Sr AE
SHERI
na
nur)
EN LR i
ee BANN
un) hr RATE
, A à
k
REA! |
17 i AL à
an
À fer mi
mn JEUNES
N
Av PI
n, Peel! de
TEE a di
VAN vl, Seen
Ma rt
se RL I
i” b 4 4
im
TIJDSCHRIET VOOR ENTOMOLOGIE,
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Mr. W. ALBARDA
Mr. 8. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
ACHTTIENDE DEEL
JAARGANG 1874—75
'SGRAVEN HAGE
MARTINUS NIJHOFF
1875
EN. OU: D
VAN HET
ACHTTIENDE DEEL.
Verslag van de 29“ Zomervergadering . da
C. Rırsema Cz., Naamlijst der tot heden in
Nederland waargenomen Bastaard-schorpioenen
(Chernetiden) . at
Lijst der Leden van de Neder! Entomologische
Vereeniging . 5 >
Lijst der bijgekomen beden a rar D È
Entomologische inhoud van ontvangen na
Verslag van de 8% Wintervergadering .
R. Mac-LACHLAN, Descriptions de plusieurs Nevro-
ptères-Planipennes et Trichoptères nouveaux de
Vile de Célébes et de quelques espèces nouvelles
de Dipseudopsis avec considérations sur ce genre.
R. MAc-LACHLAN, Notes sur une collection de types
des Phryganides, décrites par feu M. F.J. PICTET,
existant dans le Musée Roval d’Histoire Naturelle
1 I ee NRR
S. C. SNELLEN VAN a De inlandsche
Bladwespen in hare gedaantewisseling en levens-
wijze beschreven. 18" stuk . :
Bladz.
XXXIII
Systematische lijst der in dit Tijdschrift beschreven
gedaantewisselingen van Bladwespen.
A. FAUVEL, Synopsis des Creophilus. sal
P. C. T. SNELLEN, Vier nieuwe soorten van het ge-
nus.+Vola Geachte eee NE ee
P. C. T. SNELLEN, Drie nieuwe Choreutinen :
F. J. M. HEYLAERTS fils, Les Macrolépidoptéres de
Bréda et de ses environs. Liste supplémentaire n°. 4
(Captures de 1874)
T. THorELL, Diagnoses Aranearum europaearum
aliquot novarum :
H. W. DE GRAAF en P. C. T. a Mi
nieuw voor de Fauna van Nederland
P. C. T. SNELLEN, Nepticula Zelleriella nov. sp.
C. J. GRUBE, Bijdrage tot de kennis van Calamia
lutosa Hübn . ;
GC. RITSEMA Cz., Aanteekeningen over en beschrij-
vingen van eenige Coleoptera van Neder-Guinea
(Zuidwesikust*van Afrika) cc. cc er 22% ai
. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, De inlandsche
Hemipteren beschreven en meerendeels ook afge-
peels Stu: ame ET eh ee
P. C. T. SNELLEN, Opgave der Geometrina en Pyra-
lidina, in Nieuw-Granada en op St. Thomas en
Jamaica verzameld door W. Baron von NOLCKEN,
met beschrijving en afbeelding der nieuwe soorten.
Tweede afdeeling: Pyralidina. "kam.
G. M. DE GRAAF, Vier Atsjinesche Damien ie rte
Bladz.
90
53
61
70
79
121
150
187
265
VERSLAG
NEGEN-EN-TWINTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGINCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE ARNHEM
den 29 Augustus 1874.
Tegenwoordig zijn de heeren Mr. W. Albarda, President,
J. Backer, Mr. A. Brants, D. Burger, Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts,
DATE Jordenssal. Kanker: Me. Ar FA. Leesberg I,W.
Lodeesen, Dr. J. G. de Man, C. Ritsema Cz., A. B. van
Medenbach de Rooy, P. C. F. Snellen, Mr. S. C. Snellen van
Vollenhoven en F. M. van der Wulp.
De heeren Mr. J. Herman Albarda, N. H. de Graaf, Mr.
H. W. de Graaf, Dr. A. W. M. van Hasselt, F. J. M. Heylaerts,
J. van Leeuwen Jr., H. Baron Lewe van Middelstum, Dr.
H. C. van Medenbach de Rooy, Dr. A. J. van Rossum en
Dr. M. C. Ver Loren van Themaat hebben kennis gegeven,
dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen.
De Voorzitter Mr. W. Albarda merkt op, dat, zeker tot
aller leedwezen, onder hen, die beletselen hebben om hier
tegenwoordig te zijn, zich ook bevindt Dr. M. C. Ver Loren,
wien de vereerende taak was opgedragen om deze bijeen-
komst te leiden. De brief, waarin de redenen van zijne
afwezigheid worden medegedeeld, wordt door den Secretaris
voorgelezen. De Voorzitter meent, dat hij nu genoodzaakt
zal zijn, als President van het Bestuur, de taak van den
1
li VERSLAG.
heer Ver Loren op zich te nemen, en opent de Vergadering
met eene korte toespraak, waarin hij onder anderen den heer
A. B. van Medenbach de Rooy, die als nieuw lid voor het
eerst tegenwoordig is, welkom heet.
Op de vraag van den Voorzitter, of een der aanwezigen
ook aanmerkingen heeft op de notulen der vorige zomer-
vergadering en der jongste wintervergadering, z00 als die
in de gedrukte verslagen zijn opgenomen en rondgezonden ,
verlangt niemand het woord, zoodat die notulen zijn goed-
gekeurd.
De Voorzitter brengt daarop het volgende jaarverslag uit:
«Mijne heeren, leden der Nederlundsche Entomologische
Vereeniging ! »
«Het is mijn pligt, als Voorzitter der Vereeniging, in
deze bijeenkomst U door eene korte schets voor den geest
te roepen wat er gedurende het afgeloopen maatschappelijk
jaar in en door onze Vereeniging is geschied. Wel is waar
levert dat verslag voor velen niets nieuws, maar er zijn
onder de oudere leden sommigen, die zelden onze verga-
deringen bijwonen en nu uit het verslag den gang onzer
“werkzaamheid leeren kennen; en aan den anderen kant is
het voor de nieuwe leden, die wij het genoegen hebben in
deze vergadering te begroeten, eene kleine handleiding over
de wijze waarop onze Vereeniging in den laatsten tijd heeft
gewerkt : het is de laatste bladzijde van hare geschiedenis,
waarmede zij bekend worden gemaakt.
«Ieder jaarlijksch verslag vangt gewoonlijk aan met eenige
treurige tijdingen, het verlies van leden ons door den dood
ontrukt. Thans hebben wij weder van twee onzer medeleden
zoodanige mededeeling te doen.
«De heer J.J. M. Gordon te Amersfoort ontviel ons dezen
winter na eene korte ongesteldheid. Hij was eerst sedert
1868 lid onzer Vereeniging, en zonder zelf entomoloog te
zijn, was hij een warme voorstander van onze lievelings-
VERSLAG. III
studie, een aangename gast aan onze gemeenschappelijke
maaltijden en een trouw bezoeker van onze vergaderingen
en excursién. Velen onzer zullen nog lang de gedachtenis
aan hem bewaren.
«In het jongste voorjaar verloren wij andermaal door
den dood een onzer medeleden, den heer Th. J. van Campen
te Amsterdam. Hij behoorde tot de oprigters van ons ge-
nootschap en vervulde in de eerste jaren een tijd lang de
betrekking van Secretaris. Ofschoon hij slechts weinig aan
entomologische studién deed en in den laatsten tijd zijn
ziekelijke toestand — hij leed aan gedeeltelijke paralysis —
hem belette op onze bijeenkomsten tegenwoordig te zijn,
bewees zijn voortdurend lidmaatschap dat hij altijd met
onze Vereeniging ingenomen bleef.
«Behalve door den dood, verloren wij de heeren W. J.
Boogaardt te Haarlem, C. J. M. Jongkindt Coninck te Fre-
deriksoord, A. Schmier de Poorter te Leiden, en M. L.
Ritsema, Officier van gezondheid bij het Indische leger,
thans in Atchin, die allen in den loop van het jaar voor
hun lidmaatschap bedankten.
«Professor E. Selenka heeft ons land verlaten zonder
omtrent onze Vereeniging zelfs den vorm in acht te nemen.
Wij zijn nu verpligt hem van de lijst der leden te schrappen,
dewijl hij het radicaal, bij art. 4 van ons reglement voor-
geschreven, niet meer bezit.
«Wij verloren dus zeven leden. De daardoor ontstane
gapingen zijn, althans ten deele, weder aangevuld door
het toetreden als lid van de heeren H. P. Snelleman, Phil.
nat. Stud. te Leiden, A. B. van Medenbach de Rooy te
Arnhem, J. van Leeuwen Jr., Litt. hum. Cand. te Amster-
dam, J. CG. Stern te Sluis in Zeeuwsch Vlaanderen, en Mr.
M.’s Gravesande Guicherit te Delft. Hetgeen wij van hunnen
ijver en werkkrachten weten is ons een waarborg dat zij
voor de Vereeniging eene aanwinst mogen worden genoemd.
«Dr. C. A. Dohrn, Voorzitter der Stettiner Entomologische
Vereeniging, ten vorigen jare door U tot Eerelid van onze
IV VERSLAG.
Vereeniging benoemd, heeft dit huldebewijs in zeer vleijende
bewoordingen aangenomen.
« Uitvoering gevende aan het besluit, door U in de vorige
zomervergadering genomen, hebben wij bronzen exemplaren
van den gedenkpenning, ter eere van Mr. S. C. Snellen van
Vollenhoven geslagen, doen toekomen aan: 1°. het Konink-
lijk Penningkabinet te ’s Gravenhage; 2°. de Société Ento-
mologique de France; 3°. de Société Entomologique; de la
Belgique; 4°. de Société Entomologique de Russie; 95°. de
Società Entomologica Italiana; 6°. de London Entomological
Society; 7°. de Entomological Society of Philadelphia; 8°.
het Berliner Entomologische Verein; 9°. het Stettiner Ento-
mologische Verein; 10°. de Zoologisch-botanische Gesell-
schaft in Wien; en 11°. de Schweizer Entomologische Gesell-
schaft. Van bijna al deze inrigtingen zijn brieven van dank-
betuiging ontvangen.
«Ook aan het in de vorige zomervergadering genomen
besluit omtrent den heer G. Ritter von Frauenfeld te Weenen
hebben wi gevolg gegeven, en wel zoo tijdig, dat ons
schrijven nog voor zijnen dood, die kort daarop plaats
vond, in zijne handen is gekomen.
«Met de buitenlandsche Entomologische en andere weten-
schappelijke genootschappen staan wij op den besten voet,
niet alleen dat wij ons steeds beijveren onze relatién uit
te breiden, maar ook van de zijde van het buitenland worden
ons, tegen ruil van ons Tijdschrift, van alle kanten belang-
rijke werken aangeboden. Het getal exemplaren van het
Tijdschrift, welke op die wijze in ruil worden gegeven,
is dan ook in dit jaar met tien vermeerderd en bedraagt
thans vijf en veertig. De verzending, die door bemiddeling
van Professor von Baumhauer te Haarlem geschiedt, gaat
echter niet zoo spoedig en geregeld als wenschelijk is, en
wijl ook door den Bibliothecaris wordt geklaagd over ver-
traging in de ontvangst van sommige buitenlandsche tijd-
schriften, is het Bestuur er op bedacht om een anderen
weg voor die verzendingen te beproeven.
VERSLAG. Vv
«In onze vorige bijeenkomst was er ten gevolge van de
luide klagten, door den Conservator en den Bibliothecaris
aangeheven, ernstig sprake, om in de plaatsing onzer ver-
zameling van insecten en boekerijen verbetering aan te
brengen. Het Bestuur werd toen door U gemagtigd om naar
bevind van zaken te handelen en de noodige onkosten op
de uitgaven te brengen. Het is ons tot dusver niet mogen
gelukken binnen Leiden een huis te bekomen, geschikt om
al onze eigendommen te zamen te bevatten en te bewaren,
en wij zijn dus te rade geworden om voorloopige maatregelen
tot het behoud van insectenverzameling en bibliotheken te
nemen.
«De insectenverzameling is, op onze aanvrage waarop
zeer beleefd goedgunstig is beschikt, thans zooveel beter
geplaatst, dat zij voor ondergang bewaard is. Volgens de
mededeelingen van den Conservator heeft dus de uitkomst
bewezen, dat wij ons in de verwachting, welke wij van
eene betere plaatsing koesterden, niet hebben bedrogen :
de vochtigheid en hare gevolgen, de schimmel zijn geheel
verdwenen. Ook in andere opzigten is de verzameling dit
jaar veel verbeterd. De orde der Hemiptera is in meer
laden uiteengezet dan vroeger en wat de determinatie be-
treft door den Conservator herzien. Met het herzien der
Coleoptera is een begin gemaakt door den heer Dr. Ed. Everts,
wiens tijdelijk verblijf te Göttingen echter dit werk heeft
doen staken. De Neuroptera zijn wat hunne determinatie
aangaat herzien door Mr. J. Herman Albarda, en hoewel
dit reeds vroeger is geschied, is het hier de plaats daarvan
melding te maken en hem daarvoor dank te betuigen. Eene
herziening der Diptera ligt aan de beurt, en de heer van
der Wulp heeft den Conservator daartoe welwillend zijne
medewerking toegezegd. De rangschikking der Macrolepi-
doptera is geheel voltooid; met die der Microlepidoptera
wordt gewacht op de uitgave van het tweede deel der
«Vlinders van Nederland » van ons geacht medelid P. C. T.
Snellen, en wij vertrouwen in het volgende verslag U te
VI VERSLAG.
zullen kunnen berigten dat ook de Microlepidoptera behoorlijk
naar dat werk zijn gerangschikt.
« Vijf en negentig laden, staande in tien loketten, bevatten
onze insectenverzameling. Er is last gegeven om nog vijf
laden in gereedheid te brengen, zoodat dan het getal tot
honderd zal zijn gestegen. Mogt te eeniger tijd de Vereeniging
in het zoo wenschelijke bezit geraken van een eigen lokaal
tot berging van verzameling en boekerij, dan stelt de
Conservator zieh voor, om in plaats van die verschillende
loketten, vijf eiken- of notenhouten kasten te doen ver-
vaardigen, elk voor twintig laden.
«De collectie is in den loop van het jaar vermeerderd
door bijdragen van de heeren A. B. van Medenbach de Rooy,
G. A. Six, Ivangh Schepman, Mr. A. F. A. Leesberg, C.
Ritsema Cz., Dr. Ed. Everts en den Conservator, wien allen
hier warme dank wordt toegebragt. Het komt mij voor,
dat het hier de plaats is, om de opmerkzaamheid der leden
te vestigen op de punten, die in onze verzameling het
meest aanvulling behoeven. Het zijn: 1° de kleinere Sta-
phyliniden; 2° Microlepidoptera; 3° Pteromalina; 4° Procto-
trupidae; 5° kleine Hemiptera homoptera; en 6° Orthoptera.
De Conservator hoopt in den loop van dit jaar de lijsten
van de aan onze verzameling ontbrekende inlandsche species
gereed te hebben, met opgave, voor zoover zulks mogelijk
is, van de plaatsen in ons land, waar deze desiderata waar-
schijnlijk kunnen gevonden worden. Wij vertrouwen dat
de ijver, waarmede de Conservator de belangen onzer
verzameling behartigt, bij U allen een wedstrijd zal openen,
om hem zijne taak ligt te maken door eene ruime toezen-
ding van de verlangde species.
«Ten opzigte van de boekerij onzer Vereeniging en de
boekerij Hartogh Heys van de Lier heeft het Bestuur almede
maatregelen tot bewaring moeten nemen. Gij hebt het zoo
even gehoord, het is ons nog niet gelukt een geschikt ver-
blijf voor onze bezittingen te vinden, en wij hebben daarom
getracht in het bestaande gebrek van het lokaal, waarin
VERSLAG. VII
onze boeken thans geborgen zijn, onmiddellijk te voorzien.
Met toestemming van den eigenaar is daar eene stookplaats
aangebragt, en gedurende den afgeloopen winter en zoo
dikwijls het overigens noodig was, is door behoorlijke
stooking eene voldoende droogte verkregen, zoodat onze
boeken tegen beschimmeling zijn gevrijwaard. Doch, Mijne
heeren, onze boekenschat vermeerdert steeds en de ruimte,
waarover wij te beschikken hebben wordt dus steeds kleiner.
In overleg met onzen Bibliothecaris is het aan het Bestuur
gelukt een lokaal te vinden, waarheen de bibliotheek der
Vereeniging binnen kort zal verhuizen, terwijl daardoor in
het tegenwoordige lokaal ruimte zal ontstaan, om de bibli-
otheek Hartogh Heys van de Lier behoorlijk te plaatsen,
ook dan nog wanneer deze, zoo als in den aard der zaak
ligt, meer uitbreiding krijgt. Met eene bereidwilligheid, die
wij op hoogen prijs stellen, is ons voor onze oorspronkelijke
bibliotheek kosteloos een geschikt lokaal aangeboden , waar zij
onder behoorlijk opzigt van den Bibliothecaris zal verblijven.
Onze Vereeniging zal zich alleen de kosten hebben te ge-
troosten van het-maken van geschikte kasten en die van
het verhuizen.
«Intusschen zullen wij ons plan, om de bibliotheken en
de insectenverzameling te vereenigen , niet opgeven. Ik wilde
U thans evenwel den uitslag onzer bemoeijingen voorloopig
mededeelen, om U de overtuiging te geven, dat het Bestuur
het zijne heeft gedaan tot bescherming van de aan zijne
zorg toevertrouwde eigendommen der Vereeniging.
«De bibliotheken zijn ook dit jaar merkelijk in omvang
toegenomen, vooreerst door de in ruil tegen ons Tijdschrift
ontvangen tijdschriften en werken, in de tweede plaats
door aankoop van belangrijke werken, eindelijk door ge-
schenken. Door ruiling werd onze boekerij verrijkt met the
Canadian Entomologist en met de Annali del Museo di Storia
naturale di Genova; door geschenken met de werken van de
Geological Survey of the United States, en door de heeren A.
Preudhomme de Borre, L. Cabot, H. Jekel, R. Mac Lachlan,
VIII VERSLAG,
M. Lessona, A. Müller, V. Signoret, H. T. Stainton, C. Stal,
G. Ulivi, F. Walker, H. D. J. Wallengren, H. Weyenbergh
en anderen. Eene opgave dezer geschenken, alsmede van
de werken door aankoop verkregen, zal achter dit Verslag
worden gevoegd en ook de inhoud van de bijgekomen tijd-
schriften.
«Voor het binden der boeken wordt almede door onzen
ijverigen Bibliothecaris behoorlijk zorg gedragen.
«Met onze geldmiddelen, Mijne heeren, is het gunstig
sesteld. Wij hebben, zoo als de rekening en verantwoording
van den Penningmeester U zal doen zien, dit jaar aanzien-
lijke uitgaven te bestrijden gehad, en toch sluit onze alge-
meene kas, met inbegrip der daarin aanwezige waarden,
met een batig saldo van f.558.223.
«Het ondersteuningsfonds voor de onbekrompen uitgave
van het Tijdschrift bestaat in twee pandbrieven groot / 300
ten laste der Nationale Hypotheekbank , rentende 5 percent,
doch heeft daarentegen een klein te kort van f10.713.
«Het fonds tot instandhouding der bibliotheek Hartogh
Heys van de Lier, hetwelk door onze geachte Donatrice
steeds met de meeste stiptheid wordt gevoed, wijst een
batig slot aan van f 24213.
Wij mogen onzen Penningmeester allen lof geven voor
zijn uitmuntend beheer.
« Gelooft echter niet dat wij geen behoefte aan meerdere
geldmiddelen hebben. In onze laatste wintervergadering , —
Gij hebt, voor zoover wij daar Uwe tegenwoordigheid moesten
missen, het uit het rondgezonden verslag kunnen zien, —
hebben wij een beroep gedaan op Uwe beurzen tot dekking
der kosten, verbonden aan eene betere plaatsing van collectie
en boekerij, en op eene daartoe ter tafel gebragte lijst is
daarmede een begin gemaakt. Diegenen Uwer, die, zeker
om gewigtige redenen, de wintervergadering niet hebben
kunnen bijwonen, zullen thans in de gelegenheid worden
gesteld om de bedoelde lijst met hunne handteekening te
versieren en hun penningsken daarvoor af te zonderen,
VERSLAG. . Ie
«Ik heb opzettelijk de gewone orde in dit verslag niet
gevolgd, omdat ik vooral ten opzigte van ons Tijdschrift
en de daarop vallende kosten, het beter oordeelde, dit bij
en na onze geldmiddelen te behandelen. Het is U bekend,
dat behalve het ondersteuningsfonds bovengenoemd, de kos-
ten der uitgave van het Tijdschrift worden bestreden uit
de algemeene kas en uit een subsidie groot f 200 ’s jaars,
ons door Tevler's stichting toegestaan. ledere vijf jaren
wordt door het Bestuur die subsidie op nieuw aangevraagd.
Dat moest ook nu geschieden. Onze behoeften werden grooter;
klagten over te langzame plaatsing van stukken ontbraken
niet; en er zijn zelfs leden geweest, die in buitenlandsche
tijdschriften hunne mededeelingen hebben doen opnemen,
omdat zij bij ons miet spoedig genoeg konden geholpen
worden. Eene zustervereeniging was door Teyler’s genoot-
schap ruimschoots ondersteund voor een door haar uit te
geven tijdschrift. Wij vonden het om al deze redenen ge-
raden, om bij de aanvrage tot hernieuwing der subsidie,
beleefdelijk bij Teyler’s stichting op verhooging van het
cijfer aan te dringen; doch ontvingen in antwoord een kort
berigt, dat ons weder voor vijf jaren de gewone jaarlijksche
subsidie van f 200 was verleend. Behalve de boven aange-
wezen middelen konden wij dus op geene ondersteuning
rekenen, en was er geen verbetering, geen vooruitgang
mogelijk. Wij hebben toen gemeend ons tot de Regering
te mogen wenden, die wel door inteekening de uitgave van
ons Tijdschrift ondersteunde, doch welke ondersteuning voor
ons geen regtstreeksch voordeel afwierp. De Nederlandsche
Regering heeft getoond, dat zij prijs stelt op onze onver-
moeide pogingen, en dat zij, daar waar het noodig is, de
ontwikkeling der wetenschap door materiële hulp wil steunen.
Bij Koninklijk besluit van 25 Maart 1874 n° 18 werd aan
onze Vereeniging, onder zekere voorwaarden , tot behoorlijke
uitgave van het Tijdschrift eene jaarlijksche subsidie van
f 500 uit ’s Rijks schatkist toegestaan, en zeer kort daarna
ontving ik reeds een mandaat van betaling dier subsidie
X VERSLAG.
over het jaar 1874. Wij zijn daardoor in staat gesteld de
grieven van velen Uwer weg te nemen en de ruimte van
het Tijdschrift te vergrooten zonder den prijs er van te
verhoogen.
«Het was echter niet alleen geldgebrek, dat het behoorlijk
uitgeven van het Tijdschrift in den weg stond, maar wij
waren niet geheel meester van die uitgave. Na rijp beraad
heeft het Bestuur besloten, zich van de banden die het
knelden los te maken, en heeft het te dien einde: 1° het
contract, met den heer Nijhoff aangegaan wegens de uitgave,
opgezegd met het einde van het thans loopende deel; en
2° het fonds van ons Tijdschrift, bestaande uit ongeveer 1800
deelen en een aantal losse afleveringen, aangekocht van
den uitgever, wiens eigendom het was. De uitgave van het
Tijdschrift zal nu voortaan voor eigen rekening geschieden.
O €
Ik ontveins mij geenszins, dat de Vereeniging zich daar-
voor opofferingen zal hebben te getroosten, maar ik ben
evenzeer overtuigd, dat de genomen maatregelen in het
stellig belang der Vereeniging zijn, en dank zij de verleende
Rijkssubsidie, zijn wij in staat deze geldelijke opofferingen
te bestrijden, en zullen wij na een paar jaren reeds in
onze kasrekening de voordeelen, aan deze handeling ver-
bonden, in cijfers zien te voorschijn komen.
(Gij gevoelt, Mijne heeren, dat ik onmogelijk al de
motieven, die het Bestuur tot deze handeling hebben ge-
leid, in dit verslag kan blootleggen; maar ik ben verzekerd
dat Gij de overtuiging met U draagt, dat wij ook hier in
het waarachtig belang der Vereeniging hebben gehandeld.
De Redactie van het Tijdschrift heeft reeds nieuwe contracten
gesloten, waardoor in de uitgave geene vertraging zal ont-
staan en de baten der uitgave in onze kas zullen vloeijen.
«De laatste aflevering van het zeventiende deel zal spoedig
zijn afgewerkt en daarmede dat deel voltooid. Wanneer gij
dat deel en de verslagen van onze Vergaderingen leest,
dan zal het U blijken, dat onze Vereeniging gedurende het
afgeloopen maatschappelijk jaar op wetenschappelijk gebied
VERSLAG. XI
niet heeft gerust. Het is echter te betreuren, dat onze
vergaderingen, vooral die in den winter plaats hebben,
z00 schaarsch worden bezocht. Laat ons hopen, dat het
jeugdige bloed, hetwelk onze Vereeniging wederom dit jaar
ontving,
ook het oudere, tragere in beweging zal brengen,
en dat allen mogen begrijpen, van hoe veelzijdig nut het
bijwonen der vergaderingen voor ons is. Laat ons dan met
nieuwen moed en vereende krachten werken ; onze leus zij
Ad altiora !»
Na de voorlezing van het bovenstaande verslag, voegt
de Voorzitter, naar aanleiding van een paar gedane vragen,
daarbij nog eenige opmerkingen omtrent de contracten met
den heer Nijhoff gesloten. Het fonds namelijk van de reeds
verschenen deelen van het Tijdschrift is door de Vereeni-
ging aangekocht voor eene som van f 1000, te betalen in
twee termijnen van f 500, waarvan de eerste dadelijk, de
andere in 1875 verschijnt. Daarvoor is dus, wel is waar,
gedurende de twee eerste jaren, het geheele bedrag der
Rijkssubsidie noodig; maar de kas heeft daarentegen het
voordeel, dat er geene meerdere exemplaren behoeven ge-
kocht te worden tegen f6 per deel, een maatregel waartoe
het Bestuur weldra zou moeten overgaan, omdat er be-
hoefte bestaat aan meer exemplaren ter verzending naar
het buitenland. Het bezwaar, dat door een der leden wordt
geöpperd, alsof nu, voor de beide eerste jaren althans,
het uitzigt op uitbreiding van het Tijdschrift en spoediger
plaatsing van stukken zou zijn benomen, wordt door het
Bestuur in zooverre wederlegd, dat ten gevolge van de ver-
leende Rijkssubsidie het thans bestaande ondersteunings-
fonds voor de uitgave van het Tijdschrift komt te vervallen,
en er door de opneming van het saldo van dat fonds onder
de inkomsten van het Tijdschrift reeds dadelijk gelegenheid
bestaat, om zoo noodig ook aan de beide eerstvolgende
jaargangen eenigen meerderen omvang te geven.
De Penningmeester brengt zijne rekening en verantwoor-
XII VERSLAG.
ding over het afgeloopen vereenigingsjaar 1873/74 ter tafel,
en geeft daarbij eenige inlichtingen. De Voorzitter verzoekt
de heeren Kinker en Brants, om de rekening na te zien.
Deze houden zich dadelijk met dien arbeid bezig en zijn
er weldra mede gereed. De uitslag van hun onderzoek is,
dat zij de rekening en de daarbij overgelegde bescheiden
in volkomen orde hebben bevonden. De Voorzitter brengt,
namens de Vergadering, aan den Penningmeester den wel-
verdienden lof voor zijn gehouden beheer.
Nog legt de Penningmeester, ingevolge art. 27 der wet,
eene schets over van de begrooting der geldmiddelen over
het volgende jaar, welke begrooting, in verband met de
ingrijpende veranderingen in de uitgave van het Tijdschrift,
aanleiding geeft tot enkele vragen en opmerkingen, die
echter door de inlichtingen van het Bestuur spoedig wor-
den opgelost, en de begrooting gearresteerd.
Aan de orde is het benoemen van twee Eereleden en
twee Corresponderende leden. Overeenkomstig het voorstel
van het Bestuur worden, met algemeene of bijna algemeene
stemmen, tot Kereleden benoemd de heeren M. E. Baron
de Selys Longehamps te Luik en Dr. Victor Signoret te
Parijs; en tot Corresponderende leden de heeren A. Fauvel
te Caen en J. Putzeys te Brussel. Den Secretaris wordt
opgedragen aan deze heeren hunne benoeming mede te
deelen.
Vervolgens wordt overgegaan tot de verkiezing van twee
leden van het Bestuur, zijnde de heeren P. CG. T. Snellen
en C. Ritsema Cz. dit jaar aan de beurt van aftreding.
Beiden worden met bijna eenparige stemmen herkozen en
verklaren de benoeming aan te nemen.
Daarop heeft de verkiezing plaats van twee leden, die
met den President de Commissie van redactie van het
Tijdschrift zullen uitmaken, waartoe door het Bestuur de
beide volgende dubbeltallen worden voorgedragen:
Eerste dubbeltal, de heeren Mr.S. €. Snellen van Vollen-
hoven en P. C. T. Snellen.
VERSLAG. XIII
Tweede dubbeltal, de heeren F. M. van der Wulp en
Dr. E. Piaget.
Er worden daaruit bij meerderheid van stemmen verko-
zen de heeren Snellen van Vollenhoven en van der Wulp,
die beiden zich bereid verklaren om de hun op nieuw op-
gedragen taak voort te zetten.
Als plaats voor de volgende zomervergadering wordt,
met het oog op het alsdan dertigjarig bestaan der Veree-
niging, op voorstel van den President, Amsterdam aange-
wezen; terwijl het voorzitterschap van die bijeenkomst, bij
meerderheid van stemmen, wordt opgedragen aan den heer
P. C. T. Snellen, die zich die keuze laat welgevallen.
De Voorzitter doet mededeeling van een brief van den
Minister van Binnenlandsche Zaken dd. 25 April 1874, n°. 184,
12de afd., houdende toezending van het programma eener
in September 1874 te Parijs te openen tentoonstelling van
nuttige en schadelijke insecten en hunne voortbrengselen,
benevens van het gelijktijdig te houden insectkundig congres,
een en ander uitgaande van de Société d’agriculture et
d’insectologie générale te Parijs.
Nog vermeldt de Voorzitter hier, — olschoon dit eeniger-
mate meer behoort tot de straks te behandelen wetenschap-
pelijke zaken, dat hij in de maand December des vorigen
jaars, naar aanleiding van een berigt, voorkomende in de
Haarlemmer courant van 16 dier maand, de aandacht van
den Minister van Binnenlandsche Zaken heeft gevestigd op
de Amerikaansche zijderups Altacus Cecropia, met verzoek
om te trachten, door tusschenkomst van den Nederland-
schen gezant in Noord-Amerika, eenige levende poppen
van die vlindersoort te verkrijgen, ten einde te beproeven
of hier te lande de aankweeking zou kunnen gelukken,
waartoe wel eenige kans scheen te bestaan, omdat de rups
van Cecropia polyphaag is en het dus bij het uitkomen der
ejjeren waarschijnlijk nimmer aan het noodige voedsel voor
de jonge rupsen zou ontbreken. In antwoord daarop heeft
de Minister, bij brief van 14 Januarij 1874, n°. 217, 12de
XIV | VERSLAG.
afd., den uitslag medegedeeld van een door Z. Exe. inge-
steld onderzoek, waaruit blijkt dat de Cecropia-rups reeds
in 1869 door het Berliner Akklimatisations-Verein en later
door het Seidenbau-Versuchsstation in Görz en Ung. Alten-
burg is gekweekt, maar dat daarbij het weefsel der cocons
van zoodanigen aard is bevonden, dat een geregeld afhas-
pelen niet mogelijk is en de telkens afbrekende draden
alleen door middel van kaarden kunnen worden gescheiden
tot eene eenigszins als zijde glanzige stof, welke even als
katoen moet worden gezuiverd en gesponnen, en dan in
hoedanigheid eene plaats inneemt tusschen merinos en zijde.
Op grond van dit een en ander meent de Minister, dat
het niet raadzaam zou wezen kosten ste maken, om rupsen
van deze soort uit Noord-Amerika te ontbieden.
Als een gevolg en toelichting op hetgeen hiervoren reeds
in het jaarverslag van den President is vermeld, omtrent
de verplaatsing van een deel der bibliotheek , wordt thans
nog door den Voorzitter medegedeeld, dat het de heer
Ritsema, onze Bibliothecaris, is, die met zeer te roemen
welwillendheid heeft aangeboden, om voor de geheele oor-
spronkelijke boekerij der Vereeniging eene plaats in zijne
eigen woning in te ruimen. De boeken zullen nu eerstdaags
daarheen worden overgebragt. De Voorzitter meende het
minder gepast dit reeds vroeger te vermelden, omdat de
heer Ritsema heden aan eene herkiezing onderworpen was
en de Vergadering, indien zij van deze schikking reeds
vooraf kennis kreeg, niet volkomen vrij in hare keuze zou
zijn geweest. Thans, nu de heer Ritsema herbenoemd is,
bestaat dat bezwaar niet langer, en gelooft de Voorzitter,
dat de Vergadering gaarne met hem zal instemmen, wan-
neer hij den heer Ritsema dank betuigt voor zijn aanbod,
waardoor, voorloopig althans, aan het gemis van ruimte
in het lokaal der bibliotheek is te gemoet gekomen.
Ten slotte stelt de Voorzitter voor, om de uitgave van
het werk over Hymenoptera, onder den titel van Pinaco-
graphia door den heer Snellen van Vollenhoven uit te geven,
VERSLAG. XV
van wege de Entomologische Vereeniging te ondersteunen,
en wel door voor hare rekening op eenige exemplaren in
te teekenen. Na eenige beraadslaging, waarbij vooral de
toestand der kas in aanmerking wordt genomen en er op
wordt gewezen, dat de Vereeniging te eeniger tid wel
in de gelegenheid zal komen om aan dezen of genen het
bewuste werk ten geschenke te geven, wordt besloten om,
onverminderd het exemplaar, dat volgens art. 50 der wet
door den schrijver aan de bibliotheek der Vereeniging wordt
gegeven , nog voor drie exemplaren in te teekenen, waar-
van een ten behoeve der bibliotheek Hartogh Heys en dus
ook voor rekening van de fondsen dezer bibliotheek. Aan
den heer Snellen van Vollenhoven, die, alvorens deze zaak
behandeld werd, kieschheidshalve de Vergadering verlaten
had, wordt na zijn terugkeer dit besluit kenbaar gemaakt.
Na eene korte tusschenpozing wordt overgegaan tot het
doen van wetenschappelijke mededeelingen.
De heer van der Wulp zegt, dat hij vóór eenigen
tijd van Dr. Weyenbergh eene bezending Diptera uit Cor-
dova ontving, die hem vooral zeer welkom was, omdat de
Zuid-Amerikaansche soorten slechts zelden naar ons land
worden overgebragt. De collectie was niet groot, in alles
ongeveer 100 exemplaren, maar er waren verscheidene
zeer merkwaardige voorwerpen bij. Spreker betreurt het
dat er weinig kans bestaat, om later meer te ontvangen,
want in de eerste plaats is sedert door de autoriteiten in
de Argentijnsche republiek een verbod tot uitvoer van
naturaliën uitgevaardigd en ten andere wordt de hooge-
school, waar onze vriend Weyenbergh werkzaam is, opge-
heven en zal hij derhalve waarschijnlijk het land verlaten.
Spreker laat eenige der belangrijkste exemplaren ter bezig-
tiging rondgaan en merkt op dat de familiën der Bombyliden
en Asiliden inzonderheid in deze kleine collectie zijn ver-
tegenwoordigd. Hij vestigt vooral de aandacht op de vol-
gende soorten van Bombyliden.
XVI VERSLAG.
Exoprosopa erythrocephala F. Twee exemplaren, die beiden
behooren tot de varieteit door Wiedemann vermeld, en
waarbij aan de binnenzijde van den witten middenband
der vleugels, digt bij den achterrand, nog een witte stip
Sprekers
2
aanwezig is. Aan Braziliaansche voorwerpen, in
bezit, ontbreekt die stip. De vleugelspits heeft een vrij
smallen witten zoom, en het einde der zwarte kleur aldaar
is boogvormig en niet regt afgesneden , zoo als bij andere
verscheidenheden van deze soort.
Exoprosopa n. sp. Deze soort schijnt digt verwant aan
E.Thomae F., doch zij heeft niet alleen aan den tweeden,
maar ook aan den vierden en zesden lijisring een witten
voorrand; ook heeft de thorax van boven aan beide zijden
en van achteren een zoom van witte beharing.
Anthrax ditaenia Wied. Komt vrij goed overeen met
Wiedemann’s beschrijving. Wat echter twijfel zou kunnen
geven is dat Wiedemann de soort rangschikt in zijne derde
«Horde», waarvan het aderbeloop door hem is afgebeeld
op pl. HI, fig. 3, alwaar het aderbeloop van het geslacht
Exoprosopa (met drie cubitaal-cellen) wordt voorgesteld ,
terwijl de hier vertoonde exemplaren slechts twee cubitaal-
cellen bezitten en dus tot het geslacht Anthrax in beperk-
ten zin behooren. Schiner (Diptera der Novara-Reise, blz.
124, n°. 27) stelt de soort mede onder Anthrax en schijnt
alzoo de vleugeladeren even als bij deze exemplaren be-
vonden te hebben. ,
Anthrax semitristis Phil. (Verhand. der Zool. bot. Gesellsch.
XV, 665, 10). Een enkel exemplaar. De beschrijving past
in allen deele, behalve op één punt. Philippi zegt namelijk,
dat van de lichte vlekjes in de bruine kleur der vieugels,
er een aan-de basis der discoidaal-cel bijzonder in
‘toog valt. Uit deze woorden zou moeten worden afgeleid,
dat het bewuste vlekje in de discoïdaal-cel zelve ligt; het
bevindt zich daarentegen aan het einde der tweede of mid-
denste wortelcel, tegen de basis der discoidaal-cel leunende.
Anthrax paradora Jaenn. Een enkel voorwerp van deze
VERSLAG. XVII
merkwaardige soort, dat bovendien, jammer genoeg, onder-
weg deerlijk gehavend is, zoodat alleen de koplooze romp
met eenige pooten en de linkervleugel zijn overgebleven.
Het geheel afwijkende aderbeloop en de eigenaardige vorm
en teekening van den vleugel zijn echter voldoende om de
soort dadelijk te doen herkennen, waarvan Jaennicke ten
overvloede eene goede vleugelafbeelding gaf (Neue exotische
Dipteren, pl. II, fig. 16). De vleugel is aan ’t einde zeer
breed en rond, en de radiaal-ader is herhaaldelijk zeer
sterk en hoekig omgebogen, met een spoor van kleine
uitstekende adertjes aan de hoeken. Geen wonder, dat
Jaennicke bij zijne beschrijving de vraag stelt, of deze soort
niet tot een afzonderlijk geslacht moet worden gebragt?
Inderdaad heeft Schiner, die het werk van Jaennicke niet
schijnt gekend te hebben, in de Diptera der Novara-Reise,
onder den naam van Diplocampta een nieuw Anthraciden-
geslacht opgerigt, dat op de aangegeven kenmerken is ge-
grond. Hij brengt daartoe eene soort uit Chile, die hij D.
singularis noemt, en die, merkelijk kleiner dan Anthrax
paradoxa , tevens den bruinachtigen voorzoom aan de vleugels
mist. Schiner’s beschrijving van het geslacht Diplocampta
laat geen twijfel over, of A. paradoxa moet er ook toe be-
hooren.
Argyromoeba imitans Schin. (Diptera der Novara-Reise , 122.
15). Zoo als Schiner teregt opmerkt, gelijkt deze soort zeer
op de Europesche A. varia.
Comptosia bifasciata Macq. (Dipt. exot., supp. IV. 114. 8.
pl. 10. fig. 8). Uit de afbeelding, door Macquart gegeven,
waar de sprieten geheel zwart zijn en de donkere gedeel-
ten der vleugels zonder lichte plekken in de cellen zijn
geteekend, is de vlieg niet ligt te herkennen. Philippi heeft
bij de behandeling der Chilenische Dipteren (Verh. der
zool. bot. Gesellsch. XV. 676) de soort duidelijk beschreven ,
en noemt zeer juist de vleugeladeren met breeden bruinen
zoom. Hij beschrijft daar nog twee of drie verwante soor-
ten, doch al de exemplaren, door den heer Weyenbergh
IT
XVIII VERSLAG.
overgezonden, behooren tot de soort, die Philippi als de
echte C. bifasciata beschouwt.
Dischistus transatlanticus Phil. (Verh. der zool. bot. Gesellsch.
XV. 649. 3). Een enkel vrouwelijk exemplaar.
Dischistus n. sp. Een 4, dat door de fraaije teekening .
van het achterlijf zeer in ’t oog valt. Het achterlijf is
namelijk fluweelzwart, met den tweeden en den vijfden
ring blaauwachtig wit en op den vierden ring eene ronde
middenvlek van dezelfde kleur.
Onder de Asiliden bevinden zich een paar mannelijke
voorwerpen van eene prachtige soort van Dicranus, die
verwant schijnt te zijn aan Dasypogon longiungulatus Macq.
(Dipt. exot. supp. IV. 67. 71) !), doch niettemin in ver-
schillende opzigten daarvan afwijkt. Reeds met het onge-
wapende oog zijn aan deze voorwerpen de buitengewoon
lange, aan den wortel kort gevorkte voethaken te zien,
welke met het gemis der voetballen of pulvilli, het hoofd-
kenmerk van het geslacht Dicranus uitmaken.
Onder verscheidene andere Asiliden heeft Spreker nog
slechts ééne soort kunnen bestemmen, namelijk Erax senilis
Wied.
Bij de zeer weinige Syrphiden, die zich in de bezending
bevonden, trof hij een paar exemplaren aan van Temnocera
spinigera Wied., kenbaar aan het van voren ingedrukte
derde sprietenlid en de doorntjes aan den achterrand van
het schildje.
Van de Musciden heeft Spreker kunnen bestemmen Sar-
cophaga chilensis Macq., met haren gelen kop en rooden
anus; Musca analis Macq., die zeer op onze gewone huis-
vlieg gelijkt; en Borborus hirtipes Macq., dadelijk te her-
kennen aan de ruige pooten en de donkere stippen op de
vleugeladeren.
1) Dasypogon longiungulatus Macq. (Dipt. exot. 1. 2. 36. 7) is eene geheel
andere soort.
VERSLAG. XIX
Eenigszins aansluitende aan het vorenstaande, vertoont de
heer Snellen eene kleine collectie Lepidoptera, mede in
de omstreken van Cordova in de Argentijnsche republiek
verzameld en hem door Prof. Weyenbergh toegezonden.
Ofschoon niet zeer soortenrijk, daar zij slechts 44 species
bevatte en de vrucht was eener werkzaamheid van enkele
maanden, zoo blijkt toch dat het karakter der vlinder-fauna
van bovengenoemde landstreek overwegend tropisch is en
sterk aan de Braziliaansche herinnert. De heer Snellen
stelt zich voor later in het Tijdschrift eene bijdrage over
deze Lepidoptera te leveren. |
Verder deelt dezelfde Spreker mede, dat hij in eene
collectie Lepidoptera, door den heer Heckmeijer op den
Ardjoeno (Java) verzameld en onuitgezet voor ’s Rijks Mu-
seum van Natuurlijke Historie te Leiden aangekocht, de
volgende soorten der Europesche fauna had gevonden:
Agrotis putris L.
Hadena dysodea W. V. (Chrysozona Borkh.)
Timandra amataria L.
Botys sambucalis W. V.
» verbascalis W. V.
Van geen dezer soorten was het voorkomen op Java aan
Spreker bekend.
Uit deze laatste mededeeling ontstaat tusschen sommige
leden eenige discussie omtrent de klimatologische versprei-
ding der insecten, naar aanleiding waarvan de Voorzitter,
Mr. W. Albarda, de aandacht vestigt op een door hem me-
degebragt werkje van Dr. Ernst Hoffmann, Directeur van
het Kon. Wurtembergsche Naturaliénkabinet te Stuttgardt,
getiteld Die Isoporien der Europüischen Tagfalter, waarin, op
grond van Darwinistische onderzoekingen, een geheel nieuw
denkbeeld omtrent de Europesche fauna wordt ontwikkeld
en waarbij tot opheldering kaarten zijn gevoegd. De Schrijver
tracht de oorspronkelijke soorten op te sporen, die Europa
in vroegere tijdperken bevolkten, en de rigting na te gaan
waarin zich die bevolking heeft bewogen, en komt tot het
XX VERSLAG.
resultaat, dat onze tegenwoordige Europesche dagvlinders
allen uit andere wereldstreken naar Europa zijn verhuisd,
en wel uit Siberié, uit Klein-Azié en uit Afrika.
Ofschoon de heer Albarda zich vooralsnog niet in alle
opzigten met de stellingen van Dr. E. Hoffmann kan veree-
nigen, komt het hem voor, dat het werkje uit een faunis-
tisch oogpunt zeer veel nut kan hebben, en dat het, niet-
tegenstaande de scherpe critiek, die het van de Belgische
Entomologen moest verduren, toch hoogst lezenswaard is.
Dewijl Spreker bemerkt, dat het bedoelde geschrift, hem
welwillend door den Schrijver toegezonden, bij de meeste
leden nog onbekend is, meent hij niet beter te kunnen
doen dan het aan de bibliotheek ten geschenke te geven,
waardoor de leden, die zulks verlangen, in de gelegenheid
zullen zijn er nadere kennis mede te maken.
De heer Snellen van Vollenhoven geeft aan de
leden eenige exx. eener lijst van alle inlandsche Lepidoptera,
waarop aangeteekend is welke soorten nog niet in het be-
kende insectenwerk van Sepp zijn behandeld. Hij deelt voorts
mede dat hij voor eenigen tijd van den heer W. Mink te
Crefeld, corresponderend lid onzer Vereeniging, een brief
ontvangen had die eene aanmerking bevatte betreffende
de tweederlei vormen van het wijfje van Microphysa psela-
phoides, afgebeeld in den 16° jaargang van ons Tijdschrift
op Plaat 5, fig. 10 en 11. De heer Mink gaf als zijne mee-
ning op, dat het in fig. 11 voorgestelde insect niet het
wijfje is van Mier. pselaphoides, maar van Micr. elegantula
Bärensprung of volgens Fieber Zygonotus elegantulus Bàr. Tot
staving van zijn beweren voegde de heer Mink er bij, dat
hij deze soort voor eenige jaren in beide sexen bij Crefeld
gevangen had en wel daaronder tweemaal in copulatie,
zoodat bij hem geen twijfel bestond of zij waren twee sexen
van eene en dezelfde soort, hoe verschillend het mannetje
en wijfje ook mogen wezen in uiterlijken vorm. Noch
Bärensprung, noch Fieber heeft het wijfje gekend; beiden
VERSLAG. XXI
hebben uitsluitend het mannetje beschreven, doch Mink
heeft het wijfje doen kennen in een opstel in de Stettiner
Entomologische Zeitung voor 1861 (pag. 128) en met zijne
beschrijving aldaar stemt mijne beschrijving volkomen over-
een. Volgens Mink vindt men beide sexen tegen de stam-
men van oude boomen in parken en bosschen in Julij. —
In een later geschreven brief meldde hij dat hij ook dit
jaar de soort weder in verscheidene exemplaren tegen boom-
stammen had aangetroffen en dat hij bij de eerste gelegen-
heid een paartje zou overzenden.
Tot beter verstand van de eerste mededeeling moge dienen
dat Fieber in zijne « Europaeischen Hemipteren » wel eene
familie Microphysae aanneemt, maar niet het geslacht Micro-
physa (hoe dit te rijmen zij, is niet regt duidelijk). In ge-
noemde familie komen volgens hem 3 Europesche geslachten
voor, Myrmedobia, Idiotropus en Zygonotus; dit laatste is
hetzelfde als Westwood’s Microphysa. Fieber geeft niet op
waarom hij dezen naam als generieken naam verwerpt en
als familienaam behoudt.
Voorts zegt dezelfde Spreker nog ongeveer het volgende:
«Voor eenige jaren vond ik in mijnen tuin te Leiden
laat in het najaar op eene Fuchsiaplant eenige zeer fraaije
larven van bladwespen, die ik afbeeldde en bewaarde , doch
niet tot imago kon brengen. In het vorige jaar vond ik
dergelijken in September in menigte in het Haagsche bosch
op Gircaea lutetiana, die aldaar in overvloed groeit. Ik zocht
nu na in het uitmuntende werk van J. H. Kaltenbach «die
Pflanzenfeinde aus der Klasse der Insekten» of hem deze
larve ook bekend was en vond werkelijk onder de zes
insectensoorten, die volgens dezen schrijver op het heksen-
kruid leven, een Tenthredo Colon vermeld , met de beschrijving
der larve, die volkomen overeenstemde met mijne teekening.
Ofschoon ik in September een dozijn larven had opgekweekt ,
is daaruit in Junij geen enkele wesp bij mij te voorschijn
sekomen, maar daar ik bijna dagelijks eene wandeling door
het bosch maak, hield ik voortdurend het 00g op de Circaea en
XXII VERSLAG.
zag op zekeren zonnigen Julijdag tot mijn genoegen blad-
wespen daarover vliegen en er zich op nederzetten. Dien
dag en den volgenden heb ik een achttal wespen verzameld,
die kennelijk elkander met liefkozingen navlogen. Die wes-
pen waren T. Colon. Geene andere bladwesp heb ik immer
op de Circaea aangetroffen; ik meen dus geregtigd te zijn
om aan te nemen dat de gevangen wespen voortgekomen
zijn uit dergelijke larven als-ik in het vorige najaar op het
heksenkruid heb waargenomen en denk de beschrijving in
mijne Inlandsche bladwespen op te nemen. Naar verhouding
tot het aantal larven in den herfst van 1873 was het getal
wespen zeer gering, doch dit is, behalve aan de gewone
oorzaken, die de ontwikkeling van vele individuen tegen-
houden, voornamelijk aan de langdurige koude in het voorjaar
toe te schrijven.”
Eindelijk laat Spreker nog afbeeldingen van eenige sluip-
wespen rondgaan, als: eene nieuwe soort van Eupelmus,
die misschien zelfs een nieuw genus naast Eupelmus zal
moeten vormen; het mannetje van Agriotypus armatus, den
vijand der Phryganenlarven; beide sexen van Ichnewmon
latrator Gr. en de varieteit van het wijfje met korte vleu-
geltjes zonder areola, welke bijzonderheid Gravenhorst
aanleiding had gegeven om voor dit dier een nieuw genus
onder den naam van Brachypterus te vormen. De eerste
der genoemde sluipwespen was door den heer G. A. Six
dezen zomer onder meer andere zeldzaamheden bij den
Haag ontdekt, de overigen waren ter afbeelding overgezonden
door den Entomoloog Chr. Drewsen van Kopenhagen. Ichneu-
mon latrator is overigens ook reeds vroeger in ons vaderland
aangetroffen, doch voor zooverre Spreker bekend is, de
verscheidenheid met korte vleugeltjes nog niet.
De heer Leesberg vermeldt, dat hij in het jongste
voorjaar, onder de schors van een gevelden beuk, een
exemplaar heeft gevonden van Platydema violacea F., een
coleopteron dat tot dusver slechts zeer zelden in weste-
VERSLAG, XXIII
lijk Europa is aangetroffen. Hij meent dat de mededeeling
dezer vindplaats welligt aanleiding zal geven, dat deze
Diaperide ook elders in ons land zal worden ontdekt.
Voorts werden door hem rupsen van Asopia farinalis L.
waargenomen in de kurken van flesschen met zoeten wijn;
zij vraten de kurk tot aan het ondereind door, tot niet
geringe schade van den inhoud der flesschen, verpopten
zich tegen den hals der flesch en leverden na verloop van
vier of vijf weken den vlinder.
De heer Backer laat ter bezigtiging rondgaan een
exemplaar van Trochilium crabroniforme Lewin, dat hij den
13 Julij van dit jaar te Oosterbeek aan den Rijnkant tus-
schen het rijswaard ontdekte, en waarop hij de aandacht
vestigt wegens de groote zeldzaamheid; zijnde een exem-
plaar vóór welligt meer dan een vierde eeuw hier te lande
gevangen, en de soort, zooveel hem bekend is, sedert niet
meer waargenomen.
In de tweede plaats vertoont dezelfde Spreker een paar
merkwaardige verscheidenheden van Papilio Machaon L.
Beiden missen schier geheel den gewonen zwarten rand
langs den buitenkant der bovenvleugels, waardoor de nu
gele rand een in toog loopend vreemd voorkomen geeft;
een der exemplaren heeft bovendien aan het boven uiteinde
der ondervleugels een rood vlekje, dat bij deze vlinder-
soort wel meer wordt waargenomen.
De heer Lodeesen stelt ter bezigtiging een exemplaar
van Nola strigula W. V., in de maand Julij jl. door hem
onder Eemnes gevangen, van welke soort tot dusver alleen
door den heer Heylaerts een voorwerp in de omstreken van
Breda was gevonden.
De heer Ritsema deelt ongeveer het volgende mede:
Een in het vorig jaar te Neurenberg verschenen werkje
van Dr. Ludwig Koch, getiteld: Uebersichtliche Darstellung
XXIV VERSLAG.
der Europäischen Chernetiden (Pseudoscorpione) deed Spreker
besluiten eens te onderzoeken welke soorten van Bastaard-
schorpioenen er in ons land voorkomen. Hij gaf zijn
voornemen aan verschillende onzer entomologen te kennen,
met het verzoek hem in het verzamelen dezer diertjes be-
hulpzaam te zijn. Aan hunne welwillendheid is het dan
ook grootendeels te danken dat hij reeds nu eene lijst van
een achttal inlandsche soorten, verdeeld over vijf geslach-
ten, kan overleggen 1), terwijl tot nu toe slechts twee
soorten als inlandsch waren opgeteekend Ghelifer (Cheiri-
dium) Musaeorum Leach en Chelifer cancroides Linn., in
Snellen van Vollenhoven’s Gelede dieren van Nederland. Dat
er in ons land nog vele andere soorten gevonden zullen
worden is zeer waarschijnlijk, daar Koch in het genoemde
werkje 48 soorten vermeldt, die over 9 geslachten ver-
deeld zijn.
Voorts is Spreker zoo gelukkig geweest Acentropus niveus
Oliv. in de tweede helft van deze maand (Augustus) aan
den vijver van het landgoed Beekhuizen bij Arnhem in
groote menigte, doch weder alleen in het mannelijke ge-
slacht, aan te treffen (een 30tal voorwerpen werden ter
bezigtiging rondgegeven.) Dit is dus voor ons land reeds
de vierde vindplaats van dit vlindertje, als: Overveen bij
Haarlem (Wevenbergh en Ritsema), Noordwijkerhout (de
Graaf), de Koog op Texel (Ritsema) en nu ook Beekhui-
zen bij Arnhem (Ritsema). Met grond meent hij dan ook
te mogen voorzien dat het nog op vele plaatsen van ons
land zal worden aangetroffen, en welligt even gemeen
zal blijken te zijn als de bekende land-phryganide (Enoicyla
pusilla Burm.) die nu reeds in de provinciën Noord- en
Zuidholland, Utrecht, Noordbrabant, Gelderland en Gro-
ningen gevonden is.
Van meer belang evenwel is het vangen (eveneens in
de maand Augustus van dit jaar) van een’ vrouwelijken
1) Zie Bijlage A achter dit Verslag,
VERSLAG. XXV
Acentropus met goed cntwikkelde vleugels door Pater Max.
Vinc. Aghina in het Dominicaner klooster te Huissen. Dit
wijfje, dat des avonds op het licht der lamp afkwam en
daarna, even als bij de mannetjes van den Miveus is waar-
genomen, zeer wild over de tafel bleef rondvliegen, is aan-
merkelijk grooter dan de door mij op verschillende plaatsen
gevangen Niveus-mannetjes, hoewel deze onderling ook nog
al eenig verschil in grootte aanbieden; voorts is bij dit
wijfje de voorrand der voorvleugels vrij sterk uitgebogen ,
terwijl hij bij de Niveus-mannetjes vlak, voorbij het mid-
den zelfs iets ingedeukt is; verder zijn de voorvleugels
vrij eenkleurig blaauwgrijs (de franje echter is helder wit),
voorbij het midden langs den voorrand slechts flaauw ver-
donkerd, met een donker streepje op de dwarsader, terwijl
de Niveus-mannetjes geene teekening op de dwarsader hebben.
Genoemde kenmerken nu zijn de hoofdpunten, waarin
beide sexen van de door Spreker als tweede soort van het
geslacht Acentropus beschouwde Latipennis Möschl. van de
Niveus-mannetjes verschillen, en volgens Möschler ook ver-
schillen moeten. Het bestaan van twee soorten is echter
nog geene uitgemaakte zaak. Dunning b. v. neemt slechts
ééne soort aan (Niveus Oliv.), aan welke hij twee vormen
van wijfjes toekent, en wel eene met rudimentaire, de
andere met volkomen ontwikkelde vleugels. Acentropus lati
pennis Möschl., volgens Dunning volkomen gelijk aan
Zancle Hansoni Steph., zou dan de vrouwelijke vorm met
goed ontwikkelde vleugels zijn. Ook MacLachlan meent
na het onderzoek der anaal-aanhangsels van mannetjes van
de verschillende vindplaatsen slechts eene enkele soort te
mogen aannemen.
Dat dit vraagstuk kan worden opgelost door het vangen
of kweeken van vrouwelijke individuen van Overveen,
Noordwijkerhout, Texel of Beekhuizen, en van mannelijke
individuen van Huissen, is gemakkelijk in te zien. Voor-
loopig doet Spreker reeds opmerken, dat onder de honderden
van individuen, door hem op de eerstgenoemde plaatsen ver-
XXVI VERSLAG.
zameld, geen enkel wijfje werd aangetroffen, maar dat hij
door kweeking van rupsen, uit de Brouwerskolk bij Over-
veen afkomstig, wijfjes verkreeg die slechts van vleugelru-
dimenten voorzien waren !), en zich onder de oppervlakte
van het water bleven ophouden, terwijl het eerste voor-
werp het beste dat te Huissen gevangen werd, juist een
wijfje met goed ontwikkelde vleugels is. Hoewel Spreker
gedurende twee dagen aan het water in de nabijheid van
het klooster te Huissen ijverig naar meerdere exemplaren
gezocht heeft, is het hem niet mogen gelukken een enkel
voorwerp te vinden, reden waarom Pater Aghina de wel-
willendheid had het door ZWEerw. gevangen voorwerp
tijdelijk af te staan, ten einde het in deze vergadering ter
bezigtiging aan te bieden.
Spreker eindigt deze mededeeling met de verzekering
dat hij niet zal rusten voordat het duistere in de Acen-
tropus-quaestie geheel is opgehelderd.
Nadat de verschillende ingeschreven sprekers het woord
hebben gevoerd en de Voorzitter in omvraag gebragt heeft
of een der Leden nog eenige mededeeling had te doen,
verzoekt de heer A. Brants het woord, om een door hem
geuit, doch niet algemeen gedeeld gevoelen nader te ver-
dedigen.
Bij de beschrijving namelijk, der levenswijze van Psyche
plumifera Ochs. , opgenomen in Sepp’s Nederlandsche vlinders
(2° serie, deel III, afl. 28, bl. 154 e. v.) — zoo spreekt de heer
Brants in hoofdzaak — had hij beweerd, dat de rupsen
der Psychiden, hare zakken ter verpopping vastgesponnen
hebbende, zich vóór de aflegging der laatste rupsenhuid in
die zakken omwenden en dus met de naschuivers komen
te staan bij de vroegere mondopening der woning, thans
aan het een of ander stevig voorwerp vastgesponnen; Z00-
1) Eenmaal vond de heer Ritsema in dezen vijver eene vrouwelijke pop, die goed
ontwikkelde vleugelscheeden vertoonde; daar hij haar echter uit het spinsel verwijderd
had kwam zij niet tot ontwikkeling,
VERSLAG. XXVII
dat zij bij de verpopping de afgelegde rupsenhuid te zamen
drukken tegen dit vastgesponnen gedeelte van den zak,
met het gevolg dat deze huid dan ook steeds in de woning
aanwezig blijft.
Die bewering nu, waardoor Spreker in gevoelen verschilde
met den geachten Schrijver der verhandeling over Psyche
hirsutella Hbn. (zie Sepp’s Nederlandsche vlinders, 2° serie,
deel III, afl. 14, bl. 74 e. v.), was den heer B. gebleken van ver-
schillende zijden te zijn afgekeurd als niet voldoende geregt-
vaardigd. Het was hem derhalve dubbel aangenaam, zijne mee-
ning thans door latere waarnemingen te kunnen bevestigen.
Bij opening toch van een aantal vastgesponnen zakken
van verschillende Psychiden, als van Psyche villosella Ochs.,
Psyche opacella H.S., Psyche plumifera Ochs. en Epychnopteryx
Helix Siebold, bleek het vooreerst dat de poppen van beide
sexen steeds met den kop naar de opengebleven achter-
opening van den zak zijn gekeerd, en ten tweede dat de
afgelegde rupsenhuid altijd in de zakken aanwezig blijft
en het staarteinde der pop omklemt. Ten einde dit aan de
Leden te doen zien, laat de heer B. verscheidene opengesne-
den zakken van Psyche opacella H.S. en Epychnopteryx Helix
Siebold (allen vrouwelijke exemplaren) rondgaan, waarın
zoowel nog de rupsenhuid als de pop of haar vlies aanwezig
waren. Spreker meent dus, dat het voor de vier genoemde
soorten !) niet te betwijfelen valt, of de afgelegde rupsen-
huid wel steeds in de woning achterblijft; terwijl de om-
gewende plaatsing der Psychiden-pop, ook voor andere
soorten, eene verwijdering dier huid uit den zak, zeer
onwaarschijnlijk maakt. Op dezen grond meent hij dus te
mogen blijven bij zijn gevoelen, dat ook de huidjes door
den heer Heylaerts aan de vastgesponnen zakken van Psyche
hirsutella Hbn. waargenomen, niet van de verpopping, maar
van eene vorige vervelling afkomstig waren.
1) Een, na de vergadering, van den heer Ritsema ontvangen zak van Psyche graminella
W. V. 2, bewees het ook voor deze soort,
XXVIII VERSLAG.
De heer Snellen van Vollenhoven oppert hierop echter
de veronderstelling, dat de rupsen zich niet ter verpopping
omwenden, doch dat de nog weeke pop terstond de afge-
stroopte huid uit den zak dringt en zich eerst daarna omkeert,
om met de voorste ledematen naar de achteropening van
haar verblijf gewend te zijn. De heer Brants verzekert
evenwel, dat hij in reeds vastgesponnen zakken nog onver-
anderde en toch reeds omgewende rupsen aantrof; hetgeen
nader bevestigd wordt, doordien de heer Snellen, staande de
vergadering, twee vastgesponnen woningen van Psyche opa-
cella H. S. opent, in ieder van welke zich eene verdroogde
rups bevindt, beiden echter reeds met den kop naar de
achteropening van den zak gekeerd.
De Voorzitter, de heer Albarda, kan zeer goed het ge-
voelen van den heer Brants deelen, dat de rupsen der
Psychiden zich vöör de verpopping in haren zak omdraaijen,
doch verzekert ten stelligste — hierin gesteund door de
heeren Snellen en Ritsema — dat alle zakken van Psyche
hirsutella Hbn. door hen bij den heer Hevlaerts gezien,
een rupsenhuidje in of bij de achteropening voerden, het-
welk na de vastspinning daaruit was te voorschijn gekomen
en dus hoogst waarschijnlijk de huid was, die bij de ver-
popping werd afgelegd.
De heer Brants wil gaarne aannemen dat er bij Psyche hirsu-
lella, in tegenstelling met de door hem gekweekte Psyche’s,
cen rupsenhuidje achteraan den vastgesponnen zak te voor-
schijn komt, te meer daar de heer Albarda toevallig een zak
van genoemde soort, met een huidje er aan, kan vertoonen;
doch waagt de opmerking dat dit even goed de huid kan
zijn, die de rups reeds bij de laatste vervelling aflegde,
doch die in de sluitdraden der naauwe achteropening van
den zak blijft haken, totdat het dier haar, na de vastspinning
van den zak en de omwending daarin, doeh vóór de ver-
popping, er uit werkt, ten einde bij het uitbreken als vlinder
geene belemmering te ontmoeten.
Dit gevoelen viel gemakkelijk te toetsen, indien deze zak
VERSLAG. XXIX
slechts werd onderzocht, waartoe de Voorzitter hem wel-
willend afstond.
Bij opening bleek nu aan de heeren Albarda, Snellen en
andere belangstellende Leden, dat zich, behalve de rupsen-
huid, aan het achtereind aanwezig, in dezen zak in de
eerste plaats het vlies eener mannelijke pop bevond (waaruit
een Ichneumon was gebroken) en bovendien, tegen de vast-
gesponnen vooropening aangedrukt, het laatste bij de ver-
popping afgestroopte rupsenhuidje; zoodat het overtuigend
bleek, dat ook bij Psyche hirsutella de laatste rupsen-
huid in den zak aanwezig blijft en de daaraan, na
de vastspinning verschijnende huidjes slechts overblijfselen
van vroegere vervellingen kunnen zijn.
De vergadering aarzelt thans niet meer om als bewezen
aan te nemen dat de rupsen der Psychidae hare zakken ter
verpopping met de vooropening vastspinnen; zich vervolgens
daarin omwenden, zoodat zij met den kop bij de achter-
opening komen; de zakken daarna zuiveren van de daarin
aanwezige overblijfselen van vroegere vervellingen of van
andere stoffen; en eindelijk de rupsenhuid afleggen, die
tegen de vastgesponnen vooropening van den zak wordt
te zamen gedrukt en daar steeds aanwezig blijft. ’)
Nog vestigt Dr. Everts de aandacht der vergadering
op een geschikt middel om eene der zeldzamere Silphiden,
1) Op bovenstaande wijze kwam de Nederlandsche Entomologische Vereeniging,
uitsluitend op grond van eigen waarnemingen, tot een gevoelen, dat reeds voor meer
dan het vierde eener eeuw door Zeller verkondigd werd, toen hij, handelende over
Psyche apiformis, op bladz. 427 der Isis voor 1847 schreef: # Zwei Raupen hatten
„ihre abgestreiften Bälge schon herausgeschoben. Von diesen 2 Raupen untersuchte
„ieh am 13 März die eine; sie war noch unverwandelt und hatte sich mit dem Kopfe
„zegen das Afterende des Sackes gekehrt und sich mit Fäden umgeben. Die heraus-
„geschobene Haut war also von der vorigen Häutung, nicht von der der Verpuppung
» unmittelbar vorhergehenden. »
Het is der Redactie aangenaam zieh door de oplettendheid van den heer Snellen
in staat gesteld te zien op bovenstaand getuigenis van Prof. Zeller te kunnen wijzen,
dat het gevoelen van den heer Brants zoo krachtig steunt, en ten overvloede de
aandacht te vestigen op een stuk van Zeller in Zsis 1840 bl. 214 (voor Psyche
calvella), alsmede op de Stettiner Entomologische Zeitung 1874, bl. 230, waarin
C. Berg de bovenverdedigde meening insgelijks bevestigt.
XXX VERSLAG.
Necrophilus subterraneus TL, magtig te worden. Gedurende
zijn verblijf te Göttingen in dezen zomer is hem gebleken,
dat men, door een aantal exemplaren van Helix pomatia
stuk te slaan en opeen te hoopen, meermalen in de gele-
genheid is deze fraaije soort te verzamelen. Welligt kan
deze wijze van behandeling er toe leiden, dat wij eenmaal
die soort ook als tot onze Fauna behoorende kunnen aan-
teekenen.
Voorts vermeldt nog de heer A. B. van Medenbach
de Rooy, dat de rups van Ocneria Monacha L. dit en het
vorige jaar in eenige dennenbosschen van Gelderland groote
verwoestingen heeft aangerigt. In 1873 had hij opgemerkt,
dat ter plaatse waar de rupsen in groote menigte voor-
kwamen, zich ook vele koekoeken bevonden, die onophou-
delijk jagt op haar maakten; niettemin had hij geene be-
langrijke vermindering van het aantal rupsen kunnen be-
speuren. Daar deze soort zich uitsluitend in de takken
verpopt, meent hij dat het kwaad zou zijn te beteugelen,
door zooveel mogelijk de spinsels en poppen, die tusschen
de naaldelooze takken zeer in ’t oog vallen, bijeen te
zamelen en te vernietigen. Er was daaraan weinig gedaan,
met het gevolg dat de rupsen zich dezen zomer op nieuw
in schrikbarende hoeveelheid vertoonden en zich meer
over al de dennen- en eikenbosschen in den omtrek ver-
spreidden, zoodat er aan geen uitroeijen meer te denken
viel. In dezen zomer van daar medegebragte poppen had-
den grootendeels de melanische verscheidenheid opgeleverd.
Eindelijk geeft de heer Snellen nog eenige toelichting
op de afbeelding eener rups, waarvan de teekening was
vervaardigd en ingezonden door het nieuwe lid der Veree-
niging, den heer van Leeuwen, die, op grond der beschrij-
ving, door Snellen in zijne « Vlinders van Nederland» naar
Wilde gegeven, meende dat het de rups van Nola confu-
salis zou kunnen zijn, met uitzondering echter, dat de
VERSLAG. XXXI
ruggestreep aldaar ongelijk breed wordt genoemd. Onge-
lukkig had de heer van Leeuwen de rups niet tot ontwik-
keling kunnen brengen. De heer Snellen gelooft dat de
afbeelding inderdaad die van de genoemde soort is. 1)
Niemand verder het woord verlangende, sluit de Voor-
zitter de vergadering, onder dankbetuiging aan de verschil-
lende sprekers voor hunne wetenschappelijke mededeelingen.
Aan de excursie, den volgenden dag in de omstreken van
de Rhedersteeg ondernomen, werd door al de ter vergadering
opgekomen leden, met uitzondering van den heer Backer,
en bovendien nog door Dr. Kallenbach uit Rotterdam deel-
genomen. Ofschoon dit bij het ongestadige weder der laatste
dagen weinig te verwachten was, werd zij door vrij goed
weder begunstigd. Er werd voornamelijk achter Rhederoord
en in de zoogenaamde Onzalige bosschen gejaagd. Voor de
Lepidopterologen viel de buit niet bijzonder mede, wijl zij
bijna niets dan gewone soorten vingen. Wat Coleoptera
betreft, deelde Dr. Everts een lijstje van gevangen soorten
mede, waarop onder anderen voorkomen : Notiophilus biguttatus
F., Anchomenes gracilis St., Bembidium punctulatum Drap.,
Philonthus corvinus Er., Strophosomus obesus Marsh., Apion
penetrans Germ., Trifolii L., flavipes F. en virens Hrbst,
Plectroscelis concinna Marsh., Longitarsus ochroleucus Marsh.,
en Psylliodes marcidus Ill. Als min of meer zeldzame Orthop-
tera, Hymenoptera en Hemiptera, op deze excursie gevangen,
gaf Dr. Snellen van Vollenhoven op:
Orthoptera.
Blatta Ericetorum Wesm., beide sexen op heide.
Ephippigera Vitium Serv., 2 wijfjes op Ulex europaeus.
Odontura punctatissima Bosc, 1 2 op Ulex eur.
1) Eene latere mededeeling van den heer Snellen bevestigt dit. Hij zegt daarbij,
dat de teekening vrij goed overeenkomt met de beschrijving, door Speyer in de
Stettiner Entomol. Zeitung, 1873 blz. 357 gegeven. Speyer noemt aldaar Wilde’s be-
schrijving #kurz und nicht ganz zutreffend. »
XXXII VERSLAG.
Hemiptera.
Cimex lituratus Kl., zeer bont gekleurd, vele exemplaren
op heide en Ulex europaeus.
Acanthosoma griseum L., een groen ex. d.
>» ferrugator L., een ex. op heide.
Alydus calcaratus L., een ex. op gaspeldoorn (Ulex).
Pachymerus Pini L., een ex.
» rusticus Fall., een gepaard paar.
» sabulosus Schill., een ex. in kleur eenigszins
afwijkend van de Driebergschen.
Monolocoris Filicis L., 3 ex. op Pteris aquilina.
Phytocoris longicornis Wolff, 2 ex.
Oncotylus Tanaceti Fall., 1 ex.
Nabis brevipennis Hahn.
Oxyrrhachis Genistae F. op gaspeldoorn.
Jassus (Athysanus) plebejus? Fall. 4 ex.
Hymenoptera.
Tryphon elongator F.
Lissonota bellator Grav.
Blacus (Ganychorus) tuberculatus Wesm. 9, nieuw v. d. F.
Eulophus Larvarum Latr.
Proctotrupes gravidator L.
Myrmosa atra Latr. 4, bijzonder groot van statuur.
Ook door sommige andere leden werden exemplaren
medegenomen van de ook in volwassen staat ongevleugelde
Locustide Ephippigera Vitium Serv. Onder de Diptera, door
den heer van der Wulp gevangen, waren merkwaardig
Limnophila placida Meig., Empis serotina Lòw en eene kleine
Tachinine, Tachina mutabilis Fall., die in het geslacht Masicera
schijnt te moeten worden geplaatst, althans niet behoort tot
Meigenia, waaronder Schiner haar in zijne Fauna austriaca
rangschikt, waarschijnlijk zonder zelf de soort te kennen. Cyr-
toneura curvipes Macq. en Hydrotaea ciliata F. waren voorts niet
zeldzaam in het geboomte digt bij den oever van den IJssel.
Bijlage A.
DER TOT
NEAFA MCE; IST
HEDEN
IN NEDERLAND WAARGENOMEN
BASTAARD-SCHORPIOENEN (CHERNETIDEN)
1. Musæorum
Leach.
2. Reussii
C. Koch.
3. Hahnii
C. Koch
DOOR
C. RITSEMA Cz.
cHEIRIDIUM Menge.
Leach, Zool. Misc. III. n°. 5. Te
— C. Koch, Die Arachniden,
Bd. X. p. 43; T. 338. f. 781.
— Menge, Ueber die Schee-
renspinnen , Chernetidiae.
p.36. — L. Koch, Uebers.
Darstell. d. europ. Cherneti-
den, p. 2.
Leiden, Herklots.
Het geheele jaar door in
doozen met insecten in het
Leidsch Museum, in een
oude hombre-doos en onder
de wespennesten van mijne
collectie te Haarlem, Rit-
sema.
CHERNES Menge.
C. Koch, Die Arachniden, Bd. Te Leiden, Snellen van Vol-
X. p. 48; T. 340. f. 785. —
L. Koch, Uebers. Darstell. d.
europ. Chernetiden, p. 5.
lenhoven. — Bij menigte in
den zonnenschijn op ver-
welkte släbladeren op een
mesthoop te Rhoon, Schep-
man.
C. Koch, Die Arachniden, BA. In Holland, de Haan. — Den
X. p. 51; T. 340. f. 787. —
L. Koch, Uebers. Darstell. d.
europ. Chernetiden, p. 12.
18% April tegen den stam
van een perenboom in een
tuin te Middelburg, de Man.
— Achter de schors van een
wilg in Mei bij Leiden, Rits.
— Achter id. in Augustus te
Rhoon, Schepman.
III
XXXIV
4. (‘aneroides
Linné.
5. Schaefferi
C. Koch.
6. Granulatus
C. Koch.
7. Ravi
L. Koch.
8. Muscorum
C. Koch.
VERSLAG.
CHELIFER Geoffroy.
Linnaeus, Syst. Nat. tom. I. Komt
pars II. p. 1028.— C. Koch,
Die Arachniden Bd. X. p.41;
T. 338. f. 780. — Menge,
Ueber die Scheerenspinnen,
Chernetidae. p. 30. T. 4.
f. 5. — L. Koch, Uebers.
Darstell. d. europ. Cherneti-
den p. 16.
in Nederland voor
volgens Snellen van Vol-
lenhoven’s Gelede dieren van
Nederland, dl. I. blz. 69,
doch is niet door mij gezien.
C. Koch, Die Arachniden, Bd. Onder steenen in April in
X. p. 55; T. 341. f. 790. —
L. Koch, Uebers. Darstell.
d. europ. Chernetiden, p. 17.
de duinen, Snellen. — Onder
id. in Mei te Rhoon, Schep-
man.
C. Koch, Die Arachniden, In een huis te Leiden, in Mei,
Bd API TI. LAUT.
— L. Koch, Uebers. Darstell.
d. europ. Chernetiden. p. 21.
Jentinck. — In een huis te
Oosterbeek in Junij, Rit-
sema.
CHTHONIUS C. Koch.
L. Koch, Uebers. Darstell. d. Onder steenen aan den oever
europ. Chernetiden, p. 48.
OBISIUM Illiger.
van de Maas bij Rotterdam
in Mei, Schepman. — Onder
steenen aan den oever van
den IJssel bij Westervoort
in Augustus, Ritsema.
C. Koch, Die Arachniden, In Nederland, Groll. — In
Bd. X. p. 67; T. 344. f. 799.
— L. Koch, Uebers. Darstell.
d. europ. Chernetiden, p. 64.
November by Leiden, de
Man. — Twee wijfjes (de
eijeren onder den buik dra-
gende) den 10 Mei in spin-
seltjes in een vermolmden
wilg bij Leiden, Rits. — 12
Mei achter de schors van een
populier bij Leiden, id. —
24 Mei in vermolmd hout in
de Scheveningsche boschjes,
id. — In Januarij achter de
schors van een ijpenboom te
Voorburg, Ivangh Schep-
man.
LIJST DER LEDEN
NEDERLANDS CHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
op 29 Augustus 1874,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
Pete
BEGUNSTIGERS.
Teyler’s Stichting te Haarlem. 1860.
De heer Mr. ©. W. Hubrecht, te Leiden. 1859.
» » >. Kneppelhout, Hemelsche Berg te Oosterbeek. 1867.
» » Francois P. L. Pollen, te Scheveningen. 1867.
Mevrouw Hartogh Heys van de Lier, geb. Snoeck, te ’s Gravenhage. 1868.
De heer Dr. F. J. I. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
» » Mr. J. Thiebout, te Zwolle. 1869.
» » Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van Ellemeet, te Oost-Capelle
bij Middelburg. 1870.
» n Jhr. F. van den Santheuvel, te Dordrecht. 1870.
EERELEDEN.
De heer C. F. Westerman, Direeteur van het Koninklijk Zoologisch
Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
» » H. T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861.
» » Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis-
senschaften en Burgemeester van Weenen. 1861.
n° » Prof. Dr. H. Löw, te Guben. 1862.
n n Prof. J. O. Westwood, F. L. S., Directeur van het Hopean
Museum te Oxford. 1862.
» A. E. W. Ludeking, Officier van gezondheid bij het Nederl.
Indische leger. 1862.
» » Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, oud-Officier van ge-
zondheid, practiserend geneesheer te ’s Gravenhage. 1864,
XXXVI LIJST DER LEDEN ENZ.
De heer Prof. J. J. P. Hoffmann, te Leiden. 1865.
» » Dr. Gustav L. Mayr, te Weenen. 1867.
» » Dr. H. D. J. Wallengrèn, te Farhutt, bij Högandäs in Zweden.
its vals
n » R. MacLachlan, F. L. S., te Londen. 1871.
n» Dr. T. Thorell, Hoogleeraar in de Zoologie aan de Hoogeschool
te Upsala in Zweden. 1872.
+ » Dr. C. A. Dohrn, President der Entomologische Vereeniging
te Stettin. 1873.
» » M. E. Baron de Selys Longehamps, te Luik. 1874.
n » Dr. V. Signoret, te Parijs. 1874.
CORRESPONDERENDE LEDEN.
De heer Prof. Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Aken. 1855.
5» » Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
s » Dr. C. Stal, Professor aan het Kon. Zoologisch Museum te
Stockholm. 1864.
» » Frederic Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige
Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864.
» » Je W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te Londen. 1865.
» » Mr. J. W. van Lansberge, Buitengewoon Gezant en gevol-
magtigd Minister der Nederlanden te Brussel. 1865.
» » Prof. P. C. Zeller, Grünhof bij Stettin. 1867.
» + W. Mink, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te Cre-
feld. 1867.
+ » Dr.H. Weyenbergh, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Cordova
in de Argentijnsche Republiek. 1872.
» » Dr. W. Marshall te Weimar. 1872.
n n J. Putzeys, te Brussel. 1874.
n n À. Fauvel, te Caen. 1874.
BUITENLANDSCHE LEDEN
De heer Henri Vicomte de Bonvouloir, Archiviste-adjoint de la Société
entomologique de France, te Parijs, Rue de l'Université, 15.
» » H. Jekel van Westing, lid der K. Acad. der natuuronderzoe-
kers te Moscou en van verscheidene entomol. genootschappen,
te Parijs, Rue Letort, 2.
GEWONE LEDEN.
1845-46.
De heer Dr. J. G. H. Rombouts, te Amsterdam.
» » E.M. van der Wulp, Spui, n°. 93, te ’s Gravenhage. — Diptera.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXVII
De heer Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, huize Schothorst, te
De heer
”
Hoogland bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
J. W. Lodeesen, Prinsengracht bij de Reestraat, KK, 561,
te Amsterdam. — Lepidoptera indigena.
Dr. J. R. E. van Laer, te Utrecht.
Dr. P. H. J. Wellenbergh, te Oisterwijk.
Mr. H. Ver Loren van Themaat, te Utrecht. — Lepidoptera.
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Phil. nat. Dr., 2de Van den
Boschstraat, 34, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera en Hemiptera. —
W. O. Kerkhoven, te Twello.
1851-52.
R. T. Maitland, Directeur van den Kon. Zoologisch-botanischen
Tuin te ’s Gravenhage. — Algemeene Entomologie.
P. C. T. Snellen, Zuidblaak, wijk 2 n°. 12, te Rotterdam. —
Lepidoptera.
Dr. M. Imans, te Utrecht.
Dr. W. A. J. van Geuns, Oude Gracht, te Utrecht.
1852—53.
N. H. de Graaf, Haarlemmerstraat, te Leiden. — Lepidoptera.
Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde, 123, te ’s Gravenhage. —
Inl. Lepidoptera, bijzonder Microlepidoptera.
G. M. de Graaf, Heerengracht, te Leiden. — Lepidoptera.
Dr. L. A. J. Burgersdijk, Hoogleeraar aan het Athenaeum te
Deventer. — Algem. Entomologie.
G. A. Six, De Ruiterstraat, 11, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera.
Dr. W. Berlin, Hoogleeraar aan het Athenaeum te Amsterdam.
1855-56.
A. A. van Bemmelen, Directeur van de Diergaarde te Rol-
terdam. — Algemeene Entomologie.
Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen, te Velp. —
Lepidoptera.
M. Breukelman, te Delfshaven. — Lepidoptera.
1856-57.
Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Inlandsche Lepi-
doptera (bijzonder Microlepidoptera) en Neuroptera.
Mr. W. Albarda, te Ginneken bij Breda. — Lepidoptera en
Neuroptera.
A. P. H. Kuipers, te Leeuwarden.
Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade, 15, te
’s Gravenhage. — Arachniden.
1857-53,
De heer Dr. J. W. Schubärt, te Utrecht,
N
”
W. K. Grothe, te Zeist.
XXXVIII LIJST DER LEDEN ENZ.
1358-59.
De heer J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht. —
Lepidoptera.
n » J. Backer Jr., te Oosterbeek, — Lepidoptera.
1860-61.
De heer J. Kinker, Oudezijds-Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort,
B. 261, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
» » Dr. E. Piaget, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Korte-
naerstraat, 416, te Rotterdam. — Diptera en Parasitica.
1862-63.
De heer H. Baron Lewe van Middelstum, te Beck bij Nijmegen. —
Lepidoptera.
1863 -64.
De heer Mr. R. Th. Bijleveld, Rapenburg te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
» » D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F, 3471, te Zwolle. —
Lepidoptera.
1864-65.
De heer Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Lepidoptera.
H. J. Veth, Phil. nat. Cand., Leeraar aan de Hoogere Bur-
gerschool te Rotterdam. — Algemeene Entomologie.
» » H. W. Groll, te Haarlem. — Coleoptera.
1865-66.
De heer Dr. H. C. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat, te
Arnhem. — Lepidoptera.
» » Mr. A. Brants, Buitensingel te Arnhem. — Lepidoptera.
1366-67.
De heer F. J. M. Heylaerts Jr., St. Jansstraat te Breda. — Lepi-
doptera enz.
n » Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar te Utrecht. — Alge-
meene Zoologie.
» » A. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
1867-68.
De heer C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur-
lijke historie, Rapenburg n°. 94 te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
» » Mr.H. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil. nat. Doctor, te Assen.
1868-69.
De heer Dr.J. G. de Man, Adsistent bij ’s Rijks Museum van Natuur-
lijke historie, te Leiden. — Algemeene Entomologie,
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXIX
De heer Dr. T. W. O: Kallenbach, te Rotterdam. — Lepidoptera.
n
»
De
De
De
n
n
heer
heer
heer
heer
A. Cankrien, Boompjes, te Rotterdam. — Lepidoptera.
Mr. C. J. Sickesz, Burgemeester van Laren, Huize de Cloese
bij Lochem.
1369-70.
Dr. H. W. Waalewijn, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Leiden.
M. Nijhoff, Raamstraat 49, te ’s Gravenhage. — Bibliographie. .
1870-71.
Dr. L. L. Aronstein, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Breda.
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Leeraar aan de Hoogere Burger-
school, Huigensstraat 15, te ’s Gravenhage. — Coleoptera.
Mr. M. Piepers, Lid der regterlijke magt in Nederlandsch
Indië, thans met verlof hier te lande, te ’s Gravenhage. —
Lepidoptera.
Dr. P. J. Veth, Hoogleeraar aan de Rijksinstelling van onder-
wijs in de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch Indié,
te Leiden.
1871—72.
W. A. Ivangh Schepman, te Rhoon. — Lepidoptera.
D. Burger, Phil. nat. Stud., te Leiden. — Hemiptera.
J. Ritzema Bos, Phil. nat. Cand., Leeraar aan de Hoogere
Burgerschool en de Landbouwschool te Wageningen.
J.F. G. W. Erbrink, N. Z. Voorburgwal over de Kolk, G, 206,
te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
J. B. van Stolk, Zeemansstraat, te Rotterdam. — Lepidoptera.
Mr. A. F. A. Leesberg, Jan-Hendrikstraat, 9, te ’s Graven-
hage. — Coleoptera.
Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar te Groningen.
M. M. Schepman te Rhoon. — Neuroptera.
Dr. C. K. Hoffmann, Hoogleeraar te Leiden. — Vergelijkende
ontleedkunde.
1872-73.
Dr. A. J. van Rossum, Kastanjelaan te Arnhem.
1873-74.
H. P. Snelleman, Phil. nat. Stud., Nieuwe Rijn te Leiden.
A. B. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat te Arnhem.
J. van Leeuwen Jr., Litt. hum. Cand., Prinseneiland te
Amsterdam. — Lepidoptera.
J. C. Stern, te Sluis.
Mr. M. ’s Gravesande Guicherit, te Delft.
XL
COMMISSIE
LIJST DER LEDEN ENZ.
BESTUUR.
President. Mr. W. Albarda.
Vice-President. P. C. T. Snellen.
Secretaris. F. M. van der Wulp.
Conservator. Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.
Bibliothecaris. C. Ritsema Cz.
Penningmeester. J. W. Lodeesen.
VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
De President van het Bestuur.
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.
F. M. van der Wulp.
a
BIBLIOTHEKEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
BIJGEKOMEN BOEKEN VAN 1 JuLis 1873
TOT 31 AUGUSTUS 1874.
BIBLIOTHEEK A.
Natuurlijke Historie in het algemeen.
Preudhomme de Borre (A.), Y a-t-il des faunes naturelles dis-
tinctes à la surface du globe, et quelle méthode doit-on employer
pour arriver à les définir et les limiter? Bruxelles, 1873. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
Algemeene Dierkunde.
. Everts (Dr. E.), Untersuchungen an Vorticella nebulifera. Leipzig,
1873. 8vo. Mit 1 Taf. (Geschenk van den Schrijver).
Lessona (M.), Calendario zoologico in Piemonte. Torino, 1873. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
Weyenbergh (Dr. H.), De baring der Poecilién. Amsterd., 1874.
8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Algemeene Entomologie.
Westwood (J. O.), Thesaurus Entomologicus Oxoniensis; or Il-
lustrations of new, rare, and interesting Insects, for the most
part contained in the collections presented to the University of
Oxford bij the Rev. F. W. Hope. With plates from drawings by
the Author. Oxford, 1873, 74. 4to. Part I and II.
Weyenbergh (Dr. H.), Varia entomologica. ’s Grav. 1874. 8vo.
(De plaat ontbreekt).
—— Ueber ein zweiköpfiges Monstrum (Larve von Chironomus)
und über Insecten-Monstra überhaupt. Stettin, 1873. 8vo.
XLII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
8.
©
10.
LL;
13.
14.
15.
16.
17.
18.
Mee
Eenige uit couranten en tijdschriften geknipte en opgeplakte op-
stelletjes over toegepaste Entomologie in de Spaansche taal, van
Prof. Dr. Weyenbergh (met de beide vorige nommers van den
Schrijver ten geschenke ontvangen).
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
Jekel (H.), Note sur le genre Pterygomus, nouvelle coupe de
Curculionides-Cryptorhynchides du groupe des Sophrorhinides
Lacord. Paris, 1873. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
—— Coleoptera Jekeliana, adjecta Eleutheratorum Bibliotheca,
etc. Paris, 1873. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Kraatz (Dr. G.), Die Käfer Europa’s. Nach der Natur beschrie-
ben, im Anschluss an die Käfer Europa’s von Dr. H. C. Küster.
Nürnberg, 1873. Kl. 8vo. 29stes Heft.
Preudhomme de Borre (A.), Note sur deux Monstruosités obser-
vées chez des Coléoptères. Brux. 1873. 8vo. (Geschenk van den
Schrijver).
Ritsema Cz. (C.), Description of a new African species of the
genus Ischiodontus Cand. (Coleoptera, Fam. Elateridae). Lond.
1874. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
B Lepidoptera.
Vollenhoven (Dr. 8. ©. Snellen van), Beschrijvingen en afbeeldingen
van Nederlandsche Vlinders (vervolg op Sepp, Beschouwing der
Wonderen Gods, enz.) ’s Gravenhage, 1874. DI. III, n°. 25—32, Ato.
Wallengrèn (H. D. J.), Trenne för Skandinaviens Fauna nya
Pyralider. Stockholm, 1873. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
C. Hymenoptera.
Ulivi (G.), La Partenogenesi e Semipartenogenesi delle Api.
Firenze et Roma, 1874. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
D. Hemiptera.
Signoret (V.), Quelques observations nouvelles sur la Phylloxera
vastatrix. Paris, 1870. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Stäl (C.), Formae speciesque novae Reduviidum. Paris, 1862.
8vo. (Geschenk van Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven).
— — Enumeratio Hemipterorum. Bidrag till en Förteckning öfver
alla hittills kinda Hemiptera. n°. 3. Stockh, 1872. 4to. (Geschenk
van den Schrijver).
25.
28.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLIII
E. Neuroptera.
Cabot (L.), The immature State of the Odonata. Prt. I. Subfam.
Gomphina. Cambridge, 1872. Gr. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
. Mac-Lachlan (R.), A Catalogue of the Neuropterous Insects of
New Zealand; with Notes and Descriptions of new Forms. London,
1873. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
F. Orthoptera.
Thomas (C.), Acrididae of North-America. Washington, 1873.
With 1 pl. 4to. (Geschenk van de U. S. Geological Survey of the
Territories).
G. Diptera.
. Müller (A.), The Gall-Midge of the Yew (Cecidomyia Taxi Inchb.)
London, 1873. (Geschenk van den Schrijver).
Ritsema Cz. (C.), Versuch einer chronologischen Uebersicht der
bisher beschriebenen oder benannten Arten der Gattung Pulex
Linn., mit Berücksichtigung ihrer Synonymen. Regensburg , 1874.
8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Weyenbergh (Dr. H.), Nederlandsche Diptera in metamorphose
en levenswijs. N°. VI. ’s Gravenhage, 1873. Met 1 pl. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Niets bijgekomen.
Palacontologie.
. Leidy (J.), Contributions to the extinet Vertebrate Fauna of
the Western Territories. Washington, 1873. With 37 Plates. 4to.
(Geschenk van de U. S. Geological Survey of the Territories).
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Niets bijgekomen.
Tijdschriften.
Annali del Museo Civico di Storia naturale di Genova, pubblicati
per cura di G. Doria. Genova, 1870—73. Vol. I—IV. M. pln.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. voor Entom.)
Annual Report of the Board of Regents of the Smithsonian In-
stitution, Washington, 1871, 72. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr.
voor Entom.)
Archives Néerlandaises des Sciences exactes et naturelles, publiées
par la Soc. Holl. d. Sc. à Harlem. La Haye, 1874. Tome IX,
livr. 1-3, 8vo. (Geschenk van de Hollandsche Maatschappij van
Wetenschappen te Haarlem).
XLIV BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
37.
38.
39,
40.
41.
42.
45.
Berichte des Offenbacher Vereins für Naturkunde über seine
Thätigkeit. Offenbach am Main (13ter und 14ter), 1873. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. Caen, 1873.
2° ser. 6° vol. (ann. 1870—72). 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.)
Bulletin des séances de la Société Entomologique de France.
Paris, 1873/74; n°. 3, 11, 13, 20, 23, 24 et 25. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Buffalo,
1873/74, vol. I, n°. 2--4. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.)
Bulletin of the Essex Institute. Salem, 1873, vol. IV, 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Firenze, 1873/74,
an V, trim. 2-4. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Canadian Entomologist (The). Toronto and London (Ont.), 1869—74,
vol. I—V, vol. VI, n°. 1, 2. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.)
Compte-Rendu des séances de la Société Entomologique de Bel-
gique. Brux. 1873/74, n°. 89—100; sér. II, n°. 1 et 2. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Boston, 1872,
vol. II, prt. II, n°. 2, 3. With plates. 4to. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.)
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indié, uitgegeven
door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch
Indië. Batavia en ’s Gravenhage, 1871, dl. 32. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Newman (E.), The Entomologist. London, 1873/74, vol. VI,
n°. 118—124, vol. VII, n°. 125—132. 8vo. (Van dit Tijdschrift
ontvingen wij deel V ten geschenke van den heer Fr. Walker).
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Boston,
1872/73, vol. XIV, p. 225 till the end, vol. XV, prt. 1 and 2.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society
of London for the year 1872, prt. II and II, for the year
1873, and for the year 1874, prt. I; with the Index for the
years 1861—70. London, 1872—74. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.)
Report (Annual) of the Chief Signal-Officer to the Secretary of
War for the year 1872. Washington, 1873. 8vo. (Geschenk van
de U. S. War Department).
44.
45.
46.
47.
48.
49.
51.
52.
56.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLV
Report (Sixth Annual) of the U. S. Geological Survey of the
Territories, etc. by F. V. Hayden. Washington, 1873. 8vo. (Ge-
schenk van den Schrijver).
Report of the Commissioner of Patents, Agriculture, for the
years 1871 and 72. Washington, 1872/73. 8vo. (In rwil tegen
het Tijdschr. v. Entom.)
Schriften der Königlichen physikalisch-ökonomischen Gesellschaft
zu Königsberg. Königsberg, 1872, 13ter Jahrg. 2te Abth. 4to.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Transactions of the American Entomological Society. Philadelphia,
1868/73, vol. II, n°. 3 and 4; vol. IV. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.)
Transactions of the Entomological Society of New South Wales.
Sidney, 1863—73, vol. I and IL. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.)
Transactions of the New-York State Agricultural Society for the
year 1871. Albany, 1872. With plates. 8vo.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. ’s Gravenhage, 1873—74. 2de ser.,
dl. 8, afl. 6; dl. 17, afl. 1—4. Met pl. 8vo.
Verhandlungen der K. K. zoologisch-botanischen Gesellschaft in
Wien. Wien, 1873. Bd. XXIII. Mit 10 Tfln. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.)
Verslag van de 28ste Zomervergadering en van de 7de Winterver-
gadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, gehou-
den te Breda den 7” Junij en te Leiden den 6 December 1873.
’s Gravenhage, 1874. 8vo.
Verslag van den Landbouw in Nederland over de jaren 1871 en
1872. ’s Gravenhage, 1873/74. 8vo. (Geschenk van het Ministerie
van Binnenlandsche Zaken).
Verslag (73ste) van het Natuurkundig Genootschap te Groningen
over het jaar 1873, 8vo.
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van We-
tenschappen, Afd. Natuurkunde. Amsterd. 1873/74. 2de reeks,
7de deel, 2de en 3de stuk; Sste deel, 1ste stuk. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Zeitschrift für die Gesammten Naturwissenschaften. Herausgege-
ben von dem Naturw, Vereine für Sachsen und Thüringen in
Halle. Redigirt van C. Giebel. Halle und Berlin. 1853—73. Bd.
I--X, XII-XVI, XVIII—XX, XXII-XLII. 39 Bde. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Reizen.
Niets bijgekomen.
nn
XLVI BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
57.
ee,
.
Varia.
Catalogus van de Boekerij der Koninklijke Akademie van Weten-
schappen. Nieuwe uitgaaf. Amsterd. 1874. 1ste deel, 1ste stuk. 8vo.
Estatutos de la Sociedad Entomologica Argentina. Buenos Aires,
1874. KI. 8vo. (Geschenk van Dr. Weyenbergh).
Stal (C.), Carl Henrik Boheman, Professor och Intendent vid
Riks museum. (Geschenk van den Schrijver).
Uittreksel uit de Nieuwe Bredasche en Oosterhoutsche Courant
van 9 Oct. 1873, betreffende het beschermen van vogels.
Weyenbergh (Dr. H.), Die Aufgabe der we Eine Rede.
Buenos Aires, 1873. 8vo.
La Tarea de la Zoologica. Discurso inaugural. Buenos
Aires, 1873. 8vo. (Met het vorige nommer van Dr. Weyenbergh
ten geschenke ontvangen).
BIBLIOTHEEK B:
Natuurlijke Historie in het algemeen.
Niets bijgekomen.
Algemeene Dierkunde.
Niets bijgekomen.
Algemeene Entomologie.
Thomson (C. G.), Opuscula Entomologica. Lund, 1873. Fase.V. 8vo.
Gerstaecker (Dr. A.), Die Gliederthier-Fauna des Sansibar-Ge-
bietes. Nach dem von Dr. 0. Kersten während der von der
Decken’schen Ost-Afrikanischen Expedition im Jahre 1862 und
von ©. Cooke auf der Insel Sansibar im Jahre 1864 gesammelten
Material. Leipzig und Heidelberg, 1873. Mit 18 Taf. 4to.
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
Fauvel (A.), Faune Gallo-Rhénane ou Species des Insectes qui
habitent la France, la Belgique, la Hollande, le Luxembourg,
la Prusse-Rhénane, le Nassau et le Valais. (Coléoptères). Tom.
III, livr. 4. Caen, 1873. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Gemminger (Dr. M.) et B. de Harold, Catalogus Coleopterorum
hucusque descriptorum synonymicus et systematicus. Miinchen,
1869—73. Tom. VI— VIII, IX pars 1, X. 8vo
Di
10.
Jet
12.
13.
14.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLVII
Gorham (H. S.), Endomycici Recitati. A Catalogue of the Cole-
opterous group Endomycici, with Descriptions of new Species
and Notes. London, 1873. With a plate. 8vo.
Harold (E. v.), Coleopterologische Hefte. München, 1870—74.
Heft 6—12. 8vo.
B. Lepidoptera.
Hewitson (W. C.), Exotic Butterfies, being Illustrations of new
Species. London, 1873—74. Part 88—91. With col. pl. 4to.
Millière (P.), Iconographie et description de Chenilles et Lépi-
doptères inédits. Paris, 1873. Livr. 32 et 33. Av. pl. col. 8vo.
Stainton (H. T.), The Natural History of the Tineina. London,
Paris and Berlin, 1873. vol. 13. With col. pl. 8vo. (Geschenk van den
heer Stainton).
Vollenhoven (Dr. 8. C. Snellen van), Beschrijvingen en afbeeldingen
van Nederlandsche vlinders. ’s Gravenhage, 1874. DI. II, n°. 25—
32. Met gekl. pl. 4to. (Vervolg op J. C. Sepp, Beschouwing der
wonderen Gods.)
C. Hymenoptera.
Marshall (T. A.), A Catalogue of British Hymenoptera; Chrysi-
didae, Ichneumonidae, Braconidae and Evaniidae. London, 1872.
8vo.
Thomson (C. G.), Skandinaviens Hymenoptera. Tom. III, fase. 1.
(Vespa L.) Lund, 1874. 8vo.
D. Hemiptera.
Giebel (C. G.), Insecta epizoa. Die auf Säugethieren und Vügeln
schmarotzenden Insecten, nach Chr. L. Nitzsch’s Nachlass. Leipzig,
1874. M. 20 Tfin. 4to.
E Neuroptera.
Niets bijgekomen.
F. (Orthop tera,
Niets bijgekomen.
G Diptera.
Niets bijgekomen.
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Menge (A.), Preussische Spinnen. Danzig. Abtheil. V und VI.
Mit Tafeln, 8vo.
Palaeontologie.
Niets bijgekomen.
XLVITI BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
15.
19:
20.
21.
22.
25.
24.
26.
27.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Niets bijgekomen.
Tijdschriften.
Album der Natuur. Tijdschrift ter verspreiding van natuurkennis
onder beschaafde lezers van allerlei stand. Jaarg. 1873, 1874
afl. 1—10. Haarlem, 1873—74. 8vo.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Brux. 1873.
T. 16. Av. 3 pl. n. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie et Palaeontologie. Paris,
1873—74, 5° ser. t. 18, n°. 2—6, t. 19, t. 20, n°. Let 2. Av. pl. 8vo.
. Annals and Magazine of Natural History. Conducted by C. C.
Babington, J. E. Gray, W. S. Dallas and W. Francis. London,
1873—74. 4. ser. Vol. 12, 13, 14 n°. 1 and 2. With pl. 8vo.
Archiv für Naturgeschichte. Gegründet von Wiegmann und fort-
gesetzt von Erichson und Troschel. Berlin, 1871—74. Jahrg. 37
n°. 5 und 6; 38 n°. 5; 39 n°. 2-4; 40 n°. 1 und 2. Mit Tafin. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Archives (Nouvelles) du Muséum d'histoire naturelle de Paris.
Paris , 1873—74. Tom. 9, livr. 2—4, Tom. 10, livr. 1. Av. pl. 4to.
Bericht über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der
Entomologie wiihrend des Jahres 1870 von Fr. Brauer, und
während der Jahre 1869 und 1870 von Dr. A. Gerstaecker. Berlin,
1873. 8vo.
Berliner Entomologische Zeitschrift, herausgegeben von dem En-
tomologischen Vereine in Berlin. Redact. Dr. G. Kraatz. Berlin.
1873—74. 17ter Jahrg. und 18ter Jahrg. Heft 1 und 2. M. Tfin.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou, publié
sous la direction du Dr. Renard. Moscou, 1873—74. Ann. 1872,
n°. 4, Ann. 1873, n°. 2 et 3. Av. pl. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.)
Correspondenz-Blatt des zoologisch-mineralogischen Vereines in
Regensburg. Regensburg, 1873—-74. Jahrg. 27, n°. 5—12; Jahrg.
28, n°. 1—3. 8vo.
. Entomologische Zeitung. Herausgegeben von dem Entomologischen
Vereine in Stettin. Stettin, 1873 Jahrg. 34. Mit 2 Tfin. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Entomologist’s (The) Annual for 1874. London, 1874. W. 1 pl.
8vo. (Geschenk van den heer H. T. Stainton).
Entomologist’s (The) monthly Magazine. Conducted by J. W,
Douglas, R. M. Lachlan, E. C. Rye and H. T. Stainton. Lond.,
1873—74. vol. X. n°. 2—12, vol. XI, n°. 1—3. 8vo.
28.
29.
30.
31.
5d.
54.
35.
36.
37.
38.
39.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLIX
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. Petropoli, 1872—73.
T. IX, X. n°. 1. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Jaarboekje v. het Kon. Zool. Genootschap „Natura Artis Magistra”.
Amst. 1874. M. pl. 8vo.
Journal of the Proceedings of the Linnean Society of London.
(Zoology). Lond. 1872—73. vol. XI, n°.55 and 56. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft.
Redigirt von Dr. G. Stierlin. Schafhausen, 1873—74. Vol. IV.
Heft n°. 2—4. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Revue et Magasin de Zoologie pure et appliquée, sous la direc-
tion de M. F. E. Guérin-Méneville. Paris, 1873—74. 3me sér.,
t. I, n°. 7—12; t. II, n°. 1—6. Av. pl. 8vo.
Transactions of the Entomological Society of London for 1873
and for 1874 prt. 1 and 2. Lond. 1873—74. With pl. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Transactions of the Linnean Society of London. Lond. 1871—74.
vol. 27, 28, 29 prt. 1 and 2, 30 prt. 1. W. pl. and also the
Index to vol. I-XXV. 8vo.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. ’s Gravenhage, 1873—74. 2de Serie.
dl. 8, aflev. 5 en 6, dl. XVII. aflev. 1—4. M. gekl. pl. 8vo.
Verhandlungen des Naturhistorischen Vereines der preussischen
Rheinlande und Westphalens. Bonn, 1872—73. Jahrg. 29 und
30. M. Tafin. 8vo.
Verslagen der beide in 1873 door de Nederl. Entom. Vereeniging
gehouden Vergaderingen.
Zoological (The) Record for 1871 and 1872, being volume VIII
and IX of the Record of Zoological Literature, edited by A. Newton.
Lond. 1873 and 74. 8vo. |
Zoologist (The). A monthly Journal of Natural History, conduct.
by E. Newman. Lond. 1873—74. Sec. series. n°. 94—107. 8vo.
Reizen.
Niets bijgekomen.
Varia.
Niets bijgekomen.
ENTOMOLOGISCHE INHOUD
VAN
ONTVANGEN TIDSCHRTE TEN:
Julij 1873.
Newman’s Entomologist, n°. 118 (July 1873) (a). !)
Variety of Epinephele Hyperanthus (female), with illustrations, by
Edw. Newman. — Economy of Chalcidiae, by Fr. Walker (con-
tinued). — Life-History of Thecla W-Album, by Edw. Newman. —
Larva of Hesperia Actacon, by Th. Parmiter. — Description of
the Larva of Hesperia Actaeon? by Edw. Newman. — Early History
of Agrotis Ashworthii, by C. S. Gregson. — Description of the
Larva of Euchromia purpurana, by C. S. Gregson. — Description
of the Larva of Depressaria rotundella, by C. S. Gregson. — Des-
cription of the Larva of Platyptilus gonodactylus, by C. S. Gregson. —
Voorts: Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 110 (July 1873) (0).
On certain British Hemiptera Homoptera (Revision of the Bythosco-
pidae), continued, by J. Scott. — Description of two new genera
and three new species of Anthribidae from New Zealand, by D.
Sharp. — On a genus of the Byrrhidae from Japan, by T.
Vernon Wollaston. —- Notes on British Tortrices, by C. G. Barrett
(continued). — Voorts vele kleine entomologische aanteekeningen. —
Review: Les Papillons diurnes de Belgique; Manuel du jeune
lépidopterologiste. Par Louis Quaedvlieg. Bruxelles, Paris et Berlin,
1873. 12mo. — Notes on Heleromera, and Descriptions of new
genera and species (n°. 9), by F. Bates.
Newman’s Zoologist, Sec. ser. n°. 94 (July 1873) (0).
A Visit to Corsica, by F. A. Walker (concluded).
Annals and Magazine of Natural History. 4th series, vol. 12 n°. 67
(July 1873) (0).
A Catalogue of the Neuropterous Insects of New Zealand; with
Notes and Descriptions of new Forms, by R. M° Lachlan, —
1) (a) duidt aan dat het werk tot de oorspronkelijke Bibliotheek der Ned. Ent.
Vereeniging, (2) dat het tot de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier behoort,
ENTOMOLOGISCHE INHOUD ENZ. LI
Descriptions of new Species of Fossorial Hymenoptera in the
Collection of the British Museum, by F. Smith (continued). —
On Nephropsis Slewarti, a new Genus and Species of Macrurous
Crustaceans, dredged in deep water off the Eastern Coast of the
Andaman Islands, by James Wood-Mason. — On the Occurrence
of Ligidium agile in Belgium, by F. Plateau.
Revue et Magasin de Zoologie, 1873. n°. 7 (b).
Monographie des espèces de Coleoptères du genre Erodius, par M.
Allard (suite).
Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereins in Regensburg. 27ster
Jahrg. 1873. n°. 5—6. (b).
Enoicyla pusilla Burm., ihre Lebensweise und Fundorten, von C.
Ritsema.
Archiv für Naturgeschichte, von Troschel. 37ster Jahrg. 5 tes Heft. (0).
Bericht über die Leistungen in der Naturgeschichte der Insekten
während des Jahres 1870, von F. Brauer. — Bericht über die
wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der Myriapoden, Arach-
niden und Crustaceen während d. J. 1869-1870, von A. Gerst-
aecker.
Augustus 1873.
Newman’s Entomologist, n°. 119 (Aug. 1873) (a).
Variety of Epinephele Tithonus (with illustration) bij E. Newman. —
Economy of Chalcidiae, by F. Walker (continued). — Notes on
Southern Indian Lepidoptera, by W. Watkins. — On the Habits
of certain Gall-insects of the Genus Cynips, by H. F. Bassett. —
Forest Collecting in April, by C. S. Gregson. — Description of
the Larva of Depressaria Douglasella, by C. S. Gregson. —
Entomological Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 111 (August 1873) (0).
Notes on Heleromera, and descriptions of new genera and species
(n°. 9, continued), by F. Bates. — Descriptions of three new
species of water-beetles from Central-America, by D. Sharp. —
Notes on Japanese Coccinellidae, by G. Lewis. — Description of
a new species of Brañhmuaea, in the collection of the British Museum,
by A. G. Butler. — Descriptions of three new species of Rhopa-
locera from Angola, by W. C. Hewitson. — Descriptions of new
species of African Lepidoptera (continued), by Chr. Ward. —
Notes on Corira, by F. Buchanan White. -- British Hemiptera ,
an additional genus and species, by J. Scott. — Notes on British
Tortrices (continued), by C. G. Barrett. — A species of Harpalus
new to Britain, by T. Blackburn. — Note on habits of ¢ Drilus,
by G. Lewis. — Capture in Northumberland of a Saw-fly new
to Britain, by T. J. Bold. — Occurrence of Poecilosoma pulverata
LTI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Retz., a saw-fly new to Britain, by P. Cameron. — Lithosia
stramineola and griseola proved to be only varieties of one species,
by J. Hellins. — Capture of Ophiodes lunaris near Lewes, by
J. H. A. Jenner. — Description of the larva of Limacodes asellus,
by W. Buckler. — Description of the larva of Ephyra pendularia ,
by G. T. Porritt. — Proceedings of the Entomological Society
of London.
Archiv für Naturgeschichte, von Troschel. 39ster Jahrg. 2 tes Heft. (0).
Die Cetoniden der Philippinischen Inseln, beschrieben von Dr. 0.
Mohnike. (Schluss). — Von den Sinnesorganen der Insecten im
Allgemeinen , von Gehör- und Geruchsorganen im Besondern, von
Dr. A. Paasch.
Newman’s Zoologist. Sec. Series. n°. 95 (August 1873) (0).
Proceedings of the Entomological Society. June 2 and July 7, 1873.
Annals and Magazine of Natural - Ho: Ath. ser. vol. 12. n°. 68
(August 1873) (0).
A Sphaeromid from Australia, and Areturidae from South Africa,
by Th. R. R. Stebbing. — Descriptions of New Species of Fos-
sorial Hymenoptera in the Collection of the British Museum, by
F. Smith (continued). — Answer to Dr. Stoliezka’s ,, Notes on
the Indian Species of Thelyphonus”, by A G. Butler. — A Mono-
graphie Revision of the Genus Phrynus, with Descriptions of
four remarkable new Species, by A. G. Butler. — Contributions
to the Study of the Entomostraca, by G. S. Brady and D.
Robertson (n°. 8. On Marine Copepoda taken in the West of Ire-
land. — On the Longicorn Coleoptera of Japan, by H. W. Bates. —
On the Appearance of Danais Archippus in Australia, by F
M’Caj. — The Megalops Stage of Ocypoda, by S. J. Smith.
Revue et Magasin de Zoologie, 1873. n°. 8 (0).
Description de nouveaux genres et de nouvelles espèces de Coléo-
ptères Lamellicornes, par le Dr. Sharp (suite). — Hyménoptères
nouveaux du bassin méditerranéen, par le Dr. Dours (suite).
Bullettino della Società Entomologica Italiana, Ann. 5, trim. IL (a).
Influenza del calore asciutto sullo sviluppo di alcune crisalidi, del
V. Ghiliani. — Contribuzioni alla Fauna imenotterologiea italiana,
del G. Giovanni. — Materiali per la Fauna entomologica dell’isola
di Sardegna. Coleotteri (continuazione), del B. Piero. — Rassegna
entomologica, del B. Flaminio. — Diagnosi di Coleotteri nuovi
italiani, del C. A. Dohrn. — Sopra una nuova specie di Lepi-
dotteri dannosi alla coltivazione del Cotone in Egitto, del Prof,
A. Targioni-Tozzetti.
September 1873.
Newman’s Entomologist, n°. 120 (Sept. 1873) (a).
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LIIT
The Elephants Louse, by E. Newman. — Economy of Chaleidiae,
by F. Walker. — Notes on Southern Indian Lepidoptera, by
W. Watkins. — Captures in the New Forest in 1873, from June
23 to July 21, including ten days at Freshwater, Isle ot
Wight, by W. H. Tugwell. — Description of the Larva of Litho-
sta quadra, by B. Lockyer. — Description of the Larva of
Depressaria Yeatiana F., by ©. S. Gregson. — Entomological
Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 112 (Sept. 1873) (b).
Description of a new species of Dromius from England, by E. C.
Rye. — Description of a new species of the Coleopterous genus’
Anoplognathus, by C. O. Waterhouse. — Notes on Coriwa (con-
cluded), by F. Buchanan White. — On certain British Hemiptera-
Homoptera (Revision of the Bythoscopidae) continued, by J. Scott. —
Vele kleine aanteekeningen. — Notes on British Tortrices, continued,
by C. G. Barrett.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 12. n°. 69
(Sept. 1873) (0).
On the Longicorn Coleoptera of Japan, by H. W. Bates. — List
of Lepidoptera in a small Collection sent from Peru by Mr.
Whitely, with Descriptions of the new Species, by A. G. Butler. —
Additions to the Australian Curculionidae. Part V, by F. P.
Pascoe. — Descriptions of New Species of Fossorial Hymenoptera
in the Collection of the British Museum, and of a Species of the
rare Genus Iswara belonging to the family Dorylidae, by F. Smith.
Journal of the Linnean Society. Zoology. vol. XI n°. 55 en 56 (0).
Note on a Chinese Artichoke-Gall (mentioned and figured in Dr.
Hance’s paper „On Silkworm-Oaks”) allied to the European
Artichoke-Gall of Aphilothria gemmae L., by A. Müller. — On
the Geographical Distribution of the Diurnal Lepidoptera as com-
pared with that of the Birds, by W. F. Kirby. — Contributions
towards the Knowledge of the Curculionidae, Part III, by F.
Pascoe. — Descriptions of Buprestidae collected in Japan by G.
Lewis, by E. Saunders. — On some new species of European
Spiders, by O. P. Cambridge.
Mittheilungen der schweizerischen entomologischen Gesellschaft. Vol.
IV Heft ims. 2 (0):
Noctuinen-Fauna der Schweiz, von J. Wullschlegel (Fortsetzung).
Revue et Magasin de Zoologie, 1873 n°. 9 (0).
Coléoptères du Nord de l’Afrique, par M. M. L. Fairmaire et Raffray.
October 1873.
Newman’s Entomologist, n°. 121 and 122 (Oct. 1873) (a).
On the Brain and a Portion of the Nervous System of Pediculus
LIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Capitis, by J. S. Bowerbank. — Variety of Melitaea Euphrosyne,
by Edw. Newman. — Notes on the Mymaridae, by Fr. Walker. —
On Aphides and Honeydew, by Fr. Walker. — Aspect on the
underside of the Oak-leaf, July 22, by Fr. Walker. — Note
on the Appearance of Aphis Nymphaeue and of its Aphidius
in the Middle of August, by Fr. Walker. — On Parasitism of
Chaleidiae, by Fr. Walker. — Notes on Southern-Indian Lepi-
doptera, by W. Watkins (continued). — Life History of Dasy-
polia Templi, by. C. S. Gregson. — Description of the Larva of
Deiopeia pulchella, by W. Watkins. — Description of the Larva
of Oecophora pseudospretella, by C. 8. Gregson. — Description of
the Larva of Leioptilus Lienigianus, by the same. — Entomological
Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 113 (Oct. 1873) (6).
Notes on British Tortrices (continued) by C. G. Barrett. — Natural
History of British species of Deltoid Lepidoptera of the genus
Herminia , by Buckler and Hellins. — Descriptions of new species
of exotic Rhopalocera, by R. P. Murray. Description of three
new Continental and one British species of Liburnia, by John
Scott. — Oniscigaster Wakefieldi, a new genus and species of
Ephemeridae from New Zealand (with a woodcut), by R. Mae
Lachlan. — Description of a new species of Lucanidae, by C.
O. Waterhouse. — Verder vele kleine aanteekeningen.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. XII, n°. 70
(Oct. 1873) (0).
Additions to the Australian Curculionidae. Part V, by Fr. P. Pascoe. —
Descriptions of new species of Fossorial Hymenoptera in the col-
lection of the British Museum, by Fr. Smith. — On the Amount
of substance-waste undergone by Insects in the Pupal state,
with Remarks on Papilio Ajax, by Raph. Meldola. — On the
Longicorn Coleoptera of Japan, by H. W. Bates. — On Rhopalo-
rhynchus Kröyeri, a new Genus and Species of Pyenogonida, by
James Wood-Mason. — Note on certain species of Phasmidae
hitherto referred to the Genus Bacillus, by the same.
Bullettino della Società Entomologica Italiana, Anno V. Trim. 3 (a).
Degli insetti nocivi e dei loro parassiti enumerazione con note, del
Prof. C. Rondani. — Comunicazione preventiva sopra i Neurotteri
(Odonati) del Modenese, del Prof. A. Spagnolini. — Escursioni
fatte sul monte Pellegrino presso Palermo, da E. Ragusa. —
Escursioni entomologiche al Bosco della Ficuzza e nei prossimi
ex-feudi Marraccia, Catagnano e Rao (Sicilia) fatte da G. P.
Marott. — Materiali por la Fauna entomologica dell’ isola di
Sardegna. Coleotteri (continuazione) ordinati da P. Bargagli.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LV
Nouvelles Archives du Muséum d’histoire naturelle de Paris. tom. IX.
3° fase. (0).
Recherches sur la faune carcinologique de la Nouvelle-Calédonie ,
par A. Milne-Edwards.
Annali del Museo Civico di Storia naturale di Genova, vol. I, II & III (a).
Gli Opilionidi italiani, memoria di G. Canestrini. — Aphididae Liguriae,
auctore P. M. Ferrari. — Formicidae Borneenses collectae a J.
Doria et O. Beccari in territoria Sarawak annis 1865—1867,
descriptae a G. Mayr. — Note sopra alcuni Coleotteri appartenenti
alle collezioni del Museo Civico di Genova, per il Dre R. Gestro. —
Nuove specie italiane del genere Adelops, per L. Fairmaire. —
Species Aphididarum hucusque in Liguria lectas P. M. Ferrari
enumerat.
November 1873.
Newman’s Entomologist, n°. 123 (Nov. 1873) (a).
Capture of the King Crab (Limulus Polyphemus) off the Coast of
Holland; with brief Notice of its Characters (with illustrations),
by Edw. Newman. — Notes on the Oxvyura. Family I. Platygas-
tridae (with illustrations), by F. Walker. — Notes on Southern
Indian Lepidoptera, by W. Watkins. — Entomological Notes,
Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 114 (Nov. 1873) (0).
Note on the Lepidopterous Fauna of St. Vincente, with Descrip-
tion of a new species of Gelechia, by Prof. Weyenbergh, Ph. D. —
Description of nine new species of Lycaenidae from the West
Coast of Africa, by W. C. Hewitson. — Description of a new
Japanese species of Lycaena, and change of name of L. cassioides
Murray, by R. P. Murray. — On certain British Hemiptera-
Homoptera (Revision of the Bythoscopulae), by J. Scott. —
Notes on Anisotomidae, with description of three new species
(two from Japan, and one from Great-Britain) n°. 1, by E. C.
Rye. — Description of a new species of Liosomus from Great
Britain, by the same. — Entomological Notes, etc. — Notes
on British Tortrices, by G. C. Barrett.
Annals and Magazine of Natural History. 4th ser. vol. 12, n°. 71
(Nov. 1873) (0).
On the Longicorn Coleoptera of Japan, by H. W. Bates. — Des-
criptions of new species of Fossorial Hymenoptera in the Collec-
tion of the British Museum, by F. Smith. — On the Respiratory
Organs of the Araneida, by P. Berthan. — Migrations of Danais
Archippus, by G. Semper. — On the Zoological Position and
Function of the Parasitic Acarina called Hypopus, by M. Mégnin.
LVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereins in Regensburg, 27ter Jahrg.
1873. 980): i
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel.
D'ecember 1873.
Newman’s Entomologist, n°. 124 (Dec. 1873) (a).
Controlling Sex in Butterflies, by Chas. V. Riley. — Entomological
Notes, Captures ,. ete.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 115 (Dec. 1873) (0).
Description of six new Species of Epitola from the West-Coast of
Africa, by W. C. Hewitson. — Descriptions of new Species
of African Diurnal Lepidoptera, by Chr. Ward (continued). —
The Lepidoptera of Ireland, by E. Birchall, containing a List of
Species observed in Ireland since publication of list in the Ent.
Mo. Mag. vol. III (1866). — Description of a new Species óf Silis
from Angola, by Ch. O. Waterhouse. — Entomological Notes,
Captures, ete. — Description of a second Species of Aphanocephalus
Woll. from Japan, by E. C. Rye. — On new Coleoptera from
Japan, by T. Vernon Wollaston.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. XII, n°. 72
(Dec. 1873) (0).
Descriptions of new Genera and Species of Heteromera, chiefly from
New Zealand and New Caledonia, together with a Revision of
the Genus Hypaulax and a Description of an allied new Genus
from Colombia, by F. Bates.
Album der Natuur, Jaarg. 1874. aflev. 1 (0).
Dierlijke vermomming, door P. Harting.
Archiv für Naturgeschichte, von Troschel, 37ster Jahrg. 6 tes Heft. (4).
Bericht iiber die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der My-
riapoden, Arachniden und Crustaceen wiihrend des Jahres 1869—
1870, von A. Gerstaecker (Fortsetzung).
Coleopterologische Hefte, von E. von Harold. Heft VI—XI. (0).
Zweite Nachlese zu den Käfern von Tirol, von V. Gredler. — Die
Arten der Gattung Euparia, von E. von Harold. — Ueber den
Gattungsnamen Trachys, von Dr. G. Kraatz. — Bemerkungen zur
Nomenclatur der Elateriden, von H. von Kiesenwetter. — Ueber
Nomenclatur, von E. von Harold. — Die Gattungen der Coleo-
pteren, von G. R. Croteh (übersetzt von E. von Harold). —
Beiträge zur Familie der Tenebrioniden, von Dr. Haag-Rutenberg. —
Die Arten der Gattung Ammoecius, von E. von Harold. — Bei-
träge zur Familie der Tenebrioniden , von Dr. Haag-Rutenberg (IItes
Stück). — Diagnosen neuer Coprophagen, von E. von Harold, —
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LVII
Verzeichniss der von Dr. Beccari in Bogos gesammelten copro-
phagen Lamellicornién , von E. von Harold. — Beiträge zur Familie
der Tenebrioniden , von Dr. Haag-Rutenberg (IItes Stück). — Dia-
gnosen neuer Coprophagen, von E. von Harold. — Monographie
der Gattung Trox, von E. von Harold. — Description of a new
Aphodius, by J. L. Leconte. — Memorandum zu den Coleoptera
Caffrariae: Longicornia, von Ol. Im. Fähraeus. — Einige Bemer-
kungen zu dem Aufsatze: über Nomenclatur, von H. von Kiesen-
wetter. — Beiträge zur Familie der Tenebrioniden, von Dr. Haag-
Rutenberg (Schluss). — Dritte Nachlese zu den Käfern von Tirol,
von V. Gredler. — Bemerkungen zur Nomenclatur der Dytiseidae,
von H. von Kiesenwetter. — Ueber Geotrupes stercorarins und die
nächstverwandten Arten, von E. von Harold. — Diagnosen neuer
Coprophagen, von E. von Harold.
Schriften der Königl. phys.-ökon. Gesellschaft zu Königsberg, 13ter
Jahrg. 2te Abth. (a).
Ueber die Raupe und Puppe der Argynnis Laodice, von G. Kiinow
(mit einer Tafel).
Proceedings of the Scientific. Meetings of the Zoological Society of
London for the year 1872, prt. II & II (a).
Descriptions of new Indian Lepidoptera, by F. Moore. — Descrip-
tions of twenty-four new Species of Erigone, by O. P. Cambridge. —
On Platypsyllidae, a new Family of Coleoptera, by J. L. Leconte.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou. Ann.
1872, n°. 4 (0).
Enumeration der in den russischen Gouvernements Kiew und Vol-
hynién bisher aufgefundenen Käfer, von J. H. Hochhuth.
Mittheilungen der schweizer. entom. Gesellschaft, Vol. IV. Heft n°. 3 (4).
Noctuinen-Fauna der Schweiz, von J. Wullschlegel (Fortsetzung). —
Observations sur les notes synonymiques ete. de M. Desbrochers
des Loges, par H. Tournier. — Entomologische Beobachtungen
. und Notizen, von J. Erné. — Neue schweizerische Microlepidopte-
ren, von H. Frey.
Stettiner Entomologische Zeitung, 34ter Jahrg. 1873. (0).
Die Larven von Ascalaphus, von Dr. H. Hagen. — Coleopterologisches ,
von J. Sahlberg. — Exotisches, von C. A. Dohrn. — Vier neue
deutsche Staphilinen, beschrieben von Dr. E. Eppelsheim. —
Allantus consobrinus Klug var. Zwickoviensis m., von D. H. R.
von Schlechtendal. — Lepidopterologisches, von F. Eppelsheim. —
Gelechia Kiesenwetteri n. sp., beschrieben von W. Heuäcker. —
Lepidopterologische Notizen, von W. Heuäcker. — Ueber das
Ausfüttern der Insecten-Kästen, von H. B. Möschler. — Beobach-
tungen über einige Lepidopteren, von A. Fuchs. — Autheraea
LVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Gueinzü, eine alte Saturnide aus Natal, von P. Maassen. —
Lepidopterologisches, von A. Dihrik. — Sammelbericht, von Dr.
H. Beuthin. — Lepidopterologische Beobachtungen vom Jahre
1872, von P. C. Zeller. — Erwiderung des Professor Schenck. —
Synonymische Miscellaneen , von Dr. Suffrian. — Ueber den Fundort
von Anthidium curvipes Imhoff, von A. Müller. — Lepidopterolo-
gische Mittheilungen aus Nord-Finnland, von J. G. Schilde. —
Acridiodea nonnulla nova insigniora, deseripsit A. Gerstaecker. —
Ueber Morphiden, von H. B. Möschler. — Nordamerikanische
Tineen, von Prof. H. Frey und J. Boll. — Ueber die entomolo-
gischen Arbeiten Hans Ström’s, von Dr. H. Hagen. — Ein Aus-
flug nach dem Altvater-Gebirge, von J. P. E. Frdr. Stein. —
Lepidopterologische Notizen, von W. Heuäcker. — Acalles Sophiae.,
n. sp. Tschapeck. — Die Larven von Myrmeleon, von Dr. H.
Hagen. — Chilenische Insekten, beschrieben von Dr. R. A. Phi-
lippi. — Randglossen zu einigen Arten der Gattung Julodis Eschsch.
von C. A. Dohrn. — Exotisches, von C. A. Dohrn. — Dolichopoden
aus Mecklenburg, beschrieben von Direet. Raddatz. — Bemer-
kungen über einige Hummelarten, von Dr. Kriechbaumer. — Eine
neue Plutella, von Dr. Steudel. — Zur Naturgeschichte einiger
Eupitheeien, von A. Fuchs. — Uebersicht der europäischen Arten
des Genus Ichneumon (Wesmael) mit Angabe der bei Birkenfeld
vorkommenden und Beschreibung neuer Arten, von Tischbein. —
Lepidopterologische Notizen, von Dr. A. Speyer. — Ist die Ue-
berwinterung gewisser .Raupen-Arten zu deren Entwicklung noth-
wendig ?, von Dr. Kalender. — Protest, von C. A. Dohrn. —
Eine Völkerwanderung der Libellula quadrimaculata, von A. Kuwert.
— Lamellicornia Argentina, von H. Burmeister. — Neuropterolo-
gisches, von R. Mac-Lachlan. — Ueber ein zweiköpfiges Monstrum
(Larve von Chironomus) und über Inseeten-Monstra überhaupt,
von H. Weyenbergh. — Verzeichniss der Ende 1873 in der Bibli-
othek des Stettiner entom. Vereins vorhandenen Bücher.
Annual Report of the Board of Regents of the Smithsonian Institution,
for the year 1871 (a).
Alternate Generation and Parthenogenesis in the Animal Kingdom,
by Dr. G. A. Kornhuber.
Report of the Commissioner of Agriculture, for the year 1871 (a).
Report of the Entomologist and Curator of the Museum, Townend
Glover.
Monthly Reports of the Department of Agriculture, for the year 1872 (a).
Bevat verschillende Entomologische Verslagen.
Januarij 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 125 (Jan. 1874) (a).
Descriptions of Oak-galls, translated by Miss A. Weise. — Notes
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LIX
on the Oxyura. Family 2. Scelionidae, by Fr. Walker. — A List
of Macro-Lepidoptera taken in Alderney, by W. A. Luff. —
Three Notes on Aphides, by Fr. Walker. -- Entomological Notes,
Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 116 (Jan. 1874) (6).
Notes on Coleoptera common to Europe and Japan, by G. Lewis. —
Descriptions of three new Species of Scarabaeidae from Australia
and Japan, by Ch. O. Waterhouse. — Description of a second
species of Cathormiocerus from Great Britain, by E. C. Rye. —
Entomological Notes, Captures, ete. — The local Entomological
Societies in London. — Remarks on some of the Hemiptera enu-
merated by Herr Thomson in the 4th Fasciculus of his , Opuscula
Entomologica, by J. W. Douglas. — On certain British Hemiptera-
Homoptera, by J. Scott (continued).
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 78
(Jan. 1874) (b).
Descriptions of New Genera and Species of Heteromera, chiefly
from New Zealand and New Caledonia, together with a Revision
of the Genus Hypaulax and a Description of an allied New Genus
from Colombia, by F. Bates. — On the Sterile Eggs of Bees, by
C. Claus and C. von Siebold. — The Parasitie Mites of Birds,
a Contribution to the Knowledge of the Sarcoptidae, by E. Ehlers.
Revue et Magasin de Zoologie, 1873, n°“. 10 et 11 (0).
Nouvelles espèces de Coléoptères du nord de l'Afrique, par M. M.
Fairmaire et Raffray. — Description d’un nouveau genre de
Goliathide, Westwoodia Howittii, par M. F. de Castelnau.
Album der Natuur, 1874, aflev. 2 (b).
Merkwaardige nesten, door Dr. P. Schuringa. — Myriapoden der
steenkolen-periode.
Archiv für Naturgeschichte, von Troschel. 39ster Jahrg. 3tes Heft (0).
Von den Sinnesorganen der Insecten im Allgemeinen, von Gehör-
und Geruchsorganen im Besonderen, von Dr. A. Paasch (Schluss).
Februarij 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 126 (Febr. 1874) (a).
Notes on the Oxyura. Family 3. Ceraphronidae, 4. Diapridae,
5. Belytidae, 6. Proctotrupidae, 7. Heloridae, 8. Embolemidae, 9.
Bethylidae, 10. Dryinidae, by Fr. Walker. — Notes on the Wing-
bones of the Two-winged Flies, by Fr. Walker. — Additions to
the List of Macro-Lepidoptera inhabiting Guernsey and Sark,
by W. A. Luff. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 117 (Febr. 1874) (b).
Notes on the Development of Volucella bombylans, parasitical in
LX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
the nests of Carder-bees; with Observations on the Development
of the tubular head-appendages of its pupa, by Miss E. A. Ormerod.
— On new Coleoptera from Japan (concluded), by T. V. Wollas-
ton. — Description of a new species of Isonychus (Fam. Melolon-
thidae) from Granada, by C. O. Waterhouse. — Description of
a new genus and species of Satyridian butterflies , by A. G. Butler. —
Description of four new African butterflies, by W. C. Hewitson. —
Description of a new genus and two new species of European
Oxyura, by T. A. Marshall. — Entomological Notes, Captures, etc.
Newman’s Zoologist, Sec. ser. n°. 101 (Febr. 1874) (0).
On the Occurrence of Limulus Polyphemus off the Coast of Holland,
and on the Transmission of Aquarium-Animals, by W. A. Lloyd.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 74
(Febr. 1874) (0).
The Geographical Relations of the New-Zealand Fauna, by F. W.
Hutton. — Descriptions of New Genera and Species of Heteromera,
chiefly from New Zealand and New Caledonia, together with a
Revision of the Genus Hypaulax and a Description of an allied
New Genus from Colombia, by F. Bates. — On some recent Remarks
by Mr. Meldola upon Iphiclides Ajax (Papilio Ajax auct.), by S.
H. Scudder.
Album der Natuur, 1874. 3de afl. (0).
Een blinde kreeft.
Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg, 27ster Jahrg.
1873, n°. 10-11 (b).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen (Fortsetzung), von G. Kittel.
Revue et Magasin de Zoologie, 1873, n°. 12 (0).
Aberration de la Vanessa Urticae, Aber. Atrebatensis, par M. le
Dr. Boisduval. — Enumération des Staphylinides recueillis en
Asie mineure, par M. Th. Deyrolle, et descriptions d’especes
nouvelles, par M. le Dr. Sharp.
Archiv für Naturgeschichte, von Troschel. 40ster Jahrg. istes Heft. (b).
Beitrag zur Kenntniss einiger Insektenlarven, von Dr. W. Rolph. —
Mutillarum Americae meridionalis indigenarum synopsis systematica
et synonymica, auctore A. Gerstaecker.
Maart 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 127 (March 1874) (a).
Variety of Argynnis Adippe (with illustrations) by Edw. Newman. —
Descriptions of Oakgalls (with illustrations), by Miss A. Weise. —
The Naturalist in Nicaragua, by Th. Belt. — List of Lepi-
doptera forwarded to Edw. Newman, by G. F. Mathew. — Cap-
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXI
tures of Hymenoptera in 1873, by Fr. Smith. — Entomological
Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 118 (March 1874) (0).
Natural History of Lithosia quadra, by W. Buckler. — Descriptions
of two species of Tenthredinidae, new to science, from Scotland,
by P. Cameron Jun. — Description of a new European species
of Bethylides (Hymenoptera: Oxyura), by T. A. Marshall. —
Description of a new African species of the genus Ischiodontus
Cand. (Coleoptera: Fam. Elateridae) by ©. Ritsema. — Description
of a new species of Heliconia from central America, by W. C.
Hewitson. — Descriptions of new species of Coleoptera from Japan,
by H. S. Gorham. — Description of a new species of Buridius
(Coleoptera: Rhyncophora) from Singapore, which destroys Orchids,
by C. O. Waterhouse. — Notes on some Odonata, etc. in the
Collection of the Royal Dublin Society, by R. Mac-Lachlan. —
Note on Pulex obtusiceps Ritsema, by T. J. Bold. — Entomo-
logical Notes, Captures, etc. — On certain British Hemiptera-
Homoptera (Revision of the Bylhoscopidae: concluded), by J. Scott.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 75
(March 1874) (0).
On the Geodephagous Coleoptera of New-Zealand, by H. W. Bates.
Album der Natuur, 1874. 4de aflev. (0).
Lichtorganen van Pyrophorus noctilucus. — Zoogenaamde nesten van
bladluizen, door Snellen v. Vollenhoven.
Bullettino della Società Entomologica Italiana, Anno V. Trim. 3 (a).
Degli Insetti nocivi e dei loro parassiti enumerazione con note del
Prof. Camillo Rondani (continuazione). — Di un nuovo Georyssus
e Calomicrus trovati in Sicilia, da Enrico Ragusa. — Note sino-
nimiche, di Enrico Ragusa. — Ancora della Thalessa clavata e di
un altro imenottero nuova per la Fauna entomologica del Piemonte,
nota del Cav. Vittore Ghiliani. — Materiali per la Fauna ento-
mologica dell’isola di Sardegna. Coleotteri ordinati da P. Bargagli
(continuazione e fine). — Di alcuni Neurotteri (Libellula Lin. et
auct., Odonati Fab.) dei dentorni di Padova raccolti ed ordinati
da C. Tacchetti. — Sul Trimium siculum nov. sp. di De Saulcy,
nota di E. Ragusa. — Elenco dei Lepidotteri raccolti nei dintorni
della IV Cantiniera dello Stelvio, nota dell’Ingegnere A. Curò. —
Nuove osservazioni sulla partenogenesi del Bombyx mori Lin. di
C. de Siebold. — Rassegna. Coleotteri. Revisione del genere
Timarca di L. Fairmaire ed. E. Allard.
Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg, 27ster Jahrg.
1873, n°. 12 (0).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen (Fortzetzung), von G. Kittel.
LXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Revue et Magasin de Zoologie, 1874, n°. 1 et 2 (0).
Monographie des Agaristidées (Lépidoptères), par le Dr. Boisduval.
April 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 128 (April 1874) (a).
Descriptions of Oak-galls, translated by Miss Weise. — Geographical
Distribution of Continental Rhopalocera, by the Rev. F. A. Walker.
— Entomological Notes, Captures, ete. — Extracts from the Pro-
ceedings of the Entomological Society of London, Jan. 5 to
Febr. 3, 1874.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 119. (April 1874) (0).
Notes on certain species of the genus Orthostira Fieb., with reference
to Mr. Douglas’s remarks, by J. Sahlberg. — Notes on British
Tortrices, by C. G. Barrett. — Description of a new species of
Charaxes from the West Coast of Africa, by W. C. Hewitson. —
Occurrences of Diurnal Lepidoptera at Galena, Illinois, 1871-1873,
by Th. E. Bean. — Entomological Notes, Captures, ete. —
New species of Cicindelidae, by H. W. Bates.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 76
(April 1874) (0).
On the Geodephagous Coleoptera of New Zealand, by H. W. Bates. —
On a new Species of Arcturus (A. damnoniensis), by Th. R. R.
Stebbing. — A Revision of the Genera Epicharis, Centris, Eulema
and Euglossa, belonging to the family Apidae, section Scopulipedes ,
by Fr. Smith.
Revue et Magasin de Zoologie, 1874, n°. 3 (0).
Description et figures de deux espèces nouvelles du genre Anthidium
F., provenant de l’Archipel des Indes-Orientales, par C. Ritsema.
Berliner Entomologische Zeitschrift, 17ter Jahrg. (1873) 1stes und 2tes
Vierteljahrsheft. (0)
Revision der Cisteliden-Gattung Podonta Muls., von H. von Kiesen-
wetter. — Bemerkungen zur Bearbeitung der Luperus-Arten in
der Monographie des Gallérucides von Joannis in Marseul’s Abeille,
T. III. Ann. 1866. p. 1 flg., von H. von Kiesenwetter. — Zwei neue
Aphyctus-Arten, von H. von Kiesenwetter. — Diptera nova, in
Pannonià inferiori et in confinibus Daciae regionibus a F. Ko-
warzio capta. Descripsit H. Loew. — Essai monographique sur
le genre Cymindis proprement dit, par le Baron M. de Chaudoir. —
Beiträge zur Kenntniss der Peruanischen Käferfauna auf Dr. Abend-
roth’s Sammlungen basirt, von Th. Kirsch. — Melitaea Melicerta
(var. nova) ein muthmasslicher Bastard von Afhalia Rott. u.
Dictynna Esp. aus der Umgegend Berlin’s, von Julius Pfützner. —
Zur Nomenclatur der Cryptocephaliden, von E. von Harold. —
Deutungen einiger Käferarten 1817 beschrieben in Beck's Beiträgen
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXITI
zur baierischen Insekten-Fauna, von Dr. G. Kraatz. — Revision
der europäischen Arten der Coccinelliden-Gattung Exochomus
Redtb., von Dr. G. Kraatz. — Eine neue deutsche Exochomus-Art
(E. minutus), von Dr. G. Kraatz. — Ueber Uloma Perroudi Muls.
aus Deutschland und eine neue Art von Cypern, von demselb. —
Eine neue Laufkäferart aus Thüringen (Ophonus planiusculus),
von demselb. — Ueber Adimonia fontinalis Boh. Thomson, und
Ueber Adimonia pallida Joannis; von demselb. — Ueber Cyphon
nigriceps Thomson, Kiesenwetter, von demselb. — Aylolaemus
fasciculosus Gyll., von demselb. — Ueber Xylosteus gracilis nov.
sp., von demselb. — Zwei neue Coleopteren aus Schlesiën, von von
Rottenberg. — Eine entomologische Exkursion durch die Grafschaft
Glatz und in das Riesengebirge, von W. Koltze. — Sammelbe-
richte von Kellner, Kirsch und Kraatz. — Ueber den Fang des
Phloeophilus Edwardsii. — Synonymische Bemerkungen, von
Kraatz, Kirsch , Kellner und von Rottenberg. — Neue Literatur. -—
Ueber den für Deutschland neuen Hydaticus piciventris Thoms.,
von Dr. G. Kraatz. — Entomologische Beiträge zur Beurtheilung
der Darwin’schen Lehre von der Entstehung der Arten, von H.
von Kiesenwetter. — Alexis Fedtschenko. Ein Nachruf von G.
Lohde. — Eine neue Art Trichodes Herbst, nebst Bemerkungen
über einige früher beschriebene, von Dr. G. Kraatz.
Annali del Museo Civico di Storia Naturale di Genova, vol. IV (a).
Catalogo sistematico dei Ragni del Canton Ticino, con la loro Dis-
tribuzione orizzontale e verticale e cenni sull’ Araneologia elvetica,
pel Dott. P. Pavesi. — Notes sur les genres Morio et Perigona,
par M. J. Putzeys. — Catalogo dei Dascillidi, Malacodermi e
Teredili della Fauna europea e circummediterranea, appartenenti
alle collezioni del Museo Civico di Genova, per F. Baudi. —
Muscaria exotiea Musei Civici Januensis observata et distineta
a Prof. C. Rondani. — Viaggio dei Sign. Antinori, Beccari e
Issel nel Mar Rosso e tra i Bogos. Crostacei I. Intorno ad alcuni
Cirripedi raccolti nel Mar Rosso. Nota del Prof. G. Seguenza. —
Révision des Broscides de l’Australie d’après la collection de M.
. le Comte de Castelnau, par M. J. Putzeys. — Sopra una nuova
specie di Ragni (Nesticus speluncarum) appartenente alle collezioni
del Museo Civico di Genova. Nota del Prof. P. Pavesi. — Note
sopra alcuni Coleotteri appartenenti alle collezioni del Museo Civico
di Genova, per il Dott. R. Gestro. — Description de quelques
Coléoptères Hétéromères de la partie australe de l'Amérique, par
M. Léon Fairmaire.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences, vol. I n°. 2 and 3 (a).
Contributions to a Knowledge of North American Moths, by A. R.
Grote. — A Study of North American Noctuidae, by A. R. Grote. —
LXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Descriptions of Noctuidae prineipally from California, by A. R.
Grote. — On the North American Geometridae in the Colleetion
of the British Museum, by A. R. Grote. — Kleiner Beitrag zur
Kenntniss einiger Nordamerikanischen Lepidoptera, von A. R.
Grote. Description of the Genera Argyrophyes and Condylolomia
and of a species of Deuterollyta, by A. R. Grote. — Description
of a Butterfly new to the Lower Lake Region, by A. R. Grote. —
Description of three Genera of Noctuidae, by A. R. Grote. —
On Wallengren’s „Lepidoptera Scandinaviae Heterocera disposita
et descripta”, by A. R. Grote.
Bulletin of the Essex Institute, vol. IV (a).
Injurious inseets in Essex County, by Dr. A. S. Packard. — Essex
County Spiders, by J. H. Emerton.
Proceedings of the Boston Society of Natural History, vol. XIV and
XV part 1 and 2 (a).
Observations on the Development of Pholeus, by J. H. Emerton. —
On the Larvae of the Hemerobina, by Dr. H. A. Hagen.
Six Annual Report of the United States Geological Survey (a).
Coleoptera, by G. H. Horn. — Notes on Orthoptera, by Cyrus
Thomas. — Odonata from the Yellowstone, by Dr. H. Hagen. —
Descriptions of new species of Mallophaga collected by C. H.
Merriam While in the Government Geological Survey of the Rocky
Mountains, by A. S. Packard Jr. — Description of new Insects,
by A. S. Packard Jr. — Insects inhabiting Great Salt Lake and
other saline or alkaline lakes in the West, by A. S. Packard Jr.
Memoirs read before the Boston Society of Natural History, vol. II.
pri II, n0.3.
On the Carboniferous Myriapods preserved in the Sigillarian Stumps
of Nova Scotia, by S. H. Scudder.
Report of the United States Geological Surveys of the Territories,
vol. V prt. 1 (a).
Acrididae of North America, by Cyrus Thomas.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou, Ann.
1873, 1022 (0):
Reise nach Baku, Lenkoran, Derbent, Madschalis, Kasum Kent,
Achty, von A. Becker. — Enumération des nouvelles espèces de
Coléoptères rapportés de ses voyages par feu Victor Motschoulsky.
(12me article).
Verhandlungen der k. k. zool-bot. Gesellschaft in Wien, Jahr 1873.
Bd. XXIII (a).
Zoologische Miscellen, von G. Ritter von Frauenfeld (Die neuesten
Beobachtungen über Phylloxera vastatrix. Hydrachna geographica
auf Dytiscus-Arten schmarotzend). — Beitrag zur Orthopteren-Fauna
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXV
Tirols mit Beschreibung einer neuen Pterolepis, von H. Krauss. —
Uebersicht der bis jetzt in der Sandezer Gegend West-Galiziens
gesammelten Dipteren, von Dr. A. Grzegorzek. — Beitrag zur
Naturgeschichte von Eumolpus vitis F., von Dr. Geyza v. Horväth. —
Hymenopterologische Beiträge, von Dr. J. Kriechbaumer. — Haemo-
phila, nov. gen. Tabanidarum, von Dr. J. Kriechbaumer. —
Verzeichniss der im Jahre 1872 in der Umgebung von Livorno
und Pratovecchio gesammelten Schmetterlinge nebst Beschreibung
von zwei neuen Schaben aus Sicilién, von J. Mann. — Zoologische
Notizen, von Dr. F. Löw. — Seltsame Geschichte eines Tagfalters,
von S. H. Scudder. — Zwei neue Anthicinen, beschrieben von
Dr. CI. Hampe. — Beitrag zur Schmetterlingskunde Dalmatiens,
von V. Geiger. — Zoologische Miscellen , von G. Ritter von Frauen-
feld (Neuer Kartoffelschädling in America. — Zwei neue Gall-
mücken. — Neuer Phyllopode. — Angebliches Mittel gegen Phyl-
lorera. — Anobium paniceum L. in Paprika.) — Die europäischen
Arten der Gattung Lepidurus Leach, nebst einigen biologischen
Bemerkungen über Phyllopoden, von Dr. F. Brauer. — Beiträge
zur Kenntniss der Nordamerikanischen Nachtfalter, besonders. der
Microlepidopteren, von P. C. Zeller. 2te Abth. — Beiträge zur
Kenntniss der Phryganiden, von Dr. H Hagen. — Beitrag zur
e Dipteren-Fauna Ungarns, von F. Kowarz. — Dr. J. R. Schiner.
Ein Nachruf von G. R. v. Frauenfeld. — Georg Ritter von Frauen-
feld. Ein Nachruf von Karl Brunner von Wattenwyl. — Acht neue
Arten deutscher zweiflügeliger Insecten, von Th. Beling. —
Neue Lepidopteren gesammelt von Herrn Haberhauer , beschrieben
von A. Rogenhofer und J. Mann. — Beitrag zur Naturgeschichte
verschiedener Arten aus der Familie der Tipuliden, von Th. Beling.
— Ueber Diaptomus amblyodon n. sp., von Dr. E. Marenzeller.
Nouvelles Archives du Muséum d’histoire naturelle de Paris. tom. IX
fasc. 4 (b).
Recherches sur la faune careinologique de la Nouvelle Calédonie,
par M. A. Milne-Edwards (suite et fin).
Mei 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 129 (May 1874) (a).
Melitaea Selene ? variety, by E. Newman. — Descriptions of Oak-
galls. Translated from Dr. Mayr’s „Die Mitteleuropäischen Eichen-
gallen” by Mrs. Hubert Herkomer née Weise. — Notes on the
Wing-bones of the Two-winged Flies, by F. Walker. — Notes
on some Amurland European Diptera, by F. Walker. — Ento-
mological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 120 (May 1874) (b).
On certain British Hemiptera-Homoptera (Revision of the family
=
LXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Delphacidae) by J. Scott. — Hemiptera-Heteroptera : descriptions
of two new species of the family Emesidae, id. — Description
of a genus and species of Hemiptera-Heteroptera new to Europe,
id. — Description of two West African Butterflies from the
collection of Henly G. Smith, by W. C. Hewitson. — Entomological
Notes, Captures, ete. — Index to vol. X.
Newman’s Zoologist, Sec. ser. n°. 104 (May 1874) (0).
Notes on the Lido, Torcello and the Pineta, by F. A. Walker.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 77
(May 1874) (0).
A Concise Notice of Observations on certain Peculiarities in the
Structure and Functions of the Araneidea, by J. Blackwall. —
A Revision of the Genera Epicharis, Centris, Eulema and Euglossa
belonging to the Family Apidae, Section Scopulipedes, by F. Smith.
— A List of Butterflies taken on the march to Coomassie by
Lieutenant Alwin S. Bell, between Mansu and the River Prah,
with Descriptions of new Species, by W. C. Hewitson. — Addi-
tions to the Australian Cureulionidae, Part. VI, by F. P. Pascoe. —
Contributions towards the Natural History of the Termites, by
Dr. F. Müller. — On new Parasitic Crustacea from the N. W.
Coast of America, by H. W. Dall.
Album der Natuur, jaarg. 1874. aflev. 6 (0).
Nieuw schadelijk insekt, door D. L. — Bewaarmiddel voor insekten,
door Hg. — Tetraneura of Phylioxera ? door P. Schuringa.
Revue et Magasin de Zoologie, 1874, n°. 4—6 (0).
Mémoire sur les Coléoptères Tenebrionides formant les genres Sepidium
F. et Vieta Cast., par M. E. Allard. — Description des Fourmis
d'Europe pour servir à l’étude des insectes myrmécophiles, par
E. André.
Junij 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 130 (June 1874) (a).
Gortyna flavago and its Householding, by Edw. Birchall. — The
Goat-moth Larva underground, by Edw. Newman. — Notes on
the Wing-bones of the Two-winged Flies, by Fr. Walker (conti-
nued). — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 121 (June 1874) (b).
Descriptions of some new species of the genus Pachytricha, by D.
Sharp. — Descriptions of five new Lucanoid Coleoptera, by Chas.
O. Waterhouse. — British Hemiptera, Additional Species, by
J. W. Douglas. — Notes on British Zortrices, by ©. G. Barrett
(continued). — Entomological Notes, Captures, ete. — Orbituary :
Dr. Herrich Schaeffer and Th. J. Bold. — Notes on Cicindelidae
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXVII
and Carabidae, and Descriptions of new species (n°. 17), by H.
W. Bates.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 78
(June 1874) (0).
Additions to the Australian Curculionidae (Part VII), by Fr.
Pascoe. — A Revision of the Genera Epicharis, Centris, Eulema
and Euglossa belonging to the Family Apidae, Section Scopuli-
pedes, by F. Smith. — Observations on the Spermatophores of
the Decapod Crustacea, by M. Brochi.
Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg, Jahrg. 28,
n°. 1—3 (0).
Systematische Uebersicht der Käfer welche in Bayern und der
nächsten Umgebung vorkommen (Fortsetzung), von G. Kittel.
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie. 5e ser. tome 19, n°. 3—6 (0).
Note sur le Nephrops Stewartii W. Mason, par A. Milne Edwards.
— Mémoire sur. des Crustacés rares ou nouveaux des còtes de
France, par M. Hesse. — Essai sur le venin du Scorpion, par
le Dr. Jousset de Bellesme. — Observations sur la Réproduction
du Phylloxera du chêne, par M. Balbiani.
Julij 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 131 (Julij 1874) (a).
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. Mayr’s „Die Mittel-
europäischen Eichengallen ”, by Mrs. Hubert Herkomer née Weise.
(continued). — Notes on the Wing-bones of the Two-winged
Flies, by Fr. Walker (continued). — Netherland Insects. Trans-
lated from the Dutch of Christian Sepp, by Edw. Birchall. —
Notes on the Macro-Lepidoptera of Liibeck, by A. W. Paul. —
A few Days in East-Sussex, by W. H. Tugwell. — Entomolo-
gical Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 122 (July 1874) (0).
Notes on British Tortrices, by C. G. Barrett (continued). — Illu-
strations of Insect Monstrosities, n°. 1. — On a monstrous
stag-beetle (Lucanus Elaphus), by Prof. J. O. Westwood. —
Description of a new species of Cetoniadae, by D. Sharp. —
Descriptions of new Lycaenidae from West-Africa, by W. C.
Hewitson. — Descriptions of three new Butterflies from Costa
Rica, by Herbert Druce. — Entomological Notes, Captures,
ete. — Life History of Meligethes, by E. A. Ormerod.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 79
(July 1874) (b).
Amphipodous Crustacea. A new Species, and some Items of
Description and Nomenclature, by T. R. R. Stebbing. — On
LXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Callisoma Branickii, a new Species from Nice, by A. Wrzés-
niowski. — On the Longicorn Coleoptera of New-Zealand, by
H. W. Bates. — New Observations on the Habits of the Ants
of the South of France, by T. Moggridge. — On the Metamor-
phoses of the Acarina of the Families Sarcoptidae and Gamasidae ,
by M. Megnin.
Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der preussischen Rhein-
lande und Westphalens, Jahrg. 29 (1872) und 30 (1873) (b).
Anwendung der Darwinschen Lehre auf Bienen, von H. Müller. —
Die dem Wein- und Obstbau schädlichen Insekten, von E.
Taschenberg. — Ueber die Cetoniden der Philipine- und Sulu-
Inseln, van Dr. Mohnike. — Verzeichniss Westphälischer Spinnen
(Araneiden), von F. Karsch. — Ueber monströse Körperbildung bei
Coleopteren. von Dr. Mohnike. — Ueber den nordamericanischen
Kartoffelverwüster Doryphora decemlineata Say, von Cornelius.
Annales de la Société entomologique de Belgique. Tome 16e (1873) (b).
Revision des Psocides décrites par Rambur, suivie de la liste des
espèces de cette famille observées jusqu'ici en Belgique, par M.
de Sélys-Lonchamps. — Deuxième Supplément à la Révision
générale des Clivinides, par M. J. Putzeys. — Monographie des Ga-
lathides, par J. Putzeys. — Description de quelques Tychiides
nouveaux, par M. J. Desbrochers des Loges. — Notes sur les
Myrméléonides décrits par M. le Dr. Rambur, par R. Mac-Lachlan.
— Description d’une nouvelle espèce d’Echthromyrmex, genre des
Myrméléonides, par M. R. Mac-Lachlan. — Note sur l'oeuf et le
jeune âge de la chenille d’Aeneis Aello, par S. H. Scudder. —
Supplément aux Notes additionnelles sur les Phryganides décrites
par le Dr. Rambur, par R. Mac-Lachlan. — Curculionides re-
cueillis au Japon par M. G. Lewis, par W. Roelofs. (1re partie). —
Notice sur la Paranonca prasina Casteln., par G. van Lans-
berge. --- Comptes-Rendus des Séances de la Société. — Cata-
logue de la Bibliothèque de la Société, 2me division.
Coleopterologische Hefte, herausgegeben von E. v. Harold. Heft n°. 12 (0).
Zur Synonymie des Onitis Belial F., von E. v. Harold. — Des-
cription d’un nouvel Aphodius, par M. S. de Solsky. — Ueber
die Ataenins-Arten mit gezahntem Kopfschilde, von E. von Harold.
— Zur Kenntniss der kugelfirmigen Trogiden, von E. von
Harold. — Proteinus longicollis nov. sp., beschrieben von P. V.
Gredler. — Beiträge zur Kenntniss der Amerikanischen Eumol-
piden, von E. von Harold. — Ueber eine neue Gattung der
Babiidae. — Berichtungen und Zusätze zum Münchener Cata-
loge. — Literatur. — Miscellen. — Geänderte Namen.
The Entomologist’s Annual for 1874 (b).
Observations on Tineina. Epitomized Summary of the Observations
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXIX
occurring in the nineteen previous Volumes of this Annual, by
H. T. Stainton. — Our Utter Ignorance (Lepidoptera), by H. T.
Stainton. — New British Species, Corrections of Nomenclature,
ete. noticed since the publications of the Entomologist’s Annual
for 1873 (Coleoptera), by E. C. Rye. — New British Species,
Corrections of. Nomenclature, ete. (Cynipidae, Ichneumonidae ,
Braconidae and Oxyura), by T. A. Marshall. — On Hermaphro-
ditism in Ants, by F. Smith. -— Notes on new and rare British
Lepidoptera (excepting Tineina) for 1873, by H. G. Knaggs. —
New British Tineina, by H. T. Stainton. — An Entomologist’s
Visit to Dalmatia in 1873.
Transactions of the Entomological Society of London for the year
1873 (0).
On a new genus of Colydiidae from Japan, by T. Vernon Wol-
laston. — On the Cossonidae of Japan, by T. Vernon Wollaston-
— The Water Beetles of Japan, by D. Sharp. — Catalogue of
the Phytophagous Coleoptera of Japan, with descriptions of
the species new to science, by J. S. Baly. — On some new
species of Butterflies discovered in Extra-Tropical Southern Africa,
by R. Trimen. — On the Hydroptilidae, a Family of the Trichoptera,
by A. E. Eaton. — A Monographie List of the Species of Gas-
teracantha or Crabspiders, with descriptions of new species, by
A. G. Butler. — Descriptions of Aculeate Hymenoptera of Japan,
collected by Mr. G. Lewis at Nagasaki and Hiogo, by F. Smith. —
Contributions to Entomological Bibliography up to 1862, n°. 1, by
A. Miiller. — On the Geodephagons Coleoptera of Japan, by H. W.
Bates. — Descriptions of new genera and species of Geodephagous
Coleoptera from China, by H. W. Bates. — Characters of seven non-
deseript Lucanoid Coleoptera, and remarks upon the genera Lissotes ,
Nigidius and Figilus, by Major Sidney Parry. — Remarks on
the Affinities of the genus Nicagus Leconte, by H. Deyrolle. —
Descriptions of new genera and species of Tenebrionidae from
Australia, New Caledonia and Norfolk Island, by F. Bates. —
Notes on the Ephemeridae, by Dr. H. A. Hagen, compiled (with
remarks) by A. E. Eaton. — On the habits and economy of certain
Hymenopterous Insects which nidificate in briars, and their Para-
sites, by Sidney Smith Saunders. — List of the species of
Galeodides with descriptions of a new species in the collection of -
the British Museum, by A. G. Butler. — On the genera of the
Cossoridae, by T. Vernon Wollaston.
Id. for the year 1874. Prt. I and II (0).
The Staphylinidae of Japan, by D. Sharp. — The Pselaphidae
and Seydmaenidae of Japan, by D. Sharp. — Notes on the Habits
of Papilio Merope, with a description of its Larva and Pupa,
LXX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
by J. P. Mansel Weale. — Observations on the Case of Papilio
Merope, Auct.; with an Account of the various known forms of
that Butterfly by Roland Trimen. — Descriptions of fifteen new
species of Diurnal Lepidoptera, chiefly from South America, by
Herbert Druce. — Catalogue of the Phytophagous Coleoptera of
Japan, with descriptions of the Species new to Science, by J.
S. Baly (continued). — Supplement to the Longicorn Coleoptera
of Chontales, Nicaragua, by H. W. Bates. — Note on Mynes
Guerini Wallace, by W. H. Miskin. — Note on a „Catalogue
of the described Diurnal Lepidoptera of Australia, by Mr. G. Masters,
of the Sydney Museum,” by W. H. Miskin. — Monograph of
the Genus Xylocopa Latr., by F. Smith. — Notes on the Buprestidae
colleeted by Prof. Semper in the Philippine Islands; with descrip-
tions of the new species, by E. Saunders.
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Bd.
[Ven 4-(b):
Bericht über die 16° Sitzung der Schweizerischen Entomologischen
Gesellschaft. — Ueber die Seide von Bombyx Pernyi, von Dr. G.
Schoch. — Ameisen-Aehnlichkeit unter den Hemipteren, von O.
M. Reuter. — Die Stridulations-Methode des Coranus subaplerus
de Geer (Coliocoris pedestris Wolff, Fieb.), von 0. M. Reuter. —
Beobachtungen über die Lebensweise und Minirarbeiten des
Tomicus (Bostrichus) Cembrae in den Alpen Graubiindtens, von
Bischoff-Ehinger. — Système des Gryllides, par Ch. Brunner de
Wattenwyl. — Curculionides nouveaux, par H. Fournier. —
Cosmopleryx Scribaiella v. Heyd. Eine Notiz von H. Frey. —
Kleine Faunen, von G. Schoch. — Observations synonymiques et _
remarques diverses, par M. J. Desbrochers des Loges. — Ueber
Anthidium strigatum Panz. und contractum Latr., von Dr. Kriech-
baumer.
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society of
London for 1873. Prt. I and Il (a).
On some new genera and species of Araneides, by O. P. Cambridge. —
On a certain Class of Cases of Variable Protective Colouring in
Insects, by R. Meldola. — Monographie Revision of the Genera
Zephronia and Sphaerotherium, with Descriptions of new Species,
by A. G. Butler. — On the Spiders of St. Helena, by the Rev.
O. P. Cambridge. — Description of a remarkable new Species of
Tanaccia , by M. R. Butler. — Description of a new Moth, be-
longing to the Family Saturniidae, by E. Bartlett. — A List of
the Collections of Diurnal Lepidoptera made by Mr. Lowe in
Borneo, with Descriptions of new species, by Herbert Druce. —
A List of the Spiders of the Genus Acrosoma, with Descriptions
of new Species, by A. G. Butler. — On some new Species of
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXI
Araneidae, chiefly from Oriental Siberia, by O. P. Cambridge.
— Description of a new Genus and Species of Papilionidae from
the South-eastern Himalayas, by W. S. Atkinson.
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. tom. IX (0).
Neue Lepidoptera des europäischen Faunengebietes, von H. Chris-
toph. — Beitrag zur Lepidopteren-Fauna Transkaukasiens und
Beschreibung zwei neuer Arten, von G. von Emich. — Neue
Südrussische Bienen, beschrieben von Dr. F. Morawitz. — Syno-
nymische Bemerkungen, von Dr. F. Morawitz. — Les Aranéides
de la Guyane frangaise, par L. Taczanowski (suite). — Nachtrag
zur Bienenfauna des Gouvernements von St. Petersburg, von Dr.
F. Morawitz. — Notice Lépidoptérologique, par N. Erschoff. —
Zur Kenntniss der Käferfauna Süd-Ost-Sibiriens insbesondere des
Amur-Landes. Longicornia, bearbeitet von C. Blessig, mit Nach-
trägen und Bemerkungen von S. Solsky. — Les Aranéides de la
Guyane frangaise, par L. Taczanowski (suite). — Descriptions
de quelques Diptères nouveaux de la Sibérie orientale, par J.
Portschinsky. — Deux Diptères nouveaux de la Perse septentri-
onale, par J. Portschinsky. — Faltenwespen aus Krasnowodsk,
von Dr. F. Morawitz. — Coléoptères de Russie, par S. Solsky. —
Synonymische Bemerkungen, von J. Faust.
Id. tom. X, n°. 1 (0).
Weiterer Beitrag zum Verzeichnisse der in Nord-Persien einheimi-
schen Schmetterlinge, von H. Christoph. — Les Aranéides de la
Guyane frangaise, par L. Taczanowski.
Augustus 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 132 (Aug. 1874) (a).
Variety of Arctia lubricipeda (female), by G. R. Dawson. — Des.
criptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die
Mitteleuropäischen Eichengallen”, by Mrs. Hubert Herkomer née
Weise. — Entomological Notes, Captures, ete. — Extracts from
the Proceedings of the Entomological Society of London, May 4th
and June Ist 1874.
The Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 123 (Aug. 1874) (0).
On two new Coleopterous Insects belonging to the family Rutelidue,
by C. G. Waterhouse. — Description of a new Genus and Species
of Coleoptera from Japan, by H. S. Gorham and G. Lewis. —
Description of a new Species of Cremastocheilus from California,
by J. ©. Westwood. — Descriptions of new Species of Butterflies,
by W. C. Hewitson. — Notes on a collection of Butterflies recently
brought from Cape Coast, with Description of a new Species from
Natal, by A. G. Butler. — Notes on British Tortrices, by C. G-
Barrett (continued). — Additions to the list of British Hemiptera, by
E. Saunders. — Entomological Notes, Captures, etc.
LXXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 14, n°. 80 (0).
On some Species of Amphithoé and Sunamphithoë, by Th. R. R.
Stebbing. — On the Longicorn Coleoptera of New Zealand, by
H. W. Bates. — Descriptions of two new Species of Fulgora
from India, by A. G. Butler. — On a new Genus of Asellidae,
by O. Harger.
Album der Natuur, jaarg. 1874, aflev. 10 (0).
De zijderupsteelt, eene bron van welvaart voor huisgezinnen, door
P. Harting.
Proceedings of the Zoological Society of London for 1873. (Part III) and
for 1874. (Part I) (a).
Description of three new Species of Diurnal Lepidoptera, by M. R.
Butler. — Descriptions of two new Species of Butterflies from
the Andaman Islands, by W. S. Atkinson. — Revision of the
Genus Protogonius, by A. G. Butler. — On the Coleoptera Geo-
dephaga of Chile, by E. C. Reed. — List of the Species of
Fulgora, with Descriptions of New Forms in the Collection of
the British Museum, by A. G. Butler. — A List of the Lepido-
pterous Insects colleeted by Mr. L. Layard at Chentaboon and
Nahconchaisee, Siam, with Descriptions of new Species, by H.
Druce.
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Ann.
1873, DO. 3: (0).
Matériaux pour servir à l’étude des Féroniens, par le Baron de
Chaudoir. — Supplément indispensable à l’article de M. Gerstaecker,
en 1869, sur quelques genres d’Hyménoptères, par 0. de Bour-
meister-Radoszkowsky.
Berliner Entomologische Zeitschrift. 17ter Jahrg. (1873) Heft 3 und 4 (0).
Ueber einige streitige und zweifelhafte Bienen-Arten, von Prof.
Schenck. — Ueber Pilze, welche auf Insecten vorkommen, von
A. Hensel. — Analytische Uebersicht der Arten der Gattung
Otiorhynchus, von Dr. G. Stierlin. — Europeae et circummedi-
terraneae Faunae Dasytidum et Melyridum specierum, Auctore
F. Baudi a Selve pars altera. — Coleopterorum messis in in-
sula Cypro et Asia minore ab Eugenio Truqui congregatae re-
censitio: de Europaeis notis quibusdam additis. Auctore F. Baudi
a Selve (pars quinta). — Beiträge zur Kenntniss der Peruani-
schen Käferfauna auf Dr. Abendroth’s Sammlungen basirt, von
Th. Kirsch (2tes Stück). — Endaliscus Skalitzkyi, eine neue
deutsche Rüsselkäfer-Gattung, beschrieben von Th. Kirsch. —
Ueber Hydaticus austriacus St. und cinereus St., von Dr. Budde-
berg. — Beschreibung eines Maikäfer-Zwitters, von Dr. G. Kraatz. —
Beschreibungen difformer oder sogenannter monströser Käfer, von
Dr. G. Kraatz und von Kiesenwetter. — Ueber einige schwierige
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXII
Opatrum-Arten, von Dr. G. Kraatz. — Synonymische Bemerkun-
gen, von von Kiesenwetter, Kraatz und Weise. — Sammelbe-
richt, von H. Fuss. — Ueber von Harold’s coleopterologische
Hefte, nebst einigen kurzen Bemerkungen über Nomenclatur,
von Dr. G. Kraatz.
Idem. 18ter Jahrg. (1874) Heft 1 und 2 (b).
Palesida, neue Eumolpiden-Gattung, beschrieben von E. von Harold.
— Ueber die Genitalien der männlichen Bienen, besonders der
Gattung Sphecodes, von von Hagens. — Revision der Europäischen
Arten der Gattung Malthodes, von H. von Kiesenwetter. — Zur
Nomenclatur der Cryptocephaliden, von H. von Kiesenwetter. —
Ueber die Gattung Canace Hal., von Prof. H. Löw. — Beiträge
zur Kenntniss der Cassida-Arten , namentlich auch einiger schwie-
rigen, deutschen, von Dr. G. Kraatz. — Verzeichniss synony-
misch interessanter deutscher Cassida-Arten aus dem Manuscripte
zum letzten Bande des Gemminger-Harold’schen Catalogs syn.
et syst., mitgetheilt von E. von Harold. — Verzeichniss an-
dalusischer Cassida-Arten, von G. Kraatz. — Wieviel und welche
Asida-Arten besitzen wir in Deutschland und der Schweiz ? von
G. Kraatz. — Asida pusillima, eine neue Art aus der Sierra
Nevada, beschrieben von Dr. G. Kraatz. — Ueber Asida terricola
Kiister und sabulosa Goeze, von G. Kraatz. — Ueber die Gattungs-
Merkmale der Käfer- (Corylophiden-) Gattung Orthoperus Steph.,
von L. v. Heyden. — Ueber die deutschen Orthoperus-Arten , von
Dr. G. Kraatz. — Systematisches Verzeichniss der bisher in der
Gegend von Bremen gefundenen: Käferarten , von Fr. Brüggemann ,
besprochen von Dr. G. Kraatz. — Sammelbericht aus Schwerin
in Meckl., von Brauns. — Ueber die Verwandten von Trachys
pumila IL, von G. Kraatz. — Ueber Bembidium biguttatum Fbr.
und inoplatum Schaum, von Seidlitz und Kraatz. — Zwei neue
deutsche Käfer, beschrieben von Dr. K. Branesik. — Zwölf für
Deutschland neue Käfer, von W. Scriba. — Veränderung der
Fauna und Flora der Mannsfelder Seen, von M. v. Hopffgarten. —
Kurzer Bericht über eine entomologische Exeursion nach Dalma-
tien, von Fr. Dirnböck. — Dejean’s Sammlungen in Dalma-
tien, von G. Kraatz. — Notiz über die Curculioniden-Gattung
Callirhopalus Hochh., von Th. Kirsch. — Ueber die Varietäten-
bildung unter den Schmetterlingen mlt Bezug auf die darwinis-
tische Theorie. Vortrag von Dr. Staudinger. — Ueber die schnelle
Verbreitung des höchst schädlichen Kartoffelkäfers aus Colorado
(Doryphora decemlineata Dej.), von Dr. G. Kraatz. — Ueber die
Hypertelie in der Natur, von C. Brunner von Wattenwyl. —-
Aus der Bienen-Fauna Nassau’s, von Prof. Schenck. — Be-
schreibung zweier neuer Aphodius-Arten, von E. von Harold. —
Beitrige zur Kenntniss einiger coprophagen Lamellicornien, von
LXXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD ENZ.
E. v. Harold (Stes Stück). — Ergänzungen und Nachträge zu
Hagen’s Bibliotheca Entomologiea, zusammengestellt von Dr. G.
Kraatz. (Erstes Stück). — Neue Coleopteren aus Ungam, von
Dr. K. Branesik.
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. Ann. 1870—72 (a).
Faune Gallo-Rhénane ou Description des Insectes qui habitent la
France, la Belgique, la Hollande, les Provinces Rhénanes et
le Valais, avec tableaux synoptiques et planches gravées, par
A. Fauvel (suite). — Compte-rendu de la partie entomologique
de Vexcursion faite au marais Vernier, par A. Fauvel. — Com-
munication sur les différences qui existent entre la faune de la
Normandie et celle de l'Angleterre, par A. Fauvel. - Conside-
rations de zoologie géographique à propos d’une collection de
coléoptères recueillis en Sibérie et sur les rives du fleuve Amour,
par A. Fauvel.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Vol. I, n°. 4 (a).
On the Butterflies of Anticosti, by A. R. Grote. — Notes
on North-American Lepidoptera, by H. K. Morrison. — On
eight Species of Noctuidae, by A. R. Grote. — The two Prin-
cipal Groups of Urbicolae (Hesperidae auct.), by S. H. Seudder. —
Note on the Species of Glaucopsyche from Eastern North-America ,
by 8. H. Scudder. — On the Devonian Brachiopoda of Erere,
Province of Para, Brazil, by R. Rathbun. — New Phalaenoid
Moths, by L. F. Harvey. — Notes on the Species of Pasimachus,
by J. L. Leconte. — Description of two new Noctuidae from
the Atlantie District, by H. K. Morrison. — Rectification of
Treitschke’s use of Hiibner’s generie term , Cymatophora”, by
L. F. Harvey. — Determination of Brazilian Sphingidae colleeted
by Mr. Ch. Linden, by A. R. Grote.
Met de volgende (4%) aflevering zal dit X VIII“
deel gesloten worden.
SA
Tr
|
NOBELS
VAN DE
ACHTSTE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE LEIDEN
op 19 December 1874, des avonds ten 6 ure.
Voorzitter: Mr. W. Albarda.
Met den Voorzitter zijn tegenwoordig de heeren Jhr.
Dr. Everts, N. H. de Graaf, Mr. H. W. de Graaf, G. M.
de Graaf, Groll, Dr. van Hasselt, Heylaerts, Kinker, Mr.
Leesberg, van Leeuwen, Maitland, Dr. Piaget, Ritsema,
Snelleman, Snellen, Prof. Veth, H. J. Veth, Dr. Snellen
van Vollenhoven en van der Wulp.
De heeren Mr. J. H. Albarda, Mr. Brants, Mr. Bijleveld,
Lodeesen, Mr. Piepers en Westerman hebben kennis ge-
geven dat zij verhinderd zijn de Vergadering bij te wonen.
De Voorzitter rigt een woord van verwelkoming tot de
heeren van Leeuwen en Snelleman, die als nieuwe leden
der Vereeniging voor het eerst ter Vergadering zijn opge-
komen.
Vervolgens deelt de Voorzitter mede, dat eene circulaire
van de Nederlandsche Dierkundige Vereeniging is ingeko-
men, waarin deze het denkbeeld aangeeft, om in het mid-
den der maand September 1875 een gedenkdag te wijden
aan de nagedachtenis van onzen beroemden landgenoot
VI
LXXVI VERSLAG.
Antonie van Leeuwenhoek, en wel, omdat het dan juist
twee eeuwen zal geleden zijn, dat door hem eene der be-
langrijkste ontdekkingen in de natuurwetenschappen werd
gedaan. De Dierkundige Vereeniging stelt voor, dat ook
de Nederlandsche Entomologische Vereeniging hare adhaesie
aan dit plan zal schenken en afgevaardigden zal benoe-
men, om in de maand Januarij e. k. te Amsterdam met
vertegenwoordigers van andere natuurkundige genootschap-
pen de maatregelen te beramen tot de uitvoering.
Nadat de circulaire door den Secretaris is voorgelezen,
zegt de Voorzitter, dat volgens de bepalingen der wet de
vergadering van heden avond alleen gewijd is aan het be-
handelen van wetenschappelijke onderwerpen en de tijd
tusschen de ontvangst der circulaire en den termijn, tot
beantwoording gesteld, niet toeliet om eene buitengewone
vergadering bijeen te roepen; dat hij dus alleen mededee-
ling doet van de ontvangen uitnoodiging, en het Bestuur
overigens een antwoord aan de Dierkundige Vereeniging
zal doen toekomen, waarin op het genoemde wettelijke
bezwaar wordt gewezen en voorts de persoonlijke ingeno-
menheid der Bestuursleden met het aangegeven denkbeeld
wordt te kennen gegeven, terwijl tevens daarbi) het uitzigt
zal worden geopend, dat des verlangd een paar der Be-
stuursleden, niet als door de Entomologische Vereeniging
afgevaardigd, maar als private personen, op de vergadering
te Amsterdam zullen tegenwoordig zijn.
Hierna wordt overgegaan tot de behandeling van weten-
schappelijke onderwerpen.
“De heer Snellen van Vollenhoven spreekt in de
eerste plaats kortelijk over den Colorado-kever (Doryphora
decemlineata Say), die zich in Noord-Amerika als hoogst
schadelijk voor de aardappelplant heeft doen kennen, en
tegen wier invoering hier te lande de Regering onlangs,
naar aanleiding van een rapport van Dr. W. C. A. Staring,
heeft gewaarschuwd. Hoewel zulks hier bijna onnoodig is,
VERSLAG. LXXVII
wijst Spreker er op, dat de kever niet behoort tot de
Onzelievenheersbeestjes (Coccinelliden), zoo als de heer
Staring in zijn rapport ten onregte vermeldt, maar tot de
Goudhaantjes (Chrysomeliden); in dit geval een zeer groot
verschil, omdat de eersten, wel verre van voor den land-
bouw schadelijk te zijn, juist tot de nuttige insecten ge-
rekend moeten worden, wijl zij zich grootendeels met
plantluizen voeden en deze bij millioenen verdelgen. De
Colorado-kever stamt uit de Rocky Mountains, waar hij
op Solanum rostratum Dunal leefde. Met den aldaar uit
Peru ingevoerden Solanwm tuberosum L. trok hij westwaarts
tegen de zon in, werd in 1859 in Nebraska, 100 mijlen
westelijk van Omaha-city waargenomen en vertoonde zich
in 1861 in Jowa en in 1864 en 1865 in Missouri. Vervol-
gens is hij over de Mississippi ook in Illinois gekomen,
waar hij, zoowel als de verwoestingen door hem aan de
aardappelteelt toegebragt, het eerst wetenschappelijk is
onderzocht. Later vertoonde hij zich in 1868 in Indiana,
in 1870 in Ohio en aan de grenzen van Canada, trok in
1871 tot over de Detroit-rivier en het meer Erie, en werd
in het thans loopende jaar zelfs in New-York aange-
troffen. Daar hij tot drie generatiën in het jaar heeft, is
zijne voortplanting uiterst snel, te meer wijl zijne larve
door het gevogelte wordt versmaad. Niettemin deelt Spreker
geenszins in de vrees, dat dit schadelijke insect ligtelijk in
Europa zal worden overgebragt, omdat alleen het loof der
plant van zijne vraatzucht te lijden heeft en de knol, die
toch alleen naar hier komt, onaangetast blijft. Overigens
is Spreker voornemens, elders in een meer algemeen ge-
lezen Tijdschrift, meer uitvoerige mededeelingen omtrent
dit onderwerp in ’t licht te geven.
In de tweede plaats vestigt dezelfde Spreker de aandacht
op den Catalogus Hymenopterorum Europae, auctore Leop.
Kirchner, Mag. Chir., Vindebonae 1867. Toen hij dit
boek het eerst in handen kreeg, meende hij een’ schat
verworven te hebben. Het werk zag er flink uit, de Index
LXXVIII VERSLAG.
vertoonde een’ overvloed van generieke namen en de
lijvigheid en netheid van den catalogus deed al dadelijk
een goeden dunk ontstaan omtrent de deugd van zijn ge-
halte. Ook beviel het Spreker zeer dat achter de species-
namen de plaatsen opgegeven worden waar de dieren ge-
vangen zijn, en bij de parasiten ook somtijds de woondieren
waarin zij gehuisd hadden.
Doch bij het gebruik viel de Catalogus tegen en wel bij
voortgezet gebruik zoozeer, dat Spreker niet aarzelt te
verklaren dat het werk, ten minste tot de Sectio der Acu-
leaten, dus voor 210 bladzijden van de 256 geheel moet
worden herzien en met naauwkeurige critiek verbeterd,
wil het bruikbaar zijn.
Gewoonlijk zondigt een catalogus door verzuim, dat is,
in den regel zijn er vele soorten overgeslagen, doch deze
catalogus, ofschoon van die feil niet vrij te pleiten, zondigt
nog veel meer door overvloed, dat is te zeggen: sommige
soorten komen in twee of zelfs drie genera voor.
Ten bewijze van de mindere naauwkeurigheid van Kirch-
ner’s Catalogus leest Spreker eenige aanteekeningen voor,
door hem van tijd tot tijd bij het naslaan eener soort ge-
maakt en nu in systematische orde geplaatst. Zij zijn niet
gezocht, maar opgevallen, en ’tzou luttel moeite kosten
hun getal te verdubbelen.
Op bladz.1 is in het eerste Genus reeds verwarring aan
te treffen: Cimbex Humboldtii n°.6 is gelijk aan C. connata,
die als synoniem van Montana n°. 9 voorkomt. N°. 8 C.
lutea is het wijfje van C. femorata n°. 4, die aldaar tot
synoniem heeft Sylvarwm F., dat eene andere soort is.
Bladz. 2. Geslacht Clavellaria. N°. 2 marginata F. is het
wijfje van n°. 1 Amerinae F., welke hier tot synoniem heeft
Tenthr. marginale L., een naam nooit door Linnaeus gebruikt.
Op bladz. 4 komt een geslacht Pristiphora voor met 6
species. Twee daarvan, pallipes en rufipes, komen op de-
zelfde bladzijde weder voor onder het geslacht Cladius,
terwijl rufipes nogmaals op dezelfde bladz. vermeld staat,
VERSLAG. LXXIX
aangezien het volkomen dezelfde soort is als Trichiocampus
uncinatus Klug, en men bovendien nog op bladz. 5 leest
ad n°.36, dat Nematus brevis Hart. gelijk is aan Pristiphora
rufipes St. Farg. (Dit is echter stellig onwaar en zoo komt
Rufipes slechts 3 maal en niet 4 maal voor.)
Op bladz. 57 is het geslacht Cylloceria vermeld, met 3
soorten caligata, marginator en nigra, welke alle drie op pag.
101 weder aangetroffen worden onder het geslacht Lampronota
in de familie der Pimplarien, NB. met bijvoeging van den
naam Cylloceria als synoniem. Op pag. 101 wordt bovendien
gezegd dat de soort nigra identiek is met Chalinocerus lon-
gicornis Ratz., welke ten overvloede nog eens onder dien
naam in het geslacht Chalinocerus op bladz. 65 voorkomt.
Het 193° Genus is Tryphon (bl. 75). Men weet dat Try-
phon, een geslacht van Fallèn, door Gravenhorst aangeno-
men, later door Holmgren, Schiödte en Rutte in verschei-
dene genera is opgelost, zoodat er in het onderdeel Tryphon
der nieuweren niet meer dan 21 soorten overgebleven zijn.
Hier echter komt Tryphon voor met 140 species, die dus
natuurlijk voor het grootste gedeelte onder andere geslach-
ten verspreid moeten worden. Wel kan men noch uit den
naam, noch uit de beschrijving opmaken in welk genus
zij behooren, maar dan hadden de echte Tryphonen afzon-
derlijk moeten staan en door een duidelijk merkteeken van
de overigen afgescheiden.
Pag. 129 en 150 leveren weder veel stof tot aanmerking.
Pygostolus falcatus op bl. 129 is dezelfde als Blacus falcatus
bl. 130 (tgeen er NB. bij vermeld staat). Bij Pygostolus
sticticus staat dat deze soort identiek is met Bassus gigas
Wesm., ’t geen noodzakelijk eene drukfout is voor Blacus
gigas Wesm. (want de pag. van Wesmael’s Braconiden
wordt er bij geciteerd), maar Bl. gigas komt ook weder
onder Blacus op pag. 130 voor.
Gonicormus paganus bl. 129 = Blacus paganus bl. 130. De
drie soorten van Ganichorus op bl. 130 komen ook weder
onder Blacus voor op dezelfde bladzijde.
LXXX VERSLAG.
Copidura anceps bl. 140 = Chaenon anceps bl. 141.
De beide op bl. 148 opgenoemde soorten van Cerchysius
(niet Cherchisius, zoo als er staat) zijn een.
Op pag. 151 heeft Siphonura Schmidti tot synoniem Or-
myrus tubulosus Westw., die op dezelfde bladzijde onder
het geslacht Ormyrus als 9° soort weder wordt aangetroffen.
Het is duidelijk dat de Siphonura niet had moeten vermeld
worden, als zij, gelijk Spreker meent, geen regt op priori-
teit kan laten gelden. Is de identiteit der soorten niet be-
wezen, dan ware het beter te haudelen gelijk met Lochites
op blz. 152 gehandeld is. Daar toch is vermeld: Lochites
Papaveris Först. — an = 561, namelijk: is die soort de-
zelfde als Cyrtosoma Papaveris Perris?
Onder de Torymidae (p. 154) bevindt zich Palmon pa-
chymerus, die vraagsgewijze tot synoniem krijgt Bactyri-
schion bicoloratum Costa, doch deze zelfde Bactyrischion
komt op bladz. 166 weder onder de Pteromalidae voor.
Volgens Haliday, den grooten Hymenopteroloog uit Terland,
is Bactyrischion Costa gelijk aan Palmon Dalman en Poda-
grion Spinola.
Doch de grootste verwarring in soorten en geslachten
treft men aan op bladz. 189 in de groep (Subfamilia) der
Dryinidae. Het geslacht Dryinus telt eigenlijk maar ééne
soort, nam. Dr. formicarius Latr. en heeft er hier 31. Nu
kan men zeggen, Kirchner zet wel achter den naam Dryinus
dien van Latreille, maar hij neemt het genus op in den
zin van Dalman en Nees, en telt dus hunne soorten op.
De vraag is echter hoe komt het dan, dat de genera van
Haliday en Förster volgen, die dezelfde soorten van Dal-
man en Nees bevatten moeten en in dezen Catalogus het
dan ook doen voor Dryinus collaris, die op dezelfde blad-
zijde als Chelogynus collaris wordt teruggevonden.
Spreker constateert dit alles met leedwezen en betreurt
het zeer dat een zoo nuttig werk of met weinig oordeel
en kennis is zamengesteld, of later door eene onhandige
hand met bijvoegsels, die zonder eenige critiek werden
VERSLAG. LXXXI
aangebragt, bedorven is. Den Heer Kirchner mag men er
niet eens hard over vallen, omdat gelijk uit de voorrede
blijkt, de drukproeven niet door hem zijn nagezien.
°t Is zeer jammer, — de Catalogus der Europeesche Hy-
menoptera is à refaire.
De heer van Hasselt, die voor twee jaren de muziek-
instrumenten der insecten in het algemeen in deze Vergade-
ring had behandeld, wenscht hare aandacht thans meer in
het bijzonder te vestigen op het muziektoestel der Cicaden.
Hij vangt zijne voordragt aan met eene aanwijzing van
ontleedkundige praeparaten hierop betrekking hebbende.
Achtereenvolgens worden de verschillende zamenstellende
deelen van dit toestel, zoo in hun geheel ontwikkelden
toestand bij de mares, als in rudimentairen staat bij de
feminae, aangetoond, voor verschillende soorten en van
onderscheidene grootte, zoo als de doornvormige uitsteek-
sels, de kleppen der zoogenaamde spiegels, het spierweefsel
met zijne hoornplaatjes en peesjes, den tamboerin en de
stigmata. Van de laatsten werden eenige loupe-praepara-
ten voorgelegd en gelegenheid tot bezigtiging daarvan met
het school-microscoop gegeven.
Daarna overgaande tot eene critische beschouwing om-
trent de bestaande theoriën over de werking der verschil-
lende organen en over de hoogere of geringere beteekenis
van sommige onder dezen, verklaart hij zich een voor-
stander te zijn van de trouwens algemeen bekende oudste
verklaring, door Réaumur gegeven en sedert door nagenoeg
alle latere onderzoekers met eenige wijzigingen aangenomen
en door de belangrijke onderzoekingen van Carus toegelicht.
Deed laatstgenoemde geleerde reeds de medewerking der
ademhaling tot de hierbedoelde geluidvoortbrengselen ken-
nen, sedert hem is Landois eene schrede verder, ja, naar
Spreker’s oordeel, veel te ver gegaan, door aan deze nage-
noeg de geheele werking toe te kennen en schier alles
terug te brengen tot eene hier eigenaardige stigma-werking.
LXXXII VERSLAG.
Spreker voert verschillende bewijzen aan, onder anderen
ook aan Solier ontleend , waardoor hij het eene groote dwaling
meent te mogen noemen van Landois, om ter wille van
zijn « Schrill-stigma », de muzykale waarde van al de
overige Réaumursche organen te ontkennen.
Zoodra nog enkele punten nader door hem zijn onder-
zocht en hij den noodigen tijd mag vinden, hoopt de heer
van Hasselt voor ons Tijdschrift eene meer uitvoerige be-
werking van dit vraagstuk te ondernemen.
Dezelfde Spreker herinnert wijders, vóór eenige jaren
eene voordragt te hebben gehouden, met aanwijzing van
een paar daartoe behoorende voorwerpen, over de uit-
wendige morphologische overeenkomst van sommige spin-
soorten met andere insecten of Aptera. Hij kan daaraan
nu, door de goedheid van ons medelid Mr. Piepers, onlangs
uit Gelebes in het vaderland teruggekeerd, een derde spe-
cimen toevoegen, betrekking hebbende op eene spinsoort
met den Schorpioenen-vorm. Hij laat daartoe ter bezigti-
ging rondgaan een hoogst zeldzaam exemplaar van Arach-
noura scorpionoides Vinson, 9, hem door den heer Piepers,
uit Makassar, medegebragt.
De heer Maitland deelt eenige bijzonderheden mede
omtrent de door hem beproefde opkweeking van rupsen
van Saturnia Pernyi. Hij ontving in de maand Mei dezes
jaars (1874), door tusschenkomst van Prof. J. J. Hoffmann
te Leiden, van wege Dr. J. Pichler te Tartlau bij Kron-
stadt (Siebenbürgen) 54 eijeren van de genoemde vlinder-
soort.
Van 9 tot op 10 Junij hadden de 6 eerste zwarte rupsjes
het ei verlaten; gedurende de vier volgende dagen waren
32 stuks geboren; van dezen stierven vöör de eerste vervel-
ling 13 stuks, zoodat op 24 Junij 19 stuks hunne vervel-
ling hadden volbragt, waarna zij allen groen gekleurd waren.
Den 3" Julij vervelden deze 19 rupsen voor de tweede
maal; den 6° Julij stierf er één van dezen. De overgeble-
VERSLAG. LXXXIII
vene 18 stuks vervelden voor de derde maal, doch vier
dagen later stierf er weêr één.
Eindelijk van 18 tot op 31 Julij vervelden de 17 overige
rupsen voor de vierde maal; van deze stierven er 4 stuks
aan diarrhoea en 2 stuks werden er vermist. Zij hadden
thans eene lengte bereikt van 10 bij eene dikte 11 a 2 de-
cimeter.
Van 10 tot op 12 Augustus hadden zich de overige 11
stuks ingesponnen en verpopt. Deze allen zijn, naar het
schijnt, levend en gezond; eenigen worden door Spreker
ter bezigtiging rondgegeven.
Opmerkelijk is het dat de rupsen van hetzelfde broedsel,
welke onder hoede van den heer Hoffmann werden opge-
kweekt, reeds in September de vlinders leverden en na
gepaard te hebben eijeren legden, waaruit tusschen 28 en
30 September eene tweede generatie geboren werd. Na
den tienden dag bevonden zich deze rupsen nog in hare
eerste periode; op 15 October vertoonde de eerste zich
in haar groen gewaad, hetgeen drie dagen later door een
tiental anderen gevolgd werd.
De heer Hoffmann zond eene partij naar den Zoologischen
tuin in den Haag, die echter allen zeer zwak bleken te
zijn; ten gevolge der kouder wordende nachten werden
zij in een des nachts eenigszins verwarmd lokaal overge-
bragt, echter zonder gunstig gevolg, want 2 dagen later
waren allen gestorven zonder verveld te zijn. De oorzaak
van den dood werd door Spreker daaraan toegeschreven,
dat de eikenbladen (namelijk van Quercus pedunculata, de-
zelfde waarmede de vroegere rupsen gevoed waren) des-
tijds zoo hard en droog waren, dat de jonge diertjes dezen
niet nuttigen konden. Met eene andere partij van deze
tweede generatie, aan de zorgen van den heer A. A. van
Bemmelen, Directeur der Rotterdamsche Diergaarde toe-
vertrouwd, was men niet gelukkiger; de rupsjes werden
aldaar in een glazen kastje in eene der warme serres ge-
plaatst, aanvankelijk met gunstig gevolg, doch spoedig
LXXXIV VERSLAG.
waren allen verdwenen en naar het later bleek, door kleine
mieren die zich in aantal in die bloemenkas bevonden,
vernield, zoodat deze tweede generatie geheel is te gronde
gegaan.
Het blijkt dus dat Saturnia Pernyi somtijds als pop over-
wintert, soms ook nog vóór den winter tot volkomen toe-
stand geraakt en dan eene nieuwe najaars-generatie voort-
brengt. Over dit verschil ten opzigte der ontwikkelings-
perioden, schrijft Dr. Pichler in een brief van 25 September
1874 aan Prof. Hoffmann het volgende: In 1871 ontving
hij (Dr. Pichler) van «der Seidenbau-Versuch-Station » in
Görz de eerste eijeren van Saturnia Pernyi en wel als
bivollini (die 2 generatiën in het jaar geven), hetgeen zij
ook dat jaar bleken te zijn; in het daarop volgende jaar
1872 veranderden zij in unvoltini (annuali); in 1873 het-
zelfde verschijnsel, terwijl zij dit jaar (1874) weder bivollini
geworden zijn. Verschillende brieven, onlangs door Dr.
Pichler uit Zwitserland, Wurtemberg en Oostenrijk ontvan-
gen, spreken allen van eene teruggekeerde najaars-generatie;
niettegenstaande eenige cocons, 10 dagen oud zijnde, in
een’ ijskelder bewaard werden, ten einde het uitkomen van
de vlinders te vertragen, verlieten deze toeh haar omhulsel.
De najaarsrupsen van Dr. Pichler begonnen reeds op 24
September zich in te spinnen, zoodat van deze nog eijeren
te wachten zijn.
Spreker acht het wenschelijk dat van vele zijden proeven
genomen worden, om Saturnia Pernyi hier te lande in te
voeren '); de ondervinding toch heeft hem geleerd, dat de
rupsen vrij wel tegen ons klimaat bestand zijn en weinig
moeite of zorgen kosten om ze op te kweeken; alleen de
1) In eene briefkaart van 15 December 1874 biedt Dr. Pichler aan te leveren:
Eijeren van Antherea Yama-Maju de 1000 stuks tegen 6 francs.
” 2 Saturnia Per nyt ” ” 72 " 6 ”
1 lood eijeren van Yama-Maju of Pernyi 12»
100 stuks levende cocons van S. Pernyi = 9 à 10,000 eijeren 25 »
De eijeren van Yama-Maju en de cocons van Pernyi kunnen onmiddellijk afgele-
verd worden; de eijeren van Pernyi echter eerst in de eerstvolgende maand Mei.
VERSLAG. LXXXV
eerste dagen na de geboorte zijn zij geneigd even als die
van Yama-maju van de bladen te vallen, doch na de eerste
vervelling heeft zulks niet meer plaats.
De eijeren, die zoo lang mogelijk op eene koele plaats
gedurende den winter bewaard worden, spoelt men tegen
het begin der lente in niet al te koud water af; vervolgens
worden zij uit elkaar gespreid op ongelijmd papier, waar-
aan zij zich door eigen lijmstof vastkleven, waardoor bij
het uitkomen de eihuid wordt vastgehouden en aan de
rupsjes het verlaten van het ei gemakkelijk gemaakt wordt.
Zoodra de jonge eikenbladen, voornamelijk die van Quercus
pedunculata (de eik met langgesteelde eikels) die bij ons
vrij gemeen is, zich vertoonen, worden de eijeren naar
eene warmere plaats overgebragt; binnen 2 of 3 dagen ziet
men de jonge rupsjes het ei verlaten; deze jonggeborenen
worden met een zacht penseel opgenomen en op eikenbla-
den overgelegd; de voeding geschiedt niet als bij de ge-
wone zijderupsen (Bombyx Mori) met afgeplukte bladen,
maar met eikentakjes van jonge bladen voorzien, die men
in eene flesch of kruik met water gevuld plaatst, waardoor
zij 3 tot 4 dagen frisch blijven. De flesch of kruik wordt
bij voorkeur op gesatineerd of geglansd wit papier met
opstaande randen geplaatst, ten einde de afgevallen jonge
rupsjes het wegkruipen zoo veel mogelijk te beletten, en
deze onmiddellijk te ontdekken en weder met het penseel
of met eene ganzenveder op de bladen terug te brengen.
Voor de eerste vervelling dient meermalen daags onder-
zocht te worden of er ook rupsen van de bladen gevallen
zijn; later is het voldoende dit twee of drie maal daags te
doen. Sommigen geven er de voorkeur aan, de rupsjes
niet met een penseel op te nemen, maar over de ontluikende
eijeren of afgevallen rupsjes kleine eikentakjes te leggen en
de daarop overgekropenen op de grootere takken in de
flesschen over te brengen.
Daar met het verlaten van het ei door de rupsjes ge-
middeld 5 of 6 dagen gemoeid zijn, is het wenschelijk de
LXXXVI VERSLAG,
rupsjes, die op denzelfden dag geboren worden, op dezelfde
tak te plaatsen en van de anderen af te zonderen.
Na de tweede of derde vervelling kunnen de rupsen,
indien daartoe geschikte gelegenheid bestaat, in de open
lucht op eikenstruiken (akkermaalshout) worden overge-
plant; doch in dat geval dient men zorg te dragen dat
zij niet door insecten-etende vogels geroofd worden. De
ondervinding moet ons nog leeren in hoe verre deze voor
de Pernyi-rupsen schadelijk zijn, en of onze inlandsche
Ichneumoniden en Tachininen ook hunne eijeren in de hun
onbekende rups zullen leggen tot later voedsel hunner
jongen. Waarschijnlijk echter zal hun boor-orgaan niet sterk
genoeg zijn de vrij dikke huid der rupsen te doorboren.
Het vertrek, waarin de jonge rupsen gekweekt worden,
moet ruim, frisch en zoo mogelijk op het oosten gelegen
zijn. Tot op de eerste vervelling is eene temperatuur van
16° Réaumur wenschelijk, later kunnen zij aan den invloed
der buitenlucht blootgesteld worden; men beschutte de
jonge dieren en de afgesneden eikentakken voor sterk
en voortdurend zonlicht. De eikentakken met het afge-
sneden einde in met water gevulde flesschen of kruiken
geplaatst, moeten aan de onderzijde met mos, watten of
dergelijke stoffen omwoeld zijn, ten einde den hals van de
flesch of kruik te stoppen en daardoor de rupsen, die
gaarne de takken afdalen om zich aan het water te laven,
voor verdrinken te behoeden. Het water waarin de takken
geplaatst zijn, dient van tijd tot tijd ververscht te worden.
Ook moeten de eikenbladen nu en dan met water bespren-
keld worden, om de rupsen in deze druppels gelegenheid
tot drinken te verschaffen. Zoodra het eikenloof begint
droog te worden of te verwelken, plaatse men naast de
oude eikentakken, verschen in flesschen geplaatst; de
meeste rupsen loopen dan spoedig van de verwelkte op de
verschen over; de enkele achterblijvers kunnen met het
blad, waarop zij zitten en dat men afknipt, op de nieuwe
tak worden overgebragt.
VERSLAG, LXXXVII
De rupsen vervellen vier malen in tusschenpoozen van
8 tot 10 dagen. Gedurende elke vervelling, die 2 of 3 dagen
duurt, zitten de rupsen met opgeheven kop onbewegelijk
aan een takje of een blad, zonder eenig voedsel tot zich
te nemen; vooral gedurende dezen tijd van rust is het
ongeraden de rupsen aan te raken of te verstoren.
Ongeveer 50 dagen na het verlaten van het ei beginnen
de rupsen zich in te spinnen, na zich vooraf van eene
bruine vloeibare stof ontlast te hebben; het inspinnen ge-
schiedt tusschen de bladen der takken; tot dit doel worden
gewoonlijk drie of vier bladen aan elkander gesponnen en
binnen dezen mantel wordt de cocon verder afgewerkt en
heeft de verpopping plaats. Na 10 of 12 dagen worden de
spinsels, met de kleine takjes waaraan zij bevestigd zijn,
afgeknipt en luchtig uitgespreid, niet op elkander gestapeld.
Ongeveer 40 dagen na het inspinnen, tenzij de pop ten
gevolge van den vergevorderden nazomer in dezen toestand
overwintert, verlaat de vlinder het poppenhulsel. Eenigen
tijd voor zulks plaats heeft, worden de cocons 4 bij 4,
twee mannelijke (de kleinsten) en twee vrouwelijke (de
grooteren) namelijk, met bladbekleeding en al aan elkander
verbonden en alzoo in de vliegkast overgebragt en daar
aan dwarslatten of lijnen bevestigd; deze vliegkast is eene
‘met gaas bekleede ruimte, ten einde het ontsnappen der
vlinders te voorkomen.
In den regel verlaten de vlinders tegen den avond de
pop, en heeft de paring gedurende den nacht plaats.
De bevruchte eijeren worden door het moederdier tegen
het gaas der wanden bevestigd; zij kunnen daar ongeveer
6 weken lang ongestoord blijven zitten, waarna men ze
kan opgaren en in luchtige doozen in niet al te dikke
lagen (hoogstens van 1 centimeter) bewaren.
Is het aantal cocons grooter dan tot het bekomen van
eijeren noodig wordt geacht, dan kunnen de cocons tot
het afspinnen der zijde aangewend worden; daartoe wor-
den de aangehechte bladen en het eerste spinsel verwij-
LXXXVIII VERSLAG.
derd en de poppen in de cocons op eene of andere wijze,
bij voorbeeld in een’ oven, gedood. Wijl de draad van
Saturnia Pernyi zich niet zoo gemakkelijk laat afwinden
als die van de gewone zijderups, Bombye Mori, is het
noodig den cocon vooraf in eene oplossing van koolzure
-potasch te dompelen, waardoor de lijmstof die aan den
cocon eene zekere stevigheid geeft, wordt afgeweekt.
Professor P. J. Veth maakt opmerkzaam op onze onbe-
kendheid met de soorten van Termieten die in den Indi-
schen Archipel voorkomen, en met de eigenaardigheden
waardoor zij zich onderscheiden. Niemand heeft ooit daar-
omtrent een opzettelijk onderzoek ingesteld, en dit is te
meer te verwonderen, daar zij onder de schadelijke insec-
ten der Indische eilanden den eersten rang innemen, en
ieder er steeds den mond vol heeft over de verwoestingen
door de «witte mieren» aangerigt, zoo als de termieten er
gewoonlijk genoemd worden. Junghuhn spreekt in zijn
«Java» in het voorbijgaan over termieten-nesten, die hij
in de bosschen van Java gevonden had en determineert
de soort als Termes fatalis; doch gewoonlijk wordt deze
naam toegekend aan de soort van Afrika’s Westkust, die
daar suikerbroodvormige nesten ter hoogte van 12 voet
opbouwt. De nesten der Javaansche termieten hebben,
volgens de beschrijving van Junghuhn zelven, lang niet
die grootte en eene andere gedaante. Ook blijkt uit eene
mededeeling van Jagor, dat de termieten der Indische
eilanden niet allen tot dezelfde soort behooren, daar deze
reiziger op Singapore eene soort waarnam, door hem als
Termes gilvus gedetermineerd, wier nesten geheel onder-
aardsch zijn, zoodat er aan de oppervlakte van den bodem
naauwelijks iets van zigtbaar is. Het blijkt derhalve dat
hier eene belangrijke gaping in onze entomologische kennis
van den Indischen Archipel bestaat.
Spreker meent dat deze leemte wel niet de eenige in
hare soort zal wezen, en dat de verschillende beoefenaars
VERSLAG. LXXXIX
der entomologie, ieder voor zich vele vragen met betrek-
king tot de insecten van den Indischen Archipel zullen te
doen hebben, en daarom ongetwijfeld gretig zullen gebruik
maken van de gelegenheid om een antwoord daarop te
erlangen, die hun geboden zal worden door het voornemen
van het Aardrijkskundig Genootschap, om eerlang eene
expeditie te zenden naar het eiland Sumatra, belast met
het onderzoek van het bovendeel der Djambi-rivier en van
de vallei van Korintji. Dit gebied is nog schier geheel
onbekend, zoowel wat zijne topographische gesteldheid,
als wat zijne natuurlijke voortbrengselen betreft. Het Aard-
rijkskundig Genootschap wenscht de expeditie zoodanig te
organiseren, dat zooveel mogelijk de verschillende weten-
schappelijke belangen daaraan verbonden zijn, en daardoor
meer algemeene belangstelling voor zijne onderneming ge-
wekt wordt. De zaak is nog in den staat van voorberei-
ding, maar de vooruitzigten zijn gunstig. Daar vermoe-
delijk ook een zooloog aan de onderneming zal verbonden
worden, vraagt Spreker, die zelf Voorzitter van het Aard-
rijkskundig Genootschap is, van de leden dezer Vereeni-
ging de opgave van vraagstukken, die vermoedelijk door
een zoodanig persoon eene schrede nader bij hunne oplossing
zouden kunnen gebragt worden. Hij meent reeds nu de
aandacht hierop te moeten vestigen, opdat ieder der leden
den tijd zou hebben om over de te stellen vragen na te
denken, die als de expeditie vertrekken zal, aan de aan-
dacht harer leden bij hunne instructie kunnen worden
aanbevolen.
Eindelijk meent Spreker dat het uit dit oogpunt wen-
schelijk zou kunnen zijn, dat de Entomologische Vereeni-
ging en het Aardrijkskundig Genootschap tot elkander in
nadere betrekking kwamen, en hij veroorlooft zich, als
eene eerste schrede daartoe, het voorstel te doen tot eene
ruiling van geschriften.
Dit voorstel wordt bij acclamatie aangenomen.
XC VERSLAG.
De heer Ritsema vindt in het door den heer Snellen
van Vollenhoven gesprokene omtrent het gevaar van over-
brenging met schepen van den Colorado-kever, aanleiding
om te vermelden dat door den heer Bottemanne, eersten
stuurman aan boord van het stoomschip «P. Caland», varende
tusschen Rotterdam en New-York, terwijl dit schip te
Fijenoord bij Rotterdam lag, gevangen is een exemplaar
van de in Noord-Amerika te huis behoorende Hypena scabra F.
(scabralis Guen.) ') Behalve genoemden vlinder trof de heer
Bottemanne aan boord van hetzelfde stoomschip nog aan :
twee vrouwelijke voorwerpen van Zeuzera Aesculi L., het
eene den 11% Julij op de hoogte van den Hoek van Hol-
land, het andere den 413°" Julij op de hoogte van Plymouth,
terwijl hij den 5°" October op 41° 30° N. Br. en 65° W.L.
een mannelijk exemplaar ving van Hybernia defoliaria L.,
dat aan boord kwam vliegen.
In de tweede plaats deelt de heer Ritsema mede, dat
in den nazomer van dit jaar door een’ leerling van de Am-
sterdamsche Burgerschool, te Rozendaal bij Arnhem op
een eik de galnoten gevonden zijn van eene voor onze
Fauna nieuwe galwespsoort, en wel die van Cynips Calicis
Burgsdorff. Door tusschenkomst van zijn’ vriend Dr. Hugo
de Vries, leeraar in de Natuurhistorische wetenschappen
aan genoemde inrigting, ziet Spreker zich in staat gesteld
deze galnoot aan de aanwezige leden te vertoonen. Zij is
in 1783 door von Burgsdorff (Schrift. Berlin. Gesellsch.
naturf. Freunde. Bd. IV. S. 4. Tab. I, II) voor het eerst en
in 1871 ook door Dr. G. L. Mayr in zijne « Mitteleuropàischen
Eichengallen in Wort und Bild» (2te Halfte, S. 64 Tab.
VII. fig. 90) beschreven en afgebeeld. De soortnaam is
ontleend aan de eigenschap dat de onregelmatig stervor-
mige, houtige galnoot ontspringt uit den bodem van het
1) Tevens werd in herinnering gebragt dat in het vorige jaar door den heer
Fransen aan het Kralingsche veer bij Rotterdam op eene bloem van Heracleum
sphondyleum een exemplaar van een’ Zuid-Amerikaanschen schildpadkever (Poecilaspis
angulata Germ.) was aangetroffen (zie Tijdschr. v. Ent. deel 17, blz LXvuI).
VERSLAG. XCI
napje des eikels. Men treft deze galnoot aan op Quercus
pedunculata en volgens von Schlechtendal ook op Quercus
sessiliflora (zie Mayr I. c.).
Ten derde vermeldt dezelfde Spreker, dat Cassida equestris F.
gedurende eenige jaren te Nieuwland (een dorp in de na-
bijheid van Sneek) in grooten getale levende op Monarda
didyma L. (purpurea Lamk.), eene uit Noord-Amerika inge-
voerde sierplant van de familie der Labiatae, wordt aan-
getroffen. De larven, sedert door hem tot imagines opge-
kweekt, waren hem met de plant waarop zij leefden door
zijn’ vriend Dr. F. A. Jentink ter hand gesteld.
Op zijne vraag of een der aanwezige leden ook de in-
heemsche voedingsplant van C. equestris kon noemen, werd
door den heer Snellen van Vollenhoven medegedeeld, dat
deze soort eenmaal door hem op eene soort van het ge-
slacht Linaria, tot de familie der Scrophulariae behoorende,
werd waargenomen *).
Vermelding verdient nog, dat bij de meeste der door
Spreker gekweekte exemplaren de voorrand van het borst-
stuk op het midden meer of minder diep is ingesneden.
Ten vierde geeft de heer Ritsema de beschrijving van
een nieuw geslacht en van eene nieuwe soort uit de familie
der Carabicidae.
In de vorige maand ontving ’s Rijks Museum van Dr. C.
de Gavere te Batavia twee reageer-buisjes met insecten
(voorn. Coleoptera) op spiritus ten geschenke. Onder de
kevers bevond zich, behalve eene waarschijnlijk nieuwe
soort van het geslacht Trochoideus Westw., een ander tor-
retje, dat Spreker, niettegenstaande het de regterachter-
poot geheel en van de linker de tars mist, zonder aarzelen
tot de afwijkende groep der Pseudomorphiden in de familie
der Carabicidae brengt. Het is echter niet mogelijk het
bij een der vijf geslachten van genoemde groep in te lijven.
1) Goedaert en Blankaart geven als voedingsplant distels op, Kaltenbach boven-
dien verschillende Labiaten.
VII
XCII VERSLAG.
Horn (Trans. Amer. Entom. Soc. vol. I (1867) p. 153)
splitst de groep der Pseudomorphidae in twee afdeelingen,
waarvan de eerste die geslachten omvat, waarbij de kop
horizontaal gedragen wordt, de mond vöör aan den kop
geplaatst is en de sprieten draadvormig zijn; het zijn de
de geslachten Pseudomorpha, Hydroporomorpha, Sphallomorpha
en Silphomorpha. De tweede afdeeling omvat die geslachten
waarbij de kop neérgebogen, het voorhoofd zeer bol en de
mond aan de onderzijde van den kop geplaatst is, terwijl
de sprieten knodsvormig zijn; dit is bij het vijfde geslacht
(Adelotopus) het geval.
Tot deze laatste afdeeling nu behoort het bedoelde insect.
Het is jammer dat daarvan slechts een enkel voorwerp
aanwezig is, hetgeen natuurlijk niet mag worden opge-
offerd aan een onderzoek der organen afzonderlijk, ’t geen
voor eene juiste bepaling der geslachtskenmerken zeer
wenschelijk zou zijn.
In hoofdzaak heeft het nieuwe geslacht, waarvoor Spreker
wegens de gelijkenis met het geslacht Cryptocephalus den
naam Cryplocephalomorpha voorstelt, den vorm van Adelotopus;
de zijranden van den thorax en van de dekschilden zijn
echter niet breed maar uiterst fijn, naauwelijks merkbaar
naar buiten omgebogen, terwijl ook de dekschilden aan
den achterrand niet regt afgesneden, maar afgerond zijn.
Een in het oog loopend verschil tusschen beide geslachten
bestaat in de plaatsing der bovenlip en bovenkaken; bij
het geslacht Adelotopus hangen deze deelen als het ware
aan den voorrand van den kop naar beneden, zoodat men
ze, den kop en face ziende, duidelijk waarneemt, terwijl
zij bij het nieuwe geslacht geheel onder den kop verbor-
gen blijven.
Van de maxillaar-palpen is het laatste lid min of meer
kegelvormig, aan het eind bijna onmerkbaar afgeknot; van
de labiaal-palpen is het laatste lid verlengd bijlvormig.
De sprieten zijn even als die van Adelotopus van ter zijde
platgedrukt; de eerste geleding is dik, de tweede dunner
VERSLAG. XCII
en korter en min of meer ovaal, de derde zoo lang als de
vierde, de vijfde tot tiende onderling gelijk, de elfde of
laatste eivormig; de derde geleding is de dunste, de vierde
en volgende geledingen onderling van gelijke breedte. Eene
groef ter opname van den grond der sprieten is aanwezig,
van het scutellum echter geen spoor te ontdekken.
De scheenen der voorpooten zijn aan de binnenzijde
tusschen het midden en het eind uitgesneden, en aan het
begin dezer uitsnijding van een’ regten en van een’ slang-
vormig gebogen doorn of spoor voorzien. De dijen zijn aan
de onderzijde diep uitgehold, zoodat de scheen daarin ge-
borgen kan worden als het lemmet van een scheermes in
bef-hefk
Van het achterlijf schijnen de drie eerste segmenten met
elkander vergroeid te zijn, ten minste er is slechts zeer
flaauw eene segmenteering zigtbaar. Het vierde segment
is iets langer dan de helft van het vijfde, het zesde langer
dan de beide voorgaanden te zamen.
Tot herkenning der soort, die ik ter eere van den ge-
lukkigen ontdekker Cryptocephalomorpha Gaverei noem , moge
de volgende beschrijving dienen:
Lengte 4,5, breedte 2,25 millim. Uiterst glanzend; de
bovenzijde zonder het geringste spoor van bestippeling ;
de buikzijde van het achterlijf, met uitzondering van het
laatste segment, met enkele fijne stipjes bedekt. De kop
is zwart met roodbruinen voorrand, welke kleur onmerk-
baar met het zwart zamenvloeit; de sprieten en palpen
zijn bruinachtig geel. De thorax is zwart met roodbruinen
zoom, die aan den voorrand het smalst, aan de zijranden
het breedst is; ook hier vloeit het bruin onmerkbaar met
het zwart zamen. De pooten hebben dezelfde bruinachtig
gele kleur der sprieten en palpen. De dekschilden zijn
zwart, smal met roodbruin omzoomd, en elk van eene
bruinroode vlek voorzien die achter het midden aan de
sutuur en op het midden aan den buitenrand stoot; in
het midden is deze vlek of band het breedst, daar zij hier
XCIV VERSLAG.
aan de voorzijde hoekig vooruitspringt. De buikzijde van
den kever is lichtbruin van kleur.
Dit insect, dat in de nabijheid van Batavia (eiland Java)
gevonden is, is de eerstbekende vertegenwoordiger van de
groep der Pseudomorphidae in den Oost-Indischen Archipel,
en dus ook als zoodanig belangrijk.
Wat de geographische verspreiding van de geslachten
dezer groep betreft, van het geslacht Pseudomorpha kent
men soorten zoowel uit Noord- en Zuid-Amerika als uit
Australié, van het geslacht Hydroporomorpha eene enkele
soort uit Abyssinié, en van de geslachten Sphallomorpha ,
Silphomorpha en Adelotopus slechts soorten uit Australié.
De heer Heylaerts doet de volgende mededeelingen:
4°. Geeft hij eene lijst van Coleoptera, nieuw voor onze
Fauna, door hem te Breda en omstreken gevangen, en
bijna uitsluitend de familiën der Carabicinen en Staphyli-
niden betreffende, van welke de eersten door den heer
Putzeys te Brussel, de laatsten door den heer Fauvel te
Caen zijn gedetermineerd. De Faunae novae species der
overige familiën hoopt hij later op te geven, nadat zij
door ons medelid Dr. Everts nader zullen zijn onderzocht.
De lijst bevat de volgende soorten:
CARABICI.
Dyschirius intermedius Putz.
Amara infima Dfts.
Acupalpus exiguus De). var. luridus De].
Chlaenius nigricornis F. var. melanocornis De].
Anisodactylus pseudo-aeneus De].
Bembidium obliquum Strm.
(de beide laatste soorten bij Bergen-op-Zoom gevangen).
STAPHYLINIDAE.
Aleochara brevipennis Grav.
» bipunctata Grav.
VERSLAG. XCV
Tachyusa scitula Er.
» coarctata Er.
Oxypoda cuniculina Er.
Homalota gregaria Er.
» volans Scriba.
» nigella Er.
» nigricornis Thoms.
» debilis Er.
» testudinea Er.
Schistoglossa viduata Er.
Myllaena forticornis Kr.
Hypocyptus longicornis Payk.
Philonthus cinerascens Grav.
Xantholinus multipunctatus Thoms.
» longiventris Heer (elongatus Heer).
Leptacinus Formicetorum Maerk.
Lathrobium geminum Kr. (boreale Redt.)
» fovulum Steph.
Evaesthetus ruficapillis Lac.
Stenus intricatus Er.
» pallipes Grav.
» opticus Grav.
» _ canaliculatus Gyll.
» pusillus Steph.
» Argus Grav. et var.
» _ fuscipes Grav.
» aterrimus Er.
Bledius spectabilis Kr.
Troglophlaeus despectus Baud.
» Erichsonis Sharp.
Lathrimaeum luteum Er.
Omalium florale Er. (rufipes Fourer.)
» striatum Grav.
Proteinus brevicollis Er.
» macropterus Gyll.
PSELAPHIDAE.
Bryaxis Lefebvrii Aubé.
SCYDMAENIDES.
Scydmaenus scutellaris Müll.
XGVI VERSLAG.
2°. Bespreekt de heer Heylaerts den zak van Psyche
villosella Ochs. en laat een geheel anders gebouwden zak
van die soort zien, welke door hem bij Breda gevonden
is. Laatstgenoemde vorm is reeds besproken in Bruand’s
Monographie des Psychides (zie Liste supplémentaire des
Macrolépidoptères de Bréda etc.).
3°. Spreekt hij over de gedaantewisseling van Epi-
chnopteryx Tarnierella Brd., beschrijft de tot dusver on-
bekende rups met haren zak en deelt mede, dat spoedig
eene volledige beschrijving van een en ander in de Stettiner
Entomologische Zeitung zal gedrukt worden.
4°. Vestigt hij de aandacht op eene groote dwaling in
het overigens zoo practisch en juist geschreven werk van
von Heinemann «Die Schmetterlinge Deutschlands und der
Schweiz». Deze zegt nl. bij de algemeene beschrijving
van het genus Epichnopterye Hbn.: «Die männliche Puppe
tritt beim Ausschlüpfen des Falters nicht aus dem Sacke
hervor». Dit is in geenen deele zoo: de pop komt even
als bij alle Psychiden ter halver lengte uit den zak, alvorens
de vlinder uitkomt. Als bewijs voert Spreker aan, dat
zulks bij alle mannelijke zakken van £. pula Esp., die hij
dit jaar verzamelde, het geval was, zoowel als bij die van
E. Tarnierella Brd. Hij laat een’ zak van eerstgemelde
soort met uithangende pop zien.
5°. Laat dezelfde Spreker de zakken zien van twee voor de
Fauna nieuwe Coleophoren, beiden door hem in het Mast-
bosch bij Breda op Berk gevonden. Vermoedelijk zijn het,
naar den zak te oordeelen, C. fuscocuprella H.S. en cornuta
Stt. Van beiden bezit hij eenige rupsen, die zich ter
overwintering hebben vastgesponnen.
6°. Wordt door hem gewezen op het verschil der zak-
ken van Coleophora badiipennella Dup., limosipennella Dup.
en milvipennis Zell.
7°. Leest hij eene copie voor, door hem van Professor
Zeller ontvangen, uit Brahm’s Insektenkalender, anno 1791,
waaruit duidelijk blijkt, dat Cochylis zephyrana Tr. volgens
VERSLAG. XCVII
regt van prioriteit C. Williana Brahm zou moeten heeten.
8°. Eindelijk haalt hij uit Dr. M. Treub’s driemaande-
lijksch « Botanisch Literatur-Uebersicht» aan, dat J. Duval
Louve in het «Bulletin de la Société botanique de France»
voor 1874 verschillende mergsoorten opgeeft als geschikt
om bij microtomie te gebruiken. Spreker meent dat zulks
ook voor Microlepidopterologen van groot nut kan zijn.
Het merg van jonge looten van Ailanthus glandulosa, het
hardere van Verbascum thapsus en het nog hardere van
Silubum Marianum worden aangeraden; terwijl de late herfst
wordt aangegeven als de beste tijd om deze mergsoorten
te verzamelen, en wat de twee laatsten betreft, het merg
van op stam afgestorven planten de voorkeur verdient.
De heer Snellen deelt mede, dat in 1874 drie nieuwe
Macrolopidoptera voor onze Fauna zijn ontdekt, en wel:
Lycaena Coridon Poda. — Limburg, Maastricht 6 Augustus
twee mannetjes op een klein weiland (A. H. Maurissen).
Reeds vroeger was een exemplaar van deze soort bij
Nijkerk door den heer van Medenbach de Rooy ge-
vonden (zie Vlinders van Nederland, blz. 56, noot),
doch wegens het geïsoleerd aantreffen van een enkel
exemplaar dezer op kalkhoudende gronden voorkomende
soort, op een voor haar vreemd terrein, maakte Spreker
bezwaar haar onder de in Nederland voorkomende
soorten op te nemen.
Xanthia ocellaris Borkh. — Limburg, Venlo. Twee man-
netjes door den heer van den Brandt gevangen.
Catephia alchymista W. V. — Gelderland, Huissen. Een
exemplaar door den heer V. M. Aghina.
Bovendien zijn sedert zijne laatste mededeeling van nieuwe
Nederlandsche Macrolepidoptera (zie Verslag der Winter-
vergadering van 1872) nog ontdekt:
Limacodes Asella W. V.
Nola strigula W. V.
XCVIII VERSLAG.
Aleucis pictaria Curt. en
Chimatobia boreata Hbn.
wier voorkomen ten deele reeds door de ontdekkers is op-
gegeven. De beide laatstgenoemde soorten zijn tot dusver
alleen bij Arnhem door ons medelid A. B. van Medenbach
de Rooy gevonden.
Verder liet Spreker rondgaan gekleurde exemplaren der
platen, bij zijn stuk over de Zuid-Amerikaansche Geometrina
in den vorigen jaargang van het Tijdschrift (dl. XVII) be-
hoorende, waarvan voor belangstellenden nog eenige exem-
plaren, tegen f 2.50 voor de 7 gekleurde platen, te beko-
men zijn.
Niemand der aanwezigen meer het woord verlangende,
sluit de Voorzitter, onder dankbetuiging aan de verschil-
lende Sprekers voor hunne mededeelingen, deze vergadering.
DIE SRI PUT'E O NS
DE PLUSIEURS
VEVROPTERES-PLANIPENVES et TRICHOPTÈRES NOUVEAUX
de Vile de Célébes
ET DE QUELQUES ESPÈCES NOUVELLES DE
DES EN DNONP SUIS
avec considérations sur ce genre,
PAR
M. R. MAC-LACHLAN.
Nôtre honoré collègue M. H. Albarda de Leeuwarden,
qui étudie avec tant de zèle les Névroptères indigènes, me
fit parvenir une très-petite, mais très-intéressante collection
de Vile de Célébes, envoyée par M. Piepers, qui réside à
Macassar et qui avait exprimé le désir que ceux d’entre
ces insectes qui sont nouveaux pour la science, seraient
décrits et figurés dans ce recueil et que les types seraient
déposés au Muséum de Leide.
L'examen de ces insectes m’a prouvé qu’ils appartiennent
tous à des espèces nouvelles ou non decrites.
J'en donne ici les descriptions et comme mes investiga-
tions concernant une espèce de Dipseudopsis qui en fait
partie, m'ont fait découvrir chez ce genre une structure
assez extraordinaire, qui facilite de beaucoup la distinction
1
2 DESCRIPTIONS DE PLUSIEURS NÉVROPTÈRES-
des espèces, j'ajoute les descriptions de quelques autres
espèces de ce genre, qui se trouvent dans ma collection.
PLANIPENNES.
Fam. CHRYSOPIDAE.
Chrysopa ruficeps, sp. nov.
Caput rufo-aurantiacum, antennae alis paullo longiores, fu-
scescentes, basin versus nigrae, temuter pallido-cinctae ,
exceptis articulis duobus basalibus aurantiacis ; palpi flaves-
centes. Pronotum elongatum , antice angustatum , viride,
villa longitudinali media flava. Mesonotum et metanotum
pallide rufo-aurantiaca, in medio flava. Pedes flavidi,
tarsis in apice fuscescentibus, unguiculis valde curvatis,
basi dilatatis, testaceis. Alae elongatae, acutae, hyalinae,
iridicolores, venis venulisque viridescentibus, seriebus gra-
datis nigricantibus, pterostigmate elongato, olivaceo, cellula
cubitali tertia anticarum uli in CG. SEPTEMPUNCTATA Wesm.
Abdomen flavo-olivaceum villa media longitudinali flava.
Long. corp. 13 mm.; Exp. al. 37 mm.
Habitat in insula Celebes.
Téte ayant le front et le vertex d’un orangé vif sans
points noirs. Antennes assez robustes, plus longues que
les ailes, d'un brunâtre obscur, avec leur partie basale
noire, finement annelée, à l’exception des deux premiers
articles qui sont de la couleur du vertex. Lèvre supérieure
coupée en ligne droite. Palpes jaunâtres. Veux grands, pour-
prés (dans l’insecte mort). Pronotum allongé, trés-retréci
en avant, ayant deux sillons transverses qui séparent
deux parties renflées, vert avec une bande médiane longi-
tudinale d’un jaune pâle et les angles antérieurs étroitement
bordés de noir. Mésonotum et métanotum d’un rouge orangé
pale, laissant une bande jaune au milieu. Thorax entier en
dessous d'un jaune pâle. Pieds jaunätres avec l'extrémité
PLANIPENNES ET TRICHOPTÈRES NOUVEAUX ETC. 3
des tarses brune. Onglets fortement dilatés à leur base,
trés-recourbés vers l'extrémité, testacés.
Ailes antérieures un peu aiguës à leur extrémité et plus
de deux fois aussi longues que larges, (les inférieures plus
étroites et plus aiguës). Elles sont hyalines, très-luisantes,
avec des reflets verdàtres, rougeätres et bleuätres tres-jolis.
Réticulation formant un réseau peu serré. Nervures et ner-
vules verdätres, à l'exception des deux séries de nervules
en échelons qui sont noiratres. Gils courts et päles.
Ptérostigma allongé, d’un brun olivâtre. Troisième cellule
cubitale des antérieures ayant la forme de celle de la C.
septempunctata Wesm. Les antérieures ont 22 à 93 nervules
costales entre la base et le ptérostigma, 15 nervules entre
le radius et son secteur, 17 entre celui-ci et le premier
cubitus et 8 cellules entre les deux cubiti. La série en
échelons interne se compose de 7 nervules, l’externe de 13.
Les ailes postérieures n’ont que 5 nervules dans la série
interne et 9 dans l’externe. L’abdomen est verdàtre, plus
pàle en dessous, avec une bande dorsale longitudinale d’un
jaune pâle.
Quoique cette espèce ait tout à fait la forme ordinaire,
je la crois différente de toutes les espèces décrites. Elle
est bien voisine de la C. remota Walk., mais celle-ci n’a
aucune trace de rouge ou d’orangé roussätre sur la tête.
Apochrysa Albardae, sp. nov.
Caput supra miniatum. Antennae alis longiores, ochraceae,
apicem versus gradatim pallidiores, articulo basali rufo-
ochraceo. Thorax rufo-ochraceus, mesonoto et metanoto in
medio nigro-notatis. Pedes dilute testacei. Abdomen ochra-
ceum. Totum corpus subtus pallide-testaceum. Alae anti-
cae latae, apice rotundatae, hyalinae, aureo-micantes ,
macula parva, elliptica, paullo elevata, nigra in disco
(interdum secunda minori apicem versus); venis venulisque
pallide-testaceis (vix virescentibus), exceplis venulis gradatis
prioris seriei infra maculam disci nonnullisque in medio
4 ' DESCRIPTIONS DE PLUSIEURS NEVROPTERES-
seriei secundae, apicibus cubitorum et duabus venis postco-
stalibus basalibus, nigris; venulis marginis apicalis et in-
ternae usque ad alae medium fuscatis, caeteris simplicibus;
serie unica venularum inter sectorem radi et cubitum an-
ticum. Alae posticae fere dimidio angustiores , apicibus
cubitorum nigris. Long. corp. 20 mm.; Exp. al. 60 mm.;
Lat. al. antic. 15 mm.
Habitat in insula Celebes (Macassar).
Tête en dessus d’un vermillon foncé; front rougeatre ;
clypeus, lèvre supérieure et palpes d’un testacé pâle. An-
tennes plus longues que les ailes, grêles, d’un jaune d’ocre
pàle, plus foncé vers la base, leur premier article en dessus
d’un ochracé rougeätre. Yeux grands, polis, olivätres ou un
peu livides. Pronotum allongé, rétréci en avant, à angles
trés-obliques, dun ochracé un peu roussätre avec une
bande médiane longitudinale plus pâle, qui se prolonge sur
le devant du mesonotum. Celui-ci et le metanotum, ainsi
que les attaches des ailes, ochracés, avec les lobes d’un
noir intense. Pieds d’un testacé pâle, les tarses plus foncés,
onglets un peu brunis. Abdomen ochracé, plus obscur
vers le bout. Le corps entier en dessous d’un testacé pâle.
Ailes antérieures très-larges, arrondies à Vextrémité, où
elles sont pourtant un peu anguleuses, hyalines avec des
reflets dorés. Sur le disque, à-peu-près au milieu de la
série interne des nervules en échelons, une petite tache
ovale, un peu élevée, concave en dessous, noire (l’aile
droite a une seconde tache plus petite, sur la série externe
des nervules en échelons). Nervures et nervules d’un testacé
pâle trés-légérement verdätre, munis d’un grand nombre
de cils courts et pâles, qui sont très serrés sur les marges.
Nervules de la série en échelons interne jusqu’à la tache
du disque, quelques unes au milieu de la série externe,
l'extrémité du cubitus inférieur, les deux cubiti après leur
réunion et deux nervules postcostales près de la base de
l'aile, noires. Nervules simples, exceptées celles des bords
PLANIPENNES ET TRICHOPTÈRES NOUVEAUX ETC. Ò
apical et interne jusqu'au milieu de ce dernier, qui se
terminent en fourches allongées. Une série longitudinale
de nervules en ziczac entre le secteur et le cubitus supé-
rieur s’unit aux deux séries en échelons. Environ 50 cel-
lules entre le radius et son secteur.
Ailes inférieures de beaucoup moins larges, très-retrécies
à la base, à bord costal presque droit. Leur réseau analo-
gue à celui des antérieures et de la même couleur; les
deux cubiti après leur réunion noirs.
Cette espèce a beaucoup de rapports avec VA. aurifera
Walk. de Ceilan, ainsi qu'avec deux individus trouvés par
M. Wallace, dont l’un, de Macassar, est dans la collection
du Muséum Britannique et l’autre, des îles Aru, est dans
la mienne.
Ces derniers n’ont aucune trace de rouge ou de noir
sur le corps, qui est d’un blanc sale et ont la tache noire
des ailes antérieures un peu plus grande. La position de
celle-ci est aussi un peu différente, car il y a 5 à 6 cellules
entre elle et le point ou la série en échelons joint la série
en ziczac, tandis que lA. Albardae Wen a que 3. Enfin la
réticulation me parait un peu moins serrée.
Je ne donnerai des noms à ces individus qu'après avoir
vu plus de matériaux, surtout parceque deux formes ou
espèces proviennent de la même localité. Les autres espèces
décrites sous les noms de coccinea Brau., lutea
voisines ,
Walk. et stigma Gir. sont plus petites.
Fam. MYRMELEONIDAE.
Myrmeleon celebensis, sp. nov.
Niger caput (cum oculis) mesothorace multo latius, clypeo,
genis, labro et orbitibus flavido-albis. Antennae breves,
robustae, breviter et late clavatae, nigrae, articulo basali
supra flavido, subtus in apice flavido-cincto. Palpi albido-
cincti, labialium articulo ultimo elongato-clavato , maxilla-
rium articulo ultimo truncato. Pronotum subquadratum ,
fusco-nigrum vel griseo-fuscum margine anteriori semicir-
6 DESCRIPTIONS DE PLUSIEURS NÉVROPTÈRES-
culuri anguste flavido. Pedes breves, testacei, dimidia
parte apicali femorum, linea interna libiarum intermedia-
rum et posticarum, extus albidarum, tibiis anticis fere
totis et tarsis (exceplo articulo primo), fuscis vel fusco-
nigris; tibiis et tarsis valde spinosis; calcaribus articulo
primo tarsorum aequalibus vel via longioribus.
Alae subaequales , elongatae, aculae, vitreae, subcosta radıo-
que flavidis, nigro-strialis; venis cueleris venulisque nigro-
punctatis et ciliatis; plerostigmate albido, intus vix nigro-
notato. Posticae maris ad basin tuberculo pedicellato instructae.
Abdomen nigrum vel saturate fuliginosum, juncluris se-
gmentorum nonnullis interdum anguste flavidis.
Long. corp. 27-28 mm.; Long. al. ant. 23—30 mm.; lat.
7,9 mm.; exp. al. 57-60 mm.
Habitat in insula Celebes (Macassar et Menado).
Tête (y compris les yeux) large, de beaucoup plus large
que le mésothorax, renflée en dessus, un peu scabreuse,
ayant au milieu un sillon longitudinal, d’un noir vif jusqu’à
la suture du clypeus, celui-ci, le labre (qui est transversal
à bord antérieur évidé et cilié), les joues et les orbites
des yeux, d'un jaune tres-päle, presque blanchätre. Antennes
courtes, à peine plus longues que le prothorax et le méso-
thorax réunis, assez fortes, à massue courte et assez large,
noires, à exception du premier article qui est d’un jaune
pèle en dessus et annelé de la même couleur en dessous.
Palpes labiaux gréles, d'un noir de poix, annelés de blan-
chätre ou de jaune tres-päle, leur dernier article tronqué.
alpes maxillaires plus courts, testacés ou d’un noir de
poix, leur dernier article en massue allongée assez forte.
Pronotum un peu plus long que large, à bords latéraux
presque droits, à bord antérieur arrondi et ayant deux
sillons transversals, vétu de poils courts, noir, quelquefois
un peu grisätre, avec le bord antérieur étroitement bordé
de jaune pale. Mésothorax robuste, entièrement noir ainsi
que le métathorax. Pieds courts, testacés, la moitié apicale
PLANIPENNES ET TRICHOPTERES NOUVEAUX ETC. 7
des fémurs, les tibias antérieurs et les tarses (leur pre-
mier article excepté) noirs ou noiràtres, tibias intermé-
diaires et postérieurs blanchatres en dehors et lignés de
noir en dedans; tibias et tarses munis d’un grand nombre
d’épines courtes, assez fortes, noires. Ergot égalant le
premier article du tarse en longueur ou le dépassant un
peu. Onglets écartés et courbés.
Ailes à peu près quatre fois aussi longues que larges,
aiguës à l'extrémité (les inférieures un peu plus courtes et
plus étroites), hyalines, à réseau jaunàtre, finement ponctué
de noir, chaque point étant muni d'un poil court et noir
(à peine visible à l'oeil nu); sous-costale et radius ayant
des stries noiràtres régulièrement espacées ; le quart basal
du dernier entièrement noir ; cubitus avec des vestiges de
stries noiràtres; tache ptérostigmatale blanchätre avec un
petit trait noir peu visible à son côté interne, au point où
le radius joint la sous-costale. Bord costal des antérieures
a-peu-pres droit jusqu'au pterostigma; celui des inférieures
un peu dilaté près de la base. Le male a dans l’angle anal
des inférieures un petit bouton pedicellé (pelote selon
Rambur) qui existe chez plusieurs espèces. Abdomen d’un
quart plus court que les ailes, noir ou noiràtre, à pubes-
cence courte, grisàtre, peu visible; sutures des segments
quelquefois étroitement bordées de jaunâtre. J'ai vu un
male de Macassar et dans ma collection se trouvent deux
femelles de Menado.
Une espèce d'Australie, décrite par M. Walker sous les
noms d’acer, infirmus, malignus, exsanguis et hostilis est
trés-semblable et j'ai hésité a donner celle de Célébes
comme nouvelle; mais celle-là est moins robuste et a les
ailes un peu plus étroites et le pronotum toujours plus
pàle. Le premier de ces caractères et surtout sa tête plus
large et plus grande m'ont decidé à considérer le M. Cele-
bensis comme une bonne espèce.
8 DESCRIPTIONS DE PLUSIEURS NEVROPTERES-
TRICHOPTERES.
Fam. LEPTOCERIDAE.
Anisocentropus. !)
A. croesus, sp. nov.
Castaneus, nilidus, subtus ochraceus. Antennae cretaceae ,
quarta parte basali nigra, articulo basali testaceo. Palm
maxilares nigro-fusci, fusco-hirsuti, articulo primo metal-
lico-nigro. Pedes pallide-ochracei, tibiis posticis infuscalis ,
longe fusco-fimbriatis. Alae anticae latae, valde obtusae,
dense pubescentes, fuscae, ad basin chalybdeo-micantes ,
fascia media, perlata, intus obliqua, extus sub-quadrato-
dilatata, aurantiaca, ad costam dilutiori subtus obsoleta,
(macula magna quadrata ad costam excepla); ciliis fuscis,
summo apice albis. Alae posticae saturate infumatae.
Long. corp. 8 mm., exp. al. 25 mm.
Habitat in insula Celebes (Bonthain).
Dessus de la tête et du thorax d’un brun marron poli,
le reste, ainsi que le corps entier en dessous, ochracé.
Occiput avec deux grands tubercules ochracés, revêtus de
poils noirs. Antennes d’un blanc jaunätre, ayant le quart
basilaire assez robuste et d'un noir intense et le premier
article testacé, couvert de poils noirs. Palpes maxillaires très-
longs, velus, noirâtres, leur premier article ayant des
poils noirs métalliques. Pieds d’un ochracé pâle, pubescents;
les tibias intermédiaires brunis, les postérieurs munis de
poils très-longs d’un gris-noirätre; tarses d’un blanc jau-
natre. Ailes antérieures courtes et larges, très-obtuses à
l'extrémité, d'un brun noiràtre foncé, un peu violacé dans
la partie apicale, revêtues d’une pubescence serrée de la
1) La figure de la réticulation, qui accompagne mon travail sur ce genre, publié
dans les Transactions of the Entomological Society of London, Serie 3, vol. I
(pl. XIX), n'a pas exactement été reproduite pas le graveur. Dans les ailes anté-
rieures la sous-costale a été oubliée, le point de départ du secteur est fautif, ete.
Dans la figure des pattes la frange des tibias postérieures n’est pas assez longue.
PLANIPENNES ET TRICHOPTÈRES NOUVEAUX ETC. 9
méme couleur, ayant sur la partie basale des reflets de
bleu métallique et sur le milieu une bande transversale
très-large, orangée (plus claire près du bord costal) ourlée
de plus foncé, dont le bord interne est oblique et entier
et dont l’externe a une dilatation presque carrée entre le
radius et la branche inférieure du cubitus antérieur. Franges
apicales courtes, un peu plus foncées que l’aile, sauf celles
de l’apex, qui sont d'un blanc vif jusqu'au quatrième secteur
apical. En dessous la bande transversale est à peine visible
à l'exception d’une tache presque carrée au bord costal.
Les nervures y sont un peu plus foncées que le fond.
Ailes postérieures avec leur franges d’un noir de fumée
uniforme. Abdomen noiràtre en dessus; le bord postérieur
de chaque segment largement ochracé.
Les parties génitales externes du mâle sont peu proémi-
nentes et difficiles à déchiffrer. Deux petits lobes en feuille
Jaunes se trouvent en dessus au milieu. Je les regarde
comme les appendices intermédiaires. Les parties qui re-
présentent probablement les appendices supérieurs sont un
peu dirigées en bas et également jaunes. Je ne distingue
pas les appendices inférieurs, mais il se peut qu'un pin-
ceau de poils noiràtres en tienne lieu. Le pénis (ou peut-
être sa couverture) est court, tronqué et ouvert à son
extrémité, mais sa partie inférieure se prolonge en forme
de cuiller.
Espèce très-jolie et trés-intéressante.
A. Piepersi, Sp. nov.
Castaneus, nitidus caput postice, prothorax, meso- et meta-
thoracis latera et totum corpus sublus, ochracei. Antennae
(mutilatae) maris testacei, foeminae nigrae, articulo basali
testaceo. Palpi maxillares hirsuti, fusco-nigri. Pedes flavi,
tarsis pallidioribus, tibiis quatuor posticis nigro-fusco pube-
scentibus, posterioribus maris longe fuliginoso-fimbriatis.
Alue anticae, latae, paullo elongalue, valde obtusae, dense
pubescentes, fusco-nigrae, ad basin chalybdeo-micantes ,
10 DESCRIPTIONS DE PLUSIEURS NEVROPTERES-
fascia media angusta, in medio coarctata, luteo albida ;
ciliis fusco-nigris, summo apice cretaceis. Alae posticae
saturate fuliginosae ( et 2).
Long. corp. $ 7,5 mm., 2 6 mm.; exp. al. 21—22 mm.
Habitat in insula Celebes (Bonthain).
Tête et corps du male ayant les mêmes couleurs que
ceux WA. Croesus, sauf l'abdomen qui est plus jaunätre. La
femelle est plus foncée, même en dessous et a l'abdomen
presque noir. Partie basale des antennes (le reste manque)
d’un testacé obscur chez le mâle, noire chez la femelle ;
leur premier article testacé. Palpes maxillaires très-velus;
noirätres, un peu jaunätres à leur base. Pieds jaunes, tarses
plus clairs; tibias intermédiaires et postérieurs couverts
d'une pubescence d’un brun foncé; ceux-ci munis chez le
mâle d’une longue frange de poils fuligineux.
Ailes antérieures larges (un peu plus étroites chez la
femelle) très-obtuses à leur extrémité, d’un brun noiràtre,
couvertes dune pubescence de la même couleur, mais un
peu pourprée surtout dans la partie apicale, ayant près de
la base des reflets d'un bleu métallique et sur le milieu
une bande transversale, oblique, très étroite, un peu élargie
sur le bord costal, d’un blanc jaunätre. Franges apicales
courtes, de la couleur du fond, sauf celles de l’apex qui
sont d'un blanc crayeux jusqu’au cinquième secteur apical,
ce qui donne aux ailes lair d’être tronquées. Nervures a
peine plus foncées que le fond.
En dessous la bande transversale est peu visible, excepté
au bord costal.
Ailes postérieures avec leurs franges d'un fuligineux
foncé uniforme.
Le dernier segment de lPabdomen du male a en dessus,
au milieu, une pièce bifide. Ses appendices supérieurs sont
petits, en forme de cuiller, jaunes, munis de quelques
poils noirs. Je ne puis distinguer les inférieurs.
Chez la femelle le bout de Pabdomen a en dessus un
PLANIPENNES ET TRICHOPTERES NOUVEAUX ETC. 14
prolongement triangulaire, qui couvre une piece concave
en dessous, jaune, couverte de poils noirs, de sorte que
celle-ci n’est visible que de cöte.
J'ai vu un individu de chaque sexe de cette espèce bien
distincte. 1
A. cretosus, Sp. NOV.
Nigricans, nitidus. Antennae cretaceae, articulis quartae
partis basalis latissime, caeteris anguste, nigro-annulalis ,
articulo basali nigro. Palpi maxillares nigricantes, longe
fuliginoso-hirsuti. Pedes fuscescentes , tarsis pallide testa-
ceis, libiisque posticis longe griseo-fimbriatis. Alae anticae
angustiores, margine apicali obliquo nigricantes, pube nigro
instructae, strüs nonnullis caeruleis in parte basali, violaceis
in parte apicali, maculisque tribus crelaceis (quarum prima,
parva, in medio fere marginis interioris, altera, magna
et irrigularis, in disco el tertia, minor et rotundata, pone
angulum analem; cilits concoloribus. Alae posticue saturate
fumatae (3 el 2).
Long. corp. 6—7 mm.; exp. al. 17,5—21 mm.
Habitat in insulis Celebes et Bouru.
Corps entier noiràtre. Téte et thorax luisants, revétus de
poils noirs. Antennes d’un blanc jaunätre, leur premier
article noiràtre, ceux du quart basilaire largement , les
autres très-étroitement annelés de brun foncé. Palpes
maxillaires tres-velus, noirätres. Pieds dun brun noirätre,
tarses d’un testacé pale, tibias postérieurs munis de poils
très-longs, grisatres. Ailes antérieures plus étroites que
chez les deux espèces précédentes, à bord apical oblique,
d’un brun noiràtre avec des reflets bleuàtres près de la
base, violàtres vers l'extrémité et ayant trois taches d’un
blanc crayeux dont la premiere, qui est la plus petite,
est placée à-peu-près sur le milieu du bord interne, la
seconde, qui est assez grande et de forme irrégulière sur
le milieu du disque et la troisième, qui est petite et ar-
19 DESCRIPTIONS DE PLUSIEURS NÉVROPTÈRES-
rondie, pres de l’angle anal. Franges de la couleur du fond
de Vaile, leurs extrémités un peu plus foncées.
Ailes inférieures d'un noir de fumée uniforme.
Les parties génitales sont, comme toujours dans ce
genre, difficiles à déméler. Le mâle parait avoir deux lobes
jaunätres, qui peùt-étre tiennent lieu d’appendices inter-
médiaires et deux petits appendices supérieurs noirâtres,
frangés de poils noirs.
Le bout de l'abdomen de la femelle est coupé oblique-
ment et ne montre pas d’appendices.
Un male de Célébes et une femelle de Vile de Bouru,
capturée par M. Wallace. Je possède encore plusieurs
espèces non décrites de ce genre intéressant.
Setodes lanuginosa, sp. nov.
Testaceo-albida, abdomine olivaceo. Antennae perlongae, albi-
dae, juncturis articulorum basin versus obsolete nigris. Palpi
marillares graciles, perlongi, testaceo-albidi, pallide-ciliati ,
articulo secundo longissimo, fere glabro, tertio breviori, ciliato,
primo el quarto adhuc brevioribus, inter se aequalibus, ultimo
flexili. Pedes testaceo-albidi, tibiis anticis unicalcaralis ,
intermediis et posticis duobus calcaribus, valde inaequalibus,
instructis. Alae anticae longae, sat latae, obtusae, griseo-
testaceae, basin versus obscuriores, apicem versus paullo
viridi-micantes, dense griseo-lanuginosae, margine costali
densissime lanuginoso-fimbriato , basin versus infuscato ;
venis robustis, infuscatis, in parte. basali nigricantibus ,
furcis apicalibus perlongis, ramo inferiori radii et ramo
superiori cubiti antici simplicibus. Alae posticae griseae,
concinne violaceo-micantes , ciliis infuscatis (4).
Long. corp. 6 mm.; Long antenn. 28 mm.; exp. al. 19 mm.
Habitat in insula Celebes (Macassar).
Tête et thorax d'un blanc jaunätre, couverts de quelques
poils pales. Antennes trés-longues et trés-gréles, d’un blanc
un peu jaunätre avec les sutures des articles de la partie
basale finement marquées de noirätre; leur premier article
PLANIPENNES ET TRICHOPTÈRES NOUVEAUX ETC. 13
long et un peu renflé. Yeux noirs, proéminents. Palpes
maxillaires extraordinairement longs, atteignant la base de
Vabdomen, lorsqu'ils sont récourbés sur la poitrine (pen-
dant la vie ils sont probablement dirigés en avant) de sorte
qu'on les prendrait de prime abord pour des pattes, blan-
chàtres; leur premier article assez long, le second quatre
fois plus long que le premier, cylindrique, à-peu-prés
glabre, le troisième plus grêle et plus court que le second,
un peu poileux, le quatrième égalant le premier et le cin-
quième flexible, en fouet. Palpes labiaux petits, leur pre-
mier article court, les deux autres presque égaux (le troi-
sième en fouet). Pieds blanchätres, tibias antérieurs avec
un éperon unique, couché sur le tarse, les autres avec
une paire d’éperons apicaux trés-inégaux.
Ailes antérieures longues, assez larges pour le genre,
elliptiques à leur extrémité, d’un gris testacé, plus foncé
vers la base et avec des reflets verdàtres dans la partie
apicale, vétues dune pubescence laineuse, grisätre, très-
épaisse, surtout dans la moitié costale; franges longues,
grises; celles du bord costal laineuses, épaisses, courtes,
noiràtres dans la moitié basale. Nervures fortes, d’un brun
noirätre, presque noires vers la base; cellule discoidale
très-longue et très-étroite, prenant son origine à peu de
distance du radius; branche supérieure du secteur longue-
ment fourchue, l’inférieure simple; branche supérieure du
cubitus anticus simple, linférieure encore plus longuement
fourchue que la supérieure du secteur. Ailes inférieures
grisätres avec des reflets violatres; leurs franges noirätres.
Abdomen d'un olivâtre terne (sans doute d’un vert plus
vif pendant la vie).
Les parties génitales externes sont compliquées. Les
appendices supérieurs sont longs et trés-gréles, grisàtres,
fortement ciliés. Entre eux, au milieu du bord du segment
anal, se trouve une longue épine, cornée, brune, fortement
recourbée en bas et assez profondement bifide à son extré-
mité. Au dessous d’elle est la couverture du pénis, cornée,
14 DESCRIPTIONS DE PLUSIEURS NÉVROPTÈRES-
concave en dessus, à bords latéraux épaissis et dont l’ex-
trémité est très-prolongée, obtuse et courbée en bas entre
les appendices inférieurs. Ces derniers sont grands, pubes-
cents, jaunätres et ont une échancrure semicirculaire et
une longue branche droite, ayant la forme d'un doigt.
Du côté du ventre ils sont si larges et si rapprochés,
qu'ils semblent réunis ou seulement divisés par un sillon
longitudinal. La forme du pénis m'est inconnue.
Espèce très-curieuse, surtout à cause de la pubescence
longue et laineuse des ailes et de la frange laineuse, épaisse
du bord costal. Le genre Setodes dans son état actuel n’est
point du tout naturel et peut être divisé en plusieurs coupes
génériques, selon la réticulation des ailes, la forme des
palpes maxillaires, la formule des éperons, etc.
Fam. HYDROPSYCHIDAE.
Dipseudopsis.
Ce genre n'appartient pas à la famille des Sericostoma-
tides, ou M. Walker l'avait placé (Cat. Brit. Mus. Neur.
p.I, p.91), ni à celle des Rhyacophilides, comme je lai cru
jadis (Trans. Entom. Soc. Lond., Ser. 3, vol. I, pag. 496), mais
a été classé de bon droit par M. Brauer (Verh. Zool. bot.
Ges., Bd. XVII) parmi les Hydropsychides. Le dernier
article des palpes maxillaires, quoique trés-court, est en
effet composé de plusieurs articles.
Les espèces de ce genre se ressemblent beaucoup et les
parties génitales externes ne présentent pas de caractères
bien saillants. Ce fut donc avec une vive satisfaction, que
je découvris un autre caractère qui jusqu'ici avait échappé
à l'attention de tous les observateurs. L’éperon interne de
la paire apicale des tibias postérieurs est presque toujours
d’une forme extraordinaire, sans exemple parmi les Tri-
choptéres connus et cette forme diffère selon l'espèce. Seu-
lement cet éperon anormal ne se trouve que chez les mâles,
celui des femelles étant de la forme ordinaire. La connais-
PLANIPENNES ET TRICHOPTÈRES NOUVEAUX ETC. 15
sance de ce caractère m'a donné la conviction que la Phry-
ganea notata de Fabricius (indiquée sans doute par erreur
comme provenant de l'Amérique) n’est pas identique avec
le Dipseudopsis capensis Walk., comme je l’avais cru (Trans.
Ent. Soc. Lond., Ser. 3, vol. 1), mais est une espèce dis-
tinete, dont je n'ai vu que le type. Celui-ci n’a cependant
pas la «macula marginalis fusca», dont parle la description.
Afin de faire mieux connaître la nature de ce caractére
nouveau des éperons, je fais suivre la description d’une
espèce de Célébes de celles des espèces de ce genre qui
se trouvent dans ma collection en remarquant toutefois que
je ne possède pas le type de mon D. collaris.
D. infuscatus, Sp. nov.
Fuscus. Caput postice, palpi, pronoti margines, pedes et
abdomen subtus, testacei. Antennae testaceae , obsolete fusco-
annulatae. Alae anticae testaceo-fuscae, margine costali
pallidiori, pterogstigmate albido, punctis duobus (uno in
thyridio, altero in arculo) hyalinis, albidis ; venis venulis-
que plerumque pallide testaceis. Alae posticae leviter infu-
matae. Calcar apicale internum tibiarum posticarum robu-
stum, elongatum, in apice ungquiculis duobus instructum.
Long. corp. 8 mm.; exp. al. 25 mm. (8)
D'un brun un peu noirätre en dessus avec le bord posté-
rieur de la téte, les bords des deux lobes du pronotum et
les palpes testacés. Antennes égalant à peine les ailes en
longueur, testacées avec la moitié apicale de chaque article
un peu brunâtre, surtout dans la partie basale. Palpes
maxillaires testacés; leur dernier article un peu brunätre.
Pieds légèrement pubescents, testacés. L’éperon interne
‘ de la paire apicale des tibias postérieurs trés-fort, allongé,
cylindrique, tronqué à son extrémité où il porte deux épines
fortes, inégales, courbées dans des directions opposées et
ressemblant a des onglets. L’éperon externe de forme ordi-
naire et un peu plus long que la partie basale de l’interne.
Ailes antérieures a-peu-prés glabres, couvertes d’une
16 DESCRIPTIONS DE PLUSIEURS NÉVROPTÈRES-
pubescence courte, dorée, qui n’est visible qu'à laide
d’une loupe, dun brun un peu testacé, plus pale vers le
bord costal, et plus foncé entre le radius et la sous-costale ;
ptérostigma blanchâtre; au thyridium un point blanc un
peu transparent, qui s'étend sur la nervule transversale
de la cellule thyridii; à Parculus un point semblable, mais
plus petit; au fond de la première cellule apicale un vestige
d’un troisième point. Nervures fortes, pàles, à l’exception
du radius, qui est brunâtre. Ailes inférieures légèrement
enfumées, à nervures brunàtres.
Les parties génitales externes sont jaunâtres. En dessus
se trouvent deux valvules latérales, larges (probablement
les appendices supérieurs), dont le bord est un peu échrancré
et qui sont revêtues d’une pubescence noiràtre. Entr’elles
est une pièce presque tubulaire, ouverte en dessous et
fendue à son extrémité (peut-être la couverture du pénis).
En dessous il n’y a qu’une seule valvule ou écaille, large,
courte et concave en dessus.
D. stellatus, sp. nov.
Testaceo-fuscus, infra pallidior. Capitis discus nigricans. An-
lennae testaceae, ad basin via annulatae. Palpi, pronotum,
pedesque flavi. Calcar apicale internum tibiarum posticarum
robustum, truncatum, in apice ungwieulis duobus (quorum
unus gracilis, alter dilatatus) instructum. Alae anticae
testaceo-fuscae, pterostigmate, maculis elongatis ad basin
cellularum apicalium (cum pterostigmate quasi fasciam
formantibus) et macula magna ad arculum flavo-albidis ,
puncto ad thyridium albo-hyalino ; venis in dimidia parte
basali pallide-fuscis, in apicali pallidis. Alae posticae leviter
infumatae. (3)
Long. corp. 9 mm.; exp. al. 25 mm.
Habitat Shanghai.
Trés-voisine du D. infuscatus. Le corps en dessus d’un
brun plus clair. Tête noiràtre au milieu, largement pâle
sur les côtés et le bord postérieur. Antennes fortes, d’un
PLANIPENNES ET TRICHOPTERES NOUVEAUX ETC. 17
jaune testacé uniforme. Palpes et pieds d’un jaune pâle
ainsi que le pronotum, dont les deux lobes sont étroits
(de beaucoup plus étroits que chez D. infuscatus). L’éperon
interne de la paire apicale des tibias postérieurs fort, cy-
lindrique, allongé, ayant à son extrémité deux onglets
courts, très-courbés et un peu en spirale, dont l’une de-
vient grêle à peu de distance de sa base, tandisque l’autre
qui est plus forte, s’amincit graduellement.
Ailes antérieures plus étroites que celles du D. infuscatus,
de la même couleur mais avec le bord costal concolore.
Le ptérostigma, une série de taches, pour la plupart allon-
gées, au fond des cellules apicales (une tache dans chaque
cellule) et une grande tache à l’arculus, qui s'étend en ligne
vers la base de l'aile, d'un blanc jaunatre sale; au thyridium
un point blanc et hyalin, s'étendant sur la nervule qui ferme
la cellule thyridii. Les taches des cellules apicales presque
confluentes et formant avec le ptérostigma une bande trans-
versale courbée, qui ne touche pas le bord intérieur. Réticula-
tion brunâtre dans la partie basale, plus pale vers l'extrémité.
Ailes postérieures légèrement enfumées.
Les parties génitales externes sont presque tout à fait
comme celles du D. infuscatus, mais la pièce ou écaille
sous la couverture du pénis est moins développée.
D. capensis Walk.
Fuscus, capite postice pronotoque flavis. Antennae testaceae,
basin versus fusco-annulatae. Palpi pedesque testacei. Cal-
car apicale internum tibiarum posticarum gracile, elonga-
tum, cylindricum, fusco-ciliatum , in apice unguiculis
duobus brevibus (quorum unus spiniformis, alter crassior)
instructum. Alae anticae fusco-testaceae, pterostigmate con-
colori, punctis tribus pallidis (uno supra cellulam discoi-
dalem, altero in basi cellulae apicalis primae et tertio
inter furcam apicalem tertiam et quartam), punctibus albo
hyalinis ad thyridium et arculum, nervls distinctis, ple-
rumque fuseis. Alae posticae leviter infumatae.
18 DESCRIPTIONS DE PLUSIEURS NÉVROPTÈRES-
Long. corp. 9 mm.; exp. al. 22 mm.
Habitat in Africa (Port Natal et Prom. bon. Sp.)
Un peu plus petite que les espèces précedentes. Antennes
distinctement annelées de brun noiràtre vers leur base.
Pieds testacés, la moitié apicale des tibias postérieurs bru-
nätre en dehors. L’éperon anormal de ces tibias long,
aussi grêle que l’éperon normal, cylindrique, un peu courbé,
muni d'une frange de longs cils, un peu dilaté à son ex-
trémité, où il semble avoir deux onglets, dont le supé-
rieur est très-mince et court, l’inférieur plus épais et plus
long, et ressemblant à un bec d'oiseau. (Sans sacrifier
lexemplaire, la structure n’est pas bien visible, même
sous le microscope.)
Ailes antérieures un peu plus courtes et plus larges que
chez les autres espèces (la différence n’est guère notable),
d’un brun testacé foncé uniforme, avec trois petites taches
pales indistinetes (dont une au dessus de la cellule discoi-
dale, une autre à la base de la première cellule apicale et
la troisième entre les quatrième et cinquième fourches
apicales) et avec les points blancs ordinaires au thyridium
et à l’arculus; nervures bien visibles, brunätres.
Le bout de l’abdomen est à peine différent de celui des
autres espèces.
Je n'ai vu que le type, qui est au museum Britannique
et un individu de ma collection. Le premier est de Port
Natal, le second du Cap de Bonne Espérance.
D. indicus, sp. nov.
Fuscus, capite postice, pronoto pedibusque testaceis. An-
tennae testaceae, basin versus fusco-annulatae. Palpi maail-
lares testacei, articulo ultimo infuscato. Calcar apicale in-
ternum tibiarum posticarwm valde elongatum , gracile,
longe ciliatum, in apice furcatum, ramo superiori recto,
bifido, ramoque inferiori uncato, intus pone basin biden-
tato. Alae anticae saturate testaceo-fuscae, pterostigmate
PLANIPENNES ET TRICHOPTÈRES NOUVEAUX ETC. 19
maculisque nonnullis parvis pallidis et punctis duobus albo-
hyalinis. Alae posticae infumatae (€).
Alae anticae flavo-testaceae, posticae pallidiores (2).
Long. corp. $ 7 mm., 2 11 mm.; exp. al. d 25 mm.,
g dl mm.
Habitat in India orientali.
A peine à séparer des autres espéces par sa forme et
ses couleurs, ni même par ses parties génitales externes ;
mais l’éperon anormal est d'une structure bien différente.
Il est trés-long et tres-grele, un peu sinueux, muni d’une
frange de longs cils. Son extrémité un peu dilatée se divise
en deux longues branches minces, dont la supérieure est
presque droite et se termine en deux petits onglets cour-
bes; tandis que Vinférieure forme un seul crochet pointu,
qui a en dedans près de sa base deux petites dents opposées.
Ailes antérieures d’un brun testacé foncé avec le pté-
rostigma, une tache au fond de la première cellule apicale
et des vestiges de taches plus petites au fond des troisième,
quatrième et cinquième cellules apicales, pâles et avec les
points ordinaires au thyridium et à l’arculus. Nervures bien
visibles; la premiere fourche apicale, quoique petite, est
présente. Ailes postérieures légèrement enfumées. Les par-
ties génitales externes n’ont rien de remarquable (4).
La femelle est de beaucoup plus grande. Téte et prono-
tum testacés. Ailes antérieures d’un testacé jaunätre avec
de légers vestiges des taches et points pâles ; réticulation
jaunâtre, la premiere fourche apicale bien évidente.
Ailes inférieures hyalines, teintées de jaunätre.
Abdomen noirâtre en dessus avec les sutures des seg-
ments ochracées ; entièrement ochracé en dessous. Les ap-
pendices du segment anal sont jaunâtres. Le bord du der-
nier segment abdominal est en dessus à-peu-près semicir-
culaire. Il y a deux valvules supérieures, à bords denti-
culés, contigues en dessus, concaves en dessous. Le der-
nier segment ventral forme deux plaques carrées, trés-
20 DESCRIPTIONS DE PLUSIEURS NEVROPTERES-
contigues au milieu, de sorte quelles semblent former une
seule pièce.
Je possède un individu de chaque sexe, etiqueté comme
provenant de l’Inde, sans indication de localité speciale.
La forme de l’éperon anormal du mâle fait qu’on reconnait
sans peine cette espèce. On trouve une formation assez
semblable chez le type du D. notatus Fabricius, mais je
crois que est insecte appartient à une espèce différente.
Il ya quelque difficulté concernant la réticulation des
ailes antérieures des insectes de ce genre. Je n’ose décider
si la première fourche apicale existe (en état rudimentaire)
ou non, chez les mâles des D. infuscatus, stellatus et Capensis ,
n'ayant pu la trouver, tandisque je la vois distinctement
chez les deux sexes du D. indicus. On pourrait admettre
que cette fourche existe comme caractère générique et
qu'elle est toujours présente chez les femelles, mais souvent
oblitérée chez les mâles.
Les tibias et tarses intermédiaires étant un peu dilatés
chez le mâle, on doit se garder de se méprendre quant
au sexe, surtout parce que les parties génitales externes
des males sont si peu proéminentes. La forme de l’éperon
anormal fera facilement éviter toute confusion. Les femelles
sont probablement plus grandes et plus pâles. 1)
Les espèces connues jusqu'ici sont D. infuscatus Mc.
Lachlan, de Célébes; D. stellatus Mc. Lachlan, de Shanghaï;
D. indicus Me. Lachlan, de [Inde et D. capensis Walker,
du Cap en de Port Natal, dont Jai donné ici les descrip-
tions; D. collaris Me. Lachlan, de Hong-Kong et D. notata
Fabr., d'une localité douteuse, espèce que je n'ai pas à
présent sous les yeux et enfin D. nervosus Brauer, des Phi-
lippines, qui m'est inconnu. Il y a encore deux espèces
non décrites au Museum Britannique. En général on ne
connait qu'un seul individu de chaque espèce.
1) M. Brauer, dans sa table des genres (1. e.), dit que les fourches apicales, 2,
4 et 5 sont présentes dans les ailes inférieures. Il n’y a reëllement que les 2 et 5.
Je crois que les ailes inférieures des Trichoptères n’ont jamais la fourche n°. 4.
Lo ho
OHIO US
>
>
dal
\
PLANIPENNES ET TRICHOPTERES NOUVEAUX ETC. 21
Explication des planches.
PLANCHE I.
Chrysopa ruficeps.
Réticulation de Vaile supérieure gauche, grossie.
Tête et corselet, grossis.
Tarse d’un pied antérieur, grossi.
Apochrysa Albardue.
Tête et corselet, grossis.
Réticulation de Vaile supérieure droite, grossie.
Myrmeleon Celebensis 3.
Setodes lanuginosa 8.
Réticulation des ailes gauches, grossie.
Palpe maxillaire.
PLANCHE II.
Anisocentropus croesus à.
Tibia et tarse d’un pied postérieur, grossis.
Anisocentropus Piepersi à.
Réticulation des ailes gauches, grossie.
Anisocentropus cretosus d.
Dipseudopsis infuscatus 2.
-Réticulation des ailes gauches, grossie.
Bout de l’abdomen, vu de face, grossi.
Le même, vu de côté, grossi.
Eperons de l’extrémité d’un tibia postérieur, grossis.
Les mêmes de D. stellatus 3, grossis.
Les mêmes de D. capensis Walk. d, grossis.
Réticulation du bout de Vaile droite de D. indicus
2, grossie.
Eperons de lextrémité d'un tibia postérieur du à,
grossis.
NOS
COLLECTION DE TYPES DES PHRYGANIDES,
DÉCRITES PAR
fou M F. J. PICTET,
-
existant dans le Musée Royal d'Histoire Naturelle à Leide ,
M. R. MAC-LACHLAN.
M'occupant d'un Synopsis de toutes les Phryganides
d'Europe et des pays voisins, qui va être publié prochai-
nement dans les Annales de la Société Entomologique de
France, je cherche toujours à faire un examen des types
pour éviter les erreurs de la nomenclature autant que pos-
sible. Etant averti qu'une collection assez importante de
types avait autrefois été envoyée par feu M. Pictet de la
Rive au Musée de Leide, je désirai ardemment de les
voir et grace à Vobligeance extrême de M. Ritsema, j'en
eus l’occasion. Déja M. le Dr. Hagen a publié des notes
très-importantes concernant différentes collections typiques
des espèces du même auteur dont il avait eu inspection,
d’abord dans le Stettiner entomologische Zeitung, 1855, sur
une collection envoyée par MM. Bremi et Imhoff, ensuite
dans le même journal pour 1859 et 1860 sur une col-
lection donnée par Pictet à Curtis qui se trouve mainte-
NOTES SUR UNE COLLECTION ETC. 93
nant dans le Musée Britannique, et enfin en 1861 sur une
collection reçue par lui des mains de M. Pictet lui-même ,
mais dont il ne donne de renseignements que relativement à
peu d'espèces. M. Hagen et moi, nous avons remarqué que
M. Pictet était bien plus heureux dans les descriptions des
moeurs et de l’anatomie interne que dans ses détermina-
tions spécifiques, dont il résulte que les types de Pictet
dans plusieurs collections ne sont pas toujours spécifique-
ment identiques. Ajoutez à celà que M. Pictet n’avait pas
idée de Vimportance des parties génitales, comme offrant
des caractères certains. Enfin ses figures sont pour la plu-
part insuffisantes pour faire reconnaitre les espèces parti-
culières qu'elles représentent. Un examen des types était
donc impératif.
La collection que J'ai sous les yeux, consiste en 69 in-
dividus, représentant 59 espèces, d'après M. Pictet, ou à
peu près la moitié du nombre indiqué dans ses Recherches.
Tous les individus portant un numero, je suivrai cet ordre
dans ma révision.
I. Phryganea lunaris Pictet. Un individu sans tete ni
abdomen. Le bien connu Limnephilus lunatus Curtis,
lequel nom à la priorité, quoique la distance entre les
temps de publication soit petite.
2. P. fusca; une g = Anabolia nervosa Leach. La vraie P.
fusca de Linné est une petite Perlide du genre Leuctra.
5. P. grisea. Un & sans abdomen et ailes postérieures; le
commun Limnophilus griseus L.
4.en 5. P. pellucida = 4 et 2 de Glyphotaelius pellucidus Oliv.
6. P. flavicornis, A 2; = Limnophilus flavicornis Fab.
7. P. digitata, g; = Halesus digitatus Schranck.
8. P. pantherina, A 3; = Stenophylax stellatus Curtis.
9. P. pilosa, A 3, sans abdomen; mais sans doute l'espèce
de Stenophylus connue sous le méme nom chez Hagen
et Brauer. La pilosa des auteurs cités par Pictet restera
probablement toujours douteuse.
N
en
10.
14.
119%
NOTES SUR UNE COLLECTION
P. testacea, A 3; = Stenophylax testacea Pictet (lespèce
de Gmelin ne peut jamais, à ce que je crois, être démêlée.
Je n’en ai vu que les deux types reçus de Pictet (ancienne
collection Curtis et Musée de Leide), et une autre de
France (Département de l'Ardèche) dans ma collection.
P. nigricornis. Un 8 dont il ne reste que la tête, le thorax
et une aile, mais c'est assurément Slenophylax nigricornis
Pict. (= areata Kolen.).
P. villosa. TI n’en reste que le thorax et les ailes. Selon
Hagen le type recu de Brémi était bien l’espéce du
même nom décrite par Kolenati et Brauer (Chaelopteryw
villosa). Il me reste un doute si la villosa de Fabricius
soit cette espèce ou la suivante, et la localité «in Da-
lekarliae alpibus » reste à confirmer pour notre villosa.
P. tuberculosa, A 2; = Chaetopteryx tuberculosa Pict. On
trouve cette espèce en Dalécarlie (Voyez les remarques
concernant P. villosa).
P. auricollis, A 2, qui accorde parfaitement avec les-
pece connue sous le nom de Halesus auricollis Pict.
P. mixta, A 9; = Drusus mixtus Pictet (Voyez n°. 16).
P. sericea,A 3: = Drusus mixtus Pictet. M. Pictet a laissé
regner une grande confusion dans ses types de miata
et sericea. Le type de sericea donné à Bremi par Pictet
était sans doute une espèce de mon genre Potamorites
avec la formule des éperons 1, 2, 2 (comparez Hagen,
Stettiner ent. Zeitung, 1859, p. 137). Dans la collection
Curtis se trouvent deux types dont lun porte seulement
un numero, sans nom; c'est une 2 de Halesus auri-
collis Pict.; l’autre porte Vetiquette sericea, c'est un d
semblabe à n°. 16: le type envoyé à Hagen par Pictet
lui-même (comparez Stett. ent. Zeit. 1861, p. 115) sous
le nom de mixta est l'autre sexe du d etiqueté sericea dans
la collection Curtis. Le type de mixta du Musée de
Leide est également une g de la même espèce, et le
ESS,
os)
DE TYPES DE PHRYGANIDES. 25
type de sericea en est le d. Dans ce cas il me semble
qu'on doit regarder la mixta et la sericea de Pictet
comme une seule espèce, à laquelle on peut donner
par priorité de place le nom de mixta. Impossible de
décider si le type de sericea de la collection Bremi soit
identique avec Potamorites biguttatus Pictet, ou bien si
deux espèces voisines existent en ce genre. Alors le P.
mixta Pictet (avec sericea Pict.) est une espèce de Drusus
inconnue à moi et à M. Hagen, excepté par les types.
Les appendices intermédiaires du 4 sont tres-remar-
quables : elles sont profondément et semicirculairement
émarginées au bout, de sorte que chaque appendice est
divisé en deux branches, dont la supérieure est plus
courte et jaune, tandis que l’inférieure est plus longue
et noiràtre; l’ensemble donnant l'idée du port du
deuxième article des appendices inférieurs de quelques
espèces du genre Rhyacophila.
P. guttulata, À 2; = Ecclisopleryx gultulata Pictet.
P. flavipennis, A 9; = Halesus flavipennis Pictet. C'est
la plus petite espèce du vrai genre Halesus qui me soit
connue. Le flavipennis de Kolenati et Brauer est pro-
bablement un Drusus.
P. picicornis, A & sans abdomen; = Stenophylax pici-
cornis Pictet.
P. striata, 1 9; = Stenophylax hieroglyphicus Stephens.
Il n'y a pas de doute que Pictet confondait deux ou
trois espèces sous ce nom. Les mâles reçus par Hagen
de Bremi et Imhoff étaient d’une espèce plus petite,
la striatus de mes Trichoptera Britannica; la g que j'ai
sous les yeux est celle de S. hieroglyphicus Stephens,
et dans l’une de ses lettres M. E. Pictet fils me dit
que cette dernière est l’espèce qui reste dans la col-
lection de son père, et je crois que d’après la descrip-
tion, la taille et les figures, c'était à coup sûr son
type. Pour éviter toute confusion il sera nécessaire de
NOTES SUR UNE COLLECTION
laisser tomber tout-à-fait le nom de striatus comme
appliqué à un Stenophylax, car quoique la striata de
Fabricius soit très-probablement de ce genre, celle de
Linné (comme le remarque Pictet) était toute autre
chose, et selon Hagen une vraie Phryganea.
21 en 22. Sericostoma maculatum $3; = Oligoplectrum macu-
23.
latum Oliv.
Trichostoma capillatum, A 4 sans abdomen; = Goéra
pilosa Fab. C'est la S. flavipes Curtis, de mes Trichop-
tera Britannica, mais il me semble certain que la P.
pilosa de Fabricius s’applique a cette espéce, ce qui a
toujours été soupconne.
T. picicorne, A 8; = Silo pallipes F.
T. nigricorne, A 4. Les individus reçus par Hagen de
Bremi et Imhoff et celui de la collection Curtis étaient
spécifiquement identiques avec 7. picicorne; mais celui
du Musée de Leide est tout différent, et appartient
au second groupe du genre Silo, chez les espèces
duquel le prémier secteur apical aux ailes supérieures
s'étend jusqu'à la base de la cellule discoidale. Les
appendices sont en très mauvais état, mais je ne vois
aucune différence notable entre leur conformation, et
celle des appendices de mon Silo fumipennis d'Angleterre.
On doit noter que Pictet figure les larves de ces deux
espèces comme étant un peu différentes. Ainsi il reste
à décider si Pon devra réunir nigricorne à picicorne, ou
considérer nigricorne comme espèce distincte d’après le
type que j'ai sous les yeux. Dans ce dernier cas le
nom de fumipennis tombera comme synonyme.
Sericostoma collare, A 3, 1 9.
S. multiguttatum, A 8, Le. Il m'est impossible de trou-
ver des différences vraies, spécifiques, entre collare
(Spenei Kirby) et multiguttahum. Pour le genre Seri-
costomu les caractères les plus importants se trouvent
DE TYPES DE PHRYGANIDES. IT
dans les appendices épineux et fourchus places a chaque
côté du penis (appendices intermédiaires). D'après M.
Hagen les deux branches de la fourche doivent être
inégales (la supérieure plus longue que linférieure)
chez collare, tandis qu'elles sont égales chez multi-
gultatum. Mais cette différence, si elle existe, est très-
légère ; d’abord je crus la voir, mais a présent je re-
connais qu'elle est trop futile. Ici, en Angleterre, on
trouve des femelles aux ailes unicolores comme aux
males, d’autres chez lesquelles les ailes sont fortement
aspergées d’atomes blancs, et même d’autres avec une
grande tache triangulaire blanchàtre vers le bord in-
terne, mais je ne saurais trouver des différences notables
chez les males. La femelle type de multiguttatum du
Musée de Leide ne montre aucune trace de blanchätre
aux ailes. La taille des màles est différente, celui de
collare n'ayant que 22 mm. d'envergure, mulligultatum
28 mm. Selon les dimensions données par Pictet la taille
des deux est à peu près la même. De tout celà il ré-
sulte que je suis disposé à considerer les deux comme
ne formant qu'une seule espéce.
S. atratum, A 3, À 9; = Notidobia cuiaris L.
S. hirtum, À 3. Il existe une confusion dans les
types envoyés par Pictet. Celui donné à Curtis est une
femelle d'une très-petite espèce, probablement identique
avec Mormonia irrorata Curtis. Celui du Musée de Leide
est un mâle de M. basalis Kolenati, espèce qui forme le
genre Lasiocephala Costa et le sous-genre Helictomerus
Mac-Lachlan. D’après la description et la figure je suis
assuré que Pictet avait cette dernière espèce sous les
yeux. La P. hirta de Fabricius est bien douteuse,
mais on applique le nom à M. nigromaculata Stephens.
Hydroptila pulchricornis, A g. M. Eaton a fait un examen
de cet individu, qui est en très-mauvais état, et ne
peut offrir matière à aucune opinion.
32.
NOTES SUR UNE COLLECTION
Chimarra marginata, bien déterminée, mais qui man-
que dans Vouvrage de M. Pictet, quoiqu’elle existe
également parmi les types envoyés à Curtis.
Psychomyia acuta, 1 2. Je n’en puis pas faire un examen
exact. Peut-être n'est-elle autre que la P. annulicornis
(gracilipes Curtis), et que les ailes plus aigues notées
par Pictet soient seulement l’effet de la perte des franges
apicales. L’individu a perdu toute sa pubescence.
Rhyacophila vulgaris, A 8,4 2. Sous le nom de vulgaris
Pictet confondait probablement trois espèces, et lui-même
dit «peut-être ces variétés devront-elles former des
espèces distinctes». Dans le Stettiner ent. Zeitung 1859,
p.193 Hagen donne un résumé du genre, et moi-même
Jen ai donné dans les Transactions of the Entomological
Society of London, 1868, p. 304, un apercu. Le type
offert par Pictet à Curtis est un mâle, chez lequel le
bout des appendices inférieurs n'est pas divisé, mais
simplement un peu échrancré, et les gaines du pénis
courbées en haut, ce qui nous donne un caractère pour
le séparer de dorsalis Curtis aux gaines courbées en bas.
Plus tard il trouva que le pénis de l’espece aux gaines
ordinairement recourbées en haut était fourni de deux
valvules triangulaires au milieu (ou comme il dit par
erreur, une dent triangulaire), tandis que le pénis de
l’espèce aux gaines courbées en bas est simple. Cette
dernière, la dorsalis de Curtis, est tres-commune en
Angleterre; le pénis est toujours simple, mais par excep-
tion les gaines sont parfois recourbées en haut; et d’après
un nouvel examen je trouve que le type vulgaris de
la collection Curtis est une de ces exceptions; ainsi
l'espèce aux valvules -du pénis n'est pas parmi celles
de Pictet, comme je Vai cru autrefois. Le type mâle (je
ne dirai rien de la femelle) du Musée de Leide est
bien différent. Le bout des appendices supérieurs est
profoudément échrancré entre deux branches cour-
34.
91.
38.
DE TYPES DE PHRYGANIDES. 29
bées, et le pénis avec les gaines sont aussi différents.
Parmi les types envoyés à Curtis, cette espèce est
représentée par un individu portant le nom inédit de
venusta, et elle était réunie par Hagen (par erreur)
à la aurala Brauer, et notée par moi sous le nom
de venusta. Mais il me semble que cette espèce devrait
avec plus de droit porter le nom de vulgaris, car la nym-
phe produisant l’insecte le plus connu à Pictet, était
certainement de cette espèce, ce qui est prouvé par
sa description et ses figures, et même aussi je crois
par sa figure f de l’insecte parfait. Si l’on accepte
mon idée, la vulgaris de Pictet aura pour synonyme
le nom venusta Pict. (inédit) et Mac-Lachlan, la dor-
salis Curtis renfermera le type vulgaris envoyé à Curtis
par Pictet, et la vulgaris de Hagen et de moi restera
à renommer.
R. umbrosa, 1 4. Voir n°. 36.
R. pubescens, 2 4; = Rhyacophila pubescens Pictet. Je
ne connais de cette espèce que les types. Elle est du
groupe de n°. 34 (umbrosa), mais bien distincte par
les appendices etc., comme Hagen l'a déjà remarqué.
R. angularis, À 3. Identique (comme c'est aussi le cas
pour le type de la collection Curtis) avec R. umbrosa ;
on doit reserver le nom d’angularis à cette espèce, car
Vumbrosa de Linné était fort probablement un petit
Polycentropus où Cyrnus. La larve diffère beaucoup de
celles du groupe de vulgaris et ne possède pas de fi-
laments respiratoires externes; probablement on doit
placer l’espèce dans un genre particulier, mais jus-
qu'à ce jour on ne connait pas encore les larves des
espèces intermédiaires.
R. laevis, A &(?), sans abdomen. Selon Hagen l'espèce
est voisine de R. angularis (umbrosa), mais distincte.
R. vernalis, A 8; = Glossosoma Boltoni Curtis. La diffe-
rence entre Boltoni et fimbriatum Stephens, n’est pas
30
39.
AA).
A.
49.
43.
44.
45.
46.
A.
48.
49.
NOTES SUR UNE. COLLECTION
bien apparente, et les deux peut-être ne font qu'une
seule espece, ou Bolton: forme la génération vernale de
fimbriatum. Ces derniers sont ordinairement plus petits,
et le type de vernalis n'est pas parmi les plus grands.
Hagen m’informa (in lit.) que le type de R. decolorata
Pict., envoyé à lui par Pictet lui-même, est un Glos-
sosoma, et également peut-être fimbriatum.
R. nebulosa, 1 2; = Oligoplectrum maculatum Oliv. 9,
ce que confirme le type de la collection Curtis.
R. comata, 2 3; = Agapetus comatus Pictet.
R. granulata. Un individu en maivais état. Comme
Hagen je crois que c’est un Ptilocolepus, et probable-
ment P. turbidus Kolenati. De cette dernière espèce
je mai jamais vu des individus provenants de la
Suisse, mais jen possède en bon état de Saxe. Elle
est bien intéressante et distincte du genre Agapetus
sous beaucoup de rapports. Je crois que l'individu du
Musée de Leide est un mâle, mais je ne puis voir les
petits appendices anals présents chez P. turbidus, et
en même temps il n'y a pas trace de la courte tarière
jaune existant chez la femelle de cette dernière.
Hydropsiche atomaria, À &. Pour le moment Je
H. tenuicornis, À 4. le crois prudent de
H. guttata, À 4. ne hasarder aucune
I, laeta Ardi o. opinion sur les es-
H. variabilis, 1 4, sans abdomen. | pèces du genre Hy-
H. angustata, À à. dropsyche.
H. variegata, A 3; = Philopotamus variegatus Scopoli.
H. montana, 1 g; = Philopotamus Scopulorum Leach,
Stephens. Il y a une espèce de ce genre nommée
montanus par Donovan, ce qui avait échappé à Pictet.
Par Hagen le nom est appliqué à une troisième espèce,
commune sur les Alpes etc., mais dont il n'existe que
quelques individus (dont l’origine est douteuse) qu’on
50.
De
DE TYPES DES PHRYGANIDES. 31
suppose être d'Angleterre, et pour moi, je tourne
vers opinion que le vrai montanus Donovan, soit Sco-
pulorum (montanus Pict.). Néanmoins faute de preuve
positive je propose d'adopter la nomenclature de
Hagen.
H. columbina, A d; = Wormaldia occipitalis Pict. Grande
confusion existe par rapport à cette espèce. Hagen en
1855 déclarait que les types reçus par lui de Bremi étaient
de la même espèce (occipitalis); en 1861 il appliqua le
nom à une espèce très-semblable, mais noirätre (subnigra
Mac-Lachlan); enfin quelques années plus tard il m’in-
forma dans une lettre que le type columbina, envoyé à
lui par Pictet lui-même, est un petit Pholopotanus vrai,
pour la réticulation et pour les appendices, conformes
à ceux de P. variegatus. D’après les types de Bremi et
Imhoff et celui du Musée de Leide, je regarde le nom
de columbina comme synonyme de Voccipitalis.
H. maculicornis, 1 individu dont il ne reste que les
ailes et une partie du thorax. Une petite Triodes
incertaine.
H. flavicornis, À individu sans abdomen. (Cest peut-
être Triodes Schmidtii Kolenati.
H. senex, A 8; = Plectrocnemia conspersa Curtis. Dans
VEntomologists Monthly Magazine, vol. VIII, pp. 143—146,
jindiquai que trois espèces très-semblables existent en
Suisse, bien distinctes par les appendices. Le type que
Jai sous les yeux confirme la synonymie originale.
H. flavomaculata, A 3; = Polycentropus flavomaculatus
Pictet; l'espèce bien connue sous ce nom.
Mystacides annulata, 2 3, = Leptocerus cinereus Curtis.
Les citations données par Pictet sont bien incertaines.
M. bifasciata, A 9, = Leptocerus bifasciatus Oliv.
M. atra, À g; = Mystacides atra Pictet; mais d’après
M. Wallengrèn c'est la vraie nigra de Linné.
32
58.
Ot
=
61.
NOTES SUR UNE COLLECTION ETC.
M. nigra, 1 9; = Mystacides nigra Pictet; d'après M.
Wallengrèn c'est l’azurea de Linné.
M. filicornis, A d, en mauvaise condition, mais les par-
ties du bout de labdomen sont parfaites (le type
envoyé par Pictet à Curtis a perdu son abdomen).
Après un examen minutieux sous le microscope et
après l’avoir confronté avec les types de ma Setodes
moestella (Trans. Ent. Soc. Lond. 1868, p.298), je crois
comme je l’avais soupçonné, cette dernière la même
espèce, malgré qu'il y reste encore un peu de différence
par rapport à la couleur des pieds et des antennes.
Elle m'a été communiquée aussi par M. Rostock qui
la trouve en Saxe.
M. albicornis, un fragment; voir n°. 61.
M. cylindrica, A d. Je suis du même avis que jeus
autrefois, c'est à dire que ces deux espêces de M.
Pictet n’en forment qu’une seule, = Odontocerum albi-
corne Scopoli, malgré que les larves soient un peu
différentes selon Pictet.
DE INLANDSCHE BLADWESPEN
IN HARE GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN
DOOR
S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
ACHTTIENDE STUK.
CIMBEX SYLVARUM, FE.
N°. 2 der Nieuwe naamlijst.
Vergelijk voor het volkomen insect:
FABRICIUS, Entom. system. 105, 4.
PANZER, Fauna Germ. 88, f. 16.
FABRICIUS, Syst. Piezat, p.16, n°. 3 et 17, n°. 7 (Tristis).
HARTIG, Blatt- und Holzwespen, p. 64.
BRISCHKE und ZADDACH, Beobachtungen, p. 48.
en voor de larve:
KLUG, Blattwespen-Gatt. Cimbex, p. 88 (C. Lucorum).
RATZEBURG, Forstinsecten, IN, p. 134, Tab. 3, f. 10.
(Lutea).
BRISCHKE en ZADDACH, Beob. Taf. 2, f 1a en b.
Cimbex nigra, parce nigropilosa, abdomine aut violascenti-
nigro, aut rubro flavoque cingulato , alis albis aut flavescen-
tibus pellucidis, macula sub stigmate et margine exteriore fuscis.
Omtrent de verwarring die in de nomenclatuur der groo-
tere Cimbices geheerscht heeft, heb ik mij reeds vroeger
uitgelaten; het is dus niet noodig hier op dat punt terug
3
34 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
te komen. Aan Brischke en Zaddach zijn wij de helderheid
verschuldigd, die eindelijk in deze zaak verkregen is. In
die verwarring heeft de onderhavige soort slechts voor het
geheel zwarte mannetje gedeeld, terwijl de rood geban-
deerde vorm reeds door Fabricius als eene afzonderlijke
soort werd erkend.
Ook de larve van Sylvarum heb ik reeds eenmaal afge-
beeld (dit Zijdschr. 2° serie,” 5° dee bea 70s PIE)
doch eigenlijk slechts om het verschil tusschen haar en de
larve van Lucorum duidelijk te maken en zonder de ge-
daantewisseling te vermelden. Sedert dien tijd heb ik van
den heer Dr. A. J. van Rossum nog eene larve ontvan-
gen, die mij langen tijd op het verschijnen der imago
heeft laten wachten, doch mij in staat gesteld heeft nu
de beschrijving der metamorphose te leveren.
Evenwel niet geheel! — Het ei ontbreekt al wederom
in deze beschrijving en zelfs ook de pop. Het eerste zal
hoogstwaarschijnlijk in een wondje, door de zaag van het
wijfje aan den bast van een berkentakje of bladsteel toe-
gebragt, nedergelegd worden en ongekleurd zijn of eene
lichtgroene kleur vertoonen.
De zeer jonge larve is mij ook niet bekend geworden,
doch Zaddach meldt ons dat zij over het geheele ligchaam
wit bepoederd is, behalve op het midden van den rug ter
plaatse waar later de fraaije blaauwe ruggelijn te zien zal
wezen. Eerst bij de tweede vervelling begint zich daarvan
in een fijn zwart lijntje een spoor te vertoonen.
De eerste der beide larven, die ik in mijn bezit heb
gehad (wel een bewijs van schaarschheid der soort in
Nederland, dat ik er slechts twee heb kunnen bekomen),
was in het begin van October 1858 bij Noordwijk op een
berk gevonden en leverde mij in het volgende jaar het
donkere mannetje dat op de plaat is afgebeeld. Ik heb
deze larve voorgesteld op de reeds aangehaalde plaat in
het 5° deel en op deze pl. 3 bij fig. 5.
De andere larve werd mij door den heer van Rossum uit
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 35
Enschede toegezonden onder eene bezending van andere
Cimbex-larven, die ik toen meende dat Gimb. Sorbi Zadd.
moesten genoemd worden, ’t geen mij later bleek onjuist
te zijn. De toezender had mij in zijnen brief gemeld
dat hij twee soorten zond en dus de larve van Sylvarwm
duidelijk onderscheiden. De Enschedeesche larve (zie fig.
4 en 2) was groener, minder geel dan de Noordwijksche.
Beiden hadden overigens den gewonen vorm der grootere
larven van dit geslacht, zaten overdag in een gerold tegen
de onderzijde van een blad en voedden zich des avonds
en misschien ook des nachts. Zij aten berkenbladeren en
eene daarvan spoot bij aanraking vocht uit de kliertjes op
zijde van het lijf boven de luchtgaten.
De larven hebben een gladden ronden, schier geheel
witten kop met zwarte oogen en bruine toppen der kaken;
het lijf is dik en rolrond, doch schijnbaar eenigzins kantig
ten gevolge der kleurverdeeling op den rug; de algemeene
kleur is geelachtig groen, meer geel aan hals en buik en
aan het laatste segment; over den rug loopt bij de volwas-
senen eene blaauwe ruggelijn, die fijn aanvangt bij den
tweeden ligchaamsring en fijn eindigt voor den laatsten,
derhalve niet doorloopt van kop tot anus, gelijk bij C. con-
nata en lutea. Aan wederzijde van deze blaauwe lijn is
de huidkleur altijd geel, hetzij scherp afgesneden, als bij
fig. 2, hetzij wegsmeltend als bij fig. 5. Elke ring heeft
zeven huidplooijen (verg. fig. 3), waarvan vier op zeer on-
regelmatige wijze met kleine doorntjes of stekeltjes bezet.
De luchtgaten hebben min of meer de gedaante van zoolen
van hertenhoeven en zijn zwart (verg. fig. 4). De 22 pooten
zijn allen wit, doch de zes voorpooten hebben aan het
einde lichtbruine klaauwtjes.
Niet lang had ik mijne larven behoeven te voeden, toen
zij zich in een zeer vast, schier ovaal cocon, minder uit
zijde dan wel uit lijmdraden bestaande, insponnen. Dat
der groenere larve was lichtbruin, dat der ‘andere glanzig
geel; dit laatste is afgebeeld bij fig. 6.
36 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
De verandering in wesp had bij de Noordwijksche binnen
tien maanden plaats, doch de andere had langer tijd noodig
en bleef een zomer overliggen tot 15 Mei 1874. Dit en de
zeldzaamheid der larven in ons land zijn de reden, waarom
ik het cocon niet geopend heb om naar de pop onderzoek
te doen. Ik vreesde namelijk door het openen van het harde
cocon de larve in hare metamorphose te verhinderen.
Uit de larve heb ik beide sexen verkregen, uit fig. 5,
fig.7 en uit fig.1 en 2, fig.8. Fig.9 is naar een gevangen
voorwerp geteekend.
De soort is iets kleiner dan de naauw verwante C. con-
nata en Lutea en onderscheidt zich doordien de rug van
den thorax minder viltig is, door de kleur van het achter-
lijf en doordien de vleugels onder het stigma naar de basis
toe een bruinen veeg vertoonen en een bruinen of zwarten
zoom hebben aan spits en achterrand. Ziehier overigens de
beschrijving der drie afgebeelde voorwerpen.
Figuur 7. Een mannetje. Kop en borststuk met de poo-
ten tot de tarsen paarsachtig zwart, vrij sterk gestippeld
en met opstaande zijde-achtige zwarte haartjes bedekt.
Kaken zwart en palpen wit. De sprieten geknopt, van zes
leedjes; de beide eersten zwart, het derde even zoo, doch
roodgeel aan de spits; de overigen roodgeel. De tarsen
vuilgeel met het eerste en de tip van het laatste lid met
de klaauwtjes bruinachtig. Het schildje zeer kort en breed;
de ruggekorreltjes bruinachtig wit. De eerste ring van het
achterlijf sterk half cirkelvormig uitgesneden en dientenge-
volge de niet met chitinplaat bedekte plek daarachter groot.
Het achterlijf aan de bovenzijde paarszwart met rood-
bruinen gloed op segment 3 en 4, aan de onderzijde rood,
behalve de paarszwarte anusplaat. Het 7% segment aan de
bovenzijde diep in het midden ingedeukt. De bovenvleugels
hebben in de radiaalcel en de ondervleugels aan de basis
een paarsblaauwen gloed.
Fig. 8. Een wijfje, kleiner en zwakker. Kop paars-
zwart met bronzen wangen. Thorax van dezelfde zwarte
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 91
kleur, doch met vuilgelen rand van den prothorax. De
De beide eerste leedjes der sprieten bruin, al de overigen
roodachtig geel. De heupen en schenkelringen paarszwart,
de dijen van dezelfde kleur doch met lichtbruine knieën;
de scheenen en tarsen vuil loogachtig geel. De twee voorste
ringen van het abdomen, de basis van den derden in het
midden van de bovenzijde en de achtste ring zijn paars-
zwart, de overigen zijn boven en onder vuil groenachtig
geel, met zwarte inkervingen daartusschen. De breede
kleppen van de zaag en de legboor zijn glanzig bruin,
kort behaard. De vleugels als bij de vorige.
Fig. 9. Een mannetje, gevangen in Julij bij de waterlei-
ding in het duin tusschen de Vogelenzang en Berkenrode,
door den heer Ritsema. Het had door lang rond te vliegen
schier al zijne haren en de zwarte zoomen zijner vleugels
verloren. Kop en borststuk paarsachtig zwart; vier roode
lijntjes op den schedel en de achterrand van den prothorax
rood. Het derde lid der sprieten rood met zwarte basis
(zie fig. 10). Aan het achterlijf ring 3 tot 6 rood. Aan de
pooten alle scheenen paarsachtig roodbruin en de tarsen
geelachtig bruinrood. Voor het overige gelijk aan fig. 7.
Dat ook geheel zwarte wijfjes van C. sylvarım in Neder-
land voorkomen heb ik reeds in mijne «Nieuwe naamlijst
van inlandsche Hymenoptera» vermeld. De heer A. A. van
Bemmelen heeft een zoodanig voorwerp bij zich uit een te
Driebergen gevonden cocon zien uitkomen.
Behalve deze kleurverscheidenheden vermeldt Zaddach
nog twee andere, beide van vrouwelijke voorwerpen. Bij
de eene is het zwarte achterlijf op eenige segmenten met
twee gele vlekken versierd (C. decemmaculata Leach) ; bij de
andere is het geheele dier bruinachtig geel, met uitzonde-
ring van den rug van den thorax, eene vlek op de borst
en de basis van bet achterlijf. Deze verscheidenheden zijn,
zoo verre mij bekend is, in ons vaderland nog niet voor-
gekomen.
Ten slotte moet ik hier nog uit mijn aanteekenboek de
38 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
beschrijving bijvoegen eener larve, den 18° Sept. 1862 van
den heer de Roo van Westmaas ontvangen. Zij was te
Velp in eene laan van ijpen en beuken gevonden en geheel
volwassen, zoodat zij bij mij aankomende reeds bezig was
met inspinnen.
Grootte als die van C. lutea van de wilgen. Kop licht-
geel met groenachtige monddeelen en bruine onderlip.
Oogen klein, zwart, met zeer kleine glanzig zwarte krin-
getjes er om heen. Het lijf geelachtig groen, geel aan de
zijden en op de beide laatste segmenten ; een smalle blaauwe
ruggestreep, niet aan den kop beginnend en slechts door-
loopend tot den elfden ring. De zijden van het lijf en de
laatste ringen sterk bezet met witte doorntjes. Luchtgaten
ovaal, blinkend zwart; spuitgaatjes daarboven paars. Alle
pooten geelgroen; klaauwtjes bruin.
Deze larve is bij mij niet tot verandering gekomen. Tot
welke soort kan zij behoord hebben? De beschrijving komt
zeer goed met onze Sylvarum overeen, behalve de woorden:
luchtgaten ovaal. Ook is de opgave dat zij gevonden werd
in eene laan van uitsluitend ijpen en beuken niet geschikt
om ons te wijzen op eene soort, die uitsluitend berken-
bladeren tot voedsel gebruikt.
Verklaring van Plaat 3.
Fig. 1. en 2. Groenachtige larven.
» 3. Een ring uit het midden van het lichaam, vergroot.
» 4. Een luchtgat, sterker vergroot.
9. Eene geelachtige larve.
6. Het cocon.
» 7. Een zwart mannetje.
8. Een geelbont wijfje.
9. Een roodbont mannetje.
» 10. Een zijner voelsprieten, vergroot.
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 39
PHYLLOTOMA TENELLA Zapp.
(nieuw voor de Fauna.)
Vergelijk: ZADDACH, Beschreib. neuer oder wenig bekann-
ter Blattwespen (1859), p. 28. PI. fig. 17.
Phyllotoma aeneo-nigra, flavomaculata, abdominis lateribus
albomaculatis, pedibus albis, basi nigris. Long 4 ad 5 mm.
De goedheid van den heer P. Cameron Jr. te Glasgow
stelt mij in staat de levensbeschrijving dezer soort mede
te deelen; voor zijne welwillendheid zi) hem hierbij mijn
bijzondere dank gebragt. Zijn Ed. zond mij eerst de vol-
komen insecten en later eene menigte bladeren met larven
en eene pop. Dat de onderhavige soort inlandsch is, werd
vooreerst bewezen doordien de heer Snellen de larve
hier te lande in berkenbladeren waarnam en ten andere
door eene vondst van den heer C. Ritsema, die het vol-
komen insect in de maand Mei aan het Ginneken op een
berkenboompje zag zitten en het exemplaar, dat een wijfje
was, ving.
De bovengemelde Schotsche entomoloog verstrekte mij de
volgende mededeelingen omtrent het leven van dit insect.
Het ei wordt altijd gelegd op de spits of den rand van
een berkenblad, nimmer in het midden, en in den regel
wordt slechts een ei op een blad gelegd, nu en dan even-
wel ook wel twee, ja zelfs zeer zelden drie. Uit het ei
gekomen begint de larve in het blad eene breede mijn te
graven en de opperhuid neemt daarboven dadelijk eene
zwarte of donkerbruine kleur aan. De plek tusschen de
bladhuidjes wordt regelmatig verbreed, zoodat, wanneer
de larve hare volkomen grootte heeft bereikt, ongeveer drie
vierde deel van de geheele opperhuid losgemaakt is. Het
40) DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
diertje draagt daarbij groote zorg zijne woning altijd zuiver
te houden, opent daarvoor het blad aan den rand en werpt
door die opening de drekstoffen naar buiten. Het ligt in
de mijn op den rug, eet alzoo en rust na het eten ter
plaatse waar het op ’t laatst de huidjes heeft losgemaakt.
Volwassen geworden, spint de larve een dun, bruin,
cirkelvormig, half doorschijnend cocon tusschen de losge-
maakte huidjes, welk cocon zoo ruim is dat de larve zich
daarbinnen zeer gemakkelijk naar alle rigtingen kan be-
wegen.
Er zijn twee generatien in het jaar, de eerste gedurende
de maanden Junij, Julij en Augustus, de tweede gedurende
het laatst van Augustus, September en de rest van het
jaar tot in het volgende voorjaar, wanneer de larve eerst
tot pop verandert. De voorjaarspop ligt dan nog twee of drie
weken in het cocon, eer de wesp er uit te voorschijn komt.
Het larfje is jong zijnde (Augustus) vuil bruinachtig geel
met eene breede groene langsstreep op den rug na het
vierde segment. Zijn kop is alsdan aan de zijden bruin, in
het midden geel, met uitstekende bruine kaken. Op het
midden van het eerste ligchaamssegment ziet men twee
bruine driehoekjes en op elk der twee volgenden twee fijne
grijze dwarsstreepjes. Op de zijden puilen de ringen in
het midden vrij sterk uit (zie fig. 2).
De volwassen larve is hoog of licht geel (de individuen
verschillen in kleur); steeds zijn de drie voorste ringen,
die het borststuk uitmaken, veel breeder dan de overigen.
Cameron schrijft mij dat dit nog sterker het geval is bij
de jongere voorwerpen; dan dit is in strijd met mijne
waarneming, die echter slechts op een jeugdig voorwerp
betrekking heeft. Bij de lichter gekleurde larven ziet men
nog de sporen van een groen doorschemerend ruggevat. Ik
vermoed dan ook dat de hooggeel gekleurden nog iets
ouder zijn dan de bleekeren. De kop is aan de naden met
bruin afgezet; ook zijn de kaken en voelers meest licht-
bruin (vergelijk fig. 3 en 4). De voorpooten zijn stomp
thu
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 4A
kegelvormige uitwassen en bestaan uit twee leedjes, waar-
van het laatste zeer klein en tepelvormig is, zonder eenige
aanduiding van klaauwtje (fig. 5); de middenpooten zijn
dikke en zeer stompe uitwasjes (fig. 6), terwijl het laatste
paar pooten tot een ovaal en stomp wratjes is vergroeid,
dat aan de onderzijde twee langwerpige bruine vlekjes
draagt (fig. 7). Het getal der middenpooten heb ik niet
kunnen tellen.
In het cocon ligt de larve, eer zij tot pop verandert,
gekromd gelijk de larven der snuittorren en heeft dan de
gedaante van fig. 8, haar kop vertoont zich dan als fig. 9.
Ik geloof dat het niet onbelangrijk is hier aan te merken
dat fig. 8 en 9 in het laatst van Maart geteekend zijn en
fig. 4 in het najaar. Dit kan misschien eenige verklaring
geven van het verschil in kleur. Op welken tijd van het
jaar fig.3 geteekend is, weet ik mij niet meer te herinne-
ren, doch ik meen in September.
Het popje (fig.10) vertoont zeer duidelijk de verschillende
ligchaamsdeelen en neemt langzamerhand de kleur aan van
het volkomen insect.
Dit is bij fig. 41 voorgesteld, naar een vrouwelijk voor-
werp. Het diertje is klein en naar gelang vrij breed; de
kop is bijzonder breed en door een mager halsje aan den
prothorax bevestigd; de oogen puilen sterk uit. De alge-
meene kleur van het ligchaam is een ietwat metaalachtig
zwart. Aan den kop zijn twee breede streepen langs den
binnenrand der oogen , een hoefijzervormige vlek tusschen
de sprieten, de elypeus, de bovenlip, de bovenkaken, de
wangen en de palpen wit of geelachtig wit. De sprieten,
die tien leedjes tellen (zie fig. 12) zijn bruin en loopen
naar de spits ietwat verdikkend toe; de twee basaalleedjes
zijn zwart met witte zoomen. Aan den thorax is de ach-
terrand van den prothorax met de vleugelschubjes geelwit,
de ruggekorreltjes grauwbruin. De rugopening tusschen
het eerste en tweede segment van het achterlijf is vrij
groot en in de omgeslagen zijrand heeft iedere ring tegen
42 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
den zoom aan een blaauwachtig wit ovaal vlekje (zie fig. 13).
De scheeden van de lichtbruine legboor zijn blinkend zwart
en aan de spits met roodbruine omgebogen haren versierd
(zie fig. 14). De pooten zijn wit met een bruin tintje; de
basis der heupen en een groot deel der dijen zijn blinkend
zwart, ook ziet men een fijn zwart streepje aan de bin-
nenzijde der scheenen ; het laatste lid der tarsen is bruin.
De vleugels zijn aan de basis geelachtig en aan de spits
ongekleurd, terwijl van het zwarte stigma uit een gebogen
bruine band over de vleugels loopt. De voorrand tot aan
het stigma is geel; de voornaamste aderen zijn zwart, de
dwarsaderen en enkele langsaderen melkwit (verg. fig. 15).
Bi) ons te lande schijnt deze soort zeldzaam, in som-
mige streken van Schotland daarentegen moet zij vrij ge-
meen zijn; ook komt zij in Noord-Duitschland voor, onder
anderen te Insterburg en Koningsbergen. De man dezer
soort is nog niet ontdekt.
Verklaring van Plaat 4.
Fig. 1. Een verdord berkenblad, door de larve
aan de spits uitgegeten en met een cocon.
» 2. Eene jonge larve.
» 3 en 4. Volwassen larven.
» 5. Een voorpoot.
» 6. Een middenpoot.
» 7. De beide achterpooten.
» 8. De larve uit het cocon genomen.
» 9. De kop, in omtrek.
» 10. De pop.
» 11. De vrouwelijke wesp.
» 12. Een harer sprieten.
» 13. Haar achterlijf.
» 14. De legboor met de scheenen, van boven.
» 15. Een voorvleugel.
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 43
TENTIREDO-COLON Kr.
N°.206 van de Nieuwe naamlijst.
Vergelijk voor de imago:
F. Krug, Die Blattwespen nach u. s. w. in «Der Ge-
sellsch. Naturforsch. Freunde zu Berlin Magazin ,
Se Vahrets. 182, n 121:
Harrıc, Blatt- und Holzwespen , p. 312, n°. 56.
en voor de larve:
KALTENBACH, Die Pflanzenfeinde aus d. Kl. d. Ins.
paolo a:
Tenthredo nigra, ore maculaque duplici ad basin corarum
posticarum albis, abdomine praeter basin et pedum maxima
parte rufis, alarum squamis ochraceis, stigmate fusco, an-
tennis albo annulatis.
Op den 16* September 1872 viel mij in mijn’ tuin te
Leiden bij schemeravond op eene Fuchia-plant eene rups
in het oog, die mij geheel onbekend was. Bij het gering
getal insecten op ingevoerde, half genaturaliseerde planten
aan te treffen, was mij deze vondst bijzonder aangenaam ;
bij nader onderzoek echter bleek de gewaande rups eene
bladwesp-larve te wezen, 't geen volstrekt geene reden was
om eenigzins minder tevreden te zijn met de vondst. Den
volgenden morgen verschillende Fuchsia-planten naziende,
kon ik geene andere larve van dezelfde soort ontdekken,
maar op den avond van dien dag vond ik bij dalende
schemering er nog eene; waaruit mij bleek dat zij even
als meer bladwesplarven en sommige Noctua-soorten zich
over dag schuilhouden en misschien zelfs wel onder de
44 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
oppervlakte van den aardbodem verbergen, om eerst tegen
het invallen van den avond weder te voorschijn te komen.
De door mij gevondene larve (fig. 1) scheen nog niet
volwassen; zij had een’ glanzigen, oranjekleurigen kop, in
den vorm van eene Leidsche kaas, uiterst fijn behaard.
Aan wederzijde zag men daarop een donker zwart cirkel-
rond vlekje, in welks midden een oog stond, en achter
op den schedel — in den nek, zou men geneigd zijn te
zeggen — een klein zwart driehoekje. Van dit driehoekje
gingen op het eerste segment twee eenigzins gekromde
zwarte lijntjes uit, doorloopende tot achter een bijna rond
zwart vlekje aan wederzijde. De bovenzijde van het lig-
chaam tot op den voorlaatsten ring scheen paars gekleurd
en de onderzijde vaal geel; in werkelijkheid echter was de
kleur voor beide zijden dezelfde, doch de bovenzijde was
bedekt met eene paarsachtig bruine teekening van kromme
lijnen, die haren oorsprong namen uit twee fijne lijntjes,
welke naast elkander in de lengte over den rug liepen. De
gedaante dier kromme lijntjes is gemakkelijker te teekenen,
dan te beschrijven, zie fig. 2. Overigens waren die ringen
in vele plooijen verdeeld (verg. fig. 3), waarvan de meesten
met rijen witte stekeltjes bezet waren. In het lichte ge-
deelte der huid in de zijden stonden scheve donkere dwars-
streepjes boven alle pooten, behalve die van het voorste
paar. De larve had zes hoornachtige voorpootjes, zeven paar
vleezige pooten onder het midden van het lijf en twee naschui-
vers. De beide laatste segmenten waren zonder teekening.
Kenige dagen daarna vond ik eene mijner larven des
morgens omtrent 9 uur bezig met vervellen; zij deed dit
op eene zonderlinge wijs, die ik echter nog eenmaal bij
bladwesp-larven heb waargenomen; zij zat namelijk dwars
om een’ stengel, zich toen vasthoudende met 4 of 6 mid-
denpooten. Later zag ik dat de uitgetrokken huid op die
wijze om den stengel vastgehecht bleef. Het vervelde dier
was glanzig groenachtig geel, geler dan de vorige huid,
met slechts flaauwe sporen van de teekening.
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 45
Een paar dagen later had de larve de gedaante van
fig. 4 (vergelijk ook fig. 5). Zij was toen 23 millimeter
lang; de teekening was dezelfde gebleven als bij de voor-
gaande huid, behalve dat op den voorlaatsten ring een
driepuntig vlekje stond, ’t geen misschien niets anders was
dan het door de huid heen schijnen der stoffen in het
darmkanaal, welke uitgeworpen zouden worden. De grond-
kleur was echter lichter.
Iet duurde nu niet lang of de larve vervelde voor de
laatste maal, veranderende toen geheel van kleur en teeke-
ning; ook scheen zij kleiner geworden. De kleur was een
sterker bruingeel (verg. fig. 6 en 7); de kop vertoonde op
den schedel in plaats van het vroegere driehoekje nu twee
fijne zwarte evenwijdige streepjes; de teekeningen op den
rug waren duidelijk bruin, scherper afgezet en minder ge-
kruld dan vroeger; zij liepen ook verder door en op den
laatsten ring stond nu een zwart streepje (Zie fig. 7).
De larven, want ook de andere had spoedig dezelfde
huidverwisseling ondergaan, aten nu niet meer en kropen
in den grond of beter gezegd in de aarde, die ik in haar
suikerglas had gedaan, en vervaardigden zich daar dub-
bele spinseltjes, waarvan er een afgebeeld is bij Fig. 8. Uit
die spinseltjes is echter nimmer iets te voorschijn gekomen
en de moeite van het opkweeken was dus te vergeefs.
In de volgende maand September, en wel op den 21° dier
maand in 1873 trof ik eene vrij aanzienlijke menigte dier
larven aan in het Haagsche bosch op Circaea lutetiana, het
zoogenaamde heksenkruid, eene plant die aldaar zeer ge-
meen is. Ik zag geen verschil tusschen deze en die van de
Fuchsia; ik kweekte er nu een vrij groot aantal van op,
doch tot mijne verbazing in het volgende voorjaar met het-
zelfde slechte gevolg. Geen enkele wesp kwam te voorschijn.
Ondertusschen had ik uit het boven aangehaalde werk
van Kaltenbach, zoo rijk aan merkwaardige mededeelingen,
geleerd dat mijne larven de tweede toestand waren van
Tenthredo Golon, Klug; ik nam dus voor in de maanden
46 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
Mei en Junij zooveel doenlijk in het bosch op de planten
van Circaea lutetiana na te zien of ik deze bladwesp daarop
ook kon ontdekken. Het duurde echter wel tot den 24” July
toen, terwijl ik het bijna begon op te geven, ik op een’
zonnigen dag tegen een uur des namiddags een paar wes-
pen zag vliegen over het heksenkruid, die mij toeschenen
elkander na te jagen; ik ving ze en herkende T. Colon.
Dien dag zag ik er nog eenigen, doch kon er geen meer
bemagtigen. Den volgenden dag, waarop de zon slechts
nu en dan scheen, zag ik in die tusschenpozen verschei-
dene, die kennelijk de praeliminairen maakten van Amor’s
spel en met elkander stoeiden.
Ik ving nu eenige paren en vond, te huis gekomen dat
zij allen tot dezelfde soort behoorden. Den daarop volgen-
den dag echter, een regendag, trof ik er geene meer aan
en (terwijl het weder niet spoedig zich weder tot droogte
zette) sedert heb ik er in het geheel geene meer gezien.
In vergelijking tot het aantal larven, die in het najaar
in het Bosch aan te treffen waren, was het getal bladwes-
pen die er rondvlogen , voorzeker gering; natuurlijk is deze
min gunstige verhouding vooreerst toe te schrijven aan de
sewone oorzaken die bij iedere diersoort het tot volwas-
senheid geraken van alle individuen tegenwerken, maar
ten anderen ook aan de langdurige koude in het voorjaar
van 1874, waardoor zoo vele insecten zijn te gronde ge-
gaan. De vraag is nu of ik geregtigd ben mijne gevangene
wespen als soort te voegen bij de larven, door mij waar-
senomen? Voorzeker is dergelijke handeling zeer dikwijls
gewaagd en niet altijd te verdedigen; maar wanneer men
bedenkt dat het heksenkruid eene plant is, alleen op spe-
ciale plaatsen voorkomende en dat er zeer weinig insec-
tensoorten zijn, die er zich mede voeden, dat daaronder
slechts eene enkele bladwesplarve bekend is en wel onze
Colon en dat overigens mijne dieren volkomen overeenstem-
men met de beschrijving bij Kaltenbach, die in het op-
kweeken een gelukkig resultaat heeft gehad, dan zal mijns
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 47
inziens iedereen toestemmen dat ik gerechtigd ben tot het
aannemen der soorts-indentiteit tusschen mijne larven en
de door mij gevangen wespen.
Van de pop weet ik, gelijk dit uit het bovenstaande
volgt, niets te zeggen; in ’t algemeen echter zijn de pop-
pen der bladwespen volstrekt niet merkwaardig en zoo
kan ik mij dit zeer wel getroosten.
De mannelijke wesp (zie fig. 9 en 10) is 11 mm. lang
en heeft eene vlugt van 21 mm. Het lichaam is eylindrisch
en bijna gelijkmatig van dezelfde breedte, behalve aan de
schouders, die iets breeder zijn en aan den kop. Deze is
voornamelijk zoo breed door de uitpuilende oogen, tus-
schen welke het voorhoofd vrij diep is ingedeukt; de ach-
terrand van het hoofd is hoekig afgesneden en schijnt zelfs
een smal zoompje te hebben.
De kop is geheel zwart, behalve de clypeus en mond-
deelen. De clypeus is zeer diep, rond ingesneden, de bo-
venlip is cirkelvormig, ver uitstekend; de bovenkaken gaan
aan de tip eerst in het bruin, dan in het zwart over; het
3° en 5° leedje der onderkaakspalpen en het laatste der
lippalpen hebben zwarte spitsen. De zwarte bijoogjes zijn
klein en staan eenigzins op eene verhevenheid. Ook de
basis der sprieten steekt uit de holte van het aangezigt
uit. Van de 9 leedjes der zwarte sprieten steekt het 2°
scheef in het eerste en zijn de 3 voorlaatsten wit, het 6°
met zwarte basis.
Het borststuk is door bestippeling dof, van kleur zwart,
zeer fijn donzig grijs behaard, alleen de vleugelschubjes
zijn lichtbruin en de ruggekorreltjes wit. Tusschen de
basis der midden- en achterheupen staat aan wederzijde
eene ronde glanzig witte vlek.
Het achterlijf is zeer glanzig en van boven eenigzins
afgeplat, zelfs aan het eind in het midden ingedeukt.
Het eerste segment is zwart en heeft op het midden van
den rug eene langsspleet en in de beide zijden eene afge-
rond driehoekige witte, met witte haren bekleede vlek;
48 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
de tweede ring is zwart, de derde is bruingeel met zwarte
basis; de naad tusschen dezen en den vierden is zwart,
de overigen zijn bruingeel, langzamerhand overgaande tot
roodbruin; de buikzijde is lichter en zelfs geel op den
Deerns:
De vleugels zijn eenigzins bruin getint, iriserend, smal
naar mate van de lengte; hun randader is roodgeel, de
aderen om de lancetvormige cel en de dwarsader daarin
zijn geel; alle overige aderen zijn zwart. Ook het stigma
is zwart, ’t geen een voornaam punt van verschil uitmaakt
met Tenthredo livida L., bij welke soort het stigma licht-
bruin of geel is.
De 4 voorste pooten zijn lang en slank, de beide achter-
sten iets dikker. De voorpooten zijn geel of geelachtig wit,
met eene zwarte streep op de achterzijde van heupen,
apophysen en dijen; de middenpooten iets rooder van tint,
op dezelfde wijze met zwart gestreept. De heupen der ach-
pooten zijn zwart met wit gevlekt, desgelijks ook de apo-
physen; de dijen zijn bruinrood met eene breede langstreep
aan de binnenzijde, de scheenen rood met zwarte tip-
pen en lange roode stekels aan het eind. Van de tarsen
is het eerste lid zwart met de uiterste basis rood, de 3
volgenden zwart; het laatste roodbruin. Er is echter wel
verschil in de kleur der tarsen bij individuen.
Vergelijk voor deze beschrijving de figuren 9 en 40.
Het wijfje dat slechts weinig grooter is dan het mannetje,
verschilt daarvan voornamelijk in de volgende punten:
het achterlijf is iets breeder en de dijen zijn iets dikker.
Aan het eerstgenoemde zijn de vier eerste ringen zwart
met de gewone witte vlekken iets grooter, 5, 6 en 7 bruin-
rood, 8 en 9 kastanjebruin of zwart. De scheeden der zaag
zijn zwart.
De heupen der pooten zijn geheel zwart, doch de apo-
physen hebben witte randjes en soms eene witte vlek aan
de onderzijde. De zwarte streep over de achterdijen loopt
naar de knie toe veel breeder uit en omvat daar bijna de
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 49
geheele dij. De achtertarsen schijnen mij toe smaller te
zijn.
Volgens de nieuwe naamlijst van Hymenopteren zou
deze soort vrij gemeen zijn in Nederland, ten minste op
verschillende plaatsen gevangen; ik durf echter niet bewe-
ren dat deze opgaven volkomen juist zijn, want ik zie
daaronder vérmeld drie ex. met half wit vleugelstigma,
welke dus kennelijk net tot deze soort behooren, maar
waarschijnlijk tot 7. lwida. Het onderscheid tusschen de
beide zeer na verwante soorten is mij niet altijd even dui-
delijk geweest.
In Duitschland komt 7. Colon voor, volgens Klug, Hartig,
Kaltenbach en Kirchner; in Zweden is zij zeldzaam vol-
gens Thomson; of zij in Engeland voorkomt, bleef mij
onbekend, maar in Schotland schijnt zij te ontbreken. Van
haar al of niet voorkomen in de overige landen van Europa
kan ik geene opgaven aantreffen.
Verklaring van Plaat 5.
Halfwassen larve.
es
De teekening op haren rug, vergroot.
» 3. Haar kop en eerste ringen op zijde, ver-
groot.
4. Volwassen rups.
» 5. Haar kop en voorlijf, vergroot.
Ad
er,
a
De kop en eerste ring van een voor de
laatste maal verveld individu, vergroot.
» 7. De laatste ringen van hetzelfde voorwerp,
vergroot.
Dud. (et cocon:
» 9. De mannelijke wesp, vergroot.
» 10. Zijn achterlijf op zijde, vergroot.
» 11. Het achterlijf van het wijfje, vergroot.
50 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
SYSTEMATISCHE. LUST
der in dit Tijdschrift beschreven Gedaantewisselingen
van Bladwespen.
Cimbex connata Schr. — Deel 7. Bladz. 59—69. PI. A en 2.
» femorata L. — 2° serie, Deel 5. Bladz. 64-69.
Plaga:
» Sylvarum F. — Deel 18. Bladz. 33-38. PI. 3.
» axillaris Panz. — Deel 5. Bladz. 49—54., PI. 1.
» Betuleti Kl. — Deel 2. Bladz. 63 vlgs. Pl. 3.
» Lucorum L. — 2° serie, Deel 3. Bladz. 197 vlgg.
PI. 8 en 2° serie, Deel 5. Bladz. 70. PI. 4.
» lateralis Leach. — Deel 6. Bladz. 65—71. PI. 4.
» Amerinae. — Deel 3. Bladz. 104-108. PI. 8.
Abia aenea Kl. — Deel 1. Bladz. 144 vigg. Pl. 5.
Hylotoma Rosae F. — Deel 4. Bladz. 70—78. Pl. 2.
Lophyrus Pini L. — Deel 1. Bladz. 180 vigg. PI. 11 en
var. 2° serie, Deel 5. Bladz. 74. PI. 4.
» similis Hart. — Deel 2. Bladz. 134 vlgg. Pl. 8.
» rufus Kl. — Deel 4. Bladz. 65—69. PI. 1.
» virens Kl. — 2° serie, Deel 8. Bladz. 1—5. PI. 1.
Cladius difformis Panz. — 2° serie, Deel 3. Bladz. 202—205.
Pleo:
» uncinatus KI. (rufipes Lepel.). — Deel 4. Bladz.
84—87, Pl. 4.
» albipes KI. — Deel 6. Bladz. 72—75. Pl. 5.
» viminalis Fall. — Deel 1. Bladz. 176 vlgg. PI. 10.
Nematus septentrionalis L. — Deel 2. Bladz. 74—78. PI. 5.
en 2° serie, Deel 5. Bladz. 75.
» varus Villar. — Deel 6. Bladz. 76—80. PI. 6.
» latipes Villar. — 2° serie, Deel2. Bladz. 174-177.
PI. 8.
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 51
Nematus coeruleocarpus Hart. — Deel 4. Bladz. 148 vige.
»
PEG:
Salicis L. — Deel 5. Bladz. 60—64. PI. 3.
ventricosus Kl. — Deel 2. Bladz. 69—73. Pl. 4.
en 2° serie, Deel 5. Bladz. 72. Pl. 4.
consobrinus Voll. — 9° serie, Deel 6. Bladz. 237
vigg. Pl. 10.
Wttewaalli Voll. — Deel 5. Bladz. 65 vlgg. PI. 4,
boven.
trimaculatus Voll. — Deel 5. Bladz. 69—71. Pl. 4,
beneden.
aurantiacus Kl. — Deel 6. Bladz. 184—187. PI. 12.
Betulae Hart. — Deel 7. Bladz. 70—74. Pl. 3.
betularius Hart. — 2° serie, Deel 2. Blz.165—167.
Bly 6,
hortensis Kl. — Deel 1. Bladz. 151 vlgg. PI. 7.
Aquilegiae Voll. — 2° serie, Deel 4. Bladz.202 —
205: Ply.9:
Vallator Voll. — Deel 1. Bladz. 191 vigg. PI. 42.
pallicercus Hart. — Deel 6. Bladz. 179—183, PI. 11.
appendiculatus Hart. — 2° serie, Deel 5. BI. 55—
98. Pl 1. boven.
Solea Voll. — 2° serie, Deel 5. Bladz. 59 en 60.
Pl. 1, beneden.
abbreviatus Hart. — 2° serie, Deel 3. Bladz. 206
vlgg. PI. 10.
virescens Hart. — 2° serie, Deel 2. Bladz. 168 vlgg.
PIT.
viminalis L. — Deel 2. Bladz. 147 vlgg. PI. 10.
lugdunensis Voll. — 2° serie, Deel 6. Bladz. 243
vigg. Pl. 41.
Dineura Alni L.. — Deel 8. Bladz. 84—88. Pl. 5.
»
rufa Panz. — Deel 8. Bladz. 89—93. PI. 6.
Emphytus cinctus L. — Deel 8. Bladz. 73—77. PI. 3.
»
»
tibialis Panz. — Deel 2. Bladz. 143—146. Pl. 9.
serotinus KI, — 2° serie, Deel 5. Bladz. 61—63. PI. 2.
52 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
Phyllotoma melanopyga Kl. — 2° serie, Deel 1. Bladz. 196—
201. PI";
» tenella Zadd. — Deel 18. Bladz. 39—42. PI. 4.
Selandria pusilla Kl. — Deel 4. Bladz. 79—83. Pl. 3.
» annulipes KI. — 2° serie, Deel. 2. Bladz. 178—
182. Pl,
» cereipes Voll. — 2° serie, Deel. 8 Bladz. 13-15.
PISS:
» melanocephala F. — Deel 8. Blz. 79—83. PI. 4.
» ovata L. — Deel 6. Bladz. 81—86. PI. 7.
Phymatocera aterrima Kl. — Deel 5. Bladz. 55—59. PI. 2.
Athalia Spinarum F. — Deel 3. Bladz. 109 vlgg. PI. 9.
Allantus Scrophulariae L. — Deel 3. Bladz. 99—103. PI. 7.
» tricinctus F. — Deel 1. Bladz. 171-476. PI. 9.
Macrophya albicincta Schr. — 2° serie, Deel 1. Bladz. 189—
1952 BEST:
Tenthredo Colon Kl. — Deel 18. bladz. 43—49. Pl. 5.
Lyda clypeata Kl. — 2*serie, Deel 8. Bladz.6—12. Pl. 2 en 3.
SYNOPS tS DES CREOPHILUS
PAR
M. ALBERT FAUVEL,
Membre correspondant,
Plusieurs fois déjà, en traitant des Staphylinides de ma
Faune gallo-rhenane, Jai insisté sur l'importance de l’étude
des exotiques, pour apprécier la valeur de beaucoup de
nos espèces d'Europe, surtout de celles dont la variabilité
est la plus grande et qu'à cause de cela les naturalistes
ont appelées protéiques ou darwiniennes. Il n’est que trop
connu que ces formes sont l’objet de discussions conti-
nuelles et donnent matière, dans les travaux descriptifs,
a une foule d'espèces nominales. Ces divisions antinatu-
relles tiennent justement à ce que chaque fabricateur de
sous-espèces ne s'occupe que des insectes de son pays ou
d’une trop faible étendue de territoire.
L'occasion qui m'a été fournie de révoir pour ma Faune
le sous-genre Greophilus de Mannerheim, m'a permis de
constater une fois de plus la valeur de ces observations.
On sait (et Jen ai donné des exemples dans l’Introduction
de la dite Faune, au chapitre de l’Espèce et de ses variations)
que les formes darwiniennes s’observent dans les grands
genres sans exception et rarement dans les petits, d'où il
suit que nos catalogues d'espèces devraient renfermer , dans
chaque genre nombreux, comme les Carabus et Homalota ,
des sous-espèces ou variétés décrites en proportion à peu
54 SYNOPSIS DES CREOPHILUS.
près égale. Il n’en est rien cependant, et dans les deux
groupes choisis pour exemple, les Carabus seuls comptent
une suite nombreuse de formes infraspécifiques. La raison
en est simple: c'est que les auteurs ont affaire dans les
Carabes à de gros insectes dont ils se plaisent à chercher
et énumérer les variations les plus légères, tandis que dans
les Homalotes ils s'adressent à de microscopiques bestioles
dont ils n’apercoivent pas ces minuties de variation ou
plutôt s’ils les voient, dont ils dédaignent à juste titre de
tenir compte: de minimis non curat praetor.
Eh bien! je crois que l’axiome a raison et que l'avenir
de la science appartient à ceux qui recherchent minutieuse-
ment, à travers tout le globe les points de contact de nos
espèces actuelles, spécialement des formes darwiniennes.
Pour en revenir aux Creophilus, le Catalogue Harold el
Gemminger en distinguait 15 espèces ou races en 1868 (1)
et, sauf M. Sharp, qui a signalé récemment trois variétés
nouvelles du Cr. maxillosus, personne n’en a décrit d’autres;
en réalité, il n’y en a que 7 valables (Cr. variegatus, villi
pennis, maxillosus, incanus, oculatus, lanio et erythrocephalus.)
Voici le synopsis de leurs principaux caractères:
A. Angles postérieurs du corselet redressés, très marqués ;
celui-ci trapezoidal; repli latéral des élytres ferrugineux.
1. Variegatus* Mann. Brach. 20. — Erichs. Gen.
dol. — Harold, Cat. Col. 575 et syn. — Brésil,
Uruguay.
B. Angles postérieurs du corselet effacés, plus ou moins
obtus; repli latéral des élytres concolore.
a. Elytres ferrugineuses, plus foncées vers la base, à
pubescence unicolore, fauve, et à ponctuation assez
1Orve, sertee, „egale:
2. Villipennis* Kraatz, Wiegm. Arch. 1859 I. 67.
— Inde, Moradabad, Deccan, Tenasserim ; Bor-
neo, Sarawak.
(*) Cr. variegatus, villipennis, mazwillosus, arcticus, bicinctus, orientalis , villosus,
emeranus, ciliaris, fulvago, incanus, Coquereli, oculatus, lanio, erythrocephalus,
SYNOPSIS DES CREOPHILUS. 55
b. Elytres noires, fasciées ou non fasciées.
+ Tête unicolore, noire.
x Corselet à angles postérieurs subobtus, éparse-
ment ponetué au sommet vers les angles antérieurs ;
élytres à ponctuation assez fine, écartée; dessous
des segments 3 à 5 de l’abdomen à fascie d’un
cendré verdätre.
9
3. Incanus* Klug, Ins. Madag. 137. — Erichs. Gen.
300. — Coquereli* Fauv. Ann. Soc. Ent. Fr.
1866 317279 Bull) Soc Emo Norm. 1867. E
71. — Madagascar, Bourbon.
x x Corselet à angles postérieurs obtus, densément
ponctué vers les angles antérieurs; élytres à
ponctuation fine, très serrée surtout du milieu au
9
sommet vers les côtés; dessous des segments 3
à 5 de Pabdomen à fascie cendrée.
4. Maxillosus Linn. Fn. Suec. 230. — Erichs. Gen.
348 et syn. — Harold, Cat. Col. 575 et syn. —
Arcticus* Erichs. |. c. — Bicinctus * Mann. Bull.
Mosc. 1843. IT. 229. Solsky, Bull. Mosc. 1868,
IV. — Orientalis* Mots. Etud. Ent. 1857, 67;
Schrenck, Reis. 1860. 120. pl. 8, fig. 13. — Vil-
losus Grav. Mier. 160. — Harold. L c. 575 et syn.
— Cinerarius* Er. 1. c. 350. — Ciliaris * Steph.
Il. Brit. Ent. V. 202. — Er. Germ. Zeitschr.
III. 408. — Fulvago* Mots. Schrenck, Reis.
1860. 120. — Solsky, Hor. Soc. Ent. Ross.
4871. VIL 346; 1871. VIII. 158. — Var.
Subfasciatus, Medialis et Imbecillus Sharp, Trans.
Ent. Soc. Lond. 1874. I. 28. — Toute l'Europe,
Madère, la Barbarie, l'Egypte, l’Abyssinie
(Bogos), la Syrie, l’Asie mineure, le Caucase,
la Perse, la Boukharie, [Inde et la Chine
boréales, la Mongolie, le Japon, toute la Si-
56 SYNOPSIS DES CREOPHILUS.
bérie, les Iles Kourilles, Je Kamschatka, toute
l'Amérique du Nord et le Mexique.
++ Téte noire avec les côtés en arrière des yeux
et le dessous, sauf la bouche, d’un roux vif.
5. Oculatus Fabr. Syst. Ent. 265. — Er. Gen. 352
et syn. — Blanch. Voy. Astrolabe, Zool. pl. 9.
fig. 1. — Nouvelle Zélande; Australie (côte
orientale).
+++ Tête dun roux vif avec un gros point noir
discoidal.
6. Lanio* Erichs. Gen. 352 et syn. — Tasmanie,
Australie.
c. Elytres bleuätres; tête d’un roux vif avec un gros
point noir discoidal.
7. Erythrocephalus Fabr. Syst. Ent. 265. — Er. Gen.
351 et syn. — Australie, Nouvelle Calédonie,
Taiti.
Les synonymes nouvelles établies ci-dessus ne portent
que sur deux espèces, V/ncanus et le Maxillosus. Au premier
je réunis le Coquereli de Bourbon qui, comme je m'en suis
assuré sur de récents exemplaires, offre des passages avec
le type de Madagascar. Le Maxillosus renferme toutes les
formes qu’on en a séparées Jusqu'ici (Arclicus, Cinerarius,
Villosus, Ciliaris), parce qu'aucune de ces formes n'a la
stabilité même dune race caractérisée et qu entre
toutes, jai trouvé des exemplaires de transition.
Et d’abord, des divers caractères invoques par les auteurs
pour séparer les quatre types que je viens d'indiquer, il
faut écarter les prétendues différences tirées de la ponctua-
tion plus ou moins fine de la tête, et des angles posté-
rieurs du corselet plus ou moins obtus; ces différences
sont illusoires et existent d’un exemplaire à un autre
chez les Maxillosus les plus purs de nos pays. Restent le
développement plus ou moins grand de la pubescence et
SYNOPSIS DES CREOPHILUS. SI
sa Coloration sur le corselet, les élytres et abdomen; il
n'y a pas d'autre: caractère distinctif. Encore
est-il stable? Nullement. On a dit: Cette pubescence est
noire à la poitrine et aux angles antérieurs du corselet chez le
Maxillosus, noire à la poitrine et grise aux angles du corselet
chez l’Arcticus (Bicinctus et Orientalis), grise à la poitrine et
au corselet chez le Villosus et le Cinerarius, variée de gris et
de ferrugineux aux élytres et à l'abdomen chez le Ciiaris
(Fulvago et Imbecillus), enfin chez Cinerarius et Ciliaris
répandue sur presque tout, ou mieux sur tout l’abdomen.
Or, chez les exemplaires de Barbarie, de Syrie ou Perse,
par exemple, nous trouvons des types à abdomen tout gris
du Cinerarius chez lesquels la poitrine est noire et dont
les angles antérieurs du corselet sont pubescents moitié
de poils gris, moitié de poils noirs entremelés. D'autres
exemplaires du Caucase ont la poitrine grisätre et la fascie
abdominale réduite comme chez Maxillosus aux segments
3, 4 et 5. Les Arcticus de l'Amérique russe, du Kam-
schatka, de Californie et du Mexique varient pour les
dimensions de la fascie des élytres, et à côté d'individus
à angles du corselet pubescents de gris, on en trouve dont
les angles sont couverts de poils gris et noirs comme les
Cinerarius de Barbarie. Je le répète, en présence de séries
d'exemplaires de toutes provenances, il est impossible de
suivre la trace d'un seul caractère distinctif pour les
Maxillosus, Arcticus, Cinerarius et Villosus; cela se confond
et s’entreméle; le protéisme est évident ou il ne le sera
jamais. La dernière forme, nommée par Stephens Ciharis
(d’Ecosse) et par Motschulsky Fulvago (de l'Asie orientale)
parait plus distincte au premier abord chez certains exem-
plaires dont les élytres et Pabdomen, entierement envahis
par une pubescence grise variée de ferrugineux, prennent
un facies particulier. Mais ici encore cette intensité de la
pubescence et sa diversité de couleur varient à l’extréme et
nous aménent par gradations completes et successives au type
Maxillosus d'Europe. Jobserve toutes ces gradations chez
58 SYNOPSIS DES CREOPHILUS.
une longue série d’exemplaires trouvés par M. Maack dans
la Sibérie orientale, à Nikolayewsk et dans la vallée du
fleuve Amour, exemplaires que j'ai acquis avec les chasses
de ce voyageur et dont M. Solsky de St. Petersbourg
a vu un certain nombre, comme l'indique sa note précitée
(Hor. Soc. Ent. Ross. 1871. VII. 346). Ce naturaliste se
trompe seulement, quand il donne à entendre que les
Maxillosus provenant des mêmes contrées sont distincts du
Fulvago ; il n'aura pas observé les passages que j'ai sous
les yeux et qui présentent des exemplaires pris ensemble
a Nikolayewsk. On voit sur ces exemplaires le ferrugineux ,
aussi intense que sur les types d’Ecosse, s’effacer peu à
peu sur les élytres d’abord, puis à l'abdomen en dessus, puis
au dessous de celui-ci, où il disparait sur les deux derniers
segments, enfin aux pattes et à la poitrine. Il est même de
remarque que certains individus dont les élytres et l’abdo-
men représentent assez purement la forme Ciliaris, ont
perdu déjà la pubescence cendrée ferrugineuse de la poitrine
qui est devenu noiràtre; preuve nouvelle que dans cette
forme, comme dans les autres, la couleur de la pubescence
pectorale n’a pas d'importance spécifique.
Maintenant de ces différentes formes dispersées sur tout
l’ancien et le nouveau monde jusqu'a 18° et peut-être 15°
de latitude Nord, quelle est la plus répandue et vraiment
dominante, celle de qui les autres ont dû procéder”? Les
collections qui nous sont venues de [Asie orientale et de
l'Amérique indiquent que le Ciliaris représente le type
original et que les branches divergentes sont d'un côté
le Cinerarius, et de l’autre le Villosus, la forme la plus
aberrante étant représentée par nos vrais Mawillosus de
France et d'Europe. Cette opinion parait d'autant plus juste
que les individus largement pubescents de grisàtre ou de
ferrugineux (Ciliaris, Cinerarius, Villosus) occupent sur le
globe l'espace de beaucoup le plus considérable, qu'ils
paraissent relativement les plus abondants, et qu’enfin les
deux espèces les plus voisines du Maxillosus et formant
SYNOPSIS DES CREOPHILUS. 59
avec lui un groupe naturel (Variegatus et Villipennis) se
rapprochent surtout du Ciliaris par l'intensité et le ferrugi-
neux de leur pubescence. Cela est si vrai pour le Variegatus
qu’Erichson, en le décrivant dans son Genera (p. 351),
y rapporte en ces termes notre Ciliaris: » Insectum in Bra-
silia non infrequens pro Anglico descripsit Dom. Stephens nomine
Creophili ciliaris.” Bien que cette synonymie ait été rectifiée
depuis, le facies des deux insectes n’en est pas moins
assez voisin de premier abord pour expliquer la méprise
du naturaliste allemand.
De ces considérations il résulte maintenant que ceux qui
veulent désigner les variétés par des noms spéciaux, pré-
tention fausse, comme je crois lavoir démontré (Faune
gallo-rhénane, 1. 219
220), devront, au lieu de prendre pour
type le Maxillosus de Linné, dénoncer ainsi lespéce:
Ciliaris Steph. (Fulvago Mots. — Imbecillis Sharp).
v. Cinerarius Er.
v. Villosus Grav.
v. Mawillosus L. (Arcticus Er. — Bicinctus Mann. —
Orientalis Mots. — Medialis et Subfasciatus Sharp).
D'où cette conséquence encore, énoncée déjà dans ma
Faune (I. 214) que les naturalistes européens, par un pen-
chant à rapporter tout à eux-mêmes et à borner leurs vues
au petit cercle qui les entoure, prennent souvent à tort
pour types des espèces les formes qui vivent dans leurs
pays, lorsqu’en réalité l’étude des formes asiatiques ou
transatlantiques démontre que ces types se trouvent hors
d'Europe et que nous n’en avons chez nous que des races
ou des variétés.
Je borne ici ces remarques, souhaitant qu'elles seront
d'exemple pour des recherches analogues sur les espèces
darwiniennes qui restent à éclaircir (et il n'en est que
trop!), et surtout qu’elles inspirent à nos collègues cette
conviction que sans l'étude des exotiques, la recherche des
limites génériques et spécifiques de nos insectes européens
est incertaine et souvent impossible; le bel ouvrage de
60 SYNOPSIS EES CREOPHILUS.
M. Thomson sur les Coleopteres de la Scandinavie en est la
meilleure preuve: le talent d’un auteur quel qu'il soit ne
suffit pas pour triompher de l’obstacle que lui oppose le
manque d’objets de comparaison. |
VIER NIEUWE SOORTEN VAN HET
GENUS NOLA LEAcH
BESCHREVEN DOOR
PCT. SNELLEN.
(plaat 6, fig. 14.)
In de Verhandlungen der Zoologisch Botanischen Gesellschaft
zu Wien, Jaargang 1872, p. 454 enz. zijn door prof. P. C.
Zeller vier nieuwe soorten van dit genus uit Noord-Ame-
rika en Nieuw-Holland beschreven en afgebeeld, welke het
bewijs leveren dat de Nola’s uit andere werelddeelen dan
het onze niet in het oog loopend verschillen van die der
Europeesche fauna. Evenmin is dit het geval met eene der
beide reeds bekende soorten uit Noord-Amerika, die Zeller
tot Nola rekent (Triquetrana Fitch); de andere, Malana
Fitch (genus Brachytaenia Fitch) wijkt meer af door het
ontbreken van de schubbendotjes der voorvleugels, van
den schubbentand der sprietwortels en van de beharing
van den sprietschaft dan door het algemeen uiterlijk. Zij
moet welligt generiek van Nola worden gescheiden.
Vier andere nieuwe soorten uit Azie en Afrika die ik
voor mij heb, sluiten zich mede vrij goed bij hare ge-
slachtsgenooten aan, doch zijn van vrij kleine gestalte. De
generieke kenmerken bezitten zij allen volledig.
Herrich-Schäffer splitst dit genus in twee afdeelingen
naar mate van het al of niet aanwezig zijn van ader 4 der
achtervleugels. Dit kenmerk is zeer constant en zeker is
62 VIER NIEUWE SOORTEN VAN HET GENUS NOLA.
het dat verdeelingen, gegrond op verschillen in den bouw
der dieren in het algemeen ver te verkiezen zijn boven
die welke alleen op de teekening der vleugels gevestigd
zijn. Te ontkennen is het echter niet dat door de soorten
naar het genoemde kenteeken te verdeelen, men eene voor
het oog minder voldoende volgreeks verkrijgt, dan door
haar te rangschikken naar den vorm van de tweede dwars-
lijn der voorvleugels die bij de Europeanen drieérlei typen
vertoont. Tot de eerste behooren Togatulalis, Cucullatella ,
Strigula, Confusalis, Cicatricalis, Thymula en Squalida, tot
de tweede Ancipitalis, Chlamitulalis, Cristatula en Subchlamy-
. dula en tot de derde Albula, Impura en Centonalis.
Ten einde het herkennen mijner nieuwe soorten zoo ge-
makkelijk mogelijk te maken geef ik, behalve afbeeldingen
en beschrijvingen, de schets eener analytische tabel van
al de gepubliceerde soorten, mij echter niet om eventueele
Walkerianen bekommerende. Dr. Staudinger had de wel-
willendheid mij door het leenen van exemplaren uit zijne
rijke collectie de mij ontbrekende Europeesche soorten te
leeren kennen, terwijl Zeller’s goede beschrijvingen en af-
beeldingen de invoeging der door hem bekend gemaakte
soorten in mijne tabel zeer gemakkelijk maken. De tabel is
alleen daar uitgewerkt, waar het noodig was om het onder-
scheid mijner nieuwe soorten van naverwante reeds be-
kende aan te wijzen.
De voorraad onbeschreven soorten van dit genus dat
nu, mijne vier nieuwe medegerekend, reeds 24 species
telt, is zeker nog lang niet uitgeput. Voor mij staan nog
twee Zuid-Amerikaansche uit Dr. Staudinger’s collectie en
eene van Java in mijne eigene. Zij zijn echter niet in ge-
noegzaam gave of versche exemplaren voorhanden en blijven
dus voorshands rusten.
a. Voorvleugels zonder schubbendotjes, de
onbehaarde sprieten zonder schubbentand
aan den wortel. wine poe Malana Fiteh
(h. g.?)
VIER NIEUWE SOORTEN VAN HET GENUS NOLA. 63
aa. Voorvleugels met schubbendotjes , sprie-
ten met behaarde schaft en schubben-
tand aan den wortel.
b. Achtervleugels met ader 4. . . . . Togutulatis H.
Strigula W. V.
Albula W. V.
Nigrofasciata
Zell.
Melanopa Zell.
bb. Achtervleugels zonder ader 4.
c. Wortelveld der voorvleugels donkerder
dan de overige velden. . . . . . . CucullatellaL.
cc. Middenveld der lange, smalle, room-
kleurig witte, bleek bruin bestoven
voorvleugels met eenen steilen onder en
boven even breeden, franjewaarts drie-
maal rondgegolfden, lichtbruinen band
met blinkend potloodkleurige schubben ;
hetaanden voorrandswortel verduisterde
eerste veld aan den voorrand met eene
driekante, onderaan tot een geslingerd
staartje verlengde lichtbruine, blinkend
grijs beschubde vlek; golflijn flaauw ;
franje grijs. Achtervleugels met franje
sneeuwwit. Lijf wit. 10-12 mm. . . Taemata m.
eee. Franjehelft der langwerpige voorvleugels
lichtbruin, op de helft van het midden-
veld scherp en loodregt afgesneden.
Wortelhelft krijtwit met twee bruine
voorrandsvlekken, de tweede onderaan
met een gebogen staartje. Lijf wit, de
halskraag graauwbruin. Achtervleugels
dun beschubd, wit, met graauwe franje
1445 mme Le Arata enen rien rr Dinata m.
cecc. Geen veld der voorvleugels donkerder
dan de overige velden.
64
99.
ee.
VIER NIEUWE SOORTEN VAN HET GENUS NOLA.
. Tweede dwarslijn fijn donker getand
of uit ineenvloeijende stippen bestaande.
. Tweede dwarslijn van ader 3—11 met
eene ronde bogt, het middenveld boven
de middenader tweemaal zoo breed als
aan den binnenrand.
Halskraag en buitenzijde der palpen
zwart. Sprieten van het & met gebaard
wortelderde.- zeg sanar En AS CU EE
Halskraag en buitenzijde der palpen,
eenkleurig met rug en voorvleugels.
Sprieten van het & kort behaard.
. Achtervleugels grijs, met middenvlek,
donkerder dan de witgrijze voorvleugels,
deze voor de in vlekjes verdeelde franje-
lijn het donkerst; wortelwaartsche don-
kere afzetting der golflijn tot streepjes
verdigt. 15-48 mm
Achtervleugels wit, lichter dan de licht
graauwbruine voorvleugels, deze een-
kleurig met flaauwe golflijn. Franjelijn
onafgebroken dik, donkerbruin. 14 mm.
Tweede dwarslijn van ader 3—7 met
eene vlakke bogt, middenveld ongeveer
overal even breed.
Voorvleugels spits, met schuinen, ge-
heel ongebogen achterrand ; eerstedwars-
lijn scherp gebroken
. Voorvleugels stomp gepunt, de achter-
rand steil, flaauw gebogen ; eerste dwars-
lijn gebogen, tweemaal getand.
Triquetrana
Fitch.
Confusalis HS.
Aegyptiaca m.
CicatricalisTr.
Thymula Mil-
liére.
VIER NIEUWE SOORTEN VAN HET GENUS NOLA. 65
g. Achtervleugels lichtgrijs met donkere
middenvlek. Tweede dwarslijn uit ineen-
gevloeide zwarte stippen bestaande,
franjewaarts niet licht afgezet. Franje-
lijn onafgebroken donker. 44—14 mm. Pumila m.
gg. Achtervleugels wit, zonder middenvlek.
Tweede dwarslijn onafgebroken donker,
franjewaarts fijn licht afgezet. Franjelijn
uit eene reeks zwarte streepjes bestaande.
13 3, 0) a ke ann hee ie oO! egal dd
Staud.
fff. Voorvleugels breed met bijna regthoekige
punt en steilen achterrand, deze slechts
een vierde korter dan de binnenrand.
Achtervleugels zonder middenvlek . . Centonalis Hb.
Impura Mann.
dd. Tweede dwarslijn der voorvleugels wit,
tegen den voorrand met zachte ronde
HOE RE En VE ee Bo va Casta HD
Ancipitalis HS.
Chlamitulalis
Hb.
Subchlamydula
Mill.
ddd. Tweede dwarslijn der voorvleugels wit,
zeer schuin, geheel ongebogen. Voor-
vleugels donker leemkleurig . . . . Strictalis Zell.
TAENIATA m. PI. 6, fig. 4.
Drie mannetjes van 10—11 en twee wijfjes van 1A11—
12 mm.; meerendeels gaaf.
Palpen tweemaal zoo lang als de kop, met duidelijk eind-
lid, het middenlid afgerond; hunne kleur wit; op zijde
enkele graauwe schubben. Mannelijke sprieten tot 2 met
oO
66 VIER NIEUWE SOORTEN VAN HET GENUS NOLA.
fijn behaarde baarden die anderhalfmaal zoo lang zijn als
de breedte van den schaft; het laatste derde zeer kort be-
haard, vrouwelijke sprieten draadvormig; Thorax roomkleu-
rig wit; achterlijf sneeuwwit, op den rug een weinig graauw
bestoven, een klein weinig langer dan de achtervleugels.
Achterrand der voorvleugels half zoo lang als de voorrand,
flaauw gebogen, iets schuin; vleugelpunt stomp. De bruine
bestuiving het meest aan den vleugelwortel , bij het grootste
wijfje ook vrij sterk tusschen den dwarsband en het mid-
den van den achterrand; verder ziet men bruine stippen
langs den geheelen voorrand. De middenband begint een
klein weinig voorbij de helft van den vleugel, is wortel-
waarts fijn gegolfd en evenals het driekante voorrandsvlekje in
het midden met donkerbruine lijntjes en stippen geteekend,
waarop men de iets opstaande, blinkende schubben be-
merkt. De drie bogten aan de franjezijde zijn bij een man-
netje naauwelijks te onderscheiden. De golflijn is slechts bij
een der exemplaren zoo duidelijk als op de plaat is afge-
beeld; bij het grootste wijfje zijn er slechts sporen van
te zien in de bruine bestuiving. Franjelijn niet aangeduid.
Achterrand der achtervleugels gelijkmatig afgerond. Zij
vertoonen bij een mannetje een vrij duidelijk middenpunt ;
bij de andere voorwerpen zijn zij ongeteekend. Franjelijn
flaauw donker.
Onder zijn de voorvleugels in het midden en langs den
achterrand graauw bestoven, de achtervleugels langs den
voorrand en hun middenpunt duidelijk. Voorvleugels met
10 aderen; 7 en 10 ontbrekende; 14 vrij steil, uit de spits
der middencel bij den wortel der gesteelde 8 en 9.
Pooten wit, donker gestippeld.
Celebes: Bonthain, Makassar en Balangnipa. Door Mr.
M. Piepers verzameld.
DIMIDIATA m. PL 6, fig. 2.
Verscheidene gave mannetjes en wijfjes.
Palpen als bij de voorgaande soort, doch op zijde met vele
VIER NIEUWE SOORTEN VAN HET GENUS NOLA. 67
graauwe schubben. Sprieten van het mannetje tot $ met
fine baarden die tweemaal zoo lang zijn als de breedte van
den schaft; het punt-vierde kort behaard; vrouwelijke
sprieten draadvormig. Gezigt en schubbentandjes der spriet-
wortels wit even als rug en achterlijf; dit laatste niet langer
dan de achtervleugels.
Achterrand der voorvleugels iets langer dan de helft van
den voorrand, flaauw gebogen, een wemig schuin; vleugel-
punt stomp.
De teekening is zeer scherp en de witte wortelhelft zon-
der donkere bestuiving. Voorrandsvlekken driekant, beiden
met een donkerbruin schubbendotje; het derde dotje op de
dwarsader, in de donkere franjehelft. Deze is aan de vleugel-
punt een weinig wit bestoven en vertoont langs den voor-
rand fijne donkerbruine, wit afgezette stippen. Fijn en
scherp donkerbruin met fijne witte afzetting zijn ook de
tweede dwarslijn en de golflijn; de eerste is op de aderen
tot stippen verdikt, heeft onder den voorrand een tand en
is verder tot ader 4 bijna vlak. Golflijn met drie boogjes.
Franjelijn fijn bruin; franje graauwbruin. Achtervleugels
dun beschubd, tegen den achterrand graauw bestoven.
Onder ziet men op de voorvleugels in graauwe bestuiving
eene schets van de teekening der bovenzijde. Achtervleu-
gels langs den voorrand graauw bestoven en met duidelijk
donker middenpunt.
Voorvleugels met 10 aderen; 7 en 10 ontbreken; 14
schuin, bij den wortel der gesteelde 8 en 9 ontspringende.
Pooten wit; graauw gevlekt.
Java; waar verscheidene exemplaren door den heer Heck-
meyer op den Ardjoeno zijn verzameld. ’s Rijks Museum;
een mannetje ook in mijne collectie.
AEGYPTIACA m. PL 6, fig. 3.
Een gaaf mannetje.
Palpen ruim tweemaal zoo lang als de kop, het eindlid
zeer onduidelijk, het middenlid spits, op zijde met twee
68 VIER NIEUWE SOORTEN VAN HET GENUS NOLA.
donkerbruine langslijnen, overigens licht graauwbruin als
kop, thorax en voorvleugels. Sprieten als bij de voorgaande
soort. Achterlijf iets lichter dan de thorax, een vierde lan-
ger dan de achtervleugels.
Voorvleugels met duidelijk schuinen, uiterst flaauw ge-
bogen achterrand en vrij duidelijke punt. Grondkleur ge-
lijkmatig; langs den voorrand flaauwe, iets donkerder vlekjes;
het eerste en derde schubbendotje weinig donkerder dan
de grond; het tweede bijna zwart, op de middenader, al-
waar eene zwarte, hier en daar verdikte eerste dwars-
lijn scherp gebroken is. Ken donkerbruin vlekje duidt op de
helft van den voorrand het begin der tweede dwarslijn aan;
het gebogen bovengedeelte van deze bestaat van ader 11—3
uit ineenvloeijende, driekante zwarte stippen, het onder-
gedeelte uit een dik, geslingerd zwart lijntje, waarvoor men
vrij duidelijk de overigens uiterst flaauwe, met de tweede
dwarslijn parallele midden- of schaduwlijn ziet. Golflijn
wortelwaarts met gelijkmatige donkere beschaduwing, die
tegen den binnenrandshoek ophoudt. Vóór de franjelijn
eene reeks fijne donkere stippen. Franje als de vleugels.
Achtervleugels vuilwit; franje grijsachtig.
Onderzijde geheel ongeteekend, de voorvleugels grijs,
de achtervleugels als boven.
Voorvleugels met 10 aderen; 7 en 10 ontbreken; M uit
3 van den voorrand der denk ver van den wortel
der gesteelde 8 en 9, bovenaan gebogen langs ader 12
loopende.
Pooten geelachtig, ongeteekend.
Egypte: Cairo. In Dr. Staudinger’s collectie, waarin het
uit de verzameling van wijlen Lederer overging.
PUMILA m. PI. 6, fig. 4.
Een gaaf mannetje en twee iets afgevlogen wijfjes.
Palpen ruim tweemaal zoo lang als de kop, het eindlid
duidelijk; middenlid van onderen met eene punt. Zij ver-
toonen op zijde zwarte schubben en zijn overigens gekleurd
VIER NIEUWE SOORTEN VAN HET GENUS NOLA, 69
als kop, thorax en voorvleugels, licht bruingraauw bij den
man, aschgraauw bij de wijfjes. Sprieten als bij Dimidiata
en Aegyptiaca. |
Vleugelvorm als bij Aegyptiaca; de voorvleugels echter
met duidelijker punt en steiler achterrand. Grondkleur der
voorvleugels gelijkmatig; de schubbendotjes klein en weinig
in het oog loopend. Bij den vleugelwortel eene donkere
stip aan den voorrand. Eene tweede, op 4 duidt het begin
aan der tweemaal vrij scherp gebroken eerste dwarslijn.
Middenveld aan den voorrand verduisterd en tegen den
binnenrand met een spoor der middenlijn. Tweede dwars-
lijn op de aderen getand en op de spits der tandjes met
zwarte stippen. Onderaan divergeert zij een weinig met de
eerste dwarslijn en het middenveld is dus niet aan den bin-
nenrand het smalst, maar op ader 2. Golflijn uit zwart-
bruine schubben zamengesteld, wortelwaarts zonder don-
kere beschaduwing.
Franjelijn licht. Over den wortel der bruingraauwe franje
eene lijn van zwarte schubben.
De franjelijn der achtervleugels is mede licht, wortel-
waarts fijn donker afgezet.
Op de onderzijde zijn de voorvleugels ongeteekend grijs,
de achtervleugels als boven.
Voorvleugeladeren als bij Dimidiata.
Pooten witgrijs, sterk donker gestippeld.
Celebes: Bonthain. Door Mr. M. Piepers verzameld.
DRIE NIEUWE CHOREUTINEN
.
BESCHREVEN DOOR
PCT SNELEEN
(afgebeeld plaat 6, fig. 5—7.)
Tot op Leach en Hübner met onze tegenwoordige Tor-
tricinen in het eene genus Tortrix vereenigd, zijn de Cho-
reutina door die schrijvers het eerst in een afzonderlijk
genus geplaatst (Simaethis Leach, Choreutes Hùbn.). De zamen-
stelling en plaatsing van Simaethis (48159) kan ik niet be-
oordeelen, doch wat Hübner aangaat, zoo plaatst hij zijn
genus Choreutes aan de spits van de door hem in genera
verdeelde Tortricina (Verzeichn. bekannt. Schm. p.373, Anno
1816). Treitschke vereenigde de soorten, zeer ongelukkig,
met de Pyraliden, als eene afdeeling van zijn genus Asopia,
tot welke hij ook Pyr. flammealis en nemoralis rekende!
(Schmett. von Europa, VII, p. 155). Eerst in zijne Nachträge
(X, 3. 31) nam hij Hübner’s genus Choreutes aan, doch liet
dit bij de Pyraliden. Zeller hield zich aan Treitschke (Isis
1846 p. 208).
Later is men deze vlinders als zuivere Tineinen gaan
beschouwen (Herrich-Schäffer, Syst. Bearb. der Schm. von
Europa en Stainton, Insecta Brittannica), met welke ziens-
wijze zich Frey in zijne Tineinen der Schweiz echter zeer
teregt niet vereenigt, daar hij stilzwijgend de Choreutina
wegliet.
Het komt mij voor dat von Heinemann in zijn helaas!
onvoltooid werk: Die Schmetterlinge Deutschlands und der
N
DRIE NIEUWE CHOREUTINEN. 71
Schweiz, 2° Abth. Band II, Heft I, het juiste met deze
dieren heeft getroffen, namelijk door hen als eene geheel af-
zonderlijke, zoowel van de Tortricinen als van de Tineinen
onderscheidene familie en tusschen beiden in staande, te
beschouwen. Het valt echter niet zeer ligt om de Choreutina
tegenover de genoemde familién te karakteriseeren, vooral
wanneer men de Tineinen in haar geheel neemt. Wel is
waar scheidt de habitus de Choreutina dadelijk van beiden,
doch de eigenlijke kenmerken zijn zoo min gemakkelijk aan
te wijzen als in het oog loopend. Van alle Tortricinen zijn
zij slechts onderscheiden door de aan den wortel ongevorkte
ader 1b der achtervleugels. Verder komt het slechts bij twee
Tortricinen-genera (Dichrorampha en Olindia) voor dat, zoo als
bij de Choreutina, ader 6 en 7 der achtervleugels ver van
elkander ontspringen en parallel loopen. Beschouwen wij
vervolgens, doch als kenmerk van ondergeschikte waarde,
den typus van de teekening der voorvleugels, dan zien wij
dat deze bij de Choreutinen uit de vier gewone dwars-
liinen bestaat, even als bij de Noctuinen en Pyraliden. Wel
is waar is deze teekening bij sommige soorten niet duide-
lijk herkenbaar, doch zij toont toch nergens een overgang
tot de Tortricinen-teekening (een donker wortelveld, een
dergelijken middenband en gegolfde lijntjes of het begin
van eenen band aan den voorrand bij de vleugelpunt, met
of zonder spiegel tegen den binnenrandshoek).
Met de gezamenlijke Tineinen vergeleken, vinden wij
voor de Choreutina de volgende kenmerken. Breede, korte,
geheel ontwikkelde vleugels; de voorvleugels driekant, de
achtervleugels kwart-elliptisch, zonder uitsnijding onder de
punt; allen met zeer korte franje en met geheel ontwik-
keld, volledig aderbeloop; geene bijpalpen (onderkaaks-
voelers); de lipvoelers middelmatig lang, gebogen , het eind-
lid rolrond of spits doch nooit priem- of sabelvormig; de
sprieten korter dan de voorvleugels en met klein, gewoon ge-
vormd wortellid ; de zuiger duidelijk. Verder hebben de vlinders
bijoogen, korte, stevige gewoon gespoorde pooten en geene
12 DRIE NIEUWE CHOREUTINEN,
beharing langs den binnenrand der middencel op de boven-
zijde der achtervleugels, gelijk die bij vele Pyralidina en
Tortricina voorkomt. De eerste toestanden laat ik buiten
vergelijking.
Behalve door Zeller die (Stett. Ent. Zeit. 1867 p. 366) eene
aegyptische Choreutine, Simaethis Aegyptiaca, beschrijft,
waren nog door Dr. Brackenridge Clemens drie Noord-
Amerikaansche vlindersoorten beschreven (Brenthia pavona-
cella, inflatella en Virginiella), welke volgens Stainton en
m. i. teregt, tot de Choreutina moeten gerekend worden,
zie diens Tineina of North-America, London, 1872. Onder
de door Cramer als Tortricina afgebeelde vlinders zullen
enkelen ook wel tot deze familie behooren, doch eene be-
slissing in deze zonder onderzoek van exemplaren, is bij de
srofheid der afbeeldingen van kleine Lepidoptera bij dien
schrijver, onmogelijk. Eene stellige Choreutine is Cramer’s
Tortriæ Albertiana IV pl. 372 F. pag. 163, ook bij Hübner
in zijne Exotische Schmetterlinge afgebeeld; hetwelk mede wordt
bevestigd door rups en leefwijze, afgebeeld bij Sepp, Surin.
Insecten pl. 66, fig. 141, waar men de soort als Tortrix
Siphana vindt. Verder ken ik nog drie onbeschreven soor-
ten, eene uit West-Indié en twee van Celebes.
Herrich-Schaffer (zie boven) die de Choreutinen in
twee genera verdeelt, geeft als hunne hoofdkenmerken op:
Palpen durch grobe Schuppen rauh . . Simaethis Leach.
» » langeborstenfürmige Schup-
pen stachelig . . . : .. Choreutes Hübn.
Buitendien heb ik in vleugelvorm, aderbeloop enz. nog
eenige verschillen opgemerkt, waarnaar ik de mi) bekende
soorten als volgt verdeel, de overige bekend gemaakte
zoo goed mogelijk invoegende. Die waarvan ik geene exem-
plaren voor mij heb zijn met een * geteekend.
a. Palpen met kort beschubd middenlid ; ader
4 der achtervleugels; aanwezig voor-
vleugels met duidelijke punt en steilen
achterrand 4 „JSW ED Rea Simaelhis,
*
b.
Cc.
dd
cc
=
dd.
DRIE NIEUWE CHOREUTINEN. 73
Eindlid der dikke palpen stomp kegelvor-
mig of geknot; ader 4 der achtervleugels
met 3 uit één punt of kort gesteeld.
Voor- noch achterrand der voorvleugels
uitgesneden of gegolfd; pooten glad be-
schubd.
Sprieten dun, draadvormig . . . . . Diana Hbn.
Fabriciana
L.?HS.Hein.
Albertiana
Cram.
*Lascivalis
Led.
*Aeqyptiaca
Zeller.
* Pavonacellu
Clem.
Sprieten bij beide sexen in het midden
verdikt als bij het Tineinen-genus Dasy-
cera. Voorvleugels grijs met koperkleurig
achterrandsderde en wortel; een scherp
zwart gerande middenband goudkleurig.
Achtervleugels zwartbruin, ongeteekend. Aurofasciana
m.
Voorrand der scherp gepunte voorvleugels
bij de punt iets ingedrukt, de achterrand
min of meer gegolfd; pooten dik beschubd,
vooral de midden- en achterscheenen
sterk met grove schubben bezet.
De eerste dwarslijn der voorvleugels dun,
PEO AE NE UMR RER ate Nemorana
Hbn.
Pariana
Clerck.
De eerste dwarslijn der voorvleugels eene
dikke, loodregte, helder lichtgrijze, vuil
74
bb.
ad.
bb.
DRIE NIEUWE CHOREUTINEN.
oranjegeel afgezette streep; tweede dwars-
lijn mede helder lichtgrijs, dubbel, onder
de vleugelpunt zeer scherp gebroken .
Eindlid der dunne palpen spits; ader 4
der achtervleugels ver van 3; voorvleugels
met stompe, regthoekige punt en gelijkmatig
gebogen achterrand. Bovenzijde zwart met
groote helderwitte vlekken en strepen , en
langs de randen met paarsblaauwe schub-
ben bestrooid
Middenlid der palpen met lange, aan de
voorzijde tot stekels vereenigde beschub-
Dina ZU REX Belt cela EE QE NE
. Voor- en achtervleugels met scherpe punt ;
ader 4 der achtervleugels aanwezig, met
Sad Ce punti rare
*
Voor- en achtervleugels met afgeronde
punt; ader 4 der achtervleugels ontbreekt.
Inscriptana
m.
Albimacula-
na m.
Choreutes
Hbn.
Myllerana F.
‘9 Stellaris
Zell.
Dolosana HS.
Bjerkandrella
Thb.
*? Preliosana
Dup.
"Inflatella
+ Clem.
* Virginiella
Clem.
1. SIMAETHIS AUROFASCIANA m. Pl. 6, fig. 7.
Onderscheidene gave exemplaren van beide sexen ; 14 mm.
Sprieten iets langer dan de voorrand der voorvleugels;
het wortellid smal, tweemaal zoo lang als breed. De eerste
DRIE NIEUWE CHOREUTINEN. 13
drie vierden van den schaft zijn door beschubbing verdikt;
welke op zijde iets ongelijk is, waardoor de sprietbe-
kleeding ruw schijnt; bij het mannetje ziet men buiten-
dien nog fijne haren waardoor de schaft gewimperd wordt.
Voor zoover de dikke beschubbing reikt, is de spriet schit-
terend koperkleurig; de draadvormige spits is op den rug
wit met een zwart langslijntje. Schedel, aangezigt en pal-
pen glad beschubd, donkergrijs; de laatsten met stomp-
kegelvormig eindlid. Zuiger duidelijk. Schouderdeksels iets
glanzig, koperkleurig.
De bekleeding van den rug en van de aan den voorrand ge-
bogen, achteraan regt afgesneden voorvleugels herinnert sterk
aan die van onze bekende Carpocapsa pomonella. Zij bestaat
namelijk uit zwartgrijze schubben die aan de spits licht-
grijs zijn, zoodat door deze helder gekleurde schubbenpun-
ten eene menigte fijne gegolfde lichtgrijze dwarslijnen wor-
den gevormd. Verder dan tot drie vijfden der voorvleugels
reikt deze wijze van bekleeding bij Aurofasciana niet; op
het laatste gedeelte ziet men slechts enkele verstrooide
grijze stippen en het is overigens schitterend roodkoper-
kleurig, eerst fijnstralig, tegen de franje bijna paars. Buiten-
dien loopt over het midden van den vleugel nog een schit-
terend gouden, zwart gerande dwarsband en is ook de
vleugelwortel koperkleurig met twee zwarte stippen bij den
voorrandswortel. Franje dof donkerbruin.
Achtervleugels bijna driekant, met duidelijke hoeken en
zeer weinig gebogen achterrand; hunne kleur zwartbruin,
die der franje licht bruingrijs. Achterlijf zwartbruin.
Onderzijde der vleugels zwartbruin, ongeteekend ; de franje
der voorvleugels bijna zwart, die der achtervleugels als boven.
Lijf en pooten glanzig ijzergraauw beschubd, de stevige
pooten gewoon gevormd en gespoord.
Voorvleugels met 12 ongesteelde aderen, 2 en 11 onge-
veer uit de helft der middencel tegenover elkander ont-
springende; 3 tot 10 op gelijken afstand uit haren achter-
rand en om de hoeken.
76 DRIE NIEUWE CHOREUTINEN.
Op het eiland St. Martin in West-Indié door Dr. Reigersma
gevonden en aan ’sRijks Museum gezonden. Een goed
exemplaar bevindt zich in mijne collectie.
2. SIMAETHIS INSCRIPTANA m, PI. 6, fig. 6.
Twee mannetjes van 12 en 121, twee wijfjes van 13 en
14 mm.; allen gaaf.
Sprieten dun, eenigszins gekerfd, bij het mannetje fijn
en vrij lang gewimperd; hunne kleur lichtgrijs met zwarte
ringen; het vrij groote wortellid bij den man, even als de
grond van kop en thorax roestgeel, bij het wifje grijs-
bruin. De gebogen palpen zijn bij beide sexen eenigszins
verschillend gevormd. Bij het wijfje vormt de beschub-
bing aan de voorzijde drie stompe tanden (begin van over-
gang op Choreutes) en het stompe eindlid schijnt nog
stomper dan het is, omdat zich aan de achterzijde van den
bovenkant een klein afstaand pluimpje bevindt; verder zijn
lid 2 en 3 zwart met grijswitte ringen, het wortellid ge-
heel grijswit. Bij den man zijn de palpen aan de voorzijde
wel wat ruw beschubd maar zonder tanden en het pluimpje
van het eindlid zeer klein ; hunne kleur is roestgeel met zwart-
bruine vlekken. Simaethis Diana, pariana en incisalis hebben
een dergelijk eindlid aan de palpen; bij Albertiana en Fabriciana
is het bijna als bij Aurofasciana. Zuiger duidelijk. Thorax
bij het wijfje met lichtgrijze randjes om den halskraag en
om de roestkleurige schouderdeksels, bi) den man met
donkerbruinen dwarsband.
Voorvleugels met sterk gebogen, voor de punt bij het
wijfje duidelijk ingedrukten, bij het mannetje slechts vlak-
ken voorrand. Vleugelpunt scherp; de achterrand bij het
wijfje duidelijk, bij den man slechts flaauw tweemalen
gegolfd,
Grondkleur der voorvleugels dof zwartbruin, bij de man-
nen aan den voorrandswortel, vuil oranje met dwarslijn der
grondkleur, bij de wijfjes ook alzoo maar met lichtgrijze lijn,
DRIE NIEUWE CHOREUTINEN. (7
bij beide sexen op een derde met steilen, onderaan min
of meer verbreeden lichtgrijzen dwarsband, waarop eene
oranje dwarslijn volgt, eene lichtgrijze, min of meer don-
ker gekernde middenvlek en twee parallele eveneens ge-
kleurde dwarslijnen voor den achterrand, die eene lijn der
grondkleur insluiten. Deze lijnen loopen eerst bijna hori-
zontaal en zijn dan zeer scherp gebroken , waarna zij onge-
veer parallel met den achterrand loopen. De buitenste is
bij al de vier exemplaren eveneens, doch de binnenste
niet. Bij één mannetje is zij zoo als afgebeeld, bij een
tweede onder de breuk verdikt en wortelwaarts gebogen,
bij het afgebeelde wijfje onder de breuk driemalen sterk
geslingerd, bij het andere eveneens maar hier en daar uit-
gewischt. De achterrand is, breeder of smaller en min of
meer scherp begrensd, vuil oranje. Franjelijn scherp zwart;
franje licht bruingrijs, bij de wijfjes op twee plaatsen wit
gekleurd.
Achtervleugels bijna driekant, zwartbruin, bij de wijfjes
eenkleurig, bij de mannen is de binnenrandshelft vuil
oranjegeel met bruine dwarsstreep.
Franjelijn zwart, dubbel. Franje met witgrijzen wortel
en donkergrijze spits. Onderzijde der voorvleugels bij den
man donkerbruin, hun wortel en de geheele achtervleugels
vuil oranje, de laatsten met fijne bruine dwarslijn. Bij het
wijfje is de onderzijde zwartbruin met wit streepje aan
den voorvleugel-voorrand en eene grijze bestuiving over
het midden der achtervleugels. Voorvleugeladeren als bij
Aurofasciana.
Borst, buik en pooten bij het wijfje witgrijs, bij den
man roestgeel, bij beiden de pooten zwart gevlekt.
Celebes: Bonthain. Door Mr. M. Piepers gevangen.
3. SIMAETHIS ALBIMACULANA m. PI. 6, fig. 5.
Een gaaf wijfje.
sprieten dun, draadvormig, wit met flaauwe bruine
stippen; het wortellid weinig dikker dan de schaft. Palpen
78 DRIE NIEUWE CHOREUTINEN.
glad beschubd, aan de buitenzijde wit en bruin geteekend.
Aan hunnen wortel meen ik nog twee spitsjes te onder-
scheiden die men als zij hooger stonden, voor de bijpalpen
zoude houden. Zuiger klein. Voorrand der voorvleugels ge-
bogen; de achtervleugels stomphoekig.
Het zwart der bovenzijde heeft op het lif en de wortel-
helft der vleugels een roetkleurigen tint, vooral om de
randen der witte teekeningen, deze bestaan op de voor-
vleugels uit eene kegelvormige streep op den binnenrand,
die den voorrand niet bereikt , eene ronde vlek op de dwars-
ader, eene stip op den binnenrand bij den staarthoek en
eene stip voor het midden van den achterrand. De violette
schubben staan verstrooid langs den aan de punt iets brons-
kleurigen voorrand, doch langs den achterrand als eene
reeks regelmatige stippen. Franje graauw met flaauwe don-
kere deelingslijn.
Op de achtervleugels ziet men slechts eene witte streep,
die zich bij de kegelvormige der voorvleugels aansluit, op
de helft haakvormig is gebogen en tegen den binnenrand
graauw wordt. Langs en parallel met den achterrand loopt
eene schitterend paarse lijn en op het midden der achter-
randsfranje staat een wit vlekje. Binnenrandsfranje wit.
Onder is de grond bleeker en zijn de voorvleugels als
boven geteekend, doch zonder paarse achterrandsstippen ;
men ziet slechts een paars vlekje in den binnenrandshoek.
De achtervleugels zijn bonter dan boven, met witte vlek-
ken langs den binnenrand, geheel helderwitte middenstreep
en licht paarse randlijn, terwijl men ook langs den voorrand
blinkend paarse schubben ziet. Borst, buik en pooten wit,
de laatsten zwart gestippeld.
Ader 44 der voorvleugels ontspringt op + van den voor-
rand der middencel, 2 uit $ van haren binnenrand, 3—10
als bij Aurofasciana en Inscriptana.
Celebes: Makassar. Door Mr. M. Piepers gevangen.
LES MACROLEPIDOPTERES DE BREDA ET
DE SES ENVIRONS.
LISTE SUPPLEMENTAIRE N°. 4.
Captures de 1874
PAR
F. J. M. HEYLAERTS Fils.
586. Heterogenea Asella Schiff. La chenille, tres-
reconnaissable, fut trouvée par moi, déjà en 1866,
dans le Liesbosch. Depuis ce temps je ne Vai plus
vue. — Au commencement de Juin jen ai trouvé
un couple sur un chène dans le même bois. L'espèce
est donc très-rare ici. Elle est nouvelle pour notre
Faune.
587. Phasiane petraria Hb. Un mâle de cette espèce
fut pris par moi, dans l’Ulvenhoutsche bosch, le
4 Juin. Le papillon, quoique fruste, est très-recon-
naissable.
588. Cidaria comitata L. (chenopodiata L.). fut
trouvée par moi en quelques exempl. dans une
prairie près den Emmer. Un talus, près de la
rivière l’Aa, y est couvert de plantes de Gheno-
podium album et de Ch. bonus Henricus.
REMARQUES.
4°. L'année 1874 a été trés-malheureuse pour moi, c'est-
à-dire heureusement en ma qualité d’entomophile. La
variabilité du temps, et autres raisons plus perso-
80
3°,
LES MACROLEPIDOPTERES DE BRÉDA.
nelles, ont fait que mes chasses fussent assez rares
et surtout peu productives. Nonobstant celà jai fait
la trouvaille de la chenille de la rarissime Epi-
chnopteryx Tarnierella Brd. Jai décrit sa vie
évolutive dans un article, qui paraitra bientôt dans
la Stettiner Entomologische Zeitung.
Jai retrouvé tout près de notre ville deux lépidoptères
tres-rares en Neerlande lArctia villica L. et le
Stauropus Fagi L. Jai remarqué que la première
vole très-bien pendant le jour, même la femelle. Du
dernier Jai eu une centaine d’ceufs, qui sechérent
malheureusément.
De Psyche villosella Ochs. j'ai trouvé un sac tout
différent des sacs ordinaires de cette espèce. Au lieu de
brins de paille et de petits rameaux de la Calluna
vulgaris, celui ci est tout à fait couvert de feuilles de
Myrica gale et de Salix repens. La chenille
était déjà chrysalidée et le papillon apparùt le 30
Juin. — Bruand parle déjà, dans sa monographie
des Psychides, page 52, en décrivant la Nigricantella
Curtis, synon. ou tout au plus var. locale de la Ps.
villosella O., du sac couvert accidentellement de
feuilles de saule.
DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
ALIQUOT NOVARUM
SCRIPSIT
i. THORELL
Epeira Zimmermanni cephalothorace piceo, antice
rufescente, sterno nigro; pedibus nigro-annulatis; area
oculorum mediorum proclivi, rectangula; abdomine supra
sub-fusco, serie macularum testacearum antice in medio
dorsi, humeris in tubercula duo magna obtusa elevatis;
ventre tuberculis carenti, nigricanti, maculis duabus flavis;
corpore vulvæ secundum medium late et profunde impresso,
scapo ejus longissimo, fere «formi, transverse striato, ad
maximam partem testaceo. — g ad. Long. plus 14 millim.
Germania (Niesky Lausatiæ) : Zimmermann.
Epeira limans cephalothorace fusco-testaceo, vitta
lata nigricanti utrinque, albicanti-piloso; area oculorum
mediorum declivi, antice latiore quam postice; pedibus
testaceis, nigricanti-annulatis; abdomine triangulo-ovato,
humeris parum prominentibus, supra nigricanti, albo-
variato, vitta media longitudinali angusta albicanti, que
utrinque linea flexuosa et sæpe interrupta limitatur, et
præterea postice lineis duabus albicantibus flexuosis versus
anum appropinquantibus notato; ventre maculis 4 majo-
ribus flaventibus pone rimam genitalem picto; tibie 2 :di
paris secundum totam longitudinem lateris anterioris spinis
brevissimis densissime vestita. — 4 ad. Long. c: a 54 millim.
Italia septentr. (Liguria): Canestrini.
Singa maculata cephalothorace in 4 clarius piceo,
in 2 luteo-testaceo, antice ad maximam partem nigricanti;
6
82 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
pedibus palpisque testaceis, femoribus anticis in 4 versus
apicem late infuscatis; area oculorum mediorum rectan-
gula; abdomine supra fusco vel piceo, subter nigro vel
nigricanti, vittis duabus longitudinalibus testaceis, in ¢
antice maculis dorsualibus lineisque lateralibus albicantibus
notato, dorso in 2 vittis tribus flavis longitudinalibus latis
picto, interstitiis postice nigris, antice maculis binis nigris
notatis. — 4 g ad. Long. 3 3, 2 c:a 4 millim.
Hispania (Torre Beja): Westring commun.; Italia sep-
tentr.: Ganestrini.
Zalla (?) mordax cephalothorace, palpis pedibusque
(aculeis carentibus) testaceis, illo margine anguste lineaque
media longitudinali nigris; sterno fusco-testaceo, margine
anguste et macula media Vformi vel triangula nigris ; oculis
mediis anticis spatio pene duplo majore a lateralibus anticis
distantibus, quam quo inter se remoti sunt; pedibus 2:di
paris brevioribus quam 4:ti; abdominis dorso sub-cinereo,
‘pallido-limbato, vitta media longitudinali sub-lanceolata
albicanti ornato, que linea vel vitta +formi nigra notatur;
mandibulis dentibus 5 fortibus armatis, quorum duo maximi
postice, in medio et versus apicem mandibulae, siti sunt.
d ad. Long. c:a 5 millim.
Hollandia: van Hasselt.
Linyphia #fyrenϾa cephalothorace, pedibus palpis-
que, bulbo nigro-fusco excepto, testaceis ; abdomine longo,
angusto, dorso toto area longa occupato sub-fusca, postice
utrinque nigro-maculata et vitta longa albicanti utrinque
limitata; ventre nigricanti, vitta utrinque pallida limitato;
mandibulis ferrugineo-fuscis, clypeo vix dimidio longiori-
bus; appendice partis tarsalis ad latus exterius bulbi valde
gracili, fere in semicirculum curvata, apice breviter acumi-
nata. — d ad. Long. c:a 43 millim.
Montes Pyrenei: J. Lange (Mus. Havn.).
ALIQUOT NOVARUM. 83
Linyphia obesa cephalothorace luteo-fusco, pedibus
paipisque (clava obscuriore excepta) fusco-luteis ; abdomine
pallide cinerascente, sub-roseo, area media dorsuali lanceo-
lata a maculis magnis fuscis inclusa et vitta fusca longi-
tudinali geminata, lateribus infra albicanti-maculatis , ventre
nigricanti; elypeo humiliori; sulco unguiculari mandibula-
rum dentibus antice 3, postice 4 armato, femoribus 1:
mi paris aculeis 3, reliquis femoribus aculeis 2, metatarsis
posticis 2 aculeis instructis. — d jun. Long. 34 millim.
Suecia (Smolandia): Dr. W. A. G. Wetter.
Linyphia pieta cephalothorace fusco-testaceo, an-
guste nigro-marginato, palpis pedibusque saturate testaceis ;
abdomine nigro, dorso ejus testaceo antice lineis duabus
flexuosis longitudinalibus nigricantibus et postice fasciis
paucis angustis transversis angulato-sinuatis nigris ornato;
oculis confertis, sat magnis; femoribus 1:mi paris aculeis
2, 2:di et 3:tii paris, ut et metatarsis omnibus, aculeo 4
instructis; sulco mandibularum unguiculari antice dentibus
3 mediocribus, postice 4 vel 2 minutis armato; vulva aream
elevatam latam apice emarginatam formanti. — ¢ ad. Long.
c:a 3 millim.
Suecia (Smolandia): Wetter; Dania: Schiödte (Mus.
Havn.).
Linyphia ieteriea cephalothorace, palpis pedibusque
saturate flavo-testaceis, abdomine aut (g) obscure testaceo-
cinereo, in dorso linea media longitudinali nigricanti et serie
utrinque macularum vel fasciarum obliquarum nigricantium
notato, aut (4) cinereo-nigricanti, in dorso antice maculis
quattuor magnis et tum fasciis vel lineis paucis transversis
(prima abrupta, secunda angulato-curvata), in lateribus
infra vitta longa in medio abrupta ornato, tota hac pic-
tura testacea; femoribus et metatarsis omnibus aculeis caren-
tibus; clava palporum maris femoribus fere duplo crassiore,
ad basin bulbi, in latere exteriore, appendice maxima mu-
84 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
nita, que postice in uncum sursum curvatum, antice in lo-
bum brevem et procursum longum falcatum producta est;
vulva ex lamina sub-orbiculata pallida fusco-marginata con-
stanti; sulco mandibularum unguiculari antice dentibus 5—6
mediocribus, postice 3—4 minutissimis armato. — ¢ ad.
Long. c:a 31, ¢ c:a 34 millim.
Suecia (Scania): G. Eisen.
Linyphia fragilis cephalothorace luteo-fusco, summo
margine nigro; abdomine nigro, in dorso antice sub-fusco;
palpis pedibusque obscure fusco-luteis, horum aculeis graci-
libus, longis, 1 in femoribus 1:mi paris, nullo in reliquis;
tibiis aculeis 2-3, metatarsis saltem 4 anterioribus aculeo
1 armatis; EE patellari et tibiali palporum in mare bre-
vibus, illa seta curvata supra munita, hac supra in formam
trianguli elevata; clava femore 1:mi paris duplo latiore,
parte patellari nigro-fusca, procursu minore angusto foras
directo apice obtuso ad basin bulbi, in latere exteriore,
instructa,. et tum, ab hoc procursu sinu profundo divisa,
lamina magna appressa apice biloba; vulva a latere visa
tuberculum magnum obscurum basi angustius apice latum
rotundatum ferrugineum formanti. — ¢ g ad. Long. c:a
2 millim.
Helvetia (St. Moritz, Oberengadin): Thor.
Linyphia nitida cephalothorace obscure luteo-fusco,
nigro-marginato, abdomine nigro, palpis pedibusque fusco-
luteis, horum aculeis gracilibus, sat longis, 4 in femoribus
1:mi paris, nullo in reliquis, tibiis aculeis og) metatarsis
saltem anterioribus aculeo 1 armatis; parte tibiali palporum
in mare antice in angulum producto, hoc angulo in apice
seta tenui breviore munito; clava femore 4 :mi paris dimidio
saltem crassiore, basi partis tarsalis nigro-fuscee intus in
dentem magnum retro directum sub-incurvum producta,
in latere exteriore, ad basin bulbi, appendice magna oblonga
membranacea apice biloba instructa, lobo posteriore acu-
minato, dentiformi; vulva a latere visa procursum crassum
ALIQUOT NOVARUM. 85
oblongum, deorsum et retro directum, in latere antico
fortius arcuatum et in apice rotundato, postice, procursu
minuto auctum formanti. — ¢ 2 ad. Long. 3 153, gc:a
2 millim.
Germania (Niesky Lausatiae): Zimmermann.
Linyphia infirma cephalothorace nigro-marginato
cum palpis pedibusque luteo vel olivaceo-testaceo, palpis
versus apicem plus minus infuscatis, tibiis metatarsisque
summa basi albicantibus; abdomine nigro, supra sub-oli-
vaceo vel fuligineo, interdum cinerascenti; pedum aculeis
longis et gracilibus, 4 in femoribus 1:mi paris, nullo in
reliquis, tibiis 1:mi paris aculeis 4, 2:di paris 3, 3: tii
et 4:ti paris 2, metatarsis saltem sex anterioribus À aculeo
armatis; vulva a latere visa procursum formanti duplo longio-
rem quam latiorem, a basi angustiore sub-geniculatum,
retro directum, utriculo sub-similem, in apice rotundato,
supra, procurso minuto auctum. — g ad. Long. c: a 21 millim.
Suecia (Bahusia; Smolandia): Thor., Wetter.
Linyphia arida cephalothorace nigro-marginato cum
pedibus palpisque, clava maris infuscata excepta, pallide
luteo-testaceo, abdomine in d nigricanti, supra olivaceo,
vittis pallidioribus transversis parum distinctis notato, in g
supra ‘pallide olivaceo-cinereo, postice vittis paucis trans-
versis nigricantibus ; aculeis pedum longis et gracilibus, 4
in femoribus 4:mi paris, nullo in reliquis, tibiis À :mi paris
aculeis 4, 2:di 3, 3:tii et 4:ti 2, metatarsis saltem sex
anterioribus aculeo À armatis; parte patellari palporum in
mare, a latere visa, supra impressa, quasi bigibba ; appen-
dice ad latus exterius bulbi postice mutica; vulva a latere
inspecta tuberculum formanti brevius, apice ferrugineo
sub-orbiculato deorsum et retro directo et, supra, stilo
obtuso deorsum directo sub-procurvo instructo. — 4 2 ad,
Long. c:a 13 millim.
Tirolia merid. (Tridentum): Canestrini,
86 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
Linyphia mansueta cephalothorace nigro-marginato
cum pedibus palpisque, clava maris infuscata excepta, sor-
dide testaceo; abdomine nigricanti, supra sub-fuligineo vel
olivaceo, postice lineis vittisve transversis parum distinctis
notato ; aculeis pedum longis et gracilibus, 1 in femoribus1 :mi
paris, nullo in reliquis, 4 in tibiis 1:mi, 3 in De di 2
in 3:tii et 4:ti paris, metatarsis saltem sex anterioribus
aculeo À armatis; parte patellari maris a latere visa supra
impressa; appendice ad basin lateris exterioris bulbi dente
nigro forti postice munita; vulva a latere visa tuberculum
formanti magnum, breve, ferrugineum, basi angustiore,
apice late truncato et postice impresso, antice vero pro-
cursu parvo deorsum directo instructo. — 3 2 ad. Long.
c:a 14 millim.
Germania. (Niesky Lausatie): Zimmermann.
Linyphia diluta cephalothorace, palpis pedibusque
lete luteo-testaceis, unicoloribus, abdomine toto pallide
cinereo, nigro-pubescenti; femoribus anticis aculeo 1, reli-
quis nullo, tibie 1:mi paris aculeis 4, 2:di 3, 3:ti et 4:ti 2,
metatarsis sex anterioribus À aculeo armatis; vulva a latere
visa procursum crassum, ferrugineum, duplo longiorem
quam latiorem, versus apicem obtusum paullo angustatum
formanti. — g ad. Long 21 millim.
Suecia merid.: Wetter.
Linyphia coneinna cephalothorace anguste nigro-
marginato cum palpis pedibusque sordide testaceo, abdo-
mine nigricanti-cinereo, subter obscuriore; oculis posticis
intervallis oculi diametro minoribus disjunctis; pedum acu-
leis brevibus et gracilibus, femoribus 1:mi paris aculeis 2,
2:di paris 1 armatis, reliquis muticis ; tibiis non tantam supra
sed etiam subter aculeatis, metatarsis omnibus aculeo 1;
parte palporum tibiali extus ad basin serie setarum den-
sarum æqualium instructa; vulva ex area constanti trans-
versa, parum prominenti, ferrugineo-fusca, in medio pos-
ALIQUOT NOVARUM. 87
tice procursu parvo obtuso aucta. — & e ad. Long. 2—23
millim.
Germania (Niesky Lausatiæ): Zimmermann.
Linyphia vilis cephalothorace, palpis pedibusque luteo-
testaceis, abdomine albicanti-cinereo, in lateribus subter
vitta nigricanti cincto, ventre pallido; femoribus 4 :mi paris
aculeis 2-3, 2:di (et 3:tü) 1, brevissimo; clava palpo-
rum maris femore 1:mi paris paullo crassiore, basi extus
appendice magna falçiformi munita, bulbo apice spina longa,
forti, in circulum curvata instructo; area vulvæ pallida,
parum prominenti, inter lineas duas parvas fuscas postice
appropinquantes inclusa. — 4 ¢ ad. Long. 4 11, 22 millim.
Hollandia: van Hasselt.
Erigone speciosa flavo-testacea, abdomine cinereo-
albicanti, vitta dorsuali media inæquali ad longitudinem aucta
plagaque magna supra anum nigricantibus. — ¢ ad. Long.
c:a 41 millim.
Hollandia: van Hasselt.
Erigone macrochæra ferrugineo-fusca, parte cepha-
lica leviter arcuato-convexa, altitudine clypei longitudinem
areæ oculorum mediorum paullo superanti; serie oculorum
postica sub-recta; pedibus palpisque apice sub-infuscatis,
abdomine nigro-fusco; vulva in laminam longam et latam,
retro directam, cinerascentem producta, cujus apex infus-
catus transverse bifidus est, lobo inferiore longo, acumi-
nato. — ¢ ad. Long. c:a 41 millim.
Suecia septentr. (Helsingland): Dr. F. Söderlund; Lap-
ponia Fennica (Enare): AL v. Nordmann.
Erigone herniosa ferrugineo-fusca, parte cepha-
lica fortiter arcuato-convexa, altitudine clypei longitudinem
areæ oculorum mediorum non superanti; serie oculorum
postica fortius procurva; palpis pedibusque apice sub-infus-
catis, abdomine nigro-fusco; vulva in procursum magnum
88 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPAARUM
retro directum ferrugineum, apice leviter emarginatum
producta. — g ad. Long. c:a 4 millim.
Lapponia Fennica (Enare): Al. v. Nordmann; Norvegia
(inons Filefellet dietus, prope Tromsöe): Prof. F. A.
Smitt (Mus. Holm.).
Erigone leptocarpa fusco-testacea (velobscurior ?),
abdomine nigricanti; parte cephalica sat humili, leviter
arcuato-convexa; palporum parte patellari in 9 diametro
apicali sua plus duplo longiore, mutica, parte tibiali etiam
paullo longiore, clava parva, tibiis anticis vix crassiore,
paullo tantum longiore quam latiore. — ¢ ad. Long. c: a
44 millim. |
Hollandia: van Hasselt.
Erigone hilaris læte ferrugineo-rufa, pedibus palpis-
que rufescenti-testaceis, abdomine nigricanti; clypeo alto et
angusto, mandibulis altiore; palpis maris brevibus, parte
patellari brevi, cylindrata, non incrassata, parte tibiali in
latere exteriore elongata, versus basin supra spina forti
nigra armata, parte tarsali spina magna quoque supra ad
basin munita, bulbo in uncum maximum producto, — d ad.
Long. c:a 2 millim.
Italia septentr. (Patavium): Canestrini.
Erigone nigrimana obscure testaceo-fusca, pedibus
palpisque fusco-testaceis, his apice infuscatis, abdomine
nigro-fusco; cephalothorace sat alto, dorso primum anteriora
versus satis æqualiter adscendenti, tum in parte cephalica
fortius arcuato-convexo, altitudine clypei longitudinem area
oculorum mediorum saltem æquanti; palpis maris gracilibus,
fusco-testaceis, clava magna, nigra; vulva ex maculis for-
mata duabus parvis nigris punctisque duobus elevatis
rufescentibus cum maculis illis in area ferruginea positis
trapeziumque postice angustius formantibus. — 4 2 ad.
Long. c:a 31 millim.
Italia septentr.; Ganestrini.
ALIQUOT NOVARUM. 89
Erigone phaulobia testaceo nigricans, pedibus pal-
pisque, clava obscuriore excepta, sordide olivaceo-testaceis ,
abdomine nigricanti; cephalothorace satis alto, parte cepha-
lica antice proclivi, postice declivi; oculis posticis sub-æqua-
libus in dorso partis cephalicæ sitis, mediis in trapezium
non longius quam latius ordinatis; palpis mediocribus,
partibus patellari et tibiali brevibus, hac supra angustato-
producta, bulbo femore antico multo crassiore, unco nigro
sursum curvato in apice armato. — ¢ ad. Long. 1% millim.
Italia septentr.: Ganestrini.
Erigone spadix testaceo-badia, sterno obscuriore cum
cephalothorace anguste nigro-marginato, abdomine cinereo-
olivaceo; cephalothorace sat humili, dorso paullatim, ad
lineam fere rectam, in mediam partem cephalicam leviter
arcuatam adscendenti, impressione levi pone hanc partem ;
mandibulis robustioribus, clypeo 21 longioribus; vulva a
latere visa speciem procursus nigri, oblique retro directi
bifidi præbenti. — 9 ad. Long. c:a 3 millim.
Italia septentr.: Ganestrini.
Erigone pacifica testaceo-nigricans, pedibus palpis-
que testaceis, his clava infuscata, abdomine nigricanti ; ce-
phalothoracis dorso in arcum levissimum in partem cepha-
licam adscendenti, impressione levi pone hanc partem, quæ
fortius arcuata-convexa est, præsertim antice; area oculo-
rum mediorum paullo breviore quam latiore postice, duplo
latiore postice quam antice, longitudine altitudinem elypei
paullo superanti ; palpis maris brevioribus, simplicibus , parte
tibiali a latere visa sub-triangula, bulbo apice mucro-
nibus tribus parvis nigris instructo. — ¢ ad. Long. c: a
1 millim.
Italia septentr.: Ganestrini.
Erigone barbata fusco-vel ferrugineo-testacea, par-
tibus oris, palpis et pedibus concoloribus, abdomine fusco-
90 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
cinereo; cephalothorace sat humili, dorso in partem thora-
cicam ad lineam fere rectam paullo adscendenti, parte cepha-
lica anterius levissime elevata et arcuato-convexa, pilosa,
facie quoque arcuato-proclivi; oculis parvis; clypeo pilis lon-
gis vestito, altitudine longitudinem areæ oculorum medio-
rum, que æque longa est atque lata postice, paullo supe-
ranti; palpis brevibus, parte patellari parum longiore quam
latiore, tibiali sub-campanulata, clava femore antico dimi-
dio crassiore. — 3 ad. Long. c:a 2 millim.
Suecia merid.: Wetter.
Erigone tarsalis cephalothorace rufescenti, nigro-
marginato, parte cephalica antice proclivi, nigro-lineata ;
palpis pedibusque gracilibus, rufescenti-testaceis, illorum
parte patellari duplo longiore quam latiore, tibiali ejus fere
longitudine, versus apicem sensim dilatata, apice, supra,
in dentem triangulum porrectum, subter mucrone armatum
producto, parte tarsali brevi, femore antico non multo
latiore, apice late rotundato-truncato; tarsis 4 anterioribus
leviter incrassatis. — 4 ad. Long. 2 millim.
Hollandia: van Hasselt.
Erigone Veneta nigro-picea, pedibus palpisque tes-
taceo-rufis, cephalothorace antice angusto, sat alto, dorso
partis cephalicæ usque ad oculos posticos secundum lineam
rectam modice adscendenti, area oculorum mediorum pro-
clivi, clypei altitudine hujus aree longitudinem multo supe-
ranti; palpis maris mediocribus, clava femore multo cras-
siore, parte tibiali ad basin, supra, dente obtuso armata,
intus longissime producta et in lobos duos desinenti,
alterum porrectum et parti tarsali incumbentem, alterum
retro directum. — ¢ ad. Long. c:a 2 millim.
Italia septentr. (Venetia): Canestrini.
Erigone orites cephalothorace ferrugineo-fusco, ver-
sus oculos posticos leviter adscendenti; oculis prominenti-
bus, sub-æqualibus , trapezio mediorum paullo longiore quam
ALIQUOT NOVARUM. 91
latiore; pedibus rufescenti-testaceis, tibiis saltem et meta-
tarsis ad maximam partem infuscatis; palpis maris sat bre-
vibus, partibus patellari et tibiali brevissimis, illa apice
seta «=formi instructa, hac pyramidali fere, tibiali et clava
nigricantibus, parte tarsali dente obtuso erecto ad basin,
supra, minuta. — d ad. Long. 24 millim.
Helvetia (St. Moritz, Oberengadin): Thor.
Erigone caestata cephalothorace nigricanti-testaceo,
sub-orbiculato, dorso inter partem cephalicam et thoracicam
profunde impresso, clypeo alto; pedibus luteo-testaceis;
palpis maris basi testaceis, articulis ultimis nigricantibus,
clava magna, parte tarsali intus, supra, in formam trianguli
magni, erecti, apice rotundati et leviter foras curvali,
extus concavi producta, altitudine hujus trianguli longitu-
dinem patellarum 1:mi paris æquanti. — d ad. Long. c:a
2 millim.
Suecia (Jönköping) Dr. C. 0. v. Porath.
Erigone inops cephalothorace ferrugineo-fusco, hu-
mili, depressione inter partes cephalicam et thoracicam
carenti; clypei altitudine longitudinem areæ oculorum medio-
rum non superanti, hac area æque fere longa atque lata
postice; mandibulis magnis, clypeo quadruplo altioribus,
apice oblique et late emarginato-truncatis, sulco unguiculari
ad extremitatem interiorem, antice, dentibus binis armato ;
pedibus læte flavo-testaceis, abdomine nigro-fusco; palpis
brevioribus, partibus patellari et tibiali brevissimis, clava
magna, fusca, procurso longo, falciformi, testaceo, foras
directo, sursum et intus curvato in latere exteriore ad
basin bulbi preedita. — 4 ad. Long. c:a 21 millim.
Suecia (Söderköping): Thor.
Theridium cuneatum cephalothorace, sterno, par-
tibus oris, pedibus flavo-testaceis, cephalothoracis margine
toto anguste et vitta magna cuneata ab oculis posticis in
declivitatem posticam pertinenti nigris, palpis pedibusque
92 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
nigro-annulatis; abdomine supra albicanti vel roseo, area
media ovato-lanceolata ejusdem coloris versus anum extensa,
quæ area utrinque primum vitta abbreviata longitudinali
nigra, tum maculis parvis vel striis obliquis nigris, et
denique fascia transversa obliqua nigra, longe supra anum
sita, limitata est; vulva ex area constanti nigro-fusca trans-
versa, postice fovea minuta impressa. — 2 ad. Long. c:a
34 millim.
Suecia (Smolandia): Wetter.
Theridium Hasseltii cephalothorace rufescenti-tes-
taceo, summo margine nigro, parte cephalica lineis nigri-
cantibus inclusa et nigro-maculata, pedibus palpisque plus
minus saturate testaceis, illis saltem subter nigricanti-
maculatis vel annulatis, sterno nigro-fusco vel obscure tes-
taceo, summo margine nigro; abdominis dorso area magna
nigra ad 3 longitudinis ejus pertinenti occupato, que in
lateribus sub-undulata est et fascia albicanti cincta, dorso
pone hanc aream albicanti, maculis utrinque magnis vittisve
obliquis paucis nigris ornato; area illa interdum fere ad
anum extensa; clava palporum maris maxima, extus inflata,
frontis fere latitudine; vulva ex fovea oblonga, postice aperta
constanti. — d 2 ad. Long. d c:a 24, 9 c:a 3 millim.
Hollandia: van Hasselt; Germania (prope Limburg):
Zimmermann.
Theridium histrionieum cephalothorace, sterno
et partibus oris, palporum apice excepto, nigris, pedibus
pallidis, nigro-annulatis; abdominis dorso albido, maculis
lineolisque parvis 8 nigris cincto, et tuberculis 5 humilibus,
1 antice, 2 utrinque versus medium lateris sitis, instructo ;
vulva ex fovea maxima profunda transversa constanti. — g ad.
Long. c:a 2 millim.
Tirolia merid. (Tridentum): Canestrini.
Steatoda Oelandiea luteo-fusca, ventre et pedum
internodiis apice nigricantibus, pedibus 1:mi et 4:ti paris
ALIQUOT NOVARUM. 93
æque fere longis, clypeo humillimo, area oculorum medio-
rum antice paullulo angustiore quam postice. — ¢ ad. (?)
Long. fere 3 millim.
Suecia (ins. Oelandia) : A. E. Holmgren,
Steatoda rugosa cephalothorace, clypeo et sterno
crasse rugosis, nigris, partis tamen cephalicæ lateribus
tenuiter tantum rugulosis; mandibulis nigris, longitudine
altitudinem clypei æquantibus, basi crasse rugosis; palpis
pedibusque læte rufescentibus, abdomine nigro, area vulvæ
ferruginea. — g ad. Long. c:a 24 millim.
Austria (N: L. v. Kempelen.
Minieia !) spimosa corpore cum palpis pedibusque
testaceo, cephalothorace anguste nigro-marginato, sulco cen-
trali brevi nigro, lineaque tenui media longitudinali nigra
in parte cephalica notato; abdominis dorso utrinque vitta
lata nigricanti sub-incurva, non usque ad mamillas perti-
nenti, cincto. — 2 ad. Long. pene 2 millim.
Italia: Ganestrini.
Amaurebius torvus cephalothorace, tibiam cum di-
midia patella 1:mi paris longitudine æquanti, fusco-ferru-
gineo; oculis lateralibus anticis majoribus quam mediis
anticis; palporum parte tibiali procursus duos fortissimos
emittenti, procursu exteriore apice subter dilatato, altero
superiore, in stilum obtusum rectum desinenti et subter
incrassato, hac parte incrassata excavata, margine exteriore
in medio angulato, integro; bulbo genitali subter versus
basin et latus exterius unco fortissimo, incurvo, basi mutico
armato; pedibus testaceo-fuscis; abdomine supra nigricanti ,
antice area sub-quadrata, quæ vitta inæquali utrinque limi-
tatur et linea media persecta est, tum vero serie linearum
1) Minicia nov. gen. fam. Theridioidarum. Cephalothorax brevior, sulco medio
distineto, elypeo alto. Maxillæ in labium fortiter inclinate. Oculi medii seriei posticæ
sub-rectæ spatio multo majore quam reliqui oculi inter se remoti. Pedes breviores ,
anteriores præsertim subter spinis longis patentibus armati.
94 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
transversarum, angulatarum, in medio abruptarum notato ;
hac pictura cinereo-testacea. — 8 ad. Long. c:a 9 millim.
Tirolia merid. (Meran): A. H. Cajander (Mus. Helsing-
fors).
Tegenaria parvula cephalothorace breviore quam
patella cum tibia 4:ti paris, testaceo, vitta nigricanti, radiis
3 nigris persecta, utrinque in parte thoracica, parte vero
cephalica supra maculis duabus lineisque 4 nigris notata;
pedibus testaceis, dense nigro-maculatis-annulatisque , coxis
subter nigro-maculatis; oculis seriei antica sat fortiter
procurve contingentibus, lateralibus plus duplo majoribus
quam mediis; abdomine supra nigricanti, sub-testaceo-
variato, in medio antice serie duplici macularum 3 flavo-
testacearum et tum serie media macularum A formium
notato, hac pictura vitta angustiore sub-testacea persecta ;
vulva ex area transversa fusca constanti, septo a margine
antico exeunti in foveas duas rotundas divisa. — g ad. Long.
e>a. 52 mullım,
Ttalia centr. (Gennazano): Bergsöe (Mus. Havn.)
Tegenaria Rhaetica cephalothorace nigricanti, vit-
tis tribus pallidis longitudinalibus, pube albicanti-cinerea
tectis, ornato, media angusta, in fundo linea nigra gemi-
nata, marginalibus latioribus, inæqualibus; pedibus fusco-
testaceis, immaculatis; abdomine supra nigricanti, fusco-
testaceo-nebuloso, vitta longitudinali media satis angusta
nigricanti, que serie linearum brevium flavescentium,
anterioribus exceptis obliquarum utrinque limitatur, lateri-
bus et ventre fusco-testaceis, nigricanti-maculatis, hoc
preterea secundum medium vittis duabus angustis nigris,
spatio sat parvo disjunctis, notato; vulva ex fovea magna,
profunda, semicirculata fere constanti, quae postice callo
magno, transverso, sub-luteo, antice late rotundato limitata
est; mamillarum superiorum articulo 2:do paullo longiore
quam 1:mo. — g ad. Long. c:a 101 millim.
Tirolia merid. (Meran): Gajander (Mus. Helsingf.).
ALIQUOT NOVARUM. 95
Histopona debilis cephalothorace longitudine tibie
cum patella 4:ti paris, fusco-testaceo, linea tenui media mar-
ginibusque anguste nigricantibus ; palpis pedibusque sordide
testaceis, testaceo-lineatis, his apice infuscatis; abdomine
cinereo, in lateribus nigricanti-maculato , supra cinerascenti-
nigro, linea longitudinali media maculisque 2 obliquis
antice notato, tum vero serie media linearum circiter 6 fere
A formium, posteriora versus decrescentium; tota hac
pictura cinereo-testacea. — e ad. (?) Long. 54 millim.
Gallia merid. (Nicea): Thor.
Agroeca pullata cephalothorace metatarsum 4:ti paris
longitudine péne æquanti, sub-testaceo-vel cinereo-pubescenti,
in fundo obscure testaceo-fusco, vittis duabus lateralibus
latis, inæqualibus, divulsis margineque nigris; pedibus
obscure testaceo-fuscis, nigro-sub-annulatis et-maculatis ;
abdomine supra pube sub-lutea crassa vestito, in fundo
punctis maculisque parvis nigris dense variato; vulva ex
tuberculis duobus humilibus rotundis constanti, a quibus
linee duæ crassæ parallele nigre anteriora versus sese
extendunt. — g ad. Long. 41 millim.
Italia centr. (Gennazano): Bergsoë (Mus. Havn.).
Clubiona ornata cephalothorace paullo longiore
quam tibia cum patella 4:ti paris, testaceo, sulco ordinario
medio mediocri nigro; pedibus testaceis, 4:ti paris multo
(metatarso fere suo) longioribus quam 1 :mi, metatarso 4:ti
paris duplo longiore quam 1:mi, tibiis 3:tii paris subter
aculeis 14., 4:ti paris supra aculeo nullo; oculis mediis
posticis paullo longius inter se quam a lateralibus posticis
remotis, oculis anterioribus spatiis æqualibus disjunctis;
mandibulis crassis, longioribus quam patellis 1:mi paris,
a basi saltem ad medium dorsi æqualiter et fortiter arcu-
ato-convexis; abdominis dorso in fundo nigro-fusco, vitta
media antica longitudinali angusta, postice acuminata, nigra,
pone medium dorsi pertinenti, et fere in et paullo pone
96 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
medium lineis utrinque brevibus binis obliquis testaceis
notato. — ¢ ad. Long. c:a 7 millim.
Suecia (Smolandia): Wetter.
Sagana !) rutilans cephalothorace ferrugineo vel pal-
lide fusco, cum pedibus et palpis pallidius fuscis squamulis
minutis cupreo-micantibus dense vestito ; pedum proportione
ing 4,1, 2, 3, in $2,4,4 (4,49),3, abdomine nigricanti
vel sub-cinereo, supra squamulis minutis obscuris cupreo-
micantibus tecto. — 4 2 ad. Long. 81-91 millim.
Hollandia: van Hasselt; Tirolia merid. (Tridentum) ;
Canestrini.
Drassus capnodes cephalothorace patellam cum tibia
Asti paris longitudine æquanti, obscure testaceo-fusco, an-
guste nigro-marginato; oculis mediis seriei antica leviter
modo procurvæ majoribus quam lateralibus, et spatio majore
disjunctis quam quo distant medii postici inter se; pedibus
testaceo-fuscis, tibiis 4:mi paris apice subter aculeo 1,
2:di paris ibidem aculeis 2 armatis, tibiis 3:tii paris non
supra aculeatis; tarsis metatarsisque anterioribus scopula
instructis; parte tibiali palporum apice, supra, in procursum
fortissimum, basi latissimum, versus apicem sub-obtusum
angustatum, anteriora versus et paullo foras directum, leviter
deorsum arcuatum super partem tarsalem producto. — 3 ad.
Long. c:a 7 millim.
Germania (Niesky Lausatiæ): Zimmermann.
Drassus fulvus cephalothorace longiore quam tibia
cum patella 4:ti paris, toto saturate testaceo ; oculorum serie
antica leviter modo procurva, oculis mediis paullo majori-
bus quam lateralibus et ab iis spatio paullo minore, quam
quo inter se distant, sejunctis; oculis seriei posticæ mi-
1) Sagana n. g. Liocrano valde affine, Drasso simillimum. Cephalothorax sul-
cum medium habet; mandibulæ basi muticæ sunt, maxillæ levissime modo impresse,
in labium leviter inclinate et sub-incurvæ, tibia anteriores subter ordinibus duabus
longis aculeorum appressorum armate.
ALIQUOT NOVARUM. 97
nores quam seriei anticæ, mediis spatio majore disjunctis
quam quo distant medii antici inter se; pedibus saturatius
testaceis, brevioribus, femoribus 4 posterioribus supra
aculeo 1 armatis, abdomine sub-testaceo , pube densa nitida
sericea fulva tecto. — 2 ad. Long. c:a 441 millim.
Montes Pyrenei: Schiödte commun. (Mus. Havn.).
Drassus cerdo cephalothorace breviore quam tibia
cum patella 4:ti paris, ferrugineo-fusco; serie oculorum
antica procurva, oculis mediis minoribus quam lateralibus et
longius inter se quam ab iis distantibus ; pedibus ferrugineo-
testaceis, femoribus supra aculeis 1.1. armatis, tibiis poste-
rioribus tantum subter et in lateribus, non supra, aculeatis ;
abdomine cinereo-testaceo , scuto parvo triangulo ferrugineo-
testaceo ad basin; palporum parte tibiali breviore quam
patellari, in apice lateris exterioris, infra, in procursum
sat fortem sursum curvatum excurrenti. — 3 ad. Long. c :a
81 millim.
Italia septentr. (Liguria): Canestrini.
Drassus pietus cephalothorace non longiore quam
tibia cum patella 4:ti paris, testaceo-fusco, linea tenui
media nigra antice radiisque paullo obscurioribus in lateri-
bus; oculis seriei anticæ leviter procurvæ æqualibus, mediis
eorum longius inter se quam a lateralibus anticis distanti-
bus, et spatio majore disjunctis quoque quam quo distant
medii postici inter se; mandibulis basi geniculato-convexis,
longitudine metatarsorum 4:mi paris; pedibus 1:mi paris
non parum longioribus quam 2:di, femoribus omnibus
aculeis supra 14 armatis, tibiis 4 anterioribus, ut meta-
tarsis 1 :mi paris, aculeis carentibus, reliquis tibiis subter
tantum et in lateribus aculeatis; abdominis fundo sub-
cinereo, supra in medio antice vitta abbreviata, posteriora
versus angustata, nigrore limitata, et tum utrinque lineis
paucis obliquis nigris ornato. — d # ad. Long. c: a 64 millim.
Hispania: Schiödte commun. (Mus. Havn.).
98 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
Drassus tenellus cephalothorace paullo breviore
quam tibia cum patella 4:ti paris, testaceo, margine con-
colore; oculis seriei anticæ rectæ spatiis æqualibus disjunctis,
mediis minoribus quam lateralibus; oculis mediis posticis
longius inter se quam a lateralibus posticis distantibus,
area 4 mediorum multo latiore postice quam antice, bre-
viore quam latiore; pedibus testaceis, femoribus posterioribus
supra aculeis 1.4.1 armatis; tibiis 1:mi paris subter aculeis
2222, 3:tii et 4:ti paris non modo subter et in lateribus
aculeatis, sed preterea supra aculeis 1.4 instructis; abdo-
mine sub-cinereo. — ¢ ad. Long. 5 millim.
Italia septentr. (Patavium): Canestrini.
Drassus (?) spinulosus cephalothorace testaceo,
breviore quam tibia 4:ti paris; oculorum serie postica
leviter recurva, antice recta, oculis ejus æqualibus; oculis
mediis longius inter se quam a lateralibus ejusdem seriei
remotis; pedibus testaceis, longis et gracilibus, tibiis et
metatarsis 4 anterioribus subter utrinque serie aculeorum
minutorum densissimorum instructis et inter eas aculeis
longis 2.2. (in tibiis) vel 2 (in metatarsis) armatis; abdo-
mine cinereo, interdum sub-olivaceo-maculato. — 2 ad. Long.
c:a 5 millim.
Italia septentr. (Patavium): Canestrini.
Prosthesima vespertina cephalothorace parum
longiore quam tibia cum. patella 4:ti paris, nigro toto;
oculis mediis anticis minoribus quam lateralibus anticis,
mediis posticis non majoribus quam lateralibus posticis,
spatio majore inter se quam ab iis remotis, hoc spatio vix
minore quam eo quo distant medii antici inter se; pedibus
nigris; coxis et metatarsis piceis, tarsis ferrugineo-piceis,
4:mi paris (tarso fere suo) longioribus quam 2:di, his
tarso suo longioribus quam 3:tii, 4:ti paris multo (pene
metatarso suo) longioribus quam 1:mi; tibiis 4 anteriori-
bus aculeis carentibus, metatarsis 1:mi paris subter 2.,
ALIQUOT NOVARUM. 99
2:di paris 2.1 aculeis armatis; abdomine nigro, non cæru-
lescenti; vulva ex area magna pallide fusca constanti, que
ad latera sulcos duos anteriora versus paullo appropin-
quantes, sub-incurvos, postice inter se unitos ostendit,
spatio interjecto paullo latiore quam longiore, postice leviter
rotundato, utrinque levissime excavato. — 2 ad. Long.
6—81 millim.
Italia centr. (Gennazano): Bergsöe (Mus. Havn.)
Prosthesima hirta cephalothorace nigricanti, fusco-
pubescenti; pedibus sub-testaceo-nigricantibus, tarsis meta-
tarsisque sordide flavis; 1:mi paris tarso suo longioribus
quam 2:di, 4:ti paris fere metatarso suo longioribus
quam A:mi, tibiis metatarsisque anterioribus aculeis
carentibus; abdomine nigro, pube fusca fere tecto, scuto
basali dorsi sub-cæruleo-micanti; palpis sordide flavo-
testaceis, partis patellaris apice in latere exteriore, magis
infra, in procursum sub-acuminatum, sat fortem, porrec-
tum, versus apicem paullulo foras curvatum, ipsa parte
tibiali breviorem producto, bulbo genitali ad apicem lateris
exterioris spina forti, oblique retro et foras directa, sursum
fere in circulum curvata instructo. — ¢ ad. Long c: a 51 millim.
Italia septentr. (Liguria): Canestrini.
Prosthesima nana cephalothorace æque longo atque
tibia cum patella 4:ti paris, obscure nigro-fusco; oculis
mediis anticis paullo minoribus quam lateralibus anticis,
et spatio majore disjunctis quam quo distant medii postici
inter se; pedibus nigricantibus, coxis femoribusque nigris,
tarsis flavo-testaceis; 4:ti paris pedibus tarso suo quam 4 :mi
paris longioribus; tibiis anterioribus subter versus medium
aculeo parvo, metatarsis anterioribus aculeis 2.2. subter
instructis; abdomine nigro, fusco-pubescenti ; palpis flavis,
basi testaceo-nigricantibus, parte tibiali apice extus in pro-
cursum sat tenuem, rectum, dimidiam longitudinem partis
patellaris fere equantem producto. — 4 ad. Long. c: a 31 millim.
Dacia (Gallatz): Al. v. Nordmann.
100 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
Prosthesiina villiea cephalothorace æque longo
atque tibia cum patella 4:ti paris, obscure fusco; oculis
mediis serieiantice reliquis oculis minoribus ; pedibus obscure
fuscis, basi subter pallidioribus, metatarsis tarsisque omni-
bus pallidioribus quoque, anterioribus flavo-testaceis ; tibiis
anterioribus aculeis carentibus, metatarsis anterioribus
aculeis 2. subter armatis; abdomine nigricanti, sub-coeruleo-
vel æneo-micanti; vulva ex area constanti oblonga, ad
maximam partem costis duabus latis, parallelis, pallidis,
intus linea fusca antice incurva limitatis occupata, antice
margine elevato fere A formi, postice elevationibus dua-
bus fuscis antice divaricantibus limitata. — ¢ ad. Long.
c:a 6 millim.
Austria: v. Kempelen.
Gnaphosa plebeja cephalothorace longiore quam
patella cum tibia 4:ti paris, limbo angusto, leviter incras-
sato circumdato, obscure testaceo-fusco,\ nigro, partem
cephalicam postice amplectenti, radiisque in lateribus sub-
ramosis notato; oculis mediis seriei antica procurvæ multo
minoribus quam lateralibus ; pedibus obscure testaceo-fuscis,
tibiis 4 anterioribus aculeo unico (apice, subter) armatis,
metatarsis anterioribus subter aculeis saltem 2.; 2:di paris
pedibus paullo tantum longioribus quam 3:tii, 4:ti multo
(metatarso suo) longioribus quam 1 :mi, tarsis et metatarsis
anterioribus scopula instructis ; abdomine nigricanti, supra
pube fusca tecto; vulva ex fovea sat magna constanti, cujus
margo anticus in procursum crassum retro productus
est, fundus vero testaceus, pone hunc procursum V nigro
notatus. — 2 ad. Long. c:a 81 millim.
Italia septentr.: Canestrini.
Dasumia !) tæniifera cephalothorace obscure testa-
1) Dasumia n. g. Dysderæ et præsertim Harpacti valde aftine, ab hoc vix nisi
numero unguiculorum tarsorum distinguendum: tarsi 4 anteriores fasciculis unguicu-
laribus carentes, unguiculis trinis instrueti sunt, 4 vero posteriores binis tantum
unguiculis et fasciculis uaguieularibus muniti.
ALIQUOT NOVARUM. 101
ceo-piceo, nigro-marginato, omnium subtilissime coriaceo,
paullo breviore quam tibia cum patella 4:ti paris, latitudine
frontis dimidiam partis thoracicæ latitudinem non superanti ;
oculis mediis anticis spatio oculi dimidia diametro minore
disjunctis; mandibulis angustis, sub-cylindratis, parum
porrectis, patellas 2 :di paris longitudine æquantibus ; pedibus
pallide testaceo- vel rufescenti-fuscis, 1:mi paris cephalo-
thorace 4:plo longioribus, femoribus omnibus aculeis paueis
armatis, patellis 3:tii paris aculeo 1 antice instructis;
abdomine obscure cinerascenti; bulbi genitalis corpore
brevi, lato in scapum omnium longissimum, bis curvatum,
basi spina forti deorsum curvata armatum excurrenti. — ¢
ad. Long c:a 64 millim.
Italia centr. (Gennazano): Bergsöe (Mus. Havn.).
Harpactes Seidelii cephalothorace obscure testaceo-
fusco , nigro-marginato , omnium subtilissime coriaceo , paullo
breviore quam tibia cum patella 4:ti paris, latitudine frontis
dimidiam partis thoracicæ latitudinem non superanti ; oculis
mediis anticis spatio dimidia oculi diametro minore disjunctis;
mandibulis angustis, sub-cylindratis, fere directis, ing,
sed non in ¢, patellas 1:mi paris longitudine æquantibus ;
pedibus testaceo-fuscis, 1:mi paris cephalothorace circiter
31 (3) vel 31 (2) longioribus; patellis 3:tii paris aculeo
carentibus, femoribus omnibus aculeatis, 1:mi paris antice
versus apicem sub-incrassatis; abdomine pallide cinereo-
testaceo; bulbo genitali in scapum longum angustum excur-
renti, qui versus apicem fortiter curvatus est, ad basin
procurso longissimo forti curvato instructus et in et ad
apicem dente curvato, spinis duabus longioribus procursoque
parvo obtuso munitus. — ¢ ¢ ad. Long d c:a 4}, 2 61
millim.
Germania (Comitatus Glatz Silesiæ): Zimmermann
commun.
Harpactes piliger cephalothorace obscure testaceo-
102 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
fusco, nigro-marginato, omnium subtilissime coriaceo,
paullo breviore quam tibia cum patella 4:ti paris; oculis
mediis anticis spatio 1 diametri oculi non superanti disjunctis;
pedibus pallide fusco-testaceis, prop. #,1,2,3, 4:ti paris
parum longioribus quam 1:mi, qui cephalothorace c:a 3}
longiores sunt; femoribus omnibus aculeatis; abdomine
pallide cinerascenti, maculis nigricantibus nebuloso ; bulbo
genitali simplicissimo, pallide testaceo, inverse ovato, vel
fere ellipsoidi, apice spina gracili leviter curvata et pilo
sub-recto longis instructo. ¢ ad. Long. c:a 4 millim.
Italia centr. (Gennazano): Bergsöe (Mus. Havn.).
Ummidia 1) pieea cephalothorace nigro-piceo, supra
crasse rugoso; sterno, labio, maxillis et coxis subter
testaceo-fuscis, pedibus præterea sub-piceis apice clarioribus,
4:ti paris cephalothorace circiter duplo et dimidio longiori-
bus; abdomine sub-testaceo-nigricanti, granulis parvis et
setis brevibus consperso. — ¢ ad. Long. c:a 12 millim.
Hispania (Torre Vieja): Westring commun.
Nemesia Dorthesii cephalothorace tibiam 4:ti paris
longitudine æquanti, fusco-testaceo, vitta longitudinali
media lata obscure testaceo-fusca, antice furcata, utrinque
radianti notato; diametro longiore oculorum lateralium
anticorum diametrum oculi medii antici æquanti; palporum
parte tibiali ad apicem aculeis multis (c:a 12) armato;
pedibus fusco-testaceis, aculeis multis undique munitis,
tarsis inermibus; tibia 1:mi paris supra, antice et postice
aculeis 1.1.1., subter 2.2.2., preeter spina in apice subter,
armatis; patellis aculeis antice 1.1., postice 1, posterioribus
2) Ummidia n. g subfam. Theraphosinarum. Cephalothorax non multo longior quam
latior, humilis, fovea ordinaria media sub forma sulci fortissimi procurvi apicem partis
cephalicæ parum elevate cireumdanti. Oculi aream parvam in tuberculo forti prope
marginem clypei occupant. Labium non longius quam latius. Mandibulæ breves, apice
intus in tuberculum acuminatum producta et hic dentibus paucis armata. Pedes prop.
4, 1, 2, 3, tibiis 3:tii paris supra versus basin angustatis, tarsis et metatarsis
anterioribus scopula instructis et ad latera aculeatis, tarsi unguiculis trinis praediti.
Mamillæ breves.
ALIQUOT NOVARUM. 103
præterea supra 1.1. instructis, 4:ti paris pedibus cephalo-
thorace 4:plo saltem longioribus; abdomine fusco-testaceo
P 5 ; )
maculis nigris variatum. — ¢ ad. Long. c:a 9} millim.
Hispania (Torre Vieja): Westring commun.
Xysticus uncatus cephalothorace rufescenti-ferrugi-
neo, vitta media lata pallida postice, qua antice V crasso
albicanti, maculam ordinariam cuneatam breviter acumina-
tam postice amplectenti continuatur; pedibus dense aculeatis,
ad maximam partem testaceis, anteriorum femoribus et
patellis magis piceo-fuscis, pallido-sub-variatis, 1:mi paris
pedibus cephalothorace 4:plo longioribus, tibiis anterioribus
non tantum subter et in lateribus, sed etiam supra aculeatis ;
abdominis dorso sub-ferrugineo, albo-limbato et vitta longi-
tudinali alba utrinque dentata (in maculas divulsa) ornato;
procursu superiori partis tibialis palporum apice foras
curvato, bulbo genitali subter spina longiore, apice intus
curvata, et pone eam spina breviore, recta, intus et anteriora
versus directa munito. d ad. Long c:a 34 millim.
Italia centr. (Gennazano): Bergsôe (Mus. Havn.).
Xysticus gratus cephalothorace parum breviore quam
tibia cum patella 1:mi paris, luteo-testaceo, vittis duabus
ferrugineo-fuscis, summo margine albo; pedibus robustis,
fere glabris, luteo-testaceis, maculis paucioribus nigro-
fuscis notatis, 1:mi paris cephalothorace 3:plo longioribus,
femoribus saltem 6 anterioribus aculeo singulo brevi supra
armatis; abdomine supra læte ferrugineo, nigro-sub-macu-
lato, linea antica media et utrinque vitta abbreviata antica
laterali flavescentibus ornato ; vulva ex foveis duabus majori-
bus, septo elevato longo et sat lato disjunctis constanti.
— g ad. Long. c:a 5! millim.
Italia centr. (Gennazano): Bergsöe (Mus. Havn.).
Xysticus tristiculus cephalothorace parum bre-
viore quam tibia cum patella 1:mi paris, nigro, summo
104 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
margine albo, lineisque duabus pallidis anteriora versus
divaricantibus notato; pedibus anterioribus ad maxi-
mam partem nigris, posterioribus pallidis totis; abdo-
mine supra cinereo- et sub-fusco-variato, maculis lineisque
albis et maculis nigris præsertim postice ornato; palporum
parte tibiali calcari longo in apice lateris exterioris, et
procursu forti, apice dilatato et inciso, in apice subter
instructo. — ¢ ad. Long. c:a 22 millim.
Insule Pithyusæ (St. Antonio, Ebuso): Söderlund.
Xysticus nigritus niger vel nigro-piceus, cephalotho-
race V sub-ferrugineo notato, summo margine albicanti;
pedibus testaceo-fuscis, femoribus cum basi patellarum et
tibiarum pedum saltem anteriorum nigro-piceis , 4 :mi paris
pedibus cephalothorace fere 23 longioribus, femoribus antice
aculeis 2 armatis, reliquis femoribus inermibus; tibiis
anterioribus subter aculeis 2.2., metatarsis 2.2.2 instructis ;
abdomine supra nigro, fusco-maculato, setis clavatis con-
sperso; angulo exteriore apicis partis patellaris palporum
fortiter producto et deorsum curvato, parti tibiali extus
procursus duos emittenti, bulbo genitali spina maxima et
crassissima, retro directa et deorsum curvata subter armato.
— d ad. Long. c:a 3 millim.
Dania: Schiödte (Mus. Havn.); Germania (Niesky
Lausatiæ): Zimmermann.
Lycosa plumipes cephalothorace nigro-fusco, vittis
tribus longitudinalibus testaceis, cinerascenti-pubescenti-
bus, media antice angusta et acuminata, pone oculos vix
dilatata, lateralibus vitta fusca geminatis; palpis testaceis,
nigro-pilosis et albicanti-pubescentibus, parte tarsali infus-
cata; pedibus testaceis, femoribus supra nigricanti-macu-
latis, tarsis omnibus testaceis totis, tibiis, metatarsis et
tarsis 1:mi paris pilis longissimis plumato-pilosis ; abdomine
supra nigro-fusco, vitta media abbreviata sub-testacea an-
tice. — d ad. Long. c:a 51 millim.
Rossia (Orenburg): Al. Croneberg.
ALIQUOT NOVARUM. 105
Lycosa elegans cephalothorace fere 1 millim. breviore
quam patella cum tibia 4:ti paris, nigro-fusco, vittis tribus
longitudinalibus testaceis, cinereo-albicanti-pilosis , media
antice angusta et acuminata, vix pone apicem dilatata,
lateralibus latis, non expresse geminatis ; pedibus testaceis,
femoribus supra nigro-maculatis; abdomine supra nigro-
fusco, vitta abbreviata sub-lanceolata , testaceo-fusca in medio
antice, quæ serie macularum magnarum transversarum
ejusdem coloris ad anum continuatur; vulva magna, fer-
ruginea, antice latiore quam postice, ubi utrinque repente
et profunde emarginata est. — 2 ad. Long. c:a 74 millim.
Rossia (Saraisk, Gubern. Rjazan): Groneberg.
Lyeosa Taczanowskii cephalothorace breviore
quam tibia cum patella 4:ti paris, latitudine longitudinem
tibie ejusdum paris non æquanti, nigro-fusco, vitta media
inæquali latiore fusco-testacea, que sulco fusco longiore
geminata est, antice abrupte angustata et tum plerumque
in maculam magnam transversam dilatata, serieque macu-
larum paucarum fusco-testacearum ad marginem utrinque
notato (saltem in 2) ; pedibus testaceo-fuscis, nigro-annulatis ;
vulva sat magna, posteriora versus dilatata, secundum
medium area vel lamina angusta, posteriora versus leviter
dilatata occupata, que lamina postice elevata est ibique tuber-
culo magno utrinque limitata; parte palporum tarsali in d
longa, bulbo spina longa, forti, obtusa, foras curvata et directa
subter armato; metatarsis tarsisque 1:mi paris in mare
crassioribus, illis ut tibiis subter aculeis brevissimis arma-
tis. — d 2 ad. Long. c:a 64—8 millim.
Polonia (Varsovia): Taczanowski.
Lycosa sordidata cephalothorace in fundo piceo-
nigro, que longo atque patella cum tibia 4:ti paris, lati-
tudine longitudinem tibie ejusdem paris æquanti; pedibus
piceis, femoribus nigro-annulatis, tibiis quoque et metatarsis,
quamquam minus evidenter, nigro-annulatis; abdomine in
106 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
fundo nigro; vulva ex area posteriora versus dilatata, duplo
fere longiore quam latiore, antice angusta formata, que
secundum medium septum sagitte simile, antice suleis
duobus notatum exhibet. — 2 ad. Long. c:a 6! millim.
Germania (Asciburgus mons [Riesengebirge]): Zimmer-
mann.
Lycosa celeris cephalothorace multo breviore quam
patella cum tibia 4:ti paris, quam tibia hujus paris parum
longiore, in fundo nigro, vittis tribus longitudinalibus e
pilis cinerascentibus formatis; pedibus longissimis, nigris,
fusco-testaceo-annulatis et-maculatis, tibiis 1:mi paris subter
paribus 5 aculeorum armatis; abdomine nigro, supra macula
lanceolata cinerascenti-pilosa in medio antice notato, et
preterea maculis albis sparso, postice in tres series ordina-
tis; area vulve sat magna, sub-triangula, impressione
secundum medium fere fusiformi, que septo longitudinali
angusto in duas divisa est. — 2 ad. Long. c:a 9 millim.
Italia septentr.: Ganestrini.
Lycosa Eisenii cephalothorace breviore quam patella
cum tibia 4:ti paris, latitudine tibie hujus paris longitu-
dinem quanti, nigricanti, vitta media angusta, pallida,
antice abbreviata, fusco-cinereo-pubescenti notata, vittaque
utrinque marginali minus expressa, ex pube cinerascenti
formata; palpis pedibusque obscure testaceo-fuscis, albicanti-
pubescentibus, annulis densis nigris nigro pubescentibus ;
abdominis dorso nigro, pube cinerascenti vestito et sub-
variato, macula lanceolata sub-cinerea in medio antice
et maculis minutis parvis albicantibus postice, in tres
series versus anum appropinquantes ordinatis; ventre
testaceo-fusco, pube cinereo-albicanti tecto; vulva ex
area leviter impressa clariore, longa et angusta, postice
utrinque fortiter rotundato-dilatata constanti, cujus pars
antica angusta costa testacea, sulco medio geminata, persecta
est. — 9 ad. Long. c:a 7 millim.
Lapponia Suecica: Dr. F. Björnström.
ALIQUOT NOVARUM. 107
Tarentula edax cephalothorace breviore quam patella
cum tibia 4:ti paris, latitudine longitudinem tibie ejusdem
paris non æquanti, nigro-fusco , ferrugineo-fusco-pubescenti,
vitta longitudinali media lata dense cinerascenti-pubescenti
ornato; palpis testaceis, ad basin nigricanti-maculatis , bulbo
in medio lateris exterioris dente parvo, foras directo, fusco
armato; pedibus fusco-testaceis, femoribus nigricanti-macu-
latis; abdomine fusco, pube in medio dorso cinerascenti,
versus latera ejus sub-fusca, tecto, ventre dense cine-
rascenti-pubescenti. — ¢ ad. Long. c:a 5% millim.
Polonia (Varsovia): Taczanowski.
Dolomedes Etalicus cephalothorace testaceo-fusco,
testaceo-limbato, ad margines albicanti-pubescenti, pedibus
testaceis, aculeis longis armatis; abdominis dorso in lateri-
bus albicanti-pubescenti, in medio olivaceo-testaceo , macula
longitudinali sub-lanceolata fusciore antice notato, tum
nigricanti-maculato et serie punctorum albidorum utrinque
ornato; palpis maris testaceis, parte tarsali nigra, testaceo-
maculata, partibus patellari et tibiali conjunctis paullo
breviore; procursu versus apicem lateris exterioris partis
tibialis sito compresso, apice late sub-angulato-truncato,
angulo apicis exteriore paullo dilatato. — 4 ad. Long. c:a
9 millim.
Italia centr. (Gennazano): Bergsöe (Mus. Havn.)
Heliophanus atratus niger, nitidissimus, æneo-
micans; pedibus aut (3) nigris, tarsis obscure testaceis,
aut (2) cum palpis flavis, interdum basi nigricantibus;
tibiis metatarsisque anterioribus in g subter aculeis longis
armatis, in d aculeis carentibus; parte femorali palporum
in d inermi, apice lateris exterioris partis tibialis vero in
procursum rectum producto ; vulva ex fovea constanti magna,
transversa, septo medio angusto in duas partita. — d 2 ad.
Long. ¢ paullo plus 2, ¢ 3 millim.
108 DIAGNOSES ARANEARUM EUROPÆARUM
Germania (prope Limburg): Zimmermann; Italia
septentr. (Liguria): Canestrini.
Attus montigenus in fundo niger, cephalothorace
anguste albo-marginato, clypeo versus latera pube cinereo-
albicanti, præterea vero pube pallide ferruginea tecto, cingulis
oculorum pallide ferrugineis quoque; palpis brevibus, in
fundo ad maximam partem ferrugineo-fuscis, apice partis
tibialis supra in formam trianguli sub-obliqui producto, apice
lateris exterioris hujus partis, magis infra, in procursum
porrectum producto; pedum prop. 4, 1, 3, 2, 1:mi paris
reliquis paullo crassioribus, ad maximam partem nigris,
tarsis fusco-testaceis, tibiis et metatarsis densius fusco-
pilosis, reliquis pedibus ferrugineo-fuscis, femoribus ad
maximam partem nigris. — d ad. Long. c:a 5 millim.
Germania (Asciburgus mons [Riesengebirge]): Zimme r-
mann.
MICROLEPIDOPTERA,
NIEUW VOOR DE FAUNA VAN NEDERLAND,
MEDEGEDEELD DOOR DE HEEREN
H. W. DE GRAAF en P. C. T. SNELLEN.
De vroegere aanvullingen van de lijst in de Bouwstoffen
vindt men in dit Tijdschrift, deel 8, bl. 36 en Serie 2,
deel 1, bl. 42; deel 3, bl. 49; deel 4, bl. 203;
deel 5, bl. 218; deel 6, bl. 232; deel 8,
bl. 26 en 231 en deel 17, bl. 226.
TORTELEINEN.
Gonchylis Zephyrana Treits. VIII. p. 127. —
v. Heinem. Wickler, p. 79.
Var. Dubrisana Curt.
Noord-Brabant : bij Breda werden 29 Mei 1874 twee
mannetjes dezer varieteit gevangen door den heer F. J. M.
Hevlaerts; zij zijn ongeveer gelijk aan twee Engelsche
exemplaren in mijne collectie, slechts wat minder zwart
bestoven. Achtervleugels bij een der Bredasche exemplaren
grijs, bij het andere wit, aan de punt slechts met enkele
grijze schubben en het begin van eene grijze franjelijn.
(Snellen)
Grapholitha quadrana Hübner, fig. 233. — v.
Heinemann, Wickler, p. 216.
Noord-Brabant: Breda, in het Liesbosch, den 26 April
1874 een dozijn gave exemplaren gevangen. De vlinders
440 MICROLEPIDOPTERA.
vlogen in den namiddag op uit gras dat langs kreupelhout
groeide. De mannen zijn grooter en hebben breeder vleu-
gels dan de wijfjes; deze hebben twee, vry duidelijke
donkere dwarsbanden op de bovenvleugels, die bij de
mannen tot twee donkere binnenrandsvlekken zijn inge-
kort. (Snellen.)
Grapholitha dorsana Fab. — Lunulana Hübn.
fig. 35.
Noord-Brabant: Bergen-op-Zoom, 28 Mei 1874 (Heylaerts).
Een mij toegezonden mannetje is gelijk aan mijne West-
Duitsche exemplaren. (Snellen.)
Phthoroblastis vernana Knaggs, Ent. Monthly
Mag. IV (A867—8) p. 122 en 154. — Barrett, ald. X (1873—4)
p. 146.
Gelderland: Arnhem, 18 April 1873, een mannelijk in-
divida gevangen door den heer van Medenbach de Rooy Jr.
Deze soort is blijkens de mannelijke vleugeladeren eene
Phthoroblastis. (Snellen).
Phthoroblastis pinetana Schläger, Berichte
des Thür. Tauschvereins, 1848, p. 253. — Herr,-Schaeffer ,
Syst. Bearb. IV. 274, fig. 398. — v. Heinem. Wickler, p.109.
Noord-Brabant: Breda, een zeer gaaf wijfje, in April
1874 in het Mastbosch gevangen door den heer Heylaerts,
werd door Prof. Zeller bestemd. Een eenigzins afgevlogen
mannetje is den 26 April 1874 in het Liesbosch door mij
uit Pinus sylvestris geklopt. De beschrijving van Schläger,
door Prof. Zeller in afschrift aan den heer Heylaerts mede-
gedeeld, past zeer goed op deze beide exemplaren. De
afbeelding van Herr.-Schaeffer gelijkt minder, maar werd
blijkens den tekst naar een «ziemlich verflogenes Männ-
chen» vervaardigd.
Ook deze soort is, blijkens de mannelijke vleugeladeren
eene Phthoroblastis. (Snellen.)
MICROLEPIDOPTERA. 4414
PEN FIN EN:
Oecophora lunaris Haworth. — Stainton, Ins.
Brit. p. 159.— v. Heinem. Motten, p. 383. — Batia lunaris
Curtis, Brit. Entomol. 545.
Zuid-Holland: den Haag, 14 Julij 1874, een wijfje ge-
vangen, zittende tegen een geopend raam in een tuinka-
mer. (de Graaf.)
Peritirva obscurepunctella Stanton, Ins. Brit.
p. 178. — Herr.-Schaeff. Syst. Bearb. V. p. 314. fig. 924.
Gelderland: Arnhem, 27 April 1874 (v. Medenb. de
Rooy Jr.). Noord-Brabant: Breda, 26 April 1874, twee
exemplaren gevangen, het eene des voormiddags zittende
op een bloem van Sorbus aucuparia, het andere in den na-
middag vliegende. (Snellen.)
Stainton geeft de volgende diagnose: Alis anticis nitidis
griseo-fuscis, punctis duobus obsoletis (altero plicae mediae ,
altero disci) fuscis. Exp. al. 44 lin.
Naar een onzer gave exemplaren te oordeelen, schijnt
het juister de diagnose aldus te stellen:
Alis anticis nitidis fusco-griseis, striolis duabus plicae (altera
propre basin, altera prope medium) punctoque disci post me-
dium, fuscis. Exp. alar. 7—9 mm.
De twee striolae schijnen uit een in ’t midden afgebro-
ken langstreepje te bestaan. Ook op Herrich-Schaeffer’s
afbeelding ziet men twee zulke striolae, maar het punctum
disci plaatst hij ten onregte in dezelfde lijn met de striolae.
Dit puntje staat hooger.
Argyresthia aurulentella Stainton, Ins. Brit.
p. 489. — Herr.-Schaeff. Syst. Bearb. V. p. 272.
Utrecht: de Bildt, 20 Augustus 1874, vele exemplaren
uit Juniperus communis geklopt. (Snellen.)
149 MICROLEPIDOPTERA.
Nepticula Zelleriella Snellen, Tijdschr. v. Ent.
Deel 18 (moet nog geplaatst worden).
Zuid-Holland: bij den Haag aan den duinkant in de
eerste helft van Mei (Snellen).
Bohemannia quadrimaculella Boheman. — Stain-
ton, Manual, Il. p. 439. — Herr.-Schaeff. Syst. Bearb. V.
p. 353. fig. 1004 (de kleur dezer figuur is purperkleurig,
maar moet koperkleurig zijn).
Noord-Holland: Vogelenzang, een exemplaar den 22 Julij
1864 door den Heer H. J. Veth gevangen.
November 1874.
NEPTICULA ZELLERIELLA nov. sp.
BESCHREVEN DOOR
PAC Gh SNELLEN.
(Afgebeeld plaat 7, fig. 1—4.)
Verscheidene jaren geleden ving ik aan den duinkant bij
's Gravenhage, in de eerste helft van Mei eenige exempla-
ren van eene Nepticula, waarin ik, hoewel dé voorwerpen
tamelijk afgevlogen waren, met zekerheid Zeller’s Lyonetia
hemargyrella, Isis 1859, p. 215, Linnaea III, p. 323, meende
te herkennen. Zeller echter, aan wien ik het beste mijner
voorwerpen ter revisie toezond, meldde mij: «Weicht zu
schr von Hemargyrella Zell. (Heinemann in der Wiener
Monatschrift 1862, p. 310) ab, als dass sie nicht alle Wahr-
scheinlichkeit für sich haben sollte, eine verschiedene Art
zu sein. HS. Fig. 816 Ignobiliella stellt meine Hemargyrella
gut vor.» Niettegenstaande deze uitspraak van den geleer-
den Lepidopteroloog en ofschoon ieder regt heeft als de beste
uitlegger zijner eigene woorden te worden beschouwd, kon
ik toch geen genoegen nemen met het ontvangen bescheid
en bleef mijne Nepticula voor Hemargyrella Zeller houden,
doch moest, omdat mijne exemplaren niet gaaf waren,
voorloopig zwijgen. In mijn gevoelen werd ik echter later
versterkt door het aantreffen van een zeer gaaf voorwerp
op de bovengenoemde vangplaats. Het ontkwam mij, doch
niet, voor dat ik duidelijk had gezien dat het niet specifiek
van mijne vroeger gevondene vlindertjes verschilde.
De zaak bleef echter rusten tot Mr. H. W. de Graaf mi]
8
114 NEPTICULA ZELLERIELLA NOV. SP.
in September Il. eene Nepticula bragt (waarmede hij tevens
zoo goed was mijne collectie te verrijken), die hij tot geene
der gepubliceerde soorten kon brengen en dus voor nieuw
hield. Bij nader onderzoek herkende ik hierin mijne He-
margyrella en nam mij voor op nieuw de beschrijvingen te
raadplegen.
De uitslag van mijn onderzoek bleef evenwel dezelfde.
Ik verzocht dus den heer Brants de goedheid te hebben
eene afbeelding te maken van het zeer gave voorwerp dat
de heer de Graaf gevangen had. Deze afbeelding is op de
aangehaalde plaat wedergegeven en wie haar nu met Zeller’s
beschrijving in de Isis vergelijkt, zal moeten toestemmen dat
deze op de afbeelding niet alleen volkomen past, maar ook
op geene bekende Neplicula beter. Ik schrijf hierbij Zeller’s
woorden af: 9. Hemargyrella Koll. p.98 « Grösse der vorigen
(Argyropeza Zell); die Vorderfl. zugerundet, glänzend, gelb-
lichweiss mit violettem hinteren Drittel; die Kopfhaare
gelblich; die Augendeckel weisslich. Nur 2 Exemplare bei
Gl(ogau) in Gesellschaft der Aryyropeza gefangen.» Hetzelfde
is het geval met de Hemargyrella der Linnaea (« Alis ante-
rioribus exalbidis nitidulis, apice fusco-violaceo , capillis
pallidis, antennis fuscescentibus, conchula exalbida.»)
Wie echter met mijne afbeelding en Zeller’s beschrijvin-
gen de Ignobiliella HS. fig. SIG vergelijkt, zal, niettegen-
staande Zeller’s in den aanvang medegedeelde woorden,
moeten erkennen dat Herrich-Schäfler een geheel ander
dier voor zich had. Inderdaad, het onderscheid is in het
oog loopend en zoo groot dat het onnoodig wordt om de
punten van verschil nog op te sommen. Ook de Hemargy-
rella van von Heinemann, Wien. Ent. Monatschrift 1862,
p. 310, is blijkbaar iets anders (Capillis dilute ochraceis ;
antennis maris longioribus, conchula alba; alis anterioribus
flavido-albis, nitidis, apice fuscis, fascia post medium lata,
ubrecta, subargenteu, basin versus linea subfusca terminata,
ciliis apice late albidis). Alleen het «al. ant. flavido-albis»
past; al het andere daarentegen slaat wel op de ook geci-
NEPTICULA ZELLERIELLA NOV. SP. 445
teerde Ignobiliella H.S., f. 816, doch, en speciaal het onder-
streepte, geenszins op Hemargyrella Zell. en mijne afbeel-
ding. Wel is waar plaatst von Heinemann zijne Hemar-
gyrella in de eerste afdeeling van Nepticula, «Die Franzen
der Vdfl. ohne dunkle Theilungslinie, gegen ihre Spitze
allmälig lichter werdend», terwijl Herrich-Schäffer’s afbeel-
ding eer een dier uit de tweede afdeeling voorstelt; doch
voor von Heinemann’s Bemerkungen über die Arten der
Gattung Nepticula (Wien. Monatschr. I. ce.) schijnt men op
dit kenmerk, waardoor de Neptieula’s in twee scherp ge-
scheiden afdeelingen worden gesplitst, niet genoeg te hebben
gelet. (Zie Herrich-Schäffer’s afbeeldingen der Nepticula’s.
Deze Ignobiliella H.S. en Hemargyrella von Heinem. passen
uitmuntend op gevangen exemplaren van de op beuken
levende soort, thans als Turicella H.S. bekend'), waarbij
de Regensburger Lepidopteroloog ook zijne figuur 816
teregt citeert. Zij is dus geene bijzondere soort, zoo als v.
Heinemann wil en Woeke in de laatste uitgave van zijnen
Catalogus doet voorkomen.
Moet nu echter de naam Hemargyrella aan Zeller’s, hier
afgebeelde soort worden gegeven? Ook dit niet, want die
naam is niet van Zeller afkomstig, maar zoo als deze op-
geeft van Kollar en wel uit diens Systematisches Verzeich-
niss der Schmetterlinge im Erzherzogthum Oesterreich
(Beitrag zur Landeskunde Oesterreichs 1832, vide Hagen,
Bibliogr. I, p. 430) en Zeller heeft, mijns inziens, Kollar’s
beschrijving geheel verkeerd verstaan. Ik geef haar naar
Zeller’s copie in de Linnaea: « Oecophora hemargyrella.
Grösse und Form der Nigrella; einer der kleinsten Schaben.
Kopf weiss geschöpft. Fühler weisslich, metallisch glänzend.
Vorderflügel von der Wurzel bis über die Hälfte dunkel
silberfarben , matt; hierauf folgt eine glänzende Silberbinde ;
Spitze dunkel violett. Franzen lang und weiss. Hinterflügel
1) Von Heinem. ving zijne Hemargyrella »Bei Braunschweig an Buchenstämmen
im Mai »
116 NEPTICULA ZELLERIELLA NOV. SP.
weisslich grau. In Buchenwäldern bei Wien selten in April
und Mai.» Zeller teekent aan dat «die glänzende Silber-
binde das einzige ist was Bedenken gegen meine Species
erregen könnte.» Het is wel het allervoornaamste maar
niet het eenige, en ik houd het voor niet twijfelachtig dat
hier door Kollar dezelfde dieren worden bedoeld die Herr.-
Schäffer als Ignobiliella, f. 816 afbeeldt en von Heinemann
als Hemargyrella beschrijft, namelijk niet geheel gave, ge-
vlogen hebbende exemplaren van Turicella H.S. zoo als ik
die ook meermalen heb gevonden en waar de kopharen
bleeker en het lichtere wortelgedeelte der voorvleugels meer
zilvergrijs worden dan zij bij versche, pas uitgekomen
exemplaren zijn.
Prof. Zeller moest dus eigenlijk gezegd hebben, dat de
afbeelding van Dr. Herrich-Schälfer Kollar’s Hemargyrella
goed voorstelde, doch niet zijne eigene. De slotsom van
al het voorgaande is dus dat Turicella Herr.-Sch. voortaan
Hemargyrella Kollar moet heeten ') en Zeller’s Hemargyrella
een’ nieuwen naam bekomt waarvoor ik, ter eere van mijn’
hooggeachten vriend, dien van Zelleriella voorsla.
Behalve het zeer gave, afgebeelde voorwerp van den heer
de Graaf, heb ik nog een ander gaaf exemplaar in mijne
collectie, afkomstig van von Heinemann, die het aan Dr.
Speyer als Sorbivora v. Hein. in. litt. had gezonden. Het
verschilt van het afgebeelde doordat de violette vlek aan
de voorvleugelpunt wortelwaarts afgerond is en komt dus
volkomen overeen met Zeller’s aangehaalde beschrijving in
de Linnaea.
Nepticula Zelleriella is, wanneer men gave exemplaren
voor zich heeft, eene zeer kenbare en scherp te karakte-
riseeren soort, welke, uithoofde der teekening van de franje
der voorvleugels, tot von Heinemann’s Afdeeling Il be-
hoort: «Die Franzen der Vorderflügel mit deutlicher oder
1) Zeller schijnt zijne eigene Hemargyrella te hebben vergeten, welligt door het
verloren gaan der exemplaren, en haar in later tijd met die van Kollar voor iden-
tiek te hebben gehouden. Zie ook von Heinemann, 1, e., p. 310 bij Zwricella.
NEPTICULA ZELLERIELLA NOV. SP. 147
angedeuteter Theilungslinie, dahinten, scharf abgeschnit-
ten, lichter» Verder komt zij in sectie B «Vorderflügel
ohne lichte Binde hinter der Mitte» alwaar, om hare lichte,
donker gepunte voorvleugels, eene geheel nieuwe «groep»
moet worden afgebakend, waar zij tot dus verre nog zon-
der genooten is.
De kopharen zijn onzuiver okergeel, de nekpluimpjes
en de oogdeksels geelwit even als de voorvleugels. Van
deze is de wortel en de eerste helft van voor- en binnen-
rand eenigszins donkerder, leemkleurig. Het middenge-
deelte, vooral tegen de donkere punt, is het lichtst en,
vooral bij mijn Duitsche exemplaar duidelijk blinkend,
doch volstrekt niet in die mate, dat men van een lichten
dwarsband zou kunnen spreken. De donkere punt is tegen
den vleugelwortel duidelijk violet, naar de franje toe wor-
den de schubben meer grauwbruin. Zij beslaat bij het
exemplaar van den heer de Graaf slechts een groot vierde
van den vleugel en is wortelwaarts een weinig hol, bij het
Duitsche kan men de violette punt op een derde schatten
en zij is, als boven gezegd, wortelwaarts bol. De franje
is scherp afgescheiden grijswit, ook die der lichtgrijze
achtervleugels. Onderzijde en achterlijf wat donkerder grijs,
de pooten geelwit, donkergrijs gevlekt. Sprieten langer
dan de helft der voorvleugels, niet alleen bij het inlandsche
mannetje, maar ook bij het Duitsche voorwerp dat een
wijfje is. Vleugeladeren als bij Gratiosella, de tweede tak
der middenader gevorkt. Grootte die van Marginicolella
Stainton. Mijne vroeger gevangen exemplaren vlogen des
avonds op 16 en 25 Mei in kreupelhout, dat uit eiken, po-
pulieren en ahorn bestond; het voorwerp van den heer de
Graaf is den 19° Junij 1874 op Salix repens gevangen, mede
bij ’s Gravenhage. Welligt leeft de rups op dit gewas;
het stond ook niet ver van de vliegplaats der door mij
gevangen exemplaren. Zeller had zijne exemplaren aan
espenstammen gevangen.
Rotterdam, 27 October 1874.
BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN
CALAMIA LUTOSA Hüsn.
DOOR
C..0d-. GRU BE
(Lie plaat 7, fig. a—e).
Mij in gezelschap van den heer Swierstra, Conservator
aan het museum van het genootschap Natura Artis Magistra
tot eene excursie naar een der IJdijken onzer stad bege-
vende, welker dijken wij van tijd tot tijd bezoeken, von-
den wij op een’ schoonen October-avond, behalve eene
partij rupsen van Archilonche venosa Borkh. en andere
soorten, tot ons groot genoegen eenige exemplaren van
Calamia lutosa Hübn.
Bijzonder met de vangst dezer steeds zeldzame soort in
onzen schik, onderzochten wij het terrein gedurende eeni-
sen tijd opmerkzaam, waardoor wij dien avond ruim 30
stuks konden magtig worden.
Maar wie schetst mijne vreugde, toen ik t’huis de vlin-
ders bedaard en naauwkeurig onderzocht en eene ver-
scheidenheid dezer soort in kleur en teekening, mij tot
nog toe onbekend, ontdekte.
Dadelijk sloeg ik mijne vraagbaak, «de Vlinders van
Nederland» door P. C. T. Snellen, op en ontwaarde dat
daar ook van geene verscheidenheid dezer soort gesproken
werd, zoodat ik besloot eenige afbeeldingen der vlinders
te maken en met eene korte omschrijving hiervoor aan de
BIJDRAGE TOT DE KENNIS ENZ. 119
Redactie van het Tijdschrift voor Entomologie een plaatsje
te vragen.
De kleur wisselt van zeer bleek (glanzend) geel tot bijna
bruin, sommige exemplaren met eene mooije rooskleurige
bestuiving,
sprenkeling (dit vooral bij de mannelijke exemplaren.)
De kleur van den thorax is gelijk aan die der voorvleu-
andere weder met eene zeer fijne zwarte be-
gels. Die der achtervleugels wisselt af van bijna zuiver wit
tot sterk zwart bestoven, waarbij de stippenrij bijna verdwijnt.
De stippenrijen der voorvleugels zijn bijna bij al mijne
voorwerpen enkelvoudig. Bij een enkel evenwel kan men
eene zeer flaauwe verdubbeling der tweede rij opmerken,
die zich alleen van den binnenrand tot ader 4 of 5 ver-
toont en aldaar vervloeit. De onderzijde wisselt af naar
mate de kleur der bovenzijde. De duidelijkst gekleurde
voorwerpen vertoonen tevens meestal (verg. fig. b)
eene rij pijlvlekken vóór de stippenrij of daaraan ver-
bonden.
Volgens mijne afbeeldingen heb ik mijne vlinders tot
vijf hoofdverscheidenheden gebragt, terwijl ik den voluit
geteekenden vlinder als hoofdsoort beschouw; tusschen deze
afwisselingen bevinden zich eene menigte tusschenvormen,
waardoor zij allen als ’t ware ineenvloeijen.
Volgens Guenée, Species Général, Noctuélites, die deze
soort onder den naam van Nonagria lutosa beschrijft,
komt de vlinder in Engeland vrij dikwijls voor en wisselt
aldaar zoowel in kleur als in grootte af, ook volgens de
Stett. Entom. Zeitung, waarin deze soort door den heer
Schmidt onder den naam van Bathyerga beschreven is,
wordt zij in een gedeelte van Duitschland gevonden. Ook
daar verschilt zij menigvuldig in grootte en kleur, doch
weinig in teekening.
Het spijt mij bijzonder dat ik de werken van schrijvers
als Hübner, Wood, Freyer en Herrich-Schäffer niet kan
120 BIJDRAGE TOT DE KENNIS ENZ.
raadplegen, ten einde ook volgens hunne afbeeldingen eene
betere vergelijkende beschrijving te geven. Ik vermeen
evenwel, dat de aldaar afgebeelde vlinders meest tot de
bleeke variéteit behooren.
Voor verdere naauwkeurige determinatie verwijs ik naar
het reeds genoemde werk van den heer P. C. T. Snellen.
Amsterdam, November 1874,
AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
(ZUID-WESTKUST VAN AFRIKA).
DOOR
C. RITSEMA Cz,
Nadat de door den heer M. G. van Woerden in Congo
verzamelde Lepidoptera en Hymenoptera in dit Tijdschrift
behandeld zijn 1), komen de Coleoptera aan de beurt.
Behalve ongeveer een zevental Diptera, die tot drie soorten
behooren (Psilopus flecus Löw, ¢ en 2, [zie Tijdschrift
voor Entomologie, 2% ser., dl. V (1870) blz. 227, pl. 9,
fig. a en b| en eene tot nu toe ongedetermineerde Orlaline-
en Dacus-soort) en het eigendom zijn van den heer F. M. van
der Wulp, behooren al de door van Woerden van Congo
overgezonden insecten tot deze drie orden.
Stond Dr. Piaget mij de Hymenoptera welwillend ter
bewerking af, de heer F. J. M. Heylaerts Jr. deed het wat
betreft de Coleoptera. Hem zij daarvoor mijn’ hartelijken
dank toegebragt.
Van Woerden’s collectie bevatte 56 Coleoptera, verdeeld
over 38 soorten, waarvan ’s Rijks Museum door ruil 13
soorten verkreeg, terwijl de heer Heylaerts eene soort
(eene Calleida) aan den heer Putzeys te Brussel afstond.
16 van de 38 soorten bleken nieuw voor de wetenschap
te zijn, en hare beschrijvingen komen, met uitzondering
van die der Curculioniden, in dit opstel voor.
1) Zie voor de eersten: Tijdschr. v. Entom., 2de ser., dl. VII (1872) blz. 1—110,
pl. 1—8, en voor de laatsten: Zijdschr. v. Entom. dl. XVII (1874) blz. 175 —211, pl. 11.
123 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
Als belangrijk voor de kennis van de geographische ver-
spreiding der Coleoptera zij hier nog vermeld, dat zich
in deze collectie een exemplaar bevond, van de over Noor-
delijk- en Midden-Europa en Westelijk-Azié , met inbegrip
van Perzié, verspreide Aphodius rufipes L., alsmede een
exemplaar van den voor zoo ver mi bekend is nog slechts
op Madagascar aangetroffen Coptops lituratus Klug.
Lijst der soorten.
Fam. Carabides.
3.,Galleidarspee® GM vce ccc, ee OO e
Fam. Paussides.
2, Paussus Woerdenn, nov. speen. ST)
Fam. Scarabaeides.
3. Aphodius rufipes L. 1»
4. Trochalus carinatus Schönh. die)
9. » chrysomelinus Gerst. 2»
6. Adoretus cinerarius De]. 2»
7. Temnorhynchus Diana Palis. 2»
S. Heterorrhina Africana Drur. var. A»
Fam. Elaterides.
9. Ischiodontusy Candezei, nov, spec. = =.) Sl
Fam. Malacodermata.
40; Luciola affimis ‚now. spec. PE 2)
14: Apalochrus nobilis Erichs. RR ck RS TR)
Fam. Tenebrionides.
12.40patrum Angolense;,Erichs.;, ue > 22 2
43. Anemia scalpturatas DOM spet, 22 essen
Fam. Cistelides.
44. Allecula (Dietopsis) Aethiopica, nov. spec. . . 2 »
Fam. Lagriides.
19. Lagria ;obscusagli 22. a lee a
16. » Heylaertsi, nov. spec. 2»
bo
Ot
5 D
Eee
VI VI DI N IN
KO
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
Fam. Oedemerides.
. Ananca phthisica, nov. spec.
Fam. Curculionides.
. nov: gen. et nov. spec.
. nov. gen. el nov. spec.
. Baridius nov. spec ?
Fam. Cerambicides.
. Coptops lituratus Klug.
. Ceroplesis bieincta F.
Fam. Chrysomelides.
groep Criocerini.
. Lema armata F.
>» laevicollis, nov. spec.
groep Clythrini.
Clythra (Gynandrophthalma) Woerdenii, nov.
Specs.
eroep Eumolpini.
. Rhyparida nigrolimbata, nov. spec.
eroep Chrysomelini.
. Entomoscelis cincta Oliv.
groep Gallerucini.
Galleruca (Adorium) typographica, nov. spec. .
» (Rhaphidopalpus) delata Erichs.
» (Calomicrus) intermedia, nov. spec. .
» ( » ) foveata Oliv.
» ( » ) irregularis, nov. spec. .
groep Halticini.
. Haltica (Podagrica) dilecta Dalm.
groep Hispini.
. Hispa distincta, nov. spec.
Fam. Endomychides.
. Ancylopus graphicus Gorh.. .
D => >
—
bo
bo
»
»
»
»
»
»
124 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
36. Danae Senegalensis Gerst. ; ex:
Fam. Coccinellides.
37. Cydonia lunata F. war. yulpına FN ae. >
ac. Rodolia vermiculata Thoms. …
1. Calleida spec?
Deze kever berust in de collectie van den heer Putzeys
te Brussel. Het is mij niet gelukt den naam der soort te
weten te komen.
2. Paussus Woerdenii, nov. spec.
Deze soort, die eene zeer gestrekte gedaante bezit, be-
hoort tot Westwood’s sectie B (prothorax subcontinuus) en
is zeer na verwant aan Paussus selosus van genoemden
Schrijver (Proceedings of the Linnean Society of London,
19 June 1849, p. 60, en Thesaurus Entomologicus Oxoniensis,
p- 95, pl. 19, fig. 4 en Aa).
Hare lengte bedraagt 8 mm. De sprieten, kop, pro-
thorax en pooten zijn donker roodbruin, het meso- en
het metasternum als ook de onderzijde van het achterlijf
licht geelbruin, terwijl het pygidium de kleur der pooten
bezit. De dekschilden zijn lichter en minder roodbruin
van kleur dan kop en prothorax.
De kop is vrij sterk platgedrukt en vertoont, behalve
een fijn en onbehaard doorntje tusschen de oogen, niets
bijzonders; het gedeelte dat vóór het bedoelde doorntje
ligt, is met dooreengemengde fijne en grove puntjes digt
bedekt (zeer fijn gechagrineerd); achter het doorntje be-
speurt men slechts fijne puntjes; de oogen zijn groot en
puilen sterk uit. De sprieten zijn op het voorhoofd on-
middellijk naast elkander geplaatst, zoodat er geene ruimte
tusschen open blijft. Zij komen zeer sterk overeen met
die van Paussus setosus Westw.; de knods, die evenals bij
de genoemde soort overlangs door eene scherpe kiel om-
geven is en parallel loopende zijden heeft, is echter iets
meer gedrongen van vorm, en de kegelvormige tand waarin
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 125
de scherpe achterrand aan de basis uitloopt, min of meer
gespleten; de eerste geleding is kort en dik, en zeer digt
met grove puntjes bedekt; de knods echter is wel zeer
digt, maar uiterst fijn bestippeld, en draagt verspreide korte
witte borstelhaartjes, die men ook op de geheele rugzijde
van het insect waarneemt; langs den scherpen achterrand
van de knods komt eene ri) grove goudglanzige haartjes voor.
De prothorax is smaller dan de kop met de oogen, en
evenals de kop door de fijne en digte bestippeling zonder
glans; het voorste en breedste gedeelte is door den naar
achteren uitgebogen dwarschen indruk breed hartvormig,
en door eene naauwelijks merkbare, van voren gladde en
van achteren ingedrukte langsstreep in tweeën gedeeld;
het smallere achterste gedeelte vertoont op het midden
een’ breeden overlangschen indruk, die aan de basis begint
en aan een’ flaauwen dwarschen indruk even voor den
achterrand eindigt.
De pooten zijn lang en dun, glanzend doch met ver-
spreide puntjes waarin een borstelhaartje ontspringt, be-
dekt; van de tarsen, die ongeveer zoo breed zijn als de
scheenen, is het eerste lid klein, het tweede, derde en
vierde onderling gelijk, het laatste bijna zoo lang als de
drie voorgaanden te zamen; de scheenen der achterpooten
zijn van twee eindsporen voorzien.
De dekschilden zijn glanzend, en nemen naar achteren
slechts zeer weinig in breedte toe; zij zijn bedekt met
fijne puntjes waarin een wit haartje ontspringt.
Het meso- en het metasternum is glad en glanzend, en
van slechts weinige en fijne puntjes voorzien; over het
midden van het metasternum neemt men ook eene fijne
langsstreep waar. De buikzijde van het achterlijf is glad
en glanzend, en met fijne verspreide puntjes bedekt; op
het laatste segment, dat langer is dan de beide voor-
gaanden te zamen, is de bestippeling, vooral aan de zijden,
aanmerkelijk digter; het pygidium is niettegenstaande de
grove bestippeling glanzend.
126 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
Van deze soort zond van Woerden, wiens naam ik aan
haar gegeven heb, slechts één exemplaar over, dat zich
tegenwoordig in ’s Rijks Museum te Leiden bevindt.
3. Aphodius rufipes Linnaeus, Fauna Suecica I, p. 1395
n°. 403 (Scarabaeus). — Mulsant, Histoire na-
turelle des Coléoptères de France. Lamellicornes.
p. 271 (Acrossus). — Erichson, Natwrgeschichte
der Insecten Deutschlands. Coleoptera. Bd. III,
S. 892, n°. 68. — von Harold, Berliner Ento-
mologische Zeitschrift. Jahrg. VI (4862). S. 390,
n°. 45. — Redtenbacher, Fauna Austriaca.
Käfer, 3° Aufl. Bd: 1, >. 468.
Het eenige exemplaar dat zich in deze collectie bevond,
en dat het eigendom is gebleven van den heer Heylaerts,
is 11 mm. lang en 5 mm. breed, en heeft kop en borst-
stuk donkerder van kleur dan de dekschilden, die choco-
ladekleurig zijn. Slechts door de meer bruine kleur der
pooten, die mij aan de variëteit Brunnipes, Steven 1. |
doet denken, wijkt het van de type af.
Volgens von Harold (I. ec.) is Aphodius rufipes L. over
Noordelijk- en Midden-Europa, en Westelijk-Azie met inbe-
grip van Perzië verspeid. De aanwezigheid in Congo doet ech-
ter eene veel grootere geographische verbreiding vermoeden.
4. Trochalus carinatus Schönherr, Synonymia Inseclorum.
Bd. 1, 3ter Theil. Appendix, S. 98, n°. 196
(Melolontha). — Burmeister, Handbuch der
Entomologie. Bd. IV, 2te Abth. S. 162.
Van deze soort zond van Woerden slechts één exem-
plaar over, dat zich in de collectie van den heer Heylaerts
bevindt. ’s Rijks Museum bezit van haar twee exemplaren
van den Senegal afkomstig.
5. Trochalus chrysomelinus Gerstaecker, Archiv für Na-
turgeschichte. Jahrg. XXXHI, Bd. LS. 43,
n°. 77, — id. Die Gliederthier-Fauna des Sansibar-
Gebietes. S. 117, n°. 128.
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 127
De beide exemplaren die ik voor mij heb en die het
eigendom zijn van den heer Heylaerts, zijn kleiner dan de
door Gerstaecker t. a. pl. beschrevenen, daar een van
hen 8 mm., het andere nog iets minder lang is. Het
kleinste voorwerp is roestbruin, aan de onderzijde iets
lichter; het grootste is zwart, met uitzondering van den
achterrand der dekschilden, het middelste gedeelte van
het mesosternum, het achterlijf en de pooten, welke deelen
donkerbruin gekleurd zijn; het laatste achterlijfsseement
is echter helderder van kleur dan de vorigen. Voor het
overige stemmen beide exemplaren met elkander overeen,
en beantwoorden zeer goed aan Gerstaecker’s beschrijving. —
De beide exemplaren van Gerstaecker waren in het laatst
van October aan het Jipe-meer gevangen.
6. Adoretus cinerarius Dejean, Catalogue des Coléoptères.
9° éd. p. 174 (Trigonostoma). — Burmeister,
Handbuch der Entomologie. Bd. IV, 1% Abth.
D. 470g me. 17.
Volgens den Catalogus Coleopterorum van Gemminger en
von Harold (tom. IV, p. 1235) behoort deze soort den
naam te drageri van Adorelus umbrosus F. en is voorts
synoniem met Adoretus bufo Dej., compressus Weber, hir-
tellus Casteln., luleipes Casteln., mundanus Bug., mutabilis
Hombr. et Jacq. en stupidus Wiedem., terwijl A. femoratus
Casteln. eene variéteit van haar zou zijn.
°s Rijks Museum bezit van deze soort onder den hier
aangenomen naam, behalve een der beide exemplaren van
van Woerden (het andere is het eigendom gebleven van
den heer Heylaerts), twee exemplaren van den Senegal.
7. Temnorhynchus Diana Palisot de Beauvois, Insectes
recueillis en Afrique et en Amérique p. 4. Coléo-
pteres pl.1, fig. 4 (Scarabaeus). — Burmeister,
Handbuch der Entomologie. Bd. V.S. 182, n°. 2. —
Boheman, Insecta Caffrariae. tom. II. p. 5,
n°. 675. — Gerstaecker, Die Gliederthier- Fauna
des Sansibar-Gebietes. p. 107, n°. 109.
128 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
Syn. Coptorhinus Antiochus, Dejean, Catalogue des
Coléoptères. 3° éd. p. 168.
Van deze soort zond van Woerden een paartje over,
dat aan den heer Heylaerts behoort. ’s Rijks Museum bezit
van haar één d en twee 99 eveneens van Congo, en een
grooter en donkerder gekleurd 3 van het meer zuidelijk
gelegen Mossamedes.
S. Heterorrhina Africana Drury, Illustrations of Exotic In-
sects. vol. IL p. 54. pl. 30, fig. 4 (Scarabaeus). —
Schaum, Annales de la Société Entomologique
de France. 2° sér. tom. 7 (1849). p. 249. —
Bates, Transactions of the London Entomological
Society for 1870. p. 529.
Het voorwerp dat zich in deze collectie bevond, behoort,
te oordeelen naar den gelen zoom der dekschilden, tot de
naar het schijnt in Neder-Guinea te huis behoorende
variëteit G van Schaum. De gele kleur van den zoom
strekt zich echter, doch in een’ iets minder helderen tint,
zoodanig uit over de dekschilden, dat deze slechts op de
schouders en op het achterste gedeelte de typische groene
kleur behouden hebben; zij vertoonen niettemin over
hunne geheele oppervlakte een’ fraai groenen weerschijn ;
het schildje is prachtig vuurglanzig, terwijl ook de kop,
de thorax en de geheele buikzijde van den kever eenigszins
in dien gloed deelen.
’s Rijks Museum bezit van de hier beschreven prachtige
variëteit een voorwerp, waarvan echter geen naauwkeuriger
vindplaats dan Afrika bekend is.
9. Ischiodontus Candezei, nov. spec. 1).
De lengte dezer soort bedraagt 15, de breedte 35 mm.
Zij is glanzend bruin van kleur, en vrij digt bedekt met
korte bruinachtig grijze haren. De sprieten zijn kort,
daar zij niet tot aan de achterhoeken van den prothorax
1) Zie ook voor de beschrijving dezer soort: the Entomologist’s Monthly Maga-
zine vol. X (March, 1874) p. 223.
L-
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 129
reiken; hunne geledingen zijn fijn en digt behaard en
bovendien van eenige langere haren voorzien; de derde
geleding heeft den vorm en ten naastenbij de grootte van
de vierde. De prothorax is zoo lang als breed, naar voren
versmald, terwijl de zijden een weinig gebogen zijn; hij is
behalve aan het voorste gedeelte slechts weinig gewelfd,
tamelijk digt met puntjes bedekt, die welke op de zijden
voorkomen zijn genaveld; de achterhoeken zijn naar ach-
teren gerigt, kort, scherp en gekield. De dekschilden zijn
zoo breed als de prothorax, en minstens twee en een half
maal zoo lang, op het voorste gedeelte evenwijdig, naar
achteren flaauw boogvormig versmald en een weinig toe-
gespitst; zij zijn gewelfd en met diepe van puntjes voor-
ziene langsstrepen bedekt. De kleur der buikzijde en van
de pooten is dezelfde als die van de rugzijde.
Deze soort, door mij naar Dr. E. Candèze benoemd,
behoort in de onmiddellijke nabijheid van J. ovalis Cand.
geplaatst te worden, van welke soort zij overigens door
eenige belangrijke kenmerken afwijkt. De heupen der
achterpooten zijn slechts in geringe mate hoekig, en in
dit opzigt maakt zij een’ overgangsvorm uit tusschen de
geslachten Ischiodontus en Psephus Cand.
Van Woerden's collectie bevatte van deze soort slechts
een enkel exemplaar dat aan den heer Heylaerts behoort.
Ik heb mijne determinatie aan het oordeel van den heer
Candèze onderworpen.
40. Luciola affinis, nov. spec.
Deze soort is verwant aan Luciola discicollis Lap. (Annales
de la Société entomologique de France. 1833, p. 147, n°. 2)
en nog meer aan Luciola linearis Gerst. (Die Gliederthier-
Fauna des Sansibar-Gebietes, S. 152, n°.196), welke laatste
zij slechts weinig in grootte overtreft, daar zij 8 à 9 mm.
lang is. Evenals de beide genoemde soorten behoudt zij
over hare geheele lengte dezelfde breedte.
De kop is zwart, tusschen de oogen flaauw uitgehold,
9
130 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
glanzend, en digt met puntjes bedekt; de bovenkaken zijn
geelachtig bruin, de palpen vaalzwart; de digt met graauwe
haartjes bedekte sprieten zijn zwart, de onderzijde der
beide eerste geledingen evenwel vuilbruin. De prothorax
is breeder dan lang, aan den eenigszins opgebogen voorrand
bijna regelmatig afgerond, aan den achterrand gegolfd,
met vri) sterk uitspringende, naar beneden gebogen hoeken;
de digt met fijne puntjes en graauwe haartjes bedekte rug-
zijde (pronotum) is oranje-rood, met eene van voren breed
afgeronde zwarte vlek, die zich tot digt aan den voor- en
achterrand uitstrekt, doch van de zijranden verder verwij-
derd blijft; de buikzijde van den thorax is meer geel van
kleur en minder behaard, terwijl het metasternum op het
midden zwart gekleurd is. Van de pooten zijn de heupen,
het eerste drievierde gedeelte der dijen en de klaauwtjes
der tarsen geel, het overige is vaalzwart, het midden der
scheenen echter een weinig gebruind. Het schildje is drie-
hoekig, digt met fijne puntjes bedekt en oranje-rood. De
binnen-, achter- en buitenrand der dekschilden, alsook
de omgeslagen zoom, zijn vuilgeel; langs den buitenrand
is de gele zoom breeder dan langs den binnenrand of
sutuur; het overige gedeelte der dekschilden is vaal-
‘zwart. De dekschilden zijn met graauwe haartjes en met
puntjes die min of meer in elkander vloeijen digt bedekt,
terwijl men over het midden en tusschen het midden
en de sutuur eene gladde, flaauw verheven langsstreep
opmerkt; een spoor van eene dergelijke streep komt ook
tusschen het midden en den buitenrand voor. Op de buik-
zijde van het achterlijf zijn de vier eerste segmenten zwart,
de drie eersten echter met oranje-rooden achterrand, de
beide laatste segmenten geelachtig wit; op de rugzijde
schijnt het achterlijf geheel zwart te zijn, met uitzondering
van het oranje-roode laatste segment.
Van Woerden’s collectie bevatte van deze soort twee
exemplaren; een dezer bevindt zich in de collectie van
'sRijks Museum, het andere in die van den heer Heylaerts.
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 131
11. Apalochrus nobilis Erichson, Beitrag zur Insecten-
Fauna von Angola, in: Archiv für Naturgeschichte.
ger Jahrg. (1843). Bd. I, S. 226, n°. 41.
Van deze soort zond van Woerden één mannetje over,
dat zich in de collectie van den heer Heylaerts bevindt.
12. Opatrum Angolense Erichson, Beitrag zur Insecten-
Fauna von Angola, in: Archiv für Naturgeschichte.
9 Jahre. sista). Bor Sn 247. nt 89.
De vier tot deze soort behoorende individuen zijn door
den heer Miedel te Luik, die zich tegenwoordig met eene
monographische bewerking van het geslacht Opatrum bezig
houdt, met de type uit het Berlijnsche Museum vergeleken.
'sRijks Museum te Leiden was in het bezit gekomen van
twee dezer voorwerpen, doch heeft er een aan den heer
Miedel afgestaan; de beide anderen zijn het eigendom van
den heer Heylaerts gebleven.
13. Anemia sculpturata, nov. spec.
Lang 7, breed 4 mm. — Tamelijk glanzend, zwart;
sprieten, palpen en tarsen helder roodbruin, dijen en
scheenen zeer donker bruin. De kop zeer digt bedekt met
diepe puntjes, die aan de zijden in eene overlangsche rig-
ting eenigszins ineenvloeijen; het kopschild op het midden
van den voorrand diep uitgesneden. Het pronotum ruim
tweemaal zoo breed als lang, regelmatig gewelfd; de zijden
gebogen, onmiddellijk voor den regt afgesneden achterrand
bijna onmerkbaar ingesnoerd, waardoor de hoeken een
weinig uitsteken; de vooruitspringende hoeken aan weder-
zijde van den voorrand stomp; zijranden en achterrand
eenigszins opgebogen, de voorrand ter wederzijde en de
zijranden geheel met lange bruingele haren bezet; de ge-
heele oppervlakte zeer digt en gelijkmatig met puntjes be-
dekt, langs het middengedeelte van den voorrand evenwel
eene smalle gladde lijst; het scutellum is min of meer
hartvormig en met slechts enkele puntjes bedekt. De dek-
schilden zijn niet of slechts zeer weinig breeder dan de
132 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
thorax, minder met puntjes dan wel met cene min of meer
schelpachtige sculptuur bedekt, de voorrand niet regt, maar
op het midden eenigszins naar achteren gebogen, de zij-
randen evenals die van den prothorax met lange bruingele
haren bezet. Dergelijke haren neemt men voorts aan de
pooten (vooral aan de voorzijde der dijen) alsook tusschen
de heupen van het eerste paar waar. De scheenen zijn
aan het eind sterk verbreed (aan het voorste paar is deze
verbreeding het sterkst en gaafrandig, aan de beide laatste
paren echter stomp zaagtandig of liever gekarteld) en op
het midden van den buitenrand van een’ sterken tand
voorzien; het gedeelte tusschen dezen tand en de knie is
aan het voorste paar met zes kleine tandjes gewapend,
waarvan de drie ondersten het meest in het oog loopen,
aan de beide andere paren is dit gedeelte eens of twee-
maal ingesneden; schuins over de voorzijde der scheenen
van de beide laatste pootenparen , bemerkt men nog, ter
hoogte van den tand op het midden, eene zaagtandig gewa-
pende kiel. De onderzijde van den thorax is met verspreide
bruingele haren en digt met fijne puntjes bedekt; op het
midden van het metasternum zijn deze puntjes grover en
meer verspreid geplaatst; ook de onderzijde van het ach-
terlijf draagt verspreide bruingele haren; het laatste seg-
ment is digt met puntjes bedekt, de overige segmenten
vertoonen er slechts eenigen op de voorste helft.
Het exemplaar, waarnaar deze beschrijving genomen is,
behoort aan den heer Heylaerts.
14. Allecula (Dietopsis) Aethiopica, nov. spec.
Het bezit van eene betrekkelijk groote lamel aan de
onderzijde van de voorlaatste geleding van alle tarsen, en
eene dergelijke aan het derde lid van de beide voorste
paren, de grootte van de derde geleding der sprieten in
verhouding tot de vierde (de derde is nl. slechts zeer weinig
langer dan de vierde) en die van het eerste lid der voor-
tarsen in verhouding tot het tweede en derde te zamen (het
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 133
eerste is driehoekig en korter dan de som der beide vol-
genden), heeft mij doen besluiten de hier te beschrijven
soort in het ondergeslacht Dielopsis Sol. (de Castelnau,
Histoire naturelle des Insectes Coléoptères, tom. Il, 1” part.
p. 243, en Lacordaire, Genera des Coléoptères, tom. V, 2”
part. p. 503) te rangschikken.
De lengte bedraagt 5, de breedte 2,25 mm. De kleur
is licht roodbruin, op de buikzijde helderder dan op de
rugzijde, welke laatste digt met fijne, geelachtige haartjes
bedekt is; de oogen, de groef daartusschen, de sprieten
te beginnen met de vijfde geleding, als ook de zijden en
de twee laatste segmenten van het achterlijf zijn zwart of
zwartachtig. De kop is met fijne puntjes digt bedekt en
tusschen de oogen van een’ dwarschen indruk voorzien.
Van de sprieten, die iets korter zijn dan de halve ligchaams-
lengte en onder een’ opstaanden rand zijn ingeplant, is de
tweede geleding klein, de derde een weinig langer dan de
vierde, de overigen, die behalve de eironde laatste geleding
naar het einde merkbaar breeder worden, van ongeveer
gelijke lengte. De prothorax is bijna halfcirkelvormig, aan
den voorrand echter eenigszins afgeplat, de achterrand is
driemaal gegolfd, en wel ter wederzijde van het schildje
breed en op het midden tegenover het schildje smal, ter-
wijl de uitstekende hoeken de schouders eenigszins om-
vatten; het pronotum is zeer digt met fijne puntjes bedekt,
en vertoont ter wederzijde van het schildje aan den ach-
terrand een’ flaauwen indruk. Het schildje is breed drie-
hoekig met gebogen zijden en digt met puntjes bedekt;
de dekschilden zijn overlangs gestreept, de strepen met
grove, de tusschenruimte met fijne puntjes bedekt. De
onderzijde van den kever is digt bedekt met puntjes, die
op het sternum grover zijn dan op het achterlijf. Van de
pooten zijn de scheenen en de tarsen donkerder van kleur
dan de dijen; de voorlaatste geleding van alle tarsen en
het derde lid der beide voorste paren is aan de onderzijde
van eene lamel voorzien; aan de voortarsen is het eerste
134 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
lid driehoekig en kleiner dan het tweede en derde te
zamen; de klaauwtjes der tarsen zijn met zes of zeven
tandjes gewapend.
Van de twee door van Woerden overgezonden exemplaren
bezit ’s Rijks Museum er een, de heer Heylaerts het andere.
15. Lagria obscura Fabricius, Entomologia systematica. tom.
I, pars 2. p. 79. — id., Systema Eleutheratorum. tom.
II, p. 70. — Klug, Bericht über eine auf Madagascar
veranstaltete Sammlung von Insecten aus der Ord-
nung Coleoptera. p. 99, n°. 148.. — Fairmaire,
Annales de la Société entomologique de France.
1869. p. 241.
Van deze soort zond van Woerden een paartje over. Het
wijfje bevindt zich in de collectie van den heer Heylaerts,
het mannetje in ’s Rijks Museum.
16. Lagria Heylaertsi, nov. spec.
? Syn. Lagria violacea !), Westermann i. |. Dejean,
Catalogue des Coleopteres, 3° éd. p. 237.
De lengte van deze gevleugelde soort bedraagt 8 mm.
De kop, de eerste geleding der sprieten, de thorax, het
schildje en de pooten zijn zeer donker staalblaauw, de
monddeelen en de sprieten (met uitzondering van de
eerste geleding) zwart , de onderzijde van den kever
glanzend zwart, een weinig in het blaauwe spelende. De
kop is met grove puntjes digt bedekt en draagt ver-
spreide lange witte haren; tegen den prothorax is hy
eenigszins versmald. De sprieten hebben iets meer dan
de halve ligchaamslengte; de vier eerste, eenigszins glanzige
geledingen dragen verspreide lange witte haren; de vijfde
en volgenden zijn zeer digt met fijne puntjes bedekt en
1) Onder dezen zelfden naam is door Palisot de Beauvois (Inseeies recueillis en
Afrique et en Amérique p. 141. Coléoptères pl. 30 4 fig. 4) eene Lagria-soort (van
de onze verschillend) uit het koningrijk Oware afkomstig beschreven, voorafgegaan
door de beschrijving van eene andere soort, Lagria testacea, van dezelfde plaats.
Beide soorten zal men te vergeefs in den Catalogus Coleopterorum van Gemminger
en von Harold zoeken.
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA, 199
dofzwart; de eerste geleding is dik, bijna cylindrisch, de
tweede is half zoo lang, de derde iets langer dan de
eerste, de vierde wederom even lang als de eerste; de
vijfde tot tiende zijn kort en naar het einde verbreed, dat
vooral aan de onderzijde van de zesde en zevende geleding
het geval is; de laatste geleding is zoo lang als de drie
voorgaanden te zamen, bijna cylindrisch, doch naar het
stomp toegespitste einde eenigszins dikker wordende; ook
is zij flaauw naar binnen gebogen. De prothorax is een
weinig smaller dan het breedste gedeelte van den kop,
cylindrisch en meer lang dan breed; de zijden zijn gegolfd
en wel zóó, dat zij op de eerste helft naar buiten, op de
tweede naar binnen gebogen zijn; hij is digt met grove
puntjes en spaarzaam met lange witte haren bedekt; op
het sternum is de bestippeling uiterst fijn en op het
metasternum zeer verspreid; het schildje is half eirond
en digt met puntjes bedekt. Van de pooten zijn de dijen
en de scheenen tamelijk digt met witte, de onderzijde
der tarsen zeer digt met bleek goudglanzige haren bezet.
De dekschilden zijn aan de basis ongeveer tweemaal zoo
breed als de prothorax, en nemen naar achteren een
weinig in breedte toe; zij zijn roodpaars van kleur, fraai
koperglanzig en digt met grove puntjes bedekt; de fijne
witte haren die er op voorkomen zijn korter dan die van
kop en thorax. De buikzijde van het achterlijf is met
verspreide en uiterst fijne puntjes bedekt. i
Van Woerden’s collectie bevatte van deze soort twee
mannetjes; een daarvan berust in ’s Rijks Museum, het
andere bij den heer Heylaerts, wiens naam ik aan deze
soort gegeven heb. Zij moet na verwant zijn aan Lagria vestita
Casteln. (Histoire naturelle des Insectes Goléoptères. tom. II
p. 256, n°. 5) van den Senegal en de kust van Guinea,
welke volgens Gemminger en von Harold’s Catalogus Cole-
opterorum (tom. VII, p. 2076) synoniem is met de gelijk-
namige soort van Dejean (Catalogue des Coléoptéres 3° éd.
p. 237) van de Kaap de Goede Hoop, ja ik zou haar voor
136 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
het mannetje van deze soort gehouden hebben, had niet
de Castelnau in zijne beschrijving gezegd «D’un beau bleu
violet», terwijl de kleur van mijne soort zeer donker
staalblaauw is.
17. Ananca phthisica, nov. spec.
Lengte 8, breedte in de schouders 2,5 mm. Het geheele
insect is met zeer fijne witte glanzige haartjes bedekt. De
kleur is bleek vuilgeel, met een’ aan de binnenzijde
zacht uitvloeijenden donkergrijzen band over de buitenste
helft der dekschilden. Het uiteinde der bovenkaken en
de oogen zijn zwart. De bovenlip en het kopschild zijn
met verspreide fijne puntjes bedekt. Op het overige ge-
deelte van den kop is de bestippeling tamelijk digt, op den
thorax zeer digt; over het midden van dezen laatsten
loopt eene vooral op het midden duidelijk zigtbare gladde
streep, aan wederzijde waarvan op het breedste (het
voorste) gedeelte van den thorax een groote ronde indruk
voorkomt. De dekschilden zijn uiterst fijn bestippeld, en
met vier slechts zeer weinig verheven langsribben voorzien,
waarvan de beide binnensten duidelijk, de beide buitensten
echter bijna niet in het oog loopen; de bovenbedoelde
grijze band ligt tusschen de tweede en vierde van deze
ribben, en strekt zich niet volkomen tot aan het eind der
dekschilden uit. De buikzijde van het achterlijf is bruin-
achtig, terwijl de sporen der scheenen en de klaauwtjes
der tarsen donkerbruin zijn.
Het mannetje waaraan ik deze beschrijving ontleende, is
het eigendom van den heer Heylaerts.
18. Eene Curculionide, tot een aan het geslacht Sideroduc-
tylus Schönh. verwant nieuw genus behoorende.
19. Eene Curculionide, waarvoor, evenals voor het vorig
nommer, een nieuw geslacht in de buurt van Siderodac-
tylus moet worden opgerigt,
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 137
20. Baridius nov. spec. ? !)
91. Coptops lituratus Klug, Bericht über eine auf Madu-
gascar veranstaltete Sammlung von Insecten
aus der Ordnung Coleoptera. S. 118, n°. 191.
Tab. V. fig. 4 (Lamia). — Fairmaire, Annales
de la Société entomologique de France. 5° ser.
ioms:T. p. 67.
Syn. Coptops Goudoti, Dupont. Dejean, Catalogue des
Coléoptères. 3° éd. p. 371.
Van deze soort, die zoo ver ik weet tot dusver slechts
van het eiland Madagascar bekend was, en die door
Dejean (Catalogue des Coléoptères, 3° éd. p. 370), Sturm
(Catalog meiner Käfer-Sammlung 1843, S. 258) en Coquerel
(Voyage à Madagascar par A. Vinson. Annexe CG, p. 16) in
het geslacht Crossotus Serv. wordt geplaatst, bevatte van
Woerden’s collectie één voorwerp, dat aan den heer Hey-
laerts behoort.
22. Ceroplesis bicincta Fabricius, Supplementum Entomo-
logie Systematico, p. A45.— id., Systema Eleu-
theratorum, tom. II, p. 296, n°. 80 (Lamia). —
Bates, Transactions of the Entomological Society
of London. 1870. p. 530.
Syn. Cerambyx continuus Olivier, Entomologie, tom.
EY (ues 67), p. 123 pl. 23, fig. AUT
volg. Lacordaire
Cerambyx orientalis Herbst. (Genera des Coléo-
» caffer Thunberg. (ptéres, tom. IX, prt.
da pi 429, noted,
» Herbsti Gmelin. Linnaeus, Systema
Naturae, éd. XIII, tom. I, pars 4, p. 1827.
Van deze soort zijn door van Woerden twee exemplaren
overgezonden, waarvan een zich in de collectie van’s Rijks
1) Daar van Woerden’s collectie van n°. 18 en 19 slechts een enkel exemplaar,
en van n°. 20 slechts één tamelijk gaaf en één zeer beschadigd exemplaar bevat,
acht ik het, vooral ook op aanraden van mijn’ vriend den Curculioloog W. Roelofs,
aan wiens oordeel ik mijne determinatie van deze nommers heb onderworpen, raad-
zaam, hunne beschrijving voorloopig achterwege te laten. De voorwerpen berusten in
de collectie van den heer Heylaerts.
138 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
Museum, het andere zich in die van den heer Heylaerts
bevindt.
23. Lema armata Fabricius, Systema Eleutheratorum,
tom. I, p. 472, n°. 5. — Dejean, Catalogue
des Coléoptéres. 3° éd. p. 386. — Lacordaire,
Monographie des Coléoptéres subpentamères de
la famille des Phytophages. tom. I, p. 327, n°. 20.
Syn. Crioceris Senegalensis Olivier, Entomologie, tom.
VEC. 04) ep 7307 pl tear:
Een exemplaar dat aan den heer Heylaerts behoort.
24. Lema laevicollis, nov. spec.
Ten naauwste verwant aan Lema armata F., doch van
deze door de volgende kenmerken te onderscheiden: iets
breeder van vorm en achter de schouders eenigszins zamen-
geknepen, zoodat de schouders sterker uitpuilen; de
sprieten langer en dunner; de beide voorhoofdsknobbels
slechts met zeer weinig puntjes bedekt; op de rugzijde
van den prothorax ontbreekt de dwarsgroef even achter
de basis, terwijl de puntjes van de langsstreep over het
midden fijner zijn en meer verspreid staan; evenals op
deze langsstreep schemert ook op de met puntjes bedekte
plaatsen aan weerszijde van de basis eenig zwart door;
voorts blijven op het einde der dekschilden de in de
langsgroeven voorkomende puntjes geheel op zich zelf
staan en vloeijen niet ineen, hetgeen aan de bestippeling
dezer deelen een regelmatiger aanzien geeft; ten slotte is
ook de bestippeling der buikzijde van het achterlijf fijner
en meer verspreid.
Slechts een enkel voorwerp, dat het eigendom van
's Rijks Museum geworden is, bevond zich in deze collectie.
25. Clythra (Gynandrophthalma) Woerdenii, nov. spec.
Wat de kleur betreft komt deze soort volkomen overeen
met de var. A van Lacordaire’s G. atripennis (Mon. Col.
subpent. tom. II, p. 270, n°, 16), doch is van deze ge-
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA, 139
makkelijk te onderscheiden, doordien de kop tot aan de
oogen in den thorax teruggetrokken en de thorax breeder
dan lang is, terwijl ook de puntjes op de dekschilden in
rijen geplaatst zijn.
De lengte van het wijfje (het mannetje is mij niet bekend)
bedraagt 5 mm. De kleur van den kop, den thorax, het
scutellum, de geheele onderzijde en de pooten is rood (de
onderzijde en de pooten echter wat bleeker), die van de
sprieten, oogen en dekschilden zwart, de eersten evenwel
met uitzondering van de vier eerste geledingen en den
rugkant van de drie volgenden, de laatsten met uitzonde-
ring van eene dubbel boogvormig uitgesneden kleine vlek
aan het uiteinde, hetgeen alles vuilgeel is; voorts is het
eind der bovenkaken en van de tarsklaauwtjes zwart. De
kop, die tot aan de oogen in den thorax teruggetrokken
is, is glad en glanzend, en op het aangezigt met enkele
zeer verspreid staande puntjes bedekt; langs den bovensten
oogrand en op het midden van het voorhoofd en den schedel
neemt men een’ indruk waar; die op het voorhoofd is
diep en rond, en met puntjes voorzien, die op den schedel
eveneens rond doch zeer klein; de oogen zijn digt bij de
basis smal uitgesneden, het kopschild op het midden van
den voorrand diep, bijna driehoekig. Het pronotum is
glad en glanzend, ter wederzijde van het schildje een
weinig ingedrukt, naar voren versmald, met afgeronde
zijden, en ongeveer half zoo lang als van achteren breed;
langs den gegolfden achterrand komen eenige grove puntjes
voor; het naar achteren opgewipte scutellum heeft den
vorm van een driehoek met afgesneden top en is glad en
glanzend. De dekschilden zijn achter het midden een
weinig verbreed; zij zijn glad en glanzend, en met uiterst
fine, in langsrijen geplaatste puntjes bedekt, die echter
op het laatste gedeelte bijna geheel verdwijnen; ter weder-
zijde van de basis van het scutellum komen op de dek-
schilden eenige grove puntjes voor. Het meso- en het
metasternum, alsook de buikzijde van het achterlijf is,
140 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
hoewel niet zeer digt, met korte geelachtige haartjes be-
dekt. Het laatste achterlijfssegment vertoont op het midden
der buikzijde een’ overlangschen diepen indruk.
Het bovenbeschreven voorwerp behoort aan den heer
Heylaerts.
26. Rhyparida nigrolimbata, nov. spec.
Deze soort is licht bruingeel van kleur, kop, thorax en
pooten eenigszins helderder bruin; de dekschilden zijn
ieder op zich zelf smal (onmiddellijk achter de schouders
plotseling breed en vervolgens naar achteren weder lang-
zaam versmallend) met zwart omzoomd, het laatste vierde
gedeelte evenwel uitgezonderd; ook het meso- en het me-
tasternum , alsmede de buikzijde van het achterlijf zijn zwart;
de heupen en trochanters van de beide laatste pootenparen
en de achterrand van de segmenten van het achterlijf zijn
donkerbruin.
De kop, die tot aan de oogen in den thorax teruggetrok-
ken is, is glad en glanzend, en met verspreide puntjes
bedekt, die op het kopschild grover zijn en daardoor meer
in het oog loopen; voorts komt op het voorhoofd eene zeer
fijne en korte langsgroef voor; de bovenkaken en de oogen
zijn zwart, de laatsten op het midden niervormig uitgesneden;
de sprieten zijn lang en dun, naar het einde slechts weinig
dikker wordende en van enkele verspreid staande haren
voorzien; het uiteinde der vijf laatste geledingen is don-
kerder van kleur dan het overige gedeelte. De thorax is
zeer glad en glanzend, sterk gewelfd en naar voren eenigs-
zins versmald; hij is smaller dan de basis der dekschilden.
Deze laatsten zijn ieder met dertien rijen grove puntjes be-
dekt; de eerste rij is kort, de negende en tiende ontsprin-
gen tusschen het eind van den schouderknobbel en het
midden der dekschilden uit hetzelfde punt, terwijl de
twaalfde slechts aan het begin en het eind is ‘waar te ne-
men, daar zij op het midden met de dertiende zamen-
vloeit; naar het eind der dekschilden worden de puntjes
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 144
zeer ondiep; tusschen de langsrijen zijn de dekschilden
volkomen glad en glanzend. Het schildje is verlengd drie-
hoekig, met afgeronden top en glad. De dijen van alle
pooten zijn aan de onderzijde, even voorbi) het midden,
met een’ korten stevigen tand gewapend, de .scheenen der
beide laatste paren aan het eind der buitenzijde eenigszins
ingesneden, de klaauwtjes der tarsen aan de basis van
een’ langen tand voorzien. Het sternum is glad en glanzend,
terwijl op de buikzijde van het achterlijf eenige verspreid
staande puntjes voorkomen.
Het hier beschreven voorwerp is 4 mm. lang en 2,9 mm.
breed en het eigendom geworden van ’sRijks Museum.
Een tweede exemplaar, dat aan den heer Heylaerts ver-
bleven is, bezit slechts een spoor van de bovengenoemde
donkere teekening. Daar het overigens, hoewel kleiner,
volkomen met het beschreven voorwerp overeenstemt,
meen ik het slechts als een niet geheel uitgekleurd individu
te moeten beschouwen.
27. Entomoscelis cincta Olivier, Encyclopédie Methodique.
Insectes, tom. V, p. 712, n°. 109 (Chrysomela). —
id., Entomologie ou Histoire naturelle des Insectes
Coléoptères, tom. V, p. 563, n°. 9%, pl. Il, n°. 18.
Syn. Chrysomela Senegalensis Fabricius, Entomologia
Systematica, tom. I, pars I, p. 349, n°. 58. —
id., Systema Eleutheratorum, tom. I, p. 436, n°. 82.
Entomoscelis Senegalensis Fab. Vogel, Beiträge zur
Chrysomelinen-Fauna von Mittel- und Süd-Afrika ,
in Schaufuss, Nunquam Otiosus. Bd. I. S. 124,
Te Ode
Van Woerden zond van deze soort 3 exemplaren over.
Een daarvan bevindt zich in ’s Rijks Museum, de beide
anderen in de collectie des heeren Heylaerts.
28. Galleruca (Adorium) typographica, nov. spec.
Lengte 12,5, breedte op het breedste gedeelte der dek-
schilden 8 mm.
142 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
Aangezigt tot aan het midden der oogen bruinachtig
geel, voor het overige is de kop zwart; de monddeelen en
sprieten, de laatsten echter met uitzondering van de beide
eerste geledingen die bruinachtig geel zijn, eveneens zwart.
De kop is met verspreide puntjes, en over het midden met
eene fijne langsgroef voorzien. De prothorax is bruinachtig
geel, het pronotum met verspreide fijne puntjes bedekt,
en met eene breed M-vormige zwarte figuur voorzien , waar-
aan ik den naam der soort ontleend heb. Het bruingele
schildje draagt enkele verspreide puntjes en is half ovaal
van vorm. De dekschilden zijn dofzwart, zoowel langs
de sutuur als langs den buitenrand met bruinachtig gele
smalle omzooming; zij zijn digt met grove puntjes bedekt.
De buikzijde en de pooten van den kever zijn glanzend
zwart. Het metasternum is zeer fijn, de buikzijde van het
achterlijf grover geaciculeerd; de scheenen zijn tamelijk
digt met puntjes bedekt.
Slechts een enkel mannetje dat aan den heer Heylaerts
behoort, bevond zich in deze collectie.
29. Galleruca (Rhaphidopalpus) delata Erichson, Bei-
trag zur Insecten-Fauna von Angola, in: Archiv
für Naturgeschichte. Oter Jahrg. (1843). Bd. I.
5. 265, n 18:
Slechts één wijfje dat het eigendom is van den heer
Heylaerts.
30. Galleruca (Calomicrus) intermedia, nov. spec.
Deze soort is na verwant aan Galleruca signata Oliv.
(Entomologie, tom. VI (n°. 93) p. 665, pl. 5, fig. 89) van
Bengalen, en Monolepta elegans Dej. (volgens een typisch
exemplaar in ’s Rijks Museum) van den Senegal. Van de
eerstgenoemde soort verschilt zij door de zwarte kleur der
dekschilden en van het scutellum, van de tweede door
den vorm der gele vlekken op de dekschilden, en het gemis
van de roodbruine kleur op het uiteinde van deze deelen,
alsmede door de zwarte kleur van het scutellum.
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 143
De kop, de thorax, de geheele onderzijde en de pooten
tot aan de scheenen zijn rood; de sprieten, scheenen en
tarsen geel, de eersten worden echter naar het einde zwart,
welke kleur ook op den voorrand van de bovenlip en op
het eind der palpen en bovenkaken voorkomt. Het scutel-
lum en de dekschilden zijn zwart, de laatsten met vier
groote gele vlekken geteekend, en wel op ieder dekschild
twee; de eerste vlek ligt digt bij de basis, en is aan de
voorzijde eenigszins halvemaanvormig ingesneden, welke
insnijding naar den schouder gekeerd is; de tweede vlek
ligt op eenigen afstand van het eind der dekschilden en is
aan den voorrand flaauw boogvormig uitgesneden.
De kop is glad en glanzend en met fijne verspreid staande
puntjes bedekt; van de sprieten zijn de tweede en derde
geleding van gelijke lengte, en bij elkander genomen iets
korter dan de vierde. De thorax is glad en glanzend, met
uiterst fijne puntjes bedekt, regelmatig gewelfd, aan de
zijden regt afgesneden en ongeveer twee en een half
maal zoo breed als lang. Het scutellum is volkomen
glad en zeer glanzend. De dekschilden zijn digt met
fijne puntjes bedekt, doch niettemin glanzend. De schee-
nen der beide laatste pootenparen zijn gebogen, die van
het laatste paar de langste; aan dit paar is voorts het
eerste lid der tarsen even lang als de drie overigen te
zamen; de klaauwtjes der tarsen zijn aan de basis van een
tandje voorzien. Het meso- en het metasternum zijn met
enkele verspreid staande puntjes bedekt, terwijl de buik-
zijde van het achterlijf fijn gesculpteerd is. Het insect is
gevleugeld.
Van de drie exemplaren die ik voor mij heb, en waar-
van een aan ’s Rijks Museum en de beide anderen aan
den heer Heylaerts behooren, is het grootste ruim 5, het
kleinste 4 mm. lang.
31. Galleruca (Calomicrus) foveata Olivier, Entomologie;
tom. VI (n°. 93); px 663, pl. 5, fig. 85:
144 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
Twee exemplaren, waarvan een aan ’s Rijks Museum,
het andere aan den heer Heylaerts behoort.
32. Galleruca (Calomicrus) irregularis, nov. spec.
De lengte bedraagt iets meer dan 6 mm. De kleur is
heldergeel; de schedel, het pronotum en het pro- en
mesosternum, alsmede de pooten tot aan de scheenen
eenigszins bruinachtig; de bovenlip, de oogen, het meta-
sternum, en eenige voor een groot deel zamenvloeijende
cirkelronde vlekken op de dekschilden (ongeveer 13 op
ieder) zwart; de sprieten te beginnen met de vierde ge-
leding, de sporen der scheenen, cen zeer smalle ring
om de basis van de geledingen der tarsen, het voorlaatste
lid geheel en het laatste gedeelte van het laatste lid met
inbegrip der klaauwtjes donkerbruin.
De kop is met uiterst fijne puntjes bedekt; van de
sprieten is de derde geleding iets langer dan de tweede,
de tweede en derde te zamen zoo lang als de vierde. De
thorax is glad en glanzend, met uiterst fijne puntjes digt
bedekt, regelmatig gewelfd, de zijden een weinig gebogen,
ruim tweemaal zoo breed als lang. Het scutellum is vol-
komen glad en zeer glanzend. De dekschilden zijn glad
en glanzend, digt met fijne puntjes bedekt; digt achter
het scutellum neemt men een ovalen diepen indruk waar,
die door de sutuur der dekschilden in tweeén gedeeld
wordt; de plaatsing en de vereeniging der vlekken zijn niet
op beide dekschilden dezelfde, en hieraan heb ik den
naam der soort ontleend. De scheenen van de beide laatste
pootenparen zijn gebogen, die van het laatste paar de
langste; het eerste lid der achtertarsen is zoo lang als
de drie volgenden te zamen; de klaauwtjes zijn aan de
basis van een tandje voorzien; de zijden van het me-
tasternum en vooral de buikzijde van het achterljf zijn
met puntjes digt bedekt en daardoor mat. Het insect is
gevleugeld.
Van Woerden’s collectie bevatte van deze soort slechts
.
PETE EEE WET
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 145
een enkel exemplaar, dat het eigendom van den heer
Heylaerts gebleven is.
33. Haltica (Podagrica) dilecta Dalman, Analecta Ento-
mologica. p. 81, n°. 83.
Syn. Podagrica rufiventris Sturm, Catalog meiner
Insecten-Sammlung. 1826. S. 147 (volgens
Sturm’s Catalogus van 1843, p. 285.)
Slechts één voorwerp dat aan den heer Heylaerts be-
hoort. Daar de buikzijde van het achterlijf donker rood-
bruin gekleurd is, vermoed ik dat mijn voorwerp niet
volkomen uitgekleurd zal zijn, en dat dit ook met Sturm’s
voorwerp het geval geweest is.
34. Hispa distincta, nov. spec.
Ten naauwste verwant aan Hispa quadrifida Gerst. (Die
Gliederthier-Fauna des Sansibar-Gebietes. S. 289, n°. 441),
doch gemakkelijk van deze te onderscheiden door het met
fijne dwarsplooijen gerimpelde metasternum. Evenals de
genoemde soort is zij 4 mm. lang, koolzwart, en op de
dekschilden duidelijk gebronsd. De sprieten, de rug van den
thorax en de pooten zijn ongewapend; de eersten zijn be-
trekkelijk kort; de derde geleding is ongeveer zoo lang
als de eerste, de vierde ongeveer half zoo lang als de
derde en iets langer dan ieder der beide volgenden; de
vijf laatste geledingen zijn bruin behaard, dikker dan de
vorigen en bijna zoo lang als de derde; de laatste geleding
is toegespitst. De monddeelen zijn donkerbruin; de schedel
is over het midden van eene langsgroef voorzien. De zijden
van den prothorax zijn aan de basis met een’ kleinen
doorn, op het midden met vier stevige doorns die op een’
gemeenschappelijken stam geplaatst zijn en waarvan de
voorste naar binnen gekeerd is, en tusschen het midden
en den achterrand met een’ op zich zelf staanden stevigen
doorn gewapend; de rug is plat, ter wederzijde van den
gladden doch niettemin doffen band over het midden, met
10
146 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
grove en diepe puntjes bedekt; achter het midden is hi
dwars ingedrukt, waardoor onmiddellijk vóór den achter-
rand eene met grove puntjes bedekte kiel ontstaat. Het
scutellum is halfcirkelvormig en door de uiterst fijne en digte
bestippeling mat. De dekschilden zijn uiterst digt en grof
en daardoor min of meer netvormig bestippeld; aan den
buitenrand zijn zij met vier en twintig (twaalf aan elk dek-
schild) horizontale, naar achteren aanmerkelijk korter wor-
dende doorns gewapend; de doorns op de bovenvlakte zijn in
meer of min regelmatige rijen gerangschikt, en gemakke-
lijk in korte en lange te verdeelen. Het metasternum is
uiterst fijn en digt overdwars gerimpeld, de buikzijde van
het achterlijf op het midden volkomen glad en glanzend,
doch langs den een weinig gebruinden buitenrand met
puntjes voorzien; het geheele laatste segment is zeer digt
met tamelijk grove puntjes bedekt.
Bij het exemplaar dat ik voor mij heb, en dat aan den
heer Heylaerts behoort, is de tweede helft van het linker
dekschild bolvormig opgezwollen. Waardoor dit veroor-
zaakt kan zijn is mij een raadsel!
35. Ancylopus !) graphicus Gorham, Endomycici recitati.
A Catalogue of the Coleopterous group Endomycici,
with Descriptions of new Species and Notes. p. A.
Een enkel wijfje, dat volkomen aan Gorham’s diagnose
beantwoordt, is het eigendom gebleven van den heer
Heylaerts.
De vier exemplaren door Gorham onderzocht waren van
Gambia herkomstig.
1) Daar deze naam reeds van Dejean dagteekent, én in het jaar 1854 (of iets
vroeger) door Costa’s beschrijving regt van bestaan erlangde, moet er een andere
naam worden gegeven aan het ondergeslacht der Hemiptera, dat door Flor in 1860
(Rhynchoten Livlands, 1ter Th. S. 226 und 232) Ancylopus genoemd werd, dewijl
de door Schilling daaraan toegekenden naam Platygaster reeds in 1829 door Latreille
in de orde der Hymenoptera gebezigd was.
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 141
36. Dane ') Senegalensis Gerstaecker. 4.
Syn. Oediarthrus Senegalensis Gerstaecker, Monogra-
phie der Endomychiden. S. 346. 9.
Het mannetje dat ik voor mij heb en dat aan den heer
Heylaerts behoort, beantwoordt volkomen aan de door
Gerstaecker t. a. pl. gegeven beschrijving van het wijfje;
alleen zijn de scheenen der achterpooten niet regt, maar
sterk gebogen en aan de binnenzijde, digt bij de basis, van
een’ stevigen stompen tand voorzien, dat zonder twijfel
slechts een sexueel verschil zal zijn.
Het wijfje door Gerstaecker beschreven, was van den
Senegal afkomstig.
37. Coccinella (Cydonia) lunata Fabricius, Entomologia
Systematica, tom. I, pars 1, p. 289, n°. 108. —id.,
Systema Eleutheratorum, tom.I, p. 384, n°. 146.
— Mulsant, Species des Coléoptères trimères sécuri-
palpes. Are part. p. 341, n°. 2. — Gerstaecker,
Die Gliederthier-Fauna des Sansibar-Gebietes. S.
295, n°. 427.
Var. Coccinella vulpina Fabricius, Supplementum
Entomologie systematice, p 80. — id., Systema
Eleutherathorum , tom. I, p. 386, n°. 159.
Syn. Coccinella sulphurea Olivier, Entomologie, n°. 98.
D 1058 pd te Ora eb b.
Deze collectie bevatte een enkel voorwerp der genoemde
variéteit, dat aan den heer Heylaerts behoort.
1) Met dit geslacht is synoniem het geslacht Oediarthrus Gerst. (Monographie der
Endomychiden. S. 344), zooals door dezen schrijver zelf erkend is (Bericht über die
wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der Entomologie während des Jahres 1858.
S. 133). Dit schijnt aan Gorham onbekend te zijn gebleven, daar hij den door
Gerstaecker voorgestelden naam in het bij de voorgaande soort aangehaalde werk
bezigt, en geen melding maakt van de door Reiche beschreven soort Danae rufula
(Voyage en Abyssinie par M. M. Ferret et Gallinier, tom. 3, p. 408. Zoologie,
pl. 26, fig. 2).
In 1864 (Tijdschrift voor Entomologie, dl. VII, blz. 166) werd door Snellen van
Vollenhoven in de familie der Curculioniden een geslacht Danae opgerigt, waarvan
de naam echter in 1871 door Gemminger in n°. VII der Coleopterologische Hefte
door Zaodice is vervangen.
148 AANTEEKENINGEN OVER EN BESCHRIJVINGEN
38. Epilachna (Rodolia) vermiculata Thomson, Archives
Entomologiques, tom. II, p. 298, n°. 433.
Het exemplaar dat ik voor mij heb behoort aan den
heer Heylaerts. Dat waaraan Thomson zijne beschrijving
ontleende was van Gaboon afkomstig.
Van deze gelegenheid maak ik tevens gebruik, om nog
een paar woorden aangaande de door mij beschreven Hy-
menoptera van !) Congo neêr te schrijven.
4°. Op de bij de beschrijvingen behoorende plaat, zijn
door den lithograaf aan Larrada Vollenhovia en Piagetia
Woerdeni (fis. 5 en 6) ten onregte 3 bijoogjes toegekend.
Bi) beide insecten is slechts het voorste bijoogje aanwezig.
2°. Nadat het opstel gepubliceerd was, ontving ik van
den heer Piaget nog twee wespen, door van Woerden in
Congo gevangen, doch toevallig bij den heer P. achter-
gebleven. De eene was een tweede exemplaar van Pelo-
poeus spirifex L., de andere een mannelijk voorwerp van
Larrada ferrugineipes Farg. 2) (Suites à Buffon, Hymenopteres.
III, p. 248, n°. 11, en Smith, Cat. of Hym. Ins. Coll. Brit,
Mus. prt. IV, p.283, n°.32), dat in de lijst als n°. 154 moet
worden opgenomen. Het getal der door van Woerden ver-
zamelde Hymenoptera stijgt hierdoor tot 34, dat der soor-
ten tot 28. |
3°. Volgens eene schriftelijke mededeeling van den heer
Frederick Smith, na het op den 7den Maart jl. plaats gehad
hebbend overlijden van Dr. John Edward Gray tot «Assis-
tant-Keeper» van het Britsch Museum bevorderd (Dr. Gray
is als «Keeper» opgevolgd door Dr. Albert Günther), is
1) Zie Tijdschrift voor Entomologie, dl. XVII, blz. 175, pl. 11.
2) Het Museum te Leiden bezit van deze soort een door Westermann aan de
kust van Guinea gevangen wijfje. Fargeau vermeldt haar van den Senegal, Smith
van den Senegal en Congo.
VAN EENIGE COLEOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 149
het niet onwaarschijnlijk, dat de door mij als Xylocopa
neglecta beschreven bij, slechts eene variéteit is van X. al-
biceps F., of juister nog, dat door Fabricius eene variëteit,
door mij echter de typische vorm beschreven is. Zie hier
wat de heer Smith mij onder dagteekening van 1 Janu-
ari) 1874 hieromtrent schreef:
«In our collection are 7 examples of what I consider
to be the true X. albiceps — two (of) these only have a
faint tinge of colour which may be described as « subvi-
rida» — the wings vary as follows — 4 have the base
somewhat lighter than the other parts of the wings —
hut 3 can scarcely be said (to) be so — they are uni-
formly fuscous — my wmilalor is larger than albiceps —
being 9 lines and it has a little bright ferruginous hair
at the tip of the abdomen — whether your X. neglecta is a
variety of X. albiceps I cannot say — all ours are 6 lines
in length. »
4°. Door ruil met den heer Piaget is het Leidsch Mu-
seum sedert in het bezit gekomen van de volgende soorten
dezer collectie:
Dorylus Shuckardi Rits. (beide voorwerpen); Dielis celebs
Sich.; Pompilus Taschenbergiù Rits.; P. elongatus Rits.;
P. ornatissimus Rits.; Larrada Vollenhovia Rits.; L. ferru-
gineipes Farg.; Piagetia Woerdeni Rits.; Cerceris vidua Klug;
Eumenes Walkeri Rits. (beide voorwerpen); Belonogaster
brunneus Rits.; Polistes inornatus Rits.; Megachile bombi-
formis Gerst. ; M. nigrocincta Rits.; Xylocopa combusta Smith
en X. caffra L.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN,
BESCHREVEN EN MEERENDEELS OOK AFGEBEELD
DOOR
8. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Vijfde stuk met drie platen.
VIJFDE FAMILIE — CAPSINEN.
Deze aan soorten uiterst rijke familie ontleent haren
naam aan het geslacht Capsus, door Fabricius het eerst
onderscheiden, die echter nog vele soorten, tot de familie
behoorende, in het geslacht Lygaeus liet. Van de overige
familién onderscheidt zij zich door het gemis van ocellen
en doordien de membraan der bovenvleugels, die boven-
dien als zij geheel ontwikkeld zijn, een’ cuneus bezitten,
gewoonlijk twee door aderen begrensde cellen vertoont,
bij eene soort echter slechts eene. Voorts zou men tot
de kenmerken der familie kunnen rekenen, dat de beide
laatste leedjes der sprieten in den regel haarfijn zijn.
Door het overgroote aantal der soorten, die zeer sterk
in gedaante en habitus verschillen, wordt het geven van
een algemeen beeld zeer ongemakkelijk gemaakt; men
houde dus bij het lezen der volgende regels wel in het
oog, dat er telkens afwijkingen van de algemeene schets
voorkomen. Het lijf is nu eens kort en breed, dan weder
lang uitgerekt en smal; het grootste aantal der Capsinen
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 154
echter is eer lang en slank, dan gedrongen van bouw.
De kop is in den regel niet groot, en bepaaldelijk smaller
dan de achterrand van het borststuk; meestal gaat het
voorhoofd zonder hoek of naad in den schedel over. De
oogen puilen gewoonlijk wat uit, somwijlen zelfs zeer
sterk, en staan aan de zijden van het hoofd, zoodat zij
den voorrand van het borststuk aanraken of ten minste
niet ver daarvan verwijderd zijn. Gelijk wij boven reeds
zegden, de bijoogen ontbreken.
De sprieten bestaan uit vier leedjes, waarvan het eerste
gewoonlijk slechts matig lang en het tweede het langste
is, terwijl de beide laatsten haardun zijn. Het tweede is
somwijlen aan het einde verdikt en dus knodsvormig,
bij enkele soorten ook wel in het geheel verbreed en plat.
De sprieten zijn op het voorhoofd tusschen de oogen
ingeplant. De zuiger bestaat uit vier leedjes, ongeveer
gelijk in lengte, zij reiken in den regel tot de midden-
of achterpooten, zelden tot het midden van den buik, en
liggen, ofschoon tegen de borst gebogen, geheel vrij,
zijnde nergens in eene sleuf gevat, tenzij vrij oppervlakkig
aan het einde van het eerste lid.
Het halsschild is schier nooit langer dan breed, meestal
het omgekeerde en heeft van boven gezien gewoonlijk de
gedaante van een’ geknotten driehoek, nu eens vrij vlak,
dan weder min of meer gewelfd; zijn voorrand vertoont
dikwijls een smal zoompje, zijne zijranden slechts zeer
zelden; gewoonlijk is de prothorax aan de zijden toege-
rond. Het schildje (scutellum) is gewoonlijk klein, drie-
hoekig met spitse punt en dikwijls met een dwarsgleufje
aan de basis. De dekschilden zijn slechts bij enkele soorten
niet geheel ontwikkeld; zijn zij het wel, dan bestaan zij
uit corium, clavus, cuneus en membraan. Slechts bij twee
soorten, Striatus en Striatellus, zijn in het eerstgenoemde langs-
aderen te bemerken, van welke ook slechts de buitenste
gegaffeld is. Op den clavus is zelden eene ader, in de
lengte loopende te zien; de cuneus is driehoekig, soms
132 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
langwerpig driehoekig; zijn buitenrand is gewoonlijk regt,
somwijlen convex, en in dat geval bestaat er dikwijls eene
insnijding aan den buitenrand tusschen het corium en
den cuneus. Van de cellen in de membraan hebben
wij boven reeds geproken; wij behoeven er hier alleen bij
te voegen, dat de kleinste der beiden tegen den dwars
oploopenden rand van den cuneus aanligt.
De pooten zijn in lengte en dikte zeer onderscheiden,
zoodat daaromtrent geen algemeen beeld te schetsen is.
Alleen zij dit gezegd, dat de midden- en achterheupen
gewoonlijk digt bij elkander staan en de voorheupen op
eenigen afstand van de eerstgenoemden; voorts dat de
tarsen slechts drie leedjes hebben, waarvan bij eenigen
het eerste, bij vele anderen het laatste het langste is.
Het abdomen is meestal van boven vlak of een weinig
uitgehold, van onder bol. Het bestaat bij de wijfjes uit 6
ringen, bij de mannetjes uit 7, indien men namelijk het
eerste genitaal-segment, dat volkomen de gedaante heeft
der overigen, mederekent.
Men treft de Capsinen in het gras, op lage planten en
heesters aan, somwijlen op boomen; sommige soorten kan
men dikwijls op schermbloemen en Compositae aantreffen.
Omtrent hunne ontwikkeling en den duur van hun leven
is nog weinig bekend; vele soorten schijnen van bloemen-
sappen te leven, anderen echter zuigen tot voedsel kleinere
insecten uit.
De systematische verdeeling heeft bij deze familie met
grootere moeijelijkheden te kampen, dan bij anderen. Mis-
schien vertoont zich hier hetzelfde geval als bij de Bok-
torren, dat men namelijk eens aan het verdeelen zijnde,
steeds door blijft verdeelen (verg. hierover Lacordaire in
zijne Genera des Goléoptères), omdat men geene goed afge-
ronde geslachten vormen kan, daar allen min of meer
in elkander overgaan. Hebben de oudere schrijvers over
Hemiptera naar het oordeel van sommigen te weinig ge-
slachten aangenomen, het is uitgemaakt zeker dat Fieber er
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 153
in zijne Europaeischen Hemipteren te veel heeft opgesteld
en dat het jammer is dat Douglas en Scott in hunne
British Hemiptera zijn voorbeeld, ofschoon met kleine wij-
ziging hebben gevolgd, waarvoor zij dan ook reeds door
een hunner landgenooten eene welverdiende teregtwijzing
hebben ontvangen. Na rijp beraad is het mij het best voorge-
komen niet meer genera aan te nemen dan in de onderstaande
tabel worden opgenoemd. Omtrent één punt heb ik mij-
zelven niet wel kunnen voldoen; ik had het aan soorten
rijkste geslacht ’tzij Capsus, 'tzij Phytocoris willen noemen,
omdat de familie dan eens die der Capsinen, dan eens die
der Phytocoriden betiteld wordt, doch beide namen waren
aan twee zeer bekende groepen verbonden, welke ik. daar-
van niet dorst berooven en zoo bleef mij niets over dan
den geslachtsnaam Lygus, door Hahn voor eenigen der
grootsten ingevoerd, aan deze massa toe te kennen.
1 (2). Membraan met ééne onverdeelde cel.
Gen. 1. Monarocoris Dahlb.
2 (1). Membraan met twee tegen elkander aansluitende
cellen.
3 (12). Eerste lid der achtertarsen 2 of 3 maal langer
dan het tweede.
4 (5). Kop op zijde gezien bolvormig met uitpuilende
oogen.
Gen. 2. PITHANUS Fieb.
5 (4). Kop op zijde gezien een parallelogram met vooruit-
stekend voorhoofd of een langen driehoek vormende.
6 (7). Voorrand van het halsschild zonder zoom.
Gen. 3. MIRIS F.
7 (6). Voorrand van het halsschild gezoomd.
8 (9). Zijden van den prothorax scherp kantig.
Gen. 4. LEPTOTERNA Fieb.
454
9 (8).
10 (11).
11 (10).
12 (3).
13 (26).
14 (45).
15 (14).
16 (47).
47 (16).
18 (19).
19 (18).
20 (21).
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Zijden van den prothorax niet kantig.
Eerste lid der achtertarsen niet dikker dan de
overigen.
Gen. 5. ONCOGNATHUS Fieb.
Eerste lid der achtertarsen dikker dan de overigen.
Gen. 6. ALLa@oTomus Fieb.
Eerste lid der achtertarsen even lang als het tweede.
De oogen raken den voorrand van het halsschild
aan of nagenoeg aan.
Het laatste lid der sprieten zoo dik als het tweede.
Gen. 7. Lopus Hahn.
Het laatste lid der sprieten dunner dan het tweede.
Het tweede lid der sprieten naar het einde ver-
dikt, knodsvormig.
Gen. 8. Capsus F.
Het tweede lid niet knodsvormig.
Dat tweede lid peulvormig en aan de kanten
harig bij een of beide sexen.
Gen. 9. HETEROTOMA Latr.
Dat lid niet zijdelings verbreed, niet dik met
haren bezet.
Ligchaam kort en breed, kop zeer breed en plat
van voren.
Gen. 10. Harrıcus Hahn.
21 (20) Ligchaam niet zoo breed als lang, kop niet afge-
99 (93).
93 (29).
24 (25).
plat van voren.
Sprieten en achterpooten zeer lang, 1° lid der
sprieten zoo lang als kop en thorax.
Gen. 12. Puyrocoris Fall.
Sprieten en achterpooten matig lang, 1° lid der
sprieten korter dan de kop met den thorax.
Ligchaam overal even breed; achterhoofd uitgehold,
veel breeder dan de voorrand van het halsschild.
Gen. 11. CAMARONOTUS Fieb.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 155
25 (24). Ligchaam niet overal even breed, achterrand van
den kop niet over het halsschild heenreikend.
Gen. 13. LyGus Hahn...
26 (13). De oogen zijn ver verwijderd van den voorrand
van het halsschild.
Gen. 14. DicypHus Fieb.
Genus 1. MonarocorIs Dahlb.
Ligchaam klein, ovaal; de lengte gelijk aan 13 maal de
grootste breedte. Kop kort, tusschen de oogen breeder
dan lang, met een bol voorhoofd en de basis van den
snuit uitstekend. Oogen niet zeer groot, een weinig uit-
puilend, op zijde gezien ovaal. Sprieten bij het wijfje
bijna zoo lang als het lijf, bij den man korter, slank; het
1° lid zoo lang als de kop, het 2° het dubbel daarvan, het
3° langer dan het 1°, het laatste kort en zeer fijn. Zuiger
tot aan de achterheupen reikende. Halsschild op den rug
bol, aan de zijden afloopende, met ietwat rondloopende
zijden en stompe hoeken. Schildje wat bol opstaande in
het midden. Dekschilden met breeden clavus en breeden
zijrand, voor den cuneus ingekeept; de membraan en
cuneus naar beneden gebogen, de eerste slechts mel één
cel. Pooten schraal en slank; het eerste lid der tarsen
kort, het derde langer.
NB. Het ware misschien regelmatiger geweest dit genus
geheel aan het eind te plaatsen, achter Dicyphus. Ik be-
denk dit te laat en kan het moeïjelijk meer veranderen,
daar de plaat waarop het als 1° fig. voorkomt, reeds ver-
vaardigd is.
1. Monalocoris Filicis L.
Plaat 8, fig. 1.
Linn. S. N. 718, 20 (1767). — Wolff, Icon. Cim. p. 46.
t. 5. f. 43. — Hahn, Wanz. I. IL. 86, fig. 172. — Kirschb.
156 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Caps. 70, 76. — Flor, Rh. Livl. 539, n°. 39. — Dougl. &
Scott. Brit. Hem: p. ZIP. XE LI:
Lengte 2 mm. — Kop blinkend okergeel met wat bruin
aan de basis van den zuiger, welks tip zwart is. Sprieten
geel, met het eind van het 2° lid en de beide volgenden
zwart. Oogen zwart. Prothorax zwartachtig bruin, glanzig,
grof gestippeld met twee kromme gleufjes achter den
voorrand, achterhoeken bruingeel. Schildje van dezelfde
kleur als het halsschild, fijner gestippeld. Dekschilden ge-
woonlijk iets lichter bruin, steeds met gelen buitenrand
en gele wigge, soms met bruingelen clavus, fijner gestip-
peld dan de prothorax. Membraan grauw , naar den rand
toe geelachtig, soms zeer bleek, met eene cel ingesloten
door eene bruine of bruingele ader. Pooten lichtgeel met
het laatste lid der tarsen en de klaauwtjes zwart; zeer
zelden hebben de dijen vóór het einde een bruin bandje.
Door mij half Julij in de gemeente Wassenaar gevangen
op Polypodium filix mas, in Augustus aan de Rhedersteeg
op Pteris aquilina, en te Voorst in Junij op eerstgenoemde
plant. De heer Six vond haar tamelijk gemeen op varen
bij de Bildt en Roozendaal, alsmede eenmaal bij Beek, de
heer Ritsema te Wolfheze en Dr. Piaget ving haar aan
den zoom der duinen. Waarschijnlijk komt de soort in al
onze provinciën voor, maar de naverwante Mon. Pteridis
Fall. is in ons vaderland nog niet ontdekt.
Gen. 2. PITHANUS Fieb.
Voornamelijk gekenmerkt door den bolvormigen kop, welks
omtrek, van ter zijde gezien, van den schedel tot aan den
zuiger half cirkelvormig loopt. De kop is met de sterk
uitpuilende oogen veel breeder dan het halsschild, van
boven gezien zoo lang als hij tusschen de oogen breed is.
Sprieten ongeveer zoo lang als het ligchaam, met het eerste
lid zeer smal aan de basis, spoedig daarop gezwollen en
dik, korter dan de kop lang is; het tweede, meer dan
u
PI SOIT, AA nt
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 450
driemaal zoo lang, een weinig krom gebogen, slank; de
beide volgenden nog fijner, te zamen langer dan de twee
eersten. Zuiger reikende tot aan den buik; zijn eerste lid
vrij dik.
Het halsschild korter dan breed, door twee dwarsgleuven
in drie deelen verdeeld, waarvan het middelste langer en
boller is dan de anderen. Het schildje groot, een gelijk-
zijdigen driehoek vormende. De dekschilden bij onze voor-
werpen weinig ontwikkeld, niet veel langer dan de pro-
thorax, zonder cuneus noch membraan, vierkant afgesne-
den bij het 9, toegerond bij den 4. Bij geheel ontwikkelde
voorwerpen bezitten zij eene vrij groote membraan en eene
wigge, dan reiken zij voorbij de spits van het achterlijf.
Dit is in onze individuen spoelvormig met afgerond einde
en scherp uitstekend connexivum of tusschenzetsel. De
pooten zijn vrij lang en stevig met nog al dikke dijen en
met het eerste lid der tarsen bijna 3 maal langer dan het
tweede.
Pithanus Maerkelii H.-Sch.
Plaat 8, fig. 2 en 2a.
«
Herr.-Schaeff. W. I. IV, p. 78, f. 406. — Flor, Rh. Livl.
p. 513, n°. 26. — Fieb. Eur. Hemipt. p. 239. — Dougl. and
Scott. Br. Hem. p. 281, pl. X, f. 3.
Lengte 4—5 mm. — Zwart, weinig glanzig. Op den
schedel twee scheefstaande roode of geelroode dwarsstreepjes.
Sprieten zwart, behalve de bovenhelft van het eerste lid,
welke wit is. Zuiger roodachtig geel, zwart aan de spits.
Het halsschild heeft aan beide zijden nabij den voorrand
een zwart knobbeltje, en op het midden een fijn, weinig
verheven langsrigcheltje. Het schildje is in het midden
eenigszins bol. Dekschilden in de lengte gerimpeld, zwart
met breeden, geelachtig witten buitenrand; de vleugels
ontbreken. Aan het zwarte achterlijf is het connexivum
vuilwit. De pooten zijn steenrood, met geele heupen en
apophysen en met het laatste lid der tarsen bruin.
158 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Van deze merkwaardige soort heeft de heer E. Piaget
den 11den Julij 1862 een voorwerp in de duinen gevonden,
als wij hierboven beschreven hebben, doch met gladde
dekschilden. Ook Perrin heeft vroeger een dergelijk niet
geheel ontwikkeld voorwerp — waarschijnlijk bij Katwijk
of Wassenaar aangetroffen. Voorwerpen met geheel ont-
wikkelde vleugels, zoo als Herrich-Schaeffer er een afbeeldt,
kwamen in Nederland nog niet voor.
Gen. 3. Miris F.
Het ligchaam is langwerpig, slank, somtijds met de
zijden evenwijdig. De kop is van boven gezien langer
dan breed, vierkant tot de basis der sprieten verder drie-
hoekig, op zijde gezien een parallelogram met uitspringend
voorhoofd. Somwijlen strekt zich het voorhoofd een eindje
voorbij den clypeus uit; de schedel en het voorhoofd zijn
gewoonlijk geheel horizontaal. De sprieten zijn voor de
oogen op korte wratjes ingeplant en zoo lang als het lig-
chaam of iets langer; het 4° lid verbreed, harig en meestal
langer dan de kop, het 2° meest ook harig en 14 of 2
maal zoo lang als het eerste; 3 en 4 te zamen genomen
zijn korter dan de beide voorgaanden. De zuiger reikt
tot de middenheupen of tot voorbij de achterheupen; het
eerste lid is bijna altijd vrij dik. Het halsschild is boven
plat, aan den voorrand zonder zoom, aan de zijden scherp,
aan den rondgebogen achterrand breeder dan aan den
voorrand, bijna altijd in het midden met een langsrigcheltje.
Het schildje driehoekig, nagenoeg plat met een’ dwarsnaad
aan de basis onder den rand van den prothorax. De
dekschilden lang en smal, met lange membraan. Ook de
pooten zijn lang gerekt; het eerste lid der tarsen is 2 tot
3 maal zoo lang als het 2°. De kleur is groen, geel of
licht bruin.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 159
Tabel der soorten.
4 (2). Achterdijen met 2 scherpe tandjes . . . Calcaratus.
2 (4). Achterdijen zonder tandjes.
4 (3). Buitenrand der dekschilden regt.
3 (4). » » » naar buiten
OEL OE AN EE EEE eur de Holsatus.
5 (6). Achterdijen vrij dik, doch aan de spits
plotseling vermagerd.
7 (8). De clypeus aan de basis door het voor-
Loubet eo e, Virens.
8 (7). De clypeus aan de basis niet door het
MOOD MOOS DEE as facut sac eee Laevigatus.
6 (5). Achterdijen bijna overal van dezelfde
dikte.
9 (10). Lengte slechts 6 millim. Sprieten rood. Ruficornis.
10 (9). » meer dan 6 millim. Sprieten
brumgeel EAR een An et ke Erraticus.
1. Maris laevigatus L.
Plaat 8, fig. 3 en 3a.
Linn. F. S. 958. — Fahr. S. Rh. 253, 2. — Hahn. W. I.
II. 79, f. 165 (Virens). — H.-Sch. W. I. III 43, f. 259. —
Flor. Rh. Livl. I. p. 425.
Lengte 6,5 tot 8 mm. — Groen of bruingeel, bijna
overal even breed. Kop van boven gezien onregelmatig
vijfhoekig, plat met eene langsgleuf over de geheele lengte.
De elypeus is aan zijne basis niet door het voorhoofd be-
dekt. Oogen ovaal, weinig uitpuilend, grijs. Sprieten
bijna zoo lang als het ligchaam, groen, geel of roodachtig ;
het 4° lid vrij dik, korter dan het halsschild, sterk be-
haard, groen of bruinachtig; het 2° smaller en naar het
eind toe nog smaller wordende, meer dan tweemaal zoo
lang als het eerste, halverweg behaard, van het midden
af naakt en roodachtig; het 3° anderhalfmaal zoo lang als
het 4°, dun, rood; het 4° kleiner dan het 1°, rood of bruin.
160 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
De zuiger reikt tot aan de achterheupen. Het borststuk
is op den rug zeer digt gekorreld met eene verheven langs-
streep in het midden. Het schildje is evenzeer gekorreld
De dekschilden zijn meestal groen met bruinen clavus; de
membraan is doorschijnend zeer licht grijs, de randen der
cellen bruinachtig. De achterdijen zijn met bruine vlekjes
setijgerd, de tarsen dikwijls rood.
Dikwijls zijn de vrouwelijke voorwerpen geheel lichtbruin
met twee donkerbruine strepen in de lengte over het borststuk.
De soort leeft als de overigen van het geslacht op duinen
en heidevelden, doch ook op begroeide zanderige plaatsen.
Zij werd in bijna alle provincien aangetroffen.
2. Miris virens L.
Linn. S. N. 502, 402. — Hahn. Wi I. Il, t. 53, 71.7161:
(Laevigatus) en t. 71, f. 220 (Ruficornis). — Herr.-Sch.
W. GIU. p.-42, t. 89, © 207. — Flor. Rhy Lol p. 423.
Reeds Linnaeus heeft van deze soort gezegd » simillimus
(Cimex) laevigato. Mij is zij altijd een steen des aanstoots
geweest, want dan eens zag ik het verschil tusschen haar
en de voorgaande wel, dan weêr niet. Daarom heb ik
van deze soort ook geene afbeelding gegeven en waag de
veronderstelling dat de verschillen die men waarneemt,
niet specifiek zijn, maar individueel. Ondertusschen daar
alle schrijvers over Hemipt. Heteropt. de beide soorten
onderscheiden en Fieber die zelfs in 2 geslachten heeft
geplaatst, zoo meen ik wel te doen met de soort op te
nemen en de punten van verschil op te geven.
Over het algemeen is de kleur meer geel dan groen,
soms rood; van achter de oogen loopen dikwijls twee
bruine langsstrepen tot aan de hoeken van het scutellum;
de kop is iets korter dan bij Laevigatus, de middengleuf
bepaalt zich tot den schedel, maar is iets dieper. Van
boven gezien ontdekt men de basis van den clypeus niet,
omdat het voorhoofd dit bedekt; men ziet dus slechts een
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 161
zeer klein puntje van den clypeus. De sprieten zijn iets
korter, bepaaldelijk het 4° lid. Het einde der achterdijen
is nog plotselinger versmald dan bij de vorige.
Ik houd deze soort voor nog gemeener dan Laevigatus.
3. Miris holsatus F.
Plaat 8, fig. 4.
Fabr. S. Rh. 254, 4. — Burm. Handb. II, p. 265, 4. —
Herr.-Schäff. W. I. III, p. 44, t. 85, f. 256. — Flor, Rh.
Livl. 427. — Dougl. and Scott. Br. Hemipt. p. 283.
Lengte 6—7 mm. — Kleur licht nootbruin, aan beide
zijden geel. De soort van de beide vorigen te onderschei-
den door meerdere breedte naar gelang der lengte, door
den gebogen loop van den buitenrand der dekschilden en
door het weinig behaard zijn van het 1° lid der sprieten.
De kop is slechts zoo lang als tusschen de oogen breed,
bruinachtig met middengleufje tot bijna aan het eind. De
basis van den clypeus is zigtbaar. De oogen zijn bruin
en puilen wat meer uit dan bij de andere soorten. Sprie-
ten korter dan het ligchaam; 4° lid vrij dik, veel korter
dan het halsschild, nootbruin, niet of ijl behaard; 2 iets
meer dan tweemaal zoo lang als 1; 3 en 4 te zamen iets
langer dan 2. De drie laatsten zijn geel, doch 4 bruin aan
de spits. De zuiger reikt tot aan de middenheupen. De
prothorax is aan den achterrand breeder dan hij lang is,
sterk gekorreld, bruingeel, in het midden met een lichter
langsrigcheltje; over beide der daardoor gevormde helften
loopt eene bruine, in het midden gebogen streep. Het
schildje is mede gekorreld met een bol middenstreepje.
De dekschilden zijn korter dan bij de vorige soorten, in het
midden breeder dan aan de beide einden, geelaan de buiten-
helft, overigens geelbruin met twee bruine langsstrepen;
cuneus geel, membraan vlak bij den cuneus geel, overigens
vrij donker bruin. Pooten bruingeel, de achterdijen met
bruine vlekjes, de spitsen der scheenen en tarsenleedjes
roodbruin.
il
162 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Deze, bij ons zoo het schijnt zeldzame soort, werd eens
door mij bij den Haag en op Staalduin, en door den heer
Heylaerts in het Liesbosch bij Breda gevonden; ook ken
ik een voorwerp, door den heer Piaget aan de oude plas
bij Kralingen gevangen, dat ik tot deze soort meen te
moeten brengen. Misschien is zij nog op vele andere
plaatsen in ons land aangetroffen, maar om hare overeen-
komst in kleur met Virens, niet bemagtigd.
4. Miris calcaratus Fall.
Plaat 8, fig 5.
Fall. Hem. Suec. 1, p. 131, 5. — Burm. Handb. II, 265,
n°. 2. — Amyot et Serv. Hém. p. 278, 2. — Hahn, W. J.
15, 12,4 8. — Kırsehb. Caps. p. 98, n. 4 — Wor sun
L.I, p. 421. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 286, n°.3.
Lengte 6-8 mm. — Dadelijk herkenbaar aan de kromme
stekels der achterdijen. Naar gelang der lengte smaller dan
de vorige; groen, bruingeel, nootkleurig of bruin. Kop
matig lang, met nog al uitpuilende oogen en een zwart
langsgleufje op het midden, dat nagenoeg tot het eind door-
loopt. De basis van den clypeus is zigtbaar. De sprieten zijn
bij den 4 nagenoeg zoo lang als het ligchaam, bij het ¢
iets korter; lid À iets korter dan het halsschild, breed en
sterk behaard, 2 meer dan tweemaal langer dan 1, 3 met
4 korter dan 2; de kleur is meest vuilgeel of lichtbruin;
zoo À en 2 groen zijn, dan zijn de beide laatste leden
rood. De zuiger reikt tot aan de middenheupen en is
zwart aan de spits. Het halsschild is voorbij de helft tame-
lijk grof gekorreld, heeft een geel opstaand middellijntje
en dergelijke rigcheltjes voor aan de zijden; 2 of 4 bruine
strepen loopen in de lengte over het halsschild, doch niet
bij groene voorwerpen. Het gekorrelde schildje heeft ook
een licht gekleurd langsstreepje, als het bruin is. Het
abdomen is van boven zwart, met groene of roode randen
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 163
en bruinen anus. Op de dekschilden meest 2 bruine stre-
pen, waarvan zich een op de membraan voortzet. De
pooten zijn groen of geel, dikwijls bruin gestippeld op de
dijen; de achterdijen vertoonen aan den onderkant niet
verre van de spits twee kromme scherpe doorntjes, waar-
van het kleinste digter bij het eind staat; de tarsen zijn
rood of lichtbruin. Bij vele voorwerpen is aan de onder-
zijde de borst zwart en loopen er twee bruine zijdestrepen
over de zijden (pleurae), en een over het midden van den
buik.
Calcaratus is vrij gemeen op onze duinen en heidevelden.
De heer Ritsema vond hem ook vrij gemeen in Mei op
Texel, doch hij komt ook in lage streken en aan de rivie-
ren voor. Dr. Piaget vond hem aan de Kralingsche plassen
en in het Overmaassche land. Ook schijnt de soort het
geheele jaar volwassen voor te komen en dus te overwin-
teren, want tegenover de genoemde vangst in Mei, staan
andere vangsten in Junij, Juli} (Groot-Zundert, v. V.),
Augustus (Piaget) en het laatst van Sept. (Oisterwijk, v. V.)
5. Miris erraticus L.
Plaat 8, fig. 6 en Ga.
Lion SN, p. dat 107; —Burm. Hb. II, 265, n°. 3. —
Wolf, Icon. t. 16, f. 154 (Hortorum). — Hahn, W. I. II,
78, tab. 54, f. 164, 165. — Herr.-Sch. id. op. UI, p. 40. —
Kirschb. Caps. 32, 1.— Flor, Rh. Livl. 1, p. 431. — Dougl.
and Scott, Br. Hem. p. 287.
Lengte 6—7 mm. — Groen met zwarte of donkergroene
teekening op den rug, nimmer bepaald geel of bruingeel.
Kop zoo lang als het halsschild, met ovale oogen, zwart
met groene zijden en een dubbel lichtgroen vlekje op den
schedel, of groen met 3 donkere langsstrepen. Van boven
is de basis van den .clypeus niet te zien, daar zij geheel
door het voorhoofd bedekt wordt; op den schedel een
kort ingesneden streepje. De zuiger reikt bijna tot aan
164 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
de middenheupen. De sprieten zijn bij den ¢ langer dan
het ligchaam met het 4° lid donkerbruin, bij het ¢ korter
met het 1° lid groen; bij beiden is het vrij sterk behaard;
het 2 is roodbruin, de beide volgenden zwartbruin. Het
halsschild heeft een weinig uitstekend langskieltje in het
midden en is groen met vier donkere langslijnen of zwart
met groenachtig gele randen. Het schildje is zwart of
groen met donkere strepen. De dekschilden zijn of zwart
met geelgroenen buitenrand of groen met donkere strepen
in de lengte. De membraan is licht- of donkergrijs ge-
kleurd met somtijds witte, meest echter donkere aderen.
Pooten groen of bruingeel, met fijne haartjes bezet, die
vooral lang zijn aan de achterscheenen; achterdijen overal
even dik, bij de donkere individuen met bruine vlekken en
strepen, meestal naar de knie toe geheel bruin; de achter-
scheenen zijn geelbruin en de achtertarsen bruin. Keel,
borst en buik zijn bij het mannetje zwart, bij het wijfje
groen.
Deze soort is in de duinstreken in Julij en Augustus
zeer gemeen, doch werd bovendien gevangen in het Over-
maassche (dus op de klei) door Dr. Piaget, bij Maarsbergen
door denzelfden en bij Middelburg door Dr. de Man.
6. Miris ruficornis Fall.
Plaat 8, fig. 7 en Ta.
Fallen, Hem. I, p. 133, 8. — Herr.-Sch. W. I. II, p. 119,
tab. 66, f. 200 (pulchellus) en III, p. 40. — Meyer-Dür,
Caps. p. 37, 6. — Flor, Rh. L.I, p. 435. — Dougl. &
Scott, Brit. Hem. p. 290, 6.
Lengte 4—6 mm. — Kenbaar aan de geringe grootte
en de kleur der sprieten. Helder groen of groenachtig geel
met roode sprieten. Kop korter dan het halsschild met
de basis van den clypeus zigtbaar; op den schedel een
kort ingesneden langsstreepje en van daar tot den clypeus
een donker lijntje. De sprieten zijn ongeveer zoo lang
i te
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 165
als het ligchaam; hun 4° lid zoo lang als de kop, onbe-
haard, aan de basis groen. Halsschild aan beide zijden
van een middenrigcheltje wat ingedeukt en daar met
ietwat donkerder langsstreep; soms ook nog twee donkere
langsstrepen aan de zijden. Dekschilden zonder teekening
met zeer langen cuneus en bleeke membraan. Onderzijde
van het lijf lichtgroen; pooten van dezelfde kleur met
roode tarsen.
De aangehaalde afbeelding van Herrich-Schäffer vertoont
het insect met roode vlekken op halsschild en clavus;
een zoo fraai voorwerp heb ik nooit gezien. Scholtz ver-
zekert dat dit eene andere soort is.
Gemeen in Juli] op duinen en geestgronden; voorts nog
door mij aangetroffen bij Goes in Junij, op Schothorst bij
Amersfoort in Julij, op de Zundertsche heide den 21°
Julij en aan het strand der Schelde bij Bergen-op-Zoom
den 22° Juli.
Gen. 4. LEPTOTERNA Fieb.
Dit geslacht verschilt van het vorige, waarvan het overi-
gens den habitus heeft, hierin dat het borststuk aan de
bovenzijde van achter naar voren afdaalt en aan den
voorrand duidelijk gezoomd is, dat het aangezigt rond
naar beneden gebogen en de zuiger aan het voorste lid sterk
verdikt is. Bovendien is het geheele ligchaam en met name
de dijen sterk met zijdeachtige haren bedekt.
Lept. dolabrata L.
Plaat 8, fig. 8.
Linn. S. N. V, p. 502, 103. — Fabr. S. Rh. 253, 1. —
Wolff, Ic. Cim. f. 109 (slecht van omtrek) en 110. —
Hahnszet Hersch. Wo Peto p: 75. f, 160.et III, pe 45,
t. 86, f. 261 et 262. — Flor, Rh. Livl. I. p. 437. — Dougl.
& Scott, Brit. Hem. p. 297. |
Lengte 7—8 mm. — Langwerpig, van de schouders af
bijna gelijkmatig breed, zwart met gele versieringen en
166 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
vale dekschilden. Kop klein en kort met uitpuilende bruine
oogen, zwart met de zoomen der oogen geel, welke ran-
den op den schedel meest tweemaal zijn ingekeept; boven-
dien een zeer fijn geel langsstreepje op het midden van
den kop. Zuiger vuilgeel, bruin aan de spits, reikend tot
de achterheupen. Sprieten zoo lang als het lijf (8), iets
langer (8), harig, grauwbruin, donkerder aan de spits; lid
1 zoo lang (4) of iets korter (2) dan het halsschild, het
2° langer dan 3 en 4 te zamen. Halsschild grijzig zwart
met gele zijranden en eene gele middenstreep, die zich
voorbij het midden tot eene ronde of ruitvormige vlek
uitzet. Schildje vrij groot, glanzig zwart met eene oranje
langsstreep in het midden; overdwars loopt eene vrij diepe
gleuf. Dekschilden vaal, somtijds echter kastanjebruin met
vuil- of heldergele randen, gelen cuneus en vale of zelfs
rookbruine membraan, waarop de aderen in het geel of
rood uitkomen. Borst zwart met twee gele vlekken; buik
vuilgeel met drie zwarte langsstrepen; het laatste segment
bij den man oranje met zwarte vlek. Pooten grauw of
vuil bruingeel, de achterdijen met zwarte vlekjes, knieén
en spitsen der scheenen zwart, zoo mede de klaauwtjes.
Bij ons komt het meest voor de var. die Ferrugata ge-
noemd wordt, welke minder sterk behaard en valer van
kleur is, dan de eigenlijk zoo genoemde Dolabrata.
De soort is gemeen op duinen en geestgronden , maar
komt ook op minder zanderige streken voor; b.v. te Velp
(Ritsema), op de wallen van Breda (Heylaerts).
Gen. 5. ONCOGNATHUS Fieb.
Dit is het eerste der beide genera, die zich wel aan de
drie laatstgenoemden aansluiten door de meerdere lengte
van het eerste lid der achtertarsen, maar van Miris en
Leptoterna verschillen door de afgeronde zijden van den
prothorax. De gedaante komt overigens geheel overeen
met die van het geslacht Lygus Hahn. De kop is met de
uitpuilende oogen breeder dan lang; van de sprieten, die
— enn
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 167
de lengte van het ligchaam hebben, is het eerste lid on-
geveer zoo lang als de kop, het 2° meer dan tweemaal zoo
lang. Het halsschild is zeer smal van voren, vrij breed
van achter. De zijrand der dekschilden is een weinig naar
buiten gebogen. De pooten zijn lang en slank, vooral de
achterpooten, wier dijen in het midden veel dikker zijn
dan aan de uiteinden en wier eerste lid der tarsen iets
meer dan tweemaal langer is dan het tweede, doch niet
dikker.
Oncogn. binotatus F.
Plaat 8, fig 9 9 en 9a A.
Baby, ..S, Rh. 235, 159. — Herr=Sch. W. I. IL. p.i77,
t. 98, f. 296. — Kirschb. Caps. 59, 56. — Flor, Rh. Lul.
Lo p..299.
Lengte 5—6 mm. — Langwerpig, geel of groenachtig
geel met zwarte vlekken. Kop glanzig, weinig gestippeld,
met 2 scheve bruine vlekjes op den schedel, 2 andere voor
de oogen en met den clypeus zwart. Oogen uitpuilend,
ovaal, met grove facetten, zwart. Sprieten slank, vuil
bruingeel met de uiteinden der 3 voorste en geheel het
laatste lid bruin; het 4° alleen aan de binnenzijde met
eenige haartjes. Zuiger eerst geel, dan bruin, eindelijk
donkerbruin, reikende tot over de achterheupen. Het gele
borststuk heeft een duidelijk afgesneden zoom aan den
voorrand, is op de breede achterhelft vrij sterk gekorreld
en vertoont twee langwerpig vierkante donkerbruine of
zwarte vlekken, wier voorrand eene diepe groeve schijnt;
in de zijden bespeurt men nog een lichtbruin vlekje. Het
schildje, welks basis door eene dwarsgleuf begrensd wordt,
is helderder geel met twee fijne bruine zijstrepen. De dek-
schilden zijn geel, op den clavus grijsachtig, op het corium
met zwarte, schuin onder elkander geplaatste, doch meestal
ineenvlocijende langsstrepen; de cuneus is ongevlekt geel,
soms oranje. Membraan bruin of zwart, met lichtere, zelfs
geelachtige aderen. Pooten van de kleur van het lijf met
168 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
bruine uiteinden der achterscheenen, die met zwarte ste-
keltjes bezet zijn, en met bruine tarsen. Buik soms met
zwarte langsstrepen.
Gevangen bij Utrecht door den heer Six, in Augustus
op Sterkenburg bij Driebergen door mij, in September mede
in de provincie Utrecht op Wikkenburg door Dr. Wttewaall;
voorts bij den Haag in Augustus door den heer van der
Wulp en door den heer Heylaerts in Augustus bij Breda.
Gen. 6. ALLOEOTOMUS Fieb.
Het ware kenmerk van dit geslacht bestaat in het eerste
lid der achtertarsen, dat tweemaal langer en veel dikker
is dan het tweede. Zonder deze bijzonderheid zou de eenige
soort beter gebragt worden tot het geslacht Capsus, waar-
van het geheel den habitus heeft, tevens met het kenmerk
van de knodsvormige gedaante van het tweede lid der
sprieten. Zie hier nu een bewijs voor het gezegde, dat als
men in deze familie systematisch al te scherp verdeelen
wil, men genera maakt van afdwalende soorten, want
kennelijk behoort deze soort tot het Genus Capsus, doch
is afgedwaald naar de groep met verlengd eerste lid der
achtertarsen.
Alloeot. marginepunctatus H. Sch.
Plaat 8, fig. 10.
Herr. Sch. W. I. III p. 69, fig. 284. — Fieb. Eur. Hem.
p. 247. (Gothicus).
Lengte 5 mm. — Roestgeel, dik bekleed met witte haartjes.
Ligchaam langwerpig ovaal, tamelijk breed. Kop glanzig,
van boven gezien driehoekig, puntig van voren, met groote,
zwarte sterk uitpuilende oogen. Zuiger met donkere spits,
reikt tot aan de achterheupen. Sprieten ongeveer 3 der
lengte van het lijf, het 1° lid veel korter dan de kop, niet
dik, roestgeel met wat bruin aan den bovenrand en eenige
haren aan de binnenzijde, het tweede bijna 4maal zoo lang,
knodsvormig, nog al sterk behaard, roestgeel, aan de spits
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 169
bruin, de beide volgenden kort, fijn en bruin. Het halsschild
glanzig, doch grof gekorreld, naar achteren sterk verbreed
met naar buiten gekromden achterrand. Schildje glanzig,
bol met 3 witte puntjes in de hoeken en aan de spits.
Dekschilden ietwat doorschijnend, grof gekorreld met zwarte
langsstreepjes aan den buitenrand; wigge lichtbruin met
donkerbruine spits; membraan vuilwit, naar de spits toe
rookkleurig met duidelijke bruine aderen. Pooten geelachtig
met bruine ringen aan het eind der dijen en bruine tarsen
en scheenhelften.
Van deze soort is mij slechts een inlandsch voorwerp
bekend, door den heer van der Wulp in Augustus in het
duin bij den Haag gevangen.
Gen. 7. Lopus Hahn.
Terwijl de Capsinen in het algemeen kenbaar zijn aan
de haarachtige fijnheid der beide laatste leden van de
sprieten, zijn er toch drie soorten onder, bij welke de
sprieten meer gelijken op sommige Lygaeoden ') b. v. het
geslacht Cymus, doordien de sprieten aan het eind niet
veel dunner zijn. Deze weinige soorten worden hier in het
geslacht Lopus vereenigd.
Het ligchaam is meer langwerpig dan ovaal. Kop kort en
driehoekig, bij eene soort wat bol op den schedel, bij de
anderen meer plat. De sprieten zijn zoo lang als het ligchaam
of langer; 1° lid bij twee soorten langer dan de kop,
De lid tweemaal zoo lang als het eerste of zelfs langer, bij
ééne soort ietwat knodsvormig; de beide volgenden niet zoo
fijn als gewoonlijk in deze familie, doch in dikte weinig
verschillend met het 2°. Halsschild aan den achterrand veel
breeder dan aan den voorrand, van voren naar achter ge-
leidelijk oploopend, bij eene soort met scherpe kanten, bij
de anderen niet. Dekschilden vrij lang gestrekt met langen
cuneus, de membraan met groote cellen. Pooten matig lang,
vrij slank, alleen bij eene soort de achterdijen dik.
1) Fabricius plaatste ook de eenige soort, die hem bekend was, onder de Lygaeoden.
470 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Ik erken gaarne dat dit geslacht in zijne zamenstelling
niet door naauwkeurige morphologische overeenstemming
der drie soorten uitblinkt, maar ik verkies toch de bijeen-
voeging boven het afscheiden in 3 afzonderlijke geslachten.
1. Lopus tunicatus F.
Plaat 8, fig. 12.
Fabr. S. R. 233, 148. — Ahrens en Germar, Fauna Ins.
Eur. fasc. 5, tab. 24 (Miris). — Meyer, Caps. 40, 3 (Lopus). —
Flor, Rh. Livl. I, p. 444. — Dougl. & Scott, Brit. Hem. p.
ooo. Pl. XI, £ 2, (Pontius):
Lengte 7 mm. — Langwerpig, het mannetje echter meer
dan het wijfje, boven bruin of bruinrood, onder geel. Kop kort,
met de sterk uitpuilende grauwe oogen breeder dan lang,
met een diep langsgroefje op den schedel. De dikke zuiger,
die geel is met zwarte tip, bereikt naauwelijks de inplan-
ting der middenheupen. De sprieten zijn ietwat korter dan
het lijf, bruin; het 1° lid is langer dan de kop, van boven
een weinig platgedrukt, naar binnen wat uitgebogen, sterk
met zwarte stippeltjes bedekt; het 2° is wat smaller, doch
wordt naar het einde toe dikker en tevens donkerder van
kleur, terwijl het aldaar dik met korte haartjes bekleed is;
het 3° is korter dan het eerste; half geel, half bruin; het
4° is roodgeel en zeer kort. Het halsschild heeft een
vrij dik zoompje aan den voorrand, scherpe zijranden, die
zwart afgezet zijn en stompe achterhoeken; het is’ van
achter niet veel hooger dan van voren en overal met zwarte
vlekjes bezet. Het schildje is zwart gemarmerd en vertoont
aan de spits twee kleine gele vlekjes. De dekschilden hebben
gele zijranden, die echter weder door fijne zwarte lijntjes
omzoomd zijn; corium en clavus zijn bruin of roodbruin,
zwart gemarmerd, de cuneus geel met rooden binnenrand
en bruine spits; membraan geelachtig en berookt met roode
cellen-aderen. Aan den binnenhoek van het corium een
geel vlekje. Onderzijde geel, aan wederzijde van het abdomen
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 171
eene rij zwarte stipjes. Pooten geel, zwart gestippeld, de
voorscheenen aan het einde bruinrood.
De heer Piaget vond deze soort in Junij aan den duin-
kant, de heer van Medenbach de Rooy meermalen bij
Arnhem zelfs in Nov. en weder in April; ik trof haar in
t najaar bij Leyden aan en bij Heemstede in Sept. op
hazelaren, op welken heester zij ook door anderen (zie Flor en
Fieber) gevonden is.
2. Lopus infusus H. Sch.
Plaat 9, fig. 1 en la.
Herr. Sch. W. J. IV. p. 30, tab. 120, fig. 381. — Kirschb.
Caps. Sp. 49. — Fieber, Eur. Hem. p. 249.
Lengte 7—8 mm. — Langwerpig, zeer kenbaar aan de
bloederige kleur en de lange sprieten; geheel glad en onbe-
haard, vrij glanzig. Kop klein, rond naar beneden gebogen
met een bol voorhoofd en sterk uitpuilende grauwe oogen,
bruingeel of rood. De zuiger schijnt tot aan de achterheupen
te reiken. Sprieten langer dan het lijf, roodgeel of rood,
met het 4° lid veel langer dan de kop, tamelijk dik, bruin
aan het einde; het 2° iets dunner, meer dan tweemaal langer
dan het 4% het 3% even dik, 14 van de lengte van 1, en
4 even dik of zelfs iets dikker en iets meer dan de helft
der lengte van het 3°. Halsschild met een smal zoompje
aan den voorrand, veel breeder aan den achterrand, die
naar achter rond uitgebogen is, geel met bruine in elkander
vloeijende vlekken op de achterhelft. Schildje donkerbruin.
Dekschilden op clavus en corium roodgeel, rood naar den
buitenrand en het einde, met een bruin dwarsbandje voor
den bloedrooden cuneus; de membraan zwartachtig, met
nog donkerder aderen. Pooten lang en slank, geelrood met
gele voor- en middenscheenen en tarsen; alle scheenen
met stekeltjes bezet, die der achterscheenen vrij lang.
Eene vrij zeldzame soort, gevonden bij Paterswolde door
Dr. de Gavere, bij Driebergen door den heer Six, bij
172 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Maarsbergen in October door Dr. Piaget, in October bij
Arnhem en bij Nykerk door van Medenbach de Rooy en
bij Breda uit eik geklopt door den heer Heylaerts.
3, Lopus subpatellatus Voll.
Plaat 9, fig. 2 en 2a.
A. Costa, Mémoire dans les Annales de la Soc. Ent. de
France, Tom. X. p. 286. Pl. VI, fig. 3. (Phytocoris flavomar-
ginalus) ....9
Lengte iets meer dan 2 mm. — Langwerpig, licht- of
donkergrijs met gele versiersels. Kop breeder dan lang,
met uitpuilende grijze of grauwe oogen, geel op het achter-
hoofd, den schedel en langs de oogen, bij één voorwerp
geel met twee scheve langwerpige zwarte vlekjes op den
schedel. Zuiger vrij dik, reikend tot de achterheupen. Sprieten
bijna zoo lang als het lijf, zwart of donkergrijs, het 4% lid
niet langer dan de kop, niet zeer dik; het 2" meer dan 2
maal zoo lang, schier even dik; het 3" niet veel korter dan
het 2° en even dik, het 4° de helft korter en schijnbaar
uit twee stukken bestaande, waarvan het voorste rolrond,
het achterste daarentegen palet- of lepelvormig schijnt. Het
halsschild niet veel langer dan het hoofd, met eenigzins
ingebogen zijranden, aan den achterrand veel breeder dan
aan den voorrand, grijsgelen voorrand, zijranden en
middellijn ; de ovalen achter den kop bijzonder duidelijk.
Het schildje driehoekig met gele middellijn en 2 gele
vlekken aan de basis. Dekschilden lichtgrijs met gelen
zijrand en geel langs het schildje; clavus geel, membraan
grijs; de anderen niet veel donkerder. Achterlijf zwart met
geel connexivum. Pooten geel met grijze strepen onder tegen
de dijen, de geheele achterdijen grijs en de tarsen grijzig
zwart met bijzonder groote klaauwen.
Dit insect wijkt zoo zeer van de andere Capsinen af, dat
het niet wel tot de familie te brengen zou zijn, indien het
niet de gesloten cellen in de membraan en wel bijoogjes
bezat. Of het de Phylocoris flavomarginatus van Costa is,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 173
durf ik niet bepalen; de figuur op de Plaat gelijkt niet uit-
nemend; in de beschrijving stuit ik onder anderen op het
gezegde, dat de sprieten hier en daar met haren bedekt
zijn en dat het 4° lid langer is dan het 3". Ook zegt Costa
niets van het lepelvormige einde dier sprieten. Ik heb het dus
noodzakelijk geoordeeld het dier een anderen naam te geven.
De heer Ritsema ving eerst een voorwerp in Junij op
Texel, daarna nog twee anderen, die wat kleiner en grijzer
waren in Junij bij Velp.
Gen. 8. Capsus F.
Het eigenlijke kenmerk van dit geslacht ligt in den knods-
vorm van het tweede lid der sprieten, doch daarbij dient
wel in het oog gehouden te worden dat het eerste lid der
achtertarsen even lang is als het tweede, want zonder dat
zou eene reeds behandelde soort, Alloeotomus marginepunctatus
H. Sch., bepaaldelijk tot dit genus moeten behooren.
De vorm van het ligchaam is ovaal of langwerpig ovaal,
bij eene enkele soort langwerpig en slank; deze heeft dan
ook het voorhoofd bol toegerond, terwijl het bij de overigen
puntig uitsteekt. De kop is klein, de oogen vrij sterk uit-
puilend, de zuiger tot de achterheupen reikend. Het 1“ lid
der sprieten is langer dan de kop, het 2° meer dan twee-
maal zoo lang als het 1“, de beide laatsten zeer dun. Het
halsschild heeft den gewonen vorm behalve bij het wijfje
van ééne soort, bij hetwelk ook de dekschilden verkort
zijn. Al het overige valt in den gewonen vorm der familie.
1. Capsus ater L.
Plaat 9, fig. 3.
Linn. S. N. V. 495, 72 et 494, 68. — Fabr. S. R. 241,2; 242,
4 et 243, 13. — Hahn, W. I. I. p.126, Pl. 20, f. 65. — Wolff,
Je. (Gap. 32.1. 4,.f..32 et & 19, 5,146. — lor, Rh: L. Lp.
486. — Dougl. & Scott, Br. Hem. p. 440, t. 14 f. 7.
Gedrongen van statuur, weinig glanzig, fijn en weinig
duidelijk behaard, zwart (3) of zwart met geelrooden kop
17% DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
en prothorax (2), soms met roode pooten. Kop kort, vrij
stomp aan den clypeus, tamelijk breed bij den man, breeder
nog bij het wijfje, bij het eerste zwart, bij het andere geheel
of gedeeltelijk steenrood of roodgeel. Oogen uitpuilend,
scheef ovaal, bruin of zwart. Twee voorste leedjes van den
zuiger rood, de beide volgenden zwart. Sprieten iets langer
dan de helft van het ligchaam; het 1* lid niet zeer dik,
zoo lang als de kop, zwart of rood; het 2° steeds zwart,
behaard, bij het $ meest korter en meer plotseling knods-
vormig dan bij den man, de beide volgenden te zamen iets
korter dan 2, grijs of zwart, 3 met gele basis. Halsschild
vrij kort en breed, voorbij de helft grof gekorreld. Het
schildje en de dekschilden zeer fijn gestippeld, steeds zwart;
voorrand tusschen corium en cuneus ingekeept; membraan
rookbruin of zwart. Pooten geheel zwart, of zwart met
roode vlekken of rood met bruine bandjes aan de achter-
knieën en de tarsen half geel, half zwart. Bij één exemplaar
in mijn bezit zijn de voorheupen rood, is er een roode band
over het midden der dijen en zijn de scheenen roodbruin
met bruine spitsen.
Het wijfje met den gelen prothorax ontving van Linnaeus
den naam van Semiflavus, van Fabricius dien van Flavicollis,
terwijl de zwarte voorwerpen met roode pooten door den
laatsten Tyrannus genoemd werden.
De soort is niet ongemeen, vooral op drooge gronden,
de wijfjes zijn echter veel zeldzamer of houden zich meer
schuil dan de mannen.
De var. Tyrannus werd gevonden bij Utrecht (Six), bij
Koudekerke in Zeeland (de Man), bij Rotterdam (Piaget), bij
Noordwijk (van Vollenhoven), bij den Haag en Scheveningen
(verschillenden).
2. Capsus capillaris F.
Plaat 9, fig. 4.
Fabr. S. R. 244, 19; 246, 25 et 27. — Hahn, W. LI,
17, tab 2, f. 9. — Wolff, Ic. f. 34 et 35. — Dougl. & Scott,
Br. Hem. 442, Pl. 14, f. 8.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 479
Lengte 8 mm. — Grooter, maar vooral ook langwerpiger
dan de voorgaande, met slanker pooten; glanzig, kaal, grot
gestippeld, roestgeel, rood of zwart. Wij zullen eerst de
meest voorkomende lichtgekleurde var. (Capillaris) beschrij-
ven. Kop glad, ongestippeld, vrij groot, spits naar voren,
met een zwart vlekje op de basis van den clypeus en met
uitpuilende bruine oogen. Het 41“ lid der sprieten tamelijk
dik, niet zoo lang als de kop, donkerbruin, aan de binnen-
zijde met eenige haren bezet; het 2° aan de basis zeer
smal, bruin, in het midden geel, dan knodsvormig, zwart
behaard; 3° en 4" zeer dun, lichtgrijs. De zuiger reikt tot
de achterheupen; 1“ lid roodgeel, overigens zwart. Hals-
schild van voren als bij den voorgaanden, roodgeel, aan
den voorrand voorbij het smalle zoompje glad, dan vrij
grof gestippeld met zwarte stippels. Schildje klein met
scherpe spits, weinig gestippeld, roodgeel. Dekschilden van
dezelfde kleur, sterk gestippeld, behalve op den buitenrand
en op den cuneus, die donkerder rood is met zwarte punt;
membraan rookkleurig met witte vlek bij de spits van den
cuneus. Borst en buik in het midden zwart, wegsmeltend
in rood naar de zijden toe. Pooten met bruine heupen,
lichtere schenkelringen, zwarte dijen, wier knieën breed
geelrood zijn, gele met donkere stekeltjes bezette scheenen
en bruine of zwarte tarsen.
Bi) de var. Danicus verandert het rood op kop, borststuk
en schildje geheel of gedeeltelijk in bruin of zwart, terwijl
ook de dekschilden eene bruinere tint aannemen en de
beide eerste leedjes der sprieten zwart worden, even als
de geheele buik en borst.
De var. Tricolor, die alleen uit mannelijke voorwerpen
bestaat, is nog donkerder. Ik zal tot voorbeeld een fraat
voorwerp naar de kleuren beschrijven.
Kop donker oranje, met den nek, de randen der oogen
en eene vrij breede langsstreep in het midden zwart. Eerste
en tweede lid der sprieten zwart, derde en vierde grauw-
geel. Zuiger en borststuk zwart; schildje desgelijks, doch
176 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
met roode zijranden. Dekschilden zwart met een’ taan-
kleurigen veeg op het corium tegen den clavus aan; de
uiterste spits van het corium aan den buitenrand geel;
cuneus aan de basis geel, verder bloedrood, voorbij de
helft zwart; membraan als bij den type. Borst en buik zwart;
anus vrij sterk behaard; scheef achter de middenheupen
ter wederzijde twee witte membranen. Pooten gekleurd als
boven beschreven is.
Lichtgekleurde voorwerpen werden gevangen op brand-
netels bij Utrecht (Six), bij Breda in Julij en Aug. (Heyl.
en Leesberg), bij Oosterbeek in Aug. (Rits.), bij Ede in Juli),
bij Leiden en 22 Julij bij Roozendaal in Noordbrabant (v. Voll.)
bij Huyssen (v. Med. de Rooy); donkere voorwerpen bij Voorst
in Julij (Wttewaall) en bij Velp in Julij (Ritsema).
3. Capsus distinguendus H. Sch.
Plaat 9, fig. 5 Q en Ba 2.
Herr. Sch. W. I. IV. p. 33. Pl. 121, f. 384. — Fieb. Eur.
Hem. p. 202.
Lengte 6 mm. — Deze soort verschilt van de beide voor-
gaanden door den bollen vorm van den kop (slecht getee-
kend door Herrich-Schaeffer) en door het groote onderscheid
tusschen beide sexen. De kop is bij den 4 eenigzins bol en
naar beneden gebogen, bij het ¢ nog veel boller, bij beiden
van boven gezien veel korter dan breed, glanzig zwart.
De sprieten zijn bijna zoo lang als het lijf; hun 1“ lid
schier zoo lang als de kop, dun en vuilgeel; het 2” wel
viermaal zoo lang, zwart, knodsvormig doch onbehaard,
aan het eind bij het wijfje dikker dan bij den man; de
beide volgenden grauw en dun, te zamen genomen korter
dan 2. Het halsschild grijzig zwart, kort, bij den man met
weinig gebogen zijranden, bij het wijfje met twee groote
ovale halsbuilen vooraan, daarna ingesnoerd en aldaar met
een’ band van grijze haartjes bezet, verder weder uitgezet
en bol. Het schildje zwart, digt bij de basis met eene
dwarsgleuf. Dekschilden bij den 4 langgestrekt, zwart met
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 177
‚eene vaalgele driehoekige vlek aan de basis van het corium,
zich tot halverwege de lengte van corium en cuneus uit-
strekkende; de groote cuneus is geel met zwarte spits en
de groote membraan is geheel rookbruin iriserend, zonder
vlek; bij de wijfjes zijn de dekschilden afgekort en hebben
bijna geen membraan, terwijl het corium zich aan het einde
als een rond wit vlekje vertoont. Het achterlijf is grijsachtig
zwart, bij het ¢ ook gedeeltelijk van boven zigtbaar. De
pooten zijn lang en slank, zonder haren of stekels, bij den
man vaal roodgeel, bij het ¢ bruingeel.
In de kleur bestaat er groote overeenkomst tusschen
den d van deze soort en Lygus flavomaculatus F., doch de
vorm van den kop en het ontbreken van eenig licht vlekje
in de membraan zijn duidelijke onderscheidingskenmerken.
Fieber, die ook nog een Globiceps flavonotatus Boh. vermeldt ,
welke van /lavomaculatus niet gemakkelijk te onderscheiden
is, komt mij voor op dit punt weinig helder te zijn. De
beschrijving bij de Geer en de afbeelding (f. 235) bij Hahn
toonen duidelijk aan wat Flavomaculatus F. is, doch hoe die
soort door Fieber in zijn geslacht Globiceps geplaatst kan
worden, terwijl de kop volstrekt geene bolheid vertoont,
is mij niet duidelijk.
Meer dan één wijfje werd door den heer Heylaerts in
Sept. bij Breda gevangen, waarvan ik er een aan zijne
welwillendheid te danken heb. Een enkel wijfje bemagtigde
ik te Wassenaar in Aug.; Dr. Piaget ving een’ man te
Wassenaar en een ander te Maarsbergen; ook de heer G.
A. Six vond er een bij Utrecht (Driebergen ?).
Gen. 9. HETEROTOMA Latr.
Dit genus is gekenmerkt door den vorm der sprieten,
wier tweede lid bij een of wel bij beide sexen verticaal
verbreed is over de geheele lengte, in den vorm van een
zaadhuls van brem, en bovendien sterk behaard. Voor de
overige ligchaamsdeelen vallen de soorten, die er toe be-
hooren, in de algemeene beschrijving der Capsinen.
12
178 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
1. Heterot. spissicornis F.
Plaat 9, fig. 6 en Ga.
Fabr. S. Rh. 246, 28. — Panz. Fn. Germ. 2 f. 15. — Schellenb.
Cim. Helv. t.3, f. 4. — Burm. Handb. I. p. 276, n°. 1. — Dougl.
& Scott, Brit. Hem. p. 438, Pl. 14, f. 5 (Merioptera).
Lengte 5 mm. — Gerekt ovaal, vrij glanzig zwart, met
fine witte haartjes bekleed. Kop niet zoo lang als breed,
vijfhoekig, spits aan den clypeus, met lichtbruine uitpuilende
vrij groote oogen. Zuiger reikende tot de achterheupen,
groen of geel. Eerste lid der sprieten zoo lang als de kop,
tamelijk dik behalve aan de basis, met zwarte haren vrij
digt bekleed; het 2° van gedaante als boven beschreven,
blinkend zwart (of roodbruin, zelfs rood volgens Fabr.),
evenzeer behaard, doch niet op de platte zijvlakken, drie-
maal langer dan het 1“; het derde korter dan het 1“, zwart
met witte basis en het vierde nog iets korter, even zoo
gekleurd; de beide laatsten zeer dun. Het halsschild slechts
weinig verbreed naar achter, vlak op den rug, zonder zoom
noch gleuve. Schildje middelmatig met een flaauw dwars-
gleufje, niet ver van de basis. Dekschilden eenkleurig, met
donkere membraan, waarop dikwijls een wit vlekje bespeurd
wordt onder de spits van den cuneus. Borst en buik glanzig
metaalzwart. Pooten slank, alleen de achterdijen tamelijk
breed; groen of geel met zwarte tippen der tarsen, som-
wijlen met bruine achterdijen.
Spissicornis, die op elzenstruiken en brandnetelen schijnt
te leven, is niet zeldzaam in ons vaderland en werd in de
meeste provinciën gevangen.
2. Heterot. magnicornis Fall.
Plaat 9, fig. 7.
Fallen, Cim. Suec. 99, n°. 7. — Hahn W. I. I. p. 130,
tab. 20 f. 67. — Meyer, Caps. p. 62 n°. 29, tab. 2, fig. 4. —
Flor, Rh. Livl. I, p. 575. — Dougl. & Scott, Br. Hem. p.
435, Pl. 14, f. 4.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 179
Lengte 2,3—2,7 mm. — Breeder ovaal dan de vorige, zwart,
dik met zilvergrijze haartjes of schubbetjes bekleed, die
zeer ligt afbreken en verloren gaan. Kop klein, voorover
gebogen, van boven gezien veel breeder dan lang, met
scherpen achterrand en roodbruine uitpuilende oogen.
Sprieten veel korter dan het lijf, de beide eerste leedjes
zwart (het 1“ naar evenredigheid minder dik dan bij de
voorgaande soort), de beide laatsten wit en haarvormig.
Bij den man is — volgens Flor — het 2" lid niet over de
geheele lengte verbreed, gelijk bij het wijfje. Halsschild
kort, zonder zoompje aan den voorrand, achter tweemaal
breeder dan de lengte bedraagt. Dekschilden somtijds bruin-
achtig; membraan zwart, doch iriserend met fijne witte
aderen en een klein wit vlekje aan de spits van den cuneus.
Pooten aan heup en dij zwart of donkergrijs, aan knie en
scheenen grauw ; de achterscheenen met vrij lange stekeltjes,
die uit zwarte stipjes ontspringen; tarsen aan de basis
grauw, verderop zwart.
De heer Six vond deze soort niet zelden onder sparren
(Pinus Abies) bij Utrecht; ik trof haar aan bij Leyden, Rotter-
dam, en te Brummen in Aug.
NB. In de tweede Naamlijst van inlandsche Hemiptera volgt
op deze soort Crinicornis Klug, naar Burmeister’s Handbuch
gedetermineerd. Een enkel voorwerp was door den heer G.
A. Six bij Utrecht gevangen, sedert is het door beschim-
meling verloren gegaan. Het komt mij voor dat het eene
verscheidenheid van Magnicornis moet geweest zijn, met
gouden schubbetjes in plaats van zilveren.
In de collectie der Ned. Ent. Vereeniging staat een
voorwerp van Heterot. Mali M. Dür, door mij bij Leyden
gevangen, dat echter geheel platgedrukt is en met de
pooten zoo zeer in de gom vastgekleefd zit, dat ik de
deugdelijkheid der determinatie niet meer durf verzekeren.
De soort verschilt van de voorgaande in zeer weinig op-
zigten, voornamelijk daarin dat de achterscheenen geen
180 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN,
zwarte puntjes hebben; zie Meyer, Schweiz. Rhynchoten p.
63, N°190; Tal: I fo.
Gen. 10. Harrıcus Hahn.
Het ligchaam is kort en zeer gedrongen. De kop is ver-
ticaal, zeer breed op den schedel met nagenoeg plat aan-
gezigt; de rand tusschen het voor- en achterhoofd is scherp
en het achterhoofd tegen het borststuk aangedrongen. De
zuiger is dik en vrij kort; het 4“ lid is voornamelijk breed.
De sprieten zijn bij 2 soorten korter dan de helft van het
ligchaam, dun; lid 1 bijzonder kort, 2 twee en een half
maal zoo lang, 3 iets langer dan 1 en 4 nog korter; bij
de derde soort (die ik deswegens bijna tot een afzonderlijk
geslacht gebragt had) zoo lang als het lijf en zeer dun,
met het 2° lid viermaal langer dan het 1*° en de beide laatsten
te zamen gelijk in lengte met het tweede. Het halsschild
is van boven gezien trapeziumvormig, vrij bol met scherpe
zijranden. Schildje kort en breed. Dekschilden desgelijks,
bij den cuneus hoekig naar beneden gerigt. Pooten gezet
en stevig met fijne tarsen; de achterdijen bij ééne soort
sterk verdikt; bij allen de achterscheenen aan wederzijde
met stekeltjes bezet.
Hahn heeft eigenlijk dit geslacht opgesteld voor soorten
met dunne en lange sprieten en zeer dikke achterdijen, en
de beide eerste soorten, die wij nu zullen beschrijven vor-
men bij Fieber het geslacht Stiphrosoma ; doch ik heb gemeend
beter te doen met de drie soorten bijeen te voegen en een
ouden naam aan te nemen, daar de overeenkomst tusschen
de soorten van Hahn’s genus en de beide eersten zoo bij-
zonder groot is. |
1. Halt. leucocephalus L.
Plaat. 9, fig. 8.
Linn. Fn. Suec. 940. — Fabr. S. R. 237, 173. — Panz. Fn.
Germ. 92, f. 42. — Hahn, W. I. II, p.88, tab. 57, f. 174. —
Fall. Hem. I. p. 444. — Flor, Rh. Livl. I. p. 558. — Dougl. &
Scolt, Brit. Hem. p. 482, Pl. 21, f. 2.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 181
Lengte 3—4 mm. — Het geheele lijf uiterst fijn behaard.
Kop roodachtig geel of bleek oranje, glanzig, uiterst fijn
gestippeld met zwarte ronde oogen en zwarten clypeus.
Het 1* lid der sprieten van dezelfde kleur, het tweede aan
de benedenhelft geelachtig, verder zwart of wel geheel
zwart, gelijk de beide volgenden. Zuiger eerst roodgeel, dan
vuilgeel, aan de spits zwart. Thorax, schildje en dekschilden
blaauwzwart, grof gekorreld; de membraan zeer donker
rookkleurig, bijna zoo donker als de elythra. Aan de korte,
dikke pooten zijn de voorste heupen en dijen roodachtig
geel, de voorste scheenen lichtgeel; de midden- en achter-
heupen en dijen bruinrood, hunne scheenen vuilgeel; alle
tarsen zwart. De buik is paarszwart met roode inkervingen
der ringen.
Deze vrij zeldzame soort werd eenmaal in vrij groot
aantal in Mei bij Breda aangetroffen door den heer Heylaerts
en voorts in Junij gevangen bij Wolfheze door den heer
Ritsema.
2. Halt. luridus Fall.
Fall, Hem. I. p. 112, 69. — Herr. Sch. W. J, II, p. 87, tab.
101, fig. 312 (slecht). — Flor, Rh. Livl. I. p. 559. —
Lengte bijna 4 mm. — Men zou deze soort voor eene
roode varieteit der vorige kunnen houden, zoo niet het
4° lid der sprieten zwart was en iets korter dan bij Leu-
cocephalus. De algemeene kleur is steenrood; de kop is
tamelijk glanzig en duidelijk, min of meer wollig, wit be-
haard, met kleine ovale zwarte oogen en een zwarten veeg
op den elypeus; de zuiger is roodbruin met zwarte spits.
De korte sprieten zijn geheel zwart, behalve de uiterste tip
van het 4“ lid, die wit is. Het halsschild is mede vrij dik
wit behaard en vertoont op het eenig exemplaar in mijn
bezit twee bruine langstreepjes, beginnende vlak achter de
oogen en slechts tot het midden doorloopende. De dek-
schilden zijn zeer fijn gestippeld en vertoonen van het midden
182 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
tot het eind van het corium een bruinen langsveeg; de
membraan is rookkleurig met lichtbruine cellen en aderen.
Het achterlijf is bruinrood, glanzig, donkerder op den rug,
aan den buik sterk behaard. De pooten zijn rood, met lichtere
scheenen en zwarte tarsen.
H. luridus werd tot nog toe slechts door den heer G. A.
Six in ons vaderland gevangen, eens of tweemaal in de
provincie Utrecht, laatstelijk den 23°" Junij op de duinen
bij Scheveningen.
3. Hall. pallicornis F.
Plaat 10, fig. 1.
Fabr. S. R. 115, 6. — Wolff, Cim. p.128, tab. 13, f. 122. —
Hahn, W. I, p. 114, fig. 61 en III, p. 34. tab. 84, fig. 255. —
Burm. Hb. I. p. 278, 2.— Flor, Rh. Livl. I, 583. — Douglas
& Scott. Br. Hem. p. 479.
Lengte 2 mm. — Deze soort onderscheidt zich van de
beide vorigen door langere en fijnere sprieten en door
dikkere achterdijen, overeenkomende met die van het ge-
slacht Haltica onder de kevers. Het geheele lijf is glanzig,
bijna metaalachtig zwart. De kop, het schildje en de dek-
schilden zijn vrij grof gestippeld, het halsschild met fijne
dwarsschrapjes gegroefd. De sprieten, die iets langer zijn
dan het lijf, hebben eene zwavelgele kleur. Buik en heupen
zijn zwart, ook de 4 voorste dijen aan de basis en de achter-
dijen tot digt bij de knie; eindelijk is ook het laatste lid der
tarsen zwart; al het overige aan de pooten is zwavelgeel.
Volgens Hahn springt deze soort zeer behendig. De heer
G. A. Six is de eenige, die haar in ons vaderland waar-
genomen heeft. Hij trof een vrouwelijk exemplaar den 1%
Junij bij Beek aan, in het oude kwartier van Nijmegen.
Gen. 11. CAMARONOTUS Fieber.
Ook bij dit genus is het achterhoofd uitgehold, gelijk bij
het vorige en sluit de rand van den schedel op het borststuk,
dit als omvattende, doch het lijf is niet kort en breed,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 183
maar meer cylindrisch en 23 maal langer dan het breed is.
De kop is als bij het vorige verticaal geplaatst, doch niet
zoo groot naar gelang van het ligchaam. De oogen zijn
naar achter sterk uitpuilend. De sprieten zijn langer dan
de helft van het lijf; hun eerste lid vrij dun, is niet veel
langer dan de kop uitsteekt, van boven gezien; het 2° is
rijkelijk driemaal zoo lang en min of meer knodsvor-
mig; de beide laatsten zijn dun en te zamen niet zoo
lang als het 2°. Het halsschild is kort, bultig, niet sterk
naar achter verbreed, eenigermate scherp van zijranden.
Het schildje is bol aan de voorzijde en brengt zoodoende bij tot
de bultigheid van den prothorax. De dekschilden zijn tamelijk
lang gestrekt en hunne zijranden bijna evenwijdig; bij alle
soorten zijn zij met zilverwitte dwarsstreepjes voorzien, die
uit fijne haartjes of schubbetjes zamengesteld zijn. De pooten
zijn lang en de dijen over de geheele lengte gelijkmatig
verticaal verbreed.
1. Cam. cinnamopterus Kirschb.
Plaat 9, fig. 9.
Kirschb. Caps. p. 72, 81; p.116 et p. 135. — Flor, Rh. Lil. 1,
p. 572. — Dougl. & Scott, Brit. Hem. p. 358. PI. 11, f. 8.
Lengte 3,6—3,9 mm. — Kop en prothorax zwart, zonder
bronskleur; dekschilden gewoonlijk bruingeel. De rugzijde
nagenoeg kaal. De oogen puilen zeer sterk uit en zijn
eenigszins naar achteren gekeerd. De sprieten staan aan de
inplanting wijd uiteen; hun eerste lid is roodgeel, het 2%
tot de helft van dezelfde kleur, verder donkerbruin, het 3°
zwart met witte basis, het 4° wit met bruine spits. De
vorm van het halsschild schijnt mij toe te verschillen naar
de individuen; bij eenigen is het zeer breed aan de schou-
ders, bij anderen minder. Het schildje is zwart en heeft
even voor de spits een klein vlekje, bestaande uit zilveren
schubbetyes, die echter ligtelijk loslaten. De dekschilden zijn
bruinachtig geel, aan het einde donkerder met nog donkerder
cuneus en vrij donker rookkleurige membraan. Op + van
184 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
de inplanting af staat een tamelijk breed schuin streepje
van sneeuwwitte schubbetjes, dat bijna tegen den clavus
aankomt, op 3 weder een ander, smaller doch langer, zoo-
dat men het een dwarsbandje noemen kan; dit loopt door
over den clavus. In den binnenhoek van de wigge staat nog
een vlekje van witte schubbetjes en in de membraan, tegen
den cuneus aan, een gebogen wit streepje. De pooten zijn
bruinachtig roodgeel met donkerder achterscheenen.
De heer Heylaerts bezit een voorwerp, dat de dekschilden
over het geheel donkerbruin heeft; daarbij zijn ook de
achterdijen van die kleur.
Deze soort werd door den heer Heylaerts in Mei en Junij
in zijn tuin te Breda op een morellenboom aangetroffen.
Dr. Piaget ving haar bij Maarsbergen in Junij en de heer
Six bi) Driebergen onder andere voorwerpen een met roest-
bruine dekschilden.
2. Cam. clavatus L.
Plaat 10, fig. 2.
Linn. S. N. V. 501, 97. — Fabr. S. R. 242, 7 (CG. bifasciatus). —
Kirschb. Caps. p. 72,80. — Flor, Rh. Livl. I. p. 569, n°. 59. —
Dougl. & Scott, Brit. Hem. p. 360.
Lengte 3,7—4 mm. — Deze soort, tot welke ik in mijne
naamlijst alle inlandsche voorwerpen bragt, verschilt van de
vorige in den metaalglans van kop en borststuk en in het niet
op den clavus doorloopen van het 2° dwarsbandje der dek-
schilden. Er bestaat nog eene derde soort, die door Herrich-
Schaeffer afgebeeld is (W. I. III. p. 47, pl. 87, f. 264 1) en
sterk op Clavatus gelijkt; deze is echter kleiner en donkerder
en voor zooverre mij bekend is, nog niet in ons land aan-
getroffen.
Kop en borststuk bronskleurig, somtijds bijna groen ; de
oogen springen niet zoo sterk naar achteren als bij de
voorgaande soort. De sprieten zijn over het geheel genomen
1) Niet 267, gelijk Flor zegt en de hem copieerende Douglas en Scott.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 185
donkerder van kleur; hun laatste lid is niet wit, maar
bruin met witte basis. Volgens de schrijvers moeten bij
geheel zuivere voorwerpen zwarte haartjes op den rug van
den thorax worden waargenomen. Het bronskleurige schildje
vertoont voor de spits zeer onduidelijk een plekje van zil-
vergrijze haren. De dekschilden zijn minder geel, donkerder
bruin dan bij de vorige; hun clavus is geheel donkerbruin;
het 4“ dwarsstreepje staat op dezelfde plaats, doch is minder
breed; het 2° dwarsbandje loopt tot aan den clavus en het
daardoor ontbrekende stukje staat op den clavus een tamelijk
eind hooger. De cuneus vertoont het witte vlekje en de
membraan het streepje, als bij de andere soort. De pooten
zijn in het geheel donkerder, vooral zijn de achterdijen in
het midden bijna zwart.
Deze soort ving de heer van Medenbach de Rooy bij
Arnhem in Augustus en de heer Ritsema bij Velp in Juli].
(Wordt vervolgd.)
OPGAVE
DER
GEOMETRINA ex PYRALIDINA,
IN
MEUW GRANADA en op St. THOMAS en JAMAICA
VERZAMELD DOOR
W. Baron VON NOLCKEN,
met beschrijving en afbeelding der nieuwe soorten
DOOR
P. GC. T. SNELLEN.
Tweede Afdeeling: PYRALIDINA.
(Zie voor de Eerste Afdeeling: Tijdschrift voor Entomologie Deel XVII (1874)
PYRALIDINA Lederer.
D. PYRALIDAE Lederer.
1 Asopia Graafialis Snell. 17 Botys acutalis Snell.
2 Aporodes Arbutalis Snell. 18 , acutangulalis Snell.
3 Odontia exoticalis Snell. TOR Jatjealıs; Led:
4 Cacographis osteolalis Led. 20 , Incalis Snell.
5 Botys Phaenicialis Hiibn. 21 , matutinalis Guen.
6 , taeniolalis Guen. 22 „ Claudialis Snell.
7 0,1 Vicarialis Snell. 23 , Samealis Snell.
8 , polygamalis Snell. 24 , variegalis Snell.
9 , communalis Snell. 25 Eurycreon Asopialis Snell.
10 , assutalis Led. 26 4 fuscocilialis Snell.
11, oedipodalis Guen. 27 Nomophila Noctuella Wien.
12 „ Cambogialis Guen. Verz.
13, detritalis Guen. 28 Samea Castellalis Guen.
14 „ grisealis Snell. 29 Salbia deformalis Snell.
15 ,„ graphitalis Snell. 80 , abnormalis Snell.
16 ,„ pactolalis Guen. 31 , cognatalis Snell.
15
188
©
H ©)
ler)
9 So dI Co
Qt
09
—
GEOMETRINA EN
Salbiomorpha Ancidalis Snell.
Hileithia Appialis Snell.
Pantographa Scripturalis Guen. |
Prenesta Fabialis Snell.
à Sunialis Snell
Acrospila (Eulepte Hbn.) con- |
cordalis Hbn.
Nolckenia margaritalis Snell.
Margarodes spurcalis Snell.
Phakellura (Eudioptis Hbn.)
auricollis Snell. |
|
Phakellura Satanalis Snell.
A latilimbalis Guen.
A arguta Led.
5 lucidalis Hbn.
5 Guenealis Snell.
= hyalinata L.
& gigantalis Snell. |
if fumosalis Guen. |
Sestia oleosalis Snell. |
Syllepis latifascialis Snell. |
Psara pallicaudalis Snell. |
Hedylepta vulgalis Guen.
Omiodes humeralis Guen.
È Leporalis Guen.
Megastes pusialis Snell.
Anarmodia longinqualis Led. | $
Terastia Meticulosalis Guen.
| 64
85
PYRALIDINA VAN
Stenurges designalis Guen.
Metasia deltoidalis Snell.
Steniodes lutealis Snell.
Blepharomastix Vestalialis Sn.
Siriocauta testulalis Hbn.
Ceratoclasis tenebralis Snell.
aa Rooalis Snell.
Desmia maculalis Westwood.
5 ploralis Guen.
» geminalis Snell.
» Tagesalis Herr-Sch.
5 Naclialis Snell.
5 orbalis Guen.
È Jovealis Snell.
Syngamia florella Cram.
x pepitalis Guen.
Zinckenia recurvalis Fabr.
5 perspectalis Hbn.
Cindaphia impuralis Snell.
Spilomela strigialis Stoll.
Ledereria Nolckenialis Snell.
a platinalis Guen.
È Seppalis Snell.
Synelera traductalis Zeller.
Parapoynx Guenealis Snell.
a distinctalis Snell.
: tortalis Led.
= hydrothionalis Sn.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 189
Genus 17. Asopia Treits., Led.
À Graafialis m. nov. sp.
Een zeer gaaf mannetje. 24 mm. PI. 11, f. 1.
Opace cinereo-brunnea, sub-olivacea, fimbriis silaceis ;
„ capite, palpibus, costa anticarum alarum medio
tenue luteo-punctata, fimbriarumque dimidia inte-
riore purpureo-fulvis. Harum dimidia exterior lam-
quam lineae transversales alarum anteriorum obso-
letae duae silaceae.
Na aan Asopia nostralis Guen. Led. verwant, doch
met de volgende verschilpunten: Ten eerste is de franje
niet eenkleurig met de groenachtig grijze bovenzijde
der vleugels, maar aan den wortel purperbruin en dan
okergeel met enkele donkere schubben bij punt en
staarthoek der voorvleugels. Ten tweede noemt Guenée
de dwarslijnen «noirätres»; zij zijn bij mijn exemplaar
okergeel, zeer flaauw en de tweede heeft op de voor-
vleugels geen franjewaartschen tand boven den binnen-
rand gelijk Lederer’s afbeelding vertoont.
Palpen dun, glad beschubd, opgerigt; hun eindlid
zeer kort, stomp, iets vooroverstaande doch niet hori-
zontaal gelijk bij Glaucinalis, die onder de mij bekende
soorten in alles de naaste verwante is. Sprieten lang
en fijn behaard. Voorvleugels met duidelijke punt en
iets gezwaaiden achterrand. Op de bovenzijde zijn
thorax en voorvleugels dof bruingrijs, iets olijfkleurig,
de achtervleugels een weinig bleeker, het achterlijf
bruinachtig. Palpen, kop, de voorrand der voorvleu-
gels (tegen de punt in afnemende mate), eene fijne
franjelijn en de kleinere wortelhelft der franje zijn
purperbruin. De beide dwarslijnen der voorvleugels
staan ver uiteen waardoor het middenveld bijna twee-
malen zoo breed wordt als de beide andere velden.
Ik moet echter opmerken dat mijne vier exemplaren
190 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
van Glaucinalis in de breedte van het middenveld nog
al variéeren. De dwarslijnen zijn steil, parallel, onge-
golfd, aan den voorrand verbreed en hebben in het
midden eene flaauwe bogt; tusschen beiden is de voor-
rand der voorvleugels fijn geel gestippeld. Op de achter-
vleugels staan de lijnen de helft nader bij elkander,
zijn gebogen en zeer flaauw. Onder zijn de soorvleu-
gels iets donkerder, de achtervleugels bleeker, geel-
achtig en de purperbruine voorrands-bestuiving meer
verbreid; op de achtervleugels ziet men eene zeer
duidelijke booglijn die buitenwaarts grijs is begrensd,
terwijl zij dit op de bovenzijde binnenwaarts is. Pooten
glad beschubd, okergeel, purperbruin bestoven, vooral
de beide voorste paren.
Geheel zeker ben ik niet dat deze Asopia inderdaad
specifiek verschilt van Nostralis die welligt variëert,
want ook tusschen de Nostralis van Lederer en die van
Guenée vind ik kleine verschillen. De eerste beeldt
namelijk de franje ook geel af en geeft zijnen vlinder
eene paarsgrijze boven- en zwartgrijze onderzijde,
terwijl Guenée de bovenzijde « gris-testacé » noemt.
Het exemplaar dezer soort, die ik naar Mr. H. W.
de Graaf benoem, is den eersten April 1871 bij Cucqueta
gevangen.
Genus 26. APORODES Guenée, Led.
2 Arbutalis M. nov. Sp.
Twee mannetjes waarvan een gaaf. 12-44 mm.
J O
DISSE:
Capite, thorace, alisque anterioribus brunneo-cinereis ,
olivaceis, in his lineis transversalibus duabus fusces-
centibus, quarum altera acute fracta. Alis posterioribus
sordide aurantiacis , margine postico et basi nigris.
Ofschoon door kortere, glad beschubde palpen en
bijpalpen benevens door grootere oogen en breeder
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 191
aangezigt van Aporodes Stygialis Treits. afwijkende , stemt
toch Arbutalis overigens in den bouw van kop en lijf
benevens in de vleugeladeren genoeg met Stygialis over-
een om haar tot het genus Aporodes te mogen verwijzen.
De voorvleugels hebben eene scherpe punt, zeer
steilen gebogen achterrand en langen binnenrand, ter-
wijl de achtervleugels breed en afgerond zijn; over het
geheel doet het diertje door vleugelbouw en kleur zeer
aan Heliaca tenebrata Scop. (Arbuti Fabr.) denken. Thorax
en voorvleugels hebben een iets olijfkleurig bruingrijs
tot grondkleur; op de laatsten is het door eene zeer
schuine eerste en eene tweemaal zeer scherp gebroken
tweede dwarslijn ingesloten middenveld iets bleeker.
De tweede dwarslijn is franjewaarts aan den voorrand
sterk, naar onderen dun zwart beschaduwd, terwijl
achterrand en franje zwartgrijs zijn. Achtervleugels
met breeden zwarten achterrand en zwart bestoven
wortel; in het midden zijn zij donker vuil oranjegeel:
de franje is leemgeel met zwarte wortelhelft. Achter-
lijf iets korter dan de achtervleugels, stomp, bruin-
grijs. Op de onderzijde zijn de voorvleugels zwart met
oranjekleurig okergelen voorrand, de achtervleugels
oranjekleurig okergeel, eene middenvlek en boogstreep
benevens bestuiving langs den binnenrand zijn zwart-
grijs, het lijf en de pooten vuilwit.
De exemplaren zijn met n°. 27 gemerkt. (Zie ver-
klaring der nummers).
Genus 40. Opontia Dup. Led.
3 Exoticalis m. nov. sp.
Een vrij gaaf mannetje. 31 mm. PI. 11, fig. 3.
Capite, thorace alisque anterioribus impure pallideque
stramineis, subvirescentibus. Alis antieis macula
reniforme atro-cinerea, lineaque secundae transver-
salibus loco, serie indistincta et diluta punctillorum
nigrorum, Alis posticis stramineis pallidissimis.
GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
Deze soort heeft aan den binnenrand der voorvleu-
gels, op dezelfde plaats als Dentalis, eenen tand van
schubben, die bij pas uitgekomen voorwerpen wel langer
zal zijn dan bij het mijne waar hij echter toch nog
vrij duidelijk is. Van Dentalis wijkt de nieuwe soort af
door dat ader 3—5 der achtervleugels niet even ver
van elkander om den afgeronden staarthoek der mid-
dencel ontspringen, maar ader 4 en 5 bij haar uit een
punt wit den scherpen hoek dier cel komen, terwijl 3,
tamelijk ver van 4 en 5, er voor ontspruit. Voorts is
de franje korter en de achterrand der voorvleugels iets
gezwaaid. Ader 11 der voorvleugels loopt zeer horizon-
taal en 4 en 5 der achtervleugels zijn ongesteeld, anders
zoude men ook aan eene verwantschap met de genera
Phlyctanodes Led. en Godara Led. kunnen denken.
Nog meer herinnert Exoticalis aan afdeeling B van
Orobena, wanneer ik naar de afbeeldingen en beschrij-
vingen der daarin geplaatste soorten mag oordeelen,
want deze hebben ook een kleinen schubbentand
aan den binnenrand der voorvleugels, terwijl tevens de
nervuur van Orobena beter past. Het zoude welligt
goed zijn deze geheele afdeeling B van Orobena te
scheiden en bij Odontia te voegen zoo men al geen
nieuw genus zoude willen vormen waartoe dan ook
Exoticalis behoorde.
Achterrand der voorvleugels onder de punt vlak, in
cel 1° iets ingetrokken. Kleur van thorax en voorvleu-
gels een bleek, iets groenachtig stroogeel, dat op de
voorrandshelft en tegen den achterrand der voorvleu-
gels een weinig verduisterd is door graauwe schubben
die aan den voorrand tot kleine vlekjes zijn opgehoopt,
vooral om eene tegen den voorrand verbreede en regt
afgesneden blaauwgrijze niervlek. Van de dwarslijnen
ziet men slechts een spoor der tweede in eene zuiver
stroogele, gezwaaide streep, die aan den voorrand een
zwart vlekje en daaronder nog eenige zulke stippen
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 193
heeft. Zwarte schubben staan ook op den tand aan
den binnenrand; fijnere, in cel 4° vlekkig ineenvloei-
jende, op de lichte franjelijn. Franje groenachtig
grijs, donker gedeeld. Achtervleugels bleek stroogeel,
glanzig, met donker stipje op ader 2 en daarachter
twee zwarte op de franjelijn. Achterlijf stroogeel met
donkere vlekjes op den rug der eerste ringen. Onderzijde
als boven; de donkere bestuiving der voorvleugels meer
tegen den voorrand opeengehoopt; cel 8 der achter-
vleugels bleek bruingrijs.
Het exemplaar is met n°. 63 gemerkt.
Genus 41. CACOGRAPHIS Zell., Led.
4 Osteolalis Zell. Led.
Een iets afgevlogen mannetje. Lederer’s beschrijving is
goed doch hij ontzegt aan den vlinder ten onregte bijoogen ;
ook loopt ader 11 der voorvleugels niet steil naar den
voorrand maar vrij schuin. Over het geheel is afdeeling
49 van Lederer’s analytische tabel der Pyraliden-genera geene
gelukkige. Dit heeft Herrich-Schäffer ook reeds opgemerkt,
zie Corr. Blatt. des Zool. Mineral. Vereins zu Regensburg
187912916.
Het exemplaar is zonder aanduiding van vangplaats.
Genus 50a. Borys Treits., Led.
(Botis Zeller).
Do
a.
a.
5 Phaenicialis Hübn.
Vier min of meer gave exemplaren. De purperbruine kleur
bedekt bij een paar voorwerpen de geheele voorvleugels en
laat het goudgeel slechts in enkele vlekken benevens op de
franje vrij; bij één stuk bepaalt zij zich tot de streep langs
den achterrand en de bestuiving langs de tweede dwarslijn.
194 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
6 Taeniolalis Guenée.
Vier wijfjes waarvan twee gaaf. Ik merk op dat Syphazalis
Walker wel dezelfde soort is, hoewel het vrij overbodig is
om van zulke beschrijvingen nog nota te nemen. Guenée’s
afbeelding van Taeniolalis is vrij hard.
7 Vicarlalis M. nov. sp.
Twaalf stuks van beide sexen waarbij gave. 16—18 mm.
DIRE Dd
Capite, thorace et alis anterioribus fusco-ferrugineis, his
via signatis ; posterioribus fulvis, marginibus postico
et interiore maculaque centrali nigris.
Duidelijk eene verwante der soorten van Treitschke’s
genus Pyrausta (Silhetalis, Purpuralis, Aurata, Cespitalis).
Even als bij deze is ook hier ader 11 der voorvleugels
steiler en wijken 10 en de steel van 8 en 9 sneller
uiteen dan bij de meer typische Botyden (Hyalinalis ,
Repandalis, Fuscalis). Daarenboven zijn bij die drie soor-
ten en bij Vicarialis de palpen grover beschubd en minder
duidelijk tweekleurig. Deze bijzonderheden konden wel
dienen om het zoo soortenrijke genus Botys nader te
verdeelen, indien zij niet zoo ongevoelig in elkander
overgingen.
Kop, thorax en de vri) spitse voorvleugels met hunne
franje zijn donkerbruin, als gebrande koffijboonen,
lichter of donkerder. Slechts sporen van de gewone
teekening zijn te vinden; zij zijn gewoonlijk zwartgrijs,
bij één exemplaar duidelijker en roodbruin. Achter-
vleugels hoog roodachtig okergeel ; eene met stralen in
het geel verloopende streep langs den binnenrand,
eene stip boven aan de dwarsader en eene breede
streep langs voor- en achterrand zijn zwart. De achter-
randsstreep loopt gewoonlijk slechts tot ader 2 door,
doch bij een paar exemplaren ziet men nog eene voort-
zetting in een zwartgrijs vlekje nader bij den staarthoek.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 19
Franje der achtervleugels bruingrijs met vuilgele vlekken
bij den staarthoek. Onder zijn de vleugels hoog oker-
geel, de voorvleugels met zwarte ronde en niervlek en
achterrand, welke soms geel bestoven is. De achter-
vleugels zijn aan de punt sterk, verder langs den ach-
terrand flaauw donkerbruin of zwartgrijs beschaduwd
en hebben eene zwarte stip als boven.
Achterlijf boven zwart, op zijde geel; onder is het
geheele lijf met de pooten grijsgeel.
De voorwerpen zijn van 11 Februarij tot 2 April 1871
bij Bogotà en Ubaque gevangen. De laatstgevangenen
zijn tamelijk sterk afgevlogen, zoodat de vliegtijd toen
waarschijnlijk nagenoeg voorbij was.
8 Polygamalis m. nov. sp.
19 exemplaren waarvan een dozijn gaaf. & 20—21.
9 1647 mm. vlugt. PI. 14, fig. 5 8, 6 8.
Capite, thorace, alisque anticis tum pallide cinereis ,
tum fusco-brunneis, nigricantibus; posticis albis,
marginis posterioris dimidia superiore nigro adspersa.
Bij Cespitalis doch met iets gladder beschubde, duide-
lijker tweekleurige palpen dan deze. In bouw is mede
overeenkomst, maar de mannen zijn slanker, de wijfjes
plomper, spitsvleugeliger, en dus nadert Polygamalis de
bergen-bewonende, Europesche Alpinalis en Rhododen-
dronalis.
Palpen bij den man tweemaal, bij het wijfje schraal
anderhalfmaal zoo lang als de kop, bruingrijs, met
vuilwitte onderhelft. Kop, thorax en voorvleugels zijn
bij de mannen eenkleurig geelachtig grijs, de laatsten
met flaauwe sporen der beide dwarslijnen en gewone
vlekken en met donkere stippen op de franjelijn. De
wijfjes daarentegen zijn niet zoo aan elkander gelijk;
slechts een paar stuks komen met de mannen overeen,
bij de overigen zijn thorax en voorvleugels tot twee-
196 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
derden zwartgrijs, vervolgens zijn die vleugels lichter,
grijsbruin, roodbruin of koffijbruin met zwart tot aan
de tweede dwarslijn. Ook de teekening is bij hen duide-
lijker en vertoont behalve de beide gewone lijnen nog
eene golflijn, die uit eene donkere streep aan de
vleugelpunt komt. Franje als de vleugel, meest iets
zuiverder grijs.
Achtervleugels bij beide sexen zuiver wit, met don-
kergrijze (bij het wijfje vrij sterke) bestuiving aan de
punt en een eind weegs langs den achterrand. Franjelijn
van de punt tot bij ader 2 dik, zwartgrijs, afgebroken;
de franje even ver aan den wortel donkergrijs. Achterlijf
grijswit met geelachtige spits.
Onderzijde ongeveer aan de bovenzijde gelijk; de
voorvleugels met donkergrijze bestuiving, die somtijds
tot den gewoonlijk grijsgelen achterrand doorloopt. De
wijfjes zijn ook hier duidelijker geteekend dan de man-
nen. Franjelijn in dikke stippen opgelost. Aan den
voorrand der achtervleugels ziet men het begin eener
donkere dwarsstreep ; boven aan hunne dwarsader eene
donkere stip. Pooten grijsgeel.
In Februarij en Maart bij Bogotà, Cucqueta en Tusa-
gasuga gevangen.
9 Communalis m. nov. sp.
16 exemplaren doch slechts weinigen gaaf; de mannen
20—21, de wijfjes 16—17 mm. PI. 11, fig. 7.
Capite, thorace et alis anterioribus pallide impureque
brunneis, transversalibus lineis duabus indistinelis ,
maculis rotunda el reniforme aspersioneque marginis
posterioris atro-fuscis. Posticis alis canis, atro-cineree
squamosis apicem marginemque posteriorem versus,
punchllaque centrali nigra.
Van gelijke grootte-verhoudingen als de voorgaande
soort en ook bijna eveneens gebouwd, doch bij de mannen
is de voorrand der voorvleugels meer gebogen en de
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 497
achterrand meer gezwaaid; ader 7—11 zijn ongeveer
zooals bij het gros van Botys.
Palpen ruim tweemalen zoo lang als de kop, smal,
vrij glad beschubd, van onderen slechts smal wit,
overigens vuil licht okerbruin als kop, thorax en voor-
vleugels. Deze laatsten hebben een donkerbruin ader-
beloop, graauwe franje en zijn ook aan de punt graauw
bestoven. Van dezelfde kleur is ook de bij de mannen
vrij flaauwe, bij de wijfjes een weinig duidelijker
teekening. De ronde en niervlek, beiden min of meer
donkergrijs gevuld en het begin eener onder den voor-
rand gebrokene, getande tweede dwarslijn, zijn meest
vrij goed zigtbaar. Franjelijn met min of meer duidelijke
donkere stippen.
Achtervleugels vuilwit, aan punt en achterrand don-
kergrijs bestoven, hunne franjelijn met (soms zeer
flaauwe) zwarte stippen; eene dergelijke, weinig grootere,
op de dwarsader.
Onder zijn bij den man de voorvleugels donkergrijs,
de achtervleugels bruinachtig wit; bij het wijfje is de
geheele onderzijde bruinwit, tegen den achterrand der
voorvleugels wit bestoven. Teekening ongeveer als
boven, de aderen fijn bruin gestippeld. Achterlijf, borst
en pooten grijswit; bij het mannetje de staartpluim
geelachtig.
In Februarij en Maart bij Bogotà en Ubaque ge-
vangen.
10 Assutalis Lederer.
Drie iets afgevlogen voorwerpen, met n°. 65 gemerkt.
Lederer zegt in zijne beschrijving dat de beide gewone
vlekken der voorvleugels onduidelijk en slechts kleine zwart-
bruine stippen zijn. Inderdaad vertoonen zij zich bij mijne
exemplaren aldus doch hij beeldt die vlekken af als licht-
gevulde ringen. De middenpooten zijn bij beide sexen doch
vooral bij het mannetje, verdikt.
198 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
11 Gedipodalis Guenée.
Een gaaf mannetje.
Ook bij deze soort zijn de middenpooten verdikt. Opmer-
kelijk zijn ook de staartpluim en de laatste achterlijfsring
die te zamen eene lengte van 3 mm. hebben, terwijl die
van het geheele overige achterlijf bij mijn exemplaar slechts
7 mm. bedraagt.
Den 25" Januarij 1871 bij Conejo aan de Rio Magdalena
gevangen.
12 Cambogialis Guenée.
Vier exemplaren waarvan één gaaf.
Den 18° Januarij 1871 aan de Rio Magdalena gevangen
13 Detritalis Guenée.
Drie exemplaren; wat afgevlogen. Een is den 20%” Decem-
ber 1871 bij Kingston op Jamaica, de anderen den 7"
Januarij bij Baranquilla gevangen.
14 Grisealis m. nov. sp.
Twee mannetjes en een wijfje, allen vrij gaaf, 21—22
mo BI she. ©.
Luteo-grisea subsericea, lineis transversalibus ordinaris
acute fractis necnon dentatis atro-cineraceis, silaceo
marginatis. Lineola in vena transversali anticarum,
punclisque centralibus nigro-cinereis.
Bij Insipidalis Lederer en even als bij deze de hori-
zontale palpen van voren zeer stomp; zi) zijn slechts
anderhalfmaal zoo lang als de kop, half wit en zwart. De
bovenzijde van lijf en vleugels is een bruinachtig stof-
grijs, iets glanzig, ongeveer gelijk aan de kleur van
Botys fuscalis doch wat donkerder en meer geelachtig;
het wordt tegen den achterrand der vleugels donkerder.
Dwarslijnen donkerder dan de grond, aan de afgewende
zijden geelachtig afgezet; eerste flaauw gebogen, iets
schuin; tweede, op voor- en achtervleugels eveneens
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 199
gevormd, driemaal hoekig gebroken en tusschen de
eerste en tweede breuk met drie zeer stompe tandjes.
Op de voorvleugels ziet men de heide gewone vlekken,
de ronde als eene zwartgrijze stip, de niervlek als een
iets gebogen streepje ; achtervleugels mede met eene stip.
Franjelijn fijn donker, licht afgezet. Onder zijn de voor-
vleugels ongeveer als boven, flaauwer geteekend; lijf,
pooten en achtervleugels bijna wit. Voorpooten aan de
knie en het eind der scheenen zwart gevlekt.
De voorwerpen zijn met n°. 63 gemerkt.
15 Graphitalis m. nov. sp.
Een gaaf mannetje van 16 mm. vlugt. PI. 11, fig. 9.
Atro-graphitalis, lineis nigrescentibus latis transversa-
libus punctilloque anteriorum centrali atro-cinereo.
Alis maxime oblusis, posterioribus costa canescente.
Door de palpen, die slechts een derde langer zijn dan
de vrij groote kop en de lengte van de staartpluim en
laatsten achterlijfsring iets van den gewonen Botyden-
typus afwijkende. In het laatstgenoemde nadert deze
soort Botys oedipodalis, doch de middenpooten zijn niet
dikker dan de achterpooten.
Voor- en achterrand der voorvleugels, benevens de
punt der vrij kleine achtervleugels zijn vrij sterk afge-
rond. De kleur der bovenzijde is een iets glanzig, zeer
donker potloodkleurig grijs; de voorrand der achter-
vleugels tot twee derden, de onderhelft der palpen, de
borst en de buik benevens de pooten zijn min of meer
helderwit, de voor- en middenpooten aan de knie en
op de scheenen zwartgrijs gevlekt. Met moeite onder-
scheidt men de dikke, donkerder teekening, die op de
voorvleugels uit eene middenvlek en twee dwarslijnen,
op de achtervleugels uit ééne dwarslijn bestaat. Op de
voorvleugels heeft de tweede dwarslijn den bij vele
Botyden gewonen vorm en is driemaal vrij stomp ge-
broken; op de achtervleugels springt zij, wat vooral
200 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
duidelijk op de grijswitte onderzijde te zien is, in het
midden met eene spitse punt uit. Onderzijde der voor-
vleugels bijna als boven, iets bleeker; de binnenrand
grijswit.
Den 9% Januarij 1871 bij Baranquilla gevangen.
D: 1)
a.
16 Pactolalis Guenée.
Een zeer gaaf mannetje, den 18°" Januarij 1871 aan. de
Rio Magdalena gevangen.
Het eerste tarsenlid der middenpooten draagt over zijne
geheele lengte een kammetje van korte, stijve haren.
Acutalis mm. nov. Sp.
Vier mannetjes waarvan een zeer gaaf. 31—32 mm.
Br ee eed AD
Pallide et paullulum impure strammea; alis angustis
aculisque ; marginibus posterioribus alarum, venis
partim, lineis transversdlibus maculisque cognitis
alarum anteriorum, fusco-cinereis.
Bijzonder smal en spitsvleugelig doch overigens eene
echte Botys van deze sectie. Palpen weinig opgerigt en
gebogen, bijna eenkleurig leemgeel, de punt iets don-
derder. Leemgeel zijn ook de kop met de fijn behaarde
sprieten, de thorax en het spitse achterlijf op de boven-
zijde; twee vlekken op de schouderdeksels, de achter-
rand van het schildje en vier rijen flaauwe vlekjes op
het achterlijf zijn bleeker, Onderzijde van lijf en pooten
bijna wit.
De voorvleugels hebben een vrij vlakken voorrand,
spitse punt en zeer langen, schuinen, flaauw gezwaaiden,
bijna vlakken achterrand; de binnenrand is slechts een
derde langer en de binnenrandshoek zeer scherp. Punt
1) Deze scctie van afdeeling A van Bofys zoude bijna generiek kunnen worden
afgescheiden, b.v. onder den naam Pyralis.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 201
en staarthoek der breedere achtervleugels zijn ook vrij
duidelijk en de achterrand genoegzaam vlak, iets
gezwaaid.
Grondkleur der vleugels een glanzig, niet zeer zuiver,
bleek stroogeel, dat bijna overal, maar vooral tegen
wortel en voorrand der achtervleugels, doorschijnende
is. Voorrand der voorvleugels smal leemkleurig, de
teekening bruingrijs, dik, onduidelijk, daar de eerste
en tweede dwarslijn op de voorvleugels bijna ineen-
vloeijen met den breed bruingrijzen vleugelwortel en
achterrand en de onderste aderen mede bruingrijs zijn.
Evenzoo is ook de binnenrand bruingrijs gevlekt, zoo-
dat de eerste dwarslijn slechts zigtbaar wordt door drie
geelachtige vlekjes die zich er voor bevinden en de
tweede door vier vlekjes die er in cel 2, 3, 7 en 8
achter staan. Achtervleugels slechts met ééne dikke,
bruingrijze, driemaal hoekig gebroken dwarslijn, die
hier en daar verdikt, op ader 2—5 getand en van de
tweede tot de derde breuk zeer flaauw is. Achterrand
bruingrijs, aan de punt het breedst, in cel 2—4 tot
op de helft versmald. Gewone vlekken iets vierkant,
bruingrijs, in het midden bleekgeel. Franje bruingrijs
en geelachtig wit-bont, naar den staarthoek der achter-
vleugels geheel licht wordend. Onderzijde geheel als
boven gekleurd en geteekend doch alles bleeker.
De vier voorwerpen variëren niet en zijn op 18 en
22 Januarij 1871 bij Sambrano en Yondo aan de Rio
Magdalena gevangen.
18 Acutangulalis m. nov. sp.
Een mannetje, links iets aan de franje beschadigd
doch overigens gadf. 16 mm. Pl. 11, fig. 11.
4
Flavescenti-alba , tam maculis lineisque transversalibus
ordinariis, quam linea dentata juata marginem totum
posteriorem distinctis atro-brunneis. Linea cognita
transversali secunda peracute angulateque fracta.
202 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
Grondkleur onder en boven geelwit. Een dwarslijntje
over de voorhelft van den thorax, een vlekje op het
midden van het geelachtig bruine achterlijf, een aan
de spits en twee lijntjes op de laatste ringen zijn don-
kerbruin even als de zeer scherpe, geel afgezette
teekening der vleugels. Deze bestaat uit een regt lijntje
nabij den voorvleugelwortel, een regelmatig gebogen
op een vierde, de stroogeel gevulde, vrij groote ronde
en niervlek, eene op voor- en achtervleugels zeer scherp
gebroken en neusvormig omgebogen tweede dwarslijn,
die op de voorvleugels de niervlek van onderen raakt,
eene sterk gezwaaide dikke golflijn, die bij den binnen-
randshoek der voorvleugels een scherpen wortelwaart-
schen tand heeft, en eene dikke franjelijn. Tusschen
de beide laatste lijnen is de vleugel bijna wit. Franje
donkergrijs , op de achtervleugels met donkere deelings-
lijn. Onderzijde als boven, maar bleeker en de teekening
niet geel afgezet.
Het exemplaar is met n°. 63 gemerkt.
49 Laticalis Lederer. Pl. 11, fig. 12 (2).
Twee gave wijfjes van 35—42 mm. vlugt.
Ik hield deze soort eerst voor onbeschreven en herkende
haar eerst later uit Lederer’s korte beschrijving. Daardoor
is de afbeelding veroorzaakt. Ik vlei mij intusschen dat
men bij vergelijking van Lederer’s figuur met de zoo
schoone teekening die ik aan de hooggewaardeerde vrien-
delijkheid van den heer Brants te danken heb, de afbeelding
van het wijfje volstrekt niet voor overbodig zal houden.
De exemplaren zijn met n°. 63 gemerkt.
20 Incalis m. nov. sp.
Drie mannetjes waarvan een geheel gaaf. 24—26 mm.
Pl 44) Ge 48.
Flavissima, supra parce purpura squamata ; lineatione
cognila, fasciaque lata in marginem posteriorem
purpurissatis.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 203
Hoewel de palpen opgerigt zijn, wijken zij echter in
vorm vrij sterk van die der andere soorten dezer af-
deeling van Botys af; de palpen van Botys variegalis
(zie lager) zweemen naar die van onze soort doch
naderen meer den gewonen vorm. Bij Incalis is de be-
haring van het tweede lid aan den wortel veel smaller
dan bovenaan en die van het eerste lid is van boven
wel tweemaal zoo breed als die van het tweede aan
den wortel, zoodat het schijnt als of de naar boven
sterk verbreede palpen in het midden diep uitgesneden
waren. Zij zijn overigens goudgeel, en hebben aan de
kopzijde twee purperroode, aan de voorzijde twee zwarte
vlekjes. Zwart is ook het korte, horizontale eindlid.
Sprieten dun, bruingeel, zeer kort behaard. Rug van den
thorax goudgeel met purperroode vlekjes. Achterlijf
boven goudgeel, aan den wortel met purperroode stip-
pen; de spits is donkerbruin met een wit vlekje in
het midden.
Vleugels goudgeel; drie onvolkomen dwarslijntjes van
het eerste derde, eene stompgetande, gewoon gevormde
tweede dwarslijn, een halvemaanvormig gebogen streepje
op de dwarsader, en bestuiving van het middenveld
zijn purperbruin; een breede band op den achterrand
paars met roodbruine aderen, in cel 1° en 1° zwart be-
stoven. Deze band heeft wortelwaarts eenige tandjes
en is onder ader 2 zoo verbreed dat hi de iets met
hem convergerende tweede dwarslijn raakt. Een vlekje
bij de vleugelpunt, de franje en de achterrand in het
midden zijn goudgeel; de laatste heeft aldaar drie
purperroode stippen. Aan den wortel van cel 2 merkt
men nog een onbeschubd, doorschijnend plekje op.
Achtervleugels aan den voorrand breed onbeschubd,
doorschijnend; verder met een purperen booglijn, zulke
beschubbing op de aderen en een eveneens als op
de voorvleugels gekleurden band op den achterrand.
De laatste is in het midden smal goudgeel als de franje
14
204
GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
en de franjelijn fijn purperrood; van ader 1° tot 2 merkt
men nog eene fijne deellijn der franje op.
Onder zijn de vleugels stroogeel met flaauw van boven
doorschijnende teekening, een purperkleurigen, op de
achtervleugels zeer bleeken band op den achterrand, die
hier onder ader 2 der voorvleugels niet verbreed is en
zulk een streepje op de dwarsader der voorvleugels. Lijf
met pooten geelwit, de voorpooten wit en zwart gevlekt.
De exemplaren zijn den 25** Januarij 1874 bij Conejo
aan de Rio Magdalena gevangen.
91 Matutinalis Guenée, Led.
Een gaaf wijfje.
Guende beschrijft de teekening der voorvleugels niet
goed. Zij bestaat uit de beide gewone dwarslijnen, nog
eene flaauwe digt bij den wortel en de gewone vlekken in
het middenveld. Palpen half donkergrijs en wit, Lederer’s
afbeelding is voldoende.
Het exemplaar is met n°. 63 gemerkt.
22 Claudialis M. nov. sp.
Een vrij gaaf mannetje van 27 mm. PI 11, fig. 14.
Straminea, brunneo-cinereis attamen ornamentis ordi-
narüs alarum, fascia lata anticarum juata poste-
riorem marginem et angusta juxia anteriorem et
squamatione arca mediae cincta et sub maculis
cognitus. Fimbriis albis atro-cinereo varüs.
Sterk aan Samea castellalis Guenée herinnerende doch
zonder de pluimen aan beide zijden van het achterlijf
en met smallere palpen. Ook is de grondkleur anders.
In vleugelvorm en teekening sluit deze vlinder zich
na aan bij Botys fatualis Lederer, alleen zijn de achter-
vleugels aan den binnenrandshoek meer afgerond.
Palpen half donkergrijs en wit, hun eindlid zeer on-
duidelijk. Sprieten fijn behaard. Grondkleur der vleugels
goudkleurig stroogeel met breed goudbruinen, tegen
de franje in donkergrijs overgaanden achterrand. Deze
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 205
donkere rand wordt van de vleugelpunt af tot aan den
staarthoek der achtervleugels een weinig en zeer ge-
lijkmatig smaller; hij is wortelwaarts stomp en onregel-
matig getand. De voorvleugels zijn overigens aan den
voorrand en aan den wortel donker paarsgrijs bestoven.
Deze paarse bestuiving maakt ook de eerste dwarslijn
onduidelijk, verbreidt zich franjewaarts tot iets voorbij
den wortel van ader 2 en vult bijna de geheele mid-
dencel, zoodat de goudgele grondkleur van het midden-
veld slechts in drie vlekken overblijft, namelijk eene on-
duidelijke in cel 1° en twee ovale in en over de middencel,
welke vlekken door de mede donker beschubde midden-
ader worden doorsneden. De tweede dwarslijn loopt digt
langs den donkeren achterrand waarin zij zich bij ader
2 verliest; zij is in cel 2 en 6 getand en overigens door
donkere adertjes met den goudbruinen vleugelrand ver-
bonden, zoodat zeven gele vlekjes worden afgescheiden
waarvan het middenste, iets inspringende, zeer klein is.
Op de achtervleugels komt eene dikke, iets geslin-
gerde, ongebogen dwarslijn uit eene lange, in het
midden gele middenvlek. De tweede dwarslijn is even
als op de voorvleugels doch staat verder van den
donkeren rand en is niet door donkere lijntjes er
mede verbonden. Franje bont, wit en donkergrijs.
Lijf donkergrijs, de wortel van het achterlijf en de
achterrand der ringen wit. Onderzijde als boven maar
bleeker; buik en pooten grijswit. Voorpooten donker-
grijs, eene vlek op de scheenen en de tarsen wit. De
andere pooten ontbreken.
Het exemplaar is met n°. 63 gemerkt.
25 Samealis m. nov. sp.
Vier exemplaren; een gaaf mannetje en drie iets
afgevlogen wijfjes. 10—22 mm. Pl. 11, fig. 15. à.
Luteo-alba venis tenue auratis; insignitis cognitis,
limbo per iotum marginem posteriorem apicem
206
GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
versus serene maculalo, anticarumque alarum linea
angusta juxta coslam et squamatione areae mediae
cincta et sub maculis ordinariis, omnibus brunneo-
cinereis. Fimbrüs silaceis, atro-cinereo maculatis.
Nog meer aan Samea castellalis herinnerende dan de
voorgaande soort, vooral door de gele vlekjes boven aan
den donkergrijzen band die den geheelen achterrand
der vleugels beslaat en welke vlekjes ik onder de
eveneens geteekende soorten van Bolys A, b, a alleen
nog bij de volgende, mede nieuwe soort vind. Het
achterlijf is evenwel mede geheel normaal gevormd
en in aderbeloop of palpen wijkt Samealis niets af
van deze afdeeling van Botys; de achtervleugels zijn
intusschen zeer langwerpig.
Palpen smal, duidelijk gebogen, lid 2 bleekgeel met
twee donkergrijze bandjes. Evenzoo is ook het korte,
stompe doch duidelijke eindlid gekleurd. Aangezigt
goudgeel met een donkergrijs dwarsstreepje. Thorax
grijs, twee vlekken op den halskraag goudgeel. Achterlijf
graauwachtig geel, de ringen met witten achterrand.
Grondkleur der vleugels zeer licht stroogeel (geelwit)
met dun goudgeel bestoven aderbeloop. Voorvleugels
met twee donkergrijze dwarsbanden, een smalle aan
den wortel, een breedere op een derde; ook is de
voorrand geelgemengd donkergrijsbruin tot twee derden.
In de middencel ziet men twee doorschijnende ronde
witte vlekken die teder nog eene dergelijke in cel 4°
onder zich hebben; tusschen beiden staat nog eene gele
stip in de middeneel. De tweede dwarslijn is eveneens
gevormd als bij Claudialis, doch zij loopt bij ader 2 niet
in den donkeren achterrand dood maar verlaat dien
aldaar, gaat in cel 2 schuin omhoog, is aan den wortel
van ader 3 gebroken en loopt dan flaauw naar den
binnenrand.
Bleekere achtervleugels slechts met eene fijne donkere,
hier en daar afgebrokene lijn, die eerst den grijzen
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 207
achterrand volgt, op ader 2 omhoog gaat, de langwerpige
in het midden lichte middenvlek raakt en dan, geslingerd
en iets dikker, met een vlekje in den binnenrand uitloopt.
De grijze achterrand is niet met paars gemengd noch
wordt tegen de franje bleeker. Op de voorvleugels is
hij aan den voorrand slechts weinig breeder doch op
de achtervleugels in het midden zeer smal, aan de
punt dubbel zoo breed als aan den staarthoek. Franje
grijs, aan den wortel met gele stippen, aan vleugelpunt
en staarthoek oplichtende. Drie donkere vlekjes vallen
op ader 3, 4 en 7 der achtervleugels zeer in het oog.
Onderzijde als boven, maar bleeker. Sterker uitgedrukt
is een donker, bijna zwart vlekje in cel 5 der voor-
vleugels.
Bi) de wijfjes is de grijze achterrand breeder en de
donkere lijn der achtervleugels van ader 2 tot de mid-
denvlek afgebroken.
De exemplaren zijn met n°. 63 gemerkt.
Het is niet onmogelijk dat Claudialis en Salbialis
reeds door Guenée onder de soorten van zijn genus
Samea zijn beschreven, doch zijne beschrijvingen zijn
niet duidelijk en uitvoerig genoeg om dit met zekerheid
te zeggen.
24 Variegalis M. NOV. sp.
Een mannetje zonder achterlijf doch overigens zeer
gaats 10: mm. Pl 12, ne, 1, 2:
Nigro-cinerea ; dimidio basali alarum omnium et anti-
carum marginis apice anterioris stramineo maculato,
Limbo posteriore punctillis nonnullis albis, cellulis
prima et media alarum anteriorum argenteo-squa-
matis. Fimbria straminea maculis immoderalis nigro-
cinereis.
In verschillende opzigten vertoont deze vlinder af-
wijkingen van deze afdeeling van Botys. Zoo is onder
208
GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
andere lid 1 der palpen veel breeder dan lid 2, is het
grootste gedeelte (drie vierden) der sprieten gekerfd,
ader 5 der achtervleugels staat verder van 3 en 4 dan
gewoonlijk en de achterpooten zijn wat langer en dunner
dan bij de voorgaande soorten. Dit alles te zamen ge-
nomen levert echter geene genoegzame redenen op tot
de vorming van een nieuw genus.
Palpen schuin opgerigt, weinig gebogen, bleek geel-
wit, zwart geband, het stompe eindlid zwart. Kop
en thorax donkergrijs. Voorvleugels naar achteren vrij
sterk verbreed, de achtervleugels smal; van beiden de
achterrand onder de punt iets gezwaaid. De voorvleu-
gels zijn zwartgrijs; een den voorrand niet bereikend,
in het midden verbreed bandje op een vierde, een
vierkant vlekje onder den geelbestoven voorrand op een
derde, een halve, iets gebogen dwarsband met eene
stip op de helft en drie stippen bij de vleugelpunt zijn
bleek okergeel, iets glanzig. Verder ziet men nog drie
geelwitte stippen aan den achterrand , een blaauwzilveren
vlekje achter het gele bandje bij den wortel op den
binnenrand en eenige blaauwzilveren schubben in de
middencel. Achtervleugels aan den wortel en in eene
groote, onregelmatig ronde vlek in het midden bleek-
geel, iets doorschijnend, verder zwartgrijs. Hun achter-
rand is met vier blaauwwitte stippen geteekend, welke
wat grooter zijn dan die der voorvleugels, en op het
midden van den binnenrand staat nog een zwartgerand
blaauwwit vlekje. Eenige stroogele stipjes staan ook
nog om de lichte middenvlek. Alle gele teekeningen
hebben randen, donkerder dan de zwartgrijze grond-
kleur der vleugels.
Franje okergeel, op ader 3, 4 en 7 der voorvleugels
en 2, 3, 6 en 7 der achtervleugels zwartgrijs gevlekt.
Onderzijde bleeker dan boven, aan den wortel vlekkig
zwart, de voorvleugels zonder blaauw zilver en de achter-
vleugels wit gemengd.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 209
Voor- en middenpooten met zwartgrijze dijen en
scheenen en witte tarsen. Achterpooten geheel wit,
slechts een vlekje aan het eind der scheenen grijs.
Het exemplaar is met n°. 63 geteekend.
Genus 50b. EurvcREON von Hein.
(Botys B, Lederer.)
25 Asoplalis m. nov. sp.
Een gaaf paar. 1516 mm. PI 427 fisco.
Alis anterioribus et thoracis parte posteriore purpureis ;
parte antica thoracis, capite, maculis duabus in
marginem anteriorem, posterioris marginis SUMMO,
fimbriisque omnibus flavis. Alis posterioribus lestacets ,
linea transversali indistincta fimbriisque luteis.
lets plomp gebouwd en ook in kleur en teekening
aan sommige soorten van Ásopia herinnerende, doch
om de vleugeladeren, het iets uitstekende voorhoofd en
verdere kenmerken hier behoorende en aan de spits
van het genus te plaatsen.
De vrij breede palpen, de bijpalpen, kop en halskraag
zijn geheel donker okergeel; de thorax met schouder-
deksels aan den wortel donker okergeel, in het midden
witgeel, aan het eind purperrood. Op de vrij spitse,
purperroode voorvleugels zijn de wortel, twee groote
driehoekige vlekken aan den voorrand, een spoor eener
eerste dwarslijn, eene fijne, gezwaaide, uit de tweede
voorrandsvlek komende tweede dwarslijn benevens eene
naar onderen versmallende streep op den steilen achter-
rand met de breede franje heldergeel; de vleugelwortel
en eerste voorrandsvlek zijn bijna zwavelgeel, de andere
teekeningen meer goudgeel en allen fijn donker purper-
bruin gezoomd.
Achtervleugels en achterlijf licht roodbruin, iets
purperkleurig; op de eersten de voorrand bleekgeel,
eene lijn die in den achterrand uitloopt goudgeel; de
210
GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
franje aan staarthoek en vleugelpunt en in cel 2 bruin,
overigens goudgeel. Onder zijn de voorvleugels omtrent
als boven geteekend op donker roodbruinen grond, de
achtervleugels helder okergeel met purperroode midden-
stip, boogstreep en band voor den achterrand. De
buik is okergeel met roodbruine dwarsbanden.
Beide exemplaren zijn den 28*® Januarij bij Honda
aan de Rio Magdalena gevangen.
26 Fuscocilialis m. nov. spec.
Een gaaf wijfje van 30 mm. PL 13, fig. 1.
Alis anterioribus pallide flavis, fimbriis ferruginosis ;
linea prima transversali bis fracta, venis omnibus,
linea tenui juxta marginem interiorem , strigulaque
in vena transversali, omnibus silaceo-brunneis ; altera
lineae transversalis loco, serie punctorum fuscorum.
Alis posterioribus albidis, margine anteriore notato
serie imperfecta punctillorum atrorum.
De uitstekende punt van het voorhoofd, die een voor-
naam kenmerk uitmaakt van Eurycreon, is bij deze soort
wel niet zeer lang en spits maar veroorlooft toch, bij
de overeenstemming der verdere kenmerken, haar in
dit genus te plaatsen. Daarin onderscheidt zij zich van
de slanklijvige, spitsvleugelige soorten (Sticticalis L.
tot Paleacalis Guenée) door de donker roestbruine franje
der licht helder-okergele voorvleugels, wier eerste dwars-
lijn zeer duidelijk en eenigszins Z-vormig is, terwijl de
niervlek zich als een schuin bruin streepje op de
dwarsader vertoont.
Het mannetje, dat ik eerst onlangs uit de collectie
van Dr. Staudinger leerde kennen, bezit bovendien eene
bijzonderheid in een ovaal indruksel op de bovenzijde
der voorvleugels aan den wortel der binnenrandsader,
over hetwelk een pluimpje is gestreken.
Palpen schuin opgerigt, met bijna horizontaal
eindlid, half bruin en geelwit. Schouderdeksels met
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 211
roestbruine wortelhelft, overigens de thorax eenkleurig
met de voorvleugels; binnenrand van deze donkerbruin,
het aderbeloop fijn lichtbruin; de middengrond der
cellen zeer dun beschubd, bijna doorschijnend, hunne
randen doffer en donkerder. De eerste dwarslijn van
een vierde van den voorrand schuin buitenwaarts
tot aan de middenader, dan schuin binnenwaarts
en iets dikker tot de dorsaal-ader, daarop weder in de
eerste rigting tot den binnenrand loopende, alwaar zij
de uit langwerpige donkerbruine stippen bestaande
tweede dwarslijn ontmoet. Het streepje op de dwarsader
zeer schuin. Golflijn zeer nabij den achterrand en
sterk getand. Franjelijn donkerbruin. Franje genoegzaam
eenkleurig. Achtervleugels wit, iets doorschijnend, tegen
de punt geelachtig en met het begin eener donkergrijze
stippenrij op drie vierden van den voorrand. Franje wit.
Achterlijf bleekgeel.
Onder is de teekening dikker dan boven, grijsbruin
op bijna witten grond en heeft de tweede dwarslijn
aan den voorrand eene groote vlek. Pooten geelwit.
Het exemplaar van Baron von Nolcken is met n° 63
gemerkt, dat van Dr. Staudinger is van den Chiriqui-
vulkaan in Amerika.
Genus 51. NomoPHiLA Hbn.
27 Noctuella W. V.
EIf exemplaren. Meest, doch niet allen, een paar mm.
srooter dan mijne Europesche en Noordamerikaansche
exemplaren.
Van 11 Februarij tot 10 April 1871 bij Bogota en Ubaque
gevangen.
Genus 92. SAMEA Guenée.
28 Castellalis (ruenée.
Drie exemplaren waarvan een geheel gaaf. Zooals Lederer
teregt aanmerkt, heeft de vlinder dunne, draadvormige
bijpalpen; zi) zijn zwart gekleurd.
212 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
Het gave exemplaar, een mannetje, is in het laatst van
April bij Cundai (2100° hoog) gevangen. Een ander, afge-
vlogen mannetje op 27 Maart bij Ubaque; het derde voor-
werp, een wijfje, bij Tusagasuga.
Genus 55. SALBIA Guenée.
Dit genus hetwelk aan Lederer onbekend was en dat hij
van Guenée overnam, is door hem niet op de juiste plaats
gesteld. Het is duidelijk na aan Marasmia en Cnaphalocrocis
verwant en kan in de analytische tabel onder n°. 59 aldus
worden beschreven :
Sprieten van het mannetje boven het groote wortellid
met eene bogt en daarin eene lange, zwarte haarlok. Kleine,
houtgele, duidelijk geteekende vlinders met scherpen staart-
hoek der achtervleugels.
Bij Guenée is de karakteristiek niet uitvoerig. Het volgende
dat ik bij de drie soorten die in mijn bezit zijn, opmerk, voeg
ik er aan toe. Leden der kort behaarde sprietschaft tegen de
punt driehoekig. De palpen opgerigt. Bijpalpen ten minste bij
Deformalis en Abnormalis duidelijk (volgens Guenée bij geene
der soorten aanwezig). Voorvleugels langwerpig, met vlakken
voorrand, spitse punt en gezwaaiden achterrand. Ook de
punt der achtervleugels is vrij scherp, de achterrand flaauw
gebogen, iets gezwaaid. Ader 8—10 der voorvleugels zijn
gesteeld (Abnormalis, Cognatalis) of 10 komt uit de middencel
(Deformalis). Overigens is het aderstelsel normaal; 3—5
der achtervleugels zijn aan den wortel opeengedrongen.
Pooten lang, dun. Achterlijf een derde langer dan de achter-
vleugels, spits, houtgeel, met bleeker gerande ringen, onder
geelwit, tegen het eind op zijde en van boven met zwarte
stippen, de laatste ring van boven met twee witte, op zijde
en in het midden met drie zwarte streepjes geteekend
evenals bij Cnaphalocrocis, Marasmia en bij de beide nu
volgende genera.
De teekening der vleugels bestaat uit twee donkerbruine,
bijna zwarte dwarslijnen en een middenpunt op de voor-
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 213
vleugels en op de achtervleugels mede uit twee dwarslijnen
waarvan de eerste over eene middenstip heen gaat. De tweede
dwarslijn is op voor- en achtervleugels op de helft en aan
den wortel van ader 2 tweemaal scherp gebroken; het
horizontale gedeelte daartusschen is zeer flaauw, boven de
breuk is de lijn fijn getand en op de voorvleugels gelijk-
matig gebogen. Franjelijn zeer dik, donker bruingrijs, de
grijze franje met eene dikke donkere lijn over de wortelhelft.
Van dit genus ontving ik drie soorten, die tot de eerste
afdeeling van Guenée (met abnormaal gevormde mannelijke
sprieten) behooren. Met zekerheid kan ik de beide eersten
(de derde is zeker nieuw) onder zijne Flabellalis, Cassidalis
en Torsalis niet vinden, want bij Deformalis past de kleur
niet; ook vermeldt Guenée niets van de kleur der pooten
van het mannetje. Flabellalis zou lange en bijna regte pal-
pen hebben; mijne Abnormalis kan deze echter ook niet
zijn, aangezien hare palpen bijna tweemaal zoo lang als
de kop zijn, terwijl die van al de soorten van Guenée
worden opgegeven als weinig langer dan de kop. Ik benoem
dus al mijne drie soorten liever nieuw. Zij komen in kleur
en teekening nog al met elkander overeen doch verschillen
overigens zoo zeer dat men er wel drie genera van kon
maken. Ik onderscheid haar als volgt:
I. Palpen breed, weinig smaller dan de oogen,
niet langer dan de kop, van boven regt
afgesneden, met zeer onduidelijk eindlid.
Vleugels houtgeel, sterk bruingrijs bestoven.
Vervorming der sprieten bij het mannetje
weinig korter dan de helft van de schaft;
zijne voorscheenen met een driekant donker
pluimpje, zijne achterdijen zeer verdikt, de
midden- en achterscheenen ruig beschubd. Deformalıs.
II. Palpen breed, weinig smaller dan de oogen,
bijna tweemaal zoo lang als de kop, stomp
gepunt, grof behaard, met onduidelijk eind-
214
GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
lid. Vleugels licht houtgeel, bruingrijs be-
stoven. Vervorming der sprietschaft bij het
mannetje weinig langer dan een vijfde van
de schaft, in de bogt zonder haarbosjes,
boven aan dezelve met eene verdikking;
zijne voorscheenen met een driekant donker
pluimpje, overigens de pooten gewoon ge-
vormd.
II. Palpen lang, dun en rond, iets langer dan
de kop, met kort, duidelijk, bovenaan in
twee puntjes uitloopend eindlid. Vleugels
zeer bleek houtgeel, dun bruingrijs besto-
ven. Vervorming der sprietschaft bij het
mannetje weinig langer dan een vijfde van
de schaft, in de bogt met tandjes. Pooten
gewoon gevormd. Onder aan den voorrands-
wortel der achtervleugels een ruw beschubd
Abnormalıs.
Zwart plekje a PE RP Ras:
29 Beformalis m. nov. sp.
Een paar; het mannetje zeer gaaf. 193—203 mm.
PI. 12, fig. 4, 5, 6.
Palpis latis, vie oculorum angustioribus ,
capite haud
longioribus, recte de supra abscisis, membroque termi-
nali vie distineto. Alis ligneis brunneo-cinereo dense
squamatis. Maris deformitas antennarum dimidi
scapi vie brevior, hujus tibiae anteriores plumula
fusca triangula, mediae et posteriores hispide squa-
* mosue, femoraque postera perdensata.
Palpen half donkergrijs en wit. De grondkleur der
voorvleugels zoo sterk door de bruingrijze, bij weer-
schijn iets paarsachtige bestuiving bedekt, dat zij slechts
tegen den binnenrandswortel en als smalle afzetting
der lijnen bovenkomt. Middenpunt der achtervleugels
zeer onduidelijk. Tweede dwarslijn aan den voorrand
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 215
dikker maar niet zwarter, eerste rondgebogen; op de
achtervleugels beiden convergerende en in den staart-
hoek een zwart streepje. Onderzijde vuil geelwit, op de
voorvleugels grijs, als boven geteekend, maar flaauwer.
Het wijfje heeft gewoon gevormde sprieten. Achterdijen
van het mannetje gezwollen, glad beschubd, iriserend.
De man is op 27 Januarij bij La Dorada aan de
Rio Magdalena gevangen, het wijfje den 2" April bi
Cucqueta.
30 Abnormalis m. nov. Sp.
Twee mannetjes waarvan een zeer gaaf. 193 mm.
RAM AS:
Palpis latis, vix oculorum angushoribus, capite fere
duplicis longitudinis, obtuse terminatis rudeque pilosis,
segmentulo terminali vix distinclo. Alis pallide ligneis,
tenue fusco squamatis. Maris deformitas antennarum
quintae scapi partis vie longior, haud cincinnata in
flexione, sed flexionis in parte superiore densata.
Tibiae ejus anteriores plumula triangula fusca, cete-
rum autem ille pedibus recie formatis.
Kerste lid der palpen wit, tweede donkergrijs, aan
de achterzijde van onderen uitgesneden tot opneming der
bijpalpen. Grondkleur der bovenzijde alleen aan den
voorrand en achter de middenvlek der voorvleugels,
in het midden der achtervleugels en achter de tweede
dwarslijn bruingrijs bestoven. Tweede dwarslijn aan den
voorrand dikker maar niet zwarter. Op de achtervleugels
beide dwarslijnen tegen den binnenrand parallel, in den
staarthoek een zwart streepje. Onderzijde bleeker, de
voorvleugels sterker grijs bestoven, de teekening dezelfde,
Beide exemplaren zijn met n°, 63 gemerkt.
31 Cognatalis m. nov. sp.
Twee mannetjes en een wifje, het laatste zonder
achterlijf doch overigens de exemplaren gaaf. 15 mm.
DL-12 fis..9, 40;
26 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
Palpis tenuissimis et rotundatis , paullulum capitis lon-
gioribus, segmentulo terminali brevi distincta. Alis
lutescentibus osseicoloribus, tenue fusco-cinereo squa-
matis. Maris deformitas antennarum vix quintae
partis scapis longior, flexione dentata. Pedibus recte
formatis. Alarum posteriorum sublus in margine
anteriore ad basim macula nigra, rude squamata.
Palpen geheel bleekgeel. Grondkleur der bovenzijde
veel bleeker dan bij de voorgaande soort, weinig meer
dan beenkleurig, doch de voorrand der voorvleugels,
vooral aan de punt, okergeel; de grijze bestuiving alleen
tegen den achterrand merkbaar en op de achtervleugels
zich niet geheel tot dezen uitstrekkende; wortelwaarts
der tweede dwarslijn is zij zeer dun. Tweede lijn aan
den voorrand met een zwart vlekje beginnende; op de
achtervleugels beide lijnen tegen den binnenrand parallel
en in den binnenrandshoek geen zwart streepje. Onder-
zijde sterk grijs bestoven, vooral op de voorvleugels,
overigens bleeker van grondkleur en eveneens geteekend
als boven. Het wijfje mist de zwarte vlek van den
achtervleugelwortel.
De exemplaren zijn met n°. 63 gemerkt.
Genus 62 b. SALBIOMORPHA m. nov. gen.
Komt in Lederer’s tabel der Pyralidinen-genera onder
n°. 86 aldus :
Voorvleugels bij het mannetje met een, aan de binnen-
zijde kalen omslag aan den binnenrand, die bovenop met
eene kam van lange, gladgestreken schubben is bekleed.
Sprieten boven den verdikten wortel met eene aan de
binnenzijde getande bogt, daarboven verdikt, onder aan de
bogt met eene zwarte haarlok. Palpen tweemaal zoo lang
als de kop, schuin opgerigt, van boven ruig behaard.
Thorax met twee zwarte kuifjes aan den wortel der schou-
derdeksels,
Het genus is na aan Salbia verwant, de sprietvorming
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 217
dezelfde, ook de vleugelvorm en teekening; eigenlijk bestaat
het verschil alleen in den bij Salbiomorpha aanwezigen
omslag aan den binnenrand der voorvleugels. Naar Lederer’s
systeem is echter de vorming van een nieuw genus onver-
mijdelijk. Sprieten kort behaard. Palpen als bij Salbia abnor-
malis (zie boven). Achterlijf slank, spits en een derde langer
dan de achtervleugels. Aderstelsel normaal. De voorpooten
ontbreken en de anderen zijn normaal gevormd.
Verder is de vlinder somber zwartbruin en heeft op de
voorvleugels eene zwarte halvemaan op de dwarsader en twee
zwarte dwarslijnen, waarvan de tweede van den voorrand
(waar zij iets dikker is) tot ader 2 eene fijn getande bogt
maakt. Achtervleugels met donkere middenvlek en tweemaal
stomphoekig gebroken zwarte dwarslijn, die bij den binnen-
randshoek uitloopt en aldaar wit afgezet is. Eene franjelijn
en eene lijn over de wortelhelft der met den vleugel een-
kleurige franje zijn iets donkerder, Achterlijf zwartbruin,
op den rug van het laatste lid met twee witte vlekjes.
Onderzijde der vleugels tegen het lijf houtkleurig; de dwars-
aders met donkere stippen; naar achteren wordt de grond
grijsbruin. Palpen buitenwaarts donkergrijs, met vuilwitten
wortel.
32 Ancidalis m. nov. sp.
Een niet zeer gaaf mannetje. 25 mm. PI. 12, fig. 41, 12.
Atro-fusca, nigro notata ; abdominis apice supra maculis
duabus albis.
Het exemplaar is met n°. 63 gemerkt.
Genus 62d. HILEITHIA m. nov. gen.
Komt in Lederer’s tabel onder afdeeling 87, geheel aan
het eind, aangezien niet, zooals bij de zes overige genera
van die afdeeling, de middencel der voorvleugels bijzonder-
O? o
heden vertoont, maar wel hun voorrand. De beschrijving
luidt aldus :
Middeneel der voorvleugels zonder uitmonstering, hun
218 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
voorrand aan de onderzijde bij het mannetje met breeden,
donkergrijzen omslag, eene pluim van lange gele haren
insluitende. Kleine, vuilwit gekleurde donkergrijs geteekende
vlinder met zwart gestippelden voorrand der voorvleugels
en scherpen staarthoek der achtervleugels.
Sprieten van het mannetje aan den wortel met een
korten tand, (als bij het Phyciden-genus Acrobasis) de
schaft gewoon gevormd, vrij lang behaard. Palpen niet
langer dan de kop, half zoo breed als de oogen, opgerigt,
gebogen, van boven regt afgesneden, het eindlid zeer on-
duidelijk. Achterlijf spits. Vleugels langwerpig, de voorrand
der voorvleugels tegen de duidelijke punt gebogen, de
achterrand weinig gebogen. Achtervleugels met duidelijke
punt en in cel 5 ingetrokken achterrand. Aderstelsel geheel
als bij Botys. Pooten zonder uitmonstering.
Middenlid der palpen met drie zwarte vlekjes. Zwartgrijs
sevlekt zijn het aangezigt, de sprietwortels, de halskraag,
de schouderdeksels, ring 3 van het tegen de punt gele
achterlijf op zijde en ring 6 benevens de spits van boven.
De zwarte vlekjes langs den voorrand der voorvleugels
liouden aan zijn laatste vierde op; ook bij den binnenrands-
wortel staat eene zwarte stip. Om de middenader en langs
den achterrand zijn de vleugels grijs gewolkt. Digt bij den
vleugelwortel treft men een gebogen lijntje aan, op een
vierde een geheel regt; daaraan vast vertoont zich de ronde
vlek als een donkere ring en op de dwarsader de donkere
omtrek der niervlek; de tweede dwarslijn begint aan den
voorrand op drie vierden met een zwart vlekje, is achter
de niervlek iets ingetrokken, aan ader 2 stomp gebroken,
loopt, naauwelijks zigtbaar, langs die ader en wendt zich
onder de niervlek flaauw geslingerd naar den binnenrand.
Digt achter de tweede dwarslijn loopt eene golflijn; hare
bovenhelft is flaauw getand, de onderhelft als de tweede
dwarslijn gevormd. Op de achtervleugels zijn de lijnen als
op de voorvleugels maar de beide eersten convergeren vrij
sterk en zijn donkerder in den binnenrandshoek, en de golflijn
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 219
verliest zich bij ader 2 in den donkeren rand. Op de eerste
lijn staat een donker ringetje. Franjelijn dik; over de
wortelhelft der franje eene rij van bijna ineenvloeijende
donkere stippen.
Onderzijde helderder wit, als boven geteekend maar
uiterst flaauw.
33 Appialis m. nov. sp.
Vijf exemplaren waarvan een mannetje en twee wijfjes
gaaf. 20—21 mm. PI. 12, fig. 13 en 14.
Cana, fusco-cinereo notata, margine posteriore cinereo
asperso; margine anteriore alarum anticarum nigro-
punctato ; posticarum lineis transversalibus ad angu-
lum analum convergentibus.
De exemplaren zijn allen met n°. 63 gemerkt.
Genus 65. PANTOGRAPHA Led,
34 Scripturalis Guenée.
Ken vrij gaaf wijfje zonder aanduiding van vangplaats.
Genus 67 b. PRENESTA m. nov. gen.
In Lederer’s tabel der Pyralidinen-genera komt dit genus
onder n°. 89 aldus :
Sprietschaft een weinig voor het midden gekronkeld,
platgedrukt en met fijne doorntjes, overigens ter lengte
van twee derden der voorvleugels. Habitus der Botyden, de
punt van het achterlijf zwart.
Bijoogen en bijpalpen aanwezig; de breede, gebogen, van
voren afgeronde palpen niet langer dan de kop en met zeer
kort en stomp eindlid, glad beschubd, half wit en zwart.
sprieten fijn behaard. Vleugels lang, de voorvleugels vrij
smal met tegen de punt gebogen voorrand en spitse punt,
hun achterrand zeer weinig gebogen. Achtervleugels met
zeer duidelijke hoeken en vrij vlakken achterrand. Aderstelsel
normaal (als bij Bolys). Achterlijf slank, de helft langer
dan de achtervleugels. Grondkleur der bovenzijde goudgeel;
15
220 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
de voorrand, de daarin vervloeijende zeer groote ronde en
niervlek, cene middenvlek der achtervleugels en eene aan
den voorrand zeer breede, aan den binnenrandshoek puntig
toeloopende streep op den achterrand donker gekleurd;
geene dwarslijnen.
Van dit genus ontving ik twee soorten; van de eerste
soort twee mannetjes en van de tweede een; allen gaaf.
Beide soorten komen wat kleur en teekening betreft zeer
overeen doch niet in bouw.
I. Dof goudgeel met kaneelbruine teekening, de
wortel der voorvleugels niet donkerder, de
donkere rand der achtervleugels binnenwaarts
getand. Cel 1° der achtervleugels opgezwollen
en met fijne gele wol bekleed. Aan de voor-
pooten de scheenen en het eerste tarsenlid
met eene donkergrijs gekleurde verdikking. Fabialis.
II. Helder goudgeel met purperbruine teekening,
de voorvleugelwortel scherp afgescheiden don-
kerder, de donkere rand der achtervleugels
aan de binnenzijde sterk hol uitgesneden,
ongetand. Achtervleugels en voorpooten zon-
der uitmonstering. zet SOIL
35 Fabialis m. nov. sp.
Twee mannetjes van 25 mm. Pl. 12, fig. 15, 16.
Fulva, cinnamomeo-notata ; alarum anteriorum basi
haud infuscala, posteriorum margine postico dentato
fusco.
De beide gewone vlekken der voorvleugels beker-
vormig, donkerbruin gerand; de ronde, die door de
middenader in tweeën wordt gedeeld, is van onderen
afgerond en niet in den kaneelbruin bestoven binnen-
rand vervloeid. Deze bruine bestuiving komt achter de
niervlek in eene driekante, vervloeijende vlek omhoog.
Ook de achtervleugels zijn onder de kleine middenvlek
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 291
bruin bestoven. Franjelijn met zwarte streepjes die op de
achtervleugels ineenvloeijen. Op de onderzijde de grond-
kleur bleeker, de teekening als boven doch het donkere
bruingrijs en deze kleur op de voorvleugels tot voorbij
de niervlek gestoven ; alles bovendien met koperkleurigen
glans. Pooten middelmatig lang, de dijen allen grijs,
de achter- en middenscheenen en tarsen wit, de voor-
tarsen lichtgrijs; aan het begin van de borst twee
steenroode haarbosjes.
Een exemplaar is den 18** Januarij bij Calamär, het
andere den 25*® Januarij bij Conejò, beiden aan de Rio
Magdalena gevangen.
36 Sunialis m. nov. sp.
Een mannetje van 24 mm. vlugt. Pl. 12, fig. 17, 18.
Aurata, purpureo-notata ; basi alarum anticarum fusca,
maxime distincta ; limbo fusco posticarum indentato.
De ronde vlek der voorvleugels naar onderen ver-
breed, in de geheel purperroodbruin gekleurde cel 1°
vervloeijende ; niervlek zeer breed, bekervormig ; omtrek
van beiden donkerbruin. Evenals bij de voorgaande
soort verbreidt de donkere kleur van den binnenrand
zich hier onder en ook achter de niervlek in eene
gewolkte driekante vlek. Op de achtervleugels is de
middenvlek bijna zoo groot als de niervlek van
Fabialis en onder haar ziet men twee purperroodbruine
wolkjes.
Onder is het geel iets bleeker dan boven, wijnrood
getint, de vlekken donkergrijs, de rand grijsbruin,
alles donkerbruin gezoomd, de rand binnenwaarts scherp
begrensd. Pooten zeer lang en dun, wel de helft lan-
ger dan die van Fabialis, hunne dijen donkergrijs,
het overige geelwit.
Den 18" Januarij 1874 aan de Rio Magdalena ge-
vangen.
999 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
Genus 76. ACcROSPILA Lederer.
(Eulepte Hübner).
De eenige soort van dit genus, Gastralis Lederer, is dezelfde
als Eulepte concordalis Hbn. Samml. Exot. Schmett. deel III.
Eene vergelijking van Hübner’s schoone afbeelding met
mijne exemplaren en Lederer’s afbeelding en beschrijving
laat te dien opzigte niet den minsten twijfel bi) mij over.
Ook Gastralis Guenée, naar twee wijfjes beschreven, houd
ik niet voor verschillend. Botys concordalis Hbn. die Lederer
op p. 85 zijner verhandeling opnoemt, moet dus vervallen.
De vlinder is door Lederer vrij goed beschreven, doch hij
heeft geene melding gemaakt van twee lange gele pluimen
die het mannetje op den rug van den thorax heeft en die
zeer opmerkelijk zijn. Ook de schouderdeksels eindigen in
lange gele haren en wel bij beide sexen. De bijpalpen
zijn aanwezig, zwart gekleurd, doch uiterst klein. Of er
bezwaar bestaat tegen het aannemen van Hübner’s gene-
rieken naam, weet ik niet.
37 Concordalis Hbn., Guen. (Gastralis Guen., Led.).
Een fraai paar waarvan het mannetje den 24" Januarij
4871 te La Dorada aan de Rio Magdalena, het wijfje den
17° December 1870 op St. Thomas gevangen is.
Genus 88 b. NOLCKENIA m. nov. gen.
Ik ben genoodzaakt voor de hieronder beschreven soort
een nieuw genus te vormen (dat ik zoo vrij ben naar Baron
von Nolcken te benoemen), want ader 10 en 11 der voor-
vleugels zijn gesteeld. Naar deze bijzonderheid zou de
vlinder dus tot Lederer’s Homophysidae (zijne genera 188
en 189) behooren. Van beide genera verschilt hij omdat
zoowel de bijpalpen als de bijoogen aanwezig zijn, de
voorvleugels aan de onderzijde van den voorrandswortel
een omslag hebben waarin eene lange pluim van gele haren
verborgen is en de van zeer lange binnensporen voorziene
achterscheenen op den rug twee witte pluimen dragen.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 223
Nolckenia echter bij de twee bovenvermelde genera te
plaatsen, is iets dat door den geheelen habitus wordt ver-
boden, want de glanzig witte, ongeteekende vleugels met
donkeren voorrand en de zwarte staartpluim van het achter-
lijf wijzen kennelijk op eene verwantschap met Margarodes
en Phakellura. Inderdaad treffen wij ook in het aan Marga-
rodes voorafgaande genus Pachyarches eenige soorten aan
die door de kleur en teekening en de pluim der voorvleugels
aan mijne nieuwe soort verwant zijn (Lustralis, Imitalis,
Aurocostalis) en misschien ook wel eveneens geaderde voor-
vleugels bezitten. Lederer beschrijft echter de nervuur van
Aurocostalis, de eenige der drie genoemde soorten die hij
kende, niet nader. Alle drie hebben zij volgens Guenée en
Lederer een verdikten sprietwortel, die bij mijne soort ont-
breekt, en ééne pluim op de achterscheenen en verschillen
dus daarin van den thans behandelden vlinder.
Sprieten ter lengte van twee derden der voorvleugels,
gewoon gevormd, bijna onbehaard. Palpen zoo lang als de
kop, zoo breed als de oogen, opgerigt, iets gebogen,
plat beschubd. Bijpalpen groot. Zuiger duidelijk gerold.
Thorax gewoon, evenzoo het achterlijf; de staartpluim zwart,
bijeengestreken. Voorvleugels met vrij vlakke randen en
duidelijke hoeken; de achterrand steil, half zoo lang als de
voorrand. Hoeken der achtervleugels mede duidelijk. Beschub-
bing fijn, glanzig, iets doorschijnende. Steel van ader 10
en 11 der voorvleugels aan het eind der middencel, digt
bij dien van ader 8 en 9; overigens de nervuur der voor-
vleugels gewoon. In de achtervleugels is ader 8 duidelijk
met 7 verbonden; 4 en 5 zijn lang gesteeld. Pooten met
de beschreven bijzonderheid, overigens gewoon gevormd.
Het lijf is dof wit, de vleugels glanzig wit met weerschijn ;
de bovenhelft der palpen, een band langs de voorzijde van
den thorax zijn vuil oranje; eene smalle op eene dof witte
lijn rustende en tegen de punt verbleekende streep langs
den voorrand der voorvleugels en de voorpooten aan de
voorzijde vuil okergeel. Franjelijn scherp donkergrijs, op de
294 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
voorvleugels tegen de punt met vier donkere stippen;
franje grijswit. Op de onderzijde is de achterrand der voor-
vleugels donkergrijs bestoven en deze bestuiving schijnt
op de bovenzijde door.
38 Margaritalis m. nov. sp.
Een gaaf mannetje. 21 mm. PI. 43, fig. 2 en 3.
Albo-nitida, costa angusta anteriore alarum anticarum
silacea ; apice anali nigro.
Het exemplaar is met n°. 27 geteekend.
Genus 89. MARGARODES Guenée.
39 Spurealis m. nov. sp.
Een fraai mannetje. 26 mm. PI. 13, fig. 4.
Alba haud splendens, rude nigro squamata , costa alarum
anteriorum lutea, crista abdominali nigra.
Naar de generieke kenmerken eene Margarodes doch
van al de mij bekende soorten afwijkende door de grof
zwart bestoven, dof witgekleurde vleugels. Deze zwarte
bestuiving is op de achtervleugels alleen op de voor-
randshelft. Voorvleugels met zwarte middenstip; op de
geheele franjelijn der bovenzijde zwarte streepjes die
tegen den staarthoek tot eene lijn ineenvloeijen, tegen
de voorvleugelpunt tot stippen overgaan. Bovenhelft
der palpen, de halskraag, eene streep langs den thorax
en de geheele voorrand der voorvleugels hoog okergeel.
Franje bruingrijs tot ader 2 der achtervleugels, van
daar tot hunnen staarthoek wit. Staartpluim zwart.
Onderzijde vuilwit met grijs bestoven achterrand,
overigens ongeteekend. Pooten wit, aan de buitenzijde
min of meer okergeel.
Den 22" Januarij 1871 bij Yondo aan de Rio Mag-
dalena gevangen.
Genus 9. PHAKELLURA Landsd. Guild.
(Eudioptis Hübn.)
Van dit in de keerkringslanden wijd verbreide genus heeft
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 225
de heer von Nolcken verscheidene soorten verzameld waarbij
ook vier nieuwe. Ten einde de herkenning van deze ge-
makkelijker te maken, geef ik hieronder eene analytische
tabel der reeds bekend gemaakte en nieuwe soorten, de
eersten grootendeels naar de natuur en overigens naar de
beschrijvingen en afbeeldingen. Cucurbitalis Guenée, Réunion
p. 64 (Hyalinata Boisd. Faune de Madag.) kan ik echter niet
invoegen daar de beschrijving voor mi) ontoegankelijk is.
De soorten onderscheiden zich als volgt :
I. Voor- en achtervleugels eenkleurig paars
met koperbruinen gloed, in het midden
naauwelijks een zweem helderder; schouder-
deksels donker; achterlijf boven geheel grijs-
bruin, de staartpluim geheel potloodkleurig
en bruingrijs. Achterpooten gewoon ge-
vormd met kolvig verdikte binnenste mid-
denspoor, de buitenste zeer kort. 30 mm. 6 Satanalisn. sp.
II. Voorvleugels bruingrijs, tegen het midden
van den binnenrand vuilwit, iets doorschij-
nend en met twee driekante helderwitte
stippen bij de vleugelpunt; achtervleugels
vuilwit met bruingrijzen achterrand. Dwars-
ader der voorvleugels: met een bruingrijs
streepje, die der achtervleugels met twee
fijn verbonden bruingrijze stippen. Staart-
pluim zwartgrijs. Achterpooten met sporen
gewoon gevormd. 37—40 mm. . . 22 Fumosalis Guen.
III. Voorvleugels in het midden met grootere
of kleinere lichte vlek.
A. Het lichte van voor- en achtervleugels geel.
1. Ronde en niervlek duidelijk, de laatste met
zilverwitte kern; ook eene tweede dwarslijn
door bruine halve maantjes aangeduid.
staartpluim zwartbruin. (Herr. Sch.). 3 Subauralis H. S.
226
GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
2. Geen spoor der gewone vlekken of dwars-
bo
lijnen ; de donkere rand der voorvleugels aan
den voorrandswortel en den binnenrands-
hoek zeer verbreed. Staartpluim bruingeel.
. Achtervleugels met lichten wortel; de lichte
vlek der voorvleugels den voorrand niet
bereikende. 35—36 mm.
. Achtervleugels met donker gekleurden wor-
tel; de lichte vlek der voorvleugels een
dwarsband die in den voorrand uitloopt.
. 4 Nitidalis
Cram.
FO, LIETA LE enn an IS
Rogenh. en Felder.
Het lichte der bruinzwarte voorvleugels
eene ovale, vuilwitte dwarsvlek ; achtervleu-
gels dof vuilwit met aan de punt zeer ver-
breeden, koolzwarten achterrand.
. Kop en halskraag saffraangeel; de palpen
zwart met saffraangele vlek; de binnenrand
der achtervleugels zwart; staartpluim met
goudgele haren. 38—39 mm.
. Kop, halskraag en palpen zwartbruin; de
binnenrand der achtervleugels wit; staart-
pluim bruingrijs. 37 mm.
Het lichte van voor- en achtervleugels
glanzig wit.
. Slechts eene lijn en eene stip aan den
binnenrand benevens twee groote vlekken
1 Auricollis
Di: Sp:
. 2 Fuscicollis
SDA)
in het midden der voorvleugels wit (Zeller) 7 Perspicillalis
Zeller.
1) Fuscicollis m. nov. spec. naar een gaaf mannetje in de collectie van Dr. O.
Staudinger te Dresden, uit Zuid-Amerika, is mij sedert kort bekend geworden en
wordt hier volledigheidshalye door mij opgenomen.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 227
2. Het witte der voorvleugels eene spits ovale
of driekante vlek, slechts door een wit
streepje met den binnenrand verbonden
en veel smaller dan het de geheele wortel-
helft innemende bruinpaars. Thorax en
achterlijf boven geheel donker.
a. 90 mm. Achtervleugels met donkeren wortel
en paarswitte middenstreep; deze met eene
zwarte stip. Paarswitte voorvleugelvlek
schuin, hare spits naar de vleugelpunt ge-
rigt. Achterscheenen met twee knobbelige
verdikkingen en sporen als Satanalis (3). 8 Latilimbalis
Gn.
b. 17—21 mm. Achtervleugels tot twee derden
wit, zonder middenstip, de achterrand
donker. Witte vlek der voorvleugels in het
midden zeer breed, steil, de spits naar den
voorrand gerigt. Sporen der gewoon ge-
vormde achterpooten onverdikt (4) 1) . 9 Arguta
Led.
3. Het witte der voorvleugels eene schuine,
driekante, op den binnenrand rustende vlek ;
de binnenrand alleen aan den wortel en aan
den staarthoek donker. Schouderdeksels ten
minste aan de punt wit.
a. Achterlijf boven donker.
X 42 mm. Staartpluim boven geheel
donker; de eerste ring des achterlijfs
boven. wit (Gm) 2 (oases B ek) Superalis
Gn.
XX 30 mm. Staartpluim sterk met oker-
gele haren gemengd; achterlijf zonder
wit; achtervleugels met eene donkere
1) Lederer beeldt Arguta af met geheel wit achterlijf. Bij mijne, in teekening
volkomen met zijne figuur overeenstemmende exemplaren is het gekeel donker.
228 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
stip op den wortel der aderen 3—5;
wit der voorvleugels in eene spitse,
iets omgebogen punt verlengd. Sporen
gewoon gevormd &2 … … … '44.Lueidalis
Hbn. (? Plumbidorsalis Gn.)
XXX 23 mm. Achterlijf voor de geelgrijs
en wit gemengde staartpluim weder
wit (ann josh soca install dot atten
Gn.
b. Achterlijf boven geheel wit. Staartpluim bo-
ven bleek kaneelbruin, onder geel. Geheele
tweede helft der schouderdeksels wit. (Gn.) 13 Immaculalis
Gn.
e. Achterlijf wit, tegen het eind met eene
paarsbruine vlek.
x De donkere achterrand der voorvleu-
gels tegen den binnenrandshoek ver-
breed. Achterlijf voor de bleek okergele,
donker gepunte staartpluim weder wit.
a. 24—26 mm. Achterlijf met grijze vlek-
jes op den rug; donkere achterrand
der achtervleugels zeer breed, een
derde van het wit beslaande, aan den
binnenrandshoek plotseling spits toe-
loopende. sn uns A RASO Alien
Saunders (Gazorialis Gn.).
b. 23—24 mm. Achterlijf zonder grijs op
den rug; donkere achterrand der ach-
tervleugels smal, een vierde van het
wit beslaande, tegen den binnenrands-
hoek weinig versmald). . . . .15? Capensis
Zell. (Indica var. ?)
1) Waarschijnlijk niet specifiek van Indica verschillend. Ik heb eenige exemplaren
der laatstgenoemde soort van Java en Celebes die overgangen tot Capensis vertoonen.
Bij een exemplaar van Indica beslaat de donkere achterlijfsvlek drie ringen, bij de
anderen twee, |
bo
©
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 2
c? Un peu plus petite que l’Hyalinatalis et
distincte par un anneau brun bien tranché
qui occupe les 5° et 6° segments et qui se
détache sur le blanc pur de l'abdomen. La
base de la brosse anale est entièrement et
largement fauve et très-mélée d’écailles
blanches. La bordure des supérieures est
visiblement sinuée. Les pattes sont entière-
ment blanches (Guenée) ©). . . . . 167? Zygaenalis
Gn. (Indica var. ?)
xx De donkere achterrand der voorvleugels
overal even breed; achterlijf aan de punt
donker.
a. Achtervleugels met zwartbruine stip op den
wortel der aderen 3—5; achterlijf aan het
begin der bovenzijde met een kort donker
streepje en twee donkere stippen, de twee
laatste ringen en eenerond uitgesneden streep
langs den achterrand van den voorgaanden
donker. Staartpluim zwartbruin, aan de on-
derzijde met twee okergele pluimpjes. Bin-
nenste middenspoor der achterpooten lang,
dun, aan het eind haakvormig. 35 mm.
17 Guenealis m.
b. Achtervleugels zonder zwarte stip.
$ Donkere voorrand der voorvleugels in
het midden verbreed, eene witte ronde
en niervlek insluitende; de spits van
het wit tegen de vleugelpunt omge-
bogen. 40 mm. (afbeelding). 36 mm.
(beschrijving) (Lederer). . . . . .18 Advenalis
Led.
1) Ik vat niet waarin het onderscheid van Indices bestaat, want ook bij enkele
exemplaren der laatste zijn de pooten geheel wit.
230 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
SS Donkere voorrand der voorvleugels
overal even breed, slechts met een of
twee min of meer duidelijke tanden.
a. Donkere voorrand der voorvleugels
breeder dan de achterrand; donkere
achterrand der achtervleugels tegen den
staarthoek versmallende.
# 30 mm. Donkere achterrand der voor-
vleugels aan den binnenrandshoek ter
breedte van een derde van het wit, wor-
telwaarts getand. Staartpluim aan den
wortel met okergele haren; de laatste
ring der achterlijfs en de achterhelft
van den voorlaatsten boven donker.
Binnenste middenspoor der achterpoo-
ten kolfachtig verdikt, voordijen en
scheenen aan de binnenzijde okerbruin. 19 Hyalinata
L. (Marginalis Cramer).
** 43 mm. Donkere achterrand der voor-
vleugels aan den binnenrand zoo breed
als een vijfde van het wit, wortelwaarts
zonder spoor van tanden. Staartpluim uit
helderbruine en donkerbruine schub-
ben bestaande; alleen de achterhelft van
den laatsten achterlijfsring boven don-
ker. Binnenste middenspoor gekron-
keld; voordijen en voorscheenen bin-
nenwaarts donkergrijs . . . . . 20 Gigantalis
n. Sp.
8. Donkere voorrand der voorvleugels even
breed als de achterrand; donkere ach-
terrand der achtervleugels tegen den
binnenrandshoek onversmald. Achterlijf
als bij Hyalinata (Guenée). 35 mm. 21 Translucidalis
Gn.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 23
40 Auricollis m. nov. spec.
Een paar, iets afgevlogen. 38—39 mm. PI. 43, fig. 5 (4).
Alis anterioribus atris, macula cana transversal ovata ;
alis posticis flavescenti-albis, margine posteriore car-
bonicolore, apicem versus dilatato ; capite collareque
croceis.
Thorax beschadigd. De voorvleugels aan den wortel
iets ontschubd, zoodat ik niet met zekerheid durf zeggen
dat de lichte langsstrepen die ik op hunne bovenzijde
zie, ook bij gave exemplaren aanwezig zijn. De ovale,
grijsachtig witte vlek is zwart bestoven en staat
schuin, in de rigting van den binnenrandshock.
Het geelwit der achtervleugels is dof, de binnenrand
bij het wijfje tot aan den wortel breed zwart bestoven,
bij het mannetje slechts haarfijn zwart. Franje geheel
zwart. Onderzijde als boven geteekend, de voorvleugels
met eene duidelijke witte langsstreep uit den wortel,
hunne ovale dwarsvlek geelwit en niet donker bestoven.
Aderstelsel geheel normaal.
Het achterlijf is boven aan den wortel iets beschadigd
doch schijnt geheel zwart; onder is het vuilwit, als
de borst. Staartpluim boven met rosse wortel- en zwart-
grijze punthelft, onder geheel zwartgrijs. Pooten wit,
zwartgrijs bestoven, de binnenste middenspoor der
achterpooten tweemaal zoo lang als de andere, aan de
punt verdikt.
De voorwerpen dezer nieuwe soort, die ondanks het
afwijkende in den habitus eene echte Phakellura is,
hebben geene aanduiding van vangplaats.
44 Satanalis m. nov. sp.
Een gaaf mannetje. 28 mm. PI. 13, fig. 6,
Alis omnibus fuscis, medio viv serenatis, maxime
violaceo vel cupreo nilentibus.
De wortelhelft der achtervleugels is in geringe mate
doorschijnend, de voorrand der voorvleugels tegen de
232 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
punt en de franje grijsbruin. Staartpluim aan den
wortel der schubben niet lichter. Sprieten bruingeel
met donkerbruin wortelvierde.
Onderzijde meer koperkleurig bruin, het middenvlak
der voorvleugels en de voorrandshelft der achtervleugels
tot twee derden zuiver violet, de binnenrandshelft der
achtervleugels tot aan den donkeren rand vrij duidelijk
afgescheiden bleeker. Borst en onderste vierde der
overigens grijsbruine palpen wit, buik geelachtig. Pooten
aan de buitenzijde grijsbruin, van binnen wit, tegen
de uiteinden geelachtig.
Deze soort is geene variëteit van Latilimbalis, want
de staartpluim is bij die soort aan den wortel geel; de
zeer goed te onderscheiden en tegen den staarthoek
puntig toeloopende donkere rand der achtervleugels
heeft bij Satanalis slechts een derde der vleugelbreedte
en bij Latilimbalis twee derden; eindelijk hebben de
achtervleugels bij Satanalis geene middenstip zooals bij
de andere soort waar ook de buik wit is.
Den 24 Januarij 1874 bij Mochila aan de Rio Mag-
dalena gevangen.
42 Latilimbalis Guenée.
Drie exemplaren waarvan twee gaaf; allen mannen. Midden-
sporen der achterscheenen gevormd als bij Satanalis. Heup-
stukken en dijen der pooten wit, scheenen grijs, tarsen
wit behalve het wortellid der voortarsen dat ook grijs is.
Op 18 en 21 Januarij aan de Rio Magdalena gevangen.
43 Arguta Lederer.
Twee mannetjes waarvan een zeer gaaf. Zij zijn den 20°“
Januarij 1871 bij Puerto de Ocana aan de Rio Magdalena
gevangen.
44 Lucidalis Hübn.
Twee mannetjes, waarvan een gaaf, beiden met n°. 63
gemerkt.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 233
Plumbidorsalis Guenée schijnt mij bijna toe dezelfde soort
te zijn. Hij maakt wel is waar geen gewag van de zwarte
stip der achtervleugels doch deze is ook vrij klein. Mijne
exemplaren hebben denzelfden vleugelvorm als Hyalinata
en dus de voorvleugelpunt niet zoo spits als Hübner die
afbeeldt.
45 Guenealis m. nov. spec.
Een zeer gaaf mannetje. 35 mm.
Alis nitentibus niveis, limbo exteriore aequo, subden-
tato, fusco-violaceo ; alis posterioribus puncto mediano
fusco; abdomine niveo, apice nigro-fusco.
Zoo na aan Gigantalis (zie pl.13, fig. 7) verwant dat
ik eene afbeelding niet volstrekt noodzakelijk keur.
Behalve het in de tabel genoemde merk ik nog op dat
slechts het wortelvijfde der bruingele sprieten donker-
bruin is. Verder is de donkere achterrand der voor-
vleugels bijna half zoo breed als het wit en binnen-
waarts iets getand; de donkere voorrand is nog dels
breeder dan de achterrand, zoodat ader 6 geheel in het
donkere valt; beide randen, maar vooral de eerste
zeer paarsachtig en veel donkerder dan de rand van
Gigantalis. De donkere achterrand der achtervleugels
heeft aan de vleugelpunt rwim een vierde der lengte
van den voorrand, eindigt juist in den binnenrandshoek,
is binnenwaarts iets getand doch heeft aldaar nergens
een dof witten zoom en is overigens donker grijsbruin .
met donkerpaarsen glans. Zwarte middenstip klein.
Franje grijs, die der achtervleugels van ader 6 tot 2
met witte buitenhelft. Onderzijde als boven doch de
randen meer grijsbruin en die der achtervleugels tot
in den staarthoek even donker en duidelijk. Aan de
voorpooten is de binnenzijde der dijen en scheenen
grijsbruin, aan de middenpooten de buitenzijde der
scheenen, vooral de bovenhelft; aan de achterpooten
ziet men eene grijsbruine stip aan den wortel der sporen.
234 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
Ook na aan Translucidalis Gn. uit O.-Indié verwant,
doch deze heeft geene donkere stip op de achtervleugels,
wier franje ook (boven ader 2?) geheel wit is, zelfs aan
de basis.
Den 25%” Januarij 1874 bij Conejo aan de Rio Mag-
dalena gevangen.
46 Myalinata Linn.
Twee vrij gave paren. De middensporen der achterpooten
zijn wel even lang als de eindsporen maar de binnenste
nog aan het eind kolfachtig verdikt zooals bij Latilimbalis
en Satanalis. Bij de wijfjes ontbreekt deze verdikking doch
bij mijne exemplaren is de buitenste spoor zeer kort.
De donkere rand der voorvleugels is bij deze soort smaller
dan bij Guenealis doch breeder dan bij Gigantalis, zoodat ader
6 slechts voor een zeer klein gedeelte in het wit komt.
De donkere rand der achtervleugels is aan de vleugelpunt
iets smaller dan een vierde der lengte van den voorrand
en eindigt een weinig voor den staarthoek ; op de onderzijde
verbleekt hij naar onderen duidelijk.
Een wijfje is den 20%" December 1870 bij Kingston op
Jamaica gevangen, twee mannen en een wijfje op 23 en
25 Januarij aan de Rio Magdalena.
47 Gigantalis m. nov. spec.
Twee zeer gave mannen. 43 mm. PI. 15, fig. 7, 8.
Alis nitentibus niveis, limbo exteriore violaceo-fusco ,
margine postico angustiore, indentato, alis posteri-
oribus* mediano impunctato; abdomine niveo, apice
fusco.
De grootste mij bekende soort en na aan de beide
voorgaanden verwant, doch door velerlei onderschei-
den. Bruingele sprieten met donkerbruin wortelvierde.
Thorax en vleugelranden meer donkerbruin dan wel
paars en met sterken goudglans. De vleugelranden zijn
overigens smal en het geheele middenderde van ader
6 der voorvleugels ligt in het wit, terwijl de rand der
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 235
achtervleugels aan de vleugelpunt weinig breeder is
dan een zesde van den voorrand. Overigens eindigt hij
voor den staarthoek en heeft binnenwaarts, vooral tegen
zijn ondereinde, een dof witten zoom. Franje geheel
grijs. Onder zijn de donkere randen niet meer dan
donkergrijs; die der achtervleugels verbleekt, tegen
den staarthoek zoo zeer dat hij onder ader 2 slechts
zilvergrijs mag heeten en buitendien binnenwaarts zeer
onduidelijk begrensd is. Pooten als bij Guenealis, de
achterscheenen zonder donkere vlekjes.
Het eene exemplaar is den 21% April bij Cundai in
kreupelhout gevangen, het andere heeft geen aanduiding
van vangplaats.
48 Fumosalis Guenée. Pl. 13, fig. 9.
Een mannetje zonder aanduiding van vangplaats.
Lederer’s afbeelding is niet geheel juist; de vleugels zijn
te smal, de voorvleugels te donker en de achtervleugels te
helder. Het kwam mij dus voor dat eene nieuwe en betere .
afbeelding door de bekwame hand van den heer Brants
hier zeer goed te stade zou komen.
Genus 93 d. SESTIA m. nov. gen.
De inrigting van Lederer’s systeem en analytische tabel
noopt mi) hier strikt genomen tot de vorming van een
nieuw genus, want indien men de sprieten uitzondert dan
komt het overigens met Phakellura overeen. Wil men het
dus als eene afdeeling van dat genus aanmerken zoo is het
mij wel. In mijn nieuwe genus behoort ook Phakellura
Marianalis Herrich-Schiffer, Corr. Blatt des Zool.-Mineral.
Vereins A871 p. 21, want hij zegt van dien vlinder dat hij
eene echte Phakellura is met uitzondering van de sprieten
die « vorwärts der Mitte schwach spindelformig verdickt
sind ».
In Lederer’s tabel komt het nieuwe genus onder n°. 89
en kan daar aldus gekarakteriseerd worden :
16
236 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
Sprieten (alleen van den man?) voorbij het midden iets
spoelvormig verdikt, ter lengte van twee derden van den
voorrand der voorvleugels. Staartpluim met eene menigte
uitgespreide platte lange schubben. Habitus van Phakellura.
Palpen van voren sterk afgerond, plat beschubd, zoo
breed als de oogen, opgerigt, niet langer dan de kop. Bij-
palpen kort en dik. Zuiger lang. Thorax en het iets platte,
slanke achterlijf glad beschubd; het laatste bijna de helft
langer dan de achtervleugels. Vleugels lang, de voorvleugels
naar achteren sterk verbreed, hun binnenrand iets hol;
achtervleugels met vrij vlakken achterrand. Aderstelsel als
bij Phakellura. Pooten lang en dun, gewoon gevormd ; sporen
dun en de binnenste tweemaal zoo lang als de buitenste.
49 @leosalis m. nov. spec.
Vier vrij gave mannetjes. 33 mm. PI. 13, fig. 10, 11.
Oleaceo-nitens, omnium alarum fastigiis et dimidio
costali basis anticarum medio dilatato , violaceo-fuscis.
Sprieten lichtbruin. Palpen zwartbruin, van onderen
smal vuilwit. Lijf boven bruingrijs met paarsen gloed,
twee vlekken op zijde van den achterlijfswortel, die door
langere schubben gevormd worden, zijn wit gekleurd,
een smal dwarsstreepje op den rug en de ring voor de
pluim leemkleurig wit. Staartpluim boven aan den wortel
okergeel, de spits der schubben en de onderzijde pot-
loodkleurig. Vleugels met franje doorschijnend glanzig
geel als geölied papier; op de voorvleugels zijn eene
in het midden verbreede voorrandsstreep die tot aan
de met twee bruine stippen geteekende dwarsader loopt,
eene groote, onderaan puntige vlek welke de vleugel-
punt beslaat en eene langwerpige in den binnenrands-
hoek bruin met paarsen weerschijn gekleurd ; het overige
gedeelte van den voorrand is een halven millimeter.
breed vuil okerbruin. Achtervleugels met eene flaauwere,
kleinere, paarsbruine vlek aan de punt en eene donkere
stip op de dwarsader. Onderzijde als boven maar doffer
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 237
en het daar paars gekleurde hier grijsbruin. Lijf en
pooten geelwit.
Marianalis Herrich-Schäffer is kleiner, de donkere
voorrand der voorvleugels loopt 2 mm. breed onversmald
tot aan de vleugelpunt door en bedekt de middenstippen,
verder is de vlek aan de vleugelpunt onderaan afgerond,
van de voorrandsstreep slechts door eene zeer fijne
gele lijn gescheiden.
De exemplaren zijn zonder aanduiding van vangplaats
en waarschijnlijk op het laatst der reis gevangen.
Genus 93c. SYLLEPIS Poey.
Onder de hem onbekende Pyraliden heeft Lederer in zijn
genus Asopia ook Marialis Poey, Centurie de Lepidoptères
de Vile de Cuba. Dat deze onder bovengenoemden generieken
naam door Poey vermelde vlinder geene Asopia is, doet een
enkele blik op Poeys afbeelding zien; de verwanten zijn
eer, zooals Poey doet bij Eulepte concordalis Hbn. te zoeken
of gelijk Herrich-Schäffer (Corr. Bl. des Zool. Min. Vereins
1871, p. 21) bij Phakellura. Laatstgenoemde schrijver bezat,
gelijk hij L c. zegt, de echte Marzalis van Poey zelf, doch
verzuimt haar de juiste plaats in Lederer’s systeem aan te
wijzen.
Door den heer von Noleken zijn drie exemplaren eener
Pvralide gevangen, die in bouw zeer op Marialis gelijkt ,
zoodat ik het waag om, naar de afbeelding haar tot het-
zelfde genus te brengen dat echter door Poey naauwelijks
beschreven wordt. Hij geeft als voornaamste bijzonderheid
alleen op dat de sprieten gebaard zijn. Indien dit juist is
(naar de afbeelding zijn de sprieten slechts wat langer en
fijner behaard dan gewoonlijk) dan levert dit een onder-
scheid op voor mijne nieuwe soort waar zij fijn bewinperd zijn.
Den vlinder in Lederer’s systeem zoekende te plaatsen,
stuit ik in de tabel op n°. 103, Hyalites, tot welk genus hij
wel te brengen zou zijn ware het niet dat beiden, Lederer
en Guenée, uitdrukkelijk bij de nadere beschrijving van het
938 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
genus zeiden dat de bijpalpen niet aanwezig zijn, hoewel
Lederer in zijne tabel Hyalites onder afdeeling 52 b «Mit
Nebenpalpen » heeft. Hyalites zou dus uit 403 moeten wor-
den verwijderd naar 324 «Ohne Nebenpalpen ». Het is mij
echter bij gebrek aan voorwerpen niet mogelijk het genoemde
genus zijne juiste plaats aan te wijzen.
De opengevallen plaats in 103 kan zeer wel worden in-
genomen door Syllepis en het genus aldus worden gekarak-
teriseerd :
Achterlijf slank, tweemaal zoo lang als de achtervleugels;
binnenrand van deze korter dan hun voorrand. Sprieten
draadvormig, bij het mannetje fijn bewimperd of gebaard.
Vleugels glanzig oliegeel met bruine punt en banden.
De vermelde soort waarvan ik drie vrij gave mannetjes
ontving noem ik:
50 Latifascialis m. nov. sp. 29—30 mm. Pl. 13, fig. 12.
Pallide flava, nitens, limbis exterioribus alarum , fascia
mediana lata diffluente anticarum (alarum) in mar-
ginem fuscum exteriorem, maculaque lunari poste-
riorem alarum, brunneis atrocinereisque nitentibus.
Sprieten aan den wortel duidelijk langer bewimperd,
het puntderde naakt; hunne lengte is $ van die der
voorvleugels. Bijpalpen duidelijk , zwart en wit beschubd
evenals de platte, van voren afgeronde lipvoelers, deze
niet langer dan de kop, opgerigt, hun eindlid klein
maar goed zigtbaar; lid 2 is geheel zwart, 1 wit. Thorax
bij mijne exemplaren ontschubd. Achterlijf geel, op den
rug met donkergrijze vlekken, de lange, bijeengestreken
staartpluim zwartgrijs, op de bovenzijde met eene
geelachtige middenstreep.
Grondkleur der vleugels glanzig , doorschijnend stroo-
geel als geölied papier, alle randen der voorvleugels
smal benevens de wortel en punt breed paarsachtig
bruin. Bovendien ziet men nog een meer zwartbruine
middenhand die naar onderen breed in den binnenrand
NIEUW GRANADA, ST, THOMAS EN JAMAICA. 239
vervloeit. Bij een exemplaar is hij in cel 1 iets ver-
smald. De vleugelranden en de punt, benevens het
midden van den dwarsband vertoonen buitendien een
sterken, roodkoperkleurigen weerschijn. Achtervleugels
mede met bruinen buitenrand die aan de punt iets
verbreed is. Verder ziet men eene groote, boonvormige
middenvlek. Onderzijde genoegzaam als boven. Ader-
stelsel als bij Phakellura. Pooten lang en dun, gewoon
gevormd, de sporen lang en dun, de binnenste midden-
spoor der achterpooten ruim driemalen zoo lang als de
buitenste, de binnenste achterspoor tweemalen zoo lang
als de buitenspoor.
Deze soort onderscheidt zich dus van Marialis Poey,
behalve door de sprieten, door den bij deze ontbrekenden
middenband der voorvleugels en de middenvlek der
achtervleugels. Verder is bij Marialis de grondkleur
helderder en alleen de voorrand der voorvleugels (doch
niet tot aan de vleugelpunt) en eene vlek aan hunnen
binnenrandshoek donker, terwijl de teekeningen verder
met staalkleurige schubben versierd zijn. De achter-
rand der achtervleugels is bij Marialis slechts aan den
staarthoek zwart gestippeld doch het donkere aan de
punt breeder en zilver beschubd.
De exemplaren hebben geene aanduiding van vang-
plaats.
Genus 94b. PSARA m. nov. gen.
Komt in Lederer’s tabel onder n°. 97 aldus:
Achterlijf van het mannetje zeer slank, tweemaal zoo
lang als de achtervleugels, zwartgrijs, met lange lichtgrijze
staartpluim en daarboven nog met twee zemelkleurig gele,
aan het eind gekrulde pluimen. Zwartgrijze Botyde.
Palpen voor den kop heengebogen, niet langer dan deze,
half zoo breed als de oogen, glad beschubd; eindlid kort,
stomp maar duidelijk. Bijpalpen klein, dun. Bijoogen
duidelijk. Sprieten weinig meer dan half zoo lang als de
240 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
voorvleugels, draadvormig, kort en fijn behaard, met vrij
duidelijk wortellid. Thorax glad beschubd, de schouder-
deksels vrij lang. Achterlijf tegen het eind zeer sterk ver-
dunnende. Vleugels gewoon gevormd, het aderstelsel nor-
maal. Pooten vrij lang en dik, zonder uitmonsteringen.
De palpen zijn half zwartgrijs en wit gekleurd; overigens
is de vlinder op de bovenzijde eenkleurig zwartgrijs met
eenigen paarsen glans, alleen de wortel der achtervleugels
is iets dunner beschubd en een weinig doorschijnend. Met
moeite onderscheidt men de gewoon gevormde, iets don-
kerder dwarslijnen en middenvlekken. Onder zijn de vleu-
gels bleeker dan boven, het lijf grijswit, ook de pooten;
de voorpooten zijn zwart gevlekt en de middenscheenen
hebben aan de buitenzijde een donkergrijs lijntje.
51 Pallicaudalis m. nov. Sp.
Een gaaf mannetje van 28 mm. vlugt. Pl. 13, fig. 13, 14.
Nigra, crista caudali longa, supra luteo-alba.
Het exemplaar draagt geene aanduiding van vangplaats.
Genus 109. HEDYLEPTA Led.
52 Vulgalis Guenée.
Zeven, meest gave exemplaren van 16—19 mm. en dus
kleiner dan mijn Afrikaansch mannetje dat 22 mm. haalt.
Een Javaansch wijfje heeft 194 mm. vlugt.
Al de voorwerpen zijn op 20 December 1870 bij Kingston
op Jamaica gevangen.
Genus 110. OMIODES Guenée.
53 Humeralis (menée.
Een afgevlogen mannetje dat echter door de ongemeen
lange schouderdeksels zeer kenbaar is. Einde Mei bij Barro
Blanco gevangen.
Dit voorwerp heeft op den voorlaatsten achterlijfsring een
plat schubbenkammetje dat aan het eind met eene rij fijne
lichtbruine doorntjes bezet is. Bijpalpen en bijoogen zeer
duidelijk, het aderstelsel geheel normaal.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 241
54 Leporalis (ruenée.
Een gaaf mannetje dat ik uit Guenée’s soortsbeschrijving
herken. Het voorname generieke kenmerk — de lange
schouderdeksels — js hier echter niet sterk uitgedrukt want
die ligchaamsdeelen zijn hier slechts weinig langer dan
gewoonlijk doch daarentegen dik wollig, aan die der Bom-
byciden herinnerende. Het bij Omiodes humeralis aanwezige
kammetje op het achterlijf ontbreekt ook. Overigens palpen,
bijpalpen, bijoogen, sprieten en aderstelsel gelijk bij die soort.
Den 22" Januarij bij Yondo aan de Rio Magdalena ge-
vangen.
Genus 115. MEGASTES Guenée.
55 Pusialis m. nov. spec.
Een gaaf mannetje. 32 mm. PI. 13, fig. 15.
Alis anterioribus sordide silaceis ; basi, maculis reniforme
triangulaque marginis posterioris et angula anali,
dilute cinereo-brunneis.
Bijna de helft kleiner dan Grandalis Guenée doch
eveneens gebouwd en van Noctuinen-achtigen habitus,
de teekening mede eveneens aangelegd. Het onderscheid
bestaat (naar de afbeelding en beschrijving te oordeelen)
behalve in de grootte, in het volgende: De voorvleugels
zijn bij Pusialis vuil bleek grijsgeel, tegen den voorrand
donkerder en niet wit met stroogeel puntderde; hun |
wortel en niervlek zijn licht grijsbruin, niet zwart
en op den achterrand staat bij Pusialis eene driekante
grijsbruine vlek van ader 2—6, die bij Grandalis door
een zwart viekje in cel 5 wordt vertegenwoordigd.
Eindeljk is de thorax bij Grandalis donkerbruin met
zwart en de schedel geel, terwijl bij Pusialis die deelen
licht grijsbruin zijn. Onder is de teekening op vuilwitten
grond als boven doch slechts aangeduid.
ferste en tweede dwarslijnen fijn donkerbruin, de
tweede zeer hoekig gebroken. Achtervleugels wit met
249 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
aan de punt verbreed geelachtig grijs op den achterrand
en grijze booglijn.
De sprieten zijn aan de wortelheltt bij beide soorten
gebaard, gelijk Guenée goed beschrijft; zijne uitdruk-
kingen worden onjuist vertaald door Lederer die zegt:
«Kurzen und pubescirenden Fühlern deren Glieder
sehr zusammengedrückt ». De bijpalpen zijn bij mijne
‘soort zeer lang doch liggen verborgen; waarschijnlijk
zijn zij eveneens bij Grandalis ofschoon Guenée ze aan
die soort ontzegt, want ik heb reeds dikwijls bemerkt
dat hij dan alleen bijpalpen bespeurt wanneer zij zeer
in het oogloopend zijn. Bijoogen aanwezig; aderstelsel
normaal.
Den 22* Januarij 1871, bij Yondo aan de Rio Mag-
dalena gevangen.
Gen. 117. ANARMODIA Lederer.
56 Longinqualis Led.
Twee gave mannen en een slechte.
De sprieten hebben de lengte van twee derden van den
voorrand der voorvleugels en zijn dus niet kort zooals Lederer
zegt. Bij een mijner exemplaren is de grond der voorvleu-
gels vrij gelijkmatig donkerbruin gesprenkeld, bij alle drie
hebben de achtervleugels slechts aan de punt een klein
donker vlekje en bestaat de booglijn uit zwarte, zeer
onduidelijk grijs verbonden stippen. Ik geloof niet dat een
‘en ander specifiek verschil aanduidt.
De gave voorwerpen zijn met n°. 64, het andere n°. 20
gemerkt.
Gen. 121. TERASTIA Guen.
(Tersatia Lederer).
57 Meticulosalis Guen.
Een man, den 18° Januarij aan de Rio Magdalena ge-
vangen. Het exemplaar komt geheel met Guenée’s duidelijke
beschrijving overeen, heeft echter 34 mm. vlugt en dus zal
zijne opgave van 14 mm. wel het gevolg eener vergissing zijn.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 243
Lederer zegt bij de beschrijving van het genus dat hij
van de beide hem bekende Terastién alleen wijfjes had,
doch bij de soortsbeschrijving van Proceralis dat hij daar-
van een man bezat.
Ik heb een iets afgevlogen Javaansch wijfje voor mij
waaraan ik geen verschil met Meticulosalis kan vinden, z00-
dat deze soort wijd verbreid is.
Genus 123. STENURGES Led.
58 Besignalis Guen.
Een iets afgevlogen mannetje dat den 18° Januarij 1871
bij Sambrano aan de Rio Magdalena gevangen is.
Genus 129, METASIA Guen,
59 Deltoidalis m. nov. sp.
Een zeer gaaf paar. Het mannetje 203 mm., het wijfje
19m Pie iste. 46.
Alis anterioribus cinereo-brunneis, macula reniforme alba ;
posterioribus canis, linea fusca arcuata subnotatis.
Door slank achterlijf van Metasia carnealis afwijkende
en ook ader 4 en 5 der achtervleugels digter bijeen
dan daar, doch overigens passen Lederer’s kenmerken
van Metasia goed.
Voorvleugels grof beschubd, grijsbruin, naar het
omberkleurige trekkende, achter de gewoon gevormde
doch eene vrij sterke bogt makende en op de aderen
getande tweede dwarslijn iets bleeker, tegen de dwars-
lijn geelachtig; eerste dwarslijn naauwelijks zigtbaar ;
het middenveld met kleine, regelmatig gevormde, hel-
derwitte, donkerbruin gerande niervlek en eene witte,
donker gerande stip op de plaats der ronde. Achter-
vleugels vuilwit, naar achter bruingrijs bestoven, met
sporen eener donkere booglijn. Franjelijn afgebroken
donker; franje donkergrijs met donkerder deelingslijn
over den geelachtigen wortel. Thorax boven bleek-
244 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
bruin; achterlijf grijswit, de punt bij het mannetje
donkergrijs, bij het wijfje bruin. Op de onderzijde zijn
de voorvleugels bijna eenkleurig grijsbruin, de achter-
vleugels als boven, sterker geteekend, met donker-
bruinen middenring; franjelijn met dikke, donkere
stippen.
Beide sexen bij Bogotà gevangen, de man den 7°“
Februarij, het wijf den 12° van die maand.
Genus 130b. STENIODES m. nov. gen.
Komt in Lederer’s tabel in afdeeling 89 onder Geratoclasis
en wel aldus:
sprieten in het midden krom gebogen, voor de bogt ver-
dikt, aan de onderzijde van het eerste derde met een haar-
bosje en eenige tandjes. Palpen lang, hangend. Slank
gebouwd. Habitus van Stenia.
Van Geratoclasis, het naast verwante genus in 89, onder-
scheidt Steniodes zich door de palpen.
Bijpalpen duidelijk, ook de bijoogen en zuiger. Palpen
donkergrijs, onderaan wit. Sprieten een derde korter dan
de voorvleugels, bruingeel, bij het wijfje zeer dun, gewoon
gevormd. Achterlijf bij den man de helft, bij het wijfje een
derde langer dan de achtervleugels, de rug gewelfd, de
punt spits. Vleugels langwerpig, de voorvleugels met schuinen,
weinig gebogen achterrand, de achtervleugels met stompe
hoeken, hun voorrand anderhalfmaal zoo lang als de binnen-
rand. Teekening als bij Stenia en Metasia. Vleugeladeren
geheel normaal (als bij Botys); 3—5 der achtervleugels aan
den wortel opeengedrongen. Pooten zonder uitmonstering.
Beide sexen van dezelfde grootte.
De kleur van den vlinder is een licht leembruin dat op
de achtervleugels wat helderder is en de beschubbing grof.
Op de voorvleugels ziet men de beide, gewoon gevormde
dwarslijnen, die bleekgeel en zeer flaauw zijn (vooral de
eerste). Het begin der tweede aan den voorrand is vlekkig
verbreed, in het midden grijsbruin. Het middenveld bevat
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 245
de zeer flaauwe lichte, grijsbruin gerande ronde en nier-
vlek. Achtervleugels met eene booglijn. Franjelijn met dikke,
halvemaanvormige donkerbruine streepjes, ook op de bijna
ongeteekende onderzijde.
60 Lutealis m. nov. sp.
Vijf exemplaren waarbij een geheel gaaf paar. 195—21
mm. Pl. 43, fis, 17, 18.
Luteo-brunnea, alarum anteriorum lineis duabus trans-
versalibus annulisque duobus areae medianae atro-
fuseis ; posteriorum linea arcuata fusca.
Op 27 en 31 Maart 1871 bij Ubaque gevangen.
Genus 132. BLEPHAROMASTIX Led.
61 Westalialis m. nov. Sp.
Vijf min of meer gave exemplaren (een geheel). 24—25
mm, Pl. 14, fig. 4.
Nivea, limbo lato marginis anterioris alarum anticarum
atrocinereo, lineisque transversalibus brunneo-cinereis.
Sneeuwwit en zich daardoor onderscheidende van al
de soorten die Lederer in dit genus heeft behalve van
Colubralis Guenée die ook als wit wordt beschreven.
De woorden «avec une teinte apicale triangulaire
roussâtre et la côte liserée de brun» passen echter niet
op onze soort evenmin als de uitdrukking: «range
d'un gris-plombé noirätre». Vestalialis kenmerkt zich door
eene ruim een mm. breede donkergrijze , potloodkleurige
streep, die langs den geheelen voorrand der voorvleugels
loopt en dezen, behalve in het midden waar hij geel-
achtig gekleurd bovenkomt, ook bedekt. De zeer lange,
fine franje is bleek bruinachtig wit. Bovenhelft der
palpen en voorzijde van den thorax zwartgrijs. Vleugels
met fijne, bleekbruine dwarslijnen en door de grijze
voorrandsstreep half bedekte, gewoon gevormde om-
trekken der ronde en niervlek, WKerste dwarslijn zeer
246
GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
onduidelijk. Tweede eerst loodregt, op ader 4 geknakt
en dan zoo sterk gezwaaid dat zij den binnenrandshoek
raakt; van daar tot onder de niervlek is zij afgebroken
doeh wordt dan weder duidelijk en loopt geslingerd
naar den binnenrand. Het schijnt dus op het eerste
gezigt als of er drie dwarslijnen waren doch wij hebben
slechts met eene wijziging der gewone teekening te
doen. Achtervleugels met eene gelijk de tweede voor-
vleugellijn gevormde booglijn.
Onderzijde als boven geteekend maar flaauwer, de
achtervleugels met donker middenpunt. Onder en boven
heeft de franjelijn duidelijke lichtbruine stippen.
Pooten lang, dun en wit, de buitenzijde der voor-
pooten en de knieën der middenpooten donkergrijs.
De exemplaren zijn met n°. 20 gemerkt.
Genus 135. SIRIOCAUTA Led.
62 Testulalis Hübn. (zie ook Snell, Tijds. v. Ent. 1872, p. 94.)
Drie gave exemplaren die in niets verschillen van Afri-
kaansche en Oostindische in mijne collectie. Zij zijn op 18
en 21 Januarij op verschillende plaatsen aan de Rio Mag-
dalena gevangen.
Genus 147. GERATOCLASIS Led.
63 Tenebralis m. nov. sp.
Vijf exemplaren waarbij twee gave. 25—26 mm. PI. 14,
nor.
Violaceo-atra , lineatione nigra, vix percipienda ; corpore
subtus alba.
In den vorm der (iets kortere) sprieten, in de op-
gerigte, gebogen palpen, de korte bijpalpen en den
vleugelvorm met Delimitalis Guen., Led. overeenstem-
mende, doch met korter eindlid der palpen en van geheel
ander aanzien. Bijzonder is ook het vrij groote wortellid
der sprieten. Tot generieke afscheiding bestaat echter
geene noodzakelijkheid,
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 247
Lijf en vleugels zijn op de bovenzijde bijna eenkleurig
violet-zwartbruin; met moeite vindt men de twee ge-
wone dwarslijnen en de ronde en niervlek der voor-
vleugels benevens de booglijn der achtervleugels. De
franje is zwartgrijs, de onderzijde der vleugels bruin-
grijs; borst en buik zijn wit. Pooten mede wit, de
voorscheenen en tarsen, de middenknieën en achter-
scheenen buitenwaarts zwartgrijs. Palpen onderaan en
van binnen benevens aangezigt vuilwit.
Van 18 tot 24 Januarij op verschillende plaatsen aan
de Rio Magdalena gevangen.
64 Rooalis m. nov. spec.
Een gaaf mannetje van 43 mm. PI. 14, fig. 4.
Humicolor , lineis transversalibus nullis ; maculis indis-
tinctis alarum anteriorum nonnullis silaceis, macula
posteriorum centrali migro-cineracea.
Strikt genomen naauwelijks tot Geratoclasis te rekenen ,
want de sprieten zijn geheel zonder kromming, niet
langer dan drie vijfden der voorvleugels, hebben slechts
eene kleine verdikking op een zevende van de schaft
en zijn gelijkmatig behaard. De overige kenmerken
passen echter en dus kan eene generieke afscheiding
vermeden worden.
Palpen met wit wortellid; lid 2 en 3 zwartbruin,
Lijf en vleugels boven aardbruin, de voorvleugels zonder
dwarslijnen, in het midden met eenige zwartgrijze en
okergele vlekken. Van de laatsten eene kleine, ronde,
zwartgrijs afgezette in de middencel en eene langwerpig
vierkante, wortelwaarts vervloeijende, franjewaarts drie-
maal getande aan den wortel van cel 2—4 het duidelijkste.
Ook de voorrand is bij de vleugelpunt okergeel. Achter-
vleugels met zwarte middenvlek en dwarslijn. Onder
zijn de vleugels vuilgrijs, als boven doch iets duidelijker
geteekend, de voor- en achterrand der voorvleugels
okerbruin. Franje donker gevlekt doch boven zeer flaauw
248 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
Borst en buik geheel geelwit; de pooten evenzoo. Aan
de voorpooten is het eind der tarsen, de scheen aan
het eind en op de knie benevens de heup bovenaan
zwart gevlekt. Middenknieen mede zwart.
Het exemplaar dezer soort, die ik naar Mr. E. A.
de Roo van Westmaas, hooggewaardeerd (vroeger!)
medewerker aan Sepp’s Nederlandsche Insecten, be-
noem, is met n°. 63 gemerkt.
Genus 152. Drsmıa Westwood, Lederer.
De palpen der vlinders van dit genus zijn door Lederer
niet goed beschreven doch zeer juist bij Guenée. Zij hebben
namelijk geen «zugespitztes Endglied » maar wel een kort,
stomp, knopvormig. Door deze onnaauwkeurige voorstelling
zal men ook bij de generieke determinatie het genus te
vergeefs in afdeeling 37 van Lederer’s tabel zoeken. Het
behoort in afdeeling 43. Pycnarmon Lederer en Aediodes
Lederer hebben zulke palpen met spits, priemvormig eindlid,
doch van het laatstgenoemde genus behooren de aan Lederer
onbekende Guenée’sche soorten Ploralis en Orbalis mede tot
Desmia wat de palpen aangaat. Zij en twee hieronder be-
schreven nieuwe soorten hebben echter gewoon gevormde
sprieten zonder uitmonstering. Het komt mij dus voor dat
het beter is om in de karakteristiek van het genus in de
analytische tabel niet van de bij sommige soorten voor-
komende sprietverdikking te spreken, en Desmia in afdeeling
43 te plaatsen waar het zich eigenlijk alleen door kleur en
teekening van Trithyris onderscheidt. De bijpalpen zijn bij
Desmia slechts twee uiterst onbeduidende gele pluimpjes
die dwars over den zuigerwortel liggen; alleen bij Jovealis
zijn zij minder rudimentair doch m. i. nog te klein om
deze soort tot Botys te kunnen brengen.
De soorten van het genus kunnen gevoegelijk tot twee
afdeelingen worden gebragt, eene met verdikte sprieten
van het mannetje, de andere met onverdikte.
1
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 249
A.
Mannelijke sprietschaft op een derde met eene
)
boven uitgesneden verdikking.
65 Maculalis Westwood. — Guenée.
Een gaaf mannetje met n°. 63 gemerkt.
De dwarsband der achtervleugels is in het midden geknakt.
B.
Mannelijke sprieten zonder uitgesneden verdikking.
66 Ploralis Guenée,
Een iets atgevlogen mannetje zonder aanduiding van
vangplaats. De tweede vlek der voorvleugels is 2 mm. lang,
overal 2 mm. breed en halvemaanvormig gebogen; de pooten
zijn zwart met geelwitte tarsen.
67 Geminalis m. nov. sp.
Een mannetje dat den linker voorvleugel mist doch
overigens gaaf is. 34 mm. PI. 14, fig. 5.
Nigra, alis primaribus basi punctillis duobus albis,
ulteriusque maculi majore quaterdentata ; poslerio-
ribus villa infracta.
Sprieten iets platgedrukt, op een vierde met eenen
zweem van verdikking, fijn behaard, met nog een langer
haar aan beide zijden van ieder lid. Wortellid der palpen
wit, het overige zwartgrijs. Bovenzijde bruinzwart, de
witte vlekken met paarsen weerschijn. De eerste vlek
der voorvleugels is bijna geheel in tweeén verdeeld en
het is misschien beter hier van twee witte driehoekjes
boven elkander te spreken. Tweede vlek wortelwaarts
regt afgesneden, naar achteren iets verbreed en met
vier tanden; beide vlekken 3 mm. van den voorrand
verwijderd. Franjelijn licht, franje der voorvleugels
zwart, aan den binnenrandshoek met witte spits. Band
der achtervleugels aan den voorrand der middencel
beginnende, naar beneden regelmatig versmald, de
250 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
onderhelft eene fijne, iets boven den binnenrandshoek
eindigende lijn. Deze band is verder niet in het midden
gebroken, en daardoor onderscheidt de vlinder zich op
het eerste gezigt van Maculalis waarop hij overigens
zeer gelijkt. Franje wit met zwarte wortelhelft, aan
den binnenrandshoek geheel zwart. Achterlijf met twee
witte langslijntjes op de spits en twee zulke dwars-
lijntjes daarvoor. Onder zijn de vleugels als boven
geteekend, grijsbruin, de borst en buik bijna zuiver
wit, het puntvierde van den laatste zwart. Pooten
met geheel witte tarsen, het overige binnenwaarts wit,
buitenwaarts zwartgrijs.
Het voorwerp is met n°. 63 gemerkt.
68 Tagesalis Herr.-Schäff., Corr.-Blatt des Zool.-Min. Vereins
zu Regensburg 1871 p. 24. —? Tages Cramer.
Drie wijfjes, waarvan een gaaf, gemerkt «30 Juni, Abend »
en een gemerkt 63.
Witte vlekken der voorvleugels bijna zonder weerschijn.
Boven is de achterrand van elken ring in het midden fijn
wit. Onder is het geheele lijf iets geelachtig wit; pooten
met geelwitte tarsen, het overige buitenwaarts grijs, wit
gevlekt, binnenwaarts wit.
69 Naelialis m. nov. spec.
Een zeer gaaf mannetje. 22 mm. PI. 14, fig. 6, 7.
Nigro-renitens, niveo-signata, maculis duabus alarum
anteriorem ovalis, vittague posteriorum costam versus
dilatata circumdanteque lunulam nigram.
Behoort tot de soorten bij welke de witte band der
achtervleugels tegen den voorrand zeer verbreed is en
eene zwarte halve maan bevat. Zij is dus verwant aan
de even groote Orbalis Guenée; beiden hebben aan den
binnenrandshoek afgeronde achtervleugels, doch de kleu-
ren zijn bij Naclialis veel scherper afstekende, glanzig
zwart en wit met paarsen weerschijn.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 251
Sprietschaft onverdikt; van af een derde tot de spits
fin gekerfd, zwart gekleurd, het laatste zesde wit.
Palpen met wit wortellid, lid 2 geheel zwart, 3 zwart
met witte spits. Aangezigt zwart met twee fijne witte
lijntjes langs de oogen. Vleugels en lijf boven glanzig
zwart met bruinen gloed, de twee witte vlekken der
voorvleugels vrij regelmatig ovaal, beiden 3 mm. van
den voorrand verwijderd en nergens getand of inge-
sneden. Band der achtervleugels aan het bovenste derde
verbreed en wel plotseling, dus niet gelijkmatig zooals
bij Orbalis. Franje zwartgrijs met donkerder lijn over
de wortelhelft, op de voorvleugels aan, op de achter-
vleugels voor den binnenrandshoek wit. Achterlijf aan
den wortel met twee vuilwitte vlekken, op een derde
met een zuiverwit dwarsstreepje, de spits met twee
witte langslijntjes; overigens alle ringen met witten
achterrand. Onder zijn de vleugels als boven, het
lijf zwart met uitzondering van keel, voorborst en drie
vlekken op den buik, welke even als de twee schulp-
vormige kleppen aan den achterlijfswortel («tablier »
van Guenée) wit zijn. Pooten met witte, grijs gevlekte
tarsen, overigens zwart, doch de middendijen en voor-
scheenen aan de spits witgeel en het uiteinde der
achterdijen wit.
Het exemplaar is met n°. 63 gemerkt.
70 Orbalis Guenée.
Ken gaaf mannetje.
De voorvleugels zijn vóór de eerste witte vlek, de
achtervleugels aan den wortel iets zwarter en op de
voorvleugels ziet men nog twee witte stippen langs den
voorrand bij den wortel en eene aan den wortel van cel
2, iets achterwaarts van de onderzijde der tweede witte
vlek.
Het voorwerp is den 20** December 1870 bij Kingston
op Jamaica gevangen.
17
252
GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
71 Jovealis m. nov. spec.
Een gaaf mannetje van 22 mm. PI. 14, fig. 8, 9.
Brunneo-cinerea, vittis tribus alarum anticarum trans-
versalibus albis, fusco-venosis, marginis haud attin-
gentibus; alis posticis albis, apice anguloque anali
brunneo-cinereis.
Zeer aan de laatste soorten van Botys herinnerende
en zelfs met minder rudimentaire bijpalpen dan de
andere soorten van Desmia, voor zoover deze mij
bekend zijn. In het genus Desmia is Jovealis nog het
naast aan Orbalis verwant, doch de teekening, vooral
der achtervleugels, wijkt af.
Lijf boven bruingrijs, de onderhelft der palpen en
nog twee vlekken op lid 2, de bovenhelft van het aan-
gezigt, twee vlekken der schouderdeksels, ring 1 en
2 des achterlijfs wit; de op zijde iets uitstekende
achterrand der overige ringen vuil geelwit; ring 1 en
2 met twee zwarte stippen. Onder is het geheele lijf
vuilwit. Terwijl Orbalis aan den wortel der voor-
vleugels slechts ééne witte stip heeft en verder twee
franjewaarts iets getande, langwerpige aan den voor-
rand hangende vlekken bezit, vertoonen zich bij Jovealis
op de bruingrijze voorvleugels drie iets doorschijnende,
onregelmatige witte dwarsbanden, die ieder door een
geslingerd, fijn donkergrijs lijntje gedeeld zijn en de
voorvleugelranden niet bereiken. In den grootsten,
derden band zijn ook de aderen achter het lijntje
donker. De achtervleugels zijn slechts aan punt en
binnenrandshoek bruingrijs (op eerstgenoemde plaats
zeer breed) en overigens doorschijnend, glanzig wit
met een dikken donkerbruinen middenring en sporen
eener bruingrijze dwarslijn. Franje wit, bruingrijs
gevlekt. Onderzijde geheel als boven. Pooten dun, wit,
bruingrijs gevlekt.
Het exemplaar is met n°. 63 gemerkt.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 953
Genus 155. SYNGAMIA Guenée.
72 Florella Cramer.
Drie exemplaren, waarvan twee geheel gaaf.
Een voorwerp is den 22* Januarij 1871 aan de Rio
Magdalena gevangen, een ander met n°. 63 gemerkt.
73 Pepitalis Guenée.
Een vrij gaaf mannetje, op 18 Januarij 1874 aan de Rio
Magdalena gevangen.
Genus 161. ZINCKENIA Zeller.
74 Recurvalis F.
Vijf exemplaren, die den 17° December 1870 op St. Tho-
mas, den 20%" December bij Kingston op Jamaica en den
7° Januarij 1871 bij Baranquilla gevangen zijn.
75 Perspectalis Hbn.
Elf exemplaren.
Een der exemplaren is een man en grooter dan de
anderen, die ik allen voor wijfjes houd (21 mm. tegen
16—20 mm.). Uit de staartkleppen van dat voorwerp
komen twee lange, geelwitte pluimen.
De exemplaren zijn ten deele op 20 December 1870 bij
Kingston op Jamaica gevangen en overigens van 18—24
Januarij 1871 op verschillende plaatsen aan de Rio Mag-
dalena.
Genus 162. CINDAPHIA Lederer.
In Lederer’s analytische tabel is bij afdeeling 145
de beschrijving van de tweede sectie dier afdeeling ver-
geten.
Zij zal moeten luiden:
. ( Psamotis.
Palpen regtuitstekend . . . . . 146. ;
i Cindaphia.
Van Cindaphia heb ik eene soort ontvangen.
25%
GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
76 Impuralis m. nov. Sp.
Drie zeer gave mannen, een gaaf wijfje en een
slecht. Een paar heeft 19 mm. vlugt, de andere stuk-
ken 20 mm. PI. 14, fig. 10.
Silaceo-alba , alarum apice nonnihil falcato primorum,
margine anteriore atro-pulverato, lineisque trans-
versalibus atris.
Op deze soort passen Lederer’s kenmerken van Cin-
daphia zeer goed, doch de pooten zijn bij haar lang en
dun. Ader 3—5 der achtervleugels, zonder opeenge-
drongen te zijn, staan aan haren wortel digt bij elkan-
der en de palpen zijn wel de helft korter dan by
Metasia, anders zou men deze soort ook in dat genus
kunnen plaatsen. Ader 8—10 der voorvleugels zijn
gesteeld.
Palpen anderhalfmaal zoo lang als de kop, half wit
en zwart. Sprieten ter lengte van 3 der voorvleugels, dun,
draadvormig, buitengewoon lang en fijn bewimperd.
Vleugels lang en vrij smal, de voorvleugels met iets
omgebogen punt, schuinen, vrij vlakken achterrand
en afseronden binnenrandshoek; het achterlijf is bij
de mannen slank en tweemaal zoo lang als de achter-
vleugels, bij de wijfjes dikker en iets korter.
Lijf en vleugels zijn boven glanzig geelwit; het eerste
van ring 3 tot de punt donkergrijs; de laatsten iets
doorschijnend, naar de buitenranden bleek bruingeel
wordende; de voorvleugels bij de mannetjes langs den
voorrand en wel naar de punt in toenemende mate
donker bruingrijs bestoven, zoodat de geheele vleugel-
punt tot halfweg den achterrand die kleur heeft. Bij
de beide wijfjes is de bruingrijze bestuiving slechts
tot aan de helft van den voorrand te zien en ook de
helft smaller dan bij de andere sexe; verder naar de
vleugelpunt is zij hoogst onbeduidend.
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 250
In teekening komt deze vlinder met de boven be-
schreven Blepharomastis Vestalialis overeen; de dwars-
lijnen zijn evenzoo gevormd als daar, namelijk de
eerste zeer flaauw gebogen en steil, de tweede met
eene den binnenrandshoek rakende bogt en van daar
tot aan de middenader afgebroken. In het midden-
veld ziet men de beide gewone vlekken; bij het man-
netje zijn zij klein en geheel donker, bij het wijfje
grootere, met de grondkleur gevulde omtrekken. Achter-
vleugels met eene booglijn gelijk aan de tweede voor-
vleugellijn en bij de mannen met eene middenstip, die
boven aan het laatste derde der booglijn staat. Franje-
lijn met donkere, min of meer halvemaanvormige
streepjes; franje bruinwit, met flaauwe, donkerder
deelingslijn.
Onderzijde als boven geteekend maar flaauwer; lijf
geheel wit, de pooten aan de voorzijde grijs bestoven.
Twee exemplaren zijn met n°. 34, twee met n°. 63
gemerkt.
Genus 168. SPILOMELA Guenée.
Het komt mij voor dat ik hier eene verwarring ontdekt
heb. Lederer zegt van zijn genus Spilomela dat het geene
bijpalpen heeft en dat de palpen met die van Synclera
overeenstemmen. Beide zaken zijn echter niet zoo bij
Spilomela strigialis Stoll (Perspicalis Fabr., Hübn., Guen.),
want deze soort heeft kleine, doch duidelijke bijpalpen en
de lipvoelers zijn geheel anders dan bij Synclera, namelijk
smal en met een kort, rolrond, stomp eindlid. Het is dus
zeer waarschijnlijk dat het eenige voorwerp dat Lederer
bezat van de beide soorten die hij tot dit genus brengt,
niet tot Strigialis Stoll, maar tot eene geheel andere soort
behoorde. Op de soort van Stoll past Guenée’s uitvoerige
beschrijving zeer goed, en derhalve moet het eigenlijke
genus Spilomela met Strigialis en misschien ook de mij
onbekende Pantheralis Hbn., Podalirialis Guen., Personalis
256 GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
H. S. en Pervialis H. S., van afdeeling 40 naar afdeeling
68 van Lederer’s tabel verhuizen en aldus worden be-
schreven:
Palpen smaller dan de helft der oogen, opgerigt, gebogen,
met kort, stomp, duidelijk eindlid. Sprietwortel verdikt.
Vleugelvorm en aderbeloop als Botys, de kleur wit met —
zwarte teekeningen. Achterlijf van het mannetje met zeer
lang, dun, pijpvormig eindlid.
De door Guenée vermelde verdikte omslag van den voor-
vleugelvoorrand is namelijk wel aanwezig bij Strigialis,
doch niet bij twee nieuwe, later te beschrijven soorten uit
Oost-Indië, die tot hetzelfde genus moeten worden gebragt.
Ik ontving van
77 Strigialis Stoll drie wijfjes, waarvan een gaaf, en een
iets afgevlogen mannetje. De exemplaren zijn met n°. 32
en 34 gemerkt.
Genus 168 b. LEDERERIA m. nov. genus.
De soort die Lederer onder den naam Perspicalis bezat,
moet met eenige verwanten, t. w. Conchylodes Diphtheralis
Hbn., Hebraealis Guen., Striginalis Guen., Argentalis Cram.,
Ovulalis Guen., Phenice Cram. en Platinalis Guen., naar
een nieuw genus worden verplaatst, hetwelk ik voorsla
naar den, helaas! te vroeg ontslapen beroemden Lepido-
pteroloog te benoemen, aan wien wij zoo vele voortreffelijke
geschriften te danken hebben. Lederer’s Perspicalis geloof
ik voor mij te hebben, en die vlinder heeft inderdaad
geene bijpalpen en zijne lipvoelers zijn bijna zoo breed als
de oogen. Het nieuwe genus kan dus in afdeeling 40
blijven staan, doch uit de beschrijving moet vervallen
» Sprieten ter lengte van drie vierden der voorvleugels»,
want zij zijn wel zoo lang bij Perspicalis Lederer, maar
veel korter bij de andere soorten. Het wordt derhalve in
twee sectien verdeeld; ik ontving er drie soorten van,
waarbij twee nieuwe,
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA, 297
A.
Sprieten bijna zoo lang als de voorvleugels.
78 Nolckenialis m. nov. spec.
Een zeer gaaf mannetje. 37 mm. PI. 14, fig. 11.
Alis primoribus dilute sulphureis, posterioribus albis ;
illis lineis tribus fere parallelis, his duabus conver-
gentibus margineque toto posteriore nigro-cinereis.
Lid 1 en 2 der palpen zwart; 3 wit, van boven
zwart. Zuiger bruin, met eerst wit, dan zwart be-
schubden wortel; de sprieten zwartbruin, de binnen-
zijde aan den wortel wit beschubd. Kop zwart, het
aangezigt met twee witte lijntjes. Thorax zwavelgeel
met drie breede, zwarte langsstrepen. Achterlijf
boven aan den wortel zwavelgeel, verder wit; de rug
met breede, zwarte middenstreep; de drie laatste
ringen oranjegeel met twee zwarte vlekjes en een
zwart randje aan het eind van den laatsten ring; deze
heeft ook, geheel aan de spits, eenen krans van
stijve okergele haren. Vleugels dun beschubd, iets
doorschijnend, glanzig wit; de voorvleugels met bleek
zwavelgele bestuiving aan den wortel, die naar den
achterrand in de grondkleur overgaat; de achtervleu-
gels kunnen moeijelijk anders dan wit heeten, daar zij
slechts een uiterst flaauw geel tintje hebben. Teeke-
ning zeer scherp zwart. Zij bestaat uit een schuinen,
onderaan iets smalleren dwarsband op een derde, een
tweeden met den eersten parallelen, die van twee
derden van den voorrand naar den binnenrandshoek
loopt en eigenlijk uit twee digt opeenstaande en bijna
ineengevloeide strepen bestaat, en een derden band,
die loodregt van drie vierden van den voorrand mede
naar den binnenrandshoek loopt en dus met den
tweeden convergeert. Achtervleugels met een lood-
regten dwarsband voor het midden, die van de helft
258
GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
der middencel naar den binnenrandshoek loopt, aldaar
iets verbreed en gebogen is en twee flaauwe streepjes
insluit. Verder ziet men eene smalle streep, die van
drie vierden van den voorrand naar den staarthoek
gaat en dus even als de laatste voorvleugelstreep met
de voorlaatste convergeert, doch op eene andere wijze.
Voor- en achterrand der vleugels van af de laatste
dwarsstreep dik zwart, ook de franje. Franjelijn zeer
scherp en fijn wit. Onder is de buik met twee zwarte
lijnen geteekend; de vleugels zijn helderwit, de tee-
kening als boven doch flaauwer, door witte bestuiving.
Pooten gewoon gevormd, wit; de voorpooten en mid-
denknieën zwart gevlekt. Bijoogen aanwezig. Sprieten
geheel haarvormig, zeer kort behaard. Aderstelsel als
Botys.
Deze schoone vlinder, die ik naar den ontdekker,
Baron van Nolcken, benoem, is den 25** Januarij 1871
bij Conejo aan de Rio Magdalena gevangen.
B.
Sprieten hoogstens ter lengte van twee derden der
voorvleugels. |
79 Platinalis Guenée.
Een gaaf mannetje, met n°. 63 gemerkt.
Bij deze soort is niets te zien van het bij Conchylodes
caberalis en diaphana zeer duidelijke kale indruksel aan den
wortel van de middencel der voorvleugels, ofschoon dit
volgens Lederer een voornaam kenmerk uitmaakt van het
genus Conchylodes, waarin hij Plalinalis plaatst.
80 Seppalis m. nov. sp.
Een gaaf wijfje van 25 mm. PI. 14, fig. 12 (8).
Cana; supra lineis transversalibus fuscocinereis latıs ,
inlimis alarum anticarum obliquis, posteriorum con-
vergentibus,
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 259
Palpen smal, gebogen, vuilwit; lid 2 en het korte
stompe derde lid op zijde zwart. Thorax grijswit,
met donkergrijs vlekje op de schouderdeksels. Grond
der bovenzijde grijswit met donkergrijze strepen, als:
op de voorvleugels drie loodregte bij den wortel en
twee schuine in het midden, naar den binnenrands-
hoek gerigte, waarvan de binnenste fijner is en aan
het eind een spitsen haak heeft. Op de dwarsader
staat eene in het midden fijn lichte niervlek en dan
komen nog vier min of meer gebogen, in grootte
toenemende grijze strepen voor den achterrand, waar-
van de eerste convex en de tweede bijna regt is, ter-
wijl de beide anderen parallel met den achterrand zijn.
De eerste der achterrandsstrepen is onderaan wortel-
waarts omgebogen en vormt met de niervlek eene V.
Franje grijswit met donkergrijzen wortel. Voorrand
onder en boven bruinachtig geel. Achtervleugels met
eene streep aan den wortel, eene spitse V in het mid-
den; eene iets afgeronde streep volgt dan, doch loopt
slechts tot ader 2 door, en parallel met den achterrand
komen nog twee andere, waarvan de binnenste, dikkere
wortelwaarts iets uitgehold is als ’t ware tot opneming
der korte middenstreep.
Achterlijf grijswit, tegen de punt okergeel; ring 3,
4 en 7 op den rug met donkergrijze vlekjes. Op de
grijswitte onderzijde schijnt de teekening van boven
door.
Het exemplaar is met n°. 63 gemerkt. Een mannetje
dat mij in staat stelde het genus met zekerheid te
bepalen en hier afgebeeld is, bevindt zich, mede uit
Zuid-Amerika, in de collectie van Dr. Staudinger. Het
heeft kort behaarde, draadvormige sprieten en is overi-
gens aan het wijfje gelijk.
Genus 170. SYNCLERA Lederer.
1 Traduetalis Zeller.
9
ui
60
GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
Drie exemplaren dezer wijd verbreide soort, waarvan een
gaaf, zijn den 17° December 1870 op St. Thomas gevangen.
Genus 184. PARAPOYNX Hbn. Led.
Afd. B. Lederer.
82 Guenealis m. nov. spec.
Een gaaf paar; de man 14 mm., het wijfje 16 mm.
PL.A4, fig 3,6).
Albida , fuligineo-atra dense squamata ; macula mediana
alarum anteriorum margineque toto posteriore silaceo-
fulvis, hoc vero, in posticis alis, maculis nigerrimis,
argenteo ocellatis.
Wanneer ik mij streng aan Lederer’s tabel houd,
moet ik deze soort tot Parapoyna brengen, hoewel de
aan den achterrand met metaalkleurig blinkende schub-
ben versierde achtervleugels en het gemis der bijoogen
meer voor eene verwantschap met Cataclysta zouden
pleiten. Voorvleugeladeren gewoon ; in de achtervleugels
ader 4 en 5 gesteeld; hunne ader 8 ontbreekt en dus
behoort de soort tot afdeeling B van Parapoyna.
De grond der voorvleugels is tot twee derden eigen-
lijk vuilwit „doeh zoo digt met grof roetzwart bestoven
dat dit de grondkleur schijnt te zijn; het laatste derde
is donker omberbruin met een vuilwit vlekje aan den
voorrand en een dergelijk achter eene geknot-kegel-
vormige, donkerbruin gerande oranjegele vlek op de
dwarsader. Verder ziet men eene gegolfde bruinzwarte
dwarslijn op een derde en eene tweede even voorbij
de helft, terwijl voor den achterrand nog eene twee-
maal afgebroken vuilwitte lijn loopt. Van de drie stuk-
ken waarin deze lijn verdeeld wordt , is het onderste
bijna geheel en het middenste langste, bij het wijfje
zeer sterk met blinkend blaauwe schubben bedekt.
Langs den achterrand der voorvleugels loopt nog eene
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 261
fijn bruin gerande oranjegele streep, die. vleugelpunt
noch binnenrandshoek ten volle bereikt.
Achtervleugels aan den wortel vuilwit, verder digt
roetzwart bestoven tusschen twee bruinzwarte lijnen
en met bleek okergele middenvlek. Voor den achterrand
loopt eene oranjegele streep als op de voorvleugels,
bijna verborgen onder ronde, koolzwarte vlekken, die
in het midden met prachtig blinkende, bont-metaal-
kleurige schubben zijn versierd. Bij den binnenrands-
hoek ziet men nog een licht streepje, dat bij het mannetje
vuilwit, bij het wijfje zilverglanzig is.
Franje lichtgrijs; even onder de voorvleugelpunt en
boven den binnenrandshoek wit gevlekt en met eene
laag donkergrijze schubben over de wortelhelft. Achterlijf
de helft langer dan de achtervleugels, bij den man
lichtbruin met eene grijze schubbenkam op den rug
voor de. punt, bij het wijfje donkerbruin. Onderzijde
bijna als boven, bleeker, flaauwer geteekend.
De exemplaren zijn met n°. 63 gemerkt.
Afd. C.
83 Distinetalis m. nov. Sp.
Een zeer gaaf wijfje van 16 mm. PI. 14, fig. 14.
Alba; lineis arcuatis silaceis jactatis, ultima ante
marginem posteriorem luteum, fimbriam versus haud
eLCISA. *
Vleugels zeer lang en smal, wit, de voorvleugels tot
twee derden dun bruinzwart bestoven, aan den wortel
van cel 2 en op ader 4 met dubbele zwartbruine langs-
lijntjes, op de dwarsader met donkerbruine stip. Op
een derde ziet men tegen den binnenrand een’ schuinen,
okergelen band; verder naar den achterrand vindt men
nog twee sterk wortelwaarts gezwaaide okergele banden,
die aan den voorrand donkerder zijn en uiteenwijken ;
aldaar en aan den binnenrand zijn zij breeder en sluiten
e
262
GEOMETRINA EN PYRALIDINA VAN
eene evenzoo gevormde doch smallere zuiverwitte streep
in. De tweede dezer banden is franjewaarts boven ader
2 nergens ingesneden en wordt door eene smalle doch
duidelijke en door een fijn zwart lijntje gedeelde witte
streep van eene okergele streep op den achterrand
gescheiden. Achtervleugels met een fijn donkergrijs
lijntje aan den wortel, eene bovenaan gebogen, duide-
lijke, zwartbruine lijn op een derde en eene breede,
iets gezwaaide, okergele, bovenaan verdonkerde streep
over het midden. Van daarafis de achterrand geteekend
als op de voorvleugels doch het donkere lijntje in de
witte streep getand.
Franje wit met zeer duidelijke donkere stippen op
den wortel. Lijf wit met enkele donkere schubben; het
achterlijf tweemaal zoo lang als de achtervleugels, spits,
met twee ineenvloeijende gele vlekken bij den wortel.
Onderzijde geheel als boven gekleurd en geteekend doch
uiterst flaauw.
Den 20%" Januarij 1871 bij Punto de Ocana aan de
de Rio Magdalena gevangen.
Afd. E.
84 Tortalis Led.
Drie vrij gave exemplaren met n°. 63 geteekend.
Deze soort is geene Hydrocampa want de sprietleden zijn
hoekig.
Ader 5 der achtervleugels is aanwezig en ongesteeld; 3 en
4 der voorvleugels zijn gesteeld en Torlalis behoort dus in
deze afdeeling.
Afd. F.
85 Hydrothionalis m. nov. sp.
Drie save exemplaren: twee mannen van 25, een
© ») ’
wijfje van 20 mm. Pl. 14, fig. 15 (9).
Albida, sordide plumbeo-suffusa, lineisque transversa-
libus atrocinereis in alis primoribus via distinguendis,
NIEUW GRANADA, ST. THOMAS EN JAMAICA. 263
- Voorvleugeladeren normaal; ader 8 der achtervleugels
aanwezig, doch 5 ontbreekt en dus moet voor deze
soort eene nieuwe afdeeling aan het eind van Parapoyna
worden gevormd. Beide sexen verschillen zeer in grootte
en kleur. Het veel slankere, grootvleugeliger mannetje
is onzuiver wit met vuil blaauwgrijs gekleurde punthelft
der voorvleugels en evenzoo doch dunner getinte achter-
vleugels even als eene witte loodverw die door de
werking van zwavelwaterstofgas beslagen is. Palpen en
kop donkergrijs; thorax geelwit. Voorvleugels met zeer
flaauwe dwarslijnen; de eerste steil, de tweede sterk
gezwaaid; gewone middenteekens twee donkergrijze
streepjes. Achtervleugels schijnbaar met twee donker-
grijze lijnen, waarvan de eene eene voorzetting der eerste
voorvleugellijn is en ongebogen even boven den staart-
hoek uitloopt, terwijl de andere, iets geslingerde, bij
ader 4 ophoudt. Scherper toeziende bemerkt men dat
die twee lijnen te zamen eene gewone booglijn voor-
stellen, doch dat deze, zoo als bij meer soorten voor»
komt, van de gewone breuk op ader 4 tot de tweede
bij den binnenrandshoek der middencel en dus over
het geheele waterpas gedeelte zeer flaauw en bijna
uitgewischt is, terwijl het iets halvemaanvormige donker-
grijze middenteeken schijnbaar het bovengedeelte eener
basaal-lijn uitmaakt. Franjelijn donkergrijs. Franje tot
aan eene donkere deelingslijn op een vierde geelachtig ,
verder wit. Wortelhelft des achterlijfs geelachtig, de
punthelft in toenemende mate grijs doch het midden
van den rug en de aangrenzende achterrand der
laatste ringen wit. De derde ring van de spits af heeft
aan beide zijden een koolzwart vlekje.
Onderzijde als boven gekleurd doch bijna geheel
ongeteekend. Buik, borst en pooten wit.
Het wijfje is geheel donker vuil blaauwgrijs; op de
vleugels zijn de dwarslijnen zeer duidelijk, dik, don-
kergrijs, aan de afgewende zijden wit afgezet; eene
264 GEOMETRINA EN PYRALIDEA.
middenvlek is helderwit, aan beide zijden met een
donkergrijs streepje. Achterlijf grijs met witte stippen
op den rug en de zwarte vlekken van het mannetje.
Onderzijde geheel als boven. Lijf en pooten grijs.
De mannetjes zijn met n°. 63, het wijfje met n°. 34
geteekend.
Mr. A. Brants, die de goedheid had om uitmuntende
afbeeldingen der nieuwe soorten voor mij te vervaardigen,
heeft mij bovendien wel willen verpligten met het vertalen
der diagnosen in het Latijn en mij buitendien door menige
aanmerking in staat gesteld mijne beschrijvingen meer te
volmaken. Ik zeg hem voor zijne hulp hierbij dank.
Rotterdam, 30 Mei 1875.
VIER ATSJINESCHE DAGVLINDERS.
Onderstaande soorten waren ingesloten in een’ brief,
dien ik het genoegen had te ontvangen van mijn’ neef H.
B. van Rhijn, Eersten Luitenant bij het Corps Mariniers
in Atsjin. Zij zijn door hem in April 1875 in of bij den
Kraton gevangen, te weten:
Cathaemia Hyparete L. — 2 Ex.
Diadema Bolina L.
» Misippus L.
Junonia Erıthya L.
Omtrent de beide voorwerpen van Cath. Hyparete schrijft
mij de heer P. C. T. Snellen: «Deze verschillen van al de
Javaansche exemplaren in mijn bezit, doordat op de
onderzijde der achtervleugels de drie bovenste roode rand-
vlekken kleiner en de drie ondersten veel grooter zijn dan
bij de Javanen. Bovendien zijn bij de laatsten de onderste
roode vlekken in cel 1¢ en 2 door zwart van het geel aan
den wortel dier cellen gescheiden, wat bij de Atsjinezen
niet het geval is».
G. M. DE GRAAF.
9
97
98
»
»
»
ERRATA.
DI
et resel 1a staat:
»
»
»
aucta, lees:
minula, »
nores ,
antice ,
»
»
ducta.
munita.
noribus.
antica.
Neuroptères de Célébes.
BIS
A.d.W. sculps
Neuropteres de Célébes.
I
EIS2R
B PORRI
stia ia (és a
QU
| ì DI meo it var
Ls ta nl PR: il
Cimbex Sylvarum, F.
Pl.
+
41) Ns
si { u rn
ZT
nemorata Fall. (tenella Zadd.)
Phvllotoma
EI
CLLCLOPT PT LT:
IN LLL ALA ha
u Va?
Tenthredo Colon KI.
S.v.V. fec
PIACE
AT
al
AJ. Wendel
1. Nola Taeniata Snell. 2. N. Dimidiata Snell. 3. N. Ae gyptiaca Snell. 4. N. Pumila Snell.
5.Sımaethis albimaculana Snell. 6. Sim. Inseriptana Snell. 7. Sim. aurofasciana Snell.
tec.& sculps
fel “A Vin
Le way
+
LE i
To JAF LA
Loe ha hy 1
i ON CR oi
DÉCOR AIRE à di
Gr. del
Nepticula Zelleriella Snell
Calamia lutosa Hübn.
RI
Im
e SCI oies sn Po
ee er Ala, See
+ at
S.v. V. fec
Inlandsche Hemiptera.
A.J.W. sculps
Inlandsche Hemiptera.
LOR
Inlandsche Hemiptera.
5
A.J.W. sculps.
Bu di ji, i
"à me
pu; SI
Bu Di en a ik di lì n ie n kia if N ns Ae Que
| i in ha VISITE EEV PI RL iN ti ;
n Be Ki MM en ae da " Mina LE
wey HI
is Mi
n lai
IN KERN N: Maul: m mn tod iv Lutti STR
Beis | Qi da va jh 7 Di
Er Di (pau 74 SUN à
A Ru je AR Mu A vari TRE
a ati WN iver Ch ae Nn
4 Ha u i
0 Dati {UPON à Pay Reis nb dr
\ | ER RD eae! | ar N vorn ne VO { Ne i fl +:
n VT 8 fi PA Ae ee ni pi Di Poni nu | dis ve An 1° 1 NR i 7 aie ae ii BA welk
| if
son tr CNY DU TI
EN AU OP TS PEN
li Mn A 4 pa = iy an ur “rik wi vi RR ni i N Idi a Ha DAG tal: iv SI An Nee hy
Me ct à Rent TEEN i pn Fa pa IN
Be L'URSS sel gua | L kie
Nn A Di Phi NE MERA Halle NG We ibi ela
hi ve TRE VA a Bin SNA Ort he iR
A fe to Haar MS LARIO, vi APS PAT UNE Br all
ld MOH. PRM ween OUR Vy À Dar ne gr een a We (40) Mi "È
ei Du a UT EAR aay È eh N, i uit n MIA; TEOR
LU IN", BE PORT on I, Ont aderen e e TA iy
an Vu N i De de 1% nu AR Mata M / i fi a ia : n. A i à ni n n 51 SÙ
IO ih rr VA i ba NCA
ene OUT
VE Kr Bu, i
i
Al N
Br 7 Na: i Que cri rag TUEL BIN i |
11 ‘at une au GEN NA,
jh (4 A nl DI DO EN art i om LE Ka
23 Le i} ; i : th; ‘ Ln”
Br ni PNA NT 4 ‘a Ther.
{ pe I LP AN War RER ey,
à UE pene i Ro Di an a vi Ind ne FAT ou NE |
È Ti VAN | LAV # is as Migs RAAD DN ne BIS Be i bien 17
LI coi na; SONO 2 yu) Oe RTE EST yh aka a ae
wi in È VED vara Mia a AVRO RAD Sic RT ORME CENE a TRAI,
: i Has KIA N, ay) VEN rey ie” AI VIGO Di D A À ¥ Nin: 7 M LA Ù
LAURE Mai a ANT ae di, KW. bie EN ICH SU A we.
ia Say AR lees Be: N (>
VI vi pa u a ir
I
SEL
MIE,
ET] et.
Pai SM gr EEL Hi u
N a wid 407 N
a n bi il tins n° i E hd AU
une
I NODI | ARM IR | i
ie! Ni ir Mate à FAR" ree ae
an Mo BS: NE ire rel us ae Mi A: Pa N, Ni bi
|a VERMI i
N Lu À le | de
Bi: Bi | Bi È A) ie AS En Wu dh R DO DE
Vi Ba: mai hi Ou LIM ER |
Di NA (o) D or MN De Am a 14 Le ring RL MR} Ms ia A (ni Je) N Rn ni wy
Re a Vo e
ee MARNE AI hee vil
LE Pa. tia x Th (à it Bist Lana Ne u 2,777
Lis tear th Hi ee m Di mt N weet 4 to (a 4 ur : À #
ART ii id auf |
u
he
a I
> 1
i a
i Ua
hi Di i à a
| RORY Ly SULT CSN TETE
1 PAL Lun hei UN. ‘sm tal iy in ie Lage I N N À NE.
A { ur a | NEC) ua u il 4 (ue be RO OE fi ‘x dea n Ams Le:
in W Bi | (A) amy! ESE Lake KANS, a. 1
cn Ne di, Na Hi JAN
Br, | Jr 7 î Pia ey Aas he Di
Nr L i, eri bali PG de, Ay I und RAN | ee
‚Ar SCHE MEHR à ni di Vata shat) to: CAR i A Ù Wii N ae A nb 7 LO
Cay ee At MAT WA vi Aue to Er di à ATTI
IM ne Et] mA
er clea Me ME AE
v: tee We HN WALT Rte Itt TA LME ‘ DI O N . BAL a D
SIA CA AU “NARA oy Ma Ki là, BA “i iu Ri Ni i N at Br Li DI Eu Ui JI Mn LES
Lì NN gi 1 i i LEN
dol u WE DA En a oi (PAS NES qu doi a ABER IR (Al ne
Y
uti oi TA pa AN È
CU na > Na, clea MIA LAU ta vi tu) | ee ont È di 13 I Si Ke En wth ot E
Mi. » Th AA un: N de PAU APT AUTRES, as mi Hid BAI: INT: er
n ae Ce wr He En i; te Sar on AM ie ie MI Fi en pai u hi de Bun He iP | Mi BR.
BELLE
i di N
n
i
SOLE NE SA RE
unt ) de x ni à N un iw he R Min an
(VE ME u di; i EN a (hi M u toe wu Fe PI i i \ RSA
ar | L ir in ve LS Van x gi ny ae Tai
LALA ARDA nN APT at ine
Ayan “ an “, Kuh Fer Re i
fau AVEC ui LATE | UT AN
Un
Et hi fa ER i, Le Lo EAN di it Bie |
na br LIN Boi > à ; ha. NI ia Lu OA: i
uu: A EREN vs
u È oe Le RI A| k Ù A fim
AO u LU: pelt » PATARA Ri
7 DI
ì nu
DI ous.
1 nur
{
ai A MITI ‚7 D El P_i
RON
peu VE Pag AL ee PONT COS MSIE ya "|
dy EN TRI ANA Vi Le sth
TA AN: AAN ur hu CHR ur); A
; Se N
ACRO ai een
| Bu ARE Wed: iN IN ER ne RAT RE wen RO ER rr LPT A
i 7 5 ibe ia pa Pie | (EAU 4 a ji un ANA i Be: © {ir PRA se
MNT NN, E È | | ni
pi, my! a | do na N AAN DA pe v a QUE dii tn ed fut be
MIA Poi A Ni | aye 14 TREE vu ni
Mei i HAA DI sil Mi Ma À UE ial BER pat nti ue n {ghi RN di
ala PAIE ie UT LUE 1% in Li MR a RN
lly DI NI 4
AGNA,
«à bi to NU Li y hor ai Wale
ta dl WERT ; id Fer
Nyc
Lion wu "i
AJW. sculps
laica INIT DIL ot
me 4 n ta
Be Ant ASE
1u PTE D ik hr IR TE FOURS AIS
DR DO) u bel f l NE | zen
YA da EN en ui
ni DIO iR IRE : i
hs) i je el
DAI u
N
ir Din Be.
| ‘ ye et À ve 1102
in hun 4 hi:
Ho CR NS ane
Tia EM î
i BA IN
A 2 ar de NE ‘i mo da,
a du AA Ho
A a ise ‘ A, mi "i Da Mi
4 n IR u di A i
Vi
um?
DR
bit
Wa rh Y ho REN)
Mr à sr ih Hi Di
PAUL
HE EAN
À bi LA Di ii di nu bi n Aa "i
DI Fü al D n) à) |
BEN) > BR. bii,
mn uf
N ni | tr MAT
di RAD TATO
pui: Dr AU TEL Ve
i N È Li è
pi ni re
av ì N I, RI ae
LOR
ul),
oy A
Ne its
ia it
44 A
HAVE Kel
KA 1) ORIENTA
|
[par PR,
A)
Bu
TEE PI,
LCR!
le
SIA) a
LE Di teli
PIS:
P1.14.
ff
eT). A.W. sculps
3
i SP Fan |
Kr ma A
f PSL PEL
H \
- TIDSCURIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
DE NEDERLANDSCHE ENTONOLOGISCHE VEREENIGING
: Mr. W. ALBARDA.
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M VAN DER WULP
ACHTTIENDE DEEL
JAARGANG 1874—75
Je Aflevering
'S GRAVENHAGE
“MARTINUS NIJHOFF
1874-1875
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Mr. W. ALBARDA
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP.
ACHTTIENDE DEEL
JAARGANG 1874— 75
24 Aflevering
—
SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1874-4875
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGIVG
ONDER REDACTIE VAN
Mr. W. ALBARDA
~ MR. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
ACHTTIENDE DEEL |.
JAARGANG 1874—75
Je Aflevering —
PR ARR Im
‘'SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
| 1874-4875
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
Mr. W. ALBARDA
Mr. S. €. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
ACHTTIENDE DEEL.
JAARGANG 1874—75
yy Aflevering
SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1874-4875
Pa
otte
N
\ na de Li)
i
AGE
10) di
de
IN
Re
e BYSMITHSONIAN INSTITUTION LIBRARIES %
NN
|
|
À
ii iii... i... 39088009088402
1
i
ni
i