Late i rme DATE SEEN ES
ater a N lobe tara petti Pe
x Lo Pt NE
wt Le rdt nn krt 431 LR AA N
preti tale An Fe: 5 ms
pra een are tie RR ne eee
RSR EE eta
=
Pa
EEE Er
nu Ps
EE on ge ghee yer
+ if
Î
ch
fi È
+ N
i i y ie n
Ù
+
$
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE.
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
ONDER REDACTIE VAN
Pror. J. VAN DER HOEVEN,
M®, 8. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
De A HERKEOTN.
VIERDE DEEL.
LEIDEN,
E. J. BRILL,
1861,
INHOUD
VAN HET VIERDE DEEL.
Verslag van de Zestiende Algemeene Vergadering.
Daarin :
Over nieuwe soorten van Diptera, door F. M. van der Walp.
Over inlandsche soorten van Entomostraca, door Dr. L. A. J. Bur-
UL en ae EEN
Over Palex penetrans, door Dr. à w. van ‘pigli, te cate
Over bijenteelt, door Dr. M. C. Verloren.
Mededeelingen over Engeland, door denzelfden.
Nieuwe inl. Lepidopt. door Mr. H. W. de Graal HN
Over twee bladwespen door Snellen van Vollenhoven.
Tiardensleden se. Te Say hed wt Ge) ere ae ee
Vervolglijst der Boeken.. RU ROT ee
Aanteekening omtrent het leven en de ta pelle N
heden van Q. M. R. Ver Huell. SCH ie
De inlandsche bladwespen iu hare lea en ur
beschreven door Snellen van Vollenhoven; zesde stuk. -
Mededeelingen over Nederlandsche Fabre door P. C. T. geilen.
ONE eNE ns per iiet ALU. .
Beschrijving van eenige nieuwe soorten van Paese: da: Suellen
van Vollenhoven. . . . . . . Bar: N
Catalogue des crustacés, qui ont servi de Hase au Di. carcino-
logique de M. de Haan, par J. A. Herklots. +. . . . . . +.
Description de quelques espèces nouvelles de Fois par Snel-
TeneyansVollenhöveny St) Co nu. u. Ser
De larve van Anoncodes melanura, medegedeeld dr I A. Herklöis.
Deux nouvelles espèces de Tortricides par M. H. W. de Graaff.
Een hermaphrodiet van ei Fu door de Roo van
Westmaas. . .
Bij de afbeelding der ire en pop van Rh RESA
«
«
r
101.
116.
157.
164.
167.
171.
176,
VERSLAG
VAN DE
LESTIENDE ALGEMEENE VERGADERING DER NEDER-
LANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN
BIJ LEIDEN DEN 4. AUGUSTUS 1860,
IANA
VERSLAG
VAN DE
ZESTIENDE ALGEMEENE VERGADERING DER NEDERLANDSCHE
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
GEHOUDEN
BIJ LEIDEN DEN 4° AUGUSTUS 1860.
Tegenwoordig zijn de Heeren:
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, President,
Dr. M. C. Verloren, 7’ice-President,
Mr. H. W. de Graaf, Secretaris,
N. H. de Graaf, Conservator en
van de leden de Heeren: J. Backer Sr., Jhr. J. ©. Martens, G.
M. de Graaf, Prof. Cl. Mulder, Dr. L. A. J. Burgersdyk, F.
M. van der Wulp, €. Brak, G. W. Grebner, Mr. J. H. Albar-
da, J. W. Lodeesen, Dr. J. A. Herklots, J. C. J. de Joncheere,
Dr. A. W. M. van Hasselt en Prof. J. van der Hoeven.
De voorzitter opent de vergadering met eene korte toespraak ,
waarin hij tot zijn genoegen, even als ten vorigen jare, weder-
om gelegenheid vindt om een woord van welkomst te rigten
tot eenige leden, die voor de eerste maal eene vergadering der
vereeniging bijwonen.
De notulen der vorige vergadering worden goedgekeurd en
geteekend.
2
De Secretaris deelt mede, dat de Heer C. W. Sneither, die
naar onze overzeesche bezittingen vertrokken is en zijne con-
tributie gedurende drie jaren niet aangezuiverd heeft, op grond
van art. 39 der wet geacht moet worden van het lidmaatschap
te hebben afgezien.
De voorzitter, het woord opvattende , brengt het volgend ver-
slag uit:
M. H. Zeer geachte medeleden !
Naar hetgeen art. 16 onzer wetten mij voorschrijft, kwijt ik
mij van de verpligting, die op mij als voorzitter rust, door u
cen verslag omtrent den toestand der vereeniging voor te dra-
gen. Die verpligting is daarom voor mij aangenamer, omdat
de verschillende punten van overzigt voldoende resultaten aan-
bieden en de algemeene toestand onzer vereeniging zeer gunstig
vermag genoemd te worden. Volkeren en genootschappen ko-
men in dit punt van vergelijking overeen, dat hun vooruitgang
dan juist het meest waarneembaar is, wanneer hunne geschie-
denis de minste stof tot discussie oplevert. Wanneer de beek
met een zacht gemurmel vloeit, dan is haar water helder en
doorzigtig ; stort zij zich met onbesuisde vaart door de velden,
zoo is het troebel door het medegevoerde slijk.
Een der eerste punten in het verslag eener vereeniging maakt
de opgave omtrent het aantal leden uit, zoodat het zelfs boven
het anders zoo kapitale punt van het bato of nadeelig saldo
moet gesteld worden. Immers, wanneer het getal der vennoo-
ten aanzienlijk is, kan men gewoonlijk met veel minder moeite
den weinig gunstigen toestand der financien met krachtige
maatregelen opbeuren, dan zulks bij een gering aantal leden
mogelijk is. Het eerste alzoo, wat ik u doe opmerken, M. H.
moet zijn het antwoord op de vraag: is het aantal onzer leden
vermeerderd of verminderd? Met weemoed moet ik u herinne-
ren dat in het afgeloopen jaar de dood twee offers uit ons
midden heeft geëischt; onze vereeniging verloor twee harer le-
den, den Heer R. A. J. Baron van Ittersum te Brummen woon-
2
à
achtig en den Schout bij nacht Q. M. R. Ver Huell, die de
laatste jaren zijns levens te Arnhem gevestigd was. De Heer
van Ittersum was bezitter van eene vrij aanzienlijke verzameling
van Coleoptera, waarvan hij de inlandsche voorwerpen meest
zelf gevangen had en bezat eenige merkwaardige entomologi-
sche werken , doch werd gewoonlijk door zijne veelvuldige
ambtsbezigheden verhinderd onze vergaderingen bij te wonen.
De Heer Ver Huell was den meesten onzer persoonlijk beter
bekend, daar hij meermalen onze bijeenkomsten heeft bezocht
en door zijne hoogst aangenamen omgang en vrolijke stemming
heeft verlevendigd. Nog zelfs onze laatste bijeenkomst te Arn-
hem mogt ons het bewijs opleveren, dat de 73jarige grijsaard
met groote opgewektheid vervuld was voor de entomologische
wetenschap en dat hij met het vuur en de levendigheid eens
jongelings over zijne vlinderjagten in het vaderland en de ko-
lonien kon spreken. Zijne verdiensten omtrent de insectenkun-
de en voornamelijk in het reproduceren van voorwerpen van
natuurlijke historie kunnen niet gevoegelijk in dit verslag wor-
den ontvouwd; ik zal derhalve later de vrijheid nemen die af-
zonderlijk, zooveel mij mogelijk zal zijn, uiteen te zetten.
Behalve deze twee telt onze vereeniging een lid minder in
den Heer C. W. Sneither te Groningen, die sedert meer dan
twee jaren verzuimd heeft zijne contributie den Secretaris te doen
geworden en wiens woonplaats, sedert zijn vertrek uit Gronin-
gen, ons onbekend is.
Tegenover dit verlies van drie leden staat de aanwinst, die
onze vereeniging gedaan heeft door het toetreden van den Heer
Mr. C. W. Hubrecht als begunstiger en van de Heeren:
H. Baron van Pallandt, wonende op Engerenstein bij Arn-
hem, J. M. van der Stoot, Pastoor te Roelof-Arendsveen, G.
W. Grebner, Miniatuurschilder te Amsterdam en €. Gee-
sink te Amsterdam, als gewone leden. De Heer Hubrecht
opent voor onze vereeniging de rij der begunstigers; terwijl
wij hem onze dankbetuigingen toebrengen voor deze uitdruk-
king zijner belangstelling in ons doel en streven, hopen wij
1*
4
dat zijn voorbeeld door velen moge gevolgd worden, en wenschen
hem en niet minder onze in dit jaar toegetreden medeleden
toe dat hun ijver veel moge bijbrengen tot den bloei onzer
vereeniging.
De rekening der geldelijke aangelegenheden van ons genoot-
schap, M. H. sluit wederom met een batig saldo, gelijk in het
vorige jaar.
Uit het verslag van den Conservator zal u blijken, dat onze
boekerij met een tamelijk aantal kleinere werken en met ver-
volgdeelen van tijdschriften verrijkt is. Ten gevolge van het
geregeld toezenden der afleveringen van ons Tijdschrift aan
buitenlandsche genootschappen ontvangen wij van de meesten
hunner wederkeerig de geschriften, die zij uitgeven. Slechts
eenigen hunner zijn in gebreke gebleven ons door het toezen-
den hunner geschriften de blijken hunner sympathie te doen
toekomen ; met name de Entomolog. Society te Londen, de
Société Ent. de France en de Société Ent. Belge. Ik zal de
eer hebben u omtrent onze verhouding tot deze personen in
deze vergadering een voorstel te doen.
Betreffende het tijdschrift, dat onze vereeniging uitgeeft, heb
ik het genoegen u mede te deelen, dat daarvan sedert onze
laatste vergadering op 30 Julij 1859 gehouden, het licht heb-
ben gezien de zesde aflevering van den tweeden en de vier
eerste afleveringen van den derden jaargang, terwijl de vijfde
en zesde afleveringen op het punt staan de drukkerij van den
Heer Brill te verlaten. Ofschoon de geschiedenis van ons tijd-
schrift u in een afzonderlijk rapport behoort te worden mede-
gedeeld , zoo mag ik toch om der volledigheids wille niet nala-
ten hier kortelings te vermelden, dat de Heer Brill, uitgever
der beide laatste jaargangen in eene missive te kennen heeft
gegeven, dat hij van het contract met de commissie ter redactie
gesloten voor het volgende jaar afziet, zoodat onze vereeniging
verpligt zal zijn naar een’ anderen uitgever om te zien, doch
dat dit laatste en de uitgave van het tijdschrift gedurende de
eerstvolgende vijf jaren haar op hoogst welwillende wijze ver-
5
gemakkelijkt is door de niet genoeg te roemen edelmoedige
medewerking en ondersteuning van H. H. Bestuurders van
Teyler’s Stichting te Haarlem, wien daarvoor door het Bestuur
onzer vereeniging warme dank is toegebragt. Wat de in dezen
jaargang van het tijdschrift opgenomen stukken betreft, wij
verheugen ons zeer daaronder aan te treffen stukken van eenig-
zins grooteren omvang en bijzonder wetenschappelijk belang ;
terwijl men zien zal dat van het overeengekomene met ons me-
delid, den redacteur der Bouwstoffen voor eene Fauna van
Nederland, is gebrpik gemaakt en eene lijst betreffende de He-
miptera , die in ons vaderland voorkomen, is opgenomen.
Behalve de gewone correspondentie en toezendingen van wer-
ken, die een gevolg zijn van het ten geschenke geven van ons
tijdschrift, heb ik twee meer bijzondere brieven te vermelden.
De eene was van het bestuur van het XV° Nederl. landhuis-
houdkundige Congres, dat in de maand Junij te Amersfoort
zou bijeenkomen en welks voorzitter een onzer meest geachte
medeleden is. Onder meer andere mededeelingen in dien brief
vervat, bevond zich ook deze, dat onze vereeniging uitgenoodigd
werd wetenschappelijke vragen, die op Landbouw betrekking
hebben, op het Congres voor te stellen. Wij hebben ons be-
ijverd eene vraag aan te bieden betreffende het in ons land als
schadelijk insect voorkomen van de zwarte larve der bladwesp
Athalia Spinarum, die in Engeland zoo ontzettend veel na-
deel aan de knollenteelt toebrengt. Het antwoord op onze
vraag is ons nog niet geworden, maar kan misschien vervat
zijn in het verslag van het Congres, dat wij met belangstelling
te gemoet zien.
De tweede missive, waarvan wij moeten spreken, was eene
oproeping tot het bijwonen eener bijzondere vergadering der
Fransche entom. vereeniging te Paris in April en eener pro-
vinciale excursie van diezelfde vereeniging in de omstreken van
Besancon in Junij. Onze Secretaris heeft zich beijverd om
allen leden van dit genootschap kennis te doen dragen van de
ontvangen uitnoodiging.
6
De verzameling onzer insecten, M. H. is in denzelfden staat
gebleven, waarin zij zich ten vorigen jare bevond. Daar de
verplaatsing der insecten van ’s Rijks Museum niet wel kan
plaats grijpen voor den aanvang van het volgende jaar, staat
onze verzameling nog altijd ten mijnen huize, waar zij even-
wel — in een vertrek, waar niet gestookt kan worden —
op ontoereikende en minder geschikte wijze geplaatst is.
De toestand is overigens, in aanmerking genomen den na-
deeligen invloed van ons vochtige klimaat en het schaarsche
bezoek, dat der verzameling ten deel valt, vrij gunstig te
noemen.
Als corollarium van de werkzaamheden onzer vereeniging
mogen wij ten gevolge der uitvoering van art. 34 onzer wetten,
de uitgave van het Lepidopterologische werk van J. C. Sepp
en Zoon te Amsterdam noemen. Het is mij hoogst aangenaam
u te kunnen berigten dat ten gevolge der goedgunstige onder-
steuning onzer regering van dit werk eene nieuwe serie is aan-
gevangen, die, zoo de redactie hoopt, in keurigheid van uit-
voering en grondigheid van behandeling de voorlaatste deelen
der eerste serie verre achter zich zal laten en tot wier mede-
werking en ondersteuning door inteekening ik de vrijheid neme
u met aandrang aan te sporen.
Alzoo aan het einde van mijn verslag genaderd, M. H. meen
ik reden te hebben u toe te roepen: verheugt u met mij over
den gunstigen staat, waarin onze Ned. Entomologische veree-
niging haar zestiende jaar mag intreden, verheugt u over de
jeugdige kracht, die haar tegenwoordig bezielt en doordringt,
en laat ons waken voor de instandhouding van dat goede en
met volhardende geestdrift zorgen dat onze vereeniging voldoe
aan de eischen, die haar door tijdgenoot en nakomelingschap
kunnen worden gesteld.
Uit het verslag van den Conservator blijkt, dat de collectie
geene vermeerdering heeft ondergaan, hetgeen hieraan moet
7
worden toegeschreven, dat de leden de toegezegde insecten-
bezendingen terughouden tot dat de overplaatsing der collectie
op ’s Rijks Museum van Natuurlijke geschiedenis zal hebben
plaats gehad. Intusschen wordt de verzameling door den Heer H.
H. Ter Meer, amanuensis van den Conservator, waartoe hij
op de vorige vergadering is aangewezen, in orde gehouden.
De Heeren Snellen, Lodeesen en de beide Heeren Backer
hebben vlinders, meestal Microlepidoptera ingezonden, die
door den Heer H. W. de Graaf zijn bestemd, De Heeren van
der Wulp en Six zonden een aantal kleine Hymenoptera, die
door den Heer Snellen van Vollenhoven zijn gedetermineerd,
Van de bibliotheek is door de leden een druk gebruik ge-
maakt door het ter leen vragen van boeken.
De rondzending der tijdschriften gaat geregeld voort. Intus-
schen beklaagt de Conservator zich, dat nog altoos leden ge-
vonden worden, die de boeken bij zich laten liggen in stede
van die in tijds aan hunnen opvolger te verzenden, hetgeen
natuurlijk den geregelden loop zeer verhindert; terwijl sommigen
bovendien nalatig beginnen te worden in het oversturen der
reus aan den Conservator, wanneer zij boeken der vereeni-
ging ontvangen. De Conservator eindigt zijn verslag met den
wensch te uiten, dat de leden van hunne zijde wel zooveel
zullen willen medewerken als noodig is om eene geregelde en
ordelijke verzending der boeken te doen plaats hebben en te
kunnen volhouden.
De vermeerdering der bibliotheek zal blijken uit de lijst der
boeken, die achter dit verslag zal worden opgenomen.
De Secretaris doet verslag van den staat der kas.
De ontvangsten over het afgeloopen jaar hebben
Berne (eN tor. AR did RON aertjan 413790.
Dervatgarens A 100) Hot novel B) HO MP EVE BOREN
zoodat de rekening sluit met een batig slot van... f 104,29.
De Voorzitter benoemt de Heeren Herklots en van der Wulp
ingevolge art. 23 der wet, om de rekening en verantwoording
van den Secretaris na te zien.
8
De voorzitter stelt voor om den Heer A. H. Maurissen te
Maestricht, die zich bezig houdt met het maken eener lijst
van de om die stad voorkomende vlinders en zich bereid heeft
verklaard die ter plaatsing af te staan aan de redactie van het
tijdschrift, tot corresponderend lid te benoemen.
Dit voorstel doet de vraag ontstaan: of het niet in strijd zou
zijn met art. 9 der wet om iemand die te Maestricht en dus in
Nederland woonachtig is, tot corresponderend lid te benoemen?
De groote meerderheid, ofschoon gaarne aan den Heer Mauris-
sen het corresponderend lidmaatschap wenschende op te dragen,
acht zich echter hierin verhinderd door de duidelijke bewoor-
dingen van genoemd art. 9, bepalende dat deze onderscheiding
alleen te beurt kan vallen aan „entomologen buiten ’s lands,
vooral aan dezulken, die zich met het onderzoek der insecten-
fauna van aangrenzende landen hebben bezig gehouden.’
De minderheid daarentegen is van oordeel, dat de wet niet
in den weg staat om het gedane voorstel aan te nemen, omdat
men de wet moet verklaren in een’ faunistischen en niet in een’
politischen zin. Politisch behoort voorzeker Limburg tot Neder-
land, maar faunistisch niet; en daar nu de Heer Maurissen zich
bezig houdt met de fauna van Limburg en dus met eene niet
Nederlandsche, moet hij in de bedoeling der wet geacht worden
de fauna te onderzoeken van een aangrenzend land, zoodat hij
wel degelijk in de termen valt om tot corresponderend lid te
kunnen benoemd worden,
Nadat het vraagstuk van verschillende zijden is toegelicht,
wordt het voorstel in stemming gebragt en verworpen met 14
tegen 4 stemmen.
Aan de orde is nu de verdere uitgave van het tijdschrift.
Nadat de Secretaris voorlezing heeft gedaan van de stukken , die
tusschen het Bestuur en de Heeren Brill en Nyhoff gewisseld
zijn, doch die tot geen’ gewenschten uitslag hadden geleid,
zegt de voorzitter, dat het Bestuur was teruggedeinsd om uit-
voering te geven aan de magtiging, die het op de vorige ver-
9
gadering had ontvangen!) om namelijk op de alstoen bepaalde
voorwaarden eene wetsverandering voortestellen, strekkende om
de contributie te verhoogen, ten einde op die wijze de kosten
van het tijdschrift te kunnen bestrijden. Op de vorige verga-
dering was genoegzaam gebleken, dat de leden de vrijwillige
bijdragen, die zij zich reeds een drietal jaren hadden getroost
en die grootendeels slechts ten laste kwamen van hen, die de
vergaderingen plegen bij te wonen, niet als blijvenden maat-
regel om het tijdschrift in stand te houden wenschten toegepast
te zien; maar aan den anderen kant had het Bestuur in eene
verpligte bijdrage (die dan toch niet voor al de leden ver-
pligtend zou zijn) bij wijze van verhoogde contributie door de
wet vast te stellen, zoo vele en zulke onvermijdelijke bezwaren
gezien, dat het na rijp beraad begrepen had te moeten be-
proeven langs een’ anderen weg tot het beoogde doel te ge-
raken.- In dezen stand der zaak had het Bestuur zich gewend
tot H. H. Bestuurders van Teyler’s Stichting te Haarlem. Uit
de daartoe strekkende missive van 22 Junij jl., waarvan voor-
lezing wordt gedaan door den Secretaris, blijkt dat het Bestuur
aan genoemde Heeren de finantieele bezwaren had blootgelegd,
die de uitgave van den vierden jaargang van het tijdschrift on-
mogelijk maakten. Het had, in de overtuiging, dat de Ento-
mologische wetenschap in ons vaderland een orgaan noodig
heeft en aangemoedigd door de belangstelling, die het tijdschrift
ook in het Buitenland mogt ondervinden, van Teylers Stich-
ting, dat door de onbekrompen schikkingen van zijnen edel-
moedigen oprigter in staat is zooveel voor wetenschappen en
kunsten te verrigten — eene jaarlijksche bijdrage gevraagd van
f 200 gedurende vijf jaren, met grond vertrouwende, dat het
tijdschrift na dien tijd sterk genoeg zal zijn, om zonder hulp
zich zelf te ondersteunen.
Reeds op 8 Julij daaraanvolgende mogt het Bestuur het ver-
blijdende antwoord ontvangen, dat H. H, Directeuren besloten
1) Zie Verslag dier vergadering, pag. 6.
10
hadden gedurende vif jaren de gevraagde jaarlijksche bijdrage
te verleenen, met bijvoeging, dat over die som telkens in Au-
gustus kan worden beschikt.
Nadat ook de brief was voorgelezen, waarin het Bestuur
zijne welmeenende dankbetuiging aanbood voor deze gunstige
beschikking en de verpligting erkende der vereeniging om alsnu
in de uitgave van het tijdschrift met volhardenden ijver op den
ingeslagen weg voorttegaan, brengt de voorzitter in rondvraag :
of een der leden omtrent de verdere uitgave van het tijdschrift
eenig voorstel heeft te doen?
Prof. van der Hoeven komt alsnu terug op eenen volzin
voorkomende in een der voorgelezen brieven van den Heer
Nyhoff, waarin deze het noodzakelijke beweert, dat het tijd-
schrift in de fransche taal geschreven worde. De Hoogleeraar
verschilt in meening van den Heer Nyhoff en geeft als zijne
meening te kennen, dat men de leden niet moet binden in
het gebruik eener taal, maar dat ieder vrij behoort te zijn om
de taal te kiezen, waarin hij verlangt te schrijven. Bovendien
zal het gebruik van het hollandsch, naar zijn oordeel, aan
het debiet van het tijdschrift buiten ’slands minder in den
weg staan, dan de Heer Nyhoff schijnt te onderstellen.
De vergadering deelt de meening van den Heer van der
Hoeven en besluit dien overeenkomstig, dat het tijdschrift niet
uitsluitend in het fransch zal worden geschreven.
De Voorzitter brengt alsnu in rondvraag of de vergadering
verlangt te beslissen omtrent de voorwaarden , waarop de uitgave
van het Tijdschrift zal worden voortgezet, dan wel of zij het
aan het Bestuur in overleg met de Commissie van redactie
wenscht over te laten, daaromtrent met den uitgever overeen
te komen.
De Vergadering magtigt met algemeene stemmen het Bestuur
om in overleg met de Commissie van redactie voor de uitgave
der vijf volgende jaargangen van het tijdschrift zoodanige over-
eenkomst met een’ uitgever te sluiten als nuttig en noodig zal
worden bevonden.
dit
Gevolg gevende aan zijn voornemen uitgedrukt in zijn ver-
slag over den toestand der Vereeniging, stelt de Voorzitter
voor om bij de toezending van den derden jaargang van het
tijdschrift aan:
de Entomological Society te Londen,
de Société Entomologique de France, en
de Société Entomologique Belge
een’ brief te voegen aan deze Sociteiten, met verzoek om in
ruil van het tijdschrift de door haar uitgegeven wordende boek-
werken te mogen ontvangen, daar de vereeniging anders de
verdere toezending van het tijdschrift zal staken.
Aangenomen met algemeene stemmen.
De Heer N. H. de Graaf, volgens art. 13 der wet als con-
servator aftredende, wordt met 17 van de 18 stemmen herkozen.
Wordt met 16 tegen 2 stemmen besloten, dat de zeventiende
Algemeene Vergadering zal gehouden worden te Haarlem, in
de laatste helft van Augustus.
De voorzitter brengt in de vergadering een’ brief bij den
Secretaris ingekomen, van de Literary and philosophical Society
of Manchester met aanvrage om hare publicatie’s met die der
vereeniging te ruilen,
Vermits de vergadering niet genoegzaam bekend is met de
werken van genoemd genootschap om te kunnen beoordeelen
of daarin ook onderwerpen betreffende entomologie worden op-:
genomen , besluit zij deswege inlichtingen intewinnen, alvorens
den brief te beantwoorden,
Dr. Herklots het woord vragende, zegt, dat hij tot de min-
derheid heeft behoort, die tegen de uitlegging heeft gestemd ,
welke de vergadering aan art. 9 der wet heeft gegeven. Die
uitlegging moge overeenkomen met de woorden der wet, zij is
desniettemin naar zijne meening in bepaalden strijd met hare be-
doeling. De wet sprekende van duzien ’s lands en inland-
sche heeft zich daarbij niet de politische grenzen van ons land
voorgesteld, maar deze woorden gebezigd met het oog op de
door de vereeniging te bezorgen Fauna entomologica (art. 2).
12
Neemt men nu aan, dat bij de verklaring van art. 9 op de
politische uitgebreidheid van ons land moet worden gelet, dan
volet daaruit, dat men dit evenzeer moet doen, wanneer men
de vraag zal beantwoorden, wat onder inlandsche insecten in
art. 2 moet verstaan worden, en zoo zal men tot het besluit
moeten komen, dat de fauna van Limburg tot die van Neder-
land behoort, hetgeen spreker ten stelligste meent te moeten
betwijfelen. Neemt men daarentegen aan, dat de wet de
woorden buiten ’s lands en inlandsch in faunistischen zin
heeft gebezigd, dan behoort Limburg, wat de Nederlandsche
fauna aangaat, niet tot ons land ; maar dan behoort ook even-
min een Limburgsch entomoloog tot de Nederlandsche entomo-
logen , doch moet als eenen buitenlandschen worden beschouwd,
die zich met het onderzoek der insecten-fauna van een aan-
grenzend land bezig houdt (art. 9). Spreker acht het bespro-
kene van zooveel belang met het oog op de te bewerken fauna
entomologica, dat hij noodzakelijk acht, dat de vereeniging
zich daaromtrent verklare. Hij verlangt echter geen overhaast
besluit, maar keurt het wenschelijk, dat de vereeniging zich
vooraf doe voorlichten door eene commissie. Daarom stelt hij
voor, dat door de vergadering zoodanige commissie zal worden
benoemd, bestaande uit de commissie van redactie van het
tijdschrift en den conservator met bepaling, dat deze op de
eerstvolgende vergadering een verslag zal uitbrengen omtrent de
vraag: of men bij de bewerking der Nederlandsche insecten-
fauna de politieke grenzen van Nederland moet beschouwen
als grens, dan wel de faunistische grenzen en waar deze ge-
trokken moeten worden. Nadat verscheidene leden over het
gedane voorstel het woord hadden gevoerd, wordt het aange-
nomen, de voorgestelde commissie benoemd en de Heer Her-
klots aan haar als lid toegevoegd.
De Heer Lodeesen stelt als lid der vereeniging voor den
Heer J. Kinker te Amsterdam, die bij acclamatie wordt aan-
genomen.
Evenzeer wordt aangenomen een voorstel van den Heer Bac-
13
ker om voor de bibliotheek der vereeniging aan te schaffen:
het Handboek voor Bijenhouders van den Heer J. Dirks.
De Secretaris herinnert, dat volgens art. 59 der wet, de
leden, die niet op de vergadering tegenwoordig zijn geweest ,
verpligt zijn hunne contributie binnen zes maanden na de ver-
gadering, den Secretaris te doen geworden. Tot dus verre is
deze bepaling niet opgevolgd; maar het tegendeel vond plaats,
omdat de Secretaris bij de leden de contributiën liet ontvan-
gen. Hiertegen is nu op zich zelf niets, maar hij meent in
het belang der kas de opmerking te moeten maken, dat op
het incasseren der contributién op die wijze nog al kosten val-
len. Dit geldt vooral voor meer afgelegen plaatsen, terwijl
van tijd tot tijd het geval zich voordoet, dat eene quitantie
ter ontvang van contributie opgezonden, onbetaald, maar met
verschotten bezwaard, terug komt, omdat b. v. de betrokkene
op reis was of dergelijke. Zoowel in het belang der kas als
van eene geregelde administratie zou de Secretaris het daarom
wenschelijk achten, indien de leden mogten goedvinden hem
hunne jaarlijksche contributie per post-wissel over te maken.
De vergadering vindt het verlangen van den Secretaris allezins
billijk en deze verklaart, dat hij mitsdien bij circulaire nader
op dit onderwerp zal terug komen.
Nadat de vergadering gedurende een half uur geschorst was,
wordt door de commissie, met het nazien der rekening van
den Secretaris belast, verklaard, dat zij die nagezien, met de
bescheiden vergeleken, conform bevonden en goedgekeurd had.
De Voorzitter zegt, dat het Bestuur, ter voldoening aan art.
55 der wet, de eer heeft aan de vergadering voortestellen twee
dubbeltallen om uit ieder dezer een lid te kiezen voor de
commissie van redactie van het tijdschrift.
Eerste dubbeltal: de Heeren Prof. J. van der Hoeven en
Mr. E. A. de Roo van Westmaas.
Tweede dubbeltal: de Heeren Dr. M. C. Verloren en Dr.
J. A. Herklots.
Voordat tot de stemming wordt overgegaan verklaart de Heer
14
Verloren, dat hij bi} de te doene keuze niet in aanmerking
wenscht te komen, en wordt besloten, dat de stemming over
beide dubbeltallen in eens zal plaats hebben.
Van de 18 uitgebragte stemmen erlangt
Prof. J. van der Hoeven . . . . 15 stemmen.
Mr. E. A. de Roo van Westmaas Hose »
Dr; “Mee Co Verloren: Kore aan 16 »
Dr: Ei As Herklats vaio nein ent dut »
vansouwaarder „Rui des: N Rue »
Zoodat tot leden der commissie van redactie van het tijd-
schrift voor het volgende jaar gekozen zijn: Prof. J. van der
Hoeven en Dr. J. A. Herklots.
De Heer Snellen van Vollenhoven verzoekt voor eenige oogen-
blikken de aandacht der vergadering en herdenkt in een uit-
voerig levensberigt de verdiensten van het onlangs ontslapen
lid der vereeniging, den Heer Q. M. R. Ver Huell.
De vergadering zegt den Heer van Vollenhoven dank voor
de hulde door hem gebragt aan de verdiensten van den waar-
digen overledenen ; zij uit den wensch, dat de geleverde necro-
logie door Spreker voor het verslag zal worden afgestaan !).
Alsnu gaat men over tot de wetenschappelijke mededeelingen.
Prof. Cl. Mulder zegt, dat hij het woord heeft gevraagd,
niet zoozeer om eene wetenschappelijke bijdrage te leveren,
dan wel om aan de vergadering kenbaar te maken, dat hij
ter bezigtiging heeft medegebragt eene portefeuille met teeke-
ningen, die, naar hy vertrouwt, allezins de belangstelling
der leden zullen opwekken. De bedoelde teekeningen zijn
van onzen beroemden landgenoot P. Lyonet?). Een 150tal,
met daarbij behoorend manuscript, stelt vlinders voor, grooten-
deels met de daarbij behoorende rupsen en poppen, terwijl
eenige andere teekeningen betrekking hebben op insekten uit
1) Aan dit verlangen is voldaan. Zie Bijlage A.
2) Zie over Lyonet het verslag der 9de Alg. vergadering p. 38 en volg.
15
verschillende orden, spinnen en conchylién. Allen zijn mees-
terlijk uitgevoerd en worden als ware Chefs-d'oeuvre de l’in-
dustrie humaine, om met Cuvier te spreken, door de aan-
wezigen bewonderd.
De Heer J. Backer Sr. legt eene lijst over van vlinders door
hem in dit jaar bij Oosterbeek gevangen en spreekt vervolgens
over de eigenaardige gewoonten der rupsen van Bombyx pro-
cessionea L., die dezen zomer in de omstreken van Nijmegen
in menigte voorhanden waren. =
Mr. J. H. Albarda laat ter ste rondgaan eenige keu-
rige door hem vervaardigde teekeningen, voorstellende eenige
soorten van Microlepidoptera in hunne verschillende toestanden.
Men merkte daaronder op: Penthina suffusana, Tortrix
ameriana , Tortrix holmiana, Sericoris lacunana, Har-
pella proboscidella, Harpella bracteella, Depressaria con-
terminella, Elachista cerusella en anderen.
De Heer Brak heeft hier te lande den zak van Psyche
graminella gevonden, uit welken zich een mannelijke vlinder
ontwikkeld had. Spreker vertoont eene fraaije teekening ,
waarop zak en vlinder door den Heer Grebner zijn voorge-
steld. Verder deelt de Heer Brak mede, dat hij de opmerking
heeft gemaakt, dat bij groote wijfjes van Zepialus Humuli,
hoedanige men meermalen in de vrije natuur aantreft, zich
geene mannetjes vertoonen, terwijl dit daarentegen wel het
geval is bij kleinere wijfjes. Hij noodigt de leden uit daar-
omtrent waarnemingen te doen en, zoo mogelijk verklaring te
geven van het door hem waargenomen verschijnsel.
Met een enkel woord herinnert Prof. van der Hoeven aan
een ander verschijnsel, waarvan men meermaal bij Lepidoptera
hoort melding maken, het zoogenaamde hermaphroditisme. Hij
wil bij deze gelegenheid slechts op het feit wijzen, dat men
bij de bepaling of een Lepidopteron hermaphrodiet is, alleen
pleegt aftegaan op uitwendige kenteekenen en het onderzoek
der inwendige deelen ten eenenmale na te laten. Toch is het
laatste een noodzakelijk vereischte om met zekerheid de twee-
16
slachtigheid van het dier te kunnen aannemen. Gedroogde
voorwerpen zijn voor het bedoelde onderzoek niet dienstig en
daarom vraagt Spreker of onze Lepidopterologen de vlinders ,
die hen hermaphroditisch mogten voorkomen, niet op spiritus
zouden willen bewaren, opdat zij later anatomisch konden on-
derzocht worden.
De Heer Lodeesen deelt mede, dat hij Znnomos advenaria,
waarvan hij eenige jaren geleden in een bosch bij Ede 7 of 8
stuks gevangen had, ook dit jaar wederom aldaar heeft aan-
getroffen. Hij acht deze mededeeling der moeite waard, om-
dat hij in de Bouwstoffen als de eenige vinder dezer soort hier
te lande vermeld staat !).
De Heer van der Wulp heeft eenige voor onze fauna nieuwe
of zeldzame soorten van Diptera medegebragt, die hij met de
volgende opmerkingen laat rondgaan.
Chironomus biannulatus Staeger. Deze soort, waarvan ik
tot dusverre slechts het 9 ken, is merkwaardig door de
geheel groene kleur, met uitzondering der tarsen, die
wit zijn met breede zwarte spits der geledingen.
Chironomus nigriventris n. s. Ik houd deze voor het Z'
van de soort, welke vroeger door mij in het Tijdschrift,
onder dezen naam is beschreven en afgebeeld, en waar-
van ik toen alleen het 9, door den Heer. Six gevangen,
kende. Dit voorwerp komt althans, in grootte, teeke-
ning en afmetingen der tarsenleden, daarmede goed
overeen.
Tanypus guttipennis n. s. Ook eene soort, die, zooveel
ik kon nagaan, nergens beschreven is. Ik vond haar
dezen zomer in verscheidene exemplaren van beide sexen,
1) Ter aanvulling kan strekken, dat ik na het afdrukken van mijn stuk
over Geometrae in de Bouwstoffen verscheidene exemplaren dezer soort in
verschillende collectiën gezien heb, die in de Provincie Gelderland gevangen
waren.
H. W. d. G.
17
op eene bepaalde piek aan den duinkant by den Haag,
waar zij tegen het mos op wilgenstammen zaten of
daarom heen vlogen. — Kenbaar aan de behaarde, graau-
we, met een aantal doorschijnend witte vlekken getee-
kende vleugels.
Plesiastina annulata Meig. Door Meigen als Mycetobia
annulata duidelijk beschreven. Winnertz, die te regt
opmerkte, dat Meigens geslacht Mycetobia uit zeer uit-
eenloopende bestanddeelen was zamengesteld , heeft daar-
van verscheidene soorten afgezonderd, en van deze, met
nog eene andere, die door hem werd ontdekt, het genus
Plesiastina gevormd.
Tachydromia pectoralis Fall. Nieuw voor onze fauna, en
kenbaar aan de glanzig roode kleur van den thorax, die
bij de meeste andere soorten van dit geslacht zwart is
of met een grijsachtig stof bedekt.
Argyra vestita Wied. Dit voorwerp, door mij bij den
Haag gevonden, is het tweede uit Nederland, zijnde een
ander door den Heer Six te Utrecht gevangen. — Bei-
den zijn Z, en als zoodanig merkwaardig om de groote
sprieten, die aan het geslacht Raphiwm doen denken,
doch met dit onderscheid, dat hier de borstel niet zui-
ver aan de spits, maar kort voor dezelve is ingewricht.
Raphium commune Meig. — Een d door den Heer van
Eyndhoven bij Zutphen gevangen. Vroeger werd deze
soort door Löw (Ent. Zeit. April 1856 p. 101) als
R. spinicoxum beschreven, doch later door hem erkend
als dezelfde soort met Porphyrops communis Meig.
Psilopus nervosus Wied. Beide sexen door den Heer v.
Eyndhoven te Zutphen gevangen. Zeer kenbaar aan
den vorm der groote dwarsader op de vleugels, die
sterk naar buiten is uitgebogen.
Dolichopus plumitarsis Fall d. — Weder eene soort van
dit geslacht als bewoner van ons land, de eenige welke
ik kan voegen bij de naamlijst, die ik ten vorigen jare
>
=
18
ter Vergadering medebragt. Zij onderscheidt zich, be-
halve door den geknakten of hoekigen loop der 4° langs-
ader, door de voortarsen, waarvan de beide laatste le-
den zwart en verbreed of liever gevederd zijn. Ter ver-
gelijking is hierbij gevoegd een { ex. van de hier zoo
gemeene D. claviger Stann., waar de 4° langsader slechts
eene zachte buiging heeft en alleen het laatste lid der
voortarsen zwart en verbreed is.
Nephrocerus flavicornis Zett. — Voor ’t eerst door den
Heer v. Eyndhoven, in ons land ontdekt. Dit geslacht
is naauw verwant aan Pépunculus, doch is onderschei-
den, door meerdere grootte, gestrekter achterlijf en
anderen vorm der sprieten; de schijfcel der vleugels
heeft eene rudimentaire langsader, even als bij Pzpunc.
auctus. — Ongetwijfeld behoort ook Pip. scutellatus
Macq. tot dit geslacht.
Pipunculus ater Fall. — Door de fluweelzwarte kleur eene
kenbare soort in dit overigens moeijelijke genus.
Callomyia .... n. s. — Zooveel ik kan nagaan, het eerste
voorwerp van dit geslacht, in Nederland gevangen. Het
is een Z en door de geheel fluweelzwarte kleur van ’t
lijf en de oranje kolfjes gekenmerkt, doch niet wel met
zekerheid tot de beschreven soorten te brengen.
Tachina elegantula Zeit. — Een voorwerp reeds voor ver-
scheiden jaren in de duinen bij den Haag door mi ge-
vonden, doch dat ik eerst onlangs naar de beschrijving
van Zetterstedt heb kunnen determineren. De vleugel-
aderen zijn buitengemeen sterk naar den wortel en voor-
rand teruggetrokken. Het staat bij mij vast, dat deze
soort tot geen der geslachten is te brengen, waarin
Tachina door Meigen en Macquart is verdeeld.
Tachina silacea Meig. Bene van de weinige roestkleurige
soorten van dit geslacht. Zij behoort tot het geslacht
Thryptocera Macq.
19
: . Een paar voor onze fauna nieu-
Dexia ferina Fall. ee
we soorten, de laatste door den
Dexia testacea Macq. Heer v. Eyndh. te Zutphen gevangen.
Hylomyia hilaris Fall. Mede eene ontdekking van den
Heer v. Eyndhoven. — Eene der weinige Anthomyzi-
den, die zich dadelijk uit Meigens beschrijving laat her-
kennen.
Helomyza atricornis Meig. — Eene ware Helomyza, en
zoo ik vertrouw met juistheid naar Meigens beschrijving
gedetermineerd.
Psila nigricornis Meig. — Door de donkere sprieten on-
derscheiden en daarom tot deze soort gerekend.
Trypeta Artemisiae Fabr. — Van deze soort werd door
mij verleden jaar te Arnhem en dezen zomer bij den
Haag telkens een ex. gevangen. Ofschoon bij beiden
de vieugelvlekken eenigzins verschillen, geloof ik toch,
dat aan de juistheid der bestemming niet valt te twij-
felen.
Heteroneura .... n. s. — Verwant aan de bijvoegde
A. albimana, doch onderscheiden door donker uiteinde
der sprieten en donkere achterste pooten, waarvan alleen
de knien en tarsen witachtig zijn.
Conicera atra Meig. — Een eerste ex. van dit geslacht,
dat op Phora gelijkt, met uitzondering der sprieten,
die in stede van rond te zijn, kegelvormig opwaarts
gaan.
Pachygaster ater Macq. Dezen zomer heb ik die soort,
welke vroeger mij zeldzaam was voorgekomen, aan eene
bepaalde plek in grooten getale aangetroffen.
Porphyrops quadrifasciatus Fabr. — Behoort tot de niet
zeldzame insecten in de Haagsche duinstreken, en vooral
dezen zomer aldaar veelvuldig. ‘ Zetterstedt beschrijft,
behalve P. quadrifasciatus nog een’ aanverwanten P.
Erichsoni, en stelt den eersten voor als met grijzen
thorax en in 4 met zwart en verbreed uiteinde der
9 *
20
doorvaren’, terwijl hij aan den tweeden een’ roestkleu-
rigen thorax en in beide sexen eenvoudige voortarsen
toekent. — Nu zijn al de door mij gev. { exemplaren
bepaaldelijk tot P. 4 fasciatus te brengen, terwijl ik
geen enkel $ met grijzen - maar integendeel allen met
roestkleurigen thorax heb gezien. Er moet derhalve
in deze beide soorten nog eenige verwarring heerschen.
De Heer Burgersdijk vertoont eenige Insecten, in de omstre-
ken van Breda gevangen, waaronder zich Ctenophora festiva
en Staphylinus hirtus bevinden, en deelt verder de uitkom-
sten mede van zijne onderzoekingen, aldaar gedaan, aangaande
de zoetwater-entomostraca. Deze opgaven kunnen ter aanvul-
ling strekken van de lijst in het eerste Deel der Bouwstoffen
gegeven. Bij de soortsbepaling is, behalve van Müllers Andéo-
mostraca, en Milne Edwards Mist. nat. des Crust., ook
gebruik gemaakt van het door de Ray Society uitgegeven werk
van W. Baird, the Natural history of British Entomostraca
(1859), waarvan de naauwkeurigheid, bij gestadige vergelijking
met de natuur, voortdurend blijkt.
Van de Phyllopoda is dpus productus Bose ongetwijfeld
inlandsch ; zij schijnt nog niet anders dan in de provincie Gel-
derland te zijn aangetroffen ; Spr. heeft voorwerpen gezien , die
daar verzameld waren.
Onder de Cladocera zijn Daphnia pulex L. en D. sima
of vetula Müll. zeer gewoon bij Breda; aangaande de laatste
soort is optemerken, dat de haren der groote sprieten met
kleine zijhaartjes voorzien zijn, die aan Milne Edwards ontsnapt
zijn, wijl hij zegt: ,, soies des grandes antennes sans barbes.”’
D. rotunda Straus werd wel bij Leiden, niet bij Breda
waargenomen.
D. mucronata Müll. werd op beide plaatsen waargenomen
en wel de var. acuterostrata Baird. Higenaardig is de ge-
lijkmatig voortgaande beweging, die haar van andere Daphniae
onderscheidt.
onl
Eene zeer schoone soort, herhaaldelijk bij Breda waargeno-
men, is de Sida erystallina Müll. van welke Müller reeds
zeer naauwkeurig de wijze van beweging beschreven heeft. Dat
het achterlijf naar boven en niet naar beneden gebogen zcu
zijn, gelijk Milne Edwards zegt, is onjuist.
Van de Lynceus-soorten wordt opgemerkt, dat aan iederen
tak der groote sprieten drie leden zijn, omtrent welk getal
Milne Edwards, in zijn werk, nog niet geheel zeker is.
De grootste soort van Lynceus is L. lamellatus, welke bij
Breda zeer menigvuldig voorkomt; zij bevat steeds meer eijeren
dan de overige soorten van Lynceus.
Lynceus sphaericus Müll. komt veel voor, zeldzamer Z.
globosus Baird, die grooter is, nog meer bolrond en eene
voortgaande beweging heeft, terwijl Z. sphaericus zich meer
door het water heenrolt.
L. quadrangularis en trigonellus Müll., vroeger bij Lei-
den waargenomen, werden bij Breda niet opgemerkt, daaren-
tegen is Z. truncatus Müll. er op sommige plaatsen zoo me-
nigvuldig, dat het water er letterlijk van krioelt.
Het geslacht Cypris, dat tot de Ostracoda behoort, levert
groote moeijelijkheden op. Eerst in den lateren tijd is door
Zenker (Wiegmann’s Arch. xx) eene volledige anatomie gele-
verd en is tevens in het licht gesteld, dat de gedaante der
schalen naar den leeftijd zeer verschilt, want dat de schalen
bij jonge voorwerpen van voren hooger zijn dan van achteren
en dat dit bij ontwikkeling der geslachtsdeelen geheel anders
wordt. Wil tot dusverre de soorten voornamelijk naar de
gedaante der schalen onderscheiden werden, ziet men gereede-
lijk in, dat de jonge en oude voorwerpen eener soort dikwijls
tot verschillende soorten gebragt moeten zijn en dat over het
algemeen de kenschetsing der soorten zeer onzeker en onvolle-
dig moet wezen. Vernieuwde onderzoekingen zijn hier nood-
zakelijk. Als belangrijk onderscheid is te beschouwen, of de
voor de beweging dienende antennae pediformes met lange haren
zijn toegerust of niet; in het eerste geval zwemmen de dieren,
2
bo
in het tweede kruipen zij langs de oppervlakte van waterplan-
ten enz.; als uitwendig kenmerk is ook te beschouwen de in-
hechting der bundels van de sluitspier der schalen, welke in-
hechting duidelijk op de schalen te zien is en naar de soorten
verschilt. De schalen ter herkenning gebruikende, moet men
haar steeds aan geslachtsrijpe voorwerpen onderzoeken. Ook het
inwendig zamenstel der dieren kan ter juiste bepaling der
soorten van groote dienst zijn. Aangaande de soorten van
dat geslacht zijn nog vele onderzoekingen te doen. Met volle
zekerheid zijn erkend:
Cypris vidua Müll., fusca Straus en ovum Jurin., allen
bij Breda waargenomen. Deze behooren tot de goed zwem-
mende soorten. Van C. ovum zijn verscheidene mannetjes
gevonden en onderzocht, welker merkwaardige slijmklier en
spermatozoa door Zenker zeer juist beschreven zijn.
Van de kruipende soorten zijn waargenomen Cypris ornata
Müll., eene zeer groote en fraaije soort, welke tot het naauw-
keurig nagaan der door Zenker gegevene anatomie heeft kun-
nen dienen, en Cypris candida Müll., van welke soort ook
mannetjes zijn waargenomen.
Bij de Copepoda is de zoogenoemde Cyclops vulgaris nog
niet aan een gedurende verschillende jaargetijden voortgezet
onderzoek onderworpen. Claus (Fiegm. Arch. xx) heeft
bewezen, dat C. vulgaris in verscheidene soorten moet gesplitst
vorden en van zijne nieuwe soorten zijn bij Breda reeds €.
Leuckarti en brevicornis erkend. |
Menigvuldig zijn verder bij Breda Cyclopsine Staphylinus
M. Edw. en Cyclopsine Castor M. Edwards waar te nemen.
Nadere onderzoekingen zullen ongetwijfeld nog verscheidene
soorten als inlandsch doen kennen en tot juistere kennis dezer
kleinere wezens kunnen bijdragen. Spr. stelt zich voor, deze
waarnemingen voort te zetten,
De Heer van Hasselt verschaft thans den belangstellenden le-
den gelegenheid tot bezigtiging met het mikroskoop van den
23
Pulex (Dermatophilus Guérin, Sarcopsylla Westwood) pe-
netrans L.
Hij zag zich daartoe in staat gesteld door den Heer E. C.
van Lier, officier van gezondheid in West-Indié, thans met
verlof hier te lande, die hem onlangs twee fraaije exemplaren
van dit beruchte insekt had medegebragt !).
Dit is de bij naam ten minste vrij algemeen bekende zand-
vloo, in de verschillende volks-dialekten ,,bicho” chica”
‚„chigoe’’ jigger” ,,nigua’’ ,,pique” ,,tungua” als an-
derszins geheeten.
In het algemeen tot de zuiger-insekten of Suctoréa behoo-
rende, de Pulicina of Pulicidae, zouden deze vlooijen, als
althans tijdelijk parasitisch in den mensch levende, misschien
ook wel tot de dermentozoa kunnen worden gebragt, doch
vindt men ze tegenwoordig veelal, volsens Latreille, met an-
dere vloo-soorten, in ééne bijzondere orde opgenomen, die der
Siphonaptera, door onzen Snellen van Vollenhoven ironisch
vertaald als ,, kokerzuiger-ongevleugelden””, _
Spreker herinnert aan dit diertje, een even belangwekkend
als lastig insect, als aan eene ware landplaag voor vele streken
van Zuid-Amerika, alwaar het in het open veld leeft en
gedurende het drooge jaargetijde, vooral op zandige plaatsen,
in ontzagchelijke menigte voorkomt.
Terwijl deze vloo reeds nu veel meer voor den mensch te duch-
ten is dan de gewone Pulex irritans, beschouwt Leunis het
niet ten onregte als een zegen, dat zij in zooverre van andere
pulices afwijkt, dat zij niet springt, waardoor zij zich minder
ver over het menschelijk ligchaam kan verspreiden en gemak-
kelijker te vangen is. ,, Indien zij springen kon, meent hij,
zou een groot deel van het intertropische Amerika inderdaad
onbewoonbaar te achten zijn,” eene opmerking, waarin men,
1) Op verzoek heb ik mijne mededeeling voor dit Verslag eenigzins ver-
der uitgebreid, dan in de mondelinge voordragt was geschied.
Ver Hi:
24
met Harting, weder eene gelegenheid te meer heeft, om zich
te overiuigen van de groote ,,magt van het kleine!”
Men weet, dat de zandvloo, behalve de Negers, bij voor-
keur de pas aangekomene Europeanen (minder of niet de
Kreolen) aantast, maar overigens ook de honden en andere
huisdieren niet spaart (ofschoon deze misschien door eene an-
dere soort of variéteit worden gekweld). Niet alleen bij per-
sonen, die blootvoets gaan, maar ook door schoenen en kousen
haren weg vindende, dringt het bevruchte wijfje in en door
de huid. In den regel aan de voeten, meestal in de nabijheid
der nagels, boort zij zich tot het onderhuidsche bindweefsel
door. Bij uitzondering echter kan zij ook aan de handen voor-
komen, gelijkerwijze onder anderen de Engelsche zee-kapitein
Hancock zulks, volgens opgaaf van Kirby, in eigen persoon
zou hebben ondervonden. Wanneer het diertje met den kop
vooruit tot onder de huid is doorgedrongen, blijft het aldaar
aan de ligchaamsoppervlakte vertoeven. Terwijl kop, borst-
stuk en pooten niet veranderen, zwelt alleen het abdomen
tot een’ buitengewonen omvang op, door uitzetting der tal-
rijke, rijpende ovula. Dit geschiedt in abdomine zelf, niet
zooals soms wordt gemeend in een buiten het achterlijf ge-
vormde kyste of cocon. Wanneer het bolvormig abdomen tot
volle ontwikkeling is gekomen, sterft het moederdier, doch
niet de eijeren, waarschijnlijk af, hoezeer dit nog niet met
zekerheid is uitgemaakt.
De door zandvlooijen aangedane persoon ontdekt het indrin-
gen dezer gevaarlijke bezoeksters op den oogenblik zelven niet,
doch eerst later door eene hoogst geringe en in den aanvang
weinig of niet pijnlijke jeuking, waardoor het eerste tijdperk
van haar verblijf meermalen wordt over het hoofd gezien. Er
ontstaat nu eene kleine bruin- of blaauwachtig gevlekte verhe-
venheid der huid, met een zwart stipje in het midden, thans
spoedig van rondsom gevolgd door eene pijnlijk puistvormige
zwelling, ter grootte van eene groene erwt, in de Heelkunde
bekend onder den naam van ,,zandvloo-puist’’. Deze wordt
25
somtijds, indien het dier niet werd verwijderd of onvolkomen
uitgehaald, opgevolgd door meer of minder uitgebreide, roos-
achtige ontsteking, zelfs door kwaadaardige verzwering, ja,
men heeft voorbeelden waar zich diepe fistelgangen , tot op de
beenderen toe, vormden, met hardnekkige opzetting der belen-
dende watervaatsklieren, en zelfs gedeeltelijke versterving of
koud vuur van het aangedane lid!
Een tal van reizigers beschreven deze landplaag; von Hum-
boldt, v. Tschudi, Pöppig, en vele anderen bleven er niet van
verschoond en teekenden hunne eigene ondervinding daarover
op. Toen R. Schomburgh het eerst de aanwezigheid dezer in-
sekten ontwaard had, verwijderde een inlander, naar hij zegt,
in een half uur, niet meer of minder dan 83 stuks er van uit
zijne beide voeten, terwijl later elken morgen een 20 à 50-tal
moest worden weggenomen.
Alhoewel nu in dit geval de beschreven aandoening meestal
onbeduidend blijft, zoo kunnen evenwel meer belangrijke ge-
volgen, hierboven reeds aangeduid, ontstaan. En wanneer al
de beweering van Leunis gewis niet vrij van overdrijving is te
noemen, als hij zegt: ,, dat de voeten deswegens niet zelden
moeten worden afgezet,’ zoo staat toch daarvan een enkel
voorbeeld opgeteekend en dit zelfs niet op zich zelf. Onder
anderen is vrij algemeen bekend het verhaal van Walton, in
zijne Geschiedenis van Domingo, aangaande eenen Kapucij-
ner monnik. Deze had opzettelijk van dit eiland, in een zijner
voeten , eene dusgenoemde ,,kolonie’’ zandvlooijen (zie in fine
van dit opstel) willen overbrengen naar Europa. Doch onge-
lukkig voor de wetenschap, en nog ongelukkiger voor den
proefnemer, breidde de daardoor verwekte ontsteking zich 266
ver en zóó hevig uit, dat de voet, in gangreen vervallen, on-
der weg moest worden geamputeerd, terwijl men dien (jammer
en onnoozel genoeg, indien het geheele relaas vertrouwen ver-
dient), met al zijne — men zal later opmerken — nog pro-
blematische bewoners over boord wierp. Analoge gevallen in-
tusschen zijn ook door Piso, Margraeff en anderen medegedeeld,
26
waarin zelfs van ,,doodelijken afloop’’ bij hooge uitzondering
gewag wordt gemaakt.
Zoo veel is wel zeker, het is niet zonder goede reden, dat
in Brazilië, Guijana , enz. zoo groote zorg wordt gedragen
tegen het innestelen dezer insekten. Het dragen van hooge,
lederen laarzen (in de hitte trouwens bezwaarlijk vol te hou-
den), wordt als een der beste voorbehoedmiddelen geprezen ,
door sommigen ook het insmeren der voeten met traan,
teer of stinkende oliën. Het voorzigtigste en meest in zwang
zijnde volksmiddel bestaat echter in het dagelijks nazien der
voeten door slaven of vooral door slavinnen, of hunne kinde-
ren, die bijzonder bedreven zijn in het verwijderen der inge-
drongene pulices. Het blaasje, of liever de bedekkende opper-
huid en huid, der zoogenaamde zandvloo-puist, wordt omzig-
tig opengeprikt en het dier in zijn geheel met eene naald of
speld daaruit geligt. Soms wordt daarna het deel met asch of
andere bijtmiddelen ingewreven.
Na deze algemeene inleiding herinnert Spreker, in betrekking
tot de natuurlijke geschiedenis der zandvloo , waarvan men onder
anderen bij J. van der Hoeven (Mandboek der Dierkunde en
Natuurljke Geschiedenis van het Dierenrijk) zeer goede , sterk
vergroote afbeeldingen aantreft, dat daarover door Sels, Pohl,
Kollar, Dugès, Guérin (Zconographte), Westwood (Zntomolo-
gical Soctety en On the modern Classification of Insects) in
meerdere bijzonderheden werd gehandeld. Spr. wijst ter verga-
dering aan, hoe bijzonder klein deze vloo is, in vergelijking met
andere pulices. Met dubbel regt, zegt hij, mag men haar ,,zand-
vloo’’ noemen, niet alleen omdat zij in het zand leeft, maar ook
omdat zij werkelijk, althans in onbevruchten toestand, niet
veel grooter is dan een middelmatige zandkorrel. Hij toont aan,
dat men haar evenmin afzonderlijk als wanneer zij geplaatst is in
het midden der zoogenaamde zandvloopuist met het bloote oog niet
goed, en met eene goede dubbel-loupe naauwelijks duidelijk als
vloo kan herkennen, maar dat alleen het door de ovula uitgezette
abdomen duidelijk zigtbaar is, dat zelf intusschen meer naar een
27
dun vliesje, dan naar een deel van het dier gelijkt. Vervolgens toont
de Heer v. H. een gedeelte van het bevruchte achterlijf, bij 70-
malige vergrooting, aan, om de daarin bevatte eyeren te doen
zien. Westwood, die er meerdere exemplaren van onderzocht,
spreekt van een ,,2mmense number of eggs’; zóó veel zag
Spr. er niet; in zijne exemplaren waren zij best te tellen. In
één der grootste helften van eene zoogenaamde zandvloopuist , telde
men er tot 37 stuks. Zij zijn langwerpig eirond, wit, door-
schijnender dan de hen omringende korrelige grondlaag, ter-
wijl in eenige van hen de vorming der langwerpige, aan beide
uiteinden eenigzins afgespitste larven reeds tot stand schijnt te
komen. Deze eitjes blijken nu ook veel grooter te zijn dan de
kop, het borststuk en de pooten van het dier te zamen geno-
men, daar deze niet goed, maar de ovula wel met dezelfde
dubbel-loupe zijn te onderscheiden.
Met betrekking tot den ligchaamsbouw van dit insekt in het
algemeen, wil Spr. niet uitweiden, als komende deze grooten-
deels, in miniatuur, overeen met dien van de P. irritans.
Hij vertoont alleen den hier bijzonder sterk ontwikkelden zuiger-
(of liever boor- of zaag) toestel, die in één zijner exemplaren
bijzonder duidelijk te zien is, hoezeer, wegens de kleinte van
het dier, niet dan bij eene 250 à 300-malige vergrooting.
Hoe betrekkelijk lang ook, ziet men echter, dat de opgaaf van
Leunis en anderen ten deze eenigermate overdreven is, volgens
welke ,, dit zuiger-apparaat zou zijn van de lengte van het ge-
heele ligchaam.’’ Spr. toont aan, dat deze lengte ongeveer slechts
de halve ligchaams-lengte bedraagt. Voor het overige komen
de setae-vormige mandibulae van /. penetrans in vorm groo-
telijks overeen met die van P. érrilans van den mensch.
Behalve dat zij langer zijn, komt het den Heer v. H. voor,
dat zij overlangs sterker geribd en fijner gezaagd zijn aan de
kanten, misschien eenigzins meer vijl- dan zaagvormig. Ook
kon hij van de bij de gewone vloo aanwezige labiaal-palpen,
tusschen welken de setae der gewone vloo zijn vervat, geen
spoor ontdekken. Meer specimina intusschen dan de hem ten
28
dienste staande zullen ten dezen opzigte moeten worden onder-
zocht en deze zijn hem dan ook door den Heer van Lier toe-
gezegd. Overigens hebben reeds Westwood en later ook Dugès
hunne aandacht gevestigd op ,,the obsolete structure of the
labium””; doch waarin, volgens hen, deze afwijking zou be-
staan, anders dan welligt in bovengenoemde opmerkingen , vindt
Spr. in de hem ten dienste staande Werken over het onder-
werp niet vermeld.
Er zijn dan ook trouwens meer belangwekkende bijzonder-
heden nog omtrent dit insekt nader uit te maken.
Vooreerst, of er werkelijk fwee soorten of variëteiten van
bij den mensch voorkomen, zoo als Ulloa, Goudot, Roberts
meenen , welke laatste meer bepaald eene witie en zwarte
zandvloo wil onderscheiden, terwijl onlangs door Heuser en
Claraz (,, Thierleben in Rio de Janeiro” in Petermann’s Mit-
VII, 1860) zelfs van dre soorten melding
wordt gemaakt. Insgelijks is het bij het voorkomen van dit
theilungen, n°.
insekt ook bij dieren mede nog eene vraag, of ook bij dezen
een dergelijk soortelijk verschil bestaat, als voor P. irritans
door Scholten, Dugès, Maitland en anderen is aangetoond.
In de tweede plaats, is nog nader na te gaan, of de som-
tijds belangrijke gevolgen eener zoo geringe locale aandoening,
misschien niet moeten worden afgeleid uit eenig irriterend,
secretie- of excretie-produkt , waardoor het overigens eerst on-
beduidende onderhuidsche wondje wordt geïnfecteerd? Er zijn
er die een zoodanig bijkomend chemisch moment vermoeden,
en het is a priori niet te ontkennen, dat in den aanvang on-
der de huid geloosde excrementitiéle stoffen het hare kunnen
toebrengen tot het verhoogen der ontsteking. Van den ande-
ren kant is het zeker, dat de snel toenemende uitzetting van
het diertje, op een plaatsje waar daartoe vooraf slechts eene
zoo kleine opening was geboord, de groote mechanische irrita-
tie, door spanning der omringende deelen, vrij geleidelijk ver-
klaart, afgezien nog van het mogelyke voortkruipen der larven.
Bene derde, en wel de meest wetenschappelijk gewigtige vraag,
29
geldt de verklaring der beschrevene exceptionele, diepere be-
leediging door verzwering en fistelvorming, enz. In den regel
beschouwde men deze, in praxi, als hoogst eenvoudig en dui-
delijk resultaat van het meer en meer voortwoekeren eener
ware ,,kolonie”’ der uit de oorspronkelijk voorhandene ovula voort-
gesproten zandvlooïjen in de zachte deelen. Men veronderstelde
daarbij alzoo stilzwijgend, dat de uit de rijpe eitjes voortge-
komen larven, dieper en dieper tusschen de spieren doorge-
drongen, daar verpoppen en na het uitkomen van het tweede
gebroed zandvlooïjen, deze welligt op hare beurt in het deel
voorttieren. Voor zoo verre zulks tot hiertoe is kunnen opge-
spoord worden, zou de wetenschappelijke observatie daarvan
het tegendeel geleerd en het waarschijnlijk hebben gemaakt,
dat de soms zoo zware gevolgen wel is waar kunnen voort-
vloeijen uit het verder kruipen der larven, doch zonder dat
een nieuw zandvlooijen-gebroed daaraan eenig verder aandeel
heeft. Immers verzekert Westwood, dat nog geen schrijver
over het onderwerp ooit de poppen der zandvloo in den voet
heeft gevonden of ergens anders in het ligchaam, evenmin als
onbevruchte wijfjes of mannelijke individuën. W. neemt wij-
ders met meer andere entomologen aan, dat de larven der
zandvloo slechts zoo lang in de mensch vertoeven, tot zij in
zooverre ontwikkeld zijn, dat zij ma het vormen van een
zweertje naar buiten getreden, in staat zijn om buiten het
ligchaam te verpoppen en hunne verdere metamorphose op den
grond, in het zand, of elders te ondergaan. In verband hier-
mede wil Pohl, dat zelfs de eïjeren der zandvloo ook zeer goed
in het zand zelf kunnen uitkomen, zonder vooraf in mensch
of dier te hebben vertoefd, zoo als ook a priori reeds mogt
worden verondersteld uit het zoo ontzettend groot aantal dezer
dieren in het gezegde klimaat. Geheel beslist echter is deze
vraag nog niet, en er schijnen nog nadere waarnemingen noo-
dig om met zekerheid vasttestellen, of de rijpe eijeren of lar-
ven inderdaad het ligchaam altijd weder verlaten, zoo als
Westwood meent, en zoo als hij dit bevestigd acht door het-
30
geen men bij meer andere insecta parasitica waarneemt; im-
mers wijst hij zelf op de opgaaf van Rodschild, ,, dat de lar-
ven nog in abdomine van het moederdier verpoppen,’’ doch
wederlegt de meening op den vreemden grond, dat daarvoor
geene genoegzame ruimte zou zijn (,,hence there is evidently
no sufficient space for the development of the pupa!”’) Ook
spreekt W. zich zelven eenigermate tegen, daar hij het ,,feit”’
der larven-voortwoekering in het ligchaam schijnt aan te ne-
men, en toch even te voren van de larven zegt: ,,no author
has noticed the discovery of larvae in the feet or elsewhere’’
(libr. cit. p. 495 and 494). Zoo als Spr. reeds vroeger ver-
meldde, meent hij in één zijner exemplaren althans de begin-
nende larven-ontwikkeling in abdomine van het moederdier te
hebben kunnen opmerken.
De Heer M. C. Verloren doet eenige mededeelingen omtrent
het verhandelde op de bijeenkomst van het Vijftiende Neder-
landsch Landhuishoudkundig Congres, in Junij jongstleden
ie Amersfoort gehouden, en op de vergadering van de British
Association for the Advancement of Science, kort daarop
tc Oxford bijeengekomen , welke Spreker beiden heeft bezocht ;
alsmede nog eenige andere Entomologische mededeelingen over
hetgeen hij in Engeland heeft gezien.
Wat het eerste betreft zegt hij, dat men zoo even heeft ver-
nomen, dat door onze vereeniging, op uitnoodiging van het
bestuur van het Congres, ter opneming onder de daar te behande-
len punten was voorgesteld eene vraag over het voorkomen hier
te lande van Athalia Spinarum als schadelijk insect, en het
mogelijke nadeel, door de larven van die bladwespen-soort aan de
knolgewassen veroorzaakt; doch dat tot hiertoe daaromtrent niets
naders was vernomen. Spreker zegt nu, dat die vraag onder
de te behandelen punten is opgenomen, maar dat het hem
leed doet niet te kunnen zeggen, wat daaromtrent is verhan-
deld geworden, dewijl hij bij de behandeling van dat punt
niet heeft kunnen tegenwoordig zijn, daar het onder de eerste
31
Afdeeling, den eigenlijken Landbouw behandelende, voorkwam,
terwijl hij in de tweede Afdeeling moest zijn, waaronder de
Bijenteelt behoorde, waarvoor hij meerdere punten ter behan-
deling had voorgesteld, en voor welk gedeelte men hem tot
Secretaris had benoemd; dat evenwel een afdruk van het Ver-
&
zal worden toegezonden, waaruit men dan zal kunnen verne-
slag over het verhandelde op het Congres aan de Vereeniging
men, wat omtrent dat punt zal zijn gebleken.
Betrekkelijk het verhandelde over de Bijenteelt verwijst hij
ook naar genoemd Verslag, daar het veel te lang zou duren,
om alles te vermelden, zoodat hij slechts de hoofdzaak daar-
omtrent wil aangeven. De gunstige ligging van de omstreken
van Amersfoort voor de bijenteelt heeft te weeg gebragt, dat
die plaats het middelpunt is van een dier oorden, waar de
bijenteelt op den uitgebreidsten voet wordt gedreven, zoodat
daar boeren zijn, die 300 tot 400 bijenkorven aanhouden, waar-
van zi) in gunstige jaren soms voor 1000 gulden en meer aan
honig en was verkoopen. Daar nu het Landhuishoudkundig
Congres in dit jaar te Amersfoort zou bijeenkomen , had het be-
stuur er zich op toegelegd, om ook de bijenteelt tot een hoofd-
onderwerp van behandeling te maken. De juistere kennis om-
trent de huishouding en inrigting der bijenmaatschappij, voor-
namelijk door de invoering der Dzierzonsche bijenkasten en
door de onderzoekingen van Dzierzon, von Berlepsch, von
Siebold, Leuckart, Donhoff en anderen in de laatste jaren in
Duitschland verkregen, en de dien ten gevolge geheel gewij-
zigde en voordeeligere bijenteelt volgens de Dzierzonsche
methode, bragten er ook toe bij om van de bijenteelt op dit
Congres meer werk te maken, dan vroeger plagt te geschieden.
Zoo zijn er dus een tiental punten, op bijenteelt betrekking
hebbende, onder de te behandelen onderwerpen opgenomen
geworden , terwijl tevens voor de, bij deze gelegenheid te hou-
den tentoonstelling, door het Utrechtsch Genootschap voor
Landbouw en Kruidkunde, eenige prijzen voor bijenkorven wer-
den uitgeloofd, Deze prijzen en te behandelen punten hadden,
32
natuurlijk vooral betrekking op de Dzierzonsche wijze van
bijenteelt en hare invoering hier te lande. De uitkomst nu is
voor beide zeer voldoende geweest, zoowel wegens de inzen-
ding op de tentoonstelling van goede bijenkasten volgens het
Dzierzonsche stelsel, als wegens de goede en ijverige behan-
deling der voorgestelde punten op de vergaderingen van het
Congres. De leden zullen zich herinneren, dat ten vorige
jare op onze algemeene vergadering door den Heer Maitland
dit punt ook ter sprake is gebragt, voornamelijk naar aanlei-
ding, dat de Heer Dirks te Middelburg zich reeds gedurende
eenige jaren met deze Dzierzonsche wijze van bijenteelt had
bezig gehouden en nu, met medewerking van eenig genoot-
schap of van landeigenaars, deze wijze van bijenteelt meer
wenschte te verspreiden en door het oprigten van een model-
bijenstal bevorderlijk te zijn. Spreker had toen nog niet het
genoegen den Heer Dirks te kennen, maar heeft nu in dien
Heer iemand leeren kennen, die geheel op de hoogte dezer
zaak is, en volkomen bevoegd en geschikt, om haar bevorder-
lijk te zijn, waartoe niets dienstiger kan zijn, dan haar wer-
kelijk in praktijk te brengen en het voorbeeld te geven, gelijk
door den Heer Dirks is gedaan. Die Heer heeft nu Middelburg
verlaten en zich te Lunteren, in de buurt van Amersfoort,
nedergezet, opzettelijk met het doel, om daar de bijenteelt
meer in het groot te kunnen drijven.
Ofschoon de vergadering ten vorigen jare te regt heeft ge-
meend, dat onze Vereeniging zich niet kon inlaten met het
praktische gedeelte der bijenteelt, zoo meent Spreker evenwel,
dat, uit een wetenschappelijk oogpunt, de levenswijze, huis-
houding en inrigting der bijen-maatschappij ten hoogste hare
belangstelling verdient Daar nu de Dzterzonsche methode
voornamelijk. en bijna alleen geschikt is, om een juist inzigt
en wel gemakkelijk en snel daaromtrent te verkrijgen, zoo zal
het de leden, die daarin belang mogten stellen, aangenaam
moeten zijn te vernemen, dat zij nu te Lunteren bij den Heer
Dirks: daartoe de uitmuntendste gelegenheid hebben. Het is
33
voornamelijk om deze reden, dat Spreker hier van het Congres
te Amersfoort heeft willen gewagen.
Nog over een punt wil Spreker iets zeggen. Met betrek-
king tot de Italiaansche bijen, de Apis ligustica van Spinola,
hebben een paar Groningsche bijenhouders gezegd, dat men
bij hen korven had met gele bijen, geheel gelijk aan de Ita-
liaansche bijen, welke Spreker hen ten dien einde vertoonde ;
dat die bijen niet vermengd onder de gewonen voorkwamen,
maar afzonderlijke stokken vormden, die hooger gewaardeerd
en duurder betaald werden, dan de gewone, omdat zij ijveri-
ger werkten en zachtzinniger van aard waren. Dit stemt alles
volkomen overeen met hetgeen men van de Italiaansche bijen
beweert, zoodat Spreker het hoogst merkwaardig zou vinden ,
indien deze varieteit van de gewone bij oorspronkelijk in ons
land zou aanwezig zijn. Hij heeft daarom aan die landbou-
wers verzocht hem eenigen van die bijen, hetzij levend of dood
te willen overzenden, ten einde ze met de Italiaansche bijen
te kunnen vergelijken; maar heeft tot nog toe daaromtrent
niets naders vernomen. Daar hunne namen hem onbekend
zijn, zoo wil hij de aandacht van de Groningsche leden onzer
Vereeniging op dit punt vestigen, en zal het hem hoogst
aangenaam zijn, indien zij hieromtrent eenige inlichting kon-
den verschaffen.
Prof. Cl. Mulder zegt, dat hem daaromtrent niets bekend is
en hij er te Groningen nimmer iets van heeft vernomen , maar
dat het dan waarschijnlijk zal zijn naar de zijde van Drenthe
heen, dewijl in de eigenlijke provincie Groningen de bijenteelt
weinig wordt gedreven. Gaarne zal hij evenwel trachten daar-
omtrent iets naders te weten te komen.
Prof. van der Hoeven vraagt of de Heer Dirks ook waarne-
mingen heeft gedaan ter nadere bevestiging van het zonderlinge
verschijnsel van de parthenogenesis bij de bijen, volgens het-
welk de mannelijke bijen uit onbevruchte eijeren , de koninginnen
en werkbijen daarentegen uit bevruchte eijeren zouden voort-
komen.
34
De Heer Verloren gelooft, dat hij daaromtrent geene be-
paalde onderzoekingen heeft in het werk gesteld, maar wel
die zaak voor waar houdt. Spreker meent ook, dat de onder-
zoekingen van Dzierzon, von Siebold, Leuckart en anderen de
werkelijkheid daarvan voldoende hebben bewezen, zoodat er
bezwaarlijk meer twijfel over kan bestaan.
Prof. van der Hoeven is ook wel van dit gevoelen, maar
meent toch, dat een zoo merkwaardig en geheel op zich zelf
staand feit wel waard is door herhaalde onderzoekingen} te
worden bevestigd, hetgeen de Heer Verloren gaarne toestemt.
Omtrent de Vergadering van de British Association for
the Advancement of Sciences te Oxford, zegt de Heer Ver-
loren, dat daar niet vele zuiver Entomologische voordragten
zijn gehouden, maar toch eenigen. Van eene dezer wil hi]
hier voornamelijk eenige melding maken, omdat zij een zeer
merkwaardig feit betreft, waarvan tot hiertoe geene voorbeel-
den bekend waren. De Heer Westwood heeft namelijk de
gedaanteverwisseling beschreven en vertoont van eene parasiti-
sche vlindersoort, aan welke hi den naam heeft gegeven van
Epipyrops anomala. Men weet, dat het parasitismus in
eenige orden der Insecten zeer menigvuldig voorkomt, in ande-
ren daarentegen zeer zeldzaam of in het geheel niet bekend
is. Onder de Lepidoptera was daarvan tot hiertoe geen voor-
beeld bekend. Wel zijn er onder de Z'ineidae eenigen, die
van doode en verdroogde dierlijke stoffen leven , maar eigen-
lijk parasitische, op en van levende dieren zich voedende,
waren er niet bekend. De rupsen nu van Zpipyrops ano-
mala leven op Fulgora candelaria en wel, naar het schijnt,
voornamelijk in de vlokkig wasachtige uitscheiding, welke door
het achterlijf dezer insecten wordt afgezonderd. De rups heeft
eenen vreemden vorm. Oppervlakkig beschouwd zou men haar
voor eene Dipteren-larve kunnen aanzien, van de familie der
Oestridae; maar een naauwkeuriger onderzoek leert haar als
eene werkelijke vlinder-larve kennen. De vlinder, waarvan de
Heer Westwood slechts een slecht exemplaar bezat, had veel
39
van eenen mannelijken Psyche-vlinder en ook ongeveer de
grootte van de grootste soorten van dat geslacht.
Behalve deze voordragt zijn, van Nntomologischen aard, in
de Sectie voor Zoologie en Botanie nog de volsende gehouden :
Door den Heer Westwood over een Insect, hetgeen tot hiertoe
beurtelings in drie verschillende orden is geplaatst geworden,
en nu, doordien de Heer Westwood er de gedaanteverwisseling
van heeft waargenomen, door hem voor goed als een Zepi-
dopteron werd beschreven. Den naam van het Insect kan
Spreker niet opgeven, maar het behoort tot die vlindersoorten ,
welke in vorm veel overeenkomst hebben met de PAryganeidae.
Door den Heer Stainton werd eene voordragt gehouden over
eenige vreemde vormen van rupsen bij de Microlepidoptera ;
door den Heer Hogan over de Britsche blinde Crustaceen
uit welputten ; door den Heer Westwood nog eene over Mum-
mie-torren, en eindelijk is door Spreker eene mededeeling
gegeven van zijne onderzoekingen op Sphynx Ligustri gedaan,
welke hij vroeger op eenige vergaderingen onzer Vereeniging
heeft behandeld en waarvan in de Zransactions of the Ento-
mological Society een uittreksel zal worden geplaatst.
In het British Museum heeft Spreker slechts weinige oogen-
blikken voor de Entomologische verzameling kunnen besteden.
Hij trof daar den Heer Smith aan, die zich voornamelijk met
de Hymenoptera bezig houdt, waarom hij op diens vraag,
welk gedeelte der verzameling hij het liefst wenschte te zien,
die Orde verkoos. Behalve de Leidsche kent Spreker weinige
groote verzamelingen dezer Orde, zoodat hij geene vergelijking
kan maken, maar zeker is die van het British Museum zeer
fraai en uitgebreid, ongetwijfeld veel rijker dan de Leidsche.
Onder hetgeen hem daar meer bijzonder belangrijk voorkwam,
was eene bij van Borneo, die door de inboorlingen gedomesti-
ceerd is en in korven wordt gehouden, even als bij ons. Die
bij droeg, naar hij meent, den naam van Apts fusca. De
vorm verschilt zeer van onze bijen, het achterlijf is veel lang-
werpiger, eenigzins van den vorm, als bij de koninginne van
3 *
36
onze Apis mellifica; er zijn echter meerdere soorten, die
dezen langwerpigen vorm hebben. Vervolgens was zeer merk-
waardig eene bij, meer tot de Zndrenidae behoorende, met
dubbel gepectineerde antennen, welke de Heer Smith voor
de zeldzaamste der verzameling hield, en nog twee andere
Hymenoptera eveneens met gepectineerde sprieten, tot de
Ichneumoniden behoorende. Daar men gewoon is bij deze
Hymenoptera steeds enkelvoudige antennen te zien, zoo
scheen deze zeldzame afwijking aan Spreker hoogst opmerke-
lijk toe.
Met veel genoegen heeft Spreker ook kennis gemaakt met
den Heer Moore, die het opzigt heeft over de Zoologische Ver-
zameling van het Kast. India House. Deze Heer had juist
voor onze Vereeniging een exemplaar gereed liggen van het
tweede deel van de Catalogue of the Lepidopterous Insects
in the Museum of the Hon. Hast-India Company, by
Thomas Horsfield and Frederic Moore, welk uitmuntend werk
voor ons zoo belangrijk is wegens de menigvuldige waarnemin-
gen en afbeeldingen van de gedaanteverwisseling van vlinder-
soorten onzer Oost-Indische bezittingen, door Horsfield gedaan
en daarin opgenomen. Indien zoodanige onderzoekingen door
onze eigene natie niet meer worden bevorderd en ondersteund,
is het althans een gelukkig verschijnsel, dat zij door vreemde-
lingen worden gedaan. In Londen kan men ook eene menigte
voorwerpen zien, door den Engelschen natuuronderzoeker Wal-
lace in de laatste jaren in onze Oost-Indische bezittingen ver-
zameld. De Heer Moore had in de laatste jaren ook eenige
der zijde-voortbrengende vlinder-soorten aangekweekt, voorna-
melijk Attacus Ricini Boisd. en Actias Selene Mac Leay, van
welke Spreker ook eenige cocons en eijeren ten geschenke ont-
ving, omtrent welke hij evenwel reeds aanstonds zijn vermoeden te
kennen gaf, dat zij wel niet zonden uitkomen, zooals ook het
geval schijnt te zijn. De Heer Moore heeft eene verhandeling
geschreven over de zijde-voortbrengende vlinder-soorten in In-
die en China, van welke hij omstreeks een twintigtal heeft
37
doen kennen.- Van sommigen dezer soorten zijn de vlinders in
Europa zelfs nog geheel onbekend.
Bij den Heer Hewitson op Oatlands Park bij Walton,
omstreeks 5 uur van Londen, heeft Spreker ook nog een dag
doorgebragt. Deze Heer heeft de fraaiste en uitgebreidste ver-
zameling van Dagvlinders, welke er bestaat, bevattende 3358
soorten in 9146 exemplaren. De verzameling van Boisduval
te Parijs, die tot hiertoe voor de rijkste werd gehouden, bevat
slechts 2890 soorten van Dagvlinders. Eenige zeer merkwaar-
dige varieteiten of hermaphrodieten trokken zeer Sprekers aan-
dacht in deze verzameling. Vooreerst eene Pieris Pyrrha
met een rester ondervleugel als van Pieris Pamela van Cra-
mer. Door Godart is P. Pamela reeds aangegeven als 9 van
P. Pyrrha, zoodat men in dit exemplaar een sprekend bewijs
heeft voor de juistheid dezer bewering, des te merkwaardiger ,
omdat deze twee vlinder-soorten zoo aanmerkelijk in kleur en
teekening van elkander verschillen. Daar Pyrrha zeer licht
en Pamela zeer donker gekleurd is, heeft dit exemplaar, met
één donkeren ondervleugel, een zeer vreemd voorkomen. Men
zou kunnen vermoeden, dat die ondervleugel er aangezet
ware, maar de bovenrand is nog gedeeltelijk licht gekleurd ,
als bij Pyrrha. Overigens zijn geene teekenen van herma-
phroditisme merkbaar, zoodat het twijfelachtig is, of men het
werkelijk als een hermaphrodiet of als eene varieteit moet be-
schouwen. In het eerste geval is het merkwaardig , dat niet,
als gewoonlijk, eene helft mannelijk en de andere vrouwelijk
is, maar alleen het grootste gedeelte van de regter ondervleugel
vrouwelijk en overigens de geheele vlinder mannelijk.
Eene andere, soortgelijke varieteit, was een Colas (Calli-
dryas) Trite, welke anders bijna geheel gele vlinder, een
donker gekleurde regter bovenvleugel had, met eene gele vlek
aan het schoudergedeelte; de regter ondervleugel was donker
gekleurd met gele streepen, de onderzijde van al de vleugels
was geel met donkere streepen en het achterlijf geel aan de
linker- en zwart aan de regterzijde.
38
Eene derde hermaphroditische varieteit was van Satyrus
Itys, des te merkwaardiger, omdat het verschil hier niet al-
leen bestaat in de kleur en teekening, maar ook in den vorm
der ondervleugels. Bij de wijfjes steken namelijk de onder-
vleugels buiten de bovenvleugels uit. De varieteit nu had de
regter ondervleugel overstekende en geel gevlekt, en de regter
bovenvleugel met ééne gele vlek.
De Heer Hewitson, als ook de Heer Smith in het British
Museum, vertoonden nog aan Spreker, als eene groote zeld-
zaamheid, eenige exemplaren van Ornithoptera Brookıana,
Wallace, welke vlinders door Wallace van Sumatra waren
overgezonden, door hem aldus genoemd, en beschreven en af-
gebeeld geworden in Zllustrations of new Species of Exotic
Butterflies, selected chiefly from the Collections of W.
Saunders and W. C. Hewitson. By W. C. Hewitson. Zon-
don, John van Voorst, Vol. I. 1856. Dit is dezelfde vlinder,
welke onlangs door onzen Voorzitter in ons Tijdschrift is be-
schreven en afgebeeld onder den naam van Papilio Trogon,
v. Voll.
Omtrent het domesticeren van bijen door de Dajakkers op
Borneo, zegt de Heer van Hasselt, dat men daaraan naauwe-
lijks dien naam kan geven. Wel wordt door hen veel honig
uit de bosschen verzameld, zoo tot huiselijk gebruik, als voor-
namelijk, in verband met de inzameling van was, tot het drij-
ven van eenen veel winst gevenden handel daarmede ; maar zij
verkrijgen die uit de zoogenaamde honig-boomen of fangirangs.
In de reusachtige stammen dezer boomen, die zich soms tot
honderd en meer voeten kunnen verheffen, maken de wilde
bijen bij voorkeur hunne nesten of zdans, soms, naar men
zeot, in gunstige jaren ten getale van 100 of 200 stuks. Iedere
stam heeft zijne eigene honig-boomen en het regt van eigen-
dom wordt daarop streng gehandhaafd. In westelijk Borneo even-
wel plaatsen zij toch ook eene ruw bewerkte soort van houten
bijen-korven in die boomen, om het nederzetten der bijen-
39
zwermen door geschiktere woningen bevorderlijk te zijn !).
De Heer H. W. de Graaf deelt mede, dat hij voor het ver-
slag de volgende aanteekeningen heeft bijeenverzameld :
Ik kan bij deze gelegenheid even als ten vorigen jare weder
eenige soorten van Macrolepidoptera opgeven, die hier te lande
gevangen zijn en nog niet als tot onze fauna behoorende waren
opgegeven. Daaronder komen eenige Leucaniden voor, eene
familie, die in ons waterrijk land, waar de voedingsplanten der
rupsen in menigte wassen, eigenaardig te huis behoort en dan
ook talrijk vertegenwoordigd wordt. Verder zijn het grooten-
deels Geometrae en wel voornamelijk Eupithecien , die hier ver-
meld worden. De soorten van dit geslacht zijn in den regel
moejjelijk te bestemmen. Die welke ik optel, zijn, naar ik
vertrouw , met juistheid gedetermineerd. Andere mij bekende,
maar nog dubieuse soorten , hield ik tot nader onderzoek terug.
Ik volg de orde van Boisduval’s Index.
Arge Galathea L. — Tweemaal door den Heer J. Bac-
ker Sr. in de werken om Nijmegen gevangen; eens in Junij
1859.
Bryophila Algae Fab. — Herr. Sch. II p. 186. — Guen.
V. 27. — Heinemann, Die Schmetterl. Deutschl. etc. p. 307. —
Spoliatricula Tr. V. 1. 64. — Freyer N. Beitr. II. pl. 179
fig. 4. De Heer de Roo van Westmaas ving eenige jaren ge-
leden een exemplaar te Scheveningen en een tweeden in Julij
van dit jaar te Rosendaal in Gelderland, tegen rasterwerk.
Apamea (Lampetia) arcuosa Haw. — Wood fig. 433 (een
bijna ongeteekend d). — Heinem. p. 435. — Duponchelii
Bdv. sec. Guen. — Herr. Sch. fig. 178, 179. — Guen. V.
218. — Airae Freyer N. Beitr. II. pl. 162 fig. 1—3.
Espèce rare volgens Guenée. Zeer goed afgebeeld door
1) Meerdere bijzonderheden hieromtrent kan men vinden in Studiën over
Borneo en de Dajak’s of zoogenaamde ,, Koppen-snellers” van dit eiland ;
door A. W. M. van Hasselt, Album der Natuur. 1860.
40
Freyer. Ik bezit alleen mannetjes, waarvan wij eenige gevan-
gen hebben, die in Julij tegen ’t vallen van den avond langs
den Zijldijk vlogen, bij Leiden.
Chersotis (Agrotis) Ericae Bdv. Ind. 77. — Velum HS.
II. p. 346 fig. 30. — Molottina Guen. V. 294.
De Heer P. C T. Snellen ving een voorwerp te Vegchel in
Noord-Brabant en te Zwolle in Overijssel, beiden in Junij.
Hadena adusta Esp. — Hb. 606, 607 en 608. — Treits,
Vi he389) en Kot 46:
In de collectie van den Heer Snellen heb ik een voorwerp
gezien, dat door den Heer Brak, volgens diens opgave, te
Zeist, Prov. Utrecht, in Junij gevangen is.
Aplecta occulta L. — Hb. 79. — Tr. V. 2. 52. — Vol-
gens mededeeling van den Heer van Medenbach de Rooy heeft
deze in Julij twee exemplaren dezer soort gevangen bij Nijkerk,
in Gelderland, waarvan een in de collectie van den Heer Snel-
len berust.
Leucania littoralis Curtis Brit. Ent. pl. 157, — Bdv. Ind.
n°. 1052. — Guen. V. 85.
Heinemann heeft deze soort niet opgenomen in zijne Schmet-
terlinge Deutschlands und der Schweiz. Guenée geeft als
vindplaats op: ,, les côtes d'Angleterre” en voegt er bij ,, que M.
de Graslin a trouvé dans l’ouest de la France une Lencanie qui
pourrait bien être celle-ci, s’il faut en juger par une descrip-
tion abrégée qu’il en a faite à M. Pierret.”” In de Annales de
la Soc. Entom. de la Belgique komt Z. littoralis ook voor
als een bewoner van Belgie. De soort schijnt echter weinig
te worden gevonden. Voor ons land kan ik alleen wijzen op
een d voorwerp, dat ik, reeds eenige jaren geleden, in de
Katwijksche duinen gevangen heb en dat ik langen tijd niet
kon bestemmen , doch na Curtis en Guenée te hebben geraad-
pleegd tot bovengenoemde soort meen te moeten brengen. Even-
wel wil ik niet onvermeld laten, dat mijn exemplaar ,, est d’un
2%
gris-ochracé pâle”? zoo als Guenée opgeeft en dus veel lichter
van kleur dan de afbeelding van Curtis, op welke de grond der
41
bovenvleugels nog donkerder dan bij 4. comma gekleurd is.
Intusschen komt mijn voorwerp volkomen met de beschrijving
van Guenée overeen.
Leucania (Tapinostola) Eiymi Tr. V. 1. 294. — Bdv. n°.
1072. — Herr. Sch. II. p. 229 fig. 346. — Heinem. p.
414.
Guenée teekent aan: ,,très-rare. Je ne l’ai pas vue en nature.”
Intusschen laten de aangehaalde werken geen twijfel of tot deze
soort behooren een {, dat door den Heer de Roo van West-
maas te Scheveningen en een d', dat door mij in Julij in de
Katwijksche duinen gevangen is.
Nonagria (Tapinostola) fluxa Treits. V. 2. 313. — Hein.
p. 413. — Fulva Freyer N. Beitr. tab. 501 fig. 1. — Guen.
Wiep: 102.
Een 2, wier bovenvleugels zijn d’un gris-jaunätre (Guenée),
is door den Heer Mr. J. W. Albarda in Friesland gevangen
onder Tietjerk, alwaar het den 5°" September 1859 boven een
rietveld tusschen rietstoppels fladderde. De Heer Brak geeft
op, dat hij dezelfde soort drie jaren geleden gevangen heeft op
de hofstede Frankendaal bij Amsterdam. Van beide individu’s
is mij eene naauwkeurige teekening overgezonden. — De on-
dervleugels van Freyer’s figuur zijn wit, volgens Treitschke zijn
zij „„ascherau, heller gegen die Wurzel.’’ Op de beide teekenin-
sen, die ik voor oogen heb, zijn ze bovendien langs de franje-
rand lichter.
Eupithecia irriguata Hb. 397. — Herr. Sch. II. p. 123,
137. — Hein. p. 796.
Zuid-Holland: Noordwijk (d. G.). Gelderland: Velp in Mei
op heide (d. R. v. W.).
Eup. pusillata W. V. — Hb. 378. — Tr. VI. 2.119. —
Herr. Sch. IH. p. 122, 136 fig. 158, 159. — Hein. p. 800. —
Guen. X. 328. — Subumbrata Hb. 233.
Zuid-Holl.: jaarlijks op Leeuwenhorst onder Noordwijkerhout
in Mei uit Pinus abies geklopt, om welken ze tegen het
vallen van den avond rondvlogen te gelijk met Coccyx comt-
42
tana. Gelderland: Velp, algemeen bij dennen in April en
Mei (d. R. v. W.).
Eup. vulgata Haw. — Guen. X. 338. — Austerata Tr.
VI. 2. 107. — Herr. Sch. III. p.119, 129 fig. 138—140. —
Hein. p. 807.
Zuid-Holl.: Noordwijk in Mei niet zeldzaam tegen schuren
eu houten schuttingen (d. G.), Rotterdam (Snellen). Gelder-
land: Velp (d. R. v. W.) en Nijkerk in Julij (Snellen).
Eup. indigata Hb. 399. — Herr. Sch. III p. 121, 133
fig. 183—186. — Hein. p. 796. — Guen. X. p. 332.
Gelderland: Velp bij dennenhout in Mei (d. R. v. W.).
Utrecht: Zeist (d. G.)
Eup. togata Hb. 464. — Herr. Sch. III. p. 124, 140. —
Hein. p. 818. — Guen. X. 350.
Gelderland: Velp, een exemplaar op 2 Junij (d. R. v. W.).
Eup. strobilata Hb. 449, 450. — Tr. VI. 2. 110. —
Herr. Sch. III. p. 124, 139. — Hein. p. 818. — Residuata
Tr. VI. 2. 105. — Hb. 467.
Gelderland: Velp in Mei (d. R. v. W.).
Eup. plumbeolata Haw. — Guen. X. 517. — Begran-
daria Bdv. Ind. 1727. — Herr. Sch. III. p. 122, 155, fig.
128, 129. — Hein. p. 814. — /alerianata Tr. VI, 2. 105
sec. Hein.
Zuid-Holl.: Noordwijk in Junij (d. G.). Gelderland: Velp
in Mei (d. R. v. W.) en Oosterbeek (Backer).
Eup. Guinardaria Herr. Sch. II. p. 119, 126, fig.
275. — Hein. p. 798.
Holland: Wassenaar, Noordwijk en Zandpoort bij Haarlem,
tegen rasters in Mei en Junij (d. G.), Rotterdam (Snellen).
De voorwerpen onder dezen naam opgegeven komen overeen
met hetgeen men daaromtrent bij de bovenaangehaalde Duit-
sche schrijvers kan vinden; maar niet met de Gutnardaria
der Franschen. Cf. Guen. X. 520.
Cidaria firmaria Hb. 515. — Tr. X. 2. 198. — Herr.
Sch. III. p. 171, fig. 237, 239. — Hein. p. 754.
43
Gelderland: Velp in Augustus onder dennen (d. R. v. W.).
Ephyra ruficiliaria Merr. Sch. V. p. 155. — Hein. p. 710.
Gelderland: Velp in ’t laatst van Julij een exemplaar (d. R.
vw Ma
Acidalia decorata W. V.— Tr. VI. 2. 285. — Hb. 71. —
Hein. p. 718. — Guen. IX. 458.
Gelderland: Velp op heide in de eerste helft van Juli
(d. R. v. W.).
Acidalia incanata Hb. 106. — Tr. VI. 2. 181. — Guen.
IX. 476. — Hein. p. 722. — Virgulata Hb. 104. — Lae-
vigaria Sepp VI. 14. — Bouwst. II. p. 201, n°. 5522.
De localiteit in de Bouwstoffen voor eene fauna van Ne-
derland t. a. p. vermeld, aantevullen met die welke aldaar
zijn opgegeven onder n°. 555.
Acid. promutata Guen. IX. 491. — Immutata Hb. 108. —
Tr. VI. 2. 278. — Herr. Sch. III. p. 24, fig. 101. — Bouwst.
II. p. 202, n°. 555.
Met weglating der localiteiten in de Bouwstoffen t. a. p. op-
gegeven, stelle men daarvoor in de plaats:
Zuid-Holland: Rotterdam, een exemplaar in Julij (Snellen).
Gelderland: Velp in Julij een exemplaar (d. R. v. W.).
Acidalia inornata Haw. — Guen. IX. 512. De door hem
als ras B vermelde Suffusata Tr. VI. 2. 272. — Herr. Sch.
HI. p. 17, fig. 309. — Hein. p. 723. — Deversata Herr.
Sch. III. p. 17, fig. 505—508. — Hein. p. 725. — Bouwst.
I. p. 55 n°. 567. — Aversata, var. striga externa sub
costam sine angulo.
Zuid-Holland: Noordwijk in Julij, exemplaren gelijkende op
Herr. Sch.’s fig. 308 (d. G.); ook in Gelderland: te Velp; en
een ex. volkomen overeenstemmende met Herr. Sch.’s fig. 509,
aldaar in Juli (d. R. v. W.) Friesland: Mr. J. H. Alberda
ving op 2 Aug. een suffusata ? onder verscheidene cid.
aversata. Uit de gelegde eijeren kwamen 9 Aug. de ruspjes
te voorschijn, die veel overeenkomst hadden met die van Aver-
sata en even als dezen overwinterden. Zij waren volwassen in
44
’t eind van Mei, verpopten tusschen enkele draden boven de
aarde van 1—6 Junij en de vlinders verschenen van 15—24
Junij. Uit eijeren gelegd op 18 en 19 Junij, kwamen de
jonge rupsjes den 26% voor den dag en overwinterden. Zij
werden gevoed met muur (Alsine media) doch stierven , zoodat
de Heer Albarda zijn voornemen om de metamorphose: voor het
werk van Sepp te bewerken, niet heeft kunnen volvoeren, te
meer jammer, omdat omtrent de hier bedoelde vlinders nader
onderzoek nog zeer wenschelijk blijft.
Siona griseata W. V. — Hb. 216. — Tr. VI. 2. 253. —
Hein. p. 736.
In het vorige jaar ontving ik van den Heer J. Backer Sr. een
exemplaar ter bestemming, dat volgens zijne opgave in July
1859 te Nijmegen gevangen Is.
De Heer Snellen van Vollenhoven zeide ongeveer het vol-
gende:
Waarschijnlijk zal men zich herinneren dat ik in den on-
langs voltooiden jaargang van ons tijdschrift de levenswijze be-
schreven heb van de zeer schadelijke bladwesp Athalia Spi-
narum. Ik deelde toen mede dat men in Engeland gemeend
had, dat dit insect in groote zwermen van het vasteland van
Europa over zee aan kwam vliegen, en dat er zelfs getuigenis-
sen waren opgeteekend van personen, staande ter goeder naam
en faam, die verzekerden gezien te hebben dat de bladwespen
uit zee kwamen overvliegen en in zoo groote hoeveelheid op
de rotsen lagen, dat men haar met schoppen kon opscheppen.
Ik voegde er toen bij dat het toch wel niet waarschijnlijk was,
dat zij uit ons vaderland zouden overkomen, daar zij in onze
westelijke provincien niet in zulke verbazende hoeveelheden zijn
waargenomen en men haar alleen als schadelijk kent in de oos-
telijke streken van Nederland. Mijne zienswijze omtrent dat
punt is sedert evenwel gewijzigd, ten gevolge van eene mede-
deeling van ons geacht medelid, den Heer Dr. J. Wttewaall.
Deze verklaarde mij namelijk dat hem in dit voorjaar gedu-
45
rende eenen togt door Noord-Holland was gebleken, dat de ge-
noemde bladwesp daar somtijds ten uiterste nadeelig is voor de
aldaar gekweekt wordende witte mosterd, op welke plant zij in
schromelijke hoeveelheden voorkomt. Hieruit meen ik te moe-
ten afleiden dat het toch zeer mogelijk is, dat de Engelsche
berigten omtrent het overvliegen van de Æ/halia Spinarum
uit Nederland naar Engeland waarheid behelzen.
Ten tweede kan ik den Leden mededeelen dat ik nog voort-
durend mi bevlijtig om te komen achter de ware kennis der
verschillende Cimbex-larven en van hare levenswijs. Het on-
derzoek daarvan heeft evenwel eigenaardige bezwaren, welke
ook voornamelijk gelegen zijn in den langen duur der verpop-
ping. Alligt toch Jaat men de cocons in eene temperatuur-
verhouding, die of te droog of te vochtig is, tengevolge waar-
van de insecten of verdroogen of beschimmelen. De resultaten
van mijn onderzoek zijn nog niet zoodanig, dat ik iets met vol-
komene zekerheid zou kunnen vaststellen ; ik meen evenwel nu
reeds geregtigd te zijn tot het mededeelen van de verklaring ,
dat Cimbex Vilellinae L. (volgens Klug varieteit van Cimbex
Lucorum F.) eene werkelijk op zich zelve staande en goed afge-
scheiden soort is; dat Klug verkeerdelijk onder den naam van
Variabilis eenige na verwante doch zeer standvastige soorten
heeft bijeengevoegd, welke naar teekening der larve en naar
het voedsel onderscheiden zijn; en eindelijk dat ik meen te
bezitten de larve van Cimbex axillaris Jur. , welke soort ove-
rigens in ons vaderland nog niet zou zijn waargenomen. Mij
is namelijk door den Heer Wttewaall eerst op spiritus, daarna
op aanzoek ook door den Heer de Roo v. W. levend toege-
zonden eene zeer fraaije Cimbex-larve, wit met oranje en
zwarte teekening, welke in Gelderland op de meidoornheester
leeft. Ik heb haar bovendien dezen zomer zelf aldaar aange-
troffen. Mijne veronderstelling dat deze larve de wesp van
Cimbex axillaris zal opleveren is nu gebaseerd op de omstan-
digheid dat ik eene teekening bezit, waarop behalve een paar
Oost-Indische Scutelleriden, twee zulke larven, een ruw cocon
46
en de wesp van C. axillaris zijn afgebeeld. Gemelde teeke-
ning is mij met een paar andere van dezelfde hand geschonken
door mijn’ collega Dr. J. A. Herklots, die haar bij gelegenheid
der auctie van de boeken en platen van Prof. Reinwardt met
andere papieren had aangekocht.
Eindelijk wenschte ik den Heeren medetedeelen dat gedurende
dit afgeloopen voorjaar bij mij uit de pop zijn voortgekomen
twee voorwerpen van Sesta formicaeformis Lasp. De poppen
waren in het mulm van wilgenstronken tusschen weerdenhout
gevonden.
En hiermede werden de wetenschappelijke mededeelingen en
tevens de vergadering gesloten, Den volgenden dag maakten
eenige leden eene entomologische excursie in de Wassenaarsche
duinen. Het regenachtige en winderige weder was echter voor
eene goede vangst zeer ongunstig, en het is derhalve te ver-
wachten dat deze excursie weinig vruchten zal hebben opgele-
verd voor de kennis onzer inlandsche dieren.
Rotterdam, H. W. DE GRAAF.
September 1860.
LIST DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
op 50 July 1860,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING.
EErRE Lip.
De Heer C. F. Westerman. Directeur van het Koninklijk Zoo-
logisch Genootschap Natura Artis Magistra, te Amster-
dam. 1858. |
BEGUNSTIGER.
De Heer Mr. C. W. Hubrecht, te Zeiden. 1859.
CORRESPONDERENDE LEDEN.
De Heer Th. Lacordaire, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te
Luik. 1855.
» » €. Wesmael, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te
Brussel. 1855.
» » Arn. Forster, Hoofdleeraar aan de hoogere Burger-
school, te Aken. 1855.
» » Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
48
GEWONE LEDEN.
1845—46.
De Heer Dr. J. G. H. Rombouts, te Amsterdam.
»
»
»
»
»
»
»
F. M. van der Wulp, te ’s Gravenhage.
Dr. M. C. Verloren, te Utrecht.
J. Backer Sr., te Oosterbeek.
J. W. Lodeesen, te Amsterdam.
Dr. V. H. Huurkamp van der Vinne, te Haarlem.
Dr. J. R. E. van Laer, te Utrecht.
Th. J. van Campen, te Amsterdam.
Dr. P. H. J. Wellenberoh, te Utrecht.
Mr. H. Verloren, te Amersfoort.
A. J. van Eyndhoven, te Zuiphen.
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, te Zeiden.
W. 0. Kerkhoven, te Amsterdam.
1846—47.
Jhr. J. C. Martens, te Utrecht.
Prof. J. van der Hoeven, te Zezden.
1847—48.
Q. Willemsen, te Zutphen.
1849—50.
J. J. van Voorst, te Amsterdam.
1851-—52.
R. T. Maitland, te Amsterdam.
P. C. T. Snellen, te Rotterdam.
Dr. J. A. Herklots, te Zezden.
Dr. M. Imans, te Utrecht.
B. A. J. van Geuns, te Utrecht.
1852—53.
De Heer G. M. de Graaf, te Leiden.
»
»
Mr. H. W. de Graaf, te Rotterdam.
N. H. de Graaf, te Zeiden.
Dr. L. A. J. Burgersdijk, te Breda.
J. W. van Lamberge, te Brussel.
G. A. Six, te Utrecht.
Dr. W. Berlin, te Amsterdam.
1853—54.
Prof. Cl. Mulder, te Groningen.
Mr. J. P. van Wickevoort Crommelin, te
poort, bij Haarlem.
1854—55.
Corn. Sepp, te Amsterdam.
C. de Gavere, te Groningen.
1855—56.
A. A. van Bemmelen, te Zeiden.
Mr. E. A. de Roo van Westmaas, te Velp.
M. Breukelman , te Rotterdam.
Dr. C. G. R. Ontijd, bij Brummen.
1856—57.
Mr. J. H. Albarda, te Leeuwarden.
Mr. W. Albarda, te Groningen.
A. P. H. Kuipers, te Leeuwarden.
Dr. A. W. M. van Hasselt, te Utrecht.
1857—58.
Dr. J. Witewaall, te Utrecht. «
J. W. Schubärt, te Utrecht.
Zand-
50
De Heer W. K. Grothe, te Zezst.
»
>
»
»
»
»
H. J. D. W. Dikkers, te Delden.
1858—59.
C. J. Tengbergen, te Amsterdam.
J. C. J. de Joncheere, te Dordrecht.
J. Backer Jr., te Oosterbeek.
C. Brak, te Amsterdam.
W. Buurman Jr., te Apeldoorn, Student aan de
landhuishoudk. school te Groningen.
1859—60.
Henri Baron van Pallandt, bij Arnhem.
J. M. van der Stoot, te Roelof-drendsveen.
G. W. Grebner, te dmsterdam.
C. Geesink, te dmsterdam.
VERVOLGLIJST DER BOEKEN
TOEBEHOORENDE AAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
TIJDSCHRIFTEN.
Annales de la Société Entomologique de France. 3™ Série;
Tome VII; 1—4° Trimestre. Paris 1859—60.
The Transactions of the Entomological Society of London.
New Series. Vol. V, part. 1—5. London 1859—60.
Entomologische Zeitung, herausgegeben von den Entomol.
Vereine zu Stettin. Jahrg. XX. Stettin 1859. Van den
Heer C. A. Dohrn, President van genoemd Verein, in
ruil ontvangen tegen het Tydschrift.
Berliner Entomologische Zeitschrift, herausgegeben von dem
Entomologischen Vereine in Berlin. 5” Jahrgang, Zweites,
Drittes und Viertes Vierteljahrsheft. Berlin 1859.
Wiener Entomologische Monatschrift. Band IV. Wien 1860
Bericht über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete
der Entomologie, während des Jahres 1857, von Dr. Gerstäc-
ker in Berlin. Berlin 1859.
Linnaea entomologica. Zeitschrift herausgegeben von dem
Entomol. Vereine zu Stettin. Band XIV. Leipzig 1860.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederland-
sche Entomologische Vereeniging. DI. II, aflev. 6 en DI. III,
aflev. 1-—5. ’s Gravenhage en Leiden 1859—60.
Ae
[SA
to
WERKEN VAN VERSCHILLENDEN EN VAN GEMENGDEN INHOUD
OVER INSECTEN IN HET ALGEMEEN OF OVER MEERDERE
ORDEN DAARVAN HANDELENDE.
Konglika Svenska Fregatten Eugenies resa omkring jorden,
under befäl af C. A. Virgin, Voyage de la Frégate Royale
Suédoise Eugenie. Insectes II. Stockholm 1858. Van de
Académie Royale des Sciences de Stockholm in ruil tegen
het Tijdschrift.
SNELLEN VAN VOLLENHOYEN (Mr. S. C.), Natuurlijke historie
van Nederland. De dieren van Nederland. Overzigt der gelede
dieren. AN. 2, 5 en 4. Haarlem 1859—60. Geschenk van
den Schryver.
WERKEN OVER INSECTA LEPIDOPTERA HANDELENDE.
Sepp (J. C.), Beschouwing der wonderen Gods in de minst
geachte schepselen of Nederl. Insecten. DI. VII, afl. 57—50.
STAINTON (H. F.), The natural History of the Tineina. Vol.
IV. London 1859.
Moore (FrEDERIC), Synopsis of the known Asiatic species
of silk-produeing Moths, with descriptions of some new species
from India.
Moore (FREDERIC), A monograph of the genus Ædolias,
a genus of diurnal Lepidoptera belonging to the family Nym-
phalidae.
Moore (FREDERIC), Description of some Asiatic Lepidopte-
rous Insects belonging to the Tribe Bombyces. Laatsige-
noende drie werken in ruil ontvangen tegen het Tyd-
schrift van den Keeper of the East-India Company Museum.
De Graar (H. W.), Vlinders, eene oude waarneming op
nieuw ter sprake gebragt. Overgedrukt uit het jaarboekje
van het Kon. Zool. Genootschap Natura Artis Magistra
voor het jaar 1860.
53
WERKEN OVER INSECTA HYMENOPTERA HANDELENDE.
Saussure (H. DE), Description de diverses espèces nouvelles
ou peu connues du genre Scolia. Extrait des Annale des la
Société Entom. de France. Present-exemplaar van den
Schryver.
WERKEN OVER INSECTA HEMIPTERA HANDELENDE.
KirscuBaum (C. L.), Die Athysanus-Arten der Gegend von
Wiesbaden. Wiesb. 1858. Geschenk van den Schrijver.
VARIA.
Verslagen en Mededeelingen der Kon, Akademie van Weten-
schappen. Afd, Natuurkunde, DI IX Stuk 5, DI. X Stuk
1—3. Amst. 1859 en 60.
Jaarboek der Kon. Akademie van Wetenschappen, gevestigd
te Amsterdam voor 1859,
Catalogus van de boekerij der Kon. Akademie van Weten-
schappen gevestigd te Amsterdam, Dl. I Stuk 2. 1860. Deze
werken in ruil tegen het Tydschrift.
Journal of the Proceedings of the Linnean Society. Zoology,
Vol. IV. N 1—15. In ruil tegen het Tijdschrift.
Report of the Commissioner of Patents for the year 1857.
Agriculture. Washington 1858.
Annual Report of the Board of Regents of the Smithsonian
Institution, showing the operations, expenditures, and condi-
tion of the Institution for the year 1858. Washington 1859.
First Report of a Geological Reconnaissance of the Northern
counties of Arkansas, made during the years 1857 and 1858
by D. D. Owen. 1858.
Rapport van de commissie voor internationale ruiling van
voorwerpen van wetenschap en kunst, over 1859.
54
Bibliographia librorum entomologicorum in America boreali
editorum , Auctore Guil. Sharswood.
Laatstgenoemde vijf werken van de commissie voor inter-
nationale ruiling, in ruil tegen het Tydschrift.
Bulletin des séances de la classe des Sciences de l’Académie
Royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-arts de Beloi-
que. Année 1859. Bruxelles 1859, en Annuaire de l’Aca-
démie Royale des sciences, des Lettres et des Beaux-arts de
Belgique, 26" année. Brux. 1860. Beide in ruil tegen
het Tydschrift.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou
de l’année 1858. N° 2 et 5 et de l’année 1859 n°. 1. Jr
ruil tegen het Tijdschrift.
Verslag door Burgemeester en Wethouders gedaan aan den
Gemeenteraad van Leyden, over 1859. Leyden 1860.
Verslag van het Genootschap ter bevordering der Natuurkun-
dige Wetenschappen te Groningen, over het jaar 1859.
Jahrbücher des Vereins für Naturkunde im Herzogthum
Nassau. Heft 15. Wiesb. 1858.
Bijlage A.
Aanteekening omtrent het leven en de wetenschappelyke
werkzaamheden van Q. M. R. Ver Huell, zx leven
Ridder van onderscheidene orden, gepensioneerd Schout-
by-nacht, lid van verschillende geleerde Genootschap-
pen, enz.
Mijne Heeren !
Indien ik uwe gevoelens afmeet naar de mijne, dan moet ik
veronderstellen dat het u aangenaam zal wezen eenige levens-
bijzonderheden te vernemen van ons ontslapen medelid Quirijn
Maurits Rudolph Ver Huell, voornamelijk met betrekking tot
hetgeen hij voor de natuurlijke historie, zoowel der planten als
der dieren, heeft gearbeid. Immers hi staat ons allen voor den
geest zoo als wij hem in de laatste jaren dikwijls in ons mid-
den zien mogten, als een man van een’ welwillenden, aantrek-
kelijken en vriendschappelijken inborst, vrolijk en levendig in
den gezelligen omgang, maar vooral behoefte hebbende aan
onderlinge mededeeling van kennis en wetenschappelijke onder-
zockingen, en die zijne gaven als teekenaar en zijnen tijd steeds
voor anderen veil had. Eene der eigendommelijkheden van Ver
Huell, een der voornaamste trekken van zijn karakter was dat
onbaatzuchtige leenen van zijne heerschappij over teekenpen en
penseel aan alle wetenschappelijke personen, die hij wist dat
daarmede gebaat zouden zijn. Het is mij dus wel een weemoe-
dige, maar tevens aangename pligt u in korte trekken zijn beeld
voor den geest te roepen; en ik meen daarmede niets overtol-
ligs te doen, ofschoon men reeds een levensberigt omtrent den
56
Schout-bij-nacht Ver Huell in de 4/g. Æonst- en Letterbode
lezen kan; immers de Heer van Harderwijk, die dat stuk ge-
steld heeft, bepaalt zich alleen tot zijne levensbijzonderheden
en zijne daden als officier der marine en laat de opgave zijner
wetenschappelijke verrigtingen grootendeels aan anderen over.
Ik zal mij dus voornamelijk tot het laatste bepalen en omtrent
den eigenlijken levensloop van Ver Huell slechts zoo veel zeg-
gen, als tot inleiding voor het laatste volstrekt noodzakelijk is.
Q. M. R. Ver Huell was de oudste zoon van Everhart Alexander
Ver Huell, Burgemeester van Doesburg, en werd te Zutphen
geboren op den 11% Sept. 1787. Hij trad reeds op zijn 15°° jaar
als kadet in dienst der marine, kwam onder het commando van
zijnen oom den Schout-bij-nacht, later Admiraal en Graaf van
het Fransche Keizerrijk Carel Hendrik Ver Huell, en woonde
eenige zeegevechten en den gevaarvollen togt van Duinkerken
naar Ambleteuse (18 Julij 1805) bij. Twee jaren: na dien togt
werd hij bevorderd tot 2° luitenant-ter-zee en tot adjudant van
den Schout-bij-nacht A. A. Buyskes, die met den rang van
Gouverneur-Generaal naar onze Oost-Indische kolonien stond te
vertrekken. Volgens den Heer van Harderwijk nam Ver Huell
met den Gouverneur-Generaal Buyskes de reis naar Oost-Indie
aan, dit is evenwel onjuist. De Heer B. zoude eerst met de
Gelderland zijn vertrokken, doch verliet na een kort verblijf
dat schip, waarop geen orde was noch discipline, en vertrok
op eene andere wijze naar de plaats zijner bestemming, terwijl
zijne adjudanten Ver Huell en Vaillant op de brik de lieg
naar 0. I. reisden. Niet langer dan een jaar bleef Ver Huell
toen in ©. I.; hij heeft later zijne lotgevallen in dat tijdperk
beschreven in een werkje getiteld: Mijne eerste Zeereize.
In 1809 vinden wij hem als 1° luitenant bij de Kon. marine
van Louis Nap., in 1810 als adjudant van zijnen oom in
Fransch Keizerlijke dienst terug. Spoedig daarop werd hij
kapitein-ter-zee en bezat bij de omwenteling in 1813 den rang
van majoor, onder welken titel hij een eervol ontslag ontving.
Na afgelegd examen als kap.-luit.-ter-zee werd hij in dien. rang
57
bij het vaste corps zee-officieren onzer marine opgenomen en
vertrok in 1815 als vrijwilliger naar Oost-Indie. Het was toen
dat hij voornamelijk op Java en de Molukken zijn verblijf
hield, dat hij voortdurend waarnemingen deed omtrent insec-
ten, dat hij eene groote entomologische verzameling aanlegde
en zijnen overig gebleven vrijen tijd bijna geheel besteedde
aan het maken van teekeningen, welke zoowel af beeldingen van
Indische landschappen waren, als van planten, insecten en con-
chylien. Hij had alzoo een geheelen schat bijeengebragt, waar-
van hij zich de heerlijkste voorspiegelingen maakte, als hij zich
voorstelde hoeveel voordeel de natuurlijke historie daarvan zoude
kunnen trekken, en hoe dat alles dienstbaar te maken was aan
de betere kennis van de nog zoo onvolledig bekende kolonien.
Dan helaas! van dat alles mogt hij nagenoeg niets in het va-
derland brengen; in de rookkolommen, die bij het eiland Diego
Garcia van den te vroeg verlaten bodem van zijn schip de
Evertsen omhoog stegen, werden al die heerlijke vooruitzigten
voor altijd van hem weggevoerd. Nimmer kon Ver Huell later
dat noodlottig oogenblik herdenken, of zijne ziel werd met den
diepsten weemoed vervuld. Slechts zeer weinig ontkwam aan
de vlammen en de golven; daaronder waren de teekeningen ,
die later onder den titel van Gezegten in Oost-Indie gelitho-
grapheerd het licht hebben gezien, die, waarnaar sommige pla-
ten in het werk der natuurkundige commissie zijn vervaardigd,
en de heerlijke teekening van de metamorphose der Satur-
nia Atlas, welke wij op onze 10% algemeene vergadering te
Arnhem mogten bewonderen.
Deze onvoorziene gebeurtenis werd een keerpunt op den le-
vensweg van Ver Huell; mogt hij ook nog vurig verlangen de
heerlijke tropische natuur en al hare duizende voortbrengselen
op onze rijk gezegende kolonien te kunnen bewonderen, het
trouweloos element, waarin zijne schatten verzwolgen waren,
was hem tegen geworden. Hij besloot niet weder op zee te
gaan en nam de betrekking van onder-equipagemeester op ’s rijks
werf te Rotterdam aan. Ook verbond hij zich in den echt met
58
de hoogstbegaafde dochter van den kolonel der genie de Vaynes
van Brakell. Ofschoon nu Ver Huell nimmer zijn verlies, bij
het vergaan van het schip de Hvertsen geleden kon vergeten,
leefde hij toch sedert te Rotterdam gelukkig, waar zijne be-
trekking hem nog vrijen tijd opleverde om zijne reizen te be-
schrijven en voor de kunst te ijveren. Hij werd er achtervol-
gens kapitein-ter-zee, equipagemeester en directeur der marine,
welke laatste betrekking hij vervuld heeft tot het jaar 1850,
toen hij met den rang van Schout-bij-nacht werd gepensioneerd.
Ik mag veronderstellen, M. H., dat de beide beschrijvingen ,
die Ver Huell in het licht gegeven heeft van zijne beide reizen
naar Oost-Indie u bekend zullen zijn, evenzeer als het werk,
getiteld: Met leven en karakter van Carel Hendrik Graaf
Ver Huell, door hem beschreven. Behalve deze werken schreef
hij nog de korte levensbeschrijvingen van den vice-admiraal
Ruysch, den luitenant Bezemer en den kapitein Zwedenrijk
Carp, welke in het Zydschrift aan het zeewezen gewijd,
werden opgenomen, en vertaalde een boekje uit het Engelsch
ten dienste van jongelieden, die in de marine wenschen te
worden opgenomen. Over onderwerpen van natuurlijke historie
schreef hij in verscheidene werken; in de Annales des Scien-
ces naturelles over de larve en pop van Mormolyce phyllodes ,
in de ons allen wel bekende werken: de Nederlandsche V lin-
ders, uitgegeven door J. C. Sepp en Zoon en het Album
der Natuur, en liet afzonderlijk het licht zien een Mandboek
voor liefhebbers en verzamelaars van vlinders.
Maar meer nog dan de pen was het penseel in zijne hand,
en schier ongeloofelijk is het aantal teekeningen, waarvan som-
migen zeer groot en uitvoerig, dat hij vervaardigd heeft. Wi
hebben reeds gezegd dat hij in Oost-Indie verscheidene land-
schappen, gezigten van merkwaardige bergen, watervallen,
baaijen en kreken had geteekend. Het was hem ook nog ge-
lukt bij den brand van de Hvertsen eene portefeuille met
schetsen van zoodanige landschappen te redden. Daarnaar ver-
vaardigde hij eenige teekeningen, waarvan er enkelen , later ge-
59
lithographeerd, het gedeelte land- en volkenkunde van het groote
werk over de natuurl, geschied. onzer Overzeesche Bezittingen
opluisteren. Dat deze platen tot de besten behooren, die het
werk aanbiedt, zal ieder deskundige gaarne erkennen.
In veel grooter aantal dan landschappen waren in V. Hs
portefeuille altijd afbeeldingen van bloemen aantetreffen , zoo-
dat men veilig stellen mag, dat deze niet alleen zijne hoofd-
studie, maar ook het voorname punt zijner voorliefde hebben
uitgemaakt. Velen dier teekeningen zijn nimmer in plaat ge-
bragt, ten minste voor zoo verre mij bekend is. Daartoe reken
ik de volgende:
eene groote teekening in kleuren, voor Prof. de Vriese be-
werkt, voorstellende de Cankrienia chrysanthea te midden
van een oorspronkelijk en onbetreden woud, welke teekening in
1855 de tentoonstelling der Maatsch. van Tuinbouw heeft ver-
sierd. — Eene groote afbeelding van de Rafflesia Rochus-
senti voor Prof. Miquel en
eene dergelijke van Aaffllesia Patma voor Prof. de Vriese.
een veertigtal zeldzame Orchideën voor den Heer Witte, den
hortulanus van den Academituin te Leyden.
Meer dan deze zijn mij niet bekend, doch waarschijnlijk be-
staan er nog vele anderen. Onzeker is het mij of er eene plaat
vervaardigd is naar zekere teekening, die Ver Huell in 1844
teekende voor Prof. de Vriese. en welke eene toen korten tijd
te voren ontdekte nieuwe Casuartnea voorstelt.
Ongelijk grooter evenwel is het getal der mij bekende platen ,
voor welke ons overleden medelid de teekeningen heeft geleverd.
Onder dezen moeten in de eerste plaats genoemd worden meer
dan 80 folio-platen, behoorende tot het prachtwerk Flora Bra-
siliensis van Prof. von Martius te Munchen, en wel tot het
gedeelte dat Prof. Miquel in dat werk behandeld heeft, name-
lijk de familien der Piperaceën, Artocarpeén en Urticeén.
Deze afbeeldingen zijn allen uitmuntend en onze bewondering
van de kunst, daarin afgestraald, zal zooveel te hooger rijzen
wanneer men bedenkt, dat de analysen van die bloemen gedaan
60
zijn naar zeer verminkte, gedroogde voorwerpen. Meermalen
heeft V. H. mij herhaald dat deze platen diegenen waren,
wier uitvoering hem het meest genoegen en voldoening had
opgeleverd , voornamelijk omdat graveur en colorist zich slaafsch
gehouden hadden aan de hun voorgelegde modellen.
Buiten deze zoo even genoemde behooren tot de belangrijk-
ste en uitvoerigste botanische teekeningen van V. H. die, naar
welke vervaardigd zijn de 90 folio-platen met analysen van de
plantenfamilie der Piperaceën , behoorende bij de Monographie,
welke Prof. Miquel van die familie heeft gegeven. Die afbeel-
dingen werden in 1843 geteekend. Men vindt de platen en de
monographie in de cla Academiae Cesareae Leopoldinae. Aan
een der peper-geslachten, welke in dat werk beschreven wor-
den, heeft de geleerde plantenkenner den naam van Verhuel-
lia geschonken.
Weinig minder belangrijk zijn de platen in Prof. Miquel’s
Monogr. der Casuarineae, welke, ongeveer veertig in getal,
evenzeer naar teekeningen van Ver Huell zijn vervaardigd.
Zeer fraai zijn ook de platen van de Analecta botanica van
Prof. Miquel en van zijne monographie der Cycadeën, waar-
van de eersten allen, de laatsten voor een groot gedeelte aan
het penseel van ons ontslapen medelid te danken waren. Men
weet dat de schrijver dit laatste werk aan de Heeren Ver Huell
en Alex. Brogniart heeft opgedragen. *
Niet minder te roemen zijn 38 groote 4° platen, opgenomen
in het werk over de Goodenoviaceae van denzelfden geleerden
schrijver. welke deze wederom aan de bereidvaardige mede-
werking van den onvermoeiden V. H. te danken had.
Nog blijven ons 4 botanische werken te noemen overig ; voor
welke deze het penseel op het papier bragt. Twee daarvan
zijn wel aangevangen maar niet voortgezet, namelijk : Nouvel-
les recherches sur la Flore des possessions Neerl. aux
Indes Or. van Prof. de Vriese, dat niet meer dan twee afle-
veringen mogt beleven en Plantae novae et minus cognitae
van denzelfden geleerde; een werk, dat ook spoedig weder werd
61
gestaakt. Van langeren duur en grooteren omvang was het
werk over de systematische verdeeling van het oude geslacht
Ficus, zoo ik mij niet vergis ook van Prof. de Vriese, doch
in verschillende tijdschriften bij gedeelten verschenen, voor
welken arbeid Ver Huell meer dan 150 teekeningen vervaardigd
heeft. Een gedeelte daarvan werd in Engeland uitgegeven,
alwaar men de onbeleefdheid had (het zij mij vergund deze in
plaats van eene sterkere uitdrukking te bezigen) om den naam
des teekenaars weg te laten en die des graveurs daarvoor in de
plaats te stellen.
Voegen wij hierbij de opgaaf omtrent eenige platen van het
met gekleurde afbeeldingen geillustreerde Tijdschrift van Prof.
de Vriese, getiteld: Zuënbouwflora, dan blijft ons als laatste
botanische werk, welks naam wij om de medewerking van
V. H. dienen te vermelden, over Prof. Miquel’s Flora
onzer O. J. kolonien, waarvan de platen, zeer velen naar
zijne teekeningen, algemeen geoordeeld worden uitmuntend
te zijn.
Voor geologie en zoologie heeft de waardige man, wiens
werkzaamheden onze aandacht bepalen, mede vele en daar-
onder zeer fraaije afbeeldingen geleverd. Zoo heeft de Haar-
lemsche geleerde, Prof. van Breda, aan de teekenpen van den
begaafden Ver Huell te danken een zeer groot aantal afbeel-
dingen van fossilen, meest conchylien, welke evenwel nimmer
in plaat gebragt schijnen te zijn. Zoo treft men in het Tijd-
schrift voor natuurl. geschiedenis van ons medelid Prof. J. van
der Hoeven, eenige platen aan, vlinders en kevers voorstel-
lende naar teekeningen van V. H. op steen gebragt. Een der
Lepidoptera, daarop voorkomende, werd door den geleerden
schrijver Colas Verhuellii genoemd. Zoo treffen wij in de
Annales des Sciences nat., de plaat aan, waarover wij vroeger
reeds handelden en die de larve en pop van Mormolyce voor-
stelt. Zoo biedt ons het Album der Natuur verscheidene
houtsneden aan naar zijne teekeningen.
En eindelijk, wie onzer M. H., heeft niet terstond aan het
62
ons zoo bekende werk van Sepp en aan ons Entom. Tijdschrift
gedacht? Beiden hebben veel aan Ver Huell te danken, vooral
het eerstgenoemde +) en zeer te betreuren blijft het altijd, dat
in de jareu toen Ver Huell bijna de eenige was, die aan Sepp's
werk over de Ned. vlinders bijdragen toezond, de gravure der
platen met zoo weinig zorg aan den eersten besten bezitter van
een graveerijzer werd toevertrouwd, en de colorist naar harte-
lust de ingevingen van zijne phantasie mogt involgen.
Wat nu de beoordeeling van Ver Huell’s waarde als teeke-
naar betreft, wij zullen ons niet vermeten ons door zoodanige
apprecialie boven hem te plaatsen, maar mogen niet nalaten
u, bij de herinnering dat het voorstellen der larven tot het
„wakste gedeelte van zijne kunst behoorde, te wijzen op de
waarlijk onovertrefbare wijze, waarop hij het fluweelachtige en
donsachtige van den vlindervleugel of het Pelargoniumblad wist
natebootsen. In de daad velen zijner voorstellingen kunnen in
waarheid voortreffelijk genoemd worden.
De Frankfortsche Senator von Heyden bragt hulde aan de
entomologische verdienste van onzen Ver Huell, door eene
Teichobia naar hem Verhuellella te noemen. In ons Tijd-
schrift beschreef ik eene prachtige soort van Phyllodes, welke
ik hem ter eere den naam van Phyllodes Verhuellii schonk.
Van Colias Verhuellii x. d. Hoev. hebben wij zoo even reeds
met een woord melding gemaakt.
1) Ver Huell schreef in Sepp’s werk:
Ve Deel, N°, 20, 22, 23, 24, 27, 28, 30, 31, 32, 35, 36, 57, 39, 43,
AA, 45, 46, 48, 49. Vie Deel, N°. 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8,9, 10, 11, 13,
14, 15, 16, 19, 20, 24, 25, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36,
A4, 46. VIIe Deel, N°. 2, 3, 9, 12, 13, 14, 24, 27, 28, 34, 36, 37,
38, 39, 40, 41, 44, 45, 48. Ville Deel, N°. 4, 5, 6, 11, 13, 14, 17,
18, 19, 20, 25, 26, 27. 31, 33, 35, 36, 39, 40, 41, 45; 47.
Alzoo van telkens 50 nummers:
19 in het 5e deel,
30 in het 6 »
19 in het 7% »
2
2 in het 8e » „dus 90 in het geheel.
63
Zoo heb ik, voor zooveel mij bekend en door eene vriendenhand
opgegeven was, u de werkzaamheden van ons waardig medelid
in een kort schema voor den geest geroepen. Gij allen zult
getroffen zijn geweest over het aantal zijner werken en over
den onvermoeiden en volhardenden ijver, door hem in dit opzigt
aan den dag gelegd.
Hij blijve ons daardoor ten voorbeeld; dezelfde geestdrift,
die hem voor het onderzoek der natuur en voor de kunst be-
zielde, moge ons deel zijn en ons doen volharden bij langdu-
rigen arbeid en de naam van Ver Huell zal in ons midden,
zoo lang onze Vereeniging bestaat, met hoogachting worden
genoemd.
DA
ji
TOME
SNA IE
DE INLANDSCHE BLADWESPEN
IN HARE GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Zesde Stuk.
LOPHYRUS RUFUS Kroc.
Vergelijk:
Harrie, Blatt- und Holzwespen, bl. 164 n°. 11.
De Geer, Mémoires pour servir à l’hist. des Ins. D. IL.
Afd. 2, bl. 254 (vert. van Goeze), tab. 35. f. 24—26.
RATZEBURG, Forstinsecten, D. III. bl. 109 tab. II. f. 7.
Le Pererien DE ST. FarGEau, Monogr. Tenthred. p. 56
n°. 160 (Lophyrus piceae).
Lophyrus corpore elongato in mare nigro, nitido, ven-
tris apice, pedibusque rufescentibus, antennis 25-artt-
culatis; corpore in femina crassiore rufo, antennts
medio et aptce nec non abdominis dorso fuscescentibus.
NEC
Op den 8% Junij 1859 ontving ik van mijnen vriend Mr.
E. A. de Roo van Westmaas eenige Lophyren-larven, die te
Velp op grove den gevonden waren. Ik teekende hare beschrij-
ving aan als volgt: De lengte der larren was 20—24 streep.
2
66
De kop was geheel glimmend pikzwart ; de eerste ring was aan
den hals roodachtig wit. Dezelfde kleur had eene langstreep
over den rug, eene streep op de zijden van het lijf boven de
pooten , alsmede de middel- en achterpooten met den buik. Tus-
schen deze vuilwitte strepen is de kleur roodachtig donker grauw ;
tegen de strepen aan is de tint donkerder, ja tegen de zijde-
strepen nagenoeg zwart. Onder de zijdestreep, boven de poo-
ten wordt de tint weder donkergrauw ; het laatste segment is
op den rug zeer donker, bijna zwart, zonder of met ondui-
delijke strepen en met veel doorntjes bezet. Er waren 22 poo-
ten in het geheel; de 6 voorpooten waren glimmend pikzwart
met lichtgrijze inkerving in de geledingen. Men vergelijke voor
deze beschrijving de fig. 1 en 2. Ieder segment van het lig-
chaam bestaat uit vijf plooïjen, welke niet even breed zijn
(zie fig. 3); de eerste, derde en vijfde zijn met eenige doorn-
achtige puntjes bezet, gelijk mede de dwarsplooïjen boven de
pooten. De stigmata waren zwart.
Deze larven waren uiterst traag in hare bewegingen en ble-
ven den geheelen, dag nagenoeg in dezelfde houding zitten ; het
scheen mij toe dat zij gedurende den nacht haar voedsel ge-
bruikten. Dit bestond eerst uit naalden van de grove den,
doch daar het mij moeijelijk was dat voedsel hier te vinden,
zoo gaf ik haar naalden van de Weymouthpijn (Pinus strobus)
en zij lieten zich die best smaken. Ratzeburg geeft mede op,
dat zij andere soorten van dennen eten. Na de laatste vervel-
ling waren zij egaal lichtgrauw zonder langsstrepen en hadden
den kop tot aan de oogen donkergrijs, verder lichtgrauw.
Nadat zij deze liverei aangenomen hadden, verpopten zij zich
spoedig; daartoe sponnen zij zilverwitte cocons tusschen de
naalden, zoo als wij er een, ietwat vergroot, bij fig. 4 hebben
voorgesteld.
Den 9" Junij van het volgende jaar ontving ik van mijnen
vriend Dr. Wttewaall eene geheele doos vol dergelijke larven,
die evenwel afwijkend en sterker gekleurd waren en veel le-
vendiger bij aanraking met kop en voorlijf om zich heen sloe-
67
gen. De meesten dezer nieuwe bezending waren aldus getee-
kend: kop geheel glimmend zwart, als verlakt; eene streep op
den rug en eene in de zijden boven de stigmata groenachtig
lichtgrauw ; daartusschen eene breedere grijze streep, op de
plooijen kleine doorntjes, als bij fig.3, waardoor het grijs een
gestreept uitzigt vertoonde. Op de lichte zijdestreep volgt eene
even smalle zwarte, dan eene rij van elkander bijna aanrakende
lichtgrijze knobbels en daaronder, even boven de pooten eene
rij van grootere zwarte uitpuilende spieren of knobbels. De
voorpooten waren weder zwart met witte ringeltjes, de buik-
pooten groenachtig grijs, meest met twee zwarte, bedoornde
dwarsstreepjes; de voorste ring is op de zijden geheel groen-
achtig grauw, de laatste geheel zwart en sterk bedoornd. De
buik groenachtig grauw. De figuren 5, 6 en 7 zijn naar deze
larven geteekend; 5 stelt drie middelsegmenten van het lijf
voor, op zijde gezien, en 6 de beide laatste ringen op den
rug gezien.
De langsten dezer larven waren naauwelijks meer dan 1
duim lang; zij hielden zich dikwijls op eene zeer zonderlinge
wijze met de achterste ringen des ligchaams dwars om een
takje vast; en bogen alsdan met uitgestoken voorpooten, het
voorlijf en den kop naar achteren tegen den rug om, waaruit
eene merkwaardige houding geboren werd, die ik getracht heb
in fg. 7 aanschouwelijk voor te stellen.
Ook deze larven werden geheel lichtgrijs bij de laatste ver-
velling en sponnen zich tusschen de naalden in; ik bemerkte
onder de cocons echter weinig zuiver witte, de meesten hadden
eene gele of rosse tint, ja er waren er onder die geheel vuil-
geel waren. Uit al deze kenteekenen meende ik te moeten
opmaken, dat dit laatste broedsel gezonder en krachtiger was
dan het eerste.
Uit beiden kreeg ik de wespen drie maanden na het inspin-
nen, alzoo in September.
Het mannetje dezer wespen ziet men voorgesteld bij fig. 8.
Het is zonder de sprieten slechts 7 str. lang, slank met eenen
5*
68
zeer breeden kop. Het geheele dier is glimmend zwart en on-
behaard, met eene uitzondering, wat de kleur betreft, in de
voelertjes, buik en pooten, welke licht rood zijn. De zeer
lange sprieten tellen 25 leedjes (Hartig zegt 25—25); zij zijn
aan beide zijden gekamd, doch de kamstralen zijn aan de bui-
tenzijde wel zoo lang als aan de binnenzijde en vooral naar
beneden toe wel tweemaal zoo lang; vergelijk fig. 10, die de
buitenste kamstralen en fig. 11 die de binnenste kamstralen
voorstelt. De buikvlakte is aan den grond roodachtig, doch
aan het einde bij de penisklep zwart; de klaauwtjes der pooten
zijn rood, doch het kussentje daartusschen is zwart. De vleu-
gels zijn doorschijnend en iriserend; de radius en het stigma
zijn lichtbruin, de cubitus en de eerste middenader donker-
bruin, de overige aderen grijsachtig.
Het wijfje, voorgesteld bij fig. 9, is langer en dikker, het
heeft eene vlugt van 17 streep. De grondkleur is geelachtig
rood; aan den kop zijn de oogen en ocellen, de sprieten be-
halve de beide eerste leedjes en de punt der kaken bruin.
Aan den mesothorax zijn twee strepen in de zijden achter de
inplanting der voorvleugels en de zoom van het schildje zwart;
de metathorax is bruin met gele ruggekorreltjes. Het geheele
borststuk is overigens bijzonder glad op de rugoezijde. De
kleur van het achterlijf is aan de inplanting een paarsch of
wijnkleurig rood, doch wordt voorbij de helft geelachtig rood; de
buikzijde is groenachtig geel, Aan de roode pooten ziet men
somtijds wel eens bruine strepen, voornamelijk aan de heupen;
het kussentje tusschen de klaauwtjes, welke rood zijn, is zwart.
De vleugels zijn min of meer rookkleurig; de aderen zijn gelijk
gekleurd als die van het mannetje, behalve de radius en het
stigma, welke bleekrood zijn.
Wij ontleenen aan Hartig ’t geen wij omtrent de generatien
weten; hij schrijft dat er waarschijnlijk slechts eene generatie
in het jaar bestaat, wier rupsen in Mei en Junij leven, wier
wespen in Augustus, September en October vliegen. De eije-
ren, door deze laatsten gelegd, zouden dan overwinteren, ter-
=
=
é xy
IF ophyrus rufus, Klug.
PI
69
wijl eenige larven in het cocon zouden overblijven en de wesp
eerst in het voorjaar leveren zouden.
Het is ons onbekend of deze bladwesp reeds groote schade
aan dennen in ons vaderland heeft toegebragt.
Volgens Hartig zijn Tachina bimaculata en gilva, alsmede
Paniscus oblongopunctatus Hart. (nog niet beschreven) para-
siten van deze soort.
Verklaring yan Plaat 1.
Fig. 1 en 2. Bijna volwassen larven.
» 3. Een ring van het ligchaam, op zijde gezien, vergroot.
» . Het cocon tusschen dennennaalden.
» 5. Drie ringen van het lif eener sterkgekleurde larve.
» ‘6. Hare twee laatste ringen op den rug.
» 7. Zonderlinge houding eener larve.
» 8. De mannelijke wesp, vergroot.
i el GY UE OA
» 9. De vrouwelijke wesp, vergroot.
» 10. De mannelijke spriet aan de buitenzijde, vergroot.
» 11. Dezelfde aan de binnenzijde, vergroot.
HYLOTOMA ROSAE L.
N°. 9 der Bouwstoffen.
Vergelijk onder anderen:
Linnaeus, Syst. Wat. II. 925, 30.
Fasricius, Spec. Ins. I. 413, 39.
GoEDAERT, Metamorph. nat. I. de 28° bevinding.
RoseL, /ns. Belust. D.II. Zumm. u. Wesp. tab. 2. p.15.
Réaumur, Mémoires, Tom. V. Mem. Ill. p. 102. Plaat 14
fig. 1—12.
DE GEER, Mémoires (Duitsche Vert.) D. II. afd. 2, bladz.
279. PI. 59. fig. 21—29.
Harrie, Blatt- und Holzwespen bl. 85. N° 15.
Boucni, Naturgesch. d. Insecten bl. 155.
BrIscHKE, Abbild. und Beschreib. bl. 11. taf. 11. fig. 4.
Hylotoma rubro-flava, capite cum antennis, thoracis
dorso, pectore, alarum costa antica, nec non tibia-
rum et tarsorum articulorum apice nigris.
Men ziet uit de aanhalingen, die ik gemakkelijk nog met
eenigen had kunnen vermeerderen, dat dit insect sedert lang
bekend en reeds door vele schrijvers behandeld is, zoowel wat
den vorm der bladwesp, als wat de gedaante en levenswijze
der larve betreft. Ik zal, om niet wijdloopig te worden eerst
mijne eigene waarnemingen ter neder stellen en daarna zien in
hoe verre die der vroegere schrijvers daarvan afwijken.
Vooraf evenwel moet ik eene aanmerking maken omtrent
ra!
den naam. Men zoude mij namelijk kunnen tegenwerpen dat
de nu behandelde bladwesp niet is de Z'enthredo Rosae van
Linnaeus, daar hij in zijne diagnose ter aangehaalder plaatse
spreekt van antennis septemnodiis. Er kan evenwel, gelijk
reeds de Geer heeft opgemerkt, weinig twijfel over bestaan of
hij ons insect wel bedoelde, daar hij de afbeeldingen van Ré-
aumur en Rösel aanhaalt, die beide alleen ons insect kunnen
voorstellen. Hij heeft het dus waarschijnlijk nedergeschreven,
zonder het dier zelf voor zich gehad te hebben. Hartig schrijft
Rosarum Fabr., waarschijnlijk slechts bij vergissing; het is
evenwel ook mogelijk dat Klug reeds voor hem dezelfde schrijffout
emaakt heeft, ’t ceen ik nu niet kan nazien.
ü 8
Tegen het einde van Julij in het vorige jaar had ik reeds
meer dan 4 weken in mijn’ tuin alhier op agaatrozen vele dezer
larven gezien, jong en volwassen, zoodat zij niet allen van
een broedsel afstamden. Ik zamelde er eindelijk den 22“ Julij
een tamelijk aantal van op, om die te beschrijven, af te tee-
kenen en op te kweeken. Toevallig ontving ik een paar dagen
later nog een vrij groot aantal andere individuen, die de Heer
B. Wttewaall aangetroffen had op bottelrozen in den tuin van
den Heer Hartevelt en die hij mij ter opkweeking overliet.
De lengte der grootste voorwerpen was 2 duim, gelijk dat
‘tgeen op onze Plaat bij fig. 5 is voorgesteld. De kop was
glanzig oranje, de oogen zwart en cirkelrond, staande in twee |
ronde zwarte vlekken. Boven op het kopschild, c/ypeus, zag
men twee bruine vlekken als omgekeerde comma’s. De ka-
ken waren oranje met bruine toppen; de sprietjes onder de
oogen staande waren zeer klein, eenigzins donker geringeld en
de lippen oranje. Op den kop zag men eenige putjes en grijze
haartjes. Er waren ook individuen zonder de comma-vlekken
en anderen bij wie deze zeer vergroot waren en nagenoeg een’
boog uitmaakten.
Algemeen zegt men dat de larven van het geslacht Zyloto-
ma 18 pooten hebben; bij zeer naauwkeurige beschouwing
72
vond ik dat mijne larven bezaten: drie paar voorpooten, zes
paar middelpooten en twee bijna tot een zamengegroeide na-
schuivers; het zesde paar middelpooten evenwel was bijster
klein en scheen geheel en al in de huid te kunnen worden
ingetrokken.
De voorpooten waren vuil groen van kleur met een zwart
vlekje aan de bovenzijde bij de inplanting; zij waren aan het
uiteinde gewapend met een bruin klaauwtje en daaronder ver-
toonden zij een klein rond blaasje. Men ziet den kop, de
eerste geleding en een voorpoot op zijde voorgesteld bij fig. 4.
De overige pooten waren licht vuilgroen met een zwart vlekje
even boven de inplanting.
Het geheele dier was zeer glimmend groenachtig grijs; de
rug was van de tweede tot de elfde geleding oranje, de eerste
en twaalfde waren groenachtig, doch boven den anus op den
laatsten ring was de kleur weder oranje. Tusschen het oranje
op den rug was de huid bij de plooi tusschen de ringen we-
der groen. Aan de zijden van het lijf zag men even boven de
pooten eene rij van 11 grootere zwarte knobbels, ieder met een
zeker aantal korte haartjes bezet. Op de bovenzijde van iederen
ring werd men verder twee rijen van 6 tamelijk groote en bo-
vendien nog eenige kleinere zwarte vlekjes gewaar, uit elke
waarvan zich een enkel haartje verhief. Men vergelijke hierbij
fig. 5. De luchtgaten waren klein, wit omzoomd, met aan we-
derzijde een zwart hoornachtig plekje. Boven den anus op den
laatsten ring zag men eene rij van vier kleine en daaronder
eene zeer groote zwarte vlek, gelijk men dit bij fig. 6 voor-
gesteld ziet. 4
Zonderling kwam het mij voor, dat de uitwerpselen dezer
dieren altijd regelmatig met twee kleuren waren geteekend; ik
heb hetzelfde verschijnsel later evenwel ook nog in andere kleu--
ren bij andere soorten waargenomen. Bij dezen waren die
uitwerpselen langwerpige, aan de beide einden afgeronde en in
het midden ietwat dunnere korrels, die op eene zijde altijd
een helder wit langwerpig vlekje vertoonden, Verg. fig. 7.
#
75
De larven waren trage dieren, welke het achterlijf eenigzins
naar beneden omgebogen droegen en den meesten tijd etende
aangetroffen werden, zoodat dan ook hunne aanwezigheid op
mijne rozenstruiken zeer duidelijk merkbaar was. Zij aten de
bladeren geheel tot op de middelnerf af.
Den 26° Julij nam het aantal larven in den tuin af en die,
welke in de suikerflesch opgesloten waren, begonnen onrustig
heen en weder te kruipen, zelfs tegen het glas op, naar mij
dacht om eene geschikte plaats ter verandering op te zoeken.
Ik deed eenige holle stengels van Deutzia scabra in de flesch,
omdat eenige bladwesplarven de gewoonte hebben in holle sten-
gels weg te kruipen, ten einde zich te verpoppen; doch na
eenigen tijd rondgekropen te hebben, versmaadden mijne larven
de holle stengels en sponnen zich onder en tusschen dorre
rozenbladeren in, die op het zand lagen, dat mede in de flesch
gedaan was.
De spinsels dezer dieren waren zeer aardig, dubbel; het bui-
tenste spinsel was zeer licht geelachtig bruin, zeer taai, met
grove mazen, in het klein als dat van Cimbex Amerinae.
Eenigen daarvan waren geheel met zandkorrels bezet, doch
daar deze bij aanraking gemakkelijk loslieten, zoo bleek daar-
uit, dat zij niet door het vochtige spinsel aan elkander gehecht
waren en alleen toevallig in de mazen waren blijven zitten.
Sneed men dit eerste spinsel open, zoo ontdekte men een
tweede zeer fijn en schijnbaar vliesachtig weefsel, dat niet aan
het eerste verbonden scheen te zijn, daar het zich er zeer ge-
makkelijk liet uitligten. Men ziet bij fig. 8 het cocon in zijne
natuurlijke gedaante en kleur, terwijl fig. 9 een half afge-
scheurd uitwendig en daarin stekend gaaf inwendig spinsel
vertoont.
In September vond ik de larve daarin nog onverpopt; daar-
entegen was in de eerste week dezer maand op de rozenstrui-
ken in mijn’ tuin weder eene menigte jonge larven van eene
andere generatie gezeteld. Wespen had ik er in Augustus
niet ontdekt; ik moest evenwel veronderstellen dat de eijeren,
74
waaruit deze jonge larven waren voortsekomen, in die maand
waren gelegd, omdat ik nu iets aan mijne rozentakjes waarnam ,
tgeen ik vroeger niet had opgemerkt. Ik zag namelijk dat al
de takjes, op welker bladeren jonge larven zaten, zeer krom
omgebogen waren, terwijl de binnenzijde van de bogt een
bruinrood zeer lang lidteeken droeg, alsof de huid aldaar had
losgelaten en het daaronder liggende celweefsel gerimpeld ware
(vergelijk de 16° figuur). Ik vermoed dat op die plek door
de moederwesp insnijdingen in de stengelhuid waren gemaakt,
in welke de eijeren waren verborgen geweest.
De jonge larven waren groen, met slechts eenig spoor van
geel aan den 2° en voorlaatsten ring. Zij waren bovendien
door glimmend zwarte kopjes en voorpooten zeer afwijkend van
de volwassenen, doch vertoonden reeds de rijen van zwarte
stippels en den zwarten anaalvlek. Men ziet twee jonge larven
van verschillenden ouderdom afgebeeld bij fig. 1 en 2.
Den 17" Junij des volgenden jaars ontwikkelden zich de
eerste bladwespen in de suikerflesch; zij hadden dus 10 maan-
den en twee weken in het cocon doorgebragt, tenzij die van
de Julij-larven allen gestorven waren en slechts die van de
September-larven uitkwamen, als wanneer zij slechts iets meer
dan 8 maanden voor die verandering zouden hebben noodig
gehad. Om het aantal wespen dat ik uitkreeg, moest ik het
eerste voor meer waarschijnlijk houden.
Dat deze wespen nu tot het geslacht Hylotoma behoorden
viel terstond in het oog, wanneer men hare sprieten beschouw-
de ; deze bestonden namelijk slechts uit drie leedjes, waarvan
de twee eersten zeer klein, het laatste buitengemeen lang. Bij
het mannetje was dit slank, naar boven omgebogen, overal
even dik en aan de voorzijde tot digt bij de spits met fijne
afstaande haartjes dik bezet; verg. fig. 11; bij het wijfje was
dit deel korter, eenigzins knodsvormig en onbehaard; verg.
fig, 12.
De wesp, door ons voorgesteld bij fig. 10, is vrij dik, op
kop en borststuk eenigzins harig, overigens glad. Zij is 8
75
streep lang en heeft eene vlugt van 17 streep. De kop is
zwart met bruine oogen en gele palpen; de sprieten zwart,
somwijlen met eenen rooden of gelen gloed op de bovenzijde.
De thorax is geel behalve de rug, van den prothorax af tot
aan eene vlek over het schildje en aan de zijden tot binnen de
vleugelschubbetjes; aan de onderzijde ziet men eene glimmend
zwarte vlek op de borst. Het achterlijf is blinkend dojergeel ,
slechts met eenig zwart aan de randen der kleppen van de zaag
en van twee stijltjes aan het laatste lid. De pooten zijn geel;
zwarte vlekjes ziet men op de heupen en apophysen; ook zijn
de spitsen der scheenen en der drie eerste tarsaalleedjes, bene-
vens de beide laatsten geheel zwart. Aan beide zijden der
klaauwtjes ziet men eenige stijve borstelharen en daartusschen
een hechtkussentje. De vleugels zijn geelachtig van den wor-
tel. tot over de helft; de ruimte tusschen den radius en den
cubitus is zwart, gelijk het stigma; dit laatste is geel omzoomd;
verder zijn alle vleugeladeren hooggeel, behalve de ader tus-
schen de 2° en 3° discoidaalcel, welke zwart is. Bij fig. 10
ziet men het wijfje vergroot voorgesteld.
Het mannetje verschilt doordien het kleiner en slanker is,
door den vorm der sprieten en van de laatste geleding des ach-
terlijfs. Ook zijn de vier voorste heupen gewoonlijk geheel
blinkend zwart. Om het verschil tusschen de gedaante van het
achterlijf bij de beide sexen te doen opmerken, heb ik de
laatste ringen van beide afgebeeld. Fig. 13 stelt die deelen bij
het mannetje voor; a scheen mij toe de penis te zijn; c is de
kop van een der beide zwarte staafjes, welke men ook bij het
wijfje terugvindt; men vergelijke (fig. 14) het vrouwelijke
achterlijf, waar 6 de zaag voorstelt, die zich tusschen de ach-
terkleppen uit naar beneden heeft gebogen. Eindelijk ziet men
bij fig. 15 de zaag en eijerlegger op zijde voorgesteld. Het
bovenste gedeelte, dat aan zijn einde eenigzins getand is, stelt
de linkerhelft van den eijerlegger voor en het onderste de lin-
kerklep der zaag. Men ziet dat deze aan de onderzijde vele
hoekige en plat vierhoekige tanden heeft en dat zij in de
76
zijden met eene menigte rijen van zeer scherpe stekels gewa-
pend is.
Men kan uit hetgeen vroeger gezegd is opmaken, dat er van
deze bladwespensoort slechts eene of ten hoogste twee genera-
tien in het jaar voorkomen. Het is mij evenwel gebleken dat
de ontwikkeling bij de individuen zeer ongelijk is, want Dr.
J. Witewaall heeft mij medegedeeld, dat hij den 4® Juli] 1857
larven van deze soort heeft naar huis medegenomen , waaruit
sommige wespen ontwikkeld zijn den 25” Juli}, dus 21 dagen
daarna en anderen eerst den 29% Mei van het volgende jaar.
Het is zeer moeijelijk de oorzaak dezer onregelmatigheid te ver-
klaren, daar de levensvoorwaarden en omstandigheden toch wel
voor alle larven dezelfde waren.
Laat ons nu nog kortelijk aanstippen in hoe verre andere
schrijvers in hunne opgaven van het door mij vermelde afwijken.
Dat Goedaert onze soort in de 28° Bevindinge van zijn eer-
ste deel heeft bedoeld, maak ik uit verschillende punten , maar
voornamelijk ook daaruit op, dat hij de sprieten der wesp tamelijk
knodsvormig afbeeldt. De levensbeschrijving komt goed over-
een (bij hem bleef ook het insect over de 10 maanden in het
cocon), doch de afbeelding der larve, overigens dragelijk, ver-
toont ons 16 pooten in plaats van 18.
Rösel verhaalt ons dat hij deze larvensoort ook op wilgen
en kruisbezien-struiken heeft aangetroffen; ik neem de vrijheid
dit te betwijfelen en vermoed dat hij de eene of andere Nema-
tus-soort, waarvan er zijn, die sterk op onze Hylotoma gelij-
ken, daarvoor zal hebben aangezien. Hij zegt ook niet dat hij
die larven van wilgen en kruisbes verder heeft opgekweekt en
tot wespen zien ontwikkelen, maar slechts dat hij die gezien
heeft. Dezelfde schrijver zegt ons verder dat de jonge larve het
lijf naar boven ombuigt, ja zelfs dikwijls slechts op de 6
voorpooten rust; indien mijn vermoeden juist is, ligt hier we-
der eene verwisseling met Vematus ten grondslag, welke zich
nu door het vorige gemakkelijk laat verklaren. Al het overige
stemt volkomen met onze waarnemingen overeen.
77
Ook Réaumur spreekt van het houden des ligchaams in S-
vorm; van de voorpooten der larve sprekende, zegt hij dat zij
zich van de rupsen onderscheidt doordien die voorpooten twee
klaauwtjes vertoonen. Reeds de Geer heeft aangetoond dat dit
onnaauwkeurig is en dat men lezen moet in plaats van 2
klaauwtjes, een klaauwtje en een kussentje. Overigens spreekt
hij niet uitsluitend over deze soort, maar in het algemeen
over de bladwespen, zoodat men uit dit generale niet wel het
bijzondere kan uitpluizen. In allen gevalle is het zeker dat de
platen minder juiste voorstellingen geven van de voorwerpen,
vooral de vergroote figuren.
De beschrijving bij de Geer is uitmuntend; hij zegt omtrent
de houding alleen, dat de larven den staart gaarne naar de
buikzijde omgebogen dragen. Hij verbetert Réaumur met op-
zigte tot de pootklaauwtjes. Ook zijne afbeeldingen zijn niet
zeer gelukkig, doch herkenbaar.
Bouché heeft goed gezien en duidelijk beschreven. Brischke
geeft mede eenige afwijkingen in zijne beschrijving, die even-
wel ligt te verklaren zijn, als effect van locaal-verscheidenheid
of ras. Hij zegt dat de stigmata zwart waren; ik zag hen
wit met twee zwarte vlekjes aan de zijden; hij geeft de kleur
van den kop na de laatste vervelling als ,,grünlich oder hell-
braun’ op; ik zag die steeds oranje, gelijk alle overige be-
schrijvers. Ook zest hij dat de zwarte vlek op den staartklep
bij de laatste huidsverwisseling verdween; ik heb het tegen-
overgestelde bij mijne larven waargenomen. Hij zegt mede in
tegenspraak met Réaumur en Rösel, en in overeenkomst met
Bouché en mij, dat de larve de staart naar beneden gebogen
draagt. Merkwaardig is hetgeen hij zegt omtrent de knobbel-
tjes terstond na het vervellen; hij heeft waargenomen dat zij
alsdan het voorkomen hebben van groote grijze blazen met
veel zwarte puntjes er op, en slechts langzaam hare ware ge-
daante verkrijgen. Ook heeft hij bepaaldelijk twee genera-
tien waargenomen.
In mijne Schadelijke Tuininsecten heb ik bij de vermel-
78
ding van deze soort, die ik toen nog niet zelf waargenomen
had, de fouten van Rösel overgenomen,
Parasiten heb ik uit Hylotoma Rosae niet opgekweekt.
to a
© OO A DO m CI
Verklaring van Plaat 2.
Eene zeer jonge larve.
Eene andere, welke eene vervelling meer schijnt on-
dergaan te hebben.
. Eene volwassen larve.
. Haar kop, eerste ring en voorpoot, vergroot.
. Hare zesde geleding, vergroot.
. Hare beide laatste ringen, vergroot.
. Een harer uitwerpselen, vergroot.
. Het cocon in natuurlijke grootte.
. Het cocon, vergroot en met het buitenste spinsel half
afgescheurd.
. De vrouwelijke wesp, vergroot.
. De mannelijke spriet, vergroot.
. De vrouwelijke spriet, vergroot.
. Het einde van het mannelijke achterlijf, vergroot.
» » » » vrouwelijke » »
. De zaag en eijerlegger.
. Een rozentakje, waarin eijeren gelegd waren.
NI
PI
Hvlotoma Rosae, L.
u
SELANDRIA PUSILLA Kiuc.
Ne. 75 der Bouwstoffen.
Vergelijk voor het volkomen insect :
Dr. F. Kuve, Die Blattwespen nach ihren Gattungen
und Arten in: Schriften der naturforsch. Freunde zu
Berlin. Zenthr. Fam. II. A. n°. 50 et 62.
Harrie, Blatt- und Holzwespen, bl. 267 n°. 2.
_ De larve is onbeschreven.
Selandria nigra, nitida, alis infuscatis, cellula lan-
ceolata pedunculata, nulla cellula media in alis pos-
terioribus, genubus, tibiis, tarsisque dilute brun-
neo-flavis.
Dit insect is vrij wat minder bekend, dan het naast voor-
gaande. Ik vind er bij geenen schrijver dan bij Klug en
Hartig melding van gemaakt, terwijl de larve nog geheel niet
beschreven is. Waarschijnlijk is deze soort zeer locaal en slechts
hier en daar in tamelijke hoeveelheden aantetreffen ; misschien
ook heeft de geringe grootte der voorwerpen het hare bijge-
dragen om deze bladwesp voor de haar minder voordeelige
kennismaking met de entomologen te behoeden. Nogthans in-
dien zij op vele plaatsen zoo gemeen ware als in mijnen tuin
binnen Leyden, dan zou hare kleine gestalte haar voorzeker
weinig gebaat hebben, omdat hare bijzondere levenswijze haar
wel moet verraden.
80
In de maand Mei zijn namelijk jaarlijks de rozenboompjes
in den tuin bezet met kleine glimmend zwarte bladwespen.
Op het midden van den dag in den zonneschijn zijn de man-
netjes bijzonder speelsch; de wijfjes een weinig trager. Des
avonds ontdekt men schier geene mannetjes meer en de wijfjes
zitten doodstil tusschen de nog niet ontplooide bladeren. Eenige
dagen nadat men deze diertjes voor het eerst heeft bemerkt,
ziet men de wijfjes hare eijeren leggen. Zij zagen in een jong
blad digt bij den rand eene langwerpige opening en leggen ver-
volgens het ei tusschen de twee bladhuidjes; de wonde is dan
naauwelijks, het ei in het geheel niet te zien. Alleen herkent
men de plaats, waar het ligt, aan hare meerdere bolheid. Het
mogt mij niet gelukken een ei uit het blad los te maken,
doch uit het achterlijf van het wijfje, dat ik openknipte, trok
ik een eijerstok te voorschijn, bevattende negen langwerpig
ronde, porcelein-witte, ongefigureerde eijeren.
Korten tijd daarna ziet men de rozenbladeren van den rand
af naar binnen toe en naar beneden omkrullen en zich oprol-
len, totdat eindelijk het geheele blad op een’ middennerf met
twee rolletjes aan de zijden gelijkt. Men ziet een takje met
dergelijke bladeren aan de onderzijde voorgesteld bij fig. 7,
waar men bij @ nog een wijfje, half onder den bladrand ver-
borgen ziet zitten. Het komt mij waarschijnlijk voor dat het
wijfje, na het leggen van het ei, voortgaat met in het blad,
te beginnen bij den rand, aan de onderzijde kleine sneedjes
te maken, waardoor de groei in het onderhuidje teruggehou-
den wordt; daar nu de groei in het onbeschadigde huidje der
bovenzijde regelmatig voortgaat, moet de slechts aan die zijde
voortgestuwde bladrand wel noodwendig naar beneden gebogen
en het blad alzoo opgerold worden.
Nog tot laat in de maand Mei heb ik de wijfjes van deze
bladwespensoort aan de onderzijde der bladeren aangetroffen.
Op den laatsten dier maand onderzocht ik naauwkeurig een
der opgerolde bladeren en vond er een zeer klein rupsje in,
niet meer dan 3 streep lang (men vergelijke fig. 1). Dit Kleine
81
diertje was geelachtig nagenoeg doorschijnend wit, met een’
zweem van groen. De bolronde glanzige kop was eenigzins
grijsachtig, had pikzwarte oogen en roodachtig bruine mond-
deelen. Op het lijf herkende men met eene sterke vergrooting
eenige haren. Ik telde en hertelde 22 pooten, ’t geen mij
vreemd toescheen, daar Selandria aethiops, die tot dezelfde
afdeeling in dit genus behoort, in larvenstand slechts 20 poo-
ten heeft. De achterpooten werden niet op het grondvlak ne-
dergezet, zoo als onze figuur 1 zulks voorstelt.
Op den 8° Junij onderzocht ik op nieuw eenige bladeren
en vond larven van meer dan tweemaal de zoo even genoemde
lengte, daar deze 8 str. haalden. Mag men daaruit de gevolg-
trekking maken dat deze larven verbazend spoedig groeijen?
De laatste larven waren eenigzins sterker gekleurd, bruinachtig
geel-aan het voorlijf, groenachtig naar den staart toe ; verg. fig. 2.
Bij vergrooting zag men duidelijk dat elk ligchaamssegment in
vier plooijen was verdeeld, waarvan de beide eersten met zes
wratjes bedekt waren, uit elk van welke twee stijve haartjes
te voorschijn kwamen, terwijl de beide laatste plooijen glad
waren; verg. fig. 5. De kop was nu zeer duidelijk groenach-
tig bruin tot aan de kleine voelertjes en van daar af verder
geelachtig wit; ook de omzooming van den clypeus en het be-
nedengedeelte van den voorhoofdsnaad hadden die kleur. De
kop was aan de voorzijde ruw en zoo ver de bruine kleur
strekte, dun met lichtbruine haartjes bezet. De oogen stonden
in ronde zwarte vlekken; de bovenkaken waren aan den grond
geel, verder lichtbruin. Men vergelijke fig. 4.
Korten tijd daarna vond ik in de rozenbladeren geene larven
meer, doch ook geene poppen. Ik moest dus wel aannemen
dat de larven zich van de bladeren naar de aarde begeven
hadden om zich daar te verpoppen. Ik had eenige takjes met
omgekrulde bladeren in eene suikerflesch gedaan, op welker
bodem ik een laagje aarde had gestrooid. Ik heb daarin wel
cocons gevonden, welke van spinsel inwendig en zandkorrels
uitwendig zeer sterk ineengeweven waren en waarvan ik er een
6
82
bij fig. 5 heb afoebeeld. Later heb ik evenwel in die flesch
geene bladwespen maar wel parasiten aangetroffen.
Men zal mij nu de objectie maken, dat mijne levensbeschrij-
ving niet volledig is. Ik erken dat daaraan veel ontbreekt ;
dat ik geen stellig bewijs heb, dat de beschreven larve bij deze
wesp behoort en dat het altijd mogelijk is dat de larve van
Selandria pusilla eene andere gedaante en levenwijs heeft,
dan de beschrevene. Ik erken dit, doch heb nogthans de
waarschijnlijkheid der indentiteit zoo groot gevonden dat ik haar
bijna met de zekerheid van het regtstreeksche bewijs reken ge-
lijk te staan. Niet eene enkele, maar honderd en meer blad-
wespen van dezelfde soort zagen gaatjes in de rozenbladeren,
welke ten gevolge daarvan omkrullen; in de omgekrulde ge-
deelten vindt men niet eene enkele, maar meer dan honderd
larven, die allen op elkander gelijken. Zouden nu deze larven
niet het kroost der vroegere bladwespen zijn?
De wesp (verg. fig. 6) is glimmend zwart. De kop is breed
met zeer donker bruine oogen, zwarte sprieten, weinig minder
lang dan kop en borststuk te zamen genomen, en vuilgele pal-
pen. De rug en zijden van den thorax zijn glad, glimmend
zwart; het achterlijf evenzoo, doch dit is aan de buikzijde
met eenige zijde-achtige haren bekleed. De vleugels zijn zwart-
achtig, als berookt; de ondervleugels zijn ietwat lichter. De
randader en het vleugelstigma der voorvleugels zijn breed en
zwart; de loop der aderen is, gelijk zulks by de kleinere
Selandrien meer plaats grijpt, weinig standvastig. Aan de
pooten zijn alle heupen zwart; de dijen der voorbeenen (zie
fig. 8) zijn tot de helft zwart, dan vuilgeel; die der middel-
pooten tot twee derde zwart, dan vuilgeel; die der achterpoo-
ten zwart met vuilgele knieën. De pooten der beide eerste
paren zijn verder vuilgeel, die van het laatste paar meer zwart-
achtig , vooral aan de tarsen, Lengte van het geheele dier nog
niet 5 streep.
De zeer eenvoudige zaag en eijerlegger ziet men afgebeeld
bij fig. 9.
Bel: RE ET
PARUS
a ifn en ;
LA FT AE A NER
7 4
# [LAS Se
GR EE
ARS el
WE
beng as
un
v
ci vin
SEITE MER | |
RUE EN ART 14 Hi: È TT
fl nr] SI, | |
i a 1
au
UE
| ! war
x se
1
| a
i re N
yu
. è
Nea uit.
y ke *
A
Kr
ou
Selandria pusilla, Klug.
EL Sr
83
Wanneer men de wespjes aanraakt, vliegen zij gewoonlijk
niet weg, maar trekken sprieten en pooten tegen den buik aan
en laten zich over de bladoppervlakte rollen en van daar op
den grond vallen, waar zij eene poos stil blijven liggen tot het
hun toeschijnt dat het gevaar geweken is.
De parasiet, die bij mij uit het cocon te voorschijn kwam,
was een nog niet beschreven Zchneumon, behoorende tot de
eerste sectie van Gravenhorst, met geheel zwart schildje en
achterlijf.
Verklaring van Plaat 3.
Fig 1. De jonge larven, vergroot.
» 2. De volwassen larve, in natuurlijke grootte.
» 5. Een segment, vergroot.
» 4. De kop van voren, sterk vergroot.
5. Het cocon.
» 6, De wesp, vergroot.
» 7. Een rozentakje met omgekrulde bladeren en daarop a
de wesp.
» 8. Een voorpoot der wesp , vergroot.
» 9. Eijerlegger en zaagboor, sterk vergroot.
6*
CLADIUS UNCINATUS Klug.
N°. 21 der Bouwstoffen.
Vergelijk voor het volkomen insect:
Hartic, Blatt- und Holzwespen bl. 176. N°. 5.
Cladius ater subnitidus, pedibus rufo-flavis, exceptis
coxis, apophysis omnibus, nec non parte antica fe-
morum anteriorum, quae nigra sunt, articulis tarso-
rum ultimis et alts nigricantibus.
Reeds in het jaar 1844 deelde ik in het Zydschrift voor
natuurlijke geschiedenis en physiologie, XI° deel, 2° stuk,
de beschrijving van de larve dezer soort mede; ik heb sedert
dit insect bijna jaarlijks in de maand September aangetroffen
en eenige verscheidenheden van de larve gezien, doch het is
mij tot heden nog niet mogen gelukken de larve in het jongste
levenstijdperk aan te treffen. Alle larven, die ik zag, waren
volwassen. Ik veronderstel dat de jonge larven op de toppen
der oude ijpenboomen leven en dat zij eerst later langs de
stammen afdalen; het zal dus, indien mijne onderstelling juist
is, slechts door een toeval geschieden, wanneer iemand de jon-
gere larve leert kennen.
De volwassen larve treft men in de maand September op de
stammen der ijpenboomen aan, waar zij zich in eene spleet
van den bast zal inspinnen. Zeer dikwijls vindt men haar ook
op steenen palen, welke onder ijpenboomen staan, Zoo kan
ik haar jaarlijks in tamelijke menigte verzamelen op de steenen
palen van het voetpad langs den straatweg van Leyden naar
Leyderdorp. Zij wordt op onze 4° Plaat vergroot voorgesteld,
85
Zij zijn geelachtig helder groen, 1,5 Ned. duim lang, vrij dik
naar mate van de lengte. De kop is zeer licht groen, met
eene bruine of zwarte vierhoekige vlek op den schedel, welke
vlek door eene fijne lichtgroene steeep in twee gelijke deelen
verdeeld is. De oogen zijn zwart en staan in ronde zwarte of
vuilbruine vlekken; op den clypeus staat meestal een zwart-
achtig veegje; de monddeelen zijn lichter of donkerder bruin-
achtig; de bovenzijde van den kop is dun behaard; zie fig. 5.
Het geheele lijf is platter en breeder dan zulks gewoonlijk bij
de larven der bladwespen het geval is. Over den rug loopt
eene donkerder streep, zijnde het doorschijnende ruggevat (zie
fig. 1). Aan de zijden van het ligchaam ziet men op iedere
geleding twee uitstekende verhevenheden, waarvan de voorste
grooter is; beiden zijn met eenige lange witte haren bezet (ver-
gel. fig. 2). In het geheel zijn er 20 pooten aanwezig, waar-
8;
van de voorsten glasachtig groen zijn en gelijk fig. 4 voorstelt,
uit vijf geledingen bestaan, Het 1° lid is rond en dik, en staat
verticaal; de overigen staan min of meer horizontaal. Het 2°
draagt aan de onderzijde vier borstelharen, het 3° aldaar een’
dikken vleeschknobbel, het 4° is cylindervormig, het 5° bestaat
uit een knobbeltje, waarop een vrij groote hoornachtige bruine
klaauw staat. Op de bovenzijde van den poot ziet men vif
borstelharen.
Onder het lyf bevinden zich zes paar groene vleezige buik-
pooten en aan het laatste segment twee naschuivers. Boven
den anus staat dikwijls, doch niet altijd, eene bruine vlek. De
varieteiten dezer larve zijn roodachtig of grijsachtig van kleur
met donkerder koppen.
Gelijk wij zeiden, spinnen zij zich in reten en spleten van
boomstammen in; de spinsels zijn dubbel; het bovenste is los,
groenachtig of geel van kleur en gelijkt wel eenigzins op
gedroogd schuim terwijl het onderste dikker is van weefsel
en licht roodachtig gekleurd; verg. fig. 5 en 5a. Onder
deze bedekkingen blijven de larven den winter door verborgen
liggen en veranderen in het voorjaar, door het uitschuiven van
86
het fijne opperhuidje in glasachtig blinkende popjes, uit welke
zich in het begin van Mei of somtijds reeds in April de wes-
pen ontwikkelen, die in den zonneschijn om de ijpenboomen
rondvliegen. Hieruit kan men bij gevoltrekking opmaken, dat
de larve zich van ijpenloof voedt; of er evenwel meer dan eene
generatie in het jaar bestaat, is mij onbekend.
Van de volkomene inseeten zijn beide geslachten zwart, op
het borststuk zeer dun en kort grauw behaard, met bleekroode
voelers aan den mond en steenroode pooten, waarvan evenwel
alle heupen, apophysen en de basis der vier voorste dijen zwart
zijn; de twee laatste segmenten der tarsen zijn zwartachtig.
Bij het mannetje zijn de vleugels insgelijks zwartachtig, by
het wijfje lichter met grauwen randader en grauw stigma.
Het eerste is 6, het andere 7 streep lang. De sexen onder-
scheiden zich voorts door den vorm der sprieten; die van het
wijfje zijn eenvoudig borstelvormig en slechts met bijna on-
merkbare haartjes bezet (zie fig. 7); bij het mannetje
daarentegen (zie fig. 8) is de derde geleding naar onderen in
een’ harigen knobbel verlengd, terwijl ook de volgende gele-
dingen aan de onder- en binnen-zijde met zwarte uitstaande
haren bezet zijn.
De eijerlegger (zie fig. 10) is bij deze species kort en ge-
drongen, dik, en gekromd als een snoeimes; de zaag (zie fig,
9) is nog een weinig korter en uit platgedrukte ringen be-
staande, die aan de kanten waarmede zij op elkander schui-
ven gekerfd en bovendien van onderen met een knobbeltje en
een haakje voorzien zijn.
De eijeren, die ik uit het abdomen van een wijfje gehaald
heb, waren hooggeel gekleurd en lang boonvormig.
Het komt mij voor dat deze soort meer bijzonder aan ons
land eigen is, daar ik van haar alleen melding gemaakt vind
in het werk van Hartig en deze zegt, dat hij slechts twee voor-
werpen gezien heeft. Het is desniettemin zeer mogelijk dat zij
ook in Engeland in groote hoeveelheid voorkomt en eene der
RET PA AE
a
4
Pl. 4.
AJW sculps
S.v V fec
Cladius uncinatus, Klug i
87
soorten is, die door Stephens (volgens Curtis Brit, Ent, n°, 457)
wel benoemd, maar niet beschreven zijn.
Uit deze soort is bij mij als parasiet te voorschijn gekomen
Campoplex argentatus Grav.
Verklaring van Plaat 4.
Fie. 1. De volwassen larve, tweemaal in lengte vergroot.
» 2. De knobbels op de zijde van een segment, sterk vergroot.
. De kop, sterk vergroot.
. Een voorpoot, met nog sterker vergrooting.
. Het spinsel; aldaar bij @ het binnenste hulsel.
3
4
5
» 6. De vrouwelijke wesp, vergroot.
7. Haar spriet, sterker vergroot.
8. De spriet van het mannetje, bij dezelfde vergrooting.
9. De zaag, zeer sterk vergroot.
» 10. De cijerlegger, mede zeer sterk vergroot.
MEDEDEELINGEN
OVER NEDERLANDCHE LEPIDOPTERA,
Rene STUK ,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
Apamea furuncula W. V.
Hoewel deze soort sedert lang bekend is, in Europa op vele
plaatsen voorkomt, en ook in ons vaderland, vooral in de pro-
vincien Noord- en Zuid-Holland, niet tot de zeldzamen behoort,
schijnt men van hare rups en levenswijze nog zeer weinig te we-
ten. Ik heb ten minste nergens eenig berigt dienaangaande
kunnen aantreffen. Tot op Treitschke’s tijd was de rups, vol-
gens hem, nog onbeschreven, en of in eenig ander werk, na
zijne Schmetterlinge von Europa verschenen, iets omtrent
de eerste toestanden van #uruncula voorkomt, weet ik niet.
Ik geloof weinig gevaar te loopen van lang bekende zaken te
herhalen, als ik mijne waarnemingen aangaande deze soort
hier mededeel.
Het is reeds een paar jaren geleden, dat ik de rupsen ont-
dekte en daaruit den vlinder verkreeg, doch toenmaals vond
ik slechts een drietal, waaromtrent ik weinig waarnemingen
kon doen. In het afgeloopen voorjaar evenwel een twintigtal
vindende, was ik beter in de gelegenheid haar gade te slaan, en
heb toen eene beschrijving naar het leven genomen.
89
Eene geheel volwassene rups is 5 Ned. duim lang, in ge-
daante zeer naar die van Æpamea didyma gelijkende, name-
lyk in het midden dik, en aan de einden vrij dun, en even
als genoemde soort stijf en glanzig. De kleur is op den rug
licht rood, bijna vleeschkleurig
g, en op den buik vuilwit naar
het groene trekkende. Op het midden van den rug ziet men
eene eenigzins donkerder ader; die de roode kleur in twee
gelijke, breede streepen scheidt. De kleine kop en de zeer
korte voorpooten zijn lichtbruin. De mede korte buikpooten
en naschuivers hebben de kleur van den buik. Het halsschild
loopt door zijne kleur weinig in ’t oog, evemin als de lucht-
gaten.
Ik vond deze rupsen in eene zeer hardbladige grassoort, die
bij groote stoelen groeit, op eene onbebouwde plek bij Rotter-
dam. Zij werden aangetroffen in het onderste gedeelte der
halmen, dat zij uiteten, even als de rupsen van Didyma en
Strigilis doen. Als zij het binnenste van eenen stengel tot
onder toe uitgegeten hebben, verlaten zij dien en zoeken eenen
verschen uit. Deze verhuizingen hebben des nachts plaats.
Haar groei is vrij langzaam, daar men haar reeds tegen half
April bespeurt, en zij niet voor Junij volwassen zijn. Ge-
durende dien tijd ondergaat haar uiterlijk weinig verandering;
alleen is de roode kleur op den rug in hare jeugd wel zoo
sterk als in rijperen leeftijd. Eene rups, die gaat inspinnen,
wordt bijna geheel wit. In de wijze waarop zij dit werk ver-
rigt, wijkt zij van Didyma en Strigilis af, want deze bege-
ven zich in de aarde; Zuruncula daarentegen, meer de /Vo-
nagrien nabijkomende, maakt in eenen uitgevreten halm een
spinsel onder en boven zich, en verandert dan na 14 dagen
in eene lichtbruine, lange pop, van eene soort van snuit voor-
zien, even als die der Nonagrien, waaraan ook hare gedaante
‘overigens herinnert. Na cene rust van ongeveer 5 weken komt
de vlinder in den loop der maand Julij uit, in menigvuldige
varieteiten. Wanneer de eijeren gelegd worden heb ik niet
waargenomen , vermoedelijk komen de rupsjes eerst na den
90
winter uit, omdat men voor denzelven geene spoor er van ont-
dekt, en het mij waarschijnlijk voorkomt dat Furuncula ook
in dat punt met de Nonagrien zal overeenkomen.
Ik heb mijne rupsen bijna allen in het genoemde hardbladige
gras gevonden, hetwelk witte eenigzins roodachtige stengels
heeft; in andere soorten vond ik slechts twee stuks; doch dat
zij niet alleen, en ook niet hoofdzakelijk in dat gras leven,
bewijst het talrijk voorkomen van den vlinder langs de plassen
bij Rotterdam, waar die plant, die op drooge gronden schijnt
te huis te behooren, niet groeit.
Omtrent de levenswijze van den vlinder heb ik niets mel-
denswaardigs waargenomen.
Apamea strigilis L.
Sedert mijne mededeeling over deze soort in dit Tijdschrift
Deel I pag. 117, heb ik dezelve nog meermalen gevonden, en
ook eene beschrijving naar het leven genomen, die ik hier als
eene aanvulling geef.
Eene volwassene rups van Sirigilis is, even als die van
Furuncula, 3 Ned. duim lang, minder stijf, en aan de ein-
den niet zoo verdund als deze en die van Didyma. De kleur
is op den rug bleek paarsachtig bruin, door 5 vuilwitte duide-
lijke lijnen gedeeld, eene op het midden van den rug, en aan
wederzijde twee meer naar onderen toe. De laatsten staan
zeer kort bij elkander, zoodat zich, tusschen dezelve de bruine
kleur als afgebroken langwerpige vlekken vertoont.
De onderste helft van het ligchaam is groenachtig vuilwit;
de luchtgaten klein en zwart; de kop klein, lichtgeelbruin,
even als de voorpooten. De achterpooten en naschuivers heb-
ben weder de kleur van den buik.
Deze rupsen zijn in ’t laatst van April volwassen , verpoppen
in de eerste helft van Mei, in de aarde, en de vlinders komen
in ’tbegin van Junij uit.
Ik heb tot dusverre alle varieteiten van dezen, in kleur zeer
91
veranderlijken vlinder, uit dezelfde rupsen gekweekt, behalve
de roode en leemkleurige, doch daar het verschil tusschen deze
laatste, den type, en de varieteit Ze/hiops zich alleen tot de kleur
bepaalt, vermoed ik, dat zij ook wel tot dezelfde soort zullen
behooren, en welligt de oorzaak van haar ongewoon uitzigt in
het voedsel zal liggen.
Dit heb ik ook nog opgemerkt, dat de exemplaren die tot
den type behooren, over het algemeen veel kloeker gebouwd zijn
dan die der varieteiten, die men Zatruncula en Aethiops heeft
genoemd ; zulks is niet alleen het geval bij de gekweekte voor-
werpen, maar ook bij die, welke ik ving.
De rupsen van Strigilis leven in dezelfde grassoorten als
die van Didyma.
Apamea fibrosa Hubn..
Ook van deze soort is, voor zoo verre mij bekend, de rups
nog onbeschreven. Wel is waar komt bij Treitschke (Schmet-
terlinge von Europa V. 2. p. 332) eene beschrijving voor van
eene rups, die de larve van #ibrosa zou zijn, maar ik zal la-
ter de redenen opgeven, die mij doen veronderstellen, dat de
door hem bedoelde rups, dit niet is.
Ik vond de rupsen dezer soort in het begin der maand Julij,
in het binnenste van de plant, die men hier te lande de pink-
sterbloem noemt (/ris Pseudacorus?). Zij voedden zich met
het merg der dikste bladeren, welke zij tot ongeveer een paar
handbreedten hoog van den grond uitvraten. Hooger kwamen
zij niet, ook vond ik haar meest in de bladeren, zeldzaam in het
eigenlijke hart der plant, terwijl zij den bloemstengel onaan-
geroerd lieten. De voorwerpen, die ik vond, waren allen vol-
wassen, door hunne laatste vervelling heen, zoodat ik niet kan
zeggen, hoe zij er in hunne jeugd uitzien. Zij waren onge-
veer 4 Nederl. duim lang, iets korter, breed en plat van vorm,
even als eene rups van 4grotis Exclamationis, waaraan haar
uitzigt dadelijk herinnert. De kop is klein. Hare kleur is bo-
venop donker potloodkleurig met eene zigtbare rugader en eene
9 d
ef di
fijne lichtere streep aan iedere zijde van den rug; de buik,
achterpooten en naschuivers zijn licht groenachtig grijs, de
kop en voorpooten licht bruin. Achter den kop ziet men een
lichtbruin hoornachtig halsschild, als eene halve maan gevormd,
geheel door eenen donkeren rand omgeven, en boven de na-
schuivers op den staartklep nog een dergelijk schild, don-
kerder bruin dan het halsschild. Voorts vindt men op iederen
ring eenige zwarte stippen, geplaatst als volgt: boven op tus-
schen de twee lichtere strepen staan er vier, welke de grootsten
zijn; de twee voorsten staan verder van elkander dan de ach-
tersten ; zijwaarts naar de pooten vindt men, op de ringen
die daarvan voorzien zijn, de luchtgaten, die zich mede als
zwarte stippen vertoonen, en naast zich twee kleinere stippen
hebben, welke ook op dezelfde plaats op de ringen staan, die
geene stigmaten hebben. Eindelijk heeft iedere buikpoot nog twee
punten, en de klep boven de naschuivers 4 vrij groote, in een
regelmatig vierkant staande. Die vier punten worden door een
hoornachtig dwarsstreepje gescheiden van het voor beschreven
schild, waarboven zij staan.
Ik voedde mijne rupsen nog ruim 14 dagen, als wanneer zij
zich tot hare verandering in poppen begonnen voor te bereiden.
Eenigen deden dit, door boven in het binnenste der bladeren
een il spinsel te vervaardigen, met wat afkaauwsel vermengd ,
op de wijze der rupsen van Furuncula, in welk spinsel de
pop overeind stond. Anderen maakten eene holte in de voch-
tige aarde, waarin ik de bladeren en stengels had geplaatst,
en veranderden daar in poppen. Deze waren vrij groot, licht
bruin, aan den kop dik, zonder snuitvormig uitsteeksel, en
dun van achtereinde, hetwelk vrij spits toeliep. Drie of vier
weken na de verpopping, welke spoedig na het inspinnen
plaats had, kwamen de vlinders uit, in de eerste helft van
Augustus. Ik bekwam enkel voorwerpen, die tot den vorm
(of het ras) behoorden, welken men met den naam van Zeu-
costigma heeft bestempelt, en welke ook veel meer voorkomt
dan de type, met licht geel gekleurden gewaterden band, en
95
duidelijke teekeningen. De vlinder komt overigens op moeras-
sige plaatsen bij Rotterdam, waar zijn voedsel groeit, nog al
voor. In andere planten als de genoemde, heb ik de rups
niet gevonden.
De rups die Treitschke beschrüft, was ook in de geele wa-
terlelie (Iris Pseudacorus) gevonden, doch in den bloemsten-
gel, en toen ik dus in de bloemstengels van dezelfde plant, in
wier bladeren mijne bovenbeschrevene rupsen huisden, kleinere
vond, waarop Treitschke’s beschrijving volkomen paste, dacht ik
niet anders dan jonge voorwerpen van dezelfde soort, als waartoe
de grootere behoorden, te bezitten, hoewel het verschil in
vorm (de kleinen waren rond en dun) mij eenigen twijfel liet.
Doch toen mijne jonge rupsen na haren voorraad bloemstengels
te hebben uitgegeten, weigerden de bladeren aan te raken,
in hare verblijfplaats rondkropen, en er zelfs eenige stierven,
vermoedde ik twee soorten te bezitten, schoon nog niet we-
tende, welke Fibrosa was. Ik begaf mij toen op weg om nog
eenige van die stengeleters op te sporen, en vond 4 grootere,
die even als de vroeger ontdekten, alleen het merg der bloem-
stengels wilden eten en daarin ook verpopten. Zij leverden
mij echter niets anders dan Gortyna, Flavago, welke soort ik
reeds had verwacht te zullen bekomen toen ik de poppen zag.
De eenigzins onduidelijke afbeelding bij Sepp, en het vreemde
voedsel, hadden mij in ’t eerst niet op de gedachte gebragt,
dat het #lavago kon zijn
Uit mijne bovengemelde waarneming blijkt, dat Treitschke’s
rups, welker beschrijving volstrekt niet op mijne echte Fibrosa-
rupsen past, maar wel op de Flavago-rupsen, ook tot deze
laatste soort behoorde.
Senta Ulvae Hbn.
Nadat ik aan den heer Snellen van Vollenhoven, voor de
plaat in Sepp’s werk, mijne aanteekeningen over deze soort had
toegezonden , werd ik door ZEd. en door den heer de Graaf, op-
94
merkzaam gemaakt op een stuk van den heer Fr. Schmidt,
in de Stettiner Entomologische Zeitung van 1858, dat,
mijne opgaven in zooverre tegensprak, als daarin werd ver-
meld, dat de rups van dezen vlinder zich nze¢ met plantaar-
dige stoffen zou voeden, maar alleen met dierlijke — iets,
waarvan ik niet alleen niets vermoedde, maar zelfs zeker meende
te zijn van het tegenovergestelde. Al hetgeen door genoemden
natuuronderzoeker in zijn bovenvermeld, zeer belangwekkend
stuk over de levenswijze en geschiedenis van onderscheidene Le-
pidoptera wordt vermeld, droeg naar mijn inzien te zeer den
stempel van naauwkeurigheid, dan dat men zijne opgaven geen
vertrouwen zou verleenen. Hoewel ik dus geen spoor had ontdekt
van de opmerkelijke eigenschap — tot nog toe, voor zoover mij
bekend, zonder voorbeeld bij eene Noctuiden-rups — die
Schmidt aan de rups van Ulvae toeschrijft, en wij toch beiden
ongetwijfeld dezelfde diersoort hadden waargenomen, wilde ik
de zaak vooreerst nog onbeslist laten, en stelde mij voor, haar
op nieuw grondig te onderzoeken.
In het najaar van 1859 mogt het mij niet gelukken de Ulvae-
rupsen voor hare overwintering te bekomen, ‘tgeen mij zeer
speet, daar ik ook; terwijl zij in dien toestand waren, hare
gewoonten op nieuw had gewenscht na te gaan, daar de heer
Schmidt, als ik mij niet vergis, niets meldt van het vinden
dezer dieren voor den winter. De hooge waterstand der plassen
belette meestal de opsporing. Doch toen de winter voorbij
was, begaf ik mij weder aan het werk, en had het genoegen,
in de maanden Maart en April eenige voorwerpen te bekomen,
waarmede ik nu dadelijk proeven in het werk stelde.
De eerste rups, die ik ongeveer half Maart vond, was zeer
welgedaan en levendig. Ik zette haar in eene doos, waarin ik
geen riet of andere plant deed, maar alleen een exemplaar van
eene soort van Coleopteren-larve, die men in het voorjaar veel-
vuldig in rietstoppels aantreft, en welke ruim half zoo groot
is als eene Ulvae-rups, verder donker bruin en eenigzins harig. Om
dit dier te beletten mijne rupsen te beschadigen, drukte ik het
95
den kop in, zonder het geheel te dooden, en deed het in de
doos bij de Ulvae-rups. Den volgenden morgen was tot mijne
verwondering de larve verdwenen, op een klein stukje vel na.
Dat nu de rups van Ulvae gretig andere larven opeet, bleek
mi uit deze proef; maar nu wilde ik ook eens onderzoeken,
in hoeverre zij al of niet afkeerig was van plantenvoedsel. Het
laatste bleef ik ondanks de stellige verklaring van Schmidt ver-
moeden, daar ik in eenen rietstoppel, waarin zich eene Ulvae-
rups onthield, uitwerpselen had gevonden, die door kleur en
verschheid bewezen, dat zij van plantenvoedsel afkomstig en
zeer kort geleden geloosd waren. Ik liet derhalve mijne rups
een paar dagen vasten en deed daarop, des avonds, even als
ik met de Coleopteren-larve had gedaan, een paar jonge uit-
spruitsels van gewoon riet in de doos, mij wel overtuigende,
dat deze goed gaaf waren en niet afgevreten. Den volgenden
morgen zag ik, dat de rups daarvan vrij belangrijk genuttigd
had, zoodat het voedsel haar ongetwijfeld wel had gesmaakt ;
groene uitwerpsels, in den loop van den dag geloosd, gaven
ook blijk van het gebruiken van het riet. — Twee dagen daarna
op nieuw eene rups van Ulvae vindende, nam ik ook met deze
de proef, door met haar eene rups van Chtlo phragmitellus
op te sluiten. Dat dier werd door de rups van Ulvae mede in
eenen nacht verslonden. Toen zette ik mijne rupsen, waarbij
ik nog eene derde voegde, in eene suikerflesch, met een plantje
jong rietgras, en eenige rietstoppels om zich in te verbergen.
Ik nam weder waar, wat reeds in Sepp was medegedeeld, na-
melijk dat de rupsen des nachts zeer onrustig waren, en aan-
houdend rondkropen. Zij lieten elkander ongedeerd, en ook,
gedurende eenige dagen, eene rups van Phragmitellus, die ik
met haar opgesloten had. Deze laatste verdween eindelijk,
waarschijnlijk in de maag van eene der Ulvae-rupsen. Tegelijk
bemerkte ik dat het riet mede op onderscheidene plaatsen was
afsevreten, hetgeen de PAragmitellus niet gedaan kon hebben,
daar deze dieren zich nooit met de bladeren, maar met het
binnenste der rietwortels voeden.
96
Ik verwachtte nu dagelijks mijne Ulvae-rupsen te zien in-
spinnen, doch moest hierop eenen geruimen tijd wachten , zoo-
dat mijne rupsen (die intusschen des nachts ijverig rondkropen
zonder evenwel meer van het riet te vreten) nog niet ingespon-
nen waren op een tijdstip, waarop ik gewoonlijk reeds poppen
had. Mijne laatstgerondene rups werd buitendien al kleiner en
kleiner, zoodat ik, vreezende dat gebrek aan voedsel de oorzaak
van haar achteruitgaan was, besloot ook met deze te beproeven
of zij dierlijk voedsel gebruikte. Ik koos daartoe eene pop van
Simyra venosa, waarin ik een klein gaatje maakte, en toen de
pep kort bij de Ulvae nederlegde. Zoodra deze het haar aan-
gebodene bemerkte, kroop zij er met drift naar toe, begon
dadelijk het vocht op te zuigen, en bleef daarmede eenen ge-
ruimen tijd bezig, het gat in de pop zoo wijd makende, dat
zij haren kop er geheel door kon steken. Door de vrij belang-
rijke hoeveelheid voedsel, die zij tot zich genomen had (de pop
was ruim half ledig) was de rups nu tamelijk in omvang toe-
genomen; zij begon echter spoedig weder te verminderen, en
verdroogde eindelijk geheel, zonder dat ik de half ledige pop
van Venosa weder door haar, of door hare medgezellinnen heb
zien eantasten, evenmin als zij op eene pop van P. Machaon,
die ik in hare verblijfplaats had gelegd, zonder er een gat in
te maken. eenige acht sloegen.
Na al deze proeven houd ik het er voor, dat Ulvae een dier
is van denzelfden aard als VW. Trapezina,; dat namelijk haar
gewoon voedsel uit planten (de bladeren van het gewone riet)
bestaat, doch dat zij, even gretig als de rups van laatstge-
noemden vlinder, die daarom met regt den naam van Hyena
draagt, andere larven en poppen aanvalt.
De heer Schmidt geeft nog zijn vermoeden te kennen, dat
men onder den naam van Ulvae verscheidene soorten zou ver-
warren, uithoofde zijne vlinders te zeer uiteen liepen om naar
zijn inzien allen tot eene species te kunnen behooren.
Ik kan intusschen stellig verzekeren, dat al de vormen, waar-
van hij spreekt, namelijk de bij Hübner afgebeelde, de varie-
97
teit Bipunctata (Guenée’s var. A) zijne varieteit Wismariensis
(Guenée’s var. B.) en die welke bij Herrich-Schäffer (Syst.
Bearb. Deel. If Noct. fig. 397) is afgebeeld, allen tot eene
soort behooren en uit volmaakt gelijke rupsen voortkomen.
Ook in vorm enz. der poppen kon ik geen onderscheid be-
speuren. Al de vormen heb ik herhaaldelijk gekweekt. Over-
gangen heb ik nog wel niet tusschen genoemde vier vormen
getroffen, doch het geheele verschil bepaalt zich tot het al of
niet aanwezig zijn van en de verdeeling der zwarte kleur op de
voorvleugels. De rupsen, die ik in dit jaar tot verpopping heb
gebragt (twee), zijn eerst in het begin van Julij ruim 5 weken
na den gewonen tijd, uitgekomen. Waaraan zulks toe te schrij-
ven zij, weet ik niet.
Ten slotte merk ik aan, dat Heinemann, in zijne Schmet-
terlinge Deutschlands und der Schweiz den naam Marittima
(Tauscher) als de oudste, voor onze soort gebruikt. Waar, en
wanneer Tauscher Voct. Ulvae Hübn. onder den naam van Mari-
tima beschreef, is mij onbekend, en ik zoude hieromtrent
gaarne ingelicht worden.
Eupithecia pimpinellata Hübn.
Onder de Geometrae zijn die kleine soorten, die men in
het genus Eupithecia vereenigd heeft, wel het moeijelijkst te
leeren kennen, wegens haar aantal, kleinheid en eenvormige
teekening. Van zeer weinige soorten heeft men berigten aan-
gaande hare rupsen, en van slechts zeer enkelen zijn deze
goed bekend; de meeste auteurs toch, in plaats van, zoo als
gewoonlijk , liever hunne voorwerpen als nieuwe soorten te be-
schrijven als zij er den naam niet spoedig van vinden, schij-
nen altijd hun best gedaan te hebben, hunne dieren tot reeds
vroeger gepubliceerde soorten te brengen, waardoor men de
meest tegenstrijdige berigten aangaande de rupsen van dezelfde
soort vindt (vergelijk Treitschke, bij onderscheidene der kleine
soorten van zijn genus Lareniia).
98
Eene der soorten die het minst bekend zijn is Eup. pimpi-
nellata Hübn., hoewel door een aantal schrijvers vermeld. Gue-
née geeft in de Suites à Buffon, Uranides et Géométrides,
Tome II, pag. 525 n° 1428, eene zeer duidelijke beschrijving
onder dien naam van eene soort, welke volkomen op eenige
exemplaren past, die ik uit de rupsen kweekte, en waarvoor
ik op zejn gezag den naam Pimpinellata Hübner aanneem,
onder voorbehoud van later onderzoek, daar ik Hübner niet
kan vergelijken. Hij voegt bij zijne beschrijving de opgave,
dat onder de oudere auteurs alleen Hübner deze soort onder
den naam van Pimpinellata heeft bedoeld, en dat Herrich-
Schäffers Pimpinellaria fig. 155 (Syst. Bearb. DI. III, Geome-
trides) tot Denotata Hübner f. 455 behoort !).
Verder citeert hij bij zijne Pimpinellata: Albipunctata Ha-
worth—Stephens— Wood et Pimpinellata Dup. V, p. 465, pl.
203 f. 5.
Heinemann, die welligt bij het zamenstellen van zijne: Schmet-
terlinge Deutschlands und der Schweiz, in 1858 uitgegeven, niet
in staat was, het bovengenoemde werk van Guenée, dat in
1857 het licht zag, te raadplegen, beschrijft dezelfde soort die
Guenée bedoelt, mede vrij kenbaar, onder den naam van Tri-
punctaria (zie pag. 810), waarbij hij aanhaalt: HS. fig. 461.
Eup. tripunctaria, eene afbeelding waarin ik stellig geene af-
teekening miner Pimpinellata’s zou gezocht hebben, en die
ik ook bijna stellig durf verzekeren, dat ten onregte door Hei-
nemann geciteerd wordt.
Men zal mij deze lange voorrede ten goede houden als ik
zeg, dat ik vermeen dat het noodig was, om bij een zoo moei-
jelijk genus, zoo naauwkeurig mogelijk te omschrijven, welke
soort bedoeldt wordt bij de beschrijving mijner rups, ten einde
allen twijfel voor te komen. — Ik bedoel dus Pimpinellata
1) Ik merk hier in het voorbijgaan op, dat de afbeeldingen vau Eupi-
thecia’s van Herrich-Schäffer weinig hebben bijgedragen om de bestaande
duisterheden op te helderen, maar die integendeel nog hebben vermeerderd.
99
Hübn. (volgens Guenée) = Tripunctaria Heinemann (nec HS. ?)
In de maand Augustus van het vorige jaar 1859 vonden de
heer Fransen en ik, nabij Rotterdam, op den bloesem van
Beerenklaauw , eenige spanrupsjes, die ons toeschenen tot 2
soorten te behooren.
Twee derzelve waren ruim anderhalve nederlandsche duim
lang, en circa 1!/, streep breed, zeer licht witachtig groen,
met 5 donkergraauwe winkelhaaksche vlekken op den rug,
welker spits naar den kop toe stond, Tusschen deze en de
pooten zag men nog aan wederzijde op ieder lid van het lig-
chaam een klein graauw vlekje, en daaronder een zeer fijn
streepje.
De anderen (4 in getal) waren even lang, doch schenen ron-
der; hare kleur wisselde tusschen wit, lichtgroen en wit met
eenen rooden tint (vieeschkleurig). Zij hadden 4 flaauwe witte
lijnen over de geheele lengte van het ligchaam, en eene don-
kerder lijn (het ruggevat) over het midden, en waren voorts
zonder verdere teekening.
Ik verwachtte uit de twee zoo verschillende soorten van rup-
sen ook twee soorten van vlinders, kweekte haar dus afzonder-
lijk, en hield ook de poppen gescheiden, doch was niet weinig
verwonderd, bij het uitkomen in het begin van Mei, allen
volmaakt gelijke exemplaren te bekomen, die volkomen met
Guenée’s beschrijving, en bijzonder met die zijner varieteit A
overeenstemden. Het zijn eigenlijk de versche, gave vlinders
die overeenkomen met de beschrijving dezer varieteit ; gevlogene
worden zeer spoedig lichter, ook door het verschieten der kleur.
Men kan dus zeggen dat de bedoelde varieteit niet bestaat. Bij
mijne versche, nog onopgestoken exemplaren liep eene helder
witte punt, op het midden van den rug staande, zeer in het
oog — het is welligt om deze reden dat de Engelsche schrij-
vers onze soort Albipunctata noemden.
Dat de rupsen van meer soorten van Eupithecia dan de
hier besprokene, sterk varieren, blijkt uit de afbeelding der
rupsen van Zupith. signata Scopoli (Centaureata W. V.) bij Sepp.
mx
100
De ijverige natuuronderzoekers, waaraan wij de afteekening en
beschrijving der eerste standen van die soort in genoemd werk
te danken hebben (Sepp, Nederl. Insecten, Deel VI, T. 35),
hadden een dergelijk verschil bij hunne rupsen waargenomen.
Zij beelden de twee varieteiten der rupsen op genoemde plaat
ook af. Ik was vroeger geneigd, het er voor te houden dat
zij twee soorten verward hadden, doch, na hetgeen ik met
mijne Pimpinellata’s heb ondervonden, ben ik van gedachte
veranderd.
Kup. pimpinellata schijnt zeldzaam, en komt denkelijk twee-
malen in het jaar voor, daar ik den vlinder ook in Julij, bij
den Haag ving.
Zij is in de eerste lijst onzer inlandsche vlinders in de
Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland, Deel 1,
p. 30 als inlandsch opgegeven, doch later, zie II, p. 190,
weder geschrapt. De heer de Graaf heeft mij intusschen ver-
klaard dat de vlinders, die hij eerst Pimpinellata had genoemd,
tot eene andere soort als de hier besprokene behoorden, en
niet identisch waren met Pimpinellata Hübn.
BESCHRIJVING VAN EENIGE NIEUWE SOORTEN VAN
LUCANIDAE
DOOR
Mr. S. ©. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Reeds meermalen was ik in de gelegenheid om met een woord
te gewagen van de rijke verzameling van insecten, die ’s Rijks
Museum van natuurlijke historie te Leyden in het vorige jaar
ontvangen mogt uit Sumatra door de welwillende en belange-
looze toezending van den heer Ludeking, officier van gezond-
heid, aldaar bij het Nederlandsche leger in zijne betrekking
werkzaam , maar tevens opmerkzaam natuuronderzoeker en vooral
belangstellende in de zoo duizendmaal gewijzigde vormen der
insecten. Onder de voorwerpen, door hem overgezonden , be-
hoorden er zeer velen tot de familie der Vliegende Herten
of Lucaniden, eene nog niet genoeg onderzochte groep, die
den systematicus vele moeijelijkheden en duistere vraagpunten
oplevert en omtrent welke eene Monographie van den Engel-
schen Majoor Parry gewacht wordt. De zwarigheden, die bij
het behandelen. dezer familie zich telkens weder voor den
schrijver herhalen, vinden hoofdzakelijk haren oorsprong in de
onstandvastigheid van grootte en vorm der bovenkaken bij de man-
netjes en in de groote overeenkomst, die er tusschen de wijfjes
van vele soorten bestaat, waardoor het vooreerst zeer moeijelijk
is te bepalen of twee bijzondere vormen als verscheidenheden
102
van eene soort bijeen behooren, dan wel als twee afzonderlijke
soorten moeten gescheiden worden, ten anderen uiterst gewaagd
is sommige wijfjes met zekerheid tot bepaalde mannetjes te
brengen.
De ontwikkeling dezer knoopen blijve den Majoor Parry,
bezitter van eene der rijkste verzamelingen van Lucaniden aan-
bevolen ; ik wil mij voor als nu slechts er toe bepalen eenige
nieuwe, nog onbeschreven vormen te doen kennen en eenige
weinige aanmerkingen omtrent reeds vroeger bekende soorten
mede te deelen.
Op het voetspoor van den onvermoeibaren en schier onna-
volgbaren Lacordaire *) zal ik de menigte Genera der nieuwere
schrijvers, als Chalcodes, Anoplocnemus, Hexarthrius,
Odontolabis , Metopodontus, Macrocrates, Macrognathus ,
Platyprosopus en hoe zij verder heeten mogen, laten voor
hetgeen zij zijn, en mij tot de welbekende geslachten Zucanus
en Dorcus bepalen.
Vooraf echter wil ik opgeven, welke soorten ’s Rijks Museum
van den Heer Ludeking heeft ontvangen. Het zijn de volgende:
Lucanus Rhinoceros Oliv. (voorwerpen van 9 Ned. d. lengte)
» bicolor Oliv.
» bicolor, var.
» Lacordairei Parry (monogr. ined.)
» Ludekingii v. Voll. |
» Delessertii Guer.
» Gazella Fabr.
» Dalmanni Hope (pubescens Blanch.)
» carinatus Lin. 9
» Dejeanii Reiche
» Dejeanii, var. nigra.
» dorsalis Erichs.
» occipitalis, Hope
1) Verg. Histoire naturelle des Insectes. Genera des Coleoptéres, 3e DI.,
bl. 22—32.
103
Dorcus Antaeus, Hope
» Antaeus var.? sive Hopet Saund, var. ?
» forceps v. Voll.
» Titan Boisd. (4leides de Haan; lengte 9 duim)
» Bucephalus Perty var.
» Saiga Oliv. var.
» purpurascens v. Voll.
» Tragulus v. Voll.
» capitatus Westw. (platycephalus Guer.)
» acuminatus F.
» lunatus Weber, en
» rectangulus v. Voll.
Zijnde 23 soorten, behalve eenige onbestembare wijfjes.
1. Lucanus sericans, de Haan.
Onder dezen naam vind ik op het Museum een mannelijk
voorwerp uit Java, overgezonden door Dr. S. Muller, dat ik
slechts schoorvoetende breng tot de soort Zunifer Hope (Lama
Burm.) en wel tot de varieteit villosus. Het voorwerp ver-
schilt van de beschrijving bij Burmeister, hoofdzakelijk in den
vorm der bovenkaken, doch komt zeer nabij aan eene soort
uit Japan, die ik voor vellosus Hope houden moet. Van de
beschrijving bij Burmeister!) verschillen de bovenkaken doordien
zij aan de binnenzijde zeven kleine tandjes vertoonen; voorts
zijn de dijen aan de voor- en achterzijde met eene langwer-
pige gele vlek geteekend, terwijl de villosus uit Japan aldaar
eene geelroode vlek vertoont. Beide voorwerpen hebben niet
veel meer dan de halve lengte, welke Burmeister opgeeft, en
het Javaansche is slechts 0,043 met de kaken lang.
2. Lucanus bicolor Oliv. var.
Ons voorwerp, 0,07 lang, overgezonden door den heer Lu-
1) Handbuch der Entomologie, Deel V. p. 353.
104
deking is merkwaardig om den afwijkenden vorm van kop en
bovenkaken. De laatsten vertoonen aan de binnenzijde bi het
grondstuk eenen, door een klein sleufje op den top in tweeën
gedeelden knobbel, van welken de binnenrand vrij diep in-
springende naar boven gaat, een’ halven cirkel vormt en zich
nog iets verder uitstrekt, terwijl de buitenrand van de breede
kaak daaromheen concentrisch eenen anderen cirkelboog be-
schrijft, tot beide randen door eene afsnede met 5 tanden ver-
eenigd worden. De kop is grof lederachtig gerimpeld en ge-
stippeld, en niet zoo fijn en glad als bij den typus; de ronde
uitspringende schijf voor de oogen is veranderd tot een’ nage-
noeg regten hoek en de scherpe doorn, by den typus aan
wederzijde achter het oog bemerkbaar, is meer naar voren
gerukt en een stomp driehoekig uitsteeksel geworden. Einde-
lijk vertoonen de voorste scheenen slechts een doorn op het
midden van den buitenrand.
3. Lucanus Lacordairei, Parry, Mon. ined. *)
(Verg. Plaat 5. fig. 1). :
Daar deze prachtige Lucanide nog niet beschreven noch af-
gebeeld is, neem ik haar hier op, ofschoon zij in de spoedig
te verwachten Monographie van Majoor Parry zal worden be-
handeld. Zij behoort tot de afdeeling Odontolabis Hope.
Volgens Westwood komt zij ook op Borneo voor.
Lucanus ater nitidus, macula frontali duplici nec non
elytris laevissimis testaceis; sutura nigra, fronte
transversim carinata. Long. d 0,076.
Hab. Sumatra et Borneo.
De kop is zeer breed, op het midden glad, in de nabijheid
1) De kennis aan deze toekomstige Monographie en de benaming daarin
aan deze soort gegeven, heb ik te danken aan de welwillendheid van den
beroemden J. O. Westwood, Directeur van het Museum van natuurlijke his-
torie te Oxford,
j
1. Lucanus Lacordairei, Parry. 2. L. Ludekin Sii, v. Voll.
’ ù g
TI
Un
hy
nt
105
der oogen zeer rimpelig met een rond en twee doornachtige
uitsteeksels aan de zijden. De oogen zijn groot en bruin; het
voorhoofd is van den schedel gescheiden door een hoog uit-
stekenden, scherpen, dwarsen, zwartgekleurden kiel; beide
voorhoofd en schedel zijn aan wederzijde van dien kiel blinkend
ledergeel gekleurd. De rand van den clypeus is echter weder
zwart en bezet met uitstekende oranjekleurige haren. De bo-
venkaken zijn gebogen en langs den buitenrand bijna drie Ned.
duim lang, fijn gekorreld zwart, alleen aan de uiterste spits
glad en blinkend; aan de binnenzijde naar het einde staan
twee groote doornen en tusschen den laatsten en de spits nog
drie kleineren. De knop der sprieten bestaat uit drie leedjes.
Het borststuk is gelijk aan dat van Bicolor, slechts ietwat
smaller. De dekschilden zijn zeer glad en lederkleurig bruin;
hun naad en het schildje zijn zwart; deze zwarte zoom loopt
versmallend naar de vleugelspits, terwijl eene smallere zwarte
zoom bij den schouder aanvangt en van daar den buiten-
rand volgt om zich met het zwart van den naad te ver-
eenigen.
De metathorax vertoont ons aan de onderzijde twee zeer
groote onregelmatig vierhoekige licht kastanjebruine vlekken,
en daarachter, ter plaatse waar de achterpooten, als zij naar
voren bewogen worden, de buikvlakte raken, nog eene even
zoo gekleurde streep. De voorscheenen hebben een klein doorn-
tje op het midden van den achterrand, de midden- en achter-
scheenen geen. De voorzijden der midden- en achterdijen zijn
licht kastanjebruin van kleur.
Van deze soort ken ik het wijfje niet.
4. Lucanus Ludekingii, v. Voll.
(Verg. Plaat 5 fig. 2.)
Ook deze soort, die ik aan haren ontdekker toewijd, is om
hare grootte en den vorm van den kop zeer merkwaardig.
106
Lucanus ater capite latissimo, in lateribus punctatis-
simo, fronte transversim carinata, elytris laevissi-
mis testaceis, sutura latius et limbo externo anguste
nigris. Long 0,072.
Hab. Sumatra.
De kop van dezen kever is zeer groot, en zijn voorrand
weder luifelachtig uitstekend als bij den vorigen, doch zonder
gele vlekken; ook vertoont die kiel in het midden drie indruk-
sels, ’tgeen bij de vorige soort het geval niet was. De kop
is in de bogten van den zijrand nagenoeg aan den vorigen ge-
lijk ; op de bovenvoorzijde in het midden is hij fijn gestippeld,
welke stippeling naar achter en naar de zijden grover wordt
tot zekere denkbeeldige lijnen, welke van even boven de oogen
convergerend naar het midden van den hals loopen, achter
welke lijnen de oppervlakte zoo ruw mogelijk gesagrijnd is.
Hetzelfde heeft aan de onderzijde van den kop plaats. De bo-
venkaken zijn veel breeder en zwaarder bij de inplanting als
die van Zacordairei. Zij vertoonen eerst een’ stompen tand
horizontaal naar binnen, dan een’ veel grooteren naar binnen
en beneden , vervolgens ongeveer ter halver lengte een’ breeden ,
doch niet langen, eigenlijk dubbelen tand in dezelfde rigting
en aan de spits eene dubbele vork, terwijl de onderrand naar
de spits toe gekarteld is. — Een kleiner voorwerp, dat slechts
een paar streep meer dan 5 duim lengte haalt, heeft de bo-
venkaken eenigzins anders gevormd, daar het aan iedere kaak
na den stompen horizontalen tand, slechts één, doch vrij groo-
ten tand vertoont, terwijl de dubbele vork langere einden heeft.
Het borststuk is nagenoeg gelijk aan dat van den vorigen,
slechts wegens den breeden kop, ook veel breeder aan den hals.
De dekschilden zijn sterk blinkend, bruinachtig geel. Van den
gelen schouder tot aan het schildje is het vlak zwart, welk
zwart met twee hoeken versmallend langs den naad naar bene-
den loopt en in een’ uiterst smallen zoom van de spits des vleu-
geldeks weder langs den rand naar boven loopt tot aan den
e orta, dti sb ‘arte
rs Pushy AT: EEN FA
deli HET ASE
MARIA Tire ena Roars +
ds. is
perde ar ris Ve Lit sata ds ue for!
Hoi ern B nue det ape LA vk PESI
Pron writ PO: HEREIN Sa vii ar 4315 er a
5 uns
Pros
s CN a Saabs
be
LI ie ‘sat et ARE BR the WE
ray Dari pi bet a. pe SL 4 4 MRC fe
nie RE esr DITTE per x
+ aa ? bes PS 4 aL
+ Bhs NL & je
(CL
È A cau
PA p
w
P1.6.
N}
i {
N \
Af PAGE
;
svi V. fec. « AJ. W. lith
1. Lucanus Brookeanus, Parry. 2. Dorcus forceps, v Voll.
3. D. bucephalus, var. 4.D. pilifer, v. Voll.
107
schouder. Het grootste voorwerp heeft twee grauwe stippen op
de schouders, het kleinste heeft den zwarten zoom aan den
naad smaller en zonder hoeken wigvormig versmallend. Het
achterborststuk vertoont aan de buikzijde geene gele vlekken ,
doch de pooten zijn gelijk aan die der vorige soort.
Een vrouwelijk voorwerp, bijna 0,04 lang, gelijkt ten sterkste
op Luc. Delessertii Guér. met deze geringe punten van ver-
schil. De uitstekende lap dwars over het oog is kleiner en
meer driehoekig; het borststuk is minder glad op het midden
en heeft voor het schildje een fijn gleufje; de kleur der dek-
schilden is roodachtig geel; het zwart langs den naad is niet
zoo wigvormig uitloopend, meer gelijk van breedte en tegen
de spits der dekschilden vereenigt het zich met eene donker-
bruine dwarsveeg.
5. Zucanus Brookeanus, Parry Mon. ined.
(Verg. Plaat 6 fig. 1.)
Van deze soort zijn door Dr. Schwaner aan ’s Rijks museum
twee voorwerpen uit Borneo toegezonden. Volgens Westwood
moet de soort tot het geslacht Odontolabis Hope behooren.
Lucanus fulvus, capile nigrofusco, thorace macula ge-
mina lata nigra notato, limbo maxillarum externo
semicirculari. Long. 0,040 usque ad 0,046.
Hab. Borneo.
De kop is bovenop plat en vierkant van vorm, van voren
bij de inplanting der kaken uitstekende en daartusschen boog-
vormig ingesneden; achter de oogen is aan de zijkanten eene
insnede. Zijne kleur is zwart met een’ bruinen gloed. De
bovenkaken zijn aan den buitenrand half cirkelvormig en heb-
ben aan de binnenzijde na de scherpe spits nog drie tanden
tegen elkander, waarop eene kleine halfcirkelvormige insnijding
108
volgt. De knop der sprieten bestaat uit drie leedjes. De
zijrand van het borststuk loopt eerst met eenen boog verbree-
dend uit tot over de helft, waar hij plotseling zich naar bin-
nen wendt om na korten loop regthoekig van daar naar ach-
teren te keeren. Het is zeer fijn gekorreld, weinig blinkend,
heeft fijne zwarte zoomen en vertoont twee trapeziumvormige
zwarte vlekken, die van den voorrand tot digt aan den ach-
terrand strekken en even breed zijn als aan den buitenkant lang ,
welke vlekken aan de voorzijde tusschen elkander eene wigvor-
mige gele streep overlaten. In het gele zijdeveld staat aan
wederzijde een klein bruin indruksel.
De dekschilden zijn lichter lederkleurig met fijnen zwarten
zoom, een paar zwarte vlekjes aan den voorrand en een graauw-
achtige veeg van het midden naar den buitenrand toe. De
voorste scheenen van dit insect zijn zeer lang en vertoonen ons
aan de spits eene stompen vork en daaronder twee stompe tand-
jes. De buikzijde van het dier is, behalve den kop, geheel
lederkleurig geel. Het kleinste voorwerp mist den cirkelvor-
migen inham aan de binnenzijde der bovenkaken, alsmede het
zamen- en aan den voorrand vasthangen der vlekken op het
borststuk en de graauwe vegen op de dekschilden.
6. Lucanus Dejeantt Reiche var. nigra.
Deze verscheidenheid is grooter en forscher gebouwd dan
de typus, ook is zij zeer donker zwart en sterk blinkend op
de dekschilden, zoodat zij eer als typus zou kunnen worden
aangenomen en de bruinkleurige de varieteit zoude zijn. Een
voorwerp is 0,068 lang, zijn kop heeft met de kaken eene
lengte van 0,024. De platte kaken, de voorste helft van den
kop en de voorste scheenen zijn zeer ruw gekorreld ; de dek-
schilden op het midden uiterst fijn gestippeld.
7. Lucanus Zebra Oliv.
Het voorwerp, door Olivier beschreven, is uit het kabinet
109
van Raye van Breukelerwaerd in de verzameling van ’s Rijks
museum overgegaan. Het is volgens de etiquette overgezonden
uit het rijk der Birmannen. Olivier heeft vergeten te melden
dat het borststuk een’ fijnen zwarten zoom heeft en ook de dek-
schilden aan den buitenrand zwart gezoomd zijn; voorts is karak-
teristiek dat de lange zwarte vlek op de dekschilden spiegel-
glad is.
8. Dorcus Antaeus Hope.
Bij deze soort schijnt er veel afwijking te bestaan in de
plaatsing van den grooten tand der bovenkaken. Westwood
zond mij eene schets, waaruit blijkt dat de typus van Antaeus
dien tand breeder en meer in het midden van de kaak ge-
plaatst heeft dan onze voorwerpen dien hebben. Onze grootste
voorwerpen dragen den tand voorbij het midden van den bin-
nenrand , ons kleinste (0,060 meter) vrij digt bij de basis.
9. Dorcus forceps v. Voll.
(Verg. Plaat 6 fig. 2.)
Dorcus fuscus, nitidus, maxillis forcipiformibus , intus
triplici serie denticulatis, elytris extus subsetosis.
Long 0,034 ad 0,045.
Hab. Sumatra.
De zonderling gevormde bovenkaken geven aan de soort een
bijzonder uiterlijk; zij schijnt het naast bij te komen aan
Bulbosus Hope, van het rijk van Assam. De kleur van het
dier, zoowel boven als onder, is donkerbruin, van de tint,
die oud Magahony-hout gewoonlijk aanneemt; alleen de kaken
zijn donkerder. Deze laatsten hebben een’ buitengewonen vorm ;
van het grondstuk af buigen zij zich naar elkander toe, doch
waar zi) elkander zouden ontmoeten, strekken zij zich vogel-
bekvormig naar voren, tot zij ieder afzonderlijk in een’ krom-
110
men haak eindigen. De binnenzijde is scheef afgesneden en
aan de randen van die afsnede staan twee rijen van 8 of 12 tand-
jes en daartusschen nog eene onregelmatige rij van zes knob-
beltjes. Bij het grootste voorwerp is deze vorm door uitrek-
king in de lengte gewijzigd. De kop is breed en plat, vier-
hoekig, aan de voorzijde boogvormig uitgehold, met een uit-
stekend spitsje daaronder in het midden. De oogen zijn be-
trekkelijk vrij groot. De knods der sprieten is drieledig en
het daarvoor staande lid naar binnen verlengd en met een paar
borstelhaartjes bezet. De kop is aan den voorrand ruw, op
het midden fijn en achter de oogen uiterst ruw gekorreld. Het
borststuk is op het midden nagenoeg glad, naar de zijden en
vooral naar den voorhoek toe zeer ruw van korrel. De dek-
schilden zijn naar den naad toe glad en glanzig, met wijd uit-
eenstaande putjes bestippeld, uit welke zeer kleine borsteltjes
ontspruiten; naar den zijrand toe worden deze putjes talrijker
en de borsteltjes langer.
10. Dorcus Titan Boisd.
De voorwerpen door den heer Ludeking uit Sumatra over-
gezonden, zijn veel grooter en forscher, dan die wij uit Java
bezitten. De plaatsing van den eersten grooteren binnentand
der bovenkaken is niet altijd dezelfde.
11. Dorcus bucephalus Perty.
Van deze soort zond de heer Ludeking slechts een voor-
werp, dat in grootte niet voor die van Java en Celebes wijkt,
maar zeer verschilt door den vorm der bovenkaken, welke min-
der in spiraal gedraaid zijn dan bij den typus en dus meer
met die der vorige soort overeenstemmen. Ook ontving ’s Rijks
museum bij meer genoemde toezending uit Sumatra eene merk-
waardige verscheidenheid van deze soort (zoo zij niet misschien
als nieuwe soort verdient afgezonderd te worden). De kop is
111
gelijkvormig met dien van Bucephalus, doch de beide uit-
steeksels aan den voorrand zijn grooter en staan digter bij el-
kander. Het borststuk is mede nagenoeg gelijk aan dat van
Bucephalus; alleen staat de eerste boot ietwat meer naar ach-
teren. Doch het grootste verschil bestaat in de bovenkaken ;
deze zijn lang en slank, horizontaal naar voren gestoken, al-
leen in het midden eenigzins gezwollen; aan de basis hebben
zij naar binnen een’ stompen tand, van de helft tot op het
laatste vierde deel eene rij kleine stompe tandjes, aan het einde
daarvan alleen aan den linkerkaak een’ vrij forschen tand, ter-
wijl zij in eene tweetandige vork uitloopen. Men vergelijke
fig. 3 op Plaat 6.
12. Dorcus purpurascens, v. Voll.
(Verg. Plaat 7, fig. 1 en 2.)
Dorcus purpurascenti niger, opacus, clypeo bidentato,
elytris fusco-rufis, pedibus rufis. Long 0,050 — 0,045.
Hab. Sumatra.
Het naast is deze soort aan Dorcus Saiga Oliv. verwant,
zelfs zoo zeer, dat men haar bij oppervlakkige beschouwing
daarvoor zoude aanzien. Zij verschilt echter in eenige opzig-
ten, namelijk ten eerste doordien de korreling der huid veel
grover is, zoodat de glans, welke Saiga bezit, bij deze soort
niet te zien is; tem tweede door de kleur, welke op kop en
borststuk zwart is met een’ rooden gloed, op de dekschilden
donker purpurrood, aan het abdomen en de pooten bruinrood.
Ten derde is er verschil in de gedaante der bovenkaken. Aan
de binnenzijde vertoonen deze bij Purpurascens niet ver van
het grondstuk een’ weinig bemerkbaren tand, even voorbij het
midden een duidelijken breeden tand, halverwege tusschen
dezen en de spits een anderen, minder breed en scherper,
terwijl de spits zelve in eene vork uitloopt. Ook is van de
112
roode beharing, welke Saiga tusschen de tanden draagt, hier
nagenoeg niets te zien. Bij kleine voorwerpen (zie Plaat 7,
fig. 2) zijn de kaken veel korter doch tevens scherper en hunne
drie middeltanden hebben zich als ’t ware tot een’ zeer breeden
tand vereenigd.
13. Dorcus pilifer, v. Voll.
(Verg. Plaat 6, fig. 4.)
Dorcus niger opacus, elytris subnitidis, clypeo biden-
tato, fronte impressa, fortiter granulata, antenna-
rum articulis 5 et 7 setosis. Long 0,044 — 0,055.
Hab. Japan.
Deze Japansche soort, die ’s Rijks museum aan den heer
Dr. von Siebold te danken heeft, komt mij voor nog onbe-
schreven te zijn. De kop gelijkt in gedaante op die van Sazga,
doch is van voren regt en niet ingebogen ; op het voorhoofd
is eene driehoekige , verdiepte, grof gesagrijnde plek. De clypeus
draagt twee tanden. De bovenkaken zijn lang en slank, eerst
zeer weinig, later plotseling naar elkander gebogen; hunne
bovenvlakte is boller dan die van Sacga; aan de binnenzijde
ziet men eerst een vrij sterken tand op het end van het eerste
vierde deel, dan eene rij kleine tandjes tot op 3/, van de lengte,
waar de kaak zich plotseling naar binnen buigt en voor de
spits nog een tandje vertoont. Het 5e lid der sprieten draagt
twee roode borstelharen, het 7° is naar binnen verlengd en draagt
op het uitstekend tepeltje mede eenige borstelharen. De voorrand
van het borststuk is breed gezoomd, de zijrand heeft een haakje
voor het midden; het grootste voorwerp heeft op den thorax vier
indruksels, waarvan de twee ondersten sterker zijn. Het schildje
is korrelig, de dekschilden zijn fijn gestipt, naar den naad toe
tamelijk glanzig; op hunne oppervlakte bemerkt men flaauwe-
lijk vier langsgleufjes, waarvan drie digt bij den schouder ont-
tec
1,2. Dorcus purpurascens, v Voll. 3. D. niponensis, v Voll.
Hea ke 11): Tragulus, v.Voll. 7. D rectangulus, v. Voll.
Le
PL
AJW hth
-
113
springen. De voorscheenen vertoonen aan de buitenzijde 7
grootere en eenige kleinere tandjes, midden- en achterscheenen
een’ doorn even voorbij het midden.
14. Dorcus niponensis, v. Voll.
(Verg. Plaat 7, fig. 3.)
Dorcus niger, clypeo lato quadrato, mandibulis elon-
gatis intus dente unico lato armatis, elytris subrett-
culatis, Long 0,030.
Hab. Japan.
Ook deze soort is van de reis van Dr. von Siebold afkom-
stig. Haar kop is breed vierhoekig met afgeronde hoeken, de
clypeus steekt als een zeer breede plaat met regte hoeken naar
voren. De kop is fijn gekorreld, eenigzins ingedrukt op den
schedel; de bovenkaken hebben slechts een’ tand aan de bin-
nenzijde, ongeveer op de helft der lengte. Het borststuk heeft
den buitenrand gegolfd zonder haaksgewijs uitsteeksel. De naad
der dekschilden is gestippeld, doch de overige oppervlakte is
van eene ontelbare menigte ingedrukte putjes voorzien, welke
zoo digt bijeen staan dat de schilden er een netvormig aanzien
door verkrijgen. De dubbele buitenspits der voorste scheenen
is buitengemeen lang.
15. Dorcus Tragulus, v. Voll.
(Verg. Plaat 7, fig. 4, 5 en 6.)
Dorcus niger, capite et elytrorum apice depressis,
mandibulis subrectis, intus 6-dentatis, thoracis mar-
gine laterali et postico, nec non elytris castaneis.
Long 0,042.
Hab. Sumatra.
Deze nieuwe soort hebben wij wederom aan de nasporingen
van den heer Ludeking te danken. Zij heeft een vreemd ui-
8
114
terlijk, ’tgeen mij schijnt daaraan te wijten te zijn, dat de
kop van het borststuk af en insgelijks de dekschilden van de
helft tot de spits sterk zijn nedergedrukt. De kop is aan den
voorrand halvemaansgewijze ingebogen en overal gekorreld ; de
bovenkaken steken nagenoeg regt naar voren en zijn alleen
aan den buitenrand dist bij de spits gebogen; zij hebben aan
de binnenzijde 3 grootere en daarna drie zeer kleine tandjes.
Het 7° lid der sprieten is in een puntje naar voren verlengd.
Het halsschild is fijner gekorreld dan de kop, met gebogen
doch niet ingekeepten noch hakigen zijrand, zwart of donker-
bruin met bruinen rand aan de zijden en naar achter. Het
schildje is donkerbruin met grove putjes ingedrukt. De dek-
schilden zijn kastanjebruin met een zeer smal zwart zoompje ;
zij zijn tamelijk blinkend, lederachtig gestippeld en aan de
spits in eene punt verlengd. Het onderlijf en de pooten zijn
zeer donker bruin.
Het wijfje is slechts 3 N. duim lang, heeft zwarten kop en
borststuk en donkerbruine dekschilden. De korte, kromme
boventanden zijn tweetandig en zwart. De kop is ruw met
putjes ingedrukt, behalve op den gladden schedel ; het borststuk
is evenzeer ruw aan de zijden en glad op het midden; de dek-
schilden zijn glad aan den naad en hebben putjes aan den bui-
tenrand; hier en daar staan die putjes in langsstrepen. De
voorste scheenen hebben eene diepe groef op de bovenzijde.
Fig. 5 stelt in omtrek den kop van een klein mannelijk
voorwerp en fig. 6 een vrouwelijk individu voor.
16. Dorcus rectangulus, v. Voll.
(Verg. Plaat 7, fig. 7.)
Dorcus parvus, niger, thorace nitido, elytris punc-
tato-striatis, thoracis elytrorumque limbo setosts ,
corpore subtus pedibusque obscure rufis. Long 0,026.
Hab. Sumatra,
De benaming dezer soort, mede door den heer Ludeking
115
overgezonden, heb ik afgeleid van den hoek, dien de onderste
tand der bovenkaken met het verlengde overige gedeelte vormt.
De kop is breed vierhoekig, mat en wijdloopig gestippeld tot
aan den achterrand, die glad en blinkend is; achter de oogen
staan groote putten onregelmatig door elkander. Het borsistuk
is spiegelglad, behalve aan de zijden, waar de grondvlakte
eerst met een aantal groote putten bezaaid en vervolgens ge-
heel met digt opeengedrongen borsteltjes bezet is. De dek-
schilden zijn zeer weinig bol, elk met zeven groeven in de
lengte voorzien, welke groeven weder door putjes inwendig
ruw zijn; de zoom der dekschilden is gelijk aan dien van den
thorax. De onderzijde van het lijf en de pooten zijn donker-
rood. De voorste scheenen hebben aan de buitenzijde zes tand-
jes, de midden- en achterscheenen zijn aan die zijde met geel-
achtig grijze haartjes digt bezet. | |
Dit insect behoort tot de onderverdeeling Æegus van Mac
Leay.
CATALOGUE DES CRUSTACES
QUI ONT SERVI DE BASE AU SYSTÈME CARCINOLOGIQUE DE
M, W. DE HAAN,
REDIGE D’APRES LA COLLECTION DU MUSÉE DES PAYS-BAS ET LES
CRUSTACES DE LA FAUNE DU JAPON
PAR
J. A. HERKLOTS,
La collection des Crustacés du Musée a d’autant plus d'intérêt
qu’elle a fourni les matériaux du remarquable ouvrage de M. pe
Haan sur les Crustacés de la Faune du Japon, et qu’elle contient
les individus types des genres et espèces que ce savant a décrites.
Dans le cours de la publication de son travail M. pe Haan a été
surpris par la maladie terrible qui, après l’avoir enchainé au lit
pendant des années, l’a forcé enfin de se retirer de son emploi au
Musée. Alité et dans les dispositions les plus malheureuses pour
un travail de ce genre M. pe Haan a eu le courage de terminer la
publication de son oeuvre. Il n’a pu arranger et disposer les objets
d’après ses vues; il n’a pu compléter son travail par la description
des espèces nouvelles non Japonaises, qu’il a établies dans la Faune
et dans les collections.
Quel que soit l’arret que la science soit portée à prononcer sur
la classification de M. pe Haan et sur les bases de son système, il
sera impossible de les juger avant que cette lacune soit remplie.
C'est pour y contribuer autant que possible que nous allons publier
ce catalogue des espèces que M. pe Haan a mis en ordre lui-même.
Nous y joindrons les espèces aux quelles il a assigné leur place dans
son système, d’après la Faune du Japon, qui seule pourra nous
donner quelques renseignements sur la disposition des parties que
l’auteur n’a pu arranger. Nous nous proposons de combler les vides
de cette dernière partie quand l’arrangement de la collection, qui
non occupe, sera terminé. Nous espérons aussi compléter ce tra-
vail par la description des espèces nouvelles.
CLASSIS CRUSTACEA.
Ordo I DECAPODA Larr.
Crustacés Maxilles Podophthalmes Décapodes Edw.
Divisio 1. BRACHYURA.
Sectio 1. BRACHYGNATHA pEHAAN.
Familia CancroıpeaA DEHAAN. F.J. p. 7.
Corystidea!) dans l’Index p. 252.
Brachyures Cyclométopes, Catométopes et Oxystomes Corystiens Edw.
Pinnipeda, Arcuata et Quadrilatera Latr.
Genus Portunus Fabr. F. J. p. 6.
Cyclométopes Portuniens Edw. Pinnipeda Latr.
Subgen. Neptunus deH. F. J. p. 7.
Lupa Edw.
1. Pelagicus Linn. F.J. el 57. Tab. 1X 4, X 2.
a) ty Japon.
b) i NA cedonulli Herbst. Iles moluques.
e) var. C. reticulatus Herbst.
d) var. Japon.
2, Sanguinolentus Fabr. F. J. p. 58. Java. Japon.
Subgen. Achelous deH. F. J. p. 8.
Lupa Edw.
5. Spinimanus Latr. Encycl. meth. Brésil.
1) Dans le corps de son ouvrage ainsi que dans la collection du Musée
M. pr Haan fait précéder le genre Corystes par le genre Portunus. Dans
l’Index il place en premier lieu le genre Corystes et lui emprunte le nom de
la famille, qu'ailleurs il nomme celle des Cancroidiens.
118
Subgen. Amphitrite dell. F. J. p.8.
Lupa Edw.
4. Gladiator Fabr. F. J. p. 59. Tab. I, 5 2, conf.
p. 65. Tab. XVIII, 4. Menestho
Herbst, Tab. LV, 5.
a) type Japon.
b) var. spinis lateralibus bre-
vibus. Japon.
>. Hastata Zinn. Dufour Desm. Mer adriatique.
Sénégal.
6. Tenuipes dell. F. J. p. 59. Tab. I, 4 {. Japon.
7.Hastatoides Fabr. F. J. p. 59. Tab. I, 3 {.C.
hastatus Herbst, Tab. LV,4. Japon.
8.Diacantha Latr. Encycl. méth. Cribrarius et
ruber Lam. — Pelagicus Bosc. Amérique méri-
dionale.
Subgen. Pontus deH. F. J. p. 9.
9. Convexus dell. nov. spec. Iles moluques.
Subgen. Portunus Fabr. F. J. p. 93
10. Velutinus Penn. C. puber Linn. Angleterre.
A1. Marmoreus Leach, Edw. Mer méditerranée.
12, Holsatus Fabr. Edu. Côtes dela Hollande.
15. Plicatus Risso, Edw. Mer méditerranée.
14. Corrugatus Penn. F. J. p. 40.
a) type. Mer méditerranée.
b) var. minor. Japon.
15. Pusillus Leach , Latr. Mer méditerranée.
16. Rondeletii Risso. Arcuatus et emarginatus Leach.
Guttatus Risso. Mer méditerranée.
17. Longipes Risso. Infractus Otto. Mer méditerranée.
—? Integrifrons Lair. Encycl. meth.
Subgen. Oceanus deH. F. J. p. 9.
Thalamita Edw.
18. Crucifer Daldorf, Fabr. F. J. p. 40. Java. Japon.
Subgen. Charybdis deH. F. J. p. 10.
19. Miles dell. F.J. p. 44. Tab. XI, A. Japon.
20. Annulatus Fabr. Mer rouge. Japon.
a) type.
b) var. pollice annulato
Port. annulatus Fabr.
21. Fasciatus Herbst, Tab. XLIX, 5. Mer rouge.
22, Granulatus dell. F. J. p. 42. Tab. I, 4. Hes moluques. Jap.
119
25. Annulatus Edw. non Fabr. Iles moluques,
24. Variegatus Fabr, F. J. p. 42. Tab. I, 2. Japon.
25. Erythrodactylus Lam. Edw. Iles moluques.
26. Sexdendatus Herbst, Tab. VII, 52, F.J. p. 41.
Tab. XII, 4. Japon.
— Natator Herbst, Tab. XL, 1.
Subgen. Thalamita Latr. F. J. p. 40.
27. Prymna Herbst, Tab. LVII, 2. F.J. p. 45. Tab. XII, 2.
a) type. Japon.
b) var. dentibus sex late-
ralibus aequalibus, Cre-
nata Ripp. Mer adriatique, Mer
rouge. Java.
28. Truncatus Fabr. F.J. p. 45. Tab. Il, 3 et XII, 3.
a) type. Japon.
b) var. chelis atque denti-
bus thoracis diversis. F. '
J. p. 65. Tab. XVIII, 2.Japon.
29. Anisodon def. nov. spec. Java.
50. Arcuatus deH. F.J.p.43. Tab. I, 2 et XIII, 4. Japon.
— Admete Herbst, Tab. LVII, 1.
Subgen. Podophthalmus Latr. F. J. p. 10.
51. Vigil Fabr. F. J. p. 44. Spinosus Latr. Java. Japon.
Subgen. Scylla deH. F. J. p. 11.
Lupa Edw.
92. Serratus Forsk. Rüpp. F. J. p. 44. Japon.
— Tranquebaricus') Fabr. Latr. F. J. p. 11.
Subgen. Lupa Leach, Edw. F. J. p. 11.
35. Forceps Fabr. Herbst, Tab. LV, 4. Leach, Zool.
Misc. I. p. 54. La Havanne.
Gen. Corystes deH. F. J. p. 6.
Cyclométopes Portuniens e. p. Oxystomes Corystiens Edw. —
Arcuatorum pars Latr.
Subgen. Polybius Leach. F. J. p. 11.
34. Henslowii Leach. Océan atlantique.
1) Le Port. Scylla tranquebaricus de MILNE EDWARDS est porté en synonymie
du P. Sc. serratus Forsk. dans le texte, pag. 44. — M. DE HAAN y rapporte
avec doute l’opinion de Rürperr qui les dit différentes,
120
Subgen. Platyonichus Latr. F. J. p. 12.
Portumnus Leach.
55. Latipes Penn. Variegata Leach. Mer méditerranée.
Subgen. Anisopus deH. F. J. p. 12.
56. Bipustulata Edw. Platyon. bipustulatus Edw. Cap de bonne Espér.
37. Punctata deZ. F. J. p. 44. Tab. IT, 1. 4 Japon.
— Trimaculata dell. nov. spec. Seba, Tab. XVIII, 9. Cap de bonne Espér.
—?Ocellata Herbst, Tab. XLIX, 4.
Subgen. Carcinus Leach. F. J. p. 15.
38. Moenas Linn. Mer glaciale. Mer
méditerranée.
Subgen. Pirimela Leach. F. J. p. 13.
39. Denticulata Leach. Mer méditerranée.
Subgen. Clorodius Leach. F. J. p. 45.
Atelecyclus Edw.
40. Undecimdentata Herbst, Tab. X, 60. Cap de bonne Espér.
Mer indienne.
41. Heterodon Leach. Littor. d'Angleterre.
— Septemdentata Mont.
Subgen. Thia Leach. F. J. p. 44.
42. Blainvillii Risso. Journ. de Physique. Mer méditerranée.
— Polita Leach. Guérin, Tab. II.
Subgen. Dicera deH. F. J. p. 14.
Nautilocorystes Edw.
45. Ocellata Edw. Octodentata deH. olim. Cap de bonne Espér.
Subgen. Œidia deH. F. J. p. 15.
4. Vigintispinosa deH. F. J. p. 44. Tab. II, 5. Japon.
45. Distincta del. F. J. p. 45. Tab. XIII, 2. Japon.
Subgen. Corystes Latr. F. J. p. 15.
46. Personata Herbst, Tab. XII, 71. Littor. d'Angleterre,
— Dentata Latr.
Subgen. Trichocera del. F. J. p. 16.
47. Gibbosula deH. F. J. p. 45. Tab. II, 4 et XIII, 5. Japon.
121
Subgen. Atelecyclus Leach. F. J. p. 16.
48. Rotundata Olivi. Cruentatus Desm. Mer méditerranée.
Gen. Cancer Fabr. F. J. p. 6.
Cyclométopes Cancériens, Arqués et Quadrilatères. Catométopes
Thelphusiens Edw. -— Arcuatorum pars Latr.
Subgen. Carpilius Leach. F. J. p. 16.
49. Corallinus Herbst, Tab. V, 40. Edw. I. p. 584. Iles Antilles.
50. Maculatus Linn. Herbst, Tab. VI, 44 et XXI,
118. Edw. I. p. 582. Océan indien. Iles
moluques.
51. Adspersus Herbst, Tab. LX, 2. Ile Timor. Îles mo-
luques.
52. Convezus Rüpp. Tab. III, 2. Edw. I. p. 582. Mer rouge.
55. Petraeus Herbst, Tab LI, 4. Nouvelle Guinée.
— Marmorinus Herbst, Tab. LX, 1.
Subgen. Atergatis deH. F. J. p. 17.
Cancer Edw.
54. Subdentatus de. F. J. p. 46. Tab. III, 1. Japon.
55. Frontalis dell. F. J. p. 46. Tab. XIV, 5. Mer de Chine.
56. Dilatatus de H.F. J. p. 46. Tab. XIV, 2. Mer de Chine.
57.Roseus Rüpp. (Carpilius.) Mer rouge.
8. Reticulatus dell. F.J. p. 47. Tab. III, 4. Japon.
5
59. Floridus Linn. F. J. p. 46. — C. Ocyroé Mer rouge. Iles mo-
Herbst, Tab. LIV, 2. luques. Japon.
GO. Integerrimus Lam. F. J. p. 45. Tab. XIV, 4. Japon.
— Marginatus Rüpp. (Carpilius.)
Subgen. Aegle deH. F. J. p. 47.
Zozymus Edw.
61. Aeneus Linn. Iles moluques.
— Floridus Herbst, Tab. XXI, 120 et LIII, 4.
62. Tomentosus Edw. Miliaris Lam. Java. Ile Maurice.
65. Granulosus Rüpp. (Xantho.) C. limbatus Edw. Mer rouge. Java.
6%, Asper Lichtenst. Cat. Mus. Berol. M. S. Java.
9
122
Subgen. Halimede dell. F. J. p. 55.
65. Fragifer dell. F.J. p. 47. Tab. XIII, 4. Japon.
Subgen. Daira dell. F. J. p. 18.
Lagostoma Edw.
66. Perlata Herbst, Tab. XXI, 122. Variolosus Nouvelle Guinée.
Fabr. Suppl. Ent. Syst. n°. 18. Daira
Herbst, Tab. LIT, 2.
67.—— nov. spec. Iles moluques.
Subgen. Actaea dell. F. J. p. 18.
Xantho Edw.
68. Granulatus Aud. in Sav. Egypt. pl. VI, 2. F.
J. p. 47. X. Savignyi Edw. Japon.
69. Hirsutissimus Rüpp. X. hirtissimus Edw. Mer rouge. Java.
70. Rufopunctatus Edw. Mer rouge.
Subgen. Xantho Leach. .
Xantho et Chlorodius Edw.
71. Punctulatus dell. nov. spec. Mer rouge. Java.
72.2 nov. spee. Nouvelle Guinée.
75. Inaequalis Aud. in Sav. Egypt. Tab. V, 7. Mer rouge. Java.
74. Lividus dell. F. J. p. 48. Tab. XIII, 8. Japon.
75. —— nov. spec. Amérique méridio-
nale.
76. Asperatus dell. nov. spec. Nouvelle Guinée.
77. —— nov. spec. Nouvelle Guinée.
78. Exsculptus Herbst. Tab. XXI, 121. Tab. LI, 4. Nouvelle Guinée.
79. Obtusus deH. F. J. p. 47. Tab. XIII, 5. Java. Japon.
80. Granulatus dell. F. J. p. 65. Tab. XVIII, 5. Japon.
81. Affinis deH. F. J. p. 48. Tab. XIII, 6. Japon. Nouv. Guin.
82. Distinguendus dell. F. J. p. 48. Tab. XIII, 7. Japon.
85. —— nov. spec. Nouvelle Guinée.
84. Poressa Oliv. Florida Leach, Edw. Mer méditerranée.
85. Rivulosus Risso. Edw. Mer méditerranée.
86. —— nov. spec. Amériq. méridional.
87. Truncatus dell. F. J. p. 66. Tab. XVIII, 4. Japon.
88.—— nov. spec. Bahia.
89. —— nov. spec. Brésil.
123
90, Integer deH. F. J. p. 66. Tab. XVIII, 6. Japon.
91. Niger Rüpp. (Chlorodius.) Mer rouge.
92. Denticulatus dell. Java.
95. Miliaris Lam.
94. Asper dell. nov. spec.
95. —— nov. spec.
96. —— nov. spec.
97. —— nov. spec.
Iles moluques.
Nouvelle Guinée.
Ile Timor.
Java.
Iles moluques.
— Saxatilis Rumph. Mus. Amb. Tab. V, M.
—? Cochlearis Herbst. Tab. XXI, 125.
—? Hydrophilus Herbst. Tab. XXI, 124.
—?Eudora Herbst. Tab. LI, 3.
— Electra Herbst. Tab. LI, 6.
—? Hippo Herbst. Tab. LI, 4.
—? Polydora Herbst. Tab. LII, 2.
—? Tyche Herbst. Tab. LIT, 5.
—? Calypso Herbst. Tab. LU, 4.
—?Dodone Herbst. Tab. Lil, 5.
—? Clymene Herbst. Tab. LIT, 6.
—? Eurynome Herbst. Tab. LIT, 7.
—? Metis Herbst, Tab. LII, 5.
—? Panope Herbst. Tab. LIV, à.
— ?Acaste Herbst. Tab. LIV, 4.
Subg
Subgen. Panopaeus Edw.
en, Liagore del. F. J. p. 19.
98. Rubromaculatus dell. F.J. p. 49. Tab. V, 1. Chine. Japon.
. Aeneus Rumph., Mus. Amb. Tab. XI, 4. Herbst
99
Tab. X, 58. Java.
Subgen. Galene dell. F. J. p. 19.
100. Bispinosus Herbst, F. J. p. 49. Tab. V, 2. Chine. Japon.
101
102.
105.
104.
105.
106
Subgen. Pilumnus Leach. F. J. p. 49.
. Vespertilio Leach. Fabr. Suppl. Ent. Syst. I, 17. Java.
nov.
nov.
nov.
nov.
nov,
spec.
spec.
spec.
spec.
spec.
Mer rouge.
Java.
Java.
Java.
Java.
124
407. Thoé Herbst, Tab. LVII, 5. Setosus Fabr. 19. Patrie inconnue.
108. Setifer dell. F.J. p. 50. Tab. III, 5. s. n. Xantho. Japon.
— Peronii Edw.
109. —— nov. spec. Iles moluques.
440. —— nov. spec. Java.
411. Hirtellus Linn. Penn. Leach. Ferrugineus Herbst,
Tab. XXE 127: Mer méditerranée.
412. Minutus dell. F. J. p. 50. Tab. III, 2.
413. Squamosus dell. F. J. p. 50.
— Cupulifer Latr. Encycl. méth.
— Tomentosus Latr. Encycl. méth.
Subgen. Gonoplax Leach F. J. p. 19.
114. Bispinosus Zeach. Rhomboides Fabr. Mer méditerranée.
— Angulatus Fabr.
Subgen. Curtonotus dell. F. J. p. 20.
415. Longimanus deH. F. J. p. 50. Tab. VI, 1. Japon.
416. Vestitus deH. F. J. p. 51. Tab. V, 5. Japon.
Subgen. Eucrate deH. F. J. p. 56.
417. Crenatus deH. F. J. p. 51. Tab. XV, 1. Japon.
Subgen. Acanthodes deH. F. J. p. 20.
118. Armatus deH. F. J. p. 52. Tab. IV. Côte orientale de
l'ile Nippon.
Subgen. Cancer Fabr. F. J. p. 20.
Platycarcinus Latr.
419. Pagurus Linn. Fimbriatus Olivi. Littoral de la Holl. ,
Mer méditerranée.
420. —— nov. spec. Nouvelle Guinée.
Subgen. Etisus Leach.
421. Dentatus Herbst, Tab. XI, 66. Cap de bonne Es-
pérance.
Subgen. Menippe deH. F. J. p. 24.
Pseudocarcinus Edw.
122. Rumphii Zerbst. Java.
425. Bellangeri Edw. Java.
124. Tetrodon dell. nov. spec. Iles moluques.
125. Quadridens del. nov. spec. Iles moluques.
126. Affinis dell. nov. spec.
127. Parvulus del. nov. spec.
Iles moluques.
Cap de bonne Es-
pérance.
Subgen. Arges deH. F. J. p. 21.
Subgen. Trapezia Latr. F. J. p. 21.
128. Ferruginea Latr. Caeruleus Rüpp. Bidentatus
Forsk. d
429. —— nov. spec.
150. Integer Latr. Encycl. méth. Glaberrima Herbst,
Tab. XX, 115.
151. Rufopunctata Herbst, Tab. XLVII, 6.
— Dentifrons Latr. Encyel. méth.
— Digitalis Lair. Encycl. méth.
— Cymodoce Herbst, Tab. LI, 5. Duperrey Voy.
Crust. pl. I, 4.
Mer rouge.
Java.
Java.
Nouka-hiva.
Subgen. Cymo dell. F. J. p. 22.
152. Andreossyi Lair. Pilumnus Sav. Egypt. Crust.
Tab: Voto:
135. Meladactylus deH. nov. spec.
Mer rouge.
Java.
Subgen. Eriphia Latr. F. J. p. 22.
154. Hirtipes Lam. (Gecarcinus.)
155. Spinifrons Herbst, Fabr.
156. Gonagra Fabr. Edu.
Iles moluques.
Mer méditerranée.
Iles Antilles.
Subgen. Eudora deH. F. J. p. 22.
157. Incisus dell. nov. spec.
158. Tenax Rüpp.
159. Impressus Lam. n° 9.
Ruppellia Edw.
140. Integer dell. nov. spec.
441. —— nov. spec.
142. Laevis deH. nov. spec.
145. —— nov. spec.
Subgen. Thelphusa Latr.
Potamophilus Leach olim.
14%. Fluviatilis Belon. Olivi. Desm.
Patrie inconnue.
Mer rouge.
Ile Maurice.
Nouvelle Guinée.
Chili.
Nouvelle Guinée.
Iles moluques.
Italie.
126
145. Indicus Guérin non Lair. Guérin Iconogr.
Crust. III, 5. Java.
146. Nilotica Eduw. Abyssinie.
147. Aurantius Herbst, XLVII, 5. Senex Fabr. Cap de bonne Es-
pérance.
148. Gecarcinoides dell. nov. spec. Java.
449. Japonica deH. F. J. p. 52. Tab. VI, 2. s.n.
Berardii. Japon.
Berardü Aud. see. dell. olim !).
450. Berardii Aud. Sav. Egypt. II, 6. Abyssinie.
451. Tridens Fabr. Java.
452. Triodon dell. nov. spec. Java.
455. Convexus deld. nov. spec. Java.
— Dentatus Latr. Encycl. méth. Herbst, Tab. X, dl.
— Rotunda Freycinet.
Incerti loci.
Subgen. Potamia?) Latr.
Subgen. Trichodactylus Latr. F. J. p. 25.
Subgen. Ozius Leach.
1) M. oe Haan énonce la différence de l’espèce égyptienne et du Cancer
Thelphusa Berardii, dans la note en bas de la pag. XXIX de la préface.
Sur Pétiquette il laisse le nom de Berardii à Vespece d’Aupovin comme de
droit, et il nomme Japonica espèce decrite et figurée dans la Faune du
Japon.
A la fin de sa description il compare la Thelphusa Japonica au Canc.
senex HERBST, T. 48. f. 5, synonyme selon lui de Thelph. indica de Latr.
non de GuËRIN. Dans la synonymie de la collection le C, senex de FABRI-
cıus et de HERBST est cité à l’endroit de la Thelph. aurantia Hersst. Nous
avons maintenu dans nos Additamenta ad Faunam carcinologicam Africae
occidentalis la différence spécifique des C. senex et C. aurantius, confondus
par MıLne Epwarps et pe Haan. Il parait d’après M. GERSTAECKER (dans ces
Carcinologische Beiträge, Troscurrs Archiv für Naturgesch. Vol. 22, p. 151)
que nous aussi avons mal appliqué la figure de HERBST et que notre Thelph.
aurantia serait différente encore; nous avons changé son nom dans celui de
Thelphusa Pelit,
2) Le genre Potamia de LATREILLE contient le Cancer Thelphusa dentata
Latr. synonyme du C, fluviatilis de Henpsr, pl. X, fig. 61, indiqué déjà sous
le n° 144, C. Thelpb. fluviatilis Beton. |
127
Subgen. Melia. Latr.
454. Pictor Fabr. Patrie inconnue.
455. —— nov. spec. Chili.
156. —— nov. spec. Patrie inconnue.
457. Ochthodes Herbst, Tab. VIII, 54. Patrie inconnue.
Gen. @eypode Fabr. F. J. p. 6.
Calométopes Gécarciniens e. p. Pinnothéridiens e. p. Ocypodiens.
Gonoplaciens Edw. Quadrilatera Latr. partim.
Subgen. Doto deH. F. J. p 24.
—— Sulcata Forsk. (Cancer), Sav. Egypt. Tab. I.
f. 5 (Mietyris). Mer rouge.
Subgen. Scopimera dell. F. J. p. 24.
158. Globosa dell. F. J. p. 55. Tab. XI, 5. Japon.
Subgen. Mictyris Latr. F. J. p. 24.
459. Deflexifrons de. nov. spec. Iles moluques.
— Longicarpius Lafr.
Subgen. Gelasimus Latr. F. J. p. 25.
160. Arcuata dell. F. J. p. 53. Tab. VII, 2. Mer rouge. Iles mo-
luques. Japon.
461. —— nov. spec. Java.
162. Tetragonus Herbst, Tab. XX, 110 (? Rüpp.
Tab. V. 5.). Mer rouge. Iles mo-
luques.
465. Lactea deld. F. J. p. 5%. Tab. XV, 5. Japon.
164. Pugilator Bosc. Caroline méridionale.
165. —— nov. spec. Nouvelle Guinée.
— Maracoani Latr. C. vocans maior Herbst, Tab. I, 44.
— *Vocator Herbst, Tab. LIX, 1. — ? C. vocans
Herbst, Tab. I, 10. — ? Pugilator Bose.
— Marionis Desm.
— Chlorophthalmus Guér.
Subgen. Macrophthalmus Latr. F. J. p. 26.
166. Japonica dell. F. J. p.54. Tab. XV, 5. 4. VIL, 4.9. Japon.
467. Depressa Rüpp. Mer rouge.
468. Dilatatus del. F. J. p. 55. Tab. XV, 2.
Abbreviata deH. F. J. p. 26. Japon.
— Brevis Herbst, Tab. LX, 4.
128
— Transversus Lair. Encycl. méth, Tab. 297. f. 2.
— Parvimanus Latr. Guer.
Subgen. Cleistotoma dell. F. J. p. 26.
169. Dilatata dell. F. J. p. 55. Tab. VIL, 5.9. Japon.
170. Pusilla dell. F. J. p. 56. Tab. XVI, 1. d. Japon.
— Leachii Aud. Egypt. Tab. IL, 1 (Macrophthalmus).
— ? Boscii Aud. Egypt. Tab. II, 2 (Macrophthalmus).
Subgen. Cardisoma Latr. F. J. p. 27.
471. Carnifex Herbst, Tab. XLI, A et 2. Mer rouge. Soura-
baia.
— Cordata Zinn.
Subgen. Chasmagnathus deH. F. J. p. 27.
172. Convexa dell. F. J. p. 56. Tab. VIT, 5. Japon.
175. Gibbosus deld. nov. spec. Java.
17%. —— nov. spec. Abyssinie.
Subgen. Helice dell. F. J. p. 28.
175. Tridens de. F.J. p. 57. Tab. XV, 6. /; XI, 2. 2. Japon.
Subgen. Uca Leach. F. J. p. 28.
176.Uca Linn. Amériq. méridion,
Subgen. Ocypode Fabr. F. J. p. 29.
177. Ceratophthalmus Pallas. Java.
178. Saratan Forsk. Rüpp. Mer rouge.
179. Kuhlii dell. nov. spec. Java.
180. Cordimana Latr. F. J. p. 57. Tab. XV, 4. Japon.
— Cursor Linn. Eques Belon. — Ippeus Oliv. Voy.
d. l'empire Ottom. Vol. 2. Tab. XXX, 1.
— Albicans Bosc.
— Rhombea Fabr.
— ? Quadrata Fabr.
— ? Laevis Fabr.
— ? Minuta Fabr.
Subgen. Acanthopus deH. F. J. p. 29.
Plagusia Edw. p. p.
481. Planissima Herbst, Tab. LIX , 5. Clavimana Latr. Java.
— Serripes Lam. Latr. Encycl. méth. (Plagusia).
129
Subgen. Elamene Edw.
— Unguiformis dell. F.J. p. 75. Tab. XXIX, 1. 4.9.
Gen. Grapsus Lam. F. J. p. 7.
Catométopes Gécarciniens e. p. Pinnotheridiens e. p. Grap-
soïdiens. Edw. Quadrilatera Latr. partim.
Subgen. Gecarcinus Leach. F. J. p. 50.
182. Lateralis Fréminville. Iles Antilles.
— Ruricola Linn., Fabr., Herbst, Tab. III, 56;
IV: "XX, 4465 XLIX, 5.
185. —— nov. spec. Mer rouge.
Subgen. Philyra deH. F. J. p. 51.
484: Depressus Herbst, Tab. III, 55. Latr. Encyel.
méth. (Plagusia). Immaculatus Latr. Java.
185. Squamosus Herbst, Tab. XX, 115. F. J. p. 58. Martinique.
Subgen. Plagusia Latr. F. J. p. 51.
186. Dentipes deH. F. J. p. 58. Tab. VIII, A. Japon.
187. Tomentosus Edw.F.J.p. 58. Capensis deH. olim. Cap de bonne Esper.
— Tuberculatus Lam. Latr. Encycl. meth. Tab.
305,1 4
Subgen. Grapsus Lam. F. J. p. 51.
188. Marmoratus Fabr., Herbst, Tab. XX, 114. Varius
Latr. Gen. Ins.
a) var. femoribus maculatis,
maculis biseriatis qua-
dratis magnis. Mer méditerranée.
b) var. femoribus lineolis
griseis variegatis. Iles molug. Japon.
489. Sanguineus dell. F.J. p. 58. Tab. XVI, 5. Japon.
190. Sulcifer deH. nov. spec. Java.
491. Plicatus deH. nov. spec. Java.
492. Dilatatus dell. nov. spec. Java.
495. Rugosus deH. nov. spec. Java.
194. Minutus !) Fabr. Java.
495. Pusillus deH. F.J. p. 59. Tab. XVI, 2. Japon. Mexique.
196. Brevipes dell. nov. spec. Java.
1) Le Grapsus minutus de Fabr. indiqué dans la collection comme pro-
venant de Vile de Java serait de la Méditerranée selon la page 59 du texte.
10
130
497.—— nov. spec. Hes moluques.
198. Integer dell. nov. spec. Ile Timor.
— Savignyi dell. Descr. de l'Egypte. Tab. II, 41).
F.J. p. 32 et 59.
— Gaimardi Aud. Descr. de Eg. Tab. II, 5.
Subgen. Trichopus deH. F. J. p. 52.
Varuna Edw.
199. Litteratus Fabr. Herbst, Tab. XLVIII, 4. Iles moluques.
Subgen. Eriocheir deH. F. J. p. 52.
200. Japonicus dell. F. J. p. 59. Tab. XVII. Japon.
201. Penicillatus deH. F. J. p. 60. Tab. XI, 6. Japon.
—? Penicilliger Desm. Cons. Tab. XV, 1. porte-pinceau.
Règn. Anim. IV. Tab. XII, 4.
Rumph. Mus. Amb. Tab. X, 2.
Subgen. Pachysoma dell. F. J. p. 55.
Sesarma Say, Edw.
202. Fascicularis Herbst, Tab. XLVII, 5. Tetragonus
Fabr. Java.
205. Bidens dell. F. J. p. 60. Tab. XVI, 4. J'; XI, 4. Q. Japon.
204, Intermedia dell. F. J. p. 64. Tab. XVI, 5. Sourabaia, île Java.
Japon.
205. Affinis dell. F. J. p. 66. Tab. XVIII, 5. Japon.
206. Pictus dell. F. J. p. 61. Tab. XVI, 6. Japon.
207. Quadratus Fabr., dell. F.J. p.62. Tab. VIII, 5. /. Ile Timor. Japon.
208. Haematocheir dell. F. J. p. 62. Tab. VII, 4. Z. Japon.
Subgen. Goniopsis deH. F. J. p. 33.
Grapsus Edw. e. p.
209. Pictus Latr. Brésil.
210. Strigosus Herbst, Tab. XLVII, 7. Mer rouge. M. adria-
tig. Oc. Ind. Java.
— Cruentatus Lalr. Encycl. méth. (Plagusia).
Subgen. Gnathochasmus Ill. Zool.
211. Barbatus MacL. Cap de bonne Espér.
i) Cest par erreur typographique que pour le Grapsus Savignyi la 24e pl.,
fig. 3 des Crustacés de la Description de Egypte est citée dans le texte pag.
59. ‘Vindication de l’espèce en bas du Genre, pag. 32, portant le n° 4, et
la description en font foi.
131
Subgen. Platynotus deH. F. J. p. 54.
212, Depressus dell. F.J. p. 63. Tab. VIII, 2. Japon.
Subgen. Brachynotus deH. F. J. p. 54.
243. Sexdentatus Risso (Gonoplax). Mer méditerranée.
Familia PINNOTHERIDEA deHaan.
Gen. Pinnotheres Latr, F. J. p. 34.
244. —— nov. spec. Mer méditerranée,
215. —— nov. spec. Mer adriatique.
216. Pisum Linn. x Patrie inconnue.
217. —— nov. spec. Japon.
218. —— nov. spec. Java.
219. Latreillii Leach. Mer méditerranée.
— Cranchii Leach.
— Veterum Bose.
— Montagui Leach.
— Tridacnae Rüpp. Tab. V, 2. Sav. Dese. de l’Eg.
Tab. VII, 4 (Veterum).
220, Pholadis dell. F. J. p. 65. Tab. XVI, 7. Japon.
Gen. Hexapus dell. F. J. p. 55.
221. Sexpes Fabr. F. J. p. 65. Tab. IX, 5. Japon.
Familia MaracEA pEHAAN. F.J. p. 74,
Brachyures Oxyrhynches Edw.
Gen. Parthenope dell. F. J. p. 80.
Oxyrhinques Parthénopiens, Cancériens Cryptopodes Edw.
Subgen. Cryptopodia Edw. F. J. p. 80.
222. Fornicata Fabr. F.J. p. 90. Tab. XX, 2 et 2°. 4. Chine.
Subgen. Oethra Leach. F. J. p. 81.
225. Scruposa Lam, Ile Maurice.
Subgen. Parthenope Fabr, F. J. p. 81.
22%. Horrida Fabr. Océan indien.
132
Subgen. Lambrus Leach. F, J. p. 8f.
995, Valida dell. F. J. p. 90. Tab. XXII, 1. 5;
XXI, :4.-,0: Japon.
296. Laciniata dell. F.J. p. 91. Tab. XXII, 2 et 5. Z. Japon.
227. Mediterranea Roux. Mer méditerranée.
298. Echinata Herbst. Pondichéry.
229. — nov. spec. Ile Sicile.
250. Angulifrons Latr. Montgrandis Roux. Mer méditerranée.
251. —— nov. spec. Océan indien.
252. Longimanus Linn. Mus. Liddy. Ulr. 441. Patrie inconnue.
255. Massena Roux. Ne Sicile.
254. Diacantha dell. F. J. p. 92. Tab. XXIII, 4. Z. Japon.
— Pelagica Rüpp.
Gen. Maia deH. F. J. p. 80.
Oxyrhinques Maiens Edw.
Subgen. Othonia Bell.. F. J. p. 84.
Subgen. Mithrax Leach, p.p. F. J. p. 82.
255. Sculpta Zan. Iles Antilles.
— Denticulata Bell. Tab. XI, 2.
Subgen. Mithrax Leach. F. J. p. 82.
956. Spinosissima Lam. Iles Antilles.
237. Verrucosa Edw. Iles Antilles.
238. Spinipes Herbst, Tab. XIX, 94. Patrie inconnue.
Subgen. Paramithrax Edw. F.J. p. 82.
939. Edwardsii dell. F. J. p. 92. Tab. XXI, 2. J' s.n.
Peroni Edw. Japon.
Subgen. Maia Lam. F. J. p. 82.
240. Squinado Rondel. Mer méditerranée.
241. Verrucosa Edw. Mer méditerranée.
242. Spinigera dell. F. J. p. 95. Tab. XXIV, 4. 9. Japon.
245. —— nov. spec. Iles moluques.
133
Subgen. Dione deH. F. J. p. 82.
— Affinis dell. F. J. p. 94. Tab. XXII, 4 s. n.
Mithr. dichotomus. Japon.
— Asper Edw. F. J. p. 94.
— Dichotomus Latr. F. J. p. 94.
— —— nov. spec. F.J. p. 94.
244. Dama Herbst, Tab. LIX, 5. Patrie inconnue,
Subgen. Chorinus Leach. F. J. p. 85.
245. Longispina dell. F. J. p. 9%. Tab. XXIII, 2. 7
s. n. aculeata. Japon.
— Aculeata Edw. F. J. p. 95.
Subgen. Pelia Bell. Zool. Transact. F. J. p. 85.
Subgen. Dehaanius MLea. Smith Ill. Zool. of Africa F.J, p. 85.
Subgen. Huenia dell. F. J. p. 85.
246. Proteus dell. F. J. p. 95. Tab. XXIII, 4et 5. f
s. n. elongata; 6a, b, Qs. n. heraldica. Japon.
247. Proboscidiformis dell. nov. spec. Java.
Subgen. Acanthonyx Latr. F. J. p. 85.
248. Lunulata Latr. Mer méditerranée.
249. Petiverii Edw. La Guadeloupe.
Gen, Pisa deH. F. J. p. 80.
Oxyrhinques Maiens Edw.
Subgen. Pericera Latr. F. J. p. 85.
250. Cornuta Edw. Cornudo Herbst. Iles Antilles.
251. —— nov. spec. Iles Antilles?
252. Heros Herbst, Tab. XLII, 4 (Chorinus Edw.). Iles Antilles.
253. Cornigera Latr. Java.
Subgen. Herbstia!) Edw. F. J, p. 84.
254. Condyliata Herbst, Tab." XVIII, 99. Mer méditerranée.
1) M. pe Haan joint au sousgenre HERPSTIA les genres Tno& et Ruopra
de BELL. Voy. p. 84.
134
Subgen. Amathia Roux. F. J. p. 84.
255. Rissoana Roux. Ile Sicile.
Subgen. Naxia Edw. F. J. p. 84.
256. Diacantha dell. F. J. p. 96. Tab. XXIV, 1. 4. Japon.
— Serpulifera Guér. F. J. p. 97.
Subgen. Menoethius Edw. F. J. p. 84.
957. Quadridens dell. F. J. p. 97. Tab. XXIV, 2. ff
(Halimus). Japon.
958. Incisa dell. F.J.p.98. Tab. XXIV, 5.2 (Halimus). Japon.
9259. Monoceros Lair. Arabicus Rüpp. Tab. V, 4. Egypte.
Subgen. Leucippe Edw. F. J. p. 85.
260. Ensinadae Aud. Chili.
Subgen. Eumedon Edw. F. J. p. 85.
Subgen. Antilibinea MacL. F. J. p. 85.
Subgen. Epialtus Edw. F. J. p. 8h.
261. Dentata Edw. Chili.
Subgen. Hyas Leach. F. J. p. 85.
262. Aranea Linn. Mer du Nord.
965. Coarctata Leach. Groenlande.
Subgen. Pisa Leach. F. J. p. 85.
Pisa et Lissa Leach.
264. Corallina Risso. Mer méditerranée.
265. Tetraoden Leach. Mer méditerranée.
266. Gibbsii Leach. Mer méditerranée.
267. Armata Latr. Mer méditerranée.
268. Chiragra Herbst. Mer méditerranée.
Subgen. Paramicippe Edw. F. J. p. 85.
Subgen. Criocarcinus Guer. F. J, p. 85.
135
Subgen. Micippe Leach. F. J. p. 85.
269. Cristata Linn. Java.
270. Thalia Herbst, F. J. p. 98. Tab. XXHI, 5. Z
(Paramicippe). Japon.
Gen. Boclea deH. F. J. p. 80.
Oxyrhinques Macropodiens. Oxystomes Dorippiens Edw;
Subgen. Cymopolia Roux.
271. Caronii Roux. Ile Sicile.
Subgen. Caphyra Guér. Ann, d. Se. Nat. Vol. 25, T. 8.
272. Rouxii Guer. Mer méditerranée.
Subgen. Doclea Leach. F. J. p. 85.
275.Rissonii Leach. Patrie inconnue.
274. Hybrida Fabr. Iles mol. Le Bengal.
275. Muricata Herbst, Tab. XIV, 85. Le Bengale.
276. Armata dell. nov. spec. Padang.
Subgen. Libinia Leach. F. J. p. 86.
277. Spinosa Edw. Patrie inconnue.
Subgen. Eurynome Leach. F. J. p. 86.
278. Aspera Penn. Mer méditerranée.
Subgen. Stenocinops Latr. F. J. p. 86.
Subgen. Tyche Bell. F. J. p. 86.
Subgen. Egeria Latr. F. J. p. 86.
279. Herbstii Edw. Indica Leach. Java.
280. Longipes Latr., Guer. Iconogr. Crust. X, 3. Java.
281, Arachnoides Rumph. Iles moluques;
Genus Emachus deH. F. J. p. 80.
Oxyrhinques Macropodiens Edw.
Subgen. Microrhynchus Bell. F. J. p. 86.
Cyrnus Aud. in litt,
282, Microrhynchus Aud. (Cyrnus). Chili,
136
Subgen. Eurypodius Guér. F. J. p. 87.
285. Guvierii Aud. Chili.
Subgen. Achaeus Leach. F. J. p. 87.
284. Japonicus def. F. J. p. 99. Tab. XXIX, 5. 2. Japon.
Subgen. Halimus Latr. F. J. p. 87.
Subgen. Oncinopus deH. F. J. p. 87.
285. Aranea dell. F. J. p. 100. Tab. XXIX, 2. &. 2. Japon.
Subgen. Camposcia Latr. F. J. p. 87.
Subgen. Macrocheira deH. F. J. p. 88.
286. Kaempferi deH. F. J. p. 100. Tab. XXV et
XXVI. Z. Tab. XXVII et XXVIII. 2. Japon.
Subgen. Inachus Fabr., Leach. F. J. p. 88.
287. Scorpio Fabr. Mer méditerranée.
288. Thoracicus Roux. Mer méditerranée.
289. Dorynchus Leach. Mer méditerranée.
290. —— nov. spec. Anglet. Mer médit.
291. —— nov. spec. Sénégal.
Subgen. Stenorhynchus Lam. F. J. p. 89.
299, Phalangium Zinn. Mer méditerranée.
295. Egyptius Edw. Egypte.
294. Longirostris Fabr. Mer adriatique.
Subgen. Leptopodia Leach. F. J. p. 89.
295. Modesta Aud. Callao.
296. Sagittarius Fabr. Ornata Guild.; Lanceolata
Brullé. Sénégal. Brésil.
Familia Dromracra dell. F. J. p. 102.
Anomoures Apterures Dromiens et Homoliens Edw.
Gen. Dynomene Latr. F. J. p. 104.
137
Gen. Dromia Fabr. F. J. p. 104.
297. Rumphii Fabr. F.J. p. 107. Tab. XXXII. 4. Japon.
298. Vulgaris Edw. F. J. p. 105. Mer méditerranée,
299. Hirsutissima Linn. F. J. p. 105. Cap de bonne Espér.
500. Lator Edw. F. J. p. 105. Cap de bonne Esper.
Iles Antilles.
501. Unidentata Rüpp. F. J. p. 105. Mer rouge.
Gen. Homela Latr. F. J. p. 105.
-
302. Cuvierii Roux. Rade de Toulon. Mer
méditerranée.
503. Spinifrons Lam. Mer méditerranée.
Gen. Latreillia Roux. F. J. p. 105.
504, Elegans Roux. F. J. p. 108. He Sicile.
505. Valida dell. F. J. p. 107. Tab. XXX, 1. 9. Japon.
306. Phalangium dell. F.J.p. 108. Tab. XXX, 2. 4, 2. Japon.
Familia TrRicHIDEA dell. F. J. p. 109.
Gen. rrichia dell. F. J. p. 109.
307. Dromiaeformis dell. F. J. p. 110. Tab. XXIX,
EE SERIA Japon.
Sectio 2. OXYSTOMATA Epw.
Familia DorrPpiDEA Edw. F. J. p. 120.
Oxystomes Dorippiens Edw.
Gen. Dorippe Fabr. F. J. p. 121.
308. Quadridens Fabr. F. J. p. 121. Tab. XXXI, 3.
è Quadridentata Edw. Bengale. Japon.
509. Lanata Linn. Affinis Desm. Mer méditerranée.
310. Japonica vSieb. F. J. p. 122. Tab, XXXI, A
s. n. Callida. Japon.
344. Granulata dell. F. J. p. 122. Tab. XXXI, 2
s. n. Sima. Japon.
342, Facchino Herbst, Tab. XI, 68. F. J. p. 125.
Sima Edw. Bengale.
11
138
545. Astuta Herbst. _ Mer rouge.
— Callida Fabr.
Gen. Ethusa Roux. F. J. p. 121.
514. Mascarone Herbst. Novemdecos Charp. Mer méditerranée.
Familia CALAPPIDEA dell. F. J. p. 67 et 124.
Oxystomes Calappiens Edw.
Gen. Orithyia Fabr. F. J. p. 125.
345. Mamillaris Fabr. Mer de la Chine.
Gen. Cycloes dell. F. J. p. 68, 69.
316. Granulosa deH. F. J. p. 71. Tab. XIX, 5. Japon.
Cryptosoma cristata Brulle. F. J. p.124.
Gen. Calappa Fahr. F. J. p. 69.
Subgen. Lophos dell. F. J. p. 69.
547. Philargius Linn. Mus. Ludov. Ulr. p. 452. F.J.
p. 71. Tab; RIX, 4, Japon.
518. Cristata Fabr. Suppl. n°. 5. C. inconspecius
Herbst, Tab. XL, 5.
var. a) Japon.
b) Japon.
c) Chine.
d) Java.
519. Lophos Herbst, Tab. XIII, 77. Fabr. Suppl.
n°. 6. F. J. p. 72. Tab. XX, 4. Japon.
var. f) Patrie inconnue.
» 7) Côte de la Chine.
» d) Japon.
Subgen. Camara del. F. J. p. 69.
520. Fornicata Fabr. Suppl. n°. 1. Canc. calappa Linn. 4
Mus. Ludov. Ulr. p. 449. Fabr. Syst.
Ent. II. p.454. — Herbst, Tab. XII,
75 et 74. Iles moluques.
Subgen. Calappa dell. F. J. p. 70.
521. Hepatica Linn. Tuberculata Herbst, Tab. XII,
78. Fabr. n°. 2. Desm. Mer rouge et adria-
tique. Java.
139
3292. Granulata Linn. C. flammeus Herbst, Tab. XL,
2. Marmorata Desm., non Fabr. Mer méditerranée.
— Sanguineo-guttata Herbst.
— Granulata Herbst, Tab. XII, 75 et 76.
—? Gallina Herbst.
Subgen. Gallus deH. F. J. p. 70.
3253. Gallus Herbst, Tab. LVII, 4. Ile Maurice.
Gen. Platymera Edw. F. J. p. 125.
324. Gaudichaudii Edw. Chili.
Gen. Mursia Leach. F. J. p. 70, 125.
525. Cristata Desm. F.J. p.70et 75. s. n. Cristimana. Cap de bonne Esper.
526. Armata dell. F. J. p. 75. Tab. XIX, 2, Japon.
— Acanthophora Lucas Ann. Soc. Ent. de Fr.
(Thialia). F. J. praef. xxıx.
Familia Marurorprea dell. FJ. p. 126.
Oxystomes Calappiens Edw.
Gen. Hepatus Latr. F. J. p. 127.
327. Fasciatus Lair. Cap de bonne Espér.
Iles Antilles.
528. Chiliensis Edw. Chili. Brésil.
Gen. Matuta Fahr. F. J. p. 127.
329. Victor Fabr. F. J. p. 127.
var. a) Planipes Herbst; Lesueurü Leach 7,
Banksii Leach 9. Japon.
b) Lesueuri Rüpp. Kr. d. R. M. I. p.5.
Victor Edw. Cr. XX. 5. Mer rouge. IL Céléb.
e) Côte sud de Java.
d) Japon.
e) Côte sud d. Jav. Jap
f) Lunaris Herbst; Planipes Fabr.; In-
tegrifrons Latr., Desm.; Banksi
Leach 7, Lunaris Leach 9. Mer rouge. Java.
140
Familia Leucosipra Edw. F. J. p. 129.
Oxystomes Leucosiens Edw.
Gen. Philyra Leach. F. J. p. 150.
330. Globulosa Fabr. Indes orientales.
351. Porcellana Fabr. Iles moluques.
352. Pisum deH. F.J. p. 151. Tab. XXXIII, 7. Japon.
555. Scabriuscula Fabr. Indes orientales.
554, Platycheir dell. F. J. p. 152. Tab. XXXIII, 6. Japon.
Gen. Leucosia Leach, F. J. p. 150.
555. Longifrons deH. F.J. p. 152. Tab. XXXIII, 4, Japon.
556. Perlata dell. nov. spec. Fa a p. 154. Java.
557. Unidentata dell. F. J. p.155. Tab. XXXII, 5. Iles molug. Japon.
358. Obtusifrons dell. F. J. va ee . Tab. XXXIII, 2. Japon.
— Urania Herbst. F. J. p.
— Craniolaris Edw. F. J. p.
— Urania Guer. F. J. p. 15
599. Rhomboidalis dell. F.J. p
A
.15
4, Tab. XXXII, 5. Japon.
Gen. Exa Leach. F. 3. p. 151.
340. Canaliculata Leach. Ile Maurice.
Gen. Iphis Leach. F. J. p. 151.
541. Heptacantha dell. Patrie inconnue.
Gen. Ebalia Leach. F. J. p. 150.
542. Tuberosa Penn. © Mer méditerranée.
545. Cranchii Leach. Mer méditerranée.
544, Brayeri Leach. Mer méditerranée.
Gen. Myra Leach. F. J. p. 151.
545. Fugax Fabr. F. J. p. 15% Tab. XXXIII, 4. €.
punctatus Herbst I}, 45, 16. Japon.
141
Gen. Elia Leach. F. J. p. 131.
546. Nucleus Herbst. Mer méditerranée
et adriatique.
Gen. Persephona Lam. F. J. p. 150.
Guaya Edw.
547. Punctata Linn. Leucosia mediterranea Herbst.
Perseph. Latreillü et Lamarcki Lea. Amériq. méridion.
Gen. Arcania Leach. F. J. p. 151.
— Undecimspinosa dell. F.J. p.155. Tab. XXXIII, 8. Japon.
— Erinaceus Herbst. F. J. p. 155. Indes orientales.
— Novemspinosa Licht. Mag. Nat. Fr. 1816. F. J.
h p. 155. | Patrie inconnue.
Gen. Nursia Leach. F. J. p. 150.
— Granulata Rüpp. F. J. p. 150.
— Variegata Rüpp. (Myra). F. J. p. 150.
Gen. Oreophorus Rüpp. F. J. p. 151.
Familia RANiNOIDEA Edw. F. J. p. 136.
Anomoures Apterures Raniniens Edw. à
Gen. Lyreidus deH. F. J. p. 158.
— Tridentatus dell. F. J. p. 140. Tab. XXXV, 6. Japon.
Gen. Ranilia Edw. F. J. p. 158.
Gen. Raninoides Edw. F. J. p. 158.
Gen. Ranina Lam. F. J. p. 157.
548, Dentata Latr. F. J. p. 159. Tab. XXXIV et
XXXV, 1—4, Japon.
Gen. Notopus deH. F. J. p. 138.
— Dorsipes Fabr. F, J. p. 159. Tab. XXXV, 5. Japon.
142
Divisio 2. MACROURA Latr. F. J. p. 141.
Section 3. ASTACINA Latr. F. J. p. 142.
Familia Ervonipra Edw. F. J. p. 149.
Macroures Cuirassés Eryons Edw.
Familia ScynLAROIDEA Edw. F.J. p. 149.
Macroures Cuirassés Scyllarides Edw.
Gen. Seyllarus Fabr, F. J. p. 149.
Subgen. 4.
Seyllarus, div. $$ Edw.
349. Latus Fabr, Mer méditerranée.
550. Sieboldi dell. F. J. p. 152. Tab. XXXVI et
XXXVII, 4. Japon.
551. Haanii vSieb. F. J. p. 152. Tab. XXXVIII, 4. Japon.
352.—— nov. spec. , Java.
Subgen. 2.
Ibacus Edw.
355. Antareticus Fabr. F. J. p. 155. Regn. Anim.
Gd: UL PENN: Japon:
— Parrae Edw. F. J. p. 155.
Subgen. 5.
Ibacus Edw.
554. Ciliatus vSieb. F. J. p. 153. Tab. XXXVI et
XXXVII, 2, Japon.
— Peronii Leach.
Subgen. 4,
Thenus Leach.
555. Orientalis Edw. Chine.
Subgen. 5.
Scyllarus , div. $ Edw.
556. Arctus Fabr. F. J. p. 154.
var. a) Japon.
b) Japon.
c) « Chine.
Mer méditerranée.
143
357. Aequinoxialis Fabr., Edw. ? Iles Antilles.
998. —— nov. spec. Patrie inconnue.
Familia PALINUROIDEA Edw. F. J. p. 155.
Macroures Cuirassés Langoustiens Edw.
Gen. Palinurus Fabr. F. J. p. 155.
Sectio 4. COMMUNES.
A.
559, Vulgaris Latr. Mer du nord.
B.
560. Trigonus vSieb. F.J. p. 157. Tab. XXXIX et XL. Japon.
561. Lalandii Lam. Cap de bonne Esper.
Sectio 2. LONGICORNES.
A.
562. Guttatus Latr. Iles moluques.
565. Japonicus vSieb. F. J. p.158. Tab. XLI et XLII. Japon.
564. Penicillatus Oliv. Patrie inconnue.
B.
565. Dasypus Latr. F. J. p. 159. Iles moluques.
566. Burgeri deH. F. J. p. 159. Tab. XLIII et XLIV, 1. Japon.
567, Fasciatus Fabr. F. J. p. 159. Japon.
368. Ornatus Fabr. Patrie inconnue.
Familia Astacoıpea Latr. F. J. p. 160.
Macroures Astaciens et Thalassiniens Edw.
Gen. Astacus Fabr. F. J. p. 162.
Subgen. Homarus Edw. F. J. p. 162.
569. Vulgaris Edw. Mer méditerranée,
Subgen. Nephrops Leach. F. J. p. 162.
570. Norwegicus Linn, Mer méditerranée.
144
Subgen. Astacus Fabr. F.J. p. 162, 164.
571. Fluviatilis Rond. Europe.
372. Leptodactylus Eschsch. Moscou. La Prusse.
— Angulosus Rathke.
— Pachypus Rathke.
575. Japonicus deH. F. J. p. 464. Tab. XXXV, 7. Japon.
574. Bartonii Fabr. Say. Affinis Fabr. Tenessee.
575. Affinis Say. Bartoniù Edw. Patrie inconnue.
— Australasiensis Edw. F.J. p. 164.
— Chilensis Edw. F. J. p. 164.
— Caspius Eichw. F. J. p. 164.
Subgen. Axia Leach. F. J. p. 162.
Subgen. Glaucothoé Edw. F. J. p. 162.
Subgen. Callianassa Leach. F. J. p. 162.
Subgen. Isea Guer. F. J. p. 165.
Callianisea Edw.
Subgen. Callianidea Edw. F. J. p. 165.
Subgen. Laomedia dell. F. J. p. 162, 164.
— Astacina dell. F. J. p. 165. Tab. XXXV, 8. Japon.
Subgen. Gebia Leach. F. J. p. 162.
— Maior deH. F. J. p. 165. Tab. XXXV, 7. Japon.
— Littoralis Risso.
Subgen. Thalassina Latr. F. J. p. 162.
— Scorpionoides Latr. C. Anomalus Herbst.
Familia MEGALOPIDEA dell. FDA LOG.
Anomoures Pterygures Porcellaniens e. p. Edw.
Gen, Megalops Leach. F. J. p. 166.
576. Mutica Desm. F. J. p. 166. Cote de France. Cap
de bonne Esp. Japon.
145
Sectio 4 CARIDES Latr. F. J. p. 167.
Familia PaLEMOoNIDEA Edw. F. J. p. 169.
Gen. Palemon Fabr. F. J. p. 169.
— Serratus Penn. "HA
— Longimanus Edw.
— Squilla Edw.
— Varians Edw.
— Antennarius Edw.
— Longirostris Edw.
— Treillianus Edw.
— Quoianus Edw.
— Natator Edw.
— Paucidens dell. F. J. p. 470. Tab. XLV, 11, Japon.
— Latirostris dell. F. J. p. 170. Tab. XLV, 12. Japon.
— Lamarrei Edw. F. J. p. 171. Japon.
377. Carcinus Fabr. Java.
— Ornatus Edw.
— Forceps Edw.
— Longipes deli. F. J. p. 171. Japon.
— Nipponensis dell. F. J. p. 171. Japon.
— Japonicus dell. F. J. p. 172. Japon.
— Brevicarpus dell. F. J. p. 172. Japon.
— Jamaicensis Herbst.
— Spinimanus Edw.
— Hirtimanus Edw.
— Gaudichaudii Edw,
Familia Auparrpra Edw. F. J. p. 173.
Gen. Pandalus Leach. F. J. p. 175.
Sectio 4.
— Narwal Edw. F. J. p. 175.
— Pristis Risso. F.J. p. 175. Herbst, Tab. XXVIII, 2.
Pontophilus pristis Risso. Méditerranée. Japon.
Sectio 2.
— Annulicornis Leach.
146
Gen. ©yelorhynchus del. F. J. p. 174.
— Planirostris deH. F. J. p. 175. Tab. XLV, 7. Japon.
Gen. Lysmata Risso. F. J. p. 174.
— Seticaudata Risso. F. J. p. 176. Tab. XLV, 15
s. n. Pal. dentatus. Japon.
Gen. Hippolyte Leach. F. J. p. 174.
— Leachii Guér. F. J. p. 174.
— Aculeatus Fabr. F. J. p. 174.
— Gibberosus Edw. F. J. p. 174.
— Virescens Edw. F. J. p. 174.
Gen. Bhynchocinetes Edw. F. J. p. 174.
Gen. Alpheus Fabr. F. J. p. 174, 176.
— Brevirostris Oliv., Edw.
— Malabaricus Fabr. F. J. p. 177. Tab. XLV, 1
Brevicristatus.
— Rapax Fabr. F. J. p. 177. Tab. XLV, 2. Japon.
— Ruber Edw.
— Digitalis dell. F. J. p. 1/8. Tab. XLV, 4. Japon.
— Avarus Fabr. F.J. p. 179. Tab. XLV, 5 Bis-incisus. Japon.
— Lobidens dell. F. J. p. 179. Japon.
— Dentipes Guér.
— Edwardsii Aud.
— Minor dell. F. J. p. 180. Tab. XLV, 6. Japon,
— Ventrosus Edw. ?
— Bidens Edw.
— Chiragricus Edw.
-— Armillatus Edw.
— Villosus Edw.
— Spinifrons Edw.
— Frontalis Edw.
— Emarginatus Edw.
Gen. Athanas Leach. F. J. p. 174.
147
Gen. Pontonia Latr. F. J. p. 175.
— Nipponensis dell. F. J. p. 180. Tab. XLVI, 8
(Hymenocera). Japon.
Familia CRANGONIDEA Edw. F. J. p. 181.
Gen. Crangon Fabr. F. J. p. 181, 182.
— Lar Owen.
— Vulgaris Fabr.
— Affinis deH. F. J. p. 185. Japon.
— Fasciatus Risso.
— Angusticauda deH. F. J. p. 185. Tab. XLV, 15. Japon.
— Salebrosus Owen.
— Boreas Phipps.
— Cataphractus Oliv.
— Nanus Kroyer.
— Septemcarinatus Sabine.
— Bidentatus deH. F. J. p. 185. Tab. XLV, 14. Japon.
— Trispinosus Westw.
Gen. Nika Risso. F. J. p. 182.
— Japonica dell, F. J. p. 184. Tab. XLVI, 6. Japon.
— Edulis Risso.
Gen. Gnathophyllum Latr. F. J. p. 182.
Familia Arypra dell. F. J. p. 184.
Alphéideins et Penaeideins e. p. Edw.
Gen. Atya Leach. F. J. p. 185.
— Moluccensis dell. F. J. p. 186. Iles moluques.
— —— spec. F. J. p. 186. Iles de la Sonde.
— Scabra Guer.
Gen. Caridina Edw. F. J. p. 185.
— Denticulata dell. F. J.p. 186. Tab, XLV, Ss. n.
Hippolyte. Japon.
148
Gen. Ephyra Roux. F. J. p. 185.
— Compressa deH. F. J. p. 186. Tab. XLVI, 7. Japon.
Gen, @plophorus Edw. F. J. p. 185.
Familia PENAEIDEA Edw.
Gen. Euphema Edw. F. J. p. 187.
Gen. Penaeus Fabr. F. J. p. 187, 188, 190.
— Caramote Rond.
— Canaliculatus Olivi. F. J. p. 190. Japon.
— Semisulcatus dell. F.J. p. 191. Tab. XLVI, 4. Japon.
— Setiferus Linn.
— Monoceros Fabr. F. J. p. 192. Tab. XLVI, 2
s. n. Ensis. Japon.
— Indicus Edw.
— Monodon Fabr.
— Affinis Edw. F. J. p. 192. Tab. XLVI, 5.s.n.
Barbatus. Japon.
— Brevicornis Edw.
— Lamellatus dell. F.J. p. 195. Tab. XLVI, 4 et 5. Japon.
— Membranaceus Risso.
— Distinctus dell. F. J. p. 194. Japon.
— Crassicornis Edw.
— Styliferus Edw.
Gen. Stemepus Latr. F. J. p. 188.
— Hispidus Edw.
Gen. Spongicela dell. F. J. p. 189.
— Venusta dell. F. J. p. 19%. Tab. XLVI, 9. Z. Japon.
Gen. Sieyonia Edw. F. J. p. 189.
— Gristata deli. F. J. p. 19% Tab. XLV, 40
s. n. Hippolyte. Japon.
149
— Sculpta Edw.
— Bispinosa deH. F. J. p. 195. Tab. XLV, 9
s. n. Hippolyte. Japon.
— Parvula dell. F. J. p. 195. Tab. XLV, 6 s. n.
Hippolyte. Japon.
Gen. Sergestes Edw. F. J. p. 189.
Gen. Acetes Edw. F. J. p. 190.
Gen. Pasiphaea Sav. F. J. p. 190.
— Sivado Guer.
— Brevirostris Edw.
Sectio 5. ANOMALA deH. F. J. p. 190.
Familia GALATHEIDEA Édw., Latr. F. J. 196.
Macroures Cuirassés Galatheides Edw.
Gen. Galathea Fabr. F. J. p. 198.
— Strigosa Fabr.
— Rugosa Fabr.
— Squamifera Leach.
— Monodon Edw.
Gen. Aeglea Leach. F. J. p. 198.
Gen. Grimotaea Leach. F. J. p. 198.
Familia PoRCELLANIDEA Edw. F. J. p. 197, 199.
Anomoures Plerygures Porcellaniens Edw.
Gen. Porcellana Lam. F. J. p. 199.
— Striata Edw.
— Platycheles Lam.
— Dentata Edu.
— Japonica dell. F. J. p. 199. Tab. L, 5. Japon.
— Elongata Edw.
150
Familia Hip pipra Latr. F. J. p. 197.
Anomoures Pierygures Hippiens Edw.
Gen. Hippa Fabr. F. J. p. 200.
Gen. Remipes Latr. F. J. p. 201.
Gen. Albunea Fabr. F. J. p. 201.
Familia Paguroinea Edw. F. J. p. 197.
Anomoures Pterygures Paguriens Edw.
Gen. Cancellus Edw.
Gen. Pagurus Fabr. F. J. p. 202 et 204.
— Angulatus Risso.
— Cristatus Edw.
— Gaudichaudi Edw.
— Bernhardus Linn.
— Pridauxii Desm.
— Conformis deH. F. J. p. 206. Japon.
— Spiriger deH. F. J. p. 206. Tab. XLIX, 2. 4. Japon.
— Striatus Latr. F.J. p. 206. Tab. XLIX, 1. Japon.
— Callidus Roux.
— Lanuginosus dell. F. J. p. 207. Tab. XLIX, 5. Japon.
— Timidus Roux.
— Forceps Edw.
— Pictus Edw.
— Impressus dell. F. J. p. 207. Tab. XLIX, 3. Japon.
— Deformis Edw.
— Asper dell. F. J. p. 208. Tab. XLIX, 4, Japon.
— Granulatus Oliv.
— Punctulatus Oliv.
— Diogenes Fabr. F. Jp. 208, Aspersus Berthold. Japon.
— Setifer Edw. F. J. p. 209. Japon.
— Guttatus” Edw.
— Affinis Edw.
— Chilensis Edw.
Elegans Edw.
— Aniculus Fabr. F. J. p. 209. Japon,
— Oculatus Fabr.
— Ornatus Roux.
— Misanthropus Roux.
— Tibicen Edw.
— Sulcatus Edw.
— Inaequalis dell. F. J. p. 210. Tab. L, 2. Japon.
— Viriscens Krauss.
— Bimaculatus dell. F. J. p. 210. Tab. L. 4. Japon.
— Clinabarius Herbst.
… ?Crassimanus Edw.
— Tuberculosus Edw.
— Longitarsus dell. F. J. p. 241. Tab. L, 5. Japon. Mer médit. ?
— Maculatus Rouz.
— Gonagra Edw.
— Pilosus Edw.
— Frontalis Edw.
— Gamianus Edw.
— Edwardsii deH. F. J. p. 211. Tab. L, 1. Japon.
— Spinifrons dell. F. J. p. 212. Tab. XLIX, 6. Japon.
— Miles Fabr.
— Custos Fabr.
— Diaphanus Fabr.
Gen. Birgus Leach F. J. p. 205.
378. Latro Fabr. F. J. p. 212. Japon. Iles molug.
Gen. Cenobita Latr. F. J. p. 205.
— Rugosa Edw. F. J. p. 212. Japon.
— Compressa Edw. F. J. p. 215. Japon.
— Perlata Edw. F. J. p. 215. Japon.
Familia LirnoprAcEA deH. F. J. p. 197.
Anomoures Apterures Homoliens Edw.
Gen. Lithodes Latr. F. J. p. 214.
579. Arctica Lam. Groenlande.
380. Antarctica Hombl. et Jacquem. Cote de Magellan.
381. Camschatica Tilesius. F. J. p. 217. Tab, XLVII, . Japon.
152
382. Histrix dell. F. J. p. 218. Tab. XLVIII. 4, s. n.
Spinosissima. Japon.
Gen. Lomis Edw. F. J. p. 215.
Thylacurus Lichtenst. in Mus. Berol.
— Dentata deH. F. J. p. 219. Tab. XLVII, 2. Japon.
— Hirta Lam.
—?Squamata (Thylacurus) Lichtenst. in Mus. Berol.
—?Rugosa (Thylacurus) Lichtenst. in Mus. Berol.
Ordo TI: -STOMATOPODA LA:
Crustacés Maxilles Podophthalmes Stomapodes Edw.
Sectio 1. UNIPELTATA Larr.
Familia SquiLLIDEA Edw. F. J. p. 220.
Gen. Squilla Fabr. F. J. p. 220.
Sectio 4. MACULATAE deH.
Coronis Latr.
— Maculata Lam. F. J. p. 221. Japon.
— Vittata Zatr.
— Scabricauda Latr.
— Latifrons deH. F. J. p. 222. Tab. LI, 5. Japon.
Sectio 2. A. RHAPHIDEAE deH.
— Raphidea Fabr.
— Harpax dell. F. J. p. 222. Tab. LI, 4. Japon.
Sect. 2. B. MANTIDES deH.
— Costata dell. F. J. p. 225. Tab. LI, 5. Japon.
— Armata Edw.
— Nepa Lair.
— Mantis Rondel.
— Oratoria dell. F. J. p. 225. Tab. LI, 2, Affinis
Berthold. Japon.
— Dubia Edw.
— Scorpio Lalr.
— Desmaresti Edw.
— Fasciata deH. F. J. p. 224. Tab. LI, 4. Japon.
— Ferussaci Roux.
— Microphthalma Edw.
Sect. 3. PARALLELAE dell.
Trapues Edw.
— Monoceros Edw.
— Cerisii Roux.
— Stylifera Lam. i
— Empusa dell. F. J. p. 224. Tab. LI, 6. Japon.
Gen. Gonodactylus Latr. F. J. p. 220.
— Japonicus dell. F. J. p. 225. Tab. LI, 7.
Edwardsii Berthold. Japon.
Familia EricHTtIDEA Edw.
Gen. Erichthus Latr.
— Aculeatus Edw.
Sectio 2. CARIDINA Enw.
Familia Mysrora Edw.
Gen. Mysis Lalr.
Gen. Thysanopoda Edw.
Familia LEUCIFERIDEA Edw,
Familia AmPHIONIDEA Edw.
Gen. Amphion Edw.
Sectio 3. BIPELTATA Edw.
Gen. Phyllosoma Leach. F. J. p. 226.
Sectio 4. COMMUNIA Edw. F. J. p. 226.
— Guerini dell. F. J p. 226. Tab. L, 6. - Japon.
— —— species Edwardsianae:
13
154
Sectio 2. LATICAUDATA Edw. F. J. p. 226.
— —— species Edwardsianae.
Sectio 3. BREVICAUDATA Edw. F. J. p. 226.
— —— species Edwardsianae.
Ordo III. HETEROPODA prBrarnv.
Crustacés Maxillés Branchiopodes, Entomostracés, Trilobites.
Crustacés Suceurs Parasites Nageurs Edw.
Sectio 1. LERNAEACEA Edw.
Suceurs Lernéens Edw.
Section 2. COPEPODA dell.
Suceurs Siphonostomes. Mazillés Entomostracés Copepodes Edw.
Familia SIPHONOSTOMATA Latr.
Familia copEpopa Edw.
Familia monocvurı Linn.
Sectio 3. TRILOBITA.
Sectio 4. BRANCHIOPODA Larr.
Maæillés Entomostracés Cyproides, Maxillés Branchiopodes Edw.
Familia CrPrripra Edw.
Gen. Branchipus Schaffer.
Gen. Apus Schaffer.
Gen. Nebalia Leach.
Sectio 5. CIRRIPEDIA Burm.
Cirrhopodes Cuy.
155
Ordo IV. TETRADECAPODA prBuarnv.
Crustacés Maxillés Edriophthalmes, Crustacés Suceurs
Parasites Marcheurs Edw.
Sectio 1. ISOPODA Larr.
Isopodes Nageurs Sphéromiens et Cymothoadiens. Isopodes Marcheurs
Idotéides et Asellotes Homopodes , excl. Limnoria Edw.
Familia Cymornoapra Edw.
Cymothoa Fabr.
— Trigonocephala Leach. F.J. p. 227. Tab. L, 7, act b. Japon.
Familia Iporripra Edw.
Gen. Edotea Fabr.
— Appendiculata Edw.
— Capito Edw.
— Hectica Edw.
— Hirtipes Edw.
Gen. Anthurus Leach.
— Gracilis Zeach.
Familia ASELLOIDEA Edw.
Gen. Asellus Geoffroy.
Sectio 2. STYLOPODA deH.
Isopodes Marcheurs Cloportides et Asellotes Heteropodes.
Limnorea Edw.
Gen. Tanais Edw.
Gen. Limnoria Leach.
Familia seDENTARIA Edw.
Sectio 3. PRANIZINA Epw.
Isopodes Nageurs Praniziens Edw.
135
156
Sectio 4 AMPHIPODA Larr.
Gen. Phrosina Risso.
Gen. Anchylomera Edw.
Sectio 5. LAEMODIPODA Larr.
Isopodes Laemodipodes et Suceurs Aranéiformes Edw.
Gen. Leptomera Latr.
Gen. Cecrops Leach.
Gen. Aegina Kröyer.
Gen. Caprella Lam., Kröyer.
— Septentrionalis Kröy.
— Scaura Templ.
— Modesta Templ.
— Acutifrons Desm.
— Phasma Mont.
— Tuberculata Guér.
— Lobata Müll., Kröy.
— Hystrix Kroy.
— Acuminifera Edw.
— Dilatata Kröy.
— Januarii Äröy.
— Kröyeri dell. F. J. p. 228. Tab. L, 8. Jet 2. Japon.
Familia ARANEIFORMIA Edw.
Ordo 5. XIPHOSURA Geoxov.
__Crustacés Xiphosuriens Edw.
Familia LIMULIDEA deH.
Gen. Limulus Müller.
585. Longispina vdHoev. F.J. p. 229. Tab. LII—LV,
det 9. Japon.
84. Moluccanus Latr. Iles moluques.
85. Rotundatus Latr. Îles moluques.
PATO
AJN. Fec. & lith
len 2. Vanessa Royeri, Voll. 3. Melanitis stellaris, Voll,
DESCRIPTION DE QUELQUES ESPÈCES NOUVELLES DE
LEPIDOPTÈRES
PAR
S. 0. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
1. Vanessa Royeri, v. Voll.
(Pl. 8 fig. 1 et 2.)
Il y a beaucoup de ressemblance entre cette espèce, provenant
de la Nouvelle Guinée, et la Vanessa Orthosia Linn. qui se
trouve dans l’île d’Amboine. Cependant elle en diffère trop,
principalement par le dessin du dessus des ailes, pour que nous
puissions supposer qu’elle n’en serait qu’une variété. Je la
dédie à Monsieur le capitaine de la marine royale G. Royer,
qui l’a rapportée de son pays natal et a fait don au Muséum
de Leide d’un exemplaire superbe de ce beau papillon.
La Vanessa Royeri est de la grandeur d’Orithyia femelle.
Les ailes supérieures sont de couleur fauve en dessus. La cel-
lule costale est d’un gris noiratre jusqu’au milieu, où l’on
voit une tache longitudinale d’un blanc jaunatre. La cellule
discoïdale contient deux figures, l’une en forme de 8, l’autre
plus elliptique, dont les contours sont noirs; au delà la cou-
158
leur du fond devient plus foncée jusqu’à une bande courbe
d’un blanc jaunatre, à laquelle s'appuie une tache costale tri-
angulaire noirâtre, suivie elle même d’une tache longitudinale
blanche. Au dessous de cette tache blanche l’on aperçoit un
ocelle noirätre, à iris d’un blanc violet, accompagné d’un tout-
petit ocelle de même couleur. La cellule formée par les deux
premiers rameaux de la nervure médiane, contient un ocelle plus
grand de même couleur, annexé en haut à un petit ocelle sem-
blable et en bas à une tache noire sémicirculaire. Parallèle a
la marge extérieure s’etend une rangée de lunules jaunatres ;
entre celle-ci et la frange le fond est noir; la frange elle même
est alternativement blanche et gris noiratre.
Les ailes inférieures sont d’un brun plus foncé; la marge
extérieure est jaunâtre, traversée par trois lignes parallèles d’un
brun foncé. Sur la plus intérieure de ces lignes s’appuient
deux ocelles à iris roux et prunelles violettes, dont le premier,
le plus grand, a trois points blancs dans la prunelle, tandis
que le second n’en a qu’un. Le brun est cerclé de noir du
côté de la base.
En dessous les quatre ailes présentent une nuance fauve beau-
coup plus pale. Dans la cellule discoïdale des antérieures on
voit deux raies blanches, la première bordée de brun, la se-
conde de noir. A peu de distance de la, Vaile est traversée
par deux bandes ondulées blanches, séparées par une raie d’un
brun foncé. Une autre bande blanche, plus courte, se voit
près du sommet de l’aile et delà s’etend jusqu’à l’angle interne une
série de cinq taches noires, dont la quatrième est la plus grande.
Un peu au delà du milieu de Vaile inférieure une bande blan-
che sculpturée traverse l’aile entière; cette bande est bifurquée
au sommet. Le bord extérieur est d’un blanc jaunätre, jusques
à une série de fines lunules noiratres, en avant de laquelle l’on
voit cinq taches ocellées, dont la première est violette à pupille
blanche, et les autres noires à pupilles violettes.
Le corps est d’un brun noiratre en dessus, dun blanc de
perle en dessous. Envergure 52 millimètres.
1,2. Charaxes cognatus, v Voll. 3. Charaxes Rayi, v. Voll
159
2. Melanitis stellaris, v. Voll.
(Pl. 8 fig. 3.)
Cette espèce qui a été de même rapportée de la Nouvelle
Guinée par M. Royer, surpasse en taille les autres espèces de
Melanitis que me sont connues. Elle a 88 millimètres d’en-
vergure.
Son corps est en dessus comme en dessous d’un brun cho-
colat. Ses quatre ailes ont en dessus la méme teinte, plus
foncée sur le disque des supérieures et s’affaiblissant graduelle-
ment vers le bord extérieur ; les ailes inférieures qui n’offrent
pas une denticulation profonde, présentent une bande nuagée
blanchatre vers le bord extérieur. Chaque denticulation porte
en liséré deux petits traits blancs.
En dessous les ailes offrent la même couleur, mais marbrée
de petits traits blancs sur le dernier quart vers le bord exté-
rieur. Aux supérieures s’appuie sur la nervule transversale une
petite tache d’un blanc bleuâtre, entourée de quelques points
blancs; au travers de l’aile passe une série de quatre taches
de même grandeur et couleur que la première. Les ailes posté-
rieures présentent à la base et au bord antérieur quelques peti-
tes taches blanches; une tache bleuatre, égale à celle des su-
périeures s'appuie comme elle sur la nervule transversale et
d'elle part en forme de point d'interrogation ? une série de
sept taches, qui aboutit près de l’angle anal.
5. Charaxes cognatus, v. Voll.
(Pl. 9 fig. 1 et 2.)
Je donne le nom de cognatus à cette espèce de Charaxes
à cause de sa grande affinité avec l'espèce connue depuis le
commencement de ce siècle sous le nom de Schreiber‘ Godart.
Le contour de ses ailes est le même; seulement je dirais, si
160
l'on peut s’en fier à l'inspection d’un seul exemplaire que les
deux queues des inférieures sont un peu plus longues. La
couleur du corps et des pattes est la même; elle a aussi qua-
tre points blancs sur l’occiput et une bordure blanche derrière
les yeux. Le fond des ailes en dessus est un noir brunatre ;
on ne voit point sur les supérieures de bande blanche, mais
un nuage blanc et bleu, appuyé sur le milieu du bord posté-
rieur, ne dépassant pas le premier rameau de la nervure mé-
diane; entre le premier et le second rameau se voit une tache
assez ‘grande blanche, triangulaire, et remontant vers le bord
antérieur un triangle de trois taches plus petites, en avant duquel
on apercoit un point gris. Une série de points gris traverse
en outre Vaile parallèlement au bord extérieur. È
Les ailes inférieures sont semblables à celles de la Schrez-
beri en dessus, seulement la bande blanche est plus large, et
l’on n’apercoit de jaune orangé au bord extérieur, que la grande
tache entre l’angle anal et la première queue.
En dessous, les ailes supérieures diffèrent beaucoup de
celles de l’espèce sus-nommée. La couleur du fond est un
brun clair, mais cette couleur est semée de taches blan-
ches. Le bord antérieur est blanc a la base, puis noir
jusqu’à sa moitié; la cellule discoïdale blanche, est traversée
dans son milieu par une ligne noire, et en outre bordée de
noir; elle est suivie d’une grande tache blanche divisée en
éventail par des nervures noires et traversée par une ligne noire.
Après cette tache l’on voit le fond brun s'étendre jusqu'à une
bande sinuée blanche, traversée de même par des nervures
noires ; la couleur du fond derrière cette bande transversale
devient graduellement plus foncée. Au disque de Vaile on
remarque encore trois taches blanches en pain de sucre, bordées de
noir. Les contours de la plupart des taches ont un reflet me-
tallique.
Le dessous des secondes ailes est semblable a celui des mé-
mes ailes chez la Schrecberd; cependant tout le brun est plus
foncé et les bordures noires sont plus larges.
Pa
si
Na
a)
fi
Pl. 16%
EM a =
. Charaxes Rayi, v. Voll.
9
| & 3. Charaxes Concha, v. Voll.
161
L'unique exemplaire de cette espèce qui se trouve au Mu-
seum de Leide, a été rapporté des îles Moluques par M. le
Professeur Reinwardt.
4. Charaxes Rayi, v. Voll.
(Pl. 9 fig. 5 et Pl. 10 fig. 2.)
Cette nouvelle espèce appartient au sous-genre Megistanis,
etant tres voisine de Megistanis Boeotus Boisd. L’exemplaire
dont j’offre ici la description est depuis bien longtemps en
Europe, car il a fait partie de la collection celebre de M. Rave,
seigneur de Breukelerwaert; on s’etonne done à juste titre,
qu'on ne lui ait jusqu’a ce jour point imposé de nom.
Le dessus du corps est d’un noir brunätre; la même cou-
leur s’etend sur le dessus des ailes. Celles-ci sont traversées
dans le sens de la largeur par une large bande bleue commu-
ne, qui commence derrière la nervure médiane et s’étend jus-
qu'à l’angle anal. Entre la côte et le bout antérieur de cette
bande, l’on voit une tache bleue, accompagnée d’une très-petite
de la même couleur et, touchant au bord antérieur plus près
de la base, une autre de même grandeur que la première.
Entre ces taches bleues, le bout de l’aile et le bord extérieur,
s'étend une série de cing taches blanches et rondes. Sur les
inférieures l’on voit entre la bande bleue et le bord extérieur
une série de six taches rondes et bleues, suivie d’un trait courbé
bleu, qui s’unit a la bande près de l'angle anal. Un petit
liséré bleu se voit par ci par là, tout près du bord extérieur.
Les queues sont noires.
Le dessous du corps et des ailes est blanc, tigré de noir et
fort semblable au dessin du Megistanis Aeclus Fabr. repre-
sentée sous le nom d’Æeëlus par Cramer, Pap. ecotig. Pl. 217
fig. A, B. Il suffira de faire apprécier les différences. Les
taches et raies noires du Ray? sont plus larges et empatées que
celles de l’Æeclus; sur les ailes supérieures de la première
162
espèce manquent les trois petites taches d’un jaune d’ocre; on
n’apergoit que la grande tache dans la cellule IE qui n'est pas
traversée par deux raies noires, comme chez l’Aeclus ; enfin le
bord des ailes inférieures est nuancé d’une teinte verdatre et
la grande tache jaune d’ocre porte un ocelle noir à iris blanc.
Envergure 106 millimètres On a découvert cette espèce
dans l’île d’Amboine.
5. Charaxes Concha, v. Voll.
(Pl. 10 fig. 1 et 3.)
De même que la précedente cette espèce doit être rappertée
an sous-genre Mégistanis; je la nomme Concha à cause de
la teinte nacrée, qui fait le principal ornement de ce papillon
quand il se repose avec les ailes relevées et appliquées l’une
contre l’autre.
Son envergure est de 80 à 100 millimètres.
Le sommet de la tête est d'un brun noisette : les palpes sont
noires en dessus, blanches en dessous ; les yeux bruns, les joues
blanches, les antennes très-noires. L’occiput offre quatre points
blancs, les cotés du prothorax deux autres. Le prothorax et
les épaulettes sont couleur noisette, le reste du thorax est gris
en dessus, blanc en dessous; l’abdomen est d’un blanc jauna-
tre en dessus, et également blanc en dessous. En dessus, les
ailes ont une teinte blanche, lavée de jaune verdatre ; la moitié
extérieure des supérieures est noire; la ligne de démarcation
entre ces deux couleurs commence au milieu du bord antérieur
et traverse l’aile en ligne courbe pour aboutir à l’angle interne.
Près du sommet se voit un petit point blanc.
Sur les inférieures s’étend parallèlement au bord extérieur, qui
porte deux grandes queues bleues et entr’elles une autre fort petite,
une rangée de lunules dont les extérieures sont noires, à noyaux
brun noisette, et les intérieures bleues, surmontées d’une plus
petite lunule noire. Le bleu des lunules s’unit au bleu des
queues,
163
En dessous toutes les ailes sont d’une belle couleur de nacre
et présentent sur le disque et près de la base de petites taches
noires ou d’un gris bleuâtre, et sur la moitié extérieure des
taches jaunes, surmontées de sourcils bleus. La plus remar-
quable de ces taches et qui suffirait toute seule à faire re-
connaître l’espècé, est celle qui se trouve aux supérieures sur
le rameau récurrent qui ferme la cellule discoïdale, car cette
tache nous rappelle parfaitement par sa configuration un oeil
humain, s’ouvrant langoureusement.
Le Museum possède trois exemplaires de ce beau papillon ;
deux d’entr’eux ont été rapportés de Java (si l’on peut s’en
fier pour l'habitat à l'étiquette) par M. le professeur Blume,
la troisième nous a été envoyée des plateaux de Sumatra aux
environs de Padang par M. Ludeking.
DE LARVE VAN
ANONCODES MELANURA
van LINNE,
MEDEGEDEELD DOOR
J. A. HERKLOTS.
(Pl. 11.)
In het Verslag der Algemeene Vergadering van de Neder-
landsche Entomologische Vereeniging , gehouden te Haarlem den
12 Augustus 1854, werd de beschrijving medegedeeld der
larve, van welke hier op plaat 11 de afbeelding wordt gege-
ven. Reeds twee jaren vroeger was door de dagbladen het
berigt medegedeeld, dat het paalwerk aan het Y door larven
van, zoo het heette Zymexylon navale werd verwoest, en
men vreesde in deze tor een’ tegenhanger te zullen vinden van
den al te bekenden paalworm.
De Heer de Geus, toen op den huize Zwanenburg verblij-
vende, had de goedheid op mijn verzoek mij een aantal voor-
werpen te doen toekomen, en reeds het onderzoek van deze
luide dat er zich niet één Zym. navale onder bevond en
slechts een enkele Lym. dermestoides, beide door lange,
dunne pooten en vooral door het eigenaardig maaksel aan het
uiteinde des ligchaams zoo scherp gekenmerkt.
De waarschijnlijkheid dat wij eene onbekende larve voor ons
hadden werd bevestigd door hare ontwikkeling tot een tor, die
bleek 4noncodes melanura te zijn. De eenvoudige vermelding
van dezen naam, met aanwijzing naar de reeds medegedeelde
beschrijving zou dus voldoende zijn, indien niet de afstand
tusschen beschrijving en plaat eene korte herhaling der eerste
u
PI
L
melanura,
Anoncodes
165
verkieselijker deed voorkomen. Tot gemakkelijker vergelijking
zullen wij den vorm volgen door Chapuis en Candèze in hun
Catalogue des Larves des Coleoptères aangenomen.
De kop, fig. 2 en 3, is groot, breed-vierkantig, in lengte
slechts de helft der breedte bereikend.
Oogen zijn niet waargenomen.
De sprieten zijn ter wederzijde der monddeelen aan den
voorkant van den kop ingeplant, regt vooruitstekend , uit vier
geledingen bestaande, van welke de eerste breed en zeer kort,
de tweede kort, de derde driemaal zoo lang als de tweede,
deze beide rolrond, de vierde veel dunner, bijna even lang als
het tweede lid en als borstelvormig uitloopend.
Het kopschild is duidelijk afgezonderd, breed en kort.
De bovenlip, fig. 4, is halfrond, langs den rand en boven
op dun behaard, hoornachtig en bruin gekleurd.
De bovenkaken, fig. 6, zijn krachtig, breed aan het grond-
stuk, op de helft der lengte plotseling toegespitst, hoornig,
zonder tanden, doch onder de punt met twee kanten voorzien.
De onderkaken, fig. 5, zijn meer vliezig, van binnen schuin
afgesneden, langs den rand met borstelachtige korte haartjes
vrij digt bezet, aan den buitenrand afgerond met een’ driele-
digen taster, wiens laatste lid klein, hoornachtig en bruin
gekleurd is.
De onderlip, fig. 7, is lang en smal, in het midden eenigzins
kogelvormig, daarna in een langen punt eindigende; ter weder-
zijde van deze is de liptaster ingeplant, die uit een met
het overstaande vereenigd grondstuk bestaat, uit een zeer
lang, rolrond lid en uit een klein, hoornachtig en bruin eindlid.
Het ligchaam, fig. 1, is gestrekt, eenigzins platgedrukt, ge-
heel dun, vooral aan de zijden met enkele haartjes bezet; van
de borstgeledingen is het eerste even breed als de kop, lang,
de beide volgenden zijn kort en smaller; de pooten zijn middel-
matig lang, vrij krachtig en eindigen met een’ scherpen nagel.
De achterlijfsgeledingen zijn even lang of iets langer dan de
beide laatste borstsegmenten te zamen; aan de derde en vierde
166
geleding, fig. 8, staan aan de onderzijde twee knobbels, die
zeer sterk ontwikkeld zijn en aan hun uiteinde met korte
stijve haren bekleed.
Het laatste lid is aan de bovenzijde eenigzins opgezwollen
en de anus is met een rand bedekt.
De pop is niet waargenomen.
De larve knaagt gangen in hout, fig. 9, die voornamelijk
in de lengte van de houtvezel loopen, vrij onregelmatig zijn
met yerwijdingen en grootendeels opgevuld met de vezels van
het afgeknaagde hout en uitwerpselen. Zij schijnt zich in
vochtig hout op te houden, en in de palen, waarin wij haar heb-
ben waargenomen, uit het Y afkomstig, waren de gangen
tusschen water en wind gegraven.
DEUX NOUVELLES ESPÈCES DE
TORTRICIDES ,
DECRITES PAR
H W. DE GRAAF.
Penthina Pyrotana (Standf. i. 1.) nov. spec.
(Pl. 12 fig. 1.)
Téte brune. Antennes brunes. Corselet d’un brun noiratre
avec quelques écailles blanches. Abdomen d’un gris noirâtre,
avec la touffe anale blanchatre. Palpes, poitrine, ventre et
pattes d’un gris clair, Tarses annelés de blanc sale.
Envergure des ailes 12 mm. Ailes antérieures d’un brun
doré, variées de noir, avec une grande tache sémicirculaire
d’un blanc très-légèrement teinté de roussätre dont la base
repose sur la côte. Cette tache placée au-delà du milieu de
Vaile, est marquée de trois petits traits costaux bruns, (uel-
ques écailles d’un bleu argenté sont placées près de la base et
quelques lignes de même couleur traversent l’aile, savoir: les
deux premières, partant avant le milieu de l’aile de deux points
blancs costaux, sont presque parallèles, très-rapprochées l’une
de l’autre, brisées en angle obtus dans la cellule discoïdale et
finissant près du bord interne en deux traits blancs. La ta-
168
che sémicirculaire donne naissance à deux autres lignes , moins
rapprochées que les deux précédentes. La première arquée en
dehors, est précédée d’un point de méme couleur et se continue
jusqu’au bord interne, tandis que la seconde, presque droite,
aboutit à l’angle anal. Enfin quelques écailles bleues forment
une espèce de ligne irrégulière qui part de la côte et se dirige
vers le bord extérieur. Franges de même couleur que les lignes.
Ailes postérieures d’un gris noirätre. Franges blanchatres , tra-
versées par une ligne de la couleur du fond. Dessous des qua-
tre ailes d’un gris uni, plus clair que celui du dessus des ailes
postérieures. Les antérieures ont cinq traits costaux blancs.
Je possède deux dd que j'ai pris le 5™ Juillet 1857, en
remuant les buissons de bouleau plantés dans les dunes de
Wassenaar (Hollande méridionale).
M. Joseph Mann de Vienne, qui a vu un de ces individus,
me mande que M. Standfuss a donné à cette nouvelle espèce
le nom manuscrit de Pyrotana. J’ai adopté ce nom, quoiqu'il
n’ait été publié nulle part.
Sericoris Rooana, nov. spec.
(Pl. 12 fig. 2.)
Tête d'un jaune pâle tres-légérement teinté de roussätre.
Antennes noirâtres, faiblement annelées de blanc sale en dessus.
Corselet d’un noir fuligineux varié d’écailles blanchâtres. Ab-
domen gris; touffe anale un peu roussàtre. Palpes blanchätres
avec des écailles fuligineuses en dehors. Les quatre premières
pattes et les tarses d’un noir fuligineux, annelés de blanc. Les
pattes postérieures grises; les tarses d’un gris roussatre.
Envergure des ailes 16 mm. Fond des ailes antérieures d’un
noir fuligineux à teinte olivätre, orné de plusieurs petites ta-
ches couleur de plomb, qui forment des lignes transverses et
obliques. Deux de ces lignes transverses sont placées avant le
milieu de Vaile; elles touchent les deux bords et découpent un
espace basilaire d’un tiers de Vaile. Au delà du milieu de
P1°12?
a
1, Penthina pyrotana, Standf 2, Sericoris Rooana, d Gr
3, Tephrosia crepuscularia, g a,b, c,d. Rhyssa persuasoria
169
Vaile on voit a la côte quatre traits virgulaires, géminés,
blancs. De la première paire part une ligne oblique qui se
bifurque entre les 1° et 2° nervules inférieures et qui aboutit à
langle anal. Cette ligne, précédée d'un point de même cou-
leur placé à l'extrémité de la cellule discoïdale, émet entre
les 1° et 2¢ nervules inférieures un rameau oblique qui atieint
le bord interne vis à vis du premier trait virgulaire. Dans le
triangle formé par la ligne principale et son rameau, on voit
encore un point. Une autre ligne oblique, ondulée, prend
naissance dans la seconde paire et atteint le bord extérieur
entre la première nervule supérieure et la première inférieure.
Enfin de la troisième et quatrième paire descendent deux pe-
tits rameaux plus ou moins distincts, jusqu’à la ligne ondulée,
de sorte que celle-ci forme vers la côte une trifurcation plus
ou moins marquée. Franges entrecoupées d'une ligne noire,
bien distincte. Elles sont blanches, exceptées à l’apex et a
l'endroit où les deux lignes obliques atteignent le bord exté-
rieur ; là elles sont de la couleur du fond.
Ailes postérieures grises; franges blanchatres traversées par
une ligne obscure.
Dessous soyeux. Ailes antérieures noiratres, plus pales au
bord intérieur. Traits virgulaires blanchatres. Franges comme
en dessus. Ailes postérieures d’un gris un peu plus pale que
celui du dessus, surtout vers la base.
Un Z obtenu d’éclosion.
Chez un autre { que j'ai sous les yeux, les lignes couleur
de plomb sont très-irrégulières et confuses. J'ai pris en Juil-
let une £ près de Noordwyk. Elle est plus petite. (Enver-
gure des ailes 14mm.) Les ailes antérieures sont d’un olivätre
fuligineux. Le point placé à l'extrémité de la cellule discoi-
dale est précédé d’un autre point dans la cellule. Les deux
lignes obliques approchent plus près du bord extérieur et la
tache fuligineuse des franges est plus petite.
Tous les individus qui ont voleté sont d’une couleur plus oli-
vâtre que le male obtenu d’éclosion.
14
170
M. Mann confirme mon opinion, que cette espèce n'a pas été
décrite jusqu’à ce jour-ci. Elle semble être assez répandue dans
les Pays-bas, quoiqu’on la trouve rarement. M. de Roo van
Westmaas a trouvé deux mâles près de Velp en Gueldre.
Dans la Hollande M. Snellen van Vollenhoven a pris l’insecte
aux environs de la Haye et M. van Bemmelen à Warmond.
Moi même j'ai trouvé la chenille près de Noordwyk en Juin
dans une localité boisée et sablonneuse. Elle vivait, si je ne
me trompe pas, sur le chène ou sur le bouleau. L’éclosion
s’est faite en Juillet.
Je dédie cette espèce nouvelle à mon ami M. de Roo van
Westmaas, savant Lepidopterologiste, qui s’occupe avec le plus
orand succès de l’étude des Tortricides,
EEN HERMAPHRODIET VAN
TEPHROSIA CREPUSCULARIA W. V.
DOOR
Mr. E. A. DE ROO VAN WESTMAAS.
Hermaphroditismus bij insecten is een verschijnsel dat, hoe-
wel zeldzaam, niettemin van tijd tot tijd wordt waargenomen.
De voorwerpen, bij welken men dit het menigvuldigst heeft
opgemerkt, zijn echter in zeer ongelijkmatige verhouding tus-
schen de verschillende insecten-orden verdeeld, zijnde die der
Lepidoptera in dit opzigt verreweg de rijkste, zoodat van de
73 voorbeelden, die aan Lacordaire tijdens de uitgave zijner
Introduction à l Entomologie bekend waren, 67 tot deze,
slechts 2 tot die der Coleoptera en 4 tot die der Hymenop-
tera behooren. — De rede hiervan meent genoemde schrijver,
en mogelijk niet ten onregte, te vinden in het bij deze insec-
ten-orde gemakkelijk te onderscheiden sexuele verschil, waar-
door dergelijke abnormale afwijkingen meer dan bij anderen,
waar de sexen meestal moeijelijker te onderkennen zijn, in het
oog loopen en dus minder ligt worden voorbijgezien. — Hoe
het ook zij, het geringe en meestal oppervlakkige onderzoek ,
dat bij enkele zoodanige individuen werd ingesteld, is er verre
af van eenig noemenswaardig resultaat te hebben opgeleverd en
alleen grondige en naauwgezette anatomische waarnemingen
zullen in staat zijn licht te verspreiden daar, waar thans nog
grootendeels duisternis heerscht. Men heeft zich tot op heden
bijna uitsluitend bepaald tot het bewaren dezer zeldzaamheden
als zoodanig in verzamelingen, waarom ik dan ook het verzoek
172
van Prof. J. van der Hoeven op de laatste Vergadering der
Entomologische Vereeniging gedaan, om namelijk die insecten,
waerbij men Hermaphroditismus mogt meenen te bespeuren,
voor anatomisch onderzoek te willen afstaan, volkomen beäam,
schijnende ook mij dit het eenige middel toe om deze zaak tot
meerdere klaarheid te kunnen brengen en vooral ook om uit
te maken of de voorwerpen, waarvan men zulks naar het uiter-
lijke gist, werkelijk echte Hermaphroditen zijn.
Er bestaan, voor zoo verre ik weet, slechts een paar ver-
slagen over de ontleding van zoodanige tweeslachtige wezens;
het eene betreft een volkomen Hermaphrodiet van Lastocampa
guercifolia, waarvan Lacordaire eene korte beschrijving geeft !),
het andere een onvolkomen van Melitaea dydima d', bij wel-
ken aan de linkerzijde het oog, de palp en de spriet vrouwe-
lijk waren, terwijl zich de mannelijke organen normaal ver-
toonden, met een ovarium aan de linkerzijde buiten verband
met eenig ander orgaan ?).
Ook de vraag in hoeverre deze voorwerpen het vermogen
bezitten om zich door zich zelven voort te planten is nog
steeds onbeslist; wel heeft Scopoli?) medegedeeld, dat hij uit
de eijeren van eene Zasiocampa Pini Hermaph. rupsen ver-
kreeg; doch zoo deze waarneming niet. juister is dan zijne ver-
onderstelling dat het Hermaphroditismus zoude voortgebragt
worden door het te zamen zijn van twee rupsen in hetzelfde
spinsel en het diensvolgens veranderen dier beide rupsen in
eene enkele pop, waarvan dan eene verbinding der sexuële
organen, na de ontwikkeling van het volkomen insect, het ge-
volg zoude zijn, dan zal men moeten toestemmen dat dit voor-
beeld niet zeer geschikt is om de wetenschap eene schrede
verder te brengen. — Heeft men zich dus tot op heden slechts
weinig aan een goed anatomisch onderzoek laten gelegen lig-
1) Introd. a l'Ent. T. 2. pag. 431.
2) Ibidem 2. 434.
3) Introd. ad hist. nat. pag. 416,
173
gen, het merkwaardige van het verschijnsel is daarom echter
niet geheel voorbijgezien, en de uiterlijke kenteekenen zijn met
vrij groote naauwkeurigheid waargenomen. Reeds Ochsenhei-
mer gaf!) eene opsomming van de in zijnen tijd bekende voor-
beelden van hermaphroditische Lepidoptera en splitste die in
twee afdeelingen, namelijk in die van volkomene en onvolko-
mene; tot de eersten bragt hij de vlinders, bij welken de
sprieten en vleugels van beide geslachten duidelijk te onder-
scheiden zijn, tot de tweede die, bij welke het eene of andere
geslacht het overwigt heeft. Deze indeeling is door Lacordaire
in zooverre nagevolgd, dat zijne gynandromorphes mixtes
met de volkomene, zijne gynandromorphes masculins et
féminins met de onvolkomene van Ochsenheimer overeenstem-
men. Als voorbeelden van volkomen Hermaphroditen, kende
Ochsenheimer zeven soorten, drie uit de verzameling van den
abt Mazzola, vier uit zijne eigene, namelijk: Argynnis Paphia
rests d' links 2, Lycaena Alexis rests £ links 7, Endromis
versicolora regts links 9, Saturnia Pyri regis J links 2,
Saturnia Carpini links d regts 2, Liparis Dispar links 7
regts 2, en eindelijk de algemeen bekende en in het Hilfs-
buch van Treitschke afgebeelde Marpyta vinula regis J links 2.
Deze laatste vlinder, die verscheidene verzamelingen ten sieraad
verstrekte, alvorens hij in die van Ochsenheimer kwam, is de
merkwaardigste van allen, daar hij eijeren legde, waarvan een
vijftal die niet indroogden en van eene bruine kleur waren, aan
het achterlijf vastgehecht bleven. Als onvolkomene noemt de-
zelfde schrijver op Pontia Cardamines, Saturnia Carpini,
Liparis dispar en Gastropacha Quercus, gedeeltelijk uit
zijne eigene, gedeeltelijk uit de Mazzolasche verzameling.
Behalve deze en nog enkele andere voorbeelden, die in ver-
schillende Tijdschriften verspreid zijn, geeft Treitschke in zijn
bovengemeld Zülfsbuch nog de afbeelding van een volkomen
Hermaphrodiet van Mipparchia Janira , terwijl Lacordaire
1) Schmett. v. Europa, dl. LV, 183 en volgg.
174
gewag maakt van eene Bombyx castrensis, bij welken de lin-
ker spriet en regter vleugel ?, de regter spriet en linker vleu-
gel J zijn, en die door hem onder zijne gynandromorphes
croisés worden gerangschikt. Het merkwaardige van het ver-
schijnsel en de meerdere opmerkzaamheid, die men er in den laat-
sten tijd aan wijdde, is oorzaak dat de weinige gevallen, die
zich nu en dan voordoen, niet voorbij gezien worden en dan
hetzij met, hetzij zonder afbeeldingen in Entomologische tijd-
schriften worden opgenomen. Zoo komen in de Stettiner
Entomologische Zeitung hermaphroditen voor van Boarmia
lichenaria!), Formica sanguinea*), Fidonia piniaria,
Chimabacche fagella?) en Sphinx Convolvuli *); ook meen
ik hier ter plaatse nog te moeten vermelden drie uitlandsche
vlinders, welke Dr. Verloren in de verzameling van den heer
Hewitson op Oatlands-Park bij Walton, omstreeks 5 uren van
Londen, zag, namelijk eene Pieris Pyrrha, Colias Trite en
Satyrus Itis, waarbij zich dergelijke monstruositeiten voor-
deden.
Uit bovenstaande opgaven blijkt, dat de meeste Hermaphro-
diten bij dagvlinders en Bombyces voorkwamen, twee bij Ge-
ometra en slechts één enkel geval bij de Tineaceen, zoodat
alles bij elkander genomen, het aantal in verhouding der groote
menigte van soorten nog uiterst gering blijft. Het is daarom
dan ook steeds van belang dit verschijnsel niet onopgemerkt te
laten voorbijgaan, al ware zulks ook maar alleen om zoodoende
geschikte voorwerpen voor anatomische waarnemingen te kun-
nen aanwijzen, en daardoor de gelegenheid te verschaffen om
het onzekere, dat deze spelingen der natuur nog altijd om-
zweeft, op te helderen. Deze beschouwing heeft ook mij ge-
noopt de beschrijving te geven eener Tephrosia crepuscularia
Ent. Zeit. 4. p. 229.
Ibid. 12. p. 295.
Ibid. 14. p. 416 en 15. p. 102.
Ibid. 21. p. 91.
co D ek
CS EZ
CS
175
hermaphr. die ik te Dordrecht ving en die te oud is om nog
een goed anatomisch onderzoek toe te laten, hoewel de goede
staat, waarin zij zich steeds bevindt, allezins in staat stelde om
er eene juiste afbeelding en beschrijving van te kunnen ver-
vaardigen. De eerste, die zeer naauwkeurig en met de uiterste
zorg werd geteekend, is hierbij gevoegd, terwijl de beschrijving
luidt als volgt:
De vlinder, die de derde Geometra en de eerste uit het
genus Tephrosia is, bij welke het verschijnsel van Her-
maphroditisme werd waargenomen, heeft de gestalte eener
gewone Crepuscularia; de regter spriet is mannelijk, fijn
gekamd, de linker vrouwelijk, haarvormig. Aan de linker of
vrouwelijke zijde is de bovenvleugel, in vergelijking van de
mannelijke zijde, aan den bovenrand en naar den vleugelpunt
donkerder gekleurd met donkerder vlekken aan het begin der
dwarslijnen en eene duidelijke tandlijn. De ondervleugel heeft
insgelijks eene zeer duidelijke, lichte, scherp afgezette tandlin,
die aan de mannelijke zijde, waar ook het lichte veld na de
derde dwarsstreep op den ondervleugel doorloopt, geheel ach-
terwege blijft; ook is de franje van den vrouwelijken onder-
vleugel, zoo als zulks bij deze soort gewoonlijk plaats heeft,
veel dieper uitgesneden of getand dan aan den anderen kant.
De onderzijde van den vrouweliiken bovenvleugel is veel don-
kerder dan van den mannelijken. Het ligchaam heeft den vorm
vrouwelijk met een bruinen legboor, waarboven zich het ge-
pluimde van den mannelijken anus vertoont.
Uit deze beschrijving volgt dat de vlinder tot de volkomen
Hermaphroditen van Ochsenheimer behoort, omdat het manne-
lijke zoowel als het vrouwelijke element in gelijke verhouding
vertegenwoordigd zijn. Vooral merkwaardig is de goed ont-
wikkelde eijerlegger, in welks nabijheid men de uitwendige
kenteekenen van het mannelijke orgaan bespeurt, hetgeen , ware
dit voorwerp tijdig genoeg anatomisch onderzocht geworden,
mogelijk wel stof tot eenig belangrijk resultaat zoude hebben
kunnen opleveren.
BIJ DE AFBEELDING DER LARVE EN POP VAN
RHYSSA PERSUASORIA.
In het verslag van de 14° algemeene vergadering der Ned.
Ent. Vereeniging, gehouden te Amsterdam den 17. Julij
1858, leest men, dat de Heeren J. Witewaall en Snellen van
Vollenhoven te Voorst de larve en pop van de Rhyssa per-
suasoria in een’ aangestoken en door Sirex juvencus bewoon-
den boom gevonden hadden. De afbeelding van beiden is nog,
voor zoo verre ons bekend is, in geen entomologisch werk aan
te treffen. Wij hebben alzoo gemeend, dat wij de beschikbare
ruimte op plaat 12 daarmede aanvullende, onzen lezers geene
ondienst zouden bewijzen.
Fig. a stelt de larve een weinig vergroot in profiel voor.
Zij is 2,5 ned. duim lang, beenkleurig, blinkend, onbehaard ;
de vierde ring en vervolgens tot den voorlaatsten hebben op
zijde onder de luchtgaten uitpuilende knobbels; de 18 lucht-
gaten hebben bruine zoomen en staan in kleine putjes.
Fig. 6 stelt den kop der larve van voren gezien voor.
Fig. c in omtrek de pop van de mannelijke wesp vergroot ;
deze is 18 mm, lang.
Fig. d stelt op dezelfde wijze de pop van een vrouwelijk
individu voor. Men weet dat de verschillende voorwerpen van
deze sluipwesp veel in grootte verschillen ; onze poppen deden
177
dat niet merkelijk; de kleinste was 19; de grootste 22 mm.
lang. De legboor lag in de holte van het hout op den rug
der pop gebogen; nam men de pop er uit, zoo verwijderde
die boor zich daar eenigzins van.
Vroeger hebben wij reeds gemeld dat wij larven, poppen en
wespen te gelijker tijd aantroffen; naderhand zijn ook poppen
bij ons uitgekomen.
SV
Oct.9.1862
Be
TIIDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
onder Redactie van
Prof. J. VAN DER HOEVEN,
Mr. S. ©. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
Dr. J. A. HERKLOTS.
IVde deel 2de stuk,
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
onder Redactie van
Prof. J. VAN DER HOEVEN,
Mr. 8. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
Dr. J. A. HERKLOTS.
1V% deel 3-4 uk:
= Pa È Pe: en + = A i ra wi
SE pe RI A a
ate ihe eum er eet: tee:
ai sot ki ga Tals, N
u taal NÉ des ES der
a oe st
ok eet
a des Le ae it
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
onder Redactie van
Prof. J. VAN DER HOEVEN,
Mr. S. 6. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
Dr. J. A. HERKLOTS.
IVde deel #“ÓStuk.
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE.
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
ONDER REDACTIE VAN
Pro. J. VAN DER HOEVEN,
M*. 8. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
Deeds A RRR K LONS
VIERDE DEEL.
LEIDEN,
E. J. BRILL.
1361.
di
Oye Bae
wi
MASTEN |
En = }
ly, i » KU w CR À
| i i a” i
hi
LA j er Se nn he du
Do HAUT ci ui
f } |
il
iT
% E je |
[1 ? | FAN
Via Ta i 4
Was: PA I
MEE edn)
an { i apy
N my = u
fr n Vi bi;
A L
i
ry
qi
ee
VICI
ij
Vi
iy
PS nes dt ET SCI B B ee Se ee ST ee reer RP ee en
u en