-
-
- - e -
marter eg gn rte renderende AO vaneen. patate tege Gta nidi dune aen Page In Fu es ==
Pine mth pent ST vn someren een: ne» Tre alia parlati bat nij vi nda ira IT PARC - |
etna wter Pure a er ms | : 2 CRT vann rar ated a è
rep Te ard
a . A
= mertens”
III I NT rote rae perse en
D NOR po e pg net sense nità in È
a Re nate elio
n - >
N rasa a Sous La
A ound 1731
HARVARD UNIVERSITY
n
ED
De TASH
UP
T
LIBRARY
OF THE
MUSEUM OF COMPARATIVE ZOOLOGY
als
en
RE
i eh N vis
LAO
VIBO
\ pa M
Wve
SEP 1 1 1934
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
DR. J. TH. OUDEMANS, Pror. DR. J. C. H. DE MEIJERE
EN
F. T. VALCK LUCASSEN.
VIJF-EN-ZEVENTIGSTE DEEL.
JAARGANG 1932.
Aflevenineur 12... 222.2 werscheen SUOL:
Afleverings 3-147) ee) verscheen 31 DecembenmMosre
INHOUD VAN HET VIJF-EN-ZEVENTIGSTE DEEL.
Bladz.
Verslag van de Vijf-en-zestigste Wintervergadering . I—XLVI
Verslag van de Zeven-en-tachtigste Zomervergadering
XLVII—LXXXVI
Bedenlijst den Ned. Ent. Ver. nuon M NE XX XVII = XCVIIT
H. SCHMITZ S.J., In Memoriam P. ERICH WASMANN S.J. [ey
A. RECLAIRE, Naamlijst der in Nederland en het om-
liggend gebied waargenomen wantsen (hemiptera-
heteroptera) met aanteekeningen omtrent de voedsel-
of verblijfplant en de levenswijze. o medewerking
wae MAC. GILLAVRY)) MEN . 59—258
Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, Een nieuwe Otiorhy enue
(GolGurc:) uit Nederland 27.2... 259—263
J. W. S. MACFIE, ge from he wings ae
Draconiies. 0 265—283
Boner NC H, DE BEE Eee Notizen zu ring:
Anthomyzidae, Opomyzidae, Tethinidae; Lief. 28 von
Lindner, Die Fliegen der palaearktischen Region . 284—288
INEOS CEN BE N ES a 280-2200
GOESEN TANNE I a 208
at (88 ite iar USL MEERLE Tab egal)!
Hi € tra o > rh m Pi i $ 4 EN" ;
Er
à
>
) nn
ih
È
ar ; /
‘Es anal
ru
den N sah: 9 IR nl a nites A ti
le DAT sai AE
“xe tot. HEEK
an LA Hi Ne bores
fini. Le AAAMSAU HORSE nero DELE,
ner TENERO HE hest” ti ui “AP
à ASE aon) tb Inn |
ah 10% Sh FD % Nth
robot RM) Frs B
TER A PRES N RN:
SET PAU dr Fatti no:
à Eu Das 5 = zu INI Vea LE: Knie sl À a
fey OU: DA N sado og i
(nostra O8 had Watten 285 ta gati HER ENE
(ETATS ak JDN alanine) (DADA te
SEP 1 1 1934
SISI |
= FIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE -
UITGEGEVEN DOOR
_ DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Dr. J. TH. OUDEMANS, PROF. Dr. J. C. H. DE MEIJERE „
EN
F. T. VALCK LUCASSEN.
VIJF-EN-ZEVENTIGSTE DEEL.
JAARGANG 1932.
EERSTE EN TWEEDE AFLEVERING.
(15 Juni 1932).
“1
fee
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
De contributie voor het lidmaatschap bedraagt / 10.—
per jaar. Ook kan men, tegen het storten van f 100.—
in eens, levenslang lid worden.
Buitenlanders kunnen tegen betaling van f 35<— lid
worden voor het leven.
De leden ontvangen ae de obu Berichten
(6 nummers per jaar; prijs voor niet-leden f 0.50 per num-
mer) en de Verslagen der Vergaderingen (2 per jaar; prijs
voor niet-leden / 0.60 per stuk).
De leden kunnen zich voor f 6.— per jaar es a
op het Züdschrift voor Entomologie (prijs voor niet-leden
f 12.— per jaar).
| De oudere publicaties der vereeniging ‘zijn voor de leden
voor verminderde prijzen verkrijgbaar.
Aan den boekhandel wordt op de prijzen voor niet-leden
geene reductie toegestaan.
a
VERSLAG
VAN DE
VIJF-EN-ZESTIGSTE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN IN
HOTEL ,, VICTORIA” TE ’S-GRAVENHAGE,
OP ZONDAG 21 FEBRUARI 1932, DES MORGENS TE II UUR.
President: Dr. J. TH. OUDEMANS.
Aanwezig zijn de gewone Leden: Dr. G. BARENDRECHT, Ir. G,
A. Graaf BENTINCK, K. J. W. BERNET KEMPERS, A. J. BES-
SELING, H. C. BLOTE, J. BROERSE, Mej. A. M. BUITENDIJK,
H. COLDEWEY, J. B. CORPORAAL, H. C. L. VAN ELDIK, G. L.
VAN EYNDHOVEN, H. J. DE FLUITER, D. C. GEIJSKES, Mej. A.
GIJZEN, Dr. H. W. DE JONG, Dr. C. J. VAN DER KLAUW, B. H.
KLYNSTRA, G. KRUSEMAN Jr. J. LINDEMANS, Dr. H. J. LYCK-
LAMA a NIJEHOLT, Dr. D. Mac GILLAVRY, H. J. MAC GILLA-
VRY, Mej. M. Mac GILLAVRY, Prof. Dr. J. C. H. DE MEIJERE,
de Nederlandsche Heidemaatschappij, vertegenwoordigd door
den Heer M. DE KONING, H. TH. NIEUWENHUISÉN, A C.
NONNEKENS, Dr. TH. C. OUDEMANS, R. A. POLAK, Dr. A.
RECLAIRE, T. A. C. SCHOEVERS, E. A. M. SPEYER, A. STARCKE,
Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, H. VAN DER VAART, F. T. VALCK
LUCASSEN, Mevr. J. VOUTE—BROEKMAN, P. VAN DER WIEL,
Ir. T. H. VAN WISSELINGH.
Geïntroduceerd de heer C. SCHOEN.
Afwezig met kennisgeving: Het Eerelid Jhr. Dr. Ep. J. G.
EVERTS en de gewone Leden: Prof. Dr. L. F. DE BEAUFORT,
Dr. J. A. BIERENS DE HAAN, L. D. BRONGERSMA, J. R. CARON,
Tijdschr. v. Entom. LXXV. I
II VERSLAG.
W. HELLINGA, G. S. A. VAN DER MEULEN, A. A. VAN PELT
LECHNER, Ir. N. VAN POETEREN, Hoofd van den Planten-
ziektenkundigen Dienst, Dr. A. Ls J. SUNIER, Dr. H. VER
PLOEGEN Prof Dr. MAX CW. WEBER I NC AV mi
De President opent de vergadering, heet de aanwezigen
welkom, en spreekt zijne voldoening uit over de talrijke
opkomst.
Voorgelezen wordt een groet van het Eerelid Jhr. Dr. ED.
J. G. EVERTS, die helaas door den staat zijner gezondheid
verhinderd is, de vergadering bij te wonen.
Als plaats voor de volgende Wintervergadering wordt, op
voorstel van het Bestuur, Amsterdam aangewezen.
Hierna zijn aan de orde de
WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.
De heer de Meijere vermeldt, ter aanvulling zijner mede-
deeling van het vorige jaar omtrent de aantasting van thee-
bladeren door larven van Melanagromyza theae Bie., dat hem
sedert ook gedroogde theebladeren, zoowel van Assamthee
als van Chineesche thee, werden toegezonden door Dr. J. K. DE
JONG. Alleen bij eerstgenoemde theesoort is de gang slechts
aan den glans te onderkennen; bij de Chineesche thee isde
epidermis meer los van het onderliggende bladweefsel en
de gang daardoor duidelijk wit of zilverachtig. Toch is het
hier hoogstwaarschijnlijk dezelfde vliegensoort en dan zou
hier al naar de plant hetzelfde verschil optreden in mijn-
gang, wat voleens HERING’s opgave bij de twee verschillende
micro’s, Phyélocnistis sorhageniella LüD., (met gang op Popu-
lus tremula als op Chineesche thee) en suffuselld Z. (gang
op P. nigra etc. als op Assam-thee) voorkomt, wanneer althans
dit soortelijk verschil inderdaad opgaat.
Voorts vermeldt Spr., dat uit geïmporteerde, versche vijgen
bij Dr. J. TH. OUDEMANS op het einde des vorigen jaars vliegen
in groot aantal zijn uitgekomen, die bleken te behooren tot Ce-
ratitis capitata WIED., de beruchte Middellandsche-Zee-fruit-
vlieg. Spr. heeft indertijd van den heer BENTINCK doode larven
dezer soort uit sinaasappelen ontvangen, terwijl een paar jaren
VERSLAG. III
geleden mevr. DE VOS—DE WILDE enkele vliegen verkreeg,
eveneens uit deze vrucht. Het is dus de tweede maal, dat
deze soort hier te lande uit ingevoerde vruchten gekweekt
werd. Hetzelfde feit heeft zich overigens ook in Engeland
voorgedaan, evenals bij Parijs, waar de soort korten tijd is
opgetreden, maar zich niet staande heeft kunnen houden.
Bekend is, dat de invoer dezer vlieg in Ned, Indié ten zeerste
wordt gevreesd, nog het meest door het moeilijk te contro-
leeren, onwillekeurig medenemen van kleine hoeveelheden
vruchten door particulieren. Merkwaardiger wijze is de vlieg
door WIEDEMANN als uit Oost-Indié afkomstig beschreven,
terwijl zij tot dusverre niet in Ned. Indié is aangetroffen en
evenmin in Britsch-Indié voorkomt. De oplossing is misschien
te vinden in de bijvoeging van WIEDEMANN, dat het exem-
plaar door DALDORF ,,im Indischen Ocean” buitgemaakt
werd; mogelijk kwam het uit het Westelijk gedeelte daarvan,
want aan de West-Afrikaansche kust, op Madagascar en op
Mauritius, is het dier inheemsch. Een nog in leven gehouden
exemplaar dezer fraaie Trypetine wordt rondgegeven, benevens
eenige Javaansche fruitvliegen (Chaetodacus-soorten), en een
paar verdere merkwaardige vormen dezer familie.
De heer Bentinck merkt op, dat volgens SPULER’s en
zijne eigene bevinding ?%. sorhageniella op abeel leeft.
De heer de Meijere antwoordt, dat HERING voor deze
soort Populus tremula opgeeft in zijne ,,Oekologie der blatt-
minierenden Insektenlarven” (p. 7). Blijkbaar komt de soort
elders ook daarop voor.
De heer D. Mac Gillavry, refereerende aan het gezegde
op de Zomervergadering te Assen (p. LXXXII), laat een
geschrift van den heer H. GOECKE (Krefeld) over Oost-
Aziatische ÂDonaciint circuleeren en verzoekt den heeren,
die in hun materiaal Indische Donaczznz mochten bezitten,
deze aan genoemden heer ter determinatie te willen toe-
vertrouwen. Spr. vestigt speciaal de aandacht op de foto-
grafische afbeeldingen der dekschilden bij 15-malige ver-
grooting, die voor de verschillende soorten zoo duidelijke
verschillen aantoonen. Wanneer men nog verder gaat, en,
zooals CORNALIA dit deed, tot 60-malige vergrooting gaat,
IV VERSLAG.
zal dit ontwijfelbaar een goed middel worden ter deter-
minatie der Donaciinen en het mogelijk maken, ook de
subfossiele Donaciinen uit de turf, die meestal uit dekschild-
fragmenten bestaan, te determineeren. Spr. laat het werk
van CORNALIA, waarop hij in de Entomol. Berichten VIII,
No. 182, p. 303, attent maakte, en dat hij ondertusschen
in zijn bezit verkreeg, circuleeren. Men vindt aldaar afbeel-
dingen van een viertal Donaczinz, die duidelijk aantoonen,
dat op deze wijze succes te bereiken zal zijn, wanneer men
tot die sterkere vergrootingen overgaat.
Dan is Spr. tegenwoordig bezig gegevens te verzamelen
over het lichtend vermogen van insecten, niet behoorende
tot de Lampyridae, noch tot de Æ/ateridae. Ten opzichte
van de Æulgoridae is men nog steeds niet tot eene vaste
meening kunnen komen; daarover heeft Spr. ook nog geene
vaste opinie, maar helt ertoe over, te onderstellen, dat hier
toevallige oorzaken aanleiding tot het lichtvermogen kunnen
geven. Een nieuwe stoot tot verdere nasporingen ontving
Spr. door het verhaal van eene dame, die eenige jaren in
Argentinié had doorgebracht en daar zeer dikwijls waarnam
het aanvliegen van kevers, die uit eenige leden der antennae
een sterk licht verspreidden. Spr. stond aanvankelijk zeer
sceptisch tegenover dit verhaal, daar het hem vrij onna-
tuurlijk leek, dat de sprieten zetel van het lichtorgaan
zouden zijn. Toch wil Spr. de mogelijkheid niet geheel
ontkennen, nu hem gebleken is, dat ditzelfde toch ook
beweerd wordt van de sprieten van eene Pausside. Een
der Paussiden-kenners, ons onlangs overleden eerelid Pater
WASMANN, stond daar eveneens zeer twijfelend tegenover.
Toen hij echter het dier zelf in handen gehad had, is hy
van opinie veranderd, en verwacht hij, dat nadere observatie
van het levende dier de oude waarneming van AFZELIUS
van 1798 bevestigen zal. Spr. heeft het voornemen, de
resultaten van zijne studie hieromtrent nog nader uit te
werken. Hij maakt alleen nog de opmerking, dat omtrent
verschillende onder-families der Carabidae, o.a. de Brachinint,
verscheidene opgaven over lichtvermogen bestaan. Verder
van enkele soorten van een geheel ander Caradzden-Genus,
dat ook in ons Oost-Indië voorkomt, nl. Plysodera. In dit
VERSLAG. v
geslacht zouden de lichtorganen gelegen zijn in de zijkanten
van den thorax. Door de vriendelijkheid van den heer
KLYNSTRA is Spr. in de gelegenheid, exemplaren van twee
Physodera-soorten te laten zien, waarvan de eene wel, de
andere niet voorzien is van deze lichtorganen. Spr. vraagt
aan zijne medeleden opgave van waarnemingen of literatuur-
aanwijzingen, die hun bekend mochten zijn.
De heer Uyttenboogaart deelt mede, dat, dank zij den
ijver der heeren VALCK LUCASSEN en MAC GILLAVRY, die
er niet tegen opzagen, om tijdens onze excursies in Z.-Limburg
in Juni 1931, cok van schijnbaar gewone soorten alles maar
mede te nemen, zijne aandacht erop werd gevestigd, dat in
groote serieén van eene Curculionide, die voor Ofiorrhynchus
singularis L. werd gehouden, twee duidelijk verschillende
gestalten (habitus) waren te onderscheiden. Nader micro-
scopisch onderzoek en eene correspondentie over het onder-
werp met Prof, PENECKE te Czernowitz, gaven Spr. aanleiding
tot de beschrijving van eene nieuwe soort, die van szngz-
laris L. duidelijk en constant te onderscheiden is, en welke
hy Oforrhynchus veterator heeft gedoopt. Daar de uitvoerige
beschrijving tegelijk met dit verslag in de eerstkomende
aflevering van deel 75 van het T. v. E. zal verschijnen, zal
Spr. hierop thans niet nader ingaan en slechts vermelden,
dat de nieuwe soort, voor zoover tot nu toe bekend, een
klein verspreidingsgebied heeft, nl. Nederland, ten zuiden
van eene lijn, die van Rotterdam langs den noordelijken
oever van Lek, Rijn en IJsel tot Zutfen loopt en daarna
ongeveer Oostelijk, verder België, Luxemburg en het Noorden
van Frankrijk tot iets ten zuiden van Parijs. Uit Duitschland
zagen noch Spr. noch Prof. PENECKE tot nu toe een enkel
exemplaar, vreemd genoeg, daar in het Zuiden van onze
provincie Limburg veterator algemeener is dan szngularis L.
Verder deelt Spr. mede, dat het f van Yy/eborus saxeseni
RATZ. thans ook uit Nederland is bekend geworden. Spr.
ving één ex. te Renkum in zijn tuin en ontving er verder
verscheidene van den heer M. DE KONING, die ze uit Am. eiken-
stammetjes (Quercus rubra) verkreeg, tegelijk met talrijke QQ.
Uit andere eikenstammetjes werd Anzsandrus dispar ER.,
VI VERSLAG.
verkregen. Bij vele ex. van XY. saxeseni RATZ. is het scutellum
goed zichtbaar, zoodat er geene aanleiding is, om, zooals
REITTER deed, voor deze soort een afzonderlijk genus te
scheppen.
Pityophthorus glabratus EICHH., die tot nu toe slechts
sporadisch in Nederland werd aangetroffen, klopte Spr. talrijk
uit stervende takken van Pinus nigra (austriaca) in de buurt
van Renkum. Er waren ongeveer evenveel gg als QQ, zulks
in strijd met de bewering van REITTER in zijne Fauna Ger-
manica (op gezag van RATZEBURG), dat deze soort polygaam
zou zijn.
Van Xylosandrus morigerus BLANDF. verkreeg Spr. bij het
splijten der aangetaste takken van Dendrobium één ex. van
het uiterst zeldzame g. Dit is nauwelijks grooter dan een
Orthoperus en eveneens bijna volkomen halfkogelvormig.
Ons medelid Dr. BETREM te Malang (Java) nam waar, dat
X. morigerus BLANDF. niet uitsluitend op Dendrobium thuis
behoort, doch ook in de takken van ‘koffiestruiken zijne
broedgangen aanlegt. Dr. BETREM vond op koffiestruiken
ook Xylosandrus morstatti HAGED., welke soort oorspronkelijk
beschreven is uit Afrika, doch thans veel verder verspreid
is, daar Dr. B. ook exemplaren uit Engelsch- en Fransch-
Indië zag. Volgens de waarnemingen van Dr. B. komen deze
beide soorten, behalve op koffie, ook voor op allerlei andere
planten, die tot zeer verschillende families behooren, o.a. op
Sambucus, djati, mahonie en op verschillende groenbemesters
(Papilionaceae). Dit wijst er dus op, dat deze soorten hare
broedgangen aanleggen in alle gewassen, waarvan het weefsel
geschikt is, om de ambrosia-schimmel, waarvan de larven
leven, te doen gedijen.
Spr. wenscht er verder op te wijzen, dat vele auteurs bij
hunne beschrijving der familie Gyrinzdae vermelden, dat de
onderzijde der tarsen by de gg met zuignapjes is bedekt;
dit is niet juist, want de zuignapjes zitten aan de buitenzijde,
die echter door de eigenaardige houding der voorpooten
naar onderen is gericht. Dit is mede een zeer belangrijk
onderscheid tusschen de Âytiscidae en de Gyrinidae, dat,
evenals andere kenmerken, op eene geheel verschillende
afstamming wijst. Echter komen, evenals bij de Dytzsczdae,
VERSLAG. VII
ook bij de Gyrinidae QQ voor, die de normale sculptuur
(d.w.z. bij de Gyrinzidae: microsculptuur) der gg hebben.
Spr. constateerde dit bij verscheidene inlandsche soorten
van het genus Gyrinus; bijzonder talrijk zijn de gladde QQ
bij de species ¢homsonz SAHLB. Het komt Spr. voorts voor,
dat de microsculptuur der Jg‘ van Zhomsoni dichter en
grover is dan bij de gg van marinus. Bij de eerste is de
microsculptuur reeds zichtbaar bij vergrooting X 30, bij de
laatste eerst bij vergr. X 60. (Leitz obj. 2, resp. 3, Huygens
binoculair IV).
Vermeldenswaard voor onze fauna zijn verder de volgende
vangsten:
Harpalus fuliginosus DFTS. (Anlo, Drenthe).
>» Picipennis DFTS. sensu SCHAUBERGER (de Rips, Peel,
N-Brabant).
Harpalus quadripunctatus DEJ. (Renkum).
Hydroporus melanarius ST. (Assen).
Acidota crenata F. (Renkum Oct. ’3r in 2 m diepe kuilen,
die voor grondonderzoek gegraven waren).
Acidota cruentata (Renkum Oct. ’31, terzelfder plaatse als
de vorige soort).
Enicmus testaceus STEPH. (Assen, aan elzenzwammen).
> fungicola THS. (Assen, aan elzenzwammen).
Corticaria ferruginea GYLLH. (Assen).
Conopalpus testaceus OL. & (Renkum).
Orchesia minor WALK. (Norg, Drenthe).
> undulata KR. (Norg, Drenthe).
Obrium brunneum F. (Assen).
Gonioctena pallida L. (Assen).
Crepidodera interpunctata MOTSCH. (Anlo, Drenthe).
Apion pomonae L., geheel zwart 3 (Anlo, Dr.).
Ceutorrhynchus angulosus BOH. (Assen; stemmen volkomen
met 2 door FORMANEK gedetermineerde ex. uit Hamburg).
Ceutorrhynchus t-album GYLL., faunae nov. sp. (Noordwijk
1920!, ook I ex. Scheveningen in coll. EVERTS).
Rhyncolus culinaris GERM. faunae nov. sp. (Doetinchem 1918
VALCK LUCASSEN |).
Polydrosus chrysomela OL. (Texel). Zeer vele ex. op Arte-
misia maritima op slikgronden, waarop bij vloed de planten
VIII VERSLAG.
geheel onder water kwamen. De kevers verlaten gedurende
de onderdompeling de planten wief. Geen enkel van de
Texelsche exemplaren heeft groene schubjes; in het alge-
meen is ook de beschubbing veel spaarzamer dan bij ex.
van Bergen op Zoom, hoogstens zijn de tusschenruimten
op de elytra om de andere beschubd; vele ex. zijn na-
genoeg of geheel onbeschubd (ab. zusguamosus ER.). Kan
dit verschil met de levenswijze samenhangen? Te B. o. Z.
vond Spr. ze nl. op planten, die slechts bij stormvloed
door het water bereikt werden.
De heer Bentinck laat eenige vlinders ter bezichtiging
rondgaan:
I. Twee ex, van Ptocheuusa subocellea STPH. tusschen
18 en 23 Juli 31 te Geulem gevangen; nieuw voor de
Nederlandsche fauna.
II. Bijzondere vangsten van 1931:
Eén ex. van Mephopteryx hostilis STPH. (in Snellen II,
p. 131, onder den naam rhenella ZK), en I ex. van Pronea
stachydalis GERM. (zeer licht te verwarren met Pyrausta
sambucalis SCHIFF.) uit Geulem; I ex. van Alucita galacto-
dactyla HB. en 1 van Acalla quercinana Z. uit Overveen;
I ex. van Steganoptycha simplana HB. (No. 2 voor Nederland)
uit Valkenburg; 1 ex. van Sphaeroeca obscurana STPH. uit
Bunde; 1 ex. van Grapholitha orbona TR. el. (No.2 voor
Nederland) uit Overveen; 1 ex. van Dichrorampha agilana
TGSTR. en 1 van 7?nagma perdicellum Z. uit Bunde; 2 ex.
van Alabonia geoffrella L. uit Valkenburg en Vaals (’t laatste
leg: v. D. WIEL); 4 ex. Blastobasis phycidella Z., opnieuw
uit Zandvoort en Overveen; vele ex. van Paltodora cytisella
CURT. uit Geulem, waar de soort zelfs gewoon was; 2 ex.
van Heliozela resplendella STT. uit Overveen; 3 ex. van
Blastodacna rhamniella Z. uit Geulem; eenige ex. van Litho-
colletis cydoniella F. e.l. in peer-mijnen en vele van Zzthocolletis
quinqueguttella STT. e.l. in Salix fusca-mijnen uit Overveen en
Aerdenhout; en 1 ex, van Adela fibulella F. uit Bunde.
III. Eén Q van Diplodoma marginepunctella STPH. el.
11.7.31 uit Amerongen. In Juli 1930 vond Spr. 3 zakjes
met volwassen rupsen van dit merkwaardige dier, dat hij
/ VERSLAG. IX
verder voedde met doode vliegen en muggen. Zij over-
winterden vervolgens, doch slechts 1 er van leverde boven-
genoemden vlinder op. De beide andere aten verder den
heelen zomer 1931 en overwinteren thans opnieuw voor de
2° maal, met 7 andere ex, die Spr. verleden zomer boven-
dien vond, waarvan 1 te Overveen. De larve, die gedurende
den vliegtijd, Juli, reeds volwassen gevonden werd, moet
dus van 1929 of eerder geweest zijn, en zal dan waarschijnlijk
eerst in 1932 de imago leveren. De rups leeft dus blijkbaar
3 jaar. Gelijktijdig laat Spr. een doosje rondgaan, gevuld
met fragmenten van vliegen en muggen, meest geheel uit-
gehold door voornoemde rupsen.
IV. Een ex. van Tinea fuscipunctella Hw. el. met zak.
Hoewel dit dier niet zelden aangetroffen wordt, was de zak
volgens SNELLEN nog niet bekend. De zak verschilt niet
veel van dien van 7. pellionella L., is slechts iets langer
en ruwer bekleed.
V. Majoor J. C. Rijk uit Maastricht deelde Spr. mede,
damhaminmeeneskleinemncollectier vlunders | te Lemiers)
eenige zeer goede soorten zag, tusschen 1900 en 1918 in
de omgeving van Lemiers gevangen, nl. 1 ex. van Papilio
podalirius L., 1 & van Limenitis populi L. (No. 5 voor Neder-
land), 1 ex. van Catocala fraxini L. en 1 ex. van Daphnis
nerit L. Een 2° ex. van deze laatste soort ving de verzamelaar
in 1931. Doch dit ex. stond hij af aan ’t hoofd der school
aldaar; het werd, jammer genoeg, niet bewaard. De ver-
zamelaar is, volgens Majoor RIJK’s verzekering, volkomen
vertrouwbaar.
VI. Ten slotte een fraai, smaragdgroen subfossiel kever-
dekschild, gevonden in eene plaat insectenturf.
De heer Lycklama à Nijeholt brengt zijn jaarlijksch ver-
slag uit over de proeven met mangaanvoeding. De kweek
van Spzlosoma menthastri ESP. loopt ten einde. De normale
vlinders leveren hoe langer hoe minder eieren, en van deze
brengt een steeds kleiner gedeelte het tot imago. De matig
afwijkende vlinders leveren, zoo copulatie te verkrijgen is,
zeer weinige eieren en slechts enkele imagines. Van de sterk
afwijkende exemplaren zijn de gg niet tot copulatie te bren-
x VERSLAG,
gen, zelfs niet met de meest gewone 99. De sterk afwijkende
QQ copuleeren zeer gemakkelijk met normale fd‘, doch
geven zeer weinig eieren en slechts enkele rupsen, welke
na enkele dagen sterven. Er. is dus met de afwijkingen niets
te beginnen en het ziet er naar uit, dat deze kweek dit jaar
geheel zal uitsterven.
Spilosoma lubricipeda L. geeft nog altijd geheel normale
vlinders, welke gemakkelyk voortkweeken.
In 1931 voor het eerst is Selenza tetralunaria HFN. met
mangaan gekweekt. Van de rupsen was bekend, dat ouders
en grootmoeder geheel normaal waren. Uit de rupsen, welke
met mangaan waren gekweekt, kwamen dadelijk ver-
scheidene geheel zwartpaarse exemplaren met 4 witte halve
maantjes; deze konden gemakkelijk verder worden gekweekt.
Verdere beschouwingen hierover kunnen dus beter tot eene
volgende vergadering worden uitgesteld.
Spr. laat verder rondgaan de imago van Coleophora arte-
misicolella BRD., nieuw voor de Nederlandsche fauna. De
vondst van de zakken was reeds het vorig jaar medegedeeld.
Na vele jaren vruchteloos getracht te hebben, NVemothors
cupriacellus HB. uit de rups te verkrijgen, is het dit jaar voor
het eerst gelukt, twee exemplaren tot imago op te kweeken.
Schoon zijn zij niet, doch voldoende, om het verschil met
violellus Z. duidelijk te doen uitkomen.
Eupithecia absinthiata CL. en goossenstata MAB, (minutata
GN.) worden door PETERSON en DIETZE voor ééne soort ge-
houden. Vele, in 1930 op verschillende voedselplanten ge-
vonden rupsen leverden vlinders, welke allerlei variaties
vertoonden, welke niet aan de voedselplant gebonden waren.
Wel was echter de tijd van uitkomen zóó verschillend en
zóó aan de voedselplant gebonden, dat hier toch wel een
aanwijzing in te zien kan zijn, dat er wellicht meer dan ééne
soort onder deze namen begrepen is, welke dan echter niet
morphologisch van elkander te scheiden zijn.
De hiernevensgaande tabel duidt dit duidelijk aan.
Naar aanleiding van vragen van den PRESIDENT zegt Spr.
nog, dat bij de voortgezette teelt van Sp. wenthastri het
aantal kreupele individuen niet toenam, doch wel het aantal
poppen, dat niet uitkwam.
VERSLAG.
Datum
Eupa-
torium
Senecio
amas
cetum
Arte-
misia
Soli-
dago
I—IO
Mei
N
LO—20
Mei 5
OST
Mei 5
IO
Juni
10-20
Juni
N
N
DOO
Juni
MO
Juli
IO—20 |
Juli |
20 31
Juli
I—10
Aug.
oo |
Aug. 4
Alle vlinders zijn uit overwinterde poppen.
De zwarte variëteit van Selenza tetralunaria was uit de
vrije natuur te voren nog niet bekend.
Verder geeft Spr. op verzoek van den PRESIDENT nog in
het kort een overzicht over deze sedert eenige jaren voort-
gezette proeven. Amphidasis betularia L. var. doubledayaria
XII VERSLAG.
MILL. is het eerst in Engeland, daarna hier te lande en
weder veel later in Duitschland waargenomen, steeds het
eerst in de nabijheid van fabrieken. Dit bracht HARRISON
op het denkbeeld, dat de rook stoffen kan medevoeren, die,
op planten neergeslagen, een invloed op de dieren zouden
kunnen hebben, Hij vond mangaan- en loodverbindingen op
planten, en voederde nu verschillende rupsen met deze
planten, of met toegevoegd mangaan en lood. Hiermede
verkreeg hij melanismen, die erfelijk bleken te zijn, doch
alleen na verscheidene generaties met mangaan of lood ge-
voederd te hebben. Zijne meening, dat hierbij eene verkre-
gen eigenschap werd overgeérfd, moest hij na de uitgeoe-
fende kritiek wijzigen; het verschijnsel berust waarschijnlijk
op eene eibeschadiging. Alleen veelvuldige en nauwkeurige
kweekingen zullen kunnen uitmaken, of deze kunstmatige
aberraties meer optreden, en of het verloop altijd hetzelfde is.
De heer van Wisselingh vermeldt de vangst van eenige
zeldzame Lepidoptera, ten eerste die van Leucodonta bicoloria
SCHIFF. bi Vaals in Juni 1931. Eenige jaren geleden trof
Spr. deze soort, welke voor dien in ons land nog slechts
eens als rups was gevonden, aan op den Imbosch op de
Veluwe. Mededeelingen hieromtrent deed Spr. op de Win-
tervergaderingen in 1927 en 1928. Spr. vestigt er de aan-
dacht op, dat het bij Vaals gevonden exemplaar geheel
overeenstemt met die van de Veluwe, die eene vrijwel zuiver
witte grondkleur hebben, in tegenstelling met buitenlandsche
exemplaren, die veelal eene flauwe, bruine teekening ver-
toonen, waardoor de vleugel een vuilwitten indruk maakt.
Van Apatura iris L., welke soort in het Zuidelijkste deel
van Limburg niet zeldzaam is, vond Spr. bij Vaals eene rups,
die in Juli 1931 den vlinder leverde.
Ten slotte vertoont Spr. een bij Zandvoort gevangen exem-
plaar van Colias edusa L., var. helice HBN. De soort, welke
in verschillende jaren in zeer afwisselend aantal voorkomt,
was in 1931 in de duinen vrij talrijk.
De heer Blöte deelt het volgende mede: Tot de belang-
rijkste gebeurtenissen, die in het afgeloopen jaar in de
VERSLAG. XIII
entomologische afdeeling van ’s Rijks Museum van Natuurlijke
Historie hebben plaats gehad, behoort de aankomst der ver-
zameling Nederlandsche Coleoptera van Jhr. Dr. ED. J. G.
EVERTS, op 11 Augustus jl.
Wellicht nimmer heeft de entomologie eene verzameling
gekend, die in hare soort vollediger was dan deze. Het
totale aantal der inlandsche Coleoptera is nl. zoo dicht be-
naderd, dat slechts vier soorten, die wellicht ten deele nog
dubieus zijn, ontbreken en ééne soort alleen in bruikleen
aanwezig is.
Dat een dergelijk resultaat bereikt is, is in de eerste plaats
een bewijs voor de groote bezielende kracht, die gedurende
eene lange reeks van jaren van EVERTS is uitgegaan, en
van de enorme hoeveelheid determineer- en controleer-werk,
door hem verricht, doch tevens van de groote onbaat-
zuchtigheid van al zijne collegae-coleopterologen, die hem
veelal hunne zeldzaamste exemplaren afstonden, om hem
te helpen, zijn doel bereiken.
Over het toekomstig beheer der verzameling heeft Spr.
gemeend, met den schenker eenig overleg te moeten plegen,
aangezien het hem bleek, dat hieromtrent verschil van
meening mogelijk kon zijn. Eene verzameling als deze toch
zal worden geraadpleegd op twee wijzen: in de eerste plaats
als standaard-vergelijkingsverzameling bij faunistische studies
op dit gebied, in de tweede plaats echter tevens ter wille
van het bewijsmateriaal van de door den samensteller ge-
publiceerde werken. Hoewel dus het toevoegen van materiaal
eenerzijds gewenscht is, om eene zoo volledig mogelijke
vergelijkingsverzameling te behouden, is eenige voorzichtig-
heid daarbij geboden, om te verhoeden, dat de verzameling
hare bewijskracht ten opzichte van de publicaties, waaraan
zij ten grondslag ligt, zou verliezen.
Door de welwillende medewerking van den schenker is
Spr. dan ook in het bezit van een aantal regelen, die zijne
eigene zienswijze in dezen weergeven. Deze regelen zijn wel
niet volstrekt bindend, omdat er vele gevallen kunnen
voorkomen, waarin van te voren niet tot in finesses is te
voorzien, maar zij kunnen voor de toekomst een leiddraad
zijn bij de beoordeeling van de vraag, of bepaalde exem-
XIV VERSLAG.
plaren al dan niet aan de verzameling zullen moeten worden
toegevoegd. De hoofdzaak dezer regelen is wel, dat slechts
dan materiaal zal worden toegevoegd, indien dit in de ver-
zameling ontbreekt, of in onvoldoend aantal aanwezig is,
terwijl het tevens betrouwbaar gedetermineerd moet zijn.
Dit later toegevoegde materiaal zal bovendien een merk-
teeken ontvangen, waaruit blijkt dat het niet door Dr. EVERTS
zelf is bewerkt.
In het algemeen dus zullen schenkingen van zeldzame
vormen ten behoeve van de verzameling EVERTS dankbaar
worden aanvaard, zoodat Spr. de verzameling voor de toe-
komst gaarne in de welwillende aandacht der coleopterologen
aanbeveelt; om de zooeven uiteengezette redenen zal er
echter niet toe worden overgegaan, materiaal op te nemen,
waardoor de verzameling als vergelijkingsverzameling niet
bruikbaarder wordt; met name zullen er geene andere ver-
zamelingen in hun geheel mede worden vereenigd. De alge-
meene verzameling van ’sRyks Museum van Natuurlijke
Historie, die aan minder speciale eischen heeft te beant-
woorden, staat trouwens ten allen tijde daartoe open.
Mien slotte inrest Spr nos, eentberoepitemdoentopide
coleopterologen, die van bepaalde groepen eene meer speci-
ale studie maken, om daarbij zoo noodig tevens het materiaal
der verzameling EVERTS te onderzoeken, aangezien het ook
daardoor aan belangrijkheid wint, en de verzameling zoo
voor verouderen gevrijwaard blijft.
De heer J. Th. Oudemans vond op 21 Juni 1923 op
Schovenhorst onder Putten (G.), op eene verwilderde Akelei-
plant (Aquilegia vulgaris L.), en wel op de intensief blauwe
bloemen er van, eene Noctuide-rups, die hij niet kende, en
die bovendien opvallend was door houding en kleur. Wat
de houding betrof, zoo hing het dier totaal slap aan een
paar buikpooten, juist alsof het aan de bekende ,,slapziekte”’
gestorven was. En wat de kleur aanging, was het opvallend,
dat het thoracale en het begin van het abdominale deel der
rups duidelijk blauw was, terwijl de iets grootere rest groen-
achtig bruin was. Bij nadere beschouwing bleek aan de
blauwe bloembladeren een gedeelte te ontbreken, terwijl de
VERSLAG. XV
blauwe kleur van het voorgedeelte der rups veroorzaakt
werd door het doorschijnen van den inhoud van het darm-
kanaal. Die blauwe kleur was volkomen gelijk aan de kleur
van de Akelei-bloemen. Er was dus wel heel veel reden,
om aan te nemen, dat de rups van de Akelei-bloemen ge-
geten had, en dat dit voedsel haar slecht bekomen was.
De rups werd meegenomen, en te huis nader onderzocht.
Daar het ruggevat klopte, bleek daaruit, dat de rups nog
leefde, en slechts bedwelmd was. Op verschillende aange-
wende prikkels reageerde de rups niet.
Den volgenden dag, 22 Juni, verkeerde de rups nog steeds
in denzelfden lethargischen toestand, had echter twee excre-
menten geloosd.
Het verdere verloop was als volgt:
23 Juni. Eenige geringe beweging in het lichaam der rups
is waarneembaar.
24 Juni. De rups probeert, zich voort te bewegen, maakt
nu en dan kruipbewegingen, echter met slechts matig succes.
25 Juni. De rups zit tegen den wand van het doosje,
waarin Spr. haar geplaatst had. Door verdere defecatie, die
ten deele ook blauw was, is de blauwe kleur van het voor-
gedeelte allengs meer en meer achterwaarts verschoven, en
ten slotte geheel verdwenen. Als voedsel worden nu blade-
ren van allerlei lage planten gegeven, welke zeer vele soorten
van Noctuïde-rupsen gaarne eten.
26 Juni. De rups blijkt van deze bladeren gegeten te hebben.
27 Juni. De rups is hersteld, en rolt zich bij aanraking
weder op.
28 Juni. Zij eet thans flink, en produceert in één etmaal
25 normale excrementen. De groei vordert nu snel, en op
8 Juli kruipt zij ter verpopping in den grond, om op 19
Augustus dienaanvolgende een volkomen normalen manlijken
vlinder van Hadena porphyrea ESP. te leveren.
Het heeft er allen schijn van, dat men hier met een geval
van verkeerde voedselkeuze te doen heeft, die tot onwille-
keurige, zonder Spr.’s tusschenkomst misschien doodelijk
geworden, zelfvergiftiging geleid heeft. Voor Spr. is dit het
eenige geval van dien aard, dat bij ooit heeft waargenomen.
De regel is toch, dat het voedsel, dat rupsen, en ook andere
XVI VERSLAG.
insecten, in de vrije natuur uit eigen keuze tot zich nemen,
hun goed bekomt. Het feit, dat planten, waarop insecten
aanwezig zijn, en die door den mensch met giftstoffen be-
spoten of bestoven worden, den dood dier insecten veroor-
zaken, is natuurlijk iets geheel anders, en met het boven-
staande niet te vergelijken. Want van vrije keuze is daarby
geen sprake; met het bekende voedsel wordt het vergift
mede verorberd, dat den dood aanbrengt. Dit is echter alle-
maal niet natuurlyk. Het is trouwens met de in de natuur
in planten voorkomende vergiften zoo gesteld, dat wat voor
het eene dier normaal voedsel is, voor een ander soms ver-
giftig is. Aconitum-soorten b.v. staan als zeer vergiftig (voor
den mensch) bekend, maar de rupsen van Plusza moneta F.
eten niets liever, en met volledig succes! Zoo zouden nog vele
voorbeelden op te noemen zijn, doch Spr. zal het hierby laten.
Van rupsen, die uitstekend honger verdroegen, wil Spr.
ook een voorbeeld noemen.
Geometra papilionaria L. leeft als rups op verschillend
loofhout, voornamelijk echter op els en berk. De rups over-
wintert klein aan de takken. Nu ontdekte Spr. in Juni 1923
een vijftal vrij kleine rupsen van deze soort, welke echter
reeds het kleed der volwassene droegen; zij zaten op de dunne
twijgen van berkentakkenbossen, die tot eene mijt opgesta-
peld waren. De berkentakken waren reeds in Januari gehakt,
en daarna in het geheel niet uitgeloopen. De rupsjes hadden
zich dus na Januari slechts door knagen aan den bast
kunnen voeden. Na de rupsen te hebben meegenomen, gaf
Spr. haar te huis hetzelfde voedsel, en nam toen gedurig
het knagen aan den bast waar. Alle vijf de rupsen verpopten
en leverden vlinders, doch deze waren zeer klein van stuk.
De vlucht was 33 tot 38 mM., terwijl normale inlandsche
exemplaren 45 tot 51 mM. vlucht hebben. De imagines ver-
schenen tusschen 8 en 15 Juli, wat normaal is. Toen Spr.
in Juni deze hongerlijders op Schovenhorst aantrof, had hy
nooit gedacht, dat zij het, met hetzelfde voedsel, tot ima-
gines zouden brengen.
De heer Coldewey deelt mede, dat hij door schenking
in het bezit is gekomen van de vrij uitgebreide en goed
VERSLAG. XVII
onderhouden vlinderverzameling van ons medelid Dr. H.
VERPLOEGH. Het voornaamste deel vormen de Noctuiden,
die meest ,,op smeer” zijn bemachtigd in de omgeving van
Deventer en Utrecht (bosschen van Eijckenstein). Maar ook
hebben de omstreken van Holten, Groenlo, Denekamp, en
de duinen by Den Haag, heel wat opgeleverd. Het merkwaar-
digst was de ontdekking van eene nieuwe soort voor onze
fauna: Sterrha sacraria L. Het is een vrouwelijk ex., met
gave franje, aan den Wassenaarschen Slag gevangen op
15 Aug. 1925 (bij het opspannen licht beschadigd).
Deze Afrikaansche soort „von grosser Wanderungsfähigkeit”
(PROUT, in SEITZ) wordt door alle geraadpleegde schrijvers
als een toevallig immigrant beschouwd voor Midden- en
Noordelijk Europa, die, volgens PROUT, „ersichtlich nicht im
Stande ist, den nordischen Winter zu überdauern”. In Enge-
land wordt ze nu en dan aangetroffen; vóór 1874 scheen
ze daar haast ieder jaar te worden gezien (SOUTH). De
vlinder vliegt van de lente tot het einde van den herfst, in
eene reeks van generaties, daar de rups zeer snel groeit.
Het jaar 1925 gaf eene schitterende Meimaand en een —
in ’t algemeen — mooien, warmen zomer. De gaafheid van
dit voorwerp maakt het waarschijnlijk, dat een Q in Mei is
komen aanvliegen naar ons land, waar ze hare eieren in
de Wassenaarsche duinen heeft afgezet, en dat dus het onder-
havige ex. zich ab ovo in Nederland heeft ontwikkeld.
Verder zijn het meest vermeldenswaard uit de collectie-
VERPLOEGH :
Lycaena cortdon PODA, 3 Aug. 1911, Groenlo.
Agrotis sobrina GN., 2 ex. (var.), Aug. 1911, Groenlo.
Xylina socta ROTT., 15 Aug. 1911, Groenlo.
Eucosmia certata HB., 1899, Driebergen (H. LORENTZ).
Tephroclystia togata HB., 3 Juli 1925, Kijkduin.
Boarmia secundaria EsP., e.p. 6 Juli 1925, Denekamp.
Trochilium crabroniformis LEWIN, 5 Juli 1900, Deventer.
In de tweede plaats wil Spr. de voornaamste resultaten
vermelden van de lichtvangst te Twello in het afgeloopen
jaar, dat aan zoo velen eene treurige zomervacantie heeft
bezorgd. Maar Spr. is heelemaal niet ontevreden: een totaal
van + 335 soorten staat maar weinig achter bij de omstreeks
2
XVIII VERSLAG.
360 soorten van 1930. Augustus en September zijn heel
slecht geweest, maar de andere maanden vielen mee, al was
de avondtemperatuur meest aan den lagen kant. De Spanners
schijnen daar minder gevoelig voor te zijn dan de Noctuiden,
die 22 soorten bij 1930 ten achter bleven. De beste avond
in 1931 was de 24° Juli, met minstens 103 soorten en wel
400 exemplaren. Daarna was alleen October nog goed.
Op 5 Juli 1931, een avond met + 85 soorten, was Spr. zoo
gelukkig, eene nieuwe soort voor onze fauna te bemachtigen,
nl. Plusza ni HB. Het dier was sterk afgevlogen en den
volgenden dag reeds stervende; het kwam waarschijnlijk van
ver. De soort is tamelijk cosmopolitisch, bewoont van Europa
vooral het Zuiden en wordt soms in Zwitserland en Engeland
gevonden. MEYRICK noemt haar in ,,A revised handbook of
British Lepidoptera” (blz. 184): ,,an immigrant, but now
established in Cornwall”.
Verder ving Spr. nog eenige ex. van het meerendeel der
op de vorige Wintervergadering genoemde scorten, en boven-
dien één Phragmataecia castaneae HB. op 23 Juni. In het
midden van Mei maakte hij 4 ex. buit van Zucosmia certata
HB., van welke soort hij vroeger reeds een ex. ving in
Deventer op 10 Mei 1909 en in Twello op 31 Mei 1925.
Opvallend was de vangst van meer dan 30 gg van Euckloris
pustulata HUFN. tusschen 21 Juni en 4 Juli 1931, en om den
laten datum merkwaardig was het vliegen van Hygrochroa
syringaria L. op 5 en 6 Oct. terwijl Boarmia crepuscularta
HB., die in April had gevlogen en in Juli talrijk was geweest,
voor de derde maal verscheen op 11 October; op dezen datum
kwam ook Zanclognatha tarsipennalis TR. nog terug.
De heer de Koning deelt mede, dat men bij het nemen
van proeven met verschillende middelen ter bestrijding
van den Grooten Dennensnuitkever (Hyloôtus abietis L.) bij
Eberswalde door het Zoöl. Instituut van de boschbouw-
hoogeschool, tevens heeft getracht, eenige duistere punten
in het leven van dezen kever op te helderen, zijnde dit
noodig voor doelmatige toepassing der bestrijdingsmiddelen.
Doel was o.a. meer te weten te komen van zijne over-
winteringsplaats en zijn vliegvermogen.
VERSLAG. XIX
Het onderzoek is nog niet gepubliceerd; wel deelt Dr. v.
BUTOVITSCH er een en ander over mede in ,,Forstarchiv’’,
Pare mo No. 23%
1. Er werd tegen den winter in den grond en in den
humus van kaalgeslagen terreinen en van bosschen gezocht.
Op de kaalgeslagen terreiaen werden zoo goed als geene,
in het bosch talrijke kevers gevonden.
2. In het vroege voorjaar werden een kaalslagterrein en
een bosch door vanggreppels geisoleerd; er werden 2 grep-
pels evenwijdig aan elkaar gegraven. In de binnenste greppel
werd naar kevers gezocht; 2 °/, werden op het kaalslagterrein
en 98 °/, in het bosch gevonden.
De kever overwintert dus niet op zijne geboorteplaats,
maar in het omstaande bosch.
Wat zijn vliegvermogen betreft, zoo heeft men zich
afgevraagd:
a. hoever vliegt hij?
6. wanneer vliegt hy?
c. welke factoren beïnvloeden zijn vliegvermogen?
Men heeft getracht, kevers, die op een kaalgekapt terrein
te voorschijn kwamen, te merken met onafwaschbare kleuren.
Enkele ervan werden 350 en 575 m verder weer opgevangen.
Directe waarnemingen met het bloote oog en met een verre-
kijker wezen uit, dat zij zich tot 50 m hoog verheffen kunnen.
Zij vliegen snel, en men moet aannemen, dat zij, vooral met
den wind mee, eenige kilometers vliegend kunnen afleggen.
In Eberswalde merkte men op, dat de kever niet onmid-
dellijk na zijn verschijnen vliegt, maar eerst 10— 14 dagen
later, mits het weer warm en zonnig is. Het vliegen vindt
in hoofdzaak in Mei plaats. Oude, reeds tweemaal overwin-
terde kevers vliegen slechts bij uitzondering. Vanaf begin
Juni wordt minder gevlogen, eind Juni in ’t geheel niet meer.
De pas ter wereld gekomen, uit de stronken gekropen jonge
kevers waren het jaar hunner geboorte moeielijk en dan —
alleen bij zeer warm weer aan het vliegen te krijgen, en —
dan nog over zeer korte afstanden. Directe bestraling door
de zon verhoogde volgens Dr. v. BUTOVITCH den lust tot
vliegen. Bij bewolkten hemel verminderde deze, om bij
regen of hevigen wind geheel op te houden.
XX VERSLAG.
Pteleobius vittatus F., de iepenbastkever, waar men vroeger
weinig van bemerkte, blijkt thans, nu er vele doode iepen
zijn, vaker dan vroeger op te treden (o.a. in Zeeland).
Cryptorrhynchus lapathi L., de Elzensnuitkever, bleek in het
afgeloopen jaar in de grienden in Salland een zeer ernstige
vijand der wilgen te zijn. Hoewel tallooze twijgen met het
insect bezet zijn, is, men ser nosmniet jim geslaagd, zijne
vreterij aan den bast te vinden.
Op het landgoed ‚de Rips’ in de Peel, werden eiken
aangetroffen met boorgaatjes, veroorzaakt door Anzsandrus
dispar F. Volgens de literatuur boort deze eene korte,
radiale gang in het hout, die zich dan splitst in 2, naar
rechts en links met een jaarring meeloopende takken.
Vanuit deze laatste gaan dan gangen naar boven en beneden;
deze zijn ongelijk van lengte.
De Anisandrus uit de Peel heeft dit niet gedaan, trachtte
wel na het voltooien van de radiaal verloopende ingangspijp
naar links of rechts af te buigen, maar begon liefst onmid-
dellijk met de naar boven en beneden loopende gangen.
Bij splijting van het hout werden er in de gangen 10—15
wijfjes en vaak een mannetje, zelden 2, aangetroffen. Spr.
merkte op, dat de QQ zich ,,dood” hielden en dat de gg
zich, snel wegloopend, weer trachtten te verbergen.
In de dikkere takken kwam naast Anzsandrus dispar F.
nog Xyleborus saxesent RTZB. voor.
De heer de Meijere deelt mede, dat juist dezer dagen by
hem uit eene vliegenlarve, gevonden in een Cryptorrhynchus-
gang op Salix, eene voor onze fauna nieuwe Phaonza (gra-
cilis STEIN) is gekomen, en verzoekt, op zuike larven in den
vervolge te letten.
Eenige aanwezigen bevestigen, dat Cryptorrhynchus lapathi
zeer vaak op wilgen wordt aangetroffen.
De heer Starcke demonstreert:
I. eene nieuwe Camponotus-soort, nestelend in de holle
bladscheeden van den Rotanpalm Korthalsia. Zij behoort
tot een eveneens nieuw subgenus. Hoewel het hier vertoond
materiaal alles is, wat van die soort is bekend geworden,
heeft Spr. niet geaarzeld, enkele exemplaren op te offeren
VERSLAG. XXI
voor dissectie en stelt zich beschikbaar voor kritiek op deze
handelwijze. De microscopische preparaten gaan mede rond.
II. een drietal levende werksters van eene groote Cam-
ponotus-soort (Hym. Form.) uit Zuid-Amerika (Camp. abdo-
minalis F.), die Spr. van Graaf BENTINCK heeft ontvangen,
die ze in bananen aantrof. Dezelfde soort is reeds door
BETREM uit Rotterdam vertoond, eveneens uit bananen.
Vroeg of laat krijgt ze wel ergens in eene kas vasten voet. Zij
eet bij Spr. honing, maar geen banaan (vermoedelijk kweekt
zij bladluizen). Het temperatuur-optimum van de soort blijkt
bij ongeveer 75° F. te liggen, hoewel zij 97° F. gedurende
12 uur verdroeg. (Naast haar nest stierf Parabrechina longi-
cornis LATR. bij dezelfde temp., op I wijfje na, dat het nog
24 uur langer uithield). In het algemeen lijkt het Spr., dat
tropische miersoorten minder gesteld zijn op zeer hooge
temperatuur dan men wel zou meenen.
III. eene kolonie van Laszus alienus FOERSTER, die een
jong, bevrucht wijfje van Zaszus distinguendus EM. (= L.
sabularum BONDR. = L. umbratus auct. partim = L. mixtus
auct. partim.) heeft geadopteerd. Sedert SANTSCHI’s merk-
waardige waarnemingen bij Bothriomyrmex decapitans FOR.
weten wij, dat het opgenomen wijfje bij dergelijke gevallen
van sociaal-parasitisme in de buurt der koningin tracht te
komen en haar den hals afzaagt, afbijt of afdraait. Spr.
heeft dan ook bij vele gevallen van genoemde adoptie na
eenige dagen de alenus-koningin onthoofd buiten het nest
gevonden. In andere gevallen, b.v. bij Avergates-Tetramorium
geschiedt het dooden der hospita door de eigen werksters.
In het vertoonde kunstnest leven evenwel de beide koning-
innen eendrachtig te zamen, sedert 6 maanden. Zulke gevallen
zijn eene waarschuwing, om niet te veel te generaliseeren.
IV. De volgende en laatste demonstratie van Spreker
gaat uit van het punt, dat eigenlijk het eerste motief was
van Sprekers pogingen, zich entomologische kennis, speciaal
op het gebied der Formiciden, te verwerven. Bij den mensch
is de opvoeding der jeugd in het algemeen gericht op een
uitstellen, een zoo lang mogelijk uitstellen, van die factoren
in het erotische leven, die op de paring uitloopen. Het
gevolg is, dat in de puberteitsjaren en daarna, maar al te
XXII VERSLAG,
vaak diepgaande geestelijke stoornissen optreden. Bij eene
groote groep is de domesticatie der geslachtsdrift al te goed
gelukt, zoodat dit deel hunner gevoeligheid niet meer goed
naar het oorspronkelijk doel gewend kan worden en zij tot
onbevredigende en onbevredigde partners worden in het
liefdesspel. Bij eene andere groep is integendeel de temming
der erotiek nimmer in voldoende mate gelukt en zij moeten
ontijdig de cultureele opvoeding onderbreken voor neuroti-
sche of psychotische stoornissen, die in de ernstige ge-
vallen tot levenslange invaliditeit kunnen voeren.
Bij de sociale: Hymenopteren is, zooals men weet, deze
moeilijkheid op de eenvoudigste wijze ondervangen door het
kastenwezen. Van een vroeg stadium af wordt de jonge
vrouwelijke larve òf tot moeder, òf tot werkster opgefokt.
Hoe dit geschiedt, is alleen bij de bijen voldoende bekend.
Men weet, dat de plaatsing van het ei in de gewone cel
dan wel in de koninginnecel beslissend is voor de voeding,
en dat de voeding met het secreet der pharynxklier de
larve doet evolueeren tot volledige geslachtsontwikkeling.
Bij de mieren daarentegen is hieromtrent eigenlijk niets
met zekerheid bekend.
Zelfs is het probleem nog samengestelder geworden door
het aantoonen van goed ontwikkelde ovariën, en zelfs recep-
tacula seminis, bij sommige werksters, zoodat een eenvoudig
sexueel-infantilisme als verklaring niet voldoende schijnt.
Bij Leptothorax emersoni WHEEL. vond Miss HOLLIDAY zelfs
bij de werksters de ovariën regelmatig beter ontwikkeld
dan bij de koningin.
Om aan dit vraagstuk te werken, is Spr. begonnen aan
het begin, n.l. de anatomie der larve. Deze is beschreven
door PEREZ, KARAWAIEW, BERLESE, EMERY en WHEELER.
Spr. vond echter enkele zaken anders dan in deze beschrij-
vingen vermeld staat.
1. De kopganglién staan bij PEREZ afgebeeld als één
doorloopend geheel, zooals dat bij de imago het geval is.
Een blik op de eerste de beste larve leert, dat de supra-
en sub-oesophageale gangliën geheel van elkaar gescheiden
liggen (bij alle onderzochte subfamiliën), en dat de massa’s
daartusschen zichtbaar (behalve de N. connectens en het
VERSLAG. XXIII
gangl. parapharyngeum) slechts de spiervezels van den M.
dilatator phar. inf. en gedeeltelijk die van den M. add.
mandibulae zijn.
20 EREZ beeldtemnamrsanslienwatmSsparheeltsermt immer
slechts 11 gevonden. Terwijl elk ganglion slechts 1 N. lateralis
bezit, heeft het laatste, dat ook veel grooter is, er 3, zoo-
dat het niet te gewaagd is, dit samengesmolten te denken
uit Nr. XI, XII en XIII. Dit ganglion innerveert het rectum;
de nervi schijnen bun einde te vinden in de „imaginal
disks’ der laatste segmenten. Er is dus zoowel eene craniale
als eene caudale concentratie.
3. Tusschen de tubuli der labiaalklier en de bifurcatie
van de uitvoergang is aan weerszijden een ruime saccus
ingeschakeld, bestaande uit plaveiselepitheel en gelegen naast
de voormaag en de maag.
4. Op den schedel ligt aan weerszijden eene zintuigplaat,
met een constant aantal van 3 sensillen. EMERY heeft dit
voor eene rudimentaire antenne verklaard en dit is door
WHEELER overgenomen. Spr. bevindt de chitine lensvormig
verdikt en den bouw ook overigens geheel gelijkend op dien
eener ocel.!) Het wil Spr. toeschijnen, dat het neurobiotactisch
onverklaarbaar zou zijn, dat eene antenne, dus een topo-
chemisch zintuig, zich op den duur zóó ver van de mond-
deelen zou kunnen handhaven.
5. In de maag worden door de auteurs om de voedsel-
resten heen z.g.n. „peritrophische membranen” aangegeven.
Spr. bevindt, dat deze niet apart liggen, maar één door-
loopend geheel vormen met de maag, en wel met de buiten-
laag der voormaag, goed onderscheiden van de chitinelaag,
die de maag van binnen bekleedt. Als aparte ,,chitinemaag”’
hangt deze zak in de maag. Het ís niet gemakkelijk, te
constateeren of ergens eene opening is. Op sommige foto’s
lijkt het alsof er aan de ventrale zijde eene ronde opening
bestaat, maar het zou ook eene plooi kunnen zijn. Om de
1) NOOT BIJ DE PROEFVERBETERING. Hiermede wil niet positief ge-
steld zijn, dat dit orgaan eene ocel is; slechts dat nader onderzoek
wenschelijk geacht wordt. Zonder twijfel ontwikkelt zich de antenne
der imago uit cellen, die tot dit complex behooren,
XXIV VERSLAG.
mogelijkheid uit te sluiten, dat men hier te maken zou
hebben met schrompelingsproducten, door de harding enz.
ontstaan, heeft Spr. ook objecten in gummisiroop onder-
zocht. Ook bij de pasgeboren larve blijkt de chitinemaag
aanwezig. Door de vriendelijkheid van den heer VAN DER
MEER MOHR te Medan kon Spreker eieren van een der
kleinste miertjes Monomorium floricola JERD. onderzoeken.
Dit diertje is nog bijna tweemaal zoo klein als de toch ook al
kleine pharao-mier. Het gelukte, uit een ei het rijpe embryo
uit te prepareeren. Hierin is de chitinemaag reeds goed te
onderscheiden van de epitheelmaagwand.
Betreurend, niet over een projectie-apparaat te kunnen
beschikken, geeft Spr. microfoto’s van een en ander rond.
De voeding der larven wordt beschouwd, hoofdzake-
lijk te geschieden uit den krop der werksters. Daarnaast
wordt van verschillende soorten het zelf zuigen aan dierlijke
prooi of het knabbelèn aan zaden en andere haar gegeven
objecten genoemd. Om het eerste te toetsen, heeft Spr. bijna
al zijne kolonies, ongeveer 50, gedurende 2 maanden met
door indigo-karmijn blauw gekleurden honing gevoed. Slechts
in weinige gevallen trad bij eenige larven eene blauw door-
schemerende maag op. Dit waren bijna uitsluitend volwassen
larven. De oorzaak hiervan zou kunnen zijn a. de blauwe
kleurstof wordt wel gevoederd, maar is chemisch veranderd;
5. de er mee gevoederde larven sterven; c. er wordt slechts
weinig uit den krop gevoederd.
Onderzoekt men de monddeelen, dan gelijken die, behalve
wellicht bij de Dolichoderinae, allesbehalve op die van een
zuigend insect. Spr. vertoont de microfoto der larve van de
Ponerine mier: Dzacamma geometricum LE GUILL., var. cwr-
tula FOR., die Spr. door de welwillendheid van de heeren
VAN EECKE en BLOTE kon onderzoeken. Dit diertje heeft
een paar kromme sabelkaken, waarover eene Caradus-larve
zich niet zou behoeven te schamen. Ook andere vertoonde
larven hebben een gebit, dat geschikt is tot priemen, knip-
pen en zagen, dus de kaken van een roofdier, veel meer
dan de imago.
Onderzoekt men eindelijk den maaginhoud, dan valt daarin
bij sommige genera alleen vormlooze detritus op, bij andere
VERSLAG. XXV
genera is meer te zien. Spr. vertoont foto’s van de larve
eener kleine Solenopsis-soort van Curagao, door de heeren
VERMUNT en MC. GILLAVRY Jr. voor Spr. meegebracht. In
de maag zijn klauwen en een stuk insectenhuid met haren
te zien.
In de maag van twee © of larven van Leptothorax
acervorum F. uit Den Dolder vond Spr. ontstellende resten
van blijkbaar in groote brokken, met huid en haar ingeslikte
insectendeelen: geheele tarsen, een kop eener kleine mieren-
larve, voorts dennenstuifmeel en stukken zoogdierharen, wel-
licht van het konijn.
De conclusie van een en ander acht Spr., dat het zelf-
standig eten van dierlijke prooi, en niet alleen het opzuigen
van de sappen, bij mierenlarven van verschillende genera
meer voorkomt dan vermoed werd. |
Spr. antwoordt, op eene vraag van den heer VAN DER
KLAUW, niet op chitine te hebben gereageerd. Hij bedoelt
met chitine de structuurlooze, sterk lichtbrekende laag, voor-
komend op de plaatsen, waar chitine wordt aangetroffen.
Den VOORZITTER antwoordt Spr., dat het maag-epitheel
wel de matrix der chitine-lagen zal zijn. Den door den VOOR-
ZITTER gebruikten term „inwendige vervelling” acht Spr. uit-
nemend geschikt, om de waarschijnlijke genese te kenschet-
sen. Slechts moet dan worden aangenomen, dat deze reeds
in het ei begint.
De heer de Meijere merkt op, dat eene dergelijke, ge-
woonlijk peritrophische membraan genoemde binnenlaag in
de maag bij vele insectenorden wordt aangetroffen. Gewoon-
lijk is het eene buis, gevormd door cellen op de grens tus-
schen vóór- en middendarm, die bij vervellingen wel afge-
worpen zal worden.
De heer Schoevers doet wederom gaarne mededeelingen
over insecten, die in de afgeloopen twee jaar bij den Plan-
tenziektenkundigen dienst bijzondere aandacht hebben ge-
trokken. Daaronder zijn zoo vele interessante gevallen, dat
hij wel den geheelen dag daarover zou kunnen spreken. Hij
zal zich dus in het aantal der te bespreken dieren, zoowel
als in elk geval afzonderlijk, sterk beperken; verschillende
XXVI VERSLAG.
gevallen zijn trouwens reeds behandeld in het Verslag over
1930 van den Dienst; de andere zullen worden behandeld
in het Verslag over 1931. Dit wordt hieronder door de
toevoegsels „Versl. ‘30” of „Versl. ’31’’ telkens nader aan-
gegeven. Van vrijwel alle hieronder behandelde insecten laat
Spr. een en ander zien: de beschadigde planten, het insect
zelf of fotografische afbeeldingen.
Spr. begint met eenige keversoorten. Ophonus pubescens
MüLL. (= Harpalus ruficornis F.), een phytophage loopkever,
die speciaal bekend is als beschadiger van aardbeien, waar-
van hi de pitjes en het vleesch afvreet, veroorzaakte op
deze wijze vrij groote schade te Hoorn. Vele kevers werden
gevangen in gelijk met de oppervlakte van den grond inge-
graven jampotjes, waarin men een scheutje water met petro-
leum had gedaan; de plaag kwam daarna tot staan. (Versl. ’31).
Geene zekerheid werd verkregen omtrent een anderen, als
schadelijk aan granen bekenden loopkever, nl. Zaôrus gibbus
F. (= 4. tenebriotdes GOEZE), wiens larve de jonge blaadjes
van granen a. h. w. uitkauwt. Op eenige tarwevelden in
Utrecht bij Schalkwijk en Houten werden de blaadjes van
de wintertarwe zoodanig bevreten, dat de planten afstierven;
van vele blaadjes was niet veel meer dan de nerf overge-
bleven. Ofschoon de larven van dezen kever hier ernstig
van verdacht werden, gelukte het niet, ook maar één exem-
plaar te vinden. Daar het echter reeds laat in den tijd en
koud was, toen Spr, een plaatselijk onderzoek instelde, waren
de larven, als zij aanwezig waren, toen wellicht reeds in den
grond gekropen, waarin zij tot 40 cm diep zouden wegkruipen.
Spr. hoopt, in het voorjaar zekerheid van dit geval te krijgen;
hij wekt de coleopterologen op, eens op deze soort te letten.
(Niens):
De bekende spekkever, Dermestes lardarius L., werd dit
jaar werkelijk schadelijk aan spek, waarvan hij niet het vet,
doch het vleesch aanvrat; blijkbaar verkiest hij ,,doorregen”
spek! Het dier is gewoon aan vleeschwaren, huiden, leer,
maar eet ook heel gaarne kaas, waarvan in dit geval gebruik
gemaakt werd, door ín den schoorsteen, waarin het spek hing,
vele exemplaren met stukjes oude kaas als lokaas te vangen.
Minder bekend is het, dat de spekkever ook wel hondebrood
VERSLAG. XXVII
en macaroni eet; dit jaar kreeg de Dienst eene inzending
van havermout, waarin vele larven tot volkomen ontwikke-
ling waren gekomen. In de literatuur vindt men voorts mel-
ding gemaakt van aantasting van eene party wollen stoffen
in een schip, dat te voren huiden vervoerd had, en van
sigaren (van de bekende soort Henry Clay), waarvan welis-
waar niet gegeten werd, maar waarin de larven holten ter
verpopping uitknaagden. In Duitschland bleken spekkevers
de oorzaak te zijn van mysterieuse lekken in eene water-
leiding, door het vreten van gaten in de looden buizen
(Vers
Een zeer ernstig geval van keverschade kwam voor bij
eene partij eikenstammen ter waarde van ruim / 4000.—,
uit Rostock geïmporteerd. De stammen waren zeer sterk
aangetast door de larven van Mplecoetes dermestoides L.; zij
waren bedekt met kleine hoopjes boorsel, dat door de larven
met een voor dit doel dienenden, typischen stekel aan het
achterlijf uit de gangen wordt verwijderd. Het was voor
kooper en verkooper een zeer onaangenaam geval; dank zij
beider goede trouw werd tot overeenstemming gekomen op
eene basis van ongeveer !/, van den prijs, hetgeen natuurlijk
voor den leverancier een groote strop en voor den kooper,
wegens de buitengewoon sterke waardevermindering van het
hout, dat slechts tot stukken van veel geringer afmeting
dan oorspronkelijk bedoeld was, verwerkt kon worden, aller-
minst een voordeel was. Voor nadere bijzonderheden over het
insect zij verwezen naar ESCHERICH, Die Forstinsekten Mit-
Eeleunopas, del NES Mer)
De boktor Æylotrupes bajulus L., de huisbok, die in de
laatste jaren in Lübeck en in Denemarken vaak, vooral in
gebouwen met zinken daken en centrale verwarming, dus
droog en warm, epidemisch is opgetreden, richtte groote ver-
woestingen aan in een Noorsch huis te Gorssel, eene zeer on-
prettige, kostbare geschiedenis voor de bewoners !) (Versl. 31).
Het veel kleinere boktorretje Gractlia minuta L., dat in
1) Hier kan nog juist medegedeeld worden, dat hetzelfde dier op het
oogenblik bezig is, buitengewoon groote schade in Noord-Brabant aan
te richten in de palen van het electrisch lichtnet in die provincie, eene
schade, die tonnen gouds dreigt te beloopen.
XXVIII VERSLAG.
huizen niet zelden tot groote vermeerdering komt in oude
manden, vernielde te Haarlem niet minder dan ruim 12000
manden, die aan eene veiling van bloembollen voor transport
werden gebruikt; de manden vielen vermolmd uiteen. Ver-
branden was het eenige, wat er opzat (Versl. ’31).
Te Amsterdam werd de Keuringsdienst voor het moeilijke
vraagstuk gesteld, of eene partij linzen, die voor + 4%
waren bewoond door linzenkevers, Bruchus lentis FROL. en
Br. pallidicornis BOH., al of niet voor de consumptie ondeug-
delijk verklaard moest worden. De erwten, uit Midden-Europa
afkomstig, waren klaarblijkelijk geëest; alle kevers waren
dood. In overleg met den Dienst werd tot afkeuring besloten;
neemt men aan, dat voor een bord linzensoep, ter bereiding
waarvan, ten behoeve van de Joodsche bevolking, de linzen
hoofdzakelijk gebruikt worden, 200 à 300 linzen noodig zijn,
dan zou men dus in elk bord soep 8 à 12 kevers vinden!
(Versl. ’31).
Zeer groote schade richt in de laatste jaren de kever
Brachyderes incanus L. aan in jonge dennen-aanplantingen
te Malden en Mook. De dennen worden zoodanig bevreten,
dat zij er niet groen, maar bruin uitzien en de groei aanmerke-
lijk lijdt. Eene bestuiving in een proefvlak met behulp van een
motorverstuiver met een vergiftig, nl. calciumarsenaathoudend
poeder (in dit geval werd ,,Hercynia” gebruikt), had geen resul-
taat, waarschijnlijk omdat de bestuiving te laat in den tijd plaats
vond, toen de vraatzucht der kevers belangrijk verminderd
was. Behalve dennennaalden, die van den rand af bevreten
worden, werden ook de naalden van Larix leptolepis en spar
en de bladeren van berk, eik, Amerik. eik en beuk nabij
de dennen sterk bevreten. Daarmede nog niet tevreden, be-
gaven de kevers zich naar eene aangrenzende fruitaanplanting,
bestaande uit appel, peer, kers en pruim. De beide eerste
werden vrijwel ongemoeid gelaten; van de laatste werden
de bladeren bevreten, doch het ergst hadden de kersen te
lijden, daar de kevers van de in den zomer gegroeide scheu-
ten op vele plaatsen den bast in ringen tot op het hout
wegknaagden. Merkwaardig, dat dit alleen bij de kersen ge-
schiedde, en niet bij eene der andere boomsocrten. De kevers
waren eenige honderden meters ver in den aanplant door-
VERSLAG. XXIX
gedrongen, welken afstand zij dus te voet hadden afgelegd.
(Versi) 20ven +31):
Eene aantasting van orchideeën van de soort Dendrobium
door den kever Xylosandrus morigerus BLDF. werd in de
vorige wintervergadering reeds door den heer UYTTENBOO-
GAART behandeld, weshalve Spr. volstaat met eenig materiaal
van de beschadigde planten te laten zien. Opmerkenswaard
is, dat een der stengels, na bijna 1!/, jaar droog bewaard
te zijn, nog groen en levend is! (Versl. 730).
Evenmin wijdt Spr. uit over de iepenspintkevers (Scolytus
scolytus F. en Sc. multistriatus MüLL.), daar deze en de rol,
die zij spelen bij het overbrengen van de sporen van de
zwam Graphium ulmi Schw., de oorzaak van de iepenziekte,
reeds uitvoerig zijn beschreven door de heeren Prof. ROEPKE en
J. J. FRANSEN in de Mededeelingen van het Iepenziekte-Comité
en in het Tijdschr. over Plantenziekten (Versl. 30 en ’31).
Hetzelfde is het geval met het z.g. middel van zekeren
Ir. BOUMA, Mabu genaamd, welks waardeloosheid door den
Plantenziektenkundigen Dienst nimmer betwijfeld is. Thans
staat wel vast, dat deze zienswijze juist was.
Na nog gewezen te hebben op de uitbreiding, die de
Colorado-kever (Lepiinotarsa decemlineata SAY) in Frankrijk
heeft gekregen en het voorloopig nog vrij problematische
gevaar van vestiging in ons land (zie N. v. POETEREN, Bestaat
er voor ons land een Colorado-kever-gevaar, in Tijdschr. over
Plantenziekten. 1931, blz. 274 en 278), benevens over de door
verschillende landen getroffen, sterk den handel belemmerende
bepalingen tot wering van den kever, gaat Spr. over tot
enkele vlindersoorten.
In 1930 werd eene rups van den bekenden wortelspinner
Hepialus lupulinus L. ingeboord gevonden in een hyacinthe-
bol. Spr. hoopt, dat dit insect er geene gewoonte van zal
maken, dit te doen, daar dit, nog afgezien van de schade,
wederom aanieiding kon geven tot moeilijkheden bij onzen
bollenexport. Het is gelukkig nog bij dit ééne geval ge-
bleven (Verslag ’30).
De polyphage rups van Spzlosoma lubricipeda L., den Tijger-
vlinder van SEPP, was vrij schadelijk aan druivenblade-
ren in kassen te Naaldwijk, Zwijndrecht en bij Hoorn.
XXX VERSLAG.
Te Zwijndrecht had men nu reeds het 3% achtereenvol-
gende jaar last van dit insect. Het dier is volgens STELL-
WAAG (die Weinbauinsekten der Kulturländer) reeds enkele
malen eerder aan wijnstok waargenomen. Naast het in de
genoemde gevallen toegepaste, radicale wegvangen, is het
insect ongetwijfeld door bestuiving of bespuiting met een
maaggif afdoend te bestrijden (Versl. ’31).
De plaag van den bastaardsatijnvlinder Euproctis chrysor-
rhoea L., reeds meermalen in deze vergaderingen door Spr.
behandeld, kwam in 1031 vrijwel tot staan; het optreden
van de bekende slapzucht of polyederziekte, die al zoo vaak
een einde maakte aan insectenplagen, was daar niet vreemd
aan. De Plantenz. Dienst heeft op grond van de ervaringen,
in ons land en elders met deze en andere plagen opgedaan,
steeds volgehouden, dat er geene reden tot bijzondere
ongerustheid bestond, en dat het dus niet noodig was, de bui-
tengewoon groote bedragen, die eene werkelijk afdoende be-
strijding zou gekost hebben, daaraan te besteden, te minder,
omdat ieder grondgebruiker het in zijne macht had, zijne
boomen en struiken voor schade te vrijwaren door het uit-
knippen der nesten (Versl. ’30 en ’31).
Ook de periodiek telkens weer optredende ringelrupsplaag
(Malacosoma neustria L.) in de iepen te Amsterdam was
dit jaar veel minder erg, ook weer in overeenstemming met
de verwachtingen. Dit was maar goed ook, daar er een vrij
onverkwikkelijk geschrijf in de dagbladen door was ontstaan,
vooral van de zijde van menschen, die niet, als Spr. en zijne
medewerkers bij den dienst, met beide voeten op den grond
waren blijven staan en die vaak het onmogelijke wilden,
zonder rekening te houden met het bereikbare. Wat wel
bereikbaar was, nl. het uitspuiten der rupsen uit de boomen
met krachtige waterstralen, geschiedde dit jaar op voldoend
groote schaal, dank zij samenwerking van verschillende
Gemeentediensten (Publieke werken, Plantsoenen, Brandweer).
Spr. vleit zich, tot het tot stand komen van deze samen-
werking een steentje te hebben bijgedragen (Versl. ’31.)
In den loop der jaren is het Spr. meer en meer duidelijk
geworden, van hoe groot oeconomisch belang de schade is,
door verschillende insecten toegebracht aan opgeslagen
\
VERSLAG. XXXI
waren, waren in transport, huishoudelijke voorwerpen enz.
Veelal zijn van zulke beschadigingen allerlei handelsmoei-
lijkheden en zelfs processen het gevolg. Spr. noemt enkele
voorbeelden, hem in 1931 onder de oogen gekomen, zooals
de aantasting van aardnoten, uit Afrika afkomstig, door
rupsen van de ,,Dorrobstmotte”’ der Duitschers, Plodia znter-
punctella HBN. (det. BENTINCK). Bij overlading uit het zee-
schip in lichters was niets bemerkt, doch toen een schip
enkele weken later op weg was van Zwijndrecht naar Kleef,
begonnen de rupsen bij duizenden de nootjes te verlaten.
Dek, roef, slaapplaatsen, alles zat er vol mede. Te Kleef
werd het schip daarom geweigerd; het moest met zijne
levende lading weer terug naar Zwijndrecht. Gevolgen
natuurlijk groote schade en last (Versl. 731).
In eene partij menschenhaar bleken ook rupsen voor te
komen, die na verpopping bleken te behooren tot de gewone
kleedermot T7zneola biselliella HUMMEL en tot Borkhausenza
(Hofmannophila) pseudospretella STT. (det. BENTINCK). Deze
laatste groote mot komt in de laatste jaren meer en meer
in allerlei waren voor; de rups is zeer weinig kieskeurig
(Versl. ’31).
Met eene beschadiging, die Spr. nog maar alleen uit de
literatuur bekend was, maakte hij in 1930 kennis door toe-
zending van een aantal wijnfleschkurken uit Nijmegen, die
door motrupsjes waren aangetast. Het bleek na opkweeking de
soort Zznea cloacella Hw. te zijn (det. BENTINCK). Tijdig
capsuleeren der flesschen voorkomt de aantasting (Versl. ’31).
Onder de Diptera trok wederom de bietenvlieg, Pegomyza
hyoscyami PANZ., ook reeds herhaaldelijk door Spr. ter sprake
gebracht, de aandacht. De schade, door de in de bladeren
mineerende larven teweeg gebracht, was plaatselijk soms
nog al groot, maar viel over het geheel toch mede. De heer
HILLE RIS LAMBERS hield, in opdracht van het Instituut voor
Suikerbietenteelt, in 1931 gedurende verscheidene maanden
verblijf in Groningen, om de bietenvlieg en hare oecologie te
velde te bestudeeren. In eene eerlang te verschijnen publicatie
van zijne hand zullen verschillende interessante waarnemingen
bekend gemaakt worden (als het tot 20 cm. diep in den
grond kruipen van eene sluipwesp (Ophton sp.), om de poppen
XXXII VERSLAG,
op te zoeken, het vreten der eieren door de springstaart Smin-
thurus viridis L., id. der poppen door de mijt Zyrodhagus putre-
scentiae SCHR. 1781, groote sterfte onder de imagines tijdens
de regenrijke Augustusmaand door de zwam Empusa mus-
cae enzo):
Een paar maal, uit Gennep en Reuver, werden asperge-
stengels ingezonden met maden van de aspergevlieg, Platy-
parea poeciloptera L., die in ons land niet heel veel schijnt
voor te komen; Spr. heeft er althans nooit of hoogst zelden
klachten over gehoord. In het buitenland schijnt de schade
vrij groot te kunnen zijn, zoodat wij op dit dier moeten
blijven letten.
In een partijtje Chamaecyparis-zaad van de Veluwe bleken
ook zaden om te komen, die uitgevreten waren door oranje-
roode maden van een galmug, die zich in witte spinseltjes
verpopten. In de literatuur zijn een paar galmuggen uit
coniferenzaden bekend, nl. Plemeliella abietina LEITNER
uit Picea- en Reselzella piceae LEITNER uit Abies-zaad. Daar
de popjes vele imagines hebben opgeleverd, kon Spr. aan
Prof. DE MEIJERE een aantal daarvan ter determinatie ter
hand stellen (Versl. ’31).
Eene weinig bekende beschadiging aan iepebiaderen is
door Spr. waargenomen en toegelicht met gewone en micro-
foto’s in Verslag ’30, bl. 46. De bladeren vertoonden kleine,
ronde, doode plekjes; aan den onderkant was eene zeer kleine
uitstulping te zien op de daar aanvankelijk lichtgroene plek;
deze uitstulping bestond uit uitgroeïingen der cellen rondom
een gaatje in de opperhuid der onderzijde, welke uitgroeiingen
naar elkaar toe stonden en te zamen iets vormden als de
monding van een vischfuik. Rondom het gaatje was het
bladmoes tusschen de opperhuid van boven- en onderzijde
weggevreten; er was dus een klein mijntje gevormd. Eerst
vond Spr. daarin slechts larven van een hymenopteron, en in
overeenstemming daarmede verschenen vele exemplaren van
een zeer klein sluipwespje. Hij meende eerst met eene be-
schadiging door een van den rechten weg afgedwaald sluip-
wespje te doen te hebben, doch verder onderzoek bracht
aan het licht, dat de daders witte galmuglarven waren,
waarvan er zeer vele door de larve van het sluipwespje, een
VERSLAG. XXXIII
ectoparasiet, waren aangetast. Het is Spr. niet gelukt, ook
maar ééne enkele imago van de galmug te kweeken, zoodat
de soort nog niet kon worden vastgesteld. In de literatuur
wordt wel (in Ross., Die Pflanzengallen Europas) deze ,,gal”
genoemd, doch als oorzaak wordt slechts de naam ,,Gall-
mücke” gegeven. Spr. hoopt, in dit jaar wat meer aandacht
aan dit, weliswaar niet economisch belangrijke, maar ento-
mologisch zeker interessante geval te kunnen besteden.
In de wintervergadering van 1930 liet Spr. wilgetakjes
uit Noord-Holland zien met eene eigenaardige beschadiging,
blijkbaar door een of ander insect bij het eierleggen ge-
maakt. Het waren halfcirkelvormige, doode plekjes in den
bast, als gevole van eene met eene legboor of -zaag gemaakte
insnijding, waardoor een beursje of zakje was ontstaan, om
er het ei in te deponeeren (Versl. Wintervergadering 1930).
Niemand der aanwezigen kende deze beschadiging; toevallig
kwam Spr. verleden jaar eene afbeelding er van tegen, waar-
uit bleek, dat het plaatsen waren, waarin de bladwesp
Nematus miliaris Pz. eieren had gelegd (zie Tijdschr. over
Blantenziekten, 1931, blz. or).
Eene flinke proef werd in 1931 genomen met het bestui-
ven van een door Lophyrus pint L. aangetast bosch op de
Zijselt bij Ede (Versl. ’29) met behulp van een motorverstuiver
met Hercynia-poeder; deze eerste boschbestuiving in Neder-
land geschiedde in samenwerking van den Dienst der Utrecht-
sche Asphaltfabriek en de firma A. G. BoRCHERS te Wetzlar.
Het resultaat, alhoewel voldoende, bleef eenigszins beneden
de verwachtingen; bij meer ervaring zal het nog gunstiger
kunnen worden; een contact-stuifmiddel, Forestit, van de
firma MERCK te Darmstadt, bleef geheel zonder uitwerking.
Voor nadere bijzonderheden zij verwezen naar Tijdschr. over
Plantenziekten, 1931, blz. 200.
De voortkweeking van het bloedluissluipwespje, Aphelznus
mali SAY, werd op de nieuwe terreinen, op grooter schaal
dan voorheen, met succes voortgezet. Op verschillende plaat-
sen, waarheen het is overgebracht, doet het diertje uitstekend
werk. Spr. overtuigde zich daarvan persoonlijk te Lunteren,
waar de bloedluisplaag tot het verledene behoort. Thans
worden niet meer takjes, doch een aantal geheele struikjes,
3
XXXIV VERSLAG.
met geparasiteerde bloedluizen bezet, overgebracht en dicht
bij elkaar uitgeplant, opdat de uitvliegende wespjes elkaar
gemakkelyk kunnen vinden.
Opvallend was in 1930 de schade door springstaarten,
vrijwel steeds de soort Onychiurus armatus TULLG. (det. Mej.
BUITENDIJK), vooral aan granen, maar ook aan bieten en
vlas; kiemplantjes kwamen niet boven, in de bladscheede
waren kleine gaatjes gebeten. Tellingen van het aantal spring-
staarten bij „zieke” en gezonde’ plekken wezen uit, dat
een veel grooter aantal op zieke plekken aanwezig was. Ook
experimenteel kon worden aangetoond, dat de springstaarten
de schuldigen waren (Versl. ’30).
Ook Thripsen, in den regel Thrzps angusticeps UZ. (det.
Vv. EECKE), waren in 1930 op vele plaatsen, steeds na vlas
als voorvrucht, buitengewoon schadelijk aan allerlei gewassen,
als haver, erwten, boonen, aardbeien, kool, tulpen, sla,
schorseneer (Versl. ’31).
De phaenologie zal ons t. z. t. moeten kunnen leeren, welke
omstandigheden dit ,,massenhafte” optreden hebben in de
hand gewerkt.
Spr. moet zich bekorten; van schadelijke Rhynchota noemt
hij daarom alleen de appelwants Pleszocorzs rugicollis FALL,
die men thans door bespuitingen met eene speciale carboli-
neumsoort in den winter, en met nicotine nà het uitloopen,
afdoend bestrijden kan, en de beruchte San-José schildluis,
Aspidiotus perniciosus COMST., die aanwezig was op uit Ame-
rika geïmporteerde appelen (Versl. ’30).
In de lente vond bij eene wants in vrij groot aantal, zich
voedende met de beukenbladluis Phyllaphis fagi; het bleek
(det. BLÔTE) de soort Authocoris confusus REUT. te zijn, wier
voedsel tot dusver nog niet bekend was.
Spr. is thans aan de Acarina toe, waarvan hij laat zien
de misvorming aan beukebladeren, die zich niet behoorlijk
: ontplooien, doch a.h. w. opgevouwen blijven zitten, teweeg-
gebracht door Erdophyes stenaspis NAL. var. plicator NAL. ;
een beuk te Oosterbeek zag er, daar zeer vele scheuten
waren aangetast, zonderling door uit (Versl. ’31).
Eene voor Spr. nieuwe aantasting was die van rood zwenk-
gras, dat bij Arnhem voor zaad werd geteeld, door Pedicu-
VERSLAG. XXXV
vopsis graminum REUT., de uit de literatuur bekende oorzaak
der ,,WeiszAhrigkeit” van granen en grassen in Skandinavié,
Duitschland, Rusland en Amerika. De aren werden witgeel;
onderaan in de scheede was eene bruine, uitgezogen plek,
waar de aar afbrak. Wel go °/, was aangetast; vooral langs
een boschrand was de beschadiging sterk (Versl. ‘31).
Ten slotte noemt Spr. nog eene mijt, die tomaten-kiem-
plantjes deed mislukken; de jonge blaadjes werden min of
meer uitgesabbeld. Volgens determinatie door Dr. A. C. OUDE-
MANS was het de soort Zyrophagus infestans BERL., die wij
niet eerder als vijand van cultuurplantjes waren tegenge-
komen.
De heer Polak zegt, dat hij het geheel oneens is met de
wijze, waarop de Dienst der Beplantingen van de Gemeente
Amsterdam in het afgeloopen jaar de ringelrupsen heeft
bestreden. Spr. zou het betreuren, als de ringelrups hier
geheel zou worden uitgeroeid, en zou het ook jammer vinden,
als men nu iets ging ondernemen tegen de te Amsterdam
voorkomende Porthesta similis FUESSL. en Orgyia antigua L.
Mochten deze beide soorten hier schadelijk worden, dan is
het gemakkelijk genoeg, ze verder in toom te houden, even-
als dit nu kan met Malacosoma neustria L. Het zou kunnen
gebeuren, dat in den strijd om het bestaan, onze Amster-
damsche iepen zouden bezwijken, vooral nu zij ook te lijden
hebben van de iepenziekte en van den iepenspintkever.
De in groote hoeveelheid bijeen geplante cultuurgewassen
moet de mensch tegen schadelijke invloeden beschermen;
de vrije natuur houdt zichzelf in evenwicht.
Spr. laat aan de beoordeeling van Ornithologen over, in
hoe verre de z.i. zeer ondoelmatige bespuiting met brand-
spuiten schadelijk is voor den vogelstand, maar dat er tal
van onschadelijke rupsen, waarvan de meeste minder tegen
het spuiten bestand zullen zijn dan de ringelrupsen, er het
slachtoffer van worden, betreurt hy, en velen met hem. Wij
verheugen ons er over, dat Amsterdam nog eene vrij rijke,
merkwaardige insectenfauna bezit. Als voorbeelden noemt Spr.
Vanessa polychloros L., Dilina tiliae L., Acronicta-soorten,
Calymnia affinis L. en trapezina L., Abraxas sylvata SC.
Phygalia pedaria F., Biston hirtaria CL. en strataria HUFN.,
XXXVI VERSLAG.
Amphidasis betularia L., Ennomos autumnaria WERNB., Himera
pennaria L., enz. In de Plantage alleen zag Spr. dezen zomer
vijftien mannen drie volle dagen achtereen met het spuiten
bezig. Spr. noemt dit arbeid- en geldverspilling.
Spr. zegt verder, dat de Chalcididen veel doeltreffender
en veel goedkoopere bondgenooten zijn. Wij kennen tal van
voorbeelden van schitterende resultaten, door biologische
bestrijding van insectenschade verkregen. En hier behoeven
geene vreemde parasieten te worden ingevoerd. De Chalci-
diden, die leven in onze Amsterdamsche ringelrupseieren, zijn
bestand tegen het verkeer, de wegbedekking, de nachtver-
lichting en het stof van de groote stad.
De heer Schoevers antwoordt, dat ook hij veel voor
biologische bestrijding gevoelt, doch dat het gebleken is,
uiterst moeilijk te zijn, het parasitisme van inheemsche
parasieten op inheemsche insecten te bevorderen. Dit gaat
gemakkelijker, als het schadelijke insect uit eene andere
streek afkomstig ís, doch overgebracht is, zonder dat de
parasieten zijn medegekomen. Brengt men deze dan over,
dan wordt dikwijls het eerst geïmporteerde schadelijke insect
weer sterk teruggedrongen, zooals aan Spr. zelf met bloedluis
en Aphelinus mali SAY plaatselijk zeer goed gelukt is.
Bij de inheemsche insecten en hunne parasieten is al sinds
jaren eene zekere evenwichtsverhouding aanwezig, waarin
periodiek ten gunste van een der beide, wellicht door klima-
tologische invloeden, verandering komt. Of er dus in voor de
parasieten ongunstige omstandigheden eenige duizenden of
zelfs honderdduizenden meer kunstmatig worden aange-
kweekt, helpt hen niet, terwijl er bij gunstige omstandig-
heden van zelf zoo vele komen, dat dit aantal ook geen
invloed zal uitoefenen.
De heer Polak meent, dat in zake het bevorderen van het
parasitisme op inheemsche insecten in groote steden nog
andere factoren mede- of tegenwerken dan op open terreinen.
Immers, sommige soorten, die overal elders dikwijls parasieten
herbergen, zijn te Amsterdam daarvan vrij. Daarvan gaf Spr.
in de Ent. Berichten, deel VIII, pag. 266, eenige voor-
beelden, zoodat het overbrengen van parasieten in groote
steden meermalen overeenkomt met het bestrijden van een
VERSLAG. XXXVI
schadelijk insect, afkomstig uit eene andere streek, waarvan
de parasieten niet zijn medegekomen.
De heer Speijer zegt, dat het van belang is, bij de keuring
van consumptie-artikelen, die voornamelijk voor de Joodsche
bevolking bestemd zijn, in het oog te houden, dat alle
Arthropoda ritueel ongeoorloofd zijn, nog afgezien daarvan,
dat de aanwezigheid van insecten hoogst onaesthetisch is in
voedingsmiddelen, wat voor alle bevolkingsgroepen geldt.
Het percentage Bruchus in de linzen mag dus maar zéér
klein zijn, liefst nul.
De heer Polak heeft, op de jongste zomervergadering, als
zijn vermoeden uitgesproken, dat Pyrameis atalanta L. in
Nederland niet overwintert. Dit vermoeden grenst aan vol-
komen zekerheid; behalve op de reeds vermelde gronden,
ook hierop, dat men in het late najaar nog zeer jonge
rupsen kan aantreffen, die in de vrije natuur zeker te gronde
gaan. Spr. bewaart eene imago van deze soort, die op 25
December 1905 uit de pop is gekomen. De pop, uit eene
late najaarsrups, werd in een onverwarmd, vorstvrij vertrek
bewaard.
Behalve ,,standvlinders” en ,,trekkers” zijn er, naar Spr.
meent, ook „zwervers” ; althans één, het citroentje, Gonepteryx
rhamni L. Hij grondt zijn meening vooral hierop, dat er
te Amsterdam zoo vele citroenvlinders vliegen, en Rhamnus
een struik is, die in deze stad niet voorkomt. Ongeveer .
dertig jaren geleden stond in „Frankendaal’ te Watergraafs-
meer een Rhamnus, Spr. meent eene gekweekte soort. De
heer BOON vond er indertijd de rupsen op. Maar dit zal wel
het eenige geval zijn, dat die in of dicht bij Amsterdam zijn
aangetroffen. De Rhamnusin het ,,Naardermeertje” van ,,Artis”
wordt te veel door de vogels verontreinigd, dan dat de
vlinders er eieren op zouden afzetten. En vóór dit „Naarder-
meertje” was aangelegd, was de citroenvlinder even gewoon
te Amsterdam als er na.
Nu zegt RÔBER in „SEITZ’” van de rups: „lebt an ver-
schiedenen Rhamnus-(Faulbaum)-Arten, aber zweifellos noch
an anderen Pflanzen (z.B. wahrscheinlich an Heidelbeere),
weil der Schmetterling auch an Stellen, wo Faulbaum gar
XXXVIII VERSLAG.
nicht vorhanden ist, doch haüfig vorkommt’. Maar Spr.
deelt zijn geloof niet; „Heidelbeere” groeit ook niet te
Amsterdam, maar bovendien, als van zoo’n uiterst gewone
soort de rups ook op andere planten zou leven, zou zij er
zeker op aangetroffen zijn, en de literatuur had het niet
onvermeld gelaten.
Het citroentje schijnt ook ,,om gezondheidsredenen” veel
beweging in de vrije lucht noodig te hebben. Het is Spr.
nog nimmer gelukt, deze soort langer dan zeer enkele weken
in het Artis-insectarium in het leven te houden. Andere
soorten als Vanessa antiopa L., polychloros L. etc. kunnen
in gevangenschap overwinteren.
Om nu eens na te kunnen gaan, hoe ver de zwerftochten
van het citroentje zich uitstrekken, heeft Spr. een artikeltje
voor „De Levende Natuur” geschreven, waarin hij verzoekt,
een aantal vlinders te vangen en, na deze met eene be-
paalde kleur voor iedere streek gemerkt te hebben, weer
los te laten.
De resultaten hiervan hoopt Spr. op eene van onze vol-
gende vergaderingen te kunnen mededeelen.
De heer Geijskes heeft nog eene kleine bijdrage tot de
kennis van de entomo-fauna onzer Noordzee-eilanden, nl. om-
trent enkele Odonata van Terschelling. Spr. ontving van den
heer JACOBI te Leiden een twaalftal libellen, in Juni 1931 op
West-Terschelling aan de Doodemanskiste verzameld, welke
tot 4 soorten bleken te behooren. Het zijn: Calopteryx splen-
dens HARR., /schnura elegans VANDERL., Agrion pulchellum
VANDERL. en Zebellula quadrimaculata L. Eerstgenoemde
soort is nog niet van de Waddeneilanden vermeld en is
eene onverwachte vondst. Op de plaats van herkomst schijnt
eenig zwak stroomend water aanwezig te zijn, waarin de
larven zich stellig ontwikkelen, aangezien zij stroomend-
water-dieren zijn, die zich slechts bij hooge uitzondering in
stilstaand water ophouden. Typisch is aan het eenige { exem-
plaar, dat werd verzameld, de geringe ontwikkeling van de
donkere vleugelvlekken, die bijna rond zijn en in de achter-
vleugels den voor- en achterrand nauwelijks raken. Exem-
plaren uit het Noorden van ons land vertoonen over het
VERSLAG. XXXIX
algemeen veel kleinere vlekken dan uit het Zuiden, waar ze
ongeveer vanaf den nodus als eene breede, donkere band over
de volle vleugelbreedte de apicale helft innemen, met uit-
zondering van den top. Spr. laat het besproken materiaal
circuleeren, met bijvoeging van een & C. splendens uit
Brabant ter vergelijking.
Verder kan Spr. nog eene mededeeling doen omtrent
Trichoptera-larven van de belangwekkende soort Neureclipsis
bimaculata L., behoorende tot de fam. der Polycentropidae,
waarvan Spr. in Aug. van het vorige jaar een aantal aantrof
in eene beek nabij Berlicum in Nd.-Brabant. Het merk-
waardige van deze vrij zeldzame diertjes is, dat zij geen
kokertje of huisje bouwen, maar een kunstig fuikje van fijn
spinsel maken, waarin zij het voedsel opvangen. Deze fuikjes
zijn smal trechtervormig en halverwege de lengte lusvormig naar
voren teruggeslagen, waarbij het smal toeloopende gedeelte
vooraan aan de onderzijde van de wijde beginopening is
vastgehecht. De larven leven steeds in stroomend water en
de opening der fuikjes is stroomopwaarts gericht, zoodat het
geheele, uiterst teere netwerk door den druk van het water
wordt gespannen en opengehouden. Deze kunstige vang-
apparaten zijn vastgehecht aan waterplanten, en wel met den
trechterrand, zoodat het omgebogen gedeelte vrij hangt en
door den stroom zacht heen en weer wordt bewogen. Op
het omgebogen gedeelte zit binnenin de larve, loerend op den
buit, welke door den trechter wordt opgevangen. Het voedsel
moet dus meerendeels uit plankton bestaan. Ter plaatse was
het water met kleine ijzerpartikeltjes vertroebeld, waardoor
de fuikjes zich als bruine lussen in het water voordeden.
Zij kunnen nog eene aanzienlijke grootte bereiken met eene
lenste van 20 cm en eene max. breedte van 4 tot 5 cm.
Pogingen, om eenige voorwerpen in hun geheel mee te
nemen, faalden geheel, aangezien zij buitengewoon teer waren,
zelfs zóó, dat zij reeds uiteen vielen, wanneer de stroom
werd opgeheven! Een aantal larven konden levend worden
meegenomen en getracht werd, ze ook in gevangenschap in
stroomend leidingwater hun vangapparaat te laten constru-
eeren, doch dit mislukte. Wel werd eenig spinsel gemaakt,
waarin zij als rupsen heen en weer kropen, doch dit was
XL VERSLAG.
meer ter bescherming van het lichaam, dan dat hetin aan-
merking kwam voor vangapparaat. Na een ro-tal dagen
gingen zij te gronde.
Spr. was zoo gelukkig geweest, op de vindplaats een
gunstig gelegen fuikje te fotographeeren, waarvan een ver-
groote afdruk wordt rondgegeven, tezamen met eenige larven
ep alcohol.
De heer de Fluiter doet eenige mededeelingen
betreffende het optreden van de Dennembliad
wesp, Pferonus !) pint (L.) in Nederland, en zijne
parasieten.
In October 1929 ontving het Laboratorium voor Entomo-
logie te Wageningen bericht, dat te Ede in „de Zijselt” de
Dennenbladwesp, Pteronus pini (L.) massaal voorkwam en
ernstige schade berokkende aan een groot complex van grove
dennen (Pinus silvestris).
Het grootste gedeelte van het bosch, waarin de bladwes-
penplaag optrad, was 40—43 jaar oud, een klein gedeelte
was 28 jaar, een ander gedeelte + 150 jaar.
Vóór 1928 was den heer STAF, boschwachter te Ede, in
„de Zijselt”’ geen ernstig optreden van Pferonus pini bekend.
In den herfst van 1928 werd in „de Zijselt” voor het eerst
de vreterij opgemerkt; zij was echter van geene groote be-
teekenis. Hetzelfde kan gezegd worden van de vreterij, die
in het voorjaar van 1929 waargenomen werd. Wel had toen
reeds de vreterij een grooteren omvang aangenomen, doch
van een ontnaalden der boomen, zooals dat in den herfst
van 1929 plaats zou vinden, was nog geene sprake.
Daarentegen was bij de „2de generatie”, welke optrad in
den nazomer van 1929, het aantal bladwesplarven ontzaglijk
1) De in 1802 door LATREILLE gebezigde genusnaam Lophyrus bleek
later gepraeoccupeerd te zijn, aangezien reeds POLI in 1791 dezen naam
voor een Molluskengenus had ingevoerd.
Volgens de nomenclatuurregels is dus de naam ZopAyrus in ons ver-
band niet meer geldig; zij dient vervangen te worden door ?/eronus
IRN. (1801), daar deze naam de prioriteit bleek te hebben, ook van Diprzon
SCHRANK (1802). Zie MORICE and DURRANT, on the publication of ,,Juri-
nean” Genera of Hymenoptera, Trans. Ent. Soc. London, 1914, blz.
339—-436.
VE RSLAG. XLI
groot en binnen zeer korten tijd werd eene oppervlakte van
ongeveer 35 H.A. geheel kaal gevreten.
In 1930 werd noch in de omgeving van het gedeelte, dat
in 1929 werd verwoest, noch in de geheele „Zijselt”’ ook
maar eenig spoor van Pferonus-vreterij waargenomen, ondanks
het feit, dat er hier zeer nauwkeurig op gelet en naar ge-
zocht werd. Ook in den nazomer van 1930 werd niets ont-
dekt. In het voorjaar van 1931 daarentegen werd weer vreterij
waargenomen, echter zeer weinig. In den nazomer van dat-
zelfde jaar trad zij weer sterker op, doch niet in die mate,
dat van eene calamiteit gesproken kon worden.
Het geheele verschijnsel van deze Pferonus-gradatie is zeer
belangwekkend, zoowel door haar plotseling verschijnen, als
door haar evenzoo snel verdwijnen in 1930. Dit laatste pro-
bleem wordt nòg belangwekkender, indien wij de resultaten
zien van eene analyse van 13242 cocons, verzameld op 21
Jan. 1930 in het geteisterde gebied. De cocons werden nog
dienzelfden dag gebracht in een photeclector, staande in een
aanvankelijk nog verwarmd lokaal van het Laboratorium
voor Entomologie der Landbouwhoogeschool te Wageningen,
en werden sindsdien tot op heden (Februari 1932) geregeld
gecontroleerd. Begin Februari 1932 werden de cocons onder-
zocht op de uitvlieggaten. Het bleek nu, dat van de 13242
Pteronus pint-cocons 2111 stuks door boschmuizen (Apodemus
silvaticus) waren vernietigd; 5855 cocons vertoonen de uit-
vlieggaten van Peronus pint (L.); 866 cocons waren verlaten
door Tachiniden en Tachinidenlarven; 637 cocons vertoonden
de uitvlieggaten van Ichneumoniden, terwijl tot op heden
3771 cocons niet uitkwamen.
Uit den photeclector werd gedurende 1930 in de verschil-
lende maanden het volgende aantal © bladwespen verkregen :
Maart: 255, April: 1564, Mei: 2019, Juni: 272. (Van de
exemplaren, die in April uitkwamen, verschenen er + 1500
na den 20° dier maand; deze periode van uitkomen zette
zich nog voort in de eerste dagen van Mei; daarna vertoonde
het uitkomen der bladwespen gedurende den tijd van 21 Mei
tot 2 Juni nog een tweede maximum).
In 1931 kwamen uit dezelfde verzameling cocons:
gedurende April: 15 Q exemplaren,
XLII VERSLAG.
gedurende Mei: 52 9 exemplaren,
gedurende Juni: 30 9 exemplaren
te voorschijn. De larven van deze uitgekomen exemplaren
hadden dus minimaal een ruststadium van 17—19 maanden
binnen den cocon doorgemaakt. Dat zij echter nog veel
langer binnen den cocon kunnen rusten, blijkt uit het
volgende:
Op 1 Februari 1932 werden van de niet uitgekomen cocons
1730 stuks geopend en op hun inhoud onderzocht. Het be-
langrijkste van dit onderzoek was het feit, dat nog 39 van
deze cocons levende Preronus-larven bevatten, terwijl 9 cocons
nog levende sluipwesplarven opleverden. Verondersteld, dat
de 39 levende Pterouus-larven in het voorjaar (April 1932)
volwassen bladwespen zouden opgeleverd hebben, dan krijgt
men voor deze larven een ruststadium van minstens 29
maanden.
Dit ,,overliggen” der cocons kan ons eene verklaring geven
van het weder sterker optreden van Pferonus pint in 1931,
na een verdwijnen ín 1930. Naar een verklaring van dit
laatste probleem, het verdwijnen in 1930, wordt echter nog
gezocht.
Na 1929 trad Pteronus pini (L.) in 1930 in Brabant te
Dorst en de Rips als plaag op. Ook van deze gebieden
werden door Spr. ruim 13000 cocons geïsoleerd en nadien
geregeld gecontroleerd. Uitvoerig zal binnenkort over de
resultaten van het geheele Pferonus-onderzoek gepubliceerd
worden. Toch wil Spr. nog even stilstaan bij de uit de cocons
gekweekte Ichneumoniden. De heer KOORNNEEF, die Spr.
met de determinatie dezer Ichneumoniden behulpzaam was,
en wien Spr. bij dezen nog eens zijn dank overbrengt, zal
hierover ook nog nader publiceeren.
Van de ro Ichneumonidenspecies, gekweekt uit de cocons
van Pteronus pini, bleken er 6 nieuw te zijn voor de fauna
van Nederland, terwijl van 1 species de mannetjes bij dezen
voor het eerst gevonden zijn.
De nieuwe species !) voor de fauna van Nederland zijn:
Microcryptus subguttatus (GRAV.) gd 9.
1) De nieuwe soorten worden ondergebracht in de Ichneumoniden-
collectie van het Rijk, aanwezig in het Lab. v. Entomologie te Wageningen.
VERSLAG XLII
Microcryptus bastzonius (GRAV.) d 9.
Microcryptus sericans (GRAV.) d' 9.
Leptocryptus claviger (TASCHB.) 9.
Pimpla pfankuchi (BRAUNS.) g' ® (4 geheel nieuw).
Holocremnus clandestinus (HOLMGR.) 9.
De bovengenoemde soorten worden noch in de lijst van
inlandsche Hymenoptera van SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
noch in de lijst van SMITS VAN BURGST als inlandsch vermeld.
Behalve deze 6 nieuwe soorten voor de fauna werden uit
de Preronus-cocons nog verkregen:
Ichneumon nigritarius GRAV.
Spilocryptus nubeculatus (GRAV.) d 9.
Exenterus marginatorius (F.) SR.
Exenterus oriolus HRTG. HQ.
Van deze 4 soorten zijn de eerste 3 aanwezig in de Ichneu-
moniden-collectie van het Rijk. Van Æxenterus oriolus HRTG.
was geen inlandsch exemplaar aanwezig. SNELLEN VAN VOL-
LENHOVEN echter vermeldt reeds deze soort als inlandsch.
Van de 6 voor de fauna van Nederland nieuwe soorten,
werd M. subguttatus (GRAV.) in grooten getale gekweekt uit
de cocons, afkomstig uit Ede en uit de Rips, daarentegen
kwam zij sporadisch te voorschijn uit de cocons afkomstig van
Dorst. M. basizonius (GRAV.) werd massaal gekweekt uit de
cocons verzameld te Ede; in veel geringer aantal uit de
cocons afkomstig van Dorst en sporadisch uit de cocons
van de Rips. M. sericans (GRAV.) werd talrijk gekweekt uit
de cocons te Ede, sporadisch uit de cocons van Dorst, en
in het geheel niet verkregen uit de cocons van de Rips.
Van Pimpla pfankuchi (BRAUNS), waarvan het © pas in
1905 bij Bremen ontdekt werd, werden in het geheel 7 QQ
en 2 JJ verkregen uit de cocons verzameld te Ede. Zoo-
wel van ZLeptocryptus claviger (TASCHB.) als van Holocremnus
clandestinus (HOLMGR.) werd slechts 1 9 verkregen uit de
cocons afkomstig van Ede. Spzlocryptus nubeculatus (GRAV.)
werd in grooten getale gekweekt uit de cocons, verzameld
te Dorst, in veel geringer aantal uit de cocons afkomstig van
de Rips. Hij ontbrak geheel te Ede. Ex. marginatorius (F.)
werd in gering aantal in alle gebieden verkregen. Zr. orzolus
HRTG. verscheen in enkele exemplaren uit de cocons te Ede;
XLIV VERSLAG.
daarnaast werd een exemplaar verkregen uit Dorst. Terwil
volgens opgaven van SCHMIEDEKNECHT deze laatste twee
soorten in het buitenland vaak massaal uit Pferonus-soorten
verkregen kunnen worden, traden zij hier overal sterk op den
achtergrond tegenover de talrijk aanwezige Cryptiden.
lchneumon nigritarius GRAV. werd slechts in 2 exemplaren
verkregen uit de cocons te Ede, waar tegelijkertijd met de
Pteronus-plaag, ook Dupalus pintarius L. in zeer groot aantal
optrad. Uit de literatuur is bekend, dat deze /chn. nigrifarius
GRAV. een zeer belangrijke parasiet van Bupalus Pintarins is,
zoodat ook in dit verband zijn optreden verklaard kan worden.
Te Ede waren 4. daszzonzus (GRAV.), M. sericans (GRAV.)
en M. subguttatus (GRAV.) de belangrijkste parasieten, naast
de Tachinide: Sturmia inconspicua MEIG. Te de Rips
waren het voornamelijk Mzcrocryptus subguttatus (GRAV.) en
Spilocryptus nubeculatus (GRAV.), die talrijk optraden. Te
Dorst voegde zich aan deze beide soorten nog Mecroeryptus
basizonius (GRAV.) toe.
De President maakt de opmerking, dat de Zophyrus-
cocons buitengewoon hard zijn en door de Lophyrus-imagines
worden opengebeten. Nog beter zou men kunnen zeggen,
dat de wesp van den cocon een kapje met hare krachtige
kaken afknipt, op de wijze, waarop men met eene schaar
een blikje opent. Hij vraagt den heer DE FLUITER, of deze
ook heeft waargenomen, dat Tachiniden als imago de
Lophyrus-cocons verlaten, en, zoo ja, hoe zij den cocon-wand
doorboren. Hierover zijn wel theoriën geopperd, maar waar-
genomen is het, naar Spr. meent, nog niet. Als men over
cocons in groot aantal beschikt, zou dit raadsel misschien
gemakkelijk op te lossen zijn.)
De heer de Meijere zegt, dat wat Zophyrus betreft, de
1) Na de Vergadering was de heer DE FLUITER zoo vriendelijk, mij
15 Lophyrus-cocons, alle door Tachniden-imagines verlaten, te doen
toekomen. Deze waren precies even hard van wand, als cocons, die door
de Zophyrus-imagines verlaten waren. Dit is dus volkomen in strijd met
de beweringen van PRELL. De opening, die de vlieg maakt, is kleiner
dan die, welke ZopAyrus maakt; het ledige purparium blijft in den cocon
achter. Het raadsel, hoe de vlieg zich een uitweg uit den cocon baant,
met name hoe daar een rond schijfje van afgescheiden wordt, dat er
op één punt nog aan blijft zitten, blijft voor dit geval een raadsel.
is abst (0)
VERSLAG. XLV
zaak o.a. door PRELL nader onderzocht is. Volgens dezen
is de geparasiteerde larve hier zoodanig verkort, dat zij niet
in staat is, aan het vooreinde de coconlaag op gewone dikte
te vervaardigen, wat dan het uitkomen van de vlieg verge-
makkelijkt. Het geval is wel aangevoerd geworden als voor-
beeld van BECKER’s ,,fremddienliche Zweckmassigkeit’’, maar
het heeft volgens PRELL zijne natuurlijke oorzaak, evenals
ook voor andere dergelijke verschijnselen, als bij galvor-
mingen enz. alreeds voldoende gebleken is.
De heer Kruseman spreekt over de Chironomide Zenta-
pedilum (Kiefferulus) tendipediforme GTGH. Deze soort is
ongeveer 10 jaar geleden in België door GOETGHEBUER ont-
dekt en beschreven. Onder het Chironomidenmateriaal, dat
zich te Amsterdam bevindt, vond Spr. eenige dieren, die
hij eerst voor vertegenwoordigers van het geslacht Chironomus
s. str. hield. Bij nauwkeuriger bestudeering dezer voorwerpen
bleken zij echter behaarde vleugels te hebben, en dus ergens
bij het genus Zanytarsus V.D. W. thuis te behooren. Al ras
bleek, o.a. aan het hypopygium, dat hij hier te maken had
met Pentapedilum tendipediforme GTGH., bekend uit België
en Engeland. Het eigenaardige van dit geslacht is, dat deze
dieren in alle opzichten, behalve de beharing der vleugels,
op echte Chironomiden gelijken. Er komen dezelfde ver-
schillen voor, waarop de ondergenera gebaseerd zijn, als bij
Chironomus.
De volgende exemplaren zijn door Spr. onderzocht:
1°. in de collectie DE MEIJERE: Zwammerdam, 9 exem-
plaren uit verschillende jaren; 2 ex. van Linschoten uit
verschillende jaren; 1 ex. van elk der vindplaatsen Loosdrecht,
Hilversum, Leimuiden en Pietersberg.
2°. in de collectie der Naardermeer-commissie: I ex.
Bi Sprösheisene collectie: mime van) Deventer enrver-
scheidene exemplaren van Denekamp.
De verspreiding in Nederland schijnt er op te wijzen, dat
het een zoetwaterdier is.
Niets meer aan de orde zijnde, wordt de vergadering door
den President, onder dankzegging aan de sprekers, gesloten.
XLVI VERSLAG.
CORRIGENDA.
Verslag der 64° Wintervergadering.
Op pag. XXV, regel 3 v.b. staat: 1825; moet zijn 1925.
Verslag der 86° Zomervergadering.
Op pas. EXXIW, revel Wo v.o. staat. €]. II ERANSSENE
moet zijn J. J. FRANSEN.
XLVII
VERSLAG
VAN DE
ZEVEN-EN-TACHTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE DOETINCHEM,
OP ZATERDAG 18 JUNI 1932, DES MORGENS TE 11 UUR.
Voorzitter: De Vice-President, Prof, Dr. J. C. H. DE MEIJERE.
Aanwezig de gewone Leden: Ir. G. A. Graaf BENTINCK,
K. J. W. BERNET KEMPERS, A. J. BESSELING, H. C. BLÔTE,
H. COLDEWEY, J. B. CORPORAAL, G. L. VAN EYNDHOVEN,
FAC FISCHER; B. H. KLEYNSTRA, Dr H. J. LYCKLAMaA a
NIJEHOLT, Dr. D. MAC GILLAVRY, de Nederlandsche Heide-
maatschappij, vertegenwoordigd door den Heer M. DE KONING,
Dr. A. C. OUDEMANS, Ir. N. VAN POETEREN, als Hoofd van
den Plantenziektenkundigen Dienst, R. A. POLAK, Dr. A.
RECLAIRE, L. H. ScHOLTEN, Dr. D. L. UYTTENBOOGAART,
BUD. VALCK LUCASSEN, Prof. Dr MAX. Wer C. WEBER;
P. VAN DER WIEL, en Ir. T. H. VAN WISSELINGH.
Geintroduceerd de Heer G. J. KLOKMAN J. AZN. |
Afwezig met kennisgeving de gewone Leden: Dr. G. Ba-
RENDRECHT, Dr. J. A. BIERENS DE HAAN, J. BROERSE, L. D.
BRONGERSMA, J. R. CARON, H. C. L. VAN ELDIK, P. HAVER-
HORST, W. HELLINGA, J. A. JANSE, G. KRUSEMAN JR., H. J.
MAC GILLAVRY, Mej. M. E. Mac GILLAVRY, G. S. A. VAN
DER MEULEN, H. TH. NIEUWENHUISEN, Dr. J. TH. OUDE-
MANS, Dr. TH. C. OUDEMANS, A. A: VAN PELT LECHNER,
Dra ARE]. SUNIER, HH) VAN DER. MAART Tens), GWITNBELT.
Tijdschr, v. Entom. LXXV, 4
XLVII VERSLAG.
De Voorzitter opent de vergadering met de volgende rede:
Mijne Heeren,
Met leedwezen aanvaard ik de taak, U verslag te geven
omtrent den toestand der Vereeniging, nu ziekte van onzen
President hiervan de droevige reden is. Ik weet, op U aller
instemming te mogen rekenen, wanneer ik den wensch uit-
spreek voor zijn spoedig herstel.
Helaas moet ik aanvangen met U te herinneren aan het
verlies onzer beide Eereleden van Nederlandschen stam.
Op ro September Il. ontviel ons Mr. A. BRANTS, lid sinds
1865, Eerelid sedert 1926. Trouw beoefenaar der Lepido-
pterologie, vergastte hij ons vele malen op zorgvuldige waar-
nemingen omtrent de levenswijze, vooral ook der micro's,
waarvan hij uitgebreide kennis bezat, terwijl zijn vaardig
penseel hem in staat stelde, het aloude werk van SEPP tot
op onzen tijd op waardige wijze voort te zetten.
Nog slechts weinige dagen geleden, op den 9°" Juni, ver-
loren wij Jhr. Dr. Ep. J. G. EVERTS, in den ouderdom van
83 jaren. Lid sedert 1870, diende hij onze Vereeniging vele
jaren als Vice-president en Lid der redactie van het Tijd-
schrift, en werd in 1929 tot Eerelid benoemd. EVERTS woonde
nagenoeg alle vergaderingen bij, en werd door ons allen
gevierd en gewaardeerd om zijne groote kennis van het door
hem verkozen studiegebied, om zijne hulpvaardigheid en den
eenvoud en adel van zijn karakter. Hij begreep de nood-
zakelijkheid der beperking, die de entomoloog zich moet op-
leggen, maar mèt die beperking leverde hij het beste en het
volledigste, waartoe een mensch in staat is. De resultaten
van zijn levenswerk mocht hij vastgelegd zien in zijn ,,Co-
leoptera Neerlandica”, een werk van blijvende beteekenis,
waarop door onze talrijke Coleopterologen, die zich om hem
groepeerden, voorzeker, en geheel volgens zijne bedoeling,
met vrucht zal worden voortgebouwd.
Hoezeer beide Eereleden vervuld waren van liefde voor
de E. V., en door humor en geest tot in de laatste tijden
hebben bijgedragen tot het welslagen onzer bijeenkomsten,
ligt ons allen nog versch in het geheugen. Mogen zij ons
ook in deze opzichten ten voorbeeld strekken.
VERSLAG. XLIX
Onder de gewone leden hebben wij het overlijden te
betreuren van Mr. J. A. VERMEER te Putten (G.), lid sedert
1923/24.
Wegens bedanken verloren wij mevr. Dr. A. WEBER, geb.
VAN BOSSE, te Eerbeek, begunstigster sedert 1892, terwijl
het gewone lidmaatschap opgezegd werd door:
Het Algemeen Proefstation der Algemeene Vereeniging
van Rubberplanters ter Oostkust van Sumatra, te Medan,
lid sedert 1917/18,
Raden AWIBOWO te Buitenzorg, Java, lid sedert 1929/30,
L. F. LABOHM, te Banjoewangi, lid sedert 1930/31,
Prof. Dr. N. H. SWELLENGREBEL te Aerdenhout, lid sedert
1919/20.
Als nieuwe leden verwierven wij:
Mevr. J. BONNE, geb. WEPSTER, te Batavia, Java,
Dr. S. L. BRUG, te Batavia, nu te Amsterdam,
Mej. A. M. BUITENDIJK, te Leiden,
Prof. Dr. H. C. DELSMAN, te Batavia, Java,
G. DE LEEUW S. J., te Amsterdam,
lig CEB PETER tes Kedini) ava.
E. A. M. SPEYER, te ’s-Gravenhage,
H. C. DE VLIEGER, te Buitenzorg, Java,
Mevr. J. VOùTE, geb. BROEKMAN, te Amsterdam.
Onze Vereeniging bestaat thans uit:
1 Het Buitengewoon Eerelid,
SWEereledens
16 Begunstigers,
10 Correspondeerende Leden,
11 Buitenlandsche Leden en
158 Gewone Leden.
Totaal 204, tegen het vorig jaar 202.
Omtrent onze publicaties valt te vermelden, dat van het
Tijdschrift Deel LXXIV verschenen is en van Deel LXXV
de aflevering 1 + 2 zoo goed als gereed is gekomen. Van
de Entomologische Berichten verschenen de nummers 180
tot en met 185; van de Verslagen van de Vergaderingen
der Afdeeling Nederlandsch Oost-Indië Nr. 1—3. Hoe ver-
blijdend ook als bewijs van gezond leven in onze Vereeni-
ging, baren onze publicaties het Bestuur in den laatsten tijd
L VERSLAG.
geene geringe zorg, zoodat naar bezuiniging moet worden
gestreefd. Achterstallige copy is daardoor helaas niet te
vermijden.
Op verzoek van den President bracht ik eenige dagen
geleden het verplichte bezoek aan onze bibliotheek en mocht
alles in volmaakte orde aantreffen. Door de goede zorgen
van mevrouw VOÛTE is een aanzienlijk deel van den nieuwen
catalogus, van letter A—L, alreeds getypt gereed gekomen,
telkens na vergelijking met de nu alle alphabetisch gerang-
schikte boeken. Met leedwezen vermeld ik het onverwacht
overlijden van den heer KOLSTEEG, die als beambte van
het Koloniaal Instituut meer in ’t bijzonder met de zorg
voor onze bibliotheek, en uitleening of verzending der aan-
gevraagde boeken was belast en onze belangen gedurende
een aantal jaren met ambitie behartigde.
Verdere mededeelingen omtrent onze boekerij en onze
financiën zult u aanstonds van de betrokken bestuursleden
zelve vernemen. Wat de financiën betreft, wil ik alleen nog
vermelden, dat op de vorige zomervergadering besloten is,
het Vereenigingsjaar om administratieve redenen te doen
samenvallen met het maatschappelijk jaar en als overgangs-
maatregel het nu feitelijk bijna beëindigde jaar te doen
doorloopen tot en met 31 December 1932.
Als verheugend feit valt nog te vermelden, dat vier onzer
leden den doctorstitel deelachtig werden. Aan ons corres-
pondeerend lid den heer EDW. R. JACOBSON werd, van wege
de Universiteit van Amsterdam, ter gelegenheid der her-
denking van het 300-jarig bestaan der Inrichting voor
Hooger Onderwijs aldaar, het doctoraat honoris causa ver-
leend, als blijk van waardeering voor hetgeen hij belangeloos,
zoowel indirect, door het verzamelen van materiaal, als
vooral ook direct met groote ambitie en zeer bijzonder
waarnemingsvermogen voor de kennis der Nederlandsch-
Indische Fauna heeft gedaan. Dezelfde eer viel te beurt aan
ons nieuwe lid, den heer S. L. BRUG, aan wien door de
Faculteit der Geneeskunde het doctoraat werd toegewezen
wegens zijne verdienste voor de hygiëne van Ned.-Indië en
die zich o.a. ook zeer heeft ingewerkt in de Culiciden van
dit gebied. Op proefschrift promoveerden twee onzer jongere
VERSLAG, LI
gewone leden, nl. de heer H. J. DE FLUITER op den 6°
October 1931 te Leiden over: „De bloedluis Zriosoma lant-
gerum (HAUSM.) in Nederland”, en de heer G. BARENDRECHT
op den 20% Januari 1932 te Amsterdam over: „Die corpora
pedunculata bei den Gattungen Bombus und Psithyrus.”
Hun allen brengen wij gaarne onze hartelijke gelukwenschen
met de verworven waardigheid.
Over ’t geheel mogen wij, al bleven ons zeer gevoelige
slagen niet gespaard, over den toestand onzer Vereeniging
tevreden zijn. In de verwachting van eene leerzame en aan-
gename vergadering en eene vruchtbare excursie op den dag
van morgen, open ik deze 87° Zomervergadering.
De Voorzitter geeft hierop het woord aan Dr. D. L.
Uyttenboogaart tot het uitbrengen van het
Verslag van den Penningmeester over het
Boekjaar 1930—1931.
Mijne Heeren,
De Winst- en Verliesrekening, die ik in deze vergadering
aan U overleg, sluit weder met een verlies van / 600.36.
Weliswaar is dit verlies dus f 508.56 kleiner dan dat over
het vorige boekjaar, maar ik moet er tegen waarschuwen,
om hieruit optimistische gevolgtrekkingen voor de toekomst
te maken, daar de vermindering van het verliessaldo uit-
sluitend gevolg is van de omstandigheid, dat in deel 73
van het Tijdschrift voor Entomologie vele bijdragen tot
de Fauna Sumatrensis werden opgenomen. Zooals U be-
kend is, betaalt ons correspondeerend lid E. R. JACOBSON
te Fort de Kock de helft van de kosten dezer publicatie,
en, dank zij deze vergoeding, sluit de rekening van deel 73
slechts met een nadeelig saldo van f 548.21. Voor volgende
jaargangen mogen wij daarop echter niet rekenen, want de
treurige economische omstandigheden hebben ook den milden
redacteur der Fauna Sumatrensis reeds genoopt, de uitge-
breidheid dezer publicatie te besnoeien. Indien wij „l'art de
grouper les chiffres” hadden willen toepassen, zouden wij
de rekening van het Tijdschrift nog gunstiger hebben kun-
nen doen sluiten, daar in dit boekjaar eene groote serie
van het Tijdschrift naar Italië is verkocht voor / 387.—,
LIT VERSLAG.
éene gebeurtenis, die slechts hoogst zelden voorkomt. Het
Bestuur was dan ook van oordeel, dat de rekening over één
jaar niet met dit bedrag mocht worden geflatteerd en wi
besloten tot de instelling eener rekening ,,Fonds v. h.
Tijdschrift v. Entomologie”, welke rekening werd belast voor
de getaxeerde waarde der onverkochte exemplaren, terwijl de
kapitaalrekening voor een overeenkomstig bedrag ( f 3000.—)
werd gecrediteerd. De nieuwe rekening werd nu gecrediteerd
voor de opbrengst der verkochte serie, terwijl wij haar voort-
aan jaarlijks met / 100.— zullen belasten voor den aanwas
van het fonds, en de rekening van het Tijdschrift voor een
overeenkomstig bedrag zullen crediteeren. Op die wijze zullen
dan de verkoopen van oude jaargangen geleidelijk ten bate
van de rekening „Tijdschrift voor Entomologie” komen.
De rekening „Entomologische Berichten’ blijft in dit boek-
jaar wederom onder de begrooting, omdat de rekeningen
over de laatste twee nummers, die in dat jaar verschenen,
te laat binnen kwamen, om nog in de rekening te kunnen
worden opgenomen. Er moet echter op gerekend worden,
dat de kosten dezer publicatie in volgende jaren aanmer-
kelijk zullen stijgen als gevolg van de uitgifte voor rekening
onzer Vereeniging van de Verslagen der vergaderingen van
hare afdeeling Nederlandsch Oost-Indië, welke verslagen
steeds grooter omvang aannemen.
De rekening der „Bibliotheek wijst een belangrijk hooger
bedrag als eindcijfer aan dan de begrooting (inclusief die
voor de voorbereiding van den nieuwen catalogus) bedroeg.
Dit wordt veroorzaakt door de omstandigheid, dat in dit
boekjaar toevallig gelegenheid bestond, om verschillende
lacunes in de periodieken aan te vullen, waaromtrent de
bibliothecaris U nader zal inlichten.
De rekening „Onkosten’ werd belast met de aankoopsom
eener 2° hands schrijfmachine, waardoor, mede in verband
met enkele kleine onvoorziene uitgaven, ook die rekening
sluit met een hooger saldo dan begroot werd.
De contributies brachten het geraamde bedrag op, de In-
terestrekening iets meer, zoodat ten slotte het in den aanhef
genoemde saldo-verlies resteerde, hetwelk rond f 260.—
onder de begrooting blijft.
VERSLAG. LIT
Wat de Balans betreft, verdienen de volgende posten na-
dere vermelding: Het saldo der achterstallige contributies,
vermeld onder het hoofd ,,Leden’’, werd tot meer bescheiden
proporties teruggebracht. Over de nieuwe rekening „Fonds
v.h. Tijdschrift v. Entomologie” werd boven reeds gesproken.
Het Fonds, gevormd uit den afkoop van contributies ge-
naamd: „Leden voor het Leven” vermeerderde wederom
met f 300.—.
De verhooging van de ,,Kapitaalrekening” werd reeds
boven besproken. De „Reserve voor Koersverlies’’ was op
30 Juni 1931 nog ruim voldoende; of zulks thans nog het
geval is, behoeven wij gelukkig nog niet te onderzoeken.
Het ,,Bibliotheekfonds’’ verminderde door verschillende
aankoopen, waaromtrent ik naar het verslag van den Biblio-
thecaris mag verwijzen.
Dr. L. J. TOXOPEUS, die het beheer van het fonds zijner
dissertatie aan onze Vereeniging toevertrouwde, werd ge-
crediteerd voor f 20.—, zijnde de opbrengst van verkochte
exemplaren.
Het hoofd Crediteuren” omvat uitsluitend het verschul-
digde voor de uitgave van deel 73 van het Tijdschrift voor
Entomologie.
Het thans loopende boekjaar zal eerst op 31 December
1932 worden afgesloten en omvat dus 1!/, kalenderjaar.
Dientengevolge levert het opmaken eener begrooting nog
grootere moeilijkheden op dan in vorige jaren. Daar echter
aan de desbetreffende bepaling der statuten moet worden
voldaan, zal ik hieronder zulk eene begrooting aan u voor-
leggen. Uit den aard der zaak komen daarin nu ¢wee jaar-
gangen van het Tijdschrift voor nl. jaargang 74, afgesloten
op 31 December 1931, en jaargang 75, welke in 1932 ver-
schijnt. Wij ontvingen bericht, dat het Rijkssubsidie over
1932 met 10°/, zal worden besnoeid. Het Bestuur heeft den
Minister op de groote onbillijkheid van deze bezuiniging
gewezen, waar wij nimmer hebben willen profiteeren van de
mentaliteit van „the fool's paradise”, om ons subsidie ver-
hoogd te krijgen.
De begrooting ziet er dan uit als volgt:
LIV VERSLAG.
Uitgaven: | Inkomsten:
Onkosten . . . f 400.— | Contributies . f 2300.—
Bibliotheek ME 1200.2="|\ Interest ee 225228502 —
Voorbereiding Rijkssubsidie . » 950.—
nieuwen catalogus » 400.— | Saldo verlies . » 1060.—
Tijdschrift voor
Entomologie . . » 2100.—
Entomologische
Berichten . . . » 1000.—
Lidmaatschappen . » 60.—
f 5160. VISTO
Natuurlyk zal het streven van het Bestuur erop gericht
zijn, om het verliessaldo zoo mogelijk nog te verminderen.
De kosten onzer publicaties moeten omlaag, willen wij niet
genoodzaakt worden, deze gedeeltelijk te staken of zoodanig
te besnoeien, dat aan de wetenschappelijke waarde ernstig
afbreuk zou worden gedaan. Reeds nu moet aangeboden
copy dikwijls veel te lang op publicatie wachten.
De Voorzitter dankt den Penningmeester voor zijn verslag
en vraagt naar de bevindingen van de Commissie tot nazien
der rekening en verantwoording van den Penningmeester
over het boekjaar 1930—193I, bestaande uit de heeren
K. J. W. BERNET KEMPERS en B. H. KLYNSTRA.
De heer BERNET KEMPERS verklaart namens deze com-
missie, dat zij de boekhouding heeft nagezien, gecontroleerd
en in volmaakte orde bevonden en wil gaarne voorstellen,
den penningmeester te dechargeeren.
Spr. heeft echter een tweetal wenschen, en wel 1° eene
lijst van de leden met de van hen ontvangen bedragen en
2° dat de Vereeniging eene eigene postgirorekening moge
openen en niet meer hare inkomsten en uitgaven doe loopen
over de persoonlijke rekening van den penningmeester.
De Penningmeester antwoordt, dat het eerste desideratum
niet zoo eenvoudig is als het schijnt, daar de rekeningen
der leden verscheidene rubrieken omvatten, als extra-heffin-
gen wegens separaten, aandeel in de kosten van publicatie
VERSLAG. LV
hunner opstellen, leveringen van oude nummers, vooruit-
betalingen van contributie en abonnement enz. enz., zoodat
het samenstellen van zulk eene tabellarische lijst veel moeite
zou kosten, waaraan z.i. het ervan te verwachten nut niet
geévenredigd zou zijn.
Op het tweede punt merkt Spr, op, dat hij tot zijn ge-
noegen, evenals ziine voorgangers, in staat is, persoonlijk
in rekening-courant met de Vereeniging te blijven. Zeer
dikwijls komt het voor, dat de kas der Vereeniging be-
langrijk bij hem in voorschot is, daar veelal uitgaven gedaan
worden op een tijdstip, dat de kasgelden niet toereikend
zijn. Dan schiet hij dat voor. Slechts gedurende korten tijd,
na het inkomen der contributies, is de toestand omgekeerd.
Ook indien de Vereeniging hare eigene postgirorekening
had, zou hy natuurlijk wel voorschotten kunnen verstrekken,
maar dit zou dan telkens leiden tot betrekkelijk nuttelooze
heen- en wederboekingen. Intusschen zegt Spr. gaarne toe,
deze beide punten in het Bestuur nog eens te bespreken.
Nadat eenige leden uiting gegeven hebben aan hunne
waardeering voor de coulance van den Penningmeester, die
hem persoonlijk op niet onaanzienlijke offers door rente-
derving komt te staan, wordt de Penningmeester onder
dankzegging gedechargeerd van zijn beheer over het boek-
jaar 1930—-1931.
De Voorzitter wijst als leden der Commissie voor het
nazien der rekening en verantwoording over 1931—1932
aan de heeren H. C. BLÔTE en Dr. C.J. VAN DER KLAAUW.
Beide heeren hebben deze benoeming aanvaard.
De Voorzitter geeft vervolgens het woord aan Dr. D,
Mac Gillavry tot het uitbrengen van het
Verslag van den Bibliothecaris.
Mijne Heeren,
Het jaar 1931 verliep over het algemeen rustig voor de
bibliotheek. Wel stond de voorbereiding voor den nieuwen
catalogus door het vertrek van den heer KOORNNEEF stop.
Gelukkig kreeg Uw bibliothecaris onverwacht hulp, doordat
LVI „VERSLAG.
Mevrouw VOÛTE zich belangeloos aanbood, op de bibliotheek
te komen werken, waartoe zij tot onze Vereeniging als lid
toetrad.
Mevr. VOÛTE is bezig, zich in ons bezit in te werken en
is druk in de weer met het doorwerken en vernieuwen van
onzen kaartcatalogus. Hoe gelukkig wij ons mogen rekenen,
deze kracht voor het bibliotheekwerk veroverd te hebben,
bleek eerst recht, toen op 19 Maart 1932 ons het bericht van
het onverwacht overlijden van den heer KOLSTEEG bereikte.
Het overige personeel van de bibliotheek van het Kol. In-
stituut stond toch vrijwel vreemd voor het beheer, terwijl
er nu iemand was, in staat mee te werken tot het gaande
houden van den bibliotheekdienst. Ik geloof, dat de leden
in den gang van zaken nauwelijks storing zullen hebben
opgemerkt. Al heeft het overlijden van den heer KOLSTEEG
in 1932 plaats gehad, zoo geloof ik toch in dit verslag eenige
woorden te mogen wijden aan zijne nagedachtenis. Hij was
vol enthousiasme voor onze bibliotheek, die meer dan de
andere afdeelingen zijne liefde had, De Vereeniging heeft
in hem een toegewijd ambtenaar verloren, die alles wat in
zijn vermogen stond deed, om de leden te gerieven. Hij is
in den tijd, dat onze bibliotheek bij het Koloniaal Instituut
berustte, een groote steun voor de opvolgende bibliotheca-
rissen geweest.
Met het aanvullen van leemten werd op bescheidene wijze
voortgegaan. De: verliezen door den bekenden diefstal zijn
gedeeltelijk weer door aankoop hersteld. Slechts van twee
tijdschriftseriën moeten nog verschillende deelen gezocht
worden. Na dit gedeeltelijk succes is echter de bibliothecaris
vol moed, ook op het resteerende de hand te kunnen leggen,
Niet overbodig is het, de leden er opmerkzaam op te maken,
dat de moeilijkheden, waarmede onze penningmeester wor-
stelt, het voor de bibliotheek steeds bezwaarliker maken,
het noodige aan te schaffen.
In de Entomologische Berichten werden de voornaamste
aankoopen reeds medegedeeld.
Ook aan het bibliotheekfonds worden zware eischen ge-
steld. Ik maak er de leden dan ook op attent, dat vrijwillige
‚VERSLAG. LVII
hulp in gaven en natura dankbaar aanvaard wordt. De ge-
wone cijfer-opgaven laat ik nu volgen:
Het aantal leeners bedroeg 36; het aantal bezoekers op
de bibliotheek was 41, terwijl 390 boeken werden uitgeleend
op 247 bonnen.
Boekwerken werden ontvangen van de volgende personen
en instellingen:
je De ALEKEN, IN. BARANOEES Di. JR BEPREM, SEEC:
BONE | | BROERSE, Ja By CORPORAAL, Profs Dr. E. Pius Cos-
QUINO DE BUSSY, R. VAN EECKE, H. J. DE FLUITER, Dr. C.
(pelo HRANSSENS MD AC GEWSKES Dr, DS MAG GILLAVRV
Ir. C. A. Graaf BENTINCK, Dr. E. R. JACOBSON, R. KLEINE,
G. KRUSEMAN, Dr. S. LEEFMANS, A. D’ORCHYMONT, Dr. A.
C. OUDEMANS, A. A. VAN PELT LECHNER, Dr. A. SCHIER-
BERND ©. SCHUBART, ©. CAM SPEYER, Dr. Dal: Ur:
HENBOOCAARD E, II. VALCK EUCASSEN Ji V2 Ds VECHT,
PAID VER €). Me WitteMsE. Instellingen Natur
forschender Verein, Riga en Smithsonian Institution, Wash.
Den schenkers wordt hier nog eens hartelijk dank gezegd.
Op eene vraag van Dr. A. C. OUDEMANS naar den nieuwen
Catalogus, antwoordt Spr., dat Mevr. VOÛTE nu de voorbe-
reiding hiertoe voortzet. Als eerste werk wordt de kaart-
catalogus nog eens geheel gecollationneerd en in orde ge-
maakt, welk werk nu gevorderd is tot de letter K. Telkens
worden ook nog weer nummers teruggevonden, die wij
meenden, dat verloren geraakt waren, vooral kleine geschriften.
Het zal zeker nog wel twee jaar duren, voor met den druk
begonnen kan worden. Gezien de algemeene en onze bij-
zondere financiëele omstandigheden, komt dit niet ongelegen.
Hierop is aan de orde het vaststellen van de plaats voor
de volgende Zomervergadering. Het voorstel van het Bestuur
is Delden. De heer BENTINCK noemt Elst (tusschen Rhenen
en Amerongen). De heer RECLAIRE wenscht eene plaats op
het eiland Walcheren. De heer DE KONING noemt voor nu
of later de Wieringer meer, met het oog op de geheel
nieuwe fauna, die, ook op entomologisch gebied, in de
drooggelegde streken zal ontstaan. De Voorzitter merkt
op, dat eene exploratie van zulk eene nieuwe fauna geene
LVHI VERSLAG,
taak is voor eene zomervergadering, maar een zeer uitvoerig,
systematisch onderzoek vordert. Uit de hierop volgende
stemming en herstemming blijkt, dat Delden en Walcheren
een gelijk aantal stemmen verworven hebben. Daar de Voor-
zitter zich voor Delden verklaard heeft, vereenigen zich ook
de overigen met zijne keuze.
Aan de orde is thans het voorstel tot Wetswijziging, inge-
diend door Dr. H. J. LYCKLAMA à NIJEHOLT, om aan Art. 38
toe te voegen eene alinea:
»Op de vergaderingen wordt aan iederen spreker ten
„hoogste 20 minuten tijd gegeven, met hoogstens 10 minuten
„tijd voor debat. Slechts in zeer bijzondere gevallen kan
„de vergadering dispensatie geven, op voorstel van den
, Voorzitter”.
Na eene korte discussie wordt deze wetswijziging aan-
genomen.
De heer Klynstra verzoekt intrekking van de door hem
ingediende voorstellen tot wetswijziging, daar hij er prijs op
zou stellen, dat deze met een voltallig Bestuur behandeld
zouden worden. Het Bestuur heeft tegen deze intrekking
geen bezwaar. Hiermede is tevens de bespreking van een
door een twintigtal leden bij adres ingediend amendement
op deze voorstellen overbodig geworden.
Vervolgens is aan de orde de verkiezing van twee Bestuurs-
leden, daar de heeren CORPORAAL en MAC GILLAVRY aan
de beurt van aftreden zijn. Beiden zijn herkiesbaar. By de
opening der stembriefjes blijkt, dat de beide aftredenden
met zoo goed als algemeene stemmen herkozen zijn, wat
door hen beiden aanvaard wordt.
Hierna is aan de orde benoeming van een nieuw Eerelid,
daar door het overlijden van Mr. A. BRANTS eene vacature
is ontstaan. Eene tweede vacature, door het overlijden van
Jhr Dr. ED M IGMEVERTS is) noe 7280, recent, dat het
Bestuur heeft gemeend, hierin nog niet te moeten voorzien.
Het voorstel van het Bestuur is, tot Eerelid te benoemen
Dr. A. C. OUDEMANS. Een krachtig applaus bewijst de
algemeene instemming van de vergadering met dit voorstel.
VERSLAG. LIX
Dr. A. C. OUDEMANS, zeer verrast, betuigt zijnen dank
voor deze benoeming en aanvaardt ze gaarne.
Den heeren Prof. Dr. J.C. H. DE MEIJERE en H. C. BLOTE,
die het 5° Internationale Entomologen-Congres te Parijs
zullen meemaken, wordt verzocht, onze Vereeniging te willen
vertegenwoordigen, wat beide heeren gaarne toezeggen.
De Voorzitter deelt verder mede, dat een groot aantal
Amerikaansche entomologen, op weg naar het Congres te
Parijs, hunne komst te Amsterdam hebben gemeld. De
Afdeeling Noord-Holland en Utrecht van onze Vereeniging
stelt zich voor, dan, waarschijnlijk op Zondagavond ro Juli,
te hunner eere eene extra bijeenkomst te houden, waartoe
zij ook alle andere leden der N.E.V. met aandrang uit-
noodigt.
De heer Corporaal vertoont een aantal teekeningen en
aquarellen van entomologische voorwerpen van de hand
van ons medelid W. J. BOER LEFFEF te Apeldoorn, welke
zich ook gaarne beschikbaar stelt om voor hen, die dat wen-
schen, dergelijke afbeeldingen te maken.
Hierna zijn aan de orde de
WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.
De heer A. C. Oudemans deelt een en ander mede over
eenige twijfelachtige Acari.
Wat is Acarus coleoptratorum L. 1758? In zijn Systema
Naturae Ed. ro, v. I. p.618. n. 24 diagnoseert LINNAEUS
dit dier met de woorden: ,, A. rufus, ano albicante. Habitat
in Scarabaeis.”’ Men vindt echter op ,,Scarabaei”, sensu lato,
meer dan ééne soort, waarop die diagnose van toepassing
is. — Gelukkig citeert hij: „Fn. suec. 1198”. Daar vindt men
dezelfde diagnose, benevens deze beschrijving: „Habitat in
Scarabaeis 349, Bombyliis, similibusque, sub pectore vel intra
femora. Corpus subrotundum, rufum, convexum, durum,
caput et collum vix manifeste; versus anum albicans; pedes
veloces, anteriore longiore.” — Welnu, bij Fauna suecica
no. 349 lezen wij: ,,Scarabaeus ater; dorso glabro; elytris
sulcatis; capitis clypeo rhomboide centro prominulo”. — Hoe
LX VERSLAG.
heet die Scarabaeus in zijn Systema Naturae, Ed. 10. 1758?
Daar vinden wij p. 349. n. 20: Scarabaeus stercorarius: ,,S.
muticus, ater glaber, elytris sulcatis, capite rhombeo: vertice
prominulo. Faun. suec. 359”. Dat is, hoewel eenigszins ge-
wijzigd, dezelfde diagnose. — 359 moet 349 zijn; want
359 is eene zeer kleine soort: „magnitudine pulicem attingit”.
(DAG is clo gerste HOH ty)
„In Bombyliis”. LINNAEUS, SWAMMERDAM, en anderen,
bedoelden daarmede Aoméznz. Hij citeert dan ook DE REAU-
MUR 1742, die de Pou des bourdons behandelt; maar deze
is eene andere soort; wat LINNAEUS niet weten kon.
»oimilibusque”. Wat hij daarmede bedoelt, is niet duidelijk.
In zijne Fauna suecica 1746 citeert hij verder: FRISCH
1722.4. p. 17. t. 10, die zijn Lauffende Kefer-Laus eveneens
op Geotrupes vond.
Hapsciteent mookszichzelf ACE ups. 017300 ARS
Acarus insectorum coleoptratorum”. Men leze echter: ,,p.
1330. (Diataisndie twieeider Lou).
Verder citeert hij: ,,LIST,(er) loqu. 381. Pediculus subflavus
scarabaeis infestus. — Men leze echter: „RAV 1710 piss nm
(Dat iis de dérdertonut)
Dat hij ook BLANKAART citeert, die „luizen” op een Ne-
crophorus vond, vergeven wij hem gaarne. Evenzoo, dat hij
in zijne diagnose schrijft: subrotundum”, waarbij hem de
op Bombus levende soort voor oogen zweefde.
Fouten en vergissingen maken ook wi.
Summa summarum, Acarus coleoptratorum L. 1758 is de
algemeen bekende, op Geotrupes stercorarius en andere mest-
kevers voorkomende Deutonympha.
Wat is Acarus cricéti Sulzer 17742 In zijn Kritisch
Historisch" Owmerziicht. dem AXrearolloreier vb MC
plaatste Spr. dit diertje in het genus Ceratonyssus BERL.,
waartoe SULZER’s figuren hem wel aanleiding gaven. Dat
was van hem eene fout. Hy had met zijne determinatie
moeten wachten, tot hem hamstermijten in handen vielen.
Deze bezit hij thans, en het is hem gebleken, dat deze bloed-
zuigende parasieten tot het genus Lzponzssus KOLENATI 1858
behooren. Beschrijving en afbeeldingen zullen elders gegeven
worden.
VERSLAG. LXI
Wat is Cyclothorax carcinicola von Frauenfeld 1868 ?
G. Ritter VON FRAUENFELD zegt omtrent dit dier in:
Ab hiandiun cen tz ool; ib ot) Ges Wii envers 1863;
p- 893 het volgende:
„Cyclothorax carcinicola, ein an einem Bernhardskrebse
gefundene Zecke?’ (1).
Als ich für die 2. Abtheilung meines Beitrages zur Fauna
der Nicobaren die von mir auf der Weltreise der Novara
gesammelten, in Weingeist aufbewahrten Conchylien, welche
Einsiedlerkrebse beherbergten, durchsuchte, fand ich an
einem Calcinus tibicen Hbst., der von den Nicobaren stammte,
und Szmpulum chlorostomum LK. bewohnte, an dem in der
Höhlung der Schnecke stekenden weichen Hinterleib ein,
wie ich glaube (1) am nächsten den Zecken verwandtes
Thier, das jedoch von den bisher bekannten Formen so sehr
abweicht, dass es bei den daselbst bestehenden Gattungen
nirgens unterzubringen ist. Es hat — wahrscheinlich noch
Jugendform -— nur 6 Beine (2), deren Stellung und Bildung
jedoch gleichfalls eigenthümlich ist, und unwillkürlich an
Pycnogonum erinnert Da ich das einzige Exemplar nicht
opfern will, so kann ich nur, so weit es die äussere Unter-
suchung gestattet, eine möglichst genaue Beschreibung dieser
Th:
o.0 iN
Mr
VON FRAUENFELD’s Figuren, precies tweemaal vergroot.
Verhältnisse geben, indem zugleich nachstehende Figuren
die Ansicht desselben von oben und unten darstellen.”
LXII VERSLAG.
„Kreisrund (3) mit flachem, derbem, dunkelbraunem Schild, -
der nahe dem Hinterrande 4 gleichweit entfernte helle
durchscheinende Punkte zeigt (4). Am Rande selbst fast die
ganze rückwärtige Halfte des Schildes einnehmend, zieren
denselben 26—28 kammartig gereihte Dornen (5). Ueber
diesen Schild ragen von der Unterseite 2 lanzettliche (? Saug-)
Spitzen (6) und Taster (7) so wie die 6 plumpen Hakenbeine
stark hervor. Diese letzteren sind ziemlich gegen die Mitte
des Bauches mit ihren kraftigen Hiiften eingefiigt, deren
jederseits 3 fest aneinander gerückt sind (8). Ausser diesem
Hiiftstiick hat jedes Bein 5 an Dicke ab- und an Lange
zunehmende Glieder (9), deren letztes ein feines geknôpftes
Endstück trägt (10). Die Beine sind mit starken Dornen
besetzt. Die Mundwerkzeuge (11) stehen zwischen dem Hiift-
sticke der Vorderbeine (12) auf einer schiefen etwas kragen-
artig vorgezogenen Platte (13); 2 Taster (14) mit 5 (15) lang-
lichen cylindrischen Gliedern, (deren 3. S-artig gebogen (16)
und wie Beine mit einem geknôpften Endstück (17) versehen
und mit steifen Borsten besetzt. Dazwischen die 2 obener-
wahnten ziemlich langen lanzettlichen Sauger (?) (18). Gegen
den Hinterrand eine ziemlich grosse mit tiefbraunem Ring
umgebene Oeffnung (19). Von derselben ab verläuft beider-
seits ein in Weingeist blendend weiss durchschimmerndes
Gefäss (Darm?) gekriimmt nach vorne (20) 2.8 ™™. lang (21).”
Aan deze beschrijving voegt Spr. de volgende toelich-
tingen en opmerkingen toe. 1. Hij twijfelt zelf aan de deter-
minatie ,,Zecke”. Hij had blijkbaar geene kennis van Acarz;
ook zijn zijne teekeningen z66 onvoldoende, dat een acaro-
loog niet met zekerheid zeggen kan, of hij eene Nympha
II, een 9, of een & vóór zich had. 2. Hij ziet de zeer dunne,
S-vormig gebogene pooten I voor palpen aan. 3. Hij teekent
het dier breed-elliptisch. 4. Hij vermeldt wèl deze 4, maar
niet de 4 andere, in de voorste heift gelegene, doorschij-
nende, ronde vlekken. 5. Hij teekent er maar 17. 6. Blijkbaar
de scharen der mandibulae. 7. Pooten I. 8. Deze mede-
deeling, dat de zes pooten (II, Ill en IV) dicht bij elkander
staan, dus iets verwijderd van, en anders geplaatst dan de
„laster” (pooten I), verraadt terstond een der Supercohors
Mesostigmata (Gamasides + Uropodina). 9. Hij teekent er
VERSLAG. LXIM
echter slechts 3. 10. Caruncula + de daarin teruggetrokken
2 klauwen. 11. Pooten I + gnathosoma. 12. Pooten II.
13. Coxae I, dicht tegen elkander. 14. Pooten I (zonder
hunne coxae). 15. Hij teekent er slechts 3. 16. Typische
houding van menige verschrompelde Gamasides, e.g. Macro-
chelidae; normaal bij Seyzna en Uropodina. 17. Hij teekent
echter geen ,,Knôpfchen”, maar een toefje haartjes (wat
juist is!) 18. Blijkbaar de mandibulae; de onder de pooten I
verborgene palpi zag hij dus niet. 19. Anus. 20. Met guanine
gevulde Malpighische vaten; bij doorvallend licht zwart.
21. Het kringetje bi de 2 figuurtjes heeft echter slechts
1.8 mM. middellijn; in de hier door Spr. tweemaal ver-
groote reproducties is het ringetje dan ook 3.6 mM. groot.
HALLER zegt (Die Milben als Parasiten der Wir-
bellosen. Halle a.S. 1880, p. 39): »Obige Beschreibung
möchte vielleicht eher auf einen Gamasiden hindeuten”.
Wat juist is. — Op p. 80 beweert HALLER: ,,Dieser Fall muss
aber um so eher mit Vorsicht aufgenommen werden, als
Frauenfeld (loc. ind. pag. 61) selbst bemerkt: ,,Da die
Paguriden sich meist am Lande aufhalten, obwohl Calcinus
sich vom Meeresstrande nicht entfernt, so konnte diese
Zecke wohl auch zufallig auf den Krebs gelangt sein, und
ist dieselbe daher nicht unzweifelhaft unmittelbarer Parasit
derselben.”
Hierbij heeft Spr. het volgende op te merken: HALLER
citeert in genoemd werkje slechts één artikel van VON
FRAUENFELD (zie hierboven, p. LXI). In dat deel 18, p. 61,
vindt men echter geen artikel van VON FRAUENFELD. — Ook
kon Spr. in geen enkel ander werk van den Novara-zoöloog
een „pag. 61” vinden. Waar staat die passage dan? — BARROIS
meldt NE means orc Sic PENS AE Vi. 5 TSS AP (sep.
1) alleen het voorkomen van Cyclothorax op Calcinus tibicen,
en citeert daarbij de hierboven aangehaalde passage uit
HALLER. — Hetzelfde doen ANDRE en LAMY in: Journ. de
Conchiol. v. 85. 1931. pi 325 noot. — VITZTHUM (ea:
BOON AZ ea 75 fa TO 15. LI 1928. pa 1189 OB) neemt,
evenals HALLER 1880, woordelijk VON FRAUENFELD’s be-
schrijving van dit dier over, maar herhaalt niet de hier-
boven aangehaalde passage uit HALLER. — Geen der vier
5
LXIV VERSLAG.
acarologen schijnt zich de moeite getroost te hebben, naar
die passage te zoeken. Spr. heeft gezocht, gezocht, en ....
heurêka! — Niet in de Abhandlungen, maar in de Sit-
zungsberichte zool. bot. Ges. “Wien, v. 18! fa. 2M.
1868 vond hy op p. 61:
„Ferner legte Hr. Vv. FRAUENFELD... Bei Gelegenheit der
Untersuchung der zur Bestimmung der von ihm von der
Novarareise mitgebrachten Conchylien, in welchen Bern-
hardskrebse lebten, fand Herr Vortragende in einem auf
den Nicobaren gesammelten von Calcinus tibicen Hbst. be-
wohnten Szmpulum chlorostomum Luck. am Rücken des
weichen Hinterleibes dieses Krebses ein merkwürdiges zeck-
enartiges Thier, das jedoch an diesem nicht mit dem Rüssel
festhing (1). Dasselbe ist ovalrund (2), braun; der scharf-
kantige Rückenschild (3) ist am Hinterrand mit 26 Dornen
kammartig besetzt. Das dritthalb Millimeter gıosse Thier
(4) hat nur 6 Beine, scheint jedoch ausgebildet zu sein (5).
Da die Paguriden” [&c.; zie hierboven, p. LXIII] (6). ,,Immer-
hin bleibt das Thier, das bestimmt neu ist, so wie dessen
Fundort von grossem Interesse.” (7).
Opmerkingen. 1. Aha! 2. Dat is beter, en klopt met
de teekeningen. 3. Dat verraadt een der Seyzna, of Uropodina.
4. Dat is bijna overeenstemmend met 2.8 mM., maar niet
met het kringetje bij de figuren; voor eene der Sejzua, of
Uropodina is 2.5 mM. ook eene ongekende maat; vermoedelijk
heeft juist deze maat VON FRAUENFELD verleid, het dier
tot de ,,Zecken” te rekenen. 5. Omdat het zoo sterk ge-
chitiniseerd is. 6. Aha! Hij begon dus zelf aan deze zonder-
linge vindplaats te twijfelen! 7. Die belangrijkheid is, sedert
alles, wat over het dier geschreven is, belangrijk gestegen!
Nu moet Spr. nog op het volgende opmerkzaam maken.
Alle dieren, die in andere dieren, of in huisjes’, of ,,ko-
kertjes” leven, zijn week: Q van Phronima sedentaria
FORSK. in de uitgevreten en tot tonnetjes afgeronde cellu-
losemantels van Zunzcata; Phrosina semilunata BRET. in
Pyrosoma’s; Hyperia galba MONT. in Discomedusae; Pinno-
theres veterum BOSC in Pinna nobilis; Pinnotheres pisum L.
in Mytilus, Modiola en Ostrea, vele Acart-soorten in Chz-
tontdae, Ostrea, Mytilus, Unio, Anodonta; larven van Zrécho-
VERSLAG. LXV
piera in hunne „kokertjes”, en.... het abdomen der in zee-
Gasteropoda-schelpen levende Paguridae |
VON FRAUENFELD beschrijft echter Cyclothorax als ,,derb,
dunkelbraun”. Wij hebben dus alle reden te veronderstellen,
dat dit dier inderdaad ,,ziifallig auf den Krebs gelangt’ is.
Op de Nicobaren en andere tropische eilanden begeven zich
de Paguriden kilometers ver landwaarts in, in vochtige bos-
schen. Niet alzoo calcinus (zie hierboven p. LXIM). Maar dat
kan geene geldige reden zijn, daar men zelfs /xodidae ge-
vonden heeft op een zee-schildpad, Chelone mydas L. 1758
(Zie OUDEMANS.. Krit. Hist. Overz, Acarol. P.2. p 210.)
en op een zee-slangetje, Platurus colubrinus (SCHNEID 1799)
Creel pe JONG in bre ubia Dec 41925 pur) datyer-
moedelijk na den vioed op het strand is blijven liggen. Hoe
komt die Cyclothorax dan op het weeke achterlyf van die
Paguride?
Wel, Spr. gelooft, dat hij de oplossing van het raadsel ge-
vonden heeft. In een buisje met Aponomma van Varanus vond
Spr. ook 8 Nph. Ul van Glycyphagus domesticus DE GEER
1778 in inerten toestand (bezig in adulti te veranderen). — In
een ander buisje met Aponomma, van Varanus af komstig,
bevond zich eene schub van een der Perczdae. — In een derde
buisje met Aponomma, die van een Varanus afgehaald waren,
zaten I Glycyphagus privatus OUDMS. 1903 en I Trinotum-
spec. (N.B. een der op Aves levende Mallophaga!). Uit een
buisje met Acari uit Duitsch-Oost-Afrika kwam een plankton-
Copepode uit de Noordzee te voorschijn ! — Zulke feiten zijn
verklaarbaar door aan te nemen, dat degene, die de Acarz
verzamelde, of degene, die het verzamelde materiaal sorteerde,
en aan specialisten verzond, niet-geheel-gereinigde buisjes
gebruikte; eene waarschuwing aan alle entomo-
logen!
Het voorkomen van Cyclothorax op het weeke abdomen
van Calcinus kan ook verklaard worden door aan te nemen,
dat de verzamelaar (in casu VON FRAUENFELD zelf!) alles,
wat hij op eene excursie vond, in ééne groote flesch, of
metalen bus stopte, zoodat de van een Scolopender, Scarabaeide,
of van eene slang los geraakte Cyclofhorax in de schelp van
Simpulum, en zóó op het abdomen van Calcınus terecht kwam !
LXVI VERSLAG.
Welke zijn de naaste verwanten van Cyclothorax? Spr.
vermoedt Axntennurella en Fedrizzia. De den Spr. toege-
zondene exemplaren dezer genera droegen het dunne eerste
pootpaar precies, zoo als VON FRAUENFELD bij zijn Cyclothorax
afbeeldt. Bij de exemplaren, die Spr. van Antennurella bezit,
zijn zelfs de coxae I achterwaarts gericht; de overige
leden der pooten I zigzag gebogen. Genoemde genera heb-
ben ook zeer dikke pooten II—IV. En in het lichaam (der
in alcohol gedoode exemplaren!) bevinden zich bollen van
doorschijnend vloeibaar vet (zie hierboven, p. LXI, sub 4)!
Wat nu de 26—28 „kammartig gereihte steife Dornen”
betreft, die den lichaams-achterrand sieren, dergelijke komen
o.a. ook voor bij Descozercon, Discomegistus, Messoracarus
en andere genera.
Wat Cyclothorax eigenlijk is, zullen wij, hoopt Spr., wel
eenmaal ervaren, wanneer wij Nicobaren-materiaal zorgvuldig
napluizen. Het is echter (zie de door Spr. gedane mede-
deelingen, hierboven, p. LXV) zeer wel mogelijk, dat deze
soort in het geheel niet van genoemde eilanden afkomstig is!
Wat is Cyclothorax carcinicola Vitsthum 1928 non von
Frauenfeld 1868? Daarop behoeft Spr. geen antwoord te
geven. Het dier is in extenso door VITZTHUM (p. LXIII cit.)
beschreven en afgebeeld; het moet alleen maar eenen ande-
ren naam hebben. — Graaf VITZTHUM zijn 2 ‘in handen
gekomen van eene soort, die hij naar Spr’s. meening abu-
sievelijk met Cyclothorax carcinicola identificeert. Op welke
gronden? Wel, I. c. p. 194 zegt hij, dat „Dr. FULMEK im August
1925 am Strand von Perbaungan an der Ostküste von Sumatra
Paguriden gefunden [hat], die mit Milben behaftet waren”.
Inderdaad, eene verleidelijke omstandigheid! Maar deze gg
bezitten eenen postanalen borstel; een cribrum wordt niet
vermeld, noch afgebeeld. Zij behooren dus niet tot de Anten-
nophoridae; want die bezitten dat orgaan niet.
Om iets naders over de vondst van deze twee gg te ver-
nemen, stelde Spr. Dr. FULMEK 22. v. 1932 eenige vragen.
Zijn antwoord luidde, dat niet hij, maar zijn vriend J. C.
VAN DER MEER MOHR de Paguriden verzamelde, wien hij dus
Spr.’s brief doorzond. De heer VAN DER MEER MOHR her-
innert er zich, helaas, niets meer van.
VERSLAG. LXVIT
De heer de Meijere herinnert er aan, dat hij het vorige
jaar eenige mededeelingen heeft gedaan betreffende eene
Syrphide, als larve levende in Nepenthesbekers, en waarvan
de plaats in het systeem zeer twijfelachtig was. Zeer onlangs
is hem nu de verhandeling van SACK onder de oogen ge-
komen, waarin deze de weinige Syrphiden beschrijft, die
THIENEMANN op zijne limnologische expeditie in Ned. O -Indié
heeft verzameld. Daaronder is ook eene Syrphine uit Nepen-
thes-bekers in verscheidene exemplaren, met larven en
puparién. SACK plaatste haar in het genus Syrzéta, maar zij
wijkt daarvan in verschillende kenmerken af, en wel zulke,
die ook bij de door Spr. onderzochte vliegen voorkomen,
voor welke hy het genus Nepenthosyrphus alreeds wilde
oprichten. Waarschijnlijk is ook de soort van SACK hiertoe
te rekenen, maar als het genus tot de naaste verwanten van
Syritta behoort, dan verwijdert het zich toch verder dan
dit geslacht van de Milesiinen, zoodat het dan in elk geval
een aberrante vorm dezer groep blijft.
In de 2% plaats vermeldt Spr., dat uit larven, gevonden
door mej. LINDEYER in gangen op els van Cryptorrhynchus
lapathi, na overwintering als larve in deze maand verschenen
is Odinza maculata MG., een bij ons zeer zeldzaam gevonden
vliegje. Er wordt opgegeven, dat zij voornamelijk op zwammen
voorkomt en de larven vermoedelijk daarin leven. Mej.
LINDEYER vond deze larven meermalen in genoemde vraat-
gangen aanwezig en kon waarnemen, dat zij zich met de
poppen daarvan voeden. In zulke gangen werd door haar
ook eene larve van de wel eveneens carnivore Phaonza gracilis
STEIN aangetroffen, van welke fn.n.sp. Spr. op de laatste
wintervergadering (Verslag p.XX) reeds melding maakte.
De heer Uyttenboogaart deelt mede, dat, na het afdruk-
ken van zijne beschrijving der nieuwe Curculionide: Otzor-
rhynchus veterator (T. v. E. dl. 75, afl. I) hij van den
Plantenziektenkundigen Dienst groote seriën ontving en wel
eene gevonden in vangbanden in een appelboomgaard te
Leersum, welke uitsluitend uit O. veterator bleek te bestaan,
en eene afkomstig uit Lichtenvoorde, eveneens. uit een
appelboomgaard, welke uitsluitend uit O. sengularis L. be-
LXVIII VERSLAG.
stond. Werd in het eerste geval aan de appelboomen uit-
sluitend schade door Anthonomus geconstateerd en is het
dus niet onwaarschijnlijk, dat O. veterator thuis behoort,
hetzij op het eikenhakhout rond den boomgaard, hetzij op
het griendhout, dat tusschen de appelboomen groeit; in het
laatste geval werd door O. singularis L. ernstige schade aan de
appelaars toegebracht, o. a. door het wegvreten der schors
van jonge takken.
Waar nu ook de serién uit Vaals, afkomstig van de
heeren VALCK LUCASSEN en MAC GILLAVRY, uitsluitend uit
veterator bestonden en Spr. in zijn eigen tuin op potplanten
(Fuchsia’s) weer uitsluitend O. singwlaris L. vond, mag wel als
zeker worden aangenomen, dat beide soorten in de natuur
gescheiden leven en hoogstwaarschijnlijk ook eene verschil-
lende levenswijze hebben. Nu Spr. in de gelegenheid was,
vele honderden ‘van individuen van dezde soorten te ver-
gelijken, bleken hem niet alleen de reeds in de beschrijving
opgenomen verschillen volkomen constant, maar kwam nog
een constant en belangrijk verschil aan den dag, nl., dat de
sprieten van O. veterator slanker en dunner zijn dan die van ©.
singularıs L. Vooral aan den funiculus is dit verschil duidelijk
te zien. Bovendien is reeds met het bloote oog van ter zijde
te zien, dat O. veterator over de schijf der dekschilden vlak is,
terwijl deze bij O. singularis L. meer gewelfd zijn.
Resume: ,,0. veterator UYTTENB. und szzgularis L. kom-
men im Freien nicht gemischt vor. Höchstwahrscheinlich sind
ihre Futterpflanzen verschieden. Auszer die schon in der
Beschreibung erwahnten Unterschiede (T. v. E. dl. 75, Heft I),
die bei Vergleich von Hunderten von Exemplaren beider
Arten sich konstant zeigten, ist zu betonen, dass auch die
Fühler bei veterator UYTTB. immer dünner und schlanker
sind als bei singularis L. Am deutlichsten ist dies am
Funiculus zu sehen. Auch sind bei veferator die Flügeldecken
auf der Scheibe flach, bei singwlarıs L. mehr gewölbt, was
schon mit unbewaffnetem Auge von der Seite zu sehen ist.”
Spr. maakt voorts nog melding van de volgende merk-
waardige vangsten in 1931:
Phyllopertha horticola L., v. macularis MULS. Faunae nov.
var he xe lle
VERSLAG. LXIX
Elater nigerrimus LAC. Eys (Limburg), Juni.
Microcara bohemanni MANNH. Texel, Juni.
Telephorus fulvicollis F., ab. flavilabris FALL. Renkum, Mei.
Absidia pilosa PAYK. g' 9 Faunae ov. sp. Vaals, Juni.
Rhagonycha limbata THS., ab. femorata REY. Vaals, Juni.
Crepidodera nitidula L. Vaals, Eys en Valkenburg, Juni.
De heer Mac Gillavry demonstreert eenige wantsen,
die zich in Nederland in eene orchideeénkweekerij vertoon-
den, door bemiddeling van Prof. DE MEIJERE ontvangen.
Reeds vroeger zijn zij ook in Duitschland waargenomen.
De eerste vermelding uit Java schijnt te zijn van de hand
van ZIMMERMAN in de Annales du Jardin Botanique de
Buitenzorg (2° Ser.) Vol. II, 1900, p. 102—125, echter nog
zonder determinatie. De wantsen in dit stuk ,,Ueber einige
durch Tiere verursachte Blattflecken” zijn later door SCHU-
MACHER gedetermineerd, die de authentieke dieren daar-
voor van ZIMMERMAN ontvangen had (Zeitschr. f. wissen-
schaftl. Ins. Biol. Vol. XXIII, 1918, p. 222—223). De be-
treffende orchideeén-wants was ondertusschen door DISTANT
in de Ann. Mag, Nat. Hist. (Ser. 7) Vol. XIII, p. 113—114,
1904 beschreven. Eene herbeschrijving met afbeelding vindt
men in DISTANT, Fauna Brit. India. Rhynchota, Vol. II,
Part 2, 1904, p. 472, waar ook eene goede afbeelding van
Mertila malayensts DIST. voorkomt.
De biologie werd beschreven door ROEPKE ,,Eene bloem-
wants, schadelijk voor Orchideeën’ in Teysmannia, 1908,
p. 201—212.
DAMMERMAN in zijn „The Agricultural Zoölogy of the
Malay Archipelago” 1929, p. 231—232, vermeldt de wants
ook als schadelijk aan Orchideeën, speciaal aan Phalaenopsis
amabilis en geeft als therapie „Collection of the bugs or
spraying with a soft spray such as soap solution”.
Onze Orchideeënkweekers dienen dus met dezen vijand
rekening te houden.
Opgemerkt dient te worden, dat DISTANT in de Ann. Mag.
Nat. Hist. van 1904 nog eene tweede soort beschrijft onder
den naam van M. ternatensis, waarbij de sprieten geheel
zwart zijn. In zooverre zouden de vertoonde insecten eerder
LXX VERSLAG.
tot Zernatensis behooren. Het komt Spr. echter voor, dat
hier hoogstens van een kleurverschil gesproken mag worden,
daar de kleur der pooten der vertoonde dieren weder niet
geheel rood is, zooals dit bij ferzazensis zou moeten zijn.
Het is dus M. malayensis DIST., var.
Opmerkelijk is, dat eene andere Capside, eveneens tot de
Bryocoraria behoorende, ook meermalen met Orchideeën is
ingevoerd in Europa, en wel uit tropisch Amerika. Ook deze
wants, Zenthecoris bicolor SCOTT, 1886 (= ÉEccritotarsus or-
chidearum REUT. 1000) is analoog van kleur: van voren
rood, van achteren staalblauw, echter met rooden cuneus.
Van Prof. ROEPKE mocht Spr. daaromtrent litteratuur-opga-
ven ontvangen.
POPPIUS beschreef in 1913 (Tijdschr. v. Ent. LVI, Suppl.
1913, p. 154—155) nog eene Mertila brevicornis op een vrou-
welijk exemplaar uit Semarang. Daar nu van alle Mertzla-exem-
plaren in Spr.’s bezit de sprieten incompleet zijn, is het
bezwaarlijk te zeggen, met welke Mertzla wij hier te maken
hebben.
Ten tweede vertoont Spr. eenige koffiekevers.
Reeds lang is bekend, dat de schadelijke koffietorren
eenigermate bedwongen worden door eene Cleride, nl.
Thaneroclerus buquet LEFEBR.
In den laatsten tijd heeft Spr. getracht, exemplaren daar-
van te bemachtigen met behulp van een koffiehandelaar.
Het bleek nu, dat Z%aneroclerus bondgenooten heeft. De
eerste Cleriden, welke gevonden werden, en die blijkbaar
van de koffiekevers of van hunne larven leven, waren Vecrobia
violacea L. en Necrobia (Agonolia) rufipes de G.
Eene latere vangst, bevattende alles, wat levend tusschen
de koffie aangetroffen werd, bevatte, behalve waarschijnlijk
twee Araecerus-soorten, weder Necrobla’s en Thaneroclerus.
Daar deze zending eerst na eenige dagen in Spreker’s handen
kwam, bevond zich nog slechts één kever in leven en wel
een ongeschonden Tkhaneroclerus buquet. Van de overige
kevers waren slechts brokstukken over. Thaneroclerus had
met alle andere afgerekend en zijne eigene zwakkere soort-
genooten en overige mede-Cleriden niet gespaard.
Het is nog ‘altijd niet uitgemaakt, welke soorten van
VERSLAG. LXXI
Araecerus bij ons in Nederland voorkomen. Ook dit is eene
reden, ons materiaal, dat minstens twee soorten bevat, nog
te vermeerderen. |
‘ De Voorzitter vermeldt eene mededeeling van LEEFMANS
over schadelijke insecten op Orchideeën, waarin ook gespro-
ken wordt van M. malayensis. Misschien zal ook deze
blijken, ten rechte brevicornis te zijn. Het zal nog wel moge-
lijk zijn, van Orchideeénkweekers ook gave exemplaren te
verkrijgen.
De heer Lycklama à Nijeholt vertoont een ex. van
Chloroclystis coronata HB., uit de rups gekweekt, om te be-
wijzen, dat ook de zeldzame insecten wel te vinden zijn,
wanneer men maar weet, hoe te moeten zoeken.
Verder heeft Spr. den geheelen kweek van Selenza tetralu-
naria HUFN. uit met mangaanhoudend voedsel gekweekte
rupsen medegebracht. Eene uitvoerige publicatie zal in het
T. v. E. verschijnen, doch hij wil wel mededeelen, dat z. i.
de resultaten er op wijzen, dat het mangaan geen invloed
heeft gehad, en het melanisme als verborgen eigenschap
aanwezig moet geweest zijn.
De Voorzitter merkt op, dat hij vooral bezwaar heeft
gehad tegen de conclusie van den heer LYCKLAMA, waar
deze aan de mangaan-oplossing alle waarde ontzegt, omdat
niet alle exemplaren op gelijke wijze veranderd zijn. Bij de
tegenwoordig in gang zijnde proeven omtrent opwekking
van mutaties door x- of radiumstralen of door verwarming
is dit zelfde geregeld het geval. Daarop wordt in eene en
dezelfde proef door sommige exemplaren niet, door andere
door het verschijnen van verschillende mutaties gereageerd ;
de inwerking is dus niet specifiek. Zoo kunnen ook van de
geslachtscellen sommige wel, andere niet veranderd zijn.
Dat het soma geliktijdig gewijzigd is, zooals hier gebeurd
moet zijn, als inderdaad de mangaanbehandeling de oorzaak
is, is wel zeer bijzonder, maar is in andere dergelijke ge-
vallen ook meermalen geconstateerd, ofschoon minder alge-
meen, meestal niet, soms wel. Vooral GOLDSCHMIDT’s ver-
hittingsproeven met Drosophila leverden hiervan allerlei
LXXII VERSLAG.
combinaties; de geslachtscellen kunnen ook andere wijzi-
gingen ondergaan dan die van het lichaam.
De heer Scholten geeft, naar aanleiding van deze dis-
cussie, nog een voorbeeld van de veranderingen, die door
de rupsen ondergane prikkels kunnen teweeg brengen. Bij
een kweek van Angerona prunaria L. leverden eenige
normaal gevoederde rupsen ook normale QQ, terwijl eene
rups, die toevalligerwijze lang honger had moeten lijden, de
prachtige aberratie sordiata FUESSL. © opleverde, Deze aber-
ratie komt bij de QQ zelden voor.
De heer Coldewey deelt mede, dat hij op 24 Juli 1931
eene Zephroclystia heeft gevangen, die hem onbekend voor-
kwam. Langdurig onderzoek leidde eindelijk tot de juiste
determinatie: 7. pimpinellata HB., nieuw voor onze fauna.
De moeilijkheid zat hierin, dat dit 4 zuiver lichtgrijs van
grondkleur is — de typische vorm is rossig of lichtbruin
gekleurd — en fletse teekening vertoont; evenwel komt de
donkere beschaduwing van de golflijn duidelijk uit. Deze
spanner was zeker in ons land te verwachten. D. TER HAAR
vermeldt in „Onze Vlinders” het voorkomen in Midden- en
Noord-Europa, behalve Nederland en de Poolstreken. Vroegere
opgave uit Nederland (in de Bouwstoffen) schijnt verkeerd
te zijn geweest en een gevolg van naamsverwarring. Dicht
bij onze grens is deze vlinder „nicht selten” (zie DAHM,
KNOPS und NETTELBECK: Die Grossschmetterlinge des linken
Niederrheins, 1930, blz. 79).
Verder kan Spr. de vangst melden van 7aeniocampa
mintosa F. op 1 Mei ’32 en van Chloantha polyodon CL. op
2 Juni ’32. Hoe ongunstig anders dit voorjaar voor de vangst
was, kan blijken uit de groote tegenstelling in het aantal
voor het eerst verschenen vlinders: tegenover 89 en 83
soorten in de Meimaanden van 1930 en ’31, bracht deze
laatste Mei slechts 57 soorten naar de lamp.
De heer van Poeteren doet Mededeelingen over
den Coloradokever. De Coloradokever is tusschen 1877
en 1914 zesmaal naar Europa overgebracht in zoodanigen
toestand, dat hij zich in aardappelvelden heeft kunnen vast-
VERSLAG. LXXII
zetten en vermeerderen, maar al deze infecties zijn door
krachtig ingrijpen volledig opgeruimd. In 1919 is de kever
echter nogmaals, en toen naar Frankrijk, overgebracht, en
zijne aanwezigheid is daar niet bemerkt vóór 1922, zoodat
hij zich daar zeer sterk, over eene oppervlakte van 25000
h.a. had uitgebreid. Sinds dien is de verbreiding elk jaar
verder gegaan, zoodat nu het besmette gebied in N. richting
400 km. diep is, en eene oppervlakte heeft van 8.000.000
h.a. Werkelijk aangetast waren echter slechts 1000 à 1200 ha.
Zoowel de vorige infecties als die in Frankrijk hebben be-
wezen, dat de kever zich in Midden-Europa zeer goed kan
ontwikkelen. In Frankrijk komen meestal 2 geheele en 1
partiëele generatie per jaar voor; in natte, koele jaren gaat
de vermeerdering minder snel, dan in droge en warme.
Als regel komen de kevers der 2° generatie na een korten
poptoestand uit den grond, maar zij kunnen ook in den grond
overblijven tot het volgend jaar. Vandaar dat een grondstuk,
waarop de larven tot volledige ontwikkeling gekomen zijn
en in den grond zijn gekropen, als besmet en voor de om-
geving ook het volgende jaar als gevaarlijk moet worden
beschouwd. Door het volgend jaar aardappelen op het be-
smette terrein te poten wordt vastgesteld, of de kever daar
nog aanwezig is, daar hij dan onmiddellijk bij zijn verschijnen
uit den grond een aardappelgewas vindt, om zich daarop
te begeven.
Gebleken is, dat de kever zoowel den winter, als over-
strooming van den grond goed kan doorstaan. Bij kouder
weer kruipt hij dieper in den grond weg. De verbreiding
van den kever gaat vrijwel geheel door middel van actieve
verplaatsing, over afstanden van eenige honderden meters
tot een paar km. Met behulp van den wind gaat de ver-
breiding veel verder, nl. 30—40 km.
De uitbreiding van het besmette gebied is zeer regel-
matig geweest en daardoor geheel door actieve verbreiding
te verklaren. Door invoer van producten uit de besmette
streken heeft in Frankrijk geene verspreiding van den kever
plaats gevonden. Het afval, verkregen bij de triage van
aardappelen gedurende 4 jaren is nauwkeurig onderzocht,
maar nooit heeft men daarin een kever gevonden. Het
LXXIV VERSLAG.
gevaar voor overbrenging van den kever met land- en tuin-
bouwproducten kan dan ook niet grooter geacht worden
dan dat met willekeurige producten of met vervoermiddelen.
Het heeft dan ook zeer weinig zin, krasse voorschriften te
geven voor den invoer van land- en tuinbouwproducten:
een verbod van invoer uit het gebied, waar de kever voor-
komt (de zgn. zöne contaminée omvat niet alleen de ge-
meente, waar een of meer kevers gevonden zijn, maar vaak
ook andere gemeenten geheel of gedeeltelijk) is daarom
voldoende.
In een zeer uitgestrekt gebied is de besmetting zeer gering,
daar per gemeente meermalen slechts een of enkele kevers
gevonden zijn, die onmiddellijk werden verzameld en gedood.
De bestrijding in dit gebied bestaat dan ook uit eene nauw-
keurige contröle op alle aardappelvelden (in hoofdzaak door
de landbouwers zelf en door schoolkinderen uitgevoerd) en
in het onmiddellijk uitroeien van elken haard in het begin,
waarbij er alles op gezet wordt, dit te doen, vöördat er
volwassen larven in den grond gekropen zijn. Als veiligheids-
maatregel wordt dan op ruime schaal eene bespuiting van
het aardappelloof met loodarseniaat toegepast.
Verder deelt Spr. mede, dat in Hoogeveen en Drijber op
dit oogenblik (Juni) veel last ondervonden wordt van vliegen
in huizen. Vermoedelijk zijn deze afkomstig uit het stadsvuil,
dat sinds eenigen tijd te Wijster wordt aangevoerd. Volgens
voorloopige determinatie van Prof. DE MEIJERE behooren zij
tot de soort Musca domestica L.
De Voorzitter dankt den heer VAN POETEREN voor zijne
mededeelingen. Spr., merkt op, dat de vergadering in dezen
onvoorbereid is, en dus bezwaarlijk een zelfstandig, definitief
oordeel over de al of niet noodzakelijkheid van de thans
geldende, strenge invoerbepalingen kan uitspreken. Boven-
dien kan, door de juist aangenomen bepalingen betreffende
den spreektijd, de discussie slechts van korten duur zijn.
Intusschen zijn de mededeelingen zeker met groote belang-
stelling aangehoord, vooral wat betreft de geringe besmetting
van een groot deel van het zgn. aangetaste terrein in
Frankrijk en het geringe gevaar voor het overbrengen door
behoorlijk gereinigde aardappelen.
VERSLAG. LXXV
De heer Corporaal is met den heer VAN POETEREN eens,
dat al wat tot nu toe over de levenswijze van den Colorado-
kever bekend is, geene aanleiding geeft, om juist den invoer
van aardappelen en groenten te belemmeren. Om gevaar
van import uit te sluiten, zou men dienen over te gaan
tot den onuitvoerbaren, draconischen maatregel, om alle
verkeer, ook van alle vrachtgoederen en zelfs van personen-
auto’s, te beletten, want de kans, dat levende kevers met
aardappelen- of groentenzendingen zouden mede komen, is
naar Spr.’s meening niet grooter dan met welke andere
handelswaar, of door welk ander verkeer ook.
Op Spr.’s vraag naar de mate van schadelijkheid van
den Coloradokever in Frankrijk antwoordt de heer VAN
POETEREN, dat die zoodanig is, dat men geregeld maat-
regelen moet blijven nemen. De bestrijding is vrij een-
voudig, maar kost toch + f 30 a f 50 per h.a.
De heer Uyttenboogaart heeft de oudere en nieuwere
Amerikaansche literatuur over dit onderwerp nagezien, waar-
uit hem bleek, dat de ondervinding, die men in Amerika
heeft opgedaan, volkomen overeenstemt met de meening, die
de heer VAN POETEREN heeft uiteengezet. Kevers en poppen zijn
daar uitsluitend gevonden in partijen aardappelen, die slordig
bijeen waren geharkt en met groote hoeveelheden aarde
van het veld waren vermengd. Eene dergelijke wijze van
verzending komt thans niet meer voor. Spr. is dus ook van
meening, dat de kans op vervoer van den kever met aard-
appelen en groenten stellig niet grooter is dan met welke
andere soort van waren ook, uit het besmette gebied
afkomstig.
De heer Bentinck laat ter bezichtiging rondgaan:
I. Een g van Ephestia figulilella GREGSON el. 10.4.32.
De rups verkreeg hij te Haarlem uit gedroogde vijgen, waar-
mede hij haar verder opkweekte, hetgeen met dergelijke
rupsen uit vijgen zelden gelukt. De soort is evenals £. cautella
WLK. steeds goed van £. elutella HB. te onderscheiden aan
de middencel der achtervleugels, die veel korter is dan bij
elutella. Versche exemplaren van figulzlella kan men weer
direct van cautella onderscheiden aan den eersten dwarsband,
LXXVI VERSLAG.
die bij cautella recht is en loodrecht staat op den binnenrand
Bij figulileila vormt deze dwarsband een grooten tand, franje-
waarts gericht, terwijl deze dwarsband bij e/utella geheel
schuin staat, gericht naar den staarthoek van den achter-
vleugel. Aangezien dit exemplaar beschouwd moet worden
als een importdier, kan de soort nog niet tot onze fauna
gerekend worden. Ter vergelijking vertoont Spr. behalve
voornoemd exemplaar, ook eenige andere van dit geslacht,
n.l.: elutella HB., cautella WLK., kühntella Z., en calidella GN.,
welke laatste soort evenals fgulzlella ook als importdier
verwacht kan worden.
II. Een ex. van Zephroclystia laquacaria H.S. op 16.5.32
te Meyendel bemachtigd.
De heer Reclaire laat een voor ons land — althans,
voor zoo ver hem bekend is — nieuwe wants rondgaan,
Anthocoris minki DHRN., met de var. szmulans REUT. De
nominaatvorm is door Pater A. J. SCHOLTE S.J. 12.8.1930
in 2 ex. bij Maastricht op esch gevonden, de var. door Spr.
7.6.1931 bi Bunde. De ex. van Pater SCHOLTE waren reeds
eenigen tijd bij Spr. ter determinatie; hij durfde echter nog
geene beslissing te nemen. De. heer SCHMIDT te Firth was
zoo vriendelijk, de ex. te onderzoeken en kon het vermoeden
bevestigen, dat wij hier inderdaad met Anthocoris minki en
de, overigens onbeduidende, var. szmulans te doen hebben.
Dat deze soort in ons land zou voorkomen, was te ver-
wachten, daar zij van het Beneden-Elbegebied, Rijnland en
Borkum bekend is. Volgens de literatuur leeft zij vooral op
esch, wat met Pater SCHOLTE’s waarneming overeenstemt.
Jammer genoeg, kan Spr. zich niet meer herinneren, op welke
plant de var. te Bunde werd aangetroffen; esch is zeer goed
mogelijk. Van de uit het grensgebied bekende soorten ont-
breken voor ons land nu nog Axthocoris visci DGL. SC., die
uit Engeland bekend is en (misschien) uit Tervueren (Belg.) en
die op maretakken leeft, zoodat zij wel in Zuid-Limburg te
vinden zal zijn, alwaar de maretakken nog veel voorkomen;
voorts A. amplicollis HORV., die van Frankfurt a. M. van esch
bekend is. Ofschoon de soorten van het genus Anthocoris
vermoedelijk in hoofdzaak van dierlijk voedsel (mijten, blad-
VERSLAG. LXXVII
luizen?) leven, is het-toch opmerkelijk, dat zij eene bepaalde
voorliefde voor sommige planten schijnen te bezitten, zoodat
het voorbeeld van Pater SCHOLTE, om de verblijfplant met
de vindplaats te vermelden, navolging verdient.
De heer Fischer laat ter bezichtiging rondgaan een op
17 Juni 1931 te Mechelen (Zuid-Limburg) gevangen g' van
Limenitis populi L. Dit is het zesde in Nederland gevangen
exemplaar. Eene bijzonderheid bij deze vangst was, dat het
dier zich op een knoop van Spr.’s colbert zette, zoodat het
zeer gemakkelijk te bemachtigen was. In dezelfde doos be-
vindt zich een exemplaar van Aporia crataegi L. met eene
afwijking in het aderstelsel. In den linker achtervleugel is
ader 5 gevorkt, terwijl op den rechter achtervleugel eene
aanduiding van dezelfde afwijking zichtbaar is. Ter vergelij-
king is er een normaal exemplaar bijgestoken. Eene zelfde
afwijking, echter in beide achtervleugels, vertoonde een in
de 48° Wintervergadering door den heer VAN EECKE rond-
gegeven exemplaar (T.v.E. LvIu, blz. XVIII).
Ten slotte een aantal Trichoptera, nl.:
1°. Een tiental Jo en 2 QQ van Stenophylax alpestris KOL,
gevangen te Brunssum (L.) op 19.5.1932. Deze soort is nieuw
voor onze fauna, komt echter ook in het aangrenzende ge-
bied voor (België, Duitschland, Denemarken), zoodat deze
vangst geene groote verrassing is.
2°. Eene serie van Trraenodes conspersa CURT., waarvan
Spr. een groot aantal ving te Waalre aan den Dommel (N.Br).
Van deze soort zijn, tenminste wat imagines betreft, slechts
2 vangsten hier te lande bekend, nl. Arnhem (A. B. VAN
MEDENBACH DE Rooy) !) en Lochem (v. D. WEELE) ?). Wel
werd de larve door F. J. GORTER *) te Wassenaar en door
mej. A. P. C. DE Vos 4) op verschillende plaatsen aangetroffen.
1) HERMAN ALBARDA: ,,Catalogue raisonné et synonymique des Névro-
ptéres etc.” in T.v. E. XXXII, biz. 211--376.
2) Dr. H. W. VAN DER WEELE: ,,Eerste supplement op den Catalogus
der Nederlandsche Neuropteroidea” in T. v. E. L, blz, 121—128,
3) FREDERIK JAN GORTER: ,,Proeven over den kokerbouw van Tri-
choptera-larven”; academisch proefschrift, 1929.
4) Mej. A. P. C. DE Vos: ,,Ueber die Verbreitung der aquatilen Insek-
tenlarven in den Niederlanden”, in Internationale Revue der gesamten
Hydrobiologie und Hydrographie, 1930, Band 24, Heft 5/6, Seite 485—506,
LXXVIII VERSLAG.
3°. Een exemplaar (Q) van Agapetus comatus PICT., gevan-
gen te Mechelen (L.) 12.6.1931. Dit is de eerste in Nederland
gevangen imago; de larve werd door mej. DE Vos 4) bij
Gulpen gevonden.
4°. Een 9 Beraeodes minuta L., eveneens te Mechelen
gevangen (15.6.1931). Tot nu toe slechts gevangen te Rot-
terdam (SNELLEN) !), Rhoon (SCHEPMAN) !), Hilversum (DE
MEIJERE) °).
5°. Eene kleine serie Adicella reducta MAC LACHL., ook
uit Mechelen. Van deze soort ving V. D. WEELE ?) 1 { aan
den Plasmolen, terwijl zich in de collectie van Dr. D. Mac
GILLAVRY nog een Jg‘ bevindt, gevangen te Epen (L.), in Juli
1916.
De Voorzitter spreekt zijne voldoening er over uit, dat
de heer FISCHER zich met zoo veel ambitie en talent met
de Trichoptera bezig houdt. Kennis dezer orde zou o.a. van
groot belang kunnen zijn in questies, zooals zich onlangs
met betrekking tot het spaarbekkenplan in de omgeving
van Epen hebben voorgedaan, waar het vooral ging om
insecten, wier larven in het water leven.
De heer Scholten zegt, dat hij nu sinds to jaar zich bezig
houdt met de vlinderfauna zijner omgeving. De tijd is be-
trekkelijk kort en het onderzochte gebied niet bijzonder
groot. Daar nu de vergadering van onze vereeniging in de
onmiddellijke nabijheid van Spr.’s operatieterrein wordt ge-
houden, is het misschien interessant, eens enkele oogen-
blikken stil te staan bij de resultaten van Spr.’s nasporingen
(alleen Macrolepidoptera).
Het bedoelde terrein omvat Spr.’s vroegere woonplaats
Herwen, zijne tegenwoordige Lobith, den Bijvank, een bosch
te Beek bij Didam, met omgeving, en een gedeelte van de
Montferlandsche heuvels. Spr. schat de oppervlakte van het
gebied op hoogstens 25 a 30 [] km, en dan zijn daarin
nos vedeelten, "waarın Spry nn t ceheell niet joigslechts
zelden is geweest.
De bodemgesteldheid, waarvan de vlinderfauna voor een
groot deel afhankelijk is, is voor dit kleine gebied nogal
1) 2) 4) Zie vorige bladzijde.
VERSLAG. LXXIX
gunstig. Het omvat het lage gebied van Herwen en Lobith
met vele waterplanten, den zandgrond van Beek-Didam
met veel houtgewas en de begroeide heuvels van den
Montferland.
Van twee aangrenzende gebieden hebben wij een uit-
voerig overzicht in: „Die Groszschmetterlinge des linken
Niederrheins” van C. DAHM, H. KNOPS en P. NETTELBECK,
verschenen in 1930. Het behandelt den geheelen linkeroever
van den Beneden-Rijn. En verder: „Die Groszschmetterlinge
Westfalens, mit besonderer Berücksichtigung der Gegenden
von Warburg, Rietberg und Hagen”, van KARL UFFELN.
Het is van 1910, terwijl in 1914 eene aanvulling hierop
verscheen.
Het eerste gebied is dus veel uitgestrekter. Het omvat
de resultaten van verscheidene verzamelaars, over een veel
grooter tijdsverloop. Hetzelfde geldt voor het andere gebied,
waarvan de lokaalfauna’s van Warburg en Hagen een ge-
bergte-karakter hebben.
Vergelijken wij nu de aantallen vastgestelde soorten
(variëteiten en aberraties heeft Spr. niet meegeteld), dan
kwamen er (tot 1910):
bij Warburg voor: 537 soorten,
by Rietberg 397 soorten,
bij Hagen 461 soorten,
in het gebied van Krefeld: 524 soorten (1930),
Lobith en omgeving 466 soorten, waarvan alleen in den
Bijvank 300 soorten. Spr. hoopt, elders eene lijst der ge-
vonden soorten te publiceeren,
Nu Spr. toch over de plaatselijke fauna spieekt, wil hij
nog iets mededeelen over eenige waarnemingen, in de om-
geving van Lobith gedaan, en waaruit blijken kan, hoe in
korten tijd groote veranderingen in die fauna kunnen op-
treden. Spr. ontdekte hier, eenige jaren geleden, een prachtig
moerasgebied met vele boomen en struiken en waterplanten,
gelegen tusschen den Rijn en een ouden Rijnarm, genaamd
de Bijland. Door den lagen waterstand van 1929 en 1930
was dit gebied goed bereikbaar en bleek op een klein terrein
vele soorten vlinders, de meeste zeer talrijk, te bevatten.
Spr. noemt slechts:
6
LXXX VERSLAG.
Arsilonche albovenosa GOEZE. Als rups zeer talrijk in Juni
1929 op riet en harde grassen.
Miana ophiogramma Esp. Rups 1° helft Mei 1930 in jonge
rietstengels.
Helotropha leucostigma HB. Rupsen talrijk in wortels en
stengels van Iris pseudacorus L.
Nonagria cannae O. Rups in Typha latifolia L., maar veel
meer in gewone bies, Scirpus lacustris L.
Nonagria geminipuncta HATCHETT.
Calamia phragmitidis HB. Rupsen in riet, maar ook veel
in Symphytum officinale L.
Leucania obsoleta HB. Nazomer 1929 rupsen zeer talrijk aan
riet. Overdag verborgen in rietstoppels, soms 5, 6 in één
stoppel.
Taeniocampa gracilis F. Rupsen in bijeengerolde bladeren
van Lysimachia vulgaris L.
Calocampa vetusta HB. Rupsen aan grassen.
Erastria uncula O.
Sesta formicaeformis ESP.
En vele spanners.
In October 1930 kwam alles onder water te staan, en
doordat de sluis, die dit water anders moest afvoeren, defect
werd en niet hersteld kon worden, bleef het terrein onge-
veer een jaar onder water.
In het voorjaar van 1932 is Spr. er pas weer geweest, het
laatst in Juni van dit jaar. Hoewel de plantengroei zich
weer begon te herstellen, bood het terrein voor den entomo-
loog een troosteloozen aanblik. Er was bijna geen leven te
bespeuren. Geene vlinders, geene rupsen. Geen enkele riet-
stengel was aangevreten. De talrijke wilgen zaten evenwel
dik onder de bladluizen. Zal de vroegere, rijke vlinderfauna
hier weer terugkeeren ?
Tot slot enkele vangsten, die in een of ander opzicht
vermeldenswaard zijn:
Hoplitis milhauseri F. Babberich, 6 Juni 1931. { op eik.
Gastropacha quercifolia L. Rups op kruipwilg. Didam 20/5
1930.
Odontosia carmelita Esp. Deze zeldzame vlinder is enkele
keeren in ons land gevangen, o.a op de Veluwe. Het
VERSLAG. LXXXI
„bicoloria”’-bosch bij den Imbosch leek Spr. eene aangewezen
plek, waar het dier gevonden kon worden. Daarom is hij er
9 Mei van dit jaar heengegaan, en heeft na honderden
berken afgezocht te hebben, succes gehad. Spr. vond op
één stam een æ en een 9. De eieren, die het © denzelfden
en den volgenden dag legde, bleken gelukkig bevrucht te
zijn. Spr. kreeg er 70, waarna hi het Q voor zijne collectie
heeft gedood. De eieren, die onregelmatig aan de wanden
van het doosje waren vastgehecht, waren halfkogelvormig,
iets plat, blauwachtig wit, aan de afgeplatte zijde bleekgroen.
De bovenste pool is eene lichtgroene vlek, iets doorschijnend.
SPULER zegt van het ei, dat het ,,fein schwarz punktiert” is.
Bij eenige vergrooting blijkt de oppervlakte bedekt te zijn
met een netwerk van tamelijk regelmatige zeshoekjes, waar-
van de zes hoekpunten gaatjes zijn, die er als ’t ware met
een fijne naald ingeprikt zijn. Hierdoor was het ei gemak-
kelijk te onderscheiden van dat van Pheosza dictaeoides ESP.,
waarvan het op het oog niet te onderkennen was.
Het ei verkleurde voor het uitkomen bijna niet. Op 17
en 18 Mei kwamen de eieren uit. De pas uitgekomen rupsjes
zijn witachtig, de inwendige organen groen doorschijnend.
De kop is zwart, groot. Op de segmenten verspreid staande,
stijve haren. Zij eten aanvankelijk gaatjes uit de bladopper-
vlakte van berk. Na 1 dag is de kleur bleekgroen.
Met enkele bezwaren moet in den beginne bij het op-
kweeken rekening worden gehouden. Het voedsel moet vol-
doende vochtig blijven. De rupsjes loopen gauw van de
blaadjes weg, vooral als zij licht zien. Dan raken zij licht
in de spinseldraadjes verward, en zijn dan meestal verloren.
Daarom heeft Spr. de eerste dagen zoogenaamde vang-
glaasjes gebruikt, glazen buisjes van + 1 decimeter lengte
en 2 centimeter doorsnee, die aan beide einden door eene
kurk gesloten kunnen worden. Daarin een strookje vloei-
papier, waarop enkele blaadjes berk. Hoe minder rupsjes
men in één glaasje doet, hoe beter, met het oog op het
zooeven genoemde euvel van het in de draadjes verward
raken. Deze buisjes — Spr. noemt ze in zijne aanteekeningen
„baby-buisjes’’ — legt Spr. op vochtig zand in eene blikken
trommel, en sluit deze af. Als het zand niet al te nat is,
LXXXII VERSLAG.
blijft het voedsel frisch, zonder dat de glaswand vochtig
aanslaat. En het licht verleidt ze niet, op ééne plaats samen
te kruipen of tusschen glaswand en kurk te ontsnappen,
zooals de jonge rupsjes van Zaeniocampa populeti TR. deden!
Dit is weer te voorkomen, door de kurk met papier te om-
wikkelen en dan vast aan te drukken. Voor luchtgebrek
behoeft men niet bevreesd te zijn. Spr. heeft deze methode
dit jaar, behalve met Odontosia carmelita ESP., met succes
toegepast bij het kweeken van Pachnobta rubricosa F. (die
zich overigens zeer „anständig’” gedraagt), Zaeniocampa po-
puleti TR, Boarmia consonaria HB. en Liston hirtaria CL,
van welke laatste drie soorten de baby’s zich steeds snel
over de grootst mogelijke oppervlakte trachten te verspreiden.
Later heeft Spr. ze in grootere glazen en eindelijk in jam-
potten verder gekweekt. Hoe grooter ze worden, hoe minder
Spr. er in ieder glas deed. Door telkens een stuk vloei of
filtreerpapier onder te leggen, kan men de glazen gemak-
kelijk zindelijk houden. Bij koud of nat weer kan men om
den anderen dag, bij warm weer moet men elken dag versch
voer geven.
De jonge carmelita-rupsen hielden zich bij voorkeur aan
de onderzijde van de bladeren op. Op 22 Mei waren de
meeste voor den eersten keer verveld. Zij groeiden langzaam.
De kop was nu niet meer zoo opvallend groot.
Op 26 Mei gaf Spr. ze niet de gewone soort berk, maar
eene andere, met zachte, viltachtige bladeren. Zij lieten ze
nagenoeg onaangeroerd. Toen Spr. ze den volgenden dag
weer het gewone voedsel gaf, aten zij weer goed.
Na de eerste vervelling begint de kleur aan de bovenzijde
geelgroen te worden. Op 28 Mei begonnen zij voor den
tweeden keer te vervellen. Zij waren nu + 2 cm lang. Grond-
kleur bleekgroen, met uit gele vlekjes bestaande langslijnen.
De huid is gerimpeld. Op 4 Juni begonnen de eerste exem-
plaren voor den derden keer te vervellen. Kort na deze
vervelling ontstonden op de gele zijlijn menieroode vlekken.
Een voordeel is, dat de excrementen droog zijn, waardoor
de potten niet gauw vervuilen.
Op 8 Juni zijn de meeste rupsen verveld. Spr. had toen
nog ruim 40 rupsen. Na elke vervelling zijn er enkele ge-
VERSLAG. LXXXIII
storven. Van af 12 Juni heeft Spr. de volwassen exempl. in
een grooten bloempot gedaan, gedeeltelijk gevuld met eiken-
zaagsel, en bedekt met eene laag mos, boven door een gazen
cylinder afgesloten. Na de 3° vervelling zijn nog verschillende
dieren gestorven, zoodat er op 17 Juni 25 à 30 dieren ter
verpopping weggekropen waren.
De volwassen rups is in ’t midden het breedst, plat, sterk
gerimpeld. De ruglijn is groen en alleen zichtbaar door de
begrenzing van twee, uit gele vlekken bestaande lengtelijnen.
In de overige vlekken is weinig belijning te bespeuren. Al-
leen de zijlijn is duidelijk zichtbaar. Zij is geel, met midden
op ieder segment een zwart stigma. Deze lagen bij Spr.’s
rupsen niet zooals SPULER en andere melden, zz eene roode
vlek. Die roode vlek begint pas bij het stigma en zet zich
vandaar voort tot aan de volgende segmentinsnijding. De
kleur van de vlekken is bij de volwassen rups bleeker ge-
worden, meer rose, bij sommige bleek bruinrood.
De onderzijde is blauwgroen, evenals de pooten, en sterk
gerimpeld. De kop is klein, lichtgroen, met twee, naar be-
neden divergeerende gele lijnen.
Verder:
Hyppa rectilinea Esp. Twee ex. op dennen 2.6.1930. Mont-
ferland.
Taeniocampa miniosa F. 3 ex. op katjes. Bijvank, April
1931 en 1932.
Taen. optima HB. Van dezen zeldzaamsten der 7aento-
campa’s vond Spr. op 12.5.1932 een ©, op hei zittend, in
de omgeving van Montferland.
Acidalia interjectaria BOISD. De heeren LYCKLAMA en
VAN WISSELINGH vermeldden van deze soort als meest
Oostelijke vindplaats Nijmegen. Spr. ving één ex. in Herwen,
terwijl de soort midden Juli 1931 op eene plaats te Lobith
talrijk vloog.
Ortholita bipunctaria SCHIFF. Dit kalkgronddier is in Zuid-
Limburg zeldzaam. Eind Juli 1930 talrijk op den Welterberg.
Tephroclystia albipunctata Hw. Geheel zwart exempl. el.
gekweekt uit rupsjes, in October 1931 gevonden op bereklauw
in den Bijvank.
Ematurga atomaria L. Een afwijkend 9 van den Montfer-
LXXXIV VERSLAG,
land, waarbij van de bekende bruine banden alleen de
buitenste op onder- en bovenvleugels aanwezig is.
Niets meer aan de orde zijnde, wordt de vergadering door
den Voorzitter, na dankzegging aan de sprekers, gesloten.
VERSLAG. LXXXV
De contributie voor de Nederlandsche Entomologische Vereeniging be-
draagt per jaar / 10.—. Tegen storting van een bedrag van / 100.—
in eens, of, voor personen in het buitenland, van / 35.-—, kan men
levenslang lid worden. De leden ontvangen gratis de Verslagen der Ver-
gaderingen (2 per jaar), de Æntomologische Berichten (6 nummers per
jaar) en de Verslagen van de Vergaderingen der Afdeeling Nederlandsch
Oost-Indië. De leden kunnen zich abonneeren op het Zydschrift voor
Entomologie voor f 6.— per jaar.
Voor niet-leden bedraagt de prijs van het Tyjdschrift voor Entomologie
per jaargang / 12.—, netto, en van de Extomologische Berichten en van
de Versl. v. d. Verg. d. Afd, N.0.-I. f 0.50 per nummer.
La cotisation annuelle de la Société Entomologigue Neerlandaise est
fixée a fl. 10.—. Contre un versement de fl. 100.— (pour les étrangers
fl. 35.—) on peut être nommé membre à vie. Les membres reçoivent les
Procès-verbaux des séances (2 par année), les Lxtomologische Berichten
(6 numéros par année) et les Procès-verbaux des séances de la Division
des Indes orientales Néerlandaises. L'abonnement au T7üdschrift voor
Entomologie est, pour les membres, fixé a fl. 6.— par année.
Le prix du ZWdschrift voor Entomologie pour les personnes, qui ne
sont pas membres de notre société, est fixé a fl. 12.— par volume, net,
et des Extomologische Berichten et des Proc.-verb. de la Div. des Indes
or. neerl. a fl. 0.50 par numéro. ©
The subscription to the Wetherlands Entomological Society is fixed at
fl. 1o— per annum. Life-membership can be obtained by paying the
amount of fl. 100.— (for foreigners fl. 35.—). The Reports of the Meetings
(2 per year), the Extomologische Berichten (6 numbers per year) and the
Reports of the Meetings of the Division Netherlands East Indies are sent
to all members. The subscription to the Zydschrift voor Entomologie
amounts, for members, to fl. 6.— per annum.
For others the price of the 7ydschrift voor Entomologie is fl, 12.—
per volume, net, of the Extomologische Berichten and of the Reports of
the Division Netherl. East Indies fl. 0.50 per number.
Der Mitgliedsbeitrag fur die Niederländische Entomologische Gesellschaft
betragt fl. 10.— pro Jahr. Lebenslängliche Mitgliedschaft kann erworben
werden gegen Zahlung von fl. 100.— (für Ausländer fl. 35.—). Die Sztzungs-
berichte (2 pro Jahr), Extomologische Berichten (6 Nummer pro Jahr) und
die Sttzungsberichte der Abteilung Niederländisch Ostindien werden allen
Mitgliedern zugesandt. Mitglieder können auf die Tyjdschrift voor Ento-
mologie abonnieren zum Vorzugspreise von fl. 6.— pro Jahr.
Für Nichtmitglieder beträgt der Preis der Tijdschrift voor Entomologie
fl. 12.— pro Band, netto, der Zntomologische Berichten und der Sitzungs-
berichte der Abt. Niederl. Ostindien fl. 0.50 pro Nummer.
LXXXVI VERSLAG.
Voor de leden der Nederlandsche Entomologische Ver
eeniging zijn verkrijgbaar bij den Secretaris, J. B. Corporaal,
p/a. Zoölogisch Museum, Plantage Middenlaan 53, Amsterdam
(C.), voor zoover de voorraad strekt:
Tijdschrift voor Entomologie, per deel (f 12.—)
Entomologische Berichten, per nummer (/ 0.50)
Verslagen van de Vergaderingen der Afdeeling
Nederlandsch Oost-Indië van de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, per nummer (/ 0.50)
Handelingen der Nederlandsche Entomologische
Vereeniging, van 1846—1858, met Repertorium
ses der Vergaderingen . 5 (ye ©EO)
Pane? Snellen, De vlinders van Nederland,
na met 4) platen).
F. M. van der Wulp, Catalogue of the de-
scribed Diptera from South-Asia . (f 3. —)
laa Wie van Clee Wulpssen Deef (Ga Ely dic
Meijere, Nieuwe Naamlijst Nederl. Diptera .
Handleiding voor het verzamelen, bewaren en
verzenden van uitlandsche insecten . if LOGE)
Repertorium betreffende deel I- VIII van het
Tijdschrift voor Entomologie . :
Repertorium heats ded DEC i, 5
Repertorium betreffende deel XVII—XXIV id.
Jhr. Dr. Ed. Everts, Lijst der in Nederland en
het aangrenzend gebied voorkomende Coleoptera
C. J. M. Willemse, Orthoptera Neerlandica
ee
M. A. Lieftinck, Odonata neerlandica I (» 5.—)
DD » » » II (» 5.—)
Prot) On Cagbacde Mieijene Die Parvenzdet
Agromyzinen . (f 5.—)
Dr. A.C. Oudemans, Kritisch- Historisch Over-
zicht der Acarologie, deel I . 3 . (f12.—)
Deel Il a De)
Dre]. Torzopens, De soort als functie van
plaats en tijd, getoetst aan de Lycaenidae van het
Australaziatisch gebied (alleen voor leden)
Dr. H. Schmitz S.J., In Memoriam P. Erich
Wasmann S. J. RR dus Sy GF 250)
DEIN Reclaire, Naamlijst Nederl Wantsen
=)
7
»
»
6.—
0.20
1.50
Bi
De prijzen tusschen haakjes ( ) gelden voor niet-leden
der Vereeniging.
LXXX VII
LIJST VAN DE LEDEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
OP 1 SEPTEMBER 1932,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
(De Leden, die het Tijdschrift voor Entomologie Deel LXXV
ontvangen, zijn met een *, de Leden voor het
leven met een § aangeduid).
QD <2 -—___
BUITENGEWOON EERELID.
*Z. K. H. de Prins der Nederlanden, Hertog van
Mecklenburg. 1903.
EERELEDEN.
*Dr. R. Gestro, Genua, 1909.
“Prof Dr. K. M. Heller, Zranklnstr. 22, Dresdens 1911.
*Prof. H. J. Kolbe, Szeznäckerstr. 12, Berlin-Lichterfelde W.
RO
*Lord Walter Rothschild, Zreug Park, Herts., Engeland. 1913.
*Dr. G. de Horvath, emeritus-director, Zoologische Abtei-
lung, Ungarisches Nationalmuseum, Budapest. 1929.
*Dr. L. O. Howard, Principal Entomologist, Bureau of
Entomology, Washington, D. C., U.S. A. 1929.
*Prof. Dr. A. Handlirsch, Rubensgasse 5, Wien IV. 1931.
*Prof. Dr. W. M. Wheeler, Bussey Institution for Applied
Biology, Boston, Mass, U.S.A. 1931.
*Dr. A.C. Oudemans, Burgemeester Weertsstraat 65, Arnhem.
1932.
BEGUNSTIGERS.
*Het Koninklijk Zoölogisch Genootschap „Natura Artis
Magistra”, Amsterdam (C.). 1879.
LXXXVIII LIJST DER LEDEN ENZ.
De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, Haarlem.
1884.
Mevrouw J. M. C. Oudemans, geb. Schober, Huize „Schoven-
horst”, bij Putten (Veluwe). 1892.
SMevrouw de Wed. J. P. Veth, geb. v. Vlaanderen, België.
1890.
Mej. C. E. Sepp, Villa Eikenhorst, Bussum. 1900.
Mevrouw de Wed. J. M. van der Hoop, geb. de Monchy,
Mathenesserlaan 252, Rotterdam. 1913.
_ Mevrouw P. J. K. de Meijere, geb. v. Dam, Stadhouderskade
, Amsterdam (Z.). 1913.
nee S. M. Oudemans, geb. Hacke, Putten WER
1922
SMevrouw E. Uyttenboogaart, geb. Eliasen, Renkum. 1922.
SMevrouw J. J. Hacke, geb. Oudemans, Bronovolaan 14,
's-Gravenhage. 1923.
Mevrouw A. Corporaal, geb. v. Rienderhoff, Noorder Am-
stellaan 232", Amsterdam (Z.). 1926.
Mevrouw A. Y. S. Mac Gillavry, geb. Matthes, Fan Willem
Lrouwersplein 9, Amsterdam (Z.). 1926.
§C. A. Oudemans, Oude Delft 212, Delft. 1929.
$Mevrouw J. S. Oudemans, geb. Hoeksma, Arts, Oude Delft
212, Delft. 1929.
$Dr. Ir. A. H. W. Hacke, Dronovolaan 14, ’s-Gravenhage.
1920.
$Mej. C. C. Oudemans, 2° Adelheidstraat 192,’s-Gravenhage.
1930.
CORRESPONDEERENDE LEDEN.
A. W. Putman Cramer, Lawrence Avenue 322, Westfield,
New Versey. 1883.
Dr. L. Zehntner, Rezgoldswil, Baselland (Zwitserland). 1897.
Dr. P. Speiser, Kreismedicinalrat, Kazserstrasse 12, Königs-
berg i.. Pr. 1906.
Dr. H. Schmitz, S. J., Ignatius College, Valkenburg (L.). 1921.
*Dr. W. Horn, Gosslerstrasse 18, Berlin-Dahlem. 1928.
*Dr. E. R. Jacobson, Fort de Kock, Sumatra. 1928.
Dr. K. Jordan, Zoological Museum, 7ring, Herts., Engeland.
1928.
LIJST DER LEDEN ENZ. LXXXIX
J. D. Alfken, Delmestrasse 18, Bremen. 1929.
#A. d'Orchymont, Houba de Strooperlaan 132, Brussel II. 1929.
H. St. John Donisthorpe, Durandesthorpe, 19, Hazelwell-road,
Putney, S. W. 15, Engeland. 1931.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
*René Oberthür, Faubourg de Paris 44, Rennes (Ille-et-Vilaine),
Frankrijk. — Coleoptera, vooral Carabiden (1882—83).
Dr. H. Schouteden, Directeur du Musée du Congo, 7ervueren,
België. — (1906—07).
Corn. J. Swierstra, Directeur van het Transvaal-Museum,
. Pretoria. — (1908—00).
*James E. Collin, Sussex lodge, Newmarket, Engeland. —
(1913—-14).
*Bibliotheek der R. Universiteit, Lund, Zweden. — (1915— 16).
P. Dr. Felix Riischkamp, Hofgartenstrasse 9, Bonn a. Rh,
— Coleoptera (1919—20).
*Dr. W. Chr. Mezger, 45, Boulevard de la Saussaye, Neuilly
s/Seine, Frankrijk. — (1926— 27).
*Dr. A. Clerc, 7, Rue de Montchanin, Paris XVII, EE
— Coleoptera, vooral Curculionidae orb. terr. (1926—27).
#Dr. A. Avinoff, Director, Carnegie Museum, Petésburg, Pa.,
U. S. A. — Lepidoptera (1928— 29).
*Prof. N. Bogdanov—Katjkov, Instituut voor toegepaste
Zoölogie en Phytopathologie, Zrozzkj str., 9, apt. 8, Lenin-
grad, U. S. S. R. — Oeconomische Entomologie en
Tenebrionidae (1928 — 29).
*John D. Sherman Jr., 732, Primrose Ave., Mount Vernon, N.Y.,
U.S. A. — Bibliographie. (1930—31).
GEWONE LEDEN.
Prof. Dr. H. J. van Ankum, Zezst. — Algemeene Zoölogie
(1871 —72).
*H. A. Bakker, Biol. Cand., Marconistr. 5, Vmuiden. —
Neuroptera. (1921—22).
Dr. G. Barendrecht, Parklaan 79, Haarlem. — Hymenoptera
(1928--29).
*Prof. Dr. L. F. de Beaufort, Buitengewoon Hoogleeraar aan
de Gemeentelijke Universiteit; Directeur van het Zoölogisch
XC LIJST DER LEDEN ENZ.
Museum te Amsterdam, Huize ,,de Hooge Kley”, Leusden
bij Amersfoort. — (1911—12).
§Dr. W. Beijerinck, Biologisch Station, Waster (Dr.). . —
(1930—31).
Ir. G. A. Graaf Bentinck, Electrotechn. Ing., Bloemendaal-
sche weg 196, Overveen. — Lepidoptera (1917—18).
K. J. W. Bernet Kempers, Directeur der Registratie, Rzouw-
straat 152, ‘s-Gravenhage. — Coleoptera (1892—93).
A. J. Besseling, A. de Hoven 109, Leeuwarden. — (1923—24).
Dr. J. G. Betrem, Entomoloog b/h. Proefstation Malang,
Malang, Fava. — Hymenoptera (1921—22).
Dr. J. A. Bierens de Haan, Privaatdocent aan de Universiteit,
Minervalaan 26, Amsterdam (Z.). — (1918—19).
*H. C. Blôte, Conservator aan ’s-Rijks Museum van Natuur-
lijke Historie te Leiden, Parkweg 326, Voorburg. —
(1923—24).
P. R. Bodifée, p/a. Curagaosche Petroleum Maatschappij,
Willemstad, Curacao. — Coleoptera (1923—24).
*W. J. Boer Leffef, Molleruslaan 22, Apeldoorn. — Lepidoptera
(1929— 30).
*Mevrouw J. Bonne—Wepster, Kebon Sirih 64, Batavia (C.),
Fava. — Diptera, sp. Culicidae (1931— 32).
Dr. J. Bosscha, Parc Dubochet, Clarens, Zwitserland. —
Coleoptera (1882—83).
B. E. Bouwman, Belthoven. — Hymenoptera aculeata (1926
—1927)
J. Broerse, Rustenburgerstr. 108", Amsterdam (Z.). — Neder-
landsche Coleoptera (1923—24).
L. D. Brongersma, biol. docts., Bloemendaalsche weg 84,
Bloemendaal. — (1930—31).
A. M. Brouwer Jr., Mengelberglaan 56, Utrecht. — Lepido-
ptera (1928 — 29).
G. A. Brouwer, Petrus Campersingel 239, Groningen. — Alge-
meene Entomologie (1929 — 30).
Dr. S. L. Brug, Chrysanthemumlaan 3, Heemstede. —
(1931—32).
A. J. Buis, Soestdijksche weg III, Bilthoven. — Lepidoptera
(1907— 08).
LIJST DER LEDEN ENZ. XCI
Mej. A. M. Buitendijk, Witte Singel 73a, Leiden. — Aptery-
gogenea (1932).
Prof. Dr. L. P. de Bussy, Sparrenwoude, Westeinde 7, Baarn.
— (1908—09).
#T, R. Caron, Van der Helstlaan 44, Hilversum. — Lepido-
ptera (1919—20).
*Mr. H. H. C. Castendijk, Westerstraat 37, Rotterdam. —
(1927—28).
*H. Coldewey, „Meeuw Veldwijk”, Twello. — Lepidoptera
(1919—20).
§*J. B. Corporaal, Conservator voor Entomologie aan het
Zoölogisch Museum, Plantage Middenlaan 53, Amsterdam
(C.). — Coleoptera, vooral Cleridae (1899-— 1900).
*Jos. Cremers, Hertogsingel 10, Maastricht. — Coleoptera en
Lepidoptera (1906—07).
Dr.K. W. Dammerman, Directeur van ’s Lands Plantentuin,
Buitenzorg, Fava. — Algemeene Entomologie (1904—05).
*Mr. E. van Delden, Bankastraat 12, Soerabaja, Fava. —
Lepidoptera van Ned. O.-Indié (1923—24).
*Het Deli Proefstation, Medan, Sumatra. — (1908—09).
Prof. Dr. H. C. Delsman, Hoofd v/h Laboratorium voor het
Onderzoek der Zee, Vellalaan 7, Batavia (C.), Fava. —
Algemeene Entomologie (1931—32).
*E. D. van Dissel, Directeur van het Staatsboschbeheer,
Nassaustraat 15, Utrecht. — (1906—07).
C. J. Dixon, Da Costalaan 11, Rijswijk (Z.-H.). — Coleoptera
(1890—91).
*Prof. Dr. W. Docters van Leeuwen, Yan Steenlaan 2 À,
Bilthoven. — (1921—22).
*#P. H. van Doesburg, Gang Pernis, Semarang, Fava. — Coleo-
. ptera (1921—22).
*G. Doorman, Koninginneweg 22, Wassenaar. — (1915—16).
*#F. C. Drescher, Bangawanlaan 29, Bandoeng, Fava. —
(191I—12).
*E. Dunlop, Ryperweg 7, Bloemendaal. — Lepidoptera
(1927—28).
Mr. E. J. F. van Dunné, kantoor Mrs. Henny & Schoutendorp,
Batavia, Fava. — Lepidoptera (1911— 12).
R. van Eecke, Conservator aan ’s Rijks Museum van Natuur-
XCII LIJST DER LEDEN ENZ,
lijke Historie, Maredijk 161, Leiden. — Lepidoptera en
Thysanoptera (I9II—12).
*H. C. L. van Eldik, Van der Woertstraat 20, 's-Gravenhage.
— Lepidoptera en Coleoptera (1919— 20).
M. L. Eversdijk, Brezelinge, — Algemeene Entomologie
(1919—20).
G. L. van Eyndhoven, ZEindenhoutstraat 26, Haarlem. —
Lepidoptera (1927—28).
*F. C. J. Fischer, Zuiînffuiterlaan 15, ’s-Gravenhage. — Lepi-
doptera (1929—30).
*Dr. H. J. de Fluiter, Hoogstraat 71, Wageningen. — (1929—30).
Dr. C..J. H. Franssen, Dierkundige bij het Instituut
voor Plantenziekten, Buzttenzorg, Fava. — Aphididae
(1928 —29).
SD. C. Geijskes, Frederik Hendriklaan 17, Oegstgeest. —
(1928 —29).
*L. van Giersbergen, Rijksbijenteelt-consulent, Wageningen.
— (1907—08).
*Mej. A. Gijzen, Biol. Doct?., Bergweg 230%, Rotterdam. —
Microlepidoptera (1929—30).
*Dr. P. van der Goot, Dierkundige bij het Instituut voor
Plantenziekten, Buztenzorg, Fava. —- Aphididae en Coccidae
(1910—11).
#Dr. F. J. Gorter, Manggalaan 28, Medan, Sumatra —
(1928—29).
*J. A. M. van Groenendael, arts, Wilhelminastraat 21, Soe-
kaboemi, Fava. — (1930—31).
Dr. J. A. W. Groenewegen, leeraar aan de H.B.S., Johan
de Withstraat 49, Leiden. — Arachnoidea (1929—30).
Dr. J. D. F. Hardenberg, p/a Laboratorium voor het Onder-
zoek der Zee, Batavia, Fava. — Insecta _ parasitica
(1925—26).
P. Haverhorst, Wilhelminapark 70, Breda. — Lepidoptera
en Hymenoptera aculeata (1928—29).
*W. Hellinga, Valkenswaardsche Weg 14, Aalst (N.-B.). —
Coleoptera (1926—27).
Jhr. W. C. van Heurn, Leeraar M.O., Nieuwe Laan 15, Kramat,
Batavia, Fava. — Algemeene Entomologie (1911—12).
LIJST DER LEDEN ENZ. XCIII
Dr. J. van der Hoeven, Zefde by Zutphen. — Coleoptera
(1886-—87).
Mr. A. Th. ten Houten, Winterswijk. — (1921—22).
Het Instituut voor Plantenziekten, Buztenzorg, Fava. —
(1930—31).
Mej. A. Jaarsveld, Biol. Cand., Overtoom 434, Amsterdam (W.).
— Algemeene Entomologie (1929—30).
J. A. Janse, Sloterkade 111, Amsterdam (W.).
— Nederlandsche Lep. Rhopalocera (1930—31),
P. J. Janse, Sloterkade 17, Amsterdam (W.). — Diptera
(1930— 31).
L. A. Jansen, Hoofd v.d. H. C. School 2, Museumweg 20,
Buitenzorg, Fava. — Coleoptera (1928 — 29).
*W. de Joncheere, Singel 198, Dordrecht — Lepidoptera
(1913— 14).
C. de Jong, 2° Schuytstraat 282, ’s-Gravenhage. — Coleoptera
(1926—27).
Dr. J. K. de Jong, p/a Zool. Mus., Buztenzorg. — (1927— 28).
Dr. H. W. de Jong, p/a. Holl. Am. Plantage Mij., Boenoet-
Kisaran, Sumatra's O.K. — (1925—26).
Dr. L. G. E. Kalshoven, Dierkundige bij het Instituut voor
Plantenziekten, Buztenzorg, Fava. — Algem. Entomologie
(1921 --22).
Dr. H. Karny, Germanenhof, Karlsbad. — Thysanoptera,
Orthoptera (1929— 30).
Dr. P. M. Keer, Karel du Sardinstraat 4", Amsterdam
(Z.) — (1909— 10).
Dr. C. J. van der Klaauw, Lector aan de Rijksuniversiteit,
Kernstraat rr, Leiden. — Toegepaste Entomologie
(1929— 30).
$*B. H. Klynstra, Zrankenstraat 60, ‘s-Gravenhage, —
Coleoptera, voorn. Caraboidea (1902—03).
J. Koornneef, Kastanjelaan 20, Rhenen. — Algemeene
Entomologie, vooral Hymenoptera (1917— 18).
M. van der Kop, Bragaweg 53°, Bandoeng, Fava. — Lepi-
doptera (1928—29).
Dr. B. J. Krijgsman, Parasitoloog bij het Veeartsenijkundig
Laboratorium, Buitenzorg, Fava. — (1930—31).
*G. Kruseman Jr. Biol. docts., Roelof Hartstraat 4,
XCIV LIJST DER LEDEN ENZ.
Amsterdam (Z.). (Vacantieadres: CIRIE 10, Hengelo),
— Diptera (1930—31).
P. A. van der Laan, Saenredamstraat 4, Utrecht. —
Lepidoptera (1929— 30).
Laboratorium voor Entomologie der Landbouwhoogeschool,
Berg 37, Wageningen. — (1929—30).
*Dr. S. Leefmans, Hoofd van het Instituut voor Planten-
ziekten te Buztenzorg, Fava. — Algemeene Entomologie;
Lamellicornia (1911 —12).
G. de Leeuw S. J., Hobbemakade 51, Amsterdam (Z.) —
Algemeene Entomologie (1931—32).
H. E. van Leyden, Adriaan Goekooplaan 111,'s-Gravenhage.
— Lepidoptera (1915—16).
B. J. Lempke, Oude IFselstraat 121, Amsterdam (Z.). —
Lepidoptera (1925—26).
SM. A. Lieftinck, Conservator, Zoölogisch Museum, Puiten-
zorg, Fava. — (1919—20).
J. Lindemans, Stazionslaan 87, Harderwijk. — Lepidoptera,
Hymenoptera, vooral Sphegidae (Crabronidae), Pompilidae,
Vespidae en Chrysididae (1901—02).
Ir. G. B. Lippert, Houtvester, Kediri, Fava. — (1932).
N. Loggen, Stadionweg 163%, Amsterdam (Z.). mi
(1924—25).
*C. J. Louwerens, Hoofd H. C. School, Zoeloengagoeng, Fava.
— (1928—29).
*H. Lucht, Adm. R. O. ,,Bajoekidoel”, Banjoewangi, Fava.
WOE
*Dr. H. J. Lycklama a Nijeholt, Zwaalf Apostelenweg 75,
Nijmegen. — Lepidoptera (1896—97).
§*Dr. D. Mac Gillavry, 7. W. Brouwersplein 9, Amsterdam (Z.).
— Coleoptera en Rhynchota (1898—99).
SH. J. Mac Gillavry, geol. cand., 7 W. Brouwersplein 9,
Amsterdam (Z.). — (1930—31).
$Mej. M. E. Mac Gillavry, Aalsmeerderweg 308, Aalsmeer.
(O.). — Lepidoptera (1929—30).
*Dr. M. J. H. A.C. L. Malte von Kühlewein, Gouvernements
Arts, Amboina, N. O.-/. — Siphonaptera en Diptera (1929
— 1930).
LIJST DER LEDEN ENZ. XCV
*G. van der Meer, Larensche weg 31, Zutphen. — Algemeene
Entomologie (1926--27).
*J. C. van der Meer Mohr, Entomoloog bij het Deli Proef-
station, Medan, Sumatra. — (1925—26).
*Prof. Dr. J. C. H. de Meijere, Stadhouderskade 135, Amster-
dam (Z.). — Diptera (1888—89).
G.S. A. van der Meulen, Van Breestraat 170, Amsterdam (Z.).
— (1924—25).
Prof. Dr. G. A. F. Molengraaff, Groothoefyzerlaan 40, Was-
senaar, — (1877—78).
*Museo Entomologico „Pietro Rossi”, Duzno (Trieste), Italia.
— (1928—29).
*De Nederl. Heidemaatschappij, Arnhem. — (1903—04).
*H. Th. Nieuwenhuisen, Oostsingel 150, Goes. — Algemeene
Entomologie (1927-—28).
A.C. Nonnekens, 2° Fan van der Heydenstraat 8, Amsterdam
(Z.). — Coleoptera (1921—22).
Prof. Dr. E. D. van Oort, Directeur v. ’s Rijks Museum v. Nat.
Historie, Oegstgeesterlaan 28, Leiden. — Carabini(1915— 16).
Dr. A. C. Oudemans, Burgemeester Weertsstraat 65, Arnhem.
— Acari, Pulicidae (1878—79).
§*Dr. J. Th. Oudemans, Huize ,,Schovenhorst”, bij Putten
(Veluwe). — Lepidoptera, Hymenoptera, Thysanura en Col-
lembola (1880—81).
§Dr. Th. C. Oudemans, Landbouwkundig ingenieur, Huize
„Klein Schovenhorst”, bij Putten (Veluwe). — Algemeene
Entomologie (1920—21).
#G. Overdijkink, Oro-oro-dowo 54, Malang, Fava. — Lepi-
doptera (1921—22).
A. A, van Pelt Lechner, Velperweg 79, Arnhem.—(1925—26).
Dr. M. Pinkhof, Plantage Muidergracht 27%, Amsterdam
(C.). — Algemeene Entomologie (1913—14).
Plantenziektenkundige Dienst, Wageningen. — (1919—20).
R. A. Polak, Burmanstr. 14, Amsterdam. (O.). — (1898—99).
*Dr. A. Reclaire, Alexanderlaan 17, Hilversum. — Coleoptera,
Rhynchota (1919—20).
Dr. A. Reyne, Directeur van het Klapperproefstation, Menado,
Celebes. — Algemeene Entomologie (1917—18).
’s Rijks Museum v. Natuurl. Historie, Zezden. — (1915—16).
XCVI LIJST DER LEDEN ENZ.
J. J. L. de Rooij, Hoogstraat 48, Wageningen. — (1929—30).
*A. van Roon Sr., Vasteland 17°, Rotterdam. — (1929—30).
À. van Roon Jr., Hendrik de Keyzerplein 13, Eindhoven. —
Carabidae (1924—25).
W. A. Schepman, Directeur Amsterdamsche Bank, Zzvolz,
Hulst (Zeeland). — Coleoptera (1919— 20).
T. A. C. Schoevers, Phytopatholoog, Nassauweg 28, Wage-
ningen. — Oeconomische Entomologie (1917—18).
-L. H. Scholten, Lobith. — Lepidoptera (1923 — 24).
Dr. J. H. Schuurmans Stekhoven, Privaatdocent aan de Uni-
versiteit, Willem Barentzstraat 314, Utrecht. — Diptera
parasitica (1924—25).
E. A. M. Speyer, Biol. Doct’., Voltastraat 22,’s-Gravenhage.
— Algemeene Entomologie (1931—32).
Mej. D. Spierenburg, Zuzdereind, Wageningen. — (1929— 30).
#M. Stakman, Frederik Hendrikstr. 10, Utrecht. — (1921—22).
Aug. Stärcke, Arts, Den Dolder (Utr.). — Formicidae
(1925—26).
*Mej. M. N. Stork, Æarmoniehof II, Amsterdam (Z.). —
(1923—29).
Dr. A. L. J. Sunier, Directeur van het Koninklijk Zodlogisch
Genootschap ,, Natura Artis Magistra”, Plantage Middenlaan
57, Amsterdam (C.). — (1927--28). |
*R. Tolman, Nzeuwe Weg 115, Soest. — Lepidoptera (1929
— 1930).
Mej. P. R. Tonkes, Lepelenburg 2, Utrecht; vacantieadres:
Appingedam. — (1930—31).
#Dr. L. J. Toxopeus, Zyibeunjingplantsoen 9, Bandoeng, Fava.
— Indo-Australische Lycaeniden (1919—20).
G. E. M. Uil, Veerstraat 4, Wageningen. — Lepidoptera
(1929—30).
§*Dr. D. L. Uyttenboogaart, Utrechtsche weg 109, Renkum.
— Coleoptera (1894—95).
*H. van der Vaart, Ÿ. v. Lennephade 303, Amsterdam (W.).
— Coleoptera en Lepidoptera (1921—22).
®F. T. Valck Lucassen, Huize ,,Rijperduin”, Korte Parkweg r,
Bloemendaal. — Coleoptera (1910—11).
J. van der Vecht, Zyzkeumeuh 82, Buitenzorg, Fava. —
Hymenoptera (1926 —27).
LIJST DER. LEDEN ENZ. 'XCVII
F. A. Th. Verbeek, Laan van der Wyck 194, Buttenzorg,
Fava. — (1927—28). a, é
Dr. H. Verploegh, Statenlaan 101, s-Gravenhage. ——
Lepidoptera (1925 —20). |
Prof. Dr. J. Versluys, 2'% Zoologisches Institut der Univer-
sität, Ween I. — (1920—21).
H. C. de Vlieger, Hoofdonderwijzer, Laan van der tas
Buitenzorg, Fava. — (1932).
Me ser Ca de Nios, bioloos) bh. Rijksinstituut | voor
Biologisch Visscherij-onderzoek, Burgemeester Martenssingel
20, Gouda. — Waterinsecten (1926—27),
Mevrouw B. de Vos, geb. de Wilde, ¥. M. Coenenstraat 22,
Amsterdam (Z.). — Algemeene Entomologie (1926—-27).
J. J. de Vos tot Nederveen + deu Pabaton 22, Buitenzorg,
Fava. — (1902—03).
oii a El Darden Vos, tot Nederveen Cappel, Velp. —
Coleoptera (1899—1900).
Dr. A. D. Voûte, Leeraar H.B.S. en A.M.S., Malang, Fava.
(1929— 30).
Mevrouw J. Voûte, geb. Broekman, Frans van Mieris-
straat 127, Amsterdam (Z.). — (1931—32).
Prof. Dr. Max W. C. Weber, Æerbeek. — Coleoptera
(1886— 1887).
Dr. F. W. Went, Botanicus aan ’s Lands Plantentuin, 77zkeu-
meuh, Buitenzorg, Fava. — (1929—30).
S*P. van der Wiel, Corn. v. d. Lindenstraat 20, Amsterdam
(Z.). — Midden-Europeesche Coleoptera en Formicidae
(1916—17).
#J. C. Wijnbelt, Fac. van Campenstraat 16, Amsterdam (Z.).
— Microlepidoptera (1924—25).
SCAN Willemse, Arts, EU (Z.-Limb.). — Ortho-
ptera (1912—13).
*Ir. T. H. van Wisselingh, ingenieur bij ’s Rijks Waterstaat,
Tuinwijklaan 27, Haarlem. — Lepidoptera (1924—25).
*). H. E. Wittpen, 7° Constantijn Huygensstraat 103 hs., Am-
sterdam (W.). — Lepidoptera (1915— 16).
Het Zoölogisch Laboratorium, Kazserstraat, Leiden. —
(1924—25).
Het Zoölogisch Museum en Laboratorium, Buitenzorg, Fava.
— (1919—20).
~
XCVIII LIJST DER LEDEN ENZ.
BESTUUR.
President: Dr. J. Th. Oudemans (1928— 1934).
Vice-President: Prof. Dr. J. C. H. de Meijere (1930—1936),
Secretaris: J. B. Corporaal (1932—1938).
Penningmeester: Dr. D. L. Uyttenboogaart (1928—1934).
(Postgiro No. 13497).
Bibliothecaris: Dr. D. Mac Gillavry (1932—1938).
F. T. Valck Lucassen (1930—1936).
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR DE PUBLICATIES.
Dr. J. Th. Oudemans (1928—1934).
Prof. Dr. J. C. H. de Meijere (1930-1033).
F. T. Valck Lucassen (1930—1933).
P. ERICH WASMANN S.J.
T. v. E. LXXV.
| IN MEMORIAM |
P. ERICH WASMANN S.J.
VON
H. SCHMITZ S. J.
(Mit einem Bildnis).
Am 27. Februar 1931 wurde der Niederlandischen Ento-
mologischen Gesellschaft eines ihrer altesten Mitglieder, der
bekannte Ameisenforscher P. ERICH WASMANN S.J. durch
den Tod entrissen, nachdem er als Ehrenmitglied dreissig
Jahre hindurch ihr besonders nahegestanden und eine ihrer
Zierden gewesen war. Bald nachdem der Vorstand der Gesell-
schaft die Trauernachricht empfangen, richtete er an mich
die fiir mich ehrenvolle Bitte um Abfassung einer der wissen-
schaftlichen Bedeutung des Verstorbenen angemessenen Ge-
dachtnisschrift, um sie als literarischen Ehrenkranz dem
geschatzten Manne aufs Grab zu legen. Zugleich wurde ich
ermächtigt in Abweichung vom alten Herkommen mich
hierbei der deutschen Sprache zu bedienen, welche ja P. Was-
MANNs Muttersprache war und auch die meinige ist.
ERICH WASMANN wurde am 29. Mai 1859 zu Meran in
Südtirol geboren. Ein Tiroler war er jedoch der Abstammung
nach nicht, denn sein Vater, ein namhafter Landschafts- und
Bildnismaler, war samt der Mutter aus Hamburg gebiirtig.
Schon in früher Jugend zeigte WASMANN grosses Interesse
fiir das Beobachten und Sammeln von Tieren, und die
heimatliche Natur des schonen Oberetschlandes kam seinem
Eifer mit ihren reichen Schätzen vielfaltig entgegen. Natiir-
lich schwarmte er als Knabe besonders fiir Schmetterlinge
I
2 Hi. SCHMITZ S.J.,
und Käfer. Bezeichnend hierfür ist, dass er als Fünfzehnjähriger
bei seinen Mitschülern den Spitznamen ,,Carabus” führte.
Um diese Zeit schickten ihn seine Eltern in das Pensionat
Stella matutina zu Feldkirch in Vorarlberg. Es heisst, dass
er dort fast jeden freien Augenblick in dem grossen natur-
historischen Museum zugebracht habe, durch welches die
Feldkircher Studienanstalt sich bis zum heutigen Tage vor
den meisten andern Anstalten gleichen Ranges auszeichnet.
Besonders bedeutungsvoll wurde der Feldkircher Aufenthalt
für WASMANN durch die Wahl des geistlichen Berufes. Er
schloss sich nach reiflicher Ueberlegung dem Jesuitenorden
an und reiste im September 1875 nach Exaten bei Baaksem
in der niederländischen Provinz Limburg, wo sich damals
das Noviziat der deutschen Jesuiten befand, die kurz vorher
in dem sog. Kulturkampf aus ihrem Vaterlande ausgewiesen
worden waren.
Indem der junge WASMANN die Hochziele des Jesuitenordens
begeistert zu den seinigen machte und der Ordensleitung
seine Talente zu weiterer Ausbildung und Verwendung fürs
Leben zur Verfügung stellte, kam er der Verwirklichung des
in ihm schlummernden Naturforscherberufes unbewusst um
viele Schritte näher. Das Studium der Naturwissenschaften
stand schon damals bei den deutschen Jesuiten in Ansehen,
und man konnte voraussagen, dass WASMANN als Jesuit in
dieser Richtung gerne und tatkräftig gefördert werden würde,
sobald er die Aufmerksamkeit auf sich und seine ungewöhn-
lichen Anlagen lenkte. Die Gelegenheit dazu bot sich bald.
Bereits in den Jahren 1877—79, während er im Kolleg zu
Wijnandsrade (Südlimburg) klassische Sprachen und Literatur
studierte, machte er im ganzen Hause als Naturfreund von
sich reden.
In den folgenden drei Jahren, die er in Blyenbeek philo-
sophischen Studien widmete, trat er dann als eifriger In-
sekten-, besonders Käfersammler hervor. Eine möglichst voll-
ständige, in Anlage und Herrichtung allen Anforderungen
der Wissenschaft genügende Lokalsammlung scheint zunächst
sein Ziel gewesen zu sein. Die Mitbrüder halfen dabei mit,
während einsichtige Professoren dafür sorgten, dass das
hoffnungsvolle Talent ihres Schülers bei dieser entomologi-
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 3
schen Nebenbeschaftigung nicht in blosser Liebhaberei, in
Einzelbeobachtungen oder einseitiger Einübung der Koleop-
terensystematik stecken blieb. Von dem kenntnisreichen
P. L. DRESSEL wurde WASMANN frühzeitig zum Studium
umfassender naturwissenschaftlicher Lehrbiicher angehalten,
von dem genialen Naturphilosophen P. TILMANN PESCH auf
die höheren biologischen Probleme, Abstammungslehre, Te-
leologie und tierpsychologische Fragen hingewiesen. Diese
Einflüsse bestimmten ihn im Sommer 1882, die merkwürdigen
Instinkte des Trichterwicklers (Deporaus betulae L.) und ver-
wandter Rüsselkäfer eingehend zu studieren und das Ergebnis
in einer Artikelserie in der Zeitschrift ,,Natur und Offen-
barung’’ darzustellen. Die einzelnen Aufsätze wurden bald
darauf zu einem abgerundeten Ganzen zusammengefasst und
so erschien 1884 WASMANNs erstes Buch „Der Trichter-
wickler. Eine naturwissenschaftliche Studie über den Tier-
instinkt. Mit einem Anhang über die neueste Biologie und
Systematik der Rhynchitesarten und ihrer Verwandten, At-
telabiden, Rhynchitiden und Nemonygiden, mit Holzschnitten
und Tafeln’, Münster, Aschendorff. Obwohl WASMANN in
späteren Jahren von diesem Erstlingswerk nur bescheiden
dachte — in sein Handexemplar klebte er, humorvoll wie
er war, vornehin als „Verfasser’” die drollige Figur eines
Wickelkindes! — so ist es doch als erster Auftakt zu dem
späteren Lebenswerk und auch in sich betrachtet für einen
Vierundzwanzigjährigen eine glänzende Leistung. Es war ja
ohne Zweifel etwas kühn, die ganze scholastische Tierpsy-
chologie samt den gegnerischen Ansichten an einem einzigen
Käferleben veranschaulichen und prüfen zu wollen, aber
Achtung vor der Weite und Breite des angeeigneten Wissens,
vor der Geistesschulung und der Darstellungsgabe des Ver-
fassers erweckt die Schrift auch bei dem kritischen Leser
von heutzutage unbedingt. Den Hauptgewinn von der fleissi-
gen Arbeit hatte WASMANN selbst, gleichwie von einer gründ-
lichen Doktordissertation: Völlige Klarheit über Geschichte
und derzeitigen Stand der tierpsychologischen Forschung
und neue leitende Gesichtspunkte für künftige Beobachtungen.
Die entomologische Fachwissenschaft wird in dem Buche
bereichert durch die Entdeckung der Brutpflege des Eichen-
4 H. SCHMITZ S.J.,
zweigsagers (Khynchites pubescens), von dem auch eine neue
Varietat beschrieben wird, sowie durch eine systematische
Bestimmungstabelle aller in Europa, den Mittelmeerlandern
und Sibirien vorkommenden Arten der in der Ueberschrift
genannten Rüsslerfamilien. Bereits glaubte WASMANN, in
dem weiter auszudehnenden Studium jener Rüsselkäfer ,,sein”’
entomologisches Spezialgebiet gefunden zu haben, und der
Sammlungskasten mit Attelabiden und Rhynchitiden war
eine Zeitlang sein grösster Stolz. Er ahnte nicht, dass dieser
Gegenstand schon bald die bisherige Anziehungskraft für
ihn verlieren und das weit aussichtsreichere Studium der
Ameisen, Termiten und ihrer Gäste an seine Stelle treten
würde. Launig schreibt er vierzig Jahre später am Ende einer
kurzen Notiz „Zum Kunsttrieb des Trichterwicklers’’ (Ztschr.
wiss. Insektenbiologie 1926 S. 267) ,, Rhynchites betulae war
meine erste biologische Jugendliebe, bis Afemeles und Lome-
chusa ihn entthronten”.
Es ist nicht ohne Reiz, zu vernehmen, wie dieser Umschwung
zustande kam, auf welche Weise eigentlich der berühmte
‚„Ameisenpater’ zu dem endgültigen Gegenstand seiner
Studien gelangte.
Dem Brauche des Ordens gemäss hätte WASMANN nach
Abschluss des Philosophiestudiums ein Amt in irgend einem
Jesuitenkolleg in Europa oder den überseeischen Missionen
übernehmen sollen. Aber seine früher schon schwache
Gesundheit brach um diese Zeit vollständig zusammen.
Heftige Lungenblutungen stellten sich ein und brachten ihn
an den Rand des Grabes. Es war zweifelhaft, ob er je zum
Priestertum gelangen werde, auf das er sich inzwischen durch
privates Theologiestudium vorbereitete. Eine andere Beschäf-
tigung als Schriftstellerei kam für ihn nicht in Frage, und
so wurde er als künftiger Mitarbeiter der „Stimmen aus
Maria-Laach”, einer von den deutschen Jesuiten heraus-
gegebenen Kulturzeitschrift, in Aussicht genommen. Auf
diese Weise winkte dem Kranken für den Fall, dass er die
Krise überstand, ein Lebensziel, das seinen Neigungen und
Anlagen aufs schönste entsprach. Gottes Vorsehung wollte,
dass er dieses Ziel tatsächlich erreichte: Nachdem er 1884
nach Exaten zurückgekehrt war, besserte sich seine Gesund-
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 5
heit allmahlich, 1888 konnte er zum Priester geweiht werden
und zwei Jahre spater endgültig in den Stab der ,,Stimmen’’-
Mitarbeiter eintreten. Es sei hier beilaufig bemerkt, dass er
bis zu seinem Tode nie einen anderen Posten innehatte.
Die weitverbreitete Ansicht, er sei im Orden als Professor
tatig gewesen, ist unrichtig. Er war vielmehr in der für
einen Gelehrten beneidenswerten Lage, seine ganze Zeit
und Kraft den eigenen Studien widmen zu können; denn
seine Tatigkeit für die genannte Zeitschrift beanspruchte
ihn verhältnismässig wenig und lag zudem in der Richtung
seiner eigenen Forschungen, ganz abgesehen von der viel-
fachen Anregung, die sie ihm verschaffte, und den reichen
Hilfsmitteln, die ihm durch sie zur Verfiigung standen.
Es war nun der damalige Schriftleiter der ,,Stimmen”,
der um 1884 WASMANN auf das eben in deutscher Ueber-
setzung erschienene Buch von Sir JOHN LUBBOCK ,,Ameisen,
Bienen und Wespen, Beobachtungen über die Lebensweise
der geselligen Hymenopteren” (Leipzig 1883) aufmerksam
machte und ihn für seine Zeitschrift um eine langere
Abhandlung über denselben Gegenstand bat. WASMANN war
nicht abgeneigt, wollte aber zunachst die Tiere selbst
griindlich studieren, denn dazu fühlte er sich als angehender
Entomologe von selbst hingezogen und auch vollkommen
befahigt. Mit wahrem Feuereifer verlegte er sich im Sommer
1885 in Exaten auf das Studium der Hymenopteren, zumal
der Ameisen, die ja auch bei LUBBOCK die Hauptrolle
spielten. In Sachen der damals noch ziemlich verworrenen
Systematik wurde Professor FORSTER in Aachen sein erster
Ratgeber, und der Eintritt in die Deutsche entomologi-
sche Gesellschaft brachte weitere Förderung. Eine ganz
neue Welt ging ihm auf, als er sich in die Literatur iber
Ameisenbiologie, in die herrlichen Werke von PIERRE HUBER,
ANDRÉ, FOREL, ADLERZ, Mc Cook u.a. vertiefte und nach
dem Beispiel dieser Autoren Freilandforschungen und häus-
liche Experimente mit künstlichen Nestern anstellte. Er
ruhte nicht, bis er alle Ameisenarten ausfindig gemacht
und beobachtet hatte, die in der Limburgischen Heide
überhaupt zu finden waren, auch die allerseltensten wie
Polyergus, Strongylognathus und Anergates. So ward er in
6 H. SCHMITZ S.J.,
wenigen Jahren einer der besten Kenner des Ameisenlebens,
und in seinen sorgfältig und fleissig geführten Notizbüchern
sammelte sich ein überreicher Stoff an, der später nach
bestimmten Gesichtspunkten geordnet, zu Abhandlungen
und Biichern verwendet wurde. Als solche seien genannt:
Die zusammengesetzten Nester und gemischten Kolonien
der Ameisen Miinster 1891, zweite stark vermehrte Auflage
unter dem Titel: Das Gesellschaftsleben der Ameisen (413
Seiten, 7 Tafeln) Münster 1914; Vergleichende Studien über
das Seelenleben der Ameisen und der höheren Tiere 1897,
zweite Aufl. Freiburg i. B. 1900. Zwischendurch fand Was-
MANN noch Zeit, die ihm nahestehenden Zeitschriften mit
überaus anmutigen populärwissenschaftlichen Aufsätzen zu
bedienen, wie z. B. „Die Honigameise des Göttergartens’’
1884, „Aus dem Leben einer Ameise’ 1886, „Die getreide-
sammelnden Ameisen in alter und neuer Zeit” 1887. Er
war eben damals noch nicht der mit Problemen und Arbeiten
und Briefwechsel überladene Forscher wie später und hatte
genügende Musse, an seinen Abhandlungen zu feilen, bis
sie als wahre Meisterstücke der Erzählungskunst und Natur-
schilderung dastanden. Seine nach Inhalt und Form vol-
lendetste Erzählung , Aus dem Leben einer Ameise” ist dann
auch in die Lesebücher Deutscher Schulen als Muster des
Stils übergegangen und hat mit dazu beigetragen, den
Namen WASMANN überall in deutschen Landen bekannt zu
machen.
Es konnte nicht ausbleiben, dass WASMANN schon gleich
zu Beginn seiner Beschäftigung mit den in der Exatener
Gegend vorkommenden Ameisen, als Koleopterologe auch
auf die Ameisengäste besonders achtete, da diese Gäste
ja zum grössten Teil zur Ordnung der Käfer gehören. Zunächst
als schätzbarer Zuwachs zu seiner Kafersammlung willkommen,
wurden sie ihm bald als biologisches Forschungsobjekt
doppelt wertvoll. Er war ja vom Trichterwicklerstudium
her lebhaft eingestellt auf „biologische Entdeckungen’,
erpicht auf das Erforschen von noch unbekannten Lebens-
vorgängen, das Erschliessen von Gesetzmässigkeiten durch
vergleichende Betrachtung von Körperbau und Lebensweise
verwandter Arten, das Klassifizieren nach ökologischen
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 7
Gesichtspunkten. Hier war nun ein Gebiet, wo es in jeder
dieser Hinsichten noch unendlich viel zu tun gab. Die
Entdeckung des echten Gastverhältnisses der Afemelesarten
und ihrer rätselhaften Doppelwirtigkeit gab ihm einen
Vorgeschmack von den wissenschaftlichen Genüssen und
Erfolgen, die hier winkten. 1836 erschien in der Deutschen
Entomologischen Zeitschrift WASMANNs erster Beitrag zur
Myrmekophilenkunde mit Beobachtungen über Afemeles
emarginatus, Lomechusa strumosa, Dinarda dentata, Hetaerius
ferrugineus, Myrmedonia funesta und daran anschliessend
dem ersten Einteilungsversuch der Myrmekophilen in drei
Klassen, dieselben, die er später mit den Kunstausdrücken
Symphilen, Synoeken und Synechthren belegte und um eine
vierte und fünfte Klasse, die der Trophobionten und Parasiten
vermehrte. Zwei weitere Beiträge ähnlichen Inhalts in der-
selben Zeitschrift genügten, die Aufmerksamkeit weiter
koleopterologischer Kreise auf das neue Forschungsgebiet
zu lenken und verschafften WASMANN wichtige neue Ver-
bindungen, u.a. mit solchen, die über Material von tropischen
Myrmekophilen verfügten. Damals war es auch, dass er mit
der Niederländischen Entomologischen Gesell-
schaft die erste Fühlung gewann. Aeltere Mitglieder unseres
Vereins wissen noch von der Begeisterung zu erzählen, mit
der er auf der 42. ,,Zomervergadering” in Maastricht 1887
das Leben von Atemeles und Lomechusa — seiner ‚zweiten
biologischen Jugendliebe’’, wie wir oben hörten — schilderte.
Dass der jetzige Nestor unserer Koleopterologen, Jhr. Dr.
ED. EVERTS sogleich von der Myrmekophilenbegeisterung
angesteckt wurde, wird niemanden verwundern, und sei nur
beilaufig hier erwähnt (vgl. Tijdschr. v. Entomologie, Deel
31, p. XVI). Wie für manche andere jugendliche Entomo-
logen, so wurde auch für WASMANN der Beitritt zu unserer
Entomolog. Gesellschaft mit ihrer reichen Bibliothek und
dem kollegialen Zusammenarbeiten ihrer Mitglieder ein
grosser Gewinn, was er gern wiederholt anerkannt hat.
Zu welcher Zeit der rührige Geist Erich WASMANNS
zuerst den Gedanken umspannt haben mag, ausser den
Käfern auch die andern einheimischen Myrmekophilen zu
berücksichtigen und schliesslich seine Studien auf die
8 H. SCHMITZ S.J.,
Ameisen und) TLermitengaste der canzenmVyelt
auszudehnen und so die merkwürdige Erscheinung der
sozialen Insektensymbiose in ihrem ganzen Umfange zu
erfassen, das festzustellen muss ich dem kiinftigen Biographen
überlassen. Aber auf welchem Wege er dazu gelangte
und, fast möchte ich sagen, zwangslaufig gelangen musste,
liegt jedem klar vor Augen, der in der zeitlich geordneten
Reihe der WASMANNschen Verôffentlichungen ,,Beitrage zur
Kenntnis der Myrmekophilen und Termitophilen” (siehe das
vollstàndige Verzeichnis am Ende dieser Gedächtnisblätter)
die ersten 21 Nummern aufmerksam durchsieht. Wie die
Glieder einer Kette, so zieht die eine Arbeit die andere
nach sich. Nach den ersten Veröffentlichungen in der D.
Entomol. Zeitschr. 1886 werden ihm 1887 und 1888 durch
Vermittelung von Kraatz und Reitter die ersten brasilia-
nischen Ecitongäste zur Beschreibung angeboten, eine Auf-
gabe, die WASMANN nicht bewältigen kann, ohne sich in
die schwierige Gesamtsystematix der Staphyliniden einzuar-
beiten (Nr 4, 0, 8). Breddin lenkt seine Aufmerksamkeit auf
die myrmekophilen Heteropteren (Nr 7). Der Wunsch, die
bei den Ecitongästen einerseits, bei Azemeles und Lomechusa
(Nr 5), Claviger und Dinarda (Nr 9, 10) anderseits aufge-
fundenen Kriterien der Symphilie und Synoekie an allen
erreichbaren Beispielen zu prüfen, führt ihn zum Studium
der Literatur über Clavigeriden und Pselaphiden, Gnostiden
und Paussiden, Thorictiden und termitophile Staphyliniden,
und aus diesem hinwiederum erwächst die ausgezeichnete
Arbeit (Nr 11) ,,Vergleichende Studien über Ameisengaste
und Termitengäste”, gewissermassen der erste Markstein auf
dem neuen Wissenspfad, eine Zusammenschau zahlreicher
Tatsachen und ein glanzender Versuch sie alle von hôherer
wissenschaftlicher Warte aus zu vereinheitlichen und in eine
umfassende biologische Formel zu zwingen. Dann treten
neue auswärtige Korrespondenten auf den Plan; Forel liefert
aus Tunis und Algier Material zu vier Arbeiten (Nr 12—15),
in Brasilien werden von alten und neuen Freunden Staphy-
liniden gesammelt, WASMANN wagt sich an die Beschreibung
eines Orthopterons (Nr 13) sowie neuer madagassischer
Clavigeriden (Nr 17), und liefert dann das sehr dankenswerte
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 9
und grundlegende erste Verzeichnis der Ameisen und Amei-
sengäste von Hollandisch Limburg (Nr 18). Bald folgt der
zweite bedeutende Markstein, das schon einmal erwahnte
Buch iiber die Zusammengesetzten Nester und gemischten
Kolonien der Ameisen (Nr 21), das die Symbiose von
Ameisen verschiedener Arten zum Gegenstande hat und die
früheren myrmekologischen Beobachtungen in glücklicher
Weise dem neuen Forschungsgebiet eingliedert. Bei all diesen
Arbeiten muss wohl mehr und mehr das Bedürfnis gefühlt
und der Plan gereift sein, nach systematischer Durchsicht
der gesamten entomologischen Literatur der Welt ein Ver-
zeichnis aller bis dahin bekannten myrmekophilen und ter-
mitophilen Gliedertiere nach den durch eigene Erfahrungen
gewonnenen kritischen Gesichtspunkten aufzustellen. Von
dem einsamen Exaten aus liess sich das natürlich nicht
machen.
WASMANN geht 1890 nach Prag und 1891 nach Wien, wo
er in der Bibliothek des k.k. Hofmuseums reiche Arbeits-
möglichkeit findet. Für Prag war, neben Gesundheitsrück-
sichten, wohl der Umstand entscheidend, dass an der dortigen
Deutschen Universität mehrere befreundete Jesuiten studier-
ten. Auch WASMANN vollendete hier bei HATSCHEK und
CORI theoretisch und technisch seine zoologische Ausbildung.
Voll von literarischen Plänen wie er war, litt es ihn aber nicht
länger als drei Semester. Auch zur Erwerbung eines aka-
demischen Grades war er nicht zu bewegen. Nachdem er sich
in Davos und Wien noch einige Zeit auf die Ablegung der
feierlichen Ordensgelübde vorbereitet, kehrte er im Herbst
1892, an Leib und Seele neugestärkt, nach Exaten zurück
und bereitete während der nächsten 2 Jahre den Druck des
grossen Verzeichnisses vor. In dieser Zwischenzeit kamen
ihm aus Afrika, Brasilien und Indien die ersten Termiten-
gäste zu, an denen er die sonderbare Erscheinung der Phy-
sogastrie aus eigener Anschauung kennen lernte. Die Bestim-
mung der Wirtstermiten bereitete ihm, da die Termitenkunde
damals noch in den Windeln lag und ein leistungsfähiger
Spezialist in Europa nicht vorhanden war, grosse Schwierig-
keiten. Um aus der Hilflosigkeit herauszukommen, arbeitete
sich WASMANN kurzerhand in dieses fremde Gebiet ein und
10 H. SCHMITZ S. J.,
beschrieb die Wirtstermiten selber (Nr. 28). Spater tat er
dies noch oft und legte dadurch nicht bloss den Grund zu
seiner eigenen, an wertvollen Typen reichen Termitensamm-
lung, sondern erwarb sich auch hervorragende Verdienste
um die Reform der gesamten Termitensystematik, indem
er zuerst den Vorschlag machte und durchführte, für die
generische Einteilung nicht die Imagines, sondern haupt-
sächlich die hochdifferenzierte Soldatenkaste zu benützen.
Diese vielumstrittene Idee ist heute, nachdem sich im letzten
Jahrzehnt auch der grosse lermitologe Prof. SJOESTEDT zu
ihr bekehrt hat, zu allgemeiner Anerkennung gelangt.
1894 erschien endlich bei DAMES in Berlin das Buch ,,Kri-
tisches Verzeichnis der myrmekophilen und termitophilen
Arthropoden, Mit Angabe der Lebensweise und Beschreibung
neuer Arten”, der dritte grosse Markstein in WASMANN’s
wissenschaftlichem Entwicklungsgang. Es zerfallt in zwei
Hauptteile, das Zéeratur- und das Artenverzeichnis. Die 56
Seiten Literatur bringen nicht nur die alphabetisch und
chronologisch geordneten Titel, sondern auch kurze Inhalts-
angaben der einschlagigen Arbeiten samt berichtigenden
Bemerkungen, die sich hauptsachlich auf die Wirtsarten
beziehen. Der zweite Hauptteil, das Artenverzeichnis S.
57—202, ist in systematischer Reihenfolge der Familien und
Gattungen angeordnet. Bei jeder Gastart ist der Name des
Wirtes, das Vaterland und ein Zitat aus dem ersten Teil
beigefügt, letzteresähnlich wie im ,,Zoological Record”, dessen
Anlage wahrscheinlich Vorbild war. Das Verzeichnis wird
ein „kritisches’’ genannt, weil nur solche Arten aufgenommen
wurden, die entweder empirisch oder aufgrund von morpholo-
gischen Kriterien als gesetzmässige Gäste erkannt sind, und
weil bei der Angabe der Wirte zwischen normalen, primären,
sekundären und zufälligen genau unterschieden ist. Im Ganzen
sind 1249 myrmekophile und 109 termitophile Arthropoden
aufgeführt. Indem bei den einzelnen Familien eine kurze
Uebersicht über die Lebensweise der ihr angehörigen Amei-
sengäste oder Termitengäste und bei manchen Arten Bemer-
kungen über Lebensweise, erste Zustände u. s. w. mit genauen
Zitaten beigefügt sind, stellt das imposante Werk ein voll-
ständiges Repertorium der Myrmekophilen- und Termitophi-
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. II
lenkunde von den ersten Anfangen bis zum Jahre 1894 dar.
Von einem grundlegenden Werke dieser Art musste selbst-
verstandlich mit der Zeit eine starke Werbekraft ausgehen
fiir den neuen Forschungszweig und die Ausbaubestrebungen
seines Begriinders. Eifrige und selbstlose Naturfreunde fanden
sich nach und nach in verschiedenen Weltgegenden, die
WASMANN durch Material und Mitteilung von Beobachtungen
unterstützten. während andere tüchtige Krafte wie W. M.
WHEELER in den Vereinigten Staten, DONISTHORPE in England
und KARAWAJEW in Russland zur selbständigen, mit viel
Erfolg gekrönten Erforschung der Ameisen und Myrme-
kophilen ihres Heimatslandes angeregt wurden. In den ersten
Jahren vermochte WASMANN die aus Brasilien (SCHUPP, HEYER,
GöLDI), Birman, (FEA), Java, Kapland und Natal, (BRAUNS,
HAVILAND), Madagascar u.s.w. einlaufenden Sendungen noch
leicht zu bewaltigen, ohne dass seine ausgedehnten Freiland-
beobachtungen in der Umgebung von Exaten dadurch
beeintrachtigt wurden. Selbige galten vor allem der Biologie
von Formica sanguinea, WASMANNs Lieblingsameise, und
deren Gast Lomechusa strumosa. Nach diesem Kafer hatte
WASMANN lange suchen müssen, und als er ihn schliesslich
in einem vier km von Exaten entfernten sanguinea-Haufen
antraf, brachte ihn der Umstand, dass ein Teil der Arbei-
terameisen desselben Nestes zu sog. Pseudogynen verkrüppelt
war, auf den ersten Einfall der ,,Lomechusa-Pseudogynen-
Hypothese”, der gemäss das örtliche und zeitliche Zusammen-
treffen von Lomechusen und Pseudogynen kausal bedingt
sein soll. Nachdem WASMANN 1895 in einer methodologisch
ausgezeichneten Arbeit ,,Die ergatogynen Formen bei den
Ameisen”’ alle Erklärungsmöglichkeiten gründlich erwogen
und sich für die Auffassung der Pseudogynen als Hemmungs-
bildung der typisch weiblichen Ameisenform, veranlasst
durch Umzüchtung von Weibchenlarven zu Arbeiterinnen,
als beste Erklärung entschieden hatte, ging er nun daran,
den Beweis dafür auf dem wohl einzig möglichen statistischen
Wege zu erbringen. Alle auf einem Areal von vier Quadrat-
kilometern rund um Exaten vorhandenen sazguzzea-Kolonien
(etwa 2000 Nester) wurden auf einer Landkarte eingetragen
und fünf Jahre lang oder länger bezüglich des Vorkommens
12 H. SCHMITZ S.J.,
von Lomechusa und Pseudogynen kontrolliert. Wahrlich ein
umstandliches und zeitraubendes Beweisverfahren, das mit
seiner eigentlichen Zielsetzung allein kaum zu rechtfertigen
gewesen ware, hatte nicht die fortgesetzte genaue Beobachtung
sovieler Nester mit ihrer Gesamtzahl von vielleicht fünf
Millionen Insassen eine Fülle von überaus wichtigen Neben-
ergebnissen gezeitigt! Mitten in dieser wundervollen Arbeit
lernte ich als junger Ordensmann 1896 zuerst P. WASMANN
kennen und durfte ihn 1897 und ’98 auf vielen seiner
Exkursionen zusammen mit andern eifrigen Helfern be-
gleiten. Ich brauche nicht zu versichern, dass mir diese
Streifzüge in der Limburgischen Heide an der Seite des
von uns verehrten und uns für seine Sache begeisternden
Forschers unvergesslich sind. Obwohl manch fröhlicher
Scherz die Arbeit wiirzte, ging es dabei doch nicht gerade
„gemütlich” her. Wenn jede der 412 sanguznea-Kolonien
wenigstens einmal im Monat besucht werden sollte, dann
musste ,,vorangemacht” werden, und so gestaltete sich
mancher Ausgang zu einer wahren entomologischen Razzia.
»Hier Kolonie 256” rief etwa P. WASMANN, indem er die
Nummer von dem neben jedem Neste im Boden steckenden
Schiefertäfelchen ablas, und schon waren wir zur Stelle und
lagen rings um das Nest auf den Knien. Mit Alkohol ge-
füllte Glaschen wurden hervorgeholt, Sieb und Tuch bereit-
gehalten, WASMANN riss sein Tagebuch aus der Brusttasche,
langte nach der das Nest bedeckenden Heidekrautscholle
und stürzte sie um — Meist sah er dann mit einem Blick
„was los war”, stenographierte Notizen, fing Gäste weg,
wischte sich zwischendurch wiitend beissende Ameisen von
Hals, Gesicht und Handen, streute etwas Zucker ,,als Kriegs-
entschadigung” in das gestörte Nest, hiess uns die Heide-
krautdecke erneuern und Auf! fort gings im Sturmschritt
zur nächsten Kolonie. Da wiederholte sich derselbe Betrieb,
und so noch oft, bis wir nach zwei Stunden verschwitzt
und miide heimwarts kehrten, gewöhnlich in gehobener,
bisweilen auch in etwas gedrückter Stimmung, wenn der
Meister. die Funde nicht gemacht hatte, auf die er gerechnet.
Dass WASMANN sein Leben lang nicht miide wurde, iber
Lomechusa und Pseudogynen zu reden und zu schreiben,
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 16
wird man aus diesen mühevollen Untersuchungen heraus
verstehen und — verzeihen; denn er hat hierin des Guten
wirklich etwas zuviel getan, wenn auch gesagt werden kann,
dass fast jede neue Darstellung auch den einen oder andern
neuen Gesichtspunkt hinzufiigte. Kostlich zu lesen ist jeden-
falls die geistreiche ,,Selbstbiographie einer Lomechusa” von
1897. Der von WASMANN behauptete Zusammenhang von
Lomechusa und Pseudogynen ist seit der 1915 in extenso
veröffentlichten Exatener Statistik. samt Landkarte wohl
ziemlich allgemein anerkannt. Im Jahre 1899 brach WaAS-
MANN infolge seiner Uebersiedelung nach Luxemburg die
Beobachtungen in Holland ab, das so lange und liebevoll
gepflegte Exatener. sanguzuea-Paradies seinem Schicksal
überlassend. Eine merkwürdige und vom entomologischen
Standpunkte aus interessante Enttauschung erlebte er 14
Jahre spàter, als er einmal nach Exaten zuriickkehrte, um
zu Versuchszwecken eine Kolonie lebender sanguznea von
dort zu holen. Obwohl die einsame Welt der Heide so gut
wie unverändert geblieben war, fand er trotz allen Suchens
keine einzige sanguinea-Kolonie wieder; alle waren ver-
schwunden, umgezogen oder ausgestorben! Wie unstet wogt
doch das Insektenleben in der Natur manchmal hin und
her, und wie viel mühsamer, vom Zufall und Glück abhan-
giger ist doch die Freilandarbeit des Entomologen als die
der meisten anderen Naturforscher!
In die letzten Jahre des Exatener Aufenthalts WASMANNs
fallt die Abfassung bedeutender Schriften auf tierpsycho-
logischem Gebiet. Ohne wesentliche Aenderung des philo-
sophischen Standpunktes tragen sie doch einen von der
Erstlingsarbeit „Der Trichterwickler” ganz verschiedenen
Charakter. Der Verfasser schöpft aus dem Vollen seiner
reichen Erfahrung, die Schulweisheit tritt zurück, im Vorder-
grund steht überall die selbst gemachte Entdeckung, die
selbständige Gedankenprägung, die Diskussion mit persön-
lichen Gegnern. Diese prickelnde Lebensnähe verbunden
mit dem Vorzug der Klarheit und Reife sicherte im Verein
mit dem wachsenden Ansehen des kenntnisreichen Spezial-
forschers diesen Schriften einen bemerkenswerten Erfolg.
„Instinkt und Intelligenz im Tierreich” 1897 zuerst erschienen,
14 H. SCHMITZ S.J.,
erlebte drei deutsche, eine englische, russische und italienische
Auflage. Aehnliches Gliick war der Schwesterschrift ,,Ver-
gleichende Studien über das Seelenleben der Ameisen und
der höheren Tiere” (1897!) beschieden. Wie nun WASMANN
1899 vom Herausgeber der „Zoologica” eingeladen wird,
seine tierpsychologischen Anschauungen in grosszügiger
Weise in einem Hefte dieses Sammelwerkes darzustellen,
ergänzt und krônt er seine bisherigen Arbeiten durch das
hervorragende Werk: ,,Die psychischen Fähigkeiten der
Ameisen” Stuttgart 1899! (19092). Es ist eine umfassende
Widerlegung der kurz vorher von A. BETHE aufgestellten
„Reflextheorie”, dabei zugleich ungemein reich an vorwärts
führenden Ergebnissen und interessanten Tatsachen beson-
ders in den Abschnitten über das Mitteilungsvermögen der
Ameisen und die verschiedenen Formen des Lernens bei
dem Menschen und den Tieren, die allgemein anerkannten,
unverganglichen Wert besitzen. Eine kurze populäre Zusam-
menfassung der WASMANNschen Tierpsychologie ,,Menschen-
und Tierseele’’ brachte es bis zur siebenten Auflage.
Im Herbst 1899 siedelte die Schriftstellerschar der ,,Stim-
men aus Maria-Laach” nach der Stadt Luxemburg über,
wo sie sich ein eigenes, anmutiges Heim auf dem Limperts-
berge erbaut hatte. Man liess P. WASMANN die Wahl mit-
zuziehen oder in dem Exatener Ameisenparadies zu bleiben ;
dass die Entscheidung ihm schwer wurde, kann man sich
denken. Es erwies sich aber in der Folge als ein Segen,
dass er sich schliesslich mutig von der Limburgischen Heide
und allem, was sie ihm Schönes bot und versprach, losriss;
denn auch im gebirgigen Luxemburger Ländchen sollte es
an Erfolgen nicht fehlen. Mit den Freilandstudien an 7.
sangumea und Lomechusa war es allerdings zu Ende. Dafür
tauchte aber jetzt ein weit wichtigeres Problem auf, die
Koloniegründung von #. Zruncicola und verwandten Arten
und im Zusammenhang damit die genetische Erklärung des
Sklaverei-Instinktes beim Volke der Ameisen. DARWIN hatte
geäussert, es werde wohl noch Jahrhunderte dauern, bis die
Entstehung der Sklaverei bei den Ameisen aufgehellt sein
würde — doch schon nach fünfzig Jahren gelang es WASMANN
in Luxemburg und merkwürdiger Weise gleichzeitig und
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 15
unabhangig davon W. M. WHEELER in den Vereinigten
Staaten, hinter das Geheimnis zu kommen.
Nur schrittweise natiirlich! Es war ein langer Weg, der
von der ersten diesbeziiglichen Luxemburger Publikation
(Nr. 120) über vielerlei Studien und Experimente, über um-
fangreiche Artikel im Biol. Zentralblatt (darunter die von der
Akademie von Montpellier mit dem Lichtensteinpreise aus-
gezeichnete Arbeit Nr. 146 ,,Ursprung und Entwicklung der
Sklaverei bei den Ameisen”) und über polemische Ausein-
andersetzungen mit WHEELER, EMERY, VIEHMEYER zur letzten
abschliessenden Erkenntnis (Nr. 177) hinüberführte. Welch
starken Widerhall diese Ameisenforschungen damals in der
Oeffentlichkeit weckten, kann man u. a. aus den Verhand-
lungen der Entomologischen Sektion des internationalen
Zoologencongresses von Bern 1904 sehen, die zur Halfte
der biologischen Ameisenkunde gewidmet waren, vielleicht
aber noch mehr daraus, dass von 1906 an jene Art von
Literatur zu erscheinen beginnt, die in fast allen Sprachen
Europas, bald wissenschaftlich bald mehr popular, bald kürzer
bald ausführlicher das Gesamtleben der Ameisen nach den
neuesten Untersuchungen schildert. Nur WASMANN kam —
im Gegensatz zu ESCHERICH, VIEHMEYER, WHEELER, DONI-
STHORPE, EMERY, FOREL u. a. nicht dazu, ein solches Werk
zu schreiben, hinterliess aber bei seinem Tode eine fast
vollendete Darstellung dieser Art. Dagegen entstand in jenen
Luxemburger Jahren, die in mehr als einer Beziehung den
Höhepunkt des Schaffens unseres Forschers bedeuten, aus
einer Artikelfolge der „Stimmen’ ein umfangreiches Werk
auf einem allgemeineren Gebiete, „Die moderne Biologie
und die Entwicklunestheorie”, das in kurzer Zeit drei Auf-
lagen erlebte und sicher noch mehr erlebt haben würde,
wenn sich der Verfasser der Neuherausgabe seines Werkes
in der gewünschten Weise hätte widmen können. Die im
Titel angedeuteten beiden Teile des Buches hängen nur lose
zusammen. Der erste ist eine knappe und gefällige Darstel-
lung jenes Wissensstoffes, den man heute als „Allgemeine
Biologie” bezeichnet, der zweite zeigt besonders an Beispielen
aus der Ameisen- und Myrmekophilenkunde, dass ohne An-
nahme einer Stammesentwicklung viele Tatsachen der Biolo-
16 H. SCHMITZ S.J.,
gie nicht befriedigend erklärt werden können. WASMANN
vertritt, kurz zusammengefasst, den Standpunkt, dass im
Tier- und Pflanzenreiche eine weitgehende, wahrscheinlich
polyphyletische Entwicklung stattgefunden habe, nicht durch
„planlos nach allen Richtungen wirkende Züchtung, die erst
nach vielen vergeblichen Versuchen etwas halbwegs Zweck-
mässiges zufällig erreicht” (HäCKEL), sondern nach innern,
vom Schöpfer in die Natur hineingelegten, an sich erforsch-
baren, aber bislang noch kaum bekannten, zum Teil sicher
übermechanischen Gesetzen. Ferner, dass für die Tierab-
stammung des menschlichen Leibes keine genügenden paläon-
tologischen Beweise vorliegen, während die im abstrakten
Denken sich offenbarende Geistigkeit der menschlichen Seele
die Möglichkeit eines psychogenetischen Zusammenhangs
mit der Materie und auch mit den höchsten Stufen der Tierwelt
ausschliesse. Dass WASMANN kein Bedenken trug, sich mit
solcher Entschiedenheit auf den Boden der Entwicklungslehre,
allerdings nicht ganz in der darwinischen Form derselben, zu
stellen — obgleich auch WASMANN die Wirkung der Natural-
selektion als sekundären Factor anerkennt — war für einen
grossen Teil seines Leserkreises eine Offenbarung. In fachwis-
senschaftlichen Arbeiten hatte er zwar schon seit seiner Univer-
sitätszeit, also seit etwa zehn Jahren, die evolutionistische Ter-
minologie öfters angewandt, indem er die symphilen Ameisen-
und Termitengäste für ein Züchtungsprodukt ihrer Wirte
erklärte. „Dass eine Entwicklung der Arten wie der Instinkte
stattgefunden habe, halte ich zwar sowohl als Philosoph wie als
Naturforscher für wahrscheinlich” heisst es am Schluss von
Nr. 60 (Zur Entwicklung der Instinkte, 1897, p. 17); „bezüg-
lich der Grenzen und der Ursache dieser Entwicklung wird
man jedoch um so skeptischer, je tiefer man in die phylo-
genetischen Erklärungsversuche eingeht”. Aberin dem neuen
Buche machte er nun ex professo sich und seinen Lesern
ausführlich klar, dass und warum die Entwicklungslehre der
Konstanztheorie vorzuziehen sei und trat vor aller Welt offen
aus dem Lager der Vorsichtigen und Zweifler in das der
begeisterten Anhänger des Entwicklungsgedankens über.
Damals musste dieser Schritt des Jesuiten WASMANN Auf-
sehen erregen, da zu jener Zeit noch nicht so klar wie heute
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S.J. 1077
erkannt worden war, dass die Stammesentwicklung als Tat-
sache genommen (genealogischer Zusammenhang der Lebe-
wesen auf der Erde) ein rein naturwissenschaftliches Problem
ist, welches in jedes philosophische System hineinpasst, und
dass von der Lôsung dieses Problems im Entscheidungskampf
der Weltanschauungen nichts abhangt. Aber diese Dinge
wurden damals vielfach anders gesehen. Materialismus und
Monismus nahmen die Entwicklung der Arten ohne weiteres
als eindeutiges Argument für ihre philosophische Lehre in
Anspruch, und so wurde WASMANN in Auseinandersetzungen
hineingezogen, die von seinen fachwissenschaftlichen Unter-
suchungen ziemlich weit abseits lagen. Er ging ihnen nicht
aus dem Wege, im Gegenteil, gerade die Beschäftigung mit
letzten Problemen und das Eingreifen in die hôchsten geis-
tigen Kampfe machte ihm besondere Freude und entsprach
der natiirlichen Struktur seines Geistes ebensosehr wie seinem
Priester- und Ordensideal. Er hielt es fiir seine Pflicht sich
nicht in seinem wissenschaftlichen Spezialgebiet zu verkap-
seln, sondern seinen Dienst an der Menschheit zu erfüllen,
indem er alle, die er als Schriftsteller und Vortragsredner
erreichen konnte, von der Geschlossenheit seiner theistischen
Weltanschauung und von der Wahrheitsgeltung des ,,christ-
lichen Monismus”, wie er es nannte, zu überzeugen suchte,
Doch da ich in diesen Blattern hauptsachlich den Entomo-
logen WASMANN zu würdigen habe, übergehe ich hier seine
langjahrigen Kampfe gegen den Hackelismus und erwähne
nur beilaufig die hochste Phase derselben, die bekannte grosse
Redeschlacht in Berlin, wo WASMANN vor 2000 Zuhorern seine
Welt- und Naturauffassung gegen Prof. PLATE und zehn andere
wissenschaftliche Gegner mutig verteidigte (vgl. E. WASMANN,
Der Kampf um das Entwicklungsproblem in Berlin. Freiburg
i. B., 1907, Herder).
Das entschiedene Eintreten für die Evolutionslehre übte
auf WASMANN selbst die Rückwirkung aus, dass der phylo-
genetische Gesichtspunkt in der Folge in seinen Studien
starker und stärker hervortritt Das verraten schon die
Ueberschriften mancher Abhandlungen wie: ,,Phylogeneti-
sche Bemerkungen über Paussiden”, ,,Phylogenetische Um-
bildung ostindischer Ameisengäste in Termitengaste’’, ,,Bio-
2
18 H. SCHMITZ S.J.,
logische und phylogenetische Bemerkungen über die Dory-
linengäste usw.” Blieb er sich auch der hypothetischen Natur
seiner Gedankengänge wohl stets bewusst, so ging er doch
in der deduktiven Handhabung des Entwicklungsprinzips
manchmal sehr weit. Die Kiihnheit seiner Vermutungen
setzte bisweilen selbst seine Freunde in Erstaunen. ,,P.
WASMANN, so schreibt Prof. EMERY im Biologischen Zen-
tralblatt 1909 S. 359,..ist manchmal verwegen wie kaum
ein Schriftsteller der romantischen Periode des beginnenden
Darwinismus”. Man wird in der Tat öfter schärfere Beweise
verlangen müssen, als WASMANN sie für einzelne seiner
Meinungen bietet, aber keinem Einsichtigen wird es einfallen,
das gewaltige Lebenswerk des Mannes wegen einiger schwa-
chen Punkte zu unterschätzen. Sehr ansprechend hat sich
WASMANN selbst einmal hierüber geäussert: „Eine hypo-
thesenfreie Wissenschaft ist für den Naturforscher nicht
bloss kein erstrebenswertes Ideal, sondern einfach eine
Chimäre. Selbst auf die Gefahr hin einmal zu irren, willich
lieber in den für unsere Sinne verborgenen kausalen und
finalen Zusammenhang der Erscheinungen mit meinem Geiste
einzudringen versuchen, als auf eine Erklärung verzichten.
Errando discimus, non negando. — Es wäre Bettlerstolz,
auf die Erforschung der ursächlichen Zusammenhänge der
Erscheinungen deshalb verzichten zu wollen, weil uns nicht
die ganze Wahrheit, sondern nur ein Schimmer derselben
zuteil werden kann.” Man darf übrigens darauf hinweisen,
dass manche Hypothesen WASMANNS heute besser begründet
erscheinen, als diejenigen glaubten, die sie bekämpften. Ich
denke dabei z.B. an den von WASMANN behaupteten Her-
maphroditismus der Termitoxenirden undranch
ein bisschen an seine Mimikry der Ameisengäste.
Trotz der ausgedehnten Vortragstätigkeit, die WASMANN
in den Vorkriegsjahren von Luxemburg aus entfaltete, ver-
nachlässigte er den Ausbau seines Spezialgebietes in keiner
Weise. Für Material sorgten eine Reihe von ausserordent-
lich eifrigen und fähigen Sammlern, von denen mehrere im
Laufe der Zeit zu selbständiger Publikation übergingen.
z.B. der deutsche Arzt Dr. H. BRAUNS in Kapland, der
Missionar am Belgischen Kongo P. H. Koh, P. Dr. J.
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 19
ASSMUTH in Vorderindien. Die Zahl der von den Genannten
eingesandten Ameisen- und Termitengäste ging in die
Tausende, und die Aufarbeitung dieser sich anhaufenden
entomologischen Schatze wurde mit der Zeit immer schwie-
rigen. Praparationshilfe suchte und fand P. WASMANN bei
mehreren seiner Mitbrüder, besonders bei P. H. KLENE
(f 1922). Zeitersparnis brachte wohl auch die Anwendung
der Mikrophotographie (seit 1902), in der sich WASMANN
unermüdlich vervollkommnete, mit dem Erfolge, dass seine
Aufnahmen als wirkliche Musterleistungen allgemein be-
wundert wurden.
Aber trotz solcher Erleichterungen musste WASMANN
schliesslich doch dazu übergehen, sich innerhalb seines
Spezialgebietes noch weiter zu spezialisieren. Nur die Bear-
beitung der Staphyliniden und Paussiden behielt er
bis zuletzt bei, die übrigen Gäste wurden meist an andere
Bearbeiter abgegeben. Die so gewonnene Zeit kam haupt-
sächlich mehreren dankenswerten grösseren Publikationen
zugute, die den letzten Lebensabschnitt unseres Forschers
auszeichnen.
Dieser verlegte im Sommer 1911 seinen Sitz wieder nach
Hollandisch Limburg, und zwar in das Valkenburger Ignatius-
kolleg, wo er bis zu seinem Tode wohnte. Ein Antrag, die
Professur der Zoologie an der neu errichteten Univer-
sitat Frankfurt a. M. zu übernehmen, wurde abgelehnt, da
er auf der irrtümlichen Voraussetzung beruhte, WASMANN
wolle den Jesuitenorden verlassen. Auch der Plan einer
Forschungsreise nach Südamerika musste wegen
ärztlichen Einspruchs aufgegeben werden. Der Weltkrieg
brachte gliicklicher Weise keine Unterbrechung der fried-
lichen gelehrten Studien. Doch bekam WASMANN einige
seiner Wirkungen insofern zu spüren, als er zunächst von
gewissen auslandischen entomologischen Gesellschaften als
Ehrenmitglied gestrichen wurde und schliesslich erieben
musste, dass seine heissgeliebte Siidtiroler Heimat Italien
einverleibt wurde. Er persönlich optierte nach dem Versailler
Frieden fiir Oesterreich.
Obwohl von den insgesamt 288 ,,Beiträgen zur Kenntnis
der Myrmekophilen und Termitophilen” die letzten hundert
20 H. SCHMITZ S.J.,
in Valkenburg geschrieben sind, betreffen nur wenige davon
die siidlimburgische Ameisen- und Myrmekophilenfauna, Zu
Freilandbeobachtungen fehlten dem alternden Meister die
Zeit und auch die physische Kraft. Die letztere suchte er
aufzufrischen durch ein oder zwei Ruhetage in jeder Woche,
die er auf einem Landgut des Kollegs in Aalbeek zuzubringen
pflegte. Zuhause widmete er sich den neu eintreffenden
Sendungen, mancherlei Gelegenheitsschriften und einigen
wichtigen zusammenfassenden Darstellungen. Von dem auf
zwei Bande berechneten Werke ,,Das Gesellschafts-
leben der Ameisen’ erschien nur der erste (Münster
i.W. 1915), der auch einen Abdruck des 1891 erschienenen
Buches tiber die gemischten Kolonien und zusammengesetzten
Nester der Ameisen enthalt. Fiir die SCHAXELsche Reihe der
„Abhandlungen zur theoretischen Biologie” verfasste er zwei
Beitrage ,,Die Gastpflege der Ameisen, ihre biologischen
und philosophischen Probleme’’ und ‚Die Ameisenmimikry,
Ein exakter Beitrag zum Mimikryproblem und zur Theorie
der Anpassung”. Das Gastpflegebuch beschäftigt sich
nur mit den Gästen aus der Gruppe der Symphilen — nur
diese werden ja wirklich gepflegt — und zeigt, dass Sym-
philieund Trophallaxis (= Nahrungsaustausch, nach WHEELER)
zwar manche Berührungspunkte gemeinsam haben, sich aber
keineswegs decken. Am Beispiel von Zomechusa wird aus-
führlich dargetan, dass die echten Ameisen- und Termiten-
gäste ein Züchtungsprodukt ihrer Wirte vermittels der
Amikalselektion und funktioneller Reizwirkung sind. Mit
Recht betont WASMANN, dass er den Begriff der fremddien-
lichen Zweckmässigkeit lange vor BECHER aufgestellt und
philosophisch verwertet habe. Er lehnt BECHERS Psychovita-
lismus ab und endigt mit einer Generalkritik der Gegner
theistischer Naturphilosophie.
Das Mimikrybuch ist hauptsächlich gegen F. HEIKER-
TINGER gerichtet, der ähnlich wie früher M. C. PIEPERS starke
Bedenken und Anklagen gegen die herrschende Mimikry-
lehre erhob. WASMANN hatte von Anfang an auf Tatsachen,
die als mimetische Anpassungen gedeutet werden können,
bei den Ameisengästen mit Fleiss geachtet und war über-
zeugt, in seinem Spezialgebiete wie für so manche andere
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 21
biologische Lehre, so auch für die Mimikrythesen die besten
Beispiele zu besitzen. Oft und viel hatte er darüber ge-
schrieben — dass es nun mit der ganzen Mimikrylehre nichts
sein sollte, war ihm (und nicht nur ihm allein) unfassbar
und regte ihn geradezu auf. Durch diese Stimmung kam
eine gewisse Schärfe in die Polemik gegen HEIKERTINGER,
der nun auch seinerseits Oel ins Feuer goss. Ein jahrelanger,
von hüben und drüben mit wechselndem Geschick geführter
Federkrieg war die Folge. An ihm beteiligten sich auch
andere Gelehrten (REICHENSPERGER, STUDY), und das End-
resultat ist, dass das Mimikryproblem bestehen bleibt und
von den beiderseitigen Behauptungen einiges abgestrichen
werden muss.
Die letzte bedeutende Arbeit WASMANNs galt den fossilen
Paussiden. Sämtliche erreichbaren Bernstein-Einschlüsse
dieser interessanten Käferfamilie bilden ihre Grundlage. Im
systematischen Teil werden nicht weniger als 18 neue Arten
beschrieben; der Abschnitt ,,Stammesgeschichtliches” ist ein
imposanter Gedankenbau, dessen Grundstein die Æopaussus-
hypothese bildet.
In Mai 1929 beging P. WASMANN seinen siebzigsten
Geburtstag. Er erlebte damals eine ganz besondere Ehrung,
wie sie nur den Häuptern wissenschaftlicher Schulen zuteil
zu werden pflegt: Der 82. Band des ,,Zoologischen Anzeigers”,
des Organs der Deutschen Zoologischen Gesellschaft, erschien
unter der Leitung von Dr. W. Horn als ,,Wasmann-
Festband”. Die 31 Beiträge von Forschern aus aller Welt,
von Freunden und auch von wissenschaftlichen Gegnern,
bilden die schönste Anerkennung des vielseitigen Lebens-
werkes des Jubilars. An Ehrungen hatte es ihm allerdings
auch früher schon nicht gefehlt. Dem Beispiel der Nieder-
ländischen Entomologischen Gesellschaft, die P. WASMANN
nach dessen Abschied von Exaten 1901 zum Ehrenmitgliede
ernannte, folgten die belgische, brasilianische, deutsche, fran-
zösische, englische entomologische Gesellschaft und viele
andere wissenschaftlichen Vereine. In mehrere Akademien
wurde er aufgenommen, 1921 ernannte ihn die Universität
zu Freiburg i. Sch. zum Ehrendoktor. Das bedeutende An-
sehen, das er in seinem Orden genoss, kam besonders bei
22 i H. SCHMITZ S.J.,
seinem 50-jahrigen Ordensjubilaum 1925 zum Ausdruck.
Seitdem P. WASMANN die Siebzig überschritten, nahmen
seine Kräfte zusehends ab. Die wöchentlichen Ruhepausen
wurden immer grösser, und mit der Arbeit ging es nicht
mehr voran. Ostern 1930 musste er auf Anordnung des
Arztes eine Digalenkur gegen Herzschwäche beginnen. Sie
bedeutete, wie in den meisten Fällen so auch hier, den
Anfang vom Ende. Der Kranke selbst erkannte von No-
vember 1930 ab, als er fast beständig zu Bette liegen
musste, dass seines Bleibens und Wirkens hienieden nicht
mehr lange sein werde, und ordnete seine Angelegen-
heiten. Er wünschte, dass seine Sammlungen samt Hand-
apparat und Bücherei u.s.w. als Ganzes erhalten bleiben
und der Schreiber dieses als Konservator des „Museum Was-
mannianum” fungieren solle. So der letzten irdischen Sorge
enthoben, bat P. WAsMANN aus eigenem Antriebe am 26.
Februar um die hl. Sterbesakramente und verschied am
nächsten Abend ruhig und sanft, nachdem er das Bewusst-
sein bis zuletzt bewahrt hatte. Die Leiche wurde am Morgen
des 2. März auf dem stimmungsvollen Friedhof des Valken-
burger Ignatiuskollegs beigesetzt. In der holländischen Pro-
vinz Limburg, wo er zwei Drittel seines Lebens gearbeitet,
gelitten und gestritten, hat der verdienstvolle Naturforscher
nun auch seine letzte Ruhestätte gefunden.
Den Ueberblick über das Leben und Wirken P. WASMANNS
möge ein Wort über seine wissenschaftliche Bedeutung und
eine kurze Mitteilung über seinen Nachlass beschliessen.
Ueber WASMANNs wissenschaftliche Bedeutung
urteilt Prof. Dr. REICHENSPERGER im ,,Wasmann-Festband”’
(S. 9) in einer Weise, die wie ich glaube, auf allgemeine
Zustimmung rechnen kann. „In mancherlei umfangreiche
zoologische Wissensgebiete hat er eingegriffen, er hat klärend,
fördernd, befruchtend gewirkt. Die meist anfängliche Ueber-
schätzung vieler Theorien hat er ebenso mutig bekämpft
wie deren spätere Unterschätzung. Um eine Fülle wertvoll-
ster Tatsachen hat er die Oekologie bereichert; vieles ver-
danken ihm Tierpsychologie und Naturphilosophie. Massge-
bende Autorität in seinem grossen Spezialgebiet, folgte er
offenen Auges jedem naturwissenschaftlichen Fortschritt.
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 23
Unentwegt erstrebt er sein Ziel, Erkenntnis der Wahrheit!”
»Stets aber wahrte er die Treue jenem Wissenszweige, dessen
Anziehungskraft er bereits in friiher Jugend folgte — der
Entomologie. Durch sein Beispiel klassisch deskriptiven
wie experimentellen Arbeitens hat er sie beeinflusst und in
der wissenschaftlichen Wertschatzung gehoben. Er blieb nicht,
wie so manche, an der äussern Form haften, sondern er
drang in ihren Geist, in ihr pulsierendes Leben ein, und er
verband sie gleichberechtigt mit ihren Schwesterwissen-
schaften.”
Was den Nachlass unseres grossen Entomologen betrifft,
so bildet den wertvollsten Teil desselben ohne Zweifel die
Sammlung von Ameisen- und Termitengästen
aus aller Welt. Sie sind meist trocken präpariert und in hand-
lichen Kästen vom Format 27 X 34 cm untergebracht. Die
Myrmekophilen sind weit zahlreicher als die Termitophilen
(44 Kästen gegen 11, die zudem teilweise nur schwach be-
setzt sind). Das gesamte Material ist zunächst nach geogra-
phischen bzw. Faunengebieten geordnet; die Abteilungen
sind: Nord- und Mitteleuropa, Mittelmeergebiet, Mittel- und
Südafrika, Nord-, Mittel- und Südamerika, Südostasien, Ma-
dagaskar, Australien. Innerhalb dieser Einteilung sind die
Gäste biologisch nach den Ameisenarten gruppiert. Den
Anfang z.B. bilden die sämtlichen Gäste von Mormica
rufa, zunächst die Käfer mit den Symphilen an der Spitze,
dann die Vertreter der übrigen Insektenordnungen. Dann
folgen die Gäste von F. pratensis, truncicola u.s.w. Nur
die Paussiden (etwa 130 Arten), die Milben und die pa-
rasitischen Mikrohymenopteren sind nicht auf die Ameisen-
arten, bei denen sie leben, verteilt, sondern für sich systema-
tisch geordnet zusammengesteckt.
Zu dieser Standardsammlung, die in ihrer Art sicher von
keiner privaten noch öffentlichen Sammlung der Welt über-
troffen wird, gehören als Hilfssammlungen eine Ameisen-
sammlung (gegen 1100 Arten), eine Termiten-, Staphylini-
den- und eine allgemeine Käfersammlung. Alle diese sind
systematisch angeordnet. Die zahlreichen Termitenarten hat
WASMANN zum kleineren Teile trocken präpariert, meistens
in Alkohol aufgehoben. Ausserdem gibt es auch viel unbe-
24 H. SCHMITZ S.J.,
arbeitetes und Dublettenmaterial in Alkohol, ferner eine
grosse Sammlung photographischer Aufnahmen.
Von dem umfangreichen literarischen Handapparat des
Verstorbenen sei besonders die Sammlung von Abhand-
lungen über Ameisen- und Termitengäste erwähnt,
an deren Vervollständigung WASMANN seit Jahrzehnten durch
Kauf und Schriftenaustausch arbeitete. Sie sollte unter ande-
rem dazu dienen, die seit langem geplante Neuherausgabe
des „Kritischen Verzeichnisses der myrmekophilen und termi-
-tophilen Arthropoden” zu erleichtern.
Auf Wunsch des Vorstandes der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging folgt hier eine Liste
derjenigen Publikationen von E. WASMANN, die ganz oder
teilweise entomologischen Inhalts sind. An der
Spitze stehen die 289 „Beiträge zur Kenntnis.der
Myrmekophilen und Termitophilen” mit der von
WASMANN eingeführten Numerierung. Ihre vollständige
Aufzählung wird hier zum ersten Mal veröffentlicht, mehr
oder weniger umfangreiche Teillisten hat der Forscher selbst
zu wiederholten Malen geboten (in den Nummern 38, 95,
114, 164, 205, 218, 234, 250, 270). Die mit T.bezeichneten
Nummern der „Beiträge” enthalten Mitteilungen über Ter-
miten und (oder) Termitophilen, im ganzen 70 Titel;
ein P bedeutet dasselbe in Bezug auf Paussiden, im
ganzen 57 Titel. Die Nummern entsprechen mehr der chro-
nologischen Reihe der Abfassung der einzelnen Arbeiten,
nicht immer genau der des Erscheinens, da der Druck sich
manchmal verzögerte.
Von den entomologischen Publikationen, die nicht
zu der Serie der „Beiträge zur Kenntnis der Myrmekophilen
und Termitophilen’” gehören, sind alle Originalarbeiten, die
ich feststellen konnte, aufgenommen. Fortgelassen sind kür-
zere Referate und die meisten Rezensionen. Im Ganzen
findet man nachstehend von den rund 750 wissenschaftlichen
Veröffentlichungen WASMANNs 434 verzeichnet, nämlich 289
„Beiträge” und 145 andere Entomologica.
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 25
BEITRAGE ZUR KENNTNIS DER MYRMEKOPHILEN
3a
6a
Io
USE
UND TERMITOPHILEN.
(1886), Ueber die Lebensweise einiger Ameisen-
gaster Ti Teil — Deutsche nee ZESchrn eN
S. 49—66.
(1887), Ueber die Lebensweise einiger Ameisen-
gaste II. Teil. — Deutsch. Ent. Ztschr. XXXi
S. 108 —I21.
(1887), Ueber die europäischen Atemeles. —
Deutsch. Ent. Ztschr. XXXI S. 97—107.
(1887), Ueber die Unterschiede in der Tasterbil-
dung von Atemeles und Lomechusa. — Deutsch.
me ZuScht, POS 4e
(1887), Neue brasilianische Staphyliniden, bei
Eciton Foreli Mayr (hamatum autor.) gesammelt
von Dr. W. Müller. — Deutsch. Ent. Ztschr.
XXXI S. 403—416, 1 Taf.
(1888), Beiträge zur Lebensweise der Gattungen
Atemeles und Lomechusa. ’s Gravenhage 1888. —
Sep. aus Tijdschr. v. Ent. XXXI S. 245—328.
30197
(1889), Neue Ecitongäste aus Südbrasilien. —
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 185—190, 1 Taf.
(1889), Ueber Xenocephalus Wasm. und Vatesus
Sharp. — Deutsch. Ent. Ztschr. S. 190.
(1889), Ueber einige myrmekophile Heteropte-
ren. — Deutsch. Ent. Ztschr. S. 191—192.
(1889), Nachträgliche Bemerkungen zu Ecito-
chara und Ecitomorpha. — Deutsch. Ent. Ztschr.
S. 414.
(1889), Zur Lebens- und Entwicklungsgeschichte
von Dinarda. — Wien. Ent. Ztg. VIII S. 153—
162. 5 Fig.
(1889), Zur Kenntnis der Dinarda-Formen. —
Wien. Ent. Ztg. VIII S. 281—282.
(1890), Vergleichende Studien über Ameisengäste
und Termitengaste. — Tijdschr. v. Ent. XXXIII
S. 27—97, 1 Taf.; zweiter Nachtrag S. 262—
266. TP
26
Nr.
12
13
14
15
16
16a
17
18
29
19a
20
ZI
22
23
24
H. SCHMITZ S.J.,
(1890), Verzeichnis der von Dr. Aug. Forel in
Süd-Tunesien und Ostalgerien gesammelten Amei-
sengäste. — Deutsch. Ent. Ztschr. S. 297—302.
(1890), Myrmecophila Salomonis n. sp. —
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 303—304.
(1890), Oochrotus unicolor Luc. — Deutsch. Ent.
Ztschr 2 52206:
(1890), Apteranillus Foreli n. sp. — Deutsch. Ent.
Ztsch. S. 318—320.
(1890), Neue myrmekophile Staphyliniden aus
Brasilien. — Deutsch. Ent. Ztschr. S. 305—318,
ar
(1890), Ueber die verschiedenen Zwischenformen
von Weibchen und Arbeiterinnen bei Ameisen. —
Stett. Ent. Ztg. S. 300—300.
(1891), Ein neuer Clavigeride aus Madagascar
(Rhynchoclaviger cremastogastris), mit verglei-
chenden biologischen Bemerkungen. — Stett. Ent.
Zig: S. 3. 10, I Wat.
(1891), Verzeichnis der Ameisen und Ameisen-
gäste von Holländisch Limburg. — Tijdschr. v.
Ent. XXXIV S. 39—64.
(1889), Zur Bedeutung der Palpen bei den Insek-
ten. — Biol. Zentrbl. IX S. 303—308.
(1891), Zur Bedeutung der Fühler bei Myrme-
donia. — Biol. Zentrbl. XI S. 23—26.
(1891), Vorbemerkungen zu den internationalen
Beziehungen der Ameisengäste. — Biol. Zentrbl.
XI S. 331— 343.
(1891), Die zusammengesetzten Nester und ge-
mischten Kolonien der Ameisen. — Münster 1.
Westialen Sov Uwe 26358.,2 Dar
(1891), Neue Termitophilen, mit einer Uebersicht
über die Termitengäste. — Verh. Zool. Bot. Ges.
Wien XLI S. 647—658, 1 Taf. T
(1892), Ein neuer Paussus (P. spinicola) vom
Somaliland. — Mitt. Schweiz. Ent. Ges. VIII
>. 3555357, B
(1892), Die internationalen Beziehungen von
25
25a
26
il
28
25
30
31
32
33
34
35
36
37,
38
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S.J. 27
Lomechusa strumosa. — Biol. Zentrbl. XII S.
584—599, 038 —069.
(1892), Zur Biologie einiger Ameisengäste. —
Deutsch. Ent. Zeitschr. S. 347—351.
(1892), Atemeles pubicollis Bris., var. Foreli n.
var. — Deutsch. Ent. Ztschr. S. 351.
(1893), Neue Myrmekophilen. Erstes Stück. —
Deutsch. Ent. Zeschr. SN 97. 1r2,un Bat.
(1893), Zwei neue Staphylinidengattungen aus
Sikkim. — Deutsch. Ent. Ztschr. S. 206—208.
(1893), Einige neue Termiten aus Ceylon und
Madagaskar, mit Bemerkungen über deren Gäste.
— Wien. Ent. Ztg. XII S: 239— 247. T
(1893), Ueber Paussiger und Articeropsis Wasm.
NICE a Zar SANT SE 25 7.
(1893), Eine myrmekophile Ceratopogon-Larve.
— Wien. Ent. Ztg..XIE.S. 277270 1 Fig.
(1893), Centrotoma rubra Saulc. in Böhmen. —
Wien. sEntoZtg. XTI>S.\279.
(1894), Zur Myrmekophilenfauna des Rheinlan-
des. — Deutsch. Ent. Zeitschr. S. 273—274.
(1894), Die Europäischen Dinarda, mit Beschrei-
bung einer neuen deutschen Art (D. pygmaea). —
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 275—280.
(1894), Zur Lebens- und Entwicklungsgeschichte
von Atemeles pubicollis, mit einem Nachtrag über
Atemeles emarginatus. — Deutsch. Ent. Ztschr.
S. 281—283.
(1804), Ueber Atemeles excisus Thoms. —
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 283—284.
(1894), Ueber Xantholinus atratus Heer (picipes
Thoms.). — Deutsch. Ent. Zeitschr. S. 285—287.
(1894), Formica exsecta Nyl. und ihre Nestge-
nossen. — Verh. Nat. Ver. preuss. Rheinl. Westf.
LI S. 10—22.
(1894), Kritisches Verzeichnis der myrmekophi-
len und termitophilen Arthropoden. Mit Angabe
der Lebensweise und Beschreibung neuer Arten.
Berlin 6° V1 und 231-5) TP
39
39a
40
42
42a
43
44
45
46
47
48
49
50
51
Bl, SCHEMA Sì je
(1895), Zur Kenntnis einiger schwieriger Thoric-
tus-Arten. — Deutsch. Ent. Ztschr. S. 41—44.
(1895), Zur Literatur der Paussiden-Larven. —
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 44. P
(1895), Verzeichnis der von Prof. Dr. Aug. Forel
im Frühling 1893 in der algerischen Provinz Oran
gesammelten Ameisengäste. — Deutsch. Ent.
Ztschr. S. 45—48.
(1895), Zur Kenntnis der myrmekophilen und
termitophilen Arthropoden. — Zool. Anz. XVIII
S. III— 114. ay
(1895), Die Ameisen- und Termitengaste von
Brasilien. I. Teil. — Verh. Zool. Bot. Ges. Wien
XLV S. 137—179. 4 Fig. T
(1896), Os hospedes das formigas e dos termites
(cupim) no Brazil. — Bolet. Museu Paraense I
Nr. 3 S. 273—324, 2 Taf. T
(1895), Ueber termitophile Cicindeliden. —
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 289— 290. T
(1895), Zur Kenntnis einiger Thorictusarten.
Zweites. Stuck. Deutschl) Ent at cho:
291— 293.
(1895), Zur Biologie von Lomechusa strumosa. —
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 294.
(1895), Die ergatogynen Formen bei den Ameisen
und ihre Erklärung. — Biol. Zentrbl. XV S. 606
—646. 4 Fig.
(1895), Kritische E MA über einige Myr-
mekophilen und Termitophilen. — Wien. Ent.
Ztg. XV S. 32—36. T
(1896), Note sur la chasse des coléoptères myrmé-
cophiles et termitophiles. — Rennes, Oberthur,
ANS NS Jente an
(1896), Dinarda-Arten oder-Rassen? — Wien.
Ent. Ztg. XV S. 125—142.
(1896), A revision of the genus Clidicus. — Notes
Weide Muss XVITES are!
(1895), Die Myrmekophilen und Termitophilen.
Nr.
52
53
54
55
56
63
64
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S.J. 29
— C. R. III. Congr. Intern. Zool. Leyden 1896
S. 410—440. 1 Fig. ab 12
(1896), Neue Termitophilen und Termiten aus
Indien. [Viaggio d. L. Fea in Birmania e regione
vicine LX XII]. — Ann. Mus. Civ. Genova XXXVI
S. 613—660, 7 Fig. u. 1 Taf. Nachtrag XXXVII
S. 149—152. I Fig. T
(1896), Einige neue Paussus aus Java, mit Be-
merkungen über die myrmekophile Lebensweise
der Paussiden. — Notes Leyden Mus. XVIII
S. 63—80, 1 Fig. u. 1 Taf. P
(1806), Zoologische Ergebnisse einer von Dr. K.
Escherich und Dr. L. Kathariner nach Zentral-
kleinasien unternommenen Reise. Myrmekophilen.
— Deutsch. Ent. Ztschr. S. 237—241. E
(1896), Zur Kenntnis einiger Thorictusarten.
Drittes Stück. — Deutsch. Ent. Ztschr. S.
ENEA:
(1896), Revision der Lomechusa-Gruppe. —
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 244—256. 1 Fig.
(1897), Selbstbiographie einer Lomechusa. —
Stimmen M. Laach LII S. 69—83. 1 Fig.
(1897), Instinkt und Intelligenz im Tierreich.
robot Autls nogopt
(1897), Vergleichende Studien über das Seelen-
leben der Ameisen und der höheren Tiere. Frei-
DUT Baroy Zg AT 28000)
(1897), Zur Entwicklung der Instinkte. — Verh.
Zool. Bot. Ges. Wien. XLVII S. 168—183.
(1897), Ueber einige myrmekophile Acarinen. —
Zool, Anz. XX S. 170— 173.
(1897), Einige neue termitophile Myrmedonien
aus Birma [Viaggio d. L. Fea in Birma e reg. vic.
LXXVII]. — Ann. Mus. Civ. Genova (2) XVIII
S. 28—31. 5 Fig. T
(1897), Bemerkungen über einige Ameisen von
Madagascar. — Zool. Anz. XX S. 249—250.
(1897), Ueber ergatoide Weibchen und Pseudo-
gynen bei Ameisen. — Zool. Anz. XX S. 251—253.
30
65
66
75
76
Zu.
78
79
80
H. SCHMITZ S.J.,
(1897), Beutetiere von Polybia scutellaris
(White) Sauss.. (224 Zool Anz DOGS:
276—279. T
(1897), Ein neuer Fustigerodes (Braunsi) aus
der Kapkolonie. Weber Fustigerodes (Novocla-
viger) Wroughtoni Wasm. — Wien. Ent. Ztg.
XVI S. 201— 202.
(1897), Ueber einige myrmekophile Acarinen. II.
— Zool. Anz. XX S. 346-350.
(1897), Neue Myrmekophilen aus Madagascar.
- Deutsch. Ent Ztischz S.1257 27242, Kar:
(1897), Eine neue Xenodusa aus Colorado, mit
einer Tabelle der Xenodusa-Arten. — Deutsch.
Ent. Ztschr. S. 273— 274. I Fig.
(1897), Zur Biologie der Lomechusa-Gruppe. —
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 275—277.
(1897), Ein neuer Dorylidengast aus Südafrika.
— Deutsch Ent, Ztschr, Sy278 lies
(1897), Eine neue termitophile Myrmedonia aus
Westafrika. — Deutsch. Ent. Ztschr. S. 279. E
(1897), Ein neuer Ecitongast aus Nord-Carolina.
— Deutsch. Ent. Ztschr. S. 280—282. 1 Fig.
(1897), Ein neues myrmekophiles Silphidengenus
auısl. »Costariea.). > Deutsch Ent Zische
283—285. I Fig.
(1897), Zur Biologie und Morphologie der
Lomechusa-Gruppe. _—. Zool, Anz. XX S.
463—471. 16 Fig.
(1897), Die Familie der Paussiden. — Stimmen
M. Laach LIII S. 400—411, 520—536. 5 Fig. P
(1897), Termiten von Madagaskar und Ost-
afrika. (Voeltzkow, Wiss. Erg. d. Reisen in
Madag. “u.” Ostafr. “1889 18o5).er— Abi
Senckenb. Ges. XXI S. 137—182, 2 Tai T
(1898), Ameisenfang von Theridium triste Hahn.
Zool. Anz. XXI S. 230— 232.
(1898), Ueber Novoclaviger und Fustigerodes. —
Wien. Ent. Ztg. S. 96—9g. 1 Fig.
(1898), Eine neue dorylophile Tachyporinengat-
81
82
83
84
85
85a
86
87
88
89
90
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. To 3I
tung aus Südafrika. — Wien. Ent. Ztg. XVII
S. 101—103, 4 Fig.
(1898), Eine neue Philusina vom cip) SEV ten:
Ent. Ztg. XVII S. 103—104.
(1898), Ein neuer Claviger (Handmanni) aus
Bosnien. — Wien. Ent. Ztg. XVII S. 135.
(1898), Erster Nachtrag zu den Ameisengasten
von Hollandisch Limburg, mit biologischen Noti-
zen. — Tijdschr. v. Ent. XLI S. 1—18.
(1898), Eine Ameisenkolonie durch Nematoden
zerstört. — Tijdschr. v. Ent. XLI S. 18—109.
(1898), Die Gaste der Ameisen und der Termiten.
— fll. Ztschr. f. Ent. III S. 145—149, 161—164,
170—181, 195—197, 209—2II, 225—227, 243—
AAC ne var: Ap Le
(1900), The guests of ants and termites. — Ento-
mologists Record XII Nr. 2—8 Sep. S. I—I5.
ı Taf. (Translated by H. Donisthorpe). RE
(1898), Ein kleiner Beitrag zur Myrmekophilen-
fauna von Vorarlberg. — Mitt. Schweiz. Ent.
Ges. X S. 134—135.
(1898 und 1899), Zur Kenntnis der Myrmekophi-
len und Ameisen von Bosnien. — Serbisch in:
Glaznik zem mureja, Serajewo X (1898) S.
219—225. 3 Fig. Deutsch in: Wiss. Mitt. Bosnien
Herzegowina (1899) VI S. 767—772, 3 Fig.
(1898), Einige neue myrmekophile Anthiciden
ais, indian — Were, Zool Bo Gras. NEN
XLVIII S. 282—284.
(1898). Ueber die Gaste von Tetramorium caespi-
tum, sowie über einige andere Myrmekophilen. —
Mers 253. Zomervere: Neds) VA ins; dcr.
Ent. XLI S. 60—65.
(1898), Thorictus Foreli als Ektoparasit der
Ameisenfühler. — Zool. Anz. XXI S. 435.
(1898), Zur Lebensweise von Thorictus Foreli,
mit einem anatomischen Anhang und einer Tafel.
— Natur u. Offenb. XLIV S. 466—478, 1 Taf.
Nr.
92
93
94
95
96
97
98
99
100
IOI
102
103
104
105
H. SCHMITZ S.J.,
(1898), Neueres über Paussiden. — Verh. Zool.
Bot. Ges. Wien XLVIII S. 507—515. P
(1898), Die Höhlentiere. — Stimmen M. Laach
LV S. 56—64, 158—1067.
(1898), Nochmals Thorictus Foreli als Ektopa-
rasit der Ameisenfühler. — Zool. Anz. XXI
S. 536—546. 9 Fig.
(1899), Die psychischen Fahigkeiten der Ameisen.
Stuttgart, 134 S. fol. 3 Taf. — Zoologica Heft 26.
(1898), Augenlose Tiere. — Stimmen M. Laach
LV S. 531—539.
(1899), G. D. Havilands Beobachtungen über
die Termitophilie von Rhopalomelus angusticollis
Boh — Verh: «Zool; Bot. Ges. Wien Xs
S. 245—249. T
(1898), Neue Paussiden, mit einem biolugischen
Nachtrag. — Notes Leyden Mus. XXI S. 33—52.
2) alate P
(1809), Neue Termitophilen und Myrmekophilen
aus Indien. — Deutsch. Ent. Ztschr. S. 145—169.
DAI T
(1899), Ein neues myrmekophiles Curculioniden-
genus aus der Kapkolonie. — Deutsch. Ent.
Ztschr. S. 170—171. 1 Fig.
(1899), Ein neues (termitophiles?) Tenebrioni-
dengenus aus Kamerun. — Deutsch. Ent. Ztschr.
S. 172—173. 1 Fig. : du
(1800), Eine neue dorylophile Myrmedonia aus
der Kapkolonie, mit einigen anderen Notizen über
Dorylinengaste: Deutsch. Ent Ztsehr Se
174-177.
(1899), Ein neues physogastres Aleocharinen-
genus aus der Kapkolonie. — Deutsch. Ent.
Ztschr. S. 178—170. 1 Fig. T
(1899), Der Lichtsinn augenloser Tiere. — Stim-
men M. Laach LVII S. 247—257, 415—425.
(1899), Weitere Beitrage zum Verzeichnis der
Ameisengäste von Holländisch Limburg. —
Tijdschr. v. Ent. XLII S. 158— 171.
Nr.
106
107
108
109
IIO
III
112
ES
114
115
116
E77
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 33
(1899), Ein neuer Termitodiscus aus Natal. —
Deutsch, Ent. Ztschr. S. 401—402. T
(1899), Zwei neue Lobopelta-Gaste aus Süd-
afrika. — Deutsch. Ent. Ztschr. S. 403-—404.
1 Fig.
(1899), Zwei neue myrmekophile Philusina-Arten
aus Südafrika. — Deutsch. Ent. Zeitschr. S.
405—400.
(1899), Ueber Atemeles pubicollis und die Pseu-
dogynen von Formica rufa L. — Deutsch. Ent.
Ztschr. S. 407— 409.
(1899), Ein neuer Gast von Eciton carolinense.
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 409—410.
(1900), Zur Kenntnis der termitophilen und myr-
mekophilen Cetoniden Südafrikas. — Ill. Ztschr.
f. Ent. VS. 65—67, 80—84, Nachtrag S. 103—-104.
17 dene GE
(1899), Ein neuer Melipona-Gast (Scotocryptus
Goeldii) aus Para. — Deutsch. Ent. Ztschr.
SATA.
(1900), Termitoxenia, ein neues flügelloses phy-
sogastres Dipterengenus aus Termitennestern. I.
Teil. Aeussere Morphologie und Biologie. —
Ztschr. wiss. Zool. LXVII S. 599-617. 1 Dop-
peltaf. T
(1900), Neue Dorylinengäste aus dem neotropi-
schen und dem aethiopischen Faunengebiet. —
Zool. Jahrb. Syst. XIV S. 215—289. 2 Doppeltaf.
(1901), Zur Lebensweise der Ameisengrillen
(Myrmecophila). — Nat. u. Offenbar. XLVII
S. 129—152. ı Fig. Auch abgedruckt in: Insekten-
börse XIX (1902), S. 43—44, 52—53, 59—60,
68—69, 75—76, 83, 91, 99—I00, 107—108, 115—
136. ı Fig.
(1901), Zwei neue Liometopum-Gäste aus Colo-
rado. — Wien. Ent. Ztg. XX S. 145—147.
(1901), On some genera of Staphylinidae, descri-
bed by Thos. L. Casey. — Canad. Ent. XXIII
S. 249—252.
. 118
119
120
I2I
122
123
124
125
126
127
H. SCHMITZ S.J.,
(1901), Gibt es tatsachlich Arten, die heute noch
in der Stammesentwicklung begriffen sind? Zu-
gleich mit allgemeineren Bemerkungen über die
Entwicklung der Myrmekophilie und Termitophi-
lie und über das Wesen der Symphilie. — Biol.
Zentrbl. XXI S. 689—711, 737—752 Jb
(1901), Termitoxenia, ein neues flügelloses, phy-
sogastres Dipterengenus aus Termitennestern II.
Teil. Nachtrag zum systematischen und biologi-
schen Teile‘ — "Ztschr. wiss. Zool EXS:
289 — 298. T
(1901— 1902), Neues über die zusammengesetzten
Nester und gemischten Kolonien der Ameisen. —
Allgem. Zeitschr. f. Ent. VI S. 353—355, 369 —
371; VII S. 1—5, 33—37, 72—77, 100—108,
136—139, 167—173, 206—208, 235—240, 260—265,
293—298, 340—345, 385—390, 422—427, 441449.
(1902), Zur Kenntnis der myrmekophilen Anten-
nophorus und anderer, auf Ameisen und Termiten
reitenden Acarinen. — Zool. Anz. XXV 5.
66—76. T
(1902), Ein neuer myrmekophiler Ilyobates aus
dem Rheinland (Ilyobates brevicornis) n. sp. —
Deutsch. EntsZtschrms02:
(1902), Coléoptères myrmécophiles recueillis par
A. Lameere en Algérie. — Ann. Soc. Ent. Belg.
MIEN) Tis Ss" 150.
(1902), Zur näheren Kenntnis der termitophilen
Dipterengattung Termitoxenia. — Verh. V.
Intern. Zoologenkongr. Berlin 1901. S. 852—872.
1 phot. Tafel. T
(1902), Verzeichnis der von Dr. W. Horn aut
Ceylon 1899 gesammelten Termiten, Termitophi-
len und Myrmekophilen. — Deutsch. Ent Ztschr.
S. 79—80. GR
(1902), Zwei neue europaische Coleopteren. —
Deutsch Ent. Ztschr. S. 16. T
(1902), Species novae Insectorum termitophilo-
Nr.
128
128a
129
130
131
132
199
134
237
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S.J. 35
rum ex America meridionali. — Tijdschr. v. Ent.
XLV S. 95—107. 1 Taf. : T
(1902), Species novae Insectorum termitophilo-
rum, a Dr. F. Silvestri in America meridionali
inventae. — Boll. Mus. Torino XVII Nr. 427, Sep.
S. 1—6. T
(1903), Berichtigung. — Deutsch. Ent. Ztschr.
S220:
(1902), Termiten, Termitophilen und Myrme-
kophilen, gesammelt auf Ceylon von Dr. W. Horn,
mit anderm ostindischen Material bearbeitet. —
Zool. Jahrb. Syst. XVII S. 99— 164. 2 Taf. T
(1902), Biologische und phylogenetische Bemer-
kungen über die Dorylinengäste der alten und der
neuen Welt, mit spezieller Berücksichtigung ihrer
Konvergenzerscheinungen. — Verh. Deutsch.
Zool. Ges. S. 86—08. 1 Taf.
(1902), Neue Bestätigungen der Lomechusa-
Pseudogynen-Theorie. — Verh. Deutsch. Zool.
Ges. S. 98— 108. 1 Taf.
(1902), Riesige Kurzflügler als Hymenopteren-
gaste. — Insektenborse XIX S. 267—268,
275—276, 282. 3 Fig.
(1903), Konstanztheorie oder Deszendenztheorie?
— Stimmen M. Laach LXVI S. 29—44, 149—163,
544—563. Io Fig. u. 2 Taf.
(1903), Zur näheren Kenntnis des echten Gast-
verhältnisses (Svmphilie) bei den Ameisen- und
Mermititensasten, "Biol, ZEN TD MOINS
63—72, 195—207, 232—248, 261—276, 298—310.
2E AB
(1903), Zum Mimikrytypus der Dorylinengäste.
— Zool. Anz. XXVI S. 581—590.
(1903), Zur Brutpflege der roten Raubameise (F.
sanguinea Latr.). — Insektenbôrse XX S.
275—276.
(1903, Die Thorakalanhänge der Termitoxenii-
dae, ihr Bau, ihre imaginale Entwicklung und
36
. 138
139
140
I4I
142
143
144
145
1452
146
H. SCHMITZ S.J.,
phylogenetische Bedeutung. — Verh. Deutsch.
Zool. Ges. S. 113—120. 2 Taf. T
(1904), Zur Kenntnis der Gaste der Treiberamei-
sen und ihrer Wirte am oberen Congo, nach den
Sammlungen und Beobachtungen von P. Hermann
Kohl S. C. J. bearbeitet. — Zool. Jahrb. Suppl.
VII Festschr. f. Weismann S. 611—682. 3 Taf.
(1904), Termitophilen aus dem Sudan. Uppsala
8° 21 S. 1 Taf. — Results Swed. Zoolog. Exped.
Egypt. White Nile 1901, under the direction of
L. A. Jagerskiold. Nr. 13. T
(1904), Ein neuer Atemeles aus Luxemburg. —
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 9—ı1.
(1904), Zur Kontroverse über die psychischen
Fähigkeiten der Tiere, insbesondere der Ameisen.
— Nat. u. Schule III S. 20—26, 80—89, 133— 142.
4 Fig.
(1904), Neue Beiträge zur Kenntnis der Paussi-
den, mit biologischen und phylogenetischen Be-
merkungen. — Notes Leyden Mus. XXV, I S.
I—82. 6 phot. Taf. Berichtigungen S. 110 P
(1904), Die moderne Biologie und die Entwick-
lungstheorie. — 323 S. 8°. 4 Taf. Freiburg i. Br.
Herder. PT
(1904), Contribucao para o estudo dos hospedes
de abelhas brazileiras. — Rev. Mus. Paulista VI
S. 482—487. 1 Taf.
(1904), Die phylogenetische Umbildung ostindi-
scher Ameisengäste in Termitengäste. — C. R. VI
Congr. Internat. Zool. Berne 1904 S. 436—448.
Ier T
(1905), Die phylogenetische Umbildung ostindi-
scher Ameisengäste in Termitengäste. Vortrag. —
Mitt. Schweiz. Ent. Ges. XI S. 66—67. T
(1905), Ursprung und Entwicklung der Sklaverei
bei den Ameisen. — Biol. Zentrbl. XXV S. 117—
127, '129—144, 161—169, 193—216, 256—270,
273—292. 2 Fig.
146a (1905), Nochmals zur Frage über die temporär
Nr.
147
148
149
150
1504
I5I
152
153
154
154a
156
157
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S.J. 37
"gemischten Kolonien und den Ursprung der Skla-
verei bei Ameisen. — Biol. Zentrbl. XXV S.
644—653.
(1905), Ameisenarbeiterinnen als Ersatzkonigin-
nen. — Mitt. Schweiz. Ent. Ges. XI S. 67—70.
(1905), Zur Lebensweise einiger in- und aus-
landischer Ameisengäste. — Ztschr. wiss. Insek-
tenbiol. X S. 329—336, 384—390, 418—428.
(1906), Zur Lebensweise von Atemeles praten-
soides. — Ztschr. wiss. Insektenbiol. XI S. 1—12,
RA a Bier
(1906), Versuche mit einem brasilianischen Amei-
sennest in Holland. — Tijdschr. v. Ent. XLVIII
Str rz Wak
(1906), Zur Myrmekophagie des Grünspechts. —
Tijdschr. v. Ent. XLVIII S. 6—12.
(1905), Termitusa, nouveau genre d’Aléochariens
termitophiles. — Rev. d’ Ent. (Fauvel) XXV
S. 199—200. T
(1906), Zur Geschichte der Sklaverei beim Volke
der Ameisen. — Stimmen M. Laach LXX S. 405—
425, 517-531: 4) Fig.
(1906), Zur Kenntnis der Ameisen und Ameisen-
gaste von Luxemburg I, IJ. — Arch. trim. Inst.
Granddueal Seet Science, fasceHıN24Sep: 22 S:
(1906), Beispiele rezenter Artenbildung bei Amei-
sengasten und Termitengasten. — Festschr. f.
Rosenthal, Leipzig S. 4358. Biol. Zentrbl. XXVI
S. 565—580. T
(1906), Esempii di recenti neoformazioni di
specie tra gli ospiti delle formiche e delle termite.
— Riv. fis. mat. e scienc. nat. Pavia VII Nr. 84. T
(1906), Die Gaste der Ameisen und der Termiten.
Vortr. 77. Vers. Deutsch. Naturf. *Aerzte. —
Verh. Teil. II S. 212—216. T
(1906), Wie gründen die Ameisen neue Kolonien?
Vortr. Naturw. Sektion Görresges. 27. IX. Bonn.
— Wiss. Beil. Germania Nr. 44 ı Nov. 1906.
(1906), Die moderne Biologie und die Entwick-
38
159
160
160a
161
162
1624
163
164
165
166
H. SCHMITZ S.J.,
lungstheorie. 3. Aufl. 8° XXX u. 530 S. 54 Fig.
zn ant Jelle Br TAP
(1907), Sur les nids des fourmis migrantes (Eciton
et Anomma). — Atti Pontif. Accad. Rom. Nuovi
Lincei LX Sect. VII S. 224— 229.
(1907), Ueber einige afrikanische Paussiden, mit
Beschreibung zweier neuer Paussus. — Deutsch.
Ent. Ztschr. S. 147—153. 1 Taf. P
(1907), Ueber einige Paussiden des Deutschen
Entomol. Nationalmuseums. — Deutsch. Ent.
Ztschr. S. 561—566. 3 Fig. P
(1907), Ein neuer Paussus von Togo. — Deutsch.
Iie, ZtschamS 5740. P
(1908) Zur Kastenbildung und Systematik der
Termiten. — Biol. Zentrbl. XXVIII S. 68—73. T
(1908), Weitere Beitrage zum sozialen Parasitis-
mus und der Sklaverei bei den Ameisen. — Biol.
Zentrbl. XXVIII S. 257—271, 289—306, 321—
333, 353 382, AI AAT 3) Mig:
(1908), Nachtrag zu: Weitere Beitrage zum
sozialen Parasitismus und der Sklaverei bei den
Ameisen. — Biol. Zentrbl. XXVIII S. 726—731.
(1908), On the evolution of Dinarda, a genus
of coleoptera. Translated by H. Donisthorpe. —
Entomologist S. 68—72.
(1908), Die psychischen Fahigkeiten der Amei-
sen. Mit einem Ausblick auf die vergl. Tier-
psychologie. 2. Aufl. Stuttgart XI und 190 S. fol.
Bears
(1908), Myrmechusa, eine neue Gattung zwischen
Myrmedonia und Lomechusa. — Ann. Mus. Civ.
Genova XLIV S. 38—42. 5 Fig.
(1908), Termitophilen. Ein neues termitophiles
Staphylinidengenus (Termitotelus Schultzei),
nebst andern Bemerkungen über die Gäste von
Hodotermes. Mit 1 Taf. — L. Schultze; For-
schungsreisen im westlichen und zentralen Süd-
afrika 19031905 I S. 239—243; Denkschr. med.
naturw. Ges. Jena XIII S. 441—445. 1 Taf. T
Nr.
167
168
169
170
171
172
175
176
LAT)
178
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 39
(1909), Zur Geschichte des sozialen Parasitismus
und der Sklaverei bei den Ameisen. — Naturw.
Wochenschr. N. F. VIII S. 401—407. 5 Fig.
(1909), Zur Kenntnis der Ameisen und Ameisen-
gaste von Luxemburg III. — Arch. trim, Inst.
Grand-ducal IV S. 1—114. 5 phot. Taf.
(1909), Die progressive Artbildung und die
Dinarda-Formen. — Nat. u. Offenb. LV S. 321—
346. 2 Fig.
(1909), Ueber den Ursprung des sozialen Para-
sitismus, der Sklaverei und der Myrmekophilie
bei den Ameisen. — Biol. Zentrbl. XXIX
S. 587—604, 619 —637, 651—663, 683—703. 2 Fig.
(1909), Myrmecosaurus, ein neues myrmekophiles
Staphylinidengenus. — Zool. Anz. XXXIV S.
765—768. 3 Fig.
(1909), Ueber gemischte Kolonien von Lasius-
arten. Kritische Bemerkungen und neue Beobach-
tungen. — Zool. Anz. XXXV S. 129—141.
(1910), Ueber das Wesen und den Ursprung der
Symphilie Biol. Zentrbl. XXX S. 97—102, 129—
138, 161—181. 1 Fig.
(1910), Ueber Staphylinus-Arten als Ameisen-
rauber. — Ztschr. wiss. Insektenbiol. XV S.
Sm OMS SO:
(1910), Nils Holmgrens neue Termitenstudien
und seine Exsudattheorie. — Biol. Zentrbl. XXX
S. 303—310. a
(1910), Ameisenpsychologie. Vortr, Vers.
Gorresges. Regensburg. — III. Vereinsschr. Gôr-
resges. S. 84—107. 3 Taf.
(1910), Nachtrage zum sozialen Parasitismus
und der Sklaverei bei den Ameisen. — Biol.
Zentrbl. XXX S. 453—464, 475—496, 515—524.
(1910), Termiten von Madagascar, den Comoren
und Inseln Ostafrikas. — Voeltzkow, Reise in
Ostafrika (1903—1905), Stuttgart III. S.
117—127. a
(1910), Die Anpassungsmerkmale der Atemeles.
40
. 180
I8I
182
183
184
185
186
187
189
190
IgI
H. SCHMITZ S.J.,
Mit einer Uebersicht über die mitteleuropäischen
Verwandten von „A. paradoxus Grav”. — Extr.
I Congr. Internat. d’Entomol. Bruxelles S.
205—272.
(1910), Die Doppelwirtigkeit der Atemeles. —
Deutsch. Ent. Nationalbibliothek I S. 55—56,
62—64. 1 Tabelle.
(1911), Atemeles siculus Rottbg. und seine Ver-
wandten. — Deutsch. Ent. Ztschr. S. 39—43.
(1910), Zur Kenntnis der Gattung Pleuropterus
und anderer Paussiden. — Ann. Soc. Ent. Belg.
LIV S. 392—402. 4 Fig. P
(1911), Gibt es erbliche Instinktmodifikationen
im Verhalten der Ameisen gegenüber ihren Gäs-
ten? — Zool. Anz. XXXVII S. 7—18.
(1910), Die Ameisen und ihre Gäste. — Extr. I
Congr. Internat. d’ Entomol. Bruxelles IT. part
S. 209—234. 6 phot. Taf. P
(1011), Termitophile Coleopteren aus Ceylon. —
Sep. aus Escherich, Termitenleben auf Ceylon
S. 231—232. T
(1911), Selbstbiographie einer Lomechusa, 2. ver-
mehrte Aufl. Urania (Wien) IV S. 563—573.
Baron
(1911), Ein neuer Paussus (Escherichi) aus
Ceylon, mit einer Uebersicht über die Paussiden-
wirte. — Tijdschr. v. Ent. LIV S. 195—207.
ji est E
(1011), Zur Kenntnis der Termiten und Ter-
mitengäste vom belgischen Congo. — Rev. Zool.
Afric. I S. 9I— 117, 145—176. 8 phot. Taf. T
(1911), K. Escherichs ,,Termitenleben auf Cey-
lon”. — Biol. Zentrbl. XXXI S. 394—412, 425—
434. T
(1011), Ueber Myrmekophilen und deren Anpas-
sungserscheinungen. — Versl. 66. Zomerverg.
Ned Ent. Ver in: Aindschr taverne Ves:
XXXV—XXX VIII. P
(1911), Tabelle der Termitophya- und der Xeno-
Nr.
192
193
194
195
196
197
198
299
200
201
202
203
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 41
gaster-Arten. — Zool. Anzeiger XXXVIII S.
428— 429. SE
(1912), Neue Beitràge zur Kenntnis der Ter-
mitophilen und Myrmekophilen. — Ztschr. wiss.
Zool. CI S. 7o—115. 2 Taf. NE
(1912), Neue Anomma-Gäste aus Deutsch-Ost-
Afrika. — Ent. Rundschau XXIX S. 41—43.
(1912), Mimanornma spectrum, ein neuer Dory-
linengast des extremsten Mimikrytypus. — Zool.
Anz. XXXIX S. 473-481. 8 Fig.
(1912), Zwei neue Paussiden und ein neuer
Rhysopaussine aus Niederl. Indien. — Tijdschr.
x. Ent. CVS 262. ©. Bar: P
(1912), Das Seelenleben der Ameisen. Vortr.
51 Vers. Deutsch. Philologen u. Schulmanner
Posen 5. X. 1911. — Unterrichtsbl. Math.
Naturw. Nr. 3 Sep. 11 S. 6 Fig. Auch in: Efeu-
ranken S. 7—13, 27—34. 7 Fig.
(1912), H. Sauters Formosa-Ausbeute, Paussidae
(Col.). — Suppl. Ent. Nr. 1 S. 1—4. 1 Taf. P
(1913), Revision der Termitoxeniinae von Ost-
indien und Ceylon. — Ann. Soc. Ent. Belg. LVII
S162 2h 2s ice ch
(1912), Neue Beispiele der Umbildung von Dory-
linengästen zu Termitengästen. — Verh. Ges.
Deutsch. Naturf. Aerzte II Teil 1. Hälfte S.
S. 254—257. T
(1912), Ein neuer Fall zur Geschichte der Sklave-
rei bei den Ameisen. — Verh. Ges. Deutsch.
Naturf. Aerzte II. Teil 1. Hälfte S. 264—268.
(1913), Lasius emarginatus Ol, eine karton-
nestbauende Ameise. — Biol. Zentrbl. XXXIII
S. 264—266. 1 Taf.
(1913), Gäste von Eciton praedator Sm. aus dem
Staate Espirito Santo (Südbrasil). — Ent. Mitt.
(Berlin) II S. 376—380.
(1913), Ein neuer Paussus aus Südindien, mit
Bemerkungen zur Stammesgeschichte der Paus-
siden. — Ent. Mitt. (Berlin) II S. 381—383. P
42
Nr.
204
205
206
207
208
209
210
ZII
213
H. SCHMITZ S:J.,
(1913), The ants and their guests. — Smithson.
Report for 1912 S. 455— 474. 10 phot. Taf. 12)
(1915), Neue Beitrage zur Biologie von Lome-
chusa und Atemeles, mit kritischen Bemerkun-
gen über das echte Gastverhaltnis. — Ztschr. wiss.
Zool. CXIV S. 233—402. 1 statist. Karte, 2 Dop-
peltaf.
(1915), Zwei für Holland neue Ameisen, mit
andern Bemerkungen über Ameisen und deren
Gaste aus Sud-Limburg. — Tijdschr. v. Ent.
LVIII S. 150—162.
(1916), Wissenschaftliche Ergebnisse einer For-
schungsreise nach Ostindien, V. Termitophile
und myrmekophile Coleopteren, gesammelt von
Prof. Dr. v. Buttel—Reepen 1911—1912. — Zool.
Jahrb. Syst. XXXIX S. 169-210. 2 Doppel-
taf. TE
(1915), Ueber Ameisenkolonien mit Mendelscher
Mischung. — Biol. Zentrbl. XXXV S. 113—127.
(1915), Luxemburger Ameisenkolonien mit Men-
delscher Mischung. — Sep. Festschr. Ver. Lux.
Naturfr. S. 87—101.
(1915), Das Gesellschaftsleben der Ameisen. Das
Zusammenleben von Ameisen verschiedener Arten
und von Ameisen und Termiten. Gesammelte
Beitrage zur sozialen Symbiose bei den Ameisen I.
[einziger] Band. Minster i. Westf. XVIII u. 413
SSP MONS te Dar T
(1915), Revision der Gattung Aenictonia Wasm.
Ent. Mitt. (Berlin) IV S. 26—35. 1 phot. Taf.
(1915), Eine neue Pseudomyrma aus der Ochsen-
horndornakazie in Mexiko mit Bemerkungen über
Ameisen in Akaziendornen und ihre Gäste. Ein
kritischer Beitrag zur Pflanzen myrmekophilie. —
Tijdschr voient MMS 206325504 por
Taf. B
(1915), Erster Nachtrag zur Revision der Gattung
Aenictonia Wasm., nebst einer Revision der
Nr.
214
215
216
207
218
219
220
221
222
223
224
225
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S.J. 43
Gattung Dorylopora Wasm. — Ent. Mitt. (Ber-
lin) IV S. 202—205.
(1915), Zweiter Nachtrag zur Revision der Gat-
tung Aenictonia Wasm. — Ent. Mitt. (Berlin) IV
S. 289—290.
(1915), Anergatides Kohli, eine neue arbeiterlose
Schmarotzerameise vom oberen Kongo. — Ent.
Mitt. (Berlin) IV S. 279—288. 2 phot. Taf.
(1915), Viviparitat und Entwicklung von
Lomechusa und Atemeles. — Wien. Ent. Ztg.
XXXIV (Festschr. f. Reitter) S. 382—393.
(1916), Neue dorylophile Staphyliniden Afrikas.
— Ent. Mitt. (Berlin) V S. 92—109, 135—147.
I phot. Taf.
(1917), Neue Anpassungstypen bei Dorylinen-
gasten Afrikas (Col. Staphylinidae). — Ztschr.
wiss. Zool. CX VII S. 527—360, 4 phot. Doppelt.
(1915), Nachtrag zum Mendelismus bei Amei-
sen. — Biol. Zentrbl. XXXV S. 561—564.
(1015), Nachtrag zu ,, Eine neue Pseudomyrma
aus der Ochsenhorndornakazie in Mexiko”. —
Mijdsehr: v. Ent. ENVIE Suppl S:123—131.
(1917), Die Ausbreitung der argentinischen
Ameise in der Kapkolonie und ihr Einfluss auf
die einheimische Ameisenfauna. — Ent. Mitt.
(Berlin) VI S. 184—186.
(1917), Myrmekophile und termitophile Coleop-
teren aus Ostindien, gesammelt von P. J.
Assmuth und J. B. Corporaal I. Paussidae und
Clavigerinae. — Tijdschr. v. Ent. LX S. 382—408.
3 phot. Taf. TE
(1918), Myrmekophile und termitophile Coleop-
teren aus Ostindien, hauptsächlich gesammelt
von P. J. Assmuth. II. Scarabaeidae. — Wien.
Ent. Ztg. XXXVII S. 1—23. 2 phot. Taf. Ty
(1918), Die Histeridae der Genera Insectorum
von Heinr. Bickhardt. — Ent. Blatter XIV
S. 37-41. ab
(1919), Wissenschaftliche Ergebnisse der Deut-
44
. 2254
226
227
228
229
230
231
232
233
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S.J.
schen Zentral-Afrika-Expedition 1907—1908, un-
ter Führung Adolf Friedrichs, Herzogs zu
Mecklenburg: Paussiden. — Tijdschr. v. Ent.
LXII S. 109— 130. 2 phot. Taf. IE
(1918), Neue Paussiden aus Zentral- und Süd-
westafrika. — Neue Beitr. syst. Insektenk. I
SOUTTEI 112 (Ztschr. wiss. Insektenbiol. XIV
Heft 9—10). P
(1918), Ueber Solenopsis geminata saevissima
und ihre Gäste. — Ent. Blatter XIV S 69—75.
(1918), Ueber die von v. Rothkirch 1912 in
Kamerun gesammelten Myrmekophilen. — Ent.
Mitt. (Berlin) VII S. 135—140. B
(1918), Ueber Pleuropterus Dohrni Rits. und
Lujae Wasm. und die Larve von Pleuropterus
Dohrni. — Tijdschr. v. Ent. LXI S. 76—87 1
phot. Taf. E
(1918), Bemerkungen zur neuen Auflage von K.
Escherich „Die. Ameise’. == Biol’ Zentrbl.
XXXVIII S. 116—120.
(1918), Zur Lebensweise und Fortpflanzung von
Pseudacteon formicarum Verr. — Biol. Zentrbl.
XXXVIII S. 317-329. Nachtrag S. 456.
(1918), Uebersicht der myrmekophilen Paederi-
nengattung Myrmecosaurus Wasm. (Staphylini-
dae). — Ent. Blatter XIV S. 210—214. 1 Fig.
(1918), Lebioderus Goryi Westw. var. bicolor
Wasm. n. var. — Zool. Mededeel. Rijks Mus.
Leiden IV S. 251—253. P
(1918), Die Kriege bei den Ameisen. Vortr. f. d.
internierten deutsch. Offiziere u. Unteroffiziere
in Zutphen 1 Juli 1918. — Deutsch. Ztg. Haag
(2) Nr. 4 S. 8—19. 6 Fig.
(1920), Die Gastpflege der Ameisen, ihre biolo-
gischen und philosophischen Probleme. — Ber-
lin 80, XV IT u. 176 'S.'2' phot. Doppeltat: P
(1919), Ueber unsere Kenntnis der fossilen
Paussiden. — Versl. 74. Zomervetg. “Ned. Ent
Ver. Tijdschr. v. Ent. LXII S. XL—XLIV. P
Nr.
236
237
239
240
241
242
243
244
246
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S.J. 45
(1920), Ein neuer termitophiler Orthogonius (O.
Assmuthi) aus Vorderindien. — Ent. Mitt. (Ber-
I) DES so 822 T
(1920), Die Gastpflegeinstinkte der Ameisen und
die Vererbung erworbener Eigenschaften. —
Versl. 53. Winterverg. Ned. Ent. Ver. Tijdschr.
vi Bot. UX Sy EV.
(1921), Ueber einige indische Rhysopaussinen
(Col. Tenebrionidae). — Tijdschr. v. Ent. LXIV
S. 15—30, mit 1 phot. Taf. T
(1921), Ein neuer Articerus aus Queensland (Col.
Pselaphidae). — Ent. Blatter XVII S. 110-111.
2 Fig.
(1922), Neue oder wenig bekannte Paussiden aus
Rhodesia, gesammelt von Hereward Dollman
IQI3—1915. — Tijdschr. v. Ent. LXV 131—159.
2 phot. Taf. P
(1921), Ein neuer Ceratoderus aus Tonkin (Col.
Paussidae). — Ent. Blatter XVII S. 159—162. P
(1922), Die Probleme in der Gastpflege der
Ameisen. — Stimmen d. Zeit CII S. 96—108,
I9I—201.
(1922), Die Paussiden des Zoolog. Staatsinstituts
und zoologischen Museums zu Hamburg (ausser
der Gattung Arthropterus), mit einem Anhang
über die Endomychidengattung Trochoideus, —
Mitt. Zoolog. Staatsinstitut u. Zool. Mus. Ham-
burg XXXIX S. 12—38. 1 phot. Taf. P
(1923), Alte Berichte über die Atta-Nester Süd-
amerikas, mit einem statistischen Vergleich der
Anpassungen an Atta und Eciton. — Biolog.
Zentrbl. XLIII, S. 106—115.
(2923) Champion WENEN wand Wasmann Bi
New or imperfectly known Corythoderini from
brinch india (Cols Searabaeidae) Part lis) =
Ann. Nat. Hist. (9) XI S. 77—581. 1 phot. Taf. T
(1923), Die Larvenernahrung bei den Ameisen
und die Theorie der Trophallaxis. — Memor.
Pontif. Accad. Rom. dei Nuovi Lincei (2) VI S.
67—87, 1 Fig.
46
. 247
248
249
252
260
H. SCHMITZ S.J.,
(1923), Eine interessante Instinktregulation bei
Ameisen. — Atti Pontif. Accad. Rom. Nuov.
Linc. Ann. LXXVI Sess. VII S. 255—259.
(1923), Zum Mimikrytypus der dorylophilen
Aleocharinen. — Vers]. 78 Zomerverg. Ned. Ent.
Ver., Tijdschr. v. Ent. LXVI S. LVII LXX.
(1923), Das Anpassungsproblem in der Biologie.
— Verh. 19. Ned. Natuur- en Geneesk. Congr.
(Maastricht), Haarlem 1923, S. 125—120. 7
(1925), Die Ameisenmimikry. Ein exakter
Beitrag zum Mimikryproblem und zur Theorie
der Anpassung. — Berlin 8°. XII u. 164 S.
3 photogr. Taf.
(1923), Die Psychologie der Ameisen in ihrer
Beziehung zum Mimikrytypus der Dorylinen-
gasten Wort) Gorresversa 20) EPEN
Jahresber. S. 20—22.
(1925), Drei neue myrmekophile Staphyliniden.
— Deutsch, Ent‘. Ztschr. > S. 7-10. 2 Fiemme
1 phot. Taf.
(1925), Die Gesetze der Vererbung und Anpas-
sung in ihrer Beziehung zur Teleologie. — Stim-
men d. Zeit. CVIII S. 411—423. TP
(1925), Zur Kenntnis der Gattung Fustigerodes.
Deutsch „Ent. Ztschr2 5.235 23732. 108
(1925), Kritische Bemerkung zur Kenntnis der
Myrmekophilen und Termitophilen. — Biol.
Zentrbl. XLV S. 136— 143. ar
(1925), Die Ameisenmimikry. — Umschau XXIX
S. 629—632. 4 Fig.
(1925), Die Ameisenmimikry. — Die Naturwis-
senschaften XIII S. 925—932, 944—951. 16 Fig. P
(1925), Die Abstammungslehre einst und jetzt.
— Wiss. Beilage. Münch. N. N. vm 9. Dez. (Nr.
340). S. I—7. P
(1926), Stammesgeschichtliche Bilder und Pro-
bleme. — Beil. ,,Die Einkehr” Miinch. N. N. Nr.
26 und Nr. 29 vom 14. und 18. April. P
(1926), Scheintrachten und Trugtrachten in der
261
262
264
265
266
267
269
270
DUI
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. A7
Tierwelt. — Reclams Univers. 42. Jahrg. S. 583—
586, 609—612, 633—636. 26 Fig. .
(1926), Doryloxenus, Mimocete, Megaloxenus
(Col. Staphyl., Pygosteninae). — Ent. Mitt. (Ber-
lin) XV S. 113—116. 4 Fig.
(1926), Die Bedeutung der Substitutionsversuche
fur die Tierpsychologie. — Ber. IX. Kngr. exper.
Psych. München 21.—24. April 1925, S. 235--230.
(1926), Welche Stellung sollen wir zur Abstam-
mungslehre einnehmen? — Jahrb. 1926 Missions-
ärztl. Institut Wurzburg. — S. 94—111. 3 Fig.
Gleichlautend abgedruckt in: Padagogische Post
VS 57357: P
(1926), Die Ameisenmimikry. — Vortrag III.
Internat. Ent. Kongr. Zürich 1925 Verh. II. Bd.
St GEE GE
(1926), Die Paussidengattungen des baltischen
Bernsteins Zool. Anz. LX VIII S. 25—30. 3 Fig. P
(1926), Was hat die biologische Myrmekophilen-
und Termitophilenkunde der entomologischen
Systematik geschenkt? — Vortr. 1. Wandervers.
deutsch. Entomol. Halle 1926. Ent. Mitt. (Ber-
lin) XV S. 417—410. T
(1926), Die Arthropterusformen des baltischen
Bernsteins. — Zool. Anz. LXVIII S. 225—232. P
(1926), Zur Streitfrage der Ameisenmimikry. —
Zool. Anz. LX VIII S. 273—282.
(1926), Der neueste Kampf um die Abstam-
mungslehre. — Verh. Gorresvers. Koblenz, na-
turw. Sekt. 13. Sept., S. 54—58 Auch: Verh.
Naturh. Ver. .Preuss® Rheinl. wu. "Westfalen
LXXXIII S. XLIII-XLVI. P
(1929), Die Paussiden des baltischen Bernsteins
und die Stammesgeschichte der Paussiden. —
Bernsteinforschungen, Heft 1. (Berlin). 110 S.
7 Lichtdrucktafeln. . B
(1927), Die Paussiden des baltischen Bernsteins
und die Stammesgeschichte der Paussiden. Vortr.
48
«272
273
275
276
277
278
279
280
281
282
283
284
H. SCHMITZ S.J.,
87. Zomerverg. Ned. Ent. Ver. Vaals, 28. Juni. —
Tijdschr. v. Ent: LXX S. EXTIE EXIT. P
(1927), Aus dem Stammbuch eines uralten Ge-
schlechts. — Stimmen d. Zeit CXIV S. 197—212.
INphotdKtak P
(1928), Zur Kenntnis von Mimeciton und der
Anpassungen der Myrmekophilen. Eine Antwort
an Franz Heikertinger und W. M. Wheeler. —
Zool. Anz. LXX VI S. 165—184. 11 Fig.
‘ (1928), Fauna sumatrensis Beitrag Nr. 55. Paus-
sidae: Genus Paussus. — Ent. Mitt. (Berlin)
XVII S. 238—242. 3 Fig. P
(1928), Ptinidae aus Sumatra und Java (Col.). —
Ent. Mitt. (Berlin) XVII S. 242—244. 2 Fig.
(1929), Die Bernstein-Paussiden und die Stam-
mesgeschichte der Paussiden. — Verh. X. Inter-
nat. Zoologenkongress Budapest (Sept. 1927),
Sect. VIII, S. 1497—1515. 7 Fig. E
(1929), Kritisches iber Paussiden (Col.). —
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 1—27. 2 phot. Taf. P
(1928), Zur Kenntnis der Carabidomemninen. —
Tijdschr. v. Ent. LXXI S. 267—276, 1 phot.
Taf. P
(1928), Bemerkungen zu G. Wellensteins ,,Bei-
trägen zur Biologie der roten Waldameise”. —
Zeitschr. angew. Ent. XIV S. 538—539.
(1928), De echte gastverhouding. — Natura
Nr. 12 („mierennummer”) S. 248—257. 4 Fig. P
(1929), Ein neuer Xenocephalus aus Costarica.
Dr HenrieieSchmidtisnt sp: Wien ment Zeiten
XLVI S. 81—82. 1 Fig.
(1930), Ist die Mimikry ein Marchen? — Koln.
Vollsziona KebroNn. 53.5) a:
(1930), Ein neuer Paussus aus Ostindien. —
Mitt. Deutsch. ent. Ges. Nr. 6 S. 94—06. 1 Taf. P
(193..), Eine ameisenmordende Gastwanze
(Proptilocerus dolosus n. g. n. sp.) im baltischen
Bernstein. Mit 1 phot. Taf. — Bernsteinforschun-
gen Heft 3 (noch nicht erschienen).
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S.J. 49
Nr. 284a (1930), Autoreferat über Proptilocerus dolosus
(vgl. Nr. 284). — Versl. 63. Winterverg. Ned.
Ent. Ver., Tijdschr. v. Ent. LXIII S. IV—V.
» 285 (1931), Die Demokratie in den Staaten der Amei-
sen und Termiten. — Forsch. z. Völkerpsycholo-
gie u. Soziologie X, I S. 309—336. a
» 286 (1930), Eine Ameisenmörderin aus neuer und
aus alter Zeit. — Stimmen d. Zeit. CXIX S. 471.
» 287 (1930), Zum Problem der Doppelarten. — Nat. u.
Mus., LX S. 434—435.
» 288 (1930), Zur Biologie von Myrmedonia (Zyras).
— Ent. Berichten VIII S. 150-151.
„ 289 (193..), Die Ameisen, die Termiten und ihre
Gaste. Vergleichende Bilder aus dem Seelenleben
von Mensch und Tier. Regensburg 193.. G. J.
Manz (noch nicht erschienen). te
ANDERE ENTOMOLOGISCHE ABHANDLUNGEN.
1883.
1883.
1883.
1884.
1884.
1884.
1884.
Der Trichterwickler, ein Bild aus dem Instinktleben
der Tiere. Nat. u. Offenb. XXIX 1—18, 90—III,
129—144, 203—216, 277—292, 329—338, 416—428,
1871995295455, 57.1590, OAT O 57 LAINE;
211) af.
Auch in Buchform: 1894 Der Trichterwickler, eine
naturwissenschaftliche Studie über den Tierinstinkt.
Minster i. W. 8° IV u. 266 S. 2 Taf.
Mechanische Erklarung der Bienenbauten. Nat. u.
Offenb. XXIX 740—743.
Die Muskelkraft der Insekten. Nat. u. Offenb. XXIX
766—767.
Die Schutzfärbungen der Insektenwelt. Stimmen
M. Laach XXVI 22—38, 305—318, 542—562.
Die Honigameise des Göttergartens. Stimmen M.
Laach XXVII 275—285.
Der Eichenzweigsager und sein Kunsttrieb. Nat. u.
Offenb. XXX 1—16, 65—80, 166—180, 193—203,
305—314. 4 Fig.
Die Artenzahl der Insekten. Nat. u. Offenb. XXX 60.
4
50
1884.
1884.
1884.
1884.
1884.
1884.
1885.
1885.
1885.
1885.
1885.
1885.
18806.
1880.
1886.
1886.
1887.
H. SCHMITZ S.J.,
Schnelligkeit und Muskelkraft von Pogonomyrmex
barbatus, Nat. u. Offenb. XXX 507—510.
Die sogenannte Intelligenz der Ameisen, Nat. u.
Offenb. XXX 571—572.
Monomorium Pharaonis in Aachen. Nat. u. Offenb.
DOSSI 76)
Die Getreidefeinde aus der Insektenwelt. Nat. u.
‘ Offenb. XXX 577—590, 641-653, 705—714.
Latreille’s Rettung durch Necrobia ruficollis. Nat. u.
Offenb. XXX 701-703.
Essbare Insekten. Nat. u. Offenb. XXX 701.
Die Färbungsgesetze unserer Tagfalter. Nat. u.
Offenb. XXXI 29— 41.
Zur Mimikry des Darwinismus. Nat. u. Offenb.
XXXI 62—63.
Die Phylloxera der Eiche nach den Untersuchungen
von Lemoine. Nat. u. Offenb. XXXI 116—122.
Die Variabilitàt der Insektenfarben und ihre Ur-
sachen. Nat. u. Offenb. XXXI 413—421, 462—475,
SUE UTI
Die Entwicklung der Instinkte in der Urwelt. Stim-
men M. Laach XXVIII 481-493, XXIX 248—262,
383—396.
Plateau's neueste Untersuchingen über die Muskel-
kraft der wirbellosen Tiere. Nat. u. Offenb. XXXT
NATIA
Die Erscheinungsformen des goldenen Schnitts und
ihre Beziehung zur idealen Naturauffassung. Stim-
men M. Laach XXX 401—410, 522—537
Aus dem Leben einer Ameise. Stimmen M. Laach
XXXI 413-427. Neudruck 1928 in: Wien. Ent. Ztg.
XLV 136—153.
Die genetische Erklärung der Insektenfärbungen
durch den Darwinismus. Nat. u. Offenb. XXXII
19—31, 65—81, 146—161.
Teleologische Beziehungen in den Farbungsgesetzen
der Insektenwelt. Nat. u. Offenb. XXXII 321—345.
Die getreidesammelnden Ameisen in alter und neuer
Zeit. Stimmen M. Laach XXXIII 360—374.
1888.
1888.
1888.
1888.
1888.
1880.
1880.
1880.
1889.
1880.
1880.
1880.
1880.
1889.
1889.
1890.
1890.
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 5I
E. Everts, Nieuwe Naamlijst van Nederlandsche
Schildvleugelige Insecten Deutsch. Ent. Ztschr.
XXXII 361-362.
Ueber die Lebensweise von Hydrophilus piceus.
Nat. u. Offenb. XXXIV 152—156.
Die Beziehungen zwischen fremden Ameisenarten in
den zusammengesetzten Nestern. Nat. u. Offenb.
XXXIV 193—210.
Unliebsame Gäste (Insektenfeinde des Apfelbaums).
XXXIV 321—331, 543—556. 6 Fig.
Unliebsame Gäste (Insektenfeinde des Apfelbaums).
Stimmen M. Laach XXXV 504-510.
Die Lebensbeziehungen der Ameise. Stimmen M.
Laach XXXVII 62—70, 166—180.
Fortschritte und Aufgaben der Entomologie. Stim.
men M. Laach XXXVII 483—406.
Ein kleiner Beitrag zur Niederländischen Ameisen-
una ghi dschidtv Ent OEE
Die sklavenhaltenden Ameisen. Nat. u. Offenb.
XXXV I-II, 471-486. 4 Fig.
Die Entstehung der Arten nach Eimer. Nat. u. Of-
fenb. XXXV 44-48.
Der Stand der Reblausfrage auf der linken Rhein-
Seite MdensRhemprounz. Nat au Offenb. OX
418—420. |
Die Wechselbeziehungen zwischen Pflanzen und
Ameisen im tropischen Südamerika. Nat. u. Offenb.
XXXV 487—480.
Dufteinrichtungen der Insekten. Nat. u. Offenb.
XXXV 55—557.
Der gegenwärtige Stand der Entomologie. Nat. u.
Offenb. XXXV 628—634, 692—697.
Konservierung der Schmetterlinge. (Methode F.
Roderburg). Nat. u. Offenb. XXXV 635.
Der Nahrungsinstinkt der Amazonenameise. Nat. u.
Offenb. XXXVI 77—80. 1 Taf.
Wie gründet die Amazonenameise (Polyergus ru-
fescens) neue Kolonien? Nat. u. Offenb. XXXVI
154—164.
52
1890.
H. SCHMITZ S. J.,
W. Marshalls „Leben und Treiben der Ameisen”.
Kritisch beleuchtet von P. Wasmann S. J. Nat. u.
Offenb. XXXVI 361—368.
Ueber die Lebensweise von Polyergus lucidus und
Strongylognathus Huberi. Nat. u. Offenb. XXXVI
524—520. 1 Fig.
Zur Lebensweise der gelbroten Sabelameise (Stron-
gylognathus testaceus Schenk). Nat. u. Offenb.
XXXVI 668—678, 705—714. 1 Fig.
Einige neue Hermaphroditen von Myrmica scabri-
nodis und laevinodis. Stett. ent. Ztg. 298—200.
Sunius setulosus n. sp. Deutsch. Ent. Ztschr. S. 304.
Die Fühler der Insekten. Stimmen M. Laach XL
79-85, 207—215, 320—332, 400—414.
Parthenogenesis bei Ameisen durch künstliche Tem-
peraturverhältnisse. Biol. Zentrbl. XI 21—23.
Zur Frage nach dem Gehorsvermogen der Ameisen.
Biol Zentrb 42 0!
Ueber die Lebensweise von Tomognathus sublaevis
Nyl. Nat. u. Offenb. XXXVII 157—173.
Zur Lebensweise von Anergates atratulus Schenk.
Nat. u. Offenb. XX XVII 210—223. 4 Fig. 1 Taf.
Zufallige Formen gemischter Ameisenkolonien. Nat.
u. Offenb. XXXVII 274— 286, 353—363, 424—435-
Zur Psychologie der gemischten Ameisengesell-
schaften. Nat. u. Offenb. XXXVII 478—490,
STD
Aus der Entwicklungsgeschichte der gemischten
Ameisengesellschaften. Natur u. Offenb. XXXVII
577—596, 641—662.
J. H. Fabre, Souvenirs entomologiques. Stimmen M.
Laach XLIII 447—452.
Einiges über springende Ameisen. Wien. Ent. Ztg.
XI 316—317.
Bitte (um Material zu einem Verzeichnis der myrme-
kophilen und termitophilen Arthropoden). Deutsch.
Ent,W7tschr. Sai:
Zum Kampfe gegen die Nonne. Nat. u. Offenb.
XXXVIII 55—56.
1803.
1893.
1893.
1893.
1893.
za
1894.
1894.
1894.
1894.
1894.
1895.
1895.
1895.
1895.
1896.
1896.
1897.
1897.
1808.
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 53
Die Nonne. Stimmen M. Laach XLV 43-57, 158-168.
Lautäusserungen der Ameisen. Biol. Zentrbl. XIII
3940.
L. Ganglbaur, Die Käfer von Mitteleuropa | Bd.
Nat. u. Offenb. XXXIX 124—126.
Aus dem Leben indischer Ameisen. Nat. u. Offenb.
XXXIX 285—292.
Fabres Souvenirs Entomologiques und eine „théorie
allemande”. Nat. u. Offenb. XXXIX 360—362.
Zur vergleichenden Seelenkunde. Natur u. Offenb.
XXXIX 489—494.
Zum Ende der Nonnenplage. Stimmen M. Laach
XLVI 122—124.
Die Reblaus und ihre Vorgänger. Stimmen M. Laach
XLVII 413—421.
Sonderbare Geschmacksrichtungen bei Insekten.
Stimmen M. Laach XLVI 467—468.
Geschichtliches über die Verbreitung der Reblaus-
krankheit. Stimmen M. Laach XLVII 516—522.
Ein Flugapparat bei Raupen. Nat. u. Offenb. XL
Bor 24e
Der Kampf gegen die Reblaus. Stimmen M. Laach
XLVIII 47—65.
Das Leuchtvermögen im Tierreich. Stimmen M.
Laach XLIX 462—470.
Die leuchtenden Tiere und Pflanzen. Nat. u. Offenb.
XLI 361—360.
Spinnende Fliegen. Nat. u. Offenb. XLI 436—438.
Natur und Zweck des tierischen Leuchtvermogens.
Stimmen M. Laach L 275—288.
Zur neueren Geschichte der Entwicklungslehre in
Deutschland. Nat. u. Offenb. XLII 193—215, 270—
20301362 370, 407-432, 479 = 4192, 550563.
Einige Bemerkungen zur 5. Aufl. von Calwers
„Käferbuch”. Ent. Nachr. XXIII 1—-5.
Futtersaft oder Entwicklungsanlage? Nat. u. Offenb.
XLIII 357—360.
Everts Dr. Ed., Coleoptera Neerlandica Deel I, 1.
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 211—214.
54
1898.
1898.
1899.
1890.
1899.
1899.
1800.
1900.
1900.
1900.
1901.
1901.
1901.
1902.
1902.
1902.
1902.
1902.
1902.
H. SCHMITZ S.J.,
Eine neue Reflextheorie des Ameisenlebens. Biol.
Zentrbl. XVIII 577—588.
Eimers Orthogenesis der Schmetterlinge. Nat. u.
Offenb. XLIV 614—624.
Die San-José-Schildlaus. Stimmen M. Laach LVI
58—69, 191—203.
Langlebige Insekten. Stimmen M. Laach LVII
496—506.
Lasius fuliginosus als Raubameise. Zool. Anz. XXII
85—87,
Zur Beschreibung von Termes obesus Raınb.
Deutsch. Ent. Ztschr. 402.
Mit Schimmelpilzen behaftete Ameisenkolonien.
Nat. u. Offenb. XLV 505.
Neueres über Schutzfärbung und Mimikry. Stimmen
M. Laach LVIII 341—343. i
Einige Bemerkungen zur vergleichenden Psychologie
und Sinnesphysiologie. Biol. Zentrbl. XX 341—348.
L. Ganglbaur, Die Käfer von Mitteleuropa, Bd. III.
Biol. Zentrbl. XX 367—368, Bd. IV. dto XXV 271.
Zur mechanischen Instinkttheorie. Stimmen M. Laach
LX 169—179, 274— 284.
Zum Orientierungsvermögen der Ameisen. Allg.
Zeitschr. f. Entomologie VI 29—30, 41—42.
Nervenphysiologie und Tierpsychologie. Biol.
Zentrbl. XXI 23—31.
Zur Ameisenfauna von Helgoland. Deutsch. Ent.
Ztschr. 63—64.
Everts, Dr. Ed. Coleoptera Neerlandica Deel il, 1.
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 244.
Ueber die Gattung Schizillus Wasm. Deutsch. Ent.
Zitschr 258244.
Gedanken zur Entwicklungslehre. Stimmen M.
Laach LXIII 281—307.
Noch ein Wort zu Bethes Reflextheorie. Biol.
Zentrbl. XXII 573—576.
Einige Bemerkungen zu Y. Sjöstedts „Monographie
der Termiten Afrikas”, Biol. Zentrbl. XXII 713— 716.
1903.
1903.
1904.
1904.
1905.
1906.
1906.
1906.
1907.
1907.
1907.
1907.
1907.
1908.
1908.
1908.
1908.
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S.J. 55
H. v. Buttel—Reepen, Sind die Bienen Reflex-
maschinen? Natur u. Schule 493— 495.
Remarques critiques sur la phylogénie et la division
systématique des Termitides. Ann. Soc. Ent. Bel-
gique 370—371.
M. Kass, Orientierungsvermôgen der Insekten und
Vogel. Stimmen M. Laach LXVI 223—224.
Everts, Dr. Ed., Coleoptera Neerlandica, Deel II, 2
und Suppl. Deutsche Ent. Ztschr. S. 304.
Beobachtungen über Polyrhachis dives auf Java, die
ihre Larven zum Spinnen der Nester benutzt. Notes
f. Leyden Museum XXV 133—140.
B. Tümler, Schutzmasken und Schutzfarben in der
Tierwelt. Stimmen M. Laach LXX 99—102.
Dr. Fr. Knauer, Die Ameisen. Deutsch. Literaturztg.
Nr. 27 Sp. 1714—1718.
K. Escherich, Die Ameise. Schilderung ihrer Lebens-
weise. Biol. Zentrbl. XXVI 801—806.
Das Entwicklungsproblem. Die Umschau XI 261—
264, 285—289.
Die seelischen Fahigkeiten der Ameisen und anderer
Tiere. Vortr. Luxemb. Volkshochsch. vom 23. Dez.
1905 Sep. 22 S.
Ameisennester „boussole du montagnard”. Naturw.
Wochenschr. XXII (NF. VI) 391—392. 1 Fig.
Die Mikrophotographie im Dienste der Entomologie.
Deutsch. Ent. Ztschr. S. 141—146.
Der Kampf um das Entwicklungsproblem in Berlin.
Prelit ie BAT O07 00 OU 10N62FS!
Sur le parallélisme entre les sociétés des fourmis et
les sociétés humaines. Ann. Soc. sci. Bruxelles
XXXII 89—91.
Die Sinne der Ameisen. Vortr. Wandervers. Lux.
Naturfreunde Ettelbrück 3. Mai. Sep. 4 S.
bWdtiosmellesiormichey Rive his#y Mate esc. “nat.
(Pavia) IX Nr. 108 Sep. 3—7.
Beobachtung über die Bedeutung des Geruchssinnes
bei Raubwespen für die Auffindung ihrer Brutröhre.
Ztschr. wiss. Insektenbiol. IV 190.
56
1908.
1908.
1909.
1909.
1909.
1909.
1910.
OU,
1912.
LOI 3.
IQI4.
OU AL
HOG),
1015.
H. SCHMITZ S.J.,
P. M. Gander O. S. B., Ameisen und Ameisenseele.
Lit. Rundschau Nr. 9, S. 428—430.
C. G. Calwers Kaferbuch 6 Aufl. Nat. u. Offenb. LIV
941 20373:
Die psychischen Fähigkeiten der Ameisen und die
vergleichende Psychologie. Die Umschau XIII Nr.
20 (15. Mai) S. 417—419.
Ein Wort zur vergleichenden Psychologie (Erwide-
rung an K. Escherich). Journal f. Psychologie u.
Neurologie XV 133—136.
K. Escherich, Die Termiten oder weissen Ameisen.
Deutsch. Literaturztg. 1909 Nr. 17 Sp. 1079-1082.
Escherich’s neue Termitenstudie. Biol. Zentrbl.
XXIX 216—224.
Zur Verfertigung der Gespinstnester von Polyrhachis
bicolor Sm. auf Java. von Edw. Jacobson, mitgeteilt
von E. Wasmann S. J. mit einem Anhang über das
Nest von Polyrhachis laboriosa Sm. vom Congo.
Notes Leyden Mus. XXX 63—67. 1 Taf.
E. A. Goeldi, Der Ameisenstaat, seine Entstehung
und seine Einrichtung. Deutsch. Literaturztg. Nr. 8
Sp. 508—509.
Wasmann, E. und Werner, F., Ergebnisse der mit
Subvention aus der Erbschaft Treitl unternommenen
zoologischen Forschungsreise Dr. Franz Werners
nach dem ägyptischen Sudan und Nord-Uganda
Wien. Sitz. Ber. Akad. Wiss. 121 Abt i 171-179.
Nachschrift zu Rüschkamp: Ueber pratensis als
Sklaven von sanguinea. Biol. Zentrbl. XXXIII 672.
Ameisenplagen im Gefolge der Kultur. Stimmen
d. Zeit LXXXVII 589—598.
Bemerkungen zu W. Bonners Studie über Formica
fusca picea Nyl. Biol. Zentrbl. XXXIV 76—8o.
H. v. Buttel—Reepen, Ein neues Buch über das
Leben und Wesen der Bienen. Die Naturwissen-
schaften III S. 485—488, 407—500.
Nils Holmgrens Termitenstudien IV. Biol. Zentrbl.
XXXV 379—385.
1015.
1917.
1917.
1918.
1920.
1921.
1922.
1922.
1922:
1922.
1925.
1925.
1925.
1925.
1926.
1920.
IN MEMORIAM P. ERICH WASMANN S. J. 57
sIntelligenz” und Orientierungsvermogen bei Tieren.
Stimmen d. Zeit LXXXX 288—303.
Batavus Onnoselman, Zur Psychologie der Ameisen.
Ent. Mitt. (Berlin) VI go.
Bemerkungen zur neuen Auflage von Calwers
„Käferbuch”. Biol. Zentrbl. XXXVII 108—112.
Totale Rotblindheit der kleinen Stubenfliege (Ho-
malomyia cunicularis L.). Biol. Zentrbl. XXXVIII
130.
Menschenschädel als Bienenstöcke auf den Moluk-
ken. Stimmen d. Zeit LXXXXVIII 430—432.
A. Forel, Le monde social des fourmis du globe com-
paré à celui de l'homme. Ent. Berichten V Nr. 120,
SI
Ed. Everts, Coleoptera Neerlandica Deel III. Deutsch.
Eines ZESchrN S436:
Dr. A. Fenyes, Staphylinidae, Subf. Aleocharinae.
Wytsman, Gen. Ins. fasc. 173 a,b. Ent. Berichten VI
NE 20, OG,
Das teleologische Problem in der Gastpflege der
Ameisen. Stimmen d. Zeit CII 191—201.
Die philosophischen Probleme in der Gastpflege der
Ameisen. Stimmen d. Zeit CII 96—108.
Wasmann, E. und Brauns, H. New genera and species
of South African myrmecophilous and Termitophilous
beetles. S. Afr. J. Nat. Hist. Pretoria V 1o1—118.
2 Wak
Hetschko, A. u. Wasmann, E. Uebersicht der Thoric-
tidae mit Angabe der Wirte. Wien. Ent. Ztg. XLII
183—180.
H. Blunck, Syllabus der Insektenbiologie. Die Um-
schau Nr. 30.
Der III internationale Entomologenkongress. Schwei-
zerische Rundschau XXV 247—240.
Zum Kunsttrieb des Trichterwicklers. Ztschr. wiss.
Insektenbiol. XXI [E. F. XXX] 263—267. 2 Fig.
Die Ameise in der Heilkunde. Die Landkranken-
pflegerin III 28—20.
\ x
aja Li
BUS mL
pale ‚u ae
Naamlijst der in Nederland
en het omliggend gebied waargenomen
wantsen (hemiptera-heteroptera)
met aanteekeningen omtrent de voedsel- of verbliji-
plant en de levenswijze
door
A. RECLAIRE.
Met medewerking van D. Mac GILLAVRY.
Nadat FOKKER in 1891 het laatste gedeelte van zijn
,Catalogus der in Nederland voorkomende Hemiptera” had
geschreven, heeft hij sindsdien nog wel enkele aanvullende
mededeelingen gedaan, tot een herziening is hij nooit ge-
komen en ook andere hebben geen nieuwe naamlijst samen-
gesteld.
Nog tijdens FOKKER’s leven is MAC GILLAVRY begonnen
over nieuwe of merkwaardige vondsten van Nederlandsche
hemiptera te berichten, later is hetzelfde ook door mij ge-
daan. Behalve een uitvoerige mededeeling van BLÔTE over
de fauna van Mevendel is dan weinig of niets meer in de
faunistische literatuur over wantsen te vinden.
Het spreekt vanzelf, dat, na zoo een betrekkelijk lang
tijdsverloop, onze faunistische kennis belangrijk is verrijkt,
al is het dan ook niet in dien mate, als wellicht zou worden
verwacht. Deze achterstand zal wel hoofdzakelijk te verklaren
zijn door het feit, dat deze insekten zich niet in zoo een
groote belangstelling hebben mogen verheugen van de zijde
der Nederlandsche Entomologen als de kevers of vlinders.
Het valt echter niet te loochenen, dat de systematische studie
van de wantsen moeilijk gemaakt wordt door het ontbreken
5
60 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
van een standaardwerk zooals dit voor de Nederlandsche
vlinders en kevers bestaat. Het boek van SNELLEN VAN VOL-
LENHOVEN is zeer verouderd, bevat echter steeds nog veel
voortreffelijks en indien men de tijdsomstandigheden in
aanmerking neemt, moet men erkennen, dat hier toch een
belangrijk werk is geschreven. FOKKER heeft zeer veel kritiek
op SNELLEN VAN VOLLENHOVEN uitgeoefend, een kritiek,
die, zooals mij gebleken is, nogal eens ongerechtvaardigd is
geweest, juiste namen zijn bv. somtijds door hem in foutieve
veranderd! Met dit al, het werk is voor de studie van de
Nederlandsche wantsen zeer onvoldoende. Men is dus aan-
gewezen op, overigens veelal voortreffelijke, doch ook reeds
in vele opzichten verouderde werken als die van SAUNDERS,
PUTON, REUTER (in het Latijn geschreven!), DOUGLAS en
SCOTT (zeer goede beschrijvingen) e.a. Verbetering brengt
thans het werk van STICHEL, dat bezig is te verschijnen,
al zijn hierin de beschrijvingen vaak van bedenkelijke be-
knoptheid.
Nu is, om het verder onderzoek van de Nederlandsche
wantsenfauna met succes te kunnen beoefenen m.i. in de
allereerste plaats een goed gedokumenteerde nieuwe naam-
lijst zeer noodig. Aan de hand van hetgeen SNELLEN VAN
VOLLENHOVEN en FOKKER hebben geschreven, aangevuld
met hetgeen sinds 1891 in de literatuur is medegedeeld en
met eigen waarnemingen, is nu een nieuwe naamlijst samen-
gesteld. Bij de faunistische mededeelingen van FOKKER zijn
vindplaatsen van meer algemeene aard, dus alleen de pro-
vincie vervangen door nauwkeurige vindplaatsen, althans
voorzoover zij bekend zijn geworden. Veelal heeft FOKKER de
nauwkeurige vindplaatsen van SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
in die van de provincie veranderd, wat zeker geen verbetering
is geweest. In deze naamlijst zijn de oorspronkelijke opgaven
van SNELLEN VAN VOLLENHOVEN weer in eere hersteld, voor
zoover zij als betrouwbaar aan te nemen zijn, niet echter bij
de zeer algemeene.
Ook voor algemeene soorten is het voorkomen op de
Noordzee-eilanden genoteerd, van de andere is dit vanzelf-
sprekend. Van vele soorten is speciaal op de tijd van het
voorkomen van de larven gelet.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 61
In ruime mate zijn ook de vormen uit het omliggend ge-
bied vermeld. In navolging van EVERTS in diens „Coleoptera
neerlandica”, is als faunagebied ongeveer beschouwd de
„Faune gallo-rhénane” van FAUVEL, echter naar alle kanten
eenigszins uitgebreid, o.a. in Duitschland tot en met het
Mainzer Becken, terwijl ook alle soorten van de Britsche
eilanden zijn opgenomen. Wellicht zullen sommige wel nooit
in ons land gevonden worden, terwijl het ook waarschijnlijk
is, dat wij bij ons soorten zullen aantreffen, die niet in de
lijst voorkomen. Bij andere orden heeft men reeds meer
dergelijke verrassingen beleefd.
Bijkans zonder uitzondering zijn streng nomenklatuur,
schrijfwijze en volgorde van OSHANIN gevolgd en wel uit-
sluitend uit praktische overwegingen. Sommige der door
OSHANIN gekozen namen zullen wel uit prioriteitsgronden of
andere door andersluidende moeten worden vervangen, een
aangelegenheid, waaraan m. í. niet te veel waarde mag worden
gehecht. Om de lijst niet te omvangrijk te maken, zijn de
synoniemen niet vermeld, immers kan men deze onmiddellijk
in OSHANIN’s katalogus vinden, daar in de text achter elke
soortsnaam OSHANIN’s katalogusnummer is aangegeven. In
die gevallen, waar FOKKER een andere naam heeft gebruikt,
is hierop gewezen en voorzoover het zin had zijn ook SNEL-
LEN VAN VOLLENHOVEN’s veelal afwijkende namen vermeld.
Trouwens, FOKKER heeft gedurig aangegeven, welke namen
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN heeft gebezigd, echter nogal
vaak onder foutieve bladzijdevermelding.
Voor zoover de ruimte het toeliet zijn bijzonderheden
omtrent de levenswijze aangegeven of is althans naar de
literatuur verwezen. De voedselplant 15 zoo mogelijk vermeld,
ofschoon het in de meeste gevallen wel juister zal zijn van
een verblijfplant te spreken, gezien de vaak carnivore of
omnivore levenswijze van de wantsen. De mededeelingen
omtrent plantenassociatie moeten dan ook in vele gevallen
nog wel met groot voorbehoud opgenomen worden; het is
opvallend hoezeer de mededeelingen in de literatuur op vaak
zeer verschillende planten betrekking hebben. Vooral het
veelvuldig voorkomen van wantsen op dennen zal wel op
overwintering duiden, waarop REUTER reeds heeft gewezen.
62 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Scherp uitgesproken plantenassociatie’s komen bij de hemi-
ptera niet veel voor, monophagie schijnt zeldzaam te zijn.
Gaarne zouden, althans voor sommige groote genera, deter-
minatietabellen opgenomen zijn, doch dan zou de lijst te
omvangrijk zijn geworden. Zooveel mogelijk is echter op
literatuurmededeelingen aangaande de systematiek der want-
sen opmerkzaam gemaakt.
Bij het samenstellen van de lijst heb ik van eenige van
onze entomologen groote hulp mogen verkrijgen. In de
allereerste plaats, zooals reeds uit de titel blijkt, van Dr. MAC
GILLAVRY, met wie ik gezamenlijk zijn omvangrijke collectie
Nederlandsche wantsen heb doorgezien, waardoor zeer veel
nieuwe vindplaatsen opgenomen zijn kunnen worden. Ik ben
hem daarom tot groote dank verplicht, evenals voor de vele
op- en aanmerkingen en zijn determinatie’s. Niet minder aan
de heer VAN DER WIEL, die reeds sinds jaren vaak groote
hoeveelheden wantsen voor mij verzamelt en mij met de
grootste bereidwilligheid ter beschikking stelt. Ik ontving
verder nog materiaal van de heeren Dr. EVERTS, CORPORAAL,
A. M. SCHOLTE S.J. e.a. Laatstgenoemde heeft vooral in
de omstreken van Maastricht vele zeldzame en ook nieuwe
soorten waargenomen en ervan afgestaan. De namen van
deze heeren, alsmede ook van andere, hier niet genoemde,
die voor mij verzameld hebben, resp., die mij als vinder
bekend waren, zijn in de lijst vermeld, tenzij dit reeds in
de geciteerde literatuur is geschied.
De heer BLOTE had de vriendelijkheid veel moeilijke
Lygaeiden voor mij te revideeren resp. te determineeren en
hem dank ik vele gegevens vooral omtrent onze inlandsche
Lygaeiden.
Er blijft mij nog over wijlen Dr. GULDE te Frankfort te
gedenken, deze helaas te vroeg gestorven kenner van de
Europeesche hemiptera. Met de grootste bereidwilligheid
heeft hij vaak zeer groote zendingen wantsen voor mi
gedetermineerd; aan zijn groote hulp heb ik zeer veel te
danken.
Voor op- en aanmerkingen houd ik mij ten zeerste aan-
bevolen, want het spreekt vanzelf, dat de lijst fouten en
leemten bevat en eerst door de samenwerking van velen
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 63
zal onze faunistische kennis op een hooger peil gebracht
kunnen worden.
SYSTEMATISCH OVERZICHT.
De in ons land waargenomen vormen zijn door een *
aangeduid.
CYDNIDAE.
Thyreocoris SCHR. FOKKER I, p. 6: Corimelaena WHITE.
*scarabaeoides L. OSHANIN 2.
Verbreid, doch naar het schijnt niet algemeen. Terschel-
ling 4.8.25 (RECLAIRE 1); Vlieland 8.1931 onder Viola trico-
lor (RECLAIRE).
Mededeelingen omtrent associatie met bepaalde planten
(o.a. Geum urbanum bij SNELLEN VAN VOLLENHOVEN's Co-
reomelas), Hypericum bij GULDE, Ranunculaceeën bij PUTON
(ook volgens SCHOLZ vooral op Ranunculaceeén), zullen
wellicht op toeval berusten. BUTLER nam deze soort waar
„Piercing the seed-capsules of violets’. Hij (4) bericht over
de vermoedelijke larve.
Cydous F.
*pigrita F. OSHANIN 19.
FOKKER I, p. 7: Zierikzee 8 en Wageningen 7.
Putten, Vel. 5.05, Hilversum 15.5.05 en Uden, N.-Br. 4.07
(Mac GILLAVRY) en Nijmegen 23.6.07 (KOORNNEEF).
Evenals de vorige soort een grondbewoner, volgens GULDE
op duinen en aangrenzende terreinen onder lage planten.
Volgens WEBER zuigt deze aan de wortels van rogge.
Door BUTLER niet uit Engeland vermeld.
*flavicornis F. OSHANIN 20.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: niet zeldzaam in September
op de duinen. FOKKER I, p. 7: Utrecht.
Op verschillende plaatsen in de duinen gevonden, naar
het schijnt buiten de duinstreek zeer zeldzaam.
Aan de voet van lage planten, is volgens GULDE bij warm
weer op het dorre zand en in kuilen aan te treffen en vol-
gens BUTLER wellicht een nachtdier.
64 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Geotomus M. R.
punctulatus COSTA. OSHANIN 33.
Land’s End en Glamorgan, Engeland (BUTLER); Belgié
(LEMAIRE); Calais (PUTON); Duinkerken (LETHIERRY).
Levenswijze gelijk aan die van de vorige soort, doch
volgens LEMAIRE in Juni op lijsterbes en andere struiken,
des winters onder steenen. Volgens LETHIERRY zuigt zij aan
de wortels van verschillende planten.
Over de onderscheiding van de var. laevicollis COSTA,
bifoveolatus H.S., aciculatus FIEB. en episternalis M. KR. ziet
o. a. BUTLER.
elongatus H.S. OSHANIN 35.
Rijnland (STICHEL); Belgié (LEMAIRE).
Volgens GULDE bij Frankfort aangetroffen tusschen stee-
nen, waartusschen Sinapis-soorten groeiden.
Brachypelta A. S.
aterrima FORST. OSHANIN 39.
Rijnland (STICHEL); Belgié (LEMAIRE).
Volgens GULDE op kalk- en zandheuvels op en onder
Euphorbia-soorten, volgens LEMAIRE op de zeeduinen in
dor zand. Bij Grosssteinberg (Saksen) gezellig op kalkgrond
onder steenen, waartusschen Euphorbia (RECLAIRE).
Gnathoconus FIEB.
*albomarginatus GOEZE. OSHANIN 46.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Cydnus) o.a.: Katwijk, 8,
onder walstroo.
Duinen, diluviale gronden en Zuid-Limburg, voorjaar- en
voorzomer.
Wordt volgens BUTLER van bloemrijke oevers gesleept,
verder in mossen onder bladeren enz. Volgens GULDE op
Stachys sylvatica.
*picipes FALL. OSHANIN 47.
Blijkt, ook uit de mededeelingen van Fokker (I, p. 8)
uitsluitend in het duingebied voor te komen en op de
Noordzee-eilanden. Terschelling 4.8.25 onder duinplanten
en Vlieland 18 en 25.8.29 (RECLAIRE I en 5).
Levenswijze als de vorige soort. Volgens BUTLER in
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 65
Engeland vooral geassocieerd met viooltjes, vermoedelijk
Viola canina. Volgens GULDE op droge weiden op Galium.
PRIESNER zag uit Oberösterreich nog geen gd!
Sehirus A. S.
*luctuosus M. R. OSHANIN 56.
Zeer verbreid. Door SNELLEN VAN VOLLENHOVEN ver-
keerdelijk als Cydnus morio L. vermeld (FOKKER I, p. 7).
Volgens BUTLER een grondbewoner, aan de wortels van
allerlei planten. GULDE vermeldt deze van zandbodem onder
Artemisia en Verbascum.
Omtrent de onderscheiding van morio ziet ook BUTLER.
“morio L. OSHANIN 57.
FOKKER I, p. 8: Arnhem 7.
Ook nog een oud ex. met etiket „Arnhem” in coll. MAC
GILLAVRY.
Volgens GULDE op droge gronden vooral onder en op
Anchusa, Echium, Borago en Cynoglossum met de larven,
alle Boragineeën.
BUTLER vermeldt deze soort niet uit Engeland.
Over stridulatieorganen bij deze en andere Sehirus-soorten
ziet GULDE.
*bicolor L. OSHANIN 62.
Gemeen. Volgens SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Cydnus)
voorjaar en voorzomer en 8—12; hij vermoedt, dat er 2
generaties bestaan.
Volgens BUTLER is deze minder grondlievend dan de
overige soorten van dit genus. GULDE vermeldt imagines
en larven van vochtige boschen op Stachys-soorten. Volgens
PRIESNER vindt men van deze soort meer g'g' dan 99.
dubius SCOP. OSHANIN 64.
België (LEMAIRE); Zuid-Engeland (BUTLER); Westfalen
(HüEBER); Rijnland (STICHEL); Parijs (PUTON); Wissant, Pas-
de-Calais (LETHIERRY).
Volgens LEMAIRE van 6—10 op thijm. In Engeland tusschen
grassen (BUTLER), volgens GULDE op droge gronden onder
Artemisia, Salvia en Echium met voorliefde voor Thesium-
soorten.
Omtrent de beschrijving van deze soort ziet ook BUTLER.
66 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
impressus HORV. OSHANIN 65.
GULDE vermeldt deze als een varieerende afwijking van
dubius Scop. uit de omgeving van Frankfort.
*biguttatus L. OSHANIN 74.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Cydnus): Breda 1 (onder
boomschors), 3 en 6, Arnhem 6 en St.-Pieter 8.4. FOKKER
I, p. 8: Wageningen 7 en Holland.
Bi Nunspeet zeer gemeen, klimt aldaar ook tegen muren,
vroeg in het voorjaar en zomer (MAC GILLAVRY); Hondsdonk
bij Breda 30.5.29 langs een korenveld gesleept (RECLAIRE) ;
Hilversum 7.5.22 (NONNEKENS).
Volgens BUTLER in mossen onder Calluna; GULDE ver-
meldt deze van grassen en bloemen op zilte weiden!
var. concolor NICKERL.
Volgens GULDE in de omgeving van Frankfort.
PLATASPIDAE.
Coptosoma LAP.
scutellatum GEOFFR. OSHANIN 80.
Westfalen en Rijnland (STICHEL); Belgié (LEMAIRE); ge-
heel Frankrijk behalve Dép. du Nord (PUTON).
Op kalk- en mergelgronden (STICHEL), op Coronilla en
Lathyrus (PUTON), 6 en 7 „sur les scabieuses’’ (LEMAIRE).
PENTATOMIDAE. i
WEBER wijst er op, dat men vooral bij de Pentatomiden
heeft waargenomen, dat zij getachineerd zijn, d. w. z., dat
zij aan het lichaam een ei van een Tachinide dragen, die
dan later het ex. ten gronde doet gaan, daar de larve zich
in het lichaam boort en daarin verder ontwikkelt. De waar-
neming, die hij beschrijft, heeft betrekking op de kosmopo-
litische Nezara viridula (niet inlandsch), .doch allicht komt
bi de inlandsche Pentatomiden iets dergelijks voor.
Odontoscelis Lap.
*fuliginosa L. OSHANIN III.
Herhaald in de duinen aangetroffen; larve 25.4.18 (Katwijk;
MAC GILLAVRY).
BUTLER vond deze op zandige plaatsen, hoofdzakelijk als
kustvorm. Onder Medicago en Erodium, volgens GULDE onder
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 67
Echium. De ex. uit de omgeving van Frankfort vallen door
geringe afmetingen op, vergeleken met ex. uit het mediter-
reane gebied.
WASMANN vermeldt deze met een ? bij Tetramorium
caespitum. Aangaande het voorkomen van wantsen bij
mieren in het algemeen zegt hij: „Im Vergleich zu der
Zahl der myrmekoiden Heteropteren ist die Zahl der streng
myrmekophilen Arten gering, wenigstens derjenigen, die in
den Ameisennestern selbst leben. Nach REUTER wären von
den einheimischen Heteropteren nur Piezostethus, Philo-
myrmex (niet inlandsch) und Systellonotus in letzterem
Sinne streng myrmekophil. Während die kleinen Piezostethus,
Myrmedobia und Microphysa und die Larven von Eremocoris
als indifferent geduldete Inquilinen in den Ameisenhaufen
leben, scheinen die Larven von Nabis lativentris und wahr-
scheinlich noch manch andere grössere myrmekoide Hete-
ropteren zu den Myrmekophagen zu gehören.”
Over een wellicht wasachtige uitscheiding aan de ventraal-
segmenten van de go ziet BUTLER.
*dorsalis F. OSHANIN 112.
‘FOKKER I, 7: Driebergen 6.
Bij Hilversum niet zeldzaam op de heide onder Calluna
in het zand (20.7.29 een ex. gesleept van grazige heide bij
zeer warm weer; RECLAIRE), onder Medicago en dergel.,
22.6.--7.7 (RECLAIRE 3); Bergen aan Zee 28.7.29 en Zand-
voort midden 7—midden 8, vooral onder Erodium (VAN DER
WIEL); Aerdenhout 7 en 8, imago en larve, groote larve 5,
overwintert dus als middelgroote larve; Katwijk 8.96 (MAC
GILLAVRY); Vlieland 19.8.29 aan plantenwortels met larven
(RECLAIRE 5).
Doordat deze soort zich stil houdt en in kleur met het
heidezand overeenkomt, valt zij weinig op. Zij wordt van
plaatsen als de vorige in de literatuur vermeld.
Over de onderscheiding van O. dorsalis en fuliginosa en een
ook door STICHEL overgenomen fout bij SAUNDERS ziet BUTLER.
*var. deserta STICHEL en *signata FIEB.
Met het type, onbeduidende var. die in elkaar en het
type overgaan.
68 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN: NEDERLAND EN
var. lineola RMB.
„Omgeving van Frankfort (GULDE; hij geeft een korte
beschrijving van deze afwijking). |
Odontotarsus Lap.
purpureo-lineatus ROSSI. OSHANIN 131.
Rijnland (STICHEL) ; Rouaan (PUTON).
Op Hieracium, Centaurea en distels (HüEBER). Op droge
hellingen op verschillende planten (PUTON).
Phimodera GERM.
galgulina A. S. OSHANIN 142.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN’s opgave heeft op de vol-
gende soort betrekking evenals die van FOKKER (I, p. 6).
Beneden-Elbegebied (STICHEL).
Aan de wortels van Carex, Leontodon en Thymus
(STICHEL); onder Thymus serpyllum in het duinzand (PUTON).
Met de var. pallida REUT., grisescens REUT., konovi REUT.
en denigrata SCHUMACHER.
*humeralis DALM. OSHANIN 144.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN : Scheveningen 6. Door hem
en later eveneens door FOKKER (vid. REUTER) verkeerdelijk
galgulina genoemd.
Sindsdien gevonden: Scheveningen 26.5.96 (DE VOS TOT
NEDERVEEN CAPPEL).
Volgens STICHEL op Festuca duriuscula en Thymus.
Uit Engeland vermeldt BUTLER deze soort niet.
Uit ons gebied zijn eventueel nog te verwachten de var.
bianchii JAK., dorsigera REUT., antica REUT., connectens REUT.
en dalmanni REUT.
Psacasta GERM.
exanthematica SCOP. OSHANIN 167.
België (LEMAIRE); Valenciennes (PUTON). Volgens hem een
meer zuidelijke vorm.
Schijnt vooral met Boragineeën geassocieerd te zijn (PUTON),
op Symphytum officinale (LETHIERRY), ook van Thymus
en distels vermeld (HüEBER), verder uit mossen (LEMAIRE).
Eurygaster LAP.
Over plantenassociatie’s van de E.-soorten. valt niet veel
HET OMLIGGEND:GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 69
met zekerheid mede te deelen, te meer, daar de soorten
door de verschillende auteurs vaak met elkaar verward
worden en voor kort meridionalis als goede soort van
maurus is afgescheiden. Soms van gekultiveerde Leguminosen
te sleepen. |
*austriacus SCHRK. OSHANIN 181.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Tetyra hottentotta F.):
Overveen 5 en den Haag. FOKKER I, p. 7 (door hem even-
eens hottentotta F. genoemd): Utrecht 8, Haarlem 5 en
Zierikzee.
Venlo een ex. zondertee kening (V. D. BRANDT); larve (?):
Hilversum 3.8.02 (MAC GILLAVRY).
Op droge plaatsen onder lage planten en steenen.
*maurus L. en *meridionalis PEN. OSHANIN 187.
De mededeelingen omtrent het voorkomen dezer soort
hebben geen waarde meer, sinds PENEAU (RIBAUT 4, alwaar
de onderscheding is aangegeven) van haar meridionalis heeft
afgescheiden. Beide soorten komen in ons land voor, de
door PENEAU resp. RIBAUT vermelde onderscheidingsken-
merken zijn wel niet altijd even scherp waar te nemen,
zoodat de nu volgende opgaven voorloopig nog met eenig
voorbehoud dienen te worden opgevat.
*maurus: Venlo (Vv. D. BRANDT); Mook 6.1910 en Oisterwijk
7.06 (MAC GILLAVRY); Geulle 6.09 (UYTTENBOOGAART); Loos-
drecht 6.06 (in coll. Mac GILLAVRY).
*var. pictus F.
Dieren 6.3.22 (KOORNNEEF).
In hoeverre de door GULDE uit Frankfort vermelde var.
niger FIEB. en grisescens REY op maurus betrekking hebben,
staat thans nog te bezien.
*meridionalis PEN. (= testudinarius GEOFFR. ?).
Venlo 6 (Vv. D. BRANDT); Bergen op Zoom (LAFONTIJN);
Nunspeet 15.38.26 (Vv. D. WIEL).
Graphosoma LAP.
*italicum MUELL. OSHANIN 255.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN noemde deze soort zeer juist
Trigonosoma, nigrolineata Rossi (= G. italicum) en vermeldt
haar van Noord-Brabant. FOKKER (I, p. 7) veranderde de
70 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
naam ten onrechte in Graphosoma lineatum L., een zuide-
lijke vorm.
Podops LAP.
*inuncta F. OSHANIN 261.
Blijkt verbreid te zijn door het geheele land, aan planten-
wortels, in het voorjaar in het aanspoelsel der rivieren. !)
Leeft volgens BUTLER verborgen aan plantenwortels, is
volgens GULDE een weidebewoner. O.a. bij Schin op Geul
in de herfst aan plantenwortels, Echium enz. (RECLAIRE).
Sciocoris FALL.
PRIESNER vond van dit genus veel meer QQ dan gd.
macrocephalus FIEB. OSHANIN 308.
GULDE vermeldt deze uit de omgeving van Frankfort van
een zandige beekoever aan de wortels van Euphorbia gerar-
diana Jacq.
microphthalmus FLOR. OSHANIN 315.
Rijnland (STICHEL); Parijs (PUTON).
Op heide- en zandbodem, tusschen grassen en thijm.
umbrinus WLFF. OSHANIN 317.
De vermelding door SNELLEN VAN VOLLENHOVEN heeft
betrekking op de volgende soort (FOKKER I, p. 8).
Rijnland (STICHEL) ; Elberfeld (HüEBER).
Ter zelfde plaatse als de vorige.
*cursitans F. OSHANIN 333. FOKKER I, p. 8: terreus
SCHRANK.
Aerdenhout 7.14. en Zeeburg 22-4. 12 en ZANDE
VAART); Amsterdam 28.4.02, Zeeburg 22.5.10, Noordwijk
a.Z. 3.6.17 en 7.6.18, Haarlem 6.6.15, Zandvoort 13.20 en
27.7., 5 en 6.8.30 (onder Erodium en Echium) en Schin
op Geul 11. 9.30 (V. D. WIEL); Nunspeet 8.22 en Bentfeld
6.9.11 (MAC GILLAVRY); Bloemendaal 28.5.05 (LEEFMANS) ;
Bierlap, 8, in het mos (BLOTE 1); Hilversum 7.6.29 en
Vlieland 18, 19 en 21.8.29, aan graswortels en Terschelling
3 en 4.8.25 (RECLAIRE I en 5). Larve: Aerdenhout 8.23
1) PRIESNER zegt omtrent deze soort o.a, ,,....immer nur im Ange-
schwemmten der Donau und Traun bei Hochwasser, stellenweise in
grosserer Zahl”.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 71
(MAC GILLAVRY); Zandvoort 5.8.30 (laatste stadium ? onder
Erodium ; RECLAIRE). De soort schijnt dus plaatselijk op
te treden.
Behalve ex. met elytra korter dan het lichaam, die met
de beschrijving der soort overeenkomen, treft men bij ons
ook macroptere ex. en overgangsex. aan, met het type.
Deze macr. ex. beantwoorden aan de beschrijving van
helferi FIEB. (OSHANIN 332) (MAC GILLAVRY 6).
Aan de wortels van allerlei lage planten op de heide en
duinen (BUTLER; GULDE). Volgens PUTON op Herniaria.
Volgens MAC GILLAVRY (27) wellicht halophiel.
Dyroderes SPIN.
umbraculatus F. OSHANIN 337.
Evreux (PUTON).
Op verschillende planten (HüEBER).
Aelia F.
De soorten van dit genus zijn bewoners van droge, grazige
plaatsen, waarop volgens BUTLER de eigenaardige teekening
en kleur reeds duiden.
“acuminata L. OSHANIN 349.
Zeer verbreid.
Van deze en nog meer van de volgende soort vond
PRIESNER veel meer QQ dan Jd.
var. burmeisteri KüST.
Volgens GULDE een onbeduidende afwijking, die bij
Frankfort met het type veelvuldig is.
*klusi HHN. OSHANIN 353.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: de Bilt 7, Wassenaar 7,
den Haag en Noordwijk 6. FOKKER I, p. 8: Oosterbeek 7, :
Wolfhezen 7 en Arnhem 7 en 8.
Hilversum 16.810 (DE MEIJERE); dito in aantal van
bloeiende grassen te sleepen, 23.6-—3.10.25, 237.27, 16.7
en 3.8.29, soms zeer donkere ex. (RECLAIRE 3); Oldenzaal-
Denekamp 7.06 (MAC GILLAVRY 1); Lunteren 8.18 en
Veenendaal 6.15 (dezelfde); Ootmarssum 6.25 (BROERSE) ;
Eigelshoven 7.23 (WILLEMSE; met kleine larve); Soest be-
gin 8. 24 (V. D. VAART; kleinere larve); Hilversum 18.7.09
zeer kleine larven en Sittard 7.16 groote larven (MAC GILLAVRY).
ae A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
In ons land is deze soort zeer zeker gemeener dan de
vorige, terwijl zij, op te maken uit de mededeelingen van
GULDE en HüEBER, in Duitschland veel zeldzamer is. BUTLER
vermeldt haar niet uit Engeland.
rostrata BOH. OSHANIN 362.
Rijnland (STICHEL); volgens PUTON blijkbaar niet ten
noorden van Parijs.
Volgens GULDE en NICKERL schadelijk aan koren.
Neottiglossa KIRBY.
#pusilla GMEL. OSHANIN 360.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Aelia inflexa WOLFF): Den
Haag 6. FOKKER I, p. 9 (inflexa WOLFF): Vorden 6.
Bergen op Zoom 13.6.20 (TH. C. OUDEMANS); Maastricht
6.06 (UYTTENBOOGAART); Pietersberg 6.07 (MAC GILLAVRY);
Hilversum 177 en 10.9.16 (MAC GILLAVRY; KOORNNEEF);
dito 9.9.20, enr 2172 (en 4570215.) 17.8, ZONEN NTI AZC MOES
avonds gesleept van een met Aira, Epilobium en Calluna be-
groeid grazig terrein (RECLAIRE 3); Vaals 20.5.27 (V. D. WIEL).
‚In de literatuur vindt men deze aangegeven van droge
plaatsen, op en onder allerlei planten. Wordt ook gesleept
(BUTLER); hij geeft ook de onderscheiding van & en Q aan.
leporina H.S. OSHANIN 372.
Rijnland (STICHEL); in Frankrijk vermoedelijk niet ten
noorden van Parijs (PUTON).
Wordt van zonnige zand- en kalkbodem, van Avena en
Festuca vermeld. (GULDE).
Stagonomus GRSK.
pusillus H.S. OSHANIN 378.
Beneden-Elbegebied (STICHEL).
GULDE vermeldt deze van Frankfort van zandgronden op
Ajuga-soorten, andere echter noemen allerlei andere planten.
Volgens PRIESNER in de voorzomer op Veronica officinalis,
vooral jy.
Eusarcoris HHN.
*aeneus SCOP. OSHANIN 383.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (perlatus F.; FOKKER I, p. 9
dito}: Breda 2.5. FOKKER: St. Pieter.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 73
Verbreid in Zuid-Limburg o.a. Wylré 20.5.26 (RECLAIRE
3); Vaals 20.527 (v. D. WIEL); Winterswijk 15-21.6.21
(UYTTENBOOGAART; V. D. WIEL); Venlo 6 en 8 (V. D. BRANDT);
Mook 8.1910 met bijna volwassen larven (MAC GILLAVRY).
Deze soort wordt van verschillende planten vermeld,
GULDE en BUTLER citeeren haar hoofdzakelijk van Stachys
palustris L. en sylvatica L., die dan ook wel als de voedsel-
planten zijn te beschouwen. Op Achillea en weidebloemen
(NICKERL).
*var. spinicollis PUT.
Ex., die vrijwel beantwoorden aan PUTON’S beschrijving
werden gevonden: Mook 8.1910, 18.8.05 en 6.1922 en
Valkenburg 6.07 (MAC GILLAVRY).
*melanocephalus F. OSHANIN 385.
FOKKER I, p. 9: Nuth. Naar het schijnt sindsdien ook
alleen in Zuid-Limburg waargenomen, o.a. gezellig op
Stachys sylvatica (ziet RECLAIRE 3), die volgens BUTLER als
de normale voedselplant is te beschouwen, al noemt hy
ook andere. GULDE vermeldt deze ook van Ballota nigra L.
Te Beckenried (Zwitserl.) gezellig 8.28 op een Ballota-soort
(RECLAIRE). PRIESNER vermeldt deze van bottels van Rosa
canina, 9. LETHIERRY beschrijft haar van Scrophularia.
CHINA (3) beschrijft de eieren alsmede de wijze, waarop zij
worden gelegd op de onderzijde der bladeren van Stachys
sylvatica.
Rubiconia DHRN.
*intermedia WLFF. OSHANIN 408.
Uit Vierhouten 25.83.28 in een zending boschbessen (Vacci-
nium vitis idaea) (MAC GILLAVRY 28).
Van allerlei planten, ook aan wortels vermeld, zoodat
Vaccinium wel niet de voedselplant is. Volgens GULDE
ontbreekt zij bij Frankfort in het laagland en komt alleen
op hoog gelegen terreinen van de randgebergten voor.
PRIESNER noemt haar in Oberösterreich zeer veelvuldig op
Rubus, Galeopsis en andere ruwbladerige planten, 3—0,
larven 8.
Zij wordt door BUTLER niet uit Engeland vermeld.
74 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Staria DHRN.
lunata HHN. OSHANIN 410.
GULDE vermeldt haar van warme plaatsen in het Rijnland,
volgens hem is zij een zuidelijke soort. Zij wordt van allerlei
planten van droge standplaatsen genoemd. Volgens PUTON
vooral op Galium.
Peribalus M. R.
*vernalis WLFF. OSHANIN 416.
Zuid-Limburg (MAC GILLAVRY 6); Meijendel, 10, ©, op
brandnetel (BLOTE 1).
BUTLER beschouwt deze als behoorende tot de soorten,
die hoog boven de grond leven, op allerlei boomen, ver-
meldt haar echter ook van lagere planten, als Verbascum,
Epilobium en Umbelliferen. HüEBER noemt haar zelfs van
planten, die zeer laag bij de grond blijven, als Thymus,
Galium en Glechoma, waarop ook de mededeelingen van
GULDE duiden, het een en ander dus in tegenspraak met
BUTLER. Het valt echter niet te ontkennen, dat de hemiptera®
op het continent veelal een eenigszins andere levenswijze
schijnen te leiden dan in Engeland.
*sphacelatus F. OSHANIN 419.
Zuid-Limburg 609 (gt; MAC GILLAVRY).
Wordt van allerlei planten, vooral Verbascum vermeld.
BUTLER noemt deze soort niet uit Engeland.
Palomena M R.
In de literatuur wordt bericht over het verslinden van
Palomena-eieren door de pas uitgekomen wantsjes (OUDEMANS).
*viridissima PODA. OSHANIN 428.
Verbreid door het geheele land.
Leeft op allerlei struiken en wordt ook wel van scherm-
bloemen vermeld. De bruine herfstverkleuring (*var. simulans
Pur.) door FOKKER (IV, p 298) alleen van Cuijk vermeld.
Volgens GULDE waren in het voorjaar (12.4 en 8.5) gevon-
den ex. groen, hij vermoedt, dat de bruine herfstkleur in
het voorjaar weer in groen omslaat,
Deze soort wordt door BUTLER niet uit Engeland vermeld,
wel de volgende.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 75
*prasina L. OSHANIN 430.
Verbreid door het geheele land, in de herfst de *var,
subrubescens GRSKE !). PRIESNER wijst erop, dat niet alle over-
winterde ex. tot deze vorm behooren.
Op allerlei struiken en boomen. BUTLER zegt merkwaar-
digerwijze, dat zij hoofdzakelijk door sleepen wordt gevangen,
en noemt ook allerlei kruiden, waarop de soort voorkomt.
Of deze phytophaag, of carnivoor of wel omnivoor is, staat
nog wel niet vast.
Chlorochroa STaL. FOKKER I, p. 10: Pentatoma OLIV.
*juniperina L. OSHANIN 437.
BORGER: ot Bieten ©.
Nunspeet 11.10.25 (RECLAIRE 3); Wijster 11.10.29 (BEYE-
RINCK).
Op besdragende jeneverbes. GULDE vermeldt alleen jenever-
bes, andere niet alleen grove den en verschillende andere
coniferen, doch b.v. BUTLER nog allerlei andere planten,
zelfs grassen. De soort werd overwinterend in mossen onder
jeneverbes aangetroffen.
*pinicola MULS. OSHANIN 439.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Cimex): Arnhem.
Oosterbeek 18.5.1878 (BAKKER); Venlo (FOKKER), beide
in coll. MAC GILLAVRY.
BUTLER vermeldt deze niet uit Engeland. In de literatuur
hoofdzakelijk van Pinus doch ook wel van andere coniferen
o.a. jeneverbes beschreven.
var. porphyrea FIEB.
GULDE noemt deze uit de omgeving van Frankfort als
de bruine herfstkleur.
Carpocoris KLT.
*fuscispinus BOH. OSHANIN 454.
FOKKER I, p. 9 (nigricornis F.): Beekhuizen 8.
Oosterbeek 15.9.1876 (BAKKER); Burgst bij Breda 1906
(SMITS VAN BURGST).
Volgens GULDE op grond der onderzoeking der genitaal-
segmenten een var, van de volgende, PRIESNER echter be-
1) Deze var. rekent OSHANIN ten onrechte tot viridissima.
76 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
schouwt fuscispinus en purpureipennis (hij noemt deze
pudicus PODA) buiten kijf als verschillende soorten.
“purpureipennis DE G. OSHANIN 455.
FOKKER II, p. 113 (baccarum L.): Maastricht.
Amsterdam 17.10.19 in een ziekenhuis en Vlissingen 6.09
(Mac GILLAVRY); Venlo 6 en 7 (V. D. BRANDT).
Op allerlei bloemen, vooral distels en schermbloemen,
ook Verbascum, ziet o.a. GULDE. Volgens PRIESNER op
verschillende struiken als Betula, Salix caprea, meeren-
deels QQ.
Uit Engeland vermeldt BUTLER deze soort niet.
lunulatus GOEZE. OSHANIN 457.
STICHEL: Rijnland en Beneden-Elbegebied.
Volgens GULDE op Artemisia campestris L. en ook o.a.
op Gnaphalium-soorten, op steppenplanten, echter ook van
andere planten vermeld.
Dolycorus M. R.
*baccarum L. OSHANIN 467. Fokker I, p. 9: Carpocoris
verbasci DE G.
Reeds SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Cimex) noemt deze
soort alom zeer gemeen. FOKKER’S opmerking omtrent de
foutieve nomenklatuur van SNELLEN VAN VOLLENHOVEN is
thans niet meer houdbaar.
Behalve op frambozen en dergel. kan men deze vooral
in de zomer op allerlei bloemen aantreffen. De soort wordt
van verschillende planten vermeld, schijnt echter een voor-
liefde voor besdragende gewassen te bezitten, zooals Vaccinium,
Ribes, Viburnum en Rhamnus (ziet o. a. GULDE).
Eurydema LAP. FOKKER I, p. 9: Strachia HAHN.
*ornatum L. OSHANIN 492.
Burgst bij Breda 1892 en 1893 (SMITS VAN BURGST);
misschien geimporteerd. Dus wellicht inlandsch?
Volgens STICHEL en GULDE berusten alle mededeelingen
omtrent het voorkomen van deze soort in Duitschland wel
op verwisseling met de volgende. Op Cruciferen. Op Hypericum
(NICKERL). In Frankrijk schadelijk aan gekweekte Cruciferen:
BUTLER noemt deze niet uit Engeland.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 77
Over de onderscheiding van ornatum en festivum ziet
GULDE.
festivum L. OSHANIN 400.
Westfalen (HiEBER) en Rijnland (STICHEL). Op Cruciferen,
op braakland (GULDE).
GULDE vermeldt uit de omgeving van Frankfort nog
volgende var. en geeft er een korte beschrijving van:
pictum H. S. (bij OSHANIN = pictellum KIRK. = nominaat-
vorm), Belgié, FOKKER I, p. 10, decoratum H.S., Belgié,
FOKKER I, p. 10, simplicissimum REY., simplex REY en christo-
phori JAK. (christophi JAK. bij OSHANIN).
*dominulus SCOP. OSHANIN 508.
FOKKER III, p. 51 en IV, p. 297: Liesbosch 8.1884, jen Q
op een schermbloem.
Ootmarssum 5—8.6.25 en Valkenburg 1.9.19 (BROERSE);
Denekamp 8—9.15 (Vv. D. WIEL); dito 17.5.17 (DE MEIJERE);
Venlo (v. D. BRANDT); Zwijkhuizen bij Schinne 13.6.19
(EVERTS); Meerssen 8.15 (KEMPERS); Spaubeek 20.8.28
(SCHOLTE).
Volgens BUTLER hoofdzakelijk op schermbloemen, volgens
GULDE op Cardamine en Nasturtium op vochtige plaatsen.
PRIESNER noemt Cardamine pratensis, ook wel amara de
normale verblijfplant.
*oleraceum L. OSHANIN 510.
Plaatselijk gemeen o.a. Hilversum 9.9.25 in aantal op
Sisymbrium officinale (RECLAIRE).
Men vindt deze soort op kool en wilde cruciferen met
verschillende varieteiten, waarvan een groot aantal beschre-
ven is. Daar nog betrekkelijk weinig omtrent de verbreiding
der var. in ons land bekend is, is het beter gegevens hier-
omtrent later mede te deelen, in de verwachting, dat er
dan meer aangaande bekend geworden is. GULDE bericht,
dat het optreden van deze soort aan sterke schommelingen
onderhevig is, dat zij echter aan kool niet direkt schadelijk
wordt. BUTLER vermeldt nog allerlei andere planten alsmede
schade aan aardappelen!
73 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Piezodorus FIEB.
*lituratus F. OSHANIN 557. FOKKER I, p. 10: incarnatus
GERM.
Verspreid. Voor het Gooi verkrijgt men de indruk, dat
deze soort in het voorjaar vooral op brem en in het najaar
vooral op berk voorkomt.
BUTLER zegt hieromtrent o.a.: “is found on furze bushes
in most places where these flourish; on these it spends its
whole life and may be met with in all its stages.’’ Later
echter vermeldt hij, dat deze ook op andere planten voor-
komt, als Genista en andere ieguminosen, ook berk e.a.
worden genoemd. GULDE noemt hoofdzakelijk Sarothamnus.
*var. alliaceus GERM.
Even verbeid als de nominaatvorm.
Volgens GULDE ontstaat vermoedelijk de groene kleur
van deze var. uit de roode in de winter, een omgekeerde
verschijning dus als bij Palomena!
BUTLER vermeldt merkwaardigerwijze deze var. niet uit
Engeland. Of de winter daar te zacht is?
Rhaphigaster LAP.
“nebulosa PODA. OSHANIN 563.
Arnhem 8.12.29 in huis (KUSTERS).
Wordt volgens GULDE steeds op en in de nabijheid van
kultuurland, in tuinen, warmoezerijen enz. aangetroffen. Uit
Engeland vermeldt BUTLER deze niet.
var, impunctata GARB.
Omgeving Frankfort (GULDE).
Pentatoma OL. FOKKER I, p. 10: Tropicoris HAHN.
*rufipes L. OSHANIN 566.
Deze soort is overal op allerlei boomen en struiken, ook
overwinterend aan te treffen. Zij wordt in de literatuur een
enkel maal van bloemen vermeld. SNELLEN VAN VOLLEN-
HOVEN (Tropicoris) beschrijft haar ook van schuttingen,
waarop men haar dan ook inderdaad vaak aantreft.
HüEBER spreekt er over, dat deze, met suiker aange-
wreven, een fijn parfum levert!
In 1923 werd waargenomen, dat Formica exsecta NYL.
allerlei boomen en struiken bezocht en daar bladluizen,
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 79
misschien ook larven van Pentatoma rufipes L. opzocht.
(MAC GILLAVRY 30).
Volgens WEBER werd deze soort ook op aas aangetroffen.
Acanthosoma CURT.
*haemorrhoidale L. OSHANIN 584.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Breda 6, Arnhem, Holland
éenmaal in December, Utrecht, Haagsche bosch op het
eerste groen van opslag van eschdoornen. FOKKER I, p. 10:
Oosterbeek 6, Zierikzee, Valkenburg 7 en Wageningen.
Amsterdam 10.17 en Maarn 13.10.29 (KOORNNEEF) ; Baarn-
Groeneveld 11.5.19 (KOPERBERG); Oosterbeek 7.7.1878
(BAKKER); Apeldoorn (KERKHOVEN); Valkenburg 6.19, de
Klundert 11.20, Lage Vuursche 26.10.18 en Hilversum
30.10.27 (MAC GILLAVRY); Hilversum 21.9.25, des avonds
by de lamp vliegend, vermoedelijk van lijsterbes in mijn
tuin (RECLAIRE 3); Beekbergen 6.19 (VAN ROON); Meijendel,
10, 9, op eik (BLOTE 1).
De soort blijkt dus zeer verbreid, wordt echter altijd
vrijwel solitair aangetroffen.
Wat de voedselplant betreft, zal GULDE’s mededeeling
wel de juiste zijn, nl., dat deze soort vooral op bes- resp.
vruchtdragende struiken voorkomt.
Over een geheel roodachtig % ziet BUTLER.
*var. inhabile SCHUMACH.
Hilversum 15.9.28 (RECLAIRE), Groesbeek 27.5.28, 19 en
25.5.29 (V. D. WIEL); Vaals 22.9.29 (CORPORAAL).
Elasmostethus FIEB.
*interstinctus L. OSHANIN 593. FOKKER I, p. 10: Acantho-
soma dentatum DE G.
Overal verbreid. Texel (FOKKER 3). Larve: Meijendel 8,
op berk (BLÔTE 1).
Men kan wel aannemen, dat deze soort hoofdzakelijk op
berk leeft, ofschoon de mededeelingen in de literatuur er
wel op duiden, dat zij ook op andere gewassen voorkomt.
Zoo vermeldt PRIESNER haar van eik; volgens hem zijn de
OQ verre in de meerderheid.
minor HORV. OSHANIN 594.
Bij Frankfort op besdragende Lonicera xylosteum L.
80 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
(GULDE). Volgens hem gelijkt deze soort dusdanig op de
voorgaande, dat zij er veelal mee wordt verward, door de
vorm van het genitaalsegment is zij echter gemakkelijk te
herkennen. PRIESNER vermeldt haar ook van els en Acer
campestris.
Elasmucha STâL.
*ferrugata F. OSHANIN 596.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Acanthosoma ferrugator F.):
Breda, Arnhem 10 en Rhederberg 30.8. FOKKER I, p. 10:
(Sastragala ferrugator F.): Utrecht 7, Velp 8, Wolfhezen 7
Gi ASSEN 7e
Apeldoorn 8.18 (KOORNNEEF); Hoog-Soeren 5.8.17 (V. D.
WIEL); Montferland 12.56.20, in aantal (L. H. SCHOLTEN);
Mook 8.1910 en Nunspeet 7.18 (met larve; MAC GILLAVRY);
Hondsdonk bij Breda op Vaccinium vitis idaea (BLÔTE, MAC
GILLAVRY, RECLAIRE, V.D. WIEL). Uit Breda in een zending
boschbessen ontvangen, 7.30 (RECLAIRE).
Leeft hoofdzakelijk op boschbes, wordt echter ook van
allerlei andere planten, zelfs Coniferen vermeld, door PRIESNER
van Lonicera en Ribes grossularia, beide besdragende ge-
wassen.
*fieberi JAK. picolor WESTW. bij OSHANIN 597.
FOKKER I, p. 11 (Elasmostethus): Arnhem 5 en 8 en
Vorden 7.
Arnhem 22.9.12, Baarn 20.7.21 en Dieren 10 en 15.38.22
(KOORNNEEF); Soest 8.24 (V.D. VAART); Hilversum 31.5.25,
15.6, 14.7, 3.8.29 en 24.5.30, op berk en Doornspijk 3.6.30
dito (ziet RECLAIRE 3); Zeist, Lochem en Hellendoorn
(MAC GILLAVRY 19).
Het is merkwaardig, dat deze soort in ons land zoo ver-
breid blijkt te zijn, want tot voor betrekkelijk korte tijd
werd zij door de autoren meer als bergvorm beschouwd, zoo
ook nog door GULDE in 1921. De mededeelingen van FOKKER
zijn door hem dus niet opgemerkt. PUTON vermeldt haar
behalve uit de Vogezen, uit Rusland, Finland en Lijfland.
BUTLER noemt haar niet uit Engeland.
MAC GILLAVRY wijst erop, dat zij, volgens sommige autoren,
wellicht op grove den leeft, wat, althans voor het Gooi, niet
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 81
door mij kon worden bevestigd, aldaar werd zij tot nu toe
uitsluitend op berk gevonden. GULDE vermeldt haar van
allerlei loofhout en zegt uitdrukkelijk: ,,nie auf Nadelholz”.
Tegenstrijdige berichten omtrent voedsel- of verblijfplanten
der wantsen zijn in de literatuur, men zou bijna zeggen:
regel!
Over de onderscheiding van grisea ziet GULDE, die fieberi
aldaar foutievelijk (mondelinge mededeeling) picicolor noemt,
die een Amerikaansche soort is.
*érisea L. OSHANIN 599. FOKKER I, p. 11: Elasmostethus
interstinctus L.
Overal gemeen op berk in de meest uiteenloopende kleur-
schakeeringen.
De levenswijze van deze soort, die haar jongen bewaakt,
is beter bestudeerd dan die van de meeste ander hemiptera.
Betreffende nieuwere door SCHUMACHER gedane waarnemingen
omtrent het bewaken van de eieren door E. (bescherming
tegen regen en vijanden, vooral sluipwespen van het genus
Telenomos) ziet WEBER. In hoofdzaak schijnt zij op berk
voor te komen, toch zijn de mededeelingen in de literatuur
zoo beslist, dat er niet aan te twijfelen valt, dat zij ook
op allerlei andere boomen en struiken verblijft, zoo vermeldt
PRIESNER haar van els, vooral Alnus viridis.
Deze soort werd ook op aas aangetroffen (ziet WEBER).
Een buitengewoon klein, slechts nauwelijks 5 mm meetend
ex. werd 2.8.30 van heide gesleept te Soest (KALF).
Cyphostethus FIEB.
*tristriatus F. OSHANIN 607.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Acanthosoma clypeatum
BURM.): Overveen 2. FOKKER I, p. to: Arnhem 5.
Soest 8.10.27 en 1.9.28 van besdragende jeneverbes (RE-
CLAIRE 3); dito 1.9.29 (KOORNNEEF); Apeldoorn (KERK-
HOVEN); Velp 6.1896 (DE VOS ToT NEDERVEEN CAPPEL) ;
Baarn 24 (VRIESENDORP), dito najaar .15, larve, Schoonoord
(Dr.) nazomer 1912, larve (POLAK); Rechteren bij Dalfse op
jeneverbes met larve 8.29 (MAC GILLAVRY) ; Barneveld 6.6.30
op jeneverbes (TH. C. OUDEMANS).
Schijnt wel uitsluitend op jeneverbes te leven.
82 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Pinthaeus STAL.
sanguinipes F. OSHANIN 609.
Vermoedelijk in geheel Frankrijk (PUTON).
Zij gelijkt op het eerste gezicht zeer op de gemeene
Pentatoma rufipes, die door de hemipterologen veelal niet
meer wordt medegenomen! Haar zeldzaamheid is dus wel-
licht slechts schijnbaar.
Leeft op boomen, jacht makend op insekten, gelijk vele
pentatomiden (ziet o.a. GULDE, die haar uit de omgeving
van Frankfort vermeldt).
Picromerus À. S.
*bidens L. OSHANIN 612.
Zeer verbreid.
Een roofdier, dat op allerlei planten wordt aangetroffen,
volgens BUTLER vooral op vochtige plekken, Volgens GULDE
zeer nuttige door het verdelgen van allerlei voor de land-
bouw schadelijke insekten. Door NICKERL op Polygonum
hydropiper aangetroffen, wat dus met BUTLER overeenstemt.
Bij Dwingelo heeft men waargenomen, dat zij Lochmaea
suturalis THOMS. (de heidekever) vernietigt (VAN POETEREN).
Volgens SCHUMACHER (ziet WEBER) leeft deze soort van
larven en imagines van lepidoptera en coleoptera, larven
van hymenoptera en neuroptera en imagines van hemiptera.
Arma Huw.
*custos F. OSHANIN 623.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Asopus): Wassenaar 10,
Heemstede, Naaldwijk, Driebergen 8, Brummen en Ginneken.
Hilversum 11.9.26, 9 en 15.10.27, 7-14 9.29 talrijk op els,
waarop Melasoma en Agelastica alni met larven (RECLAIRE 3),
dito 20.9.30 (KALF; RECLAIRE); Venlo (Vv. D. BRANDT);
Nijmegen (?) (KOORNNEEF).
Volgens GULDE op els, de larven en imagines van Agelastica
alni vervolgend. In de literatuur zijn nog verschillende
andere verblijfplanten genoemd; BUTLER citeert deze soort
niet uit Engeland. Volgens SCHUMACHER (ziet WEBER) leeft
zij van larven van lepidoptera en hymenoptera en imagines
van coleoptera. Of het mogelijk is dergelijke scherpe con-
clusie’s te trekken komt mij weinig waarschijnlijk voor.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 83
Troilus STaL.
*luridus F. OSHANIN 629. FOKKER I, p. 11: Podisus
El. SCH:
Zeer verbreid.
Een roofinsekt, dat van allerlei struiken wordt vermeld,
doch ook van lage planten als Mentha en Cakile! Volgens
GULDE voor de boschbouw zeer nuttig, volgens SCHUMACHER
(ziet WEBER) leeft deze soort van rupsen en kevers.
Rhacognathus FIEB.
*punctatus L. OSHANIN 630. FOKKER I, p. 11: Asopus BURM.
Schijnt even verbeid als de vorige.
Eveneens een roofinsekt, dat van allerlei planten, ook uit
Sphagnum (!) wordt vermeld (BUTLER).
Bij Dwingelo werd waargenomen, dat deze soort Lochmaea
suturalis THOMS. (de heidekever) vernietigde (VAN POETEREN).
Volgens SCHUMACHER leeft deze soort van imagines van
diptera (ziet WEBER).
Jalla HAN.
*dumosa L. OSHANIN 633.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Asopus): duinen van Holland,
Driebergen 6 en Walcheren. FOKKER I, p. 11: Zierikzee 9.
Eveneens een roofdier, dat veelal op droge plekken onder
planten wordt aangetroffen en overal zeldzaam schijnt te
zijn. Het wordt ook van struiken vermeld (BUTLER ; GULDE).
Wordt ook in de winter van bezonde muren en boomstam-
men aangegeven. PRIESNER klopte een © van grove den.
Volgens SCHUMACHER leeft deze soort van rupsen (ziet
WEBER).
var. nigriventris FIEB.
1 Ex. met het type bij Frankfort (GULDE).
Zicrona A. S.
*coerulea L. OSHANIN 636.
In sommige jaren plaatselijk in aantal in de diluviale
streken. Larven: Aerdenhout (volwassen) 7.14 (MAC GILLAVRY);
Valkenburg 7 (V.D. BRANDT); Sandenburg 7.8.20 (KOORNNEEF).
Eveneens een roofdier, dat van allerlei struiken en lage
planten wordt beschreven. Het dier schijnt periodisch in
aantal op te treden (GULDE), wat voor ons land bevestigd
84 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
werd. Volgens BUTLER is deze soort in Engeland ook op
vochtige plaatsen tusschen munt aangetroffen.
Bij Dwingelo heeft men waargenomen, dat deze soort
Lochmaea suturalis Thoms. (de heidekever) vernietigde (VAN
POETEREN).
Volgens SCHUMACHER (ziet WEBER) leeft zij van larven
van lepidoptera, eieren, larven en imagines van coleoptera.
COREIDAE.
Gonocerus LATR.
#juniperi H. S. OSHANIN 686.
Ommen 6.16 (MAC GILLAVRY 31).
Deze soort wordt uitsluitend van jeneverbes vermeld.
BUTLER noemt haar niet uit Engeland.
*acuteangulatus GOEZE. OSHANIN 689. FOKKER I, p. 13:
venator L.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Arnhem, 9, 6, Oosterbeek,
Oto i LOubem en Venlo
Op allerlei struiken, volgens GULDE hoofdzakelijk op
besdragende. In Engeland op “Box trees” (Buxus) (BUTLER).
Verlusia SPIN.
*rhombea L. OSHANIN 696.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Syromastes quadratus F.):
Den Haag, Velp, &, 12.8, Utrecht en Middelburg. FOKKER
I, p. 13: Schapenduinen.
Venlo (v. D. BRANDT); Bierlap en Kijfhoek 5, 8, onder
doode boomstam, in het gras (BLOTE 1).
Op droge gronden op en onder planten doch ook wel
van struiken aangegeven (BUTLER; GULDE).
var. quadrata F.
Volgens de oudere literatuur zou het type een meer
zuidelijke en deze var. een meer noordelijke vorm zijn.
STICHEL en GULDE vermelden haar eenvoudig als voor-
komend met de nominaatvorm. BUTLER noemt alleen quadrata
als — rhombea bij OSHANIN. :
Coreus F. FOKKER I, p. 12 en V, p. 357: Enoplops AM. S.
*scapha F. OSHANIN 703.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Syromastes): Breda 3 en 4.
FOKKER: Oud-Vroenhoven en Den Haag.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 85
Epen, L. 166.11 en Valkenburg 5.20 (UYTTENBOOGAART) ;
Houtem 9.15 en Maastricht 6.07 (MAC GILLAVRY); Venlo
(v. D. BRANDT); Schin op Geul 19.90.29 en II, 12 en 14.9.30
aan de wortels van kruiden op een steenige helling en
Meerssen 21.9.29 van lage planten gesleept (RECLAIRE).
Middelgroote larve: Valkenburg 8.14 (MAC GILLAVRY).
Op de grond aan grassen en lage planten (GULDE). In
Engeland litoraal (BUTLER). Op bloeiende Atropa belladonna
(NICKERL).
Syromastes LATR.
*marginatus L. OSHANIN 708.
Algemeen.
Wordt van de meest verschillende planten vermeld, schijnt
echter, afgaande op de literatuurmededeelingen, wel een
zekere voorliefde voor groote zuringsoorten te bezitten.
Spathocera STEIN.
laticornis SCHILL. OSHANIN 722.
Rijnland (STICHEL).
Op droge gronden onder lage planten en volgens GULDE
van grassen.
*dalmani SCHILL. OSHANIN 725.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Atractus): Noordwijk 6.
Meijendel, 6, 9, op het zand (BLÔTE 1); Haarlem 22,6.19
(KOORNNEEF); Renkum 9.24 (UYTTENBOOGAART); Veenen-
daal 6.15 (MAC GILLAVRY); Hilversum 24.4, 2.5, 5.8 en
pio 204270728200 onden Calluna Saro-
thamnus, tusschen mossen op droge heiplekken (RECLAIRE 3).
In de literatuur worden dergelijke verblijfplaatsen vermeld,
BUTLER spreekt bovendien nog over het voorkomen tusschen
dennennaalden en GULDE op met Rumex acetosella begroeid
braakland.
lobata H. S. OSHANIN 727.
Belgié (FOKKER I, p. 12). Merkwaardigerwijze wordt deze
soort niet door HüEBER, STICHEL en GULDE voor Duitsch-
land vermeld. OSHANIN: Europa, Caucasus en Turkestan.
86 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Pseudophloeus BURM.
*falleni SCHILL. OSHANIN 735.
- Overal in de duinen tusschen Erodium cicutarium l’Hérit.,
meest gezellig, Aerdenhout 7.1912 en 8.13 met larven
(MAC GILLAVRY 9). Te Hilversum ter zelfde plaatse als
Spathocera dalmani, met wie zij in levenswijze overeen
schijnt te stemmen, doch veel zeldzamer en nog niet ge-
zellig gevonden, 3.10.25, 1.5, 12 en 15.9.26 (RECLAIRE 3);
dito 8.05 (MAC GILLAVRY).
BUTLER bericht over een zwarte var., die zoo nu en dan
in Engeland wordt aangetroffen. Onder een aantal ex. bij
Zandvoort 7.8.30 (RECLAIRE; v. D. WIEL) onder Erodium
gevonden, waren eenige reeds sterk zwart geteekend.
Volgens MAC GILLAVRY (9) kan men bij deze soort ge-
makkelijk kinderzorg waarnemen. BUTLER (4) beschrijft het
laatste larvestadium.
*waltli H. S. OSHANIN 737.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Walcheren. Fokker V,
p. 357: Nijmegen.
Schijnt in levenswijze met de vorige overeen te komen.
Bathysolen FIEB.
nubilus FALL. OSHANIN 730.
Calmpthout en Blankenberghe, Belg. (SCHOUTEDEN) ; Nor-
folk en Kent (BUTLER); Munster (HüEBER) ; Parijs (PUTON).
Op zandige plekken onder Artemisia e.a., een bewoner
van zandheuvels en dergelijke terreinen.
Arenocoris HHN.
spinipes FALL. OSHANIN 740.
Volgens GULDE zou deze in warme gedeelten van het
Rijndal kunnen voorkomen.
Nemocoris SHLB.
falleni SHLB. OSHANIN 741.
Rijnland {STICHEL); Parijs en Rouaan (PUTON).
Omtrent de levenswijze is weinig medegedeeld, vermoedelijk
onder lage planten. GULDE wijst er op, dat deze zeldzaamheid
sprekend op Ceraleptus gracilicornis H. S. gelijkt en daar-
door gemakkelijk over het hoofd kan worden gezien. Analoog
dus aan Pinthaeus en Pentatoma.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 87
Ceraleptus COSTA.
*lividus STEIN. OSHANIN 742.
SNELLEN VAN VOLLENHOYEN (squalidus COSTA'); ziet
FOKKER I, p. 12): den Haag 3, Breda 4 en 5 en Walcheren.
Aan de voet van lage planten als Thymus en grassen
op dorre plekken (GULDE).
gracilicornis H. S. OSHANIN 744.
Rijnland (STICHEL).
Op droge plaatsen aan de voet van lage planten, wordt
ook van boomen vermeld. GULDE o.a. van grassen, Trifo-
lium en Medicago. HiEBER citeert deze uit Holland via
Westhoff, wat op de vorige betrekking heeft.
Bothrostethus FIEB.
annulipes COSTA. OSHANIN 747.
Bij Siegen (HüEBER).
_ Wordt onder Sarothamnus aangetroffen, leeft wellicht
evenals Pseudophloeus.
Coriomeris WESTW. FOKKER I, p. 13: Coreus F.
scabricornis PNZ. OSHANIN 753.
Belgié (FOKKER); Rijnland (STICHEL).
Deze schijnt gaarne op klaversoorten voor te komen, is
verder in de herfst onder Calluna, Artemisia en grassen
aangetroffen. (GULDE).
hirticornis F. OSHANIN 760.
Of deze soort in ons gebied voorkomt, is te betwijfelen.
Door GULDE wordt zij niet vermeld en door STICHEL even-
min, althans niet uit Duitschland. HüEBER noemt wel is waar
eenige Duitsche vindplaatsen, voegt er echter aan toe: ,,doch
diirfte hiebei zweifellos wohl meist die folgende Art (denti-
culatus Scop. Murs.) gemeint sein”. BUTLER vermeldt haar
ook niet uit Engeland. FOKKER’s hirticornis F. (I, p. 13)
heeft betrekking op de volgende soort.
*denticulatus SCOP. OSHANIN 763.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Coreus pilicornis BURM.?)):
1) Volgens OsHANIN is C. squalidus COSTA synoniem met C, obtusus
BRULLE en C. squalidus FIEB. non COSTA synoniem met C. lividus STEIN.
2) Volgens FOKKER heeft S. v. V. deze soort verkeerdelijk als C. pili-
cornis BURM. gedetermineerd en hij verandert de naam ten onrechte in
hirticornis F. Zijn aanmerking is onjuist, althans is volgens OSHANIN
pilicornis BURM. synoniem met denticulatus SCOP.
88 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
den Haag 1.9, g, Noordwijk 6, Bergen op Zoom 5, Dom-
burg 18.6 en de Bilt 1.7. FOKKER I, p. 13 (zie ook vorige
soort): Zierikzee 5.
Valkenburg 6.07, Houtem 6.06 en Hilversum 7.07 (MAC
GILLAVRY); Amersfoort 6.03 (V. D. VAART); Putten, Vel. 6.26
(RECLAIRE 3). |
Omtrent de levenswijze is weinig bekend, schijnt als Pseu-
dophloeus te leven. Afgaande op de literatuurmededeelingen,
o.a. van GULDE, schijnt er wel een duidelijke associatie met
klaversoorten en dergel. te bestaan.
Stenocephalus LATR.
medius M. R. OSHANIN 765.
Inlandsch? FOKKER (I, p. 14) vermeldt een ex. mit de
collectie der Ned. Entom. Vereen. zonder vindplaats.
Wordt van Euphorbia en Salvia beschreven, volgens BUT-
LER van hooge grassen.
*asilis SCOP. OSHANIN 768.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (nugax L.): den Haag 23.11
op een wijngaard. FOKKER I, p. 13: Arnhem 5 en 6:
Wordt hoofdzakelijk van Euphorbia vermeld. In Engeland
litoraal (BUTLER); hij geeft ook kenmerken aan ter onder-
scheiding van agilis, medius en albipes.
albipes F. OSHANIN 776.
Rijnland (STICHEL). In Engeland dubieus (BUTLER). Wordt
eveneens van Euphorbia genoemd.
Alydus F.
*calcaratus L. OSHANIN 780.
Verbreid in de diluviale streken, o. a. in het Gooi solitair
op en onder Sarothamnus en Calluna (RECLAIRE). Larve:
Hilversum 24.6, 22 en 13.9.28 (RECLAIRE); leemkuil bij
Winterswijk 14.6.29 (LIEFTINCK)
Een zeer beweeglijk insekt, dat snel opvliegt en loopt.
Op en onder planten als boven vermeld. Volgens GULDE
veelal ook op Euphorbia en grassen. In de literatuur (ziet
BUTLER) vindt men allerlei mededeelingen omtrent een soort
associatie met verschillende mieren. De larve vertoont gelij-
kenis met Formica rufa.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 89
WASMANN vermeldt met ? deze soort als larve bij Myrmica
rubra L., nymphe bij Formica sanguinea LTR., citeert verder
het voorkomen in een ,,groote mierenhoop” en zijn eigen
waarnemingen bij nesten van Formica rufibarbis F. en rufa
L. in Nederland. SCHMITZ spreekt over de vondst van
larven en nymphen bij Formica rufibarbis door WASMANN.
var. hirsutus KLTI.
GULDE noemt deze bij Frankfort iets zeldzamer dan het type.
Camptopus A. S.
lateralis GERM. OSHANIN 707.
Rijnland (STICHEL). Geheel Frankrijk, vooral in het Zuiden
(PUTON).
Wordt door STICHEL van Daucus en Pinus, dus zeer
heterogene gewassen aangegeven !
De op mieren gelijkende larven en nymphen zijn misschien
myrmecophiel (WASMANN).
Therapha A. S.
*hyosciami L. OSHANIN 806.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Corizus) : Driebergen, Beek-
huizen 18.8 en Breda op bloemen van Tanacetum. FOKKER I,
p. 14: Holland, Zierikzee.
Venlo (v. D. BRANDT); Maastricht 8.22 (in coll. SCHOLTE).
Deze soort wordt van de meest verschillende planten
vermeld. Volgens GULDE op braakland en droge hellingen
begroeid met Hieracium, Centaurea, Scabiosa, ook opstruiken.
WEBER vermeldt, dat deze soort naar kaneel riekt.
Liorhyssus STAL.
hyalinus F. OSHANIN 807.
Essex en Norwich (BUTLER).
Misschien op moerassige plaatsen levend.
BUTLER geeft ook een beschrijving van deze soort.
Corizus FALL.
*maculatus FIEB. OSHANIN 800.
POKKER DF para: Breda. en Vorden 7 en ©.
Mook 6.1912, Weert 6.14 en Denekamp 5.18 (MAC GILLAVRY) ;
Denekamp 3.6.30 (v. D. WIEL); Venlo (v. D. BRANDT) ; Doe-
tinchem 7.6.17 (DE MEIJERE) ; Oisterwijk 2.8.21 (LIEFTINCK) ;
Soesterveen 22.8.21 en Winterswijk 17.8.24 (KOORNNEEF).
90 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Behalve van droge wordt deze in hoofdzaak van moe-
rassige vindplaatsen vermeld; volgens GULDE een moeras-
bewoner, gezellig levend op Cirsium palustre.
*subrufus GMEL. OSHANIN 812.
FOKKER I, p. 14 (capitatus F.): Driebergen. Aan de vind-
plaatsen van SNELLEN VAN VOLLENHOVEN is geen waarde
te hechten, daar hij de soort met andere verwisselde, althans
volgens FOKKER.
Houtem 6.06 (UYTTENBOOGAART); Eijsden 6.07 (MAC
GILLAVRY); Schin op Geul 24.5.26 en 19.9.29 (RECLAIRE 3).
Volgens BUTLER speciaal geassocieerd met Hypericum
perfoliatum, volgens GULDE echter op droge weiden op de
meest verschillende planten. PRIESNER vond deze in groot
aantal op Clinopodium vulgare en Urtica dioica, meer dan
2 X zooveel PP dan gg.
distinctus SIGN. OSHANIN 814.
Geheel Frankrijk (PUTON).
Van dennen geklopt (HüEBER).
HELLEN twijfelt eraan, of d. een goede, van subrufus te
onderscheiden soort is, RIBAUT (6) daarentegen beschouwt
d. als een goede soort, doch — conspersus FIEB., aan welke
naam volgens hem de prioriteit toekomt.
*parumpunctatus SCHILL. OSHANIN 815.
Reeds SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (pratensis FALL.) noemt
deze soort vrij gemeen.
Hilversum 4.7.— 19.9, soms in zeer groot aantal op bloeiende
grassen met de var. (RECLAIRE 3); Meijendel 4 en 6—9, larven
6, in het gras (BLÔTE 1); Terschelling 8.1912 (MAC GILLAVRY
10); Vlieland 18--25.8 en 1.9.29 (RECLAIRE 5). Schijnt in
Zuid-Limburg zeldzaam te zijn.
Deze soort wordt van allerlei planten van droge gronden
vermeld.
Met het type vindt men de *var. subspeciosus SCHUMACH.
(Vlieland 18 en 19.8.29, RECLAIRE 5), *rufus SCHILL. (spec.
prop. bij OSHANIN 816) en *lepidus FIEB. (bij OSHANIN var.
van rufus).
Volgens PRIESNER komen van de var. subspeciosus alleen
dg voor. Hij beschouwt de var. rufus als spec. prop. en
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. OI
geeft ook onderscheidingskenmerken aan; lepidus is volgens
hem een var. van rufus, dus geheel als bij OSHANIN. Ook
BUTLER beschouwt klaarblijkelijk parumpunctatus en rufus
als spec. prop., waarvoor hij de onderscheidingskenmerken
vermeldt. Ook bij hem is lepidus een var. van rufus, GULDE
wijst er echter op, dat tusschen rufus en parumpunctatus
allerlei overgangen bestaan en dat bij nauwkeurig onderzoek
van de genitaalaanhangsels geen verschillen tusschen de beide
vormen kunnen worden gevonden, De var. lepidus heeft
volgens hem betrekking op versch gevangen ex. De literatuur-
mededeelingen zijn dus verre van eensluidend.
Rhopalus SCHILL.
tigrinus SCHILL. OSHANIN 818.
Rijnland (STICHEL).
Volgens GULDE heeft deze een voorliefde voor Legumi-
nosen, vooral Trifolium, volgens andere voor Cruciferen.
Stictopleurus STAL. FOKKER I, p. 14: Corizus FALL.
Uitvoerige mededeelingen omtrent de onderscheiding der
3 nog niet bij ons aangetroffen hier vermelde S.-soorten
vindt men bij RIBAUT I en 6.
crassicornis L. OSHANIN 820.
Omtrent het voorkomen in het omliggend gebied valt
voorloopig nog niet veel te zeggen, daar de soort betrek-
kelijk kort geleden opnieuw van de volgende is afgescheiden.
Schijnt op planten van droge standplaatsen te leven, even-
als de volgende 2 soorten.
De var. maculatus FIEB. volgens GULDE bij Frankfort in
enkele ex. met het type, anticus REY dito, maculicollis REY
dito, doch iets talrijker, umbrinus REY dito, doch veelvuldig,
wellicht een herfstkleur, en griseus FIEB. dito, doch naar het
schijnt meer in de warm gelegen gedeelten.
punctato-nervosus GOEZE. OSHANIN 820 = crassicornis,
Omtrent de verbreiding valt nog niets te zeggen, ziet
vorige soort.
abutilon ROSSI. OSHANIN 821.
Onderscheiding van crassicornis en abutilon ziet ook GULDE.
De var. flavescens FIEB. en pictus FIEB. bij Frankfort aan-
getroffen (GULDE).
92 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Myrmus HHN.
*miriformis FALL. OSHANIN 838.
Niet zeldzaam. Terschelling (MAC GILLAVRY 10); Vlieland
18—20.8.29, macr. en brach. (RECLAIRE 5). De macroptere
ex. zijn iets minder veelvuldig dan de brachyptere.
Wordt hoofdzakelyk van droge grazige plaatsen vermeld.
DE MEIJERE bericht over de kleur van deze soort, die hij
bij Hilversum vooral op Agrostis vulgaris vond.
Chorosoma CURT.
*schillingi SCHILL. OSHANIN 847.
Volgens SNELLEN VAN VOLLENHOVEN van 6—8 niet
ongemeen op onze duinen en geestgronden, volgens FOKKER
(lp) mindern gemeen op, de heide
Texel (FOKKER 3); Vlieland 8.30 (RECLAIRE 5); Hilversum
soms in groot aantal op bloeiende grassen, o.a. Molinia
coerulea (RECLAIRE); Terschelling 8.1912 (MAC GILLAVRY 10).
Larve, klein en groot Hilversum, Wijk aan Zee, Aerdenhout
en Oldenzaal (MAC GILLAVRY).
Wordt hoofdzakelijk van grassen, op de duinen van
Psamma vermeld, doch ook van Inula en Verbascum, wat
wel vreemd is, daar Inula eenigszins kleverig en Verbascum
sterk wolharig is.
PYRRHOCORIDAE.
Pyrrhocoris FALL.
*apterus L. OSHANIN 853.
Niet zeldzaam. Reeds SNELLEN VAN VOLLENHOVEN wijst
erop, dat deze soort op sommige plaatsen in geheele scholen
voorkomt. Macr.: Winterswyk, zomer .21 (WILLINK).
Wordt hoofdzakelijk van de voet van linden vermeld,
men vindt echter nog allerlei andere mededeelingen omtrent
de levenswijze, zoowel van phytophage als van carnivore
aard. Volgens WEBER zuigt deze soort rijpe lindenvruchtjes
uit, vandaar, heet het, dat zij vaak in enorm aantal aan de
voet van linden worden aangetroffen, waarvoor echter ook
andere verklaringen worden gegeven; wellicht zijn er dan
ook verschillende redenen aan te nemen!
De macr. vorm schijnt meer zuidelijk voor te komen.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 93
marginatus KLTI. OSHANIN 854.
Aken (HüEBER).
Omtrent de levenswijze vindt men niets in de literatuur,
behalve een oude, nietszeggende mededeeling omtrent het
voorkomen onder steenen.
LYGAEIDAE.
Bij deze familie treedt vaak abnormale sprietvorming op,
waarover BUTLER, MAC GILLAVRY en zeer uitvoerig MICHALK
berichten.
Lygaeus F.
leucopterus GOEZE. OSHANIN 866. FOKKER II, p. 113: venus-
tus BOEK,
Heid des Gattes, Belg. (FOKKER 6); gemeen bij Parijs op
Cynanchum vincetoxicum (PUTON).
Wordt van verschillende planten, doch met beslistheid
van Cynanchum vermeld.
Spilostethus STaL. FOKKER II, p. 113: Lygaeus F.
*saxatilis SCOP. OSHANIN 869.
FOKKER: Maastricht.
Deze soort wordt van allerlei gewassen vermeld, doch
schijnt een voorkeur te hebben voor bloeiende planten,
vooral umbelliferen. In de omstreken van Frankfort soms
sporadisch, dan weer in massa (GULDE). Uit Engeland wordt
zij door BUTLER niet genoemd.
*equestris L. OSHANIN 874.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygaeus): Friesland, 9.
Maastricht 7.1870 (in coll. MAC GILLAVRY); Holland
(BLOTE 3).
Ook deze soort wordt van allerlei planten, vooral van
Cynanchum opgegeven. Misschien evenals de vorige carni-
voor (GULDE; BUTLER).
albomaculatus GOEZE. OSHANIN 880. FOKKER II, p. 113:
apuanus ROSSI.
FOKKER: Belgié; Parijs (Puton).
Wordt van zonnige droge plekken geciteerd.
superbus POLLICH. OSHANIN 881. FOKKER II, p. 113:
punctatoguttatus F.
94 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Pont de Bonne, Belg. (FOKKER 6).
Eveneens van droge plaatsen vermeld. De in de literatuur
beschreven associatie met bepaalde planten als Cynanchum
en Rumex is onzeker (ziet GULDE).
Arocatus SPIN.
melanocephalus F. OSHANIN 896.
Rijnland (STICHEL) ; Parijs (PUTON).
Wordt o.a. van lindenstammen beschreven.
roeseli SCHILL. OSHANIN 898.
België (FOKKER); Parijs (PUTON).
Leeft volgens GULDE op els, overwintert onder de schors
en kan in het voorjaar van nog katjesdragende elzen worden
geklopt (schriftelijke mededeeling).
Nysius DALL.
jacobeae SCHILL. OSHANIN OIO.
De opgave van FOKKER (II, p. 114) heeft betrekking op
een larve van een Aphanine (BLOTE 3).
Wordt van allerlei lage planten, ook Senecio aangegeven,
GULDE noemt geen bepaalde planten, vermeldt haar van
Frankfort vrij hoog in het gebergte. BUTLER noemt deze
niet uit Engeland.
*thymi WLFF. OSHANIN OIL.
Vlieland 21-26.8.29 en Terschelling 31.7.-4.8.25 (RECLAIRE I
en 5), overigens plaatselijk veelvuldig o.a. bij Hilversum
onder lage heiplanten en door sleepen op grazige heideplekken.
Of deze soort inderdaad met Thymus is geassocieerd,
valt wel te betwijfelen, althans werd zij vaak bij Hilversum
gevonden op plaatsen, waar geen Thymus groeide. Zij wordt
dan ook in de literatuur van allerlei planten van droge
gronden vermeld. PRIESNER vond de QQ in de meerderheid.
ericae SCHILL. OSHANIN 913.
Beneden-Elbegebied (STICHEL).
Wordt vooral als levend onder Calluna beschreven, de
verscheidenheid der opgaven duidt erop, dat deze soort
ook onder allerlei planten van droge gronden voorkomt.
Over de onderscheiding van ericae en thymi ziet o.a.
HELLEN.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 95
graminicola KLTI. OSHANIN 916.
Parijs (PUTON).
Volgens HORVATH is deze een zuidelijke soort, die noch
bij Parijs noch in de Vogezen gevonden is (ziet HüEBER).
*senecionis SCHILL. OSHANIN 917.
FOKKER’s vermelding (II, p. 114) heeft betrekking op
thymi (BLOTE 3).
Aerdenhout 1.8.1881 en Overveen 25.8.1883 (in coll.
MAC GILLAVRY).
Wordt vooral van Senecio, doch ook van allerlei kruiden
van droge gronden vermeld, door PRIESNER bovendien van
Alnus incanus, Berberis en onder Calluna. Volgens REH is
deze in Duitschland schadelijk door het zuigen aan druiven.
LüSTNER (ziet VAN EMDEN 1925) neemt aan, dat de normale
verblijfplant Senecio vulgaris is en dat de soort eerst na
massavermeerdering op andere planten overgaat en dan een
„Gelegenheitsschädling” wordt.
BUTLER noemt haar niet uit Engeland.
*lineatus COSTA. OSHANIN 920. FOKKER, IV, p. 298:
helveticus EIS.
Uchelen 1.8.22 en Otterloo 7.19 (MAC GILLAVRY); Arnhem
(DAMMERMAN) ; Hilversum 30.8 en 15.9.25, 9.8.26 en 11.8.29
en Nunspeet 6.8.22 (RECLAIRE 3); Soest 2.8.30 (KALF;
RECLAIRE; van Calluna gesleept); dito 7.85, Soesterberg
11.9.26 en Amersfoort 12.9.24 (BLOTE 3).
Schijnt vooral onder heiplanten te leven.
*var. brunneus FIEB.
FOKKER’s vermelding heeft betrekking op het type (BLOTE ;
schriftelijke mededeeling).
Uchelen 1.8.22 (in coll. MAC GILLAVRY); Arnhem (DAM-
MERMAN).
Omtrent de beschrijving ziet o.a. BUTLER.
punctipennis H. S. OSHANIN 925.
Belgié (SCHOUTEDEN) ; Beneden-Elbegebied (STICHEL).
Onder planten van droge gronden, b.v. vond GULDE deze
soort tusschen Sedum acre L,
96 A. RECLAIRE, NAAMLIJST (DER IN: NEDERLAND EN
Cymus HHN.
*claviculus FALL. OSHANIN 930.
Texel (FOKKER 3).
Deze soort blijkt zeer verbreid te zijn, o.a. Galdersché
heide bij Breda aan de voet van Juncus 26.6.29 (RECLAIRE)
en Vlieland 20-30.8.29 (RECLAIRE 5).
Volgens BUTLER op de grond onder verschillende planten
als Polygonum aviculare, Juncus, Aira, volgens GULDE op
Carex- en Juncus-soorten op drogere plaatsen dan de vol-
gende soorten. Volgens PRIESNER in het voorjaar en des
winters onder Calluna en gedurende de zomer op droge
plaatsen, veel meer gg dan QQ.
melanocephalus FIEB. OSHANIN 931.
STICHEL: Westfalen en Rijnland. In Engeland vocral in
Surrey (BUTLER).
Ook deze soort schijnt geassocieerd te zijn met Carex- en
Juncus-soorten (GULDE; ziet ook RECLAIRE 3).
*slandicolor HHN. OSHANIN 933.
FORRERMP D-17179 Weal KO:
Ter zelfder plaatse als de vorige soort. FOKKER’s vermel-
ding van eik zal wel toeval zijn. Volgens BUTLER en GULDE
ter zelde plaatse als claviculus. Ziet ook RECLAIRE 3. PRIESNER
vermeldt deze soort bovendien van Scirpus en Calamagrostis
en overwinterend onder afgevallen bladeren.
*obliquus HORV. OSHANIN 934.
Doetinchem 10.6.17, Denekamp 5.18 en Meerssen 6.07
(MAC GILLAVRY); Winterswijk 19.5.29 (RECLAIRE 4).
Op vochtige plaatsen. GULDE vond deze op Scirpus syl-
vaticus, BUTLER op Solanum dulcamara. Volgens PRIESNER
op Scirpus lacustris en des winters aan de voet van dennen
en onder afgevallen bladeren.
Een beschrijving geeft ook BUTLER.
Ischnorhynchus FIEB.
*resedae PNZ. OSHANIN 937.
Texel (FOKKER 3). Gemeen, b.v. bij Hilversum nog 2.11.29
op berk (RECLAIRE); Meijendel, op berk, larven 8 en 9,
imagines 8—7, des winters veel in zeefsel (BLOTE 1).
Deze soort wordt in de literatuur ook door SNELLEN VAN
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 97
VOLLENHOVEN (Cymus) hoofdzakelijk van berk, doch ook
van andere boomen, als els en zelfs van verschillende lage
planten vermeld, zooals Sedum en Aster tripolium (BUTLER).
*var. flavicornis DUDA.
Hilversum 2.9.25 (RECLAIRE 3; het aldaar uitgesproken
vermoeden, dat de var. veel zou voorkomen kon niet worden
bevestigd, het is bij de vondst van één ex. gebleven). BLOTE
(3) vermeldt een groot aantal vindplaatsen van de nominaat-
. vorm doch geen van deze var.
ericae HORV. OSHANIN 038.
Wychmael, Belg. (SCHOUTEDEN); in Engeland, niet in
Ierland (BUTLER); Versailles (PUTON).
Volgens BUTLER hoofdzakelijk op Erica en Calluna.
Ischnodemus FIEB.
*sabuleti FALL. OSHANIN 942.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Micropus decurtatus H. S.):
Katwijk en Vlissingen (brach. volgens FOKKER), FOKKER II,
p. 114 en VI, p. 34, macropt: Rhoon en Zierikzee 5.
Heenvliet 2.4.07, macr. (MAC GILLAVRY 23, alwaar hij ook
over mutilatie bij deze soort bericht), Doornspijk 11.8.28,
macr. en brach., schadelijk aan helm, Hulshorst, zandstui-
vingen, 8.29, macr., brach. en alle larvenstadien (MAC GIL-
LAVRY 28).
Deze soort wordt zoowel op vochtige plaatsen op riet en
Calamagrostis als op dorre gronden aan de voet van Elymus
arenarius aangetroffen (BUTLER). Veelal in aanspoelsel (GULDE).
MAC GILLAVRY heeft waargenomen, dat het dier zich in de
bladscheden van helm ophoudt ').
Dimorphopterus STAL.
spinolae SIGN. OSHANIN 949.
Rijnland (STICHEL); St. Quentin en Parijs (PUTON).
Wordt vooral van Calamagrostis epigeios aangegeven
(GULDE).
var. geniculatus HORV.
Bij Frankfort talrijk met het type (GULDE).
1) De door MAC GILLAVRY (23) vermelde I. genei SPIN, (OSHANIN
945) van Heenvliet behoort tot sabuleti. Uit ons gebied is genei niet
bekend.
98 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Henestaris SPIN.
laticeps CURT. OSHANIN 960.
Aan de Engelsche kust van Essex tot Cornwall, ook
Pembroke (BUTLER); Ault en Picard (PUTON).
Een halophiele soort. Volgens BUTLER zoowel op vochtige
als zeer droge plaatsen, b.v. onder Plantago coronopus,
Artemisia en Atriplex portulacoides. In Duitschland o. a.
bij Eisleben aan de oevers van de Salzsee (HüEBER).
halophilus BURM. OSHANIN 962.
Aan de kust van Kent en Cornwall (BUTLER).
Eveneens een halophiele soort, bewoont echter volgens BUT-
LER in tegenstelling met de vorige alleen vochtige terreinen.
Geocoris FALL.
*grylloides L. OSHANIN 974.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Ophthalmicus): de Bilt niet
zeldzaam 7 en 8, Utrecht en Den Haag 7. FOKKER II, p.
114.2 Scheveningen 7,) Haarlem 8, RenesseNs mbrachmen
Winterswijk 8, 9, macr. (FOKKER 2).
Loosduinen en Haamstede (BLOTE 3); Zandvoort 5.7.—10.8,
brach. onder Erodium en Sedum (RECLAIRE; V. D. WIEL);
Meerenberg bij Haarlem 1.8.09, brach. (coll. MAC GILLAVRY);
Zandvoort 10.8.29 en Wijk aan Zee 9.09 en 1911 (MAC
GILLAVRY); Noordwijk 7.20 (UYTTENBOOGAART); Castricum
23.7.11 (WILLEMSE); Nunspeet 8.8.22, brach. onder hei-
planten (RECLAIRE 3); Meijendel 7—8 imagines, 7 larven
(BLÔTE 1); Vlieland 23.8.29 in een zandkuil en onder Ononis
(RECLAIRE 5). Larve: Wijk aan Zee 6.6.09 (MAC GILLAVRY).
Ofschoon deze soort meest van dorre gronden onder
aldaar groeiende planten wordt aangegeven, wordt zij ook
soms van gewassen van minder droge plaatsen zelfs uit
Sphagnum vermeld (HüEBER).
Uit Engeland wordt zij niet door BUTLER beschreven.
dispar WAGA. OSHANIN 975.
Bij Frankfort een macr. en brach. Q van Plantago maritima
gesleept, ook op zandduinen (GULDE).
megacephalus ROSSI. OSHANIN 986.
De nominaatvorm bij Aken (HüEBER). Volgens STICHEL
op droge gronden.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 99
*var. siculus FIEB. !)
FOKKER II, p. 115: Vlissingen.
Cadzand 7.02 en Domburg 1877 (BLOTE 3).
*ater F. OSHANIN 995.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Ophthalmicus) : Driebergen,
A2
Wordt van droge gronden onder lage planten aangegeven,
zooals Thymus en grassen (GULDE).
BUTLER noemt deze niet als Engelsche soort.
Chilacis FIEB. FOKKER IV, p. 298 : Chilocoris.
*typhae PERR. OSHANIN 1017.
Warnsveld 3.0.1885 met larve (GROLL).
Boxtel 28.8.29 met larven (BLOTE 3).
Deze soort wordt uitsluitend van Typha-kolven vermeld
(RECLAIRE 3).
Heterogaster SCHILL.
artemisiae SCHILL. OSHANIN 1025.
Rijnland (STICHEL); Zuid-Engeland (BUTLER); geheel
Frankrijk (PUTON).
BUTLER betwijfelt de associatie dezer soort met Artemisia.
Zij wordt dan ook van allerlei lage planten doch ook van
(of onder?) Juniperus aangegeven. GULDE trof haar echter
onder Artemisia aan.
*urticae F. OSHANIN 1027.
Overal. Texel (in coll. mus. Leiden); Terschelling 8.1912
(MAC GILLAVRY Io); in het Gooi niet zeldzaam, b.v. larven
Pen imasor OS 2 op Wrtica dioica, (Soest 1-60.26 op
Juniperus (RECLAIRE 3); Meijendel 4, achter schors (BLOTE 1);
Vlieland 20.8.29 imago en 21.8.29 larve, beide met donkere
sprieten (RECLAIRE 5). Larve: Deventer 7.1911 en Aerden-
hout 7.1912 (MAC GILLAVRY).
Deze soort schijnt wel speciaal op brandnetels voor te
komen, werd echter toch ook op of onder verschillende
andere lage planten gevonden (ziet BUTLER).
1) Volgens FOKKER heeft SNELLEN VAN VOLLENHOVEN’S Opththal-
micus pallidipennis betrekking op deze var. van megac. O. pallidipennis
COSTA is een zuidelijke soort, die ook door LETHIERRY verkeerdelijk van
Duinkerken en Calais wordt vermeld.
100 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Platyplax FIEB.
salviae SCHILL. OSHANIN 10209.
Elberfeld (HüEBER) ; Rijnland (STICHEL); geheel Frankrijk
(PUTON) ; Rijssel (LETHIERRY).
Volgens GULDE op en onder de bladeren van Salvia-
soorten en onder schors overwinterend (ziet de mededeeling
van BLÔTE by de vorige soort !).
Camptotelus FIEB.
*lineolatus SCHILL. OSHANIN 1038.
Hilversum 14.6.25, 31.7.27 en 26.5.30 solitair onder Cal-
luna, brach. (RECLAIRE 3).
Deze soort wordt van dorre gronden onder lage planten
beschreven, volgens GULDE tusschen Cladonia tusschen
Calluna.
BUTLER vermeldt deze niet uit Engeland.
Microplax FIEB.
albofasciata COSTA. OSHANIN 1050.
Parijs (PUTON).
Vermoedelijk op zandige gronden.
Metopoplax FIEB.
ditomoides COSTA. OSHANIN 1053.
Rijnland (STICHEL).
Op Origanum vulgare en Matricaria chamomilla (STICHEL).
Oxycarenus FIEB.
modestus FALL. OSHANIN 1058.
Rijnland (STICHEL) ; Parijs (PUTON).
Volgens GULDE van elzen te kloppen en op het gras
onder elzen.
Macroplax FIEB.
preyssleri FIEB. OSHANIN 1060.
Rijnland (STICHEL); Parijs en Rouaan (PUTON).
Volgens GULDE op zand- en kiezelgronden op en onder
Calamagrostis en Psamma en dergel.
fasciata H.S. OSHANIN 1062.
Fontainebleau (PUTON); Crefeld (DOHRN; in coll. FOKKER
in mus. Leiden).
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. IOI
Pamera SAY.
*fracticollis SCHILL. OSHANIN 1075.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Plociomeris; FOKKER II, p.
mEGecdito): Breda 5, Arnhem 5 en Den Haag TO:
Muiden 6.15, Zeeburg 10.5.18, Denekamp 8.6.30 en Anloo
29.06.30 (Vv. D. WIEL); Oisterwijk 9.9.19 (UYTTENBOOGAART) ;
dito 4.14, Ommen 6.16 en Mook 25.8.05 (MAC GILLAVRY);
Bussum 6.4.17 (P. VAN DOESBURG); Soesterveen 22.8.21
(KOORNNEEF); Bergen op Zoom 4.6.21 (RECLAIRE); Hilver-
sum 15.5.21 en Kortenhoef 14.4.22 (RECLAIRE 3); Kortenhoef
27.9.30 (onder gemaaid gras; KALF).
Deze soort wordt door BUTLER van vochtige plaatsen
vermeld, hij geeft echter niet speciaal Symphytum als ver-
blifpiant aan, zooals GULDE. Door NICKERL van Scirpus
genoemd. PRIESNER sleepte haar van wollegras.
#var. collaris Bar.
Hilversum 15.5.21 (RECLAIRE); Denekamp 8.6.30 (V. D.
WIEL).
*Iurida HHN. OSHANIN 1078.
FOKKER IV, p. 298: Winterswijk 7.
Ankeveen 11.5.21 (LIEFTINCK); Vinkeveen uit veenmos
PANNE D VIE) Baar 3.4.27 en 16.4.22 (NECUAIRE 3)
Arnhem 4 (BLÔTE 3).
Volgens GULDE ter zelfde plaatse als de vorige, volgens
BUTLER echter in Sphagnum.
Over de onderscheiding van fracticollis en lurida ziet
GULDE.
Ligyrocoris STAL.
sylvestris L. OSHANIN 1092.
Beneden-Elbegebied (STICHEL).
Volgens GULDE in dennenbosschen tusschen mossen op
steenige bodem.
Rhyparochromus CURT.
“antennatus SCHILL. OSHANIN 1099.
Warnsveld 3.9.1885 (GROLL); Schin op Geul 24.5.26 en
II en 12.9.30 op een droge helling onder gras (RECLAIRE 3);
dito 28.7.30 (SCHOLTE); dito 14.9.30 (V. D. WIEL).
102 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Op droge plaatsen aan de wortels van grassen en lage
planten, volgens GULDE o.a. onder Potentilla tormentilla.
hirsutus FIEB. OSHANIN 1100.
Rijnland (STICHEL).
Onder Thymus (STICHEL); van grassen gesleept (GULDE)
*praetextatus H.S. OSHANIN 1105.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Drymus): Den Haag 4
FOKKER II, p. 116: Vlieland 5, Velzen 6, Loosduinen 5 en
Hlaarlemmorene 7.
Texel (FOKKER 3); Schin op Geul 22 en 25.5.26 en Hil-
versum (RECLAIRE 3); Hilversum 7.07 (MAC GILLAVRY);
dito 12.83.06 (LEEFMANS); Nijmegen 23.6.07 (KOORNNEEF);
Meijendel in het mos, larven 7, imagines 7 en 2 (BLÖTE 1);
Zandvoort 20 en 27.7. en 5.8.30 met nog een geheel versch,
karmijnrood ex., vooral onder Erodium (RECLAIRE; V. D.
WIEL); Vlieland 19.8.29 (RECLAIRE 5); Katwijk aan Zee
209.20, \WWassenaar 117.25 en Eoosduinen (BEORESJE
Volgens BUTLER een bewoner van zandheuvels, vooral
o.a. onder Erodium. Hij (4) beschrijft de nymphe.
*dilatatus H.S. OSHANIN 1111.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Drymus): Breda 3. Volgens
FOKKER (II, p. 117) is S. v. V.’S vindplaats Arnhem 19.4
onbetrouwbaar.
Hilversum 9.8.23, 20.9. en 2 en 3.10.30, onder Calluna
en Sarothamnus, steeds solitair (RECLAIRE 3); Heerde, Vel.
30.3.17 (P. VAN DOESBURG); Meerssen 8.15 (KEMPERS);
Amersfoort 7, Arnhem 19.4 en Oisterwijk 16—22.6.24
(BLOTE 3).
BUTLER vond deze op dezelfde terreinen als de vorige
soort, PRIESNER onder Calluna en in graszoden.
*chiragra F. OSHANIN 1113.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Drymus): Den Haag, Utrecht
en Arnhem 12.5. FOKKER II, p. 117: de Bilt 4, Groningen
en Haarlem.
Halfweg 28.7.05, Nunspeet 2.8. en 7.21 en 4.22, Ommen
6.16 en Bunde 6.07 (MAC GILLAVRY); Putten, Veluwe 1911
(J. TH. OUDEMANS); Winterswijk zomer .21 (WILLINK) ;
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 103
Schin op Geul 8.6.24 (RECLAIRE); dito 28.7.30 en Maastricht
7.4.30 (SCHOLTE); Steyl .15 (BERCHMANS); Zierikzee 8.93,
Cuyk, Den Haag 29.7.23 en Loosduinen 17 en 20.3 en 8.4.23
(BLÔTE 3).
Volgens BUTLER tusschen mossen, graswortels, dorre
bladeren op zandige plaatsen. GULDE vond deze bovendien
onder Potentilla. PRIESNER vermeldt haar van onder Calluna
en bij mieren.
Over pseudomacroptere vormen van deze en andere
Lygaeiden ziet GULDE.
var. emarginatus REY.
Omgeving Frankfort (GULDE).
var. nigricornis DGL.
Engeland (BUTLER).
*var. sabulicola THMS.
FOKKER II, p. 117: Haarlem 4 en Den Haag 5.
Haifweg 7.05 en Nunspeet 8.20 (MAC GILLAVRY).
*var. incertus REY.
Zandvoort 13 en 20.7. en 5.8.30 (RECLAIRE; V. D. WIEL);
Arnhem 4 (BLÔTE 3).
Tropistethus FIEB.
*holosericeus SCHLTZ. OSHANIN 1129.
Maastricht 11.9 tusschen mos en gras (SCHOLTE; ziet
RECLAIRE 6).
Op zandige plaatsen aan de voet van lage planten en
onder mossen en korstmossen (BUTLER; GULDE). PRIESNER
vond deze soort in graszoden en beschouwt haar niet zoo
zeer als zeldzaam dan wel als weinig opvallend. Volgens
PUTON op Corsica vaak in mierennesten.
fasciatus FERR. OSHANIN 1131.
Alle, Belg. (SCHOUTEDEN).
Pterotmetus A. S.
*staphylinoides BURM. OSHANIN 1130.
Fokker Il, p. 116; Wolfheze 7.
Putten, Veluwe 4.06, brach. (MAC GILLAVRY); Arnhem 4
en 5.05 (DAMMERMAN); Ede, Gelderland 18.4.27, brach.
(RECLAIRE 3).
104 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Volgens GULDE op zandbodem en droge grasplaatsen, bij
warm weer op de grassen.
BUTLER vermeldt deze niet als Britsche soort.
Met een ? citeert WASMANN haar „in Ameisennestern”.
Ischnocoris FIEB.
*hemipterus SCHILL. OSHANIN 1141.
Arnhem 4.05, Denekamp en Mook (MAC GILLAVRY 3 en 22).
Op hei- en zandgronden, onder Calluna, Artemisia en
grassen (GULDE).
Niet door BUTLER als Britsche soort aangegeven.
*angustulus BOH. OSHANIN 1142.
Nunspeet 1922, brach. (MAC GILLAVRY 22); dito 6.8.25 en
1.4.30, in het Gooi niet zeldzaam op dorre plekken onder
Calluna en lage planten, 14.3.-25.4.26 (RECLAIRE 3); Soest
2.8.30 (KALF).
Volgens GULDE ter zelfde plaatse als de vorige ; BUTLER
vond deze op de heidebodem tusschen Calluna loopend,
zoo ook in het Gooi.
*var. nigricans PUT.
Nunspeet 1921 (MAC GILLAVRY 22). STICHEL vermeldt deze
var. niet, GULDE wel.
panctulatus FIEB. OSHANIN 1143.
In Belgié (FOKKER II, p. 116).
Onder Erica, grasbundels en Juniperus (HUEBER).
Macrodema FIEB.
*micropterum CURT. OSHANIN 1147.
De brachyptere vorm verbreid in de diluviale streken.
Macr.: Putten, Vel. 8.08 (J. TH. OUDEMANS); Terschelling
31.7.-5.8.25 (RECLAIRE 1); Hilversum 14 en 10 0.28 Emos
en 14.10.30 onder Calluna (RECLAIRE 3).
In ons land komt deze soort bijna altijd met donkere
sprieten voor (MAC GILLAVRY 22).
Bij Baarn werden 20.9.30 brach. ex. gevonden, waarbij
de gele teekening bijna geheel ontbrak (KALF).
Volgens BUTLER ter zelfde plaatse als Ischnocoris, volgens
GULDE alleen op zand- en kiezelgronden in droge mossen
en korstmossen onder heidekruid, dus gelijk in het Gooi.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 105
Met een ? zegt WASMANN!,,Bei Formica sanguinea LTR.
en Leptothorax acervorum F. Holland”.
Pionosomus FIEB.
*varius WLFF. OSHANIN 1150.
Deze soort is vooral uit de duinen, doch ook uit de
diluviale streken bekend, o.a. bij Hilversum niet zeldzaam
onder Calluna op dorre heiplekken reeds in het vroegste
voorjaar, 3.3.23, 2.4.-0.23 en 8.26 (RECLAIRE); Terschelling
(MAC GILLAVRY 10); Vlieland 10.8.29 (RECLAIRE 5) ; Meijendel
4, 5, 8, in droog mos (BLOTE 1).
Volgens GULDE een steppenvorm. In Engeland één der
zeldzaamste Lygaeiden (BUTLER)!
Lamprodema FIEB.
maurum F. OSHANIN 1158.
Noordfrankrijk, Parijs (PUTON).
Plinthisus FIEB.
minutissimus FIEB. OSHANIN 1166.
Fontainebleau (PUTON).
WASMANN citeert met ? het voorkomen van deze soort
in de nesten van Formica rufa L. en pratensis DEG. vol-
gens PUTON.
*pusillus SCHLTZ. OSHANIN 1167.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Wassenaar 17.4.1869 en
Breda.
Katwijk (in coll. mus. Leiden); Aerdenhout 8, macr.,
Hilversum 7 en Otterloo 7.18, brach. (MAC GILLAVRY);
Hilversum 10.4.27, 9.28, 29.3.29 onder Calluna, 10.4.29,
30.5.30, en 20.4-13.5.29 in een heikuil, brach. (RECLAIRE 3).
Volgens GULDE op zandgronden tusschen mossen, korst-
mossen, grassen en onder heidekruid, dus zoo als in het Gooi.
BUTLER noemt deze niet uit Engeland.
*brevipennis LATR. OSHANIN 1186.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Utrecht (bidentulus H. SCH.,
ziet FOKKER), Driebergen 6, Scheveningen 6 en Breda 9.
FOKKER II, p. 115 en III, p. 51: Vlieland, Wassenaar 6,
brach. en Scheveningen 6, macr.
Vlieland 18—30.8.29, brach. en Terschelling 31,7—5.8.25,
106 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
brach.en Imaer.,. Hilversum) 15:0 Jen: Sao 25 TUA ZONNE
14.5.29 en 30.5.30, brach., 5.6 en 20.8.26, macrs en brach:
(RECLAIRE 5, I en 3); Castricum 5, Hilversum 7, brach. en
macr. (MAC GILLAVRY 8); Bierlap 8, in het gras (BLOTE 1);
Bergen op Zoom 4.10.21 (RECLAIRE); Weesp 12.5.13, macr.
(KOORNNEEF); den Haag, Loosduinen, Arnhem en Laren N.-H.
(in coll, Mus. Weiden); larve bij een, mier, Crailoo2 07218
(MAC GILLAVRY).
Ter zelfde plaatse als de vorige, schijnt gemeener. Wordt
in de literatuur als voorkomende onder allerlei planten van
dorre plaatsen vermeld, volgens STICHEL echter ook onder
Valeriana officinalis, een moerasplant!
Lasiosomus FIEB.
enervis H.S. OSHANIN 1193.
Belgié (FOKKER II, p.117); Noord-Frankrijk, Rouaan (PUTON);
Zuid-Engeland (BUTLER); Rijnland (STICHEL).
Volgens BUTLER op de grond aan de wortels van lage
planten en gelijkend op Stygnocoris pedestris en daardoor
wellicht over het hoofd gezien. Hi geeft de onderscheiding
van Stygnocoris pedestris aan. Volgens PRIESNER zoowel op
droge plaatsen onder Symphytum als op vochtige plekken
in het gras en wel zijn de QQ in de meerderheid, wat bij
de Hemiptera overigens veel voorkomt. LETHIERRY beschrijft
haar van varens.
Acompus FIEB.
*rufipes WLFF. OSHANIN 1195.
ROKRERMI p2 717 2 maer Morden Oren Breda:
Brachypteer zeer verbreid, macropteer: Abkoude 6.6.15
(Vi D. VAART): Gorssel 6.10, Ter Bor226.1910, Kietersbers;
6.07 (MAC GILLAVRY); Venlo 6 (V. D. BRANDT); Meerssen
19.06.23 en 22.90.29 (RECLAIRE 3); Loosdrecht vroeg in het
voorjaar reeds te zeven en later vooral op Carex en allerlei
moerasplanten, tot diep in de herfst, meest altijd brach.,
macr.: Kortenhoef 27.9.30 (KALF; RECLAIRE); Wassenaar
30:38:25 en 910,301 (BESTEN).
Deze soort bewoont vochtige plaatsen. Over bepaalde
plantassociatie’s is niets bekend, volgens BUTLER zelfs op
de allervochtigste terreinen tusschen plantenresten.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 107
opacus PRIESN. (= pallipes H. S.?).
Door PRIESNER uit Oostenrijk beschreven van droge vind-
plaatsen, sindsdien ook uit Duitschland en Frankrijk bekend
geworden (RIBAUT 5), dus vermoedelijk ook wel bij ons te
vinden.
var. laetipes RIBAUT.
Aangaande de beschrijving ziet RIBAUT 5. |)
Stygnocoris DGL. SC. FOKKER II, p. 117: Stygnus.
“rusticus FALL. OSHANIN 1196. °)
FOKKER: Renesse 8, Zierikzee, Vorden 7, brach. en Zierik-
zee 8, macr.
Nunspeet 6.8.25 (RECLAIRE 3); Wylré 18.929 (RE-
CLAIRE); Haamstede 8.94, Breda 8.84, Valkenburg 7.87,
Utrecht, Rhedersteeg 30.8, Strucht 4.24 en Durgerdam 3.8.30,
veelal brachypt. (BLOTE 3). Maastricht 12.8.30 (SCHOLTE);
Putten, Vel., in copula, 9.1910 (UYTTENBOOGAART); Slooten
10.10.09 (in coll. MAC GILLAVRY); Zeeburg 9.07 (MAC GILLA-
vey); Macr.: Lunteren 8.18 (MAC GILLAVRY); Hollandsche
Rading .22 (V. NIEVELT); Hilversum 12.7—13.8, ook brach.
(RECLAIRE 3).
Volgens BUTLER is deze soort veelal op bloemen aan te
treffen, o.a. op Pulicaria, volgens GULDE aan de randen van
velden en bosschen onder heidekruid en tusschen bladeren,
ook wel op bremsoorten.
*pedestris FALL. OSHANIN 1199. FOKKER II, p. 118: sabu-
losus SCHILL.
Zeer verbreid. Terschelling 3.1912 (MAC GILLAVRY 10);
‘Vlieland 20 en 27.8 en 1.9.29 aan de wortels van verdroogd
gras (RECLAIRE 5).
Volgens BUTLER op allerlei terreinen op de grond, volgens
GULDE zelfs op boschbodem met vochtige ondergrond tusschen
mossen, onder heidekruid enz. Door MAC GILLAVRY 13.8.21
in een nest van Formica rufa aangetroffen.
+) Hij heeft ook uit Frankrijk een derde A.-soort beschreven, laticeps,
die eventueel ook bij ons aan te treffen is. Voor de onderscheiding der
3 hier vermelde A.-soorten en de var. geeft hij een dichotomische tabel.
2) Volgens FOKKER verwart S. v, H. deze met fuligineus GEOFFR.
8
108 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
“fuligineus GEOFFR. OSHANIN 1200. FOKKER II, p. 118:
arenarius HAHN.
Als de vorige soort.
Texel (FOKKER 3); Terschelling 4.8.25 en Vlieland 19—
2720.20) meth de vorice (RECUAIRE) IT Een).
Volgens GULDE met de vorige soort doch meer op zand-
gronden.
pygmaeus SHLB. OSHANIN 1203.
Rijnland (STICHEL); Borkum (SCHNEIDER).
Volgens GULDE ter zelfde plaatse als de vorige soort,
volgens HüEBER op en onder Calluna.
Peritrechus FIEB.
*sylvestris F. OSHANIN 1214.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (luniger SCHILL.; FOKKER
II, p. 118 dito): Arnhem 4, Middelburg 3.10 in een oranjerie
en Breda 4. FOKKER: Haarlem 7.
Warnsveld 3.9.1885 (GROLL); Exaeten 9.22 (RiSCHKAMP);
Maastricht 1.8.30 (SCHOLTE); St. Pieter 26.3.21 (V. D. WIEL);
Baarn 13.3.26 en Hilversum 1.6.25 (RECLAIRE 3); Nijmegen
(BLÔTE 3).
Volgens BUTLER wordt deze meer gesleept dan de andere
soorten van dit genus. Volgens GULDE langs boschranden
aan de voet van oude boomen en tusschen bladeren.
angusticellis SHLB. OSHANIN 1215.
Noord-Frankryk (PUTON).
Wordt van zandige plaatsen onder Erica en Artemisia
vermeld (HüEBER).
“geniculatus HAN. OSHANIN 1217.
FOKKER Il, p. 118: Haarlem, Breda 4, Den Lane
Brummen 8 en Utrecht !).
Arnhem 8.05 (DAMMERMAN); Oosterbeek 21.7 (BIERMAN);
Laren, N.-H 6.15 en Nunspeet 14°3.21 (MAC (GimLAyvRy);
Schin op Geul 19.09.20, Baarn 13.3.26, 25.7 en 4.10.25, 12,
16 en 22.8.26 en Soest 8.10.27 (RECLAIRE); Meijendel 9, 9,
(BLOTE 1); bij Hilversum onder Calluna en andere planten
1) De eerste 3 vindplaatsen heeft hij overgenomen van SNELLEN VAN
VOLLENHOVEN. Hij wijst er op, dat diens beschrijving van nubilus FALL.
betrekking heeft op geniculatus.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 109
van dorre plaatsen, op warme avonden des zomers soms in
massa te sleepen (RECLAIRE 3); Bussum ‚95, Houtem 7.94,
Weert 29.8.24 en Laren, N.-H. 7.25 (BLÔTE 3).
Volgens BUTLER van dorre terreinen tusschen allerlei
planten.
gracilicornis PUT. OSHANIN 1210.
Hastings en Wight (BUTLER); Rouaan (PUTON).
Omtrent de levenswijze wordt niets vermeld, volgens
GULDE een zuidelyke vorm.
*nnbilus FALL. OSHANIN 1221. !)
HOKKERMI oO. 113: Vierden) 7.
Baarn (PRINS); Apeldoorn 6.8.1877 (GROLL); Eigelshoven
7.23 (WILLEMSE); Terschelling 31.7.-5.8.25, Vlieland 20.8.29
Sie versi 1.3.4.21,29,0n, 30.38.25, 21.9, ZO ONE TN ARE
9.4.31 (RECLAIRE I, 5 en 3); Wassenaar, Scheveningen en
Zoutelande 1887 (BLOTE 3).
Wordt ter zelfde plaatse aangetroffen als geniculatus, ook
op zilte gronden evenals sylvestris (BUTLER).
*var. tibialis HORV.
Hilversum 9.8.25 (RECLAIRE).
Microtoma Lap.
#atrata GOEZE. OSHANIN 1232.
Schin op Geul 22 en 24.5.26 en 11.9.30 op een steenige
helling aan de voet van Echium en aan graswortels (RE-
CLAIRE 2).
Uit de literatuurgegevens valt op te maken, dat deze
soort vooral onder de wortelbladeren van Echium, Borago,
Cynoglossum, Anchusa (GULDE) en andere planten van
droge standplaatsen, ook onder Verbascum en Calluna
voorkomt.
BUTLER citeert deze niet uit Engeland.
var. opacipennis REUT.
GULDE beschouwt deze als oude, vervette en daardoor
eenigszins glanzige ex. van de nominaatvorm.
Trapezonotus FIEB.
anorus FL. OSHANIN 1235.
1) SNELLEN VAN VOLLENHOVEN’s nubilus heeft betrekking op geni-
culatus, ziet aldaar.
IIO A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
JENSEN—HAARUP vermeldt deze uit Denemarken, STICHEL
uit Oostpruissen en Brandenburg.
Volgens HüEBER o.a. onder Thymus en Erica.
distinguendus FL. OSHANIN 1237.
Zuid-Engeland (BUTLER).
Wordt van zandige kusten onder Fucus vermeld (BUTLER).
In Sleeswyk-Holstein onder zeegras gevonden (HüEBER).
Deze zeldzame soort is dus van onze kusten te verwachten.
“arenarius L. OSHANIN 1240. FOKKER II, p. 118: agrestis
FABLE
Zeen verbreid. Nexel (ROKKER 3); dito vAn sz Meise
MAC GILLAVRY); Terschelling 31.7.-5.8.25 (RECLAIRE I); 0.a.
in het Gooi gemeen onder Calluna, Sarothamnus en andere
heideplanten, veoral in het voor- en najaar, zoowel brach.
als maer., doch meer macr. b.v. 23.3.-10.5.20, 21 maersen
3 'brach. ex. (RECLAIRE, 3); Vlieland, 19.26.3.20,, brach.
(RECLAIRE 5).
In de literatuur wordt deze soort van droge plaatsen
vermeld aan de voet van verschillende planten. GULDE
noemt van Frankfort alleen de macr. vorm, PRIESNER zag
uit Oberösterreich uit het Alpengebied alleen brach. stukken.
“dispar STAL. OSHANIN 1241.
BOKKER pP. 173: Beiden Ast.
Arnhem 19.6.1885 (GROLL); Eigelshoven 7.23 (WILLEMSE);
Hilversum met de vorige doch zeer veel zeldzamer, 28 en
30.8.25, det. GULDE (RECLAIRE 3); Den Haag 5, Vordeng,
Sia Iden WL.) Goose Cerone 3):
Of dispar een goede soort is, staat volgens GULDES
mondelinge mededeeling nog te bezien. SAUNDERS beschouwt
haar als var. van arenarius, PRIESNER als goede soort,
waarvan meer QQ dan {dg voorkomen. Ook BUTLER be-
schouwt klaarblijkelijk dispar als een spec. prop. en vermeldt
kenmerken ter onderscheiding van arenarius. Zie ook
LETHIERRY.
ullrichi FIEB. OSHANIN 1243.
Rijssel, Rouaan en Versailles (PUTON); Cornwall (BUTLER).
Volgens de literatuur misschien ter zelfde plaatse als are-
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. III
narius, in Cornwall uitsluitend aan de kust bij Boscastle
gevonden.
Sphragisticus STaL. FOKKER II, p. 118: Trapezonotus FIEB.
*nebulosus FALL. OSHANIN 1244.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Pachymerus): Scheveningen
4. FOKKER: den Haag.
Hilversum met Trapezonotus arenarius, doch veel minder
veelvuldig, vooral op zeer droge plekken 13.5.20, 6.7. en
27.8.21 en 8.24 (RECLAIRE 3); dito 5.3.5 (MAC GILLAVRY);
Dieren 20.7.22 (KOORNNEEF); Zandvoort 5.8.30 (RECLAIRE).
In de literatuur van zandgronden onder planten aangege-
ven (GULDE).
BUTLER noemt deze niet uit Engeland.
Calyptonotus DGL. SC. FOKKER II, p. 119: Pachymerus
EER. SERV.
*rolandri L. OSHANIN 1245.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Pachymerus): Arnhem 4.5.
Oninen 0.16 en Laren, N-H 16.15 (MAC GIELAYRYS);
Leuvenum 1.6.29 op een weide aangevlogen (Vv. D. WIEL);
Hilversum 8.05 (BLÔTE 3)
Schijnt hoofdzakelijk op dorre gronden onder planten voor
te komen, doch ook wel op hooge planten en boomen (den-
nen) gevonden (ziet BUTLER en GULDE). LETHIERRY vond haar
in het voorjaar niet zelden onder schors, vooral van dennen.
Aphanus LAP. FOKKER II, p. 119: Pachymerus LEP. SERV.
adspersus MLS. OSHANIN 1251.
Belgié (FOKKER); Noord-Frankrijk, Rijssel, Elboef (PUTON);
in het bosch van Ostricourt (LETHIERRY). Uit Duitschland
en Engeland niet bekend.
Deze soort schijnt eveneens op droge gronden onder plan-
ten te leven.
*lynceus F. OSHANIN 1257.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Pachymerus): Wassenaar
17.4, Scheveningen, Katwijk, Bennebroek 5, Waalsdorp, den
Haag, Loosduinen en Ginneken 3.4.
Den Haag (KLIJNSTRA); Overveen 24.7.05 en Hilversum
11.6.05 (MAC GILLAVRY); Hilversum 8.24 op een grazige hei-
II2 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
deplek op de grond loopend (RECLAIRE 3); Meijendel (BLÔTE
1); Haarlem 7, Wassenaar 13.4 en 22.7.26, Burgh 10.97 en
Nymegen (BLOTE 3).
Volgens GULDE op droge gronden vooral onder Echium
en Salvia, volgens BUTLER op zandheuvels tusschen mossen
en grassen.
*quadratus F. OSHANIN 1266.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Pachymerus): den Haag 7.
HORKERAI pant LO} ene IVAN 298: Velprrz.
Leeft vermoedelijk als de vorige soort, volgens GULDE een
vertegenwoordiger van de Pontische steppenfauna.
confusus REUT. OSHANIN 1275.
Bij Frankfort éénmaal (GULDE).
alboacuminatus GOEZE. OSHANIN 1276.
België (FOKKER II, p. 119: pedestris PANZ.); Westfalen
(HUEBER); Zuid- en West-Engeland (BUTLER); geheel Frank-
rijk (PUTON); Valenciennes en Abbeville (LETHIERRY).
Volgens GULDE op grazige plaatsen aan de zoom van
bosschen vooral op kalkgronden. Ook onder boomschors
(meidoorn, populier, wilde kastanje; BUTLER).
vulgaris SCHILL. OSHANIN 1278.
Belgié (FOKKER II, p. 119); Westfalen (HUEBER); geheel
Frankrijk (PUTON).
Ofschoon deze soort ook wel een grondbewoner schijnt
te zijn, schrijft GULDE, dat zij aan open plekken de voor-
keur geeft, zich gaarne onder losse schors van oude boomen
ophoudt en in boomholten en spleten in de herst soms by
dozijnen vereenigt om te overwinteren. Er schijnt dus wel
een bepaalde associatie met boomen te bestaan, waarop de
mededeelingen omtrent de vorige soort ook reeds duiden.
“pini L. OSHANIN 1279.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Pachymerus): Driebergen,
Brummen, de Bilt 7, Hilversum, Rhede, Velp, meest 8,
doch ook seen ro en Delft.
Arnhem 16.8.72 en 3, Nijmegen, Breda 26.6.77 en 8.84,
Valkenburg 7.87, Beekhuizen, Sterkenburg, Ginneken 3.4,
Schin op Geul 3 en 4.9.24 en Harderwijk (BLOTE 3).
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. I13
Nunspeet 14.8.21 en 16.8.22 (MAC GILLAVRY; V. D. WIEL);
Beek 6.05 (in coll. MAC GILLAVRY); Venlo 6 (Vv. D. BRANDT);
Schin op Geul 24.5.26 (RECLAIRE 3); dito II, 12 en 14.9.30
en 8.6 en 17.9.31 (RECLAIRE; V. D. WIEL).
Volgens GULDE tusschen mossen, dor blad en grassen
en planten van droge gronden; wordt volgens BUTLER ook
gesleept. Een associatie met Pinus schijnt niet te bestaan,
al komt zij in dennenbosschen onder planten voor. By Schin
op Geul met Microtoma.
“var. contraria SCHUMACH.
Schin op Geul 19.09.20 en 11.9.30 (RECLAIRE).
“phoeniceus ROSSI. OSHANIN 1280.
Verbreid in de diluviale streken. Bij Hilversum met de
var. en overgangen tot deze niet zeldzaam, vooral onder
Calluna en Sarothamnus, steeds in enkele ex., snelloopend
gelijk de andere soorten van dit genus, vooral voor- en
najaar (RECLAIRE). Zeer jonge larven, vermoedelijk van deze
soort in de nestrand van Formica rufa, Oud-Naarden 20.2.21
(Mac GILLAVRY). Larve (laatste stadium ?): Soest 2.8.30 onder
Calluna (KALF).
Volgens de literatuur wordt deze soort op droge steenige
bodem tusschen planten gevonden.
Uit Engeland vermeldt BUTLER haar niet.
*var. sanguineus DGL. SC.
Bij Hilversum met het type, doch veel zeldzamer; Ede,
Gelders on en Nunspeel 8.8.25 en 174.30 (RECEAIRE 3).
Beosus A. S.
*maritimus SCOP. OSHANIN 1286.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Pachymerus luscus F.):
Katwijk, Scheveningen 27.10 en 7 en Rozendaal 8. FOKKER
ites ero (luscus kakt Oosterbeek 7 en Haarlem 5 en’ 8.
Nunspeet 14.8 en Hilversum 4.06 en 8.18.99 (MAC GILLA-
VRY); Zandvoort 8.7 —5.8.30 vooral onder Erodium (RECLAIRE ;
V. D. WIEL); Hilversum onder heiplanten niet zeldzaam,
doch solitair, vroeg voorjaar tot late herfst (RECLAIRE 3);
Parven (9 Waren)’ N.-H.r 4i 7505) (Nunspeet 14.821" (MAC
GILLAVRY; V.D. WIEL); Zandvoort 8.7.30 (V. D. WIEL; laatste
stadium).
II4 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
In de continentale literatuur wordt deze soort van droge
gronden onder lage planten vermeld. Volgens BUTLER is zij
in Engeland hoofdzakelijk een maritieme vorm, voedt zich
vermoedelijk o.a. van Silene maritima!
var. sphragidimium FIEB.
Wellicht alleen een zuidelijke vorm. Aangaande de beschrij-
ving ziet ook BUTLER.
*var. buyssoni MONT.
Loosduinen 22.5 en Leiden 28.5.29 (BLOTE 3); Meyendel,
4, 3, in het gras (BLOTE I; aldaar als type vermeld).
Emblethis FIEB.
griseus WLFF. OSHANIN 1302.
Rijnland (STICHEL). FOKKER (II, p. 119) wijst er op, dat
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN’S Pachymerus g. betrekking
heeft op de volgende.
Op droge steenige plekken onder lage planten aan wortels.
“verbasci F. OSHANIN 1310.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (ziet vorige soort): Walche-
HELM Aah,
Sehin op) Geul; 22 ‘en 2485206 018.0 20hent0 03 MEG zelde
plaatse als Microtoma, met wie zij in levenswijze schijnt
overeen te stemmen. (RECLAIRE 2; V. D. WIEL).
*var. bullans PUT.
Bergen op Zoom 8.85 (BLOTE 3).
Omtrent de beschrijving ziet ook BUTLER.
var. minor MONT.
GULDE beschouwt haar als kleine ex. van het type!
Gonianotus FIEB.
*marginepunctatus WLFF. OSHANIN 1320.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Pachymerus): de Bilt 4,
Driebergen, Utrecht, Wassenaar 4, Rozendaal en Velp 5,
soms bij Scheveningen en Waalsdorp gemeen onder Galium.
Haarlem 4, Loosduinen 4 en 7.8.23, Bussum .95, Driebergen,
de Bilt 4, Katwijk aan Zee 5.7.20 en Hulshorst (BLOTE 3);
Terschelling 31.7—5.8.25, Vlieland 25.8.29 (RECLAIRE I en 5);
de Koog, Texel 13.5.21 (Mej. M. Mac GILLAVRY); Bergen,
N.-H. 2.6.12 (KOORNNEEF); Zandvoort 2.6.07 (in coll. MAC
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. IIS
GILLAVRY); Aerdenhout 7. en 8.14 en Hilversum 7.07 (MAC
GILLAVRY); Hilversum op droge zandige plekken onder Calluna
2220107, 15.9. en 2.10.25 en 918.26" (RECLAIRE); Was-
senaarsche slag, &, 8, op het zand (BLOTE).
De soort wordt van zonnige zandige gronden onder lage
planten vermeld. Volgens GULDE een bewoner van de weinige
nog in het Mainzer Becken overgebleven steppengebieden.
Uit Engeland niet door BUTLER vermeld.
#var. gebieni SCHUMACH.
Hilversum 10.10.30 en 12.9.25, Vlieland 19.8.29 en 8.31
(RECLAIRE).
Drymus FIEB.
pilipes FIEB. OSHANIN 1334.
Zuid-Engeland (BUTLER).
Volgens hem tusschen blad en mos.
*pilicornis MLS. OSHANIN 1336.
BOWER I, p.120; Haarlemeo;
Volgens GULDE tusschen Calluna, Thymus serpyllum en
mossen.
BUTLER geeft de onderscheiding van confusus aan.
“confusus HORV. OSHANIN 1337.
Maastricht 25.3 en 5.9.30 onder steenen (SCHOLTE; ziet
RECLAIRE 6),
Te oordeelen naar het weinige, dat BUTLER omtrent de
levenswijze mededeelt, zou deze van meer vochtige plaatsen
dan de vorige te verwachten zijn.
Volgens hem is dit de D. latus DGL. SC., aan welke naam
dus zonder twijfel de prioriteit toekomt. Bij OSHANIN wordt
dus verkeerdelijk latus DGL. SC. als synoniem van pilicornis
MLS. vermeld.
#sylvaticus F. OSHANIN 1338.
Gemeen.
BUTLER zegt, dat het moeilijk is een localiteit te noemen,
waar deze soort niet te vinden is. De continentale mede-
deelingen duiden hoofdzakelijk op het voorkomen onder blad,
aan de voet van boomen en dergelijke.
var, orthopus Horv.
Bij Frankfort enkele ex. onder het type, alle 3g.
TO A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
#var. picinus REY.
Schin op Geul 22.5.26 (RECLAIRE 2).
Of de var. reyi SAUND. (ryei D. S. bij BUTLER) inderdaad
= var. picinus is, staat nog niet geheel vast, gezien de be-
schrijving, die BUTLER geeft.
“brunneus SHLB. OSHANIN 1341.
Gemeen. Vlieland 26.8.29 (RECLAIRE 5); Texel (in coll.
Leidsch museum).
Volgens BUTLER op vochtige plaatsen tusschen blad- en
veenmos, volgens continentale mededeelingen ook veelal op
drogere plaatsen.
pumilio PUT. OSHANIN 1342.
Rijssel (PUTON).
piceus FL. OSHANIN 1346.
In Engeland zeer verbreid (BUTLER); Rijssel (PUTON).
Volgens BUTLER een meer noordelijke soort, die op voch-
tige plaatsen leeft, in veenmos en onder mos aan de wortels
van biezen, in aanspoelsel en dergelijke.
Eremocoris FIEB.
*plebejus FALL. OSHANIN 1348.
FOKKER IL, p. 120: Endeseest 8, trechter nemen
Haarlem 10.
Volgens hem zijn SNELLEN VAN VOLLENHOVEN’s vind-
plaatsen (Pachymerus) niet allen vertrouwbaar, daar hij deze
wel eens verwarde met Rhyparochromus chiragra.
Breda 24.5.17 (P. van DOESBURG); Velp 28.5. 1897 (DE
Vos Tor NEDERVEEN CAPPEL); Haarlem 30.3.1877 (GROLL),
Ederveen 1.4.20 (BROERSE); Aerdenhout 9.6.12 en Oisterwijk
4.14 (MAC GILLAVRY); Baarn 1.5.20 (RECLAIRE); Meijendel
10, Q, in het gras (BLOTE); Ede 8.90, Breda 17.2.74 en 3 en
Ginneken 14.5.25 (BLÔTE 3).
Volgens BUTLER onder steenen onder dennen en Calluna,
volgens GULDE tusschen mossen en bladeren, ook wel van
Juniperus geklopt. PRIESNER vermeldt deze van Vaccinium
myrtillus.
var. gibbicollis HORV.
Bi Frankfort in afgevallen blad en op en onder jenever-
bes (GULDE).
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 117
podagricus F. OSHANIN 1349.
Engeland, locaal (BUTLER); Belgié (FOKKER II, p. 120: È.
alpinus GARB. v. icaunensis POP.).
Uit de mededeelingen van BUTLER blijkt, dat deze ver-
moedelijk ter zelfde plaatse als de vorige voorkomt. Volgens
GULDE op kalkbodem.
#var. alpinus GARB.
St. Pieter 6.07 (MAC GILLAVRY 3; hij beschouwt deze var.
aldaar als spec. prop., wijst er echter op, dat volgens PUTON
alpinus vermoedelijk met plebejus vereenigd kan worden).
*erraticus F. OSHANIN 1352.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Pachymerus): Utrecht, Breda
7, Arnhem 9 en Walcheren.
Otterloo 1.17 (MAC GILLAVRY); Valkeveen bij Formica
rufa 28.8.21 (v. D. Wier); Hilversum, Spander’s woud,
tusschen dorre eikenbladeren gezellig rondloopend in de
nabijheid van nesten van Lasius fuliginosus en Formica
rufa 3.4.26 (RECLAIRE 3); Meijendel 3, onder asfaltpapier
mie alicenglarve Fo OD, in het mos BEONE) den Haasse,
Loosduinen 5, Amersfoort 14.9.24 en Wassenaar 9.3.24,
noteren 3.11.29 (BLOTE 3).
Volgens WASMANN komt de larve by Formica rufa L.
voor, de imago is slechts een toevallige gast, is echter in
de nabijheid van rufa-nesten bijzonder veelvuldig. In Meijendel
3.11.29 in aantal in een nest van een roode boschmier (BLOTE).
fenestratus H. S. OSHANIN 1353.
Engeland en Schotland (BUTLER).
Behalve onder steenen en tusschen bladeren wordt deze
soort ook op Juniperus, Pinus en Heracleum verzameld.
Misschien voedt zij zich met Empetrum of Calluna (BUTLER).
De continentale mededeelingen bevatten weinig omtrent de
levenswijze.
Scolopostethus FIEB.
#pictus SCHILL. OSHANIN 1357.
FOKKER II, p. 120: Utrecht en Holland.
Uden (SAMBEEK); de Bommel 7.1911 (LE MAIRE); Hilver-
sum 5.6.26 en 19.9.25 onder Calluna op de heide (RECLAIRE
118 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
3); Leuvenum 6.9.30 en Winterswijk 19.5.29 (RECLAIRE) ;
Leuvenum 9.11.30 uit een takkenbos (KALF); Houtem 19.9.29
(RECLAIRE; Vv. D. WIEL); Nijkerk 9.96, Vorden Io en den
Haag 4 (BLOTE 3).
Volgens de continentale mededeelingen leeft deze soort
onder dor blad en lage planten. BUTLER vond haar altijd
door uitkloppen van korenschoven, stroobundels, enz. Ver-
moedelijk zijn dus de dieren hierin na het maaien gevlucht.
Hij beschrijft nog kort de var. antennalis HORV.
grandis HORV. OSHANIN 1358.
Midden-Engeland (BUTLER).
Veelal brachypteer. Volgens BUTLER onder heggen en
tusschen dorre bladeren.
*affinis SCHILL. OSHANIN 1359.
FOKKER II. p. 121: Vorden 10, macr.
Terschelling 31.7—5.8.25, Vlieland 18—31.8.29 (RECLAIRE
I en 5), Dexel (EORKER 3); verden verbreid ora.) Fiilversnm
niet zeldzaam onder heiplanten.
Volgens BUTLER hoofdzakelijk op brandnetels. HüEBER
vermeldt meest droge vindplaatsen. GULDE vochtige bosch-
randen, onder oeverstruiken op brandnetel, in het voorjaar
in aanspoelsel. Vermoedelijk komt dus deze soort zoowel
op droge als op vochtige lokaliteiten voor.
WASMANN zegt omtrent deze met ? „Bei Lasius fuliginosus
LTR. Holland’.
thomsoni REUT. OSHANIN 1360. FOKKER II, p. 121: adjunc-
SPD EL SE,
Zooals de stand van zaken thans is, heeft het geen doel
vindplaatsen van deze soort te noemen, daar zij dubieus en
wellicht = affinis is. W. HELLEN heeft hieromtrent vrij uit-
voerig bericht.
BLÔTE (schriftelijke mededeeling) kent geen thomsoni, noch
uit Nederland noch uit het aangrenzend gebied.
“decoratus HHN. OSHANIN 1361.
Terschelling 31.7.—5.8.25 en Vlieland 18.8.29 (RECLAIRE
1 en 5), vermoedelijk verder zeer verbreid.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. IIQ
Wordt in de literatuur als heidebewoner vermeld. Volgens
BUTLER in het algemeen levend op en onder Calluna ofschoon
hij de soort ook op vochtige plaatsen, ver van Calluna ver-
wijderd aantrof.
"var. brevis SAUND.
Eiilversum 132 27 2en1r 420 Then 30.8.25,22.3en 217.530)
Baarn 7.9.25 en Laren, N.-H. 10.4.26 (RECLAIRE 3).
*puberulus HORV. OSHANIN 1364.
FOKKER VI, p. 34: Vorden.
By Hilversum niet zeldzaam. Kortenhoef 19.4.30, Houtem
8.6.31 en Schin op Geul 14.9.30 (RECLAIRE); Houtem 11.9.30
(ep WirL): Texel 2.2.06, den Haag 11.4:24, Wassenaar
Horse OO 15, 28.8 En 12.9.23, 24.5, 11.28 sen 20.0, en
eeens 315.26, Aen 21.3.28, Leiden 25 em 29.3.24,
veelal brachypteer (BLÖTE 3).
In Engeland hoofdzakelijk een kustvorm (BUTLER). Schijnt
volgens GULDE gezellig op vochtige ondergrond voor te komen.
*pilosus REUT. OSHANIN 1366.
Varsseveld (BLOTE 3). 1)
Uit Engeland wordt deze soort door BUTLER niet vermeld.
Taphropeltus STaL. FOKKER II, p. 121: Notochilus FIEB.
“contractus H. S. OSHANIN 1374.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Pachymerus): Utrecht, Breda
en Walcheren. FOKKER: Haarlem 4 en Zierikzee 4, 8 eng.
Haarlem 7.1878 (GROLL); Oisterwijk 4.14 en Nunspeet
8.22 (MAC GILLAYRY); bij Hilversum soms talrijk tusschen
dor blad op eenigszins vochtige plaatsen; Schin op Geul
22.5.26 (RECLAIRE 3); Arnhem 4.12.87 (in coll. museum
Leiden).
Volgens BUTLER aan de voet van kruiden als Chenopodium,
Artemisia enz., tusschen bladeren, mossen en dergel. GULDE
vermeldt dito vindplaatsen.
*hamulatus THMS. OSHANIN 1375.
Zierikzee 8.77 (BLOTE 3, als var. van de vorige); Eijs
(Wittem), 9, 5.6.31 (MAC GILLAVRY).
1) Het uit Meijendel vermelde ex. behoort tot puberulus (BLOTE;
schriftelijke mededeeling).
120 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Ter zelfde plaatse als de vorige. GULDE vond deze onder
de wortelbladeren van Reseda luteola L. Volgens STICHEL
een vorm van contractus, BUTLER daarentegen beschouwt
haar als spec. prop. en vermeldt de onderscheiding van
contractus.
limbatus FIEB. OSHANIN 1370.
Hents en Worcestershire (BUTLER); Rijssel (PUTON).
Bewoont volgens de literatuur vochtige plaatsen, rivier-
oevers, veen- en bladmossen, waaronder mierennesten, en
wordt door WASMANN met ? van mieren, vooral Formica
rufa L. vermeld.
Gastrodes WESTW.
Om Gastrodes te bemachtigen wordt aanbevolen in de
winter coniferenkegels mede te nemen, in de warme kamer
komen de dieren dan te voorschijn. Over schade der beide
G.-soorten aan dennen — harsvorming en afvallen van
schors — ziet WINTERHALTER.
#abietis L. OSHANIN 1386. Volgens GULDE abietum BERGR.
— abietis auct.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Gliphoeve (Heemstede) 3,
vele ex. uit sparrenkegels, die zijn zoontje in een kinder-
kruiwagen reed en Brummen. FOKKER II, p. 121: Wal
cheren, Ruurlo 6, Utrecht 9 en Kloetinge.
Heemstede 1.1.11 (WILLEMSE); Bloemendaal 8.9.10 en
Overveen 9.1910 (J. TH. OUDEMANS); Nijmegen (BLOTE 3).
De soort wordt bijna uitsluitend vermeld als levende
onder de schors en in de kegels van Abies en Picea. Ook
van Juglans aangegeven (BUTLER). GULDE schrijft slechts
„auf Nadelhdlzern”. PRIESNER bericht over de vangst van
2 QQ in de vacht van een pas geschoten hert in December.
*ferrugineus L. OSHANIN 1387.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Friesland, Aerdenhout 1;
larve: Overveen 8, Assen 7.85.
Overveen 1.61 en 8.96, Den Haag 6.81, 27.5.88 en 4.5.25,
Loosduinen 23.5.08, Arnhem 4.97, Vogelenzang 8 en Breda
3.3.76 (BLOTE 3); Den Haag (in coll. Mac GILLavry); Bilt-
hoven 1.12.14 (SCHEPMAN); Putten, Vel. 1.08 en 12.23, uit
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. nz
een lijmband (J. TH. OUDEMANS); Aerdenhout 8.23 (MAC
GILLAVRY); Meijendel, 5, 2, op brandnetel (BLÖTE).
Deze wordt hoofdzakelijk van Pinus sylvestris vermeld,
echter ook van Larix, Abies en verder van loofboomen als
plataan, berk en liisterbes (BUTLER; GULDE). Er schijnt bij
deze en de vorige soort dus wel een speciale associatie met
coniferenkegels te bestaan.
BUTLER (4) wijst erop, dat de begin-larvenstadien zeer
afwijken van de eindstadien, eenigszins aan die van Mega-
coelum infusum herinneren.
BERYTIDAE.
Neides LATR.
*tipularius L. OSHANIN 1390.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Scheveningen, Wassenaar 8,
Bennebroek (op Verbascum), de Bilt, Driebergen en Breda 4.
FOKKER I, p.15: Arnhem 4, Rotterdam en Haarlem 5,7 en 8.
Venlo (V. D. BRANDT); Arnhem 5 en 8.05 (DAMMERMAN);
Bloemendaal 28.3.13 (WILLEMSE); Laren, N.-H. .15 (KOORN-
NEEF); Aerdenhout 6.1912 en 13, 7 en 8.14, Zandvoort
27.9.06, Laren, N.-H. 6.15 en Oisterwijk 7.06 (MAC GILLA-
VRY); Zandvoort 6.7.-10.8.30 (RECLAIRE; V. D. WIEL); by
Hilversum reeds vroeg in het voorjaar de overwinterde ex.
onder Calluna en Sarothamnus op de heide, veelal gezellig
He toc Fem oO benz 20) Nunspeet. 7.8.25 en
Rijsbergen 7.31 (RECLAIRE); Meijendel, g, 4, in het gras
(BLÔTE 1). Larve, laatste stadium Zandvoort 5.9.30 (RECLAIRE).
In de literatuur vindt men gegevens omtrent het voor-
komen tusschen, op of onder Ononis, Erodium, Verbascum,
Hyoscyamus, Artemisia, Calluna, alsmede ongedefinieerde
Opgaven omtrent gras, Juniperus enz., zoodat een bepaalde
associatie niet schijnt te bestaan (GULDE; BUTLER; HüEBER).
“var. immaculatus WESTH.
Met het type. Type en var. zoowel macr. als brach. !)
1) JENSEN—HAARUP onderscheidt uit Denemarken nog een parallelus
FIEB. van tipularius, bij OSHANIN = tipularius. LETHIERRY vermeldt
p. van Calais en Duinkerken, volgens PUTON echter is p. de brachyp-
teere vorm van tipularius. |
122 A. RECLAIRE, NAAMLIJSTDER IN NEDERLAND EN
Berytus F. 1)
*hirticornis BRULLÉ. OSHANIN 1393.
FOKKER I, p. 15: Breda.
Maastricht 5.9 en 10.30 tusschen wortelbladeren van Achil-
lea millefolium en gras (SCHOLTE).
In de literatuur wordt geen bepaalde plant-associatie ver-
meld, HüEBER geeft aan, dat de soort aan de voet van
kerseboomen werd gevonden. BUTLER vermeldt deze niet uit
Engeland.
*clavipes F. OSHANIN 1308.
FOKKER III, p. 51: Nijmegen.
Maastricht 26.6. en 10.7.30 in het gras (SCHOLTE); Schin
op Geul 13.9.30 aan graswortels (RECLAIRE).
BUTLER noemt zoowel grassen (Poa annua L.) als ook
Ononis als voedselplanten. Continentale mededeelingen be-
treffen allerlei planten aan welker voet de soort wellicht
leeft. PRIESNER klopte deze evenals andere soorten van dit
genus uit graszoden, 2 X zooveel 34 als 99.
“minor H. S. OSHANIN 1401.
BOKKER II, piyms +) Zierikzee 7 eno; brach. Ate ns Aman
Renesse 8, brach. en macr. en Den Haag 4, macr.
Halfweg 28.7.05 en Nunspeet 14.8.21 (MAC GILLAVRY);
Zierikzee 8 (FOKKER in coll. MAC GILLAVRY); Den Haag 9
(EVERTS); Amsterdam 11.5.07 (KOORNNEEF); Deventer 7.1912
(KLAASSEN); Maastricht 19.3.29, 27.3., I en 12.8.30 (SCHOLTE);
Hilversum) 107 en 728.4. en. 535. en) 22 728 met Signore
(RECLAIRE 3); dito 27.3.31, macropt. (RECLAIRE, vid. BLOTE) ;
Kijfhoek, g, 9, in het gras (BLOTE 1); Vlieland 18-27.8.29
onder Carex en grassen (RECLAIRE 5).
Zij wordt van droge plaatsen vermeld aan de voet van
allerlei lage planten. BUTLER trof een groote kolonie aan
onder Polygonum aviculare en citeert zelfs het voorkomen
op waterplanten! Volgens PRIESNER werd zij ook uit de
nesten van Lasius fuliginosus gezeefd.
1) Het heeft geen doel SNELLEN VAN VOLLENHOVEN’s vindplaatsen te
citeeren, daar bij hem, althans volgens FOKKER, dit geslacht een chaos
is en alle soorten verkeerd gedetermineerd zijn,
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 123
*montivagus MEY. OSHANIN 1402.
FOKKER J, p. 15, III, p. sen p: 357 Utrechtpbrach.,
Zierikzee 4, macr. :
Op grazige zandige plaatsen, onder Calluna (GULDE).
Tusschen mossen, grassen, onder brem en ook van Juniperus
vermeld (BUTLER).
BUTLER geeft een korte beschrijving van deze soort,
var. rotundatus FL.
Bij Frankfort o.a. op zandduinen (GULDE).
geniculatus HORV. OSHANIN 1404.
Beneden-Elbegebied (STICHEL).
Door GULDE bij Frankfort in aantal op zandheuvels aan-
getroffen.
*signoreti FIEB. OSHANIN 1406.
FOKKER I, p. 16: Sterkenburg 7 en de Bilt 8.
Arnhem 28.6.08 (BIERMAN); Meijendel, 9, 9, in het gras
(BLÔTE 1); bij Hilversum soms gezellig onder Calluna, Saro-
thamnus en vooral op met kort gras en lage planten als
Ornithopus, Medicago en dergel. dicht begroeide plekken
Enssehen heiplanten, 4.5., 16.cen 17.72.26 ening. 10:25, bracht
(RECLAIRE 3).
In de literatuur vindt men vermeldingen omtrent het
voorkomen onder allerlei lage planten en het leggen van
eieren aan gras (GULDE).
*crassipes H. S. OSHANIN 1409.
FOKKER I, p. 16: Zierikzee 9 en Leiden 7. Hij vermeldt
nog een bij Driebergen gevonden ex., dat wellicht tot deze
soort behoort. Het heeft de knots van het eerste sprietlid
en van de dijen zwart, doch de dijen zijn niet zoo plotseling
verdikt als bij crassipes en de kleur van het geheele dier is
veel donkerder, grauwachtig bruin.
Haamstede 7.1911 (MAC GILLAVRY).
Volgens GULDE alleen op en nabij zandheuvels onder lage
planten. Volgens BUTLER ook op Erica. Beide autoren wijzen
er op, dat deze soort meest solitair voorkomt.
124 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Metatropis FIEB.
rufescens H.S. OSHANIN 1420.
België (FOKKER I, p. 17); Zuid-Engeland (BUTLER); West-
falen (HüEBER); Rijssel (PUTON).
Deze soort leeft op Circaea, wordt echter ook van Linnaea
borealis vermeld, beide bij ons voorkomend. (BUTLER: GULDE).
Metacanthus COSTA.
“punctipes GERM. OSHANIN 1421.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Berytus elegans CURT.): in
het duin 8.1866 en Scheveningen 8. FOKKER I, p. 17 (elegans
CURT.): Haarlem 8 en g.
Wijk a. Z. 8.09, Zandvoort 27.9.06, Bloemendaal 7.13 en
Bentveld 5.1910 (MAC GILLAVRY); Zandvoort 5.8.30 en Schin
op Geul 11.9.30 (RECLAIRE); Bergen a. Z. 28.7.29 (V. D. WIEL);
Vlieland 19—21.8.29 op Ononis repens met nymphen en
groote larven (RECLAIRE 5); Wijk a. Z. 7.09 en Meijendel
6—9 op Ononis repens (BLÔTE 1).
Deze soort wordt vrijwel alleen gezellig op en onder Ono-
nis aangegeven. (BUTLER; HüEBER).
PIESMIDAE.
Piesma LE P. S.
“capitata WLFF. OSHANIN 1422.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Zosmenus): Driebergen 6,
Noordwijk 7 en Arnhem 4. FOKKER II, p. 121: Haarlem 8
en Vorden 7.
Arnhem 20.83.06 (BIERMAN); dito 1 en 8.05 (DAMMERMAN);
Leeuwen, Ga 3.03 (EMVERTS)E Zdito 78.32.17 en 10 Zargen:
eendenkooi (v. D. WIEL); den Haag 13.53.19 (DE MEIJERE);
Oisterwijk 3.19 (UYTTENBOOGAART); Doorn 28.8.15 en ’s Gra-
veland 13.5.17 (MAC GILLAVRY); Burgst 1—2 (in coll. MAC
GILLAVRY); Meijendel 12, 9, in zeefsel (BLÔTE 1).
Volgens GULDE gaarne op en onder Chenopodiaceeen.
Uit Engeland wordt deze soort niet door BUTLER vermeld.
*maculata LAP. OSHANIN 1423.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Zosmenus laportei FIEB.):
Utrecht 5 en 7, Roozendaal, G., Breda 4, den Haag 11 (onder
afgevallen bladeren) en Heemstede (Gliphoeve). FOKKER II,
pam Zeelandren Drente.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 125
Arnhem 24.8.06 (BIERMAN); Veenendaal 6.15 (MAC GILLA-
very); Hilversum 28.809 en 18.8.10 (DE MEIJERE); Leeuwen
G. 3.19 (EVERTS); dito 10.3.18 (Vv. D. WIEL); Wamel 9.3.18
(UYTTENBOOGAART ; V. D. WIEL); Hilversum 7.2 (gezeefd),
2.7.3 en 13.5.20, 16.5 en 10.25, 24.4 en 2.5.26 en 10.4.30
(RECLAIRE); Leeuwen G. 10.3.18, Groesbeek 25.5.29, Leuve-
num 10.10.31 en Assen 23.5.31 (V. D. WIEL); Zandvoort 5 en
6.8.30 onder Sedum (RECLAIRE; V. D. WIEL).
Wordt volgens BUTLER meestal gesleept ook wel tusschen
mossen en plantenwortels aangetroffen; volgens GULDE vaak
met de vorige samen.
*quadrata FIEB. OSHANIN 1424.
FOKKER II, p. 121: Zierikzee 3, 5, 7 en 8. SNELLEN VAN
VOLLENHOVEN (Zosmenus): Walcheren.
Volgens BUTLER en GULDE op zilte terreinen op allerlei
halophieten.
Merkwaardig is, dat deze soort — gelukkig ! — in ons land
verre van gewoon is en aan halophiele Chenopodiaceeén ge-
bonden schijnt te zijn, terwijl zij in het begin van deze eeuw
in Duitschland geweldige schade aan gekweekte bieten heeft
aangericht, op welke zij toen van wildgroeiende Chenopodia-
ceeén is overgegaan. Ziet WILLE, volgens wie zij zuigend is
aangetroffen op Chenopodium album en hybridum, Atriplex
hastatum en patula. Volgens STICHEL ook op Aster. Uit
kultuurproeven is gebleken, dat de soort zeer polyphaag
kan zijn.
WEBER wijst er op, dat de gg een sjirpend geluid kunnen
voortbrengen.
variabilis FIEB. OSHANIN 1425.
Parijs (PUTON; ,,localité douteuse’’).
Volgens hem op Helianthemum guttatum en Salsola kali,
volgens HüEBER echter ook op of onder allerlei andere
planten.
TINGITIDAE.
Campylostira FIEB.
*verna FALL. OSHANIN 1445.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Utrecht 8.
126 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Herwen 1.26 in aanspoelsel (RECLAIRE 3); Schin op Geul
19.90.29 aan de wortels van dor gras (RECLAIRE); dito 12.09.30
onder steenen wellicht aan wortels (RECLAIRE; SCHOLTE) ;
Zeeburg 2.08 (MAC GILLAVRY); Wamel 22.3.19 (V. D. WIEL).
Te oordeelen naar de literatuurvermeldingen komt deze
soort zoowel in mos als ook onder steenen en bij mieren
voor. Ook GULDE citeert deze uit aanspoelsel.
WASMANN vermeldt deze soort met ? bij Lasius flavus DEG.
en verder ,,bei verschiedenen Ameisenarten, besonders L.
flavus und niger L.”
var. latipennis HORV.
OM door SMCHEL met het type vermeld.
sinuata FIEB. OSHANIN 1446.
Bij Aken (HüEBER).
Acalypta WESTW. FOKKER II, p. 122: Orthostira FIEB. !)
*musci SCHRK. OSHANIN 1456.
Houtem 24.5.26 met larven tusschen Mnium (RECLAIRE;
Vv. D. WIEL).
Tusschen mossen (GULDE).
Niet als Britsche soort door BUTLER vermeld.
*var. ditata PUT.
Valkenburg 6.23 (EVERTS).
brunnea GERM. OSHANIN 1459.
Belgié (FOKKER II, p. 123); Noord-Frankrijk, Forét de
Mormal (LETHIERRY); Engeland, vooral aan het kanaal, ook
Schotland en Ierland (BUTLER).
Ook deze leeft tusschen mossen gelijk de meeste soorten
van dit genus.
*carinata PNZ. OSHANIN 1462.
FOKKER Il, p. 122 (cervina GERM.): Driebergen.
Spaubeek 6.29 (SCHOLTE); Valkenburg 6.1911 (VETH);
dito 6.19 (UYTTENBOOGAART).
Tusschen mossen, grassen en in aanspoelsel (GULDE).
1) Het heeft geen doel hier op de vindplaatsen van SNELLEN VAN
VOLLENHOVEN (Monanthia) te wijzen, daar hij, althans volgens FOKKER,
alle soorten verkeerd gedetermineerd heeft.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 127
WASMANN zegt aangaande deze soort met ?: „Bei einem
Ameisennest’.
var. angustula HORV.
Bij Frankfort in aantal tusschen het type (GULDE).
*platychila FIEB. OSHANIN 1466.
HOGER hip 122 en VI ps 342 Utrecht 7, macr (det.
dub.; vid. PUTON) en Maastricht 6.
Valkenburg 5.16 (CORPORAAL); Terblijt 15.5.23 (MAC
GILLAVRY).
Behalve in mos wordt volgens de literatuur deze soort
ook gevonden tusschen Carex (BUTLER ; GULDE) en op droge
gronden onder klaver (HiEBER).
Over de onderscheiding van andere soorten ziet o.a.
BUTLER.
*nisrina FALL. OSHANIN 1471.
FOKKER II, p. 122: Driebergen 7.
Tusschen gras en mossen, onder Thymus serpyllum (BUT-
LER); ook onder heidekruid en van grassen te sleepen (GULDE).
“marginata WLFF. OSHANIN 1472.
FOKKER Il, p. 123 (macrophthalma F.): Driebergen.
Velp 22.6.1895 (DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL); Eerbeek
6.16 (UYTTENBOOGAART).
Volgens GULDE vooral op kalkgronden, onder mossen,
Calluna, Artemisia, van grassen en ook wel bij mieren
(HüEBER).
Over de onderscheiding van andere soorten bericht BUTLER.
*gracilis FIEB. OSHANIN 1474.
Bierlap, 7, & (BLÔTE 1); Bergen a. Z. aan de wortel van
Erodium en Zandvoort 6, 8 en 10.8 en 27.6.31 onder Sedum
(RECLAIRE; V. D. WIEL); Wijk a. Z. 8.15, brach. (SCHEPMAN);
dito 7.09, macr. (MAC GILLAVRY).
Ook deze soort schijnt op droge plaatsen voor te komen
onder Thymus. Volgens GULDE op zandgronden tusschen
mossen en korstmossen.
BUTLER noemt haar niet als Britsche soort.
“parvula FALL. OSHANIN 1476.
FOKKER II, p. 123: den Haag, Velzen 6, Loosduinen 5,
128 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Haarlem 8 en Breda 4, brach.; Gliphoeve, den Haag, Drie-
bergen en Bussum macr.
Texel (FOKKER 3); den Haag 7.15 (EVERTS); Wamel 15.9
en 12.10.17 (V. D. WIEL); Twello 22.8.07 (KOORNNEEF), brach.;
Zwammerdam 8.18 (DE MEIJERE); den Haag 7 en 9.15 (EVERTS),
macr.; Terschelling 8.1912, macr. (MAC GILLAVRY Io); Vlie-
land 19.8.29, brach. en 1.9.29 aan helmwortels macr. (RE-
CLAIRE 5); Hilversum niet zeldzaam onder Calluna en andere
heiplanten 12.9.25, 9.8.26 en 23.3—10.4.30; ter zelfde plaatse
Beetsterzwaag 8.8.26 en Nunspeet 6.8.25, meest brach. (RE-
CLAIRE 3); Meijendel 8—-ro en 2, in het gras en zeefsel
(BLOTE 1); Nunspeet 8.22 (MAC GILLAVRY); Oudenbosch
bij Formica rufa (SCHMITZ); Maastricht 13.8.30, brach. onder
Plantago media (SCHOLTE); Zandvoort, brach. onder Sedum,
ook geheel versche ex. 6 en 10.8.30 (V. D. WIEL); Houtem
18.9.31, brach. (RECLAIRE).
Zoowel tusschen mos aan de voet van boomen alsook op
droge plaatsen usschen korstmossen, gras, onder steenen,
Thymus, Herniaria, Calluna, ook bij mieren (BUTLER; HüEBER;
PUTON). Aangaande het voorkomen bij mieren vindt men over
deze soort met ? bij WASMANN o.a. het volgende: ,,Bei ver-
schiedenen Ameisenarten: Lasius flavus DEG., umbratus NYL.,
niger L., Tetramorium caespitum L., Solenopsis fugax LTR.”
en verder: ,,Bei Formica rufa L. Holland”.
*var. minor FERR. Bij OSHANIN = Type.
FOKKER III, p. 52: Breda 8 (det. dub.); den Haag 7.15
(EVERTS); Wamel 15.9 en 12.10.17 (V. D. WIEL); Mook 10.8.05
(MAC GILLAVRY); Zeeburg 27.4.13 (V. D. VAART).
Dictyonota CURT.
*strichnocera FIEB. OSHANIN 1485.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Venlo. FOKKER II, p- 124:
Vorden 6; Texel (FOKKER 3); Gilze-Rije 7.08 (MAC GILLAVRY);
Hilversum 3.10.25 en 13.7.30 (RECLAIRE 3).
Deze soort leeft volgens GULDE op Sarothamnus, wordt
merkwaardigerwijze echter herhaaldelijk in de literatuur o. a.
ook vermeld van rivieroevers onder wilgen (HüEBER.) PRIES-
NER sleepte deze op een plaats, waar geen Sarothamnus voor-
kwam, zoodat zij aldaar wel op een andere plant moet leven.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 129
*fuliginosa COSTA. OSHANIN 1486.
FOKKER Il, p. 124 en V, p. 357: Rolde 7 en Arnhem 7.
Venlo (v. D. BRANDT); Arnhem 7.05 (DAMMERMAN); Hil-
versum 10.9.16 (KOORNNEEF); dito 11—25.7.30 en 19.7.31
in aantal op Sarothamnus (RECLAIRE); Wageningen 8.10.19
(RITSEMA); Oldenzaal—Denekamp 7.06 (MAC GILLAVRY 1).
Leeft eveneens op Sarothamnus (BUTLER; GULDE).
*tricornis SCHRK. OSHANIN 1480.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (crassicornis FALL.; FOKKER
dito): Utrecht, Driebergen en Gorinchem. FOKKER H, p. 123:
Wageningen 7.
Hilversum 7.07 en Putten, Vel. 18.7.20 (MAC GILLAVRY) ;
Schin op Geul 19.9 29 (RECLAIRE); Maastricht 6.6.09 by
Formica rufibarbis (SCHMITZ); dito onder Plantago media
(SCHOLTE).
Deze soort wordt in de literatuur zoowel van droge als
vochtige plaatsen tusschen mossen en van, op of onder ver-
schillende planten vermeld, is ook volgens BUTLER bij mieren
gevonden: Myrmica rubra, Lasius flavus en niger (ziet ook
WEBER). Ook van dennen geklopt! Volgens GULDE op zan-
dige plaatsen tusschen en op grassen en Artemisia.
Derephysia SPIN.
*foliacea FALL. OSHANIN 1504.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Driebergen en Utrecht tus-
schen het schrale gras, Leiden en Waalsdorp. FOKKER II,
p. 124: Haarlem 8.
Bussum 9.8.03 (LEEFMANS); Baarn (DE MEIJERE); de Bilt
15.8.25 (RECLAIRE 3); den Haag (EVERTS); Meijendel
(BLOTE 1); Overflakkee 7.1912 (LE MAIRE); Rhoon 7.17
(SCHEPMAN); Haamstede 7.1911 en Houtem 9.15 (MAC GIL-
LAVRY); Valkenburg 7.17 (RiSCHKAMP).
Volgens BUTLER tusschen klimop, mossen, plantenwortels,
ook van Chenopodium op zilte plaatsen en op allerlei andere
planten, volgens GULDE ook onder Artemisia vulgaris WILLD.
Bij WASMANN wordt deze soort met ? vermeld bij Lasius
niger L. en Camponotus ligniperdus LTR.
var. biroi HORV.
Bij Frankfort onder Armeria (GULDE).
130 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
cristata PNZ. OSHANIN 1508.
Bi Frankfort volgens GULDE alleen op zandduinen, larven
tot midden Juni, imagines tot eind Juli onder Artemisia
campestris, vaak in gezelschap van Lasius brunneus LATR., in
welker gangen zij verdwijnen, zoodra zij verontrust worden.
Galeatus CURT.
spinifrons FALL. OSHANIN 1520.
Rijnland (STICHEL).
Volgens GULDE op zandduinen en zandgronden onder
Artemisia campestris L,
“maculatus H.S. OSHANIN 1521.
FOKKER II, p. 124: Wageningen.
Volgens GULDE op droge weiden onder Hieracium pilo-
sella en gesleept van Potentilla.
var. subglobosus H. S. (bij OSHANIN = type).
Volgens GULDE wordt deze var. bij Frankfort onder Hiera-
cium pilosella gevonden.
Stephanitis STaL. FOKKER 4: Tingis F.
De soorten van dit genus kunnen aan kultuurplanten zeer
ernstige schade veroorzaken (ziet o. a. REH), dusdanig, dat
reeds bepaalde wettelijke bepalingen in verband hiermede
zijn verschenen!
pyri F. OSHANIN 1527.
Rijnland (STICHEL); St.-Josse-ten-Noode, Belg. (SCHOU-
TEDEN).
Schadelijk aan peren, wordt ook vermeld van appel, Sor-
bus, echter ook van Vaccinium myrtillus (HüEBER! of dit
geen verwisseling met obertiis?). PUTON spreekt over schade
aan peren en vermeldt, dat deze soort niet in de Vogezen
en Noord-Frankrijk voorkomt, wat intusschen wel anders
geworden zal zijn. Zij veroorzaakt galvorming aan pere-
bladeren (WEBER).
*rhododendri HORV. OSHANIN 1528.
Boskoop op Rhododendron (FOKKER 5).
Volgens RITZEMA Bos is deze soort in ons land verbreider
dan aanvankelijk werd vermoed. Vanwaar zij afkomstig is,
weet men niet zeker. Zij wordt wel ,,Japansche luis” ge-
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 131
noemd. Hij citeert haar van Boskoop, alwaar zij geregeld
wordt waargenomen en bestreden, Dedemsvaart, Epe en
Naarden. Vooral in Juni en Juli is zij het talrijkst op de
onderzijde van de bladeren, het aangetaste blad valt duidelijk
in het oog door de typische kleine vlekken op de boven-
zijde en nog andere kenmerken. Ook te Wageningen werd
zij gevonden en bestreden, waarover de Plantenziektekundige
Dienst mi berichtte.
Amsterdam, zomer en najaar, overwinterend op Rhodo-
dendron in tuin MAC GILLAVRY; larven o.a. in April (MAC
GILLAVRY); Naarden 30.6.17 (KOORNNEEF).
Volgens FOX WILSON komt deze soort (,,Rhododendron
bug”) voor op bepaalde varieteiten van Rhododendron pon-
ticum en vooral op R. fastuosum.
*oberti KOL. OSHANIN 1529.
FOKKER II, p. 124: Assen 7 op Vaccinium vitis idaea.
Hoog-Soeren 5.8.17 (V. D. WIEL).
HüEBER spreekt over het in massa sleepen van deze soort
in dennenbosschen (Pinus silvestris) van gras en vooral van
»Strickbeerbiischeln”.
BUTLER noemt haar niet als Britsche soort.
*azaleae HORV. OSHANIN 1531.
Boskoop op Rhododendron (FOKKER 5: pyrioides SCOTT).
BuTLER vermeldt deze niet uit Engeland.
Behalve oberti zijn de genoemde S.-soorten bij ons ge-
importeerd.
Lasiacantha STAL.
capucina GERM. OSHANIN 1537.
Rijnland (STICHEL); Westfalen (HikBER); Cornwall (BUT-
LER); Parijs (PUTON).
Leeft volgens BUTLER, PUTON en GULDE op Thymus ser-
pyllum, wordt echter ook onder Hieracium pilosella, Galium
verum, Ajuga chamaepitys e. a. waargenomen (HüEBER).
Volgens PRIESNER op zeer zonnige weiden in graszoden.
BUTLER geeft een vrij uitvoerige beschrijving van deze soort.
Tingis F. FOKKER II, p. 124: Monanthia LEPEL.
*reticulata H.S. OSHANIN 1546.
FOKKER (ciliata FIER.): Bloemendaal 7.
132 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Meijendel 5 op bloeiende Ajuga reptans, 9, in de helm,
II, Jd, op de onderzijde van Polystictus brumalis (BLOTE 1).
Volgens GULDE en BUTLER op Ajuga en Verbascum, doch
ook van andere planten vermeld. In de botanische tuin te
Königgrätz werd Ajuga genevensis geheel door de larven
vernield (HüEBER). ny)
BLOTE geeft een fraaie afbeelding van deze soort.
auriculata COSTA. OSHANIN 1547.
GULDE vermeldt deze soort van Assmannshausen, alwaar
zij 23.6.12 in aantal op Caucalis daucoides L. werd ge-
vonden, een bij ons sporadisch voorkomende schermbloem.
*ampliata H. S. OSHANIN 1549.
Venlo 5 (Mac GILLAVRY); Sittard 4, bij Talpa (HESEL-
HAUS); Vlissingen 12.60.29 (KEMPERS).
Volgens BUTLER en GULDE op distels, ook onder Ver-
bascum aangetroffen (HüEBER).
*cardui L. OSHANIN 1552.
Gemeen. Texel (FOKKER 3).
Volgens BUTLER in Engeland op Cnicus lanceôlatus, op
het continent op Carduus, echter ook van Marrubium,
Serratula en zelfs van Pinus (vermoedelijk verdwaald) ver-
meld. GULDE noemt alleen distels.
angustata H. S. OSHANIN 1553.
Versailles (PUTON).
Op droge heiden en zonnige heuvels onder lage planten
(HüEBER).
* pilosa HUMM. OSHANIN 1570.
Noordwijk 8.20 (UYTTENBOOGAART).
Wordt vermeld van Galeopsis tetrahit, Stachys sylvatica,
Leonurus, Lappa, Ballota en hop (HüEBER).
kiesenwetteri MLS. OSHANIN 1572.
Parijs en St.-Germain (PUTON).
Op Cardui en Marrubium (PUTON).
maculata H. S. OSHANIN 1583.
Rijnland (STICHEL); Parijs (PUTON).
Volgens GULDE e.a. op Stachys recta L.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 133
Catoplatus SPIN.
“fabricii STÀL. OSHANIN 1585.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Monanthia costata F.;
FOKKER II, p. 124 dito): Arnhem 4, Middelburg 7 en Breda
5 en 6.
Velp 25.5.05 (DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL); Dene-
kamp 26.5.17 (V. D. WIEL); Doetinchem 10.6.17 en Veenen-
daal 6.15 en Eijs bij Wittem, gen 9, 5.6.31 (MAC GILLAVRY).
Volgens GULDE e.a. op droge weilanden op Chrysan-
themum leucanthemum L. Volgens BUTLER tusschen mos.
Ook wordt deze soort van Spartium, Genista en Hypericum
vermeld !
carthusianus GOEZE. OSHANIN 1589.
Rijnland (STICHEL); Parijs (PUTON). i
Volgens GULDE leven larve en imago op Eryngium, vol-
gens andere op Seseli.
var. albidus H. S.
Bij Frankfort niet zeldzaam met het type (GULDE).
Copium THNB.
cornutum THNB. OSHANIN 1597.
Rijnland (STICHEL); geheel Frankrijk (PUTON).
Volgens GULDE op Teucrium-soorten, waarop de larven
blaasvormige vervormingen van de bloemen veroorzaken,
waarin zij leven. Eerst het volwassen insekt verlaat de
gallen.
tencrii HOST. OSHANIN 1598.
Rouaan (PUTON).
Volgens hem op Teucrium-soorten.
Physatochila FIEB. FOKKER Il, p. 125: Monanthia LEPEL.
*dumetorum H. S. OSHANIN 1602.
Volgens FOKKER heeft SNELLEN VAN VOLLENHOVEN’S
Monanthia quadrimaculata WOLFF betrekking op deze soort.
Texel (FOKKER 3); Putten, Vel. 1.07, in lijmbanden (MAC
GILLAVRY); Oostvoorne 5.1910 (UYTTENBOOGAART), Hilversum
22.9.25, 15.9.28 en 25.4.30 in groot aantal van met korst-
mossen begroeide meidoorntakken en St.-Pieter 22.5.26
(RECLAIRE); Noordwijk 7.5.18 (v. D. WIEL); Putten, Vel.
1909 (KOORNNEEF); Vaals 29 en 30.5 (EVERTS).
134 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Volgens BUTLER op meidoorn, vooral op met korstmossen
begroeide ex., ook wel van pereboomen, Prunus-soorten en
wilgen (GULDE).
*quadrimaculata WLFF. OSHANIN 1604.
FOKKER VI, p. 34: Venlo.
Princenhage 19 en 23:8.19, Assen 27-6.30 en 23.594 En
Groesbeek 19 en 20.5.29 (V.D. WIEL); Beetsterzwaag 4.6.22
(MAC GILLAVRY; RECLAIRE).
BUTLER vermeldt deze soort van oude appelboomen en
(toevallig?) uit een nest van Lasius niger. Volgens GULDE
EA MOPMEIS:
Oncochila STAL.
“simplex H. S. OSHANIN 1608.
Deventer 8.1912 (KLAASSEN).
Volgens GULDE op en onder Euphorbia cyparissias, volgens
andere op Senecio jacobaea (BUTLER; PUTON).
Monanthia LE P. S.
platyoma FIEB. OSHANIN 1615.
Bij Munster (HüEBER).
Zij wordt van Myosotis palustris en Symphytum aange-
geven (HüEBER).
*symphyti VALLOT. OSHANIN 1618.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (vesiculifera FIEB.; FOKKER
II, p. 125 dito): Rotterdam, Breda en Den Haag.
Amsterdam 7.5.12 en Loosdrecht 12.5.18 (V. D. WIEL);
Kortenhoef 7.3.25 en 109.430 (RECLAIRE) Ankeveenss;208,
Zeeburg 5.1912 en Loosduinen 7.09 (MAC GILLAVRY); Haar-
lemmerliede 6.3.21 (BROERSE). Bij Kortenhoef werd de soort
in aantal, ook in copula op smeerwortel gevonden van
14.5—13.6.31, 25 gig en 62 QQ (RECLAIRE; V. D. WIEL).
Leeft met de larven op vochtige terreinen op Symphytum
officinale (GULDE). Merkwaardigerwijze noemt BUTLER deze
niet als Britsche soort.
*humuli F. (OSHANIN 1620).
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Haarlem, Utrecht 5, Rotter-
dam, Overmaassche land, Rijnsburg 8, Gliphoeve (Heem-
stede) 5 en 8 en Leiden 3 in nesten van zangvogels, de
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 135
eerstgenoemde vondsten waarschijnlijk alle op vergeet mi
niet.
Bergen op Zoom 4.6.21, Kortenhoef 27.7.30, Leuvenum
6.9.30 en Beetsterzwaag 9.6.22 (RECLAIRE); Leeuwen, G.
23.6.17, 10.318 en 23.319, Hillegom 17.6.17 en Muiden
5.16 (v. D. Wier); Kortenhoef 27.7.10 en Amersfoort 1.5.19
(DE MEIJERE) ; Den Haag 5.1912 (UYTTENBOOGAART) ; Dedems-
vaart 16.6.10 op Myosotis (V. D. Goor); Doetinchem 7.6.17
en Ankeveen 5.09 (MAC GILLAVRY); Ankeveen 11.5.17 en
Hilversum 11.5.19 (KOORNNEEF).
Volgens GULDE en BUTLER op vochtige plaatsen op
Mvosotis, wordt echter ook van hop geciteerd.
*echii SCHRK. OSHANIN 1622. FOKKER II, p. 125 : wolffii FIEB.
Verbreid in het duingebied en Zuid-Limburg. Larven:
Aerdenhout 7.1912 en Maastricht 7.07 (MAC GILLAVRY);
Meijendel, larven 7, soms schadelijk op Echium (BLÔTE).
Volgens GULDE op Boragineen, vooral op Echium, ook
op Anchusa en Cynoglossum. Volgens WEBER veroorzaakt
zij galvorming aan Anchusa officinalis.
Merkwaardig is, dat BUTLER niets omtrent het voorkomen
in Engeland mededeelt.
rotundata H. S. OSHANIN 1623.
Westfalen (STICHEL).
Volgens hem eveneens op Echium.
Serenthia SPIN.
ruficornis GERM. OSHANIN 1635.
Beneden-Elbegebied (STICHEL); Rijssel (PUTON).
Gezellig in moerassen op Carex- en Juncus-soorten, ook
op Vaccinium oxycoccus L. (GULDE).
confusa PUT. OSHANIN 1640.
Bij Frankfort vond GULDE deze soort alleen op zilte ter-
reinen, vooral op Plantago maritima L., macr., in gezelschap
van Bryaxis helferi SCHMIDT, een halophiele kever.
De var. antennata HORV. bij Frankfort éénmaal en thoracica
Horv. aldaar vaak met het type (GULDE).
“laeta FALL. OSHANIN 1642.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Agramma laetum FALL):
136 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
waar zij voorkomt in grooten getale, den Haag, Breda 4
en Noordwijk 6. FOKKER: Haarlem, Renesse 8 en Zierikzee
5, 7 en 9, een paar maal in „ontzettende hoeveelheid”.
Hilversum 12.3.27 uit Juncus-zoden en 16.5.25 van een
droge grazige plaats gesleept (RECLAIRE 3); Hillegom 17.6.17
(v. D. Wier); Meijendel 8—0, ook 5—6, in de bosschen in
het gras (BLOTE); Bergen a. Z. 14.7.29 (V. D. WIEL),
Haamstede 7.1911, van Juncus, Veenendaal 6.15 en MOOK
6.1910 (MAC GILLAVRY); Apeldoorn 8.07 (KOORNNEEF).
Volgens GULDE ter zelfde plaatse als ruficornis ook met
deze te samen. PRIESNER vond deze 3.10 uitsluitend op
Luzula-soorten, welke op het bovenvermeld grazige terrein
ook aanwezig waren.
ARADIDAE.
Men vermoedt tegenwoordig, dat de Aradiden zich van
het zich onder boomschors bevindende mycelium van padden-
stoelen voeden (ziet WEBER).
Aradus F.
versicolor H. S. OSHANIN 1645.
Rijnland (STICHEL).
GULDE vermeldt deze alleen van onder beukenschors.
*cinnamomeus PNZ. OSHANIN 1640.
Verbreid, brach. en macropt.
Jonge larven: Wageningen 22.2.18 uit brandhout (RITSEMA);
Laag-Soeren 8.6.17, Lunteren 10.6.15 en volgend stadium
van dezelfde datum (MAC GILLAVRY).
Vooral op dennen en onder dennenschors (GULDE), ook
van Picea, Juniperus, Alnus, Betula en Salix vermeld. Deze
soort komt soms in scharen voor onder schors van zieke
dennen. Ofschoon de meesten Aradus als de oorzaak van de
ziekte houden, beschouwen andere haar voor secundair
(REH).
Omtrent het voorkomen in Engeland vermeldt BUTLER
niets.
*depressus F. OSHANIN 1650.
Eveneens verbreid. Larven 3° stadium (?): Velp 5.02 (DE
Vos TOT NEDERVEEN CAPPEL); Bussum 8.10.15 (VALCK
LUCASSEN); Epen, L. 6 (EVERTS); Valkenburg 7.08 (MAC
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 137
GILLAVRY); larven 8, imagines 5, in boomstronken Meijendel
(BLOTE 1).
Onder boomschors en tusschen de lamellen van boom-
zwammen, volgens BUTLER ook tusschen mos aan de voet
van boomen. Hij wijst er op, dat de vaak als Britsche soort
vermelde A. lawsoni SAUND. (OSHANIN 1652) = A. truncatus
FIEB. (OSHANIN 1657) is en zeer zeker niet tot de Britsche
fauna behoort, doch geimporteerd is.
aterrimus FIEB. OSHANIN 1665.
Kent (BUTLER), tusschen spaanders op een gevelde eik.
crenaticollis SHLB. OSHANIN 1666.
Inlandsch? Uit larve werd een ex. gekweekt, dat eventueel
tot deze soort kan behooren (Winterswijk 9.1910; MAC
GILLAVRY).
betulinus FALL. OSHANIN 1686.
Frankfort, eind 8, op oude beuken (GULDE).
*corticalis L. OSHANIN 1687.
FOKKER VI, p. 35: Den Haag 6.
Volgens GULDE op oude boomen gezellig, in boom-
zwammen, soms jaren lang ter zelfde plaatse, volgens andere
onder schors van verschillende boomen.
var. annulicornis F.
Bij Frankfort is de var. gemeener dan het type (GULDE).
crenatus SAY. OSHANIN 1689.
Rijnland (STICHEL); Parijs (PUTON).
Onder schors van diverse boomen, volgens PRIESNER
onder beukenschors.
betulae L. OSHANIN 1700.
Rijnland (STICHEL); Pertshire (BUTLER); Parijs (PUTON).
Onder berkenschors aangetroffen.
BUTLER beschrijft deze soort vrij uitvoerig.
DYSODIIDAE.
Aneurus CURT.
*laevis F. OSHANIN 1723.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Voorst 6, % en Breda.
Baarn 23.5.20 (RECLAIRE); Bussum, 9, 7.07, Bergen, N.-H.
7.09 en Arnhem 1910 (MAC GILLAVRY 4); Oud-Valkenburg
138 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
18.3.17 met larven (KOORNNEEF); Larven: Bergen en Bussum
als bovenvermeld (MAC GILLAVRY); Valkeveen 18.5.07 (V. D.
VAART en KOORNNEEF met imagines); dito 7.5.16 (MAC
GILLAVRY); Wageningen en Mijnheerkes, Limb. (BLOTE 3).
Onder boomschors (BUTLER).
Over de wijze van cohabiteeren en geslachtskenmerken
ziet MAC GILLAVRY 4.
avenius Dur. 1)
Verbreid in Engeland (BUTLER).
BUTLER vond deze soort onder wilgenschors, GULDE onder
berken-, beuken- en eikenschors en op een dorre appeltak.
BERGROTH heeft de onderscheiding van laevis en avenius
aangegeven, ziet BUTLER.
PHYMATIDAE.
Phymata LATR.
*crassipes F. OSHANIN 1720.
FOKKER VI, p. 34: Groesbeek 27.7.1890.
Een roofinsekt, dat op allerlei lage planten voorkomt,
volgens GULDE op bijzonder droge heiden en weiden. Vol-
gens PRIESNER komen van deze soort veel meer gg dan
LQ voor. ia
Deze van voortreffelijke roofbeenen voorziene soort leeft
van kleine Hymenoptera, kevers, Aphiden en zelfs Tenthre-
diniden-larven (ziet WEBER).
BUTLER vermeldt deze niet als Britsche soort.
REDUVIIDAE.
Ploiariola REUT. FOKKER II, p. 128: Ploiaria SCOP.
Over de spinae en de onderscheiding der inlandsche
P.-soorten, vooral over P. baerensprungi bericht MAC GIL-
LAVRY (9) uitvoerig, ook aan de hand van schetsteekeningen.
*vagabunda L. OSHANIN 1738.
Verbreid. Vlieland 23.8.29 (RECLAIRE 5).
Over associatie met spinnen ziet Mac GILLAVRY 28.
Volgens BUTLER jaagt deze soort op allerlei boomen, wordt
veelal bij menschelijke woningen aangetroffen en heet ook
1) Volgens de moderne opvattingen is avenius DUF. een spec. prop.
en niet = laevis F., zooals OSHANIN aangeeft. Tuberculatus MJoB.
(OSHANIN 1724) daarentegen is volgens GULDE = laevis F. Ziet ook HELLÉN:
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 139
in bladluisgallen op iepen voor te komen, o.a. duiden
GULDE’s mededeelingen er op.
Met het type vindt men de *var. pilosa FIEB., die wel
alleen betrekking heeft op versche met nog lange haren
bezette ex.
*culiciformis DE G. OSHANIN 1742.
Verbreid.
Volgens BUTLER leeft deze soort in stroo en takken-
bossen, volgens GULDE ook in holle boomen en onder
schors (winterkwartier). PRIESNER bericht omtrent de vondst
van een larve in een verlaten, door mottenrupsen bewoond
hommelnest; 31.8.30 een ex. op mijn schrijftafel.
CHINA (4) beschrijft de eieren.
*baerensprungi DHRN. OSHANIN 1744.
Leuvenum 9.6.13 (MAC GILLAVRY 9); Baarn 19 en 26.6.26
uit een dorre takkenbos geklopt (RECLAIRE 3).
Wordt van eik en uit takkenbossen vermeld en van met
korstmossen bedekte lorken (BUTLER; GULDE).
uniannulata SIGN. OSHANIN 1746.
Vincennes (PUTON).
Pygolampis GERM.
*bidentata GOEZE. OSHANIN 1769.
FOKKER IV, p. 298: Vorden 9, larve.
Deurne, gi, 17.6.14 in een moerassige plaats op de heide
(MAC GILLAVRY II).
Volgens GULDE komt deze soort zoowel op moerassige
als op dorre door de zon verbrande heideplekken steeds
solitair onder lage planten voor.
In de literatuur blijkt verwarring omtrent de onderschei-
ding van g' en Q te bestaan, waarop BUTLER opmerkzaam
maakt.
Reduvius F.
*personatus L. OSHANIN 1830.
Zeer verbreid. Texel (FOKKER 3). Larven: 1. stadium:
Heenvliet 27 8.08 (MAC GILLAVRY), middelgroot: Lunteren
7.17, nymphe: Pannerden 5 (WILLEMSE) en Medemblik 5 (in
coll. MAC GILLAVRY).
10
140 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Imago en larve verdelgen (ziet ook FOKKER II, p. 128)
wandluizen, verschillende vliegen en allerlei andere insekten.
Soms in aantal in de kooien der diergaarden en bij looierijen
(GULDE). Zij bezit een stridulatie-orgaan. PRIESNER deelt mede,
dat deze soort herhaaldelijk des avonds vliegend in een
kamer werd waargenomen bij onweer.
var. obscuripes REY. (Niet door OSHANIN vermeld).
Volgens GULDE bij Frankfort.
Pirates SERV.
hybridus SCOP. OSHANIN 1873.
Rijnland (STICHEL); volgens PUTON wellicht niet ten noor-
den van Parijs.
Heet onder steenen op droge gronden voor te komen.
Ook deze soort sjirpt (HUEBER).
Rhinocoris HHN. FOKKER II, p. 129: Harpactor Lap.
Volgens HEYMONS (ziet WEBER) loeren de soorten van dit
genus in schermbloeminflorescentie’s op kleine Hymenoptera
en Diptera.
annulatus L. OSHANIN 1930.
Munster (HüEBER).
Volgens GULDE in zandstreken en dun begroeide bosschen
op de grond, lage planten en allerlei struiken, gaarne op
hazelaar, waarop zij rupsen en andere insekten vervolgt.
*iracundus PODA. OSHANIN 1933.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Harpactor annulatus L.;
FOKKER dito): Ulvenhoutsche bosch. FOKKER II, p. 129 en
VI, p. 35: Venlo 5 en Gronsveld 6.
Valkenburg 6 (EVERTS).
Volgens GULDE op droge terreinen van lage struiken en
planten als Salvia en Echium.
BUTLER vermeldt deze niet als Britsche soort.
erythropus L. OSHANIN 1937.
Rijnland (STICHEL); Comblain-au-Pont, Belg. 8.5.27 (GUIL-
LAUME); geheel Frankrijk, schijnt evenwel noordelijk van
Parijs te ontbreken (PUTON).
Ter zelfde plaatse als de vorige (GULDE).
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. IAI
Coranus CURT.
aegyptius F. OSHANIN 1967.
Parijs (PUTON); Raismes (LETHIERRY).
*subapterus DE G. OSHANIN 1973.
Verbreid, meest brach., b.v. in de heistreken solitair onder
Calluna, ook in de duinstreek, Terschelling 31.7—5.8.25
(RECLAIRE 1), Vlieland 8.31 (RECLAIRE), Larven: 6., 7.en 8 (in
coll. MAC GILLAVRY). Nymphe: Hilversum 16.7.31 (RECLAIRE).
Deze soort leeft hoofdzakelijk op de heide onder Calluna,
doch wordt ook wel onder andere planten als Erodium,
Echium en Artemisia aangetroffen. Valt zelfs vrij groote
insekten aan en BUTLER heeft waargenomen, dat zij een
halfvolwassen rups van Spilosoma lubricipeda door 2 steken
weerloos maakte en daarna leegzoog. Zij bezit een stridulatie-
orgaan op het prosternum, dat volgens WEBER wellicht een
„Schreckmittel” is.
BUTLER (4) beschrijft het, vermoedelijk 3°, larvestadium.
revelieri PERRIS. |)
la Panne (Belg.) 13.09.29 (GUILLAUME).
Prostemma LAP.
*suttula F. OSHANIN 1991.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Walcheren, brach.
Maastricht 25.8.30 (brach.; SCHOLTE).
Wordt van zandige kalkbodem op zonnige plaatsen, onder
Echium, Anchusa, Salvia, Calluna, Verbascum en dergel.
beschreven.
Alloeorhynchus FIEB.
flavipes FIEB. OSHANIN 2002.
GULDE noemt deze een zeldzaamheid, waarvan een macr.
© 6.5.06 tusschen met mos begroeide steenen op een berg-
helling in de omstreken van Frankfort werd gevonden.
Nabis LATR.
*apterus F. OSHANIN 2006. FOKKER II, p. 129: brevipennis
HHN.
1) OSHANIN (1978) vermeldt geen r. van PERRIS, doch wel van M.R.
en wel als synoniem van niger RMB.
142 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Zeer verbreid, meest brach. Texel (FOKKER 3); Terschel-
ling (det. dub.; MAC GILLAVRY 10).
De soort jaagt op allerlei loofboomen, volgens BUTLER
vooral op hagedoorn, volgens GULDE op hazelaar, olm, eik;
zij wordt echter ook onder Calluna aangetroffen, zelden op
dennen. REICHERT trof haar herhaaldelijk op gekweekte
rozen aan.
*lativentris BOH. OSHANIN 2007.
Even gemeen als de vorige, meest altijd brach. Macr.:
Arnhem (FOKKER II, p. 129); Hilversum 8.24 en 22.9.25
(RECLAIRE 3); Laren, N.-H. 29.7.22 (NONNEKENS).
Deze soort leeft volgens BUTLER hoofdzakelijk op de grond
tusschen lage planten, volgens andere, o.a. GULDE op strui-
ken en lage planten, vooral brandnetels. BUTLER wijst op de
mogelijkheid van een zekere associatie van de op mieren
gelijkende larven met bepaalde mieren. Een enkel maal wer-
den jonge larven in een nest van Formica sanguinea gevon-
den. PRIESNER bericht over het aantreffen van deze soort
in de nesten van Lasius fuliginosus. WASMANN vermeldt
met ? de larve bij Lasius fuliginosus LATR. (Limburg) en bij
een Myrmica-soort (Noord-Frankrijk).
*major Costa. OSHANIN 2010.
FOKKER II, p. 130: Apeldoorn, brach.
Even verbreid als de vorige, bijna altijd, macr., Terschel-
ling 31.7.—5.8.25 en Vlieland 8.29 (RECLAIRE I en 5). Een
brach. ex. van Nunspeet 8.21 (MAC GILLAVRY) behoort even-
tueel tot boops SCHIODTE.
Bij Hilversum komt deze soort vooral onder Calluna en
Sarothamnus veelvuldig voor en is ook van grassen te sleepen
(RECLAIRE 3). Volgens de mededeelingen in de literatuur
(GULDE; BUTLER) komt zij zoowel op dorre plaatsen als
bovenvermeld als op vochtige lokaliteiten, ook op wilgen en
brandnetels voor.
boops SCHIOEDTE. OSHANIN 2012.
Borkum (SCHNEIDER); Westfalen en Beneden-Elbegebied
(STICHEL); West-Engeland (BUTLER).
Volgens BUTLER vooral onder Calluna, ook tusschen gras-
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 143
wortels en speciaal in muizengangen onder grassen. Volgens
GULDE op duinzand en heide, ook van Carex gesleept.
*limbatus DHLB. OSHANIN 2016.
Verbreid, alleen brachypteer. Vlieland 18.8.29 (RECLAIRE 5).
BUTLER noemt deze een van de gemeenste Engelsche
insekten, voorkomend tusschen grassen en hooge kruiden.
Volgens GULDE leeft deze soort op vochtige plaatsen en
vooral op Stachys, Urtica en andere lage planten.
*lineatus DHLB. OSHANIN 2017.
Amsterdam 8.1910, Zeeburg 10.1912 (MAC GILLAVRY);
Mook 8.1910 (MAC GILLAVRY 6); Ankeveen 10.9.11 (V. D.
VAART); Kortenhoef 27.7, 9.8 en 27.9.30 (KALF; RECLAIRE);
Oisterwijk 6.9.1899 (SCHUIT); Winterswijk 17.8.24 (KOORN-
NEFF).
Volgens PUTON een meer noordelijke soort. BUTLER ver-
meldt haar van moerassige plaatsen aan de voet van biezen enz.
*flavomarginatus SCHLTZ. OSHANIN 2019. !)
Omar PAN OMEN MMM TE Assenti zaibrachAten
Lochem 6, macr.
Terschelling 31.7—5.8.25 en Vlieland 21.8.29 (RECLAIRE
I en 5); Bergen op Zoom 7.08, Oisterwijk 1.8.16, Leiden
en Winterswyk (MAC GILLAVRY); Gerritsflesch, Hoog-Buurlo
20—23.7.18 (WEBER), alles brach.
BUTLER vermeldt deze van moerassige plaatsen aan de
voet van biezen enz, volgens GULDE ontbreekt zij by
Frankfort in de vlakte, komt echter op de bergen voor op
met boschbes begroeide grazige plaatsen en heiden, volgens
STICHEL resp. HüEBER op allerlei struiken en lage kruiden
als klaver en esparsette! Uitvoerige mededeelingen omtrent
de wijze, waarop deze soort haar prooi bemachtigt (hoofd-
zakelijk Cicadinen) heeft EKBLOM gedaan (ziet WEBER). Het
gi bezit aan het achterlijfseinde een stridulatie-orgaan, dat
volgens WEBER wellicht als een ,,Schreckmittel” te be-
schouwen is.
*ferus L. OSHANIN 2027.
Overal, ook brach., echter is de afwijking in dit geval
1) Volgens FOKKER heeft SNELLEN VAN VOLLENHOVEN’s beschrijving
betrekking op major COSTA.
144 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
van weinig beteekenis. Terschelling (MAC GILLAVRY 10);
Vlieland 19 en 25.8.29 (RECLAIRE 5).
Deze soort schijnt tusschen allerlei lage planten vooral
op vrij droge terreinen gemeen te zijn. GULDE vermeldt
geen speciale associatatie, BUTLER vond haar talrijk o.a.
onder Ononis.
“rugosus L. OSHANIN 2028.
Zeer verbreid, veelal brach., ook echter macr., wat by
deze soort weinig opvalt. Terschelling 2.8.25 en Vlieland
19—31.8.29 (RECLAIRE I en 5).
Onder allerlei lage planten, ook volgens GULDE op bloei-
ende wilgen.
*ericetorum SCHLTZ. OSHANIN 2029.
In de heistreken zeer verbreid, ook de weinig opvallende
macr. vorm. Dexel. 5.21 (Vv. D. WIEL).
Volgens GULDE vermoedelijk een door haar ontwikkeling
op droog heidekruid ontstane kleurafwijking van rugosus
(PUTON: „Il n’en est peut-être qu’une variété ériciticole” —
dus van rugosus), BUTLER meent echter, dat zij door be-
paalde, morphologische kenmerken van rugosus specifiek
verschilt.
*brevis SCHLTZ. OSHANIN 2030. |)
BOKKER I, p. 131, det. dub: Toosduinen en 'Renesseze.
Soest 19.28 en Hilversum 21.0.28, det. dub. (RECLAIRE
3); Meijendel, bijna het geheele jaar door op kruipwilg
(BLOTE 1); Oisterwijk 6.9.99 (SCHUIJT); Ankeveen 10.9.11
(V. D. VAART); Amstelveen 10.7.10 (LE MAIRE); Amsterdam
8.1910 en Zeeburg 10.1912 (MAC GILLAVRY).
BUTLER vermeldt deze van moerassigen heidegrond, GULDE
eveneens. HüEBER daarentegen van heide, boschranden en
struiken, STICHEL weer van vochtige weiden en PUTON van
moerassige weiden begroeid met Juncus, Carex, Eriophorum
enz. Daar de soort niet gemakkelijk te identificeeren is,
berust HüEBER’s opgave (hij noemt haar voor Westfalen en
andere streken gemeen) wellicht op een verwisseling met
andere Nabis-soorten.
1) Volgens FOKKER heeft SNELLEN VAN VOLLENHOVEN’s beschrijving
betrekking op rugosus L,
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 145
HEBRIDAE.
Hebrus Curr.
Mac GILLAVRY (16) houdt het voor twijfelachtig, of de
hier beschreven H.soorten wel gescheiden mogen worden.
*pusillus FALL. OSHANIN 2030.
Zeer verbreid. Vermoedelijk gedurende het geheele jaar
te vinden, ook in aanspoelsel.
Op Lemna, Sphagnum en dergel., altijd macropt. (ziet
MAC GILLAVRY 6).
var. erythrocephalus Lap. (rufescens REY bij OSHANIN ?).
FOKKER VI, p. 35: Texel 5. Volgens BLOTE (schriftelijke
mededeeling) heeft deze vindplaats op ex. v. d. nominaat-
vorm betrekking.
*ruficeps THS. OSHANIN 2040.
Verbreid, vooral brach. Vermoedelijk gedurende het ge-
heele jaar te vinden, ook in aanspoelsel.
Ter zelfde plaatse als de vorige.
BUTLER beschrijft het onderscheid tusschen H. ruficeps
en pusillus, de var. noemt hij — en wellicht zeer terecht! —
niet.
De var. transversalis REY. is volgens GULDE een onbedui-
dende met allerlei overgangen tot de nominaatvorm verbon-
den afwijking en even gemeen als het type. KUHLGATZ ver-
meldt haar niet.
letzneri SCHLTZ. OSHANIN 2042.
Inlandsch? Een met de beschrijving van deze soort over-
eenkomend ex. werd gevonden bij Ommen 6.16 (MAC GILLAVRY).
MESOVELIIDAE.
Mesovelia MULS.
*furcata MLS. OSHANIN 2044.
FOKKER: IV, p. 298: Valkeveen 7, macr.
Amsterdam 16.7.1910 en Naarder Meer (MAC GILLAVRY
16 en 24); Nunspeet 7.8.25 (MAC GILLAVRY; RECLAIRE) ;
Kortenhoef 21 en 23.6. talrijk, vooral op de bladeren van
Nymphaea en Nuphar, alle brach., ook eenige larven, ver-
moedelijk laatste stadium en 6.7.30 (de op deze datum ge-
vonden ex. alle met defekte sprieten!; KALF; RECLAIRE;
146 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
van 65 ‘ex, waren 17 gg en 48 99, dito 21/03 MZ Sen
laatste (?) larvestadium); Warmond 6.1877 (BLOTE 3).
Deze soort loopt op met drijvende planten bedekte slooten
en vijvers, volgens MAC GILLAVRY (24) vooral op water be-
dekt met Nymphaea, Potamogeton lucens, Polygonum amphi-
bium en Lemna trisulca, vooral op plaatsen, waar Scirpus
lacustris of Phragmites eenige schaduw geeft. Zij leeft hoofd-
zakelijk van halfdoode insekten of althans onbeweeglijke
dieren en moet in Italië tot de bestuiving van Trapa natans
bijdragen (ziet WEBER).
MAC GILLAVRY geeft nog een aanvullende beschrijving van
deze soort alsmede van de larven. BUTLER beschrijft het
macroptere .
CIMICIDAE.
Cimex L.
*lectularius L OSHANIN 2046.
Volgens RokkKER III, p. 77: „te,gemeen 05318224601
en 15 PQ in een verwantste woning te Hilversum (RECLAIRE).
De levenswijze van de wandluis mag, zij het dan ook niet
altjd uit eigen ervaring, als eenigszins bekend veronder-
steld worden. Interessante bijzonderheden vermelden echter
BUTLER, GULDE en vooral HASE, die uiterst uitvoerig en
boeiend omtrent deze parasiet heeft geschreven en middelen
ter bestrijding heeft aangegeven. PRIESNER vond een larve
midden in een moeras in het gras ver van menschelijke
woningen verwijderd.
*columbarius JENYNS. OSHANIN 2048.
FOKKER II. p.78: Giessendam in een duivenhok.
Utrecht, duiventoren (WTTWAAL).
In duivenhokken, waarin de vorige echter ook voorkomt
(GULDE).
*pipistrelli JENYNS. OSHANIN 2049.
FOKKER III, p.78: Driebergen 8, larve (?), Zierikzee 4.
Parasiteert op vleermuizen.
dissimilis HORV. OSHANIN 2050.
Hants en Oxon (BUTLER).
Eveneens op vleermuizen.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 147
Oeciacus STàL. FOKKER III, p.78: Cimex L.
*hirundinis JENYNS. OSHANIN 2051.
FOKKER: Venlo, in het nest van een gierzwaluw.
Arnhem 5.7.16 (A. C. OUDEMANS).
In zwaluwnesten.
ANTHOCORIDAE.
Ectemnus FIEB.
redavinus H. S. OSHANIN 2054.
Munster (HUEBER).
Op Salix alba (STICHEL); in een eikenlaan en op de stam
van Populus balsamifera (HüEBER).
Temnostethus FIEB.
*pusillus H. S. OSHANIN 2057.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Utrecht, Leiden 6, Breda
en Arnhem. FOKKER III, p. 75 en IV, p. 299: Wageningen
7, macr., Valkeveen 7 en. Winterswijk 7, brach., op gekapt
hout.
Mac Bierlap: Kithoek Vola, ‘op meidoorn” (Boretto,
Aerdenhout 7.13 (van eik), Hilversum 7.07, Gorsel 6.1910
en Vught, N.-Br. 2.6.11 (MAC GILLAVRY); Hilversum 27.9.30
op een hekpunt en Beetsterzwaag 3.8.26 (RECLAIRE). Brach.:
Aerdenhout 7.14 (o.a. van berk), Nunspeet 8.15 en 17.9.23,
Winterswijk 15.621, Bergen op Zoom 7.08, Vught, N.-Br.
2.6.11 en Terborg 6.1910 (MAC GILLAVRY); Apeldoorn 15.8.10
(KOORNNEEF); Bergen op Zoom 8.6.21 (RECLAIRE).
Volgens BUTLER op loofhout, volgens GULDE vooral op
els, waarvan de onderste takken met korstmossen bedekt
zijn. Een enkel maal wordt deze soort van coniferen vermeld.
var. gracilis HORV.
By Frankfort veelvuldig met het type, meer brach. dan
macr. (GULDE).
Elatophilus REUT.
nigricornis ZETT. OSHANIN 2063.
Beneden-Elbegebied (STICHEL); Perth en Forres, Schot-
land (BUTLER).
Leeft volgens BUTLER e.a. uitsluitend op Pinus sylvestris.
Anthocoris FALL.
*confusus REUT. OSHANIN 2066.
148 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Deze soort blijkt verbreid te zijn. BLOTE (1) vermeldt haar
van brandnetel. Nog niet bekend van de eilanden.
In Engeland leeft zij hoofdzakelijk op eik (BUTLER), vol-
gens GULDE des zomers vooral op wilgen- en populierstruiken,
vroeg in het voorjaar op bloeiende wilgenkatjes.
var. funestus HORV.
Bij Frankfort enkele ex. met het type (GULDE).
“nemoralis F. OSHANIN 2067.
Algemeen, ook op de eilanden gevonden. Een ex. met
nagenoeg geheel zwarte sprieten bij Heemstede 9.28 (LEEF-
MANS).
Deze soort wordt van allerlei struiken en boomen, ook
grassen vermeld, volgens GULDE vooral op beuken en esschen,
op wolluizen jagend.
Onuitgekleurde ex. werden als *var. superbus WESTH. on-
derscheiden.
“var. austriacus F.
Vlieland 21.8.29 (RECLAIRE 5); Hilversum 12.6.04 en Pie-
tersberg 6.07 (MAC GILLAVRY; ziet ook dezelfde 7); Zand-
voort. 12.7.31 (RECLAIRE).
*sarothamni DGL. SC. OSHANIN 2068.
Hilversum 21.10.06 (MAC GILLAVRY 7).
Wordt uitsluitend van Sarothamnus scoparius vermeld.
visci DGL. OSHANIN 2069.
Terveuren, Belg. (det. dub.; SCHOUTEDEN); Norfolk, Here-
ford en Dorset (BUTLER).
Wordt uitsluitend van Viscum album vermeld, volgens
BUTLER vermoedelijk van Psylla levend.
amplicollis HORV. OSHANIN 2070.
GULDE trof deze soort meermalen op met Pemphigus
bumeliae Sk. bezette esschen aan, vooral in de door de
bladluizen veroorzaakte bladvervormingen.
minki DHRN. OSHANIN 2071.
Beneden - Elbegebied en Rijnland (STICHEL); Borkum
(SCHNEIDER).
Volgens GULDE bijna uitsluitend op esch, volgens HUEBER
ook op populier en wilg.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. I49
var. simulans REUT.
Bij Frankfort veelvuldig met het type (GULDE).
*sallarum-ulmi DE G. OSHANIN 2072.
BOEKER Ill, pt 76: Morden, 7.
Twello 17.6.23 (BODIFEE); Houtem 18.6.23 (RECLAIRE);
Valkenburg 7.17, Loosduinen 7.09 (immatuur), Veenendaal
6.15, Otterloo 7.19 en Winterswijk 14.7.21 (MAC GILLAVRY) ;
Rhenen 4.7.09, Abbenes 28.8.07 en Dieren (KOORNNEEF);
Velp 5.2.1890 (DE Vos TOT NEDERVEEN CAPPEL) en Rijswijk
10 (EVERTS).
Ofschoon verbreid, werd zij klaarblijkelijk altijd slechts in
enkele ex. aangetroffen.
Deze soort wordt van allerlei loofboomen en struiken
aangegeven, ook van Pinus, volgens GULDE evenals de
meeste Anthocoriden in het voorjaar op wilgenkatjes en
verder gedurende de zomer op olmen in de leege gallen
van Tetraneura ulmi DE G.
var. melanocerus WESTH.
Bij Frankfort enkele ex. met het type onder eschdoorn-
schors en in iepenbladgallen (GULDE).
var. femoralis WESTH.
Bij Frankfort enkele ex. met het type (GULDE).
*pilosus JAK. OSHANIN 2074.
Meerssen 21.9.29, vermoedelijk van lage planten gesleept
(RECLAIRE 4); Maastricht 3.7.30 op distel (SCHOLTE).
Volgens GULDE een pontische soort, die bij Frankfort de
westgrens van haar verbreiding zou hebben, sindsdien is zij
echter ook bij Luik gevonden. Volgens hem in het voorjaar
op bloeiende wilgenkatjes, vanaf 6 tot 9 op verschillende
bloemen, Cynoglossum montanum Lam., Polygonum avicu-
lare L. en Anthemis tinctoria L.
Uit Engeland noemt BUTLER deze soort niet.
flavipes REUT. OSHANIN 2075.
Een ex. dat wellicht tot deze soort behoort werd te
Denekamp 10.6.16 gevonden (v. D. Wier). Uit het omliggend
gebied niet bekend.
sibiricus REUT. OSHANIN 2076.
Een ex. dat wellicht tot deze soort behoort, werd 4.14
I50 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
te Oisterwijk aangetroffen (MAC GILLAVRY). Niet uit het
omliggend gebied bekend.
*nemorum L. OSHANIN 2079. FOKKER III, p. 76: sylvestris L.
Overal gemeen, ook op de eilanden.
Deze soort wordt van allerlei boomen en struiken, ook
van kruiden vermeld. Volgens GULDE vooral op met blad-
luis bezette gewassen.
var. fasciatus F.
In Belgié algemeen met het type (SCHOUTEDEN).
*var. nigricornis FIEB.
FOKKER: Vorden 7.
*limbatus FIEB. OSHANIN 2081.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Valkenburg 6, Arnhem 22.4.
Breda en Walcheren.
Spijkenisse 27.7.08 (KOORNNEEF) en Burgst (det. dub; in
coll. MAC GILLAVRY).
Wordt bijna uitsluitend van wilg aangegeven, doch ook
wel van populier.
Omtrent de onderscheiding van nemorum ziet o.a. BUTLER,
Tetraphleps FIEB.
*bicuspis H. S. OSHANIN 2085. FOKKER V, p. 358: vittata
FIEB.
FOKKER: Baarn 7, Naarden 7 en Vorden. Volgens hem
berusten SNELLEN VAN VOLLENHOVEN's mededeelingen om-
trent deze soort als Anthocoris vittatus FIEB. op onjuiste
determinatie.
Nijmegen 11.8.21 op met bladluis bezette Larix en Wage-
ningen 30.8.15 (Mac GILLAVRY); Zuid-Limburg 6.09 (UYT-
TENBOOGAART); Haarlem 17.9.1884 (GROLL) en Arnhem 6.7.08
(immatuur; BIERMAN).
Volgens GULDE vooral op Larix, ook van Pinus en Picea
vermeld.
Acompocoris REUT.
“alpinus REUT. OSHANIN 2087.
FOKKER III, p. 75: Driebergen en Vorden 7.
Hoek van Holland 10.7.21 (det. dub.; MAC GILLAVRY).
Eveneens op coniferen, vooral Pinus en Picea (BUTLER,
GULDE).
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. ISI
“pygmaeus FALL. OSHANIN 2088.
FOKKER III, p. 76: Haarlem 8 en Assen 7, met een var.
Soest 30.7.21 en Hilversum 3.8.23 (RECLAIRE 3); Meijendel,
Koningsbosch 8—9 (BLOTE 1); Valkenburg 7.14 en Soest
14.6.15 (MAC GILLAVRY); Leersum 6.8.19 (KOORNNEEF);
Leuvenum 6.9.30 (RECLAIRE).
Op Pinus, Picea en Larix.
GULDE vraagt zich af, of alpinus wellicht het g* van pyg-
maeus is? Onder 200 pygmaeus vond hij geen enkel 3!
Triphleps FIEB.
RIBAUT (2) heeft een dichotomische tabel samengesteld
waarmede de hier vermelde T-soorten (behalve laticollis)
volgens moderne inzichten onderscheiden kunnen worden.
VAN EMDEN (1925) heeft T.-larven op met ,,Spinnmilben”
bezette abrikozen waargenomen, daarbij echter wel gezien,
dat zij de bladeren aanboorden, niet echter, dat zij de mijten
uitzogen. Toch twijfelt hij er niet aan, dat zij zich met mij-
ten voeden.
“nigra WLFF. OSHANIN 2090.
Niet zeldzaam door het geheele land. Terschelling 31.7. —
5.8.25 en Hilversum niet zeldzaam door afsleepen van Calluna
en Erica op vochtige heideplekken 10.12.19, 20.9 en 10.10.25
(RECLAIRE I en 3).
Volgens BUTLER gewoonlijk op Erica en Calluna, echter
ook volgens hem e.a. op allerlei planten, volgens GULDE
vooral de bloemen van Anthemis, Achillea, Carduus en Echium
en in het voorjaar op bloeiende wilgen. Ook wel uit de
nesten van Lasius flavus vermeld.
“var. ullrichi FIEB.
Terschelling 31.7.—5.8.25 (RECLAIRE 1).
*majuscula REUT. OSHANIN 2095.
Gemeen, ook op de eilanden. Hilversum o.a. 30.8.28, I &
en 30 QQ op een bloeiende Reseda-soort. Nunspeet 30.38.31
bij Formica exsecta NYL. (Vv. D. WIEL; BLOTE det).
Op vochtige plaatsen, vooral op Angelica, ook in de nesten
van Bombus agrorum en Vespa vulgaris (BUTLER) en gedu-
rende het voorjaar op bloeiende wilgen (GULDE). SCHOEVERS
(3) bericht over schade aan Chrysanthen.
152 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
*minuta L. OSHANIN 2006.
Even verbreid, doch iets minder veelvuldig dan de vorige
soort.
Wordt van allerlei struiken en kruiden vooral op met
bladluizen bedekte planten en met de larve ook uit de nesten
van Formica rufa vermeld. REICHERT (1921) vond haar in
aantal op Reseda odorata L.
BUTLER vermeldt nog het een en ander omtrent de on-
derscheiding van majuscula.
*var. tibialis REUT.
Ederveen 8.8.29 (BROERSE).
laticollis REUT. OSHANIN 2097.
Waarschijnlijk tot deze soort behoorende ex. werden ge-
vonden bij Nunspeet 13—16.3.21 bij Formica exsecta en
Loosdrecht 28.4.18 (V. D. WIEL).
STICHEL vermeldt deze uit Westfalen, deelt echter niets
omtrent de levenswijze mede.
Volgens RIBAUT (2) heeft de door DOUGLAS en SCOTT
vermelde T. obscurus HHN. wel betrekking op laevigata FIEB.
(OSHANIN 2102), zoodat deze soort wellicht ook bij ons aan
reNtrenenmse
Lyctocorus HAHN.
*campestris F. OSHANIN 2105.
Overal voorkomend, ook onder dorre bladeren. Vlieland
23.8.—1.9.29 uit takkenbossen (RECLAIRE 5); 6.5.31 een ©
onder beddewantsen in een verwantste woning te Hilversum
(RECLAIRE).
Volgens GULDE sleept men deze soort gedurende de zomer
vrij zelden van lage planten. BUTLER vermeldt haar uit
stroobossen en dergel., nabij menschelijke woningen, onder
afval in schuren enz. GULDE wijst op het voorkomen in
huizen en HüEBER citeert eenige gevallen, waarbij zij tusschen
de beddewants in huizen werd gevonden en als gevleugelde
vormen van deze soort werd beschouwd. Ook in vogelnesten
en dergel.
*var. dimidiatus SPIN.
Hilversum 27.7.2909 van een vochtige grazige plek gesleept
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 153
(RECLAIRE); Hondsdonk met het type (V. D. WIEL); Zaan-
dam 10.30 (in coll. RECLAIRE).
var. distinguendus FLOR.
By Frankfort in een huiskamer (GULDE; volgens hem
heeft deze var. vermoedelijk betrekking op niet geheel uit-
gekleurde stukken).
var. pictus FIEB.
Bij Frankfort vaak des winters onder wilgen- en popu-
lierenschors, des zomers op Sarothamnus en van grassen te
sleepen (GULDE).
Piezostethus FIEB.
lativentris J. SHLB. OSHANIN 2108.
Friesche eilanden onder steenen (STICHEL).
*flavipes REUT. OSHANIN 2100.
Rotterdam 1.13 geimporteerd met zaden van Cicer arie-
tinum uit Bombay (MAC GILLAVRY 8).
BUTLER geeft een beschrijving dezer soort.
*galactinus FIEB. OSHANIN 2110.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Leiden 8 en Rijzenburg 6.
Den Haag 6 en 9 uit kompost (EVERTS); Oud-Naarden
31.9.23 (MAC GILLAVRY).
BUTLER bericht over het voorkomen in mesthoopen, broei-
bakken en tusschen stalstroo en dergel., ook echter op
moerassige plaatsen.
HüEBER : met Myrmica caespitum, verder op weideplanten
en in Zwitserland hoofdzakelijk op beuken en eiken, doch
ook onder schors (winterverblijf of verwisseling met andere
soorten ?). Volgens WASMANN by Formica rufa L, en Tetra-
morium caespitum L.
*formicetorum BOH. OSHANIN 2112.
Otterloo 8.19 met de larven bij Formica rufa en Baarn
31.8.20 dito. Voordien door WASMANN in Nederland in
mierennesten gevonden (MAC GILLAVRY 18); Hilversum
17.5.23 en 26.9.25 bij Formica exsecta (RECLAIRE; V. D. WIEL).
Meest macropteer. Brach. o.a. Baarn 10.4.21 bij Formica
rufa, larven 31.8.20, dito (NONNEKENS; met imagines bij
Formica rufa).
I54 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Behalve uit de nesten van bovenvermelde soorten wordt
zij aangegeven uit die van Formica sanguinea, truncicola
en Lasius flavus. Volgens WASMANN zijn Formica rufa L.,
pratensis DEG. en truncicola NYL. de normale gastmieren.
“parvulus REUT. OSHANIN 2114.
FOKKER V, p. 358: Baarn 7.
Bierlap 6 (BLÔTE 1); Laren, N.H. 6.15 en Nunspeet 8.15
(MAC GILLAVRY).
BUTLER vermeldt haar niet uit Engeland.
LINDBERG beschouwt deze soort als zijnde — formicetorum.
*cursitans FALL. OSHANIN 2118.
Zeer verbreid, ook macr., hoofdzakelijk onder schors, ver-
moedelijk gedurende het geheele jaar.
Volgens BUTLER een schorsdier, dat echter in Engeland
niet onder dennenschors voorkomt, zooals bij ons. Volgens
GULDE onder allerlei boomschors, hoofdzakelijk van loofhout,
volgens STICHEL ook op struiken. WEBER beweert, dat zij
naar aardbeien riekt!
Brachysteles MULS.
“parvicornis COSTA. OSHANIN 2124.
Hilversum 20.9.25, 15.10.27 en Soest 8.10.27 (RECLAIRE 3);
Meijendel 4 (BLÔTE 1); ook in een vangband om Populus
nigra (BLöTE 2).
Wordt vooral van moerassige plaatsen van Juncus en Carex
aangegeven.
BLÔTE (1) deelt iets mede over de herkenning van deze
soort en beeldt haar af.
Cardiastethus FIEB.
fasciiventris GARB. OSHANIN 2131.
Bij Raismes (LETHIERRY); Zuid-West-Engeland (BUTLER).
Volgens hem zoowel van lage weilanden gesleept als van
dennen geklopt.
Xylocoridea REUT.
brevipennis REUT. OSHANIN 2133.
Surrey, Norfolk en Swanage (BUTLER).
Volgens hem onder meidoornschors levend. Hij geeft ook
een beschrijving van deze soort.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 155
Xylocoris DUF.
*ater DUF. OSHANIN 2135.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Breda 3 en den Haag 4.
FOKKER III, p. 76: Zierikzee 8.
Veenendaal 6.15 en den Haag 21.12.22 (MAC GILLAVRY);
Brummen 28.3.09 (V. D. VAART); Valkenburg 9 (HESELHAUS).
Leeft vermoedelijk evenals Piezostethus onder boomschors,
vooral van Coniferen. (BUTLER).
Scoloposcelis FIEB.
pulchella ZETT. OSHANIN 2138.
Of deze soort in ons gebied te verwachten is, staat te
bezien. Volgens GULDE van Frankfort uit oud hout bekend.
MICROPHYSIDAE.
Volgens WEBER leven de 99 geregeld in mierennesten.
Microphysa WESTW.
*pselaphiformis CURT. OSHANIN 2140.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (pselaphoides WESTW.):
Utrecht, QQ op mierennesten en Leiden. FOKKER III, p. 77
en IV, p. 299: Scheveningen en Valkeveen 7, Q.
Jd: Veenendaal 6.15, Ommen 6.18 (MAC GILLAVRY). QQ:
Aerdenhout 6.1912 en 7.1910 (van beuk), Bussum 9.7.16,
Mook 6.1912 en Ommen 6.16 (MAC GILLAVRY); Valkenburg
1.6.29 (VALCK LUCASSEN) en dito 5.7.11 (RüSCHKAMP); Vlie-
land 8.31, 9 (RECLAIRE).
BUTLER noemt deze van meidoornheggen, linden en tak-
kenbossen, echter niets omtrent voorkomen bij mieren. GULDE
vermeldt ongeveer hetzelfde. STICHEL geeft als vindplaatsen
schorskorstmossen op boomen, ook op Pinus sylvestris en
Picea excelsa.
*bipunctata PERR. OSHANIN 2141.
Bom Is pz IV, ps 209 en Vip. 3505, Loosduinen
Q, Valkeveen Q, 7. 1885 en Eijsden 7.
Overveen, 9, 21.6.16 (MAC GILLAVRY); Bierlap, 6, g, in
het gras (BLOTE 1).
Wordt van populier, meidoorn en eschdoorn vermeld
(HüEBER).
Uit Engeland wordt deze soort niet door BUTLER aan-
gegeven.
II
156 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
*elegantula Bak. OSHANIN 2144.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Utrecht &, Vuursche 7, 9,
vermoedelijk op een der groote granietblokken. FOKKER III,
p. 77: beide sexen soms in aantal in spleten van deschors
van een oude pereboom te Zierikzee, 7 en 8.
Jd: Assen 30.6.30 (V. D. WIEL); Weert 6.14 (MAC GILLAVRY);
Meijendel, 6, in het gras (BLÔTE 1). QQ: Assen 26 en 27.6.30,
Loosduinen 7.09, Aerdenhout 6.1912 en Nunspeet 16.8.22
(MAC GILLAVRY); Terborg 6 (EVERTS); Bergen a. Zee 24.7.29
(v. D. WIEL); Bergen op Zoom (MAC GILLAVRY 2).
Volgens GULDE tusschen korstmossen op afgestorven
boomtakken en tusschen boommossen (ziet ook MAC GIL-
LAVRY 2). Volgens BUTLER bij Lasius fuliginosus waarge-
nomen; hi beschrijft nog kort een onbenoemde var. van
deze soort.
Myrmedobia Bar.
tenella ZETT. OSHANIN 2148.
In Engeland verbreid (BUTLER).
BUTLER vond deze in mossen en ook door kloppen.
Volgens GULDE onder mos op boomen en ook van kort
gras te sleepen, volgens STICHEL daarentegen vooral op
Coniferen, doch ook op eik. Volgens WASMANN bij Formica
rufa L.
*distinguenda REUT. OSHANIN 2150.
Putten 8.08, .Ommen 6.16 en Leuvenum 0615 met
larven (?) (MAC GILLAVRY; ziet ook dezelfde 7).
Volgens BUTLER ter zelfde plaatse als de vorige, ook van
grassen te sleepen, volgens STICHEL weer op Coniferen.
Onderscheiding van tenella en voorkomen in mossen
onder Coniferen, ziet HELLEN.
*var. pupalis REUT.
FOKRER ME D RL MStee 20!
Winterswijk 6.21 en Den Haag 8 (EVERTS).
inconspicua DGL. SC. OSHANIN 2152.
Zuid-West-Engeland (BUTLER; volgens hem niet op het
Continent aangetroffen).
Bewoont volgens hem zandheuvels.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 157
*coleoptrata FALL. OSHANIN 2154.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Microphysa): Driebergen
en Den Haag g, 9. FOKKER III, p. 77, IV, p. 299 en V,
Pigs: Baarn, oy Arnhem en Ede 7.
Zeer verbreid, hoofdzakelijk QQ. gg: Hilversum 18.7.09
en Epen, L. 6.1911 (MAC GILLAVRY); Terborg 6 (EVERTS);
St.-Pieter 6, 9 (bij Leptothorax tuberum var. unifasciatum ;
SCHMITZ).
Wordt uit mossen en grassen vermeld, verder volgens
STICHEL vaak in gezelschap van mieren, volgens BUTLER
ook min of meer met mieren geassocieerd, o.a. Lasius niger
L. Volgens MAC GILLAVRY (2) tusschen schorsspleten en
dorre bladeren. WASMANN citeert deze met ? bij Formica
rufa, Myrmica laevinodis NYL., Lasius fuliginosus LTR. en
Formica pratensis DEG.
antica REUT. OSHANIN 2155.
Wellicht behcort een ex. bij Ulvenhout 2.8.16 gevonden
tot deze soort (MAC GILLAVRY). Niet uit het omliggend
gebied vermeld.
CAPSIDAE. ')
Myrmecoris GORSKI.
*gracilis SHLB. OSHANIN 2157.
Wolfhezen 6.08, 4, brach. (MAC GILLAVRY); Nijmegen
21.6.30 op eikenstruiken boven een nest van Formica san-
guinea (RAIGNIER; in coll. SCHOLTE).
Volgens BUTLER, die deze soort vrij uitvoerig beschrijft,
met mieren geassocieerd. Volgens GULDE op kiezel- en
zandbodem onder lage planten als Artemisia en Calluna. Even-
als BUTLER weet hij niets naders omtrent de associatie met
mieren.
var. rufusculus REUT.
Volgens GULDE heeft deze betrekking op pas uitgekomen,
nog niet geheel uitgekleurde stukken.
WASMANN citeert aangaande deze alsmede de var. fuscus
BUG Cum Formica rita. habitanst:
1) Daar volgens FOKKER (III, p.52) de verwarring bij de Capsiden in
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN’s boek groot is, zijn slechts betrekkelijk
weinige van zijn vindplaatsen vermeld.
158 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Pithanus FIEB.
*maerkeli H. S. OSHANIN 2150.
Zeer verbreid, bijna altijd brach. Vlieland 20.8.29 (RECLAIRE
5). Macr.: Wolfhezen 7 onder de Wodanseiken (FOKKER III,
p. 65); Laren, N.-H. 6.15 (Mac GILLAVRY).
BUTLER vermeldt deze niet alleen vooral van grassen op
droge terreinen, doch ook van zilte weiden. GULDE: op
grassen, zoowel op dorre als op vochtige plaatsen.
Pantilius CURT.
*tunicatus F. OSHANIN 2162.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lopus): aan den duinkant
6, Breda 7, Arnhem 4 en 11 en Leiden. FOKKER III, p. 56:
Baarn 10 en Vorden 10.
Hilversum 18.90.10 (DE MEIJERE); dito 9.10.27, 7 en 14.09.29
op met Agelastica alni en Melasoma aenea met de larven
bezette elzen, 30.0.27 op een hek onder eiken en Wylré
18.9.29 (RECLAIRE); Hilversum 11.9.26 (v. D. WIEL); dito
7.9.30 en Kortenhoef 27.9.30 (KALF); Bussum 21.9.19 (MAC
GILLAVRY); dito 21.9.24 (KOORNNEEF); Amsterdam 12.9.10
(V. D. VAART); Diemen 19.9.08 (LEEFMANS); Wageningen
14.10.19 (RITSEMA); Eerbeek 9.1910 (UYTTENBOOGAART);
Leuvenum 10.10.31 in aantal op els (RECLAIRE; V. D. WIEL);
Meerssen 15.9.13 (KEMPERS); Maastricht 9.30 (SCHOLTE).
BUTLER vermeldt deze van diverse loofboomen, GULDE
van els, hazelaar en berk.
Miridius FIEB.
*quadrivirgatus COSTA. OSHANIN 2168.
FOKKER III, p. 56: 9.1879 te Zierikzee tusschen het gras,
sindsdien niet meer.
BUTLER noemt deze van grazige plaatsen niet te ver van
de zeekust.
Phytocoris FALL.
albofasciatus FIEB. OSHANIN 2176.
Bij Frankfort op lage oude vergroeide „Sandkiefer”. De
soort gelijkt op onuitgekleurde ex. van P. pini (GULDE).
*tiliae F. OSHANIN 2183.
Zeer verbreid.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 159
Volgens BUTLER op allerlei boomen, niet speciaal op
linden, volgens GULDE vaak op appelboomen, wier takken
rupsennesten dragen. Is volgens hem evenals de andere
soorten van dit genus zeer nuttig door het verdelgen van
schadelijke insekten.
Omtrent de herkenning van deze soort ziet ook BUTLER.
Volgende var. zijn nog niet in ons land waargenomen:
cretaceus REUT. (bij Frankfort enkele ex. met het type;
GULDE), signatus REUT. (bij Frankfort niet zeldzaam ; GULDE),
ferrugineus WESTH. (bij Frankfort in enkele ex. en niet
veelvuldig, o.a. op appelboomen; GULDE), maculosus WESTH.
(bij Frankfort enkele ex, alleen gg; GULDE, volgens wien
van de zwarte var. der P.-soorten bijna alleen jy voor-
komen) en marmoratus Der. SC. (Engeland; BUTLER). Vol-
gens BUTLER, die de Latijnsche beschrijving der var. van
REUTTER weergeeft, zijn deze afwijkingen weinig konstant
en gaan min of meer in elkaar over. Dit geldt wellicht
voor de meeste Capsiden-varieteiten !
*longipennis FL. OSHANIN 2184.
Zeer verbreid. Terschelling 8.1912, var. 6. (MAC GILLAVRY
10).
Volgens BUTLER op allerlei boomen, vooral op hazelaar
en eik, volgens GULDE vooral op meer vochtige terreinen,
met de var.
var. signatus REUT.
Volgens BUTLER gaat deze in de nominaatvorm over.
*populi L. OSHANIN 2185.
FOKKER III, p. 57: Rotterdam 9.
Hilversum 9.8.26 (RECLAIRE 3); Kijfhoek 8, © (BLÔTE 1);
Ilpendam 3.9.15 en Amsterdam 7.8.09 en 8.1911 (MAC GIL-
LAVRY); Bloemendaal 9.07 (uit larven gekweekt) en Zeist
15.8.12 (KOORNNEEF).
BUTLER vond deze op de stammen van appel- en pere-
boomen en eiken, vermeldt haar echter ook van allerlei
andere boomen.
var. intermedius REUT.
Bij Frankfort enkele stukken met het type, alle 37 (GULDE).
*var. distinctus DGL. SC.
160 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Amsterdam 8.1911 (KLAASSEN); Amstelveen 2.8.19 (V. D.
WIEL).
hirsutulus FLOR. OSHANIN 2187.
Inlandsch? Misschien behoort een bij Crailoo 21.9.18 ge-
vonden ex. tot deze soort (MAC GILLAVRY). Door STICHEL
uit Mecklenburg vermeld.
*dimidiatus KBM. OSHANIN 2188.
FOKKER III, p. 57: Aerdenhout 7.
Baarn 7.9.25, Hilversum 15.9.28 en 14.9.29 (RECLAIRE);
Beetsterzwaag 7—11.6.22 (MAC GILLAVRY); Eerbeek 9.18
(UYTTENBOOGAART); Wageningen 13.10.19 (RITSEMA); Doorn
16.6.11 (DE BOER) en Maastricht 6.30 (SCHOLTE).
Volgens BUTLER leeft deze hoofdzakelijk op eik, volgens
GULDE vaak in gezelschap van populi. Zij wordt ook wel
van eenige andere boomen, zelfs van Rubus aangegeven.
*intricatus FL. OSHANIN 2191.
Nunspeet 7.21 (MAC GILLAVRY).
Volgens STICHEL op Abies, Picea en Sorbus.
*reuteri SAUND. OSHANIN 2192.
FOKKER II, p. 57: Zierikzee 8, det. dub. (vid. REUTER).
Hilversum 29.8.20 (RECLAIRE 3; vid. GULDE); Laren, N. H.
24.8.15 en Leersum 19 en 29.7.20 (KOORNNEEF).
Volgens BUTLER wordt deze op hoog opschietende planten
en ook tusschen biezen gevonden, wordt echter ook van
pere- en appelboomen, populier en olm vermeld.
*var. saundersi REUT.
Nunspeet 21-—26.7.21 (V. D. WIEL).
*pini KBM. OSHANIN 2193.
FOKKER III, p. 57: Driebergen en Rolde 7.
Nunspeet 6.8.25 en Soest 30.7.21 (RECLAIRE 3); Wijk a. Z.
9.08, den Haag -7.9.05, Otterloo 7.18, Nunspeet 8.22. (op
Pinus) en Rhenen 30.8.15 (MAC GILLAVRY); Lunteren 24.8.16
(in coll. MAC GILLAVRY); Warnsveld 3.9.1882 (GROLL); Win-
terswijk 26.7.24 (KOORNNEEF).
Wordt hoofdzakelijk van Pinus, doch ook van Picea, Abies,
Larix en Juniperus vermeld. Volgens GULDE nuttig door het
vervolgen van Lachnus grossus op dennen.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 161
juniperi FREY. OSHANIN 2203.
Bij Frankfort in enkele ex. op jeneverbes (GULDE).
Volgens STICHEL ook op Calycanthus, een bekende sier-
struik.
*almi L. OSHANIN 2209.
Overal.
Volgens BUTLER tusschen lage planten; wordt ook van
allerlei boomen, struiken en bloemen vermeld. Volgens GULDE
vooral op hazelaar en olm, die met Schizoneura-gallen zijn
bezet. REICHERT (1929) vond deze op gekweekte rozen.
*yaripes BOH. OSHANIN 2212.
Zeer verbreid. Vlieland 19—23.8.29 (RECLAIRE 5).
Volgens BUTLER en GULDE komt deze hoofdzakelijk tus-
schen lage planten voor, toch wordt zij zoo nu en dan op
struiken en boomen als Pinus en Juniperus gevonden.
De *var. leptocerus REUT. (met het type) vertoont, zooals
GULDE terecht opmerkt slechts zeer geringe afwijking van het
type. Het heeft dus weinig doel deze var. te onderscheiden.
Megacoelum FIEB. FOKKER III, p. 58: Calocoris, FIEB.
*infusum H. S. OSHANIN 2243.
Algemeen.
Volgens BUTLER hoofdzakelijk op eiken, doch ook op Pinus
sylvestris en Hypericum hirsutum, volgens GULDE op eiken,
hazelaar en lindestruiken, veelvuldig op met rupsen bezette
appelboomen.
De 3 door REUTER beschreven var. «, 6 en y komen
volgens BUTLER ook in Engeland voor, doch met allerlei
overgangen.
beckeri FIEB. OSHANIN 2244.
Surrey (BUTLER).
Volgens BUTLER op grove den, waarbij nesten van Formica
rufa aanwezig zijn. Volgens GULDE voor de boschbouw van
groote beteekenis, daar de larven evenals de imagines de
op de den levende Lachnus grossus verdelgen. Zoo nu en
dan wordt A. beckeri wel op andere met bladluizen en dergel.
bezette loofboomen aangetroffen. STICHEL vermeldt deze
soort ook van eschdoorn.
162 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Over de herkenning van deze soort en de onderscheiding
van infusum ziet ook BUTLER.
De var. strigipes REUT. bij Frankfort, enkele ex. onder het
type, volgens GULDE pas uitgekomen, nog niet geheel uit-
gekleurde ex.; lethierryi FIEB. bij Frankfort meermalen met
het type (GULDE), bij Rijssel (LETHIERRY) en fasciatum JAK.
bij Frankfort tamelijk zeldzaam (GULDE).
Adelphocoris REUT. FOKKER III, p. 58: Calocoris FIEB.
*seticornis F. OSHANIN 2248,
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus): Noordwijk 7 en
Breda 7. FOKKER: Wageningen 7 en Valkenburg 7.
Venlo 6 en 7 (v. D. BRANDT); Roermond, Pietersberg
6.07 en Gulpen 7.07 (MAC GILLAVRY); Hoek van Holland
25.7.20 (in coll. MAC GILLAVRY); bij Maastricht vrij gewoon
(SCHOLTE; larve o.a. op Melilotus).
Volgens BUTLER op grassen en allerlei bloeiende planten,
volgens GULDE soms ook op struiken.
De var. niger REUT. bij Frankfort een enkel maal, alleen
FF, plagifer REUT. bij Frankfort veelvuldig met het type en
pallidipennis REUT. bij Frankfort tamelijk zeldzaam, alleen
QQ (GULDE).
reicheli FIEB. OSHANIN 2254.
Orval, Belg. (FOKKER 7); Rijnland (STICHEL).
Volgens STICHEL op Buphthalmus en Genista.
vandalicus ROSSI. OSHANIN 2257.
Frankfort (GULDE).
Volgens STICHEL op Verbascum, Centaurea, Scabiosa,
Campanula, Achillea, Tanacetum en Glycyrrhiza.
*ticinensis MEY. D. OSHANIN 2262.
FOKKER III, p. 58: Paterswolde 8.
Kortenhoef 30.3 en 2.9.30 van moerasplanten gesleept
(KALF); dito 9.8.30 een nog geheel versch ex. (RECLAIRE);
Ankeveen 22.38.25 (RECLAIRE 3); Barchum 7.04 (MAC GILLAVRY)
en Winterswijk 17.8.24 (KOORNNEEF). De meeste ex. uit
Kortenhoef hebben geen zwarte vlek op het pronotum.
Volgens BUTLER op moerassige plekken, wordt echter
ook van Salix, Euphorbia, Juncus en Juniperus vermeld.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 163
*lineolatus GOEZE. OSHANIN 2266. FOKKER III, p. 58:
chenopodii FALL.
Verbreid, vooral in het Oosten. Terschelling 8.1912 (MAC
GILLAVRY 10) en dito 1.8.25 (RECLAIRE); Vlieland (RECLAIRE 5).
Volgens BUTLER vooral op Ononis, ook op Calluna aan-
getroffen, volgens GULDE vooral op Chenopodium. Overigens
wordt de soort van allerlei andere kruidachtige planten
vermeld, o.a. door REICHERT (1925 en 1926) niet zelden
op gekweekte hyssop.
*var. implagiatus WESTH.
Terschelling 31.7—5.8.25 en Vlieland (RECLAIRE I en 5);
Schin op Geul 19.9.29 en 11.9.30 (RECLAIRE).
*var. binotatus HHN.
Schin op Geul 11 en 13.9.30 (RECLAIRE).
*quadripunctatus F. OSHANIN 2268.
FOKKER IV, p. 298: Arnhem 9.
Verbreid, det. veelal dub. De vermeldingen van Vlieland,
Hilversum, Beetsterzwaag en Terschelling (RECLAIRE 3 en 5)
hebben betrekking op Calocoris norvegicus.
Volgens GULDE in vochtige bosschen en onder oever-
struiken op Urtica dioica.
BUTLER beschrijft deze soort niet uit Engeland.
*var. innotatus REUT.
Kortenhoef 9.8.30 (RECLAIRE).
var. scutellaris REUT.
Bi Frankfort (GULDE).
Calocoris FIEB.
pilicornis PNZ. OSHANIN 2278.
Elberfeld (HiEBER).
Volgens GULDE op kalk- en zandbodem op Euphorbia-
soorten. Ook van Umbelliferen en Salvia vermeld (HüEBER).
schmidti FIEB. OSHANIN 2280.
GULDE vermeldt deze uit de omgeving van Frankfort van
Urtica dioica, Populus tremula, waarop rupsen, Salvia, esch,
eschdoorn en struiken. Hij wijst op een drukfout in REUTER’s
resp. HiiEBER’s tabellen, waardoor men allicht deze soort
fout zou determineeren.
164 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
*ochromelas GMEL. OSHANIN 2281. FOKKER III, p. 57:
striatellus F.
Vooral in het Oosten zeer verbreid.
Volgens BUTLER vooral op eiken, verder van verschillende
andere loofboomen aangegeven. Volgens GULDE somwijlen
op naaldhout en nuttig door het verdelgen van de rupsen
van de eikenwikkelaar en andere. STICHEL vermeldt deze
hoofdzakelijk van bloeiende eiken, vaak in gezelschap van
Cyllocoris flavoquadrimaculatus DE G.
var. fornicatus FIEB.
Durham en Carlisle (BUTLER; volgens hem blijkbaar een
noordelijke vorm).
sexguttatus F. OSHANIN 2282.
Verbreid in Engeland, Schotland en Ierland (BUTLER);
Westfalen en Beneden-Elbegebied (STICHEL).
Volgens BUTLER van brandnetels, grazige plaatsen en
allerlei bloeiende planten te sleepen. Volgens GULDE niet
in de laagvlakte, in het gebergte op Stachys en Urtica. De
Britsche ex. wijken in vorm en kleur van de continentale
af (BUTLER).
var. insularis REUT.
Bij Frankfort enkele ex. met het type (GULDE).
biclavatus H. S. OSHANIN 2285.
Belgié (FOKKER III, p. 58: bifasciatus HHN.); Beneden-
Elbegebied (STICHEL).
Ontbreekt eveneens volgens GULDE in de laagvlakte. Op
hooger gelegen terreinen vooral op blauwe boschbessen,
soms ook op struiken, vooral op eiken.
var. schillingi SCHLTZ.
Bij Frankfort veelvuldiger dan het type, alleen gg (GULDE).
*fulvomaculatus DE G. OSHANIN 2297.
Gemeen, vooral in het Oosten.
Volgens BUTLER op allerlei struiken en boomen, doch ook
op verschillende kruidachtige gewassen. Hij bericht uitvoerig
over groote schade aan hop. GULDE deelt mede, dat de soort
in vochtige bosschen op struiken voorkomt, vooral, met de
larve, op Rhamnus frangula L.
Volgens TROUVELOT beschadigt de larve van deze soort
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 165
te Parijs sedert eenige jaren peren, later tasten zij de jonge
vruchten aan, die langzamerhand hard worden.
affinis H. S. OSHANIN 2306.
Beneden-Elbegebied (STICHEL).
Bij Frankfort op matige hoogte in het randgebergte, plaat-
selijk in de moerassige omgeving van bronnen en bronbeeken
te vinden, veelvuldig op Urtica, Stachys, Aspidium, 7 en 8
(GULDE). STICHEL vermeldt deze nog van wilg, liguster,
Spiraea en salie.
alpestris MEY. D. OSHANIN 2308.
Noord-Engeland (BUTLER).
Volgens hem is deze een bergvorm, die van verschillende
bloeiende planten gesleept wordt (Urtica, Stachys, Mercuri-
alis, Allium) en elders ook op Picea excelsa voorkomt. Ook
GULDE vermeldt deze van Stachys en Urtica.
*roseomaculatus DE G. OSHANIN 2311.
Gemeen, o.a. Hilversum 5—19.7 talrijk op Achillea mille-
folium en op een gekweekte Achillea en Chrysanthemum —
(RECLAIRE 3).
BUTLER vermeldt deze soort van allerlei bloemen, hoofd-
zakelijk Chrysanthemum en Centaurea.
var. decolor REUT.
Volgens GULDE heeft deze var. betrekking op versche nog
niet geheel uitgekleurde stukken.
“norvegicus GMEL. OSHANIN 2313. FOKKER II, p. 58:
bipunctatus F.
Zeer Verbreid. Terschelling 8.1912 (MAC GILLAVRY); dito
4.8.25 (RECLAIRE); Vlieland (RECLAIRE 5).
Deze soort wordt van de meest verschillende bloeiende
planten vermeld, volgens BUTLER vooral op brandnetels, vol-
gens GULDE veelal op Cruciferen en Chenopodiaceeén.
K. M. SMITH beschrijft de wijze, waarop deze soort de
eieren legt. Volgens hem is zij zeer schadelijk aan aardap-
pelen (,,Potato bug’’).
*var. atavus REUT.
Hilversum 7.20 en Vlieland (RECLAIRE 3 en 5); Zandvoort
5.8.30 en Beetsterzwaag 30.7.26 (RECLAIRE). Alles go!
166 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
*var. vittiger REUT.
Winterswijk 16.6.21 (MAC GILLAVRY).
*var. immaculatus STICH. (= var. 6 van REUTER). Met
het type.
Alloeonotus FIEB.
fulvipes SCOP. OSHANIN 2326.
Munster (HüEBER).
Wordt van hazelaar, eik, en ook van Galium mollugo
vermeld! (HüEBER).
Homodemus FIEB.
*M-flavum GOEZE. OSHANIN 2339.
FOKKER V, p. 359 (Calocoris marginellus F.): Nuth 8.
Geulle 12—16.6.19 (v. D. WIEL); Mechelen, L. 14.7.29
(KOORNNEEF); Valkenburg 6.07 en Mook 6.1912 (MAC GIL-
LAVRY).
Deze soort wordt van bergweiden en droge grazige plaat-
sen vermeld, volgens BUTLER 0.a. op Compositen en Medicago,
volgens GULDE leven de larven en imagines op Salvia. STI-
CHEL citeert haar bovendien van Verbascum, Lychnitis en
Bryonia alba.
Pycnopterna FIEB.
*striata L. OSHANIN 2342.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus): Velp 6 en Brummen
28.5.
Maastricht 5.6.30 op meidoorn (SCHOLTE); Ootmarsum
7.6.25 en Eerbeek 5.16 (UYTTENBOOGAART); Ellecom 11.6.06
(LEEFMANS); Winterswijk 15.6.21 (MAC GILLAVRY); Epen, L.
1—6.6.24 (V. D. VAART); Larve op meidoorn bij Spaubeek.
Het ex. werd met doode vliegen en frambozenbladeren groot-
gebracht (SCHOLTE).
Volgens BUTLER op eik en meidoorn, doch ook op ver-
schillende struiken en boomen. Volgens GULDE vervolgt zij
op appelboomen de rupsen van Hoponomeuta malinella
ZELL., op eiken die van Tortrix viridana IL. en aseverder
zeer nuttig door het verdelgen van allerlei ongedierte.
Actinonotus REUT.
pulcher H. S. OSHANIN 2344.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 167
Volgens GULDE bij Frankfort op hooggelegen plaatsen in
het gebergte te verwachten.
Brachycoleus FIEB.
scriptus F. OSHANIN 2349.
Bij Frankfort op kalk-, doch ook op zandgronden op Peu-
cedanum oreoselinum MONCH. en Euphorbia (GULDE). Volgens
STICHEL ook nog op Eryngium campestre en Verbascum.
Stenotus JAK.
“binotatus F. OSHANIN 2356.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Oncognathus; FOKKER III,
p. 59 dito): Utrecht, Driebergen 8, Wikkenburg (Utr.) 9,
den Haag 8 en Breda 8. FOKKER: Nuth 7 en Valkenburg.
Kortenhoef 28.6.24 (RECLAIRE); dito 20.7.08 (DE MEIJERE):
Hilversum 7.07, Winterswijk 16.6.21, Mook 8.1910, Bunde
17.7.16 en Epen, L. 20.7.16 (MAC GILLAVRY); Maastricht
3.7.30 (SCHOLTE); Leersum 26 en 30.7.19 en Winterswijk
19.7.19 (KOORNNEEF); Brummen 7.1912 en Amersfoort 14.8.09
RD AVE ARE) Venlo, 7 (VS D. BRANDT).
Op grassen en lage planten (BUTLER), op grazige bosch-
plekken en boschweiden (GULDE).
BUTLER wijst op de groote veranderlijkheid dezer soort,
die volgens hem wel eens met Calocoris bipunctatus (nor-
vegicus) wordt verward, er toch gemakkelijk van te onder-
scheiden is.
Dichrooscytus FIEB.
*rufipennis FALL. OSHANIN 2358.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus): Zeist 7 en Velzen
6. FOKKER III, p. 59: den Haag, Vorden 7, Bunde 7 en
Wageningen 7.
Eilversum 2.7.25 en 227, de bile 24.625 en 14, 7-20) en
Soest 19.7.25 en 7.7.28 (RECLAIRE); Rhenen 11.6.15, Ermelo
6.13, Bentveld 6.1911 en Sittard 7.16 (MAC GILLAVRY); Win-
terswijk 24.7.24 (KOORNNEEF).
Volgens BUTLER vooral op Pinus sylvestris, wordt echter
ook van Abies, Juniperus en loofboomen vermeld (ziet o.a.
GULDE).
intermedius REUT. OSHANIN 2359.
168 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Bij Frankfort op Picea, zelden in de vlakte, in het gebergte
plaatselijk talryk, 7, ook op Pinus sylvestris (GULDE).
valesianus FIEB. OSHANIN 2362.
Sussex (BUTLER).
Volgens hem op Juniperus levend.
Hij beschrijft de soort vrij uitvoerig.
Lygus HEN.
Volgens REH schijnen soorten van dit genus in Duitsch-
land aan appelboomen misvormingen te veroorzaken en zijn
zij schadelijk aan allerlei andere planten. Het speeksel is
volgens hem voor de planten zeer giftig.
Dat Lygus-soorten aan stokboonen zeer groote schade
aanrichten kunnen en bestreden moeten worden, vindt men
in het Verslag v. d. Phytopatologische dienst in het jaar
1919 (Wageningen 1920, blz. 34).
*pabulinus L. OSHANIN 2364.
Algemeen, ook op de eilanden waargenomen. Meijendel
6—9 o.a. op kruipwilg (BLOTE 1). Scbadelijk aan appel?
(SCHOEVERS 2); volgens hem (3) is deze soort eerst zeer
kort geleden op appel overgegaan.
Wordt volgens BUTLER van allerlei hoogopschietende plan-
ten gesleept, vooral van brandnetels; GULDE daarentegen
vermeldt deze soort vooral uit vochtige loofbosschen van els,
Cornus, Rhamnus, echter ook met de larven op Mentha
aquatica L. aan een beekoever. BUTLER betwijfelt het voor-
komen op els.
var. chloris FIEB.
Bij Frankfort enkele ex. met het type (GULDE); Wissant
(Pas-de-Calais), Nieppe en Mormal (LETHIERRY).
*viridis FALL. OSHANIN 2368.
Apeldoorn 77.1917, Laren, Ne. 8.175, en Bin GEN
(MAC GILLAVRY).
BUTLER vermeldt deze van eik en els, wijst echter op
opgaven van eenige andere loofboomen en schermbloemen
alsmede Spiraea salicifolia. Volgens GULDE vooral opRhamnus
franeula, Mies vaak hook ‘op els en Cornus. Opel on
BUTLER afwijkend gekleurde ex.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 169
*contaminatus FALL. OSHANIN 2370.
FOKKER III, p. 59: Utrecht.
Baaen 12.620, 1.38.23, 20,62en 7.052540 201O.20n enn 13.7429
(op berk), Hilversum 3.8.23, 2.7.25, Oud-Valkenburg 20.6.23
en Hondsdonk bij Breda 20.6.29 (RECLAIRE); Meijendel op
lage planten, 6—9 (BLÔTE 1); Aerdenhout 8.14, Wijk a. Z.
7.09, Nunspeet 8.1912 en Valkenburg 7.14 (MAC GILLAVRY);
Leersum 3.8.19 en 23.38.20 (KOORNNEEF).
Volgens BUTLER een op boomen levende soort, in Enge-
land bijna uitsluitend op berk, hij wijst echter ook op ver-
meldingen van iep, wilg, Picea, Tanacetum en Pulicaria.
GULDE wijst op het ontbreken in het lage land in de om-
geving van Frankfort, waar de soort wel in het gebergte
op wilg, hazelaar en els te vinden is.
Zij wordt volgens BUTLER soms met pabulinus verward,
een onderscheidingskenmerk geeft hij aan.
*spinolae MEv. D. OSHANIN 2372.
Haamstede 7.1911, Nunspeet 25.3.21 (van Juniperus), Eefde
7.16 en Valkenburg 7.14 (MAC GILLAVRY 13); Terschelling
31.7.—5.8.25 (RECLAIRE I).
Volgens BUTLER op kruiden, zooals brandnetels en vooral
(ook volgens GULDE) op distels, hij wijst verder op opgaven
van gagel, bramen, wilg en Spiraea.
Volgens REH zuigt deze soort in Duitschland aan de Rijn
en in Tirol de knoppen, bloesem, ranken en bladeren van
de druif uit.
Omtrent de onderscheiding van lucorum ziet ook BUTLER.
*Incorum MEY D. OSHANIN 2373.
FOKKER III, p.59: Rotterdam 9, det. REUTER.
Baarn 26.6.20 en Hilversum 1.7.22 en 14.6.26 (RECLAIRE
3); Kijfhoek 6, 8 (BLÔTE 1); Maastricht 12.8.30 (SCHOLTE);
Bloemendaal 7.19, Nunspeet 7.21 en Bunde 17.7.16 (MAC
GILLAVRY); Arnhem 9.04 (DAMMERMAN); Warnsveld 13.9.1886
(GROLL); Deventer 8.1912 (KLAASSEN) en Venlo 7 (V. D.
BRANDT).
Volgens BUTLER en GULDE op verschillende kruiden,
zelden op boomen. Volgens REICHERT (1918) met Plagio-
gnathus albipennis naast Chlorita viridula FALL. de oorzaak
170 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
van de ,,Krauselkrankheit” van gekweekte absinth, Kan
volgens hem (1919) gevoelig steken.
var. maculatus REUT.
Corten bij Lowestoft (BUTLER; hij beschrijft de var. en
deelt iets mede over de kleur van de nominaatvorm).
*rhamnicola REUT. OSHANIN 2374.
Winterswijk 16.6.21 (MAC GILLAVRY).
Volgens GULDE op Rhamnus frangula, meest met viridis
samen.
*limbatus FALL. OSHANIN 2375.
Oirschot 7.08 (MAC GILLAVRY).
Volgens BUTLER en GULDE op wilg, volgens STICHEL ook
op) berksren,els.
*pratensis L. OSHANIN 2381.
Overal gemeen, ook op de eilanden voorkomend, met
varieteiten, die veel in elkaar overgaan, ook des winters
onder dor blad.
De soort wordt van grassen en allerlei lage planten,
echter ook van Coniferen vermeld. Volgens BUTLER schijnt
de veranderlijkheid van kleur wel samen te hangen met de
voedsel- resp. verblijfplant.
atomarius MEY. D. OSHANIN 2387.
Norfolk, Suffolk en Ierland (BUTLER).
Volgens hem op Coniferen.
*rubricatus FALL. OSHANIN 2380.
FOKKER III, p. 59: Driebergen 7, Amersfoort 7, Utrecht,
Steenwijk 7, Rolde 7, Assen 7 en Wolfhezen 7.
Warnsveld 8.1884 (GROLL); Nunspeet 7.21 (MAC GILLAVRY);
Beetsterzwaag 1.8.26 (RECLAIRE).
Volgens GULDE op Picea en Larix.
var. loewi REUT.
Bij Frankfort enkele ex. met het type (GULDE).
“cervinus H. S. OSHANIN 2392.
FOKKER III, p.60: Den Haag 11, Rolde 7 en Baarn 7.
Beetsterzwaag 1.8.28 (RECLAIRE); Amsterdam 17.9.11
(KOORNNEEF); Nunspeet 8.22 (MAC GILLAVRY).
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 171
Volgens BUTLER op allerlei boomen, zelden op Coniferen,
ook wel op bloemen, volgens GULDE op linde.
viscicola PUT. OSHANIN 2396.
Midden- en West-Engeland op Viscum album (BUTLER).
montanus SCHILL. OSHANIN 2300.
Volgens STICHEL op Rumex, Abies en Pinus in bergwouden.
foreli FIEB. OSHANIN 2401.
Frankfort (GULDE).
*campestris L. OSHANIN 2403. FOKKER III, p. 60: pasti-
nacae FALL.
Verspreid.
Op allerlei schermbloemen, vooral Pastinaca, ook op Can-
nabis en Pinus (BUTLER; GULDE). REICHERT (ziet 0.a. 1919)
nam deze herhaaldelijk met de larven waar op gekweekte
Archangelica officinalis HOFFM., soms in ontelbare getale en
ook op verschillende andere Umbelliferen. Hij sleepte deze
(1921) in aantal van bloeiende Anethum graveolens L., ter-
wijl op een naburig veld met Daucus de soort veel minder
voorkwam. Wellicht is volgens hem hiervan de sterker aro-
matische geur van Anethum de oorzaak.
Dat, zooals REICHERT vermoedt, deze soort ook bladluizen
verdelgt, kon VAN EMDEN (1924) proefondervindelijk niet
bevestigen. Hij bericht over het vernielen van selderijkulturen
door deze wants. In Noord-Amerika heeft zij volgens hem aan
boomgaarden, sierplanten en veldvruchten groote schade
aangericht en in Duitschland aardappel- en zonnebloemkul-
turen en in Oostenrijk wijnstokken vernield. Ook beschrijft
hij (1925) schade aan Melissa officinalis. De soort blijkt dus
zeer polyphaag.
RIBAUT (3) wijst er op, dat het volgens de door REUTER
aangegeven kenmerken onmogelijk is campestris en kalmi
van elkaar te onderscheiden. Hij geeft aan hoe het wel mo-
gelijk is, althans met zekerheid voor de 44, voor de QQ zal
men soms nog in twijfel kunnen blijven.
*kalmi L. OSHANIN 2405.
Verspreid.
Hoofdzakelijk op brandnetel en schermbloemen, ook op
1922 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
braamstruiken en eenige loofboomen (BUTLER; GULDE).
REICHERT (1920) sleepte deze van gekweekte selderij en ook
van Daucus.
Over de herkenning van deze zeer variabele soort ziet
behalve RIBAUT (3) ook BUTLER.
*var. flavovarius F.
Verspreid.
var. thoracicus WESTH.
Bij Frankfort gemeen (GULDE).
var. fieberi WESTH.
Bij Frankfort overwinterend onder wilgenschors (GULDE).
var. pauperatus H. S.
Huy, Belg. (FOKKER 7).
var. pellucidus FIEB.
Bij Frankfort, volsens GULDE;, hijs meents datidezemyar
wellicht slechts duidt op onuitgekleurde ex.
*rubicundus FALL. OSHANIN 2400.
FOKKER III, p. 60 (Cyphodema): Utrecht 5.
Leeuwen 3 (EVERTS); Warnsveld 13.9.1887 (GROLL); De-
nekamp 8.15 en Winterswijk 23— 28.9.20 (V. D. WIEL); Burgst
bij Breda 9 (SMITS v. BURGST).
Wordt vooral van wilg, verder van els, eik, hazelaar en
Prunus padus, ook van weiden en heiden beschreven (BUT-
LER). Leeft volgens GULDE op wilg, in het voorjaar op de
katjes. BUTLER beschrijft deze soort vrij uitvoerig.
var. minor REUT.
By Frankfort (GULDE).
Plesiocoris FIEB.
*rugicollis FALL. OSHANIN 2412.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus): Rotterdam 6, Ter-
schelling 2.6 (ziet ook MAC GILLAVRY 10), Bloemendaal 6,
Leiden 8 en den Haag 7. “POKKER IN, p. 59: Haanlemse
en Nijmegen.
Woosdreeht 2.7.21, Bergen op Zoom 11.7.2353 en Houtem
7.6.24 (RECLAIRE); Bierlap op lage planten 6—7 (BLÔTE 1);
Schellinkhout schadelijk aan appelen (SCHOEVERS 1); Am-
sterdam 9.16, Haamstede 7.1911, Wageningen 30.8.15, Eefde
7.16, Gorsel en Winterswijk 6.1910 en Vlissingen 7.6.20
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 173
(MAC GILLAVRY); Brummen 7.1912 (V. D. VAART); Amster-
dam 20.6.10 en Apeldoorn 4.6.11 (KOORNNEEF) en Venlo
6.7. (V. D. BRANDT). :
In .28 richtte deze „appelwants’’ genoemde soort vooral
in Noordholland zeer veel schade aan (VAN POETEREN). Vol-
gens SCHOEVERS (3) is deze de schadelijkste der appel-
wantsen en eerst kort geleden van wilg op appel overgegaan.
Volgens REH in Noorwegen, Engeland en Denemarken bij-
zonder schadelijk aan appelboomen. Omtrent bijzonderheden
aangaande de schade aan appel ziet ook WEBER.
Op wilgen, zelfs op Salix repens, voorts op gagel, haze-
laar, els en schadelijk in appelboomgaarden (BUTLER). GULDE
noemt alleen wilg (,,Salweide”; Salix caprea L.).
Volgens BUTLER wordt deze soort wel eens verward met
Orthotylus marginalis, met wie zij soms wel samen voorkomt;
hij geeft de onderscheiding aan.
Camptozygum REUT. FOKKER III, p. 60: Hadrodema FIEB.
*pinastri FALL. OSHANIN 2414.
Gemeen.
Wordt in de literatuur hoofdzakelijk van Pinus en Picea,
doch ook wel van Larix en Juniperus vermeld. Kan volgens
REH aan dennen schadelijk worden. De Britsche ex. zijn ge-
woonlijk veel lichter van kleur dan de continentale (BUTLER).
*var. maculicollis Mrs.
Met de nominaatvorm.
STICHEL onderscheidt nog de var. aequalis VILL., nigro-
picea STICH. (= var. @ van REUTER) en fieberi STICH. (= var.
y van REUTER), die ook wel bij ons aan te treffen zullen zijn.
Poeciloscytus FIEB.
Dit genus schijnt meest duidelijk geassocieerd met Galium
Sit CEES ten.
brevicornis REUT. OSHANIN 2423.
Bij Frankfort alleen op zandduinen en omgeving op open
plekken in het bosch op Galium verum (GULDE).
*unifasciatus F. OSHANIN 2424.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus): Utrecht, Walcheren,
Katwijk, Wassenaar en Scheveningen 7.
174 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Meijendel, zeeduinen 6—7 op lage planten (BLOTE 1);
Bergen op Zoom 18.7.1898, g' (FOKKER); Mook 8.1910,
Winterswijk 16.6.21 .en Ommen 6.18 (MAC GILLAVRY);
Deventer 7.1911 (KLAASSEN).
Wordt behalve hoofdzakelijk van Galium ook van allerlei
andere lage planten aangegeven (BUTLER; GULDE).
*var. lateralis HHN.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Amersfoort. FOKKER III,
prom Zierkzee Oren 7:
Terschelling 4.8.25 (RECLAIRE 1); Assen 29.6.30 (V. D.
Wier); Leersum 15.7.19 en Winterswijk 17.8.24 (KOORNNEEF).
palustris REUT. OSHANIN 2424 a.
Rookley Wilderness in Carmantshire (BUTLER).
Door hem tusschen biezen gevonden; op het continent
op vochtige weilanden op Galium (BUTLER; GULDE).
Over de onderscheiding van andere soorten ziet BUTLER.
STICHEL beschouwt deze als een var. van unifasciatus.
asperulae FIEB. OSHANIN 2425.
Bij Frankfort in de duinstreken op zandige open bosch-
plekken op Asperula cynanchica L. (GULDE).
“vulneratus PNZ. OSHANIN 2428.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus) noemt deze soort
zeer gemeen op de duinen van half Juni tot in Augustus;
Ameland.
Terschelling 31.7—-5.8.25 (RECLAIRE 1); Waalsdorp 7
(BLOTE 1); Renesse 8.1887 (FOKKER); Wik a. Z. 8.1910
(MAC GILLAVRY); Zandvoort 5.8.30 (RECLAIRE; V. D. WIEL).
Wordt hoofdzakelijk van Galium, ook van andere lage
kruiden en kruipwilg vermeld (BUTLER). GULDE: op zand-
duinen en omgeving onder Salsola kali L.
Omtrent de onderscheiding van andere ziet ook BUTLER.
“var. intermedius JAK.
Zandvoort 5.8.30 (RECLAIRE; V. D. WIEL). Alleen gd,
wat ook reeds GULDE opmerkt, bovendien gaan var. en
type min of meer in elkaar over.
cognatus FIEB. OSHANIN 2420.
Volgens GULDE een relikt van de Pontische steppenfauna,
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 175
bij Frankfort in het duingebied met vulneratus o.a. gezellig
onder Salsola kali L. en Cruciferen.
Polymerus WESTW.
“holosericeus HHN. OSHANIN 2431.
Epen, L. (MAC GILLAVRY).
Volgens GULDE aan wegkanten en op droge hellingen,
doch ook op moerassige weilanden op Galium-soorten.
nigrita FALL. OSHANIN 2432.
Verbreid in Engeland en Schotland, niet in Wales en
lerland (BUTLER); Beneden-Elbegebied (STICHEL).
BUTLER: op Galium verum, boreale en aparine en op
Stachys sylvatica L.
carpathicus HORV. OSHANIN 2433.
Bi Frankfort volgens GULDE met de larven op Galium
boreale L.
Charagochilus FIEB.
*gyllenhali FALL. OSHANIN 2436.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus): Scheveningen
22.7.1874 en Loosduinen. FOKKER III, p. 60 (Poeciloscytus):
Haarlem 8 en 9, Vorden 9 en Zierikzee 0.
Deventer 8.1912 (KLAASSEN); Zandvoort 12.7.31 (RE-
CLAIRE); Winterswijk 19 en 21.5.18 (Vv. D. WIEL); Wijk a. Z.
8.09, Gulpen 7.07 en Valkenburg 8.08 (MAC GILLAVRY).
Van droge plekken op Galium verum en boreale, Scabiosa
en van afstervende dennentakken vermeld (BUTLER); GULDE
noemt alleen Galium, vooral verum L.
BUTLER beschrijft een in Engeland minder dan het type
voorkomende vorm dezer soort, wellicht een spec. prop.
Liocoris FIEB.
*tripustulatus F. OSHANIN 2440.
Algemeen.
Bewoont hoofdzakelijk brandnetel (BUTLER ; GULDE), wordt
echter ook van eenige andere kruiden en wilg vermeld.
OSHANIN noemt van deze soort de var. pictus H. S. en *nepe-
ticola REUT., die bij ons met het type, doch minder veel-
vuldig voorkomt. STICHEL onderscheidt nog 5 andere var.
de var. x, 8,7 en à van REUTER. Het heeft wellicht weinig
176 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
belang deze te onderscheiden, daar zij toch min of meer
sterk in elkaar en de nominaatvorm overgaan. Opvallend is
wel de *var. quadrimaculata STICH. (= var. y van REUTER),
die bij ons met het type voorkomt.
Camptobrochis FIEB.
*Intescens SCHILL. OSHANIN 2444.
Verbreid.
Wordt hoofdzakelijk van eik aangegeven, doch ook van
verschillende kruiden (BUTLER). Volgens GULDE in het
voorjaar op wilgenkatjes, later op allerlei struiken, vooral
op jonge eiken, zeer nuttig door het verdelgen van schade-
lijke insekten.
*punctulatus FALL. OSHANIN 2446.
Hilversum 13 en 27.8.21, 16 en 18.6 en 3.7.25 (RECLAIRE);
dito 8.10.22 (KOORNNEEF); Meijendel, 7—9, in het gras
(BLÔTE 1); Bentveld 9.13 (MAC GILLAVRY).
Volgens GULDE alleen op zandduinen en omgeving op
en onder Artemisia campestris L. en Chenopodium. STICHEL
vermeldt deze nog van Tanacetum en Senecio.
BUTLER noemt haar niet uit Engeland.
Deraeocoris KBM. FOKKER III, p.61: Capsus F.
*cordiger HHN. OSHANIN 2453.
FOKKER: Nijmegen 6, Renesse 8 en Wageningen.
Hilversum begin Juli tot ca. midden Augustus talrijk op
Sarothamnus (RECLAIRE); Nijmegen 7.27 (VAN ROON); Amers-
foort 8.1911 (LANGEVELD); Bergen op Zoom 7.08 en 19.7.16
en Mook 6.1912 (Mac GILLAVRY); Apeldoorn 16.7.11
(KOORNNEEF).
GULDE geeft deze voor Frankfort aan als zeer zeldzaam,
solitair op wilgenstruiken en Sarothamnus, STICHEL vermeldt
deze ook van grassen.
BUTLER vermeldt haar niet uit Engeland.
“var. lateralis REUT.
Bij Hilversum met het type, zeldzaam (RECLAIRE).
*var. apicalis SIGN.
Hilversum met het type (RECLAIRE); Apeldoorn 20.7.11
(KOORNNEEF).
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 177
Voorts worden nog onderscheiden de var. fallaciosus REUT.,
aurantiaca STICH. (= de var. e van REUTER) en flava STICH.
*scutellaris F. OSHANIN 2454.
FOKKER VIF ps 35: Venlo.
Wordt vermeld van Calluna, Sarothamnus, grassen en
berk (BUTLER).
*trifasciatus L. OSHANIN 2458.
FOKKER III, p. 62: Holland.
_ Winterswijk, ©, van lijsterbes (MAC GILLAVRY 6); Nijmegen
of Apeldoorn (MAC GILLAVRY); Geulle 12-16.6.19 (V. D. WIEL);
Diepenveen 10.6.22 (van Cirsium arvense; RITSEMA); Vaals
9.6.31 (WISSELING). Larve (?): Ootmarssum 5-8.6.25 (BROERSE).
Volgens GULDE met de larve zeer nuttig door het verdelgen
van rupsen (Hyponomeuta malinella ZELL. op appelboomen),
Tortrix viridana L. op eik enz.
BUTLER vermeldt deze soort niet uit Engeland.
var. convivus HORV.
Bij Frankfort een 4 onder vele D. olivaceus op een appel-
boom (GULDE).
var. regalis HORV.
By Frankfort o.a. op geveld hout, struiken en appelboo-
men (GULDE).
var. bipartitus HORV.
By Frankfort zeldzaam (GULDE).
*var. annulatus GERM.
Ratum 15.6.21 (MAC GILLAVRY).
Volgens GULDE alles 99.
var. rubriceps HORV.
Bij Frankfort op appel en eik, alleen QQ (GULDE).
*olivaceus F. OSHANIN 2460.
FOKKER IV, p. 298: Cuijk.
Venlo 20.8 (v. D. BRANDT); Ederveen 19-13.6.25 (BROERSE);
Heerlen 11.6.13 (WILLEMSE).
Volgens GULDE ter zelfde plaatse als trifasciatus en met
deze te zamen
BUTLER noemt deze soort niet uit Engeland.
*var. medius KBM.
Arnhem 6.05 (MAC GILLAVRY 4 en 5).
178 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
*ruber L. OSHANIN 2462. (FOKKER III, p. 62: laniarius L.).
Verbreid door het geheele land, nog niet uit de noordelijke
provincien aangegeven, noordelijkst: Ommen met de var.
tricolor e.a.
Volgens BUTLER op brandnetel en andere hooge kruiden,
soms op boomen, volgens GULDE vooral op met rupsen be-
zette eiken en op dennen, waarop Lachnus-kolonie’s; als
imago en larve op appel- en pruimeboomen, waarop rupsen,
blad- en bloedluizen; REICHERT (1921) vond deze op ge-
kweekte rozen.
OSHANIN vermeldt de *var. danicus F. [(FOKKER III, p. 62:
Gelderland hier en daar; Valkenburg 7 en Breda); Maastricht
6.30 (SCHOLTE); Apeldoorn 13.83.07 en 15.8. 10 (KOORNNEEF);
Venlo 8 (V. D. BRANDT)|, segusinus MüLL. en concolor REUT.,
STICHEL bovendien nog *fieberi STICH. [(— var. y van REUTER)
Apeldoorn 20.7.11, 22.7.10 en 4.8 en 23.38.07 (KOORNNEEF)]
en gothica SCHRK. die wel bij ons met het type zal voorkomen.
Capsus F. FOKKER III, p. 62: Rhopalotomus FIEB.
“ater L. OSHANIN 2469.
Gemeen, met de “var. tyrannus F. en *semiflavus L. FOKKER
a3) Wezel
Volgens BUTLER tusschen hooge grassen, aan de wortels
van helm, tusschen halophiele planten en op Heracleum en
Spiraea ulmaria. Hy deelt iets mede omtrent een in Sussex
gevonden eigenaardig 4, waarvan vele kenmerken duiden
op intermedius REUT. (OSHANIN 2470), die alleen uit West-
Siberië bekend is.
Alloeotomus FIEB.
*gothicus FALL. OSHANIN 2474.
Verbreid. Merkwaardigerwijze noemt FOKKER (III, p. 62)
deze soort zeer zeldzaam.
Op dennen.
BUTLER vermeldt haar niet uit Engeland.
Lopus HHN.
mat ROSSI. OSHANIN 2477.
Belgié (FOKKER III, p. 56); Bois d’Angre (LETHIERRY).
Volgens STICHEL komt deze nog niet in Duitschland ge-
vonden soort voor op Malva en Rubus,
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 179
flavomarginatus DONOV. OSHANIN 2478.
Westfalen (STICHEL); Kustgebied van West- en Zuid-
Engeland, Ierland (BUTLER).
Hij sleepte deze soort van grazige plekken in boschachtig
land, vooral waar wilde rozen groeiden, wijst ook op ver-
meldingen van Linaria vulgaris, bramen, eik, populier en
Heracleum. Jaagt wellicht op bladluizen. GULDE vermeldt
deze van droge berghellingen van Galium.
Aangaande de beschrijving van deze soort ziet ook BUTLER.
sulcatus FIEB. OSHANIN 2480.
Zuidwest-Engeland (BUTLER).
Volgens hem op talrijke bloeiende planten.
*sothicus L. OSHANIN 2483.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Holland.
Epen, L. 6.1911 (MAC GILLAVRY; gen 9).
BUTLER vond deze aan de wortels van hoog opschietende
planten en soms door sleepen. Hij wijst op vermeldingen
van diverse kruiden, ook van mei- en sleedoorn. Volgens
GULDE op droge weiden en akkers op Galium-soorten en
grassen. LETHIERRY beschrijft haar van Epilobium.
var. marginalis REY.
Volgens GULDE (hij noemt deze emarginalis) bij Frankfort
alleen 99.
Volgens BUTLER heeft de nog niet bij ons gevonden var.
elegans REUT. alleen betrekking op go. Hij beschrijft deze
var, kort,
var. superciliosus L.
Engeland (BUTLER).
cingulatus F. OSHANIN 2484.
Rijnland (STICHEL); Westfalen (HüEBER); België (FOKKER
III, p. 56: albomarginatus HAHN).
Leeft volgens GULDE op zandige terreinen op grassen o. a.
Bromus; STICHEL noemt als verblijfplant bovendien Verbas-
cum, Galium, Echium, Erigeron en Chenopodium.
lineolatus BRULLE. OSHANIN 2485.
België (FOKKER III, p. 56).
Angre en Artres op Clematis vitalba (LETHIERRY).
180 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Acetropis FIEB.
*carinata H. S. OSHANIN 2490.
Deventer 15.6.19, 9 (KLAASSEN); Hilversum 15.7.12 (DE
MEIJERE); Terborg, 9, 6.1910 en Mook 6.1912 (MAC GILLAVRY).
Volgens STICHEL aan boschranden en op open boschplek-
ken in het gras. GULDE vermeldt deze van duinen en braak-
akkers op grassen.
*simmerthali FL. OSHANIN 2492.
FOKKER III, p. 54: Staalduin.
Volgens BUTLER zoowel op droge als op vochtige plaatsen
door sleepen te vinden, tusschen grassen aan de voet van
biezen. Volgens GULDE op de zandduinen op grazige plaatsen
op Bromus met de vorige soort.
Beschrijving en onderscheiding van 4 en Q ziet BUTLER.
Stenodema LAP. FOKKER III, p. 54: Miris F.
®calcaratum FALL. OSHANIN 2495.
Overal gemeen, ook op de eilanden, met de var. *virescens
FIEB. en *grisescens FIEB.
Deze soort leeft op allerlei terreinen op grassen.
Er is ook nog een var. pallescens REUT. bekend. Of aan
de naamgeving van var. dezer zeer variabele soort waarde
mag worden gehecht, staat te bezien. Ziet BUTLER.
trispinosum REUT. OSHANIN 2406.
Norfolk (EDWARDS 2). Hij geeft de onderscheiding van
calcaratum aan.
*virens L. OSHANIN 2497.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN’s opmerking, dat deze soort
algemeen is, houdt FOKKER (III, p. 54) wel terecht voor
onjuist, wel ontstaan door verwisseling met laevigatum.
Baarn 29.5.20 en Hilversum 6.6.20 (RECLAIRE); Denekamp
10.6.16 (V. D. WIEL); Lunteren 7.17, Winterswyk 15.6.21,
Mook 8.1910, Pietersberg 7.08, Valkenburg 6.07 en Gulpen
7.07 (MAC GILLAVRY); Maastricht 3.6.30 (SCHOLTE); Zeist
31.5.08 (BIERMAN); Barneveld 7.16 (KLAASSEN); Pannerden
8.16 (WILLEMSE); Arnhem 7. en 8.05 (DAMMERMAN); Dene-
kamp 10.6.16 (v. D. WIEL) en Venlo 5 (Vv. D. BRANDT).
Tusschen grassen. Volgens STICHEL echter ook op Juni-
perus, grove den, Picea excelsa, Medicago en esch!
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 181
Niet door BUTLER uit Engeland vermeld.
“var. fulvum FIEB.
FOKKER III, p. 54: Arnhem 10, Velp 7 en Ruurlo 7.
Hilversum 25.9.27 (RECLAIRE); Apeldoorn 18.8.14 (KOORN-
NEEF); Lunteren 8.18 en Mook 8.1910 (MAC GILLAVRY);
Venlo 5 en 8 (V. D. BRANDT).
*var. nigrofuscum FOKK.
FOKKER III, p. 54: Leiden.
#laevigatum L. OSHANIN 2503.
Terschelling (Mac GILLAVRY 10), verder verbreid tusschen
het gras met de var. *virescens FALL., *pallescens FALL. en
*grisescens FALL. De var. melas REUT. Kent, Surrey en Midd-
lesex (BUTLER; hij beschrijft kort deze var. Zij komt volgens:
hem níet op het continent voor).
*holsatum F. OSHANIN 2507.
HORKER UN pP: 55; ASsen 7.
Mens tan 357203 (VD INA ART) dito) 14.8.20, Ey 3.8.29,
Baarn 2224. en 28.5.21 en Beetsterzwaas 31.7 en 3.0.20 (RE-
CLAIRE 3); Winterswijk 18.5.29 (RECLAIRE); Beetsterzwaag
7-11.6.22, Ommen 6.16 en Denekamp 5.18 (MAC GILLAVRY);
Deventer 6.1910 en Groesbeek 6.14 (KLAASSEN); Denekamp
(VD Wien); Venlo 3 (Vv. D. BRANDIT)LensEutten Niel:
8.08 (J. TH. OUDEMANS).
Volgens BUTLER op meer vochtige plaatsen van grassen
en Pteris, volgens GULDE op de heide, op droge hellingen
op heidekruid en grassen.
*var. viridilimbatum REUT.
Met het type. Volgens GULDE alleen QQ, een voorjaarsvorm.
var. dorsale REUT.
Bij Frankfort met het type, doch niet veelvuldig. (GULDE;
volgens hem is de var. testaceus REUT. = nominaatvorm).
Notostira FIEB. FOKKER III, p. 55: Megaloceraea FIEB.
*erratica L. OSHANIN 2510.
Overal zeer gemeen.
Volgens BUTLER op grassen en op zilte plaatsen op Arte-
misia maritima. Over voeding, eieren, larven, schade aan
grassen, enz., ziet CHINA.
De door FOKKER verm. var. virescens FIEB. is bij OSHANIN
182 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
= nominaatvorm. Volgens STICHEL is het de zomerkleur,
de herfstkleur is dan de var. autumnalis STICH. (voor zoover
deze niet = tricostata COSTA zou blijken!) OSHANIN en
STICHEL vermelden ook nog een *var. ancestralis REUT. Alle
zullen wel bij ons met het type voorkomen. Laatsgenoemde
bij Hilversum 10.7.31 (KALF).
*tricostata COSTA. OSHANIN 2511 a. FOKKER III, p. 55:
erratica var. ochracea FIEB.
Vrij gemeen.
Volgens REUTER (ziet BUTLER, GULDE en FOKKER) is
tricostata geen spec. prop. doch de bruine herfstvariatie van
erratica en moet heeten: ochracea FIEB. STICHEL echter
beschrijft deze als goede soort. Uit de mededeelingen van
CHINA (2), die de typische zomervorm van het © van Noto-
stira erratica uit eieren van N. tricostata kweekte, mag men
wel besluiten, dat tricostata COSTA (= ochracea FIEB.) als
de wintervorm van N. erratica is te beschouwen. Hij bericht
ook over de onderscheiding der beide vormen.
Megaloceraea FIEB.
*linearis FUESSL. OSHANIN 2512.
Maastricht 1.7.30 in het gras (SCHOLTE); Zuid-Limburg
6.09 (UYTTENBOOGAART).
Volgens GULDE in vochtige loofbosschen en op weiden
op sappige grassen.
Trigonotylus FIEB. FOKKER III, p. 55: Megaloceraea FIEB.
#ruficornis GEOFFR. OSHANIN 2513.
Gemeen, ook op de eilanden.
Volgens BUTLER op grassen op weiden en langs wegen,
enz., volgens GULDE ook op droge terreinen, zelfs op nauwe-
lijks met dun gras begroeide zandheuvels.
pulchellus HHN. OSHANIN 2514.
Volgens GULDE bij Frankfort op de duinen en in zand-
streken, vooral op Bromus sterilis L., vaak in gezelschap
van T. ruficornis en Amblytylus albidus HHN.
brevipes JAK. OSHANIN 2515.
Volgens SCHNEIDER op Juist, wat echter STICHEL niet
aangeeft.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 183
*psammaecolor REUT. OSHANIN 2516.
Terschelling 31.7—8.25 en 6.8.31 en Vlieland 20.8.29 op
Keim (RECUAIRE (em 5); dito 18.37, 241000 eny2n you (RE;
CLAIRE); Bierlap 7 in de aren van helm (BLOTE 1).
Op de duinen op Elymus en Ammophila. Volgens STICHEL
ook op Oenothera en Calamagrostis.
Volgens BUTLER behoort deze soort niet tot Trigonotylus
doch tot Megaloceraea. Hij deelt nog het een en ander
omtrent de herkenning mede. BLOTE beschrijft de soort
eveneens en beeldt haar af.
Teratocoris FIEB.
“antennatus BOH. OSHANIN 2518.
FOR Wilde he Zienikzeens rom Qe RIVA
En ADrACh
Kortenhoef 10.68 8 (RECEMIRE: vid Brome), Dit ex.
zou men tot de var. bohemani STICH. kunnen rekenen,
ofschoon het echter ook aan de var. notata BAER. schijnt
te herinneren.
Volgens BUTLER op vochtige plaatsen, vooral op zilte
terreinen tusschen Scirpus maritimus, ook op Phragmites, vol-
gens GULDE op Glyceria spectabilis M. et K. en fluitans R. Br.
BUTLER wijst er op, dat van deze soort 2 kleurvormen
voorkomen, die, ofschoon niet gemakkelijk, toch wel van
saundersi te onderscheiden zijn.
viridis DGL. SC. OSHANIN 2519.
Op eenige plaatsen in Engeland (BUTLER). Volgens hem
tusschen Carex en Ononis, doch ook op vochtige terreinen.
Hij bericht over de onderscheiding van saundersi.
De var. hyperboreus J. SHLB. komt klaarblijkelijk in Enge-
land niet voor, is ook bij ons niet gevonden.
*saundersi DGL. SC. OSHANIN 2520.
FOKKER V, p. 359: Zierikzee, 7, uiterst gemeen op een
lage weide.
Volgens BUTLER op vochtige plaatsen tusschen Juncus
compressus, ook op Phragmites en Heleocharis, Calamagros-
tis en framboos aangegeven.
Hij wijst er op, dat dit een, wat de afmetingen der pooten
en sprieten betreft, zeer veranderlijke soort is. Hij beschrijft
184 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
de aanhangsels van het mannelijk geslachtsdeel vergeleken
met dat van antennatus.
Miris F. FOKKER III, p. 56: Leptoterna FIEB.
*dolobratus L. OSHANIN 2524.
Gemeen, ook op de eilanden.
Op weiden en grazige plaatsen in bosschen, vooral op
Chrysanthemum (GULDE).
*var. aurantiacus REUT.
Met het type. Volgens GULDE alleen gg.
*ferrugatus FALL. OSHANIN 2525.
Verbreid, ook op de eilanden.
BUTLER vermeldt deze behalve van grassen ook van eik,
GULDE van dezelfde plaatsen als de vorige soort.
var. albescens REUT.
Volgens GuLDE (albicans) bij Frankfort niet zeldzaam met
het type.
Bothynotus FIEB.
*pilosus BOH. OSHANIN 2527.
FOKKER V, p. 359: Limburg, macr.
Volgens BUTLER op Coniferen, GULDE vermeldt deze van
dor gras, doch ook gezeefd uit veenmos!
Monalocoris DARLE.
*filicis L. OSHANIN 2520.
Overal, ook op de eilanden.
Op varens, als Aspidium, Athyrium, Pteris etc.
Omtrent de kleur van deze soort en afwijkende ex. ziet
BUTLER.
Bryocoris FALL.
*pteridis FALL. OSHANIN 2530.
FOKKER V, p. 359: Velsen.
Beetsterzwaag 2.8.26 (RECLAIRE 3); Hilversum 2.8.09 (DE
MEIJERE); Eerbeek 9.18 (UYTTENBOOGAART); Mook 6
(EVERTS).
Eveneens op varens, zij doet volgens REH de bladeren
soms afsterven.
Over de macroptere vorm ziet BUTLER.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 185
Macrolophus FIEB.
*nubilus H. S. OSHANIN 2534.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus): Utrecht.
Volgens BUTLER vooral op bramen, verder van Stachys,
Urtica, Inula en Ononis aangegeven. Verschijnt volgens
GULDE reeds midden Mei op Stachys.
Dicyphus FIEB.
“pallidus H. S. OSHANIN 2530.
FOKKER III, p. 65: Utrecht 6, 9 en Voorst 7 (det. REUTER).
Schin op Geul 20.9.29 en 17.9.31, Houtem 19.9.29 en
Wylré 18.9.29 en 13.9.30, brach. op Stachys (RECLAIRE) 1);
Bierlap 7 en 8 in het gras (BLOTE 1); Overveen 7.15 (LE
MAIRE); Houtem 7.16, Valkenburg 7. en 8.14 en Epen, L.
20.7.16 (MAC GILLAVRY).
Volgens GULDE in schaduwrijke vochtige loofbosschen op
Stachys-soorten, soms ook op brandnetel.
BUTLER noemt haar niet uit Engeland.
“constrictus BOH. OSHANIN 2540.
Wijk aan Zee 8.1010 (MAC GILLAVRY).
BUTLER vermeldt deze van Lychnis dioica, vooral in scha-
duwrijke bosschen, GULDE van Stachys en Urtica met de vorige
soort, andere van Melandryum, Symphytum, Aconitum, Rubus
en Digitalis.
#epilobii REUT. OSHANIN 2541.
FOKKER III, p. 65: Zierikzee 9, Renesse 8 en Valkenburg
Zu (der REUTER).
Ankeveen 22.38.25 (RECLAIRE); Kortenhoef 19, 26 en 27.7.,
9.8. en 2.9.30 en 5.7.31 op Epilobium, 9 dd en 63 PQ
(KALF; RECLAIRE); Spaubeek 24.7.30 (SCHOLTE; op Epilobium
hirsutum); Haamstede 7.1911 en Naarder Meer 7.8.23 (MAC
GILLAVRY). Larve (laatste stadium?): Kortenhoef 5.7.30 (KALF).
Volgens BUTLER op Epilobium hirsutum.
Hij beschrijft het 9 van deze soort.
*errans WLFF. OSHANIN 2542.
1) De vermelding van Ankeveen (RECLAIRE 3) berust op verwisseling
met epilobii,
186 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
FOKKER III, p. 65: Wageningen 10 en Vogelenzang 7
(det. REUTER).
Meerssen 21.9.29 en Schin op Geul 20.0.29 en 17.9.31 op
Stachys (RECLAIRE) '); Maastricht 26.6. en 24.9.30 (SCHOLTE);
Meijendel in het gras 6--10 (BLOTE); Haarlem 11.9.1884
(GROLL); dito 22.6.19 (KOORNNEEF); Houtem 9.15, Grons-
veld t1.9.15 en Valkenburg 6.1911 (MAC GILLAVRY); Wylré
ALO3OR(SCHOLTE):
BUTLER vermoedt, dat deze hoofdzakelijk op brandnetels
voorkomt; volgens GULDE op Stachys sylvatica, volgens
anderen op en onder de meest verschillende planten.
*var. longicollis FALL.
Valkenburg 8.14 (MAC GILLAVRY).
stachydis REUT. OSHANIN 2546.
Engeland en Schotland (BUTLER).
Volgens hem hoofdzakelijk op Stachys sylvatica, doch
worden ook allerlei andere planten vermeld. Bij Frankfort
komt deze soort niet voor. GULDE verwacht haar echter in
het gebergte aan de oevers van bronbeeken en in hoogeveenen.
*pallidicornis FIEB. OSHANIN 2548.
Epen, L. 6.1911 op Digitalis en den Haag 6.19 (MAC GIL-
LAVRY 18); Hilversum 14 en 28.8.25, Beetsterzwaag 31.7.—
1.8.26 en Nunspeet 6. en 7.8.25 op Digitalis (RECLAIRE);
Vaals 29.5.27 (V.D. WIEL); Valkenburg 7.1910 (MAC GILLAVRY).
Wordt uitsluitend van Digitalis opgegeven, men vindt haar
vooral op de bladonderzijde.
*slobulifer FALL. OSHANIN 2553.
FOKKER III, p. 65: Arnhem 7.
Schin op Geul 20.5.26 en Houtem II en 14.9.30 (RE-
CLAIRE); Assen 23.5.31 en Winterswijk 19-21.5.18 (V. D. WIEL);
Meijendel 5-9, o.a. op Melandryum album (BLOTE 1); Aer-
denhout 7.13, Wijk aan Zee 7.09 en 1910, Winterswijk
9.1910 en 16.6.21 en Valkenburg 8.14 en 9.9.15 (MAC GIL-
LAVRY); Zandvoort 27.7. en 5.8.30 (RECLAIRE; V. D. WIEL);
Deventer 7.1911 (KLAASSEN).
1) De vermelding van Ankeveen (RECLAIRE 3) berust op verwisseling
met epilobii.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 187
Volgens BUTLER en GULDE op Lychnis dioica en vesper-
tina, wordt echter ook van andere kruiden als Dianthus,
Melandryum, Silene, Ononis, Pteris en Athyrium vermeld.
*annulatus WLFF. OSHANIN 2554.
FOKKER III, p. 65 en V, p. 359: Walcheren en Limburg 9.
BUTLER vermeldt deze van Ononis vooral in de nabijheid
van de kusten. GULDE bovendien van onder Geranium en
tusschen het gras, andere weer van Salvia, Inula en zelfs Pinus!
Campyloneura FIEB.
*virgula H. S. OSHANIN 2550.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus): Leeuwarden, Arn-
hem 8, Beekhuizen 8, Utrecht 6 en 9, Driebergen, Wasse-
naar, Leiden, Heemstede en Middelburg.
Beetsterzwaag 30.7. en 1.8.26 van sierstruiken (Kerria?;
RECLAIRE); Meijendel 7 (BLÔTE 1); Baarn 3.8.21 en Hilver-
sum 10.9.16 (KOORNNEEF); den Haag 8.06 (Vv. D. WEELE);
dito 7.8.16 (in coll. MAC GILLAVRY); Nijmegen 5.7.08 (BIER-
MAN); Lunteren 3.18, Winterswijk 17.7.04, Houtem 7.17 en
Valkenburg 7.07 (MAC GILLAVRY).
Volgens BUTLER op verschillende boomen: eik, haagbeuk,
populier, esch, hazelaar, wilg, hulst en jeneverbes, volgens
GULDE nuttig door het verdelgen van bladluis, bloedluis en
rupsen van verschillende boomen. Volgens STAGER vervolgt
zij de Psocide Stenopsocus stigmaticus (ziet WEBER).
Allodapus FIEB.
rufescens BURM. OSHANIN 2563.
In Groot-Brittannié verbreid (BUTLER); Barveux, Belg.
(FOKKER 6).
Op heideplanten, schijnt vooral des avonds te verschijnen
en kan dan gesleept worden. Volgens GULDE in mossen
tusschen heidekruid. Volgens WASMANN bij Parijs bij Aphae-
nogaster structor LTR. en ook bij Formica spec.
montandoni REUT. OSHANIN 2564.
Kent en Glocestershire (BUTLER 1). Hij beschrijft de onder-
scheiding van rufescens. Zij schijnt, in tegenstelling met deze,
niet met heide geassocieerd te zijn, misschien met mieren.
n
13
188 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Omphalonotus REUT.
quadriguttatus KBM. OSHANIN 2567.
Volgens GULDE in de omgeving van Frankfort op droge
zonnige open boschplekken op kiezel- en zandgronden onder
Artemisia, Salvia en in het gras, # en 9. Een uiterst snel
diertje, dat daardoor moeilijk onbeschadigd te vangen is.
Systellonotus FIEB.
*triguttatus L. OSHANIN 2577.
FOKKER III, p. 65: Zierikzee 6.
Wijk a. Zee 6.6.09, 9, met larven in een mierennest (Lasius
niger?), op de duinen onder een mat (MAC GILLAVRY 4), 18.6.,
d'en 7.6.09, g (MAC GILLAVRY 4) en Beetsterzwaag 7—11.6.21
(MAC GILLAVRY).
Volgens MAC GILLAVRY (4) het & op droge heuvelachtige
plaatsen, het © zeer weinig waargenomen, wat aan de levens-
wijze en het mierachtige voorkomen te wijten moet zijn.
Volgens BUTLER geassocieerd met Formica fusca, Lasius
niger en Tetramorium caespitum.
Volgens GULDE op droge weiden, onder grassen, Echium,
Artemisia, Salvia, Achillea in gezelschap van Lasius niger.
WASMANN vermeldt aangaande deze als gast van Lasius
niger L. o.a.: „Das Männchen ist weder myrmekoid noch so
regelmässig myrmekophil wie Weibchen und Larve.”
Cremnocephalus FIEB.
albolineatus REUT. OSHANIN 2501.
Munster (HüEBER).
Volgens GULDE vooral op dennen, doch ook op spar en lork.
Met ? vermeldt WASMANN deze bij Formica rufa L.
Pilophorus WESTW. (FOKKER 1).
Volgens FULTON (ziet V. EMDEN 1924) is de mierengelij-
kenis bij dit geslacht zuiver toevallig, daar de blad- en schild-
luizen, waarvan .zij leven, zeer trage dieren zijn. Volgens
andere echter (ziet BUTLER), dient de mierengelijkenis wel-
licht als bescherming tegen de aanvallen van mieren. In elk
geval vindt men Pilophorus veelal te samen met mieren, wat
te denken geeft in verband met FULTON’s opmerking.
*cinnamopterus KBM. OSHANIN 2593.
Zeer verbreid.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 189
Op Pinus (FOKKER) en Abies. GULDE deelt mede, dat deze
soort op dennen te samen met Formica-soorten de koloniën
van Lachnus-soorten vervolgt. Misschien zijn, althans volgens
BUTLER, de larven geassocieerd met mieren, Formica con-
gerens, rufa en Lasius niger.
WASMANN noemt deze soort bij Formica rufa L. en
pratensis DEG.
*clavatus L. OSHANIN 2595.
Verbreid. Vlieland 25 en 27.8.29 op een els, waarop ook
mieren (RECLAIRE 5).
Volgens BUTLER op wilg, hij wijst echter ook op mede-
deelingen omtrent het voorkomen op berk, els, esch, haze-
laar, populier, eik, aalbes, gagel en den, GULDE citeert de
soort van Pinus en Picea, en ook vooral op met eikenwikke-
laar bezette eiken; omtrent myrmekophilie uit hij zich niet.
Volgens WASMANN by Lasius niger, fuliginosus en ook
bij Formica fusca.
“perplexus DGL. SC. OSHANIN 2597.
Verbreid.
BUTLER spreekt over het voorkomen op verschillende loof-
boomen, maakt ook gewag van associatie met Formica fusca,
rufa, Lasius niger en fuliginosus, noemt de soort echter
merkwaardigerwijze niet van Pinus! Volgens GULDE zoowel
op naald- als loofhout, ook op vruchtboomen en Salix cinerea.
WASMANN citeert haar uit Engeland van ,,Formica fusca
(Lasius niger ?)”.
*confusus KBM. OSHANIN 2599.
FOKKER VI, p. 35: Haamstede 8.
Terschelling 31.7—5.8.25 en Vlieland 20—25.8.29 op eiken,
waarop ook mieren (RECLAIRE I en 5); Meijendel 6—9 op
kruipwilg (BLÔTE 1); Maastricht 9 en 14.7.30 (SCHOLTE);
Stejl—den Hamer (UYTTENBOOGAART); Deventer 8.1912
(KLAASSEN).
Volgens WASMANN bij Lasius niger L.
Cyllocoris HAN.
“histrionicus L. OSHANIN 2605.
Overal op eik.
190 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Ook van berk genoemd (BUTLER). Volgens GULDE vooral
op door rupsen aangetaste eikenboschjes, ook op hazelaar.
*flavoquadrimaculatus DE G. OSHANIN 2607.
Verbreid. Breda, verlamd door Crabro albilabris F. (MAC
GILLAVRY 5).
Volgens BUTLER en GULDE met de vorige op eiken.
Blepharidopterus KLTI. FOKKER III, p.68: Aétorhinus FIEB.
“angulatus FALL. OSHANIN 2611.
Gemeen. Komt in het najaar des avonds op de lamp af
(MAC GILLAVRY).
Volgens BUTLER op verschillende loofboomen, volgens
GULDE vooral op els en hazelaar.
Globiceps LE P.S.
*sphegiformis ROSSI. OSHANIN 2613.
FOKKER III, p.67: Valkenburg 7.
Epen, L., , 20.7.16 (MAC GILLAVRY).
Volgens GULDE op jonge eikenstruiken en grassen.
Door BUTLER niet uit Engeland vermeld.
*cruciatus REUT. OSHANIN 2621.
FOKKER III, p.68: Wassenaar 8, 9, Zierikzee 9, { macr.,
©, brach. en Ruurlo 7, 9, macr.
Vlieland 8.31 (RECLAIRE), Terschelling 4.8.25, de Bilt
18.7.25 en Beetsterzwaag 30.7 en 5.8.26 (RECLAIRE 3);
Deventer 7.1911 (KLAASSEN); Mook 8.1910, Wijk a. Z. 7.09
(macr. 9), Pietersberg, Valkenburg en Gulpen 7.08 (MAC
GILLAVRY); Zuid-Limburg 6.09, macr. £ (UYTTENBOOGAART).
Op wilgen (BUTLER); op boschweiden en aan boschranden
op grassen en eikenstruiken (GULDE). —
Over de herkenning van deze soort ziet BUTLER.
*flavomaculatus F. OSHANIN 2622.
FOKKER III, p.68: 99: Vorden 7, Doetinchem, Ruurlo
en Valkenburg, alles 7; g': Utrecht.
Meijendel 6—8 op kruipwilg (BLOTE 1); Terschelling
31.7 5.3.25 (RECLAIRE 1); Apeldoorn 24°8:07) en deeessum
15.7.19 (KOORNNEEF); Barneveld 7.16 en Deventer 8.1912
(KLAASSEN); Gorse 6.1910, Winterswijk 14.7.21, Terborg
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. IOI
6.1910, Oisterwijk 7.06, Sittard 7.16 en Valkenburg 7.14
(MAC GILLAVRY); Gronsveld 29.7.07 (DE MEIJERE).
Op schermbloemen en Urtica, aan de voet van lage
planten (BUTLER); ter zelfde plaatse als de vorige (GULDE).
dispar BOH. OSHANIN 2623.
In Engeland niet gemeen (BUTLER).
Aan de voet van lage planten.
Volgens BUTLER is de uit Leicester vermelde ater DGL.
Sc. (OSHANIN 2624) beschreven naar een ® en sindsdien
niet meer teruggevonden. Hij beschouwt het als een donkere
var. van dispar.
Mecomma FIEB.
*ambulans FALL. OSHANIN 2626.
Winterswijk 16.6.21, g (MAC GILLAVRY).
Volgens BUTLER op vochtige plaatsen tusschen biezen,
ook van Rubus en Aspidium vermeld. GULDE noemt derge-
lijke vindplaatsen.
Cyrtorrhinus FIEB.
“caricis FALL. OSHANIN 2628.
Terschelling 31.7—5.8.25 (RECLAIRE 1).
Volgens BUTLER tusschen biezen, ook tusschen Carex en
Heleocharis genoemd.
geminus FL. OSHANIN 2629.
Herts, Surrey (?) en Cheshire (BUTLER).
Eveneens op moerassige plekken.
| BUTLER beschrijft deze soort vrij uitvoerig.
“pygmaeus ZETT. OSHANIN 2630.
HOKMER ip: Om Renesse 3:
Op moerassige plaatsen tusschen half vergane planten.
De Engelsche ex. behooren volgens BUTLER tot een door
REUTER vermelde lichtgekleurde var.
flaveolus REUT. OSHANIN 2631.
Norfolk, Suffolk, Kent en Dorset (BUTLER).
Ter zelfde plaatse als de vorige.
Orthotylus FIEB.
Voor de herkenning en onderscheiding der meeste der
102 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
hier vermelde soorten geeft BUTLER verscheide nuttige aan-
wijzingen.
fuscescens KBM. OSHANIN 2636.
Inlandsch? Laren, N.-H. 13.6.15 (KOORNNEEF, 9, det. dub.).
In Schotland (BUTLER); Tervueren, Belg. (SCHOUTEDEN).
Volgens BUTLER en GULDE op den.
bilineatus FALL. OSHANIN 2639.
Verbreid in Engeland en Schotland, niet in Wales en
Ierland (BUTLER).
Volgens BUTLER en GULDE op Populus tremula L., wordt
ook nog van lijsterbes en appel vermeld.
virens FALL. OSHANIN 2640.
Inlandsch? Bunde 17.7.16 en Mook 6.1912 (MAC GILLAVRY;
det. dub.).
Op smalbladerige wilgen (BUTLER; GULDE).
*flavinervis KBM. OSHANIN 2641.
Kortenhoef 28.6.24, de Bilt 20.6.25 en Beetsterzwaag 31.7
en 3.8.26 (RECLAIRE 3); Apeldoorn 26.7.07 en Ankeveen
25.6.22 (KOORNNEEF).
Wordt van els (BUTLER; GULDE) en ook wel van wilg
vermeld.
*marginalis REUT. OSHANIN 2644.
Verbreid. Terschelling 31.7.—5.8.25 (RECLAIRE 1).
Volgens GULDE op wilgen, volgens BUTLER bovendien ook
op els en appel. In Engeland wordt deze soort in appelboom-
gaarden soms schadelijk.
*tenellus FALL. OSHANIN 2645.
Door SNELLEN VAN VOLLENHOVEN als Lygus angustatus
H. S. als bijvoegsel vermeld van den Haag 6. Dit heeft
FOKKER klaarblijkelyk over het hoofd gezien.
Meijendel 6, g* (BLÔTE I); Beetsterzwaag 7—11.7.22 (MAC
GILLAVRY).
GULDE vermeldt deze hoofdzakelijk van esch, BUTLER
meent, dat zij bij voorkeur op eik voorkomt, verder nog
op hazelaar en Pyrus.
*nassatus F. OSHANIN 2646.
FOKKER III, p. 67: Arnhem 7 en 8 en Wassenaar 6.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 193
Hilversum 3.8.23 (RECLAIRE); Amsterdam 15.8.14en 18,8.15,
Ankeveen 24.6.22, Laren, N.-H. 18.8.15 en Leersum 15.7.19
(KOORNNEEF); Nunspeet 7.21 (MAC GILLAVRY).
GULDE vermeldt deze alleen van linde, PU van eik
en esch, verder ook van wilgen.
*viridinervis KBM. OSHANIN 2647.
FOKKER III, p.67 en V, p. 359: den Haag 8 en Noordwijk.
Heemstede 13.7.12, g' (WILLEMSE); Amsterdam 13.7.14, d
(MAC GILLAVRY) en dito 1.7.08, Q (KOORNNEEF).
Volgens BUTLER op iep, volgens GULDE op Tilia parviflora.
prasinus FALL. OSHANIN 2648.
Inlandsch? Pietersberg 7.08, 9, dus det. dub. (MAC GILLAVRY).
Belgié (FOKKER III, p. 67); Engeland verbreid ne Bor-
kum van wilgen (SCHNEIDER).
Leeft volgens GULDE op smalbladerige wilgen, volgens
BUTLER op olm, hazelaar, eschdoorn en esch.
scotti REUT. OSHANIN 2649.
Verbreid in Engeland (BUTLER).
BUTLER vermeldt deze van olm en brandnetels, ook wel
van pruimeboomen.
ochrotrichus FIEB. OSHANIN 2651.
Verbreid in Engeland (BUTLER).
Leeft volgens hem behalve op olm, eik en linde, ook op
lage planten als Ononis.
“diaphanus KBM. OSHANIN 2654.
FOKKER III, p.67, eens gemeen op linden 7 en 8, Zierik-
zee en Steenwijk 7.
In tegenstelling met FOKKER leeft deze volgens BUTLER
en GULDE op wilg.
*flavosparsus C. SHLB. OSHANIN 2657.
FOKKER IU, p. 67: Bussum en Zierikzee 8.
Terschelling 8.1912 (var. 6; MAC GILLAVRY 10); Hilver-
sum 13.8.21 en 9.8.26 (RECLAIRE 3); Zandvoort 5.8.30 en
Meerssen 21.9.29 (RECLAIRE); Maastricht 3.7.30 op Cheno-
podium (SCHOLTE) en Arnhem 8.05 (DAMMERMAN).
Volgens GULDE op Chenopodium- en Atriplex-soorten,
BUTLER noemt bovendien nog Artemisia maritima.
194 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
*virescens DGL. SC. OSHANIN 2661.
Zeer verspreid.
Wordt alleen van Sarothamnus aangegeven.
*concolor KBM. OSHANIN 2663.
FOKKER III, p. 67 en V, p. 359: Steenwijk, Amersfoort,
Valkenburg en Winterswijk, alles 7.
Hilversum 7.7.28 (RECLAIRE 3); dito 8.08 en 15.8.10
(DE MEIJERE) en den Haag 24.9.22 (in coll. MAC GILLAVRY).
Op Sarothamnus (BUTLER) .en ook op Genista pilosa L.
en tinctoria L. (GULDE).
*adenocarpi PERR. OSHANIN 2665.
FOKKER III, p. 67: Wolfhezen 7 en Rolde 7.
Op Sarothamnus (BUTLER).
*rubidus PUT. OSHANIN 2670.
FOKKER III, p. 67: Zierikzee 7—9, var. x, in Salicornia.
Leeft volgens BUTLER op zilte weiden op Salsola, Salicor-
nia, Atriplex, Arenaria, enz.
*var. moncreaffi DGL. Sc.
FOKKER III, p. 67: Zierikzee met het type.
Terschelling 8.1912 (MAC GILLAVRY 10) op Artemisia
maritima L.; Vlieland 21.8.29 op diverse zilte planten zoo-
als Artemisia maritima (RECLAIRE 5).
*ericetorum FALL. OSHANIN 2677.
Terschelling 31.7.—5.8.25 (RECLAIRE 1), verder verbreid.
Van Calluna en ook wel van Erica beschreven.
Hypsitylus FIEB.
bicolor DGL. SC. OSHANIN 2684.
Verbreid in Engeland.
Op Ulex europaea.
Pseudoloxops KIRK. FOKKER III, p. 66: Loxops FIEB.
*coccinea MEY. D. OSHANIN 2686.
FOKKER: Zierikzee 8.1877 van Acer pseudo-platanus en
St.-Pieter 8, Q.
Ederveen 20.8.23 (BROERSE).
Leeft volgens GULDE en BUTLER op esch, gallen aanzui-
gend, ook van Pemphigus bumeliae SK.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 195
Heterotoma LATR.
*meriopterum SCOP. OSHANIN 2687.
Overal voorkomend. Ook op de eilanden.
Deze soort wordt van allerlei struiken, van brandnetels en
verschillende kruiden vermeld. Volgens BUTLER nuttigt zij
de eieren van verschillende vlinders, volgens GULDE leeft
zij vooral op sleedoorn, waarop Hyponomeuta-rupsen en
dergelijke. Door REICHERT (1918 en vervolgen) herhaaldelijk
op gekweekte rozen gevonden, van bladluizen levend, althans
nam hij (1920) waar, dat een © een Siphonophora uitzoog.
Volgens hem is de larve hoogstwaarschijnlijk een vijand van
de schadelijke Dasyneura pyri BOUCHE.
Heterocordylus FIEB.
tumidicornis H.S. OSHANIN 2691.
Volgens GULDE in de omstreken van Frankfort aan bosch-
randen op sleedoorn in de spinsels van Hyponomeuta varia-
bilis ZELL., met de larven.
genistae SCOP. OSHANIN 2604.
Inlandsch? Hilversum 15.7.09 (KOORNNEEF ; det. dub). Ver-
breid in Engeland (BUTLER); Munster en Elberfeld (HüEBER);
Sy (Belg.) 13.8.29 (MARÉCHAL).
Volgens BUTLER op Genista-soorten, bladluizen jagend,
waaromtrent GULDE echter niets opmerkt. P. FRANCK [Ento-
mol. Blätter 26 (1930), 110] vond deze op Genista tinctoria,
waarop ook Apion formaneki WAGN.; treedt Heterocordylus
in aantal op, dan verdwijnt Apion. BUTLER (4) beschrijft de
vroege larvestadien.
*leptocerus KBM. OSHANIN 2696.
FOKKER III, p. 66: Beek 6, Arnhem 7 en Wageningen 7.
Deventer 6.1910 (KLAASSEN); Mook 6.1912, Ermelo 6.13
en Meerssen 6.07 (MAC GILLAVRY).
Ter zelfde plaatse als de vorige, op Cytisus door GULDE
te samen met Lyvilla ulicis CURT. (Psyll.) aangegeven.
*tibialis HHN. OSHANIN 2697.
Verbreid.
Volgens GULDE gezellig op Sarothamnus, volgens BUTLER
soms ook op Genista.
196 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Malacocoris FIEB.
“chlorizans PNZ. OSHANIN 2699.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus): Middelburg. FOKKER
Ill, p. 66: Zierikzee 9 en Rolde 7.
Schin op Geul 16.9.23 (RECLAIRE); Nijmegen 16.8.07 en
Valkenburg 7.14 (MAC GILLAVRY).
Op allerlei boomen en struiken, volgens BUTLER vooral op
hazelaar, volgens GULDE vooral ook op els en Salix cinerea.
*var. smaragdinus FIEB.
Met het type.
Volgens GULDE heeft de var. sulphuripennis WESTH. be-
trekking op onrijpe en niet geheel uitgekleurde typische ex.
Orthocephalus FIEB.
brevis PNZ. OSHANIN 2753.
Komt volgens GULDE (4 steeds macr., ® brach.) in de
omgeving van Frankfort voor op droge berghellingen op
de grond tusschen Euphorbia cyparissias L. en Centaurea
jacea L.
*mutabilis FALL. OSHANIN 2755.
FOKKER III, p. 64 (coriaceus F.): Arnhem 7, g en St.-
Pieter ©.
Maastricht 3.7.30 (SCHOLTE, d' en Q); Eijgelshoven 7.19
(WILLEMSE); Arnhem 8.05 (DAMMERMAN); Pietersberg 7.07
en Hilversum 12.6.04 (MAC GILLAVRY).
Volgens BUTLER sleept men deze van Tanacetum en Ono-
nis. Hij vermeldt ook Centaurea en Sarothamnus. Volgens
GULDE op bloemrijke grasplaatsen en heiden, vooral op
Centaurea.
*ferrarii REUT. OSHANIN 2757.
FOKKER VI, p. 35: Oldenzaal 7.
Hilversum 7.07 (det. dub.) en Nunspeet 7.23 (MAC GILLAVRY).
Door BUTLER niet uit Engeland aangegeven.
*saltator HHN. OSHANIN 2758.
FOKKER III, p. 64: de Bilt:7}Renesse (8, Or Ruuslom &
en Vorden 6.
Oldenzaal-Denekamp 7.06 (MAC GILLAVRY 1); Zandvoort
12.7.31 (V. D. WIEL); Meijendel (BLÔTE 1); Beetsterzwaag
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 197
11.6.22 (RECLAIRE 3); Breda 30.6.29 (CORPORAAL); Maas-
tricht (SCHOLTE); Hilversum !) 7.07 en 26.7.12 en Nunspeet
7.23 (MAC GILLAVRY); Vlieland 8.31, 2 gg en 18 QQ, vooral
onder Hieracium umbellatarum ?).
Evenals mutabilis wordt deze soort van lage planten ge-
sleept, vermoedelijk ter zelfde plaatse als deze.
Pachytomella REUT. FOKKER III, p. 64: Orthocephalus FIEB.
*passerinii COSTA. OSHANIN 2772.
FOKKER VI, p. 35: Culemborg.
Leersum 15.7.19 (KOORNNEEF); Laag-Soeren 8.18 (MAC
GILLAVRY); Bussum 5.10.09 (Vv. D. VAART); Deventer 25.6.22
(BODIFEE).
BUTLER vermeldt deze niet uit Engeland.
*parallela MEY. D. OSHANIN 2773.
Verbreid.
Volgens GULDE op boschweiden in het gebergte op Po-
tentilla.
BUTLER (3) vermeldt haar van Coniferen en bericht over
de onderscheiding van passerinii.
*var. tibialis REUT. (niet in OSHANIN).
FOKKER III, p. 65: Beek 6.
Oosterbeek 29.8.06 (BIERMAN).
Strongylocoris BLANCH. FOKKER III, p.63: Stiphrosoma FIEB.
niger H.S. OSHANIN 2784.
Bij Frankfort van een vochtig weiland gesleept.
*leucocephalus L. OSHANIN 2785.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Halticus): Breda 5 en Wolf-
hezen 6. FOKKER III, p. 63: Oosterbeek, Vorden, Wage-
ningen en Ede, alles 7.
Deventer 6.1910 en Groesbeek 6.17 (KLAASSEN); Mook
6.1912 (MAC GILLAVRY).
„Volgens GULDE op droge weiden op Galium-soorten. BUT-
LER noemt als verblijfplant bovendien Vicia cracca, Urtica,
Campanula en Helianthemum.
1) De vermelding van Hilversum (RECLAIRE 3) berust op foutieve
determinatie.
2) Vermoedelijk de s.sp. hollandiae (det. van den heer SLOFF te Bergen
op Zoom).
198 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
var. steganoides J. SHLB.
Volgens GULDE in de omgeving van Frankfort in het
laagland sporadisch, in het gebergte plaatselijk veelvuldiger
dan het type. Hij wijst op onderscheidingskenmerken.
“luridus FALL. OSHANIN 2788.
FOKKER III, p. 63: Terschelling 7 (det. dub.; ziet ook
MAC GILLAVRY 10) en Ede 7.
Hilversum 11.7.29 en 6.31 onder Jasione Reed Vee-
nendaal 6.15 (MAC GILLAVRY); Bergen, N.-H. 23.6. 12 (KOORN-
NEFF). Larve (?): Denekamp 6.14 (JOHANNA SCHOLTEN).
Volgens GULDE op zandduinen en zandvelden op grassen
en Artemisia campestris L.
obscurus RMB. OSHANIN 2790.
FOKKER (III, p. 63) deelt mede, dat deze soort by Ede
was gevonden (det. REUTER), later (VI, p. 35) echter meldt
hij, dat deze opgave betrekking heeft op luridus FALL.
Halticus HHn.
Volgens REH zijn in Duitschland door het verkeer binnen-
gebrachte H.-soorten vaak zeer schadelijk aan komkommers,
meloenen, dikstengelige bloemen, enz.
“apterus L. OSHANIN 2794.
FOKKER III, p. 63 en V, p. 359: Wageningen 7.1382,
Bunde 6, Maastricht 7, Winterswijk 7 en Nuth 8, ©, macr.
Brummen 7.1912 (Vv. D. VAART); Valkenburg 26.7.1887
(GROLL). Nymphe (?): Hilversum 29.8.09 (DE MEIJERE).
Volgens GULDE op droge weiden en heide op Galium-
soorten. BUTLER wijst op vermeldingen van Vicia cracca,
Ononis, Centaurea e.a.
pusillus H.S. OSHANIN 2795.
Komt bij Frankfort op Galium-soorten voor, steeds macr.
(GULDE).
*saltator GEOFFR. OSHANIN 2801.
FOKKER V, p. 359 (erythrocephalus H.S.): Cuyk.
Huissen (G.) schadelijk aan komkommerbladeren en in
veel minder mate aan asters, boonen, meloenen, augurken
en selderie (SCHOEVERS 1); Well, L. 12.7.13 (WILLEMSE).
BUTLER vermeldt deze voor Engeland van Mercurialis
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 199
annua, citeert opgaven van Althaea rosea en Echium, schade
aan komkommer en GULDE vermeldt deze soort van Galeopsis
en brandnetels en schade aan Althaea.
BUTLER geeft een beknopte beschrijving van deze soort
en vermeldt ook de onderscheiding van apterus.
Later bericht hij (2) over het plotseling in massa optreden
in Engeland, schade aan aardappelen, Phlox e. a. Zij schijnt
dus vrij polyphaag te zijn.
luteicollis PNZ. OSHANIN 2802.
Verbreid in Engeland (BUTLER).
Volgens hem op Galium, hazelaar, klaver en kamperfoelie ;
GULDE noemt deze van Clematis vitalba L.
*var. propinquus H.S.
FOKKER V, p. 359: Valkenburg 7.
Volgens BUTLER op Galeopsis versicolor, volgens GULDE
ter zelfde plaatse als de nominaatvorm.
Hypseloecus REUT.
visci PUT. OSHANIN 2807.
GULDE vermeldt deze soort uit de omgeving van Frank-
fort van oude vogellijm op verwilderde appelboomen, gezellig
en te samen met Lygus viscicola PUT., Anthocoris visci DGL.
en Apion variegatus WENCK. Deze soort kan volgens hem
gemakkelijk verwisseld worden met zwarte ex. van Psallus
variabilis FALL.
Onychumenus REUT.
*decolor FALL. OSHANIN 2824.
Overal.
Volgens BUTLER en GULDE op droge grasvelden, wordt
echter meer speciaal vermeld van Chrysanthemum, Hiera-
cium, Polygonum en soms tusschen varens.
Eurycolpus REUT.
flaveolus STAL. OSHANIN 2825.
Volgens GULDE bij Frankfort op enkele plaatsen op Bu-
pleurum-soorten, vooral falcatum L.
Oncotylus FIEB.
viridiflavus GOEZE. OSHANIN 2828.
In Z.-O-Engeland, niet in Schotland en Ierland, (BUTLER).
200 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Volgens hem (4) schijnt deze met Centaurea nigra geasso-
cieerd te zijn. Hij beschrijft de larve.
*punctipes REUT. OSHANIN 2830.
FOKKER V, p. 360: Arnhem 7.
Warnsveld 13.6.1888 (GROLL).
Volgens GULDE leven de larven aan de wortelbladeren en
de imagines op de bloemen van Tanacetum vulgare L.
BUTLER beschrijft deze niet uit Engeland.
Conostethus FIEB.
*salinus J. SHLB. OSHANIN 2857.
POMKER: II. p 70: lerschelline: oven) Zıerikzeeg?
Terschelling (MAC GILLAVRY 10); Bergen op Zoom 4 en
8.6.21 en 11.7.23 (RECLAIRE) en dito 9.6.20 (MAC GILLAVRY).
Op zilte gronden, volgens BUTLER op grassen, Atriplex
portulacoides en ook Arenaria maritima.
Hij vermeldt eenige kenmerken voor het Q.
brevis REUT. OSHANIN 2858.
Schotland (BUTLER; volgens hem niet van het Continent
bekend).
Door hem van zilte plaatsen vermeld.
“roseus FALL. OSHANIN 2859.
FORKER (lik PONNE NARE NONE METEN
Volgens BUTLER op droge zandige of kalkhoudende gron-
den, op grassen, Lithospermum, Echium en Trifolium arvense
en onder steenen.
Placochilus FIEB.
seladonicus FALL. OSHANIN 2877.
„Elberfeld (HüEBER).
Op zandbodem, vooral op Galium-soorten, ook van Cen-
taurea scabiosa vermeld (HüEBER).
Hoplomachus FIEB.
*thunbergi FALL. OSHANIN 2887.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus): Driebergen, gemeen
op Hieracium pilosella en Breda. Hij wijst er op, dat deze
soort in de duinen schijnt te ontbreken, niettegenstaande
het havikskruid daar zoo gemeen is. FOKKER III, p. 70:
Renkum 6, Bunde 6 en Wolfhezen 7.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 201
Hilversum 20.8.25 en 11.7.29 (RECLAIRE); dito 22.6.09
(DE MEIJERE); dito 7.07, Ermelo 6.13, Mook 6.1912 en Deurne
17.6.14 (MAC GILLAVRY); Maastricht 11.6.30 (SCHOLTE); Hou:
tem 9.5.31 (RECLAIRE).
Behalve van bovengenoemde planten citeert BUTLER deze
soort van Anthyllis, Ononis, Galium en Chrysanthemum van
droge lokaliteiten. Door het bezit van een haarkleed draagt
zij volgens SCHUMACHER (ziet WEBER) bij tot de bestuiving
van Hieracium pilosella.
Tinicephalus FIEB.
hortulanus MEV. D. OSHANIN 2890.
By Frankfort is deze soort zeer plaatselijk gevonden op
zandduinen op grassen (GULDE).
Megalocoleus REUT. FOKKER III, p. 69: Macrocoleus FIEB.
*pilosus SCHRK. OSHANIN 2892.
FOKKER (tanaceti FALL.): Gennep, Steenwijk 7 en Rolde 7.
Bergen op Zoom 11.7.23 (RECLAIRE); Soest 1.8.17, Ame-
rongen 17.8.20, Winterswijk 26.7.24 en Mechelen (L.) 11.8.29
(KOORNNEEF); Warnsveld 27.8.1883 (GROLL.).
BUTLER vond deze op de bloemhoofdjes van Tanacetum
vulgare en bericht over opgaven van Achillea millefolium
en bramen, GULDE eveneens van Tanacetum met larven.
Deze soort draagt door het bezit van een haarkleed vol-
gens SCHUMACHER bij tot de bestuiving van Tanacetum
vulgare (ziet WEBER).
exsanguis H.S. OSHANIN 2895.
Bij Frankfort alleen op de zandduinen op grassen waar-
genomen (GULDE).
*molliculus FALL. OSHANIN 2903.
FOKKER III, p. 69: Haarlem 8.
Vlieland 20.8.29, Hilversum 5.7. en 5.8.27 en 11.7.29
(RECLAIRE 5 en 3); Hilversum 7.07 (MAC GILLAVRY); dito
5.6.08 (DE MEIJERE); Arnhem 1.7.08 en 8.05 (BIERMAN);
Apeldoorn 26.7.07 (KOORNNEEF); dito 8.8.17, Wijk a. Zee
7.8.09, Lunteren 7.19, Eefde 7.16, Mook 8.1910, Bunde 17.7.16
en Valkenburg 7.14 (MAC GILLAVRY).
Volgens BUTLER vooral op Achillea millefolium, ook op
202 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Tanacetum vulgare en Ononis, GULDE noemt deze bovendien
nog van Artemisia campestris op droge plaatsen. REICHERT
(1926) vond larven en imagines in aantal op gekweekte hyssop.
Over de onderscheiding van pilosus ziet BUTLER.
Deze (4) vond einde 8 bijna alleen nog 99. Hij beschrijft
de eieren. De soort is met Achillea millefolium geassocieerd.
ochroleucus KBM. OSHANIN 2904.
Bij Frankfort op zanderonden met M. molliculus op Ar-
temisia
Amblytylus FIEB.
*brevicollis FIEB. OSHANIN 2917.
FOKKER III, p. 69: Wageningen 7, det. dub. (REUTER).
Hilversum 7.07 (MAC GILLAVRY); dito 24.7.30, Bergen op
Zoom 11.7.23 en Zandvoort 5.8.30 en 12.7.31 (RECLAIRE);
Overflakkee 7.1911 (LE MAIRE).
Volgens BUTLER ter zelfde plaatse als Onychumenus deco-
lor van grassen te sleepen.
Hij geeft eenige wenken ter herkenning van deze soort.
*affinis FIEB. OSHANIN 2918.
FOKKER III, p. 69: Wageningen 7.
Hilversum 24.6.22 (RECLAIRE 3).
BUTLER vermeldt deze van grassen op droge terreinen aan
de wortels van planten langs wegen, ook van Hypericum
hirsutum en in moerassen!
Ter herkenning van deze soort geeft hij eenige aanwijzingen.
Voorts heeft BUTLER (4) de nymphe beschreven.
*nasutus KBM. OSHANIN 2910.
FOKKER V, p. 360: Amersfoort 7.
Hilversum 4.7.25 (RECLAIRE 3); Zandvoort 5.8.30 en 12.7.31
en Houtem 11.9.30 (RECLAIRE).
Door BUTLER niet uit Engeland vermeld.
delicatus PERR. OSHANIN 2920.
In Surrey 1 X op Gnaphalium germanicum gevonden,
sindsdien (1888) niet meer (BUTLER)!
*albidus HHN. OSHANIN 2922.
FOKKER III. n. 69: den Haag en Driebergen 7.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 203
Volgens GULDE op zandduinen op grassen, vooral op
Bromus.
Niet door BUTLER uit Engeland vermeld.
Macrotylus FIEB.
herrichi REUT. OSHANIN 2933.
Bi Frankfort komt deze plaatselijk voor, alleen op kalk-
en mergelgronden op Salvia-soorten, vooral op S. verticil-
lata L. (GULDE).
solitarius MEY. D. OSHANIN 2935.
Midden- en Zuid-Oost-Engeland (BUTLER).
Hoofdzakelijk volgens hem op Stachys sylvatica, doch ook
vermeld van Ononis spinosa, volgens GULDE bovendien ook
op Urtica.
horvathi REUT. OSHANIN 2938.
GULDE vermeldt deze uit de omstreken van Frankfort, met
de larve, van Ballota nigra L.
*paykulli FALL. OSHANIN 2941.
Volgens SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus) in Juni en
Juli op de strandreep der duinen bij Scheveningen zeer ge-
meen. FOKKER III, p. 69: Vogelzang 7 en Haarlem 8.
Vlieland 21.8.29 op Ononis repens (RECLAIRE 5); Meijen-
del dito en overal 6—8 (BLOTE 1); Noordwijk a. Zee 8.7.20
en Zandvoort 20.7.30 (V. D. WIEL); Zandvoort 5.8.30 en 12.7.31
(NEGPATRE) Wils Sas Zee! NG TO RNN ND GOOT) ditomsOO
Bloemendaal 7.13, Pietersberg 7.07 en Valkenburg 6.1911
(MAC GILLAVRY).
BUTLER vermeldt deze voor Engeland van Ononis spinosa
en repens, GULDE eveneens van Ononis.
Harpocera CURT.
*thoracica FALL. OSHANIN 2954.
Verspreid.
Volgens BUTLER hoofdzakelijk op boomen en struiken:
meidoornbloesem, eik, berk, hazelaar, wilg, jeneverbes, Chae-
rophyllum en grassen. Volgens GULDE vooral op eiken en
sleedoorn en struiken, die door rupsen aangetast zijn.
14
204 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Byrsoptera SPIN.
*rufifrons FALL. OSHANIN 2956.
HORKER IT, pr 75: RENESSE RSE ROL
Meijendel, Bierlap 11.7.25, op brandnetel? (BLÔTE 1);
Scheveningen 7.08 (DE MEIJERE); den Haag 3 (EVERTS);
Overveen 7.15 (LE MAIRE); Leeuwen, G. 2.5.17, © (V. D. WIEL);
Wijk a. Zee 8.09, Pietersberg 7.07, d en 9, Houtem 7.16, 9,
Valkenburg 7.14, 9 en Epen, L. 20.8.16, 9 (MAC GILLAVRY);
Maastricht 6.30 en 12.8.30 op Galium aparine en Spaubeek
2430 (SCHOBTE):
Volgens BUTLER hoofdzakelijk op Urtica dioica, ook van
grassen te sleepen; GULDE bovendien nog van Stachys
sylvatica.
*cylindricollis COSTA. OSHANIN 2961.
Scheveningen 5.8.07 (DE MEIJERE).
Brachyarthrum FIEB.
limitatum FIEB. OSHANIN 2962.
Inlandsch? Weert 6.14 (MAC GILLAVRY, c%, det. dub.).
BUTLER: Suffolk en Essex.
Hy beschrijft deze soort vrij uitvoerig.
Phylus HHN.
*palliceps FIEB. OSHANIN 2063. ’)
FOKKER III, p. 74 en V, p. 360: Vorden 7 en Groesbeek 7.
Flaarlem" 2216.16, Baarns 27 721, Laren, NH Sen
Apeldoorn 14.7.07 (op eik; KOORNNEEF); Ommen 6.18
(MAC GILLAVRY).
Volgens BUTLER op eik, wordt echter ook van wilgen en
hazelaar vermeld.
*melanocephalus L. OSHANIN 2964.
Niet zeldzaam, verspreid.
Volgens BUTLER op eik, ook echter vermeld van populier,
berk, beuk, rozen, hazelaar en vooral eikenhakhout, waarop
zij rupsen vervolgt.
i) De door SNELLEN VAN VOLLENHOVEN als spec. prop. uit Holland
beschreven aurantiacus — hij twijfelt er echter zelf toch ook aan, of
dit geen var. is — is volgens REUTER een donkere var. van palliceps
(ziet FOKKER). Bij OSHANIN = pallipes.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 205
*coryli L. OSHANIN 2965.
Verspreid, vooral in Zuid-Limburg.
Op hazelaar; volgens GULDE verdelgt zij schadelijke insekten
ter zelfde plaatse als de vorige.
“var. avellanae MEY. D.
Met het type.
Plesiodema REUT.
*pinetellum ZETT. OSHANIN 2972.
Koningsbosch 7 op dennen (BLÔTE 1); Denekamp 10.6.16
(ve DE Wier); Dieren 6:17, Lunteren 10.6.15, Ommen 6.16
en Valkenburg 6.19 (MAC GILLAVRY).
Volgens BUTLER op Pinus sylvestris, ook op Picea en Larix.
Psallus FIER.
kolenatii FL. OSHANIN 2978.
Door GULDE uit de omgeving van Frankfort vermeld, in
de bergen op dennen en Picea.
ancorifer FIEB. OSHANIN 2980.
By Frankfort is deze soort plaatselijk aangetroffen in de
nabijheid der zandduinen op Jasione montana L. en gras-
Sem (GUEDE) 1 =
*ambiguus FALL. OSHANIN 2082.
FOKKER Ill, p. 73: Driebersen.
Houtem 18.6, Valkenburg 1.6.23 en Kortenhoef 21.6.30
(RECLAIRE); Steyl-den-Hamert (UYTTENBOOGAART); Ommen
25.60.16 (DE MEIJERE); Ankeveen 25.6.22 (BROERSE).
Volgens BUTLER op els, wilg en appelboomen. Jaagt vol-
gens GULDE op de rupsen van Hypenomeuta malinella ZELL.
en andere schadelijke insekten.
var. diversipes HORV.
Volgens GULDE behooren de op els voorkomende ex. van
P. ambiguus tot deze var. of zijn overgangen.
*betuleti FALL. OSHANIN 2985.
Baarn 19.6.26, Hilversum 6,7.21, 1.7.22 en 2.8.26 en Oud-
Valkenburg 20.6.23 (RECLAIRE 3); Meijendel verbreid op berk,
6 (BLOTE); Ankeveen 25 en 26.6.22 (KOORNNEEF); Ommen
6.18 (MAC GILLAVRY); Denekamp 10.6.16 (v. D. WIEL); Venlo
6 (V. D. BRANDT).
206 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Volgens BUTLER bijna uitsluitend op berk, volgens GULDE
ook wel op Salix cinerea.
*obscurellus FALL. OSHANIN 2987.
FOKKER V, p. 360: Baarn 7.
Baarn 25.7.25 en de Bilt 20.6.25 (RECLAIRE 3); Hilversum
13.7.30 op grove den (RECLAIRE); Spijkenisse 23.7.08 (KOORN-
NEEF); Ermelo 6.13, Lunteren 7.17 en Valkenburg 7.14
(MAC GILLAVRY).
Volgens BUTLER op Pinus sylvestris, ook van Juniperus
vermeld.
*variabilis FALL. OSHANIN 2996.
Zeer verspreid.
Volgens GULDE op elzen, hazelaar- en vooral eikenstruiken,
die door rupsen zijn aangevreten. BUTLER vermeldt deze
verder nog van beuk, eschdoorn, linde, Prunus, meidoorn-
bloesem, Conium maculatum en Mercurialis perennis.
var. simillimus DGL. SC.
Verbreid in Engeland.
var. whitei DGL. SC.
Schotland (BUTLER); volgens hem niet van het vasteland
bekend.
*simillimus KBM. OSHANIN 2999.
FOKKER III, p. 73: Wageningen 7, det. dub. (REUTER).
Baarn 30.5.20, dito (RECLAIRE); Haarlem 22.6.19 (KOORN-
NEEF); Winterswijk 14.6.21 (in massa) en Epen, L. 6.1911
(Mac GILLAVRY).
BUTLER noemt deze niet als Britsche soort.
#quercus KBM. OSHANIN 3000.
FOKKER III, p. 73: Ruurlo 7, Ede 7 en Wolfhezen 7.
Texel (FOKKER 3); Terschelling 8.1912 (MAC GILLAVRY 10);
Baarn 12.7.25 en Hilversum 14.7.29 (RECLAIRE); Amsterdam
6.16 (KOORNNEEF); Amersfoort 5.16 (V. D. WIEL); Oosterbeek
9.6.19 (VOÛTE); Leuvenum 9.6.23, Mook 6.1912 en Valken-
burg 6.07 (Mac GILLAVRY); Warnsveld 18.7.1883 (GROLL).
Volgens BUTLER op eik, volgens GULDE in het voorjaar
op bloeiende sleedoorn, later op eiken, die door rupsen zijn
aangetast.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 207
*scholtzi FIEB. OSHANIN 3004.
Warnsveld 6.7.1883 (GROLL); Apeldoorn 14.7.07 en Dieren
11.6.22 (KOORNNEEF); Beetsterzwaag 7—11.6.22 (MAC GIL-
LAVRY).
Volgens GULDE op met bladluis bezette esschen.
Niet door BUTLER uit Engeland vermeld.
*lepidus FIEB. OSHANIN 3008.
BORKER IN, p. 73% Haarlem7o.
Baarn 13.6.25, Hilversum 16.6. en 4.7.25 en de Bilt 14.6.25
(RECLAIRE 3); den Haag 8.06 (V. D. WEELE).
Volgens BUTLER en GULDE uitsluitend op esch.
var. roseus H. S.
Verbreid in Engeland (BUTLER).
*alnicola DGL. SC. OSHANIN 3012.
Baarn 18.7.29, Houtem en Schin op Geul 18.7.23 (RE-
CLAIRE); Beetsterzwaag 3.8.26 (RECLAIRE 3); Meijendel en
Kijfhoek 6.7 (BLOTE i); Apeldoorn 2.8.07 (KOORNNEEF);
Nunspeet 8.20 (MAC GILLAVRY); Utrecht 1919 (BURGER).
Volgens BUTLER op els en wilg.
Hij geeft enkele aanwijzingen voor de onderscheiding van
falleni.
#falleni REUT. OSHANIN 3013.
FOKKER V, p. 360: Arnhem 7.
Meijendel 6—8, o.a. op kruipwilg (BLÔTE 1); Baarn 25.7.25
en Maartensdijk 18.7.25 (RECLAIRE 3); Hilversum 3.8.29 en
7.29 op els (RECLAIRE); dito 10.9.16 (KOORNNEEF); Schin
op Geul 17.6.23 (RECLAIRE).
Volgens BUTLER in Engeland vermoedelijk alleen op berk.
kirsbaumi FIEB.
Inlandsch? Ex., die mogelijkerwijze tot deze soort kunnen
behooren, werden eenige malen in ons land aangetroffen.
Bij OSHANIN met ? = falleni. Volgens LETHIERRY op wilgen
o. a. bij Rijssel.
salicis KBM. OSHANIN 3014 met ?
In de omgeving van Frankfort van wilg (GULDE).
208 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
*varians H.S. OSHANIN 3015.
FOKKER III, p. 73: Utrecht, Beek, Wageningen 7 en
Vorden 7.
Kijfhoek 6, op kruipwilg ? (BLOTE 1); Beetsterzwaag 4—
11.6.22 (MAC GILLAVRY; RECLAIRE); Venlo 20.7. (V.D. BRANDT).
Volgens BUTLER hoofdzakelijk op eik, volgens GULDE op
linde, els en wilg, verder vermeld van eschdoorn, beuk,
populier, Rhamnus, Pinus sylvestris en zelfs van bramen en
Mercurialis perennis.
*diminutus KBM. OSHANIN 3017.
FOKKER III, p. 73: de Bilt, Vorden, Wageningen en Wolf-
hezen, alles 7.
Amsterdam 5.9.17 (V. D. VAART); Hilversum 18.7.09 (DE
MEIJERE); dito 3.8.23 (RECLAIRE); dito 6.03, Lunteren 7.13,
Dieren 6.17, Nunspeet 7.21 en Winterswijk 17.6.21 (MAC
GILLAVRY); Naarden 18.7.1885 (GROLL); Hondsdonk bij Breda
30.8.29 (RECLAIRE).
Volgens BUTLER met de vorige op esch.
*albicinctus KBM. OSHANIN 3020.
Hondsdonk bij Breda 30.6.28, vermoedelijk op eik (RE-
CLAIRE); Doetinchem 6.6.17 (MAC GILLAVRY).
Volgens BUTLER op eik, beuk en wilg, volgens GULDE
op eik.
*luridus REUT. OSHANIN 3023.
FOKKER VI, p. 36: Oldenzaal 7.
Rhenen 11.6.15 (MAC GILLAVRY); Putten, Vel. 7.6.19 (OUDE-
MANS) en Dieren 7.6.17 (V. D. WIEL).
Volgens GULDE op Larix, die door Lachnus laricis KALTB.
aangetast is.
Omtrent de herkenning van deze soort ziet BUTLER.
piceae REUT. OSHANIN 3025.
Volgens GULDE bij Frankfort in de hooggelegen gedeelten
van het omliggend gebergte op Picea.
*roseus F. OSHANIN 3030.
FOKKER III, p. 73: Rolde 7; Haamstede 8 (VI, p. 36 als
var. alni F., die bij OSHANIN = type is). |
Vlieland (RECLAIRE 5); Baarn 7.9.25 (RECLAIRE 3); Meijen-
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 209
del 6-9, veelal op kruipwilg (BLOTE); Wijk a. Zee 8.00,
Nunspeet 7.21, Gorsel 6.1910, Oirschot 7.08 en Oisterwijk 7.06
(MAC GILLAVRY); Warnsveld 27.7.1884 en 3.9.1885 (GROLL).
Volgens GULDE op Salix, volgens BUTLER op hazelaar,
els en eik.
var. querceti FALL.
Niet inlandsch. Volgens GULDE is deze var. bij Frankfort
vaak veelvuldiger dan het type !); Borkum (SCHNEIDER).
*vitellinus SCHLTZ. OSHANIN 3032.
RORE RIN 273 Assen 7.
Op Coniferen, Pinus, Picea e. a. (BUTLER; GULDE).
BUTLER geeft een vrij uitvoerige beschrijving van deze soort.
*salicellus MEY. D. OSHANIN 3034.
HOKKER NG D 360: Norden 7 en o, Valkenbure, 3)fen
Noordwyk 8. .
Bierlap, 8, op kruipwilg? (BLöTE 1); Mook 8.1910 en Val-
kenburg 7.14 (MAC GILLAVRY).
argyrotrichus FIEB. OSHANIN 3048, met ?
Inlandsch? Een mogelijkerwijze tot deze behoorend ex. werd
29.5.21 bij Nunspeet gevonden (MAC GILLAVRY).
Atractotomus FIEB.
*mali MEY. D. OSHANIN 3058.
FOKKER III, p. 72: Utrecht 5, Wageningen 7, Nuth en
Zierikzee op lage appelboomen 6, 7 en 8, op Aphiden jagend.
Baarn 25.7.25 en Hilversum 2.7.25 (RECLAIRE); dito 7.07
(Mac GILLAVRY); Kijfhoek 7, op meidoorn? (BLOTE 1); Laren,
N.-H. 24.8.19 (KOORNNEEF); Vorden 5.7.1883 (GROLL); Arn-
hem 7.08 (BIERMAN); Mook 6.1912 en Sittard 7.15 (MAC
GILLAVRY). |
Volgens BUTLER op meidoorn en op vruchtboomen, nuttig
door het verslinden van rupsen. Ook GULDE noemt deze
voor de ooftteelt zeer nuttig.
oculatus KBM. OSHANIN 3062.
Bij Wiesbaden een op jonge dennen (GULDE).
1) Hij meent, dat de var. dilutus DGL. Sc. naar versche, nog onuit-
gekleurde ex. beschreven is, i
210 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
*magnicornis FALL. OSHANIN 3063.
FOKKER III, p. 72: Assen, Rolde (van den), Steenwijk
(dito) en Wageningen, alles 7.
Beetsterzwaag 31.7.26 (RECLAIRE); Bierlap, 8, £ op het
zand (BLÔTE 1); Warnsveld 7.7.1883 (GROLL); Laren, N.-H.
4.15 en Utrecht 23.7.09 (KOORNNEEr); Oldenzaal 22.7.06
(DE MEIJERE); Oisterwijk 1.8.16, Valkenburg 7.14 en Epen,
L. 6.1911 (MAC GILLAVRY).
Volgens BuTLER hoofdzakelijk op Pinus sylvestris, verder
op Picea en Larix.
forticornis MULS. OSHANIN 3068.
Kopenhagen (geimporteerd?; JENSEN-HAARUP).
Criocoris FIEB.
*crassicornis HHN. OSHANIN 3076.
FOKKER IV, p. 299: Nuth.
Ommen 6.16 (MAC GILLAVRY); det. eenigszins dub.
Volgens GULDE op droge weiden en langs wegen op Galium.
BUTLER vermeldt deze niet uit Engeland.
sulcicornis KBM. OSHANIN 3080.
Bij Frankfort op Galium verum gevonden (GULDE).
Plagiognathus FIEB.
*alpinus REUT. OSHANIN 3087.
FOKKER III, p. 71: Valkenburg 7.
Ontbreekt volgens GULDE bij Frankfort in de laagvlakte,
in het gebergte op Mentha aquatica L.
BUTLER noemt haar niet uit Engeland.
*chrysanthemi WLFF. OSHANIN 3091.
Algemeen, ook op de eilanden.
Deze soort komt volgens BUTLER op allerlei kruiden voor,
vertoont geen enkele speciale associatie; volgens GULDE ech-
ter vooral op brandnetel.
BUTLER geeft eenige wenken voor de herkenning.
var. vicarius REUT.
Bij Frankfort enkele ex. onder het type (GULDE).
*{usciloris REUT. OSHANIN 3095.
Terschelling 8.1912, 9, op Artemisia maritima L. te samen
met Orthotylus rubidus var. (MAC GILLAVRY 10).
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 211
BUTLER noemt haar niet uit Engeland.
Mac GILLAVRY vermeldt nog iets omtrent de herkenning.
*fulvipennis KBM. OSHANIN 3096.
FOKKER TI, pP. 77: Ruurlor7.
Warnsveld 13.6.1888 en Arnhem 29.8.1885 (GROLL); dito
8.05 (DAMMERMAN).
Volgens GULDE op duinen en zandvlakten, vooral op Echium.
Niet door BUTLER uit Engeland genoemd.
var. diversicornis REUT.
Bij Frankfort is deze var. iets zeldzamer dan het type
(GULDE).
*arbustorum F. OSHANIN 3102.
Zeer gemeen met de *var. brunnipennis MEY. D. en “hor-
tensis MEY. D.
Volgens BUTLER hoofdzakelijk op brandnetels, doch ook
op allerlei andere lage planten.
*albipennis FALL. OSHANIN 3107.
Hilversum geregeld in een fabriekstuin in Juli op gekweekte
absinth (RECLAIRE 3).
Ook volgens de literatuur op Artemisia-soorten. REICHERT
(1918) nam deze soort in aantal waar op gekweekte absinth ;
volgens hem verwekt zij naast Chlorita viridula FALL, met
Lygus lucorum de ,,Krauselkrankheit’’ van de gekweekte
absinth. Volgens hem (1919) van 9 verdere Artemisia-soorten
bekend.
var. lanuginosus JAK.
Bij Frankfort werd deze var. soms met het type gevonden,
alleen QQ (GULDE). Volgens hem heeft de var. pallidulus
DHLB. betrekking op onuitgekleurde ex.
Chlamydatus CURT. FOKKER III, p. 71: Agalliastes FIEB.
*pulicarius FALL. OSHANIN 3121.
FOKKER: den Haag 6, Scheveningen 6, Steenwijk 7, Wolf-
hezen 7, Wageningen 7, Haarlem 8 en Doetinchem 7.
Hilversum 17.7. en 21.8.26 en Nunspeet 6.8.25 (RECLAIRE);
Meijendel 7 (BLOTE 1); Wijk a. Zee 6.7.09 en Mook 6.1912
(MAC GILLAVRY); Arnhem 20.38.08 (BIERMAN) en Winterswijk
(TEN HOUTEN).
212 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Volgens GULDE op droge weiden en vooral op zandbodem
onder Artemisia.
Over de herkenning van deze en de volgende soort, die
vroeger als var. van pulicarius werd beschouwd, ziet BUTLER,
die haar niet uit Engeland vermeldt.
*pullus REUT. OSHANIN 3123.
Hilversum 31.5, 4.6. en 7.8.21 (RECLAIRE 3); dito 11.6.05
en 7.07, Aerdenhout 7.14 fens sro, (Wijk va Zeem
Ermelo 6.13 en Mook 24.8.05 (MAC GILLAVRY); Laren, N.-H.
20.8.15 (KOORNNEEF).
Ter zelfde plaatse als de vorige, volgens GULDE ook onder
Salsola kali L.
*saltitans FALL. OSHANIN 3125.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus): Vlieland 31.5.1873.
FOKKER III, p. 71 en IV, p. 209: Scheveningen.
Amsterdam 6.08, Hilversum 8.14, Dieren 11.6.17 en Laren,
N.-H. 6.15 (MAC GILLAVRY); Laren, N.-H. 11.7.15 en Nijme-
gen 23.6.07 (KOORNNEEF); Nijmegen 10.6.16 en Leeuwen, G.
22 OA (Ney NAGEL),
Volgens BUTLER ter zelfde plaatse als pullus, o. a. onder
Ornithopus en tusschen het gras, volgens GULDE onder Galium
en Artemisia.
wilkinsoni DGL. SC. OSHANIN 3126.
In Engeland en Schotland (BUTLER).
Volgens hem op droge zandige gronden, er schijnt geen
bijzondere associatie met een of andere plant te bestaan,
werd destijds aan de wortel van Convallaria majalis ontdekt.
evanescens BOH. OSHANIN 3127.
België (FOKKER III, p. 71); Carnavonshire (BUTLER).
In Engeland tusschen Sedum gevonden, ook GULDE ver-
meldt deze soort van Sedum acre L.
BUTLER geeft de onderscheiding van wilkinsoni aan.
BROWN beschrijft de nymphe.
Microsysamma FIEB. FOKKER III, p. 71: Neocoris DGL. SC.
*nigritula ZETT. OSHANIN 3120.
FOKKER: Terschelling 7 (ziet ook MAC GILLAVRY 10),
den Haag en Renesse 8.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 213
Meijendel 6 en 7 (BLÔTE 1); Zuid-Limburg 6.09 (UYTTEN-
BOOGAART; det. dubieus).
BUTLER noemt haar niet uit Engeland.
*bohemani FALL. OSHANIN 3130.
Verspreid, vooral in de duinen.
Wordt uitsluitend van wilg vermeld.
var. putoni REUT.
By Frankfort enkele ex. met het type, meest fc‘ (GULDE);
Duinkerken, Calais (LETHIERRY; hij geeft de herkenning
kort aan).
var. scotti FIEB.
Lanes, Kent, Devon en Glamorgan (BUTLER).
var. rabronotata JAK.
Volgens GULDE bij Frankfort niet zelden met het type
en gemakkelijk te herkennen door de oranjegele kleur.
Campylomma REUT.
*verbasci MEY. D. OSHANIN 3136.
FOKKER III, p. 71: Nijmegen 6.
Terschelling 31.7.—5.8.25 (RECLAIRE I); Hilversum 13.8.21
en Meerssen 29.9.29 (RECLAIRE); Leersum 17.8476 (KOORN-
NEEF); Wageningen 30.8.15, Mook 26.8.05, Bunde 17.7.16,
Houtem 0.15 en Maastricht 7.07 (MAC GILLAVRY); Maastricht
2.7.30 op Althaea rosea (SCHOLTE).
Volgens GULDE op Artemisia en Verbascum, ook wel op
struiken, vooral Cornus en Rhamnus. REICHERT (1922) vond
deze soort op gekweekte hyssop, rozen, reseda, aardappel,
lavendel en éénmaal in groot aantal op gekweekte Solidago.
Hij (1930) neigt er toe deze als bladluisvijand te beschouwen.
Zeer zeker is zij, zooals V. EMDEN (1924) terecht opmerkt,
een polyphage soort, hij vond haar op Althaea rosea var.
nigra, A. officinalis en Eupatorium.
BUTLER noemt haar niet uit Engeland.
annulicornis SIGN. OSHANIN 3137.
Volgens GULDE aan de Main by Frankfort op wilgen ge-
vonden.
Sthenarus FIEB.
modestus MEy. D. OSHANIN 3146.
GULDE citeert deze soort van Wiesbaden.
214 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
#roseri H. S. OSHANIN 3157.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Lygus): Utrecht 7. FOKKER
UI, p. 71: Rotterdam 9, Amersfoort 7 (var.) en Groningen
(Omland) 8, var.
Dordrecht 6.15 (KEMPERS); Spijkenisse 27.7.08, Heenvliet
22.7.08 en Bussum 7.7.11 (KOORNNEEF); Warnsveld 29.6.1831
(GROLL); Winterswijk 14.6.21 en Borculo 10.8.16 (MAC GIL-
LAVRY); Heemstede 11.6.11 en Pannerden 7.16 (WILLEMSE) ;
Zeeburg 29.7.15 en Amersfoort 3.7.10 (V. D. VAART).
Volgens BUTLER en GULDE op wilg.
var. saliceticola STAL.
Volgens GULDE een bij Frankfort niet zeldzame, echter
onbeduidende afwijking.
var. geniculatus STâL. Bij OSHANIN = type.
Volgens GULDE bij Frankfort enkele ex. met het type,
steeds donkerder gekleurd, bijna zwart, alleen 3g. De var.
vittatus FIEB. is volgens hem het 9 van het type.
*rottermundi SCHLTZ. OSHANIN 3160.
FOKKER V, p. 360: den Haag, Valkeveen 7 en Zierikzee 9.
Warnsveld 3.9.1885 (GROLL); Overveen 7.15 (LE MAIRE).
Volgens GULDE op Populus alba, volgens BUTLER ook
op els.
Asciodema REUT.
obsoletum FIEB. OSHANIN 3172.
In Groot-Britanié gemeen (BUTLER); Vressem, Belg. (FOK-
KER 7).
Volgens BUTLER op Ulex europaea en Sarothamnus, soms
ook op hazelaar en Hypericum.
fieberi DGL. SC. OSHANIN 3173.
In Engeland en lerland (BUTLER).
Volgens hem op bergolm en op hekken.
ISOMETOPIDAE.
Isometopus FIEB.
*intrusus H. S. OSHANIN 3225.
FOKKER IV, p. 229 en V, p. 360: Valkenburg, fen Win-
terswijk 7, Q.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 215
Volgens GULDE op appelboomen vermoedelijk van bloed-
luis en rupsen levend (Wickelraupen).
BUTLER noemt haar niet uit Engeland.
DIPSOCORIDAE.
Ceratocombus SIGN.
*coleoptratus ZETT. OSHANIN 3230.
FOKKER V, p. 358 en VI, p. 35: Valkenburg en Maars-
bergen 8.
Baarn 8.20 (RECLAIRE); Nunspeet 23.8.25 (V. D. WIEL);
Putten, Vel. 9.1910 (UYTTENBOOGAART); Mook 8.1910, Nun-
speet 20.8.20 en 9.8.21 (uit knaagsel van Cossus in berk;
MAC GILLAVRY); dito 30.8.31 bij Formica exsecta NYL. (v.
D. WIEL; BLÔTE det.).
GULDE vermeldt deze uit vochtig veenmos, volgens BUTLER
in mossen, hi wijst er op, dat de soort ook op Mentha en
tusschen mossen onder Calluna gevonden is en ook uit de
nesten van Formica exsecta, rufa, sanguinea, Lasius fuligi-
nosus en niger en onder steenen voorkomend geciteerd wordt.
Ziet ook WASMANN, die de soort met ? bij Formica rufa
vermeldt.
Pachycoleus FIEB.
rufescens J. SAHLB. OSHANIN 3236.
Devon en Hants (BUTLER).
Volgens hem tusschen mos op moerassige plaatsen.
Hy geeft ook een beschrijving van deze soort.
Volgens BENICK en SCHUMACHER treft men deze aan in
het mos van de oorsprong van beekjes, uit het mos kan zij
gezeefd worden, het water dient koud te zijn. SCHUMACHER
beschrijft een var. benicki van de Ratzeburger See.
Dipsocoris HALID.
alienus H. S. OSHANIN 3237.
In Groot-Britanié verbreid, op de oevers van rivieren snel
loopend, zich gemakkelijk onder steenen verbergend. Aan
de oevers van de Angre onder bijna door het water bedekte
steenen (LETHIERRY).
HYDROMETRIDAE.
Hydrometra LATR.
De soorten van dit genus leven hoofdzakelijk van weinig
216 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
beweeglijke insekten, o.a. van halfdoode Chironomiden (ziet
WEBER).
*stagnorum L. OSHANIN 3240.
Gemeen. Texel (FOKKER 3). Vlieland 8.31 (RECLAIRE).
Macropteer: Nunspeet 20.5.21, © (MAC GILLAVRY 18) en
Vaassen, Geld. uit de beek 29.4.27, g' (LIEFTINCK).
Op oevers en op stilstaand water, over het water loopend
en op en tusschen drijvende waterplanten.
Volgens POISSON (ziet WEBER) levert de paring van ma-
croptere en brach. vormen geen nakomelingen!
*gracilenta HORV. OSHANIN 3241.
Mook 25.8.05, Oisterwijk 4.19, 9, Leeuwen, G. 5.20, 9,
alle brach. en Halsteren 6.6.21, 9, macr. (MAC GILLAVRY 16
18, 19, 20 en 29); Baarn 3.5.24 (RECLAIRE 3); Kortenhoef
19.4.30 en Winterswijk 20.5.29 (RECLAIRE); macr. en brach.:
Winterswijk dito (MAC GILLAVRY).
Ter zelfde plaatse als de vorige.
BUTLER noemt haar niet uit Engeland.
GERRIDAE.
Gerris F.
De mate van ontwikkeling der vleugels is bij dit genus
al zeer verschillend. POISSON (ziet WEBER) gaat zelfs zoo
ver bij G. lacustris macroptere, subbrachyptere, brachyptere,
submicroptere, microptere en aptere vormen te onderscheiden
al naar de lengte van de hemielytra en achtervleugels.
Bovendien wijst hij op vaak voorkomende asymmetrie. Hij
vermoedt, dat de verschillende vormen beginstadia van
nieuwe soorten zijn. Ziet verder over brachypterisme bij dit
genus ook MAC GILLAVRY 25.
De Gerriden zijn alle carnivoor, zij bewegen zich snel zoo-
wel op stilstaand als op stroomend water, op het laatste
naar het schijnt met voorliefde tegen de stroom in, wat dan
ook wel moet, daar zij anders hoe langer hoe verder met
de stroom mede zouden gaan. Interessante bijzonderheden
omtrent de biologie vermeldt vooral BUTLER. Over de wijze,
waarop de soorten van dit genus haar prooi bemachtigen,
heeft EKBLOM (ziet WEBER) allerlei mededeelingen gedaan.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 217
*rufoscutellatus LATR. OSHANIN 3244.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Hydrometra):. Wassenaar,
Breda, Heemstede en Sterkenburg 6 en 7. FOKKER II, p. 127:
Nijkerk en de Bilt 7. !)
Arnhem 4.05, g' (DAMMERMAN), Mook 21.8.05, g (MAC
GILLAVRY); QQ: Arnhem 5.05 (DAMMERMAN). Pannerden
20.4 05 (WILLEMSE), Mook 16.8.05 (MAC GILLAVRY) en Roon
1.4.03 (SCHEPMAN); Laag-Soeren, Woerden, Arnhem, Olden-
zaal, Zierikzee, den Haag en Oisterwijk (BLÔTE 3).
*paludum. F. OSHANIN 3245.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Hydrometra): Holland.
FOKKER’s (II, p. 127) van Vorden medegedeeld ex. is ge-
bleken tot najas te behooren (MAC GILLAVRY 12). Toch is
volgens BLOTE (3) in FOKKER’s collectie een juist gedeter-
mineerd macr. ex. uit Vorden aanwezig.
Volgens BUTLER op stilstaand water.
*najas DE G. OSHANIN 3247.
Algemeen. Bij Oisterwijk werd 21.8.23 een macropt. ex.
gevonden (BLÔTE).
Volgens BUTLER vooral op stroomend water, volgens GULDE
echter cok op stilstaand.
costae H.S. OSHANIN 3253.
Noord-Engeland, Schotland en Ierland (BUTLER).
Volgens hem een subalpine soort, volgens HüEBER daar-
entegen een meer zuidelijke bergvorm. Volgens PUTON vooral
in het hooggebergte.
“thoracicus SCHUMM. OSHANIN 3255.
Algemeen, ook op de eilanden; talrijk op Urk (BLÔTE).
var. fuscinotum REUT.
Volgens GULDE bij Frankfort met het type.
“asper FIEB. OSHANIN 3256.
Uden, N.-Br. ; (SAMBEEK) en Weert 6.14, Q (MAC GIL-
LAVRY 12).
Volgens GULDE het gemakkelijkst gedurende het vroege
voorjaar te vinden.
1) Het uit Laren vermeld ex, (RECLAIRE 3) behoort tot thoracicus.
218 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
*gibbifer SCHUMM. OSHANIN 3258.
Zeer verbreid. Terschelling 31.7.—-3.8.25 en Vlieland 1.9.29
(RECLAIRE I en 5). Bij Tilburg werd 9.15 een ex. gevonden
met geheel zwarte sprieten (in coll. MAC GILLAVRY).
Volgens BUTLER ook op brak water.
*var. flaviventris PUT.
Met het type. FOKKER VI, p.35 met ? (volgens BLOTE (3)
juist): Winterswik 7.
Om verwisselingen met versche ex. te voorkomen, die op
de onderzijde eveneens geelachtig gekleurd zijn, raadt GULDE
aan deze var. alleen in de late herfst of het vroege voorjaar
te verzamelen.
*lacustris L. OSHANIN 3259.
Verbreid. Vlieland 1.9.29 (RECLAIRE 5).
Volgens BUTLER soms op brak water. GULDE vermeldt voor-
en najaarsvondsten.
*odontogaster ZETT. OSHANIN 3260.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Hydrometra): Wassenaar
onder dorre bladeren eerste voorjaar en April op de slooten.
Veenendaal 6.15, 4, Oisterwijk 4.14, 9, Naardermeer 6.5.
en 4.10.24, 9, alles macropt. en Naardermeer 12.8.24, ©,
brach. (MAC GILLAVRY 12 en 25; volgens hem een noorde-
lijke soort; hij wijst ook op de onderscheiding van {en 9);
Gortel, Epe 29.4.27 (LIEFTINCK) en Nunspeet 1.4., 4.10.30
en 12.4.31 (KALF; RECLAIRE; oo en QQ); Leersum 5.4.30,
CCD ANNET):
Over de biologie van deze soort ziet JORDAN. Volgens
hem moet men met de opgaven „zeldzaam, gemeen”, enz.,
bij Gerris zeer voorzichtig zijn, daar deze soorten wat veel-
vuldigheid betreft, zeer sterk wisselen.
*argentatus SCHUMM. OSHANIN 3261.
Zeer verbreid, macr. en brach., ziet MAC GILLAVRY 25.
GULDE vermeldt van deze, zooals van de meeste Gerris-
soorten, voorjaars- en najaars-, doch geen zomervondsten.
Toch worden zij bij ons ook gedurende de zomer, ofschoon
veel minder aangetroffen.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 219
VELIIDAE.
Microvelia WESTW.
*schneideri SCHLTZ. OSHANIN 3270.
FOKKER (o.a. VI, p. 35) noemt haar pygmaea DUF., deze
is echter volgens latere opvattingen een zuidelijke soort
Biziet 00k BLOTE: 3).
Waarschijnlijk gemeen. Terschelling 31.7.—5.8.25 (RE-
CLAIRE 1).
Deze soort loopt op speciale wijze snel over het water
(ziet BUTLER); ook op eendenkroos, algen en allerlei drijvende
waterplanten. Ziet ook MAC GILLAVRY 6.
Velia LATR.
Over de wijze, waarop de soorten van dit genus jagen,
heeft EKBLOM bericht (ziet WEBER).
*rivulorum F. OSHANIN 3281.
Mook 8.1910 en Valkenburg 7.07 (MAC GILLAVRY); Rhoon
(SCHEPMAN).
Deze soort leeft hoofdzakelijk op stroomend water. Uit
BUTLER's mededeelingen blijkt, dat hi er niet te zeer van
overtuigd is, dat rivulorum een goede, van currens verschil-
lende soort is. Het voorkomen in Engeland is dus twijfelachtig.
Over de onderscheiding van Velia rivulorum en currens
ziet LINDBERG 2.
*currens F. OSHANIN 3283.
Algemeen. Macr.: Noord-Holland (FOKKER V, p. 358).
Op stroomend water.
Een beschrijving met afbeelding van de larve geeft LUND-
BLAD (5).
AEPOPHILIDAE.
Aépophilus SIGN.
bonnairei SIGN. OSHANIN 3286.
Wight, Zuid-Engeland en lerland (BUTLER); Ile de Ré
(PUTON).
Deze soort leeft onder steenen, die gedurende de vloed
geheel door het zeewater bedekt worden, in gezelschap van
de Coleoptera Aépus robinii en marinus, Micralymma bre-
15
220 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
vipennis en Actocharis readingi. Zij zou dus eventueel aan
de Zeeuwsche kusten te vinden zijn.
LEPTOPODIDAE.
Leptopus LATR.
marmoratus GOEZE. OSHANIN 3287.
Kresse, Belg. (FOKKER 7; dito II, p. 133: boopis FOURCR.).
Leeft volgens GULDE in leigroeven op vochtige plaatsen
onder lei.
ACANTHHDAE. FOKKER II, p. 131: Saldidae.
Chiloxanthus REUT. FOKKER: Salda F.
*pilosus FALL. OSHANIN 3295.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Salda pilosa FALL.): Bergen
op Zoom 5, Terschelling 6 (ziet ook MAC GILLAVRY 10) en
Walcheren. FOKKER: Zierikzee 6—0.
Mirdummerklif (MAC GILLAVRY 27); Terschelling 5.8.25,
Woensdrecht 6.6.21 en 20.5.22 en Bergen op Zoom 20.5.22
(RECLAIRE). ;
Een halophiele soort, die o.a. op de Zeeuwsche slikken
in aantal onder wieren te vinden is.
Haldosalda REUT. FOKKER II, p. 132: Salda.
*lateralis FALL. OSHANIN 3298.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Salda): Terschelling (ziet
ook MAC GILLAVRY 10) en Bergen op Zoom 5. FOKKER:
Zienilkzee 8:
Bergen op Zoom 4.6.21 (RECLAIRE); dito 3.8.16, macr.
(MAC GILLAVRY) en Muiden 8.18 (v. D. WIEL).
Eveneens halophiel.
*var. pulchella CURT.
FOKKER II, p. 132: Terschelling 6 (ziet ook MAC GILLAVRY
Io), Bergen op Zoom 5 en 8 en Zierikzee 8 en 9.
Terschelling 2.8.25 (RECLAIRE).
*var. eburnea FIEB.
FOKKER II, p. 132: Terschelling 6 (ziet ook MAC GILLAVRY
10), Walcheren en Zierikzee 3, 9.
Vlieland 31.8.29 (RECLAIRE 5); Zeeburg 9.07 en Bergen
op Zoom 6.09 (MAC GILLAVRY).
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 2
N
-
Salda F.
*littoralis L. OSHANIN 3301.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (zosterae F.): Vlieland 6,
Terschelling 7 (ziet ook MAC GILLAVRY 10), schorren der
Schelde en Galdersche heide 6. FOKKER U, p. 131: Over-
veen 6, Schooten 6, Assen 8, Zierikzee 8 en Bergen op Zoom 5.
. Terschelling 5.8.25 (RECLAIRE); Zeeburg 28.6.14 en 31.53.08
(v. D. VAART); dito 18.7.12 (KLAASSEN); Valkeveen 6.17
(Mej. KOPERBERG); Bergen op Zoom 8.20 (UYTTENBOOGAART);
Leersum 15.7.19 en Woensdrecht 13.6.20 (MAC GILLAVRY;
met larven). Larven: Texel 13.5.21 (Mej. M. MAC GILLAVRY).
Vooral op zilte plaatsen onder halophiele planten, echter
niet uitsluitend op dergelijke terreinen (BUTLER; GULDE).
muelleri GMEL. OSHANIN 3303.
Yorks, Norfolk, Schotland en lerland (BUTLER).
Volgens hem aldaar in het binnenland in vennen, langs
de oevers van moerassen, op weiden, enz.
Hij beschrijft deze soort ter onderscheiding van morio.
*morio ZETT. OSHANIN 3304.
Denekamp 3.9.16, brach. (Mej. KOPERBERG) en Deventer
20.6.10 (KLAASSEN). Larve: Denekamp 5.18 (ziet MAC GIL-
LAVRY 6)
Volgens BUTLER op hooge vennen.
Hij geeft een beschrijving van deze soort.
Acanthia F. FOKKER II, p. 131: Salda F.
*scotica CURT. OSHANIN 3309.
FOKKER Il, p. 131 en V, p. 358: Limmel 7 en Eijsden 7.
Vierlingsbeek (UYTTENBOOGAART).
Eveneens langs bergbeken en rivieren (BUTLER; GULDE).
*orthochila FIEB. OSHANIN 3313.
Zeer verbreid.
Uit de mededeelingen van BUTLER en ook van GULDE
bljkt, dat deze soort op drogere plaatsen dan de vorige
voorkomt, soms ver van water verwijderd onder Erica.
*saltatoria L. OSHANIN 3315.
Gemeen, ook op de eilanden.
222 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN, NEDERLAND EN
Op moerassige en modderige grond, langs de oevers van
plassen en ook wel op zilte terreinen (BUTLER; GULDE).
var. marginella FIEB. :
Volgens GULDE bij Frankfort een enkel maal met het type.
? *c-album FIEB. OSHANIN 3318.
Met saltatoria worden ex. gevonden, die misschien tot
deze soort behooren, tenzij het juister is in dit geval te
spreken van saltatoria var. vestita DGL. SC. Groot-Brittannié
(BUTLER); Hopke-dal in Westfalen (HUEBER); Noord-Frank-
ryk (PUTON).
Volgens BUTLER en GULDE uitsluitend aan de oevers van
rivieren en beeken.
*melanoscela FIEB. OSHANIN 3320.
FOKKER I pst en ND shee Worden sien Eijsden 7:
Valkenburg 7.07 (MAC GILLAVRY).
Aan de oevers van poelen (GULDE).
BUTLER noemt deze niet uit Engeland.
setulosa PUT. OSHANIN 3322.
Dorset (BUTLER).
Hij vond 1 & onder aanspoelsel op een zandige plek in
een moeras.
Hij geeft de onderscheiding van andere soorten aan.
*opacula ZETT. OSHANIN 3323.
Zeeburg 11.3.21 (V. D. WIEL).
Volgens BUTLER in moerassen en op de oevers van poelen.
“pilosella THMS. OSHANIN 3326.
FOKKER II, p. 132 als var. van pallipes: den Haag 8 en
Zierikzee 4 en 8.
Zeeburg 6.08 en 9.07 en Vlissingen 7.6.20 (MAC GILLAVRY) ;
Amsterdam 4.1911 (LE MAIRE); Valkeveen 20.5.16 (DE
MEIJERE); Hilversum 6.3.20 en Nunspeet 3.8.22 (RECLAIRE);
Muiden 1525.19) MED WIE):
PUTON beschouwt deze als een var. van pallipes, SAUN-
DERS echter als spec. prop. Zij wordt met pallipes samen
gevonden.
Volgens BUTLER in zilte moerassen ook op de halophiele
planten.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 223
*pallipes F. OSHANIN 3327.
Verbreid.
Volgens BUTLER in zilte moerassen, volgens GULDE aan
rivieroevers.
*var. luctuosa WESTH.
Herwen 1.26 uit aanspoelsel (SCHOLTEN).
*var. confluens REUT.
Elburg 17.8.20, Zeeburg 9.07 en 25.4.20, Barneveld 8.9.12 en
Oldenzaal 7.06 (Mac GILLAVRY); Barneveld 7.16 (KLAASSEN).
*var. dimidiata CURT.
BOKKER IE p. 132: Zierikzee 3.
Terschelling 31.7.—5.8.25 (RECLAIRE I); Muiden 15.5.19
(v. D. WIEL); Halsteren 6.6.21 (RECLAIRE); Elburg 17.8.20
en Zeeburg 9.07 en 25.4.20 (MAC GILLAVRY).
*arenicola SCHLTZ. OSHANIN 3328.
FOKKER V, p. 358: Hoek van Holland 5.
Terschelling 8.1912 en Velp 7.08 (MAC GILLAVRY).
Door BUTLER niet van zilte gronden vermeld, van moe-
rassige plekken. GULDE houdt evenals PUTON arenicola voor
een var. van pallipes.
var. connectens REUT
By Frankfort een coke maal met het type (GULDE).
var. Simulator REUT.
By Frankfort tamelijk zeldzaam Gur bey
palustris DGL. SC. OSHANIN 3330.
inlandsch hOKKERS Villy pr 35:5 Zierikzeer 83 der dubs;
REUTER).
Volgens PUTON een onbeduidende var. van saltatoria.
BUTLER noemt deze niet uit Engeland.
Micracanthia REUT. FOKKER VI, p. 35: Salda F.
*marginalis FALL. OSHANIN 3333.
FOKKER: Lochem en Winterswijk 6.
Denekamp 5.18 (MAC GILLAVRY).
Teloleuca REUT.
pellucens F. OSHANIN 3338.
Cumberland, Durham, Snowdon en Schotland (BUTLER);
FOKKER II, p. 133 (Salda riparia FALL.): Belgié.
224 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
BUTLER vermeldt kenmerken ter onderscheiding van deze
van andere soorten.
Chartoscirta STàL. FOKKER II, p.132 en III, p. 52: Salda F.
*cincta H. S. OSHANIN 3341.
Verbreid, doch niet gemeen. Vlieland 8.31 (RECLAIRE).
Volgens BUTLER op vochtige plaatsen onder biezen en
andere kruiden, ook aan rivier- en vijveroevers. Volgens
GULDE aan de oevers van plassen op weiden, vooral op veenen.
*elegantula FALL. OSHANIN 3342.
Diemen 15.3.19 (P. VAN DOESBURG).
Aan de wortels van planten op moerassige terreinen
(BUTLER).
Hij geeft de onderscheiding van andere soorten aan.
var. flori DHRN.
Dorset (BUTLER).
*cocksi CURT. OSHANIN 3345.
Verbreid, doch niet gemeen.
Volgens BUTLER uitsluitend in Sphagnum, volgens GULDE
aan de oevers van uitgedroogde weidepoelen en slooten
onder gras en biezen. |
“geminata COSTA. OSHANIN 3346.
Verbreid, doch niet gemeen.
Of deze een goede soort is, staat te bezien; zij komt met
de vorige te samen voor en is wellicht daarvan een var.
BUTLER beschrijft deze niet uit Engeland.
NAUCORIDAE.
Aphelochirus WESTW.
*aestivalis F. OSHANIN 3354.
Mook, in de Maas, 9, 26.8.05, Oldenzaal, 9, in een beekje,
Gilze-Rijen 7.08, ©, op bodem heldere beek; Lievem se
12.5.18, krib van de Maas, G, en 9 met een larve en Affer-
den, L. 12.7.18, krib van de Maas, alles brach. (MAC GIL-
LAVRY 17) en Aa-gebied, N.-Br. (WEBER).
Zal in helder stroomend water wel verbreid zijn.
Volgens BUTLER bij voorkeur in stroomend water, in Dene-
marken echter ook in stilstaand water gevonden, tusschen
waterplanten als Potamogeton. O.a. werd waargenomen, dat
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 225
deze soort Haemonia-larven uitzoog. GULDE schrijft over
larven en imagines tusschen Fontinalis.
Naucoris F.
*cimicoides L. OSHANIN 3364.
Gemeen. Vlieland 8.31 (RECLAIRE).
In stroomend en stilstaand water.
Deze soort bezit een stridulatie-orgaan aan het achterlijf
van het 4‘ (ziet WEBER).
*maculatus F. OSHANIN 3365.
Oisterwijk 28.6.29 met zeer kleine larven, groote larve dito
9.8.21 (MAC GILLAVRY 29).
BUTLER noemt deze niet uit Engeland.
MAC GILLAVRY deelt nog iets mede over de herkenning.
NEPIDAE.
Nepa L.
“cinerea L OSHANIN 3378.
Overal, ook op de eilanden.
Volgens WEBER komen van deze soort slechts zeer zelden
ex. voor, die kunnen vliegen. Hij bericht ook over de wijze,
waarop de prooi bemachtigd wordt.
Ranatra F.
*linearis L. OSHANIN 3383.
Verbreid, doch niet gemeen.
In stilstaande wateren, carnivoor. Dit overigens trage dier
kan, om zijn prooi te bemachtigen, pilsnelle bewegingen
maken, gelijk men in een aquarium gemakkelijk kan waar-
nemen. Ziet hieromtrent verder WEBER. Volgens hem bezit
Ranatra aan het halsschild een stridulatie-orgaan.
HEYMONS (ziet WEBER) deelt mede, dat de eieren van
Ranatra en andere waterwantsen veel aangestoken worden
door de onder water jagende Chalcide Prestwichia aquatica.
NOTONECTIDAE.
Uitvoerige mededeelingen omtrent het zwemmechanisme
vindt men bij WEBER.
Plea LEACH.
*minutissima Füssr. OSHANIN 3390.
Overal voorkomend, vooral in slooten, tusschen allerlei
226 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
waterplanten en, zooals BUTLER meent, altijd in stilstaand
water. Vlieland 8.31 (V. D. WIEL).
Volgens WEBER leeft zij hoofdzakelijk van Daphniden. Van
een Amerikaansche soort is echter bekend, dat zij ook muggen-
larven en -poppen verdelgt. Hij bericht ook uitvoerig over
een stridulatie-orgaan aan de prothorax.
Notonecta L.
*glauca L. OSHANIN 3400.
Overal gemeen, ook op de eilanden.
In stilstaande wateren, roovend. Zou GULDE’s mededeeling,
dat de versch ontwikkelde ex. in den beginne een tijdlang
een appelgroene kleur vertoonen op viridis duiden?
EDWARDS geeft een determinatie-tabel voor glauca, furcata,
maculata en viridis (halophila).
*furcata F. Bij OSHANIN var. van glauca.
Overal gemeen.
Volgens huidige inzichten (EDWARDS, BUTLER e.a.) is
deze een) \spec.\prop. en. igecalva van slauca melken:
bij KUHLGATZ en GULDE.
*maculata F. Bij OSHANIN var. van glauca.
Venlo 16.12.19 (MAC GILLAVRY 15). Het door hem (10)
vermelde ex. van Terschelling behoort tot glauca. Wellicht
behooren 2 licht gekleurde ex. van Leeuwen, G. (2.9.21;
V. D. WIEL) eveneens tot deze soort.
MAC GILLAVRY (15) noemt deze soort umbrina GERM. en
bespreekt de synonymie. OSHANIN kent alleen een var.
umbrina FIEB. als = var. maculata F. van glauca. EDWARDS
en JACZEWSKI (2) beschouwen m. als goede soort, de laatste
geeft nog een aanvullende beschrijving.
*viridis DELC. OSHANIN 3400a. 1)
Hilversum 22.9 en 10.10.25 (RECLAIRE 3); Nunspeet 12.10.25
(VERSCHOOR); dito 1.4.30 (RECLAIRE); Leuvenum 9.11.30 en
1) In een kleine notitie (Entom. Monthly Mag. 62 (1926), 99) maakt
EDWARDS er op attent, dat door de onderzoekingcn van R. POISSON
(Bull. Soc. entom. France 1925. pp. 256, 257) is gebleken, dat N. halo-
phila EDW. = N. viridis DELC. is, Daar de laatste in 1909 is beschreven
— voor zoover hier van een beschrijving sprake is --, heeft viridis de
prioriteit.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 227
3 en 12.4.31 in de beek (KALF); Ransdorp, Marken (aldaar
de eenige soort in brakwater), Vlissingen en Nunspeet 10.26
(MAC GILLAVRY); Vlieland 29.8.29 (RECLAIRE 5); dito 8.31
talrijk, buitengewoon bleeke ex., versch? (RECLAIRE; V. D.
WIEL); Zaandam 8.07, Arnhem 9.07 en Texel 18.8.07 (DEL-
COURT); Amsterdam 20.3.07 (KOORNNEEF); Halsteren 16.5.31
(RECLAIRE).
Ongetwijfeld is deze soort niet uitsluitend halophiel.
Over de onderscheiding van glauca en viridis ziet ook
RECLAIRE 5. Zeer zeker is viridis een goede soort, zij kan
reeds in het net herkend worden, zoo het bovenvermelde ex.
uit Leuvenum, dat met eenige glauca te samen werd geschept.
*lutea MULL. OSHANIN 3401.
Ankeveen 12.7.19 (v. D. WIEL) en Gerritsflesch bij Hoog-
Buurlo 20—23.7.18 (MAC GILLAVRY 15).
BUTLER vermeldt deze interessante, naar het schijnt meer
noordelijke soort niet uit Engeland.
Een beschrijving van de vermoedelijke larve geeft MAC
GILLAVRY.
CORIXIDAE.
BUTLER geeft voor de herkenning van verscheidene der
hier beschreven Corixiden vele nuttige wenken en beeldt vele
palae af. T. JACZEWSKI (1) beschrijft in een uitvoerige ver-
handeling op moderne wijze volgende Corixiden: Cymatia
coleoptrata F., C. bonsdorffi C. SHLB., Glaenocorisa cavi-
frons THMS., Callicorixa fossarum LEACH., C. scotti DGL. SC.,
C. falleni FIEB., C. distincta FIEB., C. concinna FIEB., C. hiero-
slyphica Dur, C. fabric’ FieB., "EC. striata/L., ©. praeusta
Eimer © limitata lie ©) semistriata rine., Cs hellensi ©)
SHLB., C. sahlbergi FIEB., C. linnei FIEB., C. moesta FIEB.,
C. castanea THMS., Corixa geoffroyi LEACH., C. dentipes
THMS. en C. affinis LEACH.!) Zijn opvatting omtrent het
genus Callicorixa wijkt dus af van die van OSHANIN en
anderen, hij vereenigt Arctocorisa en Callicorixa tot het
genus Callicorixa B. WHITE, dat hij onverdeelt in de sub-
genera Anticorisa JACZ. en Callicorixa s, str. Het genus zou
1) Volgens van hem ontvangen schriftelijke mededeeling heeft zijn
beschrijving van affinis betrekking op panzeri FIEB.
228 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
ook Sigara F. genoemd kunnen worden, ziet bij Arctocorisa.
Vroeger werden de Corixiden als roofdieren beschouwd,
volgens HUNGERFORD (ziet WEBER) echter, leven zij hoofd-
zakelijk van algen. Zijn waarnemingen van 1917 zijn later
(1928) volkomen door EKBLOM bevestigd.
De Corixiden treden soms in enorme massa, in zwermen
op. Zoo bericht HANDLIRSCH (ziet WEBER) over het plotse-
ling verschijnen van een geweldige zwerm Arctocorisa hiero-
elyphica te Weenen.
Uitvoerig bespreekt WEBER het stridulatie-vermogen van
de Corixiden. Of de strigil iets met de stridulatie te maken
heeft, is yolgens hem twijfelachtig, daar men waargenomen
heeft, dat soorten, die geen strigil bezitten, toch 2 verschil-
lende geluiden kunnen voortbrengen en zonder dat het achter-
lijf bewogen wordt. De meeningen omtrent de wijze, waarop
de Corixiden striduieeren zijn verre van eensluidend.
Vermoedelijk kan men volwassen Corixiden gedurende
het geheele jaar vinden.
Corixa GEOFFR.
*geoffroyi LEACH. OSHANIN 3405.
Gemeen, ook op de eilanden.
Volgens BUTLER zelfs in bijna geheel uitgedroogde poelen.
Van 48 ex. in mijn verzameling zijn 13 dd!
*dentipes THMS. OSHANIN 3406.
Venlo 10 (MAC GILLAVRY 5); Nunspeet 8.22 en Apeldoorn
(MAC GILLAVRY 21); Nunspeet 3.8.22 en 1.4.30 en Laren,
NH. 18.4310. (RECLAIRE); Leeuwen, Gi 7 10529000001
WIEL); Oisterwijk 21.6.14 (KOORNNEEF); Ossendrecht 9.28
(REDEKE); Dwingeloo 30.8.31 (BEIJERINCK).
Volgens MAC GILLAVRY (21) behoort deze soort tot de
vennenfauna. |
BUTLER vermeldt haar niet uit Engeland.
*affinis LEACH. OSHANIN 3411.
Vlieland 26.7—3.8.31 (RECLAIRE; vid. O. LUNDBLAD).
Over de herkenning van panzeri en affinis ziet JACZEWSKI
3. De beide soorten zijn volgens hem, in overeenstemming
met BUTLER, goed van elkaar te onderscheiden. Hij merkt
zeer terecht op, dat, tengevolge van de langdurige verwis-
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 229
seling van de beide soorten, de opgaven over de geographi-
sche verbreiding vrijwel waardeloos zijn geworden. In het
reeds vrij oude werk van DOUGLAS en SCOTT zijn de beide
soorten goed onderscheiden.
*panzeri FIEB. OSHANIN 3411 = affinis.
Hilversum $.3.19 en Laren, N.-H. 16.3.30 (RECLAIRE); Vlie-
land in aantal in zoet water 25 en 27.8.29 (RECLAIRE 5;
bijna alles vid. JACZEWSKI); Winkel 26.5.12 (KOORNNEEF).
Vermoedelyk verder verbreid.
Arctocorisa WALL. FOKKER IV, p. 301: Corixa GEOFFR.
Volgens SCHUMACHER moet dit genus Sigara F. heeten,
een opvatting, die door WALLEY (volgens JACZEWSKT's schrif-
telijre mededeeling misschien zeer juist) weer bestreden wordt.
Om verwarring te voorkomen is in dit overzicht de nomen-
clatuur van OSHANIN gevolgd.
*lugubris FIEB. OSHANIN 3413.
FOKKER: Loosduinen en Zierikzee 4 en 5 gemeen in brak
water.
Urk- 26—28.9.28 (BLOTE); Veere 5.7.24 (in coll. Museum
Beselen) Halsteren 15—15.5.31 en Woensdreeht) „eam in
brak water (RECLAIRE).
Volgens BUTLER in stilstaande wateren, ook in brak water.
Beschrijving, onderscheiding van selecta en verbreiding
ziet LUNDBLAD 2 en JACZEWSKI 2.
*selecta FIEB. OSHANIN 3417.
BOKKER V, p. 360: Zierikzee 4. Hij noemt deze een zeen
kennelijke soort!
Terschelling 8.1912 (MAC GILLAVRY 10; det. dub.); Hal-
steren 6.6.21 (RECLAIRE 3; det. dub.); Bergen op Zoom 7.08
(MAC GILLAVRY) en Hilversum 6.3.20 (RECLAIRE; det. dub.).
Volgens BUTLER schijnt deze alleen in brakwater te leven.
Verbreiding, beschrijving en onderscheiding van lugubris
ziet LUNDBLAD 2 en JACZEWSKI 2.
*hieroglyphica DUF. OSHANIN 3419.
Zeer verbreid. Terschelling (MAC GILLAVRY 10); Vlie-
land 8.31, 8 Jd en 17 QQ (RECLAIRE) ; Urk 26—28.9.28
(BLÔTE).
230 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Volgens BUTLER in vijvers, volgens GULDE in helder water,
vaak in bronpoeltjes.
*hellensi C. SHLB. OSHANIN 3423.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Breda.
Nunspeet 3 en 17.5.30 en 11.4.31, vrij diep in de modder
van een beek, Leuvenum 30.5.25 (RECLAIRE) en 10.6.30
(RECLAIRE ; ziet ook dito 3); Leuvenum 9.11.30 in aantal
met andere Corixiden in een inham van de zeer hoog staande
beek, vermoedelijk alle door de stroom erin gedreven, even-
veel gig als OO W162 engs. 11.A., „LO LONEN 2072810 0 Rz
RECLAIRE; V. D. WIEL).
Volgens JACZEWSKI’s schriftelijke mededeeling is deze soort
vermoedelijk rheophiel. Hij vond haar in Polen altijd in stroo-
mend water, kleine beken, enz., echter niet in bergbeken,
doch in de vlakte of in heuvelland.
Niet door BUTLER uit Engeland genoemd.
“sahlbergi FIEB. OSHANIN 3424.
Gemeen, ook op de eilanden gevonden.
*linnei FIEB. OSHANIN 3425.
Dito.
transversa FIEB. OSHANIN 3426.
JACZEWSKI (5) heeft deze soort nauwkeurig beschreven,
Zij schijnt zeer opvallend te zijn en in het systeem vrijwel
een geiosoleerde plaats in te nemen, gelijk hellensi. Hij be-
schrijft een % uit Banyuls, Zuid-Frankrijk. Wellicht toch ook
bij ons aan te treffen.
*limitata FIEB. OSHANIN 343
Vlieland 8.31 (RECLAIRE); Arnhem 9 (MAC GILLAVRY);
Laren, 'N.-H. 31.7,23) en 20.06.28. en, 4 tens 5.31 n een bosch.
poel (RECLAIRE 3); Leersum 7.8.23 (RECLAIRE); Bergen op
Zoom 9—14.6.20 (V.D. WIEL); Otterloo 8.19 (MAC GILLAVRY);
Brunsummer Heide 11.16 (WILLEMSE); Eerde 6.7.26 (in
coll. Museum Leiden); Denekamp 7.8.14 (KOORNNEEF) en
Wijster, Dr. 16.10.31 (BEIJERINCK).
*semistriata FIEB. OSHANIN 3431.
Zeer verbreid.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 231
*venusta DGL. SC. OSHANIN 3432.
Arnhem 9.05. (DAMMERMAN) en Laag-Soeren 8.20 (NON-
NEKENS).
Volgens BUTLER in stroomend water in de nabijheid van
de oevers. :
Een uitvoerige beschrijving brengt JACZEWSKI (2).
*striata L. OSHANIN 3436.
Gemeen, ook op de eilanden. Urk 26—28.9.28 (BLOTE).
Volgens BUTLER vooral in stroomend water, naar hij meent
zelden in vijvers, wat met de in ons land gedane waarne-
mingen niet overeenstemt. Volgens GULDE zoowel in stroo-
mend water (Main) als in poelen.
*falleni FIEB. OSHANIN 3437.
Zeer verbreid. Vlieland 25—27.8.29 (RECLAIRE 5).
Ter zelfde plaatse als striata.
Verbreiding, herkenning, enz. ziet LUNDBLAD 2.
g,
glossata LUNDBL.
Ofschoon deze nieuwe, aan falleni herinnerende soort tot
nu toe in Zweden (Röstänga, Schonen 7.10.24) slechts in
een enkel # werd gevonden, zou het toch niet onmogelijk
zijn haar ook bij ons aan te treffen.
Aangaande de beschrijving ziet LUNDBLAD 2.
“distincta FIEB. OSHANIN 3438.
Verbreid, ook op de eilanden.
LUNDBLAD (3) geeft een uitvoerige beschrijving van deze
soort en toont aan, dat Arctorisa vernicosa WALL. (OSHANIN
3439) en A. douglasi SC. (bij OSHANIN — vernicosa) syno-
niem met distincta FIEB. zijn. Ziet ook LINDBERG.
“moesta FIEB. OSHANIN 3441.
Omtrent de verbreiding in ons land zijn wij nog niet vol-
doende ingelicht, want een deel van het materiaal is door
JACZEWSKI gezien, waarbij bleek, dat het voor het grootste
gedeelte tot castanea behoorde. Bekend is de soort tot nu
toe van Nunspeet 12.10.30 (KALF) en dito 7.8.25 en Ter-
schelling 1.8.25 (RECLAIRE) en Vlieland 1.9.29 (RECLAIRE 5).
*castanea THMS. OSHANIN 3442.
Omtrent de verbreiding valt dus ook nog niet veel te
232 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
zeggen (ziet moesta), zij schijnt echter bij ons verbreid te
zijn, wat merkwaardig is, daar zij o. a. door GULDE uit het
geberste is beschreven. Hilversum 19.3, 2.8. en to
2.11.29 en 8: en) 23: 3130; Laren iNFH. 16 en! 22:3. a6 50
en Winterswijk 18.5.29 (RECLAIRE ; door de vondst van dit
ex. werd de aandacht op castanea gevestigd); Gortel, Epe
20.4.27 (LIEFTINCK), alles det. JACZEWSKI; Denekamp 7.8.14
(KOORNNEEF); Galdersche heide 8.28 en Best 9.28 (REDEKE);
Terhorst, Dr. 17.931 en Wijster, Dr. 15.10 31 (BEIJERINCK).
Niet door BUTLER uit Engeland vermeld.
Over de onderscheiding van moesta ziet JACZEWSKI 4.
var. uliginosa ENDERL.
Frankfort in een koude bron (GULDE). Volgens JACZEWSKI
(1) een dubieuse var.
*fossarum LEACH. OSHANIN 3443.
Zeer verbreid.
In vijvers en poelen.
*scotti DGL. SC. OSHANIN 3444.
Verbreid, doch naar het schijnt niet gemeen.
In vijvers en poelen. |
Volgens LUNDBLAD (6) is À. prominula THMS. (bij OSHANIN
een var. van fossarum) een synoniem van scotti, waarvan hij
een goede beschrijving geeft.
*fabricii FIEB. OSHANIN 3446.
Zeer verbreid, ook op de eilanden.
Volgens JACZEWSKI (1) heeft de var. nigrolineata FIEB.
volstrekt geen taxonomische waarde, waarmede men zich
geheel kan vereenigen, zoodat in dit overzicht de van deze
var. bekende vindplaatsen niet vermeld zijn. Volgens zijn
schriftelijke mededeeling moet de soort nigrolineata en niet
fabricii heeten. Ook BUTLER en KUHLGATZ geven deze naam.
saundersi KIRK. OSHANIN 3448.
Surrey (BUTLER).
Hij betwijfelt echter zeer, of deze wel specifiek van de
vorige verschilt.
carinata C. SHLB. OSHANIN 3451.
Volgens BUTLER een hoofdzakelijk noordelijke soort, vol-
gens PUTON een alpine vorm.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 233
LUNDBLAD (1) geeft een nauwkeurige beschrijving van
deze soort en vermeldt, dat zij in de midden-europeesche
laagvlakte geheel schijnt te ontbreken, daarentegen weer in
de Pyreneeën, Alpen, Caucasus (in een brakwatermeer), Schot-
land, enz., voorkomt. Of zij dus bij ons aan te treffen is,
staat te bezien. Aangaande de herkenning ziet ook MAC
GILLAVRY 14.
*sermari FIEB. OSHANIN 3452.
Leersum 7.8 en 16.9.23 (RECLATRE ; det. O. LUNDBLAD) ;
Beüafınse, Dr 27.3 en Terhorst Dr. 17.90.31 (BEUERINCK;
det. O. LUNDBLAD); de Bilt 16.6.18 (SCHEPMAN ; det. dubieus).
Deze soort is uitvoerig door O. LUNDBLAD (1) beschreven;:
ziet ook MAC GILLAVRY 14.
Callicorixa B. WHITE. FOKKER IV, p. 303: Corixa GEOFFR.
Gelijk men uit dit overzicht zal zien is men omtrent de
specifieke waarde der in de literatuur beschreven vormen
van dit genus slecht georienteerd.
*praeusta FIEB. OSHANIN 3464. ')
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN (Corixa): Maastricht. FOKKER:
Vorden 10.
Vlieland 25—27.8.29 en 26.7—3.8.31 (RECLAIRE 5); Hil-
versum 28,7.23, Baarn 19.4.31, Laren, N.-H. 21.7, 11.8 en
RON En 16.9.23,, Ecersum 16.923, en, Nunspeet 124.31
(RECLAIRE); Arnhem 9.05 (DAMMERMAN); Nunspeet 7.18
(Mac GILLAVRY); Terhorst, Dr. 17.9.31 en Gijsselte, Dr.
1.9:31 (BEIJERINCK).
Volgens BUTLER zoowel in stroomend als stilstaand water.
LUNDBLAD (4) beschrijft praeusta uitvoerig.
var. producta REUT. *)
Zuid-Zweden. Volgens LUNDBLAD (4) een spec. prop., die in
Noord-Europa zeer verbreid schijnt te zijn. Hij beschrijft haar
uitvoerig, wellicht is zij synoniem aan sodalis.
1) Volgens LUNDBLAD (4) moet C. boldi DGL. SC. (OSHANIN 3463) uit
de literatuur verdwijnen. Ook BUTLER, die de soort uit Northumberland
— slechts in één ex. bekend — vermeldt, twijfelt er aan, of b. een
goede soort is.
2) Volgens LUNDBLAD (4) moet de var. socia DGL. SC. vervallen en
hij beschouwt haar als zijnde = praeusta.
234 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
?*var. wollastoni Der. SC. 13
FORKERMIN ED 303) Zierikzee: >
Wellicht heeft deze opgave betrekking op de nominaat-
vorm, evenals een © 7.5.21 bij Hilversum (RECLAIRE) gevon-
den. LUNDBLAD zag een groot aantal praeusta van Vlieland
(RECLAIRE), waaronder geen enkel tot de var. wollastoni
behoorend voorkwam.
LUNDBLAD (4) schijnt wollastoni als een spec. prop. te
beschouwen en geeft van haar een uitvoerige beschrijving,
ofschoon hij (blz. 76) zegt: „Sowohl das Feststellen der Art-
berechtigung dieser Form wie ihres Vorkommens in Schweden
bietet grosses Interesse dar”. |
sodalis DGL. SC. OSHANIN 3466.
Northumberland (BUTLER).
Volgens LINDBERG eveneens een var. van praeusta, vol-
gens LUNDBLAD (4) een dubieuse vorm.
caledonica KIRK. OSHANIN 3467.
Schotland (BUTLER).
LUNDBLAD (4) beschouwt caledonica als een zeer dubieuse
soort, waarvan nog niet vastgesteld kan worden, met welke
Callicorixa-soort zij te vereenigen is.
“concinna FIEB. OSHANIN 3468.
Zwartegatsche Kreek, Zeeuwsch-Vlaanderen 13.8.26 (V. MAS-
TENBROEK in Coll. Mus. Leiden; det. JACZEWSKI); Renesse
8.or (in Coll. Mus. Leiden; det. JACZEWSKI); Urk 26—28.9.28
(BLOTE); Hilversum 19.9.25 (RECLAIRE; det. dub, JACZEWSKIJ ;
Leuvenum 10.10.31 (RECLAIRE ; V. D. WIEL) ; Halsteren 18.5.31
in brakwater (RECLAIRE).
LUNDBLAD (4) geeft een uitvoerige beschrijving van deze
soort, die in Zweden uiterst zeldzaam schijnt te zijn.
Glaenocorisa THMS.
*cavifrons THMS. OSHANIN 3472.
Baarn, Nunspeet 8.20, Leersum 21.5.04 en Ede 7.18 (MAC
GILLAVRY 14, 18 en 21); Nunspeet 3.8.22 en Leersum 16.6.29
(RECLAIRE; det. LUNDBLAD); Bruntinge, Dr. 27.8.31 en Gijs-
selte, Dr. 1931 (BEIJERINCK; det. LUNDBLAD).
Volgens BUTLER komt in het Schotsche hooggebergte een
donkere vorm voor.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 235
Over de herkenning en onderscheiding van G. propinqua
FIEB. (OSHANIN 3473, uit Oostenrijk beschreven) ziet MAC
GILLAVRY I4.
Cymatia FL. FOKKER IV, p. 303: Corixa GEOFFR.
*bonsdorffi C. SHLB. OSHANIN 3475.
Verbreid.
*coleoptrata F. OSHANIN 3476.
Gemeen, ook op de eilanden. Gevleugde ex. zijn uit ons
land nog niet bekend.
Volgens BUTLER in vijvers vooral tusschen Myriophyllum,
volgens GULDE tusschen Lemna, Potamogeton e. a.
Micronecta KIRK. FOKKER IV, p. 303: Sigara F.
*minutissima L. OSHANIN 3480.
FOKKER V, p. 360: Nuth.
Deurne 26.5.20 (ROMIJN); Winterswijk 15—21.6.21 (V. D.
WIEL); Ommen 6.16 en Oirschot 7.08 (MAC GILLAVRY).
Volgens BUTLER aan begroeide rivieroevers.
LUNDBLAD (7) geeft een moderne beschrijving van deze
soort. De uit Zweden beschreven foveifrons THMS. (OSHANIN
3502) is volgens hem — minutissima.
var. poweri DGL. SC.
New Forest, Engeland (BUTLER).
? *scholtzi FIEB. OSHANIN 3497.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN: Leiden 5—6. Volgens FOK-
KER (IV, p. 303) kan S. v. V.'s beschrijving van Sigara
minutissima alleen betrekking hebben op scholtzi. Een be-
bevestiging van deze vondst bezitten wij nog niet, zoodat
het wel voorloopig twijfelachtig blijft, of scholtzi inderdaad
bij ons voorkomt. LETHIERRY vermeldt haar uit de Schelde
bij Valenciennes. LUNDBLAD (7) beschrijft deze soort zeer
goed, hij noemt haar meridionalis COSTA. Volgens hem in
Midden-Europa verbreid. BUTLER noemt haar voor Engeland
minder gemeen dan minutissima.
236 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
IRFERZITUUREN Sule
BENICK und SCHUMACHER, Zur Kenntnis der Tierwelt nord-
deutscher Quellgebiete. Zeitschr. f, wiss. Ins. Biol. Bd. 16,
blz. 69— 74.
1. H. C. BLOTE, Meijendel-onderzoek. Wantsen, Cicaden
en bladvlooien, Levende Natuur, Augustus 1926; alle door
hem genoemde lokaliteiten liggen binnen de grenzen der
gemeente Wassenaar. Ziet ook Entom. Berichten 7 (1926), 157.
2. Dezelfde, Verslag Wintervergad. Ned. Entom. Vereen.
1923) (biz: Wil.
3. Dezelfde, Nederlandsche Hemiptera in ’s Rijks Museum
van Natuurlijke Historie, I. Mesoveliidae, Hebridae, Veliidae,
Gerridae, Hydrometridae, Aradidae, Lygaeidae en Pyrrhoce-
ridae, Zool. Mededeelingen uitgegeven vanwege ’s Rijks
Museum van Natuurl. Historie te Leiden 13 (1930), 241—258.
SM BROWN, On the nymph of Chlamydatus evanescens
BoH., Entom. Monthly Mag. 61 (1925), 58—60.
E. A. BUTLER, A Biology of the British Hemiptera-Hetero-
ptera. London 1923. — Een bespreking heeft MAC GILLAVRY
gebracht: Tijdschr. v. Entomol. 46 (1923), 143.
1. Dezelfde, Allodapus montandoni REUT. (Capsidae) —
A British species, Entom. Monthly Mag. 59 (1923), 130—131.
2. Dezelfde, An invasion of Halticus saltator GEOFFR.
(Hemiptera), ib. 61 (1925), 276—279.
3. Dezelfde, Pachytomella parallela MEY (Hemiptera) as
a British species, ib. 60 (1924), 8.
4. Dezelfde, Notes on the early stages of British Hetero-
ptera made during 1924, ib. 265—268.
1. W. E. CHINA, Notes on the life-history and habits of
Notostira (Megaloceraea) erratica L., ib. 61 (1925), 28—33.
2. Dezelfde, Notostira erratica L. bred from Notostira
tricostata COSTA. A further note on the life-history of N.
erratica LL. Mb 270-280;
3. Dezelfde, Biological notes on Eusarcoris melanocepha-
lus F. (Heteroptera), ib. 62 (1926), 161--162.
4. Dezelfde, The egg of Ploiariola culiciformis DE GEER
(Heteroptera, Reduviidae), ib. 265—266.
A. DELCOURT, Bull. scient. de la France, 7° série, T. XLIII,
HET OMLIGGEND GEBIED’ WAARGENOMEN WANTSEN. 237
Fasc. 3, blz. 373—461. Ziet ook Feuille des jeunes Natura-
listes, août 1907. |
J. W. DOUGLAS and J. SCOTT, The British Hemiptera. Vol. I.
Hemiptera-Heteroptera. London 1865.
1. J. EDWARDS, On the British species of Notonecta,
Entom. Monthly Mag. 14 (1918), 56.
2. Dezelfde, Miris trispinosum REUTER. A British species,
ib. 61 (1925), 89—91.
F. VAN EMDEN, Bericht iiber die entomologische Uber-
wachung der Speicher und Kulturen der Firma CAESAR &
LORETZ, A.-G. im Jahre 1923 und 1924. Jahresber. von CAESAR
& LORETZ, Halle a. S. 1924 und 1925. — De bij citeering van
v. E. vermelde jaartallen hebben betrekking op het jaar
van verschijning van het bericht en niet op de datum van
waarneming enz.
A. J. F. FOKKER, Catalogus der in Nederland voorkomende
Hemiptera, I. gedeelte, Hemiptera Heteroptera. I, Tijdschr. v.
Entomol. 26 (1883) 1—17; II, ib. 27 (1884) 113—133; II, ib.
28 (1885) 51—78; IV, ib. 29 (1886) 297— 304; V, ib. 34 (1891)
357—361 en VI, ib. 42 (1899) 34—36.
1. Dezelfde, lets over het geslacht Pilophorus HAHN, ib.
ZO A LODE) 233- 230:
2. Dezelfde, De macroptere vorm van Geocoris grylloides
Mb 30: (18.37):
3. Dezelfde, Bijdrage tot de kennis der fauna van het
eiland Texel, ib. 42 (1899) 8.
4. Dezelfde, Verslag Zomervergad. Ned. Entom. Vereen.
TOO
5. Dezelfde, Twee voor onze fauna nieuwe hemiptera-
heteroptera. Tijdschr. v. Entom. 48 (1905).
6. Dezelfde, Note sur quelques Hémiptères Hétéroptères
de Belgique. Compt. rend. de la Soc. Entomol. de Belg.,
Séance du 6.2.1886.
7. Dezelfde, Bijdrage tot de kennis der Belgische fauna,
ibe seatice du 1.8.1897.
G. Fox WILSON, Insect Pests of Rhododendron, Journal
of the Horticular Society, Bd. L, Part I, Jan. 1925, blz. 46—54
(Contributions from the Wisley Laboratory, XLV).
F. GUILLEAUME, P. MARECHAL et G. VREURICK, Bull. Soc.
238 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Entomol. de Belg. 69 (1929), Assemblée du 1.6. en 9.11.20.
J. GULDE, Die Wanzen (Hemiptera-Heteroptera) der Um-
gebung von Frankfurt a. M. und des Mainzer Beckens. Frank-
font 192T.
A. HASE, Die Bettwanze (Cimex lectularius L.), ihr Leben
und ihre Bekampfung. Monographien zur angewandten Ento-
mologie. Herausgegeben von Prof. ESCHERICH, München.
Berlijn 1917.
W. HELLEN, Hemipterologische Notizen aus Finland. No-
tulae Entom. Soc. Ent. Helsingfors 6 (1926), 9— 15.
TH. HüEBER, Fauna Germanica, Hemiptera heteroptera,
Ulm, 1891—1893 (geen Capsiden en Corixiden!); Hemiptera
heteroptera. (Die Halbfliigler der Schnabelkerfe: Wanzen).
Systematisches Verzeichnis der bis jetzt in Deutschland ge-
fundenen Wanzen, nebst Angabe ihrer Fundorte, Benennun- |
gen und Beschreibungen. Synopsis der deutschen Blind-
wanzen (Hemiptera heteroptera, Fam. Capsiden). Jahresber.
d. Ver. f. vaterl, Naturk. in Würtemberg.
1. T. JACZEWSKI, Revision of the Polish Corixidae, Prace
Zoologiczne, Polskiego Panstwowego Muzeum Przyrodniczego
(Annales Zoologici Musei Polonoci Historiae Naturalis). Tom.
III, I.X.1924, Zeszyt 1—2.
2. Dezelfde, Contributions to the knowledge of some
West-European Heteroptera, chiefly Corixidae, ib. T. IV,
DN 1926, Ze scor:
3. Dezelfde, Bemerkungen über die Gattung Corixa GEOFFR.,
Polskie pismo entomologiczne (Bulletin entomologique de la
Pologne) 5 (1926) 121—126.
4. Dezelfde, Notes on Corixidae. III—VII. Annales Musei
Nationalis Hungarici 25 (1928), 204. Ill. The systematic value
of Sigara (Anticorixa) castanea (THOMSON).
5. Dezelfde, Notes on Corixidae. I, II. Supplementary
Notes to the description of Callicorixa (Callicorixa) trans-
versa (FIEB.), Ann. Zoolog. Musei Polonici Historiae Natu-
ralis 5.(1920), mus, Zeszs 1.
A.C.JENSEN-HAARUP, Danmarks Fauna. Illustrerede Haand-
boger over den danske dyreverden med statsunderstottelse
udgivne af Naturhistorisk Forening. Taeger. Kopenhagen
1912.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 239
K. H. C. JORDAN, Zur Biologie des Wasserläufers Limno-
trechus odontogaster ZETT., Zeitschr. f. wiss. Insektenbiol.
24 (1929), 28—33; ALEXANDER REICHERT-Festschrift.
TH. KUHLGATZ in ,,Die Süsswasserfauna Deutschlands her-
ausgegeben von Prof. Dr. BRAUER”, Heft 7, IV Rhynchota.
Jena 1900.
R. J. LEMAIRE, Hémiptères-Hétéroptères de Belgique, Bull.
Soc. Ent. de Belg. 60 (1921) 57—61.
L. LETHIERRY, Catalogue des hémiptères du Departement
du Nord. 2° Edition. Rijssel 1876.
1. H. LINDBERG, Zur Kenntnis der Corixiden Ostfennoskan-
diens, Acta Soc. pro Fauna et Flora Fennica 56 (1924), Nr. 2.
2. Dezelfde, Inventa entomologica itineris Hispanici et
Maroccani, quod a. 1926 fecerunt HARALD et HaKAN LIND-
BERG. I. Hemiptera Heteroptera Hydrobiotica, Soc. Scient.
Fennica. Commentationes biologicae III. 4. 1929.
1. O. LUNDBLAD, Studien iiber schwedische Corixiden,
I. Zur näheren Kenntnis der beiden nahverwandten Arten
Arctocorisa carinata (C. SAHLB.) und A. germari (FIEB.),
Entomologisk Tidskrift 1925, blz. 127—142.
2. Dezelfde, II. Zur naheren Kenntnis der beiden nahver-
wandten Arten Arctocorisa lugubris (FIEB,) und A. selecta
(FIEB.), ib. blz. 182—192. Ill. Zur Kenntnis der beiden Arten
Arctocorisa glossata n. sp. und A. falleni (FIEB.), ib. blz.
193—200.
3. Dezelfde, IV—V. Uber Arctocorisa distincta (FIEB.),
À. vernicosa (WALLENGR.) und À. douglasi (DGL. et SCOTT),
ib. 1926, blz. 221— 234.
4. Dezelfde, VI. Revision der fennoskandischen Arten der
Gattung Callicorixa B. WHITE, nebst Bemerkungen über
andere Callicorixa-Arten, ib. 1927, blz. 57—97.
5. Dezelfde, Anteckningar om vära vattenhemipterer. II,
ib. 1916, blz. 217— 232.
6. Dezelfde, Studies on the aquatic Rhynchota. What is
the systematic range of Arctocorisa prominula (THOMS.)?,
Annal. de Biologie Lacustre, Tome XII, Fasc. 3, 4 (1923).
7. Dezelfde, Studien über schwedische Corixiden. VII.
Über Micronecta minutissima (L.), M. foveifrons (THOMS.) und
M. meridionalis (COSTA), Entomologisk Tidskrift 1928, blz. 917.
240 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
1. D. MAC GILLAVRY, Rhynchota heteroptera, in de om-
streken van Oldenzaal en Denekamp verzameld op de excursie
tijdens de Zomervergadering van de Ned. Ent. Ver. Juli 1906,
Entomol. Berichten 2 (1907) 156—157.
2. Dezelfde, Verslag Wintervergad. Ned. Ent. Ver. 1909,
blz. XVIII.
3. Dezelfde, ib.-Zomerverg. 1909, blz. LV.
Dezelfde, ib. Wintervergad. 1910, blz. XXXVII.
Dezelfde, ib. Zomervergad. 1910, blz. LX.
Dezelfde, ib. Wintervergad. 1911, blz. XV.
Dezelfde, ib. Wintervergad. 1912, blz. XXVI.
Dezelfde, ib. Zomervergad. 1913, blz. LXI.
Dezelfde, ib Wintervergad. 1914, blz. XVIII—XXIII.
-10. Dezelfde, De entomologische fauna van het eiland Ter-
schelling voor zoover zij tot nu toe bekend is, Tijdschr. v.
Entomol. 57 (1914), 89—106.
11. Dezelfde, Verslag Wintervergad. Ned. Ent. Ver. 1915,
blz. XV.
12. Dezelfde, ib. Wintervergad: 1916, blz. XX.
13. Dezelfde, ib. Wintervergad. 1917, blz. XIII.
14. Dezelfde, Wederom een Noordelijke (sc. alpine) wants
in Nederland gevonden (Glaenocorixa cavifrons THOMS.),
Entomol. Berichten 5 (1919) 106—109.
15. Dezelfde, Verslag Wintervergad. Ned. Ent. Ver. 1910,
bla. DE |
16. Dezelfde, ib. Wintervergad. 1920, blz. XXVII.
17. Dezelfde, ib. Wintervergad. 1921, blz. V.
18. Dezelfde, ib. Zomervergad. 1921, blz. XLVII.
19. Dezelfde, ib. Wintervergad. 1922, blz. XI.
20. Dezelfde, Hydrometra gracilenta HORV. forma macro-
ptera in Nederland, Entomol. Berichten 6 (1922) 65—66.
21. Dezelfde, Mets over chet subse ean Macrocorixa, ib.
1923, 129—131. |
22. Dezelfde, Verslag Wintervergad. Ned. Ent. Ver. 1923,
oan Ee
23. Dezelfde, ib. Wintervergad. 1924, blz. XXVIII.
24. Dezelfde, Het Naarder Meer een vindplaats van Meso-
velia furcata MULS. et REY, Entomol. Berichten 6 (1924)
311—315.
m.
fede
me
SCA Nee
HET:OMLIGGEND GEBIED “WAARGENOMEN WANTSEN. 241
25. Dezelfde, Over brachypterisme bij Gerris, a en
346— 352.
:26. Dezelfde, Verslag i Ned. Ent. Mers 1926,
blz. XLV.
27. Dezelfde, ib. Zomervergad., 1927, biz. LXXXVIH. ci
28. Dezelfde, ib. Wintervergad. 1929, blz. XIV.
29. Dezelfde, ib. Zomervergad. 1929, blz-EXXIVEEXXVE
30. Dezelfde, ib. Zomerverg. 1923, blz. LXXXIIL (Noot).
31. Dezelfde, ib. Wintervergad.: 1930, :blz: XII. Br
MARECHAL, DE WALSCHE et VREURICK, Bull. Sine ou de
Bels: 70° (1.930), -Assemblée- dur ;335; 30: leent, |
J. C. H. DE MEIJERE, Verslag Zomervergad. Ned: Ent
Ver, 10106,1b1z:-LIV:
O. MICHALK, Anomalie in: dex en Dai sib
saeidens (Hem Het)» Zeitschr. fi WISSEMSE Insektenbiol.
35 (1931); .66-— 73:
O. NICKERL, Beitrage zur Insektenfauna Bohmens: IT: Rend
orte bohmischer Wanzenarten, Prag. Verlag der Sei
für Physiokratie. Bohmen 1905.
B. OSHANIN, Katalog der palaarktischen Ho dico (He-
teroptera, Homoptera-Auchenorhyncha m ‚ar
lijn 1912.
J. TH. OUDEMANS, Over het verslinden van Palomend: eieren
daor de pas uitgekropen wantsjes, Tijdschr. voor Entom. i
(1899) 51. HM
Dezelfde, De Nederlandsche Insekten. ’s-Gravenhage 1900.
--N. VAN POETEREN, Verslag over de. werkzaamheden: van
den plantenziektenkundigen dienst in het jaar 1928. Wage-
ningen Juli 1929 (Verslagen en mededeelingen van den
plantenziektenkundigen dienst te Wageningen No. 58).
:. H. PRIESNER, Prodromus zur „Hemipterenfauna von Ober-
österreich”. I, II und III, Zeitschr. f. wisschensch. Insekten:
biol. 21. (1926) 159—173, 22 (1927) 55—65 en 23 (1928)
113—120.,
PUTON, Synopsis des Hémiptères Heteropteres de ia
Parijs 1878. 4 Deelen, geen Capsiden i
1. A. RECLAIRE, Kosic] mededeeling omtrent eenige op
Terschelling waargenomen kevers, wantsen en mieren, Ento-
mol. Berichten 7 (1926) 58—64.
242 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
2. Dezelfde, Het voorkomen van Microtoma atrata GOEZE
in Zuid-Limburg, ib. 158—159.
3. Dezelfde, Aanteekeningen omtrent het voorkomen van
Hemiptera-Heteroptera in Nederland, vooral in het Gooi,
ib. 1929, 433—444 en 458—467.
4. Dezelfde, Verslag Wintervergad. Ned. Ent. Ver. 1930,
blz, LXIV.
5. Dezelfde, Korte mededeeling omtrent eenige op Vlie-
land waargenomen insecten, Entomol. Berichten 8 (1930)
121—135.
6. Dezelfde, Verslag Wintervergad. Ned. Ent. Ver. 1931,
blz. XLIV.
L. REH, Pflanzenschädliche Wanzen, Zeitschr. f. wiss.
Insektenbiol, 24 (1929) 3—49; ALEXANDER REICHERT-Fest-
schrift.
A. REICHERT, Entomologisches aus Miltitz, Berichte von
SCHIMMEL & Co., Miltitz b. Leipzig 1918— 1930. — De in
de text bij het citeeren van REICHERT vermelde jaartallen
hebben geen betrexking op de door hem gedane waarne-
mingen, doch op het jaar van het verschijnen van het bericht.
O. M. REUTER, Monographia generis Phimodera GERM.,
Acta Soc. Scient. Fennicae 33 (1908), Nr. 8. — KR. noemt
hierin Ph. humeralis DALM. als zelf gezien: Hollandia: Sche-
veningen! Hij vermeldt, dat dit de ex. zijn, die door SNELLEN
VAN VOLLENHOVEN Ph. galgulina genoemd worden.
1. H. RIBAUT, Notes sur les Hémiptères-hétéroptères. VI.
Stictopleurus crassicornis (L.) et abutilon (ROSSI), Bull. Soc.
Hist. nat. Toulouse 49 (1921) 302—307.
2. Dezelfde, Etude sur le genre Triphlebs (Heteroptera-
Anthocoridae), ib. 51 (1923) 522—538.
3. Dezelfde, Lygus kalmi (L.) et Lygus campestris (L.)
(Hemip. Heteropt., Miridae), ib. 52 (1924) 8—13.
4. Dezelfde, Caractères distinctifs de Eurygaster maura (L.)
et E. meridionalis PENEAU (Hem. Heteropt.), ib. 54 (1926)
103—I12.
5. Dezelfde, Les espèces françaises du genre Acompus
FIEB. (Heteroptera-Lygaeidae), ib. (1929) tog—-112.
6. Dezelfde, Sur quelques espèces des genres Stictopleurus
et Corizus (Heteroptera-Coreidae), ib. 58 (1929) 227—234.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 243
J. RITZEMA Bos, Mededeelingen van de Rijks Hoogere
Tuin- en Boschbouwschool 5 (1912) 180 en 6 (1913) 150.
H. SCHMITZ, S.J. De Nederlandsche mieren en haar gasten.
Met 56 afbeeldingen. Overgedrukt uit het Jaarboek 1915
van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg. Maastricht.
O. SCHNEIDER, Die Tierwelt der Nordsee-Insel Borkum
unter Beriicksichtigung der von den iibrigen ostfriesischen
Inseln bekannten Arten, Abh. Nat. Ver. Bremen 16 (1898),
Blefter.
1. T. A.C. SCHOEVERS, Verslag Wintervergad. Ned. Ent.
Ver. 1923, blz. XXXII.
2. Dezelfde, ib. 1928, blz. XXXII.
3. Dezelfde, ib. 1930, blz. XXVII.
M. F. R. SCHOLZ, Verzeichnis der Wanzen Bohmens, Entom.
Anzeiger 10 (1930), Nr. 16ff.
H. SCHOUTEDEN, Note sur les Hémiptères de Belgique,
Annal. de la Soc. Entomol. de Belg. 44 (1900) 456—461.
E. SCHUMACHER, Deutsche Entom. Zeitschr. 1924, blz. 337.
Dezelfde, ziet ook BENICK. i
SCOTT, J., ziet DOUGLAS, J. W.
K. M. SMITH, Note on the egg-laying of Calocoris bipunc-
tatus FAB., Entom. Monthly Mag. 61 (1925) 91—92.
S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, Hemiptera neerlandica.
De inlandsche ware hemipteren (Land- en waterwantsen).
’s Gravenhage 1878.
W. STICHEL, Illustrierte Bestimmungstabellen der deutschen
Wanzen (Hemiptera-Heteroptera). Berlijn 1925—heden, is nog
niet geheel verschenen.
B. TROUVELOT, Sur la biologie de Calocoris fulvomacu-
latus DE GEER, Bull. Soc. entom. France 1929, 233; Ztschr.
f. Pfl.krankheiten u. Pfl.schutz 41 (1931), 464.
WALLEY, Bull. Brooklyn Ent. Soc. 25 (1930) 49.
E. WASMANN, S. J., Kritisches Verzeichniss der myrme-
kophilen und termitophilen Arthropoden. Mit Angabe der
Lebensweise und mit Beschreibung neuer Arten. Berlijn 1894.
Dezelfde, Die Ameisenmimikry, ein exakter Beitrag zum
Mimikryproblem und zur Theorie der Anpassung. Abh. zur
theoret. Biol. Hft. 19. Berlijn 1925.
H. WEBER, Biologie der Hemipteren. Eine Naturgeschichte
244 , A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
der Schnabelkerfe. Biologische Studienbücher. lorena
ben von WALTHER SCHOENICHEN. Berlijn 1930.
J. WILLE, Die Rübenwanze Piesma quadrata FIEB. Mono.
graphien zum Pflanzenschutz. Herausgegeben von Prof. Dr.
H. MORSTATT, Berlin—Dahlem. 2. Berlijn 1929. — Een
bespreking heeft A. RECLAIRE FARSI Entomol, Berichten
8 (1930), 117.
W. WINTERHALTER, Über Langwanzen an Fichtenrinde,
Schweizer. Zeitschr. f. Forstwesen 82 (1931) 198. |
REGISTER BEVATTENDE DE NAMEN DER FAMILIE’s,
GENERA EN SOORTEN.
De namen der varieteiten zijn slechts by uitzondering ver-
meld. De getallen hebben betrekking op het in de text bi
elke soort vermelde katalogusnummer van OSHANIN.
A.
abietis, abietum 1386. abutilon 821. Acalypta 1456. Acan-
thia 3309. Acanthiidae 3295. Acanthosoma 584. Acetropis
2490. Acompocoris 2087. Acompus 1195. Actinototus 2344.
acuminata 349. acuteangulatus 689. Adelphocoris 2248. ade-
nocarpi 2665. adjunctus 1360. adspersus 1251. aegyptius 1967.
Aelia 349. aeneus 383. Aépophilidae, Aépophilus 3286.
aestivalis 3354. Aetorhinus 2611. affinis Ambl. 2918, Cal.
2306, Cor. 3411, Scol. 1359. Agalliastes: 3121. agilis 768.
Agramma 1642. agrestis 1240. albicinctus 3020. albidus
2922. albipennis 3107.: albipes 776. alboacuminatus 1276.
albofasciata 1050. albofasciatus 2176. albolineatus 2591.
albomaculatus 880. albomarginatus, Gnat. 46, Lop. 2484,
Spil. 880. alienus 3237. Allodapus. 2563. Alloeonotus 2326.
Alloeorhynchus 2002. Alloeotomus 2474. alnicola 3012,
alpestris 2308. alpinus, Acomp. 2087, Erem. 1349, Flag.
3087. Alydus 789. ambiguus 2982. Amblytylus 2917. ambu-
lans 2626. ampliata 1549. amplicollis 2070. ancorifer 2980.
Aneurus 1723. angulatus 2611. angustata 1553. angusticollis
1215. angustulus 1142. annulatus, Dic. 2554, Rhin. 1930.
annulicornis 3137. annulipes 747. anorus 1235. antennatus,
Rhyp. 1099, Ter. 2518. Anthocoridae 2054. Anthocoris 2066,
antica 2155. Anticorisa 3405. Aphanus 1251. Aphelochirus
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 245
3354. apterus, Halt. 2794, Nab. 2006, Pyrrh. 853. apuanus
880. Aradidae, Aradus 1645. arbustorum 3102. Arctocorisa
3413.. arenarius, Stygn. 1200, Trap. 1240. arenicola 3328.
Arenocoris 740. argentatus 3261. argyrotrichus 3048. Arma
623. Arocatus 806. artemisiae 1025. Asciodema 3172. Aso-
pus 623, 630. asper 3256. asperulae 2425. ater, Caps. 2460,
Geoc. 995, Glob. 2624. Xyloc. 2135. aterrima 39. aterrimus
1665. atomarius 2387. Atractotomus 3058. Atractus 725,
atrata 1232. aurantiacus 2963. auriculata 1547. austriacus
181. avenius 1723. azaleae 1531. ii
B.
baccarum, Carp. 455, Dol. 467. baerensprungi 1744. Bathy-
solen 739. beckeri 2244. Beosus 1286. Berytidae 1390. Bery-
tus 1393. betulae 1700. betuleti 2985. betulinus 1686. bicla-
vatus 2285. bicolor, Hyps. 2684, Seh. 62. bicuspis 2085.
bidens 612. bidentata 1769. bidentulus 1186. bifasciatus 2285.
biguttatus 74. bilineatus 2639. binotatus 2356. bipunctata
2141. bipunctatus 2313. Blepharidopterus 2611. bohemani
3130. boldi 3463. bonnairei 3286. bonsdorffi 3475. boopis
3287. boops 2012. Bothrostethus 747. Bothynotus 2527.
Brachyarthrum 2962. Brachycoleus 2349. Brachypelta 39.
Brachysteles 2124. brevicollis 2917. brevicornis 2423. brevi-
pennis, Nab. 2006, Plinth. 1186, Xyloc. 2133. brevipes 2515.
brevis, Con. 2858, Nab. 2030, Orth. 2753. brunnea 1459.
brunneus 1341. Bryocoris 2530. Byrsoptera 2956.
i:
c-album 3318. calcaratum 2495. calcaratus 789. caledonica
3467. Callicorixa 3463. Calocoris 2243, 2248, 2276, 2339.
Calyptonotus 1245. campestris, Lyct. 2105, Lyg. 2403. Camp-
tobrochis 2444. Camptopus 797. Camptotelus 1038. Campto-
zygum 2414. Campylomma 3136. Campyloneura 2559. Cam-
pylostira 1445. capitata 1422. capitatus 812. Capsidae 2157.
Capsus 2453, 2469. capucina 1537. Cardiastethus 2131. car-
dui 1552. .caricis (2628: carinata, Acal. 1462, Acet. 2490,
Arct. 3451. carpathicus 2433. Carpocoris 454. carthusianus
1589. castanea 3442. Catoplatus 1585. cavifrons 3472. Cera-
leptus 742. Ceratocombus 3230. cervina 1462. cervinus 2392,
246 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Charagochilus 2436. Chartoscirta 3341. chenopodii 2266.
Chilacis, Chilocoris 1017. Chiloxanthus 3295. chiragra 1113.
Chlamydatus 3121. chlorizans 2699. Chlorochroa 437. Cho-
rosoma 847. chrysanthemi 3091. ciliata 1546. Cimex, Cimi-
cidae 2046. cimicoides 3364. cincta 3341. cinerea 3378. cin-
gulatus 2484. cinnamomeus 1649. cinnamopterus 2593. cla-
vatus 2595. claviculus 930. clavipes 1398. clypeatum 607.
coccinea 2686. cocksi 3345. coerulea 636. cognatus 2429.
coleoptrata, Cym. 3476, Myrm. 2154. coleoptratus 3230.
columbarius 2048. concinna 3468. concolor 2663. confusa
1640. confusus, Anth. 2066, Aph. 1275, Drym. 1337, Pil. 2599.
Conostethus 2857. conspersus 814. constrictus 2540. conta-
minatus 2370. contractus 1374. Copium 1597. Coptosoma 80.
Coranus 1967. cordiger 2453. Coreidae 686. Coreomelas 2.
Coreus 703, 753. coriaceus 2755. Corimelaena 2. Coriomeris
753. Corixa, Corixidae 3405, 3413, 3463, 3475. Corizus 809.
820. cornutum 1597. corticalis 1687. coryli 2965. costae 3253.
costata 1585. crassicornis, Crioc. 3076, Dict. 1489, Stict. 820.
crassipes, Ber. 1409, Phym. 1729. Cremnocephalus 2591.
crenaticollis 1666. crenatus 1689. Criocoris 3076. cristata
1508. cruciatus 2621. culiciformis 1742. currens 3283. cursi-
tans, Piez. 2518, Scioc. 333: custos 623. Cydnidae 2. /Cyd-
nus 19. cylindricollis 2961. Cyllocoris 2605. Cymatia 3475.
Cymus 930. Cyphodema 2409. Cyphostethus 607. Cyrtor-
rhinus 2628.
D.
dalmani 725. decolor 2824. decoratus 1361. decurtatus 942.
delicatulus 2920. dentatum 593. denticulatus 763. dentipes
3406. depressus 1650. Deraeocoris 2453. Derephysia 1504.
diaphanus 2654. Dichrooscytus 2358. Dictyonota 1485. Dicy-
phus 2539. dilatatus 1111. dimidiatus 2188. diminutus 3017.
Dimorphopterus 949. Dipsocoridae 3230. Dipsocoris 3237.
dispar, Geoc. 975, Glob. 2623, Trapez. 1241. dissimilis 2050.
distincta 3438. distinctus 814. distinguenda, Myrm. 2150,
Trapez. 1237. ditomoides 1053. dolobratus 2524. Dolycoris
467. dominulus 508. dorsalis 112. douglasi 3438. Drymus
1334. dubius 64. dumetorum 1602. dumosa 633. Dyroderes
337. Dysodiidae 1723.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 247
E.
echii 1622. Ectemnus 2054. Elasmostethus 593. Elasmucha
506. Elatophilus 2063. elegans 1421. elegantula, Chart.
3342, Microph. 2144. elongatus 35. Emblethis 1302. enervis
1193. Enoplops 703. epilobii 2541. equestris 874. Eremocoris
1348. ericae, Ischn. 938, Nys. 913. ericetorum, Nab. 2029,
Orth. 2677. errans 2542. erratica 2510. erraticus 1352. ery-
throcephalus 2801. erythropus 1937. Eurycolpus 2825. Eury-
dema 492. Eurygaster 181. Eusarcoris 383. evanescens 3127.
exsanguis 2895. exanthematica 167.
fabricii, Arct. 3446, Cat. 1585. falleni, Arct. 3437, Nem.
741, Psall. 3013, Pseud. 735. fasciata 1062. fasciatus 1131.
fasciiventris 2131. fenestratus 1353. ferrarii 2757. ferrugata,
-or 596. ferrugatus 2525. ferrugineus 1387. ferus 2027. festi-
vum 499. fieberi. Asc. 3173, Elasm. 597. filicis 2529. flave-
olus, Cyrt. 2631, Euryc. 2825. flavicornis 20. flavinervis 2641.
flavipes, All. 2002, Anth. 2075, Piez. 2109. flavomaculatus
2622. flavomarginatus, Lop. 2478, Nab. 2019. flavoquadrima-
culatus 2607. flavosparsus 2657. foliacea 1504. foreli 2401.
formicetorum 2112. forticornis 3068. fossarum 3443. fovei-
frons 3480. fracticollis 1075. fuligineus 1200. fuliginosa, Dict.
1486. Odont. 111. fulvipennis 3096. fulvipes 2326. fulvoma-
culatus 2297. furcata, Mesov. 2044, Noton. 3400. fuscescens
2636. fusciloris 3095. fuscispinus 454.
G.
galactinus 2110. Galeatus 1520. galgulina 142. gallarum-
ulmi 2072. Gastrodes 1386. geminata 3346. geminus 2629.
genei 945. geniculatus, Ber. 1404, Peritr, 1217. genistae 2604.
Geocoris 974. geoffroyi 3405. Geotomus 33. germari 3452.
Gerridae, Gerris 3244. gibbifer 3258. gimmerthali 2492. Glae-
nocorisa 3472. glandicolor 933. glauca 3400. Globiceps 2613.
globulifer 2553. glossata 3437. Gnathocomus 46. Gonianotus
1320. Gonocerus 686. gothicus, Alloeot. 2474, Lop. 2483.
gracilenta 3241. gracilicornis, Ceral. 744, Peritr. 1210. gra-
cilis, Acal. 1474, Myrm. 2157. graminicola 916. grandis 1358.
248 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
Graphosoma 255. grisea 599. griseus, Embl. 1302, Rhaph.
563. grylloides 074. guttula 1901. gyllenhali 2436.
H.
Hadrodema 2414, haemorrhoidale 584. Haldosalda 3298.
halophila 3400a. halophilus 962. Halticus 2794. hamulatus
1375. Harpactor 1930. Harpocera 2954. Hebridae, Hebrus
2039. helferi 333. hellensi 3423. helveticus 920. hemipterus
1141. Henestaris 960. herrichi 2933. Heterocordylus 2691.
Heterogaster 1025. Heterotoma 2687. hieroglyphica 3419.
hirsutulus 2187. hirsutus 1100. hirticornis, Ber. 1393, Coriom.
760, 763. hirundinis 205i. histrionicus 2605. holosericeus,
Pol. 2431, Trop. 1129. holsatum 2507. Homodemus 2339.
Hoplomachus 2887. hortulanus 2890. horvathi 2938. hotten-
totta 181. humeralis 144. humuli 1620. hyalinus 807. hybri-
dus 1873. Hydrometra, Hydrometridae 3240. hyosciami 806.
Hypseloecus 2807. Hypsitylus 2684.
I.
impressus 65. incarnatus 557. inconspicua 2152. inflexa
369. infusum 2243. intermedia 408. intermedius 2359. inter-
stinctus, Elasmost. 593, Elasmucha 599. intricatus 2IQI. intru-
sus 3225. inuncta 261. iracundus 1933. Ischnocoris 1141.
Ischnodemus 942. Ischnorhynchus 937. Isometopidae, Isome-
topus 3225. italicum 255.
J-
jacobeae 910. Jalla 633. juniperi, Gon. 686, Phyt. 2203.
juniperina 437.
K.
kalmi 2405. kiesenwetteri 1572. kirschbaumi 3013. klugi
353. kolenatii 2978.
lip
_ lacustris 3250. laeta 1642. laevigata 2102. laevigatum 2503.
laevis 1723. Lamprodema 1158. laniarius 2462. laportei 1423.
Lasiacantha 1537. Lasiosomus 1193. lateralis, Campt. 797,
Hald. 3298. laticeps, Acomp. 1195, Hen. 960. laticollis 2097.
laticornis 722. lativentris, Nab. 2007, Piez. 2108. latus 1337.
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN,WANTSEN. 249
lawsoni 1650. lectularius 2046. lepidus 3008. leporina 372.
leptocerus 2696. Leptopodidae 3287. Leptopterna 2524. Lep-
topus 3287. letzneri 2042. leucocephalus 2785. leucopterus
866. Ligyrocoris 1092. limbatus, Anthoc. 2081, Lyg. 2375,
Nab. 2016, Taphr. 1370. limitata 3430. limitatum 2962. line-
aris, Megal. 2512, Ran. 3383. lineatus, Nab. 2017, Nys. 920.
lineolatus, Adelph, 2266, Campt. 1038, Lop. 2485. linnei 3425.
Liocoris 2440. Liorhyssus 807. littoralis 3301. lituratus 557.
lividus 742. lobata 727. longipennis 2184. Lopus 2477. Loxops
2686. lucorum 2373. luctuosus 56. lugubris 3413. lunata 410.
luniger 1214. lunulatus 457. lurida 1078. luridus, Psall. 3023,
Strongyl. 2788, Troil. 629. luscus 1286. lutea 3401. lutei-
collis 2802. lutescens 2444. Lyctocoris 2105. Lygaeidae,
Lygaeus #66, 869. Lygus 2364. lynceus 1257.
M.
macrocephalus 308. Macrocoleus 2802. Macrodema 1147.
Macrolophus 2534. macrophthalma 1472. Macroplax 1060.
Macrotylus 2933. maculata, Noton. 3400, Piesm. 1423. Ting.
1583. maculatus, Coriz. 809, Gal. 1521, Nauc. 3365. maer-
keli 2159. magnicornis 3063. major 2010. majuscula 2095.
mali 3058. Malococoris 2699. marginalis, Micr. 3333, Orthot.
2644. marginata 1472. marginatus Pyrr. 854, Syr. 708. mar-
ginellus 2339. marginepunctatus 1320. maritimus 1286. mar-
moratus 3287. mat 2477. maurum 1158. maurus 187. Mecom-
ma 2626. medius 765. megacephalus 986. Megacoelum 2243.
Megaloceraea 2510, 2572, 2513. Megalocoleus 2892. melano-
cephalus, Aroc. 896, Cym. 931, Eusarc. 385, Phyl. 2964.
melanoscela 3320. meridionalis 187. meriopterum 2687. Meso-
velia, Mesoveliidae 2044. Metacanthus 1421. Metatropis 1420.
Metopoplax 1053. M-flavum 2339. Micracanthia 3333. Micro-
necta 3489. microphthalmus 315, Microphysa, Microphysidae
2140. Microplax 1050, micropterum 1147. Micropus 942.
Microsynamma 3129. Microtoma 1232. Microvelia 3279. minki
2071. minor, Ber. 1401, Elasm. 594. minuta 2096. minutis-
sima, Micron. 3489, Plea 3390. minitussimus 1166. Miridius
2168. miriformis 838. Miris 2495, 2524. modestus, Oxyc. 1058,
Sthen, 3146. moesta 3441. molliculus 2903. Monalocoris 2529.
Monanthia 1546, 1585, 1602, 7675. montandoni 2564. mon-
250 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
tanus 2399. montivagus 1402. morio, Salda 3304, Seh. 57.
muelleri 3303. musci 1456. mutabilis 2755. Myrmecoris 2157.
Myrmedobia 2148. Myrmus 838.
N.
Nabis 2006. najas 3247. nassatus 2646. nasutus 2919. Nau-
coridae 3354. Naucoris 3364. nebulosa 563. nebulosus 1244.
Neides 1390. Nemocoris 741. nemoralis 2067. nemorum 2079.
Neocoris 3129. Neottiglossa 369. Nepa, Nepidae 3378. niger,
Coran. 1973, Strong. 2784. nigra 2090. nigricornis, Carp. 454,
Elat. 2063. nigrina 1471. nigrita, Cyd. 19, Polym. 2432.
nigritula 3129. nigrolineata, Arctoc. 3446, Graphos. 255.
norvegicus 2313. Notochilus 1374. Notonecta 3400. Noto-
nectidae 3390. Notostira 2510. nubilus, Bath. 739, Macroc.
2534, Peritr. 1221. nugax 768. Nysius 910.
O.
oberti 1529. obliquus 934. obscurellus 2987. obscurus 2700.
obsoletum 3172. obtusus 742. ochroleucus 2904. ochromelas
2281. ochrotrichus 2651. oculatus 3062. odontogaster 3260.
Odontoscelis 111. Odontotarsus 131. Oeciacus 2051. olera-
ceum 510. olivaceus 2460. Omphalonotus 2567. Oncochila
1608. Oncognathus 2356. Oncotylus 2828. Onychumenus
2824. opacula 3323. opacus 1195. Ophthalmicus 974. orna-
tum 492. Orthocephalus 2753, 2772. orthochila 3313. Ortho-
stira 1456. Orthotylus 2636. Oxycarenus 1058.
P.
pabulinus 2364. Pachycoleus 3236. Pachymerus 1245, 1251.
Pachytomella 2772. palliceps 2963. pallidicornis 2548. palli-
dipennis 986. pallidus 2539. pallipes 3327. Palomena 428.
paludum 3245. palustris, Acanth. 3330, Poec. 2424a. Pamera
1075. Pantilius 2162. panzeri 3411. parallela 2773. parum-
punctatus 815. parvicornis 2124. parvula 1476. parvulus 2114.
passerinii 2772. pastinacae 2403. paykulli 2941. pedestris,
Aph. 1276, Stygn. 1199. pellucens 3338. Pentatoma 437, 566.
Pentatomidae 111. Peribalus 416. Peritrechus 1214. perlatus
383. perplexus 2597. personatus 1839. Phimodera 142. phoe-
niceus 1280. Phylus 2963. Phymata, Phymatidae 1729. Phy-
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 251
satochila 1602. Phytocoris 2176. piceae 3025. piceus 1346.
picicolor 597. picipes 47. Picromerus 612. pictus 1357.
Piesma, Piesmidae 1422. Piezodorus 557. Piezostethus 2108.
pilicornis, Adelph. 2278, Coriom. 763, Drym. 1336. pilipes
Drym. 1334. Pilophorus 2593. pilosa 1570. pilosella 3326.
pilosus, Anthoc. 2074, Bothyn. 2527. Chilox. 3295, Megac.
2892, Scol. 1366. pinastri 2414. pinetellum 2972. pini, Aph.
1279, Phytoc. 2193. pinicola 439. Pinthaeus 609. Pionosomus
1150. pipistrelli 2049. Pirates 1873. Pithanus 2159. Placo-
chilus 2877. Plagiognathus 3087. Plataspidae 80. platychila
1466. platyoma 1615. Platyplax 1029. Plea 3390. plebejus
1348. Plesiocoris 2412. Plesiodema 2972. Plinthisus 1166.
Plociomerus 1075. Ploiaria, Ploiariola 1738. podagricus 1349.
Podisus 629. Podops 261. Poeciloscytus 2423. Polymerus
2431. populi 2185. praetextatus 1105. praeusta 3464. pra-
sina 430. prasinus 2648. pratensis, Cor. 815, Lyg. 2381.
preyssleri 1060. producta 3464. prominula 3444. propin-
qua 3473. Prostemma 1991. Psacasta 167. Psallus 2978.
psammaecolor 2516. pselaphiformis, pselaphoides 2140. Pseu-
doloxops 2686. Pseudophloeus 735. pteridis 2530. Pterotme-
tus 1139. puberulus 1364. pudicus 454. pulchella 2138. pul-
chellus 2514. pulcher 2344. pulicarius 3121. pullus 3123.
pumilio 1342. punctatoguttatus 881. punctato-nervosus 820.
punctatus 630. punctipennis 925. punctipes, Metac. 1421,
Oncot. 2839. punctulatus, Campt. 2446, Geot. 33, Ischn. 1143.
purpureipennis 455. purpureo-lineatus 131. pusilla 369. pusil-
his Elale2795, Hebr: 2030, Plinth 1167, Styen 378, Temn:
2057. Pycnopterna 2342. pygmaea 3279. pygmaeus, Acomp.
2088, Cyrt. 2630, Stygn. 1203. Pygolampis 1769. pyri 1527.
pyrioides 1531. Pyrrhocoridae, Pyrrhocoris 853.
Q.
quadrata, Piesma 1424, Verl. 696. quadratus, Aphan. 1266,
Syrom. 696. quadriguttatus 2567. quadrimaculata 1604. qua-
dripunctatus 2268. quadrivirgatus 2168. quercus 3000.
R.
Ranatra 3383. Reduviidae 1738. reduvinus 2054. Reduvius
1839. reicheli 2254. resedae 937. reticulata 1546. reuteri
17
252 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
2192. revelieri 1973. Rhacognathus 630. rhamnicola 2374.
Rhaphigaster 563. Rhinocoris 1930. rhododendri 1528. rhom-
bea 696. Rhopalotomus 2469. Rhopalus 818. Rhyparochro-
mus 1099. riparia 3338. rivulorum 3281. roeseli 898. rolandri
1245. roseomaculatus 2311. roseri 3157. roseus, Con. 2850,
Psall. 3030. rostrata 362. rottermundi 3160. rotundata 1623.
ruber 2462. Rubiconia 408. rubicundus 2409. rubidus 2670.
rubricatus 2389. rufescens, Allod. 2563, Metatr. 1420, Pachyc.
3236. ruficeps 2040. ruficornis, Sr. 1635, Trigon. 2513. rufi-
frons 2956. rufipennis 2358. rufipes, Acomp. 1195. Pentat.
566. rufoscutellatus 3244. rufus 815. rugicollis 2412. rugo-
sus 2028. rusticus 1190.
S.
sabuleti 942. sabulosus 1199. sahlbergi 3424. Salda 3298,
3301, 3306, 3333, 3338, 3341. Saldidae 3295. salicellus 3034.
salicis 3014. salinus 2857. saltator, Halt. 2801, Orthoc. 2758.
saltatoria 3315. saltitans 3125. salviae 1029. sanguinipes 600.
sarothamni 2068. Sastragala 596. saundersi, Arctoc. 3448,
Terat. 2520. saxatilis 869. scabricornis 753. scapha 703.
scarabaeoides 2. schillingi 847. schmidti 2280. schneideri
3279. scholtzi, Micron. 3497, Psall. 3004. Sciocoris 308. Sco-
loposcelis 2138. Scolopostethus 1357. scotica 3309. scotti,
Arct. 3444, Orth. 2649. scriptus 2349. scutellaris 2454. scu-
tellatum 80. Sehirus 56. seladonicus 2877. selecta 3417.
semistriata 3431. senecionis 917. Serenthia 1635. seticornis
2248. setulosa 3322. sexguttatus 2282. sibiricus 2076. siculus
986. Sigara 3413, 3489. signoreti 1406. simillimus 2999.
simplex 1608. sinuata 1446. socia 3464. sodalis 3466. solita-
rius 2935. Spathocera 722. sphacelatus 419. sphegiformis
2613. Sphragisticus 1244. Spilostethus 869. spinifrons 1520.
spinipes 740. spinolae, Dimorph. 949, Lyg. 2372. squalidus
742. stachydis 2546. stagnorum 3240. Stagonomus 378. sta-
phylinoides 1139. Staria 410. Stenocephalus 765. Stenodema
2495. Stenotus 2356. Stephanitis 1527. Sthenarus 3146. Stic-
topleurus 820. Stiphrosoma 2784. Strachia 492. striata, INTELOGE
3436, Pycnopt. 2342. striatellus 2281. strichnocera 1485.
Strongylocorus 2784. Stygnocoris, Stygnus 1196. subapterus
1973. subrufus 812. sulcatus 2480. Sulcicornis 3080. super-
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 253
bus 881. sylvaticus 1338. sylvestris, Anthoc. 2079, Ligyr.
1092, Peritr. 1214. symphyti 1618. Syromastes 708. Systel-
lonotus 2577.
aly
tanaceti 2892. Taphropeltus 1374. Teloleuca 3338. Tem-
nostethus 2057. tenella 2148. tenellus 2645. Teratocoris 2518.
terreus 333. Tetraphleps 2085. Tetyra 181. teucrii 1598.
Therapha 806. thomsoni 1360, thoracica 2954. thoracicus
3255. thunbergi 2887. thymi git. Thyreocoris 2. tibialis 2697.
ticinensis 2262. tigrinus 818. tiliae 2183. Tingis 1527, 7546.
Tingitidae 1445. Tinicephalus 2890. tipularius 1390. trans-
versa 3426. Trapezonotus 1235. tricornis 1480. tricostata
2511 a. trifasciatus 2458. Trigonosoma 255. Trigonotylus 2513.
triguttatus 2577. Triphleps 2090. tripustulatus 2440. trispi-
nosum 2496. tristriatus 607. Troilus 629. Tropicoris 566.
Tropistethus 1129. truncatus 1650. tuberculatus 1723. tumi-
dicornis 2691. tunicatus 2162. typhae 1017.
U.
ullrichi 1243. ulmi 2209. umbraculatus 337. umbrina 3400.
umbrinus 317. uniannulata 1746. unifasciatus 2424. urticae
1027.
VA
vagabunda 1738. valesianus 2362. vandalicus 2257. varia-
bilis, Piesma 1425, Psall. 2996. varians 3015. varipes 2212.
varius 1150. Velia 3281. Veliidae 3279. venator 680. venusta
3432. venustus 866. verbasci, Campyl. 3136, Carp. 467, Embl.
1310. Verlusia 696. verna 1445. vernalis 416. vernicosa 3438.
versicolor 1645. vesiculifera 1618. virens, Orth. 2640, Stenod.
2497. virescens 2661. virgula 2559. viridiflavus 2828. viridi-
nervis 2647. viridis. Lyg. 2368, Noton. 3400a, Terat. 2519.
viridissima 428. visci, Anth. 2069, Hypsel. 2807. viscicola
2396. vitellinus 3032. vittata 2085. vulgaris 1278. vulnera-
tus 2428.
W.
waltli 737. wilkinsoni 3126. wolffii 1622. wollastoni 3464.
254 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
X.
Xylocoridea 2133. Xylocoris 2135.
Z.
Zicrona 636. Zosmenus 1422. zosterae 3301.
SUPPLEMENT.
Sehirus morio L. Bilthoven 7.6.31.
Odontoscelis dorsalis F. Bij Zandvoort werden 27.6.31 (V. D.
WIEL; det. vid. BLOTE) 2 merkwaardige, bijna geheel don-
ker bruinzwart gekleurde ex. gevonden.
Het eene ex. is bijna geheel donkerbruinzwart, alleen is
op het halsschild in het midden een slechts bijna stipvormige
aanduiding van de lichte teekening overgebleven, eveneens
op het scutellum een zeer flauwe aanduiding van de lichte
middenlijn. Sprieten zwartbruin. Onderzijde zwartbruin, poo-
ten dito, tarsen en het uiteinde van de schenen bruinachtig.
In bepaalde richting gezien is de overigens donkerbruine
beharing zilverglanzig. De bestippeling van de bovenzijde is
opvallend dicht, de tusschenruimten zijn min of meer dof
tengevolge van een bij sterke vergrooting (bioc. oc. 7, obj. 6)
zichtbare granietachtige oppervlakte. Het 2° ex. vertoont iets
meer aanduiding van de lichte teekening, beide maken echter
een melanistische indruk en habitueel zouden zij voor een
nog onbekende soort of althans onbekende var. gehouden
worden. Het zou interessant zijn meer materiaal voor een
uitgebreider onderzoek te bemachtigen.
Eurygaster LAP.
In Spanje werd o.a. door E. maurus en E. austriacus zoo
nu en dan schade veroorzaakt op tarwevelden (Int. Bull. Plant.
Prot. 4 (1930), 22; Review appl. Entomol. London 18 (1931),
A. 366). Ook REH (ziet literatuurlijst) bericht over schade
aan winterkoren in het Middellandsche Zee-gebied en Klein-
Azië door Eurygaster-soorten.
E. meridionalis PEN. Dieren 29.7.22 en Nijmegen (?) (KOORN-
NEEF).
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 255
Sciocoris cursitans F. Rijsbergen 21—24.7.31 en Schin op
Geul 29.6 en 17.9.31 (RECLAIRE).
Aelia acuminata L. Volgens C. A. ISSAAKIDES (Int. Anzeiger
f. Pflanzenschutz 1930, 7; Ztschr. f. Pflanzenkrankh. u. Pflan-
zensch. 41 (1931), 475) is deze soort in Epirus en bij Patras
schadelijk voor koren, vooral tarwe, die tot ongeveer 40 °/p
vernietigd wordt. Uit ons land is nog geen Aelia-schade
bekend. Of hier soms verwisseling met A. rostrata het
geval is?
A. rostratra BOH. Dat deze soort ernstige schade aan tarwe
kan aanrichten, blijkt uit een literatuurbericht, volgens het-
welk in Spanje bestrijdingsmaatregelen worden aanbevolen
(Int. Bull. Plant. Prot. 4 (1930), 22; Review of appl. Entomol.
Londen 18 (1931), À. 366).
Volgens E. BERLINER (Mühle 68 (1931), Nr. 32; Chem.
Zentralbl. 1931, II. 2671) is de zoogen. „Leimkleberweizen”
in werkelijkheid ,,Wanzenweizen” en ontstaat doordat Aelia
rostrata de tarwekorrels aanboort en deze door de larven
uitgezogen worden, waarbij een stof achterblijft, die de vor-
ming van „Leimkleberweizen’ veroorzaakt.
Eusarcoris aeneus SCOP. Bunde 7.5.31 (RECLAIRE).
Dolycoris baccarum L. Volgens H. M. Moris (Internat. An-
zeiger f. Pflanzensch. 1930, 33; Ztschr. f. Pflanzenkrankh.
u. Pflanzensch. 41 (1931), 473, 474) doet deze soort op Cyprus
schade aan aardappelen, boonen, erwten e.a., ook wel aan
kersen en druiven alsmede koren. De levensgeschiedenis is
nog onbekend. Curieus is, dat de dieren einde Juni naar
hooge bergtoppen vliegen, alwaar ze onder losse steenen
leven en overwinteren, ofschoon bepaalde aantallen in Octo-
ber naar de akkers terugkeeren en daar schade aan groente
aanrichten. Zij worden door Tachiniden aangetast, die op
haar beurt weer van parasieten te lijden hebben.
Eurydema oleraceum L. Volgens mondelinge mededeeling
van de Plantenziektekundige Dienst te Wageningen is tot
nu toe uit ons land nog geen schade door deze soort bekend,
wat wel met GULDE’s opmerking hieraangaande overeenkomt.
In de literatuur wordt echter herhaaldelijk over schade door
Eurydema-soorten bericht.
Troilus luridus STäL. O. MICHALK (Zeitschr. f. wissensch.
256 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND EN
pa
Insektenbiol. 26 (1931) 138) beschrijft de wijze, waarop deze
soort voedsel opneemt. Hij kon waarnemen, dat de imagines
de kever Gastroidea viridula DEG. aanboorden, volgens hem
werkt het rostrum-sekreet oplossend op chitine, Hij noemt
de soort solitair, wat niet onvoorwaardelijk te beamen is,
althans klopte ik haar herhaaldelijk in eenige ex. van ver-
schillende struiken, al treedt zij niet in zulk een aantal op
als bv. Arma.
Gonocerus acuteangulatus GOEZE werd volgens BLOTE’s
schriftelijke mededeeling bij Bunde 7.87 door FOKKER aan-
getroffen.
Verlusia rhombea L. Volgens BLOTE’s schriftelijke mededee-
ling bebooren alle in het Leidsch Museum aanwezige inland-
sche ex. dezer soort tot de var. quadrata F. Een larve werd
16.7.26 in de zeeduinen van Katwijk gevonden. Het type
kent hij alleen uit Zuid-Europa en Noord-Afrika.
Coreus scapha F. Cadzand 7.02 (FOKKER), Valkenburg 5.9.19
(VAN ELDIK) en larve Schin op Geul 2.9.24 (BLOTE; schrifte-
lijke mededeeling). Dito 8.6 en 17.9.31 (RECLAIRE).
Spathocera dalmani SCHILL. is nog bekend van den Haag
5.1887, Maarsbergen 5 (EVERTS) en Laren 5.7.20 volgens
BLOTE’s schriftelijke mededeeling.
Pseudophloeus falléni SCHILL. Vlieland 8.31 (RECLAIRE).
P. waltli H.S. is nog bekend van Vlissingen (6.1869) en Buren
(7.1892) volgens BLOTE’s schriftelijke mededeeling.
Ceraleptus lividus STEIN. is volgens BLÔTE’s schriftelijke
mededeeling nog bekend van Scheveningen (VAN HASSELT),
Katwijk 12.4.27 (SCHILTE), Zijpe en Bussum (JASPERS).
Stenocephalus agilis SCOP. De heer BLöTE schrijft mij, dat
hem gebleken is, dat de door FOKKER van Arnhem vermelde
ex. van deze soort tot S. medius M. R. behooren. Het Haag-
sche ex. van S. agilis (door SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
van een „wijngaard’’ vermeld, dus wellicht geïmporteerd)
is niet in de verzameling van het Leidsch Museum aan-
wezig, zoodat het thans te betwijfelen is, of S. agilis wel
reeds in Nederland is waargenomen. De door SNELLEN VAN
VOLLENHOVEN gegeven afbeelding duidt wel op deze soort.
Alydus calcaratus L. var. hirsutus KLTI. De heer BLOTE
(schriftelijke mededeeling) twijfelt aan het voorkomen van
HET OMLIGGEND GEBIED WAARGENOMEN WANTSEN. 257
deze var. bij Frankfort, zij is hem alleen uit Azié bekend,
schijnt ook in Finland voor te komen.
Camptopus lateralis GERM. Van de var. brevipes H. S. bevindt
zich volgens BLOTE’s schriftelijke mededeeling in het Leidsch
Museum materiaal uit Duitschland, zoodat het voorkomen
in ons gebied niet uitgesloten is.
Corizus maculatus FIEB. werd ook bij Nijmegen gevonden,
daarentegen zijn de door FOKKER van Vorden vermelde ex.
niet in het Leidsch Museum aanwezig (BLOTE, schriftelijke
mededeeling).
C. subrufus GMEL. De heer BLOTE meldt mij, dat deze soort
nog bekend is van Friesland, Valkenburg en Maastricht 6.1894
en Houtem 7.1894.
C. parumpunctatus SCHILL. en C. rufus SCHILL. De heer
BLOTE was zoo vriendelijk mij op een fout in de tabel van
STICHEL te wijzen, klaarblijkelijk ontstaan door onjuiste ver-
taling van de Fransche text in PUTON’s bekende Synopsis.
Aldaar wordt op blz. 115 van deel 4 onder 13 gesproken
van „Côtes de la corie non ponctuées de noir”. Bij de var.
rufa SCHILL. noemt nu STICHEL als onderscheidingskenteeken
o.a. „Ränder des Coriums nicht schwarz punktiert” en onder-
steunt dit merkwaardigerwijze door een afbeelding. Indien
STICHEL’s opgave een vertaling van die van PUTON is, moet
het heeten: ,,Adern des Coriums” etc. Tengevolge hiervan
is de onderscheiding der var. van parumpunctatus foutief.
Na dit vernomen te hebben, was het mij duidelijk, dat in
mijn verzameling wel geen inlandsch materiaal van rufus
aanwezig zou zijn, de heer BLOTE was zoo welwillend de
74 ex. van C. parumpunctatus uit mijn collectie te verifieeren,
het bleek, dat 68 tot het type behooren en 6 tot de var.
subspeciosus SCHUMACH., die hij ook nog 29.8.24 te Weert
aantrof. Hij heeft in het materiaal te Leiden slechts 2 tot
rufus behoorende ex. uit ons land gevonden, van Naarden
7.1885 en Katwijk 6.24. De var. lepidus FIEB. zag hij nog
niet uit ons land, of deze dus reeds in ons gebied is gevon-
den, staat nog te bezien.
Stictopleurus crassicornis L. Volgens schriftelijke mededee-
ling van den heer BLÔTE is in het Leidsch Museum materiaal
dezer soort aanwezig uit Vornêche, Belg. van FOKKER.
258 A. RECLAIRE, NAAMLIJST DER IN NEDERLAND ENZ.
Ofschoon het eigenlijk vanzelfsprekend is, kan het toch
wellicht geen kwaad er op te wijzen, dat, gelijk de heer
BLOTE mij eveneens meldt, de interpretatie der verschillende
var. der Stictopleurus-soorten zonder een hernieuwd onder-
zoek der typen onmogelijk is; het is nl. niet uit te maken,
tot welke soort zij behooren. Hetzelfde geldt voor de var.
van Eurygaster maurus en E. meridionalis.
S. abutilon ROSSI werd in Belgié bij Vresse en Orval ge-
vonden en in het Harzgebergte door FOKKER (BLÔTE).
Pyrrhocoris apterus L. H. C. BLOTE (Zoolog. Mededeelingen
Leiden 14 (1931), 115) bericht over het in het Museum te
Leiden voorhanden materiaal dezer soort, macropt. ex. blijken
aldaar niet uit ons land aanwezig te zijn.
Pamera fracticollis SCHILL. var. collaris Bar. Kortenhoef
13.6.31 (RECLAIRE).
Rhyparochromus antennatus SCHILL. Schin op Geul 8.6.31
(RECLAIRE; VAN DER WIEL).
R. dilatatus H.S. Hilversum 1 en 9.5.31 (RECLAIRE).
R. chiragra F. Schin op Geul 6.6 en 17.9.31 (RECLAIRE).
R. c. var. nigricornis DGL. Sc. Deze var. blijkt in ons land
voor te komen: Schin op Geul 9.6.31 (RECLAIRE).
Ischnocoris hemipterus SCHILL. Een vermoedelijk tot deze
soort behoorend macropteer ex. werd 30.8.31 te Nunspeet
gevonden (MAC GILLAVRY).
I. angustulus BoH. Macropt. ex. dezer soort werden 27.3
en 9.4.31 onder Calluna te Hilversum gevonden (RECLAIRE;
let ren QD):
Macrodema micropterum CURT. Macropt.: Hilversum 20.4.31,
Q en 4.10.31, o onder Calluna (RECLAIRE).
Plinthisus pusillus SCHLTZ. Hilversum 1.5.31 onder brem
(RECLAIRE).
P. brevipennis LATR. Brach.: Hilversum 1.5 en 16.6.31
(RECLAIRE) en Zandvoort 27.6.31 (VAN DER WIEL).
Stygnocoris rusticus FALL. Vaals 18.9.31, brachypt. (RE-
CLAIRE).
Een nieuwe Otiorrhynchus (Col. Cure.)
uit Nederland
door
Dr. D. L. UYTTENBOOGAART.
De heer VALCK LUCASSEN overhandigde mij in October
1931 een groot aantal inlandsche Curculioniden ter deter-
minatie. Daaronder trok terstond mijne aandacht een serie
Otiorrhynchus gevangen te Vaals (Z.-Limburg) VI. 1931, die
hoewel bedriegelijk op singularis L. gelijkende, daarvan een-
vormig door eenen slankeren habitus afweken. Bij bestudee-
ring met het microscoop viel onmiddellijk op, dat het voor-
hoofd breeder was dan de rug van den snuit tusschen de
inplanting der sprieten, dat dientengevolge de oogen meer
terzijde van den kop waren geplaatst en dat de voorhoofds-
groef niet smal en spleetvormig was als bij singularis L.,
doch rond en diep. Bovendien puilen de oogen opvallend
buiten den kop uit, zijn cirkelrond en veel kleiner dan bij
sengularis L., die groote elliptische vlakke oogen heeft, die
naar boven gericht zijn en daardoor een voorhoofd insluiten,
hetwelk smaller is dan de rug van den snuit tusschen de
inplanting van de sprieten. Daardoor viel deze serie van
den heer VALCK LUCASSEN eigenlijk buiten de soortgroep
Metopiorrhynchus REITT., waarvan singularis L. de type is. In
mijn eigen collectie ontdekte ik twee van deze afwijkende
exemplaren en wel 1 uit Valkenburg (5.1920) en 1 uit Eys
(6.1931). Ik schreef daarop aan den heer VAN EECKE te Leiden
om in de collectie EVERTS te willen nazien of zich daarin
ook dergelijke exemplaren te midden van O. singularis L.
bevonden en ontving ten antwoord, dat zulks inderdaad met
28 exemplaren het geval was, waarvan 24 uit de provincie
Limburg, van welke rg uit het Zuiden en 5 van Steyl (uit
260 DR. D. L. UYTTENBOOGAART, EEN NIEUWE
aanspoelsel), terwijl er 4 van de Grebbe waren. Van de 67
echte singularis L. waren er slechts 6 uit Z.-Limburg.
Op mijn gelijkluidend verzoek aan andere Coleopterologen,
ontving ik van den heer VAN DER WIEL bericht, dat hij
onder zijn 32 inlandsche exemplaren van szzeularis L. er
6 (alle uit Z-Limburg) gevonden had, die met de door my
gevonden afwijking overeenkwamen.
Door bemiddeling van den heer CORPORAAL ontving ik
het szzgularis-materiaal uit de collecties van Natura Artis
Magistra, EVERTS (voorzoover in het Zoölogisch Museum te
Amsterdam), V. D. HOOP, NONNEKENS, BROERSE, SEIPGENS
en DRESCHER en vond daarin de volgende aantallen van de
bovenbedoelde afwijking:
coll. NONNEKENS 2 (Valkenburg 15/5 20).
coll. v. D. Hoop 1 (Brummen 5 ’94), I (Oosterbeek 6.1900),
5 (Warnsveld 5 ’94), 2 (Steyl 1915).
coll. EVERTS 1 (Grebbe, V. GIERSBERGEN), 2 (St. Cloud,
LUCASSEN), 2 (Luxemburg, DIXON), 2 (Boitsfort 1873,
ex. Musée de Bruxelles), 1 (St. Germain, LUCASSEN).
Daarna ontving ik van den heer VALCK LUCASSEN nog de
rest van zijn singularis-materiaal, waarin zich nog 3 ex. van
de afwijking bleken te bevinden en wel 1 uit Valkenburg
7.1920 en 2 uit Rotterdam (RECLAIRE 5.1901). Vervolgens
stelde ik mij over deze kwestie in verbinding met Pater
RüsCHKAMP te Bonn, doch deze verwees mij naar Prof. Dr.
KARL A. PENECKE te Czernowitz, die op het oogenblik het
Otiorrhynchus-materiaal van de Rheinische Koleopteren-
kollektion in bewerking heeft. Prof. PENECKE berichtte mij,
dat hij in bedoelde collectie geen enkel exemplaar van de
door mij beschreven afwijking had kunnen vinden. Ik zond
hem daarop 4 ex. van bedoelde afwijking en ontving daarop
het volgende bericht:
„Die übersandte Oforrhynchus-Art ist sicher von Of. sın-
gularis L. specifisch verschieden und eine noch unbeschrie-
bene Art.” 1) Prof. PENECKE was verder zoo vriendelijk de
1) Prof. PENECKE vond onder O. impressiventris in zijn eigen collectie
ook een exemplaar der nieuwe soort afkomstig van Clermont (Dep.
Seine), hetwelk ZHGel. voorzien van een ? indertijd daar voorloopig
geplaatst had. .
OTIORRHYNCHUS (COL. CURC.) UIT NEDERLAND. 261
nieuwe soort ook zijnerzijds nauwkeurig te vergelijken met
het geheele szzgu/arzs-materiaal, dat hij tot zijn beschikking
had en het resultaat van zijn onderzoek in den vorm van
een vergelijkende tabel aan mij te doen toekomen. Hoewel
de door ZHGel. opgesomde verschillen m. i. niet alle constant
zijn, zoo vormden zij eenerzijds eene bevestiging van de reeds
door den heer P. v. D WIEL en mij gevonden verschillen,
anderzijds een welkome aanvulling van mijn arbeid. Ik ver-
zoek dan ook de hieronder volgende vergelijkingstabel in de
Duitsche taal te willen beschouwen als eene combinatie van
de studie van Prof. PENECKE en van ondergeteekende.
Vanzelfsprekend heb ik ook nagegaan of de nieuwe soort
soms ook reeds vroeger beschreven was. Als zoodanig kwa-
men slechts in aanmerking Marguardti FALD. en Chevrolati
GYLL. Van deze beide soorten is het mij niet gelukt de typen
op te sporen, maar de origineele zeer uitvoerige beschrij ving
van FALDERMANN, die in mijn bezit is, sluit absoluut de
identiteit van Marguardti met de nieuwe soort uit, terwijl
alle oudere auteurs Chevrolazz uitsluitend baseeren op dichter
gestelde korrelrijen op de tusschenruimten der elytra, waar-
mede een dichtere beharing gepaard gaat. Aan dit kenmerk
voldoen ook eenige door HUBENTHAL bestemde exemplaren uit
het Zoölogisch Museum te Amsterdam, overigens verschillen
deze exemplaren in geen enkel opzicht van normale singularis,
terwijl het kenmerk bovendien niet constant en scherp is.
Op gezag van Prof. PENECKE waag ik het dus de door
mij gevonden afwijking als een nieuwe soort te beschrijven,
waarbij ik er nog uitdrukkelijk op wijs, dat van een sexueel
onderscheid hier geen sprake kan zijn, daar de heer VAN DER
WIEL van de echte singwlarıs L. zeven exemplaren en van
de nieuwe soort vier exemplaren op de genitaliën onderzocht,
welke alle QQ bleken te zijn.
Daar de nieuwe soort in den vorm van het voorhoofd en
de plaats der oogen met procerus STIERL. overeenstemt en
zij overigens zonder twijfel naverwant is aan szngularis L.,
kan zij toch geplaatst worden in de soortgroep Metopior-
rhynchus van het subgenus Dorymerus, hoewel de begrenzing
van deze soortgroep daardoor minder scherp en duidelijk
wordt dan zij uit de bewoordingen van REITTER’s tabel
262 DR. D. Le UYTTENBOOGAART, EEN NIEUWE
(No. 70) schijnt te zijn. Ik noem de nieuwe soort ,,veterator’’,
omdat zij op zulk een geraffineerde wijze de Coleopterologen
van Nederland, Belgié en Frankrijk bedrogen heeft, door
haar gelijkenis met singularıs.
Otiorrhynchus (Dorymerus) veterator nova species.
O. singulari simillimus sed fronte inter oculos latiore, aequa
latitudine (aliquando latiore) quam rostri inter antennarum
inserationes dorsum; frontis fove majore, rotunda, profun-
daque; oculis aperte convexis versus capitis laterem positis,
minoribus, rotundatis; thorace modice breviore ad lateres
magis convexo, tuberculis in orbi majoribus, setarum insertioni-
bus in summo tuberculorum positis consequente setae aliquid
erectae sunt; elytris longioribus lateribus parallelis; setis in
elytrorum intervallis praecipue versus apicem longioribus
magis erectis. Long. 6—9!/, mM.
Habitat Neerlandiam meridionalem, Belgiam, Galliamque
septentrionalem.
Ter voltooiing der beschrijving volgt hier nu nog een
vergelijkende tabel in de Duitsche taal:
1. Oberkante der Fühlerfurche, den Seitenrand des Rüssel-
rückens bildend von der Fühlereinlenkungsstelle bis zur Rüssel-
basis (Vorderrand der Augen) bei:
singularis veterator
parallel. erst etwas eingezogen, dann
nach dem Vorderrand der
Augen schwach gebogen di-
- vergierend.
2. Augenabstand (Stirnbreite) bei:
singularis veterator
kleiner als die Breite des gleichbreit oder etwas brei-
Riisselriickens zwischen den ter als der Riisselriicken
Fühlereinlenkungsstellen. zwischen den Fühlereinlen-
kungsstellen.
3. Stirngriibchen bei:
singularis veterator
schmal, lang, schlitzförmig, gröszer, rund und tief, im-
bisweilen kaum sichtbar. mer augenfallig.
OTIORRHYNCHUS (COL
u Nusen bei:
singularis
gröszer, mehr weniger ellip-
tisch, sehr schwach gewölbt,
fast flach, bei Ansicht von
oben (senkrecht auf die Stirn-
ebene) die Seitenkontours
des Kopfes nicht überra-
gend, ihr Unterrand sichtbar.
. CURC.) UIT NEDERLAND. 263
veterator
kleiner, fast kreisförmig,
deutlich gewölbt, über die
Seitenkontours des Kopfes
etwas vorragend mehr seit-
lich gestellt, ihr Unterrand
nicht von oben sichtbar.
5. Das Verhältniss zwischen Halsschild und Elytren ist
bei singularis L. immer so dass das Halsschild relativ länger,
die Elytren relativ kürzer sind als bei veferator, auch sind
bei letzterer Art die Seiten des Halsschildes immer stärker
gerundet. Seiten der Elytren vom Schulter bis zum Absturz
bei szzgularzs mehr weniger gerundet, bei veterator fast
parallel.
6. Körner der Halsschildscheibe bei:
singularis
relativ kleiner, die punkt-
förmigen Grübchen an der
Seite der Körner gestellt bis-
weilen sehr klein, die Borsten
deshalb ganz niederliegend,
veterator
relativ gröszer, die punktf.
Grübchen oben auf den Kör-
nern gestellt immer grosz
und augenfällig, die gekrüm-
ten Borsten deshalb deutlich
nach der Mittellinie des Hals-
schildes gerichtet.
aufgerichtet.
7. Die auf den Flügeldecken-Intervallen je eine Längs-
reihe bildenden Borsten, sind bei veferator länger und mehr
aufgerichtet (besonders auf dem Flügeldeckenabsturz) als bei
singularis, was damit zusammenhängt das bei veterator die
punktförmigen Grübchen in den Körnern nicht ganz in der
nach hinten gerichteten Wölbung des Körnes gestellt sind,
sondern mehr nach dem Rücken des Körnes zu.
Typen in meiner Sammlung, Paratypen in den Sammlungen
des Museums zu Amsterdam und der Herren Prof. PENECKE,
F. VALCK LUCASSEN, Dr. D. MAC GILLAVRY und NONNEKENS.
Hi
È;
dea
n
N,
N
2 N
Uhr Va
3 7
y I
geen i i
: { ci
Uni
1 a me >
i i sd 5
i
È
5 &
i
\
ul
+
\ È
Een
i
i
vn
PA
U
ia =
à \
F
bee
iy È,
«
_ INHOUD VAN DE EERSTE EN TWEEDE AFLEVERING.
Bladz.
Verslag van de Vijf-en-zestigste Wintervergadering . en
H. SCHMITZ S.J., In Memoriam P. ERICH WASMANN S. J. Eh
À. RECLAIRE, Naamlijst der in Nederland en het om-
liggend gebied waargenomen wantsen (hemiptera-
heteroptera) met aanteekeningen omtrent de voedsel-
of verblijfplant en de levenswijze. a medewerking. i
van D. Mac GILLAVRY) . . . 2.00.7258
Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, Een nieuwe J Oticahynebus
(Col. Cure.) mit Nederlanden u... 260° 268
an
Entomologie” est faite par lui.
- adresser sa Cu. sans aucun retard, ae qu "il ‘mesi i
n ui ” à
- È M ine »
Avis
d'adresser dorénavant les publications sata qui ui so
destinées, directement à: Bibliotheek der Nederlandsche Entom
logische Vereeniging, p/a. Bibliotheek van het Koloniaal Institut,
AMSTERDAM, Mauritskade 62. n 3 Pa
être adressées au eae DI a he
serait pas possible de faire droit a des réclamations tardives,
* 200% 7 Bi CORPORAST
_ Secrétaire de la SO i
entomologique des Pays Bas,
p/a. Zoölogisch Museum, Ber
me LA , Amsterdam.
LE
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Dr. J. TH. OUDEMANS, Pror. DR J. C. H. DE MEIJERE
EN
F. T. VALCK LUCASSEN.
VIJF-EN-ZEVENTIGSTE DEEL.
JAARGANG 1932.
DERDE EN VIERDE AFLEVERING.
(December 1932).
Vi
En
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
De contributie voor het lidmaatschap bedraagt f 10.—
per jaar. Ook kan men, tegen het storten van / 100.—
in eens, levenslang lid worden.
Buitenlanders kunnen tegen betaling van / 35.— lid
worden voor het leven.
De leden ontvangen gratis de Zntomologische Berichten
(6 nummers per jaar; prijs voor niet-leden / 0.50 per num-
mer), de Verslagen der Vergaderingen (2 per jaar; prijs
voor niet-leden f 0.60 per stuk) en de Verslagen van de
Vergaderingen der Afdeeling Nederlandsch Oost-Indië (prijs
voor niet-leden f 0.50 per nummer).
De leden kunnen zich voor / 6.— per jaar abonneeren
op het 7gdschrift voor Entomologie (prijs voor niet-leden
f 12.— per jaar).
De oudere publicaties der vereeniging zijn voor de leden
voor verminderde prijzen verkrijgbaar.
Aan den boekhandel wordt op de prijzen voor niet-leden
geene reductie toegestaan.
65
Ceratopogonidae from the wings
of Dragonflies
by
J. W. S. MACFIE.
Since DE MEIJERE (1923) published his description of a
midge, Ceratopogon aeschnosuga, found in Sumatra on the
wing of a dragonfly, a number of additional specimens have
been taken in the same region, and a collection of them,
formed by Mr. M. A. LIEFTINCK, !) was recently forwarded
to the British Museum (Natural History), London. Thanks
tarıthekindness of Dr. E: W. EDWARDS, it has been my
previlege to examine, and to report on this collection.
Ceratopogonidae are apparently not uncommon on the
wings of dragonflies in Java, Sumatra, New Guinea, and the
Moluccas. The parasitic index, however, is not high, for
Mr. LIEFTINCK notes that on about 8,000 dragonflies from
New Guinea he found only the ten specimens included in
the collection, and some ten or twelve others discarded
because they were much damaged. They occur also in
other parts of the world. I am indebted to Dr. EDWARDS
for permission to include in this report the description of
a West African species sent to him by Mr. J. BEQUAERT
from Liberia, which is of peculiar interest because of its
close resemblance to one of the species collected in New
Guinea; and it is not improbable that they occur also in
England, for Michelmore (1929) in his Introduction to The
Diptera of Wicken Fen records “the capture by Wicken
Lode in August, 1926, of a specimen of the large dragonfly,
Aeschna grandis L., carrying on its wings a number of
minute black flies’’ which may have been Ceratopogonids.
1) Entomologist of the Zoological Museum, Buitenzorg, Java.
18
266 J. W. S. MACFIE, CERATOPOGONIDAE FROM
It seems probable, indeed, that they may be found to have
a wide distribution, now that attention has been drawn to
them.
The midges suck the juices from the veins of the wings,
but it is not known to what degree they cause injury to
their Hosts. Mr. LIEFTINCK notes that when a dragonfly is
hovering within a short distance, the little midges can be
observed with the naked eye as dark spots on the veins
of the wings. They lie flattened out against the wing
surface, with the legs outspread, and the empodium expanded
(see Fig. 2). In some species at any rate it must be mainly
by means of the empodium that the insect retains its hold,
for there are no claws. The appearance of a specimen from
Sumatra, probably C. aeschnosuga DE MEIJ., in the British
Museum collection suggests that there may be some secretion
from the empodium to aid attachment, but whether this is
so or not, the structure of the empodium itself in this
species is peculiarly adapted for clinging to a flat surface.
Altogether thirty specimens, all females, are dealt with
in this report, namely, nine from Java, ten from New Guinea,
four from Karimon Djawa Island in the Java Sea, four
from Buru Island in the Moluccas, and four from Liberia
in West Africa. All of them had been preserved in spirit,
and a few had already been mounted for examination by
Mr. LIEFTINCK, so that details of distinctive colour-markings
may be lacking. The ‘unit used in the descriptions is
approximately 3.7 u. Exact measurements when given, and
unless otherwise stated, refer to selected specimens, and
are therefore individual and not averages. The term ‘‘tarsal
tation, abbreviated. to WU. Re) is used to express thesraue
of the leneths of the first and second tarsal segments of
the hind legs. For many of the text-figures I am indebted
to Mr. LIEFTINCK, and I take this opportunity of thanking
him for his courtesy in permitting me to make use of them.
Pterobosca gen. n.
With the general characters of Æorcipomyia, but with the
six terminal segments of the antenna of the female elongate,
and the empodium large and broad, modified for clinging;
THE WINGS OF DRAGONFLIES. 267
without scales, with the T.R. 3 or more than 3. The females
of all the species at present known suck juices from the
wing-veins of dragonflies. The males are not known.
Key to the species here described.
IEC OS swithout Claws). me ee. NR OT
4
Legs with claws e e (es
2. Large species: palp without pit aeschnosuga (DE MEIJ.)
Smaller species: palp with pit i PE ONE
3. T.R. about 3.7, one spermatheca . adhesipes sp.n.
T.R. about 3.2, two spermathecae . . mollipes sp. n.
4. Second radial cell large, fourth tarsal segment about
equal to fifth. . . odonatiphila sp.n.
Second radical cell obliterated, fourth tarsal segment
about half length of fifth . . avzel sp.n.
Pterobosca aeschnosuga (DE MEI.)
A dark brown species of moderate size, with T.R. about
3, fourth tarsal segment obliquely truncated, legs without
claws, and empodium very large and complex.
Q Length of wing, 1.6 to 1.8 mm.; greatest breadth of
wing, 0.6 to 0.7 mm.
Head dark brown. Eyes bare, the facets separated above
by a narrow line. Proboscis short. Palpi (Fig. 1, A) dark
brown, short and fusiform, broadest about the basal portion
of the third segment, and tapering thence both apically
and basally; third segment bearing sensory hairs on its
inner surface, but without a sensory pit; the lengths of
the last three segments in one specimen 17, 8, and 9 units
respectively. Antennae (Fig. 1, B) dark brown: segments
3—9 disc-shaped, armed with rather short, slightly curved
spines, all broader than long but successively narrowing a
little, measuring in one specimen from 8 by 12.5 to 6 by
10.5 units; segments 10—15 more elongate, segments 10—14
sub-equal, in the same specimen about 22 by 12 units;
the last segment longer, about 35 by 12 units, tapering
distally, and ending in a nipple-like process. The combined
lengths of segmenis 10—15 three to four times as long as
those of segments 3—9.
268 J. W. S. MACFIE, CERATOPOGONIDAE FROM
Thorax dark brown, well clothed with shortish, dark
hairs. Scutellum and postscutellum dark brown, the former
bearing numerous bristles and hairs.
Fig. 1. Pferobosca aeschnosuga (DE MEIJ.): A - palp; B - antenna;
C- wing; D and E- terminal segments of legs; F - spermatheca.
(Figs. A—-E drawn by Mr. LIEFTINCK).
Wings (Fig. 1, C) unadorned, densely clothed with
macrotrichia which are especially numerous along the anterior
border; without scales. Fringe long, as in Forczpomyia. Alula
without a fringe. Intercalary fork indistinct. Anal angle
large, and anal vein straight. Costa extending slightly beyond
the middle of the wing, deficient for a short space near
the base, and with the usual bare area devoid of macrot-
THE WINGS OF DRAGONFLIES. 269
richia just beyond its end. First radical cell almost obliterated ;
second narrow, lenticular. Cross-vein very oblique. Median
vein dividing just beyond the cross-vein, but the fork not
clearly visible as the proximal ends of both branches are
deficient. Fork of Cu. at about the level of the basal part
of the second radial cell. Halteres with brown knobs.
Legs (Fig. 1, D and E) uniformly dark brown; well
clothed with rather short hairs; without scales. T.R. about
3. Fourth tarsal segment small, obliquely truncated. Claws
absent. Empodium very large, broader than long, with a
complicated structure.
Abdomen often greatly distened, darkish brown, densely
clothed with short hairs, without scales. Spermathecae
(Fig. 1, F) two, highly chitinised, pyriform, sub-equal, total
length about 70—85 u and greatest breadth about 45—50 u.
Java: Kawah Kamodjang, above Garoet, about 1750 metres
altitude, 19-IV-1930, 6 99 (M. A. LIEFTINCK), on wings of
Procordulia artemis LIEFT.; Lake Pangkalan, above Garoet,
c. 1450 m. alt., 21-IV-1930, 1 © (M. A. LIEFTINCK), on wing
of Orthetrum pruiuosum BURM. (Libellulid); Buitenzorg,
Botanic Garden, 250 m. alt., 11-V-1930, 1 © (M. A. LIEFTINCK),
on wing of Zygonyx ida SELYS (Libellulid); and Mt. Salak,
crater lake, c. 1300 m. alt. 6-[V-1931, 1 © (M. A. LIEFTINCK),
on wing of Procordulia artemis LIEFT.
This species is probably the same as Ceratopogon aeschnosuga
DE MEIJ., a species described from a single female taken
in Sumatra on the wing of an Aeschnid, Anaxr magnus
Rams. The original description of C. aeschnosuga is brief,
and is now insufficient to distinguish it from allied species.
I accordingly wrote to Prof. DE MEIJERE asking if he could
furnish further details, and I am indebted to him for a
courteous reply regretting his inability to do this owing to
the fact that the unique specimen had been destroyed.
Prof. DE MEIJERE informs me that the specimen was
lost before his examination was completed, and that in
consequence his description had had to be based on
annotations on the dried insect. This misfortune may
explain away certain apparent discrepancies between C.
aeschnosuga and the insect described above, for example
270 _ J. W. S. MACFIE, CERATOPOGONIDAE FROM
those in the descriptions of the antennae, for which at first
it seemed difficult to account. The species is therefore
redescribed here from specimens collected in Java by Mr.
LIEFTINCK so as to facilitate a comparison with other, allied
species. Mr. LIEFTINCK states that the species is apparently
common on the lower and upper sides of the wings of
the Corduliid dragonfly Procordulia artemis LIEFT., and
records that once he observed a pair 7% coztu on the wing
of this dragonfly. The male, which was much smaller than
the female, unfortunately escaped.
Pterobosca adhesipes sp. n.
Allied to P. aeschnosuga (DE MEIJ.), but smaller, the third
segment of the palp furnished with a sensory pit, the T.R.
greater (3.6 to 4.1), and differing also as indicated below.
Fig. 2. Ptferobosca adhesifes sp. n. attached to underside of hind wing
of a Libellulid dragonfly, Agrionoptera insignis atlogenes TILL.
(Drawn by Mr. LIEFTINCK).
Q-Length of wing, 0.8 to 1.3 mm., average 1.0 mm,;
greatest breadth of wing, 0.3 to 0.5 mm., average 0.37 mm.
Palp (Fig. 3, A) with third segment smaller, and furnished
with a shallow sensory pit; the lengths of the last three
segments averaging 9, 6, and 7 units respectively. Antennae
© THE WINGS OF DRAGONFLIES. … |. 271
(Fig. 3, B) with segments 3—9 rather less flattened, armed
with long spines with curved ends, measuring on the average
from about 6 by ro to 4.6 by 7.6 units; segments 10—14
sub-equal, rather variable, but averaging about 10 by 7.6
units; the last segment averaging 19 by 7 units, and ending
Fig. 3. Plerobosca adhesipes sp.n.: A-palp; B- antenna; C - wing;
D - terminal segments of leg (pulvilli and basal structures of foot
omitted). (Figs. B—D drawn by Mr. LIEFTINCK).
in a nipple-shaped process. The combined lengths of segments
IO—I5 two to two and a half (average 2.3) times as long
as those of segments 3—9. Wings (Fig. 3, C) less densely
clothed with macrotrichia, intercalary fork distinct, with the
second radial cell rather larger. Legs (Fig. 3, D) sometimes
with infuscation on each side of the knee joints. T.R. 3.6
to 4.1, average 3.77. Fourth tarsal segment smaller. Claws
absent. Epodium somewhat similar, as figured. Spermatheca
272 J. W. S. MACFIE, CERATOPOGONIDAE FROM
single, well chitinised, oval, total length about 45—55 u
and greatest breadth about 33—38 u.
New Guinea: Meervlakte, VIII-1926, 1Q (W. M. DOCTERS
VAN LEEUWEN). attached to ventral side of right hind wing
of Agrionoptera insignis allogenes TILLYARD (Libellulid) ;
Hoofdbivak, 250 m. alt., IX-1926, 1 9, (W. M. DOCTERS
VAN LEEUWEN), attached to wing of Hemzcordulza silvarum
RIS; Humboldt Baai, Hollandia, o—400 m.alt., VII to IX-1930,
3 22 (W. STÜBER), two on one wing of Orthetrum sabina
DRURY (Libellulid), and one on right hind wing of Lestes
praemorsus SELYS (Lestid).
Java Sea: Karimon Djawa Island, between Borneo and
Java, 50 m. alt., 26-XI-1930, 3 QQ (M. A. LIEFTINCK), one on
lower side of hind wing of Orthetrum chrysis SELYS, flying
along forest brook, and two on wings of two females
Raphismia bispina HAGEN (small Libellulid), a common
dragonfly in the mangrove forest.
Pterobosca mollipes sp. n.
À small, dark brown species, closely allied to the preceding
species, ?. adhesipes sp. n., but with a somewhat smaller
T.R., and two spermathecae.
Q - Length of wing, 0.9 mm.; greatest breadth of wing,
0.35 mm.
Head dark brown. Eyes bare, the facets separated above
‘by a narrow line. Proboscis short: mandibles with broad,
rounded ends, armed with quite minute teeth. Palpi (Fig. 4, A)
brown, short and fusiform: third segment only slightly longer
than broad, furnished with a shallow sensory pit; fifth conical;
the lengths of the last three segments in one specimen 7.5,
5, and 4 units respectively. Antennae (Fig. 4, B) darkish
brown: segments 3—9 disc-shaped, armed with long spines
curved at their ends, all broader than long but successively
narrowing a little, measuring in one specimen from 5 by 10
to 5 by 8 units; segments 10—15 more elongate but shorter
than in P. aeschnosuga, segments 10--14 sub-equal, measuring
in the same specimen about 9 by 7 units; the last segment
longer, about 19 by 7 units, tapering distally, ending in a
nipple-shaped process. The combined lengths of segments
THE WINGS OF DRAGONFLIES. 273
10—15 (64 units) fully twice as long as those of segments
3—9 (30 units). i
Thorax dark brown, slightly paler just anterior to the
scutellum, and with traces in this area of paler antero-posterior
sub-lateral stripes. Scutellum and postcutellum dark brown;
the former bearing numerous bristles and hairs.
Wings (Fig. 4, C) unadorned, less densely clothed with
Fig. 4. Pterobosca mollipes sp.n.: A-palp; B-segments of antenna;
C- wing; D - terminal segments of leg; E - spermatheca.
macrotrichia than those of P. aeschnosuga. Macrotrichia most
abundant, and so forming a dark line, along the anterior
border. The areas on each side of the veins devoid of
macrotrichia. Tip rounded; anal angle broad. Fringe long.
Alula without a fringe, or with one or two hairs only. Inter-
calary fork distinct. Anal vein straight. Costa extending
slightly beyond the middle of the wing, interrupted near the
base as usual, and with the usual bare area just beyond its
termination. First radial cell obliterated; second relatively
long, slit-like, not so large as in P. adhesipes. Cross-vein
oblique. Median forking just beyond the cross-vein. Fork of
274 J. W. S. MACFIE, CERATOPOGONIDAE FROM
Cu. slightly proximal to the level of the end of the costa.
Halteres with brown knobs.
Legs (Fig. 4, D) uniformly darkish brown, well clothed
with shortish hairs, without scales. T.R. about 3.2. Fourth
tarsal segment small, but longer than in P. adheszpes, obliquely
truncated. Claws absent. Empodium large, complex, similar
to that of P. aeschnosuga in general form, but not so large.
Abdomen darkish brown, less hairy than that of P. aesch-
nosuga ; without scales. Spermathecae (Fig. 4, E) two, highly
chitinised, oval, subequal, total length about 35 u (of which
3—-4 u may be regarded as the chitinised commencement
of the duct), and greatest breadth about 29 u.
Liberia: Gbanga, 17-IX-1926, 4 QQ (BEQUAERT), on wings
of Trithemis artertosa.
Pterobosca odonatiphila sp. n.
A rather delicate, dark brown species, resembling P. aesch-
nosuga (DE MEIJ.) in general characters, but with claws.
Q - Length of wing 1.1 mm; greatest breadth of wing 0.4 mm.
Head dark brown. Eyes bare, broadly contiguous above,
the facets separated by a narrow line. Proboscis short, pale
brown; mandibles armed with about ten small teeth. Palpi
(Fig. 5, A), brown, tapering, the third segment furnished
Fig. 5. Pferobosca odonatiphila sp.n.: A- palp; B - segments of antenna;
C - part of wing; D-claws and empodium; E - spermatheca.
with a shallow sensory pit, and the fifth narrow and conical;
the lengths of the last three segments in one specimen 10,
THE WINGS OF DRAGONFLIES. 275
6, and 8 units respectively. Antennae (Fig. 5, B) brown:
segments 3—9 not much flattened, sub-spherical, armed with
long pointed spines with curved ends, measuring in one
specimen from 8 by 9 to 6 by 8 units; segments 10—15
elongate, 10—14 sub-equal, about 12 or 13 by 9 or 10 units,
the last segment about 19 by 8 units, ending in a rounded,
nipple-like process. The combined lengths of segments 10—15
averaging 1.7 times those of segments 3—9.
Thorax uniformly dark brown, well clothed with shortish
dark hairs. Scutellum and postscutellum dark brown; the
former bearing fairly numerous dark bristles and hairs.
Wings (Fig. 5, C) unadorned, well clothed with macro-
trichia especially along the anterior border; without scales.
Fringe long. Alula without a fringe. Anal angle large. Venation
similar to that of P. aeschnosuga. Costa extending slightly
beyond the middle of the wing. First radial cell almost
obliterated; second large. Fork of Cu. slightly proximal to
the level of the end of the costa. Halteres with brown knobs.
Legs brown, the femora and tibiae rather darker than
the tarsi; well clothed with hairs some of which are long;
without scales. T.R. averaging 3.1. Fourth tarsal segment
not very small, about as long as the fifth; fifth paler brown
than the others, and very delicate. Claws (Fig. 5, D) well
curved, about half the length of the last tarsal segment.
Empodium similar in type to that of P. aeschnosuga, but
smaller and more delicate.
Abdomen dark brown, cerci paler brown; well clothed
with shortish dark hairs; without scales. Spermathecae (Fig.
5, E) two, well chitinised, oval, sub-equal, averaging 79 w
by 57 u; the duct narrow, and chitinised for only a short
distance, about 3—4 u.
New Guinea: Humboldt Baai, Hollandia, o—400 m. alt.
(W. STüBER), VII-1930, 1 9, on wing of Gynacantha kirbyi
KRiGER (Aeschnid), and VIII to IX-1930, 3 QQ, on left
hind wing of Gyracantha moscaryt FOERSTER (Aeschnid).
Pterobosca ariel sp. n.
Allied to the preceding species P. odonatiphila sp. n.;
differing as indicated below.
276 J. W. S. MACFIE, CERATOPOGONIDAE FROM
Q - Antennae (Fig. 6, A) darker brown: segments 3—9
more disc-shaped, measuring from 5 by 9 to 4 by 7.5 units;
segments I10—14 successively a little longer, from 7 by 8
to 9 by 6 units; the last segment about 19 units long,
tapering distally, and ending in a nipple-like process. The
combined lengths of segments 10—15 (60 units) approxim-
ately 2.2 times as long as those of segments 3—9 (27 units).
Wings (Fig. 6, B) with the second radial cell almost obliter-
Fig. 6. Pterobosca ariel sp.n.: A - antenna; B-part of wing; C - middle
leg; D-terminal segments of leg (pulvilli and basal structures of
foot omitted). (Drawn by Mr. LIEFTINCK).
ated. Legs (Fig. 6, C) darker brown. T.R. similar, 3.1. Fourth
tarsal segment smaller, obliquely truncated, only about half
the length of the fifth. Claws similar, well curved. Empodium
(Fig. 6, D) larger, and less delicate.
Moluccas: Buru Island, Lake Rana, 500 m. alt., V-1921,
1 © (L. J. TOXOPEUS), on wing of Orthetrum sabina DRURY
(Libellulid).
The collection contains a single incomplete specimen of
this species, of which only the legs, one antenna, and port-
ions of the head and one wing remain. When further material
is available additional points of difference may be found,
THE WINGS OF DRAGONFLIES. BH
but those given here are sufficient to show that the insect,
although closely allied to P. odonatiphila sp.n., is clearly
distinct from it.
Lasiohelea KIEFFER 1921.
The genus Laszohelea is intermediate between Horczpomyza
and Azrzchopogon, but it is not easy to find reliable charact-
eristics by means of which it may be separated from the
former. It would be best probably to regard Laszohelea as
a sub-genus of Forczpomyza, and as one stage beyond Exfor-
cipomyia in the direction of Africhopogon. As the genus
Forcipomyia is already overcrowded and unwieldy, the name
may, however, be retained conveniently to include those
species in which the basal segments of the antenna of the
female are short, often discoidal, the second radial cell
relatively long and narrow, and the first tarsal segment of
the hind legs considerably longer than the second.
Several species of Laszohelea are vicious biters of man
and other mammals, but hitherto none has been recorded
as preying on dragonflies.
Lasiohelea samoensis EDW.
A small, dark brown species, without scales; with the
basal segments of the antenna of the female broader than
long, and the T.R. about 3.1.
Q-Length of wing, 0.9 mm.; greatest breadth of wing,
0.37 mm.
Head dark brown. Eyes hairy. Proboscis short; the
mandibles with rather bluntly rounded ends armed with
numerous minute teeth. Palpi (Fig. 7, A) darkish brown;
third segment furnished with a small sensory pit; the
lengths of the last three segments in one specimen 7, 3.5,
and 7 units respectively. Antennae (Fig. 7, B) dark brown:
segments 3—10 broader than long, measuring in one
specimen from 5 by 9 to 4 by 7 units, armed with long,
pointed spines with curved ends; segments 11—15 elongate,
segments II—I4 measuring in the same specimen from IO
by 7 to 13 by 7 units; the last segment longer, about 20
by 6 units, ending in a nipple-llke process. The combined
278 J. W. S. MACFIE, CERATOPOGONIDAE FROM
lengths of segments II—15 (67 units) about 2.4 times as
long as those of segments 3—10 (28 units).
Thorax uniformly dark brown; well clothed with dark
hairs most of which are short. Scutellum und postscutellum
dark brown, the former bearing numerous bristles and hairs.
Fig. 7. Lastohelea samoensis EDW.: A - palp;
B - segments of antenna; C - wing.
Wings (Fig. 7, C) unadorned; macrotrichia rather
scanty, only two rows extending towards the base between
M and Cu. Alula without a fringe. Anal angle large, and
anal vein straight. Costa extending somewhat beyond the
middle of the wing (7:12). First radial cell obliterated ;
second rather long, and almost obliterated. Median vein
forking just bevond the oblique cross-vein; both branches
deficient basally. Fork of Cu. at about the level of the
middle of the second radial cell. Halteres with brown or
yellowish knobs.
Legs uniformly dark brown; well clothed with dark
hairs, without scales. T.R. about 3.1. Fourth tarsal segment
cylindrical, slightly longer than the fifth. Claws and empodium
normal.
Abdomen dark brown. Spermatheca single, well chitinised,
oval or pyriform, total length about 45 u (of which about
3u may be regarded as the chitinised commencement of
the duct), and greatest breadth about 34 u.
Moluccas: Buru Island, Lake Rana, 500 m.alt., V-1921,
299 (L. J. TOXOPEUS), one on wing of Orthetrum signiferum
LiEFT. (Libellulid), and one on wing of O. vellosovittatum
BRAUER.
THE WINGS OF DRAGONFLIES. 279
New Guinea: Mamberamo River, IX-1926, 1Q (W. M.
DOCTERS VAN LEEUWEN), attached to ventral side of front
wing of Notoneura salomonis SELYS (Agrionid) This specimen
probably belongs to this species, but it is too much damaged
to be certain, only one antenna, one wing, one complete
leg (hind), and a fragment of the thorax and another leg
remaining. With regard to this specimen Dr. LIEFTINCK
notes that the face was yellowish, the eyes coarsely hairy,
the halteres vellow at the tip, and the total length 1.09 mm.
These specimens correspond closely with the description
of ZL. samoensis EDW., a Samoan species of which only a
single female is known, but apparently lack the “hair-like
scales’ on the tarsi. There are also fractional differences
in the measurements of the terminal segments of the
antennae. These differences are probably not of great
significance as the materials for comparison are so scanty.
The Samoan specimen was not taken on the wing of a
dragonfly.
Lasiohelea pennambula sp. n.
This species resembles the preceding one, L. samoensis
Epw., very closely, only the following differences being
noted: legs, palpi, and antennae brown, much paler than
in the preceding species; eyes bare; T.R. about 3.5; and
spermathecae two, well chitinised, pyriform, sub-equal, total
length about 52 u (of which 3—-4 u may be regarded as
the chitinised commencement of the duct), and greatest
breadth about 35 u.
Moluccas: Buru Island, Lake Rana, 500 m. alt., V-1921,
I 9 (L. J. TOXOPEUS), attached to wing of Orthetrum sig-
niferum LIEFT. (Libellulid) together with a female of the
preceding species.
Several species of Forcipomyia (including Laszohelea) are
now known to prey on other, larger insects, the females
attacking them and sucking juices from their wings or
bodies. Some of them may be truly parasitic, but others
have been found also on flowers, or have been taken under
conditions in no way suggesting parasitism. These species
fall conveniently into two main groups, namely those in
280
J. W. S. MACFIE, CERATOPOGONIDAE FROM
fe
AR. Species Host Locality
0.5 | F.ixodoides(Fiebrig-Gertz 1928) | Phasmid sp. Paraguay
F. obesa da Costa Lima 1928 » Rio Negro,
S. America
Williston’s sp. 1908 » West Indies
F. alboclavata (Kieff. 1919) Larvae of sphingid Moth | Hungary
F. canaliculata (Goetg. 1920) Detlephila galii
F. crudelis (Karsch 1886) Larva of saw-fly Germany
F. hirtipes (de Meij. 1907) Larvae of Papilio clytia | Ceylon, Samoa
? E. australiensis (Kieff. 1917) & Ofhreis fullonica
F. crudelis Knab 1914 Caterpillars Mexico
F. tropica (Kieff. 1917)
F. erucicida Knab 1914 Larva of papaya sphinx | Florida
Erinnyis ello
F. squamosa Lutz 1914 Caterpillars of sphingid | Peru, Brazil
1.5 | À. propingua (Willist. 1896) Larvae of geometrid N. America
Moth Melanchroia ge-
ometroides
2.5 | /. egues (Joh. 1908) Wings of lace-wing flies | N.America, Europe
F. fuscicornis (Coq. 1905) Sialid (Chauliodes sp.) N. America
F. papılionivora Edw. 1923 Wings oflepidoptera(Cz- | Europe
Apelma auronitens Kieff. 1910 daria didymata, Pieris
Trichohelea tonnoiri Goetg. napt, Liparis monacha,
1920 etc.)
2.7 | F. pectinunguis (de Meij. 1923) | Wings of Miltocrista cru- | Sumatra
ciata and Simplicia
marginata
3 or | Lastohelea samoensis Edw. 1928 | Wings of dragonflies New Guinea,
more Moluccas
L. pennambula sp.n.
F. peregrina (Joh. 1908)
» » »
Feeding on dead worm
Moluccas
N. America
THE WINGS OF DRAGONFLIES. 281
which the second segment of the hind tarsus is twice as
long as the first (T.R. 0.5), and those in which it is much
shorter (T.R. 2 or more).
One species, that recorded by BAKER (1907) as attacking
the larvae of the geometrid moth Melanchrota geometroides
(WALKER) falls between these two groups. It was identified
by Coquillet as Ceratopogon eriophorus WILLIST., but according
to KNAB (1914) was almost certainly /. proptngua (WILLIST.).
WILLISTON (1896) states clearly that in this species (and
also in C. erzophorus) the first tarsal segment is one and
a half times as long as the second, that is the T.R. 1.5.
KNAB however considers /. erucicida and his F. crudelis,
in both of which the T.R. is about 0.5, as closely related
to F. propinqua, so that unless WILLISTON’S statement is
incorrect the identification of BAKER’S species is still in
doubt.
Species with T.R. 0.5. To this group belong three species
found preying on phasmids, namely, /. zxodotdes (FIEBRIG-
GERTZ 1928), À. obesa DA COSTA LIMA 1928, and a species
referred to by WILLISTON (1908); and six species found
preying on larvae, namely, /. alboclavata (KIEFF. 1919)
(F. canaliculata GOETG. 1920), F. crudelis (KARSCH 1886),
F. crudelis KNAB 1914, £. hırtipes (DE MEIJ. 1907) (0 F. austra-
liensis KIEFF. 1907), and #. sguamosa LUTZ 1914. These
species do not immediately concern us because none of
them has been found hitherto preying on dragonflies. The
following points may however be mentioned.
As regards the species found on phasmids, it seems not
improbable that the two South American species, /. zvodoides
and F. obesa, may be the same. FIEBRIG-GERTZ’ description
of F. ixodoides contains few significant facts, and his figures
are frankly crude. DA COSTA LIMA’S description of /. obesa,
published four months later, is however well illustrated by
photo-micrographs, but he relies for the differentiation of
his species on points in the description or figures of 7,
ixodotdes which are presumably erroneous, such as the
statements that the antenna is composed of thirteen, and
the palp of three segments. It is possible that WILLISTON’S
species, found in the West Indies, was also the same, but
19
282 J. W. S. MACFIE, CERATOPOGONIDAE FROM
this probably can never now be determined as the specimen
has been lost.
As regards the other species, 7. alboclavata is very closely
related to F. crudelis (KARSCH), and to 7, kirtipes, according
to EDWARDS (1923). #. crudelis KNAB, whose name is
preoccupied, is probably a synonym of À. tropica KIEFF.
1917 according to the same author. /. crudelis (KARSCH)
KIEFFER (1919) considered insufficiently described, and, having
two radial cells, as doubtfully placed in #orcipomyia; and
later (1925) he removed it to Lastohelea, a questionable
step (as the T.R. is about 0.5), and one about which he
was apparently uncertain, for in the same year, in his
fascicle for Faune de France, although he does not include
this species in any of his keys, he still uses the old name
for it on P. 4 in referring to its biology. And /. squamosa
is apparently the only species of the group which bears scales.
Species with T.R. 2 or more. To this group belong F.
eques (JOHAN. 1908), F. fuscicornis (COQ. 1905), F. papilio-
nivora EDW. 1923 (Apelma auronitens KIEFF. 1910, and
Trichohelea tonnoiri GOETG. 1920), F. pectinunguis (DE MEI].
1923), and the two species of Laszohelea mentioned in this
report, L. samoensis EDW. 1928, and L. pennambula sp. n.
All these species suck juices from the wings of larger
insects, F. egues having been taken on lace-wing flies, F.
fuscicornis on a sialid (but ? on wings) F. papiliontvora and
F. pectinunguis on Lepidoptera, and the last two on dragonflies.
In three, namely /. egues, F. fuscicornis, and F. papiliont-
vora, the T.R. is about 2.5. According to EDWARDS (1923)
F. fuscicornis is practically the same as #. papiliontvora,
“In fact”, he writes, “it is not impossible that the two may
be conspecific, though it seems unsafe to identify a European
with a North American form without actual comparison of
material.” /. egues also resembles very closely /. papiltont-
vora. | have not had an opportunity of examining an
American specimen of /. egues, but the species is found
also in Europe, and thanks to the courtesy of Dr. EDWARDS
I have been able to examine a British specimen, and to
compare it with a co-type of /. papilionivora. The two species
appear to be exceedingly near, the most notable differences
THE WINGS OF DRAGONFLIES. 283
being apparently the paler colour of the scutellum and the
greater length of the distal segments of the antenna in
F. papilionivora, but even these are not very distinctive,
for according to the descriptions of JOHANNSEN and EDWARDS
respectively, the scutellum in /. egues in ‘“fuscous” like the
rest of the thorax “or but little lighter’, and in /. papilioni-
vora “dull yellow”, and the terminal segments of the antenna
in À. eques “from twice to thrice as long as wide”, and in
F. papiliontvora “nearly three times as long as broad”. It
seems hardly possible to separate the females of these
species. They might indeed be the same, in which case the
name F. fuscicornis has priority, but clearer points for
differentiation my be discovered when the males are known.
In this connexion it should be mentioned that EDWARDS
(1924) has suggested that F. papzltonivora is the female of
Apelma auronitens, and that KIEFFER (1925) gives 7rzchohelea
fonnoirt as a synonym of the latter species.
In one species, F. pectinunguis, the T.R. is slightly more,
about 2.7. This species may in fact be a Laszohelea, and
it may readily be recognised by its peculiar and charact-
eristic claws. In the two remaining species, L. samoensis and
L. pennambula, the T.R. is 3 or more than 3.
A passing reference should perhaps be made here to
P. peregrina (JOHAN. 1908) which MALLOCH (1915) once found
feeding on a dead worm, because in this species also, if
indeed it is a Forcipomyia which is doubtful in view of
the wing characters, the T.R. is about 3.
All these species belong to those divisions of Forcipomyia
which approximate in some respects to Aérzchopogon. It is
of interest to note therefore that two species of Africhopogon
have been observed to prey on other insects, namely, A.
meloesugans KIEFF. 1922 on the beetle Meloe majalis in
Algiers (KIEFFER, 1922), and A. rostratus (WINN. 1852) on
a closely related beetle, Meloe proscarabeus, in Denmark
(EDWARDS, 1923) and that these are apparently the only
other Ceratopogonids known to have this parasitic propensity,
although of course many species prey on mosquitos and
other small insects.
Einige Notizen zu Czerny:
Anthomyzidae, Opomyzidae, Tethinidae;
Lief. 28 von Lindner,
Die Fliegen der palaearktischen Region
Prof. Dr. J. C. H. DE MEIJERE
(Amsterdam).
Zu dieser dankenswerten Zusammenfassung CZERNY’s
mochte ich ein paar Bemerkungen machen.
I. Im Abschnitt über die Anthomyzidae ist zunächst in der
Bestimmungstabelle der Gattungen (p. 2) unter 3 fiir Antho-
myza aus Versehen pvt fehlend angegeben; dies soll heissen:
pvt vorhanden.
Anthomyza gracilis FALL. und sordidella ZETT. werden Jetzt,
entgegen seiner früheren Auffas-
sung, spezifisch getrennt. Die bei-
gefügten Hypopygfiguren schei
nen mir ziemlich roh und nicht
ganz genügend. Ich möchte hier
ein paar ausführlichere Skizzen
der äusseren Genitalien mit ihrem
Chitingestell geben (Fig. I, ID.
Verschieden sind namentlich: die
Styli, bei gracıls mit stark ein-
sebuchtetem Vorderrand, an der
Spitze mit einem kurzen Zahn, Fig. I. Hypopyg von Anthomyza
nahe am Aussenrande innen mit gracilis FALL,
einigen sehr kurzen Bérstchen, je Fig. I. Hypopyg von An.
i È à sordidella ZETT.
auf einem kurzen Längsrippchen
stehend; bei sordidella ist der Stylus kürzer und von ein-
facherer Gestalt, auch am Rande kaum besonders skulptu-
si — n .
PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, EINIGE NOTIZEN U.S.W. 285
riert. Diese Styli sind in den Figuren, wenigstens der vordere,
ganz flach gezeichnet; bei den trockenen Stücken sind sie
Ofters stark gebogen, sodass dann die beiden Arten nicht
immer sicher daran zu unterscheiden sind. Der Penis ist bei
gracilis kürzer, gelbbraun, mit mehreren ziemlich starken
Zähnen, bei sordidella länger und dünner, auch weniger ge-
gefärbt, vor der Spitze mit einer Anschwellung und nur im
dünnen Endteil mit ein paar kleinen Zahnchen. Die ventrale
Wand hinter dem letzten gewöhnlichen Hinterleibssegment
zeigt wie gewohnlich eine besondere Skulptur; ganz vorn
liegt bei gracilis ein Chitinbogen dessen Seiten sich nach
hinten in 2 dunkelbraune Streifen fortsetzen, welche am
Hinterende einige Bérstchen tragen. Dicht hinter dem media-
nen Teil des Bogens sieht man ein paar gelbliche Zahne.
Hinter der Ursprungsstelle des Penis finden sich zu beiden
Seiten 2 braungelbe erhabene Leisten, die innere mit einer,
die äussere mit ca. 4 Borsten; dies sind wahrscheinlich die
hier kurzen Gonapophysen. Zwischen beiden ist das Mittel-
feld hinter dem Penis median etwas langsgestreift runzelig,
zu beiden Seiten dieser Stelle liegt eine beschuppte Partie.
Namentlich die inneren Gonapophysen setzen sich ziemlich
weit nach hinten fort.
Bei sordidella sind diese Skulpturen, auch auf der be-
schuppten Partie dunkler und starker ausgebildet, mit z. T.
dornartigen Vorspriingen, auch die Gonapophysen mit dunk-
len, dornartigen Borsten, im hintersten Teil, vor den Styli
mit noch mehreren, z. T. gezabnelten Leisten von dunkel-
braunem Chitin.
2. Als zweifelhafte Art wird bei den Opomyziden p. 14
Geomyza bimaculata MG. erwähnt. In meiner Sammlung befand
sich ein holländisches Exemplar, mit ,,SCHINER” als diese
Art bestimmt. Bei näherer Betrachtung und Benützung von
HENDEL’s Tabellen der Familien komme ich indessen zum
Schluss, das es nichts anderes ist als ein Mycetaulus bipunc-
tatus FALL. Die 2 Flecke an der Flügelspitze sind bei diesem
Exemplar genügend deutlich, nur im Endteil zusammenflies-
send. Bei einem zweiten Exemplar aus Holland (Oirschot)
sind sie ganz zu einem verschmolzen. SCHINER gibt bei der
bimaculata an, dass MEIGEN sie aus Österreich erhielt, sie
IS)
Co
©)
PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, EINIGE NOTIZEN
ihm jedoch unbekannt geblieben sei. Nach BECKER’s Studie
über die MEIGENschen Arten ist in Paris keine Type vor-
handen. Bei der habituellen Ähnlichkeit dieses Mycetaulus
mit Geomyzen, auch im Geäder, möchte ich der Ansicht
sein, dass auch MEIGEN’s Type von ,,Opomyza” bimaculata
nichts anderes als der Mycetaulus gewesen ist mit deutlich
zweiteiligem Spitzenfleck; sonst stimmt alles genügend.
MEIGEN hat eben auch dzpunctatus unter Opomyza gestellt.
Ich mochte hier darauf hinweisen, dass in HENDEL’s Ta-
bellen das Verhalten des 2'e" Durchbruchs der Costa, obgleich
vielleicht phylogenetisch von Bedeutung, doch in einigen
Fallen sehr schwer zu sehen ist. Es geht dies auch aus seinen
Figuren hervor (Die Tierwelt Deutschlands. XI. Diptera II,
Allgemeiner Teil, z.B. Fig. 154 von Chloropisca und Fig. 164
von Phytomyza, von welchen erstere unter die Nr 141, letztere
unter 178 fallt; die Agromyzinen sind hier überhaupt nicht
einheitlich).
3. Was die Tethinidae anlangt, so habe ich hier zunächst zu
erwähnen, dass die auf p. 3 beschriebene Pelomyza Kuntzez
dieselbe Art ist wie meine im 4'° Supplement zu den hollandi-
schen Dipteren (Tijdschr. v. Entom. LXXI, 1928, p. 46, 76) be-
schriebene P. angustifacies. Beide erschienen in 1928, aber mein
Name (15 Juni’28) hat die Prioritat iber dem von CZERNY (25
September ’28; nach freundlicher Angabe von Dr. LINDNER).
Tethina illota HAL. und griseola v. D. WULP betrachtet
CZERNY als 2 verschiedene Arten, wahrend ich sie in oben-
genannter Abhandlung zusammengefasst habe. Namentlich
die Farbe der gròsseren Borsten soll eine Differenz bilden,
aber bei meinen Stücken finde ich allerhand Übergange.
Ofters sind die 2 mittleren Borsten des Schildchens schwarz,
die ausseren weiss. Bei am gleichen Tage zu Zandvoort am
Strande erbeuteten Stiicke sind bei 2 Exemplaren alle Bor-
sten weiss, andere haben die mittleren Borsten und z. T. auch
einige Thoraxborsten z. T. schwarz, und das 3'° Fühlerglied
aussen dunkel. Exemplare von Scheveningen wechseln in
dieser Hinsicht, bisweilen sind alle Schildchenborsten schwarz.
Auch die weiteren von CZERNY erwahnten Merkmale, Backen-
breite und Färbung des 3 Fühlergliedes scheinen mir keine
scharfe Trennung zu ermôglichen.
)
ZU CZERNY: ANTHOMYZIDAE, OPOMYZIDAE, U S.W. 297
Desgleichen werden von CZERNY Tethina cinerea Low und
latigenis BECK. getrennt gehalten, z.T. weil erstere schwarze
Borsten über dem Mundrand, die 2‘ ebendort gelbe besitzen
soll. Bei dem von mir im oben erwahnten Supplement p. 78
angegebenen Pärchen in copula sind diese Borsten beim &
gelb, beim 9 schwarz. Das 3 hat ganz gelbe Fühler, beim
Q ist das 3' Glied an der Basis der Fühlerborste gebräunt.
Weil CZERNY von beiden Arten g und Q angibt, so liegen
hier vielleicht keine Geschlechtsmerkmale vor, sondern sind
beide Geschlechter hierin variabel. Die 2 weiteren gg welche
ich besitze, stimmen jedoch hierin mit obigem überein. Das von
Scheveningen, August, ist etwas grösser, wurde von BECKER
als /atigenis bestimmt, die von CZERNY angegebene Verschie-
denheiten lassen aber nach obigem auch hier keine Trennung
zu, sodass ich sie als einerlei betrachte Diese Exemplare
habe ich in diesem Supplement als grisea ZETT. aufgeführt.
Wahrscheinlich habe ich damals g72sea gewählt und nicht
cinerea Low, weil letztere ein verbreitertes letztes Tarsen-
glied zeigen sollte. Nun ist dies bei meinen Exemplaren
wohl ziemlich breit und flach, aber doch nicht so sehr viel
breiter als das vorhergehende Glied, sodass man nach diesem
Merkmal bei Benützung der Tabelle CZERNY’s leicht fehlgehen
wird. BECKER meinte seinerzeit, grzisea und cinerea könnten
wohl Synonym sein. CZERNY ist bezüglich grzsea nicht sicher.
Die von ihm unter diesem Namen erwähnte Art kann kaum
dieselbe sein wie die von FALLEN, weil die Backen nur '/,
der Augenhöhe erreichen sollen, während ZETTERSTEDT von
grisea angibt: „Capite subbuccato albicante’’, was doch grös-
sere Breite voraussetzt.
Mir will es scheinen, BECKER’s Ansicht könne wohl richtig
sein, obgleich ZETTERSTEDT für grisea die schwarze Farbe
des letzten Tarsengliedes nicht angibt. Die Beinfarbe ist auch
bei Löw’s cinerea nach den Angaben dieses Autors mehr
verschiedenartig als aus CZERNY’s Angaben hervorgeht.
Ich möchte hier noch hervorheben, dass CZERNY sowohl
Tethina illota als latigents im Juli bei Hoek van Holland
erbeutete, von welchem Fundort sie mir noch nicht bekannt
waren.
Wie ich vor kurzem sah, hat auch schon KARL, ohne
288 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, EINIGE NOTIZEN U.S.W.
weitere Kommentar, die Identität von cinerea LW. und lazzge-
nis BECK. angenommen (Thalassobionte und thalassophile
Diptera brachycera in: Die Tierwelt der Nord- und Ostsee
v. GRIMPE und WAGLER. XI, e,, p. 69, 1930).
4. Weil im Katalog der palaearktischen Dipteren IV auch
Anthophilina flavella ZETT. unter Axthomysa aufgenommen
ist, ware es nicht überflüssig gewesen, wenn CZERNY auf seine
frühere Mitteilung (Wien. Entom. Ztg. XXI, 1902, p. 251)
hingewiesen hatte, dass diese Art in ZETTERSTEDT’s eigener
Sammlung durch eine Scyphella (= Chiromyia = Peletophila)
vertreten ist, wahrend in STAEGER’s Sammlung ein von
ZETTERSTEDT bestimmtes Exemplar mit pallida ZETT. iden-
tisch ist. Er erhielt die Type aus STAEGER’s Sammlung,
seine Beschreibung passt indessen nicht recht zu pallida,
zumal er besonders auf das Fehlen der Vibrissen hinweist.
Im übrigen hat ZETTERSTEDT die Scyphellen unter Sapromyza
eingereiht.
In den holländischen Verzeichnissen findet sich Scyphella
jtavella ZETT. von mehreren sandigen Fundorten, alle in der
Nähe des Meeres, bisweilen in Anzahl. Es ist damit wirklich
eine kleine Chiromyia erwähnt, welche anderseits mit minima
BECKER (Die Dipterengattung Peletophila HAGENBACH, Zeit-
schr. Hym. Dipt. 1904, p. 129—133) identisch ist. Merk-
würdiger Weise wird #avella von diesem Autor gar nicht
genannt oder in Vergleich gezogen. ZETTERSTEDT’s Beschrei-
bung trifft fast ganz für mznzma zu, auch die Grösse, nur
seine Angabe ,,oculi rotundi” ist nicht ganz zutreffend, weil
minima gerade durch querliegend ovale Augen gekennzeichnet
ist. Das Ocellendreieck sieht bei meinen Stücken bei ober-
flachlicher Betrachtung ziemlich dunkel aus, aber die Ocellen
sind doch durch gelbe Zwischenräume getrennt. Bei mehreren
Stücken zeigt der Thoraxrücken 4 etwas dunklere Längs-
striemen. COLLIN erwähnt die Art aus England (Entom.
Monthl. Mag. (2) XXII, p. 233). In Lief. 22 von LINDNER’s
Werk, welche die Chiromyidae enthält, wird #avella ZETT.»
wie neuerdings auch von HENDEL (Verh. zool. bot. Ges. 81,
1931, p. 15) bemerkt wurde, auch als Synonym nicht erwähnt.
REGISTER.
ARACHNOIDEA.
Acarus coleoptratorum L. LIX.
—— Cricéti Sulz. LX.
Antennurella LXVI.
Aponomma LXV.
Cyclothorax carcinicola v. Frauenf.
sai
— — carcinicola Vitzthum LXVI.
Discomegistus LXVI.
Discozercon LXVI.
Eriophyes stenaspis v. plicator Nal,
[XXXIV.
Fedrizzia LXVI.
Gamasides LXII, LXIII.
Glycyphagus domesticus deG. LXV.
—— privatus Oudms. LXV.
Liponissus Kolen. LX.
Messoracarus LXVI.
Pediculopsis graminum Reut XXXV.
Pycnogonum LXI.
Sejina LXIII, LXIV.
Tyrophagus infestans Berl.
—— putrescentiae Schr. XXXII.
Uropodina LXII e, v.
COLEOPTERA:
Absidia pilosa Payk. LXIX.
Acidota crenata F. VII.
—— cruentata VII.
Agonolia rufipes de G. LXX.
Anisandrus dispar Er. V, XX.
Anthonomus LXVIII.
Apion pomonae L. VII.
Araecerus LXX.
Brachyderes incanus L. XXVIII.
Bruchus XXXVII.
—— lentis Frol. XXVIII.
—— pallidicornis Boh. XXVIII.
Ceutorrhynchus angulosus Boh.'VII.
—— t-album Gyll. VII.
Conopalpus testaceus Ol. VII.
Corticaria ferruginea Gyll. VII.
Crepidodera interpunctata Motsch.
— — nitidula L. LXIX. [ VII.
Cryptorrhynchus lapathi L. XX,
[LXVII.
XXXV.
Dermestes lardarius L. XXVI.
Dorymerus 261.
Elater nigerrimus Lac. LXIX.
Enicmus fungicola Ths. VII.
— — testaceus! steph. VII
Geotrupes stercorarius LX.
Gonioctena pallida L. VII.
Gracilia minuta L. XXVII,
Gyrinus VII.
— — thomsoni Sahlb. VII.
— — marinus VII.
Harpalus fuliginosus Dfts VII.
—— picipennis Dfts. VII.
—— quadripunctatus Dej. VII.
COLIS SOOM
Hydroporus melanarius St. VII.
Hylecoetus dermestoides L. XXVII.
Hylobius abietis L. XVIII.
Hylotrupes bajulus L. XXVII.
Leptinotarsa decemlineata Say
DOG IEOIN EN
Meloe majalis 233.
— — proscarabaeus 283.
Metopiorrhynchus Reitt. 259, 261.
Microcara bohemanni Mannh. LXIX.
Necrobia rufipes deG. LXX.
—--- violacea L. LXX.
Necrophorus LX.
Obrium brunneum F. VII.
Ophonus pubescens Mull. XXVI.
Orchesia minor Walk. VII.
—— undulata Kr. VII. /
Orthoperus VI.
Otiorrhynchus chevrolati Gylh. 261.
—— impressiventris 260 nota.
—— macquardti Fald. 261.
—— procerus Stierl. 261.
— — singularis L. V, LXVII, 259 e. v.
-—— veterator Uytt. V, LXVII, 262,
[263.
Phyllopertha horticola v. macularis
(Muls. LX VIII.
Physodera IV.
Pityophthorus glabratus Eichh. VI.
Polydrosus chrysomela Ol. VII.
= — — a. insquamosus Er, VIII.
Pteleobius vittatus F. XX.
290 REGISTER.
Rhagonycha limbata a. femorata
Rey. LXIX.
Rhyncolus culinaris Germ. VII.
Scarabaeus stercorarius LX.
Scolytus multistriatus Mull, XXIX.
—— scolytus F. XXIX.
Telephorus fulvicollis a. flavilabris
[Fall. LXIX.
Thaneroclerus buquet Lefebr. LXX.
Xyleborus saxeseni Ratz. V, VI, XX.
Xylosandrus morigerus Blandf. VI,
—— morstatti Haged. VI. [XXIX.
Zabrus gibbus F. XXVI.
—— tenebrioides Goeze XX VI.
COLLEMBOLA.
Onychiurus armatus Tulle. XXXIV.
Sminthurus viridis L. XXXII.
CORRODENTIA.
Trinotum spec. LXV.
DIPTERA.
Anthomyza 284.
—— flavella Zett. 288.
—— gracilis Fall. 284.
— — sordidella Zett. 284.
Anthophilina flavella Zett. 288.
—— pallida Zett. 288
Apelma auronitens Kieff. 280, 282,
Atrichopogon 277, 283. [283.
—-— meloesugans Kief. 283.
—— rostratus Winn. 283.
Ceratitis capitata Wied. II.
Ceratopogon aeschnosuga de Meij.
[265, 266, 269.
—— eriophorus Willist. 281.
Chaetodacus IIT.
Chiromyia 288.
—— minima Becker 280.
Chironomus XLV.
Chloropisca 286.
Drosophila LXXI.
Euforcipomyia 277.
Forcipomyia 266, 268, 277, 279, 282,
[283.
—— alboclavata Kieff, 280, 281, 282.
—— ?australiensis Kieff. 280, 281.
—— canaliculata Goetg. 280, 281.
—— crudelis Karsch 280, 281, 282.
—— crudelis Knab 280, 281, 282.
—— eques Joh. 280, 282, 283.
—— erucicida Knab 280, 281.
—— fuscicornis Coq. 280, 282, 283.
—— hirtipes de Meij. 280, 281, 282.
—— ixodoides Fiebr.-Gertz. 280, 281.
—— obesa da Costa Lima 280, 281.
—— papilionivora Edw, 280, 282, 283.
Forcipomyia pectinunguis de Meij.
[280, 282, 283.
—— peregrina Joh. 280, 283.
—— propinqua Willist. 280, 281.
—— squamosa Lutz. 280, 281, 282.
—— tropica Kieff. 280, 282.
Geomyza bimaculata Mg. 285.
Kiefferulus tendipediforme Gtgh.
[XLV.
Lasiohelea Kieff. 277, 282, 283.
—— pennambula Macfie 279, 280,
[282, 283.
— — samoensis Edw. 277, 280, 282,
[283.
Melanagromyza theae Big. II.
Musca domestica L. LXXIV.
Mycetaulus bipunctatus Fall. 285.
Nepenthosyrphus de Mey. LXVII,
Odinia maculata Mg. LXVII.
Opomyza bimaculata Mg. 286.
——— bipunctata Fall. 286.
Pegomyia hyoscyami Pz. XXXI.
Pelomyia angustifaceis de Meï. 286.
—— Kuntzei 286.
Peletophila Hagenb. 288.
Pentapedilum tendipediforme Gtgh.
[XLV.
Phaonia gracilis Stein XX, LXVII.
Phytomyza 286.
Platyparea poeciloptera L. XXXII.
Plemeliella abietina Leitn. XXXII.
Pterobosca Macfie 266.
--— adhesipes Macfie 267, 270 e. v.
—— aeschnosuga de Meij. 267 e. v.
——— aniel Mache 2675 275.
—— mollipes Macfie 267, 272.
—— odonatiphila Macfie 267, 274,
[275, 277.
Reseliella piceae Leitn, XXXII.
Sapromyza 288
Scyphella flavella Zett. 288.
Sturmia inconspicua Meig. XLIV.
Syritta LXVII.
Tanytarsus v.d. W. XLV.
Tethina cinerea Low 287, 288.
—— grisea Zett. 287.
—— griseola v.d. Wulp 286.
—— illota Hal. 286, 287.
—— latigenis Beck. 287, 288.
Trichohelea tonnoiri Goetg. 280,
[282, 283.
HYMENOPTERA.
Anergates XXI.
Aphelinus mali Say XXXIII, XXXVI.
Bombus LX.
Bothriomyrmex decapitans For. XXI.
Camponotus abdominalis F. XXI.
REGISTER. 201
Camponotus spec. XX.
Diacamma geometricum v. curtula
[For. XXIV.
Diprion Schrank XL nota.
Exenterus marginatorius F. XLIII.
—— oriolus Hrtg. XLIII.
Holocremnus clandestinus Holmer.
[XLIII
Ichneumon nigritarius Grav. XLIII,
[XLIV.
Lasius alienus Foerster XXI.
—— distinguendus Em. XXI.
—— mixtus auct. part. XXI.
—— sabularum Bondr. XXI.
—— umbratus auct. part. XXI.
Leptocryptus claviger Taschb. XLIII.
Leptothorax acervorum F. XXV.
—— emersoni Wheel. XXII.
Lophyrus Latr. XL nota, XLIV en
[nota.
—— pini L. XXXIII, XL e. v.
Microcryptus basizonius Grav. XLIII,
[XLIV.
-—— sericans Gray. XLIII, XLIV.
—— subguttatus Grav. XLII e. v.
Monomorium floricola Jerd. XXIV.
Nematus miliaris Pz. XXXIII.
Ophion spec. XXXI.
Parabrechina longicornis Latr. XXI,
Pimpla pfankuchi Brauns XLIII,
Pteronus Jrn. XL nota.
—— pini XL e.v.
Solenopsis spec. XXV.
Spilocryptus nubeculatus Grav.
[XLUI, XLIV.
Tetramorium XXI.
LEPIDOPTERA.
Abraxas sylvata Sc. XXXV.
Acalla quercinana Z. VII.
Acidaliainterjectaria Boisd. LXXXIII.
Acronicta XXXV.
Adela fibulella F. VIII.
Agrotis sobrina Gn. XVII.
Alabonia geoffrella L. VIII.
Alucita galactodactyla Hb. VIII.
Amphidasis betularia L. XXXVI.
—— —— v. doubledayaria Mill, XI.
Angerona prunaria L. LXXII.
—— —— a. sordiata Fuessl. LXXII.
Apatura iris L. XII.
Aporia crataegi L. LXXVII.
Arsilonche albovenosa Goeze LXXX.
Biston hirtaria Cl. XXXV, LXXXII.
—— strataria Hufn. XXXV.
Blastobasis phycidella Z. VIII.
Blastodacna rhamniella Z. VIII
Boarmia consonaria Hb. LXXXII.
Boarmia crepuscularia Hb. XVIII.
—— secundaria Esp. XVII.
Borkhausenia pseudospretella Stt.
[XXXI.
Bupalus piniarius L. XLIV.
Calamia phragmitidis Hb. LXXX.
Calocampa vetusta Hb. LXXX.
Calymnia affinis L. XXXV.
—— trapezina L. XXXV.
Catocala fraxini L. IX.
Chloantha polyodon Cl. LXXII.
Chloroclystis coronata Hb. LXXI.
Cidaria didymata 280.
Coleophora artemisicolella Brd. X.
Colias edusa v. helice Hbn. XII.
Daphnis nerii L. IX.
Deilephila galii 280.
Dichrorampha agilana Tgstr. VIII.
Dilina tiliae L. XXXV.
Diplodoma marginepunctella Stph.
4 [VIM.
Ematurga atomaria L. LXXXIII.
Ennomos autumnaria Wernb.
[XXX VI,
Ephestia calidella Gn. LXXVI.
—— cautella Wlk. LXXV.
—— elutella Hb. LXXV.
—— figulilella Gregson LXXV.
e kuhniella 22190.
Erastria uncula O. LXXX.
Erinnyis ello 280.
Euchloris pustulata Hufn. XVIII.
Eucosmia certata Hb. XVII, XVIII.
Eupithecia absinthiata CI. X.
—— goossensiata Mab. X.
—— minutata Gn. X.
Euproctis chrysorrhoea L. XXX.
Gastropacha quercifolia L. LXXX,
Geometra papilionaria L. XVI.
Gonepteryx rhamni L. XXXVII.
Grapholitha orbona Tr. VIII.
Hadena porphyrea Esp. XV.
Heliozela resplendella Stt. VIII.
Helotropha leucostigma Hb. LXXX,
Hepialus lupulinus L. XXIX.
Himera pennaria L. XXXVI.
Hofmannophila pseudospretella Stt.
[XXX].
Hoplitis milbauseri F. LXXX.
Hygrochroa syringaria L. XVIII.
Hyppa rectilinea Esp. LXXXIIT.
Leucania obsoleta Hb. LXXX.
Leucodonta bicoloria Schiff. XII.
Limenitis populi L. IX, LXXVII.
Liparis monacha 280.
Lithocolletis cydoniella F. VIII.
—— quinqueguttella Stt. VIII.
Lycaena coridon Poda XVII.
202
Malacosoma neustria L. XXX,
[XXX V.
Melanchroia geometroides Walk.
[280, 281.
Miana ophiogramma Esp. LXXX.
Miltocrista cruciata 280.
Nemothois cupriacellus Hb. X.
— — violellus Z. X.
Nephopteryx hostilis Stph. VII.
—-- rhenella Zk. VIII.
Nonagria cannae O. LXXX.
—-— geminipuncta Hatchett LXXX.
Odontosia carmelita Esp. LXXX e. v.
Orgyia antiqua L. XXXV.
Ortholita bipunctaria Schiff.
Othreis fullonica. 280 [LXXXIIT.
Pachnobia rubricosa LXXXII.
Paltodora cytisella Curt. VIII.
Papilio clytra 280.
— — podalirius L. IX.
Pheosia dictaeoides Esp. LXXXI.
Phragmataecia castaneae Hb. XVIII.
Phygalia pedaria F. XXXV.
Phyllocnistis sorhageniella Lud. II, III.
—-— suffusella Z. II.
Pieris napi 280.
Pionea stachydalis Germ. VIII.
Plodia interpunctella Hbn. XXXI,
Plusia moneta F. XVI.
—-— ni Hb. XVIII.
Porthesia similis Fuessl. XXXV.
Ptocheuusa subocellea Steph VIII.
Pyrameis atalanta L. XXXVII,
Pyrausta sambucalis Schiff VIII.
Selenia tetralunaria Hfn. X, XI, LXXI.
Sesia formicaeformis Esp. LXXX.
Simplicia marginata 280.
Sphaeroeca obscurana Stph. VIII.
Spilosoma lubricipeda L X, XXIX.
—— menthastri Esp. IX, X.
Steganoptycha simplana Hb. VIII.
Sterrha sacraria L XVII.
Taeniocampa gracilis F. LXXX.
—— miniosa F. LXXII, LXXXIII.
—— opima Hb. LXXXIII.
—— populeti Tr. LXXXII.
Tephroclystia albipunctata Hw.
[LXXXIII.
—— laquaearia H.S. LXXVI.
—— pimpinellata Hb. LXXII.
—— togata Hb. XVII.
Tinagma perdicellum Z. VIII.
Tinea cloacella Hw. XXXT.
—— fuscipunctella Hw. IX.
—— pellionella L. IX.
Tineola biselliella Humm. XXXI,
Trochilium crabroniformis Lewin
[XVII.
REGISTER.
Vanessa antiopa L. XXX VIII
polychlorosL.XXXV,XXXVUI.
Xylina socia Rott. XVII.
Zanclognatha tarsipennalis Tr. XVIII.
NEUROPTERA.
Chauliodes spec. 280.
ODONATA.
Aeschna grandis L. 264.
Agrion pulchellum Vanderl.
[XXXVII
Agrionoptera insignis allogenes Till.
270,272:
Anax magnus Ramb. 269.
Calopteryx splendens Harr.XXX VIII,
[XXXIX.
Gynacantha kirbyi Krüger 275.
—— moscaryi Foerst. 275.
Hemicordula silvarum Ris 272.
Ischnura elegans Vanderl. XXXVIII.
Lestes praemorsus Selys 272.
Libellula quadrimaculata L.
[XXX VIII.
Notoneura salomonis Selys 279. :
Orthetrum chrysis Selys 272.
—— pruinosum Burm. 269.
—— sabina Drury 272, 276.
—— signiferum Lieft. 278, 279.
—— villosovittatum Brauer 278.
Procordulia artemis Lieft. 269, 270.
Raphismia bispina Hagen 272.
Trithemis arteriosa 274.
Zygonyx ida Selys 269.
RHYNCHOTA.
Uit Dr. A. Reclaire’s „Naamlijst
der in Nederland en het omliggend
gebied waargenomen wantsen” zijn
hier slechts de variëteiten benevens ©
de in het Supplement (p. 254) voor-
komende soorten etc. vermeld; voor
de namen der genera en species zie
Pp. 244.
Acalypta carinata v. angustula Horv.
[127.
—— musci v. ditata Put. 126.
—-- parvula v. minor Ferr. 128.
Acanthia arenicola v. connectens
[Reut. 223.
—— —— y, simulator Reut. 223.
—-—- pallipes v. confluens Reut. 223.
—— —— v. dimidiata Curt. 223.
—— —— v. luctuosa Westh. 223.
— -- saltatoria v. marginella Fieb.
[222.
—— —-— v. vestita Dgl. Sc. 222.
REGISTER.
Acanthosoma haemorrhoidale v.
[inhabile Schumach. 79.
_ Acompus opacus v. laetipes Ribaut
[107.
Adelphocoris lineolatus v. binotatus
[Hhn. 163.
—— v.implagiatus Westh, 163.
quadripunctatus v. innotatus
[Reut 163.
== ==: We scuialane Neu. 10%,
—— seticornis v. niger Reut. 162.
v. pallidipennis Reut. 162.
—— v. plagifer Reut. 162.
Aelia acuminata L. 255.
v. burmeister Küst 71.
—— rostrata Boh. 255.
Alydus calcaratus v. hirsutus Klti 80,
Anthocoris Fall. LXXVI. [256.
amplicollis Horv. LXXVI.
confusus Reut. XXXIV.
funestus Horv. 148.
- gallarum-ulmi v. femoralis
[Westh. 149.
—— v. melanocerus Westh.
[149.
—— V.
minkt Dhrn, LXXVI.
—-— visimulans Reut. LXXVI,
[149.
148.
148.
150.
150.
nemoralis v. austriacus F.
—-— v. superbus Westh.
nemorum v. fasciatus F.
v. nigricornis Fieb.
visci Dgl.Sc. LXXVI.
Aphanus phoeniceus v. sanguineus
[Del Sc 113.
—— pini v. contraria Schum. 113.
Aradus corticalis v. annulicornis F.
[137.
Arctocorisa castanea v. uliginosa
[Enderl. 232.
Aspidiotus perniciosus Comst.
[XXXIV.
Beosus maritimus v. buyssoni Mont.
Rae
—— —— v. sphragidimium Fieb.
[114.
Berytus montivagus v. rotundatus
ells Geet
Callicorixa praeusta v. producta
[Reut. 233.
am va wollastoni Dol sc. 234.
Calocoris biclavatus v. schillingi
[Schltz. 164.
norvegicus v. atavus Reut. 165.
—— v.immaculatus Stich. 166.
—-— v. vittiger Reut. 166.
ochromelas v. fornicatus Fieb.
[164.
293
Calocoris roseomaculatus v. decolor
[Reut. 165.
insularis Reut.
[164.
Camptopus lateralis v. brevipes H. S,
[257-
Camptozygum pinastri v. aequalis
[Vill. 173.
hebenieStich4.173:
. maculicollis Mls.
==. SACOM Wo
Tino
== == Th MIGROMCEA Suda, 173
Campylostira verna v. latipennis
[Horv. 126.
Capsus ater v. semiflavus L. 178.
. tyrannus F. 178.
Catoplatus carthusianus v. albidus
DSS. ue
Ceraleptus lividus Stein 256.
Chartoscirta elegantula v. flori Dhrn.
[224.
Chlorochroa pinicola v. porphyrea
Coreus scapha F. 256. Breb.r75r
Corizus maculatus Fieb. 257.
parumpunctatus Schill. 257.
—— v lepidus Bieb. 90, 257.
— — v. rufus Schill. go.
— — v.subspeciosus Schumach.
[90, 257.
—— —-- V
—— rufus Schill. 257.
—— subrufus Gmel. 257.
Derephysia foliacea v. biroi Horv. 129.
Dicyphus errans v. longicollis Fall.
[186.
Dimorphopterus spinolae v. genicu-
[latus Horv. 97.
Dolycoris baccarum L. 255.
Drymus spivatique v. orthopus Horv.
[ 115.
a Sy pieimus, Rey: LTO.
reyi Saund. 116.
Eccritotarsus orchidearum Reut.
[LXX.
Emblethis verbasci v. bullansPut. 1 14.
—— ——- v. minor Mont. 114.
Eremocoris plebejus v. gibbicollis
[Horv. 116.
—— podagricus v. alpinus Garb.117.
Eurydema festivum v. christophori
(Jak. 77.
—— v. decoratum H.S. 77.
—— v. pictum H.S. 77.
—— v. simplex Rey 77.
—— v.simplicissimum Rey 77.
oleraceum L, 255.
Eurygaster Lap. 254.
austriacus Schrk. 254, 258.
maurus L. 254, 258.
7. grisescens Rey 69.
—— ——v
—— —— V
294
Eurygaster maurus v. niger Fieb. 69.
—— —— v. pictus F. 69.
—— meridionalis Pen. 254.
Eusarcoris aeneus Scop. 255.
—— —— v. spinicollis Put. 73.
Galeatus maculatus v. subglobosus
MES WO:
Geocoris megacephalus v. siculus
[Fieb. 99.
Geotomus punctulatus v. aciculatus
[Fieb. 64.
—— —— v. bifoveolatus H.S. 64.
—— —-- v. episternalis M,R. 64.
v. laevicollis Costa 64.
Gerris gibbifer v. flaviventris Put. 218.
—— thoracicus v. fuscinotum Reut.
[217.
Gonianotus marginepunctatus v. ge-
[bieni Schum. 115.
Gonocerus acuteangulatus Goeze
(256.
Haldosalda lateralis v. eburnea Fieb.
[220.
— —— v, pulchella ‘Curt: 220.
Halticus luteicollis v. propinquus
(ESSO
Hebrus pusillus v. erythrocephalus
[Lap. 145.
—— ruficeps v.transversalıs Rey 145.
Ischnocoris angustulus Boh. 258.
—— —— v. nigricans Put. 104.
—— hemipterus Schill. 258.
Ischnorhynchus resedae v. flavicornis
[Duda 97,
Jalla dumosa v. nigriventris Fieb. 83.
Liocoris tripustulatus v. nepeticola
[Reut. 175.
—— —— Vv. pictus EES. 175.
— — —— y. quadrimaculata Stich.
70:
Lopus gothicus v. elegans Reut. 179.
— me Ve marsinalıs Wey 179.
—— — — v. superciliosus L. 179.
Lyctocorus campestris v. dimidiatus
[Spin. 152.
— -— —— v. distinguendus Flor. 153.
ne VND CUS MEME DATE 2:
Lygus kalmi v. fieberi Westh. 172.
—— —-— v. flavovarius F. 172.
. pauperatus H S. 172.
v. pellucidus Fieb. 172.
—— v. thoracicus Westh. 172.
lucorum v. maculatus Reut.
170.
pabulinus v. chloris Fieb. 168.
rubicundus v. minor Reut. 172.
rubricatus v. loewi Reut. 170.
Macrodema micropterum Curt. 258.
—— —— Vv
REGISTER.
Malacocoris chlorizans v. smaragdi-
[nus Fieb. 196.
—— —— v. sulphuripennis Westh.
[196.
| Megacoelum beckeri v. fasciatum
[Jak. 162.
—— —— v. lethierryi Fieb. 162.
—— —— v. strigipes Reut. 162.
Mertila brevicornis Poppius LXX,
[LXXTI.
—— malayensis Dist. LXIX, LXXI.
—— —— var. LXX.
—-— ternatensis Dist. LXIX, LXX.
Micronecta minutissima v. poweri
[Dgl. Sc. 235.
Pv. scholtzi Fieb. 235.
Microtoma atrata v. opacipennis
(Reut. 109.
Microsynamma bohemani v. putoni
(Reut. 213.
—-—- —— v. rubronotata Jak. 213.
—— --— v. scotti Fieb. 213.
Miris dolobratus v. aurantiacus Reut.
[184.
—— ferrugatus v. albescens Reut.
[184.
Myrmecoris gracilis v. fuscus Reut.
[157.
—— —— v, rufusculus Reut. 157.
Myrmedobia distinguenda v. pupalis
[Reut. 156.
Neides tipularius v. immaculatus
Westh. 121.
—— —— v.parallelus Fieb.121 nota.
Notostira erratica v. ancestralis Reut.
182.
—— —-- Vv. ee...
—— —— v. virescens Fieb. 181.
Nysius lineatus v. brunneus Fieb. 95.
Odontoscelis dorsalis F. 254.
o alesanleı SUCN O7
—-- —-~ v. lineola Rmb. 68.
v. signata Fieb. 67.
Orthocephalus saltator subsp. hollan-
[diae 197 nota 2.
Orthotylus rubidus v. moncreaffi
[Dgl. Sc. 194.
Pachycoleus rufescens v. benicki
[Schum. 215.
Pachytomella parellela v. tibialis
[Reut. 197.
Palomena prasina v. subrubescens
[Grske 75.
—— viridissima v, simulans Put. 74.
Pamera fracticollis v. collaris Bar.
[1o1, 258.
Peritrechus nubilus v. tibialis Horv.
[109.
REGISTER. 295
Phimodera galgulina v. denigrata
[Schum. 68.
—— —— v. grisescens Reut. 68.
—— —— v. konovi Reut. 68.
—— —— vy. pallida Reut. 68.
— — humeralis v. antica Reut. 68.
—— —— v. bianchii Jak. 68.
—— —— v. connectens Reut. 68.
—— —— v. dalmanni Reut. 68.
—— —— v. dorsigera Reut. 68.
Phyllaphis fagi XXXIV.
Phylus coryli v.avellanae Mey. D.205.
Phytocoris longipennis v. signatus
[Reut. 159.
—-- populi v. distinctus Dgl.Sc. 159.
—— —— v.intermedius Reut. 159.
—— reuteri v. saundersi Reut. 160.
—— tiliae v. cretaceus Reut. 159.
—— —— v.ferrugineus Westh. 159.
—— —— v.maculosus Westh. 159.
—— —— v.marmoratusDgl.Sc.159.
—— —— v. signatus Reut. 159.
—— varipes v. leptocerus Reut. 161.
Piezodorus lituratus v. alliaceus
[Germ. 73.
Plagiognathus albipennis v. lanugi-
[nosus Jak. 211.
—— —— v. pallidulus Dhlb. 211.
— — arbustorum v. brunnipennis
[Mey. D. 211.
——- —— v. hortensis Mey. D. 211.
—— chrysanthemi v. vicarius Reut.
[210.
—— —— fulvipennis v. diversicor-
[nis Reut. 211.
Plesiocoris rugicollis Fall. XXXIV,
Plinthisus brevipennis Latr. 258.
—— pusillus Schltz. 258.
Ploiariola vagabunda v. pilosa Fieb.
[138.
Poeciloscytus unifasciatus v. latera-
[lis Hhn. 174.
—— vulneratus v. intermedius Jak.
[174.
Psallus ambiguus v. diversipes Horv.
[205.
ae pidus v.proseus ES 207.
—— roseus v. dilutus Dgl. Sc. 209
[nota.
-—— v. querceti Fall. 209.
—— variabilis v. simillimus Del. Sc.
[206.
—— —— v. whitei Dgl. Sc. 206.
Pseudophloeus falléni Schill. 256.
—— waltli H.S. 256.
Pyrrhocoris apterus L. 258
Reduvius personatus v. obscuripes
[Rey 139.
Rhaphigaster nebulosa v. impunctata
[Garb. 78.
Rhyparochromus antennatus Schill.
—— chiragra F. 258. [258.
—— —— v. emarginatus Rey 103.
—— —— v. incertus Rey 103.
—-- —— v. nigricornis Dgl. Sc.
[103, 258.
— — v. sabulicola Thms 103.
—— dilatatus H.S. 258.
Sciocoris cursitans F. 255.
Scolopostethus decoratus v. brevis
[Saund. 119.
—— pictus v. antennalis Horv. 118.
Sehirus biguttatus v. concolor Nick.
——- morio L. 254. [66.
Serenthia confusa v. antennata Horv.
[135.
—— —— v. thoracica Horv. 135.
Spathocera dalmani Schill, 256.
Stenocephalus agilis Scop. 256.
—— medius M.R. 256.
Stenodema calcaratum v. grisescens
[Fieb. 180.
—— —— v. pallescens Reut. 180.
—— —— v. virescens Fieb. 180.
—— holsatum v. dorsale Reut. 181.
—— —— v. testaceus Reut. 181.
—— —— v. viridilimbatum Reut.
[181.
— — laevigatum v. grisescens Fall.
[181.
—— —— v. melas Reut. 181,
—— —-— v. pallescens Fall. 181.
—— —— v. virescens Fall. 181.
- virens v. fulvum Fieb. 181.
—— —— v.nigrofuscum Fokk. 181.
Sthenarus roseri v. geniculatus Stal
[214.
—— —— v. saliceticola Stäl 214.
—— —— Vv. vittatus Fieb. 214.
Stictopleurus abutilon Rossi 258.
—— —— v. flavescens Fieb. or.
—— —— v, pictus Fieb. gr,
- crassicornis L. 257.
—— —— v. anticus Rey 91.
—— —— griseus Fieb. 91.
—— —— v. maculatus Fieb. gr.
—-— —— v. maculicollis Rey gr,
—— —— v. umbrinus Rey 91.
Strongylocoris leucocephalus v. ste-
[ganoides J. Shlb. 198.
Stygnocoris rusticus Fall. 258,
Temnostethus pusillus v. gracilis
[Horv. 147,
Tenthecoris bicolor Scott. LXX,
Teratocoris viridis v. hyperboreus
[J. Sahlb. 183.
296
Triphleps minuta v. tibialis Reut.
[152.
—— nigra v. ullrichi Fieb. 151.
Troilus luridus Stàl 255.
Verlusia rhombea L. 256.
—— —— v. quadrata F. 84, 256.
THYSANOPTERA.
Thrips angusticeps Uz. XXXIV.
REGISTER.
TRICHOPTERA.
Acidella reducta Mac Lachl.
[LXXVIII.
Agapetus comatus Pict. LXX VIII.
Beraeodes minuta L. LXXVIII.
Neureclipsis bimaculata L. XXXIX.
Stenophylax alpestris Kol. LXXVII.
Triaenodes conspersa Curt. LXXVII.
ALGEMEENE ZAKEN.
Algemeen Proefstation der A. V.R.
O.S. te Medan, Lid bedankt. XLIX.
Awibowo (Raden). Lid bedankt.
XLIX.
Barendrecht (G.). Gepromoveerd. LI.
Bentinck (G. A. Graaf). Bijzondere
Lepidoptera-vangsten. VIII.
—— Eenige zeldzame Lepidoptera
uit de omstreken van Lemiers (L.)
1%
— — Ephestia figulilella Gregson uit
gedroogdevijgen gekweekt. LXXV.
—— Levenswijze van Diplodoma
marginepunctella Stph. VIII.
—— Phyllocnistis sorhageniella Lid.
leeft op abeel. III.
—— Ptocheuusa subocellea Stph.
nieuw voor de Lepidoptera-fauna
van Nederland. VIII.
Subfossiel keverdekschild in
eene plaat insectenturf. IX.
—— Tephroclystia laquaearia H.S.
te Meyendel gevangen. LXXVI.
—— Zak van Tinea fuscipunctella
Hw. IX.
Bibliothecaris. Verslag over den toe-
toestand van de bibliotheek. LV.
Blote (H. C.). Benoemd tot vertegen-
woordiger op het 5¢internationale
Entom. Congres te Parijs. LIX.
—— Mededeelingen in zake de ver-
zameling Nederl. Coleoptera van
Jhr. Dr. E. J. G. Everts in ’s Rijks
Mus. van Nat. Hist. te Leiden. XII.
Bonne geb. Wepster (Mevr. J.). Lid.
XLIX.
Brants (Mr. A.). Eerelid overleden.
XL VIII.
Brug (S. L.). Doctoraat honoris causa
verleend. L.
— — Lid. XLIX.
Buitendijk (Mej. A. M.). Lid. XLIX.
Bijeenkomst Afd. Noord-Holland en
Utrecht op 10 Juli 1932 ter eere
van Amerikaansche entomol. op
weg naar het Intern. congres te
Parijs. LIX.
Coldewey (H.). Resultaten van de
lichtvangst van Lepidoptera. te
Twello in 1931. XVII.
—-— Idem in Mei 1932. LXXII.
—— Sterrha sacraria L. nieuw voor
de Nederl. fauna en verdere be-
langrijke Lepidoptera voor ons land
uit de collectie Dr. H. Verploegh.
XVI.
—— Tephroclystra pimpinellata Hb.
nieuw voor de Nederl. Lepidoptera-
fauna. LXXII.
—— Vangst van Taeniocampa mi-
niosa F en Chloantha polyodon
GIMME
Commissie v. h. nazien der rekening
en verantw. v. d. penningmeester
1930—1931. Rapport. LIV.
— — 1931-1932. Benoemd. LV.
Corporaal (J. B.). Bestuurslid herko-
zen. LVIII.
Corrigenda. XLVI, 298.
Delsman (Prof. Dr. H. C.). Lid. XLIX.
Everts (Jhr. Dr. E.). Eerelid over-
leden. XLVIII.
Fischer (F. C. J.). Afwijking in ’t ader-
stelsel van een Aporia crataegi L.
LXXVII.
—-— Limenitis populi L. te Mechelen
(Z.-Limb.) gevangen. LXXVII.
— — Trichoptera-vangsten in Neder-
land. LXXVII.
Fluiter (H. J. de). Gepromoveerd. LI.
—— Optreden van Pteronus (Lophy-
rus) pini L. in Nederland en zijne
parasieten. XL.
Geyskes (D. C.). Bijdrage tot de ken-
REGISTER. 297
nis van de Odonata-fauna onzer
Noordzee-eilanden. XXXVIII.
Geyskes (D. C.). Levenswijze v. d.
larve van Neureclipsis bimaculata
L. XXXIX.
Jacobson (Edw. R.). Doctoraat hon.
causa verleend. L.
Klynstra (B. H.). Intrekking verzocht
van zijn voorstel tot wetswijziging.
LVII.
Kolsteeg (W. A.). Overleden. L.
Koning (M. de). Bestrijding van Hy-
lobius abietis L. XVIII.
— — Schadelijke Coleoptera. XX.
Kruseman (G ). Pentapedilum (Kief-
ferulus)tendipedifor me Gtgh. XLV.
Labohm (L. F.). Lid bedankt. XLIX.
Leeuw sl (CCO LR EIC EDE
Kippert (ler. G. Bs). Eid. IEI
Lycklama à Nijeholt (Dr. H ). Coleo-
phora artemisicolella Brd. nieuw
v.d, Nederl. Lepidoptera-fauna. X.
—— Conclusie omtrent den invloed
van mangaanhoudend voedsel op
daarmede gekweekte rupsen van
Selenia tetralunaria. Hufn. LXXI.
——- Eupithecia absinthiata Cl. en
E. goossensiata Mab. X.
—— Kweek van Nemothois cupria-
cellus Hb. X.
—— Nederl. expl. van Chloroclystes
coronata H. B, LXNI.
—— Proeven met mangaanvoeding
van vlinders. IX e.v.
—-— Voorstel tot wetswijziging in
zake den duur van den spreektijd
in de vergaderingen. LVIII.
Mac Gillavry (Dr. D.). Bestuurslid
herkozen. LVIII.
—— Fotografische afbeeldingen van
vergrootingen van dekschilden der
Donaciini. 11.
—— Koffiekevers en hunne bestrij-
ders onder de Cleriden. LXX,
Meijere (Prof. Dr. J. C. H. de). Aan-
tasting van theebladeren door lar-
ven van Melanagromyza theae.
Big. II.
—— Benoemd tot vertegenwoordi-
ger op het se Internationale Entom.-
Congres te Parijs. LIX.
—— Bezwaren tegen de conclusie
van Dr. Lycklama a Nijeholt aan-
gaande den invloed van mangaan-
houdend voedsel op daarmede ge-
kweekte rupsen v. Selenia tetra-
lunaria Hufn. LXXT.
—— Ceratitis capitata Wied. uit ge-
importeerde versche vijgen ge-
kweekt. IL.
Meijere (Prof. Dr. J. C. H. de). Mede-
deeling omtrent een Syrphide als
larve levende in Nepenthesbekers.
EX VII.
— — Odinia maculata Mg. uit gangen
op els van Cryptorrhynchus lapa-
thi. LXVII.
— — Over het verlaten der Lophyrus-
cocons door den parasiet. XLIV.
Peritrophisch membraan bij
vele insectenorden. XXV.
—— Phaonia gracilis Stein nieuw
voor de Diptera-fauna van ons land
uit een larve gevonden in een
Cryptorrbynchus-gang op Salix.
XX, LXVII.
—— Phyllocnistis sorhageniella leeft
op Populus tremula. III.
—— Schadelijke insecten op Orchi-
deeën. LXXI.
Oudemans (Dr. A. C.). Eerelid be-
noemd. LVIII.
—-- Twijfelachtige Acari. LIX.
Oudemans (Dr. J. Th.). Over het ver-
laten v. d. Lophyrus-cocons door
’t imago van Tachiniden. XLIV.
—— Verdragen van honger bij rup-
sen van Geometra papilionaria L.
XVI.
_— — Vergiftiging van een rups van
Hadena porphyrea Esp. op een
verwilderde Akelei-plant. XIV.
Penningmeester. Verslag boekjaar
1930— 1931. LI.
Poeteren (Ir. N. van). Last van Musca
domestica L. te Wijster vermoe-
delijk van het aangevoerde stads-
vuil LXXIV.
—— Mededeelingen over den Colo-
rado-kever. LXXII.
Polak (R. A.). Chalcididen doeltref-
fender bondgenooten bij de be-
strijding van schadelijke insecten.
XXXVI.
—— Gonepteryx rhamni L. „zwer-
ver” in Amsterdam. XXXVII.
Over de insecten-faura van
Amsterdam en de dikwijls ondoel-
matige bestrijding. XXXV.
--— Pyrameis atalanta L. overwin-
tert niet in Nederland. XXXVII.
President. Jaarverslag. XLVIII.
Reclaire (Dr. A.). Anthocoris minki
Dhrn. met de var. simulans Reut.
nieuw voor de Nederl. Rhynchota-
fauna, LXXVI.
298
Schoevers (T. A. C.) Biologische be-
strijding van schadelijke insecten.
XXXVI.
—-— Schade door verschillende in-
secten. XXXVI.
Scholten (L. H.). Belangrijke Lepido-
ptera-vangsten. LXXX e.v.
—— Invloed van hongerlijden bij
een kweek van Angeroma pruna-
flag EXCL:
—— Kweek van Odontosia carmelita
Esp. LXXX.
—--- Mededeelingen omtrent de Ma-
crolepidoptera van Herwen, Lobith,
den Bijvanck te Beek bij Didam
en een gedeelte v. d. Montferland-
sche heuvels. LXXVIII.
—— Veranderingen in de fauna van
de omgeving van Lobith door on-
voldoende afwatering. LXXIX.
Speyer (E. A. M.). Alle Arthropoda
ritueel ongeoorloofd bij keuring
van consumptie-artikelen voor de
joodsche bevolking. XXX VI.
—— Lid. XLIX.
Starcke (A.). Adoptie van een be-
vrucht 9 van Lasius distinguendus
Em. door eene kolonie van L. alie-
nus Forster. XXI.
—— Anatomie der larve van som-
mige mieren. XXI.
—— Demonstratie van levende werk-
sters van Camponotus abdomina-
lis F. uit Z. Amerika. XXI.
--— Demonstratie van een nieuwe
Camponotus-soort nestelend in de
holle bladscheeden van den rotan-
palm Korthalsia. XX.
Swellengrebel (Prof. Dr. N. H.). Lid
bedankt. XLIX.
Uyttenboogaart (Dr. D. L.). Be-
langrijke Coleoptera-vangsten. VII,
LXVIII.
REGISTER.
Uyttenboogaart (Dr. D. L.). Beschub-
bing bij Polydrosus chrysomela Ol.
VII.
Een nieuwe Otiorrhynchus-
soort (O. veterator Uytt.). in Ne-
derland. V.
—— Levenswijze van Xylosandrus
morigerus Blandf. en X. morstatti
Haged. VI.
—— Microsculptuur bij Gyrinus
thomsoni Sahlb. en Gyr. mari-
nus. VII.
—-— Otiorrhynchus veterator Uytt.
en O.singularis L. leven afzonder-
lÿk in de natuur. LXVII.
—— Vangst van Anisandrus dispar
Er., Pityophthorus glabratus Eichh.
en Xylosandrus morigerus Blandf.
VESVI.
—— Xyleborus saxeseni Ratz. d' in
Nederland aangetroffen. V.
—— Zuignapjes der tarsen bij de
Gyrinidae. VI,
Vermeer (Mr. J. A.). Lid overleden.
XLIX,
Vlieger (H. C. de). Lid. XLIX,
Voûte geb. Broekman (Mevr. J.). Lid.
XLIX.
Weber geb. v. Bosse (Mev. Dr. A.).
Begunstigster bedankt. XLIX.
Wetswijziging. Voorstel in zake den
duur van den spreektijd in de ver-
gaderingen. LVIII.
Wintervergadering 1933. Amsterdam
vastgesteld als plaats voor de ver-
gadering. II.
Wisselingh (Ir. T. H. van). Zeldzame
Lepidoptera. XII.
Zomervergadering 1933. Delden vast-
gesteld als plaats voor de verga-
dering. LVII.
CORRIGENDA.
Pagineering van het Verslag abusievelijk tweemaal XXXVI.
p. 76, regel 17 v.b., staat Dolycorus, moet zijn Dolycoris.
po resel 13 wb.. staat DEL mocsrzın) DERISE:
p. 255, regel 10 v.b., staat rostratra, moet zijn rostrata.
INHOUD VAN DE DERDE EN VIERDE AFLEVERING.
Bladz.
Verslag van de Zeven-en-tachtigste Zomervergadering
XLVII—LXXXVI
Beelenlsjst.der Neds Ent. Vere) e LAVIS
J. W. S. MACFIE, Ceratopogonidae from the wings of
Diasouflies tag yes. a en nt
Prof, Dr. J. C. H. DE MEIJERE, Einige Notizen zu Czerny:
Anthomyzidae, Opomyzidae, Tethinidae; Lief. 28 von
Lindner, Die Fliegen der palaearktischen Region . 284—288
eee Seni aie eer NS NS n 2005208
COPIER ES eN 298
265—283
Avis
La Société Entomologique des Pays-Bas prie les Comités
d'adresser dorénavant les publications scientifiques, qui lui sont
destinées, directement à: Bibliotheek der Nederlandsche Entomo-
logische Vereeniging, p/a. Bibliotheek van het Koloniaal Instituut,
AMSTERDAM, Mauritskade 62.
Toutes les autres publications et la correspondance doivent
être adressées au Secrétaire. L’expédition du ,, Tijdschrift voor
Entomologie” est faite par lui.
Si l'on n’a pas reçu le numéro précédent, on est prié de lui
adresser sa réclamation sans aucun retard, parce qu’il ne lui
serait pas possible de faire droit à des réclamations tardives.
J. B. CORPORAAI,
Secrétaire de la Société
entomologique des Pays Bas,
p/a. Zoölogisch Museum,
Amsterdam.