7
/ AIAS
4 ALLY
GALE Sf
DANA
L, la "À Pa ag F MAL 4 1
Vd! lg NE A Ve LA) PA 9)
/ dI f
/
N
TEN
EIN
(CONS
|
N
H
x \
k I % Na
N NATIA = NDS
\ \ N SEN
NY N %
Le
\ a N
ER i er UN SA /
\ : N LIM % ER NNT
N d NN REN \ N
= N | N en ENS à \
9 tas NN È N RN à N N
= N \ % NEN A NN
a ES = + " \ RN
N = a Na, &
nice
Ds u
elf
en
or
TUDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE EXTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Mr. W. ALBARDA
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
NEGENTIENDE DEEL
JAARGANG 1875—76
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF |
1876
CU LAS MONA
È
j
IMI
AAA
PINO UD
VAN HET
NEGENTIENDE DEEL.
Verslag van de 30“ Zomervergadering der Nederland-
sche Entomologische Vereeniging, gehouden te
Amsterdam op 24 Julij 1875
Lijst der Leden.
Bibliotheken der Nederlandsche Entomologische v er-
eeniging; bijgekomen boeken van 1 1 September 1874
tot 31 Julij 1875
Entomologische inhoud van ontv angen tijdschrifien.
Verslag van de Buitengewone vergadering der Neder-
landsche n. Vereeniging, gehouden te
Leiden op 18 December 1875 .
Verslag van de 9* Wintervergadering der Nederl.
Entomologische Vereeniging, gehouden te Leiden
op 18 December 1873.
F. J. M. HeyvLAerTs Fils, Les Macrolépidoptères de
Breda et de ses environs, Liste supplémentaire
n°. 6 (Captures de 1875)
C. Ritsema Cz., Tweede aanvulsel tot het geschied-
kundig overzigt van het geslacht Acentropus Curt.
P.C. T. SNELLEN, Dactylota Kinkerella, nieuw genus
en soort der Gelechiden uit Nederland Lux eene
plaat) i
A.W.M. van HAssELT, en van een spin-
nen-cocon (Agelena s. Agroeca brunnea Blackw.)
(met eene plaat)
C. RitsEMA Cz., Bijdrage tot de ‘kennis der Insecten-
fauna van het noordelijkste gedeelte van Sumatra:
Bladz.
XCI
CXIV
P. C. T. SNELLEN, Aanteekening over Oinophila V-
flava Haw., Tinea nigripunctella Haw., Tinea parie-
tariella Bruand en Coryptilum Klugu Zell.
Carpocapsa grossana Haw. Reed
Phthoroblastis juliana Curt.
C. RırsemA Cz., Eene nieuwe Pausside van Congo
(Zuidwestkust van Afrika) .
Idem, Opgave van beschreven Xylocopa- soorten, die
noch als zelfstandige soorten noch als synoniemen
door F. SMITH in zijne eee over dat ge-
slacht zijn opgenomen
S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, De inlandsche
Hemipteren, beschreven en ook meerendeels afge-
beeld, 6% stuk (met 3 platen).
MA, Six, Opmerkingen omtrent zes merkwaardige
inlandsche Pteromalinen en eene Proctotrupide
(met eene plaat) .
Mr. M. C. PIEPERS, Lepidoptera van Batavia (eiland
Java), met aanteekeningen van P. C. T. SNELLEN
(met eene plaat)
Isosoma eximium Gir. var. . SIVE EU TM OU
F. M. van DER WuLp, Opmerkingen betreffende
eenige exotische Diptera.
C. RitsEMA Cz., Acht nieuwe Oost- Indische Nylon
soorten .
P.G.T. SNELLEN, Over OR me Guenée, een genus
der Pyraliden (met 2 platen) .
lets over Otiorhynchus sulcatus L.
S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, Bijvoegsel tot
de Nieuwe Naamlijst van Nederlandsche Vliesvleu-
gelige insecten (Hymenoptera)
Idem, De inlandsche Bladwespen in hare gedaante-
wisseling en levenswijze beschreven, 19% stuk
(met 3 platen)
Bladz.
al
D4
56
355544
VERSLAG
VAN DE
DERTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE AMSTERDAM
op Zaturdag 24 Julij 1875.
Voorzitter : de heer P. C. T. Snellen.
_ Tegenwoordig zijn de heeren Mr. W. Albarda, M. Breu-
kelman, Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, G. M. de Graaf, C. J.
Grube, Generaal Dr. A. W. M: van Hasselt, D. J. R. Jordens,
Mr. A. F. A. Leesberg, J. W. Lodeesen, R. T. Maitland,
M. Nijhoff, Mr. M. G. Piepers, C. Ritsema Cz., R. H. Saltet,
G. A. Six, K. N. Swierstra, Mr. S. C. Snellen van Vollen-
hoven, H. L. Gerth van Wijk en F. M. van der Wulp;
later ook Professor W. Berlin en Dr. A. J. van Rossum.
De vergadering werd voorts nog vereerd door de tegen-
woordigheid van het Eerelid der Vereeniging, Dr. G. F.
Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch Genoot-
schap Natura Artis Magistra, die met de meeste voorkomend-
heid een der lokalen van dat genootschap voor deze bijeen-
komst had opengesteld.
De heeren Mr. J. Herman Albarda en J. van Leeuwen Jr.
hebben kennis gegeven dat zij door ongesteldheid verhinderd
zijn; ook van de heeren Dr. M. C. VerLoren, H. Baron Lewe
van Middelstum, F. J. M. Heylaerts Jr. en Mr. A. Brants is
berigt ontvangen dat zij tot hun leedwezen niet kunnen
tegenwoordig zijn.
1
II VERSLAG.
De Voorzitter opent de vergadering met eene korte
inleiding, waarbij hij herinnert dat de Entomologische Ver-
eeniging op haar dertigjarig bestaan mag terugzien; hij
aarzelt niet, te verklaren dat zij haar doel, de beoefening
der insectenkunde te bevorderen, gedurende al dien tijd
getrouw heeft voor oogen gehouden en dat zij met zelf-
voldoening mag wijzen op het eervolle standpunt, door haar
onder de wetenschappelijke genootschappen van ons vader-
land ingenomen. De Voorzitter heet vervolgens de aanwezige
leden welkom en inzonderheid diegenen hunner, die zich
eerst onlangs aan de Vereeniging hebben aangesloten en
van wie hij verwacht dat zij op het voetspoor der oudere
leden, gaarne het hunne zullen bijdragen om onze kennis
der insecten uit te breiden.
De Voorzitter vraagt of iemand ook aanmerkingen heeft
te maken of inlichtingen verlangt betreffende de notulen
der jongste Zomervergadering en Wintervergadering, zoo
als die in de gedrukte verslagen zijn opgenomen. Wijl
niemand der aanwezigen daarover het woord verlangt,
worden die notulen geacht goedgekeurd te zijn.
De President van het Bestuur, Mr. W. Albarda, brengt
hierop het volgende jaarverslag uit:
«Mijne heeren !
«Onze gekozen Voorzitter voor deze vergadering heeft
haar zoo even geopend met eene toespraak, waarin hij ons
wees op den gewigtigen dag dien wij heden beleven. De
Nederlandsche Entomologische Vereeniging viert heden haren
dertigsten verjaardag. Wanneer gij, Mijne heeren, die hier
onder ons aanzit en U moogt verheugen tot de oprigters
onzer Vereeniging te behooren, op de afgelegde loopbaan
terugziet, dan hebt gij, geloof ik, alle reden om over uw
werk voldaan te zijn, dan kunt gij teregt uitroepen : tandem
fit surculus arbor. De Nederlandsche Entomologische Ver-
eeniging, die nu als een krachtig figuur in de eerste rijen
der Europesche wetenschappelijke genootschappen staat,
VERSLAG. III
zag voor dertig jaren in deze stad het levenslicht. Het
kwam ons daarom gepast voor binnen Amstel’s veste dezen
gedenkdag te vieren en daardoor tevens getuigenis af te
leggen van den hoogen prijs waarop wij steeds de mede-
werking van onze Amsterdamsche leden hebben gesteld.
«Geen enkel verlies van leden heeft de Vereeniging ge-
durende het afgeloopen jaar te betreuren gehad; geen onzer
begunstigers, eereleden, corresponderende leden of gewone
leden is gestorven; niemand heeft zijn lidmaatschap op-
gezegd.
«De ten vorigen jare door U benoemde eere- en corres-
ponderende leden hebben allen met de meeste ingenomenheid
hunne benoeming aanvaard en door toezending van brochures
enz. hunne belangstelling getoond.
«Zeven nieuwe leden zijn tot onze vereeniging toegetre-
den, n. 1. de heeren H. L. Gerth van Wyk, Leeraar aan
de Hoogere Burgerschool te Middelburg, C. J. Grube, J.
van den Honert, R. H. Saltet en K. N. Swierstra te Amster-
dam, H. Uijen te Nijmegen en J. G. Wurfbain te Worth-
Rheden.
«De staat onzer geldmiddelen is als volgt. Op 30 Junij
1875 was in de algemeene kas een saldo van f 313.56,
benevens een pandbrief 4°/, Nationale Hypotheekbank groot
{100. Op datzelfde tijdstip was in de kas van het fonds tot
onderhoud der bibliotheek Hartogh Heys van de Lier aan-
wezig een saldo van f 274.68. Voor het fonds tot uitgave
van het Tijdschrift zijn twee pandbrieven 5°/, Nationale
Hypotheekbank, een groot f 500 en een groot f 100 aan-
wezig, terwijl daarentegen op dat fonds eene schuld drukt
van f 131.843.
«De toestand der insecten-verzameling is in twee opzigten
verbeterd sedert onze laatste algemeene vergadering, in
anderen stationair gebleven. De trouwe zorg van den ama-
nuensis is in allen deele prijzenswaardig en van nieuwe
verliezen door beschimmeling of Anthrenen is geen sprake
meer; Acariden en Psociden worden echter nog wel eens
IV VERSLAG.
aangetroffen. Aan ons medelid Dr. Everts zijn wij grooten
dank verschuldigd voor de bijzondere belangstelling die hij
betoond heeft in de afdeeling der Coleoptera, welke hij eene
algemeene en zeer naauwkeurige revisie heeft doen onder-
gaan, waarbij vele determinatién zijn verbeterd en onder-
scheidene onbezette plaatsen door daarop regt hebbende
kevers zijn ingenomen. Ook de orde der Hymenoptera heeft
in onze collectie vrij grooten aanwas ondervonden. Wat de
overige orden betreft, is de verzameling weinig toegenomen.
De herziening en nieuwe rangschikking der Diptera is om
bijzondere redenen uitgesteld en zal, zoo ik hoop, in het
volgende jaar tot stand komen. Zoo lang dit niet heeft plaats
gehad, is het onroodig onze kas aan te spreken voor het
aanmaken van nieuwe laden.
«Het aantal der bezoeken aan de collectie gebragt is ge-
ring geweest; moet daaruit worden afgeleid dat de belang-
stelling in dit gedeelte onzer bezitting begint te verflaauwen ?
Ik hoop ernstig dat dit niet het geval moge wezen, omdat
naar mijne overtuiging eene standaard-collectie de ware
basis oplevert voor de zekerheid der opgaven omtrent onze
insecten-fauna.
«Omtrent den toestand onzer bibliotheken kan ik het
navolgende melden. Nadat de oorspronkelijke bibliotheek
der Vereeniging (Bibliotheek A) naar de woning van den
Bibliothecaris was overgebragt, waar zij eene bijzonder
drooge standplaats verkregen heeft, is in het lokaal van
den heer Kneppelhout de gansche oplaag van het Tijd-
schrift voor Entomologie, door de Vereeniging van den uit-
gever aangekocht, opgenomen. Spoedig daarop werd tot
het in orde brengen der deelen (verreweg het grootste
gedeelte kwam in ongevouwen vellen tot ons) overgegaan
en nadat dit geschied was, met het verifiören der lijs-
ten, volgens welke de overneming geschied is, begonnen;
aan welk ondankbaar werk de Bibliothecaris veel tijd
heeft moeten besteden. De plaats, die deze oplaag in
de kamer der bibliotheek Hartogh Heys van de Lier
VERSLAG. V
(Bibliotheek B) beslaat, heeft den Bibliothecaris belet aan
zijn voornemen gevolg te geven om de boeken dezer ver-
zameling ruimer uit elkander te zetten, waarmede nu ge-
wacht moet worden tot dat de oplaag van het Tijdschrift
genoeg geslonken zal zijn door verkoop van deelen tegen
den door het Bestuur bepaalden verminderden prijs, van
welke gunstige gelegenheid ter completering der seriën
door enkele Leden reeds gebruik is gemaakt.
«Bibliotheek A ontving geschenken van de heeren W. Al-
barda, A. Fauvel, F. J. M. Heylaerts Jr., R. Mac-Lachlan,
H. Löw, F. Moore, C. Ritsema Cz., J. Ritzema Bos, E. de
Selys-Longchamps, V. Signoret, S. GC. Snellen van Vollen-
hoven en H. Weyenbersh Jr. Op geringe uitzondering na,
zijn al de in ruil tegen het Tijdschrift voor Entomologie
toegezegde werken ingekomen, terwijl er ook weder velen
zijn aangekocht. Met het binden der vervolgwerken is ge-
regeld voortgegaan.
«Het Tijdschrift voor Entomologie wordt met het thans
loopende 18de deel voor het eerst regtstreeks voor rekening
der Vereeniging uitgegeven. Wijl dat deel nog niet in zijn
geheel is verschenen, kan over de geldelijke uitkomst nog
niet worden geoordeeld. Het deel wordt besloten met een
vervolg op de beschrijving der inlandsche Hemiptera van
Mr. Snellen van Vollenhoven en een stuk over Zuid-Ame-
rikaansche Pyralidea van den heer P. C. T. Snellen. De
uitvoering der platen bij dit laatste stuk, naar uitmuntende
teekeningen van den heer Brants, zal misschien eenige
vertraging in de uitgave kunnen veroorzaken.
«Als naar gewoonte, hebben wij ook van het 17de deel
van het Tijdschrift een exemplaar aan Teyler’s stichting
gezonden, met dankbetuiging voor de ons verleende gelde-
lijke hulp.
«Bij circulaire van 21 Mei jl. heeft het Bestuur U in kennis
gesteld met de maatregelen die het heeft gemeend te kunnen
nemen, om den bezitters van incomplete exemplaren van
het Tijdschrift de aanvulling daarvan gemakkelijk te maken.
VI VERSLAG.
Wij hebben dit eerst kunnen doen nadat wij de vrije be-
schikking hadden over het fonds van den heer Nijhoff aan-
gekocht en nadat het overgedragene behoorlijk was geveri-
fieerd.
«In navolging van hetgeen Mr. de Roo van Westmaas
voor eenige jaren heeft gedaan met betrekking tot de acht
eerste deelen van het Tijdschrift, heeft onze ijverige Secre-
taris een Repertorium vervaardigd op deel IXN—XVl Dit
Repertorium zal aan de Leden die zulks verlangen tegen
den prijs van f 0.75 worden afgeleverd.
«De ruil van het Tijdschrift tegen de werken van andere,
meest buitenlandsche genootschappen en geleerden wordt
geregeld voortgezet. Nog kort geleden hebben wij langs
dien weg betrekkingen aangeknoopt met de Koninklijke
Noordsche Academie van wetenschappen te Christiania. In
de wijze van toezending van het Tijdschrift zijn wij echter
genoodzaakt geweest eene verandering te brengen. Ter
bespoediging zal voortaan de verzending per post geschie-
den; wij hopen dat daardoor een einde zal komen aan de
gerezen klagten wegens late ontvangst. Van de hulp van
het Nederlandsch wetenschappelijk Centraal-bureau te Haar-
lem zullen wij derhalve geen gebruik meer maken.
«Zoo als U bekend is, ging van de Nederlandsche Dier-
kundige Vereeniging het denkbeeld uit, om in September
e. k. te Delft den 200jarigen gedenkdag te vieren van de ont-
dekking der microscopische wezens door Antonie van Leeu-
wenhoek. Eene vergadering ter bespreking van dat plan is in
Februarij ll. te Amsterdam gehouden en door twee leden van
ons Bestuur bijgewoond. Ofschoon in beginsel wel met het
plan instemmende, hebben wij evenwel geene vrijheid ge-
vonden om uit de kas der Vereeniging gelden voor dit doel
beschikbaar te stellen. Wij wenschten intusschen wel dat
de Leden individueel de pogingen der feestcommissie zul-
len steunen, en om van onze belangstelling als weten-
schappelijk ligchaam te doen blijken, zal van onzentwege
U straks worden voorgesteld het benoemen eener Com-
VERSLAG. VII
missie, die op het gedenkfeest de Entomologische Vereeni-
ging zal vertegenwoordigen.
«Bij gelegenheid van het derde eeuwfeest der Leidsche
Hoogeschool op 8 Februarij jl. heeft ook onze Vereeniging
eene uitnoodiging van den Gemeenteraad van Leiden ont-
vangen ter bijwoning der officiéle receptie op 7 Februarij.
«Aan Dr. E. Suffrian te Munster, als Entomoloog bij U
allen wel bekend, heeft het Bestuur namens de Vereeni-
ging een brief van gelukwensching geschreven, toen hij
op 1 April jl. het feest zijner 50jarige Staatsdienst vierde.
«Het zal Uwe aandacht niet ontgaan zijn, dat in het begin
dezes jaars veel ophef is gemaakt van eene verzameling
eigenhandige teekeningen van P.Lyonet, in eigendom toe-
behoord hebbende aan ons voormalig medelid, wijlen Prof.
Cl. Mulder. Die collectie zou in het openbaar worden
verkocht. Het heeft destijds bij het Bestuur een punt van
overweging uitgemaakt, of die teekeningen voor de Ver-
eeniging zouden dienen te worden aangekocht; zij waren
aan Mr. Snellen van Vollenhoven en mij bekend, maar
dewijl zij allen in druk zijn uitgegeven en onze Vereeni-
ging die plaatwerken bezit, konden ze alleen als curiosa
waarde hebben en hebben wij daarom gemeend voor den
aankoop er van geene gelden te mogen beschikbaar stellen.
De verzameling is bij den verkoop opgehouden, en toen
later de Rijkscommissie voor het bewaren van oudheden
ons op het bestaan der collectie opmerkzaam maakte,
hebben wij haar schrijven ook in bovengemelden geest
beantwoord. |
«De verslagen der wetenschappelijke vergaderingen in het
afgeloopen jaar gehouden en de stukken in het Tijdschrift
setuigen er van, Mijne heeren, dat onze Vereeniging steeds
werkzaam blijft. Er zijn er onder ons die den druk der
jaren beginnen te gevoelen en wier pen niet meer zoo ge-
makkelijk over het papier glijdt als vroeger, maar er zijn
er ook, die voortdurend met onvermoeiden ijver werkzaam
blijven. Zal echter de Nederlandsche Entomologische Ver-
VIII VERSLAG.
eeniging het standpunt, dat zij zich na dertigjarigen strijd
en arbeid verworven heeft, waardig handhaven, dan moeten
ook de jeugdige krachten onder ons meer op den voorgrond
treden. Het is niet genoeg den Kraton te nemen, Mijne
heeren, wij moeten hem behouden, en daartoe roep ik Uw
aller hulp in.»
Na voorlezing van bovenstaand verslag, brengt de Pen-
ningmeester, de heer Lodeesen, zijne rekening en ver-
antwoording over het jaar 1874/75 ter tafel, en de Voorzitter
verzoekt de heeren Everts en Leesberg zich met het onderzoek
daarvan te willen bezig houden. Deze verklaren zich hiertoe
bereid en nemen onmiddellijk de hun opgedragen taak ter
hand.
De Penningmeester geeft tevens een beknopt overzigt
van zijn beheer en voegt daaraan eenige opmerkingen toe.
Het saldo der algemeene kas, ten vorigen jare f 558.22;
bedragende, is thans ingekrompen tot f 313.56, deels ten
gevolge van eenige vrij belangrijke uitgaven, o. a. het
aanschaffen eener nieuwe boekenkast, uitgaven die niet
ieder jaar terugkeeren. De geldelijke aangelegenheden der
Vereeniging bevinden zich overigens in een’ staat van over-
gang met betrekking tot de uitgave van het Tijdschrift,
vermits in de tegenwoordige rekening nog voorkomt een
post voor de uitgave van deel XVII, aan den heer Nijhoff
betaald, en voor een gedeelte ook reeds de onkosten van
deel XVIII, dat voor ’t eerst regtstreeks voor rekening der
Vereeniging wordt gedrukt.
De Penningmeester legt voorts eene schets over van de
begrooting voor het jaar 1875/76, waarbij de uitgaven worden
geraamd in alles op f 2130, waaronder f 500 aan den heer
Nijhoff te betalen als tweede termijn van de overneming
der oplage van het Tijdschrift tot en met deel XVII en
f 1000 voor de kosten van drukken enz. van den loopenden
jaargang; wordende de uitgaven ten volle gedekt door de
contributiën van Leden en Begunstigers, de subsidiën van
VERSLAG. IX
het Ryk en van Teyler’s genootschap, de opbrengst van
het Tijdschrift enz.
De Voorzitter komt nogmaals terug op hetgeen reeds
hiervoren in het jaarverslag van den President van het
Bestuur omtrent den gedenkdag ter eere van A. van Leeu-
wenhoek is gezegd; hij acht het alleszins gepast, dat de
Entomologische Vereeniging, al is zij voor ’t oogenblik buiten
magte om voor dat doel eenige geldelijke ondersteuning te
schenken, toch hare belangstelling toone door het benoemen
eener Commissie, die haar bij de gedachtenisviering op 8
September e.k. te Delft kan vertegenwoordigen, en als leden
dier Commissie draagt hij namens het Bestuur voor de
heeren Mr. W. Albarda, Dr. A. W. M. van Hasselt en Mr.
M. ’s Gravesande Guicherit.
Deze keuze wordt door de vergadering goedgekeurd, doch
de heer van Hasselt maakt bezwaar om deel van de Com-
missie uit te maken, wijl het niet geheel zeker is of zijne
ambtsbezigheden hem zullen veroorloven op 8 September
te Delft tegenwoordig te zijn. Dientengevolge wordt in zijne
plaats door de vergadering bij meerderheid van stemmen
als derde lid der Commissie benoemd de heer Dr. E. J. G.
Everts, die zoowel als Mr. W. Albarda zich bereid verklaart
aan de Commissie deel te nemen. Aan den heer ’s Gravesande
Guicherit, niet ter vergadering tegenwoordig, zal door
den Secretaris mededeeling van zijne benoeming worden
gedaan.
De heeren Everts en Leesberg zijn inmiddels gereed
gekomen met het opnemen der rekening en verantwoording
en verklaren dat zij deze in volkomen orde hebben bevonden.
De Voorzitter dankt hen voor de daaraan bestede zorg en
brengt tevens welverdiende hulde aan den Penningmeester
voor de orde en naauwkeurigheid van zijn beheer.
Ter benoeming van twee leden, die met den President
van het Bestuur de redactie van het Tijdschrift zullen uit-
maken, worden door den Voorzitter, namens het Bestuur,
de beide volgende dubbeltallen voorgedragen :
X VERSLAG.
eerste dubbeltal: De heeren Mr. S. C. Snellen van Vollen-
hoven en P. C. T. Snellen.
tweede » De heeren F. M. van der Wulp en Jhr.
Dr: Ed. J. Gi Everts.
En worden daaruit bij meerderheid van stemmen gekozen
de heeren Snellen van Vollenhoven en van der Wulp, die
beiden zich bereid verklaren om de taak, hun op nieuw
door de vergadering opgedragen, te blijven voortzetten.
Als plaats voor de volgende Zomervergadering, in 1876,
wordt, met bijna algemeene stemmen, Middelburg aange-
wezen, en tot Voorzitter van die vergadering gekozen de
President van het Bestuur, Mr. W. Albarda, die zich deze
keuze laat welgevallen.
Op de daartoe strekkende vraag des Voorzitters blijkt,
dat verder niemand der aanwezigen iets heeft in ’t midden
te brengen, en derhalve de huishoudelijke werkzaamheden
als afgeloopen kunnen worden beschouwd.
Na eenige oogenblikken pause wordt overgegaan tot de
wetenschappelijke mededeelingen.
De heer van Hasselt houdt eene voordragt met expo-
sitie van daartoe behoorende voorwerpen en teekeningen,
over den bijzonder fraai gevormden, gesteelden fleschvor-
migen cocon van Agelena (Agroeca) brunnea Blackwall, door
ons medelid, den heer Heylaerts reeds voor verscheidene
jaren bij ons te lande, in Noordbrabant aangetroffen en
door Spreker later bij herhaling gezocht en verzameld.
sedert ontving hij daarvan uit Utrecht insgelijks eenige
belangrijke specimina van den heer Ritsema en, passim,
ook van enkele anderen onzer medeleden mede uit laatst-
genoemde provincie.
Dit merkwaardige eijernestje heeft eene geheele geschie-
denis, over welke Spreker voor een der volgende nummers
van ons Tijdschrift eene kleine verhandeling, waarschijnlijk
vergezeld van eene plaat, in bewerking heeft.
Mede door de goede zorgen van ons ijverig medelid uit
VERSLAG XI
Breda, den heer Heylaerts, ontving de heer van Hasselt,
dit jaar, eene kleine bezending Afrikaansche spinnen, in
1874 in den Staat Liberia verzameld door onzen landgenoot
Modderman, die zich aldaar, geheel belangeloos en alleen
ter wille van de wetenschap, met entomologische nasporingen
bezig houdt.
Uit de familie der Epeiroidae werden daarbij aangetroffen
enkele exemplaren van Epeira rhodosternon Doleschall, van
Epeira (Nephila) inaurata Walck., en een van Gasteracantha
Walckenaeri Luc., welke laatste soort hem schijnt overeen
te komen met de G. curvispina van Guérin, maar vooral
ook een groot en schoon geteekend exemplaar eener hem
onbekende Nephila-soort, — even als de vorigen allen
feminae, die ter bezigtiging worden gesteld. De laatstge-
noemde is een der grootste Nephilae, welke hij ooit te
zien kreeg. De ligchaamslengte is ruim 5 centimeters en
met de pooten ruim 13. Het abdomen (gravidum) meet
zoo in hoogte als breedte nagenoeg 2 centimeters. Cephalo-
thorax en palpen zijn geheel koolzwart , het eerste glimmend;
de thorax afgeplat circulair met fijn gekartelden (gecrene-
leerden) rand; de twee groote regtopstaande tubercula
zijn meer dan gewoon naar voren geplaatst. Het sternum
fraai geel met een’ zwarten dwarsbalk in het midden. Het
abdomen geel met een breeden, bruinen, goud glinste-
renden voorband; ter weerszijden van den rug en de zijden
drie desgelijks (goudbruin) gekleurde driehoekige vlekken,
die in het midden op den rug op omstreeks een centimeter
afstand met hare toppen van elkaâr verwijderd blijven;
op den buik drie bruine dwarsbalken in vorm en grootte
onderling eenigszins verschillende. De pooten sterk, doch
gewoon, geheel zwart met uitzondering der femora, die
allen rondom in het midden een gelen band hebben.
De familie der Mygalides of Theraphosordae werd slechts
door ééne soort vertegenwoordigd, doch in een paartje van
cen’ Spreker tot hiertoe nog niet voorgekomen Teratodes ,
die hem in vele opzigten schijnt overeen te komen met
XII VERSLAG.
T. depressus C. Koch. Hij laat ook deze spin ter bezigti-
ging rondgaan, vooral de opmerkzaamheid vestigende op
den vorm der buitengemeen lange palpen, zijnde die bijna
even lang als thorax en abdomen te zamen.
Overigens vond hij in dit fleschje geene belangrijke spe-
cimina, alleen is nog aan te teekenen, dat Ocypete (Olios)
leucosius Walck. in Liberia zeer menigvuldig voorkomt,
daar deze de meerderheid der collectie uitmaakte.
Voor onze inlandsche Fauna heeft Spreker eene fonkel-
nieuwe spinsoort te vermelden, te weten een’ zoogenaamden
mieren-Altus. Even als er mieren bestaan, met den opper-
vlakkigen, uitwendigen spinvorm, zoo worden er enkele
spinnen aangetroffen met den mier-habitus.
Ons steeds even opmerkzaam medelid Ritsema was ge-
lukkig genoeg, in Mei dezes jaars, een mannelijk exemplaar
magtig te worden, dat hierbij ter bezigtiging rondgaat.
R. vond het in Noordbrabant, te Hoogerheide bij Bergen-
op-Zoom onder een’ steen bij een weiland. Het is, zoo
als hij te regt vermoedde, de echte Salticus formicarius van
de Geer, door C. Koch beschreven en afgebeeld onder
den naam van Pyrophorus semirufus. ’tIs over het geheel
genomen een uiterst zeldzaam diertje, voor Noord- en
Midden-Europa althans, terwijl het in 't zuiden menigvul-
diger schijnt voor te komen. Thorell en Westring hebben
het zelven in Zweden nimmer gevonden, von Nordmann
wel, in Finland. Westring kent het slechts uit de be-
schrijvingen van de Geer en Sundevall, die daar te lande,
zoowel ¢ als 9, «sub lapide», hebben gevangen, doch
«rarius» in Gothland en Upland. C. Koch heeft het slechts
eens aangetroffen bij Neurenberg; het was ook een 3, en
insgelijks weder «an einem Steine». Blackwall kent het,
voor Engeland, persoonlijk niet, doch zegt, op autoriteit
van Leach, dat het in Schotland wordt aangetroffen. In
Oostenrijk vond von Kempelen daarvan enkele indivi-
duen. Simon en Walckenaer noemen het als in Frankrijk
te huis behoorende, doch meer bepaald in het zuiden van
cs VERSLAG. XIII
dat land. De eerste zegt, in zijne Famille des Attides, dat
het in noordelijk Frankrijk tot de rariora behoort en neemt
het dan ook op onder zijne «species invisae». Walckenaer
beschreef deze spin onder den naam van Altus formicoides.
Simon verwerpt den geslachtsnaam Pyrophorus van C. Koch,
omdat die benaming reeds vroeger aan een Coleopteren-
genus was toegelegd. Hij beschrijft onze spin als Pyroderes
formicarius, zoodat men hier weder een nieuw bewijs ziet
van de liefhebberij om namen (of naam?) te maken.
Spreker vestigt de aandacht op den zonderlingen vorm
der mandibula van deze spin. Zij zijn sterk ontwik-
keld, even als de unci, regt voorwaarts, horizontaal uit-
gestrekt, en niet bol als gewoonlijk, maar afgeplat. Met
menigvuldige tandjes voorzien, zijn zij van boven fijn ge-
korreld (gerieselt) en van eene schoone, donkergroene
metaalkleur.
Nog valt te vermelden, dat onder de Aftides, deze spin
niet de eenige is met den mierenvorm, maar dat, behalve
enkele vormen van de exotische Toxeus en Janus, die ook
op Formicae of Myrmicae gelijken, er nog een tweede « Sal-
ticus formicarius » in de Arachnologie beschreven staat. Onder
dien naam door C. Koch afgebeeld, hebben Lucas en op het
voetspoor van dezen, Simon dezen «tweeden» mieren-Affus
Altus formicaeformis genoemd, terwijl Thorell aan dit genus
den naam van Leptorchestes heeft gegeven.
Het valt niet te ontkennen, dat deze tweede « Salticus
formicarius» (aan Spreker in natura nog onbekend) zoo in
vorm en teekening als in grootte, vele punten van over-
eenkomst aanbiedt met de vorige, thans ook bij ons te
lande gevonden soort. Nogtans wijkt zij er in anatomisch
opzigt sterk van af, daar zij, — zoo als Koch duidelijk
beschrijft en Simon dit duidelijk teekent, — geene « hori-
zontaal» geplaatste kaken en kaakhaken bezit, maar deze
gewoon en perpendiculair of verticaal zijn aangezet. Daar-
enboven vertoont zij om het abdomen een’ witten ring,
tusschen het bruin en het zwart,
XIV VERSLAG.
Voor het overige schijnt ook deze Attus-soort op onze
breedte zeldzaam te zijn. Wel zegt C. Koch, de beschrijver
er van, dat hij er meerdere» exemplaren van heeft gehad,
maar noemt het vaderland «unbekannt». Behalve dit vond
Spreker er slechts van opgeteekend, dat Menge, bij Danzig,
er één vrouwelijk exemplaar van heeft gevonden. Alleen
zegt Simon, ex cathedra, dat deze spin voorkomt in « Alle-
magne, France, Pologne». Mogelijk is hij gelukkiger geweest
dan anderen, althans den door hem genoemden Salticus
formicaeformis plaatst hij niet, als de vorige, onder zijne
«species invisae ».
Ten slotte laat de heer van Hasselt, meer bij wijze van
curiositeit, een fleschje met alcohol rondgaan, waarin tal
van exemplaren van naar schatting 25 tot 30 verschillende
vliegensoorten , naar zijne meening in zooverre niet geheel
onbelangrijk, daar zij door hem allen, in een goed uur
tijds, in zijnen tuin in de oudstad van ’s Gravenhage, op
een en hetzelfde heestertje, een z. g. sneeuwbal (Viburnum
opulus) zijn gevangen, op een’ bijzonder warmen, zonnigen
dag, in het midden van Julij '). Op de bladen daarvan
wemelde het letterlijk, behalve van mieren, bijen, wespen,
van groote en kleine Diptera, die met de vorigen om strijd
derwaarts gelokt schenen te worden, doordien deze heester
buitengewoon sterk met bladluizen bezet was.
Spreker vraagt of uit deze bijzonder voordeelige vangst
voor heeren dipterologen misschien een wenk ware te ont-
leenen, om, namelijk, op hunne beurt het z. g. smeren»
der lepidopterologen na te volgen en in toepassing te brengen,
niet tegen den avond, maar op den dag. Zijns inziens zou
dit het meest eenvoudig kunnen geschieden door eenige
heesters te begieten met regenwater, door honig aan-
gezoet. |
1) Opmerkelijk was het, dat onder deze vliegen zieh een exemplaar bevond van
Laphria marginata L. en een van Roeselia antigua Meig., beiden bij ons hoogst
zeldzame soorten:
VERSLAG. XV
De heer Piepers draagt eenige hoogst belangrijke aan-
teekeningen voor, door hem gedurende zijn verblijf in
Oost-Indié gemaakt en betreffende aldaar voorkomende in-
secten, vooral Lepidoptera. Deze aanteekeningen, in een’
zeer behagelijken vorm ingekleed, worden hier in haar
geheel wedergegeven :
«Toen ik, vele jaren geleden, onze inlandsche dagvlinders
in Arnhem’s omstreken rusteloos vervolgde, trof het reeds
mijne aandacht dat verscheidene der grootste en schoonste
soorten zich bij voorkeur in de nabijheid van helder stroo-
mend water ophielden. De beekjes op het landgoed Marién-
daal b. v. stonden in dien zin bij mij zeer gunstig aange-
schreven, daar had ik zooveel fraais reeds gevonden dat
ik als een jager, die zijn jagtveld kent, steeds weder mijne
schreden daarheen rigtte, wel verzekerd vroeg of laat er
weder de eene of andere goede vangst te zullen doen.
« Toen ik nu een tiental jaren later in Insulinde wederom
het kapellennet in handen nam, trof het mij ook daar het-
zelfde weder te vinden; alleen, zooals men dat in de tropische
gewesten spoedig gewoon wordt, op veel grooter schaal dan
in de gematigde streken het geval is. Daar, waar in Insu-
linde de heldere bergbeek schuimend en bruisend over
de rotsblokken stroomt, daar vooral, waar de rivier onder
watervallen of ten gevolge van andere terreinsomstandig-
heden kommen vormt van het zuiverste, snelvlietendste
water, daar is het eigenlijk vaderland der groote dagvlinders;
daar kan men verzekerd zijn, wanneer geen zonneschijn
ontbreekt, zich steeds omringd te zien door eene menigte
vormen van die zonnekinderen, wier aantal en kleurenpracht
den Noordschen vlinderjager verbaasd doen rondzien. Ver-
baasd, zeg ik, doch ook zoo hij hart en oog voor natuur-
schoon bezit, opgetogen, want nergens doet zich de tropische
natuur schitterender voor, dan daar waar tusschen het
halfduister van het juist door die vochtig heete temperatuur
in ongeloofelijk weelderige vegetatie prijkend tropisch oer-
woud, de bergrivier, fel door de sterke zon beschenen ın
XVI VERSLAG.
ijlende vaart naar beneden snelt, als eene breede, glanzende
zilveren streep de donkere tinten van de oevers doorbrekende,
bij elk in den weg liggend rotsblok in bruisend schuim
opspattende en duizenden, door de zon tot schitterende
edelgesteenten geslepen en met regenbogen versierde water-
druppels naar alle kanten heenwerpende, terwijl daarover
en daartusschen in volle harmonie met dat leven, dien
glans en die kleurenpracht, de rijkversierde vliegende
bloemen, die wij vlinders noemen, heen en weder schieten.
«Waarom nu vindt men deze vlinders juist bij voorkeur
op zulke plaatsen? Het is wel, omdat zij, — hoewel tevens
den brandendsten zonneschijn bij voorkeur zoekende, ja
dien zelfs zoo noodig schijnende te hebben, dat zij als de
zon slechts even achter wolken bedekt wordt, zoo spoedig
mogelijk zich nederzetten, en zoo de zon niet schijnt,
sommigen zelfs als zij niet zeer krachtig schijnt, den
ganschen dag hunne schuilplaatsen niet verlaten, — echter
eene groote mate van vochtigheid van noode hebben, als
ik het zoo mag uitdrukken van eene zeer dorstige natuur
zijn. Ik heb daarvan eenige treffende voorbeelden gezien,
waarvan een zelfs, naar ik meen, nog nimmer is waarge-
nomen en oppervlakkig geheel in strijd schijnt te zijn met
het denkbeeld dat men zich van de levenswijze der dag-
vlinders gewoon is te maken.
«Ook in Nederland kan men nu en dan enkele dagvlin-
ders zich op vochtig door de zon beschenen zand zien
nederzetten en het vocht uit den grond opzuigen. Maar
wanneer men in Insulinde op den warmsten tijd van den
dag een uit zand of grint bestaanden oever van een berg-
riviertje of een dergelijk bed van een schier uitgedroogd
bergbeekje betreedt, jaagt men bijna met elken tred dag-
vlinders, vooral Papilioniden en Pieriden op, die daar met
toegeklapte vleugels bijna onzigtbaar, met blijkbaar genot
zich aan den vochtigen grond zaten te laven; ziet men
zich soms plotseling omfladderd door zwermen zulke vlin-
ders, die voor de voeten oprijzen. Eens was ik in Z. W.
VERSLAG. XVII
Celebes op reis, toen bij het overtrekken van een nagenoeg
uitgedroogd beekje mijn reisgezel plotseling uitriep: «O zie
eens wat een prachtige bloem!» en op zijne aanwijzing
zag ik midden in de bedding der beek tusschen het nog
vochtige grint eene prachtige oranjegele bloem met wit
hart, ongeveer een decimeter in doorsnede groot. Het
vreemde van het geval deed mij nader treden om het
meer van nabij te beschouwen, en wat zag ik? — de
bloem bestond uit twee concentrische ringen van vlin-
ders (Callidryas Scylla L.), die, met de aan de onderzijde
geel en oranje gekleurde vleugels toegeklapt, bezig waren
het vochtige zand uit te zuigen en aldus op hoogst bedrie-
gelijke wijze bloembladen voorstellende, een vijftal zich op
dezelfde wijze gedragende vlinders eener andere witte
Pieriden-soort omsloten, welke alzoo het witte hart der
bloem schenen uit te maken. Ik herinner mij nog de
verbazing van mijn’ reisgenoot toen bij mijn naderen
de geheele bloem als een zwerm vlinders uiteenvloog.
«Eene dergelijke prachtige bloem, waarin benevens eenige
geel en wit gekleurde Pieriden, een tal van de roode Pieris
Zarinda de bloembladen vormde, zag ik later op eene andere
plaats in Z. W. Celebes, op een dier bovenbedoelde plekken,
door vlinders, vooral Papilioniden en Pieriden, bij voor-
keur bemind, even boven den schoonen, door Wallace be-
schreven waterval van Maros. En daar zag ik toen tevens,
wat ik vroeger of later nimmer gezien en waarvan ik ook
nog nooit gehoord of gelezen heb, daar zag ik een vlinder
zich baden.
«Terwijl ik aan den oever der rivier stond, die daar
voor hare intrede in de rotsspleet, waaruit zij als waterval
bruisend en donderend te voorschijn treedt, eene schijn-
baar stille, zeer heldere bron vormt, kwam een exem-
plaar van Papilio Helenus L. over het water aanvliegen. Laag
vliegende, zoo als deze soort gewoon is, was zij mij tot
op korten afstand genaderd, toen ik haar plotseling de
vleugels half zag toeklappen en regt naar beneden onder-
2
XVIII VERSLAG.
duiken, zoodat het geheele ligchaam en ongeveer een
derde der schuin opwaarts gerigte vleugels onder water
kwamen, en daarna zich weder uit het water verheffen en
hare vlugt voortzetten. Sterker bewijs van de behoefte aan
vocht bij een overigens z00 weinig voor aanraking met
water geschikt schijnend insect kan men wel niet verlangen.
«Gelijk sommige planten in Indié de droogste, door de
brandende zonnestralen verschroeide plaatsen verkiezen,
ziet men ook sommige dagvlinders zich op zulke plekken
bij voorkeur ophouden, en, zoo als b. v. Junonia Orithya L.,
zich daar, blijkbaar zonder behoefte aan lafenis, met ge-
noegen op het brandend heete zand nederzetten; gelijk
weder andere planten de zeer vochtige, donker bescha-
duwde plaatsen in het bosch verkiezen, waar geen zonne-
straal kan doordringen, houden ook daar bij voorkeur
sommige Satyriden en andere meest donker gekleurde dag-
vlinders verblijf; gelijk eindelijk de prachtigste, stoutste
tropische vegetatie zich daar ontwikkelt waar sterke zonne-
hitte met zeer groote vochtigheid gepaard gaat, ziet men
er ook de grootste en schitterendste dagvlinders bij voor-
keur zich op zulke plaatsen ophouden en blijkbaar aan den
sterksten zonneschijn en tevens aan veel vocht behoefte
hebben. Dit verdient vooral daarom opmerking, omdat
bij deze laatste dagvlinders, niet zoo als bij andere insecten-
orden het geval is, voor die eigenaardigheid in gewoonten
en verblijf, in de voeding van het volmaakt insect of in
de zorg voor zijne nakomelingschap de reden is aan te
wijzen, zoodat het wel schijnt alsof de aard der rupsen,
welke op de in die warme en vochtige plaatsen groeijende
planten leven en op welke het eigenaardige van dat voedsel
wel niet zonder invloed zal blijven, ook in het volmaakt
insect behouden blijft, ofschoon toch voor dit geen nut
meer medebrengend.
«Bij dienzelfden waterval van Maros was ik nog getuige
van eene andere handeling van dagvlinders, die ik mede
der vermelding waard acht. Het is namelijk bekend dat,
VERSLAG. | XIX
even als bij de meeste dieren, ook de mannelijke vlinders
elkander uit minnenijd bevechten, doch voor het overige
staan deze insecten, voor zoover ik weet, als zeer ver-
draagzame, volstrekt niet strijdlustige schepselen te bock.
En zoo verbaasde het mij zeer toen ik daar het volgende
waarnam. Om en op de bloemen van een bloeijenden struik
vlogen verscheidene dagvlinders (Preeis Iphita L. en eenige
Pieriden), toen daar een in vergelijking met hen reusach-
tige vlinder, Papilio Remus Cr., kwam aanvliegen, ver-
moedelijk om ook zijn deel van den maaltijd te nemen.
Of het nu was dat de anderen op een dischgenoot van in
hun oog zeker reusachtigen eetlust niet gesteld waren of niet,
zeker is het, dat ik hen Papilio Remus zag aanvallen, ver-
jagen en nog een eind ver vervolgen, totdat zij zeker
waren dat hij voor goed de vlugt genomen had, waarop
zij naar hunne bloemen terugkeerden. Hunne wijze van
handelen was daarbij volkomen dezelfde op welke ik dik-
wijls zwaluwen en andere kleine vogels roofvogels, die zich
in de nabijheid hunner nesten vertoond hadden, heb zien
verjagen en vervolgen, door namelijk boven den grooten
vijand te vliegen en dan plotseling op hem neder te vallen
of te stooten , totdat hij de herhaalde snelle aanvallen, — tegen
welken zijne grootte en daaruit voortvloeijende mindere
vlugheid hem beletten zich te verdedigen, — moede , genood-
zaakt werd zijn heil in de vlugt te zoeken, waarop zijne
kleine vijanden niet nalieten hem nog een eind te vervol-
gen. Het bragt mij ook te binnen van dergelijke uit vol-
komen denzelfden broodnijd ontstane aanvallen van Kolibris
op Amerikaansche Sphinxen gelezen te hebben, doch in
casu waren de aanvallers en overwinnaars niet met scherpe
puntige bekken gewapende vogels, maar schijnbaar vrij
weerlooze vlinders.
«Is het dan al misschien in de insectenwereld «tout comme
chez nous» en zijn welligt velen van die lieve, vlugge,
prachtig gekleede, schijnbaar zoo zachtmoedige en weer-
looze schepseltjes in hunne naaste omgeving ware katjes,
XX VERSLAG.
het valt niet te ontkennen, dat deze zeer beredeneerde
handeling bij de vlinders meer nadenken doet vermoeden
dan gewoonlijk wordt verondersteld. Dat het hun aan her-
inneringsvermogen ook niet ontbreekt meen ik uit het
volgende feit te mogen afleiden. In de open voorgalerij der
societeit de Harmonie te Mangkasar zag ik op zekeren avond
een daar zeer gewonen dagvlinder, Precis Iphita L. Het
diertje bleef, niettegenstaande de vrij sterke verlichting,
den ganschen avond rustig op dezelfde plaats tegen de
zoldering zitten. Den volgenden dag op de societeit komende
zag ik het niet, maar des avonds zat het weder rustig op
dezelfde plaats. En daar nu de beschaving te Mangkasar
nog niet zoo zeer is doorgedrongen, dat men het daar
noodzakelijk acht elk onschuldig diertje dat zich in of nabij
menschelijke woningen waagt, onmeédoogend te dooden of
te verjagen, had ik het genoegen gedurende zes dagen het
geheugen der Precis Iphita te bewonderen. Des daags was
zij niet te vinden; zij was dan vermoedelijk voor zaken
uit; maar elken avond, zes avonden achtereen, vond ik haar
trouw op dezelfde slaapplaats terug. Toen is zi) vermoe-
delijk omgekomen; ten minste na dien tijd is zij daar niet
weder verschenen.
«Of alle vlinders zoo geregeld dezelfde slaapplaatsen op-
zoeken, weet ik niet; omtrent de slaapplaatsen der kleineren,
zoowel van de Lycaeniden als van de Micro's, heb ik
echter nog het volgende waargenomen. Komt men met het
aanbreken van den dag in een Indisch bosch, terwijl het
gras en de laag groeijende kruiden nog geheel nat zijn van
den nachtelijken dauw, dan ziet men overal aan de toppen
dier planten Microlepidoptera zitten. Zoodra de zonnestralen
beginnen te werken, wat in Indië spoedig plaats vindt,
en de planten opdroogen, dalen de vlindertjes langzaam
langs de stengels naar beneden om zich in het mos en
tusschen wortels te verschuilen en daar in stilte en duisternis
hunnen dagslaap te houden. Een uur na zonsopgang ziet
men er geen enkel meer. De Lycaeniden, die daarentegen
VERSLAG. XXI
dagvlinders zijn, doen op dien tijd juist het omgekeerde,
Zoodra de zon zich goed begint te doen gevoelen, kruipen
zij langzaam langs de stengels der lage planten naar boven
en eerst nadat zij op de toppen zich een’ tijd lang in de
warme zonnestralen hebben gekoesterd, vliegen zij uit. De
invloed der zonnewarmte op het uitvliegen der dagvlinders
blijkt ook uit het feit, dat men in Nederland zelfs ge-
durende de langste zomerdagen vóór 8 ure in den morgen
weinig dagvlinders ziet vliegen en sommigen die groote
hitte beminnen, zoo als b.v. de Lycaeniden, eerst eenigen
tijd later voor den dag komen, terwijl in Indië een goed uur
na zonsopgang de vlinderwereld reeds in volle beweging is.
«Toen Linnaeus zijne rangschikking der dieren maakte,
vormde hij onder de Lepidoptera ook eene klasse der Sche-
meringvlinders of Crepuscularia. Daargelaten nu dat men
later voor die rangschikking andere en juistere kenmerken
heeft gebezigd, is het toeh ook spoedig gebleken dat de
zoogenaamde schemervlinders inderdaad echte nachtvlinders
zijn, die geenszins alleen in de morgen- en avondscheme-
ring, maar gedurende den ganschen nacht rondvliegen. In
Indië vindt men evenwel toch echte schemervlinders, die
intusschen geenszins tot de geslachten Sphinx enz. be-
hooren, welke Linnaeus als zoodanig beschouwde, maar
tot de groote groep der Rhopalocera. Naauwelijks begint de
zon ten ondergang te neigen of overal, zoowel op Java als
in Z. W. Celebes, ziet men in menigte de daar zoo ge-
wone Cyllo Leda L., Amathusia Phidippus L. en Casyapa
Thrax L. rondvliegen en in laatstgenoemd gewest ook Debis
Europa F., doch nimmer zag ik deze soorten ’s nachts in
den maneschijn ronddolen of als zoo talrijke echte nacht-
vlinders de verlichte woningen binnenkomen, terwijl zij
des daags even als deze stil zitten te rusten en opgejaagd
slechts een klein eind wegvliegen om terstond zich weder
neder te zetten. De meest gewone dezer vlinders, Cyllo
Leda L., heb ik mede in menigte in de morgenschemering
zien vliegen; met Debis Europa F. was dit ook eens het
XXII VERSLAG.
geval. Overigens vermoed ik, op grond der volkomen met
de vermelde overeenkomende wijze waarop zij des daags
handelen, dat ook verschillende Micalesis-soorten en ook
Elymnias Lais Cr. op Java tot deze schemeringvlinders moeten
worden gerekend.
«Voor zoover mij bekend is zijn wel vele Lepidoptera in
den larvenvorm als zeer schadelijk bekend, doch worden
de volmaakte insecten algemeen voor onschadelijk gehouden.
Ik acht mij derhalve ter wille der waarheid verpligt, even
als boven ten opzigte hunner zachtzinnigheid, ook op dit
punt hunne reputatie aan te randen. In Z. W. Celebes is
een klein wit vlindertje, eene nog niet beschreven soort
van Scirpophaga, een der landplagen. In ontelbare menigte
vliegen deze diertjes des avonds de verlichte woningen
binnen, zetten zich op alles en dus ook op de bewoners
neder en waar zij de naakte huid aanraken laten zij eene
ondragelijke jeukte achter. Bovendien verontreinigen zij
overal de witte muren der vertrekken, op welken zij in
menigte hunne met een geel dons bedekte eijeren vasthechten.
«Ik stap nu van de vlinders af om tot de rupsen over
te gaan. Over het algemeen heeft het mij steeds verwon-
derd, in Indië, waar toch zoo groote verscheidenheid van
vlinders wordt gevonden, zoo weinig rupsen aan te treffen.
Ik meen dit op grond van eenige waarnemingen daaraan
te moeten toeschrijven dat vermoedelijk een groot deel der
Indische rupsen , gelijk dit ook sommigen in de gematigde
streken doen, de hitte of het licht van den dag in de aarde
ontwijken en alleen des nachts de planten, welke hun tot
voedsel dienen, bezoeken. Bovendien schijnen, gelijk dit
ook met de tropische planten in tegenstelling met die der
gematigde streken het geval is, slechts weinigen gezellig
te leven. Ten minste, behalve van Bombyx Waringi Teysm.,
van welke soort ik eens op een jongen waringinboom (Ficus
Benjaminea L.) eene menigte rupsen bijeen aantrof, vond
ik nimmer een groot aantal rupsen te zamen.
« Bij de rupsen, die ik kon waarnemen , trof ik ook het mede
VERSLAG. XXIII
in Europa waargenomen belangrijke feit aan, dat sommige
soorten de plantensoorten, die haar vroeger tot voedsel strek-
ten, schijnen te verlaten, om bij voorkeur op van elders inge-
voerde planten te gaan leven. Gelijk in Nederland de rups
van Acherontia Atropos L. thans bij voorkeur, zoo al niet
uitsluitend op de uit Amerika overgebragte aardappelplant
schijnt te leven, vindt men zoowel te Batavia als in Z. W.
Celebes de zeer gewone rups van den daar niet minder ge-
wonen vlinder Papilio Agamemnon L. steeds op de bladeren van
den uit West-Indié ingevoerden Zuurzak (Anona muricata L.).
Zoo trof ik ook te Batavia de rupsen van Euploea Midamus L.
zoowel op eene inlandsche plant als op den als sierplant uit
Europa overgebragten Oleander aan en waren te Mangkasar
de rupsen van Cyllo Leda L. op het in mijnen tuin als paar-
denvoeder gekweekte, uit Zuid-Amerika overgeplante zoo-
genaamde Pampagras niet zeldzaam.
«Ook bij de Indische rupsen bemerkte ik de zonderlinge,
welligt ten deele als mimicry verklaarbare, maar toch nog
steeds merkwaardige verschillen en overeenkomsten, welke de
rupsen onderling vertoonen, zoodat soms, schijnbaar zonder
eenigen regel, die van verwante vlinders ook onderling zeer
overeenkomen, terwijl een andermaal uiterst op elkander
gelijkende vlinders, als b. v. de Europesche Acronycta
tridens en A. Psi, in hunne rupsen steeds een groot ver-
schil vertoonen en daarentegen andere zeer weinig tot
elkander naderende vlinders larven bezitten, die onderling
de grootste gelijkenis aanbieden. Van de zeer verwante
Papilio Memnon L. en Polytes L. vertoonen de rupsen, tenzij
welligt eenigszins in grootte en in de keus van het voed-
sel, geen verschil; het kleine naakte pijlstaartrupsje van
de zoo even genoemde Bombyx Waringi Teysm. gelijkt vol-
komen de miniatuur-uitgave eener Sphinz-rups; de larven
van de zeer ver van elkander staande Amathusia Phidippus
L. en Lasiocampa Vishnou Guér., hoewel eene zeer eigen-
aardige gedaante bezittende, verschillen weder bijna alleen
in kleur en voedsel.
XXIV VERSLAG.
«Bij deze laatste rups (Lasiocampa Vishnow Guér.) zag ik
mede eenmaal iets dat mij anders nimmer is voorgekomen.
Midden over de gansche lengte van den rug vertoonen
sommige exemplaren (want de kleur en teekening dezer
rups varieert sterk) eene fraaije teekening, die zich voor-
doet als eene uit witte en gele vloszijde geborduurde streep,
terwijl zich ook verder langs de beide zijden der rups eene
menigte witte en gele haren bevinden. Kort nu vóór de
verpopping zag ik deze witte en gele kleur in paars ver-
anderen en dat niet alleen wat de vermelde streep betreft,
maar ook wat de haren langs de zijden aangaat. Deze allen
veranderden in paarse haren en wel zonder dat eene ver-
velling hiervan de oorzaak was.
«Nog vreemder vertooning gaven mij de haren der rups
van Miresa nitens Walk., door Horsfield onder den naam
van Setora nitens afgebeeld. Toen ik deze zeer schoone rups
vond, was zij geheel met zoogenaamde doornen bezet; ik
telde er 8 groote en 24 kleine. Na eenige dagen vervelde
zij zonder dat dit eenige verandering in haar uiterlijk scheen
te weeg te brengen. Weder na eenige dagen vervelde zij
nogmaals; en nu zag ik al de doornen in haarbosjes ver-
anderd, van welke sommigen stijve borstels, anderen meer
penseelen geleken. Drie dagen later vereenigden zich de
haren dezer borstels weder zoodanig dat zij als voor de
vervelling puntige doornen schenen te vormen; doch nog-
maals drie dagen later gingen de haren weder van elkander
en kwam de vorige gedaante van borstels en penseelen
terug. En nu kwam de doornvorm wel niet meer terug
doch veranderden dezelfde haarbosjes toch dagelijks van
gedaante, zoodat zij den eenen dag borstels, den anderen
penseelen geleken. En dit duurde zoo tot de verpopping
der rups voort.
«Gedurende mijn verblijf in Indié heb ik mij meer uit-
sluitend met de Lepidoptera bezig gehouden; over insecten
van andere orden kan ik dus weinig mededeelen. Alleen
kan ik de wel is waar geenszins nieuwe opmerking niet
VERSLAG. XXV
weêrhouden dat het uiterst in het oog valt hoe veel krachtiger
het insectenleven zich in de tropische gewesten openbaart
bij vergelijking met de gematigde streken. De zoo lastige
tenaciteit der vliegen, welke, hoevele malen verjaagd,
toch steeds terugkomen, is elken bewoner van Indië be-
kend; dat bijna geene bewaarplaats voor tallooze mieren
ongenaakbaar is, weet iedere huismoeder. Eens was ge-
durende den nacht mijn zakuurwerk blijven stilstaan; toen
ik het bij den horlogemaker had gebragt, haalde deze van
tusschen de raderen eene kleine mier, die van de naauwe
opening, dienende om de veer der savonet-sluiting speel-
ruimte te geven, had gebruik gemaakt om het horloge
binnen te dringen, ten einde zich aan de fijne olie waar-
mede het eigenlijke uurwerk ingesmeerd was, te goed te doen.
Nagenoeg elken avond vinden bij elke lamp honderden kleine
insecten uit allerlei orden den dood, en vliegen talrijke soorten
van Coleoptera, wier naaste verwanten in de gematigde
streken ook wel vleugels bezitten maar deze niet of slechts
hoogst zelden gebruiken, te gelijk met eene onschadelijke,
doeh door de dames zeer gevreesde en ook werkelijk even
als Sphinx Convolvuli door hare onbesuisdheid hoogst lastige
Gryllotalpa, de verlichte woningen binnen; en wien hebben
in Indië niet zwermen plotseling binnen- of uitvliegende
termieten, of erger nog, kwalijkriekende Orthoptera of on-
dragelijke jeukte veroorzakende Lepidoptera zijnen avond-
maaltijd verstoord ? wien heeft kakkerlak of termiet, in linnen-
kast of bibliotheek doorgedrongen, niet den socialistischen
wensch doen uiten, toch maar liever geen eigendom meer
te bezitten? wie vooral onder hen, die niet steeds in de
beter ingerigte woningen der groote steden verblijf hielden,
herinnert zich niet onvergetelijke Indische nachten, waarin
dichters en verliefden aan maneschijn en stargeflonker hun
hart in de ruimste mate hadden kunnen ophalen, maar
vermoeide menschen, die slaap van noode hadden, door bloed-
gierige muskieten, kriebelende mieren of andere insecten,
als door ware kwelduivels werden geplaagd? Een enkel nach-
XX VI VERSLAG.
telijk voorval, hetwelk tevens eene kleine bijdrage tot de
nog onbekende levensgeschiedenis van eene Indische insec-
tensoort bevat, moge ik ten slotte nog verhalen.
«Op zekeren nacht terwijl ik in mijne woning te Batavia
in een met eene muskietengordijn, naar ik meende, goed
omsloten ledikant lag te slapen, werd ik door eenig geraas
gewekt. Goed wakker geworden zijnde hoorde ik een ge-
gons alsof mijne kamer in een grooten bijenkorf was
veranderd. Mijn nachtlicht was uitgegaan, blijkbaar door de
insecten, die ik in mijne kamer hoorde, uitgevlogen;
doch bij het door het venster naar binnen dringend licht
eener gaslantaarn zag ik de buitenzijde mijner witte mus-
kietengordijn bezet met insecten, die mij toeschenen eene
soort wespen te zijn. Men begrijpt dat ik weinig lust ge-
voelde mijne schuilplaats te verlaten , doch spoedig bemerkte
ik met schrik dat mijne muskietengordijn niet zoo goed
gesloten was als ik gedacht had en dat reeds enkelen der
gevreesde dieren zich binnen mijn ledikant toegang hadden
weten te verschaffen. Een stout besluit was nu het eenige
redmiddel; plotseling rukte ik de gordijn open, greep mijne
hoofdkussens en wierp die zoo naar buiten dat ik daarop
springende, de deur der kamer kon bereiken zonder
gevaar te loopen met de bloote voeten op de vermoedelijk
den grond bedekkende wespen te treden; en snelde zoo
uit de kamer. Daarop riep ik mijne bedienden en gelastte
hun licht te brengen. Zoodra deze de dieren zagen, ver-
klaarden zij dat zij niet staken en grepen ze onbeschroomd
aan. Hierdoor gerustgesteld ging ik nu ook de kamer weder
binnen en zag toen dat zij vervuld was met insecten, die,
even als de volwassen termieten, uit eene door hen tusschen
de steenen bevloering gemaakte opening in menigte te voor-
schijn waren gekomen. Blijkbaar was het eene op de wijze
der termieten in onvolmaakten toestand in den grond wonende
insectensoort, waarvan de gevleugelde volwassen exemplaren
thans uitvlogen, en zich daarbij wat de geschiktheid van
tijd en plaats betreft weinig om den boven hen huizenden
VERSLAG XX VII
heer der schepping bekommerden. Het duurde ongeveer
13 uur eer zij allen uitgevlogen en naar een met dat doel
buiten de kamer geplaatst licht toegevlogen waren, zoo-
dat ik mijne gestoorde nachtrust kon hervatten. On-
geveer een jaar later herhaalde zich in dezelfde kamer eene
selijke vertooning. Het insect door mij naar Nederland
opgezonden en aan het Leidsch museum geschonken, is door
ons medelid Ritsema gedetermineerd als Dorylus Klugi Hag.»
De heer Everts laat een exemplaar zien van Rhipiphorus
paradoxus, door den heer van den Honert te Soest gevangen,
en wijst op de groote zeldzaamheid van deze soort, welke
in de nesten van Vespa vulgaris onder den grond leeft.
De heer Gerth van Wijk spreekt in de eerste plaats
over Pollyxenus lagurus L., die volgens Bennet en Olivier
in Nederland voorkomt. Op hun gezag werd die soort ook
als inlandsch opgegeven door Maitland (Nederl. Myriapoda
in Herklots’ Bowwst. II. 284) en door Snellen van Vollenhoven
(Gelede dieren van Nederland, 1.25), doch zonder dat zij door
hen of anderen gevonden was. Spreker vond dit dier op
Walcheren onder boomschors op drie verschillende plaatsen,
ver genoeg van elkander verwijderd en talrijk genoeg om
zeker te zijn dat de soort in geheel Walcheren verspreid is.
De tijden waarop de vangst plaats had zijn October en
November 1874 en Februarij 1875.
Verder laat dezelfde Spreker eenige zeldzame kevers zien,
door hem op Walcheren gevonden, en wel een paartje van
Chlaenius vestitus Schrank, nabij de Oranjezon, een dito van
Anchomenus oblongus F., aan het strand te Vrouwenpolder,
een Cillenum laterale Curt., aan het strand te Koudekerke
gevonden, en voorts nog eene ongedetermineerde soort van
Pogonus, die nieuw voor de Fauna schijnt te zijn, alsmede
een exemplaar van Copris lunarıs L., in koemest aangetroffen.
De heer G. A. Six geeft eene vergelijking tusschen de
insecten-Fauna van den Utrechtschen heigrond, zoo als die
XXVIII VERSLAG,
in een tal van jaren door hem in de omstreken van Drie-
bergen was waargenomen, en die van den duingrond bij
den Haag, in de drie laatst verloopen jaren gedurende zijn
verblijf aldaar door hem opgemerkt. Vroeger bij gelegenheid.
eener kleine excursie in de Wassenaarsche duinen, waren
hem al dadelijk eenige kenmerkende soorten onzer duinen
in het oog gevallen, welke op onzen heigrond onbekend
zijn, waaronder eene vrij groote vlieg met donker gekleurde
vleugels, Limnia marginata F., eene kleine zwarte, met witte
vlek op de elyters geteekende tor, Sibynes phaleratus Stev.,
toen alleen door vom Bruck als inlandsch bekend, maar welke
met het sleepnet veel te vangen is, de zoo in het oog loopende
Cleniopus sulphureus L., Agelastica halensis L., de prachtige
rood en zwart gekleurde Pyrrhocoris apterus L. en de niet
minder schoone eveneens gekleurde Zygaena Filipendulae L.
Deze opvallende vormen deden duidelijk zien dat de zand-
grond onzer heiden en duinen eene van elkander verschil-
lende insecten-Fauna herbergt, hetgeen ten deele ook door
het onderscheid der Flora wordt veroorzaakt. Een later en
naauwkeuriger onderzoek bevestigde dit, ook ten aanzien
van minder algemeene of weinig in het oog vallende insecten,
zoo als kan blijken uit de volgende opgaaf van de voor-
naamste der door Spreker waargenomen vormen.
Onder de Goleopters kwamen hem in het Sticht nooit
voor Corymbiles bipustulatus L., de fraaïje verscheidenheid
van Campylus linearis-L. met zwarte vleugeldekken (meso-
melas), de vrij groote, zwarte met een wit kruis op de
elyters geteekende Geutorhynchus crucifer Oliv., de zijde-
achtig zwarte Xyletinus laticollis Dftsch. Daarentegen worden
de fraaije Cardiophorus ruficollis L. en de stekelige Hispa
atra L. op de duinen gemist, terwijl zij bij Driebergen niet
zeldzaam zijn. Brachonyx indigena Hrbst., in de Stichtsche
dennenbosschen veel aan te treffen, vond hij ook eens in
April onder eene groep dennen bij den Haag. Cryphalus
binodulus Ratz., door hem op de duinen gevonden, zal mis-
schien wel elders voorkomen, maar door zijne kleinheid
VERSLAG. XXIX
onopgemerkt gebleven zijn. Ceulorhynchus picitarsis Gyll.,
tot dusver alleen door hem achter Zorgvliet gevangen, kan
daarentegen mogelijk wel een duininsect zijn, terwijl Apion
Malvae F., voor het eerst door hem bij den Haag gevonden,
op andere plaatsen waar zijne voedingsplant voorkomt kan
aangetroffen worden.
De tot nu toe uitgegeven lijsten van Hemipters kunnen
aangevuld worden met de volgende slanke Capsus-soorten :
Capsus Paykuli Fall., wegens de met zwarte vlekjes getee-
kende membraan der elyters door Herrich-Schäffer eigen-
aardiger maculipennis genoemd, die in aantal op Ononis repens
voorkomt; Cyllocoris errans Wolff, met doorschijnende bruin-
geaderde vleugeldekken, veel op bloemen van Heracleum
bij Waalsdorp; de bruine Caps. Caricis Fall. (H. Sch. f. 184),
waarvan het 2 met rooden kop door Herrich-Schäffer f. 338 als
C. rufifrons is afgebeeld. Dit 2, bij ons nog niet gevonden,
heeft de vleugeldekken geheel lederachtig en komt in vorm
veel overeen met het ¢ van de door Spreker zoowel bij
Driebergen als op de duinen gevonden Microphysa coleo-
ptrata Fall., hoewel deze drie malen kleiner is !); het g van
den geheel zwarten Capsus mutabilis Fall., die tusschen gras
onder boomen langs onze binnenduinen soms in groot aantal
voorkomt, heeft ook breede dekschilden zonder vliezigen
rand, even als bij het 9 van C. pallidus H. Sch., die zoo-
wel in onze heiden als op de duinen voorkomt. Microlophus
nubilus H. Sch (Panz. 139. 7), vroeger door hem bij Utrecht
tusschen gras gevonden, is nu ook in Junij in de Scheve-
ningsche boschjes aangetroffen; deze lichtgroene soort is
kenbaar door een zwart streepje aan weerszijden van den
kop en een zwarten ring om het eerste sprietenlid. Am-
blytylus albidus Hahn en Berytus elegans Curt., welke reeds
als duinvormen uit onze lijsten bekend waren, zijn ook
1) Het g van de verwante Microph. pselaphoides Westw. met volkomen ontwik-
kelde elyters (H. Sch. 974), vroeger door Spreker bij Driebergen gevangen, vond hij
nu ook in Augustus in de Scheveningsche boschjes op den grond. Vergel. Tijdschr.
voor Ent. X. p. 90.
XXX VERSLAG.
door hem bij den Haag gevonden, vooral de laatste fraaije
gele soort met bruingeringde pooten, die soms in menigte
bij elkander op drooge zonnige duinplekken voorkomt. Ook
Serenthia laeta Fall., een kleine slanke vorm van Tingide,
bij welke de paarlkleurige met een fijn netwerk van cellen
versierde elyters zoo aangenaam afsteken tegen den zwarten
kop en thorax, en waarvan de schoone afbeelding van Herrich-
Schäffer f. 388 Spreker’s bewondering zoo dikwijls opwekte,
werd door hem in onnoemelijk aantal overal op de duinen ge-
vonden; wel een bewijs dat dit merkwaardig diertje op de
Utrechtsche heiden niet voorkomt, dewijl het anders zijn
sleepnet niet zou ontgaan zijn. Hier kan. ook vermeld wor-
den dat Aneurus laevis F., verwant aan Aradus, en die een
paar jaren geleden, toen de heer Snellen van Vollenhoven
zijne afbeeldingen van inlandsche Hemipters uitgaf; slechts
uit Gelderland bekend was, nu ook door den heer Lees-
berg in de omstreken van den Haag onder boomschors is
gevonden. Zoo is ook Coreomelas scarabaeoides L., tot nog
toe slechts uit den omtrek van Driebergen bekend, nu ook
door Spreker op de Haagsche duinen gevangen. Daaren-
tegen schijnt Sciocoris umbrinus Wolff, niet zeldzaam in de
duinen, op heigrond te ontbreken. Het insect, door den
heer Snellen van Vollenhoven in zijne monographie van
inlandsche Wantzen onder den naam van Coreus difficilis Voll.
afgebeeid en hetwelk later gebleken is Squalidus Gost. te zijn,
werd ook eens door Spreker op de Scheveningsche duinen
gevonden, terwijl de voor onze Fauna nieuwe Pachymerus
luscus F. (Hahn f. 30) in October tegen het Schevening-
sche badhuis werd gevangen.
Aangaande voor onze Fauna nieuwe soorten van Cica-
dinen wil hij alleen opmerkzaam maken op een zwarten
Delphax met gele pooten en eene gele vlek op kop en pro-
thorax en op den zwart verlakten Jassus fenestratus H.S., die
eenige doorschijnende vlekjes op de elyters heeft en waar-
van de eerste achter het groote Hoefijzer, de andere op de
Meerdervoortsche duinen door hem werden ontmoet. Psylla
VERSLAG. XXXI
Alaterni Först. (Hartigan Flor), op Hippophaë levend, moet
ook als duinvorm beschouwd worden, terwijl daarentegen
Ulopa obtecta Fall., zoo gemeen op heigrond, op de duinen
niet voorkomt.
Het belang, dat Spreker steeds in onze Dipters stelde,
deed hem ook onderzoekingen omtrent onze duinsoorten
niet verzuimen. Zoo vond hij den fraaijen en vrij grooten, ook
bij Driebergen voorkomenden Ceratopogon ferrugineus Meig.
en C. venustus Meig. met zwart borststuk en wit abdomen,
de zwarte met zilveren schubjes versierde Lasioptera Rubi
Scop. ook bij den Haag terug, terwijl Limnobia flavipes F. en
nigropunctata Schumm., alsmede de met een langen snuit
voorziene Asindulum flavum Winn., welke hij niet bij Utrecht
vond, nu ook door hem even als vroeger door den heer van der
Wulp in de Scheveningsche boschjes werden aangetroffen.
Van de fluweelzwarte Aspistes berolinensis Meig., uit de
lijsten reeds als een duinvorm bekend, maar door hem te
vergeefs in het Sticht gezocht, vond hij niet alleen dik-
wijls voorwerpen achter Zorgvliet, maar merkte ook op,
dat sommige exemplaren 8, anderen 12 leden aan de sprieten
hadden, zonder te kunnen beslissen of dit een sexueel dan
wel specifiek onderscheid is. Meigen toch geeft 8, Schiner
12 leden als kenmerk voor dit genus op.
Van het geslacht Plesiastina, waarvan de heer van der Wulp
reeds eene soort (Annulata Meig.) als inlandsch had opgege-
ven, vond Spreker nu ook eene tweede soort, Apicalis Winn. ,
in Junij in de Scheveningsche boschjes. Eene kleine gele
Cecidomvide , Colpodia pallidula v. d. W., vroeger in het XIIde
deel van het Tijdschrift opgegeven als te Driebergen gevan-
gen, werd nu ook door hem bij den Haag teruggevonden.
Pachygaster Leachii Curt. ving hij met P.ater Panz. in de
Scheveningsche boschjes; misschien is de eerste, die hij te
Driebergen niet aantrof, slechts eene varieteit van ater, zon-
der zwart aan den vleugelwortel, Van Leptogaster cylindricus
de G., geene zeldzaamheid bij Driebergen, werd door hem
ook een voorwerp bij den Haag gevangen, en Hexatoma pel-
XXXII VERSLAG.
lucens F. (bimaculata F.), eene Tabanide, uit de naamlijst
slechts uit Gelderland en Utrecht bekend, werd nu ook door
hem in Mei achter Zorgvliet waargenomen.
Phyllodromia albiseta Zett. (vocatoria Meig. III, t.23, f. 15)
door hem slechts eens bij Driebergen gevangen, trof hij
veel in duinboschjes aan, terwijl daarentegen Ph. melano-
cephala F. te Driebergen zeer gemeen is. Tachydromia pec-
toralis Fall., door hem nooit bij Utrecht gevonden, ving
hij in Julij en Augustus bi den Haag; bij deze soort is
op te merken dat de borst van onder zwart is, hetgeen
Meigen en Schiner niet opgeven.
Phthiria pulicaria Mikan, eene kleine grauwe Bombylide
met langen snuit, is alleen op kalen zonnigen duingrond te
vinden, hetgeen ook het geval is met Anthrax afra F., vroeger
zonderling genoeg in ons land niet opgemerkt, maar ten
vorigen jare voor ’t eerst door Dr. Piaget te Westkapelle
en dezen zomer door den heer v. d. Wulp en Spreker op
de Scheveningsche duinen gevonden. De schoone, even als
een Bombus geel en zwart behaarde Mallota fuciformis F.
zag Spreker eens in April op bloeijende Prunus bij Scheve-
ningen maar nooit in het Sticht.
Het Syrphiden-geslacht Pelecocera, in twee soorten niet zel-
den te Driebergen op bloeijende Erica gevonden, werd noch
door Spreker noch door anderen op onze duinen aangetroffen
en blijkt dus een heivorm te zijn. Cheilosia praecox Zett.,
door Spreker in April op bloeijende duinwilg bij den Haag
gevangen, schijnt ook later te vliegen, dewijl hij haar ook
aldaar in Junij en aan de Bilt in Augustus vond. Van Physoce-
phala vittata F. werd een enkel exemplaar door hem in de
Scheveningsche boschjes gevangen. Deze schoone Conopside
schijnt ook eene duinsoort te zijn, dewijl zij vroeger wel
eens te Katwijk, maar nimmer in Utrecht of Gelderland
werd ontmoet. Dit zal ook wel van Ocypiera pusilla Meig.
gezegd kunnen worden, dewijl deze kleine soort door hem
wel in Julij op bloeijende Daucus bij Scheveningen werd
gevangen, maar nooit door hem op heigrond is gezien,
VERSLAG. XXXIII
alwaar zij schijnt vervangen te worden door de grootere
O. brassicaria F., welke hij eens in October bij Driebergen
op Scabiosa succisa aantrof. Als plaatsvervanger van de te
Driebergen niet zeldzame Gymnosoma rotundata ving hij het
d van Cistogaster globosa F. voor het eerst in ons land in
Julij op Daucus-bloemen bij Scheveningen. Limnia rufifrons
F., Minettia fasciata Fall. en M. notata Fall. schijnen ook duin-
soorten te zijn, dewijl zij door Spreker niet in het Sticht,
maar door hem en anderen bij den Haag zijn waargenomen.
De schoone gele Oxyphora miliaria Schrank met bruingevlekte
vleugels, door Spreker eens bij Utrecht gevangen, zag hij
ook in Junij in de Meerdervoortsche duinen op eiken zitten.
Eene van zijne belangrijkste vondsten is zeker die van
Orellia Wiedemanni Meig., welke met bruine dwarsbanden
op de vleugels versierde Trypetine hij het eerst in zijn’ tuin
te ’s Gravenhage in Juli} op bloeiende Bryonia ontdekte, in
welker vrucht de larve leeft. De met eene bruine ster op den
vleugeltop geteekende Tephritis stellata Fuessl., zoowel als
Chyliza vittata Meig. en Hecamede glaucella Stenh., in de
duinstreken vrij gemeen, maar door hem in het Sticht
nooit opgemerkt, zijn waarschijnlijk ook duinsoorten.
De zonderling gevormde zwarte Discomyza incurva Fall.,
bij Driebergen niet zeldzaam, werd ook door hem bij den
Haag teruggevonden, en van Discomyza marginella Fall., geheel
nieuw voor onze Fauna, wier vleugelrand en dwarsaderen
zwart omzoomd zijn en die overal in Europa zeer zeldzaam
schijnt, vond Spreker eenige voorwerpen op vochtigen be-
schaduwden duingrond; bij onze exemplaren zijn de sprieten
zwart en niet bruin zoo als de schrijvers opgeven.
De op de vleugels zoo fraai geteekende Philygria punctato-
nervosa Fall. is ook zeker eene kenmerkende soort onzer
duinen, dewijl zij aldaar zoo gemeen is. Dit is niet minder
het geval met de bevallige Asteia concinna Meig., die overal
in onze duinen in menigte wordt gevonden, terwijl zij in het
Sticht door de niet minder aardig gekleurde A. amoena Meig.
wordt vervangen, die daar evenwel veel zeldzamer is.
3
XXXIV VERSLAG.
De kleine kortvleugelige Geomyza sabulosa Fall., vroeger
door Spreker meermalen bij Driebergen op den grond ge-
vonden, werd door hem ook nu en dan bij den Haag aan-
getroffen, terwijl de bijna even kleine Agromyza flava Meig.
door hem als eene nieuwe inlandsche soort niet zelden bij
Scheveningen waargenomen werd.
Eindelijk schijnen Phora florea F. en Gymnophora arcuata
Meig. meer duinsoorten te zijn, dewijl zij door Spreker
en anderen wel in de duinstreken maar volgens de uit-
gegeven lijsten nog niet elders zijn gevonden.
Spreker zal niet de hoogere familiën van Hymenopters
behandelen, omdat de heer Snellen van Vollenhoven weinige
jaren geleden daarvan uitmuntende lijsten heeft uitgegeven,
maar wil slechts eenige zeldzame of voor onze Fauna nieuwe
soorten opgeven, die hij zelf bij den Haag heeft gevonden
en die door den heer Snellen van Vollenhoven zijn gede-
termineerd.
Ichneumon digrammus Grav. 3 en lanius Grav. 4.
Cryptus titillator L. d en 9 en spiralis Fourcr. 8.
Aptesis brachypterus Grav. (abbreviator Panz.) 2.
Pezomachus comes Först., Corruptor Först., nigritus Först.,
en instabilis Först.
Eclytus fontinalis Holmgr.
Lissonota commixta Holmer. 4.
Microgaster fulvicornis Wesm. (mediator Hal.) 4.
Agathis breviseta N. a. Es.; Bracon parvulus Wesm.
Alysia flavipes Hal.; galatea Hal.; rufidens N. a. Es.
Trachyusa aurora Hal. |
Coelinius niger N. a. E. en gracilis Gurt.
Dacnusa gilvipes Hal. 3 en cincta Hal. &.
Of deze soorten meer of min uitsluitend tot onze duin-
Fauna behooren dan of zij later ook in onze oostelijke
provincién zullen worden aangetroffen, zal de tijd moeten
leeren.
De voor onze Fauna nieuwe Chrysis succincta L., met
afwisselend groen en gloeijend purper gekleurd, alles met
VERSLAG. XXXV
een schitterenden metaalglans overtogen, vond Spreker in
Julij op bloeijende Daucus; zij schijnt in onze duinen den
niet minder prachtigen Hedychrum lucidulum F. onzer heide-
velden te vervangen.
Omtrent de kleine Pteromaliden en Proctotrupiden zou
sedert de verschijning der naauwkeurige naamlijst, die de heer
Snellen van Vollenhoven daarvan in 1873 in het Tijdschrift
uitgaf, zooveel nieuws kunnen gezegd worden dat Spreker
zich zal bepalen tot het vermelden der voornaamste voor
onze Fauna nieuwe soorten, die hij in de Scheveningsche
duinen aantrof.
Deze kleine, groene, blaauwe, purperen diertjes, die steeds
met een metaalgloed zijn bedekt en wier vleugels vaak met
allerlei vlekjes, banden en teekeningen zijn versierd, kunnen
als zij behoorlijk vergroot zijn, gerust als de Kolibris onder
de Hymenopters aangezien worden. Hun aantal is ontelbaar
groot, zoo wel in individus als in soorten, hunne kleuren-
pracht in het oneindige afwisselend en hunne bewerktuiging
dikwijls zeer zonderling en bewonderenswaardig.
Van de vele soorten van Eupelmus onzer duinen, wil Spreker
alleen E. atropurpureus Dalm. noemen, wiens smalle, half
vliezige, half staalharde vleugels eer springveeren kunnen
genoemd worden en ook als zoodanig aan deze diertjes
eene springende beweging doen maken. Voorts wil hij ver-
melden Chiloneurus elegans Dalm. met een bosje zwarte
haren op het gele schildje en met bruin gevlekte vleugels;
Dinocarsis hemipterus Dalm. en Ectroma rufescens Dalm., wier
bijna eveneens beschilderde vleugels op pl. 10, f. j. k. van
het X” deel van ons Tijdschrift zijn afgebeeld. Deze twee
laatste soorten heeft hij even als vroeger bij Driebergen
op heigrond en nu ook bij den Haag op met Erica begroeide
plekjes langs den binnenrand onzer duinen, maar meestal
ongevleugeld gevonden. Verder Habrolepis nubilipennis Walk.,
die zoo klein is dat zij in het sleepnet niet opgemerkt
zou worden indien de zwart gevlekte vleugeltjes haar
niet verrieden, bij Driebergen op eikenbladen; de even
XXXVI VERSLAG.
kleine, gele, kortvleugelige Aglyplus aeneiventris Hal. steeds
op dorre, zonnige duintoppen; en Ericydnus paludatus Hal.
met smalle bruine vleugels, die niet zelden is te vinden.
Encyrtus dendripennis Ratz. onder den naam van Eupelmus
pictipennis op pl. 10 van deel X van ons Tijdschrift afge-
beeld volgens een Utrechtsch voorwerp, vond Spreker nu
ook in Julij op eiken bij Scheveningen. De vrij groote
Cleonymus maculipennis Curt. t.194, met twee bruine dwars-
vlekken op de vleugels, vroeger door hem bij Driebergen
gevangen, vond hij nu op duingrond bij Hillegom terug.
Van Copidosoma Ratz. (Gercobelus Walk.), waarvan de sprie-
ten bij het ¢ zeer lang en glad zijn, ving hij eene waar-
schijnlijk nieuwe soort, verwant aan Boucheanum Ratz.,
wier achterlijf aan weerszijden met drie lange haren bezet
is. Euplectrus bicolor Swed., met twee lange doornen aan
de achterscheenen en behaarde sprieten, is niet zeldzaam
bij den Haag. De kleine maar veel op eikenbladen voor-
komende Eulophus bifasciatus N. a. Es. is, wegens zijne
goudgroene kleur en de met twee fijne dwarsbandjes
versierde vleugels een der bevalligste inlandsche insecten ;
de leden van zijne zwarte sprieten zijn breed en het laatste
daarvan is spits, waardoor zij veel gelijken op die van
Rhaphidotelus. Nog verdient vermelding de ongevleugelde
Micromelus pyrrhogaster Hal., met rood achterlijf; het 4 van
de metaalgroene Colas dispar Curt. (Br. Ent. pl. 166), met
zeer breeden kop; Pteromalus discoideus N.a. Es., gebronsd
zwart met groote bruine vlek op het midden der vleugels,
waarvan drie exemplaren in Augustus gevangen werden;
de varieteit van Pier. cyniphis N. v. Es., met twee ringen
en de spits van de overigens witte schaft der sprieten
zwart. Elasmus Först. (Aneura N. a. Es.) scutellaris N. a. Es.,
wegens den geheelen vorm en de platte achterdijen veel op
eene Phora gelijkend, heeft lange, smalle, bruingevlekte
vleugels, wier stigma de vleugelspits zeer nadert, en een
vliezig spits schildje. De zeer kleine zwarte, zonderling
ineengedrongen en veel op een kleinen Coleopter gelij-
VERSLAG. XXXVII
kende Choria inepta Dalm., vond Spreker in menigte op
duingrond, maar in ongevleugelden staat; slechts twee met
bruine lederachtige vleugels voorziene voorwerpen, welke
hij in haar gezelschap aantrof, meende hij als de gevleu-
gelde individuen dezer soort te kunnen beschouwen.
Omtrent de Proctotrupiden leverden de onderzoekingen
en waarnemingen van Spreker niet minder belangrijke uit-
komsten, hoewel daaraan vele moeijelijkheden gepaard
gingen, dewijl Försten, die hier voornamelijk gevolgd moet
worden, wel de geslachtskenmerken aangeeft en soms ook
de typische soorten opnoemt, maar deze niet beschrijft,
zoodat daarvan een tal monographieën in allerlei, vooral
Engelsche tijdschriften verspreid, moeten nagezien worden,
waarin de heer Snellen van Vollenhoven Spreker zooveel
mogelijk behulpzaam is geweest. Daarom volgen hier alleen
die soorten van welker determinatie genoegzame zekerheid
is verkregen en die sedert de uitgaaf der naamlijst als nieuw
voor onze Fauna door Spreker op Haagschen duingrond zijn
gevonden, zoo als de zwart en geel gevlekte Gonatopus
nigriventris N. a. Es., de geheel gele G. Spectrum Voll.,
beiden ongevleugeld, en de gevleugelde Chelogynus infectus
Hal.; Perisemus cephalotes Först.; Goniotus elaripennis Först.
en Epyris niger Westw., beide laatsten voor onze Fauna
nieuwe geslachten; Calliceras bispinosa N. a. Es., Megaspilus
halteratus Boh. (brevipennis N. a. Es. volgens Thoms.), M.
punctipes Thoms., M. borealis Thoms.; Lygocerus stigma N.
a. Es., ook een nieuw geslacht (het d dezer soort heeft
de leden der sprieten uitgerand en behaard even als bij
Eurytoma), Proctotrupes ater N. a. Es., Teleas clavicornis
Latr. & enz.; het g van Platygaster attenuatus Hal, dat
wegens het verlengde achterlijf veel op een Sactogaster ge-
lijkt en Sactogaster curvicauda Först., tot een nieuw geslacht
behoorend, waarbij de breed zamengedrukte basis en het
spits uitloopend en omgebogen einde van het achterlijf zeer
in het oog vallende kenmerken zijn; Diapria nigra N. a. Es.,
Loxotropa tritoma Thoms. Verder nog soorten van twee voor
XXXVIII VERSLAG.
onze Fauna nieuwe geslachten, /diotypa Först. en Psilomna
Först. Van het eerste: Id. rufa Six, roestkleurig, de 5 laatste
leden der sprieten (de knods) zwart , kop, thorax, basis en
spits van het achterlijf donkerbruin, pooten licht roest-
kleurig; van het tweede: Ps. elegans Voll., zwartachtig met
roestkleurige sprieten, pooten en achterlijfswortel. Van den
schoonen gelen Ismarus dorsiger Curt., met zwarte vlek
op den thorax, vond Spreker, even als vroeger te Drie-
bergen, nu ook enkele voorwerpen achter Zorgvliet bij
den Haag; van het geslacht Belyta twee in ons land nog
niet aangetroffen soorten, B. brachyura Thoms. ¢ en B. brevis
N. a. Es. g en eindelijk eene nieuwe Cinetus-soort met het
derde lid der sprieten uitgerand, door den heer Snellen
van Vollenhoven Cin. Sirii benoemd.
Spreker hoopt dat deze korte opgaaf van de uitkomst
zijner onderzoekingen omtrent deze soms zelfs microsco-
pisch kleine insecten, tot aansporing voor jonge entomo-
logen moge strekken om zich toe te leggen op het ver-
zamelen en bestuderen dezer belangrijke diertjes, die
meestal in naauwe betrekking staan tot de levenswijze
van andere insecten en ook op het plantenrijk dikwijls
een grooten invloed uitoefenen.
Aangaande de Spinnen moet eene soort van Thanatus
vermeld worden met een groot aantal bruine stippen boven
en onder op het achterlijf, in Junij door Spreker op de
duinen achter Zorgvliet gevonden en door hem voorloopig
Th. pardalinus genoemd. Mogt het later blijken dat zij slechts
eene varieteit of de jonge toestand is van den gewonen Th.
oblongus, die drie langsstrepen op het achterlijf heeft, dan
blijft deze verscheidenheid toch zeer opmerkelijk en wel
waard om er de aandacht op gevestigd te houden.
Als eene bijzonderheid wil Spreker nog opgeven dat hij op
15 Junij in zijnen tuin in den Haag een Sirex gigas L. ving.
Dewijl geene sparren in den omtrek voorkwamen, veronder-
stelt hij dat de pop waaruit het insect te voorschijn kwam in
een’ paal van eene nieuwe schutting verborgen was. Deze
VERSLAG. XXXIX
groote soort vond hij nooit te Driebergen, alwaar daarentegen
S. juvencus L. in de dennenbosschen soms wel aan te treffen is.
Zoo als uit bovenstaande opgaaf blijkt, zijn verscheidene
insecten, die op heigrond gemeen zijn, op onze duinen
niet aan te treffen, en wederkeerig worden anderen, die op
onze duinen veel voorkomen, zoo als Sibynes phaleratus Stev.,
Serenthia laeta Fall., Choria inepta Dalm., Coelinius ruficollis
H. Sch., Asteia coneinna Meig., op onze heidevelden ge-
mist, terwijl eindelijk van sommige soorten zoowel in het
Sticht als in Holland slechts enkele exemplaren worden
aangetroffen, gelijk b. v. Aphanisticus emarginatus en Har-
pactus tumidus Jur. (belgicus Wesm.), die beiden door Spreker
slechts eenmaal bij Driebergen en den Haag zijn gevonden.
Spreker heeft voor zich de overtuiging verkregen, dat
overal, waar men ook op hei- of duingrond de sikkel in
den rijken oogst onzer inlandsche Fauna slaat, de moeite
rijkelijk beloond wordt en dat de vereenigde kracht van
een aantal ijverige arbeiders gedurende ruim 30 jaren nog
niet in staat is geweest den belangrijken voorraad geheel
in de schuren op te zamelen. Steeds worden in alle orden
nieuwe en dikwijls geheel onverwachte vondsten gedaan,
welke men zich niet zou hebben durven voorstellen in ons
vaderland te zullen aantreffen. Als men slechts ijverig voort-
gaat zullen ook in het vervolg de voorwerpen, die de natuur
ons zoo mildelijk tot wetenschappelijk onderzoek aanbiedt,
niet ontbreken en het zal meer en meer blijken, dat het
betrekkelijk kleine Nederland een grooten schat van aan-
trekkelijke natuurvoortbrengselen bevat, die een naauw-
keurig onderzoek overwaardig zijn en meer algemeen op prijs
verdienen gesteld te worden dan tot dusver geschied is.
Gelijk in andere opzigten, soms zelfs onverdiend, het
vreemde veelal hoog geschat, het inlandsche veracht wordt,
zoo tracht men ook dikwijls natuurvoortbrengselen uit ver
afgelegen gewesten met groote kosten en moeite te verza-
melen, terwijl hetgeen de natuur rondom ons met kwistige
hand heenstrooit, onopgemerkt blijft liggen. De ware min-
XL VERSLAG.
naar en bewonderaar der natuur behoeft niet naar vreemde
landen te trekken: ook in zijne onmiddellijke omgeving zal
zijn weetgierige geest stof genoeg vinden om zijn lust tot
onderzoek te bevredigen, ja zelfs veel meer zal hem worden
aangeboden dan groote ijver en een lang leven bij mogelijk-
heid kunnen omvatten. Even als de kalme, maar geestige
en talentvolle nabootsing onzer stille huiselijke tafereelen en
onzer eenvoudige landouwen, door de oude Hollandsche
schilderschool zoo meesterlijk op het doek getooverd, door
ware kunstkenners op hooge waarde wordt geschat, zoo zullen
ook bij den naauwlettenden onderzoeker de kleinste natuur-
voortbrengselen de grootste stof tot bewondering wekken.
Daarom is het voor onze landgenooten wenschelijk dat zij bij
een geopend oog en hart voor de natuurschoonheden, zich
ook meer toeleggen op het verkrijgen der noodige kennis, om
in het boek der natuur te leeren lezen. De natuurkundige
wetenschappen zijn hier te lande in de eerste helft dezer
eeuw in het algemeen zoo schandelijk verwaarloosd !), dat
zij moeite hebben om zich langzamerhand op die hoogte
te verheffen, welke zij in andere beschaafde landen reeds
hebben bereikt. De minachting, waarmede bij ons de schijn-
baar fijne, maar dikwijls oppervlakkige beschaving op die
wetenschappen nog als uit de hoogte nederziet, zal eerst
ophouden als een groot aantal wetenschappelijk ontwik-
kelde mannen haar weder op dien eerezetel plaatsen, waarop
zij in vroegere eeuwen in ons vaderland schitterden , toen zij
in andere Europesche landen nog veel minder werden vereerd.
Het is de roeping ook van de leden onzer Vereeniging, om
zooveel mogelijk het hunne bij te dragen, dat de weinig bekende
en daarom minder beminde natuurwetenschappen bij ons meer
algemeen gekend en in hare hooge waarde erkend worden.
De heer Snellen van Vollenhoven deelt aan de
vergadering mede dat hij door de herhaalde en zorgvuldige
1) De professoren Brugmans en Reinwardt en de heer Temminck, die eene Euro-
pesche vermaardheid verwierven, maakten hierop eene gelukkige uitzondering.
VERSLAG. XLI
bemoeïjingen van den heer Ritsema in staat is gesteld
binnen kort in het werk van Sepp de levensgeschiedenis
te plaatsen van Parapoynz strahotalis, eene vlindersoort wier
rups in het water leeft, en dat hij gaarne daarbij zou
voegen de geschiedenis van Solenobia triquetrella, waarvan
hij eene afbeelding laat rondgaan, doch dat hij daarvan
vooreerst nog weerhouden wordt doordien de kennis van
eeninlandsch mannetje hem nog ontbreekt. Op zekere plek
van de Scheveningsche boschjes bij den Haag zijn namelijk
tegen een raster de kokertjes dezer motsoort niet zeldzaam,
doch al de tot heden daaruit gekweekte imagines waren
vrouwelijk en hadden zonder coitus bevruchte eijeren ge-
legd, waaruit jonge rupsjes waren voortgekomen. Nu gaat
er wel eene sage in Duitschland dat de mannelijke koker-
tjes eenigszins anders gevormd zouden zijn en steeds aan
grashalmen en plantenstengels, nimmer aan rasters of boom-
stammen gehecht, doch in den omtrek van de bewuste
plek in de Scheveningsche boschjes was tot heden te ver-
geefs naar die afwijkend gevormde kokertjes gezocht. Spreker
vraagt of iemand der aanwezigen ook dergelijke zakjes en
mannelijke larven had waargenomen en hoopt dat men hem
door mededeeling daarvan of van een mannelijk vlindertje
in staat zal willen stellen de levensgeschiedenis dier soort
te voltooijen.
Ten tweede laat Spreker rondgaan eene teekening en
plaat van de tweede aflevering der Pinacographia, voor-
stellende de geslachten Co/potrochia, Exochus en Pimpla. Van
het eerste geslacht heeft Spreker eene nieuwe soort afgebeeld,
welke door Gravenhorst aangeduid is als verscheidenheid
van zijne eenige soort C. elegantula, doch die zooveel
verschil oplevert dat zij noodwendig eene afzonderlijke soort
moet uitmaken; hij geeft het verschil tusschen beiden
op en wijdt nog eenigen tijd over het geslacht Exochus uit.
Aangaande Pimpla spreekt hij over de groote verwantschap
van dit geslacht met het genus Ephialtes en over het on-
voldoende en onnatuurlijke afscheidingskarakter door Gra-
XLII VERSLAG.
venhorst ontleend aan de relative lengte en breedte der
middelsegmenten van het achterlijf. Spreker vraagt of het
misschien niet beter zou zijn voor de afscheiding van eenige
soorten uit de vereenigde geslachten Pimpla en Ephialtes
de kenmerken te ontleenen aan de lengte van de legboor
en den driehoekigen of trapezium-achtigen vorm der areola
in de voorvleugels; hij is echter van meening dat niemand
zich aan eene zoodanige omverwerping van het oude wagen
mag, die niet alle beschreven soorten in natura met elkander
kan vergelijken.
Voorts doet Spreker een beroep op de bereidwilligheid
zijner medeleden in de N. E. Vereeniging door hun voor
de bewerking der inlandsche Hemiptera toezending te vragen
van waterwantsen, en daaronder voornamelijk alle soorten
van het geslacht Corixa, zij het ook slechts ter bezigtiging
of determinatie.
Ten slotte geeft Spreker eenige opmerkingen ten beste
omtrent de pas verschenen naamlijst van Nederlandsche
Coleoptera van Dr. Everts, welke opmerkingen eene dis-
cussie tusschen beide leden ten gevolge heeft, die wij hier
niet kunnen teruggeven.
De heer Leesberg deelt eenige opmerkingen mede om-
trent de gedaantewisseling van Dermestes undulatus Brahm,
die hij meende als onvolkomen te hebben waargenomen;
hij vond de larven in een dooden mol; de larvenhuidjes
met kop en pooten staken door het vel van het doode dier
heen; zij waren op den rug opengespleten en verschaften
daardoor aan het volkomen insect een’ uitgang. De heer
snellen van Vollenhoven merkt op, dat de pop zich in een
zeer dun vlies binnen de larvenhuid vormt, hetgeen ook
plaats heeft bij de Anthrenen, die tot dezelfde familie
behooren.
De heer Ritsema, die zich had voorgesteld in deze
vergadering ook eenige wetenschappelijke mededeelingen
VERSLAG. XLIII
te doen, ziet zich door ongesteldheid, die hem het spreken
uiterst moeijelijk maakt, genoodzaakt daarvan af te zien,
maar wil, op verzoek der aanwezigen, de door hem gemaakte
aanteekeningen gaarne voor dit verslag afstaan; zij worden
dus hier opgenomen.
«1°. Den 8" Julij IL vond ik bij Overveen !) op vergeet-
mij-niet (Myosotis) nymphen en volwassen voorwerpen van
Monanthia Humuli F., een netwants door den heer Snellen
van Vollenhoven in het 16 deel van het Tijdschrift voor
Entomologie beschreven en afgebeeld (blz. 105, pl. 6, fig. 6).
Het vermoeden van den heer S. v. V. t. a. pl. blz. 120
geuit, dat kleine langs den zoom van het ligchaam en op
den rug met stekels gewapende wants-nymphen de nymphen
van netwantsen zouden zijn, werd korten tijd daarna door
den heer Snellen tot zekerheid gebragt, toen door hem bij
Rotterdam op smeerwortel (Symphytum) eene in ons land
nog niet waargenomen soort, Monanthia vesiculifera Fieb.,
met den op de aangegeven wijze bedoornden nymphen-
toestand werd aangetroffen (zie Tijdschr. v. Entom. dl. XVII,
blz. Lxv). Daar echter van geen dezer nymphen eene naauw-
keurige beschrijving gegeven is, heb ik de volgende aan
de nymph van Monanthia Humuli F. ontleend en de nevens-
staande schets van haar gemaakt.
«De lengte bedraagt iets minder dan 3 mm.
De kleur is zwart; de rugzijde van den thorax
en van het achterlijf, de voorste helft der
vleugelscheeden en de zoom der buikzijde
dof, de kop, sprieten, pooten, de tweede
helft der vleugelscheeden en het middelste
gedeelte der buikzijde glanzend; het doffe
gedeelte is met fijne lichtgekleurde wratjes
bedekt. De doorntjes waarmede het ligehaam gewapend is
zijn stomp en op de volgende wijze gerangschikt; op den
kop een paar tusschen doch iets boven de inplanting der
1) Den 3den Augustus ook te Warmond.
XLIV VERSLAG.
sprieten; iets hooger een onparige, en daarachter, juist
tegen den voorrand van den thorax, weder een paar dat
tamelijk ver uiteenstaat; op den prothorax twee paren aan
de zijranden en een paar op het midden van den rug digt
achter den voorrand; op den mesothorax eveneens twee
paren aan de zijranden en een paar op het midden van
den rug, dat echter kleiner is en digter bijeenstaat dan
dat op den rug van den prothorax; op den metathorax vier
min of meer twee aan twee geplaatste paren aan de zij-
randen (hier de rand der vleugelscheeden), en een paar
op het midden van den rug dat het schildje tusschen zich
opneemt; op het achterlijf eindelijk zes paren langs den
zoom, en wel een paar aan het vierde tot het laatste seg-
ment, en op het midden van de rugzijde een onparige
doorn op het tweede, vijfde en achtste segment.
«2°. In de Transactions of the Entomological Society of
London voor het jaar 1875 (p. 33—51) beschrijft Frederick
Smith eenige angeldragende Hymenoptera, door den heer
Rothney in Engelsch Indië verzameld. Onder deze bevindt
zich eene bij, tot de familie der Andreniden behoorende,
waarvan het mannetje geknopte sprieten bezit, en die door
Smith als de belangrijkste Andrenide van Mr. Rothney’s
verzameling beschouwd wordt. Zij is ten naauwste verwant
aan het geslacht Nomia Latr., doch daarvan gemakkelijk te
onderscheiden door het bezit van slechts twee cubitaal-cellen
in de voorvleugels; de tong komt met die van Nomia overeen,
en even als in dat geslacht zijn de achterpooten der man-
netjes verdikt en gebogen. Smith meende in deze bij de
vertegenwoordigster van een nieuw geslacht aan te treffen,
en stelt Cyathocera als geslachtsnaam voor; de soort noemt
hij C. nodicornis. Zoodra ik van de beschrijving van dit ge-
slacht kennis genomen had, bleek het mij dat zij volkomen
beantwoordt aan het in 1873 (Tijdschr. v. Entom. dl. XVI blz.
224, pl. 10 fig. 10) door mij opgerigte geslacht Steganomus,
en wel ten behoeve van eene door mijn’ broeder van Soe-
rabaya meégebragte soort, door mij t.a. pl. als St. javanus
VERSLAG. XLV
beschreven. Het geslacht Cyathocera is dus synoniem met
het geslacht Steganomus, waarvan nu twee soorten be-
kend zijn, als: St. javanus Rits. d van oostelijk Java (Soe-
rabaya) en St. nodicornis Sm. d en g van Engelsch Indië
(Lucknow en Pulta). Daar Smith door het bezit van wijfjes
in staat is gesteld ook van deze sexe de geslachtskenmerken
te vermelden, deel ik hier ter aanvulling van mijne alleen
aan de mannelijke sexe ontleende beschrijving nog mede,
dat de sprieten bij het wijfje korter en aan het einde niet
geknopt zijn, daar zij niet tot aan de tegulae reiken en
het laatste lid toegespitst is; dat de tegulae bij deze sexe
iets minder sterk ontwikkeld zijn dan bij de mannelijke,
en dat de achterpooten , — waarvan de dij aan de onderzijde
met lange haren bezet is, terwijl de scheen en het eerste
lid der tarsen viltachtig behaard zijn, — een’ normalen vorm
bezitten. Volgens opgave van den heer Smith was de plant
waarop St. nodicornis gevangen werd waarschijnlijk eene soort
van het geslacht Pulicaria.
«3°. In de Comptes-Rendus des séances de la Société Ento-
mologique de Belgique over 1874 (p. CXLII1) is door onzen tegen-
woordigen Gouverneur-Generaal van Oost-Indië, den heer
van Lansberge, een tot de familie der Coprinen behoorende
kever beschreven onder den naam van Synapsis Ritsemae.
Hij is van oostelijk Java (Ardjoeno) afkomstig. Twee maan-
den na het verschijnen der beschrijving deed David Sharp
aan eene vergadering der Belgische Entomologische Vereeni-
ging de mededeeling toekomen, dat hem vijf soorten van
het geslacht Synapsis Hope bekend waren, en dat S. Ritsemae
Lansb. dus wel eene zesde soort kon zijn, doch dat hij dit
niet durfde beslissen, omdat hem duidelijk gebleken was
dat de heer van Lansberge niet de echte S. Brahmina Hope,
de tot dien tijd eenig beschreven representant van dit genus,
met de nieuwe soort had vergeleken. Hoewel Copris Thoas
Dej. i. 1., eene der vijf aan Sharp bekende Synapsis-soorten,
van hetzelfde eiland (Java) afstamt, verklaart Sharp dat
S. Ritsemae volgens de beschrijving niet tot deze soort kan
XLVI VERSLAG.
worden teruggebragt. Kort daarop gaf Sharp in n°. XIII van
von Harold’s Coleopterologische Hefte (blz. 43—45) eene be-
schrijving van S. Batesi (n. sp.), S. Thoas (n. sp.) = Copris Thoas
Dej.i.1. en S. simplex (n. sp.), terwijl naar aanleiding van S.
Thoas de opmerking gemaakt wordt dat S. Ritsemae Lansb.
ongetwijfeld eene andere soort, misschien wel S. Brahmina
Hope is. Ik ben dit niet met Sharp eens, daar het mij bij
vergelijking van het in het Leidsch Museum voorhanden
exemplaar van S. Rilsemae met Sharp’s beschrijving van S.
Thoas gebleken is, dat beiden bijna volkomen aan elkander
beantwoorden. De naam Thoas Sharp moet dus als synoniem
van Ritsemae Lansb. vervallen. In het geslacht Synapsis Hope
zijn dus op dit oogenblik vier soorten beschreven, als:
Brahmina Hope van Assam, Ritsemae Lansb. = Thoas Sharp =
Copris Thoas De}. i.1. van Java, Balesi Sharp van noordelijk
Indie, en simplex Sharp van Laos, terwijl er volgens Sharp
in het Oost-Indisch Museum te Londen nog eene vijfde tot
nu toe onbeschreven soort voorkomt. !)
«4°. In 1860 werd door von Frauenfeld in de Sitzungs-
Berichte der Kaiserl. Akademie der Wissenschaften zu Wien
(Mathematisch-naturwissenschaftliche Classe. Bd. XL, S. 462)
1) Door de welwillendheid van den heer Swierstra ben ik sedert in staat ‘gesteld,
een der beide zich in de insectenverzameling van het Koninklijk Zoologisch Genoot-
schap »Natura Artis Magistra » bevindende exemplaren van Synapsis Ritsemae Lansb.,
aan den heer David Sharp ter vergelijking op te zenden. Dit voorwerp is door mij
terugontvangen met de volgende mededeeling :
„On comparing it» (het gezonden voorwerp van S. Rifsemae) »with S. Thoas I
find the two to be very closely allied, but apparently distinct species; from the
other known species it is very different.
e This specimen of S Ritsemae is a little larger than the specimen of S. Thoas,
but is extremely similar thereto in form; S. Ritsemae is blacker in colour and less
shining, the striae of the elytra are considerably finer, the interstices altogether flat;
the lateral expansion of the head is much broader (i. e. in the longitudinal direction)
in S. Ritsemae; and when the hindlegs are placed in the natural position, and
looked at so that the inner face of the hind tibia is exactly in the line of vision,
it is seen that the apical dilation of the tibia is less than in 8. Tous.
~The specimen of S. Ritsemae sent, is I believe a female; it bears no dense
fringe of ciliae on the hind tibia, and differs from the specimen of S. TAoas in
that the two apical segments of the hindbody are much longer in the middle; this
difference is probably sexual and not specific.
» This examination renders it additionally certain that the S. Brahminus to which
VERSLAG XLVII
eene door genoemden natuuronderzoeker gedurende de reis
van het Oostenrijksche fregat Novara in Chili op een’ papegaai
gevangen vloo beschreven. De levenswijze van deze vloo
komt noch met die van onze gewone vlooijen (Pulex irritans
L., Canis Dug., Felis Bouch. enz.), noch met die van de
Zuid-Amerikaansche zandvloo (Sarcopsylla penetrans L.) over-
een. Het wijfje der eerstgenoemde soorten toch kan zoo als
men weet het dier waarop het leeft ieder oogenblik wille-
keurig verlaten, dat der zandvloo echter dringt wanneer
het bevrucht is geheel onder de huid van het woondier,
en wel aan de voeten; vervolgens beginnen de eijeren zich
te ontwikkelen, en dit doet het achterlijf der vloo zoodanig
uitzetten, dat het een onderhuidsgezwel ter grootte van
eene kleine erwt veroorzaakt. De vloo nu door von Frauen-
feld ontdekt, leeft op de wijze der tekken aan de oog-
leden en aan de naakte keelhuid van een chilischen papegaai,
door de inboorlingen «tschoroi» genoemd, en ontving naar
aanleiding van hare levenswijze en haar woondier den
naam Hectopsylla psitaciì.
«Voor korten tijd is een tweede voorbeeld van deze levens-
wijze bekend geworden. De heer Moseley, een van de
natuuronderzoekers die zich aan boord van de «Challenger»
bevinden, heeft van Ceylon vlooijen overgezonden, die
aldaar op dezelfde wijze als Hectopsylla psitacii Frauenf. aan
de oogleden en den hals van tam gevogelte vastgehecht
voorkomen. In het April-nommer van the Entomologist’s
Monthly Magazine (vol. XI p. 246) is deze vloo door Prof.
Westwood beschreven als Sarcopsyllus gallinaceus. De over-
eenkomst echter die er bestaat tusschen de beschrijving
Mr. van Lansberge has compared the S. Ritsemae is not the S. Brahminus of Bates
and Sharp, but leaves it still doubtful to me whether S. Brakminus Lansb. = S. Thoas
Dej. Sharp, or be a still undescribed species. »
Hieruit volgt dat het aantal der beschreven Synapsis-soorten vijf (Brahminus Hope,
Ritsemae Lansb., Thoas Sharp, Batesi «Sharp en simplex Sharp), en dat der onbe-
beschreven doch bekende soorten waarschijnlijk twee (een in het O. I. museum te
Londen, en een in de collectie van den heer van Lansberge onder den naam
S. Brahminus Hope) bedraagt.
XLVIII VERSLAG.
van Hectopsylla psitacii Frauenf. en die van Sarcopsyllus
gallinaceus Westw., en niet minder de overeenstemming in
levenswijze, maken het mijns inziens hoogst waarschijnlijk
dat wij hier met eene’tweede soort van het geslacht Hectopsylla
Frauenf. te doen hebben.»
De heer van der Wulp deelt in de eerste plaats mede,
dat bij hem een berigt is ontvangen van Professor Weyen-
bergh te Cordova, inhoudende eene rectificatie van den naam
van den vlinder, in het Tijdschrift voor Entomologie, deel
XVII, blz. 220 als Mamillo Curtisea Weyenb. beschreven en op
pl. 13 aldaar afgebeeld. Het is namelijk den heer Weyenbergh
gebleken, dat die soort reeds vroeger door Herrich-Schäffer
beschreven was onder den naam van Euclia diagonalis en
alzoo den laatstgenoemden naam dient te behouden. ')
Verder zegt de heer van der Wulp, dat zijn tijdelijk
verblijf buiten, in de nabijheid van Scheveningen, hem
dezen zomer in de gelegenheid heeft gesteld op nieuw onze
duin-Fauna na te gaan, die wat de Diptera betreft, zeker
nog lang niet is uitgeput. Zoo heeft hij van Anthrax afra F.
(fimbriata Meig.), die vroeger op tallooze duinwandelingen
nooit gevangen was, maar die hij toch meende reeds in
het vorige jaar gezien te hebben, thans verscheidene
exemplaren kunnen bemagtigen. Evenzeer werd Hecamede
albicans Meig., een klein vliegje tot de Ephydrinen behoorende
en dat nog niet in de lijsten der inlandsche Diptera was
vermeld, thans in grooten getale aangetroffen; deze soort
schijnt groote voorkeur te geven aan paardebloemen en
was vooral in de laatste duinen digt bij het strand te
vinden; dikwijls zaten er geregeld op elke bloem drie en
meer exemplaren. Even als de heer Six, heeft hij dit jaar
voor ’t eerst in de duinen en ook op bloeijende Daucus carota
een exemplaar gevangen van Gistogaster globosa F. Door
1) Tevens heeft Prof. Weyenbergh eene fout aangewezen in zijn stuk: » Varia
entomologica », mede in deel XVII van het Tijdschrift opgenomen, alwaar op blz.
149 reg. 12 staat: »voltooide » in plaats van » onvoltooide ».
VERSLAG. XLIX
kweeking heeft hij voorts nog Cecidomyia Salicis Winn. leeren
kennen, welke soort tot dusver evenmin als inlandsch be-
kend was. De larve woont in galachtig opgezwollen ge-
deelten van de takken eener wilgensoort; er zijn in elke
gal verscheidene larven bij elkander; tegen den tijd van
het uitkomen werkt zich het popje naar buiten; dit heeft
aan het kopeinde, ter wederzijde nevens de scheeden der
sprieten, een paar hoorntjes, die ongetwijfeld moeten
dienen om het insect een’ uitweg te banen.
Een takje met de gallen dezer Gecidomyia, waaraan de
ledige poppenhulsels zitten, alsmede de uitgekomen mugjes
en eenige voorwerpen van de overige genoemde soorten
worden ter bezigtiging gesteld.
Dezelfde Spreker vestigt nog de aandacht op Sciophila
halterata Staeg. Deze hoogst zeldzame soort was, zooveel hij
kon nagaan, tot dusverre alleen door Staeger in Denemarken
gevonden. Zij komt echter ook elders en o.a. bij ons te
lande voor. Tweemaal kreeg hij een exemplaar te zien,
en wel de eerste keer onder een aantal Diptera door Dr,
Piaget in Zwitserland verzameld, en nu laatstelijk een voor-
werp, door den heer Ritsema in September des vorigen
jaars aan de Vogelenzang gevangen.
i Het aderbeloop (zie nevensstaande
> # afbeelding) wijkt van dat van alle
moe > 4 Sciophilinen af, wijl de posticaal-
>. ader ongevorkt is. Indien Winnertz
bij het opstellen zijner Monographie der Mycetophiliden
deze soort had gekend, zou hij ongetwijfeld, op grond van
dat bijzondere aderbeloop, voor haar een nieuw geslacht
hebben opgerigt, even als hij dit gedaan heeft voor eenige
Mycetophilinen met ongevorkte posticaal-ader. Neemt men
alzoo voor deze familie de generieke verdeelingen van Win-
nertz aan, gelijk thans door alle Dipterologen geschiedt,
dan moet Sciophila halterata ook een afzonderlijk geslacht
uitmaken, waaraan Spreker ter eere van den uitstekenden
Deenschen Dipteroloog den naam van Staegeria zou wenschen
4
L VERSLAG.
te geven. Eene verwantschap met het genus Lasiosoma Winn.
laat zich niet miskennen. Het zeer kleine vierkante celletje
en de vóór dat celletje geplaatste dwarsader, welke de
subcostaal-ader en de hulpader verbindt, komt nagenoeg met
de schikking der aderen van Lasiosoma overeen; de niet ge-
vorkte posticaal-ader levert evenwel, gelijk gezegd is, voor
Staegeria een zeer in ’t oog loopend onderscheidingskenmerk.
De wetenschappelijke mededeelingen hiermede afgeloopen
ziinde, zegt de Voorzitter den verschillenden Sprekers dank
voor hunne bijdragen en sluit deze vergadering.
De weinige oogenblikken, die vervolgens nog overbleven
vöör het gemeenschappelijk diner, werden door de Leden
met gretigheid gebruikt om in den prachtig aangelegden
en met zoovele zeldzame dieren bevolkten tuin van Natura
Artis Magistra rond te wandelen of om even een blik te
slaan in de entomologische schatten van dat genootschap,
die, als zij eenmaal geheel geordend zullen zijn, voor de
wetenschap van onberekenbare waarde zullen blijken.
Aan den maaltijd, mede in een lokaal van de genoemde
inrigting gehouden en waarbij als altijd een gulle en vriend-
schappelijke toon heerschte, werd bij menigen dronk met
warmte het dertigjarig bestaan der Entomologische Vereeni-
ging herdacht. Blijkbaar was het eene goede keus geweest
om dit jaar in de hoofdstad bijeen te komen, waar eenmaal
de wieg en bakermat der Vereeniging hadden gestaan.
Den volgenden dag namen de meesten der aanwezigen
deel aan eene excursie in de omstreken van Hilversum.
Het weder, dat in den ochtendstond regenachtig was en
dus weinig goeds voorspelde, helderde later geheel op, en
niettegenstaande er van het spoorweg-station een groot eind
wegs moest worden afgelegd, eer men aan een geschikt
terrein was gekomen, mogt menigeen zich verheugen over
min of meer belangrijke voorwerpen van de doorwandelde
streek medegebragt.
VERSLAG. LI
Zoo werden onder anderen door de heeren Everts en
Leesberg de volgende zeldzame Coleoptera gevangen :
Dyschirius impunctipennis Daws.
Harpalus calceatus Dfts.
Stenolophus Teutonus Schrnk.
Acupalpus brunnipes St.
Calathus piceus Marsh.
Myrmedonia laticollis Mark.
Philonthus fumigatus Er.
Stenus canaliculatus Gyll.
Olibrus Millefolii Payk.
Pocadius ferrugineus F.
Chrysanthia viridis Schm.
Trachyphlaeus scaber L. f. n. sp.
Apion rufierus Germ.
» columbinum Germ.
» ebeninum Kirby f. n. sp.
Anthonomus varians Payk.
Orchestes iota F.
Sibynes Viscariae L.
Thyamis pellucida Foudras. f. n. sp.
Hispa atra L.
De heer Snellen vond den zak van de rups eener voor
de Fauna nieuwe Tineide (Diplodoma marginepunctella Steph.)
en Mr. Piepers een zeer geprononceerd exemplaar der varie-
teit Eremita Hbn. van Ocneria Monacha L. Onder de vangst
van den heer Ritsema muntte vooral uit Salda geminata
Costa, in beide sexen. Voorts ving de heer Snellen van
Vollenhoven een fraai voorwerp van Rhyssa persuasoria L.;
en onder de Diptera was inzonderheid merkwaardig een
door den heer Six gevangen exemplaar van Psarus abdomi-
nalis F., eene soort waarvan tot dusver nog slechts twee-
maal in ons land een exemplaar was aangetroffen,
Wat eindelijk de Spinnen betreft, leverde de heer van
Hasselt de volgende uitvoerige opgaaf:
LIT VERSLAG.
«Onze excursie naar de Hilversumsche bosschen, door
een onzer verdienstelijke Cicerones uit Amsterdam, —
wegens den vrij aanzienlijken tijd, dien wij met wandelen
en zoeken naar de «beste plekjes», als van ouds, hadden
verspeeld, — naar mijn oordeel in het algemeen reeds ten
onregte eene «failure» genaamd, was dit voor mij in het
bijzonder zeker niet.
«Behalve het genot van den inderdaad ligchaam en geest
weldoenden zomerdag, dien we weder vriendschappelijk en
leerrijk in Gods vrije natuur vrolijk en gezellig hebben
mogen doorbrengen, overtrof mijne vangst (die ik eerst
maar matig waande) bij nadere beschouwing mijner ge-
vangenen, mijne verwachting zeer. In de eerste plaats trof
ik een aantal oude bekenden aan, van welke ik, ter aan-
vulling, verbetering of verversching mijner collectie, ver-
scheidene fraaije mares of feminae medenam, hetzij door
mij zelven of door verscheidenen mijner welwillende jagt-
genooten gevangen. Hiertoe behooren :
Epeira patagiata Clerck.
» conica Pallas.
» bicornis G. Koch.
Singa albo-vittata Westr.
Theridium pulchellum Walck.
» sisyphium Clerck.
» bimaculatum L.
» formosum Clerck.
Linyphia triangularis Clerck.
» montana G. Koch.
» bucculenta Clerck.
Asagena serratipes C. Koch.
Textrix lycosina Oliv.
Philoica notata? C. Koch.
Melanophora nocturna L.
Zora spinimana Blackw.
Ocyale mirabilis Clerck, in de 3 varieteiten.
Lycosa barbipes Walck.
. VERSLAG. LIII
Lycosa monticola G. Koch.
Xysticus praticola CG. Koch.
Thomisus Pini Hahn.
Attus falcatus Clerck.
» muscorum Clerck, een bijzonder groot exemplaar.
«Maar wat, in de tweede plaats, voor mij dezen dag tot
een’ der «gelukkigen» maakte, was mijne aanwinst op het
gebied der onderzoeking, waarover ik daags te voren het
genoegen had de vergadering te onderhouden, te weten op
dat der nidificatie van de daar besproken Agroeca brunnea
Blackw.
«Ik had mij voorgenomen, in het vochtige mos en de heide-
planten, die hier in zoo grooten overvloed tierden, naar die
eijernestjes en de architecten daarvan te zoeken en daaraan
deze excursie meer bijzonder te wijden. Tot mijne oorspron-
kelijke teleurstelling vond ik zelf geen enkel cfleschje»;
alleen één, reeds uitgekomen, nog slechts even herken-
baar, ontving ik van mijnen vriend Snellen van Vollen-
hoven. Van het spinnetje zelf meende ik echter geen spoor
te hebben ontmoet. Als het ware «en passant» of «pour
acquit de conscience» had ik, zoo ik dacht, een drietal
pulli of juniores der gewone Trochosa trabalis of ruricola
C. Koch, wegens de oppervlakkige gelijkenis met jonge
Agroecae, medegenomen. Dezen te huis naziende ontdekte
ik, tot mijne niet geringe vreugde, dat er zich werkelijk
een paar — en nog wel een paartje — half ontwikkelde
exemplaren der zoo zeer gewenschte A. brunnea bij be-
vonden! Deze loopen, even als de Lycosae, buitengewoon
snel en hebben dan ook, op het eerste aanzien, tusschen
het mos en de Erica, zeer veel van de genoemde spinnen.
Bij zoodanige gelegenheid op den grond liggende en bij de
vlugheid der diertjes is het niet mogelijk om ze van nabij
te bezien, waarbij men anders onmiddellijk aan den zeer
verschillenden oogenstand het onderscheid kan ontdekken ;
doeh te «huis» bespeurde ik terstond, dat ik ten minste
niet voor niets cuit» was geweest.
LIV VERSLAG.
«Ik heb mijne vangst nu in een ad hoc behoorlijk inge-
rigt fleschje, met zand, vochtig mos en Erica, ter verdere
opkweeking, geplaatst. Het jonge d is al eens verveld,
doch heeft nog geene volkomen ontwikkelde palpen. Beiden
zijn vlug en levendig, ofschoon weinig voedsel nemende en
niet veel spinsel makende. Ik vrees alleen, dat het jaar-
getijde reeds te ver gevorderd is, om ze tot volle rijpheid
te zien komen en de paring en cocon-vorming te kunnen
waarnemen. En zullen ze overwinteren? Videamus. In elk
geval heb ik nu geleerd, waar en hoe ze te vangen en hen
om zoo te zeggen meer in de vlugt van jonge Lycosae te
onderscheiden, zelfs zoo, dat het mij sedert gelukt is, mijn
kweekfleschje nog te vermeerderen met een tweetal 9 juniores,
in de zoogenaamde Scheveningsche boschjes gevangen, dus
digter bij dan ik eerst vermoedde. Maar is het dezelfde
species die de «fleschjes» maakt? Quod, — nog altijd, —
demonstrandum erit. »
LIJST: DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
op 24 Julij 1875,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
PARTS
BEGUNSTIGERS.
Teyler’s Stichting te Haarlem. 1860.
De heer Mr. C. W. Hubrecht, te Leiden. 1859.
» » J. Kneppelhout, Hemelsche Berg te Oosterbeek. 1867.
n » Dr. François P. L. Pollen, te Scheveningen. 1867.
Mevrouw Hartogh Heys van de Lier, geb. Snoeck, te ’s Gravenhage. 1868.
De heer Dr. F. J. L. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
» » Mr. J. Thiebout, te Zwolle. 1869.
Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van Ellemeet, te Oost-Capelle
n n
bij Middelburg. 1870.
» » Jhr. F. van den Santheuvel, te Dordrecht. 1870.
EERELEDEN.
De heer Dr. C. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch
Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
H. T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861.
n n
» » Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis-
senschaften en Burgemeester van Weenen. 1861.
» » Prof. Dr. H. Löw, te Guben. 1862.
» » Prof. J. 0. Westwood, F. L. S., Directeur van het Hopean
Museum te Oxford. 1862.
» » A.E. W. Ludeking, Officier van gezondheid bij het Nederl.
Indische leger. 1862.
Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, te St. Petersburg. 1864.
LVI LIJST DER LEDEN ENZ.
De heer Prof. J. J. P. Hoffmann, te Leiden. 1865.
» » Dr. Gustav L. Mayr, te Weenen. 1867.
» » Dr. H. D. J. Wallengren, te Farhutt, bij Hogands in Zweden.
1871.
» n R. MacLachlan, F. L. S., te Londen. 1871.
» » Dr. T. Thorell, Hoogleeraar in de Zoologie aan de Hoogeschool
te Upsala in Zweden. 1872.
» » Dr. €. A. Dohrn, President der Entomologische Vereeniging
te Stettin. 1873.
» » M. E. Baron de Selys Longchamps, te Luik. 1874.
5 n Dr. V. Signoret, te Parijs. 1874.
CORRESPONDERENDE LEDEN.
De heer Prof. Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Aken. 1853.
» » Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
» » Dr. €. Stal, Professor aan het Kon. Zoologisch Museum te
Stockholm. 1864.
» à» Frederic Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige
Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864.
» » J.W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te Londen. 1865.
Z. Exe. Mr. J. W. van Lansberge, Gouverneur-Generaal van Neder-
landsch Indië, te Batavia. 1865.
De heer Prof. P. C. Zeller, Grünhof bij Stettin. 1867.
» » VW. Mink, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te Urc-
feld. 1867.
» » Dr.H. Weyenbergh, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Cordova
in de Argentijnsche Republiek. 1872.
» » Dr. W. Marshall te Weimar. 1872.
n no ws Putzeys, te Brussel. Leia.
» » À. Fauvel, te Caen. 1874.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
De heer Henri Vicomte de Bonvouloir, Archiviste-adjoint de la Société
entomologique de France, Rue de l’Université, 15, te Parijs.
(1867—68).
» » H. Jekel van Westing, lid der K. Acad. der natuuronderzoe-
kers te Moscou en van verscheidene entomol. genootschappen ,
Rue Letort, 2, te Parijs. (1868—69).
GEWONE LEDEN.
1845-46.
De heer Dr. J. G. H. Rombouts, te Groesbeck.
» » F.M. van der Wulp, Spui, n°. 93, te’s Gravenhage. — Diptera.
LIJST DER LEDEN ENZ. LVII
De heer Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, huize Schothorst, te
Hoogland bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
J. W. Lodeesen, Prinsengracht bij de Reestraat, 377, te Amster-
dam. — Lepidoptera indigena.
Dr. J. R. E. van Laer, te Utrecht.
Dr. P. H. J. Wellenbergh, te Oisterwijk.
Mr. H. Ver Loren van Themaat, te Utrecht. — Lepidoptera.
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Phil. nat. Dr., 2de Van den
Boschstraat, 34, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera en Hemiptera.
W. O. Kerkhoven, te Twello.
1851-52.
R. T. Maitland, Directeur van den Kon. Zoologisch-botanischen
Tuin te ’s Gravenhage. — Algemeene Entomologie.
P.C.T. Snellen, Zuidblaak , n°. 66, te Rotterdam. — Lepidoptera.
Dr. M. Imans, te Utrecht.
Dr. W. A. J. van Geuns, Oude Gracht, te Utrecht.
1352-53.
N. H. de Graaf, Haarlemmerstraat, te Leiden. — Lepidoptera.
Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde, 123, te ’s Gravenhage. —
Inl. Lepidoptera, bijzonder Microlepidoptera.
G. M. de Graaf, Heerengracht, te Leiden. — Lepidoptera.
Dr. L. A. J. Burgersdijk, Hoogleeraar aan het Athenaeum te
Deventer. — Algem. Entomologie.
G. A. Six, De Ruiterstraat, 11, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera.
Dr. W. Berlin, Hoogleeraar aan het Athenaeum, Plantage
Parklaan n°. 3, te Amsterdam.
1855-56.
A. A. van Bemmelen, Direeteur van de Diergaarde te Rot-
terdam. — Algemeene Entomologie.
Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen , te Velp. —
Lepidoptera.
M. Breukelman, te Delfshaven.
Lepidoptera.
1356-57
Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Inlandsche Lepi-
doptera (bijzonder Microlepidoptera) en Neuroptera.
Mr. W. Albarda, te Ginneken. — Lepidoptera en Neuroptera.
A. P. H. Kuipers, te Leeuwarden.
Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade, 15, te
’s Gravenhage. — Arachniden.
1857-58
Dr. J. W. Schubärt, te Utrecht
W. K. Grothe, te Zeist,
LVIII LIJST DER LEDEN ENZ.
1858-59.
De heer J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht. —
Lepidoptera.
J. Backer, te Oosterbeek. — Lepidoptera.
n ”
1860-61.
De heer J. Kinker, Oudezijds-Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort,
n°, 223, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
Dr. E. Piaget, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Korte-
naerstraat, 416, te Rotterdam. — Diptera en Parasitica.
n n
1861-62
Wijlen de heer H. Hartogh Heys van de Lier (het Lidmaatschap
door zijne Weduwe voortgezet).
1862-63.
De heer H. Baron Lewe van Middelstum, te Beek bij Nijmegen. —
Lepidoptera.
1863 -64.
De heer Mr. R. Th. Bijleveld, Rapenburg te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
» » D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F, 3471, te Zwolle. —
Lepidoptera.
1864-65.
De heer Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Lepidoptera.
H. J. Veth, Phil. nat. Cand., Leeraar aan de Hoogere Bur-
gerschool te Rotterdam. — Algemeene Entomologie.
H. W. Groll, te Haarlem. — Coleoptera.
1865-686.
De heer Dr. H. C. van Medenbach de Rooy; Weerdjesstraat , te
Arnhem. — Lepidoptera.
Mr. A. Brants, Buitensingel te Arnhem. — Lepidoptera.
1366-67.
De heer F. J. M. Heylaerts Jr., St. Jansstraat te Breda. — Lepi-
doptera enz.
» » Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar te Utrecht. — Alge-
meene Zoologie.
» » À. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
» ”
” ”
” ”
1867—68.
De heer C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur-
like historie, Rapenburg n°. 94 te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
» n Mr. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil. nat. Doctor, te Assen.
LIJST DER LEDEN ENZ. LIX
1868-69
De heer Dr. J. G. de Man, Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur-
lijke historie, te Leiden. — Algemeene Entomologie.
Dr. T. W. O. Kallenbach, te Rotterdam. — Lepidoptera.
A. Cankrien, Boompjes, te Rotterdam. — Lepidoptera.
Mr. ©. J. Sickesz, Burgemeester van Laren, Huize de Cloese
bij Lochem.
1369-70.
De heer Dr. H. W. Waalewijn, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Alkmaar.
n n M. Nijhoff, Raamstraat 49, te ’s Gravenhage, — Bibliographie.
1370-71.
De heer Dr. L. L. Aronstein, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Breda.
» » Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Leeraar aan de Hoogere Burger-
school, Huigensstraat 11, te ’s Gravenhage. — Coleoptera.
» » Mr. M. C. Piepers, Lid der regterlijke magt in Nederlandsch
Indié, thans met verlof hier te lande, te Amsterdam. —
Lepidoptera.
n» Dr. P. J. Veth, Hoogleeraar aan de Rijksinstelling van onder-
wijs in de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch Indië,
te Leiden.
187172.
De heer W. A. Ivangh Schepman, te Rhoon. — Lepidoptera.
» » D. Burger, Phil. nat. Stud., te Leeuwarden. — Hemiptera.
» » Dr. J. Ritzema Bos, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
en de Landbouwschool te Wageningen.
» » J.F. G. W. Erbrink, N. Z. Voorburgwal over de Kolk, n°. 62,
te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
» » J.B. van Stolk, Zeemansstraat, te Rotterdam. — Lepidoptera.
» » Mr. A. F. A. Leesberg, Jan-Hendrikstraat, 9, te ’s Graven-
hage. — Coleoptera.
» » Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar te Groningen.
„ » M. M. Schepman te Rhoon. — Neuroptera.
» » Dr. C. K. Hoffmann, Hoogleeraar te Leiden. — Vergelijkende
ontleedkunde.
1872-73.
De heer Dr. A. J. van Rossum, Kastanjelaan te Arnhem.
1873-74,
De heer H. P. Snelleman, Phil. nat. Stud., Nieuwe Rijn 78, te Leiden.
» » A.B. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat te Arnhem.
LX
De
LIJST DER LEDEN ENZ.
heer J. van Leeuwen Jr., Litt. hum. Cand., Prinseneiland, n°. 91,
te Amsterdam. — Lepidoptera.
J. C. Stern, te Sluis.
Mr. M. ’s Gravesande Guicherit, te Delft.
1874-75.
n
heer H. L. Gerth van Wijk, Leeraar aan de Hoogere Burger-
school te Middelburg.
C. J. Grube, Niewwendijk bij de St. Jacobstraat, n°. 94, te
Amsterdam. — Lepidoptera.
J. van den Honert, Nieuwe Waalseiland bij de Schipperstraat ,
n°. 26, te Amsterdam.
» R. H. Saltet, Med. Stud., Heerengracht bij de Wolvenstraat ,
n°. 264, te Amsterdam.
K. N. Swierstra, Koninkl. Zool. Genootschap , Natura Artis
Magistra” te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
1875-76.
De heer H. Uijen, Priemstraat te Nijmegen. — Lepidoptera.
»
„ J.G. Wurfbain te Worth-Rheden.
BESTUUR.
President. Mr. W. Albarda.
Vice-President. P. C. T. Snellen.
Secretaris. F. M. van der Wulp.
Conservator. Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.
Bibliothecaris. C. Ritsema Cz.
Penningmeester. J. W. Lodeesen.
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
De President van het Bestuur.
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.
F. M. van der Wulp.
BIBLIOTHEKEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
on
BIJGEKOMEN BOEKEN VAN 1 SEPTEMBER 1874
TOT Sd JULIJ 1875.
BIBLIOTHEEK A.
Natuurlijke Historie in het algemeen.
Anonymus. Systematisches Verzeichniss aller derjenigen Schriften
welche die Naturgeschichte betreffen; von den ältesten bis auf
die neuesten Zeiten. Halle, 1784. fol.
Sars (C. G. O.), Indberetning til Departementet for det Indre om
de af ham i Aarene 1870—73 anstillede praktisk-videnskabelige
Unders@gelser angaende Torskefiskeriet i Lofoten. Christiania, 1874.
8vo. (Geschenk van de Koninklijke Universiteit van Noorwegen).
Spallanzani, Dissertations relative to the Natural History of Ani-
mals and Vegetables, to which are added two letters from Mr.
Bonnet to the Author. London, 1784. 2 vol. 8vo.
Algemeene Dierkunde.
Boeck (A.), Nye Slaegter og Arter af Saltvands Copepoder. Chris-
tiania, 1872. 8vo. (bis) (Met het volgende ten geschenke van de
Koninklijke Universiteit van Noorwegen).
Friele (H), Oversigt over de i Bergens Omegn forekommende
skaldaekte Mollusker. Christiania, 1873. 8vo. (bis).
. Geubel (Dr. H. C.), Zoologische Notizen. Enthaltend eine Reihe
von Beobachtungen nebst philosophischen und chemisch-physiolo
gischen Bemerkungen über mehrere Weich- und Gliederthiere.
Landau, 1852. 8vo.
LXII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Ta
10.
dst
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
Meyer (Dr. A. B.), Einige Bemerkungen über den Werth , welcher
im Allgemeinen den Angaben in Betreff der Herkunft mensch-
licher Schädel aus dem ostindischen Archipel beizumessen ist.
Wien, 1874. 8vo.
Anthropologische Mittheilungen über die Papuas von Neu-
Guinea. I. Aeusserer physischer Habitus. Wien, 1874. M. einer
Taf. Porträts. 8vo.
Uebersicht der von mir auf Neu-Guinea und den Inseln
Jobi, Mysore und Mafoor im Jahre 1873 gesammelten Amphibien.
Berlin, 1874. 8vo. (Met de beide vorige nommers ten geschenke van
den heer M. Nijhoff).
Ritzema Bos (J.), Bijdrage tot de kennis van de Crustacea
Hedriophthalmata van Nederland en zijne kusten. Groningen,
1874. M. 2 pl. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Sars (G. O), Beskrivelse af de paa Fregatten Josephines expe-
dition fundne Cumaceer. Stockholm, 1871. M. 20 Tavl. 4to.
Beskrivelse af syv nye Cumaceer fra Vestindien og det
Syd-Atlantiske Ocean. Stockholm, 1873. M. 6 Tavl. 4to.
Bidrag til Kundskaben om Dyrelivet paa vore Havbanker.
Christiania, 1872. 8vo. (bis).
Om en hidtil lidet kjendt maerkelig Slaegtstype af Polyzoer.
Christiania, 1873. M. 2 Tavl. 8vo. (bis).
—— Bidrag til Kundskaben om Norges Hydroider. Christiania,
1873. M. 4 Tavl. 8vo. (bis).
Om en dimorph Udvikling samt Cents set hos Lepto-
dora. Christiania, 1873. M. 1 Tavl. 8vo. (bis).
Bemaerkninger om de til Norges Fauna hqrende Phyllopoder.
Christiania, 1873. 8vo. (bis) (Met de zes vorige nommers ten ge-
schenke van de Koninklijke Universiteit van Noorwegen).
Vérardi et Ratzeburg, Nouveau Manuel complet du destructeur
des animaux nuisibles. Paris, 1847 et 52. 2 part. kl. 8vo.
Weyenbergh (Prof. H.), Bijdrage tot de kennis van het visschen-
geslacht Xiphophorus Heck. Amsterdam, 1874. M. 2 pl. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
Algemeene Entomologie.
Siebke (H.), Enumeratio Insectorum Norvegicorum. Fasc. I.
Catalogum Hemipterorum et Orthopterorum continens. Christiania,
1874. 8vo. (bis) (Geschenk van de Koninklijke Universiteit van
Noorwegen).
Westwood (J. O), Thesaurus Entomologicus Oxoniensis; or Illu-
strations of new, rare and interesting Insects, for the most part
22.
23.
24.
25.
26.
27.
28.
29.
30.
31.
32.
33.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LXIII
contained in the collections presented to the University of Oxford
by the Rev. F. W. Hope. With plates from drawings by the
Author. Oxford, 1874. 4to. Part III and IV.
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
Borre (A. Preudhomme de), Du Doryphora decemlineata. Brux.
1875. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Everts (Dr. Ed.), Lijst der in Nederland voorkomende schild-
vleugelige insekten (Coleoptera). ’s Grav. 1875. 8vo. (Geschenk van
den Schrijver).
Kerchove de Deuterghem (0. de), L’ennemi de la pomme de
terre. Notice sur le Doryphora decemlineata. Brux. 1875. DE 1 pl.
8vo. (Geschenk van den heer Puls te Gent).
Verslag van de werkzaamheden der commissie tot verdelging van
meikevers te Wageningen in het voorjaar van 1875. Zwolle, 1875.
Ato. (Geschenk van Dr. J. Ritzema Bos).
Vollenhoven (S. C. Snellen van), De Colorado-kever. Haarlem,
1875. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
B. Lepidoptera.
Heylaerts (F. J. M), Zur Naturgeschichte von Epichnopteryx
Tarnierella Brd. Stettin, 1875. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Hofmann (E.), Isoporien der europäischen Tagfalter. Stuttg. 1873.
8vo. (Geschenk van Mr. W. Albarda).
Moore (F.), List of Diurnal Lepidoptera collected in Cashmere
Territory bij Capt. R. B. Reed, with Descriptions of new Species.
Lond. 1874. W. a col. pl. 8vo.
—— Descriptions of new Asiatic Lepidoptera. Lond. 1874. W.
2 col. pl. 8vo. (Met het vorige nommer ten geschenke van den
Schrijver).
Ritsema Cz. (C.), Description de deux espèces nouvelles de
Microlépidoptères exotiques (Atteva impunctella et Pseudoblabes
Snelleni). Paris, 1875. (Geschenk van den Schrijver).
Vollenhoven (S. C. Snellen van), Beschrijvingen en afbeeldingen
van Nederlandsche vlinders. (Vervolg op Sepp, Beschouwing der
wonderen Gods, enz.)’s Gravenhage, 1874. DL III, n°. 33—38. 4to.
Weyenbergh (Prof. H.), Oiketicus Kirbii Guild., ein interessanter
argentinischer Schmetterling. Buenos Ayres, 1875. fol. (Geschenk
van den Schrijver).
LXIV BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Cc. Hymenoptera.
34. Anonymus, Le gouvernement admirable ou la république des
abeilles. Avec les moyens d’en tirer une grande utilité. La Haye,
1740. kl. 8vo.
35. Leuckart (Dr. K.), Over doove en abortieve eïjeren der honig-
bijen. Vertaald door C. Ritsema Cz. Haarlem, 1875. 8vo. (Ge-
schenk van den Vertaler).
36. Ritsema Cz. (C.), Descriptions et figures de deux espéces nouvelles
du genre Anthidium F., provenant de l’Archipel des Indes-
Orientales. (Anthidium Smithii et A. Forstenii). Paris, 1874. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
37. Vollenhoven (S. C. Snellen van), Over de groep der Dryiniden
in de familie der Proctotrupiden, met beschrijving eener nieuwe
soort. Amsterdam, 1874. M. 1 gekl. pl. 8vo. (Met het volgende
nommer ten geschenke van den Schrijver).
38. Pinakographia. Afbeeldingen van meer dan 1000 soorten
van Noordwest-Europesche Sluipwespen. ’s Gravenhage, 1875.
afl. 1 met 5 gekl. pl. Ato.
D. Hemiptera.
39. Signoret (V.), Revue iconographique des Tettigonides. Paris
1853/54. Av. pl col. 8vo. (Met de 33 volgende nommers ten ge-
schenke van Dr. V. Signoret).
40. —— Essai monographique sur les Aleurodes. Paris, 1867. Av.
2 pl. 8vo.
41. —— Essai sur les Cochenilles (Homoptères-Coccides). Paris,
1868—74. 12 part. Av. pl. 8vo.
42. —— Description d’Hémiptéres nouveaux provenant de la Guinée
Portugaise. Paris, 1849. 8vo.
43. —— Notice sur le groupe des Eurymélides. Monographie du
genre Aethalion. Paris, 1850. Av. 1 pl. 8vo.
44, Description d’une nouvelle espèce d’H&mipteres-Heteropteres
du groupe des Mictides, genre Petascelis. Paris 1851. Av. 1 pl. 8vo.
45. Description d’un genre nouveau et de quelques espèces du
groupe des Tettigonides. Paris, 1850. Av. 1 pl. col. 8vo.
46. —— Revue critique du groupe des Tettigonides et de la tribu
des Cercopides. Paris, 1853. 8vo.
47. —— Notice sur un insecte de la section des Homoptères de la
tribu des Tettigonoïdes. Paris, 1853. Av. 1 pl. col. 8vo.
48. —— Description d’une espèce nouvelle faisant genre dans l’ordre
des Hémiptères-Hétéroptères, famille des Azopides. Paris, 1854.
Av. 1 pl. col. 8vo.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LXV
. Signoret (V.), Essai monographique du genre Micropus Spin.
Paris, 1855. Av. 1 pl. col. 8vo.
. —— Description d’un nouveau genre de la tribu des Longicoxes,
Amiot et Serv., groupe des Emésides. Paris, 1858. Av. 1 pl. 8vo.
51. —— Monographie du genre Corizus. Paris, 1858. 8vo.
52. —— Descriptions de nouvelles espèces d’Hémiptéres. Paris, 1858.
Av. 1 pl. col. 8vo.
53. —— Faune des Hémiptères de Madagascar. 1° part. Homoptères,
2° part. Hétéroptères. Paris, 1859/60. Av. 2 pl. col. 8vo.
54. —— Hémiptères de Sicile. Paris, 1860. 8vo.
55. Description de deux Homoptères, types de genres nouveaux.
Paris, 1861. Av. 1 pl. 8vo.
56 Description de quelques Hémiptères nouveaux. Paris, 1861.
Av. 1 pl. 8vo.
57. —— Essai sur la Faune entomologique de la Nouvelle-Calédonie
(Balade) et des îles des Pins, Art, Lifu, etc. Paris, 1861. 8vo.
58. —— Description d’Hémiptéres nouveaux de Jurimaguas et Moya-
bamba (Perou). Paris, 1862. Av. 1 pl. 8vo.
59. —— Quelques espèces nouvelles d’Hémiptéres de Cochinchine.
Paris, 1862. Av. 1 pl. 8vo.
60. —— Révision des Hémiptères du Chili. Paris, 1863. Av. 3 pl. 8vo.
61. —— Descriptions de quelques Hémiptères nouveaux. Paris,
1865. 8vo.
62. —— Quelques observations sur les Cochenilles connues sous le
63.
64.
65.
66.
67.
68.
69.
70.
nom de Pou à poche blanche, qui ravagent les plantations de
cannes à sucre à l’île Maurice et à l’île de la Réunion. Paris,
1868. 8vo.
—— Etudes sur le genre Phylloxera de Fonscolombe. Paris,
1867. Av. 1 pl. 8vo.
—— Phylloxera vastatrie, Hémiptère-Homoptère de la famille
des Aphidiens, cause prétendue de la maladie actuelle de la
vigne. Paris, 1870. Av. 1 pl. 8vo.
—— Quelques observations nouvelles sur le Phylloxera vastatrix.
Paris, 1870. 8vo.
—— Note sur le Phylloxera. Paris, 1873. 8vo.
—— Du Phylloxera et de son évolution. Paris, 1873. 4to.
Quelques observations à propos des espèces du genre Phyl-
loxera. Paris, 1874. Ato.
—— Notice sur un Homoptère peu connu (Periphyllus). Paris,
1867. Av. 1 pl. 8vo.
—— Notice sur un nouveau Periphyllus (P. Laricae Hal.) Paris,
1868. 8vo.
5
LXVI BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
(48
72.
73.
74.
75.
76.
77.
78.
29.
80,
Signoret (V.) et Balbiani, Sur, le développement du Puceron brun
de /’Erable. Paris, 1867. 4to.
Stäl (C), Hemiptera nova vel minus cognita. Paris, 1865. 8vo.
E. Neuroptera.
Lachlan (R. Mc.), A Monographie Revision and Synopsis of the
Trichoptera of the European Fauna. London, 1874/75. Prt. I
and II. W. 11 pl. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Selys Longchamps (E. de), Monographie des Libellulidées d’Europe.
Paris et Brux., 1840. Av. 4 pl. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
—-— Instructions sur la chasse des Névroptères. Paris, 1868.
kl. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
F. Orthoptera.
Niets bijgekomen.
G Diptera.
Loew (H.), Diptera Americae septentrionalis indigena. Berolini,
1861, 65/72. pars. I & II. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Niets bijgekomen.
Palaeontologie.
Niets bijgekomen.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Niets bijgekomen.
Tijdschriften.
Annali del Museo Civico di Storia naturale di Genova, pubblicati
per cura di G. Doria. Genova, 1874. vol. V. M. 5 pln. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Annuaire de l'Académie Royale des Sciences, des Lettres et des
Beaux-Arts de Belgique. Brux., 1874. Ann. 40. kl. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Annuaire Entomologique pour 1875, par A. Fauvel. Caen et
Paris, 1875. kl. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Archives Néerlandaises des Sciences exactes et naturelles, pu:
bliées par la Soc. Holl. d. Sc. à Harlem. La Haye, 1874. Tom. IX.
livr. 4 et 5. 8vo. (Geschenk van de Hollandsche Maatschappij van
Wetenschappen te Haarlem).
81.
82.
83.
84.
85.
86.
87.
88.
89.
90.
91:
92.
93:
94,
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LXVIi
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. Caen, 1873,
74. 2% ser, vol. 7 et 8. (ann. 1872— 74.) 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
Bulletin des séances de la Société Entomologique de France.
Paris, 1874/75. N°. 39, 43 et 49. 8vo.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Buffalo,
1874. vol. II n°. 1 and 2. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr v. Entom.).
Bulletin of the Essex Institute. Salem, 1874. vol. V. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr v. Entom.).
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Firenze, 1874.
An VI, VII, trim. 1. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Compte-Rendu des séances de la Société Entomologique de Bel-
gique. Brux., 1874/75. Sér. II, n°. 3—10 et 12. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde. Heraus-
gegeben von Dr. C. L. Kirschbaum. Wiesbaden, 1873/74. Jahrg.
27 nnd 28. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr v. Entom.).
Jahresbericht (Erster) der Schwedischen Academie der Wissen-
schaften über die Fortschritte der Naturgeschichte, Anatomie
und Physiologie der Thiere und Pflanzen; aus dem Schwedischen
mit Zusätzen von Dr. J. Müller. Bonn, 1826. 8vo.
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Boston,
1873/74. vol. II, part. II; n°. 4: vol. II, part. III, n°. 1 and
2. With Plates. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr v. Entom.)..
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indié, uitgegeven
door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch
Indie. Batavia en ’sGravenhage, 1873. DI. 33. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Newman (E.), The Entomologist. London, 1874/75. vol. VII,
n°. 133—137; vol. VIII, n°. 138—144. 8vo.
Oversigt over det Kgl. danske Videnskabernes Selskabs Forhand-
linger og dets Medlemmers Arbeider i Aar 1852, 1853 & 1855.
Kjöbenhavn, 1852/53 & 55. 3 din. 8vo.
Periodico Zoolöjieo. Organo de la Sociedad Entomolögiea Argen-
tina publicado por la misma. Buenos-Ayres, 1874. Tom. I, En-
tegra 1 et 2. 8vo. (Geschenk van Prof. H. Weyenbergh).
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Boston ,
1873/74. vol. XV, part 3; vol. XVI, part 1. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society
of London for the year 1874, prt. 2 and 3. London, 1874. 8vo,
(In ruil tegen het Tijdschr v. Entom.).
LX VIII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
96.
97.
98.
99.
100
101.
102.
103.
104.
105.
106.
107.
108.
109.
Report of the Commissioner of Agrieulture for the year 1872.
Washington, 1874. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Reports (Monthly) of the Department of Agrieulture for the
year 1872 and 1873. Washington, 1873. 8vo.
Report (Third Annual) of the Board of Managers of the Zoolo-
gical Society of Philadelphia. Philad., 1875. With Plates. 8vo.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. ’s Gravenhage, 1873/74. DI. 17, afl. 5
en 6. Met pl. 8vo., benevens Repertorium betreffende den 9%%— 16%
jaargang, door F. M. van der Wulp. ’s Gravenhage, 1875. 8vo.
Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, gevestigd te
Amsterdam. Amsterdam, 1874/75. n°. 1—5. 4to. (In ruil legen
het Tijdschr. voor Entom.).
Verslag van de 29% Zomervergadering en van de 8* Winter-
vergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, ge-
houden te Arnhem den 29ster Augustus en te Leiden den 19%
December 1874. ’s Gravenhage, 1875. 8vo.
Verslag (74°) van het Natuurkundig Genootschap te Groningen
over het jaar 1874, 8vo. (Geschenk van het Natuurk. Genootschap).
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van
Wetenschappen, Afd. Natuurkunde. Amsterd. 1874—75. 2de reeks
8ste deel, 2de en 3de stuk, 9de deel, iste stuk, 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. voor Entom.).
Reizen.
Niets bijgekomen.
Varia.
Correspondance Botanique. Liste des jardins, des chaires et des
musées botaniques du Monde. 2me éd. Liège, 1874, 8vo.
Schweinfurt (Dr. G.), Discours prononcé au Caire à la Séance
d’inauguration de la Société Khédiviale de Géographie, le 2 Juin
1875. Alexandrie, 1875. 8vo.
Sélys Longchamps (E. de), Notice Bibliographique. Brux. 1874.
kl. 8vo.
Signoret (Dr. V.), Notice nécrologique sur J. B. Amyot. Paris,
1866. 8vo.
Statuts de la Société Khédiviale de Géographie. Alexandrie,
1875. 8vo.
Vissering (Mr. S.), Handleiding tot Wetenschappelijke waarne-
mingen ten behoeve van Reizigers, Koloniale Ambtenaren, Consuls
en andere Residenten in vreemde gewesten; uitgegeven door het
Aardrijkskundig genootschap. IX. Handleiding tot het Statistisch
onderzoek, Utrecht, 1875. kl. 8vo.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LXIX
110. Weyenbergh (Prof. H.), Rede zur Eröffnung des Zoologischen
Cursus 1874 an der San Carlos-Universität zu Cordoba. Buenos
Ayres, 1874. (Geschenk van den Redenaar).
BIBETOTHEERRKB,
Natuurlijke Historie in het Algemeen.
Niets bijgekomen.
Algemeene Dierkunde.
. Dybowsky (Dr. B. N.), Beiträge zur näheren Kenntniss der in
dem Baikal-see vorkommenden niederen Krebse aus der Gruppe
der Gammariden. St. Petersburg, 1874. Mit 3 colorirten und 11
schwarzen Tafeln. 4to (Geschenk van de Russische Entomologische
Vereeniging).
Marshall (A. de), Nomenclator Zoologieus continens nomina sys-
tematica generum animalium tam viventium quam fossilium,
secundem ordinem alphabeticum disposita. Vindobonae, 1873, 8vo.
Sundevall (©. J.), Ett Försök att Bestämma de af Aristoteles omta-
lade Djurarterna. I. Luftandande Djur, eller klasserna : Däggdjur,
Foglar, Reptilier och Insekter med Arachnider. Stockholm, 1862. 4to.
Algemeene Entomologie.
Dahlbom (A. G.), Anteckningar öfver Insekter, som blifvit obser-
verade pa Gottland och i en del af Calmare Län, under sommaren
1850. 8vo.
Girard (M.), Les métamorphoses des Insectes. 4me éd. Paris,
1874. 8vo.
Petagnae (Vincentii), Specimen Insectorum ulterioris Calabriae.
Ed. nuov. Lipsiae, 1820. Cum 38 incon. col. 4to.
Schmiedlein (G. B.), Vollständiger Lehrbegriff der Entomologie,
nach Anleitung der neuesten Ausgabe des Linne’ischen Natur-
systems. Leipzig, 1795. 1ster Bd. M. 4 Kpftfin. 8vo.
Thomson (C. G.), Opuscula Entomologica. Lund, 1874--75. Fasc.
VII. 8v0.
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
. Fauvel (A.), Faune Gallo-Rhénane ou Species des Insectes qui
habitent la France, la Belgique, la Hollande, le Luxembourg,
la Prusse-Rhenane, le Nassau et le Valais (Coléoptères). Tom.
II, livr. 5. Caen, 1874. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
LXX
10.
ip le
12.
13.
14
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23,
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Gemminger (Dr. M.) et B. de Harold, Catalogus Coleopterorum
hucusque descriptorum synonymicus et systematicus. München,
1874. Tom. XI. 8vo.
Harold (E. von), Coleopterologische Hefte. München, 1875. Heft
XII. 8vo.
Redtenbacher (L.), Fauna Austriaca. Die Käfer, nach der Ana-
lytischen Methode bearbeitet. Wien, 1874. Dritte, gänzlich um-
gearbeitete und bedeutend vermehrte Auflage. 8vo.
Roger (Dr. O.), Das Flügelgeäder der Käfer. Zugleich ein frag-
mentärer Versuch zur Auffassung der Käfer im Sinne der
Descendenztheorie. Erlangen, 1875. 8vo.
Vollenhoven (S. C. Snellen van), De Colorado-kever. Haarlem,
1875. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
B. Lepidoptera.
Berce (E.), Faune Entomologique Française (Lépidoptères). Des-
cription de tous les Papillons qui se trouvent en France. Paris,
1873. vol. V (Geometridae). Av. pl. col. 8vo.
Boisduval (Dr. J. A.), Histoire générale des Insectes. Species
général des Lépidoptères Hétérocères. Paris, 1874. Tom. I (Sphin-
gides, Sesiides, Castnides) Av. 11 pl. col. 8vo (Suites à Buffon).
Eversmann (E.), Fauna Lepidopterologica Volgo-Uralensis exhibens
Lepidopterorum species quas per viginti quinque annos in pro-
vinciis Volgam fluvium inter et montes Uralensis sitis observavit
et descripsit, Casani, 1844. 8vo.
Hewitson (W. C.), Exotie Butterflies, being Illustrations of new
Species. London, 1874—75. Part 92—95. With col. pl. 4to.
Milliere (P.), Iconographie et description de Chenilles et Lépido-
ptères inédits. Paris, 1874. Livr. 35. Av. pl. col. 8vo.
Nicolai (Dr. A. H.), Die Wander-oder Prozessionsraupe (Bombyx
processionea) in naturhistorisch-landespolizeilisch und medieinischer
Hinsicht geschildert. Berlin, 1833. Mit 1 Steindruck. 8vo.
Snellen (P. C. T.), Opgave der Geometrina en Pyralidina in Nieuw
Granada en op St. Thomas en Jamaica verzameld door W. Baron
von Nolcken, met beschrijving en afbeelding der nieuwe soorten.
’s Gravenhage, 1874. M. 7 gekl. plat. 8vo.
Vollenhoven (Dr. 8. C. Snellen van), Beschrijvingen en: afbeel-
dingen van Nederlandsche Vlinders. ’s Gravenhage, 1875. DI. III,
n°. 35—38. Met gekl. pl. 4to. (Vervolg op J. C. Sepp, Beschou-
wing der wonderen Gods enz.).
Weismann (Dr. A.), Studien zur Descendenz-Theorie. I. Ueber
den Saison-Dimorphismus der Schmetterlinge. Leipzig, 1875. M.
2 col. Tafin. 8vo.
24.
25.
26.
27.
28.
29.
30.
31.
32.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LXXI
C. Hymenoptera.
Thomson (C. G.), Hymenoptera Scandinaviae. Lundae, 1874. Tom.
III fase. 2 (Sphex et Mutilla Linn.) 8vo.
D. Hemiptera.
Niets bijgekomen.
E. Neuroptera.
Schneider (G. Th.), Monographia generis Rhaphidiae Linnaei.
Vratislaviae, 1843. C. 7 tab. 4to.
F. Orthoptera.
Niets bijgekomen.
G. Diptera.
Niets bijgekomen.
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Niets bijgekomen.
Palaeontologie.
Niets bijgekomen.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Bibiena (F.), Spicilegium de Bombyce. Bon. 1767. C. 4 tab. fol.
Groshans (G. P. F.), Speeimen anatomica-physiologieum de sys-
temate uropoietico, quod est radiatorum, articulatorum et mol-
luscorum acephalorum. Lugd. Bat. 1837. 8vo.
Tijdschriften.
Album der Natuur. Tijdschrift ter verspreiding van natuurkennis
onder beschaafde lezers van allerlei stand. Jaarg. 1874 afl. 11 en
12, 1875 afl. 1—9. Haarlem, 1874—75. 8vo.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Brux. 1874.
Tom. XVI. Av. 1 pl. col. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Annales des Sciences naturelles. Zoologie et Palaeontologie. Paris,
1874—75, 6° sér. tom. I. Av. pl. 8vo.
Annals and Magazine of Natural History. Conducted by C. C.
Babington, A. Giinther, W. S. Dallas and W. Francis. London,
1874—75. Ath ser. Vol. 14 n°. 3—6, Vol. 15, and Vol. 16 n°. 1.
With pl. 8vo.
Archiv für Naturgeschichte. Gegründet von Wiegmann und fort-
gesetzt von Erichson und Troschel. Berlin, 1872—75. Jahrg. 38
n°. 6; 40 n°. 3 und 4; 41 n°. 1 und 2, Mit Tafin. 8vo.
LXXII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
33.
34.
35.
36.
37.
38.
39.
40.
41.
42,
43,
44,
45.
46.
Archives (Nouvelles) du Muséum d'histoire naturelle de Paris.
Paris, 1874. Tom. 10 livr. 2 et 3. Av. pl. 4to.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben von dem En-
tomologischen Vereine in Berlin. Redact. Dr. G. Kraatz. Berlin,
1874—75. 18ter Jahrg. Heft 3 und 4; 19ter Jahrg. (unt. d. Titel
„Deutsche Entomologische Zeitschrift”) Heft 1. Mit Tafln. 8vo.
Inhalts-Verzeichniss der Berl. Ent. Zeitschr. Jahrg. 13—18 (1869 —
74), zusammengestellt von Max Wahnschaffe. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
Bulletins de l’Académie royale des sciences, des lettres et des
beaux-arts de Belgique. Brux. 1873—74. 2me sér. tom. 35—37.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. voor Entom.).
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou,
publié sous la direction du Dr. Renard. Moscou, 1873—74. Ann.
1873 n°. 1 et 4, 1874 n°. 1 et 2. Av. pl. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. voor Entom.).
Bulletin des Sciences physiques et naturelles en Néerlande. Rédigé
par M. M. Miquel, Mulder et Wenckebach. Leyde, 1838. Ann.
1838. 4to.
Correspondenz-Blatt des zoologisch-mineralogischen Vereines in
Regensburg. Regensburg, 1874—75. Jahrg. 28 n°. 4—12; Jahrg.
29 n°. 1—7. 8vo.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Condueted by J. W.
Douglas, R. Mac Lachlan, E. C. Rye and H. T. Stainton. Lond.,
1874—75. vol. XI, n°. 4--12; vol. XII n°. 1 and 2. 8vo.
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. Petropoli, 1874. Tom. X,
n°. 2—4, Av. pl. col. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Journal (The) of the Linnean Society of London. (Zoology). London,
1874. vol. XII, n°. 57. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft.
Redigirt von Dr. G. Stierlin. Schafhausen, 1874—75. Vol. IV.
Heft n°. 5—7, 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Nunguam otiosus. Zoologische Mittheilungen von Dr. L. W.
Schaufuss. Dresden, 1870—74. Bd. I, II. Lief. 1 und 2. 8vo.
Revue et Magasin de Zoologie pure et appliquée, sous la direc-
tion de M. F. E. Guérin-Méneville. Paris, 1874. 3me sér., tom.
II, n°. 7—12. Av. pl. col. 8vo.
Scottish (The) Naturalist, and Journal of the Pertshire Society
of Natural Science. Edited by Buchenan White. Perth, 1871—75.
vol. I, II, III n°. 1—3. 8vo.
Transactions of the Linnean Society of London. London, 1874— 75.
vol. 30. prt. 2 and 3. With pl. 4to.
47.
48.
49.
50.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LXXIII
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. ’s Gravenhage, 1874. DI. XVII. afl.
5 en 6. M. gekl. pl. 8vo.
Repertorium betreffende den 9%" —16° jaargang (2% ser. 1866 —
1873) van het Tijdschr. v. Entom., bewerkt door F. M. van
der Wulp. ’s Gravenhage, 1875. 8vo.
Verslagen der beide in 1874 door de Nederl. Entom. Vereeniging
gehouden Vergaderingen.
Zoological (The) Record for 1873, being volume X of the Record
of Zoological Literature, edited by E.C. Rye, London, 1875. 8vo.
Zoologist (The). A monthly Journal of Natural History, conduct.
by E. Newman. London, 1874—75. Sec. series. n°. 108—118. 8vo.
Reizen.
Niets bijgekomen.
Varia.
Niets bijgekomen.
ENTOMOLOGISCHE INHOUD
VAN
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN,
September 1874. |
Newman’s Entomologist, n°. 133 (Sept. 1874) (a). 1)
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die
Mitteleuropiischen Eichengallen”, by Mrs. Hubert Herkomer née
Weise. — Notes on the Wing-bones of the Two-winged Flies,
by F. Walker. — Occurrence of Butterflies at Dry Drayton, in
the Months of March, April, May, June 1874, by F. A. Walker. —
Entomological Notes, Captures, ete. — Answers to Correspon-
dents. — Extracts from the Proceedings of the Entomological
Society of London, July 6th. 1874. — Death of Mr. Alfred Owen.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 124 (Sept. 1874) (b).
Description of the Larva and Pupa of Deilephila Euphorbiae, by
W. Buckler. — Descriptions of two new species of Heterocerous
Lepidoptera in the collection of the British Museum, by A. G.
Butler. — Descriptions of three new species of Erotylidae, by
G. Lewis. — Descriptions of two new genera and some new
species of Pselaphidae, by D. Sharp. — Entomological Notes,
Captures, ete. — Notes on Cicindelidae and Carabidae, and Des-
criptions of New Species (n°. 18), by H. W. Bates.
Annals and Magazine of Natural History, Ath. ser. vol. 14 n°. 81
(Sept. 1874) (b).
On some new Genera and Species of Araneidea, by O. P. Cam-
bridge. — Descriptions of four new Species of Glomeridae from
Sikkim, by A. G. Butler. — On a new Genus and Speeies of
Land-Crabs from the Nicobar Islands, by J. Wood-Mason. — Note
on Iphiclides Ajax, by R. Meldola. — Tube-building Amphipoda,
by 8. J. Smith.
1) (a) duidt aan dat het werk tot de oorspronkelijke Bibliotheek der Ned. Ent.
Vereeniging , (2) dat het tot de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier behoort.
ENTOMOLOGISCHE INHOUD ENZ. LXXV
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Ann.
1873 n°. 4 (b).
Enumération des nouvelles espèces de Coléoptères rapportés de ses
voyages par feu Victor Motschoulsky (13° article).
Berliner Entomologische Zeitschrift. Jahrg. 1874. 3tes und 4tes Heft. (a)
Die Malacodermen Japans, nach dem Ergebnisse der Sammlungen
des Herrn G. Lewis während der Jahre 1869—1871, von H. von
Kiesenwetter. — The Staphylinidae of Japan, by D. Sharp,
besprochen von Dr. G. Kraatz. — Ein Dytiscus-Bastard beschrieben
von Dr. G. Kraatz. — Ueber Dytiscus Ibericus Rosenh, — Ueber
Erchomus colchicus Kraatz = Coproporus gallicus Perris = Cilea
colchica in Pandellé Ess., von Dr. G. Kraatz. — Ueber einige
Harpalus von Sarepta, von G. Kraatz. — Ueber Hyperaspis
erythrocephala F. von G. Kraatz. — Ueber Hyperaspis 4-macu-
lata Redt. und 6-guttata Bris., von G. Kraatz. — Ueber Cocci-
nella Aegyptiaca Reiche, von G. Kraatz. — Liste der Arten der
Rüsselkäfer-Gattung Brachycerus Oliv. (nee Fabr.). — Revision
der europäischen Laccobius-Arten, von A. von Rottenberg. —
Beschreibung neuer Carabiden, von A. von Rottenberg. — Lathri-
maeum fratellum nov. spec., von A. von Rottenberg. —- Neue
Heteroptera aus Ungarn, von Dr. G. v. Harväth. — Aus der
Bienen-Fauna Nassau’s, von Prof. Schenck. — Die systematische
Eintheilung der deutschen Bienen, von Prof. Schenck. — Einige
Abnormitiiten an Bienen, von Prof. Schenck. — Ueber Neogonus
Plasonii Hampe, von Dr, G. Kraatz. — Neue nordamerikanische
Dasypogonina, von Dr. H. Loew. — Neue nordamerikanische
Diptera, von Dr. H. Loew. — Beiträge zur Kenntniss der Peru-
anischen Käferfauna auf Dr. Abendroth’s Sammlungen basirt,
von Th. Kirsch. — Ueber die genealogischen Systeme Haeckels,
besonders die sog. Gastraeatheorie, von Dr. W. H. Rolph. —
Zur Nomenclatur des Kartoffelkäfers, von Dr. G. Kraatz. — Die
Larve der Leptinotarsa multilincata Stal, von E. von Harold. —
Kritische Bemerkungen über die europäischen Mordelliden , von
Dr. C. Emery.
Tijdschrift voor Entomologie. Deel 17 afl. 5 en 6 (a en b).
Aanteekeningen betreffende eene kleine colleetie Hymenoptera van
Neder-Guinea en beschrijving van de nieuwe soorten, door C.
Ritsema Cz. — Eene nieuwe, bij Breda gevonden, Grapholitha-
soort, Grapholitha conicolana Heyl., door F.J.M. Heylaerts Jr. —
Over de haren der rupsen van Calligenia miniata Forst., door
J. van Leeuwen Jr. — Mamillo Curtisea Weyenb., door Prof.
Dr. H. Weyenbergh. — Micro-Lepidoptera, nieuw voor de Fauna
ran Nederland, medegedeeld door de heeren de Graaf en Snellen, —
Sur deux nouvelles espèces de Trichoptères d'Europe, par. M.
Herman Albarda.
LXXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Periédico Zoolöjieo. Organo de la Sociedad Entomológica Argentina.
Tom. I. Entrega 1. (a).
Los Microlepidopteros Argentinos descritos y dibujados en sus meta-
mörphosis, por el Dr. H. Weyenbergh. — Mangas de Langostas
(Acridium Paranense Burm.) en la Republica Argentina durante
1873, por el Dr. H. Weyenbergh. — Histoire attendrissante de
amour maternel de l’Omoplata flava, par M. le Dr. H. Weyen-
bergh. — Sobre un Monstruo dicéphalo (larva de Chironomus)
y sobre Monstruos de Insectos en general, por el Catedrätico
Dr. H. Weyenbergh.
Correspondenz-Blatt des zool. min. Vereines in Regensburg. 28ster
Jahrg. 1874. n°. 4 (b).
Eine neue bayrische Blattwespe : Pachyprotasis nigronotata, von Dr.
Kriechbaumer. — Systematische Uebersicht der Käfer, welche in
Baiern und der nächsten Umgebung vorkommen (Fortsetzung),
von G. Kittel.
October 1874.
Newman’s Entomologist. N°. 134 (Oct. 1874) (a).
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die
Mitteleuropäischen Eichengallen ” by Mrs. Hubert Herkomer née
Weise. — Notes on the Wing-bones of the Two-winged Flies,
by Fr. Walker (continued). — Our Common Wasps, by H. Reeks. —
Entomological Notes, Captures, ete. — Death of Mr. Crotch, and
List of his Writings.
Entomologist’s Monthly Magazine N°. 125 (Oct. 1874) (b).
On a new Family of European aquatie Coleoptera, by D. Sharp. —
Descriptions of new species of Lycaenidae from South America,
by W. C. Hewitson. — Notes on British Tenthredinidae, with
description of a new species of Nematus, by P. Cameron, Jun. —
Entomological Notes, Captures, etc. — Description of a new
species of Liburnia from Biskra (Algeria), by J. Scott. — On
certain British Hemiptera Homoptera (Revision of the genus
Strongylocephalus , and description of a new species), by J. Scott.
Annals and Magazine of Natural History. 4th. ser. vol. 14. N°. 82
(Oct. 1874) (0).
On the Invertebrate Marine Fauna and Fishes of St. Andrews (Series
II Arthropoda Class Crustacea), by W. C. M’Intosh. — On a
Collection of Hemiptera Heteroptera, from Japan. Descriptions of
various new Genera and Species, by John Scott.
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Vol.
IV Heft n°. 5. (0).
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXVII
Die Sphingiden und Bombyciden der Schweiz, bearbeitet von H.
Frey und J. Wullschlegel. — Ueber Orchestes pubescens Steph.
und semirufus Gyll., von Dr. G. Kraatz.
Archiv fiir Naturgeschichte, von Troschel. 40ster Jahrg. 3tes Heft. (0).
Mutillarum Americae meridionalis indigenarum synopsis systematica
et synonymica, auctore A. Gerstaecker.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. vol. II. N°. 2. (a).
On the Species of Helicopis inhabiting the Valley of the Amazon,
by A. R. Grote. — Descriptions of New Noctuidae, by H. K.
Morrisson. — Observations of North American Moths by L.
Harvey. — Additions to the „List of North American Noctuidae,”
by A. R. Grote. — New Noctuae, by A. R. Grote.
Proceedings of the Boston Society of Natural History. vol. XV prt.
3 and vol. XVI prt. 1. (a).
Report on the Pseudoneuroptera and Neuroptera of North America
in the Collection of the late Th. W. Harris, by H. A. Hagen. —
Catalogue of the Phalaenidae of California. N°. 2, by A. S. Pac-
kard. — Occurrence of Rare and New Myriapods in Massachusetts,
by Dr. A. S. Packard.
November 1874.
Newman’s Entomologist. N°. 135 (Nov. 1874) (a).
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die
Mitteleuropäischen Eichengallen, by Mrs. Hubert Herkomer née
Weise. — Life-histories of Sawflies. Translated from the Dutch
of M. S. C. Snellen van Vollenhoven, by J. W. May. — Des-
cription of a Eupithecia New to Science; together with Notes
on its Life-history, by C. S. Gregson. — Entomological Notes,
Captures, ete. — Death of Mr. Francis Walker.
Entomologist’s Monthly Magazine. N°. 126 (Nov. 1874) (0).
Description of two new genera of Scarabaeidae, by D: Sharp. —
Description of a new species of Heteromerous Coleoptera belon
ging to the genus Toxicum, by ©. O. Waterhouse. — On a new
genus of Longicorn Beetles from Australia, by C. O. Waterhouse. —
Description of a new species of Apion from the Shetland Isles,
by T. Blackburn. — Description of a new species of Eriocampa
from Scotland; with note on a variety of Taxonus equiseti Fall.,
by P. Cameron, Jun. — Description of a new Papilio from
Madagascar, by W. L. Distant. — Descriptions of five new species
of Acraea from West Africa, by W. C. Hewitson. — Notes on
British Tortrices, by C. G. Barrett. — Entomological Notes,
Captures, ete. — Orbituary: Francis Walker. — British Hemiptera.
Additional Species, by J. W. Douglas, and by J. W. Douglas
and J. Scott.
LXXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Annals and Magazine of Natural History. 4th. sor. vol. 14. N°. 83
(Nov. 1874). (0).
On the Invertebrate Marine Fauna of St. Andr ws (Crustacea),
by W. C. M’Intosh. — A List of Butterflies, wi‘h Descriptions
of New Species, from the Andaman Islands, bij W. C. Hewitson. —
On a Collection of Hemiptera Heteroptera from Japan. Descrip-
tions of various new Genera and Species, by J. Scott. — Des-
criptions of new Species of Sesia in the Collection of the British
Museum, by A. G. Butler.
Revue et Magasin de Zoologie. 3° sér. tom. 2 (1874) N°. 7, 8 et 9 (b).
Description de Lépidoptères nouveaux d’Europe, par M. Millière. —
Catalogue des Clérides de la collection de M. A. Chevrolat. —
Description d’une nouvelle espèce d’Othnius et d’un nouveau genre
de la famille des Othnidae, l’une et l’autre du Mexique, par M.
A. Chevrolat. — Nouvelle espèce d’Echinotus, genre voisin des
Sepidium, par A. Chevrolat.
Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg. 28% Jahrg.
(1874) N°. 5—8. (b).
Necrolog : Dr. G. A. Herrich-Schäffer, von Dr. O. Hoffmann. — Eine
neue bayerische Biene: Stelis strigata, von Dr. Kriechbaumer. —
Versuch einer chronologischen Uebersicht der bisher beschriebenen
oder benannten Arten der Gattung Pulex Linn., mit Berücksich-
tigung ihrer Synonymen, von C. Ritsema Cz. — Systematische
Uebersicht der Käfer welche in Baiern und der nächsten Umge-
bung vorkommen (Fortsetzung), von G. Kittel.
Periödico Zoolöjieo. Organo de la Sociedad Entomológica Argentina.
Tom. I. Entrega II (a).
Varia zoologica et palaeontologica, de M. H. Weyenbergh. — Enu-
mération systématique des espèces qui forment la Faune entomo-
logique de la période mésozoique de la Bavière; en même temps
Supplément du Catalogue de la Collection palaeontologique du
Musée Teyler, par M. H. Weyenbergh. — Apuntes pequenos.
Nouvelles Archives du Muséum d'histoire naturelle de Paris. Tom. X.
fasc. 2. (b).
Recherches sur la Faune Carcinologique de la Nouvelle Calédonie,
par A. Milne Edwards (3° partie).
December 1874.
Newman’s Entomologist. N°. 136 & 137 (Dec. 1874) (a).
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die
Mitteleuropäischen Eichengallen,’’ by Mrs Hubert Herkomer née
Weise. — Life-histories of Sawflies. Translated from the Dutch of
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXXIX
M. 5. C. Snellen van Vollenhoven, by J. W. May. — Netherland
Insects. Translated from the Dutch of Christian Sepp. by Edw.
Birchall. — The Classification of the Rhynchophorous Coleoptera,
by J. L. Leconte. — Mode of oviposition in certain Lepidoptera,
by P. H. Jennings. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. N°. 127 (Dec. 1874) (b).
On certain British Hemiptera-Homoptera, by J. Scott (continued). —
Diagnostic Characters of undescribed Cossonidae, by T. Vernon
Wollaston. — Description of a new Japanese species of the genus
Lycoperdina, by H. S. Gorham. — Notes on British Tortrices,
by C. G. Barrett. — Entomological Notes, Captures, ete. —
Descriptions of six new species of Diurnal Lepidoptera in the
collection of the British Museum, by A. G. Butler. — New
Lycaenidae from Queensland, by W. H. Miskin. — Notes on
Japanese Butterflies, with descriptions of new genera and species,
by R. P. Murray.
Annals and Magazine of Natural History. 4th. ser. vol. 14, n°. 84
(Dec. 1874) (b).
Notes on the Aegeriidae, with descriptions of new Genera and
Species, by A. G. Butler. — On a collection of Hemiptera Hete-
roptera from Japan. Descriptions of various new genera and
species, by J. Scott.
Verslagen en Mededeelingen van de Kon. Acad. v. Wetensch. Afd.
Natuurkunde. 2% Reeks 8° deel. 2% stuk. (a).
Over de groep der Dryiniden in de familie der Proctotrupiden, met
beschrijving eener nieuwe soort, door S. C. Snellen van Vollenhoven.
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. 2% ser. tom, 7.
(1872—73) (a).
Faune Gallo-Rhénane ou Description des Insectes qui habitent la
France, la Belgique, la Hollande, les provinces Rhénanes et le
Valais, avec tableaux synoptiques et planches gravées, par M.
A. Fauvel (Suite).
Januari 1875.
Newman’s Entomologist. N°. 138 (Jan. 1875) (a).
Recovering of Epping Forest, by E. Newman. — Cynips lignicola
on Quercus Phellos, by F. Walker. — Life-histories of Sawflies.
Translated from the Dutch of M. S, C. Snellen van Vollenhoven,
by J. W. May. — The Classification of the Rhynchophorous
Coleoptera, by J. L. Leconte (continued). — Abundance of Larvae
near Plymouth in June 1872, by G. F. Mathew. — Descriptions
of New Genera and Species of Parasites, belonging to the Families
LXXX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Proctotrupidae and Chaleididae, which attack Insects destructive
to the Fig in India, by the late F. Walker. — Entomological
Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. N°. 128 (Jan. 1875) (b).
British Hemiptera. — Additional Species, by J. W. Douglas and
J. Scott (continued). — Notes on Cieindelidae and Carabidae;
and Descriptions of New Species (N°. 19), by H. W. Bates. —
Descriptions of New Species of Eumorphus and Corynomalus,
by H. S. Gorham. — Descriptions of six New Species of Butterflies
from South America, West Africa and Borneo, by W. C. Hewit-
son. — Hemiptera: Synonymic Notes, by J. W. Douglas and
J. Scott. — Entomological Notes, Captures, etc. — Notes on
British Tortrices, by C. G. Barrett (continued).
Annals and Magazine of Natural History. Ath. ser. vol. 15. N°. 85
(Jan. 1875) (b).
Descriptions of two new Species of Crustacea from New Zealand,
by F. W. Hutton. — Notes on Coleoptera, with Descriptions of
new Genera and Species. Part III, by F. P. Pascoe. — On the
Genus Bathyporeia, by T. R. R. Stebbing.
Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg. 28ster Jahrg.
(1874) N°. 9. (6).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel (Fortsetzung).
Februarij 1875.
Newman’s Entomologist. N°. 139 (Febr. 1875) (a).
Variety of Argynnis Selene, by Edw. Newman. — Life-history of
Sawflies. Translated from the Dutch of M. S. C. Snellen van
Vollenhoven, by J. W. May. — Addition to the List of Macro-
Lepidoptera inhabiting Guernsey and Sark, by W. A. Luff. —
Notes on the Arachnida, by W. Sidney Randall. — Entomological
Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. N°. 129 (Febr. 1875) (b).
Description of a new species of Proctotrupidae from Ceylon, by A.
O. Ward. — Notes on British Homoptera, with Descriptions of
additional species, by J. W. Douglas. — On the Arrangement
of the British Anthomyidae, by R. H. Meade. — Description of
a new species of Brassolinae from Bogota, by W. L. Distant. —
Description of three new species of Trigonurus, by D. Sharp. —
Entomological Notes, Captures, ete. — Notes on Coleoptera from
South Morocco, by T. Blackmore.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXI
Annals and Magazine of Natural History. 4th. ser. vol. 15, N°. 86
(Febr. 1875) (b).
On the Genus Deidamia, v. W.S., by J. Wood-Mason. — Notes
on certain Genera of Agaristidae, with Descriptions of New Species ,
by A. G. Butler,
Revue et Magasin de Zoologie. 3° ser. tom. 2. (1874) N°. 10 et 11 (b).
Rectification des noms de quelques Crustacés de la Guadeloupe,
publiés d’après les notes manuscrites du Dr. J. Desbonnes, et
Addition d’espéces non comprises au Catalogue, par M. A. Schramm.
Bulletins de l’Académie Royale des Sciences, etc. de Belgique. 2° ser.
tom. 35. (1873) (b).
Troisiémes additions au Synopsis des Caloptérygines, par M. de
Sélys-Longchamps. — Troisiémes additions au Synopsis des
Gomphines, par M. de Sélys-Longchamps.
Id. tom. 36. (1873).
Un parasite des Cheiroptéres de Belgique (Nycteribia Frauenfeldii
Kolenati), par M. F. Plateaux. — Appendice aux troisièmes
Additions et liste des Gomphines, décrites dans le Synopsis et
ses trois Additions, par M. E. de Selys-Longehamps. — Appen-
dice aux troisièmes Additions au Synopsis des Caloptérygines,
par M. E. de Sélys-Longchamps. — Un mot sur la vie sociale des
animaux inférieurs, par M. P. J. van Beneden.
Id. tom. 37. (1874).
Additions au Synopsis des Cordulines, par M. E. de Sélys-Longchamps.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië. Deel 33 (1873) (a).
Mededeeling over Telyphonus proscorpis Latr., gevonden in de resi-
dentie Madioen, en over eene soort van Gordius of Mermis, gevonden
te Batoer, residentie Banjoemas, door Dr. C. de Gavere.
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Ann. 1874.
N°1." (6).
Matériaux pour servir à l’étude des Féroniens, par le Baron de
Chaudoir (Fin). — Supplément indispensable à l’article publié
par M. Gerstaecker en 1869, sur quelques genres d'Hyménoptères,
par M. O. de Bourmeister-Radoszkowsky (Fin).
Journal of the Linnean Society. Zoology. vol. XII. N°. 57. (b).
Contributions towards a knowledge of the Curculionidae, by F. P.
Pascoe (Prt. V).
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society of
London for 1874. Prt. II and III. (a).
List of Diurnal Lepidoptera collected in Cashmere Territory by Capt.
R. B. Reed, with Descriptions of New Species, by F. Moore. —
6
LXXXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
List of the Diurnal Lepidoptera of the South-Sea Islands by A.
G. Butler. — List of the Butterflies of Costa Rica, with Descrip-
tions of New Species, by A. G. Butler and H. Druce. — On
some New Species of Drassides, by O. P. Cambridge. — On some
New Species of Erigone from North America, by O. P. Cambridge.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. vol. II, N°. 1 (a).
List of the Noctuidae of North America, by A. R. Grote. — Cata-
logue of the Coleoptera from the Region of Lake Pontchartrain,
La., by S. V. Summers.
Report of the Commissioner of Agriculture for the year 1872. (a).
Report of the Entomologist and Curator of the Museum.
Monthly Reports of the Department of Agriculture for the year 1873. (a).
Entomological Records, by Townend Glover.
Album der Natuur. Jaarg. 1875. aflev. 4 (0).
De Colorado-kever, door Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven. —-
Geheugen bij bijen, door P. Harting. — Zelfmoord van een
schorpioen, door P. Harting. — Lievenheersbeestjes, door H. C.
van Hall. — Inenting met bijen-vergift, door D. Lubach.
Archiv für Naturgeschichte, von Troschel. 415 Jahrg. 1% Heft (b).
Beitrag zur Metamorphose der zweiflügeligen Insecten, von Th.
Beling. — Ueber taube und abortive Bieneneier, von Dr. R.
Leuckart.
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. tom. X, N°. 2-4. (0).
Suite des Aranéides de la Guyane frangaise, par L. Taczanowski. —
Drei neue griechische Anthidium, beschrieben von Dr. F. Mora-
witz. — Ueber russische Cassida-Arten, von Dr. G. Kraatz. —
Die Bienen Daghestans, von Dr. F. Morawitz. — Matériaux pour
servir à une faune hyménoptérologique de la Russie, par O.
Radoszkovsky. — Neue Lepidopteren fiir die St. Petersburger
Fauna, von N. Erschoff.
Id. Beiheft zum Xter Bande. (0).
Beiträge zur näheren Kenntniss der in dem Baikal-see vorkommenden
niederen Krebse aus der Gruppe der Gammariden, von Dr. B.
N. Dybowsky.
Transactions of the Linnean Society of London. vol. 30. prt. 2. (0).
Systematic List of the Spiders at present known to inhabit Great
Britain and Ireland, by O. P. Cambridge.
Maart 1875.
Newman’s Entomologist. N°. 140 (March 1875) (a).
Life-histories of Sawflies. Translated from the Dutch of Dr. S. C.
Snellen van Vollenhoven, by J. W. May. — List of the best
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXIII
Insects taken at Whittlesford during the past season, by A.
Thurnall. — Entomological Notes, Captures, ete. — Answer to
Correspondents. — Entomological Society.
Entomologist’s Monthly Magazine. N°. 130 (March 1875) (6).
Descriptions of new species referred to in Mr. Blackmore's notes
on Coleoptera from South Morocco, by H. W. Bates and T. V.
Wollaston. — On the arrangement of the British Anthomyidae
(eoneluded), by R. H. Meade. — On Asphondylia ulicis Traill,
by G. H. Verrall. — Descriptions of Rhopalocera from Madagascar,
by W. C. Hewitson. — On certain British Hemiptera-Homoptera
(Idiocerus and Cicadula), by J. Scott. — Notes on British He-
miptera, by E. Saunders. — Observations on the foregoing notes,
by J. W. Douglas and J. Scott. — Helophorus tuberculatus in
Yorkshire, by T. Wilkinson. — Natural History of Syrichthus
alveolus, by J. Hellins. — Occurrence of Myelois cirrigerella Zk.,
a species new to Britain, by E. Meyrick. — Notes on some
Tineina observed in 1874, by J. E. Fletcher. — Helicopsyche
cases from Sikkim, by R. Me. Lachlan. -- A probable heliciform
case-making larva among the Curculionidae, by R. Me. Lachlan.
— Proceedings of the Entomological Society of London. (25th.
January and 1st. and 15th. February).
Annals and Magazine of Natural History. 4th. series vol. 15. N°. 87
(March 1875) (0).
On some new exotic Sessile-eyed Crustaceans, by T. R. R. Steb-
bing. — Descriptions of some new North-American Lithobioidae,
by A. Stuxburg. — On some new species of Butterflies from
Tropical America, by A. G. Butler.
Album der Natuur. Jaarg. 1875 aflev. 5. (0).
De honigmieren, door Harting. — Dierlijke vermomming, door Harting.
Scottish Naturalist. N°. 17 (January 1875) (0).
Addition to the List of Shettland Coleoptera, by: T. Blackburn and
C. E. Lilley. — Lycaena Artaxerxes, by H. O. Forbes. — Insecta
Scotica. Addenda, by A. Kelly and J. Boswell Syme. — Food-
plant of Plusia interrogationis, by A. Kelly. — Lepidopterological
Notes, by T. Moncreiffe. — Outline Descriptions of British Beetles,
by T. Blackburn. — The Lepidoptera of Scottland, by F. Buchanan
White. -— The Coleoptera of Scottland, by D. Sharp.
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. 2me ser. vol. 8. Ann.
1873—74 (a).
Faune Gallo-Rhénane ou Description des Insectes qui habitent la
France, la Belgique, la Hollande, les provinces Rhénanes et le
Valais, avec tableaux synoptiques et planches gravées, par A.
LXXXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Fauvel (suite). — Notices sur les naturalistes voyageurs en
1873 et 1874.
Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg. 28ster Jahrg.
1874 N°. 10—12 (b).
Eine alte und eine neue Art der Gattung Ichneumon, von Dr.
Kriechbaumer. — Systematische Uebersicht der Käfer, welche in
Baiern und der nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel
(Fortsetzung).
April 1875.
Newman’s Entomologist N°. 141 (April 1875) (a).
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die
Mitteleuropäischen Eichengallen” by Mrs Hubert Herkomer née
Weise (continued). — Life-histories of Sawflies. Translated from
the Dutch of Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven by J. W. May
(continued). — Micro-Lepidoptera taken or reared in 1874, by
Mr. W. Machin. — Over the Fells in Summer, and Capture of
Argynnis Niobe in North Lancashire, by C. S. Gregson. — Captures
in the New-Forest in May and July 1874, by B. Cooper. —
Entomological Notes, Captures, etc. — Answers to Correspondents.
— Death of Mr. J. E. Gray.
Entomologist’s Monthly Magazine. N°. 131 (April 1875) (0).
Notes on Odonata from Newfoundland, collected in 1874 by Mr.
John Milne, by the Baron E. de Selys-Longchamps. — On a
collection of Butterflies made by Mr. John Milne in Newfoundland,
by H. W. Bates. — Description of a new Pulicideous Insect from
Ceylon, by Prof. J. 0. Westwood. — On three new Species of
Hydrophilidae, by D. Sharp. — Notes on British Tenthredinidae ,
with Descriptions of two new Species, by P. Cameron, Jun. —
Notes on British Hemiptera, by E. Saunders. — Occurrence of
Botys nubilalis (lupulinalis) in London, bij C. G. Barrett. —
Description of the larva ete. of Heliothis dipsacea, by W. Buckler. —
Captures of Noctuidae at St. Catharines in the Province of On-
taria, Canada West, by G. Norman. — British Hemiptera,
Additions and Corrections, by J. W. Douglas.
Annals and Magazine of Natural History, 4th. series vol. 15 N°. 88
(April 1875) (0).
On a new Species of Liphistius (Schiödte), by O. P. Cambridge. —
On an undescribed Organ in Limulus, supposed to be Renal in
its Nature, by A. S. Packard, Jun.
Album der Natuur. Jaarg. 1875 aflev. 6 (0).
De Wurm in het hout, door 8. C. Snellen van Vollenhoven. —
Een merkwaardig bijennest, door F. W. van Eeden.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXV
Scottish Naturalist. N°.18 (April 1875) (b).
Captures of Lepidoptera near Edinburgh in 1874, by W. A. Forbes. —
Lepidoptera of Scottland, Addendum, by A. Kelly. — Outline
Descriptions of British Coleoptera (continued), by T. Blackburn. —
The Lepidoptera of Scottland (continued), by F. Buchanan White, —
The Coleoptera of Scottland (continued), by D. Sharp.
Mei 1875.
Newman’s Entomologist. N°. 142 (May 1875) (a).
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „die
Mitteleuropäischen Eichengallen” by Mrs Hubert Herkomer née
Weise (continued). — Doings at Sallows, by G. F. Mathew. —
Collecting as it was, and as it now is, by H. R. Cox. — Ento-
mological Notes, Captures, etc. — Answers to Correspondents.
Entomologist’s Monthly Magazine. N°. 132 (May 1875) (6).
On certain British Hemiptera-Homoptera, by John Scott. — On the
species of Ephestia occurring in Britain, by C. G. Barrett. —
New genera and species of Longicorn Coleoptera from South
America, by H. W. Bates. — Entomological Notes, Captures, etc.
Annals and Magazine of Natural History, 4th. ser. vol. 15 N’. 89
(May 1875) (0).
Descriptions of New Species of Lepidoptera from Central America,
by A. G. Buttler. — Experiments on the supposed Auditory
Apparatus of the Culex mosquito, by A. M. Mayer.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Ann. 6°. (a).
Saggio di un Catalogo dei Lepidotteri d’Italia, compilato dall’Ing.
A. Curo. — Cenni biologici su due specie di Percus, di P. Bar-
gagli. — Contribuzioni alla Conoscenza della Fauna Entomologica
d’Italia, per A. Spagnolini. — Degli Insetti nocivi e dei loro
Parassiti enumerazione con note del Prof. Camillo Rondani. —
Contribuzione allo Studio degl’Insetti nel Modenese, del Prof. A.
Carruccio. — Escursioni entomologiche fatte nella Valle del Pe-
sio nell’anno 1873 e scoperta di due specie nuove di Coleotteri,
per E. Sella. — Di una forma poco nota del Polyommatus Alciphron
Rott., del Prof. P. Stefanelli. — Gli uccelli, gli insetti parassiti
e le trattative per gli accordi internazionali intorno alle leggi di
caccia. Nota di A. Targioni Tozzetti. — Nota sulle specie italiane
del genere Xylocopa Latr., del Prof. ©. Rondani. — Nuove osser-
vazioni intorno alla biologia di alcune specie del genere Bruchus.
Nota del Prof. P. Stefanelli. -- Nuove osservazioni sugli insetti
fitofagi e sui loro parassiti fatte nel 1873 dal Prof. C. Rondani. —
Aggiunta agli afidi italiani del Prof. G. Passerini. — Intorno al
danno arrecato alla canapa, al formentone ec. dall’ Agrotis suffusa
LXXXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Ochs., var. Pepoli Bertol. nep., nelle terre inondate nel comune
di Bondeno nella primavera 1873, di A. Bertoloni. — Species
italicae ordinis Dipterorum (Muscaria Rond.) Stirps Tanipezinae
et Loncheinae Rond., colleetae et observatae a Prof. C. Rondani. —
Coleotteri Tenebrioniti delle collezioni italiani esaminati da F.
Baudi. — Novella lettera sulla partenogenesi del Bombyx mori L.
di Carlo de Siebold. — Sopra alcune invasioni di Libelluline
nell'Italia superiore. — Calendario coleotterologico per Palermo e
dintorni, di Enrico Ragusa. — Sulla sinonimia dell’ Omophlus fal-
laciosus Rott. e dell’ Haplocnemus Koziorowiczi Desbr., di Enrico
Ragusa. — Espèces nouvelles de Coléoptères des Alpes Piémon-
taises, par M. le Doct. Sharp.
Deutsche Entomologische Zeitschrift (bisher , Berliner Entomologische
Zeitschrift”) 19ter Jahrg. (1875) 1stes Heft. (0).
Europaea et eircummediterraneae Faunae Tenebrionidum specierum,
quae Comes Dejean in suo Catologo, editio 3a consignavit, ex
ejusdem collectione in R. Taurinensi Musaeo asservata, cum
auctorum hodierne recepta determinatione collatio. Auctore Fla-
minio Baudi a Selve. — Hidrosis, eine neue Adelostomiden-Gat-
tung, von Dr. G. Haag. — Troglorhynchus baldensis n. sp., be-
schrieben von G. Czwalina. — Zwei neue deutsche Haliplus-Arten ,
von E. Wehncke. — Lithocharis Kellneri n. sp., von Dr. G.
Kraatz. — Scydmaenus similis Weise n. sp., von J. Weise. —
Ueber neue deutsche und vermuthlich deutsche Kifer, von J.
Weise. — Synonymische Bemerkungen. Ueber Anthrenus museorum
Linné, von G. Kraatz. u.s. w. — Pyralididae Argentini, von C.
Berg. — Seltsame Geschichte eines Tagfalters, von S. H. Seuddder
(aus dem „American Naturalist,” September, vol. VI. 1872,
übersetzt und mit Bemerkungen versehen von Dr. A. Speyer in
Rhoden.) — Nachtrag zu den Pyralididae Argentini, von C. Berg.
— Jacob Sturm’s Inseeten-Cabinet, von Dr. G. Kraatz. — Beiträge
zur Kenntniss der Peruanischen Käferfauna auf Dr. Abendroth’s
Sammlungen basirt, von Th. Kirsch. — Neue Coprophagen be-
schrieben von E. v. Harold. — Gymnopleurus Hildebrandti nov.
spec., von E. v. Harold. — Ueber die Finnischen Arten der Käfer-
Gattung Pytho und deren Larven, von John Sahlberg. — Die
bekannten Telmatophilus-Arten, übersichtlich dargestellt von Edm.
Reitter. — Ueber Cebrio ustulatus Dej., von G. Kraatz. — Die
deutschen Arten der Hydrophiliden-Gattung Anacaena, von H.v.
Kiesenwetter. — Ueber Dytiscus ibericus Rosenh. , von G. Kraatz. —
Ueber Brachycerus algirus Fabr., von G. Kraatz. — Zwei neue
europäische Hydroporus, von E. Wehncke.
Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde. Jahrg. XXVII
und XXVIII (a).
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. i LXXXVII
Bemerkungen iiber die Lepidopteren-Fauna des oberen Wisperthales
und der angrenzenden Gebirgshöhen, von A. Fuchs. — Beiträge
zur Kenntnis der Nassauischen Arachniden. I. Die Familien der
Mithraides, Pholcides, Eresides, Dysderides und Mygalides, von
L. Koch.
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Ann.
1873. N°. 1 (0).
Die Resultate der Acclimatisation von Antherea Yama-mayu G. M.
in den Ostseeprovinzen, von F. W. C. Berg. — Enumeration
der in den russischen Gouvernements Kiew und Volhynien bisher
aufgefundenen Käfer, von weiland J. H. Hochhuth.
Id. Ann. 1874 N°. 2. (b).
Hemiptera-Heteroptera (een in het Russisch geschreven opstel). —
Die Russischen Flusskrebse. Vorläufige Mittheilung von K. Kessler.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. tom. XVII (1874) (0).
Notice sur les époques d’apparition des Lépidoptères diurnes du
Brésil, recueillis par M. C. van Volxem dans son voyage en 1872,
par J. B. Capronnier. — Essai d’un tableau synoptique des espèces
du genre Mecinus Germ., par H. Tournier. — Relevé des Cicin-
délides et Carabiques recueillis en Portugal par M. C. van Volxem
en Mai et Juin 1871, par M. J. Putzeys. — Appendice au mémoire
de M. J.B. Capronnier, sur les Lépidoptères du Brésil. Description
d’une espèce nouvelle du genre Terias, par M. le Dr. Boisduval. —
Matériaux pour servir à la Monographie de la tribu des Erirrhi-
nides de la famille des Curculionides (Coléoptères), par H. Tour-
nier. — Notice sur les Cicindèles et Carabiques recueillis dans
Vile d’Antigoa par M. Purves, par J. Putzeys. — Curculionides
recueillis au Japon par M. G. Lewis, par W. Roelofs (2me partie). —
Observations sur la classification des Lamellicornes Coprophages,
par G. van Lansberge.
Mittheilungen der schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Vol.
IV. Heft N°. 6 (b).
Die Neuropteren-Fauna der Schweiz bis auf heutige Erfahrung,
zusammengestellt von Meyer-Dür.
Juni 1875.
Newman’s Entomologist. N°. 143 (June 1875) (b).
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die
Mitteleuropäischen Eichengallen” by Mrs Hubert Herkomer née
Weise. — Life-histories of Sawflies. Translated from the Dutch
of Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven by J. W. May. — Notes
LXXXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
on Ephyra punctaria and E. pendularia, by B. G. Cole. — Some
Remarks on Collecting and Collectors, by W. A. Lewis. — Notes
on Oviposition, by P. H. Jennings. — Entomological Notes,
Captures, ete. — Answers to Correspondents.
Entomologist’s Monthly Magazine. N°. 133 (June 1875) (0).
Notes on the Entomology of Kerguelen’s Island, by A. E. Eaton. —
Notes on Japanese Rhopalocera, with description of a new species,
by R. P. Murray. — Natural History of Larentia ruficinctata-Gn.
and L. Caesiata W. V., by J. Hellins. — Notes on British Tor-
trices, by C. G. Barrett (continued). — Description of a new
species of Nematus from Corsica, by P. Cameron, Jun. — Description
of three new Butterflies, by W. C. Hewitson. — On the Fondness
of Ants for certain Homoptera, by Prof. F. Delpino. — Ento-
mological Notes, Captures, ete. — On certain British Hemiptera-
Homoptera, by John Scott (continued).
Annals and Magazine of Natural History. 4th ser. vol. 15, N°. 90
(June 1875) (0). :
Descriptions of new Asiatic Species of Rhynchites, by F. P. Pascoe. —
Descriptions of new Genera and Species of Lepidoptera in the
Collection of the British Museum, by A. G. Butler. — Descriptions
of some new Genera and Species of Coleoptera from South Africa,
Madagascar, Mauritius and the Seychelle Islands, by C. O.
Waterhouse.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Ann. 7° trim I. (a).
Coleotteri Tenebrioniti delle collezioni italiane, da F. Baudi (con-
tinua). — Lamprorhiza morio. Descrizione di una nuova specie
italiana di Lampiridi, per F. Baudi. — Contribuzione alla Fauna
italiana degli Emitteri eterotteri, del Dott. St. de Bertolini. —
Altre osservazioni sui rapporti tra Cicadelle e Formiche, nota di
F. Delpino.
Archiv für Naturgeschichte von Dr. F. H. Troschel. 41% Bd. 2°
Heft. (b).
Ueber die geographische Verbreitung der europäischen Chernetiden
(Pseudoscorpione), von A. Stecker. — Beitrag zur Kenntniss der
Gattung Serolis, und einer neuen Art derselben, von Prof.
Dr. E. Grube. — Ueber den Generationsapparat der Araneiden.
Ein Beitrag zur Anatomie und Biologie derselben, von Dr.
Bertkau.
Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereines in Regensburg. 29** Jahrg.
N°. 1-4 (b).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel (Fortsetzung).
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXIX
Julij 1875.
Newman’s Entomologist. N°. 144 (July 1875) (a).
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die
Mitteleuropäischen Eichengallen” by Mrs Hubert Herkomer née
Weise. — Notes on Oviposition, by P. H. Jennings. — The Plague
of Locusts in America, by E. Newman. — Entomological Notes,
Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine N°. 134 (July 1875) (b).
Notes on British Homoptera, with Descriptions of Additional Species,
by J. W. Douglas. — British Hemiptera. Additions and Correc-
tions, by J. W. Douglas. — Notes on some British Dolichopodidae ,
with descriptions of new species, by G. H. Verrall. — Captures
of Stylops, by F. Enock, communicated with notes by F. Smith. —
Descriptions of three new species of Lycaenidae, by W. C. Hewitson.
— Entomological Notes, Captures, etc. — New Genera and Species
of Prionidae (Longicorn Coleoptera), by H. W. Bates.
Annals and Magazine of Natural History. 4th ser. vol. 16, N°. 91
(July 1875) (0).
Additions to the Australian Curculionidae. Part 8, by F. P. Pascoe. —
Descriptions of new Species of Crustacea collected at Kerguelen’s
Island by A. E. Eaton, by E. J. Miers. — On Androgynous
Diptera, by Dr. Löw.
Scottish Naturalist. vol. III N°. 19 (July 1875) (0).
Outline Descriptions of British Coleoptera, by Th. Blackburn (con-
tinued). — Aromia moschata, by A. Buchan Hepburn. — The
Lepidoptera of Scottland, by F. Buchanan White. — The Coleo-
ptera of Scottland, by D. Sharp.
Archiv für Naturgeschichte von Dr. F. H. Troschel. 38% Jahrg. 6t°*
Heft. (0).
Monographie der Eurychoriden (Adelostomides Lac. I von Dr, Haag-
Rutenberg.
Mittheilungen der schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Vol.
IV. Heft N°. 7 (b).
Die Neuroptern-Fauna der Schweiz, bis auf heutige Erfahrung,
zusammengestellt von Meyer-Dür (Fortsetzung).
Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereines in Regensburg. 29” Jahrg.
N°. 5—7. (b).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel (Fortsetzung). —
Die Jagd und zucht der Hymenopteren, von Dr. Kriechbaumer.
XC ENTOMOLOGISCHE INHOUD ENZ.
Coleopterologische Hefte. N°. XIII. (b).
Zur Kenntniss der Halticae oedipodes, von E. von Harold. —
Microctilodes, neue Gattung der Carpophilinae, von E. Reitter.
Zwei neue Eumolpiden, von E. von Harold. — New genera and
species of Scarabaeidae, by D. Sharp. — Neue Cybocephalus-Arten ,
von E. Reitter. — Verzeichniss der von Dr. Teuscher in Canta-
gallo gesammelten Coprophagen, von E. von Harold. — Beitrag
zur Kenntniss der exotischen Cryptophagidae, von E. Reitter. —
Diagnosen neuer Arten, von E. von Harold. — Beschreibungen
neuer Arten aus Columbiën, von E. Steinheil. — Berichtigungen
und Zusätze zum Münchener Cataloge. — Literatur. — Miscellen. —
Geänderte Namen.
VERSLAG
VAN DE
BUITENGEWONE VERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE LEIDEN
op Zaturdag 18 December 1875
des avonds ten 6 ure.
Voorzitter : Mr. W. Albarda.
Tegenwoordig met den Voorzitter de heeren Mr. A. Brants,
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, N. H. de Graaf, G.M. de Graaf,
H. W. Groll, Generaal Dr. A. W. M. van Hasselt, J. Kinker,
Mr. A. F. A. Leesberg, J. van Leeuwen Jr., J. W. Lodeesen ,
R. T. Maitland, Dr. J. G. de Man, Dr. E. Piaget, Mr. M.
C. Piepers, C. Ritsema Cz., P. C. T. Snellen, K. N. Swierstra,
H. J. Veth, Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven en F. M.
van der Wulp.
Van de heeren F. J. M. Heylaerts Jr., C. J. Grube en
J. G. Wurfbain is berigt ingekomen, dat zij verhinderd
zijn de vergadering bij te wonen.
De Voorzitter heet de Leden welkom op deze bijeenkomst,
waarvan hij kortelijk het hoofddoel vermeldt. Het Bestuur
van het Aardrijkskundig Genootschap namelijk heeft zich
onder anderen ook tot de Entomologische Vereeniging ge-
wend, om medewerking en geldelijke ondersteuning ten
behoeve van eene door gezegd Genootschap beraamde ex-
peditie naar de binnenlanden van Sumatra. De daartoe
ni
XCIT i VERSLAG.
strekkende circulaire wordt door den Secretaris voorgelezen.
De Voorzitter zegt dat het Bestuur zeer ingenomen is met
deze belangwekkende onderneming en rijpelijk heeft over-
wogen of en in hoever er termen te vinden zijn, om
daaraan den gewenschten geldelijken steun te verleenen.
Het Bestuur is evenwel tot de overtuiging gekomen, dat
de financiéle toestand van onze Vereeniging groote voor-
zigtigheid gebiedt en niet gedoogt voor het bovengemelde
doel eene bijdrage uit de kas af te zonderen, daargelaten
nog de vraag of eene Vereeniging als de onze, die van meer
dan eene zijde zelve in hare fondsen wordt geschraagd, wel
geacht kan worden bevoegd te zijn, om op hare beurt
weder eene andere instelling geldelijke hulp te verleenen.
Niettemin is het Bestuur zoo doordrongen van het gewigt
der zaak en acht het deze zoo zeer in het belang der
wetenschap in ’t algemeen en bepaaldelijk ook in het belang
der Entomologische Vereeniging, dat het naar een anderen
uitweg heeft gezocht, om, nu de kas te kort schiet, toch
de wenschen van het Aardrijkskundig Genootschap te gemoet
te komen. Dien uitweg meent het gevonden te hebben in
een voorstel aan de Leden, om door persoonlijke bijdragen
eene som bijeen te brengen, welke namens de Vereeniging
aan het Aardrijkskundig Genootschap ten behoeve van de
onderneming zal worden aangeboden, en waartoe eene
inschrijvingslijst ter teekening zal Gedeeld
Dit voorstel vindt onverdeelden bijval bij de ia
wier leden allen blijken ingenomen te zijn met de nea
van het Aardrijkskundig Genootschap, waaromtrent nog in
bijzonderheden van gedachten wordt gewisseld. De lijst tot
inteekening voor individuéle bijdragen wordt door nagenoeg
alle aanwezigen geteekend en bereikt aanvankelijk reeds
het cijfer van f152.50, terwijl wordt besloten eene circu-
laire aan de Leden en Begunstigers te rigten, waarbij ook
zij die niet tegenwoordig zijn in de gelegenheid worden
gesteld daaraan het hunne toe te voegen. Nog wordt op
voorstel van den heer Snellen goedgevonden, om door
VERSLAG. XCTI
middel dier circulaire aan de Leden tevens te vragen of zij
ook bijzondere punten wenschen aan te geven, waarvan
het onderzoek aan de personen, met de expeditie belast,
zou kunnen worden opgedragen; zijnde reeds eenige onder-
werpen daartoe aan den geachten Voorzitter van het Aard-
rijkskundig Genootschap medegedeeld.
De Voorzitter geeft eenige inlichtingen omtrent het voor-
gevallene op den gedenkdag aan Antonie van Leeuwenhoek
gewijd en den 8** September jl. te Delft gehouden. Hij
herinnert, dat op de laatste Zomervergadering eene Com-
missie werd benoemd, bestaande uit de heeren Dr. Everts,
Mr. M. ’s Gravesande Guicherit en hem, Voorzitter, ten einde
de Entomologische Vereeniging bij die gedachtenisviering
te vertegenwoordigen. Die Commissie heeft daar niet de
ontvangst genoten, welke zij met reden mogt verwachten.
Ofschoon door onzen Secretaris hare benoeming officieel
aan de Feestcommissie was medegedeeld, is het toen wel
niet dadelijk gebleken, maar toch later duidelijk geworden,
dat de Feestcommissie weinig minder heeft gedaan dan de
afgevaardigden der Entomologische Vereeniging, hoewel in
de bijeenkomst toegelaten, eenvoudig als zoodanig te igno-
reren; en wat meer is, de President der Feestcommissie,
de heer van Bemmelen, heeft in zijne redevoering woorden
gebezigd, die voor onze Vereeniging kwetsend waren,
woorden, die ook in de nieuwsbladen letterlijk zijn over-
genomen en alzoo wereldkundig gemaakt. Reeds denzelfden
dag, zegt de Voorzitter, is door hem mondeling daarop
geantwoord, maar bovendien heeft het Bestuur het noodig
geacht, om onmiddellijk over deze zaak een’ brief aan den
heer van Bemmelen te rigten en dien te doen opnemen in
dezelfde courant waarin ook de feestrede stond vermeld.
De heer van Bemmelen heeft daarop verder niet geantwoord,
doch zekere heer J. F. Snelleman heeft goedgevonden, in
een ingezonden stuk in de courant voor hem partij te trekken.
Het Bestuur heeft evenwel gemeend aan zijne waardigheid
te kort te doen, door dit geschrijf te beantwoorden,
XCIV VERSLAG.
Nog berigt de Voorzitter, dat het Bestuur op uitnemende
wijze geslaagd is in zijne pogingen, om het werk van den
heer van der Wulp over de Nederlandsche Diptera het licht
te doen zien. De kosten verbonden aan het uitgeven van
dit werk, waarbij een aantal platen zullen gevoegd worden,
zijn zoo groot, dat zij op verre na niet uit het te verwachten
debiet kunnen gevonden worden. Na vergeefsche aanzoeken
elders, heeft het Bestuur zich gewend tot Z. K. H. Prins
Hendrik, die met echt vorstelijke mildheid dadelijk een zeer
aanzienlijk subsidie (van f 2000) voor de uitgave heeft be-
schikbaar gesteld. Op nieuw is hier alzoo gebleken, dat de
edele Vorst steeds gereed is op onbekrompen wijze zijne
ondersteuning te schenken, waar deze voor een nuttig doel
gevraagd wordt.
De heer van der Wulp zegt, met erkentelijkheid jegens
allen, die tot deze gunstige uitkomst hebben medegewerkt,
dat nu in den loop van het jaar 1876 stellig het eerste deel
van zijn werk het licht zal zien.
Eindelijk vermeldt de Voorzitter in het kort, welke gel-
delijke uitkomsten zijn verkregen uit de uitgave van het
thans voltooide 48° deel van het Tijdschrift voor Entomologie.
De onkosten hebben, na aftrek der ontvangsten, niet minder
dan f 1000 bedragen, een cijfer dat velen welligt nog al
hoog zal voorkomen, maar waarbij moet worden in aan-
merking genomen, dat het deel meer uitbreiding dan een
der vorigen heeft gekregen (223 bladen druks en 14 platen)
en dat de vier laatste platen veel werk en dus ook buiten-
gewone onkosten, vooral voor het kleuren, hebben vereischt.
Eene uitvoerige opgave der kosten, in verband tot de in
der tijd gemaakte raming, wordt aan de Vergadering ter
inzage voorgelegd.
Overigens geene punten meer te behandelen zijnde, sluit
de Voorzitter deze buitengewone vergadering, om onmid-
dellijk daarna over te gaan tot de gewone Wintervergadering,
uitsluitend bestemd voor wetenschappelijke mededeelingen.
VAN DE
NEGENDE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGINCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE LEIDEN
op Zaturdag 18 December 1876,
des avonds ten 7 ure.
Voorzitter: de heer Mr. W. Albarda.
Tegenwoordig al de heeren, in het voorafgaande Verslag
der buitengewone vergadering genoemd.
De Voorzitter opent deze vergadering met den wensch,
dat zij vruchtbaar moge zijn in wetenschappelijke mededee-
lingen, en geeft achtereenvolgens het woord aan de na te
melden heeren, die hun verlangen hebben te kennen ge-
geven om eenig onderwerp te bespreken.
De heer Snellen herinnert aan de Leden eene mede-
deeling van Mr. Herman Albarda, gedaan op de 28°" Zomer-
vergadering te Breda, den 7° Junij 1873, waarin deze,
sprekende over Psectra diptera Burm. , van welk Neuropteron
alleen het wijfje ontwikkelde achtervleugels heeft, zegt dat
bij de Lepidoptera altijd het mannetje de meest ontwik-
kelde vleugels bezit. In het algemeen is dit ook zoo — zegt
Spreker — wanneer men alleen de Lepidoptera der Euro-
XGVI VERSLAG.
pesche fauna in aanmerking neemt, ofschoon men reeds
bij naauwkeurige vergelijking der mannelijke vlinders van
het inlandsche Geometrinen-geslacht Lobophora met hunne
wijfjes bevindt, dat bij de laatsten de achtervleugels iets
grooter zijn dan bij de andere sexe. Gaat men echter tot
de studie der exotische vormen over, dan treft men bij
Remodes abortivata Guenée een merkwaardig voorbeeld van
mindere, ja zeer geringe ontwikkeling der mannelijke ach-
tervleugels aan. Dit diertje is afgebeeld door Guenée in de
Suites à Buffon, Phalénites pl. 21, fig. 9 en onderscheidt
zich buitendien met een verwant genus, Rhopalodes Guenée ,
(zie Tijdschr. voor Ent. XVII’ deel p. 77) door de bij beide
sexen in het midden of aan de punt verdikte sprieten,
terwijl deze overigens bij de Geometrina haarvormig zijn.
De heer Snellen laat ter bezigtiging rondgaan een paar
Remodes abortivata $ en ¢, op Celebes verzameld door den
heer Piepers, en vestigt op nieuw de aandacht op dit ver-
dienstelijk medelid onzer Vereeniging, die eene hoogst be-
langrijke verzameling Lepidoptera en andere insecten op
Sumatra, Java en Celebes bijeenbragt, welke nog stof zal
verleenen tot een aantal belangrijke mededeelingen, zoo
als reeds over insecten der collectie van den heer Piepers
in het Tijdschrift werden gedaan, o. a. door Generaal van
Hasselt en den heer Mac Lachlan. (De aanwezigen geven
door hartelijke teekenen van bijval hunne instemming te
kennen met de hulde aan den ter vergadering tegenwoor-
digen heer Piepers toegebragt).
Vervolgens laat de heer Snellen ter bezigtiging rond-
gaan eene collectie van ruim 150 species van Lepidoptera
in Atsjeh verzameld door een der officieren van ons dap-
pere Indische leger, den heer Korndòrffer, en gedetermi-
neerd ten deele door den heer Swierstra, Conservator bij
het Koninklijk Zoologisch Genootschap Natura Artis Magıstra ,
waaraan de collectie was gezonden, en ten deele door
Spreker. Hoewel eenige nieuwe Heterocera bevattende,
vertoont dit tweede specimen der Atsjesche vlinder-fauna
VERSLAG. XCVII
dat wij leeren kennen !) eene merkwaardige overeenkomst
met de Lepidoptera der omstreken van Batavia en Makassar
(Gelebes), zooals Spreker die uit de bezendingen van den heer
Piepers had leeren kennen. In groote trekken is zi) dezelfde.
Waarschijnlijk zal althans de lijst der reeds beschrevene
soorten spoedig in het Tijdschrift worden gepubliceerd.
Ten slotte geeft de heer Snellen nog inzage van eene
lijst, bevattende de namen van eene collectie Javaansche
Lepidoptera, bijeengebragt door den heer Mr. J. Albarda,
broeder van onzen geachten Voorzitter en waarin mede
een aantal onbeschreven soorten worden vermeld.
De heer Ritsema leest in de eerste plaats eene mede-
deeling voor, getiteld: «Het ontstaan eener nieuwe dier-
soort door isolering», door ons medelid Dr. H. Hartogh
Heys van Zouteveen geplaatst in het door hem geredigeerde
maandschrift Isis (jaarg. V, blz. 19). De aanleiding tot deze
mededeeling komt op het volgende neer:
Joseph Boll, een jaren geleden naar Noord-Amerika ver-
huisd Zwitsersch natuuronderzoeker, repatrieerde in 1870,
en bragt eenige poppen van de Texaansche Saturnia (Actias)
Luna mede. Deze poppen waren gekweekt uit rupsen, die
ten deele met bladeren van verschillende Carya-soorten,
ten deele met die van Juglans nigra gevoed waren. In Mei
1874 kwamen hieruit vlinders te voorschijn volkomen gelijk
aan Texaansche voorwerpen. Sommigen dezer vlinders
paarden, en de bevruchte wijfjes legden ettelijke honderd-
tallen eijeren, waaruit zich na eenige weken rupsjes ont-
wikkelden, die reeds na de eerste vervelling geelachtiger
van kleur waren dan de Texaanschen. Zij werden gevoed
met bladeren van Juglans regia, verpopten in het laatst
van Junij en leverden in het begin van Augustus vlinders.
Deze vlinders nu, weken van de Texaansche stamsoort
1) Voor het eerste zie de mededeeling van den heer G. M. de Graaf, Tijdschr.
deel XVIII, p. 265.
XCGVIII VERSLAG.
niet slechts in de kleur, maar ook in den vorm en de
teekening der vleugels zoozeer af, dat men, indien men
hunne afstamming niet gekend had, ze stellig voor eene
andere soort zou hebben aangezien. In de afwijkende ken-
merken kwamen al de 35 in Zwitserland gekweekte vlin-
ders volkomen met elkander overeen. Deze afwijkende
kenmerken bestaan in den iets grooteren en plomperen
vorm van het lijf en van de vleugels; in de iets smallere en
minder sterk ontwikkelde kamvormige sprieten; in de
meerdere lengte van het achterlijf en het gemis van zijne
karmozijnroode langsstrepen; in den minder uitgesneden,
maar iets breederen vorm der voorvleugels en den nog
sterker gewijzigden vorm van de staartachtige verlengsels
der achtervleugels; in de fraai citroengele kleur van den
vlinder; in het gemis van de karmozijnroode, van binnen wit-
achtige randstreep der voorvleugels, waarvoor eene smalle
donkergele tint op den buitensten rand in de plaats treedt ;
eindelijk in de aanwezigheid van eene donkere aan de buiten-
zijde eenigszins getande dwarsstreep op de voorvleugels.
Op gezag van verschillende Duitsche entomologen neemt
Dr. Moriz Wagner dezen Zwitserschen vorm van Satwrnia
Luna onder den naam van Saturnia Bolli als eene zelfstandige
soort aan, die ontstaan is door geographische afzondering
of isolering (zie voor verdere bijzonderheden het boven-
genoemde maandschrift).
In de tweede plaats geeft de heer Ritsema ter bezigtiging
rond een drietal Oost-Indische bijensoorten van het ge-
slacht Xylocopa; op eene dezer soorten waren de versie-
ringen der beide anderen vereenigd; X. coronata Smith
toch, is zwart met gelen band om den kop achter de
oogen, À. provida Smith zwart met gele beharing op het
schildje, terwijl bij de derde soort zoowel de beharing
achter de oogen als die op het schildje geel gekleurd is;
naar aanleiding hiervan heeft de laatste soort van Spreker
den naam X. combinata ontvangen.
Ten slotte had Spreker nog zijne waarnemingen aangaande
VERSLAG. XCIX
de levensgeschiedenis van Acentropus niveus Oliv. willen mede-
deelen, doch wijl hij vreest de vergadering daarmede te lang
bezig te houden, bepaalt hij zich tot het bespreken van een
tweetal punten, welker oplossing hem nog niet is mogen ge-
lukken, nl. de waarneming der copulatie en het verband dat
er bestaat tusschen de beide vormen van wijfjes (rudimen-
tair en normaal gevleugeld) en de verschillende generatiën.
Wat de paring betreft, volgens eene waarneming van
Reutte, zou het wijfje gedurende dezen actus onder water
zwemmen en zelfs het mannetje met zich ondertrekken.
Hoewel Spreker de copulatie zelve niet heeft waargenomen,
meent hij toch uit eenige gegevens te mogen opmaken,
dat zij niet in maar op het water plaats grijpt. In den
avond van 4 Junij Il. kwamen in zijn aquarium twee paartjes
van À. niveus (de wijfjes rudimentair gevleugeld) tot ont-
wikkeling. Het woei echter dien avond zoo hevig dat hij
vreezen moest de copulatie, wanneer zij plaats zou grijpen,
niet te zullen kunnen waarnemen. Het bleek dan ook onmo-
gelijk te zijn de lantaarn, waarmede hij het aquarium, dat
in den tuin stond, bezocht, langer dan eenige oogenblikken
aan te houden, die echter juist voldoende waren om te
zien, dat de mannetjes rondfladderden om de wijfjes, die
op de oppervlakte van het water dreven. Daar de storm
in hevigheid toenam bezocht Spreker het aquarium dien
avond niet meer. Den volgenden morgen zaten de man-
netjes als naar gewoonte even boven de oppervlakte van
het water tegen plantenstengels, de wijfjes onder water
op Potamogeton-bladeren in de onmiddellijke nabijheid van
eene menigte eitjes, die later bevruchte Acentropus-eitjes
bleken te zijn. Spreker veronderstelt dus dat de copulatie
op het water plaats grijpt en dat het wijfje na afloop hier-
van onderduikt om hare eitjes op de bladeren der voedings-
plant af te zetten. Waarschijnlijk was het paartje dat door
Reutte bespied werd door het een of ander verschrikt, en
oordeelde het wijfje het raadzaam onder te duiken alvorens
het mannetje zich aan haar bezit verzadigd had.
Cc VERSLAG.
Om het verband in te zien dat er waarschijnlijk tusschen
de beide vormen van wijfjes en de verschillende generatiën
bestaat, is het noodig zich een’ geheelen ontwikkelings-
eyclus voor te stellen. Ken rudimentair gevleugeld wijfje
dat in het laatst van Mei te voorschijn komt, en dus be-
hoort tot eene generatie die men gevoegelijk voorjaars-
generatie kan noemen, legt na gepaard te zijn eijeren;
een gedeelte der rupsen die uit deze eijeren geboren wor-
den, ontwikkelt zich nog denzelfden zomer tot imagines,
die de tweede of najaars-generatie uitmaken en welker
wijfjes volgens het door mij gekweekte voorwerp slechts
van vleugel-rudimenten schijnen voorzien te zijn; de overige
rupsen overwinteren. De imagines der tweede of najaars-
generatie paren, de wijfjes leggen eijeren en deze leveren
nog voor den winter rupsjes, die dus op zeer jeugdigen
leeftijd overwinteren, in vereeniging met een gedeelte der
rupsen van de voorjaars-generatie afkomstig. Een onmid-
dellijk gevolg van den ongelijken leeftijd der overwinterende
rupsen is, dat in het volgend jaar de afstammelingen der
voorjaars-generatie zich eerder tot imagines zullen ontwik-
kelen (en dus weder de voorjaars-generatie met rudimen-
tair gevleugelde wijfjes zullen vormen) dan de afstamme-
lingen der najaars-generatie, en nu veronderstelt Spreker
dat uit laatstgenoemde rupsen omstreeks het midden van
den zomer eene generatie te voorschijn treedt, waarvan de
vrouwelijke voorwerpen normaal ontwikkelde vleugels be-
zitten. Zijne meening komt dus hierop neër, dat de normaal
gevleugelde Acentropus-wijfjes zullen behooren tot die gene-
ratie (men zou haar zomer-generatie kunnen noemen) welke
uit de najaars-generatie geboren wordt. Waarschijnlijk zullen
de rupsen, afstammend van de normaal gevleugelde wijfjes,
allen overwinteren, en de daaruit voortkomende imagines in
het volgend jaar een deel der voorjaars-generatie uitmaken.
De heer van Hasselt heeft, naar aanleiding der onder-
zoekingen van Prof. Landois, over de « Lautäusserungen der
VERSLAG. CI
Spinnen, medegedeeld in diens « Thierstimmen» Freiburg,
1874, S. 17, enkele soorten uit de familie der Theridioidae
ten dezen opzigte nagegaan en zijne nadere opgaven, omtrent
de door Westring ontdekte «stridulatie-organen» bij eenige
spinnen, bevestigd gevonden. Hij laat voorloopig een paar
praeparaten, zoo van de hoefijzervormige « Reiber» aan de
vóórondervlakte van het abdomen, als van de beide « Reib-
leisten» aan de achterhelling van den cephalothorax gelegen,
afkomstig van mannelijke exemplaren van Theridium ser-
ratipes Panz. en bipunctatum Linn., ter bezigtiging rondgaan,
en hoopt later meer uitvoerig op dit onderwerp terug te
komen. Ofschoon de muziek-instrumenten dezer spinsoorten
thans met volle zekerheid gekarakteriseerd achtende, heeft
hij zich nogtans tot op heden niet met eigen ooren kunnen
overtuigen van het daardoor te weeg gebragt geluid, het-
geen echter aan Westring zelven, bij de genoemde en
enkele andere soorten van hetzelfde spinnengeslacht, duide-
lijk is te beurt gevallen.
De heer Kinker zegt, dat hij, voor jaren, insgelijks eene
spin geluid heeft hooren maken, doch hij weet niet, tot
welke species zij behoorde.
De heer van Hasselt wenscht verder, mede slechts ter
loops, de aandacht der vergadering te vestigen op eene
groote schrede voorwaarts onlangs gedaan in de fijnere
anatomie van de palpen der mannelijke spinnen, waarover
zoo langen tijd zooveel raadselachtigs bestond, wat echter
voor Spreker ook nu nog niet geheel is opgelost. Wij
danken dezen vooruitgang aan de histiologische nasporingen
van Fickert, die met behulp van potassa caustica, volgens
de methode van Lebert, meer doorschijnende praeparaten
heeft weten te verkrijgen, waarvan door Spreker een enkel
exemplaar, ten voorbeelde, wordt aangetoond. Ook daar-
omtrent kan hij intusschen thans slechts latere eigene
onderzoekingen toezeggen. Hij bepaalt zich nu tot de mede-
deeling van het eerste berigt daarover van Fickert, op-
genomen in Entomologische Miscellen; Verein für Schlesische
Cit VERSLAG.
Insektenkunde, Breslau, 1874, S. 64, en laat diens schoone
afbeeldingen rondgaan der mannelijke palpen van eenige
Linyphia- en Lycosa-soorten, door Spreker onlangs aan-
getroffen in een werkje, waarin hij die niet zou hebben
gezocht, t. w. in Myriapoden und Araneiden vom Kamme des
Riesengebirgs, Breslau, 1875, van denzelfden geleerde. Deze
heeft namelijk in de palpa masculina eene, met cylinder-
epithelium bekleede, buisvormige klier ontdekt, welke
hij als analogon beschouwt der glandula prostata bij de
Vertebraten. Spreker laat intusschen vooralsnog de juiste
beteekenis der hier gevondene klierbuis in het midden,
doch kan zich niet onthouden, zoo als vroeger meermalen,
ook nu weder de aandacht te vestigen op de wijziging,
welke de, voor zulke gecompliceerde organen, wat al te
eenvoudige « Uebertragungs-theorie» van Menge, ook door
deze ontdekking, zal moeten ondergaan.
De heer van Hasselt besluit zijne voordragt met het
vertoonen van eenige fraaije en zeldzame exemplaren van
tropische Araneiden, door ons zoo ijverig medelid Piepers
te Makassar verzameld. Even naauwkeurig als deze vroeger
de levenswijze der Nephilae-mares heeft nagegaan, in eene
vorige verhandeling door Spreker in het breede vermeld,
even gelukkig, of liever talentvol, is hij geweest in het
opsporen van enkele bijzondere spinnensoorten, te meer
verdienstelijk, daar hij zijne speciale studie van eene geheel
andere orde maakt. Zeker is het, dat de kleine bezending
Makassaarsche Araneiden, door hem medegebragt, meer
merkwaardigs bevatte, dan vele groote flesschen met spinnen
gevuld, die Spreker vöör dezen van sommige andere natuur-
onderzoekers uit Oost-Indié mogt ontvangen, meermalen,
zonder geest des onderscheids, tal van exemplaren van
dezelfde, hoogst gewone soorten inhoudende.
Behoudens enkele niet medegebragte specimina van Tetra-
gnatha culicivora Walck., Epeira argentata Walck. en de bij
eene vroegere gelegenheid reeds vertoonde, z00 hoogst
merkwaardige Arachnoura scorpionoides Vinson, laat Spreker
VERSLAG. CUT
thans nog bezigtigen: Pholcus borbonicus Vinson 4, daarbij
de aandacht vestigende op de merkwaardig groote en ver-
dikte mannelijke palpen; — Scytodes omosites Walck. 9,
hierbij de afwijkingen opmerkende van onze S. thoracica; —
eene vrouwelijke Epeira-soort, aan Spreker nog onbekend ,
doch tot de Triangulariae gibbosae behoorende, merkwaardig
door een groot aantal harde, glimmende, kleine, ronde
bruine puistjes of wratjes !) op het abdomen, het sterkst
tusschen de schouderhoeken, en verder voorzien met roode,
insgelijks glinsterende, doornvormige verhevenheden op
den cephalothorax ; — een zeer goed geconserveerd manne-
lijk exemplaar van Hersilia caudata, varietas Indica te
noemen; — twee zeldzame vrouwelijke Altus-vormen; een
daarvan schijnt veel overeen te komen met Plexippus mutil-
larius C. Koch, synoniem met Attus cornutus Doleschall (2);
zeer opmerkelijk zijn de lange bundels zwarte pluimharen,
op hoorntjes gelijkende, zijdelings aan den kop tusschen
de voorste en achterste oogenrijen geplaatst; — de andere,
aan Spreker geheel onbekend, heeft den Maevia-vorm
van C. Koch en vertoont ééne driehoekige verhevenheid,
midden op den kop geplaatst, van de frons boven-
waarts uitloopende, en zich, bij bezigtiging van voren,
mede vertoonende als een hoorn, die echter insgelijks, bij
nader onderzoek, behalve aan de basis, grootendeels uit
een sterken haarbundel blijkt te zijn gevormd; als 't eene
nieuwe exotische species is, zou Spreker haar Maevia rhino-
ceros willen noemen; — eindelijk eene uiterst vreemde
kleine Gasteracantha-soort van 7 op 5 millimeters, insgelijks
eene 2; Piepers vond haar, meer dan waarschijnlijk bij
toeval, op het water zwemmende of drijvende, ter zijde
omgeven met een luchtbelletje; zij is van een vreemden,
platgedrukten, zeer dunnen, in spiritus zelfs doorschijnenden
vorm, met circulair abdomen, zonder de bij Gasteracantha
1) Deze soort echter wijkt in meer dan één opzigt af van £. pustulosa en È,
varrucosa Walck.
CIV VERSLAG.
eigenaardige doornachtige uitsteeksels, zoodat Spreker eerst
meende een pullus van G. hemisphaerica G. Koch voor zich
te hebben, met welke zij intusschen, voor het overige,
bleek weinig of niet overeen te komen. Zoodra de tijd
hem ten dienste staat, hoopt Spreker meer over deze be-
langrijke voorwerpen te zullen kunnen mededeelen, en
wenscht hij ons geacht medelid, wanneer deze binnen
kort in Insulinde zal zijn teruggekeerd, gelegenheid en
kracht, om op zijne regterlijke loopbaan aldaar, in zijne
vrije uren even veelzijdig als nuttig werkzaam te mogen
blijven voor de entomologie, als hij zich tot hiertoe heeft
betoond.
De heer Swierstra laat, op verzoek van den heer
Grube, die verhinderd is de vergadering bij te wonen, de
afbeelding zien eener pop van Papilio Machaon L., met
verscheidene anderen gekweekt uit rupsen van Eibergen
afkomstig. Deze pop onderscheidt zich van de overigen
door buitengewoon donkere kleur; de gewone geelgroene
kleur is namelijk in zwart overgegaan, door twee grijze
langsbanden afgebroken, en toch schijnt het voorwerp in
gezonden toestand te verkeeren.
In de tweede plaats maakt de heer Swierstra melding
van een nieuw geval van het ontwikkelen van een exotisch
insect hier te lande. Bijna drie jaren geleden werden ten
behoeve van het etnographisch museum van het Koninklijk
Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra eene partij
goederen ontvangen uit Japan, waarbij zieh eenige pijlen
en hengels van bamboes bevonden. Toen deze zaken in
Augustus jl. op nieuw werden geëtaleerd, ontdekte men
in een’ der pijlkokers een levenden kever, Clylus annularis F.,
die ten koste der zeldzame pijlen daarin als larve had ge-
leefd, en wel, met inbegrip van den tijd van vervoer, ten
minste drie jaren lang. Hoewel uitwendig aan het bamboes
alleen. de opening zigtbaar was, waardoor het volkomen
insect zich een’ uitweg had gebaand, was toch de geheele
VERSLAG. CV
stengel zoodanig doorknaagd, dat hij bij de geringste aan-
raking aan stuk brak.
Aan hetgeen zoo even reeds door den heer Snellen is
medegedeeld betreffende eene aanzienlijke verzameling Lepi-
doptera, in Atsjeh door den heer Korndörffer bijeengebragt
en aan het bovengenoemde Genootschap ten geschenke ge-
geven, voegt de heer Swierstra nog toe, dat in die collectie
ook eenige insecten uit andere orden voorkwamen, welke
hij ter bezigtiging laat rondgaan, en wel uit de orde der
Coleoptera: Geroplesis tricincta Dej., Clytus annularis F. en
Synonycha versicolor F. (eene zeer donkere afwijking); uit
die der Hymenoptera: Xylocopa latipes F. en Stilbum splen-
didum F.; en uit die der Neuroptera: Neurothemis fluctuans F.
Eindelijk deelt de heer Swierstra nog mede, dat dezer
dagen bij het Genootschap Natura Artis Magistra eene hoogst
belangrijke verzameling insecten is ontvangen uit Palem-
bang (Bandar-Passumat), stuksgewijze van vang-data en
niet zelden ook van opmerkingen voorzien door den ver-
zamelaar, den heer P. A. Giesbers, Officier van gezond-
heid. Een paar dezer opmerkingen acht Spreker belangrijk
genoeg, om deze vergadering er op te wijzen. Zoo zegt
de heer Giesbers van een Hemipteron uit de familie der
Alydidae, nl. Stenocoris maculiventris Voll., op 41 Junij te
Lahat gevangen, «dat dit insect, daar ter plaatse bekend
onder den naam van Walang-sangit, bij geheele zwermen
op bloeijende rijstvelden nederstrijkt en in korten tijd den
geheelen oogst vernietigt». Spreker stelt een exemplaar
van de genoemde soort ter bezigtiging, even als van eenen
kever, mede in laatstgenoemde verzameling voorkomende
en evenzeer van Lahat afkomstig, dien Spreker nog niet
heeft kunnen bestemmen, maar die hem toeschijnt tot het
geslacht Chelipus uit de familie der Tenebrioniden te be-
hooren. Van dezen kever schrijft de heer Giesbers, «dat
hij, onder den naam van Akkar, in de meeste Javaansche
woningen wordt gevonden op de tafel, vooral digt bij de
slaapplaats, in eene stopflesch, half gevuld met kapas
os o VERSLAG.
(katoen), een weinig men-njan (eene harssoort), eenige
rijstkorrels en rozen- en melattie-blaadjes '), die telkens
vernieuwd worden. Vermenigvuldigt het insect zich snel,
dan brengt dit, volgens Javaanschen Hadat, geluk aan;
vliegen er eenigen weg, dan ontstaat er huiselijke oneenig-
heid; sterven ze uit, dan staat den bewoner van het huis
een of ander ongeluk te wachten. Malam-djoemaat (Don-
derdag-avond) en ook wanneer er ziekte of brand in de
nabijheid ontstaat, wordt de bescherming dezer diertjes
ingeroepen door gebeden en ceremonién ».
De heer J. van Leeuwen Jr. deelt mede, dat hij in
de lente van 1874 eene pop van Smerinthus Tiliae L., toen
de kleuren van den vlinder begonnen door te schemeren,
in eene vensterbank aan fellen zonneschijn heeft blootgesteld;
dat de vlinder, een wijfje, daardoor genoopt is geworden
ontydig zijne onaangename: verblijfplaats te verlaten, met
geheel natte en wankleurige vleugels, die na eenige uren
zijn gedroogd en de gewone kleuren aannamen, doch niet
aangroeiden, terwijl ook het achterlijf niet werd zaamge-
trokken en geen vocht werd geloosd; doch dat volle twee
dagen later de vleugels hun behoorlijken wasdom en het
achterlijf zijn gewonen vorm hebben gekregen.
Deze waarneming had hem aanleiding gegeven om in dit
voorjaar verscheidene poppen van dezelfde vlindersoort, een
of twee dagen voordat de vlinder zou uitkomen, te openen;
daarbij had hij bevonden dat, als de ontwikkeling slechts
zóóver is gevorderd dat het inwendige poppevlies der stig-
mata gemakkelijk loslaat, de uit de pop genomen vlinders,
in een glas met vochtig zand geplaatst, daar meestal tot
volledige ontwikkeling komen, somtijds eerst na een etmaal.
1) De heer Piepers merkt op, dat de hier bedoelde Melattie waarschijnlijk is
de door Miquel vermelde Boenga-malati, ook wel Boenga-maloer genaamd (Ny-
ctanthes Sambac Ait), een laag gewas met witte, zeer geurige bloemen, waarvan
kransen en andere versieringen gemaakt worden; zij behoort tot de Jasmineae, zie:
Miquel, Sumatra, zijne plantenwereld en hare voortbrengselen , Amst. 1862.
VERSLAG. GVII
De genoemde vlindersoort beveelt zich voor dergelijke
proefnemingen zeer aan door haar veelvuldig voorkomen,
door haren krachtigen bouw, die het gemakkelijk maakt den
vlinder onbeschadigd uit de pop te nemen, en door de
doorschijnendheid van de vleugelscheeden der pop.
Voorts neemt hij deze gelegenheid waar om zijne mede-
leden te wijzen op de gunstige resultaten, die zijne vang-
methode voor nachtvlinders bij voortduring aan hem en
zijne bekenden in de grasvelden rondom Amsterdam op-
levert; deze vangwijze bestaat eenvoudig daarin, dat men
zoodra het donker is geworden met eene lantaarn op bloemen
(bv. distels) en lange grashalmen gaat zoeken: de vlinders
die men ziet zijn nagenoeg altijd zoo rustig dat ze in
doosjes kunnen worden gevangen zonder ze in ’t minst te
beschadigen; reeds van verscheidene als zeldzaam bekend
staande Noctuine-soorten werden op deze wijze talrijke
exemplaren gevangen. Hij beveelt voor streken waar geen
boomen groeijen deze manier van vangen ten zeerste aan.
De heer Groll deelt mede, dat hij in de maand Junij jl.
in de duinen bij Haarlem op Echium eenige larven en
nymphen van Hemipteren heeft gevonden, die hem voor-
kwamen veel overeenkomst te hebben met die, welke door
den heer Snellen van Vollenhoven in deel XVI van het
Tijdschrift voor Entomologie, blz. 120, beschreven en op
plaat 7, fig. 8 en 9, afgebeeld zijn, als vermoedelijke
nymphen van Netwantsen. Spreker nam eenige exemplaren
van verschillenden leeftijd mede om op te kweeken, en na
korten tijd ontwikkelden zich daaruit de volkomen insecten,
die bij onderzoek Monanthia Wolffii Fieb. bleken te zijn.
De grondvorm der nymph stemt overeen met bovenge-
noemde fig. 8, doch de doorntjes aan het abdomen ont-
braken. Bijna terzelfder tijd vond Spreker mede in de
Haarlemsche duinen op eene Myosotis-soort eenige nymphen,
geheel gelijkende op de afbeelding en beschrijving, door
den heer Ritsema gegeven en opgenomen in het Verslag
8
CVIII VERSLAG.
der jongste Zomervergadering. Het is opmerkelijk dat beide
deze soorten, alsmede die, welke indertijd door den heer
Snellen op Symphytum zijn gevonden, allen op dezelfde plan-
tenfamilie, de Boraginaceén, werden aangetroffen. Spreker
laat eenige exemplaren van beide door hem gevonden soorten,
zoowel in den toestand van nymph als in dien van vol-
komen insect, ter bezigtiging rondgaan.
Nog brengt dezelfde Spreker onder de oogen der aanwe-
zigen eenige gallen en de daaruit voortgekomen insecten
van eene bij ons zeldzame Galwesp, Biorhiza aptera F.,
welke gallen door hem insgelijks in de duinen bij Haarlem
aan boomwortels gevonden zijn.
De heer Leesberg vestigt de aandacht op Orectochilus
villosus F., eene over ’talgemeen zeldzame Gyrinide, wier
levenswijze door verschillende schrijvers, onder anderen
door Redtenbacher (Fauna austriaca, ed. II, blz. 110),
beschreven wordt als afwijkende van die der andere Gyri-
niden. Redtenbacher noemt deze soort zelfs «ein Nachtthier ».
Spreker vond haar evenwel dezen zomer in de Mark bij
Breda onder volkomen gelijke omstandigheden als Gyrinus
opacus en mergus, nl. bij helderen zonneschijn op de opper-
vlakte des waters spelende en de bekende kringen beschrij-
vende. In hoeverre dit de levenswijze van een nachtdier
kan heeten is den Spreker een raadsel: mogelijk heeft de
zeldzaamheid van het insect en het vinden van exemplaren
onder steenen (waarschijnlijk des avonds) tot deze gissing
aanleiding gegeven.
Voorts wijst de heer Leesberg op eenige groote leemten,
die nog in onze standaard-collectie bij de afdeeling der
Coleoptera bestaan. In den laatsten tijd zich vooral bezig
houdende met de inlandsche Halticiden, bespeurde hij tot
zijne verwondering dat niet de helft der bij ons voorkomende
soorten daar vertegenwoordigd zijn. Misschien is dit toe
te schrijven aan het springvermogen dezer Chrysomelinen,
waardoor zij gemakkelijk ontsnappen aan den verzamelaar,
VERSLAG. CIX
die zich niet bepaaldelijk op de Coleoptera toelegt. Spreker
neemt hieruit aanleiding om de aanwezige leden en vooral
de Coleopterologen onder hen aan te sporen, om hunne
doubletten voor de collectie der Vereeniging af te zonderen.
De heer Everts zegt, dat hij met het nazien en op
nieuw rangschikken der Coleoptera van de collectie der
Vereeniging, voor zooveel de Carabicinen en Hydrocan-
tharen betreft, is gereed gekomen. Hij wijst op de aan-
zienlijke vermeerdering van soorten en individuen in deze
beide familiön, dank zij de welwillende bijdragen van ver-
schillende leden.
Hij laat verder eene lijst ter inzage rondgaan van ongeveer
80 Coleoptera-soorten, nieuw voor de Nederlandsche Fauna,
welke hij hoopt tegen den aanstaanden zomer als supplement
op zijne lijst der in Nederland voorkomende Coleoptera uit
te geven; terwijl hij tevens het voornemen te kennen geeft,
om daaraan eenige verbeteringen toe te voegen. Zoo is
het hem onder anderen gebleken, dat de opgave van Helops
striatus Fourer. (caraboides Panz.) als inlandsche soort onjuist
is, wijl deze meer als een bergvorm moet beschouwd
worden. Men leze daarvoor: Helops quisquilius F., welke
soort overal zeer gemeen is. De gemaakte fout is evenwel
zeer verschoonlijk, omdat beide soorten in vele opzigten
groote overeenkomst bezitten.
De heer Snellen van Vollenhoven deelt mede dat
hij de beschrijving der inlandsche Capsinen ten einde heeft
gebragt, ofschoon hij nog enkele soorten overhoudt, waar-
omtrent bij hem twijfel blijft bestaan of zij reeds beschreven
zijn of niet, daar zij niet volkomen op beschrijvingen passen
en in enkele opzigten afwijken. Hij heeft deze dus nog niet
in zijne faunistische beschrijving opgenomen en zal daar-
mede wachten tot hij zekerheid zal hebben verkregen. Zijn
manuscript ligt voor het Tijdschrift gereed en de graveur
is bezig de platen op steen te brengen.
CX VERSLAG.
Spreker stelt zich voor in den loop van dezen zomer de
overige familién van land- en waterwantsen te behandelen,
en zich er over beklagende dat het aantal der laatsten in
zijne collectie en die der Vereeniging nog onvoldoende is,
verzoekt hij de aanwezige leden in het voorjaar en den
zomer, voor hem, uit verschillende streken des lands water-
wantsen te willen bijeenbrengen, voornamelijk van de ge-
slachten Hydrometra (Gerris) en Corixa.
Verder vermeldt Spreker dat hij voor de eerste iu
familién der Landwantsen eene vergelijking heeft ingesteld
van onze Fauna met die van Groot-Brittanje, de laatste
berekend naar het werk van Douglas and Scott, the British
Hemiptera, Heteroptera, uitgegeven door de Ray Society —
en naar een paar toevoegsels uit the Entomologist’s Monthly
Magazine. Na die vergelijking is hij tot de slotsom ge-
komen dat ons kleine landje niet veel minder Hemiptera
beherbergde dan Engeland (uit Schotland en Ierland geven
de vermelde schrijvers slechts zeer weinig soorten op). Spre-
ker vertoont eene tabel van 2 tegen elkander overgestelde
lijsten, die hier niet wel kunnen worden teruggegeven,
maar waaraan het volgende wordt ontleend, zijnde de op-
gaaf der soorten die elk land afzonderlijk bezit, met weg-
lating dergenen die in Engeland en tevens in Nederland
voorkomen.
Nederland. Groot-Brittanje.
SCUTATA.
Trigonosoma nigrolineata. Sehirus dubius.
Phimodera galgulina. Aethus laevis D. & Sc.
Aelia Klugii. Eysarcoris aeneus.
Acanthosoma ferrugator. » melanocephalus.
Pentatoma juniperinum.
» vernale.
Strachia ornata.
Berytus Driebergensis.
VERSLAG. CXI
COREODEA.
Spathocera Dalmanni.
Pseudophloeus nubilus.
Stenocephalus agilis.
» neglectus.
Metatropis rufescens.
Berytus Signoreti.
» montivagus.
» minor.
» commutatus D. & Sc.
Neides depressus D. & Sc.
Corizus maculatus.
» Abutilon.
PYRRHOCORIDES.
Voor beide landen dezelfde.
Ten minste de helft der Engelsche soorten, die nog bij
ons niet aangetroffen zijn, komen niettemin waarschijnlijk
binnen onze grenzen voor. Waren Noordbrabant en de om-
streken van Nijmegen beter doorzocht, zij zouden voorzeker
reeds aangetroffen zijn.
Spreker eindigt met de volgende opgaaf van het aantal
der hem bekende soorten van Capsinen en het vermoedelijk
aantal der hier aanwezige soorten uit de nog te behandelen
familien.
Monalocoris.
Pithanus.
Miris
Leptoterna .
Oncognathus
Alloeotomus
Lopus.
Capsus
Heterotoma
CAPSINEN.
1 Species.
1 »
6 »
1 »
1 »
A »
5) »
3 »
2 »
CXII VERSLAG.
Halticus de integra o, species:
Gamarenptus N wt 2 è I
Phytloons re en)
EMS at Da SOO
DIN PAUSE sm ar ZA
Totaal. . . 89 Species.
Fam. 9. Hebroidea. . . . 4 Species.
DA Riparare
VR AS TS ES)
» 42. Hydrodromiea die 2)
>», 13. Hydeocores 22 02 20 25
Totaal. . . 50 Species.
De heer van der Wulp vermeldt dat hij een schrijven
heeft ontvangen van den heer Heylaerts te Breda, die tot
zijn groot leedwezen door beroepsbezigheden zich verhin-
derd ziet ter vergadering te komen, en waarbij deze eene
nieuwe «Liste supplémentaire» zendt van Macrolepidoptera
in de omstreken van Breda, met verzoek die aan het slot
van het Verslag dezer vergadering op te nemen. Verder
schrijft de heer Heylaerts, dat van de Coleoptera, door
hem in 1875 bij Breda gevangen, al de Carabicinen door
den heer Putzeys te Brussel en de Staphyliniden door den
heer Fauvel te Caen zijn gedetermineerd. Bij de eersten
komen geene andere Faunae novae species voor dan Amara
rufocineta Sahlb., maar toch verscheidene min of meer
zeldzame insecten, als: Taphria vivalis IL, Olisthopus rotun-
datus Payk., Harpalus picipennis Dftsch. en distinguendus
Dftsch., Amara bifrons Gyll. en curta Dej. (deze laatste bij
Bergen-op-Zoom), Trechus obtusus Er. enz.
Bij de Staphyliniden, waaronder zich mede vele zeldzame
species bevonden, waren de volgende soorten nieuw voor
onze Fauna: Myrmedonia cognata Maerk. en collaris Payk.,
VERSLAG. CXIII
Tachyporus tersus Er., Mycetoporus ruficornis Kraatz, Philon-
thus immundus Gyll. en temporalis Muls. (= addendus Sharp),
Stenus lustrator Er. en nitidiusculus Steph. (= tempestivus Er.).
De heer Everts merkt op dat Tachyporus tersus en
Stenus nilidiusculus niet als nieuwe soorten voor onze Fauna
kunnen gelden, wijl beide reeds in de door hem uitgegeven
Naamlijst vermeld staan, de laatste onder den naam van
St. tempestivus Er. Hij stelt den ijver van den heer Heylaerts
zeer op prijs, doch zou zich verpligt rekenen, indien hij
bij het vinden van verdere nog niet als inlandsch bekende
soorten, deze, alvorens hare namen worden opgegeven,
ter bezigtiging mogt ontvangen.
Daar niemand der aanwezigen verder het woord wenscht
te voeren, wordt de bijeenkomst, onder dankbetuiging aan
de verschillende Sprekers voor hunne mededeelingen, door
den Voorzitter gesloten.
589.
out.
LES MACROLEPIDOPTERES DE BREDA ET
DE SES ENVIRONS.
LISTE SUPPLEMENTAIRE N°. 6.
Captures de 1875
PAR
F. J. M. HEYLAERTS Fils.
Agrotis interjecta Hb. Un mâle assez bien
conservé fut trouvé par moi le 7 Août dernier
a Ginneken.
Hadena adusta Esp. De trois chenilles de cette
espèce et qui se métamorphosérent avant l’hiver,
une seule m’a donné, le 29 Mai dernier, le papillon,
une femelle superbe; les autres sont mortes avant
le printemps.
Taeniocampa opima Hb. Un beau mâle (de
chenille) le 24 Avril. L’exemplaire est une belle
variété. (Nouvelle espèce pour notre Faune).
Zonosoma pupillaria Hb. Un mâle fut pris
par moi le 7 Septembre. L’exemplaire tient le
milieu entre les deux fig. de la planche 81 de
l’Iconographie Millière. Elle a la couleur du n°. 14
(ab. Gyrata Hb.) et le dessin du n°. 12 (ab.
Badiaria). — (Nouvelle espece pour notre Faune).
he
LES MACROLEPIDOPTERES DE BREDA. CRV
REMARQUES.
Ck)
De la Lithosia griseola Hb. j'ai pris, en Juillet,
la var. Flava Hw. (Stramineola Dbld.). Cette
variété ne se trouve donc pas seulement en Angle-
terre. (Voy. Catal. Staudinger pag. 53).
Le total des espèces Néerlandaises est porté par
Mr. Snellen dans ses «Vlinders van Nederland »
(publié en 1867) à 686. Comme j'ai trouvé déjà
dans nos environs 591 espèces (déduction faite de
PAcronycta Euphrasiae Bkh.), il est à prévoir,
que mes listes annuelles deviennent bien pauvres
dorénavant. Quelques espèces, il est vrai, seront bien
encore découvertes, surtout du côté de Terheyden,
mais il me semble pourtant, que je ferai mieux
d'attendre, avant de publier une liste nouvelle, jus-
qu'à ce que j'aurai un nombre suffisant de captures a
constater. D'ailleurs la presque totalité des fortifica-
tions étant rasée depuis les dernières années, un des
meilleurs terrains de la bruyère de Galder étant perdu
pour les investigations entomologiques, et tant d’autres
raisons, qui ne faciliteront pas les recherches futures,
me forceront bien à agir ainsi.
Je ne veux pas terminer provisoirement mes listes
sans donner le total des Lépidoptéres que j'ai trouvé
ici, c'est-à-dire dans le même cercle indiqué avant
ma première énumération; les espèces trouvées se
composent de 591 macrolépidoptères et de 630 micro-
lepidopteres, soit ensemble 1224 espèces, naturel-
lement les nombreuses variétés et aberrations non
comptées.
ri hit oa i ia ARE i
EEN si
Vu da US Sob. avs oth Sat
dn RCFE A am) 1000) Si ae
o da Ha weichen ER ve SA IE A
dii a AU A mare” cer
cd À be ue Sera igh DT Av (KOBE fide, sidia © = ES
PRE ist. Roman CESSO fee parodies ack AARDE Er mS
hi sa Uci 8 heele Oale glen Liga DOT pais Ay O ‘n
SA Ti pak to ele: ie Bei, al A
OE trata TRL Pat a BETON taught: È _ >
han ab Aie nf LOT N en mag, ve = È
| RO ao as ag : MA Die AE te Ai Da e
re
RE a: |
by È ty i
TWEEDE AANVULSEL TOT HET
GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN HET GESLACHT
AGENTROPUS CURT.
DOOR
C. RITSEMA Cz.
Zie ook dit ‘Tijdschrift: Serie 2, deel VI blz. 157—172
en deel VIII blz. 16—25.
Daar ik naar alle waarschijnlijkheid in dezen zomer de
beschrijving van de levenswijze en de verschillende toestan-
den van Acenlropus niveus Oliv. zal kunnen voltooijen, schijnt
het mij niet ondoelmatig toe, voor dat deze het licht ziet,
het geschiedkundig overzigt van de literatuur over dit genus
tot op dezen tijd bij te werken.
Door het reeds in het eerste « Aanvulsel» met een enkel
woord genoemde opstel van den heer Dunning, waarop ik
zoo aanstonds meer breedvoerig zal terugkomen, werd ik
gewaar, dat er ook in de 2” uitgaaf (1837) van Curtis’
Guide to an arrangement of British Insects, en wel in de
472°“ kolom, sprake is van dit geslacht. Onder welken naam
en in welke orde het hier voorkomt kan ik evenwel niet
zeggen, daar ik dit werkje niet heb kunnen raadplegen,
en Dunning het slechts in zijne chronologische lijst der
geschriften over Acentropus vermeldt.
Dat men vroeger algemeen iets afwijkends bij dit vlindertje
veronderstelde, blijkt nog daaruit dat Westwood in 1840, in
het 2° deel van zijne Introduction to the modern Classification
1
9 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN
of Insects (blz. 587) !), de vraag oppert, of de larven die
door J. Hogg in Spongilla fluviatilis gevonden waren, ook
die van Acentropus zouden kunnen zijn. Zoo als tegenwoordig
algemeen bekend is, waren dit larven van het geslacht
Sisyra Burm. (een tot de familie der Hemerobidae behoorend
Neuropteren-genus), welke larven van Westwood, voor het
geval dat het volgroeide insecten bleken te zijn, den naam
Branchiotoma Spongillae ontvangen hebben ?).
Volgens Dunning plaatst Dr. Knaggs in zijn Cabinet List
of Lepidoptera of Great Britain and Ireland (A870) de familie
der Acentropidae tusschen de familie der Hydrocampidae
en die der Botydae, en neemt in het geslacht Acentropus,
én A. niveus Oliv., én A. latipennis Moeschl. op, de laatste
omdat hij zich overtuigd had, dat de door Stephens als
Zancle Hansoni aangeduide, normaal gevleugelde vrouwelijke
vorm geheel met deze soort overeenkomt. Ook dit boekje
heb ik niet gezien.
Nog bleek mij uit D s geschrift dat er in 1871
drie mededeelingen over Acentropus het licht hadden gezien,
van welker bestaan ik bij het zamenstellen van het eerste
« Aanvulsel» nog geene kennis droeg.
Vooreerst had J. Boswell Syme op blz. 20 van het eerste
nommer (Januarij 1871) van de Scottish Naturalist medege-
deeld, dat Acentropus niveus in Schotland gemeen is op
plaatsen waar Potamogeton filiformis in menigte groeit. Als
vindplaatsen noemt hij Loch Leven, Kinross en Loch Gelly.
Door deze mededeeling wordt Dr. Leach’s opgave van het
voorkomen van dit vlindertje in Schotland bevestigd.
In de tweede plaats beschreef H. D. J. Wallengren in
den 28e" jaargang (1871) van Ofversigt af Kongl. Vetenskaps-
1) Zie ook: Annales des Sciences naturelles. Zoologie. 2e ser. tom. XI (1839) p.
380; Transactions of the Linnean Society. vol. XVIII (1841) p. 391, note; Trans-
actions of the Entomological Society of London. vol. Ill (prt. II, 1842) p. 108.
2) De door den heer W. Marshall bij ons te lande in eene zoctwaterspons aange-
troffen larf (zie Tijdschr. v. Entom. 2de ser. dl. IV (1869) blz. 193) zal wel die van
de bij ons niet zeldzaam voorkomende Sisyra fuscata F. geweest zijn.
HET GESLACHT ACENTROPUS. >
Akademiens Förhandlingar (p.961—1060) de Skandinavische
Pyraliden en Choreutiden, en behandelde daarin op blz. 1009
het geslacht Acentropus. Het komt hier, onmiddellijk vooraf-
gegaan door de geslachten Hydrocampa, Parapoynx en Cata-
clysta, voor als het laatste genus van de groep der Botydae,
en zou van de 16 overige genera van deze groep te onder-
scheiden zijn, door het gemis van scheensporen, ocellen
en maxillaarpalpen, en doordien het wijfje vleugelloos is
(blz. 973) of, zoo als op blz. 1009 gezegd wordt, korte puntige
vleugelrudimenten bezit. Aangaande de levenswijze deelt hij
mede hetgeen door Reutti is waargenomen. De soort die
hij vermeldt is A. niveus Oliv., waarbij geciteerd worden:
Phryganea nivea Oliv., Acentropus Garnonsii Curt. en A. Newae
Kol. Als vindplaatsen in Zweden noemt Wallengren Ifésjén,
Ringsjön, Wombsjön en Farhult, en als de tijd waarop het
vlindertje wordt aangetroffen de maanden Julij en Augustus.
Ten derde verscheen in genoemd jaar eene nieuwe uitgave
van Dr. Knaggs’ Lepidopterist’s Guide, intended for the use of
the young Collector. Hierin wordt aangaande Acentropus gezegd,
op blz. 68, dat men om de poppen te verkrijgen met een
waternet door Potamogeton-planten moet slepen, om ver-
volgens aan den oever in deze planten naar de kleine
zijdeachtige cocons te zocken; op blz. 82, dat A. niveus over
de oppervlakte van het water heen glijdt, op blz. 86, dat
men de vlindertjes op de met Potamogeton begroeide plaatsen,
met een zeer ondiep net dat van een’ langen steel voorzien
is moet vangen, en op de volgende bladzijde, dat dit vlindertje
evenmin als de Hydrocampidae in een doosje mag worden
bewaard, maar dat het op de vangplaats zelve aan de speld
moet worden gestoken, omdat het spoedig sterft, uitdroogt
en daardoor zeer breekbaar wordt.
In de zes-en-twintigste zomervergadering der Neder-
landsche Entomologische Vereeniging, den 41% Julij 1874
te Breda gehouden, werd er door mij op gewezen, dat
zoowel von Heinemann als Speyer ten onregte aan de rups
‚van Acentropus uitwendige ademhalingsorganen (Kiemen)
4 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN
toeschrijven, en beweren dat zij hierin overeenkomt met
de rups van Parapoyna. Ter verbetering deelde ik vervolgens
mede dat de rups van Acentropus glad is en duidelijke stig-
mata vertoont, terwijl die van Parapoynx op de wijze der
Phryganiden-larven van draadvormige kieuwen voorzien is,
maar dat de poppen van beide geslachten, hoewel aanmer-
kelijk in grootte verschillend, sterk op elkander gelijken,
vooral door de drie paren kegelvormig uitpuilende stigmata,
die ter wederzijde van het achterlijf voorkomen (zie Tijdschr.
v. Entom. 2° ser. dl. VIT (1872) blz. xxvirr).
Bij gelegenheid dat het voorkomen van schubben bij
Diptera, overeenkomende met die der Lepidoptera, weder
eens ter sprake gebragt werd, liet Edward Newman duidelijk
blijken, dat hij nog geen genoegen nam met de uitspraak
waarbij Acentropus (Newman schrijft nog Acentria) tot een
vlindergeslacht verklaard wordt. Hij zegt toch (Entomologist,
N°. 100 (Febr. 1872) vol. VI p. 10): «Dat de bedoelde schubben
tot de Lepidoptera beperkt zouden zijn, is niets meer dan
eene algemeen aangenomen meening, of somtijds eene ge-
schikte veronderstelling om nu en dan de eene of andere
mankgaande zaak, zoo als bijv. de vlindernatuur van Acentria,
te ondersteunen, en die slechts zoolang stand houdt, totdat
iemand van een meer uitgebreid of naauwkeuriger waar-
nemingsvermogen, of meer ervaren in logische deducties,
ze weder omverwerpt ».
Den 4° van de volgende maand werd door Dunning in
eene Vergadering van de «London Entomological Society »
een allerbelangrijkst opstel voorgelezen, dat in Mei daar-
aanvolgende onder den titel van «On the genus Acentropus »
in de Transactions of the Entomological Society for 1872 (p. 121—
156) het licht zag. Dunning begint met mede te deelen dat
Acentropus (blijkens blz. 136 een mannelijk voorwerp) door
hem op een avond in de tweede helft van Julij 1871 tusschen
9 en 10 uur, bijna in het hartje van Londen, in de nabjj-
heid van het Regent’s Park kanaal, gevangen is, terwijl het
op eene bijzondere wijze vloog om de lamp, waarbij hij zat.
HET GESLACHT ACENTROPUS. 5
Vervolgens geeft hij een overzigt van de literatuur die op
de plaatsing in het systeem betrekking heeft, waartoe
hij gelijk hij zegt, is overgegaan na lezing van de hierbo-
ven aangehaalde woorden van Newman, om dezen het on-
juiste daarvan aan te toonen en hem nogmaals stap voor
stap te bewijzen dat Acentropus tot de Lepidoptera behoort.
Daarna vermeldt hij de verschillende opgaven omtrent het
al of niet aanwezig zijn van ocellen, en deelt mede dat
Me. Lachlan, na vele exemplaren onderzocht te hebben,
aan Douglas en hem (Dunning) een voorwerp vertoonde,
waaraan zij alle drie eene soort van metaalglanzig plekje
opmerkten, dat een oogje geweest kan zijn. Het lag echter
niet achter of tusschen de sprieten, maar aan de buiten-
zijde daarvan, in het kuiltje van de eerste geleding. Dun-
ning meent dat Douglas en Me. Lachlan overtuigd waren
dat het een oogje was, doch hij zelf blijft twijfelen. Nu
worden de scheensporen besproken, en vervolgens de
meeningen omtrent de plaats, die het geslacht in de orde der
Lepidoptera moet innemen, waarvan ook hij die deelt, volgens
welke het een’ overgang uitmaakt tusschen de familie der Py-
ralididae en die der Chilonidae en Crambidae. De verspreide
waarnemingen omtrent de levenswijze en de eerste toe-
standen van Acentropus worden nu verzameld en besproken
(ook hier wordt vermeld dat de rups kieuwen, gills, bezit,
dat zoo als wij hierboven gezegd hebben onwaar is,) waarna
tot de behandeling der imagines wordt overgegaan. Bij
het wijfje komt natuurlijk het bestaan van voorwerpen
met rudimentaire vleugels (Acentropus Garnonsii Curt. 9)
en anderen waarbij deze organen normaal ontwikkeld zijn
(Zancle Hansoni Steph. en Acentropus latipennis Moeschl.)
ter sprake, terwijl hier zelfs wordt medegedeeld dat Brown
te Burton-on-Trent een wijfje gekweekt heeft dat volkomen
vleugelloos («absolutely apterous, without a vestige of wing»)
was. Ook de door von Heinemann medegedeelde waarne-
ming van Reutti omtrent de copulatie, en het hiermede
in verband staande vermogen om onder te duiken, wordt
6 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN
hierbij besproken, met het oog zoowel op de rudimentair
gevleugelde wijfjes en de mannetjes, als op de wijfjes die
van normaal ontwikkelde vleugels voorzien zijn. «Op grond ‚»
zegt Dunning, «van hetgeen aangaande de gewoonten van
Acentropus bekend is, valt het mij niet moeijelijk Reuttrs
mededeeling omtrent (het onder water zwemmen van) het
rudimentair gevleugeld wijfje aan te nemen. Ik ga zelfs
een stap verder, want als het mannetje, dat gevleugeld
is, zich onder water kan ophouden, hetzij het vrijwillig,
zoo als Brown denkt, onder water afdaalt, óf, zoo als Reutti
verhaalt, door het wijfje onder water wordt getrokken,
kan er geen reden bestaan, waarom het gevleugelde wijfje
niet dezelfde gewoonte zou hebben als hare ongevleugelde
zuster; het is minder onwaarschijnlijk dat de gevleugelden
en ongevleugelden twee vormen zijn van het wijfje van
hetzelfde insect, die beiden dezelfde sexuêle gewoonte
hebben, dan dat zij de wijfjes zouden zijn van twee ver-
schillende insecten met mannetjes die op het oog niet te
onderscheiden zijn, waarvan het eene in de lucht, het
andere in het water copuleert».
Dit brengt Dunning tot de vraag: hoeveel soorten van
het geslacht Acentropus zijn er bekend?» op welke vraag
hij, na alles te hebben nagegaan wat er over deze questie
geschreven is, antwoordt met als zijne meening uit te
spreken, dat al de vormen van Acentropus die men vroeger
getracht heeft te onderscheiden, inderdaad tot eene en
dezelfde soort zijn terug te brengen, voor welke hij, naar
den tegenwoordigen stand van onze kennis, den naam zal
behouden die het meest in gebruik is, Acentropus niveus.
Hierop volgt eene aan deze meening beantwoordende
uiteenzetting der synonymie met vermelding der vind-
plaatsen, terwijl het geheel besloten wordt met eene chrono-
logische lijst van de schrijvers waarnaar in het opstel
verwezen wordt.
Onmiddellijk hierop volgt in hetzelfde tijdschrift (p. 457—
162) eene door vergroote afbeeldingen opgehelderde mede-
HET GESLACHT ACENTROPUS. 1
deeling aangaande een onderzoek der uitwendige manne-
lijke generatie-organen («On the external sexual apparatus
of the males of the genus Acentropus ») , dat door Me. Lachlan
aan mannetjes van verschillende vindplaatsen in het werk
gesteld was, om na te gaan of deze organen ook eenig
licht konden verschaffen omtrent het al of niet bestaan
van meer dan eene soort. Het resuttaat van dit onderzoek
is echter niet beslissend, in de eerste plaats omdat ge-
noemde organen bij de Lepidoptera nog te weinig onder-
zocht zijn, en diegenen die er het best mede bekend zijn
beweren dat ze bij deze orde meer van generieke dan van
specifieke waarde zijn, en ten tweede omdat er eenige, al
zijn het dan ook geringe verschillen bestaan. Me. Lachlan
verklaart zich dan ook noch tegen, noch voor Dunning’s
meening dat men slechts met eene enkele soort te doen
zou hebben, te meer daar er bij de mannetjes ook nog
een aanmerkelijk verschil in vleugelvorm bestaat, ofschoon
dit welligt beter aan plaatselijke invloeden dan aan ver-
schil in soort is toe te schrijven. Bij den aanvang van
dit opstel heeft Me. Lachlan zich onvoorwaardelijk verklaard
voor de inlijving van Acentropus bij de Lepidoptera, zeg-
gende dat alle eigenschappen van het geslacht, met uit-
zondering van het in het water leven, volkomen in strijd
zijn met het wezen der Trichoptera, terwijl dit bij eene
plaatsing in de orde der Lepidoptera in geen enkel opzigt
het geval is. Met betrekking tot de ocellen doet Me. Lach-
lan nog opmerken, dat zij op de gewone plaats niet voor-
komen, maar wanneer het ronde gepolijste plekje, dat hij
in gezelschap van Douglas en Dunning tusschen het za-
mengestelde oog en de basis der sprieten heeft opgemerkt,
werkelijk een bijoogje is, de plaatsing hiervan afwijkt van
alles wat tot dusver van deze organen bekend was.
Den 15°" April 1872 werd door mij in de Petites Nou-
velles Entomologiques (n°. 50, p. 200) eveneens de soorten-
questie van Acentropus besproken, en trachtte ik aan te
toonen dat men aan het bestaan van twee soorten te den-
8 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN
ken heeft, en wel aan Niveus Oliv. die twee vormen van
wijfjes zou bezitten, een met rudimentaire (Acentropus Gar-
nonsii Curt. ¢), de andere met goed ontwikkelde vleugels
(Zancle Hansoni Steph.), en die over geheel Europa ver-
spreid is, en aan Latipennis Moeschl. waarvan slechts een
normaal gevleugelde vrouwelijke vorm bekend was, en die
in Zuid-Rusland (Sarepta) te huis behoort. Naar aanleiding
hiervan zegt Dunning in eene noot aan het eind van het
hierboven besproken opstel, dat mijne meening als zoude
A. latipennis alleen in Zuid-Rusland voorkomen onjuist is,
daar hij in Engeland even dikwijls is aangetroffen als A.
niveus, doch er als A. Hansoni Steph. bekend stond. Dun-
ning verklaart dan ook Hansoni en Lalipennis voor syno-
nymen, als zijnde namen gegeven aan denzelfden vrouwe-
lijken vorm (de normaal gevleugelde) van A. niveus Oliv.
Dit wijzigde en vereenvoudigde in zooverre mijne meening,
dat ik van dien tijd af den Mveus beschouwde als eene
soort met een van vleugelrudimenten voorzien wijfje, en
den Latipennis als tweede soort, met een wijfje waarvan
de vleugels normaal ontwikkeld zijn, en het voor waar-
schijnlijk hield, dat beide soorten dezelfde geographische
verbreiding bezitten.
In het Mei-nommer van Newman’s Zoologist voor 1872
(p. 3076) en in het Junij-nommer van Newman’s Entomo-
logist voor datzelfde jaar (vol. VI. p. 107) deelt Francis
Walker onder het hoofd « Karly occurrence of Ophion obscu-
rus» mede, dat het eenige levende voorwerp dat hij van
Acentropus niveus gezien heeft, op licht was afgekomen.
In de zeven-en-twintigste zomervergadering der N. E. V.,
den 15% Junij 1872 te Haarlem gehouden, deelde ik onder
anderen mede, dat ik den 29" Mei, in gezelschap van
den heer W. Roelofs uit Brussel, van Acentropus niveus
Oliv. 9 mannelijke exemplaren als ook rupsen en poppen
aan eene uitgestrekte plas, het Alloo, bij het dorp de Koog
op het eiland Texel had aangetroffen, nadat ik reeds den
42"" van dezelfde maand verscheidene eveneens manne-
HET GESLACHT ACENTROPUS. 9
lijke exemplaren aan de Brouwerskolk bij Overveen ver-
zameld had, hetgeen de vroegste dagteekening van het
verschijnen van dit vlindertje was, en tot dusver gebleven
is (zie Tijdschr. v. Entom. 2" ser. dl. VIII (1873) blz. xıx).
Het aantreffen van A. niveus aan het Alloo op Texel
werd ook den 6% Julij 1872 door den heer Roelofs in
eene Vergadering van de Belgische. Entomologische Ver-
eeniging medegedeeld (zie Annales de la Société Entomolo-
gique de Belgique tom. XV. Comptes Rendus p. LXXVII).
In het Julij-nommer (p. 3117) van Newman’s Zoologist
en in dat van Augustus (vol. VI, p. 153) van zijn Ento-
mologist voor 1872, wordt door den uitgever het opstel van
Dunning breedvoerig besproken, en, vooral in de Zoologist ,
verscheidene bladzijden daaruit overgenomen, hetgeen zich
in de Entomologist bijna uitsluitend bepaalt tot hetgeen op
de levenswijze van Acentropus betrekking heeft. Volgens
Newman geschiedt dit omdat de Transactions of the Ento-
mological Society slechts binnen zeer enge grenzen verspreid
zijn, en hij verklaart dat indien de heer Dunning hem niet
een overdruk had doen toekomen, hij (Newman) van het
bestaan van genoemd opstel geen kennis zou hebben ge-
dragen (Entom. 1. c.). Uit de Entomologist (p. 157) wil ik
nog slechts mededeelen, dat Newman zegt dat men wel-
ligt van hem verwachtte dat hij de gevolgtrekkingen van
Dunning zou bestrijden, daar deze ze als tegenstrijdig met
de zijnen schijnt te beschouwen, maar dat hiervoor inder-
daad geen reden bestaat. Hij kan aan de door Dunning
genoemde feiten niet twijfelen, en wil ze daarom niet be-
twisten. « Werkelijk,» zoo vervolgt Newman, «ik ben niet
geneigd de voorname punten van het overzigt te betwij-
felen; zij zijn in volkomen overeenstemming met mijne
vroeger opgegevene gevolgtrekkingen. Zoo bijv. vinden drie
bevoegde waarnemers — Herrich Schaeffer, Mac Lachlan
en Knaggs — de eijeren als een snoer aan het anaalseg-
ment van het wijfje. Ik zou dit verwacht hebben. Verder
heeft de larf kieuwen (sic!) en leeft vrij in het water. Ik
10 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN
zou het vermoed hebben. Ik heb de vrijheid genomen deze
plaatsen in mijne aanhaling te onderstrepen, daar ik ze
van gewigt reken, maar ik moet doen opmerken dat zij
in het vorspronkelijke niet op deze wijze zijn onderscheiden ».
Over deze niets beteekenende phrasen zal ik maar zwij-
gen, doch wat het medegedeelde in de Zoologist betreft,
zie ik mij genoodzaakt op een enkel punt kritiek te leveren,
en wel op het punt der eerste toestanden van Acentropus.
Bij het bespreken van hetgeen Dunning daarover heeft bij-
eengebragt (p. 3122) komen de eijeren het eerst aan de
beurt. Zij zijn het eerst door Curtis en Dale beschreven,
en wel als «a large mass of white and very elongated
eggs». Dr. Hagen beschrijft ze als «eine Zahl weisser rund-
licher Eier, auf einem Potamogeton-blatt dicht beisammen
gelagert». Newman meent dat dit verschil in de beschrij-
ving voldoende bewijst dat het moejjelijk de eijeren van
dezelfde soort kunnen zijn, doch ziet hierbij geheel
over het hoofd dat beide beschrijvingen naar hetzelfde
groepje eijeren genomen zijn (Trans. Ent. Soc. 1872. p. 282,
laatste volzin). Voorts, zegt Newman, heeft Herrich Schaef-
fer een’ vrouwelijken Acentropus afgebeeld met een snoer
eijeren aan de punt van het achterlijf, en deelt Dunning
ons mede dat Mac Lachlan en Knaggs voorwerpen bezitten
die eene dergelijke bijzonderheid vertoonen, zonder er op
te wijzen dat dit kenmerk strekken kan om Acentropus met
de Phryganiden te verbinden en het van de Lepidoptera
af te zonderen. Het niets beteekenende van dit argument
loopt dadelijk in het oog, als men bedenkt dat dit zooge-
naamde kenmerk ook wel bij andere wijfjesvlinders wordt
aangetroffen, wanneer zij den wreeden speldendood zijn
gestorven. Vervolgens haalt Newman den volgenden volzin
aan: «The larva is of a light green colour, and like those
of Hydrocampa , Parapoynx and Cataclysta, it lives on aquatic
plants below the surface; it has gills, and lives freely in
the water», en meent (en met regt) dat Dunning geene
toespeling maakt op de overeenkomst tusschen de kieuwen
HET GESLACHT ACENTROPUS. 44
van de larve van Acentropus en die van de larven van Hy-
dropsyche atomaria, afgebeeld in Westwood’s Introduction
to the modern Classification of Insects fig. 68 n°. 19. Dit zou
trouwens ook kwalijk gaan, daar de larve van Acentropus
geene kieuwen bezit. Nu volgt, overgenomen van blz. 402
van Brown’s Natural History of Tutbury, en eveneens op
de larve van Acentropus betrekking hebbende: «They pos-
sess every lepidopterous character and make no approach
to the trichopterous type», ofschoon men volgens New-
man verder bij Brown leest: «They reside ') in silken
cocoons, which are strengthened by small pieces of the
leaves incorporated longitudinally in the fabrie, and which
are placed in the submerged axils of Potamogeton perfolialus
and P. pectinatus». — Op de volgende bladzijde blijkt dat
Newman deze plaatsen aanhaalt, om zijne bewering te
staven dat deze bijdragen tot de levensgeschiedenis van
Acentropus eenigszins met elkander in tegenspraak zijn,
daar men moeijelijk kan zeggen dat deze vrij in het water
levende, door kieuwen ademende en in kokertjes («cases»)
gelijk aan die van Hydropsyche, verblijf houdende larven
ieder lepidopteren-kenmerk bezitten en niet tot de phryga-
niden-type naderen. Als Newman niet in plaats van «co-
coons» gelezen had «cases», dan zou hij mijns inziens
geene tegenstrijdigheid in deze opgaven gevonden hebben.
Er is hier geen sprake van dat de larf in een kokertje
woont, maar wel dat zij zich een spinsel vervaardigt om
in te verpoppen, welk spinsel zijdeachtig is, met bladstukjes
voorzien wordt en onder water in den oksel der bladeren
voorkomt. Vervolgens haalt Newman Brown’s mededeeling
aan, dat de pop is «of the masked character», en dat
men er duidelijk aan kan zien of ze een mannelijken dan
wel een vrouwelijken imago zal opleveren, welke mededee-
ling door Newman meer als de vermelding van een feit
1) „They reside moet volgens Brown’s opstel in w the Natural History of Tut-
bury» eigenlijk zijn „They may be found, when fully fed,» welke laatste drie
woorden vooral, niet door Newman hadden mogen worden weggelaten.
19 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN
wordt beschouwd dan als bijdrage om eene theorie te
steunen. Indien Newman met deze theorie de vlinder-
natuur van Acentropus bedoelt, dan vond zij in het ge-
noemde kenmerk der pop («the masked character») een
magtigen steun, daar er uit bleek dat er ook in den
poptoestand wel overeenkomst met de Lepidoptera doch
niet met de Phryganiden bestaat. Dat het vermogen van
het volkomen insect om zich onder water op te houden,
niet als bewijs voor de inlijving bij de Lepidoptera
mag worden gebezigd, ben ik met Newman eens, zelfs
zonder dat ik daarbij in aanmerking behoef te nemen
dat dit vermogen ook aan Phryganiden eigen is, maar ik
geloof niet dat Brown het als zoodanig vermeldt. En nu
vraagt Newman: mogen wij aannemen dat door deze op-
gaven de lepidopteren-aard van Acentropus bewezen wordt?
Newman bekent tot hiertoe geschreven te hebben min of
meer met het voornemen, deze bewering te stellen tegen-
over anderen van eene tegenovergestelde strekking, maar
hij acht het ten slotte beter het onderwerp voor het tegen-
woordige aan zijn lot over te laten, want: «wat onwaar
is behoudt niet lang zijnen invloed, wat waar is houdt immer
stand. De uitgebreide inleiding van den Advokaat-Generaal
bij het Tichborne-proces overtuigde een ieder die haar
hoorde, maar deze overtuiging verdween toen hij ophield
met spreken, hoewel niemand getracht heeft haar te be-
antwoorden.» Newman eindigt zijne bespreking met te
zeggen dat hij, ofschoon, openhartig gesproken, geloovende
dat Dunning de plaats van Acentropus noch in een natuur-
lijk, noch in een kunstmatig systeem heeft vastgesteld,
(hier schiet mij onwillekeurig het spreekwoord: «met on-
willige honden is het kwaad hazen vangen» te binnen),
toeh overtuigd is dat deze Schrijver een van de beste en
kernachtigste geschriften geleverd heeft, die ooit door de
Engelsche Entomologische Vereeniging in het licht gegeven
zijn, en dat het zoowel binnen- als buitenslands vertrou-
wen zal inboezemen.
HET GESLACHT ACENTROPUS. 15
Op blz. 199 van het zesde deel van Newman’s Entomo-
logist (September 1872) deelt J. P. Barrett mede, dat door
den heer Cowley op het eind van Julij aan de Asylum
Road te Peckham, een exemplaar van Acentropus niveus
gevangen en in eene vergadering van de «South London
Entomological Society» vertoond was. Het vloog om de
lamp en trok de aandacht door zijne snelle en zonderlinge
vlugt. Het vlindertje stierf spoedig nadat het gevangen
was, en daar dit met de waarnemingen van Barrett over-
eenstemde, oppert deze de vraag: hoe lang kan Niveus de
verwijdering van zijne geboorteplaats overleven ?
Op blz. 233 daaraanvolgende (November 1872) zegt G. B.
Corbin dat hij ook dit jaar, en wel van het begin van
Junij tot het eind van Augustus, Acentropus niveus (door
eene drukfout staat er Afropus niveus) op dezelfde plaats
heeft aangetroffen als het vorige jaar (te Ringwood in
Hampshire), doch veel minder talrijk. Op een avond in
Augustus ving hij twee voorwerpen, die tamelijk vlug on-
geveer 3 of 4 voet boven de oppervlakte van het water
vlogen, hetgeen voor dit insect iets ongewoons is. Ver-
volgens beantwoordt hij Barrett’s vraag omtrent den levens-
duur van Acentropus met te zeggen, dat sommige indivi-
duen spoedig sterven nadat zij in een doosje besloten zijn,
doeh dat anderen onder dezelfde omstandigheden betrek-
kelijk veel langer leven, terwijl hij ten slotte mededeelt
dat spinnen, eene kleine roodachtige loopkever (naar hij
meent Calathus mollis of C. melanocephalus) en een klein
bloedzuigerachtig diertje als vijanden van dit vlindertje
zijn te beschouwen.
Hierop volgt in het vierde stuk van de Transactions of
the Entomological Society of London for 1872 (p. 281) een
«Supplementary Note on the genus Acentropus» van de
hand des heeren Dunning, waarin kortelijk melding wordt
gemaakt van hetgeen er, sedert het verschijnen van zijn
eerste opstel, over dit geslacht geschreven is.
Dit supplement wordt in zijn geheel door Newman over-
4% GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN
genomen op blz. 308—310 van het zesde deel van de
Entomologist (Februari) 1873), onder bijvoeging van eene
klagt over het stilzwijgen, dat door de heeren Doubleday
en Guenée ten opzigte van de systematische rangschikking
van dit geslacht bewaard wordt.
In het elfde nommer (Julij 1873) van de Scottish Natu-
ralist (vol. IT, p. 119) uit G. B. Corbin de meening, dat
Acentropus niveus in Brittannië veel meer verbreid is dan
men over het algemeen meent, waarom hij het raadzaam
oordeelt eenige aanwijzingen te geven hoe men dit vlin-
dertje moet opsporen. In de eerste plaats wordt herinnerd
dat de eerste levenstoestanden in het water vertoeven, en
men het volkomen insect dus niet ver van het water moet
zoeken; dat men, daar de rups op Potamogeton-soorten
leeft, hoewel zij zich somtijds aan de waterpest (Anacharis
alsinastrum) inspint, water moet kiezen waarin dit planten-
geslacht vertegenwoordigd is, en dat de imago van Junij
tot September, doch het talrijkst in Julij, voorkomt; voorts,
dat het vlindertje bij het vallen van den avond in cirkel-
bogen, die eenigszins aan Gyrinus nalator doen denken,
over de oppervlakte van het water begint te vliegen, ja
schijnbaar te zwemmen, en dan, hoewel door zijne witte
kleur duidelijk te zien, moeijelijk te vangen is. Om dit
echter te doen gebruike men een waternet, doch ook in
het net is het vlindertje des nachts zeer levendig, en be-
schadigt zich daardoor gemakkelijk. Corbin zocht des
avonds eene plaats waar zij menigvuldig voorkwamen, en
ging ze over dag vangen, daar zij dan slaperig aan water-
planten, digt boven de oppervlakte van het water zitten.
Onder eenige vlinders die door Hodgson vermeld worden
als gedurende den zomer van 1873 op het eiland Sheppy
gevangen, komt ook Acentropus niveus voor, van welke
soort gezegd wordt, dat geen der gevangen wijfjes vleu-
gelloos was, of ook maar eenigszins tot dien toestand na-
derde (zie the Entomologist’s Monthly Magazine (Januarij 1874)
vol. X, p. 180).
HET GESLACHT ACENTROPUS. 45
Ten slotte moet ik nog melding maken van mijne mede-
deeling in de negen-en-twintigste zomervergadering der
N. E. V., den 29%" Augustus 1874 te Arnhem gehouden
(zie Tijdschr. v. Entom. dl. XVII (1875) blz. xxıv). Zi
betreft het vinden van tallooze doch slechts mannelijke
individuen aan den vijver op het landgoed Beekhuizen bij
Arnhem, en het te Huissen bij lamplicht vangen van een
vrouwelijk voorwerp met goed ontwikkelde vleugels, dat
volkomen aan de beschrijving van Acentropus latipennis
Moeschl. beantwoordt. Door deze vangst ben ik op nieuw
versterkt in de meening dat men aan twee soorten te den-
ken hebbe, waarvan de eene (A. niveus Oliv. = A. Garnonsii
Curt.) een wijfje met rudimentaire vleugels, de andere (A.
latipennis Moeschl. = Zancle Hansoni Steph.) een wijfje met
normaal ontwikkelde vleugels bezit. Onverklaarbaar toch
zou het anders zijn, dat onder de tallooze gevleugelde in-
dividuen, door mij bijv. aan de Brouwerskolk te Overveen
gevangen, geen enkel wijfje is voorgekomen, en dat ik
door kweeking van rupsen van diezelfde plaats afkomstig,
slechts wijfjes verkreeg (en het aantal daarvan bedraagt
reeds 15) die van vleugelrudimenten voorzien waren, en
zich in het water bleven ophouden, terwijl het eerste voor-
werp het beste dat te Huissen, en wel binnenshuis bij
eene lamp, gevangen werd, juist een wijfje met goed ont-
wikkelde vleugels is.
Nieuw bekend geworden vindplaatsen.
Zweden.
Ifösjön, Ringsjön, Wombsjön en Farhult, door Wallengren.
Ofvers. af Kongl. Vetensk.-Akad. Förhandl. Arg. 28, p. 1010
(Acentropus niveus).
Schotland:
Loch Leven, Kinross en Loch Gelly, door Boswell Syme.
Scottish Naturalist. vol. I, p. 20 (Acentropus niveus).
16 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN
Engeland.
Londen, in de nabijheid van het Regent’s Park kanaal, door
Dunning. Transactions of the Entom. Society. 1872. p. 121
(Acentropus niveus).
Lewisham, door Stainton.
Horning Fen, door King.
Wicken Fen, door Bond.
Oatlands, door Stevens.
Cheshunt, door Boyd. |
Peckham, door Cowley. Volgens Barrett in Newman’s Ento-
Volgens Dunning in Trans. Ent. Soc.
1872 p. 153 (Acentropus niveus).
mologist vol. VI p. 199 (Acentropus niveus).
Eiland Sheppy, door Hodgson. Entomologist’s Monthly Magazine.
vol. X p. 180 (Aceniropus niveus ; de wijfjes met goed ont-
wikkelde vleugels).
Nederland.
De Koog op het eiland Texel, door Ritsema. Tijdschrift voor
Entomologie. 2" ser. dl. VII blz. xıx (Acentropus niveus).
Beekhuizen bi) Arnhem, door Ritsema. Tijdschr. v. Entom.
dl. XVII blz. xxiv (Acentropus niveus).
Huissen bij Arnhem, door Pater V. M. Aghina. Tijdschr. v.
Entom. dl. XVII blz. xxiv (Acentropus latipennis Moeschl. 2).
Warmond bij Leiden, door Ritsema, alwaar Acentropus niveus
in de eerste dagen van Junij van dit jaar in beide sexen
(g met vleugelrudimenten) is aangetroffen.
Om het overzigt der uitgebreide literatuur over het ge-
slacht Acentropus eenigszins gemakkelijker te maken, laat
ik hier, in navolging van den heer Dunning, eene chrono-
logische lijst der citaten volgen, bij elk daarvan aanwijzende
of het door mij besproken is in het «Overzigt» of in het
«eerste» of «tweede Aanvulsel», met vermelding tevens
der bladzijde zoowel van het «Tijdschrift voor Entomologie »
als van de «separaat-afdrukken ».
1791. Olivier, Ene. Méth. Ins. VI. 536, 549 (Tijdschr. XIV.
157; Separ. Overz. À).
1805. Latreille, Hist. Nat. des Ins. XII. 93. (1. c.).
»
HET GESLACHT ACENTROPUS. 47
. Stephens, Syst. Cat. Mand. 316. (1. c.).
Curtis, Guide, 137. (1. c.).
. Stephens, Nomencl. 2" ed. 148 (Tijdschr. XIV. 158;
Separ. Overz. 2).
. Curtis, Brit. Ent. XT. pl. 497. (Tijdschr. XIV.157 ; Separ.
Overz. 1).
. Westwood, Trans. Ent. Soc. 1.117. (Tijdschr. XIV.158 ;
Separ. Overz. 2).
Dale, Naturalist. J. 14 (Tijdschr. XIV. 159; Separ.
Overz. 3).
Stephens, Illustr. Mand. VI. 150 (Tijdschr. XIV. 158;
Separ. Overz. 2).
Curtis, Guide. 2" ed. 172 (Tijdschr. XIX. 1; Separ.
2° Aanv. 1).
. Westwood, Introd. Mod. Class. Ins. I. 324, 442; fig.
113 n°. 11-47 (Tijdschr. XIV. 159; Separ. Overz. 3),
087 (Tijdschr. XIX. 2; Separ. 2° Aanv. 2).
Westwood, Gener. Synops. Brit. Ins. 115. (Tijdschr.
XIV. 159; Separ. Overz. 3).
. Boitard, Nouv. Man. d’Ent. Ill. 130 (1. c. noot).
. Westwood, Brit. Moths, II. 257 (Tijdschr. XIV. 159;
Separ. Overz. 3).
. Kolenati, Gen. et Spec. Trichopt. I. 6 (l.c).
. F. Walker, Cat. Neuropt. Brit. Mus. I. 136 (Tijdschr.
XIV. 160; Separ. Overz. 4).
. Curtis, Proc. Ent. Soc. 24 (1. c.).
. Brown, Ent. Weekl. Intell. 1. A7A (l.c).
. Douglas, Ent. Weekl. Intell. II. 59 (Tijdschr. XIV. 161;
Separ. Overz. 5).
Newman, Zool. 5629 (1. c.).
Westwood, Proc. Ent. Soc. 76. (1. c.).
Newman, Zool. Preface. (Tijdschr. XV1.16; Separ. 1%
Aanv. A).
Hagen, Zool.5779 (Tijdschr. XV1.17; Separ. 1" Aanv.2).
1) De met een * aangeduide eitaten heb ik niet kunnen raadplegen.
18 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN
1858. Stainton, Entom. Ann. 102. fig. 6. (Tijdschr. XIV. 161 ;
Separ. Overz. 5).
» Brown, Zool. 5919 (L.c.).
» Kolenati, Wien. Ent. Monats. I. 381 pl. VII (1. c.).
4859. Hagen, Stett. Ent. Zeit. XX. 203 (Tijdschr. XIV. 162;
Separ. Overz. 6). |
» Stainton, Manual II. 145 (Tijdschr. XIV. 163; Separ.
Overz. T).
» Fologne, Ann. Soc. Ent. Belg. III. 134. (Tijdschr. XVI.
18; Separ. 1” Aanv. 3).
4860. Moeschler, Wien. Ent. Monats. IV. 55 (Tijdschr. XIV.
463; Separ. Overz. 7).
4861. Herrich Schaeffer, Neue Schmett. Eur. III. n°. 123. fig.
153 (e.).
» Scott, Ent. Weekl. Intell. IX. 125 (1. c.).
» McLachlan, Ent. Weekl. Intell. IX. 132 (l.c).
» Westwood, Ent. Weekl. Intell. IX. 148 (Tijdschr. XIV.
164; Separ. Overz. 8).
» McLachlan, Ent. Weekl. Intell. IX. 156 (1. c.).
» Newman, Zool. Preface. 1) (1. c.).
» McLachlan, Zool. 7614 (Tijdschr. XIV. 165; Separ.
Overz. 9).
» Knaggs, Proc. Ent. Soc. 19 (l.c).
» Westwood, Report Thirtieth Meet. Brit. Assoc. ; Trans. of
the Sect. 123 ?). (Tijdschr. XIV. 167 ; Separ. Overz. 11).
1) Doordien de heer P. C. T. Snellen mij in de gelegenheid gesteld heeft om met
Doubleday’s in 1859 verschenen Zoologist’s synonymic List of British Butterflies and
Moths, the Arrangement and Nomenclalure by M. Guenee, kennis te maken, kan ik
nu mededeelen dat er in dit werkje met geen enkel woord van het geslacht Acen-
tropus gewag gemaakt wordt, hetgeen Newman aanleiding gegeven zal hebben om
hier te zeggen dat Guenée en Doubleday dit geslacht zonder aarzelen uit de orde der
Lepidoptera verwijderen.
2) Dit boek heb ik uit de Bibliotheek der Hollandsche Maatschappij van Weten-
schappen te Haarlem ter inzage ontvangen. Men vindt daarin over ons onderwerp
slechts vermeld, dat Prof. Westwood in genoemde vergadering sterk vergroote af beel-
dingen vertoonde van de verschillende deelen van Acentropus en zijne verschillende
toestanden, vergeleken met die der Trichoptera, Lepidoptera en Neuroptera, en dat
het insect na verwant schijnt te zijn aan de familie der Crambidae.
»
»
HET GESLACHT ACENTROPUS. 19
. Wocke, Cat. Lep. d' Eur. 85 (Tijdschr. XIV.185; Separ.
Overz. 9).
. Cooke, Zool. 8085 (1. e.).
Newman, Zool. 8216 (Tijdschr. XIV. 166; Separ.
Overz. 10).
Westwood, Proc. Ent. Soc. 101 (l.c).
. Brown, Nat. Hist. Tutbury. 393—405. pl. 8, 9 (zie naschr.)
. Brown, Zool. 8917. (Tijdschr. XIV.167; Separ. Overz. 11).
Hagen, Verh. zool. bot. Ges. Wien. XIV. 800, 865, 890
(Tijdschr. XVI. 17; Separ. 1°° Aanv. 2).
. von Heinemann, Schmett. Deutschl. Zünsler. 107 (Tijd-
schr. XIV. 168; Separ. Overz. 12).
McLachlan, Trans. Ent. Soc. 3" ser. V. 169 (Tijdschr.
XVI. 17, Separ. 1 Aanv. 2).
. Zeller, Stett. Ent. Zeit. XX VII. 192 (Tijdschr. XIV. 169;
Separ. Overz. 13).
. Barrett, Ent. Mo. Mag. IV.182 (Tijdschr. X VI.17 ; Separ.
4% Aanvi 2).
. von Nolcken, Stett. Ent. Zeit. XXX. 275 (Tijdschr. XIV.
169; Separ. Overz. 13).
Speyer, Stelt. Ent. Zeit. XXX. 400 (Tijdschr. XIV. 170;
Separ. Overz. 14).
De Graaf en Snellen, Tijdschr. v. Entom. XII. 203 (1. c.).
Tengström, Not. Fn. Fenn. Förh. X. 324 , 358 (Tijdschr.
XVI: 48; Separ. 1° Aanv. 3).
. Douglas, Ent. Mo. Mag. VII. 43 (Tijdschr. XIV. 170 en
XVI. 21; Separ. Overz. 14 en 1" Aanv. 6).
Fologne, Ann. Soc. Ent. Belg. XII. CG. R. xxxvi (Tijd-
schr. XVI. 18; Separ. 1° Aanv. 3).
Ritsema, Tijdschr. v. Entom. XIV. Verslag xxxrv (Tijd-
schr. XIV. 170; Separ. Overz. 14).
Milliere, Icon. Chen. et Lepid. d’Eur. III. 160. pl. 115.
f. 20, 21 (Tijdschr. XVI. 19; Separ. 1 Aanv. 4).
Speyer, Stett. Ent. Zeit. XXXI. 202 (1. c.).
Hagen, Stett. Ent. Zeit. XXXI. 316 (Tijdschr. XVI. 21;
Separ. 1" Aanv. 6).
20
*1870.
1871.
»
»
»
»
GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN
Knaggs, Gab. List. Lepid. Gr. Brit. and Ireland. (Tijd-
schr. XIX. 2; Separ. 2° Aanv. 2).
Wocke, Cat. Lepid. d'Eur. 216 (Tijdschr. XVI. 22;
Separ. 1% Aanv. 7).
Ritsema, Tijdschr. v. Entom. XIV.157 (Geschiedkundig
Overzigt). |
Corbin, Entom. V. 421 (Tijdschr. XVI. 24; Separ. 1*°
Aanv. 9).
Boswell Syme, Scott. Natur. 1. 20 (Tijdschr. XIX. 2;
separ. 2° Aanv. 2).
Wallengren, Ofv. Kongl. Vet. Akad. Förh. XXVIII.
10089 ME): |
Ritsema, Tijdschr. v. Entom. XV. Verslag xxvıur (Tijd-
schr. XIX. 4; Separ. 2° Aanv. 4).
Knaggs, Lepid. Guide. 68, 82,86, 87 (Tijdschr. XIX. 3;
Separ. 2% Aanv. 3).
J. J. Walker, Ent. Mo. Mag. VII. 185 (Tijdschr. XVI.
24; Separ. 1* Aanv. 9).
Newman, Entom. VI. 10. (Tijdschr. XIX. 4; Separ. 2°
Aanv. 4).
Dunning, Ent. Mo. Mag. VIII. 280 (Tijdschr. XVI. 25;
Separ. 1" Aanv. 10. P.S).
Ritsema, Pet. Nouv. Ent. 200 (Tijdschr. XIX. 7; Separ.
2° Aanv. 7).
Dunning, Trans. Ent. Soc.121 (Tijdschr. XIX.4; Separ.
2% Aanv. 4).
McLachlan, Trans. Ent. Soc. 157 (Tijdschr. XIX. 6;
Separ. 2° Aanv. 6).
F. Walker, Zool. 3076 en Entom. VI. 107 (Tijdschr.
XIX. 8; Separ. 2° Aanv. 8).
Ritsema, Tijdschr. v. Entom. XVI. Verslag xıx (Tijd-
schr AIK Or wepar ZAP):
Roelofs, Ann. Soc. Ent. Belg. XV. C. R. Lxxvr (1. c.).
Newman, Entom. VI. 153 (1. c.).
Newman, Zool. 3117 (l.c).
Barrett, Entom. VI. 199 (Tijdschr. XIX. 13; Separ. 2
Aanv. 13).
HET GESLACHT ACENTROPUS. 2A
1872. Corbin, Entom. VI. 233 (1. c.).
» Dunning, Trans. Ent. Soc. 281 (1. c.).
1873. Newman, Entom. VI. 308 (Tijdschr. XIX. 14; Separ.
2° Aanv. 14).
» Ritsema, Tijdschr. v. Entom. XVI. 16 (Eerste aanvulsel
tot het geschiedk. overz.).
» Corbin, Scott. Natur. I. 119 (Tijdschr. XIX.14; Separ.
2" Aanv. 14).
1874. Hodgson, Ent. Mo. Mag. X. 180 (1. c.).
» Ritsema, Tijdschr. v. Entom. XVII. Verslag xxiv
(Tijdschr. XIX. 15; Separ. 2° Aanv. 15).
Leiden, 4 Junij 1875.
Naschrift. — Eindelijk ben ik er toe overgegaan mij, ter
kennisneming van Brown’s geschrift over Acentropus, Oswald
Mosley’s en Edwin Brown’s Natural History of Tutbury aan
te schaffen, vooral ook omdat Dunning naar afbeeldingen
van de verschillende toestanden verwijst. Voor dat het
«Tweede Aanvulsel» afgedrukt wordt, kan ik er dus nog
iets over dit geschrift aan toevoegen. Brown’s opstel heeft
tot titel «On the genus Acentropus» en is voorzien van
twee ruw geteekende en ongekleurde platen. Op de eerste
plaat (plaat 8 van het geheele werk) zijn afgebeeld: 1°. A.
niveus Oliv., d en ongevleugeld 2, met eenige details;
(het ¢ vertoont hier slechts aan de scheen der achterpooten
sterke franje, terwijl deze franje door mij bij de rudimen-
tair gevleugelde wijfjes is waargenomen aan de beide
laatste pootenparen, aan het voorlaatste paar zelfs sterker
ontwikkeld dan aan het laatste, en aan beide paren zich
niet alleen langs de scheen maar ook langs de tars uit-
strekkende); 2°. A. Hansoni Steph., 4 en normaal gevleu-
geld 9, het laatste evenals dat der voorgaande soort met
franje aan de achterscheenen, en 3°. A. Newae Kol., d met
een drietal details, gecopiéerd naar Kolenati’s afbeeldingen
in het tweede deel van het Wiener Entomologische Monat-
schrift. Op de tweede plaat (plaat 9) komt eene afbeelding
22 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT ENZ.
voor van de larf, de mannelijke en vrouwelijke pop en
het spinsel van den Niveus. De afbeelding der larf vertoont
geene kieuwen maar duidelijke stigmata. Het opstel blijkt
met weglating van de platen en van het historisch ge-
deelte, dat zich tamelijk volledig over de jaren 1791—1861
uitstrekt en eene mededeeling van den gang van Brown’s
onderzoek in deze zaak bevat, woordelijk te zijn overge-
nomen in Newman’s Zoologist voor 1864 (p. 8917—8920)
onder den titel van «Affinities of Acentropus» en daar
dit reeds vroeger (Tijdschr. v. Entom. XIV. 167; Separ.
Overz. 11) door mij besproken is, kan ik nu gevoegelijk
daarheen verwijzen. Alleen moet ik nog de opmerking
maken, dat Brown, bij het vermelden van de gronden die
hem nopen eene plaatsing der Acentropidae en Psychidae
in dezelfde afdeeling der Bombyces voor te stellen, faalt
met te zeggen dat beide familién, behalve door het gemis
van maxillen, met elkander overeenstemmen door het be-
zit van ongevleugelde wijfjes en zak- of kokerdragende
(« case-bearing ») larven. De larf van Acentropus houdt zich
wel aan de plant tusschen twee gedeeltelijk aaneengesponnen
bladeren op, maar deze woning kan niet gelijk gesteld wor-
den met den zak eener Psyche of het kokertje van eene
Phryganide. Ware deze uitdrukking van Brown door New-
man gesteld tegenover Dunning’s mededeeling dat de rups
vrij in het water leeft (zie blz. 9 van dit opstel) dan had
hij met grond op tegenstrijdigheid kunnen wijzen.
»
DACTYLOTA KINKERELLA,
NIEUW GENUS EN SOORT DER GELECHIDEN UIT NEDERLAND,
BESCHREVEN DOOR
P.C. T. SNELLEN.
(Hierbij Plaat 1, benedengedeelte.)
Het is reeds verscheidene jaren geleden dat de heer
J. Kinker te Amsterdam, een welbekend ijverig, naauw-
gezet en kundig Entomoloog, aan den heer de Graaf en
mij onder anderen ook een bij Noordwijk gevangen Micro-
lepidopteron zond, dat door de grijsachtig witte, met don-
kerder schubben fijn bestrooide voorvleugels aan eene
Elachista uit de verwantschap van Elach. rufocinerea deed
denken, doch bij nadere beschouwing, door den vorm van
de achtervleugels eene meerdere affiniteit met de Gelechi-
den verried. De heer de Graaf vermoedde dadelijk een
nieuw genus, wat ook met het gevoelen van Prof. Zeller,
wien wij het voorwerp toezonden, strookte, doch alvorens
tot de bekendmaking over te gaan, werd de ontdekking
van meer exemplaren derzelfde soort noodig gekeurd. In-
tusschen het voorwerp was en bleef een unicum, geen
tweede werd ons bekend en daar ook in het helaas ! onvol-
tooide werk van von Heinemann, Schmetterlinge Deutschlands
und der Schweiz, niets is te vinden wat op den vlinder
van den heer Kinker past, zoo komt het mij noodzakelijk
voor om, voordat ik de beschrijving in het onderhanden
zijnde tweede gedeelte mijner Vlinders van Nederland opneem,
eerst aan het nieuwe genus eene meer algemeene bekend-
24 DACTYLOTA KINKERELLA.
heid door middel van het Tijdschrift voor Entomologie te
geven.
Zoo als ik boven zeide, duidt de eigenaardige vorm der
achtervleugels, welke dezelfde is die men bij het genus
Gelechia Zeller en eenige verwante genera aantreft en welke
aan den voorsteven van een schip herinnert, duidelijk aan
waar wij de naaste verwanten te zoeken hebben. Met den
vleugelvorm zijn ook verder de hoewel korte toch duidelijk
sikkelvormige lipvoelers met spits eindlid en het bosje van
10-12 uitgespreide haren dat men aan de sprietwortels
opmerkt, in overeenstemming. Verder ontbreken de on-
derkaaksvoelers of bijpalpen, is de kop glad beschubd en
ziet men boven aan het middenlid der lipvoelers niets van
de stijve, langere borstelharen, die ten getale van 5—6 bij
het genus Tinea en zijne verwanten voorkomen.
Onder de Gelechiden met scheepsstevenachtige achter-
vleugels, beslist sikkelvormige lipvoelers en vlak aangezigt,
worden de genera Psoricoptera, Chelaria, Cleodora, Ypsolo-
phus, Nothris, Holcophora, Sophronia en Megacraspedus uit-
gesloten door aan de achterzijde ruw beschubd eindlid of
lang gebaard middenlid der lipvoelers.
Het is dus alleen het oude genus Gelechia Zeller dat ten
slotte met het nieuwe dient vergeleken te worden. Von
Heinemann heeft in zijn boven aangehaald werk beproefd
om het genoemde, langzamerhand zeer soortenrijk gewor-
dene, in eenige kleinere genera te splitsen. De uitkomst
van die poging heeft bij de autoriteiten in de Lepidoptero-
logie over het algemeen geen’ bijval kunnen vinden en bij
gezet onderzoek ben ik genoodzaakt hetzelfde oordeel te
vellen. Wel is waar zullen de meesten zijner nieuwe
genera blijven bestaan, doch hetgeen hij als hoofdkenmer-
ken vooropstelt, is meerendeels van zeer dubbelzinnigen
aard. Wanneer wij de analytische tabel der genera, waarin hij
Gelechia verdeelt, raadplegen (zie p.188 van zijne « Motten »)
dan vinden wij al zeer spoedig onder A «Das Mittelglied
der Palpen unten mit lockerer, ausgebreiteter Beschuppung
DACTYLOTA KINKERELLA. 23
oder durch dichte Beschuppung unten erweitert, nie schneidig
zusammen gedrückt», iets dat ons slechts zelden in staat
stelt, en dan nog wel bij gave, onafgevlogen exemplaren,
om te beslissen waar wij den vlinder dien wij determine-
ren willen, te zoeken hebben. Met het tweede (B) «Mit-
telglied der Palpen glatt, unten meist schneidig, selten
unten mit zusammen gedrückter, nicht ausgebreiteter Be-
haarung » is het evenzoo. Niet duidelijker schijnen voorts de
verdere verdeelingen, voornamelijk die welke op de breedte
der vleugels, het al of niet aanwezig zijn der bijoogen en
het open of gesloten zijn der middencellen gegrond worden.
Mij dunkt dat hij tot veel beter gekarakteriseerde en zelfs
bij afgevlogen exemplaren nog duidelijk herkenbare genera
zou gekomen zijn, indien hij eerst de nervuur en den vorm
der palpen tot grondslagen zijner genera had gelegd,
waarbij wat de nervuur aangaat, vooral de toestand van
ader 3—5 der achtervleugels en van 6—8 der voorvleugels
zeer in aanmerking komt.
Onzen vlinder te dien opzigte beschouwende, zien wij
dat ader 2 der achtervleugels ongeveer op 2 en 3 op 4
van den binnenrand der middencel ontspringt, terwijl in
de voorvleugels alleen ader 7 en 8 gesteeld in den voor-
rand uitloopen. Dit heeft hij alleen met Poeeilia, Ergalis,
Argyritis, Monochroa, Lamprotes en Doryphora — allen ge-
nera van von Heinemann — gemeen. Van alle dezen on-
derscheidt hij zich door het uiterst korte, hoewel spitse,
eindlid der palpen, dat naauwelijks een derde der lengte
van het middenlid heeft, en vervolgens door den vorm der
achtervleugels, wier achterrand onder de punt in cel b eene
insnijding heeft, even alsof de vleugel gelijk bij de Pte-
rophoren, gespleten moest worden. De kenmerken van
het nieuwe genus kunnen dus als volgt worden vastgesteld:
Voorvleugels lancetvormig, achtervleugels langwerpig vier-
kant met spitse, uitstekende punt, de franje zeer lang.
Sprieten weinig langer dan twee derden der voorvleugels,
draadvormig, het wortellid langwerpig, weinig breeder
26 DACTYLOTA KINKERELLA.
dan de schaft, aan de basis met eenige uitgespreide haren.
Onderkaaksvoelers en zuiger ontbrekende.
Lipvoelers sikkelvormig, met puntig eindlid; het midden-
lid plat, zoo lang als de kop, onderaan dun, bovenaan
half zoo breed als de oogen; het eindlid ter lengte van een
derde van lid 2, aan de basis even breed, spits gepunt,
beiden aan de voorzijde een weinig ruw, aan de achter-
zijde glad beschubd.
Kop afgerond, eenigszins plat, met lange, gladgestreken
schubben bekleed; het aangezigt langwerpig, breeder dan
de oogen.
Oogen middelmatig; bijoogen zeer duidelijk.
Thorax tweemalen zoo breed als de kop, vlak gewelfd,
glad beschubd.
Achterlijf een derde korter dan de achtervleugels, dun,
met korte staartpluim (8).
Pooten gewoon gevormd en gespoord, middelmatig lang.
Voorvleugels met 12 aderen; de middencel smal, spits,
zonder duidelijken achterrand; ader 2 en 3 verwijderd van
elkander op 2 van haren binnenrand, 4, 5, 6 uit één
punt divergerend uit de spits bij den steel van 7 en 8,
deze in den voorrand uitloopende; 9, 10 en 11 verwijderd
van elkander; 12 kort. Geene aanhangcel. |
Achtervleugels met zigtbaren doch korten binnenrand,
afgeronden binnenrandshoek en op ader 4 afgerond-hoekig
gebogen achterrand; deze onder de lange punt ingesneden.
Franje 4 langer dan de breedte der vleugels.
Binnenrandsaderen der achtervleugels zeer onduidelijk.
Ader 2 op 2, 3 op # van den binnenrand ontspringende;
4 en 5 uit één punt uit haren binnenrandshoek ; de dwars-
ader terugtredende, naar boven ophoudende en de mid-
dencel open;? 6 ontbrekende !); 7 de voortzetting van
den voorrand der middencel, zeer nabij den vleugelvoor-
1) De achtervleugels hebben aan beide zijden op die plaats eene plooi, waardoor
het niet mogelijk is om te zien of ader 6 inderdaad aanwezig is en waar zij ontspringt.
DACTYLOTA KINKERELLA. SI
rand loopende en in de vleugelspits eindigende; 8 zeer kort.
De voor- en binnenrand der voorvleugels zijn parallel
en vrij vlak; de franje aan de vleugelpunt afgerond. Grond-
kleur van palpen, sprieten, kop, thorax en voorvleugels
een grijsachtig krijtwit, de laatsten tegen den achterrand
en punt en zelfs op de franje, in toenemende mate met
donkergrijze schubben bestrooid, die geene teekeningen
vormen, behalve eene flaauwe deelingslijn op het midden
der iets geelachtige franje. Achtervleugels lichtgrijs met
geelachtige franje. Achterlijf eveneens lichtgrijs met grijs-
witte, korte staartpluim. Onderzijde grijswit, tegen de
vleugelpunten ophelderende en over de franje der voor-
vleugels ook hier een paar, van de vleugelpunt uitgaande,
bovenaan gebogen beginselen van deelingslijnen. De mid-
dencel der voorvleugels beslaat ongeveer een derde van
de breedte der vleugels en reikt tot $ van hunne lengte,
die der achtervleugels is ruim half zoo breed als de vleugel
en 2 zoo lang.
Het voorwerp, een mannetje, is den 5° Junij 1865 bij
Noordwijk door den heer Kinker gevangen, waarschijnlijk
aan den duinkant.
Welligt staat deze soort niet alleen in haar genus en is
onder het genus Doryphora v. Hein. misschien wel de eene
of andere die met Kinkerella verbonden moet worden.
GESCHIEDENIS VAN EEN’ SPINNEN-COCON
(AGELENA S. AGROECA BRUNNEA Blackw.),
DOOR
A. W. M. VAN HASSELT.
(Met eene Plaat).
«Die zoekt, die vindt» is een spreekwoord, dat vol-
strekt niet altijd wordt bewaarheid, of ten minste dikwijls
niet dan na zeer langen duur. Indien men maar doorgaande
wist, waar moet worden gezocht, zou de beslissing voor-
zeker minder lang op zich laten wachten, dan nu veeltijds,
zonder dit, het geval is.
Een en ander heb ik op nieuw en ruimschoots onder-
vonden bij mijne vele pogingen om tot eene ontdekking
te geraken, die mij ten slotte — en dit was niet het aan-
genaamste loon voor mijne nasporingen, — bleek, geene
wezenlijke «ontdekking» te zijn. Desniettemin ben ik van
meening, zoowel om het belangwekkende van het voor-
werp zelf, als wegens den zeldzamen, met hindernissen
doorweven gang van het onderzoek, een getrouw ver-
slag te mogen geven van een onderwerp, waarvan ik in
eene onzer Vergaderingen le Leiden, reeds in 1870, voor-
loopige melding maakte, en waarop ik, in onze jongste
bijeenkomst te Amsterdam, de aandacht onzer medeleden
nogmaals vestigde.
Ik ga daartoe des te liever over, dewijl nog altijd enkele
min of meer duistere punten overblijven, in de hoop, dat
andere arachno- en entomologen daardoor mogen worden
opgewekt, tot verdere toelichting mede te werken.
GESCHIEDENIS VAN EEN’ SPINNEN-COCON, ENZ. 29
Men weet, dat er sommige cocons van spinnen voor-
komen, die opgehangen zijn of bevestigd aan meer of
minder lange aanhangsels of steeltjes. Hieronder zijn het
meest bekend de groote cocon van Epeira (Meta) fusca
Blackw. en de kleine van Theridium (Ero) variegatum van
denzelfden schrijver, terwijl ik, passim, daarvan o. a. ge-
wag vond gemaakt voor Linyphia zonata Walck., afgebeeld
door Vinson, en voor Theridion trigonum Hentz, uit Noord-
Amerika.
Onder deze dus te noemen gesteelde cocons is er één,
ook inlandsche, vorm, die nu reeds sedert ongeveer acht
jaren, — als wanneer ik dien in 1868 voor het eerst van
mijnen ijverigen vriend Heylaerts 1), uit de omstreken
van Breda, mogt ontvangen, — mijne bijzondere aandacht
tot zich had getrokken, te meer daar ik toenmaals, au
premier abord, getwijfeld had, of die wel tot de « spinnen »-
cocons behoorde.
Het betreft een uiterst sierlijk, sneeuwwit, half zijde-, half
papier- of perkament-achtig, niet bepaald glad, doch vol-
strekt ook niet wollig of harig, kegel-, klok- of flesch-
vormig ?) coconnetje, van eene zeer zamenhangende
textuur, door een overal vastzittend, circulair, vliesachtig
dekseltje of operculum, van dezelfde kleur en aard, doch
fijner of dunner van weefsel, aan de basis van den conus
gesloten (Plaat 1 Fig. À a) 3), ter grootste lengte en
breedte, — met het steeltje gemeten, — van 12 à 14 op
6 à 7 millim., terwijl de meesten, die ik bezigtigde,
maten van 8 à 10 op 4 à 5 millim., en de allerkleinsten
die ik zag van 6 op 3 millim. waren. In droogen toestand
1) Metdankbaarheid moet ik vermelden, daarvan later ook enkele exemplaren te
hebben gekregen van de heeren Snellen van Vollenhoven, Ritsema, W. Albarda,
Leesberg en Swierstra. Tot hiertoe echter heb ik er zelf nog nimmer een in naturà
mogen aantreffen.
2) Anderen vergeleken het met een vaatje of tonnetje, met een korfje of mandje
met een vruchtje, ook wel met een hangend wespennest in miniatuur.
3) Ik dank deze teekeningen aan de begaafde hand van mijnen vriend Snellen
van Vollenhoven.
30 GESCHIEDENIS VAN EEN’ SPINNEN-COCON
is het spinsel ondoorschijnend, doch bij alcohol-exemplaren
ziet men de meestal zwavelgele, soms meer witte, ovula
aan den top van den kegel, digt bij het ondereinde van den
steel, doorschemeren (Fig. 1 b). De eitjes bevinden zich
daar in een zeer dun, bolrond, afzonderlijk vliesje, bij die
ik onderzocht, ten verschillenden getale van 12 tot 32 1).
Nog valt beschrijvenderwijze op te merken, dat van de
ovula af tot aan het cocon-dekseltje duidelijk eene betrek-
kelijk groote, vrije ruimte openblijft, en dat de lange, op
de plaats van aanhechting trechtervormig verbreede cocon-
steel, vooral bij bezigtiging in spiritus, mede hol blijkt
te zijn, als het ware den hals van het fleschje vormende.
Het heeft zeer lang geduurd voor en aleer mij iets om-
trent den waren oorsprong van dit coconnetje bekend werd,
zoodat Heylaerts het langen tijd in zijne brieven en ge-
sprekken steeds de benaming van den «mystieken» cocon
toelegde. Deze uitdrukking. was des te eigenaardiger , dewijl
ik, reeds sedert de eerste jaren mijner nasporingen, zonder
het te weten, een volwassen paartje van de spinsoort,
waarvan het afkomstig is, onder mijne toenmalige species
incognitae heb bezeten, ieder afzonderlijk, het ¢ ik weet
niet waar of door wien, de g door mij zelven in de om-
streken van Utrecht gevangen, echter zonder cocon, en
zonder toen te vermoeden, dat hun coconnetje ons later
inderdaad zóó zoude mystificeren.
De oorzaak was hierin gelegen, dat geen der waar-
nemers, die dit eïjernestje bij ons te lande hadden ge-
vonden, op, bij, of tijdens de vervaardiging daarvan, het
moederdier, de ware auteur of «actrice» daarvan, hadden
aangetroffen ?); trots diens vele pogingen daartoe, is zulks
1) In de meeste cocons, die ik opende, vond ik van 12 tot 18 ovula; in een
tweetal der grooteren zag ik eens 15 ovula en 16 pulluli, een andermaal 13 ovula
en 19 pulluli.
2) Uit de beschrijving van Blackwall, History of Spiders, pag. 160, kan ik niet
duidelijk opmaken, of zulks al dan niet aan zijn’ zegsman, Hardy, is te beurt ge-
vallen; evenmin, uit de later aan te halen beschrijving van Lucas, of Simon het
heeft zien maken.
AGELENA S. AGROECA BRUNNEA. 3
tot hiertoe ook aan den heer Heylaerts nog nimmer mogen
gelukken.
Tot heden werd deze cocon nog slechts in vier onzer
provincién waargenomen, t. w. het meest veelvuldig in
Noordbrabant (door Heylaerts, W. Albarda en Leesberg in
de omstreken van Breda), voorts in Utrecht (door Ritsema
bij Baarn, door Maitland bij de Vuursche en door Swierstra bij
Soest), eens in Gelderland (door Ritsema bij Arnhem) en
eens in Noordholland (door Snellen van Vollenhoven bij Hil-
versum). Dat het echter meer algemeen voorkomt, is zeer
waarschijnlijk, althans heb ik onlangs van de jonge spin-
netjes, waaraan het wordt toegeschreven, twee exemplaren,
ook in Zuidholland (omtrek van ’s Gravenhage, z. g. Sche-
veningsche boschjes) zelf ontmoet.
Dit coconnetje wordt meestal gevonden op heidestruiken
(Erica vulgaris en andere soorten), of ook wel aan gras-,
riet- of bies-halmpjes vastgesponnen. De Geer, Simon,
Lucas, Menge, Blackwall althans en onze Hollandsche
waarnemers noemen allen de Erica in de eerste plaats.
Bovendien vind ik, meer bij uitzondering, opgegeven: aan
hagedoorn (Doumerc), aan sparrenaalden (Bohm) , aan mos
en aan brem (Hardy), aan den bast of op korstmos van
Pinus sylvestris (Heylaerts en Leesberg), aan beukenstam
(W. Albarda), onder aan een rasterwerk (Swierstra).
Behalve de onzekerheid in de mij bekende opgaven, of
wel ooit een der waarnemers de juiste wijze van vervaar-
diging van dit coconnetje door eene bepaalde spinsoort
zelf heeft geconstateerd, bestaat er eene tweede bron van
mystificatie ten dezen opzigte in de omstandigheid, dat
het er niet altijd zoo zuiver en fraai uitziet als boven
beschreven werd. De bevallige gedaante er van toch
wordt somtijds, hetzij volgens enkelen toevallig of passief,
door beregenen en bestuiven, of door bespatten met mod-
der !), hetzij, en dit komt mij veel waarschijnlijker voor,
1) Zoo meent Menge, dat de steel eerst door den regen wordt verweekt en dat
dan het nederhangende fleschje of klokje met stof en zand wordt bestoven.
32 GESCHIEDENIS VAN EEN’ SPINNEN-COCON
opzettelijk of actief, door de spin zelve, gemaskeerd of aan
het oog onttrokken. Misschien ook gebeurt nu eens het eerste,
dan het laatste. Hoe dit zij, men treft meermalen exemplaren
aan, die zoodanig geheel en al omkleed of bepleisterd zijn
met een meer of minder dik laagje aarde, leem en zand,
dat de oorspronkelijke kleur en vorm ten deele of geheel
onkenbaar, en de cocon zelf grooter en somtijds meer
bolvormig wordt (Plaat 1 Fig. 2). Enkele dergelijke exem-
plaren, — die ik alleen van Ritsema heb gekregen en die
bij ons zeldzamer schijnen voor te komen, of, omdat ze
niet zoo zeer in het oog vallen, minder de opmerkzaamheid
tot zich trekken, — had ik langen tijd in mijn bezit,
zonder te vermoeden, dat ze met het fleschvormig coconnetje
identisch waren. Later bij één daarvan den bouw en inhoud
naauwkeuriger willende nagaan, ontdeed ik dit, na ma-
ceratie in laauw water, zooveel mogelijk van de aanhan-
gende aardlaag, en kon ik .alstoen het oorspronkelijke, nog
witte klokje, duidelijk herkennen.
Als eene derde reden van twijfel omtrent de identiteit
van onzen «nidus mysticus» moet nog worden aangevoerd,
dat deze cocon nu eens hangende aan het steeltje, dan
eens overeind geplaatst, als op het steeltje staande,
wordt aangetroffen (Vergelijk Plaat 1, Fig. 4 en 7). De laatste
toestand schijnt als de oorspronkelijke te moeten worden
aangemerkt, terwijl die later, of alleen door wind en regen,
of door het zwaarder worden der ovula, of vooral door het
bedekken met modder, enz. in den benedenwaarts gerigten
stand overgaat.
In de eerste jaren toen ik deze coconnetjes leerde kennen
kon ik maar volstrekt niet uitvinden, wie er toch de ar-
chitecten van zouden zijn. Hahn u. Koch en Westring hadden
er niets over geboekt; bij Walekenaer vond ik er eerst niets
over, omdat het mij niet in de gedachte kwam, er zijne
Attides over te raadplegen; bij Blackwall zag ik het over
het hoofd, omdat hij de spin op eene andere plaat dan die
van het eijernestje teekent, en dit laatste, vooral het onbe-
AGELENA S. AGROECA BRUNNEA. 33
pleisterde, niet zeer duidelijk; het werk van Simon bezat
ik toen nog niet, en de Afdeeling van Menge, waarin deze
dit onderwerp behandelt, kwam eerst veel later uit.
Het eerste licht ging mij op uit eene schetsteekening
(Plaat 1 Fig. 3) en beschrijving van de Geer, —- die zeker
wel als de ontdekker er van mag worden genoemd, —
in de Abhandlung zur Geschichte der Insekten, Nürnberg,
4783, 7 Th. Tab. 13 Fig. 10. De uit de eijeren voort-
gekomen jongen wist hij echter niet te bestemmen. Wel
is waar beschreef hij de oogen, te regt, als te staan in
«zwey Querlinién », doch teekende hij, volgens den vorm
en oogenstand, meer eene Lycoside af. Eene overeenkomstige
schetsteekening van eenen « glockenförmigen cocon», doch
zonder eenige aanwijzing omtrent de maakster, en waar-
schijnlijk slechts aan den vorigen schrijver ontleend, vond
ik bij Giebel, Gliederthiere, S. 370.
Uit Böhm’s Illustrirtes Thierleben, 6 Band S. 594, zond
Heylaerts mij toen eene teekening van een regtopstaand
nestje (Plaat 1 Fig. 4). Zonder de species te vermelden,
schrijft Böhm dit mede aan eene Lycosa of « Wolfspinne » toe.
A priori nogtans kon ik aan deze meeningen geene waarde
hechten, aangezien dergelijke cocon eene te groote afwij-
king zou zijn bij de Lycosides, die, zoo als men weet, hare
eijerzakjes Of aan het achterlijf, òf met de monddeelen
met zich voeren.
Kerst toen kwam ik in het bezit van Simon’s Histoire
naturelle des Araignees, alwaar ik het, op p. 322, — alhoe-
wel bij beide figuren, zoowel die in natura als in door-
snede, eenigszins misteekend, — toch duidelijk genoeg her-
kende (Plaat 4 Fig. 5). Hij had onzen cocon zelf bij Spa
gevonden, doch kende blijkbaar destijds de fabriekante er
van niet, dewijl hij deze, op voetspoor van Walckenaer ,
tot de Altides bragt, onder den naam van Altus Doumerei
(naar den eersten Franschen waarnemer er van). Zijne
toenmalige beschrijving van het eijernestje komt dan
ook geheel met die van Walckenaer, Aptères I, p. 425,
3
34 GESCHIEDENIS VAN EEN’ SPINNEN-COCON
overeen. Doch ook hier twijfelde ik a priori zeer, of deze
cocon wel afkomstig kon zijn van eene Attide. Al de mi
bekende springspinnen toch vervaardigen hare eijerzakjes
op eene hoogst eenvoudige, gewone wijze, en blijven ook
meer in de nabijheid er van, terwijl hier tot nog toe bij
ons geen enkel fleschje met het moederdier er op of er
bij was aangetroffen. Het gelukte mij maar niet (evenmin
als tot heden), beiden gelijktijdig in mijn bezit te krijgen.
Eens ontving ik een coconnetje van Ritsema, waarop hij
eene doode spin had gevonden; doch deze herkende ik als
eene verdroogde Epeira patagiata 2; een ander maal zelfs
kreeg ik er een van Heylaerts met een verschrompeld
exemplaar van Zilla reticulata & er bij; nog eens enkelen,
van denzelfden, met jonge individuen van Meta tigrina er
bij, van welke allen ik den zeer gewonen cocon-vorm
kende en die dus niet in aanmerking konden komen.
Hoofddoel werd toen te trachten, versche «fleschjes » te
doen uitkomen en de pulli op te kweeken. Dit gelukte aan
Heylaerts een paar malen, maar als ik ze kreeg, waren
ze dood en onherkenbaar verdroogd. Toch kon ik daaruit
toen reeds, microscopisch, met voldoende zekerheid uit den
oogenstand herkennen, dat wij hier noch met eene Lycosa-
noch met eene Attus-soort te doen hadden , zoo als ik trouwens
reeds lang te voren vermoed had. Eindelijk en ten laatste
kreeg ik ook zelf, in een doosje met glazen deksel, en
onder dagelijksche besprenkeling met water, in ’t laatst
van Julij 1872, een gewonen (niet bepleisterden) cocon uit !),
met 3 pulluli, waarvan twee niet groeijen wilden en spoe-
dig stierven. De derde, geplaatst in eene flesch met zand
en mos op den bodem en verder gevuld met heidetakjes,
hield ik in leven. ’t Was een wijfje, dat echter slechts
zeer langzaam ontwikkelde, doch nadat ik het met ovula
1) Op dit oogenblik heb ik weder twee fleschjes met enkele uit den cocon ge-
komen pulluli, één, bij mij, van Heylaerts; één, bij hem, van Leesberg; ik voed
deze met jonge spinnetjes van zeer kleine soorten, die ze gretig verslinden, of met
stukjes van meelwormen, doch dagelijks sterven er eenigen.
AGELENA S. AGROECA BRUNNEA. 35
en zeer kleine pulluli van Epeira diadema was begonnen
te voeden, meer en meer opgroeide en bij herhaling ver-
velde. Bij gebreke van ander voedsel gaf ik het toen
kleine vliegen en muggen, maar zag nooit, dat zij dezen
aantastte. Toen geene verdere ontwikkeling waarnemende,
was ik van voornemen, in ’t laatst van October, mijne
«mystieke » voedsterling, die nu in alle opzigten voldoende
ontwikkeld was om haar te kunnen determineren, daar-
toe, en ter conservatie voor mijne collectie, op spiritus
te zetten. Daar ik onverwachts uit de stad moest, stelde
ik dit eenige dagen uit, nadat ik vooraf (wat bij ’t kweeken
van jonge spinnetjes onmisbaar noodig is) eenige drop-
pels water in de flesch had gegoten. Nooit echter heeft
mij eenig uitstel zoo veel «natuur»-leed gedaan! Ieder
natuuronderzoeker zal zich mijne onbeschrijfelijke teleur-
stelling kunnen verbeelden, want van mijn uitstapje terug-
gekeerd en terstond mijne kweekflesch ter hand nemende,
kon ik daarin, in het eerst, geen spoor meer van mijne
zeldzame kweekeling ontdekken. Wat was er gebeurd?
De flesch was van boven bekleed geweest met een nog al
ver afhangenden zwarten zijden lap, met een gaatje er in,
waardoor ik gewoonlijk voedsel en water aanbreng, zoodat
ik niet had gezien, dat zich daar ter plaatse een der
Epeira-pulli, buiten mijn weten (daar ik altijd op den
bodem keek, alwaar mijn spinnetje zich standvastig, tus-
schen het mos, ophield) gevestigd, en helaas! ontwikkeld
had. Deze bedekking nu voor het eerst wegnemende,
vond ik in hare ragdraden de geheel onherkenbare, be-
paald «tristes restes» van mijne «schoone onbekende »!
Mijn experimentum crucis was alzoo voor een groot deel
mislukt. Volkomen zekerheid althans eener, voor mij toen
nieuwe, waarneming was mij ontgaan. Toch had ik in
de drie maanden, die ik mijn jeugdig geelbruin exem-
plaartje, met zwart gestreepten cephalothorax en abdomen
trots zijne lange achterbeenen en ongemeen snellen gang,
36 GESCHIEDENIS VAN EEN’ SPINNEN-COCON
ter loops doch bij herhaling had kunnen bespieden, mij
ten duidelijkste kunnen overtuigen:
4°. dat het geene Lycosa was;
2°. dat het ook niet tot de Attides behoorde;
3°. dat de oogenstand het meest met die der Agelenides
scheen overeen te komen; en
4°. dat de habitus groote analogie vertoonde met dien,
welken wij bij Tegenaria en Philoica gewoon zijn aan
te treffen.
Eerst na het beschreven échec kwam ik er toe, de Age-
leniden mijner collectie met het mij nog duidelijk voor-
zwevende beeld mijner «verslagene» te vergelijken, en
meende ik, met een’ hoogen graad van waarschijnlijkheid ,
mijne élève te mogen brengen tot de Agelena brunnea van
Blackwall, waarvan ik eerst toen ontdekte, dat ik een
volwassen paartje bezat; doch vertrouwde ik mij niet ge-
noeg, om deze (would be) ontdekking destijds te publiceren.
Ik bespeurde toen mede, dat Blackwall dit (of een zeer
analoog) coconnetje kende niet alleen (p. 160), maar het
ook, iets vergroot en eenigszins gewijzigd, had afge-
teekend, echter niet bij zijne Agelena, maar op eene afzon-
derlijke of andere !) plaat (History of Spiders, Plate x11),
overgenomen bij mij Plaat 1 Fig. 6, waardoor, — alsmede
door zijne flaauwe schets van den onbepleisterden cocon, die
in vorm geheel afwijkt van zijn’ bepleisterden, — ik het
langen tijd over het hoofd had gezien. Later herkende ik
het ook, duidelijker, op eene teekening van Menge, toen
ik diens IV“ Abtheilung Preussische Spinnen in handen
kreeg (S. 285, Tab. 165), bij mij overgenomen op Plaat 1
Big: 2.
Zooverre gevorderd met mijne nasporingen ontving ik
den laatsten, niet het minst krachtigen steun voor de be-
sprokene diagnose, toen mijne opmerkzaamheid, ik meen
1) De Agelena brunnea zelve is bij Blackwall te vinden op Plate x. Bij mij
overgenomen onder « nog onbepleisterd, onder 4 bepleisterd.
AGELENA S. AGROECA BRUNNEA. 31
door den Heer Ritsema, gevestigd werd op eene mededee-
ling ad hoc van Lucas, in het Bulletin des séances de la Soc.
Entomol. de France, van M Junij 1873, en vond ik nu bij
dezen, wat ik zoo langen tijd met zoo groote moeite had
gezocht.
Hoezeer overeenkomende met veel van het vooratgegane
is de beschrijving van Lucas merkwaardig genoeg, om in
extenso te worden overgenomen :
«Jai fait connaître, — zegt hij — en 1870, un cocon
très remarquable par sa forme, et que j'ai considéré alors
comme étant construit par (Altus Doumerci Walck. Notre
confrère Simon, dans son Histoire naturelle etc., a repré-
senté cette singulière habitation et a formé avec l’aranéide,
qui en est l’architecte, un sous-genre, auquel il a donné
le nom de Lagénicole. D'autres auteurs, parmi lesquels je
citerai M. Simon lui-même, ont depuis étudié ce cocon,
et ont reconnu, que cette habitation n'était pas con-
struite par une aranéide de la famille des Attides, mais
bien par l’Agroeca (Agelena) brunnea Blackw Ce qui a
causé (?) cette erreur !), c'est que l’on trouve assez
souvent (sic) le cocon de cette aranéide entièrement nu,
c'est à dire non achevé (?), pas encore recouvert à l’ex-
térieur de fines parcelles de sable et de terre, dispo-
sées de manière a cächer aux yeux de lobservateur le
tissu blanc mat soyeux, qui compose l'enveloppe. (est
dans cette condition, que j'ai étudié dernièrement, avec
notre confrère J. Kunckel, un cocon de cette aranéide,
contenant des œufs fécondés, dont jai obtenu plusieurs
eclosions. En examinant les jeunes aranéides, qui en sont
sorties, j'ai remarqué, qu’elles sont entièrement d’un blanc
testacé 2), et que les organes de la vision sont disposés
1) Het is mij niet regt duidelijk, waarom de omstandigheid, dat men dezen
cocon in twee vormen aantreft, »oorzaak» kan geweest zijn, dat men dien vroeger
aan eene A{{us-soort toeschreef!
2) Dit was even zoo bij mijne pulluli; doch ze worden zeer spoedig donkerder,
bruingeel, van kleur.
38 GESCHIEDENIS VAN EEN’ SPINNEN-COCON
comme chez les espèces du genre Agroeca. Quand, au con-
traire, après avoir étudié ce même cocon ainsi protégé,
on Visole ensuite de son enveloppe, on retrouve cette habi-
tation telle qu’elle a été décrite et figurée, affectant la
forme d’une bouteille. Ge cocon extrèmement curieux se
trouve assez abondamment en Normandie (Honfleur), fixé
aux ramuscules de l’Erica vulgaris; aussi en Bretagne; etc. ».
Een en ander overgenoeg, om de analogie onzer afzon-
derlijk gedane waarnemingen ten dezen voldoende te be-
vestigen.
Nog eene aanwijzing, dat de door hem en mij beschreven
cocon overeenkomt of althans analoog is met dien van
Blackwall zelven, mag worden gevonden in het feit, dat
uit een mijner Hollandsche cocons een parasitische Ich-
neumon is uitgekomen en wel van dezelfde soort als door
Blackwall (Plate x11) is afgebeeld, te weten een vrouwelijk
exemplaar van Pezomachus fasciatus.
En hiermede zou ik deze, misschien reeds al te lange,
« cocon-geschiedenis» kunnen besluiten, ware het niet dat
zich bij mij nog steeds enkele punten van twijfel voordoen,
over de volkomene identiteit der tot hiertoe als maak-
ster aangeduide spin, en vooral over de vraag: of als zoo-
danig slechts één of misschien meer soorten van het
geslacht Agroeca behooren te worden genoemd ?
Hoewel, namelijk, mijne beide exemplaren dezer spin,
als gezegd, het meest overeenkomen met Agelena brunnea
Blackw. ben ik toch niet geheel zeker, voornamelijk niet
wat betreft den oogenstand'). Daar Blackwall de zijnen
tot het genus Agelena brengt, beschrijft hij dit geslacht, te
regt, voor beide rijen der oogen, «with convexity directed
backwards». Zulks nu geldt bij de mijnen wel voor de
schedeloogen, maar zeer veel minder of zelfs niet voor
de voorhoofdsoogen, die mij toeschijnen nagenoeg in eene
1) Dewijl ik slechts van iedere sexe één volwassen spiritus-exemplaar bezit,
heb ik, uit vrees voor beschadiging, de overige fijnere anatomische verschillen, ver-
gelijkenderwijze, nog niet kunnen nagaan.
AGELENA S. AGROECA BRUNNEA. 39
regte lijn te staan. Ook vind ik niet, dat de middeloogen
der voorste rij blijkbaar» grooter zijn dan de overigen.
Doch dit is hier eenigszins moeijelijk te zien, omdat de
oogen op een’ zwarten grond staan of door zwarte ringen,
die deels ineenvloeijen, zijn omgeven. Ik vind in de grootte
althans veel minder verschil, dan in den vorm, die mij,
zoowel bij de voorste als achterste laterale oogen, meer
ovaal dan bolrond toeschijnt. Intusschen is Blackwall,
op dit punt, minder vast in de leer geweest, daar hij de
oogen, op de afbeelding der 2, teekent volgens zijne be-
schrijving, doch juist tegenovergesteld, d. i. met vöör-
waartsche convexiteit, op de figuur van het 4! Ook staan
bij mijne exemplaren de zijdelingsche oogen digter bij
elkander dan hij ze voor Agelena in het algemeen, bij À.
labyrinthica, afteekent.
Zeer te regt is derhalve de Agelena brunnea Blackw. van
de typische Agelena moeten worden afgezonderd, niet alleen
wegens den oogenstand, maar onder anderen ook om de veel
kortere spintepels, en wordt zij nu algemeen gebragt tot het
genus Philoeca of Philoica CG. Koch, synoniem met dat van
Agroeca Westring. Doch er bestaat hier nog eenige naamsver-
warring voor de species. Mij althans is het niet helder, dat
A. brunnea Blackw. identisch zou zijn met Agroeca linotina
Westring en deze weder met Philoica linotina C. Koch. Immeıs
men komt hier vooreerst niet uit voor de oogen , — waarvan
bij Agroeca linotina Westr. de beide rijen worden gezegd in
eene voor- en benedenwaartsche curvatuur gerigt te staan , —
en ten anderen is Philoica linotina C. Koch eene bepaald
kleinere spinsoort dan A. brunnea Blackw.; doch dit is van
minder belang; daar Koch alleen de ¢ afbeeldt, kan hij een
nog niet volkomen ontwikkeld individu voor zich hebben
gehad. Daarentegen kon ik het meer donker gekleurd zijn
van de uiteinden der ledematen zijner Ph. linotina, bij
de exemplaren van A. brunnea, die ik waarnam, niet con-
stateren.
De «Agalena brunea» Blackw., zoo als die wijders door
40 GESCHIEDENIS VAN EEN’ SPINNEN-COCON
Menge wordt genoemd en beschreven, gelijkt nog minder
naar de ware Agelena brunnea Blackw. Menge zegt daarvan :
de oogen zijn als bij andere Agalenae (A. labyrinthica enz.),
d.i. dus op beide rijen, met duidelijk achterwaartsche curva-
tuur; dit is nogtans voor de ware A. brunnea Blackw. niet
volkomen juist, zoo als reeds is opgemerkt ; daarenboven tee-
kent hij zijne A. «brunea» met lange spintepels, terwijl de ware
A. brunnea slechts korte mamillae bezit; evenmin vertoont
deze laatste eenig spoor van het roodachtige vlekje aan het
achterlijf, waarvan bij Menge sprake is, en zoo als dit bij som-
mige Agelenae (labyrinthica en similis) veeltijds gevonden
wordt. Het komt mij dus zeker voor, dat de spin, door Menge,
bij ons coconnetje *), als A. brunea beschreven, niet de
A. brunnea van Blackwall (geen Agelena, maar eene Agroeca)
is. Dit is dan ook met overtuiging door den beroemden
arachnoloog Thorell opgemerkt (On Synonyms p. 565). Thorell
is van oordeel, dat A. brunea van Menge meer te brengen
is tot eene of andere ware Agelena-soort, zoo als A. gracilis
of gracilens G. Koch, of misschien wel tot A. similis Keyser-
ling. Wat A. sımilis echter betreft, kan ik mij met dit
vermoeden van Thorell minder vereenigen, vooral omdat
Menge zelf deze, even te voren, afzonderlijk, als eene
subspecies of varieteit van A. labyrinthica beschrijft, hetgeen
mij, volgens een enkel exemplaar van similis in mijn bezit,
meer toelacht.
De tweede twijfel, in deze «geschiedenis», waarvan ik ge-
waagde, is: of er maar é é n spin-soort is, die den beschreven
fleschvormigen cocon vervaardigt ?
Dat Agroeca brunnea er een’ zoodanigen maakt, is door
onze gemeenschappelijke onderzoekingen als voldoende
bewezen te achten; alleen moet ik herhalen, niet met
zekerheid te weten, of iemand dit spinnetje daarbij aan
het werk heeft gezien.
1) Menge erkent dan ook zelf, niet te weten, of dit eoconnetje werkelijk door
zijne A. brunea vervaardigd wordt.
AGELENA S. AGROECA BRUNNEA. AA
Daar er intusschen volgens de, altijd zoo hoogst naauw-
keurige, vergelijkingen van Thorell reeds een drie-tal soorten
van het Ageleniden-geslacht Agroeca bekend zijn, — wijl hij,
behalve onze A. brunnea nog van nabij kennis heeft gemaakt
met eene analoge species, de Agroeca Haglundii, en uit de
verte met nog eene meer verschil opleverende, (contra
nomen) Ayroeca proxima genaamd, — zou het niet onmogelijk
wezen, dat ook deze soorten eene even groote virtuositeit
in den cocon-bouw bezaten, als A. brunnea.
Zoowel de door mij geziene nestjes als de mij bekende
teekeningen daarvan doen mij dan ook twijfelen, of die wel
allen door dezelfde soort zijn opgebouwd. Inzonderheid
kwam ik daartoe door de nog al van de overigen afwijkende
afbeelding van Blackwall (Fig. 6, nobis).
Hij teekent, namelijk, zijn onbepleisterd coconnetje be-
trekkelijk breeder, minder langwerpig, en zonder den eigen-
aardigen steel. Zijne bepleisterde cocons teekent hij verder
meer ovaal dan wel rond of hemisphaerisch, zoo als de
onzen zijn. Die vond ik dan ook inderdaad soms bekleed met
aarde of modder («mud» zoo als Blackwall zelf schrijft), terwijl
de teekening van Blackwall meer wijst op eene bedekking met
mos. En wat de grootte aangaat, zoo treft men, althans
bij ons, de onbesmeerde fleschjes zeker slechts hoogst
zelden aan tot een «diameter van 4 Engelschen duim »
(Blackw.).
Verder teekent Blackwall aan, dat in de cocons van zijne
A. brunnea van 40 tot 50 ovula worden gevonden. Zóó velen
waren er in geen der door mij onderzochten aanwezig; ik
vond er, bij uitzondering, hoogstens 32. Echter heb ik zelf
doen opmerken, dat de grootte der hier gevonden cocons
aanmerkelijk kan verschillen, zelfs voor eene en dezelfde
soort (?) tot om de helft; het onderscheid van 32 tot 40 à 50
eijeren behoeft dus niet bepaald in strijd te worden geacht met
identiteit, maar toch is het, met het oog op mijne twijfelvraag,
niet onbelangrijk op te merken, dat een zóó groot aantal
ovula voor onze Agroeca zeker tot de hooge uitzonderingen
42 GESCHIEDENIS VAN EEN’ SPINNEN-COCON ENZ.
behoort. Immers, bijna gelijkluidend bij de meeste schrijvers,
bepaald bij de Geer, Doumere en Simon, wordt, overeen-
komstig met den regel bij de onzen, van niet meer dan
van 12 à 15 ovula of pulli gewag gemaakt. Nog trok het,
op dit punt, mijne aandacht, dat de kleur der eijeren in
de meeste coconnetjes zwavelgeel, echter in sommigen
geelwit, soms zelfs melkwit was.
Het was uithoofde van deze opmerkingen, dat ik meende
geregtigd te zijn tot de vraag, of er welligt niet twee
of meer Agroeca-soorten overeenkomstige, doch niet geheel
gelijke, eijerzakjes maken, in grootte, inhoud en bepleis-
tering ') onderling eenigermate verschillende. Heeft Lucas
ook wel regt, om de nog naakte cocons met de aanwij-
zing van «non achevé» te bestempelen? Dit is zeker, dat
ik in zeer vele volgens hem «niet voltooide» coconnetjes
de gaatjes heb gevonden, waardoor de pulli hen hadden
verlaten, toch wel een bewijs, dat deze, als zoodanig, aan
hunne bestemming hadden voldaan. Men ziet, er is hier
nog niet het laatste woord gesproken; er bestaat nog stof
tot voortgaande waarneming, en niet het minst omtrent
den nog ongezienen modus quo der vervaardiging van
deze hoogst eigenaardige eijerzakjes. Daar ik op onze laatste
zomer-excursie een bijna volwassen (sedert geheel ont-
wikkeld) paartje van Agroeca brunnea had gevangen , meende
ik op het punt te zijn, deze questie later te kunnen aan-
vullen. Naar oude en kwade gewoonte echter werd in de
vorige maand het & door de 2 verslagen. Dit laatste heeft
tot hiertoe, vermoedelijk wijl het saizoen verstreken is,
nog geen spoor van hare merkwaardige flesschen-fabrie-
kage vertoond.
’s Gravenhage, September 1875.
1) Zoo bijvoorbeeld is het merkwaardig, dat ik slechts eens uit Utrecht van
Ritsema enkele bepleisterde cocons verkreeg, terwijl de zeer velen mij overigens van
daar en elders toegekomen steeds naakt of onbepleisterd waren.
BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
INSECTEN-FAUNA VAN HET NOORDELUKSTE
GEDEELTE VAN SUMATRA,
DOOR
C. RITSEMA Cz.
Van half Januarij tot half Julij 1874 maakte mijn broe-
der, de heer M. L. Ritsema, als Officier van gezondheid
tweede klasse, deel uit van de tweede militaire expeditie
tegen het rijk Atjeh, het noordelijkste gedeelte van het
eiland Sumatra.
Ook hier, even als vroeger op het eiland Bali (tijdens de
expeditie van 1868), maakte hij den weinigen vrijen tijd
die hem overbleef, door het verzamelen van insecten dienst-
baar aan onze wetenschap. |
Ongelukkig echter ging, zoo als hij mij in een’ zijner
brieven heeft medegedeeld, kort voor zijn vertrek van
Atjeh, de blikken doos die bijna al de daar ter plaatse
door hem verzamelde insecten (voornamelijk boktorren)
bevatte, bij een’ vijandelijken overval verloren, zoodat hem
nog slechts enkele in afzonderlijke doosjes bewaarde insec-
ten overbleven. Deze zijn door mij in Julij Il. ontvangen,
en hoewel slechts weinig in getal (13 Coleoptera verdeeld
over 9 soorten, en 1 Hemipteron) acht ik het, daar zij
van eene uit een faunistisch oogpunt geheel onbekende
landstreek afkomstig zijn, niet van belang ontbloot hunne
namen te vermelden, en de mijns inziens nog niet be-
schrevenen (& soorten) door eene beschrijving bekend te
maken.
4% BIJDRAGE TOT DE INSECTEN-FAUNA
Het terrein waarop mijn broeder verzamelde, strekte zich
volgens zijn schrijven uit langs de beide oevers van de
Atjeh-rivier, van het strand tot aan den Kraton (na de
verovering of liever in bezitneming door de onzen Kotta-
Radjah genoemd), en bestond gedeeltelijk uit klapper- of
cocostuinen, gedeeltelijk uit wildernis.
1. Chalcophora auro-plagiata H. Deyrolle, Annales de la Societe
Entomologique Belge, tom. VIII (1864) pag. 22, n°. 36
(Chrysodema).
Ken exemplaar van deze Buprestide dat volkomen aan
Deyrolle’s beschrijving beantwoordt, werd in April te
Kotta-Radjah gevangen. Volgens Deyrolle (I. c.) heeft Wal-
lace deze soort van de eilanden Banca en Borneo mede-
gebragt. In ’s Rijks Museum te Leiden was zij nog niet
vertegenwoordigd.
2. Hypomeces squamosus Fabricius, Entomologia Systematica ,
tom. I pars 2, p. 452, n°. 244 (Curculio). — Olivier,
Entomologie, tom. V (n°. 83) p. 319, pl. 5, fig. 48b
(Curculio). — Schönherr, Genera et Species Curculio-
nidum, tom. II, p. 71.
Van deze fraaije snuittor ving mijn broeder een typisch
voorwerp. In ’s Rijks Museum te Leiden bevonden zich
reeds voorwerpen van,China, Java en Bali.
3. Myllocerus nov. spec. (zie de beschrijving hierachter).
Van deze naar het mij toeschijnt onbeschreven Curcu-
lionide zijn twee voorwerpen overgezonden.
4, Apoderus Tranquebaricus Fabricius, Entomologia Systematica ,
Supplementum, p.162 (Attelabus). — Olivier, Entomo-
logie, tom. V (n°. 841) p.15, pl.1, fig. 18 (Attelabus). —
Schönherr, Genera et Species Curculionidum, tom. V,
p. 281.
Ik ontving twee voorwerpen van deze Curculionide.
'sRijks Museum bezat haar, met inbegrip van eene varié-
teit, van Java en Borneo.
VAN NOORDELIJK SUMATRA. 45
o. Rhynchites coelestinus Schönherr, Genera et Species Curcu-
lionidum, tom. I, p. 21.
Het Atjehsche voorwerp van deze Curculionide-soort is
kleiner dan een voorwerp evenzeer van Sumatra afkomstig,
dat zich reeds in ’s Rijks Museum bevond. Voor het overige
stemt het daarmede overeen.
6. Praonetha nov. spec. (zie de beschrijving hierachter).
Een exemplaar van deze boktor werd door mijn’ broeder
in den kampong Lampassei (20 minuten gaans van zee
gelegen) gevangen.
7. Hispa nov. spec. (zie de beschrijving hierachter).
Van deze soort ontving ik drie exemplaren.
8. Aspidomorpha micans Fabricius, Systema Eleutheratorum ,
tom. I, p. 398, n°. 64 (Cassida). — Boheman, Mono-
graphia Cassididarum, tom. IT, p. 313, n°. 67.
Een enkel exemplaar. ’s Rijks Museum bezat reeds voor-
werpen van Padang, van Java en van Calcutta.
9. Chnoodes nov. spec. (zie de beschrijving hierachter).
Ik ontving slechts één voorwerp van deze behaarde
Coccinellide.
10. Laccotrephes robustus Stgl, Oversigt af Kongl. Vetenskaps-
Akademiens Förhandlingar 1870, p. 706 (Hemiptera
insularum Philippinarum).
Van deze schorpioenwants ving mijn broeder den 20%
Mei 1874 een voorwerp in de digt begroeide gracht langs
den wal aan de noord-face van Kotta-Radjah. ’s Rijks Mu-
seum bezat haar reeds, behalve in twee exemplaren van
de Philippijnsche eilanden (van Dr. Semper afkomstig),
van Sumatra, Java, Bali en Timor.
Beschrijving der nieuwe soorten.
3. Myllocerus Atjehensis, Ritsema.
De lengte dezer soort, die wegens de tweemaal gegolfde
46 BIJDRAGE TOT DE INSECTEN-FAUNA
basis van den thorax tot het eigenlijke geslacht Myllocerus
behoort, bedraagt ongeveer 6,5 mm.
De grondkleur zal wel tusschen zeer donkerbruin (bijna
zwart) en helderbruin variéren, daar ik van beide tinten
een voorwerp voor mij heb. Het ligchaam is schaars
(ten gevolge van afslijting?) bedekt met fijne heldergroene
schubjes, digter evenwel op den buik, langs de zijden, om
de oogen en over het midden van den thorax. Behalve
deze schubjes komen er ook borstelhaartjes voor, die op
den romp en de schaft der sprieten bruingeel, op de vlag
der sprieten en de pooten wit zijn; de borstelharen die
op de dekschilden voorkomen zijn de langsten.
De kop is met fijne puntjes bedekt en tusschen de oogen
van een’ dwarschen indruk voorzien. De snuit is regt,
over het midden zeer flaauw uitgehold en aldaar van eene
fine langsgroef voorzien, die zich tot achter het diepste
gedeelte van den dwarschen indruk tusschen de oogen
voortzet. Ter wederzijde van en evenwijdig aan deze
langsgroef bemerkt men eene fijne langskiel, terwijl zich
daarnaast van den grond der sprieten tot den binnen-oog-
rand een flaauw gebogen groefje uitstrekt. De sprieten
ziin lang; de schaft is tamelijk sterk gebogen en reikt
bijna tot aan het midden van den thorax, de beide eerste
geledingen van de vlag zijn verlengd, de tweede merkbaar
langer dan. de eerste, de 3°—7* van onderling gelijke
lengte, de knop verlengd ovaal, aan het eind toegespitst,
ruim zoo lang als de drie voorgaande geledingen te zamen.
De thorax is bedekt met grove puntjes, waaruit een
bruingeel borstelhaartje ontspringt; hij is iets breeder dan
lang, van voren regt afgesneden, van achteren tweemaal
gegolfd, van voren smaller dan van achteren en in de zijden
kort voor het midden eenigszins gezwollen. Het scutellum
is klein, breeder dan lang, van achteren regt afgesneden
met afgeronde hoeken.
De basis der dekschilden is breeder dan die van den
thorax en in tegengestelden zin gegolfd. De schouders puilen
VAN NOORDELIJK SUMATRA. 47
eenigszins uit, zoodat onmiddellijk achter hen de dekschilden
zich flaauw ingeknepen voordoen. De dekschilden, die kort
achter het midden het breedst zijn, zijn met in rijen ge-
plaatste, diepe, min of meer vierhoekige stippen bedekt;
deruimten tusschen deze stippenrijen zijn gewelfd en glad,
en dragen op kleine verhevenheden overeindstaande bruin-
gele borstelharen. — De dijen der pooten zijn met een’
tand gewapend.
6. Praonetha Köhleri, Ritsema.
Verwant zoo wel aan P. scopulifera Pasc. (Longicornia
Malayana p. 175) als aan P. annulitarsis Pasc. (l. c. p. 185).
Lengte 12 mm. — Zwart, digt bedekt met een chocolade-
kleurig vilt, en met talrijke witte borstelhaartjes als het
ware bestrooid. De bovenlip en de voorrand van het kop-
schild met lange vuilwitte haren bedekt. De sprieten tamelijk
ver van elkander verwijderd; de onderzijde van deze organen
grijs, welke kleur aan de basis der geledingen een niet
volkomen gesloten ring vormt.
De thorax ongeveer zoo lang als breed, aan den voorrand
en in de zijden digt achter den voorrand gezwollen; op de
rugzijde van twee omvangrijke knobbels voorzien, waardoor
over het midden een overlangsche indruk gevormd wordt;
deze indruk is helderder van kleur dan het overige gedeelte
van den thorax, en vertoont op het midden een grijs vlekje,
door eene opeenhooping van grijze haartjes ontstaan. Het
scutellum is van achteren breed afgerond, op het midden
vaalzwart, langs de zijden lichtbruin gekleurd.
De dekschilden zijn in de schouders breeder dan de
thorax; zij zijn van terzijde zamengedrukt en worden naar
achteren smaller; het laatste derde gedeelte is tamelijk sterk
hellende, de uiteinden zijn scheef afgesneden. Voorts zijn
de dekschilden met grove, in meer of min onregelmatige
langsrijen geplaatste puntjes bedekt; behalve een kleine
van een bosje bruine borstelharen voorziene kam aan de
basis, bevindt er zich een van twee bosjes zwarte borstel-
48 BIJDRAGE TOT DE INSECTEN-FAUNA
haren voorzien aan het begin van het hellende gedeelte;
bosjes zwarte borstelharen, van welke haren meestal één
boven de anderen uitsteekt, vindt men voorts langs de
sutuur, op de lijn die de beide kammen vereenigt, en nog
enkele kleineren daarbuiten; op het hellende gedeelte neemt
men ook nog twee paren langwerpige knobbeltjes waar.
Op verschillende plaatsen, bijv. in de nabijheid van het
schildje en vóór het hellende gedeelte, zijn de dekschilden
voornamelijk in de stippen digt met grijze haartjes bedekt.
Het hellende gedeelte der dekschilden is iets donkerder van
kleur dan het overige. |
De buikzijde van den thorax met inbegrip der heupen is
grijsachtig, de zijden van het metasternum roodachtig met
zwarte stippen. De buikzijde van het achterlijf is vaalzwart,
de achterrand van het eerste tot en met het voorlaatste
segment roodachtig met zwarte stippen. De onderzijde der
pooten is aschgrauw, terwijl vooral de dijen met heldere
vlekken geteekend zijn.
Ik wijd deze soort aan de nagedachtenis van den reeds
bij den aanvang van den Atjehschen oorlog gesneuvelden
generaal Köhler.
7. Hispa Leonardi, Ritsema.
Wat de kleurverdeeling betreft behoort deze bedoornde
soort tot de groep van H. spinosa Web., saltatrix F., Vaniko-
rensis Guér. en Fabricii Guér., d.i. tot die soorten welk rood zijn
en zwarte dekschilden hebben. Wat de bewapening van den
thorax betreft sluit zij zieh digt aan de drie eerstgenoemde
soorten aan, daar zoowel de voorrand als de zijranden bewa-
pend zijn; bij de laatstgenoemde soort is dit alleen met de
zijranden het geval. Met de beide eerstgenoemde soorten heeft
de nieuwe soort bovendien nog de plaats van herkomst
(Sumatra) gemeen. Zij is echter gemakkelijk van hen te
onderscheiden doordien de zijranden van den thorax vier,
op eene gemeenschappelijke breede basis gezeten doornen
bezit, terwijl aldaar bij Spinosa Web. een gegaffelde en
VAN NOORDELIJK SUMATRA. 49
een kleinere enkelvoudige, en bij Saltatria F. en Vaniko-
rensis Guer. slechts een drietakkige doorn voorkomt.
De nieuwe soort dan is 45 mm. lang. De kop is rood
en met uitzondering van den glanzigen hals mat; de
bovenkaken en de oogen zijn zwart; de ongedoornde sprie-
ten zijn donkerbruin en met lichtgele haartjes bedekt; de
eerste geleding is ongeveer zoo lang als de tweede en derde
te zamen, de vierde, vijfde en zesde zijn van onderling
gelijke lengte en iets korter dan de derde; de overige ge-
ledingen ontbreken bij mijne voorwerpen.
De thorax is breeder dan lang; hij heeft de kleur van
den kop en is over het midden van twee zwarte langs-
banden voorzien; de rugzijde is, met uitzondering van den
gladden voorrand en een op het midden verbreed langs-
bandje tusschen de beide zwarte banden, met grove en
diepe puntjes bedekt, waaruit enkele fijne lichtgele haartjes
ontspringen. De voorrand draagt twee gaffelvormige doornen ;
de voorste tak is korter dan de achterste, en aan de voor-
zijde tweemaal flaauw ingesneden, waardoor twee kleine
tandjes ontstaan. leder der zijranden van den thorax draagt
op eene breede gemeenschappelijke basis, die zich als eene
verbreeding van den thorax voordoet, vier doornen, waar-
van de voorste de kleinste, de derde de grootste en de
vierde kleiner dan de tweede is. De top van de doornen van
den thorax is zwart. Het scutellum is driehoekig met breed
afgeronden top; het heeft de kleur van kop en thorax en
is door eene uiterst fijne bestippeling zonder glans.
De basis der dekschilden is breeder dan het breedste
gedeelte (het midden) van den thorax; naar achteren nemen
zij weinig of niet in breedte toe; zij zijn glanzig zwart
en met regelmatig in rijen geplaatste grove stippen net-
vormig bedekt. De schouders puilen sterk uit en dragen
3 of 4 stevige korte kromme doornen; ook de overige op
de rugzijde der dekschilden voorkomende doornen zijn kort
en stevig, en hebben eene in de rigting van de lengteas
van het ligchaam verloopende breede basis, Aan de zij-
4
50 BIJDRAGE TOT DE INSECTEN-FAUNA ENZ.
randen treft men afwisselend lange en zeer korte, aan den
achterrand slechts zeer korte doornen aan.
De buikzijde en de pooten zijn bleekrood van kleur.
Aan deze soort heb ik ter eere van mijn’ broeder een
zijner voornamen toegekend.
9. Chnoodes bis-tri-pustulata, Ritsema.
Bij deze behaarde Coccinellide is de voorrand van het
kopschild, als ook die van den prothorax uitgesneden; de
achterrand van de uitsnijding van den prothorax is regt;
de scheen der pooten is ongewapend.
De lengte bedraagt 3, de breedte 2 mm. De rugzijde is
glanzig zwart en met uiterst fijne puntjes en witte haartjes
bedekt; op den kop, die eenigszins digter en grover be-
stippeld is, en langs de randen der dekschilden komen
ook langere zwarte haren voor. De kop is van twee vuil-
gele vlekken voorzien, die zich langs den binnen-oogrand
van den voorrand van het kopschild tot de halve hoogte
der oogen uitstrekken. Ook de thorax draagt ter wederzijde
eene ovale vlek van dezelfde kleur; deze strekken zich in
de lengte van den voorrand tot aan den bruin gekleurden
achterrand en in de breedte van den zijrand tot over een
derde van de breedte uit, zoodat het zwarte gedeelte minder
dan een derde van de breedte van den thorax bedraagt. De
dekschilden zijn van zes (2 x 3) vuilgele vlekken voorzien,
en wel onmiddellijk voor het midden van vier naast elkander
geplaatsten, waarvan de buitensten, op den zijrand der
dekschilden stootende, half ovaal, en de binnensten, onge-
veer evenver van de buitensten als van elkander verwijderd,
bijna cirkelrond zijn, en daarachter, kort voor het eind, van
twee dwars-ovale vlekken, die noch aan de sutuur noch
aan den zijrand der dekschilden stooten. De buikzijde,
met inbegrip der pooten is geelachtig bruin, over het
midden iets donkerder dan aan de zijden.
Leiden, September 1875.
AANTEEKENING
OVER
OINOPHILA V-FLAVA Haw.,
TINEA NIGRIPUNCTELLA Haw.,
TINEA PARIETARIELLA Bruand
EN
CORYPTILUM KLUGII Zeller.
Het genus Omophila, in de eerste editie van Staudinger
en Wocke’s Catalogus, naar Stainton’s Systeem der Tineinen,
onder de Elachistinen geplaatst, is in de tweede editie van
dien Catalogus, waarschijnlijk naar aanleiding van Herrich-
Schaffer’s aanwijzing in het Correspondenzblatt des Zool.-
Mineral. Vereins zu Regensburg 1857, p. 55 met Bedellia,
Lithocolletis en Tischeria tot eene familie Lithocolletidae
vereenigd. Hiertoe heeft stellig alleen eene zekere overeen-
komst in de kopbekleeding en in de aan Lithocolletis her-
innerende teekening der voorvleugels aanleiding gegeven,
want de leefwijze der eenige soort van het genus, welker
rups op wijnvaten in zwamachtige schimmels en in kurken
van wijnflesschen leeft, wijkt hemelsbreed af van die der
bladminerende Lithocolletis, Bedellia en Tischeria. De ver-
melde bijeenvoeging voldeed mij dan ook zeer slecht en ik
was volstrekt niet verwonderd toen ik, de ligchaamsdeelen
van Oinophila onderzoekende, eene onmiskenbare overeen-
komst met Tinea ontdekte en wel in de door niemand,
voor zoover mij bekend, vermelde bijpalpen, die lang en
dun, eenmaal gebroken, onder aan den kop terzijde van
het aangezigt liggen.
52 AANTEEKENING OVER OINOPHILA V-FLAVA,
Het verwondert mij dat zulke scherpzinnige geleerden
als Herrich-Schäffer en Stainton niet reeds door den bouw
der lipvoelers, die geheel als bij Tinea is, de juiste ver-
wantschap hebben gevonden. Een’ zuiger zie ik niet.
De kop is zoo min in Stainton’s Insecta Britannica plaat
VII, fig. Gc als bij Herrich-Schaffer, Syst. Bearb. VI Micro-
lepidoptera plaat XIV, fig. 23, 24 goed afgebeeld. Ik geef
derhatve eene betere op bijgaande plaat, welke dat ligchaams-
deel van voren en van boven gezien voorstelt (PL. 2, Fig.
4 en 2).
De afbeelding der vleugeladeren is bij Herrich-Schäffer,
1. c. fig. 22 beter dan bij Stainton; evenwel hebben de
voorvleugels drie uit den voorrand der middencel komende
adertjes en vertoonen ook de achtervleugels nog een paar
ader-rudimenten meer dan de eerstgenoemde afteekent.
Tinea Nigripunctella Haw.
en Tinea Parietariella Bruand.
Vond ik bij Oinophila V.-flava onderkaaksvoelers waar die
niet aanwezig moesten zijn, zoo kan ik die daarentegen
met mijne scherpste vergrootglazen en bij het helderste
licht niet ontdekken bij de bovengenoemde vlinders, waar
zij uithoofde van de plaatsing in het genus Tinea, gevonden
dienden te worden. De smalheid en kortheid van het
aangezigt en het digt opeenstaan van de lipvoelers laten
weinig plaats over voor zoo ontwikkelde onderkaaksvoelers
als de typische Tinea-soorten bezitten. Ik aarzel dus niet
om beide soorten uit het genus Tinea te verplaatsen
naar Dysmasia H.-Sch. naast Petrinella, waarmede vooral
Parietariella eene treffende overeenkomst heeft. Bij Migri-
punctella zijn de lipvoelers spitser, dunner en lid 2 van
onderen korter behaard. Bij beiden loopt een dik, stijf
borstelhaar aan het eind van de bovenzijde van lid 2 zeer
in het oog. Een’ zuiger zie ik niet.
Figuur 3 en 4 stellen den kop van Dysmasia Parietariella
Bruand voor; Fig. 5 dien van Nigripunctella Haworth.
TINEA NIGRIPUNCTELLA, TIN. PARIETARIELLA ENZ. 53
Coryptilum Klugii Zeller.
Zeer duidelijke, ineengevouwen onderkaaksvoelers zie ik
ook bij dezen door Prof. Zeller in Oken’s Isis van 1839
kort maar duidelijk beschrevene groote Javaansche Tineine;
waarvan verscheidene exemplaren aanwezig zijn op ’s Rijks
Museum van Natuurlijke Historie te Leiden. Het genus
Coryptilum houd ik als het naast verwant aan Lampronia
en Incurvaria. De overeenkomst is zelfs zeer groot; alleen
vind ik bij Coryplilum de franje der achtervleugels nog
korter, het middenlid der palpen langer behaard en de
draadvormige sprieten langer. De rups heeft zeker dezelfde
leefwijze als de rupsen der beide genoemde genera.
Een’ zuiger zie ik ook hier niet.
Figuur 6 stelt den kop op zijde voor.
P. C. T. SNELLEN.
Rotterdam, 10 Mei 1875.
CARPOCAPSA GROSSANA, Haworth,
(Plaat 2, fig. «—f.)
Vier rupsen dezer soort werden van den 23°" Maart tot
den 4°" April 1875 op verschillende plaatsen in het Haagsche
bosch gevonden. De diertjes zaten tegen beukenstammen ,
laag bij den grond, en bewogen zich zeer langzaam. Twee
daarvan kwamen in andere handen dan de mijne, maar van
de overigen begon de eene reeds daags na hare gevangen-
schap een’ cocon te spinnen, terwijl de andere daarmede
drie weken wachtte.
Grossana volgt dus eene andere levenswijze dan de meer
gemeene Splendana, die zich reeds in den herfst inspint.
Deze leeft, zoo als bekend is, in eikels, die zij gemiddeld
in September volwassen verlaat. Grossana wordt, volgens
de schrijvers, al in Augustus volwassen aangetroffen in het
lederachtig hulsel waarin de zoogenaamde boeknoten, die
haar voedsel uitmaken, besloten zijn.
Wij waren niet geheel zeker welke rupsensoort wij voor
ons hadden en daarom werd er een door mijn’ vriend Snellen
van Vollenhoven afgebeeld. Fig. a.
Rups 46pootig, in rust 10 mm. en uitgestrekt 12 mm.
lang. Het tweede lid breeder dan al de overigen; van 2 tot
12 is ieder volgend leedje smaller dan het voorafgaande.
Gewone wratten klein, weinig in ’t oog vallend en ieder
met een fijn, kort, wit haartje bezet. Buikpooten zeer kort,
weinig tot loopen geschikt. Het geheele ligchaam, met uit-
zondering van den kop en het eerste lid, eenkleurig, dof,
vuil oranje, met of zonder vlekkig doorschijnende ruglijn.
Kop klein, glanzig, okerbruin, van achteren hartvormig
uitgesneden. Hij wordt in rust halverwege onder het eerste
lid, dat glanzig en doorschijnend is, ingetrokken.
CARPOCAPSA GROSSANA. 55
De cocons werden op de oppervlakte van zand gemaakt,
van buiten met zandkorrels bedekt en onder mos en boom-
schors verborgen.
Pop lichtbruin , met doorntjes om de ringen en vier haakjes
aan het stompe staarteinde. Fig. b en c.
Uit den cocon van den 14% April kwam den 410°" Junij
1875 een mannelijke vlinder; uit dien van den 4°" April ver-
scheen den 20°" Junij een vrouwelijk voorwerp.
De man is Fig. d van boven en Fig. e zijne vleugels aan de
onderzijde voorgesteld. Het exemplaar is zeer sterk getee-
kend. De meeste voorwerpen zijn donkerder.
De onderzijde van de vrouwelijke vleugels ziet men Fig. f.
De ondervleugels van den man hebben twee kenmerken,
die bij de andere sexe ontbreken. Op de bovenzijde toch
bevindt zich langs den binnenrand eene ovale grijze vlek,
en van onderen is de binnenrandshelft zwart.
Over de levenswijze vindt men een en ander opgeteekend
bij Wilkinson, The Brit. Tort. p. 236, en in dit Tijdschrift,
DIEN p. 16%
DCE.
PHTHOROBLASTIS JULIANA, Curtis.
(Zie Curtis, British Entom. n°. 583.)
Phthoroblastis Juliana behoort, althans hier te lande, tot de
species rariores. De mij destijds vreemde rups werd den
4 Augustus 1873 gevonden tegen een beuk in het Haagsche
bosch. Zij was vleeschkleurig, met glanzig kastanjebruinen
kop en groote dofbruine wratten. Het spinsel werd den
6° Augustus, op dezelfde wijze als dat van C. grossana,
gemaakt en een vrouwelijke vlinder kwam daaruit te voor-
schijn den 21“ April 1874.
Eene beschrijving van-de rups is, geloof ik, nog niet
gepubliceerd. Daarom verdient de volgende aanteekening
van Mr. de Roo van Westmaas, die ik in de Bowwstoffen
zeer heb moeten bekorten, hier in haar geheel te worden
opgenomen.
«Rups 16pootig, lang 12 strepen, gevonden te Velp den
«14% Augustus 1858 tegen een’ beuk (waarschijnlijk leeft het
«diertje in de beukenvruchten waarin ik dergelijke rupsjes
«vond, die echter niet tot ontwikkeling kwamen). Kop klein,
«bruin, vrij spits; nekschild groenachtig bruin, doorschij-
«nend, met zwarte stippen, vooral aan de achterzijde en
«licht van den kop afgescheiden; kleur grijsachtig geel,
«aan den voorrand der ringen rosé. Ruglijn flaauw zwart
doorschijnend. Gewone stippen groot en glanzig bruin;
«luchtgaten zwart. Op de middelpooten, die de kleur van
«het ligchaam hebben, twee zwarte vlekken. Voorpooten
«glazig. Anus-schildje als het nekschild, met zwarte stippen,
«die in eene lijn liggen. Fijne lichte haartjes.
«De rups overwintert in het spinsel en verpopt eerst in
«het voorjaar. Pop lichtbruin met fijne doorntjes om de ringen
PHTHOROBLASTIS JULIANA. 57
«en een stomp staarteinde met verscheidene haakjes. De
«vlinder verscheen den 30** Mei 1859.»
Dit exemplaar is in de Bouwstoffen vermeld, DI. IT,
DU en. 119:
Met regt neemt men, naar mijn oordeel, in afwijking
van von Heinemann aan, dat Phthorobl. Juliana Curtis en
Nimbana H.S., v. Hnm. vormen zijn van dezelfde soort.
Het bovenvermelde wijfje van den 21** April behoort tot
Nimbana = Herrichiana v. Hnm. en is over het geheel
veel donkerder dan een exemplaar van Juliana & door
Mr. Snellen van Vollenhoven onder Wassenaar gevangen.
Het hoofdverschil bestaat echter daarin, dat bij Nimbana
de witte dwarsband van Juliana tot eene binnenrandsvlek
is ingekort, die even boven de vleugelvouw ophoudt. Is
Juliana de man en Nimbana het wijfje ?
Ik ben zeer geneigd met Herrich—Schäffer aan te nemen
dat de hier bedoelde Juliana door Frölich als Tortr. trinotana
onder n°. 226 beschreven is.
DAG.
EENE NIEUWE PAUSSIDE VAN CONGO
(ZUID-WESTKUST VAN AFRIKA)
BESCHREVEN DOOR
C, RITSEMA Cz,
De hier te beschrijven soort, waarvan het Leidsch Museum
een enkel voorwerp bezit, behoort tot het ondergeslacht
Pleuropterus (Westw.) van het geslacht Cerapterus (Swed.) en
is daarin verwant aan P. alternans Westw. (Proc. of the
Linn. Soc. of Lond., 19 June 1849, p. 56, en Thes. Ent. Oxon.,
Sousass ai
enne
a Pleuropterus Dohrnii n. sp.
b. Spriet van terzijde gezien.
p. 74, pl.16, fig. 2), reden waar-
om zij waarschijnlijk in het door
J. Thomson (Musée scientifique,
1860, p. 70) voor deze soort
opgerigte geslacht Heteropaussus
zal te huis behooren.
Hoewel aan bovengenoemde
soort verwant, is de nieuwe
soort, die ik ter eere van Dr.
C. A. Dohrn, bezitter van eene
der volledigste Paussidencollec-
tien, Pleuropterus Dohrnii noem,
gemakkelijk van haar te onder-
scheiden door den vorm van de
sprieten en van den thorax.
Pleuropterus Dohrni is 7,5
mm. lang. De kop met de mond-
deelen en de sprieten, de rug
van den thorax als ook de poo-
ten, met uitzondering evenwel
EENE NIEUWE PAUSSIDE VAN CONGO. 59
van de heupen, zijn donker roodbruin, de borst, de heupen,
de dekschilden en het achterlijf licht geelachtig bruin met
de volgende zwarte teekening: op den rug van den thorax,
de beide aan de achterzijde uitgeholde hoorntjes die zich
aan den achterrand ter wederzijde van de driehoekige uit-
holling bevinden; op elk der dekschilden, twee van achteren
boogvormig vereenigde langsbanden waarvan de buitenste
anderhalf maal zoo breed is als de binnenste; op het ach-
terlijf, de bovenste helft van het pygidium en aan de buik-
zijde een smalle band over de basis van het voorlaatste en
laatste segment.
De kop is kort en breed, vóór den grond der sprieten
glad en glanzig, daarachter tamelijk digt met puntjes
en bruingele haartjes bedekt; tusschen de oogen loopt
eene korte langsgroef; de schedel daarachter is tamelijk
sterk ingedrukt. Het eerste lid der sprieten is iets lan-
ger dan breed, sterk platgedrukt en onregelmatig met
grove puntjes bedekt; de zijranden dragen bruingele haar-
tjes. De knods (de vereeniging der negen volgende leedjes)
wordt naar het einde merkbaar smaller, hetgeen veroor-
zaakt wordt door de schuine rigting van den boven- of
buitenrand; haar eerste lid vertoont aan den buitenrand
het aan het ondergeslacht Pleuropterus eigen uitsteeksel,
doeh veel minder sterk dan door Westwood t.a. pl. bij P.
alternans is afgebeeld ; ook van de volgende leedjes puilt
de buitenrand vrij sterk uit (naar het einde der knods
echter minder), zoodat de geheele buitenrand een gekar-
teld aanzien verkrijgt. Het laatste lid is iets langer dan
de beide voorgaanden te zamen, aan den top breed
afgerond, op het midden het dikst en naar het eind wig-
vormig zamengedrukt. De geheele knods is spaarzaam met
bruingele haartjes en met puntjes bedekt; de puntjes staan
langs den binnen- of benedenrand digt opeen, terwijl de
haartjes op het uitpuilende gedeelte van den buitenrand
der leedjes tot een bosje vereenigd zijn.
De prothorax is breeder dan lang, van voren breeder
60 EENE NIEUWE PAUSSIDE VAN CONGO.
dan van achteren, en in de vier hoeken afgerond; voorbij
het midden zijn de platte, opgebogen, en van het midden-
gedeelte van den thorax door eene naar buiten gebogen groef
afgescheiden zijlappen ingesnoerd. Op het midden van den
rug neemt men twee knobbels waar, die door eene langs-
groef van elkander gescheiden zijn, welke langsgroef zich
achter genoemde knobbels plotseling verbreedt , en zoodoende
op het midden van de basis van den thorax een’ diepen,
breed driehoekigen indruk vormt, die van achteren door den
opstaanden achterrand van den thorax begrensd wordt. Op den
achterrand komt ter wederzijde van dezen indruk, een aan
de achterzijde uitgehold, flaauw naar buiten gerigt hoorntje
voor. De voorste helft van het pronotum en de rand der voorste
hoeken dragen lange bruingele haren. Het schildje ligt diep
weggezonken en heeft den vorm van een’ gelijkbeenigen
driehoek. Het sternum is glad en glanzig, het metasternum
over het midden van eene fijne langsgroef voorzien.
De dekschilden vertoonen drie of vier paren langsribben,
van welke echter de beide binnenste paren het sterkst ont-
wikkeld zijn. Tusschen de ribben komen onregelmatige min
of meer in rijen geplaatste verhevenheden voor; de geheele
oppervlakte der dekschilden is met uiterst fijne wratjes be-
dekt, die ieder een bruingeel, aan het eind verbreed en
regt afgesneden borstelhaartje dragen. Ook de haren der
andere ligchaamsdeelen schijnen, hoewel in geringer mate,
deze eigenaardigheid te bezitten. |
De pooten zijn lang en dun, en met bruingele haren bedekt;
de dijen zijn van terzijde zamengedrukt en min of meer leder-
achtig gerimpeld (vooral de binnenzijde van het laatste poo-
tenpaar); de dijen van het middelste pootenpaar zijn aan de
basis hooger en breeder dan die der beide andere paren.
De buik, met uitzondering echter van een’ smallen zoom
langs de basis der segmenten, is digt met bruingele haartjes
en fijne puntjes bedekt en daardoor mat, hetgeen ook met
het pygidium het geval is.
OPGAVE
VAN
BESCHREVEN XYLOCOPA-SOORTEN,
die noch als zelfstandige soorten noch als synoniemen door F. SMITH
in zijne monographie !) over dit geslacht zijn opgenomen.
DOOR
C. RITSEMA Cz.
Soorten van Europa ?).
Geene.
Soorten van Afrika 3).
Xylocopa capensis (Klug, i. 1.) (nec St. Fargeau) Spinola, Annales
de la Société Entomologique de France, tom. VII (1838) p.
DLO EB de
Kaap de Goede Hoop.
Xylocopa sulphurea (Klug, i. 1.) Spinola, Lc. G. 4.
Kaap de Goede Hoop.
Xylocopa pubescens (Klug, i. 1.) Spinola, Ze. D. 8.
1) Transactions of the Entomological Society of London for the year 1874, ps
247—300.
2) Bijna gelijktijdig met het verschijnen van Smith’s Monographie, maakte Prof.
C. Rondani in het Bullettino della Società Entomologica Italiana (ann. 6to, p. 105)
twee italiaansche Ay/ocopa-soorten als nieuw bekend, en wel onder de namen X. Ramu-
lorum Rond. en X. canuta Rond. De eerste is echter zonder twijfel synoniem met X.
valga Gerst. (Stett. Ent. Zeitung 1872, S. 276), de tweede met X. cyanescens Brulle
(Exped. scientif. de Morée. Zoologie. III. 1. p. 339. ne. 754. pl. 58 fig. 8).
3) Eveneens ongeveer gelijktijdig met Smith’s Monographie, verscheen in het opstel
over de door van Woerden uit Congo overgezonden Hymenoptera mijne beschrijving
van X. neglecta n. sp. (Tijdschr. v. Entom. dl. XVII (1874) blz. 207), eene soort
van X. albiceps F. verschillend door het gemis van den groenen glans op borststuk
en achterlijf. Zie ook over deze soort: Zijdschr. v. Entom. dl. XVIII (1875) blz, 149,
62 OPGAVE VAN BESCHREVEN XYLOCOPA-SOORTEN.
Egypte. Spinola meent de drie bovengenoemde man-
netjes als variëteiten van het mannetje van X. aestuans
(F.) Linn. te moeten beschouwen, en is hierin door Smith
(Catalogue of Hymenopterous Insects in the Collection of the
British Museum. Part II, p. 354) nagevolgd. Volgens Erichson
(Bericht úber die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der
Entomologie während des Jahres 1840, S. 71) echter is Spinola
hierin te ver gegaan.
Xylocopa amethystina, St. Fargeau. Histoire naturelle des Insectes
Hymenopteres (Suites à Buffon) tom. II, p. 182 n°. 12.
3.9.— Fabricius, Systema Piezatorum. p. 341 n°. 16. —
Smith, Cat. Hym. Ins. Goll. Brit. Mus. Part IL, p. 348. n°, 22.
Kaap de Goede Hoop (het insect van Fabricius van
Oost-Indie).
Xylocopa frontalis, Reiche et Fairmaire (nec Olivier). Ferret
et Galinier, Voyage en Abyssinie, tom. HI (1847) p. 455.
Atlas, pl. 29, fig. 14 et 14a.
Abyssinié.
Xylocopa conjuncta, Smith. Cat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus.
Part TI (1854) p. 350; n°314,
Zuid-Afrika.
Soorten van Azië, den Maleischen Archipel !)
en Australië.
Xylocopa ruficornis, Fabricius. Syst. Piez. p. 341, n°. 12. —
Smith, Cat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus. Part II, p. 353, n°. 42.
Indië. — Volgens St. Fargeau (Hist. nat. Ins. Hym. Il, p. 194)
zou dit het mannetje van X. aestuans Linn. zijn, hetgeen
door Erichson (Bericht wiss. Leistung. im Entom. währ. 1840,
S. 72) niet wordt tegengesproken.
Xylocopa muscaria, Fabricius. Syst. Piez. , p. 358 n°. 20 (Centris).
— St. Fargeau, Hist. nat. Ins. Hym. IL p. 241 n°. 1
1) Eene beschrijving van acht nieuwe soorten van den Maleischen Archipel is
in handen der Redactie van het Tijdschrift voor . Entomologie.
OPGAVE VAN BESCHREVEN XYLOCOPA-SOORTEN. 63
(Lestis). — Smith, Cat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus. Part IT,
pesos, n° 67.
Nieuw Holland. — Bij de vermelding van Lestis bombylans
F. in den Catalogus der Hymenoptera van het Britsch Museum
(Part II, p. 364 n°. 1) deelt Smith mede, dat Centris mus-
carıa F. eene mannelijke Xylocopa is, hetgeen hem drie jaren
vroeger uit het typisch voorwerp der collectie Banks gebleken
was (zie Trans. Ent. Soc. of London. New ser. vol. I, p. 179).
Xylocopa olivacea (Klug, i. 1.) (nec Fabricius). Spinola, Ann.
Soc. Ent. France. tom. VII (1838) p. 519. A. 8.
Oost-Indié en Java. — Ook deze werd door Spinola als
eene variéteit van het mannetje van X. aestuans (F.) Linn.
beschouwd.
Xylocopa orichalcea, St. Fargeau. Hist. nat. Ins. Hym. (Suites à
Buffon) tom. II (1844) p. 181. n°. 11. 9. — Smith, Cat.
Hym. Ins. Coll. Brit. Mus. Part II, p. 354 n°. 50.
Ile de Fer?, Bengalen en China.
Xylocopa lunulata, St. Fargeau. /.c. p. 184 n°. 14. d.
China. — Zonder twijfel moet deze tot het mannetje van
X. dissimilis St. Fargeau (4. c.p. 180 n°. 9) gerekend worden,
zoo als ook reeds door Smith (Cat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus.
Part II, p. 356, n°. 58) gedaan was.
Xylocopa ferruginea, St. Fargeau. /. c. p. 187. n°. 22. 2. — Smith,
brenps 999. n AD,
Indië en Bengalen.
Xylocopa iridipennis, St. Fargeau. /. c. p. 188. n°. 24. 2. — Smith,
ie. P..353. n°, dd.
Indie.
Xylocopa chloroptera, St. Fargeau. /. c. p. 207. n°. 56. g. — Smith,
bro pe 390» m. 56.
China.
Xylocopa lativentris, Blanchard. Vict. Jacquemont, Voyage dans
PInde. tom. IV (1844).
64 OPGAVE VAN BESCHREVEN XYLOCOPA-SOORTEN.
Indië. — Volgens Erichson (Bericht wiss. Leistung. im Entom.
währ. 1845, p. 90) waarschijnlijk het wijfje van X. latipes F.
Xylocopa sinensis, Smith. Cat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus. Part U,
p. 356. n°. 57. 9.
China (Foo-chow-foo).
Soorten van Zuid-Amerika, Brazilié en de
| West-Indische eilanden.
Xylocopa caribea, St. Fargeau. Hist. nat. Ins. Hym. (Suites à
Buffon) tom. II. p. 202, n°. 49 &. — Smith, Cat. Hym. Ins.
Coll. Brit. Mus. Part II, p. 346, n°. 9.
Eiland Guadeloupe. — Volgens Erichson (Bericht wiss.
Leistung. im Entom. währ. 1840 S. 72) is dit het mannetje
van X. teredo Guild. = X. aeneipennis (Lepell.) de Geer.
Soorten van Noord-Amerika.
Geene.
Soort waarvan het vaderland niet met voldoende
zekerheid bekend is.
Xylocopa obscura, St. Fargeau. Hist. nat. Ins. Hym. (Suites à
Buffon) tom. II. p. 188, n°. 25. — Smith, Cat. Hym. Ins.
Coll. Brit. Mus. Part II, p. 363. n°. 99.
Amerika ?
Aanteekening. In Bd. V (1806) van Illiger’s Magazin für
Insektenkunde worden door Illiger (blz. 149-152) verschei-
dene Xylocopa-soorten benoemd doch niet beschreven, als:
X. caerulea, Brazilië; X. chrysoptera, Bengalen; X. chalcoptera,
Oost-Indië; X. superciliosa, Zuid-Amerika; X. serena, Bra-
zilië; X. peruana, Peru; X. lanigera, Brazilië; X. helvola,
Oost-Indië; X. leonina, Oost-Indië; X. lutea, Sumatra, en
X. flavithorax, Sierra Leona.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN,
BESCHREVEN EN MEERENDEELS 00K AFGEBEELD
DOOR
S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Zesde stuk met drie platen.
VERVOLG DER CAPSINEN.
Genus 12. PuyTocoriıs Fall.
Dit geslacht laat zich uit de anderen gemakkelijk onder-
scheiden door de bijzonder lange en dunne sprieten en
zeer lange achterpooten. Het ligchaam is langwerpig of
uitgerekt ovaal met de zijden der dekschilden bijna over de
geheele lengte evenwijdig. De kop is gewoonlijk een weinig
nedergebogen , driehoekig, met de oogen zoo breed als hij
lang is. De oogen zijn zeer groot en uitpuilend, van boven
gezien aan den buitenkant cirkelrond, op zijde gezien eivor-
mig. De sprieten zijn langer dan het ligchaam, zeer fijn;
alleen het 1° lid, dat gewoonlijk zoo lang is als de kop met het
borststuk, is dikker dan de anderen; het 2° is zoo lang of iets
langer dan 3 en 4 te zamen, het laatste is het kortste.
De zuiger reikt een eind voorbij de achterheupen. Het
borststuk is van achteren toegerond en naar voren veel
smaller wordend, tamelijk plat, doch naar voren afhellend
en niet scherpkantig aan de zijden, met twee dwarsplooijen
voor het midden. Het schildje middelmatig van grootte,
D
66 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
driehoekig met eene vrij spitse punt. Dekschilden bij een
paar soorten zeer smal en lang, bij allen van eene zeer
ontwikkelde membraan voorzien. De vier voorste pooten
zijn slank en tamelijk lang, doch de achterpooten hebben
zeer lange en tevens zeer dikke dijen, en scheenen die
bijzonder slank en langer dan deze zijn.
Het geslacht is zeer natuurlijk, doch de soorten hebben
zoo vele punten van overeenkomst, dat zij moeijelijk te
onderscheiden zijn. Hare woonplaats zijn boomen en
heesters; men zegt dat zij door middel der lange achter-
pooten springen, ik heb dit echter niet gezien en twijfel
er aan, omdat zij zoo gemakkelijk tot vliegen overgaan.
babel der soorten.
desroodssseelhen bruun eekleurde 1 zn:
a a. grijs, ofseroerachte gekleurd Er. e.
b. roodgeel met roode strepen, op het schildje
eene gele langsstreep; lengte 6 mm.. . . Ulm.
b b. bruin met lichtere vlekken gemarmerd, op
het schildje geen gele langsstreep, lengte
SEO N a ON IO VENS
c. thorax gelijk van kleur, grijs of bruin met
wäittenvachterrand. nt me oe
ce. thorax geel of groen met zwarte langsstre-
pen ın de zijden ingeval. oct mee ee ia ae.
A. Phytoc. Um L.
Plaat 9 (dl. XVIII), fig. 10.
Linn. Faun. Suec. 964. — Fabr. S. Rh. 256, 17. — Hahn.
W. Ins. II p. 9, Fig. 234. — Meyer, Ent. Zeit. Stett. 1844.
p. 88. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 313, n°. 7.
Lengte 4—6 mm. — Grondkleur geel of oranje-achtig,
ook wel lichtbruin. Kop niet zeer ver uitstekend, geel met
twee roode langsstrepen of rood met drie gele. Het 1° lid
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 67
der sprieten bruinrood met witte stipjes en eene geelach-
tige langsvlek aan de buitenzijde; de binnenzijde vertoont
eenige vrij lange witte haartjes; het 2° lid is roodachtig
geel met witte basis, waarop bi) sommige voorwerpen een
bruin bandje volgt; de beide volgende leden lichtgeel. De
oogen puilen sterk uit en zijn bruinzwart van kleur. De
zuiger is rood, doch naar de spits toe bruin. Het borst-
stuk is op den rug of geheel geel met 2 of 4 roode langs-
strepen of voor de voorhelft zoo gekleurd en voor de achter-
helft roodbruin met een smal wit zoompje. Het roode
schildje draagt eene gele middellijn en twee onregel-
matige gele vlekjes daarneven. De dekschilden zijn rood-
bruin met eenige onregelmatige vlekken in de lengte van
gele en nootbruine kleur en eene gele ruitvormige vlek
boven den bloedrooden, aan de spits purperbruinen cuneus;
de membraan is meest grijs met witte vlekjes, soms zeer
licht gekleurd. Kop, thorax en dekschilden zijn bij onbe-
schadigde voorwerpen met sneeuwwitte haartjes vrij digt
bezet. De onderzijde is donkerder van kleur, soms wijn-
rood met gele vlekjes. De pooten hebben de heupen met
de basis der dijen licht gekleurd, de voordijen geel met
bruinroode stippen en vlekken, de middelsten desgelijks,
de achtersten bruin of bruinrood met 2 of 3 schuine gele
halve bandjes. De voor- en middenscheenen zijn lichtgeel
met de spits breed bruin en 4 of 2 bruine bandjes; de
achtersten zijn wit, met een’ breeden bruinen band voor
het midden. Van de tarsen zijn de twee voorste leedjes
geel, het laatste met de klaauwtjes zwart.
Deze soort, die niet ongemeen is, werd zoo dikwijls met
de volgende verwisseld, dat ik sommige schrijvers niet heb
durven aanhalen, b. v. Flor en Fieber. Het komt mij voor
dat de punten van verschil nog niet bij iedereen zoo over-
tuigend vaststaan, dat er niet dikwijls verkeerd zou worden
gedetermineerd. Zijn het werkelijk twee soorten ?
Ulmi werd hier te lande veelvuldig aangetroffen, als bij
Arnhem in Aug. (de Gr.), bij Velp (v. Med. de R.), bij
68 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Leyden (H.en v. V.), bi) Utrecht (Six, Ver Loren, v. Has-
selt), bij Wolfheze (Piaget), aan de Rhedersteeg in Aug.
(H. Alb. en v. V), bij den Haag (v. V.), bij Domburg (de Man).
2. Phytoc. divergens Meyer.
Meyer, Ent. Zeit. Stett. 1841, p. 88. — Idem, Rhynch.
d. Schw. p. 44, Tab. 1 f. 1. — Dougl. & Scott, Brit. Hem.
p.311, n°.6. — Misschien ook: Wolff, Ze. Cim. 155. Tab. XV
f. 149 (Miris longicornis).
Lengte 6—8 mm. — Ik geloof dat ik hier volstaan kan
met het onderscheid tusschen deze soort en de vorige op
te geven. Vooreerst is zij, nam. Divergens, gewoonlijk iets
langer, dan is zij donkerder van kleur, in den regel rood-
bruin met onduidelijke bruine versieringen; voornamelijk
is de kop altijd donkerder; het schildje heeft geene gele
middellijn en geene gevlekte teekening; de achterscheenen
zijn minder donker. Maar dit alles zou nog slechts eene
kleurverscheidenheid aanduiden en geen regt geven om
van Divergens eene bijzondere soort te maken; het eigenlijk
kenmerkende verschil is dan ook dat het eerste lid der
sprieten bij deze naar evenredigheid langer is dan bij Ulnu,
en dat het achterlijt bij Div. overal even breed is en bij Ulm:
in het midden uitgezet en naar achter smal toeloopend.
Ik meen het eerste kenmerk, dat der sprieten, voldoende
waargenomen te hebben, doeh omtrent het tweede behoef
ik wel niet te bewijzen, dat het bij gedroogde voorwerpen
alle waarde verliest, aangezien het achterlijf dikwijls onder
het opdroogen sterk in vorm verandert.
Indien het waar is dat Wolff bij de beschrijving en
afbeelding van zijne Miris longicornis deze soort van Phyto-
coris heeft voor zich gehad, dan zal de naam Divergens
wegens het regt van prioriteit voor Longicornis moeten
plaats maken. |
Ulmi werd door mij bij Hattem, door Ritsema bij Oos-
terbeek, en door Snellen bij Rotterdam gevangen.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 69
5. Phytoc. Populi L.
Linnaeus, S. N. V. 503, 109. — Fabr. S. Rh: 237, 1471. —
Fall. Hem. I, p. 84, n°. 16. — Schellenb. Cimic. t.3, f.3. —
Burm. Handb, II, 268, n°. 9, — Flor., Rh. Lol. IL p.
DOME
Lengte 6 mm. — Grijs of grauw gemarmerd. Kop kort
en naar onder gebogen. Oogen donkerbruin, zeer bol uit-
puilend. Sprieten zeer lang en slank, bruin en wit; het
1° lid langer dan kop en thorax (op den rug gezien), wit,
boven op met eene fijne bruine streep, die voorbij de
helft eens afgebroken is en onder met eene zeer smalle
bruine lijn, aan de binnenzijde bezet met witte borsteltjes ;
lid 2 heeft 14 van de lengte van 1 en is bruin met witte
basis en een onduidelijk wit bandje voorbij de helft; 3 iets
langer dan de helft van 2, bruin met witte basis; 4 korter
dan 3 en lichter van kleur. Zuiger vuilwit met bruine spits.
Thorax 12 zoo breed als lang; aan den achterrand bijna
tweemaal zoo breed als aan den hals; voor vuilwit, doch
spoedig grauwbruin wordend en donkerder naar achter,
evenwel geheel aan het eind met een wit zoompje dat in het
midden wat naar voren springt. Schildje zwart aan de
basis, verder roodachtig wit met 2 bruine langsstreepjes,
die voor de spits van elkander afwijken. Dekschilden vuil-
wit met bruin gemarmerd; eene niet altijd duidelijke ruit-
vormige vlek aan de spits van het corium; cuneus bruin
met witte spikkels; membraan in kleur weinig .verschillend
van het middengedeelte van het corium. Pooten bruin en
wit gewolkt; voorscheenen altijd met 2 donkere banden en
donkere spits, middelscheenen met 3 donkere banden, wit
aan de spits; achterdijen geelwit met 2 schuine bruine
banden voorbij de helft; achterscheenen eerst zwart met
een wit bandje, dan wit met een zwart bandje. Alle tarsen
zWart.
Lichtere voorwerpen hebben grijs al wat hier bruin of
70 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
zwart is genoemd, ja! men treft exemplaren aan bijna
zonder teekening.
Deze soort is voorzeker de gemeenste van dit geslacht
in ons land. Zij werd in alle provincién waargenomen be-
halve Groningen en Drenthe, doch zal voorzeker ook daar
wel voorkomen.
4. Phytocoris Tiliae F.
Fabr. S. Rh. 237, 169. — Fall. Hem. Suec. 1.p. 85,17. —
Meyer, Rh. d. Schw. t. 7, f. A. — Flor, Rh. Livl. II. p.
999. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 303, PI. X, f. 1.
Lengte 5—6 mm. — Herkenbaar aan den lichten pro-
thorax met zwarte zijranden. Geel of groenachtig geel met
sterk geteekende zwarte of zeer donkere bruine vlekken.
Kop sterk naar beneden gebogen, geel, soms met groene
tint. Oogen niet bijzonder bol, zwart. Sprieten langer dan
het lijf; 4° lid zwart met eenige witte stippen, 2° zwart
aan de basis en even voorbij het midden met een’ witten
band, 3° zwart met witte basis, 4° iets minder donker. De
lengteverhouding als bij de vorige soort, doch de borsteltjes
donker. Prothorax geel of groenachtig geel met 2 zwarte
puntjes aan den achterrand en de zijde bedekt met eene
zwarte langsstreep, die naar achteren toe gevorkt is; som-
tijds is zij ongevorkt, maar dan ziet men 4 punten aan
den achterrand in plaats van 2. Schildje van de kleur van
den thorax met twee fijne puntjes in de voorhoeken en 2
zwarte streepjes scheef op de zijden, digt bij de spits. Dek-
schilden geel of groen, verschillend van teekening; bij
fraaïje exemplaren met 2 zwarte stippen op den clavus,
op het corium een dwarsband op + der lengte, daarvoor
4 en daarachter 2 stippen aan den rand; van den laatsten
eene schuine lijn naar den achterhoek, verbonden aan een
ander lijntje voor de membraan; eindelijk een driehoekig
vlekje aan den rand voor den cuneus; deze heldergeel met
zwarte spits. Membraan met eene dubbele zwarte- vlek
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. UA
onder den cuneus en nog 2 grijze aan den rand. Ook het
bovenste deel der groote cel is berookt grijs en de ader
tusschen beide cellen is zeer donker. De pooten zijn ge-
kleurd als bij de vorige soort.
Men treft voorwerpen aan, zoo licht van kleur dat de
normale teekening niet altijd gemakkelijk te herkennen is.
Meijer Dür verklaarde deze soort slechts voor eene ver-
scheidenheid der vorige.
Zij werd in de maanden Juli}, Aug. en Sept. gevangen
bij Beek, Velp, Arnhem, Utrecht, den Haag, Breda en
Middelburg.
Gen. 13. LvGus Hahn.
Ziehier nu het aan soorten rijkste geslacht der Capsinen,
waarvan de algemeene beschrijving geheel moet overeen-
komen met die der familie, vereenigd met de ontkennin-
gen der kenmerken van de 12 voorgaanden en van het
veertiende. In plaats van dat algemeen beeld van het
sroote aantal soorten in dit geslacht vervat hier te schet-
sen, ‘tgeen den lezer voorzeker al even weinig zou vol-
doen als het mij aangenaam zou wezen het neder te schrijven,
meen ik te mogen verwijzen naar de inleiding van deze
vijfde familie en naar de analytische tabel der genera,
beide in het vorige deel van dit tijdschrift gedrukt.
Ik laat hierachter wel eene tabel der soorten volgen,
doch geheel afwijkende van de geleerde en diepzinnige
tabellen, waarop men zich sedert de laatste 15 jaren in
entomologische werken toelegt. In tegenstelling daarvan
heb ik verkozen eene ware pons asinorum te geven,
eenigzins naar het voorbeeld van de analytische tabel van
Herrich-Schaeffer, hoofdzakelijk gegrond op de verschillen
in grootte en kleur; volkomen overtuigd zijnde dat men
met zoodanige tabel eerder te regt komt dan met eene die
op het min of meer bol uitpuilende der wangen, of den
72 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
afstand tusschen de voor- en middenheupen verwijst. Het
geheele doel van het leveren van zulk eene tabel moet
toch niet wezen geleerdheid uit te kramen, maar den lezer
op de kortste wijze tot de kennis te brengen van den
naam der soort die hij voor zich heeft.
Tabel der soorten.
A. Grootere soorten van 6 millimeter en daar boven.
a. Met duidelijke langsaderen op het corium.
6. met geheel gelen cuneus . . 00 fee siria:
bb. cuneus geel met zwarte spits. . . - 2 . . . . . striatellus.
aa. Met onduidelijke langsaderen of zonder.
e. zwart.
d. met rood schildje . … - pone gr ot 5. Gothiens.
dd. met zwart schildje . . . . seticornis.
ddd. met hartvormige hooggele “ane op het le . cordiger.
ce. groen.
e. zonder vlekken op de dekschilden . . . . . bipunctatus.
ee. met grauwe vlekjes op de dekschilden . . . . . Chenopodu.
eee. met roode vlekken op de dekschilden . . . . . ferrugatus.
AA. Kleinere soorten van 6 millimeter lengte tot 2 mm.
B. Ovale, wier lengte tot de breedte staat ongeveer als 2 tot 1.
7. Bij beide sexen sprieten en scheenen regt.
1. Dekschilden grauw of nootgeel.
x schildje zwart met drie roode vlekjes . . . Fallenii.
X X » nootbruin met 3 gele vlekjes. . . punctulatus.
IIS » geel met of zonder 2 bruine streepjes. pratensis.
2. Dekschilden rood . . . . Seren. = rubicundus.
3. ” zwart met geel ee
°. cuneus hooggeel met zwarte basis en spits . . Zripustulatus.
COE eee TOU eda . . . unifasciatus.
000, » groenachtig a me ds ee zwart Kalmii.
4. Dekschilden zwart zonder gele versiering.
+ metlichtbruinen buitenrand en bruinrooden cuneus. Gyllenhalü.
++ met zwarten cuneus i . = - . . . . . mutabilis.
5. Dekschilden geel met rooden cuneus . . . . . . vulmeratus.
6. ” tanig bruin met donkere membraan . . Pinastri.
7. ” groen met ongevlekte membraan . . . Pastinacae.
8. ” doorschijnend zeer licht bruin, met bloed-
roode spits van den euneus . . . . cervinus.
9. ” grauwgeel met eene driehoekige donkere
VIE PE Re Rosen:
I. Bij d'het 2e en 3e lid der sprieten en = nn krom. ¢horacicus.
BB. Langwerpige, wier lengte meer dan 2 maal de grootste breedte is.
a, Het borststuk in den vorm van een halsje verdund.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
$ cuneus zwavelgeel, met roode spits
$$ » geel of bijna wit, met fijne zwarte Re
$$$ » bruin als de dekschilden. :
ac. Het borststuk niet in den vorm van een halsje ARE
> Achterscheenen zonder rijen zwarte stippeltjes.
I. Dekschilden rood, borststuk groen .
IT. 2 en borststuk geelachtig rood
I ” hooggeel.
* Kop zwart.
*™ Kop geel
IV. Dekschilden zwart.
* Gele vlekken op de zwarte dekschilden
** Dekschilden geheel zwart.
+ Scheenen zwart .
++ Scheenen roodbruin
V. Dekschilden groen of groengeel of grijsgroen.
-|- Borststuk korter dan het schildje, membraan met
. chlorizans.
groene vlekken -
*|--|- Borststuk langer dan het nn
¢ 1° en 2e lid der sprieten zwart aan de basis .
. nubilus.
di 1e lid geheel zwart.
cca Le en 2e lid der sprieten niet Bart aan de basis.
8. tarsen geheel zwart of bruin.
° zuiver groen of geelachtig, membraan met
. pabulinus.
groene aderen .
oo grijsachtig groen, bn donker met
. mollieulus.
witte aderen =
66. tarsen niet geheel zwart.
73
. virgula.
. histrionicus.
. globulifer.
. rufipennis.
. rubricatus.
. melanocephalus.
, aurantiacus.
. flavonotatus.
. pilosus.
. tibialis.
angulatus.
Y- thorax en dekschilden wit behaard, de
laatsten ook aan den rand .
. nassatus.
yy. thorax en dekschilden niet te gelijk wet
behaard, de laatsten in allen gevalle
niet aan den rand.
i. kop met scherpen achterrand, borststuk
dwars gerimpeld .
ü. kop zonder scherpen achterranal
k. membraan ongevlekt.
. rugicollis.
+ dekschilden met witte vlekjes als
bezaaid .
++ dekschilden zonder witte ae
flavosparsus.
§ kop zeer breed, achterdijen zeer
dik, corium en cuneus van
dezelfde kleur.
. Tanaceli.
§§ kop niet zeer breed, achterdijen
niet zeer dik,
cuneus geel
kk. membraan gevlekt.
corium groen,
. Ericetorum.
Z. membraan grauw met 3 bruine
vlekken .
. contaminatus.
Il, membraan zwart He gegolfd
wit dwarsbandje .
. Paykullù.
74 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
VI. Dekschilden vaal. =
x zonder bruine strepen op het borststuk . . . . decolor.
DIXIE 2 “ CHE ” ws Ges:
VII. Dekschilden bruin.
+ leen 2e lid der sprieten zwart, 3e wit, 4e bruin. . Caricis.
++ alle leder ” 7 vaalmit CM eo)
VIII. Dekschilden bruin of vuilgeel met witte of gele langsstrepen. T’Aunbergü.
IX. Dekschilden aan de basaalhelft vaal, het overige donker-
bruin, schildje rood gevlekt. . . . . . . +. Bokemanm.
>> Achterscheenen met rijen zwarte stippels.
1. Zwart met het ie lid der sprieten zwart . . . . . pulicarius.
2. Donkerbruin met de 2 eerste leden der sprieten zwart. Arbustorum.
3. Donker- of lichtbruin met witte sprieten . . . . . variabilis.
4. Grauwgeel met de 2 eerste leden der sprieten zwart . brunnipennis.
DiGeelameläwitiegspeietens NNS
6. Groen met groenachtig gele sprieten, 1e lid met
ZzwartenDand) CS EEE fa 6 16 6 SENT
7. Vaalrood met lichtroode sprieten . . . . . . . roseus.
AAA. Kleinste soort, beneden 2 millim. lengte.
Dekschilden zwart en grijs gevlekt, zonder membraan . . . saltitans.
1. Lygus striatus L.
Plaat 10 (dl. XVIII), fig. 4. 1)
Linn. S. Nat. (Ed. 13) 730, 105. — Fabr. S. Rh. 255;
15. — Hahn. W. Ins. II, p. 134, f. 219. — Panz. F. Germ.
93, 22. — Wolff. Ic. Cim. p. 37. Tab. 4, f. 37. — Flor. Rh.
Lil. I, p. 490. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 320.
Lengte 10 of 11 mm. — Lang en smal, zoo goed als
onbehaard. De kop aan de oogen (met deze) iets breeder
dan lang, stomp driehoekig, zwart met een naauwelijks
onderscheidbaar geel stipje op den schedel tegen den rand
van elk der oogen. Deze rond, bol, bruinzwart. Sprieten
bijna zoo lang als het lif; 4° lid veel langer dan de kop,
slank, rood met zwarten top; 2° 11 maal zoo lang, zwart,
slank, dikker wordende naar het einde; 3° iets langer dan
het 1°, slank, wit aan de basis, daarna vaalzwart; 4° kort
en grijs. Borststuk aan den voorrand niet zoo breed als de
kop met de oogen, naar achteren tweemaal breeder wor-
1) De twee gele streepjes op het schildje zijn in deze figuur door den graveur
geheel over het hoofd gezien.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 15
dend, zoo lang als in het midden breed, met stompe ach-
terhoeken, zwart met een ruitvormig geel vlekje in het
midden, met versmeltende randen. Schildje vrij groot,
driehoekig, zwart met 2 gele streepjes aan de zijden naar
de spits toe, die zij niet bereiken. Dekschilden met hoog-
liggende langsaderen, geel met zwarten buitenzoom, bruinen
clavus en daartusschen 5 zwartachtige langsstrepen ; boven
den oranje-gelen cuneus een driehoekig zwart vlekje. Mem-
braan zeer donker met gele aderen en een wit vlekje tegen
de spits van den cuneus. Buikzijde zwart. Pooten fraai
rood met de dijen, trochanters, basis en uiteinde der
scheenen en de tarsen zwart.
Van deze zeldzame soort ving de heer Ritsema te Velp
in Junij 2 voorwerpen; vroeger had ik er een te Brummen
gevangen den 28" Mei.
2. Lygus strratellus F.
Plaat 10 (dl. XVIII), fig. 5.
Fabr. S. Rh. 236, 164. — Fall. Hem. 1. p. 84, 15. —
Panz Ein. Germ. 93, 47. — Hahn W. Ins. J. p: 13,
f. 218. — Wolff, Ic. Cim. p. 156, tab. 15, f. 150. — Flor,
Rh. Livl. I. p. 492. — Dougl. and Scott. Brit. Hem. p. 318.
Lengte 6 of 7 mm. — Korter en naar evenredigheid
breeder dan de voorgaande, aan de bovenzijde geel met
bruine versiering, aan de buikzijde zwart met gele vlek-
ken. Kop van boven gezien meer dan 2 maal zoo breed als
lang met uitpuilende zwarte oogen, doch van voren gezien
langer, dus sterk naar beneden gebogen, geel met een
zwart en 2 scheve bruine langsstreepjes op het aangezigt.
Sprieten zoo lang als 3 van het ligchaam, slank ; 1° en 2° lid
geel met de tippen donker, 3° en 4° lid grauwzwart. Borst-
stuk vrij kort en zeer breed van achteren, aldaar in het
midden ingebogen, geel met den uitersten voor- en achter-
rand wit, vier langwerpige zwarte vlekjes voor het midden
en een vrij breeden, doch in het midden afgebroken zwarten
76 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
dwarsband tegen den witten zoom aan; deze band is in
enkele voorwerpen ook wel smal. Schildje geel met zwarte
basis, die echter meest onder den prothorax verborgen blijft.
Dekschilden sterk gelijkende op die van Striatus, doch minder
donker, grondkleur geel; langsstrepen en vlekjes bruin;
cuneus geel met zwarte spits. Membraan rookkleurig met
ronde lichtere vlekken en gele aderen. Onderzijde bruin-
achtig zwart met bruingele streep en daaronder twee ronde
vlekken aan wederzijde op den buik. De zuiger geel met
het eerste lid zwart. Pooten geel met roodachtige dijen en
zwarte achtertarsen. De voorwerpen verschillen nog al in
teekening en in intensiteit van kleur.
Deze soort is vrij wat gemeener dan de vorige en komt
in Mei en Junij voor. In de beide provinciën Holland werd
zij aangetroffen door de heeren van der Hoeven (Leyden),
Piaget (Duinen), de Graaf (Haagsche Straatweg), van Has-
selt (Haag), v. Vollenhoven (Haarlem, Haag), Ritzema Bos
(Ameland); in Utrecht door de heeren Six en van Bemmelen
(Driebergen), Ver Loren (Amersfoort); in Gelderland door
den heer v. Medenbach de Rooy (Arnhem); en in Noord-
Brabant door mij (het Ginneken).
3. Lygus Gothicus L.
Plaat 10 (dl. XVIII), fig. 3.
Linn. S. Nat. 13 ed. 726, 73. — Fabr. S. Rh. 244, 20. —
Fall. Hem. I, p. 147, 4. — Panz. Fn. Germ. 92, 15. — Wolff,
Ic. Cim. p. 33. tab. 4. f. 33. — Hahn, W. Ins. I. p.12. f. 5. —
Flor, Rh. Livl. I. p. 479.
Lengte 5,5 of 6 mm. — Langwerpig ovaal, van voren
ietwat hoekig, zwart met ile, tamelijk lange zwarte be-
haring. Kop bijna verticaal staande, daardoor van boven
gezien zeer breed en kort, weinig glanzig zwart met twee
scheve gele vlekjes op den schedel. Oogen bol uitstekend,
donkerbruin. Zuiger glanzig zwart, reikend tot even voorbij
de middelheupen. Sprieten langer dan de helft van het
ligchaam, zwart, het 2° lid slechts weinig langer dan 2
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 77
maal het 1°, de beide laatsten te zamen korter dan het
het 2°, de beide eersten met eenige tamelijk lange haartjes
bezet. Borststuk aan den voorrand vrij breed, naar achteren
een weinig oploopend, aan den achterrand minder dan
tweemaal zoo breed als voor; zwart, op het midden der
zijkanten een oranje vlekje. Schildje aan den voorrand zwart,
van achteren bedekt met eene ruitvormige geelachtig roode
vlek. Dekschilden zwart met eene vrij breede gele rand-
streep, die echter een eindje boven den cuneus ophoudt.
Deze geelachtig rood met de uiterste spits en den binnen-
hoek zwart. Membraan roetkleurig. Onderzijde zwart met
eenige gele vlekken op borst en buik. Pooten zwart met
bruine scheenen.
Op ’s Rijks Museum te Leyden wordt een voorwerp be-
waard, dat volgens de etiquette door Dr. W. de Haan in
Holland zou gevonden zijn.
4. Lygus seticornis F.
Fabr. S. Rh. 244, 18. — Fallen, Hem. I. p. 88 n°. 93
(Lateralis). — Wolff, Ic. Cim. p. 117, tab. 12. f. 111 (Tibialis),
p. 158. tab. 16. f. 152. — Hahn, W. I. I. p. 220. f. 114. —
Flor, Rh. Livl. I. p. 503.
Lengte 6 tot 8 mm. — Langwerpig ovaal, zoo goed als
onbehaard, behalve op dekschilden en buik; zwart, kop
en borststuk glanzig, dekschilden mat. Kop bijna verticaal,
van boven gezien zeer kort en breed; oogen tamelijk uit-
puilend, van ter zijde gezien niervormig, donkerbruin. Sprie-
ten iets korter dan het ligchaam, lid 1 en 2 zwart, 3 en 4
bruin, de laatsten niet bijzonder dun. De zwarte zuiger
reikt tot aan de achterheupen. Borststuk van voren tamelijk
smal, naar achter oploopend en aldaar bijna 3 maal zoo
breed als voor, met naar buiten gebogen achterrand, zwart
met fijnen witten zoom voor en achter, die van den ach-
terrand in het midden puntig naar voren uitstekend. Schildje
zwart, met fijne gele haartjes bezet. Dekschilden donker-
bruin, tamelijk dik met gele haartjes bezet, met een
78 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
onzuiver begrensden witten veeg onder den zwarten bui-
tenrand ; cuneus roodachtig in het bruin, membraan iets
lichter bruin dan het corium, aderen donker. Onderzijde
zwart met de randen der geurklieren geel. Pooten lang
en slank, zwart met de apophysen en scheenen vuilgeel,
deze laatsten met 2 rijen fijne, doch zeer duidelijke stekels.
: Deze soort werd hier te lande gevonden door den heer
Mr. H. W. de Graaf in Julij bij Noordwijk en door den heer
Heylaerts in de omstreken van Breda, in het midden der-
zelfde maand.
5. Lygus bipunctatus F.
Plaat 10 (dl. XVIID, fig. 6.
Fabr. S. Rh. 235, 158. — Fall. Hem. I. p. 78, 2. — Herr.
Sch. W. Ins. IN. p. 79, pl. 98 f. 298 (te bont). — Kirschb.
Rh. Wiesb. p. 59. — Flor, Rh. Livl. I. p. 498. — Dougl. and
Scott, Brit. Hem. p. 319.
Lengte 7 tot S mm. — Langwerpig ovaal, aan de schouders
het breedst, groen, groenachtig geel of roodachtig geel,
van boven met uiterst fijne zwarte en gele, van onder
alleen met gele haartjes bezet. Kop bijna verticaal, van
boven gezien echter stomp driehoekig met grauwgroene,
van ter zijde gezien niervormige oogen. Zuiger geel, aan de
spits bruin, reikend tot de achterheupen. Sprieten bijna
zoo lang als het lijf; het 4° lid matig dik, groen; het 2° 23
maal zoo lang als 1, aan de spits niet verdikt, geel lang-
zamerhand naar het bruine trekkend, 3 en 4 te zamen zoo
lang als 2, bruinachtig rood. Borststuk aan den hals iets
minder breed dan de helft van de grootste breedte, en 13
zoo lang als de breedte van den duidelijk afgezonderden
voorzoom, met zeer uitgebogen achterrand en naar achteren
sterk oploopend. In het midden 2 kleine ronde, zwarte
vlekjes, die echter dikwijls wegblijven. De dekschilden heb-
ben, voornamelijk bij het mannetje, somwijlen een rooden
gloed op clavus en corium. Membraan grauw met gele aderen.
Abdomen onder de dekschilden zwart met gele of groene
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 79
randen. Pooten groen, of groenachtig of bruinachtig geel,
met bruine scheenspitsen en tarsen; de achterdijen vrij
dik, soms met rijen zwarte puntjes, de achterscheenen
met 2 rijen zwarte stekeltjes.
Deze soort is in het geheele land gemeen en vooral
zeer veelvuldig in de duinen op wilde kool of mosterd; zij
komt van Junij tot in October voor.
6. Lygus Chenopodi Fall.
Plaat 10 (dl. XVIII), fig. 7.
Fall. Hem. Suec. 77, 1. — Wolff, Ic. Cim. p. 36, tab. 4,
f 36. — Hahn, W. Ins. I, p. 202, tab. 33, f. 103 (Bino-
tatus). —:Flor, Rh. Liv. I, p. 501. — Dougl. and Scott,
Brit. Hem. p. 325.
Lengte 6 tot 7,5 mm. — Gelijkende op de vorige soort,
doch grauwer van kleur en onderscheiden door de teeke-
ning op het schildje en door de inplanting der sprieten. Lang-
werpig ovaal, grauwgroen met grijze of zelfs witte beha-
ring. Kop bol op het voorhoofd, iets minder naar beneden
gebogen dan de vorige. Sprieten tegen de oogen aan in-
geplant (bij Binotatus niet zoo digt tegen den oogrand aan),
veel donkerder van kleur dan bij den voorgaanden. Op den
schedel dikwijls 2 bruine streepjes. Zuiger lichtgroen met
bruine spits en donkergroen einde van het 4° lid, reikt
tot aan de middenheupen. Borststuk iets korter dan bij
de voorg. soort en minder oploopend naar achter, bruin-
achtig groen, glanzig, soms met 2 kleine donkere vlekjes
op de achterhelft. Schildje met 2 van elkander afgebogen
kleine bruine streepjes, die echter ook wel eens ontbreken,
vooral bij het wijfje. Op de dekschilden is de buitenrand
van het corium onder den zeer smallen zwarten zoom,
en tevens de cuneus iets lichter en glanziger van kleur,
dan het overige; het corium naar de spits toe donkerder,
soms in langsstrepen. Membraan iets donkerder grauw
dan de dekschilden met vuilgele aderen, die aan het eind
der kleine cel een bruin verdikt punt vertoonen. Abdomen
80 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
aan de bovenzijde zwart met grauwgroene randen. Pooten
groen met geelachtige heupen; de dijen met rijen bruine
stipjes besprenkeld, de scheenen met zwarte stekeltjes en
het laatste lid der tarsen zwart.
Volgens den heer Piaget is deze soort vrij gemeen in
de duinen. De heer de Graaf ving haar in Aug. te Kat-
wijk op Eryngium maritimum, ik zelf bij Scheveningen 22
Julij; doch ik ving haar bovendien in Aug. te Naaldwijk,
waar geene duinen zijn en 22 Julij aan het strand der
Schelde bij Bergen-op-Zoom. Ook ving de heer van Me-
denbach de Rooy haar bij Huissen in Aug.
7. Lygus ferrugatus F.
Plaat 10 (dl. XVIII), fig. 8.
Fabr. S. Rh. 236, 163. — Fall. Hem. S. 1, p. 86, 19. —
Hahn, W. Ins. I, p. 204, tab. 33, f. 104. — Flor, Rh.
Livl. I, p. 496. — Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 327.
Lengte 7—8 mm. Langwerpig eirond, doch iets breeder
dan de vorige soorten, groenachtig geel of grauwgroen,
met zeer fine en korte zwarte beharing. Kop van ter zijde
gezien bolrond, naar beneden gebogen, van boven gezien
stomp driehoekig, met 2 zwarte vlekjes op den schedel en
den achterrand van den kop zwart. Oogen matig groot,
bol, bruin. Sprieten zoo lang als het ligchaam; het 1° lid
vrij dik, grauwgroen; het 2° rood met bruine basis, niet
dikker wordende naar het einde; 3 en 4 te zamen langer
dan 2, zwart. Zuiger aan de basis groen, in het midden
bruingeel, aan de spits zwart. Borststuk van gedaante als
bij Bipunctatus, doch iets breeder van voren, grauwgroen
met twee breede, doch onduidelijke roode langsstrepen.
Schildje met gele basis onder den prothorax en soms met
eene bruine langsstreep over het midden. Dekschilden met
eene kaneelroode groote vlek op den clavus en twee zulke
langsstrepen in wigvorm op het corium. Membraan grauw
met lichtere aderen; de cellen iets donkerder dan de grond,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 84
Pooten groen met bruine einden der achterdijen ; de scheen-
spitsen en tarsen zwartbruin.
Beschreven naar een voorwerp door den heer Maurissen
26 Julij "74 bij Bunde in Limburg gevangen. De soort werd
bovendien aangetroffen aan de Bildt en te Driebergen door
den heer Six, terwijl de heer van Medenbach de Rooy bij
Arnhem in Julij twee voorwerpen ving.
8. Lygus cordiger Hahn.
Hahn, Wanz. Ins. I, p. 35, Pl. 56, fig. 174. — Fieber,
Die Eur. Hemipt. p. 264.
Lengte 6 mm. — Ovaal, tamelijk breed, grof gekorreld,
zwart met doojergele versiering. Kop kort en breed drie-
hoekig, vrij spits aan de basis van den zuiger, glanzig
zwart met een smal geel dwarsstreepje op den schedel.
Oogen sterk uitpuilend, bruin, volgens Herrich-Schaeffer
in het leven rood. Sprieten niet langer dan de helft der
ligchaamslengte, zwart, het 2° lid min of meer verdikt naar
het einde, de beide volgenden haarfijn. Schildje doojergeel met
eene zwarte vlek aan den voorrand, die zich soms naar
achteren tot bijna aan den achterrand uitstrekt. Schildje drie-
hoekig, glad, zwart aan de basis, verder doojergeel en glanzend.
Dekschilden aan de binnenhelft zwart, aan de buitenhelft
doojergeel; cuneus meer oranjegeel met zwarte spits. Mem-
braan rookkleurig met lichtere wolken aan de basis. Achter-
lyf boven en onder zwart. Heupen en dijen zwart, de laatsten
met 4 of 2 gele bandjes voor de knie; scheenen geel met
de basis en spits, alsmede een bandje in het midden zwart ;
tarsen grauw met het laatste lid en de klaauwtjes zwart.
Een voorwerp in de omstreken van: Breda in het gras
bij brem in Julij (Heylaerts); twee voorwerpen in Julij bij
Arnhem (v. Med. de Rooy).
9. Lygus Fallemi Hahn.
Plaat 8 (dl. XVIII), fig. 11.
Hahn, Wanz. Ins. II, p. 89. Pl. 57, fig. 175. — Kirschb.
Rh. Wiesb. p. 67.
6
82 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Lengte 4. mm. — Ovaal, tamelijk breed, bruin met
lichtere dekschilden. Kop van boven gezien breed driehoekig,
zwart op den schedel met 2 van daar tusschen de oogen
afdalende vlekken. Oogen uitpuilend en bruin. Sprieten korter
dan het halve ligchaam, donkerbruin, met de basis van lid 1
rood. Op het schildje drie lichtgekleurde vlekken, twee in de
zijhoeken, À aan de spits. Dekschilden lederkleurig, bijna
doorschijnend, glanzig, gestippeld met 1 zwart vlekje in het
midden en 2 aan den achterrand van het corium, de spits
van den cuneus mede zwart. Membraan doorschijnend met
lichtbruine aderen. Pooten lichtbruin met roodbruine ringen
op de dijen; een breede donkere ring om de scheenen, de
scheenspitsen en het 3° lid der tarsen donkerbruin.
Een voorwerp werd 29 Junij in de Hollandsche duinen
gevangen door Dr. Piaget.
10. Lygus punctulatus Fall.
Fall. Hem. Suec. 95, 36.— Meyer, Rh.d. Schweiz, p.105,
tal IN ie, 2.
Lengte 4 mm. — Vrij breed ovaal, als de vorige, glan-
zig, kaal, gestippeld, lichter of donkerder nootbruin. Kop
van boven gezien breed, kort met eene vooruitstekende
punt. Oogen sterk uitpuilend, donkerbruin. Sprieten zoo
lang als het halve ligchaam, geel, naar de spits donker-
der. Borststuk naar achteren sterk oploopend, bol, aan
den achterrand, die in het midden regt loopt, tweemaal
zoo breed als aan den hals; de twee verhevenheden achter
den voorrand zijn soms van achter donkerbruin gezoomd.
Het schildje heeft 3 gele vlekken in de hoeken of het is
door 3 gele lijntjes, die van de hoeken af naar een punt
voor het midden toeloopen, in drie donkerder veldjes ver-
deeld. Dekschilden sterk gestippeld, doch bijna doorschjj-
nend, met 2 donkere plekken, een naar het einde van het
corium, de andere in het midden; deze teekening verdwijnt
dikwijls. Ken dwarsbandje op de spits van den cuneus
donkerbruin, Membraan geelachtig met de buitenader der
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 83
groote cel donkerbruin. Cuneus en membraan sterk naar
beneden gebogen. Pooten bruinachtig geel; een zwart bandje
om de achterdijen, midden- en achterscheenen met 2 don-
kere bandjes en het laatste lid der tarsen donkerbruin.
Deze zeldzame soort komt zeer vroeg en zeer laat in het jaar
voor en overwintert waarschijnlijk. De heer van Medenbach
de Rooy ving bij Arnhem 4 exemplaren in April en Novem-
ber; doch hij trof de soort ook bij Huissen in Julij aan.
11. Lygus pratensis L.
Plaat 10 (dl. XVIII), fig. 9, de var. Campestris.
Linn. S. N. 15 ed. 728, 86 et 87. — Fabr. S. Rh. 234,
454 et 155. — Fall. Hem. 90, 28 et 91, 29. — Panz. Fn.
Germ. 93, 19. — Hahn, W. Ins. I. p. 217 et 248, Tab. 35,
fig. 442 et 143. — Flor, Rh. Livl. I. p. 517. — Douglas and
Scott, Brit. Hem. p. 463.7 (Campestris), p. 464. 8 (Pratensis).
De autoriteit van Linnaeus en Fabricius schijnt vele
entomologen genoopt te hebben de gladde en de harige voor-
werpen dezer soort als twee afzonderlijke species te beschou-
wen; doch Burmeister, Meyer en vooral Flor (zie zijne lange
noot op bladz. 520) hebben voldoende bewezen dat men
hier slechts met eene soort in twee verscheidenheden, die
in elkander loopen, te doen heeft. Zonderling is het dan ook,
dat Douglas en Scott hen weder van elkander scheiden, doch
dit feit is waarschijnlijk te verklaren uit de overweldigende
lust die de Engelschen drijft om hunne fauna met soorten
te verrijken, waarvan ook vroegere werken in ruime mate
getuigen. Tot Pralensis wordt ook nog door Flor gebragt
_Gapsus gemellatus H. Sch. (Wanz. Ins. HI, p. 81, fig. 301).
Lengte 45—5,5 mm. — Ovaal, bijna glad of wel met
korte haartjes bezet, glanzig, op het borststuk gestippeld ,
geel of groenachtig geel of grauw. Kop vrij sterk naar
beneden gebogen, van boven gezien tweemaal breeder dan
lang, driehoekig met rönde uitpuilende bruine oogen, die
van ter zijde gezien ovaal zijn. Sprieten iets langer dan
de helft van het ligchaam, fijn, het 4° lid iets dikker;
84 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN,
groen, geel of roodachtig; het 2° geel of roodachtig met
donkerbruine spits, die iets dikker is dan de rest, 3° en
4° te zamen langer dan 2, haarfijn, zwart. Zuiger groen
of lichtbruin, reikend tot de achterheupen. Borststuk van
achteren tweemaal zoo breed als voor, sterk bol naar ach-
teren oploopend, doch aan den achterrand weder naar be-
neden gebogen, glanziger dan de rest van het lijf; het
hoogere gedeelte is gewoonlijk het donkerst gekleurd.
schildje minder sterk gestippeld dan het borststuk, bijna
glad; het basaalgedeelte (onder den rand van den pro-
thorax) donker gekleurd, van waar dikwijls in het midden
op het onbedekte gedeelte 2 donkere streepjes naar beneden
dalen. Dekschilden minder glanzig dan het borststuk, ’t zij
ongevlekt, ’t zij met 2 vlekjes aan het eind van het corium ,
"t zij bovendien met donkere langsstrepen. Pooten niet zeer
lang, noch zeer slank, met 2 of 3 bandjes om de einden
der dijen.
De gladdere lichtgekleurde voorwerpen zijn de ware
Pratensis, de meer behaarde, sterker gekleurde en vooral
gevlekte voorwerpen behooren tot Campestris; vele voor-
werpen zijn even goed tot de eene als tot de andere ver-
scheidenheid te brengen. De verscheidenheid Gemellatus
Herr. Sch. is eenmaal in Julij bij Groningen aangetroffen door
Dr. de Gavere. Pratensis behoort tot de zeer gemeene soorten
en is, zoo ik wel heb, in al onze provinciën gevangen.
12. Lygus rubicundus Fall.
Plaat 3, fig. 1.
Fall. Hem. I. p. 92, 30. — Flor. Rhynch. Livl. 1. p. 534.
Lengte 4—4,5 mm. — Ovaal, van gedaante als de voor-
gaande, doch geelrood of rood van kleur en kleiner. Kop
sterk neergedrukt, bijna verticaal, glanzig met 2 putjes
op den schedel. Zuiger roodachtig geel met bruine spits,
reikend tot over de middenheupen. Sprieten iets korter
dan de helft van het lijf, met de 2 eerste leedjes en de
basis van het 3° roodgeel, het overige bruin. Borststuk
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 85
niet veel langer dan de breedte van den voorrand, van
achter bijna 2 maal zoo breed als lang, in het midden van
den achterrand ingebogen, vrij bol kussenvormig, glanzig,
doch sterk bestippeld, behalve de 2 halsbultjes, die glad
blijven. Halsschild fijner bestippeld, even als de dekschil-
den; deze met korte lichtgrijze haartjes bezet. Cuneus iets
lichter van kleur, doch met fijne bloedroode spits. Membraan
berookt met fijne roode cel-aderen; een fijn bruin dwars-
streepje onder de spits der groote ader en een hoornvormig
wolkje aan den buitenrand. Buik en pooten lichter van kleur
dan de bovenzijde. Dijen met donkere bandjes voor de knie.
Het komt mij voor dat deze soort bij de schrijvers met
andere roode, doch langwerpiger soorten verward is; zelfs
stemt de beschrijving bij Flor niet volkomen met mijne
voorwerpen overeen.
Volgens mijne aanteekeningen werd deze soort gevonden:
bij Utrecht door Dr. van Hasselt, bij Dciebergen door den
heer Six, bij Arnhem in October door den heer van Meden-
bach de Rooy en door mij in de maand April op de Gliphoeve
onder Heemstede.
13. Lygus tripustulatus F.
Plaat 10 (dl. XVIII), fig. 10.
Fabr. S. Rh. 239, 182. — Fall. Hem. Suec. I. p. 96, 38. —
Hahn, W. Ins. I. p. 213. Pl. 34, f. 110 (Pastinacae) et 111. —
Burm. Handb. II. p. 273, 25. — Flor, Rh. Livl. I. p. 515. —
Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 450.
Lengte 4 mm. — Ovaal, glanzig, met putjes bestippeld,
„wart met oranjekleurige teekening. Kop geel met bruine
vlekjes voor de oogen en bij den zuiger, bol van voren, bijna
verticaal staande, van boven gezien tweemaal zoo breed als
lang. Oogen uitpuilend, bruin. Zuiger geel, donkerbruin aan
het einde, tot de achterheupen reikend. Sprieten ver over de
helft van het ligchaam reikend, slank; het 1° lid geel met een
zwart langsstreepje aan de binnenzijde en een zwart bandje
voor de spits, het 2° eerst zwart, dan bruin, dan geel,
86 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
dan weder zwart, het 3 bruin met gele basis en het 4°
geheel bruin. Borststuk vrij breed van voren, 13 zoo lang
en op het breedst 2 maal zoo breed als aan den hals, met
den achterrand rondgebogen, zonder indruksel, van voren
geel, van achteren zwart of wel met 4 zwarte vlekken; in
het 4° geval het geel in het midden met eene wigvormige
vlek inspringende en 2 zwarte vlekken op het geel achter
de halsbuilen. Schildje geel of oranje met zwarte basis, die
onder den rand van het halsschild verborgen is. Dekschilden
zwart met 2 gele vlekken aan den rand, die soms vrij
diep naar binnen doorloopen; cuneus oranje of geel aan de
basis en de spits zwart. Membraan zeer donker met gele
aderen en bovendien 2 gele of witte vlekjes, 1 rond in het
midden, 4 hoornvormig aan den rand. Borst geel met zwarte
vlekken, buik glanzig zwart met gele randvlekken. Pooten
geel, dijen met 2 of 3 zwarte banden, scheenen met 1 bandje.
Er is veel verschil in donkerder of lichter teekening. Bij
de var. Pastinacae van Hahn loopt de middenhand op de
dekschilden door en is er een geel vlekje op de spits van
den clavus.
Bij Groningen en Diever in Julij gevangen door Dr. de
Gavere, bij den Haag en Leyden door mij, bij den Haag in
Februarij en Maart door Mr. Leesberg, bij Utrecht door den
heer Six, bij Breda in menigte door den heer Heylaerts, bij
Huissen door den heer v. Medenbach de Rooy met de var. welke
ook gevonden is bij den Haag door den heer van der Wulp.
14. Lygus Kalmü L. 1).
Plaat 3, fig. 2.
Linn. Fn. Suec. 948. — Fabr. S. Rh. 243, 10 (Flavovarius). —
Fall. Hem. Suec. I, 93, 34. — Hahn. W. Ins. I. p. 211. Pl. 34,
f. 109 (Flavovarius). — Schellenberg, Cim. tab. 3, f 2 en c
(te hoog geel). — Flor, Rh. Livi. I. p. 521. — Douglas and
Scott, Brit. Hem. p. 452.
1) Linnaeus zou zich wel gewacht hebben ooit Kalmi (met een è), te schrijven,
gelijk men leest bij Fieber, Douglas en helaas! ook bij Flor.
I
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 8
Weder eene soort met twee namen, een voor de licht-
een voor de donkergekleurden; ofschoon Fieber hen als
twee soorten gescheiden heeft, hebben nogthans de En-
gelsche auteurs hen weder vereenigd, 't geen zeer opmer-
kelijk is.
Lengte 4 mm. — letwat langwerpig ovaal, donkerbruin
of zwart met geel of geelachtig groen versierd. Kop sterk
naar beneden gebogen, glanzig geel met 2 zwarte langs-
streepjes of donkerbruin met 3 gele streepjes, die zich op
den schedel tot eene vlek vereenigen. Oogen uitpuilend,
lichtbruin. Sprieten iets langer dan de helft van het lijf;
1° lid geel met zwarten band aan de spits, de 3 volgenden
bruin; lid 2 is 23 maal langer dan lid 4 en naar de spits
toe iets dikker wordend. Zuiger geel met zwart uiteinde.
Borststuk naar achteren oploopend en vrij bol, fijn gestip-
peld, op het breedste punt 2 maal zoo breed als lang, aan
den achterrand, die rond uitgebogen is, flaauwelijk ingedeukt
in het midden, zwart met smallen gelen voor- en achter-
rand en een geel langsstreepje in het midden. De var. Fla-
vovarius heeft 3 gele vlekjes op het midden, of het borst-
stuk in het midden geheel geelgroen. Schildje glad, glanzig,
geheel geel, of met een driehoekig of halfrond zwart vlekje
in het midden van de basis. Dekschilden (Kalmü) zwart
of bruin, met eene langwerpige geelgroene vlek aan de basis
van het corium en met de bovenhelft van den cuneus geel;
of wel (Flavovarius) groenachtig geel met de bovenhelft van
den clavus, een’ dwarsband aan het eind van het corium
en de benedenhelft van den cuneus bruin. Membraan lichter
of donker wolkig berookt, met de groote ader geel. Onder-
zijde zwart met 2 zeer breede gele langsstrepen over den
buik. Pooten geel, de achterdijen met 2 bruine bandjes
voor de knie, de achterscheenen en tarsen aan de achter-
helft bruin.
Gemeen op verschillende schermbloemen, voornamelijk
beerenklaauw (Heracleum sphondylium) en in de meeste pro-
vincién aangetroffen,
88 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
15. Lygus Pastinacae Fall.
Fall. Hem. 94, 35. — Flor, Rh. Lil. I. p. 523, n°. 30. —
Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 455, Pl. 15, f. 4.
Zoo sterk gelijkend op de voorgaande, dat men haar
voor dezelfde zou houden, indien niet de oogen minder
uitpuilend waren en vooral niet aan den binnenrand inge-
bogen, terwijl Kalmi de oogen vrij sterk ingebogen heeft.
Ook is er eenig verschil in kleur gelijk blijken zal uit de
volgende beschrijving.
Lengte 4 mm. — Groen met bruine teekening, membraan
ongevlekt. Kop olijfbruin, glanzig met een zwart dwars-
streepje in den nek en donkerbruine oogen. Sprieten van
dezelfde kleur; het 2° lid iets donkerder aan de basis.
Thorax geel, glanzig, tamelijk grof gestippeld, met bruinen
achterrand der halsknobbeltjes. Schildje zwavelgeel of
appelgroen. Dekschilden groen met een’ bruinen gloed op
den clavus en aan het eind van het corium; cuneus licht-
groen met donkerder randen. Membraan wit, doorschijnend
met zeer licht bruine aderen. Onderzijde vuil groenachtig
geel met de borst bruinachtig; eene zwarte vlek op het
midden van den laatsten buikring en twee kleinere aan de
zijden daarvan. Pooten groenachtig geel met de scheenen
lichtgroen en het laatste lid der tarsen zwart.
Deze soort werd gevangen 13 Junij in het Overmaassche
bij Rotterdam door Dr. Piaget, in Julij op Staalduin door
den heer van der Wulp en in Mei bij Utrecht door den
MESEN Ni
16. Lygus unifasciatus K.
Plaat 10 (dl. XVIII), fig. 11.
Fabr. S. Rh. 243, 9. — Fall. Hem. 1. p. 86, 21 (Semiflavus). —
Wolff, Ic. cim. p.154. tab. 15, fig. 148 (Semiflavus). — Hahn,
W. Ins. 1. p. 208, tab. 34, fig. 107 (Semiflavus) IL. p. 85, tab. 56,
fig. 169 (Lateralis) et 170 (Marginatus). — Flor, Rh. Livl. 1.
p. 544. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 467, Pl. 15, f. 6.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 89
Kene in kleur nog al variérende soort, die echter daar-
om nog geene drie afzonderlijke namen verdiende, zoo als
Hahn aan de kleurverscheidenheden toediende.
Lengte bijna 5 mm. — Zwart met goudgele en grijze
haartjes bezet, ovaal, de mannetjes iets langwerpiger dan
de wijfjes. Kop sterk naar beneden gebogen en niet zeer bol,
daardoor van boven gezien zeer kort en breed, zwart met
twee gele vlekjes tegen de oogen aan op den schedel.
Oogen licht bruinrood, sterk uitpuilend, grof van facetten.
Sprieten zoo lang als # van het ligchaam; het 4°lid betrek-
kelijk kort, vaalrood, het 2° driemaal langer, van dezelfde
kleur met bruine spits, het 3° half zoo lang als het 2°,
bruin met roode of gele basis, het 4° zwart. Zuiger bruin-
rood, reikend tot de middenheupen. Borststuk naar achteren
oploopend, kort en breed, met smallen gelen zoom aan den
achterrand. Schildje of geheel zwart, of meer of min geel
aan de spits, soms over de helft. Dekschilden geel met
zwarten clavus en op het corium 2 tegen elkander aan
liggende ovale zwarte vlekken, die den buitenrand en den
cuneus niet raken, maar wel den achterrand; deze vlekken
breiden zich soms zoo zeer uit, dat er weinig van de
grondkleur meer overblijft (var. lateralis en marginatus);
cuneus rood met een zwart vlekje aan den buitenrand. Mem-
braan rookkleurig, de zwarte cellen omzoomd met gele
aderen. Voorpooten rood, middenpooten roodbruin, achter-
pooten bruin met gele basis der dijen.
Eene niet bijzonder zeldzame soort, gevangen bij Utrecht
door Dr. van Hasselt en den heer Six, op Walcheren door
den heer Gerlach, te Katwijk door den heer de Graaf, te
Wassenaar en Scheveningen in Julij door mij. De var. Lateralis
werd te Katwijk op walstroo aangetroffen door den heer
de Graaf en bij Amersfoort door den heer Six.
17. Lygus vulneratus Wolff.
Plaat 3, fig. 3.
Panz. Fn. Germ. (Wolff) 100, 22. — Fall. Hem. Suec. p. 87,
90 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
22. (Dalmanni). — Hahn W. Ins. I. p. 210, pl. 34, fig. 108
(Dalmanni). — Flor, Rh. Livl. 1. p. 549 (eodem nom.).
Lengte 3 tot 4mm. — Zeer na aan de voorgaande verwant.
Ovaal, het wijfje iets breeder dan de man, grauw- of groen-
achtig geel, met goudgele of zilverachtige haartjes bekleed.
Kop verticaal, zeer weinig bol, daardoor van boven gezien
breed en kort; oogen matig uitpuilend, grijs. Zuiger aan de
spits bruin. Sprieten ongeveer 3 der lengte van het ligchaam,
roodachtig geel met de uiteinden der leedjes bruin; het laatste
geheel bruin. Lid 2 is 4 langer dan de beide volgenden te
zamen, bij den d zoo dik als het 1° lid en overal van gelijke
dikte, bij het gaan de basis dunner dan aan de spits. Borst-
stuk met 4 zwarte vlekjes, 2 aan den voorkant achter den
witten zoom (zij blijven wel eens weg, doch verlengen zich
ook wel tot 2 langsstreepjes en in het laatste geval is op den
kop mede eene zwarte langsstreep te zien) en 2 aan de schou-
ders. Schildje geel met zwarte basis of zwart met eene hart-
vormige gele vlek aan de spits. Dekschilden met zeer fijnen
zwarten buitenrand en soms met 2 wigvormige vlekken op
het corium. Cuneus bloedrood met een fijn zwart streepje
aan den buitenrand. Membraan lichter of donkerder grijs
met gele aderen. Pooten grauwgroen of vuilgeel, de dijen
aan de onderzijde met rijen van bruine stipjes; achterdijen
met 13 bruin bandje aan de knie; laatste lid der tarsen zwart.
Het achterlijf op den rug zwart met grauwgele randen.
Zeer gemeen op de duinen van half Junij tot in Augustus.
Ook op Ameland gevonden door den heer Ritzema Bos.
18. Lygus Gyllenhalu Fall.
Plaat 3, fig. 4.
Fall. Hem. S. 97, 40. — Herr. Sch. W. Ins. IL. p. 86. PI. 101,
f. 310. — Flor, Rh. Livl. I. p. 546 partim. — Dougl. and Scott,
Brit. Hem. p. 446. Pl. 15, f. 1.
Lengte 3—4 mm. — Breed ovaal, zwart met grijze haartjes
dik bekleed. Kop sterk gebogen, weinig bol, van boven
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. M
gezien vijfhoekig. Oogen van ter zijde gezien nagenoeg nier-
vormig, uitpuilend, grof van facetten, bruin. Sprieten niet
langer dan de helft van het ligchaam, geelachtig wit met
een bruin vlekje aan de binnenzijde van het 4° lid; het
4 en de spits van het 3° bruinachtig. Borststuk hoog op-
loopend en bol gewelfd; eene zeer lichte indeuking in het
midden van den rond uitgebogen achterrand; deze rand
aan wederzijde met een fijn witachtig zoompje. Schildje
kort en breed, overdwars gekrast, aan de spits sterk be-
haard. Dekschilden met een vlekje aan de basis, den zeer
smallen zoom van den buitenrand, den achterhoek van het
corium en den cuneus steenrood; deze laatste is aan den
voorrand door eene diepe inkeeping van het corium afge-
scheiden. Membraan zwart met witte aderen en een wit
vlekje onder de spits van den cuneus. Onderzijde zwart,
vlekkig behaard. Pooten geelachtig met bruine gedeelten ;
de heupen en dijringen zwart, de dijen met bruine bandjes,
de tarsen vuilwit met zwarte spits en zwarte klaauwtjes.
Eene zeer na verwante soort, Holosericeus Hahn (W. Ins.
I. p. 27 fig. 17) wordt door Flor met deze vermengd; zij onder-
scheidt zich echter van Gyllenhalii door meerdere grootte,
betrekkelijk langere sprieten en geelachtig witte scheenen
en werd bij ons nog niet aangetroffen. Merkwaardig en
kenschetsend voor zijne methode is het dat Fieber beide
soorten in twee verschillende genera plaatst. Het is wel de
moeite waard het zoogenaamde verschil bij Fieber, p. 271
na te lezen. i
Van Gyllenhalii vond ik een voorwerp in de duinen bij
Scheveningen op den 22°" Julij 1874.
49. Lygus Pinastri Fall.
Fall. Hem. S. I. p. 112, 68. — Hahn, W. Ins. II. p. 87,
tab. 57, f. 173. — Flor, Rh. Livl. I. p. 536.
Lengte 4 mm. — Langwerpig ovaal, bruin met donkere
haartjes bezet, vooral op de dekschilden. Kop bijna verticaal
en toch van boven gezien breed driehoekig, glanzig, getaand
99 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
geel met een bruin langsstreepje in het midden. Oogen bol,
sterk uitpuilend, donkerbruin. Sprieten zoo lang als # van
het ligchaam, slank; het 4° lid bruingeel met 2 bruine
smalle bandjes, lid 2 geel, 3 geelbruin, 4 donkerbruin.
Zuiger bruin, tot aan de achterheupen reikend. Borststuk
op de breedste plaats tweemaal zoo breed als lang, met de
voorhoeken geheel afgerond. bol kussenvormig, grof ge-
stippeld , zeer glanzig zwart met in het zwart wegsmeltende
geelbruine zijden; de smalle voorrand wit, ook de achter-
rand naauwelijks zigtbaar wit gezoomd. Schildje iets fijner
gestippeld, glanzig zwart. Dekschilden fijn gestippeld,
lichter of donkerder bruin, naar het eind toe bijna zwart;
cuneus bruin met donkere spits. Membraan taankleurig
berookt. Pooten taankleurig geel, op de dijen en scheenen
met bruine bandjes bezet; de heupen, apophysen en he
eind der tarsen donkerbruin.
De mannetjes zijn donkerder van kleur dan de wijfjes.
De figuur van Hahn is echter veel te donker, te zwart.
Deze soort werd door mij in Julij op de duinen van
Scheveningen gevangen.
20. Lygus cervinus H. Sch.
Plaat 3, fig. 5.
Here Sch 4 Ins. NEyp.157. 1.499, 1.617. Meyer,
Schw. Rh: p. 103,09...
Lengte 4 mm. — Bruinachtig geel, glanzig, langwerpig
ovaal. Kop verticaal, weinig bol, met niervormige donker-
bruine oogen. Sprieten langer dan de helft van het ligchaam,
het 1° lid geel, het 2° geel met het laatste vierdedeel zwart,
lid 3 en 4 zwart. Zuiger geel met zwarte spits, reikend
tot voorbij de achterheupen. Borststuk grof gestippeld, doch
zeer glanzig, met donkere onbepaalde vlekjes, de achter-
hoeken bruiner. Schildje iets fijner gestippeld (ik kan er
de 2 donkere langsstreepjes niet op terugvinden, die er
volgens Herr.-Schaeffer en Meyer op te zien zijn). Dek-
schilden doorschijnend, hoornachtig, met een zeer fijn
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 93
zwart zoompje aan het begin van den buitenrand, met een
klein rood langsstreepje boven en een bruin dwarsstreepje
bezijden den cuneus; deze mede hoornachtig met een fijn
bloedkleurig randje aan de spits. Membraan met 3 donkere
wolkjes, waarvan 4 in de groote cel en À tegen de spits
van den cuneus. Onderzijde en pooten geel, achterdijen
rood gekleurd.
Een voorwerp, zoo bont gekleurd als de aangehaalde figuur
heb ik nooit gezien; toch noemt Meyer die afbeelding « sehr
getreu». Onze inlandsche voorwerpen schijnen dus bleeker
van tint, dan sommige Zwitserschen.
Gevangen door den heer de Gavere bij Groningen, door
den heer Six in Nov. bij den Haag (?) en door mij in
Maart bij Haarlem.
21. Lygus Roseri H. Sch.
Plaat 3, fig. 6.
Herr. Sch. W. Ins. IV. p. 78, Pl. 132, f. 407. — Meyer,
Schw. Rh. p. 105, 94. — Flor, Rh. Livi. I. p. 560, n°. 53.
Van deze soort, die volgens de beschrijvingen een zwart
borststuk moet hebben, ken ik hier te lande slechts eene
verscheidenheid met licht gekleurd borststuk.
Lengte 3,5 mm. — Vrij breed ovaal, bijna onbehaard,
glanzig. Kop verticaal, zeer weinig bol uitstekend, van boven
gezien breed driehoekig, donkerbruin met den schedel en
2 scheve strepen langs de oogen geelachtig rood. Oogen weinig
uitpuilend, bruin. Sprieten korter dan de helft van het lig-
chaam, matig slank ; de 2 voorste leedjes geel, de spits van
het 2° met 3 en 4 zwart. Borststuk breed en kort, fijn gestip-
peld met eene golvende vrij diepe dwarsgleuf achter de gewone
halsknobbels; rood- of ook wel groenachtig geel, aan den
voorkant donkerder, bijna bruin. Het schildje van dezelfde
kleur en even zoo gestippeld. Dekschilden onduidelijk be-
stippeld, licht of grauwachtig geel met een’ donkeren langs-
veeg in het midden. Cuneus iets rooder; membraan rook-
kleurig. Onderzijde zwart met eene roode vlek op den buik,
9% DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Pooten rood met bruine heupen en bruine basis der dijen;
de scheenen geel met zwarte doorntjes in 2 rijen, tarsen
geel met zwarte spitsen.
Dit insect is uitsluitend door den heer Six in Julij bij
Utrecht gevonden.
29. Lygus mutabilis Fall.
Plaat 3, fig. 7 4 et 9.
Fall. Hem. S. I. p.118, 5. — Hahn. W. Ins. II. p. 95. Pl. 59,
f. 180 4, IM. p. 11. Pl. 76. f. 236 9 (Saliator). — Curt. Brit,
Ent. XV. tab. 693. (Hirtus). — Meyer, Schw. Rh. p. 58, n°. 23
et 112 n°. 106 (Saltator). — Flor, Rh. Lil. I. p. 567. —
Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 431, Pl. 14, f. 2.
Eene soort, waarvan het wijfje met verkorte dekschilden
van Hahn een’ anderen naam heeft ontvangen, ofschoon
Fallen’s opgave omtrent die sexe hem bekend was. Even
als in Zweden, zijn de wijfjes met volkomen dekschilden en
vleugels hier zeer zeldzaam of ontbreken misschien geheel.
Lengte 4-5 mm. — Zwart, dik met schubachtige, goud-
gele haartjes bezet, die echter ligt loslaten. Het mannetje
langwerpig ovaal, het wijfje peervormig. Kop scherp drie-
hoekig, aan het achterhoofd als afgesneden en tegen het
borststuk gedrukt, met vrij lange zwarte haartjes aan de
basis van den zuiger, die tot aan de middenheupen reikt.
Oogen uitpuilend, bruinzwart. Sprieten bij den man iets
langer dan de helft van het ligchaam, zwart, onbehaard,
het 4° lid dikker, het 2° aan de spits schier niet dikker dan
in het midden, het 3° slechts weinig langer dan het 1°.
Sprieten bij het wijfje nagenoeg zoo lang als het ligchaam,
zwart, harig; lid 1 iets langer en dunner dan bij den man,
2 knodsvormig en dik behaard, 3 zeer slank en 23 maal
langer dan 1, met 4 vederachtig behaard. Halsschild bij het
2 korter en breeder dan bij den man, bij haar is de voor-
rand zoo breed als het halsschild in het midden lang is.
Dekschilden bij hem voluitgegroeid met donkere membraan ,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 95
met lichtere aderen, bij haar zonder cuneus noch membraan ,
maar aan het eind wat toegeknepen. Pooten vrij lang en
zwart met afstaande haren, meest met donker roodbruine
scheenen; vooral bij het wijfje zijn de achterdijen lang en
tevens grof,
Een & werd door den heer Ritsema in Junij bij Velp
gevangen, en een g op Walcheren door den heer Gerth van
Wijk. Waarschijnlijk heb ik wel meer mannetjes ter deter-
minatie in handen gehad, doch bij den twijfel omtrent den
naam, daar er meer geheel zwarte soorten zijn, dienaan-
gaande geene aanteekening gehouden. Een enkel bevindt
zich in mijne verzameling met het etiquette Holland. Of het
wijfje springt, gelijk de naam Saltator aanduidt, is mij niet
gebleken. Door den knodsvorm van het 2° lid der sprieten
nadert dit wijfje tot de soorten van het geslacht Capsus,
‘tgeen al wederom aantoont dat de genera in deze familie
geene zuivere, vast afgebakende grenzen hebben.
23. Lyqus virgula Herr. Sch.
Plaat 3, fig. 8.
Herr. Sch. Wanz. Ins. HI. p. 51, pl. 88, fig. 268. — Douglas
and Scott, Brit. Hem. p. 373, Pl. 12. f. 10.
Lengte 4 mm. — Smal, langwerpig, het borststuk eenig-
zins in den vorm van een halsje verdund, onbehaard,
weinig glanzig, geel met roode versieringen en zwarten
kop. Kop van boven gezien breed vierkant met een uit-
stekend puntje, van voren gezien met de oogen hartvormig,
zwart met 2 driehoekige gele vlekjes in den nek. Oogen
groot, donkerbruin. Sprieten zoo lang als het ligchaam slank,
het 4° lid iets dikker, aan de binnenzijde bij de basis krom
ingebogen, eerst rood, dan geel, dan weder rood, dan
bruin, het 2° bijna 3 maal zoo lang, zwart met de uiterste
basis en het tipje van de spits wit, lid 3 wit met zwarte
basis, lid 4 wit. Zuiger geel met bruine spits, tot aan de
achterheupen reikend. Halsschild iets langer dan van voren
96 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
breed, aan de zijden ingebogen met vrij scherpe achter-
hoeken, de voorhelft rood met een’ witten voorzoom, de
achterhelft wit of lichtgrijs. Schildje vrij groot, de voorhelft
bloedrood of oranje, de achterhelft fraai geel. Dekschilden
doorschijnend, als hoornachtig, met een smal zwart lijntje
op voor- en achterrand; cuneus zeer langwerpig, helder-
geel met bloedroode punt. Membraan bijna wit, met de
aderen dikwijls fijn rood. Pooten zeer lang en slank, geel,
de achterscheenen met gele stekeltjes; alleen de klaauwtjes
bruin.
Deze zeer fraaije soort, die overigens in Europa zeldzaam
schijnt te wezen , werd op verschillende plaatsen in Nederland
gevangen. Zie hier de opgaaf: bij Leeuwarden (Albarda),
bij Arnhem in Aug. (de Graaf), op Beekhuizen in Aug.
(v. Voll), bij Utrecht met eene verscheidenheid in Junij en
sept. (Six), bij Driebergen (v. Voll), bij Wassenaar (v. Bem-
melen en v. Voll.), bij Leyden en Heemstede (v. Voll), bij
Middelburg (Gerth v. Wijk).
24. Lygus histrionicus L.
Plaat 3, fig. 9.
Linn. S. N. V. p. 499, 89. — Fabr. S. Rh. 247, 31 (Agilis). —
Fall. Hem. Suec. I. p. 120. — Hahn, W. Ins. IL. p.98, Pl. 60,
f. 182. — Wolff, Ic. Cim. p. 153, tab. 15. f. 147. — Meyer,
Schw. Rh. p.90, n°. 75. — Flor, Rh. Livl. I. p. 475. — Douglas
and Scott, Brit. Hem. p. 368, P1.-12. f. 3.
Lengte 4 tot 4,6 mm. — Smal, langwerpig, het borststuk
eenigzins in den vorm van een halsje verdund, onbehaard,
glanzig, zwart met bonte versiering. Kop van boven gezien
breed en kort, aan de voorzijde rond uitstekend, zonder
punt, van voren gezien driehoekig, geheel glanzig zwart;
het voorhoofd bol. Oogen niet zeer bol uitstekend, zwart.
Sprieten zoo lang als het ligchaam, slank; lid 1 zoo lang
als het halsschild, rood of oranje, aan de uiterste basis
wit, staande op een zwart knopje; lid 2 meer dan 2 maal
zoo lang, flaauwelijk dikker wordend naar de spits, zwart;
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 97
lid 3 zoo lang als À doch haardun, zwart; lid 4 zeer kort,
aan de spits wat platgedrukt en bruingeel. Zuiger geel met
bruine spits, reikend tot aan de achterheupen. Borststuk
met fijnen witten voorzoom, het halsachtige glanzig zwarte
voorste deel horizontaal, het overige bol naar boven op-
loopend, geel of oranje met 2 groote zwarte vlekken aan
den voorrand. Schildje vrij bol, helder geel met de eenig-
zins opgezette basis blinkend zwart. Dekschilden lang en
smal, aan de basis donkerbruin, verder op rood, kaneel-
kleurig of geel, soms met eene witte of gele vlek op het
corium, digt bij de basis, en eene donkere dwarsstreep tegen
den cuneus aan; deze hoog- of lichtgeel met de uiterste
punt zwart. Membraan donker met eene witte vlek onder
den cuneus en een gedeelte der aderen geel. Buik bij de
mannetjes zwart, bij de wijfjes zwart met gele vlekken.
Pooten lang en slank, geel met de dijen roodachtig en het
laatste lid der tarsen bruin.
Histrionicus is niet zeldzaam en werd gevangen van Mei
tot in Augustus, op de duinen, voorts te Bennebroek,
Heemstede, Driebergen, bij Renkum en Breda. Volgens de
schrijvers komt deze wants voornamelijk op berken voor,
volgens den heer Heylaerts op eiken.
25. Lygus globulifer Fall.
Plaat 3, fig. 10.
Fall. Hem. S. I. p. 124, 18. — Flor, Rh. Livl. I. p. 512. —
Misschien ook, doch zeer onzeker Hahn, W. Ins. III. p. 53.
tab. 88, f. 274 (Alienus).
Lengte 3—3,5 mm. — Ook bij deze soort schijnt eeniger-
mate tusschen kop en borststuk een halsje te bestaan,
welke schijn alleen daaraan toe te schrijven is, dat de bolle
oogen niet tegen den voorrand van het halsschild aansluiten.
Langwerpig ovaal, niet glanzig behalve op kop en hals-
knobbels. Kop van boven gezien breed vierkant, sterk naar
beneden gebogen, zoodat van voren beschouwd zelfs het
7
98 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
achterhoofd te zien is, glanzig zwart, met 2 lichte vlekjes
op den schedel tegen den rand der oogen. Deze sterk uit-
puilend, donkerbruin. Sprieten kort en niet zeer slank,
het 4° lid zwart met de basis en een zeer smal bandje om
de spits wit, de overigen zwart; het 2° zeer flaauw knods-
vormig, iets langer dan de beide volgenden te zamen.
Zuiger looggeel met bruine spits, tot de middelheupen
reikend. Borststuk iets langer dan aan den voorrand breed,
niet breed uit- maar naar achteren sterk oploopend, in drie
deelen verdeeld ; het eerste is de vrij dikke, licht gekleurde
voorrand, het 2° een schier geheel zwart gekleurde band,
waarin zich zeer bol uitpuilend, glanzig en glad de git-
zwarte halsknobbels verheffen; het 3° is zeer grof gekorreld,
bol, grauwgeel en loopt tot den achterrand, die in het
midden ingebogen is. Schildje even grof gekorreld en van
dezelfde kleur. Dekschilden fijner gestippeld, iets lichter
van kleur, doorschijnend; cuneus ongestippeld, overigens
gelijk aan de dekschilden. Membraan licht met grauwgele
aderen. Pooten matig lang, groenachtig geel, de dijen met
zeer vele zwarte stippels in rijen, de basis der scheenen
soms met een zwart vlekje aan den binnenkant; de stekeltjes
grijs; uiteinde der scheenen en laatste lid der tarsen zwart.
In Mei en weder in Sept. en Oct. aan te treffen; over-
wintert waarschijnlijk. Gevonden in zeker aantal bij Heem-
stede en bij den Haag, in een enkel exemplaar ook bij
Valkenburg en aan de Bildt (Utrecht). Het is deze soort,
die in de eerste naamlijst als Alienus H.S. voorkomt.
26. Lygus thoracicus Fall.
Plaat 4, fig. 1.
Fallen, Hem. SI. p. AU, 66. — Germar, Fauna Germ. 13.
f. 19. — Curtis, Brit. Ent. XV, 709 (Harpocera Burmeisteri). —
Meyer, Schw. „Rh...p. 98, PL 5, £.,3. (6. Curvipes),..p. 102.
PI. 6, £ 5 (g Thoracicus). — Dougl. and Scott, Brit. Hem.
p: 469, BL 15s figs dr |
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 99
Lengte 5—6 mm. — In het mannelijke geslacht zeer ge-
makkelijk te herkennen aan den zonderlingen vorm van het
2° lid der sprieten (zie de afbeelding). Langwerpig ovaal, zeer
kort en dun behaard, glanzig, licht- of donkerbruin. Kop
bijna verticaal en toch van boven gezien breed driehoekig,
zwart met eene lichtgele middenstreep en bij de wijfjes ook
nog met twee gebogen dergelijke zijstrepen ; de clypeus rood.
Oogen uitpuilend, roodbruin of zwart. Sprieten bij d vaal-
geel, harig; het 4°lid regt, een weinig dikker aan de spits,
het 2° naar buiten omgebogen, aan de spits naar onder
knobbelig verbreed en zeer harig; lid 3 krom naar buiten
gebogen, tweemaal zoo lang als 2, en lid 4 kort en dun, regt.
sprieten bij g: lid 1 regt, onbehaard, bruin met fijne, witte
spits, lid 2 fijn harig, regt, geel met bruine knobbeltjes
bezet, slechts weinig dikker aan de bruine spits, lid 3
ietwat krom gebogen, bruin met een fijn wit bandje, niet
ver van de basis, 4 als bij den man, doch bruin. Zuiger
geel met zwarte spits, zeer kort, reikt naauwelijks tot aan
de middenheupen. Borststuk sterk naar achteren oploopend
en daar zeer bol, schier 14 maal zoo lang als aan den
voorrand breed, vrij grof gestippeld, aan den achterrand
ingebogen, zwart of donker roodbruin met gele middenstreep
bij den man, bruingeel met 2 zwarte plekken over de
halsknobbeltjes en eene fijne gele middenstreep bij het wijfje.
Schildje aan de basis donkerbruin, naar de spits lichtbruin
of rood, met gele middenstreep. Dekschilden nootkleurig ,
vrij doorschijnend, met eene donkere vlek aan het einde van
het corium; cuneus donkerbruin met nootkleurige of vuilwitte
basis. Membraan lichtgrijs met een donker vlekje aan de
spits en bruine vlekken om de bruine aderen. Onderzijde geel
met roodachtigen buik en eene zwarte langsstreep op de
borst. Pooten geel met roode dijen, de achterdijen bij den
man donkerbruin; voorscheenen bij hem aan het eind krom
naar beneden gebogen, achterscheenen bij beiden met 2 rijen
zwarte stekeltjes voorzien, die uit ronde zwarte stipjes komen.
Al de tarsenleedjes wit aan de basis, overigens bruin.
100 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Deze fraaije soort was eenmaal bij Bennebroek en is
sommige jaren bij den Haag in Mei gemeen. Bij Utrecht
is zij zeldzamer volgens den heer Six. Van Med. de Rooy
vond haar in ’t laatst van Mei bij Arnhem. De mannetjes
worden in aantal verre overtroffen door de wijfjes.
27. Lygus rufipennis Fall.
Fall. Hem. S. I. p. 92, 31. — Herr.-Sch. W. Ins. VI. p. 50.
Pl. 197, fig. 640. — Flor. Rh. Livl. 1. p. 489. — Dougl. and
Seott, Brit, Hem: p. 478. Pl. 15, f) 8.
Lengte 4,5 mm. — Zeer langwerpig van vorm, weinig
glanzig, zeer fijn wit behaard, lichtgroen met het schildje en
de dekschilden geelrood. Kop groot, van boven gezien drie-
hoekig met de voorzijden rond gebogen; oogen zeer bol
uitpuilend, grijs. Zuiger lichtgroen, aan de spits bruin, tot
voorbij de achterheupen op den buik reikend. Sprieten
slank, langer dan 2 van het lijf, lid 1 lichtgroen, 2 en 3
geel, 4 lichtgrijs. Borststuk kort en zeer breed, weinig op-
loopend naar achteren, lichtgroen. Schildje een gelijkbeenige
driehoek, geelachtig rood. Dekschilden aan de basis van
dezelfde kleur, naar het eind van het corium iets rooder.
Membraan doorschijnend met een rooden gloed en fijne
roode aderen. Pooten lichtgroen met roodachtige achter-
tarsen.
Van deze zeldzame soort ken ik slechts 2 inlandsche
voorwerpen; het eene werd in Julij bij Zeist gevangen door
den heer Mr. H. W. de Graaf, het andere bij Velzen in
Junij door Dr. E. Piaget.
28. Lygus rubricatus Fall.
Fall. Hem. S. p. 100, 45. — Hahn, W. Ins. I. p. 156. PI. 24,
f, 80. — Flor, Rh. Lil. I. p. 326.
Lengte 4—4,5 mm. — Zeer langwerpig, weinig glanzig,
op de dekschilden zeer fijn zijdeachtig wit behaard, licht
geelachtig rood. Kop van boven gezien breed driehoekig,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 401
van voren vijfhoekig met scheefstaande oogen, vrij glanzig,
rood aan de basis van den zuiger. Oogen sterk naar de
zijden uitpuilend, bruinzwart. Sprieten iets korter dan het
ligchaam, slank, lichtgeel, de beide laatste leedjes bruin-
achtig. Zuiger zeer lang, geel met donkere spits. Halsschild
kort, voor vrij smal, achter zeer breed, kussenvormig ge-
welfd, fijn bestippeld. Schildje driehoekig klein, uiterst fijn
bestippeld; de zijhoeken iets rooder. Dekschilden ietwat
hoornachtig met den buitenrand iets rooder dan het midden;
cuneus geler met de uiterste spits bloedrood. Membraan
grijsachtig, iriserend, met een donker vlekje aan den
buitenrand; de aderen wit. Pooten vrij lang en slank, licht-
geel met de dikkere achterdijen naar de spits bloedrood;
de stekeltjes der achterscheenen wit en het laatste lid der
tarsen bruin.
Deze soort, niet te verwisselen met de roodgekleurde
verscheidenheid van Variabilis Fall., die zwarte stekeltjes
aan de achterscheenen bezit, werd in Julij bij Noordwijk
aangetroffen door den heer de Graaf en meer dan eens bij
Driebergen door den heer Six.
29. Lygus flavomaculatus F. 1)
Plaat 4, fig. 2.
Fabr. S. Rh. 247, 30. — De Geer, Mém. (Vert. v. Goeze)
HI, p. 194 (Flavoquadrimaculatus). — Burm. Handb. II, p.
267, 3. — Panz. D. Ins. 92, 16. — Wolff, Ic. Cim. p. 114,
1) Er bestaat voor mij geen twijfel of Boheman heeft zieh vergist in het duiden
der soort door Fabricius en de Geer bedoeld. Van daar de verwarring die hij in ’t
leven geroepen heeft door deze zelfde soort Flavonotatus te noemen en den naam
Flavomaculatus toe te passen op eene schier eveneens sekleurde soort, die echter om
haren dikken kop in het geslacht Globiceps Latr. past. Flor, Fieber en Douglas and Scott
zijn hem in zijne opvatting gevolgd. Evenwel blijf ik bij het gevoelen dat Fabricius
onze soort, als de algemeenste, bedoeld heeft en dat de Geer ook geene andere kende,
hij zou toch anders wel den vreemden vorm van kop en borststuk vermeld hebben.
Overigens heeft de nieuwe Flavomaculatus een gezwollen kop, een vooraan ingeregen
onbehaard halsschild en past in het geslacht Glodiceps Latreille, doch onze inlandsche
Flavonotatus past er nie in, ofschoon Fieber hem er in plaatst.
102 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
tab. 11, fig. 108. — Hahn, W. Ins. III, p.10, P1.76, f. 235
(volgens Herr. Schaeffer niet zuiver van gelijkenis). — Flor,
Rh. Livl. 1, p. 467. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 366,
Phi gta; bid
Lengte 5 mm. — Langwerpig, tamelijk smal, niet zeer
glanzig zwart. Kop van boven gezien breed driehoekig,
van voren gezien vijfhoekig, glanzig; oogen sterk uitpui-
lend, bruinzwart. Sprieten ter lengte van 3 van het lijf,
slank, aan de spits niet veel smaller dan aan het 2° lid.
Lid 1 langer dan de kop, roodgeel met zwarte basis en
fin zwart bandje aan de spits, 2 langer dan 3 met 4 te
zamen, een weinig verdikt naar het einde, even als 3 en
4 zwart. Zuiger aan basis en spits zwart, in het midden
bruinrood, reikend tot de middenheupen. Halsschild iets
langer dan aan den voorrand breed, met den achterrand
ietwat concaaf, door eene plooi in twee deelen gedeeld;
het 1° met evenwijdige zijranden, bezet met vele opstaande
witte haren, het 2° naar boven en naar de zijden verbreed,
minder met haren bezet. Van boven bezien schijnen dus
de zijranden hoekig ingebogen. Schildje driehoekig met eene
dwarsgleuf achter den voorrand. Dekschilden zwart; eene
langwerpig driehoekige gele vlek aan de basis van het
corium, door een zeer fijn zwart lijntje afgescheiden van
den gelen zoom des buitenrands; euneus zwart, doch met
een geel dwarsbandje aan de basis en de uiterste spits
weder geel. Membraan zeer donker met een wit dwarsvlekje
tegen de spits van den cuneus en daaraan grenzende witte
ader; het overige gedeelte der aderen zwart. Pooten geel
met de achterhelft der dijen roodachtig en soms met een
bruinen veeg aan de binnenzijde daarvan in het midden;
spits der achterscheenen en laatste lid der tarsen bruin.
In Mei en Junij is deze soort op sommige gronden niet
zeldzaam. Zij werd gevonden in het Liesbosch bij Breda
(Heylaerts), bij den Haag naar de zijde van Scheveningen
(van der Wulp, van Hasselt, de Graaf, van Voll.), aan de
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 103
Oude Plas bij Rotterdam (Piaget), op eiken bij Driebergen
(Six) en bij Heemstede en Bennebroek (van Vollenhoven).
30. Lygus melanocephalus L.
Plaat 4, fig. 3.
Linnaeus S. N 13 ed. 728, 88. — Fabr. S. Rh. 254, 8
(Pallens). — Fall. Hem. S. I, p. 89, 26 (Revestitus). —
Hahn, W. Ins. I, p. 155; tab. 24, f. 79. — Flor, Rh. Lul.
I, p. 621. — Douglas and Scott, Brit. Hem. p.355, PL 11, f. 7.
Lengte 4 mm. — Langwerpig, slank, kop en lijf zwart,
halsschild, schildje en dekschilden bleek oranje, met korte
witte haartjes bezet. Kop klein, van boven gezien drie-
hoekig, glad en glanzig. Sprieten zoo lang 2 of zelfs iets
langer d dan het lijf, slank, zeer licht geel, aan de inplan-
ting met een smal zwart bandje. Oogen groot, bol, zeer
donker bruin, bijna zwart. Zuiger geel met bruine spits
en zwarte basis, een eind voorbij de achterheupen reikend.
Halsschild niet langer dan aan den voorrand breed, aan
den regt loopenden achterrand tweemaal breeder met scherpe
achterhoeken. Schildje driehoekig met eene dwarsgleuf, die
de basis afsnijdt. Dekschilden smal, de puntige cuneus met
het corium ineensmeltend. Membraan licht berookt met eene
donkere vlek aan de buitenzijde en lichtgele aderen. Pooten
lang, slank met tamelijk dikke dijen, geel met witte scheenen,
die met lichtgrijze stekeltjes bezet zijn; tarsen wit met het
laatste lid en de klaauwtjes bruin.
Deze soort is tamelijk gemeen op eiken te Driebergen
(Six); zij werd bovendien in de duinen van Holland aan-
getroffen (Piaget en Six), bij Arnhem in Junij (Snellen)
en in het Valkenberg te Breda (Heylaerts).
31. Lygus aurantiacus Voll.
Lengte 45 mm. — In gedaante geheel gelijk aan den
voorgaanden, doch verschillend in kleur en ietwat grooter.
Het geheele dier is oranje-achtig geel, alleen het uiteinde
104 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
van het achterlijf is eenigermate bruin. Van een zwart
bandje aan de basis van het 1° lid der sprieten is zoo goed
als niets te zien. De oogen alleen zijn zwart. De pooten
zijn in allen opzigte gelijk aan die van den vorigen.
Het spreekt van zelf dat er twijfel rijst of het eenige
mij bekende voorwerp, door mij zelven voor vele jaren in
Holland gevangen (op de etiquette staat niet nader aan-
geduid waar en ik kan het mij nu niet meer herinneren),
niet maar eene verscheidenheid van Melanocephalus zou
wezen. Ik vind het zeer moeijelijk dit punt bij absentie
van alle overgangen tusschen beiden te beslissen en oordeel
het meer geraden voorloopig aan mijn insect de regten
van zelfstandige soort toe te kennen.
32. Lygus Corylı L.
Linnaeus, S. N. 13 ed. 733, 121. — Fabr. S. Rh. 23%, 50
(Lygaeus!) — Fall. Hem. S. I. p. 90, 27. — Hahn, W. Ins. 1.
p. 26. tab 4, fig. 16. — Flor, Rh. Livl. I. p. 620. — Doug].
and Scott, Brit. Hem. p. 356.
Lengte 4 mm. — Volkomen in gedaante overeenstemmend
met Melanocephalus, zoo dat het zonderling is dat Linnaeus
hem in eene andere rubriek en Fabricius zelfs tot een
ander genus brengt. Het moge volstaan de verschillen aan
te geven. De sprieten zijn iets korter, het eind van het
2° lid soms lichtbruin; de zuiger is merkelijk korter en
reikt slechts tot aan de achterheupen; de dijen der pooten
zijn na het midden tot aan de knie meer bruin- dan wel
roodachtig; eindelijk borstschild, schildje en dekschilden
zijn zwart met een olijfbruinen gloed en de membraan is
donker bruingrauw met een wit vlekje onder den cuneus.
De heer van der Wulp trof deze soort in Junij in het
Haagsche bosch aan, de heer Heylaerts in Aug. in het
Valkenberg te Breda, de heer Gerth van Wijk op Walcheren
en de heer van Medenbach de Rooy in het midden van Junij
te Huissen. Ik zelf heb haar nimmer gevangen, ’t geen tot
bewijs mag strekken voor hare zeldzaamheid,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 105
30. Lygus pilosus Hahn.
Plaat 4, fig. 4.
Hahn, W. Ins. II, p. 96, tab. 59, f. 181. — Flor, Rh.
Livl. I. p. 564.
Lengte 5 mm. — De man zeer langwerpig (doch met
kort borststuk), het wijfje waarschijnlijk meer gedrongen
van statuur. Geheel glanzig zwart, harig. Kop van boven
gezien veel breeder dan lang, bij frissche voorwerpen even
als de thorax met grijze schubbetjes bedekt. Oogen sterk
uitpuilend. Sprieten langer dan de helft van het lijf, met
het 2° lid vrij dik, vooral naar het einde, bijna 3 maal
langer dan het 1°; alle leedjes met fijne haartjes pluim-
achtig bezet. Borststuk slechts 43 maal langer dan de kop
en naar achteren niet sterk verbreed, met ietwat krullende
haren bezet. Schildje minder behaard, doch de basis der
dekschilden weder zeer harig. Deze, wanneer zij open
staan, pekbruin doorschijnend; cuneus iets donkerder.
Membraan zeer lang, slechts weinig lichter dan de dek-
schilden, doch iriserend. Pooten lang en slank, sterk be-
haard; de achterscheenen bijzonder lang. Een bij den Haag
gevangen voorwerp heeft bruine voorscheenen.
De synonymie van deze soort is onduidelijk. Volgens
Fieber is Pilosus Hahn gelijk aan Mutabilis Fall., die wij
boven blz. 94 behandeld hebben en welke veel minder
langwerpig, veel meer ovaal van omtrek is. Ook de Engel-
schen schijnen van hetzelfde gevoelen te zijn als Fieber,
doch Meyer-Dür maakt er 2 soorten van.
Pilosus werd in het mannelijke geslacht door den heer
Six bij Driebergen en ook in Augustus bij den Haag aan-
getroffen. Ook ik vond een paar voorwerpen van die sexe
in Zuid-Holland.
34. Lygus tibialis Hahn.
Hahn Weiss 1, p:428;: tab..20,,)£.:66.
Lengte 5 mm. — Tusschen deze en de voorgaande soort
zie ik geen ander verschil in de mannelijke sexe dan dat
106 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
de scheenen der .4 voorste pooten van de basis tot digt
aan de spits roodbruin zijn en de achterscheenen in het
midden ook een’ rooden gloed vertoonen, waarbij nog ge-
voegd moet worden dat de kop en thorax niet met schub-
betjes bezet zijn, ’t geen echter misschien aan de oudheid
van het voorwerp toegeschreven moet worden. De wijfjes
der beide soorten bieden mogelijk meer verschil aan, doch
die sexe is mij nog onbekend gebleven in natura.
De heer Six ving het mannetje dezer soort bij Drie-
bergen, ook de heer Piaget bezit inlandsche voorwerpen,
in het duin aangetroffen.
35. Lygus Thunbergii Fall.
Plaat 4, fig. 5.
Fall. Hem. Suec. 105, 56. — Hahn, W. Ins. I, p. 144,
pl. 22, f. 73 (Lopus Hieracù). — Meyer, Rh. d. Schw. p. 81,
99. — Flor, Rh. Livl. 1, p. 608. — Dougl. and Scott, Brit.
Hem: 9.390) tab. 13... 3.
Lengte 3—4 mm. — Langwerpig ovaal, vuil grauwgeel
of groenachtig bruin met uiterst fijne zwarte haartjes bezet.
Kop tamelijk bol, sterk gebogen, van boven gezien zeer
breed driehoekig; twee witte of geelachtige vlekken, de
eene achter op den schedel, de andere voor op het aan-
gezigt; ook de binnenzoom der oogen van die kleur. Oogen
zeer bol en ver uitstekende, donkerbruin. Sprieten zoo
lang als de helft van het lijf, tamelijk dik, fijn behaard,
groenachtig geel; lid 2 iets korter dan de beide volgenden
te zamen genomen. Zuiger bruin, aan de basis groenachtig
geel; hij reikt tot het 3° segment van het abdomen. -Borst-
stuk tweemaal breeder dan lang, naar voren afhellend,
even voor het midden met eene dwarsgleuf en daarvoor 2
zwart gekleurde builen; de voorrand en eene langsstreep
over het midden groenachtig geel, zoo ook 2 ovale dwars-
vlekjes op den achterrand. Schildje geel met zwarte basis.
Dekschilden met 2 schuinloopende licht gekleurde soms witte
strepen, die beiden digt bij den schouder aanvangen, een
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 107
op het corium, de andere tegen den clavus aan; cuneus
grauw, met de basis en uiterste spits witachtig. Membraan
donker berookt met vuilwitte aderen en een dergelijk vlekje
onder de spits van den cuneus. Pooten vrij kort, grauw
met zwarte haartjes bekleed; scheenen met zwarte ste-
keltjes; laatste lid der tarsen bruin. Buik dikwijls met 5
zwarte dwarsstreepjes.
Deze soort is volgens den heer Six gemeen op bloemen
van Hieracium pilosella bij Driebergen. Ook bij Breda werd
zij aangetroffen door den heer Heylaerts. Op de duinen,
waar de muizenoor zoo gemeen is, schijnt zij te ontbreken.
36. Lygus Bohemanni Fall.
Fall. Hem. Suec. 1, p. 106, 58 (Bohemanni) et p. 107, 60
(Ruficollis). — Herr. Sch. W. Ins. IV, p. 79, pl.132, f. 408,
409 (Furcatus). — Flor, Rh. Livl. I, p. 625.
Lengte ruim 3 mm. — Van dezelfde gedaante als de vorige
en daarop wel eenigzins gelijkend, zwart of roodbruin.
Kop van boven gezien breed driehoekig, tamelijk naar be-
neden gebogen, bij den man zwart met eene gele streep
op het achterhoofd en twee langs den binnenrand der
oogen, bij het wijfje geel met eene bruinroode vlek op
het midden van het voorhoofd. Oogen bol en donkerbruin.
Sprieten iets langer dan de helft van het lijf, bij 4 donker-
bruin, bij g geelgrauw; het 4° lid aan de spits wit. Zuiger
bruinachtig geel met bruine spits, reikt tot de achter-
heupen. Halsschild van gedaante als bij den vorigen,
bij den man zwart met lichte langsstreep, bij het wijfje
geelachtig rood, lichter naar den voorrand. Schildje bij
den man zwart, soms met 2 gele vlekjes aan de basis,
bij het wijfje bruin met lichte langsstreep in het midden.
Dekschilden aan de basis licht gekleurd, naar het einde
donker gevlekt met lichtere langsstrepen, tamelijk ver-
schillende bij de individuen. Cuneus witachtig met zwarte
spits. Membraan berookt. Pooten grauw of vuilwit; bij den
man alle dijen donkerbruin, bij het wijfje alleen de achter-
108 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
dijen bruin gevlekt. Buik bij d zwart, bij 2 roodbruin-
achtig geel.
Deze soort is niet zeldzaam in Junij en Julij in de duin-
streken op Salie repens; zij werd bij Scheveningen door de
heeren de Graaf en Six aangetroffen, bij Overveen door den
heer Ritsema en bij Wassenaar door mij zelven.
37. Lygus rugicollis Fall.
Fall. Hem. Suec. I. p. 79, 6. — Herr. Sch. W. Ins. II, p. 80.
PI. 98, f. 299. — Flor, Rh. Livl. I. p. 537.
Lengte 5 of 5,5 mm. — Zeer langwerpig, papegaaigroen,
na den dood op kop, borststuk en den zoom der dekschilden
geel, bijna zonder glans en onbehaard. Kop kort en breed,
weinig vooruitstekend, met scherp afgesneden achterrand.
Oogen tamelijk klein, grijs of zwartachtig. Sprieten ter lengte
van 3 van het ligchaam, slank, groenachtig geel; het 1° lid
somtijds zwart aan de basis, de laatsten naar het bruine
trekkend. Zuiger lichtgroen, aan de spits zwart, reikend
tot de middenheupen. Borststuk vrij breed en kort, aan
den voorrand breeder dan de helft van den achterrand,
weinig oploopend, met eene gegolfde gleuf voor het midden ;
het gedeelte daarvoor bultig en nog al glanzig, het gedeelte
daarachter dof en in de dwarste fijn gestreept. Schildje met
eene regte gleuf niet ver van de basis en daarachter ook
fijn dwarsgestreept. Dekschilden en cuneus groen ; membraan
ongekleurd met groene aderen en eene hoornvlek in de:
groote cel. Pooten lang en slank, groen of geel; het laatste
lid der tarsen bruin.
Deze soort werd in Junij door Dr. Piaget bij Rotterdam
(Jaffa) gevangen, voorts door den heer Ritsema den 2% Junij
op ter Schelling, in Junij in het Bloemendaalsche bosch en
in Aug. bij Leyden, eindelijk door mij in Julij bij den Haag.
38. Lygus angulatus Fall.
Plaat 4, fig. 6.
Fall. Hem. Suec. 1, p. 80, 8. — Herr. Sch. W. Ins. IM, p. 75,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 109
Pl. 97, f. 292. — Flor, Rh. Livl. I. p. 477. — Dougl. & Scott,
Bien p. 347, Br 4,24
Lengte 4—5 mm. — Lang en smal, hoekig aan de schouders,
weinig behaard, loog- of zeegroen (na den dood zijn dikwijls
kop, schildje en pooten geel). Kop van boven gezien bijna
vijfhoekig, met scherp vooruitstekende punt, bol, glanzig,
zonder scherpen rand aan het achterhoofd. Oogen vrij
groot en bol, grauw of grijs. Sprieten iets langer dan het
lijf, zeer slank; het 4° lid veel langer dan de kop, groen-
achtig geel, aan de basis zwart en met een zwart bandje
voor de witte spits, aan de binnenzijde met 2 of 3 zwarte
borstelhaartjes; lid 2 zwart aan de basis, voorts grauw-
geel, 3 desgelijks doch langzamerhand naar het bruine
trekkend, 4 bruin. De groene zuiger reikt tot de achter-
heupen. Borststuk eenigzins klokvormig met opgewipte fijn
zwarte achterhoeken. Schildje met eene dwarsgleuf voor het
midden. Cuneus gelijk van kleur met de dekschilden. Mem-
braan een weinig berookt, iriserend, de aderen lichtgroen ;
een hoornvlekje in de groote cel en een donker veegje
onder de spits van den cuneus. Pooten slank, groen; een
zwart vlekje aan de basis der ächterscheenen, die met
grijze stekeltjes bezet en aan de spits bruin zijn; achter-
tarsen donkerbruin.
Deze soort is vrij gemeen en in de meeste provinciën
gevangen; zij wordt in de maanden Julij en Aug. aange-
troffen. Een Friesch voorwerp, gevangen door Mr. H.
Albarda in Aug. te Leeuwarden, heeft aan de onderzijde
van het 1° lid der sprieten een doorloopend zwart streepje
en mist het zwart op de schouders, waardoor een over-
gang verkregen wordt tot Lygus stricornis Kirschbaum.
39. Lygus contaminatus Fall.
Plaat 4, fig. 7.
Fall. Hem. Suec. I, p. 79, 5. — Hahn, W. Ins.1, p.151,
Pl. 23, f. 76. — Meyer, Rh. d. Schw. p. 45, n°. 1. — Flor,
Rh, Lil. 1, p. 528. — Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 461,
1410 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Lengte 5 of 5,5 mm. — Langwerpig ovaal, niet zoo
slank als de voorgaande, geelgroen of groengeel, uiterst
fijn wit behaard. Kop bijna verticaal en dus van boven
gezien naauwelijks driehoekig, weinig bol, glad en glanzig
met scherpen achterrand. Oogen uitpuilend, eenigzins
naar achter gebogen, grijs. Sprieten iets korter dan het
ligchaam, slank, bruinachtig geel; het laatste derde van lid
2 met 3 en 4 bruin. Borststuk vrij bol, niet zeer lang,
maar naar achteren sterk oploopend, sterk gestippeld met
den achterrand naar buiten uitgebogen en bijna geen dwars-
gleuf voor het midden. Schildje voorbij de helft eeniger-
mate dwars gerimpeld. Dekschilden fijner gestippeld dan
het borststuk met eene halfronde brune vlek op het midden
van den achterrand van het corium ; cuneus ongestippeld en
geler. Membraan bruinachtig betint met gele aderen; eene
donkere vlek binnen de cellen aan hare spits en twee
anderen aan den buitenrand. Pooten groenachtig geel, de
dijen aan de spits soms met bruine ringen; de achter-
scheenen met bruine stekeltjes; het laatste lid der tarsen
zwart, even als de spits van den zuiger.
Flor noemt deze soort eene verscheidenheid van Lim-
batus Fallen, ’t geen echter Fieber niet aanneemt. Limbatus
is hier te lande nog niet aangetroffen.
Deze zeldzame soort werd in Junij bij Zeist door Mr. H.
W. de Graaf gevangen, in de omstreken van Utrecht door
Dr. van Hasselt en den 24** Junij in de duinen door Dr.
Piaget. De heer van der Wulp ving te Empe op ’t eind
van Julij een exemplaar bijna zonder bruine vlek en met :
hooggele pooten.
AO. Lygus pabulinus L.
Linn. S. N. Il, p. 727, 83. — Fabr. S. Rh. 254, 5. —
Hahn, W. Ins. I. p. 148, tab. 93, f. 74. — Meyer, Rh.
Schw..p.48, n°. 7, tab. 1, f. 3. |
Lengte 5,5 mm.— Langwerpig ovaal, bleekgroen (na den
dood vuilgeel) met witte haartjes bezet, herkenbaar aan de
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. ath
zwarte larsen. Kop sterk neergebogen, niet zeer bol, van
boven gezien breed driehoekig, zonder scherpen achter-
rand. Oogen op zijde gezien niervormig, zwart. Sprieten
ietwat langer dan het ligchaam, slank, groen of groenachtig
geel; het laatste derde deel van lid 2 met 3 en 4 bruin.
Zuiger groen met zwarte spits, tot de achterheupen rei-
kend. Borststuk aan den achterrand bijna 14 maal breeder
dan de lengte, naar achteren oploopend, zeer bol, flauw
bestippeld. Corium met de dekschilden van eene kleur;
membraan berookt met groene aderen. Pooten groen met
zwarte tarsen.
Deze soort werd eenmaal in menigte door den heer de
Graaf in Julij op distels bij Katwijk gevonden; een enkel
exemplaar vond de heer van der Wulp in Julij bij den
Haag. Ook vond de heer Six haar bij Utrecht en de heer van
Medenbach de Rooy bij Arnhem, eindelijk de heer Ritzema
Bos op helmplanten op Ameland.
41. Lygus nassatus F.
Fabr. S. Rh. 236, 167. — Fall. Hem. Suec. I, p. 80, 7. —
Hahn, W. Ins. I, p. 149, Pl. 23, f. 75 (Icterocephalus) et
p. 153, Pl. 24, f. 78. — Flor, Rh. Livl.1, p. 618. — Kirschb.
Caps. p. 78. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 337, Pl.
a
Lengte 5,5 mm. — Zeer sterk gelijkend op de vorige
soort, doch daarvan onderscheiden door de duidelijke witte
beharing langs den rand der dekschilden en de lichtere
kleur der tarsen. Na den dood zijn gewoonlijk de kop, de
voorhelft van het borststuk en de zoom der dekschilden
met de pooten stroogeel, welke deelen in het leven licht-
groen zijn. De achterrand van den kop is ietwat scherp en
verheft zich als een zoompje. Oogen niet aan de binnen-
zijde ingebogen, zwart. Sprieten korter dan het ligchaam,
bruinachtig geel, voorbij de helft bruin. Borststuk sterk
wit behaard, gelijk mede het schildje en de dekschilden.
412 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Membraan naauwelijks berookt, met groene aderen. Pooten
groen of geel; de scheenen met witte doorntjes ; alleen het
laatste lid der tarsen bruin of zwart.
Bij Driebergen door den heer Six en op Walcheren door
den heer Gerth van Wijk gevangen; zeldzaam.
42. Lygus chlorizans Fall.
Plaat 4, fig. 8.
Fall. Hem. Suec. I, p.82, 10. — Panz. Fn. Germ. 18, 21. —
Meyer, Rh. d. Schw. p. 76, tab. 4, f. 4. — Flor, Rh. Livl.
I, p. 551. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p.383, PL 12, f. 7.
Lengte 4 mm. — Zeer langwerpig, plat van boven, her-
kenbaar aan het bijzonder korte borststuk; groenachtig geel of
lichtgroen, met uiterst fijne witte haartjes bekleed. Kop
van boven gezien vijfhoekig, achter de naar voren gerigte
grijze oogen nog eenigzins in den vorm van een dikken
nek uitgezet. Sprieten zoo lang als het ligchaam, slank,
geel; het 1° lid met een zwart streepje aan de onderzijde,
het 2° met smalle zwarte basis. Zuiger met zwarte spits,
reikt voorbij de achterheupen. Borststuk korter dan het
schildje, aan den achterrand ingebogen en naar achteren
oploopend, met vrij scherpe zijkanten. Schildje groot,
sterker gekleurd dan het borststuk, met eene dwarsplooi
voor het midden. Dekschilden dun en doorschijnend met
groote groene vlekken bezaaid; de buitenzijde en spits van
het doorschijnende corium helder groen. Membraan wit,
iriserend met eene groote groene vlek over het beneden-
gedeelte der cellen. Pooten lang en dun, geel met gele
stekeltjes.
Van deze zeldzame soort ving de heer Gerth van Wijk
exemplaren bij Middelburg.
43. Lygus flavosparsus Sahlb.
Kirschb. Rh. Wiesb. 89, 120. — Flor, Rh. Livl.1, p. 582.
Lengte 2,7 mm. — Langwerpig, licht appelgroen met
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 113
korte zwarte en witte haartjes bezet. Kop breed driehoekig
met uitpuilende grijze oogen. Sprieten # der lengte van het
ligchaam, geel, het 1° en laatste lid bruinachtig. Borststuk
2 maal zoo breed als lang, naar achteren oploopend, met
eene bogtige gleuf voor het midden; het gedeelte daarachter
met witte vlekjes bezet. Schildje met eene dergelijke, doch
regte gleuf voor het midden. Dekschilden met den cuneus,
even als de thoraxhelft met witte vlekjes besprenkeld,
die zeer dik wit behaard zijn. Membraan doorschijnend
met groene vlekken over de cellen. Pooten lang en slank
met witte doorntjes; het laatste lid der tarsen bruin.
Van deze soort is mij een voorwerp bekend, door Dr.
Piaget den 28" Junij 1869 in den tuin der Rotterdamsche
Diergaarde gevangen. Volgens Flor leeft zij op Atriplex en
Chenopodium.
44, Lygus molliculus Fall.
Plaat 4, fig. 9.
Fall. Hem. Suec. I. p. 82, 12. — Herr. Sch. W. Ins. IV,
p. 32, Pl. 194, f. 589. — Flor, Rh. Livl. I. p. 6119
Lengte bijna 6 mm. !) — Langwerpig, grijsachtig groen
met zwarte haartjes vrij dik bekleed. Kop klein, scherp
driehoekig, glad, helder groen. Oogen sterk uitpuilend, grof
van facetten, grijs. Sprieten over de helft van het ligchaam
reikend, vrij grof, grauwgeel, naar de spits donkerder,
het 2° lid zeer kort doch dik behaard, aan de spits bruin.
Zuiger groen met bruine punt, reikt tot de achterheupen.
Borststuk vrij kort en aan den achterrand zeer breed, sterk
oploopend en sterk behaard. Schildje met eene regte dwars-
gleuf voor het midden, groen. Dekschilden grijzer van tint,
met 2 lichtere langsstrepen, de voorrand van corium en
cuneus fijn zwart; de beharing daar dikker. Membraan
donker grauw met witte aderen en 2 lichte vlekjes, een in
het midden, het andere van daar naar den buitenrand
1) Flor geeft slechts 4 mm. op, doch noemt ook de beharing wit, zoodat het
twijfelachtig is of hij wel dezelfde soort beschreven heeft.
114 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
loopend. Onderzijde groen, schier onbehaard. Pooten grijs-
achtig groen, lang, met donkere tarsen en de achterhelft
der achterdijen grauw.
De heer Six vond deze soort vrij gemeen op heideplanten
bij Driebergen. Flor zegt dat zij op Tanacetum voorkomt,
't geen het vermoeden versterkt dat hij eene andere soort
voor zich had.
45. Lygus Tanaceti Fall.
Fall. Hem. Suec. 1, p. 88, 13. — Germ. Faun. Germ. 16,
f. 15. — Herr. Sch. W. Ins. III. p.85, PL 101, f. 309. — Flor,
Rh. Livl. 1. p. 610. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 394.
Lengte 4 mm. — Langwerpig, grasgroen of geel, met
zwarte haartjes dun bezet. Kop vrij groot en breed, tamelijk
bol, niet zeer gebogen, glad. Oogen bol, uitpuilend, grijs.
Sprieten bijna zoo lang als het lif, slank, grauwgeel, naar
het einde bruiner wordend, lid 2 onbehaard. Borststuk kort
en breed, met den achterrand regt en eene dwarsgleuf voor
het midden. Schildje met eene vrij diepe dergelijke dwars-
gleuf en glad voorbij het midden. Dekschilden alleen aan de
basis sterk behaard, verder de beharing bijna microscopisch;
de cuneus steeds helder geel. Membraan donker gekleurd
met sterke regenboogkleuren, naar de spits toe lichter, hare
aderen geel. Pooten geel, met fijne zwarte haartjes en
zwarte stekeltjes; het laatste lid der tarsen bruin of zwart.
De heer G. A. Six ving vele voorwerpen dezer soort,
die bepaald geel waren en iets langer dan 4 mm., bij de
Bildt op Tanacelum , ik ving een groen voorwerp, dat kleiner
was, den 30% Augustus aan de Rhedersteeg. Zou dit laatste
ook misschien tot eene andere soort behooren ?
46. Lyqus decolor Fall.
Plaat 5, fig. 1.
Fall. Hem. Suec. 1. p. 123, 16. — Hahn, W. Ins. L p. 10,
PLA, f.4 (9) — Meyer, Rh. d. Schw. p. 86, n°. 68. — Flor,
Rh. Livl. 1. p. 555. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 393,
Pie, ik a
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 445
Lengte 3,5 mm. — Langwerpig, vuil grauwgeel en grijs,
met zeer fijne zilverkleurige haartjes spaarzaam bekleed.
Kop van boven gezien vijfhoekig, weinig neergebogen,
tamelijk groot, onbehaard, grauwgeel met bolle grijze oogen.
Sprieten iets korter dan het ligchaam, niet zeer slank, eer
grof te noemen, grauwgeel met fijne zwarte bandjes aan
het eind van lid 1 en 2. Borststuk kort en breed met af-
geronde achterhoeken en den achterrand gegolfd; niet ver
van den voorrand eene gegolfde dwarsgleuf; het daarvoor
liggend gedeelte eenigzins knobbelig en geel, het daarachter
liggend gelijkmatig oploopend en grijs. Schildje groot, drie-
hoekig, met eene dwarsgleuf, die in het midden afgebroken
is, voor het midden; het voorste deel iets geler dan het
achterste, Dekschilden grijs met eene flaauwe gele tint
helderder aan den buitenrand, ietwat doorschijnend, vooral
op den cuneus. Membraan doorschijnend grijs. Pooten grauw-
achtig geel, slank met de uiterste spits der scheenen en
de tarsen donkerbruin.
Twee voorwerpen dezer soort ving de heer Six in Julij
te Driebergen; ook Dr. Piaget bemagtigde er eenige exem-
plaren van te Maarsbergen.
47. Lygus albidus Hahn.
Hahn, W. Ins. II. p. 77, tab. 53, f. 162. — Fieber, Hem.
Eur. p. 318.
Lengte 5 mm. — Langwerpig, vrij plat, schier onbehaard.
Kop vrij lang vooruitstekend , weinig neergebogen, vaal met
2 bruine streepjes van de spits af langs den binnenrand
der oogen tot in den nek loopend. Sprieten vaalwit, voorbij
de helft bruin, langer dan de helft van het ligchaam, het
4° lid langer dan de kop. Oogen vrij klein, doch bol uit-
stekend, zwart. Zuiger met de 3 laatste leden bruin. Borststuk
breed van voren, 13 maal langer dan aldaar breed, weinig
oploopend, vaal met 2 naar achter uit elkander loopende
smalle biuine strepen langs de zijden. Schildje groot en
vaal. Dekschilden vaal met het middengedeelte min of meer
416 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
bruin betint; cuneus wit, membraan doorschijnend met eene
bruine randvlek. Pooten tamelijk dik, vaal. Onderzijde bij
den man roodachtig op den buik, bruin op de borst, bij
het wijfje geheel wit.
Deze soort ving de heer Heylaerts in Julij in het Liesbosch
bij Breda, en ik in Julij aan den duinkant-bij ’s Gravenhage.
48. Lygus nubilus H. Sch.
Plaat 5, fig. 2.
Herr. Sch. in Panzer’s Fauna Germ. 135, 9. — Meyer,
Rhyn.d. Schw. p. 89, 73. — Dougl. and Sc. Brit. Hem. p. 382,
Pi542 91:46.
Lengte 2,5 mm. — Langwerpig, smal, bijna onzigtbaar geel
behaard, geelachtig groen, na den dood hooggeel. Kop vrij
lang, aan den voorkant stomp toegerond, met de oogen
eenigzins van den voorrand van het borststuk verwijderd;
deze klein en weinig uitpuilend, bruin. Daarachter een
klein en zeer fijn zwart streepje in den nek. Sprieten ver
over de helft van het lijf heen strekkend, niet zeer slank,
geel met het eerste lid zwart. Borststuk 13 maal langer
dan de kop, met den achterrand eenigzins ingebogen; eene
gegolfde dwarsgleuf voor het midden. Schildje vrij groot,
bijna zoo lang als het borststuk. Dekschilden van gelijke
kleur met den cuneus; membraan doorschijnend met een
gegolfd rookkleurig dwarsstreepje; de aderen bruinachtig.
Pooten slank en geheel groengeel.
Deze zeldzame soort werd tot nog toe uitsluitend in de
omstreken van Utrecht aangetroffen, door den heer Six.
49. Lygus Ericetorum Fall.
Fall. Hem. Suec. I, p. 105, 55. — Kirschb. Caps. p. 90,
422. — Flor, Rh. Livl. I, p. 587.
Lengte bijna 5 mm. — Langwerpig ovaal, groen, na
den dood geelachtig wordende, zwart behaard. Kop niet
zeer groot, sterk voorover gebogen, breed met vooruit-
stekenden clypeus. Oogen zeer bol, bruin. Sprieten veel
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 4417
langer dan de helft van het lijf, slank, geel, met de 2
laatste leden bruin, het 1° korter dan de kop. Zuiger geel
met bruine spits, voorbij de achterheupen reikend. Borst-
stuk kort en breed, met eene dwarsgleuf voor het midden.
Schildje tamelijk klein. Dekschilden groen met gelen cuneus
en berookte membraan. Pooten lang en slank, bruinachtig
groen, met fijne zwarte stekeltjes aan de dijen, wier uitein-
den bruin zijn; tarsen bruingrauw met het laatste lid zwart.
Ik twijfel aan de zuiverheid der bestemming van deze
soort, aangezien het eenige voorwerp waarnaar de be-
schrijving genomen is, niet in allen deele stemt met Flor’s
beschrijving, tamelijk goed met Fallen’s korte beschrijving
van Prasinus en grooter is niet alleen dan de opgave van
Flor, maar ook dan voorwerpen van Ericelorum uit Zwitser-
land, bestemd door Meyer-Dür. Het genoemde voorwerp,
door den heer Six bij Utrecht gevangen, staat in de Eerste
naamlijst vermeld onder den naam Prasinus Hahn (verg.
zijne figuur 233), doch deze opgaaf is in het vervolg dier
lijst veranderd in Mricetorum Fall. (zie bl. 75) op grond
van het verschil in kleur tusschen dekschilden en cuneus.
Op dienzelfden grond ben ik nu bij die meening gebleven,
doch mag niet nalaten te doen opmerken dat:
1°. de kop volgens Flor grooter moet zijn;
2°. de sprieten langer ;
5°. het schildje met de basis door de dwarsgleuf niet ver
van het midden afgescheiden, ’t geen bij dit voorwerp niet
het geval ıs, daar de dwarsgleuf bijna onder den achterrand
van het borststuk staat.
50. Lygus Paykullu *) Fall.
Plaat 5, fig. 3.
Fall. Hem. Suec. I, p. 106, 57. — Herr. Sch. Nomencl.
p. 90 (Maculipennis). — Meyer, Rhynch. d. Schw. p.81, tab. V,
f. 1. — Dougl. and Scott. Hem. Brit. p. 388.
1) Deze naam wordt door Fieber willekeurig veranderd in Paykuli en zal dus
helaas! wel zoo verminkt tot de nakomelingschap overgaan.
118 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Lengte 3 mm. — Langwerpig, vrij glanzig, geelachtig
sroen, met zwarte haartjes bezet, die bij zeer gave, pas
vervelde exemplaren in bundeltjes bijeen staan en dus vlekjes
vormen. Kop zoo lang als breed, van boven gezien vijfhoekig,
tamelijk spits toeloopend. Oogen vrij klein, doch sterk uit-
puilend, grijs of zwart, bij gedroogde voorwerpen soms
wit. Sprieten 2 der lengte van het lif, niet zeer slank,
groen, naar de spits toe bruinachtig; het einde van lid 4 en
de basis van lid 2 donkerder, soms zwart. Borststuk aan
den achterrand 13 maal zoo breed als de lengte bedraagt,
met een dwarsgleufje digt bij den voorrand, zeer weinig
naar achteren oploopend, in het midden groener dan aan
de randen. Schildje tamelijk klein, met eene gebogen dwars-
gleuf voor het midden en dikwijls met een donkergroen
langsstreepje over het midden. Dekschilden lichter en glan-
ziger dan het borststuk; cuneus met een lichteren naad
afgescheiden van het corium, doch van dezelfde kleur.
Membraan grijs of zwart met witte aderen en een wit
dwarsbandje, dat zich naar den buitenrand toe in twee armen
verdeelt, die aan den buitenrand een langwerpig donker
zwart vlekje omvatten. Pooten olijfgroen, niet behaard en
zonder stekeltjes; de achterknién en de spitsen der tarsen
donkerder.
In Junij en Julij vindt men deze soort op de duinen;
op de strandreep is zij bij Scheveningen op bepaalde plekken
zeer gemeen.
=
51. Lygus Caries Fall.
Plaat 5, fig. 4 en 4a.
Fall. Hem. Suec. 1. p.123, 15. — Hahn, W. dns. I, p. 100.
tab. 60, £ 184. — Flor, Rh. Livl. I. p. 623. — Meyer, Rh.
d. Schw. p. 142, 105 2 (Rufifrons).
Lengte 4 mm. — Langwerpig, onbehaard, glanzig zwart.
Kop van boven gezien vijfhoekig, de spits aan den clypeus
zeer weinig gebogen, zeer glanzig. Oogen zeer groot en bol
uitpuilend, roodbruin. Sprieten bijna de lengte van het
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 419
ligchaam halende, met de 2 eerste leedjes vrij grof, donker
zwart; de beide volgenden wit of geelachtig, slank, het 2° lid
meer dan 3 maal langer dan het eerste. Zuiger vaal met
het 1° lid dik en blinkend zwart. Borststuk van voren veel
smaller dan de kop met de oogen, met ingebogen zijden
naar achteren breed uitloopend en met den achterrand
mede ingebogen, zoodat de zijhoeken vrij sterk uitpuilen ,
glanzig zwart. Schildje zwart met eene dwarsgleuf voor het
midden. Dekschilden veel langer dan het achterlijf, bruin,
aan de basis met zwarten zijrand, met den cuneus bleek
aan het bovengedeelte en daaronder eene inkeeping in den
rand voor de membraan. Deze donker berookt met eene
posthoornvormige lichte vlek langs den buitenrand. Pooten
lang en slank, bruingeelachtig met witte heupen en apo-
physen.
Zoodanig zijn de mannetjes, waarvan er eenigen in Neder-
land gevangen zijn; de wijfjes die zich tot heden aan onze
onderzoekingen hebben weten te onttrekken, zijn volgens
de beschrijvingen der aangehaalde schrijvers zeer verschil-
lend. Haar kop is veel grooter en bruinrood van kleur,
hare sprieten roodgeel of helder geel, haar borststuk aan
den achterrand smaller en hare dekschilden half zoo lang,
zonder clavus, cuneus en membraan, zwart; terwijl de
vleugels ontbreken.
Mannetjes kwamen voor bij den Haag in Julij en October.
DI. Lygus pulicarius Fall.
Fall. Hem. S. I, p. 115, 71. — Burm. Handb. Il, 277. —
Hahn, W. Ins. I. p. 117,1. 18. f. 62. — Flor, Rh. Livi. I, p.
600. — Meyer, Rh. d. Schw. p. 110, n°. 102. — Dougl. and
Seo Dri. Hem. p. 427. PLAN
Lengte 2,7 mm. — Langwerpig ovaal, zwart met matten
glans, uiterst fijn witachtig behaard. Kop sterk neergebogen
met scherpen schedelrand. Sprieten iets korter dan het lijf,
slank; het 1° lid zwart, het 2° zwart met gele spits of
120 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
bruinachtig geel, 3 en 4 geel. Borststuk tweemaal breeder
dan lang, weinig bol en naauwelijks naar achteren oploopend,
niet sterk versmald naar den voorrand; zonder gleuf in of
voor het midden. Dekschilden goed ontwikkeld met bijna
even zwarte membraan. Pooten met dikke achterdijen, kort,
zwart of bruin aan heupen en dijen; kniën, scheenen en
2 voorste tarsenleedjes geel; de scheenen met zwarte vlekken
in langsrijen en op ieder vlekje een zwart stekeltje. Laatste
lid der tarsen zwart.
Deze soort, welke door middel van hare dikke achterdijen
springen kan, werd door den heer G. A. Six in tamelijke
hoeveelheid op heigrond bij de Bildt (Utrecht) aangetrollen ;
in 1875 vond hij ook een voorwerp bij den Haag.
92. Lygus Arbustorum F.
Plaat 5, fig. 5.
Fabr. S. R. 238, 174. — Fall. Hem. S. I. p. 104, 52. —
Hahn, W. Ins. U. p. 138. Pl. 72 f. 225. — Herr. Sch. 2d.
op. III, p. 80, Pl. 99, £ 300. — Flor, Rh. Livl. Ip. 602. —
Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 402, Pl. 13, f. 5.
Lengte 3,5 mm. — Langwerpig, zeer donker bruin, vet-
achtig glanzig, met fijne zwarte haartjes schraal bezet. Kop
klein, scherp driehoekig, een weinig bol, bepaald zwart.
Zuiger slank, bruin, tot de achterheupen reikend. Sprieten
3 der lengte van het ligchaam lang, slank, het 1° en 2° lid
zwart, de beide anderen vuilgeel. Oogen rond, zeer bol
uitstekende, in ‘t leven rood, na den dood bruin. Borststuk
kort, van voren vrij smal, naar achteren sterk verbreed,
weinig oploopend met een gegolfd dwarsgleufje voor het
midden, donker pekbruin. Schildje met eene regte dwars-
gleuf voor het midden, donker pekbruin. Dekschilden ge-
woonlijk lichter van tint, somwijlen met metaalglans; mem-
braan bijna van dezelfde tint met een driehoekig zuiver
wit vlekje onder de spits van den cuneus. Pooten lang en
slank, doch met vrij breede, zijdelings platte achterdijen,
grauwgeel; de dijen zijn aan de basis of aan de bovenzijde
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 121
zwart; de scheenen hebben smalle zwarte bandjes of grove
stippels, waaruit zwarte stekeltjes oprijzen; de tarsen zijn
grauwgeel met zwarte einden, de achtertarsen soms geheel
zwart.
Van deze soort werden voorwerpen gevangen door de
heeren Piaget (Velzen in Junij) en Six (Driebergen).
54. Lygus brunnipennis Meyer.
Meyer, Rh. d. Schw. p. 66. Pl. 3, f. 3.
Lengte bijna 4 mm. — Gedaante geheel gelijk aan Arbu-
storum, doch verschillend in kleur en niet dien vetachtigen
glans vertoonend, ook bepaaldelijk langer. De kop is zwart
met een geel vlekje op den schedel. Sprieten en zuiger als
bij Arbustorum. Borststuk, schildje en dekschilden geheel
onbehaard, vuil bruin- of grauwgeel met den cuneus okergeel,
de membraan donker met een driehoekig wit vlekje. De
pooten veel lichter geel dan bij de vorige soort, doch met
dezelfde zwarte versierselen.
De tijd zal leeren of n°. 53 en 54 bijeen behooren, voor
als nog scheid ik hen liever als twee zelfstandige soorten
af, ofschoon mijn gevoelen meer rust op empirischen dan
wel wetenschappelijken grond. Brunnipennis is overigens
ten onzent veel algemeener dan de vorige soort, en werd
gevangen aan de Plassen bij Rotterdam door den heer
Snellen, te Jaffa bij Rotterdam door Dr. Piaget, bij Utrecht
door den heer Six, bij Naaldwijk in Aug. door mij, en bij
’s Gravenhage in Julij en Aug. door den heer van der Wulp
en anderen. Het is deze soort, die in de Naamlijst ver-
meld staat als Betuleti Fall.
95. Lyqus variabilis Fall.
Fallen, Hem. S.T, p. 98, 43. — Hahn, W. Ins. II. p. 137,
tab. 72, f. 224. — Meyer, Rh. Schw. p. 68, n°. 38, tab. 3,
f. 4. — Flor, Rh. Livl. I. p. 592.
Lengte omstreeks 3 mm. — Langwerpig, kop en thorax
zwart met fime goudgele haartjes bezet, die ligt afvallen ,
199 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
dekschilden licht of donkerbruin. Kop klein, driehoekig,
sterk neergebogen, bol op het voorhoofd. Oogen bol, doch
niet zeer groot, bruin. Sprieten langer dan de helft van
het lif, vuilwit, het 2° lid zoo lang als 3 + 4, soms aan
de onderzijde naar het midden bruinachtig. Zuiger haarfijn,
geel met bruine spits, reikend tot de achterheupen. Borststuk
bijna dubbel zoo breed als lang, sterk gebogen, nog al
convex, glanzig onder de goudgele haartjes. Schildje met een
flaauw dwarsgleufje achter den voorrand, zwart of donker-
bruin. Dekschilden licht of donkerbruin, ook wel aan de
basis licht, naar achter donker; de cuneus door een licht
streepje van het corium afgescheiden, zijne randen met
purperen tint; membraan donker met een driehoekig wit
vlekje onder de spits van den cuneus, een ander in de
groote cel en een gebogen veegje daaronder. Pooten vrij
krachtig, met dikke achterdijen, doeh de scheenen zeer
slank; heupen zwart of bruin, dijen zwart, of bruin of rood ,
scheenen wit met zwarte spits en zwarte vlekjes, waaruit
zwarte stekeltjes oprijzen. Tarsen wit met de uiterste spits
en de klaauwtjes zwart.
Mr. H. W. de Graaf trof deze soort in Juli} bij Zeist aan;
ook werd zij door den heer Six niet zelden bij Driebergen
op bloemen gevonden. Dr. Piaget zag haar in groote menigte
aan de Oude plas bij Rotterdam, de heer Ritsema ving haar
in Junij bij Velp en de heer Heylaerts noemt haar gemeen in
het Valkenberg te Breda. Ik ving haar in Junij bij den Haag.
56. Lygus varians Meyer (H. Sch.).
Plaat 5, fig. 6.
Herr. Sch. W. Ins. VI, p. 45, Pl. 195, f. 603. — Meyer,
Rh, d. Schw. .p.69,.n. 39.
Lengte bijna 4 mm. — Gelijk aan den vorigen, doch iets
slanker en grooter, steeds geel gekleurd, soms zeer licht.
De beharing is wit. Even als bij de vorige soort is er een
licht dwarsbandje voor den cuneus, doch deze is bruin-
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 125
achtig oranje. De sprieten zijn wit, naar het einde eenigzins
donker; de pooten zijn geel met witte scheenen en tarsen :
de scheenen hebben de zwarte stekeltjes uit de zwarte
stipjes ontspringende, even als bij Variabilis.
In hoeverre dit eene afzonderlijke en goede soort is,
zullen latere onderzoekingen moeten uitmaken. Flor kende
haar niet en Fieber neemt haar niet op in zijne Europeesche
Hemiptera.
Bij Utrecht gevonden door den heer Six; door mij in
Junij bij den Haag.
97. Lygus viridulus Fall.
Fall. Hem. S. I, p. 105, 54. — Hahn, W. Ins. Il. p. 136,
Pl. 72, 1.221. — Meyer, Rh.d. Schw. p. TI, n°.51. — Flor,
Rh. Livl. I. p. 595. — Douglas and Sc. Brit. Hem. p. 401.
Lengte bijna 3 mm. — Langwerpig groen of groengeel
(na den dood meestal geel), met de bovenzijde fijn en
schraal zwart behaard. Kop klein, driehoekig, vrij sterk
neergebogen en bol. Oogen rond, bol, grijs. Sprieten ter
lengte van 2 van het ligchaam, slank, lichtgroen of geel ;
het 1° lid met 2 smalle zwarte bandjes, het 2° aan basis en
spits bruin. Borststuk kort en breed, vrij convex, glanzig
met een zeer flaauw gegolfd dwarsgleufje. Schildje vrij groot,
met eene regte dwarsgleuf voor de basis. Dekschilden lang;
corium en cuneus als aaneengesmolten. Membraan rook-
kleurig, iriserend, met onduidelijke geelachtige aderen, een
licht vlekje onder de spits van den cuneus en daaraan han-
gend een fijn donkergrijs streepje; nog een ander donker
streepje langs de gebogen ader der groote cel. Pooten groen
of geel, de dijen en scheenen met zwarte stippeltjes en de
laatsten mede met zwarte stekeltjes; tarsen bruinachtig,
het laatste lid zwart met lange klaauwtjes.
Door den heer Six bij Utrecht en ook door mij op het
eind van Junij aldaar gevangen, door Dr. Piaget, in Julij
bij Wassenaar,
124 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
58. Lygus roseus F,
Fabr. S. Rh. 238, 178. — Fall. Hem. S. I, p. 101, 47. —
Herr. Sch. W. Ins. III, p. 74, t. 96, f. 287. — Flor, Rh. Lul.
Lp. 391:
Lengte 3mm. — Langwerpig ovaal, geel of vaalrood, met
witte haartjes bekleed. Kop tamelijk groot, driehoekig, sterk
neergebogen. Oogen rond, zeer uitpuilend, donkerbruin
of zwart. Sprieten slank, licht rood of geel, aan het eind
bruin. Borststuk aan den achterrand tweemaal breeder dan
lang, voor ook tamelijk breed, met een gegolf dwarsgroefje
voor het midden. Schildje donkerder naar de spits dan aan
de basis. Dekschilden mede naar achteren iets donkerder,
met den cuneus van dezelfde kleur als het einde van het
corium, doch aan zijn basis daarvan afgescheiden door een
lichter dwarsbandje. Membraan eenigzins bewolkt, vooral
donkerder in de cellen, daarentegen doorschijnend licht tegen
den cuneus aan. Pooten matig lang, doch stevig, de achter-
dijen plat en breed, de achterscheenen lang; zij zijn rood-
achtig geel van kleur, de dijen soms donkerder, de scheenen
met rijen zwarte stippeltjes, waaruit zwarte stekeltjes voort-
komen, de tarsen zwart aan de spits.
Deze soort en hare varieteit Signatipes (zie Herr. Sch.
Nomenclator p. 49) werd door den heer Six bij Driebergen
aangetroffen in Juni}; ook de heer Piaget vond eenige
exemplaren.
59. Lygus saltitans Fall.
Plaat 5, fig. 7.
Fall. Hem. S. p.114, 72. — Burm. Handb. Il, p. 278, n°. 5
(Saltians). — Flor, Rh. Livt. I, p. 603. — Dougl. and Scott,
Brit. Hem. p. 428 ').
Lengte 2 mm. — Kort, breed en gedrongen van vorm,
1) De afbeelding bij Douglas and Scott durf ik niet aanhalen, daar zij op mine
exemplaren niet gelijkt. De beschrijving bij Fieber (Zur. Hem. p. 311) is in de
allerhoogste mate onduidelijk.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 125
in het klein wel wat gelijkende op het wijfje van Mutabilis,
met korte dekschilden zonder membraan. De kop is zeer
breed driehoekig, stomp toegerond van voren, glanzig zwart,
met een gebogen grauw dwarsbandje op het achterhoofd.
Oogen groot, rond, uitpuilend, bruin. Sprieten ter lengte
van het halve ligchaam, niet zeer slank (vooral zijn de beide
laatste leedjes dik naar gelang van ’t geen wij bij de laatste
soorten zagen), zwart, aan het einde grijsachtig. Zuiger
bruin, reikend tot de achterheupen. Borststuk schier niet
langer dan de kop en zelfs aan den achterrand niet breeder
dan deze met de oogen, van voren naar achteren zeer
weinig verbreed, zonder knobbeltjes of dwarsgleuf, glanzig
zwart, doch naar achteren bestippeld. Schildje zwart met
een bruinen gloed, tamelijk klein. Dekschilden bij onze
voorwerpen zeer kort, zonder afgescheiden clavus, zonder
membraan en eigenlijk ook zonder cuneus, doch aldaar
naar beneden gebogen; hun achterrand is rond. Zij zijn in
het midden bruinachtig zwart, met een bruinen gloed, aan
de basis breed, aan den buitenrand smal lichtgrijs; ter
plaatse waar men dèn cuneus verwacht, staat in dit grijs
een rond zwart vlekje. Achterlijf glanzig zwart. Pooten met
zeer dikke en breede achterdijen, tot aan de knie bruin-
zwart, verder vuil bruinachtig geel, de scheenen met zwarte
stekeltjes, de tarsen met het laatste lid en de klaauwtjes zwart.
Van deze merkwaardige soort ving de heer C. Ritsema Cz.
op het eiland Vlieland den 31** Mei 1873 drie exemplaren
op zandgrond. Gelijk de naam aanduidt en de dikke achter-
dijen doen vermoeden , maken deze dieren kleine sprongetjes,
als zij verontrust worden.
Gen. 14. Dicypaus Fieb.
Dit geslacht is voornamelijk gekenmerkt door de lengte
van den kop achter de oogen. De kop is sterk gebogen,
126 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
bijna hoekig, zoodat het aangezigt verticaal staat en de
schedel horizontaal; van boven gezien is het gedeelte achter
de oogen, de hals als ik het zoo noemen mag, langer dan
het voorste gedeelte. De sprieten zijn niet bijzonder lang,
doch slank, het 4° lid korter dan de kop, het 2° 23 maal
langer dan het eerste. Het borststuk is vrij lang en smal
en wordt door eene groef in 2 deelen verdeeld, waarvan
het eerste twee kleine knobbeltjes draagt, waarvoor nog een
smal ringetje gezien wordt. De dekschilden zeer lang en
vliezig met lange membraan; zij zijn echter niet altijd vol-
komen ontwikkeld. Achterlijf vrij lang en slank. Pooten
zeer lang en mager, zelfs aan de achterdijen.
De naam van dit genus, beteekenende dubbel-bogchel, is
al zeer zonderling gekozen en weinig eigenaardig, want
men moet van eene goede loupe voorzien zijn om iets van
de twee knobbeltjes, die met de bogchels bedoeld worden,
te kunnen waarnemen.
Er zijn slechts 2 soorten bekend, die gemakkelijk van
elkander onderscheiden worden, door het kenmerk dat bij
de eene (Errans) de cuneus en zijne bäsis-rand drie zwarte
vlekjes vertoonen, bij de andere (Pallidus) niet.
1. Dic. errans Wolff.
Plaatst 18!
Wolff, Ic. Cam. p. 161. tab. 16, f. 155. — Fall. Hem. S.
I, 125, 19 (Collaris). — Hahn, W. Ins. II, p. 124, tab. 66,
fig. 203. — Flor, Rh. Livl. I. p. 483. — Dougl. and Scott,
Hem. Brit. p. 379, tab. 12, f. A.
Lengte 5 mm. — Lang, gerekt, zeer spaarzaam behaard,
zwart aan kop en onderzijde, grijs of lichtgrauw aan de
bovenzijde. Kop smal, doch tamelijk lang, glanzig zwart
met 2 witte strepen langs de oogen, of wel grauw met
diezelfde witte strepen en voorts zwart: het naar beneden
gebogen aangezigt, een V-vormig teeken tusschen de oogen
en twee langsstrepen in de zijden van den hals. Oogen bol
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 197
uitstaande, naar beneden eivormig verlengd, donkerbruin.
Zuiger schier niet tegen de keel en borst aangebogen, zeer
licht grauw, tot voorbij de achterheupen reikend. Sprieten
i der lengte van het lijf bedragend, slank, uiterst fijn be-
haard; het 4° lid veel korter dan de kop, bruin met zwarte
basis en witte spits; 2° lid aan basis en uiteinde zwart, in
het midden grauw; 3° donkergrijs met witte basis, 4° grijs.
Bij sommige voorwerpen zijn de sprieten in het geheel
donkerder. Borststuk van vorm als in de beschrijving van
het genus opgegeven, doeh met den achterrand sterk naar
voren ingebogen, onder glanzig zwart, boven geheel grauw
of wel zwart met eene grauwgele langsstreep in het midden.
schildje donkergrijs of lichtgrauw met eene regte dwars-
gleuf even voor het midden. Dekschilden doorschijnend,
vliezig met den clavus minder doorschijnend, grauw; het
corium met rijen van licht of donkerbruine stipjes, waaruit
korte haartjes ontspringen, aan het einde tegen den cuneus
aan een donkerbruin, bijna zwart vlekje en een dergelijk
krom streepje. Cuneus doorschijnend, vliezig met de uiterste
spits zwart. Membraan iriserend, zeer weinig berookt, met
een donkerder vlekje onder de cellen, wier aderen vrij dik
en bruin zijn. Vleugels bij mijn exemplaar volgroeid (Flor
zegt: rudimentair). Achterlijf boven en beneden zwart,
alleen aan de spits grauwachtig. Pooten uit den grauwen
wit, de dijen bezaaid met zwarte stipjes, de scheenen
harig en bovendien bezet met eenige weinige zwarte ste-
keltjes; het laatste lid der tarsen bruin en de lange klaauw-
tjes zwart.
De heer Piaget ving eenige exemplaren in Junij bij Velzen:
ik ving een voorwerp in October bij den Haag.
2. Dic. pallidus H. Sch.
Plaat 5, fig. 9 gd en 10 9.
Herr. Sch. W. Ins. III, p.51, tab. 88, f. 269. — Meyer, Rh.
d. Schw. p. 84, n°. 64. — Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 380.
128 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Lengte 3,5—5 mm. — Het mannetje is in vorm en gedaante
geheel gelijk aan den vorigen, doch verschilt zeer in kleur;
het wijfje heeft niet-ontwikkelde dekschilden en geene
vleugels.
Man gelijk aan den vorigen met dit verschil. Het ligchaam
is boven en onder licht grauwachtig geel. Geen wit op den
kop langs de oogen; op het voorhoofd eene wigvormige
bruine vlek en twee zwarte in de zijden van den nek.
Sprieten licht gekleurd, het 1° lid met een zeer breed rood
bandje. Geen zwart aan het borststuk, alleen in de zijden
een paar bruine vlekjes. Schildje ros. Dekschilden geheel
vliezig zonder bruine of zwarte stippen, vlekken of streepjes ;
membraan met grauwe aderen. Pooten als bij den voor-
gaanden.
Wijfje korter, zwakker van bouw en meer groenachtig
“van kleur. De kop met sprieten, oogen en zuiger als bij
den man. Het borststuk is aan het achtergedeelte meer naar
boven gebogen, min of meer gebogcheld, zeer glanzig,
aan den achterrand groen. Schildje groen. Dekschilden kort,
het achterlijf naauwelijks bedekkend, alleen met aanduiding
van cuneus en membraan; zij hebben geene stippen, noch
vlekken, maar vele naar achter gebogen grijze haartjes.
Achterlijf groen, met de spits en de scheeden der genitaliën
bruingeel. Pooten iets groener dan bij den man, de stipjes
op de dijen onduidelijk; de achterscheenen schijnen mij
toe nog langer te zijn dan bij de andere sexe.
In Juni) en Julij zijn voorwerpen van beiderlei kunne
op zandgronden bij Driebergen en ’s Gravenhage gevangen
door den heer G. A. Six en door mij. Ook werd een ex.
met verkorte dekschilden, dus waarschijnlijk een wijfje,
door wijlen Dr. J. Wttewaall in Julij bij Voorst aangetroffen.
| Bij vergelijking met de beide gedeelten van de « Tweede
Naamlijst van inlandsche Hemiptera, bijeengebragt door
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 429
Mr. H. W. de Graaf, G. A. Six en S. C. Snellen van Vol-
lenhoven» zal men de volgende soorten missen: Capsus
unicolor Hahn, Phytocoris erythrophthalmus Hahn, ambiguus
Fall. en viridinervis Kirschb. Wat de eerste dier soorten
betreft, ik heb haar niet durven opnemen omdat ik van
de juistheid der determinatie niet overtuigd ben. Unicolor
moet in de mannelijke sexe het 2° lid der sprieten eenig-
zins verbreed en zeer behaard hebben; dit is bij onze
voorwerpen niet het geval en het zouden dus wijfjes moeten
zijn; ondertusschen is het meest versche voorwerp naar
mijn beste zien een mannetje (de anderen zijn te oud om
dienaangaande zonder opweeken en vernielen met zekerheid
onderscheiden te worden). Daarbij komt nog dat de heer
Six het bovengenoemde mannetje gevangen heeft met een
wijfje, dat om zijnen vorm en onvolgroeide dekschilden tot
Altus pulicarius (nu Lygus pul.) als verscheidenheid kan
gebragt worden. Dit punt dient dus nader en wel op levende
exemplaren te worden onderzocht.
Omtrent Phytocoris erythrcphthalmus Hahn leest men in
het vervolg der Naamlijst dat de héer Six door het bestu-
deeren van het werk over de Capsinen van Kirschbaum er
toe gebragt was om zijn uniek voorwerp te determineeren
als Capsus infusus H. Sch. Tegen die determinatie had ik
toen bezwaren, die ik mij nu niet meer te binnen breng,
en daar het voorwerp sedert zoek geraakt of misschien wel
te loor gegaan is, zoo heb ik Erythrophthalmus niet mogen
opnemen. Infusus vindt men beschreven in het genus Lopus.
Phytocoris ambiguus Fall. was vertegenwoordigd door een
enkel zeer licht gekleurd vrouwelijk voorwerp, dat mede niet
meer aanwezig schijnt te zijn. De bijzonder lichte kleur
doet mij nu twijfelen of de bestemming wel juist was.
Eindelijk Ph. viridinervis Kirschb. is mede niet meer
authentiek aanwezig en het voorkomen dier soort ten onzent
zal door nieuwe voorwerpen moeten gestaafd worden.
Daarentegen bezitten wij nog eenige Capsinen, waarvan
de namen ons een raadsel gebleven zijn. Later zal het mij
9
130 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
waarschijnlijk wel gelukken die te determineeren; indien zij
in voldoend aantal van voorwerpen aanwezig waren, zoude
ik daarvan een of ander gewaagd hebben door het in den
vreemde aan een der Corypheën in de kennis der Hemiptera
toe te zenden, ten einde den naam te vernemen; doch bij
gebreke aan voldoend aantal van exemplaren heb ik geene
vrijheid gevonden om dit te doen.
Verklaring der Platen.
Plaat 8 (voorgaande deel).
Fig. 4. Monalocoris Filicis L.
» 2 en 2a. Pithanus Maerkelii H. Sch.
» 3 en 3a. Miris laevigatus L.
» 4. Miris holsatus F.
» 5. Achterpoot van Miris calcaratus Fall.
» 6 en 6a. Miris erraticus L.
» Ten 7a. » ruficornis Fall.
» 8. Leptoterna dolabrata L.
» 9. Oncognathus binotatus F. g (9a kop en prothorax 8).
» 10. Alloeotomus marginepunctatus H. Sch.
» 44. Lygus Fallenii Hahn.
» 42. Lopus tunicatus F.
Plaat 9 (voorgaande dee).
Fig. 1 en 1a. Lopus infusus H. Sch.
» Zen 2a. » subpatellatus Voll.
» 9. Capsus ater L.
» 4. » capillaris F.
» 9. » distinguendus H. Sch. ¢ (Sa dekschild 4).
» 6 en 6a. Heterotoma spissicornis F.
» 7. Heterotoma magnicornis Fall.
» 8. Halticus leucocephalus L.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 431
Fig. 9. Camaronotus cinnamopterus Krschb.
» 10. Phytgcoris Ulmi L.
DAL » Tiliae F.
Plaat 10 (voorgaande deel).
. Halticus pallicornis F.
. Dekschild van Camaronotus clavatus L.
. Lygus Gothicus L.
» striatus L.
» striatellus F.
. Kop en borststuk van Lygus bipunctatus F.
. Lygus Chenopodii Fall.
. Dekschild van Lygus ferrugatus F.
. Lygus pratensis L. var. campestris.
» 10. Schildje en dekschilden van Lygus tripustulatus F.
» 14. Lygus unifasciatus F.
O D = DIE WIN
Plaat 3 (in dit deel).
1. Lygus rubicundus Fall.
D 2. » Kalmi L.
3.» vulneratus Wolff.
» 4 » Gyllenhaliü Fall.
5) » cervinus H. Sch.
6. » . Roseri H. Sch.
hae » mutabilis Fall. d et 2.
8 » virgula H. Sch.
9, » _ histrionicus L.
» 10. » globulifer Fall.
Plaat 4 (in dit deel).
. 4 en 1a. Lygus thoracicus Fall.
2. Lygus flavomaculatus F.
» 3. » melanocephalus L.
4 » pilosus Hahn.
» 5. » Thunbergii Fall.
» 6. » angulatus Fall.
39 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
7. Lygus contaminatus Fall.
» 8. » chlorizans Fall. à
9. >» molliculus Fall.
Plaat 5 (in dit dee).
Fig. 4. Lygus decolor Fall.
» 2.739. spmubilus: Hs Sch.
ÿ 3.9 & Paykulli Fall,
» 4 en 4a. Lygus Caricis Fall. 3 et 9. °
» 5. Lygus Arbustorum F.
» 6. » varians Meyer.
>» 7. » saltitans Fall.
» 8. Dicyphus errans Wolff.
DURO: » pallidus H. Sch. 4.
» 10. » pallidus H. Sch. ¢.
OPMERKINGEN
OMTRENT
ZES MERKWAARDIGE INLANDSCHE PTEROMALINEN
EN EENE PROCTOTRUPIDE,
DOOR
GA SEX
(Hierbij Plaat 6).
Door gebrek aan duidelijke beschrijvingen en vooral aan
goede afbeeldingen van kleinere soorten van Pteromalinen
en Proctotrupiden, is het mij dikwijls zeer moeijelijk om deze
niet zelden fraaije diertjes met zekerheid te determineren.
Door de welwillendheid van den heer Snellen van Vollen-
hoven, die een zevental door mij bij ’s Gravenhage gevangen
soorten heeft afgeteekend, ben ik in staat gesteld daarvan
goede afbeeldingen aan daarin belangstellende entomologen
aan te bieden.
Hiervan zijn, zoo ik meen, de bij fig. 2, 4, 5, 6 en 7
voorgestelde soorten onbeschreven. Daar het mij volstrekt
niet te doen is om nieuwe soortnamen te scheppen, zal het
mij geene teleurstelling zijn, wanneer later uit deze af-
beeldingen en de door mij daarbij gevoegde beschrijvingen
mogt blijken dat deze soorten reeds vroeger andere namen
hebben ontvangen.
Ericydnus paludatus Hal. 2, fig. 1.
Förster splitst de meest zeer kleine, maar tevens fraajje
Encyrtoiden in twee afdeelingen: die met een penseelvormig
bundeltje haren op de spits van het schildje en die welke
134 OPMERKINGEN OMTRENT INLANDSCHE
dit kenmerk missen. Tot de eerste afdeeling behooren de
geslachten Chiloneurus Westw. en Comys Först. Van elk
dezer twee geslachten ving ik hier te lande eene soort,
namelijk vond ik Chiloneurus elegans N. ab Es. in de Scheve-
ningsche boschjes en Comys Swederi Dalm. in eene door-
nenhaag bij Utrecht.
Van de geslachten zonder haarbosje op de schildspits,
waarvan Förster er 20 opgeeft, vond ik verscheidenen in
ons land, als: Ghoreia Westw., Aglyptus Först., Copidosoma
Ratz., Ericydnus Hal., Dinocarsıs Först., Leptomastix Först.,
Habrolepis Först. en Encyrtus Dalm. Zij komen meestal op
hei- of duingrond voor; de kortvleugelige of bijna onge-
vleugelde soorten van Aglyptus en Encyrtus bewonen be-
paaldelijk kale en zonnige duintoppen.
De hier afgebeelde Ericydnus paludatus Hal. ¢ (fig. 1) is
niet zeldzaam in de Scheveningsche duinboschjes en kenbaar
aan de vrij korte, smalle en berookte.vleugels.
Ectroma dunense Six, fig. 2.
Förster geeft het geslacht £ctroma slechts terloops onder
zijne Encyrtoiden aan, dewijl hij E. rufescens Dalm., den typus
er van niet gezien had. Ik ving gevieugelde en onge-
vleugelde voorwerpen dezer soort zoowel op heigrond bij-
Driebergen, als op duingrond bij ’s Gravenhage. Het insect
dat op de lijst der inlandsche Hymenopters van den heer
Snellen van Vollenhoven, onder n°. 925 als Dinocarsis rufus
Six is opgegeven, is ook een exemplaar dezer soort.
De alhier afgebeelde kleine Encyrtoide heb ik tot het ge-
geslacht Ectroma gebragt, wegens den halsvormigen pro-
thorax , den op het einde versmalden metathorax en de lange
sprieten. Hierdoor heeft dit insect een veel slanker aanzien
dan de kort ineengedrongen soorten van het geslacht En-
cyrlus, waaraan het overigens na verwant is. Even als de
overige kortvleugelige Eneyrtoiden springt dit diertje zeer
vlug, waarbij de lange en sterke doorn op het einde der
PTEROMALINEN EN EENE PROCTOTRUPIDE. 135
middenscheenen zeker zeer behulpzaam is. De vleugels zijn
slechts kleine schubjes. De eijerlegger bijna 4 van het achter-
lijf. Deze soort heeft den kop groen met metaalglans, de
monddeelen oranjekleurig. De sprieten zijn bruin, behalve
de twee eerste leden die oranje zijn. De thorax is oranje,
maar de mesothorax is van boven even als het schildje
groen. Het achterlijf is groen. De pooten zijn oranje, de
achterscheenen bruin.
Encyrtus flavoscutatus Six, fig. 3.
Dit zeer kleine, slechts met bijna onzigtbare parelmoer-
kleurige vleugelschubjes voorziene diertje ving ik eens op
de Haagsche duinen. Het is groen; de scapus van de overigens
zwarte sprieten is geel; de oogen zijn bruin; het schildje
is geel; de pooten zijn geel, behalve eene zwarte langsstreep
op de vier voordijen. In de verzameling van den heer
Snellen van Vollenhoven zag ik een voorwerp dezer soort,
hem door den heer Mayr toegezonden onder den naam van
Baccharis Pascuorum.
Merisus bicolor Six, fig. 4.
Dit insect komt in den vorm van het ligchaam, in de vleu-
geladeren en in het aantal en den vorm der sprietleden zoo-
zeer overeen met de afbeelding van het geslacht Merisus
Walk., op pl. X, f.2 van de Schetsen van den heer Snellen
van Vollenhoven afgebeeld, dat ik niet aarzel het tot dit genus
te brengen. Het geslacht Merisus behoort tot de familie der
Miscogastroiden van Förster. Het diertje is blaauwgroen , be-
halve de sprieten, het achterlijf, de scheenen en de tarsen
welke geel zijn, terwijl op het midden van het achterlijf
eene langwerpige oranje vlek is.
Onbekende Chalcidide , fig. 5.
oO
Ik ben geheel in het onzeker waartoe de -zonderlinge
miervormige Chalcidide, bij fig. 5 afgebeeld, moet gebragt
worden. Wegens de vijfledige tarsen moet zij onder de
136 OPMERKINGEN OMTRENT INLANDSCHE
Pentameren van Förster gerangschikt worden en zij komt
wegens den korten maar breeden kop, het versmalde hals-
vormige voorborststuk, het spitse omgebogen einde van
het achterlijf en vooral wegens het aantal sprietleedjes zeer
wel overeen met het geslacht Panstenon Walk., afgebeeld
op pl. IX, f. 20 der Schetsen van den heer Snellen van Vollen-
hoven; maar dat insect is gevleugeld, terwijl mijne exem-
plaren ongevleugeld zijn.
Daar het wel mogelijk is dat dit door afstekende oranje
en zwarte kleuren zoo in het oogloopend diertje, hetwelk
ik niet zelden bij ’s Gravenhage op eikenloof aantrof, in
een of ander mij niet ten gebruike staand werk beschreven
is, ben ik vooreerst voldaan met de opmerkzaamheid der
Entomologen er op te hebben gevestigd. Ik twijfel dan ook
niet of de uitmuntende afbeelding van den heer Snellen
van Vollenhoven zal het dadelijk door deskundigen doen
herkennen indien het inderdaad reeds beschreven is.
Eulophus fulvicollis Walk. fig. 6.
Deze soort, door Westwood in het Mag. Nat. Hist. V1, p.123
Hemiptarsenus genoemd en ook door Förster in zijne Chale. el
Proct. p.77 vermeld, is uit de afbeelding van Walker’s Mon.
Chale. I. p. 190, vooral door de eigenaardige vleugelvlekken
zeer wel te herkennen, maar bij hem zijn de sprieten draad-
vormig geteekend, terwijl bij mijn voorwerp daarentegen
de drie laatste leden plat en breed zijn en het allerlaatste,
zuiver wit zijnde, sterk afsteekt bij de twee voorlaatsten die,
zwart zijn.
Ceranisus spec.? fig. 7.
De zeer kleine zwarte Proctotrupide bij fig. 7 afgebeeld,
behoort volgens mijne meening tot de familie der Telra-
stichoiden van Förster en verder wegens het met twee striemen
voorziene schildje, het dikke voetstuk der sprieten en den
behaarden vleugelrand tot het geslacht Ceranisus Walk., in
PTEROMALINEN EN EENE PROGTOTRUPIDE. 137
de Schetsen van den heer Snellen van Vollenhoven op pl.
XI, f. 19 afgebeeld.
Förster zegt dat Ceranisus negenledige sprieten heeft
even als bij mijn voorwerp, indien men het voetstuk mede
telt. Op de afbeelding in de Schetsen hebben de sprieten
in het geheel slechts zeven leden, ook is de scapus op het
einde verbreed en niet zoo als bij mijn voorwerp aan den
voet; daarenboven is de beharing van den vleugelrand in
de Schetsen langer dan bij mijn voorwerp. De sprieten zijn
met lange afstaande haren bezet.
Indien mijn voorwerp inderdaad tot het geslacht Ceranisus
behoort, dan weet ik nog niet tot welke soort het te brengen
zou zijn, dewijl mij geene soortbeschrijving bekend is.
Mijn insect is dof zwart, met gele pooten, waarvan de
eerste helft der dijen zwart is. Ik ving het den 26" Aug.
op de Waalsdorpsche duinen.
Verklaring der Afbeeldingen.
1. Erieydnus paludatus Hal. 2. «. kop met sprieten.
2. Ectroma dunense. a. spriet.
Encyrtus flavoscutatus.
Merisus bicolor. a. spriet.
. Onbekende Chalcidide. a. van ter zijde, b. spriet.
Eulophus fulvicollis Walk. 4, a. spriet, b. di), e. tars.
Ceranisus spec? a. vleugel, b. spriet, e. thorax en scutellum.
I AT oa)
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA
(eiland JAVA),
DOOR
Mr. M. C. PIBPERS,
MET AANTEEKENINGEN VAN P. C. T. SNELLEN.
(Hierbij Plaat 7).
Gedurende een vijftal jaren (1864—1869), welke ik te
Batavia, de hoofdplaats van het eiland Java doorbracht,
heb ik mij, zooveel andere bezigheden dit toelieten, met
het verzamelen en bestudeeren der aldaar voorkomende
Lepidoptera, vooral der Macrolepidoptera bezig gehouden. De
volgende aanteekeningen hebben daaraan het aanzijn te
danken. Ik wensch die thans als eene eerste proeve van
beschrijving eener plaatselijke Lepidopteren-fauna uit den
Oost-Indischen Archipel bekend te maken. Tot een juist
begrip hiervan komt het mij echter niet overbodig voor,
vooraf het volgende op te merken.
Het eiland Java bezit eene zeer langwerpige gedaante,
eene veel grootere lengte van O. naar W. dan breedte van
N. naar Z. In die gansche lengte is zijn midden en zuidelijk
gedeelte grootendeels door vrij hoog gebergte bedekt, welks
hoogste top, de Semiroe, zich tot op 3666 meters boven de
zee verheft. Naar het N. loopt dit gebergte echter vrij glooiend
naar de zee af.
Dáár, in het lage kustland heerscht de tropische hitte in
volle kracht ; doch men behoeft zich slechts weinig hooger
op, zuidwaarts alzoo, te begeven om reeds een belangrijk
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 139
onderscheid in temperatuur te vinden, en hoe hooger men
stijgt, hoe verder men zich van de kust verwijdert, des te
merkbaarder wordt dit, tot dat eindelijk op de hooge berg-
toppen de temperatuur met die van het het heete kustland
een zeer aanmerkelijk verschil aanbiedt.
Dezelfde langzame verandering, welke eindelijk een be-
langrijk verschil veroorzaakt, vindt men er in de planten
en dierenwereld terug. Evenzeer als de luchtgesteldheid van
de kust af naar het gebergte toe steeds koeler wordt, ziet
men de planten en dieren er geleidelijk in andere vormen
overgaan en zoo vertoonen zich in de hoogere streken eene
gansch andere flora en fauna dan die, welke in de lagere
te huis is. En hoewel nu voorzeker niet alleen de lucht-
gesteldheid daarvan oorzaak is, maar ook andere redenen
daartoe medewerken, zoo als b.v. de niet steeds dezelfde
blijvende aard van den bodem, welke natuurlijk op den plan-
tengroei en dien ten gevolge weder op de van de planten-
wereld zoo afhankelijke dieren- vooral insectenwereld zeer
sterken invloed uitoefent, is toch het verband tusschen deze
en het verschil, dat zich in de flora en fauna van onder-
scheidene hoogten daar openbaart, te zeer in het oog vallend
om niet aan haar daarin eene groote rol toe te kennen.
Trouwens het veranderen der flora en fauna, in verband
met het rijzen van den bodem en de daaraan weder ver-
bonden temperatuurwijzigingen, doet zich zelfs in de
gematigde streken voor en zal wel overal in de tropische
landen in sterke mate zijn waar te nemen. Maar wat daarbij
in Noord-Java zeer opmerkelijk is, dat is de spoed waarmede
die veranderingen elkander daar opvolgen. De breedte van
het eiland van N. naar Z. is, gelijk gezegd is, toch be-
trekkelijk gering en daar nu nog daarvan het midden en
Zuiden bijna geheel door gebergte zijn bedekt, bevat de
vermelde glooiing van de bergen naar de Noordkust van
die breedte slechts eene geringe uitgestrektheid, en zóó
doet zich daar het verschijnsel voor dat vrij nabij gele-
gen, slechts weinig in hoogte boven de zee verschillende
140 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA.
streken reeds een opmerkingswaardig onderscheid in flora
en fauna aanbieden; wel is waar, niet dat zich zeer nabij
elkander, doch door strenge grenzen gescheiden, geheel
andere vormen vertoonen, gelijk alleen de aard van den
bodem het veroorzaakt, maar z66 dat die vormen slechts
geleidelijk door andere vervangen worden en eerst lang-
zamerhand aanmerkelijk van elkander beginnen te ver-
schillen. Wil men derhalve Java’s insecten en in hunne
onderlinge verhouding, én in die met de insecten van andere
streken bestudeeren, wil men in de insecten, verzameld
in Noord-Java, bouwstoffen voor de tegenwoordig zoo
hoogst belangrijke serieön-studie vinden, dan behoort men
de plaats hunner herkomst met juistheid te kennen; eene
etiquette «Java» heeft al niet veel meer waarde dan de
opgave dat een insect in Amerika voorkomt, zonder nadere
aanduiding of het in Labrador, te Paramaribo, of op de
hoogvlakten der Andes is aangetroffen. Het is uit dit 00g-
punt gezien dat ik de mededeeling dezer plaatselijke Lepi-
dopteren-fauna van eene kleine streek aan Java’s Noordkust
als niet van belang ontbloot beschouw.
Onder het «Batavia» toch, over welks Lepidopteren-fauna
deze aanteekeningen loopen, versta men geenszins de gansche
residentie van dien naam, wier Zuidelijke grens tot in het
hooge gebergte reikt, doch slechts de daarin gelegene even-
eens genoemde hoofdplaats en hare onmiddelijke omgeving ;
het ligt besloten in een cirkel, daar waar op Java’s Noord-
Westkust genoemde stad is gelegen aan de zee rakende en
een straal bezittende van bijna een uur gaans. Het is gelegen
in de zoogenaamde eerste zone van Junghuhn en behoort,
met uitzondering van een deel der kust, waar bij de monding
der Tjiliwong deze door het rizophoren-gebied wordt inge-
nomen, tot zijne tweede afdeeling van die zone. Zijn hoogste
punt ligt op nog geen twee uren gaans in Zuideljke richting
van de zee verwijderd en is bij de langzame glooiing van
den bodem aldaar nog slechts op geringe hoogte (+ 7 meters)
boven deze verheven,
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 144
Toch kan men op die geringe breedte van nog geen
twee uren gaans en bij dat gering verschil in hoogte boven
de zee reeds drie strooken onderscheiden, welke in hare
Macrolepidoptera en bepaaldelijk Rhopalocera een duidelijk
verschil vertoonen. De Noordelijkste (A) is eene smalle strook
van ongeveer + uur gaans breedte langs de kust; de Zuide-
lijkste (C) bevat eene breedte van ongeveer # uur gaans
van het door mij onderzocht gebied, doch strekt zich ver-
moedelijk nog eenigszins verder ten Z. van de willekeurig
door mij aangenomen grens uit; de middelste strook (B)
wordt door de beide uitersten ingesloten.
De Rhopalocera in de strook B voorkomende vertegen-
woordigen de eigenlijke fauna der streek; zij worden ver-
moedelijk allen ook in de strook C en grootendeels hoewel
veelal slechts toevallig ook in de strook A aangetroffen.
Maar deze laatste smalle strook bevat bovendien twee uit-
sluitend daar voorkomende soorten; in de strook C beginnen
zich hier en daar, hoewel zeldzaam, verscheidene soorten te
vertoonen, welke hooger op, en zelfs reeds een half uur Zui-
delijker dan de grens mijner onderzoekingen, tot de gewone
vlinders moeten worden gerekend. Bij elk der waargenomen
vlinders zal ik door bijvoeging der hoofdletters A B of C
aangeven in welke dezer drie strooken zij zijn gevonden.
Van de vlinders wier metamorphose door mij is waar-
genomen, heb ik ook de beschrijving der larven en nym-
phen opgeteekend. Wel is waar is het mij zeer goed bekend
dat men uit zulke beschrijvingen zich niet wel eene duide-
lijke voorstelling kan maken, doch bij gebreke van goede
afbeeldingen hebben zij toch altijd eenige waarde en zelfs
indien afbeeldingen bestaan, kunnen zij altijd dienen om
deze te contrôleeren. Bovendien, en dit heeft mij in het
algemeen steeds bij het opstellen dezer aanteekeningen voor
den geest gezweefd, is het op dit gebied het best alles
maar op te teekenen; wie weet hoe goed een later bouw-
meester het schijnbaar onbelangrijkste steentje zal kunnen
gebruiken ?
149 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA.
Eindelijk zij hier nog opgemerkt dat de determinatie der
vlinders en de beschrijving der nieuwe soorten zijn geschied
door den heer P. C. T. Snellen, die het door mij ter neder-
geschrevene tevens met zijne (door Sn. gemerkte) aantee-
keningen heeft verrijkt, en dat de vermelde vlinders, met
uitzondering der ongelukkig verloren gegane exemplaren van
Charaxes Athamas Drury, Charaxes Schreiberi God., en Deu-
doryx Melampus Cr. (voor welker juiste determinatie ik overi-
gens durf instaan), zich allen bevinden in onze verzameling,
die ten huize van den evengenoemden entomoloog te Rot-
terdam wordt bewaard.
RHOPALOCER ANT)
Fam. I. HELICONINA.
Genus Euploea.
4. Hübneri Moore. Gewoon B C.
9. Eleusina Cramer. Gewoon B C.
3. Midamus L. Een der meest gewone vlinders À BC. Van
de 16 pootige, zeer schoon geteekende rupsen vond
ik er een aantal nabij elkander op Oleander. Hare
grondkleur is zwart of donker roodbruin, waarop zich
eene gele teekening vertoont, zoodanig dat elke ge-
leding der rups eene breede gele streep aan de boven-
zijde en eene gele vlek op elk der zijden heeft. Op
elk der 2°, 3°, 4 en laatste geledingen bevindt zich
een paar lange doornen, rood van kleur met zwarte
uiteinden, van welke die op de 4° geleding sterk
voorwaarts zijn gekromd.
1) Gerangschikt naar Herrich-Schäffer's Prodromus, behalve de Lycaenina en
Hesperidina, voor welke de Catalogus van Kirby is gevolgd.
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 143
De pop is eerst vleeschkleurig met een paar bruine
strepen, verandert echter spoedig in welligt de prach-
tigste nymphe die bestaat. Zij gelijkt dan op een
klompje schitterend gepolijst goud of zilver, of nog
meer op zoogenaamd goud of zilverglas, met de ver-
melde bruine strepen. Wanneer de vlinder is uitge-
komen gelijkt de overblijvende huid der nymphe dan
ook volkomen op dun glas met de meergemelde bruine
strepen. De pop hangt overigens op de wijze der
Vanessa-nymphen met het achtereind aan een oleander-
blad gehecht.
De ontwikkeling dezer soort geschiedt uiterst snel.
Hoewel ik den juisten tijd daarvan niet met volkomen
zekerheid kan aangeven, durf ik toch den larven-
toestand op niet langer dan twee weken begrooten,
terwijl de duur van den nymphentoestand slechts tien
dagen is, zoodat eene geheele generatie van ei tot ei
hoogstwaarschijnlijk binnen één maand is afgeloopen.
Fam. II. DANAINA.
Genus Danais.
4. Juventa Cr. Uiterst gewoon A BC. Meermalen in coitu
' gevangen en bevonden dat de sexen geene bijzondere
punten van verschil vertoonen en de mannetjes geene
zakvormige plooi op de achtervleugels bezitten.
5. Melissa Cr. Niet zeldzaam B C.
6. Chrysippus L. Deze soort is uiterst gewoon in A, tot op
het zeestrand, doch ook, gelijk ik dit eveneens in
7. W. Celebes heb waargenomen tot de smalle strook
A beperkt. Slechts eenmaal heb ik een blijkbaar ver-
dwaald exemplaar in B en nog vrij nabij A aange-
troffen.
Aanmerking. Bij vergelijking van de Javaansche
exemplaren door den heer Piepers gevangen én van
anderen uit Malang (mede Java) met Afrikaansche,
144 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA.
Celebaansche en Nieuw-Hollandsche exemplaren ,
merk ik op dat de Javaansche veel kleiner zijn dan de
Afrikanen (59— 65 mm. tegen 65— 75 mm.). Buitendien
zijn de laatsten veel helderder geel van grondkleur. De
lichtbruine tint die men bij hen aan den vleugelwortel
waarneemt, verduistert bij de Javanen de geheele
bovenzijde. De Celebaansche exemplaren zijn niet
grooter maar iets helderder, wijl de bruine verduis-
tering meer naar de buitenranden der vleugels terug-
trekt en den licht bruingelen grond vrij laat. Dit laatste
is zeer duidelijk te zien bij een Nieuw-Hollandsch
voorwerp. Dit heeft 57 mm. vlugt; de donkere voor:
vleugelpunt die, vooral bij de Afrikanen, bijna zwart
is, is hier door vermenging met lichtbruin niet meer
dan zeer donkerbruin en beslaat veel meer van den
vleugel. Verder is de donkere achterrand der achter-
vleugels, die bij de Afrikanen en ook nog bij de Javanen
smal, getand, zwart en scherp begrensd is, bij den
Nieuw-Hollander tweemaal zoo breed, donkerbruin,
wortelwaarts vervloeid en niet meer dan gegolfd.
De Celebaansche voorwerpen duiden, als boven ge-
merkt, den overgang aan. Sn.
7. Plexippus L. Zeer gewoon A B C.
8. Melanippus Cr. var. Hegesippus Cr. Eens in B. Is in iets
hooger gelegen streken dan het door mij onderzochte
gebied echter zeer gewoon.
Aanmerking. Ik kan bezwaarlijk aan specifiek ver-
schil tusschen deze soort en Plexippus gelooven en
“houd het er voor dat Kirby, toen hij op p. 5 en 6
van zijnen Catalogus zijne varieteiten a tot / met
Plexippus vereenigde, althans wat betreft Melanippus
en Hegesippus beter inzigt in de zaak toonde dan toen
hij op p. 639 aanteekende (bij n°. 23, Danais Plexip-
pus L.): «most of the forms given on pp. 5, 6 as
varieties, are probably distinct ». Sn.
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 145
Fam. VI. SATYRINA.
Genus Cyllo Boisd.
9. Leda L. Wellicht de meest gewone vlinder ABC, een
groot verschil in kleur en teekening vooral op de:
onderzijde"der vleugels aanbiedende. Hij behoort met
Amathusia Phidippus L., Casyapa Thrax L. en vermoe-
delijk ook Mycalesis Justina Cr., Myc. Lalassis Hew.,
Myc. Janardana Moore en Elymnias Lais F. tot de
schemeringvlinders, welke slechts gedurende de
avond- en vermoedelijk ook in de morgenschemering
vliegen, welk laatste ik van Leda ten minste heb
waargenomen. Des daags zitten zij stil en gaan op-
gejaagd zijnde, na een klein eind voortgevlogen te
zijn, weder zitten. Leda, die ook meest laag bij den
grond vliegt, zit des daags met toegeklapte vleugels
op de aarde, dorre bladeren of onder tegen een
boomstam en is dan bijna onzigtbaar; het sterk
varieeren van de onderzijde der vleugels staat ver-
moedelijk in verband met de kleur van den bodem
waar de vlinder zieh ophoudt.
De 16-pootige rups vond ik niet te Batavia maar
te Mangkasar in Z. W. Celebes, waar de vlinder mede
zeer gemeen is, in menigte op daar voor paardenvoeder
aangeplant, Zuid-Amerikaansch zoogenaamd Pampa-
gras. Zij is geheel grasgroen met korte, stijve, witte
haren bezet; de kop uitloopende in twee lange rood-
achtige met dunne lange haren bezette spitsen. Ook
de grasgroene poppen hingen daar in menigte aan de
grasstengels, aan welke zij met het achtereinde op
de wijze der Vanessa-poppen waren bevestigd.
Genus Ypthima Hbn..
10. Philomelus L. (Baldus F.). Zeer gewoon ABC.
44. Hübneri Kirby (Philomela Hbn., Zuträge). Zeer gewoon
A BUG
10
146 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA.
Genus Mycalesis Hbn.
42. Justina Cr. Gewoon B C.
13. Lalassis Hew. Gewoon B C.
1%. Janardana Moore. Gewoon B C. Daar ik deze Mycalesis-
soorten des daags nimmer dan opgejaagd heb zien
vliegen, waarop zij zich dan weder spoedig neder-
zetten, vermoed ik dat zij ook tot de schemering-
vlinders moeten worden gerekend. Zie het aangetee-
kende bij Cyllo Leda L.
Fam. VII. ELYMNIINA.
Genus Elymmias Hbn.
45. Undularis F. Gewoon op sommige plaatsen B C.
16. Lais F. Gewoon op sommige plaatsen B C. Ook dezen
vlinder zag ik slechts opgejaagd vliegen en zich dan
zeer spoedig weder nederzetten, zoodat hij vermoe-
delijk mede tot de schemeringvlinders moet worden
gerekend. Zie het aangeteekende bij Cyllo Leda L.
Fam. IX. EURYTELINA.
Genus Ergolis Boisd.
47. Ariadne L. Hier en daar BC.
Fam. X. NYMPHALINA.
Genus Neptis F.
48. Aceris Lepechin. Zeer gewoon A B C.
Aanmerking. Verschillen niet van Europesche
exemplaren. Sn.
Genus Charaxes Ochs.
49. Athamas Drury. Op zekeren nacht vloog gedurende eene
zeer hevige regenbui in het begin van den West-
moeson, een zeer afgevlogen en beschadigd ex. dezer
soort mijne woning in B binnen. Daar ik nimmer
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 147
andere exemplaren van die soort uit de omstreken
van Batavia heb gezien, vermoed ik, te meer omdat
dit ’s nachts geschiedde en met het oog op den be-
schadigden toestand van den vlinder, dat hij met de
regenbui van elders was overgevoerd. Eene nadere
vergelijking van dit ex. met anderen van dezelfde
soort zou dit wellicht hebben kunnen uitmaken;
ongelukkig is het echter met eenige andere vlinders,
die met het schip Neerlands vlag naar Nederland
werden overgevoerd, bij de schipbreuk van dit vaar-
tuig op Afrika’s Oostkust verloren gegaan.
20. Schreiberi God. Kens in GC. Naar mij werd medegedeeld
had de rups waaruit de vlinder gekweekt was geleefd
op nam-nam (Cynometra cauliflora L.).
Genus Amathusia F.
21. Phidippus L. Deze groote vlinder is overal nABC
zeer gewoon. Des daags (zie het aangeteekende bij
Cyllo Leda L.) zit hij stil, doch niet op den grond
maar tegen de takken van lage struiken; zoodra echter
de avondschemering begint ziet men hem overal in
menigte rondvliegen.
De 16-pootige rups vond ik niet te Batavia maar te
Mangkasar in Z. W. Celebes, waar de vlinder mede
zeer algemeen is, in menigte op de bladeren der
pisang (Musa paradisiaca L.). Zij is bijna vingerlang,
lichtgroen van kleur met donkergroene overlangsche
banden. Twee smalle dergelijke banden loopen zeer
dicht nevens elkander midden over den rug, zoodat
de grondkleur tusschen beiden zich wederom als een
zeer smalle lichtgroene band: vertoont. Twee breede
donkergroene banden loopen langs de zijden. De rug
en de zijden zijn geheel bezet met talrijke, korte,
stijve, roode haren. Langs de zijden bevinden zich
bosjes benedenwaarts gerichte witte haren. De tweede
en derde geleding zijn dicht bezet met lange, stijve,
148
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA.
witte en roode haren, die voor den kop uitsteken en
dezen bedekken. Het achterlijf der rups eindigt in
twee punten.
De pop is zacht rozenrood van kleur met eene
slanzige, lichtgroene uitmonstering op de scherpe
kanten. Naar beide zijden loopt zij in eene lange
scherpe punt uit. Zij hangt, op de wijze der-Vanessa-
poppen aan het achtereind.
Een vrouwelijke vlinder legde, wat bij Rhopalocera
weinig gezien wordt, in eene stopflesch waarin zij
was opgesloten, verscheidene verspreide eieren, in
grootte en gedaante op die der groote Nederlandsche
Sphinges gelijkende. Na 8 dagen kwamen daaruit de
jonge rupsen. De duur van den larventoestand in de
vrije natuur kan ik niet met zekerheid opgeven, doch
zal, daar het voedsel nimmer ontbreekt, wel niet
meer dan een drietal weken bedragen, zoodat, wijl
de verpopte rupsen na 13 dagen den vlinder gaven,
eene gansche generatie van dezen vlinder vermoedelijk
in een zestal weken afloopt. |
Genus Discophora Boisd.
22. Celinde Stoll. Eens in C.
Genus Diadema Boisd.
23. Bolina L. Gewoon ABC.
Aanmerking. Bij de voorwerpen door den heer
Piepers verzameld, bevinden zich :
Auge Cramer II pl. 190 AB.
Lasinassa Cram. III pl. 205 AB.
Iphigenia Cram. I pl. 67 DE.
Alcmene Cram. I pl. 67 A.
De groote, bonte, op de bovenzijde in hooge mate
driekleurige wijfjes komen, volgens den heer P., bij
Batavia het meest voor. Sn.
24. Anomala Wallace. Eens in B.
LEPIDOPTERA VAN BATA VIA. 449
25. Misippus L. Zeer gewoon AB C. Opmerkelijk is het,
hoezeer de wijfjesvlinder dezer soort een spotvorm
van Danais Chrysippus is.
Genus Cethosia F.
26. Penthesilea Cr. Eens een beschadigd exemplaar in C.
Een weinig boven de Zuidelijke grens van de door
mij onderzochte streek is deze vlinder niet ongewoon.
Aanmerking. Het Bataviasche exemplaar nadert de
varieteit Cyane Cramer pl. 295 CD. Sn.
Genus Atella Doubl.
27. Phalantha Drury. Gewoon A B C.
Aanmerking. Het genus Atella vervangt in Indië de
genera Argynnis en Brenthis, zoo althans het laatste
aanspraak er op heeft om voor meer dan voor eene
afdeeling van Argynnis te worden gehouden. Sn.
Genus Adolias Boisd.
28. Adonia Cr. Zeldzaam B C.
29. Alpheda God., Moore (Octogesima S. v. V.). Niet zeer ge-
woon BG. De op manga daging (Mangifera foetida,
Lour. var. G mollis) levende rups is bladgroen met
eene gele, aan het begin van elke geleding in rozen-
rood overgaande streep over de geheele lengte van
den rug. Van elke geleding steken twee lange naar
beneden gebogen doornen zijdelings uit, welke weder-
om van zijtakken voorzien zijn, die als de baarden
eener veder gelijkmatig, tegen elkander overgesteld
op de doornen zijn geplaatst en naar het uiteinde
van den doorn korter worden. De doornen en hunne
takken zijn groen als het lichaam, doch de uiterste
punten der takken geel, zoodat daar door de plaat-
sing der doornen nevens elkander, de uiteinden der
linker takken van den eenen doorn, die der rechter
takken van den nevengeplaatsten doorn raken, zij
150
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA.
door gele strepen van elkander schijnen gescheiden
te zijn.
De mede groene pop is zeer zonderling van vorm
en alzoo zeer moeielijk te beschrijven. Het meest
gelijkt zij op eene driehoekige pyramide, welker eene
zijde bolvormig is en die daar waar zich de kop
bevindt tweepuntig uitloopt. Aan de tegenover-
gestelde zijde bevindt zich weder eene kleine bruine,
met de basis daartegen geplaatste driehoekige pyra-
mide, welke bewegelijk is en het achtereind van het
dier bevat. De pop ligt op eene platte zijde los op
den grond. Na 13 dagen leverde zij den vlinder.
Aanmerking. Ad. Octogesima S. v. V. Is het man-
netje volgens Kirby. Wat Alpheda Moore aangaat, wil
ik dit niet loochenen , doch de beschrijving van Alpheda
Godart is zoo vlugtig dat zij op een aantal verwante
soorten even zoo goed past als op Octogesima. Sn.
Genus Messaras Doubl.
30. Erymanthis Drury, Cr. Zeer gewoon B C. De pop, in
gedaante op die der Nederlandsche Pieriden gelij-
kende, is zeer schoon lichtgroen met geelgouden
vlekken , waaruit doornige uitsteeksels van schoon
roodgoud te voorschijn treden.
Genus Precis Hbn.
31. Iphita Cr. Uiterst gewoon A B C. Een paar gepaard
gevangen van den vorm Ida Cram. 374 CD.
Aanmerking. Dat Iphita Cramer 209 CD en Ida Cr.
374 C D inderdaad als beide sexen bijeen zouden
behooren, komt mij, vooral na de aanteekening van
den heer Piepers over de beide gepaarde voorwerpen
die hij ving, zeer twijfelachtig voor. Zou men hier
niet aan twee soorten moeten gelooven ? Of zijn beide
varieteiten soms saizoens-varieteiten even als Ara-
schnia Prorsa en Levana ? Sn.
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 431
(renus Junonia Hbn.
32. Erigone Cr. Zeer gewoon B C.
33. Laomedia L., Cr. Uiterst gewoon ABC, vooral op gras-
vlakten.
34. Orythia L., Cr. Uiterst gewoon ABC, vooral op drooge
heete grasvlakten. Deze vlinder zet zich gaarne, de
vleugels bij afwisseling openende en sluitende, in den
vollen zonneschijn op den grond neder en doet dan
sterk aan de gewoonten van den Europeeschen Satyrus
Semele denken.
39. Asterie L. Uiterst gewoon A BC. De onderling zoo
verwante J. Erigone en Asterie doen sterk aan de
onderling evenzoo verwante Europeesche Satyrus
Egeria en Megaera denken.
Aanmerking. De grootte van de oogvlekken der
onderzijde verschilt bij deze soort zeer. Ik heb exem-
plaren van Java die er naauwelijks een spoor van
vertoonen. Sn.
Genus Doleschallia Feld.
36. Bisaltide Cr. Gewoon B GC. De rups leeft op kaioe mas
(Codiaeum variegatum Rmph.) en treba (volgens G. J.
Filet, de inlandsche plantennamen bijeenverzameld
en in alphab. orde gerangschikt, Bat. Lange en c°.
4859, Rhinacanthus nasutus Ns., Andrographis panicu-
lata Wid. en Crossandra infundibuliformis Ns.). Zij is
zwart met vijf overlangs loopende witte strepen,
van welke de beiden die zich op de zijden bevinden
minder duidelijk zijn dan de drie op den rug. Op
elke geleding heeft zij fijn getakte doornen zwart
van kleur, ten deele schitterend staalblauw bij hunne
inplanting, namelijk behalve die paren doornen welke
uit acht aan elke zijde der acht laatste geledingen
geplaatste groote roode puisten te voorschijn komen.
452
91.
38.
48.
49.
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA.
De paarse met zwarte strepen geteekende pop hangt
op de wijze der Vanessa-poppen, met het achtereind
aan het een of ander vastgehecht. Na 8 dagen gaf
zij den vlinder.
Aanmerking. Bij de exemplaren van den heer
Piepers bevinden zich zoowel Polibete Cram. 234 DE
als Polibete 235 CD, doch geene van den type zoo als
Cramer dien afbeeldt. on.
Fam. XIII. LYCAENINA.
Genus Miletus Hbn.
Symethus Cr. Gewoon vooral bij bamboestruiken (Bam-
busa) BC.
Boisduvalii Moore. Eens C.
Aanmerking. Beiden wel varieteiten van ééne soort.
Sn.
Genus Lycaena F.
. Hylax Horsf. Niet zelden in C.
. Malaya Horsf. Eenmaal in C.
. Rosimon Fabr. Zeer gewoon B C.
. Ethion Dbd. Gewoon B C.
. Celeno Cr. Zeer gewoon B C.
. Elpis God. Gewoon BC.
. Boeticus L. Zeer gewoon ABC.
. Strabo Fabr. Zeer gewoon A B C.
. Nora Felder. Gewoon A B G, vooral meermalen in
groote menigte in A op bloeiende beloentas (Pluchea
indica Less).
Zou Plato Fabr. ook het mannetje van deze soort
zijn ?
Gnoma Snellen n.sp. Eens in menigte in A en eens in
menigte in B. (Zie de beschrijving hierachter).
Lysizone Snellen n. sp. Uiterst gewoon overal A B C. (Zie
de beschrijving hierachter).
50.
51.
52.
53.
ot.
DO.
56.
57.
. Amasena Cr. 44 A., (Sn. v. V. Mon. des Pier. p.35). Ge-
59.
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 153
Pygmaea Snellen n. sp. (Zie de beschrijving hierachter).
Genus Jolaus Hbn.
Longinus var. Pseudolonginus Horsf. Eens verscheidene
exemplaren bij elkander in B.
Genus Deudoryx Hew.
Melampus Cr. Eens in C. Is een weinig zuidelijker dan
de grens van de door mij onderzochte streek niet
ongewoon.
Varuna Horsf. Enkele malen in B en C. Het kale, bruin-
grijze schildrupsje heeft op iedere geleding twee bul-
ten, en leeft op bidara (Zizyphus jujuba Lam.). Het
popje van den bekenden Lycaeniden-vorm, gaf na 13
dagen den vlinder.
Genus Amblypodia Horsf.
Apidanus Cr. Enkele malen ABC.
Fam. XIV. PIERIDINA.
Genus Pontia Ochs.
Nina F. Enkele malen in C.
Genus Pieris Schrank.
Coronea Cr. (Sn. v. V. Mon. des Pier. p. 29). Gewoon
ABC. In het jaar 1867 overal buitengewoon menig-
vuldig.
Aanmerking. Niet dezelfde als Teutonia F. (Lucas,
Pap. Exot.) Sn.
Coronis Cram., (Sn. v. V. Mon. des Pier. p. 26). Eens in C.
woon À B C.
Lyncida Cr. 131 B. (Hippo Sn. v. V. Mon. des Pier. p. 42).
Eens twee exemplaren bij eene bamboestruik (Bam-
busa) in C.
154 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA.
Aanmerking. Bij deze exemplaren is de onderzijde
der achtervleugels geheel wit met een flaauw geel
tintje in cel 8 en een bruinen achterrand van 5 mm.
breed. SIL.
Genus Cathaemia Hbn.
60. Egialea Cr. (Sn. v. V., Mon. des Pier. p. 7). Gewoon ABC.
61. Hyparete L., (Sn. v. V., Mon. des Pier. p.9). Gewoon ABC.
De rups vond ik op kemoening (Pterocymbium javanicum
Bunt). Zij is oranjegeel met zwarten kop en achterste.
Aan elke geleding op den rug twee lange, rechts en
links naar boven uitstekende witte haren en aan
iedere zijde een bosje kortere witte haren, welke dus
te zamen vier overlangsche rijen witte haren vormen.
De pop van den gewonen Pieriden-vorm is geelwit
met vele zwarte uitstekende punten en een zwart
streepje op elk vleugeldeksel. Op den 8°" dag gaf zij
den vlinder.
Genus Hebomoia Hbn.
62. Glaucippe L., (Sn. v. V., Mon. des Pier. p. 52). Gewoon
ABC.
Aanmerking. Vier exemplaren van 76—77 mm.
allen mannen waarbij de oranje punt der voorvleugels
binnenwaarts geen zwarten maar een zeer duide-
lijken citroengelen zoom heeft. Een exemplaar uit
Malang (Java) is weinig kleiner dan een van Celebes,
namelijk 98 mm. tegen 106. Sn.
Genus Thestias Boisd.
63. Venilia Godart, Lucas (¢ = Aenippe Cramer II. pl.157 CD.
Venilia S. v. V. Monogr. des Pier. p. 51). — Komt uit-
sluitend op sommige plaatsen van A voor, zoowel op
drooge plekken van het Rhizophoren-gebied als daar
buiten, en is dan op die plaatsen niet zeldzaam.
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 155
Genus Callidryas Boisd.
64. Scylla L. (¢ Cr. I. 12 CD; Sn. v. V. Mon. d. Pier. p. 62).
Uiterst gewoon ABC.
65. Pomona F. (Hilaria Sn. v. V. Mon. des Pier. p. 60). Zeer
gewoon A B C.
Aanmerking. Ook de var. Catilla Cramer hierbij. Sn.
66. Crocale Cr. I. 55 C D. (Alemeone Sn. v. V. Mon. des Pier.
p. 61). Crocale Cram. eens in B, Alemeone Sn. v. V.
gemeen in ABC.
Aanmerking. Alcmeone Cram. II pl. 141, E, die Dr.
Snellen van Vollenhoven met een ? aanhaalt, wordt
door Kirby als het d van de Zuid-Amerikaansche Statira
Cramer geciteerd. Sn.
Genus Terias Swains.
67. Hecabe L. (Sn. v. V. Mon. des Pier. p. 66). Uiterst gewoon
ABC. Zes exemplaren behooren tot den type; een
mannetje nadert zeer tot Brenda Doubl., door dat het
zwart aan den binnenrandshoek der voorvleugels wel
de helft smaller is dan in cel 4, terwijl het op de
beide genoemde plaatsen bij den type even breed is.
De zwarte rand der achtervleugels is bij dit exem-
plaar echter even breed als bij de typische en het
geel van denzelfden tint.
Fam. XV. EQUITINA.
Genus Papilio L.
68. Antiphates Cr. Enkele malen in C.
69. Sarpedon L. Niet zelden BC. Nog eene aan Pap. Sar-
pedon zeer verwante soort is eenmaal in B door mij
gevangen, doch niet met zekerheid op te geven;
hoogst vermoedelijk was het Pap. Eurypylus L.
70. Agamemnon L. Zeer gewoon A BC. De mede zeer gewone
12-pootige rups leeft op tarong (Solanum)-bladeren ,
maar wordt vooral veel op die van den zuurzak (Anona
156
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA.
muricata L.) aangetroffen. Haar lichaam is zeer onge-
ljk van dikte, de derde geleding is de dikste,
naar den kop en naar het achtereind nemen de
geledingen in omvang af. Hare kleur is lichtgroen;
de vermelde dikke derde geleding draagt op den rug
twee zwarte doornen, welke bij hunne inplanting
een rood ringetje vertoonen; twee zeer kleine zwarte
doornen bevinden zich evenzoo op elke der beide
eerste geledingen, twee iets langere op de laatste.
De rups heeft eene eigenaardige schommelende wijze
van voortbeweging; als zij getergd wordt richt zij
het dikke voorgedeelte van haar lichaam recht in
de hoogte op en steekt op de wijze van Pap. Machaon
L. twee lange hoornen uit.
De pop, die ook geheel op de wijze van Pap. Ma-
chaon L. zoowel met het achtereinde als door middel
van een enkel draadje om het midden is vastgehecht ,
heeft ook in gedaante veel overeenkomst met die
nymphe, loopt echter naar achteren in eene langere
punt uit. Het kopeinde is tweepuntig. Tegenover
den kop bevindt zich een haakvormig uitsteeksel van
dezelfde bijzondere nuance van bruin, welke zich op
de onderzijde der vleugels van den vlinder vertoont,
welk uitsteeksel zich verder in twee verheven strepen
op het ligchaam der pop voortzet en dit als in een
pincet omvat. Overigens is de kleur der pop groen.
Op den 14°" dag gaf zij den vlinder.
71. Polytes L. (en Pammon L.). Een der meest gewone vlin-
ders A B C. De rups, die uiterst veel op die van
Pap. Memnon L. gelijkt en naar het mij voorkomt
slechts door geringere grootte van deze verschilt , heb
ik veel malen zoowel te Batavia als te Mangkasar in
Z. W. Celebes gevonden, doch steeds op djeroek kinkit
(Triphosia aurantiola Lour. = trifoliata de C.),’t geen
eene toevallige waarneming mij doet onderstellen dat
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 157
ook in China het geval is, terwijl ik die van Pap.
Memnon L. steeds op eene andere Citrus-soort aantrof.
Ook de pop komt mij voor slechts door de geringere
grootte van die van evengenoemden vlinder te ver-
schillen. Op den 14°" dag komt de vlinder uit.
Aanmerking. De vleugelstaartjes van al de Javaan-
sche exemplaren van Pammon zijn van 3—54 mm. lang.
Sn.
72. Memnon L. Uiterst gewoon ABC. Onder de wijfjes ook
de vormen Achates Cr. 243 A en Ancaeus Cr. 222 A.
De groote rups vond ik op pompelmoesbladeren (Citrus
decumana L.); zij leeft vermoedelijk echter ook op
andere Citrus-soorten. Zij is moeielijk te beschrijven
zoowel door haren zonderlingen vorm als omdat hare
algemeene kleur alsmede de vorm en kleur harer teeke-
ning niet standvastig schijnen te zijn. Zij is zeer on-
gelijk van dikte, hare drie eerste geledingen zijn veel
dikker dan de overige en gelijken als het ware een
grooten kop, waarop zich twee zwarte vlekken ver-
toonen, die een onkundige voor oogen zou aanzien.
Overigens is hare kleur groen, meest als donkergroen
fluweel, op den rug en de zijden, en vleeschkleurig
of wel vuilwit van onderen. Op den rug vertoont zich
eene teekening, bestaande uit twee breede, vleesch-
kleurige of vuilwitte streepen, welke zich schuins
van beneden oploopende daar vereenigen.
De groote pop, in vorm op die van Pap. Machaon
L. gelijkende, heeft aan het hoofdeinde twee punten
en hangt aan het achtereind en met een vrij ruim
draadje om het midden bevestigd. De uit bruin van
verschillende nuancen en groen gemengde kleur doet
haar volkomen op een stukje boomschors gelijken.
Op den 45" dag gaf zij den vlinder.
Een g legde in gevangenschap 7 licht-oranjekleurige
ronde eieren, van de grootte welke die der groote
Nederlandsche Sphinxen hebben.
158 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA.
Fam. XVI. HESPERIDINA.
Genus Casyapa Kirby.
73. Thrax L. Vliegt overal in ABC. Zeer gewoon gedurende
de avondschemering; des daags slechts opgejaagd.
De kale, witte, als met wit krijt bestovene rups is
zeer gewoon op de bladeren der pisang (Musa para-
disiaca L.), welke zij oprolt en met spinsel aaneen-
naait, geheel op de wijze der bladrollers, zoo als zij
ook even als dezen, als men het opgerolde blad
opent, zich eenigen tijd zeer snel als het ware slang-
vormig heen en weder beweegt. De zeer langwer-
pige pop blijft mede in het opgerolde pisangblad.
Genus Pamphila F.
74. Julianus Latr. Enc. (Thrax. Hbn., Led.). Een der meest
gewone vlinders in ABC.
Aanmerking. Kirby citeert in zijnen catalogus Thrax
Led., Hbn. bij Mathias F., Latr., hetgeen fautief is.
De opgave der grootte van Julianus door Latreille
duidt dit aan. SIL.
75. Brunnea Snellen n. sp. GC. (Zie de beschrijving hierachter).
76. Mathias F.C.
77. Augias L. Gewoon ABC.
Genus Thymelicus Hbn.
78. Nigrolimbatus Snell. n. sp. Zeer gewoon A BC. (Zie de
beschrijving hierachter).
Genus Plesioneura Feld.
79. Folus Cr. Gewoon in C.
80. Dan F. Gewoon in C.
Genus Tagiades.
81. Japetus Cr. Gewoon in C.
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. | 159
BESCHRIJVING DER NIEUWE SOORTEN
PoC, TE SNELLEN.
48. Lycaena Gnoma m. nov. sp.
Plaat 7, fig. 1.
Deze kleine Lycaena behoort tot eene groep, welke in de
Europesche fauna slechts door twee, eveneens kleine vlinders
is vertegenwoordigd, namelijk tot die, bij welke op de
ongestaarte achtervleugels de middenvlek en de vlekken der
gewone boogrij daarachter, met uitzondering van de bovenste
in cel 7, in plaats van zwart te zijn, dezelfde kleur als de
grond des vleugels hebben en slechts een weinig donkerder
van tint zijn. Zij komen zoodoende alleen uit door de grijs-
witte afzetting. De gewone wortelvlekken daarentegen, die
op eene nagenoeg regte lijn staan, zijn koolzwart evenals
de reeds vermelde bovenste in cel 7. Verder zijn de rand-
vlekken wortelwaarts niet door spitse zwarte kapjes afgezet,
maar slechts door witgezoomde, naauwelijks gebogene don-
kergrijze streepjes. Het laatstvermelde komt buitendien alleen
nog bij Lyc. Hyrcana Led. en Sieversii Christ (Mirza Staud.)
voor en het bovenvermelde groepje (Trochilus H. S., Galba
Led. en Gnoma m.) is dus van de talrijke Lycaenen der
Europesche fauna vrij duidelijk gescheiden. Of Gnoma onder
de gepubliceerde exotische soorten nog verwanten heeft, is
mij onbekend, doch ik hoop dat mijne beschrijving, gevoegd
bij de afbeelding, toereikende zal zijn om haar steeds te
herkennen.
Van Galba Led. onderscheidt Groma zich door in beide
sexen donkerbruine bovenzijde en vier (in plaats van 2)
koolzwarte, zilver beschubde randvlekken aan de onderzijde
460 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA.
der achtervleugels. De mede bij beide sexen boven bruine
Trochilus is boven: 1° lichter, bij den man met vier vuil-
blaauwwitte middenstippen; 2° heeft die soort op de ach-
tervleugels eene oranje streep wortelwaarts van de kool-
zwarte ronde vlekken voor den achterrand. Onder is bij
Trochilus de kleur heldergrijs en zijn de middenvlek bene-
vens de boogrij der voorvleugels zwart, terwijl de witte
afzetting van de boogrij der achtervleugels eene vrij rezel-
matig ketenvormige teekening vormt. Bij Gnoma is de kleur
der onderzijde bruingrijs, de boogrij der voorvleugels even
licht als die der achtervleugels en de witte boogjes waar-
mede de vlekken zijn afgezet, zijn zeer vlak. Eindelijk ziet
men bij Trochilus in cel 1e, 2 en 3 drie koolzwarte, vooral
wortelwaarts oranje afgezette, zilver beschubde zwarte rand-
vlekken en bij Gnoma in cel 2—5 vier zulke randvlekken,
die echter gelijkmatig, leemgeel zijn afgezet, terwijl cel 1c
en 6 twee groenzilveren stippen voeren.
Vlugt 16—19 mm. Sprieten zwart, wit geringd; het knopje
onder donkerbruin. Oogen geheel naakt, ovaal, onder en
boven spits, wit gerand. Palpen blaauwwit, de haren aan
de voorzijde van lid 2 en lid 3 boven op zwart. Bovenzijde
van lijf en vleugels bij beide sexen eenkleurig zwartbruin
met min of meer duidelijke ronde zwarte vlekken langs
den achterrand der achtervleugels, verder ongeteekend.
Van de onderzijde valt na het bovenvermelde alleen te
zeggen dat ook de randvlekken der voorvleugels weinig of
niet donkerder zijn dan de grond en dat de tweede wortel-
vlek der achtervleugels niet zoo als bij Trochilus een weinig
wortelwaarts uitspringt, maar eer een zweem franjewaarts.
Geheel bij den binnenrandswortel staat nog een koolzwart,
wit gerand vlekje.
Franje als de vleugels, met lichtgrijze punt. Voorvleugels
met 11 aderen, 8 en 9 gesteeld in den voorrand, 11 vri
van 12. Pooten, borst en buik onzuiver blaauwwit, de
achterzijde der voorscheenen aan het eind met een klein
doorntje.
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 161
49. Lycaena Lysizone m. nov. Sp.
Plaat 7, fig. 2 en 2a.
Indien men Felder mogt gelooven dan zou het verre
Oosten verscheidene varieteiten van Lycaena Lysimon Hübn.
voortbrengen, die op verschillende plaatsen voorkomen.
Waarom hij die varieteiten niettemin allen namen geeft en
haar als species behandelt (Lyc. Novae-Hollandiae, Tanagra
en Serica, zie Kirby’s Catalogus p. 261 waar zij opgenoemd
zijn) begrijp ik niet of het moest zijn met het welberekend
overleg om, wanneer die zoogenoemde varieteiten later
goede species bleken te zijn, toch als auteur in aanmerking
te komen. Wat mij aangaat, zoo heb ik nooit uit Oost-
Indiö eene echte Lysimon gezien, overeenkomende met
Europesche en West-Afrikaansche voorwerpen in mijne
collectie, maar wel ten minste twee goed onderscheiden
species die mogelijk onder Felder’s zoogenaamde varieteiten
zullen schuilen. Gaarne nam ik voor die soorten zijne
namen aan, doch hij heeft de bovengenoemde zeer vlugtig
beschreven en dus durf ik, om geene verwarring te ver-
oorzaken, die namen niet toepassen.
Lyc. Lysizone, de eerste der door mij bedoelde soorten,
heeft dezelfde grootte als Lysimon (20—25 mm. vlugt) en
ook ongeveer denzelfden vleugelvorm, doch onderscheidt
zich op de bovenzijde door scherp zwarte franjelijn, bij het
mannetje bovendien door ander blaauw (als Argus ¢ of
Alcon 3), terwijl het bij Lysimon 3 zeer donker paarsachtig
is met vrij sterken glans. Verder is de voorrand der voor-
vleugels by Lysizone tot twee derden bijna wit en bij Zysimon
slechts een weinig grijsachtig. Op de onderzijde ligt het
verschil minder in de kleur dan in de teekening, want som-
migen mijner Afrikaansche exemplaren zijn ook bijna wit-
grijs. Het oog der boogrij van de achtervleugels in cel 6
staat bij Lysimon juist in de bogt, tusschen de oogen van
cel 5en7 in, bij Lysizone onder dat van cel 7, zelfs meer
wortelwaarts. Vervolgens springt het oog van cel 2 bij
11
162 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA.
Lysizone sterk in, bij Lysimon niet merkbaar en staat het
dubbele oogje in cel 1b der voorvleugels bij Lysizone de
helft nader bij de randvlekken dan het, buitendien bijna
loodregt staande, oog in cel 2. Bij Lysimon is het dubbele
oog in cel 2 niet nader bij de boogrij dan het schuins
staande oog in cel 2. Lysizone behoort dus tot de groep van
Semiargus, Sebrus en Minimus, waar zij zich onderscheidt
door het glanzige grijsblaauw, dat bij het mannetje op de
voorvleugels steeds een grooten, naar boven sterk ver-
breeden zwartgrijzen rand vrij laat, de witte kleur van cel
41 en 12 der voorvleugels, terwijl de snede van den voor-
rand steeds donker blijft en niet wit is gelijk bij de genoemde
soorten. Eindelijk is de wortelhelft der grijswitte franje
donkergrijs gevlekt en vertoont de bovenzijde der achter-
vleugels bij de meeste exemplaren tegen den staarthoek
twee rijen donkerder randvlekken, die door blaauwe boogjes
worden gescheiden.
Na het bovenstaande valt van deze soort slechts nog het
volgende te zeggen:
Oogen zeer kort behaard, spits-ovaal, wit gerand. Sprie-
ten donker, wit geringd. Palpen blaauwwit, haren aan lid
2 en de bovenzijde van lid 3 zwart. Bovenzijde zonder
middenvlekken, bij de mannen de voorvleugeladeren aan
den wortel witachtig; bovenzijde bij de wijfjes vaalzwart
met blaauw bestoven vleugelwortels Achtervleugels bij de
mannen slechts met een smal vaalzwart randje, dat naar
boven iets breeder wordt. Lijf boven vaalzwart, licht blaauw
behaard. Onderzijde bij al de mannen grijsachtig blaauw wit,
bij de wijfjes licht bruingrijs met de volledige, dof grijs-
bruine teekening der Lycaenen, die bij de wijfjes grijswit is
gerand. De randvlekken zijn iets bleeker dan de midden-
vlekken en boogrij, en hebben geen spoor van rood of geel
tusschen zich, evenmin als zij op de achtervleugels met
zilveren schubben zijn versierd. Voorvleugels met 11 aderen,
8 en 9 gesteeld in den voorrand, 11 vrij van 12. Palpen,
pooten, borst en buik blaauw wit. Voorscheenen zonder doorn.
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 163
Het is mogelijk dat Herrich-Schäffer met zijne Lycaena
communis deze soort bedoeld heeft, doch hij noch Koch, dien
hij als auteur noemt, hebben ooit voor zoo ver ik weet eenige
beschrijving of afbeelding van haar gegeven. De afbeel-
ding van Ubaldus Cramer stelt eene verwante soort voor,
doch is m.i. niet zorgvuldig genoeg om in aanmerking te
komen. Die van Lyc. Plato Blanchard (vide Kirby) kan ik
niet vergelijken, doch daar wij reeds eene Lyc. Plato Fabr.
hebben zou de soort toch verdoopt moeten worden. Verder
is het ook mogelijk dat Moore met zijne Lyc. Sangra mijne
soort heeft bedoeld, doch zijne beschrijving en afbeelding
zijn niet naauwkeurig genoeg om dit uit te maken.
Verscheidene exemplaren zijn door den heer Piepers
overgezonden.
50. Lycaena Pygmaea m. nov. sp.
Plaat 7, fig. 3.
Mede oppervlakkig beschouwd, aan Lysimon verwant, met
hetzelfde blaauw der bovenzijde als Lysizone, dat op de voor-
vleugels denzelfden vaalzwarten rand heeft, doch op de
achtervleugels een breederen, naar den staarthoek niet
versmalden. De franje is echter anders, met zwartgrijze wor-
telhelft en witte, ongevlekte buitenhelft. Verder zijn de
achtervleugels smaller, aan den binnenrandshoek meer bij-
gerond, en verschilt dit vlindertje dus door zijnen Helico-
niden-achtigen vleugelvorm duidelijk zoowel van Lysimon
als van Lysizone.
Oogen naakt, spits-ovaal, wit gerand. Palpen en sprieten
als bij Lysizone. Cel 11 en 12 der voorvleugels aan den
wortel slechts onbeduidend grijsachtig, evenzoo de vleugel-
aderen niet lichter beschubd. Geene middenvlekken noch
randvlekken of blaauwe boogjes tegen den staarthoek der
achtervleugels.
Onderzijde zuiver lichtgrijs, de Lycaenen-teekening volledig,
bijna zwart, de boogrij der achtervleugels als bij Lysimon,
zelis nog iets regelmatiger. Ook op de voorvleugels is het
164 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA.
bijna geheel ineengevloeide dubbele oogje in cel 1b even
ver van de randvlekken verwijderd als bij Lysimon, doch de
overige oogjes zijn veel onregelmatiger; zij staan allen
schuins, zijn langwerpig en het oogje in cel 5 is zelfs
toegeknepen en gelijkt op een À, terwijl het bij Lysimon
bijna cirkelrond is. Wortelwaarts van de middenvlek staat
bij Pygmaea nog een oogje der boogrij aan den voorrand,
maar geen worteloogje in de middencel zoo als bij Lysimon.
De randvlekken, bleeker dan de boogrij en zonder rood,
geel of zilveren schubben, zijn langwerpig, alleen door de
aderen gescheiden en doen, door de onafgebroken boogjes
die haar aan beide zijden begeleiden, de geheele rand-
teekening op een lichtgrijs, donker afgezet ketentje gelijken.
Nervuur, lijf en pooten als bij Lysizone.
Een gaaf en een afgevlogen mannetje.
75. Pamphila brunnea m. nov. sp.
Plaat 7, fig. 4.
Deze soort, eene Goniloba volgens Herrich-Schäffer, die
zijne uitmuntende analytische tabel van de soorten der
Hesperidinen-genera, helaas ! onvoltooid heeft gelaten, behoort
in dat genus onder afdeeling V***** (zie Corr. Bl. des Zool.-
Min. Vereins 1869 p. 196) en onderscheidt zich daarin van
Julianus Latr. dadelijk door de grootte, de niet olijf bruine
maar eer zeer donker koffijbruine grondkleur van de boven-
zijde, die slechts eene spaarzame donker olijfkleurige be-
haring aan de vleugelwortels heeft in plaats van eene
rijkelijke geelgroene, en verder door de okergele, niet vuil-
witte franje der achtervleugels. De onderzijde van lijf en
vleugels heeft bij Brunnea de kleur van gebranden omber,
bij Julianus zijn de vleugels op de onderzijde groenachtig
grijs en is de buik grijswit.
Vlugt 38 (2) en 40 (3) mm. Sprieten zwartbruin; op de
onderzijde is de wortelhelft van het knopje geelachtig. Over
de palpen ligt een olijfgroene tint, door dat de spitsen van
de haren, waarmede zij bekleed zijn, zoo gekleurd zijn. Het-
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 165
zelfde neemt men waar op de bovenzijde van den kop en
thorax, die overigens als het lijf zeer donker bruin zijn als
de vleugels. Deze vertoonen als boven gezegd, bij het lijf
eene dunne, geelachtig olijfgroene beharing en zijn met
kleine, doorschijnende vlekjes geteekend. In de middencel
staan er twee, waarvan het bovenste bij het wijfje slechts
eene uiterst kleine stip is. Eene rij van drie andere, naar
de vleugelpunt gerigt en in grootte snel afnemende, staat
in cel 2—4; twee costaalvlekjes worden in cel 6 en 7 ge-
vonden; zij zijn zeer klein en dat in cel 6 staat het meest
franjewaarts. Bij den man ziet men een grijs lijntje van ader
4 naar de vlek in cel 2. Franje der voorvleugels slechts tot
ader 2 okergeel, verder op meer grijs en wel het meest bij
het wijfje. Achtervleugels boven geheel ongeteekend; hunne
okergele franje boven ader 4 grijsachtig. De onderzijde is
iets doffer en geler dan boven, tegen den voorvleugelwortel
zwartachtig en bij den man met eene flaauwe donkergele
langslijn in de middencel, overigens met dezelfde vlekjes
doch zonder het grijze lijntje van cel 1b. Bij het wijfje is
de gele lijn der middencel niet aanwezig, doch men ziet
eene vaalgele plek in cel 1b. Pooten donkerbruin met iets
lichtere tarsen.
Twee gave exemplaren.
78. Thymelicus nigrolimbatus m. nov. sp.
Plaat 7, fig. 5.
49—23 mm.
Een zuivere Thymelicus volgens Herrich-Schäffer’s systeem
(zie Corr. Bl. Zool.-Min. Vereins 1869 p.138); het sprietknopje
is plat, aan het eind geheel afgerond en aan de basis der
sprieten vindt men een zwart pluimpje. Eindlid der palpen
spits priemvormig.
Sprieten donkerbruin, okergeel geringd, het knopje op de
onderzijde bleek okergeel. Palpen aan de voorzijde geelwit,
naar boven bruingeel, het eindlid en de achterzijde van lid
2 zwart. Kop en lijf zwart, okergeel behaard. Voorvleugels
166 LEPIDOPTERA VAN BATA VIA.
levendig donker okergeel, bijna goudgeel, aan den wortel
zwart bestoven, met eene driekante zwarte vlek op een
derde, die den wortel van cel 2 en de bovenste helft van
het wortelgedeelte van cel 1b beslaat. Op de dwarsader
ziet men eene eenigszins vierkante zwarte vlek, die door
eene korte streep met den voorrand is verbonden en zoo
eene ongeveer bijlvormige teekening vormt. De achterrand
is zwart, wortelwaarts stomp getand, scherp begrensd, aan
de vleugelpunt zeer breed, in cel 4 en 5 veel versmald en
van daar gelijkmatig in breedte toenemende om in cel 1a
langs den binnenrand te vervloeijen.
Achtervleugels zwart met een hoog okergeel, ovaal vlekje
in de middencel en een evenzoo gekleurden breeden, bijna
horizontalen, onregelmatig getanden dwarsband, die even
onder ader 6 zeer scherp begint en aan ader 1b, minder
duidelijk begrensd, eindigt. De franje is aan den staarthoek
der achtervleugels levendig okergeel, doch wordt naar boven
iets onzuiverder om boven ader 2 der voorvleugels een
grijzen tint aan te nemen.
Onderzijde bijna als boven geteekend, doch het zwart be-
slaat op de voorvleugels cel 1a geheel en ook de onderhelft
van het overige wortelgedeelte, is valer en langs den achter-
rand tegen de punt donker okergeel bestoven, de franjelijn
echter scherp vaalzwart latende. Evenzoo is ook de zwarte
grond der achtervleugels zeer sterk okergeel bestoven en
alleen cel 1b, eenige vlekjes achter den dwarsband en de
scherpe franjelijn zuiver vaalzwart. Buik en dijen geelwit,
de rest der pooten bruingeel met donkerbruine tarsen-
einden.
Bi) een exemplaar ontbreekt de driekante zwarte vlek
tegen den voorvleugelwortel geheel en ziet men aldaar
slechts eenige zwarte bestuiving; bij een paar anderen is zij
veel kleiner, vierkant en hangt onder den wortel van ader
2; bij nog twee is de vlek zeer groot en vereenigt zich
met de bijlvormige voorrandsvlek tot een in cel 4 en 5
franjewaarts uitspringenden, naar onderen zeer verbreeden
LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 167
zwarten dwarsband, die tot ader 1 reikt. De achtervleugels
zijn meer standvastig in teekening, doch bij twee voor-
werpen ontbreekt het ovale wortelvlekje.
Bij een exemplaar zijn de grondkleur en de franje onder
en boven geelwit.
Beide sexen zijn overigens eveneens gekleurd en getee-
kend, het wijfje heeft slechts een dikker achterlijf en wat
meer afgeronde vleugels.
Zes exemplaren, waarbij de vermelde albino, zijn door
den heer Piepers overgezonden en drie bevinden zich in
mijne collectie — allen van Java.
ISOSOMA EXIMIUM GIR. var.
Im mijne laatste lijst van inlandsche Hymenoptera komt
geene species van het geslacht Zsosoma Walk. voor. Sedert
echter zijn er drie ontdekt en daaronder degene waarover
ik hier twee woorden mede wil deelen.
De heer Mr. A. F. A. Leesberg, lid onzer Vereeniging, schonk
mij eens een wijfje van Zsosoma sp.?, door hem in de Scheve-
ningsche boschjes gevangen, dat door zijne bijzondere grootte
en slanke gedaante zeer mijne aandacht trok. Ik trachtte
er den naam van te weten te komen door vergelijking met
Walker’s beschrijvingen der Engelsche species in het Entom.
Magazine, doch te vergeefs. Vroeger had ik reeds zelf een
dergelijk, doch iets frisscher, vrouwelijk voorwerp op de
duinen van Scheveningen (16 Junij 1871) bemagtigd, doch
dat was onder een schat van andere Pteromalinen in eene
doos vergeten blijven staan. Ik vond dit toevallig terug en
deed nieuwe moeite om den naam te ontdekken, doch niet
tot voldoend resultaat komende, noemde ik de soort Zsosoma
Sabuleti mihi.
Dezer dage kwam mij eene beschrijving van Isosomen
door Dr. J. Giraud !) in handen, waarin ik mijn dier meende
te herkennen; daarin vond ik de volgende beschrijving
van Isosoma eximium sibi, die bijna geheel op mijne dieren
past.
Nigrum , dense punctulatum , pubescens: pedibus fulvis, coxis
omnibus femoribusque posticis nigris; alis hyalinis. Long. 4 31
mm., go mm.
1) Verhandlungen der Zool. bot. Gesellschaft in Wien, Band XIII (1863) p. 1296.
ISOSOMA EXIMIUM GIR.. var. 169
2 Tête et thorax presque mats, couverts d’une ponctuation médiocrement fine,
égale, très serrée, d’aspect grenu, et d’une pubescence courte et assez dense. Antennes
noires, avec le bout du second article et le troisième ou petit anneau, fauves.
Bord antérieur du prothorax non arrondi, formant des angles assez marqués presque
droits, et portant un point pâle, presque imperceptible. Métathorax très peu plus
fortement ponctué que le reste, parcouru, dans son milieu, par une gouttière assez
profonde. Abdomen lisse, un peu pubescent en arrière, plus long que le reste du
corps, un peu plus étroit que le thorax aux épaules, très-attenué au bout; le dos
couvexe, les côtés un peu comprimés en dessous, les valves de la tarière dépassant
le bout de toute la longueur du dernier segment, leur extrémité d’un fauve clair.
Pattes d'un fauve-rougeätre, les hanches, les trochanters, à l'exception du bouts
les cuisses postérieures jusques près de l'extrémité et la base des antérieures, noirs.
Ailes longues, étroites, hyalines, faiblement lavees de jaune sous le rameau stig-
matical; les nervures jaunâtres ou plutôt d’un fauve clair.
Van deze beschrijving verschillen mijne voorwerpen in de
volgende punten: van het rood op de sprieten kan ik ook
met mijne scherpste loupe niets bespeuren; van het witte
stipje op den prothorax is aan de regterzijde niets te zien,
aan de linker twijfelachtig iets; de scheeden van den leg-
boor zijn zwart en steken slechts weinig uit; de 4 voorste
trochanters zijn geheel zwart; de onderrand-ader is zwart
en wordt aan het einde roodbruin.
Moet ik nu de Hollandsche soort voor eene verscheiden-
heid der Oostenrijksche houden of is zij zelfstandig ?
Sun. VE
OPMERKINGEN
BETREFFENDE
EENIGE EXOTISCHE DIPTERA,
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
Door de goedheid van den heer A. Preudhomme de Borre,
Conservator van het Entomologisch gedeelte van ’s Rijks
Museum van natuurlijke historie te Brussel, werd ik ten
vorigen jare in de gelegenheid gesteld tot het onderzoeken
van een aantal Diptera, hoofdzakelijk Asiliden, die zich in
dat Museum bevinden. In aanmerking nemende, dat van de
Tweevleugelige insecten aldaar tot dusverre zeer weinig
werk is gemaakt, vond ik daarin toch een aantal belangrijke
soorten. Wat de Asiliden betreft, zijn de midden-Europesche
soorten er over ’t algemeen vrij wel vertegenwoordigd,
inzonderheid nadat de insecten, door Professor Wesmael
nagelaten, in het bezit van het Museum zijn gekomen.
Onder de Zuid-Europesche soorten vond ik er eenigen uit
Griekenland, namelijk Dasypogon diadema L., Stenopogon
sabaudus F. en coracinus Löw, Polyphonius laevigatus Löw
en Eutolmus periscelis Löw, en voorts Eccoptopus erythrogastrus
Löw uit Spanje (over dezen laatste hieronder nader). Ook
een aantal exoten bevinden zich in die verzameling, als uit
den Oost-Indischen archipel (met het etiquet Java) Laphria
EENIGE EXOTISCHE DIPTERA. 174
gigas Macq. en Reinwardtii Wied., Philodicus javanus Wied.,
Itamus longistylus Wied., Synolcus æanthopus Wied. en Mo-
chtherus gnavus v.d. W.; uit Mexico Leptogaster nitidus Macq.;
uit Peru Proctacanthus ranthopterus Wied.; uit Zuid-Amerika
Mallophora infernalis Wied. en nigritarsis Wied., Promachus
trichonotus Wied. en fuscipennis Macq., Erax labidopterus
Wied., macularis Wied. en obscurus Macq.; eindelÿk uit
Nieuwholland Blepharotes coriarius Wied. en Dasypogon
princeps Macq.
Toen mijne aandacht door het nazien van deze voorwerpen
van nieuws op de uitlandsche Diptera gevestigd werd, had
ik reeds vroeger onder de vliegen, mij door Dr. Weyenbergh
uit de Argentijnsche republiek welwillend toegezonden,
verscheidene zeer merkwaardige soorten aangetroffen , waar-
van sommigen mij voorkomen nog onbeschreven te zijn.
Ook in eene collectie Kaapsche insecten, door het Kon.
Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra te Amsterdam
aangekocht; en waarvan de Diptera mij door den heer
Swierstra ter bezigtiging werden toegezonden, bevonden
zich eenige zeer belangrijke voorwerpen.
Het onderzoek van al de genoemde collectiön heeft mij
aanleiding gegeven tot eenige opmerkingen, die ik voor-
loopig hier wensch mede te deelen, mij voorbehoudende
later de beschrijving der nieuwe soorten, deels door af beel-
dingen opgehelderd, te laten volgen.
1. Midas concinnus Macq.
(Macquart, Diplères exotiques, Suppl. I. 58. 3, pl. 6,
fig. 5).
Onder de vliegen, die ik uit het Museum te Brussel te
zien kreeg, was ook eene fraaije Midaside, die volgens het
etiquet afkomstig zou zijn van de kust van Guinea. Het
was een mannelijk exemplaar, dat aan beide sprieten het.
derde lid miste, maar overigens nog vrij gaaf was. Bij ver-
gelijking van alle voor mij toegankelijke beschrijvingen en
afbeeldingen ben ik tot het besluit gekomen, dat het bedoelde
472 OPMERKINGEN BETREFFENDE
voorwerp als Midas concinnus Macq. moet bestemd worden,
en zulks niettegenstaande Macquart Nieuwholland als vader-
land aangeeft. Eene verwisseling van het etiquet in het
Belgische Museum acht ik niet onwaarschijnlijk, wijl de
Diptera aldaar in vroeger jaren niet met die zorg zijn be-
handeld, welke zij verdienen, hetgeen mij ten opzigte der
plaats van herkomst reeds meermalen gebleken is.
Macquart plaatst de soort in het geslacht Midas, denkelijk
omdat hij over de gedaante der sprieten niet kon oordeelen,
want aan zijn exemplaar waren zij ook afgebroken. Het
aderbeloop der vleugels intusschen komt m.1. meer overeen
met dat, hetwelk hij als kenmerk van zijn geslacht Rhopalıa
opgeeft. De tweede onderrandcel namelijk is aan haar einde
seopend, terwijl zij bij de soorten, die in het geslacht
Midas overblijven, gesloten is. Wel is waar, heeft diezelfde
cel hier aan de basis een aanhangend adertje, dat bij Midas
voorkomt, maar volgens Macquart bij Rhopalia zou ontbreken,
doch dit is ongetwijfeld een kenmerk van zeer ondergeschikte
waarde en kan op zich zelve geen reden zijn om Midas
concinnus eene plaats in het geslacht Rhopalia te ont-
zeggen.
2. Leptogaster nitidus Macq.
(Macquart, Diptéres exotiques, 1. 2. 155. 1).
Een exemplaar uit Mexico, in het Brusselsche Museum
aanwezig, beantwoordt, ofschoon het ver van gaaf is, vrij
goed aan Macquart’s beschrijving. Dat bij die beschrijving
plaat 12 fig. 7 wordt aangehaald, is klaarblijkelijk eene ver-
gissing; die afbeelding toch stelt de naastvolgende soort,
L. Audouini, voor, hetgeen uit de zwarte pooten en de
zwarte streep over den thorax duidelijk te zien is.
3. Laparus princeps Macq.
(Macquart, Dipteres exotiques, Suppl. II. 19. 37).
Het geslacht Laparus werd door Löw voor eenige Zuid-
Afrikaansche soorten opgerigt. De voornaamste kenmerken,
EENIGE EXOTISCHE DIPTERA. 179
door hem aangegeven, komen echter ook bij sommige
Dasypoginen uit andere wereldstreken voor, en vertoonen
zich onder anderen zeer duidelijk in Dasypogon princeps Macq.
eene groote en prachtige soort van Nieuwholland, waarvan
een paar vrouwelijke exemplaren in het Museum te Brussel
voorkomen. Bij deze soort is de vierde achtercel der vleu-
gels niet gesloten, en het tandje aan den wortel van het
eerste lid der voortarsen, dat bij geen der Afrikaansche
soorten schijnt te ontbreken, is bij haar aanwezig, terwijl
sommige onbeschreven Zuid-Amerikaansche soorten, die
overigens in hetzelfde geslacht passen, het laatstgenoemde
kenmerk missen.
4. Dysmachus suillus F.
(Fabricius, Systema Antliatorum, 168. 19).
Van deze Kaapsche soort was tot dusver alleen het 9
beschreven. In het Museum van Natura Artis Magistra te
Amsterdam bevindt zich, behalve vrouwelijke exemplaren,
ook een 4, dat ontwijfelbaar tot die soort behoort; de uit-
voerige beschrijving toch, door Professor Löw van het 9
gegeven (Diptera Süd.-Afrika’s, p. 155 n°. 3) past in alle
bijzonderheden. Ik kan nu die beschrijving aanvullen wat
de mannelijke genitalién betreft. Deze zijn glanzig zwart
en bezet met eene digte en vrij lange, meerendeels zwarte
beharing; de bovenste lamellen zijn tamelijk kort en stomp,
en hebben tusschen zich een schuin overeindstaand, te-
pelvormig orgaan, dat aan ’teind witachtig behaard is; de
onderste lamellen zijn merkelijk langer en eindigen in een
paar lange en spitse, gekromde doornen.
Een goed kenmerk voor deze soort is de kleur der
mediastinaal-cel (tusschen de hulpader en de subcostaal-
ader), die aan haren wortel geel is, doch aan haar uit-
einde, digt bij de vleugelspits, grauw wordt, welke kleur
bij de overigens bijna zuiver glasachtige vleugels duidelijk
afsteekt.
174 OPMERKINGEN BETREFFENDE
5. Mochtherus gnavus v.d. W.
(Van der Wulp, Tijdschrift voor Entomologie, XV. 243.2).
Deze soort werd door mij |. ce. naar vier vrouwelijke exem-
plaren *) uit den Oostindischen archipel beschreven. In het
Museum te Brussel bevindt zich een mannelijk exemplaar ,
zonder aanduiding van vaderland, met de beschreven wijf-
jes in alle kenmerken zoo overeenstemmend, dat er bij
mij geen twijfel bestaat of het behoort tot dezelfde soort. De
overeenkomst is dan ook veel sterker dan die van het vroeger
door mij vermelde ¢ van het eiland Timor, met name in
de grootte (10 lin.) en in de zwarte knieën der achterpooten.
Aan het exemplaar in het Belgische Museum vertoont het
eerste lid der sprieten een bruin vlekje; het derde lid is
bijna geheel van die kleur; de teekening op den thorax is
vrij duidelijk, de middenband van voren verbreed en in ’t
midden gedeeld; de (mannelijke) genitalién zijn een weinig
kolfachtig, de tangarmen breed, glanzig bruinzwart, van
boven en in de zijden met zwarte, van onderen met roest-
kleurige beharing; het middelstuk is dik, roestkleurig met
beharing van dezelfde kleur. Het zwart aan de dijen der
achterpooten is zeer duidelijk; aan de voorste tarsen zijn
al de leden aan het einde bruin; de achtertarsen zijn geheel
donkerbruin; de voorscheenen hebben van onderen aan de
tweede helft eene lange gele beharing, de overige scheenen
eenige vrij lange gele borstels; de donkere tint aan de spits
en het laatste gedeelte van den achterrand der vleugels is
vrij krachtig.
6. Eccoptopus erythrogastrus Löw.
(Löw, Systematische Beschreibung der Europäischen Zwei-
flügeligen Insecten, Il. p. 121).
Ook deze soort uit Spanje is, even als de zeer verwante
E. longitarsis Macq. uit Perzië (vroeger de eenige soort van
1) Aldaar staat op blz. 244: maunelijke exemplaren: uit de beschrijving en af beel-
ding blijkt genoegzaam, dat hier eene schrijffout is begaan en vrouwelijke exemplaren
worden bedoeld.
EENIGE EXOTISCHE DIPTERA. 175
het genus) tot dusver alleen in de vrouwelijke sexe bekend.
In het Brusselsche Museum bevindt zich van haar, nevens
een 2, ook een vrij gaaf 4. De pooten van dit mannelijk
exemplaar zijn donkerder dan bij het e, zoodat zij bijna
geheel zwart kunnen genoemd worden; ook de voethaken
hebben niet, zoo als bij het 9, eene gele basis. Het achter-
lijf loopt eenigszins spits toe; de genitaliën zijn klein en
van dezelfde roodgele kleur als het geheele achterlijf, doch
met iets langere en digtere, gele beharing; de tangarmen
liggen in den vorm van een paar langwerpige schubben,
half geopend ter wederzijde van een tamelijk breed, kegel-
vormig middenstuk. De beide eerste leden der sprieten
zijn heldergeel, het derde bruinzwart. Het aderbeloop, met
name de vorm der tweede submarginaal-cel, is in beide
sexen volkomen zoo als Löw het beschrijft.
7. Gigamyia gigantea Wied.
(Stomoxys gigantea Wiedemann, Analecta entomologica,
4A. 74 en Aussereuropäische Zweiflügler, I. 248. 2).
Voor deze Zuid-Afrikaansche vlieg, waarvan ik een voor-
werp uit het Museum van Natura Artis Magistra onderzocht,
heeft Macquart (Dipt. exot. I. V.115) het geslacht Gigamyia
opgerigt. Reeds eene zeer oppervlakkige beschouwing doet
zien, dat de soort met het geslacht Stomoxys weinig anders
gemeen heeft dan de lange vooruitstekende zuiger. Macquart
plaatst zijn genus Gigamyia in de subfamilie der Muscinen ,
doch ik kan hem hierin niet bijvallen. De bijna geheel
naakte sprietborstel en de stevige borstels, waarmede het
voorhoofd, de thorax, het achterlijf en de pooten bezet zijn,
eischen ontwijfelbaar voor dit geslacht eene plaats onder de
Tachininen.
Aan de beschrijvingen van Wiedemann en Macquart voeg
ik overigens nog het volgende toe. De zilverwitte wangen
hebben een roodbruinen weerschijn; de breede langsband
over het voorhoofd is meer donkerbruin dan zwart en heeft
boven den sprietwortel eene geelachtig witte vlek; de
176 OPMERK. BETR. EXOT. DIPTERA.
sprietborstel is tot ongeveer in ’t midden een weinig verdikt
en heeft aldaar eenige naauw merkbare haartjes; de bor-
stels in de zijden van den thorax en aan den achterrand
van het schildje zijn zeer stevig; nog dikker en daarbij
eenigszins stomp zijn die aan den achterrand van den
tweeden en de volgende lijfsringen; in het midden van
deze ringen ontbreken zij. De vleugels zijn aan den wortel
bleekgeel ; de middendwarsader staat juist boven het mid-
den der schijfcel ; de spitscel is smal geopend, de schijf-
dwarsader zacht gebogen.
Het exemplaar in het Amsterdamsche Museum is, naar
ik geloof, een 9.
ACCT ANGE UW E. 0: OS T= ENDES CEE
XYLOCOPA-SOORTEN ,
BESCHREVEN DOOR
C. RITSEMA Cz.
1. Xylocopa myops nov. spec. 9.
Verwant aan X. rufescens Smith (Monograph of the Genus
XvrocopA (1874) n°. 48) = X. heteroclita de Haan 1.1. (coll.
Mus. Lugd. Bat.), doch gemakkelijk van deze te onderscheiden
door het gemis der lange roodbruine franje aan het vierde,
vijfde en zesde achterlijfssegment.
De lengte van het wijfje (het mannetje is mij niet bekend)
bedraagt van 27—32 mm. De kleur is bruinzwart, de kop
uiterst digt met puntjes bedekt en op het aangezigt en de
wangen met aschkleurige haren bekleed. De sprieten zijn
donkerbruin, de onderzijde der negen laatste geledingen
van de vlag echter licht geelachtig bruin. De bijoogjes zijn
groot, zeer bol en digt bij elkander geplaatst. De boven-
kaken zijn zwart, de buitenrand eindigt in een scherpen,
de binnenrand in een regt afgesneden tand.
De geheele thorax is digt bedekt met eene wollige asch-
kleurige beharing, die op de rugzijde naar het bruine trekt;
de achterrand van het scutellum is afgerond; eene fijne
langsgroef verloopt van den voorrand tot op het midden
van het mesonotum. De vleugels zijn doorzigtig, geelachtig
van kleur, donkerder in de radiaalcel; de vleugeladeren en
de tegulae zijn helder bruin. Van de pooten zijn de heup,
12
178 OOST-INDISCHE XYLOCOPA-SOORTEN.
de dij en de binnenzijde der scheen met aschkleurige, de
buitenzijde der scheen en de tars (vooral aan de beide laatste
paren) met donker roodkoperkleurige haren bedekt.
Het achterlijf (met uitzondering van een’ smallen gladden
zoom langs den achterrand der segmenten) is zeer digt met
grove puntjes bedekt, waaruit op het eerste segment asch-
grauwe, op het tweede tot en met het laatste segment
echter donkerroode haren ontspringen; op de buikzijde
vormen deze haren banden. Op de rugzijde neemt men op
den achterrand van het eerste segment een’ doorloopenden,
op dien van het tweede, derde en vierde segment ter
wederzijde een’ korten, uiterst smallen band van korte
aschgraauwe haartjes waar. De zijden van het eerste tot
en met vierde segment dragen aschgrauwe, die van de
beide volgende segmenten langere zwarte min of meer
rossige haren; aan de zijden van het eerste segment staan
deze haren het digtst opeen; de haren om den anus zijn rood.
’s Rijks Museum bezit van deze soort zes wijfjes, allen
van het eiland Banka afkomstig, waarvan vijf door den heer
Buddingh en een door den heer Vosmaer geschonken zijn.
2. Xylocopa Aruana nov. spec. 9
Verwant aan X. aestuans Linn. doch gemakkelijk van het
wijfje van deze soort te onderscheiden door de digte bleek-
gele beharing van de wangen, doordien de gele beharing
van de rugzijde van den thorax zich tot onder den vleugel-
wortel uitstrekt, en doordien de tweede cubitaaldwarsader
niet tot aan de cubitaalader reikt, kenmerken die zij met
het wijfje van X. dimidiata St. Farg. (2 = bryorum F.) = X.
Mulleri Voll. i.1. (Coll. Mus. Lugd. Bat.) gemeen heeft; bij de
laatstgenoemde soort, die over het geheel minder forsch
gebouwd is, is de schedel echter met helder gele haren be-
dekt (bij de nieuwe soort met zwarte) en strekt de gele
beharing van den thorax zich verder onder de vleugels uit,
terwijl de gele haren, die bij Dimidiata op het eerste ach-
OOST-INDISCHE XYLOCOPA-SOORTEN. 179
terlijfssegment voorkomen, bij Aruana door zwarten ver-
vangen zijn.
De lengte van X. Aruana bedraagt ongeveer 23 mm. De
kleur is zwart, de kop digt met puntjes bedekt, het kop-
schild over het midden van eene gladde langsstreep voor-
zien. Het aangezigt is met dooreengemengde zwarte en
gele, de wangen met bleekgele en de schedel met ver-
spreide zwarte en enkele gele haartjes bedekt. De onder-
zijde van de negen laatste geledingen van de vlag der
sprieten is helder bruin.
De rugzijde van den thorax is helder geel behaard, welke
beharing zich tot even onder den vleugelwortel voortzet;
de beharing van het overige gedeelte van den thorax is
zwart. De vleugels zijn donker bruin met purperen en
blaauwen maar vooral groenen weerschijn; de afscheiding
tusschen de eerste en tweede cubitaalcel is niet volkomen.
De achterrand van het scutellum is scherp. De pooten
zijn zwart behaard; alleen komen langs den achterrand van
de buitenvlakte der scheenen van het voorste paar enkele
gele haartjes voor, terwijl de tarsen van hetzelfde paar
vooral aan de binnenzijde rossig behaard zijn.
Het achterlijf is vooral aan de zijden digt met puntjes
bedekt; het eerste segment draagt op de rugzijde ver-
spreide opstaande, de overige segmenten liggende zwarte
haren; de zijden van het achterlijf, vooral aan de laatste
segmenten, zijn van lange zwarte franjeharen voorzien;
de haren om den anus zijn rood.
°s Rijks Museum bezit van deze soort talrijke vrouwelijke
individuen, door den heer von Rosenberg op de Aru-
eilanden verzameld.
3. Xylocopa nigroplagiata nov. spec. ¢
Verwant aan X. Aruana Rits. doch slanker van vorm en
gemakkelijk van haar te onderscheiden door de dwars ovale
zwarte vlek, op de voorste helft der overigens geel be-
haarde rugzijde van den thorax.
180 OOST-INDISCHE XYLOCOPA-SOORTEN.
De lengte bedraagt 21 mm. De kleur is zwart, de onder-
zijde der negen laatste geledingen van de vlag der sprieten
helder bruin. De voorzijde van den kop is digt, de schedel
en de wangen meer verspreid met puntjes bedekt. Aan de
binnenzijde van den top der zamengestelde oogen en aan
de buitenzijde der beide achterste bijoogjes bevindt zich
een breede indruk. Het aangezigt en de wangen zijn met
dooreengemengde grijze en zwarte, de schedel slechts met
zwarte haren bedekt. De rugzijde van den thorax is geel
behaard, met uitzondering evenwel van eene dwars ovale
vlek van zwarte beharing op het midden van het mesono-
tum; de gele beharing strekt zich een weinig onder den
vleugelwortel uit. De beharing van het overige gedeelte
van den thorax en die van de pooten en van het achterlijt
is zwart, om den anus echter rood. De vleugels zijn tamelijk
licht bruin, donkerder in de radiaaalcel en achter de geslo-
ten cellen; zij bezitten een’ paars blaauwen weerschijn. De
tweede cubitaal-dwarsader reikt niet tot aan de cubitaal-
ader, bij een mijner beide voorwerpen is zij zelfs geheel
afwezig. De achterrand van het scutellum is scherp.
°s Rijks Museum bezit van deze soort twee wijfjes die door
den heer von Rosenberg op de Aru-eilanden gevangen zijn.
4. Xylocopa tricolor nov. spec. 9
Verwant aan X. nobilis Smith, doch van deze vooral
onderscheiden door het gemis van den gelen band over den
prothorax en het scutellum en de grootere uitgebreidheid
van het rood op het achterlijf.
De lengte bedraagt 27 mm. De kleur is zwart, de onder-
zijde der acht laatste geledingen van de vlag der sprieten
helder bruin. De kop, thorax en pooten zijn zwart behaard.
De achterrand van het scutellum is scherp. De vleugels zijn
zeer donker bruin met een bronzen en purperen weerschijn ,
de laatste kleur heeft achter de gesloten cellen de overhand ;
de tweede cubitaal-dwarsader vereenigt zich niet met de
cubitaalader.
OOST-INDISCHE XYLOCOPA-SOORTEN. 181
De rugzijde van het achterlijf is op het eerste segment
met gele, op de basis van het tweede met zwarte, voor
het overige met steenroode haren digt bedekt; langs de
zijden komen lange franjeharen van dezelfde kleur voor,
terwijl ook de haren der buikzijde (langs den achterrand
der segmenten smalle banden vormende) steenrood zijn.
Het wijfje waaraan deze beschrijving ontleend is, werd
door den heer Hoedt op het eiland Xulla- of Sula Bessy
gevangen, en met andere insecten aan ’s Rijks Museum
gezonden.
5. Xylocopa combinata nov. spec. g
Verwant aan X. coronata en provida Smith, ja als het
ware uit eene zamensmelting van deze soorten ontstaan.
Terwijl toch X. coronata zwart is met fraai gelen band om
den kop achter de oogen, en X. provida zwart met het
scutellum bedekt met fraaije gele haren, bezit de nieuwe
soort zoowel den gelen band achter de oogen als de gele
beharing van het schildje.
De lengte bedraagt ongeveer 22 mm. De kleur is zwart,
de onderzijde der acht laatste geledingen van de vlag
der sprieten helder bruingeel. Het aangezigt is met door-
eengemengde gele en zwarte, de schedel en de wan-
gen met een’ doorloopenden band van helder gele haren
bedekt.
De beharing van den thorax (met uitzondering van die
van het scutellum welke helder geel is), van de pooten en van
het achterlijf is fluweelzwart. De achterrand van het scutel-
lum is scherp. De vleugels zijn donkerbruin, en met een’
fraaijen purperen, vooral achter de gesloten cellen met
blaauwgroen gemengden weerschijn voorzien. Van de tweede
cubitaal-dwarsader is slechts de bovenste helft aanwezig.
Het achterlijf is digt met puntjes bedekt.
Drie wijfjes van deze soort zijn door wijlen Dr. Bernstein
op de Obi-eilanden verzameld.
182 OOST-INDISCHE XYLOCOPA-SOORTEN.
6. Xylocopa leucocephala nov. spec. 9
Eene zwarte soort met witbehaarden kop, die eene groote
overeenkomst vertoont met de Afrikaansche X. imitator Smith,
van welke soort zij zich echter onderscheidt door meerdere
grootte, door de digte witte beharing van den schedel, door
de grijze haartjes op de buitenvlakte der voorscheenen,
door den groenen weerschijn der vleugels en door de digtere
bestippeling van het midden des achterlijfs.
De lengte bedraagt ongeveer 27 mm. De kleur is zwart,
met uitzondering van de onderzijde der acht laatste gele-
dingen van de vlag der sprieten, die helder bruin is. De
kop is met puntjes digt bedekt, en op het aangezigt
(vooral op het midden daarvan) dun, op de wangen en den
schedel digt met witte haren bekleed. De beharing van den
thorax, van de pooten en van het achterlijf is rossig zwart,
aan de buitenvlakte van de scheenen van het voorste pooten-
paar met enkele grijze, om den anus met zeer donker
roodbruine haren vermengd. De achterrand van het scutellum
is scherp. De vleugels zijn zeer donker bruin met blaauw-
groenen weerschijn. Het achterlijf is op de zijden digt, op
het midden iets meer verspreid met puntjes bedekt; de
haren op de rugzijde van het eerste segment zijn langer
dan die van de volgenden. — Bij deze soort is de afschei-
ding tusschen de eerste en tweede cubitaalcel volkomen.
De heer Hoedt ving het hier beschreven wijfje op het
eiland Solor.
7. Xylocopa Smithii nov. spec. 9
Van X. collaris St. Farg., waarop deze soort eenigszins ge-
lijkt, gemakkelijk te onderscheiden doordien niet de voor-
rand van den thorax, maar de achterrand van den kop met
witte haren bekleed is, als ook door den scherpen achter-
rand van het scutellum, die bij Collaris afgerönd is.
De lengte bedraagt ongeveer 21 mm. De kleur is zwart,
op het scutellum met een flaauw groenen en op de vijf
OOST-INDISCHE XYLOCOPA-SOORTEN. 183
eerste segmenten van het achterlijf met een fraai blaauwen,
met groen en purper gemengden glans voorzien. De onder-
zijde der acht laatste geledingen van de vlag der sprieten
is helder bruin. De kop is digt met puntjes bedekt; het
aangezigt draagt verspreide zwarte haren; die aan den
voorrand van het kopschild zijn rood, die van de wangen
en den achterrand des schedels wit. De beharing van den
op het midden der rugzijde uiterst gladden en glanzigen
thorax is zwart. De achterrand van het schildje is zeer scherp.
De vleugels zijn donkerbruin met blaauwgroenen weerschijn ;
de afscheiding tusschen de eerste en tweede cubitaalcel is
volkomen. De beharing der pooten en van het achterlijf is
zwart, om den anus rood. Het achterlijf is vooral aan de
zijden en op de beide laatste segmenten zeer digt met
puntjes bedekt.
Twee wijfjes van deze soort, die ik naar den schrijver
der Monographie van het geslacht Xylocopa benoem, zijn
door den heer von Rosenberg op het eiland Celebes (Goron-
talo) gevangen en aan ’s Rijks Museum opgezonden.
8. Xylocopa splendidipennis nov. spec. den 2.
Het wijfje van deze soort gelijkt sterk op X. fenwiscapa
Westw., doch is aanmerkelijk kleiner (de onvolkomen al-
scheiding tusschen de eerste en tweede cubitaalcel is een
zeer goed onderscheidingskenmerk); het mannetje echter
is van dat der genoemde soort zeer onderscheiden, 1° door-
dien de eerste geleding van de tarsen der voorpooten niet
verbreed is, en 2° doordien de zamengestelde oogen op den
schedel niet zoo digt tot elkander naderen.
Het mannetje is 23 mm. lang, zwart, met uitzondering
evenwel van de onderzijde der acht laatste geledingen van
de vlag der sprieten, de onderzijde van het achterlijf en
der pooten, benevens de vier laatste geledingen der tarsen,
hetgeen alles meer of minder helder bruin is; voorts is het
kopschild (met uitzondering van een zwart vlekje op het
midden van den voorrand) en een boogvormig afgerond
184 OOST-INDISCHE XYLOCOPA-SOORTEN.
vlekje daarboven, benevens de voorzijde van de schaft der
sprieten geel. De zamengestelde oogen zijn groot, en hun
binnenrand loopt ongeveer evenwijdig. De schedel en het
bovenste gedeelte der wangen is met korte zwarte, het
benedengedeelte der wangen met lange geelachtig witte
haren bedekt. De thorax is op de rugvlakte (met uitzonde-
ring van het gladde glanzende middelste gedeelte) en op
de zijden met korte zwarte min of meer rosse haren, op
de buikzijde met roodachtig gele haren bedekt. De achter-
rand van het scutellum is scherp. De vleugels zijn zeer
licht bruin betint en hebben tot aan het eind der gesloten
cellen een fraai groenen-, daarachter een’ fraai purperen
goudglans. De afscheiding tusschen de eerste en tweede
cubitaalcel is niet volkomen. De geledingen der tarsen van
de beide eerste pootenparen zijn platgedrukt; aan het voorste
paar pooten is de bovenvlakte van de scheen en de tars
met geelachtig witte haren bekleed; de tarsen van het
middelste paar dragen aan de buitenzijde lange roestbruine,
aan de binnenzijde aan den grond der tars donkere, naar
het eind lichter wordende haren; de haren der tarsen van
het laatste pootenpaar zijn donker roestbruin; aan ditzelfde
paar is het eind van de trochanters met één, de basis der
dijen met twee stevige doornen gewapend. Het achterlijf is
met fijne puntjes en zwarte haartjes bedekt, op de beide
laatste segmenten zijn de haren zeer lang.
De lengte van het wijfje bedraagt 25 mm. De kleur is
zwart, aan de onderzijde der acht laatste geledingen van
de vlag der sprieten vaalbruin. De kop is, behalve op eene
breede gladde langsstreep over het midden van het eenigs-
zins verheven kopschild, met tamelijk verspreide puntjes
bedekt. De haren van den kop zijn zwart; aan den voor-
rand van het kopschild en op de bovenlip komt echter
eene rij roodbruine haren voor. Het midden van het meso-
notum en scutellum is zeer glad en glanzig, en van voren
en ter wederzijde door eene zwarte beharing omgeven;
ook de zijden van den thorax zijn zwart behaard; de
OOST-INDISCHE XYLOCOPA-SOORTEN. 185
buikzijde is bijna kaal. De achterrand van het scutellum is
scherp. De vleugels zijn donkerbruin, tot aan het eind der
gesloten cellen met een’ prachtigen groenen-, daarachter
met een’ prachtigen purperen goudglans voorzien; even als
bij het mannetje is de afscheiding tusschen de eerste en
tweede cubitaalcel niet volkomen. De beharing der pooten
is zwart, de onderzijde der tarsen van het eerste paar
echter roodbruin. Het achterlijf is vooral op de zijden digt
met puntjes bedekt; de rugzijde van het eerste segment
draagt lange zwarte haren; de zijden van het achterlijf zijn
met lange zwarte franjeharen bezet.
Het paartje waaraan deze beschrijvingen ontleend zijn,
is door den officier van gezondheid Ludeking van het eiland
Sumatra overgezonden.
Over OLIGOSTIGMA Guenée,
EEN GENUS DER PYRALIDEN,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
(Hierbij Plaat 8 en 9).
Slechts weinigen van Guenée’s Pyraliden-genera zijn door
Lederer ongewijzigd overgenomen, terwijl velen teregt wer-
den ingetrokken. Ten minste één geval, waar die intrekking
evenwel ten onregte is geschied, levert ons het genus Oli-
gostigma op, dat door Lederer geheel met zijn genus Hydro-
campa is vereenigd. Na verwijdering van Oligostigma juncealis
bleven drie soorten over (Javanalis is het wijfje van Cras-
sicornalis), die in de uitsnijding van den achterrand der
achtervleugels een gemeenschappelijk_ kenmerk bezitten,
dat haar duidelijk onderscheidt, en zoodoende had het bonte
mengelmoes dat wij in de genera Hydrocampa, Parapoynx
en Cataclysta van Lederer aantreffen, althans van één vreemd
bestanddeel kunnen worden gezuiverd. Het is waar dat
van de vier Oligostigmen slechts eene (Juncealis) aan Lederer
in natura bekend was, doch behalve de zeer duidelijke
aanwijzing door Guenée van de soorten welke de boven-
gemelde uitsnijding bezitten, geeft hij ook nog pl. 1, fig. 37
eene afbeelding van den achtervleugel eener Oligostigma met
uitsnijding. Het veronachtzamen van Guenée’s beschrij vingen
is, dunkt mij, dus volstrekt niet gewettigd.
OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 187
Niet alleen de door Guenée beschrevene doch niet volledig
afgebeelde Oligostigma crassicornalis, colonialis en gibbosalis in
gave en versche exemplaren voor mij hebbende, maar
buitendien nog eenige geheel onbeschreven soorten van
's Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leyden en
uit andere verzamelingen, wenschte ik Guenée’s genus te
herstellen, de nieuwe soorten te beschrijven en van allen
afbeeldingen te geven.
Levert de onderscheiding der Oligostigmen van de drie
bovengenoemde genera geene moeijelijkheden op, de karak-
terisering tegenover de overige Pyraliden-genera is verre
van gemakkelijk, want de door mij tot Oligostigma gerekende
soorten verschillen onderling zoo zeer, dat er slechts weinige
kenmerken van belang overblijven die zij allen bezitten,
terwijl, wanneer men de door Lederer gebezigde regelen
in toepassing wilde brengen, hier zeker 7—8 genera moesten
worden gevormd. Dit kan echter vermeden worden , wanneer
men bij inlassching in Lederer’s systeem gebruik maakt
van eene schijnbaar geringe bijzonderheid, die alle mij
bekende Oligostigma-soorten bezitten. Terwijl ader 6 der
voorvleugels namelijk nog uit het bovenste vierde der dwars-
ader ontspringt, komt ader 7 reeds uit den steel van 8—10
(of 811). Bij alle mij bekende Pyraliden-genera, waar
eveneens ader 8 der achtervleugels ten minste voor een deel
met ader 7 is vergroeid, komt ader 7 der voorvleugels zeer
duidelijk uit de dwarsader. Voegt men hierbij de vermelding
van den zeer schuinen stand der beide dwarsaderen en
de uitsnijding van den achterrand der achtervleugels, met
eenige beschrijving van den type der teekening, dan is het
genus m.i. voldoende gekenmerkt en kan men het in Lede-
rer’s tabel onder 10 aldus invoegen:
Ader 6 der voorvleugels uit 3 der dwarsader,
7 uit den steel van 8—10 of van 8— 11; achter-
rand der achtervleugels met eene uitsnijding
in cel 5 en de achterrand daaronder met
188 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE.
scherpe zwarte en witte stippen. Dwarsader
zeer schuin, het horizontale naderende. Witte,
langvleugelige vlinders; de punt der voorvleu-
gels regthoekig of spits , doch niet omgebogen ;
langs hunnen achterrand eene gele, fijn zwart
gezoomde streep met eene donkere winkel-
haakvormige teekening daarvoor; over ader 4
eene gezwaaide, vervloeijende gele streep. OLIGOSTIGMA.
Overigens valt er niet veel van het genus te beschrijven
dat aan alle soorten gemeen is. Gelijk uit de analytische
tabel der soorten zal blijken, is het verre van homogeen.
De sprieten zijn bij alle soorten korter dan de voorvleugels,
hun schaft zonder uitmonsteringen, gewoonlijk bruingeel,
zonder veel variatie in kleur; de palpen gekromd en opgerigt,
over het geheel smal; de zuiger aanwezig; de oogen groot;
het voorhoofd en aangezigt vlak; de thorax bijna kogelrond,
zonder bijzonderheden, evenmin als het gewelfde, bij de
mannen slanke en lange, bij de wijfjes vrij dikke, kortere
spitse achterlijf die bezit. Voorvleugels met 12 aderen, de
achtervleugels met 8; middencel der laatsten gesloten en
niet open zoo als Guenée afbeeldt, de dwarsaderen, en niet
het minst die der voorvleugels, staan bijzonder schuin,
geheel anders dan bij de verwante genera waar zij bijna
regtstandig zijn !).
De witte grondkleur is een weinig paarlemoerglanzig,
de teekeningen geel of bruin, steeds min of meer okerkleurig ;
ook de teekening langs den voorrand der voorvleugels en
een middenband der achtervleugels zijn geel of bruin en
de winkelhaakvormige streep der voorvleugels steeds door
eene helderwitte streep der grondkleur van de overal even
breede en fijn zwart gezoomde, lintvormige streep langs
den achterrand gescheiden. Franje bij alle soorten grijs.
Onderzijde zeer weinig geteekend. Pooten lang en dun,
1) Pl. 9, fig. Se stelt de vleugeladeren voor van Olig. crassicornalis 9 als type
voor het geheele genus.
OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 189
vooral de voortarsen van buitengewone lengte, gelijk zij
trouwens bij Hydrocampa, Parapoyne en Cataclysta over het
geheel zijn.
Al de mij bekende soorten (15) bewonen de tropische
gewesten van Azië, want Oligostigma vittalis Bremer mist,
wanneer men de beschrijving raadpleegt (de jammerlijk
slechte afbeelding kan men gerust buiten rekening laten)
de karakteristieke uitsnijding der achtervleugels en behoort
dus niet tot dit genus.
Van de leefwijze is mij niets bekend; waarschijnlijk zijn
de dieren even als onze Europeesche Hydrocampen , water-
lievende insecten.
Ik laat hier eene analytische tabel der soorten volgen :
I. Eindlid der palpen min of meer spits (Pl. 8.
fig. 1a, 3a), aan de voorzijde zonder uitste-
kende beschubbing. Voorrand der voorvleu-
gels bij beide sexen vlak, somtijds in het
midden zelfs iets ingedrukt; staarthoek der
achtervleugels bij het mannetje afgerond.
A. Palpen de helft langer dan de kop, het
eindlid half zoo lang als lid 2, priem-
vormig (fig. 1a). Bijoogen duidelijk. Sprie-
ten dun, de wortel zonder tand, de leden
driekant (fig. 1b). Pooten met lange, dunne
doornen. Wortelwaarts van de gele mid-
denstreep der achtervleugels nog een of
twee zwarte lijnen ; boven de uitsnijding
nog een of twee zwarte stippen; midden-
streep der achtervleugels en bovenste arm
van den winkelhaak der voorvleugels
franjewaarts scherp zwart gezoomd. Ader
3—5 van voor- en achtervleugels onge-
steeld ; 14 der voorvleugels uit de mid-
dencel,
190 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE.
4. Tusschen de gele middenstreep der ach-
tervleugels en de zwarte stip aan den
vleugelwortel twee zwarte lijnen. Dwars-
ader der voorvleugels met een donker
streepje. Gele teekeningen eidojerkleu-
rig. Voorvleugels zonder uitmonsteringen.
1215 mme DEE ra a pias Ge rel. Bilinealis:
(PL. 8. fig. 1 0).
2. Tusschen de gele middenstreep der ach-
tervleugels en de zwarte stip aan den
vleugelwortel ééne zwarte lijn. Dwarsader
der voorvleugels met eene dikke zwarte
stip. Gele teekeningen bleek okerkleurig.
A mm Koi alle gno ee nr ens:
(Pl. 8. fig. 2).
B. Palpen weinig of niet langer dan de kop,
het eindlid zeer kort (fig. 3a). Geene
bijoogen. Sprieten draadvormig, bij het
mannetje veel dikker dan bij het wijfje
(fig. 3b). Sporen kort. Wortelwaarts van
de gele middenstreep der achtervleugels
de grond ongeteekend of slechts een
donker gezoomd geel vlekje of zwarte
stip; boven de uitsnijding geene zwarte
stip.
4. Op den achterrand der achtervleugels een”
gele, fijn zwart gezoomde band, gelijk
aan dien der voorvleugels en daarin juist
onder de uitsnijding, 2—3 zwart afgezette
witte stippen. Van de stippen tot den
binnenrandshoek de gele band ongetee-
kend. Middenstreep der achtervleugels
parallel met den achterrand, op ader 2 niet
OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 19
wortelwaarts gebroken ; achterrand onder
de uitsnijding gelijkmatig afgerond 1).
a. Thorax en voorrand der voorvleugels
nooit geheel donker, de gele achterrands-
band der achtervleugels bovenaan nooit
geheel roestbruin.
x Wit binnen den winkelhaak der voorvleu-
gels met een donker lijntje; de winkel-
haak daarachter geel. Gele teekeningen
bleek okerkleurig; voorrand der voor-
vleugels geel, niet donkerder dan de
overige teekeningen; vleugelpunt zonder
zwarte stip. Bij het d de middencel der
voorvleugels met een indruksel.
a. Donker lijntje in den witten driehoek der
voorvleugels geheel vrij van den gelen
winkelhaak ; deze tegen den voorrand
gebruind; de middencel met eene zwarte
stip. Achtervleugelwortel ongeteekend;
de gele middenband ongerand, de achter-
randsband met twee witte, zwartgerande
stippen en eene fijne zwarte, soms on-
duidelijk wit afgezette daaronder. Voor-
vleugels van beide sexen geheel gelijk;
hunne ader 41 uit den voorrand der
middencel; ader 4 en 5 van voor- en
achtervleugels gesteeld. Sprietwortel van
het 4 ongetand. 20—26 mm. . . . .3. Golonialis.
(PL. 8. fig. 3c en 3d).
1) Ecue afdeeling die op deze volgt bevat drie Javaansche svorten van 19~ 21 mm,
vlugt. Zij wordt aldus gekarakteriseerd :
Op den achterrand der achtervlcugels een gele, fijn zwart gezoomde band, van
ader 2 tut de uitsnijding minstens tweemaal zoo breed als die der voorvleugels en de
achterrand onder de uitsnijding met een spitsen tand uitstekende. Ouder de uitsnijding
slechts ééne witte stip, de franjelijn van de uitsnijding tot ader 2 in dikke zwarte
streepjes opgelost. Voorvleugels spits.
De voorwerpen zijn evenwel te slecht cm de soorten nader bekend te maken,
192 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE.
b. Donker lijntje in den witten driehoek der
voorvleugels van onderen in den gelen
winkelhaak uitloopende en over zijnen
onderarm voortgezet, de bovenarm aan
den voorrand niet gebruind ; de middencel
zonder zwarte stip. Wortel der achter-
vleugels geel, donkergrijs gerand even als
de middenband; de achterrandsband met
twee witte, zwart gerande stippen en eene
fijne zwarte daarboven. Voorrand van de
middencel der voorvleugels bij het d met
een glanzig grijs schubbenkammetje;
hunne ader 11 gesteeld met de voorgaan-
den; ader 4 en 5 van voor- en achter vleu-
gels ongesteeld. Sprietwortel van het &
met eenen tand (pl. 8. fig. 4a). 1 à,
20 am ets nale AG Af De ER NED om ales:
(PL 8. fig. 4b en 4e).
xx Wit binnen de winkelhaakvormige streep
der voorvleugels zonder donker streepje.
a. Donkere winkelhaak voor den achterrand
der voorvleugels aan zijn begin, bij den
wortel van ader 3 zwartgrijs, verder geel.
Gele teekeningen goudkleurig; voorrand
der voorvleugels geel, niet donkerder dan
de streep op den achterrand.
S. Donkere winkelhaak der voorvleugels te-
gen den voorrand gebruind. Voorvleugel-
punt iets omgebogen, met eene zwarte
stip. Gele achterrandsband der achter-
vleugels met twee witte stippen; de uit-
snijding duidelijk; de middenband smal,
franjewaarts donker gerand. Voorrand der
voorvleugels bij het 4 breed omgeslagen,
SS.
b.
OVER OLIGOSTIGMA GUENEE.
de omslag geel, aan zijn begin donker-
bruin, verder met potloodkleurigen zoom ;
g met donkere stip aan den vleugelwortel
en in het midden der middencel bij een
indruksel. Mannelijke sprietwortel zonder
tand; ader 4 en 5 overal gesteeld, 11 der
193
voorvleugels ongesteeld. d 21, ¢ 31 mm. 5. Aureolalis.
(PL 8. fig. 5a—c).
Donkere winkelhaak der voorvleugels
tegen den voorrand niet gebruind. Voor-
vleugelpunt stomp, ongeteekend. Gele
achterrandsband der achtervleugels met
drie witte stippen; de uitsnijding flaauw ;
de middenband naar boven vervloeid en
zeer breed, wortelwaarts donker gerand.
Middencel der voorvleugels met een klein
indruksel (fig. 4b); de voorrand zonder om-
slag. Ader 4 en 5 der achtervleugels kort
gesteeld, die der voorvleugels ongesteeld,
ader 11 der laatsten gesteeld. Sprietwortel
met eenen tand. Een d, 25 mm.
. 6. Simplicialis.
(PI. 8. fig. 6).
Donkere winkelhaak voor den achterrand
der voorvleugels eenkleurig, okerbruin of
grauwbruin. Voorrand der voorvleugels
donkerder dan de streep op den achter-
rand. Thorax licht. Onder de duidelijke
uitsnijding der achtervleugels twee witte
stippen. Sprietwortel van het ¢ zonder
tand.
Middenstreep der achtervleugels niet don-
ker gerand, naar boven vervloeid, twee-
maal. zoo breed als de achterrandsband
en even als deze en de achterrand der
13
194 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE.
voorvleugels hoog okergeel. Voorrand en
winkelhaak der voorvleugels helder oker-
bruin; de vleugelpunt met eene fijne
zwarte stip. Voor- en binnenrand van de
middencel der voorvleugels met eene
schubbenkam; ader 4 en 5 en 11 der
voorvleugels ongesteeld, 4 en 5 der ach-
tervleugels kort gesteeld. 1 4, 27 mm. 7. Latifascialis.
(PL. 8. fig. 7a en 7b).
$$. Middenstreep der achtervleugels van den
binnenrand tot ader 2 even breed als
de achterrandsband en helder okergeel als
deze en die der voorvleugels, verder veel
smaller, donker gerand, het omgebogen
boveneind geheel grijs. Voorrand en win-
kelhaak der voorvleugels grauwachtig
okerbruin ; de vleugelpunt ongeteekend.
Voorrand der voorvleugels bij het d met
breeden, glanzig potloodkleurig grijs be-
schubden omslag; ader 4 en 5 overal
gesteeld, 41 der voorvleugels ongesteeld.
EMA, oe 29-44 mm... . . .8. Crassicornalis.
(Pl. 9. fig. 8 a—e).
b. Thorax en de tegen den binnenrand inge-
sneden voorrandshelft der voorvleugels
geheel donker grijsbruin, de laatste binnen
den winkelhaak een weinig lichter, zui-
verder grijs. Achterrandsband der achter-
vleugels bovenaan geheel roestbruin, met
3 witte, zwart afgezette stippen, verder
okergeel als die der voorvleugels en de
middenband der achtervleugels. Ader 4
en 5 overal ongesteeld, 11 der voorvleugels
gesteeld. Sprietwortel van het d met eenen
OVER OLIGOSTIGMA GUENEE. 195
tand, zijne voorvleugels met eene langs-
plooi in de middencel en twee schubben-
kammetjes aan haar eind. 49 23—27 mm. 9. Tripunctalis.
(Pl.9. fig. 9a en 9b).
Op den achterrand der achtervleugels vier
min of meer ineenvloeijende, zeer dikke
fluweelzwarte, wit gekernde of afgezette
stippen en de grond tusschen haar, even
als de overige gele teekeningen, bleek
okerkleurig. Middenband der achtervleu-
gels op ader 2 gebroken, naar boven tot
het dubbele verbreed; hunne ader 2 met
eene donkere stip aan den wortel. Ader
4 en 5 overal ongesteeld, 11 der voor-
vleugels gesteeld. Sprietwortel van het 4
met eenen tand.
De grootere, tegen den binnenrand in-
gesneden voorrandshelft der voorvleugels
donker grijsbruin. Zwarte stippen op den
achterrand der achtervleugels ineenvloei-
jend; tusschen haar en de gele midden-
streep eene zwarte lijn. Voorvleugels met
een klein indruksel aan het eind der
middeneel. id. 923 mm, 27. 2 2 4 410: Necahs:
(Pl. 9. fig. 10).
De voorrandshelft der voorvleugels wit
met drie naar den binnenrandshoek ge-
rigte, franjewaarts donker gezoomde, bij
het 4 aan den voorrand "bruinachtige,
gele strepen. Zwarte stippen op den ach-
terrand der achtervleugels duidelijk van-
eengescheiden; tusschen haar en de gele
middenstreep geene zwarte lijn. Voorvleu-
gels van het & met een klein indruksel
196 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE.
in de middencel, bedekt door een plat
pluimpje. 815,9 21mm... 2.028544. Sejunctahs.
(PL. 9. fig. 11 a, ben c).
II. Eindlid der palpen met twee driekante,
door de beschubbing gevormde uitstekken,
het middenlid vrij breed (fig. 125). Bij het
d de voorrand der voorvleugels in het midden
hoekig naar buiten gebogen; de voorrand
der middencel met eene groote schubbenkam
en een indruksel ; de staarthoek zijner achter-
vleugels verlengd (fig. 12a en c). Geene bij-
oogen. Sprieten draadvormig, bij den man
dik en de wortel met eenen tand. Sporen
kort. Ader 4 en 5 overal ongesteeld.
Achterrandsband en middenstreep der
achtervleugels bij den man okerbruin; bij
het wijfje de laatste tegen den binnen-
randshoek grijs; onder de duidelijke uitsnij-
ding drie witte, zwart afgezette stippen. 42
2528 mm... Fee ey Ae MER d2./Gchbosalis:
(PI. 9. fig. 12 a—d).
I.
A.
1. Bilinealis nov. spec.
(Pl. 8, fig. 1a—e).
Palpen, pooten en lijf wit, het laatste met grijze dwars-
strepen. De witte grondkleur der voorvleugels is bij deze
soort dof en wordt zeer beperkt door de gele teekeningen,
die overal vrij dik zwart of zwartgrijs zijn afgezet en allen
ineenvloeijen, Even voorbij het begin van den binnenrand
OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 197
der voorvleugels begint eene grijze lijn, die zich gebogen
naar den voorrand wendt, daarmede parallel loopt en ein-
digt bij het donkere streepje der dwarsader; eene kortere
staat daarboven en komt uit den vleugelwortel. Voorrand
met eene wigvormige gele vlek die ineenvloeit met den
onderarm der bij deze soort zeer onduidelijke winkelhaak-
vormige teekening. Ook de gezwaaide gele streep over ader
1 is hier moeijelijk te herkennen en men kan eerder zeggen
dat de geheele binnenrand geel is met eene gebogene
witte, donker afgezette streep.
Op de achtervleugels is de witte grond tusschen de
middenstreep en den achterrandsband mede zeer beperkt,
scherp donker afgezet en wel de helft smaller dan het geel,
dat de geheele vleugelpunt beslaat. De witte stippen in den
achterrandsband, die bij de andere soorten voorkomen,
worden hier niet gevonden. Men ziet alleen vijf koolzwarte
blokjes op de franjelijn, twee boven, drie onder de uit-
snijding, die wortelwaarts met eenige donkere schubben
zijn afgezet. Verder naar den staarthoek is de franjelijn
veel dunner, bijna zamenhangend en niet zoo donker zwart,
doch de wortelwaartsche zwarte bezooming van den gelen
achterrandsband loopt tot aan den binnenrand door.
Onderzijde als boven geteekend en ook ongeveer zoo
gekleurd, doch alles bleeker en flaauwer, meer vervloeid,
de voorvleugels grijs bestoven. Alleen de blokjes op de
franjelijn der achtervleugels zijn sterker uitgedrukt.
Twee mannetjes; het eene zeer gaaf, het andere iets
beschadigd.
Punjaub. Collectie van Lord Walsingham.
2. Unilinealis nov. sp.
(Pl. 8, fig. 2a en 8).
Palpen, pooten en lijf wit; het middenlid der eersten op
zijde donkergrijs, het laatste met bleekgele dwarsstrepen.
Witte grond der vleugels iets glanzig, de gele teekeningen
198 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE.
der voorvleugels flaauw ; alleen de winkelhaak franjewaarts
zwart afgezet, zijn onderarm zeer onduidelijk , ineengevloeid
met eene wigvormige vlek aan den voorrand en de ge-
zwaaide streep over ader 1.
Op de achtervleugels is daarentegen de middenstreep
overal dik zwart afgezet, de witte grond tusschen haar en
den achterrandsband even breed als het geel dat ook de
vleugelpunt beslaat. De achterrandsteekening ook hier als
bij de voorgaande soort, uit zwarte blokjes op de franjelijn
bestaande, een boven, twee onder de uitsnijding; voor en
boven hen ziet men een paar grijze wolkjes en zij zijn
afgezet door fijne zwarte boogjes die ook verder langs de
dunne zwarte franjelijn loopen. Tusschen die boogjes en
de franjelijn is de gele band bleeker, zijne zwarte bezooming
als bij Bilinealıs.
Onderzijde als boven doch alles zeer flaauw en bleek.
Een gaaf wijfje.
Java, Ambarawa, door Dr. Ludeking verzameld en in
's Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leyden bewaard.
B.
4
3. Colonialis Guenée.
(Pl. 8, fig. 3a—d).
Guenée, Delt. et Pyral. p. 262 N°. 248.
Palpen , pooten en lijf zeer bleek okergeel; de voorscheenen
bruinachtig. Witte grondkleur der vleugels glanzig, de gele
teekeningen, hoewel nergens donker afgezet en bleek, toch
zeer zuiver en duidelijk. Voorvleugels ook bij het wifje
met een klein indruksel in de middencel, doch overigens
die vleugels bij beide sexen zonder versierselen in den
vorm van omslagen, plooijen of schubbenkammetjes. Het
donkere lijntje in het wit binnen den winkelhaak staat
schuin en convergeert met den hoek van den haak; het
is overigens zwart, de bovenarm van den winkelhaak aan den
OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 199
voorrand is donkerbruin; onderarm van dezen eenkleurig
geel en zich duidelijk tot aan de zwarte stip aan den wortel
der middencel uitstrekkende. Verder ziet men bij de meeste
exemplaren eene dunne donkergrijze bestuiving in cel 12
en in het midden van cel 1a onder de gezwaaide gele
streep over ader 1. De eenkleurig gele middenband der
achtervleugels is weinig breeder dan het daarop volgende
wit en de achterrandsstreep en eindigt, iets vervloeijend, op
de hoogte der uitsnijding; de vleugelpunt is bleek bruin-
grijs gekleurd. Achterrandsstreep om de stippen een weinig
oranje; zijne zwarte bezooming, even als bij al de volgende
soorten tot en met Tripunctalis en bij Gibbosalis een eind-
weegs voor den binnenrandshoek ophoudende.
Onderzijde als boven doch het geel zeer bleek en de
geheele voorrand der voorvleugels met eene dunne grijze
bestuiving. Mannelijke achterpooten met een geelwit pluimpje
tusschen dij en scheen, overigens met vier sporen even
als de vrouwelijke.
Guenée’s beschrijving is — den slechten toestand van zijn
eenige exemplaar in aanmerking genomen — vrij goed.
Van de schijnbaar naverwante Aureolalis zijn de man-
netjes door den omslag des voorvleugelvoorrands dadelijk
te onderscheiden, de wijfjes door het ontbreken van het
donkere streepje in het wit binnen den winkelhaak, door
het donkere begin van diens onderarm welke reeds bij
den wortel van ader 2 ophoudt, en door de donkere stip
aan den voorvleugelwortel.
Java, Ambarawa (Ludeking) en Tjikao (Botter). Verschei-
dene gave exemplaren van beide sexen op ’s Rijks Museum
te Leyden en in mijne eigene verzameling. Volgens Guenée
ook bij Bombav.
4. Hamalis nov. spec.
(PL 8, fig. 4a—c).
Palpen, pooten en lijf geelwit. De witte grondkleur der
vleugels bij deze soort het meeste glanzig, iets zilverachtig,
200 OVER OLIGOSTIGMA GUÉNÉE.
waartoe ook bijdraagt dat de glanzig potloodkleurig grijze
afzetting der meeste gele teekeningen, vooral op de achter-
vleugels, in het wit vervloeit. Voorrandshelft der voorvleugels
geel doch zonder eigenlijke teekeningen tot aan het donker-
grijze lijntje van den witten driehoek, dat een haak vormt
waarin eene gele vlek staat. Bovenarm van den gelen win-
kelhaak naar achter donkerder, franjewaarts grijs afgezet,
wortelwaarts vervloeijend.
De gele middenstreep der achtervleugels is tweemaal
zoo breed als de witte daarachter, naar boven wat ver-
breed, naar achteren iets donkerder en tegen de vleugel-
punt niet scherp donker afgezet. Deze is vervloeijend geel
en glanzig grijs gekleurd.
Om de stippen is de gele achterrand iets oranjekleurig.
Onderzijde wit, als boven geteekend doch zeer flaauw.
Een mannetje; zeer gaaf.
Punjaub. Collectie van Lord Walsingham.
5. Aureolalis nov. spec.
(Pl. 8, fig. 5a—e).
Palpen bleekgeel; het lijf wit, op de bovenzijde grijs-
achtig; de halskraag en eene dwarsstreep over den voor-
laatsten achterlijfsring okergeel. Witte grondkleur glanzig,
de gele teekeningen door hare hooge kleur zeer afstekend.
Bij het mannetje is de geheele omslag aan den voorrand,
behalve de schubben waarmede hij binnenwaarts gelijk
eene franje is bezet, goudgeel en bedekt ten deele eene
driehoekige gele vlek aan het begin van het laatste voor-
randsderde, die bij het wijfje zeer duidelijk is, ofschoon
daar bleeker. De spits dezer vlek eindigt bij het zwartgrijze
begin van den onderarm des winkelhaaks. Laatstgenoemde
onderarm strekt zich niet verder uit dan tot den wortel van
ader 3; de wortel van ader 2 is echter nog geel. Wanneer
men den omslag opligt, ziet men ook bij het mannetje
de donkere stip in de middencel en het indruksel is op de
onderzijde zeer goed te onderscheiden.
OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 201
De gele middenstreep der achtervleugels is ongeveer even
breed als de witte daarachter, tot boven de uitsnijding
duidelijk en eindigt in eene dunne, omgebogen grijze spits.
Achterrandsband ook boven de uitsnijding aanwezig doch
aldaar grijs, zeer fijn zwart gezoomd. Om de stippen de
grond een weinig oranje.
Onderzijde ook hier als boven. Pooten zonder uitmon-
steringen, gewoon gespoord ; over de voorscheenen en
tarsen loopt eene fijne donkergrijze lijn.
Van deze soort bevinden zich drie exemplaren op ’s Rijks
Museum te Leyden, allen van Java, twee mannetjes en een
wijfje. De mannen zijn zeer slecht, veel kleiner dan het wijfje :
zij zijn door Dr. S. Müller en Dr. Blume gevangen en dragen
geene nadere aanduiding van vangplaats. Het zeer veel
grootere frissche en gave wijfje is van den Ardjoeno en
door Dr. Heckmeijer overgezonden. Het overeenstemmende
in teekening doet mij deze exemplaren als de beide sexen
van ééne soort bijeen voegen.
6. Simplicialis nov. spec.
(Plaat 8, fig. 6).
Van deze soort heb ik slechts één oud, slecht behandeld
mannetje voor mij, dat echter bij al het overeenstemmende
met de voorgaande soort in bouw te zeer met den man
van Aureolalis verschilt, om niet dadelijk als eene goede
species te worden herkend.
Het lijf is leemkleurig geel, misschien door ouderdom,
en de witte grond der voorvleugels, wel om dezelfde reden,
vuil. De teekening echter is duidelijk en men merkt dade-
lijk eene driehoekige gele voorrandsvlek op, even als bij
Aureolalis, doch zij is hier veel sterker uitgedrukt. De
onderarm van den winkelhaak eindigt ook hier aan den
wortel van ader 3 en is duidelijk onderscheiden van de
gele schubben op het begin van ader 2.
Achtervleugels met zeer afgeronde punt en flaauwe uit-
snijding, de middenband boven ader 3 tot eene groote,
202 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE.
vervloeijend gele plek verbreed, wortelwaarts een eindweegs
donkergrijs gezoomd. Het wit voor de achterrandsstreep
zeer beperkt.
Onderzijde als bij de voorgaande soorten. Pooten zonder
uitmonsteringen, gewoon gespoord.
Java, zonder nadere aanduiding van vangplaats (Blume) ;
's Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leyden.
7. Latifascialis nov. spec.
(Plaat 8, fig. 74 en 5).
Mede slechts een enkel mannetje, dat echter, even als
de voorgaande soort in den bijzonderen bouw der voor-
vleugels voldoende kenmerken bezit. Het is frisch en vrij
gaat, doch het lif tamelijk ontschubd. Naar de daarop
overgebleven bekleeding te oordeelen zou ik zeggen dat de
halskraag donkergeel is en de rug van den thorax bleek
grijsgeel, terwijl het achterlijf eene donker leemgele kleur
heeft.
De voorrand der voorvleugels is aanvankelijk leemkleurig
bruin en gaat eerst op de helft van den vleugel, aan het
eind der schubbenkammetjes in beslist okerbruin over,
zich tevens tot eene driekante vlek verbreedende, die franje-
waarts hoekig is ingesneden en van onderen met den
onderarm des winkelhaaks ineenvloeit. De bovenarm van
dezen is onder en boven even breed (bij de volgende soort
bovenaan verbreed) en het wit binnen den haak even
helder als de streep achter hem, voor den gelen rand. De
gezwaaide gele streep over ader À wordt door eene bruin-
achtige vlek, op een derde van cel 1a, verduisterd. Wat
de achtervleugels aangaat, zoo is de geheele grond wortel-
waarts der middenstreep vuil geelwit, de vleugelpunt grijs-
achtig, de binnenrand hoog okergeel, terwijl men slechts
een smal grijswit streepje ontwaart tusschen de midden-
streep en den gelen achterrand.
Onder is de geheele teekening bruinachtig, vrij duidelijk.
Pooten bruinwit , de voorscheenen aan het eind donkerbruin,
OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 203
de achterpooten in het gewricht tusschen dij en scheen
met een bruinwit pluimpje en slechts met cindsporen.
Celebes, Bonthain, door Mr. Piepers gevangen.
8. Crassicornalis Guenée.
(Plaat 9, fig. Sa—e).
Oligostigma Grassicornalis Guenée. Dell. et Pyral. p. 261.
n°. 246 (3).
Oligostigma Javanalis Guenée. Delt et Pyral. p.262. n°. 247 (2).
Van deze soort heb ik negen Javaansche exemplaren voor
mij, die zeer in grootte verschillen. Het kleinste is een man
van 21 mm. en het grootste een wijfje van 44 mm. Bij de
voorwerpen, door mij als beide sexen van Aureolalis bij-
eengevoegd, neemt men een dergeliik verschil in grootte
waar, terwijl daarentegen de exemplaren van Colonialis en
ook die van Tripunctalis weinig uiteenloopen.
Lif iets onzuiver wit met een donkergrijs streepje, dat
over de voorzijde van den thorax loopt en de donkere
voorranden der voorvleugels verbindt. Deze beginnen aan
den wortel bij het wijfje smal, worden eerst langzamerhand
breeder en dan op eens driemaal zoo breed, van onderen
afgerond en franjewaarts iets getand (fig. 8¢). Bij den wortel
van ader 3 sluit zich de grauwbruine winkelhaak bij de
afgeronde verbreeding aan. Zijn bovenarm is tegen den
voorrand iets verbreed en heeft aldaar, bij één voorwerp,
eene ronde witte stip; bij de anderen is hij ongeteekend.
Bij de mannetjes is de donkere voorrand reeds aan den
wortel breeder en breidt zich aan het eind niet zoo ver
naar binnen uit (fig. Sa). De gele streep over ader 1 is bij de
mannen geheel zuiver (ook bij het door Guenée beschreven
mannetje) doch bij al mijne wijfjes is hare wortelhelft sterk
bruingrijs verduisterd; bij één vloeit die verduistering zelfs
bijna met het begin van den donkeren voorrand ineen.
De vorm der achtervleugels, die bij de voorgaande soor-
ten bij beide sexen niet noemenswaard verschilde, vertoont
204 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE.
bij man en wijf van Crassicornalis eenig onderscheid. Bij
laatstgenoemd merkt men namelijk eene duidelijke neiging
tot verlenging aan den binnenrandshoek op, terwijl de
achterrand tamelijk vlak is en dus de vorm van den vleugel
naar het driekante begint te zweemen. Het mannetje heeft
daarentegen een meer afgeronden staarthoek. De binnenrand
zijner achtervleugels is geheel okergeel, hooger gekleurd
dan bij het wijfje, waar ook meestal slechts eene stip aan
den binnenrandswortel geel is, terwijl het overige, althans
tot aan het begin der middenstreep, wit blijft.
De randstippen zijn bij deze soort zeer duidelijk en staan
op bruinachtigen grond, terwijl de achterrandsstreep ook
boven de uitsnijding is voortgezet, doch veel flaauwer ,
grijsgeel en zeer fijn zwart gerand.
Onderzijde met eene flaauwe schets van de teekening der
bovenzijde; de achterrandsstreep bleek geel, het overige
graauwachtig.
Pooten bruinwit, de scheenen van boven iets donkerder. Zij
zijn overigens bij beide sexen gewoon gevormd en gespoord.
Twee wijfjes wijken in de teekening der voorvleugels van
de overige exemplaren af. Terwijl bij deze laatsten de ver-
breeding van den donkeren voorrand afgerond is en de
witte driehoek binnen den winkelhaak met de basis op
diens onderarm rust, zijn bij die twee voorwerpen de ge-
melde verbreeding en de onderarm van den haak tot eene
breede vlek ineengevloeid, die met eene fijne punt slechts
zeer zwak is verbonden met den bovenarm van den haak.
Buitendien houdt de donkere voorrand bij de verbreeding
plotseling op, in plaats van bijna tot den bovenarm des
haaks door te loopen. Hierdoor is de witte driehoek geheel
anders, omgekeerd; ook is de bovenarm van den. haak
onderaan dunner dan bij de andere exemplaren. Ik betwijfel
echter dat dit verschil specifiek zou zijn, want de mannetjes
duiden reeds den overgang aan (zie fig. Sa), doch het is
noodig deze varieteit af te beelden en van den type te
scheiden onder den naam van Invertalis (fig. 8d).
OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 205
De exemplaren van het hoofdras (?) zijn op Java ver-
zameld door Dr. Ludeking bij Ambarawa, en door Prof.
Blume zonder nadere aanduiding van vangplaats.
Van de varieteit is een exemplaar in Malang door Hille-
brand gevangen en bevindt zich op ’s Rijks Museum; een
ander in mijne collectie is van Java, doch zonder aandui-
ding van vangplaats en uit de collectie van Dr. Gijsberti
Hodenpijl afkomstig.
9. Tripunctalis nov. sp.
(Plaat 9, fig. 9 a en 5).
Palpen en kop bruinachtig geel, lichter dan de thorax.
Het donkere gedeelte der voorvleugels strekt zich eigenlijk
tot over de voorrandshelft uit en is tegen den binnenrand
en op den winkelhaak het donkerste en het meest bruin,
overigens meer grijs, doch deze tint het zuiverst in den
driehoek, binnen den haak. Onder diens benedenarm, dus
even voor den binnenrandshoek, is het donkere ingesneden
en men bemerkt op die plaats eene in den staarthoek
uitloopende gele streep, als overblijfsel van die, welke bij de
andere soorten boven den geheelen binnenrand loopt.
Op de achtervleugels is de binnenrand aan den wortel
(even als de geheele vleugelwortel) zuiver wit; het overige
van den binnenrand vlekkig geel. De middenstreep is aan
beide zijden, doch wortelwaarts het sterkst, donker grijs
afgezet, wordt bovenaan breeder en eindigt vóór de vleugel-
punt, scherper begrensd dan bij de andere soorten, in eene
bijlvormige vlek. Vleugelpunt een weinig grijs getint, aan
de spits geel doch de achterrandsstreep boven de duidelijke
uitsnijding niet voortgezet. Onder de uitsnijding ziet men
op donker roestbruinen grond de hier zeer duidelijk ten
getale van drie aanwezige zilverwitte en zwarte randstippen.
De rug van het achterlijf is op ring 2 en 3 wit, verder
donkergrijs met vuilwitte staartspits. Onderzijde bijna zuiver
wit met flaauwe sporen van de boventeekening.
Pooten ook bij den man gewoon gespoord, doch met een
206 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE.
duidelijk wit pluimpje aan het eind der achterdijen. Voor-
scheenen van boven donkergrijs.
Het mannetje bezit verder nog op de voorvleugels eene
eigendommelijke bijzonderheid in de plooi der middencel;
het is alsof deze digtgeknepen is. Zijne voorvleugels
hebben daardoor over het geheel een plooijerig aanzien.
(Zie fig. 9b).
Java, Malang (Hillebrand), Ardjoeno (Heckmeijer).
Vijf goede exemplaren op ’s Rijks Museum van Natuurlijke
Historie te Leyden.
2.
10. Nectalis nov. spec.
(Plaat 9, fig. 10).
Palpen, kop en thorax leemkleurig. Voorvleugels bijna als
bij de voorgaande soort geteekend en gekleurd; alleen staat
de onderarm van den winkelhaak wat steiler en is daar-
door de witte insnijding dieper, over de helft van den
vleugel komende. Ook de gezwaaide gele streep over ader
4 is hier bijna geheel duidelijk.
De achterrand der achtervleugels vertoont bij deze en de
volgende soort de vooral aan Cataclysta Lederer eigendom-
melijke fluweelzwarte streep met zilverwitte stippen, ook
is de gele middenstreep anders dan bij de voorgaande soorten.
Zij wordt ook wortelwaarts door eene fijne donkere lijn
begeleid. Drie der ineenvloeijende zwarte randstippen hebben
zilverwitte kernen.
Onderzijde grijsachtig, met flaauwe schets der teekening
van de bovenzijde; de achterrand der achtervleugels met
drie groote ronde zwarte stippen.
Pooten lichtgrijs, gewoon gespoord, met een pluimpje
aan het eind der achterdijen.
Boven het indruksel van de middencel der voorvleugels
zie ik geen pluimpje, doch mijn eenige mannetje is eenigs-
zins afgevlogen ; gave voorwerpen vertoonen misschien eenig
dergelijk sieraad.
OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 207
Java (Dr. S. Müller), zonder nadere aanduiding van
vangplaats.
'sRijks Museum van Natuurlijke Historie te Leyden.
11. Sejunctalis nov. sp.
(Plaat 9, fig. 110—e).
Palpen bleek geel; pooten en lif wit; het laatste op de
bovenzijde met bleek gele dwarsstrepen. Witte grondkleur
glanzig; de gele teekeningen helder doch bleek en vervloeid.
Voorvleugelwortel aan den voorrand bij het wijtje geel, bij
het mannetje bruinachtig even als de voorrandsstrepen ,
waarvan de derde eigenlijk de bovenarm van den winkel-
haak is. Onderarm van dezen zeer onduidelijk, min of meer
door een grijs vlekje bedekt. In den binnenrandshoek
vloeijen het eind der gezwaaide binnenrandsstreep, de punt
der tweede gele voorrandsvlek en de hoek van den winkel-
haak tot eene wolkige gele vlek ineen.
Aan den wortel der achtervleugels ziet men een geel
vlekje tegen de donkere stip bij den wortel van ader 2.
De zwarte stippen op den achterrand zijn bij het wijfje
zilverwit gekernd; bij den man worden zij door zilverwitte
stippen afgewisseld en bij dezen ziet men ook eenige zilver-
grijze schubben in den staarthoek der achtervleugels. Zwarte
franjelijn afgebroken, ook op de voorvleugels.
Onderzijde wit, slechts met zeer flaauwe sporen van de
teekening der bovenzijde, de achterrandsstippen der achter-
vleugels echter zeer duidelijk doch ongekernd.
Een gaaf paar.
Punjaub. Collectie van Lord Walsingham.
IDE
12. Gibbosalis Guenée.
(PL 9, fig. 12a—d).
Oligostigma gibbosalis Guenée, Dell. et Pyr. p. 262. N°. 249,
Kop en lijf leemkleurig, boven bruin, onder meer leem-
208 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE.
geel, de ook bij den man gewoon gespoorde pooten met
een leemgeel pluimpje aan de achterdijen. Middenlid der
palpen veel breeder, dan bij de andere soorten. De witte
grondkleur is nergens helder dan tusschen den bovenarm
van den winkelhaak en de achterrandsstreep, overigens is
zij, vooral bij het afgebeelde mannetje, zeer sterk berookt,
binnen den winkelhaak met eenıgen zilver- of potloodglans.
De gezwaaide streep over ader 1 der voorvleugels is mede
okerbruin; even onder en voorbij de plaats waar de voor-
rand gebroken is ziet men bij den man eene zwarte stip,
aan de vleugelspits eene tweede. De lange, haarvormige
schubben, die bij den man over de middencel der voor-
vleugels zijn gestreken, zijn bruingrijs.
Op de achtervleugels, die bij den man leemkleurig, bij het
wijfje vuilwit zijn, ziet men een okerbruin, zwart gerand
dwarsbandje aan den wortel; de middenband is naar boven
verbreed en omgebogen, donker afgezet, wortelwaarts zwart,
scherp en onafgebroken, franjewaarts van den binnenrand
tot ader 3 vervloeijend donker grijs, vervolgens tot voorbij
de uitsnijding niet afgezet, het omgebogen boveneind fijn
zwart. Evenzoo is ook de wortelwaartsche afzetting der tot
de vleugelpunt doorloopende achterrandsstreep tegenover
de uitsnijding afgebroken.
Onderzijde vuil leemkleurig, alleen de streep voor de
lichtere, meer gele achterrandsstreep duidelijk, doch on-
zuiver wit, het indruksel van de middencel der voorvleugels
grijsachtig.
De bogt van den voorrand der voorvleugels bij het mannetje
gaat gepaard met eene afwijking van het aderstelsel (Pl. 9.
fig. 12d). Ader 12 loopt namelijk niet in den voorrand
uit, maar verlaat, even voorbij de breuk, den bijna be-
reikten voorrand en wendt zich naar ader 10 die uit de
middencel komt en loopt daarin uit; verder ontspruit ader
11 als een kort sprankje uit het terugloopende eind van
ader 12 en is de voorrand der middencel tegen het eind
iets ingedrukt. lets dergelijks ziet men bij vele Geometriden
OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 209
met vrije ader 8 der achtervleugels (Dendrometrina Herrich-
Schäffer).
Ik heb een zeer gaaf en frisch mannetje (het afgebeelde)
voor mij, dat door den heer Piepers bij Makassar op Celebes
is gevangen. Op ’s Rijks Museum bevinden zich verder
voorwerpen van Java. Guenée’s exemplaren waren uit Oost-
Indië, zonder nadere aanduiding van vangplaats.
IETS OVER OTIORHYNCHUS SULCATUS L.
Nergens heb ik tot nog toe de waarneming opgeteekend
gevonden dat de larve van den bekenden snuittor Otvorhyn-
chus sulcatus L. aan andere planten schadelijk was dan aan
den wijnstok (Verg. Westwood, Kiesenwetter en Kaltenbach)
en aan Primula, Trollius en derg. (zie Bouché); ook bleef
het mij onbekend dat kever of larve ergens in ons land
in bijzondere hoeveelheid vereenigd waren aangetroffen.
Van beide deze zaken heb ik echter onlangs de ver-
zekering ontvangen en wel door autopsie.
Voor ongeveer eene week werd mij eene doos vol van
individuen dezer keversoort gebragt met verklaring dat zij
in een tuin of serre aan den Bezuidenhout te ’s Gravenhage
de klimop geheel vernielden, dat dit vijftigtal maar een
staaltje was van de massa en dat men gaarne weten zou
wat daartegen te doen. Ik ging er heen en zag dat de
aangetaste klimopplanten, in langwerpige bakken geplant,
langs ijzerdraden naar boven waren geleid, dat dus de
luchtwortels nergens aanhechting vonden en dat in het
geheel aan die planten zoo niet lucht, dan toch zon ont-
brak. Ik veronderstelde dat de larve aan den wortel in de
aarde der bakken moest leven. En zoo bleek het ook, want
kort daarna werd mij door den bewoner eene tweede doos
vol larven en poppen, in vochtige aarde liggend, ter hand
gesteld,
De larve en pop zijn reeds in April 1837 door Prof. J.
O. Westwood in Gardener’s Magazine beschreven, zoodat het
niet noodig is daarop in dit Tijdschrift terug te komen.
's GRAVENHAGE, Junij 1876.
bo
BIJVOEGSEL
TOT DE NIEUWE NAAMLIJST VAN
NEDERLANDSCHE VIIESVLEUGELIGE INSECTEN
(HYMENOPTERA)
LOOR
S.C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Vergelijk 2% Serie, Deel 4 (1868) en Deel 8 (1873) bl. 147 volgg.
Fam. I. TENTHREDINIDEA.
Cimbex Sylvarım F.
Een bont wijfje uitgekomen 15 Mei uit eene larve van Enschede, Dr.
van Rossum. — Een zwart wijfje uitgekomen te Arnhem 15 Mei,
v. Med. de Rooij.
Cim. Vitellinae L.
In menigte in Mei en Junij te ’s Gravenhage uitgekomen uit larven
overgezonden door Dr. A. J. van Rossum, die ze bij Enschede op
Salix Capraea aangetroffen had.
Abia fasciata L.
Een wijfje bij Nijkerk, v. Med. de Rooij.
Abia sericea L.
Een 9 22 Mei op den Engelenburg bij Brummen.
Hylotoma enodis L.
Bij Rhoon 8 Junij 1875 een 9, Iv. Schepman.
Hyl. ustulata L.
Een ¢ 8 Junij in het Ulvenhoutsche bosch en een @ 15 Junij in den
Imbosch bij Rozendaal, Ritsema.
15a. Hyl. violacea Kl.
Klug, Blattw. in Mag. nat. Fr. VI. p. 289, n°. 6. Hart. Blatt. und
Holzw. p. 83, n°. 7 — Een 4 bij Arnhem 21 Mei, v. Med. de
Rooij. -— Een 2 15 Junij in den Imbosch bij Rozendaal, Rits.
14
60a.
68.
Tha.
BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
Lophyrus virens KI.
Een wijfje 7 Julij bij Overveen, Rits.
Loph. pallidus KI.
Drie voorwerjen in Julij gekweekt uit cocons, gevonden bij het gehucht
Deelen in Gelderland, Rits.
. Loph. Laricis Jur.
Klug, Blattw. in Mag. Berl. VI, p. 39. Hart. Blattw. p. 131, n°. 6.
— Een wijfje 24 Mei 1874 in de bosschen bij het Ginneke, Rits.
Loph. elongatulus Kl.
Eene verscheidenheid van het wijfje bij Wolfheze op ’t eind van Mei,
v. Med. de Rooij.
Nematus hypogastricus Hart.
De larve meer dan eens bij Leyden, v. V.
Nem. lucidus Panz.
Een & bij Arnhem, v. Med. de Rooij.
Nem. ventralis Panz.
Den 8sten Junij in het Ulvenhoutsche bosch, Rits. Bij Breda, Heyl.
Nem. luteus Panz.
Desgelijks, Rits.
Nem. carinatus Hart. =
Hart. Blatt. und Holzw. p. 199, n°. 28. — Een 2 met donkerbruin
stigma 8 Junij in het Ulvenhoutsche bosch, Rits.
Nem. crassicornis Hart.
Een man met ook aan de bovenzijde bruinroode sprieten aan de Vogelen-
zang 3 Ang. Rits. — Ben dergelijk 24 Julij bij Hilversum, v. V.
Nem. pallescens Hart.
Hart. Blattw. p. 216, n°. 48 (nec. Testaceus Thoms). — Een $ welks
achterlijf in het leven groen was, in Junij op Beekhuizen, Rits.
Cryptocampus angustus Hart.
Uit riet gekweekt bij Breda, Heyl.
. Crypt. nigricornis Kl.
Verg. Hart. Blattw. p. 225 laatste regel. — Bij Venlo, v. d. Brandt.
Dineura Alni L.
Bij Breda in Mei, Heyl. — Op Schothorst in Julij, v. V.
Din. pallipes Hart.
Twee wijfjes bij den Haag, Fransen.
Dolerus anticus Kl.
Te Oosterbeck en in den Aerenhout in Julij en in Mei aan het Gin-
neken, Rits. -— Bij Rotterdam, Fransen.
Dol. Busaei Voll.
Drie voorwerpen bij Rhoon in Mei, Iv. Schepman.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 215
89. Dolerus triplicatus Kl.
Klug, in Mag VIII. p. 298, ne. 221. Hart. Blattw. p. 232, n°. 4. —
Twee wijfjes 21 April en begin van Mei bij Rhoon, Iv. Schepman.
90a. Dol. uliginosus Kl.
Klug, in Mag. VIII. p. 296, n°. 223. Hart Blattw. p. 233, n°. 7.—
Een 4 in April 1872 bij Rhoon, Iv. Schepman.
93. Dol. palmatus KI.
Een Z bij Venlo, v.d. Brandt. — Drie wijfjes in Zuid-Holland, Perin.
95. Dol. gonagra F.
In het laatst van Mei te Brummen, v. V.
96. Dol. vestigialis Kl.
In het laatst van Mei te Brummen, v. V.
105«. Emphytus succinctus Kl.
Klug, in Mag. Berl. VIII. p. 278, ne. 193. — Hartt. 2.2 p. 247,
n°. 3. Panz. Fauna 82, 12 2 en 117, 1 4. — Twee voorwerpen bij
Rotterdam, Fransen. Een 9 bij Noordwijk 7 Julij 1874, v. V. — Een
in den Aerenhout bij Haarlem in Julij, Rits.
106. Emph. Grossulariae KI.
In Mei en Junij in het Haagsche bosch, v. V.
108. Emph. patellatus Kl.
21 Mei 1875 te Brummen, v V. — Fen 4 in Aug. aan het Ginne-
ken, W. Alb. — Bij den Haag in Mei, Six.
110. Emph. libialis Panz.
Bij Rotterdam, Fransen. — Bij Noordwijkerhout in Nov. Rits.
A11a. Emph. calceatus KI.
Klug, Blattw. in Mag. Berl. VIII, p. 288, n°. 213. Hart. Blatt.
und Holzw. p.252, n°. 20. — Een man zonder wit aan de apophysen
bij Rotterdam, Fransen. — Een in Holland, Perin.
112. Emph. serotinus Kl.
Te Arnhem 27 April, v. Med. de Rooij.
113. Emph. lepidus KI.
Twee voorwerpen bij Rotterdam, Fransen — In het Ulvenhoutsche bosch
8 Junij, Rits.
115a. Phyllotoma nemorata Fall.
C. G. Thomson, Hymenopt. Scand. 1, p. 176, n°. 1. — Een wijfje bij
Rotterdam, Fransen.
1164. Phyll. leucomela KI.
Klug, Blattw. in Mag. VIII, p. 274, n°. 183. — Hart. Blattw. p. 255,
n°, 2. — Een man 6 Mei bij den Haag, v. d. Wulp.
1165. Phyll. Amaura Kl.
Klug, Z. 2. p. 275, ne. 186. Hart. Blattw. p. 256, n° 5. — Bij Rot-
terdam, Fransen. — Aan de Duifhuislaan in Sept., Rits.
BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
117a. Phyllotoma tenella Zadd.
Dr. G. Zaddach, Beschr. neuer oder wenig bekannter Blattwespen, y.
28. — Een $ op een berk in Mei aan het Ginneken, Rits.
119. Fenusa pygmaea Kl.
Zes voorw. bij Waalsdorp 16 Aug. v. V.
123. Selandria Betuleti Kl.
125a. Sel.
41267 Sel:
128. Sel.
145a. Sel.
146. Sel.
148. Sel.
149a. Sel.
1496. Sel.
150a. Sel.
151. Sel.
1604. Sei.
Den 2den Junij 1874 een 9 bij den Haag, v. V.
lanceolata Thoms.
Thoms. Hymen. Scand. 1. p. 211, n°. 9. — Twee paren op aardbezie-
planten in het begin van Junij te Warmond, Rits.
cinereipes Kl.
Een g in Maart bij den Haag, v. d. W.
Ephippium Panz.
Var. met zwarten thorax bij Rotterdam, Fransen.
brevicornis Kl.
Klug, Mag. Berl. VIII, p. 65, n°. 39. — Vijf exempl. bij Rotter-
dam, Fransen. Een in Holland, Perin.
testudinea Kl.
Een Z op Walcheren, Gerth v. Wijk.
Crataegi KI.
In het midden van Mei te Brummen, v. V.
fulvicornis F.
Fabr. S. P. 38, 45. Klug, Mag. VIII, p. 61, n°. 33. — Hart. 2. 2.
p. 278, n°. 44. — Den 2den Mei bij Arnhem een $, v. Med. de Rooij.
repanda Kl.
Klug, Mag. VIII, p. 77, n°. 64. Hart. Z. Z. p. 279, n°. 45. — Een
wijfje in het voorjaar te Leyden uit eene larve in den stengel van
fine rozen, v. V.
varipes Kl.
Klug, Mag. VIII. p. 68. ne. 47. — Hart. 2. 2. p. 279, no. 47. —
Een wijfje m het Haagsche bosch in Julij, v. V.
cinvia KI.
Een 9 met slechts een gesloten cel in de ondervleugels, 24 Julij 1875
bij Hilversum, een normaal te Noordwijk 28 Augustus en een op
den Engelenburg bij Brummen in Mei, v V.
aperta Hart.
Hart. Blattw. p 282, n°.58. — Bij Velp in Julij, Rits. — Een klein
mannetje bij Rotterdam, Fransen.
162. Phymatocera aterrima Kl.
Eenige exx. in het Haagsche bosch in Mei en op Rhienderstein bij
Brummen, v. V.
164. Athalia Rosae L.
Te Velp in Julij, Rits,
164a.
4750.
an.
Auge
188.
192.
192a.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 215
Athalia lugens KI.
Klug, Blattw. in Mag. VIT. p. 129, n°. 3. — Hart Blatt. und Holzw.
p. 285, n°. 3. — Een 9 5 Juli} aan de Vogelenzang, Rits. — Twee
voorw. uit cocons in het zand gevonden, idem. — Een 10 Juli bij
Leyden, v. V. — Twee bij Rotterdam, Fransen.
Macrophya neglecta Kl.
Een 2 bij Rotterdam, Fransen. — Mannetjes tamelijk gemeen op aard-
bezieplanten in het laatst van Mei bij Brummen, v. V
Maer. strigosa F.
Eenige voorwerpen in Limburg, Maurissen
Macr. erythrocnema Costa.
Costa, Fauna del Regno di Napoli, Parte 3a. Imeuott. p. 77, n°. 7. —
Twee $ met wit labrum te Houthem in Limburg in Maart, Maur.
Macr. quadrimaculata F.
Eene var. van het Z in Mei bij Leyden, v. V.
Macr. rustica L.
Hart. Blattw p. 294, no. 11. Panz. Fauna Germ. 11, 10 Z et 64, 10
9. — Een man bij Velp in Junij 1874, Rits
Maer. 42 punctata L.
Fen man in het laatst van Mei bij Brummen, v. V.
. Macr. alboanıulata Costa.
Costa, Fauna del regno di Napoli III p 78, n°. 8. Tav. 72, f. 6. —
Een 4 bij Rott., Fransen.
. Maer. nov. spec.
Verwant aan Crassula Kl. (Zie Klug, Mag. VIII, p. 124, n°. 92, doch
Os
daarvan onderscheiden evenzeer als van Kiugü, mihi. — Een wijfje
bij Rotterdam, Fransen.
Macr. variegata Kl.
Klug, Blattw. in Mag VIII, p. 129, n°. 99. Hart. Blattw. p. 296,
n°, 22. — Een wijfje 24 Mei 1875 bij Brummen, v. V.
Strongylogasier cingulatus T°.
Hart. Z Z. p. 300, n°. 8. — Een wijfje bij Venlo, v. d. Brandt.
Tenthredo bicolor Kl.
Bij Schoonhoven in Mei 1870, de Graaf.
Tenthr. nitida Kl.
Twee mannetjes met gewijzigd aderbeloop en een wijfje bij Rotterdam,
Fransen ;
Tenthr. agilis KI.
Uit eene larve in een rietstengel bij Leyden opgekweekt in Mei, Rits.
Tenthr. mandibularis Pz.
Een man bij Rotterdam, Fransen.
Tenthr. procera Kl.
Klug, in Mag. Nat. Fr. VIII, p. 207, n°.157. Hart. Blattw. p.305,
n°. 23. — Een man bij Rotterdam, Fransen.
216 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
493. Tenthredo atra L.
In het laatst van Mei aan de Oude Plas bij Rotterdam twee wijfjes,
Fransen. — Te Warffum, Ritzema Bos.
497. Tenthr. picta Kl.
Bij Rotterdam, Fransen. — Bij Arnhem in Mei, v. Med. de Rooij.
202. Tenthr. bieincta L.
Een £ in Mei bij Breda, Heyl.
204a. Tenthr. velox F.
Fabr. S. P. 34, 24. Klug, in Mag, VIII, p. 185, n°. 123. Hart.
Blattw. p. 312, n°. 54. — Ken wijfje 20 Mei bij Rhoon, Iv. Schepman.
206. Tenthr. colon KI.
In Julij in het Haagsche bosch op heksenkruid, v. V.
208. Tenthr. rufiventris F.
Een wijfje bij Rotterdam, Fransen. — Een dito 24 Mei te Rhoon, Iv.
Schepman.
208a. Tenthr. conspicua Kl.
Klug, in Mag. Naturf. Tr. VIII, p. 180, n°. 117. — Hart. Blattw.
p. 313, n°. 61. — Een Z 8 Junij aan het Ginneken, v. V. —
Een 9 aldaar denzelfden dag, Rits.
209w. Lyda eryihrocephala L.
Linn 8. A. ed. XI, 558, 26. — Panz. Fauna Germ. 7, 9. — Klug,
in Mag. Nat. Fr. II. p. 280, n°. 16. Hart. 2. 7. p. 326, no. 1. —
Beide sexen bij Arnhem op het eind van April en in het begin van
Mei, v. Med. de Rooij.
210. Lyda pratensis F.
Een wijfje in Holland, Perin.
210a. Lyda Betulae L.
Linn. S. N. ed. XI. 559, 32. — Panz. Fauna Germ. 87, 18. — King,
in Mag. II p. 273, no..3. Hart 2. 2. p. 334, n°. 5. — Een wijfje
bij Wolfheze 31 Mei 1872, v. Med. de Rooij. — Een 2 bij Rhoon
in Junij 1874, Iv. Schepm.
210b. Lyda hypotropica Hart.
Hart. Blatt. und Holzw. p. 336, n°. 8, Pl. 7,f. 1—15. Ratz. Forstins.
III. p. 81, Pl. 1, f. 4. — Een 2 bij Venlo, v. d. Brandt. Ken bij
Arnhem, v. Med. de Rooij.
214. Lyda depressa Schr.
Vier wijfjes in Holland, Fransen
215. Lyda sylvatica L.
Bij Arnhem, v. Med. de Rooij. — 26 April bij den Haag, v. d. W.
Fam 2° SIRICIDEA
221. Cephus pygmaeus L.
Een man op Walcheren, Gerth van Wijk.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 947
2994. Cephus tabidus F.
Fabr. 5. Ent. p.326, ne. 8. Klug, Mon. Siric. p. 56, no. 8. — Twee
voorw. bij Utrecht 30 Junij, Rits.
22%a. Cephus immaculatus Steph.
Steph., Zllustr. VII, p. 107, n°. 10. — Zeven exx. waarvan 4 ge-
paard, in boterbloemen aan het eind van het Haagsche Bosch 1 Junij
1874, v. V.
295. Janus femoralus Curt.
Aan het Ginneken 8 Junij, v. V.
227. Xiphydria Dromedarius F.
Twee paren in Holland, Fransen.
999. Sirex Juvencus L.
Fene fraaije var. 4 (afgebeeld bij Klug, Mon. Siric. IV, f. 3) in de
Scheveningsche boschjes in Sept. 1875, Mr. Thom. van Stolk.
Fam. 3. CYNIPIDEA.
a Zei. Cynips Kolları Hart.
Bij Breda, Heyl.
— 235. Cyn. foecundatrix Hart.
Is Cynips Gemmae LL. — De gallen in overgroote menigte bij Doorn,
v. V. — De wesp in April bij Arnhem, v. Med. de Rooij.
SS
236. Cyn. autumnalis Hart.
Hart. in Germ. Zeit. III, p. 336, n°. 15. — Schenck, Cyn. Nass p.
183, n°. 11. — Een @ bij den Haag in Maart, Leesb
239. Andricus quadrilineatus Hart.
Bij den Haag in April, v. Hass. en Everts.
245. Neuroterus lenticularis Oliv.
Bij Overveen in Maart, Rits. — De gallen in Oct. te Driebergen, Six.
247. Neur. Réaumurii Hart.
De imago bij den Haag in Maart, Six en v. V. — Op Walcheren,
Gerth van Wijk.
— 251. Teras terminalis F.
Een 4 in de Scheveningsche boschjes 22 Julij, v. V.
252. Biorhiza aptera F.
Bij Haarlem in tamelijke menigte uit de gallen, Groll.
253. Rhodites Rosae L.
Bij Empe, in Aug. v. d. Wulp.
— 9257. Spathegaster Baccarum F.
In den zomer van 1874 wederom uit gallen van eiken achter de Sche-
veningsche boschjes met Zorymus auratus Fonse. v. V.
BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
259. Spathegaster aprilinus Gir.
In April bij den Haag in het duin, v V.
267. Synergus facialis Hart.
Uit gallen van Cynips Gemmae L., gevonden te Doorn, v. V.
972. Syn. pallicornis Hart.
Bij den Haag in Mei, v. d. W.
280. Eucoila maculata Hart.
In menigte 12 Nov. bij Wassenaar, v. V.
2804. Euc. longicornis Hart.
Hart. in Germar’s Zeit. II, p.201, n°. 4. — Giraud, Verh. Zool. Bot.
Ges. in Wien, X, p 138, n°. 11. — Een £ bij den Haag, Six. —
Een 9 aldaar 27 Sept. v. V.
2805. Euc. basalis Hart.
Hart. in ZZ. p. 201, n°. 6. — In Sept. bij den Haag, v. V.
284. Euc. floralis Dahlb.
Een wijfje bij den Haag, Six.
2850. Euc. geniculata Hart.
Hart. in Z.Z. p. 201, n°. 12. — Giraud, Verh. Zool. Bot. X. p. 145,
n°.30. — Een 2 bij den Haag, Six. — Een in Maart bij Leyden,
Everts; twee in Maart aldaar, v. V.
289a. Figites politus Gir.
Giraud, Verh. Zool. Bot. X. p. 151, n°.5 9. — Een Z bij Katwijk, Perin.
290. Fig. scutellaris Latr.
Beide sexen in aantal te Katwijk in Julij, Perin.
291a. Fig. striolatus Hart.
Hartig in Germ. Zeit. II, p. 302. Reinh. in Berl. Zeit. IV. p. 232
n°. 3. — Een wijfje in het laatst van Junij bij den Haag, v V.
293. Oegilips Dalmanni Reinh.
In Holland, Perin.
294. Amblynotus opacus Hart.
Een wijfje op Walcheren, Gerth van Wijk.
294a. Sarothrus areolatus Hart.
Hart. in Germ. Zeit. II. p. 203 & et (Amphitectus Dahlbomü) 9 —
Reinh. in Berl. Zeit. IV. p. 227, Pl. IV, f 5. — Een wijfje in
Augustus bij Velp, Rits.
294b. Anacharis immunis Walk.
Walker, Zet. Mag. II. p. 521. Reinh. in Berl. Zeit. IV, p. 21, n°. 3. —
Een man te Crooswijk 25 Mei, Piaget Een dito bij Wassenaar 24
Mei, v. V.
294c. An. typica Walk.
Walk. Ent. Mag. II. p. 520. Reinh. in Berl. Zeit. IV. p. 215. Pl. IV.
f. 1. — Een 2 in Mei bij den Haag, Six.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 219
Fam. V. ICHNEUMONIDEA.
301. Chasmodes motatorius Grav.
Een wijfje bij den Haag, Leesb. Een ander 16 Mei in het Haagsche
Bosch op eschdoornbladeren, v. V.
302. Exaphanes hilaris Grav.
Eenige voorwerpen, waaronder ook eene fraaije verscheidenheid 4 bij
Rotterdam, Fransen.
9024. Ex. occupator Gr.
Grav. Ichn. I, p. 425, n°. 166 4 et 270, 89 var. 5. 2. Wesm. Ichi.
Belg. p. 17, n°. 2. — Tivee wijfjes bij Rotterdam, Fransen.
302b. Ex. fulvescens Voll.
Vollenh. Pinacogr. p. 5. Pl. 2, fig. 5. — Bij Rotterdam, Fransen.
302c. Ichneumon lineator Vill.
Fabr. S. P. 67, 76 (Narrator) et 87, 70 (Lineator). Grav. Ichn. I, p-
120, no. 9. Wesm. Ichn. A p. 21, n°. 1. — Een wijfje bi Rot-
terdam, Fransen.
304. Ichn. ruficauda Wesm.
Een 2 bij Rotterdam, Fransen.
306. Ichn. fusorius L.
Een & met donkere vleugels in het duin bij Scheveningen 22 Aug.
1873, v. V
307. Ichn. bilineatus L.
Een wijfje bij Rotterdam, Fransen. — Een wijfje 22 April bij Breda,
Heyl. — Een man in Julij wit Grossulariata verkregen te Schev.,
vend VV
308. Ichn. sugillatorius L.
(De naam te veranderen in Cyaniventris Wesm.) — Een wijfje aan het
Ginneken, W. Alb.
310. Ichn. guttiger Wesm.
(De naam te veranderen in Sugillatorius L.)
311 a. Ichn. comitator Grav.
Grav. Ichn. Eur. I. p. 108, ne. 2. — Wesm. Ichn. Belg. p. 30, no. 17.
Een wijfje bij Rotterdam, Fransen.
312. Ichn. leucocerus Grav.
Beide sexen 27 en 28 Mei bij Breda, Heyl.
312a. Ichn. derasus Wesm.
Wesm. Ichn. Belg. p. 31, n°. 19. Holmgr. Jehu, Suec. p. 33. —
Een 2, waarschijnlijk bij Leyden, Well.
312b. Ichn. castaniventris Grav.
Grav. Ichn. E. I. p. 556, n°. 233 9 et 539, no. 224 4 (Haemorrhoi:
dalis). Wesm. 2. Z. p. 32, n°. 21. — Een man 27 Mei 1875 op
Rhienderstein bij Brummen, v. V.
15
290 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
313. Ichneumon gemellus Grav.
Een man met rood aan de basis der achtertibien, 20 Mei 1875 bij
Brummen, v. V.
315. Ichn. scutellator Grav.
Een ¢ bij Rotterdam, Fransen.
316. Ichn. deliratorius F.
De naam van Fabricius is onzeker; de soort moet Multiannulatus Grav.
heeten volgens Holmgren (p. 50).
317. Ichn. grossorius F.
Een 2 op de heide bij Venlo in eikenstruiken, v. d. Br.
318a. Ichn. quaesitorius L.
Fabr. S. P. 57, 18. — Grav. Ichn. Eur. I. p. 253, n°. 84. — Een
man aan de Vogelenzang 5 Julij 1873, Rits.
318b. Ichn. raptorius L.
Grav. Ichn. Eur. I. p. 286 n°, 97. Wesmael, Ichn. Belg. p. 43,
n°. 37. — Een wijfje met een wit streepje op het 4de segment bij
Arnhem in Junij, v. Med. de Rooij.
322. Ichn. computatorius Mull.
Een Q bij Rotterdam, Fransen. — Een dito in het Ulvenhoutsche bosch
8 Jun, Rits.
322a. Ichn. inquinatus Wesm.
Wesm. Ichn. Belg. p. 53, n°. 46. — Een 2 bij Rotterdam, Fransen.
323. Ichn. semiorbitalis Grav.
Een mannetje aan den Bezuidenhout 20 Sept. 1874.
324. Ichn. extensorius L.
Opgekweekt uit Noctua Spargani, Fransen.
320. Ichn. luctatorius L.
Eene fraaije varieteit 9 bij Arnhem, v. Med. d. Rooij.
327. Ichn. sarcitorius L.
Een man te Soeterwoude in Julij, Rits.
328a. Ichn. bucculentus Wesm.
Wesm. Ichn. Belg. p. 61, n°. 56. — Het wijfje eenige malen bij den
Haag, Everts. — Een wijfje 27 Maart bij Arnhem, v. Med. de Rooij.
829. Ichn. latrator F.
Een & bij den Haag en een 9 10 Mei te Utrecht, Six. — Een wijfje
in April bij Wassenaar, v. V.
830. Ichn. bimaculatorius Panz.
Een man te Venlo in Sept. v. d. Brandt.
331a.Ichn. Faunus Grav.
Gray. Ichn. I, p. 249, n°. 805 et p. 157, n°. 29 (Leucopygus). Wesni.
Ichn. Belg. p. 66, n°. 63. Wesm. Mant. 32, var. 2. Holmgr. Ichn.
Suec. p. 136. — Een Z bij Rotterdam, Fransen. Een wijfje van de
varieteit Leucopygus bij Wassenaar 12 Oct. v. V.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. So
332. Ichneumon annulator F.
Twee wijfjes 8 Junij 1873 in het Ulvenhoutsche Bosch, v. V. en twee
anderen mede aldaar, Rits.
933. Ichn. nigritarius Grav.
De var. Aethiops bij Wolfheze 12 Junij 1874, v. Med. de Rooij.
3334, Ichn. digrammus Grav.
Grav. Ichn. Eur. I. p. 179, n°. 43. — Een man in het najaar in de
omstreken van den Haag, Six.
396. Ichn, luteiventris Grav.
Een man bij Arnhem in Mei, v. Med. de Rooij.
337a. Ichn. pseudonymus Wesm.
Grav. Ichn. Eur. p. 114 var. 2 Nigritarü. Wesm. Ichn. Belg. p. 763
n°. 74. — Een wijfje uit Bomb. reclusa in Mei, Snellen.
339. Ichn. culpator Grav.
Een wijfje bij Rotterdam, Fransen.
3394. Ichn. albinus Grav.
Grav. Ichn. Eur. 1, p. 156, n°. 28. Wesm. Ichn. B. p. 82, n°. 83,
Een 4 op Walcheren, Gerth v, W.
340. Ichn. albosignatus Grav.
Een man te Oosterbeek in Julij, Rits,
341. Ichn. monostagon Grav.
Een Z in het duin van Scheveningen 16 Aug. 1873, v. V.
343. Ichn. flavatorius Panz.
Bij Nijkerk, v. Med. de Rooij — Een bij Rotterdam, Fransen. —
Een 2 26 Aug. aan het Ginneken, W. Alb.
343a. Ichn. anator Grav.
®
Grav. Z. Z. p. 250, n°. 81. Wesm. Ichn. B. p. 220, n°. 92 5. — Een
wijfje op Walcheren, Gerth v. W.
34%. Techn. tergenus Grav.
Een wijfje bij den Haag in Februarij, Leesb.
349. Ichn. bilunulatus Grav.
Een 2 15 Oct. bij Venlo, v. d. Brandt.
9904. Ichn. discrepator Wesm.
Wesm. Ichn. B. p.102, ne. 110. Grav. Ichn. Eur, I. p. 632, n°. 273,
Erythraes? — Een $ bij Venlo, v. d. Brandt.
302. Ichn. ochropis Gmel.
Een 9 bij den Haag in Junij, v. d. W.
399. Ichn. rufifrons Grav.
Een 2 bij den Haag in Junij, v. V.
3094. Ichn. Lanius Grav.
Grav. Ichn. I. p. 499, ne. 204 3. Wesm. Ichn. B. p. 105, ne, 114.»
Holmgren, Ichn. Suec. p.158, n°. 94. — Een £ bij den Haag, Six.
Een ander in Mei 1872 bij Leyden, een in Mei bij den Haag en een
vierde in Mei 1875 bij Brummen, v. V.
229
9090.
3074.
358.
399,
3664.
308.
369.
373.
374.
378.
379.
380.
OO.
385.
BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
lchneumon albilarvatus Grav.
Grav. Ichn. Eur. I, p. 563, n°. 236. Wesm. 7, 2. p. 106, n°, 115. —
Een ¢ bij Rotterdam, Fransen.
Hoplismenus perniciosus Grav.
Grav. Ichn. Eur.II. p. 413, n°.3. Wesm. Ichn. Belg. p. 108, neo, 1. —
Een wijfje in Holland, Havelaar.
Amblyteles fasciatorius F.
Een 9 in het duin achter Zorgvliet 16 Aug. 1873, v. V. — Beide sexen
bij Arnhem, v. Med. de Rooij.
Ambl. natatorius F.
Een 9 op Schothorst in Julij 1871, v. V. — Een zeer fraai geteekend
wijfje 20 Julij 1874 te Leyden, Rits.
Ambl. vadatorius Ill
Een 4 bij Rotterdam, Fransen.
Ambl. occisorius Grav.
Een man bij Rotterdam, Fransen. — Een wijfje bij Wassenaar in Junij,
Perin. — Een man en 4 wijfjes bij Middelburg, Gerth v. Wijk.
Ambl. amatorius Müll.
Grav. Ichn. Eur. I. p. 315, n°. 112 9. Wesm. Ichn. Belg. p. 123,
n°. 17. — Een wijfje 11 Mei bij Arnhem, v. Med. de Rooij.
Ambl. uniguttatus Grav.
Nogmaals dezelfde verscheidenheid in Julij in het duin, v. d. W. Het
wijfje (Fwmigator) in Limburg, Maur.
Ambl. Goedarti Grav.
Een 9 in Holland, Hav.
Ambl. Castigator F.
Bij Voorburg in September, Schepman.
Ambl. antennatorius Panz.
Een wijfje in Mei bij Wassenaar, Perin. — 24 Mei bij Arnhem, van
Med. de Rooï.
Ambl. mesocastanus Grav.
Een wijfje in Julij bij den Haag, v. V.
Ambl. melanocastanus Grav.
Een wijfje 24 Julij bij Venlo, v. d. Brandt.
Ambl. Panzeri Wesm.
Vijf mannetjes, waarvan 2 met zwarte dijen, bij Rotterdam, Fransen.
— Een wijfje bij Soeterwoude in Aug., Perin.
Trogus lutorius L.
Bij Groningen, Ritzema Bos.
Trog. alboguttatus Grav.
Een wijfje bij Arnhem 11 Junij 1874, v. Med. de Rooij,
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 223
386. Probolus fossorius F,
Een wijfje bij Empe, v.d. W. — Een ander in Aug. bij Oisterwijk, v. V.
387. Platylabus dimidiatus Grav.
Een 9 27 Sept. in het Haagsche Bosch op Lamium album, v. V. —
Een dito bij Arnhem v. Med. de Rooij.
3890. Apaeleticus flammeolus Wesm.
Wesm. Ichn. Belg. p. 168, n°. 2. — Een @ te Leyden, v. V.
3954. Dicaelotus pumilus Grav.
Grav. Ichn. Eur. I, p. 152, ne. 26. Wesm. Ichn. Belg. p. 175. —
Een 9 in de Scheveningsche boschjes in Sept. Six. — Een 4 in Mei
bij den Haag, v. V.
395. Phaeogenes primarius Wesm.
Een wijfje 16 Aug. bij den Haag, v. d. W. — Een dito bij Venlo,
v. d. Brandt. — Een ander 24 Julij bij Hilversum, v. V.
397a. Phaeog. stimulator Grav.
Grav. Ichn. Eur. I. p. 143, ne. 21. Wesm. Ichn. Belg. p. 184, n°. 6.
— Een wijfje te Noordwijk in Julij, Rits.
398. Phaeog. ischiomelinus Grav.
Een mannetje in Holl. Perin. — Twee wijfjes bij den Haag in Sept. de Gr.
398«. Phaeog. argutus Wesm.
Wesm. Ichn. Belg. p. 201, n°. 34. — Een g met wit schildje op
Sterkenburg in ‘t begin van Aug. v. V. — Een man normaal te
Overveen 2 Julij, Rits. — Een dito in Julij op Wikkenburg, Wtt.
— Een wijfje 12 Nov. bij Wassenaar, v. V.
399a. Aethecerus dispar Wesm.
Wesm. Ichn. Belg. p. 203, n°. 1. — Een man bij Hilversum 25 Julij
137022:
399b. Diadromus troglodytes Grav.
Grav. Ichn. Eur. I. p. 587, n°. 246. — Wesm. 1.2. p. 207, n°. 1. —
Een wijfje te Noordwijk 1 Oct. 68, v. V. — Een dito 20 Julij 74,
en later nog een derde uit popjes van Cerostoma uit het Haagsche
bosch, de Gr.
4004. Oronotus binotatus Grav.
Grav. Ichn. Eur. II. p. 721 (Phygadeuon binot.) Wesm. Ichn. Belg. p.
214 (Or. coarctatus sib.). — Ken 4 bij Scheveningen 13 Julij, v. V.
400b. Ischnus thoracicus Grav.
Grav. Ichn. Eur. I. p. 647. — Wesm. 2.7. p. 215. — Een mannetje
op Walcheren, Gerth v. W. — Een dito 3 Julij bij Venlo, v. d. Brandt,
AO. eine truncator F.
Een eenigzins afwijkend wijfje bij Rotterdam, Fransen.
402. Alomya ovator F.
Drie mannen, waarvan 1 var. nigra en de anderen intermediair bij
Leyderdorp in Mei, Rits. — Drie mannen, waarvan 1 var. nigra, in
het laatst van Mei aan de vaart van den Haag naar de Geestbrug, v.d. W.
294 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
403. Stilpnus gagates Grav.
Een @ bij den Haag, Leesb. — Een Z in Gelderland Aug. 65, v. V.
404. St. blandus Grav.
Een wijfje in Junij bij den Haag, v. d. W.
405. Exolytus laevigatus Grav.
(Het genus moet verplaatst worden en ingelascht achter Atractodes).
Een man 5 Sept. bij Rhijnsburg en een 9 in Aug. bij Naaldwijk, v. V.
406a. Phygadeuon jucundus Grav.
Grav. Ichn. Eur. II, p. 658, no. 161. — Een man op Wikkenburg
in Sept., Wttew.
406b. Phyg. leucostigmus Grav.
Gray. 2.2. p. 667, n°. 166. — In Zuid-Holland, Perin.
406c. Phyg. Dumetorum Grav.
Grav. 2.2. p. 669, n°. 168. — Een 4 bij den Haag, Six.
409. Phyg. quadrispinus Grav.
Een Z in Oct. bij den Haag en een ander 8 Sept. in het duin aldaar, v. V.
410. Phyg. abdominator Grav. -
Twee wijfjes te Velzen half Junij en twee in het Ulvenhoutsche bosch,
8 Julij, Rits.
A\1a. Phyg. vagabundus Grav.
Grav. Ichn. Eur. II. p. 735, n°. 205. — Een man in Holland, Perin.
412a. Phyg. gravipes Grav.
Grav. 2.2. p. 740, ne, 209. — Een wijfje in Aug. bij Leyden, Rits.
4A5a. Linoceras macrobatus Grav.
Grav. Ichn. Eur. II, p. 440, n°. 15. — Een 2 te Velp in Aug. Rits.
— Een 4 8 Aug. bij Venlo, v. d. Br.
417. Cryptus tarsoleucus Schr.
Een man bij Rotterdam, Fransen.
417a. Cr. spiralis Fourcr.
Grav. Ichn. Eur. II. p. 454, n°. 23 et p. 447, n°. 18 4 (Inconspieuus)
Verg. Taschenberg, Cryptides, p. 71, n°. 5. — Beide sexen bij den
Haag, Six.
418. Cr. parvulus Grav.
In Mei 1870 een 2 bij Leyden, v. V.
420.a Cr. leucopsis Grav.
Grav. Ichn. Eur. II. p. 467, ne. 32. — Een £ op Wikkenburg in Julij, Wit.
421. Cr. viduatorius F.
Twee mann. in Holland, Perin. — Een wijfje bij den Haag, Six.
422. Cr. cinctorius F.
Wijfjes: bij Leyden 1 Mei, Rits.; 2 bij Rhijnsburg 5 Sept. v. V.; bi
Rotterdam, Fransen.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 995
423. Cryptus assertorius F.
Een man te Velp in Aug. Rits. — Een wijfje bij den Haag in Oct.
Six. — Beide sexen 24 Julij 75 bij Hilversum, v. V
423a. Cr. perspicillator Grav.
Grav. Ichn. Eur. II. p. 503, ne. 55. — Een man in Aug. bij Wort-
Rhede in Gelderland, v. V.
423b. Cr. brevicornis Grav.
Gray. 7.2. II. p. 511, n°. 61. — Een man in Mei aan het Ginneken, Rits.
42A4a. Cr. leucostomus Grav.
Grav. Ichn. Eur. II, p. 531, n°. 78. — Een man in Julij 1871 op
Schothorst bij Amersfoort, v. V.
424b. Cr. albatorius Vill.
Gray. 2.2. p. 536, n°. 82. — Een man 8 Junij in het Ulvenhoutsche
bosch, Rits.
495. Cr. ischioleucus Grav.
Eene mannelijke var. bij Katwijk in Aug. v. V.
426. Cr. Dianae Grav.
Een 16 Junij 71 te Scheveningen, een aan het Ginneken in Junij en een
fo 18 Mei bij Naaldwijk, v. V. — In Sept. aan het Ginneken, W. Alb.
427. Cr. obscurus Gmel.
Een zeer groot wijfje in Junij bij Velp, Rits.
428. Cr. Sponsor F.
Bij Rotterdam, Fransen.
429. Cr. Titillator L.
Fabr. S. P. 86, 68. Grav. Ichn. Eur. II. p. 564, n°. 98. Thoms.
Opuse. p. 493, n°. 4. — Beide sexen bij den Haag, Six. — Aldaar
in het midden van Mei een @, v. d. W.
429b. Cr. clypearis Thoms.
Thomson, Opuse. p. 494, n°. 6. — Een wijfje in Junij bij Scheve-
ningen, v. d. W.
432. Cr. Peregrinator L.
Bij Scheveningen in Julij, v. d. W. — In Junij te Voorst , v. V. —
Bij Rotterd. Fransen.
432a. Cr. nubeculatus Grav.
Grav. Ichn. Eur. II. p. 611, n°. 125. — Een 2 op Walcheren, Gerth
v. W. Eene var. $ met zwarte achterdijen in Maart uit Lophyrus
catocalus, v. V.
434. Cr. ornatus Grav.
Bij Rotterdam, Franseı.
435. Gr. erythrinus Grav.
Een 9 in Aug. bij den Haag, v. V.
436. Cr. Carnifex Grav.
Twee wijfjes bij Rotterdam gevangen en een gekweekt uit Noct. palu:
dicola, Fransen.
296 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
436a. Cryptus Sanguinator Desv.
Desvignes Cat. Brit. Ichn. p. 50, n°. 56. — (Ik geloof niet dat San-
guinator Rossi (Grav. III, 918) dezelfde soort is). Een wijfje op
Walcheren , Gerth. v. Wijk.
438a. Mesostenus Ligator Grav.
Grav. Ichn. Eur. II. p. 760, n°. 222. Thomson, Forsök Crypti p. 515.
Beide sexen bij Rotterd. Fransen. — Een 4 in Holland, Perin. —
Beide sexen in Junij bij Velp, Rits. — 3 mannetjes in het laatst
van Mei op doornhagen bij Brummen, v. V.
442. Hemiteles fulvipes Gravy.
Een wijfje bij den Haag, Leesb.
443. Hem. similis Gmel.
Een 9 op Walcheren, Gerth v. W. — Een dito 18 Oct. bij den Haag,
de Graaf.
444, Hem. pictipes Grav.
Een wijfje 1 April bij Venlo, v. d. Br.
446. Hem. rufocinctus Grav.
Bij Wassenaar in ’t laatst van Mei, v. V.
448. Hem. Palpator Müll.
Uit een kokertje van Tal. nitidella bij den Haag, v. d. W. — Een )
in Sept. te Leyden, v. V.
4A8a: Hem. inimicus Grav.
Grav. Ichn. Eur. II, p. 824, no. 254, — Een wijfje 17 Aug. bij
Rotterdam, v. V.
453. Hem. Arealor Panz.
Bij Scheveringen in Maart, v. Hass. — Hen $ 12 Julij uit Cer. cos-
tella, de Gr. — Een Z van de var. beschreven bij Gray. in het
najaar bij den Haag, Six.
454. Hem. Cingulator Grav.
Bij Leyden 12 Junij 2 wijfjes, en een fraai voorwerp te Oosterbeek
in Julij, Rits. — Een 9 in Julij bij den Haag, de Gr.
455. Hem. bicolorinus Grav.
Half Julij een wijfje bij den Haag, de Gr.
462. Agrothereutes Hopei Grav.
Bij Rotterd. Fransen. — Bij de Haagsche Schouw, Perin. — Bij
Breda, Leesb.
463. Agr. Batavus Voll.
Eene var. 2 te Velp in Julij, Rits.
464, Aplesis nigrocincta Grav.
Onder mos in Febr. en in het najaar bij Wassenaar en Valkenburg
7 exx. Perin. — Onder aanspoelsel in het voorjaar bij Breda, Heyl.
— 13 Sept. bij Leyderdorp, Rits.
AG8a. Apt. brachyptera Grav.
Gray. Ichn. Eur. IL p. 876. Panz. Fauna Germ. 71, f. 17 (Abbre=
viator). Först. Mon. Pezom. p.43, n°.9. — Een 2 bij den Haag, Six,
469.
470.
4TIa
4724.
47Aa.
ATAb.
477.
AT7a.
ATTO.
479.
480a.
480b.
481 a.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA, 297
Theroscopus pedestris F.
Bij Wassenaar in Nov. Perin.
Pezomachus fasciatus F.
In Junij te Voorst, v. V. — Bij Rotterdam, Fransen.
. Pez. nigritus Först.
Först. Mon. Pez. p. 80, n°. 19. — Een wijfje bij den Haag, Six. '
Pez. immaturus Först.
Först. Mon. Pez. p. 225, n°. 150. — Een 2 bij Utrecht, Six.
Pez. instabilis Först.
Först. Mon. Pez. p. 142, n°. 110. — Een 2 bij den Haag, Six.
Mesoleptus facialis Grav.
Grav. Ichn. Eur. II. p. 12, n°. 4. — Een £ in Mei aan het Ginneken, Rits.
Mes. ruficornis Grav.
Eene vrouw. var. met veel bruin geteekend, in Holl. Hav.
Mes. xanthostigma Grav.
Grav. Ichn. Eur. II. p. 55, n°. 33. — Holmgr. Mon Tryph. p. 102,
n°. 5. — Bij Rotterdam, Fransen.
Mes. vuineratus Zett.
Zett. Ins. Lap. 387, 18. Holmgr. ox. p. 102, n°. 6. — Een 4 16
Julij bij Venlo, v. d. Brandt.
Mes. Typhae Fourcr.
In Mei 74 aan het Ginneken, Rits. — In Julij bij Brummen, v. V.
Mes. femoralis Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 105, n°.15. — In Julij bij Brummen, v. V.
Catoglyptus fortipes Grav.
© Grav. Zchn. Eur. II. p. 85, n°. 50. — nec Holmgr. Mon. n°. 1, die het
abdomen als zwart beschrijft. — Een 9 bij Rotterdam, Fransen. —
Een g in Junij 74 bij Velp en een £ in den Aerenhout half Junij,
Rits.
Cat. foveolator Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 108, n°. 4. — Een wijfje 16 Junij bij Vel-
zen, Rits. — Een var. 9 in Juli} op Schothorst, v. V. — Een var.
2 op Walcheren, Gerth v. W.
Cat. fuscicornis Gmel.
Perin ving een wijfje, dat het midden houdt tusschen Fuseicornis en
Foveolator en aantoont dat deze vermeende soorten een zijn
. Euryproctus nemoralis Fourcr.
Grav. 2. 2. II. p. 70, n°. 42. Holmgr. Mon p. 110, n°. 3 — Een 2
19 Junij op de laan van Nieuw Oostindie bij den Haag, v. V.
. Eur. tuberculatus Hlmgr.
Holmgr. Mon. p. 111, n°. 6. — Op Wikkenburg in Sept. Wtt.
16
489c.
492a.
4a.
004.
BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
1. Euryproctus nigriceps Grav.
Grav. Ichn. Eur. TI. p. 202 , n°. 130. — Ratz. Ichn. d. Forst. 1. p.
126, n°. 4. — Holmer. Mon. Tryph. p. 113, n°. 14. — Een
wijfje in ’t begin van Junij uit Cimber Vitellinae van Enschede, v. V.
Eur. geniculosus Grav.
Op de Loolaan achter het Huis in 't Bosch 20 Sept. 74, v. V.
. Perilissus seminiger Grav.
Grav. Ichn. Eur. II. p. 93, n°. 56. — Holmgr. Mon. p. 121 Filicor-
nis var. — Een wijfje in Nederland, Perin.
. Peril. vernalis Grav.
Grav. Ich. Eur. Il. p. 294, no. 197. Holmgr. Mon. Tryph. p. 122,
nt, 2. — Een klein wijfje in het Ulvenhoutsche Bosch 8 Junij,
Rits. — Een grooter met meer rood aan het achterlijf 24 Mei bij
Wassenaar, v. V.
Peril. bucculentus Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 123, no, 5. — Een mann. var. bij Leyden
11 Junij 73, Rits.
Peril. pictilis Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 125, n°. 11. — Een 4 (var. 2) in het duin
bij Waalsdorp 16 Aug. 74, v. V. — Een 9 op Wikkenburg in
Julij Wtt. — Bij Rotterdam in Aug. Snell.
Eclytus fontinalis Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 128, n°. 2. — Een man bij den Haag in
Junij, Six. Een wijfje in het Haagsche Bosch 5 Sept. de Gr.
Mesoleius aulicus Grav.
Bij Rotterdam, Fransen.
Mes. caligatus Grav.
Bij Rotterdam, Fransen. In Holland, Perin.
Mes. opticus Grav.
Een man in de Duifhuislaan bij Leyden in Sept. Rits. — Een 9 bij den
Haag in Sept. Six.
Mes. quadrilineatus Grav.
Grav. Ichn. Eur. II. p. 320, ne. 207 (niet bij Holmgren). — Een wijfje
in Junij bij den Haag, v. d. W.
Mes. sanguinicollis Gray.
Een w. met bruinen thorax in Sept. in de Duifhuislaan, Rits.
Mes. haematodes Grav.
Een 2 in Julij te Voorst, Wit.
. Mes. Lophyrorum Hart.
Ratz. Ichn. d. Forst. I. p. 126, n°. 5. — Holmgr. Mon. Tryph.
p. 138, n°. 14. — Een £ met zwarte heupen in Julij aan het Gin-
neken, Rits.
Mes. formosus Grav.
Een mannetje bij den Haag in Mei, v. V.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 229
5054, Mesoleius ophthalmicus Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 162, n°. 76. — Een man in Julij te Velp,
Rits.
508. Mes. insolens Grav.
Een 2 10 Oct. bij Scheveningen, v. d. W.
o11a. Mes. fraternus Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 173, n°. 102. — Een wijfje in Aug. 73 bij
den Haag, v. V.
215. Tryphon elongator F.
Bij Empe in Sept. v. d. W.
517. Tr. vulgaris Ulmer.
Bij Naaldwijk in Julij, v. V. — Bij Brummen in °t laatst van Mei,
v. V. — Bij Voorschoten in Julij, Rits.
921. Tr. incestus Hlmgr.
Een man bij den Haag, Six,
9234. Tr. Ephippium Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 190, n°. 13. — Eenige voorwerpen (bij
Leyden?) Perin. — Een 9 te Voorschoten in Julij, Rits.
5255. Tr. brunniventris Grav.
De var. Fulviventris Holmgr. Mon. p. 191, n°. 15 — Deze var. bij
Leyden, Wellenb.
524a. Euceros unifasciatus Voll.
Te beschrijven. — Een wijfje in Junij bij den Haag, v. d. W. Een
ander in Oct. 73. bij Leyden, Rits.
525. Polyblastus varitarsus Grav.
Een wijfje 21 Julij op de heide bij Groot-Zundert, v. V. — Bij Soe-
terwoude in Julij, Rits. — Bij Rijnsburg 5 Sept. v. V.
5264. Pol. cephalotes Grav.
Grav. Ichn. Eur. 11. p. 246, ne, 159 mas. — Het vermoedelijke
wijfje 26 Julij binnen ’s huis te ’s Gravenhage, v. V.
527. Pol. sphaerocephalus Gr.
Eene var. met zwart aangezigt in Aug. bij Roozendaal, v. V.
527a. Pol. mutabilis Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 206, n°. 9. — Een voorwerp zonder areola
in Julij bij Leyden, Rits.
527b. Pol. senilis Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 219, n°. 41. — Een 2 in Julij 61 op Wal-
cheren, Wtt.
527c. Pol. pinguis Grav.
Grav. Ichn. Eur. II, p. 150, n°. 97. Holmgr. Mon. Tryph. p. 210,
ne, 19. — Twee wijfjes bij Zandvoort 18 Junij, Rits.
230
530.
BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
Exenterus lituratorius L.
Uit de larve van Dineura Alni gekweekt, Wtt. — Een 4 21 Sept.
aan den Bezuidenhout op els, v. V.
Ex. marginatorius F. |
In de dennenbosschen bij Oisterwijk 27 Sept. 1874, v. V.
Ex. gnathoxanthus Grav.
Bij Wassenaar 12 Oct. 69, v. V.
Ex. colorator Zett.
Zett. Ins. Lapp. 388, n°. 23. Holmgr. 7.2. p. 234, n°. 20. — Een 2
met 4 witte voorheupen en trochanters 20 Sept. aan den Bezuiden-
hout, v. V.
Ex. pietus Grav.
Bij Rotterdam, Fransen. — Bij Rijnsburg 5 Sept. v. V.
Ex. approximatus Hlmer.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 239, ne: 31. — Bij Rotterdam, Fransen.
Ex. frigidus Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 239, n°. 33. — Een voorwerp, aan t welk de
metathorax-paneeltjes niet duidelijk te herkennen zijn, bij Leyden, v. V.
Ex. Dahlbomii Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 242, no. 40. — Hen 9 in Junij bij Utrecht, Wtt.
Exyston cinctulus Grav.
Den 18den Junij bij den Haag, v. d. W. — Eene fraaije licht ge-
kleurde var. met bijna geheel geel gekleurden prothorax in 3 exx.
te Katwijk aan Zee 17 Junij, Rits.
Colpotrochia elegantula Schrk.
Bij Rotterdam, Fransen.
. Colp. affinis Voll.
Pinacrographia, p. 12. Pl. 8, n°. 2. — Bij Arnhem in het midden
van Aug., v. Med. de Rooij.
Exochus femoralis Fourcr.
In Sept. bij Scheveningen een 2 zonder rood aan kop en sprieten,
Everts. — In April en in Julij twee voorw. binnen ’s huis te Rott.
Snellen. — Bij Middelburg, Gerth. v. W.
Ex. flaviceps Ratz.
Ratz. Ichn. d. Forst. III p. 132, ne. 4. Holmgr. Mon. Tryph. p. 309,
no. 3. — Een 4 in Julij 1871 op Schothorst, v. V.
Ex. gravipes Grav.
Een wijfje in Aug. bij Arnhem, v. Med. de Rooij.
Ex. prosopius Grav.
Een 4 bij den Haag in den nazomer, Six.
Ex. flavomarginatus Ulmer.
Een wijfje in het Wassenaarsche duin 24 Aug. v V,
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 231
5524. Exochus cylindricus Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 317, n°. 21. — Een 2 met bruine achter-
dijen 19 Mei 74 uit PAthoroblastis plumbatana Zell., v. Med. d. Rooij. —
Een wijfje op Walcheren, Gerth v. W.
003. Ex. squalidus Ulmer.
Twee exx. in den Aerenhout, Boogaard.
554. Ex. curvator Grav.
Bij Rotterdam, Fransen. — Een wijfje met bruine vlek op de achter-
dijen 2 Sept. bij den Haag, Six.
099. Ex. podagricus Grav.
Twee wijfjes bij den Haag, Six. — Een 24 Mei bij Wassenaar, v. V.
5564. Hyperacmus crassicornis Grav.
Grav. Ichn. Eur. II. p. 347, n°. 221. Holmgr. Mon. Tryph. p. 322,
n°. 1. — Bij Voorst in Julij, Wit.
566. Bassus albosignatus Grav.
De var. 1 van Grav. in Aug. bij den Haag, v. d. W.
567. Bass. nemoralis Hlmgr. -
In Aug. bij Arnhem, v. Med. de Rooij.
569. Bass. lateralis Grav.
Bij Rott. Fransen. — In Julij op Wikkenburg een voorw. zonder
laterale witte stippen, Wtt.
569a. Bass. cinctus Grav.
Grav. Ichn. Eur. III. p. 327, ne. 7. Holmgr. Mon. Tryph. p. 356,
n°. 6. — Twee voorw. bij Rotterdam, Fransen.
570. Bass. pectoratorius Grav.
Een 2 bij Groningen, Ritz. Bos.
0714. Bass. biguttatus Grav.
Grav. Zen. Eur. III p. 332, ne. 10. Holmgr. Mon. Tryph. p. 358,
n°, 12. — Bene fraaije versch. bij Rott. Fransen.
572. Bass. exsultans Grav.
In de Duifhuislaan in Sept., Rits. — In Mei bij den Haag, v. V.
572a. Bass. bimaculatus Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 360, n°. 15. — Eene var. met doorloopend
bandje op het abdomen bij Arnhem 23 Mei, v. Med. de Rooij.
573. Bass. insignis Grav.
Een wijfje 30 Aug. bij Noordwijk, v. V. — Een ander 10 Oct. bij
den Haag, v. d. W. — Een derde te Oosterbeek in Julij, Rits.
574a. Bass. Alpinus Hlmgr.
Holmgr. 7.7. p. 361, n°. 19. — Een 2 in Sept. in de Duifhuislaan bij
Rijnsb. Rits.
576. Bass. deplanatus Grav.
Een Q met areola in het duin bij Wassenaar 12 Oct. 1869, v. V.
LA
232 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
577. Bassus areolatus Hlmer.
Een g in de Duifhuislaan bij Rijnsburg in Sept. Rits.
981. Bass. festivus F.
Bij Rijnsburg 5 Sept. een wijfje dat eenigzins afwijkt van den type, v. V.
583a. Bass. obscuripes Hlmgr.
Holmgr. Mon. Tryph. p. 369, n°. 38. — Eene var. 9 met gele strepen
op den prothorax 24 Aug. in de Wassenaarsche duinen, v. V.
9844. Bass. pallipes Grav.
Grav. Ichn. Eur. III, 327, n°. 5 9 nec g. Holmgr. Mon. Tryph. p.
371, n°. 41 9. — Het onbekende mannetje bij IJsselstein, Everts.
987. Metopius dissectorius Panz.
Bij Nijkerk, v. Med. de Rooij.
987a. Met. fuscipennis Wesm.
Wesm. Bull. d. Belg. XVI, n°. 6, 4, 2. — Holmgr. Mon. Tryph. p.
372, n°. 2. — Een 2 opgekweekt 7 Mei 73 uit Loph, Pini? te
Arnhem, v. Med. de Rooij.
988. Met. micratorius Grav.
Een voorw. in Holl. Fransen. Beide sexen in Sept. te Venlo, v.d Br.
590. Met. dentatus F.
Een voorw. in Holl. Fransen. Een zeer groot voorwerp te Arnhem 4
Junij, v. Med. de Rooij.
992. Scolobates corallinus Voll.
In Holland, Hav.
993. Pachymerus calcitrator Gravy.
Twee wijfjes bij Rotterdam, Fransen. — Een bij Arnhem, J.J. v. V.—
Wijfjes op Walcheren, Gerth v. W. — Een Z in Holland, Perin.
(NB. Het voorwerp in de lijst vermeld, was door den Heer Six niet
bij Utrecht gevangen, maar bij Alf aan de Moezel).
594. Banchus compressus F.
Een g 24 Maart 1876 in de duinen bij Scheveningen, v. V. — Den
volgenden dag een ander mede aldaar, Six.
596. -Banchus Falcator F.
Een 2 te Naaldwijk 3 Aug. v. V.
597. Exelastes Fornicator K.
Een wijfje bij Rotterdam, Fransen.
598. Ex. Clavator F.
Aan het Uddeler meer in Julij 68 een wijfje, v. V. — Een 4 bij den
Haag in den nazomer, Six. — Zes voorw. bij Rott. Fransen.
600. Ex. Illusor Grav.
Een wijfje in Julij bij Utrecht, Rits. — Eenige voorw. bij Rott. Fransen.
602. Ex. bicoloratus Grav.
Bij Scheveningen 16 Junij 71, v. V. Bij Rott. Fransen.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 933
604a. Exetastes nigripes Grav.
Gray. Ichn. Eur. p. 416, ne. 17. Holmgr. Mon. Ophion. p. 153, n°. 7.
(De beschrijving van het abd. 1ste segment niet juist). — Een wijfje
13 Julij 73 in het duin bij Scheveningen, v. V.
605. Ex. guttatorius Grav.
Een wijfje bij Rotterdam, Fransen. — Een bij den Haag Six. — Een
d op Walcheren, Gerth v. Wijk.
606. Rhyssa persuasoria L.
Een wijfje op rasterwerk 25 Julij 1875 bij Hilversum, Piepers.
607. Rh. curvipes Grav.
Een wijfje bij Rotterdam, Fransen.
608. Ephialtes tuberculatus Fourer.
Een wijfje bij Rotterdam, Fransen. — (NB. in de lijst te schrappen,
bij Amsterdam, Lodeesen).
608a. Eph. cephalotes Himer.
Holmgr. Mon. Pimpl. p. 13, n°. 5. — Een wijfje bij Amsterdam,
Lodeesen. — Een man in Junij bij den Haag, v. d. W.
611. Eph. carbonarius Christ.
Door de toezending van een’ waren Carbonarius uit Zweden is mij ge-
bleken dat al onze inlandsche Ephialten, die als Carbon. gedetermineerd
zijn, dezen naam niet mogen dragen maar behooren tot Epäialtes
tenuwentris Hlmgr.
613. Eph. Mediator F.
Een 2 in Aug. op Beekhuizen, Rits. — Bij Breda, Leesb.
616. Pimpla Instigator F.
Eene verscheidenheid van het mannetje met geelgevlekt schildje bij
Rotterdam, Fransen.
616a. Pim. Arctica Zett.
Zett Ins. Lapp. 375, 8. Holmgr. Mon. Pimpl. p. 19, n°. 3. — Hen
9 bij Middelburg, Gerth v. W. — Een bij den Haag in Junij, v. d. W.
617. Pim. Examinator F.
26 April uit eene pop van Pieris Napi bij den Haag, v. V. — Een
var. d met rood aan de achterscheenen onder den witten band in
Holland, Perin.
619. Pim. rufata Gmel.
Wijfjes bij Rotterdam, Fransen.
6204. Pim. Mussii Hart.
Ratz. Ichn. d. Forstins. I. p. 113, n°. 1. — Een 2 4 Julij 74 bij
Naaldwijk, v. V.
621. Pim. Scanica Vill.
Eene zeer merkwaardige varieteit met zeer weinig rood en wit in 5
exx. in Mei bij Arnh., v. Med. de Rooij.
624. Pim. Graminellae Schr.
Bij Breda, Leesb.
23% BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
625a. Pimpla detrita Holmer.
Holmgr. Mon. Pimpl. p.23, n°. 11. — Een $ bij Rotterdam, Fransen. —
Een g op Walcheren, Gerth v. W.
627. Pim. brevicornis Grav.
Een $ 20 Nov. bij den Haag, v. d. W.
627a. Pim. sagax Ratz.
Ratz. Ichn. d. Forstins. I. p. 117, ne. 17. — Een man op Walcheren,
Gerth v. W.
628a. Pim. variegata Ratz.
Ratz. Ichn. d. Forstins. I. p. 118, II. p. 95. — Twee wijfjes uit
harsbuilen van Oosterbeek 25 Mei, de Graaf.
628b. Pim. Arundinator F.
Fabr. S. P. 116, 15. — Grav. Ichn. Eur. III p. 177, ne. 56. —
Holmgren, Mon. Pimpl. p. 26, n°. 18. — Een man bij Rotterdam,
Fransen.
629. Pim. oculgtoria F.
Een 2 bij Utrecht, v. Hass. — Twee bij Hilversum 24 Julij 75, v.
d. W. — Een op Walcheren, Gerth v. W.
629a. Pim. ovivora Boh.
Holmgr. Mon. Pimpl. p. 26, n°. 20. — Een var. d met roode streep
op “de borstzijden in Mei bij den Haag, en een normaal wijfie in
het binnenduin van Waalsdorp, 14 Sept. v. V.
631. Pim. Pomorum Ratz.
Twee & in het midden van Junij uit appelbloesem van Wageningen, v. V.
631 a. Pim. diluta Ratz.
Ratz. Ichn. d. Forstins. III. p. 102, n°. 37. — Een wijfje in Zeeland,
Gerth v. W.
6354. Polysphincta Bohemanni Hlmgr,
Holmgr. Mon. Pimpl. p. 30, n°. 3. — Een 2 aan de Vogelenzang in
Aug. v. d. W. — Een man te Noordwijk 30 Aug. v. V.
637. Clistopyga Incitator F.
Een wijfje in Aug. te Wort-Rhede, v. V.
637a. Clist. Rufator Hlmgr.
Holmgr. Mon. Pimpl. p. 35, n°. 2. — Vier wijfjes bij Rott. Fransen,
639. Glypla flavolineata Grav.
In het Mastbosch aan het Ginneken, 3 Aug. Iv. Schepm. — Uit een
doorschijnend wit cocon 5 Julij bij den Haag, de Gr.
639a. GI. consimilis Hlmgr.
Holmgr. Mom. Pimpl. p. 40, n°. 9. — Beide sexen bij Rotterdam,
Fransen. — Een man bij Leyden in Junij, v. V. — Een Q bij
Arnhem , v. Med. de Rooy.
6390. GI. fronticornis Grav.
Grav. Ichn. Eur. III. p. 17, n°. 7 d. — Holmgr. Mon. Pimpl.
p. 38, n°. 4. — Een wijfje bij Rotterdam, Fransen.
640.
6401.
64.
GA a.
643a.
643b.
643c.
644.
645.
646.
647.
648.
6484.
649a.
650.
6504.
(DI
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 93
Glypta ceratites Grav.
Een w. in Aug. te Arnhem, v. V. — Een man 5 Julij aan de Voge-
lenzang , Rits.
Gl. teres Grav.
Grav. Ichn. Eur. III. p. 8, ne. 2. — Holmer. 2. 1. p. 40, no. 10. —
Een man bij Leyden, Perin.
Gl. bifoveolata Grav.
Ken Q in Julij bij Scheveningen, v. d. W.
GI. pedata Desv.
Desvignes, Cat. Brit. Ichn. p. 74, n°. 7. — Een wijfje te Arnhem
28 April uit Tortr. plumbatana, v. Med. de Rooij.
Lycorina triangulifera Hlmgr.
Holmgr. Mon. Pimpl. p. 43 — Bij den Haag 5 Julij een 2 uit
Gelechia populella, de Gr. — Een wijfje 3 Julij bij Venlo, +. d.
Brandt.
Schizopyga flavifrons Hlmer.
Holmgr. Mon. Pimpl. p. 45, n°. 3. — Een wijfje bij Rott. Fransen.
Sch. analis Grav.
Grav. Ichn. Eur. III. p. 130, n°. 70. Holmgr. Mon. Pimpl. p. 46,
n°. 4. — Eene vrouwelijke var. (of nov. sp.) bij Rotterdam, Fransen.
Lampronota migra Grav.
Een man bij Heemstede, Boog. — Een w. in Oct. bij den Haag, v. V,
Lampr. Marginator Schiöd.
Bij Noordwijk in Julij, Rits.
Lampr. caligata Grav. 5
Een man in den Haarlemmerhout , Boogaard.
Meniscus setosus Frer.
Een wijfje in Junij bij Arnhem, v. Med. de Rooij.
Men. Catenator Panz.
Een wijfje bij den Haag, Six. — Een ander aldaar in Julij, v. V.
Men. agnatus Gray.
Grav. Ichn. Eur. III. p. 44, n°. 22. — Holmgr. Mon. Pimpl. p. 61,
n°. 3. — Beide sexen te Scheveningen in Junij, v. V.
Men. murinus Grav.
Grav. Zen. Eur. VII. p. 99, n°. 45. — Holmgr. Mon. Pimpl. p. 62,
n°. 5. — Een 2 in het Ulvenhoutsche bosch 8 Junij, Piaget.
Lissonota bellator Grav.
Zeer gemeen bij Leyden op schermbloemen in Julij en Aug. v. V.
Liss. commixta Hlmer.
Holmgr. Mon. Pimpl. p. 50, n°. 4. — Een £ bij den Haag, Six. —
Een wijfje 1 Aug. 72 bij Soeterwoude, v. V.
Ard
236 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
651. Lissonota parallela Grav.
Nog 3 wijfjes en 1 man in het dum bij den Haag, v. d. W.
652. Liss. Cylindrator Vill.
Beide sexenin Sept. bij Leyderdorp, het wijfje met bijna geheel zwart
achterlijf, Rits.
655. Liss. sulphurifera Grav.
Een 4 en eene var. 4 in Sept. op Schothorst, v. V.
6554. Liss. leptogaster Hlmgr.
Holmgr. Mon. Pimpl., p. 55, n°. 18. — Twee mannetjes in Zeeland,
Gerth v. Wijk.
657. Liss. variabilis Hlmgr.
Op Wikkenburg bij Schalkwijk in Sept. Wtt.
659. Liss. segmentator F.
Drie wijfjes bij Oosterbeek in Julij , Rits.
660a. Liss. dubia Hlmgr.
Holmgr. Mon. Pimpl. p. 58, ne. 28. — Een mann. verscheidenheid bij
Naaldwijk in Aug. v. V.
661. Liss. Impressor Grav.
Eene fraaije met rood gevlekte var. in het duin bij Scheveningen 16
Aug. 73, v. V.
662. Liss. culicaformis Grav.
Bij den Haag in Oct. twee mannetjes, Six.
662a. Liss. versicolor Hlmgr.
Holmgr. Mon. Pimpl p, 60, n°. 32. — Een wijfje 30 Junij bij Venlo,
v. d. Brandt.
666a. Liss. Deversor Grav.
Grav. Ichn. Eur. III. p. 59, n°. 32. — Een man bij Velp in Julij,
Rits.
668. Phytodietus Coryphaeus Grav.
Een wijfje bij Rott. Fransen.
668a. Ph. exareolatus Voll.
Nog te beschrijven; het naast verwant aan Coryphaeus. — Een wijfje
uit een grauwachtig cocon te Voorst, Wit.
669. Ph. Segmentator Grav.
In Mei bij den Haag, v. V. — Een zeer fraai 4 2 Junij aldaat, v.
d. W. — Een Q in Julij aldaar uit een langwerpig ligtgrauw
cocon met witten middenband, de Gr. — Een $ met zwarte voor-
heupen uit een langwerpig bruinachtig geel coconnetje uitgekomen te
Leyden in Julij, Rits.
670a. Coleocentrus caligatus Grav.
Grav. Ichn. Eur. All. p. 440, n°. 2. Holmgr. Mon. Pimpl. p. 7,
n°. 2. — Een wijfje te Velp in Junij 1874, Rits.
672.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA, 237
Acoenites Arator Rossi.
Een wijfje bij den Haag, Everts.
673a. Echthrus nubeculatus Grav.
O74.
675.
Gray. Ichn. Eur. III. p. 866, n°. 20. — Ken wijfje bij Arnhem, 16
Mei 1872, v. Med. de Rooij,
Xylonomus filiformis Gravy.
Hen mannetje bij Velp in Junij 74, Rits.
Xyl. pilicornis Grav.
Eene var. 9 met zwarte achtertibién bij Velp 8 Aug. 74, Rits.
675a. Xyl. securicornis Holmer.
680.
681.
684.
688.
69.
692.
Holmgr. Mon. Pimpl. p. 69, n°. 5. — Een 2 in Junij bij den Haag,
v. d, Wi
Mitroboris cornuta Ratz.
Een 2 bij Rotterdam, Fransen. — Twee mannetjes 20 en 22 April bij
bij den Haag (in het Bosch en de Schev. boschjes), v. V.
Ophion undulatus Grav.
Een zeer klein £ bij Rotterd., Fransen. — Een dito in het Ulven-
houtsche bosch 8 Junij, Rits.
Oph. merdarius Grav.
In het duin bij Scheveningen 22 Aug. 73, v. V.
Oph. ramidulus L.
Bij Rotterdam, Fransen.
Oph. obscurus F.
Bij Rotterdam, Fransen.
Anomalon Heros Wesm.
Een wijfje bij Rotterdam, Fransen.
An. bucephalum Voll.
Moet wegvallen, aangezien het mij gebleken is dat de vermelde voor-
werpen ‘mannetjes zijn van Anomalon amictum Y.
An. circumflecum L.
Een ? in het Ulvenhoutsche bosch 8 Junij 1873, Rits.
693a. An. biguttatum Grav.
694.
696.
Grav. Ichn. Eur. III. p. 642, n°. 111. Wesm. Revue, p. 13, n°. 3.
— Holmgr. Mon. Oph. p. 19, n°. 5. — Een wijfje bij Rotterdam,
Fransen.
An. cerinops Grav.
Een man bij Rotterdam, Fransen.
An. nigricorne Wesm.
De var. met roode achterheupen 23 Julij 73 uit een Zortriz gekweekt,
de Gr,
238 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
697. Anomalon canaliculatum Ratz.
Bij Arnhem 20 Mei, v. Med. de Rooij. — Hen gepaard paar in de
Scheveningsche boschjes 21 Mei, Six. — Bij Rotterdam, Fransen.
698. An. flaveolatum Grav.
Bij Arnhem, v. Med. de Rooij.
698«. An. trochanteratum Hlmgr.
Holmgr. Mon. Ophion. p. 25, n°. 15. — Een 2 8 Junij in het
Ulvenhoutsche bosch, v. V. — Twee mann. op Walcheren, Gerth
van W.
. 699a. An. anxjum Wesm.
Wesm. Revue des Anom. de Belg. p. 18, n°. 10. — Een wijfje in den
Haag 24 April uit eene pop van Teras hastiana, de Gr.
7004. An. geniculatum Hlmgr.
Holmgr. Mon. Ophion. p. 27, n°. 19 — Beide sexen, doch eenigzins
afwijkend in het aderbeloop uit cocons van Chlorana afkomstig van
rupsjes gevonden bij Naaldwijk, v. V.
701. An. tenuicorne Grav.
Bij Arnhem, v. Med, de Rooij.
703. An. fasciatum Gir.
Behoort te heeten Gravenhorstia picta Boie; zie Pinacographie.
704. Trichomma Enecator Rossi.
Een wijfje door den Hr. Heylaerts te Breda uit een Tortria opge-
kweekt. — Een tweede in het Ulvenhontsche bosch 8 Junij, Rits. —
Een derde bij Rotterdam, Fransen, — Een vierde bij Arnhem 16
Aug. v. Med. de Rooij.
707. Paniscus testaceus Grav.
Een g in April uitgekomen uit eene rups van Cost. anachoreta, 2
Sept. te Rotterdam gevonden, de Gr.
708a. Pan. fuscicornis Hlmer.
Holmgr. Mon. Ophion. p. 32, n°. 2. — Een w. bij den Haag, Six. —
Een bij Scheveningen in Junij, v. d. W.
712. Pan. luteus Hlmgr.
Bij Grijpskerke 11 Sept. 75 een wijfje, Gerth v. W.
713a. Campoplex carinifrons Himer.
Holmgr. Mon. Ophion. p. 34, n°. 2. — Drie wijfjes bij Rotterdam,
Fransen.
714. Camp. Pugillator L.
Een wijfje in Sept. bij Empe, v. d. W.
714a. Camp. disseptus Först.
Först. Mon. d. Gatt. Camp. p. 21 (781), n°. 5. — Een g 3 Aug. 74
te Naaldwijk, v. V. — Een dito bij Rott. Fransen.
744b. Camp. bucculentus Hlmgr.
Holmgr. Mon. Ophion. p. 36, n°. 4. — Een wijfje bij Rott., Fransene
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 239
715. Campoplex Cultrator Grav.
Een wijfje 2 Aug. bij Breda, Heyl.
7154. Camp. Nitidulator Hlmgr.
Holmgr. Mon. Ophion. p. 36, n°. 6. — Een w. bij Arnhem 25 Junij
71, v. Med. de Rooij.
717a. Camp. floricola Grav.
Gray. Ichn. Eur. III. p. 600, ne. 100. Holmgr. Mon Ophion. p. 38,
n°. 9. — Hen wijfje 30 April bij Arnhem, v. Med. de Rooij.
719a. Sagaritis Declinator Gray.
Grav. Ichn. Eur. III. p. 589, ne. 92. Holmgr. ox. Oph. p. 43,
n°. 1. — Hen mannetje 26 Sept. bij Oisterwijk, v. V.
722. Limneria difformis Gmel.
Bij Noordwijk in Julij, Rits. — Bij Scheveningen 14 Sept. de Gr.
728. Limn. argentata Gray.
Opgekweekt uit Hyponomeuta rorella, v. V.
728a. Limn. errans Hlmgr.
Holmgr. Mon. Ophion. p. 83, n°. 53. (forte Errabunda Grav. Ichn.
Eur. III. p. 559, n°. 73. — Een wijfje 5 Sept. te Venlo, v. d. Br.
739a. Cremastus sabulosus Voll.
Nov. sp. te beschrijven. — Beide sexen in Aug. in het duin bij
Scheveningen, v. d. W.
739b. Cr. cabalisticus Voll.
Nov. sp. te beschrijven. — Een wijfje uit de pop van een Tortrix in
wilgen, Witt.
740a. Atractodes spiniger Voll.
Nov. sp. te beschrijven. — Hen wijfje door Perin (bij Leyden?) gevangen.
740b. Atr. varicornis Hlmgr.
Holmgr. Mon. Ophion. p.114, n°. 8. — Beide sexen in Julij en Sept.
op Wikkenburg, Wtt. — Een man in Aug. te Wort-Rhede, v. V.
741. Mesochorus thoracicus Grav.
Twee mannetjes en een wijfje bij den Haag, Six.
743a. Mes. vittator Zett.
Zett. Ins. Lapp. 387, 19. Holmgr. Mon. Ophion. p. 126, n°. 18. —
Een wijfje op Walcheren, Gerth v. W.
743b. Mes. velox Himer.
Holmgr. Mon. Oph. p. 127, n°. 19. — Een 4 bij den Haag 30 Mei, v. d. W.
744. Mes. testaceus Grav.
Acht exx. uit een cocon van Cimbex, v. V.
744a. Mes. confusus Hlmgr.
Holmgr. Mon. Oph. p.129, n°. 23. — Een Z bij Leyden 11 Junij 73,
Rits. — Een bij den Haag 29 Sept. v. d. W. — Een gekweekt uit
eene Zortrix-rups te Breda, Heyl.
240
7460,
748.
70a.
751.
Tola.
759.
757.
761.
762.
764.
769.
766.
766a.
766b.
766c.
BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
Porizon hostilis Grav.
Grav. Ichn. Eur. III. p. 753, ne. 161. Holmgr. Mon. Oph. p. 132,
n°. 1. — Een man op Walcheren, Gerth v. W.
Por. harpurus Schr.
In Holland, Perin. — Twee wijfjes int duin bij Wassenaar 8 Sept. v. V.
Por. triangularis Grav.
Gray. Ichn. Eur. III, p. 781, n°. 175. — Bij Rotterd. Fransen.
Por. Moderator L.
Bij Rotterdam, Fransen — Ken 2 bij Middelburg, Gerth v. W.
Por. Saltator F.
Fabr. S. P. 137, 34. Grav. Ichn. Eur. III. p. 777, n°. 173. — Een
& in Sept. in het duin bij Scheveningen, v. d. W.
Pristomerus Vulnerator Pz.
Een g in Julij te Leeuwarden, H. Alb. — Een te Breda uit een
Tortrix-cocon, Heyl. — Een 24 Julij bij den Haag, Six.
Fam. VI. BRACONIDEA.
Euphorus apicalis Gurt.
Bij den Haag, Six. — Eene var. uit een kokertje van Coleophora bij
Breda, Heyl.
Perilitus Cerealium Hal.
Het wijfje bij den Haag, Six. — Een ander in Sept. bij Heemstede, v. V.
Per. aethiops N. ab Es.
Een m. op Walcheren, Gerth v. W.
Per. rutilus N. ab Es.
Een m. in Holland, Perin,
Microctonus vernalis Wesm.
Een wijfje bij den Haag, Six.
Blacus ruficornis N. ab Es.
In het duin van Waalsdorp 14 Sept. v. V. — Een Z bij Amersfoort, Six.
BI. tuberculatus Wesm.
Wesm. Brac. I. p. 98, ne. 5. — Ruthe, Berl. Ent. Zeit. 1861. p. 132.
Haliday, Ent. Mag. III. p. 41 (Ganychorus pallipes). — Onder
klittenbladeren in Sept. te Heemstede, v. V.
Bl. maculipes Wesm.
Wesm. Brac. I. p. 94, n°. 2. Ruthe, 2.2. p. 139, n°. 5. — In Sept.
op de Gliphoeve een 9, v. V.
Bl. exilis N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. I. p. 191, n°. 4 Ruthe, Z. 2. p. 152, no, 13. —
Een wijfje in Oct. te Naaldwijk, J. S. v. V.
Tita
7
7
Zi
72.
73.
74.
(dl
1
7
7794.
7804.
|>
d
78.
79.
O1:
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. JAA
Pygostolus falcatus N. ab Es.
Uit een wit tonnetje op Chaerophyllum in Julij op Schothorst, v. V.
PI. sticticus F.
Fabr. S. P. 89, 83. — Hal. Ent. Mag. II. p. 459. Wesm. Brac. I.
p. 99, no. 6. (Blacus gigas). — Bij Breda een 9 uit een Bladroller
gekweekt, Heyl. — Een 2 bij Arnhem in Mei, v. Med. de Rooij. —
Een bijna geheel roodgeel wijfje uit een cocon 5 Junij bij den Haag, v. V.
Sigalphus ambiguus N. ab Es.
Een wijfje 3 Aug. bij den Haag, Six.
Sig. caudatus N. ab. Es. |
Wijfjes bij den Haag in Julij en Sept. v. d. W.
Sig. obscurus N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. I. p. 271, n°. 8. Wesm. Brae. p. 211, n°. 4. —
Een wijfje in de duinen in Julij, v. d. W.
Calyptus ruficoxis Wesm.
Een wijfje in Julij op Wikkenburg, Wtt.
Cal. uncigenis Wesm.
Bij Overveen 2 Julij, Rits.
Eubadizon pectoralis N. ab Es.
Een Q 16 Julij 73 bij den Haag uit Tortrix gekweekt, de Gr. —
Een 9 in het Ulvenhoutsche bosch 8 Junij 73, Rits. — Een op
Walcheren, Gerth v. W.
Eub. rufipes H. Sch.
Een 4 in Julij te Velp, Rits.
Microgaster russatus Hal.
Een mannetje bij Rotterdam, Fransen. — Een kleiner dito bij den
Haag 31 Julij, v. d. W.
Micr. globatus N. ab Es.
Uit Botys verticalis gekweekt in Julij, v. d. W. — Uit cocons van
Microlepid. in Julij, de Gr.
Micr. Mediator Hal.
Hal. Ent. Mag. II. p. 235. — Wesm. Brac. Suit. 1. p.44, n°. 15. —
Ruthe, Berl. Ent. Zeit. IV, p. 126, n°. 13. — Een Z bij den Haag, Six.
Micr. tuberculifer Wesm.
Wesm. Brac. Suit. I. p. 43, n°. 14. Ruthe, Berl. Ent. Zeit. IV. p. 128,
no, 14. — Een 4 in het voorjaar bij Breda, Heyl.
Micr. longicauda Wesm.
Een 9 den 2den Mei in den Haag nit een kokertje van een Coleophoor, v. V.
787a. Micr. ochrostigma Wesm.
Wesm. Brac. Suit. I, p. 55, n°. 27. — Een man in Holland, Perin.
790. Micr. albipennis N. ab Es.
In Aug. bij Scheveningen 3 mannetjes, v. d. W,
249 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
79. Meteorus albitarsis N. ab Es.
Een & bij Rotterdam, Fransen.
792. Met. chrysophthalmus N. ab Es.
Een wijfje 3 Julij bij Venlo, v. d. Brandt.
793. Met. Deceptor Wesm.
Drie wijfjes uit Teras hastiana L. in Sept. 73 bij den Haag, de Gr.
794. Met. ictericus N. ab Es.
Twee w. en 1 m. in Sept. gekweekt uit cocons, bij Scheveningen ge-
vonden, de Gr.
796a. Met. Similator N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. I. p. 41, n°.16. Wesm. Brac. p.34, n°. 10. Ruthe
Berl. Ent. Zeit. VI, p. 33, n°. 19. — Een zeer klein 9 16 Julij bij
den Haag, de Gr.
798. Met. Abdominator N. ab Es.
Een m. bij den Haag, Six.
799. Met. Scutellator N. ab Es.
Eene donkere var. 9 in de helft van Junij bij den Haag, Six.
801. Met. versicolor Wesm.
Een 4 bij den Haag, Six.
8024. Met. laticeps Wesm.
Wesm. Brac. I. p. 47, n°. 19. Ruthe, Berl. Ent. Zeit. VI, p. 49,
n°. 31. — Hen 9 bij Wassenaar 24 Oct. 67, v. V.
805. Met. rubens N. ab Es.
Bij den Haag in Aug., Six.
806a. Met. luridus Ruthe.
Ruthe, Berl. Ent. Zeitschr. VI, p. 57, n°. 37. — Een 9 bij Rotter-
dam, Fransen.
809. Microtypus Wesmaeli Ratz.
Een wijfje 30 Junij bij Venlo, v. d. Brandt.
8094. Diospilus affinis Wesm.
_ Wesm. Brac. p. 191, no. 2. — Het aan Wesmael onbekende wijfje bij
den Haag, Six.
810a. Laccephrys Villae novae Voll.
Nov. Sp. nader te beschrijven. — In het begin van Julij 74 te Naald-
wijk op Bryonia Europaea in gezelschap van 7'rypeta Wiedemanni, v. V.
844a. Homolobus discolor Wesm.
Wesm. Brac. I, p. 162, n°. 4. — Een bij Rotterdam uit Almiaria
opgekweekt, Fransen. — Een 9 in Sept. op Wikkenburg, Wtt.
844b. Amicroplus collaris Spin.
Nees ab Es. Mon. I. p. 203, n0.8. Wesm. Brac. I. p. 179, n°. 6. —
Twee wijfjes bij den Haag, Six.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 243
813. Macrocentrus thoracicus N. ab Es.
Bij Arnhem uit Depressaria Chaerophylli, v. Med. d. R. — Een 4
29 Junij bij den Haag uit een Tortrieide, de Gr.
814.) Macr. linearis N. ab Es.
815. \ Macr. pallipes N. ab Es.
Varieteiten van eene soort, beide gekweekt uit eene gele rups met
groenen rug en witachtige wratjes op kamperfoelie, de Gr.
817. Phylax annulicornis N. ab Es.
Een Z£ en 2 2 bij Rotterdam en 2 exx. gekweekt uit Leucania obsoleta,
Fransen. — 24 Mei 71 te Wassenaar, v. V.
S17a. Ph. calcarator Wesm.
Wesm. Brae.1.p.161, n°. 2. — Een 2 in Aug. te Groningen, de Gav.
818. Orgilus Obscurator N. ab Es.
Een & half Mei bij Utrecht en een ander in Julij bij den Haag, Six.
— In den Haag een ex. 27 Julij uit een Coleophoor en 4 Julij uit
Depressaria hypericella een 9 met lange legboor, de Gr.
822a. Earinus Delusor Wesm.
Wesm. Brac. Suit. I. p. 12, n°.5. — Een 4 2 April in het Haagsche
bosch, v. V.
822. Ear. tuberculatus Wesm.
Wesm. Brac. Suit. I. p.13, n°. 6. — Hen @ 5 Mei bij den Haag, Six.
825a. Microdus compeditus Voll.
Nov. Spec. na verwant aan Cingulipes N. ab Es, doch verschillend
door de sculptuur van het abdomen. — 2 2 27 Junij en nog een op
14 Julij bij Venlo, v. d. Brandt.
826. Micr. rufipes N. ab Es.
Bij den Haag in Aug., Six. — Bij Ede in Julij, v. V.
827a. Agathis breviseta N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. I. p. 131, n°. 4. — Wesm. Brac. Suit. I. p. 25,
n°.3. — Twee Q bij den Haag in het duin, half Aug. Six. — Drie
mannetjes in Julij uit Conch. rutilana of Ypsolophus marginellus,
Snell. — Een 2 op Walcheren, Gerth v. W.
827b. Ag. Syngenesiae N. ab Es.
Nees ab Es. in Berl. Mag. VI. p. 194, tab. IV. f. 4a et 5a. — Idem,
Mon. I. p. 133, n°. 6. — Een 9 in Aug. bij den Haag, v. V.
828. Ag. Deflagrator Spin. _
Een 4 aan het Ginneken, 3 Aug. 73, Iv. Schepman. — Een dito
27 Julij bij Arnhem, v. Med. de Roojj.
829a. Ichneutes laevis Wesm.
Wesm. Brac. I. p. 199, n°. *. — Eenige voorwerpen op Elzenstruiken
in Aug. bij den Haag, v. V.
834. Chelonus annulipes Wesm.
Bij den Haag een matnetje, Six.
18
244
835u.
837.
839.
843.
844.
844a.
S44b.
846.
8474.
850a.
890b.
8514.
899.
8564.
80600.
858a.
BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
Chelonus mutabilis N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. I. p. 290, n°. 12. — Twee voorwerpen bij Rotter-
dam, Fransen.
Ascogaster dentatus Panz.
Bij Rotterdam, Fransen. In Julij te Oosterbeek, Rits. — Twee exx.
» gevangen op de excursie bij Hilversum 25 Julij 75.
Asc. rufipes Latr.
Een wijfje bij Scheveningen 18 Julij, Six.
Asc. similis N. ab Es.
Een 2 uit het spinsel van Carpocapsa splendana (gevonden in het
Haagsche bosch) 5 Julij uitgekomen, de Gr.
Asc. quadridentatus Wesm.
Een $ den 3den Julij te Leyden, v. V.
Asc. consobrinus Curt.
Curtis Brit. Ent. XIV. 672, n°. 2. — Op Wikkenburg in Julij, Wtt.
Asc. annularis N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. I. p. 286, n°. 8. Reinhardt, Berl. Ent. Zeit. XI.
p. 369, n°. 17. — Uit Xysmatodoma melanella, gevonden op een
raster in de Scheveningsche boschjes Mei 74, de Gr.
Acampsis alternipes N. ab Es.
Een man in Mei bij den Haag, v. V.
Opius singularis Wesm.
Wesm. Brac. p. 133, n°. 16. — Twee wijfjes bij den Haag, Six.
Bracon Nominator F.
Fabr. S. P. 104, 8. Nees ab Es. Mon. I. p. 109, n°. 67. Panz.
Fauna Germ. 79, f. 10. Wesm. Brac, Suit 2. p. 10, n°. 1 (onzeker).
— Een 2 bij Leyden in Junij, v. V.
Br. Appellator N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. I. p. 108, ne. 66. — Hen 2 in Junij bij Scheve-
ningen, v. d. W.
Br. stabilis Wesm.
Wesm. Brac. Suit. 2, p. 25, n°. 13. — Een wijfje op Walcheren,
Gerth v. W.
Br. variator N. ab Es.
In Junij bij den Haag gevangen, en later gekweekt uit bloemen van
Senecio, v. d. W.
Br. parvulus Wesm.
Wesm. Brac. Suit. 2. p. 55, n°. 44. — Een 2 bij den Haag, Six.
Br. Oostmaeli Wesm.
Wesm. Brac. Suit. 2. p.57, n°. 48. — Een 2 op Walcheren, Gerth v. Wijk.
Exothecus marginellus Wesm.
Wesm. Brac. Suit. 2. p. 86, ne. 11. — 5 2 en 4 4 uit de pop
van Noctua ditrapezium, Snellen.
899.
860.
865b.
866.
867.
869.
870.
871.
872.
873.
8734.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 245
Pelecystoma luteum N. ab Es.
Een 9 in Julij 73 in den Haag, v. V.
Petalodes unicolor Wesm.
Wesm. Brac. Suit. 2. p. 123. — Een 2 in Holland, Perin. Een dito
11 Sept. in den Haag gekweekt uit eene Zortriz-rups, de Gr.
Rogas Dissector N. ab Es.
Een mannetje bij Rotterdam, Fransen.
Rog. irregularis Wesm.
Een 4 aan de Vogelenzang 5 Julij, Rits. Een 9 bij den Haag 31 Juli
v. d. W. Een Z in het Scheven. duin in het laatst van Junij, Six.
Rog. Reticulator N. ab Es.
Een 4 bij Rotterdam, Fransen.
Rog. tristis Wesm.
Wesm. Brac. Suit. 2. p. 114, n°. 14. Reinh. Berl. Ent. Zeit. VII.
p. 263, no. 15. — De var. 1 van Reinh. 28 Aug. 69 bij Noord-
wijk, v. V. — De type te Rotterdam, Snellen.
Rog. Geniculator N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. I. p. 211, n°. 16. Wesm. Brac. Suit. 2. p. 118.
Reinh. 7. Z. p. 262, n°. 14. — Beide sexen uit jonge rupsen van
Bomb. potatoria bij Rotterdam, Fransen.
Rog. unicolor Wesm.
In Aug. bij den Haag, v. d. W.
Rog. vittiger Wesm.
3 Julij 74 een fraai Q in het Haagsche bosch, v. V.
Rog. circumscriptus N. ab Es.
Een zeer klein mannetje opgekweekt uit een Lophyrus-cocon van het
Mastbosch bij Breda, Iv. Schepm. — Ook bij Breda in het voor-
jaar, Heyl.
Rog. testaceus Spin.
In Aug. bij Katwijk, Perin. — Den 10den Mei 75 in het duin van
Waalsdorp, v. V.
Rog. bicolor Spin.
De type en eene zwarte var. bij den Haag, Six.
Heterogamus dispar Gurt.
De naam Dispar van Curtis (Brit. Ent. vol. XI (ao 1834), no. 512)
is ouder dan die van Wesmael. — Een bij Leyderdorp in Aug, Rits.
Bij den Haag, v. d W.
Hormius pieiventris Wesm.
Bij den Haag, Six.
Horm. moniliatus N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. I. p. 153, n°. 1. Wesm. Brac. Suit. 2 p. 67, n°. 1.
De var. 2 met zwarten kop en thorax bij Driebergen, Six.
246 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
875. Spathius clavatus Panz.
De var. Erannulatus Ratz. (Forst-Ins. II. p.42) wit Hylesinus Fraxim
gekweekt, Ritz. Bos.
876. Sp. pedestris Wesm.
Bij den Haag, v. Hass. Op Schothorst, V. Een 2 bij Leyden in
Junij, v. V. Bij Leyden, in Aug. Rits.
8760. Trachyusa Aurora Hal.
Haliday, Entom. Mag. V. p. 217, n°. 4. Ruthe Stett. Ent. Zeit. 1851,
p. 352 (Nigriceps). — Een 2 bij den Haag, Six.
877a. Alysia rufidens N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. I. p. 241, n°. 4. Halid. Eet. Mag. V. p. 221.
n°. 8. — Een 2 bij den Haag, Six.
879a. Al. picinervis Hal.
Halid. in Æntom. Mag. V. p. 233, n°. 31. — Een mannetje in Julij
op Wikkenburg, Wtt.
880. Al. ruficeps N. ab Es.
Een 4 bij Breda in Junij, Rits. — Hen 2 bij Wassenaar 24 Mei 1871,
v. V.— Een var. 4 met zwarten kop in Sept. bij den Haag, de Gr.
881a, Al. Eugenia Hal.
Halid. in Entom. Mag. V. p. 234 , n°. 33. — Bij Rotterdam een 4, Fransen.
882a. Al. flavipes Hal.
Halid. in Æntom. Mag. V. pag. 236, n°. 36. — Bij den Haag, Six.
884a. Al. punctigera Hal.
Halid. in Entom. Mag. V. p. 238, n°. 43 9. — De vermoedelijke man
aan de Schielandsche plassen, v. d. W.
886. Alysia Api Curt.
Een wijfje in Sept. bij den Haag, v. d. W.
888. Al. venusta Hal.
Bij den Haag, Six.
889. Al. conspurcator Hal.
Een 9 bij den Haag, Six.
892a. Synaldis concolor N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. p. 254, n°. 25. — Een Z in Holland, Perin.
892b. Aphaereta cephalotes Hal.
Halid. in Eat. Mag. V. p. 231, n°. 29. — Een 2 op Walcheren,
Gerth van Wijk.
893. Chasmodon apterum N. ab Es.
Een man bij den Haag in Sept., Six.
894a. Polemon Liparae Gir.
Giraud in Verhandl. d. K. K. Zool. bot. Gesellsch. Bd. 13, p. 1268. —
In het Ulvenhoutsche bosch, 8 Junij 73, v. V. — Uit een riet-
stengel, aldaar gevonden, te Leyden opgekweekt, Rits.
895.
896.
897.
897a.
8970.
898.
9014.
9014.
Ba.
REI
918.
= 919.
=> 919a.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 247
Copidura anceps Curt.
Een man te Velzen in Junij, Everts.
Coelinius parvulus Grav.
Eene var. van het 9 in de Wassenaarsche duinen 17 Julij, v. V.
Coel. niger N. ab Es.
Gemeen bij Katwijk aan Zee in Junij 73, Rits. Op Staalduin in Aug. v. V.
Coel. gracilis Curt.
Halid. Hymen. Brit. Alys. p. 23, n°. 98. — De var. door Hal. ver-
meld in 2 exx. bij den Haag in het najaar, Six. Een 4 dat in alles
op H’s beschrijving past, except dat het achterhoofd zeer duidelijk
uitgehold is, bij den Haag in Julij, v. V.
Coel. elegans Hal.
Halid. Aymen. Brit. Alys. p. 23, n°. 99. — Een 9 (Haliday beschrijft
alleen het 4) bij den Haag, Six.
Coel. ruficollis H. S.
Bij den Haag in Julij, v. d. W. en v. V.
Dacnusa gilvipes Hal.
Halid. Aym. Brit. Alys. p. 12 n°. 79. — Een mannetje in Sept. bij den
Haag, Six.
Dac. cincta Hal.
Halid. Hym. Brit. Alys. p. 9, n°. 71. — Bij den Haag, Six.
Trioxys Angelicae Hal.
Halid. Ent. Mag. I. p. 489, n°. 14. — Een 2 bij den Haag, Six.
Kam Vile CHAECIDIDEA
Chalcis minuta Dalm.
20 Julij bij Breda, Heyl. — 22 Julij bij Scheveningen, v. V.— In Aug.
bij Velp, Rits.
Ch. armata Panz.
Een 4 8 Aug. 75 op Staalduin, v. V. Een 2 op Walcheren, Gerth
v. Wijk.
Eupelmus de Geerii Dalm.
Een 9 tusschen deze soort en Excavatus in staande, half gevleugeld,
23 Aug. bij den Haag, Six.
Eup. annulatus N. ab Es.
Nees. ab Es. Mon. II. p. 75, n°. 3. — Een wijfje op Mariendaal bij
Arnhem, in Aug. Rits.
Eup. excavatus Dalm.
Bij den Haag, Six.
. Eup. urozonus Dalm.
Nees ab Es, Mon. II. p. 74, n°. 9. — Een wijfje te Driebergen, Six.
248 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
— 920. Eupelmus atropurpureus Dalm.
Dalm. Act. Holm. 1820, n°. 4. Nees ab Es. Mon. II. p. 78, no. 5.—
Een wijfje in Julij bij den Haag, Six.
991%. Chiloneurus elegans Dalm.
Westwood in Oken’s Isis 1835. p. 566, n°. 29, nec Nees. -- Een
voorw. 23 Junij in de Scheveningsche boschjes, Six.
9224. Bothriothorax Altensteinii Ratz.
Ratz. Ichn. d. Forstins. I. 209. Cf. Nees ab Es. Mon. II. p. 225.
Clavicornis Daim. var. y. — In Julij bij den Haag uit eene larve
van Syrphus, v. d. W.
922b. Choria inepta Dalm.
Dalm. Act. Holm. 1820, p. 367. Nees ab Es. Mon. II. p. 258. — In
Mei en weder in Sept. iu de Scheveningsche boschjes , Six.
993. Aglyptus aeneiventris Hal.
Is geen Aglyptus en behoort bij Encyrtus te worden vermeld.
9934. Agl. Lindus Walk.
Walker, Ent. Mag. IV. p. 451, n°. 18. — Een gevleugeld ex. in
Julij in het duin bij den Haag, Six.
923b. Copidosoma flagellare Dalm.
Determinatie van Dr. G. Mayr. — Een 2 in de Scheven. boschjes in
Julij, Six.
993c. Cop. chalconotum Dalm.
Determinatie van Dr. G. Mayr. — Bij den Haag, Six.
924. Dinocarsis hemipterus Dalm.
Bij den Haag, Six.
925. Din. rufus Six.
Is een Zetroma. Zie hierover: G. A. Six in Tijdschr. voor Entomologie
1876, p. 134.
926. Ericydnus paiudatus Hal.
Walker, Ent. Mag. IV. p. 363, ne. 1. — Een ex. bij Utrecht en
een paar bij den Haag, Six.
928a. Encyrtus cyanifrons Dalm.
Dalm. Act. Holm. 1820, n°. 11. — Nees ab Es. Mon. II. p. 212,
n°, 11. — Een 2 bij Utrecht, Six.
930. Ene. punctipes Dalm.
In de Scheveningsche boschjes, Six.
931a. Ene. misellus Dalm.
Dalm. Act. Holm. 1820, no. 26. — Nees ab Es. Mon. II. p. 250,
n°. 58. — Een 4 bij den Haag, Six.
9316. Ene. vinulus Dalm.
Dalm. Act. Holm. 1820, II. 349. Nees ab Es. Mon. II. p. 231, n°. 33-
— Bi Utrecht, Six.
933.
9344.
936.
937.
938.
9400.
941.
9A a.
942.
942a..
944.
9454.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 249
Encyrtus sericans Dalm.
Bij Driebergen, Six.
Enc. apicalis Dalm.
Nees ab Es. Mon. II. p. 220, n°. 20. Walker, Ent. Mag. V. p. 110,
n°. 77 forte. — Een 9 met uitstekende terebra in Mei 1874 in de
Scheveningsche boschjes, Six.
Cerchysius stigmaticalis Westw.
In Julij bij Utrecht, Six.
Theocolax formiciformis Westw.
Westwood, Introduct. Synopsis p. 66. Idem, Zzesaur. Oxon. p. 138,
PI XXV, 11. — Drie voorwerpen op verschillende tijden in een
huis te Leyden, Rits. (Mijn Lagynodes pallipes, n°. 1014).
Perilampus auratus Dalm.
Twee voorwerpen te Velp 8 Aug. 74, Rits. — In een tuin te ’s Gra-
venh. in Julij, van Hass.
Per. laevifrons Dalm.
Dalm. Pteromal. p. 113, 3. Nees ab Es. Moz. II. p. 50, no. 5.
— Een voorw. bij Mau 5 Aug. 1860, v. V.
Ormyrus variolosus N. ab Es.
Een 4, zwart met grauwwitte tarsen, geen streep groot, bij den
Haag in Aug. Six.
Orm. chalybaeus Ratz.
Ratz. Ichn. der Forstins. I. p. 207; II. p. 150. — Uit een gal van
Teras terminalis , v. V.
Monodontomerus obsoletus K.
Een 2 bij Rotterdam, Fransen. — Beide sexen op Walcheren, Gerth
v. Wijk.
Mon. dentipes Boh.
Ratz. Ichn. d. Forstins. I. p. 176 (Obsoletus) [NB. Deze aanhaling
moet als onjuist bij de vorige soort geschrapt worden.] Mayr, Zur.
Torymid. p. 19, n°. 5. — Een 2 bij Velp, Rits.
Megastigmus dorsalis F.
Een 2 in het Ulvenhoutsche bosch 8 Junij, Piag. — In Junij bij
Scheveningen , Six. — In het duin bij den Haag in Aug. v. d. W.
NB. Bohemanni Ratz. n°. 1072 der lijst, sedert wederom gevan-
gen in de Schev. boschjes 19 Junij 73 door G. A. Six, is
volgens Mayr dezelfde soort.
. Syntomaspis caudata N. ab Es.
Volgens Mayr gelijk aan Torymus admirabilis Först. Zie ne. 955.
Synt. cyanea Boh.
De naam Eurynotus Forst. vervalt.
Synt. lazulina Först.
Först. Verhandl. Rheinl. XVI. p. 100. Mayr, Eur. Torymiden, ES 28,
n°. 6. — Een 4 uit eene galnoot van Dryoph. longiventris, v. V.
250
BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
945b. Syntomaspis fastuosa Boh.
Mayr, Europ. Torymiden, p. 26, n°. 3. — Uit eene gal van Teras
terminalis, v. V
946. Torymus Bedeguaris L.
949. Tor.
950. Tor.
950a. Tor.
950b. Tor.
952. Tor.
953. Tor.
055a. Tor.
956. Tor.
9564. Tor.
958. Tor.
963. Tor.
963a. Tor.
Uit bedeguar van de duinen bij Wassenaar, Perin.
abdominalis Boh.
Volgens Mayr zijn n°. 949 en 951 eene soort welke Abdominals heeten
moet. — Bij Rotterdam, Fransen. Een 2 2 Mei bij den Haag, v. d. W.
Erucarum Schr.
Alzoo moet volgens Mayr die soort heeten, die ik vroeger met den
naam van Cynipedis Walk. heb aangeduid. — In Holland, Perin.
Glechomae Mayr.
Mayr, Europ. Torymiden p. 38, n°. 4. — Een 9 in Holland, Perin.
— Een ander in Mei bij den Haag, v.d. W.
ventralis Fonsc.
Mayr, Europ. Torymiden. p. 41, n°. 7. — Een 2 in Holland, Perin.
Försteri Ratz.
Zou volgens Mayr dezelfde zijn als 946.
regius N. ab Es.
Nees ab Es. Mow. II. p. 55, n°. 1. Mayr, 2.2. p. 43. — De naam
door Ratzeburg gegeven , moet vervallen.
. admirabilis Forst.
Moet heeten Syntomaspis caudata N. ab. Es. Zie 9442.
macropterus Walk.
Walk. Ent. Mag. I. p. 124. Mayr, 2. I. p. 62, n°. 31. — Drie 9 en
1 4 uit gallen van Rubus caesius, v. V.
auratus Fonsc.
Alzoo moet volgens Mayr, Z. 2. p. 63 de soort heeten, die ik in de
naamlijst onder den naam van Propinquus Forst. heb aangeduid.
cyanimus Boh.
Mayr, Europ. Torymiden, p. 58, n°. 25. Beide sexen bij Rott. Frans,
Ken Q in Mei bij den Haag, v. d. W.
appropinquans Ratz.
Zou volgens Mayr ook nog tot 7. auratus Fonse. n°. 956 moeten ges
rekend worden, evenzeer als n°. 962 Nanus Först.
dubius Ratz.
Volgens Mayr is deze soort dezelfde als 945 Syntomaspis cyanea Boh.
purpurascens Boh.
Mayr, Europ. Torymiden, p. 72, n°. 42. — Een 2 bij Empe 29 Julij,
Vande awe
965. Decatoma Cooperi Curt.
Een 9 in het duin bij den Haag, v. d. W.
965a.
9650.
966.
967.
9714.
976«.
976b.
9784.
No)
1
©
9790.
979).
986.
987.
87.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 251
Decatoma atra N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. JI. p. 42, n0.5 — Een 2 bij Naaldwijk in Aug., v. V.
Dec. obscura Walk.
Walk. Ent. Mag. I. p. 26, n°. 3. — Twee wijfjes bij den Haag 1en
30 Junij v. d. W Opgekweekt uit Cynips divise te Leyden, v. V.
Dec. mellea Walk.
Eene var. bij Breda, Heyl.
Eurytoma Abrotani Il.
Uit een gal van Hieracium 15 Q en 1 gd, v. V.
Isosoma eximium Gir.
Giraud in Verh. Zool. Bot. Gesellsch. in Wien, Bd. 13 (1863) p. 1296.
Eene var 9 in de Scheveningsche boschjes, Leesb. Bene dergelijke
16 Junij bij Scheveningen, v. V.
Micromelus pyrrhogaster Hal.
Walker, Mon. Chalcid. in Entom. Mag. 1 p. 465. — Een 4 24
Maart bij den Haag, Six. Een in Nov. onder bladeren aldaar, Leesb.
Lamprotatus punctiger N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. II. p. 131, n°. 10. — Uit een dipteron-pop van
Wassenaar uitgekomen 15 Mei 75, Snellen.
Rhopalicus maculifer Först.
Forst Beitr. p. 34, n° 11 (Cleonymus). Idem, Hymen. Studien II. p.
70. — Een 2 bij Utrecht, Six. Vier 9 uit poppen onder den bast
van grove dennen bij Breda, Heyl.
. Etroxys scenicus Walk.
Walk, Mon. Chale. in Ent Mag. p. 10, n°. 165. — Een 2 bij Rot-
terdam, Fransen.
Platymesopus Westwoodi Ratz.
Moet heeten Pl. tibialis Westw. In Isis van Oken, 1835, p. 504. —
Een ex. bij Utrecht 3 Mei en een ander bij den Haag, Six.
Mesopolobus fasciiventris Westw.
Westw. in Zsis v. Oken, 1835, p. 563. — Een 4 te Driebergen in
Junij en een $ 5 Mei op eiken bij den Haag, Six.
Metopachia dispar Curt.
Curtis, Brit. Ent. IV. pl. 166 — Een 4 bij den Haag, Six.
Pteromalus bimaculatus Sp.
Opgekweekt uit Hylesinus Fraxini, Ritz. Bos.
Olyne Gallarum L.
De var. met geel scapus gevangen bij den Haag in Julij, Six.
Elasmus scutellaris N. ab. Es.
Nees ab Es. Mon. II. p. 195, n°. 2 — Een 2 van het door Nees be-
schreven J voornamelijk verschillend door donkere vleugels, in ’t
laatst van Junij bij den Haag, Six.
19
252 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
088. Euplectrus bicolor Swed.
Vier exx. bij den Haag in ’t begin van Junij uit eene roode Noctua-
rups, waaronder zij in Mei cen spinsel hadden gemaakt, de Gr.
9934. Eulophus Larvarum F.
Fabr. S. P. 156, 8 Latr. Gen. Crust. et Ins. 1V, p. 28. Nees ab Es.
Don. II. p 137, n°. 7. — Een $ op Walcheren, Gerth v. Wijk.
Bij den Haag in Mei, v. d. W.— Aan de Rheedersteeg 30 Aug. v. V.
994a. Eul. fulvicollis Wesm.
Westw. Zoudon’s Mag. Nat. Hist. VI. 123. Walker, Mon. Chaleid. 1.
p- 190, n°. 86. — Een Z in Aug. bij den Haag, Six.
995a. Eul. Euedoreschus Walk.
Walk. Mon. Chaleid.1.p. 188, n°. 85. — Een Q in Mei bij den Haag, Six.
996. Kul. Lophyrorum Hart.
In Aug. in groote menigte uit cocons van Lophyrus Pini van de Treek
bij Amersfoort, v. V.
998a. Pleuropachys costalis Dalm.
Westw. Ent. Mag. IV. 437, figuur pag. 436. Nees ab Es. Mon. II.
p. 143, no. 11. — Het wijfje, dat eene eenigzins uitstekende leg-
boor heeft, 7 Mei te Wassenaar, Six, — (NB. Westwood, Nees en
Förster hebben het wijfje niet gekend).
Fam. IX. PROCTOTRUPIDEA.
998b. Dryinus Spectrum Voll.
Verslagen Kon. Akad. v. Wetensch. Afd. Natuurk. 2 R. Deel VIII.
(1874). — Een voorwerp 5 Julij 1873 aan de Vogelenzang, Rits.
— Een ander in het duin van Wassenaar, in Aug. Six.
999. Dr. pedestris Dalm.
Op Vlieland 31 Mei, Rits.
999a. Dr. nigriventris N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. II. p 386, n°. 5. — Een $ met zwarte vlekken
boven de knie der midden- en achterpooten op zandgrond bij den
Haag 30 Junij, Six.
1002. Chelogynus collaris Dalm.
Een groot ex. var. met de 7 laatste leedjes der antennen zwart en het
abdomen lichtbruin te Schooten, Julij 1873, Rits.
1002a. Ch. infectus Hal.
Walker, Ent. Mag. IV. p. 419, n°. 9. Haliday, Ent. Mag. V. p. 518.
— In het Ulvenhoutsche bosch, 8 Junij een 2, Rits. — Bij den
Haag een dergelijk, Six.
10025. Ch. brachycerus Dalm.
Dalm. Anal. Ent. p. 12, n°. 9. en Act. Holm. 1818. I. p. 87 (8
Pubicornis). Thoms. Ofv. Fork. 1860 p. 179, n°. 12. — De man bij
Utrecht, Six.
1002c. Ch. flavicornis Dalm.
Dalm. Anal. Ent. p. 10, ne. 13. Nees ab Es. Non. II. p. 374, n° 4.
Walk. Ent. Mig. IV. p. 417, ne. 6. Thoms. 2. 2. p. 178, no, 9. —
Een bij Utrecht, Six.
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 253
1006. Aphelopus melaleucus Dalm.
Deze is het wijfje en ne. 1007 Afrafus het mannetje van eene en
dezelfde soort.
1008a. Goniozus claripennis Först.
Först. Centur. in Verh. Rheinl. und Westph. VIII. (1851) p. 7. —
Een Q bij den Haag, Six.
10085. Gon. fuscipennis Först.
Först. Z. 2. p. 12, n°. 34, Tab. I. f. 4. — Bij Scheveningen in Sept.
vend We
4008e. Gon. tibialis Voll.
Nog te beschrijven. — Bij den Haag in Oct. Leesb. — Aldaar 25
Aug. Six,
1010a. Perisemus cephalotes Först.
Först. Centur. in Verh. Rheinl. u. Westph. XVII (1860) p. 111. —
Een 9 op een elzenblad in de laan van Nieuw Oostindie bij den
Haag, 20 Sept. 74.
1010b. Per. triareolatus Först.
Först. Centur. in Z. 2. VIII. (1851) p. 10. — Beide sexen bij den
Haag, Six. Een Q in Febr. aldaar, Teesb.
4011a. Epyris niger Westw.
Westw. in Isis voor 1835, p. 563. — Twee voorwerpen iu Sept. Six.
4015. Calliceras abdominalis Thoms.
Thoms. Proctotr. p. 303, n°. 4. — De bijna ongevleugelde var. 2 bij
Utrecht of Driebergen, Six.
1014. Lagynodes pallipes Voll.
Is Theocolax formiciformis Westw. 9. Zie n°. 937a.
1014a. Microps pallidus Thoms.
Thoms. Proctotr. p. 301. — Een Q in Maart bij den Haag, Leesb.
4015«. Megaspilus puncticeps Thoms.
Thoms. Proctotr. p.296, ne. 8. — Den 28sten Junij bij den Haag, Six.
10164. Meg. borealis Thoms.
Thoms. Proctotr. p. 297, n°. 12. -— Den 26sten Aug. bij den Haag, Six.
101 7a. Meg. halteratus Boh.
Thoms. Proctotr. p. 298, no. 16 — Vijf vrouwelijke exx. bij den
Haag en een in Sept. bij Utrecht, Six.
10170. Lygocerus stigma N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. II. p. 275, n°. 1. Thoms. Proctotr. p. 290, no. 3.
— Een 4 met zwarte achterschenen in Aug. bij den Haag, Six.
1020. Ceraphron thoracicus N. ab Es.
Bij Driebergen in Oct. Six.
1024. Proctotrupes Campanulator L.
Een 2 30 Aug. 74 aan de Rhedersteeg, v. V. — Een derg. in Aug.
bij Scheveningen, v. d. W.
254
4022.
10225.
1023a.
1024.
1029.
1031.
10334.
10354.
1037.
1038.
10384.
10380.
1043a.
10440.
BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
Proctotrupes pallipes Jur.
Bij Crooswijk 25 Mei een 4 Piaget.
Pr. brevicornis Hal.
Haliday, Ozyura p. 9, no. 4. — Een Z bij Wassenaar 27 Julij, Piaget.
Pr. viator Hal.
Haliday, Oxyura p. 12, n°. 11. — In Juli te Oosterbeek, Rits.
Pr. calcar Hal.
Een 4 bij den Haag in Julij, Six.
Codrus apterogyne Hal.
Volgens Thomson de type van een ander geslacht, waarop de naam
Codrus van Jurine wordt overgebragt. — De Heer Six ving nog een
ander Q bij Driebergen.
Teleas clavicornis Latr.
De naam moet veranderd worden, zie Thoms. Proctotr. p. 423. —
Een 4 bij den Haag in Mei en een aldaar 10 Julij, Six.
Prosacantha varicornis Thoms.
Thoms. Proctotr. p. 424, n°. 1. (verschilt van 1033 in kleur der sprie-
ten). — Wijfjes bij Utrecht en te Beek (1 Mei), Six. — Een 9 met
zeer korte vleugels in het voorjaar en later een £ bij Breda, Heyl.
Pr. pedestris N. ab Es.
Nees ab Es., Mon. II. p. 293, 10 9 et 299, 1 4 (Platygaster apterus).
Thoms. Proctotr. p. 431, n°. 25. — Een 4 18 Juli} bij den Haag,
Wo MAUVE
Scelio rugulosus Latr.
Op Walcheren, Gerth v. W. De var. Inermis Zett. bij Utrecht, Six. —
Een intermediair voorwerp in Aug. 75 op Staalduin, v. V
Inostemma Bosc Jur.
Een zeer klein wijfje 28 Julij, binnen ’s huis te ’s Gravenhage, v. V.
Sactogaster curvicauda Först.
Först. Hym. Stud. 2. p. 114. Thoms. Proctotr. p. 72, n°. 2. — Een
9 in het Wassenaarsche duin 21 Aug. 73, Six.
Isocybus ruficornis Latr.
Walk. Ent. Mag. III. p. 240, ne. 39. Pl. XII, f. 10. Nees ab Es.
Mon. Il. p. 300, n°. 4 (Platyg. grandis). Verscheidene exx. van beide
sexen in Sept. in het duin bij Scheveningen, v. d. W.
Amblyaspis Tritici Hal.
Walk. Mon. in Ent. Mag. INI. p. 233, sp. 26. — Een bij Driebergen
in Oct. Six.
Ooctonus vulgatus Hal.
Haliday, Ent. Mag I, p 344, n°. 2. Förster, Zinnaea Ent. II. p. 200. —
Een 9 in Mei bij den Haag, Six,
bo
Qt
(SL
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA.
1044b. Ooctonus litoralis Hal.
Haliday, Ent. Mag.I, p 344, no. 4. Förster, Zinnaea Ent. II. p. 204.
— Een 2£ in Junij bij den Haag, Six. — Een ander eenige dagen
daarna in het duin, v. V.
10454. Polynema similis Först.
Först. Zinnaea Ent. II. p. 218. — Een d bij den Haag, Six.
1047. Galesus fuscipennis Curt.
Een g aan de Zuidplas in het begin van Sept. Piaget.
1047a. Gal. coracinus Först.
Gedetermineerd naar „een typisch 4. — Twee wijfjes in Oct. bij den
Haag, Six.
1048. Aneurhynchus nodicornis Marsh.
Een man in Julij 61 op Wikkenburg, Witt.
1048a. An. ruficornis Thoms.
Thoms. Proctotr. p. 376, n°. 4. — Een wijfje bij Utrecht, Six. — Eene
var. 4 met donkerbruine sprieten en pooten bij Utrecht in Junij, Wtt.
10480. An. galesiformis Westw.
Westw. in Isis 1835, p. 563. Thoms. Proctotr. p. 376, n°. 1. — Het
mannetje bij het huis ter Heide 11 Sept. Piag. — Het wijfje op
Walcheren, Gerth v. W.
1049. Paramesius rufipes Westw.
Een 9 tegen het eind van Mei in de Scheveningsche boschjes, Six.
1049a. Par. elongatus Thoms.
Thoms. Proctotrup. p. 371, n°. 3. — Ben Q in Holland (bij Leiden?) Perin.
10490. Par. brachypterus Thoms.
Thoms. Proctotrup. p. 371, n°. 4. — Twee wijfjes in April bij Delft, Everts.
1050 Diapria elegans Jur.
Een 4 25 Julij bij Hilversum, v. V. Bij den Haag, Six en v. V.
1051. D. conica Latr.
Bij den Haag in Noy. onder bladeren 2 exx. Leesb.
1052. D. nigra N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. II. p. 321, n°. 2. Thoms. Proctotr. p. 364, n°. 14.
— Een 2 bij den Haag, Six. — Aldaar in Nov. onder afgevallen
bladeren 6 exx. Leesb.
10520. D. carinata Thoms.
Thoms. Proctotrup. p 361, n°. 2. — Bij Voorburg in Aug. Iv. Schepm.
1054a. Loxotropa tritoma Thoms.
Thoms. Proctotrup. p. 368, n°. 2. (Basalys, B). — Een 2 in Oct. bij
den Haag, Six.
1056. Ismarus dorsiger Curt.
Ken voorwerp in het duin bij den Haag, en een in Julij bij Utrecht, Six.
256 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN
1060a. Belyta analis Thoms.
Thomson, Scand. Proctotr. p.176, n°. 24. — Een? bij den Haag, Six.
1061. Cinetus gracilipes Curt.
In zeer groot aantal aan de onderzijde van Eschdoornbladeren te Velp, Rits.
1061a. Cin. femoralis N. ab Es.
Nees ab Es. Mon. II. p. 341, n°. 6 (Belyta). — Bij Wassenaar
27 Juli 68, Piaget.
1062. Helorus ater Jur.
In het midden van Julij op de duinen bij Wassenaar, v. V.
»
Wanneer men van het geheele aantal soorten van deze
negen Familién die aftrekt welke, doordien zij met anderen
zamenvallen, niet langer op de lijst als afzonderlijke soorten
mogen voorkomen, meen ik dat men voor het totaal der
inlandsche soorten, waarvan de namen bekend zijn, 1352
stellen mag. Daarbij komen dan de vier of vijf nieuwe
soorten, hier reeds opgenoemd en die ten spoedigste door
mij beschreven zullen worden; eindelijk nog een twee-
honderdtal waarvan de determinatie mij niet mogt gelukken
of om andere redenen is uitgesteld. Wanneer men daarbij
rekent het hoogst waarschijnlijke getal van 600 soorten
voor de inlandsche Aculeata (onze oude lijst heeft er reeds
197 opgenoemd), dan kan men zich een der waarheid
eenigzins nabijkomend denkbeeld maken van den rijkdom
dezer orde van insecten op onzen bodem, waarbij altijd
nog dient in het oog gehouden te worden, dat de grenzen
ten oosten en zuiden nog bijna niet in dit opzigt zijn
onderzocht.
Ik laat hier eene lijst volgen van eenige drukfouten in
de Nieuwe Naamlijst voorkomende:
NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 257
1ste gedeelte, Deel XII. 1869.
N° 10 Negricornis lees: Nigricornis.
2de gedeelte, Deel XVI. 1873.
N° 236 Luctatorius lees: N° 326 Luctatorius.
» 385 Grav. Il. p. 273 lees: Grav. II. p. 373.
» 405 Grav. Ichn. Eur. III. p. 69 lees: Grav. Ichn. Eur. II,
ps 442012269:
» 703 Fasciatum Grr. lees: Fasciatum Gir.
» 878 Triaugulator lees: Triangulator.
» 217 Minuta lees: 917 Minuta.
» 923 Aeneiventris Hal., Halid. lees: Aeneiventris Hal., Walk.
» 1010 Nees ab Es. Mon. II. p. 693 lees: p. 393.
» 1014 Rufipes lees: 1017 Rufipes.
» 1029 Apterogynus lees: Apterogyne.
» 1047 Fuscicornis lees : Fuscipennis.
» 1056 Brit. Ent. Vol. VIII. Pl. 398 lees: PI. 380.
In het geslacht Callimome hebben sommige soortsnamen
een mannelijken uitgang in plaats van een’ vrouwelijken,
waarbij natuurlijk aan den generieken naam Torymus ge-
dacht is, die als eerst ingevoerd, ook werkelijk den voor-
rang hebben moet.
DE INLANDSCHE BLADWESPEN
IN HARE GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN
DOOR
8. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
NEGENTIENDE STUK.
SELANDRIA CANDIDATA Fall.
(Repanda KI.).
N°. 1494 der Nieuwe naamlijst.
Vergelijk voor het volkomen insect :
FALLEN, Acta Holm. 1807. 105. 40.
Harrıc, Blatt- und Holzwespen, p. 279, n° 40.
THomson, Hymen. Scandin. J. p. 230, n° 3.
De larve, zoo het schijnt, nog onbekend.
Selandria nigra, nitida, prothoracis limbo, squamulis et
marginibus segmentorum abdominalium albis ; maculis trans-
versis in abdominis dorso cinereis, ore, orbitis, stigmate et
pedum maxima parte subtestaceis. Long. 6 mm.
Voor verscheidene jaren zond mij eens Prof. Westwood
uit Oxford eene gele Tenthredo-larve in eene pennenschacht
over met verklaring in een’ brief dat dit de schelm (rascal)
was, die jaarlijks zijne rozen-loten uitholde, en dat hij tot
nog toe niet zoo gelukkig was geweest dit dier tot volkomen
gedaanteverwisseling te kunnen brengen. Hij vroeg mij
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 959
natuurlijk of ik dit insect ook kende; ik moest die vraag
ontkennend beantwoorden, maar nam mij voor zoo mogelijk
de zaak te onderzoeken. Ongelukkig was het voorwerp door
de reis of het gebrek aan voedsel zoo zeer gehavend, dat
daarvan geene imago te verwachten was.
In mijn’ tuin te Leyden had ik onder andere rozen, ook
bi
een bijzonder fijn Fransch rozenstruikje, waaraan ik het-
zelfde gebrek van ombuigen en verwelken van een lot
meende waargenomen te hebben; ja, het zou mij niet
verwonderen dat ik zelf er Westwood op een zijner be-
zoeken attent op had gemaakt en dat dit aanleiding gaf tot
het zenden der larve zijnerzijds; het is echter zoo lang
geleden dat ik dit niet meer durf verzekeren. Hoe dit zij,
ik keek telkens naar mijn rozenstruikje en in Junij 1865
vond ik op eenmaal niet alleen op die roos, maar ook op
anderen verscheidene knikkende loten. Ik vond: er den
4“ Junij een en deed die op spiritus. Den 8%" en 10° heb
ik er uit de loten in een fleschje met aarde gedaan, daar
ik in den tuin verscheidene uitgeholde loten vond, waaruit
de larve reeds verdwenen was, zoodat ik vermoedde dat
zij niet als Emphytus cinctus binnen het lot, maar in den
grond tot pop veranderden.
Een dezer larven teekende ik af (zie fig. 3) en tevens
stelde ik in omtrek naar de natuur het ombuigen van het
rozenlot voor, waaraan men de woonplaats van het dier
herkent (zie fig. da). Een dergelijk omgeknakt lot ontwik-
kelt zich niet verder, maar verdort. De larve was tamelijk
dik, vettig op het gezigt en vuil beenkleurig geel van kleur,
iets schooner aan de drie voorste segmenten, de gevulde
darm scheen bruinachtig door. Naar mijn beste tellen meende
ik twintig pooten te kunnen onderscheiden, de buikpooten
waren echter verbazend kort of werden telkens te veel in
het ligchaam opgetrokken. De gladde en bolronde kop was
okergeel van kleur met okerbruine bovenkaken; de voel-
sprietjes onder de oogen waren tamelijk lang en de oogen
zelven stonden in ronde donkergrijze, bijna zwarte plekken.
20
260 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
De luchtgaten waren zeer langwerpig, elliptisch, grijs om-
zoomd. Het was mij niet mogelijk eenige haren op het
geheele ligchaam te ontdekken en tegen de gewoonte, hadden
de voorpooten geene bruine hoornachtige klaauwtjes, maar
witte.
Hoe nu deze larve, die bij fig. 2 voorgesteld wordt zoo
als zij zich met den kop naar beneden, tracht te verbergen
in een van boven afgescheurd uitgehold rozenlot, hare
eerste jeugd doorgebragt heelt, is mij nog een raadsel. Voor
verscheidene jaren heb ik eens van den heer Ver Loren een
klein geel bladwesplarfje ontvangen , dat in den omgekrulden
rand van een rozenblad aangetroffen werd; zoowel de
overeenkomst in kleur en gedaante, als ook de zucht tot
eene verborgen levenswijze aan beiden gemeen, doen mij
vermoeden dat de kleine wel den zeer jongen toestand van
de groote kan voorstellen.
Wanneer onze larve volwassen is, verlaat zij hare woning
en begeeft zich in den grond, waar zij van zand en aard-
korrels een stomp ovaal cocon (fig. 4) aan elkander spint;
dit geschiedt in het begin van Junij en van dien tijd af
tot in het voorjaar ligt de larve, eenigzins toegevouwen
met den kop naar beneden en den staart naar omhoog,
zonder verandering daarin. Toen ik eens des winters een
cocon opende, vond ik de larve in dien toestand. Een
gevolg van dit lange liggen zonder verandering, gepaard
met het geringe aantal mijner voorwerpen, is geweest dat
ik geene pop heb gezien en dus die ook niet heb kunnen
afbeelden. Ik was namelijk bevreesd dat ik door het suc-
cessivelijk openen der cocons al mijne dieren den dood in
de armen zou voeren; want zelden gebeurt het dat eene
in haren winterslaap gestoorde en door het verbreken van
het cocon aan al te spoedige afwisseling van droogte en
vochtigheid blootgestelde larve de verandering in pop beleeft.
Hoe het gekomen is dat ik in het voorjaar niet zoo goed
heb opgelet dat ik de wesp zich in het suikerglas kon
zien bewegen weet ik niet meer te zeggen, maar zeker is
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 261
het dat de eenige wesp, die uit de bovenvermelde larven
bij mij uitgekomen is, dood heb vinden liggen op de aarde.
Het voorwerp was een wijfje van Selandria candidata Fallen ,
eene soort die van Klug den naam van S. repanda ont-
vangen heeft en alom vrij zeldzaam schijnt te zijn,
Daar ik mijne waarnemingen voor incompleet moest
verklaren , — mij ontbrak namelijk de kennis van de pop en
het mannetje, — besloot ik met de uitgave te wachten tot
mij gelegenheid zou zijn gegeven om het onderzoek voort
te zetten. Doch ik ben sedert niet meer zoo gelukkig ge-
weest de larve te zien en ofschoon ik mij verscheidene
jaren voorgenomen heb naar Noordwijk te gaan in de
eerste dagen van Junij om daar de rozen in de kruidtuinen
te onderzoeken, het is er maar eens toegekomen en het
resultaat was = o. Ook heb ik door een mijner kennissen
aanvrage laten doen bij een rijken kweeker aldaar, doch
met hetzelfde ongunstige gevolg. Ik geef het dus zoo goed
als op, tot nadere kennis van de levenswijs te geraken en
publiceer wat mij tot heden bekend werd.
Selandria candidata behoort tot eene kleine groep welke
Thomson als geslacht onder den naam Poecilosoma afzondert,
tot een van welks voornaamste eigenschappen behoort, dat
het achterlijf bont of ten minste overdwars gestreept of
met bandjes bedekt is. Ik voor mij ben tegen het aannemen
van verdeelingen op zulke nietigheden gegrondvest, maar
ik vrees dat de gedweeë volgzaamheid der entomologen ,
die in het aannemen der prullerigste onderscheidingen
werkelijk verbazingwekkend is, toch dit genusje, zoo als
zoo vele anderen wel weder slikken zal.
De kop is kort en breed, weinig glanzig, op het voor-
hoofd en het aangezigt met allerlei plooijen en indruk-
sels bezet, niet behaard. De oogen zijn bruin, ovaal,
tamelijk uitpuilend. De sprieten staan laag in het aange-
zigt, zijn weinig langer dan de thorax, en bestaan uit
9 leedjes, waarvan het derde het langste en het negende
het smalste is. De monddeelen zijn wit, behalve de basis
262 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
der mandibulen die grijs is; de bovenlip is helderder wit
dan de clypeus, die geelachtig betint is. Vuil wit zijn voorts
de kaken en de breede achterrand der oogen.
Aan den glanzigen en zeer kort behaarden thorax zijn
wit de bovenzoom van den prothorax en de vleugel-
schubbetjes; aan de doorschijnende, iriserende doch wel
een weinig berookte vleugels is de voorrand en het stigma
wit met een bruin tintje. In de tweede cubitaalcel ziet men
een hoornvlekje; de lancetvormige cel heeft eene zeer
scheef staande dwarsader en de ondervleugels vertoonen
seen middeleel. De zijden der borst dragen bij mijn exem-
plaar ter wederzijden een rond wit vlekje.
Het achterlijf, dat vrij breed en plat is, heeft niet alleen
den achterrand der segmenten zeer fijn wit gezoomd, maar
ook op de 2°, 3°, 4" en 5° ringen ter wederzijde van den
rug blaauwgrijze, in het midden afgebroken dwarsbandjes,
waaromtrent ik twijfel of zij niet uit eene bekleeding van
zeer korte haartjes zou bestaan. De legboor steekt kort uit.
De pooten zijn gewoon, eer slank dan krachtig. De basis
der heupen en het grootste gedeelte der dijen zijn brons-
achtig zwart, de benedenhelft der heupen, de trochanters,
de knieën, de scheenen behalve de bruine benedenhelft en
de basis der tarsen zijn vuilachtig wit; het overige gedeelte
der tarsen is bruin. De klaauwtjes aan het laatste lid heb-
ben dubbele haakjes, dat is te zeggen twee haakjes achter
elkander.
Mijn eenig uitgekomen voorwerp was, gelijk reeds ge-
zegd werd, van het vrouwelijke geslacht. In de beschrijving
van Thomson lees ik dat bij den man de teekening op kop
en thorax minder duidelijk is en dat het laatste buikseg-
ment aan den rand is ingekeept.
Dat deze soort zeldzaam is ten onzent, blijkt wel uit
het bovenstaande, meer nog echter eat dat zij in de
Naamlijst van inlandsche Hymenoptera nog niet opgenomen
was. Ook elders is zij zeldzaam; Hartig trof haar eens op
wilgen aan, terwijl Thomson bepaaldelijk zegt: tamelijk
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 263
zeldzaam, hij voegt er echter bij «op berken», 'tgeen ik
verklaar niet te kunnen uitleggen.
Hoogstwaarschijnlijk heeft deze bladwespsoort nimmer
meer dan eene generatie in het jaar.
»
»
»
mo Be
>
Verklaring van Plaat 10.
Een rozentakje, waarvan bij a een lot omgeknakt
en uitgegeten is.
Een afgebroken lot, waarin de larve zich tracht
te verschuilen.
De volwassen larve, iets vergroot.
Haar aarden cocon.
De vliegende wesp, vergroot.
Haar kop, nog iets meer vergroot, schuin van
voren te zien.
NEMATUS CRASSULUS Dahlb.
N°. 64 der Nieuwe Naamlijst.
Vergelijk voor de imago:
DAHLBOM, Conspect. Tenthr. n° 96.
Harrie, Blatt- und Holzwespen, p. 202, n° 33
(Leucostictus).
THOMSON, Hymenopt. Scand. I. p. 157, n° 90.
en voor de larve:
KALTENBACH, Die Pflanzenfeinde, p. 580, n° 333
(Xanthogaster).
P. CAMERON Jr., Proceed. of the N. Hist. Soc. of
Glasgow, Vol. p. 313.
Nematus brevis, niger, apice clypei, labro, genis, pronoti
angulis, squamulis, stigmate et trochanteribus albis ; femoribus
fulvis, calcaribus posticis curvatis. Long. 4—5 millim.
Of aan dit insect de naam Crassulus van Dahlbom toe-
komt, dan wel die van Leucostictus van Klug en Hartig is
bij mij niet uitgemaakt. Is het Conspectus van Dahlbom,
dat ik niet ken, niets meer dan eene systematische naam-
lijst, dan moet zijn naam vervallen, tenzij de naam Leu-
costictus, gelijk Thomson en Cameron schijnen te vermoeden ,
niet aan deze maar aan eene zeer na verwante soort ge-
schonken zij, in welk geval de naam zou zijn Nem. crassulus
met bijvoeging van Thoms., niet van Dahlb.
Kaltenbach noemt zijne soort Xanthogaster Först. doch dit
is kennelijk verkeerd, daar het insect onder dien naam
door Prof. A. Förster in het Tijdschrift voor Rhijnland
en Westfalen beschreven (Deel XI, 1854, bl. 313. Tab.
VI, fig. 26), behalve dat het in het algemeen veel lichter
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 265
van kleur is en eene andere verdeeling van kleuren ver-
toont, sprieten heeft in het mannelijke geslacht zoo lang
als thorax en abdomen, terwijl de sprieten van mijn voor-
werp naauwelijks zoo lang zijn als het abdomen alleen.
Ook stemt de teekening door Förster geleverd niet met
mijne voorwerpen overeen, aangezien de derde dwarsader
tusschen radius en cubitus bij hem regtstandig is, bij
mijne voorwerpen naar regts beneden scheef staat, daar-
gelaten dat ook de teekening der gesloten cellen ın den
ondervleugel eenigzins afwijkt. Wij laten dus Förster’s
Xanthogaster voor ’t geen zij zijn moge en stellen alleen
vast dat zij onze soort niet is,
Vrij zeker is het dat onze soort is de N. crassulus van
Thomson en dus misschien ook die van Dahlbom. In de
beoordeeling of zij ook tevens Leucostictus Hart. (Mus. Klug.)
zijn kan, ’t geen slechts door weinig beteekenend verschil
gewraakt wordt, houde men in het oog, dat Hartig van
zijne soort zegt dat zij omstreeks het einde van Mei om
Salix capraea zwermt.
Mijne eerste kennismaking met de larve dezer soort
dagteekent van den tijd, toen wijlen mijn vriend Wttewaall
mij behulpzaam was in het opsporen der levenswijze van
schadelijke insecten. Wandelende langs de oevers van den
IJssel, viel het hem in het oog dat de bladeren van de
kat (Salix viminalis) dikwijls in de lengte toegevouwen waren
en dat daarbinnen zich een bladwesplarfje bevond. Hij
zond er mij een zeker aantal van toe; ik teekende ze af,
doch was niet in staat ze op te kweeken; naar ik meen,
gelukte hem dit evenmin. Waarschijnlijk waren onze lar-
ven te jong. !
Dezelfde soort werd mij 27 Julij 1874 mede in bladeren
van Salix viminalis toegezonden door den heer P. Cameron Jr.
uit Glasgow, denzelfden wiens opstel over deze soort in
de «Proceedings of the Natural History Society of Glasgow»
ik boven aangehaald heb. Later ontving ik ook van dezen
ijverigen natuuronderzoeker het ei en de jonge rups. Het
266 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
is dan ook gedeeltelijk aan zijne mededeelingen ontleend
wat ik hier omtrent den eersten en derden toestand van
ons insect ga zeggen.
De moederwesp slaat (op welke wijze is ons onbekend,
doch waarschijnlijk na knaging van eene glee in de epi-
dermis der bovenzijde) eene zijde van een wilgenblad voor
een gedeelte naar binnen om en legt tusschen de toegeslagen
plekken een ovaal bruin eitje, waarna zij op eene nog niet
waargenomen wijze, het omgeslagen gedeelte aan den rand
vastkleeft. Op plaat 11 stelt fig. 4 een op die wijze omge-
slagen gedeelte van een blad van Salix Capraea voor, waar-
nevens het bruine eitje vertoond wordt, tevens met aan-
duiding der plaats, waar het ender het omgeslagen bladstuk
verborgen lag.
De heer Cameron zegt dat hij een dergelijk blad met
de loupe beschouwende, duidelijk aan de randen puntjes
zag van zekere lijmige stof, waarmede de omslag onder
tegen het blad aangehecht was geweest.
In het begin leeft de larve onder dit bedeksel, later
trekt zij bijna de eene helft van het blad, altijd in de
rigting der hoofdnerf, op de andere.
De zeer jonge larve van 2 mm. lengte, die bij fig. 2
wordt voorgesteld, is geelachtig, bijna ongekleurd en schier
glasachtig. Haar kop, de klaauwtjes en twee bandjes op de
laatste segmenten, zijn zeer licht bruin betint.
In het begin vergenoegt zij zich met het uiteeten van
de onderbladhuid en het celmoes tot op de bovenhuid en
dat wel eerst binnen de plooi, die haar bedekt, daarna
echter ook daar buiten en, ofschoon Cameron het tegendeel
beweert, eindigt zij met gaten.door het blad heen te eeten,
selijk bijna iedere andere bladwesplarve. Bij fig. 5 ziet men
een blad, door eene mijner Geldersche larven geheel stuk
geknaagd.
Na de 3de vervelling is de larve bijna 9 mm. lang en
heeft de gedaante van fig. 3. De kleur van den kop is dan
iets bruiner en die van het ligehaam iets groener, doch
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 267
het meest merkwaardige is dat ieder segment in drie dwars-
plooijen verdeeld is, waarvan ieder 4 wratjes op den rug
draagt, welke wratjes met korte witte haartjes bedekt zijn,
waarvan alternatief telkens een naar voren en een naar
achter gebogen is. Ook de kop is met haartjes bekleed.
Men vergelijke de beide figuren 3 en 4.
Is de rups eindelijk volwassen (zie fig. 6), dan bereikt
zij eene lengte van 12—15 mm. en heeft in het geheel
20 pooten, daar alleen de 4 en 11° ligchaamsringen geene
pooten vertoonen. Haar kop is zeer groot en bol, tevens
zeer glanzig, licht- of donkerbruin van kleur. De kleine
oogen staan in ronde zwarte plekken. Het lif is licht
groen van kleur, doch de donkere darm schijnt op den
rug overal door, zoodat het midden altijd donker groen is;
het geheele lif is sterk geplooid, daar iedere ring door
twee insnijdingen in drie bolle plooijen verdeeld is, op welke
plooijen de vroeger beschreven wratjes staan, doch niet altijd
even duidelijk en nu niet of flaauwelijk met haartjes bezet.
De zes voorpooten zijn licht geelgroen, elk met een schuin-
staand bruin streepje aan de basis en met een bruin
klaauwtje aan het eind. Het derde paar dezer pooten wordt
bijzonder ver naar achteren gestrekt, zoodat men zeggen
zoude dat het vierde segment pooten bezit. De buikpooten
ziin licht groen. Aan de laatste ligchaamsringen ziet men
twee zwarte bandjes, een breed vooraan en een smal daar-
achter; geheel aan het einde twee uitstekende doorntjes
met zwarte spitsen.
Deze larven, die wanneer zij ontbloot worden, zich zeer
weinig lichtschuw vertoonen, slaan bij aanraking met den
staart in de rondte.
In Augustus, volwassen zijnde, verlaten zij hare wilgen-
bladeren, laten zich op den grond vallen en spinnen op
de oppervlakte, tegen een verdord Llad of iets dergelijks
een lichtbruin cocon, gelijk men er een afgebeeld ziet bij
fig. 7. Het popje, dat ik niet gezien heb, is volgens den
heer Cameron groen.
268 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
De imagines beschrijf ik naar voorwerpen van genoemden
entomoloog ontvangen; of onze Nederlandsche in allen deele
gelijk zijn aan deze Schotsche voorwerpen, zullen latere
onderzoekingen moeten leeren.
Het wijfje is 5 mm. lang en vrij breed, voornamelijk aan
het abdomen. De kleur is een glanzig zwart, op kop en
thorax een weinig bruinachtig. De sprieten zijn niet langer
dan kop en borststuk, zwart. Aan den kop zijn de mond-
deelen, de wangen en min of meer de rand achter de
donkerbruine oogen vuilwit gekleurd. De schouderpunten
van den prothorax en de vleugelschubjes zijn geelachtig wit.
De vleugels, vrij stomp en breed, zijn helder doorschijnend,
met geel stigma, lichtbruin costa en iets donkerder aderen,
behalve de lancetvormige ader, die geel is. De ruggekorreltjes
zijn moeijelijk te onderscheiden. Aan de pocten zijn de
heupen aan de basis zwart, aan de spits even als de tro-
chanters wit; de vier voorste pooten zijn verder zeer licht
geel met bruine tarsenspitsen; de achterdijen zijn licht
oranje, de scheenen licht geel, aan de spits wat gebruind
met korte kromme stekeltjes; de tarsen zijn met hunne
klaauwtjes bruin. De anus is min of meer bruingeel betint.
Vergelijk fig. 8.
Het mannetje is iets slanker, heeft langere sprieten die
aan de onderzijde lichtbruin zijn, en de anaalplaat alsmede
de cerci, zeer duidelijk geel gekleurd (zie fig. 9). Ook zijn
de vleugels aan de buitenhelft donkerder, het stigma is
vuilgeel met bruinen onderrand en de lancetvormige ader
is voorbij de helft bruin. Eindelijk zijn de pooten niet zoo
helder van kleur als bij het wijfje. |
Ik veronderstel dat deze soort, die in het jaar slechts
eene generatie schijnt te hebben, daar de wespen in Mei
uitkwamen, vrij gemeen zal zijn op de wilgen aan onze
rivieren en wenschte wel dat de oeverbewonende entomo-
logen daarop hunne aandacht wilden vestigen. Op onze
gewone witte wilg en op de duinwilg heb ik haar nooit
waargenomen en slechts eenmaal bij Naaldwijk op Salix
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 269
viminalis. Waarschijnlijk is zij over het geheele noorden
van Europa verbreid.
Fig.
»
»
»
»
»
»
»
»
Verklaring evan Bla att 1%
Een gedeelte van een blad van de wolwilg met den
rand omgeslagen; het eitje daarnevens vertoond.
Eene zeer jonge larve, vergroot.
Eene halfwassen larve, vergroot.
Haar zesde segment op den rug, sterk vergroot.
Een blad van de kat, omgevouwen en stuk gegeten.
Volwassen larve, vergroot.
Het cocon.
Het wijfje vliegend, vergroot.
Het achterlijf van het mannetje, vergroot.
Sia NDA Adi BP ES
N°. 134 der Nieuwe Naamlijst.
Vergelijk voor de imago:
LINNAEUS, Syst. nat. Gmel. p. 2667, n° 126.
KLuG, in Mag. Naturforsch. Freunde VII, p. 67, n° 44.
Hartic, Blatt- und Holzwespen. p. 273, n° 23.
en voor de larve:
KALTENBACH, Die Pflanzenfeinde. p. 9.
Selandria subaenescens nigra, nilida, genubus, tarsis ti-
biisque aibidis, his apice vel interne fuscescentibus, cenchris
albis nitidis. Long. 6 s. 7 mm.
De acht regels druks van Kaltenbach ter aangehaalder
plaats is alles wat wij van de larve en huishouding van
deze reeds vroeg bekende soort opgeteekend vinden, zoodat
eene iets omstandiger beschrijving met eene afbeelding wel
niet gewraakt zal worden, al ontbreekt daar ook aan de
kennis van ei en pop.
Het scherpe sap der ranonkels, dat het vee niet verdragen
kan, schijnt voor enkele insecten niet alleen onschadelijk te
zijn, maar ook zekere aantrekkelijkheid te hebben.
Twee torretjes, 2 vlinders, 2 bladwespen, een vliegje,
een blazenpoot en twee bladluizen worden opgegeven als
vernielers der bloemen en bladeren van verschillende soor-
ten van Ranunculi. Daartoe behoort ook Selandria albipes L.
in larventoestand.
Voor jaren had ik in mijn’ tuin op Oostindische kers een
groen bladwesplarfje aangetroffen, dat ik uitteekende (zie
fig.1) en ’t geen ik te vergeefs met de bladeren van genoemde
plant trachtte op te kweeken. Later is mij gebleken dat ik
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 971
eene larve van onze soort voor mij gehad had, die waar-
schijnlijk tot dien tijd van boterbloem-bladeren had geleefd
en alleen bij toeval, misschien om van huid te verwisselen,
zich op de kers begeven had. Het was de oorzaak van haren
dood, want het bragt mij in de meening dat ik haar met
O. I. kers, eene plant voor haar ondienstig, moest opkweeken.
Eenige jaren na deze mislukte proef bragt mij mijn vriend
Ritsema uit Haarlem een zeker aantal larven mede, levende
op de bladeren van de gewone boterbloem (Ranunculus acris) ;
zij waren van verschillende grootte en afkomstig uit den
tuin van zijnen vader, destijds te Haarlem woonachtig.
Behalve de grootte vond ik niet veel verschil in de larven,
echter waren sommigen lichter van tint zoowel op den kop
als op het lijf De heer Ritsema had het vorige jaar eene
bladwesp een ei zien liggen op een blad van scherpe
ranonkel en het rupsje, daaruit voortgekomen, opgekweekt;
hij kende dus reeds de soort of ten minste in het algemeen
de gedaante en de kleur van wesp, ei en larve.
Ik teekende twee der mij geschonken larven af (zie fig.
2 en 3). Zij waren zeegroen met gelen gloed, 15 of 16 mm.
lang, rolrond en bijna overal even dik, alleen aan het
staarteinde een weinig dunner. Haar kop was vuil olijfgroen
met een bruinen band dwars over den schedel en met de
oogen in cirkelronde plekken (verg. fig. 4). De monddeelen
waren ietwat zwartachtig. Het ligchaam was zonder vlekken,
noch wratten, noch doorntjes, noch haren, maar vrij sterk
gerimpeld, want iedere ring (zie fig. 5, welke den 40**
voorstelt) was door 3 overlangsche rimpels in vier ongelijk
breede plooijen afgedeeld. De stigmata waren langwerpig
rond, doch wegens de kleinheid bijna onzigtbaar. Ik telde
in het geheel 22 pooten, allen groen; de klaauwtjes der
voorpooten echter waren licht bruin.
Zoo ik mij niet geheel vergis, hadden de jongste larven
geheel groene koppen; ik heb dit echter niet opgeteekend en
durf het dus nu niet meer verzekeren. De korte beschrijving
van Kaltenbach geeft ons hieromtrent geen nader licht.
979 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
Mijn rupsje van de Oostindische kers was veel geler,
zelfs bijna oranje; ik moet dit toeschrijven of daaraan dat
het diertje zich met bloemen had gevoed, ’t zij aan zieke-
lijkheid, waaraan ook de dikke, zwarte ophooping van
drekstoffen, die door het achterlijf heen schijnt, kon worden
toegeschreven.
De larven van onze soort zijn weinig bewegelijk; zij zitten
over dag meest half ineengerold tegen de onderzijde der
bladeren en eten des avonds groote plekken in het blad
meestal aan den rand beginnende, soms echter ook wel in
het midden.
Tegen het eind van Julij spinnen zij zich in den grond in,
binnen een uit aardkorrels aaneengelijmd coconnetje en
blijven daar rustig het volgende voorjaar afwachten om in
pop en vervolgens in wesp te veranderen.
De wesp is 6 tot 7 mm. lang, glanzig zwart met een
bronzen tint, vrij dik en vooral aan het abdomen rolrond.
De heldere glans van het ligchaam veroorzaakt dat men
somwijlen denkt op kop en borststuk witte vlekjes te zien,
die er echter niet zijn; alleen de ruggekorreltjes zijn helder
wit. De kop is kort en breed; oogen en bijoogjes bruin;
sprieten zwart, niet langer dan de thorax, in het midden
tamelijk breed. De vleugels zijn eenigermate berookt met
zwart stigma en vrij donkere aderen; de lancetvormige
ader is gesteeld en de achtervleugels hebben slechts eene
gesloten cel. De legboorscheede steekt een weinig buiten
het achterlijf uit. De pooten zijn glanzig zwart tot digt bij
de knieën, doeh de heupen vertoonen aan de buitenzijde
een langwerpig, lichtgrijs vlekje; de knieën, scheenen en
tarsen zijn wit, met een weinig bruin aan alle spitsen.
De tarsenklaauwtjes zijn zwart.
Ik moet veronderstellen dat de soort hier te lande zeld-
zaam is; zoo niet, dan weet de wesp zich wel te verbergen,
want zij werd niet dikwijls gevangen. Haar voedingsplant
is evenwel gemeen genoeg, daar de boterbloem overal voor-
komt. Ook in Duitschland schijnt Sel. albipes niet gemeen
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 273
en omtrent Scandinavie verzekert Thomson bepaaldelijk dat
zij daar zelden voorkomt.
Verklaring van Plaat 12, boven.
Fig. 1. Eene oranjekleurige larve.
De
Volwassen larven.
» 3.
» 4. De kop van een dezer, vergroot.
» ©. Een ligchaamssegment, vergroot.
» 6. De vrouwelijke wesp, vergroot.
» 7. De drie pooten aan de regterzijde, vergroot.
NEMATUS LURIDIVENTRIS Fan.
N°. 35 der Nieuwe Naamlijst.
Vergelijk voor het volkomen insect :
FALLEN, Acta Holm. 1808, p. 115, 55.
HartIG, Blatt- und Holzwespen. p.184, n° 1 (Hypogastricus).
C. G. THomson, Hymen. Scand. p. 78, n° 4.
en voor de larve:
REAUMUR, Mémoires V, p. 97, Pl. 12, f. 17 et 18.
DE GEER, Mémoires, vert. v. Goeze, II, Part. 2. p. 267,
nel Pl SS mtd sek alo:
Boucué, in Stelt. Ent. Zeit. 1846, p. 289.
Nematus niger, prothoracis limbo, squamulis pedibusque
rufescenti-albis, femoribus obscurioribus, tarsis posticis fuscis,
alarum cellula lanceolata constricta. Long. 6 mm.
De larve dezer soort is mij sedert lang bekend en werd
jaarlijks door mij te Leyden gevonden in den tijd toen ik
aldaar ambtenaar was aan het Museum; nogthans is het
mij nooit, evenmin als aan Réaumur en de Geer gelukt
daaruit de wesp op te kweeken. Ik stelde dus de uitgave
der beschrijving uit totdat ik zoo gelukkig zou geweest zijn
haar uit de larve te kweeken, doch ik begin daaraan te
wanhopen, en volkomen zekerheid hebbende omtrent de
soort der wesp, niet alleen door de aangehaalde opstellen
van Bouché en Thomson, maar ook door de verzekering
van wijlen mijn’ vriend Kaltenbach, wien ik mijne teekening
toezond, en eindelijk van den heer P. Cameron Jun. te
Glasgow, wien het wel gelukte de larf tot imago te brengen,
wil ik niet langer uitstellen mijne teekening aan het publiek
aan te bieden, te meer daar het volkomen insect in Neder-
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 973
land gevangen is, door den heer Six in Mei te Utrecht en
door mij in het begin van Junij bij den Haag, zoodat in-
landsche voorwerpen voor de beschrijving dienen kunnen.
De larve leeft in September aan de onderzijde van elzen-
bladeren (Alnus glutinosa), is zeer traag en eet onregelmatige
gaten in het blad (zie fig. a); den bladrand heb ik haar
nooit zien beknagen. Réaumur noemde haar « fausse-chenille
cloporte » en niet ten onregte, want hare gedaante doet sterk
aan die eener pissebed denken. Over dag vindt men haar
altijd stil zitten met den kop tegen een nerven-oksel aan-
gedrukt. Zij vertoont, behalve de bijzonderheid van het
breed en plat uitstaan der zijden van het lijf, ook nog deze
dat haar schedel dubbel puntig is en dat zij in waarheid
49 pooten bezit, want de beide achterpooten zijn aaneen-
gegroeid.
De kop (zie fig. c) vertoont op den schedel 2 stompe
hoorntjes of verhevenheden en is licht feuille-morte van
kleur, terwijl de bovenkaken de kleur hebben van gebrande
oker; van de beide hoorntjes loopen naar den nek twee
fijne, bruine streepjes. De oogen staan in ronde zwarte
plekken, meer zijdelings geplaatst, dan bij andere blad-
wesplarven.
Het ligchaam is boven en onder licht sapgroen. Er zijn
aan de zijden van het lijf 9 paren pooten en onder den
anus een breede poot, aaneengegroeid van die van het
laatste paar. De voorpooten (zie fig. c) vertoonen groote
ballen onder aan het voorlaatste lid en aan het laatste
bruine klaauwtjes. Het eerste ligchaamssegment is klein en
onder den rand van het tweede verborgen. Het 2° vertoont
aan de bovenzijde een groot en vooral breed, aan de boven-
zijde eenigzins bol gebogen schild met half doorschijnende
randen, die zijdelings een weinig uitgebogen en met witte
haartjes gezoomd zijn. Het 3" segment is smaller en zeer
breed, doch zonder andere versiering dan de haartjes op
zijde. Op alle volgende segmenten is het lijf van de zijde-
lingsche uitsteeksels, die aan den buitenkant halfrond toe-
21
276 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
loopen, zeer duidelijk te onderscheiden ; waar deze laatsten
beginnen staat van het 4° tot het 11° segment aan iedere
zijde een vrij groot langwerpig onregelmatig zwart vlekje
aan den voorrand en tusschen dit en den buitenrand een
kleiner grijs vlekje. Het 11* segment vertoont alleen de
grijze vlek zonder de zwarte. Op het 12" segment staan
twee grijze stippen digt bijeen. Al deze ringen zijn aan den
buitenrand met eene franje van fijne haren bezet en het
laatste segment is bovendien aan de zijden nog eens diep
ingesneden. Op den eersten ligchaamsring waren de lucht-
gaten duidelijk zigtbaar, elliptisch, klein, lichtbruin; op de
anderen kon ik ze niet onderscheiden.
Tegen het einde van September dalen de larven van de
elzenbladeren af op den grond, waar zij van aardkorreltjes
een vrij dun coconnetje vervaardigen. Daarin blijven zij,
volgens Bouché en Kaltenbach, tot in Mei van het volgende
jaar in denzelfden toestand liggen, veranderen dan in pop
en veertien dagen later kruipen zij in wespengedaante
weder naar boven. Daar er in den winter velen in den
grond omkomen, is het getal wespen betrekkelijk gering ;
dit geeft dan ook de verklaring van het feit, dat zij tot
heden zoo zelden gevonden zijn.
De wesp is in gedaante van andere Nematen niet zoo
afwijkend als men wel vermoeden zou; het eenige waar-
door zij zich bepaaldelijk van alle anderen onderscheidt en
zich aansluit aan sommige soorten van Dineura is dat de
lancetvormige cel niet gesteeld, maar in het midden toe-
geknepen is (zie fig. d). Het mannetje door mij afgebeeld
naar een Schotsch voorwerp , bij gebreke aan een Hollandsch,
is slanker van bouw en heeft langere sprieten dan de wijfjes;
daarbij onderscheidt het zich natuurlijk door den bouw der
laatste abdominaalringen, doch overigens zijn beide sexen
gelijk. De Schotsche voorwerpen hebben de heupen en dijen
wat sterker rood gekleurd dan onze inlandschen.
Het geheele ligchaam glanzig zwart, behalve de oogen,
palpen en pooten. De eerstgenoemden zijn bol, rond en
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 977
bruin ; de sprieten, bij den man bijna zoo lang als thorax
en achterlijf, bij het wijfje slechts zoo lang als het achter-
lijf, zijn bij beiden borstelvormig, zwart, de leedjes bij den
man iets versmald of scheef ingekeept aan de basis. De
clypeus is regt afgesneden, de palpen en onderlip zeer
licht bruin, de mandibulae bruinachtig zwart.
De kop is grof bestippeld, de thorax en het achterlijf
fin; de zoom der lappen van den prothorax en de schub-
betjes zijn zeer licht bruin, de ruggekorreltjes grijs; het
stigma der vleugels pekbruin. De anaalplaat aan het achter-
lyf van den man is bruinrood ; een der inlandsche wijfjes
heeft den buik bijna geheel bruinachtig roodgeel, het andere
slechts op de laatste ringen.
De pooten zijn aan de inlandsche exemplaren licht bruin-
geel, nog lichter aan de apophysen en benedenhelft der
scheen ; met de spits der achterste scheenen en de tarsen
licht bruin, doch de Schotten hebben de heupen voor een
gedeelte en de achterdijen naar het oranje hellend, met de
apophysen en scheenen wit.
Dat deze soort slechts eene generatie in het jaar heeft,
schijnt voldoende bewezen. Zij schijnt in geheel noordelijk
Europa voor te komen.
Verklaring van Plaat 12, beneden.
Fig. a. De larve in rust op een elzenblad.
» b. Dezelfde, vergroot.
» c. De kop en twee eerste ringen op zijde gezien,
vergroot.
» d. De mannelijke wesp, vergroot.
» e. Het achterlijf en een achterpoot der vrouwelijke
wesp, vergroot.
ERRATA.
. XVII, regel 5 v. o. staat: bron, lees: kom.
140, » 10 v. 0. » Noordwestkust, lees: Noordkust.
157, de 3 laatste regels: „Een 9. . . . . . . . . . . .. hebben ,”
moeten vervallen.
S.v.V. Pec
AJ.W. sculps.
Dactylota Kinkerella, Snell.
+ LAINE
LS 27
vn
RN sii
Pi teri a AG
Li
di 7h kote hie
2 ft
2,
BEN
KENNIS
“pe
UO
ao
1,2. Omophila V-flava Haw. 3,4 Dysmasia parietarella Bruand.
5. Dysmasia mgripunctella Haw, 6. Coryptilum Klugit Zell.
Carpocapsa grossana, Haw.
dal Ee
J.W. sculps.
Inlandsche Hemiptera.
S.vV. fec.
AJW. sculps
Inlandsche Hemiptera.
ate |
Li
AJ. sculps
Inlandsche Hemiptera.
i |
: €
ARS LR
Ril y i
) HA
> A
RER
fi +i }
Ly pe RA
FARINE DIA
LOTO LINE
PASEN
r Ri Ta;
j
BEN
PIG.
/
Ta
NZ
7b. Nes:
i
D
- D
Sa À
u)
TU
| lc.
a N
1x del
Zeldzame Pteromalinen.
DE
A
Ù CA
ni UN, La Di DW
RON te
LES
IF Te Nr
BR RO
IR
1. Lycaena Gnoma Snell. d. 2.2a.L. Lysizone Snell. 3.L.pygmaea Snell.
4 Pamphila brunnea Snell. 5. T hymelicus nigrolimbatus Suell.
Ele
PLS:
AJW. fec. et sculps
1 Oligostigma Bilinealis Snell. 2.0.Unilinealis Snell. 3.0. Colonialis Gn. 4.0. Hamalis Snell.
5.0 Aureolalis Snell. 6.0. Simplicialis Snell. 7. O Latifascialis Snell.
À PL) CAL
A]
£ Da 74 wi o
ea a
RAA SA
rt A À
>=
: È
9 9 >
8. Oligostigma Crassicornalis Gn. 8d. idem var. Invertalis. 9. 0. Tripunctalis Snell.
10.0. Nectalis Snell. 11. 0. Sejunctalis Snell. 12.0 Gibbosalis Gn.
Selandria candidata Fall. (Repanda Klug. )
BIO,
ELAN
S.v.V.fec A.J.W. sculps.
Nematus crassulus Dahlb.
1}
A YA
Piste
Selandria albipes L
a
VA
u /
ay!
EE
Nematus luridiventris Fall
RA
AA
LEINE.
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
Mr. W. ALBARDA
MR. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
NEGENTIENDE DEEL
JAARGANG 1875— 76
<< Aflevering
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1876
TUDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGINCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Mr. W. ALBARDA
Mr. 8. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
NEGENTIENDE DEEL
JAARGANG 1875—76
4 Aflevering
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1876
4 a Vd Fai hr IF 1/9 4 PI = # /
| A.” "ll, A Alt UV ah ( CA A IR SONIA IE L IE ER,
- 4 A f f \ Fig = der ri 74 ju a 7 / 4 =
! 4 / 12 UK / (#7 d f k / /
DD) tr A DE ASt: en rAd AT Y, FEN / CP: i
f | u ; N 7 § i d VLE È 78 A AC f A f _ te P .
HI EN Sf, hi, | (p43 fin Ne > INS CZ HAI CES AI) AA}
N | T4 . LA fi = / PT LAA AG; / € Tf if è Af EN
| bi & id | 7 \ q È s fi _ Ly CR“ j 4 SA Í NSA N A 4 (
“| X 4 y / \ j = NI of Fi / à. 4 jie
aN > - 3 | NS | sli À d 4 PIO 2 4 4
à N = dit | 7 / 1A -
À. > < | | / we Ah ae,
Wen / /
$ \ 5 N è / / / fi =
É | Ji Ji A È | A hy
ihe 4, if \ / /
À > L ‘
TITLE
%
nr