll. Züdschr. VI. bl. 79. Pl. 3./Six. — In den Haag, v.d. W. —
Te Haarlem, Kits. — Te Breda,
Heyl. — In Aug. te Groningen,
de Gav. — In Aug. te Wort-
Rhede, v. V.
TENUICOR- Klug, 1. 1. n°. 45. — Hart.) Een gepaard paar in April te
nis Klug. |l. c. p. 267. n°. 3. Utrecht, Six.
BETULETI Klug, 1.1. Fam. II. A. n°.57.| In Junij bij Voorst en in Mei
Kl. — Hart. l. c. p. 267. n°, 4. |bij Leyden, v. V. — In Julij in
Zeeland, Wtt.
102
124, ARTHIOPs F.
125. FULIGINOSA
Schr.
126. CINEREIPES
127. HUMERALIS
Voll.
128. EPHIPPIUM
Panz.
129. ALBIDA
Klug.
130. HYALINA Kl.
131. MELANOCE-
PHALA F.
132. LUTEIVEN-
TRIS Klug.
133. VENTRALIS
Spin.
154. ALBIPES L.
135. SEMICINCTA
Hart.
NIEUWE
Fabr. S. P. 39, 40. — Klug,
1.1. n°. 41. — Hart. 1. c.
1:8
p.
Schranck, Ins. Austr. n°. 670.
NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Te Rotterdam, G. H.—De larve
p. 267.|te Leyden, v. V.— De wesp bij
— Ratz. Forstins. III. Utrecht, Six. — Bij Breda, Heyl.
130. — Lepel. Mon. n°. 327.— Bij Houten in Julij, Wtt. —
Bij Gron. de Gav. — Bij Was-
senaar en Brummen. v. V. —
Bij de Steeg en Arnhem in Aug.
verde Wi
Bij Heemstede in Junij, bij den
— Klug, |. 1. n°. 37. — Hart. Haag en Driebergen in Julij, v.
1.21;-p- 208.00 66:
Klug, 1. 1. p. 67. n°. 43. —
Hart... lp: 269.) 0. JAE
De be-
Verwant aan Uncta.
schrijving volgt.
Panz. Fn. 52. f. 5. — Klug,
p. 61. n°. 32. — Hart. p. 270.
n°. 12. — Lepel. n°. 317.
52. n°, 14. —
MOSSE
Klug, 1.
Hanse:
Klug, 1.
Hark Lc,
Fabr. S. P. 26, 20. — Co-
quebert, 22. Icon. I. 16. tab. 3.
f. 6.— Hart. p. 271. n°. 17. —
Voll. Zydschr. VIII. bl. 79,
Plaat 4.
Klug, 1. c. p. 56. n°. 23. —
Eart. rc. up. 241. n°. 18.
Spin, Zus. Lig, I. p. 1. n°. 1.—
ne) in Mag. p. 57. n°. 24. (Spi-
nolae)— Hart. I. c. p. 271. n°, 19.
Linn. 8. N. Gmel. p. 2667.
n°. 126.—Klug, 1. c. p. 67. n°. 44.
‚— Hart.l.c. p.272. n°, 23.
Fark. 1,°0. pila) 2a
V. — Bij Utrecht in Mei, Six.
— Bij Haren in Junij, de Gav.
Op Walcheren, Herkl. — Bij
Utr. in Mei, Wtt. — Bij Haar-
lem in Mei, Rits.
Een 9 op de Gliphoeve in Mei,
HAUTE
Op els en hazelaar in Holl.
v. V.— Te Groningen, v. Bemm.
— In Mei bij den Haag, v. d.
W.— Bij Haarlem in Mei, Rits.
Bij Utr. en Driebergen, Six.
Uit een doorndragende larve,
bij Voorst gevangen, Wit.
Bij Heemstede in Mei, v. V.
— Bij Driebergen, Six. — In
den Aerenhout, Rits.
Uit doornrupsjes op eiken, ge-
vonden bij den Haag, Leyden en
Velp, opgekweekt. v. V. — De
wesp in Mei op de Schapenduinen
bij Haarl., Rits. — Te Voorst,
Witt.
In April bij de Vogelenzang ,
v. V. — Bij Utrecht, Six.
Een 2 bij Driebergen, Six.
Bij den Haag in April en bi
Bennebroek in Mei, v. V.
Drie wijfjes op de Gliphoeve ,
v. V.— Te Groningen, v. Bemm.
136.
137.
138.
139.
140.
141.
142,
143.
144,
145.
146.
147.
148.
149.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 105
MONTICOLA Hate kie. p.273. n°. 28. Een 2 bij Driebergen, Six.
Hart.
BIPUNCTATA| Klug, 1. c. p. 214. n°. 172.| 23 Mei in den Haarl.hout een
Ç — Hart. n°. 26. 2, Rits. — Bij Middelburg in
Mei, de Man. — In Mei te Leyden
op rozen, v. V.
FUNEREAKI.| Klug, l. c. p. 74. n°. 59. —| Bij Driebergen, Six.
Hart. 1. c. p. 274. n°. 28.
BRUNNIVEN-| Hart. l. c. n°. 27. Een wijfje in Mei op de Glip-
TRIS Hart. hoeve, v. V.
GAGATHINA | Klug, 1. c. p. 74. n°. 58. —| Een wijfje in Mei op de Glip-
KI. Hart. n°. 29. hoeve, v. V.
GENICULATA| Hart. l. c. p. 274. n°. 31. In Junij te Utrecht, Wit.
Hart.
PLANA Kl. Klug, Blattw. VIII. p. 214. n°.| Twee voorwerpen in Mei bij
171. — Hart. 1. c. p. 274. n°. 30.|Leyden, v. V.
SERICANS Hart are: pl 21 betu 183, De larve op esschen bij Utr.
Hart. V.— Bij Leyden en Noordwijk,
v. V. en daaruit gekweekt te Leyd.
MICANS KI. Klug, 1. c. p. 65. n°. 40. —| In Mei bij den Haag, v. d. W.
Hart. 1. c. p. 276. n°. 34.
NIGERRIMA | Klug, 1. c. p. 65. n°. 38. —| In Mei bij Heemstede, v. V. —
El Hart. n°, 35. In Mei bij den Haag, v. d. W. —
Bij Driebergen, Six. — Op Wal-
cheren, H. — Bij Middelburg ,
de Man.
TESTUDINEA| Klug, l. c. p. 60. n°. 30. —| Een bij Haarlem 9 Mei, Rits.
Klug. Hart. L c. p. 277.009. 37,
BREVISKlug| Klug, Mag. VIII. p. 53. n°.17.| Bij Leyden, v. V. — Bij Haar-
— Hart. l. c. p. 277. n°. 39. |lem in April, Rits. — Te Mid-
delburg in April, de Man. —
In Junij te Breda, Heyl.
CRATAEGI Klug, L c. p. 54. ne. 18. —| Eengin Mei op de Gliphoeve,
KI. Hart. n°. 41, v. V. — Bij Driebergen, Six. —
Eene fraaije var. in een tuin te
Middelburg, 29 Mei, de Man.
CHRYSOR- Klug, Mag. VIII. p. 60. no. 31.1 Een 2 in den Aerenhout bij
RHOEA Klug. — Hart. |. c. p. 278. n°. 43. |Haarlem, 28 April, Rits.
104
150.
151.
152.
153.
154.
156.
157.
158.
159.
160.
NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
ANNULIPES | Klug, 1. c. p. 70. ne. 49. —| In Aug. bij den Haag, v. V. —
Klug. Hart. p. 279. n°. 46. — Voll./Uit de larve op linden te Leyden ;
| Tijdschr. 2e Ser. DI. II. bl. 178.|de larve op Sterkenburg, v. V.—
Plaat 9. In Aug. te Breda; Heyl.
cınxıaKlug.| Klug, 1. c. p. 69. n°. 48. —| In het voorjaar te Heemstede
Hart. p. 280. n°. 48. en Brummen, v. V. — In Mei
te Haarlem, Rits.
ADUMBRATA| Klug, 1. c. p. 64. n°. 36. —| Bij Haarlem, den Haag en
Klug. Hart. n°. 49. Brummen in Mei en Aug, v. V.
soror Voll.) De beschrijving volgt. In Mei en Julij te Leyden,
v. V.— Bij Utrecht, Six (onder
den naam Rosae en dus waar-
schijnlijk op rozen gevangen).
UMBRATICA | Klug, 1. c. p. 63. n°. 34. —| Een g in Julij te Leyden, v.
Klug. Hart. "1e me b0. V. — Bij Utrecht, Six. — Bij
Haarlem in Mei, Rits.
. OVATA L. Fabr. S. P. 27, 25.—Panz. Fn.| Uit de larven op elzen gekweekt,
52. f. 3. — Ratz. Forstins. III.|de larve in Aug. en Sept. alom
132. tab. 3. f. 8.— Lepel. n°. 316.|gemeen, v. V. — De wesp in
— Hart. n°.51. — Steph. 72. VII. Holl., Zeel., Utr., Gelderl. ;
p. 54. no. 40.— Voll. Tüjdschr.|Overijssel, Groningen en Noord-
VI. bl. 81. Plast-7. Braband gevangen.
LUTEOLA Klug, 1. c. p. 48. n°. 9. —| In Mei uitgekomen uit eene
Klug. Hart. 1. c. n°. 52. larve, in Sept. op gras gevonden,
v. V. — De wesp bij Leyden,
v. V.— In Mei bij Utr., Six. —
In April bij den Haag, v.d. W.
sERVA Fabr.| Fabr. S. P. 26. 22. — Hart.) Te Leyden in Mei en Junij,
l. c. p. 282. n°. 53. — Lepel.|v. V. — Te Voorburg in Aug.
n°. 334. — Steph. ZZ. VII. p.|v. d. W.— Bij Haarlem in Mei
45. n°. 1. — Klug, Blattw. injen te Beek in Julij, Rits. — Te
Mag. VIII. p. 47. n°. 7. Utrecht, Six. — Te Driebergen
en Gron., van Bemm. — Op
Walcheren, H. — Te Meliskerke
in Junij, de Man. — Bij Drever
in Julij, de Gav.
sıxIı Voll. Bouwstoffen, D. II. bl. 278. Bij Utrecht, Six.
socia KI. Klug, Blattw. VIII. p. 49. n°.| In Meien Sept. bij Heemstede,
10. — Hart. l.c. p. 282. n°. 55.jv. V.
MoRIO F. Fabr. S. P. 36, 31.— Klug,| De larve bij Voorst, Wtt. —
Blattw. in Mag. VII. p. 75.De wesp in Julij en Aug. bij den
n°. 60. — Hart. l. c. p. 282. Haag, v. d. W. — Haarl. hout
n°. 57. 26 Mei, Rits. — Den 26 Julij
aan de Watermeerwijk, v. V.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 105
161. PHTHISICA | De beschrijving volgt. In Julij in het Beekberger woud,
Voll.
162. ATERRIMA |
Kl.
163. sPINARUM F.
164. ROSAE L.
_ 165, ANNULATAF,
166. SCROPHULA-
RIAE L.
167. MARGINEL-
Lus F.
168, zonuLa Kl.
Ye Vi
Paymarocera, Dahlb.
Klug, Blattw. in Mag. VIII.) Opgekweekt uit larven, gevon-
p. 81. n°. 70. — Hart. Bla/tw.|den te Voorst, v. V.— Wesp te
p. 276. n°, 36. — Voll. Zidschr./ Brummen, half Mei, v. V. —
W boo." à PA 8. In het Haagsche bosch, v. d. W.
— Te Paterwolde, 14 Junij,
Rits. — In Julij bij Breda, Heyl,
Arnau, Leach.
Fabr. S. P. 26, 21. — Panz.! De larve te Voorst, Wtt. —
Fn. 49. f. 18. — Lepel. Mon. De wesp te Driebergen, Six. —
n°. 71. — Steph. Illustr. VII. Bij Woerden, de Gr. — In Junij
p. 42. n°. 1. — Hart. 1. c. p.\bij den Haag, v.d. W. — Aldaar
284. n°. 1. — Voll. Züdschr.\en te Leyden in Julij, v. V. —
III, bl. 109. Plaat 9. Bij Groningen, v. Bemm. — Bij
Haren, de Gav. — Op Walche-
ren, de Man.
Linn. S. N. 1. 2. p. 925. —| Bij Leyden en Wassenaar in
Klug, Blattw. in Mag. VII. p.|Aug., v. V. — Bij den Haag in
128, n°. 2. — Hart. I. c. n°, 2, —|Julij en Arnhem in Aug., v. d.
Lepel. n°. 69. W.—In Mei in den Haarl, hout.
Rits. — Te Utrecht, Six. — Te
Brummen, v. B. en v. V.— Te
Oosterbeek, v. B. — Te Voorst,
Wtt. — Aan de Watermeerwijk,
26 Julij, Rits. — In Julij te Breda,
Heyl. — In Junij op Walcheren,
Herkl. — In Aug. bij Haren,
de Gav.
Fabr. S. P. 26, 23. — Germ.| Bij Driebergen, Six. — Aan de
Fauna. Eur. XV. t. 16. — Klug, Vogelenzang 27 Mei, Rits. — Bij
l. c. p.130. n°. 4. — Hart. I. c. Rotterdam, Fransen.
p. 285. n°. 4.
Autantus, Jurine.
Linn. S. N. n°. 17. — Fabr.) De larve bij Velp, de Roo; bij
S. P. 28, 1. — Panz. Fw. 100. Brummen, v. V.— Eene fraaije
f. 10. — Hart. l.c. p. 286. n°. 1.|var. der wesp in Julij 1860 op
— Voll. Zijdschr. 111. bl. 99. Pl. 7.|Rhienderstein , v. V.
Fabr. S. P. 29. f. 2. — Panz.| In het laatst van Septemb. te
Faun. 65. f. 5 et 113. f. 13 et Brummen, v. V. — Bij Drie-
14. — Hartig, l. c. p. 287. n°. 3.|bergen, Six. — In Sept. bij Breda,
Heyl.
Klug, Blattw. in Mag. Fam.| Een wijfje en drie mann. in
V. p. 137. n°. 107. — Hart.|Junij te Voorst, v. V.
p. 283. n°. 6.
106 NIEUWE NAAMLIJST VAN NED
ERLANDSCHE
169. rricincrus | Fabr. S. P. 30, 5. — Panz.| De larve te Leyden en Rott.,
F. Fn. 113. f.:15 en IB: — Hart. v. V. — De wesp door verschil-
Le. n°. 7.— Klug, n°. 108.— lenden gevangen; gemeen door
Voll. Zijdsehr. I. bl. ur Plaat 9.
170. SCHAEFFERI
Klue LCD.
Kl.
fir Panz.. Fr. 115, f. 23 et_24.
i— Hart. p. 288. n°. 8.
|
1
Macropaya, Dahl
Fahr. S. P. 36, 385. — Panz.
Fn. 65. f.9 et 71. f. 7. — Lepel.
Mon. n°. 277. — Klug. 1. c. Fam.
3.n°. 76. — Hart.l.c.p.292.n°. 2.
171. BLANDA F, |
172. NEGLECTA
Klug, Blattw. in Mag. VIII.
Kl,
pe 4112. ti, — Hart... e.
p. 292. n°. 3.
173. MILITARIS
Klug, l. 1. p. 113. n°. 79. —
KI.
Hart: 1 e.p..:292. nr 4.
174. sTRIGOSA F.| Fabr. S. P. 36, 34. — Panz.
Fn. 114. f. 18. — Klug, 1. c.
n°. 80. — Hart. 1. c. p. 293. n°. 5.
175, HAEMATOPUS) Panz. Fr. 81. f.11 en 12. —
Panz. Klug, 1. c. n°. 84, — Hart. 1. c.
pede. ns, de
176. punctum F.| Fabr. S. P. 36, 33. — Panz.
Fn. 26. f. 21. — Lepel. Mon.
n°. 280. — Klug, n°. 85. —
artsen:
Panz. Fn. 98.f.10 et 91. f. 18.
— Klug in Mag. VIJL. p. 118.
ui 87.— Hart, Le. p. 294. n°. 10.
177. QUADRIMA-
CULATA F.
178. DUODECIM- Panz. Fn. 52.f.8 en 91. f. 16.
PUNCTATA L. — Lepel. Mon. p. 100. n°. 282. —
Klug, n°. 91. — Hart. 1. c. p.
294. n°. 13.
179. KLUGII Voll.
Verw. aan
Crassula.
De beschrijving volgt.
1
Notha Klug (Hart. n°. 9) is bij Maastricht gevangen
139. n°. 109.
het geheele land.
In Gelderl., v. V. — Bij Brum-
men in Julij, v. W. — Aan de
|Rhedersteeg in Aug., v.d. W. —
‘In Sept. bij Breda, Heyl.
D.
Eenmaal bij Rotterdam, Have-
ilaar. — Bij Heemstede, v. V.
Een mannetje in Junij 1858
te Voorst, v. V.
Eenmaal in Zuid-Holland, v.
V. — In Noord-Brab. Wtt. —
Eene var. met zwarte halskraag
in Julij 1861 op Wikkenburg bij
Houten , Witt.
Eenmaal in Nederland, v. V.
Te Brummen, v. W.
Bij Rhijnsburg en in Mei bij
Leyden en Heemstede, v. V. —
Bij Rotterdam, Fransen. — In
ni bij den Haag, vide Me
Een wijfje in Julij op Wikken-
burg, Wtt. — Een wijfje bij
Driebergen , Six.
In Zuid-Holland, de Haan. —
Bij Utrecht, V. — Een mannetje
‘te Voorst, in Junij, v. V.
In Noord-Brabant, Witt.
In Mei bij den Haag, Va, dé. Wi
door den heer Maurissen.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 107
180. ALBICINCTA Schranck, Zus. Austr. p.329.| De larve te Utr., V.; te Ley-
Schr. n°. 661. — Lepel, n°. 290 etlden, v. V.— De wesp bij Rott.,
291. — Klug, n°. 94. — Hart. p.|Hav. — Bij Driebergen, Six en
295. n°. 14. — Vollenh. Zdschr.{v. Bem. — Bij Haarlem in April
2e Ser. I. bl. 189. Plaat 7. op vlier, Rits. — In Mei bij
Breda, Heyl. — In Meite Mid-
delburg, de Man.
181. rIBIS Schr. | Schranck, Ins. Austr. p.332.| In Junij en Julij bij den Haag,
n°. 668. — Panz. Fn. 52. f. 12.v. d. W. en v. V. — Bij Utr.,
— Klug, 1. c. p. 126. n°. 95. —/v. Hass. en Six. — In Julij bij
Hart. 1. c. n°. 15. Haarlem, Rits. — In Julij bij
Groningen, de Gav. — Bij Drie-
bergen, v. Bem. — In Sept. aan
de Glip, v. V.
182. DISCOLOR Klug, Blattw. in Mag. VIII.| Een mannetje te Driebergen,
Klug. p. 130. n°. 100. — Hart. l. e.|Six. — Een wijfje op het eind
ps 296,7 2°. 18, van Mei bij den Haag, v.d. W.
183. RAPAE L. Klug, Blattw. p.127. n°. 96.| In Junii op de Gliphoeve, bij
— Hart. 1. c. n°. 19, den Haag en in Aug. bij Rhede,
v. V. — ln Mei bij den Haag,
v. d. W. — Vele voorw. bij
Driebergen, Six. — In Junij bij
Breda, Heyl. — In Julij bij Gron.
de Gav.
184. ANTENNATA | Panz. Fr. 115. f. 16. — Klug,| In Mei bij den Haag, v. V.
I. c. n°. 98. — Lepel. n°. 25llen v. d. W.
(duplex). — Hart. l. c. p. 296.
n° 21.
.
Tenturepo „ Leach.
185. BICOLOR Klug, Blattw. in Mag. VIII. Ie Aug. bij Heemstede en
Klug. p. 219. n°. 181. — Hart. 1. c.| Brummen, v. V. — Bij Utrecht,
DP. 298. so, Six. — In Junij en Julij te
Voorst, Wtt. en v. V. — Te
Wort-Rhede in Aug., v. V. —
Te Vorden in Aug., de Gav.
186. nIiTIDAKlug.| Klug, p. 218. n°. 179. —| Een 2 opde Gliphoeve, v. V. —
Hart Ep. 1298. n°. 1. Een dergelijk 25 Mei te Utr., Six.
187. COXALIS Hart. lc. p!'298. n°. 4. Een 2 te Schoten 15 Aug., Rits.
Hart.
188. acınısKlug.| Klug, p. 208. n°. 159. —| Bij Rotterdam, G. H. — Bi
Hart. °c; n.:298. n°. 5: den Haag in Mei, bij Leyden,
bij Voorst in Junij, v. V. — Bij
Haarlem, v. Bem. en Rits. —
Bij Driebergen, Six. — In Aug.
te Groningen, de Gav.
108
189.
191.
192.
193.
194.
196.
197.
195.
199.
NIEUWE NAAMLIJST DER NEDERLANDSCHE
oBEsA Klug.| Klug, 1. c. p.210. n°.164, —| Bij Leyden en in April bij den
Hart. l..c. p. 302. n°. 13. Haag, v. V. — Uit eene larve
in wilgenhout, Wtt. — In Mei
bij Utrecht, Six.
. AUCUPARIAE|] Klug, Blattw. in Mag. VIII.) Op de Gliphoeve en bij den
Kl. p. 212. n°. 168. — Hart. 1. c.|Haag in Junij, v. V.— In April
p. 304, n°. 16. en Junij bij den Haag, v.d. W. —
In Mei bij Haarlem, Rits. — Bij
Utr., Six.
LATERALIS Fabr. 8. P. 35, 92. — Panz.| In Mei bij Heemstede, v. V. —
F. Fn. 88. f. 18. — Klug, 1. c. In Mei en Junij bij den Haag,
n°. 167. — Hart. l. c. n°. 17.|v. d. W. — Beide sexen bij
Driebergen , Six.
MANDIBULA-| Panz. Fn, 98, f. 9. — Fabr.| In Friesland, G.
Ris Panz. |S. P. 34, 27.— Lepel. n°. 325.
— Hart. p. 305. n°. 22.
ATRA L. Fabr. S. P. 34, 26. — Panz.| Bij Leyden en in Junijte Voorst,
Fn. 52. f.7et 65. f.7. — Hart.|v. V. — Bij den Haag in Junij,
[eh pe"30b.: n° 25. v. d. W. — Bij Driebergen 2
wijfjes en 1 g, Six. — Te Gro-
ningen, de Gav.
COQUEBER- | Klug, l.c. p. 202. n°.147.—| Bij den Haag, v. V.
ti Klug. |Hart. 1. c. p. 307. n°. 33.
. SORDIDA Kl.| Klug, l.c. p.199. n°. 143.—| Bij Rotterdam, in Junij 62 op
Hart. 1. c. p. 308. n°. 36. Staalduin en in Junij 58 te
Voorst, v. V. — Bij Utr., Six. —
Een ¢ in Junij te Breda, Heyl.
INSTABILIS Klug, I. c. n°. 142 et 144) Door verschillende personen in
KI. (tesselata). — Fabr. 8. P. 41,|vier verscheidenheden te Rotter-
59 et 39, 51. — Panz. Fn.65.|dam, Leyden, Heemstede, Haar-
f. 2 en 98. f. 12. — Hart. 1. c.llem, Amsterdam, Noordwijk ,
n°. 37 en 35. Vogelenzang, Utrecht, Driebergen,
Houten, Groningen, Breda en
Middelburg.
PICTA Kl. Klug, 1. c. n°. 140. — Hart.| In Mei bij Heemstede, v. V.
l. c. p. 309. n°. 39. — In Meite Amsterdam, Grebner.
PUNCTULATA| Klug, I. c, n°, 139. — Hart.| In Zuid-Holland, v. V. — Bij
Kl. I. c. p. 309. n°. 40. Utrecht, V. en Six. — Een { aan
de Vogelenzang, 27 Mei 68, Rits.
scALARISKl.| Fabr. $. P. 40, 54 (interrupta).\ Door verschillende personen ge-
— Panz. Fn. 64. f. 2.— Lepel.|vangen te Leyden, bij den Haag,
Mon. n°. 249. — Klug, |. c. p.[|Wassenaar, Warmond, aan de
194, n°. 138. — Hart. n°. 41.|Vogelenzang, bij Woerden, Utr.,
te Voorst, bij Zutphen en Breda.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 109
Eenmaal bij Leyden, v. V.—
200.oBsoLETAKI.| Panz. Fn. 115. f. 21, — Klug,
Eenmaal, W.
I. c. n°. 135. — Hart. I. c. p.
310. n°. 44,
201. viripis L. | Klug, I. c. p. 191. n°. 138bis,
— Hart. 1. e. n°. 45. — Panz,
Fa. 315019, (20.
Te Brummen, v. W. — Bij
Driebergen , Six. — Aan de Vo-
gelenzang in Mei, Rits. — In
Noord-Brabant, Wtt. — Vrij
gemeen in Julij bij Breda, Heyl.
Te Brummen, v. W. — Bij
Utrecht, Six. — In Noord-Bra-
bant, Wit.
202. BicincTa L.| Klug, |. c. p. 191. n°. 134.
— Panz. Fn. 64. f. 8. — Hart.
I. c. p. 310. n°. 46. — Lepel.
n°. 263.
203. FLAVICORNIS| Fabr. S. P. 31, 9 et 10. —| Bij Heemstede in Junij, v. V.
Panz. Fn. 52. f. Zet 64. f.1.—|— Te Groningen, v. Bemm. —
Hart. 1. c. p. 311. n°. 48. —|Bij Utrecht, Six en V. -— In
Lyonet, Recherches, p. 166. Pl.|Noord-Brabant, Wtt. — In Aug.
15. f. 13—19. — Lepel. n°. 263.|bij Middelburg, de Man.
204. FAGI Panz. | Panz. Fr. 52. f. 14. — Klug,| In Zuid-Holland, v. V. en W.
l. c. VIII. p. 186. n°. 126. —|— Bij Utrecht, Six. — Te Breu-
Hart. 1. c. p. 312. n°. 52. kelen, Wtt. — Bij Groningen,
v. Bemm. — Aan de Vogelen-
zang in Mei, Rits.
205. LIvIDA L. Panz. Fn. 52. f.6et71.f£.9.—| In Junij bij den Haag, v. d. W.
Klug, 1. c. p. 183. no. 122. —|— Te Amsterdam, Lodeesen.
Hart. 1. c. p. 312. n°. 55.
In Mei in Holl., v. V. —
In Friesland, G. — Bij Naarden,
de H. — Bij Haarlem, Buse. —
Aan de Vogelenz. Ritz. — Bij
den Haag in Junij, Julij en Sept.,
v. d. W. — Te Amst., Lod. —
Op Wikkenburg drie exx. met
half wit vleugelstigma, Wtt. —
Bij Gron., de Gav.
206. coLon Kl. Klug, 1. c. n°. 121. — Hart.
255:
207. coryLI Pz. | Panz. Fr. 71. f. 8. — Klug,| Eenmaal op Wikkenburg bij
lc. n°. 136 4 et 120 2. —|Houten, Wtt.
Hart. n°. 57 et n°. 43 (inter-
media).
208. RUFIVEN- Fabr. $. P. 33, 20.— Panz. Fn.| Een bi) Rotterdam, v. V.—
TRIS F, 65. f. 6. — Klug, L. c. n°, 118. —|Eene var. bij Driebergen, Six.
Hate erin # 60.
209. prLıcatuLa| Klug, l. c. n°, 129, — Hart.) In Mei bij den Haag, v.d. W.
Kl, L. c. p. 314. n°. 62.
110
210. PRATENSIS
nl
211. CLYPEATA
212. PUNCTATA F.
213. MACULI-
FRoNs Voll.
214. DEPRESSA
Schr.
215. SYLVATICA
216. NIGRICORNIS
Voll.
217. CINGULATA
Latr.
218. DRUPACEA-
RUM Nord],
219. LONGULA |
Dalm.
220. PUSILLA
Dalm.
NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Lypa, F.
Fabr. S. P. 45, 10 — Panz.| Bij Utrecht, V. en Six. —
Fn. 119. f. 16 et 17. — Hart.!In Junij bij Amersfoort een 2
lc. p. 329. n°. 3. — Lepel.iv. V. — Bij Driebergen, v. Bemm.
n°. 27. — Ratz. Forstins. III.
pi 38: tab: (if, 3.
Klug in Mag. I. p. 279. no. 14. Delarven bij Heemstede en bij
— Hart. l. c. p.344. n°. 15. —|Leyden op peren, v. V. — De 2
Ratz. Forstins. III. p. 83. n°. 8.|wesp bij Haarlem in Junij, Rits.
Fabr. S. P. 44,7. — Coqueb.| Bij Utrecht, V., Six en (in April
Illustr. I. 17. tab. 3. f. 9. —|Wtt. De laatstgenoemde ook in
Panz. Fu. 119. f. 17. — Hart. Noord-Brabant.
lvc p.345. n°. 16,
Voll. Bouwst. II. p. 279. Een ¢ bij Utrecht, Six.
Schranck, Ins. Austr. n°. 691.| Twee 2 in Holland, v. V. —
— Panz. Fr. 119. f.11, 12 en|Een bij Utrecht, Six.
13. — Lepel. n°. 32. — Hart.
ls cp. 8460. 20.
Fabr. 8. P. 45. 11. — Panz.| In Mei bij Heemstede, v. V.
Fn. 65. f. 10. Hart. 1. c. p.347.|.— In Junij bij den Haag, v.d.
n°. 21. — Lepel. n°. 26. W. — Bij Utrecht, V. — In
April aldaar, Six. — In Julij bij
Breda, Heyl.
Voll. Boxwst. II. p. 279. In Mei bij den Haag, v. V. —
Den 9 Mei aldaar, v. d. W.
Lepel. Mon. p. 9. n°. 24. —| In Junij te Voorst eene varië-
Steph. ZZusér. VII. p. 100. n°. 11.|teit, die op den rooden band van
het abdomen geene zwarte dwars-
strepen heeft, v. V.
Nordl. X7. Feinde, p. 398. De larve op apricosen op het
landgoed de Beele bij Voorst, Wtt.
XYELA, Dalm.
Hart. Blattw. p. 352. ne. 2.] Een 2 bij Noordwijk op den
eersten warmen dag in April 1867,
NN:
Hart. Blattw. p. 352. n°. 1. | Beide sexen in zeker aantal
iden 17 April bij Driebergen , Six.
221. PYGMAEUSL.
222. PALLIPES Kl.
223. SATYRUS Pz.
224. ELONGATUS
Voll.
225. FEMORATUS
Curt.
226. CAMELUS L.
227. DROMEDA-
Rius F.
228. cIcas L.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA).
Fam. II.
Ceppus, Latr.
Fabr. S. P. 251, 3. — Lepel.
ip. 19. n°. 52. — Hart. I. c. p.|hem, v. d. W.
Mon. Siric.
361. n°. 2. — Klug,
Di 50.0. 2. Tab. VI ip 3.
Klug, Mon. Siric. p. 53. n°. 4.
tab. VI. f. 6. — Hart. 1. c.
362. n°. 4. — Steph. ZU. VII.
p. 105. n°. 5.
Panz. Fn. 55. f. 12. — Steph.
IWlustr. VII. p. 105. n°. 3.
v. Voll. Bouwstoffen, DI. II.
p. 280.
Janus, Steph.
Curt. Brit. Ent. VII. Pl. 301.
111
SIRICIDEA.
In Holland, v. V.— Te Arn-
— Beide sexen
bij Driebergen, Six,
Een afwijkend voorwerp in Junij
p.|bij den Haag, v. d. W. — Een
dergelijk in Julij bij Leyden, v.
V.— Een d’ bij Driebergen, Six.
Eene var. met het 6e lid on-
gezoomd, twee exx. in Julij op
Wikkenb. , Wtt.
Twee 2 in Mei bij Heemstede;
op Sterkenburg bij Driebergen in
Aug. een man en twee wijfjes,
Me Vie
In Mei aan de Vogelenzang
— Steph. Zilustr. VII. p. 108.|een 2, Rits. — In Mei bij den
no, 2.
Xipuypria, Latr,
Fabr. S. P. 52,
Hart. I. c. p. 369. n°. 1.
Fabr. 8. P. 53, 3. — Panz.
Fn. 85. f. 10.
pato: v2: abe: f..6,
Hart. p. 370. n°, 3.
Sirex, L.
Fabr.
1. — Panz.
Fn. 52. f. 18. — Klug, Mon.
p. 14. no. 1. tab. 1. f.4, 5. —
S.P. 48, 1 en 51, 14.
— Panz. Fn. 52. f.15 en 20.—/G. H.
Haag cen d' EM RP
In Holland, v. d. W.
In Holland, G. en W. — Den
— Klug, Mon.'6 Junij 1862 een 2 te Staal-
7. — duin, v. V.
Bij Rotterdam, v. d. Hoev.,
en Havelaar. — Beide
Ratz. Forstins. III. p. 144, tab./sexen gepaard bij Schiedam, v.
4. f. 2. — Klug, Mon. p. 31..W.— De larve te Voorst, Wit.
n°, 1. tab. IT. f. 1—5. — Hart. — Op Walcheren, de Man. —
1» Gat p.. 382; ‚nl; I. Eene fraaije var. te Leyden, ter
Meer. — Bij Leeuwarden, H.
Albarda,
112
229. JUVENCUS L.
230. QUERCUS
FOLII L.
231. KOLLARI
Hart.
232. LONGIVEN-
TRIS Hart.
233. AGAMA Hart.
234. DIVISA Hart.
235. FOECUNDA-
TRIX Hart.
236. COLLARIS
Hart.
237. FERRUGINEA
Hart.
NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Fabr. S.P. 50, 9 en 51,15.| Bij Utrecht het g, Maitl., het 2,
— Panz. Fn. 52. f. 17 en 21.|V.— Kleine voorwerpen te Zwol,
— Ratz. Forstins. III. p. 143./v. Bemm. — Een g te Middel-
tab. 4. f. 3. — King, Mon. Sir.|burg, de Man. — Larve en wesp
p- 3. n°. 4. tab. III f.4—5 et
TV, fi 1 22 Bart. 1: c:
p. 384.
Fam. II. CYNIPI
Cynips, L.
Fabr. 8. P. 144, 4. — Panz.
Fn. 88. f. 11. — Hartig in
Germar’s Zeitschr. 11.187. n°. 2.
+ Rösel. HI. tabe 52, bo,
Hart. 2° Nachtr. in Germ. Z.
IV. p. 408 (slechts diagnose).
— Schenck, Nass. Oynipiden in
Jahrb. d. Vereins für Naturk. im
H. Nassau, 17 Hft. p. 186. —
v. Voll. Zijdschr. VIII. bl. 165.
DJ. 12:
Hart. in Germ. Z. II. 188.
n°, 3.
Hart. in Germ. Z. II. p. 188.
n°. 4, — Schenck, Nass. 179.
A. os
Hart. in Germ. Z. II. p. 188.
n°. 6. — Schenck, Nass. 180.
n°. 4.
Hart. in Germ. Z. II. p. 189.
n°, 8, — Réaumur, Mem. HI.
tab. 43. f. 5—8.
Hart. in Germ. Z. II. p. 190,
n°. 10. — Schenck, Nass. p. 183.
n°. 10%
in Germ. Z. II. 189.
Trio
Hart.
n°. 9. — Schenck, Nass.
p. 184. n°. 12.
te Voorst, Wtt.
DEA.
Alom zeer gemeen op eiken-
bladeren en aan iedereen bekend.
Uit gallen van Noordwijk, de
Vogelenzang, Leyden en Rhe- -
deroord, v. V. — Bij Utrecht,
(Six. — Bij Brummen, C. v. V.
— Bij Haarlem, Rits.
In Nov. bij den Haag uit de
galnoten. De gallen ook bij Leyd.
en Brummen, v. V. — Uit de
gallen bij Utr., Six.
Bij Utrecht, Six.
Door C. v. V. de gallen in
‘Sept. van Brummen overgezonden,
ide wesp uitgekomen te Leyden
‘in het voorjaar, v. V.
i De galappelen bij den Haag,
(Voorst, Brummen enz., v. V.
— De wesp bij Voorst in April,
iv. V. — Bij Utr., Six. — De
‘wesp in Jan. uit de galnoot, Rits.
| Den 267 April in den Aeren-
hout bij Haarlem, Rits.
Bij Driehergen, Six.
238.
239,
RADIicis F,
QUADRILI-
NEATUSHart.
240. TRILINEA-
241.
242.
243.
244.
245.
246.
241.
248.
249.
250.
251.
Tus Hart.
CURVATOR
Hart.
RAMULI L.
ALBIPES
Hart.
MALPIGHII
Hart.
LENTICULA-
RIS Oliv.
INQUILINUS
Hart.
RÉAUMURI
Hart.
POLITUS
Hart.
OSTREUS
Gir.
PALLIPES
Schenck.
TERMINALIS
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA).
Hart. in Germ. Z. II. p. 335.|
115
Bij Utrecht, Six. — Haar-
n°. 18. — Schenck, Nuss. p. ana, in Maart, Rits,
n°, 14.
Anpricus, Hart.
| Hart. in Germ. Z. II. p. 190.
mer.
| Hart. in Germ, Z. II. p.191.
ig
jn.
Hart. in 1. 1. p. 191. n°.5. —
Réaumur, Memoires III. tab. 39.
lf, 5—8.
Schenck in Jahrb. Nass. 17.
p. 202. n°. 14,
|
Hart. in Germ. Z. II. p. 192.
m.
In Maart bij den Haag, v. d. W.
In April bij den Haag, v. d. W.
Uit de gallen in tuinen om
Leyden in Junij, v. V.
Bij Utrecht, Six.
Eenige voorwerpen bij Voorst,
Wtt. 141.
Neororerus, Hart.
n°,
Schenck, Nass. p. 191. n°. 2.
Hart. in Germ. Z. II. p. 192.
A
Fart, mm E E° n°: 3:
Hart. in Germ. Z. II. p. 193.
Pb
Giraud, Hsp. nouv. in Verhandl.
och bot. Verein. IX. 1859. p. 350.
Schenck, 1. 1. p 194. n°. 7.
Teras, Hart.
Fabr. 8. P. 146, 12. — Panz.
Fn. 88. f. 13. — Reaumur, Mem.
III. t. 41. f. 1-5. — Hart. in
Germ, Z. 11. p. 193.
Hart. in Germ. Z. p. 192.| De gallen te Brummen, v. V.
19
In April bij Utrecht, Six.
In April bij den Haag, v. V. —
In Junij aldaar, v. d. W.
De gallen bij Voorschoten en
den Haag, v. V. — In menigte
bij Brummen, C. v. V. — Bij
Haarlem in Febr. en Maart, Rits.
In Junij 66 te Leyden, v. V.
Bij Utrecht in October, Six.
Den 2 Junij te Beek, Six.
De gallen in sommige jaren
zeer gemeen op eiken, de wespen
daaruit opgekweekt, v. V. — Een
ongevleugeld 2 bij Utr., Six. —
Een g vliegend bij Noordwijk den
4° Julij, v. V.
10
114
252.
253.
254,
256.
257.
258.
259.
260.
APTERA F.
ROSAE L.
CENTIFO-
LIAE Hart.
‚ EGLANTE-
RIAE Hart.
RUBI Hart.
BACCARUM
F.
TRICOLOR
Hart.
APRILINUS
Gir.
MEGAPTERA
Panz.
NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Biormiza, Westw.
Fabr. S. P. 148, 23. — Coqueb.
Illustr. Icon. I. 8. tab. 1. f. Ll. —
Hart. in Germ. Z. TI. p. 193 en
IV. p. 140. |
Te Empe, v. Eyndh. — Bij
Leyden? Herkl.
Ruovıtes, Hart.
Fabr. S. P. 143,1. — Réaum.| De gallen bij Zeist, Martens;
Mem. III. t. 46. f. 5—8 en 47. f.|bij Groningen, van Hall; bij
i en 4. — Hart. in Germ. Z. II.|Haarlem, Rits. — De wesp uit
p. 194. n°. 1.— Schenck, Nassau. die gallen te Leyden uitgekomen,
p. 214. v. V. — Ook uit doornige gallen
bij Overveen, Rits.
Hart. in Germ, Z. II. p.194.| Eene var. bij Utrecht, Six. —
n°. 2. — Schenck, 1,1. p. 216. Eene andere var. op Rhiender-
stein bij Brummen in het laatst
van Mei, v. V.
Hart. in Germ. Z. II. p. 194.| Een wijfje in Junij bij Utrecht,
n°. 3.— Schenck, Nassau. p. 215.|Six.
This Le
Diastropuus, Hart,
Hart. in Germ. Z. IT. p. 194 en) Bij Heemstede in braamsten-
IV. p. 410. — Bouché, Natur-|gels, v. V.— Bij Haarlem, Rits.
gesch. I. p. 163. n°. 54,
SPATHEGASTER, Hart.
Fabr. S. P. 144, 3. — Réaum.| In Junij 1853 uit galappels
Mem. III. p. 192. tab. 42. f. 8 etjvan eiken in het Haagsche bosch
40. f.1—6. — Hart. in Germ. Z.|en halfweg Scheveningen, v. V. —
II. p. 207 (interruptor) en III.|In April in den Aerenhout bij
p. 341. Haarlem, Rits,
Hart. 1.1. III. p. 841. n°.3. —| Een g met geheel zwarte sprie-
Schenck, 1.1. p. 209. n°. 4. ten in het begin van Junij te
Beek, Six. — In April in den
Aerenhout, Rits.
Schenck, Jahrb. Nassau 17, Den 17% Mei in den Haar-
pa 200. non 2. lemmerhout een 2, Rits.
Trısonaspis, Hart.
Panz. Fa. 79. f. 7. — Hart.| In Julij uit de galnoot ge-
in Germ. Z. II. p. 195 (erustalis). kweekt te Heemstede ; de gallen
— Schenck, Jahrd. Nassau, 11. gemeen in Mei 52 in het Haagsche
p. 210. bosch, v. V.— In Junij twee ¢
bij Driebergen en beide sexen den
1° Junij te Beek, Six.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 115
Aurax, Hart.
261. GLECHOMAE | Réaumur, Mém. III. tab. del De gallen in Groningen, v.
f. 1—5. — Hart. 1. 1. III. 342. Hall. — Uit die gallen te Leyd.
do 9-60 LV. 419. n°. 9. gekweekt, v. V.
262. HIERACII Bouché, Naturgesch. I. p. 165.| De gallen aan Hieracium-sten-
Bouch. | gels te Brummen en Hoogland,
CANOA
263. RHOEADIS Hart. in Germ. Z. II. p.195.—| Bij Scheveningen en Sassen-
KI. Bouché, 1. 1. p. 164. n°. 55. {heim in zaadhuizen van klaprozen,
v. V.— In dergelijken bij Over-
veen, Rits.
264. BRANDTII Hart. in Germ. Z. II. 196. Bij Zeist en Bodegraven, Mar-
. Ratz. tens.
265. ALBINERVIS | Zie de beschrijving hierachter.| Een wijfje in October bij
Voll. Driebergen, Six.
Synersus, Hart.
266. RUFICORNIS Hart. in Germ. Z. II. p.198.| In Sept. te Utrecht, Six. —
Hart. nese ‚Uit gallen van Cyn. Quercus folit
‘in Mei, Rits.
|
267. FACIALIS | Hatt. 1.1. 1Ep: 199. n°. 11. | Uit de gallen van Zeras termin.
|
Hart. ‘bij Heemstede, v. V.— In Aug.
ite Wort-Rhede een tiental uit
leene gal van O. Kollari. — In
Sept. bij Utrecht, Six,
268, INCRASSA- Hart. 1.1. II. p. 199. n°. 13. | Een mannetje bij Utrecht, Six.
tus Hart. — Eene var. uit bedeguar, v. V.
| -— Een ex. in Aug. te Wort-
| 'Rhede, v. V.
269. VULGARIS Hart. 1.1, IT. p. 198. n°. 4. | Bij Driebergen in Oct., Six.
Hart. |
270. eRyYTHRO- | Hart. ll, III. p. 348. n°. 21. | In Junij bij Leyden, v. V.
STOMA Hart.| ® |
271. TIBIALIS Hart.1.1.II.p.197.n°.3. | In Mei bij Utrecht, Six.
Hart. |
272.PALLICORNIS| Hart. 1.1. III. p. 348. n°. 25. | Bij Leyden, v. V.
Hart. |
Arrorria, Westw. (Xystus Hart.)
273. VICTRIX Westw. May. Nat. Hist. | Uit rozenbladluizen bij Utrecht
Westw. p. 494. — Giraud, Perk. Zool.en in Sept. te Driebergen, Six.
Bot. Ges. X. p. 127. n°. 3. —|
Hart. 1.1. IT. p.199. n°. 1 (ery-
throcephalus).
116
274.
275.
276.
277.
278.
279.
280.
281.
NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
TSCHEKIGir.| Giraud, Verh. Zool. Bot. X.| Uit bladluizen op roode Ribes
p. 128. nl, 4. te Leyden, v. V.
MELANOGAS-| Hart. 1. 1. p. 200. n°. 8. —| In Sept. bij Driebergen en in
TER Hart. |Giraud, 1. 1. 129. n°. 6. ‚Junij bij Utrecht, Six.
ERYTHRO- Hart. 1.1. p. 200. n°. 5. g.—| Ken 9 met zwarten schedel in
THORAXHart| Giraud , 1. 1. p. 130. n°. 12. 2. Sept. bij Driebergen, Six.
MACROPHAD-| Hart. 1.1. III. p. 352. n°. 22. Uit rozenbladluizen in Julij,
xus Hart, Vs N
CURSOR Hart. 1.1. IT. p. 200. n°.10.—| Een ex. dat nog geen millim.
Hart. Giraud ‚1.1. p. 131. n°. 13. haalt, in Sept. bij Driebergen, Six.
BRACHYPTE-| Hart.1.1. II. p. 200 n°.9.—| Twee voorw. van een halve
RA Hart. |Giraud,l.l. p. 131. n°. 14, millim. lengte, in Sept. bij Drie-
bergen , Six.
Evcoia, Westw. (Cothonaspis Hart.)
MACULATA Hart. in Germ. Z. p. 201.| Een? te Wikkenburg in Sept.,
Hart. no, 3. Wtt.
SPINOSA Hart. in Germ. Z. II. p. 201.) Bij Driebergen in Oct., Six.
Hart. no, 5.
282.SCUTELLARIS| Hart. in Germ. Z. II. p.200.| Een in Aug. bij Heemstede,
Hart. n°. 1. — Giraud, Znumer. p.jv. V.— Een 9 in Mei te Utr.,
140, n°, 15. Six. — Op schermbloemen bij
283.
284,
285.
286.
287.
288,
Leyden, Perin.
TRICHOPSILA| Hart. in Germ. Z. III. p.356.| Bij Utrecht en den 1° Junij
Hart. n°. 17. — Giraud, Znumer. d.lte Beek, Six,
Fig. in Verh. Zool. Bot. Verein.
X. p. 140. n°. 17.
FLORALIS Giraud, Verk. Zool. Bot. X.| Te Wort-Rhede in Aug., v. V.
Dahlb. p. 141. ne. 18.
CUBITALIS Hart. 1.1. III. p. 356. n°.16.—| Twee wijfjes te Driebergen, Six.
Hart. Giraud, Verh. Zool. Bot. X. p.
135. n°. 4.
INFLATA Voll. Zijdschr. 2e Ser. II. p. 2.| Twee voofwerpen te Drieber-
Voll. PE 20. 1..2 en 3; gen, Six.
EFFLUENS Zie de beschrijving hierachter.| Een 2 ex. in Junij bij Utr., Six.
Malle et:
Aspıcera, Dahl».
EDIOGASTER) Panz. Fu. Germ. 87, 16. —| Een 2 op rozen te Utrecht in
Ross. Hart. in Germ. Z. II. 202. — Junij, Six.
Dahlb. On. och Callasp. PI. 8.
f. 3—7. — Giraud, 1. 1. p. 158.
n°, 2. — Reinh. Berl. Ent. Zeit.
IV. 212: ne; LEE IV 877.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 117
Onvcuia, Hall. (Callaspidia Dahlb.)
289. westwooDII| Dahlh. On. oek Call. p. 15.| Eene vrouw. variëteit met roode
Dahlb. tab. 1. f. 12. — Reinh. Figiti-\achterpooten aan het Uddeler-
den in Berl. Ent. Z.IV.p.238.|meer in Julij, v. V.
Fısıres, Latr. (Psilogaster Hart.)
290, SCUTELLA- Latr. Gen. Crust. I. tab. 184 Het mannetje bij Utrecht, Six.
RIS Latr. If. 4 et 5 et IV. p. 19. — Hart.
L 1, IL. 202, 2. (éibialie). —|
Giraud, Verh. X. 152. n°. 6.
291. CONSOBRI- Giraud, Verh. Zool. Bot. X.| In Junij te Leyden, v. V.
Nus: Bir. Ip las. n %
OzsıLıps , Hal.
292. RUGICOLLIS | Reinh.in Berl. Zeit.IV.p.220.| Een man (Reinh. beschrijft het
Reinh, in, 2. wijfje) in Mei 66 bij Leyden,
ve NV:
|
293. DALMANNI Reinh. ibid. n°. 3. | In Junij bij Utrecht, Six. —
Reinh. | ‘Eene var. in Sept. 67. bij Leyd.,
lv. V.
Ampurnotus, Hart.
294, oracusHart.' Hart. in Germ. Z. II. 202.| Beide sexen in April en Mei
n°. 1. — Giraud, 1.1. X. p.|bij Utrecht, Six.
166. — Reinh. in Berl. Zeits.
IV. p. 223.
Fam. IV. EVANIADEA.
Tpauia, Latr.
Te Voorst uit Sirex juvencus
295. CULTELLA- Fabr. S. P. 127, 4. — Curtis,
gekweekt, Witt.
ToR F. Brit. Ent. pl. 22. — Panz. Fn.
12. f. 6.
Foenus, F.
296. JACULATOR Fabr. S. P. 141, 1. — Panz.| In het laatst van Junij bij den
L. Fn. 96. f. 16. — Jurine, Noxv. Haag, in Aug. te Brummen en
Meth. p. 88. tab. 7. — Neesite Beek, v. V. — Bij Drieber-
ab Esenb., Mon. Hym. I. p. 307./gen, Six en v. Bemm.
297. assecTaToR| Linn. Faun. Suec. 1627. —| In Aug. een 2 bij den Haag,
Fabr. S. P. 142, 2 (affectator).\v. d. W. — Beide sexen bij
— Nees ab Es. Mon. I. p. 308.|Driebergen, Six. — Een g in
Aug. bij Breda, Heyl.
118 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
BracuyeasteR, Leach.
298. MINUTUS F.| Nees ab Es. Mon. I. 312. Een ex. 15 Julij 67 te Drie-
n°. 3. — Brullé, Suit. à Buff.|bergen, v. V. — Verscheidene
Hym. IV. p. 527. n°. 1. aldaar, Six. — Den 24° Aug.
in de Wassenaarsche duinen, v.
V. — Te Beek 1 Junij, Six.
PacuyLomma, Bréb.
299, Buccata | Nees ab Es. Mon. Hym. Ichn.\ In Julij bij den Haag en Sche-
Breb. Aff. I. p. 27. 1. (Hybrizon). — veningen, v. V. — Bij Utrecht,
\Ratz. Ichn. II. p. 53. — Wesm. Six.
Mon. Brac. p. 90.
Ad; 4
Ad 56.
Ad 46.
Ad 49.
Ad 54.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 119
Aanteekeningen en beschrijvingen.
Cimbex connata Schr. Van den heer Baron Lewe van
Middelstum ontving ik voor de Collectie der Nederl.
Entom. Vereeniging een mannelijk voorwerp, waarvan
de larve op beuk geleefd zou hebben. De aanduiding
van het voedsel berust evenwel stellig op vergissing.
Nem. septentrionalis L. Ik kan geen ander onderscheid
dan de geringere grootte bespeuren tusschen wespen,
gekweekt uit larven die op berk leefden , en wespen,
voortgekomen uit larven op elzen.
Nem, leucotrochus Hart. Mijn vriend Witewaall zond mij
uit Voorst aarden coconnetjes, waaruit ik Nematen op-
kweekte, die vrij wel met Leucotrochus overeenkwamen;
maar in de volgende opzigten verschilden. Aan den
mond is de bovenlip bruin en de basis der mandibulen
zwart. Aan de borst zijn schuin geplaatste roodbruine
plekken. De buik is slechts roodachtig geel in het
midden. De heupen zijn in kleur gelijk aan de dijen,
doch de achterscheenen zijn wit, met vaalbruine tippen. —
Is dit eene verscheidenheid of eene nieuwe soort?
Wtt. 755bis.
Nem. immaculatus Voll. Ik houd dit voor eene afzonder-
lijke soort, verschillend van de bekende Salicis ; de kleur
der larven verschilt zeer sterk. Het is jammer dat Brischke
geene beschrijving geeft van de wespen, bij hem uitge-
komen. De wespen verschillen van Salicis door mindere
grootte en door eene geheel ongevlekte borst. Herhaalde
opkweeking zal moeten aantoonen of dit alles constant is.
Nem. ventricosus Hart. Schuilen niet meer dan eene
soort onder dien naam? Ik heb haar uit zeer verschil-
120
Ad 58.
Ad 66.
Ad 76.
NIEUWE NAAMLIJST DER NEDERLANDSCHE
lende larven verkregen en stel mij voor mijne onder-
zoekingen dienaangaande te herhalen, vooral ook om tot
zekerheid te komen omtrent de vragen: Zijn de opgaven
omtrent Parthenogenesis bij deze soort geloofwaardig?
Is Albipennis Hart. slechts eene var. van Ventricosus ?
Nem. Capreae L. Voor eenigen mijner entomologische
vrienden heb ik een insect gedetermineerd Nem. pecto-
ralis mihi. Ik kan dit nw voor niets anders houden
dan eene verscheidenheid van Capreae en geloof dat
Miliaris Panz. daar insgelijks toe behoort. Opkweekingen
uit de larven kunnen hier tot zekerheid leiden. De
naam pectoralis is bovendien in dit geslacht reeds ver-
geven.
Nem. Laricis Hart. De heer Six vond tot tweemaal toe
in de omstreken van Utrecht een’ overgangsvorm tus-
schen Laricis en Fravini Hart.
Nem. catachloris Voll. Ik kan deze niet voor eene ver-
scheidenheid van Capreae L. houden , ofschoon zij aan
die soort zeer na verwant is. De geheele onderzijde is
geel; de mond aan de bovenzijde met zilveren haartjes
bezet; de spits der bovenkaken zwart. De sprieten vaal
zwart. Op den schedel eene hartvormige zwarte vlek ,
waarin de ocellen staan, en die zich naar achteren voortzet
tot den rand van het achterhoofd, welke rand mede
zwart is. Aan den thorax zijn de voorlap en zijlappen
bruinzwart, welke kleur zich even onder de vleugels
voortzet. Het gele schildje heeft aan de zijden der
basis twee kleine zwarte vlekjes. De metathorax is
boven zwart met gelen achterrand ; ruggekorreltjes wit.
Rug van het abdomen zwart met gele dwarsbanden.
Legboor donkerzwart. Vleugels glasachtig, iriserend ,
met gele inplanting, bruingeel stigma en bruine aderen.
Pooten geel, doch klaauwtjes, laatste lid der voortarsen,
scheendorentjes en bovenzijde der middeltarsen bruin-
achtig, scheenen en tarsen der achterpooten vaalzwart. —
Lengte 7 mm. (Zie Plaat 5, fig. 1.)
Ad 89.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 121
Dol. Busaei Voll. Ofschoon ik deze soort van ver-
schillende personen ontving en zelf gevangen heb,
begin ik aan hare zelfstandigheid te twijfelen, omdat
mij nog slechts eene sexe bekend is, namelijk de
mannelijke.
Ad 99etsqq. Deze soorten zijn zeer moeijelijk te onderschei-
Ad 115.
Ad 117.
den en herhaalde determinatie van hetzelfde dier geeft
niet altijd hetzelfde resultaat. Ik bezit ook nog een
tamelijk groot aantal zwarte Doleren , die ik niet on-
derscheiden kan. Ik raad overigens iedereen af om in
deze zaak troost te zoeken bij Dr. G. Zaddach , Beschrei-
bung neuer oder wenig bekannter Blattwespen (Königsb.
1859), want dit boek verheldert al die duisternissen in
geenen deele.
Emphytus majalis Voll. Deze soort behoort met Le-
pidus tot de tweede sectie van Hartig, welke hij Har-
piphorus noemt, en daar zij tweemaal zoo groot is als
Lepidus en anders gekleurd, is zij ligt te onderscheiden.
Zij is zwart, met de bovenlip, den zoom van den
prothorax, de vleugelbasis en schubbetjes, het stigma,
vlekjes aan wederzijde aan den onder-zijrand van het
abdomen, de zoomen der laatste ringen met de uit-
einden der achterheupen en hunne trochanters vuil-
geel en de pooten licht geelrood met bruine langs-
strepen op de bovenzijde der vier achterscheenen en
tarsen (Zie plaat 5, fig. 2).
Phyllotoma pinguis Voll. Sprieten van 14 leedjes en
achtervleugels zonder middencel. Lengte 5 mm. (Zie
plaat 5, fig. 5.)
Glanzig, vettig, bruinachtig zwart, op de bovenzijde
glad, aan de borst sterk, aan de buik matig met
zilvergrijze haartjes bezet. Sprieten draadvormig, stomp-
eindigend, aan de onderzijde lichtbruin, niet langer
dan de thorax. Kop breed, aan beide zijden langs
het oog als uitgehold; de monddeelen vuilwit, behalve
de spits der mandibulen, die donkerbruin is. De
11
192
Ad 127.
Ad 129.
NIEUWE NAAMLIJST DER NEDERLANDSCHE
ringen van het abdomen, vooral aan de buikzijde zeer
fijn grijs gezoomd. Alle trochanters, heupen der
beide voorpooten en zoomen der 4 andere heupen
vuilwit. Basis der 4 achterdijen zwart. Pooten overi-
gens zeer licht roodgeel van kleur. Vleugels voor
twee derden berookt, het laatste derde wit, door-
schijnend ; voorrand en stigma lichtbruin, overige
aderen bruin. Slechts een wijfje.
In kleurverdeeling komt dit insect geheel overeen
met Nematus mollis, n°. 61; op de etiquette van het
voorwerp heb ik aangeteekend dat het misschien eene
verscheidenheid kan zijn van Phyllotoma Aceris,
M° Lachl., doch ik weet mij niet te herinneren waar
ik die soort beschreven heb gevonden.
Ik moet hierbij voegen dat ik van den heer Six eene
zeer kleine zwarte bladwesp ontvangen heb, gevangen
in Mei bij Utrecht, die wat de sprieten betreft een
Phyllotoma, wat de vleugels aangaat eene Fenusa is.
Dit voorwerp zou een bastaard kunnen wezen van
Ph. pumila en Phyllotoma amaura, zoo de laatstgenoemde
ook in ons vaderland voorkomt.
Selandria humeralis Voll. Zwart, schouderknobbels ,
knieën, scheenen en voorste tarsen roodachtig ivoorwit.
Lengte 5 streep. De sprieten zijn bijna zoo lang als
de voorrand der vleugels van de basis tot aan het
stigma. De kop is onder de sprieten behaard. De
uiteinde der leedjes van de palpen zijn wit, als door-
schijnend. Aan de binnenzijde der scheenen ontwaart
men eene donkere streep. De tarsen der 4 achter-
pooten zijn grauw. Het zwarte stigma heeft een’
rooden gloed; de vleugels zijn niet berookt, noch be-
tint. Slechts een wijfje werd tot heden gevangen.
Selandria albida Klug. Volgens het boven aangehaalde
werk van Zaddach zou deze soort het mannetje zijn
van n°. 151 Melanocephala. Ik meen te kunnen ver-
zekeren dat dit zoo niet is. Beide soorten heb ik uit
Ad 155.
Ad 161.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 125
de larven gekweekt, tusschen welke verschil bestond in
kleur en in plaatsing en gedaante der doorntjes. Die
van Albida heb ik evenwel nog niet naauwkeurig
genoeg waargenomen om de geheele metamorphose te
kunnen publiceren.
Sel. soror Voll. Deze soort gelijkt zeer sterk op Sel.
aethiops, doch behoort tot den 2% tribus der 5° Sectio
van Hartig, terwijl Aethiops tot den 1” tribus der
1° Sectio behoort; met andere woorden Soror heeft
eene scheeve dwarsader in de lancetvormige cel, twee
middelcellen in de ondervleugels, en sprieten, wier
derde lid zeer lang is en die in het midden dikker
ziin. Het geheele ligehaam is glanzig zwart, als ver-
lakt, met uiterst korte en fijne haartjes bezet. De
voorpooten zijn van even boven de knie tot aan het
klaauwenlid licht bruinachtig geel; de middenpooten
even zoo, doch met donkerder tarsen; aan de achter-
pooten zijn alleen de knieén en de basis der scheenen
geel, de scheenen en tarsen zelf zijn vaalzwart. De
. grootte der dieren stemt volkomen met die van Aethiops
overeen. Zou de larve ook een slakrups zijn? Die
van Annulipes uit dezelfde sectio is het wel, die van
Ovata niet.
Mijn vriend Six zond mij Soror onder den naam
van Rosae sibi; waarschijnlijk ving hij de wesp op rozen.
Selandria phthisica Voll. Eene zeer in het oog vallende
soort, die ik evenwel nergens beschreven heb gevonden.
Geelachtig wit, met den kop en eene borstvlek glanzig
zwart, den rug van den thorax en het eind van het lijf
bruin. Lengte 6 streep.
Het ligchaam is vrij lang uitgerekt en niet zeer
breed. De zwarte kop heeft de monddeelen wit, met
uitzondering der uiteinden van de bovenkaken, die
bruin zijn. Aan de sprieten, die zeer dun zijn, zijn
de beide eerste leedjes wit; de overigen, met een klein
vlekje op de buitenzijde van het tweede, zijn vaalbruin.
Au 179.
NIEUWE NAAMLIJST DER NEDERLANDSCHE
Op den bruinen rug van den thorax zijn de zijranden
van den voorlap, de binnenranden der zijlappen en
het schildje vuilwit. De vlek op de borst is scherp
afgesneden. De bovenzijde van het abdomen is licht-
bruin met eene groote vaalgele vlek, die over de
segmenten 2—6 heenloopt en aan wederzijde met
diepe tanden uitgesneden is. Aan de pooten zijn de
spitsen der scheenen en van elk tarsenlid met de
doorntjes zeer licht bruin, de klaauwtjes bruin. De
voorrandader der vleugels en het stigma zijn mat wit,
de overige aderen vrij donker bruin (Zie plaat 5, fig. 4).
Deze nieuwe soort werd door mij in het Beekber-
gerwoud aangetroffen, eene localiteit ook aan de bota-
nisten bekend om de zeldzame planten , die men er
vindt. Jammer maar dat deze uitnemende vindplaats
van zeldzaamheden zoo weinig toegankelijk is.
Macrophya Klugii Voll. Deze soort is wel na verwant
aan M. crassula Klug (Blatwespen in Mag. Berl. VIII.
p- 125), doch verschilt te veel om haar als verschei-
denheid daartoe te trekken. Ik heb twee mannelijke
voorwerpen voor mij, die echter niet in allen deele
overeensteiumen.
De kop is zwart met witten mond, wiens boven-
kaken evenwel aan de spits zwart zijn. De thorax is
zwart, behalve de bovenzoom van den prothorax, de
schouderknobbeltjes en de ruggekorrels, die wit zijn.
Het zwarte achterlijf heeft bij het eene individu geel-
witte zocmen aan alle ringen, zoowel boven en be-
neden als in de zijden, bij het andere loopen deze
dwarsbandjes in de zijden niet door, doch zijn daaren-
tegen de ringen aan den buik met helder wit breeder
omzoomd. Bij beiden zijn de vleugels doorschijnend ,
iriserend, met zwarte aderen en bruin stigma, en is
de lancetvormige cel in het midden over eene vrij
groote ruimte toegetrokken. De 4 voorste pooten zijn
wit met zwarte langsstrepen op de bovenzijde , waar-
Ad 186.
Ad 196.
Ad 215.
Ad 218.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 125
van die op de middenscheenen in het midden niet
doorloopt. Aan de achterpooten zijn wit de onder-
zijde en spits der heupen, de trochanters, de binnen-
zijde der dijen en een breede ring om de scheenen.
Tenthredo nitida Kl. Het wijfje dezer soort, dat ik
op de Gliphoeve gevangen heb en dus reeds geruimen
tijd bezit, heb ik daarom niet kunnen determineren
omdat het een ander beloop der vleugeladeren heeft
dan het mannetje, waaruit moge blijken dat de nieu-
werwetsche manier van fijne afdeelingen te maken de
zaak niet altijd vereenvoudigt.
T. instabilis Kl. Opkweeking uit de larve en wel op vrij
groote schaal zal alleen kunnen aanwijzen of hier eene
soort is in vijf of zes varieteiten, dan wel twee of drie
soorten; zonder dat blijft alle bijeenbrengen hypothese.
Van den heer Six ontving ik een mannelijk individu,
dat oogenschijnlijk Tesselata Klug met Instabilis veree-
nigt; is dit een bastaard? — Een Noordwijksche 4 van
Instabilis verschilt niet alleen in kleur, maar ook in
den vorm van de cellen der achtervleugels met een
Gliphoevensch. Ik weet mij hier niet te redden en
laat voorshands alles maar bij een staan.
Lyda maculifrons Voll. Ik heb ergens gelezen dat
zekere entomoloog, ik meen haast Prof. Zaddach, deze
soort slechts voor eene variëteit van eene andere,
misschien Punctata verklaart, doch ik kan mij niet
herinneren waar ik dat heb gevonden. Mijne meening
is echter daardoor nog niet gewijzigd.
L. Drupacearum. Het is mij niet mogen gelukken de
wesp uit de larve op te kweeken. Het blijft dus nog
wel mogelijk dat er hier, wat de Fransche noemen
double emploi gebeurt met eene der vorige soorten ,
waarvan de larve nog onbekend is.
Cephus pallipes Klug. Mijne drie voorwerpen hebben
witte ringen aan de basis der achterscheenen.
Rhod. Centifoliae Hart. Beide voorwerpen hebben de
196 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
twee eerste leedjes der sprieten geel; het eene heeft
alleen de basis der radiaalcel bruin, het andere de
geheele cel.
Ad 261. Aulax Rhoeadis KI. Mijne talrijke voorwerpen zijn allen
aan elkander gelijk, doch komen niet volkomen overeen
met de beschrijving van Hartig, die trouwens al zeer
kort is.
Ad 265. Aulax albinervis Voll. Schedel, achterhoofd en borst-
stuk vaalzwart; achterlijf lichtbruin, sprieten en pooten
roodachtig geel, vleugels doorschijnend met witte
aderen. Lengte 1,5 mm.
Het aangezigt en de omtrek der oogen zijn bruin-
rood, de bovenkaken geel met rooden tint. Aan de
roodgele sprieten zijn de uiterste bovenranden der
leedjes bruinachtig. De klaauwtjes der pooten zijn vrij
donkerbruin; de bruine kleur van het abdomen neemt
naar de buikzijde eene gele tint aan. De rand der
vleugels is met zeer fijne haartjes bezet.
Ad genus Synergus. Ik ben in het bezit van nog vijf inlandsche
soorten van dit geslacht, die ik evenwel voor als nog
niet kan determineren en evenmin voor nieuwe soor-
ten aannemen.
Ad 285. Eucoila effluens Voll. Indien deze soort niet behoorde
tot de twee horde van Giraud, dat is te zeggen,
indien hare cubitaalcellen gesloten waren, dan zou ik
haar wel voor Euc. maculata Hart. kunnen houden.
Het komt mij ook wel eenigzins onwaarschijnlijk voor
dat eene varieteit van een Æucoila uit de eerste af-
deeling tot de tweede zou behooren. Er blijft dus
niets over dan haar voor eene nieuwe soort te ver-
klaren. Men ziet het door den heer Six gevangen
vrouwelijke voorwerp vergroot afgebeeld bij fig. 5 op
Plaat 5 en daarbij een spriet sterker vergroot.
Lengte 4 mm. Glanzig zwart met donkerrood bruine
sprieten, roodbruine pooten , wier dijen in het midden iets
donkerder, en een’ bruinen band dwars over de vleugels.
VLIESVLEUGELIGE INSECTEN (HYMENOPTERA). 127
Van het zevende af worden de leden der sprieten
min of meer kogelvormig, het laatste is langwerpig ,
scheef conisch. Er zijn in het geheel 15 leedjes,
waarvan de 5 eersten onbehaard. Ik ontdek bij mijn
voorwerp geene haarbundels aan den prothorax, die
bij E. maculata wel voorkomen. De bruine band op
de vleugels is naar de basiszijde door de vleugeladeren
scherp begrensd, doch vloeit naar de spits onmerk-
baar weg, ‘tgeen mij aanleiding gaf het dier Zffluens
te noemen. De vleugels zijn geheel zonder franje. De
beide onderste leedjes der sprieten zijn donkerder dan
de overigen.
Wij hebben hier alleen van de vier eerste familien van Hy-
menoptera 299 inlandsche soorten opgeteld, terwijl onze laatste
naamlijst van het jaar 1857 uit die familien slechts een getal
van 175 (met inbegrip van den bij de Braconiden geplaatsten
Pachylomma) aangaf. Volgens den regel van drieën, om zeer
ouderwetsch te spreken, moet nu het geheele aantal bekende
inlandsche hymenopteren ongeveer 1100 bedragen. Ik twijfel
geen oogenblik of wij zullen ver daar boven komen, zoodra het
mogelijk zal zijn de menigte onbestemde voorwerpen, die nog
in onze doozen bewaard worden, te determineren. !k behoef
evenwel niet te wijzen op de moeijelijkheid en omslagtigheid
daarvan in eene orde, die door zoo velen in zoo veel werken
behandeld en tevens zoo rijk is, dat iederen nieuwen onder-
zoeker telkens nieuwe soorten in de handen komen. Naar mijne
berekening zal ik dan ook eerst tegen het einde van den zomer
deze lijst met de familien der Ichneumoniden, Braconiden ,
Pteromalinen en Codrinen kunnen vervolgen om na een tweede
intermezzo de geheele lijst tot Apis mellifica of liever ten einde
te brengen. SV
Verklaring van Plaat 5.
Nematus catachloris.
Emphytus majalis.
Phyllotoma pinguis.
Selandria phthisica.
Eucoila effluens.
Fig.
SE à UO =
IETS OVER HET DOODEN EN ZUIVER
BEWAREN VAN INSEKTEN, VOORNAMELIJK
VAN VLINDERS,
DOOR
Mr. de Roo van Westmaas.
Op de laatste Vergadering der Entomologische Vereeniging
werd het gebruik van cyanuretum potassii (cyankalium) als mid-
del om insekten te dooden, door den heer Heylaerts aangeprezen ,
doch daarentegen door de heeren Mr. Albarda en Dr. Verloren
bestreden, op grond van het groote gevaar dat de behandeling
van dit zout, een der zwaarste bekende vergiften, oplevert. Zoo
ik tegenwoordig geweest ware, zoude ik mij zeker en ten volle met
die laatste uitspraak vereenigd hebben en evencens onze insekten-
liefhebbers, die mogelijk door de snelle werking van het middel
geneigd zouden zijn er al te lichtvaardig de proef van te nemen,
dit ten stelligste afgeraden hebben, zelfs dan nog wanneer het-
zelfde doel op geene andere wijze te bereiken ware. Doch ook
dit is volstrekt het geval niet, daar, gelijk zeer te recht door
Mr. Albarda werd aangemerkt, de bladeren der Lauro-cerasus,
die geheel onschadelijk zijn, niet alleen dezelfde uitkomst geven,
maar daarbij nog de vlinders, zoolang men dezen aan hunne
werking overlaat, de noodige geschiktheid doen behouden om
uitgezet te kunnen worden.
Dit middel werd door mij, reeds gedurende tien jaren, steeds
met het beste gevolg aangewend, zoodat ik met eenigen grond
aan den heer Heylaerts, die daaromtrent, ten opzichte der
grootere vlindersoorten, twijfel koesterde, kan verzekeren dat het
IETS OVER HET DOODEN VAN VLINDERS. 129
allezins aan het doel beantwoordt en nimmer zal falen wanneer
het naar behooren wordt toegepast.
Daar het mij evenwel thans gebleken is, dat het aanwenden
van Laurierkers-bladeren, ook tot het dooden van groote in-
sekten, minder algemeen bekend is, dan ik dit veronderstelde,
geloof ik dat het nuttig kan zijn daarop nogmaals de aandacht
te vestigen, vooral zoo dit strekken kan om onze verzamelaars
af te houden van het gebruik maken van een vergift, waarvan
slechts een uiterst geringe hoeveelheid in het kleinste wondje of
zelfs in de oogen behoeft te geraken om de schroomelijkste ge-
volgen na zich te slepen.
Ik stel mij dus, in de eerste plaats, voor om de mij door
beginnende Entomologen zoo menigmaal gedane vraag: hoe men
op eene spoedige, onschadelijke en geschikte wijze vlinders kan
dooden, te beantwoorden; terwijl ik vervolgens, ook deze gele-
genheid wil te baat nemen, ten einde door het mededeelen der
wijze waarop ik mijne vlinders behandel, het antwoord te geven
aan hen die mij naauwelijks gelooven kunnen, wanneer ik hen,
naar waarheid, verzeker , dat ik (behalve eene enkele maal, nu
veertien jaren geleden, toen een klein, doch gelijk mij bleek ,
onschadelijk insekt, waarschijnlijk eene soort van Thrips, uit
mijne kurkenplaten, in eenige mijner laden was ingeslopen),
nooit ofte nimmer eenig insekt, hetzij torrenlarve of myt in
mijne verzameling aantrof.
Op de eerste vraag strekke het volgende tot antwoord:
Voor Microlepidoptera neem ik de gewone suikerflesschen met
goed sluitende glazen stoppen, vul die nagenoeg voor een vierde
gedeelte met jonge drooge Lauro-cerasusbladeren, die ik vooraf
met een houten hamer kneus en goed op elkander druk en
werp daarin de kleine cartonnen doosjes, waarin ik gewoon ben
de vlindertjes te sluiten. Zoo ik dezen, hetgeen doorgaans het-
geval is, tegen den avond heb gevangen, laat ik de doosjes
in de flesch tot den volgenden morgen en vind dan de vlindertjes
allen gestorven en geschikt om uitgespannen te kunnen worden,
Voor Macrolepidoptera maak ik gebruik van grootere en zoo
breed mogelijke flesschen, meestal van 17 of 18 Ned, duim
150 IETS OVER HET DOODEN EN ZUIVER BEWAREN
middellijn, en plaats de vlinders daarin op stukjes kurk gestoken.
Sommigen, vooral Bombyces en Noctuiden, sterven binnen wei-
nige uren, soms zonder zich in het geheel bewogen te hebben;
anderen zijn wel in de eerste oogenblikken levendig, doch ein-
digen al spoedig met slechts eenige trilling in de vleugels over
te houden, waarna zij inslapen en eveneens spoedig sterven ;
enkelen, zoo als bij voorbeeld de Sphingiden, zijn taaier en
zouden daardoor gevaar kunnen loopen zich te beschadigen,
waarom ik de gewoonte heb om dezen eerst met een weinig
chlorophorm of æther sulphuricus, in de zijden aan te strijken,
waardoor zij bijna onmiddelijk bedwelmd worden en dan dadelijk
in de flesch geplaatst, zich zeldzaam meer verroeren en sterven.
De uitwerking der bladeren is zeer sterk en snel wanneer zij
jong en versch zijn, naarmate zij echter ouder worden, ver-
mindert ook, niettegenstaande de flesschen goed gesloten blijven,
hunne kracht en behoort men derhalve op te letten wanneer zij
dienen ververscht te worden, hetgeen zich van zelf aanwijst door
dat de vlinders langzamer sterven. Gewoonlijk is het voldoende de
bladeren tweemalen, ten hoogste drie malen per jaar te vernieu-
wen, zij blijven dan zelfs hunne werking gedurende een groot
gedeelte van den winter uitoefenen. Bemerk ik echter dat zij
te zwak zijn geworden, zonder dat ik op het oogenblik in de
gelegenheid ben anderen in de plaats te stellen , dan gebruik ik als
hulpmiddel eenige druppels æther sulphuricus, die ik op de
bladeren giet en die dan al spoedig het gewenschte resultaat
ten gevolge hebben.
Het is opmerkelijk dat enkele dagvlinders en zelfs kleine
soorten langer aan de werking der bladeren weerstand bieden,
dan dit soms met de allergrootsten het geval is, zoo als b. v.
met Sphinx Atropos, waarvan ik exemplaren , na slechts twee
uren, uit de flesch nam, zonder dat zij later weder bijkwamen.
Van alle insekten waarmede ik proeven nam, leefden de groote
Coleoptera-soorten het langst, hetgeen evenwel van weinig
belang is, daar dezen toch geen gevaar loopen zich te beschadigen.
Overigens was het hoogst zeldzaam en alleen aan de vermin-
derde kracht mijner bladeren toe te schrijven, zoo enkele individuen
VAN INSEKTEN, VOORNAMELIJK VAN VLINDERS. 151
na eene nacht in de flesch geweest te zijn, nog teekenen van
leven gaven. Zelfs ondervond ik dat de kiem der eijeren ge-
dood wordt, daar dezen na een kort verblijf in de flesschen ,
nimmer bij mij uitkwamen. Hieruit blijkt hoe doeltreffend dit
middel tevens is om aangestoken insekten te zuiveren; wil men
daarbij echter met zekerheid te werk gaan, zoo raad ik aan de
voorwerpen gedurende ruim vier-en-twintig uren in de flesschen
te laten , het zal dan evenwel dikwijls noodig zijn om de Lepi-
doptera die men aan deze kuur onderwerpt, op nieuw op de
spanplank te brengen, daar het vocht de vleugels veelal iets
doet zakken.
Het eenige nadeel van het gebruik der Lauro-cerasusbladeren
is, dat de groene kleur van sommige vlinders min of meer aan-
gedaan wordt; dit is een gevolg der vochtigheid en alleen van
toepassing op die soorten, waarbij men hetzelfde verschijnsel
waarneemt wanneer men hen door weeking weder tracht lenig
te maken.
Daar ik nimmer eyankalium gebruikte en ook niet voornemens
ben dat ooit te doen, kan ik, bij eigen ondervinding , niet be-
palen of ook dit geen nadeeligen invloed op de vlinders uit-
oefent, doch zooveel is zeker dat, al ware dit niet het geval,
het door mij opgegeven middel zoo goed aan het doel beant-
woordt, dat ik het zeer ongeraden acht daarboven aan een zwaar
vergift de voorkeur te geven.
Ik hoop dus dat men zijne proefnemingen naar de hierboven
vermelde wijze zal inrichten, en durf dan bijna met zekerheid
vertrouwen dat men zich in deze met mijne inzichten geheel
zal vereenigen.
De tweede te beantwoorden vraag betreft de middelen die
dienstig zijn om onze verzamelingen zuiver te houden. Daar
het waarschijnlijk wel niet alleen aan het toeval zal kunnen
worden toegeschreven, dat ik dat doel nu gedurende vijftien
jaren bereikt heb, moet ik daaruit opmaken dat de door mij
gevolgde methode daarvan de oorzaak is en zal het derhalve
het beste zijn de door mij tot dat einde aangewende voorzorgs-
maatregelen geheel mede te deelen.
159 IETS OVER HET DOODEN EN ZUIVER BEWAREN
Van de stelling uitgaande dat men vooral op twee zaken moet
letten, namelijk: ten eerste de vlinders geheel zuiver in de
verzameling te brengen; ten tweede, dezen , daar eenmaal in ge-
plaatst, verder te vrijwaren, handel ik als volgt:
Heb ik vlinders uitgekregen of gevangen, zoo worden gelijk
reeds gezegd is, de kleine soorten in doosjes, de grootere op
stukjes kurk gestoken en in een der flesschen met Lauro-cerasus-
bladeren gedaan; vervolgens worden zij uitgespannen op houten
spanplankjes, die ik voor het gebruik goed af borstel, en daarna
onmiddelijk weggeborgen in goed sluitende blikken trommels,
die de breedte mijner spanplankjes hebben en hoog genoeg zijn
om de spelden vrij te laten. In deze trommels liggen steeds
eenige stukjes kamfer, die van tijd tot tijd met een weinig
terpentijn bedruppeld worden. Zijn de vlinders droog genoeg, zoo
worden zij van de plankjes genomen en overgeplaatst in andere
trommels , waarvan de bodem met een kurk- of turfplaat be-
kleed is, die eveneens met kamfer en terpentijn zuiver gehou-
den wordt. Eerst in de maanden November of December worden
nu de vlinders, zoo ten minste hunne volkomene zuiverheid niet
twijfelachtig is, in de verzameling geschikt. Ontvang ik voor-
werpen van andere Entomologen of zelfs vlinders van mij zelven,
die ter determinatie waren opgezonden geweest, terug, dan
worden dezen steeds aan eene strenge quarantaine onderworpen
en gewoonlijk niet dan een jaar later in de verzameling gebracht;
dat deze maatregel niet overbodig is, bleek mij, helaas! maar
al te dikwijls.
Op deze wijze handelende, ben ik zoo zeker mogelijk gevrij-
waard van nimmer een aangestoken exemplaar in mijne verzame-
ling op te nemen.
De kasten welke ik gebruik, zijn van goed sluitende deuren
voorzien en bevatten, op de gewone wijze, de laden die gesloten
zijn met eene er boven op liggende en in eene sponning passen-
de glasplaat, waarvan de randen met fluweel beplakt zijn
en die zoo dicht mogelijk sluiten , alhoewel minder juist dan
die welke in houten ramen gevat zijn en die ik daarom boven
de mijnen zoude verkiezen. In de hoeken der laden bevinden
VAN INSEKTEN, VOORNAMELIJK VAN VLINDERS. 155
zich stukjes kamfer die in katoenen lapjes gewikkeld zijn en
met eene speld bevestigd worden. De verzameling wordt nu
jaarlijks in Maart en in November of December door mij, laadje
voor laadje, naauwkeurig nagezien en de kamfer, voor zoo
verre die vervlogen is, vernieuwd, terwijl ik daarbij steeds de
sponningen en het fluweel der glazen met terpentijn besmeer ,
hetgeen ik eveneens doe met de reten der laden en de deuren
mijner kasten. Dat ik gedurende den zomer de verzameling
nog een of meermalen doorzie , spreekt wel van zelf.
Van het gebruik der kamfer, dat dikwijls afgeraden wordt,
omdat men beweert dat de nederploffende stofjes de kleuren
der vlinders schaden, ondervindt ik geen nadeel , daar mijne
voorwerpen even goed blijven als die van anderen, doch bij
het aanwenden van terpentijn, zij men indachtig goede en
versche te bezigen die geene vetvlekken op het papier achterlaat.
Of nu het hier medegedeelde een afdoend middel aan de hand
geeft om onze verzameling geheel tegen indringen van schadelijk
ongedierte te beveiligen, is natuurlijk moeijelijk met volkomen
zekerheid te bepalen, daar het iedereen bekend is, hoe soms
kleine insekten, in weerwil der naauwlettendste zorg, weten
binnen te sluipen; evenwel valt het niet te ontkennen dat, zoo
men van den beginne af aan de voorzorgen neemt die ik steeds
gebruikte of wel die toepast op eene vooraf zuiver gereinigde
collectie, de door mij verkregen uitkomsten zeer voor het doel-
treffende mijner wijze van handelen pleiten.
Ik geloof thans de beide boven gestelde vragen met de noodige
uitvoerigheid behandeld te hebben en eindig met den wensch,
dat dit opstel, hetgeen meer te beschouwen is als eene herin-
nering aan bekende zaken, dan wel als iets nieuws, er toe
moge strekken om onze Entomologen voor de door mij aange-
prezen dooding-methode te winnen en tevens om hen op de
maatregelen, die tot het instandhouden hunner verzamelingen
nuttig kunnen zijn, indachtig te maken.
DESCRIPTION DUNE ESPECE
NOUVELLE DE PEDERUS,
PAR
M. ALBERT FAUVEL,
Avocat a CAEN.
(Planche VII. Fig. 1.)
Paderus coriaceus: apterus, opacus, piceus, palpis, antennis,
pedibus anoque rufopiceis, totus coriaceus, elytris brevibus,
asperato-granulatis. Long. 15 mill.
Habitu fere P. rutilicornis Er., at major, opacus, piceus,
corpore toto subtilissime coriaceo in genere unicus. Antennae
capitis thoracisque longitudine, articulo tertio primo longitudine
æquali, 4—10 dimidio fere brevioribus, subæqualibus, ultimo
fusiformi, rufo-piceæ, apice dilutiores. Caput magnum, thorace
vix latius, breviter ovatum, planiusculum, inter oculos obsolete
transversim ineequaliter depressum, supra antennas relevatum
ibique subnitidum, post oculos parcé obsolete punctulatum.
Thorax elytris latior, trapezoidalis, basim versus fortiter angu-
status, lateribus subrectis, sinuatis, angulis anticis late rotunda-
tis, posticis obtusis, couvexus, basi truncatus. Elytra thorace
quarta parte breviora, parcé fortiter asperato-granulata, media
basi utrinque quasi nodulosa. Abdomen apicem versus fortiter
incrassatum, parcé nigro-pilosum, segmentorum marginibus parce
subtiliter punctulatis, ano rufulo. Pedes tibiis apice tarsisque
testaceis.
DESCRIPTION D'UNE ESPÈCE NOUVELLE DE PÆDERUS. 155
Mas segmento septimo inferiore profunde lateque tricuspidatim
inciso, insisura utraque medio denticulata. Fæmina latet.
Hab. Gélébes.
Collection du Museum de Leyde.
Espèce unique par son corps entièrement coriacé et sa coloration.
J'en dois la communication à l’obligeance de M. Snellen van
Vollenhoven et, bien qu’ennemi des descriptions isolées, j'ai
cru devoir la signaler aux naturalistes, à cause de ses caractères
qui en font un groupe nouveau dans le genre Pederus.
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN
F. M. VAN DER WULP.
N°. 2.
(Vervolg van Deel 3, 2e Serie, blz. 296.)
IV. TACHININAE.
Onder de Tweevleugelige insecten levert geene familie, bij de
verdeeling in geslachten en bij de bestemming der soorten,
zoo vele moeijelijkheden op als de familie der Tachininen. De
verschillende kenmerken, waaraan men zich daarbij moet vast-
houden, zijn veelal zeer onduidelijk begrensd en doorkruisen
elkander als ’t ware, zoodat het niet doenlijk is hier, gelijk bij
andere groote familiën, eenige hoofdgroepen te vormen, terwijl
de geslachten, op enkele uitzonderingen na, niet scherp kunnen
worden gekarakteriseerd.
Meigen nam aanvankelijk alle Tachininen, behoudens alleen
Miltogramma, Siphona en Gonia, in zijn geslacht Tachina op,
dat daardoor niet alleen een groot aantal, maar ook zeer van
elkander afwijkende soorten inhield. Macquart en Robineau
Desvoidy hebben dit vervolgens in verscheidene geslachten ver-
deeld, maar deze over ‘talgemeen weinig duidelijk gekenmerkt,
en vooral Macquart heeft dikwijls zeer analoge soorten in geheel
verschillende geslachten opgenomen of omgekeerd in een en
hetzelfde geslacht zeer afwijkende soorten vereenigd.
Meigen’s verdeeling in het 7° deel zijner Systematische Be-
schreibung, hoewel door hemzelven slechts als eene proefneming
beschouwd, is grootendeels beter; en vooral zijn Schiner’s ver-
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 157
deeling en de door hem aangegeven kenmerken, in zijne Fauna
austriaca, geschikt om bij menigen twijfel op den regten weg
te helpen. Niettemin blijven er bij het behandelen van deze
familie nog tallooze bezwaren bestaan, en ik wil gaarne erkennen
dat mijne verzameling een aantal exemplaren bevat, die ik niet
naar de soort, sommigen zelfs niet naar het geslacht weet te
bestemmen. Het zij verre van mij, om zoodanige voorwerpen
voor onbeschreven te verklaren, en ofschoon het welligt weinig
moeite zou kosten, die onder eenen nieuwen naam te beschrij-
ven, geloof in toch dat daarmede der wetenschap geen dienst
zou worden bewezen, maar veeleer de verwarring en duisternis,
die hier heerschen, er door zouden worden vermeerderd. Voor
enkele soorten meen ik daarop eene uitzondering te moeten
maken, en wel voor de zoodanigen die tot een zeer juist afge-
bakend genus behooren of door zeer in ’t oog vallende kenmer-
ken noodwendig de oprigting van een nieuw genus vereischen.
Bij de mededeeling van eenige opmerkingen, die mij bij het
behandelen der Tachininen zijn voorgekomen, zal ik hieronder
tevens de bedoelde soorten trachten te beschrijven. Ik hoop dat
die beschrijvingen kenbaar genoeg zullen zijn, om mijne soorten
niet te doen verzinken onder de massa van zoo vele anderen,
die alleen in de boeken aanwezig zijn en wier onvolledige en
daardoor niet te ontraadselen beschrijving het ondoenlijk maakt
voor latere schrijvers om die, al ware ’t slechts als synoniemen,
te citeren.
>
Prasıa Meig. Van dit geslacht zijn mij twee soorten voorge-
komen, die ik om de daarbij opgegeven redenen voor onbeschreven
moet houden, en wel:
1. Plagia Aurifluae n. s.
2 4 1. — Kop witachtig; het voorhoofd met zwartachtigen weer-
schijn en een zwarten, niet scherp begrensden langsband; het
voorhoofd matig breed, naar den schedel iets versmald en aldaar
12
158 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
naauwelijks een derde der kopbreedte innemende; de stevige
voorhoofdsborstels ter wederzijde in twee rijen geplaatst, en van
de hoogte des sprietwortels in eene enkele rij ter wederzijde
langs de wangen, tot digt bij den mondrand afdalende; langs
den voorhoofdsband bovendien wederzijds eene fijne en digte,
donkere beharing. Sprieten zwart; de beide eerste leden van
voren met witachtigen weerschijn; het derde lid een weinig
langer dan het tweede; de borstel tot bij het eind verdikt,
vrij duidelijk drieledig. Palpen roodgeel. Oogen met fijne be-
haring. Thorax en schildje zwart, met grijze bestuiving; voor
op den thorax vier zwarte langsstrepen, op gelijken afstand van
elkander. Achterlijf langwerpig kegelvormig, bijna cylindrisch,
glanzig zwart; de tweede en volgende ringen aan den voorzoom
vlekachtig met helderwitten weerschijn; de borstels in grooten
getale, vooral aan den anus. Pooten zwart; de borstels vrij
stevig, aan de middenscheenen zeer lang, aan de voorscheenen
kamachtig. Vleugelschubben wit. Vleugels (Pl. 4, fig. 1) met
graauwachtige tint; de kleine dwarsader onder de uitmonding
van den hoofdtak der eerste langsader geplaatst; de achterdwars-
ader bijna regt, doch hare rigting zeer schuin; hare inwrichting
in de vierde langsader is naauwelijks iets voorbij het midden
tusschen de kleine dwarsader en het begin der spitsdwarsader ;
deze laatste ligt mede zeer schuin , ongeveer in dezelfde rigting
als de achterdwarsader; de vierde langsader is voorbij de hoekige
ombuiging nog een heel eind, tot niet ver van den vleugelrand,
voortgezet; de eerste en derde langsaderen zijn met borsteltjes
bezet, de laatste tot vrij digt bij haar uiteinde.
Het 2 verkregen uit Liparis auriflua, Groningen, Julij (de
Gavere).
Zooveel ik heb kunnen nagaan, is er slechts eene enkele soort
van het geslacht Plagia bekend, die, even als de hier beschrevene ,
behaarde oogen en tevens gele palpen heeft, namelijk Pl. ruricola
Meig. Deze soort is mij onbekend en schijnt in vele opzigten
aan de bovenstaande verwant te zijn, doch de geelachtige kleur
der beide eerste sprietenleden, de macrocheten, die alleen aan
den rand der lijfsringen voorkomen en de slechts korte voort-
DIPTEROLOGISCHE AANTEERENINGEN. 159
zetting der vierde langsader, verbieden om haar voor dezelfde
te houden; ook loopen de borsteltjes der derde langsader niet
voorbij de kleine dwarsader en zal voorzeker de spitsdwarsader
niet zoo schuin liggen als in Aurifluae. Bij eene ongenoemde
soort, waarvan Schiner melding maakt’, zou de spitsdwarsader
mede in zeer schuine rigting loopen en zouden ook de sprieten
geheel zwart zijn; doch deze kan evenmin dezelfde als Aurifluae
zijn, omdat bij haar de achterdwarsader digter bij de kleine
dwarsader dan bij de buiging der vierde langsader is geplaatst;
ook zou de voortzetting der vierde langsader kort zijn, althans
Schiner maakt van geen verschil te dezen opzigte melding.
2. Plagia impressa n. s.
gg 5—43 1. — Kop witachtig of lichtgrijs , bijna zonder don-
keren weerschijn; voorhoofd geelachtig, breeder dan de oogen,
zelfs in 3; in ’t midden met zwartachtigen langsband, die in 2
zeer onduidelijk is; voorhoofdsborstels stevig, ter wederzijde ten
getale van 5 op het gezigt afdalende, in d tot halfweg het derde
sprietenlid, in 9 nog iets lager. Sprieten iets korter dan het
aangezigt; de beide eerste leden roodachtig grijs; het derde lid
in g dubbel zoo lang als het tweede, in g een weinig langer
dan het tweede, zwart, van voren en aan de binnenzijde met
grijzen weerschijn; de borstel tot digt bij de spits verdikt.
Palpen geel. Oogen naakt. Thorax en schildje zwartachtig;
de thorax van voren met licht aschgrauwe bestuiving en vier
smalle zwarte langsstrepen, op bijna gelijken afstand van elkander.
Achterlijf kegelvormig, aschgrauw; de eerste ring, de achter-
zoom der overige ringen en de buik zwart. Pooten zwart; het
tweede heuplid dikwijls pekbruin of zelfs roodachtig; borstels
stevig, aan de voorscheenen van voren kamachtig, aan de mid-
denscheenen zeer lang. Vleugelschubben witachtig. Vleugels
(PI 4, fig. 2) met flaauwe grauwachtige tint; de voorrand
tusschen de uitmonding der tweede en derde langsaderen duidelijk
1 Fauna austriaca, I, blz. 437, de 2de noot.
140 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
een weinig ingedrukt; de eerste achtercel is slechts even geopend ';
de kleine dwarsader ligt iets vóór het midden der vleugels,
ongeveer onder de uitmonding van den hoofdtak der eerste langs-
ader; de achterdwarsader is zeer flaauw gebogen en ligt zeer
schuin; zij komt van boven iets voorbij het midden tusschen de
kleine dwarsader en de buiging der vierde langsader en van
onderen is zij ongeveer onder de kleine dwarsader ingewricht;
de vierde langsader is voorbij de buiging slechts een klein eind
voortgezet; de eerste langsader is zonder borsteltjes, de derde
is met borsteltjes bezet tot even voorbij de kleine dwarsader.
Van tijd tot tijd gevangen in de duinstreken bij den Haag,
door Dr. Piaget en mijzelven, ook bij Rotterdam (Fransen) en
op Beekhuizen onder Velp (Kinker).
Van al de beschreven soorten van Plagia, met gele palpen,
schijnt Pl ambigua Meig. (die echter niet Pl. ambigua Fall. is)
de eenige, welke bij de bestemming der boven beschrevene
soort in aanmerking kan komen, omdat ook daar de voorhoofds-
borstels tot digt bij het uiteinde der sprieten afdalen. Ik vind
intusschen in zijne beschrijving te veel afwijking, om mijne
soort daarin te herkennen: 1°. noemt Meigen het aangezigt
« hellweiss , schwarzschillernd » , terwijl mijne voorwerpen een licht-
grijzen kop hebben bijna zonder donkeren weerschijn; 2°. is,
volgens Meigen, de sprietborstel tot het midden, in mijne
exemplaren tot digt bij de spits verdikt; 5°. wordt door Meigen
geen melding gemaakt van de in ‘toog vallende ingedrukte plek
aan den voorrand der vleugels, evenmin als van de, bij verge-
lijking met andere soorten, meer schuine rigling der achter-
dwarsader.
NEMORAEA GLABRATA Meig. Toen voor een aantal jaren de ver-
woestingen door de dennenrups in de provincie Utrecht werden
waargenomen, bleek het dat onder de vijanden dier schadelijke
vlindersoort, zekere Tachinine niet het minst had toegebragt om
de massa der dennenvernielers te verminderen. Deze Tachinine
ı Er komen zelfs exemplaren voor, waarbij de eerste achtercel tegen den rand
gesloten is.
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 141
werd destijds volgens Meigen gedetermineerd als Tachina (Nemo-
raea) glabrata, en de juistheid dezer determinatie scheen ook
daardoor bevestigd, dat Ratzeburg dezelfde soort mede als para-
siet der dennenrups vermeldt. Intusschen wordt in Meigen’s
beschrijving, die overigens zoo tamelijk past, geen acht gegeven
op het al of niet aanwezig zijn van de groote borstels (macro-
cheten) in ’t midden der lijfsringen. In Schiner’s Fauna austriaca
(deel I, blz. 448) wordt daarentegen eene duidelijke afscheiding
gemaakt tusschen de Nemoraea-soorten, waarbij die macrocheten
aan de middenste ringen alleen aan den achterrand voorkomen,
en die, waarbij zij niet alleen aan den achterrand, maar ook
in 't midden der ringen geplaatst zijn, en N. glabrata wordt
aldaar onder de eersten gerangschikt. Het is uit Schiner’s woorden
daar ter plaatse niet volkomen duidelijk of hij werkelijk de soort
kent, dan wel of hij haar alleen in zijn boek heeft opgenomen
omdat zij door Meigen uit het Weener museum is beschreven.
Ik wil echter het eerste aannemen en het er voor houden,
dat hij typische exemplaren onderzocht en alzoo op goeden grond
aan de soort de macrocheten in ’t midden der lijfsringen ontzegd
heeft. Maar als dit zoo is, dan kan de soort, die bij ons te
lande in zoovele exemplaren uit 7rachaea piniperda is verkregen ,
niet de ware N. glabrata zijn, want al de voorwerpen hebben
ook in ’tmidden der ringen duidelijke macrocheten. Die voor-
werpen laten zich niet wel onderscheiden van de bij ons niet
zeldzame N. strenua Meig.; alleen schijnt het mij toe, dat in
4 het voorhoofd nog smaller is en dat de vierde langsader aan
hare buiging iets meer naar beneden loopt en die buiging tevens
meer afgerond is; deze verschillen beduiden evenwel zeer weinig ,
te minder nog, omdat onder de vele exemplaren van strenua,
die ik gezien heb, zich dikwijls overgangen voordoen. Ik kom
derhalve tot het besluit, dat niet Nemoraea glabrata, maar
N. strenua in der tijd uit de dennenrups is verkregen. Dat
Ratzeburg de eerste soort als parasiet opgeeft, doet hier weinig
af, daar ook andere Nemoraeu soorten als parasieten van dezelfde
rups zijn waargenomen, onder anderen N. rudis door Doie.
149 DIPTEROLOGISCHE AANTEERENINGEN,
Meıcensa. Van dit geslacht, dat zich door habitus en teekening
en vooral door de hoog boven den mondrand geplaatste knevel-
borstels duidelijk laat onderscheiden, kende ik sints geruimen
tijd een paar soorten, bisignata Wied. en floralis Fall., waarvan
inzonderheid de eerste in onze duinstreken niet zeldzaam is.
Zeer onlangs werden mij door den heer Ritsema verscheidene
exemplaren van eene Tachinine toegezonden, door hem uit het
nest van Bombus Agrorum gekweekt, en die alzoo parasitisch in
die hommelsoort schijnt te leven. Deze voorwerpen komen in
de voornaamste kenmerken zoodanig met de genoemde eigenia-
soorten overeen, dat ik niet aarzel de soort in dat geslacht te
rangschikken; maar zij wijken van alle daartoe gebragte soorten
af door de zeer laag op de wangen afdalende voorhoofdsborstels
en door de sterk gebogen spitsdwarsader. Daar ook overigens
geene passende beschrijving te vinden is, geloof ik deze voor-
werpen als eene nieuwe soort te mogen beschouwen, waarom ik
er hier eene beschrijving van zal geven als
Meigenia bombivora n. s. (Pl. 4, fig. 5—5).
gg 54-5411. — Kop wit met zwartachtigen weerschijn; voor-
hoofd een weinig uitstekend, matig smal, van achteren ongeveer
een vierde (4) of een derde (2) der kopbreedte innemende, met
zwarten, grijs weerschijnenden, van achteren ingekeepten langs-
band; voorhoofdsborstels teeder maar talrijk, ter wederzijde in
eene enkele rij tot zeer laag op de wangen afdalende, doch de
borstels op de wangen korter en zwakker wordende. Oogen
naakt. Sprieten zwart; het tweede lid digt met korte borsteltjes
bezet; het derde lid driemaal zoo lang als het tweede, minder
smal dan bij de andere soorten van dit geslacht; de sprietborstel
aan de wortelhelft verdikt. Mondrand een weinig uitstekend en
bij vele exemplaren eenigzins roodachtig ; de mondborstels talrijk ,
tot ongeveer een derde van het gezigt opklimmende, de grootste
borstels boven den mondrand geplaatst. Zuiger en palpen zwart,
aan het uiteinde verdikt. Thorax van boven witachtig bestoven,
met drie breede zwarte langsstrepen; borstzijden en schildje
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 145
zwart, met lichtgrijze bestuiving. Achterlijf glanzig, in 2 kort
kegelvormig, in 2 eirond, witachtig; de eerste ring, een dubbel
ingekeepte achterzoom aan de tweede en derde ringen, alsmede
de anus zwart; in sommige rigtingen vertoont zich de teekening
als een zwarte achterzoom op de tweede en derde ringen , met
eene zwarte ruggestreep, en worden de zijden zwart met witte
weerschijnvlekken ; macrocheten der middenste ringen alleen aan
den achterrand. Pooten zwart; de dijen, vooral de voordijen,
van onderen met lichtgrijze bestuiving; de borstels matig stevig
en weinig talrijk, aan de onderzijde der dijen eenigzins wimper-
achtig, aan de buitenzijde der achterscheenen onregelmatig ge-
plaatst; haken en voetballen in 4 verlengd en met lange borstels
omgeven. Vleugelschubben witachtig Vleugels met bruingrauwe
tint, aan de uiterste punt van den wortel geelachtig; aderen
zwartbruin; vierde langsader met regten hoek omgebogen; de
spitsdwarsader op een derde harer lengte gebogen, verder regt
loopende; achterdwarsader met flaauwe hogt; randdoorn niet
aanwezig.
Bij de bestemming dezer soort, die in vorm en teekening aan
Sarcophaga herinnert, scheen het mij in ’teerst alsof Tachina
devia Fall. in aanmerking kon komen, waarvan de beschrijving
inderdaad veel punten van overeenkomst aanbiedt; doch van
deze soort, die niet tot Meigenia, maar tot Tachina in beperkten
zin behoort, is het achterlijf langwerpig, het derde sprietenlid
slechts een weinig langer dan het tweede, de voorhoofdsborstels
dalen slechts tot een vierde gedeelte van het gezigt af en van
den roodachtigen mondrand wordt niet gesproken.
FRONTINA LAETA Meig. Deze soort, die ik onlangs voor het
eerst in Gelderland heb aangetroffen, heeft het geheele uiterlijk
aanzien van eene Baumhaueria. De eigenaardige langwerpig
vierkante vorm van den kop, in profiel gezien, en de zeer lange
sprieten met den tot digt bij het eind verdikten borstel, gelijken
zoodanig op die van Baumhaueria, dat men onwillekeurig ge-
neigd wordt de soort tot dat geslacht te brengen. Het voor-
144 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
name verschil tusschen de geslachten Baumhaueria en Frontina
zou daarin gelegen zijn, dat bij het eerstgenoemde geslacht de
eerste achtercel gesloten, en dat zij bij het andere geopend is;
maar als men in aanmerking neemt, dat onder anderen Baum-
haueria verliginosa Meig. even dikwijls met eene geopende als
met eene gesloten eerste achtercel voorkomt, dan verliest dit
onderscheidingskenmerk bijna al zijne waarde. Wanneer men
derhalve de kenmerken van het geslacht Baumhaueria in zoo
verre wijzigt, dat niet zooveel gewigt wordt gehecht aan de ge-
sloten uitmonding der eerste achtercel, iets wat na het boven
aangevoerde ook niet wel kan, dan komt het mij voor, dat
Frontina laeta zeer goed past in het geslacht Baumhaueria De
overige tot Frontina gerekende soorten (nog ongeveer een zestal)
zijn mij niet bekend; ik weet dus niet te beoordeelen, of zij
ook de kenmerken van Baumhaueria in genoegzame mate be-
zitten, om daaronder gerangschikt te kunnen worden.
Exorista mopesta Meig. Van deze soort, door Meigen beschre-
ven in het 7° deel zijner Syst. Beschr., blz. 257, n°. 25, en
die ik heb leeren kennen uit een exemplaar, door Fransen te
Rotterdam gevangen, zal de naam moeten worden veranderd;
want er bestond reeds eene Tachina modesta (Meig. IV, blz. 585;
n°. 248) = Lydella modesta Macquart, Suit. à Buffon II, p. 157
en Eworista modesta Macq. Annales de la Soc. ent. de France
1849, p. 405, n°. 79), eene soort, die bijna dubbel zoo groot
is als die door Meigen in het VII deel onder dienzelfden naam wordt
beschreven. Ik heb daarom deze laatste E. verecunda genoemd.
Puorocera CONCINNATA Meig. Deze is eene zeer veelvuldig voor-
komende soort, en die in allerlei rupsen parasitisch gevonden
wordt. Het 2 is gemakkelijk te herkennen aan den vorm van
den buik, die op de middenste ringen kielvormig is zamenge-
drukt en aan den anus, die met een omgebogen, glanzig zwar-
ten doorn eindigt, even als bij vele Pipunculus-soorten. Ik
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 143
geloof het er voor te mogen houden, dat Phorocera munda Meig.
(Syst. Beschr. IV, 595, 271 en VII, 261, 16) dezelfde soort is,
en zulks niettegenstaande Meigen in zijn VII° deel zoowel van
de eene als van de andere eene afbeelding geeft, en wat meer
zegt, ze daar niet eens tot hetzelfde genus brengt, maar voor
Concinnata en nog een paar anderen het genus Doria afzondert.
Volgens zijne afbeeldingen is het onderscheid, behalve in de
geledingen van den sprietborstel, gelegen in den iets of wat be-
haarden sprietborstel bij Munda (Meig. fig. 28), waarvan in den tekst
zelfs niet gesproken wordt. Het een weinig meer vooruitstekende
voorhoofd van Concinnata (Meig. fig. 55) is zeker slechts toevallig in
de teekening zoo uitgevallen en wordt althans in de beschrij-
vingen almede niet nader toegelicht Mijne voorwerpen, die
overigens toch stellig Concinnata zijn, komen in dat opzigt bijna
nog meer met Meigen’s afbeelding van Munda (fig. 29) overeen.
De geledingen van den sprietborstel maken bijna het eenige
kenmerk uit, waarop Meigen zijn geslacht Doria van Phorocera
heeft afgescheiden, doch dit kenmerk is zoo weinig afdoend en
valt zoo weinig in ’t oog, dat men het, zelfs bij vrij sterke
vergrooting, moeijelijk kan volgen. Het zal dan ook wel beter
zijn, om op het voetspoor van Schiner, het geslacht Doria maar
weder met Phorocera vereenigd te laten. In Meigen’s overigens
vrij uitvoerige beschrijvingen van beide soorten (concinnata en
munda) is ook niet wel een wezenlijk onderscheid te vinden, en
zoowel de eene als de andere houdt niets, in dat niet op de
vele voorwerpen, die ik vergeleken heb, van toepassing is.
Of Tachina stupida Meig. (IV, 415, 505), die ook later door
Meigen in zijn geslacht Doria is opgenomen, wel op goede
gronden als eene afzonderlijke soort kan worden beschouwd,
meen ik te moeten betwijfelen. Ik heb althans voorwerpen ge-
zien, waarop Meigen’s beschrijving in alle bijzonderheden paste,
en die bij vergelijking toch niet anders dan Ph. concinnata waren.
Germania Rob. D. = Illigera Meig.). Sints geruimen tijd kende
ik eene Tachinine, die van tijd tot tijd op de duinen bij den
146 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
Haag wordt aangetroffen en die ik meende tot dit geslacht te
moeten brengen, ofschoon zij tot geene der beschreven soorten
behoort. Eerst onlangs werd door een jeugdig entomoloog, den
heer Everts, mede in ’s Gravenhage’s omstreken, een exemplaar
van G. ruficeps gevangen, en ik verkreeg daardoor de zekerheid,
dat ik inderdaad de eerstbedoelde soort, die veel kleiner is,
generiek juist bestemd had. In mijne collectie komt deze laatste
voor onder den naam van
Germaria sabulosa n. s. (Pl. 4, fig. 6—9.)
dg 54 1. — Aangezigt wit, met eenigen zilverglans en een
roodgelen weerschijn; voorhoofd aan de kanten zwartachtig,
eenigzins glanzig, in ’t midden met breeden, donker roestkieu-
rigen langsband. Sprieten zwartachtig; het tweede lid geheel
of gedeeltelijk roestkleurig; in 4 het derde lid viermaal zoo lang
als het tweede; in 2 het tweede verlengd en het derde slechts
een weinig langer; de borstel, even als bij de andere soorten van
het geslacht, tot bij het uiteinde verdikt, duidelijk drieledig en
geknakt; het eerste lid kort, de beide anderen ongeveer van
gelijke lengte. Palpen roodgeel. Thorax glanzig zwart, met
eenige witachtige of lichtgrijze bestuiving, waarin zich soms van
voren vier onduidelijke zwarte langsstrepen vertoonen ; schildje
zwartachtig of een weinig donker roodbruin; achterlijf zwart met
eenigen glans; de voorzoom van den tweeden en derden ring
witachtig bestoven, tot ongeveer de halve lengte ; buiten de macro-
cheten, die alleen aan den achterrand der ringen voorkomen, het
achterlijf bijna geheel kaal. Pooten zwart of bij de lichtste individuen
pekbruin; de knieën soms een weinig roodachtig ; de borstels matig
in aantal en stevigheid, die aan de middenscheenen het langst;
haken en voetballen in beide seksen klein. Vleugelschubben witach-
tig. Vleugels met zeer flaauwe bruinachtige tint, aan den wortel
witachtig; de spitsdwarsader gebogen; de eerste achtercel meestal
tegen den rand gesloten, somtijds even geopend; de achterdwars-
ader op ruim twee derden tusschen de kleine dwarsader en de
buiging der vierde langsader; de eerste langsader is aan haar
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 147
begin en de derde tot aan de kleine dwarsader met korte
borsteltjes bezet; dergelijke borsteltjes komen soms ook op de
vijfde langsader voor.
Meermalen gevangen op de duinen onder ’s Gravenhage en
Wassenaar, ook wel op de laatste rij duinen bij Scheveningen.
Ammogia n. g. Eene andere Tachinine, die tot onze duin-
fauna behoort, kan ik evenmin onder de vroeger beschreven
soorten vinden, maar is zelfs niet dan met den grootsten dwang
onder een der bestaande geslachten te rangschikken. Ik heb
haar daarom tot een afzonderlijk geslacht gebragt, dat ik
Ammobia noem, en dat op de volgende wijze kan worden ge-
kenmerkt.
Kop in profiel langwerpig vierkant; voorhoofd weinig of niet
uitstekend, in 4 naauwelijks een derde, in 2 ruim de helft der
kopbreedte innemende; de voorhoofdsborstels vrij stevig, een
weinig beneden den sprietwortel afdalende. Oogen bijna naakt;
alleen bij sterke vergrooting worden eenige weinige „ korte
haartjes zigtbaar. Aangezigt regtstandig; de kanten wimper-
achtig met borstels bezet; waugen en kinnebakken vrij smal ; mond-
borstels stevig, de beide langsten even boven den mondrand
geplaatst. Palpen cylindrisch. Sprieten een vierde korter dan
het gezigt; de beide eerste leden vrij kort; het derde lid twee
tot driemalen zoo lang als het tweede; borstel onduidelijk ge-
leed Achterlijf eenigzins kegelvormig, in 2 toegespitst en soms
met uitstekende eijerbuis; de eerste lijfsring kort; macrocheten
alleen aan den rand der ringen. Pooten met stevige borstels.
Vleugels met een’ kleinen randdoorn; uitmonding der eerste
achtercel met naauwe opening ver van de vleugelspits; de vierde
langsader met hoekige ombuiging en aldaar, door eene vleugel-
plooi, schijnbaar met eene aanhangende ader; achterdwarsader
een weinig schuin, juist in ’t midden der eerste achtercel uit-
mondende.
De tot nog toe eenige soort van dit geslacht is
148 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
Ammobia glabriventris n. s. (Pl. 4, fig. 10—14.)
d 211-241. — Kop zijdeachtig wit, met zwartachtigen weer-
schijn; in ® het voorhoofd iets naar het licht aschgrauwe trek-
kende; voorhoofdsband smal, roodbruin, naar achteren soms
zwart, bij sommige daging verdwijnende. Sprieten zwartbruin;
het tweede lid bijna altijd, somwijlen ook het derde aan den
den wortel van onderen roestkleurig; het derde lid in 2 smal;
de borstel tot op de helft verdikt. Palpen licht roestkleurig.
Voorhoofdsborstels ten getale van drie beneden den sprietborstel
afdalende; de gezigtswimpers tot aan de voorhoofdsborstels op-
stijgende; bakkenbaard wit; achterhoofd met eenen krans van
zwarte borsteltjes en voorts met digte, lichtgrijze beharing.
Thorax aschgrauw met vier zwarte langsstrepen, die van voren
het duidelijkst zijn en waarvan de beide middensten uit elkander
staan. Schildje grauw, bij enkele exemplaren aan den achter-
rand een weinig roodachtig. Achterlijf glanzig, lichtgrauw, in
2 zelfs witachtig grauw, met zwarte borstelwratjes; de eerste
ring, de achterste helft der volgende ringen en in 4de geheele
buik glanzig zwart; ook in 2 de eijerbuis, die plat en aan
'teinde afgeknot is. Pooten zwart, de dijen met eenigen licht-
grijzen weerschijn; achterste scheenen buitenwaarts met twee
of drie langere borstels. Vleugelschubben groot, beenwit. Vleugels
met flaauwe grauwe tint, aan den wortel en de eerste helft
van den voorrand een weinig geelachtig, de spitsdwarsader iets
gebogen, de achterdwarsader bijna regt.
Van tijd tot tijd op de duinen bij den Haag, in Junij tot
Augustus; zij zet zich op het zand neder in den zonneschijn,
even als Miltogramma- en Hilarella-soorten.
Eenige overeenkomst met Metopia, vooral in het aderbeloop ,
is niet te miskennen, maar het voorhoofd steekt niet vooruit
en het derde sprietenlid is, naar evenredigheid van het tweede,
veel korter. Bij Phorocera kan de soort niet geplaatst worden,
wijl de oogen naakt of ten hoogste slechts microscopisch behaard
zijn en ook de geheele habitus een andere is. Van Degeeria
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 149
wijkt zij af door de uitmonding der eerste achtercel ver van de
vleugelspits.
Ofschoon mijne talrijke exemplaren in sommige opzigten
eenig verschil opleveren, b. v. in de kleur der sprieten,
waarvan het rood :ninder of meer uitgebreid is, in den al of
niet roodachtigen achterrand van het schildje, in het getal der
gezigtswimpers enz., kan ik geen wezenlijk onderscheid vinden
en moet ik allen voor dezelfde soort houden.
STYLOMYIA n. g. Eene kleine Tachinine met geslotene en ge-
steelde eerste achtercel, en overigens in ‘toog vallend door haar
bleek coloriet en zwakke beborsteling, werd reeds vóór geruimen
tijd door den heer J. Kinker in een enkel g exemplaar op Beek-
huizen bij Velp gevangen. Mijne hoop om later in de gelegen-
heid te komen er meer exemplaren van te zien, is tot hiertoe
niet vervuld; maar het voorwerp is zoo afwijkend van alle
anderen, dat ik mij niet kan onthouden de soort slechts naar
dit enkele exemplaar te beschrijven en er onder den naam van
Siylomyia een nieuw geslacht voor op te rigten, hetgeen op de
volgende wijze kan worden gekenmerkt: i
Kop rondachtig, ten minste zoo breed als de thorax; aange-
zigt bijna loodregt, ongewimperd; de mondrand weinig opgebo-
gen, met zwakke borstels bezet; wangen en kinnebakken breed,
de laatsten digt behaard. Voorhoofd breed, effen, niet voor-
uitstekend, aan de kanten met zwakke borstels, waarvan er
geen op de wangen afdalen. Oogen naakt. Sprieten bijna tegen
het gezigt liggende, kort; het tweede lid met korte borsteltjes;
het derde lid dubbel zoo lang als het tweede, tamelijk breed ,
aan ‘teinde afgerond; de borstel naakt, onduidelijk geleed.
Zuiger een weinig uitstekend; palpen slank; eylindrisch, aan
‘Leinde iets verdikt. Thorax matig gewelfd; schildje bijna drie-
hoekig, aan den rand met zwakke borstels. Achterlijf eirond,
breeder dan de thorax, uit vier ringen bestaande; de eerste ring
slechts weinig korter dan de volgende, de vierde het langst ; macro-
cheten zwak, zoowel in ’t midden als aan den rand der ringen , uit
150 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
wratjes ontspringende. Pooten matig lang en slechts spaarzaam
met teedere borstels bezet. Vieugelschubben groot. Vleugels
met zeer kleinen, naauwelijks waarneembaren randdoorn; derde
langsader aan de vleugelspits uitmondende; de vierde langsader
met iets afgeronden hoek omgebogen; eerste achtercel gesloten
en duidelijk gesteeld; de kleine dwarsader onder de uitmonding
der eerste langsader en ongeveer op het midden der discoidaal-
cel geplaatst; de achterdwarsader vóór het midden der eerste
achtercel.
Wegens de zwakke beborsteling zou men haast in twijfel
kunnen geraken of dit genus wel tot de Tachininen behoort; de
naakte sprietborstel en het vierringelige achterlijf laten evenwel
geen twijfel, dat het daar op de regte plaats staat. Het ader-
beloop der vleugels en de sterke ontwikkeling der vleugelschub-
ben duiden verwantschap aan met het geslacht Zeucostoma Meig.
De eenige soort van dit geslacht is
Stylomyia punctulata n. s. (Pl. 4, fig. 15—19.)
2131. — Kop bleekgeel met witten weerschijn, aan de wangen
met eenige teedere zwarte haren; kinnebakken met witte borstels;
palpen en sprieten roodgeel; het derde sprietenlid aan de buiten-
zijde, even als de sprietborstel, donkerbruin. Voorhoofd meer
dan het derde gedeelte der kopbreedte innemende, aan de
kanten met witten weerschijn, in ’t midden met breeden rood-
gelen dwarsband ; voorhoofdsborstels ter wederzijde op eene
dubbele rij; sehedel en achterhoofd grauwachtig. Thorax en
schildje lichtgrauw, op den rug met onduidelijke bruinachtige
langsstrepen. Achterlijf grauw, aan den wortel zwart; op den
tweeden, derden en vierden ring zwarte rugvlekjes; de eijerbuis
kort en breed, aan ‘teinde stomp afgeknot ; de borstels op het
achterlijf zwak, maar vrij talrijk. Pooten roodgeel; de achterste
heupen grauwachtig, de voorheupen met witten weerschijn; de
spits der dijen, vooral van boven, donkerbruin; ook de achter-
scheenen verdonkerd; de tarsen zwartbruin; haken en voetballen
klein; de borstels der pooten zwak, aan de voordijen eenigzins
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 154
kamachtig op rijen, aan de onderzijde der achterdijen lang.
Vleugelschubben wit. Vleugels bijna glasachtig, aan den wortel
een weinig met geelbruine tint; de spitsdwarsader bijna onmerk-
baar gebogen; de eerste achtercel vrij lang gesteeld; de achter-
dwarsader bijna regt.
Paragusia Schin. De soort, die ik in de Bouwstoffen, deel III,
blz. 160, n°. 818, als Apodacra elegantula Zeit. heb opgegeven,
is aldaar ten onregte zoo genoemd. De bestemming was destijds
naar een enkel exemplaar geschied Sedert hebben Dr. Piaget
en ik haar op onze exeursiën in de duinen dikwijls aangetroffen,
en is het ons gebleken, dat zij door Schiner zeer kenbaar is
beschreven als Paragusia Frivaldzkit.
Turyprocera Macq. Eene vlieg, door den Heer Snellen als
parasiet gekweekt uit Halias prasinana Linn., kan niet wel
anders dan in het geslacht Thryptocera worden gerangschikt ;
ofschoon zij niet den duidelijk geleden sprietborstel van de
meeste andere soorten van dat geslacht bezit (even als dit bij
Thr. cognata Schiner het geval is). Zij is tot geene der be-
schreven soorten te brengen, waarom ik hier van haar eene
beschrijving geef als
Thryptocera Prasinanae n. s. (Pl. 4, fig. 20.)
g 251 — Kop donkergrauw, boven den mondrand roodachtig ;
voorhoofd ongeveer ter halve kopbreedte; voorhoofdsborstels ten
getale van drie of vier beneden den sprietwortel afdalende ;
boven de groote mondborstels stijgen nog eenige borsteltjes langs
het gezigt op. Sprieten zwart, tot twee derden van het gezigt
reikende; het derde lid vier- tot vijfmaal zoo lang als het
tweede, breed en plomp; de borstel onduidelijk geleed, niet
geknied, tot iets over het midden verdikt. Palpen zwart. Thorax,
schildje en achterlijf grauwachtig zwart, bijna zonder eenige
teekening; achterrand van het schildje roodgeel; vóór op den
159 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
thorax eene flaauwe aanduiding van donkere langsstrepen ; achter-
lijf elliptisch, naar het uiteinde een weinig spits toeloopende;
macrocheten der middenste ringen zoowel in het midden als aan
den achterrand Pooten zwart; achterscheenen buitenwaarts met
ongelijke borstels gewimperd. Vleugelschubben en wortel der
vleugels roodgeel; de vleugels overigens met grauwe tint; de
eerste achtercel met geopende uitmonding zeer kort vóór de
vleugelspits; de langsaderen ongedoornd ; de achterdwarsader in
‘t midden tusschen de kleine dwarsader en de buiging der vierde
langsader.
Er waren twee g exemplaren uitgekomen in April, uit rupsen
van Doorn medegebragt.
Ten slotte voeg ik hierbij nog eene opgave van Tachininen,
welke bij ons te lande als parasieten in rupsen en andere in-
sectenlarven zijn waargenomen. Deze opgave strekt ten vervolge
van eene dergelijke, welke in der tijd door mij werd medege-
deeld en opgenomen is in dit Tijdschrift, eerste serie, deel VI,
blz. 45.
Plagia ambigua Fall. . . . . uit Plusia gamma Linn. (Rotterdam, Snellen
en Fransen).
» Aurifluae n. s. ... Liparisauriflua W. V. (Groningen, Julij,
(Zie hiervoren). de Gavere).
Sphinx Pinastri Linn. (van Beekhuizen,
Kinker).
Exorista vulgaris Fall. . . . » (Bombyx potatoria Linn. (Sn. v. Voll.)
Cucullia Verbasci Linn. (Haarlem, Julij,
Boogaard).
=
u mitis Meig. Calymnia trapezina Linn. (de Graaf.)
» fimbriata Meig. .. Geometra wayaria Linn. (Haarlem,
Boogaard.)
" excisa Fall. . . . . » Bombyx processionea Linn. (Voorst,
Wtiewaall.)
” Lucorum Meig. . . » Sphinx Ligustri Linn. (Gron.,de Gavere.)
” prominens Meig. . Bombyx neustria Linn. (Rott., Fransen.)
7, ferina Rob. D. .. Vanessa Urticae Linn. (Als voren.)
» affinis Fall, .... » Psyche villosella Ochs. (Oosterbeek,
Bakker Jr.)
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 155
Meigenia bisignata Wied...
7 bombivora n. s. . .
(Zie hiervoren.)
Tachina Larvarum Linn...
» vidua Meig. ....
Phorocera concinnata Meig. .
Baumhaueria vertiginosa Fabr.
Thryptocera pilipennis Fall. .
" setipennis Fall. .
” Prasinanae n. s.
(Zie hiervoren.)
Macquartia nitida Zett. . . .
Degeeria parallela Meig.
Scopolia latifrons Zett. . ..
" ocypterina Zett. . .
u
[4
uit Athalia Spinarum Fabr. (Voorst, Snellen
van Vollenhoven.)
Bombus Agrorum Fabr. (Haarlem, Mei,
Ritsema.)
‘Papilio Machaon Linn. (Rotterdam,
Junij, Fransen.)
JAcronycta Rumieis Linn. (Rotterdam ,
Mei, Fransen.)
Bombyx Rubi Linn. (Gron., de Gavere.)
Smerinthus Tiliae Linn. (Amsterdam,
Lodeesen.)
|Bombyx Cynthia Drur. (Velp, de Roo
van Westmaas.)
Arctia lubricipeda Linn. (Amsterdam,
Grebner en Lodeesen.)
Liparis auriflua W. V. (Haarlem , Julij,
Weijenbergh.)
Pygaera anachoreta W. V. (Amsterdam,
Grebuer en Lodeesen.)
Acronycta tridens. W. V. (Amsterdam
dezelfden.)
Acronycta Aceris Linn. (Rotterdam,
Mei, Fransen.)
,
‘Geometra amataria Linn. (Rotterdam,
| Fransen.)
Arctia caja Linn. (Rott., Fransen.)
Retinia resinella Linn. (Oosterbeek ,
October, Bakker Jr.)
Notodonta tremula Clerk. (Rotterdam ,
Fransen.)
Halias prasinana Linn. (Doorn, April,
Snellen.)
Botys verticalis W. V. (Gron., de Gav.)
Nematus virescens Hart. (Voorst, Snellen
v. Voll.)
Selandria sericans Hart. (Sn. v. Voll.)
Leucania lithargyria Esq. (Rott., Mei,
Fransen.)
Pterophorus lithodactylus Tr. (Rott. ,
Julij, Snellen.)
13
Qc
Qt KO —_
DNS ER
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
Verklaring der Afbeeldingen.
Plagia Aurifluae n. s.
” impressa n. s.
Meigenia bombivora n. s.
” L/4
vv "
Germaria sabulosa n. s.
H Ww
" LA
V/d ”
vleugel.
kop in profiel 4.
kop van voren 4.
vleugel.
kop 2.
spriet d.
” DI
Ammobia glabriventris n. s. 2.
” LA
"” LA
[7 UA
” ”
Stylomyia punctulata n. s. 2.
Ww W
UA ”
” ”
L/4 ”
Thryptocera Prasinanae n. s.
kop 4 van voren.
” 2 ” ”
» 2 in profiel.
vleugel.
vleugel.
kop van voren.
vin profiel.
spriet.
kop in profiel.
NEDERLANDSCHE DIPTERA
IN METAMORPHOSE EN LEVENSWIJZE
BESCHREVEN DOOR
H. WEYENBERGH Jr.
INLEIDING.
Toen de tijden, waarin de beoefening der natuurwetenschappen
zich bepaalde tot het bestudeeren en commentariëeren van de werken
van Aristoteles , langzamerhand tot het verleden begonnen te behoo-
ren en aan den wetenschappelijken horizont een nieuwe dag
voor het vrij en zelfstandig onderzoek begon te gloren, was bij
het verzamelen en rangschikken der soorten op het uitgestrekt
gebied der entomologie, ook veler oog gericht op de merkwaar-
dige levenswijs en de steeds verrassende gedaantewisseling der
insekten. De biologie der insekten was het veld van veler
onderzoek. En geen wonder, want nog heden ten dage is de
verandering der insekten voor den oningewijde bijna een wonder
gelijk, en blijft voor den wetenschappelijken waarnemer, hoe
dikwijls ook reeds waargenomen, in verband met hunne vaak
belangwekkende levenswijs, een aangenaam schouwspel.
Geen wonder verder ook dat de zoo sierlijk uitgedoste Lepi-
doptera in de eerste plaats veler aandacht tot zich trokken; tal
van werken , somtijds met elkander wedijverende in naauwkeu-
righeid en pracht van uitvoering, is daar om van die voorkeur
getuigenis af te leggen.
Niet anders ging het ook in ons land en met onze vaderland-
sche insekten. Naast uitstekende insekten-anatomen en -physio-
logen, als Swammerdam, Lyonet en Leeuwenhoek, mag ons
14
156 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN
vaderland zich ook op biologen beroemen, die aan eene naauw-
keurige opmerkings- en waarnemingsgave een geoefend penseel
paarden en zoo de herboren wetenschap met groote schreden
deden voorwaarts schrijden. Maar even als elders waren het ook
hier vooral de lepidopteren, die zich in de gunst der onder-
zoekers wisten te dringen. Zoowel de Middelburgers Goedaert
en Blankaart, als jufvrouw Merian en L’admiral hielden zich
vooral met de schubvleugeligen en hunne gedaantewisseling en
levenswijs bezig. Het aantal insekten uit andere orden dat zij
behandeld hebben, is betrekkelijk zeer gering.
Het valt niet te ontkennen dat deze bevoorrechting der lepi-
dopteren, hoewel voor een groot deel toe te schrijven aan de
sierlijkheid der volmaakte insekten, voor een ander deel ook op
rekening te stellen is der grootere verschillen, die de eerste
toestanden, de rupsen, onderling aanbieden, en zoo de taak
vergemakkelijken; terwijl in andere orden eene grootere één-
vormigheid in de eerste toestanden, larven en maden, heerscht ,
die eene juiste onderscheiding moeijelijker maakt en als van
zelf tot latere tijden deed uitstellen.
Het was dan ook reeds omstreeks 1758 dat Jan Christiaan Sepp
een werk begon uit te geven over de Nederlandsche Lepidoptera,
dat nog op den huidigen dag wordt voortgezet en in reeksen
van afzonderlijke monographieën de Nederlandsche soorten dezer
orde afbeeldt en beschrijft, een werk dat te recht wegens uit-
voerigheid en netheid van behandeling steeds geroemd wordt.
Het is te wenschen dat eenmaal de tijd moge komen dat ons
vaderland voor elke orde zijner entomologische fauna op zulk een
standaardwerk kan wijzen, als het werk van Sepp is voor de
schubvleugeligen. In vele opzichten kan bij het ondernemen
van deze taak voor de andere orden, Sepp’s werk tot voorbeeld
en model dienen.
Juist eene eeuw was verloopen sedert Sepp met de lepidopte-
ren het voorbeeld gaf, toen vóór weinige jaren eene andere orde
hen gevolgd is. Bij de oprichting toch van het Nederlandsche
tijdschrift voor Entomologie in 1858, is door den steeds op het
geheele uitgebreide veld der entomologische wetenschap met zoo
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJZE. 137
gelukkigen uitslag werkzamen Dr. S.C. Snellen van Vollenhoven
met de beschrijving der Hymenoptera in dien geest een begin
gemaakt en wel meer bepaald met de afdeeling der bladwespen.
De eerste serie van dat tijdschrift bevat de keurige monogra-
phiëen van acht-en-dertig soorten.
Geene andere orde is tot nog toe in denzelfden geest in be-
handeling genomen. Wel zagen van enkele Nederlandsche in-
sekten uit andere orden geheele of gedeeltelijke levensgeschie-
denissen in ons Tijdschrift of elders het licht, maar deze zijn
slechts losse, op zich zelf staande stukken. Dat wij nog niet
verder zijn, is zeker bijna uitsluitend te wijten aan de uitge-
breidheid van het veld van onderzoek.
Met de beide volgende levensgeschiedenissen open ik de be-
schrijving der Nederlandsche soorten uit de orde der Diptera en
hoop deze van tijd tot tijd door anderen te doen volgen, mij
het « Excelsius» tot leuze kiezend. Dat ik bij deze mijne poging
de ondersteuning en medewerking onzer vaderlandsche entomo-
logen op hoogen prijs stel, ja op haar als onmisbaar reken, is
schier overbodig te zeggen.
Vooraf wil ik nog opgave doen van de soorten der Diptera ,
die in de verschillende toestanden beschreven, hier en daar in
de Nederlandsche entomologische litteratuur verspreid „ voorkomen.
Goepaert beschrijft in zijn Metamorphosis naturalis een vijf-
en-twintigtal soorten van Diptera, n. l.:
Deel I. PI. 2 A, B, CG. p. 20: Eristalis tenax L. Pl. 4 A,
B. p.28: Musca (domestica ?). Pl.5 E. p. 29: Cyrtoneura spec. ?
PI. 6 F. p. 51: Bibio MarciL. Pl. 41 p. 92: Syrphus Ribesii L.
PI. 50 B. p.102: Urophora Cardui L. PI. 51 C. p.104: Homa-
lomyia canicularis L. PI. 59 A. p. 108: ...?... PL 55
p. 106: Calliphora vomitoria L. PI. 54 p. 107: Lucilia Caesar L.
Pl. 55 p. 107: Sarcophaga spec.? Pl. 69. p. 127: Anthomyia
spec.? PI. 70: Larven van Stratiomys spec.? Pl. 71 p. 150:
Exorista spec.? Pl. 75 p. 155: Piophila Casei L.
Deel II. PI. 2. p. 5: Tachina spec.? PL 8. p. 17: Tachina
spec.? PI. 11 p. 28; Syrphus? Helophilus? PI. 44 p. 241:
158 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN
Tipula oleracea L. Pl. 45 p. 247: Syrphus? Pl. 47. 1. p. 268:
Anthomyca spec.? PI. 47. 2. p. 268: Anthomyia spec.? PI. 47.
5. p. 268: Anthomyia spec. ?
Deel III beeldt wel eenige niet te determineeren Tachinarie
af, maar geene eerste toestanden.
Daarenboven vindt men nog van eenige soorten alleen de
eerste toestand afgebeeld, b. v. I. pl. 47. Syrphus Pyrastri L. enz.
Swammerpam geeft in de Biblia Naturae beschrijving der vol-
gende soorten.
Tab. 51. fig. 4—8. Tab. 52. Culex pipiens L. Tab. 58. fig.
IX A, B, C. Zristalis tenax L. Tab. 58. fig. X D, E, F.
Tachina spec.? Tab. 58. fig. I-VII!. Homalomyia spec.? Tab.
59— 12. Stratiomys Chamaeleon F.' Tab 45. Piophila Casei L.
Tab 44. fig. 14, 18; Cecidomyia salicina Schr. Tab. 44. fig.
16, 17 c—h. Cecidomyia rosaria Löw. Tab. 45. fig. 26—50.
Syrphus Pyrastri L.
In de andere werken van Swammerdam staan wel eenige
derzelfden, maar geene andere soorten afgebeeld en beschreven.
LEEuwEnHoER beschrijft en beeldt af in: Missive van 17 Oct.
1687. fig. 2, 5, 4 Calliphora spec.? Missive van 20 Dec. 1695.
fig. 1—5 Tipula oleracea L.
Met meer of minder uitvoerigheid bespreekt hij ook nu en
dan wel andere dipteren, b. v. de zwarte vlieg en Psychoda
phalaenoides L., maar hij beeldt hunne eerste toestanden niet af.
Lyonet geeft in het na zijn dood door Dr. de Haan uitgege-
ven werk beschrijving en afbeelding der volgende soorten:
PI. 1, 2, 5. Melophagus ovinus L. Pl. 7 en 8. fig. 1. Bibio
Mars 0 Bl: (47.0 Age 3 9, 5,6574 10,42,2158 10 217:
Tanypus nervosus Meig.(?) PI. 18. fig. 1—7. p. 192. Ptychoptera
contaminata L. (ten onrechte aldaar Pt. paludosa Meig. genoemd).
PI. 17. fig. 5, 4, 8, 9, 11, 14, 15, 18, 19. Corethra plumi-
cornis F. PI. 17. fig. 21, 22, 25, 24, 25, 29, 50, 54, 55, 56.
Sargus cuprarius Meig. Pl. 17. fig. 20, 26, 27, 28, 51, 32,
55. Mycetobia spec. ?
2 Zie Tijdschr, voor Ent. 2° serie. IV. p. 20.
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJZE, 159
SLABBER geeft in zijne Natuurkundige verlustigingen eene zeer
nette beschrijving en ontwikkelingsgeschiedenis van Coretbra
plumicornis F. (N°. 5 en 4).
Brankaart beschrijft in zijn Schouwburg der rupsen, maden ens.
Deel I. Tab. 16 fig. L. M. Cerasi L. Tab. 16. fig. R, S, T.
p. 189. Trypetina Cardui L. Pl. I A—F. Musca spec.? Tab. IX
K, L, M. Nemoraea spec.? Tab. X A, B, C. Sarcophaga spec.?
Tab. X D, E, F. Eristalis tenax L. Tab. X G, H, I. Homalo-
myia spec.? Tab. X K, L, M. Syrphus spec.? Tab. X N, 0, P.
Syrphus Pyrastri L. Tab. X Q, R, S. Syrphus spec.? (= Goed.
Il. tab. 45). Tab. XV A, B, C Culea pipiens ıL.
Deel Il (in handschrift voorhanden in de Koninklijke biblio-
theek te ’s Gravenhage). H. XXXI. Piophila Casei L.
Merian, Insect. Europ. I. Tab. 49. Lucilia Caesar L. Tab. 2.
Musca Nemorum L. Tab. 89. Syrphus Pyrastri L.
L’apmiraL beschrijft en beeldt af in Vaauwkeurige waarnemin-
gen omtrent de veranderingen enz. enz.:
Tab. 6. p.5. Tachina Larvarum L. Tab. 7. p. 4. Tachina spec.?
Tab. 17. p. 14. Tachina spec.? Tab. 18. p. 15. Nemoraea spec ?
Tab. 19. p. 16. Scathophaga stercoraria? Tab. 25. p. 22. Tachina
Spec. Tab} dad pt Fae DA
Mr. H. VERLOREN gaf in de Konst- en Letterbode 1846. n°. 15,
15 en 1847, n°. 9, de beschrijving der levenswijze van Tachina
glabrata Meig.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN gaf in zijne Schadelijke insecten in
twinen (1845) zeer korte opgaven omtrent de metamorphose van
Cecidomyia Pini, Cec. salicina, Tipula oleracea, Bibio hortu-
lana, B. Marci, Anthomyia Ceparum, A. Brassicae en Lactu-
carum. In zijne «Insecten welke den landbouwer schaden enz.»
deelt hij de levenswijs mede van de Dennenmug (Cecidomyiu
Pini). p. 87, de Pereboomsvlieg (Syrphus Pyrastri) p. 124,
twee andere Syrphi en zes Tachinarien.
In zijn «Volksleesboek over schadelijke en nuttige insecten»
(1864) gaf Dr. J. WrrewaaLL de beschrijvingen en afbeelding der
gedaanteverwisseling van de tarwemug (Cecidomyia Tritici) bl. 62,
van de paardenbrems (Gastrus Equi) bl. 66, van Nemoraea
160 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN
glabrata, bl. 124—128, van twee zweefvliegen Syrphus Pyrastri
en faeniatus, bl. 142, van Asilus germanicus, bl. 144, van den
Emelt (Tipula spec.?), eindelijk van de koolvlieg (Anthomyia
Brassicae).
In het 4° deel der « Nieuwe Verhandelingen van het Instituut»
komt voor de waarnemingen omtrent de horzelmaskers, welke
in de maag van het paard huisvesten door den hoogleeraar —
A. Numan, waarin men de levenswijze van Gastrus Equi,
haemorrhoidalis, salutaris en nasalis omstandig beschreven en
naauwkeurig afgebeeld vindt.
In het eerste deel van het Nederl. Tijdschr. v. Entomologie,
p. 15—19 beschrijft Van der Wulp PII. fig. a—d. Ptychoptera
contaminata L. Pl. I. fig. 1—4. Eristalis sepulcralis L.
Ziehier in hoofdzaak hetgeen er van onze vaderlandsche diptera ,
met betrekking tot hunne gedaantewisseling en levenswijs, hier
te lande is afgebeeld en beschreven.
De twee vliezige ongeplooide vleugels die door (lucht-)aderen
in min of meer hoekige vakken verdeeld worden en waar achter
zich, als rudimentaire ondervleugels, twee kolfjens (halteres)
bevinden en de tot zuigen ingerichte mond kenmerken de orde
der Diptera onder de insekten voldoende. De kop is, behalve
bij de Pupipare, door eenen dunnen hals aan het lijf verbonden.
De oogen zijn groot en raken elkander dikwijls op het voorhoofd
en daarenboven zijn gewoonlijk drie ocelli (nevenoogen) aanwezig.
De sprieten, die bij de eerste familien (Culiciden en Tipularien)
uit vele leedjens bestaan en vaak gepluimd, gekanıd of knods-
vormig zijn, bezitten bij de andere geslachten gewoonlijk slechts
drie leedjens, van welke het uiterste het grootste is en een,
somtijds nog geleed, borstelhaar aan de rugzijde draagt. In
het maaksel der monddeelen heerscht een vrij groot verschil; in
het algemeen kan men zeggen dat labrum, ligula, mandibula,
mazillae, palpi en labium door de geheele orde heen voorko-
men, slechts den mannetjens der Culiciden ontbreken ligula en
mandibula. De gewoonlijk kleine prothorax draagt het eerste
pootenpaar en de grootere mesothorax de vleugels en midden-
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJZE 161
pooten. De metathorax draagt de achterpooten en de halteres,
die alleen het geslacht Melophagus F. mist. De vaak behaarde
of gedoornde pooten zijn bijna altijd lang en de tarsen steeds
vijfledig; het laatste tarsenlid eindigt in twee klauwtjens, tus-
schen welke twee of drie met haartjens bezette lapjens staan,
waarmede deze insekten zich aan gladde voorwerpen vasthechten.
Het vijf- tot negenledig achterlijf is nooit dun gesteeld en ver-
toont aan het eind de uitwendige geslachtsorganen, die bij het
mannetjen uit somtijds klepvormige tangen of haken en bij het
wijfjen uit een uitschuifbaren eilegger bestaan. Het verloop der
aderen in de vleugels is aan groote verschillen onderhevig bij de
verschillende familien; de namen, waardoor men de aderen en de
door haar gevormde cellen onderscheidt, zijn voornamelijk *:
de randader, aan den voorrand des vleugels; de onderrandader
die daarop volgt; de middenader, die op den onderrandader
volgt; de vorkader, die vóór den vleugelrand te bereiken zich
in tweeën deelt; en daarop volgt de anaalader, die den vleugel-
rand nooit bereikt; de tusschenader, die uit de onderrandader
of de middenader ontspringt en zich even als dezen naar den
vleugelrand begeeft; daarenboven ziet men somtijds eenige dwars-
adertjes, die de onderrandader en middenader, of middenader
en vorkader, of vorkader en anaalader, enz., verbinden. Eenige
geslachten hebben daarenboven dwarsadertjens tusschen de twee
takken der vorkader of tusschen de vorkader en middenader,
niet ver van den vleugelrand, b.v de Syrphiden. Vele familien
hebben een schier geïsoleerd vleugellapjen aan de achterzij van
den vleugelwortel. De voornaamste vleugelvelden zijn: de 1° voor-
randeel, tusschen de rand- en onderrandader; de 2° voorrand-
cel, tusschen de onderrandader en tusschenader; de 1° cubitaal-
cel, tusschen de onderrandader en middenader; de 2° cubitaal-
cel, tusschen de tusschen- en middenader; de middencel ,
tusschen de midden- en vorkader; de vorkeel, tusschen de beide
takken der vorkader, en de anaalcel, om de anaalader. Zoo als
* Ik laat deze beschrijving hier voorafgaan, omdat ik mij van de hier vermelde
namen in ’t vervolg zal bedienen.
169 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN
reeds gezegd is hebben bij deze adervertakkingen en dus ook
bij de celverdeelingen vele wijzigingen plaats.
Het zenuwstelsel der Diptera bestaat uit een buikzenuwstreng,
samengesteld uit drie borst- en vijf of zes achterlijfsknoopen,
die echter bij soorten met een zeer kort lichaam tot een ge-
ringer aantal, zelfs tot één, kunnen samensmelten. Aan den
slokdarm der Diptera komt een daarmede door een vrij lange
buis verbonden krop of zuigmaag voor, die naast de rolronde
chylmaag is gelegen; deze chylmaag vertoont vaak een paar
blinde aanhangsels; de darm heeft een matige lengte en de
endeldarm is vóór den anus blaasvormig verwijd. De vasa
urinaria zijn vier of vijf in getal. De adembuizen of tracheen
vertoonen op sommige plaatsen blaasvormige uitzettingen, van
welke vooral de twee groote, die het voorste gedeelte van het
achterlijf innemen, dadelijk in het oog vallen. De testes der
mannetjens doen zich voor als twee eironde of min of meer
schroefvormige lichamen, met korte vasa deferentia en zijn
somtijds blauw-, rood- of geelachtig gekleurd.
Vele Diptera bezitten eigenaardige stemorganen aan de voorste
en achterste stigmata van het borststuk, waardoor zij een
gonzend of brommend geluid voortbrengen.
Voor nadere ontleedkundige en physiologische bijzonderheden
verwijs ik kortheidshalve naar de handboeken der zoologie en
vergelijkende anatomie '.
In den eersten levenstoestand zijn de Diptera pootlooze larven,
gewoonlijk maden genoemd; sommigen hebben op pooten ge-
lijkende uitsteeksels met haakjens voorzien, b. v. de horzelmas-
kers, de maden van Phytomyza en Bibio; anderen daarentegen,
die in het water leven, hebben aan het achterlijf op roeiwerk-
tuigen gelijkende deelen. De maden zijn gewoonlijk week en
zelden van fraaije kleuren voorzien, enkelen hebben een afge-
ı Men zie ook desbelust Nr. H. Landois, Die Ton- und Stimm-apparate der Insecten,
Leipzig 1867. p. 30—47; alsmede voor de embryologie der Diptera het hoogst be-
langrijke werk van Dr. A. Weismann, Die Entwicklung der Dipteren, Leipzig 1864.
Voor anatomische studie der Diptera is onmisbaar Dr. L. Dufour, Recherches ana-
tomiques et physiologiques sur les Diptères. Paris 1851. en van denzelfden schrijver,
Etudes anat. et physiol. sur une mouche (Sarcophaga haemorrhoidalis F.) Paris 1846.
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJZE. 165
scheiden kop, waarop zich dan soms een paar ocellen bevinden;
de in het water levende hebben in dezen toestand blad- of
haarvormige tracheen-kieuwen. Een paar hoornachtige haakjens
aan den mond dienen meer ter bevestiging aan het voorwerp,
waarmede zij zich voeden, dan tot kauwen. Een paar sterke
tracheën-buizen zijn dikwijls van het achtereind af tot ver in
het lichaam te vervolgen, b. v. bij sommige Tipularienmaden en
Conopslarven.
De gedaanteverwisseling is volkomen, het meerendeel veran-
dert in pupae coarctatae en de anderen in pupae obtectae. Bij
volgende levensbeschrijvingen zullen zich van zelf nu en dan ge-
legenheden opdoen om over een en ander nader uit te weiden !.
Terwijl, zooals wij reeds gezegd hebben, slechts weinige maden
beschreven zijn, is het aantal beschreven volmaakte insekten des
te grooter, bedragende + 15,000 soorten.
De lijst onzer vaderlandsche Diptera, door den heer F. M.
van der Wulp medegedeeld, telt alleen reeds bijna 1400 soorten,
terwijl sedert nog vele voor onze fauna nieuwe soorten ontdekt zijn.
De oudste sporen van het voorkomen der Diptera op onze
aarde dateeren uit de jura-periode. Enkele fragmenten zijn door
Brodie gevonden in de secundaire gesteenten bij Wiltshire, en
uit den lithographischen schiefer van Solenhofen ken ik vijf
soorten.
In jongere vormingen treden ook de Diptera talrijker op; Germar,
Heer en anderen hebben er velen beschreven (zelfs enkele larven) (2)
en alleen in barnsteen heeft H. Löw omstreeks 850 soorten op-
geteld.
Het voedsel der Diptera bestaat, zoowel voor de maden als
voor de imagines, uit allerlei dierlijke en plantaardige stoffen ,
bij voorkeur die welke in gisting of rotting verkeeren.
1 Voor de systematiek verwijs ik naar Meigen System. Beschr. d. bekannt. europ.
zweiflüg Insekten. 1818—38. J. R. Schellenberg, Gattungen d. Fliegen in 42
Kupfert. entworfen, Zurich 1803 en J. C Fabricii, Systema Antliatorum, Brunsw.
1805 als hoofdwerken. Zie ook v.d. Hoeven, Handb. d. dierk. 1849. I. p. 365 —407
en Harting, Zeerb. d. dierk. III. 1. 1. p. 258—292.
104 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN
I.
CHEILOSIA CHRYSOCOMA Merc.
Meicen, System. Beschr. d. zweifl. Ins. III. p. 280. n°. 4.
Macovart, Suites à Buffon, Dipteres I. p. 556 n°. 4.
ZerterstEDT, Diptera Scandinaviae IL. p. 784. n°. 8.
ScnineR, Fauna austriaca p. 286.
Bouwst. v. eene Fauna v. Nederland Ill. p. 145. n°. 665".
Syrphus obscure aeneus nitidus aurato-hirsutus; pedibus
fuscis; tibiis rufis. (Meigen, 1. c.)
De aan vormen rijke familie der Syrphiden, staande vliegen,
(zie Meigen, deel III. p. 274. Tab. 50), ook in ons land door
ongeveer 125 soorten vertegenwoordigd, heeft reeds meermalen
de aandacht tot zich getrokken door de eigenaardigheden, zoowel
der larven als der volmaakte insekten. Reeds vroeg was de
« ver à queue de rat » bekend als de made van Eristalis tenax L. * en
reeds de eerste vaderlandsche entomologen sloegen met vermaak
de eigenaardigheden van de larven van het geslacht Syrphus
gade. Van de meeste geslachten dezer familie zijn dan ook van
een of meer soorten de eerste toestanden, hetzij hier te lande,
hetzij buiten ’slands, ontdekt en beschreven geworden.
De eerste toestanden van het aan soorten rijke geslacht Chei-
losia Meig. (met ongeveer 15 nederlandsche soorten) bleven ons
echter onbekend en van hare levensgeschiedenis kwam bijna
niets aan 't licht.
In October 1867 verpopten bij mij larven die ik in Augustus
en September in het wortelgedeelte van distelstengels in onze
duinstreek gevonden had en die ik toen slechts oppervlakkig
1 Voor onze faunistische opgave zal ik alleen citeeren de laatste naamlijst van in-
landsche Diptera door den heer F. M. v. d. Wulp in de Bouwstoffen Deel III,
medegedeeld,
» Ten onrechte noemt Lyonet alzoo de made van Ptychoptera contaminata L.
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJZE. 165
had beschouwd. Reeds in Februarij en verder tot in Mei,
werd ik verrast door het uitkomen van fraaije vliegen uit de
familie der Syrphiden, door den heer v. d. Wulp als Cheilosia
chrysocoma Meig. bestemd.
Ik besloot nu om het volgende jaar de levensgeschiedenis dezer
soort na te gaan en het scheen mij niet ongeschikt met deze
wegens de onbekendheid der made des te belangwekkender soort,
de levensbeschrijvingen der Nederlandsche diptera te openen.
Zoo weinig mogelijk zal ik treden in herhalingen van hetgeen
men in de werken, aan het hoofd der opstellen aangehaalde
omtrent de soort en het geslacht kan vermeld vinden.
Ik begin met de beschrijving der maden. De mindere grootte
en de minder geelachtige, meer witte kleur uitgezonderd, gelijken
de jonge larven volmaakt op de volwassenen. De lengte der
volwassen maden is 12 millim. en de grootste lichaamsbreedte
ongeveer 3,5 millim.
De kleur is vuilachtig geel en het aantal segmenten twaalf;
het staarteinde is dunner dan het kopeind, zoowel aan den kop
als aan het staarteinde bevinden zich een paar uitsteeksels, die
helder rood van kleur zijn; die aan den kop staan een weinig
van elkander (kaken?) en zijn iets zwakker dan die van het
staarleinde, welke dikker en naar ‘tschijnt, tegen elkander
aangegroeid zijn. Aan de buikzijde bevindt zich op den derden
ring een paar zwakke aanhangsels, die bij de pop tot de uit-
steeksels worden, in fig. 4 afgebeeld. Ook van de uitsteeksels
aan kop en staarteind blijven bij de pop de sporen zichtbaar,
hoewel die aan den kop zeer flauw. Ziet men den kop der
larve van onderen dan ontdekt men twee heuveltjeus of kleine
tepeltjens en daaronder een dwars streepjen of spleetjen (Zie fig. 2).
In de vochtige wortels van distels schijnen deze maden in
den nazomer niet zeldzaam te zijn; vooral wanneer de plaats
waar de distels groeien niet al te vochtig is, vindt men er bij
vlijtig zoeken steeds eenigen. Zij vreten de wortels geheel uit
en dragen daardoor zeker veel bij tot den vroegen dood der
vele distels, die men vaak reeds in het begin van September
verwelkt ziet.
166 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN
In de eerste helft van October verpoppen zij, hetgeen bij alle
maden die even als deze in pupae coarctatae veranderen, ge-
schiedt door samentrekking, donkere verkleuring en pergament-
of leerachtig worden der huid. Zij worden door dit proces
tevens iets kleiner en de deeling in ringen wordt bijna on-
zichtbaar.
Ik heb bij fig. 4 zulk een grauw geworden pop afgebeeld,
van de buikzijde. De uitsteeksels op den derden ring nemen
nu eene lichtbruine kleur aan, terwijl de bij de made helder
roode uitsteeksels aan kop en staart de algemeene grauwe kleur
aannemen. In deze positie vindt men de poppen in de geheel
uitgeholde wortels der distels (Carduus crispus L.) in den
winter en door het geheel vergaan van den distelwortel vindt
men haar in het voorjaar los in de aarde.
De volmaakte insekten verschenen uit de pop gedurende het
geheele voorjaar, van half Februari tot het einde van Mei, en
gedurende de maanden Juni en Juli ving ik enkele exemplaren
op de plaatsen waar ik de larven gevonden had, n. l. in de
duinen achter Elswout bij Haarlem en in de Velzer duinen.
Omstreeks Maart opende ik een poptonnetjen en vond daarin
het nimfjen bij fig. 5 afgebeeld. De groote oogen raken elkander
bijna en de zuiger is daaronder flauw te zien. De pootscheeden
doen zich als vrij lang en de vleugelscheeden als klein voor.
Aan het onderste gedeelte van het achterlijf vertoonen zich sporen
der geledingen. De kleur is glazig wit.
De volmaakte insekten kwamen meestal in den vroegen voor-
middag te voorschijn en wisten zich binnen een minuut of tien
aan hun hulsel te ontwringen, nadat het kop-dekstuk van de
beide uitsteeksels des derden rings af — dus in den vorm van
een driehoekig klepjen — was afgesprongen. In het poptonnetjen
bleef meestal nog een wit ineengeschrompeld vliesjen achter.
De vliegen gingen spoedig in perpendiculaire houding zitten,
die voor de ontplooiing der vleugels de meest geschikte stand is.
Er verliepen vijf-en-twintig tot dertig minuten, eer de vleugels
geheel ontplooid waren, ‘tgeen zeker in verhouding tot andere
insekten vrij lang is.
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJZE. 167
De pas uitgekomen vlieg is zeer licht bruin van kleur, vooral
de buik en de pooten, en de kop is iets donkerder; na een uur
ongeveer heeft zij hare normale donkere kleur erlangd. De
ontplooide vleugels staan eerst ver van elkander verwijderd,
naderen allengs elkander en komen eerst na 14 of 2 uur in den
stand waarin zij in rust bij deze soort gewoonlijk staan, n. 1.
gedeeltelijk elkander bedekkend op het achterlijf. Eerst dan
wordt het insekt levendiger, begint snel heen en weêr te loopen
en js vliegvaardig.
Onder de bij mij uitgekomen vliegen is er een die wegens
eene belangrijke anormiteit vermelding verdient. Het rechteroog
ontbrak geheel, zoodat aan die zijde de kop, hoewel volkomen
gaaf, sterk afgeplat is. Daarbij zijn de sprieten zeer asymme-
trisch geplaatst, die van de linkerzijde staat veel meer rechts
en die van de rechterzijde staat schuin-rechts daarboven; ook
het onderste gedeelte van den kop staat zeer schuin naar de
rechter zij.
Deze vliegen schijnen zeer taai van leven te zijn, althans in
gesloten doosjens of glazen leefden sommigen bij mij vele dagen,
ja, verscheidene weken, zonder eenig voedsel. Niettegenstaande
dit lange leven en het groote aantal dat ik bijeen had, heb ik
nooit eene paring kunnen waarnemen en heeft geen der wijfjens
eieren bij mij gelegd. Een wijfjen echter, welks abdomen
dikker was dan dat van de anderen, kneep ik eenige malen in
het achterlijf en zoo gelukte het mij het ei te voorschijn te
drijven, dat fig. 11 afbeeldt. Dit ei, waarvan ik niet weet of
het bevrucht of onbevrucht is, is in verhouding tot de vlieg vrij
groot en week; de kleur is blauwachtig wit, eenigzins glazig.
Het schijnt mij toe dat de vruchtbaarheid dezer soort gering
is, daar ik van nog een paar wijfjens de ovaria onderzocht heb,
maar steeds zeer weinig eieren aanwezig vond (4—10).
Het lijdt geen twijfel of in de natuur worden de eieren in
het voorjaar en den voorzomer (in de maanden Mei en Juni)
gelegd, daar omstreeks dien tijd de meeste voorwerpen aanwezig
zijn. Of het ei in de nabijheid van, aan of in den distel ge-
legd wordt bleef mij onbekend, even als het aantal dagen dat
168 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN
tusschen de legging en het uitkomen der jonge maden verloopt.
Dat het ei evenwel niet lang blijft liggen blijkt o. a. hieruit,
dat men reeds in Juli jonge en in Augustus bijna volwassen
larven aantreft.
Opmerkelijk is het dat terwijl de enkele voorwerpen, die ik
in de vrije natuur waarnam, steeds in den felsten zonneschijn
van de eene bloem op de andere dwarrelden of soms ook pijl-
snel voorbij zweefden, de voorwerpen die bij mij zijn uitgeko-
men binnen weinige minuten dood waren, wanneer ik het glas
waarin zij opgesloten waren in den zonneschijn plaatste. Enkele
malen deed ik dit in de hoop de paring te begunstigen, doch
zag mij dan door den dood der dieren deerlijk bedrogen.
Ik vermoed dat de warmte van mijne kamer het uitkomen
der imagines vervroegd heeft — de eerste toch verscheen reeds
22 Februari — en dat de gewone tijd voor het verschijnen van
de imago in de natuur valt omstreeks April, gelijktijdig met het
ontluiken der bloemen en het uitgroeien der distels.
Het schijnt dat deze soort niet algemeen is, althans in ons
vaderland is zij nog slechts enkele malen gevangen. Ook schijnt
deze soort niet veel van parasieten te lijden te hebben; ik ver-
kreeg uit omstreeks dertig poppen slechts één sluipwesp.
De vlieg zelve beschrijf ik als volgt:
De algemeene kleur is donker glanzig bruin met metaalachti-
gen olijfgroenen weérschijn. De oogen zijn donkerbruin met
eenigzins violetten weérschijn en raken elkander op het voor-
hoofd; zij zijn duidelijk behaard. De wangen en monddeelen
zijn staalachtig donkerblauw (Zie fig. 6 en 8). In profiel is het
aangezicht onder de sprieten uitgehold, en vormt in ’t midden
een klein stomp bultjen; ook de mondrand is van voren bultig
verheven. Op den kruin bevindt zich een haarbundeltjen, als
ook op het voorhoofd boven den wortel der sprieten; deze
haren zijn bruingeel, zelden donker bruin. De drieledige spriet
is roestkleurig en het eerste lid kolfvormig uitgezet; aan den
wortel van het laatste lid bevindt zich een lang borstelhaar, de
zoogenaamde sprietborstel. Op het tweede lid staan zoowel aan
de rug- als ondervlakte een paar haartjens. Tusschen de gele-
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJZE. 169
ding van kop en thorax ziet men eene zeer fijne, donsachtige ,
lichtbruine, bijna geele beharing. De kop is ongeveer zoo breed
als de thorax.
Het borstuk is sterk met een lichtbruin (geel) dons bedekt
en van onderen grauwachlig.
De vleugels zijn aan de punt eenigzins zwartachtig betint en
vooral aan den wortel en de tweede voorrandcel, geel gekleurd.
Van het aderbeloop geeft fig. 10 eene afbeelding.
| De halteres zijn bijna rond, hoog geel gekleurd , klein en op
eene lange dunne steel bevestigd.
De femora zijn bruinzwart en zacht behaard en de tarsen
grauwachtig zwart, terwijl de tibiae even als de spitsen der
femora, roodgeel zijn.
Het abdomen is, vooral aan de zijden, lichtbruin of goud-
geel — variéerend naar de daging — bedonsd.
De hier gegeven beschrijving is die van een mannetjen ; het
wijfjen onderscheidt zich daarvan door een minder slanken
bouw, en is in veel mindere mate, bij sommige individuen in
‘tgeheel niet, met lichtgeel dons bedekt, zoodat bij dezen de
kleur in ’t algemeen intensiever zwart is.
Daarenboven zijn de tarsen der wijfjens lichter en slechts het
laatste lid is zwart, ook is het abdomen platter en meer eivor-
mig verbreed, en bestaat er eene vrij groote tusschenruimte
tusschen de oogen aan het voorhoofd. Volgens de beschrijving
bij Schiner heeft het voorhoofd in 2, drie duidelijke langsgroeven.
Ik kan er echter slechts twee duidelijk waarnemen.
De lengte dezer soort is 11 of 12 millim. en de vlucht om-
streeks 25 millim.
Meigen vond deze vliegen op boschbessen '. Varieteiten zijn
tot heden niet voorgekomen.
Als parasiet zag ik bij mij uit deze soort een Ichneumon te
1 Ik maak er op opmerkzaam dat de zeer verwante soort Ch. flavicornis ook in
levenswijs met Ch. chrysocoma schijnt overeen te komen, althans Boie vond in
distelstengels larven, die hem Ch. flavicornis opgeleverd hebben. (Zie Stett. Ent.
Zeitung. 11e jaarg. p. 212).
170 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN
voorschijn komen, die, zeer na verwant aan mutabilis Grav.,
misschien eene onbeschreven soort is.
Haarlem, Oct. 1868.
Verklaring der Afbeeldingen.
Fig. 1. Larve van Cheilosia chrysocoma Meig.
vw 2. Kop (vergroot) (onderzijde).
y 5. Staarteinde (vergroot).
# 4. Poptonnetjen (buikzijde).
» 5. Nimf (iets vergroot).
m 6. Kop van de vlieg, en face (vergroot) 9.
v 7. Spriet van de vlieg (zeer vergroot).
» 8. Kop van de vlieg, in profiel (vergroot).
”» 9. Vleugelkolfjen (vergroot).
„ 10. Kop (zeer vergroot) (in profiel) 2.
„ 41. Ei (nat. grootte en vergroot).
» 12. De vlieg 3 (vergroot).
„ 15, Spriet (zeer vergroot).
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJZE. 171
IL
PHYTOMYZA OBSCURELLA Fain.
G. W. Perrerson, praeside C. F. Farrèn, Phylomyzides et
Ochtidiae Sueciae. Lundae 1825. p. 4. n°. 8.
Meicex, System. Beschreib. d. zweifluyl. Insect. v. Europa.
VID: 19: 9,6.
Macquart, Suites à Buffon. Dipteres. MH. p. 617. n°. 5.
ZETTERSTEDT, Insecta Lapponica. p. 792. n°. 1 (part.)
ZETTERSTEDT, Diptera Scandinaviae. VII. p. 2815. n°. 2.
Scuinen, Fauna Austriaca. I. p. 515.
Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland. HI. p. 189. n°. 1529.
Phytomyza nigricans, proboscide halteribusque albis,
tibiis genubusve subpallidis (Fallen I. c.).
In het najaar vindt men in de vele bladeren van den hulst
(zoowel dien met gaafrandige als met gedoornde bladen) ge-
golfde plekken, die er op wijzen dat het parenchym tusschen
de beide bladplaten door eenig insekt is verwoest. Aanvankelijk
zou men aan lithocolethen-rupsen of orchestes-larven denken,
maar opent men zulk een aangetast blad dan herkent men den
bewoner dadelijk voor eene vliegenmade.
De larfjens zijn dan ongeveer 13 millim. groot. Langzaam
groeijende brengen zij den winter door en in de laatste helft
van Maart vindt men in de bladen de volwassen larven of soms
reeds de bruine popjens. De made is volwassen 2,75 millim. groot
en heeft twaalf segmenten en eene lichtgroenachtig geele kleur.
Het staarteind is iets spitser dan het kopeind. Aan de buikzijde
van den tweeden ring staan twee tegenover elkaàr in vorksge-
wijze houding geplaatste klaauwtjens.
Deze klaauwtjens hebben de algemeene lichaamskleur, maar
het boveneind is donkerder en draagt aan zijne uiteinde een
krans van haakjens.
179 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN
Aan de buikzijde van het voorlaatste segment staan er een
paar dergelijken, die iets kleiner zijn en dichter bij elkaär staan.
Het midden des lichaams is door het doorschijnen der met
voedsel of excrementen opgevulde maag en ingewanden donker-
der van kleur.
Den kop en face beschouwende herkende ik slechts eene zeer
flaauwe teekening, bestaande in een paar perpendiculaire lijntjens.
De jonge larven zijn zeer lichtgroen van kleur.
De popjens, die men in het begin van April of het laatst van
Maart vindt, zijn buikig ineengedrongen, eenigszins gecompri-
meerd, helder bruin van kleur en met zeer duidelijk zichtbare
ringen. Het staarteind is van een en het kopeind van twee
puntjens voorzien.
De vliegjens verschijnen geregeld in den loop van de maand
Mei. In het verwoeste gedeelte van het parenchym wijst een
donkere plek aan de bovenzijde der bladeren doorschemerende ,
de plaats aan waar het popjen zit. In het algemeen is de
verwoesting aan de bladen beter aan de bovenzijde dan aan de
onderzijde te zien, meestal aan den hoofdnerf van het blad en
zeer zelden aan de randen. Zelden vindt men in één blad
twee bewoners. Het vliegjen komt uit de bovenzijde te voor-
schijn, waar het een klein stukjen der bladplaat als een klepjen
opduwt.
De pas uitgekomen larve kruipt waarschijnlijk ook aan de
bovenbladplaat in, daar ook het eitjen aldaar gelegd wordt.
Deze soort schijnt mij toe twee generatien ’s jaars te hebben.
Het ei der zomergeneratie wordt dan in Mei gelegd, de larve
ontwikkelt zich gedurende den zomer en levert in het najaar
de imago, die dan weder eieren legt, waaruit de jonge larven
overwinteren en in Mei de imagines produceeren.
Meerdere generaties ‘s jaars aan te nemen, schijnt mij toe in
strijd te zijn met de langzame groei der maden.
De paring moet niet, zeer kort of des nachts hebben plaats
gehad, daar ik die nooit heb waargenomen, hoewel ik meer-
malen vele individus bijeen had. Fallen (I. c.) zegt evenwel
dat hij deze soort op weiden veelvuldig in copulatie aantrof.
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJZE. 1/9
De eieren zijn glazig troebel wit en zeer klein, en worden
door de wijfjens bij enkelen vastgekleefd in de kleine holten of
sleufjens der bladnerven. Reeds na weinige dagen verschijnt
de larf.
Het vliegjen is 2,5 millim. lang, gemeten van de spriet tot
het achterlijfseinde, en heeft een vlucht van 7 millim. De
algemeene kleur is donker, blauwachtig of grijsachtig zwart.
De spriet is kort en heeft een vrij dik, rondachtig, laatste lid.
De beide andere leedjens zijn zeer klein, bijna niet te zien.
Aan den wortel van het laatste lid is een lang borstelhaar ge-
plaatst. De bolle voorvlakte van het laatste lid is van zeer
fijne haartjens voorzien.
De oogen zijn donkerbruin en de wangen grijs.
De monddeelen zijn grijsachtig zwart, behalve het eind van
den zuiger, die vuil geel is. De kruin is vrij sterk behaard en
hetzelfde geldt van den thorax.
De vleugels zijn helder, flauw iriseerende en aan den voor-
rand fijn behaard. De beharing als ook de bedoorning van de
rugzijde des achterlijfs is vooral bij de mannetjens duidelijk; bij
de wijfjens is zij minder sterk. Het aderbeloop vertoont fig. 6.
Het kolfjen is peervormig, eenigzins plat en vuil geel. Het
donkere achterlijf is aan de rugzijde fijn behaard of liever be-
borsteld.
De pooten zijn grijsachtig zwart, iets lichter — vooral de
tibiae — dan de borst en het achterlijf, en vrij sterk behaard
of bedoornd; de tarsen hebben een bruinachtigen weêrschijn.
Het sexueel verschil is even als bij alle soorten van dit ge-
slacht voornamelijk slechts aan de geslachtsorganen te zien.
Deze vliegjens zijn spoedig na het uitkomen vliegvaardig,
kwamen meest op den dag uit en zijn niet zeer levendig en vlug.
Deze soort schijnt, het hooge Noorden uitgenomen, geheel
Europa tot vaderland te hebben. De voorwerpen, die de stof
tot dit opstel leverden, had ik in mijn tuin bij Haarlem gevonden.
Uit deze soort kwam als parasiet voort Opius pallipes Wesm.
Haarlem, Juli 1868.
DI =
NEDERLANDSCHE DIPTERA ENZ.
Verklaring der Afbeeldingen.
Volwassen larf, rugzijde (vergroot).
Een door deze larf aangetast hulsteblad.
Kopeind der larf, buikzijde, met de beide klaauwtjens
(vergroot).
Een dezer klauwtjens (zeer vergrool).
De pop (vergroot).
Vleugel van het vliegjen (vergroot).
Kop van het vliegjen, schuin in profiel (vergroot).
De spriet (zeer vergroot).
Het kolfjen (zeer vergroot).
Jonge made (vergroot).
Ei (vergroot).
Het vliegjen (vergroot).
AANTEEKENING OVER
CHLOANTHA HYPERICI W. V.
(Ochsr. en Tr. V. 5. 67. — v. Heinem. Grossschmett. p. 561.)
DOOR
P. C. T. SNELLEN,
Dezer dagen mijn. exemplaar van bovengenoemde Noctuine
met Lederer’s karakteristiek van het genus Chloantha op p. 110
zijner Noctuinen Europa's vergelijkende , zag ik tot mijne ver-
wondering dat de oogen, die volgens Lederer naakt en onbe-
wimperd zouden zijn, eene sterke beharing dragen. Ofschoon
slechts dit eene exemplaar kunnende vergelijken, zou ik toch
niet denken dat genoemde soort wat den toestand der oogen
aangaat, zoo variabel zou zijn en het komt mij dus voor dat
Lederer en ook von Heinemann de oogbeharing over het hoofd
zagen. Voor Noctua Hyperici zal dus in Lederer’s systeem der
Europesche Noctuinen een nieuw genus moeten worden gevormd ,
want in ’s mans voortreffelijke en alle vroegere ver in waarde
te boven gaande bewerking der genoemde vlinderfamilie is de
beharing der oogen in de eerste plaats als verdeelingsgrond ge-
bezigd en bij mijne beide, zeer gave en zuivere stukken van
Chloantha polyodon Clerck (Perspicillaris Esp. Tr.) is geen spoor
van oogbeharing te zien. Met minder zekerheid durf ik dit
zeggen van de derde soort, Radiosa Esp. Tr., want mijn eenig
voorwerp heb ik oud en bestoven ontvangen.
Onder de genera der Europesche Noctuinen met behaarde
oogen zal dan het nieuwe genus (welks naam ik aan meer be-
175 AANTEEKENING OVER CHLOANTHA HYPERICI W. V.
voegden overlaat te bepalen, zeer merkwaardig zijn, aangezien
het onder die genera het eenige is met bedoornde scheenen.
Men zal hiertegen aanvoeren dat Staudinger de waarneming
heeft gedaan dat bij Anaria Schönherri Zetterst. exemplaren
voorkomen met en zonder beharing der oogen (zie Stett. Ent.
Zeit. 1861, p. 576), terwijl Lederer voor Anarta (Noet. Eur.
p. 174) opgeeft: «Augen klein und behaart», waardoor de al
of niet aanwezige beharing der oogen als generiek kenmerk bij
de Noctuinen veel van hare waarde zou verliezen. Men gelieve
echter in het oog te houden dat het door Staudinger bij de
genoemde soort waargenomen geval tot dus verre onder de
Noctwinen nog alleen staat en dat Anarten bij welke de typi-
sche beharing ontbrak of onduidelijk was, dan nog ten hoogste
slechts met de soorten van het zeer na verwante genus Sym-
pistis Led. zouden kunnen verward worden. Bovendien zou ik
het toch niet raadzaam vinden om bij de systemaliseering van
eene zoo soortenrijke familie als de Noctuinen het gebruik van
het meergenoemde kenmerk prijs te geven of zelfs niet in de
eerste plaats tot analyse der familie te bezigen, want ten eerste is
het bij zuivere, gave voorwerpen — en deze dient men toch
voor systematisch onderzoek te bezigen — zeer gemakkelijk te
zien, en dan zijn de overige zaken die voor generieke kenmerken
te bezigen zijn, zoo als de bewimpering der oogen, het aderbe-
loop, den zuigerbouw, hetzij slechts zeer geleidelijk ontwikkeld
van den eenen vorm tot den anderen of, gelijk verschillen in
palpen- eu voorhoofdsbouw benevens de vleugelvorm te weinig
uitkomende om eerder in aanmerking te komen, terwijl wat
de bedoorning der pooten aangaat, deze ligchaamsdeelen te ligt
verloren gaan om anders dan in de tweede plaats te worden
beschouwd. Van de bijzonderheden die de ligchaamsbekleeding
benevens de teekening der vleugels en de sprietbouw ons ver-
toonen en waarvan Lederer gebruik heeft moeten maken om
overigens als volmaakt insekt zeer overeenkomstige, doch in de
eerste toestanden afwijkende vlindersoorten, b. v. die van Hyppa
en Acronycta generiek te kenmerken, spreek ik niet.
Mijn gevoelen is dus om ten minste bij de Noctuinen de he-
AANTEEKENING OVER CHLOANTHA HYPERICI W. V. 177
haring, en bijgevolg ook de bewimpering der oogen als eerste
verdeelingsgronden te blijven behouden. Men beproeve slechts
om eene analytische tabel voor de genera der Noctuinen te
vormen — en zonder deze is het onmogelijk om met zekerheid
te bestemmen — waarin de toestand der oogen wordt voorbij-
gegaan of op den achtergrond staat, en men zal zien hoe moeije-
lijk het zal vallen om genera te scheiden gelijk Leucania en
Tapinostola Led., Hadena Led. en Mamestra Led.
Intusschen moet ik opmerken dat men bij het beschouwen
der oogen er wel op moet letten of de vlinder al dan niet ge-
vlogen hebbe, want ik heb bij het onderzoek van afgevlogen
voorwerpen van Mamestra Chenopodii bevonden dat daar de
oogbeharing, welke bij versche exemplaren zoo sterk is, zeer
onduidelijk is geworden. Verder heb ik waargenomen dat,
wanneer men bestoven vlinders poogt te reinigen door middel
van een met zwavelether of alkohol bevochtigd penseel, de oog-
beharing vooral bij oude voorwerpen wel eens op het oog gaat
kleven zonder na het vervliegen van het reinigingsvocht weder
op te rijzen en zigtbaar te worden.
Rotterdam, 21 Sept. 1868.
AANTEEKENING
OMTRENT INLANDSCHE DIPTERS
DOOR
G. A. SIX.
In den tienden jaargang van dit tijdschrift, p. 227, gaf ik
eene lijst der Dipters, welke in het najaar in de bosschen van
Driebergen door mij waren gevonden; in het najaar van 1867
ving ik aldaar nog 22 andere, waaronder volgens den heer van
der Wulp 6 voor onze fauna nieuwe soorten, welker namen
hieronder volgen genummerd volgens de naamlijsten der Bouw-
stoffen.
Chironomus albinervis v. d. W. 2.
125. Ctenophora festiva Meig. 2.
144. Tipula luteipennis Meig. 4.
171. Rhipidia maculata Meig. d.
211. Symplecta punetipennis Meig.
Trichonta (Mycetophila) melanura Staeg.
Sciophila flava Winn.
507. Simula reptans L. g.
528. Scatopse brevicornis Meig.
599. Hybos culiciformis F. 4.
402. Ocydromyia glabricula Meig.
448. Phyllodroma melanocephala F.
456. Platypalpus longicornis Meig.
1050. Coenosia tigrina F. 2.
» triangula Fall.
1058. » pedeila Fali.
4102. Tetanocera punctulata Scop.
Philygria flavipes Fall.
AANTEEKENINGEN OMTRENT INLANDSCHE DIPTERS. 179
1520. Ceratomyza acuticornis Meig.
1546. Limosina pumilio Meig.
1566. Phora flava Fall.
» zonata Zelt.
Gedurende het nu afgeloopen jaar 1868 werden omtrent 250
soorten van dipters door mi) gevangen, welke ik aan den heer
van der Wulp stuurde, die dezelve onderzocht en daarvan eene
determinatie-lijst maakte, waaruit ik hier die soorten mededeel
welke ik in de laatste week van Mei te Beek, en dus op onze
uiterste oostelijke grenzen waarnam, en tevens die soorten voeg,
welke ik in de omstreken van Utrecht ving en mij merkwaardig
voorkwamen, dewijl zij zeldzaam of nieuw voor onze fauna zijn.
Hoewel Beek betrekkelijk vrij ver van Driebergen gelegen is,
merkte ik toch weinig verschil in de entomologische fauna dezer
twee plaatsen, hetgeen ik toeschrijf aan de overeenkomst van
den bodem en dus ook der flora in het algemeen, hoewel mij
al dadelijk eenige planten in het oog vielen welke bij Drieber-
gen niet voorkomen en hier te lande alleen in de omstreken van
Beek gevonden worden. Dat Beek ook eenige eigenaardige in-
sekten schijnt op te leveren kan uit de volgende lijst blijken,
dewijl de voor onze fauna nieuwe soorten ongenummerd zijn.
59. Chironomus blandus Winn.
2 » niveipennis È.
85. Tanypus carneus F.
89. Ceratopogon ornatus Meig.
155. Tipula vernalis Meig.
Clinorhyncha erassipes Winn. 4.
Hormomyia elegans Winn.? 2.
580. Dioctria Baumhaueri Meig. 4.
445. Hilara fuscipes F. 2.
504. Psilopus platypterus F. 4.
515. Xanthochlorus ornatus Hal. 3.
Chrysotus laesus Wied. 3.
57. Dolichopus griseipennis Stann. 2
710. Atheleneura spuria Fall. 4.
756. Myopa testacea L, 4.
180 AANTEEKENINGEN OMTRENT INLANDSCHE DIPTERS,
1052. Coenosia mollicula Fall. 4.
» nana Zett.? 9.
1063. Helomyza flava Meig. 2.
1120. Rivellia Syngenesiae F. 8.
1122. Myodina vibrans L. 2.
1128. Lauxania cylindricornis F. 2 ex.
Tephritis vespertina Löw. 2.
1180. Nemopoda stercoraria. Rob. D. 2.
1196. Calobata cibaria L. p.
1215. Meromyza saltatrix L. 2.
1285. Leptomyza frontalis Fall. 4.
1295. Geomyza marginella Fall. 3.
1296. » sabulosa Hal. 2.
1540. Sphaerocera subsultans F.
Van deze 29 Beeksche soorten is Clinorhynche crassipes vooral
merkwaardig; zij behoort tot de Cecidomyiae en is na verwant
aan Lasioptera Rubi, welke ik nu en dan in het Driebergsche
bosch ving en die even als Clinorhyncha crassipes met zilver-
witte schubjes bedekt is, waardoor de zwarte grondkleur een
zilverglans verkrijgt. Zauwania cylindricornis ving ik ook eens te
Driebergen, maar die soort werd elders in ons land nog niet waar-
genomen. Zij is zeer kenbaar aan het bijzonder verlengde laatste
lid der voelhoorns en is zwart bronskleurig, behalve de vleugels
en het voelhoornstijltje, die geelachtig zijn.
Van de dipters, welke ik dit jaar in de omstreken van Utrecht
en Driebergen waarnam, geef ik hieronder een opgave van die
soorten welke of zeldzaam of nieuw voor onze fauna zijn.
Chironomus ictericus Meig. 2.
» sordidellus Zett. 2.
» albinervis v. d. W. n. sp. 2.
99. Ceratopogon rubiginosus Winn. 2.
101. » venustus Meig. 2.
112. » pictipennis Winn. $.
» ferrugineus Meig. ?.
Allodia crassicornis Stann. 2.
Rhynosia signatipes v. d. W. 9.
AANTEEKENINGEN OMMRENT INLANDSCHE DIPTERS. 181
Platyura nemoralis Meig. 2 {.
Colpodia pallidula v. d. W. n. sp. 9.
Hormomyia producta Meig. 5 d en 1 2.
Deze is eene fraaije, groote , menieroode Cecidomyia met zwarte
strepen op thorax en abdomen.
In Mei en Junij tusschen gras bij Utrecht.
Campylomyza Aceris Meig. {.
452. Ramphomyia umbripennis Meig. 2 en 4.
Antholia rostrata Zett. 2 2 en 1 2. Drieb. bosch. Mei.
449. Tachypeza cimicoides F. 2.
Tachydromia compta Walk. 2.
471. Elaphropeza ephippiata Fall. 2.
Drapetis lunata Walk. {.
» nervosa Löw. {.
527. Raphium caliginosum Meig. d.
928. » fasciatum Meig. 4.
Medeterus muralis Meig. d.
605. Oedalea pallipes Zett. 9.
656. Melitreptus taeniatus Meig. d.
» pictus Meig. d.
724. Opetia nigra Meig. d.
1095. Sciomyza nana Fall.
1095. Melanochira glabricula Fall. {.
1119. Herina Frondescentiac L. 2.
1121. Platystoma Seminationis Fabr. {.
1145. Sapromyza modesta Löw. d.
1204. Chyliza leptogaster Panz. 2.
1211. Psila villosula Meig. {.
Oscinis pratensis Meig. {.
» _ albiseta Meig. 2.
Phytomyza tridentata L. d.
Ephygrobia nigritella Stenh. 4.
1255. Philygria flavipes Fall. {.
1267. Scatella cribrata Stenh. {.
1519. Agromyza carbonaria Zelt. 4.
» atra Meig. {.
182 AANTEEKENINGEN OMTRENT INLANDSCHE DIPTERS.
Aangaande dit jaar door mij gevangene Coleopters en Hyme-
nopters wil ik hier alleen opmerken, dat ik Rhagonycha atra L.
bij Beek in Mei en Hallomenus humeralis Fabr. in April te
Utrecht in een vensterbank vond en Xyela pusilla Dalm. 3 en 2,
eene tenthredine met zonderlinge antennen, in April in het Drie-
bergsche bosch, en Alysia contracta Hal. $ met rudimentaire
vleugels, welke zeer dikke aderen hebben , in verscheidene exempla-
ren bij Utrecht ving. Deze 4 insekten zijn nieuw voor onze fauna.
wer 9. Ly Ar G
van de Wetenschappelijke Vergadering
der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, op
Zaturdag 19 December 1867, des avonds ten 6 ure,
gehouden te Leiden.
Tegenwoordig zijn de heeren: Mr. S. C. Snellen van Vollen-
hoven, President; N. H. de Graaf, Conservator; Mr. H. W. de
Graaf, Secretaris; Mr. C. W. Hubrecht, Begunstiger; P. C. T.
Snellen, Marshall, Ritsema, Weijenbergh, Kinker, Lodeesen,
Hartogh Heys van de Lier, Brants, Veth, Maitland, Dr. Wellen-
bergh, Jhr. Martens, Mr. Hartogh Heys van Zouteveen, G. M.
de Graaf, Dr. Piaget, van der Wulp, Dr. van Hasselt en Heylaerts,
Leden.
De Voorzitter opent de vergadering met eene korte toespraak
en heet den heer W. Marshall welkom, die voor het eerst de
vergadering bijwoont.
De Voorzitter deelt mede dat sedert de laatste vergadering
vier nieuwe leden tot de Vereeniging zijn toegetreden, de heeren
R. Sinia, J. G. de Man, Dr. T. W. O. Kallenbach en W. Marshall.
Daarentegen heeft de Vereeniging een gevoelig verlies geleden
door den dood van haar eerelid Prof. Dr. Carl Boheman, te
Stoekholm en van haar corresponderend lid den heer M.G. van
Woerden, te Loango.in Neder-Guinea. Spreker stelt zich voor
de ontslapenen in de eerstvolgende Zomervergadering te her-
denken. Met het oog op het uitsluitend doel der tegenwoordige
bijeenkomst meent hij zich thans te moeten bepalen tot de bloote
mededeeling van deze treurige berigten.
184 VER SHIRT.
De heer Wellenbergh, die verhinderd wordt tegenwoordig te
blijven, vraagt het woord en biedt namens den heer Tempelman
van der Hoeven voor de bibliotheek der Vereeniging ten ge-
schenke aan een exemplaar der Mémoire sur l'anatomie et Ia
physiologie du Gastrus equi, met de daarin gebonden oorspron-
kelijke teekeningen van wijlen Prof. Schröder van der Kolk.
De Voorzitter brengt dank voor dit belangrijke geschenk en
de vergadering stemt in door teekenen van bijval.
De heer G. M. de Graaf spreekt naar aanleiding der waar-
nemingen van den heer T. W. Wood’ over de photographische
gevoeligheid der poppenhuid van sommige soorien van dagvlin-
ders, waarvan het gevolg zou zijn dat deze poppen onmiddelijk
nadat de rupsenhuid is verwijderd de dominerende kleur van
hare naaste omgeving aannemen. Hierover ontstaat eenige ge-
dachtenwisseling en verschillende leden geven hun voornemen te
kennen om proeven te nemen met het oog op het besproken
onderwerp.
De heer Weijenbergh leest eenige waarnemingen voor, die hij
gemaakt heeft omtrent Musca corvina F., welke zich in Julij
van dit jaar in geheele zwermen te Haarlem vertoond heeft.
(Deze bijdrage zal afzonderlijk worden geplaatst.)
De heer van der Wulp laat in de eerste plaats eene lijst rond-
gaan van Tachininen, hier te lande waargenomen als parasieten
van rupsen en andere insectenlarven, als een vervolg op hetgeen
deswege door hem is medegedeeld in het Tijdschrift, 41° serie,
deel VI, blz. 45. Deze lijst zal later voorkomen aan het slot
van een opstel over de Tachininen, dat eerlang in het Tijd-
schrift zal worden opgenomen. Spreker vestigde daarbij tevens
de aandacht op een paar soorten van vliegen, die, hoewel niet
tot de Tachininen behoorende, op gelijke wijze als parasieten
zijn gekweekt, nl. Melanophora roralis L., die door den heer
Heylaerts uit Asopia farinalis L. is verkregen, en Cyrtoneura
1) Medegedeeld in de vergadering der Entomological Society of London van 4 Nov.
1867 en overgenomen in The Entomologist van Februarij 1868, p. 23.
Ve E: ‘Ri St UR AL Ge 185
stabulans Fall., die door Dr. de Gavere als parasiet van Lophyrus
pullidus Klug is waargenomen. Van de eerste was, naar Sprekers
meening, nog niets omtrent hare leefwijze bekend; de larve der
laatste zou door Léon Dufour in zwammen zijn gevonden, terwijl
zij volgens Hartig parasitisch in rupsen (Bombyx Pini) en in
bladwesplarven (Lophyrus) voorkomt; de waarneming van de
Gavere komt alzoo met de laatstgenoemde opgave overeen.
In de tweede plaats vermeldt de heer van der Wulp, dat hij
in de gelegenheid is geweest de muggen te onderzoeken, die
in den laatsten en den voorlaatsten zomer in zulke schrikbarende
menigte binnen de stad Amsterdam zijn waargenomen en wier
buitengewoon vinnig steken aldaar zooveel last heeft veroorzaakt.
Gelijk bekend is, was men daar ter stede vrij algemeen van
gevoelen, dat eene soort van muskieten (dus eene exotische
mugsoort) door een schip met guano naar de hoofdstad was over-
gebragt en er, na tot volkomen ontwikkeling te zijn gekomen,
zulk eene plaag was geworden. Zoowel door eigen ondervinding,
tijdens zijn verblijf te Amsterdam in den afgeloopen zomer,
als door onderzoek van voorwerpen, hem later door Dr. van
van Hasselt toegezonden, was het Spreker overtuigend gebleken ,
dat hier niet aan eene vreemde mug te denken viel, maar dat
de gewone steekmug, Culex pipiens L. door gunstige omstan-
digheden, in bovenmatig aantal is opgetreden en misschien door
de langdurig hooge temperatuur bijzonder vergiftig in haar
steken was. Het verdient daarbij opmerking, dat er in massa
doode wijfjes te vinden waren, wier achterlijf, waarschijnlijk
door het opnemen van eene groote hoeveelheid menschenbloed ,
huitengewoon opgezet en voor een deel bruin gekleurd was.
De Voorzitter deelt hierbij mede, dat ook hem uit Amsterdam
zoogenaamde moskieten waren toegezonden en dat deze voor het
grootste gedeelte bestonden uit voorwerpen van Anopheles macu-
lipennis en voor het overige uit Culex pipiens.
De heer C. Ritsema Cz. doet voorlezing van een vijftal losse
aanteekeningen :
De eerste betreft de levenswijs van de Anthomyia inamis Fall.
186 VIER SLR:
Op en tusschen het bladerig omkleedsel van bijna alle nesten
van Vespa Germanica F., die ik tot nu toe gevonden heb, en
wier aantal ongeveer tien zal bedragen, vond ik enkele exem-
plaren dezer vlieg, allen evenwel gedood door het petroleum,
dat ik voor het dooden der wespen bezigde. Daar ik ze altijd
ongeschonden en in hunne natuurlijke houding tegen het om-
kleedsel vond, kon ik niet denken dat zij er door de wespen
tot voedsel voor de larven gebragt waren, hetgeen ook later
duidelijk bleek , toen ik bij sommige nesten vliegen van deze soort ,
midden tusschen de wespen in, de opening in den grond die
naar het wespennest voert, in en uit zag gaan, zonder door de
wespen, die overigens groote liefhebbers van vliegen zijn, aan-
gevallen te worden.
Gelijktijdig met deze vliegen vond ik dan ook op het omkleedsel
der nesten een menigte eieren soms aan hoopjes bij elkander,
soms echter zeer verspreid. De lengte dezer eitjes bedraagt
ongeveer 1,5 de breedte 0,5 mm. Zij zijn van eene porcelein
witte kleur en doen zich bij de beschouwing met een zwak ver-
grootende loupe overlangs gestreept voor, dat bij sterker vergroo-
ting blijkt veroorzaakt te worden door overlangsche ribben; de
schaal van het eitje is verder van een menigte kuiltjes voor-
zien waardoor het zich fijn gestippeld vertoont. Behalve op de
nesten van Vespa Germanica F. vond ik ze ook op een nest
V. rufa L., echter niet op dat van V. Crabro L., V. Norvegica
F. en V. media de Geer. (Zie fig. 5 en 4 op Plaat 7).
98 Aug. 1867 vond ik in den Haarlemmerhout onder een
nest van Vespa Germanica F., waarop ik de meermalen genoemde
vlieg en eieren vond, ook vliegenlarven in vrij groot aantal en
verschillende grootte. Het is mij echter onbekend of dit de
eieren en larven der Anthomyia inanis Fall. zijn en welke de
rol is, die door deze vlieg in de wespennesten gespeeld wordt.
Alleen heb ik nog ergens aangeteekend gevonden, dat Bohe-
man de larven van Anthomyia inanis in wespennesten heeft
aangetroffen, en dat Drewsen, volgens Schenck, de A. fusciceps
Zett., en van een andere soort een menigte larven, die veel op
die van A. obelisca M. geleken, als parasieten uit een nest van
WE PB Se IA A GE 187
Bombus skrimshiranus Kirb. kreeg. Drewsen meende echter dat het
slechts gasten waren, die aan de hommels geen nadeel toebragten.
De tweede aanteekening betreft de levenswijs van Meigeniu
bombivora v. d. W.
Omstreeks het midden van Augustus 1867 merkte ik op, dat
er uit sommige dichtgesponnen cellen van een nest van Bombus
Agrorum L., 't welk ik in het begin dier maand in den Haar-
lemmerhout gevonden had, groote vliegenlarven kropen, door
openingen die zij zelven in de cellen gebeten hadden. Bij het
openen dezer cellen vond ik in eenigen de larve, in anderen de
nimf der hommels geheel uitgegeten; het aantal der vliegen-
larven in de cellen wisselde af en bedroeg voor het geheele nest,
dat uit + 250 cellen bestond, ongeveer 40.
Reeds 20 Augustus vond ik eene larve verpopt, de overigen
waren het spoedig daarna. Nadat deze poppen bij mij overwinterd
hadden kwaın de eerste vlieg den 2°" Mei 1868 daaruit te voorschijn.
Onlangs kreeg ik deze soort van den heer van der Wulp, die
mijne Diptera welwillend determineert, terug als n. sp. van het
genus Tachina (subgenus Meigenia) die door hem naar den aard
van het voedsel Meigenia bombivora is genoemd, en wellicht
later in dit Fijdschrift beschreven en afgebeeld zal worden.
Volgens Schiner leven de larven van Meigenia parasitisch in
rupsen en in vlinderpoppen; die van JZ. bisignata Meig. zijn
gevonden in Gymnancylu canella (??), Paropsis sexpunctata en
Alhalia Spinarum, uit welk laatste insekt genoemde soort ook
door den heer Snellen van Vollenhoven gekweekt is.
De derde aanteekening betreft de bevruchting van hommelwijfjes.
Toen ik voor korten tijd in een Duitsch Tijdschrift las dat
von Klipstein in Darmstadt de bevruchting eener bijenkoningin
had waargenomen, en dat dit niet vliegende maar op den grond
ziltende plaats greep, herinnerde ik mij dat ik zelf een paar
waarnemingen omtrent de bevruchting der hommelwijfjes had
aangeleekend. Mijn dagboek voor entomologie naslaande, vond
ik hierover het navolgende:
51 Julij 1866 vond ik op de duinen achter Middenduin (bij
Overveen) een 3 en 2 Bombus subterraneus L. in copulatie.
16
188 Vi Rm BI
Zij waren omringd door cen twintigtal individuen van dezelfde
soort, waarvan het grootste gedeelte uit mannetjes bestond,
die, voortdurend met de vleugels slaande, met veel drukte heen
en weder liepen.
4 Augustus 1866 werd mij door mijn’ broeder een d en ?
Bombus subterraneus L gebragt, door hem in copulatie op
een straatweg bij Haarlem gevonden.
51 Augustus 1868 bragt mijn vriend Boogaard mij een d en
2 Bombus Agrorum L. door hem in copulatie op het Bolwerk
te Haarlem gevonden.
De vierde aanteekening betreft het dragen van stuifmeel door
een 3 Bombus. Dat het aanbrengen van stuifmeel, onder meer
andere werkzaamheden, bepaald aan de werksters, in het vroege
voorjaar echter ook aan de wijfjes der hommels eigen is, is al-
gemeen bekend. Nimmer echter heb ik vermeld gevonden dat
ook mannetjes aan deze bezigheid deelnemen , waarom ik het
niet onbelangrijk acht mede te deelen, dat ik op den 10°" Aug.
1866 in den Vogelenzang bij Haarlem een manlijk individu van
Bombus subterraneus, duidelijk kenbaar aan de gele teekening
op kop en borst, met een klompjen stuifmeel aan de achter-
pooten beladen, in een gaatjen in een aarden wal zag kruipen.
Bij opgraving vond ik een nestje van ongeveer een honderdtal
kleine cellen; het aantal hommels in dit nestjen aanwezig be-
droeg 15, waaronder 15 werksters, één groot wijfje, dat zoo-
zeer aan de vleugels beschadigd was, dat het niet meer kon
vliegen, en het reeds genoemde mannetje, dat nog geen tijd
gehad had om het stuifmeel ter bestemder plaatse te deponeren.
De vijfde aanteekening betreft een paar afwijkingen in het
verloop der vleugeladeren bij bladwespen.
Afwijkingen in het verloop der vleugeladeren komen bij de
Tenthredinen niet zelden, vooral in de achtervleugels, voor. Zoo
heb ik bijv. van Macrophya albicincta Schr., welke soort meestal
2 middelcellen in iederen achtervleugel heeft, exemplaren ge-
vangen die er slechts één in hadden, en anderen die in den
eenen achtervleugel 2, in den anderen slechts één middencel
vertoonden. Ik geloof dus dat men niet veel waarde mag toc-
VEEL Wa Sx BiA Gd 189
kennen aan ondergeslachten, die alleen op het aantal middel-
eellen gegrond zijn.
Een merkwaardiger afwijking echter kreeg ik 26 Mei 1868
in mijn bezit, daar ik toen in Haarlem cen & exemplaar van
Emphytus cinctus L. ving, dat in iederen voorvleugel niet 2,
maar 5 radiaalcellen heeft, doordien de ader die de radiaalcel
in tweeën deelt, gaffelvormig vertakt is. (Zie plaat 7, fig. 5.)
De heer van Hasselt doet, met verwijzing naar eene vroegere
mededeeling (Tarantula rediviva, Du. VIN, 1865), nader ver-
slag omtrent hetgeen hem sedert dien tijd over deze van ouds
beruchte Italiaansche spin bekend is geworden. Vooreerst vestigt
hij de aandacht op eene verhandeling, onlangs te Napels uitge-
geven, getiteld Esperienze sopra il veleno della Lycosa Taran-
tula; Nota letta nella Tornata, del di 12 Luglio, 1868, della
Academia Pontaniana, dal socio Paolo Panceri *. Ofschoon ook
door deze nieuwe bijdrage de tarantel-quaestie hem nog niet
geheel uitgemaakt toeschijnt en de Italiaansche schrijver ten deze
ook geene geheel bevredigende uitspraak doet, wil Spr. toch van
dezen belangrijken arbeid een kort referaat leveren, waartoe hij
zich in staat zag gesteld door de vertaling van dat stuk door
eene hem zeer bevriende hand ?. Het grootste gedeelte der
verhandeling is gewijd aan een historisch overzigt van het fa-
rantisme, sedert Baglivius tot op onzen tijd, en daarin wordt
vermeld wat vóór en tegen het vergiftig vermogen der tarantula
is geschreven en gedaan. Daarin wordt weinig of geen nieuws
gevonden. In het tweede en voornaamste gedeelte van zijn op-
stel geeft hij verslag van eigene proef-waarnemingen, gedaan
met twee levende tarantel-spinnen van de echte soort, die hij
op de gewone wijze door het toewerpen van vliegen in het
leven hield. De proeven werden genomen in de maand Junij.
Hij liet een land-schildpad in het onderste ooglid, een water-
salamander in den rug en eene duif in de borst bijten. Bij
geen dezer dieren vertoonden zich andere dan ligte plaatselijke ,
* Hem welwillend toegezonden door Dr. Pincoffs van Napels.
2 Die van den heer Mr. J, Evera, te Delft.
190 vel GR IB AEN ae.
geene algemeene verschijnselen. Evenmin was dit het geval bij
vier kleine vogeltjes (Chlorospiza chloris), niettegenstaande hij die
had laten bijten, onder anderen, op plaatsen van huid ontbloot
en er ook eene had ingeënt met eene naald bevogtigd met het
vergift, dat uit de kaakhaken vloeide, wanneer de spin geplaagd
werd. Een dezer vogeltjes liet hij, evenzeer met negatief gevolg,
eene uitgenomene giftklier van één zijner tarantels inslikken.
Een beet aan een jong konijn in de bovenlip toegebragt, had
ook geene vergiftigings-verschijnselen ten gevolge. Rupsen alleen
verdroegen deze verwonding natuurlijkerwijze minder goed; eene
larve van « Saturnia Pruni» verviel daardoor in stuipen en eene
van Sphinx Atropos desgelijks, terwijl laatstgenoemde in tweemaal
24 uren bezweek. Zijn voornaamste experiment was echter het
volgende: Hij kreeg een bezoek van Professor Francesco Gasco
en deelde dien zijne uitkomsten mede, waarop deze aanbood,
zichzelven aan het experiment te onderwerpen. Deze liet zich
des middags ten 12 ure door één der tarantels bijten op den
linker handrug. Weinige sekonden daarna volgde hevige pijn
daar ter plaatse en zwol de huid op als eene witte puist (pa-
pula bianca), omgeven door een’ rooden kring. Na een kwar-
tier uurs was de puist verdwenen, maar de geheele handrug
onregelmatig roosachtig gezwollen. Spoedig hield de pijn op en
des nachts verdween de roos ook geheel en al; van algemeene
verschijnselen was geen spoor. Bij nog eenige oppervlakkige
anatomische en physisch-chemische opmerkingen over het «gift-
toestel» en het «tarantel-vergift» komt Paolo ten slotte tot deze
conclusie : « Uit dit alles komt het mij voor, dat men met goe-
den grond mag besluiten, dat de beruchte tarantula beneden
hare faam staat en dat de gevolgen van haren beet niet ver-
schillen van die door andere spinnen toegebragt, tenzij men met
Baglivius wilde aannemen , dat alleen de tarantel uit Apulië de
vermeende hoogere kracht bezit, »
Na eene algemeene discussie over dit onderwerp, waarbij
onder anderen, voor de proef op rupsen, de vraag wordt over-
wogen, of hier meer aan een mechanisch effect der beten moet
worden gehecht, — welke vraag door enkele leden, op grond der
WE RS’ D # Gi 191
waarnemingen van verwondingen bij rupsen, toestemmend, door
anderen ontkennend wordt beantwoord, — doet Spr. nog op-
merken, dat het te bejammeren is, dat Paolo zijne hoogst be-
langwekkende experimenten, niet nog één à twee maanden heeft
uitgesteld, daar de observalien van Gazzo en van Santi (die ook
algemeene vergiftigings-verschijnselen bij den mensch waarnamen)
voornamelijk op zeer warme Julij- en Augustus-dagen zijn ge-
schied. Spr. zelf is nog niet geheel overtuigd van de blanke
onschuld der tarantula en verwijst daaromtrent nog altijd naar zijne
beoordeeling in de boven aangehaalde mededeeling uitgesproken.
In de tweede plaats verheugt het Spr. zeer, der vergade-
ring dit beruchte dier te kunnen laten aanschouwen! Hij
laat een zeer schoon geconserveerd exemplaar van Lycosa ta-
rantula, op spiritus, rondgaan, ter betere vergelijking van de
grootte en van den magt der kaakhaken, tegelijk met een exem-
plaar van een der grootste van onze inlandsche Lycosiden. Uit
deze vergelijking blijkt in elk geval, dat de Italiaansche Lycosa
in omvang en wapening een respectabel voorkomen bezit en ten
dezen haren Noordschen naamgenoot verre overtreft. Met hooge
erkentelijkheid vermeld Spr., dat hij, na minstens twintig jaren, voor
zijne toxicologische en araneologische collectiën, gezocht te heb-
ben naar een goed geconserveerd exemplaar van de besproken spin,
er thans twee (2) heeft ontvangen door tusschenkomst van zijnen
vriend Evertse, Chirurg. Maj. bij de Marine, die ze op zijne
beurt te danken heeft aan de goedheid van den heer Dr. Pincofîs
uit Napels. Opmerking verdient nog, dat de laatste ze, even
als die waarmede hij zijne proeven heeft genomen, wederom
verschuldigd is aan een’ Deenschen naturalist, die zich met de
natuurlijke geschiedenis der tarantula, op de plaats zelve, te
Napels, onledig houdt. Deze, Dr. Wilhelm Bergsoe, had er ver-
scheidene gevangen op eene zeer woeste streek in de Campagna
di Roma. Welligt ontvangen wij later van diens hand het laatste
woord over deze zoo veel besproken spin-soort.
Ten derden berigt Spr. dat zijne levende Pholcus opilionides
2 waarover hij in de zomer-vergadering heeft gesproken, later
nog eens cocon heeft gemaakt. Doch ook deze cocon is vermoedelijk
199 VERS Bw G.
weder een onvruchtbare geweest ; althans het is wederom na eenige
dagen door de moeder losgelaten en verdwenen (opgegeten ?)
Ten slotte maakt Spr. gewag van een nieuw bewijs, hoe
dikwijls geheel onjuiste verhalen in de wereld komen door on-
nadenkend te worden voortverhaald. Zoo las hij onlangs in het
Wetenschappelijk Bijblad van het Album der Natuur (8"* Aflev.
1868) op blz. 61 een uit het Engelsch overgenomen artikeltje
over de seven bij de spinnen. Onder meerdere onnaauwkeurig-
heden in die negen regels , trof hem voornamelijk de « verzeke-
ring» van den heer Pickard-Cambridge dat deze «nooit» een man-
netje heeft gezien uit de uitgestrekte familie der Epeiriden (NB.
waartoe onze gewone kruis-spin behoort !), zelfs niet in de Musea
van Weenen, Milaan, Frankfort en Leiden, alwaar hij die had
«gezocht.» Over de eerste Musea kan Spr. niet oordeelen, maar
aan het laatste heeft hij reeds voor eenige jaren eene kleine
spinnen-verzameling ten geschenke gegeven, waaronder verschei-
dene 33 van de geslachten Epeira, Miranda, Zilla, Tetragnatha ,
enz., alle tot de genoemde familie behoorende. In zijne private
collectie telt hij, voor die familie, 21 species, waarvan ook de
mares vertegenwoordigd zijn.
De Secretaris maakt melding dat Anthrax Hottentotta L.,
dezen zomer in aanmerkelijke hoeveelheid was te voorschijn ge-
komen uit poppen van Noctua porphyrea, welker rupsen in menigte
door Mr. de Roo van Westmaas te Velp waren bijeenverzameld.
Deze vlieg was door den heer Snellen van Vollenhoven bestemd *).
Dezelfde spreker legt ook namens den heer P. C. T. Snellen,
eene opgave over van Microlepidoplera, nieuw voor de Fauna
van Nederland. Het aantal species bedraagt ongeveer 40. Omtrent
sommigen worden cenige bijzonderheden medegedeeld. Het ge-
heel zal later in dit Tijdschrift worden afgedrukt.
De heer Hartogh Heys van Zouteveen bespreekt de verschijn-
selen die »ij had opgemerkt bij de hervatting der levensfunctien
+ De ledige poppenheid der vlieg vertoonde al de deelen van de imago; haar kop
geleek op een menschelijk aangezigt met zeer weemoedige uitdrukking. De heer v. V.
vond dit huidje merkwaardig genoeg om er eene afbeelding van te maken ; zie PI. 7 fig. 2.
VERS 195
eener rups van Sphinx Pinastri, die eenigen tijd onder water
was verbleven. Ook deze bijdrage zal afzonderlijk worden geplaatst.
De heer P. C. T. Snellen biedt ter opname in het Tijdschrift
een opstel aan van zijne hand, bevattende opgave en aanteeke-
ningen betreffende Macrolepidoptera , nieuw voor de Fauna van
Nederland, alsmede eene aanvullingslijst der Macrolepidoptera
van Limburg, hem tot hetzelfde einde toegezonden door Mr. Mau-
rissen te Maastricht.
Vervolgens brengt de heer Snellen ter tafel eene kleine, maar
keurige verzameling vlinders uit Neder-Guinea, meerendeels gaaf
en onbeschadigd en voor een groot gedeelte uit Microlepidoptera
bestaande. Hij had deze verzameling te danken aan de ijverige
nasporingen van den heer M. G. van Woerden, die eerst in het
begin van dit jaar naar Guinea was vertrokken, doch wiens
vroegtijdigen dood men reeds nu te betreuren had. Hetgeen
hij in den korten tijd van zijn verblijf te Loango had bijeen-
verzameld, deed zien hoeveel men van hem voor de entomolo-
gische wetenschap verwachten mogt, want het waren niet alleen
vlinders, die hij had overgezonden, maar ook Diptera, Hyme-
noptera, Coleoptera en Spinnen, respectivelijk overgegaan in de
verzamelingen der heeren van der Wulp, Piaget, Heylaerts en
van Hasselt. Al deze voorwerpen, voor zooverre ze door de
tegenwoordige bezitters werden vertoond, droegen de blijken
dat ze met eene geoefende en zorgvuldige hand waren behandeld
en niet zonder weemoed werden zij door de aanwezigen bezigtigd.
De secretaris leest een’ brief voor van den heer Baron Lewe
van Middelstum, waarin het gevoelen der vergadering wordt
gevraagd omtrent eenige vragen van entomologischen aard. Men
besluit deze punten aan te houden tot de volgende bijeenkomst,
in de hoop dat de heer Lewe alsdan zelf tegenwoordig zal zijn.
De heer Marshall deelt met een enkel woord mede, dat hij
in eene inlandsche zoetwaterspons eene larve heeft gevonden
vermoedelijk van een Neuropteron. Zijn doel is de aandacht
op dit verschijnsel te vestigen en de medewerking der leden
in te roepen, ten einde daaromtrent iets meer te weten te komen.
194 VAE MEIS IEN is
De heer Snellen van Vollenhoven laat ter bezigtiging rondgaan
een jujubesdoos, waarin een bijzonder groot aantal voorwerpen
van Scatopse notata Meig. door hem allen te gelijk in een
oogenblik van twee elkander aanrakende rozenknoppen opgeza-
meld, als bewijs voor de ongehoorde massa's, waarin ook hier
te lande somwijlen individuen van insectensoorten voorkomen.
Verder vertoonde S. een voorwerp van Silpha atrata, welks
kop en prothorax geheel omgekeerd waren en, wanneer het dier
op de vier achterpooten rustte, naar boven zagen. In dien toe-
stand was het dier door den heer Kinker bij Muiderberg levend
gevangen. (De heer Kinker deelt naar aanleiding daarvan de
zonderlinge en belachelijke pogingen mede, die het dier aan-
wendde om hetzij op de beide voorpooten met sleepend achter-
lijf, hetzij op de vier achterste pooten met omgekeerden kop
en voorpooten, die in de lucht schermden, vooruit te komen.)
S. meent dat deze abnormiteit niet wel te verklaren is, dan
door aan te nemen dat de kever bij zijne ontwikkeling, terwijt
hij nog week was, door iets gehinderd is geworden, dat hem
noodzaakte de voorste deelen in eene tegennatuurlijke houding
te brengen en dat hij daarmede zoo lang aangehouden heeft tot
de rand van het dekschild verhard was en hem verhinderde de
natuurlijke houding weder aan te nemen.
Ten derde vestigt dezelfde spreker de aandacht der leden op
het plan van den heer Mr. A. Fauvel te Caen om eene Fauna
van Frankrijk, België en Holland gezamenlijk uit te geven, als
eene streek ingesloten door natuurlijke grenzen. Hij doet uit-
komen, dat waar die grenzen uit bergketens en zeeën bestaan,
zij geheel natuurlijk mogen heeten, doch niet waar zij den loop
eener rivier volgen of zelfs, gelijk in het Noord-oosten het geval
is, langs stroompjes en beekjes naar eene heuvelen-rij getrokken
worden. S. is overigens wel met het plan van den heer Fauvel
ingenomen, zegt dat de schrijver zich voorshands tot de Coleo-
ptera bepaalt, deelt iets mede omtrent vroegere werken van
denzelfden auteur en eenige exemplaren van het prospectus
rond, volgens hetwelk deze Faune Gallo-rhenane een wonder
van goedkoopheid zal worden.
VERSLAG, 195
Ten slotte spreekt de heer van Vollenhoven over de verwar-
ring, die er heerscht in de nomenclatuur der vleugeladeren bij
de Hymenoptera. Na te hebben doen opmerken dat het deter-
mineren der Genera naar het aderbeloop vrij wat gemakkelijker
is dan naar monddeelen, dat men dus Jurine dank moet weten,
die het eerst getracht heeft de Hymenopteren naar het beloop
der vleugeladeren en den vorm der sprieten te rangschikken,
vertoont hij lijsten van de benamingen door een tiental schrijvers
over deze orde, voor de aderen en cellen der voorvleugels ge-
bezigd, waaruit blijkt welke verwarring te dezen opzigte heerscht
en laat voorts afbeeldingen bezigtigen van vleugels der verschil-
lende familien (van enkele familien meer dan een genus), waarin
met kleuren de analoge cellen aangewezen zijn en geeft eene
nieuwe en eenvoudige nomenclatuur op. (Spr. is voornemens
over dit onderwerp later een vrij uitvoerig stuk op te stellen,
weshalve wij ons hier bij het opgegevene bepalen).
De heer Heylaerts spreekt over verschillende onderwerpen. De
korte inhoud daarvan komt op het volgende neder :
1°. In den nazomer van 1867 hebben de rupsen van Ma-
mestra Chenopodii W. V. verschrikkelijke verwoestingen aange-
rigt op de spurrie- en raap-velden, niet alleen in de nabijheid
van Breda, maar heinde en ver in de provincie Noord-Brabant
en in de Belgische Kempen. Vooral werden de heidestreken
geteisterd. Op 19 Augustus nam Spr. te Strijbeek eene ontel-
bare menigte dier rupsen waar, die den steenweg overtrokken
ten einde aan de andere zijde nieuw voedsel op te zoeken. Met
iederen voetstap zou men er een honderd-tal vertrapt hebben. In
weerwil van deze menigte rupsen was het aantal vlinders, die
men later waarnam, niet buitengewoon groot. Nergens hoorde
men dan ook in 1868 van verwoestingen spreken, door deze soort
te weeg gebragt. De landman had veel bijgedragen om de rupsen
te vernielen door het graven van greppels met loodregte wan-
den, waartegen zij niet konden opklimmen. Maar het meest
afdoende middel om het verbroken evenwigt te herstellen had
bestaan in eene menigte vogels, loopkevers, hagedissen en mic-
196 VEER st URAS:
ren, dies de rupsen vernielden en vooral in de werkzaamheid
van tachinen en sluipwespen. Deze toch ontwikkelden zich zoo
talrijk uit een honderdtal rupsen, die Spr. verzameld had, dat
hij daarvan slechts een twaalftal vlinders verkreeg.
2°. Sthanelia hippocastanaria Hübn. en Eupithecia pumilata
Hübn. waren in April 1868 zeer gemeen op de Galdersche heide. De
eerstgenoemden vlogen tegen den avond in overvloed en bij dag
vrij talrijk op de katjes der wolwilgen. De tweede soort zwerm-
den als muggen in de schemering boven laag mastenhout.
5°. Als vervolg op hetgeen in het Verslag der 25“ vergade-
ring, pag. 24, omtrent Lophyrus Pini is opgenomen, wordt
medegedeeld, dat eene tweede generatie dezer wesp het ver-
woestingwerk aan de pijnboomen aanvankelijk had voortgezet,
tot dat in het begin van September eene ziekte onder de larven
was ontstaan, wellicht ten gevolge der alstoen plotselings inge-
vallen koude nachten. Niet eene larve schijnt aan die ziekte te
zijn ontsnapt. Zij lagen 7 of 8 Nederl. duim hoog onder de
boomen, allen verstijfd, gevlekt en levenloos. Met den besten
wil kon men ook later geen enkel cocon magtig worden , zoodat
men voor eenigen tijd van de besproken plaag bevrijd zal zijn.
4". De zoogenaamde vliegenvanger, eene sierlijke klimplant
uit de orde der Asclepiadae verdient in hooge mate de aandacht
der entomologen. Deze plant Aranja albens Don. genaamd , is
echter onder de bloemliefhebbers beter bekend onder den naam
van Physianthus undulatus. Ofschoon in Zuid-Brazilie te huis
behoorende, gedijdt zij hier te lande zeer goed des zomers in
de open Jucht op eene warme zonnige plaats, en bloeit dan zeer
rijkelijk met schoone witte kelkvormige bloemen, die vooral des
avonds een sterken honiggeur verspreiden. In het najaar bin-
nen gebragt, vereischt deze plant geene andere zorgen dan dat
men haar in eene temperatuur plaatse van slechts weinig gra-
den warmte, b. v. 5—5 C, en dat men haar van tijd tot tijd
een weinig water geve. Het eigenaardige nu van deze plant be-
staat hierin, dat de bloemen het vermogen hebben om de die-
ren, die daaruit honig zuigen, gevangen te houden aan hunnen
zuiger. Op die wijze kan men allerlei nachtvlinders, zelfs sphin-
VERSA €. 197
giden als Convolvuli, bemagtigen. Zij beschadigden zich niet
noemenswaardig, omdat zij door de bloem vastgegrepen wor-
dende , al spoedig het nuttelooze inzien van hunne pogingen om
los te komen. Des morgens vindt men de gevangenen stil zit-
ten op de bloemen.
50, De rups van Gelechia dodecacella L. Zij leeft, zoo als bekend
is, in de knoppen van Pinus sylvestris. Een exemplaar in Maart
1868, bij Breda in het Mastbosch gevonden, leefde in den knop,
waarin het gevonden was, tot in het begin van Mei. Het diertje
was toen volwassen en verliet zijne woning. Het was ruim 1
Ned. duim lang, bij een omtrek van 5 tot 6 streep en alzoo ge-
drongen van bouw. Het bezat 16 pooten, kop klein, zwartbruin. Lig-
chaam van eene rood-bruinachtige vleeschkleur; op elken ring waren
kleine zwarte wratjes, die elk, door de loupe gezien , een kort haar-
tje bevatten. Zonder eenig spinsel te maken, veranderde de rups
in een klein bruin popje, waaruit 16 Junij een 2 vlinder kwam,
6°. In afwijking van hetgeen de heer Snellen in zijn werk
over de vlinders van Nederland, pag. 558, in navolging van
Treitschke, ten opzigte van het voedsel en de kleur der rups
van Zarus ochroleuca W. V. opgeeft, had Spr. het volgende
opgemerkt: Eene rups dier soort was door hem in Junij 1867
op Salix alba bij Breda gevonden. Zij was zeegroen, lang, dun,
met vrij kleinen, bruingelen, donker gestipten kop. Langs en
over den rug liepen drie rijen verhevene, zwarte slippen, als
kleine wratjes, waarop zeer korte, stompe haartjes, naauwlijks
met het bloote oog waar te nemen. Na verscheidene dagen zeer
gulzig wilgenbladen te hebben gegeten , kroop het dier in de
aarde en op 27 Julij verscheen de 2 vlinder. — In Junij van
1868 werden op dezelfde plaats weder twee Ochroleuca-rupsen
gevonden op poot-wilg. Eene daarvan leverde op 18 Julij een
mannelijken vlinder. Spr. acht het hierdoor vaststaande, dat
ook wilgenblad tot voedsel dient van Ochroleuca en dat wellicht
de kleur zijner rupsen, die afweek van Treitschke’s beschrij-
ving, aan dit voedsel is toe te schrijven '.
1 Guenée, Suites è Buffon, Noctuél. VI. p. 16, geeft de volgende beschrijving der
rups van ochroleuca, door Stainton in zijn Manual 1 p. 261 overgenomen : Chenille
198 VE RS LA,
7’. Omtrent den invloed van den warmen zomer van 1868
op het aantal generatien van Lepidoptera, acht Spr. de volgende
waarnemingen der vermelding waardig:
a. Colias Hyale. Een Exempl. gevangen 15 Mei; een 2 gev.
2 Augustus. Uit eijeren daarvan kwamen rupsjes, die 15
September verpopten en waarvan de vlinders uitkwamen
27 September.
h. Porthesia auriflua. Eene tweede generatie op het eind van
September. 5 dd en 1 2 :.
c. Clostera curtula. Op het eind van September 2 frissche
29 op wilgen.
d. Thyatira batis. 12 Augustus een pas uitgekomen 2 in het
Mastbosch.
e. Mamestra dysodea. Drie generatien: Mei, Julij en September.
Cidaria variata. Drie generatien: April, Mei, Julij en Sept.
g. Achroea grisella. Vier generatien en
h. Galleria mellonella , vijf generatien; beide gekweekt.
à Van Tortrix podana, Loeflingiana en Phibalocera quer-
cana werden pas uitgekomen vlinders gevangen in Sept.
8°. Als bijdrage tot het antwoord op de vraag, of het voor-
komen van een Lepidopteron op twee tijden in het jaar, twee
volledige generatien bewijst, wordt de volgende ervaring ver-
meld. Uit eijeren van eene Agrotis brunnea verkreeg de heer
Heylaerts op 28 Junij 1868 rupsjes. Daarvan waren er reeds
6 weken later twee verpopt, terwijl meer dan twee derden toen
eerst twee malen verveld waren. Een gedeelte daarvan verpopte
echter ook, achtereenvolgens. Een ander gedeelte zal echter
blijkbaar als rupsen overwinteren. Uit de poppen kwam de
eerste vlinder 29 September; hij werd tot ver in November
door anderen gevolgd; de helft der poppen is evenwel voor den
winter niet uitgekomen, hoewel ze goed levende zijn.
d'un vert-jaunâtre, avec la stigmatale d’un jaune clair et tous les points ordinaires
petits, noirs, surmontés de poils courts de même couleur. Tête et pattes écaillenses
d'un roux pale. Vit en mai et juin sur les graminées, dans les lieux secs. — d. G.
1 Ook andere leden hadden in het laatst van September vlinders dezer soort ge-
vonden. — d. G.
VER SUPRA Gs 199
9°. Deilephia Celerio. Drie exemplaren zijn door spreker in
zijn tuin te Breda gevangen en wel op 15, 25 en 29 September
1868. Een vierde exemplaar werd door een zijner vrienden ge-
vonden. Sedert 21 September 1865 is alsnu de vangst bij Breda
geconstateerd van 7 Celerio-vlinders.
Hiermede zijn de wetenschappelijke mededeelingen ten einde
gebragt.
De volgende dag werd aangenaam doorgebragt.
In den voormiddag vereenigde men zich ten huize van den
Conservator om de bibliotheek der Vereeniging te bezigtigen.
De inrigting en het uiterlijk voorkomen daarvan droegen de
algemeene goedkeuring weg en deden de goede zorgen uitkomen
van den conservator. Toen het twaalf uur was maakte men
met genoegen gebruik van de vriendschappelijke uitnoodiging
van den heer N. H. de Graaf om bij hem het dejeuner te blijven
gebruiken. Inmiddels had de heer Hubrecht gezorgd dat er
voor de leden, hoewel het Zondag was, gelegenheid bestond
om de schilderijen te zien, die in het stadhuis zijn ten toon ge-
steld. Zijn voorstel om na het dejeuner gezamenlijk derwaarts
le gaan werd met opgewektheid aangenomen. Van het Raad-
huis begaf men zich, op uitnoodiging van den Voorzitter, naar
’s Rijks Museum van natuurlijke geschiedenis. Het was niet
alleen de insekten-collectie der Vereeniging, welke aldaar be-
waard wordt, maar het waren vooral de rijke verzamelingen
van het beroemde Museum, die onder aanwijzing van den heer
Snellen van Vollenhoven de aandacht der aanwezigen onverdeeld
bezig hielden tot dat de invallende duisternis daaraan een einde
maakte. Ten vijf ure kwam men bijeen in het hotel Verhaaff,
tot het houden van een’ gemeenschappelijken maaltijd en toen
men afscheid had genomen, vertrok ieder zeer voldaan over het
genoegen , hetwelk deze twee dagen hadden opgeleverd en
erkentelijk voor de wijze waarop het verblijf in Leiden veraan-
genaamd was.
Me. H. W. ». Gr.
ZWERM VAN MUSCA CORVINA F.
WAARGENOMEN TE HAARLEM
DOOR
H. WEYENBERGH Jr.
In Juli dezes jaars werd Teyler’s museum te Haarlem be-
zocht door een grooten zwerm vliegen der bovengenoemde soort,
en terzelfder tijd genoot het museum van schilderijen in het
paviljoen te Haarlem de eer van een dergelijk bezoek.
De zwerm die zich in Teyler’s museum had neêrgezet, betrok
het hooge, gedeeltelijk met glas gedekte koepelgewelf der zaal,
waarin de collectie ertsen en mineralen geëxponeerd is.
Op zekeren dag vernam men plotseling bij het intreden der
zaal een hevig gegons en gebrom als van een bijenzwerm, en het
oog naar boven werpende, zag men het gedeeltelijk glazen, gedeelte-
lijk geplafoneerde koepelgewelf als bedekt met gevleugelde insekten ,
die bij nader onderzoek bleken vliegen te zijn en wel allen indi-
vidus der soort, bekend onder den naam Musca corvina F.
Van dag tot dag nam het aantal toe en wel zoo sterk, dat
hun getal binnen weinige dagen millioenen moet bedragen heh-
ben. Zij bleven in het bovenste gedeelte van den koepel en be-
dekten eindelijk glazen en plafond schier volkomen; op vele
plaatsen zaten zij aan dikke hoopen opeen, even als bijenzwer-
men. Het bleek — en dit zal voor ieder , die met de localiteit
van Teyler’s museum bekend is, duidelijk zijn — dat zij niet
van binnen uit het gebouw kwamen, maar van buiten of door
kleine kieren tusschen de ruiten naar binnen drongen.
In het najaar kwam onder deze onwelkome bezoekers de ge-
wone sterfte en vele dooden en half-dooden bedekten den grond.
Bij elken tred verpletterde men er velen, hetgeen in den wit-
geschuurden vloer tallooze vetvlekken veroorzaakte. Eindelijk heb-
ben zij allen, op enkelen na, die nog rondvliegen, de tol der
natuur betaald en zijn zoodoende verdwenen, doch niet zonder
dermate vloer en koepelgewelf, vooral het laatste, ontsierd te
hebben, dat men thans nog bezig is door cene restauratie de
nagelaten sporen van hun aanzijn te verdrijven.
VERS WA: & 201
Te gelijkertijd nestelde een dergelijke zwerm van dezelfde
soort zich in het hooge, ook gedeeltelijk met glas gedekte koe-
pelgewelf van de schilderijzaal in het paviljoen in den Hout. Het
aantal individuen was al niet geringer dan in Teyler’s museum
en heeft zekerlijk ook millioenen beloopen. Op dezelfde wijze als
in Teyler’s museum traden zij de zaal binnen en onthielden zieh
ook uitsluitend in het bovenst gedeelte, tot zij, ook door de
sterfte aangetast, op den grond vielen en zoo allengs verdwenen,
Even als in Teyler’s museum hebben zij ook hier zoowel het pla-
fond als den fraaijen mozaik-vloer en de vergulde schilderij-lijsten
zóó bezoedeld, dat eene reiniging noodzakelijk is geweest, en
vooral de witte vakjens in den vloer vertoonen nog de vetvlek-
ken der vertrapte vliegen.
Een dergelijke zwerm is ook nog waargenomen in de nabij-
gelegen villa van den heer Dijk, alwaar zij mede schade hebben
veroorzaakt.
Op andere plaatsen en in andere gebouwen zijn zij niet waar-
genomen, althans mij is daarvan niets bekend.
De vraag was nu natuurlijk: van waar komen zoo eensklaps
die ontzeltende massa's vliegen? Wat is de oorzaak van dit plot-
seling en in zoo bijzonder groot aantal optreden van eene soort,
die, ofschoon overal in ons land in dien tijd des jaars algemeen ,
overigens nooit in zoo groote menigte bijeen komt?
Ik vernam het volgende: Gedurende den zomer had aan de
Bakenesser toren, den oudsten der Haarlemsche torens, eene
reparatie plaats. Op zekeren dag dat een paar der werklieden naar
boven klommen, werden zij, toen zij kwamen aan een geheel
beschoten en daardoor zeer donker gedeelte, dicht onder den
z. gen. appel, overvallen door eene ontzettende menigte vliegen,
die hun in mond, neus en ooren kropen en daardoor het voort-
gaan beletten. Zij rapporteerden de zaak aan den stads architect,
den heer van den Arend, aan wien ik deze inlichtingen te dan-
ken heb, en deze heeft zich persoonlijk overtuigd dat de berichten
niet overdreven waren. Het vereischte , volgens de beschrijving,
moeite er door heen te dringen. Toen er eenmaal beweging on-
der hen was, gonsden zij door elkäar en weldra kwam een groote
2092 VIE Sh TSM GARE.
zwerm zwaluwen zich te goed doen aan deze meer en meer naar
buiten tredende insekten.
Be stoornis die zij nu ondervonden scheen hen te verdrijven
en zij trokken allengs af.
Een paar dagen daarna werden de zwermen in Teylers mu-
scum, op het paviljoen enz. waargenomen, zijnde de hoogste
gebouwen die in dezelfde lijn, van den Bakenesser toren af, lig-
gen, en wel in Z.-Z.-W. richting. Eene kleine zwerm schijnt cene
andere koers genomen te hebben en is aan den toren van de groote
kerk waargenomen. Teyler’s koepeldak was het eerste hooge ge -
bouw, dat zij in die richting ontmoetten en het dak van het
paviljoen is, ofsehoon op grooteren afstand gelegen (15 tot 20 mi-
nuten) het tweede hooge gebouw in die richting; de gevolgtrek-
king ligt dus voor de hand dat de zwerm in zijn geheel op den
Bakenesser toren is geweest en zich vandaar uit in meerdere
zwermen heeft verdeeld, waarvan de grootsten , in Z -Z.-W. rich-
ting trekkende, Teyler’s museum en het paviljoen hebben bezet.
De vraag is nu: hoe kwam die enorme zwerm in den Bake-
nesser toren? —
De belangrijke hoogte, waarop zij zich in den toren genesteld
hadden in aann:erking nemende, vermoedde ik dat zij daar ter
plaatse ontwikkeld waren in kraaijenmest of oude kraaijennesten
enz.; ik heb zelf de plaats waar zij voorkwamen onderzocht,
maar niets gevonden dat de maden tot voedsel kan gestrekt heb-
ben. Zelfs in alle hoeken heerscht orde en netheid, zoodat ik
dan ook dadelijk dit vermoeden heb laten varen en geene ver-
klaring aannemelijker vind, dan dat zij van buiten door het open
gedeelte van den toren zijn ingekomen en naar het donkere ge-
deelte zijn opgeklommen en zich daar, tegen weer en wind be-
schut, hebben verzameld. De vraag blijft dus nog onbeantwoord:
van waar zijn zij gekomen? —
Het was misschien niet onbelangrijk te weten of op meer plaat-
seu in ons land zich in dezen zomer zoo groote zwermen van deze
of andere soorten van vliegen vertoont hebben. Misschien zou men
daardoor tot de beantwoording dezer vraag een stap nader komen.
Haarıem, 16 Dec. 1868.
MICROLEPIDOPTERA,
NIEUW VOOR DE FAUNA VAN NEDERLAND,
OPGEGEVEN IN DE
VERGADERING VAN 19 DECEMBER 1868,
DOOR DE HEEREN
H. W. DE GRAAF en P. C. T. SNELLEN.
PYRALIDINEN.
Acentropus niveus Olivier. — Kolenati in Wiener Entom.
Monatschrift II. p. 581. Taf. 7. — Entomol. Annual 1858. p. 102.
fig. 6. — v. Heinemann, Zinsler p. 107.
Zuid-Holland: op 10 Augustus 1868 heb ik op het buiten-
goed «Klein Leeuwenhorst» onder Noordwijkerhout twee man-
nelijke exemplaren gevangen, die laat in den avond door een
geopend raam naar binnen kwamen vliegen en op het tafelkleed,
waarop de brandende lamp stond, al vliegende onophoudelijk
allerlei wilde sprongen maakten. Later zag ik in de collectie
der Nederl. Entomologische Vereeniging eenige, mede manne-
lijke, voorwerpen door den heer Weijenbergh bij Haarlem ge-
vangen.
Acentropus niveus is een zeer eigenaardig diertje. Vroeger
hield men het voor een Neuropteron, maar tegenwoordig trek-
ken de lepidopterologen het zich aan. Nu de vliegplaats mij
bekend is, hoop ik zoo gelukkig te zullen zijn de rups te vinden.
Zij leeft tot in Julij op Potumogeton pectinutus en perfoliatus
vrij in het water, Het wijfje is ongevleugeld en zwemt, volgens
17
904 MICROLEPIDOPTERA.
eene mededeeling van Reutte, door von Heinemann t. a. p.
opgenomen, des nachts op den rug onder water en trekt bij
het paren het mannetje met zich onder. Als vliegtijd geeft v.
Heinem. de maanden Julij en Augustus op (de Graaf).
Botys stachytaiis Zinck. — Herr.-Schaeffer, IV. p. 50. fig.
114. — v. Heinem. Zünsler p. 75.
Friesland: Oldeberkoop, op 16 Junij 1868 gevangen door
Mr. J. H. Albarda. Zie meer in dit Tijdschrift 2° serie. DI. IV.
pag. 15 (de Graaf).
Crambus silvellus Hübn. — Herr.-Schaeff. IV. p. 54. —
Zell. Chil. et Cramb. genera et species p. 20. -— v. Heinem.
Zünsler p. 120. — Adippellus Treits. IX. 1. 75.
Het was den heer Heylaerts voorbehouden de indigeniteit
dezer soort, reeds lang door mij vermoed, te constateren. Hij
ving een exemplaar in Noord-Brabant 2 Junij 1868 op eene
vochtige plaats in de vestingwerken bij Breda (de Graaf).
TORTRICINEN.
Conchylis atricapitana Steph. — Wilkinson, Brit. Tortrices
p. 298. — Stainton, Manual II. p. 271. — v. Heinemann ,
Wickler p. 87.
Noord-Holland: in Middenduin bij Overveen 9 Junij 1866
door den heer Kinker gevangen. Het exemplaar is ook door den
heer Stainton gezien, die onze determinatie op de aangehaalde
auteurs gedaan zonder eenige bedenking bevestigd heeft (de Graaf).
Retinia posticana Zetterst. — Wocke, Wien. Entomol. Zei-
tung 1862 p. 50. — v. Heinem. Wickler p. 94.
Gelderland: Velp. De rupsen in Maart 1868 in de knopjes
van Pinus sylvestris; zij verpopten in April in de knopjes en
de vlinders kwamen uit in de tweede helft dier maand en in
de eerste helft van Mei (van Medenbach de Rooy Jr.).
Twee dier vlindertjes zijn door Prof. Zeller gezien, die daarbij
het volgende aanteekende: «Zij komen naauwkeurig overeen
met het Lyflandsche, door Wocke (Ent. Zeit. 1862. p. 50) ver-
melde en andere bij Glogau en Meseritz gevangen exemplaren.
MICROLEPIDOPTERA. 205
Het is alzoo zeker Ret. posticana Zttst. (Ins. Lapp. p. 982),
althans zoo als Wocke ze voor zich had. Heinemann’s Posticana
is volgens zijne beschrijving dezelfde; maar zijn Alpin grooter
exempl. zal wel tot Mughiana Z. Raibl. Fauna ' behooren». —
Posticana heeft een lateren vliegtijd dan Ret. duplana, waarvan
de heer v. M. de Rooy in 1868 eenige exemplaren bij Velp
ving op 21 Maart en 1 April (de Graaf).
Penthina lucivagana Zell. Isis 1846. p. 229. — von
Heinemann, Wickler p. 128.
Gelderland: Oosterbeek een 3 8 Junij 1868 des avonds op
zandgrond gevangen (Snellen). Dit exemplaar aan Zeller ter
bezichtiging gezonden ontvingen wij van hem terug met deze
aanteekening: «Richtig Lucivagana, wie ich sie voriges Jahr an
den mit Globularia bewachsenen Abhängen der Kalkalpen fing»
(de Graaf).
TINEINEN.
Nemophora pilella Wien. Verzeichn. — Stainton, Ins. Bri-
tannica p. 47. — Frey, Tin. und Pteroph. p, 57.
Gelderland: Velp, op het lange water, een zeer gaaf 4 6 Junij
1867 (van Medenbach de Rooy Jr.) Dit exemplaar is door
Stainton bestemd (de Graaf).
Swammerdamia simplicella Herr.-Schaeff. V. p. 280.
fig. 560. — Ruficeps v. Heinem. in Zeitschr. für Entomol. in
Auftr. des Vereins für Schles. Insektenk. p. 4. (Breslau 1854).
Zuid-Holland: Rotterdam. Een exemplaar in ’t begin van Mei
1867 op een wilg gevangen en in 1868 twee exemplaren gek weekt
uit rupsen, aldaar gevonden op Fraxinus excelsior (Snellen).
Zeller, die een dezer laatste voorwerpen zag, schreef ons:
«Sicher diese Art, bei H. S. jedoch nicht gut abgebildet; ich
habe sie von v. Hein. selbst als seine Ruficeps erhalten » (de Graaf).
Depressaria umbellana Steph. — Staint. Manual II. p. 521;
Ins. Brit. p. 85; Nat. Hist. VI. tab. 1. fig. 5.
Gelderland: Velp. Op 8 Julij 1868 gekweekt uit eene rups
+ Stettin. Entomol. Zeit. 1868. p. 123.
206 MICROLEPIDOPTERA.
a
aldaar in Junij op heide gevonden en die in het laatst dier
maand pop was geworden (van Medenbach de Rooy Jr.). Dit
exemplaar is ook door Zeller gezien. Het heeft drie duidelijke
zwarte punten op het vlak der bovenvleugels, en wel, twee
vóór het midden onder elkander geplaatst, het onderste in de
vleugelvouw, en een over het midden. Stainton geeft op dat
de rups op Ulex leeft. De heer van Medenbach de Rooy is er
echter zeker van dat hij het rupsje 't welk Umbellana opleverde
op heide gevonden heeft. Hij had er eene Tort. Gerningana
uit verwacht, omdat bet zooveel overeenkomst had met de
rups dezer Tortrix, die volgens Snellen grijsgroen is met licht
bruinen kop (de Graaf).
Bepressaria capreolella Zell. — Staint. Ins. Brit. p. 90.
Zuid-Holland: een exemplaar door mij reeds jaren geleden in
de Katwijksche duinen gevangen in Julij, werd door Stainton
bestemd (de Graaf)
Psoricoptera gibbosella Zell. — Staint. Ins. Brit. p. 101. —
Herr.-Schaeff. V. p. 168. fig. 470. — Frey, Tin. und Pteroph.
p. 154.
Zuid-Holland: Lisse, 50 Julij (Kinker). Het voorwerp komt
overeen met een Duitsch exempl. dat ik van Mann bezit (de Graaf).
Gelechia infernalis Herr.-Schaeff. V. fig. 584; Infernella
Vp. 477:
Gelderland: een g exemplaar, bij Velp gevangen door den
heer van Medenbach de Rooy Jr., werd door ons als Infernalis
bestemd aan Prof. Zeller ter bezichtiging gezonden. Zijn ant-
woord was: «Richtig diese, aber über ihre Artrechte bin ich
ebenso zweifelhaft wie Wocke, Entom. Zeit. 1862, 254. Bei
Raibl fliegt sie mit der kleinere hellere Zricetella zusammen». —
Behalve het vermelde Geldersche g heb ik nog een ander vrou-
welijk individu gezien, hetwelk door Snellen bij Kleef in het
Reichswald gevangen is op Vaccinium en heide. Deze beide
voorwerpen verschillen niet wat grootte, vleugelvorm en kleur
betreft. Zij hebben eene vlugt van 18 mm. Een zeer groot
inlandsch exemplaar van G. ericetella haalt 17 mm. De boven-
vleugels dezer beide wijfjes van Infernalis zijn merkelijk breeder
MICROLEPIDOPTERA. 207
dan die van £ricetella, maar aan den buitenrand niet breeder
dan op het midden, zoo als door Herrich Schaeffer is voor-
gesteld. De buitenrand is afgerond, bij Mricetella daarentegen
loopt zij schuins van de vleugelpunt tot den binnenrand. De
ondervleugels van beide Infernalis zijn op het midden gemeten,
zonder de franje, 2 mm. breed en dus ook breeder dan die
onzer grootste Zricelella, welke slechts 1,5 mm. breedte hebben.
Zij zijn bij £ricelella puntig, maar niet bij onze Infernalis,
die dus ook in dit opzigt afwijken van Herrich-Schaeffers fig. 470.
Men kan van onze individu’s van Infernalis met Herrich-Schaeffer
zelfs niet zeggen dat de ondervleugels «vor der stumpfen Spitze
kaum eingebogen» zijn. Zij zijn aldaar in ’t geheel niet inge-
bogen en hebben nog minder punt dan @. cinerella en populella.
Voor zoover men naar twee exemplaren kan oordeelen „ schijnt
dus de afwijkende vleugelvorm voor het soortregt van Infernalis
te pleiten (de Graaf).
Gelechia interruptella Hübn. — Herr.-Schaeff V. p. 188.
Gelderland: een exemplaar, te Velp gevangen door den heer
van Medenbach de Rooy Jr. 6 Junij 1867, is ook door Zeller
gezien (de Graaf).
Gelechia aethiops Humphr. and Westw. — Staint. Ins. Brit.
p. 121. — Herr.-Schaeff. V. p. 185. fig. 486.
Friesland: bij Leeuwarden, 24 Mei (Albarda). Ook van dit
exemplaar is onze bestemming door Zeller bevestigd. De kleur
der bovenvleugels is door Herrich-Schaeffer met meer juistheid
in zijn tekst dan op zijne afbeelding uitgedrukt. Ook de vorm
dier vleugels is door hem, naar ons exemplaar te oordeelen ,
niet juist teruggegeven. Reeds op het midden, ja zelfs voor het
midden van den binnenrand beginnen zij naar de vleugelspits
langzamerhand in breedte af te nemen, zoodat de geheele buiten-
helft smaller is dan de figuur voorstelt. Men kan de boven-
vleugels lancetvormig noemen (de Graaf).
Gelechia alburnella Zell. — Herr.-Schaeff. V. p. 168.
Gelderland: Velp, 29 Junij 1868 een voorwerp bij berken
gevangen (van Medenbach de Rooy Jr.). Van de twee afbeeldin-
gen die Herrich-Schaeffer geeft, past zijne figuur 489 het best
208 MICROLEPIDOPTERA.
op ons exemplaar. Dit is echter niet zoo wit, de vlekjes langs
den buitenrand zijn niet zoo duidelijk tot streepjes verlengd en
op 1/5 van den binnenrand is een kleine schubbenverhevenheid,
die op de grondkleur afsteekt. Ons inlandsch voorwerp verschilt
niet van een Duitsch individu, dat Mann mij zond (de Graaf).
Gelechia nanella W. V. — Staint. Ins. Brit. p. 129. —
Herr.-Schaeff. V. p. 167. — Frey, Tin. und Pteroph. p. 126.
Gelderland: Velp, 25 Mei uitgekomen; de rups op lijsterbes
of appel in het begin van Mei (de Roo van Westmaas).
De aangehaalde auteurs geven Julij als vliegtijd op. Een
exemplaar dat ik van Mann ontving is donkerder dan het ge-
kweekte g van de Roo van W. en de zwarte langstreepen zijn
dikker. Geen van beide heeft den lichten gebroken middenband
van Herrich-Schaeffer’s fig. 502; ook loopt bij beide individu’s
de lijn, die men langs het uiteinde der franje van de boven-
vleugels zou kunnen trekken niet regelmatig schuins, maar
maakt ter hoogte van den binnenrand dier vleugels eene flaauwe
buiging naar buiten op de wijze als bij fig. 501 (de Graaf).
Gelechia vorticella Zell. Isis 1859. p. 201. — Frey, Tin.
und Pteroph. p. 129.
Noord-Brabant: eene zwarte rups, in Mei bij Veghel gevonden op
eene soort van Lathyrus of Lotus, leverde 20 Junij een vlinder
op (Snellen). Dit exemplaar is ook door Zeller als zijne Vorti-
cella bestemd. De fascia transversa nivea is pone medium geplaatst.
Ten opzigte van %. ligulella kan ik hier bijvoegen dat het
exemplaar door mij in het voorgaande deel van dit Tijdschrift
(pag. 65 noot) vermeld, later door Stainton, zonder eenige be-
denking, als 7. ligulella bestemd is. Sedert heeft Prof. Zeller
in zijne Beitrag zur Kenntniss der Lepidoptern-Fauna der Um-
gegend von Raibl in Ober-Kärnthen u. s. w., geplaatst in de
Verhandl. d. K. K. Zoolog.-botan. Gesellschaft in Wien, Jahrg.
1868, p. 614 (Separat abdr. p. 52) het specifiek onderscheid
opgegeven tusschen @. ligulella en vorticella. Daar het bedoelde
exemplaar echter reeds lang aan den eigenaar is teruggezonden,
kan ik niet nagaan of de opgegeven kenmerken van Ligulella
daarop passen (de Graaf).
MICROLEPIDOPTER A. 209
Anarsia Genistae Staint. Ins. Brit. p. 144.
Gelderland: Winterswijk, 20 Junij 1867, een & gevangen
(Snellen), hetwelk Stainton zelf bestemd heeft, met de bijvoe-
ging «rather pale» (de Graaf).
@cophora similella Hübn. — Staint. Ins. Brit. p. 157. —
Herr -Schaeff. V. p. 159. fig. 416.
Gelderland: Velp, 2 Junij 1867, een exemplaar gevangen door
den heer van Medenbach de Rooy Jr., en door Stainton bestemd
(de Graaf).
Æchmia equitella Scop. — Staint. Ins. Brit. p. 175. pl. 9.
fig. 16. — Herr -Schaefl. V. p. 95. — Frey, Tin. und Pteroph. p. 175.
Noord-Holland: Overveen, in Middenduin, 9 Junij 1866
(Kinker). Ook door Zeller gezien (de Graaf).
Argyresthia abdominalis Scop. — Staint. Ins. Brit. p. 185. —
Herr.-Schaeff. V. p. 275. — Frey, Tin. und Pteroph. p 191.
Gelderland: Ruurlo, den 14° Junij 1868 eenige exemplaren uit
Juniperus geklopt (Snellen). Zij hebben een rood achterlijf. Bij
Herrich-Schaeffer zal die kleur wel bij vergissing zijn achterwege
gebleven op fig. 661 van Tab. 86 (verkeerdelijk 691 genommerd),
want in zijn tekst spreekt hij van een dunkergelb Hinterleib.
Wocke evenwel ving in Finmarken (Entom. Zeit. 1862. p. 240)
beide seksen van Abdominalis zonder rood gekleurd achterlijf,
althans hij houdt deze voorwerpen voor die soort (de Graaf).
Ornix finitimella Zeller. — Frey, Linn. Ent. XV. p. 26 en
Tin. und Pter. der Schweiz p. 248.
Gelderland: Arnhem, de rups in het najaar op Prunus spinosa ;
de vlinder in April (van Medenbach de Rooy).
Noordbrabant: Breda, de rupsen in het Liesbosch „ in October;
de vlinders in het voorjaar (Snellen).
Vergelijk ook Bouwst. HI. p. 276.
Ornix torquillella Zeil. — Frey, Linn. Ent. XV. p. 28.
Gelderland: Beek, bij Nijmegen; de rups op kweepeer in het
najaar, de vlinder in het voorjaar (van Medembach de Rooy).
Vergelijk ook Bouwst. Ill. p. 276.
Hoewel Frey in zijne Monographie van het genus Ornia Zell.
als voedsel der rups alleen Prunus spinosa noemt, wijkt toch
210 MICROLEPIDOPTERA.
het door den heer v. M. d. R. gezonden exemplaar des vlinders
niet van de beschrijving in de Linnaea af en wordt het ook door
Prof. Zeller, die het zag, zonder bedenken voor zijne en Frey’s
Torquillella verklaard. Hij had evenmin de rups anders dan op
Sleedoorn (Prunus spinosa) gevonden (Snellen).
Ornix anguliferella Z. — Frey, Linn. Ent. XV. p. 57.
Gelderland: Arnhem, rups op perenboomen in het najaar;
vlinder in het voorjaar (van Medenbach de Rooy).
Zeller zag een exemplaar en bevestigde de determinatie (Snellen).
Colcophora solitariella Zell. Linn. Ent. IV. p. 597. —
H. S. Syst. Bes. V. p. 255. — Frey, Tin. und Pter. der Schweiz,
p. 225. — H. S. Corr. BI. f. Samml. von Ins. p. 166.
Gelderland: Arnhem, de zakjes aldaar gevonden door den
heer van Medenbach de Rooy in het begin van Mei op Stellaria
holostea; de vlinders op 25 en 25 Mei uitgekomen (Snellen).
Laverna subbistrigella Haw. — Frey. Linn. Ent. XIV. p. 205;
Tin. und Pter. der Schweiz, p. 208. — Sturnipennella Tr. IX.
2.209,
Gelderland: Arnhem, 1 exemplaar op 24 Mei 1868 (van
Medenbach de Rooy). Zeller, die het exemplaar zag, schrijft:
«Sicher meine Zlachista sturnipella. So benannt erhielt ich sie
von F. v. R. — Weder Treitschke, noch H. S. erwähnen des
charakteristischen hellgrauen, nach unten erweiterten Bandes
und H. S's. Permutatella fig. seht ganz anders aus, wie ich keine
Exemplare habe. Laverna subbistrigella Staint. Tin. 258 ist
sicher meine Sturnipennella. Frey’s Subbristrigella passt nach
der Diagnose so vortrefilich, dass ich die Beschreibung nicht erst
vergleiche» (Snellen).
Chrysoclista aurifrontella Hübn.
Gelderland: Oosterbeek, op 28 Mei 1867 een exemplaar (Snellen).
Door Prof. Zeller bestemd.
Elachista Airae Staint. (in litt.) — Frey L. E XII. p. 225.
Gelderland: Velp, op 10 Mei 1867 een 3 (van Medenbach
de Rooy).
Het exemplaar is door Stainton bestemd en behoort tot de voor-
werpen zonder lichten basaal-band waarvan Frey spreekt (Snellen).
MICROLEPIDOPTERA. 211
Elachista cinctella Zell. — Frey, L. E. XII. p. 265.
Gelderland: Arnhem, 10 Julij 1867 een afgevlogen exemplaar
(van Medenbach de Rooy).
Het is op Zellers autoriteit, die ons exemplaar zag, dat wij
El. cinctella opnemen. Hij schrijft ons: « Es ist meine Elachista
cinclella die Stainton sah und über deren Rechte er nicht zwei-
felhaft scheint, da er sie in der Natural History III. p 14 ohne
weiteres aufzählt. Ich habe nur zwei unvollkommene Exem-
plare ».
Frey betwijfelt (l. c.) de soortsregten en is geneigd om Cin-
ctella Zeller voor varieteit van Adscitella Sta. te houden. Geene
voorwerpen van Adscitella bezittende, kan ik hiervan niets
zeggen, doch moet ik aanteekenen dat aan het voorwerp van
v. M. d. R. een witten kop en vrij spitse voorvleugels met een’
breeden witten band daarover, door welke kenmerken Cinctella
zich volgens Frey van Adscitella onderscheidt, wel in het oog
vallen (Snellen).
Lithocolletis tenella Zell. Linn. Ent. I. p. 226. fig. 50. —
Frey, Tin. und Pter. der Schweiz, p. 557.
Gelderland: Arnhem, de rups aldaar door den heer v. Medenb.
de Rooy gevonden in het najaar op haagbeuk (onderzijde der
bladeren); de vlinder kwam uit in Mei (Snellen).
Lithocolletis cydoniella Frey, Tin. und Pter. der Schweiz,
p. 997.
Gelderland: Arnhem, de rups op kweepeer (onderkant der
bladen) door van Medenbach de Rooy gevonden, |
Ik zag eenige exemplaren, die met de beschrijving van Frey
overeenkomen, doch de witte beschubbing aan den binnenrands-
wortel der voorvleugels, die volgens hem bij Cydoniella hoogst
onduidelijk zoude zijn, is goed te zien, De heer v. M. d. R,
teekent nog aan dat hij heeft waargenomen, dat de rups van
Cydoniella een spinsel maakt, hetgeen bij Pomifoliella nooit het
geval is (Snellen).
Lithocolletis spinicolella Sta. — Frey, Tin. und Pter. der
Schweiz, p. 545. — Stainton, Nat. Hist. I. p. 157. pl. III. f 2.
Gelderland: Arnhem, de rups in het najaar op Prunus spinosa
219 MICROLEPIDOPTERA.
(onderkant der bladen), vlinder in het voorjaar (van Medenbach
de Rooy).
Gekweekte exemplaren van den heer v. M. d. R. die ik zag,
komen goed met Frey’s beschrijving overeen; ik betwijfel echter
het specifiek verschil met Cerasicolella H.S. — Vergelijk mijne
aanmerking, Tijdschr. v. Ent. XI. p. 70 bij Lithocolletis cerasi-
colella (Snellen).
Lithocolletis Viminetorum Stainton, Nat. Hist. I, p. 57.
phase:
Zuid-Holland: Rotterdam. Een exemplaar dezer zoo ligt ken-
bare soort is door mij uit smalbladige wilgen gekweekt (Snellen).
Lithocolletis quinqueguttella Staint. Ins. Brit. p 268. —
H. S. Corr. Blatt. f. Sammler v. Ins. p. 79.
Zuid-Holland: Wassenaar. Een exemplaar den 2° Augustus
1865 boven Sulix repens in de duinen gevangen (Snellen).
Lithocolletis salictella Zeller. Linn. Ent. I. p. 207. f. 16. —
H. S. Syst. Bes. V. p. 528. Tin. f. 759. — Frey, Tin. und Pter.
der Schweiz, p. 545.
Gelderland: Arnhem, een exemplaar den 5° Mei 1868 gevan-
gen (van Medenbach de Rooy).
Zeller heeft het exemplaar gezien en bestemde het stellig als
zijne Salictella. Hij zegt: «Sicher meine Salictella, obgleich
deren Zeichnungen gewöhnlich weisslicher sind». Ook Frey
spreekt I. c. van zulke geelachtig wit geteekende voorwerpen,
die dan zeer op Viminiella Staint. gelijken. Van deze soort,
waarvan ik door Stainton bestemde exemplaren bezit, kan ik het
voorwerp van v.M.d.R alleen door donkerder glanziger grond-
kleur onderscheiden, want de binnenrand der voorvleugels is
bij hetzelve wit, gelijk bij Viminiella (Snellen).
Lithocolletis Tremulae Zeller, Linn. Ent. I. p. 251. f. 40. —
ll. S. Syst. Bes. V. Tin. f. 810, 811. — Frey, Tin. et Pter. der
Schweiz, p. 566. — Tremulella H. S. p. 554.
Zuid-Holland: Rotterdam. Een exemplaar 20 October 1866
op den middag vliegende (de Graaf) — een voorwerp in Sept.
tegen den stam van eenen populier (Snellen).
Lithocolletis pastorella Zell. Linn. Ent. I. p. 250.
MICROLEPIDOPTER A. 215
Zuid-Holland: Rotterdam, 2 exemplaren in Augustus en
September uit smalbladige wilgen gekweekt en wel uit dezelfde
soort waarop ook Lithocollelis viminiella en Nepticula vimine-
ticola leven (Snellen).
Zeller die onze beide exemplaren van Tremulue en een zeer
fraai gekweekt van Pastorella zag, schrijft ons: «Sie haben die
Thiere zufolge des Aufenthalts richtig benannt; aber ich habe
seit ich die Arten beschrieb, allmählig so viele Exemplare und
in solcher Verschiedenheit der Grösse, der Zeichnung etc. ge-
fangen, das mir der Artunterschied ganz unklar geworden ist,
und dass ich sehr bereit bin beide Nummern (Tremulae en
Pastorella) in eine Art zusammenzuziehen. Ehe ich dieses aber
mit Entschiedenheit thue, muss ich erst die Raupe der Pasto-
rella genau kennen lernen, denn diese habe ich noch nie er-
zogen, während ich jedes Jahr die Raupe der Tremulae in Menge
finde und ziehe». — Het zoude voorzeker vermetel zijn om,
bij het weinige materiëel dat ik bezit, de juistheid van Zeller’s
meening te betwisten, doch ik kan hierbij niet nalaten op
te merken, dat het mij voorkomt dat Pastorella zeer duidelijk
van Tremulae onderscheiden is door de zacht geronde zwarte
franjelijn, welke bij Tremulae veel spitser bogt om de vleugel-
punt maakt (Snellen).
Bucculatrix nigricomella Zeller. — Sta. Nat. Hist. VII,
p. 35. Bucculatrix pl. 1. f. 2. — Frey, Tin. und. Pier. der
Schweiz, p. 519. — var. Aurimaculella Sta. Nat. Hist. VII. p. 25.
Bucc. pl. I. f. 1. — Frey p. 320.
Gelderland: Velp, den 8° Mei 1867 een schooltje van ongeveer
een dozijn vlinders bijeen met een slag in het net gevangen
(van Medenbach de Rooy). Onder deze vlinders bevinden zich
duidelijke en zachte overgangen van den type op de varieteit,
zoodat het vermoeden van sommigen, dat de tot dusverre nog
als verschillende soorten beschouwde Nigricomella en Aurimacu-
lella ééne soort zouden uitmaken, volgens mij, bewaarheid
wordt. De rups van beide vormen is dezelfde volgens Stainton’s
tekst, hoewel in de afbeeldingen nog wel eenig verschil is te
zien (Snellen).
214 MICROLEPIDOPTERA.
PT EOP Boer NEN:
Platyptilus ochrodactylus Herr.-Schaeff. V. p. 567. fig. 5. —
Zeller, Isis 1841 p. 776. — Dichrodactylus Mühlig, Stett. Ent.
Zeit. 1865 p. 115.
Zuid-Holland: omstreken van Leiden (Dozy). Overijssel: De-
venter, 20 Junij 1868 (Snellen). Gelderland: Arnhem, 6 Junij
1865 (van Woerden). Uit de collectie van Eyndhoven bezit ik
drie exemplaren, waarschijnlijk te Empe gevangen. Zeller be-
vestigde onze bestemming.
Men vergelijke hierbij inijne aanteekening bij Pl. Bertrami
in het derde deel der Bouwstoffen pag. 507 (lees 407). In 1868
ving ik op 27 Junij drie wijfjes van Bertrami, die bij het
vallen van den avond onder Wassenaar langs het duin vlogen.
Haar vliegtijd verschilt dus niet van Ochrodactylus H. S. De twee
soorten, die vroeger als Ochrodactylus Hübner gegolden hebben
komen dus beide hier te lande voor. Er bestaat evenwel geen
reden om voor de eene species den naam van Dichrodactylus
aan te nemen, daar het buiten twijfel is dat deze Dichroda-
clylus als Ochrodactylus door Herrich-Schaeffer afgebeeld en door
Zeller t. a. p. beschreven is. Zeller heeft dit reeds doen uit-
komen op pag. 555 van het verslag, dat hij in de Stettiner
Entomol. Zeitung van 1867 gegeven heeft van het interessante
geschrift van Wallengren over de vedermotten (Alueita) van
Linné. Het vaste kenmerk, waaraan men de beide, zoo sterk
op elkander gelijkende species, zelfs in afgevlogen toestand kan
herkennen, is daar ter plaatse ook door hem opgegeven. Het
komt hierop neder, dat, hoewel bij gave exemplaren verschil
in vorm en kleur der vleugels is waar te nemen, de achter-
scheenen van Ochrodactylus voor het eerste en tweede paar
doornen een grauw bruine vlek hebben, welke twee vlekken
door een breede witte ruimte gescheiden zijn, terwijl bij Bertram
daarentegen de geheele eindhelft * der achterscheenen, althans
op de bovenzijde, licht bruin is. Houdt men dit verschil in
ı Zeller maakt mij opmerkzaam op een drukfout in zijn opstel. Er staat nam.
(Entom. Zeit. pag. 333) » Bei Berframi ist die ganze Endfläche» in plaats van »Endhälfte».
MICROLEPIDOPTERA. 9215
het oog dan is het duidelijk dat Herrich-Schaeffer’s fig. 5
Ochrodactylus voorstelt, en dat ook Zeller deze zelfde soort be-
schreef, blijkt uit hetgeen hij in de Isis zegt: « Hinterbeine
weisslich, vor den Dornen und an der Spitze des ersten Füss-
gliedes ockerbraun.» Op Hübner’s afbeelding daarentegen zijn
de achterpooten ongekleurd of zonder teekening gelaten en men
kan daarom twijfel koesteren of zij deze of gene soort voorstelt.
Ik heb daarom Hübner als auteur van den naam Ochrod. laten
wegvallen en Herrich-Schaeffer, aan wien na hem de prioriteit
toekomt, doen optreden; mij vereenigende met het gevoelen van
Prof. Zeller, mij onlangs in een zijner brieven medegedeeld.
Men is het evenwel op dit punt oneens. De heer Stainton
wil de naam van Ochrodactylus geheel doen vervallen en in
zijne plaats twee soortnamen aannemen: Dichrod. Mühlig en
Bertrami Rössler. De heer Fologne daarentegen (Annales de la
Soc. entomolog. Belge. Tom. X Comptes rendus p. XIV en volgg.)
wil Ochrodactylus Hübner behouden en Dichrodactylus Mühl.
als tweede soort erkennen. Ik moet hiertegen evenwel opmerken
dat wanneer eene oude soort zich in twee species oplost, de
nieuwe daaraan gegeven namen naar mijn oordeel eerst dan
kunnen gelden, wanneer het vaststaat dat geen der beide soorten
onder den ouden naam kenbaar beschreven of afgebeeld is, maar
dat daarentegen de oudere naam in stand moet worden gehou-
den te rekenen van den tijd dat een der twee species daar-
onder met voldoende zekerheid is bekend gemaakt (de Graaf).
Oxyptilus distans Zeller, Linn. Entom. VI. p. 545.
Zuid-Holland: in de berkenpannen der Wassenaarsche duinen
in Junij (d. G.). Gelderland: Velp, in Junij (van Medenbach
de Rooy Jr.). Zeller zegt van deze exemplaren: «hell und röth-
lich, wie ich sie auch hier (Meseritz) gefunden habe». — Distans
heeft het voorkomen van eene bleeke Pilosellae. Men kan echter
beide species gemakkelijk onderkennen aan de plaatsing van het
hoopje donkere schubben op de binnenrandsfranje van de derde
onderveder. Deze schubben beginnen bij Pilosellae vlak bij de
punt dier veder, bij Distans verre daarvan verwijderd (de Graaf).
DRIE MEMBRACIDEN UIT SURINAME
DOOR
wijlen H. J. SCHELLER.
Het is aan al de leden onzer Vereeniging bekend dat de
familie van wijlen ons medelid J. Sepp na den verkoop der
fondsartikelen en boeken van zijnen boekhandel, de bijzondere
beleefdheid gehad heeft al de nog onder haar berustende teeke-
ningen, die tot model hadden gediend der entomologische werken
door de firma uitgegeven, aan onze Vereeniging ten geschenke
te geven. Bij die, welke de oorspronkelijke teekeningen uit-
maakten voor de platen van het werk over de Surinaamsche
vlinders, sedert 1848 in drie deelen uitgegeven, werden nog
15 andere teekeningen van dezelfde hand aangetroffen , voor-
stellende de metamorphosen van Hemiptera en Coleoptera. De
waarnemer en teekenaar is dezelfde als die van de gedaante-
wisselingen der vlinders, namelijk H. J. Scheller, een’ man van
wien wij niets anders weten dan dat hij van 1788 tot 1791 al
de teekeningen vervaardigd en waarnemingen opgeteekend heeft
op last van den gouverneur der kolonie J. G. Wichers.
De teekeningen zijn werkelijk goed uitgevoerd en getuigen
voor de geoefendheid van oog en hand en de kunstliefde van
den teekenaar. Jammer is het dat hij sommige figuren niet
vergroot heeft voorgesteld, want zij zijn eenigermate onduidelijk
geworden, door dien zij niets meer dan de natuurlijke grootte
voorstellen. De daarbij gevoegde tekst is zeer kort, al te kort
durf ik wel zeggen en geeft dus geene beschrijving van de ge-
daante der dieren in hunne opvolgende toestanden. Desniettemin
DRIE MEMBRACIDEN UIT SURINAME. 917
komen mij de teekeningen en korte mededeelingen van den
auteur belangrijk genoeg voor, en wel voornamelijk omdat, zoo
ik mij niet geheel vergis, van al deze insecten de larventoestand
nog onbekend is. Wij geven derhalve hier drie der teekeningen
in plaat, nemen de beschrijvingen van Scheller over en voegen
er nog een paar regels naar aanleiding der teekening of van
het volkomen insect bij. Mogt onze mededeeling van Scheller’s
arbeid de goedkeuring der leden onzer Vereeniging wegdragen,
zoo zullen wij ook de overige teekeningen het licht doen zien.
1. Membracis foliata L.
(Zie Plaat 8.)
De korte tekst van Scheller luidt:
«Cicaad. — Deze den 8 Januarij aan een regtopstaand boom-
gewas gevonden; ze houden zich bij duisenden digt bij elkander,
gaan langsaam en blijven meest altoos op een plaats sitten. Ze
zijn wit bepoeijert en. volwassen zijnde laat de poeijer zich af-
vagen.
a. Nog jonge rupsjes. 5. Een volwassene. c. Het vel daar
het vliegende insect is uitgekroopen. d. Het insect.
's Morgens om 7 en 8 uur komen ze uit, gansch wit en
worden vervolgens geel en zwart geteekend en in 2 a 5 dagen
hard en stijf, springen en vliegen aanstonds weg, als men haar
nadert».
Uit de teekening blijkt dat de larven zeer licht geel zien met
zwarte oogjes, dat hun kop klein en nedergedrukt en hun borst-
stuk op den rug zeer bol is. Het achterlijf bestaat uit zeven
ringen, waarvan de laatste klein en kegelvormig; behalve dit
laatste zijn al de ringen op het midden van den rug bezet met
een paar vrij lange rosse (bij de nymf zwarte) eenigzins naar
voren gekromde borstelharen. De vleugelschubben van de nymfen
schijnen ook bij de larven aanwezig, ‘tgeen in strijd is met de
regelmatige ontwikkeling; schier zouden wij aan eene vergissing
van den teekenaar denken, indien niet de overige teekeningen
van Membraciden ongeveer hetzelfde te zien gaven; wij moeten
918 DRIE MEMBRACIDEN UIT SURINAME.
het er nu voor houden dat het borststuk bij de larven zijde-
lingsche uitsteeksels bezit, waaronder bij de nimf de vleugel-
scheeden zullen aanwezig zijn. Merkwaardig is het overigens,
dat aan de nymf de bijzonder groote ontwikkeling van den
prothorax nog niet te bespeuren is.
Zie hier de beschrijving van het volkomen insect, opgemaakt
naar voorwerpen van ’s Rijks Museum:
Lengte 14 mm., hoogte 10. — Kop driehoekig, verticaal,
plat van voren, een weinig toegerond aan de zijden en dus
schildvormig, boven aan in de hoeken de oogen, die rond zijn
en wat uitpuilen. Sprieten, voor de oogen onder den rand van
het hooid verborgen, bestaan uit twee kleine leedjes en een’
eindborstel. Prothorax verbazend groot, kamvormig, van boven
dun als een blad papier, hoofd en ligchaam geheel bedekkend,
voor den kop uitstekend en van achteren zoo lang als de dek-
schilden, vaal zwart; het gedeelte dat voor den kop uitsteekt en
dat hetwelk zich boven de vleugels verheft, behalve eene groote
driehoekige vlek op het laatste, geel. Bovenvleugels lederachtig,
zwart met vier langsaderen en cenige dwarsaderijes; ondervleu-
gels wit met 5 bruine langsaderen en 5 dwarsadertjes. Het
achterlijf zeer kort, vuil bruin, bij de wijfjes met een korten
eijerlegger. Pooten zwart; de vier voorscheenen zijn verbreed,
zeer lang ovaal, met gezoomde scherpe buitenranden, die be-
haard zijn; de twee achterscheenen zijn mede verbreed, doch
wat langer van gedaante, aan de kanten doornig getand en
eenigzins uitgehold in het midden.
9. Membracis lunata F.
(Zie Plaat 9.)
Scheller schrijft daarbij:
«Springers, een soort van schaarslijpers'. Deze rupsjes hebben
zes voeten en achter een staartje en gedoornd. Heb ze den
16 Januarij aan een takje van de groote ronde bos-suursakboom
1 Aldus worden de ware Cicaden in Suriname genoemd, natuurlijk wegens haar
vervelende muziek.
DRIE MEMBRACIDEN UIT SURINAME. 99
gevonden, bij de 20 stuks rupsies zitten aan de steel of takje
dicht bij elkander; den 17 en 18 dito zijn verscheiden ’s nachts
uitgekomen; wanneer ze uitkruypen, dan groeijen.
Se zijn wit en week en worden in een uur hart, gelijk aan
de torren of alle kevers.
a is het rupsie b volwassen c het hulsel daar het springertie
d uitgekropen is, sittende e vliegende ».
In den larventoestand schijnt het insect geel gekleurd met
zwarte vlekjes op den thorax en zwarte langsstreepjes op het
abdomen; de pootjes schijnen bruin met zwarte streepjes op
de scheenen en met zwarte tarsen. Op den rug van den thorax
ziet men korte haartjes en op den rug van het abdomen vrij
lange borstelharen. Volgens de teekening verschillen de nymfen
in kleur, daar zij wit zijn; misschien is dit evenwel aan het
witte exsudaat, het poeder, toe te schrijven. De volzin van
Scheller « wanneer zij uitkruipen, dan groeijen»..... zal wel
moeten aangevuld worden of met «hunne vleugels» of met «de
kappen, die zij ophebben, dat is de prothorax». Overigens
komt het mij voor dat de figuren b en c wat te klein zijn in
verhouding tot d en e.
Zie hier de beschrijving der imagines, naar voorwerpen van
’s Rijks Museum.
De kop is in gedaante gelijk aan dien van M. foliata L.,
met dit geringe verschil dat de zijrand in het midden inge-
keept is. Ook de oogen, sprieten en pooten zijn volkomen
gelijk aan die van de vorige soort. De prothorax heeft denzelf-
den helmkap-vorm en is even scherp aan den bovenrand, alleen
is hij aan de achterzijde korter en strekt zich niet tot aan het
eind der bovenvleugels uit, terwijl de teekening en kleur zeer
verschilt. Aan wederzijde namelijk ziet men op de platte,
zwarte vlakte drie witte vlekken, waarvan de voorste, die voor
den kop geheel aan den rand begint, in de gedaante van eene
ietwat gebogen streep schuin naar boven gaat en niet zeer ver
van den bovenrand puntig uitloopt. De tweede vlek is drie-
hoekig op de breedste plek breeder dan de vorige; haar basis
staat loodregt op de lengte-as van het ligchaam; de derde
18
290 DRIE MEMBRACIDEN UIT SURINAME.
vlek is mytervormig en staat met hare basis op den onderrand
van het over den rug uitstekende gedeelte van den prothorax.
De bovenvleugels zijn zeer donker roetbruin, de ondervleugels
vuilwit met bruine aderen. Lengte 8 mm., hoogte 7.
5. Membracis n. sp.?
(Zie Plaat 10.)
Scheller’s bijschrift luidt aldus:
«Cicaad en rups. — 15 Februarij vond ik verscheiden dezer
rupsies. a. Volwassen. D. Door enkele mierties bewaakt wor-
dende. c. Is het hulsel daar uit den 15% het vliegende cicade
kwam. Bij het uitkomen zijn ze wit en bekomen haar kleur,
in 2 a 5 uuren, en in 2 a 5 dage haare stevigheid. Ik vond
veel deser rupsies aan dit bosgewas.
d is het sittend en vliegend insect; ze zijn zeer gauw in
het springen en wegvliegen. »
Larven en nymfen schijnen geheel beenkleurig behalve de
pooten, die zwart zijn; ook bij dezen is niets te bespeuren van
den ontzettend sterk naar boven uitstekenden rug van den
prothorax. Ook bij deze soort is de rug van het abdomen met
vrij lange, bij paren ingeplante borstelharen voorzien. Waar-
schijnlijk laten deze larven en nymfen uit den anus zoete drup-
pels van het plantensap vallen, gelijk zulks bij ons met ver-
scheiden soorten van bladluizen het geval is; de mieren zijn op
dergelijke zoete vochten zeer belust.
Deze soort behoort tot de groep van Fulica L., Lanceolata
en Albidorsa‘ Fairm. Vooral met de laatste heeft zij groote
overeenkomst, doch zij is eene andere soort, waarvan ik geene
beschrijving vinden kan. Zij ontbreekt ook op ’s Rijks Museum
voor natuurlijke Historie.
ı Vergelijk de Monographie van Fairmaire in de Annales de la Sociélé entomo-
logique de France, 2° Série, Tome IV. pl. 4.
LEPIDOPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN
DOOR
Pr. GO. NEL EN.
1. ACIDALIA PROMUTATA, Guenée.
Guenée, Uran. et Geom. I. p. 491. — Snellen, Vlind. v. Ned.
p. 557. — Immutata, Ochs. en Tr. VI. 2. 278; X. 2. 223. —
Rösel I, Nachtvl. 5 classe. p. 508. Tab. XI.
Hoewel van de rups der bovengenoemde vlindersoort reeds
lang geleden eene afbeelding en beschrijving het licht heeft ge-
zien — ik bedoel door de hand van Rösel — komt het mij
echter niet overbodig voor om ook mijne waarnemingen over
haar bekend te maken, want Rösels afbeeldingen, zoowel van
rups als vlinder, zijn ver van naauwkeurig en wat de beschrij-
ving aangaat, zoo schetst hij in zijnen tekst het volmaakt insekt
slechts met vlugtige trekken, terwijl de rups die hij beschrijft
eene sterk geteekende varieteit is die weinig voorkomt. De
vlugtige schildering van den vlinder gaf dan ook aanleiding dat
de plaat van Rösel door Treitschke bij zijne Idaea mutata (VI.
2. 275, X. 2. 295) werd geciteerd; in welke dwaling hij ver-
sterkt werd door eene rupsenafbeelding, verkeerdelijk als die
van zijne Immutata aan hem gegeven en welke inderdaad vrij
sterk van Rösel’s afbeelding en beschrijving verschilt. Hij deelt
naar de vermelde afbeelding op p. 225 van deel X, afdeeling
2 eene beschrijving mede, die waarschijnlijk behoort tot eene
der aan Promutata verwante, later ontdekte soorten van Acidalia,
welke men toenmaals waarschijnlijk daarmede verwarde.
Of Freyer op de beide, door Treitschke en Staudiger geci-
929 LEPIDOPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN
teerde plaatsen van zijn Vlinderwerk (Neuere Beitr. I. Hft. IX.
p. 107. pl. 54. fig. 4, 5 en II pag. 156. pl. 180. fig. I a—e) en
Guenée afbeeldingen of beschrijvingen der rups geven, herinner
ik mij niet. Evenmin is mij ecnige mededeeling dienaangaande
door Engelsche Entomologen bekend, wel van Acidalia conti-
guaria Hübn. (zie J. Hellins Entom. Monthly Mag. UI. p. 69).
Naar deze beschrijving te oordeelen, wijkt de rups van Conti-
guaria zeer van die van Promutata af. De beschrijving der rups
bij Wilde, Pflanzen und Raupen Deutschlands, II. p. 971 Aci-
dalia immutata is zeer kort.
Gelijk ik op de aangehaalde plaats mijner Vlinders van Ne-
derland opgeef, komt Promutata bij Rotterdam slechts op eene
plaats voor, namelijk langs den Maaskant, bij het Kralingsche
veer. Op deze plek, waar ook het voedsel van Platyptilus
isodaclylus Zeller, Senecio nemorensis groeit, en de rivier eene
zeer sterke bogt maakt, is Schielands Hooge Zeedijk met
metselwerk bekleed en bevinden zich aan zijnen voet verscheidene
kribben, aldaar aangebragt om den stroom die digt langs den
dijk loopt, daarvan af te houden. In de voegen nu van het
muurwerk dat den dijk bevestigt, wassen verscheidene planten,
Sedum, Klaversoorten , Weegbree , Muurbloemen , benevens velerlei
anderen en het is op deze gewassen dat de rups leeft.
Eene excursie, hoofdzakelijk met het doel ondernomen om
naar de larven van Acidulia promutata te zoeken, leverde mij
op 15 April dezes jaars een zestiental voorwerpen, die nagenoeg
volwassen waren en waarvan ik de volgende beschrijving ontwierp.
De lengte bedroeg van 25 tot 27 millimeter of Ned. streep ,
de breedte aan den kop 1,5, aan de naschuivers 2 streep;
verder is de rups bijna rolrond, een weinig platgedrukt doch
in de zijden zonder kantigheid, slechts om de zwarte luchtgaten
bemerkt men eenige wrongen in de huid. De kop is rond, grijs ,
het lijf op de rughelft witgrijs, op de buikhelft blaauwgrijs.
Over den rug loopt eene breede, bruingrijze, zijwaarts ver-
vloeijende streep die het donkerst en scherpst is op ring 4 en 3
en op de staartklep in een fijn bruin lijntje uitloopt. Die streep
=
wordt vooral duidelijk op de 5 eerste en de 5 laatste ringen
LEPIDOPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 995
en overigens aan het begin der middenringen door eene vuil-
witte lijn gedeeld. Aan beide zijden dezer vuilwitte lijn staan
van ring 6 tot 9 op ieder lid twee schuine, donkergrijze
streepjes die elkander aan het eind van iederen ring ontmoeten
en zoo vier, naar den kop toe opene V's vormen. Deze V's of
liever kepers, worden naar de staartklep toe duidelijker en
binnen dezelve is de huid langs de donkere ruggestreep duidelijk
bruingeel. Op ring 6 tot 9 ziet men ook op den rug de ge-
wone stippen in een langwerpig vierkant en in de zijden eenige
flaauwe bruingrijze langslijntjes. Buik met flaauwe witte vlekken,
verder ongeteekend. Pooten lichtgrijs, met fijne zwarte stippen.
Zoo waren de meesten mijner rupsen gekleurd, bij een paar
was de grond wat geelachtig, bij twee of drie anderen de grond
tusschen de buitenzijde der kepers en de luchtgaten blaauwgrijs
terwijl een stuk, bijzonder sterk geteekend en bont gekleurd,
even als het door Rösel beschreven dier, op den rug bijna zwart-
grijs was, met zwarte, oranjegeel gevulde kepers.
De dieren, die ik gemakshalve alleen smalbladige Weegbree
te elen gaf, zaten over dag stijf uitgestrekt, als dorre gras-
spiertjes op haar voedsel, en zoo vond ik ze ook op den muur,
waar de sterke hitte die de zonnestralen aan de steenen mede-
deelden , haar niet erg scheen te hinderen. Zij waren op den
grauwen muur bijna niet te onderscheiden. Werden zij aan-
geraakt, dan rolden zij zich slangswijze op gelijk ik meer door
de rupsen van Acidaliën en ook door die van Pellonia vibicaria
heb zien doen.
Tegen den 20° April begonnen mijne rupsen zich voor en na
ter verandering te schikken. Zij werden dikker en korter , en
maakten eindelijk onder de dorre hlaadjes in de suikerflesch
losse met zand doormengde spinseltjes, waarin zij na weinige
dagen in licht groenachtig bruine, slanke popjes veranderden,
die van 16 Mei tot 1 Junij de weinig variëerende vlinders
gaven. Van eene volgende generatie vliegen de volmaakte in-
secten gewoonlijk in de laatste dagen van Julij, welligt in dít
warme jaar iets vroeger, want toen ik den 12 Augustus de
zeer zonnige vliegplaats bezocht om naar de poppen van Platypt.
994 LEPIDOPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
isodactylus te zoeken, zag ik reeds vrij groote rupsen op den
muur zitten. Deze spanrupsen overwinteren nu half volwassen.
Vergelijkt men nu mijne beschrijving met het beeld dat Rösel
in tekst en plaat geeft, dan zal men zien dat hij inderdaad
Promutata Guenée (Immutata Tr.) wilde voorstellen, waarop
overigens ook de afbeelding van den vlinder veel beter gelijkt
dan op de spitsvleugelige Mutata Tr.
9. CipARIA LIGNATA, Hübn.
Hübner, Geometr. fig. 270. — Snellen, Vlind. van Ned. p. 641.
Gelijk ik in mijne Vlinders van Nederland 1. c. opgeef, is aan-
gaande de rups van Cidaria lignata alleen eene korte aanteekening
van den heer H. W. de Graaf bekend, die in de Bouwstoffen
voor de Fauna van Nederland, deel 11, p. 188, sub n°. 485a
zegt, dat de rups op gras leeft, in Mei verpopt en in Junij
den vlinder geeft. Deze soort nu en dan op moerassige weilan-
den in onze omstreken vangende en ook enkele malen van
wijfjes bevruchte eijeren hebbende bekomen, legde ik de uit-
gekomen rupsjes velerlei soorten van gras voor, doch te vergeefs;
zij wilden het niet eten, zoodat ik tot de gevolgtrekking kwam
dat gras het ware voedsel niet was. Op den 24 Julij dezes
jaars weder een wijfje vangende dat mij eenige eijeren legde,
besloot ik het dus met Plantago major, breedbladige Weegbree
te beproeven, hetgeen beter gelukte. De op 29 Julij uitge-
komen rupsjes begonnen er dadelijk van te eten, groeiden goed
en twee exemplaren waren op 18 Augustus volwassen, als wan-
neer ik de volgende beschrijving ontwierp.
De lengte bedroeg 25 mm. breedte aan den kop 2 mm.
even voor de buikpooten, waar de rups het dikst was 5 mm.
De vorm was bijna rolrond, op zijde een weinig kantig en met
wrongen, naar achteren kon men zien dat het lijf een weinig
platter was dan voor. Kop klein rolrond.
‚Wat de kleur aangaat, zoo was het eene exemplaar licht
grasgroen met eene zwartgrijze liju aan beide zijden van den rug
die slechts in de geledingen duidelijk is en naar den buik toe met
LEPIDOPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 995
wit afgezet was. Over het midden van den rug liep nog eene
flaauwe witte lijn die slechts op de twee laatste ringen duidelijk
was, terwijl in de tusschenruimten van de witte middenlijn en
de beide zwartgrijze nog eenige zeer veel fijnere donkere lijnen
te zien waren. Verder was de huid op den rug achter de voorpooten
in de geledingen bleekrood gekleurd, zoo dat vijf langwerpig
vierkante vlekken van die kleur ontstonden. Kop groenachtig-
grijs, ongeteekend. Voorpooten bleekbruin, de kleine luchtgaten
ook. Buik ongeteekend. Het andere exemplaar was groenachtig
grijs met dezelfde lijnen over den rug als bij het grasgroene,
doch allen veel sterker uitgedrukt. Verder was de rug tusschen
de donkere zijdelijnen bleek paarsbruin, het lichtst op de laatste
ringen en de buik met eenige flaauwe donkere lijnen geteekend.
De rupsen zaten meestal lang uitgestrekt op haar voedsel;
aangeraakt wordende rolden zij haar voorlijf niet spiraalvormig
op zoo als b v. de rupsen van Cidaria bilineata, ferrugata en
fluctuata gereedelijk doen, maar bleven onbewegelijk. Twee
dagen nadat ik de bovenstaande beschrijving had gemaakt,
vervaardigden de beide rupsen onder een dor weegbreeblad een
los spinseltje met zand vermengd, en veranderden daar weldra
in middelmatig slanke, groenachtig bruine poppen, die het merk-
waardige hadden dat de ooghulsels sterk uitpuilden en de vleu-
gelscheden met donkere lijntjes waren geteekend die het ader-
beloop op de vleugels van den toekomstige vlinder aanwezen.
Hoewel ik de volmaakte insekten niet meer in dit jaar ver-
wachtte, ging de ontwikkeling zoo snel dat reeds den 31° Augus-
tus en 1” September de vlinders — een d en een % — in mijne
poppendoos zaten. De warme zomer was dus oorzaak dat dit
maal drie generatiën verschenen, want gewoonlijk vliest de
vlinder slechts twee malen in het jaar, in Mei en Junij en van
20 Julij tot in Augustus,
Ten slotte moet ik aanmerken dat de oudste naam voor deze
soort is: Vittata Borkhausen, V, p. 65. Ter dezer plaatse, die
door Guenée in zijne Uranides et Géométrides met een ? wordt
geciteerd, door Wernehurg in zijne Schmetterlinge ällerer Auto-
ren echter zonder twijfel voor de beschrijving van Lignata Ub.
296 LEPIDOPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
wordt verklaard, is onze vlinder vrij duidelijk beschreven. Bork-
hausen ving zijn exemplaar op eene met eene Juncus-soort be-
groeide open plaats in een bosch. Welligt is die plant het
ware voedsel.
9. CIDARIA FERRUGATA, L.
Ten vervolge op mijne aanteekening over deze soort op pag.
120 van het 2° deel, 2° Serie van dit Tijdschrift, kan ik mede-
deelen dat de aan het eind van mijn opstel vermelde poppen,
afkomstig van eijeren gelegd door een typisch wijfje, mij in
April van 1867 vlinders hebben opgeleverd die allen tot het
gewone of typische roodbruine ras behooren; hoewel een paar
voorwerpen vrij donker zijn, kan men toch niet zeggen dat zij
eenige overhelling vertoonen tot de zwarte varieteit, Unidentaria
Haw. Wood. Ik zoude dus hieruit moeten afleiden dat de be-
wering der Engelsche entomologen , dat Unidenturia eene ver-
schillende soort is, niet onwaarschijnlijk was; doch in den af-
geloopen zomer heb ik eene waarneming gedaan die de zaak
volkomen voor mij heeft opgehelderd.
Mij op zekeren avond in de tweede helft van Julij tusschen
de plassen bij Rotterdam bevindende, ving ik daar verscheidene
exemplaren van Unidentaria, waarbij ook 5 wijfjes welke ik
onopgestoken in doosjes deed in de hoop dat zij eijeren zouden
leggen. Mijne hoop werd niet teleurgesteld; ik bekwam ruim
40 eijeren die weldra uitkwamen. De rupsjes, aan welke ik
breedbladige Weegbree voorlegde, lieten zich dit voedsel uit-
muntend smaken en groeiden zeer snel, zoodat ik in de eerste
dagen van Augustus reeds poppen had van een der broedsels,
die ik afzonderlijk had gehouden. De andere twee volgden
spoedig en tegen 20 Augustus was alles ingesponnen. Daar alle
drie de moedervlinders ontwijfelbare voorwerpen van Unidentaria
waren met koolzwart middenveld der voorvleugels en verder
evenzoo als ik deze varieteit in mijne Vlinders van Nederland
p. 672 beschreef, verwachte ik, afgaande op het zeggen der
Engelsche entomologen, alleen vlinders met zwart middenveld,
doch tot mijne verwondering behoorden geen der eerste acht
LEPIDOPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 997
voorwerpen die uit de poppen van het eerste broedsel kwamen,
daartoe; het waren allen gewone, roodbruine Ferrugata.
Het negende stuk was eindelijk eene zwarte varieteit en het
tiende weder een typisch stuk. Daarna begonnen de vlinders
van twee andere broedsels uit te komen, in alles ruim 20 exem-
plaren. Dezen behoorden voor het meerendeel tot Unidentaria ,
5 of 4 waren weder roodbruine en 4 of 5 stonden juist midden
tusschen de type en de variëteit in, en maakten eenen volkomen
overgang, want bij het een heeft het zwart eene geringe pur-
pere tint, bij een paar anderen neemt het purper de overhand
en bij een zijn slechts de randen van het middenveld zwart
gekleurd.
Het lijdt dus bij mij geen twijfel dat Ferrugata en Uniden-
taria ééne soort zijn; mijne kweeking van roodbruine voor-
werpen uit eijeren door eene zwarte moeder gelegd, en de
volkomene overgangen door mij verkregen duiden zulks ten
stelligste aan. Merkwaardig echter is het, dat uit de in 1866
verkregen eijeren zich ook niet cene Unidentaria ontwikkelde ,
en ook, dat uit de eijeren van het eerst verpopte broedsel in
Augustus 1868 slechts één voorwerp tot die varieteit behoorde.
Dat de Engelschen, die proeven namen met onze vlindersoort
uit eijeren der type en uit die der varieteit, herhaaldelijk alleen
vlinders verkregen aan de moeders gelijk, houd ik voor louter
toeval.
4. Tortrix costana, F.
Tortrix spectrana Treits. VIII. 77.— X. 5.65. Vinculana VII. 74,
Op pag. 65 van het X° deel, derde afdeeling komt in Treitschke’s
Schmetterlinge von Europa eene beschrijving voor der rups van
bovengenoemde Tortrix, die niet juist is. Deze soort, die in
onze moerassige omstreken juist niet zeldzaam is, meermalen
gekweekt hebbende en nog laatstelijk in grooten getale in Mei
van dit jaar, geef ik hierbij eene juistere beschrijving der rups.
Van hare jeugd af is zij koolzwart, bij volgende vervellingen
heldert deze kleur min of meer op, zoodat volwassen exemplaren
998 LEPIDOPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
die 22 tot 25 mm. lang zijn, soms zwartachtig groen worden,
terwijl anderen genoegzaam koolzwart blijven; de buik is bij de
lichtere exemplaren vuil donkergroen. De eenige teekeningen
die deze rups versieren, bestaan in de gewone, vuilwitte stippen
op den rug; kop en pooten zijn zwart of bruin. De rups is
overigens spoelvormig, iets plat, zeer slank en vlug in hare
bewegingen en verandert in een wit spinsel tusschen bladeren
in eene slanke, dofzwarte pop.
Men vindt deze rupsen in April en weder in Julij, op een
groot aantal planten, waarvan ik slechts noem, als de gewoonste
soorten van voedsel: Bramen, Hop, Brand- en Doove Netelen,
Zuring, Weegbree, Kleefkruid, Zythrum salicaria en Spiraea
ulmaria.
De vlinder varieert zeer in duidelijkheid van teekening; er
komen zelfs exemplaren voor met eenkleurig okergele voorvleugels
zonder spoor van dwarsbanden of vlekken. Hij vliegt in Mei en
Junij en weder in Augustus en September.
5. COPTOLOMA JANTHINANA, Dup.
Von Heinemann, Wickler, p. 196.
Reeds zeer dikwijls vond ik in September en October op
wilde Peen (Daucus carota), ten tijde wanneer het rijpende zaad
dezer op zandgronden voorkomende plant te zamen balt, tus-
schen de zaadkorrels dikke, korte, vuilwitte op den rug bleek
roode trage rupsjes met zwarten kop, halsschild en vcorpooten,
die gewoonlijk in groot aantal aanwezig waren. Na nog eenigen
tijd van het zaad te hebben geleefd, maakten zij in de suiker-
flesch op den grond tusschen de afgevallen korrels of aan stukjes
schors, spinseltjes, waarin zij den winter door onveranderd
bleven liggen. Tot zoover bragt ik de rupsen, doch dan ver-
droogden zij geregeld zonder te verpoppen. De kweeking echter
niet opgevende, nam ik in October 1867 toen ik bij den Moer-
dijk in Noordbrabant weder deze rupsen aantrof, zooveel exem-
plaren mede als ik kon bergen en door den inhoud der flesch,
waarin zij haar verblijf hielden gedurig eenigzins vochtig te
LEPIDOPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 999
houden, had ik den 1%" en 5°" Augustus Il. eindelijk het ge-
noegen twee wijfjes te zien verschijnen; de overige rupsen waren
gestorven. Het popje, dat een eind weegs uit het tamelijk
stijve, papierachtige spinsel stak, was dun van schil, bruingeel,
gewoon gevormd.
De vlinder vliegt volgens de Bouwstoffen (zie deel III, pag. 90,
n°. 176) ook in Juli} en komt tamelijk verbreid in ons land
voor. In de Bouwstoffen worden Gelderland en Friesland opge-
geven; ik kan daarbij opgeven Noord-Brabant en Holland, waar
ik de rupsen dikwijls in de duinstreken trof, terwijl ik een
vlinder bezit door den heer W.J. Boogaard bij Haarlem op den
1% Augustus gevangen.
De rups en hare leefwijze zijn, voor zoo ver ik weet, nog
onbeschreven.
Rotterdam, 16 September 1868.
PRODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING
DER FOSSIELE INSEKTEN VAN BEIJEREN,
DOOR
H. WEWENBERGH Jr.
Sedert eenige maanden houd ik mij bezig met de determina-
tie, rangschikking, catalogiseering en zoo noodig beschrijving en
afbeelding der fossiele insekten der mesozoische (Jura-) periode,
die in Teyler’s museum te Haarlem voorhanden zijn’. Eigenlijke
insekten uit de palaeozoische periode bezit dit museum niet,
wel vele crustaceén; en de vele insekten der cainozoische periode
hier voorhanden en meerendeels door Prof. 0. Heer gezien,
laat ik voorloopig tot latere studie liggen.
Van de insekten der mesozoische periode was tot heden
slechts weinig bekend. Brodie, in zijn werk Fossil Insects in
the secondary Rocks of England en Westwood hebben over die
van Engeland het een en ander medegedeeld en eenige soorten
beschreven. Het eenige gesteente, waarin verder tot nu toe
secundaire insekten gevonden zijn, is de lithographische Jura-
kalk, die uit de groeven van Solenhofen en Eichstätt gehaald
wordt, en het is dan ook van deze plaatsen dat de versteenin-
gen afkomstig zijn, welker bewerking ik heb op mij genomen.
De Solenhofensche insekten van Teyler’s museum zouden een
der oudste oogsten uit deze groeve zijn.
ı Zie Ned. Tijdschr. v. Entom. XI. pag. 195, elf onderste regels.
Ik maak van deze gelegenheid gebruik twee drukfouten te verbeteren, op deze
aangehaalde bladz. 195, n. 1:
staat, regel 11 van onderen »Deze, de», lees: » De en
u wi ON ee ” wer dan ook», # wer ook».
PRODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING ENZ. 451
Germar en von Münster hebben eenigen van deze fossielen
beschreven en Hagen heeft in de Palaeontographica van von
Meyer und Dunker, in Deel X en XV eene uitvoerige monogra-
phie gegeven van de Neuroptera uit dit gesteente. Neemt men
dit een en ander te samen, dan komt men tot het resultaat
dat wij uit deze lagen kennen 4 Coleoptera, 7 Hemiptera, 7
Orthoptera, 58 Neuroptera, 2 Hymenoptera, 2 Diptera en 2
Arachniden.
Mijne studien in Teyler’s museum hebben tot de ontdekking
van vele novae species geleid, die in een meer uitvoerig opstel
in de Archives du Musée Teyler zullen worden heschreven en
afgebeeld en, naar ik hoop, in het begin des volgenden jaars
het licht zullen zien. Op de platen na is dit stuk in hoofdzaak
gereed. Ik zal dan ook hier niet in uitvoeriger beschouwingen
treden, maar verwijs daaromtrent naar de genoemde Archives.
Alleen onderstaande naamlijst wensch ik, als prodromus voor
het Tijdschrift over te leggen, en voeg daaraan eenige algemeene
beschouwingen toe.
NAAMLIJST der tot heden in de lithographische
Jurakalk van Solenhofen en Eichstätt gevonden
fossiele insekten.
COLEOPTERA.
CARABIDAE.
1. Carabus Winkleri, Weyenb. Archiv. Teyler. T. II.
2. Carabicina decipiens, Germ. Münster’s Beitr. z. Petrefactenk. V.
Tab. IX. f. 4. — Archiv. Teyl. T.IT.
HYDROCANTHARIDAE.
3. Hydroporus petrefactus,Weyenb. Archiv. Teyler. T. II.
GYRINIDAE.
4, Gyrinus juranus, Weyenb. Archiv. Teyler. T. II.
10.
ING
12.
dae
14.
15.
16.
11:
18.
19.
. Cetonia (?) defossa, Weyenb. Arch.
2 PRODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING
SILPHIDAR.
. Silpha tenuilythris, Weyenb. Arch. Teyler. T. II.
SCAPHIDIDAE.
. Scaphidium Hageni, Weyenb. Arch. Teyler. T. II.
HISTERIDAE.
. Hister relictus, Weyenb. Arche eyler: Toit.
ORYCTIDAE.
. Oryctes Pluto, Weyenb. Arch. Feyler. T. If.
CETONIDAE.
PeylernE. 1;
BUPRESTIDAE.
Buprestis lapidelythris, Weyenb. Arch.
Chrysobothrys veterana,v.Heyd. Meyer u. Dunker Palaeontographica.
I. Tab, XII. fig. 4. — Arch.
Teyler. T. IL
ELATERIDAE.
Lacon petrosum, Weyenb. Arch. levier beat:
Elater Teyleri, Weyenb. Arch. Teyler. "Tl.
Elater Costeri, Weyenb. Arch. Teyler, "Ehi
Elater grossus, Weyenb. Arch. Teylers sE
TENEBRIONIDAE.
Tenebrio innominatus, Weyenb. Arch. Teyler. T. If.
CURCULIONIDAE.
Anisorhynchus lapideus, Weyenb. Arch. Teyler. T. II.
SAPERDIDAE.
Mesosa Germari, Gieb. Giebel, Ins. d. Vorw. p.157. — Nov.
Syn. Cerambycinus dubius, act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
Germ. XXII. fig. 9.
LEPTURIDAE.
Leptura primigenia, Weyenb. Arch. Teyler. II.
Weyler, ST TI.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
9.
DER FOSSIELE INSEKTEN VAN BEIJEREN.
CRYPTOCEPHALIDAE,
Cryptocephalus antiquts, Weyenb. Arch, Teyler. T.
Cryptocephalus mesozoicus ,
Wevenb.
IE:
Arch. Teyler, D., II.
CHRYSOMELIDAE.
Chrysomela lithographica ,
Weyenb.
Chrysomela rara, Weyenb.
Arch. Teyler. 11.
Arch. Teyler..T.. II.
CASSIDAE.
Cassida aequivoca, Weyenb.
Ditomoptera dubia, Germ.
Arch, Teyler. T. II,
Nova acta Leop. acad. T. XIX.
Labs KAL fed:
GYMNOSOMIDAE.
Coccinella Heydeni, Weyenb.
Arch. Teyler. 'T. IL
HEMIPTERA.
HETEROPTERA.
GEOCORISES,
. Scarabaeoides deperditus, Germ.
. Actea Sphinx, Germ.
. Pygolampis gigantea, Miinst.
. Hagenia (?) Schroeteri, Weyenb.
Syn. Sphinx Schroeteri Schloth’.
Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
NAS. 17.
Münster’s Beitr. z. Petrefactenk. V.
Rab LG ties 6:
Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
XXII. f. 8. — Arch. Teyler. T. II.
Schroeter’s Neue Litter. u. Beitr. z.
Naturw. I (1784). Tab. 3. f. 16.
HYDROCORISES.
. Belostomum Hartingi, Weyenb.
. Belostomum elongatum, Germ.
. Naucoris lapidarius, Weyenb.
. Nepa primordialis, Germ.
1
Corixa mortua Weyenb.
Arch. Teyler. T. II.
Nov. act. Leop. acad. T. XIX, Tab.
MT. fal Ge
Arch. Teyler. T. II.
Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
XXII.f.7.— Arch. Teyler. T. II.
Arch. Teyler. T. II.
Volgens Hagen geen lepidopteron maar een hemipteron (Lystra?).
A54 PRODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING
10.
11:
1
vo
do
ws
om © ord
©
vo
I
HOMOPTERA.
FULGORELLAE.
Ricania gigas, Weyenb.
Ricania hospes, Germ.
. Lystra Vollenhovenii, Weyenb.
Arch. Teyler. T. II.
Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
REIT. £ 38;
Arch. Teyler. T. II.
ORTHOPTERA.
. Chresmoda obscura, Germ.
. Locusta prisca, Germ.
. Locusta speciosa, Germ.
. Locusta amanda, Hag.
. Phaneroptera Germari, v.
Münst.
‚ Phaneroptera striata, Weyenb.
. Achita quaerula, Weyenb.
. Gryllites dubius, Germ.
. Blabera invita, v. Heyden.
10.
Forficularia problematica,
Weyenb.
Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
XXII. f. 4.
Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
XI. Ba
Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
KXI. f. 1. 2:
Palaeontogr. T. X. Tab. XV. f. 4.
Münster’s Beitr. z. Petrefactenk.
Pv DIRT:
Arch. Teyler. T. II.
Arch. Teyler. T. II.
Münster’s Beitr. z. Petrefactenk. T.
V. PEUX. 53. PL SAE An '8:
Palaeontogr. T.I. Tab. XII. f. 5.
Arch. Teyler. T. II.
NEUROPTERA.
ODONATA.
. Aspasia gigantea, Hag.
Syn. Aeschna gigantea, Germ.
Aeschna Buchi. Berol. acad.
. Heterophlebia Helle, Hag.
Syn. Agrion Latreillii, Germ.
. Heterophlebia aequalis, Hag.
. Heterophlebia dislocata, Westw.
Palaeontogr. T. X. p. 105. T. XV.
Tab RUS EE 12;
Palaeontogr. T. X. p. 105. T. XV.
Tal. XL’ Ærrl ps We
Palaeontogr. T. X. p. 105. Tab.
XIII. f.4,56,6. T.XV. Tab. XI.
La
Quaterl. Geol. Journ. V. Pl. II. —
Palaeontogr. T. XV. p. 62. Tab.
XII. f. 7—9. — Brodie, Fossil
insects. Tab. 8. f. 2.
I
24.
25.
2
DER FOSSIELE INSEKTEN VAN BEIJEREN. 255
. Stenophlebia Amphitrite, Hag.
. Stenophlebia Phryne, Hag.
Syn. Calopteryx lithographica,
Gieb.
. Tarsophlebia eximia, Hag.
. Heterophlebia casta, Hag.
Syn. Libellula brevialata, Miinst.
. Euphaea multinervis, Hag.
. Euphaea filosa, Hag.
. Euphaea areolata, Hag.
. Euphaea longiventris, Hag.
. Agrion hecticum, Hag.
. Agrion exhaustum, Hag.
. Agrion eichstättense, Hag.
. Agrion vetustum, Hag.
. Anax Charpentieri, Hag.
. Petalia longialata, Hag.
Syn. Aeschna longialata, Germ.
Libellula longialata , Germ.
Aeschna multicellulosa, Gieb.
Aeschna bavarica, Gieb.
Petalura latialata, Münst. (in
litt.).
Syn. Petalura gigantea, Germ.
. Petalura eximia, Miinst.
. Petalura intermedia, Germ,
. Petalura Miinsteri, Germ.
Syn. Aeschna Wittei, Gieb.
Aeschna Schmiedeli, Gieb.
Aeschna antiqua, v.d. Lind.
. Petalura varia, Hag.
Syn. Gomphus Köhleri, Hag.
Petalura differenz, Hag.
Libellula densa, Hag.
Palaeontogr. T. X. p. 195. T. XV.
Tab. XIII. f. 1. p. 83.
Palaeontogr. T. X. p. 105. T. XV.
Tabs MIE DE p. UL,
Palaeontogr. T. X. p.106. T. XV.
Tab. XII. f. 1—6, 11.
Palaeontogr. T. X. p. 106.
Palaeontogr. T.X. Tab.XIV.f.2,3,4.
Palaeontogr. T.X. p. 106.
Palaeontogr. T. X. p. 106.
Palaeontogr. T. X. Tab, XIII. f. 7,8.
Palaeontogr. T. X. p. 106.
Palaeontogr. T. X. p. 106.
Palaeontogr. T. X. Tab. XIV. f. 5.
Charpentier, Libell. Europ. Tab.
XLVI. f. 2.
Palaeontogr. T.X. Tab. XIV. f. 1.
Palacontogr. T.X. Tab. XII. f. 1,2;
Palaeontogr. T. X. p. 107.
Palaeontogr. T. X. p. 107.
Palaeontogr. T. X. p. 107.
Palaeontogr. T.X. Tab. XIII. f. 3.
Palaeontogr. T. X. p. 107.
Palaeontogr. T. X. p. 107.
Palaeontogr. T. X. p. 107.
De citaten uit » Palaeontogr.» bevatten de overige citaten.
19
956 PRODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING
26. Libellula abscissa, Hag.
27. Libellula naevia, Hag.
28. Libellula valga, Hag.
Palaeontogr. T. X. p. 107.
Palaeontogr. T. X. p. 107.
Palaeontogr. T. X. p. 107.
TERMITINA.
Palaeontogr. T. X. Tab. XV. f. 1.
Palaeontogr. T.X. p. 107.— Münst.
Beitr. z. Petrefractenk. T. V. Tab.
IX; "1.28;
29. Termes heros, Hag.
30. Termes lithophilus, Hag.
Syn. Tineites lithophilus, Germ.
EPHEMERINA.
Palaeontogr. T. X. Tab. XV. f. 3.
Palaeontogr. T. X. Tab. XV. f. 2.
Palaeontogr. T. X. Tab. XV. f. 5.
Nov. act. Leop. Acad. T. XIX.
Pl. XXIII. f. 4.
31. Ephemera cellulosa, Hag.
32. Ephemera procera, Hag.
33. Ephemera mortua, Hag.
34. Ephemera prisca, Hag.
Syn. Sciara prisca, Germ.
HEMEROBINA.
35. Chrysopa protogaea, Hag. Palaeontogr. T. X. p. 107.
36. Chrysopa solenhofensis , Arch, Teyler. T. II.
Weyenb.
37. Apochrysa excelsa, Hag. Palaeontogr. T. X. p. 107.
38. Hemerobius priscus, Weyenb. Arch. Teyler. T. II.
Arch. Teyler, SEI
Palaeontogr. T. X. p. 107.
41. Myrmeleon extinctus, Weyenb. Arch. Teyler. T. II.
Palaeontogr. T. X. p. 107.
39. Hemerobius fossilis, Weyenb.
40. Nymphes fossilis, Hag.
42. Corydalis vetusta, Hag.
LEPIDOPTERA.
1. Sphinx Snelleni, Weyenb. Arch. Teyler..T. If.
(en eene rups).
HYMENOPTERA.
1. Apiaria antiqua, Germ. Nov. act. Acad. Leop. T. XIX.
Tab. XXIII. f. 10.
Münster’s Beitr. z. Petrefactenk. T.
N. Tab, IX fo:
3. Bombus conservatus, Weyenb. Arch. Teyler. T. II.
Arch, Teyler, T, IL.
2. Apiaria lapidea, Germ.
4, Apiaria veterana, Weyenb.
DER FOSSIELE INSECTEN VAN BEIJEREN.
DIPTERA.
1. Tipularia Teyleri, Weyenb. Arch, Teyler. T. II.
2. Empidiea Wulpi, Weyenb. Areh. 'Teyler. T- EL:
3. Asilicus lithophilus, Germ. Münster’s Beitr. z. Petrefactenk. T.
V. Tab. IX. f. 7. — Arch. Teyler.
BETE
4. Cheilosia dubia, Weyenb. Arch. Teyler. T. II.
5. Musca lithophila, Germ. Nov. act. acad. Leop. T. XIX. Tab.
XXIII. f. 19. — Arch. Teyler.
TS ER
ARACHNIDEA.
PULMONARIA.
1. Palpipes priscus, Roth. Münch. gel. Anz. 1851. T. XXXII.
Syn. Phalangites priscus, Münst. p. 164. — Münster’s Beitr. z.
Bétrefas Ba Tab, VET 92.4
p. 84. — Palacontogr. T. X.
p. 299. Tab. L. f. 1-4.
2. Palpipes custor, Roth. Münch. gel. Anz. 1851. T. XXXII.
Syn. Phalangites multipes , p. 164.
Minst. (in litt.)
. Hasseltia primigenia, Weyenb. Arch. Teyler. T. II.
cs
MYRIAPODA.
. Geophilus proavus, Germ. Münster’s Beitr. z. Petrefactenk.
We Tab, IX: fi
NB. Behalve de citaten in bovenstaande naamlijst vervat, zie men ook,
v. Buch, Ueber den Jura in Deutschland in Abhändl. d. berl.
Acad. 1837—39.
Schröter, Real- und Verbal-Lexicon 1779. II. p. 93; III. p. 72.
Schmiedel , Vorstellung einiger merkwürdige Versteinerungen.
Nürnb. 1781.
Schlotheim, Petrefaetenkunde. 1820. p. 42.
Entomologische Zeitung. 1848. p. 6.
Stainton’s Entomol. Annual for 1862. (Hagen) enz.
Het spreekt van zelf, dat er bij deze overoude, vaak bijna
onkenbare insekten-overblijfsels van eene eigenlijke soortenstudie
958 PRODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING
geen sprake kan zijn en deze slechis bij zeer enkele voorwerpen
en dan nog in geringe mate mogelijk is, maar daarentegen
vormen-studie de hoofdzaak is.
Een blik op de hovenstaande naamlijst doet ons zien dat het
aantal insekten uit den lithographischen schiefer door de exploi-
tatie van Teyler's museum aanmerkelijk geklommen is. Wij
kennen nu 27 Coleoptera, 11 Hemiptera, 11 Orthoptera, 42
Neuroptera, 1 Lepidopteron, 4 Hymenoptera, 5 Diptera en 5
Arachniden.
Reeds Germar en Hagen hebben de vraag gesteld, hoe zijn
deze insekten versteend geworden in den bodem of op de kust
der zee, die eertijds golfde op de plaats van het tegenwoordige
Solenhofen ?
Dat dit water werkelijk eene zee en geen meer is geweest
bewijzen de vele fossiele dieren uit hoogere orden, die aldaar
gevonden worden en die onmogelijk in zoet water kunnen ge-
leefd hebben. De verklaring die Hagen en Germar van de ver-
steening dezer dieren geven is a priori niet onwaarschijnlijk
te noemen, maar toch geloof ik dat deze verklaring eene aan-
vulling behoeft, welke door velen dezer fossielen als van zelf wordt
aangegeven. Volgens Hagen en Germar zouden de insekten nu
eens door het gebruik maken van hunne vleugels, dan eens
door hevige winden, die van het land zeewaarts waaiden, over
de zee gevoerd, door uitputting en vermoeijenis in het water
gevallen en verdronken zijn om daarna hetzij op het strand,
hetzij in den bodem der zee te versteenen door eene algeheele
doortrekking met kalkhoudende vloeistof en eene geheele over-
dekking met de toen bezinkende jurakalk.
Ik geloof nu dat deze verklaring nog vereenvoudigd kan wor-
den door aan te nemen dat het meerendeel dezer insekten niet
zeewaarts gevlogen heeft, noch door landwinden in zee is ge-
waaid, om daar vervolgens te verdrinken , maar dat zij reeds
dood waren toen zij de zee bereikten; vooral voor de kleinere
en teerdere schijnt mij deze verklaring aannemelijk. Het vinden
van eene versteende libellenlarf bracht mij het eerst tot dit in-
DER FOSSIELE INSEKTEN VAN BEIJEREN. 959
zicht. De beide door Germar en Hagen aangegeven oorzaken,
vleugels en wind, kunnen hier niet gewerkt hebben, daar zoo
als bekend is de libellenlarven haar element het zoete water
niet kunnen verlaten. Neemt men nu echter aan dat in de zee
van Solenhofen rivieren hebben uitgemond, dan is de verklaring
van het vinden van eene libellenlarf gemakkelijk; dit voorwerp
toch is dan door de zoetwaterstroomen in de zee gevoerd en
daar gezonken. Dit vermoeden van in zee uitstroomende rivieren
wordt verder verstrekt door de vele fossiele overblijfselen, die
men daar vindt van Thuja en Thyopsis-soorten, planten, die op
het land groeijende, door zoetwaterstroomen moeten zijn mede-
gevoerd, en in zee zijn bezonken. In de overtuiging dat in de
zee alleen zeeplanten kunnen voorkomen en een zeebezinksel dus
alleen fossiele zeeplanten kon opleveren, hielden Sternberg en
andere oude palaeo-phytologen deze planten voor wieren. Unger
heeft echter voldoende bewezen dat het takken en andere deelen
van coniferen (Thuja- en Thyopsis-soorten) zijn’.
Vestigt men na de besproken libellenlarf het oog op de in
zoet water levende geslachten uit andere orden, die in de
bovenstaande lijst voorkomen, zoo als Hydroporus, Gyrinus
onder de Coleoptera en Belostomum , Naucoris, Nepa en Corixa
onder de Hemiptera, enz. dan wordt door het vinden dezer
dieren het vermoeden van het bestaan dezer in de zee van
Solenhofen uitloopende rivieren versterkt. Even als men nog
tegenwoordig doode insekten uit verschillende orden vaak met
uitgespreide vleugels — de stand der meeste fossielen — ziet
drijven in beekjens en rivieren, zoo kunnen ook velen dezer
versteende Neuroptera, kleine Coleoptera en Diptera op deze
wijze in zee gespoeld zijn, zij ‘took dat voor enkele grootere
insekten b.v. de locusten, het vermoeden van Hagen en Germar
waarheid moge zijn en zij of door landwinden of door gebruik
hunner vleugels zeewaarts zijn gevoerd.
Wanneer men de teedere deelen der insekten, b. v. de
vleugels, beschouwt, zou men ligt meenen dat het versteenings-
‘ Palacontogr. T. II. p. 250 en T. IV. p. 40.
240 PRODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING
proces spoedig na den dood der dieren begonnen en snel voort-
gegaan moet zijn, daar anders deze deelen door de rotting
zouden verwoest geworden zijn. Bedenkt men echter dat het
chitinskelet, hoe teêr ook, door rotting niet gemakkelijk wordt
aangedaan en b. v. de fijne libellenvleugels na een jaar mace-
reerens in water nog geheel intact zijn, dan wordt het duidelijk
dat het versteeningsproces verscheiden jaren kan hebben voort-
geduurd.
Dat in den beginne ook de drukking niet sterk kan geweest
zijn, moge hieruit blijken dat veeltijds midden in de verstee-
ningen kristallen en kristallijnen massa’s van koolzure kalk ge-
vonden worden ; vooral is dit het geval in het abdomen en op
de plaats der oogen. De lichamen zijn dus doortrokken en op-
gevuld geweest met eene kalkhoudende vloeistof, die weder zou
verwijderd zijn geworden, indien eene hoogere drukking de
lichamen had gecomprimeerd, maar nu in de lichaamsholte
ruimte heeft gehad om tot kristallisatie te komen, op dezelfde
wijze als wij in holten van de aardkorst, b. v. in geoden , kristal-
vorming zien plaats hebben.
In hoofdzaak op dezelfde wijze als deze fossielen ontstaan
zijn, kan men nog heden ten dage het versteeningsproces van
insekten waarnemen aan de kusten der Oostzee. Komt een
insekt hetzij dan vliegende, hetzij door den wind, hetzij met
zoetwaterstroomen op deze kust, dan wordt het door de vaste
stoffen, die de golven aanvoeren langzamerhand overdekt en
als ’t ware daaronder begraven, en stelt men in gedachte dat
deze losse stoffen der Oostzeekust vervangen worden door de in
weeken toestand meer samenhangende jurakalk, die de voor-
werpen geheel van de lucht afsloot, dan geloof ik dat men zich
een vrij juist denkbeeld heeft gevormd van den gang van dit
versteeningsproces. De natuur toch is altijd de natuur geweest
en werkte voor miljoenen jaren met dezelfde middelen als thans.
Wanneer men met deze fossiele insekten van Solenhofen en
Eichstätt die uit Engeland uit dezelfde periode vergelijkt, ziet
DER FOSSIELE INSEKTEN VAN BEIJEREN. 94
men bij vele punten van overeenstemming toch ook vele punten
van verschil. Vroeger hield men deze fossielen-voerende aard-
lagen van Engeland (Wealden en Lias), waaruit Brodie en West-
wood insekten beschreven hebben, voor analoog met de lagen
van Solenhofen; latere onderzoekingen hebben echter geleerd
dat, hoewel de diervormen uit beide deze gesteenten tot
dezelfde palaeontologische periode gerekend worden, die van
Engeland in 'talgemeen aanmerkelijk ouder zijn dan de litho-
graphische jurakalk van Beijeren.
In de eerste plaats trekt het onze aandacht — reeds Hagen
heeft hierop opmerkzaam gemaakt — dat de fossiele insekten
van Solenhofen meer in hun geheel en met uitgespreide vleugels
en pooten zijn bewaard dan die van Engeland „ een verschijnsel
dat in den verschillenden gang van het versteeningsproces zijne
oorzaak hebben moet. Terwijl toch de insekten op de kust
van Solenhofen dood op het water drijvende zijn aangespoeld ,
en eens liggende, zijn blijven liggen en langzamerhand zijn over-
dekt geworden, zijn daarentegen die van Engeland blootgesteld
geweest aan verplaatsingen door storm, hevige stroomingen en
dergelijke natuurwerkingen, waardoor zij als 't ware lang hebben
gezworven eer zij eene vaste rustplaats vonden en daardoor pooten ,
vleugels en abdomen of thorax hebben verloren; daaraan zal
het dan ook wel zijn toe te schrijven dat men in deze Engel-
sche gesteenten in evenredigheid zooveel dekschilden van Cole-
optera vindt, die door hunne stevigheid aan al deze invloeden
het best hebben kunnen weêrstand bieden.
Een tweede punt dat bij de vergelijking dezer Engelsche en
Beijersche fossielen onze aandacht trekt, is dat terwijl de Beijer-
sche insekten over het algemeen uitmunten door ligchaamsaf-
metingen, welke die der tegenwoordige periode, althans op die
breedtegraden, verre overtreffen, die van Engeland meerendeels
vrij klein zijn; een enkele blik op de platen in Brodie’s werk
is voldoende om elk daarvan te overtuigen. Het schijnt mij
toe dat deze Engelsche insekten meer wijzen op eene flora
grootendeels uit kruiden en lage struikachtige planten bestaande,
en veleu dezer insekten beschouwd moeten worden als bewoners
249 PRODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING
van gramineén-aren en bloemen, terwijl de meerdere grootte
der Beijersche aan meer moerassige of althans lage streken doen
denken, die, verder landwaarts in, onder het rijzen van den
bodem meer boschachtig waren. Dit zou ook in overeenstem-
ming zijn met de gevonden planten-overblijfsels.
Behalve dat in ’talgemeen het individuen — zoowel als het
soortental der Beijersche dat der Engelsche overtreft, ziet men
dezelfde verhouding ook bij de bijzondere orden vaak terugkeeren.
Het aantal Engelsche soorten van Coleoptera bedraagt wel is
waar 20 uit de Wealden en 24 uit de Lias, uit de lithogra-
phische kalk 27; Diptera 12 uit Wealden en 1 uit de Lias,
Beijersche 5; maar daartegen Orthoptera, Engelsche, uit de
Wealden 5, uit de Lias 5 en Beijersche 11; Hemiptera, Engel-
sche, uit de Wealden 12, uit de Lias 4, Beijersche 11; Neu-
roptera, uit de Wealden 11, uit de Lias 16 en Beijersche 42;
Lepidoptera, geene in Engeland en 1 uit de jurakalk; Hyme-
noptera, geene in Engeland en 4 uit de jurakalk; en Arachniden
geene in de Engelsche gesteenten en 5 in de Beijersche.
De geslachten der Engelsche verschillen ook min of meer van
die der Beijersche. De geslachten, die zoowel in de jurakalk
als in de Wealden en Lias vertegenwoordigd zijn, zijn: onder
de Coleoptera Carabus, Buprestis, Tenebrio, Elater, Gyrinus,
Chrysomela en Coccinella ; onder de Hemiptera Ricania; onder
de Orthoptera Acheta en Gryllus ; onder de Neuroptera Libellula,
Aeschna, Orthophlebia, Agrion en Hemerobius; en onder de
Diptera Empis en Asilus.
Het blijkt dus dat bij eenige punten van verschil ook eene
overeenstemming niet te loochenen is. Slechts van ééne soort
laat zich met zekerheid bepalen dat zij in beide gesteenten
voorkomt, het is de Heterophlebia dislocata Westw., misschien
evenwel zullen latere onderzoekingen meer soorten als identisch
aanwijzen.
Het aantal insekten-larven (Diptera, Hemiptera en Neureptera)
is in de Engelsche secundaire gesteenten grooter dan in de
jurakalk en ook hieruit waren misschien belangrijke gevolg-
trekkingen af te leiden met betrekking tot de flora en den
DER FOSSIELE INSEKTEN VAN BEIJEREN. 245
toenmaligen toestand en verhouding van land en water.
Opmerkelijk is het dat volgens de berekening van Hagen van
450 insekten uit de groeven van Solenhofen er 150 behooren
toi de orde der Neuroptera (vooral tot de fam. Odonata), eene
orde, die in de tegenwoordige periode in verhouding tot de
andere orden veel minder talrijk, is ook in de tijden, die tus-
schen de vorming der secundaire gesteenten en het heden ver-
loopen zijn, langzaam in vormen- en soortental is afgenomen en
in den barnsteen reeds bijna met de tegenwoordige betrekkelijke
getalsterkte overeenkomt. Hagen heeft dan ook bevonden dat
vele dezer fossiele dieren geenszins in de tegenwoordige ge-
slachten kunnen worden opgenomen en ten hunnen behoeve
zijn de geslachten Heterophlebia Westw., Tarsophlebia Hag.,
Isophlebia Hag. en Stenophlebia Hag. geconstrueerd. Ik meen
dus uit een en ander te mogen opmaken dat wij in de orde
der Neuroptera eene orde hebben te zien, die even als de Ce-
phalopoda tetrabranchiata (de Ammoniten en Nautilus) op den
weg van den teruggang is, zij took dat zij nog niet zoo sterk
is teruggegaan als deze schelpdieren.
Hetzelfde is ook, misschien in nog grootere mate, van toe-
passing op de Orthoptera. Orthoptera toch zijn de insekten,
die in de oudste lagen (steenkolen) voorkomen, vooral Blattinen
en Locustinen, en ook deze orde vinden wij in de secundaire
gesteenten betrekkelijk sterk vertegenwoordigd. Volgens Hagen
zouden zij de helft(?) der Solenhofer insekten uitmaken — in
de Wealden zijn de Blattinen het menigvuldigst — en het is
o. a. om die reden dat zoowel Hagen als anderen in deze orde
den oirtype der insekten hebben willen zien.
Na al het gezegde blijkt het duidelijk dat de onderlinge
overeenkomst dezer beide mesozoische insektenfaunen (van Beije-
ren en Engeland) — grooter is dan de overeenkomst van deze
faunen met de insekten-faunen der veel jongere perioden, van
Aix, van de bruinkolen, van Oeningen en Radoboj, en van het
barnsteen. Tusschen deze insekten-faunen toch en die der me-
sozoische periode is eene vergelijking zeer moeijelijk. Wilde ik
hierover verder uitweiden dan zou ik moeten treden in eene
944 PRODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING
vergelijkende beschouwing der mesozoische en cainozoische in-
sekten-faunen, iets wat ons hier te ver zou voeren *.
1 Om evenwel hen, die met de fossiele insekten-vormen in ’talgemeen nader
kennis wenschen te maken daartoe gemakkelijker in staat te stellen, deel ik het vol-
gend overzicht der geologische lagen in verband met de palaeontologische tijdvakken
mede, en voeg daaraan enkele palaeentomologische aanteekeningen toe.
Palaeontologische Geologische lagen.
tijdvakken.
Primaire.
{Graniet, plutonische, vulkanische en eruptie-gesteenten (zonder eenig
spoor van organische wezens).
Taconische (eerste diervormen. Eozoön canadense).
Onderst-silurische gesteenten.
Bovenst-silurische »
Devonische ”
Steenkolen (rijk aan fossielen). Eerste insekten b. v. enkele Coleoptera
Palaeozoisch
= in Engeland, vooral Blattinen, enz. In Duitschland een schorpioen
tijdvak.
(Cyelophthalmus). Te samen 7 Coleopt. 8 Orthopt. 1 Arachn.
Zie Germar in Münster’s Beitr. z. Petref. V. p. 90. Tab. XIII.
Buckland in Geol. et mineral. Bridw. treat. Pl. 46.
Murchison Silurian system. p. 104, 105.
Rost. Diss. inaug. de Filicum ectypis. Hall. 1839.
Dorin, Bugereon Bockingii. Cassel 1854—enz.
| Permische gesteenten.
Secundaire,
Zandsteen (rijk aan fossielen, doch geene insekten).
Keuper
Lias. (Engeland) |
Gale QT In deze gesteenten komen de boven
‚ besproken insekten voor. Zie de citaten
| der naamlijst en p. 237, noot.
Trias cp
tijdvak.
Oölith
Boven Jura-stelsel.
ou (Engeland.
| Krijtstelsel ( (vele fossielen , doch geene insekten).
Mesozoisch x
Tertiaire.
N oudste \Bruinkolen,) Vele insekten, beschreven door
Tertiaire vorming middelste( Dilaviam, Prof. Heer en anderen, v. Oenin-
onee enz. gen, Radoboj, Aix, Bonn, enz.
Zie Germar, Insect. protogaeae specim. (uit bruinkolen).
Kaino- Münster, Verstein. d. Steinkohlengeb. v. Wettin (uit bruinkolen).
a ch v. Heyden, Coleopt. u. Polyp. a. d. Braunkohle. Cassel. 1866.
O. Heer, Die Insektenfauna der Tertiärgebilde von Oeningen
u. Radoboj. 1847.
Marcel de Serres, Notes geol. sur la Provence. 1843.
Berendt , Die Insecten im Bernstein, enz., enz.
Jongst of Hedendaagsch Tijdvak (Alluvium), de thans levende dieren bevattend.
DER FOSSIELE INSEKTEN VAN BEIJEREN. 945
Hoe worden deze fossielen gevonden en blootgelegd? is eene
vraag die mij reeds meermalen gedaan is.
Zoo als bekend is leveren de groeven van Solenhofen en Eich-
stätt een groot deel der steenen, die door de lithographen ge-
bruikt worden; van daar ook de naam «lithographische schiefer.
Deze steen wordt aan stukken van verschillende dikte en grootte
gezaagd en in den handel gebragt, en is over het algemeen
vrij hoog in prijs; het is dan ook om die reden dat alleen die
stukken, welke door grofheid, ruwheid of hardheid niet ge-
schikt blijken te zijn om gepolijst te worden, aan het zoeken
naar fossielen worden opgeofferd.
Het is dus alleen het z. g. n. afval der groeven , dat ons palaeon-
tologisch materiaal oplevert, waarschijnlijk als een verval voor de
werklieden, die door een streepjen of oneffenheid en allerlei kleine
bijzonderheden , die ons zouden ontgaan maar hun door de oefening
in ‘toog vallen, op het vermoeden van het bestaan van een fossiel
komen en dan zulk een stuk, somtijds alleen op goed geluk af,
opensplijten. Daar de jurakalk zich in horizontale lagen heeft
afgezet, valt dit splijten gemakkelijker dan men uit de vastheid
van den steen zou opmaken en nog eerder dus splijt hij ter plaatse
van het fossiel, even als een boek meestal op de plaats van den
bladlegger openvalt; of wij het dier aan de onder- of bovenvlakte
zien zullen, hangt dus slechts van het toeval bij het splijten af.
Somtijds, wanneer de holle tegendruk niet in ééns geheel is
afgespleten, is eene kleine bijwerking nog noodzakelijk.
Men verkoopt de gevonden fossielen aan naturalien-handelaars,
die er een nette, aan de grootte van het dier geëvenredigde
vorm aan geven en zoo komen zij vervolgens in onze musea.
Sommigen dezer fossielen zijn min of meer geelbruin gekleurd,
eene kleur die afkomstig is van een ijzeroxyde dat in oplossing
er schijnt te hebben overgespoeld, gepraecipiteerd is en zich
vooral op de ruwere deelen heeft vastgezet, terwijl het van de
gladde plaatsen ligt weder afspoelde. Men vindt het b. v. vrij
sterk op de vrij ruwe bovenvlakte der elythra der orthoptera.
In de meer blauwachtige steenen uit de groeven van Eichstätt
vindt men dit ijzerverzuursel niet of zeer weinig.
246 PPODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING
De ouderdom dezer fossielen is zeker niet gemakkelijk te be-
palen, vooral als men in aanmerking neemt hoever men reeds
in den nacht der vorige jaarduizenden terug moet gaan om
slechts eene der jongste tertiaire vormingen in getallen te bere-
nen. Volgens den engelschen geoloog Lyell toch moet men de
postpliocene vorming terugbrengen tot vóór omstreeks 100,000
a 150,000 jaren. Is deze berekening eenigszins benaderend, dan
zal men het begin der cainozoische periode minstens vóór 9 a 5
miljoen jaren moeten stellen, en bedenkt men nu dat tusschen dit
tijdvak en den tijd waarin de hier besproken fossielen ontstaan
zijn (Oolith-periode) nog de geheele krijtvorming ligt, dan nade-
ren de miljoenen jaren zeker tot het 15 of 20tal vóór wij zijn in
de tijden van de vorming dezer fossielen. Men ziet dus dat
eene berekening van hunnen ouderdom eigenlijk niet mogelijk is.
Waartoe wordt aan deze aloude dieren, die zoo vele duister-
heden aanbieden, zooveel opmerkzaamheid geschonken ? zoo vraagt
allicht iemand, die aan alles een dadelijk en onmiddelijk prak-
tisch doel wil verbonden zien en niet doordrongen is van het
beginsel dat de wetenschap moet beoefend worden alleen om
haar zelfs wil, zonder persoonlijke of maatschappelijke nevenbe-
doelingen; dat zij wil beoefend worden alleen in het besef dat elk
wel geconstateerd feit, hoe klein ook en hoe gering ook in betee-
kenis en weinig vruchtbaar in gevolgen, eene overwinning is van het
licht op de duisternis, een triomf van den menschelijken geest.
Maar ook nog uit een ander oogpunt is de studie dezer ver-
steeningen van gewicht, daar zij ons veel kunnen leeren, vooral
na voortgezette studie in vervolg van tijd. Dat zij, behalve de
zaken die rechtstreeks tot de zoologie in betrekking staan, ons
ook reeds het een en ander omtrent andere zaken geleerd
hebben, daarop heb ik reeds meermalen ter loops gewezen. Zij
hebben ons b. v. geleerd dat vóór miljoenen jaren op dezelfde
wijze als nu nog, versteeningen ontstaan zijn, golven de kusten
bespoelden, zoetwaterstroomen in zee uitliepen '; zij hebben ons
» Ook al wisten wij dit niet reeds uit andere bronnen.
DER FOSSIELE INSEKTEN VAN BEIJEREN. 947
geleerd dat in de juraperiode bij de plaats van het tegenwoor-
dige Solenhofen eene zee stroomde en rivieren uitmondden, en
dus het westelijker gedeelte van ons werelddeel, gedurende en
na dit tijdvak eerst tot vastland is geworden, terwijl meer
oostwaarts reeds een hooger bergland lag van waar die rivieren
afdaalden; maar zij leeren ons nog meer.
Wanneer men de geslachten en de grootte der soorten nagaat,
die in die gesteenten gevonden worden, dan ligt de gevolgtrekking
voor de hand dat op deze plaatsen in die tijden een ander kli-
maat moet hebben geheerscht dan tegenwoordig, want zulke
reusachtige Pygolampis-, Belostomum-, Ricania- en Gomphus-
soorten vindt men tegenwoordig of niet meer of alleen in de
tropische gewesten ', en het is toch eene algemeen als geldend
erkende wet dat de differentiëering der levensvormen pari
passu gaat met de differentiëering der levensvoorwaarden.
Zij leeren ons verder hoe de diervormen dezer klasse elkander
hebben opgevolgd in den tijd en welke orden in elk der perio-
den de overhand hebben gehad, en daaruit leeren zij weder
besluiten tot het bestaan van sommige planten of plantengroepen
enz. °; kortom zij zijn bijdragen tot de kennis der ontwikke-
lingsgeschiedenis van het organische leven op onze planeet.
Nog meer kunnen zij leeren bij voortgezette studie; zij kunnen
ons den weg wijzen dien wij te bewandelen hebben om de
dieren te vinden, die de stamouders zijn der tegenwoordig:
levenden, zij kunnen leeren door welke oorzaken en op welke
wijze de vroegere soorten zijn gedifferentieerd tot de tegenwoor-
1 Zoo komt b. v. het geslacht Nymphes (Neuroptera), dat in de jurakalk gevon-
den is, thans nog in Australië alleen voor.
2 Zoo besloot b. v. Prof. Heer uit het vinden van cene cicada (Cicada emathion
Heer) in de tertiaire lagen van Oeningen, dat op diezelfde plaats eene soort van esch
moet gegroeid hebben en werkelijk werd zij eenige jaren later gevonden. Uit de
ontdekking terzelfder plaatse van Lizus rugicollis leidde Heer af dat in het meer van
Oeningen waterplanten uit de familie der umbelliferen gegroeid waren en inderdaad
vond men later drie tot deze familie behoorende soorten. Evenzoo besluit Heer uit de
vele fossiele vliegen, kleine kevers, enz. dat bij Oeningen in het tertiaire tijdvak
massa’s paddestoelen bestaan hebben.
Zie Heer, Introduct. è la flore tertiaire de la Suisse etc. in Biblioth. univ. de
Génève. 1854.
948 PRODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING ENZ.
dige, en na verloop van tijd kunnen misschien nieuwe ontdek-
kingen op dit gebied diervormen leeren kennen, die als over-
gangen te beschouwen zijn tusschen thans scherp gescheiden
hoofdgroepen ' en zoo kan ook de palæentomologie het hare
bijbrengen tot bevestiging der leer dat de meest saämgestelde
dieren uit de minder saämgestelden zijn voortgekomen en kan
zij nieuwe bouwstoffen leveren tot de kennis der terripetale
ontwikkeling.
Rozenlust, 6 December 1868.
ı Men zie b.v. Dorhn, Zugereon Böckingii. Cassel 1854. (Zie ook Ned. Tijdsehr.
v. Ent. XI. p. 13).
DESCRIPTION D'UN
PARASITE DE LELEPHANT
PAR
B PAG BT:
La tête irrégulièrement conique, arrondie en arrière, se re-
trécit subitement, au delà des antennes, en une trompe allongée.
Cette trompe dont enveloppe est cornée, très-résistante, épaisse
et fort peu transparente, se termine en un léger renflement
plus foncé de couleur que le reste. Vu sous un grossissement
plus considérable. ce renflement ne laisse rien entrevoir de l'or-
ganisation intérieure. Il offre à l'extérieur un rebord (fig. 5 a)
frangé, aux deux cotés seulement, de crochets durs et obtus,
relié à l'enveloppe par une membrane transparente (fig. 5 b)
facile à déchirer, qui permet au rebord de se relever au pour-
tour lorsque la partie centrale s'enfonce. Au dessous du rebord
se voient trois pièces (deux sont seules visibles dans la figure
5 c) à double pointe, mobiles et pouvant se relever en arrière
de facon à faire saillie et à rendre ainsi le retrait de la trompe
plus difficile. Plus bas encore deux fortes pointes noir-brnn et
caduques (fig. 5 d).
En arrachant avec précaution le rebord, la membrane et les
pointes décrites, on apercoit comme deux coussins (fig. 4) très
durs, presque transparents, un peu écartés, terminés chacun
par une verrue cornée et portant au côté intérieur deux épines
transparentes, très-dures et recourbées en dehors. À l'endroit
recouvert par le rebord, quatre pointes noir-brun. A l'état
ordinaire l'extrémité aigue et incolore de ces deux coussins fait
950 DESCRIPTION D'UN PARASITE DE L ELEPHANT.
saillie par l'ouverture du rebord, alors un peu plus relevée que
le pourtour. Entre les coussins Vextrémité d’un canal étroit
(fig. 4c) qui se prolonge le long de la trompe jusque dans la
tête. Ce canal à parois transparentes et résistantes se termine en
arrière en un sac transparent de même substance (fig. 5 f)
fixé par quatre points en avant d'une grande cavité dans la tête
(fig. 2 f). Quand les deux coussins sont rentrés, le canal forme
un double coude à l’intérieur de la trompe (fig. 5 g).
Il m'a été impossible de rien retrouver de l'appareil de suc-
cion du Pediculus Urias, décrit par Burmeister (Linnaea ento-
mologica t. I. 569 et suiv.). Il semblerait que notre parasite
enfonce sa trompe dans quelque pore de la peau de l’éléphant
au moyen des deux coussins pointus, et déchire par là quelques
vaisseaux capillaires; le sang coule alors par l’attraction capil-
laire le long du canal jusque dans la cavité buccale.
Les antennes (fig. 6), un peu plus longues que la trompe,
sont implantées sous un prolongement lateral de la face et
relalivement ä une assez grande distance en avant des yeux. Le
premier article une fois et demie plus long que le 2, presente
un étranglement au tiers antérieur. Le second est plus long que
le 5”. Les trois derniers de longueur à peu près égale. Les
quatre premiers en massue et pourvus de quelques poils très-
caducs, le dernier ovoide.
Les yeux petits, assez proéminents, sont séparés des antennes
par un épaississement de l'enveloppe cornée qui offre l'apparence
d’une tache.
Au vertex l’épiderme supérieur assez épais présente trois rides
peu profondes. L’epiderme inférieur porte à l'intérieur deux
renflements cornés, en quart de cercle (fig. 2 4). D'entre les
extrémités antérieures de ces renflements partent deux appen-
dices cornés (fig. 24), cassants, de dimensions très irrégulières ,
susceptibles d’ecartement, parfois ramifiés au sorlir de la téte,
obliquant vers les côtés et se prolongeant en massue jusqu’au
tiers du thorax. Un autre appendice (fig. 2%) triangulaire ,
aplati et double, termine par deux crochets transparents ,
savance jusqu'au milieu du thorax. Hl est rattaché par une
DESCRIPTION D UN PARASITE DE L’ELEPHANT. 951
membrane très-mince à la paroi interne de l’épiderme supérieur
de la tête. J’ignore entierement à quoi peuvent servir ces
appendices; à moins que ce ne soient des parties d’une charpente
solide pour l'insertion des muscles.
Le thorax, très-lisse, d'une largeur à peu près double de
celle de la tète, convexe sur les còtés où il forme deux angles
obtus, se compose d’une seule pièce. Le bord postérieur dorsal
irregulierement arrondi, à épiderme épaissi, offre deux prolon-
gements obtus épais, empiétant sur l’abdomen et deux appen-
dices de mème substance que ceux de la tete, filiformes, irre-
guliers de dimensions, soudés par une membrane à la paroi
interne et s’avancant dans l’abdomen jusqu’au delà de la bande
du premier segment. Un stigmate entre la 2° et la 5" paire
de pattes.
Les pattes (fig. 7) sont remarquablement longues et effilées, —
le coxis long avec une tache semi-annulaire mal limitée, — le
trochanter avec une bande foncée au milieu, renflé au côté
intérieur; — le femur épais très-convexe à l’extérieur, presque
droit intérieurement, avec quelques poils erochus en dehors et
des soies droites en dedans, et deux taches foncées très-limitées
vers les deux extrémilés: ces taches sont ici encore des épais-
sissements cornés de l’épiderme; — le tibia long, à peine re-
courbé à l'origine, renflé intérieurement vers l’articulation tarsale ,
à épiderme épais, au milieu avec un anneau presque incolore mal
limité: le tibia porte régulièrement à l'extérieur trois poils droits
(le dernier le plus long), implantés perpendiculairement à sa
direction, plus une épine crochue sur le renflement terminal; —
le tarse (fig. 8) articulé au tibia un peu en dehors de l'axe,
uni-articulé, très-long, avec un anneau incolore incomplet,
portant 5 poils: 2 extérieurs (le premier le plus long), implantés
comme ceux du tibia, et un intérieur un peu oblique. A Vex-
trémité postérieure on remarque un renflemeut corné de
l’épiderme, auquel parait soudé un petit muscle destiné à
fléchir la griffe (fig. 8a). Le tarse (tarsus cursorius) se termine
par une forte griffe articulée et d'ordinaire plus foncée, à côté
de laquelle on remarque (mais seulement aux deux dernières
20
252 DESCRIPTION D'UN PARASITE DE L ELEPHANT.
paires de pattes), un appendice articulé au côté postérieur du
tarse (fig. 85), translucide, inflexible, affectant la forme de
griffe, un peu plus long que la griffe méme, mais avec une
courbure différente et ordinairement écarté soit au dessus, soit
à côté. Cet appendice applati dans presque toute sa longueur
est arrondi au crochet.
L’abdomen large, ovale, lisse avec un ou deux poils a chaque
suture, se compose de huit anneaux dont les sutures ne sont
visibles qu’à la marge, et dont le dernier, moins large que la
tete est parfois rentré chez la femelle. Un sillon profond et
presqu'incolore sépare, chez le male, le 7*° anneau du précé-
dent (fig. 12).
L’epiderme dorsal très-épais et très-résistant, plus ou moins
foncé, selon l’âge du sujet, offre dans la partie médiane des
6 premiers anneaux une serie de 8 renflements cornes en forme
de bandes transversales droites, d'inégale grandeur, dont les
deux premières plus étroites, presque noires; la seconde recourbée
en avant aux deux extrémités, parallele au premier anneau, la
5° se terminant des deux côtés à angles droits, les suivantes ar-
rondies. Les anneaux 2—7 portent sur les cöles un fort ren-
flement corné ou tache limitée (fig. 11), à peu près triangulaire,
lacinié à la pointe (les deux taches se confondent sur le 7° an-
neau), échancré au côté extérieur et séparé du suivant comme
du bord par un profond sillon incolore parallele 4 la marge ,
au delà duquel l’épiderme se relève sensiblement. Au milieu de
l’échancrure on remarque, non sans quelque effort, une ouver-
ture stigmatique. Le 1° et le 8"° anneau ne portent pas de
stigmates. Le dernier anneau, soyeux, présente une rangée de
poils autour de l’ouverture anale.
L’epiderme ventral incolore, mince, sans sutures apparentes,
comme le dorsal, présente à l'endroit des sutures des bandes
de mamelons — de 20 à 50 par bande — ovales colorés, fixés
chacun sur une plaque ronde légèrement enfoncée dans une
espèce de godet cylindrique. Ces bandes un peu recourbées
s’arretent à quelque distance du bord où les mamelons semblent
DESCRIPTION D'UN PARASITE DE L'ELEPHANT. 955
dispersés capricieusement. Quelquefois le godet, à demi deve-
loppé porte un simple poil (fig. 9 et 10). Ces mamelons, comme
me l’a fait observer M. Snellen van Vollenhoven, servent pro-
bablement de ventouses au parasite pour mieux s'attacher à
son amphytrion; du moins j'ai toujours éprouvé quelque diffi-
culté à Pen détacher, alors même qu'il n'était pas implanté pour
la succion. La faiblesse relative des griffes ne suffit pas pour
expliquer cette résistance. Il est en outre à remarquer que le
thorax porte une bande de ces mamelons qui s'étend d'un
stigmate à l’autre.
L'épiderme ventral se compose de cellules irès petites, arron-
dies, pareilles à celles de l’épiderme de la tete et du thorax
(fig. 2, 5, 9, 10), tandis que l’épiderme dorsal (fig. 11) est
formé au milieu de grandes cellules hexagonales, renfermant
chacune une bande, bordées latéralement d’un demi-cercle de
cellules irrégulières qui entourent la tache latéraie.
Le male, in coitu foeminae submissus, beaucoup plus petit
que la femelle, d'une teinte plus claire, se reconnait facilement
à la longueur et à la grosseur du 7"° anneau de l'abdomen et
aux organes du 8”. Les organes de reproduction ressemblent à
ceux du genre Haematopinus (de Nitsch). La fig. 12 représente
ces organes au sortir de l'abdomen, la fig. 15 représente ces
mêmes organes vus de côté, pendant l'érection. Deux appendi-
ces, cornés, durs, recourbés, articulés à la base, terminés par
un crochet très-aigu et presque noir avec deux poils, répliés
en avant dans l'abdomen, dressés au sortir, servent au mâle à
fixer le dernier anneau de la femelle. Entre les deux appendices
on voit passer l'extrémité du penis. La fig. 14 reproduit les
organes génitaux vus de dessus. Les deux appendices ont été
étendus horizontalement de force et par conséquent desarticulés,
peur mieux laisser voir la partie centrale.
Les dimensions sont
pour la femelle. pour le male.
longueur totale 0,0029 a 51. 0,00175 (à 180).
7, de la trompe 0,0005.
” nm tête 0,00052.
954 DESCRIPTION D'UN PARASITE DE L'EREPHANF.
longueur du thorax 0,00056.
” de l'abdomen 0,0018 à 19.
” des antennes 0,0008.
” ” pattes (5° paire) 0,0012.
largeur de la tete 0,0004.
” » n trompe 0,9000075.
” du thorax 0,0007.
” de l’abdomen 0,0014 (a #5). 0,00075 (a 89).
La couleur générale de ce parasite varie peu du brun-foncé
à une teinte plus claire. Je l'ai trouvé sur un jeune éléphant
du Jardin Zoologique de Rotterdam, le plus abondamment sur
la partie du corps protégée par l'oreille, là où l’epiderme, plus
mol et plus mince, se laisse plus facilement pénétrer, — im-
plantés assez profondément, pour faire penser au premier abord
à une tique.
Quant a la place que ce curieux parasite devra occuper dans
la classification, il ne rentre précisément dans aucun des genres
établis jusqu’iei par les auteurs. Par sa conformation générale il
rentre sans-doute dans la division des suceurs (haustellaia); mais
il se sépare des trois genres Phthirius, Pediculus et Haemato-
pinus, par la conformalion de la tele, mais surtoul des pattes,
n’offrant que «pour mémoire» au tibia ce prolongement qui
permet à l’animal de serrer, comme dans une pince, Fobjet,
poil ou plumule, auquel il s'attache (tarsus scansorius). Cette
conformation serait inutile sur un animal qui a aussi peu de
poils que l’elephant. Il semblerait que l’appendice qui figure
aux deux parois postérieures des pattes, à côté de la griffe, est
une transition aux espèces qui portent deux griffes aux pattes
(Docophorus ete.). L'endroit de l’implantation ne permet pas de
le regarder comme une modification de l’empodium. Je propo-
serais, sauf rectification, de bapliser le genre /aematomiyzus! et
l'espèce elephantis plutôt que longirostris, puisque d’autres
pachydermes pourraient avoir des parasites à trompe d’égale
longueur ou plus longue.
ı imo sang et uubetr on ê: pusetv sucer.
DESCRIPTION DE SIX ESPÈCES NOUVELLES
DE HEMIPTERES HETEROPTERES
PAR
8. C. Snellen van Vollenhoven.
Les diagnoses de ces espèces ont été publiées par moi il y a
deux ans dans les Rapports et communications de l'Académie
royale des Sciences, section des sciences naturelles (2° serie,
Tome II) avec celles d'une cinquantaine d’autres, dont je me
propose de donner les descriptions dans une monographie des
Pentatomides des Indes Orientales, qui peut-être paraîtra encore
durant le cours de cette année.
1. TETRARTHRIA TENEBROSA.
Planche 11, fig. a.
T. supra nigra, opaca, maculis irregularibus capitis, thoracis
et pruesertim sculelli viridibus subnitidis, subtus fusca, griseo
pilosa.
Long. 18—19 millim. Habitat in Amboina.
Cette espèce, beaucoup plus large que ma Margineguttata , a
tout-à-fait le port des Graptocoris comes et rufilabris. La couleur
du dessus est un noir opaque sur lequel se distinguent quelques
taches d'un vert métallique. Sur la tête qui est grossierement
ponctuée on en voit deux le long des rides frontaux et autres
posées intérieurement à coté des yeux, qui sont d’un brun clair.
Les antennes, noires à la base, passent après le second article
au chocolat; leur premier article est jaune en dessous chez la
femelle; le male a tous les articles jaunes. De ce coté la tete
956 DESCRIPTION DE SIX ESPECES NOUVELLES
est d’un vert métallique sur la face, d’un jaune sale sur le col.
Le premier et le troisiéme article du sucoir sont de cette derniere
couleur, le second et le quatrieme sont bruns. Le prothorax,
à ponctuation grossière, offre six taches du vert métallique.
L’ecusson, à ponctuation plus fine, a de chaque côté trois
taches métalliques, dont les deux postérieures s'unissent quel-
quefois. Les ailes supérieures sont d'un noir de velours à mem-
brane brune, les inférieures sont brunes.
En dessous le thorax et l'abdomen chez la femelle sont d'un
brun café au lait, plus pâle vers le milieu et vers les bords;
chez le male le dessous est d’une jaune brunâtre, marqué de
noir sur la poitrine, sur la base des anneaux de l'abdomen et
d'une bande longitudinale courbe entre les stigmates et le milieu
du ventre. Tout le dessous est recouvert d’une pubescence grise.
Les pattes sont jaunes, marquées de taches d’un brun foncé
sur les cuisses, d'une tache verte sur les genoux et d’une ligne
de même couleur sur la face supérieure des jambes.
L'espèce se trouve dans Vile d’Amboine.
9. Lisyssa WESTWOODII.
L. supra brunnescenti violacea, margine thoracis ei elytrorum
testaceo, subtus cum femoribus testacea, pectoris lateribus vit-
tisque lateralibus abdominis, nec non tibiis lucide violaceis.
Long. 15 millim. Hab. Zambesi in Africa.
Au beau premier coup d'œil cette espèce se distingue des
congénères par l’absence totale de dessin et de taches sur le
thorax et l’écusson; la Distinguenda de M. Reiche s'en approche
le plus.
Le dessus, à ponctuation forte, mais peu serrée, offre une
couleur brun-pourpre assez foncée; les yeux, le bord du pro-
thorax (assez large) ainsi qu'un mince filet au bord des élytres
sont d'un jaune tanné.
Le milieu du dos est marqué d’une ligne lisse un peu relevée
en carène. Le dessous est de la même couleur jaune brunâtre.
à l'exception de quelques taches latérales d’une belle couleur
PL.
RN
oo
on
x
le
I \
EEE
men) at |
Nun,
= È
HAL
I
WS
N
N à
È d 13
3 {
JW hth
V. & 1-14 P fec
tenebrosa. b Callidea elongata. c Call. celebensis.
a Tetrarthria
d Call latefasciata. e Call. Croesus. 1-14 Haematomyzus Elephantis, Piag.
DE HEMIPTERES NETEROPTERES. 957
violette sur la face, la poitrine et en dessous des stigmates;
là elles ont une forme triangulaire.
Le premier article des antennes est jaune , les suivants sont d’un
noir terreux. Le bec est jaune à la base, noir du milieu au
bout. Les hanches et cuisses sont jaunes, les jambes et tarses
d'un violet plus pâle que les taches du ventre.
Cette Libyssa, que je dédie au célèbre professeur de zoologie
à l'Université d'Oxford, a été trouvée dans le royaume de Zambesi.
C'est de M. Westwood que le Muséum tient ses deux exemplaires.
5. CALLIDEA ELONGATA.
Planche 11, fig. 2.
Call. elongata, nisi in scutello indistincte punctata, violacea
purpureo colore iridescens, scutelli fascia angusta, abdominis
paullo latiore, pallide flavis.
Long. 18, lat. 8 millim. Hab. Salawatti.
Une des plus belles espèces de ce genre somptueux, encore
plus allongée et svelte que la Dimidiata de Dallas.
D'un bleu foncé, à reflets pourpres sur le dessus. Yeux bruns,
ocelles d'un jaune brunàtre. Premier article des antennes bronzé,
second noir; les autres manquent. Bec et pattes d’un noir
bronzé et verdätre. Au milieu de l’écusson se voit une bande
transversale d’un jaune de Naples, peu large mais s’elargissant
vers la còte. Les bords de cette bande sont irréguliers et comme
déchirés, vus à la loupe. {1 n’y a pas de ponctuation sur le
corps, excepté sur cette bande et un peu en avant d’elle aux
deux cotés vers les angles où elle devient plus forte.
En dessous les trois premiers anneaux de l’abdomen ont la
même couleur jaune de Naples.
M. le docteur Bernstein trouva un unique exemplaire de cette
espèce dans l’île de Salawatti.
A. CALLIDEA LATEFASCIATA,
Planche 11, fig. d.
Call. parum distincte punctata, violacea nitens, scutello
958 DESCRIPTION DE SIX ESPECES NOUVELLES
latissime rubro-fascialo, abdominis rubri apice cyaneo.
Long. 12 s. 15 millim. Hab. Salawatti.
C'est encore aux investigations de feu M. Bernstein que nous
devons cette espèce interessante qu'il trouva également à Sala-
watti.
Elle n'offre qu'une ponctuation vague, excepté aux angles de
la base de l’écusson, dans le sillon transversal du prothorax et
après le bourrelet scutique.
Premiers articles des antennes noirs, les autres manquent.
Au milieu de l’écusson se voit une bande très-large de couleur
orange; les 2% 5°, 4° et 5° anneaux de l’abdomen sont de la
même couleur, les deux suivants noirs à reflet d’un bleu indigo.
Pattes d’un bleu pourpre.
On ne pourra confondre cette espece avec la Dimidiata qui
lui ressemble superficiellement, en observant que celle-ci est
beaucoup plus allongée, que sa couleur est plus obscure et que
chez elle la bande transversale, beaucoup moins large, com-
mence à la base même de l’écusson.
xs
5. CALLIDEA CELEBENSIS.
Planche 11, fig. c.
Call. violacea (viva viridis) scutelli gibbositate atque macula
apicali rufis, medio quatuor maculis et fasciola nigris signato.
Hab. 15 mm. Habitat Toelabello et Kwadang in insula Celebes.
De la section des Call. Schlegelii et quadrimaculata, diffusé-
ment et peu profondément ponctuée, à l'exception des angles
lateraux de l’écusson où la ponctuation est très-forte et presque
rugueuse,
La couleur prédominante du corps dessèché est un bleu indigo
à reflets verdàtres, mais les individus préservés dans l’alcohol
ayant durant la première année une belle teinte verdàtre doré,
je présume que durant la vie de l’animal la couleur du corps
est d’un vert doré.
La tête offre plusieurs rides transversales; l'espace compris
DE HÉMIPTÈRES HETEROPTERES. 959
entre les sillons longitudinaux est noir, le col est jaune, ainsi
que les rebords qui enserrent le bec près de cette partie. Les
antennes sont noires, le second article est un peu plus court
que le premier.
Le prothorax offre six taches noires posées en deux rangées,
celles de la première étant tres-petites; chez le male le bord
antérieur offre un enfoncement triangulaire au milieu et trois
égratignures vers langle antérieur. Le bourrelet de lécusson
est d’un rouge de corail, parfois divisé en deux par une ligne
noire; sur l'écusson on observe, quoique assez difficilement, quatre
taches et deux lignes transversales noires, dont la seconde n’est
que le bord antérieur d’une tache apicale d’un rouge de brique.
Les élytres sont brunes à cöte bleue, les ailes brunes.
En dessous le prothorax est bleu à reflets verts, le mésotho-
rax marbré de bleu, de vert doré, de jaune et de brun terreux;
le métathorax est bleu à l’exception de l’espace entourant l’orifice
odorifere qui est terreuse. Hanches et cuisses jaunes, genoux
d'un vert doré, jambes et terses d'un bleu foncé.
Le ventre offre au milieu un espace carré de couleur jaune
terne, entouré aux trois cotés de bleu à reflets verts; en arrière
de cet espace se trouve une grande tache roire, accompagnée
aux deux cöles d'une tache rouge.
Le museum ne possède que deux exemplaires mäles, dont
Yun n'a pas d’antennes et l’autre une antenne complète, presque
aussi longue que le corps, et dont le second article est fort petit.
Cette belle espèce habite les parties montagneuses du Nord-
est de Célébes.
6. CALLIDEA CROESUS.
Planche 11, fig. e.
Call. ovalis viridis nitens, thoracis parte postica inaurata ,
scutelli macula cordiformi purpureo-aurata, abdominis lateribus
femoribusque testaceis.
Long. 12 lat. 7 millim. Hab. in Gebeh, Salawatti et insulis Aru.
Cette espèce est très-voisine de la Call. ditissima et pourrait étre
considérée comme une race de celle-là, ou bien, aussi bien qu'elle
260 DESCRIPTION DE SIX ESPECES NOUVELLES ETC.
une race de la Fastuosa. La ponctuation est peu apparente sur la
tête, le thorax et le bourrelet, très-peu relevé, de l'écusson ; elle est
assez forte sur le bord latéral de l’écusson; en outre une ligne
de points enfoncés longe le bord antérieur du thorax, et une
autre parallèle à celle-là se trouve un peu en arrière d’elle. La
couleur du dessus est un beau vert doré ou bleu doré verdàtre,
mais la partie postérieure du corselet est d’un jaune doré ou
cuivreux, et sur le milieu de l’écusson se voit une tache irré-
gulière, le plus souvent cordiforme, d’un jaune pourpre et doré;
le bout de Técusson est bleu. Les élytres sont d'un pourpre
foncé brunätre, à membrane obscure comme les ailes.
Le dessous du corps est un beau bleu; les angles postérieurs
du prothorax offrent une tache dorée, et le bord de l'abdomen
est jaune, comme les hanches et les cuisses des pieds, dont les
jambes et les tarses sont d’un bleu foncé.
Les exemplaires des iles Aru et un autre de Salawatti appar-
tiennent à une variété de couleur plus foncée dont le ventre
est presque entièrement d’un bleu obscur ou bien couleur lie
de vin.
Table des figures.
a. Tetrarthria tenebrosa.
b. Callidea elongata.
Ge 7 celebensis.
d. ” latefasciata.
e. 7 Croesus.
AJW. hth
S.v.V. fec
3. Inlandsche Hemiptera
w-
Lo
S.v. V. fec
Inlandsche Hemiptera.
4,
Op verzoek van den Heer Weyenbergh wordt hierbij eene
verbetering van bladz. 151—-154 gegeven. De redactie neemt
met dezen maatregel genoegen, doch meent tevens aan hare
roeping te voldoen door iederen inzender dringend te verzoeken
zijne opstellen, eer hij die aan de redactie ter hand stelt, geheel
voor de pers te willen gereed maken, opdat de copy kunne
gevolgd worden zonder wijziging of verbetering.
| Nem. catachloris. 2 Emph. majalis. 3 Phyllot. pinguis.
4 Selandr. plithisica. 5 Eucolia effluens.
Nieuwe soorten van Diptera.
Cheilosia chrysocoma, Meig.
PISE
Phytomyza obscurella, Fallen.
TL,
6.
1 Paederus coriaceus. Fauv. 2 Pop van Anthrax hottentotta, L.
3 en 4 Fieren uit het omkleedsel der Wespennesten 5 Emphytus cinctus aberr, L. d.
PLB
Membracis foliata L
AE
UE
PI. 9.
Ti
(=
La
Membracis lunata, F.
PI. 10.
°C) ga Pay Vt Ly Uh
, ue’ 4
ia
a
WI EPEN. ELLI LITI 7 ga
data
nts
Av
ui Le]
AND
NEO
au
a
Lili ann: ar:
9
Membracis nov. spec.:
PRODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING ENZ. 151
Germar en von Münster hebben eenigen van deze fossielen
beschreven en Hagen heeft in de Palaeontographica van von
Meyer und Dunker, in Deel X en XV eene uitvoerige monogra-
phie gegeven van de Neuroptera uit dit gesteente. Neemt men
dit een en ander te samen, dan komt men tot het resultaat
dat wij uit deze lagen kennen 4 Coleoptera, 7 Hemiptera, 7
Orthoptera, 58 Neuroptera, 2 Hymenoptera, 2 Diptera en 2
Arachniden.
Mijne studien in Teyler’s museum hebben tot de ontdekking
van vele novae species geleid, die in een meer uitvoerig opstel
in de Archives du Musée Teyler zullen worden heschreven en
afgebeeld en, naar ik hoop, in het begin des volgenden jaars
het licht zullen zien. Op de platen na is dit stuk in hoofdzaak
gereed. Ik zal dan ook hier niet in uitvoeriger beschouwingen
treden, maar verwijs daaromtrent naar de genoemde Archives
Alleen onderstaande naamlijst wensch ik, als prodromus voor
het Tijdschrift over te leggen, en voeg daaraan eenige algemeene
beschouwingen toe.
NAAMLIJST der tot heden in de lithographische
Jurakalk van Solenhofen en Eichstätt gevonden
fossiele insekten.
COLEOPTERA.
CARABIDAE.
1. Carabus Winkleri, Weijenb. Archiv Teyler. T. IT.
2. Carabicina decipiens, Germ. Münster’s Beitr. z. Petrefactenk. V.
Tab. IX. f.4.— Archiv Teyl. T. IT.
HYDROCANTHARIDAE.
3. Hydroporus petrefactus,Weijenb. Archiv Teyler. T. II.
GYRINIDAE,
4, Gyrinus juranus, Weijenb. Archiv Teyler. T. II.
“4152 PRODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING
SILPHIDAE.
5. Silphate temeilythris, Weijenb. Arch. Teyler. T. II.
SCAPHIDIDAE.
6. Scaphidium Hageni, Weijenb. Arch. Teyler. T. II.
HISTERIDAE.
7. Hister relictus, Weijenb. Arch. Teyler. T. II
ORYCTIDAE.
8. Oryctes grandis, Weijenb. Arch. Teyler. T. II.
CETONIDAE,
9. Cetonia defossa, Weijenb. Arch. Teyler. T, II.
BUPRESTIDAE.
10. Buprestis lapidelythris, Weijenb. Arch. Teyler, T. II.
11. Chrysobothrys veterana, v. Heyd. Meyer u. Dunker Palaeontographica.
I. Tab. XII. fig. 4. — Arch.
levier EE
ELATERIDAE.
12. Lacon petrosum, Weijenb. Arch. Vegler Lean.
13. Elater Teyleri, Weijenb. Arch. Teyler. T. II.
14. Elater Costeri, Weijenb. Arch. Leyler. 0.9L
15. Elater grossus, Weijenb. Areh. Teyler, SEN
TENEBRIONIDAE.
16. Tenebrio innominatus, Weijenb. Arch. Teyler. T. II.
CURCULIONIDAE.
17. Anisorhynchus lapideus, Weijenb. Arch. Teyler. T. IT.
SAPERDIDAE.
18. Mesosa Germari, Gieb. Giebel Ins. d. Vorw. p. 157. — Nov.
Syn. Cerambycinus dubius, act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
Germ. XXII. fig. 9.
LEPTURIDAE.
19. Leptura primigenia, Weijenb. Arch. Teyler. II.
a) den
DER FOSSIELE INSEKTEN VAN BEIJEREN. 499
CRYPTOCEPHALIDAE.
20. Cryptocephalus antiquus, Weijen. Arch. Teyler. T. II.
21. Cryptocephalus mesozoicus , Arch. Teyler. T. II.
Weijenb.
CHRYSOMELIDAE.
22. Chrysomela lithographica , Arch. Teyler. T. II.
Weijenb.
23. Chrysomela rara, Weijenb. Arch, Teyler. T. II.
CASSIDAE.
24. Cassida aequivoca, Weijenb. Arch, Teyler.. T. II.
25. Ditomoptera dubia, Germ. Noya acta Leop. acad. T. XIX,
Tab. XXI, f. 5.
GYMNOSOMIDAE.
26. Coccinella Heydeni, Weijenb. Arch. Teyler. T. II.
HEMIPTERA.
HETEROPTERA.
GEOCORISES,
1. Scarabaeoides deperditus, Germ. Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
XXII, f. 17
2, Actea Sphinx, Germ. Münster’s Beitr. z. Petrefactenk. V.
Tab. IX. fig. 6.
3. Pygolampis gigantea, Münst. Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
XXI.f. 8.— Arch. Teyler. T. II.
4. Hagenia Schroeteri, Weijenb. Schroeter’s Neue Litter. u. Beitr. z.
Syn. Sphinx Schroeteri Schloth !. Naturw. I (1784). Tab. 3. f. 16.
HYDROCORISES.
5. Belostomum Hartingii, Weijenb. Arch. Teyler. T. II.
6. Belostomum elongatum, Germ. Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
RT. £ 16,
7. Naucoris lapidarius, Weijenb. Arch. Teyler. T. II.
8. Nepa primordialis, Germ. Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
XXII. f. 7. — Arch. Teyler. T. II.
9. Corixa mortua Weijenb. Arch, Teyler. T. II.
? Volgens Hagen geen lepidopteron maar een hemipteron (Lystra ?).
154 PRODROMUS EN ALGEMEENE BESCHOUWING
HOMOPTERA.
FULGORELLAE.
10. Ricania gigas, Weijenb. | Arch; Teyler. THAT,
11. Ricania hospes, Germ. Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
AXTII. f. 18.
12. Lystra Vollenhovenii, Weijenb. Arch. Teyler. T. II.
ORTHOPTERA. |
L. Chresmoda obscura, Germ. Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
XXII. f. 4.
2. Locusta prisca, Germ. Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
XX. fs 3.
3. Locusta speciosa, Germ. Nov. act. Leop. acad. T. XIX. Tab.
RX NAS:
4. Locusta amanda, Hag. Palaeontogr. T. X. Tab. XV. f. 4.
5. Phaneroptera Germari, v. Münster’s Beitr. z. Petrefactenk.
Münst. Te Ve Bl AG ET:
6. Phaneroptera striata, Weijenb. Arch. Teyler. T. II.
7. Achita quaerula, Weijenb. Arch. Teyler. T. II.
8. Gryllites dubius, Germ. Münster’s Beitr. z. Petrefactenk. T.
VPL TX ES PERT ER
9. Blabera invisa, v. Heyden. Palaeontogr. T.I. Tab. XII. f. 5.
10. Forficularia problematica , Arch. Teyler. T. II.
Weyenb.
NEUROPTERA.
ODONATA.
1. Isophlebia Aspasia, Hag. Palaeontogr. T. X. p. 105. T. XV.
Syn. Aeschna gigantea, Germ. Tab. XII. 22
(Aspasia gigantea Hag.)
Aeschna Buchi Berol. acad.
2. Isophlebia Helle, Hag. Palaeontogr. T. X. p. 105. T. XV.
Syn. Agrion Latreillii, Germ. Tah, Xf 1a pito,
3. Heterophlebia aequalis, Hag. Palaeontogr. T. X. p. 105. Tab.
XII. f. 4, 6,6. T. XV. Tab, XI.
f. 2, 3,4.
4. Heterophlebia dislocata, Westw. Quaterl. Geol. Journ. V. f. 11. —
Palaeontogr. T. XV. p. 62. Tab.
XII. f. 7—9. — Brodie, Fossil
insects. Tab. 8. f. 2.
{ UMILI EN REN
e
* TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VERBENIGING,
ONDER REDACTIE VAN |
© pi $. O. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
pr. A. W. M. VAN HASSELT
EN
F. M. VAN DER WULP.
TWAALFDE DEEL.
eee ew
TWEEDE SERIE. — VIERDE DEEL.
LL
5 GRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF,
1869. _
DOZER
CI MARTINUS MOORE te hm et het licht:
MANAANNAN
DE VLINDERS VAN NEDERLAND.
MACROLEPIDOPTERA.
SYSTEMATISCH BESCHREVEN
| DOOR
P.C. T. SNELLEN.
Fraai boekdeel. Imp. 8vo. Met 4 platen. Prijs f 9.50.
ESSAI D’UNE
FAUNE ENTOMOLOGIQUE
: DE L’ARCHIPEL INDO-NEERLANDAIS :
S. 6. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
; 5 -3 Monographie. 3 vol. Gr. in-4to. Avec 15 planches
dont 14 coloriées. f 20.50.
SCHETSEN
TEN GEBRUIKE BIJ DE STUDIE DER HYMENOPTERA ,
GETEEKEND DOOR
Mr. S. €. SNELLEN VAN VOLLENKOVEN.
UITGEGEVEN DOOR DE NEDERL. ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
| I Ichneumoniden. — II. Braconiden.
6 platen in omslag f 3.—.
RES OOS RT A
“a A 2.0: e"
>
Tet taste se
UITGEGEVEN DOOR
ib 7 wo ca
ONDER REDACTIE VAN
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
EN
FP. M. VAN DER WULP.
TWEEDE SERIE.
VIERDE DEEL.
/ Aflevering.
UV
’SGRAVENHAGE,
1869.
TLIDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
) NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
Dr. S. €. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN ,
MARTINUS NIJHOFF.
ONDER REDACTIE VAN
Dr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
EN
F. M. VAN DER WULP.
TWEEDE SERIE.
VIERDE DEEL.
2° Aflevering
LL LL LDP PPL LDL OL
OS GRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF.
1869.
CERO
ONDER REDACTIE VAN
Dr. $. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN ,
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
EN
F. M. VAN DER WULP.
TWEEDE SERIE.
VIERDE DE EL.
A Allevering.
'S GRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF,
1869.
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
| UITGEGEVEN DOOR
JE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
Dr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
EN
PF. M. VAN DER WULP.
TWEEDE SERIE.
VIERDE DEEL.
/ \flevering
’SGRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF,
1869.
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
Di. S. 0. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN ,
Di. A. W. M. VAN HASSELT
| EN
F. M. VAN DER WULP.
TWEEDE SERIE.
VIERDE DEEL.
FT \flevering.
’SGRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF.
1869.
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
ONDER REDACTIE VAN
DR, I... SNELLEN VAN VOLLENHOVEN ,
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
EN
F. M. VAN DER WULP.
TWEEDE SERIE.
VIERDE DEEL.
de ;
b: Aflevering.
Ss GRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF.
1869.
I Dpt bh
TA
te
Aan! A
iy fait
ied
Mali
4
TC:
PUR) Nie
{
È
A mi Di olii Peg a w — am
Pe TE A 8 tae © et ee
Pa pn nt 5 Sa à
EEE RORE phi nS me
ere eten ve o ara teren ge.
è
#74
BERNER
mat
aperire)
Rei A
TL Me en
een
eee stes:
Same
pupa si
er terme vrare stets
Faeries
+ er