— Li
F 2
a à - \ ~
= = J À a. à CJ n
LIRE dc N, Ds Mr ‘ PN) i
È
ats
ea
{
Fh
=» è N rr Sa
. . Ae a a hi af oe o
. . ani Arita ha x N 7, À
Ö ve ey Y di = N > 2 f \ < yank We È
za eN es ‚a À n < 3 A5 = ITN VE = 5
. % + a a è 77 E J -- A 7
© \ 6 / P Mo”. CV y > > 4 = A = Ehh Ar
pa, - CA TT x ’ Se af” <a a lk Ja ä e 4 = & = ‘ 4
ic, mm - Pr z INS; ms D: { FOR x D N
=> « CSS, re } AT x SZ x 3 io
5. a x a 33° - ei A = NI SA he = Sa vo E n à A7
my vio è "DI an FA È j = i
A |J special Collections
Library of the Museum
OF
COMPARATIVE ZOOLOGY,
AT HARVARD COLLEGE, CAMBRIDGE, MASS.
Founded bp private subscription, in 1861.
Le)
Wats SA
N : À LAN 7
Yu Si i i |
o RE
Late
Aveo
u ORAN 4
ni
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE.
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
ONDER REDACTIE VAN
Pror. J. VAN DER HOEVEN,
D. M. C. VERLOREN
EN
M°. 8. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN. +
TWEEDE DEEL.
a
LEIDEN,
E. J. BRILL.
1859.
INHOUD
VAN HET TWEEDE DEEL.
Verslag van de veertiende alg. Vergadering
daarin :
Over Chironomus, door F. M. van DER WULP.
Over de Cochenille-teelt op Java, door W. L. DE
STURLER .
Over de Proche Prenons di H w.
DE GRAAF RR
Veranderingen in de lijst dr En
Vervolglijst der boeken . RER
De inlandsche bladwespen in hare gedaanteverwisse-
lingen en levenswijze beschreven door SNELLEN
VAN VOLLENHOVEN; derde stuk Be
Mededeelingen over Nederlandsche Lepidoptera , to
P. C. T. SNELLEN : SRE RARO
Phyllodes Eyndhovii, pote ne ‘Seeites VAN
VOLLENHOVEN 5
Observations sur le Pap. o par ML. c. ve
LOREN CRI NE \ a We,
Aanteekeningen omtrent Ten oh nae DE Roo
VAN WESTMAAS 5 vidi \ PI
Quelques mots sur le cri que fait Rita le Sola
Atropos par M. le Prof. J. van DER HOEVEN
»
»
»
»
»
63.
79.
86.
90.
109.
116.
Eene twijfelachtige Cabera, door DE Roo van West-
MAAS . SE MEN Bet
Over de rups van Pap. Machaon, door den Schout-
bij-Nacht VER HuELL i
Notice sur la Eub. palumbaria par M. DE Roo vaN
NMESTMAAS O PORN ta, ns
De inlandsche bladwespen in hare sedaanteverwisse-
lingen en levenswijze beschreven door SNELLEN
VAN VOLLENHOVEN, vierde stuk . . . . . .
Benige aanteekenmgen van gemengden inhoud , door
denzelfden, Rite er ER
Beschrijving van eenige nieuwe of twijfelachtige soor-
ten van Diptera uit de familie der Nemocera, door
RM van DER WIP
. Blz.
»
»
Seo
VERSLAG
VAN DE
VEERTIENDE ALGEMEENE VERGADERING DER NEDERLANDSCHE
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING ,
GEHOUDEN
TE AMSTERDAM, DEN 17 suLis 1858.
De vergadering had plaats in eene der zalen van het Konink-
lijk Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra, daartoe
door het Bestuur van dat Genootschap met de meeste bereid-
willigheid afgestaan. Zij werd bij afwezigheid van den voorzit-
ter geopend door den vice-president Dr. M. C. Verloren, op
wiens voorstel besloten werd ditmaal met de wetenschappelijke
mededeelingen een’ aanvang te maken.
Nadat de notulen der vorige vergadering waren gelezen,
goedgekeurd en geteekend en nadat de Heeren Van der Wulp
en Lodeesen ingevolge art. 23 der wet door den vice-president
waren benoemd om de rekening en verantwoording van den
Secretaris na te zien — erlangde de Heer de Gavere het woord
en sprak over de vraag: of de schubben (sguamulae en plu-
mulae) op de vleugels der vlinders met luchtvaten zijn opgevuld.
In afwijking van het gevoelen van Bernard-Deschamps, voorko-
mende in de Annales des Sciences naturelles, seconde série,
1
À
tom. II. p. 111, was Spr. door naauwkeurige onderzoekingen
tot het besluit gekomen, dat de squamulae bepaaldelijk en de
plumulae vrij zeker van luchtvaten ontbloot zijn.
Naar aanleiding van het gesprokene herinnerde de voorzitter,
dat Dr. ©. Semper in het Zeitschrift für Wissensch. Zoologie
eene verhandeling heeft geleverd over de ontwikkelings-geschie-
denis der vlinders, in welk stuk welligt een en ander zal voor-
komen betreffende de vraag door den Heer de Gavere behan-
deld. Deze het vervolgens rondgaan eene Lastocampa querci-
folia, die met gemis van éénen spriet uit de pop was gekomen.
De Heer Snellen deed opmerken, dat dergelijke anormaliteiten
bij het uitkomen van vlinders zich dikwijls voordoen en dat hy
ten vorigen jare zelfs eenen Smerinthus Populi uit de pop had
zien te voorschijn komen, die in het geheel geene sprieten had.
Eindelijk vertoonde de Heer de Gavere eene Argynnis Ar-
stlache en een var. van Arg. Selene, bij welke de geelachtig
bruine grondkleur van den type door wit vervangen was. Beide
voorwerpen waren dezen zomer door Spr. bij Harendermolen
gevangen.
Prof. Cl. Mulder overhandigde aan de leden afdrukken van
zijne: Bijdrage tot de kennis van den V eenmol, overgedrukt
uit de Ferslagen en Mededeelingen der Kon. Academie van
Wetenschappen — en liet ter opheldering van hetgeen daarin
door hem beweerd wordt, eenige praeparaten en teekeningen
rondgaan, waarbij hij een enkel woord van toelichting voegde.
De Heer Backer deelde mede, dat zijn zoon dit jaar een’
zwerm van Hepialus Humuli had waargenomen, die des avonds
om een’ wilgenboom vlogen in zóó groot aantal, dat hij vijf
stuks op éénmaal in zijn net sloeg. Daar de gevangene voor-
werpen allen d' waren, verklaarde de Heer Snellen het ver-
schijnsel uit de omstandigheid , dat welligt een ¥ in de nabij-
heid was, daar het ook hem éénmaal gebeurd was, dat hy een
vijftal d van Hepialus sylvinus op éénmaal in het net gevan
gen had, terwijl een © op den grond zat. De voorzitter achtte
deze verklaring zeer aannemelijk, omdat hij haar door eigen
waarneming bevestigd vond, Eens op een’ tijd namelijk toen Ze-
br
9
paris dispar menigvuldig vloog, was een 9 dezer soort uitge-
komen in eene doos, die geplaatst was in een kastje van de
lambrisering eener kamer tusschen de openstaande ramen. Den
voleenden morgen zag het plafond letterlijk zwart van manne-
lijke déspar’s, die vrij zeker door de nabijheid van het £ aan-
getrokken, de kamer waren binnengevlogen.
De Heer H. W. de Graaf herinnerde, dat over het besproken
onderwerp een stukje is geschreven in het Album der Natuur
(1853) door ons geacht medelid den Schout bij nacht Ver Huell.
De Heer Backer sprak vervolgens over het voorkomen bij
Oosterbeek van Sesia apiformis en stelde ter beschikking der
leden eenige door larven bewoonde kleihuisjes eener soort van
Humenes'), die door hem bij genoemd dorp gevonden waren.
Daarop las de Heer van der Wulp de volgende bijdrage:
Bij het determineren van verschillende Diptera, heeft in den
laatsten tijd het geslacht CAtronomus mijne bijzondere aan-
dacht getrokken. — Van dit uitgebreid geslacht zijn reeds een
belangrijk aantal soorten bekend als tot de Fauna van ons wa-
terrijk land behoorende, en ik heb alle reden te gelooven,
dat men, bij vlijtig onderzoek, er nog meer als zoodanig zal
leeren kennen.
Het bestemmen der soorten van CAtronomus heeft intusschen
vele moeijelijkheden in; deels de zoodanigen, die men bij ieder
uitgebreid genus ondervindt, door de vele naauw aan elkander
verwante en daardoor soms bezwaarlijk te onderscheiden soor-
ten, deels ook anderen, die hier geheel eigenaardig zijn, zoo
als, — om niet te spreken van de uiterst geringe grootte van
vele soorten, — onder anderen de sterke afwijking in varietei-
ten, de teederheid der voorwerpen, die vooral de lichtere kleu-
ren bij verdrooging zeer aan verandering blootstelt , enz.
Er zijn mij geene speciale geschriften over het geslacht Chz-
ronomus bekend, en ik geloof ook niet dat zij bestaan. Ik
1) De Heer Maitland, bij wien het volkomen insekt op 10 Aug. }. 1. uit
een dezer huisjes is te voorschijn gekomen, bestemde het als Eumenes pomi-
Jormis. Cf, Lepel. de St. Fargeau, Hist. nat. des Hymen. tom. II. p. 559.
4 *
4
heb dan ook bij het bestemmen der soorten niet anders gebruikt
dan de meer algemeen Dipterologische werken, die namelijk
van Meigen , Macquart en Zetterstedt.
Het zij verre van mij, dat ik deze schrijvers, die zooveel
hebben toegebragt tot de kennis der Diptera, zou hard vallen
over onvolledigheid of onnaauwkeurigheid, maar ik mag toch
opmerken, dat hunne beschrijvingen dikwerf onvoldoende zijn
om daarnaar de soorten met volle zekerheid te herkennen. —
Zelfs hunne verdeeling van het geslacht in onderverdeelingen , —
en deze is bij allen op dezelfde leest geschoeid , — berust voor
een deel op niet geheel zekere kenteekens. Daarbij is voorna-
melijk acht gegeven: 10. op de beharing der vleugels, een ken-
merk dat bij afgevlogene voorwerpen veeltijds verloren gaat;
20. op de kleur der kolfjes, die soms bij varieteiten, ja wel
eens naar de sexe van eene en dezelfde soort verschilt: 3°. op
het al of niet voorkomen van eene donkere middenstip op de
vleugels, die b.v. bij Ch. tentans Fabr. soms zeer duidelijk ,
soms zeer flaauw, ja in ’t geheel niet aanwezig is, al naar ge-
lang de voorwerpen sints korteren of langeren tijd de pop ver-
laten hebben.
Wat de onderscheiding der soorten zelve betreft, deze berust
bi Meigen, en in navolging ook bij Macquart, hoofdzakelijk,
en slechts op weinige uitzonderingen na, op kleur en teekening ,
die beiden, en vooral de kleur, zeer onzekere kenteekenen op-
leveren. Zetterstedt heeft in dit opzigt een’ stap voorwaarts
gedaan en slaat in zijne beschrijvingen ook acht op den vorm
der mannelijke geslachtsdeelen , op de lengteverhouding der leden
van de voortarsen, en op de beharing dezer laatsten bij het 9;
de beide eerste kenteekens zijn door zijne voorgangers in het
geheel niet, het laatste is slechts hier en daar in aanmerking
genomen. i
Het komt mij voor, dat er in het geslacht Chironomus , ter
duidelijke onderscheiding der soorten op zich zelven en tot eene
natuurlijke rangschikking van de soorten in groepen, nog meer
bruikbare merkteekenen te vinden zijn, en daaronder ook de
zoodanigen , welke men tot hiertoe geheel veronachtzaamd heeft.
5
In de eerste plaats schijnt het gebruik, door Zetterstedt ge-
maakt van de kenteekens der mannelijke geslachtsdeelen voor
uitbreiding vatbaar. Niet alleen de vorm der aanhangsels, die
door Zetterstedt in aanmerking wordt genomen, maar ook die
van het geheele anale segment, en deszelfs evenredigheid in
lengte en breedte tot den voorgaanden lijfring, verdienen te
worden opgemerkt. Eenige schetsen, die ik van deze deelen bij
sommige soorten heb vervaardigd, mogen dit ophelderen.
In den regel is het anale segment korter dan het voorgaande ,
en zijn de aanhangsels weder iets korter.
Ch. annularius Meig. Het anale segment is smaller dan
het voorgaande, en de aanhangsels zijn dun bijna draadvormig.
Hein £01.
Ch. pedellus De G. Het anale segment ongeveer zoo breed
als het voorgaande, de aanhangsels smal, doch een weinig blad-
vormig. Zie Pl 1. f. 2.
Ch. tentans Fabr. wijkt van alle mij bekende soorten af
door het korte en breede anale segment, maar vooral door de
buitengewoon dikke, omgebogene aanhangsels, die aan de man-
nelijke geslachtsdeelen der Limnobien herinneren. Zie Pl. 1. f. 3.
Ch. nubeculosus Meig. Het anale segment is aan den wor-
tel zeer smal, doch wordt spoedig zoo breed als het voorgaan-
de, en draagt een paar korte, duidelijk gelede en aan de bui-
tenzijde sterk behaarde aanhangsels. Zie PI. 1. f. 4.
Ch. paganus Meig. en uricolor n. sp. Twee geheel groene
zeer verwante soorten, die echter juist in de mannelijke orga-
nen duidelijk onderscheiden zijn; bij de eerste zijn de aan-
hangsels zeer kort, bij de laatste daarentegen zoo lang als het
anale segment. Zie PI. 1 f. 5 en 6.
Ch. dorsalis Meig. Het anale segment is kort en ook smal-
ler dan het voorlaatste; de aanhangsels zijn dun en loopen spits
toe. Wie Pl. 1.21: 7.
Ch. brevitibialis Lett. Opmerkelijk door het langgerekte
anale segment en de mede zeer lange, draadvormige aanhang-
selseueZie Plt. f. 8:
Ch. blandus Winn. heeft integendeel weder een kort anaal
6
segment, en de aanhangsels zijn mede kort. Zie PI 1. f. 9.
Eene zwarte soort, die ik voor Ch. fuscipes Meig. meen te
mogen houden, heeft het anale segment aan den wortel vrij
smal, doch het loopt naar ’t uiteinde zeer breed uit en heeft
daardoor eene eenigzins driehoekige gedaante; de dikke aan-
hangsels schijnen meer van achteren dan in de zijden te zijn
ingewricht en zijn merkelijk korter dan het anale segment. Zie
Pl: tbe.
Bij eene andere, almede zwarte soort, die ik voor onbeschre-
ven houd, Ch. sylvaticus n. sp., is het anale segment aan
den wortel mede smal, verbreedt zich dan eensklaps, en is van
achteren regt afgesneden; de aanhangsels zijn van gelijke lengte
als het anale segment, smal, spits eindigend en aan ’t uiteinde
even omgebogen. Zie Pl. 1. f. 10.
Ch. motitator Linn. heeft het anale segment zeer kort en
zwart, even als het voorgaande, en de dikke korte aanhang-
sels zijn sneeuwwit en fijn behaard. Zie Pl. 1. f. 12.
In dezen vorm en zelfs in de kleur komen verscheidene aanver-
wante soorten overeen, die eene afzonderlijke groep vormen,
welke zich door korte voortarsen en wit geringde pooten onder-
scheidt.
In de tweede plaats heb ik in den vorm der palpen en in de
lengteverhouding harer geledingen ook verschillen waargenomen,
die voorzeker tot onderscheiding van sommige soorten kunnen
leiden. De kenteekens, die hierin gelegen zijn, werden tot
dusverre geheel over het hoofd gezien.
Zoo is b. v. by Ch. pedellus De G. het laatste lid veel langer
dan het voorgaande en daarbij zeer dun. Zie Pl. 1. f. 13.
Ch. dorsalis Meig. heeft het laatste lid ongeveer van gelijke
lengte als het voorgaande, maar het eerste lid onderscheidt zich
daarentegen door zijne bijzondere dikte. Zie Pl. 1. f. 14.
Bene andere soort, denkelijk nog onbeschreven, Ch. ambi-
guus n. sp. kenmerkt zich door het zeer korte laatste lid der
palpen. Zie PI. 1. f. 15. ì
Ik twijfel niet of bij nader onderzoek zal ik in dit opzigt nog
7
meer verschillen vinden, maar ik heb tot dusverre verzuimd
deze deelen aan levende of versch gevangen voorwerpen te on-
derzoeken ; bij verdroogde exemplaren, althans van de kleinere
soorten , zijn zij moeijelijk te zien, wijl zij dan meestal door
hun teeder zamenstel zijn ineengekrompen.
Ten derde schijnen ook inzonderheid de vorm en het ader-
beloop der vleugels zeer goede kenteekens ter onderscheiding
der soorten aan te bieden.
Slechts ééne enkele maal heeft Meigen daarvan gebruik ge-
maakt, toen hij bij Ch. opacus de kromme vork der onder-
ste vorkader aanduidde, en Zetterstedt heeft eene dergelijke af-
wijking in meerdere of mindere mate ook bij eenige weinige an-
dere soorten opgemerkt. Men kan echter niet zeggen, dat over
't geheel door deze schrijvers aan het aderbeloop der vleugels de
aandacht is geschonken, die het verdient.
Wel is waar, hebben de vleugeladeren bij het geheele ge-
slacht denzelfden type, en is het aantal en de verdeeling der ade-
ren en der cellen bi alle mij bekende soorten dezelfde, doch
niet alzoo hunne plaatsing en rigting.
Voor de benaming der aderen en cellen mogen de beide af-
beeldingen op Plaat 1. fig.16 en 17 dienen.
De aderen zijn de volgende:
De randader of voorrandader (1-4-2) loopt langs den voor-
rand, van den wortel tot gewoonlijk niet ver van de spits,
waar zij echter altoos niet even duidelijk eindigt.
De onderrandader (3-4) loopt daaronder en eindigt in de
randader op meestal ongeveer 3-4 van hare lengte.
De dwarsader (5) is klein en ligt veeltijds even vóór het
midden der vleugels. Het is deze, die soms met donker-
der kleur geteekend, alsdan het zwarte stipje vormt, dat
men in de vleugels waarneemt.
De tusschenader (5-2) loopt van de dwarsader tot boven de
spits.
De middenader (6-7) doorsnijdt den ganschen vleugel over
zijne lengte, van den wortel af tot aan of iets onder de spits.
8
De vorkader (6-8) loopt van digt bij den wortel tot aan den
- achterrand, en heeft ongeveer in ’t midden of iets daar
voorbij naar onderen eene vertakking (9-10), mede in den
achterrand uitmondende, waardoor de vorkcel wordt ge-
vormd.
Eindelijk
De anaal-ader (6-11), die mede digt bij den wortel aanvangt,
doch nimmer geheel tot den achterrand doorloopt.
Tusschen al de genoemde aderen vindt men dikwerf nog ver-
scheiden bijaderen, die meer of minder duidelijk zijn uitgedrukt
en meestal met de anderen cene gelijke rigting hebben en digt
daarneven loopen. Het is voor de onderscheiding van sommige
soorten van belang daarop acht te geven, doch er bestaat geene
behoefte haar ook met namen te noemen.
De cellen, in de vleugels gevormd, zijn: (verg. fig ).
a. de eerste randcel,
b. de tweede »
c. de eerste cubitaalcel ,
d. de tweede »
ee. de middencel ,
f. de vorkcel en
gg. de anaalcel.
Om nu aan te toonen, hoe by het geslacht CAtronomus in
het aderbeloop der vleugels, bij oppervlakkig groote eenvormig-
heid, toch aanmerkelijke verschillen worden gevonden, heb ik
van cenige soorten afbeeldingen der vleugels gemaakt, en ga
ik daarbij uit van eene der grootste en meest bekende soorten,
Ch. plumosus Linn. De dwarsader ligt daar in het midden der
vleugellengte en de tusschenader loopt regt toe tot een mer-
kelijk eind boven de vleugelspits; de wortel der vorkcel liet bijna
onder den wortel der tusschenader. Zie Pl. 2. f. 1.
Ch. rufipes Linn. Het aderbeloop is hier bijna hetzelfde
als bij de vorige soort, ofschoon de vleugels duidelijk minder
langgerekt zijn. Zij zijn hier merkwaardig door hunne kleur: de
wortel en de voorrand zijn geel en over het midden loopt een
donkerbruine dwarsband. Zie Pl. 2. f. 2,
9
Door kleurschikking zijn vooral ook nog merkwaardig de vleu-
gels van Ch. scalaenus Schr. (zie Pl. 2. fig. 3) en van eene
nieuwe soort, mij door den Heer Six medegedeeld en door hem
Ch. marmoratus (zie Pl. 2. fig. 4) genoemd. — De eerste
heeft drie vlekken op de vleugels, bij de laatste zijn zij door
een aantal graauwe vlekken als gemarmerd. — Bij beiden is de
dwarsader zeer naar den wortel teruggetrokken, en loopt de
middenader, na hare aanraking met de dwarsader, naar onderen
buikig uit; bij beiden is ook de vorkeel klein, wijl haar wortel
niet onder het begin der tusschenader , maar een merkelijk eind
meer buitenwaarts ligt.
Eene andere soort, die stellig ook nog niet beschreven is, en
die ik Ch. dilatatus noem, onderscheidt zich minder door een
bijzonder aderbeloop, dan wel door den vreemden vorm van
den achterhoek der vleugels bij het g, die aldaar als een aan-
hangend lapje is uitgebreid. In het 4 is deze buitengewone
vorm niet aanwezig. Zie Pl. 2. fig. 5.
Bij Ch. pedellus De G. gaat de onderrandader aan het uit-
einde met eene zachte bogt naar den voorrand. Zie PI. 2. fig. 6.
Ditzelfde heeft ook plaats bij Ch. sylvestris Fabr. en ver-
scheidene andere soorten , die tot de duidelijk afgezonderde groep
behooren, waarvan ik reeds sprak, en zich door korte voortar-
sen en wit geringde pooten kenmerken ; het is evenwel hier niet
alleen de onderrandader , die naar den voorrand is omgebo-
gen, maar ook de /usscherader neemt deel in die buiging,
waarvan het gevolg is, dat deze laatste vrij ver van de vleu_
gelspits hare uitmonding heeft en ook sterk verwijderd is van
de middenader. Zie Pl. 2. fig. 7.
De buiging dezer aderen is niet minder sterk bij Ch. ater-
rimus Meig., die zich bovendien kenmerkt door eene zeer kleine
vorkcel, waarvan de bovenarm naar boven is gebogen, en de
onderarm eene duidelijke boot heeft. Zie Pl. 2 fig. 8.
Denzelfden type, doch nog sterker uitgedrukt, vindt men in
Ch. byssinus Schr., waar de tusschenader naauwelijks het 5
van den voorrand bereikt, en de onderarm der vorkcel in ’t 008
loopend gekromd is. De zwarte streep bij den vleugelwortel
10
is ook een goed kenmerk van deze soort. Zie Pl. 2. fig. 9,
_ Al deze soorten hebben naakte vleugels.
Ten slotte nog cen paar afteekeningen van behaarde vleugels ,
die op hare beurt ook verscheidenheid opleveren.
Als men b. v. de vleugels van Ch. fuscipes Meig. (Zie PI. 2.
fig. 10) en Ch. incomptus Zeit. (Zie PI. 2. fig. 11) vergelijkt,
dan ziet men hoe bij de eerste soort de dwarsader sterk naar
den wortel is teruggetrokken, waardoor de tweede cubitaalcel
zeer is verlengd , terwijl de wortel der vorkcel vrij ver van de
dwarsader is verwijderd. — Bij Ch. incomptus daarentegen
list die wortel weder bijna onder de dwarsader, en ligt deze
ook meer in ’t midden des vleugels.
Ten aanzien der behaarde vleugels moet ik nog ter loops
opmerken, dat er ook soorten zijn, bij welke de beharing niet
over de gansche oppervlakte der vleugels is uitgestrekt, maar
zich alleen bepaalt tot de streek van de spits.
Ik gevoel duidelijk, hoe oppervlakkig tot hiertoe mijne op-
merkingen zijn. Ik heb dan ook te vergeefs getracht, om daar-
in een’ grond te vinden tot eene andere wijze van verdeeling
van het geslacht of tot groepering der soorten. Hoogstens zijn
daarvoor eenige weinige bouwstoffen door mij bijeengebragt.
Mijn materieel is dan ook voor het oogenblik niet toereikend
om er meer van te verwachten. Mij zijn ongeveer een 60 of
70-tal inlandsche soorten bekend, en ofschoon dit getal betrek-
kelijk reeds aanmerkelijk moge zijn, sta ik nog ver ten achteren
bij Meigen, die wel 150 Europeesche of liever Duitsche soorten
beschrijft en bij Zetterstedt, die een 130-tal uit Scandinavie
vermeldt. Bij voortduring doe ik mijn best meer te verzame-
len, maar de streek mijner woonplaats begint, naar ’t schijnt
wat uitgeput te geraken. Bij diegenen Uwer, die zich met het
verzamelen van insekten bezig houden, beveel ik mij derhalve
zeer aan, om op hunne excursien mij gedachtig te zijn, en zoo
mogelijk ook Chzronomus-soorten mede te nemen en mij die toe
te zenden. — Ook daardoor hoop ik in staat gesteld te worden , by
eene volgende gelegenheid nog meer over dit geslacht medetedeelen.
11
- Naar aanleiding van hetgeen door den Heer van der Wulp
gesproken was, gaf de voorzitter te kennen, dat hy zich bezig
houdt met de huishouding der Chironomi nategaan en wel
voornamelijk, omdat hij bij de larven van dat geslacht geen
spoor van tracheën heeft kunnen ontdekken, zoodat het waar-
schijnlijk is, dat die larven eenen afwijkenden ademhalingstoe-
stel hebben.
Nadat de vergadering eenigen tijd geschorst was, werd zij
heropend door den kort te voren binnengetreden voorzitter Mr.
S. C. Snellen van Vollenhoven, die eerst naar aanleiding van
zijne herbenoeming tot president de verzekering gaf, dat hij
met niet minder ijver dan vroeger voort zou gaan met alles te
doen, wat het welingezien belang der N. E. Vereeniging eischen
of vorderen kan en daarna Verslag deed omtrent den Staat
van het Genootschap. Deze toestand scheen wel in de meeste
opzigten vrij bevredigend , doch uit de minder talrijke opkomst
ter vorige vergadering, het geringe aantal der toen voorgedragen
stukken en het niet toezenden van insecten aan de verzameling ,
nam Spr. aanleiding om de leden op te wekken tot onvermoeide
geestdrift voor de entomologie en warme belangstelling in den
vooruitgang des Genootschaps.
Op voorstel van den voorzitter besloot de vergadering aan
den Heer F. C. Westerman, den verdienstelijken Directeur van
het Koninklijk Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra,
het honoraire lidmaatschap der Vereeniging op te dragen. De
Heeren Cl. Mulder en Backer werden benoemd om den Heer
Westerman van het besluit der vergadering kennis te geven.
Beide Heeren verlieten de vergadering en bragten spoedig
daarop rapport uit, dat de Heer Westerman zich zeer vereerd
gevoelde met het hem opgedragene honoraire lidmaatschap en
voornemens was dit persoonlijk aan de vergadering te komen
mededeelen. Kort daarna verscheen de Heer Westerman in
de vergadering , waar hij op hartelijke wijze door den voorzit-
ter werd toegesproken. In antwoord daarop zeide de Heer Wes-
terman der vergadering dank voor het blijk van belangstelling en
onderscheiding, dat hij van haar ontvangen had, terwijl hij zich
12
bereid verklaarde om de wetenschappelijke belangen der Ver-
eeniging , waar hij ken, naar zijn beste vermogen voor te staan.
Uit het verslag van den Conservator bleek, dat in de collec-
tien der Vereeniging de Lepidoptera, Coleoptera, Diptera,
Hymenoptera en Neuroptera bestemd en ingestoken zijn; dat
de Hemiptera gedeeltelijk bestemd en gerangschikt zijn en dat
de Orthoptera bestemd, maar nog niet ingezet zijn, zoodat
de werkzaamheden aan de collectie te doen, grootendeels ver-
rigt zijn. De Conservator noodigde de leden uit om bij gele-
genheid zich in persoon van den staat der verzameling te komen
overtuigen en te zien welke soorten daaraan ontbreken en welke
exemplaren door betere vervangen behooren te worden.
De Heer Bernelot Moens had eene Sphinx lineata ten ge-
schenke gezonden, die te Harderwijk gevangen was en de Heer
Dr. M. €. Verloren een Bombyx versicolora, door hem bi
Amersfoordt gevonden.
Als vervolg op het geschenk in 1856 aangeboden, had de
Heer Piepers uit alle orden der insekten — met uitzondering
van Lepidoptera — voorwerpen ingezonden, die meest tot ge-
wone soorten behooren. De leden der Vereeniging hadden ove-
rigens niets aan de collectie afgestaan, met uitzondering van
den Heer Lodeesen , die eenige vlinders in ruil had gegeven.
De Heeren de Roo van Westmaas, Lodeesen en Snellen had-
den vlinders ter bestemming ingezonden, die door den Heer
Hi. W. de Graaf waren gedetermineerd. De rondzending der
tijdschriften had geregeld plaats gegrepen.
De bibliotheek was aanmerkelijk vermeerderd, zoo als blijkt
uit de lijst achter dit verslag gevoegd.
De Secretaris deed verslag van den staat der kas. Daaruit
bleek , dat de ontvangsten over het afgeloopen jaar hadden be-
deasenhreene som pan an ul a ee. | ite f 631. 73.
en de uitgaven eene som van .....:..-..-.- » 557. 40.
zoodat de rekening sloot met een batig saldo van. . » 74. 33.
waarvan echter nog betaald moeten worden de nog niet inge-
komen rekeningen van den boekverkooper Nijhoff.
De Commissie met het nazien der rekening belast verklaarde ,
13
dat zi) die met de bescheiden vergeleken, conform bevonden en
goedgekeurd had.
Dr. M. C. Verloren, volgens art. 13 der wet als vice-presi-
dent aftredend, werd als zoodanig herkozen.
Er werd bepaald, dat de volgende vergadering zal plaats
hebben te Arnhem in de laatste helft van Julij, op eenen Za-
turdag.
Brieven werden voorgelezen van de HH. Ver Huell en van
Eyndhoven, redenen van verontschuldiging inhoudende, wegens
het niet bijwonen der vergadering ; in den eersten waren buiten-
dien eenige waarnemingen vermeld omtrent het opkweeken van
Pap. Machaon, var. Sphyrus uit donkergekleurde rupsen,
welke met belangstelling werden aangehoord.
De voorzitter bragt ter tafel een schrijven van den Heer
M. Nijhoff, waarin deze te kennen gaf, dat hij de uitgave van
een’ tweeden jaargang van het Tijdschrift voor Entomologie niet
op zich kon nemen, omdat de kosten op verre na niet door
het debiet werden gedekt en hij niet genegen was zich meerdere
geldelijke opotferingen te getroosten, dan bereids door hem ge-
leden waren.
De vraag werd alsnu gesteld: zal het Tijdschrift al of niet
worden voortgezet voor rekening der Vereeniging? Na eene
langdurige discussie stemden 8 leden vóór en 8 leden tegen de
voortzetting.
De tegenstemmende leden erkenden wel het wenschelijke ,
dat de uitgave niet met den eersten jaargang wierd gestaakt,
maar waren van oordeel, dat de gewone inkomsten der Ver-
eeniging te gering zijn om uit de kas aan den uitgever zijn
jaarlijksch tekort te kunnen vergoeden, daar reeds een groot
gedeelte van den jaarlijkschen ontvang gebruikt moet worden
om de gewone uitgaven te dekken, als daar zijn: kosten der
vergadering , boekverkoopers-rekening voor de bibliotheek, on-
derhoud en uitbreiding der collectie enz. Daar er bij de stem-
ming 16 leden tegenwoordig waren, besliste de voorzitter , dat
het Tijdschrift zou worden voortgezet.
De vergadering magtigde dien ten gevolge de Commissie van re-
14
dactie voor het Tijdschrift om den Heer Nijhoff uittenoodigen om
op zijn besluit terug te komen, of, indien deze bij dat besluit
‘mogt volharden, een’ anderen uitgever op te zoeken, of einde-
lijk zelfs om het Tijdschrift voor rekening der Vereeniging uit
te geven, met dien verstande nogthans, dat door de kosten van
uitgave van het Tijdschrift de loopende uitgaven der Vereeniging
niet zouden worden gestremd.
Om nu dit laatste zooveel mogelijk te voorkomen, besloot
de vergadering, dat den leden de gelegenheid zou worden ge-
opend om door eene geldelijke bijdrage de instandhouding van
het Tijdschrift, althans nog voor éénen jaargang, mogelijk te
maken. Aan dit besluit werd onmiddelijk gevolg gegeven en
dadelijk teekende een groot gedeelte der aanwezigen op de hun
aangebodene lijst.
De wetenschappelijke mededeelingen werden nu voortgezet.
De Heer Six deelde opmerkingen en waarnemingen mede be-
treffende inlandsche insekten.
I. Coleoptera.
Bij vergelijking der beschrijving van Kraatz (Ans. Deutschl.
IT. p. 117) met het individu door Spr. in het verslag van het
vorige jaar als Lomechusa paradoxa opgegeven, is hij tot het
besluit gekomen dat die naam verkeerd is en moet zijn dteme-
les marginatus.
In het laatst verloopen voorjaar vond Spr. in een mieren-
nest bij de Bildt eene tor, die hij voor als nog als Tachyporus
brunneus F. beschouwt , beschreven door Kraatz Ins. Deutschl.
II. 427.
Kiesenwetter (Zus. Deutschl. IV. p. 157) geeft Oostenrijk
als vaderland op van Agrilus aurichalceus Redt. en daarom
twijfelt Spr. of het door hem onder dien naam in het Tydschr.
v. Entom. p. 14 opgegeven exemplaar wel goed gedetermineerd
is. Hij verzocht derhalve den Heer Sn. v. Vollenhoven, die het
diertje onder zijne bewaring heeft, dit nog eens naauwkeurig
te onderzoeken.
Dit jaar vond Spr. bij Driebergen de volgende zoo hij meent
goed door hem bestemde soorten: Jgrilus angustulus in Junij,
15
A. coeruleus, Kiesenw. ¢. c. p. 140, in den zonneschijn over
braamstruiken vliegende; Zrachys troglodytes Schünh. langs
water in Junij; voorts Zrachys aenea? Mann. (Lap. Gor. IL.
p. 12), die volgens Kiesenwetter eene var. van troglodytes is.
In Junij vond Spr. bij Utrecht een $ van Ænobium pusillum
Gyll., een diertje dat door zijn’ afwijkenden vorm Chevrolat aan-
leiding gaf om zijn geslacht Dryophilus te gronden (Zie Lacord.
Col. IV. p. 520). Dit insekt o. a. door Shuckard als D. ano-
bioides afgebeeld, schijnt in Engeland en ook hier te lande
zeldzaam voor te komen, daar het nog niet als inlandsch is op-
gegeven.
In Julij ving Spr. bij Utrecht een’ Æhënosimus aeneus, Oliv.
Entom. 86, pl. 1. fig. 3. De soort leeft onder. boomschors.
In Junij vond Spr. langs water bij Driebergen een eivormig ,
als kant luchtig geweven omhulsel, waarin eene zwarte pop lag ,
die na eenige dagen eene snuittor leverde, naar Spr. meent:
Phytonomus Rumicis.
Met genoegzame zekerheid meent Spr. te kunnen zeggen, dat
Scymnus discoideus dikwijls door hem tusschen gras gevonden
is. Ook ving hij dit jaar bij Driebergen in Junij eene Saperda
scalaris.
II. Hemiptera.
Campylosterna verna Fall. (Herr. Schaeff. IV. f. 398) vond
Spr. in Augustus tusschen gras bij Utrecht.
In het verslag der vorige vergadering heeft Spr. opgegeven,
dat hij eene Microphysa op een mierennest bij Utrecht ge-
vonden had. Hij heeft sedert, uit eene monographie dezer fa-
milie door Prof. Baerensprung opgesteld in het Berl. Ent.
Zeitschr. gezien, dat zijn ex. Micr. pselaphoides Brm. is.
Ook vond Spr. te Driebergen op mierennesten Micr. coleop-
trata Fall. en meer bepaaldelijk Micr. rufoscutellata Baer.
III. Hymenoptera: |
Spr. herinnert, dat de Heer Snellen van Vollenhoven in het
Tydschr. voor Ent. I. p. 144, handelende over AZbia aenea
geschreven heeft: »larve onbeschreven.” In het 51° deel van
Réaumur vindt men evenwel de afbeelding van eene larve en
16
een cocon geheel overeenkomende met de teekening, die S. v. V.
van de gedaanteverwisseling van genoemd insekt gegeven heeft.
In de beschrijving zegt Réaumur even als S. v. V., dat de
larve een ongekleurd vocht uitspuit en verder, dat zij op Cam-
perfoelie leeft. De uitlandsche Symphoricarpus nu, waarop de
Heer S. v. V. zijne voorwerpen vond, behoort tot de familie
der Lonicerae. De aangewezen overeenkomst tusschen de af-
beeldingen en beschrijvingen zal den Heer S. v. V., volgens
Spr, niet ontgaan zijn, maar denkelijk is de Heer S. v. VW.
van oordeël , dat Réaumur eene andere soort b. v. Abia fasci-
ata bedoeld heeft. Sp. heeft het Z van Jb. aenea ééns in
April bij Utr. gevangen!). Spr. merkt op, dat Lacordaire in
zijne Introduction (1834) pl. 2. fig. 9, eene afbeelding geeft
der larve van Dolerus haematodes, zoodat de Heer S. v. V.
zich blijkbaar vergistte, toen hij in het verslag der 9de Algem.
Vergadering in 1853 nederschreef, dat de larven van Dolerus
in ’t geheel niet bekend waren). À
In het verslag der 13de Aloem. Vergadering schreef de Heer
S. v. V., sprekende over de larven van Selandria melano-
cephala, die hij op eiken vond, dat hy zich verwonderde, dat
onder anderen ook Réaumur van zijne gevorkte doornrups-
jes zegt, dat zij witte doorntjes hadden. Spr. merkt op,
dat deze dit wel schrijft van de doornrupsjes, die hij op prui-
men vond (zie DI. V. pl. 12. fig. 13—15) even als de
Geer , die soortgelijke larfjes op Alchemilla aantrof (zie DI. II.
pl. 35, fig. 19—20); maar Réaumur zegt van zijne doornrups-
jes, welke hij op eiken vond, uitdrukkelijk, dat zij zwarte
doorntjes hadden (l.c. fig. 7—10). Spr. vond dergelijke zwart
1) Réaum. V. pl. 13 fig. 1, 2 en 4, welke waarschijnlijk door den Heer Six
bedoeld worden, stellen Allantus tricinctus Jur. voor, eene soort zeer ver-
schillend van Abia aenea. S. v. V.
2) Lacordaire, Inér. pl. 2 fig 9. stelt geene larve van Dolerus voor, maar
van Selandria melanocephala of eene naverwante soort. Deze verkeerde opgaaf
van Lacordaire is een gevolg van eene verkeerde determinatie van Dr de Haan,
in het werk van Lyonet, dat hij uitgegeven heeft,
S. v. V.
17
gedoornde larfjes in Junij bij Driebergen in menigte op eiken
bladen.
Brullé (Zymen. Suites a Buff. IV. 653) zegt dat de door
de Geer beschrevene witgedoornde larfjes tot Selandria bipunc-
fata behooren, eene soort nog niet als inlandsch opgegeven.
In de beschrijving van Selandria Sixii (Bouwst. IL. p. 278)
zegt de Heer S. v. V.: «de 2de terugloopende ader stoot bijna
» op de ader tusschen de 2de en 3de cubitaalcel”. In de Hy-
men. van Lepel. IV. p. 605 zegt Brullé: » Lepeletier a deta-
ché sous le nom de Pristis une espèce indigène (Tentr. pun-
»etigera) qui a la 2"° récurrente contigue à la nervure d’in-
» sertion des sousmarginales 2 et 3°”. Selandria Sixii zou dan
tot dit geslacht Pristis behooren ; maar het is spr. onbekend of
zij met punctigera verwand is, daar hem de beschrijving dezer
soort niet onder de oogen is gekomen.
Van Cephus elongatus v. Voll. ving Spr. in Junij bij Drie-
bergen een ® en van Zorymus dorsalis verscheidene 9 en
eenige d op eiken; deze zijn nog kleiner dan gene. Op ge-
noemden tijd en plaats vond hij op den grond loopende G'ona-
topus pedestris, waarvan Westwood (Mod. Class.) eene af-
beelding in omtrek geeft.
Spr. ving bij Driebergen van:
Hedrychum minutum Lep. nog een ander ex. als onder
n°. 443 in de Bouwst. is opgegeven ; van Mutilla Ephippium F.
en Tiphia minuta v. d. Lind ieder een voorwerp.
Bij het geslacht Tachytes (Bouwst. p. 261) moet het genus
Miscophus Latr. gevoegd worden, van hetwelk Spr. op heide-
grond bij Driebergen heeft aangetroffen :
M. bicolor Jur. (Lep. Hymeén. III. p. 237 pl. 27 fig. 6). M.
ater Lep. (1. 1. p. 238) ; den eersten in Aug. den tweeden in Julij.
Van Wysson interruptus F. ving Spr. in Julij bij Utrecht
een 6 , bij hetwelk de tweede gele band op het achterlijf duide-
lijk is afgebroken en dat ook overigens geheel met de beschrijving
van Lepeletier overeenkomt. Cf. Bouwst. N°. 499.
Van Philanthus triangulum F. ving Spr. in Julÿ op Erica
in het Driebergsche bosch. een 9.
18
Cerceris variabilis Schr. is niet zeldzaam bij Driebergen ,
waar Spr. eene bi Lepeletier niet vermelde var. aantrof van
het g. Het 5de segment van het achterlijf is namelijk bij deze
verscheidenheid niet zwart, maar even als bij het 2 met eene
in het midden uitgerande gele streep gekleurd.
Van Cerceris labiata v. d. Lind. (Lepel. Zym. II. p. 2)
ving Spr. de var. van het 9 met gele vlek aan wederzijde van den
metathorax, bij Driebergen in Junij.
C. Dufourti Lep. l. L. p. 14. Lepeletier beschrijft de sprie-
ten niet. Die van Sprekers ex. zijn zwart, met een klein geel
stipje vóór op het iste lid; zij zijn van onder roestkleurig
van het 3de tot het laatste lid.
Crabro Laportaei Lepel. (III. p. 115) vond Spr. bij Drie-
bergen in Juni één d. Zijn voorwerp heeft op de eerste geleding
der sprieten een geel vlekje, waarvan Lepeletier geene mel-
ding maakt.
Cr. varius (Crossocerus) Lep. Ill. p. 179. is niet zeldzaam
bij Driebergen.
Cr. podagricus (Crossoc.) Lepel. INI. p. 189. Één 9, zeer
gemakkelijk te herkennen aan de knotsvormig verdikte scheenen
der achterpooten.
Pterochilus phaleratus Panz.. Niet zelden bij Drieb.
Andrena cingulata F. In beide sexen door Spr. bij Utrecht
gevangen. Zoo ook: Nomada furva Panz, op paarden-
bloemen.
Nomada succincta Panz. Een 9 in Mei bij de Bildt ge-
vangen heeft ter zijde van den thorax eene gele vlek onder de
gele schoudervlek. Lepeletier maakt van eerstgenoemde geene
melding. De var. 2 door Lepeletier beschreven, ving Spr. mede
in Mei by de Bildt.
Nomada Jacobaeae Lepel. II. p. 479 gevangen bij Drieber-
sen in Juni d 9.
De vraag van Lepel. II. p. 499, of alleen de 9 van Woma-
da een gestreept borststuk hebben, meent Spr. toestemmend
te moeten beantwoorden, omdat hij een {' Nomada gevonden
heeft, die tot geen der door Lepel, beschrevene soorten met
19
ongestreept borststuk kan gebragt worden, en met uitzondering
van den niet gestreepten, maar eenkleurig zwarten thorax, zeer
veel gelijkt op het Q van N. Panzeri Lep.l. c. p. 501 (ruf-
cornis Panz. Kaun. Germ. 55. fig. 18).
Nomada lanceolata Lep. (Hym. 11. p. 493). Een Q by
Utr. in April op bloeijende wilgen. Het voorwerp heeft geheel
roestkleurige sprieten, met uitzondering van het iste lid, dat
zwart is; het schoudervlekje is geel en het 4de segment van
het achterlijf is zonder gele streep of vlek.
Eene Melecta, door den Heer Verloren gevonden, bestemde
Spr. als M. punctata Latr. (Lep. Hym, IL. p. 441).
De Heer Six liet hierop eenige soorten van Diptera volgen,
die grootendeels niet als inlandsch in de Bouwstoffen zijn op-
genomen , maar die door hem hier te lande zijn aangetroffen ,
te weten:
Pachygaster ater Macq. Suites a Buff.I. p.264. Im Julij
bij Driebergen, 1 ex.
Nemotelus pantherinus Meig. — Macq. 4 I. p. 265. In
Julij bij Utrecht op bloemen. Één desto
Leptopeza flavipes Macq. Een d' bij Utrecht in Junij
Platypalpus calceatus Meig. — Macq. 4. 2. p. 356 n°. 20.
Platypalpus cothurnatus Macq. ibid N°. 21. Beide in
Mei bij Utrecht. Deze 2 soorten gelijken zeer veel op elkander ;
maar het eerste lid der zwarte sprieten is bij calceatus geel.
Anthrax venusta Meig. — Macq. I. p. 403. In Junij
in den zonneschijn op heidegrond bi Driebergen. Het eenig
gevangen voorwerp schijnt tot deze soort en niet tot 4. flava Hffm.
te behooren, omdat het 5de en 6le segment van het achterlijf
aan wederzijde met een bundeltje zwarte haren bezet is; ook
de anus is zwart, maar aan beide zijden van een bundeltje
sterk in het oog vallende witte haren voorzien.
Myopa atra F. — Macq. IL p. 35. In Junij bij Drieber-
gen in een’ tuin. Het voorwerp komt zeer goed overeen met
Macquarts beschrijving , maar heeft een’ zeer duidelijken grijs-
witten band aan wederzijde van het achterlijf, waarvan Macq.
bij M. atra geene melding maakt; maar wel bij M. nana 1,1.
2 *
20
p. 36. De yraag doet zich dus voor: of de laatste eene ver-
scheidenheid van de eerste is?
— Zodion notatum Meig. Twee voorwerpen in eenen tuin bij
Driebergen. Één daarvan heeft de zwarte vlekjes op het 2de en
3de segment van het achterlijf, die volgens Meigen tot de soorts-
kenmerken behooren. Het andere mist de zwarte vlekjes, even
als het voorwerp dat door den Heer van der Wulp voor de
Bouwstoffen bestemd is.
Ptilocera brunnicornis Macq. (ll. II. p. 172). In July
bij Utrecht één ex. Zeer kenbaar aan de berookte vleugels met
gele basis, zwarte vlek op de laatste helft van den buitenrand
en zwart gezoomde aderen. De 24° dwarsader is loodregt geplaatst.
Eindelijk gaf de Heer Six eene aanvulling van de lijst van
inlandsche spinnen in het vorige jaar door hem aan de Bouw-
stoffen afgestaan en daarin opgenomen.
IN Epeira bicornis. Een g in het Driebergerbosch
in Junij, Six.
» 17a. Meta cellulana Clerck. — Koch VIII. f. 691-92.
Te Utrecht in kelders. v. Hass.
» 26a. Theridium simile Koch II f. 215 9, VI.
f. 649 d. — Walck. II. p. 314. Drieb. April op
Erica 2; Junij g 9. Six
» 55a. Phrurolithus festivus Koch VI. f. 511-512. Veel
langs een zandig dijkje op mierennesten in half April
J en 9 Six.
» 59a. Avagena atrica Koch X. f. 825. Utrecht in
huizen. y. Hass.
» 64. Macaria formosa. Veel langs een zandig dijkje
op mierennesten, April. Six.
» 64a. Phytonissa nocturna L. — Walck. 1. p. 615 —
variana Koch VI. f. 478. — nana Koch X. f. 833.
In het Driebergerbosch in Junij, een g. Six;
bij Amersfoort een ex. Verloren. |
» 89a. Æysticus horticola Koch IV. f. 296. Op heide-
grond bij de Bildt onder bladen in April. Six.
» 90. YX. praticola een Z in Junij te Driebergen. Six.
21
N°. 92a. Thanatus oblongus Müll. — Hahn I, f. 82. —
Walck. I. p. 558. Bij Amersfoort op de heide
Six. — bij Scheveningen v. Hass.
» 95a. Sparassus ornatus Walck. I. p. 583. — Koch
XII. f. 1021. Bij Amersfoort op de heide. Verloren.
» 96a. Heliophanus flavipes Hahn I. f 50. — Koch XIV.
f. 1321-22. Op heidegrond bij de Bildt. Apr.
Aug. 9. Six.
H. dubius Koch schijnt eene var. te zijn van Z.
flavipes; H. nitens Koch f. 1319 een 9 van H.
flavipes, met geheel gele pooten, zoo als Hahn
f. 50 afbeeldt en door Spr. te Drieb. gevonden is.
» 100. Marpissa brevipes. Drieb. Junij; 3 9. Six.
» 106. Dia quinquepartita. Koch’s fig. 1297, die hi
als het 9 dezer soort opgeeft, is slecht eene var. 9
van Pales crucifera, welke Spr. bij Drieb, vond in
Junij.
Trichodactylus Osmiae Duf. — Walck. p. 266. —
Ann. des Scienc. nat. 2% serie X1. p. 276. In
Mei op den metathorax van Osmta adunca. Six.
De Heer Maitland Conservator bij het Genootschap N. A. M.
sprak ongeveer het volgende, terwijl hij de door hem besprokene
dieren vertoonde :
Van de gelesenheid gebruik makende, dat de leden der Ne-
derl. Entomol. Vereeniging in dit locaal vereenigd zijn, wenschte
ik hen met een klein gedeelte slechts der rijkdommen op het
gebied der Entomologie bekend te maken, die aan mijne zorgen
zijn toevertrouwd.
Men ziet in de hier vertoonde doos eenige zeer zeldzame of
weinig bekende soorten uit de orde der Coleoptera, als: Cato-
xantha Daleni, Xestia Daleni, Gerania Bandanensis d eng
met hare zonderling gebogene pooten ; verder een prachtig exem-
plaar van Zuchirus longimanus d en 2, benevens een’ bij-
zonder klein mannetje dezer soort, dat van den type afwijkt
door aanmerkelijk kleinere en minder inwaarts gebogene sche-
nen der voorpooten. Het zij mij veroorlcofd mede te deelen,
22
dat mi) tot nog toe geene betere afbeelding van dezen zeldza-
men kever voorsekomen is, dan die welke Houttuyn gegeven
heeft in zijne Wat. Hist. volgens het Samenstel van Lin-
naeus, DI. IX, Pl. LXXU, fig. 3. In die figuur vindt men
zeer duidelijk het eigenaardige rosachtige haarbosje teruggegeven ,
waarmede het mannetje aan het eind der schenen voorzien is.
Al de overige mij voorgekomene afbeeldingen, zelfs die in nieu-
were werken, missen deze kwastjes. De wel bekende Coleo-
pteroloog ©. ‘A. Dohrn van Stettin meldde mij onlangs, dat
een Duitsch schilder hem verzekerd had, bij Constantinopel
een g en 2 van Huchirus bimucronatus gepaard gevangen
te hebben en dat de kleine individuen mannetjes, de grootere
met verlengde voorpooten wijfjes zouden zijn; op grond van
eigene ondervinding moet ik dit evenwel tegenspreken, daar het
mij gebleken is bij het ontweiden van een viertal exemplaren
op spiritus van Amboina ontvangen , dat de langbeenigen man-
netjes, de anderen wijfjes waren. Een dergelijk misverstand
schijnt te heerschen ten opzigte van Scarabaeus Chiron, die vol-
gens schrijven van den Heer B. W. Westermann uit Koppenhagen
aan den Heer W. de Haan!) (vergelijk Hope’s Coleopterist’s
Manual 1. pag. 20 en pag. 86) het wijfje van Scarabaeus
(Chalcosoma) Atlas zijn zoude. Uit opzettelijk daartoe
door mij gedane onderzoekingen, by onderscheidene exemplaren
van Scar. Chiron op liquor bewaard, is het mij gebleken,
dat zij allen van mannelijke geslachtsorganen voorzien waren ;
het eigenlijke wijfje van Scarab. Atlas is mij in 5 exempla-
ren van het eiland Nias geworden; zij is kleiner dan het mannetje
en ongehoornd; de borst is ruw gepunt, de dekschilden hebben
een’ donker bruin-groenen metaalachtigen weerschijn en zijn
met roestkleurige stijve haartjes bekleed, terwijl onmiddellijk
achter het zwarte sterk glimmende ruggesckildje , over het midden
der vereenigde dekschilden, korte bruine borstelachtige haartjes
voorkomen. Scarab. Chiron is volgens Burmeister Handb. der
1) Deze brief is benevens eenige andere, door den Heer W. de Haan nage-
latene papieren in ’t bezit der bibliotheek van het Kon. Zoolog. Genootschap.
23
Ent. V. bl. 270 slechts eene afwijking van Scar. Atlas. De
hierbij ter bezigtiging gestelde schoone reeks van dezen nog altijd
zeer gezochten kever bevestigt dit gevoelen volkomen. Die
reeks bevat de echte Scarab. Atlas Linn, de varieteiten
Caucasus Fabr., Hesperus Brich., Belangert Guér. en
Chiron Oliv.; verder overgangsvormen als: één tusschen
Atlas en Caucasus, één tusschen Hesperus en Belangert
en twee tusschen dezen laatsten en Chiron. Eene dergelijke
reeks van overgangsvormen ziet men in nevensgaande lade.
Één oogopslag slechts is voldoende om de affiniteit aan te
toonen tusschen Scarabaeus (Oryctes) Gideon L., Phor-
bante Ol. en Oromedon 01.; ter loops zij hier nog aange-
merkt, dat al de exemplaren van Scarab. Gideon, benevens
hunne varieteiten, van Java afkomstig, op het midden van
den voorhoofdshoorn een’ tand hebben, zoo als afgebeeld is
bij Rosel Ilde DI. Tab. A HI. fig. 5; Voet Tab. XIII.
fig. 102; Olivier, I, 3, Tab. XVIII, fig. 65. Daarentegen
ontbreekt bedoelde tand bij alle voorwerpen van Amboina af-
komstig: dergelijken vindt men afgebeeld bij Olivier, I, 3. PI. I
fig. 6 en PI. XI fig. 104.
Burmeister, bl. 267, houdt Scarab. Phorbanta voor eene ei-
gene soort; zulks kan ik echter niet geheel toestemmen, wijl er
tusschen de vrouwelijke exemplaren van beiden geen verschil te
bespeuren is; Burmeister zegt dat zij aan de meer donkere kleur
en aan de duidelijke gele beharing der bovenzijde te herkennen
is; de exemplaren hier in het Kabinet aanwezig verschillen on-
derling even zoozeer in kleur, als zulks bij Gzdeon het geval
is, terwijl geen derzelve eene gele beharing op de bovenzijde
vertoont; allen zijn zij glad.
Scarabaeus (Dynastes) Hercules, L. komt mede in verschei-
ne varieteiten voor, zoo wel wat het aantal tanden 1, 2 enz.
op den voorhoofdshoorn betreft, als wat de meerdere of mindere
grootte der beide hoornen zelve aangaat. In deze lade ziet men
de varieteiten en tusschenvormen van Perseus Oliv. en Alerdes
Oliv. terwijl Scarab. Tytyus Fabr. mogelijk niets anders is als
eene zoogenaamde locale varieteit; doch daar ik nog geene over-
24
gangsvormen gezien heb, durf ik zulks niet voor zeker houden.
In de verzameling des Heeren J. M. Smit alhier heb ik een’ Scar.
Hercules met zwarte dekschilden aangetroffen ; duidelijk echter
was de aanhechting van borst en achterlijf door middel van gom
te onderkennen ; ik meende dat het achterlijf dat van Scarab.
Atlas was en dat het voorlijf aan Sc. Hercules behoorde.
Dit schijnt mede het geval te zijn met het voorwerp afgebeeld
door Rösel DI. II, Pl. A. I.. Eene merkwaardige zamenvoe-
sing van twee deelen van torrensoorten vindt men in Houttuyns
Natuurl. Hist. DI. IX op Pl. LXXI. fig. 1. alwaar een voor-
werp afgebeeld is, waarvan hoofd en achterlijf aan Mercules
behooren, terwijl de thorax aan Scar. (Dynastes) Neptunus
Schh. toekomt; merkwaardig noem ik deze zamenvoeging,
om dat men weet, dat Scar. Neptunus eerst in het begin
dezer eeuw tot onze kennis gekomen is. Ook dit eerst beschre-
ven voorwerp van Schoenherr, Synonymia Ins. I. Tab. 1 was
eveneens, gelijk uit de afbeelding blijkt, uit beide diersoorten
zamengesteld, Opmerkelijk is de hier vertoonde Scar. Neptu-
nus wegens zijne sterk gebogene hoornen, die zich als het ware
in de gedaante eener X kruisen; het andere exemplaar onder-
scheidt zich door zijne betrekkelijk zeer korte hoornen.
Ten slotte moet ik nog de leden bekend maken met eene
belangrijke aanwinst voor de collectie insekten van het Genoot-
schap. Wij hebben namelijk, dank zij der welwillende tus-
schenkomst van den Heer Schalekamp alhier, eene belangrijke
verzameling insekten bekomen van het, wat zijne natuurvoort-
brengselen betreft, nog geheel onbekende eiland Nias, dat tegen
over de Oost-Kust van Sumatra gelegen is. De aldaar gestati-
oneerde Kapitein H. P. de Vos heeft namelijk op aanzoek van
bovengemelden Heer eenige voorwerpen, zoowel op liquor, als
gedroogd , aan ons Genootschap ten geschenke gezonden. Uit het
ontvangene blijkt voornamelijk, dat genoemd eiland zeer rijk schijnt
te zijn aan Lepidoptera crepuscularia en Libellulae, daar
toch dezen in de overgezondene verzameling talrijk vertegen-
woordigd worden. Later hoop ik in de gelegenheid te zijn eene
volledige lijst op te geven van de insekten, die ik van dat eiland
25
entvangen heb, benevens de beschrijving der daarin voorkomende
nieuwe soorten; voor het oogenblik zal ik mij slechts bepalen
met het bekend maken eener zeer in het oogloopende nieuwe
vlindersoort, die tot het geslacht ZpAtas behoort, waarvan slechts
twee soorten bekend zijn, namelijk: Pap. Glaucippe L. en
Pap. Leucippe Cram. De nieuwe komt tusschen deze beide
soorten in te staan. Als voorloopige korte diagnose kan de
volgende dienen :
Iphias Fossil, Nov. Spec. Alis sulphureis; anticis apice
miniacets, costa margineque exleriori nigris.
Latitudo extensarum alarum 10”.
Uit erkentelijkheid heb ik deze soort naar den sedert over-
leden Heer de Vos genoemd. |
Nadat de Heer Maitland het woord had gevoerd, was de tijd
te ver verloopen om de vergadering langer te doen voortduren ;
daarom werden de leden, die zich tot het leveren eener bij-
drage hadden opgegeven, uitgenoodigd om hunne mededeelin-
gen aan den Secretaris ter opname in het verslag te willen
doen toekomen.
De dientengevolge ingekomen stukken worden hier achtervol-
gens opgenomen.
De Heer N. H. de Graaf leverde eene bijdrage aangaande
het trekken van insekten, hem welwillend medegedeeld door
den Heer S. Koning, Med. Doctor te Vorden, van den volgen-
den inhoud:
Omstreeks het midden van Februarÿ 1847 was het schip
»het goed Vertrouwen’ op de uitreis naar Java gevorderd tot
op 14° Noorder breedte en 26° 49” Wester lengte van Green-
wich, toen met een sterken N. 0. wind een talrijke zwerm
sprinkhanen zich op het dek nederzette.
De eerste stuurman wist te verhalen, dat het overtrekkers
waren uit Arabie, die hij gedurende de N. O. passaat meermaal
ontmoet had omstreeks denzelfden tijd van het jaar.
Het is bekend , dat de passaatwinden geregeld tusschen de keer-
kringen waaijen en gewoonlijk eenige weken achtereen aanhouden.
Een der sprinkhanen, bi die gelegenheid gevangen en thans
26
der collectie aangeboden, bleek te zijn: Jerydium septemfas-
ciatum Serville, voorkomende in Syrie, volgens de etiquetten
van voorwerpen van deze soort in ’s Rijks Museum te Leyden.
Naar de berekening van een’ zeeman is de aangegeven breedte
en lengte: 140 Duitsche of Hollandsche mijlen ten westen van
de Kust van Afrika en 30 of 40 mijlen van de Kaap-Verdische
eilanden !).
De Heer van Hasselt had dit jaar, even als ten vorigen jare,
van Maart tot in Junij, de levenswijze nagegaan van 4rgyro-
neta aquatica Jen, en wel bij twee paren van deze spinnen-
soort, die hij in groote cylinder-glazen, met regenwater, kroos
en verscheidene andere water- of sloot-planten gevuld, bewaarde.
Het bijeenhouden der gepaarde spinnen gelukt bij 4. aqua-
tica beter dan bij vele andere soorten. Daar de vrouw hier
veel kleiner en zwakker is dan de man, kan zij dezen post
coitum niet verslaan of verslinden, en van de zijde des veel
grooteren en krachtigeren mans zag Spr. daartoe nimmer ten
opzigte van het wijfje eenige pogingen, zelfs niet wanneer de
man eenige dagen gebrek aan voedsel had geleden.
Intusschen is het lang bewaren van deze spinnen in leven-
den toestand aan bezwaren onderhevig van anderen aard. Voor-
eerst is het bezorgen van voedsel moeijelijk vol te houden. Van
alle aangebodene waterinsekten, waaronder verscheidene Hy-
drachniden, werden nagenoeg uitsluitend — doch deze met
graagte —, de water-pissebedden, Gammarus pulex L. genut-
tigd, nu eens onder, dan weder, zoo als zulks door anderen
insgelijks waargenomen werd, buiten het water. Deze diertjes
echter waren dikwijls niet dan na lang zoeken in kroossloten, in
voldoende hoeveelheid te vinden. Ten tweede is het water moeïje-
lijk te ververschen, wanneer eens de blijvende luchtklokken zijn
gemaakt. Wanneer men dan het uitgieten en toevoegen van
water niet zeer langzaam en voorzigtig bewerkstelligt, worden
de klokken verplaatst of door verlies van lucht onbruikbaar,
1) Audinet Serville geeft in zijne Histoire nat. des Insectes Orthopteres
(p. 661) op, dat Acrydium septemfasciatum aan de Kaap de Goede Hoop voorkomt.
27
hetgeen dan vooral te vermijden is, wanneer de klok reeds
voorzien is van een cocon, zoo als bij de beide bewaard wor-
dende paren, bij het eene den 12den Mei, bij het andere den
16den Mei, het geval was. Ten einde deze moeijelijkheid zoo
veel mogelijk te voorkomen heeft de Heer v. H. gebruik ge-
maakt van eenen glazen hevel: naar mate het water uit dezen
wegvloeide, werd aanhoudend met kleine straal versch water
bijgegoten. Zonder de laatste voorzorg ontsnapte bij zekere
daling van den waterspiegel lucht uit de klok of rees deze om-
hoog. Toen een dezer klokken door den dood der spin ver-
laten was, heeft hij opgemerkt, dat dagelijks of althans om de
2 of 3 dagen het omringende water telkens iets hooger in de
holte der luchtklok oprees, zoodat men moet aannemen, òf
dat er lucht daaruit in het water werd opgelost, òf dat die
door de eijeren van het reeds lang daarin aanwezige cocon werd
opgenomen (?). Ten einde de laatste tegen bevogtiging en ver-
rotting door het water te beveiligen, bragt hij telken dage met
een omgebogen glazen buisje een weinig lucht onder de klok,
doch niettegenstaande deze zorg gelukte het niet de jongen te
doen uitkomen.
De bekende opgaven omtrent de wijze, waarop de 4rgyro-
netae hare lucht-klok vervaardigen, heeft v. H. bevestigd ge-
vonden, zoodat het hem bevreemde, dat Thomas Bell het on-
langs nog noodig heeft geoordeeld, om in het Journal of the
Proceedings of the Linnean Society of London, Loology ,
Vol I, N°. 1, 1856, het gevoelen van Gosse te bestrijden:
» dat de luchtcel der waterspin gevormd en gevuld zou worden
door de ontwikkelde zuurstof, die in het zonlicht uit de water-
planten oprijst”. Evenzeer was het overbodig , wanneer Bell als
iets nieuws opgeeft: »dat de Argyroneta de lucht voor hare
klok haalt van de oppervlakte van het water met het achterlijf,
doch met behulp van de gekruiste en in de lengte uitgestoken
achterpooten’’ , eene thans overbekende handelwijze , waarbij men
ziet, dat de anders bolronde luchtbol om het abdomen ovaal of
verlengd wordt.
Ofschoon +. H. den & soms eene luchtklok zag maken, wer-
28
den toch de grootste en fraaiste klokken door de © vervaardigd.
Ook heeft hij twee malen waargenomen, dat beide (gepaard
zijnde) zich vereenigden in het vervaardigen van deze verblijfplaats
en in het vullen van dezelfde klok met lucht. Het wijfje was
daarbij echter het meest werkzaam ; het mannetje liep dikwijls
meer in den weg. Eens geschiedde deze gezamenlijke arbeid
met eene in het oog loopende bedrijvigheid des avonds voor dat
het wijfje haar cocon maakte. In die gevallen singen zij beide
in dezelfde klok, doch de g slechts voor eenen korten tid.
Om snel en gemakkelijk de lucht te kunnen vernieuwen in
de klok, hadden een paar wijfjes eene soort van band- of lint-
vormige ladder gemaakt van het boveneinde der klok af tot aan de
oppervlakte des waters. Van de communicatiegangen of kanalen
tusschen de luchtcel des mans en de klok van het wijfje, waarvan
de Lignac gewag maakt (Zie Walckenaer, /ns. Apieres, Vol.
II, p. 384), heeft v. H. nimmer eenig spoor waargenomen.
In al de gevallen waarbij het cocon gevormd werd, geschiedde
dit des nachts, hetgeen in den regel bij de meeste spinnen (als
nacht-roofdieren) schijnt te geschieden. Het cocon wordt in
het bovenste gedeelte of het verwulf der luchtcel geplaatst en
is helder wit als sneeuw , met het uitwendige voorkomen van wat-
ten of van wit papier.
Daags na het maken van het cocon verlaat de Q het naau-
welijks meer en verjaagt alle dieren uit de nabijheid van de
klok. Kleine watertorren, bloedzuigers, Hydrachnae, Noto-
neciae, allen bit of slaat zij weg, en wanneer soms een dezer
dieren onder of in de luchtcel geraakt, vat zij het aan en
draagt het soms een eind weegs buiten den omtrek der cel.
De meeste moeite kost het haar om den { door bijten of snelle
slagen met de voorpooten, buiten de klok te houden ; nu en dan
scheen zij blijkbaar daartoe geen ander middel te bezitten, dan
door dezen , duidelijk tegen haren wil, tot den coitus toe te laten ;
eens zelfs reeds denzelfden dag, waarop het cocon was gemaakt.
Het wijfje besteedde steeds groote zorg om de luchtcel of om
haar eigen nest in goeden staat te houden. Eens bemerkte v. H.
een klein beginnend gaatje, waaruit eenige lucht ontsnapte,
29
boven aan den zijwand der klok, doch het duurde niet lang,
of ook de spin ontdekte zulks en omspon dat plekje van buiten
door herhaald penseelen of bestrijken met hare spintepels. Een
ander maal was de coconhoudende cel, door de zonnewarmte,
ten gevolge der uitzetting van de daarin bevatte lucht, eenige
lijnen omhoog gerezen, en toen werden door haar tallooze
draden benedenwaarts gebragt en vastgehecht aan den top van
een Juncus-blad.
Eindelijk zag v. H. bij beide paren den nog steeds bevreem-
denden invloed der lucht-electriciteit op deze dieren of op het
water bevestigd, even ‘als zulks bij de bewaring van Hirudines
wordt waargenomen. Beide paren namelijk werden daags na
een zwaar onweder buiten hunne bellen of nesten aangetrof-
fen, boven op het kroos of zelfs tegen het gaas waarmede de
flesschen gedekt waren. De wijfjes, hoewel zwak en met slechts
weinig lucht om het abdomen (hetgeen een ziekelijken toestand
aanduidt), beproefden herhaaldelijk de plaats in de klokken te
hernemen , doch moesten die spoedig weder verlaten en konden
eindelijk de oppervlakte van het water niet meer bereiken.
Beide zonken op den bodem en bezweken. De mannen stier-
ven kort daarna. Toch was voor de waterverversching en het
voedsel, even als de vorige dagen, goede zorg gedragen.
De Heer G. M. de Graaf legde een stuk over betreffende de Nopal-
cultuur en Cochenille-teelt op Java, opgesteld door den Heer
W. L. de Sturler, gepensioneerd, Majoor in Ned. Indische
dienst, wonende te Leiden, en door dezen welwillend voor het
verslag der Vereeniging afgestaan.
De Cochenille — dus schrijft de Heer de Sturler — is,
gelijk we allen weten, op Java uit Spanje aangebragt , tijdens
het bewind yan den Commissaris Generaal Du Bus de Ghisi-
gnies in 1828 !). Een paar Spaansche landbouwers kwamen
1) Wanneer deze beschrijving der Nopal-cultuur en Cochenille-teelt op eenige
volledigheid kan aanspraak maken, zoo komt daarvan de eere toe aan den
Heer Mr. J. H. van den Bosch, die mijn’ arbeid met naauwkeurigheid nage-
zien en met de resultaten zijner ervaring verrijkt heeft. -
30
met het insekt mede, om de wijze van cultuur en bereiding
aan de onzen te leeren
De eerste pogingen vielen slecht uit; alléén slaagde de Heer
Mr. J. H. van den Bosch voortreffelijk en gelukkig, in zijne
proeven te Poudok Gedeh, hetwelk nabij Buitenzorg op eene
hoogte van ongeveer 1565 Engelsche yoeten boven de zee ge-
legen is. |
Vooraf echter liet hij eenige weinige planten behoorlijk aan-
kweeken en verzorgen, ten einde die naauwkeurig waar te ne-
men en bij ondervinding te zien, hoe de grond bewerkt en
bemest, hoe de plant gesnoeid en behandeld, en hoe de dakjes
over de plant gemaakt en gelegd moesten worden. Vervolgens
liet hij een veld er mede beplanten, en, na allerlei proeven
genomen te hebben en dikwijls op het punt geweest te zijn,
om de zaak op te geven, verkreeg hij eindelijk uitkomsten,
die hem aanspoorden, om de Nopal-cultuur, op zijne gronden
uit te breiden en tot een hoofdtak van Landbouw te verheffen.
Thans ziet men bij hem de schoonste Nopal-tuinen, die men
ergens vinden kan, en, op dit oogenblik, uit 91.000 bevolk-
bare en 18.000 aankomende Nopal-planten bestaan. Van de
eerstgenoemden zijn, in het afgeloopen jaar 1841 , bij de 5.000
Ned. ponden Cochenille verkregen. In het jaar 1838 werd
hem door het Gouvernement van N. I. eene inspectiereis op-
gedragen, om na te gaan, waar men die cultuur op Java
zou kunnen organiseren en naar zijn model inrigten. Daarop
zijn onderscheidene Nopal-aanplantingen op Java door het
Gouvernement bewerkstelligd geworden, onder de leiding en
doelmatige zorgen van den toenmaligen Directeur der cultures
W. de Vogel, en onder het toezigt van ambtenaren en opzie-
ners , die allen successivelijk eenen geruimen tijd te Poudok Ge-
deh hadden doorgebragt, om aldaar de werkzaamheden in haren
geheelen omvang te leeren kennen.
Voor de aanplanting der Nopal bezigt men gedeelten van de
moederplant, die men stekken of zaaibladen zou kunnen noemen.
De Nopal heeft namelijk vele leden of gewrichten, waardoor
elk blad als met eenen hals aan den top van het andere verbon-
31
den is. In die gewrichten snijdt men het blad af, dat echter
niet te oud of te dun moet zijn, maakt het van onderen gaaf
en rond, ten einde verrotting voor te komen, en laat het eenige
dagen onder eene loods uitdroogen. Men plant het dan tot
omtrent op de helft der lengte in den grond, zoodat de grootste
helft buiten de aarde blijft. Men steekt het in rijen op 24 voet
van elkander in de rij, terwijl de rijen zelven 6 voet (alles
Rijnlandsche maat) van elkander moeten verwijderd zijn.
Voorts is het ook doelmatig, om de rijen, zoo veel mogelijk
oost en west aan te leggen, opdat de zonnestralen een goed ge-
deelte van den dag op de overdekte en bevolkte planten kun-
nen schijnen; daardoor wordt de groei van het insekt zeer be-
vorderd.
Wat de gronden betreft, zoo worden hiertoe het liefst rijst-
velden gebruikt of gronden, die men onder water kan zetten,
hetwelk vooral voor het afwasschen der planten, ten einde haar
na den oogst der Cochenille van de witte stof en alle an-
dere vuiligheid, die er altoos aan kleeft, te zuiveren, zeer be-
vorderlijk is. Deze gronden worden goed schoon geploegd en
geëgd , en daarna de rijen uitgegraven of voren gemaakt van
1E voet breedte en 14 voet diepte, waarin korte buffel-mest
gelegd wordt, nadat men die goed met de uitgegravene aarde
vermengd heeft. Met die buffelmest worden de planten bij de
aanplanting bemest, in de verhouding aan 1 pikolan (bestaande
uit 2 bamboezen mandjes voor elke pikolan) per plant, het-
welk herhaald wordt (echter slechts met 4 pikolan per plant),
zoo dikwijls men het insekt er af neemt en de plant snoeit.
Zoo staat de Nopal nu, tot dat ze, al naar den trager of
weliger groei en naar het kouder of warmer klimaat, 16 tot 20
maanden oud is; alsdan zet men de insekten er op, na alvo-
rens de rijen in dien tusschentijd wat te hebben opgehoogd, en
waar het noodig is, te hebben ingeboet.
Men doet er dan nog een halve pzkolan mest bij, hetwelk
geschiedt door den grond langs de plant voorzigtelijk open te
graven en de mest er tegen aan te leggen. Daarna wordt de
grond weder digt gemaakt,
32
Het bevolken der plant geschiedt aldus: Men doet 3 tot 5
wijfjes of moeders van het Cochenille-insekt in een klein pe-
perhuisje van klapperbladeren gemaakt, en steekt dat huisje
met een’ doorn op de plant vast. Dien doorn verkrijgt men
van de wilde Nopal, die men daartoe bij elke afdeeling van
den tuin opzettelijk plant, en die met vele scherpe doornen
gewapend is. Het oogenblik, waarop men die wijfjes van de
eene plant moet afnemen om er eene andere mede te bevol-
ken, wordt aangewezen door het verschijnsel van iets vochtigs ,
hetwelk men aan het dier bespeurt, en eerst wit is, daarna
rood en eindelijk donkerrood wordt. — Dit is het kenteeken, dat
het op het punt is om te baren.
Drie of vijf dagen nadat men de moeders in het huisje ge-
daan en op de plant gestoken heeft, brengen zij jongen voort
die zich gedurende 14 dagen over de gansche plant versprei-
den. Daarna hechten ze zich met de pootjes in de plant vast
en blijven onbewegelijk zitten. In dien toestand laat men haar,
tot dat ze (al naar dat het klimaat en het weder koeler of war-
mer, drooger of regenachtiger is), den ouderdom van 55 of 75
dagen bereiken, en neemt haar dan allen, niet vroeger of
later dan wanneer zij op het punt zijn te baren, van de plant
af, om haar naar de ovens te brengen, met uitzondering nogtans
van eenige moeders, die in huisjes (ten getale van 20 tot 30
huisjes naar de grootte der plant) gedaan, en dadelijk op eene
andere plant die nog niet bevolkt is gestoken worden. Elke
moeder kan in doorslag 30 tot 50 jongen voortbrengen, die in
leven blijven, en spoedig naar gelang van het weder het
huisje verlaten en over de bladeren der plant kruipen. De moe-
der echter blijft tot haren dood er in doorbrengen ; weldra na
het werpen harer jongen sterft zij.
De mannetjes hebben veel gelijkenis op kleine vlindertjes
en leven slechts zoolang als noodig is, om de wijfjes te be-
vruchten, waarop zij dood van de plant nedervallen.
Wanneer eene rij Nopals bevolkt moet worden, doet men
eerst een dak, bestaande uit bamboezen ramen, die gewoon-
lijk met allang allang (eene soort van riet) overdekt worden ,
BB;
er over heen, om het insekt tegen de zware regens te beschutten,
Dit dak ligt schuins en hellend, om het water te laten af-
loopen 7 echter niet te schuins of zoodanig slechts over de planten
overhangende, dat de regens, bij windvlagen, op de bevolkte
planten onder het dak zoude kunnen slaan en daardoor het in-
sekt benadeelen.
Ten einde voorts het werk, het geheele jaar door, gelijkelijk
te verdeelen, splitst men de bevolkbare planten in vier deelen,
waarvan I deel altijd bevolkt wordt gehouden; zoodat, als de
insekten van eenige planten afgenomen worden, men de moeder-
insekten dadelijk weder op hetzelfde getal andere planten kan
zetten ; terwijl de eerstgenoemden dan bij de zeven maanden tijd
hebben om te rusten en zich van de door het Cochenille-insekt
toegebragte schade te herstellen !).
Zoodra de insekten van eene plant genomen zijn, wordt deze
dadelijk behoorlijk gesnoeid , voorts afgewasschen en met een
halve pikolan?) mest bemest. De afwassching, zoowel als het
bevolken der planten en het inoogsten der Cochenille, geschiedt
door vrouwen en kinderen, die tot dat einde zich van borstels,
welke des noods van A/apperdoppen) 3, die daartoe wat inge-
rigt worden, en van een’ steel voorzien zijn, gemaakt kunnen
worden, bedienen, om water langs de bladen der Nopals te
laten loopen. Het snoeijen bepaalt zich, tot het afsnijden der
gewrichten van de bovenste bladen, ten einde nieuwe bladen te
bekomen, daar de oude bladen op den duur te droog en te dor
zouden worden, om weder met gewenschte vrucht bevolkt te
worden. Ook zou de plant, wanneer men haar al te spaarzaam
van de overtollige bladeren ontdeed, te hoog opschieten, en
dien ten gevolge het opleggen der dakjes bemoeijelijkt worden,
1) De ziekte der plant openbaart zich door een gomachtig uitvloeisel van
het blad. Men moet zulk een blad dadelijk afsnijden, dewijl het uitvloeisel
al de bladen zoude aansteken,
2) Pikolan »dragt voor één man”.
3) De vezelen van den bast der noot.
34
terwijl daarentegen de plant, door haar te kort te snoeïjen, te lang
werk zou hebben om zich te herstellen.
De Heer Snellen van Vollenhoven had het voornemen eenige
teekeningen te laten rondgaan, voorstellende de larve en de
mannelijke en vrouwelijke pop van Rhyssa persuasoria (van
welk insekt ook twee fraaije exemplaren van beide kunne ter
bezigtiging aangeboden werden) voorts de rups van Ochsen-
heimeria urella, die van eene varieteit van Catocala nupta ,
zijnde waarschijnlijk concubina, de eijeren van Sesia chrysi-
diformis of tipuliformis en Pemphigus Bumeliae, het moe-
derinsekt met de jongen.
Daarbij stelde hij zich voor ongeveer het volgende te zeggen.
De Baron Schimmelpenninck van der Oije heeft den Heer Dr.
J. Witewaall, ons medelid, vergunning gegeven om belangrijk
aangestoken boomen uit zijne bosschen te laten vellen en ter
onderzoeking te laten weghalen. Toen ik in de laatste dagen
van Mei te Voorst bij den Heer Wttewaall logeren zou, had
deze, gebruik makende van die vergunning , een’ dennenboom
laten vellen en bij zijn huis laten brengen en stelde mij voor,
dien in onze tegenwoordigheid te laten zagen en klieven, ’t geen
gedaan werd.
Wij vonden in dien boom 1° larven van tree juvencus
in verschillenden ouderdom en 2° volwassen larven, poppen en
volkomen insecten van Ahyssa persuasoria, waaruit alzoo
bleek dat de laatste de parasiet is van den eersten (’t geen
trouwens uit het werk van Ratzeburg: die Forstinsecten u.
s. w. bekend is) en — ’t geen ik nergens heb vermeld ge-
vonden — dat van de parasiet larven, poppen en volkomen in-
sekten te gelijk leven. In de geschiedenis dezer dieren is nog
veel duisters; wanneer de larve van den Strex halfwassen of
bijna volwassen is, is zij ver van den bast des booms verwij-
derd, te ver om door den legboor van de Rhyssa 9 bereikt
te kunnen worden; bovendien wordt de gang, waarvan het
begin zoo fijn is, dat wij het, ratione inversa bi de dikke
zijde beginnende , naauwelijks onderscheiden konden , door knaag-
sel zoodanig verstopt, dat het schier ondoorboorbaar schijnt.
33
Men zou dus moeten aannemen, dat het ei van Ahyssa op de
nog zeer jeugdige Sirex-larve gelegd werd en daaraan klevende
door haar werd medegevoerd , zonder gedurende een zeer gerui-
men tijd uit te komen. Dergelijk vermoeden moet hen, die
daartoe gelegenheid hebben, aansporen om deze biographie met
naauwkeurigheid nategaan.
Aan het huis van hetzelfde lid onzer vereeniging is ook de
teekening van de rups van Ochsenheimeria urella F. R. ge-
maakt. De Heer Wttewaall had mij in het vorige jaar eene larve
gezonden, huizende in den stengel van eene roggeplant, waar-
uit eenigen tijd later eene Ochsenheimeri« te voorschijn kwam.
In dit jaar is het onderzoek naauwkeuriger en geregelder ge-
weest; men kan de bewoonde halmen van de onbewoonde on-
derscheiden door twee kleine gaatjes, die gebeten zijn in het
bovenste blad, dat het eerste is, wanneer men van de aar af
telt. Het hooggele rupsje leeft eerst in de aar, en daalt ver-
volgens in den stengel, waarin het verpopt. Nog eenmaal
herhaald onderzoek zal ons in staat stellen deze levensgeschie-
denis bijna geheel volledig in het werk van Sepp optenemen.
De overige teekeningen hadden naauwelijks verklaring noodig.
De Pemphygus Bumeliae is een Coccusachtig insekt, dat
bijzonder fraai geteekend en vrij zeldzaam is; het leeft aan de
eerste ontluikende bladknoppen der esschen.
De Heer H. W. de Graaf, had ter opname in het verslag
eene diagnostische beschrijving gemaakt van Europesche Pte-
rophoridae , van den volgenden inhoud.
Dezelfde beweegredenen, die mij ten vorige jare hebben
geleid om een stukje over inlandsche Depressarien optestellen ,
deden mij besluiten ditmaal eene korte beschrijving te geven
van Pterophoriden. Het zijn niet alleen inlandsche, maar Eu-
ropesche soorten — evenwel niet de Europesche — die men hier
vindt opgenomen, omdat het nog moejjelijk is, met eenige ze-
kerheid te bepalen, welke soorten tot onze Fauna behooren.
In de Bouwstoffen telde ik in 1851 twaalf soorten op; sedert
zijn er eenige nieuwen bijgekomen; maar onze kennis is, geloof
ik, in dit opzigt nog vrij onvolledig.
3%
36
Ik bepaal mij alléén tot het Geslacht Pterophorus. Het ge-
nus Agdistis — waarvan 7 Europesche soorten bekend zijn —
is, zoo ver ik weet, in onze Fauna niet vertegenwoordigd. Van
de Familie der Alucitiden is Alucita hexadactyla L. nos al-
léén als inlandsch bekend.
Het geslacht Pterophorus is het zekerst te herkennen aan de
vleugelvorm. De bovenvl. zijn meer of minder puntig; zij
hebben dikwijls, maar niet altijd een achterhoek. De vleugels
zijn van den achterrand naar den vl.-wortel in de lengte meer
of minder diep gespleten, zoodat op die wijze twee slippen
(lacintae, Zipfel) ontstaan. De ondervl. zijn in drie lancetvor-
mige deelen gespleten, de zoogenaamde veders. De bouw van
het geheele diertje is zeer slank; het lijf is lang en dun, met
lange beenen en smalle, in rust horizontaal uitgestrekte vleu-
gels.
De rupsen zijn 16-pootig; zij leven op laaggroeiende plan-
ten, vrij, of in bloemknoppen , tusschen toegesponnen bladeren,
in zaadhuisjes of stengels.
Van het geslacht Pterophorus zijn 60 Europesche soorten
bekend. Engeland telt er 24 en Zwitserland 30. Er zijn mij
op het oogenblik 15 Nederl. soorten bekend, of 17, wanneer
ik Rhodod. en Osteod. daarbij reken. Met uitzondering van
deze heb ik al de hier als inlandsch opgegeven soorten op nieuw
zelf bestemd.
Pterophorus kan in de volgende ondergeslachten worden ver-
deeld.
I. Platyptilus , Zeller.
Bovenvl. tot op + of 2 der lengte gespleten; de spleet is
uitgerond ; de slippen zijn breed, bijlvormig; de binnenrand-
franje der 3de veder draagt een zwarte schubtand. Soorten 1—8.
IL. Oxyptilus, Zeller. |
Bovenvl. tot op # gespleten ; bovenste slip puntig; kleur geel-
of zwartbruin met witte dwarsstrepen over de slippen ; 3° veder
met donkere schubplekken. Soorten 8—13.
III. Pterophorus, Zeller.
Bovenvl. tot op 3 of daarover gespleten; beide slippen zijn
LI Tow fi
ol
vrij puntig, maar altoos veel breeder dan de vederen der on-
dervleugels. 3% veder zonder donkere schubtand. Soorten 14—28.
IV. Acyptilus , Zeller.
Het grootste gedeelte van de vleugels is gespleten. De slip-
pen zijn even smal en lijnvormig als de vederen der ondervleu-
gels. 34 veder zonder donkere schubtand. Soorten 29—36.
De soortbeschrijving ontleende ik aan Zeller en Frey. Men
zal die gemakkelijk verstaan, wanneer men let op hetgeen ik
vroeger, in de Bouwstoffen I. pag. 123 gezegd heb en op het-
geen ik hierboven bij de geslacht-kenmerken heb opgegeven.
Het begin der spleet is in de vleugel ; het einde in den achterrand.
il
PI. Rhododactylus, Wiener Verzeichniss.
Bovenvl. bleek roestbruin, met lichtere slippen en een
witachtige dwarsstreep voor de spleet. De 3% veder der
ondervl. is witachtig, aan het uiteinde roestbruin. ,
Lengte der vleugels 0, 022.
_Hb. fig. 8. — Treitsk. IX. 2. 228. — Zeller Isis 1841,
772 en Linn. Ent. VI. 326. — de Graaf Bouwst. I. N°. 853. —
Frey p. 401. | ek me
In Europa zeer verspreid: Engeland, Frankrijk, Duitschland
enz. Hier te lande is mij de soort nog niet voorgekomen. De
opgave in de Bouwstoffen is door geene latere waarneming be-
vestigd.
Vliegtijd: Julij.
2.
PI. Ochrodactylus, Hübner.
Kophaar op het voorhoofd tot eene vooruitstekende lok
verlengd. Bovenvl. licht okergeel, met donkerder gele wol-
ken, die in de grondkleur wegvloeijen. De 1° slip in een
punt uitloopend.
Lengte der vl. 0, 022 — 0,024.
38
Hb. fig. 12 en 13. — Treitsk. IX. 2. 227. — Zell. Isis 1841,
775 en L. Ent. VI. 327. — d. Gr. Bouwst. I. n. 852. —
Frey p. 402. — Herrich Schiffer. V. p. 367.
Vliegt in Junij op drooge gronden bij Noordwijk , Wassenaar
en Scheveningen (d. G.); bij de Gliphoeve (v. V.). In Aug.
bij Ede (Maitl.), Arnhem (Backer) en Groningen (d. Gav.).
PI. Gonodactylus, Wiener Verzeichniss.
Kophaar tot een korte uitstekende voorhoofdlok verlengd.
Bovenvl. okergrys of aschgraauw, met bruinachtigen voor-
rand, een’ donker bruinen driehoek aan den voorrand voor
de spleet en een bleeke dwarsstreep over de slippen; de
achterrandfranje van de 18° slip met een wit punt ge-
teekend. Op het midden van de 3de veder der ondervl.
ts de binnenrandfranje met zwarte schubben bedekt.
Lengte der vl. 0,020 — 0,024.
Wien. Verz. pag. 320. — H. S. V. tab. 2. fig. 9, pag. 368.
Zell. L. Ent. VI. p. 330. — Frey p. 402. — Tesseradacty-
lus Treits. IX. 2. 230. — Zell. Isis 1841, 888. — Mega-
dactylus Hb. fig. 6 (slecht).
Lijfland, Duitschland, Engeland enz.
Gonod. heeft zeer veel overeenkomst met Zetterstedéz ; vol-
gens Zeller kan men — daar Gonod. soms eene lichte dwars-
streep heeft op de onderzijde der iste ondervl.-veder, alléén als
zeker onderscheidingsteeken opgeven de kleur der bovenvl.,
die bij Gonod. graauwer is dan bij Zetterst. en veel minder
met geel vermengd, zoodat men ze licht roodachtig-bruingraauw
of somtijds licht bruinachtig-graauw zou kunnen noemen !), ter-
wijl ze bij Zetterst. met de kleur van Ochrod. overeenkomt,
maar meer met geelbruin vermengd is. ÂVemoralis gelijkt zóó
1) Herrich Schaffer noemt de kleur Schimmelgraauw.
39
zeer op Zetterst., dat het verschil van deze met Gonod. ook
voor Vemoralis geldt. Zischeri is veel kleiner dan Gonod.
en heeft bovendien volstrekt geen geel- of roodachtig mengsel
in de kleur der bovenvl. en als zeker soortkenmerk een korter
voorhoofdlok dan Gonod.
Lijfland, Engeland (Junij), vele streken van Duitschland enz.
Pl. Zetterstedtii, Zeller.
Kophaar tot een korte uitstekende voorhoofdlok verlengd.
Bovenvl. bleek okergeel, met bruinachtige randen, een brut-
nen voorrand-driehoek voor de spleet en eene lichtgele
dwarsstreep over de slippen. De eerste veder der ondervl.
is aan de onderzijde, voor het uiteinde, met een geelach-
tige dwarsstreep geteekend en op het midden van de 3%
veder is de binnenrandfranje zwart geschubd.
Lengte der vl. 0,020. — 0,022.
Zell. Isis 1841, 777. — L. Ent. VI. p. 333. — H. S. V.
p. 368. — Frey p. 403.
Verschilt van Vemoralis door de geelachtige dwarsstreep op
de 1st° ondervl.-veder, die bij Vemoralis steeds ontbreekt.
Engeland, Finland enz. Ik heb een voorwerp dezer soort
bestemd voor den Heer Backer, dat volgens diens opgave te
Oosterbeek bij Arnhem gevangen was.
Pl. Nemoralis, Zeller.
Grooter dan de vorige. Kophaar in een korte vooruit-
stekende voorhoofdlok uitloopende. Bovenvl. bleek okergeel ,
met bruinachtige randen, eene bruine driehoekige voorrand-
vlek voor de spleet en een geelachtige dwarsstreep over
de slippen. De 18° veder der ondervl. heeft op de onder-
40
ayde geene geelachtige dwarsstreep. Op het midden der
binnenrandfranje van de 3% veder is een zwartschubbige plek.
Lengte der vl. 0,022. — 0,024.
Zeller L. Ent. VI. p. 335. — H. S. V. Tab. 1. fig. 7 2
tab. 2 fig. 8 pag. 368. — Zell. Isis 1841, 778 onder den
naam van Zetterstediti, var. d.
Gewoonlijk veel grooter dan Zetterstedtit en bovendien van
dezen door het gemis van het geelachtige dwarstreepje op de
onderzijde van de {ste ondervi.-veder onderscheiden.
Beijeren, Silezie in Juli}, Aug.
6.
Pl. Fische , Zeller.
Kophaar weinig vooruitstekend. Bovenvl. bruinachtig
graauw, met cen bruin dwarsstreepje, dat aan den voor-
rand-driehoek grenst voor de spleet en voor eene witach-
tige vlek. Slippen met eene witachtige dwarshjn. De 3%
veder der ondervl. op het midden der binnenrand-franje
zwartschubbig.
Lengte der vl. 0,016. — 0,017.
Zeller Isis. 1841, 781. — H. S, V. tab. 2 fig. 12 $ pag.
369. — Frey p. 05.
Naauw verwand aan Pl. nemoralis, Zetterstedtit en Go-
nod., maar veel kleiner, bijna zonder voorhoofdlok, van een
duistere bruinachtig-graauwe grondkleur zonder geelachtige bij-
voeging en altoos met eene scherpe zwartbruine dwarsstreep voor
de spleet der bovenvl.
Lijfland, Engeland, vele streken van Duitschland enz.
Vliegtijd Junij, July, Aug.
7.
PI. Acanthodactylus, Hübner.
Kophaar tot een korte voorhoofdlok verlengd. Bovenvt.
41
geelachtig bruin-graauw , donker gewolkt, met’ een bruinen
voorrand-driehoek voor de spleet en vóór cene geelachtige
vlek; eene witachtige dwarslijn over de slippen. De 3%
veder der ondervl. heeft aan den binnenrand een’ zwarten
uit schubben bestaanden tand , even als de binnenrand der
bovenvl.
Lengte der vl. 0,019 — 0,021.
Hb. f. 23, 24. — H. S. V. p. 369. f. 5. — De Gr. Bouwst.
1. N°. 854. — Frey p. 405.
Var. b. Bovenvl. met roodachtige tint.
Calodactyla Haw. Steph. , Fab.
Deze soort is te herkennen aan de 2 duidelijke zwarte schub-
tanden, van welke de eene geplaatst is achter het midden van
den binnenrand der bovenvl., de andere aan den binnenrand
van de 3de veder.der ondervl. ver van het uiteinde dier veder
verwijderd. In den regel heeft zij op de franje van iedere vl.-
slip 2 witte punten, nam: 1 — die zelden ontbreekt — op de
{ste slip onder het midden van den achterrand en 1 — die dikwijls
wegblijft — in den achterhoek; op de 2de slip 1 punt ver vóór
en 1 een weinig achter het midden van den achterrand.
Acanthod. is wijd over Europa verspreid. Hier te lande heb
ik haar gevangen te Noordwijk en bij Woerden in November.
Min broeder ving ze in het Westland in Junij. Zij komt ook
voor bij den Haag en op de Gliphoeve (v. V.).
PI. Cosmodactylus, Hubner.
Bovenvl. bruin of zwartbruin, als met een wit net over-
dekt en met een’ zwartbruinen voorrand-driehoek voor eene
geelachtige vlek; een zwarte schubtand aan den binnenrand
der 3% ondervl. veder.
Lengte der vl. 0,020. — 0,022.
H. S. V. fig. 4 pag. 369. — Frey pag. 406. — Acantho-
dactylus var. c. Zeller L. Ent. VI. p. 338.
42
De witte netvormige beschubbing der bovenvl. is het beste
kenmerk, waardoor deze soort zich van Acanthodactylus on-
derscheidt. Welligt is zij slechts eene var. van deze.
« Zurich, talrijker dan Acanthodactylus.
9.
Ox. Pilosellae, Zeller.
Bovenvl. niet tot op het midden gespleten, roodachtig
kaneelbruin, met 2 witachtige dwarslynen over de slippen
en eene witachtige onduidelijke lyn over de aanhechting der
binnenrandfranje van de 2% slip der bovenvl. De 3de
veder der ondervl. kaneelbruin, kort voor het eind aan
wederzijde donker zwart beschubd.
Lengte der bovenvl. 0,018.
Zell. Isis 1841, p. 789. tab. IV. f. 27. — L. Ent. VI.
349. — H. S. V. tab. 3. f. 16. p. 372. — De Gr. Bouwst. I.
N°. 855. — Frey p. 408.
Gewoonlijk kleiner dan de volgende, met welke zij het naast
verwand is. Zij is niet zoo donker gekleurd als deze, heeft
minder helder witte dwarslijnen en is vooral onderscheiden door
de bleekwitte lijn langs de franje van de 24° bovenvl.-slip.
Pilosellae is grooter dan obscurus en lichter van kleur. Ook
is bij gene de witte lijn, die over de voorrandfranje bij de
vleugelpunt loopt niet zoo scherp geteekend als bij deze en de op-
hooping der schubben op de franje der 3% veder niet tot de
punt dier veder voorigezet.
Vliegt in Julij, Aug. op houtrijke geestgronden te Noordwijk
en in de berkenpannen der Wassenaarsche duinen (d. G.);
den Haag, Warmond en Gliphoeve (v. V.). Arnhem in Aug.
(d. G.) en Velp tusschen gras vliegende (d. R. v. W.). Zee-
land (d. Br.).
10.
Ox. Hieracii, Zeller.
. Bovenvl. niet tot op het midden gespleten, helder rood-
bruin met 2 sneeuwwitte dwarslynen over de slippen en
een duidelijke witachtige lijn langs den binnenrand en voor
het uiteinde van de 2% slip. De 3de veder der ondervl.
op den binnenrand kort voor het uiteinde zwartschubbig.
Lengte der vl. 0,018.
Zeller Isis 1841 p. 827. tab, IV fig. 5, 20—24. — L. Ent.
VI. 350. — H. S. tab. 3. fig. 14. pag. 371. — Frey p. 409.
Gewoonlijk grooter dan P. Pilosellae, donkerder geelbruin
dan deze, met ietwat glanzende, meestal smallere dwarslijnen
over de bovenvl.-slippen en eene witte, duidelijk gebogene lijn
over den franjen-wortel vóór het uiteinde der 2de slip. Het
naast verwant aan Hzeraci is P. Ericetorum, die dezelfde don-
kere, bijna kastanjebruine kleur en dezelfde teekening op de
2de slip heeft; maar beide deze soorten onderscheiden zich
daardoor, dat bij Zriceforum het schubbenhoopje de punt der
3de veder bereikt en met de breede rij schubben op den voorrand
dier veder eene groote afgeronde vlek vormt, die ‘de geheele
vederpunt omvat, terwijl bij Mzeraczi de schubtand het uitein-
de der 3% veder niet bereikt en de voorrandschubben dier veder
slechts eene smalle lijn vormen en dus weinig bijdragen om den
schubtand grooter te doen schijnen.
Lijfland, Engeland, vele streken van Duitschland in Julij en
Aug. Ik zag 2 ex. door den Heer Snellen van Vollenhoven
hier te lande gevangen ; maar zonder juiste-localiteits opgave.
11.
Ox. Ericetorum, Zeller.
Bovenvl. niet tot op het midden gespleten, helder rood-
44
bruin met 2 witte dwarsstrepen over de slippen, en eene
duidelijke witte lyn over den franjewortel langs den ach-
terrand van de 24 slip; de 3de vinger heeft aan het utt-
einde eene afgeronde zwarte vlek uit schubben bestaande.
Lengte der vl. 0,014. — 0,016.
Zeller L. Ent. VI. 352. — H. S. tab. 3. fig. 15. pag.
371. — Frey pag. 409.
Komt het meest overeen met Pl. Hieraczz, maar is in den
regel iets kleiner ; van dezelfde grootte als Pelosellae. Gemak-
kelijk te herkennen aan de groote, afgeronde, donker zwarte
vlek, die gevormd wordt door de franjeschubben om het uit-
einde der 3de vederpunt..
Duitschland, (Glogau, Regensburg) in Julij en Aug. ; Zwit-
serland.
11.
Ox. Trichodactylus, Hübner.
Bovenvl. niet tot op het midden gespleten, roodachtig
kaneelbruin, met 2 witte dwarsstrepen over de slippen en
eene sneeuwwitte lyn langs den achterrand dier slippen.
De 3% veder in ’t midden wit en aan de punt ter weder-
zijde met zwarte schubben bezet.
Hübner fig. 18 (slecht). — Zell. Isis 1841, 832. — L. Ent.
Vip 353. HS. V. f. 13. p. Sat.
De schoonste soort dezer afdeeling. De witte franjelijn op
de 2de slip heeft Zrichod. met Hieracii en Ericetorum gemeen ,
maar het wit op de bovenvl. is bi eerstgenoemde soort veel
scherper afgeteekend dan bij de anderen. De zwarte schubben
der 5de veder vormen eene meer langwerpig afgeronde vlek dan
bij Zricetorum. Bovendien kan Trichod. van beide genoemde
soorten onderscheiden worden door de kleur der 3de veder, die
vóór de zwarte schubvlek over een groot gedeelte wit is.
Lijfland, Finland, Zweden, Mecklenburg, Silezie, Pomme-
meren enz. Junij.
18.
Ox. Obscurus ; Zeller.
Bovenvl. niet tot op het midden gespleten, roodachtig
donkerbruin met 2 sneeuwwitte dwarsstrepen over de slip-
pen, sneeuwwitte franje aan het uiteinde van den voorrand
en een witte veeg over de franje van de 2% slip; de punt
der derde veder is aan wederzijde zwart beschubd.
Lengte der vl. 0. 014.
Zeller Isis 1841, 793. tab. IV. fig. 25, 26. L. Ent. VI.
p. 354. — H. S. V. fig. 17, pag. 372. — Frey pag. 410.
Deze soort heeft even als Zrichod. en Zricetorum eene zwarte
schubvlek aan het einde der 34 veder, maar in de plaats der
witachtige lijn, die bij deze soorten over den wortel der franje
langs den achterrand der 2de slip loopt, heeft obscurus over
de franje dier slip een’ langveeg, die bij haar begin zuiver wit is,
Bovendien heeft obscurus eene bruinere , minder met roodgeel ge-
mengde vleugel-kleur, dan de beide andere genoemde soorten.
Verspreiding: Finland, Lijfland, Engeland, Toskane enz.
tot in klein Azie.
14.
Pt. Phaeodactylus. Hübner.
Bovenvl. grys- of bruinachtig okerkleurig, met een geel-
witte halve-maanvormige veeg over het begin der slippen,
die vrij puntig zijn.
Lengte der vl. 0,018. — 0,019.
Hubn. fig. 14, 15. — Treitsk. IX, 2. 240. Zeller Isis 1841,
p. 834. — L. Ent. VI. p. 356. — H. S. V. pag. 378. —
Frey pag. 410.
Oostelijk Rusland, Frankrijk, Engeland, vele streken van
Duitschland enz. Vlieot in Duitschland in Junij, Julij.
46
15.
Pt. Mictodactylus, Wiener Verzeichniss.
Bovenvl. bruinachtig graauw naar den voorrand don-
kerder , met bruine voorrandfranje, een donker bruin dwars
streepje op het midden der vl., een dergelyk tweevlekkig
streepje by de spleet en eene dergelijke langveeg over de
iste slip. Franje der 3% veder vry kort.
Lengte der vl. 0,019. — 0,020.
W. V. p. 320. — Treitsk. IX. 2. 240. — Hb. f. 3. — Zell.
L. Ent. VI. 358. — H. S. V. f. 24. p. 376. — Mictodac-
tyla var. a Zell. Isis 1841, 836. tab. IV. f. 28—31.
Silezie, Brandenburg, Lijfland, Toskane enz. Vliegt in ‘i
voorjaar.
16.
Pt. Serotinus, Zeller.
Kleiner dan de vorige. Bovenvl. bruinachtig graauw
met geelachtigen binnenrand, bruine voorrandfranje, een
zwartbruin streepje op het midden der vl. , eene gelykkleu-
rige kromme streep tegen de spleet, eene dergelijke lang-
streep (die soms bijna niet zigtbaar is) over de 15® slip
en een witachtig dwarsstreepje over dezelfde slip, dat
tot in de franje voortloopt. Franje der 3% veder vrij kort.
Lengte der vl. 0,018.
Zell. L. Ent. VI. p. 361. — H. S. V. p. 376. — Pt. mi-
ctod. var: b. Zell. Isis 1841, 837.
Het is onzeker of Serotinus wel een andere soort is dan Mictod.
Verschillende gedeelten van Duitschland, Hongarye en Zwit-
serland. Vliegt bij Glogau in Aug. Sept.
47
18.
Pt. Fuscus, Retz.
Bovenvl. bruinachtig geel , langs den voorrand donkerder ;
langs den binnenrand breed vaalrood; een bruin dub-
bel punt tegen de spleet; langs den zoom des voorrands
eene zeer smalle witte lyn; franje der 3% veder vry kort.
Lengte der vl. 0,019. — 0,020.
Retz. Genera et Species de Geerii, p. 35. — Zell. Isis 1841,
841. — L. Ent. VI. p. 371. — Frey pag. 413. — H. S. V.
pag. 375. — de Gr. Bouwst. I. N°. 856, — Ptilodactyla
Hbn. 16 9 25 7. — Treitsk. IX. 2. 244.
Gemakkelijk te onderscheiden van Mctodactylus door de
vaalroode kleur en de witte voorrand-lijn; van S#igmatodac-
tylus door breedere bovenvl. en breedere slippen en de 2 lood-
regt boven elkaar geplaatste punten bij de spleet.
Hier te lande bij Noordwijk, Wassenaar en Woerden in Julij
(d. G.); Kampen (Bond.), Nymegen in Aug. (Maitland), Velp
tusschen gras vliegende (d. R. v. W.), Zeeland (d. Br.). ’s Gra-
venhage en Heemstede (v. Voll.)
18.
Pt. Stigmatodactylus, Zeller.
Bovenvl. geelgrijs, langs den binnenrand vaalrood; de
zoom der voorrand-franje vau de 1ste slip wit; 2 schuins
geplaatste zwarte punten by de spleet. Franje der 3de
veder vy kort.
Zell. L. Ent. VI. 374. — H. S. V. p. 375. f. 21.
De bleekere kleur en de schuinsche plaatsing der punten
onderscheiden haar van fuscus.
Omstreken van Weenen.
WOE
Pi. Lithodactylus, Treitschke.
Halskraag en bovengezigt kaneelbruin; rug gris. Bo-
venvl. stofgraauw, bruin bestoven, met een bruine wit
uitgeholde halve-maan-vlek voor de spleet. Schenen van
het middelste paar pooten op het midden en aan de uitein-
den door bruine schubben verdikt.
Lengte der vl. 0,028. — 0,024.
Treits. IX..2. 245. — Zell. Isis 1841, 843 tab. IV. f. 6.
L. Ent. VI. p. 377. — H. S. V. p. 378. f. 10. — Frey p.
414. — Septodactylus Treitsk. IX. 2. 246.
Gekenmerkt door de knotvormig verdikte middelschenen.
Ik heb deze soort éénmaal vrij talrijk aangetroffen op Puli-
carta dysenterica langs het Mallegat te Katwijk aan Zee,
half Aug. 1852.
Pt. Pterodactylus, Linné.
Vleugels gestrekt. Bovenvl. graauw roodachtig of isabel
kleurig, met een bruin puntje voor de spleet en onder-
scheidene puntjes in de achterranden der slippen. Franje
der 3° veder zeer lang.
Lengte der vl. 0, 021.
Hb. fig. 4. — Treits. IX. 2. 242. — Zell. Isis 1841, 846,
tab. IV. f,7. — L. Ent. VI. p. 377. — H. 8. V. f. 27. pag.
379. — d. Gr. Bouwst. I. N°. 857. — Frey p. 415.
Var. a Bovenvl. grijs, met roodachtigen binnenrand.
Zell. t. a. p.
Pterod. is slanker dan fuscus en daarvan gemakkelijk te
onderscheiden door de lange franje der 3de veder.
Noordwijk en Wassenaar in de schemering vliegende in Julij,
49
Aug., den herfst door en na de overwintering in April (d. G.) ;
Rotterdam (Snellen) en Dordrecht (d. R. v. W.); Helpman in
Aug. (d. Gav.) ; Arnhem (Backer) ; Doorn (d. G.) en Velp over-
vloedig (d. R. v. W.). Zeeland (d. Br.).
Ook de var. a is door ons gevangen teNoordwijk. (d. G.).
21.
Pt. Scarodactylus, Zeller.
Lyf geelachtig wit, met kaneelbruine halskraag en voor-
hoofd. Bovenvl. smerig wit, met bruin stof bestrooid;
één bruin, bleek, voorrand streepje op de 1ste slip en daar-
onder , boven het begin der spleet, een bruin punt kort
voor de spleet.
Lengte der vl. 0,019.
Zell. Isis 1841, 848. — L. Ent. VI. p. 378. — H. S. V.
f. 26, 32 pag. 379. — Frey p. 415. — d. Gr. Bouwst. I.
N°. 858. — ? Scarodactyla Hb. f. 21, 22.
Osteod., Carphod. en Microd. hebben veel geler bovenvl.
dan Scarod. Deze verschilt van Lephrad. door hare duis-
tere, graauwwitte kleur en de bruine voorrand-langstreep op
de iste slip, die bij laatstgenoemde ontbreekt; daarentegen
heeft Tephrad. op het midden van de iste slip, in den voor-
rand, een klein, scherp, streepvormig punt, dat bij Scarod.
als uitgeveegd is. Zephrad, heeft op den binnenrand der
2de slip 3 fijne, zwarte langstreepjes of punten, waarvan bij
Scarod. slechts zelden onduidelijke sporen te vinden zijn.
Van Zienigianus is Scarod. onderscheiden door kleur, bleeke
randpunten en het punt — geen dwarsstreepje — vóór de
spleet.
Omstreken van Leiden (d. G.), Gliphoeve in Junij (v. V.),
Wassenaar, (t. M.); enkele exemplaren te Velp in Julij tus-
schen heide en heidegras vliegende (d. R. v. W.).
22.
Pt. Lienigianus, Zeller.
Halskraag en voorhoofd bruin. Bovenvl witachtig met
vaalroode tint; een schuin zwartbruin streepje digt by
de spleet, daarboven een gelykkleurige langstreep in de
voorrandfranje der 1ste slip, tusschen welke streep en de
vl.-punt een zwartbruin punt gelegen is; duidelijke pun-
ten op de uiteinden der slippen.
Lengte der vl. 0,022.
Zell. L. Ent. VI. 380. — H. S. V. pag. 379 en fig. 33 met
den naam Melinodactylus.
De roodachtige tint dezer soort ziet men nimmer bij Scarod.
Van deze en de volgende soorten onderscheidt Zienigianus zich
bovendien door de duidelijke zwartbruine randpunten en het
schuinsche dwarsstreepje voor de spleet.
Katwijksche duinen in July (d. G.).
23.
Pt. Tephradactylus, Hübner.
Halskraag en voorhoofd kaneelbruin ; lyf geelachtig wit.
Bovenvl. geelachtig wit, met bruine bestrooying , 2 bruine
punten kort vóór de spleet, 1 dergelijk punt in den voor-
rand achter het midden van de 1ste slip en dergelyke puntjes
op de uiteinden der slippen.
Lenote der vl. 0,020
Hb. f. 17. — Zell. Isis 1841, 850. — L. Ent. VI. 382. —
H. S. V. f. 28. p. 380. — Frey p. 415. — De Gr. SOL. I,
N°. 859.
De geelwitte kleur, de minder diep gespleten bovenvl., het
gemis van den bruinen veeg aan den voorrand der 1ste slip en de
2 punten vóór de spleet onderscheiden deze soort van Scarod.
Het gemis van den bedoelden voorrandveeg of streep onderscheidt
5I
deze soort ook van de 3 volgende species.
Lijfland, Silezie, bij Weenen, Freyburg, Zwitserland.
24.
Pt. Inulae, Zeller.
Helskraag en voorhoofd bruin; lyf geelachtig wit. Bovenvl.
smerig geelachtig wit , met bruin stof bestrooid, 1 bruin punt
tegen de spleet, 1 dergelijk aan den voorrand even achter
het begin der 15° slip en andere puntjes omtrent de uitein-
den der slippen.
Lengte der vl. 0,014 — 0,020.
Zeller L. Ent, VI. p. 384. — H. S. V. p. 380.
Scarod. heeft een’ achterrandhoek aan de 2de slip, die bij
Inulae ontbreekt, Deze heeft daarentegen duidelijke randpun-
ten op de uiteinden der slippen, die bij Scarod. niet voorhan-
den zijn.
De fijne bruine bestrooijing en het punt — geen dwarsstreepje —
bij de spleet onderscheiden /nulae van Lienigianus.
Van Lephrad. is Inulae te onderscheiden aan het meestal
zeer duidelijke voorrandpuntje, achter het begin van de iste slip
en het enkele punt vóór de spleet, dat bij eerstgenoemde
dubbel is.
Osteod. heeft een’ voorrand-veeg maar geen punt, en geene
punten langs de randen der slippen. f
Microd. heeft op het midden van den voorrand der iste slip
een bruin punt en is kleiner dan /nulae.
Carphod. eindelijk heeft cene gelere grondkleur ; ook is bij deze
de 2de slip smaller dan bij /nulae.
Posen , Glogau , Breslau. Augustus.
25.
Pt. Carphodactylus, Hübner.
Halskraag en voorhoofd bruinachtig; lyf en bovenvl.
4 *
52
licht zwavelgeel ; laatstgenoemden hebben 1 bruin voorrand-
streepje achter het begin der 1ste slip, 1 dergelijk punt
bij het begin der spleet en andere punten op de uiteinden
der slippen.
Lengte der vl. 0,016. — 0,017.
Hb. f. 19, 20. — Treitsk. X. 3, 222, — Zell. Isis. 1841.
853, 1847, 905. — L. Ent. VI. p. 386. — H. S. V. p. 381.
— Frey p. 416.
In de berkenpannen der Wassenaarsche duinen in Junij
(d. G., t. M.).
25.
Pt. Microdactylus, Hubner.
Halskraag en voorhoofd kaneelbruin. Bovenvl. zeer
licht zwavelgeel, vrij rykelyk met bruin bestrooid, met 2
bruine punten in den voorrand der iste slip, een dergelijk
onduidelijk punt by de spleet en eenige bruine puntjes op
de uiteinden der slippen.
Lengte der bovenvl. 0,013. — 0,015.
Hb. f. 26, 27 (het 2de punt ontbreekt). — Treits. IX. 2. 248. —
Zell. Isis 1841, 854. — H. S. V. p. 381. — Frey p. 417. —
d. Gr. Bouwst. I. N°. 861. ‘(Aldaar valle weg: Wass. d. G.).
De kleinste dezer groep.
Van /nulae onderscheiden door de zwavelgele grondkleur en
een tweede bruin punt in den voorrand, door welk laatste ken-
merk, zij, behalve door hare kleinheid, ook van Carphod. is |
onderscheiden.
In Junij op de heide tusschen Voorst en Apeldoorn bij een
poeltje (v. V.). Zeeland (d. Br.).
ile
Pi. Osteodactylus, Zeller.
Halskraag en voorhoofd bruinachtig; lyf en bovenvi.
we
58
zeer helder zwavelgeel. Op laatstgenoemden een bruin
punt by de spleet en een brutnachtige voorrandveeg voor
het midden der 1ste slip.
Lengte der vl. 0,017.
Zell. Isis 1841, 851, tab. IV. f. 8, 9. — L. Ent. VI.
388. — H. S. V. p. 381 f. 29. — Frey p. 417. — Bouwst. I.
N°. 860.
Het gemis van alle bruine randpuntjes op de uiteinden der
slippen gevoegd bij het voorhanden zijn van den voorrand-veeg,
onderscheidt deze soort van alle verwanten.
Engeland, Finland, Lijfland, bergachtige streken van Duitschl.
enz.
Ik kan het eenig in de Bouwstoffen als inlandsch opgegeven
ex, niet meer vergelijken.
28.
Pt. Brachydactylus, Kollar.
Vleugels bruin; voorrand en franjen geelachtig wit gevlekt.
Lengte der vl. 0,018. — 0,020.
Treits. IX. 2. 238. — Zell. Isis 1841, 856 tab. IV. f. 34.
H.S. V. p. 381, f. 11. — Frey p. 417.
Zeer kenbaar aan de bruine op de franjen wit gevlekte vleugels.
De Heer de Roo von Westmaas bezit een individu dezer
soort, dat door hem in Julij te Scheveningen gevangen is;
terwijl het in den zonneschijn vloog tusschen gras, bij laag ei-
kenhout, op eene plaats waar veel Hypericum groeide.
29.
Ac. Galactodactylus , Hübner.
Bovenvl. wit, met een zwart voorrandstreepje op het begin
van de eerste slip, 2 zwarte punten by de spleet en on-
derscheidene zwarte punten in de randen der slippen.
Lengte der vl. 0,018.
> f
oF
Hübn. 2. De plaatsing der punten is. niet naauwkeurig. —
Treits. IX. 2. 250. — Zell. Isis 1841, pag. 857. — L. Ent.
VI. p. 390. — E. S. V. p. 384.
Gelijkt het meest op Spzlodactylus, maar daarvan te on-
derkennen aan de zwarte punten op de randen der breedere
slippen, die bij Spz/od. ontbreken en aan de ongevlekte franje
der ondervleugelvederen.
Komt voor in Engeland, Duitschland, Saksisch Zwitserland ,
enz. in Julij.
30.
Ac. Spilodactylus, Curtis.
Bovenvl. witachtig aan den wortel grs bestoven, met
eenen bruinachtigen veeg by de spleet; ondervl. graauw,
met witte bruinachtig gevlekte franjen om al de vedertjes.
Lengte der vl. 0,018.
Curtis Brit. Ent. IV. 161. — H. S. V. p. 383. fig. 25. —
Zeller L. Ent. VI. p. 391. — Pt. Obsoletus Zell. Isis 1841 , 859.
Kan met geene der volgende soorten verward worden. Van
de vorige soort is Spilod. gemakkelijk te onderscheiden door
de gevlekte franje der ondervl., de puntiger slippen der bo-
venvl. enz.
Engeland, Frankrijk, Italie, Duitschland, Spanje. Vliegtijd
Julij; in Italie reeds in Junij.
31.
Ac. Xanthodactylus, Treitschke.
Halskraag en voorhoofd leemgeel; Bovenvl. witachtig,
de uiteinden der slippen bruin bestoven, met een bruin
voorrandstreepje achter het begin van de eerste slip, een
bruin veegje by de spleet en eene bruine vlek op de binnen-
randfranje van de tweede slip.
Lengte der yl. 0,019.
re ara
aes ae
Treits. IX. 2. 251. — Zell. Isis 1841, 858. — L. Ent. VI.
p. 392. — H. S. V. p. 383. fig. 30, 31.
De donkerbruine veeg op de binnenrandfranje der tweede
slip onderscheidt deze soort van Baliod., Tetrad, en andere
verwanten. Ook ontbreekt bij deze allen het scherp geteeken-
de, korte zwartbruine streepje in den voorrand, dat XYanthod.
slechis met vele exemplaren van Baltod. gemeen heeft. Met
Xerod. is Xanthod. zeer gemakkelijk te verwarren. Deze
heeft echter altoos witachtige bovenvl., die bij gene been-
kleurig zijn. Daarenboven loopt bij Xanthod. langs den voor-
rand op de onderzijde der bovenvl. van den wortel uit eene
breede smerig witte streep, waarin de zwarte voorrandstreep niet
scherp uitkomt ; terwijl bij Yerod. daarentegen de wortel van den
voorrand op de onderzijde der bovenvl. even bruin is als het
vleugelvlak; eerst op het midden van den voorrand begint eene
duune lichte randlijn, die zich verbreedt tot aan de zwarte
voorrandstreep en vóór deze bijna zuiver wit wordt ; een bijna
zuiver witte vlek volgt op de streep, zoodat deze door de witte
begrenzing aan wederzijde zeer in het oog valt. Eindelijk
heeft Yanthod. minder breede en kortere slippen dan Yerod.
en geene zwarte punten langs de randen der slippen.
Xanthod. vliegt in Hongarye, bij Weenen, Jena en in i
Zuiden van Frankrijk.
32
Ac. Xerodactylus , Metzner.
Halskraag en voorhoofd okergeel; bovenvi. beenkleu-
rig, een zwart voorrandstreepje, 3 zwarte puntjes op de
franje-rand der eerste slip en 2 dergelyke puntjes op de
tweede slip; een bruine veeg op de binnenrand-franje van
de tweede slip.
Lengte der vl. 0,019.
Zell. Isis 1841, 860. — L. Ent. VI. 393.
Hongarije en waarschijnlijk ook de omstreken van Weenen.
56
33.
Ac. Baliodactylus, Fischer v. Roslerstamm.
Kop bruinachtig, met uitzondering van eene witachtige
dwarslijn ; achterlijf witachtig met 3 gele langslynen ;
bovenvl. witachtig, met eene zwarte voorrand-langstreep
bij het begin van de eerste slip; een bruine langveeg op
de voorrand-franjen achter het midden dier slip, wier
binnenrand-franjen naar de vleugelpunt gebruind zijn.
Lengte der vl. 0,019.
Zell. Isis 1841, 861. — Isis 1847, 39, — L. Ent. VI.
p. 393. — Frey p. 418. — H. S. tab. 6. fig. 36. pag. 348.
Van de twee vorige soorten onderscheiden door het gemis
van een zwart streepje op de binnenrand-franjen der tweede
slip, door de niet donkere uiteinden der slippen en de donkere
binnenrand-franjen der vleugelpunt. Van de twee volgende
naauw verwante soorten kan men #aliod. herkennen aan de
voorrand-teekening der bovenvl. ; eene fijne zwarte voorrand-lijn
verdikt zich nam. tot eene korte langstreep ter plaatse waar de
eerste slip begint; op die streep volgt een witachtige plek, die
voortloopt tot aan eene bruine verdonkering der voorrand-franje ,
welke verdonkering , in den vorm van eenen langveeg , zich naar
achteren verdund en vóór de vleugelpunt verdwijnt.
In gematigden zuidelijk Europa: Engeland, Frankrijk , Tos-
kane, Regensburg, Oostenrijksche Alpen (Junij en Julij). Ook
in klein Azie.
34.
Ac. Tetradaciylus, Linné.
Kop kaneelbruin ; bovenvl. ter naauwernood tot op het
midden gespleten; geelachtig wit, van voren leemgeel ; slip-
pen witachtig ; voorrand van de eerste slip, met uitzon-
dering van de vleugelpunt , bruin.
57
Lengte der vl. 0,018. — 0,020.
Linné Syst. Nat. I. 2. 100. --- Treits. IX. 2. 252. — Zell.
Isis 1841, 862. tab. IV. fig. 10, 11. — L. Ent. VI. p. 394.
H. S. pag. 385. tab. 6. fig. 35. — Frey p. 419. — d. Gr. Bouwst.
I. N°. 862. — Zeucodactyla Hb. 5.
Van Baliod. is Tetradact. te onderscheiden door den voor-
rand der bovenvl., die van den wortel af breed leemgeel ge-
kleurd is; deze kleur wordt donkerder en smaller totdat zij op
de franjen der eerste slip in eene bruine lijn overgaat, die naar
achter dunner wordt, de vleugelpunt niet bereikt en bij de
lichte kleur der slip sterk afsteekt. De breede witachtige af-
breking der donkere kleur vóór het midden der slip, die men
bij Baliod. opmerkt, ontbreekt derhalve geheel bij Teérad.
Vliegt in Julij in de berkenpannen der Wassenaarsche dui-
nen (d. G.).
35.
Ac. Ischnodactylus , Treitschke.
Bovenvl. beenkleurig of bleek stroogeel, met één zwart
punt in den voorrand van de eerste slip en drie dergelijke
punten op den achterrand der tweede slip.
Treischke X. 3. 223. — Zeller Isis 1841, 863; 1847, 906. —
L. Ent. VI. p. 396. — H. S. V. p. 385. f. 377.
Gemakkelijk aan de zwarte puntjes op de slipranden als eenige
teekening te herkennen.
Weenen, in Hongarije, op Sicilie en in klein Azie.
86.
Ac. Pentadactylus, Linné.
Geheel sneeuwwit.
Lengte der vl. 0, 026.
L. Syst. 1. 2. 900. — Treits. IX. 2. 249. — Hübn. fig. 1.
58
Zell. Isis 1841, 864. tab. IV. fig. 36, 37. — L. Ent. VI.
p. 397. — Frey pag. 419. — d. Gr. Bouwst. I. N°. 863.
Gekenmerkt door grootte en sneeuwwitte kleur, zonder eenige
teekening.
In bijna geheel Europa. Noordelijk tot Zweden. Hier te
lande gewoon: in Julij bij Noordwijk ; Katwijk, Leiden enz.
in de schemering vliegende (d. G.); Ede in Aug. (Maitl.);
Z.-Laren (Cl. Mulder). Dordrecht en Velp overvloedig (d. R.
v. W). Zeeland (d. Br.). Gliphoeve gemeen (v. V.).
De rups in Mei (Snellen) op Convolvulus arvensis en
Sepium.
H. W. pe GRAAF.
VERANDERINGEN IN DE LIJST DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
Aan de Vereeniging zjn ontvallen:
De H. H. S. Berghuis, te Groningen, heeft bedankt.
P. W. M. Trap, te Leiden » »
Aan de Vereeniging heeft zich aangesloten:
1858.
De H. J. D. W. Dikkers, te Delden (Overijssel).
VERVOLGLIJST DER BOEKEN
TOEBEHOORENDE AAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
TIJDSCHRIFTEN.
Annales de la Société Entomologique de France. 3"° Série;
Tome V; 1—4 Trimestre. Paris 1857—58.
The Transactions of the Entomological Society of London.
New Series. Vol. IV, part. 5—7. London 1857—58.
Entomologische Zeitung. Herausgegeben von dem Entomol.
Vereine zu Stettin. Jahrg. XVIII, N°. 1—12, Jahrg, XIX,
N°. 1—3. Stettin 1857—58. Hen ex. van den 18den jaargang is ook
ten geschenke ontvangen van den Heer ©. A. Dohrn te Stettin.
Verzeichniss der in der Bibliothek des Entomol. Vereins zu
Stettin, Neujahr 1857 vorhandenen Bücher.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben von dem
Entomologischen Vereine in Berlin. Erster Jahrgang, H. 1. u. 2.
zweiter Jahrgang , H. 1. Berlin 1857, 1858.
Wiener Entomologische Monatschrift. Band I, N°. 1—6.
Wien. 1857.
Bericht über die Wisschenschaftlichen Leistungen im Gebiete
der Entomologie, wihrend des Jahres 1855, von Dr. A. Gerst-
aecker in Berlin. Berlin 1857.
Linnaea Entomologica , Zeitschrift herausgegeben von dem En-
tomol. Vereine zu Stettin. Band XI und XII. Berlin 1857, 1858.
61
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. DI. I, afl. 1—5. ’s Gravenhage
1857, 1858.
Abhandlungen des Zoologisch-mineralogischen Vereines in
Regensburg. Erster Heft. 1849. Zweites Heft. 1852. Drittes
Heft. 1853.
Correspondenz-Blatt des Zool.-mineralogischen Vereines in
Regensburg. Jahrg. 6—11. Regensburg 1852—1857.
In ruil tegen een ex. van het Tydschrift.
WERKEN VAN VERSCHILLENDEN EN VAN GEMENGDEN INHUOD
OVER INSEKTEN IN HET ALGEMEEN, OF OVER MEER-
DERE ORDEN DAARVAN HANDELENDE.
British Entomology, being [Illustrations and Descriptions of
the Genera of Insects, found in Great-Britain and Ireland, by
John Curtis. London 1824, Voll. Geschenk van den Heer
Snellen van Vollenhoven.
Etudes Entomologiques, rédigées par Victor de Motschoulsky
TV®° et V™ année 1855, 56, Geschenk van Z. E. den
Minister van binnenlandsche zaken.
Nieuwe bijdrage tot de (insekten-) Fauna van Nederland, op-
genomen in den Algem. Konst en Letterbode van 7 Junij
1856, N°. 23 en een afzonderlijke afdruk daarvan. Geschenk
van den Heer Snellen van Vollenhoven.
WERKEN OVER INSECTA HYMENOPTERA, HANDELENDE
Hymenopterologische Studien van Prof. Arnold Foerster. 1stes
Heft. Formicariae. Aachen 1850.
Monographie der Gattung Pezomachus, door denzelfden. Ber-
lin 1851. Geschenken van den Schryver,
Ichneumologica otia, auctore C. Wesmael. 1857. Geschenk
van den Schryver.
WERKEN OVER INSECTA LEPIDOPTERA HANDELENDE.
Sepp (J . C.), Beschouwing der wonderen Gods in de minst-
geachte schepselen of Nederl. Insecten. DI. VIII. Afl. 15—26.
Stainton (H. F.), The natural History of the Tineina Vol.
62
II, Part. I containing Lithocolletis. London 1857.
Dr. G. A. W. Herrich Schäffer, Systematische Bearbeitung
der Schmetterlinge von Europa, zugleich als:
Text, Revision und Supplement zu Jakob Hubner’s Samm-
lung Europäischer Schmetterlinge.
Band 1. Die Tagfalter. Regensburg 1843.
» 2. Die Schwärmer, Spinner und Eulen. Regensburg 1845.
» Die Spanner. Regensburg 1847.
Pyralidae et Tortricidae. Regensburg 1848.
Tineae et Alucitae.
>
»
D n Ba w
» Figuren in omtrek met verklaring, Systema en Index.
WERKEN OVER INSECTA ORTHOPTERA HANDELENDE.
Leopold Henricus Fischer, Orthoptera Europaea. Lipsiae ,
1854.
VARIA.
Verslagen en Mededeelingen der Kon, Akademie van Weten-
schappen. Afd. Natuurkunde, Deel 6. Stuk 1—3. Deel 7. Stuk
1—3. Amsterdam 1857—1858.
Jaarboek van de Kon. Akademie van Wetenschappen, ge-
vestigd te Amsterdam, van April 1857 — April 1858.
Catalogus van de boekerij der Kon. Akademie van Weten-
schappen, gevestigd te Amsterdam. iste Deel iste Stuk 1857.
Rapport van de Commissie voor de internationale ruiling
van voorwerpen van wetenschap en kunst, over 1857.
Verslag door Burgemeester en Wethouders gedaan aan den
Gemeenteraad van Leyden, over het jaar 1857. Leyden 1858.
Zwei und dreissigster Jahres-bericht der Schlesischen Ge-
sellschaft für vaterländische Kultur im Jahre 1854,
DE INLANDSCHE BLADWESPEN
IN HARE GEDAANTEVERWISSELINGEN EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN
DOOR
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
DERDE STUK.
CIMBEX BETULETI, KLUG.
N°. 3 der Bouwstoffen.
Wesp: Harrie, Blatt- und Holzwespen, p.70 N°. 4.
Larve: v. VoLL. in Zydschr. voor nat. Gesch. en phy-
stol. Jaar 1843, Tiende deel, bl. 97 onder den
naam van C. Lucorum.
Westwoop, in Gardener’s Chronicle, 1852. bl.
68 6 & c. mede onder den naam C. Lucorum.
Cimbex nigra subnitida, rufo-griseoque villosa, anten-
nis nigris, tibiarum apice, tarsisque luteis.
In het jaar 1843 werd in het Tijdschrift der Heeren Proff.
J. van DER Hoeven en W. H. pe VRIESE eene kleine bijdrage
tot de kennis der Hymenoptera van mijne hand opgenomen,
welke tot opschrift voerde: over de Zarve van Cimbex Lu-
corum en hetzelfde insect beschreef, dat nu in dit tijdschrift
onder eenen anderen naam wordt behandeld. Het is zeker
wel eenigzins bevreemdend, dat hetzelfde dier ook door West-
wood onder den naam van Zucorum beschreven is; daaruit mag
men afleiden hoe na verwant deze soorten zijn. Over het soor-
telijk verschil der volkomene insecten zal later een woord gezegd
5
64
worden; men zal daaruit zien dat het vrij gering is. De re-
den, die tot de naamsverwisseling aanleiding moet hebben ge-
seven is, dat noch Westwood noch ik vertrouwen genoeg ge-
schonken hebben aan de Geer, die in het tweede deel zijner
Mémoires (bl. 232 van de Duitsche vertaling) den Cimbex
Lucorum, ofschoon wel is waar onder den naam van C. 4me-
rinae!), maar evenwel zoo juist en duidelijk beschrijft, dat
ieder Hymenopteroloog in zijne beschrijving het volkomen insect
van Zucorum herkennen moet. Latere onderzoekingen en
vooral het terugvinden der larve van deze laatste soort, die
volgens de Geer op wilgen leeft, zullen aantoonen, dat deze
schrijver zich niet bedrogen heeft in het bijeenvoegen van larve
en volkomen insect, maar alleen in zijne determinatie naar
Linnaeus, die C. Betulett niet gekend heeft.
De larven der groote Cimbices schijnen zeer veel op elkan-
der te gelijken, zoodat ook nog de levensgeschiedenis van ©.
vartabilis, die men bij Rösel, Frisch, Hartig, Ratzeburg,
Lyonet en misschien nog andere schrijvers aantreft, verre is
van tot klaarheid gebragt te zijn. Het komt mij voor, dat
door deze schrijvers meer dan eene soort waargenomen is, en
het zal mij hoogst aangenaam zijn, indien ik door toezendingen
van larven in staat gesteld worde deze geheele zaak meer dan
eenmaal naauwkeurig te onderzoeken.
Het ei wordt, zoo als Westwood ons meldt, door de wijfjes
in eene met hare zaag gemaakte insnijding in de zachte takjes
der Meidoornheesters gelegd; dit moet in de maand Mei plaats
hebben. De larven zijn steeds groenachtig wit van kleur; ei-
genlijk is de huid groen, doch bedekt met eene poederachtige
witte stof (verg. Fig. 1. 2 en 3). Tot aan de voorlaatste ver-
velling hebben zij eenen zwarten schedel, ook meestal met wit
exsudaat van het ligchaam bedekt, terwijl ter hoogte van den
top van het kopschild (Clypeus) de kop wit is. Duidelijk
ziet men de oogen in langwerpig ronde, zwarte vlekken staan —
1) Dat het de larve van €. Amerinae niet zijn kon, was reeds door Hartig
opgemerkt.
65
en daaronder de witte voelhoorntjes (verg. Fig. 4). Na de voor-
laatste vervelling is de kop der larve helder geel met eene
vrij groote bruinachtig-oranjekleurige vlek op den schedel;
de oogen staan alsdan in meer cirkelronde zwarte vlekken
(verg. Fig. 5.).
De larven worden bijna 4 centimeters lang.
De zes voorpooten zijn witachtig groen , zeer bleek , met bruine
klaauwtjes en een breeden, eenigzins platten vorm van het
voorlaatste lid. Acht paar buikpooten zijn er, zonder klaauwen
of haakjes, lichtgroen van kleur en dus 22 pooten in het ge-
heel. Over den rug loopt eene donkerder groene streep. Aan
iedere zijde van het lijf zijn negen langwerpig ronde luchtgaten
en daarboven een klein rond spuitgaatje (verg. Fig. 6.), zijnde
de mond van eene klier, waaruit ook deze larve, even als die
van Abia aenea (verg. 1° Deel, bl. 144) bij aanraking een on-
gekleurd vocht spuit. Westwood heeft opgemerkt dat het spui-
ten van vocht sterk vermindert en eindelijk geheel verdwijnt
bij larven, die niet in de vrije natuur leven. Ik vermoed, dat
hij zijne larven te droog voedsel gaf, doch erken dat enkele
voorwerpen omtrent aanraking en behandeling vrij apathisch zijn.
Raakt men evenwel de larve te hard aan, zoo laat zij zich
terstond op den grond vallen.
De maskers leven tot in de laatste dagen van Julij en voeden
zich met de bladeren van den gewonen hagedoorn of meidoorn ;
zij houden zich over dag schuil onder het loof en kruipen eerst
met de avondschemering weer naar buiten om te eten. In de
laatste dagen van Julij of het begin van Augustus sponnen zich
steeds mijne larven in cocons in, die zij tegen de takjes der
hagedoornen of tusschen de bladeren of wel tegen de hoeken
en den bodem van haar verblijf vasthechtten. Deze cocons
waren hard en vast, gelijk aan die van C. vartabilis, maar
zeer verschillend van die van C. Amerinae, welke netvormig
zijn. De best gevoede en eerst volwassen maskers spinnen
bruine cocons (verg. fig. 7.) de zwakkeren en die later zich
inspinnen , gelen.
Wanneer men in Maart van het volgende jaar de cocons
>*
66
openknipt, vindt men daarin het insect nog in zijnen larve-
staat, maar toch reeds eenigzins veranderd. Het dier schijnt
de helft van zijne vroegere grootte te hebben en is vuil geel-
groen van kleur geworden; de kop is nog geel, maar de sche-
del bruin in plaats van oranje. De monddeelen zijn alsdan
zwartachtig ; de zes voorpooten liggen tegen elkander aan onder
den mond; de buikpooten zijn daarentegen tot rimpels ver-
groeid (verg. fig. 8.).
Korten tijd daarna en ook wel nog in dezelfde maand treft
men in de cocons poppen aan, die glanzend vuil groen zijn
met donkerder zwartachtige vleugelscheeden; alle uitwendige
deelen zijn duidelijk te zien en de voelhorens, pooten en vleu-
gels van het lijf afgescheiden en slechts met een dun doorschij-
nend vlies bedekt; het vocht, dat zich onder dit vlies bevindt,
geeft aan alle deelen een glasachtig uiterlijk. Het achterlijf is
eenigzins donkerder gekleurd en men kan aan de onderzijde daar-
van de zaag van de vrouwelijke wesp onderscheiden (verg. fig. 9.).
Het volkomen insect is bij mij in een matig verwarmd ver-
trek reeds in de laatste dagen van Maart uitgekomen; ik twijfel
evenwel of het in de vrije natuur alsdan reeds aantetreffen zal
zijn. Het beet met zijne groote kaken omstreeks in een uur
tijds (hetgeen aan het knagend geluid te hooren was) een rond
deksel van het cocon af, en kwam met geheel ontplooide en
reeds bijna harde vleugels uit zijne gevangenis naar buiten.
Andere voorwerpen ontwikkelden zich eerst in de laatste dagen
der genoemde maand.
De volkomen insecten zijn 16—18 mm. lang en hebben eene
vlugt van ten hoogste 38 mm. Het zijn trage dieren, die al-
leen door de zonnewarmte opgewekt worden tot loopen en
vliegen; of zij eenig voedsel gebruiken is mij onbekend; ik
vermoed het evenwel, omdat het schijnt dat hun leven in dien
toestand eene maand of zelfs zes weken duurt.
De algemeene kleur dezer bladwespen is zwart; de kop is
bij het mannetje breeder dan bij het wijfje, bij beiden zwart,
op den schedel met zwarte, aan den nek en de wangen met
roodbruine haren begroeid. De bovenkaken van het mannetje
ur %
67
zijn zeer lang en scherp getand R de zamengestelde oogen zijn
groot en elliptisch ; de enkelvoudige oogen staan in een’ gelijk-
zijdigen driehoek op den schedel. De voelhorens zijn geknopt
en geheel zwart. Westwood, gelijk de overige Engelsche schrij-
vers elders, zegt in den Gardiner’s Chronicle 1), dat de sprieten
uit acht geledingen bestaan, waarvan de twee eersten zeer kort
en dik zijn, de derde lang en slank, de vierde en vijfde korter
en gelijk van lengte, en de drie laatsten eenen eivormigen
knop uitmaken. Zal ik mijne meening niet verzwijgen, dan
wordt deze spriet alzoo beschreven om het dier te doen passen
in Leach’s afdeeling Zrichiosoma, een der zes ondergeslach-
ten, waarin deze schrijver zonder eenige noodzakelijkheid het
geslacht Cimbex van Olivier verdeelt. Die afdeelingen zijn
namelijk gegrondvest op verschil in sprieten, bovenlip en dijen,
doch de kenmerken zijn zoo onzeker en van den eenen vorm
in den anderen overgaande, dat men beter doet die onderge-
slachten te laten varen. Een bewijs daarvoor leveren de voel-
horens van ons insect. Deze hebben namelijk zeer duidelijk
slechts zeven geledingen en het vijfde lid behoort reeds eeni-
germate tot den knop; de zevende en achtste geleding van
Westwood zijn eene geleding en er is zelfs geene spoor van
naad meer te zien (verg. fig. 11.).
Het borststuk is glimmend zwart, met rosse haren rijkelijk
begroeid. De pooten zijn tot aan het eind der schenen zwart,
van daar af roodachtig geel. Heupen en dijen zijn met lange
viltachtig haren bezet; de vier achterdijen zijn bij het man-
netje gedoornd. De vleugels hebben een geelachtigen tint,
sterker naar de voorrandaderen; de inplanting is zwart; de
lengte-aderen zijn tot aan de eerste dwarsaderen geel; het
stigma is bruinachtig zwart; aan den buitenzoom ziet men
rookkleurige wolken, die bij het eene voorwerp donkerder zijn
dan bij het andere.
Het achterlijf is zwart; bij het mannetje langwerpig rond of
1) Ik heb de mededeeling van Westwood’s opstel aan de welwillendheid
van den Heer Dr. J. Wttewaal te danken, die er mij een afschrift van deed
toekomen.
68
eylindervormig ; bij het wijfje breeder en platter; bij beiden
aan de basis en onderzijde met rosse, op de bovenzijde met
grijze haren bedekt. (Verg. fig. 10). De zaag, met den eijer-
legger in profiel afgebeeld. bij fig. 13., heeft geheel dezelfde
gedaante als die bij de zeer na verwante soort C. varzabilis,
de grootste onzer inlandsche soorten. Alleen is er verschil in
den vorm der knopjes in den rand, welke niet morille-vormig,
maar neergedrukt bladknopvormig zijn, gelijk men zulks uit
de zeer vergroote afbeelding by fig. 14. zien kan.
Het verschil tusschen deze soort en ©. Lucorum HE. is ge-
ring; deze laatste is ietwat grooter en kloeker van gedaante;
bovendien zijn bij Zucorum de schenen van al de pooten rood
en alleen de knie of het bovenste uiteinde bruin. Indien de
beschrijving der larve bij de Geer naar waarheid is en niet tot
eene andere soort behoort, dan heeft de kop der larve van
Lucorum geene vlek op den schedel. Ik hoop dat het mij
gelukken zal, ook deze larve in ons vaderland te ontdekken; ik
veronderstel dat zij op berken leeft.
C. Betuleti is niet zeldzaam in ons vaderland; het masker
is mij meer dan eenmaal in tamelijke hoeveelheid door den
Heer Dr. Verloren uit Utrecht toegezonden. Ik zelf heb het bij
Leyden gevonden. De Heer Dozy trof het te Breda aan.
Verklaring van Plaat 3.
Fig. 1. Eene jonge larve.
» 2 en 3. Volwassen larven.
» 4. Kop van de jonge larve, vergroot.
» 5. Kop der volwassen larve, vergroot.
» 6. Luchtgat en spuitklep, sterk vergroot.
» 7. Het cocon.
» 8. De larve, zoo als zij in het cocon ligt.
» 9. De pop. f
» 10. De vrouwelijke wesp.
» 11. Haar voelhoorn, vergroot. |
» 12. Achter-scheen en tarsen, vergroot.
» 13. De zaag en legbuis, sterk vergroot.
» 14. Rand der zaag, zeer sterk vergroot.
69
NEMATUS VENTRICOSUS, KLUG.
N°. 32 der Bouwstoffen.
Harrie, Aderfl. Deutschl. I. p. 196, N°. 23.
BoucH£, Naturgesch. d. Ins. p.140, N°. 7.
DanrBom, Claris novi Hym. Syst., p. 22. N°.18. en 25.
Leon Durour in Ann. de la Soc. Hntom., 2° Série. V.
p. 571.
Nematus luteo-flavus , capite, maculis tribus dorsalibus
ac duabus pectoralibus nigris, antennis supra, tibia-
rum apice larsisque posterioribus fuscis 6; partium
omnium colore obscuriori d.
Sommige jaren worden de aalbessenstruiken (zbes rubrum)
door bastaard-rupjes geteisterd, die in menigte bijeen levende
en zeer vraatzuchtig van aard zijnde, spoedig geheele rijen van
struiken kaal gegeten hebben. Ik veronderstel dat er in jaren,
die voor hunne ontwikkeling gunstig zijn, drie generatien be-
staan; de eerste wespen verschijnen in het begin van Mei en
de larven, die uit hare eijeren yoortkomen, veranderen reeds
in het begin van Junij (vergelijk ook de waarnemingen van
Bouché) , zoodat in het midden dier maand reeds voor de tweede
maal wespen zwermen. Nu heb ik in Junij 1840 honderden
larven gevonden, waarvan eenigen, die ik opkweekte, mij in
Aug. volkomen insecten opleverden en het daarop volgende jaar
vond ik in September te Zwammerdam alle aalbessenstruiken
kaal gegeten en nog vele larven aan de takken. Dit kan dus
de derde generatie geweest zijn. Evenwel meen ik te moeten
aannemen, dat er gewoonlijk slechts twee teelten zijn in
een jaar namelijk: wespen in Mei, waarvan larven in Mei en
Junij, die in Julij weder wespen opleveren, wier kroost in
Augustus als larve leeft en zich tegen September inspint om
den winter in cocons doortebrengen.
70
De larve (zie fig. 1.), omstreeks 16 mm, lang, is grijsach-
tig groen van kleur met lichtere zijden en het eerste als ook
het voorlaatste en somtijds ook het laatste segment geelachtig,
of oranje. De kop is glimmend zwart met bruingelen mond.
Over het geheele lijf zijn zwarte stippen gezaaid, welke min
of meer bol uitsteken en waarvan ieder met een zwart haartje
bezet is; deze stippen staan in gebogene rijen, waarvan de
eerste geleding er een, de tweede twee en de overigen drie be-
zitten. Bovendien ziet men in de zijden boven iedere poot
eene grootere en twee kleinere zwarte glimmende vlekken, die
ieder met meerdere haartjes bezet zijn. De stigmata zijn wit.
De larve heeft twintig pooten, zoodat alleen het vierde en elfde
segment pootloos zijn; de zes voorpooten zijn zwart en groen
geringeld met bruine klaauwtjes, de buikpooten ligtgroen, de
naschuivers geel; boven deze laatsten bevindt zich aan iedere
zijde een klein zwart doorntje. Van zoogenoemde buikklieren
of andere afscheidingswerktuigen, onder aan den buik, heb ik
niets kunnen ontdekken.
Zoowel over dag, als des avonds eten deze larven, en ge-
zellig aan een blad beginnende, knagen zij voort, tot niets dan
de stengel met de dikste aderen overblijft. Eer zij de struik
verlaten, vervellen zij nogmaals en worden dan geheel ligt geel-
groen van kleur met oranje voorste en laatste geledingen, doch
zonder zwarte vlekjes of haartjes (zie fig. 2.) waarna zij zich
van den struik laten afglijden en daaronder, niet diep in de
aarde een spinsel vervaardigen, dat van buiten geheel met
aardkorrels bezet is (zie fig. 3).
Hierin veranderen zij des zomers in den tijd van drie weken,
des winters eerst binnen acht maanden in popjes, die geelach-
tig wit van kleur zijn en al de uitwendige leden van de aan-
staande wesp vertoonen. In korten tijd verandert de kleur en
na acht of tien dagen ontdoet zich de wesp van haar laatste
huidje en bijt het cocon open.
Het volkomen insect is 7 tot 8 mm. lang, met eene vlugt van
15—16 mm. Bij het wijfje is de kop zwart, met het kop-
schildje, de bovenlip, de basis der kaken, en de voelers vuilgeel ,
71
de oogranden roodachtig, zoo als ook de sprieten aan de onder-
zijde; de rug is zwart met gele randen of geel met drie zwarte
vlekken, het schildje rood, de rugkorreltjes wit, het achterlijf
geel met bruine zaag. Op de borst staan twee vrij groote glimmend
zwarte vlekken. De pooten zijn geel, de tibien-einden en tar-
sen der achterpooten bruin of zwart. De vleugels zijn glasachtig,
met gele inplanting, bruine aderen en stigma. Zie fig. 4.
Het mannetje onderscheidt zich door geheel zwarte sprieten,
door nimmer verdeelden vlek op den rug, zwart schildje, dat
somtijds een of twee bruine vlekken heeft, zwarte eerste gele-
dingen van het achterlijf en somtijds ook door zwarte heupen
aan de laatste pooten. Over het geheel is deze teekening on-
standvastig en trekt naar het zwarte, zoodat ik zelfs eene merk-
waardige verscheidenheid bij mij heb zien uitkomen, die geheel
zwart was, behalve de inplanting der vleugels en de buik die
rood waren, terwijl ook de voorpooten bruine tarsen hadden
(zie fig. 5.).
Eindelijk heb ik onder mijne Nematus ventricosus van één
broedsel uitgekregen een vrouwelijk individu, hetgeen mij voor-
komt volgens de beschrijving bij Hartig, 4derflügler Deutsch-
lands, pag. 196 n°. 22 te zijn Nematus albipennis, Klug,
welke soortnaam derkalve zou komen te vervallen. De grootte
is gelijk aan die van den typus; de sprieten zijn geheel zwart,
de kop is zwart met gele bovenlip, voelers en basis der kaken ;
de rug is zwart met gele zijden ; het abdomen draagt vijf zwarte
streepjes op de bovenzijde; de borst is geel met de twee ge-
wone vlekken; de pooten zijn geel met lichtbruine tarsen aan
de laatsten; de vleugels eindelijk hebben een groot geel stigma,
gele aderen en gele inplanting. Zie de voorvleugel voorgesteld
bij fig. 6. Hoewel ik zeer vele dezer wespen uit de cocons
heb zien uitkomen, is mij deze varieteit slechts eenmaal voor-
gekomen en ik heb haar in de vrije natuur nimmer gevangen.
De zaag van de vrouwelijke voorwerpen dezer soort is in
hare gedaante zeer gelijk aan die van Nematus coeruleocar-
pus, vroeger door mij beschreven, doch niet zoo sterk omge-
bogen, gelijk zulks in onze fig. 7 voorgesteld wordt.
72
Als parasitisch in de larven levende, zijn mij bekend Meso-
leptus limitaris Grav., Tryphon cephalotes Grav. , melano-
leucus Gray. , bipunctatus Grav. Waarschijnlijk zullen al de
soorten , die Ratzeburg opgeeft als uit Vematus Aibesiz. Scop.(?)
te zijn voortgekomen, wel in deze soort huizen.
Het is onmogelijk met zekerheid te bepalen of Réaumur in
zijne Mémoires, Deel V. bl. 94 en 125, Pl. 10. fig. 411,
deze soort van bladwesp heeft voor oogen gehad, of wel eene
andere soort. Ware het niet dat Dahlbom in zijne boven aan-
gehaalde Synopsis zegt, dat zijne Grossularzae-larven zoowel
de bladeren van de kruisbezienstruik als die der aalbesstruik
nuttigden, ik zoude meenen dat de anders zoo naauwkeurige
natuuronderzoeker twee soorten onderling verward had, voor-
namelijk daar mij op de kruisbes twee soorten van Nematen
_ bekend zijn, die met dezen #entricosus vele punten van over-
eenkomst hebben. Doch Réaumur geeft zijne rups in den tekst
22 pooten, in de beschrijving der platen slechts 20; het komt
ons dus niet zeer gewaagd voor, te veronderstellen dat Réaumur
in dezen niet met zijne gewone naauwgezetheid is te werk ge-
gaan. Doch wanneer wij dat aannemen, vervalt ook het be-
lang, dat wij er in stelden om te weten of de door hem be-
handelde soort dezelfde is als de onze.
Léon Dufour heeft overigens dit onderwerp uitgeplozen in
zeker stukje getiteld: Etudes pour servir a Ühistoire du
Nematus Ribis, geplaatst in de Annales de la Soc. Ent.
de France, 2° Série, Tom. V. pag. 571. (1847). Volgens
hem heeft Dahlbom zich geweldig vergist met den Mematus
van Réaumur voor identiek te verklaren aan zijn’ MV. Grossu-
lariae en ligtvaardig gehandeld toen hij beweerde dat de schrij-
ver des Mémoires zich zou vefschreven hebben in de opgave
van het getal pooten.
Wij laten dezen strijd over synonymie, die tot geene uit-
komst leiden zal, daar; doch kunnen niet nalaten de handel-
wijze van Léon Dufour aftekeuren, die zijne soort fzdes
noemt, ofschoon hij zelf zegt, dat zij niet is de Tenthredo
Ribis van Schrank, Dergelijk gebruik van denzelfden soort-
73
naam kan niets anders dan tot verwarring aanleiding geven.
Bovendien is bij Léon Dufour te wraken dat hij zegt: » D'abord
la larve du Grossulariae a vingt pattes, et je ne conteste pas
à M. Dahlbom son exactitude numérique; celle du Aibis n’en
a que dix-huit”, terwijl uit bl. 574 blijkt dat zijne larve be-
halve de 18 pooten, nog had » une saillie inférieure du der-
nier segment de l’abdomen, saillie où se trouve l’anus et qui
sert, par son épanouissement bilobé, à s'appuyer sur le plan
de support, soit pour favoriser la locomotion, soit pour main-
tenir la larve dans les attitudes souvent grotesques qu’elle prend
sur les bords des feuilles.” Aangezien ieder, uitgenomen Du-
four, dit épanouissement bilobé houdt voor een paar pooten,
zoo had Dufour moeten erkennen, dat Dahlbom’s larve en de
zijne evenveel pooten bezaten. Aardig is het ook te verne-
men op bladz. 572 hoe de, Duitsch noch Engelsch lezende
Franschman meent, dat in het tijdsverloop tusschen Réaumur
en hem (1740—1847) niemand met een woord zoude vermeld
hebben het kleurs- en sieraden-verlies bij de laatste vervelling
der bladwespen-larven.
Daarentegen moet ik Léon Dufour volkomen toestemmen,
dat er geene reden is om Dahlbom’s Wematus grossularia-
tus voor eene andere soort ie verklaren als zijnen Grossula-
riae. De larven waren, even als de volkomen insecten bij
beide soorten zoo volkomen gelijk als het eene ei het andere;
het verschil bestaat slechts daarin, dat de eerste aan de takken
verpopt en een enkelvoudig cocon had vervaardigd.
Verklaring van Plaat 4.
\
Fig. 1. De volwassen larve voor hare laatste vervelling.
» Dezelfde na die vervelling.
» Het cocon. i
» 4. De vrouwelijke wesp.
» Een zeer donker gekleurde mannelijke wesp.
» 6. De vleugel van Vem. albipennis.
XY O U a N
» De zaag en legbuis van het wijfje, sterk vergroot.
NEMATUS SEPTENTRIONALIS, LIN.
N°. 34. der Bouwstoffen.
Linné, Fauna Suec. Ed. 2. n°. 1558.
Fagr. Syst. Piez. p. 42. n°. 63.
Panzer, Fauna Germ. 64. f. 11.
SCHAEFFER, Zcon. tab. 167, f. 5, 6.
DE GEER, Mém.II, 2. p.262 (Goetze) tab. 37. fig. 24—28.
RATZEBURG, Zorstins. IN. p. 118. tab. 3. fig. 3.
LEPELETIER, Monogr. p. 63. n°. 184.
Curtis, British Ent. I. Pl. 17.
Nematus niger, ore pedibusque anticis partim luteo-
rufis, abdominis fascia lata rufa, tarsorum posti-
corum articulo primo latissimo compressoque.
Na de zorgvuldige onderzoekingen van Ratzeburg t. a. pl.
blijft wel niet veel nieuws of onbekends omtrent dit insect
medetedeelen; doch aangezien hij niet opgeeft, hoedanig de
jonge larven van de volwassenen verschillen, houden wij onze
afbeelding en beschrijving niet voor overbodig.
In de maanden Mei en Junij vindt men de bladwespen,
waarvan een wijfje vergroot voorgesteld is onder fig. 6. Zoo
als Ratzeburg te regt aanmerkt, heeft Dr. Hartig in zijne
Aderfl. Deutschl. I. p. 184 en volgg. den waren N. Septen-
trionalis Lin. niet beschreven, daar volgens hem het wijfje
roode dijen hebben zoude. De wesp is 9—10 mm. lang en
heeft 12—13 mm. vlugt. Bij het wijfje zijn de kop met de
sprieten, het borststuk, de basis en het einde van het achter-
lijf zwart; de mond is bruinachtig en de rugkorreltjes zijn wit.
De heupen zijn zwart, doch de einden van die van het derde
paar met de apophysen vuil wit; de dijen zijn zwart, die van
de voorpooten naar het bruine zwemend; de schenen en tarsen
der 4 eerste pooten bruinachtig lichtrood, de schenen met witte
75
ringen aan de basis; de dijen der achterpooten zijn zwart, de
schenen wit met geplet en verbreed zwart einde en roode
doorntjes, de tarsen, wier eerste geleding insgelijks breed en
plat is, zwart. De tweede en volgende, tot aan de zesde ge-
leding van het achterlijf zijn rood; ook heeft de eerste meestal
eene dunne roode dwarsstreep aan de voorzijde. De vleugels
zijn doorschijnend met bruin stigma, bruine voorrand-aderen
en rookkleurigen band, dalende van het stigma naar beneden
en zich verzwakt voorzettende tot den buitenrand. Ook de on-
dervleugels voeren aan de buitenzijde van den voorrand eene
rookwolk. Zie fig. 6.
Het mannetje onderscheidt zich behalve door het slankere
achterlijf, door vuilbruine kleur van den mond, van de sprie-
ten (somtijds slechts van onder- of ter halver lengte) en van
de vleugelschubbetjes. De pooten zijn hier bijna geheel rood-
bruin, daar slechts de heupen voor +, de heupknobbels en
apophysen der vier eerste pooten, zoo als ook de uiteinden der
dijen, de einden der schenen en de tarsen aan de achterpooten
zwart zijn.
Deze bladwespen zagen de ribben der elzenbladeren open en
leggen daarin tot 150 eijeren in rijen. Volgens Ratzeburg treft
men de larven ook op berken, breedbladige wilgen, vogelkersen,
hazelaren en balsempopels aan; ik heb haar hier te lande, even
als de Geer, alleen op elzen gevonden en wel somtijds in zulk
groot aantal, dat de geheele boom van zijne bladeren werd
beroofd. Zoo zijn b. v. in het jaar 1841 tusschen Bodegraven
en Sluipwijk alleenstaande elzen en bij ’s Gravenhage aan het
kanaal digtgeplante rijen van dezelfde boomen geheel kaal
gegeten.
Wanneer de larve het ei verlaat, is zij wit met bruinen kop,
maar reeds den volgenden dag is de kleur in groen veranderd.
Zij beginnen met gaten midden in het blad te eten. Na de
tweede vervelling zijn zij vuilgroen of lichtbruin van kleur,
voor en achter eenigzins geler met twee donkerzwarte strepen
op iedere zijde; het staarteind loopt eenigzins verdunnend toe ;
de kop is glimmend zwart. Zie fig. 1.
76
Volwassen is de larve ongeveer 14 mm. groot (zie fig. 2.) ;
zij heeft 20 pooten, is geelachtig of paarsachtig groen ‚van
kleur, met het eerste, de laatste segmenten en de buikpooten
in het oranje vallend; de kop is glanzend pikzwart; de-onderlip
en voelers (palpi maxillares) vuil graauw en zwart geringd.
Op den kop eenige microscopische haartjes. De 1° geleding
is oranje geel, met een klein zwart vlekje op iedere zijde; de
2e geelachtig grijs; de 3° tot de 11° groenachtig grijs; de 12e
en 13° zijn geel. Op iedere geleding staat op zijde, boven de
witte, bijna onherkenbare luchtgaten eene onregelmatige zwarte
vlek; onder de luchtgaten eene grootere en twee kleinere verti-
cale zwarte, glimmende vlekken; daaronder op de inplanting
der pooten nog eene zwarte glimmende vlek. De eerste gele-
ding heeft onder het luchtgat eenige onregelmatige zwarte streep-
jes of vlekken; de 2e en 3° even boven de pooten eene ruit-
vormige vlek en eenige streepjes. De laatste geleding draagt
boven den anus eene driehoekige zwarte vlek, aan beide zijden
in een doornachtig puntje uitloopende, gelijk zulks vergroot
voorgesteld wordt in fig. 4. De voorpooten zijn glasachtig
grijs met een bruin stipje op de laatste geleding en bruine
klaauwtjes. De middel- en achterpooten zijn hooggeel.
Aan de buikzijde staat tusschen elk paar dezer pooten eene
driehoekige zwarte vlek en daar voor naar den kop toe een
streepje. Achter de eerste vlek ziet men op de 5e, 6°, 7°, 8e
en 9° geleding eene groote klier, afgebeeld bij fig. 3. @ en 6;
op de ‘4° en 10e een zeer kleine dergelijke. Deze klieren schij-
nen geheel met wratjes bedekt te zijn als de duimen der man-
netjes-kikvorschen in den paartijd; zij worden als vingers van
handschoenen of als de horens der slakken in zich zelven terug-
getrokken. Van eene opening aan den top heb ik niets kun-
nen bespeuren, ook niet wanneer ik de klier door drukking
tot hare grootste uitzetting bragt. Doordien de huid zich bij
de omstulping dwars plooit, kan men op het eerste gezigt lig-
telijk meenen, dat aldaar eene dwarsspleet zoude bestaan.
Na de tweede vervelling eten de larven van den rand van
het blad, en laten gewoonlijk niets dan de hardere ribben over.
77
Bij de minste aanraking, hetzij van vreemden, hetzij van huns
gelijken, slaan zij het achterlijf omhoog en krommen het dik-
wijls tot over den kop heen, waarbij dan de buikklieren uit-
gezet worden. Waarschijnlijk scheiden deze een vocht af, dat
hare vijanden, bijzonder de sluipwespen , nadeelig of onaange-
naam is. Wanneer de tijd der verandering daar is, gewoonlijk
vier weken nadat de larve het ei verliet, laat zij zich op den
grond vallen, en eenigen tijd rond gekropen hebbende, spint
zij een ovaal cocon, van buiten met aardkorrels geheel bedekt,
van binnen, zwart en glad. Hierin blijft zij gewoonlijk een
jaar liggen eer zij in eene pop verandert; enkele individuen
zijn evenwel binnen acht maanden pop en komen in Mei uit.
Hieruit zoude men moeten opmaken dat er twee generatien
in het jaar bestaan; ik heb evenwel de larve nimmer vroeger
dan Augustus gevonden en vind ook van geene larven in Mei
of Junij melding gemaakt. De pop is voorgesteld bij fig. 5.
De wesp bijt zich door eene scheve, onregelmatige opening uit
het cocon.
’s Rijks museum voor natuurlijke historie bevat uit mijne verza-
meling twee exemplaren 2 , welke beide aan den regter voorvleugel
slechts drie cubitaal-cellen bezitten , zijnde de tweede met de der-
de, door het ontbreken van de middelste dwarsader, vereenigd.
Nematus latipes, door Foulques de Villaret in de Annales
de la Société Entomologique de France als bijzondere spe-
cies beschreven, is slechts eene afwijking van deze soort. Mis-
schien zijn ook zijne Nematus varus en laticrus niet dan
varieteiten van Septentrionalis. Daarbij mogen wij evenwel
niet verzwijgen, dat Ratzeburg den Wematus varus eene af-
zonderlijke soort meent te zijn om de twee volgende redenen.
Vooreerst is er onderscheid in de volkomene insecten, niet al-
leen in kleur, maar ook in vorm en wel in de gedaante der
achterste schenen, welke niet zoo plotseling naar het einde toe
en ook niet zoo sterk verbreed zijn en ten anderen is er groot
verschil in de kleur der larve, die volkomen het oranje zoude
missen, en geheel groen moet zijn met zwarte vlekken in de
zijden. Hij brengt daartoe ook de bladwesp, welke de Geer
78
beschreef, doch zekerlijk ten onregte; want de Geer zegt dui-
delijk dat zijne maskers de eerste en laatste geleding van het
ligchaam geel gekleurd hadden, naar het oranjekleurige trek-
kende. Voor als nog bestaat er voor ons geene reden om de
vier genoemde soorten niet tot eene enkele zamen te vatten.
Bij mij zijn uit de larven dezer soort geene sluipwespen
voortgekomen. Ratzeburg geeft in zijne Ichneumonen der
Forst-insecten niet minder dan 9 soorten van Ichneumoniden
en Braconiden, die in Duitschland uit Wem. septentrionalis
zijn opgekweekt.
Verklaring van Plaat 5.
Fig. 1. Eene jonge larve.
» 2. Eene volwassen larve.
» 3. Eene midden-geleding van het lijf, aan de onderzijde,
vergroot; bij @ eene half uitgestulpte klier.
» 80. Dezelfde klier in hare volle uitzetting, vergroot.
» 4. Het laatste segment, op den rug gezien, vergroot.
» 5. De pop, vergroot.
» 6. De wesp, vergroot.
79
MEDEDEELINGEN OVER
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA,
DOOR
P. 0. T. SNELLEN.
Van onze Nederlandsche insecten zijn wel die van de orde
der Lepidoptera (de zoogenaamde Micro-Lepidoptera intusschen
uitgezonderd) het best bekend. Door onderscheidene opgaven in
de Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland, is reeds
een aanzienlijk getal soorten bekend gemaakt. Belangrijke ver-
meerdering daarvan is, naar mijn gevoelen, wel niet te wach-
ten; veeleer, vooreerst, eenige vermindering, daar van ver-
scheidene, als inlandsch vermelde species het regt om als zoo-
danig beschouwd te worden, mij zeer twijfelachtig is. Aangezien
de Heer de Graaf intusschen begonnen is in zijne tweede uitgave
van de lijst onzer Geometrae, deze afdeeling van een aantal
dier twijfelachtige soorten te zuiveren, laat ik dit werk verder
aan hem over, en heb daarentegen thans het genoegen. aan
de Nederlandsche Lepidopterologen de ontdekking van eenige,
nog niet in de Bouwstoffen of in ons Tijdschrift als inlandsch
vermelde soorten medetedeelen; waarbij ik verder de vrijheid
neem, eenige opgaven van nieuwe vindplaatsen van zeldzame
soorten en een paar opmerkingen over enkele anderen te voegen.
Ik begin met de opgave der nieuw ontdekte soorten.
1. Sesta formicaeformis, Esper.
Een exemplaar (g) werd in de eerste helft van Augustus
dezes jaars (1858) bij Rotterdam, door den Heer Fransen ge-
vangen. Het vloog op den middag over bloeijende distelen.
Het is mij niet bekend, dat dit insect nog elders in ons vader-
land werd aangetroffen. Het exemplaar is in mijn bezit en
volkomen gaaf,
89
2. Lithosia plumbecla, Hübn.!) (Lith. lurideola Zinck.
Treits. — Zith. complanula Bsd. Index).
Door den Heer de Gavere zijn in de provincie Groningen,
in de maand Julij van 1858 eenige exemplaren van deze soort
gevonden. Hij had de goedheid mij een daarvan te zenden,
waardoor ik ten volle overtuigd ben van de juistheid zijner
determinatie. Om de groote overeenkomst dezer soort met de
meer bekende Z. complana L., is het welligt niet ondienstig
de punten van verschil op te geven. — Mijn exemplaar van
Lurideola is even groot als mijne Complana, doch verschilt
verder van de laatste in de volgende opzigten.
De halskraag is bij Complana geheel geel, bij Zurideola
in het midden graauw; van het achterlijf zijn bj Complana
de 4 laatste ringen bleek geel, bij Zurideola alleen de laatste.
De voorvleugels van Zurideola zijn wat korter en breeder dan
die van Complana, donkerder grijs en de gele voorrand ver-
loopt naar de voorpunt toe.
3. Cymatophora fluctuosa, Hübn.
Twee exemplaren (gf $) dezer ligt kenbare soort werden in
Julij 1856 bij Rozendaal in Gelderland gevonden. Het 9 ving
de Heer M. Breukelman in het begin der maand, en het d
klopte ik den 27**" uit eenen eikensiruik.
4. Noctua umbrosa, Hübn.
Van deze, in geheel Europa, vrij zeldzame soort zijn twee
exemplaren bij Amsterdam gevangen, en wel, volgens opgave,
op den bloesem van het zoogenaamde radijsboompje. (Sympho-
ricarpus racemosus). Het eene exemplaar in Augustus 1856 en
het andere in Augustus 1858. Beide zijn in mijn bezit.
[7
5. Zuperina leucophaea, Borkh.
Door den Heer Breukelman in Mei bij Rozendaal in Gel-
1) Volgens Herr. Schäff.; ik kan Hübner niet vergelijken,
SI
derland, en ook, zoo ik mij niet vergis, door Dr. van Medem-
bach de Rooy bij Nijkerk gevangen”
6. Caradrina respersa, W. V.
Ik bezit een exemplaar, dat in 1857 bij Amsterdam in de
maand Juli} gevangen is. Met volkomene zekerheid kan ik
geene andere rangplaatsen van deze soort opgeven, ofschoon ik
meen, nog in eenige verzamelingen exemplaren te hebben ge-
zien, die hier te lande gevangen waren.
7. Nonagria Ulvae, Hübn. Tr.
Deze zeer zeldzame soort heb ik in het jaar 1858 uit de rups
gekweekt. Ik vond deze in de maand April aan de plassen
bij Rotterdam. Het nadere aangaande de , nog weinig bekende,
rups en hare levenswijze zal ik bij gelegenheid bekend maken.
8. Nonagria? bathyera, Freyer.
Leucania ?
Dat deze Nonagria hier en daar in ons vaderland voorkomt,
daarvan ben ik thans zeker. Ik bezit een exemplaar 9, dat
bij Nijkerk of Amsterdam gevangen is, en dat, wel is waar,
niet al te best geconserveerd is, maar toch ongetwijfeld tot
deze soort gebragt moet worden. Zij is afgebeeld bij Herrich-
Schäffer, Systematische Bearbeitung der Schmetterlinge
von Europa, Tweede deel, Noctuidae, Tab. 62. f. 312, &
& tab. 61 f. 307, 9. De ontdekking van hare rups, die, naar
ik meen, nog onbekend is, zal beslissen, of men deze soort
onder het genus Zeucania, dan wel onder het genus Vona-
gria te rangschikken hebbe.
Nieuwe vindplaatsen kan ik opgeven van de volgende nos
weinig waargenomen soorten.
1. Lycaena Alcon, F.
Ook nog tusschen Scherpenzeel en Woudenberg, op een
moerassig stuk heidegrond, in de maand Julij gevangen.
6*
82
2. Argynnis Luphrosine, L.
Ook bij Vorden in Gelderland.
3. Notodonta chaonia, W. V.
Eene in ’t begin van Juli] 1857 bij Zwolle gevondene rups
leverde den vlinder den 10% Mei 1858.
4. Lithosia helveola, Ochs.
Van deze soort, alleen volgens de opgave van Havelaar (verg.
Bouwstoffen) , als inlandsch bekend, is door mij in de bosschen
van Rozendaal in Gelderland een d gevangen. Meer exem-
plaren kon ik niet ontdekken, hetgeen mij speet, daar ik mij
gaarne had willen overtuigen, of het d van Aelweola inderdaad
identisch is met het dier, door Ochsenheimer als Zithosi«
depressa beschreven, en dus helveola Ochs. depressa Esp. ,
Ochs. Z en 2 van ééne soort zijn, gelijk Schreiner in de
Stettiner Entomologische Zeitung van A° 1852, pag. 101, 102
opgeeft, welke bewering Mann in de Verhandlungen des
zoolog.-botan. Fereins zu Wien A° 1853, T. III p. 18,
tegenspreekt (zie Jahresberichte over 1853). — Ik ving mijn
exemplaar in de maand Julij.
5. Bombyx processionea, L.
Is in de omstreken van ’s Hertogenbosch, waar men veel ei-
ken vindt, vrij overvloedig.
6. Nonagria Cannae, Tr.
Deze soort, alleen door den Heer Ver Huell als inlandsch op-
gegeven, vond ik bij Rotterdam, aan de plassen, in de maand
Julij.
6. Boarmia viduaria, W. V.
Van deze soort, in de eerste lijst onzer inlandsche Geome-
83
trae, in de Bouwstoffen, Deel I. pag. 28, sub N°. 459, als
inlandsch opgegeven , doch in de tweede lijst niet weder ver-
meld , zijn door den heer Breukelman in 1856 bij Rozendaal
in Gelderland , eenige exemplaren gevonden.
8. Zphyra orbicularia, Hibn.
De heer van Eyndhoven, te Zutphen, is, voor zoo ver mij
bekend , de eerste, die deze zeer zeldzame soort in ons vader-
land ontdekte. Ik had het genoegen, cen exemplaar te beko-
men, dat bij Zwolle gevangen is, waardoor dus eene tweede
vindplaats bekend is.
Ten slotte neem ik de gelegenheid waar bij deze opgave
nog eenige aanmerkingen te voegen
1. Over Acronycta leporina , L.
Ik verneem, dat van deze soort alleen de varieteit bradypo-
rina in ons vaderland voorkomt. Wel is waar geven de hee-
ren Ver Huell en van Medembach de Rooy op, dat zij ook
Leporina vingen , doch toen ik eerstgenoemden een exemplaar
van eene door hem gevangene Zeporina ter bezigtiging vroeg,
zond hij mij eene gewone Bradyporina, en, naar ik verneem,
verkeerde ook de heer van Medembach de Rooy te dien opzigte
in eene dwaling, houdende Bradyporina voor Leporina. De
heer van Eyndhoven deelde mij mede, dat hij nooit eene Ze-
porina in Gelderland ving, en ook ik vond daar alleen Bra-
dyporina , gelijk ook, nog nooit, voor zoo ver mij bekend
is, eene Zeporina in Holland gevonden is.
Volgens Herrich-Schäffer, Systematische Bearbeitung der
Schmetterlinge von Europa, Deel II. pag. 180, komt Bra-
dyporina ook veel in Noordduitschland voor. — Deze schrij-
ver geeft het vermoeden te kennen, dat Bradyporina eene
van Zeportna onderscheidene soort kan zijn. — Het geheele
onderscheid tusschen deze twee bestaat intusschen daarin , dat
84
de eerste meer met zwart bestoven is dan de laatste, want in
vorm en in teekening is geen verschil. Daarbij komen van
de, tot hetzelfde Genus (4cronycta) behoorende: Aceris ,
megacephala , auricoma en fumicis voorwerpen voor, die
zoo zeer door donkere bestuiving van de gewone afwijken, dat
men hen op het eerste gezigt niet herkennen zou, zoo dat die
overvloediger zwarte bestuiving als soortkenteeken geen gewigt
heeft.
Treitschke, die eerst Bradyporina als eene van Leporina
onderscheidene soort beschreef, vereenigt haar er ten slotte me-
de, zeggende (Schmetterlinge von Europa, Deel X. 2‘ Stuk
p. 3.) ,,dass man den, unter den Namen Bradyporina von
Leporina getrennten Schmetterling, auch aus den gewöhn-
lichen Raupen von Zeporina erhält.”
Ik iwijfel er niet aan, dat uit naauwkeurige waarnemingen
in de aan ons land grenzende deelen van Duitschland, zal blij-
ken, dat Zeporina, naar mate zij Noordelijker voorkomt, van
lieverlede in Bradyportna overgaat,
2. Xylina semibrunnea , Wood, Haw. , Bouwst.
Is dezelfde als Xyl. oculata Germar, Tr. Laatstgemelden
naam , als den oudsten , komt de voorrang toe boven dien van
Haworth en Wood. Xylina petrificata, F., voor welker varie-
teit Semibrunnea (Oculata) door sommigen gehouden wordt,
heb ik nog niet aangetroffen hier te lande.
3. Hemithea aestivaria , Esp.
Op pag. 171 van het tweede deel der Bouwstoffen staat
onder deze soort „vrij algemeen op de heide bij Zuidlaren, in
Groningen ,” de Gav. v. B., — welke opgave wel bij Bupleu-
raria zal te huis behooren ; desttvarta ving ik alleen tusschen
geboomte, nooit op de heide, waar Bupleuraria in July veel
voorkomt.
85
Ik besluit met de verbetering van een paar drukfouten.
Op pag. 148 van het tweede deel der Bouwstoffen staat bij
Sat. Semele „Zeeland, op het eiland Schouwen in Septem-
ber 1851 (Snellen).’” — Deze opgave is abusivelijk daar ge-
plaatst en moet bij Sat. Tilhonus staan.
Op pag. 115 van het eerste deel van het Zydschrift voor
Entomologie, staat in mijne beschrijving, naar Treitschke ,
van Zriphaena Comes var. Adsequa, ‚heller farbig ” moet
zijn hell erdfarbig.”’
86
PHYLLODES EYNDHOVII,
NIEUWE VLINDERSOORT UIT JAVA,
BESCHREVEN DOOR
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Vergelijk Plaat 6.
In den voorgaanden jaargang van dit Tijdschrift werd door
mij eene nieuwe soort van Phyllodes onder den naam van
Verhuellit beschreven en daarbij opgegeven dat het voor-
werp, dat in de plaat voorgesteld was, toebehoorde aan den
Hoog Edel Gestrengen Heer Q. M. R. Ver Huell, die ook de
keurige teekening vervaardigd had, waarnaar de lithographi-
sche plaat door den ijverigen teekenaar Wendel was gevolgd.
In deze opgave was een misslag ingeslopen, die wij ons haas-
ten te herstellen. Het voorwerp namelijk, dat als model voor
de teekening gediend had, behoorde niet aan den kundigen
Schout-bij-nacht, wiens pen en penceel steeds voor de uitbrei-
ding der natuurlijke geschiedenis werkzaam zijn, maar bevond
zich in de rijke verzameling van den Heer A. J. van Eynd-
hoven te Zutphen, de bewaarplaats van zoo vele entomologi-
sche schatten.
Toen ik in den vorigen zomer Zutphen bezocht, werd het
mij weder vergund die rijke verzameling te doorloopen en bij
die gelegenheid toonde mij de Heer van Eyndhoven niet alleen
twee voorwerpen van Phyllodes Verhuellii, en een van
Ph. conspicillator , maar ook een voorwerp van eene soort,
die mij geheel nieuw voorkwam. Dit gaf aanleiding dat later
de Heer Ver Huell aanbood, ook naar dit voorwerp eene tee-
87
kening te maken, terwijl de eigenaar de welwillendheid had
mij het dier in natura toe te zenden, opdat ik het zou kun-
nen beschrijven , en afbeelding en beschrijving een plaatsje in
dit Tijdschrift zouden erlangen.
De soort komt eenigzins nabij aan die, welke door West-
wood in zijn Cabinet of Oriental Entomology op bladz. 57
beschreven en op plaat 28 afgebeeld is, doch de overeenkomst
is slechts schijnbaar en heeft haren oorsprong voornamelijk in
de geelachtig bruine kleur, welke deze twee soorten van de
overigen , die het geslacht Phyllodes uitmaken , onderscheidt.
Het zou betwijfeld kunnen worden of deze nieuwe soort wel
in het Genus Phyllodes van Boisduval mogt opgenomen wor-
den. Volgens Guenée, (Species Gén. des Lepid. VII. p. 120)
zijn de kenmerken van dit geslacht de volgenden: ,, Antennes
moyennes, crénelées dans les $, filiformes et spongieuses dans
les 9. Palpes courts, aplatis, le second article très large , sé-
curiforme, très velu, le 3° extrêmement petit, sétacé, nu et
tres-court; etc.” Nu is bij onze nieuwe soort het derde lid
der palpen niet bijzonder klein, en ook niet borstel-, maar
lepelvormig. Wat deze ligchaamsdeelen betreft, zou derhalve
de soort eer gebragt moeten worden tot het Genus Ophideres
Bdv., hetgeen palpen heeft, ,, dont le troisième article est min-
ce, comprimé, de forme et longueur variables , mais ordınai-
rement spatulé.”
Intusschen gelooven wij, dat de vorm der vleugels en vooral
der voorvleugels, welke zeer sterk overeenkomen met die der
Phyll. ustulata Westw. en de naauwe verwantschap tusschen
deze soorten, de plaatsing van dit dier in het Genus Phyllo-
des regtvaardigen , te meer dewijl de geslachten door Boisdu-
val en Guenée ingevoerd, nog niet zoo scherp afgesneden schij-
nen te zijn, als men wel zou verlangen en misschien meer
naar den algemeenen indruk van den habitus zijn opgesteld.
Het is ons eene aangename voldoening, deze soort den naam
te doen dragen van den eigenaar van het eenige ons bekende
exemplaar.
88
Phyllodes, palporum articulo tertio spatuliformr, alis
anticis falcatis luteo-fuscis, macula reniformi figuram
Anatis clangulae exhibente, alis posticis supra fuscis ,
vitta undulata flava instructis , sublus argillaceis , ocello
aurantiaco nigro-limbato praeditis.
Kop, halskraag en de twee eerste geledingen der palpen
zijn rosachtig grauw ; het derde lepelvormige lid der palpen
is donker bruin. De oogen zijn bij het gedroogde exemplaar
geelachtig bruin. De sprieten zijn ros, aan de spits der bo-
venzijde lichter; het grondlid is aan de basis sneeuwwit. Het
borststuk is rosachtig grauw, het achterlijf meer grijsachtig
grauw , even als de pooten, welke evenwel sneeuwwitte ronde
vlekken op de knieën hebben; de bedekking van den anus is
meer geelachtig.
De bovenvleugels zijn aan de bovenzijde, als zijde glanzend
en nootkleurig ; de achterrand is ietwat donkerder; schuin over
de vleugels loopen eenige zeer onduidelijke donkerder wolken.
Van de sikkelvormige punt des vleugels loopt eene fijne paars-
achtig bruine streep tot onder de niervlek. Deze is lichtgrauw
en vertoont zeer duidelijk de figuur van eene brilduiker-eend
(Anas clangula), die met den kop naar den kop des vlin-
ders ziet; de pooten van dit eendje ontbreken , als bij de he-
raldische Merles. De ronde vlek wordt door eene kleine
zwarte stip vertegenwoordigd. Aan den beneden-wortel des vleu-
gels is de kleur ietwat lichter. De ondervleugels zijn aan de
bovenzijde in het midden zwartachtig vaal, met eenen sterk ge-
golfden, aan beide zijden uitgeschulpten band, die boven aan
witachtig, in het midden en naar beneden geel is, en den bin-
nenhoek des vleugels niet aanraakt. De basis van den vleugel
is naar den binnenhoek toe viltachtig grauw , de buitenranden
zijn grauw, waarin het zwart van het midden wegsmelt; de
smalle franje is nog lichter van kleur.
De bovenvleugels hebben aan de onderzijde een dofgrauwe
kleur ; de donkere streep, die van de vleugelpunt naar binnen
loopt, is slechts even aangeduid; daarentegen is de vleugelschijf
met eene onregelmatige, bruinachtig dofzwarte vlek bedekt,
89
waarin weder eene onregelmatige vlek van de grondkleur der
ondervleugels staat. Deze zijn grauwachtig grijs, eenigzins
donkerder naar den achterrand , met vier rijen donkere stippen
in het midden der cellen tusschen de 1°, 2°, 3°, 4e en 5° langs-
ader.
In de cellen 3 en 4 van den binnenhoek af gerekend ziet
men twee ronde oranje vlekken, die aan de boven- en bene-
den-zijde, als mede aan de anaalzijde, breede zwarte zoomen
hebben ; van dezen zoom loopt nog eene bruinachtige vlek
naar den binnenhoek. |
Lengte 48 mm., vlugt 114 mm.
De woonplaats van dit fraaije insect is Java, indien ten
minste de oude etiquette, uit het kabinet van Dr. Dalen te
Rotterdam afkomstig, waarheid behelst. Men weet dat Java
dikwijls in het algemeen wordt opgegeven voor al onze Oost-
Indische bezittingen. Omtrent de levenswijze van dezen vlin-
der is ons niets bekend.
In het aangehaalde werk van Guenée volgt op het geslacht
Phyllodes het genus Potamophora, waarvan hem slechts eene
soort, P. Manlia Cramer, bekend was. ’s Rijks Museum van
Natuurlijke Historie te Leyden bezit, buiten deze niet zeld-
zame, nog drie andere soorten uit onze Oost-Indische bezittin-
gen, eene uit Amboina en twee van Java. Wij hopen deze
in eene der volgende afleveringen van dit Tijdschrift te be-
schrijven. |
90
QUELQUES OBSERVATIONS SUR LE
PAPILIO MACHAON
PAR
M. C. VERLOREN.
Le Papilio Machaon s'est montré cette année en grand
nombre aux environs d’Utrecht. Ainsi j'ai pu me procurer
une cinquantaine environ de ses chenilles. En premier lieu
j'ai profité de cette occasion pour continuer des essais, dont
je me suis occupé depuis longtemps et déjà à plusieurs repri-
ses; savoir, à conserver les objets d'histoire naturelle, mieux
que cela n’a lieu pour plusieurs dans l’esprit-de-vin. Sans
doute l’esprit-de-vin est une matière très-précieuse pour les
naturalistes et on ne saurait assez apprécier l'invention de con-
server les objets dans cette liqueur. Que seraient nos collec-
tions sans elle! Toutefois, il faut l’avouer, à plusieurs égards
elle laisse beaucoup à désirer; les couleurs et les formes
naturelles se perdent plus ou moins pour un grand nombre
d’entre-eux. Je ne doute donc nullement, qu’on ne s’estimerait
heureux de posséder une meilleure méthode de conservation, qui
nous permit en tout temps de comparer entr’elles, par exemple,
nos chenilles avec leurs formes et couleurs primitives et de voir
une quantité d’animaux exotiques, comme nous ne pourrions
le faire que sur le vivant, dans des lieux très éloignés et in-
accessibles pour un homme seul. Je ne crois pas exagérer en
disant qu'une ère nouvelle s’ouvrirait alors pour nos collections
d'histoire naturelle. Que depuis tant d’années on n'ait pas fait
de progrès dans cette voie, qu’on y soit resté stationnaire,
voilà ce qui nous étonne et nous surprend. Des améliorations
91
seraient elles impossibles? Je ne le crois pas, mais il faut avouer
que la recherche est bien difficile; en s’y engageant il faut
s'attendre à bien des mécomptes , à plusieurs essais infructueux
qui retarderont extrêmement les pas vers l’amélioration et en
feront désespérer plusieurs fois. Les chenilles du Pap. Ma-
chaon sont particulièrement propres à ces sortes d'essais. On
peut les ranger parmi les plus belles de nos contrées, mais
dont les couleurs sont en même temps des plus délicates et des
plus difficiles à conserver. Dans l’esprit-de-vin elles se perdent
entièrement et si l’on n’a pas soin de prendre des précautions
particulières, elles deviennent brunes et noirâtres , de manière
à n'être plus reconnaissables.
Je n'ai pas l'intention de m'étendre longuement sur ce su-
jet; je n’en ai fait mention, que pour rendre compte de la
destinée d’un certain nombre de mes chenilles et pour en in-
diquer l’objet: peut-être que d’autres voudront joindre leurs
efforts aux miens. Je pourrais remplir plusieurs pages de ce
que mes expériences m'ont appris Jusqu'ici, mais pour le pré-
sent je me contenterai de dire que je n’ai pas encore atteint
le but proposé, mais que j'espère l’atteindre plus ou moins ;
que mes expériences m'ont conduit a mieux apprécier les
causes de l’insuccès, et qu’avec connaissance des causes, on
peut mieux et plus raisonnablement procéder à l'invention des
remèdes. Néanmoins je crois avoir fait quelques progrès. Pour
ceux qui voudraient entreprendre des recherches du même genre
j'indiquerai que le Chlorure de Baryte, le Chlorure de Zinc
et le Benzol sont les substances qui, jusqu'ici, m'ont don-
né les meilleurs résultats. Toutefois, il faut bien me com-
prendre , pour le présent je ne conseille rien et il y a, ou-
tre les substances a employer, bien d’autres circonstances en-
core qui demandent une attention toute particulière , mais que
je ne pourrais indiquer ici sans entrer dans de trop longs
détails, car je veux passer à d’autres observations qui regar-
dent plus particulièrement l’espèce mentionnée et qui m'ont été
suggérées pour avoir nourri un si grand nombre de ces che-
nilles. Voilà plus spécialement le but de ce mémoire.
92
De la premiere éclosion de ces chenilles, pendant la premiere
moitié de l’été, je n’en ai eu qu’une seule, prête à se métamor-
phoser en chrysalide, dans les premiers jours de juillet. Mes obser-
vations ont donc plus particulièrement rapport à celles de la deu-
xiéme éclosion pendant la dernière moitié de l’été. Dans les pre-
miers jours de Septembre j’ai reçu les premières, dont le plus
grand nombre avait subi déjà la quatrième ou dernière mue,
quelques unes devaient encore la subir. Depuis j'en reçus
de temps en temps de nouvelles, jusqu’à ce qu’enfin vint le
temps (je ne me rappelle plus exactement la date) que je n'en
eus plus; elles s'étaient toutes transformées en chrysalides ,
ou bien avaient servi pour le but susmentionné. Je crus
donc que le temps de leur existence était passé, et même,
je fus déjà surpris que cette période s’était prolongée si long-
temps, plus que cela n’a lieu chez plusieurs autres espèces
de lépidoptères. Ce fut donc à mon grand étonnement que
je recus quelques jours plus tard de nouvelles chenilles, et
même parmi elles d’assez jeunes, qui devaient subir en-
core leur quatrième mue. Mais, les jours assez froids de
l’automne avaient déjà succédé aux chaleurs de l’été, et l’in-
fluence sur mes chenilles en était bien manifeste. De jour
en jour elles mangeaient moins, et leur accroissement di-
minuait de même. Le temps qu’elles passaient pour prendre
un accroissement égal à celui des jours plus chauds était le
double et même plus. Aussi, la dernière chenille, dans les
premiers jours de Novembre , n'a pas pu parvenir à son entier
développement, elle ne mangeait plus que très-difficilement et
très-peu, quoiqu’elle l’essayàt à plusieurs reprises; enfin, elle
est tombée de sa tige de carotte et ne put plus se tenir sur
ses pattes.
Le temps, nécessaire pour la transformation de la chenille
en chrysalide , s’est aussi doublé pour celles qui s'étaient fixées
pour la subir. Tandis que, dans les jours plus chauds, le temps
qui s’ecoulait entre le moment de la fixation et celui de la méta-
morphose était de deux jours et demi environ, il était le double
pour celles qui ont été les dernières à se métamorphoser en chrysa-
93
lides. Je dois ajouter encore que tout ceci se passait dans ma cham-
bre, que je chauffais pendant le jour. Je puis donc constater
par ceci, en premier lieu, la grande influence que le froid a
exercée sur le développement de ces chenilles; on peut dire
que leur vitalité en était réduite de moité. Mais cette in-
fluence ne s’est pas seulement manifestée par le temps, né-
cessaire & acquérir un accroissement égal; dans ce qui va sui-
vre je tacherai de démontrer qu’elle s’est montrée encore par
un moindre degré de développement et d’une manière très-
remarquable. 5
Il est de fait qu'il y a beaucoup de variations dans les
couleurs de cette chenille. Surtout on en distingue une va-
riété noire. On sait que la couleur fondamentale ordinaire
de ces chenilles est un beau vert de perroquet , tranché sur
le dos par des bandes noires transversales; une sur le milieu
des arceaux dorsaux du corps, d’autres dans les plis entre
ces arceaux, sur le milieu des membranes qui unissent les
anneaux du corps, et que les bandes sur le milieu des arce-
aux sont ornées de six taches orangées, claires et disposées
regulierement sur le noir des bandes, tandis que les autres
bandes , entre les anneaux, en sont dépourvues. En dessous
elles portent quelques taches noires sur le fond vert. Dans la
variété noire, c'est le noir de ces bandes et taches, surtout
des bandes dans les plis de la peau entre les anneaux du corps,
qui s'est développé de manière à prendre le dessus sur le vert,
et même , dans les variétés les plus prononcées, il a tellement
empiété sur le vert, qu’il l’a presque entièrement déplacé,
n’en laissant plus que quelques minces stries sur le dos, et des
taches irrégulières sur les flancs et sur le dessous. Mais de
plus, on ne peut, en vérité, plus parler de vert, car le beau
vert des chenilles ordinaires s’est changé aussi dans ces variétés
dans un blanc grisàtre avec une légère teinte de bleu verdatre ,
d'autant plus que la variété est plus prononcée. Dans ces
variétés on trouve d’ailleurs toutes sortes de gradations.
Parmi les premières venues, pendant les jours chauds, il
ne se trouvaient que quelques rares représentantes de cette va-
94
riété , et encore étaient-elles tres-peu marquées ; c’est à peine
si parmi une trentaine j'en ai pu compter deux, un peu net-
tement prononcées. Néanmoins à mesure que de nouvelles ré-
coltes me parvenaient et que la chaleur allait en diminuant,
leur nombre augmentait au même pas, de telle manière que
les chenilles vertes ordinaires ne se trouvaient plus que rare-
ment parmi les dernières venues, et enfin je n'avais plus que
des chenilles noires. Aussi les dernières, étaient-elles des va-
riétés les plus prononcées que j’aie eues. Ainsi l’idée me fut
suggeree que le froid serait de nature à agir sur la production
de cette variété ; et d’autres considérations vinrent concourir
à renforcer la probabilité de cette thèse.
On peut considérer cette variété noire comme un arrêt de
développement en quelques points. C'est à dire qu’elle a con-
servé plusieurs propriétés qui sont l’apanage d’un age plus
jeune , tandis qu'elle est restée dépourvue d’autres qui appar-
tiennent à l’âge mtr. Elle est restée stationnaire en quelques
points à un dégré inférieur d’un âge plus jeune. La couleur
noire est celle qui domine dans les jeunes chenilles et le vert
ne les orne jamais, qui, au contraire, est remplacé par cette
même couleur gris bleuätre pale que nous avons rencontrée
dans la variété noire des chenilles adultes. Il y a plus encore.
Les très-jeunes chenilles sont noires avec une bande du blanc-
gris mentionné au milieu du corps; à mesure qu'elles gran-
dissent et subissent leurs mues, cette bande se rétrécit jusqu'a
ce que, après la troisième mue, il ne reste plus que des taches
de cette couleur sur les flancs du sixième et septième anneau,
(ceux qui portent les premières fausses-pattes) et qui s'étendent
plus ou moins sur le dos 1). Après la quatrième mue il ne
reste plus aucune trace de ces taches dans les chenilles vertes
ordinaires , de manière que ce fut pour moi le signe le
plus facile à saisir, pour reconnaître d’abord si elles avaient
déjà subi cette mue ou non, car immédiatement après cette
1) Ou trouve d’assez bonnes figures des ces jeunes chenilles dans l’ouvrage
de Sepp, Nederlandsche Insecten D. I, St. 2, Tab. III fig. 2 et 3.
95
dernière mue en chenille, elles ont encore l’aspect noir pri-
mitif, la couleur verte étant trop cachée encore dans les plis
de la peau. Parmi les chenilles de la variété noire les plus
prononcées, quelques-unes au contraire, ont conservé plus ou
moins ces taches d’un blanc-grisàtre sur les flancs; un autre
signe ainsi qui caractérise un âge moins avancé. Avant la qua-
trième mue, ces chenilles sont hérissées de courtes épines et de
tubercules épineux sur les bords des taches orangées, qui dis-
paraissent presque entièrement après cette mue. Dans la variété
noire, ces épines demeurent plus apparentes que dans les chenilles
vertes , quoique cette différence soit la moins prononcée de toutes.
Enfin, il y a encore un autre caractère très-marqué qui indique
un age plus jeune; d’autant plus remarquable, qu’il se rapporte
à une particularité de l’économie de ces chenilles.
On sait qu’elles sont pourvues d’un organe glandulaire par-
ticulier, qu’elles ont la faculté de pouvoir étendre en forme d’Y,
au dessus du corps dans le pli de la peäu joignant la tête au
premier anneau, et de le retirer à volonté. Cet organe, d’une
couleur orangée, sécrète une liqueur de la même couleur et d’u-
ne odeur particulière , qui contient probablement de l’acide butyri-
que , servant a se prémunir contre les parasites qui voudraient les
piquer mortellement, en déposant leurs œufs dans le corps des
chenilles pour que les jeunes s’en nourrissent. A cette fin elles
courbent leurs têtes en haut et en arrière, en faisant sortir en
même temps cet organe, quand on les touche et les irrite.
RorseL !) a déjà indiqué tres-justement, que les chenilles é-
taient tres-portées à étendre cet organe au moindre attouchement ,
quand elles étaient jeunes encore, et EsPER?) croit même que
les chenilles adultes ne le possèdent plus, ce qui est faux
cependant, car elles le possèdent encore, mais il faut les
tourmenter extrèmement pour les irriter de manière à le faire
sortir; plusieurs fois même je n'ai point réussi, quand je voulais
faire voir cet organe a d’autres personnes et leur faire sentir
1) RoEsEL v. RosenHor, Insecten-Belustigungen Th. I. Classe Il. S. 4.
2) Esrer, Die europäischen Schmetterlinge, Th. I. S. 34.
~
é
96
l’odeur partieuliere!). Ceci m'a fait douter même plusieurs
fois que cet organe servirait réellement a faire fuir les in-
sectes parasites ; j’ai taché d’imiter autant que possible, par le
chatouillement d’une barbe de plume, la sensation que ces in-
sectes me semblent devoir produire sur la peau des chenilles,
sans cependant avoir mieux réussi. Je crois, toutefois, qu'on
peut l'expliquer de la manière suivante.
Les parasites qui incommodent surtout ces chenilles seront
probablement de l’espèce de ceux, dont les larves ont recu leur
entier accroissement, vers l’époque où les chenilles sont
prêtes à subir leurs métamorphoses en chrysalides. Les œufs
de ces parasites doivent donc avoir été pondus dans un
temps antérieur, de manière à ce que les larves qui en pro-
viennent soient adultes, lorsque les chenilles sont sur le point
de se métamorphoser ‚en chrysalides. Les parasites auront
donc la faculté de distinguer l’âge des chenilles pour ne pour-
suivre que celles, dont l’âge leur convient, qui soit assez
jeune encore pour avoir autant de jours à vivre que les larves
des parasites demandent pour recevoir toute leur croissance.
A mesure done que les chenilles grandissent elles seront moins
recherchées et tourmentées par les parasites, et après leur qua-
trième mue elles ne seront probablement plus aptes à recevoir
les œufs des parasites, elles n'auront plus besoin de se defen-
dre, leur organe défensif deviendra inactif, et elles ne seront plus
que difficilement provoquées à s’en servir encore quelquefois.
Les chenilles de la variété noire étaient très-promptes à faire
sortir cet organe, même après leur dernière mue; leur irrita-
bilité à cet égard m’a frappé extrêmement ; elle contrastait d’une
manière remarquable avec celle des chenilles vertes ordinaires ;
ces insectes agissaient comme s'ils n’avaient pas encore subi leur
quatrième mue. La sécrétion du fluide odorant était très-abon-
1) ne Réaumur, Mémoires pour servir à l’Hist. des Insectes. Tome I, Mé-
moire 11 nous rapporte la mème chose. II dit, pag. 464: » Quand on manie
» la chenille, quand on l’incommode, on la délermine assez souvent à la
» faire sortir, mais jen ai manie pendant des demi-heures qui ne laissaient
» pas de la tenir obstinement cachée.”
97
dante aussi; je ne l’ai jamais mieux sentie que chez elles; dans
les dernièrs jours, la cloche de verre qui les renfermait en était
constamment parfumée ; le froid, au lieu de diminuer leur vita-
lité a cet égard, semblait l’exciter davantage. Aussi parait-t-il
que dans ces chenilles, en prolongeant ainsi une propriété qui
appartient plustôt à un age plus jeune, et en la conservant jus-
que dans un age plus avancé, dans lequel elles ont recu un bien
plus grand développement, cette propriété a acquis aussi une énergie
inaccoutumée. Quant aux parasites, on pourra se demander
maintenant, si ces chenilles noires auraient donc plus à craindre
leurs attaques que les chenilles vertes ordinaires? — Comme,
excepté une taille bien plus grande, elles ressemblent beaucoup
à l’âge antérieur à la quatrième mue, lorsque les parasites les
poursuivront probablement le plus, on pourrait croire que ceux-ci
en seraient induits en erreur. Mais je préfère une autre ex-
plication ; savoir: Les propriétés que ces chenilles ont manifes-
tement retenues d’un âge antérieur, et prolongées jusque dans
l’âge adulte, comprennent et entrainent avec elles encore cette
particularité.
Il me reste à dire quelques mots sur la taille définitive de
l’âge adulte de ces chenilles noires. Comme j'ai parlé d’un
arrêt de développement et de la grande influence exercée par
le froid sur leur nutrition, on pourrait croire que cette taille
serait amoindrie aussi, qu'en definitive tout se réduirait simple-
ment à une race naine. — Il y a quelque chose de vrai dans cette
supposition ; en général leur taille était un peu moindre que celle '
des chenilles vertes. De tres-grandes chenilles, comme j’en ai
eu quelques-unes parmi les vertes, ne se sont pas montrées parmi
les noires ; mais parmi les vertes il s'en trouvait aussi d’assez
petites. Si je les avais mesurées’ toutes, il me semble que les
plus grandes parmi les noires tiendraient environ le milieu de
l'extension des vertes. On ne saurait guère douter que les plus
grandes chenilles ne donnent des papillons femelles et les plus
petites des males. Avant que mon opinion fût assez fixée
sur ce point, | je supposais, que peut-être ces chenilles noires
seraient celles des mâles, vu leur taille un peu moins grande en
= k
7%
98
général. Mais d’aprés la différence de grandeur des chenilles,
tant des noires que des vertes, je n’en doute guere, qu'elles
ne donneront toutes deux des papillons males et femelles. En-
core, dans le cas contraire, serait-il tres-curieux que les. pre-
mieres de mes générations ne donneraient presque que des femelles,
et les dernières que des mâles. Comme je conserve un certain
nombre de chrysalides des deux races, j’espére que le printemps
nous fournira la solution des problèmes. On pourrait supposer
encore que ces chenilles noires n'avaient pas subi la quatrième
ou dernière mue de chenille, et que de là elles ont grandi
en retenant et en perpétuant des propriétés qui, autrement,
n’appartiennent pas à cet âge, mais a celui qui précède la
quatrième mue. Or, il ne peut y avoir le moindre doute
qu'elles n’aient pas subi cette mue; l'absence des tubercules
epineux, qui ne se trouvent chez elles que tres-rudimentaire-
ment, et les dimemsions de chenilles adultes qu’elles ont recues,
le prouvent suflisamment. La peau qu'elles ont reçue lors de
la troisième mue, ne saurait s'étendre de manière à recevoir
les dimensions d’une chenille adulte.
Ainsi nous avons démontré que ces chenilles noires adultes
ont retenu plusieurs propriétés d'un age moins avancé; et, en
y combinant l’influence constatée du froid, nous caractériserons
donc cette variété, d’après son origine, en disant: que le froid
a empêché les chenilles d'acquérir des propriétés de l’âge adul-
te; mais qu’en recevant leur entier développement, elles ont
retenu des caractères d’un âge plus jeune, de celui qui précède
la quatrième mue.
Mais, dira-t-on, une seule observation suffit-elle pour constater
un fait si remarquable, si étrange? — Bien d’autres causes
l’auront provoqué, et la coincidence du froid n’a été que bien
fortuitement. — J’approuve entièrement ces objections. — Voila
précisément le but que je me propose en publiant ce mémoire ;
celui de fixer l'attention des observateurs sur ces fatts. Nous
agitons des questions, a élucider quand le cas se présentera
dans la suite. En attendant j'ai cru utile de rechercher si dans
les auteurs antérieurs on ne trouverait pas des faits qui s’y rat-
99
tachent. En effet, j'ai découvert quelque chose; et, il faut l’a-
vouer, au premier abord ce que j’ai trouvé ne semble pas favo-
rable a mes vues, mais plutòt en contradiction réelle avec elles.
Je dis au premier abord, car une interprétation convenable nous
rapprochera probablement un peu plus de l’explication des causes
qui agissent pour produire cette variété.
En premier lieu, nous trouvons un fait tres-remarquable
mentionné dans l’ouvrage de Sepp. Un ministre lui a
communiqué une observation qui se résume substantiellement
en ce qui suit. Le 11% Août il avait fixé au moyen d’une
épingle un papillon femelle qui pondit 34 œufs jusqu’au 13°
Août. Depuis le 17*° jusqu’au 19% Août 26 chenillss éclorent
de ces œufs. Les jeunes chenilles étaient d’un noir de velours,
à l’exception des deux anneaux du milieu, qui étaient d’un
blanc clair. Des deux côtés on observait deux rangées de taches
rouges sur les anneaux noirs, mais qui étaient noires sur les
anneaux blancs. Le blanc allait se perdre peu à peu, jus-
qu'après la deuxième !) mue il avait disparu entièrement. Ensuite
il dit que le fond de toutes les chenilles était noe, à l’excep-
tion de deux dont la couleur était jaunatre ou vert de perro-
quet. Quelques-unes d’entre les noires avaient des taches jaune-
soufre, d’autres jaune-orange. Il y en avait aussi dont la série
supérieure des taches était jaune-soufre , et l’inférieure jaune-
orange; mais les deux chenilles jaune-verdatre avaient des ta-
ches noires. Les alentours des stigmates étaient chez toutes
d’un beau rouge, qu’on pourrait considérer comme formant
une troisième rangée de taches. Leur longueur était au-delà
de deux pouces. Du 10% au 15” Septembre elles étaient toutes
prêtes à se métamorphoser en chrysalides. La première se
métamorphosa apres s'être fixée depuis deux jours et demi.
Une autre observation sur laquelle j’aimerais fixer l'attention ,
est celle de Monsieur le contre-amiral Ver HuELL, mentionnée
dans une Livraison antérieure de ce Journal (page 13), où l’on
1) Il paraît que cette mue signifie la dernière ou la qnatrieme, car il n’est
fait mention dans cet article que de deux mues.
100
voit qu’il a obtenu de chenilles nozres une variété du Papilio
Machaon, à laquelle Hüsner a même donné le nom particu-
lier de Sphyrus. En outre, je me rappelle qu'il avait écrit:
qu’une chenille de ce genre se serait métamorphosée en chry-
salide avant la dernière mue.
Il s'ensuit done de ces observations: que des chenilles noires
proviendrait une variété, le Pap. Sphyrus; que des oeufs
d’une méme femelle seraient écloses des chenilles, dont deux
seulement étaient vertes et toutes les autres noires; et que ceci
a eu lieu entre la mi-aoùt et la mi-septembre, époque où le
froid de l’automne ne se fait pas encore sentir; qu'il y a done
ioute raison de croire que cette femelle aura été de la variété
Sphyrus. Ainsi ces chenilles noires seraient celles de cette
variété. Depuis longtemps déjà, dira-t-on, des causes incon-
nues ont agi pour donner naissance à cette variété Sphyrus
qui maintenant est en voie à se consolider de plus en plus
comme une variété constante; encore quelques années et nous
pourrons l’inscrire comme une espèce nouvelle, bien détermi-
née dans nos catalogues de Lépidoptères. Les chenilles que
j'ai reçues à différentes reprises provenaient, certainement de
différentes femelles, mais ce n’est que fortuitement que celles
que j'ai recues les dernières provenaient précisément de femelles
de la variété Sphyrus.
Quant à l'observation de M. Ver Huezz, il n’y a rien qui
empêche d’admettie que la variation, produite dans la chenille,
se traduira encore dans le papillon; cela semble méme assez
probable. Quant à celle mentionnée par Sepp, je dois faire
remarquer toutefois, que la description n’est pas très-claire sur
l’âge des chenilles auquel elle a rapport, et que d’autres varia-
tions encore y sont décrites que je n’ai jamais observées, pas
plus que d’autres observateurs, pour autant que je sache. Il
y est question de taches noires, au lieu d’orangées, dans les
chenilles vertes, et de taches jaune-soufre. Quant à ces der-
niéres, je dirai que dans les chenilles vertes je les ai observées
aussi d’une nuance jaune plus ou moins prononcée; dans les
chenilles noires, au contraire, d’une „nuance tirant plus sur le
101
rouge; mais que je n'ai jamais remarqué de taches noires. Il
reste donc toujours quelque incertitude a l’égard de cette ob-
servation. Toutefois, de l’opposition faite entre les chenilles
noires et les deux chenilles vertes, il semble qu’on puisse ad-
mettre qu'elles auront été réellement des chenilles de la vari-
été noire.
En admettant done cette supposition, je ferai observer qu'il
est très-possible que d’autres causes encore que le froid, peu-
vent agir de la même manière. Je suppose: une nutrition plus
ou moins défectueuse à quelque égard. La variété Sphyrus
se distingue surtout par une moindre orandeur et par une ex-
tension plus grande du noir sur les ailes. Nous avons observé
une diminution de la taille dans nos chenilles noires; quoique
irés-insignifiante dans les nòtres, la petitesse de plusieurs indi-
vidus des papillons de la variété Sphyrus laisse conclure à
une bien plus marquée pour les chenilles dont ils sont prove-
nus. Monsieur VER Huet a fait voir un dessin d’un exem-
plaire extrémement petit; il a dit, en outre, que les chenilles
en étaient trés-petites, méme il a supposé qu’elles n’auraient
pas subi la dernière mue, et encore il a soulevé une question
sur la présence ou l’absence des tubercules épineux apres la
dernière. mue.
Il me parait peu probable que des chenilles se métamorpho-
seraient en chrysalides sans avoir subi leur dernière mue; je ne
pourrais l’admettre qu’apres des observations et des expériences
très-exactes , faites expressément dans le but de constater ce fait.
Quant à l'existence de tubercules épineux dans les chenilles
adultes, nous avons remarqué que nos chenilles noires étaient
plus épineuses que les vertes. Il se pourrait donc très-bien que
la chenille de M. Ver HueL ait été plus épineuse encore que
les miennes, et que de-la il s’est laissé induire en erreur pour
l’absence de la dernière mue, erreur bien excusable et facile
à commettre d’ailleurs, vu la grande difficulté d'observer tou-
tes les mues d’un insecte, surtout les premières qui nous échap-
pent facilement sans une attention toute spéciale, dirigée dans
le but de les observer expressément. Un mérite, par lequel
102 5
l’ouvrage de SEPP se distingue tout particulièrement, c'est
qu'on y trouve souvent mentionné très-exactement toutes les
mues des chenilles. Quant a celles du Pap. Machaon, elles
ne laissent presque rien a désirer. — Nous soupconnons done
que la variété noire aura été plus prononcée encore dans la
chenille de M. Ver HueLL que dans les nôtres, que de-là elle
était plus hérissée d’épines et plus petite encore. .
Nous ne savons pas dans quel temps de l’année cette chenille
de M. Ver Huerr s'est développée; mais d’après ce qui pré-
cède, nous croyons tres-admissible la supposition d’une nutri-
tion défectueuse pour expliquer l’origine de cette variété dans
des temps plus chauds. Nous ajouterons encore que ces eas
d’indigence se présentent souvent quand nous nourrissons des
chenilles dans nos appartements, et rarement quand elles se
nourrissent en liberté sur des plantes intactes. Le froid sera
peut-être alors une cause plus ordinaire pour la production de
cette variété.
Ainsi nous avons fait probablement un pas de plus vers l’ex-
plication de quelle manière le froid agit en produisant cette
variété. Probablement il n’agit que par l'influence qu'il exerce
sur la nutrition de ces chenilles, influence que nous avons con-
statée en premier lieu dans ce mémoire. Voila encore. de nou-
velles questions à élucider par des observations et des expé-
riences futures, sur lesquelles je me permettrai encore quelques
rem arques.
Il est probable que ces causes n’auront l'effet de produire
cette variété, que lorsqu'elles agissent avant la dernière mue de
chenille. La peau des insectes ne s’accroit proprement pas,
mais se change par les mues. Immédiatement après une
mue, la nouvelle peau est ample et ridée; si l’insecte va
prendre alors de nouveau de la nourriture, la quantité du fluide
nourricier et l’accroissement des organes intérieurs, surtout la
déposition de nourriture dans le tissu graisseux, pour servir
pendant son état de métamorphose de chrysalide en papillon,
quand il ne prendra plus de nourriture à l'extérieur, vont
étendre de plus en plus la peau jusqu’à ce qu’elle ait recu
P if Jusq C
108
son plus haut degré d’extension. C’est alors que le temps
d’une mue nouvelle est arrivé, la peau ne suffit plus à l’insecte
qui doit croitre davantage, il faut qu’il en regoive une nouvelle
et plus ample; il se retire quelque temps, afin que la peau
nouvelle puisse se former et se détacher de l’ancienne. Quand
cette formation est accomplie, il se dépouille, et après que ses
pattes et ses machoires nouvelles se sont assez durcies et ont
acquis une consistance suflisante, il se met ordinairement a
dévorer son ancienne dépouille pour ne pas perdre cette sub-
stance précieusse. Telle est la signification des mues; ce n’est
qu'un renouvellement de la matière, modifié de ce qu'il est
dans les autres animaux. Tandis que dans ceux-ci cela se fait
continuellement et presque imperceptiblement par petites por-
tions, dans les insectes cela a lieu pour la peau tout entiére
a des intervalles déterminés, c’est-a-dire par des mues. La
peau ne subit done pas de changements aprés les mues, elle
sort de l’ancienne dépouille avec tous ses caracteres, avec tou-
tes ses couleurs; elle ne fait que se durcir et ne subit que des
changements secondaires, comme, par exemple, par son exten-
sion, par une transparence qui augmente avec elle, etc. Ainsi
la peau a déjà acquis ses propriétés dans nos chenilles lors de
la quatrieme mue, et les causes qui les ont déterminées doivent:
avoir agi déja avant cette mue. ;
Les changements qui se font voir après les mues, pour les
chenilles vertes, nous les avons expliqués déjà par ce que le
vert, immédiatement après la mue, est caché pour la plus
grande paytie dans les plis entre les anneaux du corps. Ainsi
les bandes noires sur le milieu des arcades dorsales et les taches
noires au ventre se rencontrent presque de manière à ne faire
voir entre elles que très-peu du vert. De là l’aspect noir que
même les chenilles vertes ont encore immédiatement après la
dernière mue, et leur plus ou moins de ressemblance, dans les
premiers jours, avec les chenilles de la variété noire et celles
d’un age antérieur. À mesure, toutefois, que la chenille croit,
la peau s’etend de plus en plus et le vert, caché auparavant, se
fait voir dans le même rapport dans les chenilles vertes, tandis que
104
c'est le noir qui domine de plus en plus dans les chenilles
noires. i
Daprès ce que nous venons d’expliquer, on comprendra main-
tenant mieux aussi l’argument que nous avons avancé pour
prouver que nos chenilles noires avaient subi réellement leur
dernière mue de chenille, savoir: que ‘leur peau ne saurait
s’etendre de manière a recevoir l’ampleur des chenilles adultes.
La taille, toutefois, peu différente de nos chenilles noires de
ce quelle est ordinairement, est un fait bien remarquable,
lorsqu'il s’agit d’expliquer leur origine par une nutrition defec-
tueuse a quelques égards. Je crois pouvoir l'expliquer de la
manière suivante. |
En rendant défectueuse la nutrition avant la quatrième mue,
ou agira surtout pour développer la variété noire; en la fai-
sant agir après cette mue, on n’influera que sur leur extension
en grandeur, de manière à produire une race naine; tant des
chenilles vertes ordinaires que des chenilles noires; et, si cette
race naine se rencontre le plus souvent dans la race noire,
c'est qu’ordinairement l’influence qui a déjà agi pour produire
la variété noire, s’etendra au delà de la dernière mue. Ce-
pendant ou devra admettre encore que ce trouble, dans la nu-
trition, agit de deux manières différentes. Nous avons observé
que le temps a été double, pour nos chenilles noires, à recevoir
leur entier développement depuis la dernière mue, et qu'elles
mangeaient très-peu. Le temps aura donc restitué la perte
occasionnée par le froid ; les chenilles ont prolongé le temps
nécessaire pour leur métamorphose en chrysalides, de manière
qu’elles ont pu prendre autant de nourriture qu'elles en pren-
nent ordinairement ; mais les autres changements ne sauraient
seréstituer de cette manière. |
Il est probable, au contraire, qu’une chaleur plus grande
les incite, et dispose leurs organes à subir la métamorphose en
chrysalide au temps déterminé, quoiqu’elles n’aient pas encore
pris la quantité ordinaire de nourriture, et que de-là la peti-
tesse se joint à la couleur noire. De cette manière on pourra
expliquer le fait, que ces variétés naines nous parviennent sou-
105
vent des contrées méridionales et des chaleurs de l’été. Ainsi
GUENEE a décrit encore un Papilio Hospiton de la Sardaigne,
qui évidemment n’est qu’une variété naine du Pap. Machaon.
Qu’une nutrition plus ou moins défectueuse n’agira que d’une
manière insignifiante pour réduire l’extension, la taille des che-
nilles avant la dernière mue en chenille, mais au contraire
energiquement après cette mue, on le concevra aisément en
réfléchissant que cette extension a lieu dans une progression
croissante par rapport aux différentes mues subséquentes. Sup-
posé que la superficie de la peau d’une chenille qui vient
d’éclore , soit, par exemple, de 3 millimètres carrés ; en suppo-
sant encore qu'elle ait la faculté de pouvoir étendre 54 fois
sa superficie primitive, elle sera de 10.5mm9 lors de la pre-
mière mue. Apres cette mue elle aura encore visiblement
la même superficie de 10.5, mais avec la faculté de pouvoir
s'étendre de nouveau 33 fois; et ainsi de suite pour les mues
suivantes. On aura donc, pour la superficie de la peau à
chaque mue, les nombres suivants en millimètres carrés :
Nombre des Superficie de Accroissement
mues. la peau. à chaque mue.
Au sortir de l’œuf 3mmO
Mue I. 10.5 » 7.5mmD
» IL STR (I 271.5) (1)
» II 129 » 92 »
SY: 45040» 3240)
Chenille adulte 1576: » 1126 »
En supposant ensuite la forme de la chenille représentée par
un cylindre dont le diamètre est à la longueur comme 1: 5, et
que cette proportion soit conservée pendant toute la vie de la
chenille, ce qui ne s’écartera pas beaucoup de la vérité, on
aura pour l’augmentation du volume des chenilles, lors de cha-
que mue, les nombres suivants en millimètres cubes ?) :
1) Les fractions sont rejetées ou égalisées pour ce nombre et les suivants.
2) Vai choisi tous ces rapports de manière à correspondre à peu près aux
106
Nombre des Volume des Accroissement
mues, chenilles. a chaque mue.
Au sortir de l’œuf 0.33mm00
Mue I. 2 » 1.67mm07
>» UM 14 » 1200
» IL 92) ie 78 »
» IV. 603 » 5i1 »
Chenille adulte 3945 » 3342 »
L'énorme supériorité de l'accroissement des chenilles, après
la quatrième ou dernière mue en chenille, par rapport à celle
des époques antérieures, est donc bien manifeste. Tandis que
la peau n’augmente, depuis l’éclosion de la chenille jusqu'à la
dernière mue en chenille, que de 447mm9, ‘elle s’élargit de
1126mmQ depuis cette mue jusqu'à la suivante, a laquelle la
transformation en chrysalide s’effectue; et quant au volume de
la chenille, cette différence est bien plus frappante encore.
Pendant les quatre premières mues, l’etendue du corps n’aug-
mente que de 603mmCQ; depuis la quatrième jusqu’au deve-
loppement complet, lors de la cinquieme mue, celle en chry-
dimensions réelles des chenilles du Pap. Machaon. Pour une extension dela
superficie de 1: 33 fois on a, pour l’allongement en dimensions linéaires,
environ le rapport de 1: 12 — La longueur d’une chenille adulte du Pap.
Machuon est d'environ 5 centimètres, et son diamètre de 1 centimètre, ce qui
donne pour la superficie d’un cylindre de ces dimensions 1570mm_) et pour
le volume 3927mm[D, ce qui correspond parfaitement avec les nombres que
nous avons trouvés. La longueur de la chenille, au temps de la quatrième
ou dernière mue en chenille, est d’environ 23 centimètres; ainsi elle s’est
allongée du double, depuis la dernière mue en chenille jusqu’au temps où
elle est adulte et prête à subir la mue pour se transformer en chrysalide.
On ne peut donner des mesures bien exactes des chenilles, puisqu’elles ont
toujours la faculté de s’étendre et de se raccourcir plus ou moins, en méme
temps que leur diamètre diminue ou augmente, de maniére que leur volume
demeure invariable. La concordance des nombres, trouvés en supposant un
allongement linéaire de 1: 1.2, environ, est si grande avec la réalité, que,
si la grandeur de la chenille qui vient d’éclore, et qui ne se laisse pas ap-
precier si facilement, ne différait pas beaucoup de ce que nous avons supposé,
nous croirions ce rapport plus exact que celui de 1: 2, que donnent les me-
sures directes.
>
107
salide, ce volume s’est accru, au contraire, de 3342mmo0.
Aussi la croissance des insectes pendant les premieres mues est
presque imperceptible; dela la difficulté de les bien observer
et d’en tenir exactement compte; elles se soustraient si facile-
ment a nos observations. Apres la derniere mue, au contraire,
l’accroissement est extrémement apparent. On comprendra donc
facilement qu’une nutrition défectueuse ne saurait avoir qu’une
influence insignifiante sur l’accroissement des chenilles dans les
premières mues, mais que cette influence pourra être très-
grande après la dernière; au contraire, elle pourra très-bien
exercer une influence sur d’autres propriétés, probablement
même plus dans le jeune age qu'après la dernière mue.
Cette différence de l’accroissement se traduit aussi d’une
manière bien marquée par la quantité de nourriture que les
chenilles consument à différents ages. La quantité qu’elles en
prennent après Ja dernière mue est énorme, relativement à ce
qu’elles consomment dans l’âge des mues antérieures. Les
quantités absorbées par les vers-à-soie à différents âges, donne-
ront, en quelque sorte, en nombres la progression de l’accrois-
sement des chenilles dans ces différents ages; moindre toutefois
qu'en réalité, parce que cette quantité sera toujours trop forte
pour les jeunes ages; une grande partie se perdant alors,
puisque les jeunes chenilles ne consomment les feuilles qu’en
partie.
Je saisis cette occasion pour mentionner quelques observations
que j'ai faites, il y a déjà longtemps, puisqu'elles prouvent
aussi que la peau des insectes ne subit de changements que
par les mues. On sait que les insectes semblent presque desti-
tués du pouvoir de réparer les lésions qu’ils ont subies. C’est
parce que leur peau est inactive et ne s’accroit que par les
mues. Après une lésion, il se forme bien un caillot de sang
pour arrêter l’hémorragie en obstruant la plaie, mais la peau
ne change ni ne se cicatrise pas. Cependant par les mues, ce
pouvoir réparateur leur est propre à un très-haut degré. On
peut s’en convaincre facilement par les larves d’insectes aqua-
tiques, car les insectes parfaits, qui ne muent plus, en seront
108
à jamais destitués. (C’est ainsi que j'ai eu de jeunes larves
d’ Ephémères et d’Agrions dans lesquelles un ou deux des
appendices caudaux sétacés, et des lamelles branchiales anales
étaient coupés partiellement. Un caillot de sang obstruait les
plaies, mais les coupes tranchées droites ne subirent pas de
changements. Cependant après une mue, les parties enlevées
s'étaient restituées partiellement; les appendices sétacés des
larves d’E ‘phémères avaient recouvré leur terminaison algué,
et les appendices branchiaux des larves d’4grions leur termi-
naison arrondie. Depuis-là leurs formes demeurèrent précisé-
ment les mêmes, jusqu’au temps d’une nouvelle mue, après
laquelle ces parties avaient réparé entièrement les pertes, et
se montraient sous leurs formes primitives, sans accuser la
moindre trace des lésions subies. J’ai même eu une larve
d'un <Agrion qui a recouvré de cette manière presqu’une
patte entière.
Il nous a semblé que ces détails minutieux en eux-mêmes
seraient assez intéressants pour être publiés, surtout parce qu'ils
nous font entrevoir l’origine d’une variété dans le règne animal,
en désignant les causes qui ont agi pour la produire.
J'aurais encore quelques observations à faire sur les chrysa-
lides, provenues de mes chenilles, mais je les renverrai à l'été
prochain , qui m’aura fourni les moyens de voir les résultats que
j'attends des papillons qui naitront de ces chrysalides.
AANTEEKENINGEN OMTRENT LEPIDOPTERA
DOOR
Mr. E. A. DE ROO VAN WESTMAAS.
Hybriden van Smerinthus ocellata en Sm. Populi.
In het 1e deel bladz. 154 van dit Tijdschrift deed ik verslag
van eene door mij genomene proef ten aanzien der copulatie
van Sm. ocellata & en Sm. populi 9. Ditzelfde onderwerp
heeft in den laatsten tijd de belangstelling van Duitsche en
Engelsche Entomologen eveneens opgewekt en aanleiding ge-
geven tot verscheidene merkwaardige stukken van Dr. H. Hagen,
geplaatst in de Hntomologische Zeitung van 1858 op pag. 41.
230. 316 en 407. Zonder het aldaar over deze zaak voorko-
mende seheel te willen overnemen, acht ik het echter belang-
rijk om er datgene uit mede te deelen, wat uitsluitend betrekking
heeft op de vroeger door mi behandelde soorten, te meer
omdat de met deze vlinders genomene proeven een volledig
resultaat hebben opgeleverd en dus strekken kunnen tot aan-
vulling van mijne vroegere aanteekeningen.
Bij zijn onderzoek naar de reeds gedane ontdekkingen be-
trekkelijk bastaarden of Hybriden meldt Dr. H. Hagen het na-
volgende: ,,In the Entomologists weekly Intelligencer, deel
II. 1857. N°. 50 pag. 188 en N°.51 pag. 197, berigt de Heer
Thomas Hague, dat het hem gelukt is bastaarden te verkrijgen
uit Sm. ocellata en Sm. Populi. Slechts negen weken na
het uitkomen der eijeren verschenen de vlinders, tien in getal.
Zi} waren fraai en belangrijk., . daar zij al de teekeningen en
kleuren van beide soorten in zich vereenigden. Sommigen
110
hadden de teekening van S. ocellata op den eenen, die van
S. Populi op den anderen vleugel. Eenigen hadden de lijven
van S. Populi, anderen die van S. ocellata en de vleugels
vice versa.”
De volgende insgelijks zeer gewigtige mededeeling bevatten
the Transact. Entom. Soc. 3. pag. 193. ,,Na eene gedurende
tien jaren vergeefsche proefneming gelukte het House van vif
paren S. ocellata g en S. Populi £ en van een S. Populi g
en S. ocellata 9 cijeren te verkrijgen; slechts van de eersten
kwam een dertigtal uit, waarvan 19 rupsen werden groot ge-
bragt en 12 nog hetzelfde jaar in vlinders veranderden. Deze
hielden het midden tusschen hunne ouders, doch waren onder-
ling zoo gelijk als andere insecten. Terwijl bij Smerinthus-
soorten anders de mannetjes eene witte en de wijfjes eene gele
vloeistof van zich geven, ontlastten de Hybriden eerst een wit
en daarna een geel vocht. De rupsen kwamen bij hunne ge-
boorte met die van S. Populi overeen, verschilden bij de eerste
vervelling weinig, bij de tweede echter meer en geleken einde-
lijk op die van S. ocellata. De poppen onderscheidden zich
meer van die hunner ouders en hielden beter het midden dan
het volkomen insect.”
Dit berigt is in Stainton’s Weekly Intelligencer 1858 pag. 77.
op nieuw afgedrukt. Westwood heeft (1. c.) den bastaard van
House beschreven en afgebeeld. Hij zag slechts twee exempla-
ren, die hij voor mannen hield. De omtrek der vleugels kwam
met beide soorten overeen, de buitenrand was gelijk aan die
van S. ocellata , hoewel getand , doch minder dan bij S. Popult.
De teekening der bovenvleugels was aan die van S. Populi ge-
lijk, de buitenrand der donkere middenteekening echter meer
onregelmatig met twee golvende lijnen, waarvan de eerste minder
duidelijk. De teekening der ondervleugels had meer van, die
van S. ocellata, de kleur aan de basis van die van S. Populi;
op de plaats van het schoone en sterk geteekende paauwoog
stond eene zwarte vlek met een niet scherp begrensd oog daarin.
De geheele onderzijde en de bovenzijde van den thorax was
meer gelijk aan die van S. ocellata. — Met uitzondering van
211
de bovenzijde der bovenvleugels kwamen de vlinders dus meer
met hunnen vader $, ocellata overeen.
Beide deze in Engeland genomene proeven bewijzen dat de
Hybriden den vorm en de kleuren hunner stamouders gelijktijdig
in zich kunnen vereenigen en dus niet bepaaldelijk op een van
beiden behoeven te gelijken, zoo als ik, na het openen mijner
poppen rede had te veronderstellen, daar de vlinders mij, voor
zoo verre zulks namelijk uit de niet volgroeide vleugels was
op te maken, allen toeschenen tot $. Populi te behooren.
Behalve van bovenstaande vlinders en van eenigen, die ik
vroeger reeds opnoemde, is het bewezen dat Hybriden zijn voort-
gebragt 10 door Platypteryx curvatula J en Pl. falcula 9, terwijl
daarentegen eijeren van PJ. falcula g en Pl. curvatula Q
allen indroogden en 2° door Dicranura vinula en D. erminea
bij welke zich uit honderd eieren tien rupsen ontwikkelden,
die het midden tusschen hunne ouders hielden. De pop geleek
meer op die van D. vinula. De vlinders daarentegen veree-
nigden de kenteekenen beider soorten in zich. Er waren negen
mannen en slechts één wijfje onder, terwijl bij P. curvatula d
en falcula % al de Hybriden tot het vrouwelijke geslacht
behoorden.
Als eene bijzonderheid moet nog aangemerkt worden, dat zich
in beide hier boven aangehaalde proeven met S. ocellata en
S. Popult, de vlinders nog in hetzelfde jaar ontwikkelden,
iets dat steeds eene zeldzaamheid bij hunne stamouders is, ter-
wijl daarentegen de poppen mijner Hybriden tot verre in het
volgende jaar in leven bleven en toch geene vlinders voortbragten.
Hipparchia Egeria.
De Heer P. C. T. Snellen meldt in het 1¢ deel van dit
Tijdschrift pag.100, dat volgens zijne en anderer waarnemingen
de rups van Zgeria overwintert, waaruit hij afleidt dat het
verpoppen vóór den winter, hetgeen volgens Sepp (1¢ deel p. 33)
bij al zijne rupsen, ten getale van vijftien, plaats had, eene
uitzondering was, en datde levenswijze van H. Zgeria in den
8
112
regel niet zoo is, als Sepp die beschrijft. Of deze gevolgtrekking
in allen deele juist zij, meen ik te mogen betwijfelen en dus
de vraag: ,,wat regel, wat uitzondering zij’’, waarop het hier
alleen aankomt, in tegenovergestelden zin te moeten beantwoor-
den dan de Heer Snellen zulks doet. Deze bewering berust op
de volgende proefnemingen. Sedert vier jaren vond ik jaarlijks
in de maanden September en October de rupsen van 7. Egeria
die immer allen vóór den winter verpopten, zonder dat het mij
ooit gebeurde een enkele over te houden. Zelfs dit jaar nog
ontdekte ik in het begin van October een uiterst klein rupsje
dezer soort aan een grasstengel zittende, dat mij, bij het ver-
gevorderde jaargetijde toescheen zeker te zullen overwinteren,
hetgeen echter ook weder ditmaal geene plaats had, daar de
rups zeer snel doorgroeide en in het laatst van October in pop
veranderde.
De vlinders verschenen bij mij in het laatst van April en in
het begin van Mei — de allervroegste op den 15° April. In
Gelderland, alwaar #. Zgeria zeer overvloedig is, heb ik frissche
exemplaren omstreeks dien zelfden tijd gevangen, die dus waar-
schijnlijk niet uit rupsen, die overwinterd hadden, waren voort-
gekomen. Daar nude vlinders den geheelen zomer door, namelijk
van 15 April tot het begin van October rondvliegen, zullen er
ongetwijfeld rupsen zijn, die hunnen vollen wasdom voor den
winter niet kunnen bereiken en zijn het dezen die, zoo als ook
de Heer Snellen ondervonden heeft, overwinteren. Of zulks
wel het grootste getal is, meen ik te moeten betwijfelen; zoo dat
ik, niet kunnende aannemen dat al mijne proeven tot de uitzon-
deringen behoorden, dat toch niet denkbaar is, tot het vermoe-
den kom, dat de overwinterde rupsen van MZ. Zgeria onder de
zoogenaamde nablijvers moeten gerekend worden en het verpop-
pen voor den winter bij deze soort regel is. De waarschijn-
lijkheid, dat dit gevoelen het ware is, neemt echter niets weg
van het verdienstelijke, dat er voor den Heer Snellen in gelegen
was van door het bewijzen der overwintering van de rupsen eene
nieuwe bijdrage tot de geschiedenis der gedaanteverwisseling van
dit insect geleverd te hebben.
113
Acronycta Ligustri.
Even als de vorige, bewijst ook alweder deze vlinder hoe
moeijelijk het is met bepaalde zekerheid den tijd der gedaante-
verwisselingen van sommige insecten vast te stellen en hoe een
niet sterk genoeg doorgezet onderzoek aanleiding tot verschil
kan geven zelfs bij de voortreffelijkste insecten-kenners.
De waarnemingen betreffende 4. Ligustré strekken hier van ten
bewijze. Volgens Kleeman vertoont zich de rups in November
en de vlinder in Maart; Esper vond rupsen in Augustus en
November en verkreeg de vlinders in Mei: hij vermoedt echter
eene tweede generatie. Treitschke zegt, dat de rups in Julij,
Aug. en Sept. leeft en de vlinder in Mei, Junij en Julij te
voorschijn komt, terwijl hij later in zijn Supplem. DI. X. 2. 4.
bij ondervinding beslist dat er twee generatien bestaan, daar
hij in het begin van Juli} rupsen had, waarvan de vlinders in
Augustus uitkwamen, en weder later in het begin van Sept.
nieuwe rupsen, die overwinterden (zoo dit laatste geene ver-
gissing is en hier werkelijk rupsen en geen poppen bedoeld
worden, is Treitschke de eenige die van eene dergelijke overwin-
tering gewaagd). Freyer eindelijk spreekt stellig tegen dat de
rupsen in November te vinden zijn en verhaalt dat hij deze in
Junij, Julij en zelfs nog half September ontdekt heeft, en dat
zijne vlinders zich eerst in Mei van het volgende jaar ontwik-
kelden. Deze verschillende opgaven, die men toch moet aan-
nemen dat op waarnemingen steunen, te vereenigen , schijnt moei-
jelijker dan zulks inderdaad is. De ondervinding, die ik in de
laatste drie jaren betrekkelijk deze vlindersoort opdeed, heeft
mij hiervan overtuigd en stelt mij thans in staat menig nog
twijfelachtig punt in de ontwikkelings-geschiedenis van dit in-
sect op te helderen.
De eerste rups, die ik van 4. Zigustri verkreeg, was op
den 1° November 1855 onder een’ essenboom gevonden; deze
verpopte zeer spoedig en leverde den vlinder den 11e Junij
1856. Im dat zelfde jaar gelukte het mij, na een herhaald
onderzoek op essenstruiken, van 25 October tot 1 November
9*
114
weder vier rupsen magtig te worden, waaronder een’ nog zeer
kleine, die half November stierf; de anderen werden binnen
weinige dagen poppen en veranderden van 7 tot 13 Junij 1857
in vlinders. Uit deze proeven blijkt ontegenzeggelijk dat de
rupsen, in weerwil van het ontkennen van dit punt door Freyer,
wel degelijk in November kunnen voorkomen en ook werkelijk
voorkomen. Op ongeveer dezelfde plaatsen ontdekte mijn broe-
der G. J. H. de Roo op den 2en Julij 1858 weder eene tame-
lijk groote rups dezer soort en op den 7en vier nog zeer kleine.
Deze rupsen groeiden spoedig en werden allen in dezelfde maand
poppen, waaruit zich op den 5° en 9 Augustus twee vlinders
ontwikkelden. De overige drie kwamen niet uit en zijn tot op
dit oogenblik (21 December) nog springlevend, zoodat zich de
vlinders tot in het voorjaar zullen doen wachten. De in July
gevonden rupsjes waren natuurlijk uit eijeren van hetzelfde jaar
en vier daarvan, naar hunne grootte en vindplaats te oordeelen,
mogelijk wel van dezelfde moedervlinder, en toch is het ver-
schil in tijd tusschen het uitkomen der vlinders van dien aard,
dat het in staat is den besten natuuronderzoeker, zoo hy de
zaak zelf niet voor oogen heeft, in de war te brengen. Uit
de eijeren der in Augustus rondvliegende vlinders worden dus
de rupsen geboren, die zich in November vertoonen en die
even eens in het voorjaar in vlinders veranderen, zoodat dan
de eerste en tweede generatie op denzelfden tijd te voorschijn
komt. — De buitengewone onregelmatigheid in de ontwikkeling
van dit insect, waarvan de rups, zoo ten minste het overwin-
teren van deze waarheid zij, het geheele jaar door te vinden
is, stelt alle schrijvers in het gelijk, behalve Freyer, die het
voorkomen der rups in November ontkent en zich in deze be-
paaldelijk vergist.
Dat er twee generatien bestaan, is derhalve niet twijfelach-
tig; of dit echter jaarlijks, dan wel alleen bij gunstige omstan-
digheden plaats hebbe, is minder zeker; ik zoude echter eerder
geneigd zijn het eerste dan het laatste aan te nemen, daar ik
ook in een vorig jaar een geheel onbeschadigd exemplaar dezer
soort in het laatst der maand Augustus in Gelderland ving,
115
hetgeen er voor pleit dat het uitkomen mijner poppen op dien
tijd geene uitzondering is.
Hadena suasa.
Van dezen vlinder wordt, voor zoo verre ik weet , geene tweede
generatie aangenomen; echter heb ik rede om te veronderstel-
len dat deze, zoo al niet immer, toch somtijds voorkomt. In
Mei 1857 namelijk, zag ik eene menigte vlinders dezer soort,
die later verdwenen en op nieuw weder in het laatst van Julij
en in het begin van Augustus te voorschijn kwamen. De vlinders
dezer tweede generatie waren vrij menigvuldig, doch kleiner
dan die der eerste. — Hetzelfde verschijnsel, dat ik vroeger
bij Noctua Triangulum opmerkte (zie Sepp VIII. 15), vertoont
zich dus ook hier, echter komt het mij waarschijnlijker voor dat
H.suasa in den regel twee generatien zouden hebben dan NV. Tri-
angulum, omdat slechts enkele vlinders dezer laatste soort in
October uit de poppen kwamen. Dat de warme zomer van
1857 alleen oorzaak eener tweede generatie bij H. suasa zoude
geweest zijn, geloof ik niet, daar ik ook weder vlinders op 27
Julij enz. van dit jaar waarnam.
Als aanvulling tot hetgeen de Heer P. C. T. Snellen op
pag. 80 reeds omtrent beide hier volgende soorten heeft mede-
gedeeld stekke nog :
Noctua umbrosa Hübn.
Onder een groot aantal rupsen van Hel. Graminis, die ik
op den 15° Junij 1856 in eene weide bij Goudriaan had doen
opzamelen, bevond zich ééne onbekende, die mij naderhand
bleek van JV. umbrosa geweest te zijn; de vlinder verscheen
den 5en Augustus. — Naar den korten tijd, die mijne rups
tot hare gedaanteverwisseling heeft noodig gehad, te oordeelen ,
schijnt het mij onwaarschijnlijk toe, dat zij, zoo als Treitschke
beweert, drie maanden onveranderd in het spinsel zoude blijven
liggen, alvorens in pop te veranderen; want in dat geval zoude
116
de rups reeds vroeger mocten ingesponnen geweest zijn en bij
het opnemen uit het spinsel geraakt ; doch de ondervinding leert
dat zulks bij dergelijke soorten altijd doodelijk is; mij ten minste
gelukte het nooit noch van S. Xanthographa, noch van C.
Vaccinit uit rupsen, die eenmaal verstoord waren geweest, de
poppen te verkrijgen.
Aylina semibrunnea Haw.
In tegenspraak met den Heer P, C. T. Snellen, doch om de-
zelfde reden, waarom hij van oordeel is dat de naam van Ocu- .
lata als oudste, den voorrang zoude verdienen, heb ik ge-
meend bovenstaande benaming te moeten behouden. — Deze-
vlinder kwam mij te Velp in October voor; ook ving ik te
Dordrecht één exemplaar in Maart binnens’huis, waaruit blijkt
dat hij overwintert en dus in dat opzigt overeenstemt met die
van Ayl, velusta, die ik menigmaal te Dordrecht in Sept.
en October en in het vorige jaarte Velp nog in vrij groot aantal
in April aantrof.
Notodonta querna W. V.
Van dezen vlinder, die in ons vaderland uiterst zeldzaam schijnt
voor te komen, ving ik te Velp op een’ eikenboom in Septem-
ber 1853 de rups; deze was groen met gele zijdestreep; zij
spon zich tusschen bladeren in en leverde den vlinder in het
laatst van Mei 1854. | ’
QUELQUES MOTS SUR LE CRI QUE FAIT ENTENDRE LE
SPHINX (ACHERONTIA) ATROPOS,
PAR
M. le Prof. J. VAN DER HOEVEN.
Le faculté d’émettre des sons n’est point limitée aux animaux
supérieurs. C’est la voix seulement qui est propre aux vertébrés
respirant par des poumons, car le nom de voix, comme le dit
le Professeur Ducks, doit être réservé pour les sons produits
dans un larynx au moyen de lair expiré. Chez plusieurs insec-
tes on remarque des sons produits par des frottements de par-
ties dures, une stridulation qu’on entend souvent à des distances
assez grandes. L'ordre des Orthopteres surtout nous en donne
des exemples, et parmi les Hemiptères le chant des Cigales fit
deja l’admiration des anciens.
Pour la plupart de ces insectes on connait le mécanisme qui
sert à la production de ces strideurs. Il n’en est pas ainsi pour
le son du Sphinx atropos. R£aumur le décrit dans le passage
suivant :
» Le cri de notre papillon est assés fort et aigu; il
a quelque ressemblance avec celui des souris, mais il est
plus plaintif; il a quelque chose de plus lamentable. C'est
sur-tout lorsque le papillon marche, ou qu’il se trouve
mal à son aise, qu'il crie; il crie dans les poudriers,
dans les boistes où on le tient renfermé; ses cris redou-
blent lorsqu'on le prend, et il ne cesse de crier tant qu'on
118
le tient entre les doigts. Hn général il fait grand usage
de la faculté de crier, que la nature lui a accordée” 1).
L'espèce s’est montrée cette année ci (1858) en grande
abondance dans plusieurs contrées de notre Patrie, et une lettre
de mon ami le Prof. van BENEDEN a Louvain m’apprend qu'il
en a été de méme en Belgique. Un entomologiste zélé, M. DE
Roo van WESTMAAS, m'en a envoyé en Septembre 9 chrysalides ,
mais malheureusement elles se sont deséchées pour la plupart ;
dans une seule l’insecte parfait s’est developpé , sans cependant
pouvoir sortir de la chrysalide; la téte seulement et une partie
du thorax en a pu rompre l’enveloppe. Je garde encore quel-
ques chrysalides, qui achèveront peut-être leur métamorphose
l’année suivante. M. pe Roo avait eu la complaisance d’ajouter
un exemplaire de l’insecte parfait qui m'est parvenu vivant.
Au moyen de ces deux exemplaires j'ai pu faire quelques ob-
servations sur le cri dont il s’agit.
Passons en revue les opinions diverses qu’on a proposées sur
la cause du son de cet insecte. RÉAUMUR, dont on doit pres-
que toujours citer le nom quand il s’agit de quelque sujet de
l'Histoire des insectes, nous a donné une explication qu'il a
déduite de quelques expériences auxquelles il a soumis l’insecte.
Il croit que le son dépend des frottements de, la trompe contre
les palpes qu’il nomme barbes?). À peu près la même opinion
a été avancée par SCHRÖTER dans une lettre à SCHREBER qu'on
irouvera insérée dans un journal allemand du siècle précédent ;
seulement SCHROTER est moins précis dans son explication et
ne parle que d’un frottement de la trompe contre la téte sans
indiquer une partie spéciale 3). RoEsEL n’a observé qu’un seul
insecte parfait; il ne traite du sujet que d’une manière trés
superficielle, et parait disposé à attribuer le son a un frottement
entre le thorax et l’abdomen, où il croit avoir vu plus de mou-
vement pendant la production du eri que dans la trompe et
les palpes 4).
1) Mem. pour servir a Hist. des Insectes. Paris 1735. 4°. II. p. 290.
2) L. c. p.291, 292. 3) Der Naturforscher XXlstes Stück. Walle 1785.
SAI: 4) Insecten-Belustigung UI, Nürnberg 1755. §. 16.
119
Les auteurs du dix-neuvième siècle, nos contemporains, ont
proposé d’autres explications!). Lorry, ancien chirurgien-major
des armées , cité par M. DuponcHEL, dit que le cri est occasionné
par lair qui s'échappe par la trachée (par le stigmate?) qui
existe des deux côtés de l’abdomen, et qui dans l’état de repos,
se trouve [fermée?| par un faisceau de poils tres-fins, réunis par
un ligament qui prend naissance sur les parois latérales et in-
ternes de la partie supérieure de l’abdomen ?). M, GoREAU a
cru remarquer une membrane vibrante en cet endroit dont les
trémulations seraient la véritable cause du cri de notre lépidop-
tere 3). M. PassERINI a trouvé une cavité dans l’intérieur de
la téte, et qui a des muscles placés à son entrée, qui commu-
nique avec le canal central de la trompe. L'air chassé de cette
cavité pendant le cri serait la cause du son *). Enfin M.
WAGNER a trouvé que l’oesophage et surtout le jabot sont
remplis d’air, et il est disposé à admettre que cet air, chassé
par la trompe, occasionne le cri dont il s’agit 5).
Ayant coupé les ailes au lépidoptère qui était a ma disposi-
tion, j'ai vu que le son se produisait de même qu’auparayant.
Je n'ai point enlevé l’abdomen, comme M. PassERINI, qui a
vu que cette ablation n’empéchait pas l’insecte de rendre son
cri. Mais le lépidoptère, qui ne pouvait se débarasser de sa coque,
criant deja comme l'autre a rendu cette expérience superflue,
et sert aussi à refuter l’explication de RoESEL qui supposait un
frottement entre le thorax et l'abdomen®). Il est bien évident
que le son provient de quelque partie de la tête; c’est un point
1) Saus ajouter des preuves, Huser dit simplement que le son se produit
sans le concours de la trompe. Nouv. observations sur les Abeilles 1814. p.300.
2) Lettre de M. DuPoncneL en date du 21 Février 1828. Annales des Sc.
natur. XIII. p. 332.
3) Annal. de la Soc. entom. VI. p.68, 69 (Je ne puis consulter maintenant
ce récueil).
4) Duroncuer l. 1. p. 333.
5) MürreR’s Archiv für Physiol. VIT. 1836. p. 60—62.
6) M. SPENCE nous apprend qu’un observateur anglais, M. RADDON, a entenda
quelque fois le cri immédiatement avant Ja sortie du Sphinx de sa chrysalide.
Introduction to Entomology VIIth ed. p. 495.
120
sur lequel la plupart des observateurs sont d’accord (REAuMUR,
SCHRÖTER, PASSERINI, WAGNER etc). Ayant coupé une des
palpes, le cri continua; en coupant l’autre le cri se fit enten-
dre encore mais cessa cependant peu après sans revenir.
Comme le cri est un acte de la volonté de l’animal, on sent
aisément que les experiences sur l’animal vivant ne sont pas en-
tierement concluantes quand ils donnent pour résultat que le
son cesse après telle ou telle mutilation. Il se peut fort bien
que l’animal cesse de le produire et que la faculté subsiste néan-
moins. Ce n’est que quand le cri persiste après l’enlèvement de
quelque partie, qu’on est en droit d’en déduire que la partie
enlevée ne le produit pas. |
J'avoue que les palpes dans le Sphinx atropos me parais-
sent peu propres a produire un tel frottement contre la trompe
qu ils résultera quelque son. RÉAUMUR a vu cesser le son, il
est vrai, apres avoir écarté les palpes de la trompe par une
épingle, mais ce que je viens de dire servira a prouver que
cette observation n’est pas entièrement concluante.
Je pense qu’il y a peut-être d’autres parties à la tête qui
seraient encore en état de produire un pareil frottement, après
l’ablation des palpes. Les grands yeux du Lepidoptere sont
encirclés par une membrane dure vers la partie inférieure, et
à la base de la trompe se trouve une membrane ou diaphragme
déjà remarqué par M. DuPoncHEL, mais qui existe également
chez le Sphinx Ligustri.
En pesant les opinions, je suis encore disposé à admettre que
le son se produit d’une manière mécanique, c’est à dire par
un frottement rapide de la trompe contre les palpes ou quelques
autres parties de la tête et que ce son est fortifié par la mem-
brane élastique qui se trouve à la base de la trompe et par
l’air qui se trouve dans la trompe, la tête et les grands yeux
composés qui admettent tant de trachées entre leurs pyramides
composants. Cependant il faut avouer que cette opinion serait
tout à fait fausse quand l’observation de M. Passerini fut
confirmée, que le son continue après que la trompe est coupée.
Je regrette beaucoup n'avoir répété cette experience que je ne
121
me rappellais pas à l’époque où j’avais l’exemplaire vivant a
ma disposition. Il faut cependant ajouter qu'elle est en contra-
diction avec les observations de RÉAUMUR, et avec celles plus
récentes de feu le Professeur Ducks !).
Il me reste encore à parler de l’opinion de ce dernier au-
teur. Attribuant le cri à la trompe, il pense que le son est
produit par les frottements réciproques des bords des deux
moitiés de cette partie. Le canal central, comme on sait, est
formé par la réunion des deux gouttières qui appartiennent à
ces deux parties laterales. » Ces deux moitiés peuvent glisser
l’une sur l’autre sans se disjoindre, c'est que leurs bords et sur-
tout le postérieur sont emboités, l’un offrant une rainure pour
recevoir l’autre. Or le fond de cette rainure et le bord qui s’y
loge sont très-finement crénelés en travers, et leurs frottements
réciproques sont la vraie cause de ce son dont la théorie a été
tant controversée ?). a
Je serais disposé a admettre l’opinion de Ducks, si le frot-
tement dont il s’agit pourrait s’operer sans un déplacement
d’avant en arrière ou réciproquement dans les deux mächoires
ou lames de la trompe, mais ce mouvement me semble peu
probable s’il n’est pas impossible. Ces lames peuvent se rap-
procher ou s’écarter, c’est a dire elles ont un mouvement laté-
ral, mais tout autre mouvement leur semble refusé comme aux
mâchoires des autres insectes.
Au reste les crénelures dont parle le Prof. Ducks existent
sans aucun doute. Ceci m’a conduit 4 examiner la trompe du
Sphinx Atropos et de la comparer avec le méme organe chez
quelques autres espèces de la méme famille de Lépidopteres.
Cet organe est rudimentaire chez les Smérinthes (Sphinx ocel-
lata, Sphinx Tiliae), et consiste en deux filets deliés et courts
qui ne sont pas enroulés. Chacun connait la longueur consi-
dérable que la trompe offre chez quelques autres espéces de
1) Traité de Physiologie comparée par A. Ducks. Montpellier 1838. vol Il.
p. 226. »Le cri faiblit à mesure qu’on coupe une plus grande quantité de la
trompe, et il cesserait même totalement si on l’extirpait des sa racine.”
2) Ducks 1.1, p. 226, 227; PI. VI fig. 256.
122
cette famille, surtout chez le Sphinx Convolvuli. Chez l 4-
cherontta au contraire cet organe est assez court mais robuste:
sa surface montre des stries obliques et parallèles qui existent
aussi chez la plupart des autres espèces que j'ai examinées
(Sphinx Porcellus, Sph. Convolvuli, Sph. lineata etc.)
mais qui chez notre espèce sont beaucoup plus prononcées et
saillantes, Chez un exemplaire des Indes du Sphinx (Ache-
rontia) 4fropos j'ai trouvé des tuberosités surtout vers la partie
basale de la trompe. La surface extérieure est herissée de poils
roides. Si Von frotte rapidement la trompe par sa face exté-
rieure contre la lame tranchante d’un petit scalpel ou contre le
bord d’un papier ou d’une pièce de carton, on entend un son
qui imite assez bien le cri de l’insecte vivant.
Mes recherches ne sont pas complètes, et j'espère seulement
qu’elles mèneront a une solution satisfaisante quand elles seront
reprises et poursuivies dans une année prochaine. Si l’occa-
sion se présente je me propose d’y revenir, mais j’invite les
autres observateurs, qui voudraient bien s’interesser a ce sujet,
de soumettre la question a de nouvelles recherches. Il me pa-
rait qu’on a avancé trop de conjectures, qui, méme quand elles
reposeraient sur des faits anatomiques, ne peuvent guère rendre
raison du cri dont il s’agit. Il me semble qu’un peu d’air qui
se trouverait dans une cavité de la téte ou dans le jabot ne
saurait produire un son s’il n’y a pas une lame vibrante, et si
ensuite l’on ne donne une explication suffisante de la maniere
dont l’air est remplacé après son expulsion. Il me parait néces-
saire aussi d’étendre les recherches sur d’autres espèces qui ne
produisent aucun son. Si ces espèces possèdent la même dis-
position des organes dont on aurait expliqué la formation du son,
l’explication proposée tombe d’elle même. La trompe de l’Acheron-
tia différe de celle des autres espèces par sa surface inégale et
par sa grosseur, et je le repète, je pense encore que c’est dans est
organe qu’on devra chercher la cause d’un son qui me parait étre
du à un frottement comme le son de beaucoup d’autres insectes.
EENE TWIJFELACHTIGE CABERA
DOOR
Mr. E. A. DE ROO VAN WESTMAAS.
In de maand September 1856 had ik op elzenhout bij Dor-
drecht, een aantal rupsen verzameld, die wel aanmerkelijk in
kleur verschilden, doch mij niettemin allen toeschenen tot de
bekende Cabera pusarta te behooren, bij welke soort dit
verschijnsel, dat men trouwens bij vele rupsen van Geometrae
waarneemt, vooral niet zeldzaam is. Mijne veronderstelling
bleek dan ook juist geweest te zijn, toen zich in het begin van
Junij des volgenden jaars eene menigte vlinders der gewone
Caberia pusaria uit mijne poppen ontwikkelde. Onder dezen
bevond zich echter een exemplaar, dat zoowel door den vorm der
vleugels als door de kleur en den loop der dwarslijnen zoo zeer
van de gewone C. pusarta afweek, dat ik daarin aanleiding
genoeg meende te vinden om geene gewone varieteit, maar
veeleer eene andere soort te vermoeden. Nu werd het echter
de vraag of deze vlinder reeds door eenigen schrijver behandeld
was en zoo ja, onder welken naam hij voorkwam.
Het onderzoek , dat ik dienaangaande instelde, scheen al dadelijk
tot een’ gunstigen uitslag te zullen leiden, daar ik bij het door-
bladeren van Freyers Neue Beiträge op plaat 60 in zijne ©.
confinaria het evenbeeld van mijnen vlinder meende te erkennen.
Eene meer naauwkeurige vergelijking deed mij echter weder
van dit gevoelen terugkomen en meer overhellen tot de bij
Wood afgebeelde en bij Guenée onder den naam van C. ro-
tundaria beschreven soort, doch ook met deze kwam de vlin-
der, naar mijn oordeel, niet volkomen genoeg overeen om hem
124
bepaaldelijk als zoodanig te durven bestemmen. Ten einde uit de
onzekerheid te geraken raadpleegde ik toen verscheidene mijner
Entomologische vrienden zonder echter tot een resultaat te
kunnen komen, weshalve ik eindelijk besloot eene afteekening
mijner twijfelachtige Cabera aan den Heer ©. F. Freyer te
Augsburg toetezenden, daar ik dezen, als den schrijver over de
nieuwe door hem zelven genoemde €. confinaria , voor den be-
voegdsten regter hield. De zeer beleefde brief, dien ik terug ont-
ving , beantwoordde echter slechts ten deele aan mijne verwach-
ting en besliste het pleit niet volkomen. De Heer Freyer schreef
namelijk: ,,dat hij mijnen vlinder voor dezelfde soort als zijne
C. confinaria hield, hoewel mijn exemplaar grooter en de
kleur veel geler was; dat het evenwel niet onmogelijk ware dat
dit eene soortgelijke afwijking van C. exanthemaria was, als
hij zelf tegenwoordig veronderstelde dat zijne C. confinaria ,
eene van €! pusaria was.”
Tot mijne verwondering spreekt de Heer Freyer volstrekt niet
van de dwarslijnen, waar ik hem in mijn’ brief vooral opmerk-
zaam op gemaakt had, en schijnt hij alzoo in het geheel geen
acht geslagen te hebben op het kenteeken, dat het grootste
verschil tusschen mijn exemplaar en zijne Confinaria daarstelt.
Niettegenstaande het gevoelen van eenen door zijne Lepidopte-
rologische kennis zoo teregt beroemden man voorzeker van
groote beteekenis is, moet ik echter bekennen dat mijn twijfel
niet is opgelost en ik nog steeds meer geneigd ben mijnen
vlinder tot C. rotundaria dan tot Freyer’s ©. confinaria
te brengen.
Om de zaak, die mij belangrijk genoeg voorkwam om in dit
Tijdschrift behandeld te worden, zoo helder mogelijk uiteen te
zetten, schijnt mij een’ duidelijke beschrijving van den twijfel-
achtigen vlinder in de eerste plaats noodzakelijk, waarna eene
vergelijking met ©. confinaria en ©. rotundaria het naast
aan het doel zullen brengen.
De vlinder, die bij fig. 1 is afgebeeld, is van het enneh
geslacht en van de grootte eener gewone ©. pusaria. De
kop, de rug en het achterlijf zijn vuil wit naar het gele trek-
125
kende, de sprieten wit met zwart gevlekt. De bovenvleugels zijn
aan den spits veel sterker afgerond dan zulks bij C. pusaria
het geval is en even als de ondervleugels van de kleur van het
ligchaam ; zij zijn overdekt met een aantal fijne bruinachtige
stofjes, die aan de buitenranden der vleugels het meest op een
gehoopt zijn.
Over de bovenvleugels loopen drie licht-graauwe dwarslijnen,
waarvan de tweede en derde op de ondervleugels doorgaan; de
eerste, namelijk die welke het digste aan het ligchaam staat en
niet doorloopt, is veel verder van de basis verwijderd dan by
de gewone C pusarta; zij begint een weinig onder den bo-
venrand, loopt eerst naar buiten en vervolgens een’ hoek vor-
mend naar binnen gebogen door en nadert de tweede dwarslijn
zoo zeer dat zij deze op een punt bijna aanraakt, terwijl de
afstand dezer lijnen bij ©. pusaria meestal drie tot vier streepen
bedraagt; de tweede dwarslijn is even als die van Cl. pusaria
gevormd en alleen, vooral op de ondervleugels, iets ronder; de
derde dwarslijn loopt ongeveer als de eerste, doch met zeer
flaauwen hoek en is eveneens meer gebogen dan bij C.pusaria,
bij welke over het algemeen de lijnen veel regter liggen. De
onderzijde is gelijk aan die van C. pusaria.
Het verschil van mijnen vlinder met C. pusaria bestaat dus
hoofdzakelijk: 1° in den vorm der vleugels, 2° in de kleur en
3° in den stand en den loop der dwarslijnen. Deze drie punten
bij elkander genomen stellen, mijns bedunkens, eene te sterke
afwijking daar, om alleen eene varieteit te doen veronderstellen.
Met de €. confinaria van Freyer komt mijn exemplaar, wat
den vorm en den stand der dwarslijnen aangaat, zeer goed
overeen, doch verschilt daarvan aanmerkelijk met betrekking
tot den loop van dezen. — Bij mijn’ vlinder namelijk, gaat,
even als bij C. pusaria, de tweede lijn door, terwijl deze
bij de C. confinarta afgebroken is en daar in tegendeel de
eerste op de ondervleugels doorloopt; bovendien is de kleur
van C. confinaria bij C. pusarta vergeleken, volgens Freyer
meer schitterend wit (blendend weisz), en mijn vlinder daar-
entegen veel geler van kleur dan deze en tevens grooter dan
126
C. confinaria. — Om deze redenen aarzel ik om beide vlin-
ders voor dezelfde soort te verklaren. — Laat ons thans zien
in hoeverre eene vergelijking van onze Cabera met de Engel-
sche C. rotundaria den toets kan doorstaan.
Guenée, die dezen vlinder in het tweede deel zijner Urani-
des et Phalénites, onder N° 984 als eene afzonderlijke soort
behandelt, en hem dus niet onder zijne varieteiten van €. pu-
saria opneemt, haalt aan als synoniem de bij Wood /nd.
Ent. onder N°525 afgebeelde C. rotundaria benevens Freyer’s
C. confinaria, welke dus volgens hem dezelfde zijn zouden,
alhoewel het mij bij eene aandachtige beschouwing, onmogelijk
toeschijnt om, zonder namelijk in eene van beide figuren eene
misteekening te veronderstellen, beide vlinders voor dezelfde
soort te houden. De beschrijving van Guenée’s C. ro-
tundaria is grootendeels op mijne Cabera toepasselijk. Zij
luidt: ,, Elle est extrêmement voisine de la Pusaria, mais plus
petite, moins fortement sablée de noir, à ailes généralement
plus courtes: les supérieures avec le bord terminal plus con-
vexe. Les deux lignes extrêmes des premières ailes sont beau-
coup plus rapprochées, et l'intermédiaire (ombre médiane),
au lieu de former une troisième ligne aussi droite que les deux
autres et a égale distance de chacune d’elles, est sinueuse et
très-rapprochée de l’extrabasiliaire. — $ semblable. Angleterre,
Carniole. Un g et une 9, Coll. Gn. Toujours rare et locale.
Ea chenille de cette Cabera a été élevée dernièrement en
très grande quantité en Angleterre, où l’on s’est assuré quelle
est tout-à-fait distincte de celle de la Pusaria. Les deux in-
dividus que j’ai sous les yeux proviennent de cette éducation.
Le g a l’extrabasiliaire arquée , tandis que la $ l’a droite comme
Pusaria. Je suppose que ce caractère n'est pas constant,
cependant on l’observe aussi sur la figure de Freyer.”
Hoewel Guenée niet bepaaldelijk zegt, welke dwarslijn door-
loopt, schijnt hij echter de tweede, even als zulks bij C. pu-
saria en ook bij mijn exemplaar het geval is, te bedoelen,
daar hij anders deze afwijking zeker zoude aangegeven hebben.
Volgens bovenstaande beschrijving van C. rofundaria bestaat
127
het eenige verschil van mijnen vlinder met dezen in de meerdere
grootte en in de kleur; de eerste is altijd een onzeker, de laatste
echter steeds cen meer belangrijk kenteeken en vooral in dit
geval, waar C. pusaria als het ware als type in het midden
staat, niet voorbij te zien.
Bij cene vergelijking toch met deze zijn zoo wel Freyer’s
Confinaria als Guenée’s Rotundaria witter van kleur, terwijl
juist bij mijn’ vlinder het omgekeerde plaats grijpt en deze veel
geler is, zoodat hij daardoor zelfs eenigzins op C. exanthe-
maria gelijkt; dat hij echter eene varieteit van deze zijn
zoude, zoo als Freyer in bedenking geeft, komt mij, bij het
overigens duidelijke verschil met deze vlindersoort hoogst on-
waarschijnlijk voor.
Betrekkelijk CO. confinaria zegt Treitschke, Suppl. Tom X. 2.
pag. 200 ,, Freyers €. confinarza halte ich für eine zwar ziem-
lich selten erscheinende Abänderung von Pusaria, an der sich,
vielleicht eben wegen Mangel völliger Grösse, die Mittellinien
anders gestalteten. Ich fing sie mehrmals unter Pusaria flie-
gend.” Dit laatste is volstrekt geen bewijs; ook komt mij de
veronderstelling , dat de verschillende vorm der dwarslijnen aan
mindere grootte zoude toe te schrijven zijn, zeer gewaagd voor.
Aan mijne taak, om namelijk eene beschrijving mijner raad-
selachtige Cabera te geven en deze met de naast verwante
soorten te vergelijken, is thans voldaan. Wij komen hierdoor,
na het raadplegen van verschillende schrijvers tot de slotsom,
dat: Freyer mijnen vlinder voor dezelfde als zijne ©. conf-
narta en deze weder voor eene variteit van Pusaria houdt,
terwijl Guenée deze C. confinaria voor dezelfde verklaart als
zijne C. rotundaria, welke hij als eene afzonderlijke, door
het opkweeken der rups volkomen bewezen species beschrijft,
zoo dat mijne Cabera, na eerst de C. pusaria var. confina-
ria van Freyer geweest te zijn, toch nog zoude eindigen met
de C. rotundaria van Guenée te worden. Dit laatste gevoe-
len schijnt mij, alles te zamen genomen, het aannemelijkst,
met dien verstande echter, dat men noch de plaat van Freyer
noch die van Wood als voorbeeld aanhale, doch alleen de
9
128
beschrijving van Guenée te gronde legge; de kleur van den
vlinder blijft dan nog wel een hinderpaal, doch het is bij de
onmogelijkheid om tot eene bepaalde zekerheid te geraken,
voor het oogenblik meer waarschijnlijk te veronderstellen dat men
hier met eene donkere varieteit van ©. rotundaria te doen
hebbe, dan eene nieuwe soort aan te nemen ; daar, om dit laat-
ste met goed gevolg te kunnen staande houden, steviger bewij-
zen en vooral eene volledige opkweeking van het insect uit eije-
ren noodzakelijke vereischten zijn.
Eene verdere beslissing blijve thans aan onze Entomologen
overgelaten, wien een nader onderzoek tevens ten sterkste zij
aanbevolen. Tot opheldering van het bovenstaande heb ik gemeend
behalve de teekening van onzen twijfelachtigen vlinder bij fo. 1,
ook nog die van C. rotundaria, overgenomen uit Wood en
aldaar iets verkleind bij fig. 2, en die van C. confinaria (uit
Freyer) bij fig. 3 te moeten geven, daar niet ieder in de gele-
genheid is om deze platen te kunnen vergelijken. Eene af-
beelding van €. pusaria scheen mij, bij de algemeene bekend-
heid dezer soort, geheel overbodig.
OVER DE RUPS VAN
PAPILIO MACHAON.
Eene lange reeks van jaren is voorbij gegaan, sedert mijn
overleden broeder, een ijverig Lepidopteroloog, mij de volgen-
de door hem waargenomen, bijzondere eigenschap van de rups
van Papilio Machaon mededeelde. Toenmaals behoorde die
soort onder de zeldzaam voorkomenden in de provincie Gelder-
land, en het was bij toeval, dat hij in het bezit geraakte van
eenige jonge rupsen, die hij, met alle mogelijke zorg opvoedde
en waarvan eenigen, naar zijne meening en tot zijne verwonde-
ring, voor het ondergaan der laatste huidsverwisseling verpopten
(ik zie mij evenwel genoodzaakt te veronderstellen, dat hij hier
zeker misleid is geworden, daar meest alle rupsen na de laatste
vervelling, van zwart, schoon groen worden).
Deze poppen leverden hem in het volgende saisoen slechts
éénen gaven vlinder. De overigen bleven kreupel. Alhoewel
mijne belangstelling in dit verschijnsel ten hoogsten was opge-
wekt, zoo bleef het mij onmogelijk, uit hoofde der voortdurende
zeldzaamheid van den vlinder, zulks nader te onderzoeken,
en het is niet dan in de laatste jaren, nu Papilio Machaon
meer algemeen is geworden, dat ik aan mijnen wensch, om
een nader onderzoek te bewerkstelligen, heb kunnen voldoen.
Het is hier de plaats om met cen paar “woorden te gewagen
van het bijna geheel verdwijnen van sommige vlindersoorten,
die jaren achtereen algemeen, vooral in de provincie Gelder-
land, te vinden waren, zoo als Wanessa C. album, Vanes-
sa Prorsa en meer andere soorten, waarvan de namen mij
ontschoten zijn; terwijl anderen, waaronder Pap. Machaon,
zeer zelden werden aangetroffen. Dit verschijnsel indachtig,
g#*
130
beijverde ik mij om onvolwassen rupsen van dien vlinder te
verzamelen en zorgvuldig op te voeden; daar het bekend is,
dat rupsen in den staat van gevangenschap, uit gebrek aan
voedsel, onvolwassen verpoppen ; evenwel niet, dan na het on-
dergaan van alle huidsverwisselingen. Dit had echter niet plaats
bij het verpoppen mijner rupsen, zoo als de grootte en de kleur
van de afgebeelde rups genoegzaam bewijst. Daar echter mijne
jonge rupsen van verschillende grootte waren, zoo is het zeer
wel mogelijk, dat eenigen daarvan na de vierde vervelling tot
aan het verpoppen zwart zijn gebleven. Uit een drietal dezer
poppen, verkreeg ik in het volgende saisoen twee vlinders. Al-
hoewel niet geheel gaaf, waren zij echter genoegzaam ontwik-
keld, om erkend te worden voor dezelfde verscheidenheid als
het exemplaar, waarnaar de afbeelding is vervaardigd, en dat
door wijlen mijnen broeder uit eene dergelijke pop verkregen,
in mijne verzameling berust.
Behalve de mindere grootte is opmerkelijk, dat de zwarte
banden en vlekken meer uitgebreid zijn, dan in de gewone
vlinders, terwijl de oranje streepjes aan wederzijde van de staart-
vleugel-ader, op de onderzijde der ondervleugels en het oranje
vlekje in den bovenhoek bij zeer enkele exemplaren wordt
waargenomen,
Pap. Sphyrus Hübn. is welligt geene andere dan deze af-
wijking, daar het mij gewaagd voorkomt, te durven bepalen,
dat deze werkelijk eene andere soort zijn zou. Ik hoop de
Entomologen hiermede te hebben opgewekt, om dit verschijn-
sel met nog meer naauwgezetheid te onderzoeken.
Ver Hoer.
Verklaring der vier onderste figuren van Plaat 7.
Fig.1. De rups der verscheidenheid van Pap. Machaon.
» 2. Haar pop.
» 3. Haar vlinder, rustende.
» 4. Haar vlinder, vliegende.
NOTICE SUR LA
EUBOLIA PALUMBARIA
PAR
Mr. E. A. DE ROO VAN WESTMAAS.
Borkmausen, Zur. Schm. V. 59. N°. 24 et 26 Luridaria.
Woop, /ndex Hntomologicus Pl. 20. fig. 543.
GuENÉE, Hist. nat. des Insectes Lepid. X, Uranides et
Phalénites, 487.
Borkhausen a érigé en espèce, sous le nom de Zuridarta ,
une phalène, dont il prit un seul individu volant avec des Pa-
lumbaria. Cette phalène est considerée par Mr. Guenée comme
premiere variété de la Palumbaria et de la méme nuance som-
bre que celle qu’on rencontre dans les Pyrénées, tandis qu'il
ajoute comme seconde variété la Palumbaria de Haworth, fi-
gurée par Wood.
La supposition que ces deux phalènes ne soient en effet que
des variétés de la méme espèce, est parfaitement juste, quoi-
que leur identité n’ait été prouvée suffisamment, a ce que je
sache, par l’éducation de la chenille. — Il sera donc im-
portant de lèver le doute qui pourroit encore subsister à cet
égard et de changer ainsi en certitude, ce qui n’était qu’hypo-
these. En tendant à ce but, il me semble en même temps
digne d’interet d’ajouter quelques détails sur le premier état de
cet insecte, qui appartient au genre Hubolia, dont la chenille
de la Mensuraria est encore la seule qui soit bien connue.
Au mois de Mai 1857 j’avois pris deux femelles de la variété
grande et claire de la Palumbaria, dont j'eus des oeufs jau-
132
nâtres, de forme oblongue et reticulés, qui me donnerent les
chenilles en ftreize jours. Ces petites chenilles étoient à dix
pattes, de couleur jaunätre avec d’assez grandes têtes brunes ;
leur couleur changeait extrèmement a mesure qu’elles grandis-
saient et parcourait enfin toutes les nuances d’un gris elair an
plus noir violet. (Celles qui avaient atteint leur cru, ce qui
arriva pour quelques-unes au mois de Septembre, parvinrent a
la grandeur de 23 millimetres. Elles étaient roides, assez
épaisses, aux derniers anneaux legerèment renflés, à tête
brune, un peu aplatie, échanerée au sommet et présque con-
tinuellement retirée, ce qui donnait aux premiers anneaux une
apparence fort renflée.
On distinguait quant à la couleur, deux variétés dont la plus
foncée était d’un noir violet avec la vasculaire trés-noire et
marquée d’un point blane sur chaque anneau, les stigmates
noires, et le ventre gris; tandis que celles de l’espèce claire
étoient d’un jaune-brunàtre, marquées de fines lignes longitu-
dinales noires, ayant depuis le quatrième jusqu’au dixième an-
neau de petites lignes noires, placées transversalement sur la
partie postérieure des anneaux ; la vasculaire était noire et, irès-
fine sur les premiers anneaux, plus clairs que le reste du corps.
Deux lignes brunes se voyaient sur le ventre, se réunissant
aux extrémités et qui manquaient à la plupart de mes chenil-
les , dont quelques unes avaient même le dessous extièrement blanc.
La chrysalide est enfermée dans une coque mince et enterrée
à peu de profondeur.
Il parait que les chenilles sont diffieiles a élever, ear de toute
la ponte qui j'avais en Juin, il ne me restait vers la mi-Sep-
tembre que deux chrysalides et cing chenilles, qui étaient en-
core loin d’avoir atteint leur accroissement et qui apres avoir
hiverné, périrent enfin toutes.
Mes phalènes parùrent au méme jour, le 5 Octobre, et me
payèrent largement la peine que j'avois prise a élever les che-
nilles. L'une, aux ailes supérieures presque noires, traversées
par deux lignes ferrugineuses représentait parfaitement la variété
Luridaria de Borkhausen ; l’autre quoique plus petite, avait la
133
coulenr et les dessins de la Palumbaria, figurée par Wood.
J'avais done eu des oeufs de la variété grande et claire, que
Treitschke désigne sous le nom de Zur/uraria, dont les che-
nilles nourries de la même plante, le genét à balai, me don-
nèrent deux variétés des plus distinctes, ce qui prouve que non
seulement celles-ci appartiennent à la même espèce, mais en-
core que ni le climat, ni la nourriture, comme le prétend
Treitschke, déterminent la couleur de l'individu et qu'il est
inutile d’aller chercher la Zuridaria dans les montagnes et la
Palumbaria de Haworth exclusivement en Angleterre.
J’ai rencontré à Velp en Gueldre, c’est à dire au même en-
droit où je pris mes premières femelles, avec la phalène que
M. Guenée désigne comme type, tous les différents passa-
ses à un individu, dont aucun écrivain ne fait mention et
qui pourtant me semble mériter quelque attention comme va-
riété de l’espèce. Cette phalène a les ailes supérieures coupées
par trois lignes ferrugineuses, ombrées de brun:noirätre ; le pre-
mier champ, près de la base, est gris-bleuätre et beaucoup plus
foncé que le second de la même couleur; l’espace médian forme
une bande entièrement brune, plus claire au milieu où se
trouve le point cellulaire noir; la subterminale est dentée et
peu distincte. Les ailes inférieures sont grises et traversées par
une bande prèsque blanche, au dessus de laquelle, vers la
base, la couleur est plus noiràtre. Le dessous des ailes est
d’une couleur grise, saupoudrée d’atomes jaunes, noirätre de-
puis la base jusqu’à la coudée.
La Palumbaria se trouve dans toute l’Europe et même en
Asie au mois de Mai et de Juin, puis en Août; la première
génération nait de chenilles qui ont hiverné, la seconde de
celles qui paraissent durant l’été. Si, comme cela m’arriva,
les papillons éclosent en Octobre, cela me semble une de ces
exceptions à la règle générale, qui se présentent fréquemment
aux yeux de celui qui se donne la peine d'élever des chenilles.
DE INLANDSCHE BLADWESPEN
IN HARE GEDAANTEVERWISSELINGEN EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
VIERDE STUK.
LOPHYRUS SIMILIS, HART.
N°. 17 der Bouwstoffen.
Vergelijk:
Harrie, Förstliches Convers.-Lexicon, 2° druk, bl. 987.
» Blatt- und Holzwespen, bl. 160, N° 10.
Ratzepure, Die Forst-Insecten, D. III, bl. 116, N° 25.
Tab. IL. fig. 3. 4
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, Schadelijke Insecten, bl. 58.
Lophyrus J niger, punctatus, labro palpisque brun-
nets, antennis thoracis longitudine, pedum genubus,
libiis larsisquè pallide rufoflavis; 9 sordide flavus,
capite, maculis tribus dorsalibus thoracis et macula
magna trregulari in abdominis dorso nigricantibus ,
antennarum parte externa coerulescentt nigra.
Indien er cene bladwesp is, die haren naam naar waarde
draagt, dan is het die, waarover wij in deze bladzijden han-
delen zullen; want het is hoogst moeijelijk om haar in haren
volmaakten toestand van de op blz. 180—190 beschreven Zo-
phyrus Pind te onderscheiden. Ofschoon er zeker in het al-
135
gemeen wel kenmerken aan te geven zijn, waardoor beide soor-
ten uit elkander zijn te onderkennen, zoo loopen toch beiden
zoo digt naar elkander toe, dat het bestemmen van enkele
exemplaren al met vele moeijelijkheden gepaard gaat. De
maskers daarentegen zijn zoo verschillend gekleurd, dat nie-
mand immer gevaar loopt de soorten in dien toestand met elk-
ander te verwarfen. Vreemd ziet dan ook iemand, die eerst
de eene soort heeft opgekweekt en daarna uit de cocons van
de andere de bladwespen verwacht, als hij niet uit de hier-
boven aangehaalde werken ingelicht is — vreemd ziet hy op,
wanneer hij uit die cocons een hymenopterum ziet te voorschijn
komen, waarvan mannetje en wijfje onderling wel zeer ver-
schillend zijn, maar beiden volkomen gelijk schijnen aan de
soort, die hij vroeger uit geheel andere larven zag te voorschijn
treden, zoodat hij onwillekeurig geneigd wordt aan vergissing
te denken.
Het eerst vond ik de larven op eene buitenplaats bij Rotter-
dam op weymouthspynen, Pinus strobus, die een ziekelijk
uiterlijk hadden, *t geen waarschijnlijk aan de mindere geschikt-
heid van den grond aldaar voor die boomsoort was toe te schrij-
ven. De larven vielen door de bontheid der kleuren listelijk
in het oog, zoo zelfs dat verschillende personen er mij opmerk-
zaam op meenden te moeten maken. Het was daar en met
dat broedsel dat ik de waarneming deed, waarvan ik bij de
beschrijving van Zophyrus Pini (zie dit Tijdschrift, Deel I,
bl. 183) met een woord gewag maakte. Ik liet namelijk de
larven in het ongestoorde genot harer vrijheid en liet haar zich
verpoppen, zoo als zij wilden. Eenigen sponnen ovale cocons
aan de takken van den boom zelven, waarop zij hadden geleefd ;
anderen daarentegen daalden van den boom af en sponnen aan
zijnen voet tusschen den wortel en het omgevende mos cocons,
die wel wat lichter of grijzer van tint waren, dan de anderen.
Ik zamelde beiden in afzonderlijke doosjes op. Uit de eerste
cocons, die, welke aan de takjes zaten, kwam niet anders
dan eene soort van Pteromalinen te voorschijn, terwijl de ove-
rigen, die ik aan den wortel gevonden had, meestal gave blad-
136
wespen leverden en slechts enkelen cene verdroogde larve
bevatten. Kan het zijn, dat de omstandigheid, dat eene blad-
wesplarve met larven van sluipwespen bezet is, haar zoodanig
verzwakt of vadsig maakt, dat zij niet in staat is den langen
weg langs de takken en den stam tot aan den wortel af te leg-
gen? Maar waarom laat zij zich dan niet eenvoudig van de
takken afvallen? De oplossing dezer vragen ligt voor mij in
het duister. Ook heb ik sedert geene gelegenheid gevonden
om deze waarneming te herhalen en het kan dus wezen dat de
geheele zaak niets dan een toevallig verschijnsel zou wezen,
dat niet ligtelijk weder zal worden geobserveerd.
De larven zijn voorts te Driebergen door Dr. M. €. Verloren
eenmaal en door Dr. J. Witewaall te Voorst meermalen waar-
genomen, welke laatste mij de voorwerpen toegezonden heeft,
waarnaar de figuren 1, 2 en 2a op Plaat 8 zijn geteekend.
Wanneer men deze plaat met de elfde van het eerste deel ver-
gelijkt, dan ziet men als met een’ oogopslag hoe verschillend
de larven zijn van beide zoo na verwante soorten. Wel is
waar, de larve ven Lophyrus Pini komt ook veel donkerder
gekleurd en meer met verschillende vlekken versierd voor, dan
onze afbeelding op genoemde plaat haar voorstelt (ik bezit nog
eene teekening, sedert de uitgave van Deel I gemaakt, van
eene larve, die ik niet meende voor die van Pini te moeten
houden en die toch niet anders dan die soort heeft opgeleverd ;
waarschijnlijk zal ik die afbeelding nog wel later mededeelen) ;
doch de helder gele en donkerblaauwe kleur, die op het mas-
ker van Similis zoo in het oog loopend zijn, worden op dat
van Pint niet waargenomen.
De larve van Simzlis bereikt eene lengte van 3 centimeters
en eene dikte van nagenoeg 15 millimeters in omtrek. De kop
is helder blinkend, donkerzwart, platrond en niet elliptisch.
De zes hoornachtige voorpooten zijn zwart, doch de huid aan
de geledingen is weeker en licht gekleurd , zoodat de pooten
geringeld schijnen te zijn. De algemeene kleur der huid is
een zeer donker blaauw of zelfs een blaauwachtig zwart, bezet —
met versierselen van eene gele en bleek blaauwe kleur. Op
137
het midden van den rug vertoont zich eene fijne licht-blaauwe
streep, die men het best bij fig 1 kan bemerken. Dan volgt
op eenigen afstand aan beide zijden eene gele streep, die uit
aan elkander gevoegde vlekjes schijnt te bestaan ; in het overige
gedeelte tot aan de luchtgaten staan kleine ronde en elliptische ,
ietwat grootere licht-blaauwe en gele vlekken; voorts boven de
pooten, die licht-blaauw zijn met eene vierkante zwarte vlek
aan de basis en buitenzijde, vrij groote ovale vlekken in de
lengte. De eerste geleding, of wat men den hals zoude kun-
nen noemen, is bijna geheel geel.
De vergroote afbeelding van de zevende en achtste geleding
des ligchaams, welke de fig. 2a geeft, doet ons de plaatsing
van al deze vlekken duidelijker begrijpen. Wij zien aldaar dat
iedere ring op de rugzijde verdeeld is in zes huidplooijen van
ongelijke dikte, en dat de beide gele strepen op de rugzijden
bestaan uit vlekjes, door de zwarte huid, welke tusschen die
plooijen ligt, van elkander afgescheiden. De twee eerste vlek- -
ken op de plooien of liever gezegd huidverhevenheden zijn
even lang, doch de eerste is iets breeder; de derde is zoo breed
als de tweede, doch iets lager naar de zijde afdalende; deze
drie zijn geel. Dan volgen twee kleinere licht-blaauwe vlekjes
op smallere plooijen en eindelijk een groote gele vlek op eene
tweede huidverhevenheid.
Het loont de moeite niet van de grootte, vorm en plaatsing
der overige vlekken en vlekjes eene omstandige beschrijving te
geven , te meer daar de afbeelding daaromtrent eene gemakkelijker
te vatten en juister voorstelling geeft. Doch wij mogen niet
verzwijgen dat de eerste, derde en zesde huidsverhevenheden
met gele doorntjes bezet zijn, even als bij Z. Pint het geval
is, bij welke evenwel de doorntjes eene zwarte kleur bezitten.
Er zijn in het geheel 16 buikpooten. Het achtereinde van
het ligchaam wordt bijna voortdurend naar de buikpooten toe
omgebogen. Wanneer de larven door het een of ander voor-
werp aangeraakt worden, slaan zij driftig met den kop en het
voorlijf achterover en houden zich dan alleen met vier of vijf
paren buikpooten vast, Wanneer zij met vrede gelaten worden,
138
nemen zij meestal eene houding aan, gelijk op onze plaat
wordt aangegeven.
Het verdient opmerking, dat terwijl Hartig en Ratzeburg
beide verzekeren dat Z. semelis gelijke levenwijze heeft met
L. Pini en zelfs de eerste bepaaldelijk opgeeft, dat hij zijne
voorwerpen in larventoestand op Avefern-Stangenhilzern
aantrof, de larve ten onzent nog niet anders dan op de Wey-
mouths-pijn, Pinus strobus is waargenomen. Immers Dr.
Witewaall meldt mij, dat hij volwassen larven vond op den 24%
Junij 1856, den 25 Junij 1857 en den 15en Septemb. 1858,
steeds op Pinus strobus, terwijl de door mij bij Rotterdam
gevonden voorwerpen op dezelfde boomsoort huisden. Op
welke soort van dennenboom Dr. Verloren zijne larven aantrof,
heb ik niet opgeteekend en ‘is mij misschien nimmer geschreven.
Dat er twee generatien zijn in het jaar, blijkt ten duidelijk-
ste uit het voorkomen van maskers in de maanden Junij en
September. De gewone gang is deze. De tegen 1 October
in de cocons ingesponnen voorwerpen komen in April of Mei
uit, paren en leggen eijeren, waaruit larven voortkomen, die
tegen 1 Julij inspinnen. Tegen het einde dier maand ontwik-
kelen zich daaruit wespen, wier larven den winter weder in
cocons doorbrengen. Ondertusschen moet ik hierbij opmerken
dat twee larven, den ten October 1858 ingesponnen, op den
29e Mei 1859 nog niet in pop veranderd waren. Het is dus zeer
wel mogelijk dat er van deze soort even als van Paint in som-
mige jaren slechts ééne generatie verschijnt. — Voor schadelijk
aan onze Weymouths-pijnen staat onze soort nog niet te boek;
zij is in Nederland nog slechts sporadisch en in kleinen getale
waargenomen.
Het cocon van deze bladwespensoort is, gelijk bij fig. 3
voorgesteld wordt, in den vorm volkomen aan dat der meer
genoemde Prinz gelijk; het is ook even hard en perkamentach-
tig van substantie; doch de kleur is verschillend. Was die
bij Pini van bruin tot zilverachtig grijs, allerlei tusschentintew
doorloopende, bij deze soort doorloopt zij eene schaal, welks
uiterste tinten vuilbruin en zeemkleurig geel zijn, zonder dat
139
er prijsgekleurde cocons aangetroffen worden. De cocons zijn,
gelijk ik reeds opgegeven heb, zoowel aan de boomtakken als
op den grond tusschen mos te vinden. «Dr. Wttewaall schrijft:
»de tonnetjes zitten zoowel zijdelings aan de takken als in de
hoeken. Dit laatste echter komt het menigvuldigst voor,” en
hij zwijgt over het verpoppen aan den wortel, dat hij dus niet
waargenomen heeft. Noch Hartig, noch Ratzeburg berigten
iets omtrent de plaats van inspinning.
Uit de cocons ontwikkelen zich de bladwespen door een
rond dekseltje met hare kaken daar af te knagen, op de wijze
reeds bij andere soorten vermeld. Het is mij niet mogen ge-
beuren de pop te zien; steeds heb ik de cocons te vroeg geo-
pend, terwijl het masker nog zijne huid niet had afgestroopt
of wel ik wachtte te lang, gelijk met mijne voorwerpen uit
Rotterdam het geval was.
Het zal onnoodig zijn van deze Weymouths-bladwesp eene
even omstandige beschrijving in haren laatsten toestand te geven ,
als van de gemeene dennen-bladwesp gedaan is. Wij meenen
te kunnen volstaan met het verschil tusschen beide soorten
uiteen te zetten. Daarbij dient men evenwel in het oog te
houden dat de kenteekenen van verschil niet altijd duidelijk
zijn waartenemen en dat verscheidenheden van beide soorten
elkander naderen, zoodat alle onderscheidingskenmerken verdwij-
nen en de soorten niet langer van elkander te onderscheiden
zijn.
Bij de meeste mannetjes van Stmelis treft men de volgende
onderscheidingskenteekenen, in vergelijking met die van Pine
aan. Aan den kop zijn de geheele bovenlip en de voelertjes
tot aan de basis roodachtig bruin. De sprieten zijn langer,
bereiken de lengte bijna van kop en borststuk en bestaan uit
20 tot 22 kamstralen. Ook hier zijn de kamstralen aan de
buitenzijde veel langer dan aan de binnenzijde, gelijk men zulks
in fig. 4a. op onze plaat duidelijk afgebeeld ziet. Aldaar zijn
namelijk twee leedjes van de sprieten voorgesteld, aan beide
zijden van een’ kamstraal voorzien, waarbij het zeer in het
oog valt, dat de linker-kamstraal, dat is die aan de buitenzijde
140
veel langer is dan die aan de regter-, dat is binnen-zijde.
Het vleugelschubbetje is meestal duidelyker roodbruin dan bij
Pint. Aan het achterlijf ontbreekt de witte vlek aan de om-
geslagen punten van de rughelft der eerste geleding; daaren-
tegen is de buik over het geheel roodachtig van tint, en de
hoornachtige plaat boven de genitalien is zeer duidelijk rood.
De pooten leveren geen verschil op, noch in kleur noch in
vorm; doch wij mogen niet verzwijgen dat Ratzeburg vrij
breed uitwijdt over een onderscheid in de vleugeladeren, dat
volgens hem zeker zoude gaan. Het schijnt dan toch wel bij
Hollandsche voorwerpen niet altijd even duidelijk gezien te
worden. Wij zullen dit kenmerkend onderscheid liefst met
zijne eigene woorden aan onze lezers mededeelen :
» Bei 7. similis werden nemlich oft 2 Zellen fast volständig
getrennt, dadurch dass dem ungewöhnlich langen Scheidener-
ven gegenüber der hornige Anfang der 2ten Hälfte liegt und
dass beide durch einen hellen Nerven verbunden werden, an
welchem man entweder bloss die beiden Ränder oder zwischen
diesen auch eine körnige Ausfüllung bemerkt. Nur 2 meiner
Stücke zeigen dies undeutlich; bei 7. Pin finde ich aber
nicht an einem einzigen Exemplare jene Verbindung deutlich ,
ja es kommen Exemplare vor, an welchen der Scheidenerv fast
ganz fehlt. Ist bei 7. Pini einmal eine weisliche Fortsetzung
des Scheidenerven deutlich, so ist sie immer mehr gegen den
Vorderrand gerichtet und würde, wenn sie vollständig wäre,
eine fast ovale erste Zelle einschliessen, während bei 7. szm7-
fis die Scheidenervenfortsetzung immer vom Randnerven ab-
wärts strebt, meist sogar etwas bogenförmig und dadurch eine
abgerundet-viereckige Zelle bildet: der innere Nerv dieser Zelle
beträgt die Hälfte des ganzen Scheidenerven, oder noch mehr,
während er bei 7. Pine viel kürzer ist, als die Hälfte.”
Hiertegen strijdt evenwel zeer, dat Hartig, die het eerst de
soort beschreef en haar zeer naauwkeurig met de zoo na ver-
wante Pint vergeleken heeft, met ronde woorden schrijft: ,, In
der Fliigel-Bildung und Farbung findet kein Unterschied zwi-
schen diesem und dem männlichen Z, Pen? statt.”
141
Wat nu de wijfjes betreft, tusschen die van beide soorten vindt
men de volgende onderscheidingsteckenen. Over het algemeen is de
kop donkerder gekleurd en niet alleen bruin, maar bepaaldelijk
bruinachtig zwart, zonder lichtere vlekken onder de oogen en
boven de monddeelen. Ook de sprieten zijn donkerder van
kleur, zelfs blaauwachtig zwart, behalve de twee onderste ge-
ledingen, welke eene gele kleur hebben; ook zijn de sprieten
in het midden en aan het einde ietwat dikker. De borst van
den thorax draagt nagenoeg altijd eene zwarte glanzige vlek;
aan de rugzijde is het schildje meest geheel geel. De pooten
vertoonen een meer vuil, dat is met grijs of bruin gemengd
geel, terwijl de uiteinden eenigzins donkerder roodbruin zijn.
De zaag en eijerlegger (verg. fig. 6) zijn nagenoeg gelijk aan
die van het wijfje van Z. Pinc. Alleen scheen het mij toe
dat de zaagtandjes bij deze soort in het algemeen fijner waren.
Omtrent de gedaante van het ei en de plaats, waar het gelegd
wordt, is mij niets bekend; waarschijnlijk zal het in eene in-
snijding van eene dennennaald door het wijfje worden neder-
gelegd, even gelijk zulks met de verwante soort het geval is.
In Duitschland en Nederland is deze soort waargenomen.
Er bestaat geene reden om te veronderstellen, dat zij in andere
landen van Europa, die aan deze grenzen of dezelfde gemid-
delde temperatuur bezitten, ontbreken zou; evenwel zijn mij
omtrent haar voorkomen aldaar geene opgaven bekend. Dahl-
bom en Lepeletier de St. Fargeau maken van deze soort geene
melding.
Twee sluipwespen zijn in Mei 1856 en April 1857 ten huize
van mijnen vriend Witewaall uit de tonnetjes van deze blad-
wesp te voorschijn gekomen, waarvan de laatste Zryphon
marginatorius F. (Grav. Zchn. Il, p. 191) is, en de eerste tot
eene soort van Zryphon behoort, welke mij voorkomt nog niet
beschreven te zijn. Hartig meldt niet dat hij parasiet-hyme-
noptera uit de cocons heeft verkregen, maar wel dat eenige
vliegenmaden bij hem uit de tonnetjes uitkropen, welke later
Tachtna bimaculata opleverden, Maar Ratzeburg geeft in zijn
Wirths-System de namen van drie soorten van sluipwespen
142
op, die in de larven van Lophyrus similis hadden geleefd ,
namelijk : Campoplex argentatus , eene zeer gewone soort in
verscheidene larven van bladwespen, Zntedon canaliculatus
en Torymus minor. Ik ben niet meer in de mogelijkheid om
natezien, welke soort van Pteromaline ik uit de eerst door mij
gevondene larven (1837 of 1838) zag te voorschijn komen.
Verklaring van Plaat 8.
Fig. 1. Eene halfwassen larve.
» 2. Eene volwassen larve.
» 2a. Het zevende en achtste ligchaamssegment der larve,
vergroot.
» 8. Het cocon.
» 4, De mannelijke bladwesp, vergroot.
» 4a. Twee leedjes van de sprieten bij het mannetje, sterk
vergroot.
» 5. De vrouwelijke bladwesp, vergroot.
» 6. De zaag en legbuis van het wijfje, sterk vergroot.
EMPHYTUS TIBIALIS, Panz.
N°. 72 der Bouwstoffen.
Vergelijk voor het volkomen insect:
Panzer, Fauna Germ. 62, 11 en 147, 12.
HartIG, Aderflügler Deutschl. I. p. 251 N°. 17.
De larve is nog onbeschreven.
Emphytus niger, nitidus, antennarum cingulo et tibia-
rum basi albis, femoribus rubris.
Het geslacht Zmphytus heeft ons nog geene soort ter be-
schrijving opgeleverd. Het schijnt wel dat de larven der Zm-
phyti niet veel in het oog vallen of moeijelijk zijn op te kwee-
ken; ten minste wij vinden bij weinig schrijvers nog van hare
metamorphose melding gemaakt. Bouché en na hem Hartig
hebben die van Hmph. cinctus L. en van perla Klug bekend
gemaakt. Buiten deze vindt men bij de Geer en Dahlbom nog
de larve van #. rufocinctus Klug vermeld en die van Zmph.
succinctus Klug; eindelijk gaf Brischke de afbeelding van
Hmph. viennensis Schr. Doch dit is alles wat wij weten
omtrent de metamorphose van een geslacht, dat nagenoeg 40
soorten in Europa telt.
De larve der soort, welke wij nu beschrijven, werd door
mij, in gezelschap van Dr. J. Wttewaall, gevonden op eene
wandeling op de hofstede de Beele in de nabijheid van het Gel-
dersche dorp Voorst. Zij zat meestal in spiraal gebogen op de
bovenzijde van eikenbladeren. Wij namen er eenigen van mede
om die optevoeden en aftebeelden,
10
144
Op den rug zijn deze larven donker olijfkleurig, aan de buik-
zijde lichtgraauw. In het geheel bezitten zij twee en twintig
pooten. De kop is aan de bovenzijde en den voorkant helder
glimmend zwart, met eenige zeer kleine, uitstekende haartjes ;
van eene denkbeeldige lijn af, die onder tegen de voelers zou
loopen, is hij verder bruin met donkerbruine kaken. De gele-
dingen zijn allen met vele plooijen bezet; over den rug loopt
eene lichtere langsstreep ; boven de pooten, aan de zijden van
het ligchaam was de grondkleur iets donkerder in onbepaalde
vlekjes. De voorpooten waren vuil-glasachtig graauw met een
breed, aan de einden eenigzins omgebogen en nederhangend
vlekje; de klaauwtjes waren bruin en aan de onderzijde bij de
inplanting zag men eene kussenachtige verhevenheid. De 14
middelpooten en de twee achterpooten hadden dezelfde kleur als
de buik en de zijde, welke kleur ook de anus had, doch op
ieder der pooten was aan de buitenzijde een olijfkleurig vlekje
zigtbaar.
Deze dieren zaten meestal zoodanig in spiraal gerold, dat de
kop op eene lagere vlakte was, dan de staart; als zij liepen,
waren zij zeer traag en langzaam in hare. bewegingen. Later
vonden wij dat zij evenzeer op de onder- als op de bovenzijde .
der bladeren zaten.
Zij hadden hare voorlaatste vervelling bereikt. Na de laatste
vervelling waren zij veel lichter van kleur; de kop was toen
vuil bruin in plaats van zwart; de rug was bruinachtig groen,
maar de buikzijde had ook eene ietwat bruiner tint aangenomen.
Den 6° Junij en volgende dagen kropen deze maskers in de
aarde, welke hun in hun verblijf gegeven was; zij maakten al-
daar een cocon, dat van aardkorrels was aaneen gekleefd.
Het is mij niet mogen gelukken de pop van deze larve te zien ;
doch op de 5" November van datzelfde jaar ontving ik van
mijnen vriend Wttewaall twee volkomen insecten, die, ofschoon
waarschijnlijk reeds eenigen tijd geleden, uit de cocons waren
te voorschijn gekomen. Aan de kleur der sprieten en het fraaije
rood der dijen herkende ik terstond de soort, die Panzer, in
zijne Zaunae insectorum Germaniae initia, Tenthredo
145
tibialis heeft genoemd en welke vroeger door mij te Heemstede
in Augustus en door den Heer van Bemmelen te Brummen en
te Oosterbeek gevangen was. Volgens Hartig komt zij ook in
Zweden en Oostenrijk voor, doch is zij aldaar zeldzaam.
Of zij dezelfde soort is als de Zibialis van Le Peletier de
Saint-Fargeau (Monogr. Tenthred. N°. 348) en die bij Parijs
gevangen werd, is nog onzeker, daar de kleur der pooten eenig-
zins afwijkend is opgegeven ; maar het moet wel dezelfde soort
zijn, die Gmelin onder N°. 114 met den naam van Braccata
vermeldt.
Dit aardige wespje heeft den kop breed, platachtig, zwart
met eenige zeer korte haartjes bezet; de oogen zijn mede zwart
en vrij groot, elliptisch en bol uitpuilend De bovenkaken
zijn tamelijk scherp gepunt, aan de basis en het uiteinde zwart,
in het midden roodbruin; de voelers zijn zwart aan de inplan-
ting, doch de kleur loopt naar het grijze en wordt veel lichter
aan de laatste geledingen. De sprieten zijn zoo lang als de
kop en het borststuk gezamenlijk, van gewone dikte, min of
‚meer behaard; de vijf eerste geledingen zijn dofzwart; de zes-
de, zevende en achtste helder wit, de negende kleiner en zwart.
Ik moet hierbij vermelden dat bij een mijner voorwerpen de
regterspriet eene zonderlinge afwijking vertoont; de vierde ge-
leding namelijk is aan hare spits vuil bruin en de volgende ge-
ledingen zijn allen bruinachtig graauw van kleur, naar de laat-
ste toe allengs naar het gele trekkende.
Het borststuk is aan beide zijden, boven en onder, blinkend
zwart; de ruggekorreltjes zijn helder wit, de vleugelschubbe-
tjes lichtbruin. Aan de inplanting voeren de vleugels, welke
lang gestrekt en vrij smal zijn, eene geelachtige tint, overigens
zijn zij doorschijnend en slechts zeer weinig iriserend. De voor-
randader is bruinachtig; de aderen, die de lancetvormige cel
beperken, zijn oranjekleurig ; al de overige aderen zijn zwart.
De lancetvormige cel is door eene schuinloopende ader gedeeld,
de ondervleugels hebben geene middencel.
Het abdomen is aan de boven- en onderzijde zwart en glim-
mend, doch met uiterst fijne haartjes bezet; de zevende en
10 *
146
achiste ring hebben aan de bovenzijde eenen ietwat bruinen
zoom. |
De pooten hebben glimmend zwarte heupen en apophysen ;
de dijen zijn helder rood, doch by die van het voorste paar
is de basis zwartachtig; het uiteinde der dij van het laatste paar
is mede eenigzins zwartachtig. De scheen is bij het eerste paar
geheel rood, bij het tweede wit aan de knie, rood aan het
achtereinde en bij het laatste paar van de knie tot op de helft
helder wit, van daar tot aan het einde zwart, met een rooden
gloed, vooral aan de binnenzijde. De tarsen zijn zwart, doch
de eerste en bij eenigen ook de tweede geleding hebben eene
witte basis. Om de fraaiheid der kleuren bij frissche voorwer-
pen duidelijk te maken, heb ik, behalve de vergroote afbeelding
van een vrouwelijk voorwerp, ook nog_ afzonderlijk. die van
een’ achterpoot, nog iets meer vergroot bij fig. 8a gegeven.
De lengte van deze bladwesp is dan eens 8, dan weder 9 Ned.
streep, de vlugt bijna 16.
De zaag en legboor van het wijfje zijn zeer eenvoudig van
vorm en helder bruinachtig geel van kleur. Men ziet hen voor-
gesteld bij fig. 4.
Het is mij onbekend, waar de eijeren gelegd worden en
welke hunne gedaante is. Het is niet ongerijmd te veronder-
stellen, dat de wijfjes hare eijeren in de door haar gemaakte
huidwondjes der jonge takjes leggen en dat deze aldaar gedu-
rende den wintertijd verborgen blijven. Er zoude alsdan slechts
eene generatie zijn.
Verklaring van Plaat 9.
Fig. 1. De volwassende larve kruipende.
» 1a. Een der voorpooten.
» 2. De volwassen larve rustende.
» 8. De bladwesp, vergroot.
» 3a. Ken harer achterpooten, sterker vergroot.
» 4. Haar zaag en legboor.
NEMATUS VIMINALIS, L.
N°. 45 der Bouwstoffen.
Vergelijk :
LINNAEUS, Mauna suec. 1529.
RoseL, Zus. Belustigung, D. Il. Wespen Tab. X. p. 4—7.
DE GEER, Mémoires (in de Duitsche vertaling) D. II, 2.
bl. 274. taf. 38. fig. 26—31.
Harrie, 4der/l. Deutschlands I. p.220 N°. 55. N. Gallarum.
DanrBom, in Stett. Ent. Zeit., Jahrg.9. p. 182.
Nematus niger, ore, coxis, femortbus , tibiisque luteis, fe-
minae ventre rufoflavo, alarum stigmate magno, nigro.
Ofschoon ik deze aanhalingen boven mijne beschrijving plaats,
wil ik geenszins daarmede te kennen geven dat zij allen tot de
synonymie van dit insect zouden behooren. De citatie van Lin-
naeus haal ik aan op de autoriteit van Dahlbom en neem die
gaarne aan, omdat ik geloof dat men met eene zekere pieteit
de benamingen van Linnaeus en Fabricius bewaren moet, in-
dien er geene afdoende tegenwerpingen tegen zijn in te bren-
gen; doch aan de andere zijde ben ik zoodanig overtuigd van
de groote moeijelijkheid , om niet te zeggen onmogelijkheid, om
op de korte diagnosen of onvolledige beschrijvingen van die
hoogepriesters onzer wetenschap insecten van naverwante soor-
ten van elkander af te scheiden, dat het mij meestal geene
polemiek waardig is om iemands geyoelen te omhelzen of af
te wijzen.
148
Al de overige aanhalingen heb ik ter neer geschreven omdat
zij betrekking hebben op deze soort, waarvan twee rassen of
verscheidenheden zouden bestaan of op eene andere soort, die
niet dan door minutieuse onderscheidingskenteekenen van de
andere te onderkennen is. Het komt my zelfs zeer waarschijn-
lyk voor, dat er twee soorten zouden bestaan, die dezelfde le-
venswijs zouden hebben, maar op tweederlei soort van wilgen
zouden leven. Hoezeer ik nu in den laatsten tijd veel moeite
heb aangewend om beiden magtig te worden, is my zulks niet
mogen gelukken. Wordt nu later door het opkweeken der
andere bewezen, dat zij waarlijk verschillend is, zoo zullen de
aangehaalde plaatsen waarschijnlijk op die laatste alleen toepas-
selijk zijn, welke dan den naam van Wematus Gallarum Hartig
zal moeten dragen.
Om mijne meening eenigzins duidelijker uiteen te zetten, is
het noodig dat ik den lezer mededeele, dat de Geer van galap-
peltjes op Sahlweiden (Salix cinerea L.) spreekt, en dat
Hartig dezelfde boomsoort noemt. Mijne galappelen daarente-
gen zijn van de duinwilg (Salix repens). Daarbij komt dat
genoemde schrijvers spreken van grijze rupsen, terwijl de mijne
jong glasachtig wit, volwassen geel of oranjekleurig waren.
Eindelijk moet ik daarbij nog opmerken dat voor jaren in zeke-
ren tuin aan den Maasoever en Schielands hoogen Zeedijk bui-
ten Rotterdam vele wilgen stonden, welke jaarlijks met groene,
later geel, doch nimmer rood wordende gallen overdekt wer-
den en dat ik mij herinner daarin gevonden te hebben grijze,
leikleurige larven. Deze zouden nu tot eene andere soort en
wel die van de Geer kunnen behooren. Toen ik in het vorige
jaar, om de zaak tot helderheid te brengen, dienzelfden tuin
bezocht, vond ik de wilgen gerooid en andere wilgen aan den-
zelfden oever, doch op vrij grooten afstand, bij de oude. plan-
lage staande, droegen geene galappelen. Nu had ik eenige
hoop gevoed dat Dr. Witewaall gallen op de wilgenstruiken
aan de boorden van den Yssel zou kunnen aantreffen, doch dit
heeft zich voor als nog niet verwezenlijkt.
In September vindt men in de duinen, bepaaldelijk bij
149
's Gravenhage en bij Noordwijk (vooral op de laatste plaats
achter het Kerkhof) op de duinwilg met harde korte bladeren
galappeltjes, welke er als kersen uitzien; onze figuur 1. geelt
daarvan cene voorstelling. Zij zitten steeds aan de onderzijde
van het blad en zijn zeer glanzig en volstrekt zonder haren,
zoodat zij zeer verschillend zijn van die, waarvan Hartig spreekt.
Men vindt groote en kleinere, die, welke ik afgebeeld heb, is
eene der grootsten; zij zijn geelgroen, geel of rood, aan de
buitenzijde met vele bruine ophoopingen van zeer fijne korrel-
tjes (eene soort van Uredo?) bezet. Inwendig is deze galap-
pel hol; de wanden zijn van 1 tot 2 mm. dik. Men treft er
tegen het eind der maand September de larve volwassen in aan,
met eene menigte, vrij drooge, lichtbruine excrementen. Als
de larve jong is, is zij bijna doorschijnend, glasachtig wit met
graauwen kop; volwassen is zij geel of oranje geel, ongeveer
1 cent. lang. De kop is blinkend vuil geel, met twee lang-
werpig ronde zwarte vlekken op zijde, waarin de oogen staan;
de kaken zijn helderbruin, ledere geleding van het ligchaam is
in drie rimpels verdeeld en elke dezer bezet met eenige ondui-
delijke, niet hoog uitstekende wratjes; op het achterlijf diet
bij de staartklep stond bij sommigen eene bruine vlek, bij allen
een dubbel zwart doorntje boven den anus.
Deze larven hebben 20 pooten, welke allen geel of geelach-
wit en min of meer doorschijnend zijn.
Vergelijk voor de gedaante der larve onze figuur 2. op plaat 10.
Zij beten zich in die maand en de eerste dagen der volgen-
de door ronde gaten uit de galappels en kropen, na eenigen
tijd op het zand, dat ik onder in de suikerflesch gedaan had,
te hebben omgezworven , daarin.
In het voorjaar onderzocht ik het zand en vond er in ey-
lindervormige , aan beide zijden toegeronde cocons, aan den bui-
tenkant geheel met zandkorrels bezet, gelijk zulks voorgesteld
is bij fig. 3. Imwendig zijn hare wanden kastanjebruin, blin-
kend, glad; houdt men een stukje daarvan tegen het licht,
zoo is het duidelijk dat het tonnetje door overdwarse en niet
door overlangs-draden is aancengesponnen. Tot in de maand
150
Maart ligt de larve daarin onveranderd, slechts iets korter en
dikker geworden.
in het laatst van die maand vond ik in een tonnetje eene
pop, die ik afbeeldde ; vergelijk fig. 4.
Zij was groenachtig wit van kleur, met roodachtig witte vleu-
gelscheeden en bijzonder slank voor eene pop van bladwesp. —
Den Sen April ontwikkelden zich uit de tonnetjes de eerste
bladwespen en wel een mannetje en een wijfje; in de volgende
twaalf dagen kwamen andere voorwerpen uit. Aan de houding
en vleugeladeren is het duidelijk te zien, dat zij tot het geslacht
Nematus moeten gerekend worden te behooren, ‘tgeen ook
uit de sprieten blijkt. Beiden sexen zijn ongeveer even groot,
6 Ned. streep lang, met uitgestrekte sprieten 1 duim. De
vlugt is 13 streep.
Het mannetje is glanzig, min of meer bruinachtig zwart;
aan de sprieten zijn de drie eerste geledingen aan de bovenzijde
zwart, aan de onderzijde roodbruin, terwijl alle overigen boven
en onder roskleurig zijn. De overigens zwarte kop is van de
oogen af naar beneden lichtgeel ; de kaken evenwel zijn zwart;
de palpen vuilgeel met zwarte basis. De pooten zijn roodach-
tig-geel , doch de heupen en eene streep aan de onderzijde der
dijen zwart, ook zijn de twee of drie laatste geledingen der
vier voorste tarsen en de geheele achtertarsen bruin of bruin-
zwart. De vleugelschubbetjes en de aderen aan de basis van den
vleugel zijn roodgeel; de overige vleugeladeren zijn zwart en
de vleugelen iriseren zeer sterk. Het vleugelstigma is bijzonder
groot. Het laatste segment van het achterlijf is boven en onder
roodgeel. Men vergelijke bij deze beschrijving onze figuur 5.
Het wijfje verschilt van het mannetje in de volgende pun-
ten. De sprieten zijn aan de boven- en beneden-zijde geheel
zwart of vertoonen althans slechts aan de twee laatste geledin-
gen een’ bruinen gloed. De randen van de halskraag zijn
vuilgeel ; de heupen en apophysen stroogeel; de tarsen vertoo-
nen slechts bruine stipjesaan de vier voorste pooten, en aan de
achterpooten zijn de twee eerste geledingen der tarsen geel,
de drie laatsten bruin of bruinzwart (verg. fig. 6). De geheele
151
buikzijde is vuil groenachtig rood, overigens het achterlijf, ge-
lijk mede de eijerlegger, pikzwart.
In de eerste twee dagen na het uitkomen waren de bewe-
gingen dezer dieren zeer vlug; evenwel heb ik geene paring waar-
genomen en de wespen zijn spoedig gestorven. Ik vermoed
dat zij in de vrije natuur het honigsap uit de bloemen der
wilgenkatjes zullen zuigen en daarmede hun leven eenige dagen
rekken. Gaarne had ik het eijerleggen der wijfjes waargeno-
men en het ontstaan en te voorschijn komen der galappelen ;
dan zulks is onmogelijk, wanneer men niet in de onmiddelijke
nabijheid woont der wilgenstruiken, waarop de dieren huizen.
Omtrent de plaatsing van het ei ben ik dus niet in staat iets
te melden, maar dat de moeder met hare zaag eene insnijding
in de middelnerf aan de onderzijde maakt en aldaar een ei in
de spleet laat glippen is hoogst waarschijnlijk. Ondertusschen
meldt de Geer dat de galappelen op kleine steeltjes zitten,
hetgeen mij onwaarschijnlijk voorkomt. Ook heb ik aan mijne
gallen, misschien 50 in getal, geene steeltjes waargenomen.
Bijzonder aangenaam zou het mij wezen , indien ik mij spoe-
dig in staat zag gesteld om met deze ook de natuurlijke geschie-
denis der andere soort of verscheidenheid, welke op de aan het
water groeijende wilg leeft, te vergelijken.
Beschrijving van Plaat 10.
Ken galappeltje aan een wilgenblad.
00 Fig "1.
» 2. De volwassen larve.
» 3. Het cocon.
» 4. De pop, vergroot.
» 5. De mannelijke wesp, vergroot.
» 6. Het achterlijf met de achterpooten van de vrou-
welijke wesp, vergroot.
EENIGE AANTEEKENINGEN VAN
GEMENGDEN INHOUD.
in den vorigen jaargang van dit Eniomologisch tijdschmift,
bl. 98, heb ik gemeend voor de prioriteitsregien van een’ onzer
medeleden in de bres te moeten springen, ten opzigte van de
eer der eerste onidekkins ran de zeldzame rups van Hepialus
sylwinus. Deze rups was ongeveer terzelfder tijde hier te
lande onidekt door den Heer P. €. T. Snellen (later afgebeeld
en beschreven in Sepp, Mederlandsche Insecien, DI. VII)
en door den Heer Assmuss te Leipzis. Het doet mg leed nu
tegen mijn eigen beweren van prioriielisregien ie moeten opko-
men, te meer daar het mij nu gebleken is, dat de vermeend
onbekende rups van Mepialus sylvinus reeds twintig jaren
geleden bekend gemaakt en beschreven is geworden. Voor eeni-
gen tijd namelijk bladerde ik in het, naar mijne meening altyd
veelzijdig merkwaardige en belangwekkende tijdschrift van
L. Oken, de sis, waarin zoo vele en velerhande mededee-
lingen beireffende de kennis der gekorvene dieren voorkomen.
In den jaargang van 1839 viel mijn oog toevallig op eene aan-
ieekening van Dr. Adolph Speyer van Pyrmont (bladz. 113),
waarin deze geleerde berigt, dat hy toevallig de rups van de
zoo even genoemde soort ontdekt had. Hei komt mg voor,
dat ik aan onze inlandsche entomologen geene ondienst zal doen,
indien ik zijne mededeeling hier nogmaals laai afdrukken.
153
Hij zegt: ,,De tot heden onbekende rups van Mepralus
sylvinus ontdekte ik toevallig. Zij werd, reeds volwassen, uit
de aarde opgegraven op eene plaats, in welker nabijheid een
boschje van Syringa vulgaris en eene heg van meidoorn
stonden, en waar ook gras en lage kruiden groeiden , zoodat
het mij niet mogelijk was te bepalen, welke plant eigenlijk
haar voedsel opleverde. In gevangenschap nuttigde zij geen
voedsel meer, maar vervaardigde spoedig eene ruime, lange uit-
holing in de aarde, waarin zij zich omstreeks het midden van
Julij verpopte. Zij is overal geelachtig wit met bijna knobbel-
achtig uitstekende wratjes op den rug, waarvan elk een kort
donkerbruin haar op den top draagt. De kop en het halsschild
zijn honiggeel, de kaken zwart. De pop is zonderling gevormd,
week, bruinachtig geel, met een langgestrekt, niet kegelvor-
mig, maar naar het einde breeder toeloopend achterlijf, dat op
iedere geleding een’ gordel van stekeltjes, en aan het staart-
eind kamvormige spitsen vertoont. Door middel van deze ruwe
achterlijfsringen is de pop in staat, zich met groote - gemakke-
lijkheid en vlugheid in hare ruime woning te bewegen , zoodat
het schier schijnt, alsof zij kruipen kan. Ook het dunnere
voorste gedeelte der pop is aan den kop met doorntjes gewa-
pend. De vlinder verschijnt in Augustus. Ook bij het manne-
lijke geslacht treft men kaneelbruine voorwerpen aan.”
LI
Indien de noodzakelijkheid van deze eigenzelfs-teregtwijzing
aantoont dat de Zsis van Oken in ons vaderland niet algemeen
gelezen wordt, zij bewijst te gelijk dat er ook Duitschers zijn
die dit volumineuse tijdschrift niet dikwijls naslaan. Het is
nogthans zeer jammer, dat de daarin voorkomende entomologi-
sche mededeelingen. ons zoo zelden onder de oogen komen en
bovendien te betreuren dat het onmogelijk zal zijn in die omstan-
digheden eene doeltreffende verandering te brengen, Want het
bijeenbrengen en vertaald uitgeven van die verhandelingen en
154
mededeelingen heeft velerlei zwarigheden in. Om evenwel
cenigzins het mijne tot eene gedeeltelijke bekendheid van ge-
noemd Tijdschrift bijtebrengen, wil ik hieronder de soorten op-
geven , over welke het gemelde stuk van Dr. Speyer handelt.
Misschien wordt daardoor eenig. Entomoloog opgewekt eerst dit
stuk en later de geheele Zsis te doorsnuffelen. Ik laat de na-
men van de soorten weg, waaromtrent Speyer niets anders op-
geeft „ dan dat hij die bij Arolsen gevangen heeft.
Argynnis Selene, Lycaena Arion, Pontia Sinapis, Sa-
turnia Carpini, Harpyia bifida en furcula, Harpyia Fa-
gi, Notodonta dictaea en dictaeoides, Meptolus sylvinus,
Psyche pseudobombycella, Pygaera curtula, Gastropacha
Populi, Euprepia fuliginosa, Acronycta leporina , mega-
cephala, Alni, Diphthera Orion, Kymotophora xanthoce-
ros, bipuncta , fluctuosa, flavicornis, Hadena glauca, Or-
thosia instabilis, Ypsilon, lota, macilenta, Cosmia affi-
nis, Asteroscopus cassinia, Cucullia umbratica, Scrophu-
lariae, Anarta Myrtilli, Ennomos adspersaria, dolabra-
ria, lunaria, tllunaria, illustraria, erosaria, angularia
alniaria, tiliaria, Ellopia margaritaria, Boarmia vi-
duaria, Amphidasys prodomaria, Fidonia aurantiaria,
leucophaearia, Cabera punctaria en trilinearia, Cidaria
suffumata en picata, Idaea remutata, Cabera saltuata.
Het is in hetzelfde deel van het tijdschrift Zses dat het meer
algemeen bekende Versuch einer naturgemässen Eintheilung der
Schaben van P. C. Zeller voorkomt.
Uit de laatste jaargangen van het Stettiner Entomogische
tijdschrift is mij gebleken, dat de dissertatién van Carol. P.
Thunberg zeer zeldzaam zijn. Dr. Hagen heeft daaromtrent
twee mededeelingen gedaan. In de eerste gaf hij op welke
van die dissertatiën hem bekend waren en vroeg inlichtingen
omtrent de anderen; in de tweede meldde hij dat de Heer M.
C. Sommer te Altona, bekend door zijne bijzonder rijke verza-
meling van insecten van alle orden en uit alle werelddeelen ; ook
155 .
in het bezit was van alle dissertatiën van Thunberg, die hij
waarschijnlijk uit de verkooping der nalatenschap van den Ma-
joor Gyllenhal had verkregen en noemde Hagen de overige dis-
sertatiën op. Zeer mogelijk is het dat eenig Nederlandsch Ento-
moloog even veel waarde in die Academische stukken stelle als
Dr. Hagen en daarom reken ik het van eenig belang hier me-
detedeelen dat het voor het naslaan van eenige dier zeldzaam-
heden niet noodig is naar Duitsche openbare bibliotheken of
naar den ouden Heer Sommer te schrijven, daar ik voor enke-
len in de gelegenheid ben onze Entomologen die moeite te be-
sparen. Ik heb namelijk op de verkooping der boekerij van
wijlen Prof. C. G. C. Reinwardt voor een enkelen gulden een
quarto boekje gekocht, dat uit de bibliotheek van Dr. M. Hout-
tuyn afkomstig en van den volgenden inhoud is.
Eerst treft men aan Mpetome entomologiae systematicae
secundum Fabricium, continens genera et species insecto-
rum Europaeorum, auctore M. Gustavo Friderico Hentschio,
R. M. Cand. (Lipsiae 1804) en daarop eenige dissertationes
entomologicae van Thunberg , nieuwe insectensoorten beschrij-
vende:
12 Respondente S. N. Castrém, met 44 figuren.
2? » J. M. Ekelund, » 19 »
3° » D. Lundahl, » 18 »
4° » C. P. Engström, » 10 » :
5! » J. O. Noraeus, » 21 »
6° » Ao Ji Bagus “tou 00640
Daarop volgt een Periculum entomologicum, quo chara-
cteres generum insectorum beschreven worden, ’t geen in het
publiek verdedigd is door Samuel Törner 1789.
Dan drie dissertatiën over Zweedsche insecten :
1 verdedigd door J. Borgström (25 figuren)
2 » » P. E. Becklin (14 figuren)
Saye on » Jac. Aokerman (13 figuren).
Eindelijk dertien afleveringen en twee bijvoegsels van eenen
Catalogus van het museum van natuurlijke historie der academie
van Upsal. Ook deze hebben als dissertatiën gediend en zijn
156
door Doctorandi in het openbaar verdedigd geworden. Enkelen
handelen over entomologie en geven behalve de dorre naam lijs-
ten nog korte diagnosen en tamelijk goede afbeeldmgen der
nieuwe soorten. Al de platen in mijn werk zijn ongekleurd en
het is mij onbekend of er ook exemplaren met gekleurde platen
voorkomen.
De theses achter deze academische proeven zijn somtijds van
een gehalte, dat zij niet veel bewijs opleveren voor de zucht
naar paradoxen of om beter te zeggen voor den moed der de-
fensoren. Men oordeele uit een paar staaltjes:
;, Plurima sunt Lepidoptera, quorum noxam longe magis
cognitam nobis habemus, quam quidem eorum in politia natu-
rae utilitatem.
,, Insecta certe innumera animalibus majoribus, inprimis vero
avibus in escam et alimentum cedunt.”’
Daarentegen evenwel zijn er ook bij, die ons bij de lezing
vreemd doen opzien. Zoo heeft zekere student Johannes Bran-
zell de stelling verdedigd, dat de entomologie bijzonder nuttig
zou zijn in de studie der theologie.
Het is reeds meermalen opgeteekend, dat sommige zeldzame
insectensoorten in een voor hare ontwikkeling zeer gunstig jaar
somwijlen plotseling in groote menigte verschijnen. Tot een
voorbeeld daarvan moge ook het volgende strekken.
Cionus Fraxini de Geer schijnt in ons vaderland een zeer
zeldzaam insect te zijn. Onder de vele bezendingen van in-
landsche torren , die mij door de handen zijn gegaan, heb ik
het nimmer aangetroffen ; in de vrije natuur heb ik het insect
maar eenmaal gevonden en wel, gelijk ik zulks in de Naamlijst
in de Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland heb
aangeteekend , twee exemplaren bij elkander op de bladen van
Esschenboomen (Fraxinus excelsior) in het midden van Jul
aan het kleine Loo bij ’s Gravenhage, aan het noordoostelijk
einde van het prachtige bosch. Sedert dien tijd had ik het dier
nimmer wedergevonden,
157
In het begin van Juni} dezes jaars wandelde ik op het zoo-
genaamde plantsoen, waarin voor ongeveer 18 jaren de Leidsche
wallen herschapen zijn, en onder het gaan viel mijn oog op een
glanzig rond coconnetje, dat op de bovenzijde van een esschen-
blad was vastgehecht. Ik meende dat het van eene Braconide
zou zijn en deed het in een doosje. Twee stappen verder vond
ik er nog een, vervolgens twee of drie bijeen, langzamerhand
velen. Nu ik er genoeg had, opende ik er een en vond er
eene geclachtige vrij dikke larve in, zonder pooten , met zwarte
vlek op den kop en op de eerste geleding. Hare gedaante deed
mij terstond denken aan de larven van Cronus Verbasct en
C. Blattartae, die ik dikwijls, of liever jaarlijks op de Glip-
hoeve op Scrophularia aangetroffen had; ook herkende ik nu
den vorm en de zelfstandigheid van het cocon, dat blijkbaar
niet uit draden gesponnen was, gelijk ik eerst gemeend had.
Ik verzamelde nu een twintigtal cocons en trof ook nog eene
larve zonder omhulsel aan.
De meeste cocons zaten boven op, doch ook enkelen onder
tegen de esschenbladeren; twee vond ik er op bladeren van
elzen, die onder het esschenhakhout stonden, een op lijsterbes.
Zeer korten tijd daarna, den 16°, 17° en 18° Junij kwa-
men de kevers uit de cocons te voorschijn. Het was, gelijk ik
om het voorkomen op de esschen vermoed had, Conus Fraxinr.
Parasiten heb ik uit mijne cocons niet uitgekregen, maar wel
twee exemplaren van eene pikzwarte verscheidenheid, welke
nog donkerder is, dan die, welke ik onder den naam van Cur-
culio rectangulus Herbst by Gyllenhal (DI. III, bl. 217) aan-
gehaald vinde.
Deze verscheidenheid heeft kop en snuit pikzwart, de sprie-
ten bruinrood met zwarte: basis en zwart knopje, het halsschild
dofzwart met twee kleine gele vlekjes aan wederzijde op de
zijden, het schildje zwart, de dekschilden zwart, met hier en
daar een klein geel vlekje, uit twee of drie haarschubbetjes
bestaande; naar het einde vermeerdert het getal der vlekjes en
worden zij een weinig grooter. Borst en onderlijf zijn met gele
158
schubbetjes bedekt; heupen en dijen zijn zwart met enkele gele
schubbetjes, scheenen en tarsen zijn rood. u
Deze varieteit is door mij kort na het uitkomen beschreven ;
de afwijking in kleur is dus geen gevolg van het afstooten
der schubbetjes. |
Volgens Chapuis en Candéze is de larve dezer soort nog door
niemand, dan door de Geer beschreven. Zijne beschrijving is
bijzonder kort en zoo het mij voorkomt onvolledig ; men vindt
haar in het vijfde deel zijner Memoires (bl. 347 van de ver-
taling van Goeze).
Savi
BESCHRIJVING
VAN
EENIGE NIEUWE OF TWIJFELACHTIGE SOORTEN VAN
Do Por A
UIT DE FAMILIE DER NEMOCERA ,
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
De onderstaande beschrijvingen zijn het gevolg van de moei-
jelijkheden, waarop ik niet zelden stuit, bij het bestemmen
der vele voorwerpen uit de orde der Tweevleugeligen, die ik
zelf in ons land heb aangetroffen of die mij door mijne vrienden
worden toegezonden. Wanneer ik toch in de werken, die ik
vergelijk, geene enkele beschrijving vind, die met eenige waar-
schijnlijkheid verband houdt met de exemplaren, welke ik voor
mij heb, moet ik tot het besluit komen, dat deze tot eene soort
behooren, die tot dusverre geene plaats heeft gevonden in de
reeds zoo lange reeks der beschreven soorten.
‘ Eenige der thans door mij behandelde soorten, niet allen, zijn
reeds opgegeven in eene nieuwe naamlijst van inlandsche Dip-
tera, die sints geruimen tijd door mij werd gereed gemaakt,
om in de Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland te
verschijnen, en welke naamlijst, vooreerst alléen de Nemocera
omvattende, op dezen oogenblik ter perse ligt. Ik had ge-
meend , daarbij tevens de beschrijvingen der nieuwe soorten te
leveren , doch mij werd de opmerking gemaakt en ik moet die
volkomen beämen, dat zoodanige beschrijvingen meer eigen-
11
160
aardig in dit tijdschrift te huis behooren , waar tevens de gelegen-
heid openstaat haar door afbeeldingen te verduidelijken.
Most het gebeuren, dat de hier door mij behandelde soorten
reeds voorkwamen in eenig geschrift, dat mij niet ten dienste
stond, of mogt ik in de mij bekende werken over dipterologie
eene of andere beschrijving hebben over ’t hoofd gezien, dan
houd ik mij aanbevolen daarop opmerkzaam te worden gemaakt.
1. Corethra obscuripes.
C. fusca; thoracis vitta laterali angusta grisea; pedibus obscu-
ris, femorum basi pallidiori. 4 34 lin.
(Brits yen! lea)
Gelijkt over ’t geheel op C. plumicornis L. , doch heeft
donkerder kleuren. — Sprieten ter lengte van kop en thorax ,
gris en zwart geringeld, met donkerbruine haren. Voelertjes
zwartbruin, het laatste lid iets langer dan het voorlaatste.
Achterrand der oogen met fijnen witachtigen zoom. Het ach-
terhoofd en de snuit digt met zwartbruine haren bezet. — Tho-
rax aschgraauw, met breede donkerbruine banden, door on-
duidelijke grijze lijnen gedeeld; van den hals naar den vleugel-
wortel loopt een lichtgrijze, smalle band; borstzijden asch-
graauw, met onregelmatige zwartachtige vlekken ; schildje eenig-
zins bol uitstekend en even als de rug met donkerbruine haren
bezet. — Achterlijf zwartbruin, met grijsachtige, glanzige in-
snijdingen en lange bruine beharing ; de { aanhangsels vormen
twee langwerpige deelen, met bruine haren bezet, en aan ’t
eind voorzien van eene lange, naar binnen haakvormig omge-
bogen spits. — Pooten bruingraauw, met fijne, bruine beha-
ring, die vooral aan de achterste dijen en scheenen lang is;
heupen met grijzen weerschijn ; dijen aan den wortel geelach-
tig, aan de spits donkerbruin. Kolfjes bleekgeel. Vleugels
graauwachtig met graauwbruine aderen. |
Enkele malen het g' gevangen, bij den Haag in April en Mei.
161
©. culiciformis De G. is ongetwijfeld zeer verwant aan de
hierboven beschreven soort. Meigen’s beschrijving (in deel I)
naar De Geer is echter te kort, om er het voorwerp aan te
toetsen, en de bijzonderheden, die hij er in Deel VI. blz. 243
bijvoegt, wijken bepaaldelijk van mijne voorwerpen af; zoo
noemt hij den thorax heldergraauw met {wee breede zwartbruine
banden, het achterlijf bleekgeel behaard, de pooten bleekgeel.
Nog minder past Macquart’s beschrijving van C. culiciformis ,
die eene buiging der anale ader aangeeft, terwijl zij bij mijne
voorwerpen regt loopt en in niets afwijkt van de gemeene €.
plumicornis.
Ook C. fusca Staeg. Zett. waarbij met twijfel ©. culicifor-
mis, door Meig. en Macq. beschreven, wordt aangehaald, kan
mijne soort niet zijn, want het bleeke schildje en de geele
pooten, door Zetterstedt opgegeven, leveren daarvoor een ie
groot onderscheid op.
Zeer mogelijk zou het intusschen kunnen zijn, dat mijne ©.
obscuripes slechts eene varieteit ware van ©. plumicornis Fabr.
waarmede zij in de vormen de meeste overeenkomst heeft, hoe
wel door de donkere kleuren daarvan duidelijk onderscheiden.
Overgangen heb ik echter tot dusverre niet gevonden.
2. Chironomus viridicollis.
Ch. thorace viridi, nitido, fusco-vittato; abdomine fusco ;
pedibus viridi-flavis, geniculis tibiisque anticis nigris; d' tarsis
anticis nudis, appendicibus analibus parvis filiformibus. 9 9
3—4 lin.
Sprieten en voelertjes donkerbruin ; de sprietenpluim 4 geel-
graauw. Thorax glanzig , heldergroen ; de ruggestrepen, waarvan
de middenste duidelijk gespleten, twee of drie vlekjes onder den
vleugelwortel, benevens de borst en achterrug bruinzwart. Ach-
terlijf slank, zwartachtig, met eenigen glans en eene bleekgeele
beharing ; geheel van achteren gezien, vertoont zich de achter-
rand der ringen lichtgrijs en komt eene donkere ruggestreep te
voorschijn. Het 8° segment is in 4 duidelijk afgescheiden en
AA
162
niet zoo lang als het voorgaande; de aanhangsels zijn draad-
vormig, spits toeloopende , niet langer dan het 8° segment en
aan de buitenzijde met lange, bleekgeele haren. Pooten groen-
achtig geel; de spits der voordijen , de geheele voorscheenen ,
de achterste knien, de uiterste spits der achterste scheenen , als-
mede de spits der beide eerste leden van al de tarsen en de
laatste tarsenleden geheel, bruinzwart. Het 1e lid der voortar-
sen is anderhalfmaal zoo lang als de scheenen, het 2° is half
zoo lang als het 1°, het 3° en 4° iets korter en onderling van
gelijke lengte, het 5e kort. De voortarsen zijn niet gebaard
bij het #. De achterste dijen en scheenen hebben eene bleekgeele
beharing. — Kolfjes met bleeken steel en groenachtigen knop.
Vleugels bijna glasachtig; de voorrand met bruingeelen tint ; de
aderen bruinachtig, die bij den voorrand donker; de vleugel-
stip meestal vrij onbeduidend, ofschoon de dwarsader gewoonlijk
toch iets verdonkerd is.
Bij ’s Gravenhage en Wassenaar, aan den duinkant, in Julij en
Augustus. Ook te Utrecht, in Julij, door den Heer Six gevangen.
3. Chironomus unicolor.
Ch. viridis; tarsis anticis nudis; 4 appendicibus analibus
filiformibus, segmento anali longioribus. J 25 lin.
Deze soort gelijkt zeer op Ch. paganus Meig., doch is van
korteren, meer ineengedrongen vorm en door de langere, dunnere
aanhangsels bij het 7 duidelijk onderscheiden. — Sprieten (in 4)
ter lengte van den thorax, met bleekbruine, eenigzins geelachtige
haren. Qogen zwart. Voelertjes donkerbruin. Thorax hel-
dergroen, met naauwlijks eenig spoor van ruggestrepen. Achter-
lijf heldergroen, met witachtige beharing; het 6e en 7° segment
een weinig verbreed, het anale segment een weinig korter dan
het voorgaande; de aanhangsels draadvormig, iets langer dan
het anale segment; vergelijk plaat I. fig. 6. Pooten helder-
groen, met bleekbruine tarsen; de spits der scheenen ‚ die der
beide eerste tarsenleden benevens de drie laatste tarsenleden
163
geheel, donkerbruin: de achterste dijen ‘en scheenen zijn een
weinig verbreed ; de voortarsen ongebaard, het 1° lid anderhalf
maal zoo long als de scheenen, dubbel zoo lang als het 2° lid;
de volgende leden nemen langzaam in lengte af; de achterste
pooten hebben eene fijne, uitstaande, witachtige beharing.
Kolfjes zachtgroen. Vleugels glasachtig, tegen eene donkere
oppervlakte zelf eenigzins wit; de aderen bleekbruin.
Een { in Julij bij Wassenaar. '
4. Chironomus nigrimanus Staeg.
Syn. — Zett. Dipt. Scand. IX. 3534. 54.
Ch. viridis; thoracis vittis maculaque pectorali ferrugineis ;
metathorace, abdominis apice, tibiis tarsisque anticis, fuscis ;
tarsorum anticorum articulo primo tibia dimidio longiori. { 22 lin.
(RINE GEDE ent 20)
Heldergroen. De sprietenpluim bruin, het eerste lid der
sprieten roodachtig geel. Thorax glanzig; de duidelijke ruggestrepen
en de borst roestkleurig ; de achterrug bruin. Het achterlijf dun,
glanzig, met bleekgeele beharing; de drie laatste ringen bruin ;
de d' aanhangsels fijn, draadvormig, omtrent zoo lang als het
anale lid, aan de buitenzijde met lange, bleekgeele beharing.
Pooten bleekgroen; de spits der voordijen, de geheele voor-
scheenen en de voortarsen, met uitzondering van den wortel
van het 1° lid, zwartbruin; aan de achterste pooten, die eene
bleekgeele beharing hebben, is de spits der scheenen en van
de 3 eerste tarsenleden, alsmede de beide laatste tarsenleden
geheel, bruin; de voortarsen hebben eenige schrale, korte be-
haring, doch zijn niet eigenlijk gebaard; het eerste lid is on-
geveer anderhalf maal zoo lang als de scheenen, dubbel zoo lang
als het tweede, dat van het volgende weinig in lengte verschilt.
Kolfjes bleekgroen. Vleugels glasachtig, met bruinachtige ade-
ren; de dwarsader niet verdonkerd.
Een paar malen het d' bij den Haag, in Mei.
De korte beschrijving, door Staeger in zijne Dipt Dan. ge-
geven en door Zetterstedt in zijne Dipt. Scand. woordelijk over-
164
genomen, komt mij voor op deze soort toepasselijk te zijn.
Intusschen zouden eenige geringe afwijkingen wel in staat zijn
twijfel te wekken, en acht ik het daarom niet geheel over-
bodig hier op nieuw van deze soort eene beschrijving te geven.
Zoo maakt Staeger geene melding van de donkere kleur der
drie laatste lijfsringen, en evenmin van de donkere spits der
voordijen en van de heldere kleur aan den wortel van het
eerste lid der voortarsen; ook is volgens hem de achterrug ,
even als de langsstrepen op den thorax, roestkleurig. Ik ben
echter geneigd , die afwijkingen meerendeels op rekening te stel-
len vande beknoptheid, welke door Staeger bij zijne beschrijving
werd in acht genomen. |
Van Ch. viridis Macq. , waarmede deze soort veel overeen-
komst heeft, is zij evenwel duidelÿk onderscheiden door de
donkere voorpooten en de niet gebaarde voortarsen.
5. Chironomus blandus, Winn. (in litt.)
Ch. rufulo-albus; oculis nigris; tibiarum posteriorum puncto
apicali nigro; tarsorum anticorum articulo primo tibia duplo
longiori; & appendicibus analibus filiformibus, segmento anali
brevioribus. d 13 lin.
(Pl. il f.3 en 3a.)
Van slanke gestalte, vooral het achterlijf dun. Geheel bleek
roodgeel; de kop iets krachtiger van kleur; het achterlyf,
(naar tgeen mij door den Heer Six werd gemeld) in ’t leven meer
groenachtig, eenigzins doorschijnend en daardoor bij de insnij-
dingen met flaauw bruine vlekken. — Sprieten bruin, ter lengte
van kop en thorax, met bleekgeele niet zeer digte pluim.
Oogen zwart. Voelertjes geel. De voorpooten lang; de voor-
scheenen ongeveer half zoo lang als de dijen, aan ’t uiteinde
van binnen met eene regtuitstaande, fijne, geele borstel; de
yoortarsen dun, ongebaard, het eerste lid omtrent ter dubbele
lengte der scheenen, het tweede half zoo lang als het eerste,
de volgenden in lengte afnemende. Aan de achterste pooten
zijn dijen en tarsen ongeveer van gelijke lengie, de scheenen
165
& korter; de achterste dijen en scheenen, alsmede de zijden
des achterlijfs met lange uitstaande witachtige haren bezet; ook
de voordijen zijn eenigzins wit behaard. Het anale lid is zoo
lang als het voorgaande, met de aanhangsels iets korter, draad-
vormig, in ’t midden een weinig verdikt, alles bleekgeel, met
witachtige beharing. Kolfjes geel. Vleugels glasachtig, met
flaauw gekleurde aderen ; de hulpader heeft hare uitmonding
in den voorrand op ruim de halve vleugellengte, de onderrand-
ader op 3 dezer lengte en is niet verdubbeld; de dwarsader ligt
op halve vleugellengte, de wortel der vorkcel een merkelijk
eind meer naar de spits.
Een { in Augustus door den Heer Six te Utrecht gevangen
en aan mij medegedeeld.
De naam dezer soort is haar gegeven door den Heer Win-
NERTZ, die volgens zijn schrijven, het Q, dat zoo in coloriet
als aderbeloop met mijn d overeenstemt, als Ch. blandus in
zijne collectie heeft benoemd.
6. Chironomus nigriventris.
Ch. capite thoraceque flavis; thoracis vittis , metathorace ,
abdomine, femorumque apice nigro-fuscis ; tarsorum anticorum
articulo primo tibia breviori; alis cinereo-hyalinis. $ 15 lin.
(PL. 11 f. 4.)
Kop geel ; sprieten en voelertjes lichtbruin. Borststuk over den
kop gewelfd, roodachtig geel, op den rug met zwarte langsstre-
pen van middelmatige breedte, de middenste van achteren door
eene fijne donkerbruine lijn met het schildje verbonden ; ach-
terrug zwartachtig. Achterlijf graauwzwart, eenigzins fluweelig
met korte grijze beharing; de insnijdingen iets lichter ; de wor-
tel van den eersten ring is bleekgeel; de beide korte spitsen
aan den anus zijn lichterijs. Pooten roodgeel; de spits der
dijen en de wortel der voorscheenen zwart; de spits der ach-
terste scheenen benevens al de tarsen bruinachtig; de beharing
der pooten is onbeduidend en alleen aan de achterscheenen en
en achtertarsen merkbaar; het eerste lid der voortarsen is
166
naauwelijks 2 ter lengte der scheenen, de volgende leden ne-
men langzaam in lengte af; de geheele voortars is ongeveer
15 maal ter lengte der scheenen; aan de midden en achter-
pooten zijn de tarsen omtrent van gelijke lengte als de scheenen ,
_ en neemt het 1° lid daarvan de helft in. Kolfjes bleekgeel. Vleu-
gels glasachtig, doch met bruingraauwen tint; de aderen don-
kerbruin, vooral die bij den voorrand ; de ietwat verdonkerde
dwarsader ligt een weinig voor de halve vleugellengte; de on-
derrandader loopt op % der vleugellengte in den voorrand uit,
doch heeft vóór die uitmonding nog twee malen eene kleine
vertakking, waarvan de eerste een weinig voorbij de dwarsader
in den voorrand eindigt, en de tweede tusschen die uitmonding
en het uiteinde der onderrandader zelve; de wortel der vorkcel
ligt een weinig voorbij het punt onder de dwarsader.
Een £ te Utrecht door den Heer Six gevangen.
Bij de bestemming dezer soort zou welligt in aanmerking
kunnen komen C. sulphuricollis Meig., met wier beschrijving
de meeste overeenkoinst bestaat, en waarbij alleen twijfel over-
blijft wegens de vleugels, door Meigen kortaf »glashelle’”’ ge-
noemd , terwijl het voor mij liggend exemplaar duidelijk graauw-
achtige vleugels heeft.
Minder overeenkomst vind ik met Ch. variabilis Staeg., ‘
waarvan de buik geelachtig en de borst donker zou zijn; als-
mede met Ch. sordidellus Lett., waarvan door Zetterstedt, (die
alleen het { beschrijft), de borst als zwart en de vleugels als
witachtig worden aangeduid, terwijl de dijen geen donkere spits
schijnen te hebben.
7. Chironomus marmoratus Six. (in litt.)
Ch. nigro-fuscus ; abdominis incisuris angustis, pallidis; pe-
dibus flavidis, fusco-variegatis , tarsorum anticorum articulo primo
tibia duplo longiori; alis cinereo-marmoratis. 9 14 lin.
(Zie de vleugelafbeelding bij pl. 2 f. 4.)
Kop bruinachüg. Sprieten bleekgeel, met lange grijsachtige
haren; het eerste en het laatste lid zwartbruin. Voelertjes
167
donkerbruin, Thorax sterk over den kop uitstekend, eenigzins
glanzig, bruingraauw , met de ruggestrepen iets donkerder. Ach-
terlijf donker bruingraauw, op den rug zwart, met witachtigen
achterzoom der ringen en daarop helderwitte ruggestippen. Poo-
ten bleekgeel; heupen graauwbruin; de laatste helft der voor-
dijen bruin, met uitzondering der uiterste knie; achterste dijen
van den wortel tot op $ der lengte bruin en onmiddellijk vóór
de spits met nog een bruinen ring; voorscheenen met twee rin-
gen en de uiterste spits bruin; achterste scheenen met bruine
spits; al de tarsen witachtig met bruine spits der geledingen,
het laatste lid geheel bruin; het eerste lid der voortarsen is
ongeveer dubbel zoo lang als de scheenen ; de wortel der voor-
dijen is dun. Kolfjes witachtig. Vleugels graauw en witachtig
gemarmerd, door verschillende graauwe vlekken tusschen de
aderen, min of meer twee dwarsbanden vormende, een in ’t
midden der vleugels en een meer naar de spits; aan de spits
cok nog een paar vlekken en eene op den beneden-arm der
vorkcel ; de vleugeladeren zijn flaauw gekleurd; de dwarsader
ligt iets vóór, de wortel der vorkcel iets voorbij de halve vleu-
gellengte.
Het 2 mij onder den naam van Ch. marmoratus door den
Heer Six medegedeeld, die het bij herhaling te Utrecht, in
Julij en Augustus, had gevangen. Ook Wiunnertz kent deze
soort, en heeft haar in zijne collectie als Ch. superbus n. s.
bestemd.
8. Chironomus dilatatus.
Ch. niger, nitidus; pedibus piceis; tarsorum anticorum arti-
culo primo tibia tertia parte breviori; alis rubiginoso-albidis,
basi linea nigra, in { angulo postico dilatato. SQ 2-23 lin
(Zie de vleugelafbeelding bij pl. 2 f. 5.)
d Geheel donkerzwart, met matigen glans. Sprietenharen
bruinzwart. Het achterlijf aan de eerste ringen dikker; de be-
haring donkergrijs. De pooten zwart of eigenlijk pekbruin ; de
voortarsen dubbel zoo lang als de scheenen, het eerste lid on-
168
geveer 3 korter dan de scheenen; aan de voorpooten hebben
de dijen, aan de middenpooten de dijen en scheenen, aan de
achterpooten de dijen, scheenen en tarsen, eene fijne beharing.
Kolfjes zwart. Vleugels -witachtig, weinig doorschijnend; de
voorrandsaderen flaauwbruin, de overige aderen bijna onge-
kleurd ; aan den eenigzins bruinachtigen wortel is een donker-
zwart langsstreepje ; de achterhoek der vleugels springt in den
vorm van een lapje sterk vooruit.
% Het achterlijf is matig verdikt, met korte donkere beharing.
De dijen zijn een weinig verbreed; de beharing der achterste
pooten is slechts kort. De kolfjes zijn minder donker, en de vleu-
gels missen den buitengewonen vorm, dien zij bij het d hebben.
’s Gravenhage, in Mei.
9. Chironomus sylvaticus.
Ch. niger, subnitidus ; antennis fuscis, (in {) cinereo-plumo-
sis; tarsorum anticorum articulo primo tibia nonnihil longiori,
in & barbato; appendicibus analibus filiformibus, subcurvatis ,
acuminatis, segmento anali subaeque longis. Z 13 — 13 lin.
Zwart met eenigen glans. Sprieten zoo lang als kop en tho-
rar, bruin met graauwe haren. Achterlijf dun, met uitstaande
grijze haren; het anale segment zoo breed als het voorgaande,
ter wederzijde met een draadvormig, haakachtig gebogen en
spits toéloopend aanhangsel van ongeveer gelijke lengte als het
anale segment (Zie pl. 1 fig. 10). De pooten zijn dun, de dijen
weinig of niet verbreed ; de heupen zwart, de dijen bruinzwart,
de scheenen en tarsen donkerbruin; het eerste lid der voortar-
sen bereikt ruim de lengte der scheenen ; de voortarsen hebben
aan de buitenzijde en de achterste pooten over ’t geheel eene fijne ,
uitstaande, grijsachtige beharing. Kolfjes vuilwit. Vleugels glas-
achtig, min of meer wit, met flaauwe bruinachtige aderen, die
bij den voorrand een weinig zijn verdonkerd; aan den wortel
een klein verdikt langsstreepje ; de oppervlakte heeft eene graaw-
achtige beharing, die echter ligtelijk loslaat.
169
Het 7 meermalen in het Haagsche bosch, in de maand Maart.
10. Chironomus ochraceus.
Ch. ochraceus; metathorace maculis duabus nigricantibus ;
femorum anticorum linea apicali, tibiarum summo apice, tarso-
rumque articulatione fuscis; tarsorum anticorum articulo primo
tibia tertia parte breviori. % circiter 1 lin.
(Bly dike fa55s)
Okergeel. Oogen zwart. De geledingen der voelertjes onge-
veer van gelijke lengte, de 4° dunner dan de vorige. Thorax
over den kop heenreikende, doch overigens niet zeer hoog ge-
welfd, op den rug met eenig spoor van bruinachtige strepen.
Schildje met fijne beharing. Achterrug ter wederzijde met
zwartachtige vlek. Achterlijf dik, slechts # langer dan de tho-
rax, van boven lichtbruin met bleekgeele insnijdingen. Pooten
bleek okergeel ; de spits der iets verdikte voordijen bruin, welke
kleur zich streepyormig aan de bovenzijde tot omtrent het mid-
den uitbreidt; de uiterste spits van al de scheenen en tarsen-
leden bruinzwart; het eerste lid der voortarsen is ongeveer ter
lengte van 2 der scheenen, de volgenden nemen in dezelfde ver-
houding in lengte af; aan de achterste tarsen is het eerste lid
omirent half zoo lang als de scheenen; buiten eenige fijne ha-
ren aan de achterste tarsen, zijn de pooten geheel kaal. Kolf-
jes bleekgeel, Vleugels witachtig, behaard, met bleekbruine
aderen.
Ben £ te Utrecht door den Heer Six gevangen.
\
11. Chironomus signatus.
Ch. pallide flavus; thorace lineis lateralibus, abdomineque
fasciis duabus nigris; tarsorum anticorum articulo primo tibia
duplo longiori. 2 $ lin.
(Ele LEEREN)
Kop met rprieten en voelertjes bleekgeel; oogen (ook bij ’t
leven?) zwart. Thorax weinig over den kop verlengd, bleek
170
roodgeel ; ter wederzijde eene smalle zwartbruine langslijn, die
van den hals tot even binnenwaarts langs den vleugelwortel .
loopt; achterrug zwart. Achterlijf helder groenachtig geel; de
3° en 7° ring hebben elk een’ donkerzwarten dwarsband, die
bijna de geheele breedte dezer ringen inneemt, en ieder min of
meer uit drie vlekken schijnt te bestaan. Pooten bleekgeel of
witachtig; de spits der dijen en scheenen zwartachtig; de voor-
scheenen zeer kort, het eerste lid der voortarsen dubbel ter lengte
der scheenen ; achterste pooten met witachtige beharing. Kolfjes
witachtig. Vleugels weinig gekleurd, door de duidelijke en vrij digte
beharing slechts een weinig graauw; de aderen flaauw, alleen
die bij den voorrand eenigzins bruinachtig ; de dwarsader ligt op
iets meer dan ; der vleugellengte, en de daarmede verbonden
middenader (3° langsader) eindigt juist in de vleugelspits; de
wortel der vorkcel ligt een weinig voorbij het punt onder de
de dwarsader, op ongeveer de halve vleugellengte.
Van deze kleine doch merkwaardige soort vond de Heer Six
tot tweemalen het £ in het Driebergsche bosch, eens in ’t voor-
en andermaal in ’t najaar.
12. Tanypus grisetpennis.
T. fuscus; pedibus brunneis, halteribus pallidis, alis cinereis ,
immaculatis, hirsutis; nervo furcato sessili; maris tarsis anticis
pilosulis , articulo primo tibia quarta parte breviori. d 9 2 lin.
(aio)
- Sprieten donkerbruin, in d zoo lang als kop en thorax, met
bruingraauwe haren; in £ ter lengte van den thorax. Voeler-
tjes bruin. Thorax aschgraauw, op den rug met drie breede,
zwartbruine langsstrepen , waarvan de middenste onduidelijk is
gespleten; bij het ? komen deze strepen sterker te voorschijn
en is de middelste duidelijk in tweeën gedeeld 5 zoodat daar
eigenlijk vier langsstrepen aanwezig zijn; de borstzijden hebben
een witachtigen weerschijn, welke zich ook, bij het 9 althans,
op een gedeelte van den rug vóór het schildje vertoont; het
171
schildje is in 7 graauwgeel, in 9 helderder geel. Achterlijf
dun, eenigzins glanzig, donkerbruin, van terzijde gezien met
lichtbruine insnijdingen ; de laatste ringen van boven met licht-
grijzen weerschijn ; in d' is het anale segment een „weinig ver-
breed, met vrij groote en dikke aanhangsels. Het achterlijf
heeft eene bruingraauwe beharing, die in { uitstaande, in Q
meer platliggende is. Pooten eenkleurig lichtbruin; de spits der
scheenen naauwelijks iets verdonkerd; het eerste lid der voor-
tarsen ongeveer ter lengte van 3 der scheenen, de volgenden
langzaam in lengte afnemende; de voortarsen en de achterste
dijen en scheenen hebben in { eene fijne, graauwe , uitstaande
beharing. Kolfjes bleekgeel. Vleugels eenkleurig, graauwach-
tig, over de geheele oppervlakte behaard; de wortel der vork-
cel ligt aan de dwarsader, zoodat de vorkcel ongesteeld is.
Meer dan eens in April te ’s Gravenhage.
Deze soort schijnt zeer nabij te komen aan 7. barbitarsis
Zett., welke zich echter onderscheidt door in ’t oog vallende
beharing der voortarsen { , en door eene meer wegsmeltende don-
kere kleur op den rug van den thorax, waarop geene banden
ziotbaar zijn.
13. Tipula livida.
T. antennis cinerascentibus, basi flavida; thorace dorso cine-
reo, fusco-quadrivittato ; abdomine rufescente, ano maris paullo
clavato ; alis cinerascentibus, basi costaque rufescentibus, stig-
mate subfusco. 49 71 — 8E lin.
(Pl. 11. f. 8, Sa, 85 en 8c.)
d Kop helder bruingeel, voorhoofd aschgraauw, met weg-
smeltende donkere langslijn en zwarte borstelige beharing. Oogen
bij *t leven donkergroen. Voelertjes geelachtig, het laatste lid
bruin. Sprieten ruim ter lengte van kop en thorax, de drie
eerste leden geel, de volgenden grijsachtig, met donkerbruinen ,
een weinig verdikten wortel. Thorax van boven aschgraauw ,
met vier regtloopende bruine langsstrepen, waarvan de beide
uitersten aan de voorzijde zijn geknot; achter de dwarsnaad een
172
paar bruine vlekken; deze banden en vlekken bij sommige voor-
werpen onduidelijk; het halsschild geelachtig ; van den hals
naar den vleugelwortel een geele band; de borstzijden met
lichtgrijzen weerschijn , naar achteren, even als het schildje en
de achterrug, min of meer vleeschkleurig. Achterlijf roodgeel;
wortel van den eersten ring bleek; over de beide eerste ringen
eenig spoor van eene donkere ruggestreep ; de beide laatste ringen
donkerbruin ; anus roodgeel, weinig verdikt, met eenige tepel-
vormige uitsteeksels en een paar naar boven gekromde haakvor-
mige deelen (zie fig. 8c); het geheele achterlijf heeft eene korte,
geelachtige beharing. Pooten lang en dun, roodgeel; heupen
met lichtgrijzen weerschijn ; dijen en scheenen met slechts wei-
nig verdonkerde spits; tarsen naar het uiteinde gebruind; aan
de heupen is eene borstelige geele beharing. Kolfjes bruin met
geelachtigen steel. Vleugels een weinig grijsachtig, met bleek-
bruine, aan den wortel geele aderen, geelachtigen wortel en
voorrand en geelbruine randvlek, die ter wederzijde door een
bijna onmerkbaar witachtig vlekje is begrensd.
2 De sprieten korter dan kop en thorax, de vier eerste leden
geel. De kleur des achterlijfs minder levendig, met smallen,
bleeken zoom aan den achterrand der ringen; over den rug,
langs den buik en in de zijden duidelijke sporen van donkere
langsstreepen ; de eijerlegger kastanjebruin, glanzig , met een vrij
puntig, eenigzins naar boven gebogen uiteinde (zie fig. 8a, 86).
Gedurende de maanden Junij en Julij, niet zeldzaam in het
Haagsche bosch.
14. Platyura succincta Meig.
- Syn. Meig. Syst. Beschr. VII. 39. 22. (P. succinta).
Lett. Dipt. Scand. X. 4088. 14. (PI. flavipes).
Pl. nigra; abdomine cingulis quatuor pedibusque flavis ; tarsıs
fuseis ; ore non rostrato ; alis limbo apicali et postico cinereo.
d 12 lin. (Pl. 12 f. 1.)
Kop zwart; mond zonder uitsteeksel ; voelertjes geel. Sprie-
ten ter lengte van den thorax, omgebogen, cylindrisch , zwart-
173
achtig, grijsdonzig. Thorax glanzig zwart. Achterlijf zwart,
een weinig platgedrukt, aan den wortel smal, doch naar ach-
teren verbreed; anus rondachtig; de 4 eerste ringen hebben
een geelen achterzoom, welke aan den eersten ring zeer smal
isen aan de beide volgenden ongeveer de halve lengte inneemt ;
de buik heeft min of meer dezelfde teekening; de voorlaatste
‘ring is van onderen een weinig uitstekend. Pooten roodgeel ;
de sporen aan de spits der scheenen bruinachtig, de tarsen
donkerbruin; eerste lid der voortarsen ter lengte van 3 der
scheenen, de volgende leden langzaam in lengte afnemende (het
2° en 3° en het 4° en 5° omtrent van gelijke lengte). Kolfjes
geel met bruinachtigen knop. Vleugels bijna glasachtig; aan
de spits een graauwe zoom, welke bij de kleine dwarsader aan
t eind van den voorrand een aanvang neemt, en zich, eenig-
zins versmald, langs den geheelen achterrand voortzet; de mar-
ginaalcel is langgerekt en aan den voorrand tamelijk breed ge-
opend; de kleine dwarsader aan ’t eind van den voorrand is
regtstandig.
Een Z te Utrecht door den Heer Six gevangen.
Ik heb hier deze soort beschreven, omdat zij, naar mijne
meening, bij Zetterstedt ten onregte onder den naam van Pl.
flavipes Meig. voorkomt. Deze laatste onderscheidt zich door
het aanwezig zijn van eene kleine verhevenheid boven den mond,
en de donkere zoom aan de vleugelspits begrenst aan den voor-
rand de kleine dwarsader niet, maar begint eerst op een’ kleinen
afstand van daar.
15. Zeta stigmatella.
L. fusca; thorace sericeo; maculis humeralibus, halteribus
pedibusque flavis; femorum posticorum apice tarsisque omnibus
fuscis; ventre antice flavo-maculato; alis macula costali fusca
obsoleta. 4 2 lin.
(Pl. 12 f. 2 en 2a)
Aangezigt en voelertjes geel, voorhoofd zwartbruin, grijsha-
rig. Sprieten ter lengte van kop en thorax, vrij dik, de eerste
174
leden geel, de volgenden zwartachtig, grijsdonzig; beide kleuren
ineensmeltend. Thorax zeer glanzig, zwartbruin; de streek der
schouders, benevens het voorste deel der borstzijden, boven de
voorheupen , roodgeel; schildje geelbruin; de thorax heeft eene
witachtige borstelige beharing, die in de zijden en in den om-
trek van het schildje langer is. Achterlijf een weinig platge-
drukt, aan ’t uiteinde stomp afgesneden, zwartbruin, eenigzins
glanzig; de buik aan de voorste ringen doorschijnend roodgeel;
van boven hebben de insnijdingen een spoor van geelen zoom;
het achterlijf heeft eene korte, vrij digte, witachtige beharing.
Pooten roodgeel, met de spits der achterdijen, benevens al de
tarsen zwartbruin; de achterscheenen aan de spits mede bruinachtig;
de verbinding der heupen en dijen met bruinachtige stippen; de spo-
ren aan al de scheenen dubbel, vrij stevig en van geele kleur; de
achterste scheenen hebben vrij digte en stevige donkere langsdoorn-
tjes, in twee rijen. Het eerste lid der voortarsen is bijna zoo lang
als de scheenen, de volgende leden in afnemende lengteverhouding ,
zoodat de voortarsen ruim dubbel de lengte der scheenen berei-
ken; de middentarsen zijn ruim zoo lang als de achtertarsen
iets korter dan de scheenen. De zeer kleine kolfjes zijn bleek-
geel. Vleugels glasachtig, met eenigzins grijzen tint; de voor-
randsaderen verdikt en donker, de overigen fijn en bruin; de
hulpader heeft hare uitmonding in den voorrand op bijna + van
de vleugellengte; en is kort te voren door eene kleine dwars-
ader met de eerste langsader verbonden, welke laatste op hare
beurt op 3 der vleugellengte in den voorrand eindigt, en mede
kort te voren door eene dwarsader aan de tweede langsader is
gehecht; deze laatste heeft hare uitmonding digt vóór de spits;
de wortel der bovenste vorkcel ligt onder de zoo even genoemde
dwarsader ; haar uiteinde is onder de spits; de wortel der on-
derste vorkcel ligt nagenoeg onder de uitmonding der hulp-
ader. Onder tegen de tweede langsader, een weinig vóór hare
uitmonding, ligt een flaauw , wegsmeltend , zwartachtig vlekje,
dat misschien het begin van een’ dwarsband uitmaakt.
Een Z te Utrecht door den Heer Six gevangen.
In het eerst meende ik deze soort te moeten bestemmen als
175
L. bimaculala Meig. — De meeste kenmerken, in Meigen’s
beschrijving opgenomen, schenen mij toe wel te passen; ook
het aderbeloop der vleugels heeft bijna volkomen overeenkomst
met Meigens afbeelding pl. 9 fig. 7, waartoe hij Z. bimaculata
brengt, en wat de »dwarsband” voor de vleugelspits betreft ,
beschouwde ik dien bij het voorhanden exemplaar als zoo ver-
flaauwd, dat er slechts in den vorm van een vlekje bij den
voorrand , eenig spoor van was overgebleven. Intusschen noemt
Meigen zijne soort bepaaldelijk glanzig zwart, en dit is het
vooral wat mij terughoudt, om zijne beschrijving op Z. stig-
matella toe te passen, die niet zwart maar donkerbruin is, en
bovendien nog afwijkt door de doorschijnend geele kleur aan ’t
begin van den buik.
Zetterstedt beschrijft mede Z. bimaculata en haalt daarbij,
hoezeer met twijfel, Meigen aan. Ook Zetterstedt’s beschrij-
ving, schoon in enkele bijzonderheden van die van Meigen af-
wijkende, noemt de kleur glanzig zwart en gewaagt evenmin van
de doorschijnende kleur aan den buik; ook bij hem worden de
vleugels met een’ dwarsband aangeduid en schijnt ook het ader-
beloop anders dan bij de door mij behandelde soort. Daaren-
boven beschrijft hij den knop der kolfjes als zwart, iets wat
ongetwijfeld eene verschillende soort, ook van die van Meigen,
doet vermoeden.
Met Zetterstedt noch met Meigen kan ik derhalve genoegzame
overeenstemming vinden, en geloof daarom het beschreven voor-
werp als nieuwe soort te mogen beschouwen, zoo lang door ver-
gelijking van meerdere exemplaren het tegendeel niet blijkt.
16. Zeta ferruginea.
L. flavo-ferruginea; statura valida; antennis breviusculis; fronte
cinereo; ano fusco; pedibus flavis, calcaribus tarsisque fuscis ;
alarum costa flavida. 4 15 lin.
| (Pl. 12. f. 3 en Sa.)
Van vrij dikke, meengedrongene gestalte. De kop onder het
hoog gewelfde ruggeschild eenigzins verborgen. Aangezigt ; voe-
12
176
lertjes en sprieten roodachtig geel; de laatste iets korter dan de
thorax, cylindrisch, dik, naar ’t einde slechts weinig dunner wor-
dende, met fijn witachtig vilt bedekt. Voorhoofd donkergrijs;
oogen zwart even als de bijoogen, die in eene gebogen lijn zijn
geplaatst en waarvan het middenste kleiner is. — Thorax glan-
zig roodachtig geel, op den rug met een flaauw spoor van bruin-
achtige langsbanden; borstzijden met lichtgrijzen weerschijn , die
zich ook eenigzins over de heupen uitstrekt. Achterlijf cylin-
drisch , roodachtig geel, van boven een weinig bruinachtig, met
bleeken achterzoom der ringen ; de beide laatste ringen bruinzwart.
De thorax en het achterlijf hebben eene korte, zwartachtige
beharing. — Pooten roodachtig geel; de scheenen bruinachtig; de
tarsen donkerbruin; de dijen iets verbreed , vooral de achterdijen,
die aan de spits een weinig gebruind zijn; de scheenen zonder
langsdoornen, doch aan ’t eind met bruine sporen, die aan de
achterscheenen dubbel. De voortarsen zijn tweemaal ter lengte
der scheenen , het eerste lid maakt daarvan niet volkomen de
helft uit; de middentarsen zijn ongeveer anderhalf maal ter
lengte der scheenen; de achtertarsen en achterscheenen nage-
noeg van gelijke lengte. — Kolfjes geel. Vleugels een weinig
graauw vooral aan de spits; de wortel en een goed deel van
den voorrand met geelen tint; de aderen grootendeels bruin,
die bij den wortel roestkleurig. Aan den wortel ligt eene zeer
korte hulpader, die met een dwarsadertje aan den voorrand is
verbonden; de eerste langsader loopt een weinig bogtig en heeft
hare uitmonding in den voorrand op 2 der vleugellengte; de
tweede langsader stoot, een weinig voor het midden der vleu-
gels, een arm uit naar beneden (de steel der bovenste vorkcel)
en wordt spoedig daarna door eene dwarsader aan de eerste
langsader verbonden, om verder kort voor de vleugelspits te
eindigen; de bovenste vorkcel, die iets langer is dan haar steel,
komt in de vleugelspits uit; de onderste vorkcel is groot en haar
wortel ligt merkelijk voor het midden der vleugels.
Een J te Utrecht door den Heer Six gevangen.
In de roodachtig geele kleur, de korte, dikke sprieten en meer
andere kenmerken vind ik eene opmerkelijke overeenkomst met
177
L. brevicornis Zeit. Ik moet echter zwarigheid maken het
voorwerp van den Heer Six als Z. brevicornis te bestemmen ,
omdat Zetterstedt de pooten bleekgeel noemt en van een zwart
streepje aan de spits der heupen spreekt, maar daarentegen zwijgt
van de zwartbruine spits des achterlijfs en de gebruinde spits
der achterdijen. — Nog minder geloof ik, dat het Z. annulata
Macq. kan wezen, bij welke de sprieten, met uitzondering der
beide eerste leden, bruin moeten zijn, en het achterlijf van
boven op elken ring eene donkere driehoekige vlek zou hebben.
17. Mycetophila tenuicornis.
M. fusca; antennis tenuibus, capite thoraceque paullo lon-
gioribus , articulis duobus primis luteis; abdomine flavo-macu-
lato; pedibus pallidis; tarsorum anticorum articulo primo tibia
quarta parte longiori; furcae superioris nervis subcuryatis. d' 22 lin.
(PI. 12. f. 4 en 4a.)
Van slanke gestalte en donkerbruine kleur. Sprieten dun,
draadvormig, iets langer dan kop en thorax; de beide eerste
leden geel, de overigen zwartbruin. Aangezigt en voelertjes
geel; voorhoofd grijs. De borstzijden en het schildje eenigzins
roestkleurig; boven de heupen somtijds zwartachtige vlekjes.
Achterlijf met breede geele insnijdingen, in de zijden tot vlek-
ken uitgebreid; anus geel. Pooten bleekgeel; tarsen bruinach-
tig; eerste lid der voortarsen 17 maal ter lengte der scheenen;
langs de achterscheenen enkele fijne doorntjes. Kolfjes bleek-
geel. Vleugels een weinig graauw, met fijne, bleekbruine ade-
ren; de basis der bovenste vorkcel ligt naauwelijks iets digter
naar den vleugewelwortel dan die der onderste vorkcel, welke
juist onder de dwarsader ligt; de beide armen der bovenste
vorkeel zijn een weinig tot elkander gebogen , doch loopen aan
hare uitmonding weer uiteen.
Deze soort, ofschoon ik alleen het { ken, schijnt niet zeld-
zaam te zijn; ik ving haar te ’s Gravenhage meer dan een-
maal, in November; de Heer SNELLEN van VOLLENHOVEN trof
12*
178
haar ook te Leiden aan, in September en November, en de
Heer Six in September te Driebergen.
18. Mycetophila longicornis.
M. antennis tenuibus, capite thoraceque dimidio longioribus ,
articulis duobus primis luteis ; thorace cano, dorso nigro; ab-
domine fusco, ano rufo, ventre flavido; pedibus pallide flavis ,
tarsorum anticorum articulo primo tibia subaeque longo. d 27 lin.
Kop grijs. Voelertjes geel. Sprieten ruim anderhalf toi
ter lengte van kop en thorax, dun, met duidelijk afgescheiden
geledingen; de beide eersten geel, de volgenden zwartbruin,
grijsdonzig. Thorax lichtgrijs, op den rug met groote zwarte
vlek; de borstzijden en de achterrug hebben een zwarten weer-
schijn; het schildje is donkerbruin. Achterlijf gerekt, zamenge-
drukt, donkerbruin, met eenigzins ruwe beharing van dezelfde
kleur; buik geel, met donkerbruine langslijnen op elken ring;
aan de 3e en 4° ring loopt de geele kleur in de zijden een
weinig naar boven; de 7° ring is vuil geelbruin, de achter-
spits weder donkerbruin. Pooten bleek vuilgeel, de scheenen
jets donkerder, de tarsen donkerbruin; het verbindingspunt
der heupen met de dijen, de spits der achterste dijen en die
van al de scheenen bruin. Het eerste lid der voortarsen is on-
geveer even lang als de scheenen; langs de achterscheenen zijn
fijne doorntjes. Vleugels glasachtig, met donkerbruine aderen
en geelen wortel; de wortels der beide vorkcellen liggen bijna
op gelijke lijn onder elkander, nagenoeg onder de dwarsader.
Slechts eenmaal het $ in het Driebergsche bosch, in Mei,
door den Heer Six gevangen.
19. Mycetophila flaviventris.
M. antennis longitudine thoracis ; thorace fusco, antice flavo ;
abdomine flavo, maculis dorsalibus nigro-fuscis ; ano (in d) ro-
tund ato; pedibus flavis; femorum posticorum apice, calcaribus
179
larsisque obscuris ; tarsorum anticorum articulo primo tibia quarta
parte breviori. d' 14 lin.
(PI. 12. f. 5 en 5a.)
Voorhoofd donkergrijs; aangezigt en voelertjes geel. Sprie-
ten ter lengte van den thorax, van middelmatige dikte; de
eerste leden geel, de volgenden bruinzwart met grijsachtig dons.
Thorax donkerbruin; de uiterste voorrand, de schouders en
een band van daar naar den vleugelwortel, roodachtig geel. Ach-
terlijf cylindrisch, naar achteren een weinig verbreed, helder
roodachtig geel, met eene bruinzwarte eenigzins vierkante ruggevlek
op elken ring, waardoor van boven gezien, geele dwarsbanden
ontstaan; de 6° en 7° ringen zijn geheel bruinzwart; de 8e of
laatste ring is min of meer afgescheiden, rondachtig, geheel
roodachtig geel, met de uiterste spitsen of haakjes zwart. Pooten
roodachtig geel; de spits der achterdijen, en de geheele achtertarsen,
donkerbruin; de sporen zijn van middelmatige grootte; langs
de achterzijde der middenscheenen zijn eenige weinige doorn-
tjes, langs die der achterscheenen in grooter aantal; onder aan
de beide eerste leden der achterste tarsen zijn eenige zeer korte
en fijne borstels. Hei 1° lid der voortarsen is 4 korter dan de
scheenen ; de geheele voortarsen zijn dubbel ter lengte der schee-
nen; de middentarsen zijn ruim 5 langer dan de scheenen; de
achtertarsen + korter dan de scheenen. — De kleine kolfjes geel.
Vleugels bijna glasachtig, aan den wortel en voorrand met geelen
tint; de aderen fijn en bruin; de dwarsader ligt een weinig
vóór de halve vleugellengte; de wortel der kortgesteelde bo-
venste vorkcel ligt een gering eind naar de vleugelspits; de
wortel der onderste vorkcel ligt juist onder de dwarsader , de
steel en de cel zijn ongeveer van gelijke lengte.
Een J te Utrecht door den Heer Six gevangen.
20. Mycetophila signatipes.
M. sordide rufo-testacea ; thoracis dorso , abdomine antice macu-
lis dorsalibus , postice toto, nec non tibiarum calcaribus tarsisque
fuscis; tarsorum anticorum articulo primo tibia subaeque longo,
180
articulo tertio subdilatato , subcurvato , interne breviter ciliato ;
alarum furca inferiori basin versus retracta. 4g 22 lin.
(PI. 12. f. 6 en 6a.)
Kop onder het verheven ruggeschild gedekt; aangeziot en
voelertjes bruingeel. Sprieten ter lengte van den thorax, van
middelmatige dikte, vuil roodgeel, de spitshelft grijsdonzig , de
beide eerste geledingen duidelijk afgescheiden. Thorax bruin-
geel, op den rug wegsmeltend koffijbrum, welke kleur zich
ook vleksgewijze in ’t midden van den achterrug voortzet; in
de borstzijden, inzonderheid boven de achterste heupen , bruine
vlekjes. Vóór op den thorax, in de zijden en rondom het
schildje staan eenige fijne borstelharen. Achterlijf cylindrisch ,
in de zijden een weinig zamengedrukt, vuil roodgeel; de vier
eerste ringen hebben op den rug elk een groote donkerbruine
vlek, die in de zijden spits uitloopt; de volgende ringen zijn
geheel bruin; de laatste roestkleurig. Pooten vuil roodgeel,
de scheenen iets donkerder, de tarsen donkerbruin; de sporen
aan de spits der scheenen van middelmatige grootte en mede
donkerbruin ; de achterste scheenen hebben fijne langsdoorntjes.
Het eerste lid der voortarsen is ongeveer zoo lang als de schee-
nen, de volgende leden nemen langzaam in lengte af; het derde
lid is eenigzins gebogen, wijl het bij de basis en het uiteinde aan
de binnenzijde een weinig is verbreed en met korte borsteltjes
bezet. De geheele lengte der voortarsen is omtrent 24 maal
die der scheenen; de midden en achtertarsen zijn ruim zoo
lang als de scheenen. De kleine kolfjes zijn bleekgeel. Vleu-
gels met duidelijk graauwen tint, die langs den voorrand meer
bruingeel wordt; de aderen bruin, de dwarsader, die de beide
eerste langsaderen verbindt, ligt iets vóór de halve vleugel-
lengte; de wortel der zeer kort gesteelde bovenste vorkcel list
een weinig meer binnenwaarts; die der onderste vorkcel nog
een merkelijk eind digter naar den vleugelwortel; de onderste
arm dezer laatste is duidelijk gebogen.
Slechts eenmaal het { te Driebergen in October door den
Heer Six gevangen.
181
21. Mycetophila nitidiventris.
M. thorace obscure cinereo; abdomine nigro-fusco nitido ,
ano rufo; pedibus flavis, tarsis obscuris; tarsorum anticorum
articulo primo tibia quarta parte breviori, alis cinereo-hyalinis,
basi furcae superioris ultra nervulum transversum, basi furcae
inferioris marginem versus retractis. J 14 lin.
(PMR eenig)
Aangezigt en mond geelachtig. Sprieten ter lengte van kop
en thorax, van middelmatige dikte, de eerste leden geel, de
volgenden donkerbruin met grijsachtig dons. Thorax donker
bruingraauw , in de schouders en aan den vleugelwortel rood-
achtig geel, van boven met eenige borstels. Achterlijfin de zijden
zamengedrukt, glanzig zwartbruin, met fijne platliggende, wit-
achtige beharing; bij sommige exemplaren, die zich overigens
in niets onderscheiden, hebben de 2°, 3° en 4° ringen in de
zijden eene driehoekige, min of meer doorschijnende, roodgeele
vlek; de anus is gewoonlijk roestkleurig. Pooten roodachtig geel; de
tarsen, met uitzondering van den wortel aan het eerste lid der
voortarsen , donkerbruin; de spits der een weinig verbreede
achterdijen en die der achterscheenen meestal een weinig ge-
bruind; de sporen aan het eind der voorste scheenen geelach-
tig, aan de achterscheenen donkerbruin; langs de achterscheenen
staan bovendien fijne doorntjes; de beide eerste leden der ach-
tertarsen zijn van onderen met zeer korte fijne borstels bezet.
Het eerste lid der voortarsen is + korter dan de scheenen, de
volgende leden nemen in lengte af; de geheele voortarsen zijn
dubbel zoo lang als de scheenen, de achterste tarsen iets lan-
ger dan de scheenen. Kolfjes bleekgeel. Vleugels graauwach-
tig, aan de spits dikwijls een weinig verdonkerd, langs den
voorrand met roodachtig geelen tint; de aderen donkerbruin ; de
dwarsader ligt een weinig vóór het midden der vleugellengte ;
de basis der kortgesteelde bovenste vorkcel ligt een weinig
voorbij de dwarsader; de onderste vorkeel is kort met zeer
langen steel.
182
Het d meermalen door mij, bij den Haag, in April en Mei
gevangen, ook te Driebergen in September door den Heer Six
aangetroffen. |
Volgens schrijven van den Heer WINNERTZ is deze soort
stellig onbeschreven, doch zou zij in het Berlijnsch museum
onder den naam van M. praecox aanwezig zijn. Zij is van
de overigens zoo verwante M. lateralis Meig. ten duidelijkste
onderscheiden door een standvastis, hoewel gering verschil in
het aderbeloop der vleugels; bij lateralis ligt de basis der
bovenste vorkcel vóór de dwarsader; bij nitidiventris ligt zij
voorbij de dwarsader. (Vergelijk de beide figuren 7a en 8.)
22. Mycetophila costata.
M. nigro-fusca nitida; antennis, palpis pedibusque flavis;
femorum posticorum apice nigricante; abdomine antice macula
utrinque flava; alarum nervis costalibus paullo validioribus, ad
costam contractis; furca inferiori incompleta. d 15 lin.
(BIS 12609 en) 92)
Kop bruinzwart. Sprieten ongeveer ter lengte van kop en
thorax, van middelmatige dikte, geel, met grijsachtig dons be-
dekt. Voelertjes geelachtig. Thorax glanzig bruinzwart. Ach-
terlijf sterk zamengedrukt, glanzig donkerbruin; de drie eerste
ringen van onderen in de zijden roodachtig geel; de volgenden met
fijne, platliggende, witachtige beharing; anus roestkleurig.
Pooten roodachtig geel; achterste heupen aan den wortel en de spits
der verdikte achterdijen, donkerbruin ; de achterscheenen, vooral
aan de spits, de sporen aan al de scheenenspitsen , benevens
de vier laatste tarsenleden bruinachtig; van achteren’ langs
de achterscheenen 3 of 4 doorntjes; het eerste lid der voor-
tarsen is ongeveer zoo lang als de scheenen en half zoo lang
als de vier volgende leden. Kolfjes geel. Vleugels een weinig
graauwachtig, aan den wortel en ’t begin van den voorrand
met geelen tint; in den omtrek der spits is de graauwe kleur
iets krachtiger; de aderen zijn bruin, die bij den voorrand
een weinig steviger, en de beide eerste langsaderen zijn aldaar
183
digt tot elkander en tot den rand genaderd, waardoor, opper-
vlakkig gezien, de voorrand een weinig verdonkerd schijnt;
de bovenste vorkcel met korten steel; haar voorste arm eindigt
iets onder de vleugelspits; de onderste vorkcel is, door het ont-
breken van een der armen, onvolkomen.
Een Q in October te Driebergen door den Heer Six gevangen.
Deze soort is van de naauw verwante M. nitida Meig. on-
derscheiden door de roodachtig geele zijden aan ’t begin des
achterlijfs en door een eenigzins verschillend aderbeloop der vleu-
gels: bij n.tida namelijk is de steel der (bovenste) vorkcel
nog iets korter, en de beide eerste langsaderen zijn niet zoo
sterk tegen den voorrand gedrukt. Vergelijk de figuren 9a
en 10. j
>
VERKLARING DER AFBEELDINGEN.
6.
To
8.
Pa ataett
Corethra obscuripes v. d. W. 4.
. De beide laatste geledingen van het achterlijf.
Chironomus nigrimanus Staeg. d.
. De beide laatste geledingen van het achterlijf.
Chironomus blandus Winn. d.
. De beide laatste geledingen van het achterlijf.
Chironomus nigriventris v. d. W. 2.
Chironomus ochraceus v. d. W. 2.
(De daarnevens staande figuur stelt een der voeler-
tjes voor.)
Chironomus signatus v. d. W. 8.
Tanypus grisèipennis v. d. W. d.
Tipula livida v. d. W. 3.
8a en 86. De laatste geledingen van het vrouwelijke ach-
Sc.
2a.
terlijf.
Dezelfde deelen bij het mannetje.
Baar 12%
Platyura succincta Meig. d.
Leia stigmatella v. d. W. &.
Haar vleugel.
Leia ferruginea v.d. W. d.
(De met stippels verbonden figuur stelt den kop van
boven voor.)
185
. Haar vleugel.
Mycetophila tenuicornis v. d. W. 4.
. Haar vleugel.
Mycetophila flaviventris v. d. W. d.
. Haar vleugel.
Mycetophila signatipes x. d. W. à.
(De daarnevens staande figuur stelt den voortarsus voor.)
. Haar vleugel. 7
Mycetophila nitidwentris v. d. W. d.
. Haar vleugel.
Vleugel van Myc. laterals Meig.
Mycetophila costata x. d. W. g.
. Haar vleugel.
. Vleugel van Myc. nitida Meig.
Wie EN
i N AL,
10
1-4-2. Randader. 6-7. Middenader.
tL. si 3-4. Onderrandader. 6-8. Vorkader.
da 5. Dwarsader. 9-10. Vertakking .
5-2. Tusschenader. 6-11. Anaalader.
15024 a.de 1° Voorrandcel. ee. .de Middencel.
b.de 2° È f. de Vorkcel.
c. de 1° Cubitaalcel. 88. de Anaalcel.
d. de 2°
1. Chir. annularius Meis. £. pedellus De G. 3.tentans Fabr. 4. nubeculosus Meig.
5. paganus Meig. 6. unicolor ns. 7. dorsalis Meig. B. brevitibialis Zett.
9. blandas Wim. 10. sglvaticus n. s. AL fuscipes Meig. 12. motitator Linn.
I. pedellus De 6. 44. dorsalis Meig. 15. ambiguus n. s.
NU
ERAAN
i
dia
i
ORI eet amily
i
Ko aen
f
Ei
2
= RAN z
SS
EN
7 = es
== === nd y
x Br
em 8 ser
EEE TTT TTT TATA
9
4, 4.
it SEE
L Chir. plumosus Lim. 2. rufipes Lian. 3. scalaenus Schrank.
1 marmoratus ns. 5. dilatatus ns. 6. pedellus De 6.
7 sylvestris Fabr. 8. aterrimus Meis. 9. byssinus Schrank.
10: fuscipes Meig. Il. incomptus Zett.
eee
EE ia e ia
MA NE
Il:
mmm
_Cimbex Betuleti, Kl.
abe
Sle
(hes
Peau
EN
IR
var
PL k.
Nematus ventricosus, Kl. a
Koy
os
fh
Baul
its ‘
Pl. 5.
Ee EN
Nematus s eptentrionalis, L.
+
i
ila
at (AUS
Ru i
Ag
LR.
Phyllodes Kyndhovii, v. Voll.
PI
6
a. Cabera spec ? b. C. rotundaria c.C. confinaria .
1-4 Pap. Machaon, Var.
Ik ophyrus similis, Hart.
AJ.W. seulps
Bl:
8.
at)
S.v.V. fee
Emphytus tibialis, Panz.
PI. 10.
no
6.
SV fee. > AJ.W. sculps
Nematus viminalis, L.
\
AJW. sculps.
he
? Dn
MATOS
Pi. 22
AJW. sculps.
v.d. VF fec
ie
anf
pl
a d
ADITO