et
ne
ar ar
De Po
tet
dt olen
ee o ear
fod ire Br
ee int ge
rn
vara “ndo
EEE
NETT i ai acari ©
done. Sr. EE | ME AS > ann PEE min rn ito 5 di
+ e IG ERAF DARE st nage wie DÌ art =
La ae FETES FETES a
mn mb sim ét diet -
rebelse be AT n
REE
ae EEE DA Lea nn Dn la rie it DTE TE FE EDEL Di SICU LIDI SS ZLI or ET DAI 2
x ir =
A. . - 5
—— ego > — È
e > DT TEE u re es la Cee o =
ewe, as = =
= cape RCE zere en DE =
=,% ‘ a IR “agri TE
>
¥ = 4 FE =
w > = > aed
B nd -
> e = ?
“i a RL Ce,
è PA ea ai #3
3 mat i
VAGONI À
it y Lik
UREN N {
A
I
DI
VIN
Me
i
i
N
N
AN eit ene
ik os Hh
RADON
SIE)
AVATI
> fi (he
Nm
RATE kt
hat
Nr
N hy
fie
sala (TRUE
i RIU! u
BET Ri
Fi)
ISLA
NA
N LUE
fh Ah
1
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
onder Redactie van
Prof. J. VAN DER HOEVEN,
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
Dr. J. A. HERKLOTS.
VIlde deel te stuk.
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE.
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
ONDER REDACTIE VAN
Pror. J VAN DER HOEVEN,
Deest SNEELEN NAN VOLLENHOVEN <
EN
De, JA CHERKLOTS,
#
à Pe
ZEVENDE DEEL.
HAARLEM,
A. C. K RUSEMAN.
1864.
PT D yates:
de
ATTO aac ar È; ar
fe NA von APE wir aici teak à. 4 Re
En
eTO LA ANA er |,
Pour +
men
INHOUD VAN HET ZEVENDE DEEL.
Bladz.
Verslag van de negentiende alg. vergadering der Ned. Entom. Vereeniging. 1.
IEI Stud ervled env esr usw dra A PAR AE ebr ran el, le SIZE
BipliotheekmderkMereen omne RR ED Be
Inhoudadersontyansenstijdschriften stane NN soca 42.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, De inlandsche bladwespen, 10e stuk...... 59.
DE Roo van Wesrmaas, Première éducation du ver-à-soie du chêne,
BOMDAMAMA MIEI ee A ee seele ate 75.
CL. Murper, Een woord over het spinnen en de spintuigen der insecten. 111.
F. M. van DER WuLP, Iets over de in Nederland waargenomen Sepsinen. 129.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, Description de quelques espèces nouvelles
HERCOTÉODLÉTES ae Se ce Ale oh (TOO 145.
| Cu. Murper, Heeft Swammerdam de kikvorschen onder de insecten ge-
FAN DSC GAGE A eee On NE
P. C. T. SNELLEN, Quelques remarques sur le Catalogue des Lépidopt.
d'Europe de Mm. Staudinger et Wocke..
VERSLAG
VAN DE
NEGENTIENDE ALGEMEENE VERGADERING DER NEDERLANDSCHE
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN
TE LEIDEN, DEN 29° AUGUSTUS 1863.
Tegenwoordig zijn de Heeren:
Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven, President,
Dr. M. C. Verloren, Vice-President,
Mr. H. W. de Graaf, Secretaris,
N. H. de Graaf, Conservator en
van de leden de Heeren: Prof. Cl. Mulder, G. M. de Graaf,
Mr. Bijleveld, Breukelman, Snellen, Lodeesen, Grebner, Kin-
ker, Backer Sr., Maitland, Hartogh Heys van de Lier, Dr. van
Hasselt, Dr. Burgersdijk, van der Wulp, Dr. Piaget en Backer Jr.
De voorzitter van het bestuur opent de vergadering met eene
korte toespraak, waarin hij in de eerste plaats mededeeling
doet, dat hij op verzoek van de overige leden van het bestuur
den voorzittersstoel heeft ingenomen, omdat Prof. J. van der
Hoeven, aan wien in het vorige jaar de leiding dezer verga-
dering was opgedragen, bezwaar had gemaakt zich de op hem
1
2
uitgebragte keuze te laten welgevallen. Daarna rigt de voor-
zitter een woord van welkomst tot het nieuwe lid den Heer
Bijleveld en eindigt met den wensch, dat ook deze bijeenkomst
wederom moge bijdragen om onze kennis uit te breiden en den
onderlingen band van wetenschap en vriendschap vaster zamen
te halen.
De notulen der vorige vergadering worden goedgekeurd.
De voorzitter brengt het volgende verslag uit:
Ik heb de eer u volgens art. 16 onzer wetten verslag te
doen van den toestand onzer vereeniging gedurende het afge-
loopen maatschappelijke jaar tot op den dag van heden, welke
voor ons een’ nieuwen jaarkring doet aanvangen.
Mogten wij op onze vorige algemeene vergadering er ons in
verheugen dat de dood ons geene offers afgeeischt had, wij
betreuren het, helaas! des te meer dat wij het afsterven van
drie onzer medeleden te vermelden hebben. Niet langen tijd
na die bijeenkomst kwam tot ons de treurige tijding dat
Dr. J. Wttewaall den 3” Aug. bezweken was aan de kwaal,
die hem ondermijnde; in de maand Julij LI. overleed aan eene
slepende ziekte de Heer C. J. Tengbergen, terwijl in den win-
ter Dr. V. H. Huurkamp van der Vinne, een onzer oudste
leden, den onvermijdelijken tol aan de natuur betaalde. Op
onze laatste vergadering te Haarlem mogten wij ons nog in
zijn bijzijn verheugen, ons zoo veel te wenschelijker daar eene
zeer pijnlijke kwaal hem meermalen verhinderd had vroegere
bijeenkomsten bij te wonen. Wttewaall lag toen reeds aan het
ziekbed gekluisterd. Beiden waren ons hooggeachte medeleden ,
wier gemis wij zeer betreuren. Onze geachte secretaris heeft de
kennisgevingen van het overlijden met een brief van rouwbe-
klag aan hunne weduwen beantwoord. De Hr. H. v. d. Vinne
moge aan eenigen onzer leden persoonlijk onbekend gebleven
zijn, zijne nagedachtenis verdient door allen in eere gehouden
te worden, daar het voornamelijk aan zijne bemiddeling te
danken is dat Teyler’s stichting aan de door ons gedane voor-
>
stellen een gunstig oor heeft geleend. Van den zoo ijverigen
en verdienstelijken Wttewaall, wiens overlijden voor den land-
bouw en de houteultuur een even zware slag is als voor de
entomologie, heb ik in den Ned. Spectator eene korte levens-
beschrijving gegeven en ik hoop binnen kort in staat te zullen
worden gesteld om aan de vereeniging een exemplaar aan te
bieden van een door zijne pen bewerkt Volksleesboek over scha-
delijke en nuttige insecten, een nagelaten werk, dat binnen
kort te Groningen het licht zal zien.
Moeten wij het gemis van drie zoo wakkere mannen betreu-
ren, wij hebben ons aan de andere zijde te verheugen over het
toetreden van drie nieuwe leden tot onze Vereeniging, met name
Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van Ellemeet te Middelburg,
M. G. van Woerden te Rotterdam en Mr. R. T. Bijleveld te
Leyden.
Een lid, de baron Henri van Pallandt, heeft in het afgeloo-
pen jaar voor zijn lidmaatschap bedankt.
Van ons eerelid den Heer A. W. E. Ludeking, officier van
gezondheid, thans in de Molukken, ontving het bestuur een’ brief
van dankzegging voor het toekennen van het eerelidmaatschap.
Onder de brieven door het bestuur ontvangen verdienen bui-
tendien de volgenden vermeld te worden.
Een van den Heer Julius Lederer, redacteur van het Wiener
Ent. Monatschrift, ten gevolge van welk schrijven voortaan ons
Tijdschrift tegen een exemplaar van het Wiener Entomologische
Monatsehrift zal worden geruild. De eerste toezending van dit
Oostenrijksche tijdschrift was met ongekleurde platen; na den
ontvangst evenwel van het onze heeft Lederer zich gehaast
gekleurde platen van het Monatschrift over te zenden, voor
zoo verre die voorhanden waren.
Met den Heer Alphonse Perrier te Caen in Normandije is op
diens aanvrage eene overeenkomst gesloten met opzigt tot het
ruilen van ons tijdschrift tegen het Bulletin de la Société Lin-
néenne de Normandie, van welk laatste tijdschrift reeds de zeven
eerste jaargangen ontvangen zijn.
ies
4
Voorts ontving onze Vereeniging een schrijven van de Kon.
Maatschappij tot aanmoediging van den Tuinbouw, aan welke
in ruil tegen het Jaarboek, door haar uitgegeven, het laatste
verslag onzer vereeniging is afgestaan, met bereidverklaring
onzerzijds om dien ruil jaarlijks voort te zetten.
In Februarij heeft de heer Janssen, oud-Indisch hoofdamb-
tenaar, voormalig secretaris der Nederlandsch-Indische maat-
schappij van Nijverheid eene ruiling van tijdschriften voorge-
steld tusschen die maatschappij en onze vereeniging. Na inzage
genomen te hebben van twee jaargangen van het Tijdschrift
voor nijverheid, uitgegeven door genoemde maatschappij, heeft
het bestuur gemeend belecfdelijk dit aanbod te moeten afwij-
zen, aangezien het hem voorkwam dat de onderwerpen in het
Indische tijdschrift voor nijverheid behandeld, zich te weinig bewo-
gen op het gebied van het terrein, ’t welk onze vereeniging voor
zich heeft afgebakend. Immers men trof slechts één stukje
aan in de twee jaargangen, dat eenig entomologisch onderwerp
behandelde, nam. de zijdewormteelt in de Lampongsche distric-
ten, en dit stukje kon slechts voor eene korte mededeeling gelden.
In den aanvang van dit jaar deed Z. Exe. de Minister van
Binnenl. Zaken onze Vereeniging de eer aan, haar eene mis-
sive te doen toekomen ter begeleiding van eene vrij groote
hoeveelheid eijeren der Japansche Bombyx Yama-mai, hier te
lande aangebragt door de zorgen van den officier van gezond-
heid Jhr. Pompe van Meerdervoort. Het bestuur heeft zich ge-
haast aan Z. Exe. zijne dankbetuigingen te doen toekomen
voor dit merkwaardige en hoogst belangrijke geschenk met
toezegging van mededeeling der te verkrijgen uitkomsten. De
eijeren zijn daarop aan zoo velen uwer als daarvan wenschten
te ontvangen, uitgedeeld, en de aanvankelijke resultaten der
opkweeking geven aanleiding om eene zeer gelukkige uitkomst
te verwachten.
Aan de HH. Bestuurders van Teylers tweede stichting,
onze Maecenaten, is met bijbehoorende missive het 5° deel van
ons Tijdschrift opgezonden.
19)
Dat tijdschrift zelf is geregeld voortgegaan en heeft in de
uitgave geene vertraging ondervonden. De platen voor de beide
laatste nommers van den 6° jaargang zijn bij de coloristen
in bewerking, zoodat het zesde deel weldra geheel de pers
zal hebben verlaten. Ofschoon nu, ten gevolge van het inzen-
den van eenige grootere stukken, de uitgave geene vertraging
heeft ondervonden, zoo blijft de redactie nog reden overig
houden om te herhalen, wat reeds eenmaal op vorige verga-
deringen is gezegd, dat het namelijk te betreuren is dat de
leden het tijdschrift nog niet beschouwen als eene algemeene
portefeuille, waarin onder elkander zoowel als afgesloten waar-
nemingen ook vlugtig gedane waarnemingen, ja vermoedens en
vragen zelfs worden nedergelegd. Men meent dat men slechts
met afgeronde stukken mag te voorschijn treden en vergeet
dat iedere observatie, hoe gering ook en vlugtig gedaan, toch
als aanleiding tot naauwkeuriger onderzoek groote waarde kan
hebben en tot immense resultaten aanleiding geven.
Het werk over de Nederl. vlinders, tweede serie van het
werk van Sepp, werd in den loop van dit jaar met veertien
nommers vermeerderd, onder welke meer bepaald opgenoemd
mogen worden Coleophora caespititiella Zell. en juncicolella Staint.
van den Hr. Albarda, Chauliodus chaerophyllellus Goeze, een
nagelaten stuk van wijlen ons waardig medelid Ver Huell,
twee Lithocolleten benevens Sarothripus revayanus door de Roo van
Westmaas en Zupethecia tripunctaria door Snellen. Voor zoo
verre het aan lithographie mogelijk is met gravure te concur-
reren, staan de platen niet achter bij die welke in het buiten-
land verschijnen.
Onze boekerij is in den loop van dit jaar zeer toegenomen.
Bij eene vlugtige optelling is mij gebleken dat wij, ’t zij door
ruiling tegen ons tijdschrift, ’t zij als geschenk meer dan 30
nommers ontvingen, waarvan enkelen uit meer dan een deel
bestaan. Het bestuur vleit zich dat het u aangenaam is tegen-
woordig niet alleen de titels dier werken, maar ook de opgave
van den entomologischen inhoud in het Tijdschrift te kunnen lezen.
6
Wij mogen ons in een ander opzigt mede verheugen, name-
lijk met betrekking tot den staat der kas, waaromtrent u later
door onzen geachten secretaris mededeeling zal gedaan worden.
Mij rest nog u te spreken over onze verzameling van insec-
ten, doeh wat zal ik u uiteenzetten wat u reeds voldoende
bekend is, wat u misschien gisteren door eigene aanschouwing
is gebleken? ’t Zij voldoende te zeggen: Eindelijk is onze
verzameling in een der localen van ’s Rijks Museum van Na-
tuurlijke Historie overgebragt, alwaar zij niet alleen veilig
staat, maar door de leden zoo dikwijls het hun aangenaam is,
zonder bijzondere aanvrage en formaliteiten, kan beschouwd
en bestudeerd worden. Het is te hopen — en mag ik er niet
bijvoegen: te voorzien? — dat deze verzameling nu spoedig
eene standaart-collectie onzer vaderlandsche fauna zal worden,
en aldus voor de studie der entomologie belangrijke resultaten
zal opleveren.
Ik meen alzoo, M. H. alle punten, uwer aandacht waardig
te hebben vermeld om u een beeld voor te stellen van den
toestand onzer Vereeniging op den huidigen oogenblik. Moge
het gesprokene bij u het denkbeeld verlevendigd hebben, dat
ons genootschap op den goeden weg van vooruitgang wandelt
en tevens het voornemen versterkt om het daarvan nimmer te
laten afwijken.
Uit het verslag van den conservator blijkt, dat de collectie
behoorlijk is geconserveerd en dat verscheidene leden, met name
de Heeren Snellen, Kinker, Lodeesen, Grebner en Backer Jr.,
al dadelijk met de meeste bereidwilligheid hebben voldaan aan
de uitnoodiging van het bestuur, vervat in zijne circulaire van
April 1863, om door toezending van hier te lande gevangen
insekten de verzameling te vernieuwen en in gewenschten staat
te brengen.
De vermeerdering der bibliotheek zal blijken uit de boeken-
lijst achter dit verslag geplaatst.
7
De conservator eindigt zijn verslag met het aanbieden van
een exemplaar van Hoefnagel’s Diversae Insectarum volatilium
Icones, ad vivum accuralissime depictae A”. 1630 voor de biblio-
theek, hetwelk in dank wordt aangenomen.
De secretaris doet verslag van den staat der kas.
De ontvangsten hebben over het afgeloopen jaar
he dinate ioctl tue Lie ihn select f11492;4
De uitgaven . . . sir ons | entry DAO at
Zoodat de rekening anit met een she slot van f 912,45.
Waarbij echter moet worden opgemerkt:
1° dat onder dit saldo begrepen zijn de gelden door den
Heer van Eyndhoven geschonken met bepaalde bestemming.
2° dat van dit saldo nog moeten voldaan worden de reke-
ningen van de HH. Brill en Sepp over 1862/63, welke
betaling nog niet is kunnen gedaan worden, om dezelfde
redenen als in het vorige verslag zijn opgegeven (bl. 6).
De secretaris deelt vervolgens mede dat, overeenkomstig het
besluit in de vorige vergadering genomen (verslag bl. 5), door
hem voor de bovenbedoelde schenking van Eyndhoven zijn
aangekocht drie pandbrieven in de nationale hypotheekbank te
Amsterdam, ieder groot f 100 rentende 4 pCt.
Eindelijk vraagt de secretaris aan de vergadering of zij er
hare goedkeuring aan hecht, dat hij de overige bij hem in kas
zijnde gelden, zooveel mogelijk, eveneens belegge in boven-
genoemde rente gevende pandbrieven, zooals hij reeds nu
gedaan had. De vergadering keurt goed, dat de gelden der
vereeniging op die wijze zullen belegd worden.
De voorzitter benoemt de Heeren Maitland en Hartogh Heys
van de Lier om, ingevolge art. 23 der wet, de rekening en
verantwoording van den secretaris na te zien.
De voorzitter brengt ter kennis van de vergadering, dat hij
een’ brief heeft ontvangen van den Heer Mr. J. P. Amersfoordt,
eene uitnoodiging bevattende voor de leden der vereeniging , om
tegenwoordig te zijn bij het in werking brengen van zijn’ stoom-
ploeg, des Zaturdags 26 September e. k., op de Badhoeve in den
8
Haarlemmermeerpolder, en zulks ter gelegenheid van de tentoon-
stelling der Hollandsche Maatschappij van Landbouw te Haarlem.
Nog is ingekomen eene gedrukte circulaire van den boek-
handelaar Frederik Muller te Amsterdam, inhoudende dat hij
door de Smithsonian Institution te Washington tot haren letter-
kundigen agent voor Nederland is benoemd, zoodat voortaan
al wat aan haar zal toegezonden, of van haar zal ontvangen
worden, door zijne tusschenkomst moet worden geexpedieerd.
Beide brieven worden aangenomen voor kennisgeving.
De Heeren Maitland en Hartogh Heys van de Lier brengen
verslag uit, dat zij de rekening en verantwoording van den
secretaris nagezien, met de bescheiden vergeleken, conform
bevonden en goedgekeurd hebben. De voorzitter brengt hun
deswegens den dank der vergadering toe.
De Heer Hartogh Heys van de Lier stelt voor om het Cor-
respondenz-Blatt für Sammler von Insekten voor de bibliotheek
aan te koopen. Daar de vereeniging echter reeds verscheidene
jaargangen daarvan ten geschenke heeft ontvangen van den
uitgever Dr. Herrich Schaeffer, wordt besloten den aankoop
voorloopig uit te stellen, in afwachting of de uitgever met de
toezending zal voortgaan.
Mr. H. W. de Graaf, volgens art. 13 der wet, als secretaris
aftredende, wordt met 19 van de 20 stemmen herkozen.
Ter voldoening aan art. 55 draagt het bestuur twee dubbel-
tallen voor, opdat uit ieder dubbeltal een lid worde gekozen
voor de redactie van het Tijdschrift.
Eerste dubbeltal: de HH. Prof. J. van der Hoeven en Mr.
J. H. Albarda.
Tweede dubbeltal: de HH. Dr. J. A. Herklots en F. M. van
der Wulp.
Van de 20 uitgebragte stemmen erlangt
Prof. J. van der Hoeven. . . . . 12 stemmen.
Mix I: Ho Albardash m as GAC 8 u
Dr.i:Js As Herklots uud tan Et 7
en Fo Mi byansder AWulp. ioc ter. rs
9
Zoodat de Heeren van der Hoeven en Herklots als leden
der redactie van het tijdschrift herkozen zijn.
Met 12 stemmen wordt besloten, dat de twintigste alge-
meene vergadering zal gehouden worden te Amersfoort. Zeven
leden stemmen voor Arnhem en één lid stemt voor Utrecht.
Vermits evenwel op de mogelijkheid wordt gewezen, dat
men te Amersfoort geen geschikt locaal zal kunnen vinden tot
het houden der vergadering, gaat men tot eene nieuwe stem-
ming over, ten einde eene andere stad aan te wijzen, alwaar
de vergadering zal gehouden worden, voor het geval dat daar-
toe onverhoopt te Amersfoort geene geschikte gelegenheid mogt
kunnen gevonden worden.
Voor Arnhem worden daarop 12 en voor Utrecht 8 stemmen
uitgebragt, zoodat de vereeniging in het volgende jaar te Arn-
hem zal vergaderen, dien te Amersfoort geen locaal be-
schikbaar mogt zijn.
Uit handen van den voorzitter siasi de vergadering een
overdruk van Stal’s Synopsis Coreidum et Lygaeidum Sue-
ciae, door den schrijver aan de vereeniging ten geschenke ge
geven.
De Heer Hartogh Heys van de Lier biedt voor de bibliotheek
aan een exemplaar van: Milne Edwards’, Álémens de Zoologie,
Bruxelles 1837; Erichson’s, Genera et species Staphylinorum,
Berolini 1840 en Godarts, Histoire naturelle des. Lépidoptères
ou Papillons diurnes et crépusculaires des environs de Paris,
Paris 1820 et 1823. IIL. vol. Bij acclamatie brengt de vergadering
haren dank aan den milden gever voor dit belangrijke geschenk.
Dr. Herklots treedt de vergadering binnen.
Naar aanleiding van een’ door den voorzitter ontvangen brief
van Dr. Staring, betreffende de collectie van wijlen Dr. Wtte-
waall, wordt de vraag besproken of de Vereeniging, zich deze
verzameling aantrekkende, van de Regering zal trachten te
verkrijgen dat deze door de aanstelling van een van rijkswege
bezoldigden conservator, voor de instandhouding en uitbreiding
dier collectie zorge.
10
Uit de daarover plaats hebbende gedachtenwisseling blijkt,
dat de bedoelde collectie zich thans ten huize van den Heer
Snellen van Vollenhoven bevindt, maar toebehoort aan de fa-
milie van Dr. Wttewaall, zonder welker voorkennis en goed-
keuring in deze dus wel niet kan gehandeld worden. Ofschoon
de vergadering het daarover volkomen eens is, dat, indien er
eenige stap in deze zaak gedaan wordt, deze van de vereeni-
ging behoort uit te gaan, acht men het echter algemeen voor-
alsnog ontijdig een bepaald besluit te nemen, zoolang het ge-
voelen der betrokken familie niet is ingewonnen, daargelaten
nog de vraag welk voorstel men aan de Regering zal behooren
te doen. Betreffende dit laatste spreekt Prof. Mulder als zijne
overtuiging uit, dat de collectie van Wttewaall nergens grooter
nut zou kunnen stichten, dan bij het onderwijs in de natuur-
lijke historie aan eene landhuishoudkundige school, terwijl zij,
bij eene van onze hoogescholen of bij eenig genootschap ge-
plaatst, een dood kapitaal zou worden en geene wetenschap-
pelijke rente ten algemeenen nutte zou afwerpen.
Op grond van een en ander besluit de vergadering voorloo-
pig, dat het bestuur in onderhandeling zal treden met de
familie Wttewaall en ook bij de Landsregering stappen zal doen
om te zorgen, dat de eolleetie bewaard blijve.
De vergadering wordt voor een half uur geschorst.
Na heropening brengt de voorzitter ter tafel eenige uitmun-
tende teekeningen, de anatomie van Culex pipiens voorstellende
en vervaardigd door wijlen het lid der vereeniging den Heer
Schubärt. Hij stelt voor deze teekeningen met den daarbij be-
hoorenden tekst uit te geven, en voor die uitgave te gebrui-
ken de gelden door den Heer van Eyndhoven geschonken;
zullende op die wijze niet alleen de gelden worden besteed
overeenkomstig het doel, waarmede ze gegeven zijn, maar
tevens eene waardige hulde worden gebragt aan de nagedach-
tenis van den verdienstelijken Schubärt.
Verscheidene leden voeren over dit voorstel het woord, uit
welke discussie blijkt, dat de overgelegde teekeningen niet de
11
eenigen zijn, die van Schubiirt’s hand afkomstig, zouden kun-
nen uitgegeven worden, daar zoowel de Academie te Groningen,
als Dr. Verloren, in het bezit zijn van nog vele andere teeke-
ningen van denzelfden natuuronderzoeker en daaronder eenigen,
die, om hare meerdere volledigheid, voor eene afzonderlijke uit-
gave beter geschikt schenen, dan de ter tafel gebragten.
Een en ander geeft Dr. Herklots aanleiding om op te merken,
dat men eene meer waardige hulde aan Schubärt’s nagedachte-
nis zou brengen, indien men al zijne nagelaten teekeningen met
bijbehoorende manuseripten in het licht gaf, dan wanneer men
zieh tot de publicatie van dit of dat gedeelte bepaalde; dat
evenwel zoodanige uitgave meer tot de bemoeijingen van de-
Kon. Academie van wetenschappen of van de Haarlemsche
Maatschappij der wetenschappen, maar minder tot die der ver-
eeniging behoort, zoodat, naar zijne meening, de genoemde
Academie of Maatschappij zich de zaak hadden aan te trekken.
In stemming gebragt, wordt het gedane voorstel met bijna
algemeene stemmen verworpen, maar daarentegen spreekt de
vergadering als haar oordeel uit, dat het, en in het belang
der wetenschap, en voor de eere van Schubärt’s nagedachtenis
zeer wenschelijk zou zijn, indien de bezitters van diens teeke-
ningen zich tot de Academie of de Haarlemsche maatschappij
wendden, ten einde te bewerken, dat eene dezer instellingen
zieh de publicatie aantrok.
Dientengevolge worden de Heeren CI. Mulder, als directeur
van het academisch Museum van natuurlijke geschiedenis te
Groningen, en Dr. Verloren uitgenoodigd zieh met de Kon.
Academie en Haarlemsche Maatschappij in verbinding te stellen
en ook, zooveel noodig met Mevr. de weduwe van Eyndhoven,
omdat deze waarschijnlijk, uit de nalatenschap van haren over-
leden echtgenoot, mede nog teekeningen van Schubärt’s hand
zal onder zich hebben.
Voor het determineren van de insekten der verzameling van
de vereeniging bieden zich aan:
Wander Walplein, Wies = voor. de; Diptera:
Snellen. . . . . . . . + voor de Macrolepidoptera.
HW dé Grant eo ca a Microlepidoptera.
n» Hymenoptera,
ivi yer Coleopteray >)
» » Orthoptera en
» » Libelluliden.
Snellen van Vollenhoven. .
Mailand! ger seit SR RARE n n Hymenoptera.
Ferklotanie Renee ae eee » » Hemerobiden.
VanisHasselfis;f 7 » » Arachniden.
De secretaris wordt gemagtigd, naar bevind van zaken, een
of meerdere tijdschriften voor de bibliotheek aan te koopen,
welke daarin nog niet worden gevonden.
De Heer Herklots deelt mede, dat Dr. M. Salverda te Ley-
den, als lid der Vereeniging verlangt ingeschreven te worden.
De secretaris zal dien Heer op de lijst der leden plaatsen.
De huishoudelijke werkzaamheden hiermede afgeloopen zijnde,
gaat men over tot de wetenschappelijke mededeelingen.
De Hr. van Hasselt geeft, in aansluiting aan zijne vroegere
beschouwing van het werk van Blackwall over de Spinnen,
(zie Pijds: v. Entomol. Vde D. 1862, blz. 15), een kort over-
zigt van een tweede merkwaardig boek aangaande dit onder-
werp, uit den nieuwsten tijd, t. w. dat van Nicolaus Westring,
getiteld: Araneae Suecicae, Gothoburgi 1861. Even als Clercq,
de Geer en andere zijner voorgangers in het vaderland der
araneologie (zoo als Zweden en Noorwegen wel verdienen te
worden genoemd), is W. reeds lang, nevens Sundevall en
Thorell, bekend als een vlijtig en kundig beoefenaar van dit
gedeelte der dierkunde. Hoewel geen Leetor, Doetor noch Pro-
fessor, schijnt hij toch eene geletterde opvoeding te hebben
genoten, blijkens de uitgaaf van zijn werk in zelfs doorgaans
zeer goed Latijn. Hij is een eenvoudig “liefhebber”, zoo als er
in onzen kring zoo velen en uitnemende zijn, en beklaagt hij
1) Met uitzondering der pygmaeën van de orde.
zich zeer, dat zijne maatschappelijke betrekking aan het Tol-
kantoor der haven van Gothenburg hem zoo weinig tijd en
gelegenheid openstelt tot zoologische excursiën. Des al niettemin
heeft hij, zoo door eigen onderzoek , als door toezending van vrien-
den en begunstigers, in zijn vaderland ruim 300 species leeren
kennen. Onder dezen heeft hij, bij de 18 nieuwe soorten reeds
vroeger door Thorell aangegeven, nog 37 andere beschreven.
Zelfs heeft hij zich genoodzaakt gezien, enkele nieuwe genera
aan te nemen of te vormen, t. w. het geslacht Tapinopa, tus-
schen Linyphia en Pachygnatha staande, het geslacht Agroeca,
verwant aan Agelena en Textrix, het geslacht Apostenus nade-
rende aan Hahnia en Zora, en de genera Micaria en Drassodes,
staande onder de Drassides. Echter zijn daarin meer naamswij-
zigingen, dan wel inderdaad nieuwe vormen bevat. Overigens
vond ik, dat verre weg de meeste spinnen, die bij ons te lande
voorkomen, ook in Zweden te huis behooren, evenwel heb ik
mij voorgesteld, dit onderwerp nader te vergelijken met de
Lijsten van Six, in de Bouwstoffen en ons Tijdschrift, en met
mijne eigene collectie en ervaring.
De beschrijvingen van Westring zijn voor het overige zeer
verdienstelijk, inzonderheid wegens de naauwkeurige wijze,
waarop hij de onderlinge of differentiële kenmerken der species
heeft geschetst. Behalve aan de algemeen in gebruik zijnde
eriteria, heeft hij eene meer dan gewone aandacht gewijd aan
de volgende: de gemiddelde grootte of lengte van den thorax
(om het zoo in omvang verschillend abdomen buiten te sluiten) ; —
de verhouding van den clypeus (Walck.) en den ‚frons
(Westr.), zijnde de spatia tusschen den thorax-rand en de vóór-
oogen en die tusschen de vóór- en achter-oogen; — de verge-
lijking van de lengte en dikte der femora of tibiae met die
der palpen; — maar bovenal de beharing dezer deelen. — In dit
laatste opzigt heeft hij een slechts passim betreden veld tot
eene geheel nieuwe vruchtbaarheid gebragt, door er eene es-
sentiëele toepassing van te maken op de diagnose. Bij de meer
gewone beschrijving der haren, let hij zeer veel niet alleen op de
14
vaste plaatsen van deze, maar ook op het zeer merkbare on-
derscheid in grootte en stevigheid der meer lange enkele haren
(setae en aculei). Door het opmerken daarvan moet ik bekennen,
dat mij, onder anderen, het differentiëren van eenige der
kleinere soorten van Linyphia, Theridion, Micryphantes (bij
hem Zrigone), enz. beter dan vroeger is gelukt. Intusschen
is dit onderzoek, — althans bij mijne spiritus-exemplaren — ,
dikwijls niet gemakkelijk. In verband met dit belang der be-
haring maakt W. dus zeer te regt opmerkzaam op de wijze
van vangen der spinnen, ten einde men ze niet van dit gewig-
tige kenmerk beroove. Vooral geeft hij op, dat men ze nooit
met de vingers moet aanvatten, — iets waarvan ik zelf reeds
lang ben terug gekomen, daar ik ze òf dadelijk in een wijd-
monds spiritus-fleschje òf in een doosje opvang *).
Bij het laten bezigtigen van dit werk aan de aanwezige Leden,
voegt de Hr. van Hasselt er nog bij, dat men zal bemerken, hoe
weinig ook door W. het gebruik van cursief letters voor de diffe-
rentiële diagnostica is in acht genomen, iets hetgeen hier nog
meer is te betreuren, dan in de werken van Koch, Blackwall
en anderen, welke daaraan door platen te gemoet komen, die
helaas! bij W. ontbreken. In het bijzonder voor de nova ge-
nera en de novae species blijven de laatste een wezenlijk
desideratum.
Dezelfde spreker vertoont aan de Vergadering eenige larven
en eijeren van eene Oost-Indische PAyllium-soort. Deze larven
zijn in den zomer van dit jaar door hem levende gezien te
Utrecht, bij den Heer Van den Brink, Hortulanus van den
plantentuin der Utrechtsche Hoogeschool. De eijeren zijn in
Februarij 1863, door den Hortulanus Teysman van Batavia, mede-
gegeven aan den Hr. van Gogh, Kapitein Luitenant ter Zee.
1) Of W. nog eene andere wijze volgt, is mij niet bekend. Hij geeft op,
dat hij zijne methodus capiendi heeft beschreven in Götheborgs Kongl. Veten-
skaps Handlingar , A. 1858.
+5
In“de maand April dezes jaars heeft de Hr v. d. B., — die
zich voorloopig in het bezit zag gesteld der plantjes, waarop
deze Phyllium-species gezegd werd te leven, zijnde de Guava
(Psidium Guave £ pyriferum) ') —, deze eijeren voortdurend
gehouden in een der verwarmde vertrekken van den hortus, op
eene temperatuur van 70 tot 80° F. Tusschen 12 en 15 Junij
zijn er van de 30 medegebragte eijeren 22 uitgekomen, alzoo
eenigzins laat ontwikkeld. Immers gesteld , dat zij versch waren
bij de afzending uit Java, hebben zij circa 4 maanden noodig
gehad, terwijl men gemiddeld aangegeven vindt, dat zij tus-
schen de 70 en 100 dagen uitkomen. Volgens opgave van den
Hr. v. d. Br. kwamen de jonge larven, met het abdomen op-
gerold uit het ei. Zij waren toen 1 Ned. duim lang, eenigen
iets grooter. Ontwikkeld tot de thans verkregen lengte (van
1,5 a 2 Ned. dm.) heb ik er verscheidene te gelijk in leven op
de Guava — (of Guajava) — plantjes zien tieren, doch sedert zijn
zij allen, zonder verdere ontwikkeling der vleugels, enz. gestorven.
Zij waren van eene meer lichtbruine kleur, die door den dood
en de aleohol in de thans aanwezige geelbruine is veranderd.
Destijds waren zij zeer vlug en liepen zelfs bijzonder snel.
Ofschoon dus de meeste schrijvers over de Phasmodea opgeven,
dat de “wandelende bladen” zich zeer weinig bewegen en
traag van natuur zijn, bleek mij dat dit gezegde niet op de
larve van toepassing is, zoo als dan ook te regt door Chenu
wordt gezegd: “que les larves se meuvent avec rapidité”.
Hoezeer deze Phyllium-eijeren mij door den Hr. v. d. Br.
zijn opgegeven als reeds te Batavia gedetermineerd en te be-
hooren tot die van het Phyllinm pulcherrifolium, 200 heb ik
mij van deze diagnose niet voldoende kunnen vergewissen;
althans in het Handbuch van Burmeister, de Hacyclopédie van
Chenu, de Zetroduetion van Lacordaire, heb ik dien naam niet
gevonden, evenmin als in Serville’s Zistoire naturelle of in
1) Naar beweerd wordt, leeft zij ook op de Ramboetan (Nephelium lap-
paceum).
16
Stoll's “Sprinkhanen, krekels, enz.’ Andere werken dan deze —
die mij, te Delft zijnde, tot dit onderzoek waren afgestaan
door mijnen vriend H. Hartogh Heys v. d. Lier, uit zijne reeds
rijke zoologische bibliotheek, — heb ik niet kunnen raadplegen.
De Hist. Nat. van Brullé, die veel over de wandelende bladen
heeft opgeteekend, de geprezen Monographie van Gray (Synop-
sis of the Species of Insects, belonging to the Family of Phas-
midae, London, 1835), de laatste arbeid van Westwood, over
de Orthoptera, heb ik niet ter beschikking gehad.
Ph. pulchrifolium Serv. is bekend ; vergeleken met de teekening
en beschrijving daarvan, voorkomende in Verhandel. over de Nat.
Gesch. d. Nederl. Overz. Bezitt. Zoologie, bla. 112, Tab. 5, schij-
nen onze larven echter daarmede niet geheel overeen te stemmen ;
ook niet geheel met Stoll’s afbeelding van het bekende citroen-
blad, Hoezeer de vormen der pootvliezen daarvan slechts wei-
nig verschillen, vertoonen die van den Hr. v. d. Br. zich meer
eigenaardig gevlekt, als het ware meer of min gemarmerd,
hetgeen ik voor de genoemde niet opgeteekend vind. Het kan
zijn, dat dit slechts aan de larven eigen is en dat dus inder-
daad hier PA. pulchri- (niet pulcherri-) folium voorligt.
Het was dan ook niet zoozeer wegens het determineren der spe-
cies, — dat vooral ook bij de onvolkomen ontwikkeling en de nog
geheele afwezigheid der vleugels, moeijelijk zou vallen, — dan wel
wegens de bijzonderheid van het witbroeden er van in Nederland,
dat ik uwe aandacht heb gevraagd. Eerst meende ik, dat dit de
eerste maal was dat zij in Europa waren uitgebroed, doch met
Hartogh daarnaar zoekende, vonden wij eene aanteekening , lui-
dende dat Andrew Murray van Edimburg, reeds in 1856, eene
“Notice” heeft gegeven over “Phyllium Scythe, lately bred in
the Royal Botanie Garden of Edimburgh, with remarks on
its metamorphoses and grows”, welk stuk ik evenwel niet ver-
der heb kunnen naslaan. !)
1) Opmerkingen dienaangaande worden vermeld ook in the Proceedings of
the Royal Phys. Soc. Edimburgh 1855—56, Tom I, p. 29 and 1857, p. 419.
hg
De geribde en gestippelde erjeren, waaruit deze larven zijn
voortgekomen, zijn bruin van kleur, hebben een houtachtig
of liever kurkachtig aanzien. Vooral wanneer men ze op den
grond ziet liggen, kunnen ze ligtelijk voor planten-zaadjes
worden aangezien, zoo als zeer te regt door Brullé is opge-
merkt, iets wat nog te meer opmerking verdient, in verband
met het plantaardig voorkomen van het geheele dier zelf, maar
nog meer met de belangrijke uitkomst van het mikroskopisch
onderzoek, waarbij de Hoogleeraar Harting heeft waargenomen,
dat deze eitjes, ook in hun inwendig maaksel, eene groote
overeenkomst vertoonen met planten-parenchym!
Men weet, dat deze eïjeren in het algemeen van eigenaardige
dekseltjes zijn voorzien. Bij de onderhavige soort zijn zij kegelvor-
mig, alzoo verschillende van de beschrijving van Brullé, die
van “opercules aplatis” spreekt. Ook de “rainure’” waarmede zij
op het eitje zouden passen, vind ik bij deze eijeren niet; even-
min begrijp ik wat Burmeister bedoelt, wanneer hij schrijft
dat “diese Eier mit einer Art von eingefalzten Deckel versehen
sind.” Zij en andere schrijvers, die de geheele eijeren eenen
“ovalen” of “kugligen” vorm toekennen, hebben althans zeker
niet die van onze species op het oog gehad, welke veel meer
tonvormig en hoekig moeten worden genoemd.
Nadat de Hr. Snellen van Vollenhoven hierop berigt gaf,
dat de Hr. Witte insgelijks in den Leidschen hortus zich onle-
dig hield met het uitbroeden dezer Phyllium-eijeren, die even-
wel nog niet waren uitgekomen, en de Heer Cl. Mulder in herin-
nering bragt, dat hij voor eenige jaren reeds, zich ook met
hetzelfde onderwerp had bezig gehouden, — vestigt de Hr. van
Hasselt nog een oogenblik de opmerkzaamheid der vergadering:
op het bewaren ook van andere insekten dan spinnen, in ster-
ken alcohol (30°). Hij vertoont eenige fleschjes met uiterst
kleine Aphidii, Hemiptera, Ichneumoniden, Thysanoura, enz,
die voor het bezigtigen met de loupe zich daarin uitmun-
tend herkenbaar laten conserveren, en zelfs, — in tegenover-
stelling van hetgeen hij, helaas! te veel bij het bewaren
2
18
van gekleurde spinnen te betreuren heeft, — ook zeer schoon
de gele, groene en roode kleuren blijven behouden , naar zijn oor-
deel veel beter dan in droogen toestand opgestoken of opgeplakt.
Eindelijk stelt hij den Voorzitter eenige fleschjes met door
hem voor de collectie der vereeniging verzamelde insekten ter
hand, waaronder hij meer bijzonder de aandacht vestigt op een
zeer fraai exemplaar van RAyssa persuasoria, in Junij des
vorigen jaars gevangen bij Utrecht op de zoogen. batterij aan de
Bildstraat, en wel terwijl zij met haren langen legboor beves.
tigd zat in een versch rijshout, dienstig tot het maken van
schanskorven. Kort voor zijnen dood, nadat hij ook aan onzen
Wttewaall deze vangst had laten zien, schreef deze er hem nog
de volgende opmerking over: “uwe yssa persuasoria komt
in allen deele met de beschrijving overeen; in het derde stuk
van Ratzeburg, over de Zchueumones, Berl. 1848, oppert hij
reeds het vermoeden, dat zij ook op larven in /oofhout hare
eijeren lest. Uwe waarneming is dus in zooverre van belang,
en ik heb haar opgeteekend.”
De Heer van der Wulp stelt ter bezigtiging een / exemplaar
van Tipula lateralis Meig., waarbij de linkerspriet misvormd
was; deze bevatte nl. slechts vijf leden, doch daarvan waren
het 1°, 3° en 4* lid ieder merkelijk langer dan in den norma-
len toestand, terwijl de vorm van het 5° lid, vooral aan het
uiteinde, onregelmatig was.
Daarna draagt spreker eenige opmerkingen voor, omtrent
de in ons land waargenomen Sepsinen, waaronder een paar
soorten, die hij meent voor nog onbeschreven te moeten
houden. Van deze opmerkingen wordt hier slechts met een
woord melding gemaakt, omdat de Heer van der Wulp zijn
voornemen heeft te kennen gegeven om ze nog nader uit
te werken en daarvan een opstel in dit tijdschrift te leveren.
De Heer Kinker heeft bij het vergelijken der vangplaatsen
van eenige Noetua-soorten, die naar zijne meening niet dage-
19
lijks te vinden zijn, ontdekt, dat van sommige door hem ge-
vangen species, nog niet, als in Noord- of Zuid-Holland voor-
komende, in de Bouwstoffen is melding gemaakt. Dit heeft
hem er toe gebragt een lijstje van deze soorten op te stellen,
hetwelk hij aan den secretaris overhandigt, ten einde daarvan
zoo noodig gebruik te maken. ')
Prof. Cl. Mulder herinnert aan de leden, dat hun op eene
vroegere vergadering de nagelaten eigenhandige teekeningen
van den uitstekenden Lyonet waren aangeboden. ?) Hij acht het
gepast om thans aan de leden ter beschouwing te geven het mikros-
koop, waarvan Lyonet zich bij zijne meesterlijke onderzoekingen
plagt te bedienen en brengt er het volgende over in het midden.
Het is “het ontleedkundig microscoop door den Heer Lyo-
net zelven geinventeerd om op een gemakkelijke wijze insekten
te anatomiseeren en voorwerpen voor het microscoop te berei
den” volgens den catalogus van de verkooping, in April 1796,
te ’s Gravenhage gehouden, pag. 13 n°. 2. Men ontwaart uit
deze beschrijving, dat Lyonet dit instrument ook bezigde om
voorwerpen te bereiden voor het gebruik van andere mikros-
kopen en het blijkt evenzeer uit genoemden catalogus, dat bij
in het bezit was van “een groot piramidaal microscoop,” van
een “microscoop van Wilson” en van een “echt microscoop
van Leeuwenhoek, geheel van zilver.” Het thans ter tafel ge-
bragte instrument is te ’s Gravenhage gekocht door Mejufvrouw
M. E. A. Oltmans, die eene verzameling van naturalien en zeld-
zaamheden bezat, en in 1838 overleed. Zij vereerde dit werktuig
aan den tegenwoordigen bezitter, den Heer Abraham Oltmans,
conservator der conchylien enz. aan het museum van het ge-
1) Onder de soorten door den Heer Kinker opgenoemd komt o. a. voor:
Leucania albipuncta, als in Julij te Noordwijk gevangen. Bij het afdrukken
van mijne Macrolépidoptères des Pays-bas waren nog alleen Gelderland en
Friesland als vindplaatsen bekend. d. G.
2) Zie de verslagen van de vergaderingen op 13 Aug. 1853 te 's Graven-
hage, en op 4 Aug. 1860 te Leyden gehouden.
DE
“a
20
nootschap Natura Artis Magistra. Zijne welwillendheid heeft
dit stuk eenigen tijd aan mij toevertrouwd en ik heb met be-
langstelling kennis genomen van een voorwerp, eerbiedwaardig
door de herinneringen, die er aan verknocht zijn.
Lyonet beschreef zijn werktuig reeds in het derde deel van
de werken der Haarlemsche Maatschappij van Wetenschappen,
ten jare 1757, en gaf later, op verzoek van Prof. Le Cat, eene
fransche beschrijving. Het is deze en eene afbeelding, die hij
voegde voor de exemplaren van zijn 7railé anatomique, na
1761 verkocht. In de vroegere exemplaren vindt men ze niet.
Spreker toont in eenige bijzonderheden aan, dat er geen de
minste twijfel bestaat of het aangeboden voorwerp komt met
de beschrijving en afbeelding overeen. Vooral vestigt hij de
aandacht op een tiental plaxchettes, in het bovenste laadje,
bevattende een aantal voorwerpen, grootendeels beschreven en
afgebeeld in de Recherches van Lyonet, in 1832 door Dr. W. de
Haan uitgegeven: b. v. parasieten, veertjes van lepidoptera,
zagen van Cimber, enz. Er bevindt zich hier ook nog een pa-
pier, waarop geschreven staat: portion du système nerveux
d’une chenille: bevattende een strook glas, lang 100 mm. en
breed 18 mm. Spreker had zich bij het lezen van dit opschrift
zeer verheugd, verwachtende het eenige door Lyonet voor be-
waring bestemde praeparaat onder oogen te zullen krijgen. Het
is immers bekend, dat er waren, die niet geloofden, dat hij
in natura gepraepareerd had, wat hij teekende. Om deze aan-
tjging te wederleggen, plaatste en bewaarde hij een geheel
zenuwstelsel van den Cossus tusschen twee glasplaten. Brez
zag dit praeparaat nog na Lyonet’s overlijden (zie Letterbode,
1861 n°. 50). Intusschen blijkt, dat op bovenvermelde glas-
plaat een organisch vlies, waarin eenige aderen loopen, uitge-
spreid en gedroogd is. Het is noch het praeparaat, waarvan
Brez spreekt, noch een gedeelte van eenig zenuwstelsel. Een
onkundige moet het opschrift op het papier hebben gesteld,
of er moet verwisseling van praeparaten hebben plaats gehad.
Het geschrift is niet van Lyonet’s hand.
21
Dat Lyonet evenmin eene verzameling had van de inlandsche
Lepidoptera en andere insekten, die hij zoo naauwkeurig waar-
nam en teekende, blijkt uit den catalogus. De verzameling
van insekten, die te koop kwam, bestond uit slechts 41 nom-
mers en het opschrift luidt, “meest allen uitlandsche.” Er zijn
slechts 8 nommers kapellen, de overigen zijn torren, sprink-
hanen enz. Daarentegen bedroeg de collectie hoorns en schel-
pen 1283 nommers.
De Heer Backer Sr. spreekt kortelijk over de weinig voldoende
uitkomsten, die hem het kweeken der Yama-mai hebben opge-
leverd en deelt vervolgens den inhoud mede van een’ brief over
het kweeken van zijdewormen op Java, gedagteekend Buiten-
zorg 30 Mei 1863, en geschreven door den Heer J. E. Teys-
man, Inspecteur-honorair des cultures.
Deze mededeeling geeft den voorzitter aanleiding den inhoud
van dien brief aan te vullen, daar hij door de bereidwilligheid
van den Heer W. L. de Sturler, gepensioneerd majoor in Ned.
Indische dienst, wonende te Leyden, in de gelegenheid was ge-
steld een uittreksel te nemen uit een’ anderen brief, door den-
zelfden Heer Teysman, op 13 Mei 1863, van Buitenzorg aan
den Heer Guérin-Méneville te Parijs geschreven.
Daar beide brieven hetzelfde onderwerp behandelen en de
een den anderen aanvult nemen wij daaruit, ten einde in geene
herhalingen te vervallen, het volgende over:
De Heer Teysman heeft in April 1862 uit Siam, alwaar hij
slechts eene maand kon vertoeven, eene variëteit van Bombyx
Mori medegebragt, waarvan de kweeking op Java volmaakt is ge-
slaagd. De soort schijnt eigenlijk in Cambogia en Cochin-China
te huis te behooren, alwaar men 3 of 4 generatien ’s jaars
kweekt. Op Java is het drooge saizoen het geschikst ter voort-
brenging van goede cocons; in den regentijd daarentegen loopt
men meer gevaar van ziekte (geel worden der rupsen).
De Siamsche rupsen waren uit het binnenland (Kamboerie).
De thermometer teekende aldaar des morgens ten 6 ure 22,22°C en
(9
~
2
des middags ten 12 ure 33,33°C, terwijl hij te Buitenzorg op het
zelfde morgenuur op 21,11°C en des middags op 30,00°C stond.
De eïjeren van de tamme zijdeworm van Siam komen op
Java na verloop van elf dagen uit. De daaruit komende rup-
sen hebben 27—30, ja zelfs 35 dagen noodig om tot de in-
spinning te geraken; elf dagen daarna komen de vlinders uit
de cocons te voorschijn, die terstond paren en ma 12—24 uren
hunne eijeren leggen en sterven, zoodat iedere generatie + 50
dagen levensduur heeft. De zijde is geel.
Eene var. van Sumatra, mede op Java overgebragt, en die
dezelfde stadien van ontwikkeling als die van Siam heeft,
spint kleine, witte cocons.
Eene var. van Calcutta daarentegen levert op Java groote,
gele cocons. De vlinders, uit deze cocons te voorschijn gekomen,
hadden eijeren gelegd, maar deze waren na 2} maand nog niet uit-
gekomen. Teysman had bastaarden gekweekt van Siam 99 en
Calcutta 7 7 , die groote, gele cocons hadden gesponnen. Bastaar-
den van Calcutta 9 2 en Siam 77 hadden wel eijeren gelegd,
maar de rupsjes hadden zich na 24 maand nog niet ontwikkeld.
Van de var. van Sumatra wegen 1920 volle cocons 1 kilogram,
en 32 kilogrammen volle cocons geven slechts 1 kilo afgehas-
pelde zijde. Van de var. van Siam wegen 1200 volle cocons 1
kilogram, en 16 kilogrammen volle cocons geven 1 kilo afge-
haspelde zijde. Van de var. van Bengale eindelijk, wegen 560
volle cocons 1 kilogram, en 16 kilogrammen volle cocons geven
1 kilo afgehaspelde zijde.
Volgens Teysman is Bomb. insularis niet anders dan eene
varieteit van Cynthia. Op een goeden dag had hij een paar vlin-
ders dezer varieteit gevangen, waarvan het wijfje 575 eijeren
legde, waaruit na 9—12 dagen de rupsen kwamen, die met
Erythrina-bladen werden grootgebragt en na 3 weken goede
cocons vervaardigden, welke zeer hard waren. Op een kreupel
voorwerp na, heeft zich echter geen enkele vlinder dezer teelt
ontwikkeld. Uit eenige honderden cocons van Zzsu/aris, die later
gevonden werden, ontwikkelden zich evenwel eene menigte
23
vlinders en wel de twee eerste dagen alleen mannetjes, doch
later ook wijfjes.
Bomb. Atlas wordt door Teysman met Erythrina-bladen ge-
voed. Dikwijls, zoo schrijft hij, vind ik des morgens manne-
lijke vlinders van elders komende buiten tegen het draadwerk
gepaard met de wijfjes daarbinnen. De eïjeren dezer soort ko-
men 10 dagen na het leggen uit; de rupsen spinnen in 24—30 da-
gen na hare geboorte en de vlinders verschijnen na 30 —40 dagen.
Bomb. Mylitta. Een wijfje dezer soort, door hem gevonden,
legde geheel witte eijeren, zoo groot als die van Yama-maï.
Hij heeft den vlinder laten afbeelden omdat deze veel verschilde
van dien door Snellen van Vollenhoven geteekend.
B. trifenestrata leeft op zeer verschillende planten, maar is op
Java niet in cultuur gebragt.
B. Cynthia en andere soorten worden met Riciuus communis
en Erythrina-soorten gevoed. De Ai/anthus (van het Alfoursche
Ay, boom en lanto, hemel, omdat deze boom zoo hoog wordt,
dat hij den hemel schijnt te raken) glandulosa wil op Java
niet groeijen.
B. Yama-maï. Teysman kreeg eijeren dezer Bombyx van den
heer Pompe van Meerdervoort, maar de rupsen stierven allen
op drie na. Dezen aten het blad van Quercus serrata van Japan
en sponnen zich in na + eene maand geleefd te hebben. De
vlinders kwamen na 27 dagen uit. Deze soort is naar het oor-
deel van T., de meest geschikte om in Europa te worden gekweekt.
Onbekend zijn hem de B. religiosa, cecropia, Pernii, Hors-
‚fieldiv, Larissa, Katinka en Jana. Maar op Java komt nog een
zeer kleine witte vlinder voor, wiens rups de Ficus benjamina
geheel kaal vreet en die zeer fijne zijde spint. (Bomb. Waringi
Teysm). De eocon is echter te klein, om deze soort met voor-
deel in cultuur te brengen,
Nadat deze aanteekeningen van den Heer Teysman door de
vergadering met belangstelling waren aangehoord, legt de Heer
Backer Sr. een gedrukt exemplaar over van de Beknopte hand-
24
leiding voor de Kultuur van de Bombyr Mori of tamme zijde-
worm van Siam opgesteld door Teysman, als Inspecteur-hono-
rair der kultures. Dit geschenk wordt met dankzegging aan-
genomen en zal in de bibliotheek der Vereeniging geplaatst
worden.
De Heer N. H. de Graaf maakt de vergadering in hoofd-
trekken bekend met de uitkomsten van de kweeking der Yama-
mai-rupsen, zoowel door hem zelven als door Mr. de Roo van
Westmaas verkregen, en laat ter opheldering rondgaan eenige
goed geslaagde photographien, door laatstgenoemden vervaar-
digd, en de rups dezer Bombyx in verschillende toestanden
voorstellende. Wij vergenoegen ons deze feiten hier slechts aan
te stippen, omdat men over de kweeking der Yama-mai, wel-
dra een uitgewerkt verslag in dit tijdschrift mag te gemoet
zien. Alleen zij hier nog opgenomen, dat de Heer de Graaf
als curiositeit een bijna geheel schubloos uit de pop gekomen
individu van B. Cynthia vertoonde.
De Heer Grebner vond in Junij 1862, tegen een rasterwerk
van het landgoed Lichtenbeek bij Arnhem, een tiental zakjes
met levende rupsen van Talaeporia pseudobombycella. Hij gaf
haar eikenbladen in eene gesloten flesch, doch ontdekte later dat
een vrouwelijk volmaakt insekt zich onder de vangst moest
bevonden hebben, omdat een dertigtal jonge rupsen bezig was
hare zakjes te vormen. Dezen groeiden voorspoedig en hadden
met November bijna de grootte die vroeger de gevondene rupsen
hadden, doeh welke inmiddels allen gestorven waren. Tot een
bewijs hoe deze rupsen bij het afgrazen der bladen te werk
gaan, laat Spreker een afgegraasd eikenblad zien, waarvan al-
leen de nerven zijn overgebleven. Met November hielden de
rupsen op met eten, ofschoon zij daarna van tijd tot tijd van
plaats veranderden. Met April 1863 begonnen zij weder te eten
en maakten gebruik van de haar aangeboden wilde zuring en
paardebloem, doch later, toen het eikenblad zich ontwikkeld
25
had, werden ze daarmede gevoed. Zij tastten toen ook de har-
dere bladdeelen aan. Inmiddels waren een paar rupsen verpopt
en zelfs twee mannelijke vlinders uitgekomen. Spreker deed
toen eenige zakjes, die hij eenige dagen onbewegelijk had zien
liggen, in een schoon kartonnen doosje. Een dag later zag hij
dat een wijfje was uitgekomen, doch toen hij een paar dagen
daarna het doosje wederom opende, ontdekte hij eenige bewe-
ging onder de zakjes en bespeurde tot zijne niet geringe ver-
wondering, dat zich in een der zakjes eene nog onveranderde
rups bevond, die bezig was het uitgekomen wijfje op te eten
en daarvan reeds een belangrijk gedeelde genuttigd had.
Bij onderzoek bleek toen, dat de in het doosje gedane zak-
ken, voor zooverre ze niet waren uitgekomen, nog rupsen be-
vatten, die van toen af zich wederom met eikenbladen hebben
gevoed, den geheelen zomer door, zonder te verpoppen, zoo-
dat Spreker van oordeel was, dat deze rupsen nogmaals zullen
overwinteren. Nog wordt als eene bijdrage tot de levenswijze
der rups opgegeven, dat deze de afgestroopte huid aan de
zakopening vastweeft.
Eindelijk deelt Spreker mede, dat hij weder eene tweede
generatie van Smerinthus Populi gekweekt heeft. De eijeren
waren gelegd op 14 Mei; de rupsen, 8 dagen daarna uitge-
komen, veranderden na 36 tot 39 dagen geleefd te hebben,
terwijl de vlinders van beide seksen in het laatst van Julij
voor den dag kwamen.
De Heer Lodeesen geeft in de eerste plaats eene doos met
inlandsche vlinders ten geschenke voor de collectie en over-
handigt aan den secretaris eene lijst van Macrolepidoptera, door
hem en de Heeren Grebner en Kinker in Amsterdam en aan-
grenzende gemeenten, tot op een uur afstands gevangen. Vooraf
echter had de Heer Lodeesen dat gedeelte der lijst, waarin
de genoemde localiteiten uit een Lepidopterologisch oogpunt
besproken worden, aan de vergadering voorgelezen. Een en
ander wordt in dank aangenomen.
26
De Heer Snellen heeft eenige zeer fraaije bij hem uitgeko-
men exemplaren van Agrotis Ripae en Tapinostola Elymi mede-
gebragt, beide soorten, die hier te lande nog weinig waarge-
nomen en alleen in de duinen aangetroffen zijn, alwaar Spreker
in het vorige jaar de rupsen ontdekt had. De Heer Snellen
eindigt met een en ander over de huishouding van Nonagria
geminipuncta Hatch. op te merken.
Ook de Heer Backer Jr. is aan de collectie indachtig ge-
weest en heeft voor haar een niet onaanzienlijk geschenk afge-
zonderd, waarvoor hem de dank der vergadering wordt gebragt.
De Heer H. W. de Graaf!) legt de volgende opgave over van
voor onze Fauna nieuwe Lepidoptera:
Agrotis Ripae Hb. 702, 703. — HS. II. p. 352. — Heinem. p.
531. — Deserticola HS. II. f. 492. — Obotritica Heinem. p. 532.
Reeds verscheidene jaren geleden vingen wij, in Junij, des
avonds te Katwijk aan Zee, en vonden tegen de rasters in de
Wassenaarsche duinen, enkele voorwerpen dezer soort, die
eerst in den laatsten tijd, ook door Mann als zoodanig bestemd
zijn. In September 1862 vond de Heer Snellen de rupsen in
de Scheveningsche duinen op Cakile maritima, en had het
genoegen een vijftal vlinders uit te krijgen, van 23 Junij tot
10 Julij dezes jaars. Wanneer men een zeker aantal vlinders
bijeen heeft, blijkt het ten duidelijkste, dat Heinemann’s Obo-
tritica geene afzonderlijke soort is, maar wel degelijk door
overgangen met Zipae verbonden is.
Acidalia interjectaria HS. II. p. 18, f. 78, 79. — Dilutaria
Heinem. p. 725.
Wassenaarsche duinen in Junij (d. G.). Bij Staalduin en langs
1) Tot mijn leedwezen kan ik hier niet laten volgen de waarnemingen
door den Heer Burgersdijk op de steenen hoofden van den Helder gedaan,
omdat de Heer B., noch aan zijne mondelinge toezegging, noch aan mijne
latere schriftelijke aanvrage, om mij daartoe in staat te stellen, voldaan
heeft. dd.
27
den duinkant bij den Haag gevangen, onder 4c. osseata, in
Julij (Snellen).
Deze soort is algemeen als Dilutaria Hb. bekend. De afbeel-
ding evenwel van Hübner in het exemplaar, dat Snellen van
Vollenhoven bezit, laat twijfel over. In Herrich-Schaeffer is
de soort evenmin naauwkeurig afgebeeld, doch genoegzaam te
herkennen. De afwijking, waarvan ik in Bouwstoffen Il. p. 202
bij Osseata melding maakte, is deze soort.
Van al onze inlandsehe Macrolepidoptera zijn de soorten, be-
hoorende tot het geslacht Zupithecia, het moeijelijkst te bestem-
men. Teregt schreef Guenée dat de kleinheid dezer diertjes “a
contribué de deux manières à embrouiller l'étude de ce genre:
d’abord en rendant plus difficile l'exécution des figures, en-
suite en rebutant les entomologistes qui, aimant mieux avoir
affaire à de grandes espèces, négligeaient la synonymie de ces
myrmidons et eréaient des noms pour ceux qu’ils ne reconnais-
saient pas.” Ik voeg er bij, dat deze geringe grootte ook hier
te lande oorzaak is geweest, dat men langen tijd vele soorten
heeft voorbij gezien, die eerst in den laatsten tijd ontdekt zijn.
Van daar het betrekkelijk groot aantal, dat ik in mijne Ma-
crolépidoptères des Pays-bas heb kunnen opgeven. Ten aanzien
der juistheid mijner determinatie acht ik het niet overbodig
hier mede te deelen, dat ik mijne op de boeken gedane bestem-
ming ten vollen heb bevestigd gezien, toen ik later in de ge-
legenheid was bij den Heer Snellen voorwerpen te zien, die hij van
Herrich-Schaeffer ontvangen had en welke door dezen benoemd
waren. Bij die bezending bevonden zich: Zupithecia castigata,
trisignaria, assimilata, absynthiata, plumbeolata, tenuiata, dodo-
neata, tripunctaria, indigata, innotata, abbreviata, sobrinata,
pusillata, strobilata, rectangulata, subnotata en linariata.
Ik laat hier de soorten volgen, die in den laatsten tijd ge-
vonden zijn.
Eupithecia trisignaria HS. INI. p. 120 en 131, f. 175, 176.
Een exemplaar, op 28 Junij 1865, aan den duinkant bij
den Haag tegen eene houten heining (Snellen).
28
Eup. pygmaeata Hb. 234 9. — Treits. VI. 2. 135. — Guen.
II. p. 318. — Heinem. p. 815. — Pygmaearia HS. II. p. 122,
135, f. 401, 402.
Op 29 April 1862 bij Rotterdam over dag vliegende gevan-
gen, op eene moerassige plaats (Snellen), Vogelenzang, 19
Julij (Kinker) en bij Amsterdam, 29 Julij (Grebner).
Kup. assimilata Guen. IL p. 342, pl. 2, 9.
Bij Rotterdam, in Junij, uit elzen geklopt (Snellen). Hier-
toe behooren de voorwerpen, die ik bij Leiden in tuinen tegen
schuttingen ving, in Junij, en die als Mizutata in de Bouw-
stoffen (II. p. 191) vermeld zijn.
Eupith. absynthiata L. — Hb. 453. — Guen. II. p. 340. —
Notata Wood, 670 en Mlongata Wood, 671.
In Junij bij den Haag tegen eene heining gevonden. De rup-
sen aldaar den 30en Augustus 1862 op Artemisia vulgaris; de
vlinders kwamen uit in Junij en het begin van Julij 1863
(Snellen).
Var. A. Guenée I. 1.
Op de heide bij Wolfhezen gevangen, den 6en Augustus
1863 (Snellen).
Absynthiata werd, toen ik mijne lijst in de Bouwstoffen pu-
bliceerde, algemeen voor eene varieteit van Minutata gehouden.
Sedert werd men het eens, dat Adsynthiata regt heeft op een
afzonderlijk soort-bestaan, maar bij sommigen rees toen weder
twijfel of Mcnutata inderdaad door zoodanige wezenlijke ken-
merken van Absynthiata verschilt, dat men haar als eene species
propria kon behouden. Wat daarvan zij, dit is zeker, dat
Absynthiata, zoo als uit bovenstaande opgave blijkt, hier te
lande voorkomt, ofschoon het individu door wijlen den Heer
van Eyndhoven in de Bouwstoffen als zoodanig opgegeven, niet
tot deze soort behoort, zoo als mij gebleken is toen ik zijne
collectie in 1861 te Rotterdam zag. Waarschijnlijk acht ik het,
dat al de localiteitsopgaven bij Minutota vermeld (Bouwst. II.
p. 191) op Assimilala betrekking zullen hebben, ofschoon ik
daaromtrent geene zekerheid kan geven, omdat ik de voor-
29
werpen, voor zoover ze aan anderen toebehooren, nu niet ver-
gelijken kan.
Eupith tenuiata Hb. 394 J. — Heinem. p. 807. — Tenui-
ana HSID. op. 119; 120, fn 168 „169.
Staalduin, 6 Julij (Kinker), Noordwijk, Julij (d. G.), bij
Amsterdam 9 Augustus (Grebner).
Ook door Mann als zoodanig bestemd.
Hup. dodoneata Guen. II. p. 344.
In ’t laatst van April en begin van Mei tegen heiningen, bij
houtgewas, langs den duinkant, onder ’s Gravenhage (Snellen),
tegen rasters in de Wassenaarsche duinen (d. G.), omstreken
van Haarlem (Weijenbergh).
Hercyna pollinalis W. V., in de Bouwstoffen DI. III. p. 54
onder het geslacht #rnychia opgenomen, was tot nog toe alleen
in Havelaar’s collectie als inlandsch aangewezen. Eerst in Mei
1863 was de Heer N. H. de Graaf zoo gelukkig twee zeer
gave exemplaren van dit diertje op de heide bij Apeldoorn te
vangen, zoodat de indigeniteit alsnu voldoende gestaafd is.
Na de verschijning mijner nieuwe lijst van Tortricinen is
onze Fauna weder met verschillende species dezer familie ver-
rijkt, waarvan later melding zal worden gemaakt in dit
tijdschrift.
De Heer Snellen van Vollenhoven vertoonde eerst aan de
leden een spanen doosje, waarin drie cocons van eene en
dezelfde Arrindia-rups. Men weet dat deze cocons in den regel
bruinachtig rood zijn; nu was het eerste cocon vuil wit van
kleur, het tweede licht bruinachtig rood, het derde grijs, doch
eenigzins graauwer dan dat van Cynthia. De drie eocons lagen
in de lengte tegen elkander, doch zoo, dat zij, aan de eene —
zijde den opstaanden kant van het ovale doosje aanrakende,
een half ovaal uitmaakten. De rups had eerst het vuilwitte
minst gebogen cocon gesponnen, was daaruit aan een der
topeinden uitgegaan en had daarop het meer gekromd liggende
bruinroode cocon gesponnen, doch ook dit scheen haar nog
30
niet te bevallen en zoo had zij ook dit weder aan de tegen-
overgestelde zijde verlaten en een derde cocon gesponnen, dat
nog tamelijk dik was, doch iets korter dan de beide eersten. !)
Ten anderen liet Spreker teekeningen rondgaan voorstellende
de eijeren en rupsen van Bombyx Yama-mai. Zij leverden
de afbeeldingen van het ei in natuurlijke grootte en vergroot,
van de pas uitgekomen rups en voorts van rupsen na de ver-
schillende vervellingen tot aan den volwassen staat toe. Deze
laatste figuur werd voornamelijk vergeleken met eene zeer geluk-
kig uitgevallen photographie van eene volwassen rups, ingezonden
door den Heer de Roo van Westmaas, en boven reeds vermeld.
Eindelijk vertoonde de Heer van Vollenhoven eene nieuwe soort
van Schildwants (Seutelleride), af komstig van Malacca, welke zich
door een’ merkwaardigen vorm van kop onderscheidt. Spreker
herinnerde de leden dat hij in zijne Monographie des Sentellérides
de la Faune Indo-Neerlandaise, onder den naam van Tiarocoris
Sumatranus eene schildwants had beschreven en afgebeeld, die
mede een’ zeer bijzonderen vorm van kop had. In de groep of
subfamilie der Plataspidae trof men nu drie geslachten aan,
die zulke buitengewone kopvorming aanbieden en wel met
name Tiarocoris, Ceratocoris en dit nieuwe geslacht, waar-
aan spreker den naam van Poseidon wenschte te geven, af-
geleid van den drietandigen kop. Er bestond in deze geslachten
een treffend paralelismus, want Trarocoris was een Coplosoma
met vreemd ontwikkeld hoofd, Ceratocoris een Brachyplatys met
zoodanige ontwikkeling en Poseidon dergelijk een Heterocrates ;
dit was met de meeste zekerheid uit de gedaante der wijfjes
afte leiden, welke niets merkwaardigs aanbood en geheel over-
1) Daar de vlinder niet uitkwam, heb ik later het derde cocon geopend
en vond daarin een’ volwassen dooden vlinder, zittende met den kop naar
de uitgangszijde, doch met het achterlijf in eene poppenschil, welker ach-
terste ringen open en gescheurd waren en waarvan de kop eene tegenover-
gestelde rigting had met den kop van den vlinder. Hoe dit phenomeen te
verklaren ? SVEN»
31
eenstemde met de paralel staande geslachten. Spreker was voor-
nemens beide sexen van dit dier binnenkort onder den naam
van Poseidon malayanus uitvoerig te beschrijven.
Inmiddels was de tijd zoover verstreken, dat de Voorzitter
zich in de noodzakelijkheid gebragt zag de vergadering te
sluiten, ofschoon hij daardoor de aanwezigen het genoegen
moest ontnemen van nog eenige bijdragen en opmerkingen van
andere leden te mogen hooren, waarvan die welke betrekking
hadden op den teelt der Yama-mai-rups evenwel later in het
rapport omtrent deze nieuwe nijverheids-proef zullen worden
opgenomen.
Nadat de Heer Hubrecht, bestuurder der Kweekschool voor
de Zeevaart, met de hem kenmerkende vriendschappelijke voor-
komendheid de leden uitgenoodigd had, om zich door de kweeke-
lingen in de sloepen der Kweekschool op de aldaar vrij breede
waterwegen een uurtje te laten rondroeijen, van welke uitnoodi-
ging schier alle leden gebruik maakten, vereenigde men zich
aan een’ gezelligen disch.
Den volgenden dag werd door een twaalftal leden eene en-
tomologische excursie naar de duinen van Wassenaar en Katwijk
gemaakt, welke, door eene geweldige donderbui afgebroken,
niet bijzonder veel zeldzame insecten in de kabinetten der ver-
eeniging bragt.
Rotterdam H. W. DE GRAAF.
October 1863.
LIJST DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
op 29 Augustus 1863.
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING.
EERE-LEDEN.
De Heer C. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoo-
logisch Genootschap Natura Artis Magistra, te Am-
sterdam. 1858.
H. T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Lon-
den, 1861.
Dr. C. Felder, Lid der Kais. L. C. Academie der
Naturwissenschaften en Vice-President der K.K. Zool.
Bot. Gesellschaft in Wien. 1861.
Dr. H. Löw, Director der Real-Schule, te Meseritz
in Posen. 1862.
Prof. J. O. Westwood, F. L. S. etc. te Oxford. 1862.
A. E. W. Ludeking, Officier van Gezondheid bij het
Nederl. Indische leger, thans op Amboina. 1862.
BEGUNSTIGER.
De Heer Mr. C. W. Hubrecht, te Leiden. 1859.
33
CORRESPONDERENDE LEDEN.
De Heer Th. Lacordaire, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te
Luik. 1853.
5 „ C. Wesmael, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Brus-
sel. 1853.
pe „ Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de hoogere Burger-
school te Aken. 1853.
5 „ Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
GEWONE LEDEN.
1845 —46.
De Heer Dr. J. G. H. Rombouts, te Amsterdam.
5 „ F. M. van der Wulp, te ’s Gravenhage.
È „ Dr. M. C. Verloren, huize Schothorst bij Amers-
„foort.
aa » J. Backer Sr., te Oosterbeek.
5 n Jd. W. Lodeesen, te Amsterdam.
à Dr JR En van Laer stes Porecht.
pe „ Th. J. van Campen, te Amsterdam.
5 n Dr: PR: H. Jo Wellenbergh, te Utrecht.
È „Me. Hs Verloren ‚te. Utrecht:
n» Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, te Leiden.
A „ W. O. Kerkhoven, te Amsterdam.
1846-47.
5 „ Jhr. J. C. Martens, te Utrecht.
4 n Prof. J. van der Hoeven, te Leiden.
1849—50.
È » J. J. van Voorst, te Amsterdam.
34
1851—52.
De Heer R. T. Maitland, te Amsterdam.
7
P. C. T. Snellen, te Rotterdam.
Dr. J. A. Herklots, te Leiden.
Dr. M. Imans, te Utrecht.
W. A. J. van Geuns, te Utrecht.
1852—53.
N. H. de Graaf, te Leiden.
Mr. H. W. de Graaf, te Rotterdam.
G. M. de Graaf, te Leiden.
Dr. L. A. J. Burgersdijk, te Breda.
Mr. J. W. Lansberge, te Brussel.
G. A. Six, te Utrecht.
Dr. W. Berlin, te Amsterdam.
1853—54.
Prof. Cl. Mulder, te Groningen.
Mr. J. P. van Wickevoort Crommelin, te Haarlem.
1854—55.
Corn. Sepp, te Amsterdam.
C. de Gavere, te Groningen.
1855—56.
A. A. van Bemmelen, te Meiden.
Mr. E. A. de Roo van Westmaas, te Velp.
M. Breukelman, te Zotterdam.
1856—57.
Mr. J. H. Albarda, te Leewwarden.
Mr. W. Albarda, te Groningen.
35
De Heer A. P. H. Kuipers, te Leeuwarden.
5 „ Dr. A. W. M. van Hasselt, te Utrecht.
1857—58.
ei » J. W. Schubärt, te Utrecht.
5 n W. K. Grothe; te. Zeist,
"i „ H.J. D. W. Dikkers, te Delden.
1858—59.
si „ J. C. J. de Joncheere, te Dordrecht.
5 n J. Backer Jr., te Oosterbeek.
1859— 60.
È » J. M. van der Stoot, te Roelof-Arendsveen.
i » G. W. Grebner, te Amsterdam.
1860—61.
È » J. Kinker, te Amsterdam.
n n Dr. E. Piaget, te Rotterdam.
» 9 H. Weijenbergh Jr., op Rozenlust bij Haarlem.
3 oo Dre W. CNE Starne, te Hoanlem.
1861-—62.
Do » H. Hartogh Heys van de Lier, te Delft.
1862—63.
> » H. Baron Lewe van Middelstum, te Beek bij N2-
Megen.
" » F. ter Meer, te Haarlem.
36
1863—64.
De Heer Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van Ellemeet, te Oost-
Capelle bij Middelburg.
È „ M. G. van Woerden, te Rotterdam.
9 „ Mr. R. T. Bijleveld, te Zeiden,
5 „ Dr. M. Salverda, te Leiden.
BIBLIOTHEEK.
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
BIJGEKOMEN BOEKEN OVER 1862/69.
Entomologische Zeitung. Herausgegeben von dem Entomologi-
‘schen Vereine zu Stettin. Jahrg. XXII, Stettin 1861. Jahrg.
XXIII, Heft 7—12. Stettin 1862. — In ruil tegen het
tijdschrift.
Berliner entomol. Zeitschrift, herausgegeben von dem Entomo-
logischen Vereine in Berlin. 6r Jahrg. 3—4. Berlin 1862.
7r Jahrg. 1—2. Berlin 1863. — In ruil tegen het tijd-
schrift.
Wiener entomologische Monatschrift. Band VI, N°. 7—12. Wien
1862. Band VII, N°. 1—6. Wien 1862. — In ruil tegen
het tijdschrijft.
Annales de la Société Entomologique de France. Quatrième
Série, Tome II. Paris 1862. — In ruil tegen het tijdschrift.
NB. Het le deel ontbreekt nog.
Annales de la Société Entomologique Belge. Tome VI, Bruxel-
les 1862. — In ruil tegen het tijdschrift.
The Entomologists Annual for 1863, with a coloured plate.
38
London 1862. — Geschenk van den Heer H. T. Stainton.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederland-
sche Entomologische Vereeniging. Deel V, Afl. 6 Deel VI,
Afl. 1—4.
NB. In de opgave van het vorige jaar is abusivelijk
vermeld: Deel III en Deel IV, moet zijn Deel V, Afl. 1— 5.
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van
Wetenschappen, Afd. Natuurkunde. Deel XIII, 1862. Deel
XIV, 1862. Deel XV, 1863. In ruil tegen het tijdschrift.
Bulletins des Séances de la-Classe des sciences de l’Académie
Royale de Belgique, Année 1862. Annuaire van dezelfde
Academie 1865. — Beiden in ruil tegen het tijdschrift.
Bericht über die wissenschaftliche Leistungen im Gebiete der
Entomologie während der Jahren 1859 und 1860, von Dr.
A. Gerstaecker. Berlin 1862.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou
de l’année 1860, N° 2, 3en 4. 1861, N° 1—4. 1862, N° 1—4.
In ruil tegen het tijdschrift.
Verhandlungen der KK. zoologisch-botanischen Gesellschaft in
Wien, Jahrg. 1862. Band XII. i
Nachträge zu Maly’s Enumeratio plantarum phanerogamicarum
Imperii Austriaci universi von Aug. Neilreich. Herausge-
geben von der KK. zoologisch-botanischen Gesellschaft in
Wien 1861. — In ruil tegen het tijdschrift.
Personen-, Orts- & Sach-Register der zweiten fünfjährigen
Reihe (1856—1860) der Sitzungsberichte und Abhand-
lungen der Wiener KK. zoologisch-botanischen Gesell-
schaft, zuzammengestellt von A. Fr. Grafen Marschall,
Wien 1862.
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. Année 1855—
1862. Volume I—VII. Caen 1856—1861. — In ruil tegen
het tijdschrift.
Proceedings of the Entomological Society of Philadelphia. Vol.
I, N° 1—6. Philadelphia 1861/62. — Geschenk van het
Genootschap.
39
Schriften der Küniglichen Physikalisch-ökonomischen Gesellschaft
zu Königsberg, Jahrg. I—III. 1860— 1863. Geschenk van
het Genootschap.
Versuch einer Aufzählung der Arten der Gattung Bithynia
Leach und Nematura Bns. Nach der Kaiserlichen und
Cuning’s Sammlung von G. Ritter von Frauenfeld.
Vorläufige Uebersicht der während der Reise der KK. Fregatte
Novara von den Herren Naturforschern gesammelten Spin-
nen von Dr. Georg Böck.
Ueber die sogenannte Sägspän-See, beobachtet während der
Weltreise der Novara von G. Ritter von Frauenfeld.
Ueber ein neues Höhlen-Carychium (Lospeum Brg) und zwei
neue fossile Paludinen von G. Ritter von Frauenfeld.
Eine für Oesterreich neue Trypeta von G. Ritter von Frauenfeld.
Auszüge aus Briefen des in Amboina verstorbenen Dr. L. Doleschall.
Beitrag zur Insektengeschichte aus dem Jahre 1861 von 6.
Ritter von Frauenfeld.
Ueber die von der KK. Fregatte Novara mitgebrachten Orthop-
tern von Karel Brunner von Wattenwyl.
Neue Crustaceen gesammelt während der Welt-Umseglung der
KK. Fregatte Novara. Zweiter vorläufiger Bericht von Dr.
Cam. Heller.
De negen laatste brochures overgedrukt uit de Verhandlungen der
KK. zoologisch-botanischen Gesellschaft in Wien (Jahrg.
1161/62). — Geschenk van G. Ritter von Frauenfeld. De
laatst vermelde overdruk ook als geschenk van Dr. Cam.
Heller.
Essai d'une Faune Entomologique de l’Archipel Indo-Neer-
landais par S. C. Snellen van Vollenhoven. Première Mo-
nographie. Famille des Scutellérides avec 4 planches colo-
riées. La Haye 1863. — Geschenk van den Schrijver.
Diversae Insectarum Volatilium icones ad vivum accuratissime
depictae per celeberrimum pictorem D. J. Hoefnagel. Anno
1630. Geschenk van den Heer N. H. de Graaf.
Kleine aanteekeningen van Claas Mulder. N° 12 Klanders; over-
40
gedrukt uit de Landbouw-Courant 1863, N° 7. Geschenk
van den Schrijver.
Sepp (J. C.) Beschouwing der wonderen Gods in de minst
geachte schepselen of Nederlandsche Insekten, 2e Serie Afl.
XXI tot XXXIV.
The Natural History of the Tineina, vol. VIL, containing Buc-
eulatrix, Part I and Nepticula, Part Il; by H T. Stainton,
Lond. 1862 — Geschenk van den Schrijver.
Yo-San-fi-rok, l’art d'éléver les vers à soie au Japon, par Ouekaki-
Morikouni, annoté et publié par Matthieu Bonafous, ouvrage
traduit du texte Japonais par le Docteur J. Hoffmann. Paris
et Turin 1848.
Bijdrage tot de kennis van het vlindergeslacht Leptosoma Boisd.
door Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven. — Geschenk van
den Schrijver.
Die Noctuinen Europa's von Julius Lederer. Wien 1857. —
Geschenk van den Schrijver.
Determinatie der Lepidoptera afgebeeld in het werk van Sepp,
le Serie, Deel 1—8, door P. C. T. Snellen. Amsterdam 1862.
De zijderups Cynthia, door Claas Mulder. Overgedrukt uit den
Almanak der Maatsch. tot Nut v. t Alg. Jaargang 1862. —
Geschenk van den Schrijver.
Saggio di Ditterologia Messicana di Luigi Bellardi. Part IIa.
Torino 1862 — Geschenk van den Schrijver.
Über Griechische Dipteren. — Uber die Afrikanischen Try-
petina. — Neue Beiträge zur Kenntniss der Dipteren, Achter
Beitrag. Berlin 1861.
Diptera Americae Septentrionalis indigena. Descripsit H. Loew.
Berlin 1861.
Die Dipterenfauna Sud-Afrika’s, bearbeitet von Dr. H. Loew.
Erste Abtheilung, Berlin 1860.
Abbildungen und Beschreibungen der Blattwespen-Larven, her-
ausgegeben von C. G. A. Brischke, mit einem Vorworte
von 1. F. C. Ratzeburg. Berlin 1855 — Vier Geschenken
van den Heer Dr. Loew.
41
Classification of the coleoptera of North-America bij John. L.
Leconte M. D. Part. 1. Washington 1861 Mai.
Synoptis of the Neuroptera of North-America bij Herman Hagen.
Washington Julij 1861.
Synopsis of the described Lepidoptera of North-America. Part. I.
Diurnal and crepuscular Lepidoptera by John G. Morris.
Washington Feb. 1862.
Monographs of the Diptera of North-America by H. Loew, Part.
1. Washington April 1862.
Annual report of the Board of Regents of the Smithsonian In-
stitution for the year 1860. Washington 1861.
Report of the Commissioner of Patents for the year 1862; Agri-
culture. Washington 1862. — alles geschenk van de
Smithsonian Institution.
Bidrag till Rio Janeiro traktens Hemipter-Fauna af Dr. C. Stal
te Stokholm. 1858 — Geschenk van den Schrijver.
Bibliotheca Entomologica. Die Literatur über das ganze Gebiet
der Entomologie bis zum Jahre 1862 von Dr. H. A. Hagen
Band I. Leipzig, 1862. Band II. Leipzig, 1863.
Beschrijving van eenige nieuwe soorten van Diptera door S.
C. Snellen van Vollenhoven; overgedrukt uit Verslagen en
Mededeelingen der Koninkl. Academie van Wetenschappen
Deel XX. — Geschenk van den Schrijver.
Een boer en zijne schapen. Volksonderwijs. Overgedrukt uit
het jaarboekje van Natura Artis Magistra door Cl. Mulder. —
Geschenk van den Schrijver.
Mededeeling over de teelt van Ailanthus glandulosa en de
daarop levende zijdegevende rups, Saturnia Cynthia, door
N. H. de Graaf, overgedrukt uit het Tijdschrift ter be-
vordering van Nijverheid. Deel III N°. 5. Geschenk van
den Schrijver.
Dictator Schaum. Ein offner Brief an alle Entomologen von
L. W. Schaufuss. Dresden 1863.
Verslag gedaan door Burgemeester en Wethouders aan den
Gemeenteraad van Leyden, 1863.
42
INHOUD DER TIJDSCHRIFTEN, ONTVANGEN DOOR DE
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
September 1862.
Bulletin de la Société impériale des naturalistes de Moscou.
Année 1661001
(Entom.) Inhoud:
Description de quelques espèces nouvelles de Cicindé-
lites et de Carabiques par Mr. le Baron de Chaudoir.
Essai d'un Catalogue des Insectes de l'Ile Ceylon par
Victor de Motschulsky.
Einige für die Russisch-Europaeische Fauna neue Kä-
fer, beschrieben von T. Moravitz.
Verzeichniss der um Sarepta vorkommenden Käfer von
A. Becker.
Bidrag till Rio Janeiro traktens Hemipter-Fauna of C. Stal,
(overgedrukt uit de Verh. der Kon. Zweedsche Acad. v.
Wetenschappen) in 4°.
Van de Smithsonian Institution te Washington.
IR
2.
VI
Or
Annual report of the Board of Regents for 1860.
Monographs of the Diptera of North America by H. Loew
Part. 1. edited with additions by R. Osten Sacken.
. Synopsis of the Neuroptera of North Am. by Herman
Hagen.
Synopsis of the Lepidoptera of North Am. by John
G. Morris.
Classification of the Coleoptera of N. A. by John L.
Leconte Part. 1.
Bulletin de la Societé Imp. des naturalistes de Moscou, année
1861. n° 2 avec 4 planches.
(Entomol.) Inhoud:
Dr. G. Flor, zur Kenntniss der Rhynchoten. Beschrei-
bung neuer Arten aus der Familie Psyllodea Burm.
Baron de Chaudoir, Matériaux pour servir à l'étude des
Cicindélites et des Carabiques. (Continuation).
Dr. G. Flor, Rhynchoten aus dem Kaukasus und von
der Grenze Perziens.
Bulletin 1861 n°. 3. (bevat 1 entomol, opstel) Einige neue Me-
lyridae, beschrieben von Dr. F. Morawitz.
Bulletin 1861. N°. 4.
(Entom.) Inhoud:
Baron de Chaudoir, des espèces qui rentrent dans
l’ancien genre Panagaeus.
Proceedings of the Entom. Soc. of Philadelphia, vol. 1 N° 1—6.
Inhoud:
Viol ied, N01.
Catalogue of the Cicindelidae of North America by
E. T. Cresson.
Descriptions of a few new species of Hemiptera by
Pa kh: Uhbler:
Vol. 1e N°2.
Catalogue of the described species of Tenthredinidae
and Uroceridae, inhabiting North America, by E. T.
Cresson.
Vol: NS:
Observations on the Habits of some Coleopterous Lar-
vae and Pupae, by George H. Horn.
On the Cynipidae of the North American Oaks and
their Galls, by Baron R. Osten Sacken.
Vol. 1 N° 4.
Mierolepidopterous larvae by Brackenridge Clemens M.D.
44
Catalogue of the Longicorn Coleoptera, taken in the
vicinity of Philadelphia, by James H. B Bland.
Vols AND;
Description of some larvae of North American Cole-
optera, by Baron R. Osten Sacken.
New American Micro-Lepidoptera, by Brackenbridge
Clemens M. D.
The Tarantula (Mygale Hentzii Girard) and its Des-
troyer (Pompilus formosus Say), by S. B. Buckley.
Notice of several new species of Tenthredinidae, by
E. Norton.
Molse NG:
North American Micro-Lepidoptera, by Brackenbridge
Clemens.
Characters of the Larvae of Mycetophilidae, by Baron
R. Osten Sacken.
Synopsis of families of Heterocera, by Brackenbridge
Clemens M. D.
Notes upon Grapta comma //arr. and Grapta Faunus
Edwards , by W. H. Edwards.
Description of some new N. Amer. Coleoptera, by G. H.
Horn, MD:
October 1862.
Journal of the Proceedings of the Linnaean Society. Vol. VI.
N°. 21—23.
Entom. opstellen daarin:
N°. 21. Description of a curious Form of dipterous Larva by
E. Hart Vinen.
Catalogue of the Dipterous Insects collected at Gilolo,
Ternate and Ceram by Mr. A. R. Wallace, with
deseriptions of new species. By Francis Walker.
45
On certain appendages to the Feet of Insects sub-
servient to Holding or Climbing. By Tuffen West.
Notice on the Habits of the Agricultural Ant of Texas.
By Gideon Lincecum.
Descriptions of some new spec. of Ants from the Holy
land. By Fred. Smith.
Catalogue of Hymenopt. Insects collected by Mr. A. R.
Wallace in the Islands of Ceram, Celebes, Ternate
and Gilolo. By Fred. Smith.
N° 22 Catalogue of Hymenopt. Insects, continued.
Contributions to the Insect Fauna of the Amazon Val-
ley. Lepidopt. — Heliconiae. By H. W. Bates.
Catalogue of the Heterocerous Lepidopterous Insects
collected at Sarawak, in Borneo by Mr. A. R. Wal-
lace. With deseriptions of new species. By Francis
Walker.
N°. 23. Catalogue of Heterocerous Lepid. continued.
Entomologische Zeitung, herausgegeben von den entomologischen
Vereine zu Stettin. 22er Jahrgang 1861.
Inhoud:
1. Philippi, Chilenische Telephorus. v. Heyden, Fragmente.
Moore, Bombyx Mori et Huttoni. Osten-Sacken, Entomo-
logische Notizen. Herrich-Schaeffer, über Gastropacha Ar-
busculae. v. Heyden, Antwort an G. Koch. v. Siebold,
Agriotypus armatus. Keferstein, Mittheilung. Werneburg,
Hesperia-Arten. Lepid. Notizen. Hagen, Insecten-Züge.
Altum, Lepidopterisches. Suffrian, Synonimie. Dohrn,
Aphileus lucanoides. Mengelbir, Reiseskizzen. Gartner,
Polia aliena. Hagen, Literatur.
2. Hagen, Die Phryganiden Pictet’s nach Typen bearbeitet.
Mengelbir, Reiseskizzen aus den Alpen. Kawall, Entomo-
logische Mittheilungen. Mink, Entom. Notizen. Stal, Miscel-
46
lanea hemipterologica. Sharswood, Beitrag zu einem Ne-
krolog des Majors J. Eatton le Conte. Rathke, Studien
zur Entwickelungsgeschichte der Insekten. Von Prittwitz,
die Generationen und die Winterformen der in Schlesien
beobachteten Falter. Koch, Kritik und Antikritik des Herrn
v. Heyden.
3. Rathke, Studien zur Entwickelungsgeschichte der Insekten.
Schaufuss, Die Europ. ungeflügelten Arten der Gattung
Sphodrus. Hagen, Insekten-Zwitter. Staudinger, über einige
neue und bisher verwechselte Lepidopteren. Dohrn, Me-
lolontha hololenca 9. Micklitz, Beitrag zur Bastardfrage.
Freyer, Lepidopterologisches. Erinnerung an Jacob Hüb-
ner. Literatur.
4, Gerstäcker, Gattung Sapyga. Werneburg, Geometra pomo-
naria. Schaufuss, Anthieus vittatus und Bruchus pallidipes.
Woeke und Staudinger, Reise nach Finmarken. Osten-
Sacken, Gallen und Pflanzendeformationen in Nord-Ame-
rica. Schaufuss, Zwei neue Silphidengattungen. Tisch-
bein, Monströser Ichneumon luctatorius. Suffrian, Syno-
nym. Mise. Keferstein, Parthenogenesis bei Lepid. Hagen,
Literatur (Razumowsky). Glaser, Cossus-Entwicklung im
todten Leibe. Fischer, zur Catalogs-Litteratur. v. Kron-
helm, über oelige Schmetterlinge. Hering, Nachwort dazu.
Gerstäcker, Berichtigungen zu Sapyga Dutreux, für En-
gadin-Exeurrenten. Vereinsbibliothek.
Januari) 1863.
Jahrbücher des Vereins für Naturkunde in Herzogthum Nassau
16es Heft, mit einem Kartchen und zwei Tafeln; bevat
de volgende entom. opstellen :
Die deutschen Vesparien, van A. Schenck.
Zusätze zu der Beschreibung der nass. Grabwespen.
Van denzelfden.
47
Verzeichniss in Amtsbezirk Wied-Selters beobachteter
Macrolepidopt. von Al. Schenck.
Beiträge zür Naturgeschichte einziger Lepid. van Dr.
A. Röszler.
The Entomologist’s Annual for MDCCCLXIII.
Inhoud:
Synopsis of the British Ephemeridae, by Dr. Hagen.
Some remarks on the species of the Genus Nepticula,
by H. von Heinemann.
Notes on some of the Genus Eupithecia, by the rev.
H. H. Crewe.
New British species and captures of Rarities in 1862.
By the Editor.
Notes on British Trichoptera, with Deseription of a
new species of Rhyacophile. By R. Me. Lachlen.
Notes on North American Phryganidae, by the same.
Additions to the Fauna of great Britain and des-
criptions of two new species. By John Scott.
February 1863.
Entomologische Zeitung von dem Vereine zu Stettin 23er Jahrgang.
Inhoud :
1. Staudinger und Wocke, Reise nach Finmarken (Forsetz.)
Cornelius, über Notiophilus. Osten-Sacken, Nordameric.
Gall-inseeten. Stal , Hemiptera Mexicana. Osten-Sacken,
Entomol. Notizen. Saussure, Vespides du Musée de Leyde.
v. Prittwitz, Zusätze zu Wilde’s Raupen. Christoph, Or-
gyia dubia Begattung. Dohrn, Macrocrates bucephalus 9.
Jekel, Pyenopus Gerstaeckeri. Dohrn, Paromia dorcoides
und Westwoodi.
2. Speyer, Kritische Bemerkungen. v. Heyden, Fragmente.
Saussure, Vespides du Musée de Leyde. Krichbaumer, Ein
48
neues Callidium. Pfaffenzeller, Gastropacha Arbusculae. À.
Dohrn, Drei neue europ. Hetoroptera. Speyer, Psyche tenella,
n. sp. Tollin und Hagen, zur Naturgeschichte der Termi-
ten. Christoph, vier neue Südruss. Schmetterlinge. H. Dohrn,
Die Dermaptera von Mexico; Staudinger. Neue griechische
Lepidopt. Radoehkovski, Megachile Dohrnii. Cornelius, En-
tom. Notizen. v. Prittwitz, Generationen und Winterformen
Schles. Falter. Keller, Entom. Notizen. Kraatz, Berichtigung.
3. Stal , Hemiptera mexicana. Schneider, Reise nach Finmar-
ken (Coleopt.). Staudinger, Die Arten der Lepidopteren-
Gattung Ino. v. Heyden, Fragmente. Schultz, Noctua Mil-
leri. v. Prittwitz, Das Seppsche Schmetterlingswerk. Rathke,
Entwicklungsgeschichte der Insecten. Osten-Sacken, Ento-
mol. Notizen.
4. v. Siebold, über Parthenogenesis. Stal, Hemiptera mexicana.
Cornelius, Libellenzüge. Dietrich, zur Systematik der Schmet-
terlinge. v. Prittwitz, Winterformen und Generationen Schles.
Falter. Hagen, Insecten in Sieil. Bernstein. Maeklin, Acro-
pteron geniculatum. Dietrich, Neue Käferarten. Vereinsan-
gelegenheiten.
Beilage zu N°. 1—3 des 24 Jahrganges der Ent. Zeitung.
Deze bevat: Repertorium der 23 ersten Jahrgänge (von 1840
bis 1862) ausgearbeitet von M. Wahnschaffe.
Mer 1863.
Annuaire de l’Académie Royale des Sciences, des lettres et
des Beaux-arts de Belgique, 1863. (Niets over entomologie).
Bulletins des Séances de la Classe des sciences de cette Aca-
démie (Année 1862).
(Entom.) Inhoud:
Synopsis des Agrionines (suite) par M. de Selys-Long-
champs (pag. 196 en pag. 339.)
49
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie, vol. I VIT.
Année 1855—1862.
(Entom.) Inhoud:
Notice sur une galle de chêne, par M. Renon. —
Vol. 2 p. 43.
Énumération des Coléoptères de la Seine inférieure par
M. Em. Mocquerys. — Vol. 2 p. 77—288.
Observations sur un Staphylinide nouveau pour la
faune Française (Diglossa mersa Halid.), par A. Fau-
vel. — Vol. 5. p. 93.
Note sur les espèces du genre 7ragophlaens Mann, par
M. René de Mathan. — Vol. 5. p. 100.
Synopsis des espèces Normandes du G. Mieropeplus
Latr. par M. A. Fauvel. — Vol. 5 p. 248.
Catalogue des insectes recueillis à la Guyane Fran-
çaise par M. E. Déplanche. — Vol. 5 p. 299. Vol. 6
p- 128, 165.
Liste de Coléoptères (Staphylinides) nouveaux pour
la faune Française, par M. Fauvel. — Vol. 6 p. 16.
Coléoptères de la Nouvelle Calèdonie, par M. A. Fau-
vel. — Vol. 6 p 120.
Verhandlungen der K. K. zoologisch-botanischen Gesellschaft in
Wien. Jahrg. 1862. XII Band.
(Entomol.) Inhoud :
Schaufuss’ Beschreibungen von Sphodrus modestus, S.
gracilipes und Ponacaea macrocephala.
Frauenfeld, über unterirdisch lebende Spinnen und
Fische.
K. von Brunner, Verzeichniss der Orthopteren von
der Novara Expedition. p. 87.
F. Löw, Beiträge zur Kenntniss der Rhynchoten. p. 105.
4
50
C. Felder, Verzeichniss der Macrolepidopteren der
Novara-Expedition. p. 473.
F. Brauer, Über Hypodermen-Larven. p. 505.
F. Keyserling, Beschreibung einer neuen Spinne. p. 539.
A. Rogenhofer, Beitrag zur Kenntniss von Mantispa
Styriaca, Poda. p. 583.
L. Mayer, Myrmecologische Studien. p. 649.
J. Egger, Dipterologische Beiträge. p. 777.
Fr. Brauer, Cephenomyia Ulrichii, die Rachenbremse
des Elennthieres. p. 973.
G. Ritt. von Frauenfeld, Beitrag zur Insektengeschichte.
podi
A. Rogenhofer, Drei Schmetterlings-Metamorphosen.
p1228:
Fr. Brauer, Zherobia, eine neue Gattung aus der
Familie der Oestriden. p. 1231.
Dr. J. Egger, Dipterologische Beiträge. p. 1233.
Junij 1863.
Schriften der K. physikalisch-ökonomischen Gesellschaft zu
Königsberg. Jahrg. 1—3.
(Entom.) Inhoud :
Anatomisch-physiologische Untersuchungen über dem
Athmungsprozess der Insekten, von H. Rathke. p. 99.
Erster Nachtrag zum neuen Verzeichniss der Preussi-
schen Käfer, von Dr. Lentz. p. 139.
Die Hymenopteren der Provinz Preussen, von G.
Brischke. p. 1. et 97.
Über Bruchus rufimanus, von Kornicke. Sitzungsb. p. 5.
Uber die frühern Zustände von Microdon mutabilis ‚ von
Elditt. Sitzungsb. p. 9.
Derselbe, über //aemonia Equiseti. Sitzungsb. p. 11.
Jahrg. 3.
Annales
Tom
Inhoud:
51
Die Hymenopteren der Prov. Preussen, von Brischke p. 1.
Die Macrolepidopteren der Prov. Preussen, von Dr.
Schmidt p. 62.
Myrmicophila Acervorum Panz. ein für die preuss. In-
sekten-Fauna neues Thier, von H.L. Elditt. p. 193.
Beobachtungen über die Arten der Blatt- und Holz-
wespen. p. 204.
de la Société Entomologique de France, 4e Série,
e 2ème,
De Marseul, Supplément à la monographie des His-
térides, suite p. 5—49, p. 437—517, p. 669— 703.
Chevrolat, Clytides du Brésil. p. 49.
Schaum, Damaster Fortunei. p. 68.
de Sauley, MegartArus Bellevoyei. p. 69.
Aubé, Ischoglossa depressipennis ete. p. 71.
Gautier des Cottes, Paederomorphus pedoncularius ete.
pirlo:
Reiche, Notes synonymiques sur des Coléoptères. p. 79.
Fauvel, Aleochariens frangais nouveaux ou peu connus
et larves de Phytosus et Leptusa. p. 81.
Coquerel (Ch.) et Mondière, Larves de Diptères dévelop-
pées chez l homme au Sénégal. p. 95.
Ch. Coquerel, Larves des Scariles madagascariensis,
Panagaeus festivus et Macrotoma corticina. p. 104.
Bigot, Diptères nouveaux de la Corse. p. 109.
Haliday, Deux Chalcidites nouveaux. p. 115.
Sichel, Observations hyménopterologiques. p. 119.
Signoret, Hémiptères de Cochinchine. p. 123.
Bellier de la Chavignerie, Lépidopt. nouveaux d’ Es-
pagne. p. 127.
H. Lucas, Sur la Perisphaeria glomeriformis. p. 130.
52
Léon Dufour, Consultation sur une larve aquatique.
p. 131. — Scorpio Savignyi, p. 139. — Formica Sa-
vignyi. p. 141. — Galle de la Jasonia glutinosa et
Tephritis qui la produit. p. 143. — Larve du Noso-
dendron fasciculare. p. 146.
Laboulbène, Stigmates de la larve du Nosodendron fas-
ciculare. p. 149.
Girard, Expériences sur la fonction du vol chez les
Ins. p. 155.
Amyot, Production des fils des Araignées ete. p. 165.
Ed. Perris, Insectes du Pin maritime, supplément. p. 173
de Mathan, Ophonus Fauvelii nov. sp. p. 244.
Chevrolat, Coleoptères de Cuba: Cerambyeides et Pa-
randrides. p. 245.
de Sauley, sur les Genres Choleva, Catops et Catopsi-
morphus, sur le Catal. de M. Schaum et descript.
de Coleopt. nouveaux. p. 281.
Fauvel, Arena Octavii et Oxytelus oceanus. p. 292.
Reiche, Espèces nouvelles de Coleopt. Corses. p. 293.
de Harold, sur I’ identité de I!’ Aphodius atramentarius
Er. avec P Aphodius depressus Kugel. p. 301.
Schaufuss, Diagnoses de nouvelles espèces de Coléopt.
propres à I’ Espagne et à la Grèce. p. 309.
H. Deyrolle, Deux nouv. esp. du genre Wormolyce. p. 313.
Laboulbène et Robin, Descript. de ? Acarus entomopha-
gus et observations sur le genre Tyroglyphus. p. 317.
Schaum, Objeetions aux remarques de M. Girard, p. 339.
Girard, Réponse aux objections de M. Schaum p 340. —
Recherches sur la chaleur animale des Articulés
(suite) p. 345. — Sur les variations chez les In-
sectes et particulièrement sur celles des Sa/yrns
Hero et Arcanius p. 348. — Sur les larves em-
ployées comme amorce pour la pêche. p. 351.
Reiche et Schaum, Discussion critique sur la syno-
nymie de plusieurs espèces de Coleopt. p. 353.
53
H. Lucas, Sur le Diastrophus Rubi p. 369 — Sur
l'Acridium albipes, de Geer. p. 373.
Signoret, Hémipt. nouveaux ou peu connus, trouves
en Corse. p. 379.
Guenée, Observations sur l’emploi du Nécrentome p. 381.
Berce, Lépid. nouveau, Naclia servula, trouvé en France
p. 386.
Aubé, Deux esp. nouvelles d’ Hypoborus. p. 387.
Thomson, Catalogue des Lucanides de sa collection et
description d’espéces nouvelles. p. 389.
Chevrolat, Descriptions de Clytides Américains. p. 517.
H. Deyrolle, Deux Buprestides nouveaux, Chrysochroa
Castelnaudi et Colobogaster Desmaresti. p. 537.
Reiche, Espéces nouv. de Coléopt. app. à la Faune
circa-méditerranéenne p. 539.
Fairmaire, Miscellanea entom. 5e partie. p. 547.
Laboulbéne, Descript. de plusieurs larves de Coléopt.
p. 559. Helminthes parasites du genre Mermis, sortis
du corps du Gryllus domesticus et du Dytiscus mar-
ginalis. p. 576.
Signoret, Hémipt. nouveaux du Pérou. p. 579.
Stal, Note sur le Catal. des Homoptéres du Museum
Britt pi 589.
Sichel, Hylotama formosa, Conops vittata. p. 595.
M. Girard, Indication et discussion d’un nouveau
caractère générique du genre Memerobius et deserip-
tion de 2 esp. de la Nouv. Calédonie. p. 597.
Bellier de la Chavignerie, Variétés constantes de
divers Lépidoptères, observés en Corse. p. 615.
Migneaux, Notice nécrologique sur Cam. Jacquelin du
Val. p. 617.
Peragallo, Remarques relatives aux moeurs des Luci-
oles. p. 620.
Brisout de Barneville, Monographie du genre Gymne-
tron. p. 625.
D4
Fairmaire et Germain, Révision des Coléopt. du Chili.
p- 721.
Chevrolat, Revision des genres #riphus Mallosoma et
description de trois nouveaux genres de Céramby-
cides. p. 747.
H. Lucas, Note sur le Ju/odis cicatricosa p. 764.
Brisout de Barneville, Méthode dichotomique appli-
quée aux 7ychins de France. p. 765.
Coquerel et Sallé, Notes sur quelques larves d’Oestri-
dese pa) (Su:
E. Martin, Longévité de deux Phalénites à l’état de
chrysalide p. 795.
Jul 1863.
Berliner Entomologische Zeitschrift. 7er Jahrg.1es & 2es Heft.
Inhoud:
Diptera Americae Septentrionalis indigena; Deseripsit
H. Loew. Centuria tertia. 3
Eine neue Calopepla-Art beschrieben von €. Stal in
Stockholm.
jeiträge zur Naturgeschichte der Schmetterlinge von
Anton Schmidt in Frankfurt a. M.
Beiträge zur Kenntniss einiger Carabieinen-Gattungen
von Prof. Dr. H. Schaum.
Über Parthenogenesis van H. Schaum.
Über einige zum Theil neue Cerambyeiden-Gattungen
von Dr. G. Kraatz.
Revision der Cerocomiden Gruppe von Demselben.
Ein bewaffneter Bliek in die Grotten von Villefranche
in den Ostpyrenaeën, von Demselben.
Über die Gattung Machaerites Mill. von Demselben.
Zwei neue Colcopteren-Gattungen aus dem Mittelmeer-
55
gebiet von L. von Heyden; Phytoecia albovittigera
et fuscicornis L. Heydn.
Die neue aufgeführten Gattungen und Arten meines
Formiciden-Verzeichnisses, nebst Ergänzung einiger
früher gegebenen Beschreibungen von Julius Roger.
Oeffentliche Erklärung gegenüber den Arbeiten des
H. v. Motschulsky, insbesondere seinen études entom.
XI, eingeleitet von Dr. G. Kraatz.
Über Pseudo-Diagnosen und Pseudo-Beschreibungen
von H. Schaum.
Einige Worte über die Benutzung der öffentliche Samm-
lungen von Dr. G. Kraatz.
Über die Theorie von der Umbildung der Speeies.
Über einige an Nadelhölzern lebende Käfer von M.
Wanschaffe.
Über Telmatophilus, Byrrhiden ete. von Th. Kirsch.
Uber Balaninus ochreatus var. von W. Fuchs.
Uber Dichthadia Gerst. von Schaum. i
Sammelberichte. Zeitschriftschau. Neuere Literatur.
Verzeichniss der Formiciden-Gattungen und Arten von
Julius Roger.
Inhaltsverzeichniss der Berliner entom. Zeitschrift, Jahr-
gang I— VI, zusammengestellt von Max Wahnschaffe.
Annales de la Société entom. Belge. Tome sixième.
Inhoud.
Orgy(i)a Ericae, par M. le docteur Breyer.
Roeslerstammia assectella, moeurs de la chenille par
M. le docteur Breyer.
Notes d'une excursion à Fondeleffe, par M. E. Fologne.
Catalogue des Staphyliniens de Belgique, par M. Aug.
Tennstedt.
Des espèces monomorphes et de la parthénogénèse chez
les insectes, par M. le docteur Breyer.
56
Catalogue raisonné des Orthoptères de Belgique, par
M. Edm. de Selys-Longehamps.
Addition au catalogue des ins. Odonates de la Belgi-
que, par M. Edm. de Selys-Longehamps.
Observations sur quelques Lépidoptères observés en
Belgique, par M. E. Fologne.
Notes sur quelques Lepidoptères observés en Belgique,
par M. E. Fologne.
Journal of the proceedings of the Linnean Society VI. 24—26.
(Entom.) Inhoud.
Ne. 24.
On the abnormal Habits of some Females of the Genus
Orgyia. By H. T. Stainton.
Catalogue of the Heterocerous Lepidopt. Insects collec-
ted at Sarawak in Borneo by Mr. A. R. Wallace.
— By Francis Walker. (Continued).
Catalogue of Hymenopterous Insects collected by A.
R. Wallace in the Islands of Mysol, Ceram, Wai-
giou, Bouru and Timor. By Frederick Smith.
No 26:
Catalogue of the Heteroc. Lepid. enz. Vervolg van
N°. 24.
On the early Stages of Development of Orthopte-
rous Insects. By Andrew Murray.
Augustus 1863.
Bulletin de la Société impériale des Natur. de Moscou. Année
1862, N°727. o reti
(Entom.) inhoud.
NOD:
Sur quelques Hyménoptères nouveaux ou peu connus
par Octave Radochkoffsky (suite) avec 1 planche.
57
NOS:
Beiträge zur näheren Kenntniss der Staphylinen Russ-
lands von J. Hochhuth.
Erste Fortsetzung zu meinen Symbola ad Faunam
Hymenopterologicam Mosquensem, von Dr. Ph.
Assmus.
N°. 4.
Matériaux pour servir à l’etude des Carabiques, par
le Baron de Chaudoir. 3e partie.
Entomologische Mittheilungen von A Becker.
Report of the Commissioner of Patents for the year 1861.
Agriculture — Washington.
Daarin.
On the destruction of noxious insects by means of the
Pyrethrum Willemoti, Duchartre. — Translated
from the French by C. Willemot.
Entomology and its relations to the vegetable pro-
ductions of the soil with reference to both destruc-
tive and beneficial insects. — By S. S. Rathvon.
Marzio Tran
si
SANTE
AVE
DE INLANDSCHE BLADWESPEN
IN HARE GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE
BESCHREVEN DOOR
Mr. S. ©. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Tiende Stuk.
CIMBEX CONNATA, Scum.
N°. 1 der Bouwstoffen.
Vergelijk voor het volkomen insect:
F. DEP. SCHRANK, num. Insectorum Austriae, p.322. N°. 648.
Panzer, Deutschl. Ins. 84, 12. (Tenthr. montana).
LEPEL. DE Sr. FARGEAU, Monogr. Tenthr. N°. 75.
Krug, Versuch, — Gattung Cimbex p. 83.
Harrie, Blatt- und Holzwespen, p. 65.
ZADDACH und BRISCHKE, Beobacht. p. 254.
en voor de larve:
RiseL von ROSENHOF, Insectenbelustigungen. II. Bombyl. eu
Vespar. Tab. XIII. p. 57.
DE GEER, Memoires (Vert. v. Goeze) II. 2, 230. (alleen
de larve.)
Lyoner, Recherches, p. 175—179 Pl. 16.
RATZEBURG, Forstinsecten III. p. 135.
Or
60
Cimber niger, abdominis apice, tibiis tarsisque fuscescentibus, alis
coeruleo nitore relucentibus I ; aut fusco-aeneus , nitens , abdominis
favi macula magna basali violacea, alis lutescentibus.
Wanneer eenmaal een man, wiens naam groot is in de weten-
schap en aan wiens oordeel derhalve bijzonder gewigt gehecht
wordt, zich heeft vergist en aan eene onware stelling de autori-
teit van zijne uitspraak verknocht heeft, dan is het voor de hem
volgende schrijvers moeijelijk tot het ware spoor terug te keeren,
dat hij hun door zijn voorbeeld leerde verlaten. Tot deze opmer-
king geeft mij gereede aanleiding de geschiedenis der determi-
natie van het insect, welks gedaantewisseling ik mij voorstel in
de volgende bladzijden te behandelen. De soort was namelijk,
ofschoon de larve reeds door Albin, Rüsel ende Geer van naver-
wante soorten onderscheiden werd, steeds met die soorten ver-
ward ten gevolge van het uiterst geringe verschil, dat tusschen
de volkomen insecten van drie of vier species dezer groote blad-
wespen bestaat. De Berlijnsche hoogleeraar Klug, in zijn Versuch
einer Darstellung der Familien und Arten der Blattwespen-Gattung
Cimber Fabr., ©) de verschillende species onderscheidende, had
nu, door gewigt te leggen op de kenmerken der larve, daarnaar
Cimbex connata als afzonderlijke soort moeten erkennen; dan hij
vatte haar met C. femorata L., lutea L. en sylvarum Fabr. te
zamen en noemde deze denkbeeldige soort Cimber variabilis. Ten
bewijze van de juisheid dezer voorstelling beriep hij zich op de
niet overeenstemmende opgaven der schrijvers, die de gedaante-
wisseling der connata of femorata hadden te boek gesteld. Vol-
gaarne willen wij erkennen dat in deze berigten eene tamelijke
verwarring heerscht en vele schrijvers in hunne opgaven of ondui-
delijk of onjuist zijn, doch dit verleende nog geen regt om de
zeer naauwkeurige opgave omtrent het onderscheiden voedsel der
larve, die door het aantal blaauwe punten in de zijden des lig-
1) Verhandlungen der Gesellschaft naturforschender Freunde zu Berlin;
Band. I. p. 71 sqq.
61
chaams herkenbaar was, als van geringe waarde onder de andere
min juiste en onzuivere opgaven te verstikken. Het had Klug
moeten treffen, dat als van de groote Cimbex-larve op elzen
gesproken werd, steeds bij hare beschrijving de blaauwe, ronde
zijvlekken werden vermeld, terwijl wanneer van groote bladwesp-
larven op wilgen sprake was, de vermelding dier vlekken in
de beschrijving ontbrak.
De eerste schrijver, die in het telkens en volstandig voor-
komen van larven met blaauwe zijdevlekken op elzen en op
geene andere boomen eene voldoende reden meende te vinden
om deze soort van de overige groote bladwespen, Cimber waria-
bilis (toch nog collectiefnaam), awillaris en anderen af te zonde-
ren, was Ratzeburg, die haar in zijne Morstinsecten als bijzondere
species onder den naam van Cimber Humboldtii beschreef. Later
zijn hem in deze, naar onze meening zeer juiste voorstelling, de
Heeren Zaddach en Brischke (in het hierboven aangehaalde werk)
gevolgd.
Met regt zal nu de lezer vragen: indien Ratzeburg de eerste
geweest is, wiens scherpzinnigheid de onderhavige soort van
hare naburen onderscheidde, waarom wordt dan de door hem
geschonken naam ©. Humboldtii verworpen en moet voor dien
van Schrank plaats maken? Is het dan zoo zeker dat Schrank
werkelijk met zijne Tenthredo connata onze bladwespsoort heeft
bedoeld? Gaarne wil ik bekennen, dat wij zijne Beiträge zur
Naturgeschichte (Leipzig 1776), waarin die naam connata het eerst
voorkomt, niet in handen is gekomen en dat zijne diagnose in
de Enum. Ins. Austriae p. 322 — “Tenthredo, antennis clavatis,
nigra: abdomine fasciis flavis’ — mij zeer weinig voldoet; doch
vooreerst geeft de bijvoeging “Habitat in alno”’ eene juistere onder-
scheiding te kennen, ten anderen wil ik in dezen gaarne het
voetspoor volgen van den hoogleeraar Zaddach, wiens helder en
scherp oordeel door de meest omvattende kennis van literatuur
gerugsteund wordt.
Moge het mij eenmaal gelukken ook van de andere soorten,
die door Klug en Hartig tot hunne C. variabilis getrokken wer-
5%
62
den, de levensbeschrijving te kunnen mededeelen! Ik wil mij in
deze zaak evenwel geene illusien maken. Als ik bereken dat ik
reeds sedert twintig en misschien meer jaren, de larve der nu
te behandelen soort heb opgekweekt en dat het mij eerst in
1862 gelukt is eene wesp uit een cocon te voorschijn te zien
komen, en wanneer ik daarbij bedenk, hoe zeldzaam de larven
der meeste Cimbices zijn, hoe ongezellig zij leven en hoe lang
de larve onveranderd in het cocon blijft liggen (‘tgeen de voor-
name belemmering is in het opkweeken), dan vrees ik dat ik
om dit punt tot klaarheid te brengen, voor de tweede maal zal
moeten op de wereld komen.
Zaddach heeft met uitstekende zorg de literatuur over de Cim-
bex-soorten opgegeven en de. verschillende schrijvers onderling
vergeleken. Tot uitkomst verkrijgt hij omtrent de zoogenaamde
Variabilis eene stelling, die, vergeleken met hetgeen de kwee-
kingsproeven, door zijnen vriend Brischke genomen, dezen en
hem geleerd hadden, het volgende tot resultaat geeft. Onder de
Cimber variabilis van Klug schuilen hoogstwaarschijnlijk vier
soorten, wier volkomen insecten bijzonder sterk op elkander ge-
lijken, namelijk : 1°. ons tegenwoordig onderwerp van levensbe-
schrijving, de C. connata Schrank , welke bij Ratzeburg den naam van
C. Humboldtii draagt en wier gemakkelijk te onderscheiden larve
steeds op elzen aangetroffen wordt; 2°. Cimber Betulae Zadd.,
wier wijfje als ©. Sylvarum F. bekend is en wier larve uitslui-
tend (in Duitschland ten minste) op berkenboomen leeft; 3°. Cim-
bee Fagi Zadd. eene voor als nog steeds twijfelachtige species,
wier larve volgens Drewsen en Dahlbom op beuken voortkomt
en zich door de donkergroene kleur van hare huid onderscheidt;
eindelijk 4°. Cimbex Saliceti Zadd., wier lichtgekleurde larven
op tweederlei soort van wilgen aangetroffen worden, met welker
bladeren zij zich geneeren. Deze larven zijn door Bonnet, Lyonet
en de Geer beschreven en afgebeeld; ook bezit ik eene onuitge-
gevene beschrijving met keurige teekening van C. B. Voet, waarin
de laatste soort behandeld wordt.
Of deze soorten standvastig zijn, kan eerst door veelvuldige
63
proeven met groote naauwkeurigheid en opoffering van verbazend
veel tijd worden uitgemaakt. Het komt mij voor, dat voor derge-
lijke onderzoekingen ons vaderland, als arm aan individuen van
Cimbices, weinig geschikt is, en dat wij het licht in deze scheme-
ring uit het Oosten, Pommeren of Liefland te wachten hebben.
Laat ons nu tot de eigenlijke behandeling van ons onderwerp
overgaan.
Dat het ei door de moederwesp in de bladsteel van een elzen-
blad gelegd wordt, is eene veronderstelling, die ik mij meen te
mogen veroorloven, waarbij ik dan nog als hoogstwaarschijnlijk
zou durven beweeren dat het moederdier slechts weinige eijeren
en deze op grooten afstand van elkander legt. Daarvoor toch pleit de
zeldzaamheid en eenzame levenswijze der larven. De Geer ver-
haalt dat hij het achterlijf van een wijfje opensnijdende, daarin
langwerpig ovale, lichtgroene, tamelijk groote eijeren aantrof;
het is echter niet zeker dat hij werkelijk een wijfje van Cimbex
connata in handen had.
Ofschoon de wespen in Mei uitkomen, is het mij tot nog toe
niet mogen gelukken voor de maand September eene larve aan
te treffen. De jongste larve, die mij onder de oogen kwam, vond
ik den 1sten Sept. 1861; zij scheen mij toe reeds twee vervellin-
gen te hebben doorgestaan en was dus waarschijnlijk in het laatst
van Julij of het begin van Augustus uit het ei gekomen. Ik
heb echter in de eerste week van September ook wel reeds bijna
volwassen larven gevonden, zoodat het schijnt dat de eijeren
dan eens in het voorjaar, dan weder in het begin van den zomer
worden gelegd.
De jonge larve, waarvan ik sprak, heb ik bij fig. 1 op Plaat I
in natuurlijke grootte, en bij fig. 2 vergroot voorgesteld. Hare
juiste lengte heb ik verzuimd op te teekenen. Zij bezat 22 pooten;
aan het elfde ligchaamssegment ontbrak het paar muskelpooten.
De kop en de hoornachtige voorpooten waren licht blaauwachtig
groen; de overige deelen van het ligchaam waren geelachtig
groen. Over het midden van den rug liep eene rij van 11 of 12
(ik heb in datzelfde jaar nog twee zulke jonge larven gevonden)
64
ronde zwarte vlekjes en daarnaast ter wederzijde eene smalle
sele streep. Tusschen deze laatste en de rij der zwarte lucht-
gaten zag men op iederen ring een klein rond, zwart vlekje.
Deze jonge larven waren niet vlugger en levendiger dan de
ouden zijn; zij lagen meest als schoothondjes ineen gerold. Tot
mijne verwondering bespeurde ik dat zij tegen den middag aten,
terwijl andere larven, die mede niet den geheelen dag voedsel
nemen, gewoon zijn zulks des morgens of des avonds te doen.
Volgens Zaddach en Brischke (bl. 241 van het aang. werk)
is de larve voor de eerste huidwisseling lichtgroen zonder gele
strepen, doch met de bovenvermelde drie rijen van zwarte stippen.
Nadat mijne jonge larven ten mijnent voor de eerste maal ver-
veld waren, dus wel reeds voor de derde maal van haar leven,
hadden zij de kleur aangenomen, welke bij de meeste beschrijvers
vermeld wordt. De kop was namelijk (verg. fig. 3) licht groen-
achtig geel, het lijf op de zijden geel uit den groenen en naar
den rug toe langzamerhand groener wordende met twee fijne
gele strepen op den rug, tusschen welke zieh eene ietwat bree-
dere, licht- en donker-blaauw gestreepte lijn bevindt, die tot op
den voorlaatsten ligehaamsring doorloopt. Tusschen de rij van
zwartachte luchtgaten en de gele strepen wordt men aan weder-
zijde twaalf ronde grijs-blaauwe vlekjes gewaar. De buik en
pooten waren bleek geelachtig groen. De oogen stonden in ronde
zwarte vlekken.
Een weinig daarvan in kleur verschillende was eene volwassen
larve, die ik den 7den Sept. 1857 schier volwassen op den grond
kruipende aantrof en die men bij fig. 4 afgebeeld ziet. Haar kleur
was meer uit den grijzen dan uit den gelen groen en haar kop
had een’ blaauwen tint.
Zoowel de eene als de andere hadden ieder ligchaamssegment
met uitzondering van het laatste, door 5 of 6 rimpels in plooijen
verdeeld (verg. fig. 5). Tot aan de grijs-blaauwe vlekjes van het
midden der blaauwe ruggestreep gerekend, was de huid glad;
dan zag men drie witte wratjes onder elkander op de huidplooi
onder het vlekje; van de onderste dezer begon eene dubbele rij
65
onder het luchtgat, welke zich tot aan de andere zijde daarvan
verhief. Onder het stigma was eene uitpuilende muskel of vet-
massa onder de huid, welke daar ter plaatse met scherpe, min
of meer stekelige wratjes bedekt was. Een zoodanig wratje met
zes punten is door mij bij fig. 6 voorgesteld vergroot, zoo als
het zich voordoet als men de larve in de stelling van fig. 4 langs
de zijde met eene uiterst sterke loupe beschouwt.
Een der voorpooten van de larve is bij fig. 7 vergroot voor-
gesteld. Als men dit voorwerp met de loupe beschouwde, scheen
het dat de huid op de gewrichten dubbel was; midden op de
leedjes was zij met enkele haartjes bezet. Onder aan de basis
van het omgebogen, zeer scherpe klaauwtje was een ronde
knobbel te bespeuren.
De luchtgaten (fig. 8) waren eenigzins hertenspoorvormig, dat
is, omgeven van eene donker gekleurde verharding der huid,
die eenigermate de gedaante vertoonde, welke de indruk van
een hertenpoot in het natte zand heeft.
Ik heb deze larven nimmer vocht zien spuiten, gelijk andere
Cimbex-larven doen, voornamelijk die van C. Amerinae. Ook kon
ik geene spuitklepjes of gaatjes boven de luchtgaten waarnemen.
Zaddach zegt: “Die Larven spritzen wie die übrigen Cimbexlarven”
doch Rösel daarentegen “ich mogte sie gleich noch so offter
berühren, so bliebe sie doch allezeit trocken.” De naauwkeurige
Lyonet spreekt van dit spuiten niet.
Uit de afgeworpen koppen bij de vervelling was het mij niet
moeijelijk eene voorstelling op papier te brengen van eenige
monddeelen; men ziet deze afgebeeld op het midden van plaat 1.
Fig. 9 is de halfronde, in het midden ingekerfde bovenlip;
fig. 10 stelt de bovenkaak voor, aan welke ik drie tandjes waar-
nam, terwijl fig. 11 eene voorstelling geeft van eene vrij sterk
getande onderkaak met rond zijstuk en dikken, naar de punt
kegelvormig toeloopenden voeler.
Een groot gedeelte der larven, welke ik,nu en dan in het
najaar verzameld had, is nooit ingesponnen, bruin en hard ge-
worden en gestorven; waarin dit toe te schrijven was, bleef mij
66
onbekend. Anderen sponnen zich in een hard bruin cocon in,
gelijk de 12° figuur op plaat 2 er een voorstelt. Dit cocon was
aan de buitenzijde ruw en met stukjes hout bedekt, min of
meer metaalvormig van kleur, enkelvoudig en van binnen zeer glad.
Gelijk reeds vorige schrijvers over dit onderwerp vermeld
hebben, voornamelijk Lyonet, die op deze zaak veel nadruk
legt, blijven de larven 17 —18 maanden in dit cocon liggen, zonder
ran gedaante te veranderen. De ontwikkeling dezer dieren gaat
dus bij uitnemendheid langzaam in vergelijking van die, welke
men bij sommige Nematen waarneemt, die 10 of 11 dagen na
het inspinnen reeds het cocon als wesp verlaten. Geen wonder
dat de teelt der groote Cimbices zoo dikwijls mislukt, daar te
veel vocht en te groote droogte beide voor het leven der larve
hoogst gevaarlijk zijn.
Na jaren van te leur gestelde verwachting gelukte het mij
eindelijk eene vrouwelijke wesp uit een cocon te zien aan den dag
komen. Eene larve had zich ingesponnen den 10den October 1861;
den 11den April 1863 opende ik voorzigtig haar hulsel, in de
hoop daarin eene pop te zien liggen. Deze hoop werd niet, gelijk
zoo veel malen met andere larven geschied was, te leur gesteld;
ik had het genoegen eene pop te zien, naar gissing drie of vier
dagen oud; zij lag eenigzins gekromd en was van kleur groen-
achtig geel met den kop en het borststuk eenigzins bruinachtig
geel en de oogen lichtbruin (verg. fig. 13). Nadat ik de pop
afgeteekend had, legde ik haar weder in haar cocon, dat ik zoo
goed mogelijk sloot. Uit de pop ontwikkelde zich op den 2den Mei
daaraanvolgende de vrouwelijke wesp, voorgesteld bij fig. 14.
Vijf dagen later kwam uit een door mij niet geopend cocon nog
eene vrouwelijke wesp te voorschijn. Het deed mij zeer leed dat
dit tweede voorwerp niet tot de andere kunne behoorde.
Beide deze voorwerpen moeten tot die verscheidenheid (volgens
Klug) van Cimbex variabilis gebragt worden, welke door Panzer als
C. montana is afgebeeld. Zij waren 20 millim. lang, bij eene vlugt
van 43 mm. Hun kop was bronskleurig bruin, met paarse tinten
achter de oogen en bedekt met platliggende, zijdeachtige graauwe
67
haartjes. Oogen en bovenkaken donkerbruin, voelers aan den
mond lichtgeel, sprieten (verg. fig. 15) met de twee eerste leedjes
kort en breed, bruin van kleur en behaard, de overigen vaal-
oranje en kaal; het derde lid vrij lang, het vierde zoo lang als
de twee basaal-leden; het vijfde weder korter en daarop een vrij
dikke knop, kennelijk uit vier leedjes vergroeid — ’t geen dus
het voor bladwespen normale getal negen uitmaakt. Het borststuk
is geheel bronskleurig, aan de onderzijde uit den paarsen, overal
met fijne glinsterende graauwe haartjes bezet. Dezelfde kleur
hebben de heupen en de grootere bovenhelft der dijen; hun
onderhelft en de scheenen zijn lichter van kleur, de tarsen zijn
bruinachtig geel. De doorntjes aan het uiteinde der scheenen en
de lapjes aan de tarsen-leedjes hebben doorschijnende tippen.
De vleugels zijn doorschijnend, uit den bruinen gekleurd met
berookte punten; de aderen zijn roodbruin; het zeer langwerpige
stigma is donkerbruin. In de bovenste discoïdaalcel, de eerste
cubitaalcel en de anaalcel ziet men bruine vlekken; de lancet-
vormige cel wordt met eene regte ader in tweeën gedeeld. Het
eerste segment van het achterlijf is bronskleurig en aan de
rugzijde diep halfeirkelvormig ingesneden; in die insnijding ziet
men eene zuiver witte membraan. Het tweede segment is donker-
purperkleurig, het derde geel met eene breede purperkleurige
vlek, die het midden van den rug inneemt, het vierde geel met
een purper langsstreepje in het midden, de overigen geel. Meestal
zijn de insnijdingen tusschen de ringen donkerpaars. De buikzijde
is donker, ’tzij bruin, ’t zij paars. De kleppen van den legboor
zijn donkerbruin, met harde haren bezet.
Het mogt mij niet gelukken uit de spinsels van deze soort,
die ik zoo dikwijls en zoo lang bewaard heb, een mannetje te
zien voortkomen, doch de woorden van Prof. Zaddach betreffende
deze sexe zijn zoo stellig, dat ik er geen bezwaar in gezien heb
eene mannelijke wesp bij fig. 16 af te beelden naar een voorwerp,
door den Heer Fransen bij Rotterdam gevonden en op het Leidsch
museum bewaard. Nadat namelijk genoemde schrijver de kenmer-
ken, welke het mannetje van C. connata onderscheiden, volgens
68
Ratzeburg heeft opgesomd, laat hij er op volgen: “Weit mehr
in die Augen fallend als dieses Merkmal, auf welches Herr Rat-
zeburg aufmerksam gemacht hat, ist ein anderes, welches in den
Flügeln liegt. Diese sind nämlich durchsichtig und tragen bald
schärfer, bald weniger scharf die gewöhnliche Zeichnung, aber
die ganze Fläche des Flügels zeigt von der Seite gesehen einen
sehr schönen, und lebhaft hellblauen Atlasglanz.” Naar dit ken-
teeken heb ik de verschillende mannelijke bladwespen, sedert
jaren op het museum onder den collectief-naam van C. variabilis
aanwezig, zeer gemakkelijk kunnen uitzoeken, want waarlijk,
het verschil springt terstond in de oogen. Het mannelijk voor-
werp, dat ik uitteekende, had 22 mm. lengte en eene vlugt van
45 mm. Kop, borststuk, heupen en dijen zijn zwart met een
bronsachtigen gloed, het achterlijf is paarsachtig zwart, aan de
laatste ringen met rooden gloed. De sprieten zijn van de basis
tot de helft bruin, verder oranje; de scheenen zijn donkerbruin,
de tarsen roodbruin. Het geheele lijf is met zwarte en bruine
haren bedekt. De vleugels zijn doorschijnend met roodbruine
aderen en donkerbruin stigma; gelijk gezegd is hebben, zij naar
mate het licht er op valt, eene” hemelsblaauwe weerkaatsing.
De eilegger en zaag van het wijfje, voorgesteld bij fig. 17,
zijn reeds door den naauwkeurigen Lyonet beschreven. Volgens
zijne afbeelding zoude de zaag eenigzins verschillen van die der
Cimbex Saliceti, lutea, of hoe men de soort noemen wil, wier
larve op wilgen leeft. Bij fig. 18 is een gedeelte van den rand
der zaag voorgesteld, naar Lyonet gecopieerd.
Ik kan niet nalaten aan het einde dezer beschrijving, mijne
lezers te verzoeken de welwillendheid te hebben mij de Cimbex-
larven op wilgen, beuken en berken, zoo zij die aantreffen mogten, toe
te zenden, opdat ik in staat zij ook hare metamorphosen waar te
nemen en in dit tijdschrift te beschrijven.
Cimbex connata, Schr.
EI
17
ef? Ag
ant >
LÌ J] [Tf 39
o LÀ,
Cimbex connata, S
VERKLARING VAN PLAAT 1 en 2.
L. Eene jonge larve in natuurlijke grootte.
2. Dezelfde vergroot.
3. Eene volwassen larve, rustende.
LE a » kruipende.
5. Een ring van het ligchaam (zonder poot) vergroot.
6. Een der wratjes, sterk vergroot.
7. Een voorpoot, sterk vergroot.
8. Len luchtgat, ,, Si
9. De bovenlip, 3 5
10. Een bovenkaak, ,, 5
11. Een onderkaak en voeler, sterk vergroot.
12. Het cocon.
13. De pop, weinig vergroot.
14. De vrouwelijke wesp.
15. Haar voelspriet, vergroot.
bel fe pes
D 2 ©
. De mannelijke wesp.
. De zaag en eilegger van het wijfje, sterk vergroot.
. Een gedeelte van den rand, nog sterker vergroot.
NEMATUS BETULAE, Harr.
Deze moet volgen op N°. 46 der Bouwstoffen.
Vergelijk :
Dr GEER, Mémoires (Vert. van Goeze) Il, 2. bl. 261.
Tab. 37, fig: 23:
Harrie, Blatt- und Holzwespen, p. 219.
Nematus fulvus, capite fusco, thoracis dorso ac peclore nigro
maculato, alis iridescentibus, stigmate fusco luteo-marginato,
tarsis posticis fuscescentibus.
Wat men, voor zoo verre mij bekend is, omtrent dit insect
weet, heeft men aan de nasporingen van de Geer te danken;
Hartig heeft de beschrijving van den Zweedschen natuuronder-
zoeker slechts overgenomen en zoo ’t schijnt, noch de larve noch
de wesp in natura gekend. De Geer laat zijne zeer korte be-
schrijving volgen op die van Nematus perspicillaris Klug, welke
soort door Hartig vermeld wordt onder den naam van Mem.
melanocephalus en zeer groote overeenkomst met de onderhavige
heeft.
Ik had mij eerst voorgesteld om beide soorten, in navolging
mijner benoemde voorgangers, ook achter elkander te behande-
len; dan ik vreesde dat ik alsdan de besehrijving van beiden
al te lang zou moeten uitstellen; want de larven van Perspicil-
laris zijn mij in de laatste 14 jaren niet onder de oogen geko-
men en mijne afbeeldingen stellen alleen de larven als zeer jong
Ja
en als volwassen voor, zonder dat ik van pop, cocon, volkomen
insect of ei eenige afteekening bezit. Ik scheid dus liever beiden,
hoe na verwant zij ook zijn mogen, van een en geef voorloopig
de gedaantewisseling van Betulae, te meer daar deze de minst-
bekende der beide soorten is.
De eijeren worden door de moederwesp, nadat zij met behulp
harer zaag openingen in de huid van een berkenblad heeft ge-
maakt, aan de onderzijde van het blad tusschen het oppervlies
en het parenchym ingeschoven. Ik vond zoodanige bladen op een
berkenboompje in mijnen tuin in de eerste dagen van Junij 1862.
De larven, uit de eijeren voortgekomen, geheel zwartachtig groen
van kleur, aten de substantie van het blad tusschen de bladrib-
ben uit, doch lieten de punt van dit blad, alsmede de plekken
of beursjes waar de ledige eijerdoppen in verborgen waren onge-
moeid, zoodat een zoodanig blad de gedaante kreeg van onze
figuur 1, waar men bij « a de beursjes der eijeren voorge-
steld ziet.
Na de eerste vervelling hadden de jonge larven de grootte als
fig. 2 op onze plaat. Figuur 3 stelt haar 2! maal in de lengte
vergroot voor. Het geheele lijf was door zeer talrijke rimpels in
plooïjen verdeeld; de kleur van den rug was donker groen, die
van de zijden en den buik met de twaalf buikpooten en twee
naschuivers grijsachtig groen, hier en daar eenigzins geelachtig
en meer bepaald van die kleur in de zijden van het 11e en
laatste lid. De kop en een driehoek op den anus waren glim-
mend zwart, de voorpooten grijsachtig zwart en wit geringd. Al
etende ligtten zij gewoonlijk de vijf of zes laatste ringen van het
ligchaam in de hoogte.
Eenigen tijd later in de maand Junij, toen zij halfwassen
waren, was hare kleur eenigermate gewijzigd. Ik teekende toen
op dat zij waren, als volgt: de kop vuil donkergroen; het lijf
groen, in de zijden geel; op elk segment, behalven de twee
laatsten in dit geel eene oranje plek. Het geheele lijf bedekt
met kleine ovale donkere wratjes. Al de pooten lichtgroen, de
voorpooten met zwarte klaauwtjes. Op den staartklep eene zwarte
12
vlek en daaronder aan wederzijde een lichtgroen doorntje met
zwarte spits.
Weder eenige dagen later en wel den 22sten Junij waren zij voor
de laatste maal van huid verwisseld en hadden nu het voorkomen
van onze vierde figuur. Ik teekende daarbij het volgende aan:
De kop was bruinachtig zwart, lichter aan den achterrand en
aan de monddeelen; de rug van het ligchaam ‚sterk gerimpeld,
donkergroen, lichter en porceleinachtig wordende naar den staart.
De kleur heeft aldaar dien vreemden glans, dien men ook op
de huid der rupsen van Motodonta dictaoïdes waarneemt. In
de zijden der ringen, van ring 1—11 ziet men gele vlekken,
min of meer hartvormig van gedaante; verg. fig. 5 welke den
Dden ring op zijde gezien voorstelt. Tusschen en onder deze
gele vlekken is de kleur lichtgroen; dezelfde kleur hebben de
buik en al de pooten. De voorpooten hebben aan het uiteinde
bruine klaauwtjes. Het geheele ligchaam is bedekt met ovale en
langwerpige glanzige zwarte vlekjes; daarvan staan er drie boven,
drie op de bovengenoemde gele vlekken, een er voor, twee
er achter op ieder segment, terwijl men boven iedere poot nog
twee dwarsliggende vlekken ziet. Boven den anus vertoont zich
(verg. fig. 6) eene groote, slecht begrensde zwarte vlek en
daaronder aan wederzijde een groen doorntje met zwart spitsje.
Volwassen waren deze larven 22 millim. lang.
Zij waren zeer vraatzuchtig en in de doos, waarin ik er eenigen
bewaarde, zeer wild in het rond kruipend. Op den berkenboom
zag ik de anderen evenwel nagenoeg voortdurend stil zitten
en eten. Het zijn dus vrijheidlievende dieren, wien eene ruime
gevangenis toch nog te eng is. Als eene bladluis zoodanige blad-
wesplarve aanraakte, dan sloeg de laatste vinnig met het staart-
einde in de rondte. Zij hadden evenwel niet de gewoonte om het
staarteinde hoog opgebeurd te dragen en ook geene buikklieren,
voor zoo veel ik kon waarnemen.
Men zal mij misschien na het lezen der beschrijving mijner lar-
ven het regt ontkennen om deze soort den naam van Betulue
Hart. te geven, daar in de beschrijvingen der larven bij de Geer
13
en mij een tamelijk groot verschil aangetroffen wordt. De Geer
toch zegt uitdrukkelijk en Hartig herhaalt dezelfde woorden:
“sonst ganz glatt, ohne Punkte und Flecke,” namelijk behalve
de gele vlekken in de zijden. Ik erken volmondig dat dit ver-
schil zeer groot is; en toch — ik neem nog liever aan dat de
Geer zich verschreven heeft, dan dat ik zou veronderstellen dat
er nog eene derde soort bestaat met Perspicillaris Klug en Betulae
Hart. in schier alle punten overeenstemmende en mede als de laat-
ste op de berk levende.
Den 25sten Junij sponnen de larven in op de oppervlakte der
aarde, die ik in de doos gedaan had. De eocons waren lichter
of donkerder bruin en enkelvoudig, ’t geen mede tot de kenmer-
ken der soort behoort.
De wespen verschenen op en na den 12den Julij. De vrouwelijke
wesp is 7 millim. lang, bij 15 vlugt; het mannetje is een weinig
kleiner. De kop is bij beiden bruin tot aan de sprieten; de zoom
der zwarte zamengestelde oogen en een liggend halfmaantje
boven de sprieten zijn bruinachtig geel; de enkelvoudige oogen
zwart. De sprieten zijn vaalbruin met lichte ringen op de geledin-
gen. De mond is geelachtig wit met glimmend bruine bovenkaken.
Het borststuk van het wijfje is oranjeachtig geel met drie
glanzige zwarte vlekken op de boven- en vier aan de onderzijde;
de drie aan de bovenzijde zijn breede langsstrepen, waarvan de
voorste op den middellap en de zijdelingschen een weinig achter-
waarts op de zijlappen staan (verg. fig. 7). Van de vier aan de
onderzijde staan er twee in den vorm van driehoekjes ter weder-
zijde in den hals op het voorborststuk, terwijl de beide anderen
aan de uiterste benedenpunt van den mesothorax staan (verg. fig. 9).
Bij het mannetje zijn de drie ruggevlekken tot eene groote ronde
vlek zamengesmolten, waarin het schildje eene insnijding maakt;
dit laatste is bruinachtig en daaronder tusschen en achter de witte
ruggekorreltjes is eene onduidelijk begrensde zwarte veeg.
Het achterlijf is oranejachtig geel, bij het wijfje helderder dan
bij het mannetje. De scheeden van den legboor zijn bruin, de
beide staafjes aan het laatste lid geel.
14
De pooten zijn geel, de achtertarsen bij het wijfje bruinach-
tig, bij het mannetje bepaaldelijk bruin. Al de klaauwtjes zijn
bruin, daar tusschen ziet men vrij groote huidlapjes.
De vleugels zijn doorschijnend, iriseren sterk en hebben aan
de basis eene gele tint. De radius en eubitus zijn geel, aan de
binnenzijde zwart gezoomd, de eerste middenader met zijne ver-
takkingen is zwart, de overige aderen zijn bruin. Het stigma is
bruin, aan de binnenzijde met een’ lichtgekleurden zoom.
Wanneer, zoo als wij zagen, de wespen in Julij te voorschijn
komen, zoo mag men gereedelijk daaruit besluiten dat er twee
generatien plaats hebben in een jaar, waarvan de tweede hoogst
waarschijnlijk in het cocon overwintert. Ik meen mij ook te her-
inneren dat ik de larven der tweede teelt werkelijk gezien heb;
dan, daar ik dit feit niet heb opgeteekend, durf ik er geene ver-
zekering- van geven.
VERKLARING VAN PLAAT 3.
Fig. 1. Een berkenblad met sleufjes a a, waarin de ledige eijerdoppen.
2. Omtrek van eene jonge larve.
3. Die larve, vergroot.
4. Eene volwassen larve.
. Haar vijfde ligchaamssegment, vergroot.
Haar laatste ligchaamssegment, op den rug gezien en vergroot.
. De vrouwelijke wesp, vergroot.
. De mannelijke wesp, vergroot.
Ss
© m 2 ® x
. Het voorlijf op zijde gezien en vergroot,
Nematus
Betulae, Hart.
PREMIÈRE ÉDUCATION
DU VERA SOLE) DU CHEN:
BOMBYX (ANTHERAEA) YAMA-MAI
GUER. MÉN., EN NEERLANDE
Mr. DE ROO VAN WESTMAAS.
L'éducation du ver à soie de l’Ailanthe (Saturnia Cynthia)
entreprise en 1861 par M. N. H. de Graaf et moi, dans le but
d'étudier la métamorphose et les moeurs de cet insecte et d’ex-
aminer si son acclimatation offrait des chances de succès, ayant
réussi au gré de nos désirs, nous nous proposämes de rassem-
bler nos observations et de publier le Mémoire, inséré depuis
dans le Journal d’ Entsmologie?).
Ce travail, pendant lequel nous avons cherché à recueillir tout,
ce qui se rapportait à notre sujet, nous suggéra l’idée de faire
des recherches jusque dans les pays mêmes, où l’objet de notre
étude était indigène. Dans cette intention, M. N. H. de Graaf,
1) Comme tous les vers à soie appartiennent à l'ordre des Lépidoptéres, il
faudrait sans-doute dire chenille et non ver; mais l'usage de se servir de cette
dénomination a tellement prévalu, qne je crois devoir m'y conformer. J’adopte
done ee mot comme le synonyme de chenille qui produit de la soie et je m'en
sers comme tel.
2) Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche Entomo-
logische Vereeniging D. V, pag. 113 sqq.
6
16
conservateur de notre Société d’Entomologie, s’adressa au Prési-
dent de la Société de Commerce (Mandelmaatschapptj) pour le
prier de vouloir utiliser les nombreuses relations de cette Société
dans un but à la fois scientifique et industriel:
1°. en faisant prendre toutes les informations, qu'il pourrait
obtenir concernant la S. Cynthia et les moyens dont on se sert
pour dévider les cocons de ee ver à soie.
2°. en nous procurant des oeufs ou des cocons de différents
vers à soie sauvages et surtout du B. Yama-mai, espèce Japo-
naise, sur laquelle une brochure de M. Guérin-Méneville avait
tout récemment fixé notre attention.
Le Président de la Société de Commerce ayant promis de s'inté-
resser à cette affaire et d'en écrire à ses correspondants, nous
attendîmes avec impatience la réponse, qui arriva quelques mois
plus tard et qui contenait en substance: que la S. Cynthia ne se
trouvait pas au Japon, que le B. Yama-mai était élevé dans quelques
parties de ce pays, qu'il y vivait sur le chêne et que la soie (dont en
même temps on nous envoyait un échantillon) en était très-recherchée
et même preférée à celle du B. Mori, quoique, au dire des Japonais,
elle ne pit être teinte; qu’entin il se présentait de grandes
difficultés pour obtenir des oeufs, mais qu’on tâcherait d’y parvenir
et qu'en cas de réussite, on les enverrait en Neérlande par la
première occasion favorable.
Une année plus tard, en janvier 1863, M. de Graaf reçut une
nouvelle lettre accompagnée, cette fois, de deux boîtes en fer
blanc contenant 12,5 grammes d’oeufs du Yama-maï. La Direction
de la Société de Commerce déclarait qu'on les devait à la com-
plaisance et aux soins de M. Pompe van Meerdervoort, officier de
santé de la marine Neêrlandaise, qui avait bien voulu se charger
du transport.
En même temps, 5. Exe. M. Thorbecke, ministre de l'Intérieur,
envoya au Président de la Société d’Entomologie une boîte analogue
contenant environ 12,5 grammes d'oeufs, qui avaient été remis par
M. Pompe van Meerdervoort au gouvernement Neêrlandais. Son
Excellence accompagna cet envoi d’une Notice sur l’éducation du ver
17
à soie du chêne du Japon (B. Yama-mai) due à la plume de M. Pompe
van Meerdervoort et d'une lettre, dans laquelle il témoignait du
grand intérêt qu'il prenait à cette affaire et de son désir d’être
informé des résultats qu’on obtiendrait.
La Direction de la Société d’Entomologie se häta de faire part
aux membres de la réception de ce don précieux, en les informant
qu'il serait fait une répartition égale des oeufs entre ceux d’entr’eux,
qui désireraient s’occuper de l'étude de ce ver à soie.
Peu de temps après M. Guérin-Méneville écrivait dans sa Revue
de Sériciculture comparée !) : “Tout récemment, la France a obtenu
trente grammes d’oeufs du ver à soie du chêne envoyés dans de
bonnes conditions, grâce au zèle intelligent de M. le docteur Pompe
van Meerdervoort, officier de santé de la marine Neêrlandaise, qui
a remis deux petites boîtes renfermant ces oeufs au chargé d’affaires
de France à la Haye. Celui-ci les a envoyées immédiatement à
L. Exe. les ministres des affaires étrangères et de l’agriculture,
du commerce et des travaux publics, qui en ont fait don à la
Société impériale zoologique d’acclimatation , et j'ai été chargé de
la distribution de ce précieux envoi.”
Il est done évident que c’est à M. Pompe van Meerdervoort que
l’on est redevable de tous les oeufs du Yama-maï, qui ont pu
servir cette année aux expériences des Entomologistes Européens.
Quant aux motifs, qui ont engagé M. Pompe van Meerdervoort
à se procurer ces oeufs et à les transporter en Europe, on les
trouve exposés dans une brochure publiée par cet officier ?) pour
rectifier l’inexactitude de certaines communications répandues à cet
égard. L'auteur y réclame l'honneur d'avoir introduit ces oeufs,
“sans avoir reçu un ordre ou une intimation quelconque à ce sujet,
1) La Revue de Sériciculture comparée, dont je recommande la lecture à
toutes les personnes qui s'occupent de l'élevage des vers à soie, a été fondée
en 1863 par M. Guérin-Méneville, dans l'intention de développer l'étude com-
parative des diverses espèces de vers á soie et de leurs produits.
2) Notices sur l'introduction du ver 4 soie du chêne du Japon (Bombyx Yama-
mai (Guer. Mén.) en Europe, par Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort.
La Haye, M. J. Visser 1863.
6*
18
ni de S. M. le Roi de Wurtemberg, ni de S. M. le Roi des Pays-Bas
ni du gouvernement Neêrlandais’ comme l'a prétendu M. Sace
dans une lettre insérée dans la Revue de Sériciculture '). Il y déclare
encore que c'est à l’instigation de M. Eugène Simon, commissaire
agricole du gouvernement Français en Chine et au Japon, et sur
la demande de M. Bauduin, agent de la Société de commerce à
Nangasaki, à qui la requête de M. de Graaf avait été transmise,
qu'il s’est adressé pour obtenir ces graines à des negociants Ja-
ponais, aux sériciculteurs, à plusieurs naturalistes indigènes de
ses amis et enfin au gouvernement Japonais lui-même; mais tout
en vain, puisqu'on lui répondait toujours que l'exportation de ces
oeufs était défendue sous peine de mort.
“Alors (dit l'auteur) me vint l’idée de m'adresser à un de mes
élèves. Comme directeur en chef de l’école impériale de médecine
à Nangasaki, j'avais chez moi des étudiants des différentes pro-
vinces du Japon et entr’autres aussi des provinces d’Etizen et de
Vigo ou Higo.
Un de ces jeunes gens, qui m'avait déjà donné plusieurs fois
des preuves d’un dévouement extraordinaire, fut choisi par moi
pour cette expédition. Je lui expliquai l'affaire et je lui proposai
de faire le voyage à Vigo à mes frais, d’y récolter autant de
graines qu'il pourrait et de me les transmettre.
“Ce brave jeune homme, auquel j'ai promis solennellement de
ne jamais révéler son nom, parceque, si les fonctionnaires
Japonais le savaient, il ne pourrait se soustraire à la mort, se
mit en voyage dès le lendemain et, après une absence de quinze
jours, me remit avec le plus grand secret les graines du B. Yama-
mai, qu'il avoit récoltées avee beaucoup de peine et de danger.”
La mission de M. Pompe van Meerdervoort étant terminée le
ler novembre 1862, il partit pour l'Europe et se chargea de
1) N. 6. 1863. Dans le N. 11 de la même Revue, M. Sacc a déclaré loyale-
ment, qu'apres avoir lu la réclamation de M. Pompe van Meerdervoort, cette
réclamation l'a vivement peiné en lui prouvant qu'il avait commis involontai-
rement et sur la foi d'une communication inexacte une injustice envers ee savant.
19
transporter les graines, qu’il plaça, pour en empêcher l’éclosion,
dans une glacière, qui se trouvait au bord de son navire.
“Jarrivai à la Haye (dit encore l’auteur) au commencement de
janvier et je m’empressai d’expédier les graines. La plus grande
partie fut offerte par moi au gouvernement Français et à la Société
Impériale Zoologique d’acelimatation, selon la promesse faite à
mon ami Simon. Une autre partie fut envoyée par moi au Neder-
landsche Handelmaatschappij, comme je l'avais promis à leur
agent M. Bauduin à Nangasaki, pour être partagée entre M. de
Graaf et je crois en partie à M. de Weckherlin, secrétaire de
S. M. la Reine des Pays-Bas. J’offris une troisième partie à mon
gouvernement, et S. Exe. le Ministre de l'Intérieur les a envoyés
à la Société Neêrlandaise d’Entomologie. Enfin il me restait encore
une petite quantité de graines, que j'ai données au célèbre natu-
raliste M. le Docteur Bleeker, qui les avoit demandées pour
M. Guérin-Méneville à Paris.”
La peine que s'est donnée M. Pompe van Meerdervoort pour
se procurer ces oeufs, et les soins qu’il lui en a coûté de les
transporter dans de bonnes conditions, semblent devoir être pleine-
ment récompensés par le succès de la première éducation en Europe.
Toutefois, si c'est à M. Pompe van Meerdervoort, que revient
l'honneur d'avoir transporté les premiers oeufs qui ont réussi,
l'initiative d’une première introduction avait déjà été prise par
M. Duchesne de Bellecourt, consul-général de France à Jedo,
qui, en 1861, envoya à la Société Impériale d’acclimatation à
Paris un petit paquet d'oeufs du Yama-maï, dont sortirent plusi-
eurs centaines de chenilles, qu'on tâcha d'élever au jardin des
plantes, dans la ménagerie des reptiles, mais qui, probablement
par suite d’une température trop élevée et du manque d’air frais,
périrent toutes, à l'exception d’un seul ver, obtenu par M. Guérin-
Méneville d'un des huit ou dix oeufs, qu'on lui avait envoyés
pour savoir le nom de l’espèce à laquelle ils appartenaient. Ce ver
unique fut confié par M. Guérin-Méneville à M. Année qui l’éleva
à Passy à l'entrée d’une serre tempérée et en obtint le papillon
le 25 août 1861.
80
L'éducation de ce seul individu a été pour M. Guérin-Méneville
l’objet d'une étude suivie et approfondie, dont les résultats ont
été publiés par ce celèbre et savant Entomologiste, dans une bro-
chure intitulée:” Description d'un nouveau ver à soie du chene
(Bombyx Fama-maï) provenant du Japon. 2)
L'auteur, le premier, y signala ainsi à l'attention publique, la
haute importance de ce ver à soie précieux.
Depuis ce temps d’autres essais d'importation ont été tentés
par M. E. Simon et par M. Flury-Erard; mais tous ont échoué,
tant par l’éelosion des oeufs pendant le transport, que par la fer-
mentation des cocons.
La chose en serait encore là, si M. Pompe van Meerdervoort
n’était parvenu à transporter les oeufs dans les conditions requises
pour les faire réussir.
J'ai insisté sur ces détails, parce que je les jugeais indispen-
sables pour bien éclaircir l’histoire de l'introduction en Europe
d’un insecte aussi important que l’est le ver à soie du B. Yama-
mai; et j'espère que mes lecteurs m'en sauront gré, considérant
que c'est surtout en matière d'invention ou d'introduction nou-
velle, qu’il est souvent difficile de reconnaître la vérité.
C'était done en janvier 1863, que les oeufs du B, Yama-maï
parvinrent en Neêrlande et qwainsi l’occasion d’entreprendre
une éducation de ce ver à soie se présenta pour la première fois.
Plusieurs Entomologistes de mes amis se décidèrent aussitôt
à tenter l'épreuve. Il s’en trouva parmi eux, qui erurent devoir,
dès la première année, essayer d’une éducation en plein air, je
résolus, pour ma part, de suivre une autre méthode et de commencer
par introduire l’insecte avant de faire des tentatives pour l’acclimater.
Pour le moment, le but auquel je crus devoir tendre, se borna
à rechercher les meilleurs moyens d'élever mes chenilles en bonne
santé, en évitant toute chance de perte, afin d’en obtenir autant
de papillons que possible, qui par leurs oeufs me mettraient à même
de recommencer une seconde éducation. En outre, il me sembla que
1) In — 89, avec 3 pl. col — Paris 1861.
81
l'échec d’une éducation en plein air serait d'autant plus déplo-
rable qu'il empécherait de nouvelles expériences, sans même
prouver avec certitude l'impossibilité d’une pareille éducation pour
la suite, puisque la condition dans laquelle les oeufs se trouvaient
après un voyage par les tropiques, ne pouvait être considérée
comme normale.
Le nombre d’oeufs que j’obtins, tant par l'intermédiaire de la
Société de commerce, que comme membre de la Société d’Ento-
mologie se montait 4 781. Il en sortit 410 chenilles, la moitié
environ étant desséchée ou contenant des chenilles mortes.
Toutefois, avant de donner l’histoire détaillée de l'éducation de ce
ver à soie et le résumé des observations faites pendant cette éduca-
tion, il me semble nécessaire de les faire précéder d’une deseription
des différents états de l’insecte pendant le cours de sa métamorphose.
Or, comme M. Guérin-Méneville a déjà rempli cette tâche, en
publiant dans la brochure sus-mentionnée une description détaillée,
telle qu'on doit l’attendre d'un observateur aussi exact que savant,
je ne saurais mieux faire que d’en reproduire la plus grande
partie, parce qu'il serait absolument inutile de répéter les mêmes
choses en d’autres termes; aussi j'espère bien que M. Guérin-
Méneville me pardonnera ce plagiat, et cela d'autant plus facilement,
qu'il verra, qu’ après avoir comparé ses descriptions aux objets
mêmes, je me suis permis d'ajouter plusieurs modifications , toutes
les fois que l'éducation de quelques centaines de vers me mettait
à même de faire des observations que ne permet pas l'éducation
d'un seul individu.
J'ai suivi encore l’exemple de M. Guérin-Méneville en ajoutant
à mes descriptions des planches représentant les différents états
de l’inseete, grâce à l’extrême obligeance de mon ami M. le doc-
teur Snellen van Vollenhoven, à qui je dois les dessins exacts
qui accompagnent mon ouvrage. C'est avec empressement, que je
saisis cette occasion de lui en témoigner ma reconnaissance.
82
PREMIER ÉTAT. OEUF.
L'oeuf du B. Yama-mai, dont le plus grand diamêtre est de
0m,003, la largeur variant entre 0m,002 et 0m,003, est rond,
un peu aplati, blanchâtre, presque toujours couvert de granules
bruns ou noirs, quelquefois très-peu tacheté ou entièrement blanc.
Dans le corps des femelles ces oeufs sont verts, mais exposés au
jour ils perdent cette couleur et deviennent blancs ou d’un vert
clair. Les taches ou granules sont produites par un fluide visqueux
d’un brun-noiràtre, qui sert aussi à coller les oeufs au moment
de la ponte et qu’on trouve renfermé dans les vaisseaux sébifi-
ques des femelles. Il est à remarquer que les oeufs blancs, pon-
dus après l’entière sécrétion de ce fluide, peuvent tout aussi bien
être fécondés que les autres, comme j'en ai eu la preuve cer-
taine. La coque de ces oeufs est d’une consistance parcheminée
et très-résistante, intérieurement d'un blanc nacré. La surface,
vue à la loupe en est finement ponctuée.
Ayant ouvert quelques-uns de ces oeufs, mes amis et moi nous
y trouvâmes, au mois de janvier, la chenille entièrement formée
et toute .vivante. Elle offrait alors, quant à la position de ses
poils épineux une particularité fort curieuse, qui attira surtout
l'attention de M. le docteur Snellen van Vollenhoven. Il reconnut
que sur le premier segment ces poils étaient couchés en avant
sur la tête; sur les deuxième et troisième segments dirigés de
côté vers les pattes; sur les autres couchés au milieu du corps
en s’entrecroisant et enfin sur le dernier segment dirigés en
arrière.
J'ai supposé d’abord que cette incubation avancée était anor-
male et l’effet de la température élevée des climats, qu’avaient
traversés ces oeufs pendant leur voyage. Plus tard cependant, quand
j'ai cherché à éclaircir ce point, j'ai pu me convaincre que ma
première supposition était erronée, parce que, en ouvrant à
diverses époques plusieurs oeufs provenus de papillons de mon
éducation, j'ai reconnu que l’incubation, qui commence immedia-
83
tement, est déjà très avancée le vingt-huitième jour et que des
oeufs ouverts en septembre, c’est-à-dire 57 jours après la ponte,
contenaient des chenilles tout aussi bien formées et vivantes, que
celles que j'avais trouvées dans les oeufs du Japon. Comme les
oeufs pondus le 13 octobre par ma dernière femelle donnèrent le
même résultat et que j'y trouvai des chenilles au commencement
de décembre, il est probable qu’outre les oeufs aplatis, dont le
nombre est considérable, tous ceux, qui maintenant ne contien-
nent qu'une humeur visqueuse et verte seront stériles.
L’embryon se forme done avant l'hiver et la chenille demeure
dans l’oeuf jusqu'au printemps. Ce fait est très-remarquable et n’a
été observé, pour autant que je sache, sur aucune autre espèce.
Quand, au mois de mars, j'ai pesé vingt des oeufs Japonais,
je leur ai trouvé un poids de 160 milligramm.
Ayant réitéré plus tard mes pesées avec des oeufs de cette année,
j'ai trouvé que: 100 oeufs d'une femelle qui s'était accouplée le
29 août, pesaient, le jour suivant, juste un gramme; le 25 sep-
tembre, quand la chenille était toute formée, 900 milligramm.
et le 11 novembre 860 milligramm. La perte en poids, causée
par la formation de l'embryon, était done de 140 milligrammes.
Deux cents oeufs, pris au hasard, dans une ponte de trois
femelles, dont j'avais pareillement observé l’accouplement, pesaient
le 2 septembre, un jour après la ponte, 1,960 gramm., le 11 oc-
tobre, avec la chenille toute formée, 1,700 gramm. et le 11 novem
bre 1,660 gramm. Comme parmi ces derniers il s’en trouvait
cinq plus ou moins desséchés, il est permis d'admettre qu'un
oeuf pèse environ 10 milligramm. et qu'il perd pendant le dévelop-
pement de l’embyron environ un sixième de son poids. Si main-
tenant, ce qui est assez probable, le poids reste environ le même,
ces pesées prouveront que l’espéce n’a pas dégéneré, puisque les
oeufs de mon cru surpassent encore en poids ceux que j'avais
reçus du Japon.
La température à laquelle ces oeufs ont été exposés, a varié
de 15° à 23° Cent.
84
SECOND ETAT. CHENILLE.
Premier age.
Dès que la jeune chenille est sortie, elle acquiert rapidement
un volume supérieur à celui quelle avait dans l’oeuf. Elle est
alors longue de Om,007. Sa tête, le premier segment thoracique
et les pattes écailleuses sont d'un roux couleur d’acajou; et le
reste du corps est d’un jaune doré, couleur de gomme gutte,
mais plus pâle en dessous, à partir du dernier rang des tuber-
cules.
Tous les segments, du deuxième jusqu’au onzième, sont par-
courus par cinq lignes longitudinales noires en dessus et par une
autre ligne brune, située au-dessous des tubercules latéraux et
inférieurs; en sorte, que cette jeune chenille, vue d'ensemble est
d'un jaune rayé longitudinalement de noir. Ajoutez qu'on trouve
encore souvent, trois lignes d'un brun pâle sur les pattes mem-
braneuses.
Le dernier segment terminé par les pattes anales, offre trois
grandes taches noires, une médiane et supérieure et une de cha-
que côté.
Le premier anneau thoracique a quatre tubercules saillants ter-
minés par de long cils pâles. Les supérieurs sont jaunes et les
inférieurs plus forts et plus saillants, noirs.
Le deuxième segment comme les dix suivants, porte six tuber-
cules, dont les quatre superieurs sont jaunes et les inférieurs noirs.
Le troisième segment diffère en ce que les deux tubercules
supérieurs sont noirs, mais tous les autres, à partir du quatrième
jusqu’au dixième, ressemblent au deuxième.
Le onzième a les deux tubercules supérieurs soudés ensemble
par la base et noirs; enfin le douzième n’a que quatre tubercules
jaunes, plus deux petits tubercules, également jaunes, à l’extré-
mité supérieure.
Il résulte de cette coloration des tubereules de chaque segment,
que tous ceux du rang inférieur, de chaque côté, sont noirs; de
plus, tous les cils de ces tubercules sont noirs; la base seule en
est plus ou moins pâle. Vers la fin du premier âge, la couleur
de la chenille a pris peu-à-peu une teinte plus verdâtre.
Deuxième dge.
A son réveil, après sa première mue, la chenille est longue
de 00,012 à Om,015, dun vert tendre, un peu jaunâtre en des-
sous avec une ligne longitudinale jaunâtre de chaque côté, au-dessus
des stigmates bruns.
Elle diffère de celle du premier âge par son premier segment
thoracique, qui est d’un vert-brun trés-clair et par ses tubercules,
qui sont tous jaunes. Les grandes taches du dernier segment
prennent un ton brun-roussâtre assez marqué, mais ne dépassent
pas le tubercule lateral et n’atteignent pas le onzième segment.
La tête, les pattes écailleuses et le bord des pattes membra-
neuses sont d’un brun roussâtre et le côté externe de ces dernières
est d’un jaune pâle, presque blanchâtre. La couleur verte de la
chenille a pris de l'intensité vers la fin de cet âge et le rang
inférieur des tubereules latéraux a pris une teinte bleue, que cepen-
dant on remarque déjà à quelques chenilles immédiatement après
leur première mue.
Troisième dge.
Après ce deuxième changement de peau, la chenille est longue
d'environ Om,032 à Om,034, d'un beau vert frais, piquée d’innom-
brables points blanes avec une ligne longitudinale et latérale jaune
de chaque côté. Sa tête, marquée de chaque côté d’un point
brun, ses pattes écailleuses et l'extrémité des pattes membra-
neuses sont d'un roux un peu fondu de vert. Le segment thora-
cique est d'un vert-brun très-clair, bordé d’une teinte bleue au
côté intérieur.
Tous les tubercules supérieurs sont d’un beau jaune; ceux du
86
rang inférieur d’un beau bleu outremer; le dernier segment ne
porte plus de tache noire sur son lobe médian, mais les taches
vert-roux des côtés se sont alongées et forment un triangle, dont
la pointe la plus aiguë touche au onzième segment. Les pattes
anales sont bordées en dehors de jaune, en dedans de bleu.
Sur les tubereules jaunes les poils sont noirs et ordinairement
au nombre de sept, dont deux plus longs que les autres; sur
les tubercules bleus, le nombre est le même, mais cinq sont
noirs et deux pâles et plus longs.
A la fin de cet âge la chenille a pris une forme trapue; les
premiers segments sont devenns plus gros que les autres et lui
donnent un aspect bosselé; à cette époque aussi, on entrevoit
quelquefois un petit point métallique argenté sur le côté du
cinquième segment.
Quatrième dge.
La chenille, qui au commencement de cet âge n’a que Om050,
atteint une longueur de 0m070. Elle est d’un beau vert et trans-
parente dans certains endroits, comme un grain de raisin; le corps
est épais, encore plus trapu et plus bosselé qu'auparavant. Les
tubereules sont demeurés petits et se voient à peine, à cause
de la turgescence de la peau; ils n’existent plus qu'à l’état de
vestiges et ne sont plus indiqués, surtout les supérieurs, que par
les cils, qui les couronnaient avant qu’ils eussent perdu leur saillie.
Les côtés du corps sont parcourus par une bande jaunâtre, qui
commence au milieu du quatrième segment et vient se confondre
avec la pointe du grand triangle postérieur, qui est alors d’un
brun plus ou moins noirâtre et dont la pointe pénêtre souvent,
comme dans l’âge suivant, très-loin dans le onzième segment,
quoique chez plusieurs chenilles, elle ne fasse que Vatteindre.
La tête, les pattes écailleuses et le bord des pattes membra-
neuses, sur lesquelles on trouve quelques poils noirs, sont d’un
roux lavé de vert, et l’on voit souvent distinctement de chaque
côté des cinquième et sixième segments, une belle tache argentée
située immédiatement au dessus de chaque stigmate.
Sl
Cinquième âge.
Après la quatrième mue, cette chenille grandit considérablement
et atteint une longueur de O™O080 à Om102 et une épaisseur
proportionnée. En mesurant une chenille longue de Om090, entre
la première et la seconde patte membraneuse, je lui ai trouvé
une circonférence de 0m067, done un diamétre de 0021.
La tête est maintenant d’un bleu verdâtre, piquée, de chaque
côté, de six petits points bruns; les organes buccaux sont bruns
et verts. Le segment thoracique est d'un vert-clair bordé, au côté
interne, de brun-jaunätre. Les 2, 3 et 11me segments se mon-
trent plus pointus que les autres. La couleur du corps est d'un
beau vert-jaunâtre, plus foncé sur les côtés et sur le ventre. Les
tubereules ont complétement disparu et leur place est seulement
indiquée par des points bleus et par des cils.
Les deux taches argentées, qu'on voit sur les 5 et Gme seg-
ments et dont la première est toujours la plus grande, sont
souvent indistinetes ou même entièrement invisibles, d’autres fois
au contraire, très-prononcées.
J'ai eu des chenilles, qui avaient plusieurs de ces taches,
d’autres dont tous les segments, à partir du 4me jusqu’au onzième,
en étaient marqués et quelques individus qui avaient encore de
petits points argentés à la base des poils.
Voulant examiner s’il existait un rapport quelconque entre ces
taches et la couleur, les dessins ou le sexe du papillon, j'ai
placé séparément vingt chenilles, sur lesquelles elles étaient
très marquées et vingt autres sur lesquelles elles étaient entière-
ment invisibles ; le résultat a démontré que, comme je m'y attendais,
cette variété de la chenille n’influencait en rien sur le papillon.
TROISIÈME ÉTAT. CHRYSALIDE ET COCON.
Le cocon, qui ressemble beaucoup à celui du ver à soie du
mûrier, est complétement fermé, composé d’une belle soie d’un
blanc argenté dans les couches ou vestes internes et d'un vert,
quelquefois d'un jaune, plus ou moins vif extérieurement. La
88
forme en est ovalaire-allongée; la longueur varie de 0040 à 0m053
sur une épaisseur de 0m020 à Om027. Cette mesure n’a été sur-
passée que par deux de mes cocons d’une longueur de plus de
Om,060, et d'une épaisseur de 0m,027, dont l’un contenait deux
chrysalides mortes, l’autre un papillon éclos mais mort et les
restes de deux chenilles et de deux chrysalides, le second papillon
ayant percé le cocon. Du reste ils etaient d'une seule pièce et
régulièrement tissés; ils ne se distingaient des autres que par
une petite augmentation d'épaisseur vers la queue.
Les cocons à surface lisse et, pour ainsi dire, sans bourre se
dévident tout aussi facilement que ceux du B. Mori. J'en ai
sacrifié deux à mes expériences, dont l’un m’a donné un fil de
630 mêtres, sans se rompre une seule fois et plusieurs brins de
100 et 150 mêtres. Un essai pour dévider des cocons percés a
de même assez bien réussi, puisque j'ai pu en retirer, quelquefois,
plus de cent mêtres de fil continu; ce qui prouve que la con-
struction du cocon est telle, qu'on pourra toujours en obtenir
une certaine quantité de soie grège, quoiqu'il ne me semble pas
probable que jamais on trouve le moyen de les dévider entièrement,
les fils me paraissant évidemment cassés à l'endroit par où a passé
le papillon en sortant.
Ces fils examinés au microscope et comparés à ceux des cocons
du B. Mori n’en diffèrent que bien peu en finesse. Les Japonais,
on le sait, prétendent que cette soie ne se laisse par colorer
par la teinture; cette assertion est fausse, comme l'a prouvé
M. G. M. de Graaf, qui, à la dernière séance de notre Société
d’Entomologie, a montré un échantillon de soie obtenue de ses
cocons, dont la teinture en pourpre avait fort bien réussi.
La chrysalide a une longueur de 0™,035 à 0m,040 sur une
épaisseur de Om,015 à 0m,020; la couleur en est d'un brun-
noirâtre, à l’exception d’une tache brune située à la tête entre
les antennes. La queue de cette chrysalide est armée de deux
pointes, qui, vues à la loupe, se montrent garnies de plusieurs
erochets, placés trés-prés l’un de l’autre et dont le nombre n’est
pas toujours le même. Elle est classifiée par M. Guérin-Méneville
89
parmi les chrysalides à réservoir, parce qu'elles sont pourvues
d'un réservoir de liqueur dissolvante pour ramollir la soie du
cocon et permettre ainsi au papillon de se frayer un passage pour
en sortir; c’est cette liqueur d’une couleur brunâtre, qu'on voit
percer à travers les cocons, quand le papillon s’apprete à éclore.
Pour pouvoir vérifier le poids des cocons et des différentes
parties qu’ils enveloppent, j'ai pesé, peu de jours avant la sortie
des papillons, les deux cocons qu’ensuite j'ai dévidés, et j'ai
trouvé que le poids du premier était de 6,350 grammes; à savoir
pour la chrysalide 5,700 gramm., pour la peau de la chenille
0,100 gramm. et pour la soie 0,550 gramm.
L'autre cocon pesant 6,350 gramm. donnait pour la peau de la
chenille et pour la chrysalide un poids de 6,290 gramm. et conte-
nait 0,560 gramm. de soie.
J'ai donc eu de ces deux cocons 1,110 gramm. en matière
soyeuse, dont j'ai dévidé 0,650 gramm. en soie grège. Il est
difficile néanmoins de fixer le poids des cocons pleins, puisqu'il
varie non seulement en raison de leur grandeur, mais aussi de
l'état de développement plus ou moins avancé, dans lequel se
trouvent les chrysalides.
Désirant examiner au juste la diminution en poids, que subissent
les cocons pleins, pendant le temps qui s'écoule entre le commence-
ment de leur formation et l’&elosion du papillon, j'ai pesé un cocon,
au moment même qu'une grande chenille était occupée a le filer et j'ai
trouvé comme résultat le 11 juillet 11,450 gramm.
is FAS Re 9,220 3
FI LIE, 8,840 5
„21 aoüt 1990 >
HE ZO. = 7,740 2
AO = 1,670
” 30 ” 1,620 ”
„sl „ 7,600 ;
glue septembre’ 7,550
ee ; 7,500
” 3 ” 1,480
90
Le papillon étant éclos le 4 septembre, le poids se trouvait done
réduit, pendant les 45 jours que s'opérait la métamorphose, de
3.970 gramm. Si maintenant on admet comme moyenne un poids de
7 gramm. par cocon plein, on aura 143 de ces cocons au kilogramme.
Pour déterminer de même le poids des cocons percés et sees, j'en
ai pesé, le 6 novembre, 50 pris au hasard dans un nombre de
300, et j'ai trouvé qu'ils pesaient 41,750 gramm. , ainsi pour chaque
cocon, 0,835 gramm.
Un second pèsement de cent autres m'a donné un poids de 80
gramm., de sorte, qu'en prenant ce dernier chiffre comme moyen,
on aurait 1250 de ces cocons au kilogramme. Voulant encore
évaluer le poids de la matière soyeuse que contiennent ces cocons,
j'ai fait plusieurs pesées, et j'ai trouvé que le poids à déduire
pour les restes de la chenille et de la chrysalide montait environ
à un tiers du poids total, et qu’ainsi il faudrait 1800 à 1900 de
ces cocons pour avoir un kilogramme de soie.
En voici quelques exemples :
cocon. centimm. centimm. grammes, milligrammes. milligrammes.
ler long 5,2 large 2,70 pesant 1,090 contenait à déduire 350 donc en matière soyeuse 740
2me » 48 » 2,20 7 0,770 ” ” ” 150 » ” 2 ” 620
ame v 47 » 2,30 7 0,890 v ” ” 300 » ” 7 ” 500
4me » 43 w 2,20 7 0,830 ” ” ” 380 » 2 ” 7 500
Bme » 40 » 2,00 7 0,550 7 ” 2 190 » 7 ” ” 360
Ces cing cocons de grandeur fort différente pesaient done ensem-
ble 4,130 gramm. et contenaient en matière soyeuse 2,720 gramm.
Si maintenant on déduit du poids total de 4,130 gramm. un tiers,
c'est-à dire 1,376 gramm., on obtiendra 2,753 gramm. de soie,
chiffre, qui correspond assez exactement au total du poids de la
soie de ces cinq cocons. Chaque cocon contenait ainsi en moyenne
0,544 gramm. de soie; on aura donc 1836 de ces eoeons au kilo-
gramme.
Il va sans dire que, quoiqu’on prenne des cocons sees, l’atmos-
phère aura toujours quelque influence sur leur poids et qu'ainsi,
pour pouvoir faire des comparaisons parfaitement exactes, il faudra
avoir soin de confronter des cocons d’une égale sécheresse.
7
91
ÉTAT PARFAIT. PAPILLON.
Le magnifique B. Yama-mai, nom qui signifie ver des monta-
gues, est placé par M. Guérin-Méneville dans le genre Antheraea,
formé en 1816 par Hübner et adopté aussi par les Entomologistes
Anglais. Les différents sujets de ce beau papillon brillent par une
telle variété de nuances, qu'on pourrait être tenté d'en faire plusieurs
espèces, si les dessins nettement tracés et conformes ne prouvaient
pas évidemment le contraire.
Il sera done nécessaire, avant d'entreprendre ma description,
que je commence par faire le choix d’un type; ce qui, pour autant
que je sache, n’a pas encore été fait et présente quelque difficulté.
En effet, quoique j'aie eu près de 300 papillons et qu’en ce moment
même, j'en aie plus de 50 devant moi, ce nombre me semble
encore trop petit pour déterminer, avec une pleine certitude, la
forme qui se reproduit le plus souvent et que pour cette raison il
faudrait adopter comme type.
Pour les femelles, c’est sans contredit, la nuance jaune qui domine,
mais pour les mâles il en est tout autrement, puisque, quoiqu’on en
trouve aussi de jaunes, une couleur mélangée de jaune, de brun
et de rose se présente le plus souvent. En acceptant pourtant la
femelle jaune comme type, il y aurait de l’anomalie à vouloir ranger
le mâle jaune sous les variétés, et comme, à tout prendre, il n’est
pas prouvé que parmi un très-grand nombre de papillons les mâles
jaunes resteront rares, je préfère adopter les individus jaunes, tant
mâles que femelles, comme types de l'espèce.
Je commencerai done par faire la description des papillons de
cette nuance.
L'envergure est de 0",15 à 0,16. La forme des ailes supérieures
est triangulaire avec une sorte d’angle un peu relevé à l'extrémité
antérieure et recourbée en dedans sous l’apex. La tête a la couleur
des ailes mais plus foncée; les antennes sont jaunes, celles des
males largement pectinées, celles des femelles à barbes courtes.
La trompe est très-petite, surtout celle des mâles. Les yeux sont
A
92
noirs. La partie antérieure du thorax offre un large collier d'un
gris blanchâtre en avant, plus brun à atomes noirs en arrière,
qui se continue avec la large côte des ailes antérieures. Le corps
est jaune de la nuance des ailes, le dessous en est d’un jaune
roussâtre mélangé de brun. Les pattes sont rousses avec les tar-
ses annelés de brun-noirâtre et terminés par des crochets bruns.
Les ailes supérieures sont d'un jaune vif tirant un peu sur l’orange ;
celles des mâles ordinairement plus ou moins saupoudrées d’ato-
mes roux. Leur large côte a la couleur du collier sur le thorax;
mais cette coloration se fond insensiblement, au delà du milieu
de l’aile, dans la couleur de cette aile.
On voit à la base deux stries transversales ondulées, qui sont
composées d’atomes blanes, au côté interne et brun-noirâtre au
côté externe; la plus rapprochée de la base s’arrête à la nervule ;
l'autre, un peu plus éloignée, commence où la première s'est
arrêtée et arrive en se recourbant à la côte. Après ces lignes et
vers le milieu antérieur de l'aile, se trouve placé sur la nervule
disco-cellulaire un oeil transparent, de forme subtriangulaire, à
angles arrondis et ordinairement bien plus grand chez les femel-
les que chez les mâles. Cet oeil vitré est coupé en deux par-
ties inégales par la nervule disco-cellulaire, qui est placée plus
près de son bord interne, et bordé extérieurement de jaune un
peu brunâtre, limité en dehors par une strie noire. Du côté in-
terne cette bordure est d’un brun livide ou d’un rouge vineux,
entourée d’une strie blanche, suivie d’une bordure plus ou moins
large d'un rouge vineux. Au-dessus de eet oeil et du côté de la
base de l'aile, on voit quelquefois une courte strie longitudi-
nale d’un rouge vineux, qui suit la nervule supérieure de l’oeil,
en partant du bord gris pour finir près de langle supérieur in-
terne de cet oeil. Une ligne transversale, qui part du bord anté-
rieur, au delà du milieu de l’aile, s’avance en traits ondulés et
convexes entre les nervules jusque sur le bord de l'oeil, où il
s'arrête pour reprendre son cours au côté opposé de l'oeil, d'où
il se poursuit jusque sur le bord interne de l'aile. Cette ligne,
qui est brune et plus claire au-dessus de l'oeil qu’au-dessous, se
93
trouve presque toujours chez les mâles, quelquefois même forte-
ment prononcée; pendant qu'elle est ordinairement tres-faible
chez les femelles, souvent même invisible. Vers l'extrémité de
l'aile on voit une strie oblique et droite, quelquefois plus ou
moins ondulée, partant du tiers externe, dirigée vers l’extré-
mité de la côte et se rapprochant insensiblement de l’angle apical.
Cette strie ou bande transversale est composée d’atomes noirs et
violets suivis extérieurement d’une ligne étroite et bien limitée
d’atomes blancs, qui vers langle apical, s’elargit et se dirige
vers l'extérieur. Elle est suivie, toujours du côté externe, d’atomes
roses, qui vont en se fondant vers le bord externe et qui rem-
plissent quelquefois presque toute l'étendue entre la bande et le bord
extérieur des ailes. Une strie brune et très-étroite, suivie d’un
espace plus clair, se voit ordinairement devant les franges extrê-
mement courtes.
Les ailes inférieures, de forme arrondie, ont à leur base une
strie ondulée brune, qui se courbe au-dessus de l'oeil, placé
environ au milieu de l'aile. Chez les femelles le centre transpa-
rent de cet oeil, qui comme celui des ailes supérieures, est traversé
par la nervule, est beaucoup plus petit que celui des ailes anté-
rieures; mais chez les mâles il égale celui des ailes antérieures
et le surpasse même souvent en grandeur. Ce point transparent
est bordé extérieurement de jaune, puis de brun livide, encore
de jaune et enfin de noir; du côté interne il est bordé du même
brun livide, qui se fond en devenant insensiblement rouge, puis
d'une belle strie blanche suivie d’une large bordure d’un rouge
vineux. Au côté supérieur de cet oeil se montre toujours une
grande tache ovalaire et oblique d’un beau noir. Immédiatement
au-dessous de la strie ondulée à la base, la plupart des mâles
en ont encore une semblable, également brune et plus ou moins
fortement marquée, qu'on n’apercoit que rarement sur les femel-
les. La grande strie transversale est semblable à celle des ailes
supérieures, courant parallèlement au bord inférieur de l’aile,
mais beaucoup plus rapprochée de l'oeil, que de ce bord. Quand
les ailes sont fermées cette bande se joint, au bord interne, à
(5
94
celle des ailes supérieures, mais s’en écarte aussitôt que ces ailes
sont étendues. Au-dessus de cette bande, quelques mâles ont
encore une autre strie faible et ondulée, que je n’ai remarquée
sur aucune des mes femelles jaunes, mais bien, quoique rarement
et alors fort indistincte, sur quelques-unes de la nuance rousse.
Le dessous des ailes est d'un brun plus ou moins semé d’ato-
mes gris, jaunes et violets, avec la partie inférieure des ailes
supérieures d’un jaune d'autant plus clair, qu'on approche davantage
du bord inférieur. On y remarque une bande transversale, d'un brun
violet au premier tiers, à partir de la base; une autre bande brune
et plus large au milieu de l'aile, passant en dehors de l'oeil aux ailes
supérieures et sur l'oeil même aux ailes inférieures, enfin une troi-
sième bande brunâtre suivie d'une autre composée de petits traits
fortement ondulés d'un gris violet. Après cette dernière bande se
montre une large bordure d’un jaune brunätre, qui s'étend jusqu'au
bord externe et dans laquelle on voit, comme sur le dessus des
ailes, la ligne brune et très-étroite devant les franges.
En comparant maintenant un certain nombre de papillons à
cette description du type, on verra bientôt que plusieurs s'en
écartent; cependant cette variation se réduit presque exclusive-
ment à une diversité de ia nuance du fond; la différence des
dessins résultant seulement d’une plus grande évidence ou d’une
entière oblitération des stries. Or, en rangeant les papillons selon
leur passage aux différentes nuances on en fera deux variétés
distinctes :
A. La variété rousse.
B. La variété vert-gris ou bronzée.
A. La variété rousse.
Cette variété a la couleur d'un brun roux, qui se répand sur
le corps et sur toutes les ailes comme une couche uniforme et
que les mâles ont presque toujours mélangée d’atomes jaunes.
Excepté les stries à la base et la grande bande transversale,
les femelles ont les autres stries moins bien marquées que les
95
mâles, chez qui surtout les deux stries sur les ailes inférieures
sont ordinairement trés-distinctes.
Le passage des mâles jaunes à cette variété est bien plus régulier
que celui des femelles.
B. La variété vert-gris ou bronzée.
La couleur de cette belle variété, la plus rare, est un mélange
de bronze et de vert saupoudré d’atomes gris. Le corps et la
base des ailes, surtout des mâles, a un ton plus ou moins rose.
Le dessous des ailes est de la couleur du dessus, mais couvert
d’atomes noirs et bleuâtres, à l'exception de la large bande au
bord externe.
Cette variété a généralement les dessins bien marqués, quoique
les atomes blancs de la grande bande manquent très-souvent.
Le passage des papillons roux à cette variété est assez régulier;
quoique je n’aie eu que peu d'individus où les couleurs des deux
variétés se fondissent entièrement.
Il n’est pas douteux que ces variétés, quoique nettement tran-
chées, appartiennent effectivement à la même espèce; aussi les
papillons des diverses nuances s’accouplent-ils indifféremment.
li sera néanmoins intéressant d'examiner si les mariages des in-
dividus d’une même variété produiront des sujets semblables, ce
que je me propose de vérifier l’année prochaine.
Je n'ai eu que très peu de papillons difformes et seulement une
femelle assez remarquable pour qu'on s’en occupe. Ce sujet a l’aile
supérieure du côté gauche très-rétrécie, c'est à-dire, seulement d’une
longueur de 0",035 et de forme arrondie. La grande bande est
recourbée et parallèle au bord de cette aile, l'oeil vitré placé
à deux centimètres de la base. L’aile inférieure est régulière et
comme le côté droit, où les ailes ont une envergure de 07,075
exempte de toute difformité.
Aucun de mes papillons ne présentait des signes extérieurs
d’hermaphroditisme.
Me voici arrivé à la fin de la partie descriptive de ce mémoire.
96
Je vais tâcher maintenant de donner une histoire détaillée de
l'éducation du ver à soie du B. Yama-mai, tant d'après mes pro-
pres observations, que d’après les notes, qui m'ont été commu-
niquées par plusieurs de mes amis, notamment par MM. le pro-
fesseur Cl. Mulder de Groningue, le docteur S. Snellen van Vollen-
hoven et N. H. de Graaf de Leide, le docteur M. C. Verloren
d’Amersfoort, J. Bakker Sr. d’Oosterbeek et H. Weyenbergh
de Harlem.
En résumant ainsi tout ce que j'ai pu recueillir par rapport
à mon sujet, j'aurai à parler de trois diverses manières d’edu-
cation à savoir:
1°. d’une éducation entreprise et achevée en partie dans une
serre en partie dehors.
2°, d’une autre, faite en plein air, mais seulement pendant le jour.
3°. d’une dernière accomplie entièrement en plein air.
M'étant abstenu d'appliquer cette dernière méthode d'éducation,
je ne pourrai en faire connäitre les résultats, que d’après les renseig-
nements de mes amis.
Quant à mes propres observations, je tâcherai d'en donner
l'aperçu en suivant régulièrement l’insecte à travers le cours de sa
métamorphose. Or, quand j’eus examiné les oeufs du Japon et trouvé
. que Vineubation étoit fort avancée, j'ai tàché d'en retarder l’éclosion
autant que possible, en les plaçant dans un lieu frais, où la tem-
pérature n'a varié, du 12 mars au 28 avril, qu'entre 7° et 16°
cent., ce qui pourtant n'a pas empêché mes deux premières chenilles
de paraître le matin du 22 avril à une température de 8° cent.
Comme j'avais déjà des feuilles de chêne d’arbustes cultivés dans
une serre, je plaçai immédiatement mes chenilles dessus et je les
transportai dans une chambre où le thermomètre montrait alors 12°
cent. Ces chenilles, quoiqu’elles ne me semblassent pas saines, com-
mencèrent aussitôt par ronger les bords des feuilles tendres. Bientôt,
en effet, je remarquai des symptômes de maladie, analogues à
ceux que j'avais observés sur les chenilles des S. Cynthia, quand
le froid les faisait souffrir: je veux dire, une faiblesse, qui, à
chaque instant, les faisait tomber des feuilles; aussi ces chenil-
97
les moururent-elles au bout de peu de jours. Supposant que la tem-
pérature était encore trop basse, je me décidai à élever les premières
chenilles qui écloraient dans une serre où je cultivais des ceps
de vigne; et, pour avoir la chance d'obtenir au moins quelques
chrysalides de même date, j'y plaçai soixante dix oeufs; de sorte
que du 27 avril au 8 mai, j'obtins 26 chenilles, nombre qui
me sembla suffisant pour cette expérience. Je plaçai alors ces
chenilles sur des rameaux de chêne, dont les tiges trempaient
dans des bouteilles pleines d’eau, que je mis dans une grande
cage couverte de gaze. Cette cage était placée à l'entrée de la
serre et immédiatement au-dessous d’une fenêtre vitrée, dont une
partie restait ouverte pendant la journée. L’atmosphere dans cette
serre était trés-humide et la température y variait extrêmement,
le thermomètre descendant souvent durant la nuit à 13° cent.;
tandis que par de belles journées de soleil, pendant lesquelles
cependant je couvris ma cage de nattes, il montait quelquefois
jusqu'à 38° cent. Au bout de quelques jours, je commençai à
placer mes chenilles dehors, aux heures les plus chaudes de la
journée, enfin je les y laissai jusqu’au soir, ayant grand soin de
les arroser, ainsi que leur nourriture, au moins deux fois par jour,
et de leur donner de l'ombre, quand la trop grande ardeur
du soleil les incommodait.
Cette manière d'agir sembla parfaitement convenir à mes che-
nilles ; elles restaient saines, croissaient vite et atteignirent entin une
longueur de 0,09 à 0,102. Quarante-quatre jours après, c’est-
à-dire le 10 juin, la première chenille commença à filer et fut
bientôt suivie d'autres; en sorte que, chaque matin, je trouvais
de nouveaux cocons. Ma dernière chenille ne fila que le premier
juillet. A mesure que ces cocons se faisaient, je les transportai
dans un lieu plus frais, où la température a varié du 18 juin
jusqu’au 29 juillet, pendant le jour de 13° à 24° cent. pendant
la nuit de 12°,5 à 19°,5 cent.
Jeus ainsi de mes 26 chenilles 22 cocons, dont le premier
papillon, un mâle, est éelos le 2 août, le second (de la chenille
qui fila le 10 juin), de même un mâle, le 3 août, le troisième
98
et le quatrième une femelle et encore un mâle, le 4 août; les
éclosions se succédant ainsi jusqu'à la fin du mois, quand le
dernier papillon parut.
Cette éducation a done marché à merveille et très-vite, puis-
quelle s'est achevée en moins de cent jours, c'est-à dire dans le
même temps qu'au Japon, où, selon les renseignements de M. Pompe
van Meerdervoort, le total de la durée de la vie de l’insecte
s'élève à 96 jours, dont 60 jusqu'à la formation du cocon et 36
de là jusqu’à l’éclosion du papillon.
Jai observé une chenille née le 27 avril, dont les quatre mues
se sont suivies ainsi:
lre mue le 8 mai
2de mue le 14 „
Sme mue le 23 „
4me mue le 31 „
Le commencement du cocon eut lieu le 10 juin et l’éelosion
du papillon le 3 août, ce qui donne un total de 97 jours, dont
44 se sont écoulés depuis la naissance de la chenille jusqu’à la
montée et 53 de là jusquà l’éclosion du papillon. Quoique je
sache parfaitement, qu’une pareille méthode d'élever des vers à
soie ne pourrait être applicable et aboutirait enfin à une dégéné-
ration de l'espèce, j'ai cru devoir la suivre cette fois pour la
conservation de mes premières chenilles, qui sans cela auraient
probablement péri. Cette expérience pourra servir d’ailleurs à
déterminer l'atmosphère, dans lequel les chenilles peuvent vivre.
Mes autres chenilles écloses du 4 au 28 mai et également
tenues dans de grandes cages ont été soumises à un traitement
plus ou moins différent; quoique, quant à l'administration de
la nourriture et aux arrosements journaliers, j'aie suivi les
mêmes régles. Les cages cependant placées en plein air, dès
huit heures du matin, y restèrent jusqu'a neuf heures du soir et
ne furent abritées que contre de grandes pluies, sans que du
reste j'eusse le moindre égard au temps qu'il faisait. Depuis le
commencement jusqu'à la fin de cette éducation la température a
varié pendant le jour entre 8° et 27° cent., et pendant la nuit
99
entre 12°,5 et 19°,5 cent., dans la chambre où je tenais alors
mes chenilles et dont la porte, qui communique directement avec
l'extérieur, était ouverte à six heures du matin et fermée à dix
heures du soir.
Cette manière d'élever les chenilles a de même très-bien réussi ;
seulement elles se sont développées moins vite et n’ont commencé
à filer qu’au bout de 54 à 70 jours, les mues se sont aussi suc-
cédé plus lentement. En voici un exemple:
Une chenille née le 8 mai fit sa
Ire mue le 19 mai
2de mue le 28...,,
Sme mue le 5 juin
4me mue le 16 „
Elle commença son cocon le premier juillet; ce qui fait un total
de 54 jours, que cependant la plupart de mes autres chenilles
ont dépassé.
Le temps qui s'écoule entre chaque mue et de même entre la
naissance de la chenille et sa métamorphose, diffère quelquefois
considérablement et dépendra probablement plus ou moins de
la température et de circonstances relatives à la santé de la
chenille.
Je pourrais en citer plusieurs exemples; mais je pense que,
pour donner un aperçu général de la durée de Ja métamorphose,
il suffira de mentionner, que j’obtins la plus grande partie des
jeunes chenilles (164) du 10 au 13 mai, — des cocons (151) du
14 au 18 juillet et des papillons (91) du 30 août au 3 septem-
bre; ce qui donne pour la vie de l’insecte un total de 113 jours,
dont 66, jusqu'à la formation du cocon et 47 de là, jusqu’à
Véclosion du papillon.
Mon premier papillon parut le 14 août, mon dernier, d’un
cocon du 7 août, le 7 octobre.
Avant chaque mue la chenille tombe dans une sorte de sommeil
et ne s'éveille qu'au bout de trois ou quatre jours, quelquefois
même de six ou sept. C’est alors, qu'après s'être accrochée soli-
dement avec les pattes anales à la tige, pour que la vieille
100
peau soit retenue, quand elle s'en dégagera, la chenille com-
mence à secouer et à retourner son corps dans tous les sens en
gonflant et en contractant ses anneaux, jusqu'à ce que la peau
se fende sur le dos et que la tête se détache et tombe séparément.
J'ai observé cette dernière particularité pendant toutes les mues,
et c’est seulement quand la chenille se métamorphose en chrysa-
lide, que la tête, quoique fendue également, reste attachée à
la peau, comme M. le professeur Cl. Mulder m'en fit justement
l'observation. On pourra, du reste, facilement s'en convaincre en
ouvrant des cocons.
M. Weyenbergh observa, que les mues se faisaient le plus sou-
vent, vers le milieu du jour et s'accomplissaient en 15 ou 20
minutes; cependant cette règle est sujette à beaucoup d’excep-
tions.
Après la première mue ces chenilles mangent une partie de
leur vieille peau et quoique plus tard elles n’y touchent ordinaire-
ment plus, j'en ai remarqué quelques-unes, qui en mangeaient
encore après leur troisième mue. Les jeunes chenilles préfèrent
les feuilles tendres, plus âgées elles s’accommodent des plus dures
et même du bout des tiges. Après leur dernière mue elles man-
gent avec avidité, choisissent encore les feuilles tendres et ne com-
mencent enfin à filer, qu'après s'être débarrassées de quelques gout-
tes d’un liquide brunâtre. Alors elles attachent quelques feuilles
ensemble, entre lesquelles elles se mettent à tisser leurs cocons,
dont les premiers fils leur serrent étroitement le corps et qu’en-
suite elles élargissent en se gonflant et en se retournant souvent.
L’extérieur du cocon s'achève ordinairement en quelques heures,
quoiqu'il s'écoule souvent plus de trois jours avant que la che-
nille soit devenue entièrement invisible à travers son cocon. On
ne peut done fixer avec certitude le temps qu'il lui faut pour
l’achever complètement.
Tout comme celles de la S. Cynthia, nos chenilles aiment
beaucoup à se baigner et à s’abreuver des gouttes d’eau qui
tombent sur les feuilles. Cette tendance est même tellement forte,
que j'ai vu une chenille, que j'avais placée devant moi sur une
101
branche dont le bout trempait dans une bouteille sans tampon,
descendre par le goulot, s’enfoncer entièrement sous l’eau et
y rester jusqu'à ce que, quarante minutes après, je l’en retirai,
de crainte qu'elle ne se noyât. Quand je leus remise sur la feuille,
elle se mit à redescendre dans la bouteille, quelques instants
après.
Je crois done que l’eau leur est absolument nécessaire et que
les arrosements, que je n'ai cessé d’administrer journellement, ont
exercé une influence salutaire sur leur santé.
Des 410 chenilles dont j’entrepris l'éducation, j’eus en tout
300 cocons plus trois chrysalides de chenilles qui s'étaient méta-
morphosées sans filer régulièrement. Cette dernière circonstance
m'a appris que la chenille reste dans un état de torpeur pendant
environ douze jours avant de se métamorphoser.
J'ai done perdu un quart de mes chenilles, dont la plus grande
partie sont mortes presque immédiatement après la sortie de l’oeuf
ou pendant cette opération même. La même chose ayant été
remarquée par mes amis, j'en déduis que la coque était trop
sèche et par conséquent trop dure et qu’il sera utile de placer
ces oeufs, du moins pendant leur dernière période, dans un lieu
quelque peu humide, ou de faire évaporer de l'eau dans la
chambre où on les tient. Peut-être aussi, que l'application de la
méthode dont se servent les sériciculteurs Japonais pour retarder
l’éclosion des oeufs et qui consiste, à ce qu’assure M. Pompe
van Meerdervoort, à les enfermer, au mois de mars, dans des
pots de terre, qu’ensuite on enfouit trés-superficiellement dans
une terre froide et sèche, empêcherait le trop grand durcissement
de la coque.
J'ai observé que les jeunes chenilles meurent très-vite, si on
les laisse sans nourriture ou si on leur donne des feuilles trop
dures, et qu'elles sont extrêmement sensibles à l’époque de leurs
mues, surtout à la troisième mue, pendant laquelle j'en ai perdu
un certain nombre.
Les 301 chrysalides qui me restaient, après en avoir sacrifié
deux pour dévider leurs cocons, m'ont donné 291 papillons, dont
102
162 mâles et 129 femelles. M. de Graaf eut 26 mâles et 22
femelles d’un nombre de 48 chrysalides et 17 grammes d'oeufs
de ces femelles.
Les papillons éclosent pendant toute la journée, la plupart
cependant le matin et le soir, ils sécrètent alors une grande
quantité de liquide blanc et transparent.
Mes premiers papillons ont été des mâles; tandis que mes
trente derniers cocons n’ont produit presque exclusivement que
des femelles; ce qui, naturellement, a influencé défavorablement
sur l'acquisition d'oeufs féconds.
Aussitôt que j’eus des papillons des deux sexes, je crus que
les accouplements se feraient comme ceux des autres espèces de
cette famille et que je trouverais ainsi infailliblement le lende-
main des individus accouplés; mon désappointement fut done
extrême en découvrant que je m'étais trompé; et je commengais
même à m’inquiöter sérieusement, quand les jours suivants, chaque
matin me donna le même résultat, quoique j'eusse tenu mes papil-
lons dans de très-grandes cages, tant dans la maison que dehors,
pendant des nuits chaudes du mois d'août.
Il fallait done de deux choses l’une, ou que mes papillons ne
s’accouplassent pas ou qu'ils le fissent pendant la nuit et que
les accouplements fussent terminés avant le jour, de sorte qu'on
ne pouvait les constater le matin. Il me sembla tellement impor-
tant d’éclaircir ce point, que je résolus d'observer mes papillons
pendant la nuit et que j’écrivis, le 25 août, à M. Guérin-Méne-
ville pour m’informer auprès de lui, si le même cas se présentait
en France et s'il pouvait me renseigner à cet égard. On com-
prendra donc aisément que je fus bien agréablement surpris en
trouvant, le 26 août, à huit heures du matin, un couple encore
accroché, qui ne se sépara qu'une heure après et qui me procura
la satisfaction de pouvoir annoncer cette heureuse découverte à la
séance de notre Société d’Entomologie tenue le 29 août.
Les mariages se faisaient donc; mais comme il était essentiel
de les constater plus positivement, je me decidai à commencer
mes observations aussitôt que j'aurais de nouveaux papillons, ce
103
qui heureusement arriva encore dans la même journée, quand
un couple fraichement éclos m'en fournit l’occasion. J'enfermai
alors ce couple dans une grande cage en gaze, que je plaçai dans
une chambre sans lumière, où j'observai mes papillons de quart
d'heure en quart d'heure. Des 9 heures 25 minutes les papillons
saccouplérent et ne se séparèrent qu'entre 11 heures et demie
et deux heures.
Une nouvelle expérience faite le 31 août sur trois couples me
fit voir que deux d’entr’eux s’accouplerent à 7 heures trois quarts
et se séparèrent à 9 heures et demie. Une des femelles commença
alors immédiatement à pondre.
L'accouplement des papillons dure cependant plus longtemps,
pourvu qu’on les laisse parfaitement tranquilles; car la moindre
interruption suffit pour les détacher, ce qui a lieu par exemple
quand, pour les observer, on approche la lumière de trop près.
Si les accouplements se sont faits vers la dernière partie de
la nuit, les papillons, dont le mâle est presque toujours placé
sous la femelle, restent dans un état d’engourdissement, quelque-
fois plusieurs heures de la journée. Je crois pourtant qu’en général
on peut admettre que ces accouplements se prolongent de deux
à quatre heures.
Mon doute était done dissipé quand j’eus l'honneur de recevoir
une lettre de M. Guérin Méneville, qui, avee sa bienveillance
accoutumée, m'écrivait, que lui aussi s'était inquiété au sujet
des accouplements, mais qu’heureusement il était parvenu à les
constater dans la nuit du 7 août.
Les mâles ne vivent ordinairement que trois ou quatre jours,
les femelles huit à douze, aussi les papillons ne s’accouplent-ils,
pour autant que j'en ai pu faire l'observation, qu’une seule fois ;
et en cela ils different de ceux de la S. Cynthia, dont les papillons
male et femelle s’accouplent très-souvent deux fois. J'ai même
eu des oeufs féconds provenus d'une femelle fraiche avec un
mâle qui s’accouplait pour la troisième fois.
Voici quelques observations que j'ai faites à l’égard des pontes
de femelles, dont moi-même j'ai pu constater Vaccouplement.
104
Accouplement le 26 août
oeufs pondus du 26 au 27 août 46
” ” ” 27 » 28 7) 90
» ” 28 » 29 » 45
7 ” 77 29 ” 30 ” 8
» ” ” 30 ” 31 » D
5 , led Septembre.
2? 7? 7 1 ” 2 2) 1
” ” ” 2 ” 3 ” 1
done 198
La femelle étant morte le 4 septembre,
j'ai ouvert le corps et trouvé encore 7 oeufs
Elle contenait done un nombre de... . 205 oeufs.
Accouplement de trois paires le 31 août
oeufs pondus du 51 août au 1 septembre 71
a ÿ seule septembre; „2 i 277
5 5 42 5 nike 5 18
” ” ” 3 ” ” a ” 51
; > RE - È bead A 44
” ” ” 5 ” ” 6 ” 13
done 534
Les trois femelles étant mortes le 7 septembre,
jai de même ouvert les corps et trouvé 71 oeufs
Elles contenaient ainsi . . . . . . . . . . . . . . 605 oeufs, ce qui
fait 201 oeufs par femelle. Une autre femelle enfin a donné du
29 août au 4 septembre 198 oeufs et en avoit gardé 8.
Le résuitat de ces pontes a donc été très-favorable, parce que
la proportion entre les oeufs pondus et gardés ne différait guère.
J'ai fait à cet égard plusieurs autres recherches, qui m'ont
prouvé que le nombre d'oeufs pondus variait entre 165 et 200.
Toutefois cette proportion a été bien moins favorable pour les
papillons éelos plus tard en septembre et en octobre, les femelles
retenant alors souvent bien plus d’oeufs qu’elles n'en pondaient.
Il est done évident que la température exerce une grande influ-
ence sur les pontes; ce qui d’ailleurs m'a été confirmé par une
105
expérience faite sur deux couples, que j'avais laissés en plein
air, pendant des nuits de septembre, quand le thermomètre était
descendu à 7° et 8° cent. Une de mes femelles n’a pondu alors
que 97 oeufs et en a retenu 70, l'autre est morte sans pondre
du tout, quoique dans le corps de cette femelle, j'aie trouvé
189 oeufs.
J'en conclus que pour favoriser les accouplements et les pontes,
il sera bon de tenir les papillons dans un endroit où la température
ne descend pas au dessous de 16° ou 17° cent. Il faudra pareil-
lement éviter de mettre un trop grand nombre de couples ensemble,
parceque, quelque grandes que soient les cages où on les tient,
les papillons non accouplés, surtout les mâles, troubleront souvent
les accouplements par leur vol effarouché; d’ailleurs les dommages
causés aux pattes et aux ailes par les parois des cages aux-
quelles ils se heurtent, les font mourir souvent en quelques heures.
Pendant le jour les papillons restent assez tranquilles: si cepen-
dant on les touche, ils se laissent tomber à terre, se tournent et
se retournent sur le ventre et sur le dos, en exécutant toutes sortes
de sauts, pour lesquels il se servent exclusivement de leurs ailes.
Il me reste encore maintenant à faire connaître les résultats
obtenus par mes amis, qui ont fait des essais d'éducation en plein air.
M. le professeur CI. Mulder me mande à cet égard, que ses
oeufs du Japon n'ont donné que fort peu de chenilles, qui sont
écloses le 25 avril et qu'il a élevées dans des cages en fil de
fer, placées constamment en plein air et recouvertes d'une natte
seulement, pendant la nuit. L'éducation a bien réussi et sans
grande perte de chenilles; cependant quelques-unes des jeunes
ont été sucées par des araignées, qui en paraissaient très-friandes.
La première chenille fit son cocon le 1er août et donna le papillon
le 4 octobre; les autres ne filèrent que les 7, 15, 21, 29 août,
le 5 et le 10 septembre, et n'ont produit leurs papillons que les
6, 8, 17 et 21 octobre, deux chrysalides n'étant pas encore
écloses le 5 décembre. Le temps qui s’est écoulé entre la nais-
sance et la montée de la chenille a donc été de 110 à 118 jours
et des lors jusqu'à l’éclosion du papillon de 54 à 65 jours;
106
cependant le papillon d'un cocon du 29 août n’est éclos que le
29 novembre, c'est-à-dire au bout de 95 jours.
L’anatomie de la chenille apprit encore à M. le professeur que
les vaisseaux sécréteurs de la soie ressemblaient à ceux de la
S. Cynthia et Arrindia, mais différaient beaucoup de ceux du
B. Mori. ')
M. N. H. de Graaf plaça ses chenilles, immédiatement après
leur sortie de l’oeuf, sur des arbrisseaux de chêne plantés dans
des pots qu'il mit dans son jardin. Ces chenilles n’ont nullement
souffert ni du mauvais temps, ni même de la gelée, et se sont
fort bien developpées jusque après la troisième mue. Mais alors
les moineaux, les rats et les souris en ont fait un tel carnage,
qu'il a été obligé de replacer dans la maison celles qui lui res-
taient et qui, sans cette précaution, auraient infailliblement péri.
Une chenille qu'il a tenue séparément dans son jardin et qu'il
a pu observer ainsi, était éclose le 17 avril; elle fit
sa lre mue le 5 mai,
dette Te Lot #4
„ ome mue le 3 juin,
„ 4me mue le 20 „
: montée end juillet
et donna le papillon le 31 août.
La plupart de ses autres papillons cependant ne sont éclos
que du 20 septembre jusqu’à la fin d'octobre.
M. Weyenbergh observa une chenille qui ne fila qu'au bout de
96 jours, les mues et la métamorphose se succédant ainsi:
Naissance le 19 avril.
Ire mue le 8 mai.
2de mue le 21 mai.
ome mue le 10 juin.
ame mue le 30 juin.
Formation du cocon le 24 juillet.
1) Voy. Cuvier. Regne animal, Insectes, Pl. 130 fig 1. Rôsel. Zusecten, t. LIL,
Pl. IX. fig. 1. et Pl. IX, fig. 1 et 5 du vol. IV du Journal Neêrlandais d’En-
tomologie. (Tijdschrift voor Entomologie).
107
Éclosion du papillon mi-septembre.
M. Backer eut deux chenilles dont l’une vécut 68 jours ; l'autre,
74 avant de filer.
Enfin M. Verloren m'a fait part de ses observations, d’où résulte :
qu'il a eu 837 oeufs Japonais, dont 433 ont donné des chenil-
les, — que quelques oeufs, placés par lui dans sa cave, ne sont
éclos qu'au commencement de juin, — que ses chenilles élevées en
plein air n’ont fait leurs cocons qu’en septembre et octobre et
qu'il a eu des papillons jusqu’à la fin de novembre.
Des 193 cocons qu’il obtint, 92 ont donné des mâles, 78 des
femelles; de sorte qu'il lui en reste encore 23. Un grand nombre
d'oeufs obtenus de femelles de son éducation se sont aplatis.
Il résulte de ces diverses expériences que le développement de
Vinseete marche d'autant plus lentement, que la température
baisse et qu’une éducation en plein air, déjà commencée en
avril, n'est entièrement achevée, dans notre pays, qu’au bout de
six mois, c'est-à-dire à la fin d'octobre.
Ces résultats sont loin d’être satisfaisants, parce que les papil-
lons éelosent trop tard, alors que la saison est déjà trop avancée,
pour que la température n’influe pas défavorablement sur les accouple-
ments et les pontes. De plus, il est à prévoir que, dans la suite, au lieu
de marcher plus vite, le développement se ralentira encore davan-
tage, comme cela est arrivé avec la S. Cynthia, dont la première
année une seconde génération sembla possible; tandis que main-
tenant, si on supprime tout moyen artificiel de hater les cocons
et les oeufs, l'éducation ne commence qu’en juillet et n’est ter-
minée qu'en octobre, de sorte que toutes les chrysalides ont fini
par hiverner.
Si défavorable cependant que soit la perspective d’une acclima-
tation du B. Yama-mai en Neérlande, cette acclimatation ne me
semble pas absolument impossible; parce que l'expérience nous
apprend que le climat, dans lequel on force les insectes à vivre,
opère souvent un changement total dans le cours de leur méta-
morphose. Il se peut ainsi, qu'au lieu des oeufs, les chrysalides
finiront par hiverner et que les papillons paraîtront au printemps,
108
en sorte qu'on aura alors tout l'été pour faire l'éducation de la
chenille. Cette supposition serait même assez probable, si, dès la
première année, une certaine quantité de chrysalides eussent hiverné ;
néanmoins il nous reste encore quelques cocons, qui, s'ils ne
contiennent pas tous des sujets morts, pourront servir à éclaireir
ce point.
Mais, même en admettant que le cours de la métamorphose ne
changera pas et qu’ainsi l’éclosion tardive des papillons n’empé-
chera que l'acquisition d'un nombre suffisant d’oeufs féconds, il
serait encore possible de faire des éducations dans notre pays,
en remédiant à cet inconvénient par l'achat annuel d'oeufs à
l'étranger.
La province de Vigo dans l’île de Kiusiu, d'où les oeufs sont
originaires, étant située à 33 degrés, et la province d’Etizen, où
l’on cultive également ces vers à soie, à 36 degrés de latitude
septentrionale, il y a bien plus d'apparence que l’acclimatation
réussisse dans les pays de l'Europe, qui approchent de cette lati-
tude, que dans la Neêrlande située à 52 et 53 degrés. Cepen-
dant, il ne faut pas oublier qu'aux endroits où l’on élève ces
vers à soie, la température n'est problablement pas aussi haute
que la situation du pays semble l'indiquer, car l’insecte y vivra,
comme le prouve son nom, sur des montagnes, où seulement
d’ailleurs, dans les pays chauds, le chêne peut être cultivé avec
succès.
L'obligeanee de mon ami, le doeteur Verloren, m'a mis à même
de pouvoir offrir à mes lecteurs le tableau comparatif suivant de
la température de l’île de Décima située, comme la provinee de
Vigo, à 33 degrés et de celle de la ville d’Utrecht située à
52 degrés.
| Dn |
Mai „ 18,74 ME 13,39 Novembre
Juin „ 21,86 „ 17,28 | Décembre
Décima. Utrecht. || Décima. | Utrecht.
|
Janvier + 5, 571 C. + 1,18 C.| Juillet ab 26 „31 Clt 18,69 ©.
Février „ 6,50 PAT Août 5 27,40 | 18,42
Mars 029556 „4,56 Septembre „ 24,25 |, 14,99
Avril BS 14,67 U | Octobre „ 18,21 | 5; 10,41
La CL È 5,04
»
771 |, 1909
109
La plus grande différence, c'est-à-dire de 9°,26, se montre
done au mois de septembre; tandis qu’au mois de février la tem-
pérature ne diffère que de 4°,09 Cent.
Ces moyennes, données dans les Annales de l'Institut royal
Neérlandais de Météorologie de 1855 et 1856, sont calculées
d’après des observations faites dans l’espace de sept années. Pen-
dant ce temps le thermomètre n’est descendu à Décima que
rarement à 2° ou 3° au-dessous de zero, mais y a monté
quelquefois jusqu'à 33° C.
Il est remarquable aussi qu'on eroit devoir attribuer l’échec
d’une éducation entreprise cette année à Toulon, à de trop gran-
des chaleurs; ce qui ferait de même supposer une moins haute
température dans la patrie de l’insecte, dont néanmoins la latitude
est plus méridionale.
Quoiqu'il en soit, le genre de nourriture n’offrant aucune
difficulté, l'expérience finira bien par indiquer les endroits où la
température est convenable à l'éducation du nouveau ver à soie.
L'introduction du B. Yama-mai doit donc être considérée comme
un fait de la plus haute importance; elle donnera sans doute une
nouvelle impulsion à l'industrie séricicole, en dotant l’Europe
d’une matière textile qui par sa beauté égale celle du ver à soie
du mâûrier. *) Quant aux avantages, que pourra offrir en grand
l'éducation de ce ver à soie, faite en plein air, il serait difficile
de les évaluer dans l'état actuel de notre expérience. Dès à pré-
sent cependant, on peut prévoir qu'ils seront immenses, malgré
les dépenses qu'il faudra peut-être faire pour garantir les chenilles
des ravages de leurs ennemis.
6 décembre 1863.
ge prix de cette soie monte au Japon, selon M. Fompe van Meerdervoort,
jusqu à 800 et même 900 Dollars Mexicains le picol; ce qui correspond à 4500
à 5000 francs le picol de 133 livres Anglaises (60,3277 kilogrammes).
EXPLICATION DES PLANCHES:
PLANCHE 4.
Fig. 1. Un oeuf de grandeur naturelle.
» 2. Cet oeuf grossi.
„ 3. Un oeuf ouvert, contenant l'embryon.
» 4. La chenille sortant de l'oeuf.
» 5. La même, pendant la première mue.
Détails de son corps grossis.
La chenille sortant de la première mue.
. Son quatrième anneau, grossi.
La chenille, sortant de la seconde mue.
© 00 1 = O
(ne) ERE AC
Le papillon femelle, type.
PLANCHE 5.
Fig. 1. La chenille pendant la troisième mue.
a. La peau vide de la tête qui est retirée dans le pre-
mier anneau.
. Ses 6™ et 7Me anneaux.
© do
. Son 5"® anneau.
et 6. La chenille adulte.
. Sa tête grossie et vue de face,
.ı oe
PLANCHE. 6.
Fig. 1. Le cocon.
2. La chrysalide.
3. Son bout anal grossi, vu de face.
» 4: (34) ‚Le, même, va de profil.
5. Le papillon mäle, variété bronzee,
,, 6. Portion des antennes de la femelle, grossi.
ti
i -
5 A » du male, grossi.
La chenille peu de temps avant la quatrième mue.
Sv V. fec
Bombyx Jamamay,
Guer.
AJ W lith
A.J.W.lith
Bombyx Jamamay, Guer.
S.v.V. fec
zl |
ve | er i
‘ Pe i È so A
Du Air de : mr En
or
S.v.V. fec. AJW. hth
Bombyx Jamamay, Guer
EEN WOORD OVER HET SPINNEN
EN DE SPINTUIGEN DER INSEKTEN.
Ik breng hier slechts een woord over bovengenoemd onderwerp
in het midden; ik schrijf geen uitgewerkte verhandeling. Dank-
baar erkennen wij, dat in de werken der entomologen van vroe-
geren en lateren tijd een schat van waarnemingen en beschrijvin-
gen van spinsels en van organen is weggelegd, maar er is, naar
mijne overtuiging, behoefte aan eene opzettelijke en vergelijkende
studie van dit alles. Er is een aanzienlijke voorraad van bouw-
stoffen, maar zij zijn ongeördend opgetast; zij wachten op sor-
teering, om ze daarna onderling te vereenigen tot één geheel,
waaraan nieuwe materialen, ter gepaste plaatse, kunnen worden
toegevoegd.
Vraagt men wat beteekent, in de wetenschap, het woord “spin-
nen?” welke organen mogen “spintuigen” heeten? Men krijgt er
noode een antwoord, althans een voldoend antwoord op. Zit het
karakter van spinnen in het feit, dat er een draad gevormd
wordt? Zeker niet hierin alléén. Het is reeds vroeg aangemerkt,
dat het spinnen van rupsen beter vergeleken kan worden met
het trekken van metaaldraden. Als een diertje zich ophangt aan
een’ draad, gevormd door het uitrekken van taai slijm of speek-
8
112
sel, is dat dan eigenlijk spinnen? Of moeten wij het karakteris-
tieke zoeken in de aanwezigheid van uitwendige spintuigen, die
aan eene stof, in het ligchaam afgescheiden, welke dan ook,
den draadvorm verleenen ? Of eindelijk moet het grootste gewigt
gehecht worden aan het bestaan van inwendige organen, welke
eene bepaalde vloeistof bereiden, die, geloosd wordende, in de
gedaante van draden te voorschijn treedt, en meestal zijdestof
wordt genoemd ? Ik zal er mij nu niet aan wagen, deze en soort-
gelijke vragen te beantwoorden, maar ik wensch in hetgeen
volgt de overtuiging te wekken, dat het niet ongepast is er de
aandacht op te vestigen. Daarenboven, al wil men de vraag naar
de wetenschappelijke beteekenis van de woorden spinnen en spin-
tuigen ter zijde schuiven, dan vervalt nog geenzins de belang-
rijkheid van een vergelijkend onderzoek naar het verband tus-
sehen de wijzingen van de spinorganen en den aard en vorm
van de produkten, die zij leveren; dan mogen wij ons nog niet
ontslagen achten om op te sporen, of en in hoeverre andere ver-
rigtingen des ligchaams invloed uitoefenen op de plaatsing, de
gedaante, de proportie tusschen de onderdeelen der spintuigen,
en wat des meer zij. Een ieder weet, dat de spintuigen in den
regel eindigen in het hoofdeinde des diers, dat slechts als bij
uitzondering het spinnen uit het achterlijf plaats vindt; maar heeft
men er zich aan gestoord, om te weten, welke oorzaken of wetten
voor deze feiten bestaan? ik twijfel er aan. Welligt zal men ge-
neigd zijn te zeggen, dat het spinnen uit het achterlijf alleen
eigen is aan volwassen insekten, die dan gelijk staan met spin-
nende spinnen [spinnekoppen — spinnende koppen, in tegenstel-
ling van de niet-spinnende?|, wien in de jeugd reeds de vorm
der volwassenen eigen is. Maar, behalve dat dit niets verklaart,
denke men er aan, dat larven van gaasvliegen en mierenleeuwen
gezegd worden achterwaarts te spinnen. Ik heb er voor ’t oogen-
blik niet tegen, dat men haar het spinvermogen toekenne, maar
ik geloof, dat iz casu juist de vraag te pas komt, is het spin-
nen van deze larven dezelfde verrigting als die van volwassen
insekten ?
113
Een insekt, dat levenslang spint, is mij onbekend. Als voor-
beeld, en meestal als eenigst voorbeeld van het spinnen van een
volwassen gekorven dier, geldt //ydrophilus piceus en andere
soorten van dit geslacht. En daar dit spinnen gebeurt ter bescher-
ming van de eijeren, die gelegd worden, spinnen alleen de wijf-
jes. Zelfs dan, als het mannetje medewerkt tot het vormen van het
eijer-cocon, dan is zijne hulp slechts mechanisch. De tegenwoordig-
heid van Hydrophilus caraboides 4 op den rug van het wijfje „is nood-
zakelijk om het mal te vergrooten, waarom het vrouwtje het nestje
spint. ! De uitwendige spinbuizen van de groote watertor zijn door
Lyonet en Miger afgebeeld en beschreven, terwijl Leon Dufour
de inwendige onderzocht. Talrijke getakte secretie organen liggen
onder de eijernesten en verheffen er zieh even boven: hunne zes
of zeven stammen vereenigen zich in een korten, breeden hals,
waarmeê verscheidene buisvormige réservoirs in verband staan,
die het vocht zullen moeten uitstorten in de beide spinbuizen. ?
Noch de beschrijving, noch de afbeelding geeft een helder inzigt
in den geheelen toestel. Onder anderen blijkt niet duidelijk, hoe
de gaines ovigères inmonden in de calice en hoe de verbinding
van de réservoirs met de jilières tot stand komt.
Er is er, die aan Chrysops Perla en andere Memerobii het
spinvermogen toeschrijven; laat ons zien wat hiervan zij. Elk eitje
zit- als ’t ware op een steeltje, zoo als bekend is. Ik nam het
eijerleggen van gaasvliegen waar op den 6den en Tden Augustus,
1853, en op den 23sten van die maand. Het laatste voorwerp
legde 30 eitjes; er waren, eenige draden zonder ei. Het insekt
stond eenigzins hoog op zijne pooten, rigtte het geheele achter-
lijf een weinig opwaarts en kromde dan de laatste drie of vier
ringen naar beneden, zoodat de punt het blad raakte. Dan werd
eene tikkende beweging gemaakt, waarbij de uitstorting van vocht
scheen te beginnen. Het gebogen gedeelte wordt nu weer opge-
1 Zie over Spinnende watertorren, in het Album der Natuur, 1855, bl. 33 volg.
2 Zie Lyonet, Ouvrage posthume Pl. 13 fig. 9 et 11. Miger, Ann. du Muséum,
Tom. 14, Pl. 28. L. Dufour Ann. d. Se. Nat. Tom. 6, p. 445, fig. 5--8.
R*
114
heven en er vormt zich een draad. Hij bekomt eene lengte, ge-
lijk aan den afstand van het bladvak tot de punt van het ach-
terlijf. Bijna terstond wordt het ei gelegd, dat op het genoegzaam
geconsolideerde steeltje blijft zitten, en meestal door zijn gewigt
hetzelve een weinig buigt. De larfjes kwamen na twaalf of der-
tien dagen uit en bleven eerst op de doppen zitten; bij aanraking
klemden zij zieh goed vast en sloegen met het achterlijf heen en
weer. Zij verslonden weldra gretig bladluizen van boonen en
rozen. Ik kon niet anders bemerken, dan dat de draad uit dezelfde
opening, vulva, kwam als het ei, en meende te mogen aannemen,
dat de draad niet herkomstig is uit eigenlijke spinorganen, zoo
als bij de watertorren. Ik verzuimde toen een anatomisch onder-
zoek! en kende de onderzoekingen van Löw en Schneider niet.
Laatstgenoemde nam het eijerleggen waar en kweekte de larven
op. Hij zegt uitdrukkelijk, dat op het laatste segment van het
achterlijf zich bevinden azus et organum ad fila ducenda destina-
tum, nadat hij vroeger vermeldde, femina materiem tenacem e vulva
ejicit.? Hij bedoelt dus door de eerste woorden geen afzonderlijk
spintuig, terwijl evenmin aan Löw, bij zijn uitvoerig anatomisch
onderzoek, iets van inwendige spinorganen bleek. Zeer opmerke-
lijk is de uitgebreidheid en vorm van de speekselklieren; doch
wij mogen hierbij niet verder stilstaan. Alleen zij opgemerkt, dat
Schneider de zonderlinge fout begaat, de op den maag volgende
darm i/eum en de endeldarm duodenum te noemen, waartoe Löw
geene aanleiding gaf.
De larven van de gaasvliegen spinnen zich een sterk, lederachtig ,
ı Réaumur zag het eijerleggen niet, maar zegt: J'imagine une méchanique
asses simple par laquelle le pédicule de l'oeuf peut être filé. Ook spreekt hij van
un long pédicule soyeux. Mem. III. 388. De waarneming van Graff verschilt
weinig van de mijne. Zie Ratzeburg, Forst-Insecton, III. 245, in nota. Hij
prijst Réaumur zeer, omdat hij j'imagine zegt, en niet, zoo als anderen, als
waargenomen opgeeft, wat slechts eene gissing is. Hij prijst deze eerlijke han-
delwijze aan, en eindigt met: Besser nichts wissen, als unrichtig wissen.
2 Zie Schn. Symbolae ad monographiam generis Chrysopae. Vratisl. 1851 ed.
major. p. 54 et 55. Löw in Germar’s Zeitsch. IV. p. 427.
115
wit, stomp eirond cocon. Rambur zegt: Zes filières sont situées à
l'extrémilé anale, ce qui les rapproche de celles des Myrmeléonti-
des, dont elles ont encore la forme. Het jeugdig insekt en het
volwassen, beide spinnen alzoo uit het achterlijf, en nogtans be-
hoort men aan twee verschillende stelsels van organen en func-
tien te denken. Men kan niet aannemen, dat de spintuigen van de
larve metamorphoseren in die van het volkomen dier, en het
onderzoek zal zeer waarschijnlijk leeren, dat zij gedurende het
popleven worden geabsorbeerd, zoo als bij vlinders pleeg te ge-
schieden.
Wij werden daar gewezen op de larven van Myrmeleontiden.
Het is wel der moeite waard, even bij hen stil te staan. Op de
maag volgt een dunne darm, die met een blaasje inmondt in het
peervormig rectum. Dit eindigt in een’ hoornachtigen koker, die
naar buiten kan geschoven worden. Volgens Ramdohr is de en-
deldarm de bewaarplaats van de zijdestof, de dunne darm de
aanvoerbuis en de hoornachtige koker de uitwendige spinbuis. Hij
bevestigt, wat reeds door Reaumur’s proef bekend was, dat het
diertje geene excrementen loost, aangezien de dunne darm niet
dikker is, dan een Malpighiaansch vat en dus geen doorgang
verleent aan drekstof. Evenwel schijnt het hem toe, dat “het-
geen uit de maag door den darm wordt afgevoerd eene massa
is analoog aan de zijdestof der rupsen, en dat de endeldarm
alzoo de dienst doet van gewone spinvaten.” ? Men moet met
Siebold zwarigheid maken, om de maag voor een orgaan te
houden, dat eene zijdeachtige stof afscheidt, vooral op grond
van het later onderzoek van Leydig.* Noch Ramdohr, noch
1 Zie Les Insectes Neuroptères, p. 423.
2 Z. Die Verdauungs- Werkzeuge der Insecten, p. 60, § 80, Tab. XVII, fig.
1. Verg. p. 153—157. Burmeister, Handbuch, II. 989—992. Zonderling klinkt
de rede, waarom Ramdohr de spinvaten bij de spijsverteringsorganen be-
handelt, namelijk, omdat zij bij de metamorphose speekselklieren zouden wor-
den. i lp 5S. Se:
3 Z. Siebold, Vergl. Anat. I. 603, nota 38. Leydig, Zum feineren Bau der
Arthropoden, in Miiller, Archiv. f. Anat. und Phys., 1855. pag. 449. Tab. 18,
fig. 48.
116
L. Dufour hebben de plotselinge verwijding van den dunnen darm,
door hen »/eezige knoop genoemd, goed gekend. Zij bestaat uit
eenige zakvormige, zamenhangende afdeelingen, waarop het rec-
tum, als eene dunne groote blaas volgt. De structuur van den
zoogenaamden knoop verschilt van die des overigen darmkanaals.
Er is een homogene chitine-huid, die van binnen niet bedekt
wordt door een epithelium, maar aan de buitenkant door eenige
dwars-gestreepte en vertakte spieren en eene digte laag van cel-
len. Deze cellen ontbreken geheel in het rectum. De chitinehuid
gaat in het buisje over, met tafelvormige cellen op de buiten-
vlakte. Ik moet opmerken, dat het mij niet duidelijk is, hoe
Leydig zieh het verband van het buisje met de zoogenaamde
knoop voorstelt, tenzij ook het rectum met chitine bekleed zij,
wat niet blijkt. Hij houdt het er voor, dat de cellen van den
knoop de afscheiding van de gele vloeistof verrigten en het re-
etum als reservoir dient. In meer bijzonderheden treed ik niet,
omdat het aangevoerde voldoende is, om op te merken, dat bij
de mierenleeuwen geene afzonderlijke spinvaten bestaan, tenzij
men zich geregtigd vinde, om de knoop (/rüsensach: Sieb.) voor
een zakvormig spinvat te verklaren. Mij komt dit onaannemelijk
voor, en ik meen, dat wij te doen hebben met een darm secre-
tum, dat in draadvorm geloosd wordt. Burmeister vond. eene
soortgelijke inrigting, als van den gewonen mierenleeuw, bij
Myrmecoleon libelluloides. (L. 1.)
Ik ben geneigd, om de afscheiding van het schuim, waarin
de larf van Cercopis spumaria zieh verschuilt, met het boven-
staande in verband te brengen. Waarnemingen leerden mij, dat
ook dit diertje geene excrementen loost, doeh uit het achterlijf
een darmslijm, tot bellen opgeblazen, te voorschijn brengt. De
dunne darm is iets wijder, dan in den mierenleeuw, en ledig.
Welligt wordt lucht uit dien darm in het rectum geperst en
komt hierdoor het bellenblazen tot stand. ' Er is geen verschil,
! Zie mijn stukje: Het schuimbeestje en de koekoek: in de Blikken der
Natuur, 1855, n°. 2, bl. 55 volg. Over den zonderlingen loop van het darm-
117
dan in den vorm van het seeretum, doch dit vindt men bij
eigenlijk spinsel ook. Of bestaan de palissaden van Vollenhoven’s
Nematus vallator niet uit opgetaste blaasjes, zoodat hij ze teregt
schuimpalissaden noemt en van gedroogd spinschuim spreekt ? !
Dit brengt mij er als van zelf toe, om een woord te zeggen
van de larven van Lepidoptera en Hymenoptera, De rupsen van
vlinders en de bijrupsen van bladwespen hebben punten van
overeenkomst en van verschil, in meer dan een opzigt. Het spin-
vermogen komt aan beiden in meerdere of mindere mate toe. Zij
ontlasten de spinstof uit het hoofdeinde, en scheiden deze vloei-
stof af in gepaarde organen, die zich achterwaarts, langs het
spijskanaal uitstrekken, zonder met dit kanaal in gemeenschap
te komen. Wel heeft men in twijfel getrokken, of het achterste
einde van de spinvaten in den darm inmondt, maar zelfs bij
Lyonet, op wien men zich beroept, is er geen bewijs voor te
vinden, en ik heb het bij geene enkele rups gevonden. Audouin
twijfelde ook bij zijn onderzoek van de wijngaardmot, doch ein-
digde met geen verband aan te nemen. ? Ik zal aanstonds op de
spinvaten terugkomen.
Vele rupsen spinnen terstond na het uitkomen uit het ei, ge-
durende den wasdom en bij het verpoppen, de bijrupsen doen
het zelden anders, dan bij het popworden. Die van het ge-
slacht Zyla maken eene uitzondering. Gezellig levende maken
zij een gemeenschappelijk spinsel, maar verpoppen “zonder spin-
sel” in den grond. Hartig meent, dat aan het einde van het
voedingstijdperk de spinstof volkomen verbruikt is, en de larf»
na de laatste vervelling, niet eens zooveel overhoudt, om een
kanaal van het volwassen dier, zie men Ramdohr en Dufour, vooral Doyère,
Sur les tubes digestifs des Cigales, in Ann. d. Se. nat. 2de Série. XI. p. 81.
PI. 1. Vietor Carus, Zcones Zootom. Tab. XV. f. 14, 15. Leipz. 1857.
1 Zie Tijdschr. voor Entomologie, 1 dl. bl. 191 volg. pl. 12, fig. 2.
2 Zie Chenille qui ronge le bois de Saule, p. 112, Pl. V. fig. 1 en vooral pag.
503 suiv. Pl. XVIII. fig. 3 et 4. Audouin, Hist. d. Ins. nuisibles à la vigne,
pag. 95. Pl. 7. fig. 10b. Hoewel hij in de verklaring van deze figuur van
insertion spreekt, zegt de tekst, adhérer au canal intestinal.
118
draad te maken, waarlangs zij zich zou kunnen bewegen, zoo als
zij vroeger pleeg te doen, veelmin om zieh een cocon te spin-
nen. Ik laat deze redenering voor wat ze is, als niet gesteund
door een anatomisch onderzoek, maar ik merk aan, dat later
door denzelfden schrijver van een vliesje wordt gewaagd, dat
het pophol van Zyda bekleedt. Het bestaat, zegt hij, niet uit
zijdedraden, maar uit kleefstof (444). Wat door dit woord ver-
staan- wordt is eenigzins onzeker, want nu eens heet het “niet-
uitgesponnen, maar opgelegde zijdestof” dan eens “een kleverig
speeksel.” ! Is het eerste waar, dan leveren de spinvaten ten
leste nog eene stof, die niet in den vorm van draden optreedt,
maar uitgespreid kan worden tot een vlies. Moest men het laatste
aannemen, dan wordt vereischt, dat het onvermogen van de
spintuigen, en het vermogen van de speekselklieren stellig wor-
den aangetoond en bewezen. Bij gebrek aan onderzoek, mag ik
geen uitspraak doen, maar toeh wel mijne overtuiging uitspreken,
dat het eerste gevoelen mij het waarschijnlijkst voorkomt, omdat
het in volkomene overeenstemming is met hetgeen wij bij vele
spinsels zien gebeuren. Hartig zelf verzekert, dat binnen het
parkamentachtig cocon van sommige bladwespen eene doorzigtige
onafgebrokene membraan voorkomt. Onder de Lepidoptera zijn
de voorbeelden menigvuldig van cocons, die uitwendig draden,
inwendig een meer of min digt en dik vliezig pophol vertoonen,
hoezeer het zamenstel niet steeds geheel hetzelfde is. Wat nu in
vele gevallen vereenigd in een cocon voorkomt, is bij Zyda ver
van elkaâr verwijderd; het draadspinsel blijft boven den grond,
tot gemeenschappelijk gebruik, het vliesspinsel is onder den
grond, voor eigen lijf alléén bestemd. Het zou gemakkelijk val-
len uit de rupsen voorbeelden aan te halen, die tusschen deze
uitersten, als zoovele overgangen, zouden passen.
Uit het medegedeelde mag men reeds de gevolgtrekking af-
leiden, dat cocons hoofdzakelijk gevormd zijn uit twee stoffen,
| Zie Die Familien der Bladwespen und Holzwespen, I. 49 u. 322.
119
de eene draadvormende, de andere vliesvormende, mag ik mi
voorloopig zoo uitdrukken. Van vreemde bijvoegsels, hout, blad,
haar, enz. behoeven wij hier niet te reppen. Van de evenredig-
heid, waarin deze stoffen aanwezig zijn, en van de verhoudin-
gen, die zij in eonstructiven zin tot elkaâr aannemen, hangt
voor een goed deel de geaardheid en ook de technische waarde
van het cocon af. Hartig leert ons, dat het cocon van Cimbex
Amerinae “slechts bestaat uit Spizumasse zonder draden, en dat
deze bijna water-heldere Spinnmaterie in dikke banden, netvor-
mig doorboord, tot een cocon is zaämgevoegd, zoodat men de
larve vrij er in ziet liggen.” (Z. /. p. 50). Later noemt hij het
netwerk fijn gemaasd. (p. 71). De uitmuntende afbeelding van
van Vollenhoven geeft er ons eene duidelijke voorstelling van;
hij vergelijkt het cocon met een getaand vischnetje. ! /ylotumae
hebben een soortgelijk , netvormig spinsel, maar daarbinnen nog een
afzonderlijk, digter omkleedsel, tot vorming van het eigenlijk
pophol. (Hartig /. 7.) Deze inrigting is door van Vollenhoven van
Hylotoma Rosae afgebeeld. Hij vergelijkt eveneens het buitenst
spinsel met dat van C. Amerinae, en noemt het tweede “een
zeer fijn en schijnbaar vliesachtig weefsel.” ? Ik dacht bij de
eerstgenoemde cocons dadelijk aan die van Saturnia lrifenestrata,
waarvan de wand uit breede, goudglanzige banden bestaat, die
een traliewerk vormen, waarin men de pop van de uil ziet lig-
gen. En toch is er verschil te bespeuren. Wij vinden hier name-
lijk steeds eerst losse draden of luchtig draadweefsel, vlokzijde ,
en tusschen de tralies ten minste één lengtestrook van fijner
draadweefsel. In de hoeken van de groote mazen en in de onre-
gelmatige kleine ruimten, die tusschen hen voorkomen, is door-
gaans een eenigzins fijner draadweefsel te zien. * Merkwaardig
1 Zie dit Tijdschrift 3de DI. bl. 106. Pl. 8. fig. 4.
Zend Ate blvd. A ON ies 9).
3 Mijn onderzoek van deze cocons is nog niet afgeloopen, doch ik hoop er
op terug te komen, als ik ook de spinorganen der rupsen van S. trifenestrata
heb kunnen waarnemen.
120
is nog voor mijn tegenwoordig doel, wat Rösel meédeelt van
het cocon van Zygaena Filipendulae. De rups maakt eerst
een perpendiculair, effen spinsel, en “als ze dit geheel vervaar-
digd heeft, bevochtigt zij het overal met een waterachtig slijm,
dat, kort daarna opdroogende, niet alleen een andere koleur,
maar tevens zoodanig een glans krijgt, als of het met vernis be-
streken ware.”
Bedrieg ik mij niet, dan komen door de eigenlijke rupsen het
meest cocons voor, die geheel of grootendeels uit draden en
draadweefsel bestaan, en voor een geringer deel uit vernis-be-
kleedsel of vernisvliezen. In de viltige weefsels van motten is
het draadweefsel onmiskenbaar, en zelfs waar het uiterlijke aan-
zien geen draad doet vermoeden, daar is zij toch te vinden.
Beschouw eens de cocons van Bombyx Quercus of van B. Tri-
foliiy oppervlakkig zou men zeggen, die van eene bladwesp
voor oogen te hebben. En toch de rups windt, onder onophou-
delijk draaijen van het voorlijf, een draad om zich heên, vlecht
er haartjes van haar ligchaam tusschen, en vormt zoo een vasten
wand. Daarenboven is het vernis bij de rupsen meestal als met
de zijdedraden vereenzelvigd, hetzij dat zij er meê doortrokken
zijn, hetzij dat zij er mee bedekt zijn; zeldzamer vormt het vernis
geheel afzonderlijke vliezen. Ik mag bij mijne geringe kennis van
bladwesp cocons en andere vliesvleugeligen, niet dan schoorvoe-
tend oordeelen, maar zoover ik weet, vindt men er geene af has-
pelbare cocons onder, geene vlokzijde, veel meer vliezig weefsel
of viltig, en niet zelden met vreemde bijmengsels. Ik herinner
nog aan de taaije, sterke, vliezige cocons, die verschillende wes-
pen en bijen in de cellen plegen te maken.
Thans doet zieh de vraag voor, is er verschil tusschen de orga-
nen, die het spinsel leveren, bij de verschillende groepen of zelfs
soorten van insekten? Op de speekselklieren die, naar sommigen,
zouden bijdragen tot cocon-formatie slaan wij geen acht; wij be-
1 Rösel I. bl. 36; $ 7 en bl. 368 § 7. Tab. 35 a en b fig. 2. Sep. IV, 17
en 18 II. IV. 13 en 14,
121
palen ons tot de organen, die door allen spinvaten genoemd
worden (organes séricigènes).
Dat de spinvaten van torren geheel afwijken van die van
andere insekten is boven reeds met een woord aangeduid. Ik
voeg er niets bij, dan dat zij nog onvolledig en oppervlakkig
onderzocht zijn.
Ramdohr (Z. /. p. 59 $ 79) heeft de spinvaten van rupsen en
enkele andere larven vergeleken met die van de Piezata. Vol-
gens hem zijn de spinvaten van de rupsen aan beide einden ver-
dund of buisvormig, dus in het midden dikker, terwijl die van de
Hymenoptera overal bijna even wijd zijn, met een buis naar den
mond toe. In de rupsen loopen de voorste buizen van den kop,
evenwijdig aan elkaar, tot het midden des ligchaams, buigen
zich dan zijdelings weer voorwaarts en keeren zich, op korten
afstand van den kop, weer naar beneden. Alleen het dunnere
achtereinde zou eenige wijzigingen ondergaan in rigting en kron-
kelingen, waarvan voorbeelden worden genoemd. Daarentegen
zijn de spinvaten van de bijrupsen van den aanvang af onregel-
matig her- en derwaarts, voor- en achterwaarts gebogen, en gaan
met deze bogten langs de maag naar beneden. Als voorbeeld
geeft hij Tenthredo Amerinae, Tab. 13, fig. 4. Dat hij bij de
beschrijving van de vaten der eigenlijke rupsen de langst en
meest bekende, d. i. die van B. Mori voor den geest had, lijdt
geen twijfel. Malpighius, Réaumur, Rösel en anderen hadden
er beschrijvingen en afbeeldingen van gegeven.
Het is echter gemakkelijk aan te toonen, dat het verschil,
waarop Ramdohr wijst, tussehen de genoemde groepen geenzins
algemeen is; de vorm van de spinvaten, zoo als hij die van
Tenthredo afbeeldt, is mede aan vele ware rupsen eigen. Of de vorm
van deze ook bij gene voorkomt is mij onbekend. Ik moet nog
opmerken, dat de uitvoerbuizen, al zij het in mindere mate,
even goed wijzigingen ondergaan, als het dunnere achtereinde.
Laat ons eenige voorbeelden wat van naderbij beschouwen.
Duidelijkheidshalve geef ik als fig. 1 eene afbeelding van goed
gevulde spinvaten van B. Mori, naar een praeparaat van Schu-
122
baert (n° 69), en eene kopij van Ramdohr, als fig. 2. In beide
is 6 de duis ot het ontlastingskanaal, ¢ het Zigehaam, bij de
rupsen doorgaans bewaarplaats, réservoir, genaamd, en s de staart
of het dunnere achtereinde. Ik kom op deze benamingen terug,
en wend mij nu tot andere voorwerpen. In de eerste figuur
is dus uitgedrukt de type van het spintuig van eene rups, in
de laatste die van eene bijrups. Gaat men de overige figuren
na, dan treffen wij de eerste type weder aan bij fig. 3 —7. Papilio
Machaon, eene rups, die slechts een gordel en een ophangnetje
spint, toont een weinig ontwikkeld spintuig, waarmee veel over-
eenkomt dat van de Beerrups, Chelonia Caja. Van deze weet
men, dat zij een volumineus, doch zwak cocon vormt, slechts
versterkt door de menigvuldige haren van hare eigene huid. Fig.
4 is het zeer vergroote spintuig van Pyralis vitana, ontleend
aan Audouin, dat, in evenredigheid, een aanzienlijke plaats in
het ligehaam inneemt. Zij hebben tweemaal de lengte van de
rups, terwijl die van Machaon naauwlijks de lengte des ligchaams
bereiken en die van de Beerrups korter zijn. Dat echter de op-
gave van de lengte weinig waarde bezit, als men niet let op de
proportie der deelen, schijnt der aandacht te zijn ontgaan. On-
tegenzeggelijk hebben Zerene grossulariata (fig. 5 A en B) en de
Geometra (waarschijnlijk #nrnomos alniaria) van fig. 6 vrij lange
spintuigen, hoewel zij beide niet zeer veel spinvocht behoeven.
Nu en dan maken zij gedurende den groeitijd een ophang-draad
en bfj de verpopping eene “wijdluftig gevlochtene en doorzigtige
behuizinge.” Ziet, de lengte van n° 1 wordt verkregen, door
sterke ontwikkeling van het ligchaam en de staart, zoo als ook
bij n° 4, maar bij de beide spanrupsen vooral door de groote
lengte van de uitvoerbuizen. Wel is het ligehaam ook tamelijk
lang, maar de staart is zwak.
Laat ons, voor dat wij de andere hoofdvorm (fig. 2) gadeslaan,
de meergenoemde drie onderdeelen eens wat nader beschouwen.
Het komt mij in de eerste plaats voor, dat de evenredigheid dezer
deelen niet alleen in verband met de functie, maar ook in ver-
band met het overig organisme, met de totaliteit van het dier,
123
moet worden beschouwd. In fig. 5 en 6 is het duidelijk, dat het
ligehaam en de staart ongeveer in het achterste derde deel des
diers zijn gelegen. Stelt men zich voor, dat in eene spanrups de
buizen verkort worden of zich kronkelen, dan zouden de beide
volgende deelen gedeeltelijk in de voorste helft van het dier ko-
men te liggen. Herinnert men zich nu, hoe de spanrups zich be-
weegt, dan beseft men terstond, dat in dit geval het dikste en
volste gedeelte van het spintuig in de bogt zou geknepen wor-
den en dát waarschijnlijk wel op drie plaatsen: b. v. in eene
rigting, die men in fig. 5 B van e tot e kan trekken. Bij de
gegevene inrigting wordt de dunne buis aan de buiging blootge-
steld, zonder schade voor de essentieelste deelen des orgaans.
Opmerkelijk was het, dat er eene zamensnoering en ledige plaats
in het spijskanaal aanwezig was, die waarschijnlijk zal ontstaan
zijn door de kromming van den rug. Ik vond bij a pas doorge-
slikt voedsel, van 4 tot c eene digtere massa, waar dan de ledige
plek volgde en verder weer de meer compacte stof tot d; v zijn
vasa malpighiana.
Ten anderen merk ik aan, dat ik voorshands de uitdrukkin-
gen: buis, ligchaam en staart heb gebezigd, om neutrale namen
te hebben, waarin geene beslissing over de functien kan liggen.
Over de buizen bestaat geen verschil, maar als men het middelste
gedeelte réservoir, bewaarplaats, en het uiteinde scerdieur , afschei-
dings-orgaan, spinklieren, enz. noemt, dan loopt men gevaar van
minstens eenzijdig te oordeelen. Het blijkt, dat men de staart voor
het orgaan houdt, dat de zijdevloeistof secerneert en uitstort in
het ligehaam, waar het bewaard wordt tot tijd en wijle, dat het
gebruikt moet worden. En zelfs zij, die spreken van verschil van
spinvocht in hetzelfde dier, moeijen zich weinig met de vraag,
of het vocht in het reservoir verandert, omdat het daar toeft en
wisseling van bestanddeelen onderling tot stand komt, dan of
het reservoir zelf nieuwe stof afscheidt en met het oorspronke-
lijke mengt. De eenige weg, die tot zekerheid leiden kan, is
door den grooten Lyonet ingeslagen. Zijn 15de hoofdstuk is een
uitmuntend deel van zijn werk.
124
In de wilgenrups vond hij eene gunstige omstandigheid; de
staart is daar wijd, zoodat men er het vocht kan waarnemen en
vergelijken met dat van het ligchaam. Ook de buis is betrekke-
lijk wijd. Nu en dan vond hij lange, dunne, brooze, doorschij-
nende draden, die hij voor gestolde zijdevloeistof houdt, in de
buizen. In het middelste deel ontmoette hij eveneens eenige soort-
gelijke draden, maar slechts in het voorste gedeelte, ? niet in de
nabijheid van, noch in de staart. De witte stof was hier minder
taai en dit “schijnt aan te toonen dat deze zelfstandigheid daar
nog niet de noodige bereiding (upréts) had ondergaan, om ge-
sponnen te worden; eene bearbeiding, die blijkbaar in het mid-
delste gedeelte tot stand komt door bemiddeling van de molécules ,
waarvan dit deel voorzien is, en die waarschijnlijk zoo vele klie-
ren zijn, welke aan deze stof een sap leveren, geschikt om haar
taai en spinbaar te maken.” Hij onderzocht niet alleen de eigen-
schappen van den inhoud, maar hij droeg tevens kennis van
verschil van structuur. Ik zwijg van het kunstig zamenstel van
de buis, door hem aan het licht gebragt. Het ligchaam van den
toestel ziet er, bij den eersten aanblik, uit als de huid van een
slangetje, de staart toont die schubgelijkende facetten uiterlijk
niet. Het vergrootglas leert hem, dat er twee vliezen zijn en dat
tusschen hen petites molécules plus on moins hexagones geplaatst
zijn; deze ligchaampjes hebben een eigen wand en zijn vrij vast
gehecht aan het buitenvlies. Wij zagen reeds, dat hij ze voor
klieren houdt. In den staart kon hij de molécules niet, dan met
moeite, gewaar worden, ja somtijds geheel en al niet. Zij zijn er
grover en onregelmatiger.
In de hoofdzaak bevestigen de latere mikroskopische onder-
zoekingen wat Lyonet heeft gevonden; in de bijzonderheden is
onze kennis vooruit gegaan. Zoowel Heinrich Meekel, als Leydig,
ı Men houde in het oog, dat hij in water of in spiritus gedoode voorwerpen
aan het anatomiseermes onderwierp.
2 Ils occupaient ensemble une longueur de 15 lignes. Après ces 15 lignes de dis-
tance, je n'ai plus trouvé, dans ce sujet, aucun filet pareil jusqu'à l'autre extrè-
mité de ses vaissaux soyeux. p. 502.
125
heeft zeer belangrijke waarnemingen van verschillende rupsen
openbaar gemaakt, waaruit ik slechts het volgende ontleen. Mec-
kel vond ' zeer groote overeenkomst tusschen speekselklieren en
spinklieren, zoodat hij ze, om zoo te zeggen, als varieteiten van
ééne soort beschouwt. Hij kent aan de rupsen twee paren speek-
selklieren toe; de bovenste zijn blijvende, die in de larve en in
het volwassen dier speeksel kunnen leveren: de onderste gaan
bij de metamorphose verloren, zij geven spinsel. Men heeft hen
den naam Serikterien, Sericteria, gegeven. Onze fig. 10 (fig. 25
Meck.) is een stuk van het ligchaam des Sericteriums van Cossus
ligniperda, als ideale lengtedoorsnede geteekend; aa is de uit-
wendige Zunica propria, hh is het vlies van de holte, de gestreepte
tunica intima, waarvan gg de dikte doet zien. Tusschen deze
vliezen liggen de cellen, waarvan 4 er eene vertoont, aan de
binnenvlakte gezien, met haren follikulösen Kern, gelijk er in de
lengte-doorsneê eveneens opgemerkt worden, dd. Bij f vertoont
zich de doorsnede van een luchtvat. Ik vestig op dit punt bij-
zonder de aandacht, omdat ook Lyonet opzettelijk vermeldt, dat
er geene luchtvaten naar de buis gaan, maar wel naar het lig-
chaam en de staart, waarvan de grootsten zich vooraan bevinden.
Wij mogen hieruit afleiden, dat de aangevoerde lucht invloed zal
oefenen op de afscheiding. Leydig vond de waarneming van de
eigenaardige vorm der celkernen, door H. Meekel aangewezen,
bevestigd bij het onderzoek van eenige dag-, avond- en nacht-
vlinders. De cellen zijn steeds kolossaal groot, 't geen reeds daaruit
blijkt, dat slechts 4 of 5 den omvang van het sericterium van
Cossus vormen, en zelfs niet meer dan 2 dien van Vanessa Urti-
cae, Sericaria dispar en Bomhyx Rubi. Leydig zag de cellen niet
zoo scherp begrensd, als Meekel; misschien bedacht hij niet,
dat de figuur van laatstgenoemden ideaal is. De kernen zijn
1 Zie Mikrographie einiger Drüsenapparate der niederen Thiere, in Müller's
Archiv, 1846, s. 30—35. Leydig, Zl. s. 467. Hij behandelt die Nieren und
Serikterien in één hoofdstuk. Zij noemen de spintuigen van spinnen Arachni-
dium. Welken naam moeten nu die van Hydrophili dragen?
126
takkig en komen overeen met die welke Leydig in de huidklie-
ren van de Bombyx Rubi vond. Men zal er zich gemakkelijker
eene voorstelling van maken uit afbeeldingen, dan door beschrij-
ving. Men zie onze fig. 11, die kerntakken of kanalen uit
een gedeelte van de’ cel van Vanessa Urticae voorstelt (fig. 26
Meck.), en fig. 12, eene huidklier van Bombyx rudi. (fig. 12 A.
Leyd.) De kernen zijn helder en schenen Leydig hol toe. Doch
laat ons nog even stilstaan bij den staart. Kon Lyonet er ter
naauwernood zijne mo/écu/es vinden, Meekel vond er zijne eigen-
aardige kernen, in de kliercellen, niet terug. Onze fig. 13 is
eene kopij van zijne 24ste, “het blinde einde van het sericterium
eener Tinea, als ideale lengtedoorsnede geteekend.” a is de Zunica
propria, aan het afgesneden einde, vrij boven de cellen 45 uitste-
kend; c is de membrana intima, die de holte, waarin de “gese-
cerneerde draad” 4 zit, bekleedt. Dat hier eene draad zou gese-
cerneerd zijn, is onaannemelijk, zij zal er door stolling van de
vloeistof ontstaan zijn, zoo als Lyonet ze ook vond, doch on-
spinbaar.
Ik zou verder dan mijn tegenwoordig doel gaan, als ik nog
over de scheikundige eigenschappen en over ziekelijke veranderin-
gen van vochten en organen, waarover in lateren tijd veel is ge-
schreven, ging spreken. ! Ik wil slechts nog even opmerken,
dat uit het boven medegedeelde menige bijzonderheid van het
spinnen mag verklaard worden. Zoo verschilt de aard van het
spinsel niet zelden bij den aanvang, het midden en het einde
van den arbeid. Nu stel ik, dat eerst gesponnen kan zijn van
vloeistof, die in het ligchaam van het spinvat langer toefde en
meer verarbeid was: dat dan vocht gebezigd zal worden, dat
voor korten tijd uit de staart kwam en minder verarbeid is: dat
ten leste vocht wordt uitgestort, bijna zoo als het uit het blinde
einde in het ligehaam wordt uitgestort, ongeschikt als het is om
1 Zie de Quatrefages Etudes sur les maladies actuelles du Ver à Soie. Paris,
1859. Nouvelles Recherches sur les maladies du Ver à Soie. 1860. 4%. En Cavanes
Les principales maladies des vers à soie. Genève, 1862. 80.
127
draden te vormen. Meermalen leest men, dat de rups nu en dan
onder het maken van het cocon een poosje rust, en men voegt
er wel bij, dat dit geschiedt om, na de vermoeijenis, nieuwe
kracht te zamelen; — zou het niet aannemelijker zijn, om te
stellen, dat er tijd noodig is, om eene nieuwe secretie of nieuwe
stofmenging en aanvoer te bewerkstelligen? Stellig antwoorden
kan ik niet, maar ik geef wenken, die zeer goed tot proefne-
mingen leiden kunnen.
Staan wij thans nog stil bij dien vorm van spintuigen van
rupsen, die meest overeenkomt met de type van onze tweede
figuur, d. i. van vliesvleugeligen. Wij moeten hierover kort zijn,
niet alleen omdat ons woord reeds langer geworden is, dan wij
eerst bedoelden, maar voornamelijk, omdat wij er niet veel van
weten. Zij verdienen nog een veelzijdiger, vooral mikroskopisch
onderzoek. Onze achtste en negende figuur toonen dadelijk, dat
deze spintuigen noch de drie afdeelingen, noch de rigting van
de bogten der vroeger beschrevene (fig. 1 en 3 tot 7) aanbieden.
Wel loopt de uitvoerbuis, 5, in het oog en verschilt in niets van
de reeds bekende, maar eene grens te trekken tusschen het lig-
chaam en de staart is, althans uitwendig, onmogelijk. Het eenige,
wat nu en dan waarneembaar is, bestaat in verschil van dikte
en van kleur. De spinbuis van Saturnia Cynthia (fig. 8) is overal
bijna even dik, althans aan het boven- en benedeneinde niet
noemenswaardig dunner. Bij meerdere turgescentie, dan dit voor-
werp toonde, is zelfs het stompe einde, s, en de daarop volgende
ludsen dikker, dan het overige. Zoo was het ook bij S. Arrindia. !
Vooral merkte ik dit op bij eene westindische rups, die ik als
vlinder niet ken, maar die mij eene Bombya schijnt te wezen. In
fig. 9 is à de buis, / tot / de verdere toestel, eerst losser gekronkeld
en dunner, dan digter ineengedrongen en dikker, terwijl het
einde geenzins, zoo als in de eerste type, dun uitloopt, maar
1 Zie in dit Tijdschrift mijne Bijdrage tot de ontleedkundige kennis van
Saturnia Cynthia, dl. VI pl. 9, fig. 1—4, 6 en 7, terwijl fig. 5 van S. Arrindia
is. Fig. 2 is hier overgenomen, als fig. 8.
128
bij s afgerond zich vertoont. In dit voorwerp is de kleur van
het digtste en dikste gedeelte lichter geel, het middelste bruiner
en het dunnere geel met eene eenigzins violette tint. Hieruit is
nu wel geen bepaald resultaat te trekken, maar het duidt toch
op verschil van stof. In Bombyx Yama-mai heb ik de spinvaten
vrij gelijk aan die van Cynthia aangetroffen. Dat in deze type
de ludsen weerzijds tegen de maag aanliggen, grootendeels op
de rugzijde, terwijl eenige van de bovenste en de buis langs de
buikzijde verloopen, is duidelijk te zien in de boven bedoelde
vijfde figuur van S. Arrindia.
Ik leg thans de pen neder met het verzoek aan mijne geëerde
medeleden van de Entomologische Vereeniging, om mij van hunne
gevondene of gekweekte rupsen en bijrupsen, in spiritus (jenever)
gedoode, spinvaardige individuen te willen afstaan, voornamelijk
van de minder algemeen voorkomende soorten. Ik vertrouw, dat
ik, ook door die hulp gesteund, eerlang iets beters over het
spinnen en de spintuigen der insekten zal kunnen leveren, dan
dit woord. !
Groningen, Jan. 1864. CLAAS MULDER.
1 Sedert het bovenstaande ter perse was gezonden, had ik gelegenheid de
spintuigen van Saturnia Atlas, S. insularis en Bombyx trifenestrata te onder-
zoeken, De beide eersten vertoonen de type van Cynthia volkomen. De buis
is bij Atlas lang, de kronkels menigvuldig. In insularis zijn de spintuigen zeer
ontwikkeld. Ik had drie groepen van individuen; 1. met gevulde spijsbuis en
weinig gevulde spinvaten: 2. met zuiver ontledigde spijsbuis en opgezwollen
spintuigen. De ludsen van de beide zijden liggen zelfs nu en dan over elkaar,
en het darmkanaal is tot een buis ingekrompen. Deze rupsen zijn op het punt
van te zullen spinnen: 3. individuen, die meer of min het cocon voltooid had-
den. Zij moeten nog worden geänatomiseerd. Van érifenestrata is belangrijk,
dat op de buis eerst een ruimer ligchaam volgt, dat aan de type van B. mori
herinnert, doch weldra in ludsen van de tweede type overgaat, en eindigt in
zeer ineengedrongene en verwarde kronkels (staart?) De toestel is zeer lang.
Cr. M.
[NZ ] (di Le RO
pr
BUI AGE = DI
à So al KA
IETS OVER DE IN NEDERLAND WAARGENOMEN
SEPSINEN,
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
De Sepsinen, die de vroegere geslachten Cephalia Meig. en
Sepsis Fall. omvatten, zijn door Schiner (Fauna austriaca, Il.
bl. 175) te regt in ééne afdeeling vereenigd met de Piophilinen
of het geslacht Piophila Fall. Hoewel deze laatsten van de eigen-
lijke Sepsinen verschillen door het bezit van knevelborstels en
door de niet trillende en vibrerende vleugels, waaraan de beide
takken van de eerste langsader aaneengegroeid zijn, — valt overi-
gens eene naauwe verwantschap, zoo in den habitus als in de
voornaamste kenmerken, dadelijk in het oog. Eene afscheiding
is ook vooral daarom moeijelijk vol te houden, omdat Prophvla
scutellaris Fall., die thans de type is van het geslacht Saltella
Rob. D. (= Anisophysa Macq.) evenzeer in de eene als in de
andere afdeeling hare plaats zou kunnen vinden. Met de knevel-
borstels van Piophila heeft deze soort de tweetakkige uitmonding
der eerste langsader van Sepsis; zij vormt alzoo een’ overgang
tusschen beiden.
Het geslacht Cephalia Meig. is tot dusverre in ons land niet
aangetroffen. Van de eigenlijke Sepsinen of het geslacht Sepsis
Fall. zijn daarentegen verscheidene inlandsehe soorten bekend,
9
en daaronder een paar, die mij voorkomen onbeschreven te zijn. !
Reeds sints lang is het geslacht Sepsis Fall. door Robineau
Desvoidy in drie geslachten verdeeld : Sepsis, Nemopoda en Themira.
Het eerste is gemakkelijk te herkennen aan de met een zwart
vlekje geteekende vleugelspits, en aan het bij den wortel ver-
naauwde, en daardoor eenigzins gesteelde achterlijf, waarvan de
tweede ring knobbelachtig is opgehoogd. De derde en vierde langs-
aderen der vleugels loopen niet volkomen evenwijdig , maar zijn in
't midden iets uit elkander gebogen. Bij het mannetje zijn de voor-
dijen en dikwijls ook de voorscheenen van bijzonderen vorm, en met
tandachtige knobbeltjes, doorntjes of kleine inkervingen voorzien.
Het geslacht Nemopoda heeft dezelfde kenmerken als Sepsis,
doch mist de vlek aan de vleugelspits; het achterlijf is een wei-
nig gestrekter, maar overigens van denzelfden vorm; de voor-
pooten van het mannetje zijn eenvoudig, en alleen de voordijen
van onderen met eenige stijve borsteltjes bezet.
Het geslacht 7%emira Rob. D. (= Cheligaster Macq.) heeft even-
zeer de vleugels ongevlekt; het achterlijf is evenwel niet, zoo als
in de beide vorige, gesteeld, maar is aan den wortel naauwelijks
iets versmald, en de tweede ring heeft nimmer een knobbelach-
tigen vorm; de voorlaatste ring is bij eenige soorten in { ter
wederzijde met een bosje lange, gebogen borstels voorzien. De
ı De beschrijving dezer soorten laat ik hierna volgen, in weerwil van het
gevoelen van Schiner, die, uit vrees van de reeds zoo lastige synonymie te
vermeerderen, bijna iedere mededeeling van nieuwe soorten veroordeelt. Ik
wil gaarne toegeven, dat vooral ook bij de Diptera, veel verwarring en moei-
jelijkheid is gesticht door het leveren van onvolledige en onnaauwkeurige
beschrijvingen, doeh het komt mij voor, dat juist eene mededeeling van nieuwe
beschrijvingen, wanneer zij slechts geschikt zijn om de soort te herkennen, de
aandacht der entomologen er op vestigen zal, en de kennis der soorten spoe-
diger zal uitbreiden, dan wanneer eene reeks van onbestemde voorwerpen in
de collectien overblijft, om welligt na verloop van jaren tot stof te verteeren-
Wanneer slechts de beschrijving goed is, dan zal het toch, voor het geval
dat eene soort reeds vroeger is beschreven, zoo moeijelijk niet vallen dit op
te merken en in het licht te stellen. Wat mij betreft, indien ik eene reeds
bekende soort ten onregte als nieuw mogt hebben opgegeven, dan zal het mij
zelfs aangenaam zijn van mijne dwaling overtuigd te worden.
151
derde en vierde langsaderen der vleugels loopen meestal even-
wijdig en regt. In zijn de voordijen van onderen en dikwijls ook
de voorscheenen aan de binnenzijde, door verdikkingen, inkervin-
gen en uitstekende tandjes gekenmerkt, en levert de vorm der pooten
over het algemeen goede kenmerken ter onderscheiding der soorten.
Van het geslacht Sepsis, in den hierboven aangegeven beperk-
ten zin, ken ik vijf Nederlandsche soorten, als: S. cynipsea Linn.,
nigripes Meig., flavimana Meig., punctum Fabr. en violacea Meig.
Van de algemeen bekende Sepsis cynipsea Linn., die ook hier
te lande overal en gedurende den ganschen zomer gemeen is,
behoef ik niets te zeggen, dan dat zij in kleur van aangezigt,
sprieten en pooten aan vele afwijkingen onderhevig is, waardoor
Meigen verleid werd daarin verschillende soorten te zien; zijne
S. fulgens, hilaris en ruficornis zijn allen slechts verscheidenheden
van S. cynipsea, gelijk Zetterstedt en Schiner te regt reeds heb-
ben ingezien.
Dit schijnt niet het geval te zijn met S. zigripes Meig.; deze
wordt althans door Zetterstedt als eene afzondelijke soort beschouwd.
Ik bezit een drietal wijfjes, bij den Haag in Julij en Augustus
gevangen, die ik als 8. xigripes heb bestemd, terwijl ik vroeger
voorwerpen heb gezien, die mede tot die soort te brengen waren
en door den heer Maitland te Voorschoten werden verzameld.
Al deze voorwerpen gelijken op S. eyzipsea, doch de pooten zijn
geheel zwart, met uitzondering alleen van de voorheupen, die
roodgeel zijn. Ik heb niet aangeteekend of onder de exemplaren
van Voorschoten ook mannetjes waren, en nog minder of zij in
sommige kenteekens, b. v. in den vorm der voorpooten, van
S. cynipsea d verschillen, hetgeen intusschen niet uit Zetterstedt’s
beschrijving, noeh uit die van Meigen blijkt.
S. flavimana Meig. onderscheidt zich door de lichte kleur der
pooten, waarop het roodgele steeds de overhand heeft, terwijl
bij cynipsea altijd het zwart meer heerschend is; bepaaldelijk zijn
bij flavimana de voordijen roodgeel, bij cyuipsea daarentegen zwart.
Een onderscheidingskenmerk, door Schiner opgegeven en dat ik
bevestigd vind, ligt bovendien in de achterdwarsader der vleugels,
O*
152
vorm. Macquart heeft deze soort, zeker op grond van de onge-
vlekte vleugels, tot Nemopoda gebragt, terwijl Curtis en Walker
van haar een bijzonder geslacht hebben gevormd, onder den naam
van Mnicopus en Enicita. Brengt men haar niet, zoo als de ge-
noemde engelsche entomologen, tot een afzonderlijk geslacht,
die bij flavimana ongeveer de helft korter is dan het na die dwars-
ader nog overblijvende deel der 5e langsader, terwijl bij cyuipsea
die dwarsader en het laatste deel der 5e langsader ongeveer van
gelijke lengte zijn (zie de vleugelafbeeldingen pl. 8, fig. 1, ey-
nipsea, en fig. 2, flavimana).
S. punctum Fabr., die iets grooter is dan de andere soorten,
heeft de pooten geheel helder roodgeel, en op het achterlijf een
krachtige koperroode of paarsche metaalglans; aan de meestal
vrij duidelijke geelroode kleur van den wortel des achterlijfs is
zij overigens zeer kenbaar.
Zeer verwant aan deze laatste is S. violacea Meig. Deze is
kleiner, en het achterlijf, ofschoon ook met vrij sterken metaal-
glans, heeft aan den wortel geen spoor van roode kleur. De
achterscheenen zijn bruin, en soms bevindt zieh ook boven op
de dijen eene bruine schaduwstreep.
Schiner (Fauna austriaca I bl. 179, noot **) grondt op de
omstandigheid, dat hij van S. puuctum enkel mannetjes, van
S. violacea enkel wijfjes bezit, de veronderstelling, dat deze
als beide sexen tot ééne soort zouden behooren. Dit is ech-
ter het geval niet; ik ken van puzetum wel is waar ook
slechts mannelijke exemplaren, doch van violacea beide sexen.
Het J van deze laatste soort is evenzeer door mindere grootte
en door de kleur van achterlijf en pooten van pwuzctum onder-
scheiden; de voorpooten zijn ongeveer van denzelfden vorm,
doeh de uitstekende tandjes aan den binnenkant der voor-
scheenen, vooral dat aan ’t uiteinde, vallen minder in het
oog; ook zijn de borstels der achterste pooten naar evenredig-
heid korter.
Tot het beperkte geslacht Sepsis brengt Schiner ook 8. annu-
lipes Meig., eene soort, die in { zich gemakkelijk laat herken-
133
nen aan de verbreede en gedeeltelijk zwart en wit geringde
middentarsen, maar bij welke de vleugels zonder spitsvlek zijn.
Zij maakt, in beide deze opzigten, voor hem dan ook de eenige
uitzondering, en onder de geslachtskenmerken van Sepsis noemt
hij daarom de gewoonlijk met een zwarte vlek voorziene vleugels
en spreekt hij van de middenpooten als soms van bijzonderen
waartoe geene dringende reden bestaat, dan geloof ik, dat hare
plaats noch volgens Schiner in Sepsis, noch volgens Macquart in
Nemopoda moet gezoeht worden, maar dat integendeel de voor-
naamste kenmerken van het geslacht 7%emira haar eigen zijn.
Het achterlijf toch is weinig of niet aan den wortel vernaauwd,
en kan dus niet gesteeld heeten; de tweede ring is niet knob-
belachtig; aan den anus zijn ter wederzijde eenige borstels; de
3e en 4e langsaderen der vleugels loopen vrij regt en bijna even-
wijdig; en zelfs de breedgedrukte vorm der middentarsen sluit
haar meer aan sommige soorten van Ÿhemira aan, en is bij
Sepsis geheel vreemd.
Van het geslacht Nemopoda Rob. D. ken ik twee nederland-
sche soorten, te weten de zeer gemeene N. cylindrica Fabr. en
de minder gemeene N. stercoraria Rob. D., dezelfden, die Schi-
ner ook als de eenige in Oostenrijk voorkomende soorten aan-
geeft. Beiden gelijken veel op elkander: cylindrica is in den regel
iets grooter; de borstzijden zijn onder de schouders en onder
den vleugelwortel bruinrood, en hebben boven de middenheupen
eene vlek van zilverwitten weerschijn; de glasachtige vleugels
hebben aan ’t eind tegen den voorrand en aan de spits eene
bruinachtige sehaduw. Bij stercoraria daarentegen, die gewoonlijk
wat kleiner is, zijn de borstzijden geheel glanzig zwart, evenwel
met de witte weerschijnvlek boven de middenheupen, en de vleu-
gels zijn geheel glasachtig, zonder bruine schaduw aan de spits.
Als in Nederland voorkomende soorten van het geslacht Z%e-
mira Rob. D., zijn mij bekend de gewone 7%. putris Linn., 74.
minor Hal. (? = Sepsis lucida Zett.), voorts de straks reeds ge-
noemde Sepsis annulipes Meig., die ik mede tot dit geslacht re-
ken, en een tweetal soorten, die ik voor onbeschreven houd of
134
waarop althans de bestaande beschrijvingen niet geheel passen,
en die ik curvipes en dentimana noem.
Eenkleurig zwarte of pekbruine pooten hebben 7%. putris, mi-
nor en dentimana; bij curvipes en annulipes daarentegen zijn de
pooten gedeeltelijk roodgeel. Bij de drie eerstgemelde soorten is
bovendien de voorrandaler der vleugels, van de uitmonding der
1e tot aan die der 4e langsader, eenigzins verdikt en zwart, iets
wat bij de twee laatste soorten weinig of niet het geval is.
Th. putris, die als type van het geslacht kan worden be-
schouwd, onderscheidt zich van alle andere, mij bekende soor-
ten, door de aan den wortel verdikte sprietborstel. In is ter
wederzijde van den voorlaatsten lijfsring een bosje lange gebogen
borstels; de voordijen zijn van onderen bij den wortel een wei-
nig gezwollen, en hebben vóór 't midden een’ dikken stompen
doorn, en een weinig verder naar de spits, een klein, eenigzins
gebogen doorntje; de voorscheenen zijn eerst smal en vervolgens
aan de binnenzijde eensklaps verbreed, waaraan zich, ongeveer
in ’t midden, een tandje en een klein, huidachtig, uitstekend
lapje bevindt; het eerste lid der voortarsen is verdikt en mer-
kelijk korter dan het tweede; de overige leden, even als de
leden der middentarsen, zijn eenigzins breedgedrukt; (zie pl. 8
fig. 3, voorpoot d). In 2 zijn de pooten eenvoudig, de voorste
tarsen echter mede iets verbreed. De afstand tusschen de beide
dwarsaderen bedraagt ongeveer de helft van den afstand tusschen
de achterdwarsader en de uitmonding der 4e langsader (zie
pl. 8 fig. 4.)
Th. minor Hal. ken ik door een paar mannetjes, die ik in
Junij bij den Haag ving, en door een wijfje, te Zutphen door
wijlen mijn’ vriend van Eyndhoven gevangen. Behalve dat zij de
helft kleiner is dan puéris, onderscheidt zij zich in + dadelijk
door het ontbreken van de borstels aan den voorlaatsten lijfsring,
en door anders gevormde voorpooten; de voordijen namelijk zijn
weinig verdikt en hebben van onderen in ’t midden een paar
digt bijeenstaande doorntjes; de voorscheenen zijn aan den wor-
tel smal, doeh worden vervolgens dikker; het eerste lid der voor-
135
tarsen is in beide sexen tweemaal langer dan het tweede; (zie
pl. 8 fig. 5, voorpoot Z). De afstand tusschen de beide dwars-
aderen, — en ook dit kenmerk geldt voor beide sexen , — bedraag
slechts een derde van den afstand tusschen de achterdwarsader
en de uitmonding der 4e langsader.
Ik heb deze soort volgens Schiner’s beschrijving (Fauna austr.
II. bl. 183) als 7%. minor Hal. bestemd; bepaaldelijk komen de
voorscheenen 4 met die beschrijving overeen. Zetterstedt’s be-
schrijving van Sepsis lucida Staeg., die door Schiner als synoniem
wordt aangehaald, is ook op mijne voorwerpen toepasselijk , doch
dáár wordt vermeld: “tibiis anticis in medio tubereulatis,’ het-
geen van mijne voorwerpen zeer zeker niet kan gezegd worden.
Ik ben niet in de gelegenheid de oorspronkelijke beschrijving
van Haliday (#ntom. Magaz. I, 1833, bl. 170) te vergelijken,
maar het kan misschien nuttig zijn op het bovengenoemde ver-
schil de aandacht te vestigen.
Zeer verwant aan 7%. minor is eene, zoo ik meen, nog on-
beschreven soort, waarvan hieronder de beschrijving:
Themira dentimana, n. sp.
SJ 141. Kop glanzig zwart; voorhoofd met flaauwe langsgroe-
ven; aangezigt aan de kanten een weinig bruinachtig. Sprieten
zwart, met haarvormigen, d. i. aan den wortel weinig of niet
verdikten borstel. Thorax, schildje en achterlijf glanzig zwart;
in de borstzijden boven de middenheupen eene witte weerschijn-
vlek; geslachtsdeelen weinig uitstekend, zonder lange gebogen
borstels. Pooten pekbruin; de voordijen in ’t midden een weinig
verdikt, en aldaar van onderen met een paar digt bijeenstaande,
kleine doorntjes; de voorscheenen aan den wortel dun, in ’t
midden aan de binnenzijde met een’ sterk uitstekenden tand,
welks uiteinde een fijn borsteltje draagt; achter dien tand diep
ingekeept en aan ’t uiteinde eenigzins kolfachtig verdikt; eerste
lid der voortarsen vrij dun, ruim dubbel zoo lang als het tweede
lid; de laatste leden der voor- en middentarsen een weinig
breedgedrukt (zie pl. 8 fig. 6, voorpoot Y). Kolfjes wit. Vleu-
136
gels glasachtig; de 3e en 4e langsaderen evenwijdig; voor-
randader verdikt; afstand tusschen de beide dwarsaderen ruim
+ van dien tusschen de achterdwarsader en het uiteinde der 4e
langsader.
Het ¢ door mij te Arnhem gevangen; het 9 ken ik niet.
Door den vorm der voorscheenen, die aan de binnenzijde in
't midden een’ uitstekenden tand hebben en vervolgens diep in-
gekeept zijn, is deze soort in # duidelijk van 7%. minor onder-
scheiden; om dezelfde reden kan zij evenmin als 7%. lucida Staeg.
worden bestemd.
De beide overgebleven 7%emira-soorten, annulipes Meig. en
curvipes n. sp. hebben de pooten niet eenkleurig zwart of pekbruin ,
maar gedeeltelijk roodgeel.
De eerste, 7%. annulipes Meig. heeft in 7 aan den voorlaatsten
lijfsring wel geene zoo in 't oog vallende bosjes van lange ge-
bogen borstels, als puéris, maar toch is de anus ter wederzijde
met eenige kortere borstels bezet; de voordijen f zijn van
onderen tweemaal, bij den wortel en even voorbij het midden,
zacht ingedrukt, en hebben daartusschen in ’t midden eene ver-
dikte plek, waaraan twee doorntjes, het eene dikker en grooter
dan het andere; de voorscheenen worden naar de spits toe dik-
ker, en zijn aan de binnenzijde een paar malen ingekerfd; het
eerste lid der voortarsen is meer dan tweemaal langer dan het
tweede (zie pl. 8 fig. 7, voorpoot ¢). Het voornaamste kenmerk,
waaraan deze soort in # te herkennen is, ligt in de middentar-
sen (fig. 8); daarvan is het eerste lid smal, witachtig met zwarte
spits; het tweede lid mede wit met zwarte spits, en even als de
volgende, geheel zwarte leden, breedgedrukt.
Deze soort schijnt vrij zeldzaam of wordt welligt over ’t hoofd gezien.
Ik bezit slechts twee mannelijke exemplaren , het eene bij Wassenaar
in Julij, het andere in Augustus in de duinen bij den Haag ge-
vangen. Het © heb ik nimmer gezien, en ik weet dus niet te
beoordeelen, in hoever dit ook de tarsen verbreed heeft, ’t geen
door Walker wordt beweerd en door Schiner ontkend.
Van de andere soort met gedeeltelijk gele pooten , curvipes n. sp.,
137
welks mannetje weder lange borstels aan den voorlaatsten lijf-
ring heeft, moge de volgende beschrijving een denkbeeld geven.
Themira curvipes, n. sp. (pl. 8 fig. 9—14).
J (fig. 9) 2! L Van zeer gestrekten vorm. Voorhoofd glan-
zig zwart, met flaauwe groeven; vóór den schedel enkele naar
voren gebogen borstels; aangezigt bruinachtig, aan wederzijde
met fijne borsteltjes. Sprieten donkerbruin, het derde lid eirond,
met haarvormigen, d. i. aan den wortel weinig of niet verdikten
borstel. Thorax, schildje, achterrug en achterlijf glanzig zwart;
het achterlijf vooral zeer glanzig en met paarsachtigen gloed ;
in de borstzijde ontbreekt de witte weerschijnvlek; het achterlijf
is omtrent dubbel zoo lang als de thorax, aan den wortel vrij
smal, doeh langzamerhand breeder wordende; de ringen duidelijk
afgescheiden; de voorlaatste ring het breedst, aan wederzijde hoe-
kig uitstaande en met een digt bosje lange gebogen borstels; de
geslachtsdeelen tegen den buik omgeslagen, met een uitstekenden ,
griffelachtigen, aan de spits een weinig verdikten tepel (fig. 11).
Pooten glanzig zwart; de voorheup, de wortel der dijen, de
knieën, de wortel der voorscheenen en de middentarsen, met
uitzondering van het laatste lid, roodgeel; de voordijen, van den
wortel af tot op ongeveer 3, van onderen zeer verdikt, en
aan ’t einde dier verdikking met een’ dubbelen tand, waarvan
de binnenste of achterste de grootste is en spits toeloopt; digt
bij den wortel bevindt zich van onderen een borstel; de voor-
scheenen zijn korter dan de dijen, gebogen, in ’t midden van
achteren even ingekeept en vervolgens verdikt; het verdikte ge-
deelte met fijne borstels vrij digt gewimperd; de tarsen zijn
merkelijk langer dan de scheenen, het eerste lid ongeveer twee-
maal langer dan het tweede (fig. 12, voorpoot 4 ); achterste poo-
ten lang en dun; de middentarsen niet breedgedrukt, maar van
onderen digt met korte borsteltjes gewimperd; achterscheenen
met eene onregelmatige buiging, van achteren op + der lengte
met een’ langen borstel; het laatste derdedeel het dikst; over de
geheele lengte zijn fijne en korte borsteltjes geplaatst, die van
158
achteren op het dikkere gedeelte digter bijeen staan (fig. 13,
achterpoot 4). Kolfjes wit. Vleugels klein, merkelijk korter dan
het achterlijf, met eenigzins graauwbruine tint, die naar de spits
iets krachtiger wordt; de voorrandader weinig verdikt; de eerste
langsader heeft hare uitmonding voor het midden der vleugel-
lengte; de kleine dwarsader ligt onder die uitmonding; de 3e. en 4e.
langsaderen zijn niet volkomen evenwijdig, maar wijken door
eene geringe buiging in ’t midden iets uit elkaâr; de afstand
tusschen de beide dwarsaderen is naauwlijks 4 van den afstand
tusschen de achterdwarsader en den vleugelrand (fig. 14).
$ (fig. 10) Grootte als in 4. Door het minder verbreede en
aan ’t uiteinde meer spits toeloopende achterlijf schijnt de vorm
nog gestrekter; de pooten zijn eenvoudig, bijna geheel kaal, zeer
slank en meer pekbruin dan zwart, overigens met dezelfde rood-
geele gedeelten als in YZ; aan de achterpooten zijn de tarsen
in ’t oog vallend kort in verhouding tot de scheenen.
Het mannetje in Augustus IL door mij bij den Haag gevangen ;
het wijfje reeds voor eenige jaren, door den heer Snellen van
Vollenhoven, mede aldaar, in Junij gevangen.
Toen ik nog slechts het wijfje kende, meende ik, om den dáár
vooral in ’t oog springenden, langgestrekten vorm, daarin 7%.
phantasma Rob. D. te zien, hoewel de uiterst korte beschrijving
van Maequart in de Swites à Buffon (de oorspronkelijke beschrij-
ving van Robineau Desvoidy ken ik niet) deze bestemming niet
boven alle bedenking deed zijn. Eerst in den laatsten zomer (1863)
is het mij gelukt ook het mannetje te verkrijgen, en ik twijfel
niet, dat beiden tot ééne soort behooren, vooral om de volkomen
overeenstemming in de kleinheid der vleugels en het aderbeloop.
Bijna gelijktijdig ontving ik door de goedheid van den heer Puls
te Gend, in eene bezending van Diptera, meerendeels uit de om-
streken van Berlijn, ook het mannetje van de hierboven be-
schreven soort, en wel onder den naam van 7%. Leachii
Meig.
Werkelijk zou men, bij eene oppervlakkige nalezing van Mei-
gen’s beschrijving van Sepsis Leach al ligt tot het besluit kun-
139
nen komen, dat in het Y die soort te herkennen is; de meest
onderscheidende kenmerken toeh, zoo als de gedeeltelijk roodgele
pooten en de korte vleugels, worden door Meigen vermeld; doch
door hem worden de voordijen en scheenen in vorm kortweg
gelijk gesteld aan die van 7%. putris, waarmede ze wel door de
verdikking en de tandachtige uitsteeksels eenige overeenkomst
hebben, doch waarvan zij bij eene naauwgezette vergelijking
toch vele afwijkingen opleveren. ' Van Macquart’s beschrijving
van Cheligaster Leachii behoef ik niet te spreken, omdat deze,
als gewoonlijk, te kort en te onvolledig is, om eenige zekerheid
te geven. Zetterstedt’s beschrijving van Sepsis Leachii in zijne
Insecta lapponica (bl. 748 n°. 2) behoort tot eene andere soort,
Th. Falleni Staeg., gelijk later in de Diptera Scandinaviae door
hemzelven is erkend. — Daarentegen is Zetterstedt’s beschrijving
van Sepsis Leachii, in de Diptera Scand. (VI. blz. 2295 n°. 10)
over ’t geheel wel toepasselijk op mijne 7%. curvipes, vooral in
de kleur der pooten en de kortheid der vleugels, maar hij spreekt
van slechts een, dus niet van een dubbelen, tand aan de
onderzijde der voordijen 4, en ofschoon zijne beschrijving zeer
uitvoerig is, zwijgt hij geheel van de kromme voor- en achter-
scheenen 4, even als van de bijzondere beharing, die aan de
laatsten te zien is. Schiner’s beschrijving eindelijk van Zhemira
Leachii (Fauna austriaca II. blz. 182) past nog minder dan die
van Zetterstedt; daarin worden, even als door Meigen, de voor-
pooten { met die van putris vergeleken, en wordt gesproken van
een haakvormig doorntje onder aan den wortel der voordijen,
dat ik niet vind, want de borstel, daar ter plaatse bij mijne
soort aanwezig, verdient den naam van doorntje niet; terwijl de
stompe doorn, die in puéris zich vóór het midden der dijen be-
vindt, volgens Schiner bij Zeachii puntig zou eindigen: bij mijne
voorwerpen zie ik vóór ‘t midden geen’ eigenlijken doorn, maar
een weinig voorbij ’t midden een’ dubbelen tand, waarvan de
eene vooral spits toeloopt. Overigens zwijgt Schiner, en dit is
' Vergelijk mine fig. 3 en 12.
140
zeer opmerkelijk, geheel van den gestrekten vorm en van de
korte vleugels, die, had hij dezelfde soort als ik, voor zieh ge-
had, voorzeker niet door hem zouden zijn over ’t hoofd gezien,
even min als de gebogen voorscheenen en de gedraaide achter-
scheenen in {.
Ik geloof hiermede genoeg gezegd te hebben, om de redenen
te doen billijken, waarom ik mijne 7%. eurvipes niet als 7%. Lea-
chii kan bestemmen. Mogt ik hebben gedwaald, dan twijfel ik
niet of de mededeeling van het bovenstaande zal van zelf de
aanleiding worden, om in deze alle duisterheid weg te nemen.
Gelijk ik reeds in den aanvang zeide, is tot de Sepsinen ook
te brengen het geslacht Piophila Fall, waarvan eene soort
(sentellaris Fall.) onder den geslachtsnaam van Saltella Rob. D.
(= Anisophysa Macq.) is afgescheiden, en een’ natuurlijken over-
gang vormt van de eigenlijke Sepsinen tot de Piophilinen. Deze
soort schijnt in ons land zeer zelden voor te komen: ik bezit
slechts een enkel mannetje, reeds jaren geleden door mij bij den
Haag gevangen, en heb tot dusverre haar in geen enkele onzer
inlandsehe verzamelingen aangetroffen. Ik vond haar weder in
eenige weinige exemplaren van beide sexen, onder een aantal
Diptera, door den heer Piaget in den laatsten zomer in de Jura
verzameld.
Van het geslacht Piophila zelf ken ik als Nederlandsche soor-
ten, behalve ?. Case: Linn., nog P. affinis Meig. en /vveolata
Meig. Met een enkel woord wil ik hier nog melding maken van
een door mij bij den Haag gevangen vrouwelijk voorwerp, dat
naar alle kenmerken als P. Cusei zou moeten bestemd worden,
maar zich door sterk gebogen achterscheenen onderscheidt. Ik
vermoed dat hieronder eene nieuwe soort verborgen is.
Onder de Sepsinen behoort ook nog te worden geplaatst de
kleine, glanzig zwarte Madiza glabra Fall., die dikwerf tegen onze
vensters voorkomt. Ofschoon haar lang vooruitstekende, hoorn-
achtige en aan ’t uiteinde met haakvormige teruggeslagen lip-
pen, voorziene snuit, van al de vorige geslachten afwijkt, en zij
daarin, even als in den habitus, met het geslacht SipAonella Macq.
141
onder de Ckloropinea, eene naauwe verwantschap vormt, doen
evenwel het aderbeloop der vleugels (waarin de anaalcel en de
achterste basaalcel volkomen zijn en de beide takken der eerste
langsader min of meer zigtbaar zijn) en ook de aanwezigheid
van mondborstels haar onder de Sepsinen en wel in de onmid-
delijke nabijheid van het geslacht Piopkila rangschikken.
Hetzelfde kan, mijns inziens, niet gezegd worden van het ge-
slacht Lissa Meig., waarvan eene soort, Z. loxocerina Fall., in
enkele exemplaren bij ons gevangen werd, en welk geslacht door
Schiner ook onder de Sepsinen wordt geplaatst.
Meigen, die het geslacht Missa afzonderde, plaatste het tus-
schen Chyliza en Telunura, en laat deze drie onmiddellijk vol-
gen op Loxocera. — Macquart begrijpt Lissa in zijne groep der
Cordyluriden, waartoe hij ook Chyliza en Tenatura rekent, en hij
plaatst het daar aan het hoofd, als ’t ware om den overgang te
vormen van de groep der Zowoceriden, welke onmiddellijk voor-
afgaat. — In de Synopsis of the genera of British insects, aan
het slot van Westwood's Zutroduction to the modern classification
of Insects, wordt het geslacht Lissa, met Chyliza, Psilomya en
Loxocera in eene groep (Lowocerides) vereenigd. — Zetterstedt
alleen plaatst Zissa, zonderling genoeg, tusschen Sepsis en Sa-
promyza, en ‘t is welligt ten gevolge daarvan, dat ook Schiner
dit genus onder zijne Sepsinen heeft opgenomen. Hoe meer ik
echter de kenmerken van het geslacht Lissa en van allen, die
er meê in verband worden gebragt, met aandacht beschouw,
des te minder kan ik aan Schiner’s rangschikking mijnen bijval
schenken.
De zeer gestrekte ligehaamsvorm geeft al dadelijk aanleiding
om de plaats van dit geslacht te zoeken bij die groepen, welke
zich ook door zulk eene langwerpige gedaante onderscheiden.
Die vorm is bij de Sepsinen geheel vreemd, en zelfs de meest
langwerpige soorten van die afdeeling, gelijk b. v. de hierboven
beschreven Phemira curvipes, blijven in dit opzigt nog ver ten
achter bij de smalle en uitgerekte gestalte van Lissa. De Tany-
pezinen (Tanypeza, Calobata, enz.) die zulk een gerekten lig-
142
ehaamsvorm aanbieden, kunnen niet in aanmerking komen, omdat
aldaar de 3e en 4e langsaderen der vleugels naar de uitmonding
toe sterk tot elkander neigen, of, met andere woorden, de eerste
achtercel aan het uiteinde versmald is. ! Maar de Psilinen, zoo als
zij door Schiner worden opgevat, namelijk de zamenvoeging der
geslachten Zowocera, Platystyla, Chyliza, Psila en Psilosoma,
zouden naar mijn inzien de groep zijn, waarin ook het geslacht
Lissa thuis behoort. Het verschil in lengte der sprieten, behoeft
geen reden te zijn, om Zissa er van uit te sluiten; want daar-
aan wordt door Sehiner zelf geen groot gewigt gehecht, daar
hij Psilosoma, met zeer korte sprieten, wier derde lid eivormig
is, met de zeer langsprietige Lowocerae in dezelfde groep opneemt.
De sterk ontwikkelde en verlengde anaalcel en achterste basaal-
cel is aan al de Ps/linen, en ook aan Lissa eigen. Daarentegen
is bij Zissa de eerste langsader dubbel, bij de andere geslach-
ten enkel, doch dit schijnt ook geen voldoende reden te zijn,
om Lissa van de Psilinen te verwijderen. Niet alleen, dat de
Sepsinen en Tanypezinen, z00 als ze door Schiner worden zamen-
gesteld, beiden ook genera bevatten, wier eerste langsader dub-
bel en anderen waar zij enkel is; maar als men de vleugels van
Loxocera, die eene enkele eerste langsader heeten te bezitten,
wel beziet, dan is eene flaauwe aanduiding van de voorste tak
dier langsader wel op te merken; en bij C4yliza is ter plaatse,
waar die voorste tak zou moeten gezoeht worden, de voorrand-
ader even afgebroken.
De vorm van kop en aangezigt; de borstels enkel op den
schedel; de niet tegen het gezigt liggende maar schuin vooruit-
stekende sprieten; de slanke vorm der pooten; het ontbreken
van den borstel vóór het eind der scheenen; het aderbeloop der
vleugels; dit alles zijn kenmerken, welke aan Zzssu eene ver-
1 Tetanura, door Schiner ook tot de Tanypezinen gerekend, maakt daarop
alleen uitzondering, doch zou, als ik mij niet bedrieg, ook daaruit kunnen
wegvallen, en even als Lissa, in de afdeeling der Psilinen kunnen worden
gebragt. Ik moet hier echter bijvoegen, dat ik Zetanura niet anders ken dan
uit de beschrijvingen.
145
wantschap geven met de andere geslachten der Psilinen, daar-
gelaten nog den geheelen habitus en het langgerekte, uit 5 of
6 ringen bestaande achterlijf; en ik geloof derhalve dat in eene
natuurlijke rangschikking het geslacht Zissa onder de Psilinen
en althans niet onder de Sepsimen moet worden geplaatst.
VERKLARING DER AFBEELDINGEN.
. Achterpoot „
. Vleugel van Sepsis cynipsea.
LE „ Sepsis flavimana.
. Voorpoot van Themira putris 4.
Vleugel van dezelfde soort.
Voorpoot van Themira minor 4.
5 » Themira dentimana 3.
+ » Themira annulipes 4.
Middentarsen van dezelfde soort.
. Mannetje van 7hemira curvipes.
. Wijfje van dezelfde soort.
. Uitwendige geslachtsdeelen van het mannetje.
2. Voorpoot van het mannetje.
2 22
. Vleugel van Themira curvipes.
144
In het voorgaande stuk geeft de geëerde Schrijver te kennen,
dat het hem niet te beurt mogt vallen de beschrijving, die Haliday
geeft van zijne Sepsis (Themira) minor, onder de oogen te krij-
gen. Daar mij een exemplaar van {4e Entomological Magazine
toegankelijk is, neem ik daaruit die zeer korte beschrijving over:
S. minor. Nigra, nitida, pedibus concoloribus. Mas. Tarsis
simplicibus, hypopygio nudo.
Varies from one-half to one-fifth of the size of 8. putris:
fore thighs of the male have a few bristles below: the
fore shanks have a bifid spine about the middle.
Occurs in company with S. putris, and is often almost
as common.
Het komt mij voor dat er nog verschil bestaat tusschen S. minor
Hal. en de beide mannelijke voorwerpen van den heer van der Wulp;
bij den eersten lees ik van borstels (bröst/es), bij v. d. Wulp van
doorntjes ; volgens Haliday hebben de scheenen een dubbel doorntje,
volgens v. d. Wulp niet.
De beschrijving van Zhemira phantasma Rob. D. kan ik niet
nazien.
Seve ME
PIX:
Sepsis & Themira.
DESCRIPTION
DE QUELQUES ESPÈCES NOUVELLES
DE COLEOPTERES,
PAR
M. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
1. Hectarthrum nodicorne, Voll.
Heet. rufum nitidum, capite bifoveolato, antennarum articulo secundo
cyathiformi, tertio maximo globoso, Long. 12 mm.
Hab. Borneo.
Je ne connais point d’espece de Passandride qui ait les antennes
conformées comme cette nouvelle espèce d’Hectarthrum. N’ayant
devant moi qu'un des deux sexes, probablement le mâle, je ne
suis pas à même de juger si l'espèce en question ne nécessiterait
point la création d’un genre nouveau. En attendant que la femelle
s'offre aux investigations des naturalistes, on préférera sans aucun
doute de laisser le wodicorne former partie de l’ancien genre
Hectarthrum.
Téte aplatie, séparée du cou par un sillon elliptique assez
profond; de ce sillon partent deux excavations longitudinales
n’atteignant point le chaperon, sur lequel l’on remarque au con-
traire deux petites élévations longitudinales. Mandibules fortes,
de couleur plus sombre que la téte. Antennes robustes de 11 arti-
cles; le premier globuleux, le second cyathiforme, le troisiéme
globuleux, à diamètre deux fois plus large que le premier, les
suivants du 4ème au 10ème globuleux, allant en diminuant de
grosseur, le dernier en fer de hache parabolique. Corselet déprimé,
10
146
quarré, lisse, rebordé à sa base et aux cotés latéraux, offrant
quelques points enfoncés placés irrégulièrement sur le disque. Elytres
allongées, glabres, à six stries enfoncées longitudinales, dont les
deux extrèmes entières, les autres raccourcies, la troisième en
partant de la suture indiquée seulement par deux ou trois traits.
La couleur générale est un rouge d’acajou.
Le Muséum de Leide reçut un individu provenu de Borneo, par
un envoi de Monsieur Diard dont nous déplorons la perte récente.
2. Onthophagus Schwaneri, Voll.
Onth. nigroviridis, capite bicornuto, maris cornibus maximis intus
crenulatis, thorace antice foveolato, maris in fovea cornuto, elytris
striatis et in margine punctatis. Long. 16 mm.
Hab. Borneo.
La couleur générale de cette espèce est un vert de bouteille,
changeant par reflets en bleu foncé: la bouche, les hanches anté-
rieures, ainsi que tous les tarses sont d’un brun rougeâtre.
Chaperon entier en avant. Cornes céphaliques du mâle assez
évasées, fort longues, touchant le bord postérieur du corselet
lorsque la tête est relevée; en dessus ces cornes sont lisses, en
dessous denticulées et raboteuses; celles de la femelle sont
courtes, larges et aplaties, à trois arêtes bien prononcées. Le
prothorax est hexagone, rebordé, granulé, offrant un grand espace
excavé à sa partie antérieure, plus petit chez la femelle. Le
bord de cette excavation porte chez le mâle quatre tubercules
et dans ce sexe l’on voit, protubérant au milieu, une corne
recourbée, large, comprimée latéralement. Chez la femelle on
n'en voit pas le moindre vestige. Les élytres, rebordées tout
à Ventour, peu ponetuées, excepté près de la marge latérale,
offrent six lignes longitudinales presque superficielles. Pattes,
poitrine et abdomen ponctués et herissés de poils bruns.
Je dédie cette belle espèce à la mémoire de M. le docteur
Schwaner, qui envoya quelques exemplaires de Borneo au Muséum
de Leide.
147
3. Parastasia pileus, Voll.
Parast. fusca aut nigra, foveolis duabus profundis prothoracis
lateralibus, elytrorum callo humerali rufofusco, macula pileiformi
flava in singulo elytro juata scutellum. Long. 10—18 mm.
Hab. Borneo, Sumatra, Batjan, Halmaheira.
Noir ou d’un brun très-foncé. Chaperon à deux petites cornes
recourbées, accompagnées de deux petites pointes; front rugueux
et couvert de poils roux. Prothorax variolé de petits points
ovalaires enfoncés, clair-semés au milieu et à la base, plus denses
vers le bord latéral, près duquel l’on remarque une fossette ronde.
Écusson presque lisse. Élytres à lignes de points enfoncés; le
callus huméral d'un rouge brun et sur chaque élytre une tache
jaune, grossièrement ressemblant à la figure d’un chapeau et
posée non loin de l’écusson et de la suture. Poitrine couverte
d’une villosité rousse; bords des anneaux abdominaux ayant une
frange de cils roux.
Cette espèce varie en couleur comme en grandeur. L’unique
individu de Sumatra que je connais, diffère par un enfoncement
longitudinal au milieu du eorselet; un individu de Vile Batjan
a la tache d’un jaune orangé et plus grande que les autres individus.
4. Parastasia degenerata, Voll.
Parast. rufofusca capite obsenriort, prothoracis lateribus foveolatis ,
in singulo elytro plaga flava inter duo ant tria puncta fusconigra.
Long. 10—12 mm.
Hab. Borneo, Celebes, Batjan et Morotai.
Il se pourrait que cette espèce fut une variété locale de la
Parastasia rugosicollis de M. Blanchard :; cependant je trouve
assez de différence entre mes nombreux individus identiques et
la description donnée par cet auteur pour ne point hésiter à la
décrire sous un nom nouveau, d'autant plus que la degenerata
tient le milieu entre la rugosicollis et le pileus.
1 Catalogue de la Coll. entom. du Muséum d'Histoire nat. de Paris.
197
148
Couleur générale d’un brun marron, très-foncé sur la tête et
presque rouge an milieu du corselet. Celui-ci variolé de petits
points enfoncés ovalaires, comme chez le précédent, à quatre
enfoncements de chaque côté; c’est-à-dire une fossette ronde à
égale distance du bord antérieur et postérieur, non loin de la
marge latérale ; puis une petite excavation en demi-cercle sous cette
fossette plus près du bord; ensuite une autre dans langle pos-
térieur du corselet, enfin une quatrième sur le bord postérieur
non loin de cet angle. Écusson presque lisse. Elytres luisantes à
séries longitudinales très-faibles de points enfoncés; une tache
jaune très-irrégulière, plus ou moins grande entre la base et le
milieu, non loin de l’écusson; au bord antérieur de cette tache
l'on voit un point d'un brun foncé, et un ou deux pareils au bord
postérieur. Dessous du corps et pattes, comme chez la Rugosicollis.
M. le docteur Müller trouva cette espèce dans l’île de Borneo,
M. Forsten à Tondano dans Célébes, M. Bernstein aux îles de
Batjan, Halmaheira et Morotai. M. A. Deyrolle m'envoya sous le
nom de Parastasia puncticollis Deyr. une espèce très-voisine ou
bien une variété locale, provenant de la presqu'île de Malacca.
5. Parastasia ephippium, Voll.
Parast. nigra, capite rugoso, prothorace antice punctulato, scutello
elytrisque laevissimis, macula magna flava circumdante scutel-
lum. Long. 23 mm.
Hab. Sumatra.
Espèce très-distincte, de la forme trapue des Binotata et Rufo-
picta. Tête à points et lignes enfoncés, rugueuse; antennes rou-
geatres à feuillets de la massue noirs. Prothorax variolé d’enfonce-
ments ovales, excepté près du milieu du bord postérieur. Fossette
double non loin de la marge latérale. Écusson et élytres très-
lisses, sans lignes de points enfoncés; lorsque ces dernières sont
fermeés, une tache commune d'un beau jaune, auguleuse à sa
partie latérale, entoure l’écusson. En dessous l’on ne voit que peu
de poils de couleur grise sur la poitrine et moins encore sur
149
l'abdomen. Les tarses des pieds sont d’un brun foncé violet.
Mess. Müller et Ludeking trouvèrent cette espèce dans l’île
de Sumatra.
6. Parastasia vittata, Voll.
Parast. nigra, prothoracis limbo, linea media et abdominis lateribus
flavo-rufis, mesosterno mucronato. Long. 18 mm.
Hab. Amboina et ins. Buru.
Je crois cette espèce très-voisine de la Aufolimbata Hombr. et
Jacq., cependant comme elle diffère notablement de taille, un peu
en couleur et fortement par la saillie bien prononcée du méso-
thorax, je ne crois pas encourir les réprimandes des entomolo-
gistes graves en la publant comme espèce nouvelle.
Couleur générale d’un noir profond. Tête fortement ponctuée ;
dents du chaperon moyennes; antennes brunâtres. Corselet vague-
ment ponctué, excepté au milieu de sa base; une bordure et une
ligne médiane d’un rouge foncé. Elytres luisantes à lignes ponc-
tuées, raccourcies des deux côtés. Poitrine couverte de poils roux ;
mésothorax muni d’une forte épine, un peu courbée et prolongée
entre les hanches de la première paire de pattes. Bords latéraux
de l’abdomen à taches rouges. Pattes noires.
On trouve cet insecte aux îles d’Amboine et de Bourou ; une variété,
propre à cette dernière localité, a les élytres de couleur marron.
7. Parastasia atra, Voll.
Parast. atra, nitida; antennis fusconigris, mesosterno mucronato.
Long. 20 mm.
Hab. Amboina.
Cette espèce ne diffère en réalité de la précédente que par la
couleur; en serait-elle une variété ? Tout le corps est d’un noir
profond, seulement les antennes ont une teinte brunâtre. La forme
générale et la ponctuation sont les mêmes que chez la vittata.
La poitrine est également couverte de poils roux et l’épine mésos-
ternale a la même forme.
150
8. Parastasia bimaculata, Guér.
Je ne mentionne cette espèce, connue depuis longtems, que pour
dire un mot sur les variétés qu’elle offre. On la trouve aux îles
de Pinang, Borneo, Halmaheira (côtes méridionales) et Batjan.
Le type se rencontre à Pinang; la variété de Borneo est entiò -
rement rouge à tête brune; elle offre bien les deux taches noires
thoraciques, mais son pygidium est immaculé. Les individus de
Halmaheira se rapprochent en général plus du type, néanmoins
on y remarque quelques-uns, dont la couleur générale est plus
conforme à ceux de Borneo. Enfin un individu de Dodinga (vil-
lage dans l'île de Halmaheira), ainsi qu'un autre de Batjan ont
la tête noire, le corselet rouge à deux larges lignes longitudina-
les noires, les élytres d’un noir brunätre avec 7 ou 8 petites
mouchetures rouges et le pygidium d’un noir de poix.
9. Trichogomphus Simson, Voll.
Trich. ater nitidus, cornu capitis longissimo, ad apicem intus cre-
nulato, pronoto tuberculis tribus, cornuque postico incurvo. Long.
44 mm.
Hab. Sumatra.
Cette espèce est tellement voisine du Milo F. qu'il suffira de
noter en quoi elle diffère. La corne céphalique du Simson est
moins grande et n'offre pas tant de crénelures à la face posté-
rieure. Le prothorax offre presque le même contour; seulement
le bord lateral est sinu& davantage; les protubérances posées près
du bord antérieur sont moins développées, les postérieures man-
quent tout-à fait, mais en revanche on distingue un seul tuber-
eule au milieu de la fossette, en avant de la corne. Celle-ci enfin,
recourbée en avant, porte à l’apex une très-légère entaille.
M. S. Müller nous fit parvenir 4 individus de Sumatra, accom-
pagnés de deux mâles magnifiques du Zrichogomphus lunicollis
Burm. à cornes thoraciques vraiment monstrueuses.
151
10. Trichogomphus Alcides, Voll.
Trich. ater nitidus, cornu capitis basi dentato, apice furcato,
pronoto trapezoidali, in cornu maximum, basi latum, apice fur-
catum elevato. Long. corp. 48 mm. cornu cap. 30.
Hab. Borneo.
Tres-noir et luisant. Le derrière de la tête se prolonge en une
très-forte et très-grande corne, recourbée, lisse, comprimée latéra-
lement, portant une large dent à la partie postérieure non loin
de la base, et bifurquée à l’apex. Le corselet ressemble à celui
du Zunicollis quant à la forme trapézoidale et la ponctuation,
mais le dos est élevé en forme de cone à deux arêtes latérales
et considérablement bifurqué à son extrémité. Les élytres sont
lisses à une rangée de gros points enfoncés le long de la suture.
Le dessous du corps et les jambes n’offrent rien de remarquable.
Le Muséum possède deux mâles de Borneo.
11. Heterorhina infuscata, Voll.
Heter. viridis, nitida: plaga maxima nigra in pronoto, seutello et
’ ; 4 ’
elytris: subtus viridi- et nigro-variegata. Long. 22 mm.
Hab. S. George del Mina in Guinea.
Cette espèce, voisine de la su/uralis, appartient au groupe auquel
Burmeister a donné le nom de Coryphocera. La tête, munie d’une
petite saillie et ayant le bord du chaperon relevé au milieu, est
en dessus verte, ponctuée de noir. Le thorax, assez largement
rebordé latéralement, est vert, ponctué de noir et offrant à sa
base et sur le disque une tache irrégulière noire, qui embrasse
de chaque côté non loin du bord latéral une moucheture verte.
L’éeusson est noir à reflets verts, et faiblement creusé en gouttière
à sa pointe. Les élytres portent chacune neuf lignes de points
enfoncés et sonts aciculées à l’apex. Leur couleur est verte, un peu
jaunâtre vers le bout; le bord latéral, le postérieur et la suture
sont noires et, partant de la suture comme du bord près de l’écusson,
cette couleur noire s'étend jusque près du callus huméral. Le
152
pygidium est vert à ondulations noires entaillées. Le dessous du
corps est varié de vert et de noir; la saillie sternale est verte
et les pattes sont noires.
C'est à M. Pel que le Muséum doit l'unique exemplaire de
cette espèce qu'il possède.
12. Clinteria egens, Voll.
Clint. nigra subopaca, elytrorum macula pallide ochracea. Long.
15 mm.
Hab. Borneo.
Quoique bien plus petite, cette espèce se rapproche de I’ Irmpe-
rialis Schünh., provenant de Ceilon. La couleur générale est un
noir presque opaque. Vertex lisse, chaperon ponctué ; corselet vague-
ment ponctué, à points plus gros et plus serrés vers les angles
antérieurs. Elytres à lignes de gros points enfoncés, mais peu pro-
fonds; une tache de forme irrégulière, de couleur jaune d’oere
pale vers le milieu de l’élytre, s'appuyant sur le bord latéral.
Pygidium aciculé. Dessous du corps un peu plus luisant; an-
neaux de l'abdomen à lignes transversales de gros points.
Un seul individu, trouvé à Borneo.
13. Clinteria vidua, Voll.
Clint. nigra, supra opaca, sublus nitida; elytrorum maculis duabus
magnis subovalibus, lunulisque duabus lacteis. Long. 17 mm.
Hab. Sumatra.
D'un noir mat et velouté, sans ponctuation distincte. Une tache
assez longue, presqu'ovale, mais à pointe saillante vers la suture,
vers le milieu de l’élytre, longeant le bord extérieur; une tache
en croissant, ou plutôt en forme de fève, sur la déclivité recourbée
de l’apex de l’élytre; ces deux taches couleur de crême. Le des-
sous d'un noir assez luisant, à fossettes ovales sur le mésoster-
num; abdomen avec quelques points très-vagues. Cuisses des
quatre pattes antérieures frangèes de poils roux.
153
M. Ludeking nous a offert en cadeau l'unique individu qu'il
avait pu prendre; celui-ci provenait de la côte occidentale de
l'île de Sumatra.
14, Clinteria,dives, Voll.
Clint. nigra supra opaca, elytris striatis, subtus subnitida, elytro-
rum macula magna transversali aurantiaca. Long. 16 mm.
Hab. Borneo et Biliton.
Cette espèce me semble très-voisine de la Wavonotata Hope
(Gory et Percheron Monogr. p. 377. 74. Pl. 77. f. 3); cependant
la forme et la couleur des taches sur les élytres empèche leur
fusion en une espèce unique. Le dessus du corps est d'un noir
mat et presque velouté; seulement on remarque sur les élytres
quelques fines lignes longitudinales, plus ou moins luisantes. Au
milieu de l’elytre, s'appuyant sur le rebord du bord lateral une
tache transversale de couleur orange s’avance jusque bien près
de la suture. La loupe y fait remarquer des lignes de points
dont quelques uns sont noirs. Dessous du corps d’un noir luisant ;
cils des cuisses antérieures noirs.
Cette espèce habite Borneo; une variété à tache un peu plus
large, et jaune, au lieu d’orangée, se trouve à Biliton.
15. Macronota aciculata, Voll.
Maer. viridicuprea, elytris olivaceo-viridibus, humeris vinosis, pro-
Shorace antice tuberculato, elytrorum parte externa aciculata.
Long. 19 mm.
Hab. Java.
Espèce voisine de la Chalcothea resplendens Gor. 5 Perch., mais
appartenant indubitablement au genre Macronota, par la forme
de sa saillie sternale. Couleur générale un vert cuivreux; les
élytres sont d'un vert plus olivâtre et leur callus huméral d’un
rouge vineux. Chaperon quarré, fortement rebordé, grossièrement
ponctué. Corselet creusé en gouttière conique au milieu, portant
154
un tubereule noir sur le milieu du bord antérieur, rebordé, for-
tement ponctué sur le disque, comme vermiculé vers les bords
latéraux. Écusson lisse, en triangle allongé. Élytres creusées
assez profondement au milieu; leur moitié extérieure et le bout
très-sensiblement aciculés. Sternum fortement, abdomen faiblement
ponctué. Cuisses à longs poils roussâtres; jambes rougeätres,
tarses d’un brun bleuâtre.
Un seul individu, provenant de Java, selon l'étiquette y at-
tachée. Je doute néanmoins si ce soit bien là le vrai habitat.
16. Macronota Ludekingii, Voll.
Maer. olivaceo-viridis, nitida, elytrorum margine laterali usque ad
medium rubro, exinde ad suturam viridi, serrato. Long. 20 mm.
Hab. Sumatra.
De toutes les Macronota qui me sont connues, il me semble
que celle-ci a le plus d’affinité avec la 7risu/cata G. & P.; elle
en diffère principalement dans la forme par la plus grande largeur
relative de l’abdomen. Couleur générale d’un vert olivâtre. Tête assez
fortement ponctuée, excepté sur le vertex; chaperon fortement
échancré en avant, rebordé latéralement. Antennes, à l'exception
du premier article, et palpes bruns. Corselet à trois sillons pone-
tués. Bord des élytres rouge depuis l’épimère mesothoracique jus-
qu'au milieu de l’elytre; en partant de là le rebord de l’élytre
est finement raboteux jusqu'à la suture; au milieu de l’élytre on
voit une forte élevation longitudinale, mais qui ne s’unit point
au callus huméral, comme cela a lieu chez le Maer. quadrivitlata
Schaum. Quatre points blancs près de la suture en quarré long.
Segments de l’abdomen, dépassant les élytres, bordés inférieu-
ment de blane. Dessous d’un vert luisant à poils blonds. Saillie
sternale assez grande et recourbée.
Je dédie cette belle espèce à Monsieur Ludeking, officier de
santé dans l’armée Neerlandaise aux Indes orientales, qui a
enrichi le Muséum d’une quantité d'espèces nouvelles, et qui a
155
trouvée celle qui dorénavant portera son nom, dans les parties
montagneuses de Sumatra près du fort de Kock.
17. Schizorhina sanguinolenta, Voll.
Schiz. fusconigra, opaca, thoracis margine antico et laterali nee non
macula, sicut elytrorum maculis 10 sanguineis. Long. 26 mm.
Hab. Tondano in ins. Celebes.
Une belle espèce, trés-distincte, dont le chaperon offre deux
pointes latérales saillantes, au lieu d’être échaneré au milieu, et dont
la saillie sternale est un cone arrondi à la pointe. Couleur générale
du dessus, un noir brunâtre et mat. Tête à trois lignes longitu-
dinales rouges. Corselet à bordure ondulée rouge, aux bords an-
térieur et latéraux; en outre une figure rouge en forme de joug
près du bord postérieur. Ecusson rouge à bordure noire. Chaque
élytre à cinq taches, posées 2 2 1, qui parfois s'unissent pour
former trois bandes transversales. Pygidium à deux taches trian-
gulaires. Dessous d’un noir olivâtre luisant; bord du thorax,
hanches, cuisses et dernier anneau ventral rouge; quatre traits
blanes de chaque côté de l’abdomen.
M. le docteur Forsten a découvert cette espèce à Tondano, dans
Vile de Célébes.
18. Schizorhina flammula, Hombr. & Jacq.
Cette espèce ne semble être connue que par la description et la
figure qu'en donnent Hombron et Jacquinot dans l'Entomologie du
Voyage au Pôle Sud. Par consequent on ne sait pas que cette
espèce est sujette à de grandes variations de couleur et que sa
véritable patrie est l’île de Bourou, où elle ne paraît pas être rare.
La variété la plus remarquable a la tête rouge bordée de noir,
le corselet rouge à une tache cunéifome et deux petites mouche-
tures noires, l’écusson rougeâtre vers son extrémité, les élytres
rouges à l'exception du callus huméral et du bord postérieur, le
pygidium rouge, comme en dessous le bord du thorax, toutes
les cuisses et une tache aux jambes de la dernière paire.
156
Une autre variété est noire à la seule exception d'un petit
trait rouge sur l’élytre et de deux taches sur le pygidium.
19. Schizorhina nigerrima, Voll.
Schiz. nigerrima nitida, clypeo parum emarginato. Long. 38 mm.
Hab. Morotai.
Entièrement d'un noir intense, luisant sur le corselet, l’écus-
son et les élytres. Tête de couleur mate, densément ponctueé, à
chaperon faiblement échancré, fortement rebordé. Corselet vague-
ment ponctué aux angles antérieurs; bout des élytres a fines
gerçures. Pygidium aciculé. Saillie sternale de la même forme
que chez la Plammuta.
Un individu a le chaperon monstreux et paraissant formé de
deux chaperons à demi superposés.
Nous devons la connaissance de cette espèce à M. Bernstein,
qui l’a découverte dans Vile de Morotai.
20. Euryomia Forsteni, Voll.
Eur. atra, supra opaca, pronoti limbo postico sanguineo; epimeris
et epipleuris flavis, in singulo elytro maculis tribus aureis. Long.
14 mm.
Hab. Celebes.
Cette espèce élégante appartient au groupe auquel M. Bur-
meister a assigné le nom générique de Glyeyphana et me semble
le plus se rapprocher de la marginicollis G. & Perch. Tête noire,
assez luisante, ponctuée; corselet noir velouté, ayant sa marge
postérieure d’un rouge de sang, interrompu au milieu. Écusson
noir. Épimères jaunes, ainsi qu'une tache aux épipleures. Elytres
d’un noir velouté avec deux taches latérales dorées dont l’anté-
rieure est la plus grande; une trosième tache bien plus petite
se voit sur le milieu de l’elytre, non loin de la suture. Dessous
d’un noir peu luisant, à poils jaunâtres.
157
Dédié a M. le docteur Forsten, qui la trouva en explorant
les alentours de Tondano, ville de Célébes.
21. Euryomia regalis, Voll.
Eur. atra, supra opaca, pronoti limbo postico et elytrorum villa
hamata sanguinolentis, horum fascia interrupta punctoque aureis;
sublus nigra nitida, maculis aureis fuscisque. Long. 14 mm.
Hab. Celebes.
Espèce voisine de la précédente. Tête noire à chaperon luisant ;
front et vertex mats. Corselet comme chez la Forsten. Ecusson
rougeâtre. Elytres d’un noir velouté; une ligne d’un rouge de
sang descend du callus huméral, tenant le milieu de l’élytre, et
se recourbe en hamegon avant la marge postérieure. Cette ligne
brise en deux une étroite bande transversale dorée du milieu de
l'élytre; au bout, près du bord externe, l’on remarque une petite
tache dorée. Pygidium d’un brun chocolat. — Dessous d’un noir
assez luisant. Tache échancrée sur l’épimére, une autre sur le
bord du mesosternum, une trosième sur le bord du métasternum
et une bande sur le premier anneau de l'abdomen de couleur
dorée. Les trois anneaux suivants à taches latérales de couleur
chocolat.
Envoi de M. Forster de Tondano dans l’île de Célébes.
22. Euryomia Sumatrensis, Voll.
Eur. atra opaca, prothorace rufo, margine pronoti postico undula-
to-nigro. Long. 15 mm.
Hab. Sumatra.
Cet insecte a la plus grande affinité avec l Buryomia Macquarti .
Gory & Perch., cependant il en est bien distinct par la dispo-
sition des couleurs sur le corselet et le pygidium. Tête fortement
ponctuée entre les yeux. Corselet presque demi circulaire à base
sinuée, d’un rouge de brique, la marge basale noire, cette dernière
couleur s'étendant en trois lobes dont celui du milieu porte trois
158
dents. Ecusson allongé noir; élytres noires, striées. Dessous d’un
noir assez luisant, couvert de courtes soies blondes clair semées
prosternum rouge.
Le Muséum possède un individu unique, de Sumatra.
23. Euryomia quadriguttata, Voll.
Hur. nigra opaca, in singulo elytro maculis duabus transversalibus,
in meso- et metathorace, nec non in abdomine maculis laterali-
bus flavis. Long. 14—17 mm.
Hab. Sumatra, Halmaheira, Batjan et Morotai.
Espèce appartenant au groupe des Glyeyphana, comme les
précedentes. Couleur noire, mate, mais non veloutée. Tête assez
fortement ponctuée; front bombé, chaperon luisant. Corselet à
petits points enfoncés oblongs ou triangulaires vers les angles
antérieurs, à ponctuation plus clair-semée vers la base. Elytres à
quatre stries ponctuces de la suture vers le milieu longitudinal,
vaguement recouvertes de points enfoncés au dela du milieu. Deux
taches transversales jaunes, dont la latérale est la plus grande,
sur le disque de l’elytre; la plus petite disparait quelquefois. Pygi-
dium d’un noir velouté, quelquefois à deux points jaunes. Dessons
luisant, sillonné et ponctué, sétuleux et offrant de deux à quatre
taches jaunes sur les bords du thorax et de l'abdomen.
Cette espèce semble être rare à Sumatra, mais assez commune
à Halmaheira et aux îles adjacentes.
24. Euryomia Sieboldii, Voll.
Eur. nigra opaca, elytrorum fascia interrupla, pigydii maculis 2,
pectoris 4 et abdominis 8 albis. Long. 14 mm.
Hab. Japonia.
Trés-voisine de la précédente. Tête assez fortement ponctuée ;
front bombé. Corselet vaguement ponctué, offrant deux fossettes
pres du bord postérieur. Elytres à stries et ponctuation comme
chez la précédente. Au milieu de l’Elytre une bande blanche trans-
159
versale irrègulière, s'arrêtant avant la suture; à la loupe ou aper-
goit qu’elle est formée de huit lignes d’inégale longueur; non
loin du bout de l’élytre près du bord une très-fine ligne ondulée
transversale blanche. Deux petites taches blanches sur le pygi-
dium. Dessous d’un noir luisant à soies courtes, blanchâtres;
thorax vermiculé aux côtés. De chaque côté sur le sternum deux
et sur l’abdomen quatre points blancs.
Dédié à M. de Siebold qui rapporta du Japon un individu de
cette espèce.
25. Macroma flavoguttata, Voll.
Maer. atra nitida, pronoti margine laterali, anteriori quilisque
quinque flavis. Long. 16 mm.
Hab. Borneo.
Forme allongée dc la Seutellata. Couleur générale, un noir très-
luisant. Front cariné, chaperon largement rebordé, rugueux. Cor-
selet à ponctuation forte, mais clair-semée, lisse aux angles anté-
rieurs et devant l’écusson; celui-ci déprimé. Deux lignes jaunes
orangées au bord du chaperon. Angles antérieurs du prothorax
largement colorés en jaune soufre; cinq taches de cette couleur,
plus ou moins grandes, quelquefois se touchant presque, au bord
postérieur. Hanches de la première paire et deux grandes taches,
ainsi que deux plus petites de chaque coté du sternum, jaunes.
Cette belle Macroma a été découverte dans l’île de Bornéo par
le docteur Schwaner.
26. Trichius 17-guttatus, Voll.
Trichius obscure rufus opacus, capile scutelloque nigris, hujus gutlis
5, elytrorum 12 flavo albis. Long. 11 mm.
Hab. Japonia.
Forme des Trigonopeltastes, mais à chaperon plus allongé et
sans triangle d’écailles colorées sur le dos du prothorax ; jambes
antérieures du mâle bidentées. Tête noire à reflet soyeux. Premier
160
article des antennes noir, les suivants d’un brun rouge, ainse que le
prèmier feuillet de la massue ; les autres bruns. Palpes rouges. Corselet
d'un rouge cerise obscur, à marge antérieure noirâtre et couverte
de petits poils raides jaunâtres. Sur le milieu du corselet se trou-
vent rangés en ligne transversale trois points blancs; deux taches
blanches se voient sur le bord arrondi à la place des angles pos-
térieurs. Ecusson noir, luisant, ponctué. Elytres du même rouge
que le corselet, à suture et rebord postérieur et latéral noir;
chaque élytre offre eing taches blanches en quinconce, avec une
tache blanche allongée, posée contre l’écusson. Pygidium noir à
deux grandes taches, d'un blane jaunâtre. Dessous noir à poils
blonds et plus de vingt taches blanches. Pieds noirs.
Une variété de cette espèce est entièrement noire à l'exception
du milieu des antennes et n'offre en dessus que 14 goutes et taches
blanches.
Type et variété ont étè rapportés du Japon par M. de Siebold.
27. Catoxantha hemixantha, Voll.
Cat. supra viridis nitens, elytrorum fascia interrupta fusco flava, sub-
tus pectore cupreo nitidissimo , abdomine flavo-testaceo. Long. 58 mm.
Hab. Banca.
Jai hésité quelquetemps entre le parti de croire cette espèce
distincte et celui de la prendre pour une variété de la Cutoxantha
Daleni v. d. Hoev. avec laquelle elle a les plus grands rapports.
Cependant les différences de coloration, de taille et d'habitat
semblent m’autoriser à la décrire sous un nom spécifique propre.
Elle est bien plus grande que la Daleni qui ne mesure en longueur
que 45 millimètres. Elle appartient à la première section de
Lacordaire (Voyez: Genera des Coléopt. IV. p. 17). Tête d'un vert
brillant, doré sur le front, à tache d'azur sur le vertex, profondé-
ment ponctuée dans le sillon frontal. Antennes d'un noir bruna-
tre violet, à premier article d'un vert cuivreux. Corselet entière-
ment vert, un peu euivreux non loin des angles postérieurs, for-
tement ponctué et sillonné vers les bords latéraux, à ponctuation
161
profonde mais clair-semée au milieu. Elytres à petite épine api-
cale, ponctuation fine et serrée et quatre lignes longitudinales
peu saillantes. Couleur d’un vert cuivreux, à reflet bleu; sur
chaque élytre une tache transversale d'un brun très-pale et jau-
nâtre, placée après le milieu et s'étendant de la premiere ligne
longitudinale au delà de la quatrième. Dessous comme chez la
Daleni.
L’exemplaire unique que possède le Muséum, a été trouvé
dans l’île de Banca et offert en don avec plusieurs autres espèces
remarquables par M. le résident van den Bossche.
28. Chrysochroa Ludekingii, Voll.
Chrys. supra cyanea, fronte elytrorumque lateribus aurato-rufis,
elytrorum fascia lata flava communi, subtus flava, pedibus coeru-
leis, femoribus viridibus. Long. 40 mm.
Hab. Sumatra.
M. Henri Deyrolle a décrit et figuré dans les Annales de la
Société ‘entomologique de France (Série 4, Tome 2me pag. 537,
pl. 11 f. 4) une espèce nouvelle de Chrysochroa, qu'il a dédiée a
M. le comte de Castelnau sous le nom de Custelnaudi. * Le mu-
séum de Leide possède une variété de cette espèce, trouvée dans
l'île de Sumatra, plus noire en dessus à bande jaune bien plus
large. Avec la variété de cette belle espèce M. Ludeking nous
fit don d’une autre espèce inédite, non moins remarquable que
je me fais un devoir de lui dédier. Forme de la Bugueti dont
elle se rapproche. Tête à sillon d'un rouge doré brillant, profon-
dément ponctué et rugueux; vertex d’un bleu d'azur. Antennes
noires à premier article bleu luisant. Milieu du corselet d’un noir
bleuâtre à ligne médiane bleue et bord postérieur verdâtre,
ponetuation peu dense; côtés très-granuleux d’un rouge doré.
Elytres irregulierement ponctuées à la base, plus densément et
finement depuis le premier tiers, à quatre côtes faiblement élevées ;
1 L'orthographie eut désiré Castelnavi.
11
162
leur couleur d’un bleu d’indigo. Elles sont traversées dans leur milieu
par une large bande d’un jaune pâle atteignant les bords. Dessous
de la tête bleu à reflets verts. Poitrine d'un jaune verdâtre doré
à villosité jaune abondante. Abdomen jaune. Pieds d’un bleu
luisant, à hanches et dessous des cuisses d'un vert doré.
De Sumatra.
29. Chalcophora pyrothorax, Voll.
Chale. capite et pronoto pur pureis, elytris purpureo-fuscis, in singulo
foveis 4 pubescentibus, subtus viridi-aenea. Long. 14—23 mm.
Hab. Borneo.
Espèce voisine de l’Arrogans Boisd. Tête à fosse frontale pourpre,
fortement ponctuée, à vertex noirâtre. Antennes noires aux
_ premier et second articles bronzés. Corselet fortement ponctué à
ligne dorsale glabre, d’un rouge pourpre foncé. Écusson transversal
petit, noirâtre. Elytres à stries relevées, séparées par des rangées
de points enfoncés irrégulières ; bord latéral dentel& en scie passé
le second tiers. Sur chaque élytre se voient quatre fossettes assez
larges, pubescentes, placées comme chez V Arrogans. Couleur des
élytres un rouge vineux, tirant au pourpre à l’entour de l’&eusson
et sur la suture. Dessous du corps et pattes d'un vert noirätre
bronzé.
Découvert par M. Schwaner dans l’île de Borneo.
30. Chalcophora pyrostictica, Voll.
Chale. viridi-aurata, elytrorum maculis duabus aurato-purpurets.
Long. 32 mm.
Hab. Sumatra.
Forme de la Smaragdula F; couleur générale d’un vert doré
brillant, plus jaunâtre sur les élytres. Fosse frontale trés-profonde ,
rugueuse latéralement. Antennes noires; leurs deux premiers articles
x Age
d'un vert doré. Corselet aplati au milieu, à côtés déclives,
163
ponctué au disque, sillonné et rugueux latéralement, à deux fos-
settes devant les angles postérieurs. Élytres très-irrégulièrement
ponctuées, à cing côtes peu élevées, très différentes en longueur,
dont seulement la seconde en comptant de la suture parvient à
Vapex. Bord latéral dentieul& en scie, en commençant du second
tiers de l’élytre. Une assez grande tache d’un pourpre doré entre
les 3e et De cotes passé le milieu; apex cuivreux. Dessous en-
tièrement d’un vert doré.
Découvert par M. Müller dans l’île de Sumatra.
31. Chalcophora amabilis, Voll.
Chale. viridis, pronoti canalicula et linea media purpurea, elytris
subelathratis, foveolis numerosis pallidioribus aut viridi-cupreis.
Long. 22 mm.
Hab. Japonia.
Forme de la Smaragdula F.; couleur générale d'un beau vert
d'herbe, brillant. Front faiblement sillonné, pubescent, ponc-
tué; antennes noires, leur premier article vert. Corselet d’un
vert cuivreux à ligne médiane pourpre. Deux dépressions longi-
tudinales profondes vers les bords latéraux; ponctuation très-
grossière, disposée par 4 rangées de points de chaque côté; une
fossette devant l’écusson. Celui-ci très-petit, rond. Élytres allon-
gées, denticulées au bord extérieur passé le milieu. Quatre côtes
longitudinales, dont la première, se joignant à la seconde,
atteint l’apex; entre les côtes le fond est échiqueté de fossettes
ponctuées d'un vert plus jaunàtre ou bien entièrement doré.
Quatre de ces fossettes sont bien plus grandes que les autres et
remplies d'une villosité jaunâtre. Dessous à ponctuation éparse et -
grossière; couleur verte un peu cuivreuse.
Cette jolie espèce a été rapportée du Japon par le Colonel
von Siebold.
IE
164
32. Chrysobothris pulcherrima, Voll.
Chrys. viridis nitida punctatissima, angulis pronoti posticis ma-
cula rufo-aurea notatis, elytris migrocyaneis, singulo maculis
quatuor viridibus. Long. 15—18 mm.
Hab. Sumatra et Banca.
On n’a encore découvert que peu d’especes de Chrysobothris
aux Indes Orientales; celle ci et la Gratiosa Gory, espèce très-
voisine, en sont les plus belles à ma connaissance. Tête grosse
d’un vert brillant, fortement ponctuée et rugueuse; yeux très-
grands, se touchant presque sur le vertex; antennes à premier
article assez gros, ponctué, d’un vert doré, les suivants d’un noir
bleuâtre. Corselet court et large à ponctuation forte et serrée, aciculé
le long du bord d’une tache d’un pourpre doré, placée aux angles
postérieurs. Ecusson vert, lisse. Elytres larges, aplaties, densé-
ment ponctuées, denticulées en scie au bord extérieur, d’un bleu
très-foncé; deux traits près de l'épaule, une tache anguleuse au
milieu et une autre plus petite un peu en arrière de celle-ci,
enfin la suture près de l’écusson, d’un beau vert. Dessous du
corps à ponctuation réticulée; vert à bords des anneaux de l’ab-
domen bleus. Pieds verts à jambes bleuâtres et tarses bleus;
cuisses de la première paire très-grosses, denticulées en dessous,
bleuâtres au côté antérieur.
M. le docteur Müller a découvert cette espèce dans l’île de
Sumatra; depuis M. van den Bossche nous en envoya un indi-
vidu de Banca.
33. Rhinoscapha batjanensis, Voll.
Rhin. fusconigra, supra subtiliter, subtus dense squamis argenteis
vestita, elytris rude striatopunctatis, maculis duabus majoribus,
plurimis parvis et fascia transversa angulosa argenteis aureisve
Long. 18—22 mm.
Hab. Batjan, et Kajoa in Halmaheira.
Espèce assez variable quant à la forme et la quantité des taches
argentées ou doreés sur les élytres. Tête répondant en tous points à la
165
description que donne M. Lacordaire (Gen. des Coléopt. VI, p. 126),
peu couverte de squamules, excepté en dessous et au bout du
rostre. Menton à quelques soies blanches plus longues que celles
qui garnissent la poitrine, l’abdomen et les pieds. Second article
du funicule des antennes guères plus long que le premier. Prothorax
à impressions irrégulières, peu profondes sur le dos, à poils épars
très-courts, à une ligne latérale blanche, quelque peu argentée.
Élytres à stries de gros points enfoncés; une tache sous le cal-
lus huméral, une autre un peu en arrière et plus près de la
suture, une ligne latérale de la longueur d’un tiers de l’élytre,
faisant un angle et s’avangant transversalement, puis se courbant
obliquement vers la suture. Ces taches et la ligne, ainsi que plu-
sieurs gouttes éparses sur l’élytre sont composées de squamules
argentées ou dorées. Dessous et pattes densément revêtus de
pareilles écailles, mélées à d’autres de couleur cendrée.
Cette espèce parait trés-commune dans l’île de Batjan; on la ren-
contre aussi au district de Kajoa en l’île de Halmaheira.
34. Rhinoscapha Dohrnii, Voll.
Rhin. nigra, squamis viridi-argenteis vestita, capite supra, pro-
noti dorso et elytrorum macula communi trifurcata magna rosaceo-
squamulosis et lineis curvis punctisque denudatis insignitis. Long.
20—26 mm.
Hab. Morotai.
De la même forme que la précédente, entièrement couverte
d’écailles à l'exception de points et stries vermiformes sur la tête
le dos du corselet et une partie des élytres. Les antennes sont
squamifères jusqu'à la massue. La couleur des écailles a une
teinte cuivreuse tirant au rose sur la tête, sur le dos du prothorax
et sur une tache trifurquée qui, prenant naissance au milieu des
élytres, s’avance en trois pointes jusqu'à l’écusson et aux callosités
humérales. C’est dans cette tache que se trouvent les points et
stries vermiformes noirs. Les pieds ont une couleur agathe métal-
lique, tachetée de noir. Tout le reste du corps et des élytres est
166
couvert d’écailles d'un verdâtre argenté brillant. Chez les indi-
vidus les plus petits que je soupçonne être des mâles, la couleur
argentée est plus verte et la tache sur les élytres d'un rouge
brunâtre; en outre elle se prolonge en trois lignes longitudinales
touchant presque le bout de l’élytre.
Cette superbe espèce a été envoyée de l’île de Morotai par
M. Bernstein; je me fais un plaisir de la dédier à mon ami
M. le docteur C. A. Dohrn, président de la société entomologique
de Stettin et coléoptérologiste renommé.
85. Danae! lunulata, Voll.
Danae nigra sub-opaca, maculis aureis sparsa, lunula aurea basali
in singulo elytro. Long. 22 mm.
Hab. Morotai.
Cet insecte me semble nécessiter la création d’un genre nou-
veau, tenant è la fois du groupe des Pachyrhynchides et de celui
des Geonomides. Rostre plus long que la tête, assez robuste,
mais bien moins large que chez les Pachyrhynchus, faiblement ar-
qué, dilaté et déclive au bout, avec un sillon court au devant
de chaque oeil, mais sans sillon médian. — Antennes longues,
médiocrement robustes; scape en massue au bout, n’atteignant
point le bord postérieur des yeux. Prothorax sans vibrisses. —
Écusson distinet. — Elytres notablement plus large à leur base
que le prothorax, anguleuses aux épaules à callus très-saillant,
pointues et mucronées à l’extrémité. Hanches antérieures contiguës ,
les intermédiaires séparées. Corbeilles des jambes postérieures
écaillenses; crochets des tarses libres. — Corps oblong, ailé.
Voici la description de l’espèce. D'un noir presque mat, un peu
plus luisant à la base du prothorax et des élytres. Bout du rostre
à cils blonds; antennes noires, aussi longues que la tête et le
prothorax ; bord intérieur des yeux à écailles dorées. Corselet
cylindrique, resserré vers le bord antérieur; une impression peu
visible en devant de l’écusson; trois taches latérales de chaque
1 Le nom Danae fait allusion aux gouttes d'or qui semblent couvrir l’insecte.
167
coté du prothorax , une ligne courbe au devant des hanches et un trait
derrière l'oeil, composées d’écailles dorées. Ecusson squamifere doré.
Elytres à lignes de points enfoncés assez distancés, s’affaiblissant
vers l’apex; une lunule basale, une tache costale, la moitié du
bord latéral, trois taches sur le disque et trois lignes vers l’ex-
trémité, formées d’écailles dorées. Mésothorax à trois et metatho-
rax à cinq taches dorées. Bords des anneaux du ventre dorés.
Pieds noirs à courtes soies blondes.
M. Bernstein a découvert à Morotai l’unique individu que pos-
sède le Muséum.
36. Eupholus aurifer, Voll.
Eupholus niger squamulis viridi-micantibus hic illuc teatus, elytro-
rum fasciis duabus et macula apicali vittato-auratis. Long. 22 mm.
Hab. Ceram.
Espèce peu brillante, voisine de la Schönterri. Tête noire: cotés
du rostre, bords des yeux et dessous de la tête couvert d'écail-
les dorées. Antennes à scape noir en dessous, couvert d'écailles
dorées en dessus; funieule très-écailleux et herissé de soies blan-
ches, massue noire. Prothorax noir, écailleux seulement dans les
excavations, aux cotés et en dessous. Ecusson très-petit, doré.
Elytres à stries de points enfoncés, très-gros, remplis d’écailles
d’un vert métallique. Deux bandes formées par des écailles dorées,
interrompues par des lignes longitudinales noires, traversent les
élytres, l’une à la base, l'autre au milieu ; dans la déclivité, faisant
suite à la saillie costiforme on aperçoit une tache dorée, presque trian-
gulaire. Dessons du corps noir, chétivement recouvert d’écailles
dorées, de même qu’une partie des pattes. Bout des cuisses ante-
rieures en dessous d'un bleu d'azur; une ligne de même couleur
sur le dessus des cuisses postérieures. Deuxième et troisième articles
des tarses densément écailleux et dorés.
M. Bernelot Moens donna au Muséum un individu de cette espèce,
trouvée à Wahaai, sur la côte méridionale de l’île de Céram.
168
37. Eupholus vilis, Voll.
Eupholus niger, squamulis glaucescentibus aut cinerers textus, pro-
noti dorso vermiculato, elytrorum parte media undulato-subcostata.
Long. 20 mm.
Hab. Sumatra.
Espèce intermédiaire entre les genres Rhinoscapha et Eupho-
lus, ayant les antennes assez longues et le prothorax du premier
avec les élytres plus parallèles et munies d’une saillie costiforme
du dernier. Ecailles de la tête d’un cendré bleuâtre, celles des
antennes d’un gris cendré; soies des dernières blanches. Dos
de l’écusson couvert de rugosités dénudées d’écailles et par con-
séquent noires; cotés à points enfoncés entre ces sillons, égale-
ment noirs. Elytres densément recouvertes d’écailles glauques ou
cendrées, à l'exception de 10 lignes longitudinales pour chaque
élytre et de trois côtes sub-ondulées; la première et la seconde
de ces côtes commencent à quelque distance de la base, la troisième
au callus huméral ; celle du milieu s'arrête à la déclivité de l’élytre,
les deux autres sont encore plus courtes. Dessous et pattes densé-
ment recouvert d’&cailles glauques et cendrées.
M. Ludeking prit deux individus de cette espèce dans l’île de
Sumatra.
38. Pachyrhynchus Forsteni, Voll.
Pach. violaceo-ater nitidus, elytris alboquitatis, guttis in 4 fascias
dispositis. Long. 15 mm.
Hab. Ternate, Halmaheira et Sumatra.
Cette espèce me semble assez voisine du Mouiliferus, mais
elle est bien plus grande. Couleur générale un noir violet, plus
ou moins luisant. Une tache d’écailles blanches sur le front; deux
autres, formées d’écailles et de cils blancs derrière la base des
antennes. Corselet à marge antérieure blanche, deux fois inter-
rompue; deux taches triangulaires sur la base et une ligne laté-
rales blanches. Elytres à quatre rangées transversales de gouttes
169
blanches, les deux premières très-obliques vers le bord latéral.
La première se compose sur chaque élytre de 4 gouttes, la seconde
de 7 ou 8 gouttes et d'un trait; la troisième de trois gouttes, la
quatrième d’un trait et d’un point. Dessous du corps à dix
taches blanches.
Je dédie cette espèce à la mémoire de feu le docteur E. A. For-
sten qui la découvrit à Ternate, où elle semble assez abondante.
On la trouve en outre à Sumatra et au Halmaheira septentrional.
39. Pachyrhynchus Morotaiensis, Voll.
Pach. ater, nitidus, pronoti marginibus, elytrorum fasciis duabus
guttulisque nonnullis cinerascentibus. Long. 12 mm.
Hab. Morotai.
| Tres-voisine de la précédente, mais plus petite et surtout bien
plus grêle. D'un noir profond et luisant. Une tache quarrée sur le
front et une sous chaque oeil squamuleuses. Deux bandes au bord
antérieur et postérieur du corselet écailleuses, se joignant près des
hanches. Sur les élytres deux bandes, dont la première interrompue,
la seconde un peu plus large , et 5 à 6 taches sur la déclivité, écail-
leuses. Toutes ces écailles sont blanches avec des reflets opales
et nacrés. Les deux bandes des élytres se retrouvent sur l’ab-
domen; la première passe entre les quatre hanches postérieures.
Les cuisses ont des reflets violets et les jambes des teintes ver-
dâtres.
L'espèce a été découverte dans l’île de Morotai par M. Bernstein.
40. Episomus Stellio, Voll.
Epis. squamulis parvis viridibus aureisque dense vestitus, capite,
villa media pronoti et elytrorum sutura fuscis, elytris valde
convexis, subglobosis, clathratis. Long. 20 mm.
Hab. Sumatra.
Corps probablement noir, densément revêtu d’écailles dont la
plupart d’un vert blanchätre. Tête, deux lignes parallèles sur le
dos du prothorax et la suture des élytres couvertes d’écailles bru-
170
nes. Antennes cendrées à massue noirâtre. Corselet à sillon pro-
fond passé le premier tiers, très rugueux en delà latéralement ; sur
les côtés on aperçoit les vestiges d’une ligne latérale brane. Elytres
très-rélevées sur le dos, presque gibbeuses, à côtes longitudinales
peu élevées, séparées entr’elles par des rangées de fossettes ocellées.
Sur la suture et les côtes l’on remarque une quantité d’assez
grandes écailles isolées qui font ressembler les élytres à une
etoffe piquée. La vestiture latérale est mélangée de très-petites
écailles dorées. Dessous du corps et pattes densément recouverts
d'écailles jaunes, rougeâtres, cuivreuses ou dorées. Jambes un
peu brunâtres; dernier article des tarses bruns.
Pris dans l’île de Sumatra par M. Ludeking.
EXPLICATION DES FIGURES.
Pl. 9. Fig. 1. Hexarthrum nodicorne.
2. Onthophagus Schwaneri.
3. Parastasia pileus.
4 7 ephippium.
5. Trichogomphus Alcides.
6. Clinteria vidua. !
Pl. 10. Fig. 1. Macronota Ludekingii. *
2. Schizorhina sanguinolenta.
DI " flammula.
EN
. Euryomia Forsteni.
2 sumatrensis.
. Macromia flavoguttata.
PUA Pig d 2. Catoxantha hemixantha.
Vv © u
. Chrysochroa Ludekingii.
. Chalcophora pyrostictica.
” amabilis.
Pl. 12. Fig. 1. Rhinoscapha Dohrnii.
. Danae lunulata.
. Eupholus aurifer.
. Pachyrhynchus Forsteni.
ut > WD HY oO da
. Episomus stellio.
1 Le lithographe a malheurensement exagéré la largeur de ces deux figures.
S.v.V
fec
1 Hexarthrum nodicorne.
2 Onthophagus Schwaneri.
3 Parastasia pileus
4
5
6
Parastasia ephippiu m.
Trichogomphus Alcides.
Clinteria vidua.
RIS
PI. 10
Macronota Ludekingn 4 Eurvomia Forstent
È à
> n) Sumatrensis
Schizorhina sanguinolenta
Go I —
‘flammula, var > Macroma flavoguttata.
PIE
S v.V. Fec AWW. lith
1 & 2 Catoxantha hemixantha, 4 Chalcophora pyrostictica .
3 Chrysochroa Ludekin gu . 5 5 ämabilıs.
B1212:
VV. fec AJW hth
1 Rhinoscapha Dohrnii. 4 Pachyrhynchus Forsteni. i
2 Danae lunulata. 5 Episomus Stellio.
3 Eupholus aurifer.
Di. |
Tea
HEEFT SWAMMERDAM DE
KIKVORSCHEN ONDER DE INSEKTEN GERANGSCHIKT ?
Na eenige opmerkingen over de onmerkbare overgangen van
de eene klasse van dieren tot de andere te hebben meégedeeld ,
zegt Th. Lacordaire: “Cela est vrai, surtout pour chaque organe
considéré isolement, de sorte qu'en se servant d’un seul pour
caractériser une classe ou un groupe quelconque, ou court ris-
que d’arriver aux rapprochemens les plus bizarres. L'histoire de
entomologie en fournit une foule d'exemples, et pour n’en citer
qu'un seul, l’un des plus grands anatomistes qui aient existé,
Swammerdam, employant la métamorphose pour base de sa clas-
sification des Insectes, a réuni à ces animaux un animal vertébré,
la grenouille, attendu qu'avant d'atteindre son dernier état, elle
passe par celui de têtard. Si une erreur aussi forte a pu avoir
lieu, ete.” (Zutroduction à lEntomologie, Tom. I, p. 3 et 4.)
Is dit waar, dan moet het ons zeker tot een waarschuwend voor-
beeld strekken, hoe een groot man kan dwalen; zoo neen, dan
moet de smet worden weggevaagd.
Ik beantwoord de vooropgezette vraag met neen. Zie hier mijne
gronden.
Dat Swammerdam eene klassificatie van de insekten heeft
willen geven, betwijfel ik zeer. Uit geen zijner werken blijkt het.
Bij voorkeur en onvermoeid hield hij zich bezig met de “klyne
Dierkens,” en het kon niet anders of hunne gedaantewisseling
moest opzettelijk zijne aandacht trekken. Deze metamorphosen her-
172
leide hij tot eenige groepen of orders, waaronder men alle wijzi-
gingen der opvolgende uiterlijke gedaanten, naar zijne meening,
mogt samenvatten. Hij gaf in één woord een overzigt der meta-
morphosen en merkte tevens aan, dat eenigen geene gedaante-
wisseling vertoonen.
Deze opvatting blijkt waar te zijn uit de “Dilucidatio quatuor
ordinum, qui in Insectorum Naturalibus Mutationibus observan-
tur,” te vinden in “J. Swammerdammii Historia Insectorum Gene-
ralis p. 169 seqq.,” waarmeé vergeleken moet worden wat uit-
voerig op het titelblad staat. Hij drukt duidelijk uit, dat hij de
metamorphosen tot vier orders brengt, als hij zegt: “Omnes In-
sectorum Mutationes ad quatuor ordines distinetos summa industria
deseriptos revocantur:’ en: “Specialia cujusvis ordinis exempla
figuris illustrantur.” Zie Tab. VII—XI. Hist. Ins. en Tab. 1,
12, 16, 33, 38. Bibl. Nat.
Al wilde men aannemen, dat Swammerdam bedoelde, zoo als
Lacordaire het ook Tom. II. 635, doet voorkomen, dat de ento-
mologen de insekten uitsluitend in de vier metamorphose-orders
zouden schikken, dan nog blijft het onjuist, te beweren, dat
hij de kikvorschen onder de insekten rangschikte.
Op den titel van genoemd werkje staat te lezen: “Summa in
singulis harmonia, quae et sanguineis Animantibus, nee non Plantis
conspirare, itidem figurarum ope, specialibus exemplis docetur.”
Dát “singulis” slaat op de “Inseetorum metamorphoses,” en het
is dus onmiskenbaar, dat insekten, toen “bloedelooze Dierkens”
genoemd, niet met de “bloedrijke Dieren’ werden verward, maar
er slechts eene vergelijking tusschen beiden en ook met de plan.
ten bedoeld werd. Wie nog twijfelt, leze: “Quin imo, si compara-
tionem instituere velimus inter animalia sanguine praedita, et haec
insecta exsanguia, nullam omnino differentiam ratione incrementi
et augmenti membrorum inter haec et illa reperiemus: apertissi-
mum hujus rei exemplum videre est in rana,” q. s. (L. 1. p. 25).
Of men sla den “Bijbel der Natuur” DI. IL. bl. 875, op, waar
staat: “Algemeene Vergelijkinge en Overeenkominge der veran-
deringen ofte Aangroeijingen in deelen en ledematen; soo, van de
173
Eijeren, Wurmen, Popkens, ofte de Bloedelooze Dierkens” onder
malkanderen: “als met die van een uyt de Bloedrijke Dieren,
ende met de Planten, in het bijzonder.” Onder dit opschrift vindt
men op die dwarsche bladzijde zeven kolommen: boven de vijf
eerste staat telkens de naam van de “metamorphose-orde (voor
de 3de orde zijn twee kolommen), boven de zesde staat niets
dan “De Vorsch’’, boven de zevende “Den Angelier”’. Derhalve geene
rangschikking van den kikvorsch onder de Insekten. Verg. Bibl.
Tab. 46. Lacordaire had bijna even goed kunnen beweren, dat
onze groote landgenoot de angelier tot het dierenrijk heeft wil-
len brengen.
Wie het lust kan op meer plaatsen, dan de door mij aange-
haalde, de bevestiging van het beweerde vinden. Ik herinner nog
aan deze merkwaardige woorden, (Bijbel d. N. I. bl. 6): “Sijnde
deze verandering (van raps tot vlinder) daarenboven niet anders
als die van een Kuyken, hetwelke niet verandert in een Hoen,
maar aangroejende in leedematen soo wort het een Hoen: ofte
ook als die van het jong van een Vorsch, hetwelk niet veran-
dert in een Vorsch, maar aanwassende in leedematen zoo wordt
het een Vorsch.’ Zou men diensvolgens het hoen ook tot de
insekten moeten brengen ?
Oliger Jacobaeus zeide teregt: “Swammerdammius genesin rana-
rum per metamorphosin fieri nervose demonstrat, planeque ut in
familia insectorum, contingere, plantarum exemplo rem eandem
illustrans semen suam habentium, unde pullulant, ubi germen
foliaque tenerrima in se convoluta delitescunt, posteaque expli-
cantur: ut tanto naturae serutatore dignà similitudine elegantius
nil fingi queat. Zie De Ranis Observationes. Accessit C. Bartho-
lini Th. F. de Nervorum usu in motu musculorum Epistola. Parisiis
1676, pag. 9.”
Cr. MULDER.
QUELQUES REMARQUES
SUR LE
CATALOGUE DES LEPIDOPTERES D'EUROPE
ET DES PAYS LIMITROPHES
DE MM. STAUDINGER ET WOCKE,
PAR
M. P. C. T. SNELLEN.
La lecture du susdit catalogue a donné lieu à quelques remar-
ques, que je prends la liberté de communiquer ici. Les raisons
qui m'ont décidé à les publier sont d’abord l'invitation des auteurs,
exprimée à la fin de leur préface et le désir de contribuer par
mes remarques, bien que peu importantes, à rendre cet ouvrage
aussi parfait que possible. Il est composé avec tant de soin qu'il
est vraiment du devoir de tous ceux qui s'y intéressent, de
concourir avee ses auteurs pour tächer de le débarrasser des
fautes légères qui pourraient s’y trouver encore et d'augmenter
ainsi son utilité, specialement en vue d'une seconde édition qui,
à ce que j'espère, sera bientôt nécessaire.
Je me suis aussi permis de dire mon opinion sur les principes
qui ont dirigé les auteurs dans la composition de leur ouvrage
et particulièrement sur les règles de la nomenclature. Il est de la
plus haute importance que celle-ci repose sur des bases inébran-
lables et saines et selon moi on a jusqu'ici travaillé encore
trop souvent dans une direction fausse.
Peut-être sous plusieurs rapports ma manière de voir n'est pas
la bonne, mais j'espère alors qu'on aura la bonté de m'éclairer.
175
En premier lieu, je ne puis qu’approuver que les auteurs ne
se soient pas bornés à ne nous donner que la liste des espèces qu'on
rencontre dans les limites géographiques de l’Europe, mais qu’ils
se soient proposés de tracer dans leur catalogue le tableau de la
faune lépidoptérologique entière, connue sous le nom d’européenne.
D'abord les limites de notre partie du monde étant très incertaines
dans l’est et le sudest, ceci nous oblige déjà à n’être pas difficile
dans l’octroyement du droit de citoyen européen et quand on
envisage la question sous le point de vue zoologique, il est évi-
dent que la faune lépidoptérologique de l'Europe n’est qu’une
subdivision de celle qui paraît s'étendre sur presque toute la
partie septentrionale de l'ancien continent. Ce qui nous est connu
des lépidoptères du nord de l'Asie, des régions caucasiennes ,
de l’Asie Mineure et même de la Syrie nous fait voir en général
les mêmes types qui se trouvent en Europe et aussi les lépidoptêres
du Groenland et du Labrador avec lesquels nous venons de faire
une plus ample connaissance par les travaux de MM. Staudinger et
Möschler, nous montrent encore les mêmes formes qui nous environ-
nent; tout porte le cachet européen, les espèces nouvelles complètent
les anciens genres et ce n’est que rarement que quelque espèce
à aspect exotique vient, pour ainsi dire, troubler l'harmonie.
Une grande quantité des espèces qui habitent l’Europe se retrou-
vent même dans ces régions lointaines et constituent la majorité de
leur faune lépidoptérologique, souvent sans présenter des variations.
“Je ne doute point que des explorations ultérieures confirmeront
encore cette opinion, qui d’ailleurs est partagée par la plupart
des lépidoptérologistes actuels. Les explorations nous feront aussi
connaître les limites de notre faune lépidoptérologique, pour
le moment encore mal définies. Peut-être nous venons déjà de les
trouver pour une certaine partie de lAsie septentrionale; du
moins les nombreuses espèces nouvelles récemment découvertes
dans les régions de la rivière de l’Amur, parmi lesquelles les
genres exotiques occupent une grande place, semblent indiquer
que la faune lépidoptérologique européenne finit aux sommets
des montagnes qui séparent la Sibérie de ces contrées.
176
J'aurais cependant voulu que les auteurs eussent aussi admis les
lépidoptères de l'Afrique septentrionale dans le cadre de leur
ouvrage. Les raisons qui les en ont fait exclure, ne me semblent
pas de grande importance. Que nous ne connaîtrions qu’une très-
petite quantité des espèces qui habitent ces contrées, n'est pa;
tout à fait exact et ne peut aussi jamais en justifier l'exclusion
Je me permets d'appeler l'attention de Mr. Staudinger sur l’article
de Mr. Zeller sur la partie lépidoptérologique de l'ouvrage intitulé :
Exploration Scientifique de l'Algérie dans la Stettiner Entomolo-
gische Zeitung de 1854 p. 280 ete.; il verra que l’on mentionne
dans cet ouvrage plus de 150 espèces découvertes dans le nord
de l'Afrique. A la vérité ce n’est guères beaucoup, mais nous n’en
connaissons pas même autant du Groenland et du Labrador, et
ce qui est important, parmi ces 150 espèces , il n’y en a que peu
de nouvelles et celles-là viennent encore pour la plupart se ranger
dans des genres purement européens. Aussi la conclusion tirée de
l'étude de cet ouvrage par Mr. Zeller c’est que la faune lépidop-
térologique du nord de l'Afrique ne diffère pas d'une manière
appréciable de la faune de l’Europe et qu'évidemment elle ne
peut pas en être séparée.
Quant au système suivi, les auteurs ont adopté les meilleures
classifications récentes; ceci cependant est un point de moindre
importance dans un ouvrage de ce genre. De même je ne puis
qu’applaudir aux principes énoncés par Mr. Wocke quant à l'ap-
plication des règles de la priorité et j’eusse bien souhaité que
Mr. Staudinger eut accepté les vues de son colloborateur sur
l’invariabilité des noms spécifiques qui me paraissent les seules
vraies; car si l’on pose en principe qu'il est permis de corriger
les noms spécifiques publiés, on ouvre en vérité la porte à toutes
sortes de changements arbitraires et peu à peu on arrive à une
confusion extrème. Je ne puis nier que quand on prétend faire
des noms Grees on Latins, il faut les construire selon les règles
de ces langues, mais entreprendre de corriger la foule des noms
qui par l'ignorance ou la légèreté des auteurs sont créés fautifs,
vraiment, le remède me paraît pire que le mal. Une nomenclature
Eid
stable voilà ce qui nous faut, laissons là la philologie et posons
en principe que les noms spécifiques doivent être à l’abri de toute
altération et que sous aucun prétexte il ne sera permis d’y faire
des changements, même les plus légers, soit parce qu'on les croit
mal orthographiés, soit pour les rendre plus significatifs, soit
pour les rendre euphoniques ou même pour les façonner aux
noms géneriques. Ceux-là au contraire, d’une existence souvent
si éphémère, doivent se conformer aux noms spécifiques et si l’on
ne peut pas y parvenir il faut plutôt se résigner à prendre des
noms arbitraires, sans signification, qui puissent s'adapter à tous
les noms spécifiques, dans le genre de ceux qu’ Ochsenheimer a
adoptés pour certains genres de ses Noctuelles comme Polia,
Apamea, Orthosia et Caradrina dont le premier me semble tout-
à-fait sans signification, tandis que les suivants sont des noms de
villes de l'antiquité et le dernier un nom slave de rivière. |
Ces noms génériques se sont cependant maintenus dans le
système jusqu'à ce jour. Dans le courant de mes remarques
j'aurai soin d'indiquer les noms à rétablir, pour peu qu’ils me soient
connus, partout où Mr. Staudinger ne les a pas ajoutés entre
parenthèse.
Mr. Staudinger blame l'usage qui a prévalu jusqu'ici de res-
treindre emploi d'un nom spécifique à une seule espèce dans
chacune des grandes sections des Lépidoptères; il dit que cet usa-
ge ne se laisse pas justifier scientifiquement. Je dois convenir que,
si nous eussions des genres bien établis, je lui donnerais pleine-
ment raison et qu'aussitôt que nous en serons là, il suffira que
le même nom ne revienne pas dans le même genre, mais je ne
crois pas que nous sommes déjà si avancés; au contraire, il me
semble que bien des révolutions se feront encore dans notre sys-
tême. C’est à peine qu’on est parvenu à établir quelques sections
bien tranchées, même si l’on ne tient compte que des lépidoptères
d’ Europe et ainsi la coutume des lépidoptéristes, blâmée par Mr. Stau-
dinger, de n’employer le plus souvent que le nom de la section et de
l'espèce en négligeant de citer le nom générique se trouve justifiée
à mon avis; il est tout naturel. Les changements continuels dans la
12
178
classification et la eréation de la multitude des genres peu naturels
qu'on voit surgir de toutes parts, fait qu'on aime mieux s'en tenir
à quelque chose de connu et de fixe. Quant à l'observation de
Mr. Staudinger qu'il y a des espèces que le nomenelateur le plus
hardi n'oserait jamais réunir dans le même genre, on pourrait citer
des exemples du contraire.
Je pense done que provisoirement on fera mieux de s'en tenir
à l’ancienne manière et de n’employer pas deux fois le même nom
dans les grandes sections: toutefois en ayant bien soin de noter
le nom remplacé à côté du nom nouveau, afin que le premier ne
tombe point dans l'oubli et puisse rentrer dans ses droits aussitôt
que le système sera assez achevé pour ne plus avoir à craindre
des reconstructions continuelles. Je pense aussi que la recomman-
dation de ne plus faire usage des noms spécifiques déjà employés
dans la lépidopterologie, n'est pas déplacée ici, on voit à chaque
moment revenir des noms donnés déjà vingt fois; tout ce qui
peut donner lieu à quelque confusion devant être évité avec le
plus grand soin.
RHOPALOCERA.
N°,
6. Thats Polyxena WV. Selon les principes de Mr. Staudinger,
cette espèce devrait porter le nom de Aypermnesira Scopoli,
qui est le plus ancien, car si je ne me trompe pas, le Papilio
Hypermnestra L. n'appartient pas au genre Zerynékia.
17. Doritis Eversmanni Ménétriés. Il y a déjà une Pararga Evers-
manni Eversmann de 1847.
36a. A insérer sous ce numéro: Anthocharis Levaillantii Lucas,
Exploration Scientifique de l'Algérie, Zoologie p. 348 No. 12,
pl. 2, f. 19. — Annales de la Soe. Ent. de France 1850, p. 92
(voyez Zeller, Stett Ent. Zeitung 1834 p. 280 ete).
N°,
179
36b. (?) A insérer Anthocharis Nouna Lucas, Explor. Scient p. 350,
N°. 14 pl. 1, f. 279 — voyez Zeller. 1. c.
63a. A insérer Callidryas Minna Boisd. (ubi ?) — de la Syrie,
64.
83.
99,
154.
voyez Lederer, Wiener Ent. Monatschrift I (1857) pag. 90.
Bhodocera Ikhamni, var. Larinosa Zeller. Cette forme a autant
de droit, selon moi à étre considerée comme une espèce
séparée que la Rhodocera Cleopatra L. voyez Mann, Wiener
Entom. Monatschrift V (1861) p. 157 pl. 2 f. 6 4.
Polyommatus Gordius Esper est Gordius Sulzer, cet au-
teur ayant figuré cette espèce dans son Abgekiirzte Ge-
schichte der Insecten, pag. 146 Tab. 18 f. 7, 8, publié
en 1776.
Genre Cigaritis. A insérer trois espèces du nord de |’ Afrique,
Savoir :
Cigaritis Siphax Lucas, Expl. Scient. de l’Algerie p. 362,
N°. 48 pl. 1 f. 8 79, voyez Zeller, 1. c.
Cigaritis Zohra Donzel, Annales de la Soc. Ent. de France
Ze. Serie, Tome V (1847) p. 528 pl. 8 f. 5, 6. — Lucas,
Explor. p. 364, N°. 9.
Cigaritis Massinissa Lucas, Annales de la Soc. Ent. de France
1850 pag. 99 pl. 2 f. 2.— Explor p. 364 N°. 50.
Lycaena Balkanica Freyer. Est-ce que cette espèce n’est pas
la même que Lycaena Theophrastes Fabricius, cité et figuré
aussi comme habitant l'Algérie par Lucas, Explor. Scient.
de l'Algérie p. 362. N°. 47, pl. 1 f. 6.
. Lyeaena Pheretes Hübner. Mr. Staudinger demande si le nom
Atys Hübner soit à préferer, oui ou non. Je suis d’avis que
si, le nom de A/ys étant publié avant celui de Pheretes.
Lycaena Chiron von Rott. Linné ayant déjà un Papilio Chi-
ron, le nom d’Esper, Wumedon, est préférable.
. Lycaena Adonis W V. Ochsenheimer cite Bellargus von Rot-
temburg, Naturforscher VI St. p. 25 N°. 12 et Thetis p.24 N°. 11.
(la ? ?). Von Heinemann, Schmetterlinge Deutschlands & der
Schweiz I p. 79 adopte le nom de Bellargus. Y -a-t il quelque
raison pour le rejeter ?
127
NO
143.
147.
155.
233.
180
Lycaena Rippertii. Si le nom de cette espèce est écrit Azpar72
chez Freyer, il faut le garder ainsi.
Lycaena Damone Ev. de 1847. — L'Anthocharis Damone
Feisth. est de 1837.
Lycaena Alsus WV. Qu'est-ce qui s'oppose à l’adoption du
nom de Minimus Fuessly, Verzeichniss. Schweiz. Ins. p.31,
N°. 599, accompagné d’une description suffisante et plus
ancien d’une année que celni du Wiener-Verzeichniss ?
Genre Vanessa. Lederer mentionne encore une Vanessa
Oeone, de la Syrie, (Wiener Entom. Monatschrift I (1857)
p. 91 que je ne retrouve pas ici.
. Argynnis Cyrene Bonelli. Mr. Staudinger demande en quelle
année ce nom est publié. C’est en 1826 suivant Mr. Hagen,
Bibliotheca Entomologica. Le nom de Godart, Alisa a done
la priorité.
. Argynnis Adippe WV. Ochsenheimer cite le P. Bereeynthia
Poda, Mus. Graec. p. 75 N°. 38 (de 1761). Est-ce que ce
nom n'est pas accompagné d’une description, ou quelle autre
chose s'oppose à son adoption ?
Damora Paulina Nordm. Suivant Mr. Felder, qui réunit cette
espèce au Genre Argynnis, le nom le plus ancien est Sagana
Doubleday, Genera of Diurnal Lepidoptera, Atlas Tab. 24 f. 1
(1847) (voyez Wiener Ent. Monatschrift VI p. 24).
234a. A insérer: Danais Dorippus Klug et Ehrenberg, Symbolae
241.
245.
Physicae, Decas V. T. 48. (voyez Lederer, Wiener Entom.
Monatschrift. IL. (1858) p. 135 ete. “Noch einige Syrische
Schmetterlinge.”
Melanagria Clotho H. Est-ce que le nom de Zapygia Cyrilli
n'est pas plus ancien ?
Melanagria Thetis aurait à porter le nom d’/zes pour la
même raison pour laquelle cela doit avoir lieu avec le Po-
lyommatus Thetis.
. Erebia Epistygne B. Je erois que le nom de S/ygue Hübner
doit prévaloir.
. Erebia Medea WV. “Blandina steht besser für Medea WV.,
N°.
308.
329.
330.
331.
346.
389,
181
welcher Name schon von Linné für einen Exoten verwendet
war” (Herrich-Schäffer, Correspondenz-Blatt des Zool. Mine-
ral. Vereins VI p. 28.)
Satyrus Agave Esper. Je laisserais à cette espèce le nom de
Hippolyte Esper.
A insérer dans le genre Satyrus: Satyrus Prieuri Pierret
Annales de la Société entomologique de France, tome VI,
(1837) de l'Algérie.
Pararga Deidamia Ev. Il y avait déjà un Papilio (Morpho)
Deidamia Hübner. Verzeichn., de 1816.
Epinephele Lycaon von Rott. Fabricius a aussi un Papilio
Lycaon, selon Mr. Herrich-Schäffer. Quelle espèce a été publiée
la première ?
Epinephele Narica Hübner. Fabricius a déjà un Papilio Na-
rica (de 1793).
Coenonympha Philea Hübner. Le nom de Satyrion Esper,
Ochsenheimer est à préférer.
Cyelopides Steropes WV. Von Heinemann (Schmett. Deutsch-
lands und der Schweiz I, p. 115) a cette espèce sous le nom
de Speculum von Rottemb. Qu’est-ce-qui s’oppose à le suivre ?
HETEROCERA.
A. SPHINGES.
Genre Smerinthus ©.
Est-ce-que les espèces suivantes ne se trouvent pas sur le
territoire de la Faune Européenne?
Smerinthus Argus Ménétriés, Enumeratio corporum animalium
musei imp. Petropol:
Smerinthus Caecus Ménétriès, Enumeratio corporum animalium
musei imp. Petropol:
Smerinthus Dyras Walker. — Ménétriés, Enumeratio corporum
animalium musei imp. Petropol:
NU
182
Sesiides Merrich-Schäffer.
. Sesia Prosopiformis O. “Chalciformis F. alia est species” —
Est-ce aussi une Sesiide ?, en tout cas le nom de Chaleidi-
formis Hübner, que cite Ochsenheimer, est plus ancien que
le sien.
A insérer:
Sesia Sirphiformis Lucas. Explor. Scient. de lAlg. p. 367
note ples Pa
Sesia Buglossacformis Lucas. Explor. Scient. de l’Alg. p. 368
n°. 62 pl. 2 f. 5 a—d,
Sesia Ceriaeformis Lucas. Explor. Scient. de lAlg. p. 369
n°. 63 pl. 2 f. 6. — de l’Algérie. — voyez Zeller |. ce.
104 a. à insérer: Procris Cirtana Lucas Explor. Scient. de VAl-
156.
gérie p. 374, n°. 77 pl. 3 f. 3. — de l'Algérie.
Genre Zygaena F.
Zygaena Meliloti Esp. Je doute que les raisons qui ont détér-
minés Ochsenheimer à rejeter le nom le plus ancien de cette
espèce = Viciae Schranck in Fuessly’s Neues Mag. IT Band
2 st. p. 208 n°. 6, (1785) puissent encore valoir aujourd’hui.
A insérer:
Zygaena Zuleima Pierret, Ann. Soc. Ent. de France VI p. 22,
pl. 1 f. 8. — Lucas, Expl. Scient. de l’Algérie p. 372 n°. 72.
Zygaena Valentini Bruand, Ann. Soc. Ent. de France [Ie serie
T. IV. p. 201, pl! 8 fl) = "Lucas, Expl. Scient. de l'AI-
eerie D. ola, n°. 79.
Zygaena Ludicra Lucas, Expl. Scient. p. 373 n°. 74.
a Cedri Bruand, Ann. Soc. Ent. de France Ile serie,
T. IV. p. 202, pl. 8 f. 2. — Lucas, Explor. Scient. p. 373,
n°. 19. voyez Zeller, ohne:
Dans le catalogue de Heydenreich je trouve encore une Zy-
gaena Wiedemanni Ménétriés entre Mannerheimii Silbermann
et Lavandulae Hbn. Cette Wiedemanni n'est pas citée ici.
N°.
37.
47.
63.
90.
183
B. BoMBYCES.
Lithosia Complana L. Mr. Staudinger cite ici sans ? la Plum-
beola Hb. f. 100. Ceci me semble au moins très-hasardé.
Lithosia Aureola H. Von Heinemann, Schmetterlinge Deutsch-
lands u. der Schweiz, adopte le nom de Sororcula Hufn.
pour cette espèce.
Nemeophila Russula L. Comme le remarque le Dr. Speyer
dans la Stettiner Entom. Zeitung de 1862, cette espèce est
décrite dans la 10e édition du Systema Naturae de Linné
sous le nom de Phalaena vulpinaria et Linné a changé ce
nom dans la 12e ed. dans celui de Aussula. Je ne sais pas
pourquoi, mais si ce n'est que par fantaisie ou parcequ’il
n’a pas reconnu son espèce je ne vois pas de raison pourquoi
on n’adopterait pas le nom de Vulpinaria. L’objection qu’on ne
peut pas assujettir Linné aux lois de la priorité qu'il a faites
lui-même, me semble peu philosophopique. Linné n’est pas
le créateur de ces lois, et en tout cas elles ne lui appar-
tienent pas en propre. Ces lois existaient avant lui, il n’a fait
que les découvrir et quelque éminent qu'il soit, il doit s’y
assujetir comme tout autre, nul n’étant au dessus d’eux.
Genre Callimorpha.
A insérer: Callimorpha Dido Erichson, Bruchstücke zu einer
Fauna der Berberei III p. 209 pl. 9. — Lucas, Explor. Scient.
de l'Algérie III p. 375 N°. 80 (voyez Zeller, au lieu cité
plus haut.
Arctia Maculosa WY. var Simplonica Boisduval. Que la Sim-
plonica Boisd. ne serait qu'une variété de la Maculosa ne
me semble pas encore si indubitable. Un caractère essentiel
de la Simplonica est, comme le remarque le Dr. Boisduval,
que les antennes du ¢ sont bien plus étroites que celles de
la Maculosa J. Il dit “Affinis certe Maculosae, at plane dis-
tincta antennis multo angustioribus.” Je laisse de côté les
autres différences entre les deux formes, elles peuvent pour
NO:
105.
184
la plupart s'expliquer par la différence des localités dans les-
quelles on les trouve, mais que le climat alpestre aurait pour
effet de réduire la largeur des antennes de moitié tandisque les
individus restent d’ailleurs de la même taille, me parait-ineroya-
ble. Je possède des Maculosa typiques, et un individu de
la Simplonica que j'ai reçu de Mr. Lederer, sur lequel la
description de Boisduval s'applique parfaitement et j'aimerais
bien à apprendre si la forme des antennes chez cette espèce
est si variable que le caractère signalé par Boisduval per-
drait son importance.
Spilosoma Mendica L. — Dans l'édition X du Syst. Naturae
Linné n’a pas de Bombyx Mendica. Clerck est done auteur
(Werneburg Stett. Ent. Zeitung 1858.)
Genre Ocnogyna.
à insérer:
Ocnogyna Pierretii Rambur, Annales de la Soc. Ent. de France.
Tome X (1841) p. 205 ete. — de la Sicile — (voyez Zeller
Stett. Ent. Zeitung. 1846 p. 5).
Oenogyna Mauretanicum Lucas, Expl. Scient de Alg. Zoolo-
gie III. p. 376. N°. 81 pl. 3 f. 5. — Annales de la Soc.
Ent. de France, 3e serie. Tome I. p. 414. N°. 7 {voyez Zel-
ler Stett. Ent. Zeit. 1854 p. 280 etc.) — de Algérie.
Ocnogyna Algiricum Lucas, Explor de l’Alg. p. 376 N°. 82
pl. 3 f. 6. — Ann. de la Soc. Ent. de France 3e serie Tome I.
p. 414. N°. 8. — (voyez Zeller 1. c.) — de l'Algérie.
Ocnogyna Atlanticum Lucas, Annales de la Société Ent. de
France. 3e serie, Tome I. p. 414 pl. 13. N°. II fig. 25 — de
l'Algérie.
A insérer entre les Huprepiae:
Hypeuthina Fulgurita Lederer, Verh. des Zool. Bot. Vereins V.
(1855) p. 199 — de la Syrie.
. Cossus Ligniperda F. Mr. Staudinger demande s’il faut rendre
à cette espèce le nom de Cossus Linné. Assurément, quoique
ce soit un usage dans la Botanique d’öter les noms aux es-
pèces pour en faire des noms génériques, c’est un très-mau-
126.
VII.
214.
216.
251.
185
vais usage qui ne se laisserait justifier seulement dans le cas
qu'un auteur aurait confondu sous un nom quelconque plu-
sieurs espèces, appartenant tous au même genre. On pourrait
bien de cette manière débaptiser dans la suite toutes les
espèces connues à présent.
Zeuzera Aesculi L. Ici se présente le même cas que pour
la Nemeophila Russula. Le nom le plus ancien de Linné
est Pyrina.
Psychidae.
Je ne trouve pas cité:
Psyche Casanella Boisduval (in Mus.) Bruand , Monographie 31.
5 Pyreneëlla Herr-Sch. VI T. 40.
= Silesiaca Standfuss. Stett. Ent. Zeitung 1852 T. 4 ete.
ha Heringii von Heinemann Schmett. Deutschl. & der
Schweiz I T. 186 — chez Sieboldiv.
Laria V Nigrum Esp. Est-ce que le nom de Z-Nigrum
Müller (Fauna Fridichsdalina p. 40 N. 360) de 1764, n’est
pas le plus ancien ?
Dasychira pudibunda Linné. Le nom le plus ancien est Sco-
pularia Linné, Clerck.
Lasiocampa Betulifolia O. Si l'on admet chez ? Hu pithecia hos-
pitata Treitschke, que le nom de Zanceata Hübner, Verzeich-
niss, soit préférable, je ne sais pas pourquoi on n’appellerait
pas la Betulifolia O. du nom de 7remulifolia Hübner (Samml.
Eur. Schm. Text p. 148 N. 6) qu'Ochsenheimer cite.
Genre Saturnia.
à insérer:
256 a. Saturnia Atlantica Lucas, Explor. Seient. de l’Algerie, p.
269.
219.
319 N. 91 pl. 3, f. 4 (voyez Zeller, Stett. Ent Zeit. 1854
p. 280 etc.). Le nom d’Aélantica est cependant à changer; il
y a déjà une Ocxneria de ce nom.
Cilia Spinula WV. Si le nom de Auffa Linné est douteux,
celui de Glaucata Scopoli vient encore avant celui du Wie-
ner Verzeichniss.
Notodonta Dictaea L. Cette espèce ne se trouve pas dan®
N°.
314.
38.
186
la 10e édition du Systema Naturae suivant Werneburg, Stett.
Ent. Zeitung 1858 p. 281. “Ueber einige Abbildungen in C.
Clerek's Icones.” Le nom de Clerck, 7remula, (Icones Ins.
rarior. Tab. IX f. 13) — voyez Zeller, Stett. Ent. Zeitung
1853. “Clereks Icones bestimmt’, est done le plus ancien.
Il s'en suit alors que Nolodonta Tremula WV. doit s'appeler
Trepida F.
Je ne trouve pas cité:
Notodonta Unicolorata Sievers, Motschoulsky. Serait-ce la
variété unicolore de la Bicolora ?
. Clostera Reclusa WV. Y-a-t-il quelque obstacle à adopter
pour cette espèce le nom de Pigra Hfn. qui serait le plus
ancien ?
Cymatophora Fluctuosa Hbn. Guenée change le nom en #7x-
minosa S. Je n'ai pas noté pourquoi, mais si c'est parce-
qu'une autre espèce de Noctuides ait été décrite sous ce nom
avant la présente, j’opterais pour le nom de Guenée à cause
de la position un peu ambiguë des Cymatophorides.
C. NOCTUAE.
. deronyeta Euphorbiae WV. Est ce que le? n’est pas mis là
par erreur ?
. Bryophila Raptricula H. Treitschke cite Noctua Pomula Bork-
hausen, Eur. Schm. IV p. 183 N°. 79. Si cette citation
est juste, l'espèce aurait à porter le nom de Borkhausen,
ou celui de Divisa Esper, que Treitschke cite aussi et qui
est de même plus ancien que celui de Hübner.
. Bryophila Fraudatricula Hübner Treitschke cite Noctua Pal-
liola Borkh, Eur. Schmett. IV p. 184 N°. 80 — ce nom
serait le plus ancien.
. Bryophila Receptricula Hbn. Ici encore il y aurait un nom
de Borkhausen plus ancien que celui de Hübner, Noctua
Strigula — Eur. Schm. IV p. 181 N°. 78.
Bryophila Glandifera WV. Doit s'appeler Zichenis Fab.
(Speyer, Stett. Ent. Z. 1862).
187
N°.
63. Agrotis Comes Hübner. Le nom qui convient à cette espèce
est Subsequa, car même si la Subsegua Esper n'est pas le nom
le plus ancien, la Subsegua Borkhausen (Schmett. von Europa
IV p. 102 N°. 40) vient encore avant le nom de Hübner.
Quoique Borkhausen, dont j'ai ouvrage devant moi, con-
fonde dans la synonymie de son espèce la Orbona Hufnagel
et la présente, il décrit parfaitement la Comes Hübner, mais
la chenille qu'il lui donne, est celle d’une autre espèce. Il
paraît ne pas avoir connu la Noctua Orbona Hfn. (Subsequa
Tr.), puis qu'il dit de sa Subsequa: “Der schwarze Fleck
gegen die Flügelspitze hin, welcher der Pronuba so sehr
characterisirt, fehlt hier.”
80. Agrotis Tristigma Tr. Doit s’appeler Ditrapezium Borkh.
puisque Ditrapezium WV. west qu'un synonyme de Trian-
gulum Hufnagel.
95. Agrotis Margaritacea Bkh. Est-ce que de Villers n’est pas
l’auteur de cette espèce ?
123 a. À insérer.
Agrotis Photophila Guenée, Noct. I, p. 302 N°. 498 de l’Al-
gérie, si elle est distincte de Zucipeta.
Agrotis Lipara Rambur, Annales de la Société Entom. de
France 1848 pag. 68. — Guénée, Noct. I, p. 260., de l’Al-
gérie.
Je ne trouve pas cité:
Agrotis Budensis Freyer, Neuere Beitr. III, Tab. 232. —
Inconnu à Herrich-Schäffer.
Agrotis Trifida Fischer de Waldheim, Bulletin de la Soc.
Imp. des Naturalistes de Moscou 1848 (voyez Jahresberichte
über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der En-
tomologie im Jahre 1840).
Agrotis intersita Fischer de Waldheim, Bull. de la Soc. Imp.
des Nat. de Moscou 1839. (voyez Jahresberichte ete. über
1839.
Dans la note en bas de la page 36 il faut lire pour Adum-
brata HS. 639—40. Turbata HS. f. 639—40.
240,
334.
311.
372.
188
Mamestra Chenopodii WV. Treitschke cite Noctua Trifolii
Hufnagel, von hottemburg. Ce nom aurait la priorité.
Genre Episema.
Lucas a dans l’Exploration Scientifique de l Algérie une
Episema Orana (p. 384, N°. 103, pl. 3 f. 7.). Je doute fort
que cette espèce appartienne au genre Episema. — Voyez
Zeller, Stett. Ent. Zeitung 1854, p. 250 etc.
J'ai noté encore.
Episema Pierrelii Bugnion, Annales de la Société Entomolo-
gique de France VI (1837), de la Syrie.
Apamea Desyllesi B. Je crois que ce n’est qu'une variété de
la Testacea. J'ai souvent élevé ce lépidoptère de la chenille
et obtenu entre autres variétés, des individus foncés, qui
s'accordent trés-bien avec la description de la Desyllesi B.,
Guenée.
Hadena Abjecta Hübner. Une variété qui vaut bien la peine
d'être signalée, est /ribolus Boisduval, Guenée. Chez le type
la couleur d'argile domine et il a une certaine ressemblance
avec la Hadena Polyodon Linné, tandis que la variété est entière-
ment d’un gris noirätre et ressemble à une Mamestra Albicolon
Hübner foncée. Dans ce pays-ei la variété est beaucoup plus
commune que le type. On trouve une bonne figure du type
chez Herrich-Schäffer, Syst. Bearb. II, Noct. T. 123 f. 631
N. Abjecta.
Hadena Polyodon L. Suivant Mr. Werneburg (Stett. Ent.
Zeitung 1858, p. 281 etc. “Ueber einige Abbildungen in O.
Clerck’s Icones).” Clerck a été le premier qui a donné le
nom de Polyodon à un lépidoptère de la tribu des Noctué-
lites. Seulement ce n’est pas à la même espèce que Linné
a nommé ainsi, celui-ci ayant appliqué ce nom à l’espèce figu-
rée chez Hübner, Noct. Tab. 17 f. 82 sous le nom de Radi-
cea, tandis que la Po/yodon de Clerck est la Perspicillaris
Linné, Syst. Naturae Ed. 12. 1, 2, p. 849 N. 148 (1766).
Noctua Polyodon Linné ne se trouvant pas dans la dixième
édition du Systema Naturae, qui a paru en 1758—9 (Ha-
N°:
313.
D)
189
gen, Bibliotheca Entomologica) ni la Perspicillaris Linné, à
ce qu'il paraît, il est évident que la Polyodon de Clerck,
qui est de 1759, est plus ancienne que la Po/yodon Linné,
de 1766. Il me semble done que la Perspieillaris Linné doit
s'appeler Polyodon Clerck, tandis que la Polyodon Linné
est à rebaptiser. Monsieur Werneburg dit que cette espèce
doit porter le nom de Radicea WV. (1776), mais je crois
que celui de Monoglypha Hufnagel, Berl. Mag. III Band,
3 St. p. 308. N°. 2 (1767) — von Rottemburg, Naturfor-
scher IX St. p. 128. N°. 62 (1776), que cite Treitschke ,
aurait la préférence.
Hadena Lithoxylea WV. Ici deux espèces sont confon-
dues. Je ne sais pas ce qui est la cause que, nonobstant
que Stephens et Wood et d’autres auteurs anglais les ont
toujours séparées, que Guenée a fait de même et que Herrich-
Schäffer, dans sa Systematische Bearbeitang der Schmetterlinge
von Europa Vol. II, p. 288, indique très-bien les points qui
les distinguent ') ni Mr. Lederer, dans ses “Noctuinen Euro-
pas” ni Mr. Staudinger paraissent avoir fait attention à la
question. L'aspect de la Lithoxylea Hübner Noet. T. 49 f.
240 2 où une des espèces est figurée trés-bien (“sehr gut”
dit aussi Mr. Herrich-Schäffer, 1. e.) les aurait cependant
dû faire soupçonner que les auteurs cités plus haut pour-
raient avoir raison d'admettre deux espèces. Von Heinemann
(Schmetterl. Deutschland’s u. der Schweiz I, p. 320 note bien
qu'on veut voir dans la Swb/ustris Esper HS. une autre espèce
que dans Zitkowylea WV. mais ce qu'il dit des arguments
qui plaideraient pour la différence spécifique de la seconde
me fait supposer qu'il n’a pas lu les descriptions de Herrich-
Schäffer avec attention, autrement il n'aurait pas décrit
justement cette Sublustris Herrich-Schäffer sous le nom de
Lithoxylea. Il est vrai que le mot de “subearnea” dans la
Qu'il se doute cependant de leur différence spécifique me paraît l'effet
d'une opinion préconçue.
383.
384.
190
diagnose que donne Herrich-Schäffer de sa Sublustris est
tout-a-fait déplacé et propre à induire en erreur; il s’appli-
querait plutôt à la Zithorylea HS.
Peut-être que la Zithorylea Herrich-Schäffer, qui est moins
rare dans notre pays que la Sublustris Herrich-Sehäffer, ne
se trouve pas, ou seulement très-rarement en Allemagne, et
babite plutôt la partie occidentale de l'Europe que la partie
orientale. Ceci au moins donnerait l'explication de cette
confusion.
Provisoirement les diagnoses de Herrich-Schäffer en corrigeant
celle de sa Sublustris comme je lai dit, serviront à distin-
guer les deux espèces. De bonnes figures, et un examen
soigneux de la synonymie seraient cependant bien désirables.
Hadena Gemina Hb. “Nous regardons comme type d’une
espèce la forme qui a été publiée la première, quelle que soit
sa patrie ou sa rareté” dit Mr. Staudinger dans sa préface.
Suivant cette manière de voir qui me paraît la seule bonne,
l'espèce que Mr. Staudinger nomme Gemina doit s'appeler
Remissa Hübner, puisque la figure 423 est antérieure à la
fig. 482. Il n'y a aussi pas de raison pour qualifier cette forme
du nom d’aberration; c’est une modification qui se reproduit
régulièrement, quoiqu’elle soit bien plus rare que la forme
nommée Gemina.
Hadena Unanimis (Hb?) Tr. Cette espèce, qui n’est pas
rare en Hollande, a été souvent élevée par moi en quantité
de la chenille, dont on tronve la description et l’histoire
naturelle très exactement chez Treitschke (X. 2 p. 62) et
je puis assurer le plus positivement possible, que les trois
formes, figurées chez Herrich-Schäffer, Systematische Bear-
beitung vol. II Noct. Tab. 114 f. 581 (Unanimis) 582 &
583 (Scortea) appartiennent à la même espèce. Elle parcourt
la même série de variétés que la Madera Remissa Hübner
sa congénère (qui s’en distingue au premier coup d'oeil par
la tache réniforme, toujours éclairée extérieurement de blane
chez la Unanimis et concolore chez la Remissa).
N°.
356.
399.
191
La forme décrite sous le nom d’Unanimis par Treitschke
Sehmett. von Europa X. 2. 62 est figurée chez Herrich-
Schäffer f. 582 N. Scortea, et c'est la plus commune, tan-
disque Unanimis Herr.-Sch. f. 581 et Scortea f. 583 sont
bien plus rares.
Scortea Lederer est aussi à réunir à la Unanimis Tr. Je doute
fort que Hübner puisse passer pour l’auteur de l'espèce,
car en décrivant son Unanimis, Treitschke dit positivement
qu'il tient VUnanimis Hübner pour une variété de la
Gemina.
Il est fâcheux que Treitschke n’ait pas choisi un autre nom
pour son espèce, car je crois que celui qu'il a adopté, est
la cause de la confusion existante. Un autre nom, qui serait
probablement le plus ancien, est dans le même cas, c’est
celui de Secalina Haworth, Stephens (non Secalina WV.). Je
ne puis pas décider la question si la Secalina de ces auteurs
anglais que cite Guenée chez l'Uxanimis Tr. est la même
espèce que celle de Treitschke, n'ayant pas leurs ouvrages
à ma disposition. J’inclinerais cependant vers l’affirmative car
il est certain que la Secalina Wood fig. 265 figure notre es-
pèce d’une manière très-reconnaissable et, comme on peut
regarder Wood comme le commentateur de Stephens, il est
très-probable que la citation de Guenée est exacte. Il ne
resterait done pour | ///yria Freyer que la figure qu’en donne
son éditeur, si toutefois elle n’est pas encore un synonyme
de |’Unanimis Treitschke.
Hadena Oculea L. (?) F. Une variété trés-remarquable est
aussi figurée chez Wood f. 266. Elle est d'un brun très-
foncé, presque noir, à dessins d’un jaune d'or.
J'ai encore noté une //adena trisignata, Ménétriés Bulletin
Physique et Mathématique de l’Académie de St. Petersbourg.
1848. VI Tab. 6 f. 9, qui n’est pas citée ici. Elle serait
du pays des Turcomans.
Dipterygia Pinastri L., figurée chez Clerck, Icones Tab. 1
f. 8 sous le nom de Scabriuseula (Zeller Stett. Ent. Zei-
N».
403.
411.
419.
453.
474.
502.
192
tung 1853 p. 199 ete.) , “Clerck’s Icones bestimmt” dit: “Linné
hat den Namen der Editio X des Systema Naturae, Scabrins-
cula, in der Fauna (Suecica) mit dem Jetzigen (Pénastri)
vertiiuscht.”’ Pourquoi? Mr. Zeller ne le dit pas, mais si c'est
par fantaisie, ou parceque Linné n’a pas reconnu son espèce
primitive, comme Mr. Zeller affirme avoir été souvent le
cas chez Linné (remarque sur la fig. 2. pl. 1 de Clerck)
il n’y aurait aucune raison pour ne pas restituer à notre
Pinastri, d'ailleurs très-improprement nommée ainsi, son an-
cien nom, quelle que soit la vénération que nous ayons
pour Linné.
Chloantha Perspicillaris L. Doit s'appeler Polyodon Clerck,
(voyez ma remarque plus haut, chez N°. 372.
Prodenia Retina Freyer. Le nom de Littoralis Boisd. Fauna
Madagase: est, je crois de 1834. Mr. Staudinger, qui le
cite, devrait alors l’adopter.
Genre Eriopus Tr.
Je trouve encore une Mriopus Aetnea Costa, Atti della Acca-
demia Gioenia 1839, Tomo XV pag. 287—94 con figura
(Hagen, Bibliotheca Entomologica), qui n’est pas eitée ici.
Nyssocnemis Obesa Ev. Je donnerais à cette espèce le nom
de Zedereri HS. à cause de N°. 190. Agrotis Obesa B.
Genre Tapinostola. Une espèce qui appartient peut-être à
ce genre est Nonagria Bondii Knaggs, Transactions of the
Entom. Society of London, New Series vol. V part 8 (1861)
Proceedings p. 133, de l’Angleterre.
Meliana Flammea Curtis deviendrait Dubiosa Tr. à cause
de Trigonophra Flammea Esper.
Lencania Andereggii Boisd. Je préfererais le nom de Valesi-
cola Guenée.
Leucania Extranea Guenée (Unipunctata Haworth?) Peut-on
considérer cette espèce comme européenne ? Elle aurait été
prise plusieurs fois en Angleterre. Voyez Transactions of the
of the Soc. of London, New Series, Vol. V, Proceedings p. 79.
Caradrina Cubicularis WV. Le nom du Wiener-Verzeichniss
NO.
528.
574.
609.
627.
193
n’est certainement pas le plus ancien. Si l’on ne veut pas
laisser valoir celui de Scopoli, Entomologia Carniolica p. 213
N°. 526 Noctua clavipalpis (voyez Zeller, Stett. Ent. Zei-
tung 1855 p. 233. “Die Lepidopteren in Scopoli’s Entomo-
logia Carniolica bestimmt, et Werneburg” Stett. Ent. Zeitung |
1858, p. 148 “Bemerkungen über die Lepidopteren in Sco-
polis Entomologia Carniolica’’) alors celui de Hufnagel, Ber-
liner Mag. III B. 4 St. p. 412 N°. 91. Noctua grisea, que
cite Treitschke, a encore la priorité.
Caradrina Arcuosa Haw. — Airae HS. f. 178—9 n'est pas cette
espèce, mais une variété de la Madera furuncula WV. Ni la
forme ni la couleur de la véritable Arcuosa ne se retrouvent
dans ces figures.
Dyschorista Ypsilon WV. Le nom d’Ypsilon revenant ici
pour la deuxième fois dans la tribu des Noctuélites (vy. N°.
184 Agrotis Ypsilon Hufn.), la présente espèce doit recevoir
un autre nom, celui de Missipuncta Haworth, que cite
Guenée.
. Cirrhoëdia Centrago Haw. Si Xerampelina Hübner est de 1806,
il faut l’adopter.
. Orthosia Rufina Linné. C'est Bombyx helvola Clerck, Icones
Insectorum rariorum Tab. IV, f. 8. — Linné Fauna Suecica
Editio II, N°. 1142. Si cette espèce se trouve aussi sous
le nom de Melvola dans l’edition 10e du Systema Naturae
et que le nom soit changé sans raison valable, elle doit
porter celui de Helvola.
Orrhodia Serotina O. Je serais d’opinion qu’il faut appeler
cette espèce Domiduca Borkhausen.
Xylina Zinckenii Tr. Pourquoi ne rendrait-on pas à cette
espèce le nom le plus ancien, Zamda F ? Treitschke dit: “Dass
ich Noctua Lamda F. hierher und nicht zu Conformis ziehe,
gründet sich auf keine Muthmassung, sondern auf volle Ge-
wissheit.”” Il avait en outre l’original même de la Lamda
Fabr. sur lequel il pouvait constater l'identité de cette es-
pece et de sa Znckemi, et pourtant il la décrit sous le
13
194
NP:
dernier nom. Il est vrai qu'il ne s'inquiétait pas trop des lois de
la priorité et qu'il parait qu'il laissait en général aux espèces
les noms sous lesquels le hasard les lui avait fait connaître.
J'ai encore noté une Aylina Lefevrei Bugnion. Annales
de la Société Entomologique de France VI (1837) que je
ne retrouve pas ici. C’est une espèce de la Syrie.
656. Cleophana Baetica Rambur. Je l’appellerais Penicillata B.,
à cause de la Cladocera Baetica B. N°. 283.
132. Plusia V argenteum Esper. Treitschke dit (Schmetterlinge
von Europa X. 2. 139), que la figure d’Esper et celle de
Hübner (Mya) ont été faites en même temps. Je crois qu’alors
il vaudrait mieux de s’en tenir au nom de Hübner.
140. Plusia V aureum Guenée. C'est certainement une très-
mauvaise espèce. Son auteur doutait déjà de sa validité en
la publiant. On pourra la réunir sans inconvénient à la Jota.
142a. (2) Plusia Ou Guenée. Mr. Guenée dit avoir vu des in-
dividus de cette espèce qui étaient envoyés à Boisduval
comme provenant de la Dalecarlie (Suède). Elle serait alors
européenne.
744. Plusia Daubei Boisd. Aurait à recevoir un autre nom, à
cause de la Orrhodia Daubei Duponchel.
J'ai encore noté Plusia Barthelomaei Ménétriés. Bulletin Phy-
sique & Mathématique de l’Académie de St. Petersbourg XVII
(1859 p. 325 — du Lenkoran — voyez Jahresberichte über
die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der Entomologie
in 1859—60. Peut-on la considérer comme appartenant à
la faune européenne ?
754. Anophia Ramburii Rambur. Suivant Mr. Werneburg “Ueber
einige Abbildungen in Clereks Icones” (Stett. Ent. Zeitung
1858 p. 281 ete.), Linné aurait décrit dans le Systema Na-
turae, Ed. X, cette espèce sous le nom de Zeucomelas, tan-
disque sa Lewcomelas de la Fauna Suecica et du Syst. Nat.
Ed. XII serait la Zeucomelas Treitschke. Si cette remarque
est juste, il est clair que la Æamburii Rambur doit s’ap-
peler Zeucomelas, tandisque la Aedia Leucomelas Tr. est à
195
N°.
rebaptiser. La figure de Clerck Tab. I, f. 2, Noctua Leuco-
melas, représentant la Ramburii Rambur, doit être cité chez
le N°. 754 (Zeller Stt. E. Z. 1853, p. 199 etc, et Werneburg 1. c.
155. Aedia Leucomelas L. Fauna Suec. étant à rebaptiser doit por-
ter le nom de Zunesta Esper.
161. Anarta Funesta Paykull. De la remarque précédente il suit
que cette Axarta ne peut plus garder le nom de Zunesta.
J'aurais proposé le nom de Staudinger: afin qu'une espèce
du genre sur lequel nous avons un si beau travail de la
main de Mr. Staudinger portât son nom, mais Mr. Moeschler
venant de publier une Agrotis Staudingeri, il faut chercher
un autre nom.
118. Heliothis Cora Ev. Je garderais le nom de Coreta Guenée.
184. Heliothis Nubigera HS. Déerit aussi par Moeschler dans la
Stett. Ent. Zeitung 1855 p. 211. — Eversmann Bulletin de
Moscou 1857 I, p. 133. — Noctuélites de la Russie p. 465.
192. Chariclea Purpurites Tr. Mr. Staudinger lui-même cite la
Rutilago Hübner fig. 519 sans signe d'interrogation. — Ce
nom est évidemment le plus ancien.
809. Thalpochares Glarea Tr. Si la Lacernaria Hübner Geom. fig.
422 est en effet la même espèce que Glarea Tr. je crois
que le nom de Hübner a la priorité.
810. Thalpochares Amoena Hübner. Je garderais le nom de Hüb-
ner, mais si la Zespersa Hübner Beiträge est en effet la
même espèce que la Amoena Hübner, Sammlung Europ.
Schmett., Mr. Staudinger ne devrait pas hésiter à adopter
le nom de Zespersa Hübner pour le N°. 810.
812. Thalpochares Candicans. Je ne vois pas de raison pour re-
jeter le nom de Guenée; le nom d’une variété ne pouvant,
à mon avis, jamais primer un nom spécifique.
840. Hrastria Uncana L. Linné ne décrit la Torérix uncana que
dans la douzième édition du Systema Naturae (1766), elle
ne se trouve pas dans la dixième (1758). Le nom de Clerck
Icones Insectorum T. 3, f. 7, Uncula, est done le plus an-
cien (Werneburg Stett. E. Z. 1858).
13*
N°.
847.
196
Brastria Pygarga Hufn. Ce sera bien une faute d'impression
et on devra lire Pyrarga.
Dans les Jahresberichte über die wissensch. Leistungen im
Gebiete der Entomologie, je trouve encore une Anthophila
cinerina Ghiliani, Memorie della reale Accademia delle
Scienze di Torino, Seria II Tomo XV, de la Sardaigne, qui
n’est pas citée.
. Leucanites Cailino Lefèvre. Je crois qu'il n’est pas superflu
de rappeler ici que plusiers auteurs inclinent à croire que
lon confond deux espèces sous ce nom.
Je trouve encore, comme espèces de la tribu des Noctuélites :
Ophiusa Punctata Ménétriés. Bulletin phys. et math. de
l'Acad. de St. Petersbourg, VI pl. 6. f. 4. — de la Bokharie
— voyez Jahresberichte über ete. im J. 1848.
Hugraphe Glossematis Wallengren. Ofversigt af kongl. veten-
skaps-Acad. forhändlingar 1856. p. 213 — dela Suède — voyez
Jahresberichte über ete. im Jahre 1856.
Microphysa Stictica Ménétriés. Bull. Phys. et Math. de l Acad.
de St. Petersbourg XVII (1859) p. 315 — du Lenkoran —
voyez Jahresberichte über ete. in den J. 1859—60. Espèce
européenne ?
Grammophora Diphteroides ........ Zoologist 1856. XIV
p. 5294 — de l'Angleterre.
D. GEOMETRAE.
. Enerostis Indigenata de Vill. Treitschke cite Lxrspectata Götze,
Fabr. Si l'espèce de Fabricius est en effet la même que
VZudigenata de Villers, il y a beaucoup de chance que ce
nom soit le plus ancien.
26a. (?) À insérer:
Acidalia Cirtanaria Lucas. Explor. Scient. de l'Algérie
p. 395. N°. 143. pl. 4. f. 3. — Guenée, Uranides & Géo-
metr. I p. 443. — de l'Algérie.
197
Ne
35a. À insérer :
Acidalia Numidaria Lucas. Explor. Scient. de Tl Algérie
p. 395. N°. 141. pl. 4. f. 2. — (voyez Zeller Stett. Ent.
Zeit. 1854. p. 280). — Guenée, Uran. & Géom. I. p. 449.
Si cette espèce est distincte d’Ochrata, elle doit obtenir un
autre nom à cause de la Anaitis numidaria HS. (N°. 447).
37. Acidalia Rufinaria Staudinger. Je ne vois pas de necesssité
à changer le nom de la Rufularia Eversmann, puisque
la Rufularia HS. n'est qu'un synonyme d’Obsoletaria Ram-
bur.
39. Acidalia Dissidiata Guenée. Suivant Mr. Lederer, Wiener
Entom. Monatschrift IV. p. 183, la Dissidrata Guenée est
la même espèce que Litigiosaria B.
58a. À insérer:
Acidalia Paleacata Guenée. Uran. & Geometr. I. p. 478.
France Mérid. “voisine de l’/zcanaria Hübner, dont elle
n’est peut-être qu'une variété méridionale” (Guenée).
63a. A insérer:
Acidalia Typicata Guenée. Uran. & Géometr. I. N° 755.
— Alpes.
80. Acidalia Inustaria HS. Sur la planche le nom est écrit
Inustata.
90a. (?) A insérer:
Acidalia Subsaturata Guenée. Uranides & Géometr. II. p. 542
& Addenda. — France Méridionale.
110. Acidalia Accessaria HS. Guenée n’est pas cité. Il nomme
cette espèce Lecessaria.
130. Acidalia Dignata Guenée. Suivant Lederer, Wiener Ent.
Monatschrift IV, Dignata Guenée est un synonyme de Pun-
ctata Tr., Cerussaria Laharpe.
A insérer encore dans le genre Acidalia:
Acidalia Limosata Guenée (Lederer) Ur. & Géom. I. N°. 757
— Syrie.
Acidalia (?) Hetersaria Eversmann. Bull de Moscou 1842.
Tab. 15. f. 4. — Casan. — voyez Jahresberichte über die
143.
198
wiss. Leistungen im Gebiete der Entomologie im J. 1842.
Elle doit recevoir un autre nom.
Acidalia Morosaria Herrich-Schäffer. Syst. Bearb. VL. p. 68.
de l'Espagne.
Problepsis Ocellata HS. Ici est omis de citer Guenée chez lequel
cette espèce porte le nom d’Ommatophoraria s. que je préfe-
rais aussi.
163a. A insérer:
185.
(de)
pa
193.
253.
257.
Zerene Cataria Guenée, Ur & Geom. II. p. 207. — Espagne
méridionale. — (Pantaria var?)
Eugonia Alniaria L. Il paraît que ce n’est nullement certain
que la Geometra alniaria Linné est celle de Esper, Hübner,
Treitschke (Voyez Werneburg Stett. Ent. Zeitung 1859. p. 359).
Suivant lui il serait probable que la Caxaria Hübner serait
PAlniaria de Linné, et il propose pour l'espèce nommée
ainsi jusqu’ ici, le nom d’Aulumnariu.
. Selenia Illunaria Hübner Est-ce-que le nom de Hübner est
plus ancien que celui d’Esper, Bilunaria ?
Selenia Illustraria Hübner Si la Zetranularia Hufnagel est
la même espèce que l’/llustraria Hübner, c’est le nom de
Hufnagel qu’il faut adopter.
Hémerophila Abruptaria Thunb. Mr. Werneburg (Stett. Ent.
Zeitung. 1858. p. 56.) est d'opinion que cette espèce serait
la Fasciataria Rossi, Fauna Etrusca N°. 428. pl. VII. fig. H.
Ce nom, qui est de 1790, aurait la priorité sur celui de
Thunberg.
Synopsia Sociaria Hübner. Suivant Mr. Werneburg (Stett. Ent.
Zeitung. 1858. p. 416) “die Lepidopteren in Thunberg’s Dis-
sertationes Academicae,” la Geometra fagaria Thunberg Dis-
sertatio de Insectis Suecicis Pars. I, (resp. Joh. Borgstroem
11 Dee. 1784) N°. 14. p. 20, serait la Sociaria Hübner. Le
nom de Thunberg aurait alors la priorité. En relisant la des-
eription de la Magaria Borkhausen, Syst. Beschr. der Eur.
Schm. V. p. 314, qui cite Thunberg et avait reçu des exem-
plaires de la Suède {peut-être de Thunberg lui-même), je
NE
261.
273.
283.
297.
299.
314.
326.
199
dois dire quelle s'applique assez bien à mes individus de
la Sociaria Hübner.
Synopsia Serrularia Everm. Guenée doute de l'identité de la
Serrularia Lederer avec celle d’Eversmann.
Boarmia Abietaria WV. Il parait que cette espèce est la Zx-
bearia Linné (voyez Zeller, Stett. Ent. Zeitung 1853 p. 199
ete. Clerck’s Icones bestimmt). C'est la Geometra ribeata
Clerck Tab. VI. f. 4. Il resterait à examiner si le nom de
Clerck, ou celui de Linné prévaudrait.
Boarmia Selenaria WV. Je trouve cité la Purcaria Fabr.
Syst. Ent. p. 624. N°. 22 (1775). Ce serait le nom le plus ancien.
J'ai encore noté:
Boarmia Boisduvalaria Lucas. Explor. Scient. de ) Algérie,
p- 391. N°. 129. pl. 4. f. 4, — de l'Algérie — voyez Zeller
Stett. Ent. Zeitung. 1854. p. 280 ete.
Boarmia Ichnusaria Ghiliani. Memorie della reale Accademia
delle Scienze di Torino 1852. (Materiali per servire alla
compilazione della fauna di Sardegna) — Voyez Jahresbe-
richte über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der
Entomologie im J. 1852. D’après la description qu'en donne
l’auteur, cette espèce est voisine de Lividaria, mais d’une
taille plus petite.
Gnophos „Serraria Guenée. Comme il y a déjà une Cidaria
serraria Zeller, le nom est à changer.
Gnophos Onustaria HS. Je préfererais le nom d’Oneraria.
Guenée.
Psodos Horridaria WV. Doit s'appeler Alpinata Scopoli. En-
tomologia Carniolica N°. 571. Voyez Zeller, Stett. Ent. Zei-
tung. 1855. p. 233. “Die Lepidopteren in Scopoli’s Entomo-
logia Carniolica bestimmt,” tandisque :
Psodos Alpinata WY. doit obtenir le nom de Quadrifaria
Sulzer, qui date déjà de 1761 (Kennzeichen der Insek-
ten). Cet auteur donne encore la figure de cette espèce
dans son Abgekiirzte Geschichte der Insekten. Tab. 23 f. 4
(1776).
N°:
200
Genre Fidonia. (?)
Je trouve encore mentionnés :
Fidonia Iberaria Kolenati, Metemelata'Entomologica 1845 —46
p. 106. — du Caucase — voyez Zeller, Stett. Ent. Zeit.
1848. p. 369.
Fidonia Spodiaria Lefèvre, dans Guérin, Revue et Magasin de
Zoologie 1832. 2. N°. 8. (catalogue Heydenreich 1852). Es-
pèce européenne ?
372a. À insérer ici:
313.
Eubolia Catalaunaria Guenée. Uranides & Géometr. IT. p. 108.
N°. 1097, de l'Espagne.
Enconista Perspersaria Dup. Il n’est pas douteux que le
nom de Miniosaria doit être préferé, si Miniosaria et Per-
spersaria Sont synonymes.
Genre Prosopolopha Led. (Ligia B).
À. insérer ici: (?)
Ligia Ciliaria Ménétriés, Insectes recueillis par feu Lehman
Haba 11.
Ligia Similiaria Ménétriés, Insectes recueillis par feu Leh-
man Tab. 6. f. 12.
De la Bokharie — voyez Jahresberichte ete. über 1849. —
Espèces de la faune européenne ?
Genre Sterrha. A insérer probablement ici sous le N°.:
4044. Oranaria (Chesias) Lucas. Expl. Scient de l'Algérie p. 393.
N°. 132. pl. 4. f. 4, voyez Zeller, Stett. Ent. Zeitung 1854.
p. 280 ete. — de l’Algérie.
410a.(?) A insérer :
412.
Lythria Testaria Fabr, Ent. Systematica 53. — Guenée, Ura-
nides et Géom. 2. p. 510. — Duponchelaria Lucas. Explor.
Scient. de l’Algérie p. 390. pl. 3. f. 4. — Algérie.
Ortholitha Plumbaria F. Est-ce que le nom de Zuridata Huf-
nagel, sous lequel von Heinemann (Schmett. Deutschland’s
und der Schweiz I. p. 744.) a cette espèce, n’est pas le plus
ancien? Le N°. 286 Boarmia luridata Borkh. s’appellerait
alors Æxtersaria Hübner.
NG
414.
421.
424,
416.
477.
495.
201
Ortholitha Limitata Seopoli. Est-ce-que cette espèce n'est
pas la Geometra chenopodiata Linné, Fauna Suecica Ed. II.
N°. 1263?
Ortholitha Bipunctaria WV. Mr. Staudinger demande sil
faut rendre à cette espèce le nom le plus ancien d’Undulata
Scopoli. D’après la manière de voir de Mr. Staudinger ceci
n’est pas douteux, mais quant à moi, je garderais le nom
de Bipunctaria, à cause de la Æucosmia undulata Linné.
A insérer dans le genre Ortholitha :
Ortholitha (?) Disputaria Guenée. Uran. et Géom. I. p. 489
de l'Egypte. Peut-on la considérer comme appartenant à la
faune européenne ?
Odezia Chaerophyllata L. Dans la Fauna Suecica Ed. IT. N°. 1271
(de 1761) que cite Treitschke, Linné a décrit cette espèce
sous le nom de Geometra atrata. Sous ce nom, la Chaero-
phyllata se trouve aussi chez Müller, Fauna Fridrichsdalina
p- 50. N°. 459 Il me semble que le nom d’Atrata aurait
la préférence.
Lygris Populata WV. Guenée ne cite la Populata WV.
qu'avec doute, tandisque Zeller dit que la Populata de Linné
Fauna Suecica 332. (1761). — Syst. Nat. Ed. XII. 868. 244.
(1766) est indubitablement la Popu/ata de Treitschke. Il vau-
drait done mieux de citer Linné comme l’editeur de cette
espèce. Je ne sais pas si cette Geometra populata se trouve
aussi dans la 10e édition du Systema Naturae, autrement
elle aurait à obtenir un autre nom, puisque la Populata
Clerck, Icones, Tab. V. f. 13, 14 est la même que Pyra-
liata Treitschke et comme cette Populata Clerck est de
1759 elle aurait la priorité sur celle de Linné de 1761. La
Populata de Linné serait peut-être la Dotata de Clerck
Icones Tab. V. f. 15. (voyez Zeller, Stett. Ent. Zeitung
1853, Clerck’s Icones bestimmt).
Lygris Marmorata H. Le nom le plus ancien est Associata
Borkhausen.
Cidaria Pectinataria Fuessly (Knoch). Je garderais ce nom,
202
NO.
mais Mr. Staudinger ne devrait pas hésiter à adopter celui
de Rectangulata Hufnagel, v. Rottemb.
518. Cidaria Limbaria H. doit s'appeler Comptaria Boisd., Herr.
Sch., à cause de N°. 334 fidonia limbaria Fabr.
522. Cidaria Conspectaria Mann, est la même espèce que Bistri-
gata Treitschke, suivant Mr. Herrich-Schäffer (Tauschkata-
log 1863).
527. Cidaria Propugnata WV. Treitschke cite Wesignata Hufna-
gel, von Rottemb. Ce serait le nom le plus ancien.
5364. À insérer:
Cidaria Ruficinctaria Guenée. Uran. et Geom II, p. 44, de
l'Angleterre. — Caesiata var. ?
555. Cidaria Sylvata WV. Je donnerais à cette espèce le nom
de Sylvaria HS. à cause de la Zerene sylvata Seopoli.
556. Cidaria Abstersaria HS. Mr. Herrich-Schäffer change lui-même
le nom en Alpieolaria, puisqu'il avait déjà publié une Geo-
metra abstersaria, voisine de la Galiata, dans Panzer’s
Deutschland’s Insecten, Heft 165. Cette Abstersaria n'est
pas mentionnée par Mr. Staudinger.
572a. À insérer:
Cidaria Inusitata Guenée. Uran. & Geom. II, p. 398. N°.
1540. — France Mérid. (Hyères). Deerite sur une seule 9.
580. Cidaria Unifasciata Haw. Pourquoi le nom de Bifasciata
, Haw. n’est-il pas adopté ?
590. Cidaria Candidata WV. „’adopterais le nom d’4/bulata Huf-
nagel, von Rottemburg, mais alors le nom du:
594. Cidaria Albulata WY. est à changer, et il faut l'appeler
Niveata Stephens.
612. Cidaria Sagittata F. Treitschke cite la @. Bidentata Hutn.
v. Rott. Mr. Staudinger devrait adopter, si ce nom dé-
signât la même espèce.
626. Cidaria Taeniolata Eversmann. Herrich-Schäffer a déjà pu-
blie sa Calligrapharta dans Panzer, Deutschland’s Insecten,
Heft 163. Cette livraison est, je crois, de 1839 et le nom
de Herrich-Schäffer est done le plus ancien.
ING;
630.
645.
650.
668.
678.
203
J'ai encore noté:
Cidaria Scorpiaria Guérin, mentionnée par Herrich-Schäffer
dans son Index avec le signe OO, qui veut dire que cette
espèce lui est inconnue. Est ce une espèce européenne ?
Cidaria Bicuspidaria Ghiliani. Memorie della reale Accademia
di Torino. 1852. Seria II, Tomo XV — de la Sardaigne —
voyez Jahresberichte über die wissenschaftlichen Leistungen
im Gebiete der Entomologie im J. 1852. Voisin du N°. 566,
Alaudaria Freyer, et peut-être la même espèce.
Eupithecia Subsequaria HS. Le nom de cette espèce est écrit
Subsiquaria sur la planche. C’est Guenée, je crois, qui change
le nom en Subsequaria.
Eupithecia Lariciata Freyer. La Lariciaria Herrich-Schäffer.
fig. 171—-2, est la même que sa Guinardaria fig. 273, c'est-
à-dire Abbreviata Stephens.
Tupithecia Distinctaria HS. Puisqu'il y a déjà une Acidalia
distinetaria Boisduval, je donnerais au N°. 650 le nom de
Libanotidata Schliger.
Eupithecia Valerianata Hb. Si Hübner a voulu représenter
par sa figure f. 395 le papillon qui provient des chenilles
qu'il a figurées dans son Larvae lepidopterorum V. Geom.
II. Aequiv. H. b. fig. 1 a be, cette figure est on ne peut
plus mauvaise et ne peut jamais passer pour une image
de cette espèce. Cette figure se préte à une foule de suppo-
sitions. Treitschke paraît avoir fait sa description d’après la
figure de Hübner, il est du moins certain que sa description
ne s'applique nullement au lépidoptère qui éclot des chenilles
figurées par Hübner, et que j'ai élevé plus d’une fois. Herrich-
Schäffer en donne une bonne description, quoique courte.
On ferait done bien de l'appeler Yulerianaria HS. C'est d’ail-
leurs la même espèce que Fiminata Doubleday.
Bupithecia Tripunctaria HS. C’est une bonne espèce et c’est
à elle que s’applique la description de la Pim pinellata Guenée.
Il n'avait pas reconnu la Pripunctaria de Herrich-Schäffer
f. 461, qui est en effet très-mauvaise. On trouve aussi une
204
bonne description de la Pripuuctaria chez von Heinemann,
Schmetterlinge Deutschland’s und der Schweiz I, p. 810.
Les Microlepidoptères ne m’étant pas assez familiers pour ha-
sarder des remarques, je finirai iei ce mémoire. Je veux noter
cependant encore que Bruand a déerit dans sa Monographie des
Psychides une Melasina ciliarivicinella qui n’est pas citée ici,
et que je ne sais pas pourquoi on ne rendrait pas à la 4ychia
Pumila O. le nom de Chimaera Hübner. Ochsenheimer avait donné
le nom de cette espèce au genre entier.
NOT A.
Le bureau de rédaction en publiant les mémoires insérés dans
ce journal, laisse à chaque auteur toute la responsabilité des
opinions énoncées par lui.
De” ARA he 4 7 7 - Lay ni à
. (HOT a) VELA Ng SOLE L ©
DI A TT —
%
Ro: GA 3
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE.
le
ONDER REDACTIE VAN
Pros. J. VAN DER HOEVEN,
Da. $. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
Das de EREER KON.
ZEVENDE DEEL.
HAARLEM,
A. C. KRUSEMAN.
1864.
NA
: PS DI #
ar, N 9
er RR,
ij si 4 | x
A N ‘ N x.
5 x - * n
. 5 wi CATE ey
r 4 Ci ri Lia s 4 LIDIA A ,
BETREIBER ICE UN EER TROT AN lo ea
+ HA
| 3,84 x i I ; bat
k a " ( Br 4 À a 21 ery
. # mi À F
| { t #i xt À
. a P À
j N 4 Bit
UW
> / } 3 «-
. We
ar }
i É |
4 è |
Ma TAR 1
NE 3 > 2
| TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE.
Prom. J. VAN DER HOEVEN,
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, en
Dr. J. A. HERKLOTS.
VIIde deel Ide stuk. |
Mr. 8. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
IN HARE GEDAANTEWISSELING EN: LEVENSWIJZE.
CIMBEX CONNATA, Scar.
DE INLANDSCHE BLADWESPEN
) PA
m | }
N
si wy
‘ HAARLEM, |
A. C. KRUSEMAN.
1864.
i
OX
{TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE.
“=
ONDER REDACTIE VAN
Pror. J. VAN DER HOEVEN,
| Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, en
Dr. J. A. HERKLOTS.
Vilde Deel, Illde Stuk.
Mn. DE ROO VAN WESTMAAS,
DU VER A SOIE DU CHENE
BOMBYX (ANTHERAEA) YAMA-MAI, GUER. MEN.
>
EN NEERLANDE.
HAARLEM,
A. €. KRUSEMAN.
1864.
PLT 7
ee
Bi ah
Oe
ie Kran
na STA
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE. |
ONDER REDACTIE VAN
Pror. J. VAN DER HOEVEN,
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, en |
Dr. J. A. HERKLOTS.
Vilde Deel, IVde Stuk. NE) Pr ie
CL. MULDER, |
EEN WOORD OVER HET SPINNEN EN DE SPINTUIGEN DER INSEKTEN.
F. M. VAN DER WULP,
IETS OVER DE IN NEDERLAND WAARGENOMEN SEPSINEN.
Es ——
HAARLEM,
| A. C. KRUSEMAN.
= 1864.
We je vou a
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE.
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, en
Dr. J. A. HERKLOTS.
Vilde Deel, Vde Stuk. Li 5 THE
S. C. Snellen van Vollenhoven,
DESCRIPTION DE QUELQUES ESPÈCES NOUVELLES DE COLEOPTÈRES.
Cl. Mulder,
fi HEEFT SWAMMERDAM DE KIKVORSCHEN ONDER DE INSEKTEN GERANGSCHIKT ?
P. C. T. Snellen,
QUELQUES REMARQUES SUR LE CATALOGUE DES LÉPIDOPTÈRES D EUROPE
a ET DES PAYS LIMITROPHES DE MM. STAUDINGER EN WOCKE.
HAARLEM,
A. C. KRUSEMAN.
1864.
Ey
1 AN 6
1 | het:
Va Ni D
rou ur
VI, uh
Di |
Ee
,
el
A
ur
4
6 (4
y i i à
AA
= pr wrr LA HE x
vn mrd I"
i Pa - = sx
1
.
|
|
L
ro
LA
£ +
= ak > ni
= = — — ea pit = n=
Im 0