DI | Special Collections
Library of the Museum
COMPARATIVE ZOOLOGY,
AT HARVARD COLLEGE, CAMBRIDGE, MASS.
Founded by private subscription, im 1861.
LDS
No. 603 Va
fune ue,
DATA ITS
DE
BIAGI
Mg
di ae
A
i)
qi i
f
u
I ci d
ER
i MUR
IL
pe
SRE 7
AA
din
ACT
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE.
UITGEGEVEN DOOR
SRE
DE NEDERLANDSCHE een
ONDER REDACTIE VAN
Pror. J. VAN DER HOEVEN,
Dr A. W. M. VAN HASSELT
EN
Dr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
ACHTSTE DEEL,
“<P
S GRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF.
1865.
RR ge ER
cri
EE
VERSLAG
P "VAN DE
TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING DER NEDERLANDSCHE
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN
TE AMERSFOORT, DEN SOsten JULI 1864.
Tegenwoordig zijn de heeren:
Prof. Cl. Mulder, Presiderend lid ;
van het Bestuur:
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, President,
Dr. M. G. Verloren , Vice-President,
Mr. H. W. de Graaf, Secretaris, en
van de leden, de heeren: Six, van der Wulp, Dr. Piaget,
Maitland, P. C. T. Snellen, Baron Lewe van Middelstum , Mr.
W. Albarda, Mr. I. Herman Albarda, Jordens, van Woerden,
J. Backer Jr., Kinker, Lodeesen, Grebner, Dr. van Hasselt en
J. Backer Sr.
Het presiderend lid Prof. Cl. Mulder opent de vergadering
met eene welsprekende rede, waarin hij, na de redenen te heb-
ben opgegeven, die hem hadden doen besluiten de leiding dezer
vergadering op zich te nemen, de verschillende wegen schetst,
die door de beoefenaars der entomologie gevolgd worden. Het had
hem telkens getroffen, dat in de bijeenkomsten der Vereeniging
mannen van verschillenden leeftijd, beroep , maatschappelijken
toestand en denkwijze, als leden van één gezin zeer eendragtig
te zamen zijn. De verklaring van deze eensgezindheid, meent
hij, ligt in de eerste plaats hierin, dat allen uit volmaakt vrijen
wil, uit inwendige aandrift, om het schoone en goede van een
deel der levende schepselen te leeren kennen, tot onze Vereeniging
1
2 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
toetreden. Een gewoon lid wordt aangenomen, niet benoemd, en
niets wordt van hem verlangd dan liefde voor onze wetenschap.
De natuur is zoo rijk, zoo mild, en voor zoo veelzijdig onder-
zoek vatbaar, dat geen beoefenaar van onzen tak van wetenschap
den anderen eigenlijk hindert of benadeelt. Zij is zoo rijk èn
in soorten én in individuen, dat elk zich steeds vrij blijft ge-
voelen , naast zijne medgezellen, in de keuze en het genot van
hetgeen hem het belangrijkst of aanlokkelijkst schijnt. Allen
bewandelen hetzelfde terrein, maar niet allen volgen denzelfden
gids of weg.
De een volgt den oppersten meester Linneus; beschrijft,
karakteriseert , rangschikt naar strenge regelen, en doet dit
meermalen van verschillende levenstoestanden en leeftijdsvormen ,
die men metamorphosen pleegt te noemen. De ander kiest de
rigling van Réaumur, den onovertroffen navorscher van het leven
en de bedrijven der insekten, al wordt hij welligt schuldig aan
een gebrek, dat zijnen gids aankleeft, verwaarloozing van syste-
matiek. Weder een ander neemt het ontleedmes ter hand,
tracht de structuur van het organisme bloot te leggen , of zelfs
door te dringen tot de textuur van elk orgaan, mogte hij iets
vatten van den band, die den organischen vorm, de verrigtingen
des levens en de verhouding des diers tot de buitenwereld gelij-
kelijk omstrengelt. Op onzen Swammerdam en bovenal op onzen
Lyonet rigt hij telkens weêr het oog. Wij hadden het voorregt,
zegt spreker, in vroegere vergaderingen met laatstgenoemden
uilstekenden man, als ’t ware, in naauwe aanraking te komen.
In 1855 vergaderde de Vereeniging in het huis, vroeger door
Lyonet te ’s Gravenhage bewoond. Dáár mogt men de eigen-
handige, even schoone als naauwkeurige voortbrengselen van
zijne teekenkunst bewonderen. Mr. G. T. B. Croiset had de goed-
heid, de verzameling van alle oorspronkelijke teekeningen, die in
het Traité anatomique en elders het licht zagen, ter bezigtiging
aan te bieden. Andermaal, in 1860, mogt men zich verlustigen
in de beschouwing van eene gelijksoortige verzameling, en wel
van onuitgegeven teekeningen met het daarbij behoorende ma-
nuscript van Lyonet, in het bezit van den spreker. Eindelijk
kwam, in 1865, het mikroskoop ter tafel van onze vergadering,
waarvan hij zich plagt te bedienen, thans eigendom van den
heer Abraham Oltmans, te Amsterdam. Wij mogten het werk-
tuig hanteren, vroeger door de vingers van den grooten man
bestierd; wij aanschouwden voorwerpen, door hem toebereid
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. d
voor mikroskopisch onderzoek'. Wij waren, zeide spreker,
inderdaad als in zijne omgeving geweest, hoe zouden wij niet
gewenscht hebben zijne gelaatstrekken, zijn schrander voorhoofd,
zijn scherpziend oog te mogen aanschouwen Welnu, zoo veel
mogelijk, wordt thans aan die begeerte voldaan. Door de wel-
willendheid van den heer G. E. ©. Croiset, te Amersfoort woon-
achtig, is een fraai, in olieverf geschilderd portret in onze ver-
gaderzaal ten toon gehangen. Wij verheugen ons zeker dank-
baar in dit voorregt”; zijn voorbeeld zweve ons voor oogen; in
hem zien wij welke vruchten een gunstige aanleg door onwrik-
bare wilskracht en noeste vlijt, ten goede beheerd en aangewend,
vermag te dragen. Vergeten wij echter daarbij ook niet, dat
hij zich bewust was van leemten in zijn’ arbeid, dat hij zich
als een feilbaar mensch bleef beschouwen. Laat ons ook zoo
doen, vervolgde spreker. Uit vrijen wil .wandele elk onzer
onvermoeid en onverdroten zijn eigen weg op het entomologisch
terrein , met de overtuiging dat onze wegen niet als stralen uit
één middenpunt loopen, zoodat wij hoe langer hoe meer ons
van elkander verwijderen en eene ontmoeting onmogelijk wordt.
Neen, wij bewandelen in alle rigtingen het veld, onze wegen
kruissen elkaar, menige verrassende en nuttige ontmoeting heelt
plaats; menige wisseling van gedachte, menige ruil van voor-
werpen valt op de kruispunten voor. Niemand onzer noemt zich
entomoloog in de breede en hooge beteekenis des woords, als
kende hij eenig insekt of onze inlandsche insektenwereld volko-
men, maar elk onzer spant zijne krachten in en brengt iets aan
wat ons gezamenlijk de vrijmoedigheid geeft te beweren, dat wij
de entomologie onbekrompen beoefenen, en dat onze werken de
goede vrucht toonen van dat gemeenschappelijk streven.
Met een woord van welkomst aan de leden wordt deze rede,
die met veel belangstelling aangehoord en algemeen toegejuicht
werd, gesloten.
1 Zie Handelingen der Ned. Entomol. Vereeniging, DI. I, bl. 38 en 42.
Tijdschr. voor Entomol., DL IV, bl. 14 en DI. VII, bl. 19—21.
2 De beide Croiset’s, vader en zoon, die onze Vereeniging met zooveel heuschheid
bejegenden, zijn nazaten van Pieter Lyonet. Den 16den September 1704 huwde Bin-
jamin Lyonet, te Maastricht, met Marie le Boucher en werd ingezegend door zijn
zwager Paul Croiset. Pieter werd ook door dezen zijnen oom gedoopt. Hij huwde
niet en benoemde tot zijn erfgenaam S. E. Croiset, vader en grootvader van boven-
genoemde heeren. Prof. Cl. Mulder is thans bezitter van de beide verzamelingen der
teekeningen en van het manuscript.
4 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
De notulen der vorige vergadering worden goedgekeurd en
geteekend.
Naar aanleiding van de varieteit van Bombyx Cynthia, op
pag. 24 van het vorige Verslag, slechts met een woord vermeld,
betoogt Dr. Verloren het wenschelijke, dat deze afwijking, die
naar zijn oordeel daartoe allezins belangrijk genoeg is, nader
in het tijdschrift beschreven en zoo noodig afgebeeld worde.
Dientengevolge wordt de Secretaris uitgenoodigd den bezitter van
het exemplaar daartoe op te wekken.
De President van het Bestuur brengt het volgende Verslag uit:
Mijne Heeren !
Niets is aangenamer voor hem, die over den toestand eener
instelling verslag heeft uit te brengen, dan te kunnen aanvangen,
gelijk ik het heden doen mag, met de algemeene verklaring,
dat die toestand zeer gunstig is en slechts weinig te wenschen
overlaat. Eene zoodanige verklaring toch is even streelend voor
den rapporteur als voor zijne hoorders. Schenkt mij voor eenige
oogenblikken uwe aandacht, terwijl ik u ontvouw welke feiten
mij regt geven tot deze gunstige conciusie.
Sedert onze laatste vergadering nominaal te Leyden, facto te
Warmond gehouden, hebben wij uit het getal onzer leden nie-
mand, hetzij door overlijden, hetzij door ontslag nemen, verlo -
ren; daarentegen waren wij zoo gelukkig een begunstiger en
twee leden tot onze Vereeniging te zien toetreden, nl. als begun-
stiger de heer Dr. C. G. RK. Ontijd, te Brummen, en als leden de
heeren M. Snellen, te Leyden, en D. J. R. Jordens, te Zwolle.
Onze relatien met het buitenland en verschillende Zusterver-
eenigingen zijn in den ruil der Tijdschriften en Annalen gere-
geld voortgezet en hebben ons eene bijzonder aanzienlijke ver-
meerdering onzer boekerij geschonken; die relatien hebben
bovendien aanleiding gegeven tot het verzenden of ontvangen van
de volgende brieven:
Aan den heer Doué, te Parijs, trésorier de la Soc. Entom. de
France, is bij herhaling het verzoek gerigt om aan onze Ver-
eeniging te zenden de jaargangen 1860 en 1861 der Annalen,
welke niet tot ons gekomen waren, tevens met het berigt dat
onzerzijds toegezonden zouden worden de 4 eerste bladen van
Deel IV van ons Tijdschrift, welke aan de Soc. Entom. niet
waren in handen gekomen. De gevraagde jaargangen zijn in de
maand Mei van dit jaar ontvangen.
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING, D
Aan den heer A. Assmann is door tusschenkomst van Dr. Wocke
te Breslau, een brief ter hand gesteld behelzende de aanvrage
om ons de Berichte für Schlesische Insektenkunde te doen toe-
komen met opgave van de beste wijze om den prijs (7 Thl.
22 gr.) te remitteren. Ten gevolge daarvan is door den bock-
handel ontvangen: Zeitschrift für Entomologie „ herausgegeben
von dem Verein für Schlesische Insektenkunde zu Breslau, Jahrg.
1—6 en 8-10; alsmede Bericht über die Thätigkeit der En-
tom. Sektion der Schles. Gesellsch. für vdterl. Cultur, Jahrg.
1852—60. Het heeft zich nog niet opgehelderd of deze toezen-
ding als geschenk moet worden aangezien.
Aan Dr. Stal, te Stockholm, is eene missive gezonden, den
goeden ontvangst berigtende van zijne Monographie des Chryso-
melides de l'Amérique, met dankzegging voor zijn uitmuntend
geschenk.
Aan den heer G. Niessl von Mayendorff, Secretaris van het
Naturforschend Verein zu Brunn, is receptie geaccuseerd van het
eerste deel der Verhandlungen van die Vereeniging, en tevens
geantwoord op het gedane voorstel om ons Tijdschrift van den
1° jaargang af daartegen in ruil te geven, dat onze Vereeniging
bereid is haar Tijdschrift tegen dat van het Naturforschend
Verein in ruil af te staan, maar niet genegen om de 6 eerste
deelen zonder equivalent te schenken, waarom zij van hare
zijde den ruil met haar zevende deel zal doen aanvangen; tevens
werd het Verein uitgenoodigd zich te verklaren of het met die
schikking genoegen nam. Hierop is sedert geen antwoord ont-
vangen.
Ook is bij het Bestuur ingekomen het berigt, dat zich in
Stiermarken gevormd heeft een «Verein der Aerzte», welks doel
bestaat in «der Förderung des wissenschaftlichen Strebens auf
«dem Gebiete der Heilkunde und der öffentlichen Gesuntheils-
«pflege, so wie in der Kräftigung collegialen Wirkens im Inte-
«resse des ärtzlichen Standes ».
Daar het grootste deel onzer leden niet tot dien stand behoo-
ren, wordt daarvan in dit Verslag alleen melding gemaakt voor
de leden, die den rang van Medicinæ Doctores bekleeden, op-
dat zij het doel van de Stiermarksche Vereeniging naar vermo-
gen helpen bevorderen.
Van den heer Frederie Moore te Londen, aan wiens zorg de
conservatie der insectenverzameling van de voormalige Oost-
Indische Compagnie is toevertrouwd, werd een brief ontvangen,
6 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
waarin hij bedankt voor de toezending van Tijdschr. deel VI,
afl. 5— 6 (incl.) en verzoekt toezending van deel I en II, V,
afl. 4—6, en VI, afl. 1 en 2, al hetwelk hem niet in handen
gekomen is. Tevens geeft hij het verlangen te kennen om lid
onzer Vereeniging te worden. Eindelijk vermeldt hij, dat hij
een werk onder handen heeft over de Sériciculture in the East,
waaromtrent hij de medewerking onzer Vereeniging inroept voor
opgaven aangaande soorten in onze Oost-Indische bezittingen
voorkomende. Het is om dit verlangen ter kennis van alle leden
te brengen, dat van zijnen brief in dit Verslag melding wordt
gemaakt; op alle punten heeft overigens onze ijverige Secretaris
naar bevind van zaken geantwoord.
Bij de toezending van het VI° deel van ons Tijdschrift aan
heeren Bestuurders van Teyler’s tweede stichting heeft de Secre-
taris in de begeleidende missive met een woord melding gemaakt
van de waarschijnlijkheid, dat onze Vereeniging de jaarl. bijdrage
van f 200, welke ons slechts tot in Aug. 1864 toegezegd is,
moeijelijk zou kunnen ontberen, wanneer zij prijs bleef stellen
op het uitgeven van haar Tijdschrift. Onze Secretaris heeft ver-
volgens in dien brief den bescheiden wensch geuit, dat de wel-
willende ondersteuning ons niet zal onthouden worden, indien
wij ons in de noodzakelijkheid mogten bevinden der herhaling
van het verzoek, voor 5 jaren gedaan. Daarop heeft het Bestuur
het zeer voorkomend en welwillend antwoord ontvangen, dat
heeren Bestuurders van Teyler’s Stichting bereid zullen bevonden
worden, om des noods eene gelijke ondersteuning van f 200
gedurende 5 jaren toe te staan, wanneer onze Vereeniging daar-
aan behoefte mogt hebben. Met deze beleefde toezegging wensch
ik den leden des te meer geluk, daar, gelijk u uit het volgende
blijken zal, de uitgave van het Tijdschrift voor het vervolg onze
kas nog sterker zal aanspreken dan tot heden het geval is geweest.
Op den 6° April 1864 namelijk ontving de redactie van het
Fijdschrift eene missive van den heer A. C. Kruseman, uitgever
van den loopenden jaargang, welke eenige volzinnen bevatte
over het al of niet innaaijen en van omslag voorzien der afleve-
ringen en eindigde met deze phrase: «Er is evenwel niet het
«geringste motief, dat mij aanmoedigt langer dan dit jaar de
«uitgever van het Tijdschrift te blijven. Ik veroorloof mij u
«hiervan officieel en zeer bepaald kennis te geven. »
Op deze korte kennisgeving volgde van den kant der redactic
een vrij omstandige brief, waarin de steller met ernst aandrong
c
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 7
op het nogmaals overwegen en zoo mogelijk op het intrekken
van het schijnbaar overhaast genomen besluit, welke brief be-
antwoord werd door een nader schrijven van den heer Kruseman ,
waarin hij een voor een de gronden bloot legt en ontvouwt,
welke hem tot het nemen van zijn besluit hebben geleid , doch
tevens , zonder eenige wijziging daarvan, bij dat besluit volhar-
dende, zich van de verdere uitgave onttrekt. De redactie,
ofschoon het gemis van den heer Kruseman ten hoogste betreu-
rende, heeft na dat omstandig schrijven geene vrijheid gevonden
om bij dien uitgever met nieuwen aandrang het voortzetten
der uitgave te bepleiten. Sedert is omtrent dit onderwerp
een brief ingekomen van den heer M. Nijhoff te ’s Gravenhage,
welke brief een punt van beraadslaging voor deze vergadering zal
worden.
De loopende jaargang van het Tijdschrift wacht overigens
slechts op het kleuren der platen om met de 5° en 6° afl. ge-
sloten te worden.
In onze laatstgehouden vergadering werd het Bestuur gemag-
tigd om met de familie Wttewaall in onderhandeling te treden
over de geschiktste wijze om de collectie van wijlen Dr. J.
Wttewaall voor de wetenschap en het vaderland te behouden.
Het Bestuur aan dien last voldoende heeft zich bij missive tot
den heer Witewaall te Leyden gerigt en den 26" Mei dezes jaars
daarop ten antwoord ontvangen, dat Mevr. de Wed. Wttewaall
nog geen besluit had kunnen nemen omtrent de bestemming
der collectie, zoodat wij omtrent dat onderwerp latere mede-
deelingen van de familie Wttewaall zullen moeten afwachten en
voor ’s hands geene aanleiding hebben om ons met eenig voor-
stel of verzoek tot ’s Lands Regering te wenden,
Aan Z. Exc. den Minister van Binnenlandsche Zaken is een
brief gezonden ter begeleiding van het aan Z. Exc. aangeboden
Verslag over de kweeking der Bomb. Yama-maï. Desgelijks aan
Jhr. Pompe van Meerdervoort te ’s Gravenhage. Op beide mis-
siven is geen antwoord ingekomen.
De boekerij onzer Vereeniging is in den loop van dit jaar
weder zeer toegenomen; niet alleen toch hebben buitenlandsche
genootschappen ons de vervolgen hunner tijdschriften toegezonden,
maar ook onze Secretaris heeft, krachtens het hem daartoe op
de vorige vergadering verleende mandaat gecompleteerd:
The Entomologists Annual, door aankoop van jaarg.
1855 —61,
8 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
Die Entomologische Zeitung, von Stettin, door aankoop
van Jahrg. 1—5.
Ook is het Russische Tijdschrift Hore Entomologice besteld,
maar nog niet ontvangen.
Door het Bestuur zijn voor de boekerij de volgende werken
aangekocht:
Fabricius, Enlomologia Systematica, met suppl. en index.
Idem, Systema Antliatorum, m. index.
Idem, » Eleutheratorum, m. idem.
Idem, » Rhyngotorum, m. idem.
Sulzer, Die Kennzeichen der Insekten.
Jurine, Nouvelle methode de classer les Hymenopteres et
les Dipteres.
Hartig, Die Familien der Blattwespen und Holzwespen.
Retzius, Caroli de Geer genera el species insectorum.
Het groote aantal der in de laatste jaren ontvangen werken
heeft onzen conservator genoopt twee nette boekenkasten te laten
vervaardigen, waarin nu werken en tijdschriften niet langer op-
een gestapeld behoeven bewaard te worden.
Omtrent den staat der kas, die gunstig is, zullen u door
onzen Secretaris de noodige mededeelingen gedaan worden.
Even zoo omtrent de verzameling insecten door onzen conser-
vator. Het zij mij vergund zijn verslag vocruitloopend u mede
te deelen, dat de toestand der collectie uitmuntend is, dat in
den aanvang van ons maatschappelijk jaar van eenige leden bij-
dragen zijn ontvangen, dat de verzameling minder dringende
behoefte heeft aan toezendingen van grootere maar voornamelijk
van kleinere en zeer kleine soorten van insecten, en dat na het
ontslag van den heer Ter Meer, als amanuensis van den con-
servator, in zijne plaats is aangesteld de heer Steenhuyzen,
sedert jaren aan ’s Rijks Museum met gelijke bezigheden belast,
en die met een zorgzaam oog waakt voor de goede instand-
houding der collectie. De plaatsing op het Museum bevalt
uitmuntend; het vermeerderen van het aantal laden zal waar-
schijnlijk een punt van discussie in deze vergadering moeten
uitmaken.
De uitgave van het aan onze Vereeniging geaffilieerde werk
van Sepp heeft geregeld plaats gehad. In den loop van dit
jaar zal waarschijnlijk het eerste deel der 2° serie voltooid zijn.
Onder de in dit jaar verschenen platen en beschrijvingen zijn er,
die waarlijk verdienstelijk te noemen zijn.
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 9
En hiermede, M. H., meen ik kortelijk alle punten behandeld
te hebben, die, tot eene enkele figuur vereenigd, een juist beeld
opleveren van den tegenwoordigen toestand onzer Vereeniging,
en voed daarbij tevens de hoop, dat gij, na het aanhooren van
dit korte Verslag, uw zegel hechten zult aan de verklaring waar-
mede ik het begonnen heb.
De heer N. H. de Graaf, conservator der Vereeniging, heeft
schriftelijk kennis gegeven, dat hij tot zijn leedwezen verhinderd
werd de Vergadering bij te wonen. Met zijne vriendschappelijke
groeten aan de leden heeft hij zijn verslag over het afgeloopen
jaar aan het Bestuur ingezonden. Dit verslag, hetwelk door
den Vice-President wordt voorgelezen, bevestigt al wat door den
President van het Bestuur, betreffende de boekerij en verzame-
ling, gezegd is. Ten einde dus niet in herhalingen te vervallen,
zij hier alleen gezegd, dat bovendien in het verslag van den
conservator voorkomt: dat voor de collectie belangrijke bijdragen
zijn ingekomen van de heeren Mr. J. H. Albarda, Backer Jr.,
Grebner, Kinker, Lodeesen, P. C. T. Snellen, Six, van der
Stoot, van Bemmelen, van der Wulp en Weyenbergh, meerendeels
bestaande uit insecta lepidoptera en diptera; en hoewel niet alle
exemplaren voorzien waren van de behoorlijke aanwijzing van
vangtijd en vindplaats, zijn deze geschenken als een verblijdend
teeken van nieuw aangevuurde belangstelling door het Bestuur
op hoogen prijs gesteld; intusschen wordt het verzoek, om bij
de toezending van insecten naauwkeurige opgave van vangplaats
en vindtijd te voegen, voor zoo veel noodig, met aandrang her-
haald, omdat alleen eene collectie van specimina indigena waarde
kan hebben voor de Vereeniging. Ook wordt de verzameling
voor de niet genoemde orden aan de aandacht der leden aan-
bevolen.
Het gebruik dat van de Bibliotheek wordt gemaakt, neemt
nog altijd toe; evenzoo hare uitbreiding, hetzij door ruil tegen
het tijdschrift, hetzij door ontvangen geschenken en aankoop.
Een en ander zal blijken uit de aan dit verslag toegevoegde
lijst van nieuwe werken !.
De Secretaris doet verslag van den staat der kas.
1 Zie Bijlage F.
10 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
De ontvangsten hebben over het afgeloopen jaar
bedragen» 22 0a Oa RE ASC TEE
Devuitgaven S60 re eG
Zoodat de rekening sluit met een batig slot van f 850.24
waarbij echter dezelfde opmerking, als in het vorig Verslag op
bladz. 7, sub 1, en eene gelijksoortige als sub 2 vermeld is,
moeten in aanmerking genomen worden.
De Voorzitter benoemt de heeren Lodeesen en Kinker om,
ingevolge art. 25 der wet, de rekening en verantwoording van
den Secretaris na te zien.
De heer N. H. de Graaf, volgens art. 15 der wet, als con-
servator aftredende, wordt met algemeene stemmen herkozen.
Daar genoemde heer niet tegenwoordig is en schriftelijk zijn’
wensch heeft kenbaar gemaakt om niet weder als conservator
herkozen te worden, ontvangt de Secretaris den last om den
heer N. H. de Graaf van zijne herbenoeming kennis te geven
en hem, namens de vergadering, dringend uit te noodigen, zich
daaraan niet te willen onttrekken ’.
Ter voldoening aan art. 55 draagt het Bestuur twee dubbel-
tallen voor, opdat uit ieder dubbeltal een lid worde gekozen
voor de redactie van het Tijdschrift.
Eerste dubbeltal: de heeren Prof. J. van der Hoeven en Mr.
E. A. de Roo van Westmaas.
Tweede dubbeltal: de heeren Dr. J. A. Herklots en Dr. A.
W. M. van Hasselt.
De heer van der Hoeven wordt met algemeene stemmen
herkozen; overigens erlangt van de twintig uitgebragte stem-
men:
Dr J. A. Herklots. en stemmen:
Dr. A. WM. van Hasselt» 2... 41 »
Zoodat als leden der redactie van het Tijdschrift zijn gekozen
Prof. van der Hoeven en Dr. van Hasselt.
Het Bestuur stelt tot eere-lid voor den heer Officier van Ge-
zondheid der 2° klasse Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort,
die zich, door het volkomen geslaagde overbrengen van gezonde
eijeren der Bomb. Yama-mai naar Nederland, jegens de ento-
! De Secretaris heeft het genoegen hierbij aan de leden mede te deelen, dat de
heer N. H. de Graaf, op hun eenstemmig verlangen, welwillend besloten heeft de
functien van conservator te blijven waarnemen.
©
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 11
mologie en ’t algemeen en onze Vereeniging in het bijzonder,
zeer verdienstelijk heeft gemaakt.
Tot corresponderende leden worden door het Bestuur voorge-
steld de heeren Dr. Carl Stal te Stockholm en Frederic Moore,
Bestuurder van het Museum der voormalige Oost Indische Com-
pagnie, in het Britsch Museum te London.
De vergadering benoemt deze heeren als zoodanig met alge-
meene stemmen.
Dr. M. C. Verloren brengt, ook namens Prof. Mulder, verslag
uit van hetgeen door hen, krachtens het in de vorige vergade-
ring ontvangen mandaat (zie Versl. p. 11), met betrekking tot
de uitgave der door wijlen den heer Schubärt nagelaten teeke-
ningen en manuscripten is verrigt. Uit dit rapport blijkt, dat,
volgens een door Prof. Mulder ontvangen brief van Mevr. de
weduwe van Eyndhoven, geene teekeningen van Schubärt’s hand
in de nalatenschap van haren overleden echtgenoot gevonden zijn;
dat de commissie zich voor alsnog niet met de Kon. Akademie
van wetenschappen of de Haarlemsche Maatschappij van weten-
schappen in verbinding had gesteld, omdat zij, niet wetende
waaruit Schubärt’s nagelaten stukken bestaan, geene bepaalde
aanvragen of voorstellen had kunnen doen; dat het, naar het
oordeel der commissie, alvorens een dergelijken stap te doen,
noodig zou zijn, dat dit of dat gedeelte van Schubart’s weten-
schappelijke nalatenschap voor publicatie werd gereed gemaakt,
opdat b. v. de Haarlemsche Maatschappij zou kunnen beoor-
deelen , voor welke uitgave men hare medewerking inriep; dat
het dus voor alsnog aan de heeren Mulder en Verloren moest
worden overgelaten, om Schubärt's manuscripten al vast gedeel-
telijk voor de pers gereed te maken, alvorens zich tot de Haar-
lemsche Maatschappij of wel Teylers Genootschap te wenden,
stellende de commissie aan de vergadering voor, dienovereen-
komstig te willen besluiten. De vergadering besluit dienover-
eenkomstig.
Thans wordt ter tafel gebragt de brief van den heer Nijhoff,
waarvan in het verslag van den President is melding gemaakt.
De vergadering magtigt den Voorzitter en Secretaris van het
Bestuur, om met den nieuwen uitgever van het Tijdschrift zoo-
danige overeenkomst voor de verdere uitgave aan te gaan als
zij noodig zullen oordeelen.
Bij acclamatie wordt het voorstel van Dr. Verloren aangenomen,
dat de een-en-twintigste algemeene vergadering zal gehouden
19 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
worden te Velp, en wanneer dáár ter plaatse geen geschikt
locaal voor de vergadering beschikbaar mogt zijn, alsdan te
Arnhem.
Tevens wordt bij acclamatie aangenomen een voorstel van Mr.
J. Herman Albarda, om reeds nu te bepalen, dat Zwolle voor
het jaar 1866 als vergaderplaats in aanmerking zal komen.
De Heeren Lodeesen en Kinker brengen verslag uit, dat zij
de rekening en verantwoording van den Secretaris nagezien,
met de bescheiden vergeleken, conform bevonden en goedge-
keurd hebben. De Voorzitter brengt hun deswege den dank der
vergadering toe.
De leiding der algemeene vergadering in 1865 te houden,
wordt door de leden opgedragen aan het lid Mr. J. Herman Albarda
van Leeuwarden, die zich deze keuze welwillend laat welge-
vallen.
Daar de wet alleen bepaalt, dat die vergadering in een der
zomermaanden zal gehouden worden, zullen de maand en de
dag nader door het Bestuur worden bepaald, in overleg met
den benoemden President der vergadering.
De Voorzitter stelt voor een brief van dankzegging te zenden
aan den heer Croiset voor zijne bereidwilligheid, om het portret
van Lyonet in de vergadering ten toon te stellen. Aangenomen
bij acclamatie.
De heer Kinker uit den wensch, dat voortaan de achter. het
verslag gevoegde naamlijst der leden, zoo veel doenlijk, worde
aangevuld met nadere opgave van woonplaats, alsmede van dat
gedeelte der entomologie, hetwelk ieder lid beoefent. Goedge-
keurd '.
De heer Grebner zou gaarne zien, dat aan den heer Croiset
vergunning werd gevraagd, om van Lyonet’s portret photographien
te mogen laten maken voor de leden der Vereeniging.
Mr. J. H. Albarda acht het daarentegen beter en stelt voor,
dat Lyonet’s beeldtenis in het Tijdschrift worde geplaatst.
Na eenige gedachtewisseling keurt de vergadering goed, dat
de heer Snellen van Vollenhoven, als President der redactie van
het Tijdschrift, zich omtrent het voorstel Albarda in verbinding
zal stellen met den heer Groiset te Amersfoort.
1 Voor zoo veel zulks nu rceds mogelijk was, is aan het genomen besluit gevolg
gegeven. Voor aanvullingen en verbeteringen zal bij het volgende verslag worden
gezorgd, wanneer de Secretaris daartoe door de leden zal zijn in staat gesteld.
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 15
De Voorzitter gaat alsnu over tot het verkoopen van de voor-
handen duplicaat-werken, vermeld in den oproepingsbrief ter
vergadering.
De heer Dr. M. C. Verloren wordt, als hoogste bieder, kooper van
Het Wiener Entomol. Monatschrift, Band 1 tot en met 7,
VOOR RO ONEENS e Ok, nf Ore
en Mr. W. Albarda van
Die Entomol. Zeitung, herausgegeben von dem
Entom. Vereine zu Stettin, Jahrg. 6 tot en met 12, voor - 7. —
Nadat de vergadering gedurende een korten tijd geschorst
was, volgen de wetenschappelijke mededeelingen.
De heer J. Backer Sr. deelt een en ander mede over de
hier te lande ondernomen kweeking der Antherea Yama-mai,
ten bewijze, dat deze dieren tegen ons klimaat bestand zijn.
Dit onderwerp geeft aanleiding tot eene nadere bespreking van
de sedert het vorige jaar gedane waarnemingen, genomen proeven
en verkregen uitkomsten. Verschillende leden, doch vooral de
heeren Dr. Verloren en Backer, voeren daarover het woord en
maken daarbij herhaaldelijk melding van hetgeen Mr. de Roo
van Westmaas hun als zijne bevinding ten deze had medege-
deeld. Allen waren het vrij wel eens, dat, hoewel de rupsen
zeer goed tegen ons klimaat bestand bleken te zijn, echter eene
kweeking in de open lucht van der jeugd af aan om verschil-
lende redenen niet raadzaam is te achten. Wij zullen hier, over
hetgeen als de beste wijze van kweeking werd beschouwd, niet
uitwijden, omdat men over dit onderwerp een afzonderlijk ge-
schrift in extenso mag te gemoet zien. Alleen teekenen wij hier
nog aan, dat de rupsen, die, zoo als herinnerd werd, te Parijs
met Robinia glabra zijn gevoed, bij het uitkomen zeer goed
kersenbladen eten, zoo als Dr. Verloren had waargenomen, of-
schoon dat blad later door haar versmaad werd. Een door
laatstgenoemden Spreker medegebragte volwassen Yama mai rups,
gaf hem aanleiding een en ander te zeggen over de zilveren
spiegels of vlekken, die men bij deze dieren boven den geel-
achtigen zijband op sommige geledingen waarneemt. Verleden
jaar hadden de meeste zijner rupsen veel grootere en talrijker
vlekken dan het vertoonde exemplaar, op hetwelk slechts enkele
kleine spiegels geteld werden. In het vorig jaar waren deze
integendeel zoo talrijk, dat ééne rups aan Spreker een en twinlig
zoodanige vlekken vertoonde. Dit jaar nu komen ze bijna niet
meer voor; eene opmerking, die ook door den heer Backer ge-
14 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
maakt is. Het is dus waarschijnlijk, dat deze zilver-spiegels,
bij opvolgende kweekingen bijna geheel zullen verdwijnen „ eene
waarschijnlijkheid, die Dr. Verloren verklaarbaar acht uit het
verschil van temperatuur, hetwelk tusschen ons land en Japan
bestaat.
Namens Mr. de Roo van Westmaas wordt door den Secretaris
aan de vergadering eene vlieg en eene wesp verloond, die in
meerdere exemplaren parasitisch hadden geleefd in de rupsen
van Bomb. Cynthia en welke wespen zich, bij het uitkomen uit
de cocons, een doortogt hadden gemaakt, deels door den weg
te volgen, die voor den vlinder bestemd was, deels door zich
eene opening te knagen in het cocon, al naar mate de plaats
was, waar de wesp de vlinderpop of de gestorven rups (want
enkele rupsen waren niet in poppen veranderd), verlaten had.
De vertoonde vliegen-soort was Phorscera concinnala en de sluip-
wesp Pimpla instigator.
De heer van Hasselt vertoont den leden een veertiental zeer
fraai uitgevoerde platen in chromolithographie, behoorende tot
het onlangs verschenen prachtwerk over tropische spinnen van
A. Vinson, geliteld Araneides des Îles de la Reunion, Maurice
et Madagascar, Paris, 1865, en geeft cen beknopt referaat over
den inhoud daarvan. De schrijver is geneesheer op het cerst-
genoemde dier eilanden; hij heeft zijn werk uitgegeven op kosten
dier Fransche kolonie, en het opgedragen aan de uit negen leden
bestaande Commissie van het natuurkundig Museum aldaar, voor
hetwelk hij sedert jaren spinnen en insekten verzameld had,
niet alleen op het eiland zijner inwoning en Maurice, maar ook
op Madagascar, werwaarts hij voor weinige jaren in ambassade
was medegezonden, bij gelegenheid der krooning van Radama II,
welke hem vrijheid gaf, om tot in het binnenland van dit we-
tenschappelijk nog zoo weinig bezocht eiland zijne zoologische
nasporingen in het werk te stellen, niet alleen op het gebied:
der araneologie, maar ook op dat der lepidopterologie, waarover
hij in de Comptes rendus de l'Académie des Sciences voor 1862
en 1865, reeds belangrijke mededeelingen had gedaan, inzon-
derheid over de Borocera Cajani, welke de zijde van Madagascar
oplevert. Ook op geologie, conchyliologie en ornithologie heeft
hij zieh daar toegelegd, doch daarover, alsmede over den
rijkdom der natuurlijke historie van dit eiland mogen wij zelven
eerlang meer belangrijke beriglen te gemoet zien van onze land-
genooten de heeren Pollen en van Dam, die voor eenige maanden
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 15
derwaarts zijn afgereisd, om voor ons beroemd Museum te
Leiden werkzaam te zijn.
Wat Vinson nieuws heeft geleverd, bestaat hoofdzakelijk in
het afbeelden, en wel zeer naauwkeurig en schoon , van ruim
een 40 tal nieuwe spin-soorten der bovengenoemde eilanden,
wier namen te vermelden het Spr. onnoodig voorkomt. Maar
bovendien geeft hij verscheidene belangrijke opmerkingen omtrent
de levenswijze dezer en andere tropische Araneæ, van welken
nog het volgende aanteekening verdient, en waarbij moet worden
opgemerkt, dat Schr. bekent, zeer veel in zijne araneologische
studiën te zijn gebaat door de menigvuldige aanteekeningen hem
nagelaten door den reeds eenige jaren overleden Office. v. Gez.
Dumont, die vóór hem de geneeskundige praktijk op Ile de
France had uitgeoefend.
Bij het vergelijken der spinnen, op de drie genoemde eilan-
den door Vinson aangetroffen, heeft hij gevonden, dat hare
Fauna door een’ gemeenschappelijken band wordt omgeven; in-
tusschen werd van den anderen kant ook bevonden, dat zij elk
voor zich ten deele eene afzonderlijke Fauna araneina bezitten.
Onder anderen moet Spr. ten dezen de bijzondere opmerkzaam-
heid vestigen op het voorkomen alleen op Bourbon van een
bijzonder genus, waarvan hij nog slechts zeer enkele malen cen
exemplaar eener enkele soort aantrof, t. w. van het nieuwe ge-
slacht Arachnoura, Spec. scorpionoides. Dit zeldzame diertje
gelijkt uitermate veel op eene kleine bruine scorpioen, door het
bezitten eener vliesachtige staart, die echter niet alleen naar den
rug, maar ook naar de buikzijde kan worden omgebogen. Daar
de spintepels zich niet aan het uiteinde van dezen, maar onder
aan den buik bevinden, en er geen bijzonder uitsteeksel, dat
als wapen dienen kan, aan is op te merken, weet hij niet
waartoe dit appendix dient. Deze spin, die overigens tusschen
‘het Genus Epeira en Plectanus kon worden geplaatst, biedt
wijders weder een merkwaardig nieuw voorbeeld aan van den
overgang tusschen verwante diergroepen of klassen, hier tusschen
de Araneiden en Seorpioniden.
Eene tweede, als algemeen beginsel nieuwe, waarneming van
Vinson heeft betrekking op zijne verdeeling der aranea in nacht-
en dagspinnen, waarvan tot hiertoe, volgens hem, in enkele
Drassiden , zoo als de Drassus nocturnus en de D. lucifugus,
slechts enkele voorbeelden bekend waren. Volgens hem, komen
er veel meer voor, en zijn er zelfs onder hetzelfde geslacht be-
16 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
paalde soorten, die alleen over dag, anderen, die alleen des
nachts werkzaam zijn. Hij meent zelfs, dat zij aan bepaalde
karakters te herkennen zijn. Zoo zouden de Nocturne meer
behaard en donker van kleur zijn, zonder glans of schoonheid,
en meer in donkere schuilhoeken leven. Als nachtspinnen noemt
hij de Scytodes-soorten', de Oliossen, de Pholci, de Uloborus,
de Selenops en vooral sommige Epeire. Door de laatsten
kwam hij tot zijne ontdekking. Eens des avonds zag hij eene
groote Nephila op hare cirkelvormige webbe van meer dan een
Ned. el groot. Geen tijd hebbende haar te vangen, wachtte hij
tot den volgenden morgen. Toen overdag daar terug komende,
stond hij zeer verbaasd, noch spin, noch web terug te vinden.
Den volgenden avond weder die plek bezoekende, was alles
tegenwoordig. Herhaalde malen overtuigde hij zich van dezelfde
verandering, die plaats schijnt te vinden, door dat de spin in
den morgenstond het den vorigen avond gemaakte net zelve
schijnt op te ruimen, en zelfs daarvan het grootste gedeelte der
draden op te eten! eene veronderstelling, welke niet te zeer
verwonderen moet, daar Spr. zelf zulks herhaaldelijk ook door
onze kruisspinnen, jonge vooral, heeft zien verrigten. Wanneer
men de bedoelde Epeiræ met eenige vlinders of andere insekten
in eene flesch opsluit, doen zij dezen over dag niet aan, doch
in den morgen vindt men er alleen de overblijfselen van.
Op Bourbon en Ile de France zijn aan den Schr. geene be-
paald giftige spin-soorten bekend, zelfs de grootste Epeir«e
(Nephilæ) aldaar zijn het niet noemenswaardig. Op Madagascar
staat er echter meer dan eene in zeer kwaden reuk. Onder
anderen wordt de Thomisus foka (Vinson) uitermate gevreesd;
ofschoon zij slechts 12 strepen lang is, zou haar beet eene
algemeene zwelling van het ligchaam en den dood veroorzaken.
Evenwel heeft hij zich daarvan niet zelf overtuigd, doch wel
nam hij waar, dat groote Coleoptera en Hymenoptera, die hij
bij haar in eene flesch had gedaan, er merkwaardig spoedig
door werden gedood (comme foudroyés). Niet minder berucht
is op dit eiland de Menavodi, wier beten soms doodelijke flaauw-
ten «zouden» te weeg brengen, na algemeene koude rillingen.
Het verdient bijzondere opmerking, dat deze spin-soort ook in
+ Onze Scytodes thoracica, hoezeer veelal verborgen levende, heb ik echter
meer dan eens, op het midden van den dag, zich tegen een’ zonnigen muur in de
buitenlucht zien begeven, VEE:
È
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 17
Europa en in Amerika evenzeer gevreesd wordt, onder anderen
op Corsika en op Guracao. Het is hem gebleken, dat zij eene
Latrodectus-soort is, en hij noemt haar, onder opgaaf, dat hij
haar het eerst heeft gedetermineerd, ZL. Menavodi; doch het
komt Spr. hoogst waarschijnlijk voor, zoo wel uit de beschrijving
als de afbeelding, dat zij dezelfde spin is, of slechts eene
variëteit van de Curacaosche Oranje-spin, die onder de benaming
van Latrodectus malmignatte var. Curassavica, voor een paar jaren
door hem in dit Tijdschrift als zoodanig is bepaald. (Zie jaargang
1860, of Deel III, bl. 46.) Hoezeer Vinson ook voor deze spin
geene gelegenheid heeft gehad, hare uitwerkselen gade te slaan,
zegt hij er toch van (in tegenstelling met Spreker’s historische na-
sporingen daarover), dat zelfs verlichte Europeanen daar te lande
allen hierin overeen komen, dat hare beet «un danger réel »
na zich sleept.
Eene zeer belangwekkende beschrijving geeft Vinson van het
voorkomen op de genoemde eilanden van verscheidene soorten van
kleine parasitische spinnen, die op de webben der groote Nephile
niet alleen trachten hare prooi te vinden in den afval van de
door deze gedoode insekten, maar daar ook veiligheid zoeken
tegen de Colibris, die haar in de sterke netten van hare gast-
vrouwen niet durven komen opzoeken, als wordende daarin
anders soms zelve gevangen, gelijkerwijze de waarheid daarvan
ook door den Schrijver uit eigene herhaalde aanschouwingen wordt
bevestigd. Zij leven gezellig en maken hare kleine webjes vast
aan de hoofddraden van die der groote Epeiræ, welke zich om
haar volstrekt niet schijnen te bekommeren, hetgeen vreemd
genoeg klinkt, dewijl zij somtijds de cocons van hare gastvrouwen
aandoen of de daaruit pas ontwikkelde jongen bemagtigen. Het
zijn zeer fraaije en met helder witte of gele kleuren blinkende
Linyphia-soorten, door den Schrijver genoemd ZL. parasita,
L. zonata en L. argyrodes. De laatste is nog daarom opmerke-
lijk, dewijl haar abdomen een’ schitterenden zilverglans vertoont
en op vischschubben of liever op een bolletje kwik gelijkt,
hetgeen door Spreker, in een drietal exemplaren van dit schoone
spinnetje (of althans van eene zeer naauw verwante soort), aan
hem uit Java door den heer A. Andréas vriendschappelijk toe-
gezonden, aan de vergadering wordt vertoond.
Omtrent de reeds meermalen genoemde groote Epeiriden dezer
eilanden, vooral de £. (Nephila) nigra, inaurala en madagas-
cariensis, vestigt de Schr. de bijzondere opmerkzaamheid op de
2
18 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
mogelijkheid, door velen reeds vroeger voor anderen geroemd,
om daaruit voordeel te trekken tot de zijde-teelt. Afwijkende
van het oudere denkbeeld, om daartoe bepaaldelijk hare cocons
alleen te bezigen, beweert hij, dat men van deze spinnen nog
op eene geheele andere wijze, en niet tijdelijk maar voortdu-
rend, zijde kan winnen. Men behoeft daartoe eenvoudig haar
abdomen even te drukken en het spinrag vast te hechten aan een’
haspel, om dagelijks daaruit eene ruime hoeveelheid draden af
te spinnen van zeer fraaije donkergele of oranjekleurige zijde,
door welke bewerking de dieren volstrekt (?) niet schijnen te
lijden, terwijl zij daarna in vrijheid worden gesteld, om binnen
kort weder te dienen. Deze arbeid kan zeer goed in het groot
worden gedreven, daar de genoemde spinnen gezellig leven ; en
daar zij groote temperatuur-verschillen kunnen doorstaan, zouden
zij misschien zeer wel in Europa kunnen worden ingevoerd.
Het spinsel der webben en cocons dezer Epeiriden is van ver-
schillende kleur; zeer schoon zijn de webben van sommige
Nephile, wier circulaire draden anders gekleurd zijn dan de
radiaire. Ook zeer fraai zijn eenige geheel of ten deele anders
gekleurde cocons, in de nabijheid der netten of op deze opge-
hangen, soms in den vorm van eene rei slangeneijeren, of bij
groot aantal en klein volumen te vergelijken met een paternoster
of rozenkrans, zoo als dit laatste bij de om die reden dusge-
noemde Epeira Sancti Benedicti het geval is, alsmede eeniger-
mate bij de Z. Opuntie. Zeer bijzonder echter is de ontdekking
van Vinson der beteekenis van eenen afzonderlijken draad, die
reeds door anderen was opgemerkt, doch niet begrepen , welke
gemeenlijk in het midden der webbe van Epeira Mauritia hangt.
Die draad is zilverwit, veel zwaarder dan de anderen. en in
zig-zag verloopende, ter lengte van 2 tot 5 duim. Toevallig
nam Vinson bij herhaling waar, dat deze draad beschouwd moet
worden, volgens zijne uitdrukking, als een «réserve-kabel»,
alleen dan door dit spinnetje te bezigen, wanneer een meer dan
gewoon groote of sterke prooi in zijn nel is geraakt.
Aan het spinnen van sommige soorten heeft de schrijver
verder zijne oplettendheid gewijd, onder anderen aan dat der
Tetragnatha protensa. Deze spreidt haar net gemeenlijk uit over
het water van een of ander beekje, als het ware van de eene
zijde tot de andere, eene brug vormende tusschen de water-
planten. Hij meent te hebben waargenomen, dat deze, bij het
naderen van onweders of zware regenbuijen, waardoor het water
=
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 19
op eens sterk wast en haar web zou worden weggespoeld, tijdig
hare draden bijeen trekt, om zich op eene hoogere plaats in
veiligheid een zekerder net te weven.
« Jamais,» zegt Vinson, «eelte aranéide ne se laisse sur-
« prendre par l'orage», en hij meent, hierin het voetspoor vol-
gende van den bekenden arancoloog Quatremère d’Isjonval, dat
zij voor de meteorologie niet minder zekerheid verschaffen kan
dan de barometer !
In het algemeen weet men, dat bij uitzondering van zeer
enkele spinnen (bepaaldelijk de Argyroneta aquatica) de man-
netjes kleiner zijn dan de wijfjes; zeer buitengewoon echter
zegt Vinson, dat dit verschil bij eenige der grootste Nephilæ
zijner eilanden wordt waargenomen, en hij vestigt meer speciaal
de aandacht op de £. (Nephila) inaurata en de E. (Nephila)
nigra. Van de laatste, waarvan het 9 45 mm. lang is, meet
het Z slechts 5 mm., en van deze laatste zegt hij: «rien de plus
«disparate, que de voir la petitesse du male de l’Epeire noire,
«auprès du volume énorme de la femelle». Wanneer bij andere
soorten de copulatie is geschied, zoo weet men, dat de man
liglelijk de prooi wordt van het vrouwtje; juist de kleinheid
der genoemde mannetjes maakt, dat zij, onder dezelfde omstan-
digheden, deze kwade kans veel vaker ontkomen, daar zij zich,
zelfs op het ligchaam der wijfjes zelve, tegen de aanvallen van
dezen weten zeker te stellen. Van de £. nigra schrijft hij ten
dezen het volgende: «Il se promène sur elle, marche sur ses
«côtés, fuit rapidement en se laissant glisser le long de ses
«longues pattes, comme le long d'un cable lorsqu'il redoute
«sa colére; il se refugie méme sur le milieu de son dos, pour
«échapper à son alteinte», etc.
De uitvoering van het werk, vooral de roijaal groote druk
en de schoone platen, wordt ten slotte door Spreker bijzonder
geprezen.
Hierna vertoont de heer van Hasselt nog aan de leden een
exemplaar op spiritus van Geophilus electricus, voor eenigen tijd,
volgens mededeeling van den heer J. B. Dompeling, Med. Br. te
Utrecht, levend uit den neus ontlast bij eene vrouw, welke
reeds lang aan pijn in het voorhoofd had geleden, die daarna
wel eenigzins verbeterd, doch niet geheel geweken is. Het is
bekend, dat er ook voor dit insekt, als voor andere dieren,
meer voorbeelden van gelijksoortigen aard beschreven zijn.
(Vergel. o. a. Fr. Tiedemann, Von lebenden Würmern und In-
20 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
sekten in den Geruchsorganen des Menschen, 1844.) Hoewel
daaromtrent bij velen groote twijfel bestaat, moet Spr. evenwel
doen opmerken, dat er tegenwoordig zoo vele analoge en authentieke
gevallen bekend zijn van het levend ontlasten van vliegenlarven
uit den neus in de tropische gewesten, dat de mogelijkheid
daarvan ook voor duizendpooten en welligt andere insekten niet
te zeer mag worden ontkend. Hij geeft intusschen voor de ge-
noemde dieren, als zijn bepaald gevoelen op, dat deze verblijf-
plaats door hen, meer dan waarschijnlijk, alleen wordt verkozen
bij personen, welke reeds te voren aan neusverzwering (ozænu)
leden, door de stinkende uitwasemingen waarvan zij naar deze
voor hen anders zoo vreemde plaatsen kunnen worden gelokt.
Misschien zal hij over dit onderwerp in het Tijdschrift voor
geneeskunde later meer in het breede handelen.
Na nog, door het reeds zeer bekende school- of hund micro-
scoop, hem door den heer von Rappard aan de hand gedaan, de
zeer fraaije pootkammetjes van een der kleinste Micryphantes-
soorten te hebben laten bezigtigen, eindigt hij zijne voordragt.
De heer Grebner moet tot zijn leedwezen mededeelen, dat
de rupsen van Taleporia pseudobombycella, waarover hij in de
vorige vergadering gesproken heeft, allen gedurende de overwin-
tering zijn gestorven , zoodat hij zijne waarnemingen niet verder
heeft kunnen voortzetten. Vervolgens vertoont hij een’ vlinder
van Liparis Salicis met verharden rupsenkop, hetgeen Mr. J.
H. Albarda aanleiding geeft mede te deelen, dat hij vroeger
eene dergelijke monstrositeit aan een’ vlinder van Bombyx Mori
heeft waargenomen. De rups van het vertoonde exemplaar van
Lip. Salicis was verpopt zonder den hoornachtigen kop kwijt te
raken. Aan de pop ontbraken de sprietscheden. Twee voor-
werpen van Arctia lubricipeda, het eene buitengewoon sterk ge-
teekend „ het andere bijna zonder teekening, worden door Spr.
vertoond , als een bewijs hoezeer individuën eener zelfde soort
onderling in kracht van teekening kunnen verschillen. Eindelijk
laat Spr. zien een mannelijk voorwerp van Apamea arcuosa Haw.
door den heer Th. van Veerssen onder meer anderen, op
8 Julij 1865, te Nieuwer-Amstel gevangen '.
1 Cf. DI. IV, p. 39 en VI, p. 166. Het wijfje dezer soort is hier te lande nog
niet gevangen. Ben ander g werd mij later vertoond door den heer Grebner, hetwelk
hij op 6 Augustus 1864 gevangen had bij Zutphen, op eene met riet begroeide plek,
in een bosch bij het huis te Velde bij Warnsveld, D. G.
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 21
De heer Lodeesen laat eene doos rondgaan met eenige zeer
fraaije zeldzame inlandsche vlinders, waaronder bijzonder de aan-
dacht trekt eene mannelijke varieteit van Satyrus Semele, door
een jeugdig verzamelaar, den heer D. H. Roodhuyzen HGzn. uit
Amsterdam, den 24 Julij 1864, onder een aantal voorwerpen
der stamsoort , op eene open plaats in een dennenbosch gevan-
gen, aan den straatweg tusschen Doorwerth en Renkum. Het
exemplaar is zeer frisch en in alles aan den type gelijk, met
uitzondering van den linker ondervleugel, die fijner beschubd,
doorschijnender en lichter gekleurd is dan de regter ondervleu-
gel. De afwijkende, witgraauwe kleur verspreidt zich vooral
over de buitenste helft en langs den binnenrand der vleugels,
zoowel op de boven- als onderzijde, terwijl de gewone teekening
daarop slechts bleek uitkomt.
De heer Kinker laat eenige voor onze Fauna nieuwe vlinder-
soorten zien, meest Microlepidoptera, deels door hem zelven,
deels door het lid Weijenbergh verzameld. Zie Bijlagen B en C!.
Ook de heer Baron Lewe van Middelstum heeft eenige Lepi-
doptera, door hem te Beek bij Nijmegen gevangen en aldaar
zeldzaam voorkomende, ter vergadering medegebragt, van welken
eene merkwaardige varieteit van Liparis dispar 4, door hem
aan de collectie der vereeniging wordt ten geschenke gegeven.
De heer P. C. T. Snellen zegt het volgende: «Ik heb het
genoegen u hierbij eenige soorten van Lepidoptera te vertoonen,
die nog niet als inlandsch zijn bekend gemaakt.
Het zijn de volgenden :
(Zij zijn vermeld in Bijlage B.)
Vervolgens heb ik nog van twee voorwerpen melding te
maken.
Het eene is eene Noctuide en wel Zeucania Loreyi Duponchel
(Herr. Schaeff. Syst. Bearb. d. Schmelt. von Europa, Deel II,
p. 255, f. 509, 514). Reeds voor eenige jaren ontving ik daar-
van een exemplaar ter determinatie van ons gewezen medelid
C. Brak. Hij gaf mij op, dat hij het bij Amsterdam, in de
maand Junij des avonds gevangen had. Ik maakte toenmaals
1 Ten einde een geregeld overzigt te geven van de soorten, die sedert de lijsten
van Macrolepidoptera in DI. VI van dit Tijdschrift en van Microlepidoptera in de
Bouwstoffen als inlandsch ontdekt zijn, zullen in ’t vervolg de nieuwe soorten bijeen
verzameld achter elk verslag worden gevoegd, In den tekst van het verslag blijven
zij dus voortaan onvermeld.
99 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
bezwaar de soort als inlandsch op te geven, omdat ik eene ver-
gissing omtrent de herkomst van Brack’s exemplaar vermoedde,
daar L. Loreyi tot dus verre alleen uit het zuiden van Europa!
bekend was. Onlangs echter las ik in een Duitsch werk’, dat
men deze Leucania ook bij Hamburg had gevangen en, zonderling
genoeg, evenmin regt geloof kon slaan aan de indigeniteit in
Duitschland en het voorkomen bij Hamburg slechts voor toevallig
hield. Uit dit tweede voorbeeld van het vinden dezer soort in
het noorden van Europa, meen ik echter te kunnen opmaken,
dat Brak geene vergissing heeft begaan, noch het voorkomen in
ons land abnormaal is en men Z. Loreyi Dup. dus gerust in de
lijst onzer Lepidoptera kan opnemen *.
Het andere voorwerp is de zak eener Psyche, waarvan door
den heer Backer Jr. bij Wolfhezen, op de heide, twee exem-
plaren zijn gevonden. Zij waren beiden ledig. Waarschijnlijk
is het de zak van Psyche opacella H.S., te oordeelen naar zijne
afbeelding daarvan in zijne Neve Schmetterlinge aus Europa,
Raupen und Säcke fig. 2 en 5».
Dr. Piaget biedt voor de verzameling der Vereeniging ten ge-
schenke aan, een honderdtal zeer zorgvuldig door hem voor het
microscoop geprepareerde voorwerpen van parasitische insecten ,
allen op slechts eenige weinige uitzonderingen na gedetermineerd
en met opgave van de woningsdieren, welke voor het grootste deel
uit inlandsche vogels bestaan. Dit keurig net bewerkt en met
uitnemende zorg behandeld geschenk, voldoet ten eerste aan eene
groote leemte in de verzameling der Vereeniging en vult ten
andere op ruime schaal de lijst aan van. Parasitica indigena,
vroeger door den heer Maitland in de Bouwstoffen bekend ge-
maakt *.
De Voorzitter brengt den heer Piaget den warmen dank der
Vergadering voor deze hoogstbelangrijke bijdrage en beveelt de
collectie in zijne voortdurende belangstelling aan.
1 Guenée, Noctuel. V, p. 84, geeft op, dat deze soort voorkomt in het zuiden |
van Frankrijk, Spanje, op Java en in Brazilie.
: Die geographische Verbreitung der Schmetterlinge Deutschlands und der
Schweiz von Dr. Adolf Speyer und Aug. Speyer. II, pag. 290.
5 In the Entomologists Annual voor 1864 wordt ZL. Loreyi D., ook als in
Engeland gevangen, opgegeven.
* De lijst der soorten, waaruit het geschenk van Dr. Piaget bestaat, vindt men
achter dit Verslag, Bijlage D.
DER NEDEKLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING, 29
De heer van der Wulp laat cenige Diptera zien, die in den
laatsten tijd als nieuw voor onze Fauna zijn ontdekt. Bijlage E.
Met betrekking tot de daaronder voorkomende Agromyza latipes
Meig., meldt de heer van der Wulp met een woord, dat de
soort, die onder gelijken naam ook door Zetterstedt beschreven
is, doch zonder Meigen te citeren, werkelijk ook dezelfde is, en
de citatie waarschijnlijk alleen er bij vergeten is. Deze soort wijkt
naar Sprekers inzien, te veel af van de overige Agromyzen, om
daarmede in één geslacht te kunnen blijven; zij onderscheidt
zich, behalve door de zeer sterke verbreeding der achterscheenen ,
door den vooruitstekenden, met haakvormig teruggeslagen lippen
voorzienen zuiger; de knevelborstels zijn kort en de borstels van
het voorhoofd zijn zwak en mede niet zeer verlengd ; het korte
aangezigt en in 't algemeen de vorm van den kop herinnert aan
Madiza en Siphonella. Spr. bezit de soort, die zeldzaam schijnt
te wezen, behalve in het exemplaar dat hij zelf ving, nog in
een paar exemplaren afkomstig van Prof. Ruthe uit Berlijn.
Fen Duitsch exemplaar van Pedicia rivosa Linn., dat mede door
den heer van der Wulp aan de leden vertoond werd, gaf aan-
leiding tot het opmerken , dat die fraaije soort werkelijk ook in
ons land voorkomt: bepaaldelijk werd Beek, bij Nijmegen, aan-
geduid, als de plaats waar zij door de leden Baron Lewe en
S. van Vollenhoven gevangen is.
Mr. H. Verloren treedt de vergadering binnen.
De heer Six spreekt over twee Aphiden, die hij gevonden heeft,
en de larve van een Dipteron.
De heer H. W. de Graaf doet opgave van eenige Tortricinen,
die hem in den laatsten tijd ter determinatie zijn toegezonden
en nieuw zijn voor de Fauna van ons land. Bijlage C.
De heer Snellen van Vollenhoven zegt ongeveer het volgende:
«Sedert ik u, M. H.! op eene vorige vergadering eenige
opmerkingen mededeelde over de vleugelschubbetjes van den
wapendrager-vlinder, heb ik meermalen in verschillende werken
nagezien of ik ook eenige uitvoerige en vergelijkende beschrij-
ving der schubben van Coleoptera kon aantreffen. Bij Lacordaire
in zijne Introduction, de algemeene werken van Burmeister en
Kirby en Spence vond ik niets dan zeer oppervlakkige opgaven ,
waaruit mij wel bleek, dat zij de gedaante en den bouw dier
schubben niet zelven onderzocht hadden, en vruchteloos zocht
ik in andere werken naar eenige opgaven betreffende dit onder-
werp. Ik besteedde daarop eenige ledige uren in het beschou-
94 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
wen en afteekenen van torren-schubbetjes, hopende een werk te
hebben opgevat, dat, als nog niet door anderen behandeld,
misschien eenig nieuw en merkwaardig resultaat kon opleveren.
Het kwam mij voor dat de vorm en structuur der meeste
schubbetjes, die ik onderzocht, grootere overeenkomst hadden met
die der haren van Coleoptera of insecten in het algemeen .dan
wel met die der vleugelschubben van Lepidoptera; zelfs vond ik
dat de bekleeding van Staphylinen en van soorten van het ge-
slacht Trichius kennelijk uit haren bestond en dat bij eenige
Elateriden en Saperda de schubben, indien het schubben mogten
genoemd worden, al zeer weinig van laatstgenoemde haren ver-
schilden. Bij andere Elateriden evenwel en bij vele soorten van
Snuitkevers vond ik eene bekleeding, die ik met geene betere
benaming dan met die van schubvormige wist aan te duiden.
Terwijl ik zoo nu en dan eens keverschubbetjes onder het
microscoop beschouwde zonder echter geregelde waarnemingen
te doen, kwam uit Zwitserland te Leyden dezelfde heer von
Rappard, over wien de heer van Hasselt daar straks gesproken
heeft en vertoonde op ’s Rijks Museum, zijne microscopen en
preeparaten. Op mijne vraag, betreffende observatien van schub -
betjes, deelde hij mij mede, dat hij zich herinnerde eenmaal een
opstel in het Duitsch over dit onderwerp gezien te hebben; —
en eenige weken na zijn vertrek uit Holland had hij de bijzon-
dere beleefdheid, mij het door hem bedoelde werkje toe te
zenden. Het is eene dissertatie, die ik de eer heb hierbij ter
tafel te leggen; de titel luidt: Microscopische Untersuchungen über
die Käfer-Schuppen ; Habilitationsschrift von Dr. H. Fischer,
Privatdocent an der Universität zu Freiburg in Breisgau. Opgave
van drukplaats en jaartal ontbreken; het werk is in 4°, in 2
kolommen, met een klein plaatje en schijnt een overdruk uit
Oken’s Isis.
De Schrijver beklaagt zich eerst daarover, dat hij bij geen
entomologisch auteur iets meer dan zeer oppervlakkigs over zijn
onderwerp gevonden heeft en loopt dan de orde der Coleoptera
bij familien door, telkens den vorm der bekleeding behande-
lende; bij de Curculioniden gekomen, vergelijkt hij de schubben
bij die der vlinders, geeft daarbij een uittreksel uit het werk
van Bernard Deschamps over deze laatsten in de Annales des
Sciences naturelles’, en behandelt verder de Coleoptera tot aan
2 1835. Deel III, p. 111—137, plaat 3 en 4.
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 25
de laatste familie toe. Fischer is vrij omslagtig en geeft veel,
dat niet tot zijn onderwerp behoort. Voor ons is meer bepaal-
delijk gewigtig, dat hij onder de torrenschubbetjes vijf verschil-
lende typen heeft waargenomen, namelijk: 1°. de door hem
genoemde Muschelschuppen bij Cneorhinus, Tychius en vele
andere snuitkevers; 2°. de Metall-Blattschuppen bij Polydrosus,
Entimus en andere snuitkevers; 5°. de Granulations-schuppen bij
Melolontha, Hoplia en Plinus; 4°. de Haar- und Zottenschuppen
bij vele Curculioniden en bij Valgus, eindelijk 5°. de Faser-
schuppen bij Anthrenus. Bij de drie eerste typen geeft de
schrijver op, dat hij insertie door steeltjes heeft waargenomen.
Ofschoon ik nu nog geene, zelfs maar eenigermate volledige
waarnemingen over dit onderwerp heb gedaan, zoo mag ik toch
niet verzwijgen, dat mij deze laatste bewering van Fischer bij-
zonder vreemd voorkomt, omdat het mij niet is mogen gelukken
bij eenig schubbetje van kevers, hoe ook genaamd, een steeltje
aan te treffen. Zelfs bij de squame, die het naast in vorm
tot die der vlinders naderden, heb ik geen steeltje kunnen waar-
nemen en bij analogie redenerende naar die schubben, bij welke
ik de insertie heb waargenomen, zou ik tot de conclusie komen,
dat den schubbetjes der Coleoptera altijd de steeltjes ontbreken, -
die men zoo duidelijk bij die der vlinders opmerkt.
Met weinige woorden wil ik opgeven wat ik gezien heb.
Bij Entimus imperialis trof ik den vorm aan, die het meest
met de gedaante van eenige vlinderschubbetjes overeenstemt. Zij
zijn lancetvormig, aan eene zijde tamelijk scherp uitloopende ,
doch kennelijk zonder steeltje , onregelmatig naast elkander ge-
schikt en slechts zelden elkander bedekkende. Ik moet hier nog
bij aanstippen, dat helder rood, geelachtig groen en zuiver
blaauw prismatisch, doch onregelmatig en in vlekken, met
elkander afwisselden.
Bij Rhigus Germari, mede een van de fraaist gekleurde Cur-
culioniden, vond ik de schubbetjes van een veel breeder ovaal,
aan de eene zijde meest hoekig, insgelijks ongesteeld en door
prismatische kleuren rood, geel, groen en blaauw bontgevlekt.
De schubbetjes op de pooten van dit insect hebben wel denzelf-
den vorm, doch schijnen langwerpig ten gevolge van de menigte
haren, die tusschen de schubbetjes, wier randen elkander niet
raken , ingeplant zijn.
Bij voorwerpen tot het geslacht Hoplia behoorende, vond ik
de schubben, gelijk ze bij Fischer beschreven zijn, namelijk
96 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
afgerond vierhoekig en niet, gelijk de vorigen, met langsgroefjes
of streepjes voorzien , maar van eene korrelig schijnende opper-
vlakte, of ’t geen men noemt squame granulate. Ook hier
was het mij niet mogelijk de wijze, waarop zij ingeplant zijn,
duidelijk te zien, doch was tevens geen steeltje hoegenaamd
waar te nemen.
Uit de familie der Elateriden beschouwde ik de schubbetjes
van Elater limbatus en murinus. Bij de eerste soort vond ik
twee verschillende vormen, die van den discus, groen op zwarten
grond, waren korter, ietwat breeder, spatelvormig, aan eene
zijde als afgekapt en lieten vrij groote tusschenruimten tusschen
elkander overig; die van den limbus, wit van kleur, waren
langer, smaller en geheel tegen elkander aangedrongen, zoodat
zij hier en daar elkander bedekten. De squame van Zlater
murinus hadden eene zeer bijzondere gedaante , namelijk : zeer
langwerpig, gebogen, kegelvormig, aan eene zijde uiterst fijn
uitloopende , aan de andere zijde als afgescheurd; zij waren
overlangs van uiterst fijne lijntjes of groefjes voorzien. Opmer-
kenswaardig was hierbij, dat de inplanting zich aan het breede
einde bevond, ’t geen juist het tegenovergestelde is van wat bij
de Lepidoptera plaats grijpt; overigens was van een steeltje ook
hier niets te zien.
Men zal gereedelijk willen erkennen, dat deze vorm dien der
breedere of plattere haren van sommige zoogdieren nadert. Nog
sterker springt dit in ’t oog bij de bekleeding van Saperda
populnea, op wier dekschilden lange en smalle, eenigzins gebo-
gen schubben zijn ingeplant, die ieder onbevooroordeelde met
den naam van haren bestempelen zal, te meer omdat de in-
planting aan het dikke uiteinde zonder steeltje duidelijk te her-
kennen is.
Doch de groote overeenkomst tusschen keverschubben en haren,
om niet te zeggen de identiteit van beide, komt het duidelijkst
uit bij de bekleeding van torren uit de familie der Melolonthi-
den. De schubbetjes van Melolontha fullo, die afzonderlijk met
het ongewapend oog reeds te herkennen zijn, hebben eene
gebogen priemvormige gedaante, liggen op tamelijken afstand van
elkander, zijn ongegroefd of ongestreept en wit of geelachtig wit.
Wanneer men een klein stukje van de opperhuid van het dek-
schild zoodanig onder het microscoop plaatst, dat men het op
zijde beziet, zal men duidelijk bespeuren dat elk schubbetje met
het dikke einde ingeplant is in een groefje met eenigzins op-
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 97
opstaanden rand. Van een steeltje is daarbij niet alleen niets te
bemerken, maar voor cen steeltje zou door deze inrigling ook
geene genoegzame ruimte zijn overgelaten. daar de schubben
als uit putjes schijnen te voorschijn te komen. Mijns inziens mag
men bij de groote analogie, die tusschen deze huidbekleeding
en die der harige bladsprietkevers bestaat, aan deze zoogenaamde
schubben den naam van haren wel toekennen. De breedere en
platte schubbetjes zouden dan volkomen overeenstemmen met de
haren of uitsteeksels door Prof. J. van der Hoeven bij het kleine
Hemipterum Periphyllus Testudo* waargenomen.
De overeenkomst tusschen haren en schubben bij de torren
blijkt ons mede ten duidelijkste wanneer wij de bekleeding van
Cneorhinus Coryli en Sciaphilus muricatus beschouwen. Daar
toch vinden wij tusschen de gewone, platte en in de lengte
gestreepte schubben andere voorwerpen ingeplant, die zich in
de gedaante van knodsen of sabeltjes daartusschen verheffen.
Dat deze voorwerpen geene gewone haren zijn gelijk die der
zoogdieren zal ieder terstond toegeven, wanneer hij let op de
dunheid van het voorwerp: aan de inplanting en aan de relatieve
dikte digt bij de spits; zij kunnen evenwel ook zeer moeijelijk
in de cathegorie der schubbetjes gebragt worden, wanneer wij
als typisch voor schubben de gedaante der vlinderschubbetjes
aannemen en de grootere overeenkomst met haren springt ieder
in het oog.
Ik erken dat deze mijne aanmerkingen, als niet gebaseerd op
eenig anatomisch onderzoek der structuur van de verschillende
door mij behandelde voorwerpen, slechts van geringe waarde zijn,
doch zij geven mij desniettemin aanleiding tot de veronderstel
ling, dat de zoogenaamde schubbetjes der kevers meer overeen-
komst hebben met de haren van verschillende dieren, dan met
de vleugelschubbetjes van Lepidoptera. »
Dezelfde Spreker vertoont aan de leden een om zijne regel-
matigheid zeer merkwaardig driehoekig spiraalvormig kokertje,
waarschijnlijk van eene Phryganea-larve, uit Borneo, alsmede
eenige teekeningen van insecten voorstellende :
1°. eene zeer langhalzige soort van Apoderus uit Sumatra,
wiens kop alleen meer dan 5/4 uitmaakt van de lengte
des ligchaams van den hals tot den anus;
ı Zie dit Tijdschrift, Deel VI, bl. 1, pl. 1.
28 VERSLAG VAN DE TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING
9°, eene Tetrix-soort van het eiland Gebeh, welke met toe-
gevouwen achterpooten de allersprekendste gelijkenis op-
levert met eene Limosa onder de vogels, b. v. onze ge-
wone Grutto, en die overigens na verwant is aan Tetrix
cephalica de Haan;
5°. het muziekorgaan van eene bijzonder groote soort van
Mecopoda uit Pengarong in Borneo, ’t welk grooter en
forscher van bouw was dan dat van alle tot heden waar-
genomen sprinkhanen.
Daar deze verschillende dieren door den heer S. v. Vollen-
hoven nader zullen beschreven worden, kunnen wij hier met de
enkele vermelding volstaan.
Dezelfde Spr. deelt nog mede, dat ‘s Rijks museum van
natuurlijke historie te Leyden onlangs uit Waigeoe, een der
Papoea-eilanden , ontvangen had een’ reusachtigen sabelsprinkhaan ,
behoorende tot het geslacht Phylloptera van Serville , hebbende
van het voorhoofd tot aan de tippen der vleugels eene lengte
van 15 Ned. duim. Voorts vestigde hij de aandacht der leden
op het voorkomen van oranje-gele larven van bladwespen binnen
de toppen van rozenstengels en van bijna pootlooze larven van
eene andere soort van Tenthredines binnen ronde blazen in elzen-
bladen. Eindelijk meldde hij nog, dat onlangs de heer Drewsen
van Kopenhagen hem het volgende feit medegedeeld had, dat
Spr. meende aan de Nederlandsche entomologen nog onbekend
te zijn. Sirex juvencus, de staalblaauwe, ook bij ons tamelijk
veelvuldig voorkomende boorwesp, leeft uitsluitend in de stam-
men en takken van de grove den (Pinus sylvestris), terwijl eene
zeer na verwante, tot heden niet goed onderscheiden soort , bij
wie de donkerblaauwe kleur zeer sterk naar het groene trekt,
uitsluitend in sparrenboomen (Pinus abies) leeft. Spr. hoopte,
dat de leden, die daartoe in de gelegenheid mogten zijn, hunne
aandacht op dit verschijnsel zouden willen vestigen en nagaan
vooreerst of de groenachtige soort ten onzent ook voorkomt, en
ten andere of zij hier te lande ook uitsluitend in sparrenhout
aangetroffen wordt.
Hiermede werden de wetenschappelijke mededeelingen en
tevens de Vergadering gesloten.
DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 29
Den volgenden dag werd door een zeer groot getal leden
eene entomologische excursie gemaakt over den Amersfoortschen
berg en Laren naar Lockhorst, welke door goed weder begun-
stigd werd en niet alleen om den vertrouwelijken, broederlijken
toon, die er heerschte, alleraangenaamst was, maar ook pro-
ductief voor de verschillende verzamelingen der leden en voor
de naamlijsten onzer Fauna heeten mogt.
Bijlage A.
U
u
u
LIJST DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
heer
u
a
u
u
op 30 Julij 1864,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING ENZ.
— RD fee —
EERE-LEDEN.
C. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch -
Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
H.T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861.
Dr. C. Felder, Lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis-
senschaften en Vice-President der K. K. Zool. Bot. Gesell-
schaft in Wien. 1861.
Dr. H. Löw, Director der Real-Schule, te Meseritz in Posen.
1862.
Prof. I. O. Westwood, F. L. S., Directeur van het Hopcan
Museum te Oxford. 1862.
A. E. W. Ludeking, Officier van gezondheid bij het Nederl.
Indische leger, thans op Sumatra. 1862.
Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, Officier van gezond-
heid der 2de klasse, thans te ’s Gravenhage, 1864.
BEGUNSTIGERS.
Mr. C. W. Hubrecht, te Leiden. 1859.
Dr. C. G. R. Ontijd, Huize Rhienderstein, bij Brummen. 1864.
»
CORRESPONDERENDE LEDEN.
Th. Lacordaire, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Luik.
1853.
C. Wesmael, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Brussel.
1853.
Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de hoogere Burgerschool te
Aken, 1853.
Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
u
De
4
De
heer
uM
heer
u
u
heer
heer
u
u
heer
LIJST DER LEDEN ENZ. al
Dr. C. Stal, aangesteld bij het Kon. Zoologisch Museum te
Stockholm. 1864.
Frederic Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige
Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864.
GEWONE LEDEN.
1845-46.
Dr. I. G. H. Rombouts, te Amsterdam.
F. M. van der Wulp, Spui, n°. 60, te ’s Gravenhage. —
Diptera.
Dr. M. C. Verloren, huize Schothorst, te Hoogland bij
Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
J. Backer Sr., te Oosterbeek. — Kweeking van Bomb.
Yama-mai in de vrije natuur.
J. W. Lodeesen, Prinsengracht bij de Reestraat, KK, 561
te Amsterdam. — Lepidoptera indigena.
Dr. I. R. E. van Laer, te Utrecht.
Th. J. van Campen, te Amsterdam.
Dr. P. H. J. Wellenbergh, Veeartsenijschool te Utrecht,
Mr. H. Verloren, te Utrecht. — Lepidoptera.
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Breedestraat, IV-276,
te Leiden. Algem. Entomologie.
W. O. Kerkhoven , te Amsterdam.
1846-47.
Jhr. J. C. Martens, te Meern bij Utrecht. — Coleoptera.
Prof. J. van der Hoeven, Breedestraat, te Leiden. — Alge-
meene Zoologie.
1849-50.
J. J. van Voorst, te Amsterdam.
1851—52.
R. T. Maitland, Koninkl. Zoolog. Botan. tuin te ’s Graven-
hage. — Algem. Entomologie.
P. C. T. Snellen, Nieuwe Haven, XII-145, te Rotterdam. —
Europesche Lepidoptera.
Dr. J. A. Herklots, te Soeterwoude bij Leiden. — Algem.
Entomologie.
Dr. M. Imans, te Utrecht.
Dr. W, A. J. van Geuns, Oude Gracht, te Utrecht,
1852—53.
N. H. de Graaf, Haarlemmerstraat, te Leiden. — Lepidoptera,
heer
“"
heer
heer
u
LIJST DER LEDEN VAN DE
Mr. H. W. de Graaf, Oppert, NI-217, te Rotterdam. —
Lepidoptera.
G. M. de Graaf, te Leiden. — Lepidoptera.
Dr. L. A. J. Burgersdijk, te Deventer. — Algem. Entomologie.
Mr. J. W. van Lansberge, te Parijs.
G. A. Six, Weerd-Cingel , wijk M, n°. 610°, te Utrecht. —
Hymenoptera.
Prof. W. Berlin, te Amsterdam.
1853-54.
Prof. Cl. Mulder, Zurftorenstraat te Groningen. — Insekten-
anatomie en œconomie.
Mr. J. P. van Wickevoort Crommelin, Groote Markt, te
Haarlem.
1554-55.
Corn. Sepp, te Amsterdam.
Dr. C. de Gavere, te Groningen. — Algemeene Entomologie.
1855-56.
A. A. van Bemmelen, Stille Rhijn, te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen te Velp. —
Lepidoptera.
M. Breukelman , Cooleingel, te Rotterdam.
1856-57.
Mr. J. H. Albarda, te Leeuwarden. — Inlandsche Lepido-
ptera, bijzonder Microlepidoptera.
Mr. W. Albarda, Poelestraat , te Groningen.
A. P. H. Kuipers, te Leeuwarden.
Dr. A. W. M. van Hasselt, Domplein, te Utrecht. — Araneiden.
1857-58.
J. W. Schubärt, te Utrecht.
W. K. Grothe, te Zeist.
H. J. D. W. Dikkers, te Delden.
1858—59.
J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht. —
Lepidoptera.
J. Backer Jr., te Oosterbeek, — Lepidoptera.
De
heer
u
heer
heer
heer
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. SUI
1859—GO.
J. M. van der Stoot, te Roelof-Arendsveen. — Lepidoptera.
G. W. Grebner, Kerkstraat bij de Spiegelstraat, CC, 572,
te Amsterdam. — Lepidoptera Europea.
1860—61.
J. Kinker, Oudezijds Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort ,
B, 261, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
Dr. E. Piaget, Geldersche kade, te Rotterdam. — Diptera en
Parasitica.
H. Weijenbersh Jr., phil. nat. stud., Steenweg, ten huize van
den goudsmit Muller, te Utrecht. — Lepidoptera.
Dr. W. €. H. Staring, Huize de Boekhorst bij Zutphen.
18G1-—G2.
H. Hartogh Heys van de Lier, te Delft. — Entomologische
Bibliographie.
ISGR—SG3.
H. Baron Lewe van Middelstum, te Beek bij Nijmegen. —
Lepidoptera.
F. ter Meer, te Maarlem.
1863—Gaé4.
Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van Hilemeet, te Oost-Capelle
bij Middelburg.
M. G. van Woerden , Hoogstraat, V, 398, te Rotterdam. —
Lepidoptera.
Mr. R. T. Bijleveld, Rapenburg, te Leiden. — Algemeene
entomologie.
Dr. M. Salverda, te Delft.
M. Snellen, te Groningen. i
D. J. R. Jordens, Mieuwstraat, F, 839, te Zwolle. —
Lepidoptera.
1564-65.
Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Lepidoptera.
Bijlage B.
LISTE DE MACROLÉPIDOPTÈRES
NOUVEAUX POUR LA FAUNE DES PAYS-BAS,
COMMUNIQUÉS DANS LA
SÉANCE DE LA SOC. ENT. NEERLANDAISE
du 30 Juillet 1564.
colata
Leucophasia Sinapis L. — Un individu a été pris, en 1862, è
Bloemendaal, aux environs de Harlem. Il volait en compagnie
de l’Anthocharis Cardamines, c'est-à-dire en même temps et
au même lieu (Lodeesen). — J'ai vu un autre exemplaire indi-
gène de cette espèce, pris en Juillet 1863, près Nymègue par
M. van Bemmelen, et un troisième que lon prit à Arnhem,
se trouve dans la collection de notre société (de Graaf).
Sesia culiciformis L. — Ochs. II, 159. — Stauding. Stett. Ent. Zeit.
1856. Beitr. ete. n°. 121. — v. Heinem. Schm. D. I, p. 127.
Un exemplaire de cet insecte, trouvé à Empen en Gueldre
par feu M. van Eyndhoven, fait maintenant partie de ma collec-
tion (Lodeesen).
Psyche plumifera. — Ochs. III, p. 176, IV, p. 201. — v. Heinem.
Schmett. Deutschl. u. d. Schw. I, p. 182. — J'en ai capturé
un mâle, volant en plein jour dans une bruyère à Wolfhezen
en Gueldre, le 18 Avril 1864 (P. C. T. Snellen).
Leucania Loreyi Dup. — Herr. Schaeff. System. Bearb. der Schm. v.
Europa, II, p. 233, fig. 309, 314, — Un individu’ capturé
par M. Brak ä Amsterdam, en 1859, se trouve dans ma collec-
tion (P. C. T. Snellen).
1 La Leucanie prise par M. Brak est très-positivement la Zoreyi de Herrich-
Schaeffer. On croit généralement que ce lépidoptère habite, en Europe, exclusi-
vement les contrées méridionales de cette partie du monde, comme l'Espagne et la
France méridionale. Cependant, dans les derniers temps, on en a récueilli quelques
individus à Hambourg ct en Angleterre, et je n’hesite done plus à présent à citer
cette espèce comme appartenant à la faune Neêrlandaise. Cf. supra page 21.
LISTE DE MACROLÉPIDOPTÈRES NOUVEAUX POUR LA FAUNE ETC. 99
Leucania Turca L. — Treits. V, 2, 181, X, 2, 72. — v. Heinem.
I, p. 424. — Récueilli abondamment, le 4 Juillet 1862, ANSE
Oedenrode dans le Brabant septentrional, par le fils de M. le
professeur Veth de Leyde, jeune amateur, à qui je dois une
couple de cette espèce (Lodeesen).
Erastria venustula Hübn. — Treits. V, 3, 264. — v. Heinem. I, p.
587. — Découvert par M. van Woerden aux environs d’Arnhem,
à la fin de Mai 1864. J’en possède un mâle (P. C. T. Snellen).
Zonosoma annulata Schulz. — Cadera omicronaria Treits. VI, 1, 358. —
Wood, fig. 527. — J'ai trouvé la chenille sur l’ Acer campestris ,
en Septembre 1863, dans le bois de Scheveningue. Le papillon
est éclos en Mai 1864. M. Snellen van Vollenhoven me mande
qu'il a rencontré ce lépidoptère aux environs de Harlem ou de
Leyde, il y a plusieurs années (P. C. T. Snellen).
Lobophora polycommata W. V. — Treits. VI, 1, 333. — Staint. Man.
of Brit. Butterfl. and Moths, IT, p. 94. — Une femelle a été
prise à Overveen, près de Harlem le 19 Avril 1864, par M.
W. J. Boogaard (Kinker).
Cidaria affinitata Steph. — Herr. Schaeff. Syst. Bearb. d. Schmett. v.
Hur SR, ps 167, fo 21l, 2123, fie. 319, 32025 Neue
Schmett. fig. 28. — v. Heinem. Schm. D. u. d. S. I, pag.
112. — Lespèce a été trouvée plusieurs fois en Hollande (mé-
ridionale et septentrionale) dans les taillis et les broussailles au
voisinage des dunes maritimes’. L’ÆAffinitata, recueillie par
MM. Grebner, Kinker, Loodeesen et par moi, a été jusqu’à
présent confondue par nous avec l’Alchemillata L. (Rivulata Tr.)
(P. ©. T. Snellen).
Eupithecia piperitata Steph. Syst. Cat., p? 146, n°. 6674. — Obrutaria
HS Lik pollo 126%, fig. 145, 156. — v. Heinem, 1
p. 806. — Subumbrata Guen. Lépid. X, p. 309 —
M. J. H. Albarda l’a découvert à Kuikhorne en Frise, le 5
Juillet 1863, en battant les branches d’un Pinus sylvestris.
J'ai comparé le seul exemplaire qu’il a pris, avec des individus
de l’Oörutaria envoyés par M. Herrich-Schaeffer lui-même (de
Graaf).
1 Jai trouvé l’Afinitata en lollande dans les mêmes localités, aux endroits secs
où croît le Zychnis. Ta chenille vit dans les capsules de cette plante d’après M.
Stainton, Man. of Brit. Butterfl. II, p. 80. Il paraît que la Rivulata est plus
répandue dans la faune Neêrlandaise que sa congénère. D. G.
Bijlage ©.
TORTRICINEN
NIEUW VOOR DE FAUNA VAN NEDERLAND,
OPGEGEVEN IN DE
ALGEMEENE VERGADERING
van 30 Julij 1264.
Tortrix semialbana Guen. Ind. Europ. Microl. p. 5. — Sta. Man. IT,
p. 202. — Heinem. Schmett. Deutschl. u. d. Schw. 2° Abth.
p. 35. — Consimilana Herr. Schaeft. IV, p. 160, fig. 54, 347.
Gelderland : Oosterbeek, alwaar de rupsen op kamperfoelie
(Lonicera) zijn gevonden. De vlinders (HS. fig. 347) verschenen
in Junij (Backer Jr.).
Tortrix pilleriana W. V. — Hb. 172. — Treits. VIII, 83, X, 3,
64. — HS. IV, p. 162, fig. 349 2. — Sta. Man. II, p. 197. —
Heinem. Schm. Deutschl. u. d. Schw. 2° Abth. p. 50. —
Luteolana Hb. 136.
Op 15 en 30 Julij 1863, in Middenduin te Overveen, des
namiddags op heiachtigen duingrond vliegende (Lodeesen). Een
paar exemplaren in Aug. 1863 in de duinen bij Overveen
(Weyenbergh).
Sciaphila nubilana Hb. 111. — Dup. Supl. p. 141, pl. 62, 3. —
HS. IV, p. 167. — Sta. Man. p. 259. — Heinem. p. 62. —
Sepp, 2° Serie, Deel I, bl. 221.
De rupsjes in Mei gevonden bij Leiden, tusschen de bladen
van haagdoorn (Crafegus oxyacantha) aan de uiteinden der
takjes. De vlinders kwamen in Junij uit (Snellen van Vollen-
hoven). Amsterdam, uit de rups gekweekt op 28 Junij (Kinker).
Conchylis rupicola Curt. — Sta. Man. p. 273. — Heinem. p. 84 —
Humidana HS. IV, p. 188, fig. 86.
Een zeer gaaf exemplaar, op 28 Junij, te Overveen, in de
dutnen gevangen tusschen berken (Weyenbergh). - Een afge-
vlogen voorwerp op 1 Augustus 1863 te Hillegom (Kinker).
TORTRICINEN ALS NIEUW VOOR DE FAUNA ENZ. 97
Penthina bipunctana F. — Treits. VIII, 154. — HS. IV, p. 217,
fig. 230. — Heinem. p. 129.
In Gelderland, te Wolfhezen, gevangen op 4 Junij (Backer Jr.).
Gedurende de maanden Junij en Julij 1864, in het Wolfhezer
bosch talrijk opgejaagd uit Vaccinium Myrtillus , boschbessen
CAC AE Snellen):
Penthina fuligana Hb. 109. — Treits. VIII, 172, X, 3, 89. —
Dup. Sup. p. 146, pl. 62, 8. — HS. IV, p. 221, fig. 332,
VI, p. 160. — Heinem. p. 113.
Op 11 Junij 1860 bij den Vogelenzang gevangen, in de om-
streken van Haarlem (Lodeesen).
Grapholitha nigricana HS. IV, p. 220, fig. 138. — Heinemann, p. 62.
Vogelenzang, 11 Junij (Lodeesen) en Hillegom, 8 Augustus
(Kinker).
Brunnichiana W. V. — Treits. VIII, 194, X, 3, 102. —
F. v. Rösl. p. 181, tab. 65, 1. — HS. IV, p. 242. — Sta.
Man. p. 212. — Heinem. p. 149. — Profundana Hb. 21.
Woerden, begin van Julij (de Graaf), bij Rotterdam, in Junij
(BCE Snellen):
succedana W. V. — Tr. VIII, 2, 111. — HS. IV, p. 252. —
Heinem. p. 193. — Asseclana Hb. 194.
In de Meerdervoortsche duinen bij den Haag, uit Ulex
Europeus geklopt, op 12 Junij 1863, in beide seksen (P. C.
T. Snellen).
ustomaculana Curt. — Sta. Man. p. 222. — Heinem. p. 213. —
Dorsivittana HS. IV, p. 280, fig. 142.
Dezen vlinder heb ik gekweekt uit eene groene rups te
Kuikhorne, in Mei gevonden tusschen zamengesponnen bladeren
van Vaccinium Vitis idea. De vlinder kwam 3 Julij uit (J. H.
Albarda).
obtusana Haw. — Sta. Man. p. 225. — HS. IV, fig. 320. —
Heinem. p. 241. Segmentana HS. IV, p. 283.
Oosterbeek, 14 Mei (Backer Jr.).
ericetana HS. IV, p. 276, fig. 136. — Heinem. p. 215. —
Nitidulana HS. IV, p. 276, fig. 397. — Collicolana Heinem.
Bij Overveen in Middenduin, uit berken geklopt op 1 Julij
(Weyenbergh, Kinker). Op 27 Julij in de Wassenaarsche dui-
nen uit Salie repens, en den 5den Augustus, te Wolf hezen
uit heide en boschbessen geklopt (P. C. T. Snellen).
98 TORTRICINEN ALS NIEUW VOOR DE FAUNA ENZ.
Grapholita furfurana Haw. — Sta. Man. p. 226 — Heinem. p. 135. —
Scirpana HS. IV, pap. 243 en Pauperana HS. IV, fig. 302.
Te Lekkum gevangen tusschen Juncus, op 13 Junij (J. H.
Albarda).
„ tineana Hb. 81. — Treits. VIII, 240, X, 3, 127. —
HS. IV, p. 284. — Heinem. p. 223.
Op 18 Mei, te Kuikhorne gevangen (J. H. Albarda). De
kleur der bovenvleugels van dit exemplaar is donker bruin,
en niet zoo licht gekleurd, als in Hübner’s afbeelding.
„ badiana W. V. — Treits. VIII, 243. — HS. IV. p. 285. —
Heinem. p. 225. — Lundana Wood 951. — Sta. Man. p.
224. — Corylana Hb. 53.
In de duinen te Overveen, 18 Mei (Kinker) en te Bloemen-
daal 27 Julij; (Grebuer).
Dichorampha caliginosana Treits. X, 3, 119. — HS. IV, p. 261,
fig. 263. — Heinem. p. 234. — Simpliciana Sta. Man. p. 214.
In Julij bij Overveen, en bij Elswoud op 23 Augustus (Weyen-
bergh); in de duinen bij den Haag, uit Mippophaë rhamnoides
geklopt, op 28 Augustus (P. C. T. Snellen).
Phthoroblastis fimbriana Haw. — Wood, 913. — HS. IV, p. 262,
fig. 394. — Sta. Haw. p. 249. — Heinem. p. 198.
Overveen, zeldzaam (Weyenbergh).
Bijlage D.
PARASIETEN.
Pediculus Capitis 2
7 Vestimenti @
Heematopinus ? 2
2 ?
2 ? O
u ? Q
7 lyriocephalus 2
” acanthopus 2
7, piliferus 9
7 Asini 2
Docophorus ocellatus 2
ij ” ?
” Lari 2
7 " &
” icterodes 9
” ” 2
u cursor
(met een Nirmus Glandarii)
Docophorus cursor Q
u T urdi Q
7 auratus 2
" Pica 2
7 chrysophthalmi 2
7 latifrons, jong.
" modularis (?)
7 platygaster 9
wi) leontodon (?) 2
» Alcedinis 2
I testudinarius 2
” platystomus
As
Os Oy Os Oy On
As Os
d
d
WOONDIEREN.
Mensch.
Aap.
Mona-aap.
Javaan-aap.
Buffel.
Haas.
Veldmuis.
Hond.
Ezel.
Kraai.
Roek.
Burgemeester.
Kleine mantelmeeuw.
Smient.
Tamme eend.
Bergeend.
Valikereend.
Ransuil.
Boschuil,
Kramsvogel.
Houtsnip.
Ekster.
Tamme eend.
Koekkoek.
Kleine ikstern.
Kieviet.
Stern.
IJsvogel.
Wulp.
Torenvalk.
Homo sapiens.
UA a
Semnopithecus pruinosus.
Cercopithecus mona.
7 cynomolgus.
Bos bubalus.
Lepus timidus.
Arvicola agrestis.
Canis domesticus.
Equus asinus.
Corvus Corone.
» frugilegus.
Larus glaucus.
» fuscus.
Anas Penelope.
” boschas.
» tadorna.
” strepera?
Strix otus.
wv aluco.
Turdus pilaris.
Scolopax rusticula.
Pica varia.
Anas hoschas.
Cuculus canorus.
Sterna minuta.
Vanellus cristatus.
Sterna
Alcedo ispida.
Numenius arquatus.
Falco tinnunculus. -
40
PARASIETEN. WOONDIEREN.
Docophorus Rubeculæ 2 Vink. Fringilla cœlebs.
” communis 9 Musch. Passer domesticus.
" ” (?) Putter. Fringella carduelis.
‘(met een Nirmus cyclothorax)
Docophorus fulvus (?) jong Vlaamsche gaal. Garrulus glandarius.
” crassipes (?) Notenkraker. Nucifraga caryocatactes.
” passerinus g Karakiet. Sylvia turdoides.
” humeralis d Jan van Gent. Sula alba.
" cephalus 2 Kleine plevier. Charadrius minor.
7 P 8 Zwarte ikstern. Sterna nigra.
(met een Nirmus obscurus (?))
Docophorus P Q Papegaai. Psittacus spec?
a ? 2 7 5
” ? 2 Zeezwaluw. Sterna spec ?
7 U pupa ? Kluit. Recurvirostra avocetta.
Nirmus Oedicnemi, 9 Kleine plevier. Charadrius minor.
a decipiens Q 7 " 7 7
y " 9 d Kluit. Recurvirostra avocetta.
(met een N. obscurus 9)
Nirmus obscurus 2 Kleine plevier. Charadrius minor.
" 7 Q Kluit. Recurvirostra avocetta.
" ” 4 Zwarte ikstern. Sterna nigra.
” fuscus ? d Sperwer. Astur nisus.
7 ” ç Kuikendief. Circus.
" ”. ORR Wouw. Circus rufus.
2 ” 2d = MEME o ie SpizaetosNoccipirales
7 claviformis 2 Duif. Columba domestica.
” 7 2 Dubbelring-tortel. 2 bitorquata.
u Glandarii 2 8 Vlaamsche gaai. Garrulus glandarius.
7, uncinosus 9 Kraai. Corvus Corone.
7 marginalis 2 Kramsvogel. Turdus pilaris.
" junicus 9 Kieviet. Vanellus cristatus.
7 sellatus Vi Burgemeester. Larus glaucus.
7 fessus (?) 9 Fesant. Phasianus colchicus.
” " 2 Zilverlaken fesant. “ nycthemerus.,
2 7 2 Steppenhoen. Syrraptes paradoxus.
» Numidæ 2 Kwartel. Perdix coturnix.
2 cyclothorax Putter. Fringilla carduelis.
” 7 (2) 9 Ortolaan. Emberiza hortulana.
y ? a Kleinste ikstern. Sterna minuta.
7 P Q Ransuil, Strix otus,
PARASIETEN.
Goniocotes compar
Goniodes Colchici
” 1/4
u stylifer
Z ” jongen
1 dissimilis
IA uU
” Tetraonis
Z paradoxus
Lipeurus baculus
# #
“ squalidus
7 uw
u 4
a variabilis
2 pelagicus
Trichodectes Equi
" A
7 exliis
„ ?
7 ?
Colpocephalum flavescens
7 ochraceum
7 subæquale
Menopon fulvomaculatum
7 pallidum
# I
u nigropleurum
Physostomum irascens
Trinoton conspurcatum
Gyropus 5
+ +0
HO +0 + +0 + +0 +0 +0 +0 40 49 + WH # + + +0 1H + HO + +0 +0 +O + 40
4
WOONDIEREN.
Chinesche tortel.
Tamme duif.
Boschfesant.
Zilverlaken fesant.
Kalkoen.
"”
Haan,
Boschhoen.
Cupido-trapgans.
Kwartel,
Dubbelring-tortel.
Tortelduif,
Bergeend.
Tamme eend.
Taling.
Cochinchina-hoen.
Ibis.
Javaansch paard.
Paard.
Otter.
Walachijsche geit.
Geit.
Steenuil.
Kluit.
Raaf.
Goudlaken fesant.
Haan.
Boschhaan.
Burgemeester.
Pestvogel.
Gans.
Marmot.
Columba tigrina.
7 domestica.
UA A
” “”
Phasianus colchicus.
” nycthemerus.
Meleagris gallopavo.
A n
Gallus domesticus.
v furcatus,
Tetrao cupido.
Perdix coturnix.
Columba bitorquata.
7 turtur.
Anas tadorna.
» boschas.
uy crecca,
Gallus giganteus.|
DIS RN
Equus caballus.
uv #
Lutra vulgaris.
Capra hircus.
u A
Strix noctua.
Recurvirostra avocetta.
Corvus corax.
Phasianus pictus.
Gallus domesticus.
n furcatus.
Larus glaucus.
Bombycilla garrula.
Anas cinereus , dom.
Cavia cobaya.
Bijlage E.
LIST VAN DIETER
DIE IN DEN
LAATSTEN TIJD ALS NIEUW VOOR DE FAUNA VAN NEDERLAND ZIJN ONTDEKT,
MEDEGEDEELD DOOR
FE. M. VAN DER WULP.
poes
Hypophyllus crinipes Staeg. — Een & in Junij bij ’s Gravenhage ge-
vangen.
Gymnopternus chalybæus Wied. — Vroeger in één exemplaar aan de
plassen bij Rotterdam gevangen door Fransen, en in Junij 1864
aldaar in aantal door Piaget en mij weergevonden.
Anthomyia invisa Zett, )
" Winthemi Meig. | allen bij den Haag.
7 albicincta Fall. |
Madiza annulitarsis Zett. — Waarschijnlijk eene Madiza in den zin
van Schiner, meermalen aan vensters te ’s Gravenhage.
Mosillus arcuatus Latr. — Bij Amsterdam en in de Wassenaarsche
duinen , Augustus.
Scatella sorbillans Hal. — Eenmaal bij den Haag, in Junij.
» sibilans Hal. — Bij den Haag en in de Scheveningsche dui-
nen, Junij—Augustus niet zeldzaam; vroeger ook op de heide
te Rosendaal gevangen.
Agromyza latipes Meig !. — Eenmaal aan een venster te ’s Gravenhage,
in Junij.
" curvipalpis Zett. — Bij den Haag, in Mei.
Phytomyza elegans Meig. — Utrecht door Six gevangen.
7 ochripes Meig. — Dezelfde aanteekening; ook een paar
malen bij den Haag.
Phora sordipennis Léon Duf. — ’s Gravenhage, Julij en Augustus.
v urbana Meig. — ’s Gravenhage, April en Mei, en op de Brons-
bergen bij Zutphen, in Julij.
” crassicornis Meig. — Bij den Haag en Wassenaar, in Junij en
Julij.
1 Zie boven bladz. 23.
Bijlage F.
BIBLIOTHEEK
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING ,
Bijgekomen Boeken over 1863/64.
este
Entomologische Zeitung. Herausgegeben von dem Entomologischen
Vereine zu Stettin, Jahrg. I tot en met V aangekocht, en
Jahrg. XXIV. Stettin 1863, x rail tegen het Tijdschrift. —
Dit werk is nu compleet.
Berliner entomol. Zeitschrift, herausgegeben von dem Entomol. Vereine
in Berlin. 7” Jahrg. 3—4. Berlin 1863. 8° Jahrg. 1—2.
Berlin 1864. — In ruil tegen het Tijdschrift.
Wiener entomol. Monatschrift. Band VII, n°. 7—12. Wien 1863. —
In ruil tegen het Tijdschrift.
Annales de la Société Entomologique de France.
Troisième Serie. Tome VIII. Paris 1860/61.
Quatrième » „ Tet I. » 1861/64. — In ruil
tegen het Tijdschrift.
Annales de la Société entomologique Belge. Tome VIT. Brux. 1863. —
In ruil tegen het Tijdschrift.
The Entomologist’s Annual for 1855 (2° edit.) tot en met 1861, met
gekleurde platen. Aangekocht. Jaargang 1864, met een ongekl.
pl., în ruil tegen het Tijdschrift. — Dit werk is nu compleet.
The Entomologist’s monthly Magazine. N°. 1 en 2. London 1864.
The natural History of the Tineina, vol. VIII, containing Gracilaria,
Part. 1 and Ornix, Part. 1 by H. T. Stainton. London 1864. — _
In ruil tegen het Tijdschrift.
Linnea Entomologica. Zeitschrift herausgegeben von dem Entomol.
Vereine zu Stettin. Band XIV en XV. Leipzig 1862 en 63.
44 BIBLIOTHEEK DER NEDERLANDSCHE
Zeitschrift für Entomologie, herausgegeben von dem Verein für Schle-
sische Insektenkunde zu Breslau. Jahrg. 1—5, en het vervolg
van hetzelfde werk, als Auftrage des Vereins für Schles. Insek-
tenkunde zu Breslau, herausgegeben von A. Assmann. Jahrg.
6, 8—10. Breslau 1847—56.
Bericht über die Thätigkeit der entomol. Section (der Schlesischen Ge-
sellschaft für Vaterländische Cultur) im Jahre 1852—1860.
Beiträge zur Verwandlungs-Geschichte einiger Käfer von K. Letzner;
nebst einer Tafel, — Ein Vortrag, gehalten in der entomol.
Section der Schles. Gesellschaft am 30 Octob. 1852.
Tijdschrift voor Entomologie , uitgegeven door de Nederlandsche Ento-
mologische Vereeniging. Deel VI, Afl. 5—6, en Deel VII,
Afl. 1—4.
Verslagen en mededeelingen van de Kon. Akademie van Wetenschappen ,
Afd. Natuurkunde. Deel XVI en Deel XVII, Afd. 1. — In
ruil tegen het Tijdschrift.
Bericht über die Wissenschaftliche Leistungen im Gebiete der Entomo-
logie während des Jahres 1861, von Dr. A. Gerstäcker.
Berlin 1863.
Verhandlungen der K.K. zoolog.-botan. Gesellschaft in Wien, Jahrg.
1855 —60, Band V tot X, en 1863, Band XIII.
Proceedings of the Entomological Society of Philadelphia. Vol. I,
n°. 7—10. Philadelphia 1862/63. — Geschenk van het Genoot-
schap.
Boston Journal of natural History, containing Papers and Communications,
read before the Boston Society of Natural History. Vol. VIII,
N°. 1-4. Boston 1859/63, en
Proceedings of the Boston Society of Natural History, 1862. — Beide
geschenken van het Genootschap.
Sepp (J. C.), Beschouwing der wonderen Gods in de minstgeachte
schepselen, of Nederlandsche Insekten. 2de Serie, Deel I,
Afl. 34—40.
Correspondenz-Blatt des zool. mineral. Vereines in Regensburg. Jahrg.
XV. Regensburg 1862. Geschenk van Dr. Herrich Schiffer.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indie.
5de Serie. Deel I tot en met V.
6de u a I, Afl. 1 en 2. Batavia 1860/68.
BIBLIOTHEEK DER NEDERLANDSCHE 45
Jaarlijksch berigt over 1860, aangaande den toestand der Kina-kultuur
op Java, door F. Junghuhn. — Geschenken der Kon. Natuurk.
Vereeniging in Ned. Indie.
Verhandlungen des naturförschenden Vereines in Brünn. Jahrg. 1862.
Band 1. Brünn 1863.
Schriften der Kön. physikal.—ökonom. Gesellschaft zu Königsberg.
Jahrg. IV, N°1 ent2 1863.
Levensschets van Dr. J. Wttewaall door S. C. Snellen van Vollenhoven.
Volksleesboek over schadelijke en nuttige insekten. Nagelaten werk van
Dr. J. Wttewaall. Uitgegeven door Mr. S. C. Snellen van
Vollenhoven.
Nouveaux vers à soie. Zxtrait de la Revue et Magasin de Zoologie.
Sept. 1862 De drie laatste werkjes geschonken door 8. C.
Snellen van Vollenhoven.
Beknopte handleiding voor de kultuur van den Bombyx Mori, of tamme
zijdeworm van Siam, door J. E. Teysman. — Geschenk van den
heer J. Backer Sr.
Première éducation du ver à soie du chêne, Bombyx (Antherea) Fama-
mai en Neêrlande, par M. de Roo van Westmaas. Overgedrukt
uit het Tijdschrift voor Entomologie. Geschenk van den Schrijver.
Yama-mayu Kai-foo Hiden of Mededeeling aangaande de kweeking van
den wilden zijdeworm in Japan door Katasa-wa Sihoo: uit het
Japansch vertaald door Dr. J. Hoffmann. — Overgedrukt nit
het Tijdschrift voor Nijverheid. Geschenk van den heer N. H.
de Graaf.
Report of the Commission of Patents for the year 1861; en
Annual Report of the Smithsonian Institution for the year 1861/1862.
Geschenken van de Instelling.
Mededeelingen en berigten van het Hoofdbestuur en van de Afdeelingen
der Hollandsche Maatschappij van Landbouw. AS:01'858r,180.95
1861, 1862, 1863 en 1864, n°. 1. — Geschenken van de
Maatschappij.
Stoomploeg van J. Toroler.
Beschrijving der Badhoeve in Haarlemmermeer. — Geschenken van
dezelfde Maatschappij.
Jaarboek der Kon. Nederlandsche Maatschappij tot aanmoediging van
den Tuinbouw. 1863 en 1864. — Geschenk van de Maat-
schappij.
46 BIBLIOTHEEK DER NEDERLANDSCHE:
Verslag van het verhandelde op het XVIII“ Nederl, landhuishoudkundig
Congres, gehouden te Leeuwarden, 23—26 Junij 1863. —
Geschenk van het Bestuur van dat Congres.
Het 62° en 63° Verslag over het Natuurkundig Genootschap te Groningen.
1862 en 1863. — Geschenk van het Genootschap.
Verslag gedaan door Burgemeester en Wethouders van den Gemeente-
raad van Leyden, over 1863. — Geschenk.
Photographie van Periphyllus Testudo, v. d. Hoev., sterk vergroot. —
Geschenk van den heer F. M. van der Wulp.
Monographie des Chrysomélides de l'Amérique par C. Stal. I en I.
Upsal 1862/63. — Geschenk van den Schrijver.
Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland. DI. III, Afl, 3. Leiden
1864. — Geschenk van Dr. J. A. Herklots.
Les Macrolépidoptères des Pays-bas, par H. W. de Graaf. — Over-
gedrukt uit het Tijdschrift voor Entomologie. — Geschenk van
den Sehrijver.
J. C. Fabricius. Entomologia Systematica emendata. Hafniæ 1792—94.
IV vol., waarvan het eerste en derde ieder uit twee stukken
bestaat.
Index op dat werk. Hafnie 1796.
— — Supplementum Entom. Systematicæ. Hafniæ 1798.
Index daarop. Hafniæ 1799.
———— Epitome Entomologiæ Fabricianæ s. Nomenclator en-
tomol. emend. sistens Fabriciani Systematis cum Linnæno com-
comparationem. Lips. 1797.
- Systema Antliatorum, cum indice alphab. Brunsv. 1805.
” Eleutheratorum. Kilie 1801, et Index alpha-
beticus. Helmstadii 1803.
Systema Rhyngotorum, cum ind. alph. Brunsvigæ 1803.
Histoire naturelle des Lépidoptères ou Papillons diurnes des environs
de Paris; décrits par M. Godart. 2 Tom. Paris 1820 et 1822
avec tableau méthodique. Paris 1823. — Van hetzelfde werk :
Papillons crépusculaires. Paris 1820. 1 Tom.
Genera et Species Staphylinorum, auctore Guil. F. Erichson. Berolini
1840 (zonder platen).
Entomologische Monographien von Dr. F. Klug, mit 10 illuminirten
Kupfertafeln. Berlin 1824.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 47
Eléments de Zoologie; ou lecons sur l’anatomie, la physiologie, la
classification et les moeurs des animaux par H. Milne Edwards.
Bruxelles 1837. — De vier laatste werken geschonken door den
heer Hartogh Heys van de Lier.
Die Kennzeichen der Insekten, nach Anleitung des Kön. Schwed.
Ritters und Leibarzts Karl Linneus, durch XXIV Kupfertafeln
erläutert und mit derselben natürl. Gesch. begleitet von J. H.
Sulzer. Zurich 1761.
Nouvelle méthode de classer les Hyménoptères et les Diptères. Par
L. Jurine. Hyménoptères. Tom. I. Genève 1807.
Die Familien der Blattwespen und Holzwespen, nebst einer allgemeinen
Einleitung zur Naturgeschichte der Hymenopteren von Dr. Th.
Hartig, mit 8 lith. Taf. Berlin 1860.
Caroli de Geer Genera et Species Insectorum extraxit — et terminolo-
giam insectorum Linneanam addidit A. J. Retzius. Lipsie 1783.
Horæ societatis Entomologicæ Rossicæ variis sermonibus in Rossia usitatis
editæ. Fasciculus I tabulis IV illustratus et Fasc. IT tabulis XVII
illustr. Petropoli 1861 et 1863 (Typis V. Besobrasovii & Comp).
Hoefnagel’s Diverse insectarum volatilium Icones ad vivum depictee
A’. 1630. — Geschenk van den heer H. N. de Graaf.
INHOUD DER TIJDSCHRIFTEN,
ONTVANGEN DOOR DE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
Annales de la Sociéte Entomologique Belge. Tom. VIT.
Inhoud:
Thyris fenestrella Scop. Histoire naturelle vraie des états
antérieurs de cette espèce, met een overzigt van de dwalin-
gen, waarin de schrijvers te dien opzigte vervallen zijn,
enz., door Dr. Breyer, met af beeldingen.
Over de rups van Hupithecia tenuiata Hb., welke soort inden-
tiek zou zijn met Hübner’s Zuturbata, door denzelfden,
met af beeld.
Eupithecia debiliata Hb., Eup. valerianata Hb. = viminata
Doubl., Scodonia Belgaria Hb., Phasiane petraria Esp.,
met afbeeldsel der rupsen en Mupithecia denotata , dodoneuta,
Olindia ulmana Hb., Anisopteryx aceraria W. V. en
æscularia door Dr. Breyer.
De Selys-Longehamps. Note sur une excursion dans L’entre-
Sambre-et-Meuse, met opgave der bij die gelegenheid waar-
genomen dagvlinders en libelluliden.
Des variations normales de l’aile dans l’espèce chez quelques
lépidoptères par J. Sauveur et J. Colbeau. Satyrus Arca-
nius L., met eene plaat. Wordt vervolgd.
J. Sauveur. Notes entomologiques. Renseignements locaux re-
latifs à des lépidoptères qui figurent déja dans la Faune
Belge, gevolgd door eene lijst der Macrolepidoptera, Pyra-
liden en Tortrieinen, die in Belgie gevonden doch niet
in de twee eerste deelen der Annalen opgenoemd , maar iu
de volgenden vermeld zijn, met verwijzing daarheen.
E. Fologne. Addenda au catalogue des lépidoptères de Belgique.
Liste des Tinéides de la Belgique par J. Sauveur et E. Fologne.
Alleen de namen met verwijzing naar de aanteekeningen
betreffende iedere soort in de Annalen opgenomen.
Beschrijving en afbeelding eener varieteit van Zycena Alexis,
Bomb. Quercus, Argynnis Euphrosyne, Bomb. neustria en
Ennychia octomaculalis.
Premiers états de la Gelechia rufescens Haw., met afbeeld.
door E. Fologne.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 49
Notes sur quelques variétés de Colcoptères: Carabus auronitens
F. var. Putseysii (afgebeeld) en Plagionotus arcuatus L.
varr. inferruptus, connatus en Colbeaut (afgebeeld), par
M. L. Mors.
Addenda au catalogue des Coléoptères, door denzelfden,
Liste de Coléoptères, nouveaux pour la Faune Belge, recueillis
aux environs de Liège, par J. Miedel.
Note sur la variété Zoides Dahl du Vanessa Io L.
The Entomologist’s Annual. Jaargangen 1855 tot en met 1861 en 1864.
De inhoud van 1862 en 1868 is opgegeven Dl. V, p. 39 en
DI. VI, p. 41.
Inhoud :
LEPIDOPTERA (by Stainton).
New British Species since 1835. Jaarg. 1855.
# u Ti in 1854 etc. EEE
) oe sat 2 0S of
Observations on British Tineina. 1 5 D 00
and ps mt
Answers to Enigmas in the Entomologist's Companion. ):S
NS ae
Enigmas still unanswered. “BBS
. . 80
New Enigmas for solution. Se
The Tineæ of the Higher Alps by Professor Frey. Jaarg. 1858.
Index to the New Lepidoptera in former volumes of the Annual.
Jaarg. 1861.
Notes on Eupithecia Larve. By the Rev. H. H. Crewe, M. A.
Jaarg. 1861.
The Species of the Lepidopterous genus Zuo of Leach; together
with some preliminary Remarks on local Varieties. By
Dr. Staudinger. Jaarg. 1864.
Notes on New and Rare Species of Lepidoptera (excepting Ti-
neina) for 1863. By H. G. Knaggs, M. D., with Des-
criptions of Two Species of Noctua, rew to Science (Zuperina
Gueneei and Dianthoecia Barrettü fig. 3). By Henry
Doubleday. Jaarg. 1864,
Instructions in Collecting and Preserving io 1855.
HyMENOPTERA (by Frederick Smith).
New British Bees discovered since Kirby's Monographia.
New Fossorial Hymenoptera.
Notes on British Myrmicidæ and Formicida. È
Notes in Explanation of the New species of Aculeate Hy- 5
menoptera in Stephens’s Systematic Catalogue. =
Notes on — and Instructions in collecting the Aculeate Hyme-
noptera. Jaarg. 1856, 1857, 1858.
>
Le
(ce)
=
30 BIBLIOTHEEK DER NEDERLANDSCHE
Notes on the capture of Rare Species in 1858. Jaarg. 1859.
Observations on Hymenopterous Papers which have appared during
the year 1859; with Notes on the Captures of Rare Species
enz. Jaarg. 1860.
Observations on the Effects of the late unfavourable Season on
Hymenopterous Insects; Notes on the Economy of certain
Species, on the Capture of extreme Rarity etc. Jaarg. 1861.
Notes on Hymenoptera. Jaarg. 1864,
On the caterpillars of the Saw-Flies. By J. O. Westwood.
Jaarg. 1858.
JOLEOPTERA (by E. W. Janson).
New British Coleoptera since Stephens’s Manual. Jaarg. 1855 ,
1856, 1857, 1858, 1859, 1860, 1861.
Observations on the Myrmecophilous Coleoptera, or Ants-Nest
Beetles, of Britain. Jaarg. 1857, 1858.
Instructions in Collecting and Preserving Coleoptera. By T.
Vernon Wolaston. Jaarg. 1855.
Notes on British Geodephaga, with Description of one New
Species (Dyschirius elongatulus). By J. F. Dawson. Jaarg.
1856. Vervolgd in jaarg. 1857, 1858.
Observations on the Nomenclature of British Carabidæ, as estab-
lished in the Catalogue of British Coleoptera by G. R. Wa-
terhouse. By Dr. Schaum. Jaarg. 1860.
New British Species, corrections, etc., noticed since the publi-
cation of the Annual. By E. C. Rye. Jaarg. 1804,
DIPTERA.
Dipterous Notes and Queries. By W. Wilson Saunders, Jaarg.
1857.
NEUROPTERA (by Dr. Hagen).
Synopsis of the British Dragon-Flies (Jaarg. 1857), Planipennes
(Jaarg. 1858), Phryganidæ (Jaarg. 1859—61) and Psocidæ
(1861).
Explanation of Terms used in Dr. Hagen’s Paper. By A. Il.
Haliday. Jaarg. 1857.
Notes on British Trichoptera. By R. M'Lachlan. Jaarg. 1864.
HEMIPTERA.
A List of British Hemiptera. By Stainton. Jaarg. 1861.
Additions to the Fauna of Great Britain, and Descriptions of
Two New Species. By John Scott. Jaarg. 1864,
VARIA.
Van Stainton: The Pursuit of Entomology. — An Address to
young Entomologists (1855). — Advantages of the Study
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING, OI
of Natural History. — The Pleasures of Entomology. —
Ghent to Glogau, and Stettin to Schaffhausen, in search
of Entomologists (1856). — The Seasons. — Is Entomo-
logy progressing? (1857). — Do you study Entomology. —
Paris viewed Lepidopterologically (1858). — Travel (1864). —
Van John Scott: Results of a Residence at Fochabers
(1856). — Van John Lubbock: on the Objects of a collec-
tion of Insects (1856). — How Insects breathe (1857). —
Van Dr. Brackenridge Clemens: Thoughts on Species
(1860). — Van H. W. Bates: On the variation of Species
(1864). — Overigens bevatten de jaarg. opgaven van New
Works on Entomology.
Zeitschrift für Entomologie herausgegeb. von dem Vereine für Schlesische
Insektenkunde en later door A. Assmann. Jahrg. 1847 tot en
met 1852 en 1854 tot en met 1856.
LEPIDOFTERA.
Berichtigung und Ergänzung der Schles. Lepidoptern-Fauna.
1847, 1848, 1849, 1850, 1851. — Erster Nachtrag zur
Schles. Lepid.-Fauna (1852).
Eine Excursion nach Klarenkranst und Beschreibung der Raupe
und Puppe von Melitea Britomartis (1850). — Zu Hipp.
Pamphilus var. Lyllus (1851) met afbeeld. (1855). —
Uber das Präpariren der Raupen für die Sammlungen
(1852). — Auseinandersetzung der beiden Arten Pales
und Arsilacke. — Die ersten Stände von Noctua conflua
und ein Zwitter dieser Eule (1855). Alles door A. Assmann.
Die Raupe von Hipparchia Buryale. — Hupithecia silenata. —
Lepidopterol. Beitr. zur Kenntniss der Seefelder bei Reinerz
(1850), mit Beschreibung 2 neuer Schaben : Depressaria
Pelasitis und Argyrestia oleaginella met plaat (1851). —
Die Raupe von Macrogl. Œnothere. Cidaria turbulata
(1851). Alles door G. Standfuss. — Bemerkungen zu einigen
für Schlesien neuen Falter-Species (Sesia laphrieform. ,
Alych. Globularia, Boarm. glabraria, Oramb. uliginosellus ,
cacuminellus en Wurringtonellus) von Zeller, met een plaat
(1850). — Bemerkungen zu einigen für Schlesien neuen
Falter-Species (Ophiusa Cracee, Bupith. immundata , Ci-
daria bicolorata en balsuminata, Idea deversaria, Ephyra
strabonaria) und Auseinandersetzung der Geom. viridata ,
porrinata, cloraria und ÆZéruscaria (1851) met plaat
(1855); Atych. Globularie, Polia speciosa, Graphol. corol-
oe
19
BIBLIOTHEEK DER NEDERLANDSCHE
lana, eriferana und Anchina nigricans (1852), Lithosia
arideola, Eupith. pygneata, Graph. albiduluna, Myelois
cinerosella, Cleodora cytisella, Dasycera oliviella und
Elach. festucicolella (1854). Alles door Prof. Zeller. —
Eine Wanderung durch’s Altvater-Gebirge und die Grafschaft
Glatz. 1850. — Zweiter Nachtrag zur schles. Lepid.-Fauna,
und Beschreibung von Gelechiu pudorina (1806). Beide
van Dr. Wocke. — Nachträge tot die Fauna van Prittwitz
en aanmerkingen daarop van Assmann (1855). Ueber Noto-
donta crenata von G. Fries (1854).
Von Heinemann. Zehn neue Microlepidopteren (Penth. obscuro-
fasciana, Carpoc. Herrichiana, Syndemis collicolana ,
Oramb. Hercynie, Tinea niveistrigella, Oecoph. ruficeps ,
Argyresth. semipurpurella, Coleoph. zelleriella, Nemorum
und Hlachist« aridella (1854).
A. Neustädt Beitr. zu den in Monat Juli um Grafenberg und
am Altvater vorkommenden Falterarten (1855).
E. A. Assmuss. Coenonympha Anaxagoras eine neue Varietät der
Coen. Iphis, und ein Beitrag zur Naturgesch. von Larentia
Pyropata (1856).
Gnophos operaria, Idea eburhata Wo., Herminia zelleralis Wo.
en denticornalis Wo., Hypena acuminalis HS. en turfosa-
lis Wo. Depressaria doronicella Wo. en KRöslerstam. ful-
viceps Wo. zijn afgebeeld tab. 4 en 5 (1850).
COLEOPTERA. |
K. Letzner. Systematische Beschreibung der Laufkäfer Schlesiens.
1847, 1848, 1849, 1850, 1851, 1852. — Ueber Crypto-
cephalus Betule-nane und Donacia palustris (1854). —
Systemat. Synonym. Verzeichniss der bisher beobachteten
und bekannt gemachten Larven Europäischer Coleoptern. —
Die Larvensäcke der Clytra scopolina, des Cryptocephalus
Pint und janthinus. — Cassida lineola und ihre ersten
Stände (1855).
G. Joseph. Beobachtungen über das Leuchten der Johannis-
käfer. — Ueber die Käferfauna von Venedig und dem Lido
(1854).
J. Roger. Verzeichniss der bisher in Oberschlesien aufgefunde-
nen Käferarten und Beschreib. von Mister silesiacus und
Euryommatus Marie (1856).
DIPTERA.
Dr. H. Scholtz. Über den Aufenthalt der Diptern während
ihrer ersten Stände (1848). — Vervolgd (1850). — Beiträge
zur Kunde der schles. Zweiflügler (1850 en 1851).
di
QI
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
HEMIPTERA,
Dr. Scholtz. Etwas über die Lebensweise der Tingideen (1850). —
A. Assmann. Verzeichniss der bisher in Schlesien aufgefun-
denen Hemiptera (1854).
Berichte über die Thätigkeit der entom. Section der schles. Gesellsch.
für vaterländ. Cultur. Jaarg. 1852—1860.
Deze Berigten hebben weinig omvang. Zij zijn in één deel ge-
bonden en bevatten hoofdzakelijk :
COLEOPTERA.
Aanteekeningen over eenige soorten dezer orde en hare larven
door Letzner, eene Necrologie van Dr. J. L. C. Graven-
horst door denzelfden , en eenige opmerkingen over Coleo-
ptera door Dr. W. G. Schneider.
LEPIDOPTERA.
Opgave van eenige in Silesie voorkomende Macrolepidoptera
door A. Neustädt en Dr. Schneider. — Optelling van
nieuwe of zeldzame Silesische Lepidoptera, doch voorna-
lijk Microlepidoptera, met vermelding van vindplaats, van
tijd enz., door Dr. Wocke. Als nieuw door hem beschre-
ven komen voor: Mudorea Zelleri (1854), Penthina py-
rolana, Depressaria quadripunctata (1851), Lyonetia Ledi
(1859), Nepticula rubivora (1860). — Von Pannewitz.
Sph. Pinastri, Bomb. Pini en B. monacha als Wald-
verderber.
DIPTERA.
Dr. Schneider. Schles. geslachten en soorten der tribus Phry-
ganoidea. — Losse aanteekeningen.
HYMENOPTERA.
Losse aanteekeningen.
Horæ Societatis Entomologicae Rossicæ.
Bchalve eenige opstellen in het Russisch bevat dit tijdschrift in
de Duitsche taal:
Fasc, I. K. E. von Baer, Welche Auffassung der lebenden
Natur ist die richtige? und wie ist diese Auffassung auf die
Entomologie anzuwenden ? Gesprochen zur Eröffnung der
Russischen entomologischen Gesellschaft, in Mai 1860.
BIBLIOTHEEK DER NEDERLANDSCHE
=
CSS
J. Kuschakewitsch, Eine neue Elateride: Corymbites Berü. —
Micropus Signoreti.
C. Blessig, Beitrag zur Kenntniss der Heteromeren von Aus-
tralia felix.
Siemaschko, Verzeichniss der in der Umgegend von St. Peters-
burg vorkommenden Arachniden.
K. E. von Baer, Über Beobachtungen der schädlichen Insekten
und über die Mittel gegen dieselben.
F. Morawitz, Zur Kentniss der russischen Eumolpiden. — Die
russisch-europäischen Arten der Buprestidengattung Sphe-
noptera.
Fase. II. Notice biographique sur M. Ed. Ménétriès (in ’t
Fransch, met portret).
I°. A. Kolenati, Beiträge zur Kenntniss der Phthirio-Myiarien
oder Versuch einer Monographie der Aphanipteren, Nycteribien
und Strebliden ; met 15 Tafeln.
J. C. Sievers, Verzeichniss der Schmetterlinge des St. Peters-
burger Gouvernements.
F. Morawitz, Notiz über die russischen Xyletinine. — Ein
Par. kleineren Mittheilungen über russische Coleopteren.
Ratzeburg, über die Behandlung der Forstinsektenkunde nach
neuerem Zuschnitt.
Van the Boston Society of Natural History:
Constitution and Bylaws of the B. Society.
Proceedings of the B. Society, from 1 Jan 1862.
Boston Journal of natural History. Vol. VIT, N°. 1—3.
Entom. inhoud :
Ina
On the Hymenoptera of the Genus Allantus in the United States
bij Edward Norton.
In afl. 3.
Materials for a Monograph of the North American Orthoptera ,
including a Catalogue of the known New England Species
by Sam. H. Scudder.
Proceedings of the Entom. Soc. of Philadelphia, vol. 1 (van Mei 1862
tot Maart 1865).
Bevatten hoofdzakelijk naamlijsten van Noord-Americaansche
Coleoptera, Hymenoptera, Aphides en beschrijvingen van
nieuwe soorten van Coleoptera en Lepidoptera.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 95
Bulletin de la Société Impériale des naturalistes de Moscou. Année
1863. N°. L et 2.
Entom. inhoud :
Énumération des Cicindélètes et. des Carabiques recueillis dans
la Russie méridionale , dans la Finlande septentrionale et dans
la Sibèrie orientale par MM. Alex. et Arth. de Nordmann;
par le Baron de Chaudoir, p. 201.
Essai d’un Catalogue des insectes de l’île de Ceylon par Victor
Motschoulsky (suite), p. 421.
Wiener Entomologische Monatschrift. VII Band.
Inhoud :
Die
europæischen Arten der Hemipteren-Gattung Phimodera
Germ. von F. X. Fieber. Bl. 1. Enumeratio Dipterorum,
que C. Tollin ex Africa meridionali misit. Autore H. Löw.
Bl. 9. Verzeichniss der van H. Joh. und Frau Haberhauer
in Bulgarien und Rumelien gesammelten Lepidopteren. Von
Jul. Lederer. Bl. 17 en 40. Ein Zwitter von Bombyx
Pini beschrieben von J. Lederer. Bl. 28. Ein neuer
Grottenkäfer, beschrieben von L. Miller. Bl. 28. Zwei
neue Otiorhynchus-arten, beschrieben von L. Miller, Bl. 30.
Bythowenus Motsch. Bl. 32.
Ueber bei Sliwno im Balkan gefangen Dipteren, von Dr. H.
Die
Löw. Bl, 33. — Gymnomus troglodytes, eine neue östr.
Fliegengattung , beschrieben von Dr. H. Löw. Bl. 38.
Einige Bemerkungen eines süddeutschen Entomologen zum
„ Catalogus Coleopterorum Europe » autore H. Schaum.
Bl. 47. — Erörterungen zur Nomenklatur der Rhynchoten
Livlands, von F. X. Fieber. Bl. 53. Bemerkungen zu
einigen Sareptaner Schmetterlingen, von H. B. Möschler.
Bl. 63.
während der Reise der k. Schwed. Fregatte Eugenie ge-
sammelten schon bekannten Schmetterlinge, von H. D. J.
Wallengren. Bl. 65. Bemerkungen zu einigen Artten der
Gattung dfychia Latr. von H. B. Möschler. Bl. 77. —
Kurzer Bericht über die Ergebnisse weniger Sammelstunden
in Venedig im September 1862, mitgetheilt von einem
süddeutschen Entomologen. Bl. 80. — Otiorhynchus Ferrarii
n. sp. beschrieben von L. Miller. BI. 84. — Erwiderung
auf die Bemerkungen über den Cat. Col. Eur. von H.
Schaum. Bl. 102.
Lepidoptera nova deser. a C. & R. Felder. Bl. 105. Lepido-
pterologisches, von Dr. A. Rössler. Bl. 128. Schlusswort
des süddeutschen Entomologen. Bl. 134,
06 BIBLIOTHEEK DER NEDERLANDSCHE
Lepidopterologische Mittheilungen von Dr, Wallengren. Bl. 137.
Beiträge zur Kenntniss der Europ. Halticinen, von F.
Kutschera. Bl. 131. — Die zur Fauna von Europa gezähl-
ten Arten der Gattung Chionobas von H. B. Môschler.
Bl. 169 en 201. Die Odonaten- und Neuropteren-Fauna
Syriens und Kleinasiens, von Dr. H. Hagen. Bl. 193. —
Bemerkungen über vier im Catal. Eur. fehlende Arten von
Dr. Schaum. Bl. 199. — Vörläufiger Commentar zum dip-
terologischen Theile der Fauna austriaca, von Dr. J. R.
Schiner. Bl. 217.
Beitrag zur Kenntniss der Pyralidinen von Jul. Lederer. Bl. 243
en Bl. 331—490. — Über eine Zwitterbildung bei Papi-
lio Castor, von G. Semper. Bl. 281. — Principüs obsta,
von Dr. J. R. Schiner. Bl. 282. — Ein kleiner Beitrag
zur gross-oesterreichischen Käferfauna, von Dr. Cl. Hampe.
Bl. 285. — Erklärung in Sachen des Cat. Col. Eur. von
Dr. Schaum. Bl. 290.
Beiträge zur Kenntniss der europäischen Halticinen , von F.
Kutschera (Fortsetzung). Bl. 291. — Über Macherites-
Maculatur von J. Schaufusz. Bl. 329.
NB. Bij dit deel behooren 19 platen, waarvan 18 met
afbeeldingen van Pyraliden.
Verhandlungen des naturforschenden Vereines in Brünn. 1 Band. 1862.
Entomol. inhoud :
Dr. A. Zawadzki, Über eine wahrscheinlich neue Art Zenthredo.
Dezelfde, Uber Gidbium Scotias.
Jdl. Müller, Verzeichniss der bis jetzt in Mähren und oesterr.
Schlesien aufgefundenen Coleopteren.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië, uitgegeven door de
Kon. natuurk. Vereeniging. Deel XXI—XXVI. Afl, 1 en 2.
Entomol. inhoud:
Brief over de leefwijze en eigenschappen van het insect Semoet
graman, eene Formicide, door von Ellenrieder (Deel XXIII,
bl. 461).
Brief over het rijstgewas schadelijke insecten, door denzelfden
(Deel XXIII, bl. 508).
Eerste bijdrage tot de kennis der Hemipteren van den Indischen
Archipel, door denzelfden (Deel XXIV, bl. 130).
Mededeeling omtrent insekten te Batavia op katoenstruiken
gevonden, door denzelfden (Deel XXIV, bl. 479).
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. D7
Berliner Entomol. Zeitschr. 7 Jahrg. N°. 3 & 4. 8 Jahrg. N°, 1 & 2.
Inhoud :
Eine entom. Alpenexcursion im Sommer 1862 von H. v.
Kiesenwetter. — H. Reinhard, Beiträge zur Kenntniss
einiger Braconiden-Gattungen, 2° Stück. — Diptera Ame-
rice Sept. indigena descripsit H. Loew; Centuria 4*. —
E. v. Harold, Beitrige zur Kenntniss einiger coprophagen
Lamellicornien. — C. Stäl, über Pyrrhocoriden. — Idem,
Verzeichniss der Mononychiden. — Reinhard, Chilothelius ,
neue Hymenopteren-Gattung. — Stein, Neuropteren Grie-
chenlands. — H. von Kiesenwetter, Beiträge zur Kenntniss
der zur Untergattung Isomira gehörenden Cistela-arten. —
Idem, Weitere Beiträge zur Kentniss der europäischen
Malthiniden. — C. Kretschmar, Caradrina Menetriesii nov.
sp. — H. Schaum, Nachtrag zum Carabicenen-Aufsatz. S. 67.
Kleinere Mittheilungen über Coleopt. , Sammelberichte , Synony-
mische Bemerkungen über Coleopt., kurzer Bericht über
die 38° Versammlung deutscher Naturforscher und Aerzte,
neuere Literatur.
Jahrg. 8. Hft. 1 & 2.
G. Kraatz, über die Artrechte der europ. Maikäfer. — Eichhof,
über die Munttheile und die Fühlerbildung der europ.
Xylophagi, sens. strict. — Kraatz, einige für Deutschland
neue Käfer. — Löw, Diptera Americæ Sept. centuria 5°. —
Catalogus Generum et specierum quæ insunt in quinque
primis Dipterorum centuriis. — Schaum, die egyptischen
Dytisciden. — Idem, neue Hydroporen aus Europa und
dem gemässigten Asien. — Idem, Beiträge zur Kenntnisse
der Carabicinen. — W. Scriba, Drei für Deutschland neue
Staphylinen. — Omypoda investigatorum Kraatz n. sp. —
Kraatz, zur critischen Kenntniss europæischer Käfer-arten.
Erstes Stück. — H. Schaum, zur critischen Kenntniss
europ. Carabieinen. — G. Stierlin, über einige neue und
wenig bekannte Sicilianische Käferarien. — G. Kraatz,
Grundzüge eines naturlichen Systems der Rüsselkäfer. —
Neuere Literatur.
Verhandlungen der K. K. zoologisch-botanischen Gesellschaft in Wien.
Jahrg. 1863. Band XIII, mit 25 Tafeln.
Entom. inhoud :
Verschillende kleine opgaven in de Sitzungsberichte. Dr. J.
Giraud , Hymenoptères de Suse et de Vallouise, bl. 11.
Fr. Brauer, über Gastrus-Larven, bl, 133. L. Schrader,
über gallenbildende Insekten in Australien, bl. 189. G.
58
BIBLIOTHEEK DER NEDERLANDSCHE
von Frauenfeld, Beitrag zur Metamorphosen-geschichte der
Insecten, bl. 213. Fr. Brauer, über Panorpiden-Larven,
bl. 307. Dr. G. Mayr, Hemipterologische Studien, bl. 337.
E. Keyserling, Beschreibungen neuer Spinnen, bl. 369.
Dr. G. Mayr, Formieidarum Index synonymicus, bl. 388.
Dr. A. Gerstäcker, Eine neue Oestriden-Art, Aulacoce-
phala badia, bl. 1033. Dr. J. Schiner, Meine Ansicht
über die Gattung Blesoripha Löw, bl. 1037. Dr. M. J.
Egger, Dipterologische Beiträge, bl. 1101. G. von Frauen-
feld, Bericht über eine Reise durch Schweden und Norwe-
gen in Sommer 1863, bl. 1161. L. W. Schaufuss, Neue
Grottenkäfer, bl. 1219. G. R. von Frauenfeld, Beitrag
zur Metamorphosengeschichte, bl. 1223. J. Mick, Beschrei-
bung neuer Dipteren, bl. 1237. L. W. Schaufuss, Mono-
graphie der Gattung Macherites Mill, bl. 1241. J. Giraud,
Mémoire sur les Insectes du roseau, bl. 1251. A. Rogen-
hofer, zur Lebensgeschichte van Cephus compressus, bl. 1335.
Annales de la Société entomol. de France. 4° Série, Tome troisième.
Inhoud:
1 Trim. — L. Dufour, Trois aranéides de Querra. — Sur une
nouvelle espèce de Sparassus. — A. Laboulbène, sur des
larves de dipt. trouvées dans l'estomac de grenouilles. —
H. de Saussure, nouv. espèces de Scolia. — Sichel, Sphex
hemiprasina. — Stal, species nove Reduviidum. — Peyron
et Martin, Rapport sur l’excursion des Pyrénées orien-
tales. — Constant, Acidalia luteolaria. — Mabelle, sur la
Leucania littoralis. — De Saulcy, Nouveau genre de coleopt.
(Linderia); sur le genre Machærites et Claviger Duvalii. —
Girard, sur les Isaria, la muscardine et la chaleur des
animaux articulés. — Schaum, sur la chaleur animale des
ins. — Laboulbène, Chenille mineuse du bouleau et Sciara
Bigoti. — Lucas, Deux nouv. esp. de Coléopt. de la nouv.
Calédonie; note sur la rétractilité des ongles des palpes
dans les Mygales. — Reiche, Examen du Catal. des
Coléopt. de M. Schaum. — Tournier, Traduction de la
Monogr. des colons d'Europe de M. Kraatz. — Fauvel,
sur le Leptimus testaceus. — Harold, sur les Phanæus et
autres Coléopt. mexicains.
2 Trim. — Harold, sur les Phanæus (suite). — Wencker, nou-
velles espèces d’Apion. — Chevrolat, Coléopt. de Cuba. —
Fauvel, sur quelques Aléochariens nouveaux et sur le Tyro-
glyphus entomophagus. — Fairmaire et Germain, Révision
des Coléoptères du Chili, — Yersin, deux Orthoptères
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. 59
nouveaux d'Europe. — Stainton, sur la chenille mineuse des
feuilles du bouleau. — De Graslin, Notice sur deux explo-
rations faites dans les Pyrénées orientales.
3 Trim. — De Graslin, Notice sur deux explor. (suite). — L.
Dufour, Essai monographique sur les Bélostomides. — H.
Lucas, sur les modifications que les mues font subir au
Belostoma algeriense; quelques remarques sur le genre Pe-
risphæria ; note sur l’Epeira Decaisnei, spec. nov.; sur
l’Estheria cycladoides, crustacé phyllopode ; sur une nouv.
espèce de Lepisma; sur une var. de la Segestria florentina. —
Bellier de la Chavignerie, trois Lépid. Europ. nouveaux. —
Vinson, Lépidopt. nouveau de Madagascar. — Chevrolat
et Fauvel, Coléopteres de Cuba (suite). — de Chaudoir,
Quelques esp. de Cicindélètes et de Carabiques. — Perris,
Moeurs des Apions. — Laboulbène, Note sur la phosphores-
eence des larves et des nymphes du genre Lampyris. —
Reiche, Esp. nouvelles de Coléopt. de la faune circa-médi-
terran.; note sur quelques larves de Lampyrides. — Strauch,
note sur l’Apalus bimaculatus. — Linder, un nouveau genre
aveugle de Carabiques et deux Coleopt. nouv. — H.
Deyrolle , nouv. genre de Lucanide. — Gautier des Cottes ,
Trois nouv. esp. de Coleopt. français. — Brisout de Barne-
ville, Monogr. des espèces europ. et algér. du genre Ba-
gous. — Westwood, Notice sur John Curtis. — L. Buquet
Carabus clathratus anormal.
4 Trim. — Signoret, Révision des Hémipt. du Chili, — Chévro-
lat, Coléopt. du Chili (suite). — Perez, Métamorphose du
Macronychus quadrituberculatus et de son parasite. —
Fairmaire, Coléopt. d’Algerie. — De Saulcy, Note au sujet
de la Linderia Marie. — Grenier, Réponse à la note pré-
cédente de Saulcy; quatre nouv. espèces de Coléopt. propres
à la faune frangaice. — Allard, Deux. nouv. esp. d’Al-
tises. — Peragallo, Seconde note pour servir à l’histoire
des Lucioles. — Lucas, sur une femelle de la Mygale
bicolor. — Schaum, Kiesenwetter, Reiche, de Saulcy et
Fairmaire, Discussion sur la Synonymie.
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie, Vol. VIII, Année
1862—63.
Daarin :
Note synonymique sur quelques Pederus européens par M. A.
Fauvel. — Remarques sur quelques points de l’histoire de
60 BIBLIOTHEEK DER NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
la Cochenille ou Kermès de la vigne; door denzelfden. —
Partie entomol. de la promenade linnéenne à Trouville ;
door denzelfden.
Mémoires de la Société Linnéenne de Normandie, Vol. XIII.
Daarin :
Les Lépidoptères du Calvados par M. A. Fauvel, 1° partie; van
Papilio tot Sphinz.
S.v V fec
1 & 2 Calodema Johannae.
3-5 Poseidon malayanus.
6-8 Tetrix limosina.
A.J. With.
DESCRIPTION
D’UNE NOUVELLE ESPÈCE DE CALODEMA
(Calodema Johannee)
DE WAIGEOTU,
PAR
M. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
eee
Planche I, Fig. 1 et 2.
Depuis assez longtems on connait une grande et belle espèce
de Calodema, unique dans le genre et fort rare dans les collec-
tions, à laquelle M. Hope a donné le nom de Stigmodera Kirbyi
et que MM. de Castelnau et Gory ont décrite et figurée dans
leur ouvrage classique sur les Buprestides. Un envoi d'insectes
remarquables de Vile Waigeou, fait par l'infatigable voyageur
naturaliste M. Bernstein, nous met à même d'enrichir le genre
d’une seconde espèce, non moins belle, non moins magnifique
que sa congénère. Les caractères génériques que M. Lacordaire”
assigne au genre, sont aisément reconnaissables et très-tranchés
dans notre espèce nouvelle. Le museau est saillant, le labre
allongé, acuminé, parcouru en dessus par un sillon médian.
Les antennes, dentées en scie à partir du quatrième article, ont
leurs fossettes porifères situées sur leur tranche interne.
Le prosternum s’avance au dessous de la tête en forme de
x
saillie très-proéminente, de manière à ce que la tete en se
® Genera des Coléoptères, Tome IV, pag. 60.
62 DESCRIPTION D UNE NOUVELLE ESPÈCE DE CALODEMA.
courbant en bas, puisse se poser sur cette saillie, comme la tête
des muscadins de la fin du dix-huitième siècle reposait sur les
amples plis de la cravatte blanche. L’écusson est en coeur et
les élytres oblongo-ellyptiques sont très longues et quelque peu
déprimées vers le bout. Enfin les tarses postérieurs’ répondent
de même dans la forme et les dimensions de leurs articles à
la description qu'en donne M. Lacordaire.
L'espèce nouvelle que nous avons figurée à la Planche 1°
(fig. 1 et 2) et à laquelle nous donnons le nom de Calodema
Johanne, a une longneur de 47 millimètres sur une largeur de
de 18. Sa tête est d'un vert doré, un peu bleuätre sur la ligne
médiane, assez fortement ponctuée avee un espace lisse au milieu
du front. Les grands yeux sont marrons, les antennes d’un
vert cuivreux. Le prothorax vaguement pointillé sur le disque,
assez densément ponctué sur les bords et d'un vert doré très-
éclatant, à ligne médiane azurée, offre une grande tâche semi-
elliptique de couleur cuocolat de chaque coté sur le bord, enve-
loppant un minime point du fond. Cette tâche est également visible
en dessous sur la poitrine dont la couleur est un bleu violacé.
Écusson lisse, doré. Elytres à lignes penctuces irrégulières
mais peu profondes, excepté celle qui est la plus rapprochée du
bord, les lignes s’efiacant vers langle sutural. Celui ci est épi-
neux ; une autre petite épine se voit à quelque distance et semble
terminer le bord costal. Le premier tiers des élytres nous offre
une couleur jaune d’ambre à liséré d'un bleu foncé sur le bord
anterieur et la suture; les deux tiers restants sont d’un bleu
foncé violacé brillant, passant au violet vers l'angle sutural; sur
le fond se détache sur chaque élytre une tâche couleur d’ambre
de forme irrégulière. Le sternum, ainsi que l'abdomen, lisses
au milieu, vaguement ponctués sur leurs bords, sont d’un vert
éclatant ; de chaque côté de l'abdomen se voient cinq tâches
elliptiques jaunes, qui vont augmentant en dimension vers l'anus.
Les hanches sont vertes, les cuisses d'un vert bleuâtre, les
jambes vertes et les tarses d’un vert cuivreux.
UN GENRE NOUVEAU
D’HEMIPTERES SCUTELLERIDES,
PAR
M, SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
> zoiet
Planche I, Fig. 3—5.
Un certain parallélisme autorisait à soupconner l'existence d'un
genre inconnu, habitant probablement les Indes Orientales, et
devant trouver sa place entre les Scutellérides du groupe des
Plataspides. Car, en considérant que le genre Tiarocoris (voyez
ma Monogr. des Scutell., p. 51) n’est autre chose qu’un Copto-
soma, dont le mâle à la tete bizarrement développée, que le
genre Ceracotoris White n'offre de même qu'un Brachyplatys, a
tête du mâle cornue, on se demande si le genre Heterocrutes
Am. et Serv. n'aurait pas à lui aussi son genre affilié à tête du
mâle monstreuse. Il manquait un chainon à la chaine naturelle
et ce chainon je le remets à sa place, en décrivant un nouveau
genre, qui rétablit le parallélisme interrompu. Je le nomme
Poseidon en raison de la tete tridentée du male.
Corps elliptique, assez large, peu bombé en dessus, luisant.
Tête large, tridentée antérieurement, les cornes céphaliques
creusées en goultiere, les latérales courbées en dedans, chez le
male; large, plate, en demi cercle chez la femelle, les lobes la-
téraux se rejoignant au bout du lobe médian frontal. Antennes
insérées sous la tête, de cinq articles; le premier très-long,
cylindrique, assez large, le second très-petit n'ayant qu'un hui-
64 UN GENRE NOUVEAU D'HÉMIPTÈRES SCUTELLERIDES.
tième de la longueur du premier, le troisième moins long et
moins gros que le premier, quelque peu en massue, les suivants
diminuant graduellement en longueur et en grosseur. Yeux en
forme de larme, tres-distants; ocelles placés bien plus près l’un
de l’autre que des yeux. Bec dépassant les hanches postérieures ;
ses deuxième et troisième articles d'égale longueur. Prothorax à
bords latéraux arqués. Ecusson à peine échancré postérieurement
chez les males. Ventre plat, celui des femelles à sillon longi-
tudinal court sur les premiers anneaux. Pattes assez courtes et
robustes.
La seule espèce que je connais, est le
POSEIDON MALAYANUS, Voll.
Le mâle 15 mm., la femelle 15.
Habite la péninsule de Malacca.
D'un noir bronzé en dessus. Yeux d'un blanc brunätre. Quel-
ques lignes et tâches de couleur orangée, à savoir: deux tâches
et deux traits entourant le lobe médian de la tête, les derniers
chez le mâle au milieu de la corne céphalique médiane; deux
petites tâches près du bord antérieur du prothorax, un filet
tout le long de son bord lateral; deux tâches rondes sur l’écusson
près du bord antérieur et un filet tout autour du dernier. Ponc-
tuation de l'écusson assez forte, celle du prothorax plus faible,
de la tête nulle. Elytres d'un brun de poix. Antennes faible-
ment poilues, noires à articulations blanchâtres. Bec ferrugineux.
Dessous du corps d’un noir luisant, à l'exception de la poitrine
qui est cendrée et mate. Chaque anneau de l'abdomen de la
femelle offrant deux petits points orangés de chaque coté sur
le bord. Pattes noires à tarses brunätres.
Planche 1”, fig. 5. Le mâle.
» » 4. La femelle.
» » 5. Contour de la tête et du prothorax du
mâle, grossi.
BESCHRIJVING
VAN EENE NIEUWE TETRIX-SOORT,
Tetrix limosina ,
DOOR
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
—pofject—
Plaat I, Fig. 6—8.
De heer W. de Haan heeft in de Verhandelingen over de natuur-
lijke geschiedems der Nederlandsche Overzeesche Bezittingen,
Zoologie, bladz. 169, de diagnose gegeven eener Sumatraansche
soort van Tetrix, welke zeer op onze nieuw te beschrijven soort —
gelijkt. Hij noemt die soort Cephalica, naar het boven den
rug uitstekende hoofd. Ik noem de mijne Limosina, omdat
het diertje, op zijde gezien, met ingeslagen achter- en uitge-
stoken middelpooten, terstond aan een Grutto, Limosa melanura,
doet denken (verg. fig. 7). Geene soort van Tetrix is mij evenwel
bekend, die door zoo buitengewone lengte van bovenkop uit-
munt; want het ligchaamsdeel, dat in de zweeming naar de
Grutto-gedaante den hals uitmaakt, is niet anders dan een ge-
deelte van het hoofd, ‘tgeen voorhoofd en achterhoofd omvat;
boven hetzelve staan de oogen en sprieten, onder hetzelve de
wangen en monddeelen, welke laatste tusschen de voordijen als
verborgen liggen. Van voren gezien (verg. fig. 8), heeft de kop
dan ook eene zeer zonderlinge gedaante, welke min of meer
het beeld eener Turksche vrouw voor de verbeelding roept.
Tetrix limosina is uit het eiland Gebeh door de zorgen van den
heer Bernstein in eenige voorwerpen aan ’s Rijks Museum van
natuurlijke historie toegezonden. Het individu, dat ik voor het
5
66 BESCHRIJVING VAN EENE NIEUWE TETRIX-SOORT.
mannetje houd, is eenigzins levendiger gekleurd dan de wijfjes,
die zeer somber van uiterlijk zijn. De algemeene kleur van het
mannetje is een donker bruin; kop en thorax zijn zeer fijn
korrelig, als lederachtig en eenigermate glanzig, als gevernist. De
uitpuilende oogen zijn bruin; daartusschen staat op den schedel
een fijn geel figuurtje als een drietand. De sprieten, schier tegen
elkander aan, vlak onder de oogen ingeplant, zijn zeer lang en
dun; het eerste lid is tweemaal zoo dik als de volgenden en ver-
toont aan het eind een wit randje; de overigen zijn eenvoudig
bruin. Onder elk oog staat een. schuin geel vlekje, voor het voor-
hoofd eene lange gele streep, vervolgens twee vierkante vlekjes
van die kleur. De rand van den bovenlip vertoont een geslingerd
geel bandje en de palpen zijn geelachtig wit. De prothorax
heeft op den rug drie flaauw zigtbare gele langsstrepen, die zich
op den mesothorax of het ruggeschild duidelijk als drie gele
lijnen voortzetten: een op het midden van den rug, de beide
anderen op de scherpe kantzoomen. De voor- en middelpooten
hebben witte langsstrepen op de bovenzijde van dij en scheen,
terwijl mede het eerste lid der tarsen wit is. Het tweede lid
is, bijna onzigtbaar, klein, het derde zeer slank, de klaauwtjes
groot. De achterpooten zijn roodachtig bruin, ietwat vaal aan
de knie, met twee witte haakjes aan het eind der scheenen,
die aan de rugzijde ongeveer 11 doorntjes dragen; de achter-
tarsen zijn wit.
Het wijfje is donkerder bruin; bij haar is het geel aan den
kop vuilwit en het wit aan de pooten nagenoeg graauw. Vooral
is de lichte kleur aan het laatste lid der tarsen naauwelijks te
herkennen.
Lengte van het voorhoofd tot aan het eind van den eijerlegger
T4 mm.; van de spits der uitgestoken sprieten tot aan de
klaauwtjes der uitgestrekte achterpooten 54 mm. Lengte der
achterpooten 20 mm.
EEN PAAR DAGEN TE BEEK,
J, W. LODEESEN,
Mijn vriend J. Kinker en ik, in het begin der maand Augus-
tus eenige dagen ter onzer beschikking hebbende, besloten wij
die te besteden aan het verzamelen van Lepidoptera en kozen
daartoe een voor ons weinig bekend oord, namelijk, de omge-
ving van Beek, bij Nijmegen; eene streek die door verscheiden-
heid van terrein en schilderachtige ligging ook in andere opzigten
een bezoek overwaardig is.
Ofschoon een Entomoloog-verzamelaar, evenmin als een land-
bouwend sterveling, ooit geheel tevreden is met zijnen oogst ,
zoo hadden wij toch alle reden om ons over onze keus te ver-
heugen; want behalve een aantal minder zeldzame vlinders,
vingen wij:
Sthanelia hippocastanaria Hübn. & en Gelechia continuella Z. 3
in de heide op de bergen; Hydrilla arcuosa Haw. & met Botys
lancealis W. V. en stramentalis Tr., op eene vochtige plaats,
langs den straatweg; Grapholitha dissimilella Tr. 3, in het gras
tegen eene heuvelhelling en meer andere zeer welkome soorten.
Onder de merkwaardige zaken vermeen ik melding te moeten
maken van een exemplaar van Satyrus Egeria L. var. & door
mijn’ vriend Kinker gevangen, ’s namiddags in den zonneschijn
vliegende tegen eiken met gewone exemplaren dezer soort, welk
voorwerp, ofschoon in hoofdzaak gelijk aan den type, echter in
kleur geheel daarvan afwijkt (zie Plaat 2, fig. 1).
68 EEN PAAR DAGEN TE BEEK.
Voorts ving ik bij het kloppen in de struiken op de hoogten
ten Z. O. van Beek, eene Eupithecia, die ik aanvankelijk als
eene voor onze Fauna nieuwe soort beschouwde, doch die later
door den heer P. G. T. Snellen, te Rotterdam, bestemd is als
Eupithecia nanata Hübn. var. (zie Plaat 2, fig. 2 en 24), welk
gevoelen ik geneigd ben te deelen, daar ik den volgenden dag
nagenoeg op dezelfde plaats nog een exemplaar van Eup. nanata
Hübn. var. ving, dat in kleur en teekening een overgang ople-
vert tusschen den type en het eerstgenoemde door mij gevangen
voorwerp.
Door de bereidwilligheid van mijn geachten vriend Snellen van
Vollenhoven, die de vervaardiging der teekeningen op zich heeft
genomen, ben ik in staat gesteld de lezers van dit Tijdschrift
bekend te maken met deze beide afwijkingen van twee, overigens
niet zeldzame, soorten en hoop ik hunne aandacht gevestigd te
hebben op een plekje in ons Vaderland, dat, bij langduriger en
naauwgezetter exploitatie nog veel merkwaardigs zal kunnen
opleveren.
Oct. 1864.
S.v V. fec.
A.J W lich.
1 Satyrus Aegeria, L. var 2 Eupithecia nanata, Hübn. var.
3 & 4 Clostera curtula, L. 5 Agrotis Ripae, Hübn.
OVER EENE RUPS VAN CLOSTERA CURTULA,
DOOR
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
— pallet
Plaat 2, Fig. 3 en 4.
In het werk van Sepp «de Wonderen Gods enz.» Deel III,
tab. 8, vinden wij eene, en in hetzelfde werk, Deel IV, tab. 21,
twee volwassen rupsen van Clostera curtula afgebeeld, welke
overeenstemmen met de beschrijving, die Ochsenheimer (Die
Schmetterlinge von Europa, Th. HI, s. 255) van de rups geeft.
Evenwel vind ik noch bij den laatsten noch bij Sepp gewag ge-
maakt van helderparelkleurige rupsen met lichtbruine koppen.
Zoodanig eenige rups trof ik in September op een Italiaanschen
populier aan. Daar ik twijfelde aan de soort, waartoe de rups
behoorde, en haar volstrekt niet voor Curtula herkende, teekende
ik haar in kleuren af en geef nu eene lithographische copij
van die teekening op eene plaat door inlandsehe vlinders bezet,
om haar door den druk meer algemeen bekend te maken.
Niemand zal, deze rups ziende, haar sierlijkheid ontzeggen ;
het fijne, parelkleurige wit wordt nog helderder en frisscher,
zoo wel door de gele kleur der wratjes in de zijden, als door
de menigte zwarte stipjes, die regelmatig boven en tusschen de
wratjes verspreid zijn. De verhevenheid op den vierden ring
is fluweelzwart, doch die op den voorlaatsten van gelijke kleur
70 OVER EENE RUPS VAN CLOSTERA CURTULA.
met den grond. De pooten zijn vleeschkleurig en de kop is
zeer licht bruinrood met witte zoomen der naden.
Deze rups spon zich den 25sten September in en leverde in
het. volgende voorjaar een’ vlinder, aan welken geene afwijkende
kleur was waar te nemen. Daar ik meen dat van de staartpunt
der pop geene teekening bestaat, heb ik de afbeelding daarvan,
van de rugzijde der pop genomen, als fig. 4 op de plaat bij-
gevoegd.
OVER AGROTIS RIPÆ HUBN,
DOOR
P. ©. T. SNELLEN.
oa
Plaat 2, Fig. 5.
De rups van Agrotis Ripe Hübn. en hare leefwijze zijn reeds
voldoende beschreven door Boie in de Stettiner £nfomologische
Zeitung voor 1852, p. 584, en door Schmidt in die voor
1858, p. 579, doch eene afbeelding daarvan bestaat, voor zoo
ver ik weet, nog niet. Eenige rupsen dezer soort gevonden
hebbende en de heer Snellen van Vollenhoven de goedheid heb-
bende gehad een exemplaar daarvan af te teekenen , maak ik
L
OVER AGROTIS RIPA. 71
van een open plaatsje op de bijgaande plaat in het Tijdschrift
voor Entomologie gebruik om die afbeelding het licht te doen
zien.
Het afgebeelde exemplaar was geheel volwassen, en men kan
dus zeggen dat de rups, naar den vlinder gerekend, vrij groot
is!. De kleur dezer dieren is met zeer weinig verschil van
licht en donker, die van het zand, waarin zij zich over dag
verbergen ; enkelen hebben eene eenigzins groenachtige tint;
een paar exemplaren waren wat graauwachtig.
De teekeningen die op het ligchaam der rups te zien zijn,
zijn de volgende: over het midden van den rug loopt eene
dubbele, lichtgrijze lijn, in de zijden drie enkele, eveneens ge-
kleurd, en min of meer gegolfd of liever gewaterd; de bovenste
dezer lijnen is eenigzins donkerder dan de anderen. Op iederen
ring ziet men verder de gewone stippen, hier donker grijs; ver-
der is de kop bruingeel, de voorpooten ook, iets lichter dan de
kop, de achterpooten als het lijf en de zoomen der luchtgaten
zwart. De rups is, even als al de rupsen der mij bekende
echte Agrotissoorten , eenigzins glanzig en hare huid dun.
Omtrent hare leefwijze heb ik weinig of niets mede te
deelen , dat niet reeds door bovengenoemde schrijvers is opge-
geven. Dit kan ik echter zeggen, dat zij, even als al hare
geslachtsgenooten, tamelijk polyphaag is. Toen ik de rupsen
dezer soort in het jaar 1862 voor het eerst bij Scheveningen
vond, onder struiken van Cukile maritima (Zeeraket) in het
zand verborgen (een exemplaar van Cephalotes vulgaris, dat
juist bezig was eene rups te verorberen, bragt mij op haar
spoor), ging ik in mijne zorgvuldigheid voor deze dieren (die ik
dadelijk voor die van Ripe herkende) zoo ver, dat ik hun niet
anders te eten durfde geven dan het voedsel waarop ik ze
vond en ondernam zelfs tweemaal den togt naar Scheveningen,
om versche planten te halen; doch, in het jaar 1865 werd eene
rups door mij onder eene soort van Melde (Chenopodiwm) gevonden
1 In vorm gelijkt zij op de rupsen der andere Agrotiden; zij is namelijk plat,
voor en achter even breed en kortpootig.
79 OVER AGROTIS RIPÆ.
en met goed gevolg verder met gewone tuinzuring gevoederd ,
want zij leverde een volkomen exemplaar van den vlinder op;
terwijl in September van dit jaar, toen ik mij met de heeren
Fransen en van Woerden weder te Scheveningen bevond, de
rupsen onder allerlei lage planten werden aangetroffen en nu
zonder vrees, en tot dusverre met goed gevolg, allen aan de
tuinzuring werden gezet. De manier van opkweeking door Boie
en Schmidt aanbevolen, is uitmuntend en ook voor andere
Agrotiden zeer goed, zoo als ik dit jaar nog met Agrotis Tritici
heb ondervonden. Men doet in eene suikerflesch of tonnetje
eerst eene laag zuiver zand, dat goed nat gemaakt en zoo vast
mogelijk ineen gedrukt wordt, en laat daarop al minder en
minder vaste en vochtige zandlagen volgen, tot dat de bovenste
geheel droog en los is, altijd zorg dragende de zandkolom zoo
hoog mogelijk te maken; karigheid is ook in dit geval schade-
lijk. Wanneer de rups nu volwassen is, kruipt zij zoo diep als
haar aanstaat en overwintert onverpopt; het afstroopen der huid
geschiedt eerst in Junij. Door het sterke ineen persen der
onderste zandlagen behouden deze haar vocht zeer lang en be-
waren de rupsen voor verdroogen. Aarde onder het zand te
mengen houd ik voor onraadzaam ; buiten zandgronden komt
deze soort niet voor, ofschoon haar voorkomen waarschijnlijk nog
meer aan dat van sterk alcali-houdende planten is gebonden.
DE INLANDSCHE BLAD WESPEN
IN HARE GEDAANTEVERWISSELINGEN EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN
DOOR
M". S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
ELFDE STUK,
EMPHYTUS CINCTUS, L.
N°. 70 der Bouwstoffen.
Linnzus , Syst. Nat. 1, 2, p. 925, n°. 39.
Panzer, Fauna Germ. CXLIV, 18 en 19.
Kıuc, Die Blattw. in d. Gesellsch. naturf. Freunde zu Berlin
Magazin, 8° Jahrg. S. 279, n°. 194.
Harrie , Blatt- und Holzwespen, p. 248, n°. 5.
Danrgom , Clavis n. Hym. Syst. , p. 55, n°. 54!.
Boucne, Naturgesch. des Ins., p. 159.
Bruscure , Abbild. und Beschr., p. 16, Taf. III, fig. 6.
Lang heb ik geweifeld of ik de beschrijving dezer soort wel
in het licht zou geven; want niet alleen kwamen mijne waar-
nemingen omtrent de kleur en vercierselen (als men het vercier-
selen noemen mag) der larven niet overeen met de mij sedert
? Dahlbom citeert bij deze soort ook Riaumur, Mémoires, V, Mém. 3, p- 163
(moet zijn 98), Pl. 10, fig. 1—3. Dit heeft echter betrekking op eene andere soort
van Tenthredo, welke ik later hoop te beschrijven.
6
74 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
geruimen tijd bekende beschrijvingen van Bouché en Dahlbom ,
maar ook zelfs mijne eigene beschrijvingen van larven , waaruit
in verschillende tijden £mphytus cinctus bij mij voortgekomen
was, stemden niet in allen deele overeen. Ik moest eindelijk
wel tot het besluit komen, dat deze soort ontstaat uit eene
larve, wier individuen onderling zeer verschillen, en geef dit als
voorloopig resultaat, tot later bewezen zal worden dat eenige
zeer na verwante soorten, die tot heden in wespen-gedaante
niet te onderscheiden zijn, van hetzelfde voedsel leven en
dezelfde levenswijs met elkander gemeen hebben.
Mijne eerste kennismaking met dit dier is zeer oud. Ik her-
inner mij, als knaap op het buitengoed mijner grootouders deze
soort, even als Cladius viminalis en Nematus Salicis opge-
kweekt te hebben. Mijne eerste teekening van de ‘larve dag-
teckent echter van den 18den Julij 1842. Zij is die, waarnaar
fig. 1 en 2 van Plaat 5 gemaakt zijn, en komt vrij wel overeen
met de beschrijving , welke Brischke van Emph. viennensis
geeft. Later heb ik uit andere larven, van kleur en gedaante
als fig. 5, volkomen dezelfde bladwesp gekweekt, indien ten
minste mij niet het onderscheid tusschen de wespen ontsnapt.
Mijne algemeene beschrijving der larve zou nu moeten luiden
als volgt: Het ligchaam is cylindrisch rolrond, aan den anus
evenwel minder dik dan aan den hals, zeer sterk gerimpeld ,
steeds gebogen, nimmer geheel regt uitgestrekt, in rust als
spiraal opgerold met het staarteinde op de zijden van een der
segmenten tusschen 4 en 8 rustende. Er zijn 22 pooten aan-
wezig; het vierde segment mist het paar pooten. De kop is
nagenoeg bolrond, voor dof; op den schedel glad, met uiterst
fijne witte haartjes bedekt, lichtbruin of vuil geelachtig graauw.
Op den schedel eene wigvormige, donker of zeer donker bruine
vlek ; twee lichte vlekjes of veegjes achter de oogplekken ; deze
laatsten rond en zwart. Bovenkaken okerbruin. Men vindt
evenwel ook koppen, die tot aan de oogen paars zijn, behalve
twee kleine lichte driehoekjes schuin boven de oogen , van daar
af verder vuil geelachtig. Achter den kop wordt de rug dik-
wijls min of meer bultachtig opgeheven.
È
GEDAANTEVERWISSELINGEN EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 75
De rug is vuilgroen, bij eenigen tamelijk donker, bij anderen
lichter tot aan de stigmata. Aan den hals boven het eerste
stigma een bruine of blaauwe veeg. De buik en zijden beneden
de stigmata vuil wit, soms uit den gelen; ook de pooten heb-
ben die kleur. Op de heupen der voorpooten staan zwarte
streepjes ; boven iedere midden- en achterpoot staat een grijs
vlekje, dat zich somwijlen, als in fig. 2, tot een zwart streepje
verlengt. Boven den anus bruine doornachtige stipjes. Op
iederen ring van het lijf (verg. fig. 4) drie rijen witte doorntjes,
waarvan de voorste rij slechts uit 4 of 5, de beide anderen
uit 10 of 12 bestaan. De voorpooten hebben bruine klaauwtjes.
De stigmata zijn wit; de groote tracheën schijnen door de huid
heen. Andere voorwerpen waren aan den hals wel wat don-
kerder dan op den rug, doch misten de halsstreepjes , die
fig. 1 en 2 zoo duidelijk vertoonen; ook hadden zij groenachtige
voorpooten.
Bouché geeft eene ietwat afwijkende beschrijving der larve;
hij zegt toch: «über den dunkelgrünen Rücken läuft eine hellere
Linie und vier Reihen schwarzer Flecke, so dass auf jedem
Abschnitt vier zu stehen kommen.» De grootsten van deze
zwarte vlekjes waren hoven de kleine bruingele stigmen te zien.
Ook ontwaarde hij boven de buikpooten twee digt bijeen staande
rijen van bleekgrijze vlekken.
Ook Brischke spreekt van zwarte vlekjes , die het groen van
het vuilwitte in de zijden afscheiden en dus boven de stigmata
staan. Evenzeer vermeldt Dahlbom diezelfde vlekjes, indien ik
ten minste wel zijne woorden versla: «macularum seriebus longi-
tudinalibus utrinque duabus nigris. »
Dergelijke vlekjes heb ik boven de luchtgaten bij geen mijner
voorwerpen bespeurd. +
Omtrent de levenswijs der larve is men het vrij wel eens, op
een punt na, dat van het aantal generatien in een jaar, waar-
over terstond nader. De schrijvers zeggen en ik vond het be-
vestigd, dat men deze larve in spiraal opgerold aantreft aan
de onderzijde der rozenbladeren. Ik zag haar evenwel ook op
de bovenzijde rusten. Zij is zeer traag en schijnt haar voedsel
76 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
in den morgenstond en in de avondschemering te nemen; of zij
des nachts ook eet is mij onbekend. Ik vond haar evenwel
somwijlen eenige dagen achtereen op hetzelfde blad, ’t geen mij
doet vermoeden dat zij des nachts ook zelden beweging neemt.
Ik zag geen verschil in de levenswijze van zeer jonge, dat is
naar gissing eenmaal vervelde, larven en volwassenen. Dahlbom
schijnt het er voor te houden dat zij na de laatste vervelling
eene andere kleur of gedaante hebben dau vroeger; doch de ver-
keerd geduide plaats bij Réaumur heeft hem in dien waan
gebragt. Ik voor mij, zag geen verschil tusschen eene halfwassen
en eene ingesponnen rups, dan. in grootte. Wat nu de gene-
ratien in een jaar betreft, Brischke meent dat er slechts een is,
Hartig vermoedt dat er meer zijn. Ik geloof dat men het laatste
veilig kan aannemen, als men bedenkt dat men de wespen
vindt van Mei tot Augustus en jonge larven in Augustus
aantreft.
Is de larve volwassen , zoo laat zij zich op den grond vallen |
en verandert daar zonder spinsel, of zij kruipt in eene spleet
van boomschors of reet van eene heining om te verpoppen, of
wel zij boort zich een’ gang in het merg van een afgesneden
rozentak. Deze gang is somwijlen wel 2 tot 5 duim diep en
de larve schijnt zich daarin te kunnen omkeeren , ten minste
men vindt haar met den kop naar het opene einde gewend,
evenwel eenigermate met afknaagsel van het hout op haren kop
bedekt.
In dezen schuilhoek overwintert de larve en verandert eerst
vrij laat in het voorjaar in eene lichtblaauwe pop, gelijk onze
figuur 5 er eene vergroot in het uitgeknaagde takje voorstelt. De
gedaante der pop leverde overigens niets bijzonders op. Uit de
afgebeelde pop ontwikkelde zich de wesp den 20sten Mei.
De wijfjes zijn oneindig veel talrijker dan de mannetjes,
welke laatste men zelden te zien krijgt. Het wijfje is nog geen
9 millim. lang, glanzig zwart en glad, ietwat bruinachtiger op
het borststuk en blaauwachtiger op het achterlijf. De hals
is vrij lang en op de rugzijde door geene harde huid bedekt ;
eene dergelijke ontbloote plek ziet men op het midden der rug-
GEDAANTEVERWISSELINGEN EN LEVENSWIJZE BESCIIREVEN. 77
zijde van den eersten achterlijfsring. De ruggekorreltjes zijn
wit; ook is de vijfde ring van het abdomen wit; eenigermate
schijnt de inhechting van het volgende segment als eene troebele
streep door; de heupen en dijen zijn blaauwzwart, de voorste
kniën roodachtig, de scheenen rood, die der achterpooten wit
aan de basis; de tarsen zijn rood met bruine klaauwtjes. Het
carpus der vleugels is zwartachtig met witte basis; de vleugels
zelf zijn eenigermate rookkleurig.
Het onderscheid der mannetjes bestaat, behalve in mindere
grootte, daarin dat het vijfde achterlijfssegment ook zwart is en
de achterscheenen geen wit bandje hebben.
Het eijerleggen heb ik niet gezien, doch ik vond in Augustus
op een rozenblad eijeren , gestoken in zakjes op het blad (verg.
fig. 9 aaa), van welke zakjes de opper- en onderhuid bruin
geworden was. Uit deze eijeren kwamen jonge rupsjes voort ,
welke grijs waren met zwarte kopjes (verg. fig. 92), aan de
onderzijde der bladeren gaatjes aten tot aan de opperhuid en
in houding en wijze van gekruld liggen volkomen overeenstem-
den met de vroeger beschreven larven. Ik liet haar in de open
lucht, waar zij ongelukkig genoeg door regen en wind gedood
of ten minste van de rozenstruik afgespoeld zijn. Ik vermoed
dat deze jonge larven van onze onderhavige soort waren en heb
daarom de afbeelding er van aan deze plaat toegevoegd.
Merkwaardig zijn bij deze wesp de klaauwtjes, waarvan men
er een bij fig. 10 ziet afgebeeld. Zij bestaan uit drie kromme
en vrij stompe, doeh tamelijk groote tandjes, in eene soort van
kam tot een verbonden. Iedere poot heeft twee dergelijke
divergerende kammetjes.
Verklaring van Plaat 5.
Fig. 1 en 2. Halfwassen larven.
» ©. Eene volwassen larve.
» 4. Eene ring van het lijf, vergroot.
» 5. De pop, vergroot.
DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
De vrouwelijke wesp, vergroot.
Haar kop en hals, van ter zijde, vergroot, ook om
de lengte der palpen te doen zien.
Achterlijf en achterpoot van eene mannelijke wesp,
vergroot.
Een rozenblad met eijerzakjes a, en jonge larve b,
vermoedelijk van deze soort.
Een klaauwtje der wesp, vergroot.
GEDAANTEVERWISSELINGEN EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 79
SELANDRIA MELANOCEPHALA, F.
N°. 82 der Bouwstoffen.
Fasricius, Syst. Pies. 26, 20.
Coguesert, Allustr. Icon. I, 16, Tab. 5, fig. 6.
Réaumur, Memoires, V, Mém. 5, p. 94. Tab. 12, fig 7—19,
DanuBom , Clavis novi Hym. Syst., p. 85, n°. 49°.
Harrie „ Blatt- und Holzwespen, p. 271, n°. 17.
Zie hier eene soort, waarvan het mannetje nog onbekend.
bleef, ofschoon verscheidene verzamelaars het wijfje hebben
gevangen en eenige entomologen de larve tot wesp hebben op-
gekweekt. In het algemeen schijnt Selandria melanocephala als
larve tamelijk veel voor te komen , doch in haar leven aan zoo
vele gevaren te zijn blootgesteld, dat slechts weinige wespen
overschieten om de soort voort te planten. Eene kweeking in
het groot zou waarschijnlijk wel een mannetje opleveren , doch
dit is eigenlijk slechts uitvoerbaar voor iemand, wien het geluk
te beurt valt buiten te wonen, en niet voor een’ stedeling. Men
moet namelijk, om deze larven behoorlijk voedsel te verschaffen ,
haar die teedere, zachte, lichtgroene of roodachtige blaadjes
voorzetten , welke men aan de uitloopsels van oude en zware
eikenboomen aantreft, en men begrijpt hoe moeijelijk het is
voor den bewoner eener stad, welke in haren omtrek geen
bosch met zware eiken oplevert, om dit voedsel dagelijks versch
te kunnen hebben. Een noodwendig gevolg der bezwaarlijkheid
! Daar Dahlbom Réaumur aanhaalt, moet men in de diagnose lezen » furculis
nigris » voor » furculis albis ».
80 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
van de ontwikkeling, zelfs in de vrije natuur, is nu ook dat
men de larven in sommige jaren schier in het geheel niet vin-
den kan. Ik herinner mij slechts eens de larve in zeer groot
aantal gezien te hebben, tegelijk met eene ongeloofelijke menigte
rupsen van Tephrosia crepuscularia ; dit is echter reeds lang
geleden en moet tusschen 1850 en 54 geweest zijn. Sedert zag
ik de larve nooit dan sporadisch.
Men vindt larven van tweederlei kleur, helder groen als
fig. 1 en 2, en vuil grijsgroen als fig. 6; de laatsten komen
het meest voor. Uit beiden heb ik dezelfde wesp opgekweekt.
De eersten heb ik alleen van Warmond ontvangen of aldaar
gevonden , de grijze vond ik in het Haagsche bosch en aan den
Haagschen straatweg, in den Haarlemmerhout, op de Beele bij
Voorst en ontving ik van mijne vrienden Wttewaall, de Roo van
Westmaas en Verloren, uit Utrecht en Velp.
Zonderling is het voorzeker dat er ook eenigermate verschil
in de doorntjes is, want op de grijze larven vond ik, behalve
de vormen fig. 5, 4 ci è, ook de vormen 8 en 9, die de
heldergroene niet schenen te bezitten. Om evenwel met zeker-
heid te durven beweren dat de laatsten die vormen van doorn-
tjes nooit vertoonen, zou men meer larven moeten onderzocht
hebben , dan ik heb kunnen doen. |
De larve wordt ten hoogste 15 mm. lang; zij heeft 22 poo-
ten en is vóór de laatste vervelling over het geheele lijf ge-
doornd. De kop is rond, voor het voorhoofd een weinig platter,
glanzig zwart of bruin en fijn behaard tot even voorbij de oogen;
somwijlen loopt eene feuille-morte streep in de lengte over den
schedel, gelijk bij fig. 6. Verder naar beneden is het aange-
zigt onbehaard en vuilgroen, met bruine kaken.
Bij de grijsgroene larven was de kleur van den buik feuille-
morte.
Op den eersten ring van het lijf staat eerst bij sommigen
eene dwarsrij witte vorkjes met zwarte puntjes, bij anderen eene
rij zwarte ongevorkte doorntjes, dan eene dwarsrij van zwarte
vorkjes. Voorts over het lijf vier langsrijen van doorntjes als
fig. 5 en 4, of wil men het anders uitgedrukt: op iederen ring
S.v-V. fec AJW sculp
Emphytus cinctus, Ih.
LV. fed,
Selandria
melanocephala 5
AJW. seulps
PE
4.
GEDAANTEVERWISSELINGEN EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 81
twee dwarsrijen doorntjes. Boven de pooten ziet men boven-
dien nog op de uitstekende huidplooijen gevorkte en ongevorkte
doorntjes, somwijlen groenachtig wit, somwijlen zwart.
Van dit alles kunnen de figuren 2 en 7, benevens de afbeel-
ding der doorntjes bij fig. 5, 4, 5, 8 en 9, duidelijk denk-
beeld geven. De luchtgaten, waarvan er een op fig. 7 bij a is
aangeduid, hebben groenachtige of ongekleurde zoomen en zijn
dus moeijelijk te onderscheiden.
De voorpooten , zie fig. 10, hebben bruine nageltjes en daar
tegen aan vrij dikke balletjes onder het laatste lid; zij zijn
zeer spaarzaam behaard.
In het midden van Junij, ongeveer tegen den 11den, ver-
vellen deze larven voor de laatste maal. Na die vervelling zijn
zij geheel zonder doornen, bijna glad, geelachtig groen, eenig-
zins oranjeachtig midden op den rug, met den kop ietwat meer
graauwgroen (zie fig. 11). In plaats van de doorntjes ziet men
op het lijf zeer kleine, ronde, bruine wratjes. De oogen staan
als vroeger, in ronde zwarte plekjes. De mandibelen en klaauw-
tjes der voorpooten blijven bruin ;
Réaumur heeft eene dergelijke larve in hare laatste vervelling
afgebceld (in het algemeen moct daarbij opgemerkt worden,
dat de doorntjes van zijne beide figuren wat schraal en hoekig
geteekend zijn); ik geloof dat het belangwekkender zou geweest
zijn indien bij het vervellen van eene gedoornde larve vóór de
laatste vervelling had waargenomen en laten afteekenen, daar
het nog de vraag is of de doorntjes onder de oude huid zacht
zijn en plat liggen — en zich oprigten en hard worden terstond
na de vervelling, gelijk wij dat van de haren der beerrupsen
weten. Ook mij is het tot nog toe niet gebeurd dit te kunnen
waarnemen.
Weinige dagen na die laatste vervelling laten de larven zich
op den grond vallen en spinnen zich aldaar tusschen de aard -
korrels in. Ik heb nooit genoeg van die spinsels (indien zij
dien naam verdienen) bijeen gehad om er in het voorjaar van
te kunnen openen ten einde de pop te onderzoeken. Omtrent
de gedaante van deze kan ik dus niets mededeelen.
82 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
Tegen het einde van April of het begin van Mei komen de
wespen uit de aarde naar boven kruipen. In ongunstige voor-
jaren komen zij ook nog wel later te voorschijn. Gelijk reeds
boven gezegd is, bleef het mannetje tot heden onbekend.
Het wijfje, afgebeeld bij fig. 12, is 6.5 mm. lang met eene
vlugt van 15. Haar ligchaamsbouw is kort en gedrongen. De
geheele kop is zwart, met uitzondering der bovenlip, die geel-
achtig vaalbruin is. Voorhoofd , wangen en de kopzijde achter
de oogen zijn met zijdeachtige haartjes bezet. De sprieten zijn
zwart, niet langer dan kop en borststuk te zamen, en bestaan
uit negen leedjes, waarvan het derde het langste is. De oogen
zijn vrij groot en zwart, de ocellen, die klein zijn, hebben een’
topaasgelen gloed aan de buitenzijde. De prothorax is geel, de
mesothorax helder rood, glanzig met zwarte vlek op de borst en
aan wederzijde onder de zijdelappen een diepingedrukte peer-
vormige zwarte put. Het schildje is zeer duidelijk gestippeld.
De metathorax is bruinachtig zwart met groote witte ruggekor-
rels. De eerste ring van het achterlijf is zwartachtig, de ove-
rigen zijn bruinachtig geel, dat na den dood donkerder wordt;
groenachtig schijnt de basis van iederen ring door de gele huid
van den vorigen heen. De randen der stigmata in de zijden
zijn zwart en aan den buik ziet men vier rijen van zwarte
stipjes. De legboor is donker zwart.
De vleugels zijn doorschijnend, de bovenvleugels uit den
gelen; de radius en cubitus met de tweede middenader en
hare vertakking zijn lichtgeel, de eerste middenader daarentegen
het einde der radiaal- en cubitaalader met de vertakkingen
tusschen deze drie zijn bruin. Aan de ondervleugels is alleen
de voorrandader en de basis der middenaderen geel. De poo-
ten zijn geel, met roodachtig gele dijen en bruine klaauwtjes ;
aan de achterheupen ziet men zwarte langsstreepjes, aan de
apophysen en basis der dijen van alle pooten dergelijke dwars-
streepjes. De scheenen zijn met een dun zijdeglanzig vilt
bedekt.
Het behoeft niet gezegd te worden, dat dit insect slechts
eene generatie in het jaar heeft,
GEDAANTEVERWISSELINGEN EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 89
Verklaring van Plaat 4.
Eene helder groene larve in natuurlijke grootte.
DO)
1.
2. Hare laatste ringen , vergroot.
5, 4 en 5. Doorntjes van deze larve, vergroot.
6. Eene grijsgroene larve, eenigzins vergroot.
7. Een ring van haar lijf, sterker vergroot.
8 en 9. Doorntjes van deze larve, vergroot.
10. Een voorpoot , vergroot.
11. Eene larve na de laatste vervelling.
12. De vrouwelijke wesp, vergroot.
84 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
DINEURA ALNI, L.
N°. 51 der Bouwstoffen.
Fagricius, Syst. Piez. 51, 12.
Kive, Die Blattwespen u. 5. w. in Magazin, 8* Jahrg.
D805 1 74
St. FarGEau, Monographie, p. 71, n°. 217.
Harrie, Blatt- und Holzwespen, p. 228, n°. 6.
Dantpom, Clavis novi Hym. Syst., p. 25, n°. 26.
De larve dezer soort schijnt voor Dahlbom ook door Bergman
in de Handelingen der Zweedsche Akademie van wetenschappen
(1765 pag. 161) beschreven te zijn en wel onder den naam van
Canal grafvare (kanaalgraver); Dahlbom citeert dit opstel. Klug
en St. Fargeau halen hierbij de fig. 1—5 van Réaumur, Me-
moires, V, Mém. 5, Pl. XI, aan, doch ten onregte, gelijk reeds
door Hartig 4. 2. vermeld is. De larve is in het geheel niet zeld-
zaam en het mag vreemd genoemd worden, dat zij zoo weinig
de aandacht der entomologen tot zich getrokken heeft , daar
hare wijze van bladeren uiteten, het kanaal graven van Berg-
man, wel geschikt is om het oog des voorbijgangers tot haar
te lokken. Hartig zegt wel, dat zij «nicht häufig» is, maar
hij spreekt van de wesp, daar de larve hem onbekend was, en
omtrent het volkomen inseet moet ik het beamen, dat men het
zelden ziet.
Ik heb de eijeren dezer soort niet gezien, doch meen aan
wondjes in bladsteelen van bladeren, waarop de zeer jonge
larve leefde, met vrij groote zekerheid te hebben bespeurd, dat
het ei in een huidzakje van den bladsteel verborgen wordt.
Eene larve, die slechts een paar dagen oud was en de gedaante
en grootte had van fig. 1, vond ik in de laatste week van
Augustus op elzenbladeren (Alnus glutinosa), waar zij in lang-
GEDAANTEVERWISSELINGEN EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 85
werpig uitgebeten plekken zat, als bij aa in fig. 2. Zij hield
zich met de zes voorpooten aan het blad vast en wist zich
bijzonder vlug naar die zijde van het blad te wenden, welke
van den toeschouwer afgewend was. Hare pooten veranderden
niet of schier niet van plaats, doch haar lijf werd geheel door
buiging naar de onbekeken zijde van het blad gewend. Bekeek
men het blad aan de tegenovergestelde zijde, zoo zat de larve
zonder oogenschijnlijke beweging weder aan de zijde, die men
niet voor zich had. Deze jonge larve, naauwelijks eenige milli-
meters lang (vergroot voorgesteld bij fig 5), was donkergroen
op den rug, lichtgroen aan de zijden , den buik en het staart-
einde. De kop was vaalzwart en had aan iedere zijde een
donkerzwart rond plekje, waarin het oog stond. De zes voor-
pooten waren vaalzwart aan de heup, lichter naar de klaauwtjes
toe. In het geheel telde ik 20 pooten. Het lijf was op den
rug sterk gerimpeld, met uiterst fijne doornachtige puntjes ge-
chagrineerd en de anusklep (bij fig. 4 sterk vergroot voorgesteld)
was door è insnijdingen in 6 uitstekende puntjes verdeeld.
Veertien dagen later had deze larve de grootte van fig. 5.
Zij krulde nu het fijn toeloopende achtereind des ligchaams
sterker onder den buik dan vroeger en at langere en vooral ook
breedere strooken uit het elzenblad, in den vorm als voorgesteld
wordt bij » in fig. 2. De kop was nu lichtbruin en de rug
niet langer doornachtig, maar vrij sterk gerimpeld , olijfgroen.
De zijden van het lijf, de buik en het staarteinde waren blaauw-
achtig groen.
Wanneer de larven deze grootte bereikt en waarschijnlijk hare
derde vervelling doorstaan hebben, verlaten zij gewoonlijk het
blad dat haar tot nu toe ter bewoning en tevens tot voedsel
gestrekt heeft en een versch blad opgezocht hebbende verwisse-
len zij van huid en tevens van wijze van bladuitknaging. Fig. 6
vertoont ons eene larve in dien toestand. Haar kop was feuille-
morte gekleurd met donkerbruine bovenkaken; de oogen ston-
den in bruinachtig zwarte vlekken, die rond zijn met eene ver-
lenging naar den hals toe. Op den kop stonden eenige weinige
witte haartjes. Het lijf had 20 pooten; de voorpooten waren
86 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
uit den bruinen groen met een zwartachtig streepje op de rug-
zijde van het eerste lid en met bruine klaauwtjes. Het lijf was
op den rug dofgroen met lichte inkervingen der ringen en aan
den hals, de zijden, buik, buikpooten en naschuivers helder-
groen. Op den rug stonden eenige kleine haartjes. De lucht-
buizen zag men witachtig door de huid schijnen; de stigmata
waren wit. Boven het 2de en het 5de paar pooten stond aan
wederzijde in het donkergroen een klein rond lichtgroen wratje.
Het karakteristieke blijft de getande anusklep, op welke men
nu 8 uitstekende puntjes onderscheidt en die bij fig. 7 in profil
voorgesteld is.
In het versche elzenblad at deze larve nu gaten, als die
voorgesteld bij fig. 8. Na de volgende of laatste vervelling at
zij nog langzamerhand de bladruimte tusschen het gat 8 en de
buitenrand van het blad op. Deze eigenaardige wijze van eten
op verschillenden leeftijd heeft ook wijlen mijn’ vriend Wttewaall
getroffen , die verscheidene elzenbladeren, door larven van deze
soort aangetast, in zijn herbarium entomologieum bewaard
heeft. Daarbij is een blad, waarbij hij aanteekende: «de bastaard-
rupsen van deze soort elen eerst gangen (als onze fig. 2) en
verlaten dan het blad om in een ander wijdere plekken uit te
eten (onze fig. 8); evenwel vond ik eenmaal een blad , waarin
dezelfde bastaardrups gangen van beide vormen scheen gegeten
te hebben. »
Na de laatste vervelling, als de larve ook aan den rand van
het blad bijt, is hare gedaante als die van fig. 9. Zij is alsdan
geelgroen, aan den eersten en de beide laatste ringen geel.
Haar kop is feuille-morte gekleurd met eene ronde zwarte vlek
op iedere zijde, waarin het glinsterend zwarte oog (zie fig. 10).
De mandibelen zijn bruin. De voorpooten zijn lichtgroen met
zwarte klaauwtjes. De anusklep heeft 8 puntjes. Er zijn 8
paar vleezige pooten, alzoo 22 in het geheel, terwijl wij vroeger
slechts 20 telden. Ik meen hiervan volkomen zeker te zijn en
schrijf het echter met iets, dat. naar twijfel gelijkt, ter neder;
het is onder de bladwespen eene nog geheel onbekende zaak ,
dat aan eene larve bij de laatste vervelling zich een nieuw paar
GFDAANTEVERWISSELINGEN EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN, 87
pooten zou ontwikkelen. Wanneer men echter bedenkt hoe
moeijelijk het, onder anderen bij de Nematen, is de laatste paren
pooten duidelijk te zien, omdat zij dikwijls geheel in de huid
opgetrokken worden, laat zich deze zaak eenigzins verklaren.
Het voorlaatste paar pooten bestond vroeger wel, doch werd
steeds in de buikhuid opgetrokken gehouden.
Kop en lijf zijn nu geheel onbehaard; de larve heeft een
dik , worstachtig aanzien en is ten gevolge van het vele vet, dat
het ligchaam vult, zeer traag.
Tegen het eind van September of het begin van October is
de larve geheel volwassen , laat zich van de bladeren vallen en
spint even onder den grond een cocon met aardkorrels ver-
mengd , ongeveer gelijk aan dat van Nematus septentrionalis.
In Mei van het volgende jaar komt de wesp te voorschijn.
Deze is door hare kleur zeer kennelijk (zie fig. 11). De oranje-
roode kop heeft zwarte oogen, bruine sprieten, robijnroode
bijoogjes , bruine bovenlip en bovenkaken. De clypeus is van
onder ingesneden. Aan den thorax is de bovenzijde van voor-
en middenborststuk oranjerood, terwijl de borst en de meta-
thorax met uitzondering der witte ruggekorreltjes paarsachtig
zwart zijn. Van deze laatste kleur is ook het achterlijf, dat
vrij glanzig is. De legboor is zwart, doch de achterstaafjes
of doornvormige huidaanhangsels van het laatste lid zijn rood.
Alle heupen zijn zwart; overigens zijn de voorpooten rood met
een’ bruinen veeg aan de onderzijde der dijen; de middenpooten
zwart met oranje doorntjes aan de uiteinden der scheenen.
Het eerst vond ik de wesp bij Rotterdam; later ontving ik
haar uit Utrecht van den Heer Six en uit Voorst in Gelderland
van den Heer Wttewaall. De larve is bij Leyden en bij Houten
gemeen. Ik moel veronderstellen, dat zij vele vijanden heeft,
daar men betrekkelijk weinig volwassen larven ontdekt. Steeds
leeft het masker eenzaam en ongezellig.
si
a
= Seenaous
=
©
u
>
DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
Verklaring van Plaat 5.
De jonge rups, in natuurlijke grootte.
Een door haar aangegeten elzenblad.
aa. Gangen der zeer jonge larve.
b. Gang van eene ietwat oudere.
De larve van de (ste figuur, vergroot.
Haar staartklep , sterker vergroot.
De larve halfwassen, natuurlijke grootte.
De larve na de derde vervelling.
Haar staartklep, van ter zijde gezien, vergroot.
Een door haar uitgegeten elzenblad.
Eene volwassen larve.
Haar kop, op zijde gezien, vergroot.
De vrouwelijke wesp, vergroot.
Haar zaag en leghoor, sterk vergroot.
GEDAANTEVERWISSELINGEN EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 89
DINEURA RUFA, PANZ.
N°, 52 der Bouwstoffen.
Panzer, Deutschlands Insecten, L. XXII, f. 2.
Kıus, Die Blaltwespen u. s. w. in Magazin, 8” Jahrg.
Pr 82. .n 21.
Harrıc , Blatt- und Holzwespen , p. 228, n°. 7.
Ziehier eene soort, zeer na verwant aan de vorige, doch van
eene geheel andere levenswijze; want, was Dineura Aini in
larventoestand ongezellig, de larve van deze soort wordt altijd
in grooten getale bijeen aangetroffen. Ik heb haar in Augustus
1864 op Schothorst, bij Amersfoort, in bijzondere menigte op
eenjarig berkenhakhout zien zitten, zoodat ik op vele berken-
bladen meer dan 50 jonge larven telde en gemakkelijk een
duizendtal larven zou hebben kunnen verzamelen.
Beginnen wij met de beschrijving der vrouwelijke wesp (fig. 1).
Deze is 9 of 10 mm. lang en heeft eene vlugt van 18 mm.
Zij is kort en gedrongen van gestalte en geheel van eene glanzige
oranjekleur, behalve de volgende wijzigingen. De oogen zijn
grijsachtig zwart, de ocellen topaaskleurig, de sprieten en
bovenlip bruinachtig zwart, de bovenkaken bruin, de onderzijde
van het borststuk met glanzige bruinzwarte plekken; de rugzijde
van den metathorax mede bruinzwart met ivoorkleurige rugge-
korreltjes , de legboor zwart; de onderzijde der dijen, de uit-
einden der achterscheenen en de geheele achtertarsen bruin en
eindelijk de achterscheenen , behalve de reeds genoemde bruine
spits, van een vaal bleekrood. De vleugels zijn rookkleurig ,
dat lichter wordt naar den buitenrand toe; het carpus, de
radius en cubitus zijn oranje, doch de overige aderen bruin,
de eerste middenader en hare vertakkingen donkerbruin. Tus-
i!
90 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
schen de eerste en tweede cubitaalcellen loopt de ader niet door
en in de laatstgenoemde, die vrij donker rookkleurig is, ziet
men een bruin hoornachtig plekje.
Zoodanig bladwespwijfje zag ik den 12den of 15den Septem-
ber 1862 eijeren leggen in een bladsteel van berk in mijn’ tuin
binnen Leyden, en wel zoodanig dat de eijeren aan beide zijden
van den bladsteel ingeschoven zaten, gelijk fig. 2 zulks aan
eene zijde vertoont. De steel scheen uitgezet of gezwollen op
het plekje, waar het eitje onder de huid verborgen was. Gelijk
ik zeide, was het toen reeds het midden van September; ik
moet veronderstellen dat dit alzoo de tweede generatie was,
daar ik het volgende jaar in het midden der maand Augustus
reeds volwassen larven vond. Ik zag toen ook, dat de eijeren
van die eerste generatie gelegd waren in den bladsteel van een
meiblad, welk blad door het uiteten der jonge larven als met
hagel doorschoten was, terwijl de larven daarna gezellig waren
gaan eten aan de bladeren van het lot, dat vlak boven het
doorvreten blad was uitgeloopen. Ik telde soms 14 eijeren in
twee rijen. Wat mij verwonderde was, dat de jonge larven
derhalven het oudste blad het eerst orberden, dan een wat
jonger blad en, zoo voortgaande, altijd jonger bladeren op-
zochten.
Zoo als ik zeide, de eijeren in September gelegd, op het
berkenboompje in mijn’ tuin, waren in den bladsteel ingesloten.
Ik had de wesp, die deze eitjes gelegd had, opgevangen en was
dus zeker van de soort. Dikwijls bezag ik de eijeren. Den
91sten September vond ik twee larfjes uitgekomen ; naar hare
grootte te oordeelen (zie fig. 5 a) waren zij reeds een dag oud,
misschien twee; ook hadden beiden reeds een vrij groot gat :
tusschen de aderen van het blad gegeten. Ek nam er een van
naar huis en teekende daarnaar de vergroote figuur D. Zij
hadden 20 pooten, een glanzig lichtbruinen kop met ronde
zwarte plekken, waarin de oogen stonden. De eerste ring van
het lijf was geel, de overigen lichtgroen met zwarte lengte-
strepen, op welke zeer kleine wratjes stonden, elk als basis van
een zeer fijn haartje.
GEDAANTEVERWISSELINGEN EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 91
Die ik op den boom gelaten had, was twee dagen daarna
verdwenen, ’t zij gevallen, ’t zij door een’ vogel opgepikt ; die
in huis, nam weinig in grootte toe, werd donkerder van kleur
en stierf na drie of vier dagen. Toevallig vond ik den daar-
aanvolgenden dag eene school van ruim 20 zulke kleine larven
op twee andere bladeren van denzelfden boom, ongeveer op
dezelfde hoogte boven den grond. Deze geleken volkomen op
onze fig. 5, en de bladsteelen der bladeren waarop zij zaten
droegen volkomen dezelfde lidteekens van eijeren ; ik twijfelde
dus niet of de soort was dezelfde. Ik liet de larfjes zitten tot
zij eens verveld waren, nam er toen een tiental van in huis en
teekende den Asten October zes larven in omtrek op een blad,
om de wijze van zitten en eten te laten zien (verg. fig. 4). Ook
teekende ik er een met kleuren en vergroot af (zie fig. 5).
Den 10den October schenen zij ongeveer volwassen. Ik
beeldde er toen een met kleuren in natuurlijke grootte af (zie
fig. 6). De kop was glanzig zwart, min of meer bruin naar de
mandibelen toe, met lichtbruine sprietjes, tasters en onderlip.
Boven op den schedel zag men eenige korte haartjes. De eerste
ring van het ligchaam, met het beneden-gedeelte der voorste
pooten was vuiloranje; het luchtgat op dien ring was elliptisch;
de voorpooten waren verder glazig vuilgroenachtig wit met een
lichtbruin klaauwtje. Even voor de poot zag men eene zwarte
vlek, in den vorm van eene uitgerekte V. Van den tweeden
tot den laatsten ring was de rug verder geelachtig graauwgroen,
van die kleur welke gekookte erwten meestal hebben; in de
zijde boven de stigmata zag men eene blaauwzwarte langsstreep ,
die boven en beneden zeer fijn getand was. In het graauw-
groen of geel van den rug droeg iedere ring twee rijen van
zeer kleine knobbeltjes, de eerste van 2, de tweede van 4; uit
elk dezer wratjes stak een bijna onzigtbaar haartje. Onder de
zwarte zijdestreep en over den buik is de kleur der huid zeer
licht grijsgroen, welke zelfde kleur men ook op de midden-
pooten waarneemt; boven de pooten loopen twee fijne zwarte,
telkens afgebroken en dus uit streepjes bestaande bandjes tot aan
het elfde segment.
92 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
Ik herinner mij niet dat ik bij deze volwassen larven meer
dan 20 pooten geteld heb en vind daarvan ook geene aantee-
kening. Er zou dan tusschen deze en de vorige soort te dien
opzigte een zeer groot verschil bestaan, ’t welk gevoegd bij de
geheel afwijkende levenswijs te meer bevreemden moet, daar
de volkomen insecten zeer weinig van elkander verschillen.
Om de beschrijving der volwassen larve te voltooijen, dien ik
hier nog het volgende bij te voegen. De groote tracheën sche-
nen wit door de huid heen, terwijl de kleine stigmata licht-
bruine zoomen hadden. De vier laatste bortspooten waren glas-
achtig groen, aan de spits bruinachlig, met een zwart veegje
in de lengte op de bovenzijde van het heupdeel. Ofschoon de
larven , als men haar nabijkwam of beademde, vinnig met het
achterlijf in de rondte sloegen, kon ik aan den buik geene klie-
ren, zoo als men bij het geslacht Vemalus aantreft, bespeuren.
Eindelijk, de anusklep was nog geelachtiger van kleur dan het
midden van den rug en vertoonde aan haren rand acht fijne
bruine tandjes, waarvan die aan de zijden zeer onduidelijk
waren.
Over het algemeen hadden de larven groote overeenkomst met
die van Nematus septentrionalis L.; welke ik in het tweede
deel van dit Tijdschrift heb beschreven en aldaar op Plaat V,
bij fig. 1 en 2 afgebeeld, doch deze laatsten hebben zeer duide-
lijke buikklieren. Het is hier eene geschikte gelegenheid om
betreffende deze Nematus-soort nog bij te voegen, dat latere
waarneming mij geleerd heeft, dat zij niet alleen op elzenhout
maar ook op berken huist, tenzij die op de berk eene zeer na
verwante soort zij, welke alleen door de kleur der middel-
pooten van de wesp van Seplentrionalis verschilt. Ik vond
namelijk in Junij 1862 larven op berken, die mij in vergelij-
king met die op de elzen nict het geringste verschil aanboden.
Den 17den Junij sponnen zij zich in en van den 19den Julij
tot den 2Isten Augustus kwamen vrouwelijke voorwerpen uit,
die met de boven aangehaalde beschrijving van Septentrionalis
overeenstemden op dit enkele punt na: de scheenen der middel-
pooten waren niet lichtrood met witte ringen aan de basis,
GEDAANTEVERWISSELINGEN EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN. 93
maar van de basis tot op de helft wit, vervolgens zwart en de
tarsen dier pooten waren mede zwart en niet lichtrood.
De larven van Dineura rufa sponnen zich een cocon van
aardkorrels, gelijkende op die van zoo vele andere soorten. De
pop heb ik nog niet gezien.
Gelijk bij vele andere soorten is de wesp veel zeldzamer dan
de larve.
Verklaring van Plaat 6.
Fig. 1. De vrouwelijke wesp, vergroot.
» 2. De eijeren in een’ bladsteel.
5 a. Omtrek van het zeer jonge larfje.
b. Het diertje, vergroot.
Een blad met 6 etende halfwassen larven.
5
4
» D. Zoodanige larven, vergroot.-
6. Eene volwassen larve, in natuurlijke grootte.
7
Haar staartklep, vergroot.
LEPIDOPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN
DOOR
P. C. T, SNELLEN.
E.
OVER HET VERSCHIL TUSSCHEN DE LITHOSIDÆ EN CHELONARIA.
De Lithosidæ en Chelonariæ zijn door de voornaamste syste-
matici van lateren tijd, die de Macrolepidoptera behandeld heb-
ben steeds als zeer na aan elkander verwant beschouwd. Zoo
zegt Herrich-Schäffer (Systematische Bearbeilung der Schmetter-
linge von Europa, II° Deel, p. 152), «Die Verwandtschaft mit
den Cheloniden ist so nah, dass deren Trennung als Zunft kaum
gerechtfertigt werden kann» — en Lederer (Verhandlungen des
Zool.-Botan. Vereins zu Wien, V (1855), p. 200), ongeveer
dat «die Lithosiden durch die bei ihnen fehlenden, bei den Eupre-
piiden vorhandenen Ocellen, also durch ein sehr ungenigendes
Merkmal getrennt sind». Intusschen bleef tot dusverre de
scheiding der twee familien bestaan, daar door anderen dit ont-
breken der ocellen toch van genoegzaam gewigt werd geacht
om de vereeniging te verbieden.
Ook mij kwam de verwantschap tusschen de twee genoemde
familien steeds zeer naauw voor en ik besloot dus op zekeren
tijd hare kenmerken nader te onderzoeken om te zien of ik
soms niet iets anders konde ontdekken, dat de scheiding wet-
tigde ; doch hoe verbaasd was ik toen ik bij de eerste de beste
Lithoside, welker kop ik ontschubde ten einde het dier ten
LEPIDOPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 95
opzigte der ocellen te onderzoeken (Lithosia rubricollis L.), op
de plaats waar de genoemde organen zich gewoonlijk bevinden ,
aan wederzijde van den kop eene vrij groote, blinkende zwarte
stip vond, die ik stellig voor niets anders dan voor een bijoogje
zoude gehouden hebben, indien ik niet wist dat alle schrijvers
die organen aan de Lithosiden ontzegden. De tweede soort die
ik onderhanden nam (nadat ik eerst nog eenige exemplaren van
Rubricollis had onderzocht en bij allen hetzelfde vond), Lithosia
Quadra L., vertoonde dezelfde blinkende stippen, doch hier
kleiner en kleurloos; evenzoo nam ik ze waar bij Lithosia griseola
Hübn. Bij Lithosia plumbeola Hübn. en complana L. benevens bij
de andere, kleinere soorten van het genus kon ik ze met mijne
trouwens niet zeer sterk vergrootende loupe niet meer ontdekken.
Daar ik mijne oogen naauwelijks durfde gelooven en aarzelde
om aan te nemen dat de genoemde schrijvers zoo ver hadden
misgezien , schreef ik over de kwestie aan Dr. Snellen van
Vollenhoven, waarop ik het volgende ten antwoord kreeg:
«Of de zwarte puntjes bij Lithosia rubricollis inderdaad bij-
oogjes zijn, kan ik niet bepaaldelijk beslissen , doch in allen
gevalle staan zij op de plaats, die de bijoogjes gewoonlijk inne-
men, en zoo het geen werkelijke ocellen zijn, zijn het ten
minste geoblitereerde ocellen. Ik vind het even of liever meer
gewaagd om te zeggen, dat zij die niet bezitten. Voor mij
hebben zij bijoogen. »
Natuurlijk durf ik nog veel minder een vonnis in deze zaak
vellen, maar ieder, die de moeite wil doen om de ontschubde
koppen van Rubricollis , Quadra en Griseola met gewapend 008
te bezien, zal de vermelde glinsterende stipjes dadelijk ontdekken
en met mij eens zijn, dat men de Cheloniden niet meer door
de bijoogen van de Lithosiden kan onderscheiden en daar ik nu
geen ander kenmerk tot onderscheiding der twee familien weet
aan te geven, volgt daaruit dat ik ze als eene beschouw, in-
tusschen in het midden latende welken naam deze familie moet
dragen.
96 LEPIDOPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
II.
OVER DE BINNENRANDSADEREN DER ACHTERVLEUGELS
BIJ DE DREPANULINA.
Herrich-Schäffer zegt van de Drepanulinen (Systematische
Bearbeitung der Schmetterlinge von Europa, Deel II, p. 111):
«Rippe 1° der Hinterflügel sehr kurz und undeutlich », von
Heinemann (Schmetterlinge Deutschlands, I, p. 190) in zijne
diagnose der familie: «Rippe 1° in der Mitte des Hinterrandes ».
Men zal deze ader 1° echter bij de meeste Europesche soorten
slecht vinden (exotische bezit ik niet en kan dus niet zeggen
hoe deze in dat opzigt gesteld zijn). Duidelijk is de genoemde
ader alleen bij Platypteria lacertinaria L., volstrekt niet aan-
wezig bij Plat. cultraria F., terwijl zij bij Binaria Hfn., Cur-
vatula Borkh. en Falcataria L. hoogst rudimentair en vooral bij
de eerste twee, zonder ontschubbing der vleugels niet te zien
is. Of Plat. Sicula W.V. die ader vertoont, kan ik niet stellig
zeggen; ik bezit te weinig exemplaren om er een aan het ont-
schubben te wagen , doch bij bevochtiging van den vleugel met
terpentijn, zie ik er geen spoor van; daarentegen is een kort
sprankje van die ader bij Cilix Ruffa L. (Spinula auct.) bij be-
handeling van den vleugel met terpentijn , vrij goed te zien.
NEI.
OVER EENE PORTHESIA CHRYSORRHŒA L. MET AFWIJKEND
ADERENSTELSEL IN DE ACHTERVLEUGELS.
Bij het onderzoeken der vleugeladeren van een wijfje der
bovengenoemde soort viel mij eene tamelijke afwijking in den
toestand van ader 6—8 der achtervleugels in het oog, die mij
wel der vermelding waardig toescheen. Ader 6 en 7 zijn bij
dat exemplaar namelijk niet lang gesteeld (hetgeen een generiek
A JW. sculps.
Dineura Alni, L.
AJ. W. sculps.
Dineura rufa, Panz.
Ba Nae
LEPIDOPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 97
kenmerk der twee europesche soorten is), maar komen uit een
punt regtstreeks uit de spits der middencel. Verder is ader 8
nn
a
door cen dwarsadertje met den
voorrand der middencel verbon-
den een eind voorbij de gewone
buiging waarmede zi) dien voor-
rand raakt. Bij figuur a in de
nevensstaande houtgravure, is
eene afbeelding gegeven van den
normalen toestand der bespro-
ken aderen, bij fig. b van de
afwijking.
KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDERLINGEN
DOOR
Dr. A. W. M. VAN HASSELT,
N°. 1.
IETS OVER HET BLAARTREKKEND VERMOGEN
DER BLATTA AMERICANA.
Aan de Société de Biologie te Parijs, wier zittings-verslagen
opgenomen worden in de Gazette medicale de Paris (zie 1865,
n°. 9), deed Dr. A. Vinson, van het eiland Bourbon, de vol-
gende mededeeling over dit Orthopteron:
«Deze Blatta komt op dit eiland, even als op Mauritius, in
zeer groot aantal voor, even zoo als dit van elders algemeen
bekend is, zich des daags in allerlei hoeken en gaten verschuilende,
om des nachts hare strooptogten aan te vangen. Bij deze gele-
genheid is het geenszins zeldzaam, dat zij ook over het aan-
gezigt van slapende menschen kruipt, daarheen gelokt door den
smaak of reuk der genuttigde spijzen of dranken, vooral aan de
lippen en in den omtrek van den mond nog aanwezig. Dien-
tengevolge wordt herhaaldelijk bij ons eene soort van eigen-
aardig blaar-uitslag waargenomen, aan die ligchaamsdeelen,
welke veel overeenkomt met de bekende herpes labialis, doch
die men in dit geval liever « herpes Blatte » kon noemen. Dat
zij zich van de eerstgenoemde herpes-soort onderscheidt, blijkt
minder uit den vorm van het exantheem, dan wel uit de om-
standigheid dat de herpes Blatte nooit, de herpes labialis ge-
woonlijk door koorts-beweging of catarrhen wordt voorafgegaan
of vergezeld. In verband daarmede blijkt het verschil nog ver-
der hieruit, dat men het optreden der herpes Blatte gemakke-
KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN. 99
lijk kan voorkomen door zich vóór den slaap goed den mond te
spoelen en te wasschen. »
Wat de oorzaak dezer uitwerking van de aanraking met dit
insekt is, zoo wijst V. op de waarneming, dat indien men dezen
of eenen anderen kakkerlak tusschen de vingers neemt, er op
de huid eene vet-achtige en « smerige» stof terug blijft. Hij
meent, dat aan dit Awid-smeer een blaartrekkend vermogen (min
of meer analoog met het principium vesicans der Cantharides)
mag worden toegekend. — Het kan echter ook zijn, dat de
Blatta deze scherpe stof uit de monddeelen ontlast. In elk
geval is het voldoende bekend, dat de genoemde of andere
se- en ex-creta dezer dieren een bijtend vermogen ook op een
tal van levenlooze voorwerpen, waarover zij zich bewegen,
uitoefenen.
Onder de nadeelen van de kakkerlakken was bovenstaande
waarneming mij niet bekend. Wel wist ik dat zij als groote
dieven befaamd zijn, door huune verslinding van tal van plant-
aardige en dierlijke voedsel- en kleedingstoffen van den mensch,
waardoor, volgens het verhaal van den ouden Blumenbach,
vroeger op verre zeetogten zelfs hongersnood aan boord zou zijn
ontstaan. Dat zij ook schoenen, ander lederwerk, alsmede
boeken en andere papieren aantasten, verwoesten en bederven,
is mede van algemeene bekendheid, gelijkerwijze men ook hoort
verhalen , «dat zij bij slapenden de nagels afbijten». Ook weet
men genoeg, dat zij, vooral wanneer men ze dooddrukt, een
hoogst onaangenamen reuk verspreiden. Wat echter waar zij
van hun «irriterend of bijtend vermogen » hierboven vermeld,
is mij onbekend en verdient zeker nadere bevestiging. Analoge
verhalen zijn ook bij de Arabieren, Russen en Tartaren in om-
loop, omtrent het beleedigen van de lippen bij slapenden door
Galeodes- (of Solpuga-) soorten, vooral wanneer gezouten spijzen
waren genuttigd. Olivier getuigde echter, dat noch hij, noch
zijne reismakkers in Arabië en Perzië immer eenigen last van
deze dieren hadden geleden.
100 KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN.
N°. 2.
EEN WOORD OVER HET VERGIFTIG VERMOGEN
DER SCHORPIOENEN.
Het is vreemd, hoezeer het volk niet alleen, maar ook de
geleerden, voorheen den roep van giftigheid bij vele dieren met
overdrijving hebben voorgestaan, zoodanig, dat men aan vele
zeer onschuldige dieren doodelijke vermogens toekende. Maar
ook onder de wezenlijk vergiftige dieren, zoo als de bovenge-
noemden, schijnen er velen minder levensgevaarlijke uitwerking
te kunnen voortbrengen, dan men vindt opgeteekend , althans
bij den mensch’. Wanneer, onder anderen, Amoureux, Bont ,
Kirby, Patterson, Spence, Wagner, enz. hoogst gevaarlijke en
doodelijke uitgangen van den schorpioenen steek vermeldden,
zoo hebben nieuwere reizigers en berigtgevers uit de heete
gewesten daarvan zelven, in lateren tijd, veel minder ondervin-
ding opgedaan. Uit de Oost-Indiën werd er mij nog nimmer
iets belangrijks over medegedeeld, evenmin als door onze Offi-
cieren van Gezondheid bij de Marine. Het land, waar nog de
meest gevaarlijke soorten leven, schijnt Afrika-te zijn. Van daar
werden de meeste verhalen over gevaar en dood door deze die-
ren medegedeeld. Inzonderheid gaven Mallet, uit Tunis, en
Guyon, uit Algiers, korte berigten over acht lethale gevallen, die
zij echter slechts ten deele zelven hadden waargenomen, en die,
over eene lange reeks van jaren, veelal waren voorgekomen bij
kinderen of verzwakte individuën. De soort, door hen genoemd
doch niet voldoende beschreven, was in het eerste berigt
1 Hoe overdreven de vrees ten dezen is, daarvan ten voorbeelde citeer ik de vol-
gende regelen uit Kirby en Spence (Introd. to Entom.):
» Was in every age an object of terror.» „ Though you knew not the animal,
you would conclude that such an aspect of malignity must be the precursor of
malignant effects. Nor would you be mistaken.» » The black Scorpion frequently
inflicts a mortal wound.» w The only means of saving the life of our soldiers,
who were stung by them in Egypt, was amputation » (!!). « No known animal is
more cruel and ferocious! » etc.
KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN. 101
Buihus superbus Luc., doch heette later Androctonus funestus
Ehr. , welke laatste wel in alle gevallen schijnt bedoeld te zijn.
Onder de Androctoniden vindt men dan trouwens ook de meest
verdachte soort- of bijnamen, zoo als vooral bij hun genus
Tithyus de bijnamen «fatalis», «perfidus», «infamatus »,
«fallax». Dat er onder dezen en anderen zijn, die hoogst
pijnlijke en zelfs in tijdelijke uitwerking zeer hevige verschijnse-
len, ook van algemeenen aard, kunnen te weeg brengen , dit
staat vast, doch ook dat het in den regel daarbij blijft, en
dat de dood eene hooge witzondering is. Ehrenberg heeft in
Egypte, schoon zelf vijfmalen door schorpioen-steek verwond
(door Androctonus quinquestriatus), er geen verdere gevolgen
van ondervonden, en die ook bij anderen nooit gezien. De
Fransche Officier van Gezondheid Marmy deelde voor een paar
jaren uit Algiers mede, «dat hem ook daar geene doodelijke
voorbeelden door schorpioen-steek bekend zijn geworden. Vinson
schreef insgelijks ten vorigen jare uit Bourbon, «dat de daar
veelvuldig levende Scorpio Guineensis Luc. nog nimmer den
dood van eenig mensch had veroorzaakt».
De geheele klasse der Arachnoïden, zelfs de meest beruchte
onderafdeeling daarvan, blijkt alzoo meer en meer « niet zóó
kwaad te zijn (voor den mensch) als zij er wel witziet ! »
IETS OVER HET ONDERZOEKEN DER VLEUGEL-ADEREN
BIJ DE VLINDERS,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
Sedert de vleugeladeren in de systematiek der Lepidoptera
eene groote rol zijn beginnen te spelen, is het onderzoeken
daarvan eene zaak, waartoe men niet alleen zeer dikwijls moet
overgaan , maar welke ook niet genoeg aanbevolen kan worden.
Tot dusverre was dit echter alles behalve gemakkelijk, want
ofschoon men bij eenige oefening wel meestal in staat was de
rigting, het getal, enz. der aderen te kunnen onderscheiden ,
dient men echter, voor een juist resultaat tot ontschubbing over
te gaan en zulks kan, behalve wanneer men slechts op eene
beperkte plaats een onderzoek wil instellen, zelden geschieden
zonder dat men gevaar loopt het voorwerp belangrijk te bescha-
digen. Buitendien is het ontschubben, al wil men ook een
voorwerp daaraan opofferen, bij oude gedroogde vlinders zeer
moeijelijk, ja ondoenlijk, indien men niet eerst het dier op nat
zand geweekt heeft. Het komt mij dus voor dat ik dezen en
genen eene dienst zal bewijzen door hen met een hulpmiddel
tot het onderzoeken der aderen bekend te maken, dat mij reeds
sedert langen tijd van veel gemak is geweest.
Geheel nieuw is mijne mededeeling niet; Staudinger heeft
reeds in het Correspondenz-Blatt für Sammler von Insekten ,
uitgegeven door Dr. Herrich-Schäffer, 1” Jahrg. (1860), p. 51,
op hetzelfde hulpmiddel gewezen, doch vooreerst is het genoemde
IETS OVER HET ONDERZOEKEN DER VLEUGELADEREN ENZ. 105
(thans reeds opgehouden) Tijdschrift in weinige handen, en dan
zijn mij nog allerlei handgrepen bij het bezigen van dat middel
(door mij reeds lang voor Staudinger’s opgave aangewend) be-
kend, welke mijne mededeeling buitendien niet overbodig maken.
Het middel om de aderen te onderzoeken is het bevochtigen
van den vleugel met zuivere, nieuwe terpentijn-olie; deze
maakt denzelven in verreweg de meeste gevallen zoo doorschij-
nend, dat men al de aderen kan onderscheiden en vervliegt
weder zonder spoor achter te laten. Vooreerst zorge men er voor,
zich van zuivere terpentijn te voorzien; deze moet zijn kleurloos ,
van eenen aangenamen, niet branderigen geur, en helder; op
wit papier gestort, moet zij geheel vervliegen zonder een hars-
achtig residu over te laten, zoodat men op de plek, die door
de terpentijn bevochtigd is geweest, even goed kunne schrijven
als daarbuiten; de letters moeten niet wegtrekken zoo als zij op
geolied papier doen. Terpentijn, die niet aan deze vereischten
voldoet, kan niet gebruikt worden. Men moet verder wel in
het oog houden, dat, al heeft men zich ook terpentijn aange-
schaft, die in alle opzigten goed is, deze olie toch na verloop
van zekeren tijd onbruikbaar wordt. Door opslorping van zuur-
stof vormt zich namelijk hars, die wel in het vocht blijft opge-
lost, doch achterblijft wanneer men papier of iets anders er
mede bevochtigt. Men vernieuwe dus van tijd tot tijd den
voorraad, steeds in een schoon fleschje. Langer dan 5 of 4
maanden is zij niet te vertrouwen.
Het bevochtigen moet met omzigligheid geschieden, vooral bij
kleine en teervleugelige voorwerpen , want behandelt men deze
eenigzins ruw, en brengt men eene te groote hoeveelheid vocht
in den vleugel, zoo plooit hij ineen en men ziet niets, ook
moet de franje nooit direct bevochtigd worden, maar de terpen-
lijn van binnen af daarin doordringen. Bij het onderzoeken van
Mierolepidoptera leg ik een zeer weinig vochtig penseel van
onderen tegen den voorrand der voorvleugels en laat de terpen-
tijn-olie er langzaam indringen. Mogt de lange, fijne franje,
terwijl zij op deze wijze bevochtigd wordt, toeh bijeen trekken,
dan late men ze goed droog worden; gaan de haren dan niel
104 IETS OVER HET ONDERZOEKEN DER
van zelf uiteen, dan stoote men voorzigtig met een penseel tegen
de bosjes en zij zullen dadelijk uiteen gaan en alles zal weder
op zijne plaats komen.
Intusschen vervliegt de terpentijn zeer spoedig, men moet
zich dus met het onderzoek haasten, daartoe houde men den
bevochtigden vlinder tegen het licht en overtuige zich hetzij met
het bloote oog of met behulp eener loupe, van den toestand der
aderen; wordt de vleugel ondoorschijnend dan moet hij op nieuw
natgemaakt worden. De aderen blijven vooral op de onderzijde
nog lang zigtbaar; men verzuime dus ook niet deze nog te
bezien , vooral aanhangcellen zijn dan nog zeer goed waar te
nemen, zelfs wanneer de vleugel reeds ondoorschijnend is
geworden.
Niet altijd is evenwel de terpentijn in staat om de aderen
geheel duidelijk te doen worden, vooral de daareven vermelde
aanhangeellen blijven dan soms nog onzigtbaar, omdat zich op
de plaats waar zij voorkomen dikwijls eene dikke, wollige be-
schubbing bevindt, die belet dat de plek behoorlijk doorschij-
nend worde. Dan blijft er natuurlijk niets over dan de schub-
ben te verwijderen; dit doe men op de onderzijde , door mid-
del van eene insectenspeld, met welker punt men voorzigtig
schrapt op de plek, die men ontblooten wil; het losgemaakte
stof wordt met een penseel verwijderd en de aderen liggen bloot.
Dit alleen met een penseel te doen, gaat zelden goed, tenzij
de punt zeer stijf en fijn is, maar dan moet het penseel kort
zijn, anders kan het de schubben niet losmaken en het eenige
wat men uitrigt, is een gat in het vlies te maken.
Het moeijelijkst van allen blijft echter het onderzoek der
binnenrandsaderen , d. i. van de aderen die uit den vleugel-
wortel komende nabij den binnenrand loopen. Vooreerst zijn
zij meestal dunner dan de anderen, dan is de vleugel (vooral
de ondervleugels) gewoonlijk op die plaats van lange, dikke
beharing voorzien en ten derde speelt de zoogenaamde vleugel-
vouw ons dikwijls parten daar zij veelal het aanzien van eene
ader aanneemt. Dit alles is zooveel te lastiger omdat juist die
binnenrandsaderen de beste kenmerken opleveren tot het onder-
VLEUGELADEREN BIJ DE VLINDERS. 105
scheiden der vlinder-groepen en men dus bij het determineeren
van eenen vlinder bijna het eerst daarnaar te zien heeft.
Oefening is hier weder de beste weg om met de zaak vertrouwd
te worden.
Dat het bevochtigen met terpentijn ook helpen zal bij het
onderzoek naar de aderen van Phryganiden-vleugels , komt mij
zeer waarschijnlijk voor, ofschoon ik het nog niet beproefd heb.
Onder de kleinere, langsprietige soorten zijn er wier vleugels
digt met haren bekleed zijn en die dus anders zeker niet zonder
het ontblooten te bestuderen zijn.
MACROLYRISTES,
EEN NIEUW GESLACHT VAN ORTHOPTERA,
DOOR
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
Voor een paar jaren gaf kapitein Benschop van het Neder-
landsch Oost-Indische leger, in het vaderland teruggekeerd, aan
‘sRijks Museum van natuurlijke historie eene kleine, doch merk-
waardige collectie van insecten ten geschenke. Onder de voor-
werpen, welke daartoe behoorden was een zeer groote, groene
mannelijke sprinkhaan, niet alleen merkwaardig om zijn’ reus-
achtigen vorm, maar ook voornamelijk om de grootte en den
kolossalen bouw van het geluidorgaan op zijne vleugels. Het
dier scheen, wanneer men het niet met groote naauwkeurigheid
bezag, tot het geslacht Mecopoda van Serville te behooren. Op
eene algemeene vergadering der Entomologische Vereeniging
maakte ik melding van den ontvangst van dit dier, ’t geen mij
toescheen eene onbeschrevene soort uit dat Genus te vertegen-
woordigen, en vertoonde den leden eene afbeelding van het tym-
panum uit den regtervleugel. Prof. Cl. Mulder, daarbij tegenwoor-
dig, veronderstelde , dat de Borneosche sprinkhaan tot dezelfde
soort behoorde als zekere vrouwelijke sprinkhaan, die hem onder
den naam van Balang Salak in 1857 door den heer Binnendijk
uit Java toegezonden werd; later bragt mijn hooggeachte vriend
dit Javaansche voorwerp met nog een mannelijk dier van
dezelfde soort, mede uit Java afkomstig, ter vergelijking naar
Leyden, en het bleek spoedig, dat zijne veronderstelling juist
MACROLYRISTES , EEN NIEUW GESLACHT VAN ORTHOPTERA. 107
was geweest, en de drie voorwerpen kennelijk tot eene en
dezelfde soort behoorden.
Daar Prof. Mulder den inwendigen bouw van beide zijne voor-
werpen had onderzocht, vatte hij het voornemen op om de
uitkomst dier ontleding in dit Tijdschrift mede te deelen, ter-
wijl ik op mij nam de beschrijving van de soort te leveren,
welk opstel dan aan het zijne vooraf zoude gaan.
Toen ik nu, ten einde aan mijne belofte (ook reeds in het
Verslag der Vergadering gegeven) te voldoen, mijn insect nog-
maals met de beschrijving der kenmerken van het geslacht Me-
copoda bij Serville’, Burmeister ® en de Haan ® vergeleek$ be-
speurde ik, dat de algemeene vorm mij bedrogen had, dat
mijne voorwerpen niet in het genoemde geslacht pasten en dat
er zelfs tien punten van afwijking bestonden, welke de opname
in het genus Mecopoda onmogelijk maakten.
Deze tien punten van verschil waren de volgenden:
1°. Terwijl de Mecopoden een’ kussenachtig verhevenen,
doch niet met uitsteeksels bezetten kop hebben, vertoont
dit insect op den kop, even boven de sprieten tusschen
de oogen, twee vierkante uitsteeksels, welke door eene
zeer fijne sleuf gescheiden zijn.
2°. De prothorax, boven plat, is aan beide zijden voorzien
van een scherpen, diep getanden kiel, welke kielen de
zijvlakken van het ruggevlak afscheiden.
9. De zamengestelde oogen zijn half kogelvormig en niet
elliptisch.
4°. De bovenvleugels zijn bij het wijfje niet smal en aan de
spits scheef afgesneden, maar lancetvormig en weinig
minder breed dan bij het mannetje.
De rug van den mesothorax is kamvormig opgerigt.
1 Audinet Serville, Hist. Nat. des Ins. Orthopteres, p. 532.
2 Burmeister, Handb. der Entomologie, II, S. 685.
3 W. de Haan, Verhandelingen Overz. Bezitt. Orthoptera, bl, 181 en 187.
108 MACROLYRISTES „ EEN NIEUW GESLACHT VAN ORTHOPTERA.
6°. De uitsteeksels van de bovenplaat aan den laatsten achter-
lijfsring bij het mannetje convergeren weinig en zijn veel
langer dan bij Mecopoda.
De legpijp van het wijfje is korter, breeder en eenigzins
naar boven omgebogen.
8°. De achterdijen zijn naauwelijks verbreed aan de basis.
9. Zij zijn sterker gedoornd dan bij Mecopoda.
10°. De spits der dijen is aan beide zijden gedoornd.
De vereeniging dezer karakters, van welke de tweede, de
vierde, de zevende en de tiende het meeste gewigt op de schaal
leggen , noodzaakt mij voor dit insect een nieuw genus in het
systeem in te voeren, dat terstond achter Mecopoda zijne plaats
moet innemen. Ik geef er den naam aan van Macrolyristes,
naar het bijzonder groote muziekorgaan van het mannetje.
De kenmerken van het geslacht zijn de volgenden:
Macrotyristes , genus Orthopterorum e familia Locustinorum.
Antenne in summa fronte insertee; inter eas frons lobata. Pro-
thorax supra planus, in lateribus dentato-carinatus, prosterno
bispinoso. Foeminæ vagina nonnihil sursum reflexa. Uterque
sexus alatus; ale anteriores lanceolate in utroque. Femora basi
parum crassiora, in genubus spinosa ; tibie anticæ in basi fora-
nine instructæ elliptico.
De soortbeschrijving moet luiden als volgt:
MACROLYRISTES IMPERATOR.
Viridis, antennis longissimis fulvis, apicem versus obscu-
rioribus, carinis pronoti et elytrorum maculis, irregulariter po-
sitis, fuscis.
Long. corporis solius 66 mm. cum pedibus 175 mm. Expansio
elytrorum 220 mm. Long. antenne unius 150 mm. Hab. Java
et Borneo.
De kleur van het gedroogde dier is op sommige plekken
bruinachtig groen, op andere feuille-morte ; waarschijnlijk zal,
gedurende het leven, de kleur een helder groen zijn. De boven-
È
MACROLYRISTES , EEN NIEUW GESLACHT VAN ORTHOPTERA. 109
vleugels zijn nu nog aan de bovenzijde donker-, aan de onder-
zijde lichter groen, met uitzondering van het bruine geluid-orgaan;
de ondervleugels zijn doorschijnend met groene aderen. De uit-
steeksels op het voorhoofd zijn donkergekleurd en het derde lid
der sprieten heeft een donker dwarsstreepje. De verbazend
lange sprieten zijn tot over de helft ros en verder bruin, welke
twee kleuren in elkander overgaan. Ik geloof, dat zij, uit meer
dan 100 leedjes bestaan, zeer ongelijk in grootte, zonder dat
daarin eenige regelmaat waar te nemen is en, op de 10 eersten
na, allen met korte haartjes dun bezet.
De palpen zijn als die van Meconema; even als bij dat
geslacht ziet men hier op het preesternum twee zeer lange
divergerende doornen en den meso- en metathorax op de borst
met twee bladvormige platen bezet, die aan wederzijde in scherpe
punten uitloopen. Het ruggeveld van den prothorax is eeniger-
mate uitgehold, vertoont twee duidelijke dwarsplooijen en eindigt
aan wederzijde in den reeds vermelden scherp getanden, donker-
bruinen kiel.
De pooten zijn in het geheel zeer doornachtig, de dijen der
4 voorste pooten geenszins, die der achterpooten nagenoeg niet
verdikt; hunne uiteinden aan wederzijde van een scherpen stekel
voorzien; de tarsen aan de zoolzijde donkerbruin.
Bij het mannetje is de plaat onder den anus (plaque sous-
anale van Serville) in twee langwerpig driehoekige stukken ver-
deeld, welke eenigzins gebogen loopen en in scherpe spitsen
eindigen; de legboor van het wijfje is 22 millimeter lang,
sabelvormig gebogen, scherp toegespitst met donkerbruine randen.
Het merkwaardigste ligchaamsdeel komt mij voor te zijn het
geluids-orgaan van het mannetje, ’t welk hier forscher van bouw
en grooter is dan bij elke andere bekende sprinkhaansoort. Bij
analogie redenerende naar hetgeen waargenomen is omtrent den
afstand, waarop men het geluid van onzen inlandschen grooten
groenen sprinkhaan duidelijk kan onderscheiden , veronderstel ik
dat men het gezang van den Macrolyristes wel op een kwartier
uur gaans afstand zal kunnen hooren.
Het linkerdekschild, dat in de rust over het regter heen slaat,
110. MACROLYRISTES , EEN NIEUW GESLACHT VAN ORTHOPTERA.
heeft aan zijn’ achterrand bij de basis een’ driehoekigen lap,
door eene diepe gleuf van den eigenlijken bovenvleugel afgeschei-
den, eenigzins bol gebogen, lederachtig bruin, aan de langste
zijde 29 mm. lang, aan de kortste 20, op Plaat 8 voorgesteld
bij fig. A van boven en C van onder gezien.
Het regterdekschild heeft een dergelijken driehoekigen lap,
waarvan echter het weefsel, verre van gelijkmatig te zijn, in drie
onderscheidene deelen af te deelen is; zijnde ten eerste, de rand
of zoom, welke donkerbruin en hoornachtig, op verscheidene
plaatsen verdikt en omgebogen is; ten tweede, een veld, dat
dunner en vlieziger, mede eenige, doch zeer flaauwe verheven-
heden vertoont, en ten derde, het eigenlijke tympanum of
trommelvlies , zijnde een dun, zeer doorschijnend en sterk ge-
spannen vlies, dat 14 mm. lang en op zijne grootste breedte ,
8 mm. breed is. Prof. Mulder schrijft mij omtrent dit orgaan:
«als men de dekvleugels uitspreidt, is het geluid, door de wrij-
ving veroorzaakt, zeer hoorbaar. »
Voor de verdere voorstelling van het geheel moeten wij de
teekenkunst te baat nemen en verwijzen naar de afbeeldingen
op Plaat 8, fig. A—C, bij welke a het tympanum of doorschij-
nende vlies en bb twee plekken doffer weefsel voorstellen.
Plaat 7, fig. 1. Het mannetje.
» 7, » 2. Legboor van het wijfje.
» 8, » A. Een gedeelte van den thorax en de basis
der vleugels van het mannetje.
» 8, » B. De regtervleugel aan de onderzijde.
le ©)
>
Q
De linkervleugel » » »
ONTLEEDKUNDIGE AANTEEKENING OVER
MAGROLYRISTES IMPERATOR , VOLL.,
VERGELEKEN MET EENIGE ANDERE REGTVLEUGELIGEN ,
DOOR
CLAAS MULDER.
Onder den naam van Balang Salak zond mij mijn vriend
S. Binnendijk, van Buitenzorg, twee individuën van eene soort
van sprinkhaan, thans door Dr. Snellen van Vollenhoven als
Macrolyristes imperator benoemd. Een vrouwelijk voorwerp
ontving ik bij eene bezending van den 9den Augustus 1857, en
in Julij 1861 een mannelijk, beide in spiritus bewaard. Er
werd berigt, dat deze sprinkhaan op boomen leeft en ’s nachts
vliegt. Het dier komt zelden voor, zoodat de inlanders er vijf
gulden zilver voor vragen. Zij vreezen het wegens zijne ge-
doornde, lange achterpooten. Het wijfje was dadelijk kenbaar
aan de legpijp of zoogenaamde sabel, terwijl het prachtige
strijkwerktuig ' aan’ de dekvleugels terstond het mannetje aan-
duidde. Doch ik behoef niet in bijzonderheden te treden over
de uitwendige organen of de karakteristiek van mijne individuën
1 Ik duid door dit woord de werktuigen, aan, door de Franschen Organes de la
stridulation, door Fischer Organon stridoris genaamd. Het is niet overtollig een
eigen woord te gebruiken voor de werktuigen, die geheel op mechanische wijze en
zonder behulp van de luchtstroom der ademhaling, geluiden voortbrengen. De rasp
van de eene dekvleugel werkt krassend of strijkend op de trommel van de andere.
De trommel bestaat uit een’ hoornigen rand en een trommelvlies.
119 ONTLEEDKUNDIGE AANTEEKENING OVER
nadat mijn vriend van Vollenhoven er over gehandeld heeft in
het voorafgaande stuk. Het onvolledige van mijne aanteekening
zal niemand bevreemden, die bedenkt dat ik slechts over twee
individuën had te beschikken en zoo min mogelijk de uitwen-
dige gedaante wilde schenden.
Beide werden aan de buikzijde geopend en de gansche inhoud,
zoo veel mogelijk, van de keel af tot nabij den aars er uit ge-
nomen. Het wijfje werd daarna opgezet, met uitgestrekte
vleugels; het mannetje bleef in spiritu bewaard, omdat de vorm
van het strijkwerktuig aldus beter behouden blijft, dan bij het
droogen het geval kan zijn.
In het wijfje waren de spieren en het vet grootendeels ont-
bonden. Er werd slechts één ovarium gevonden; het ander zal,
even als de overige deelen der organa generationis, vergaan
zijn. Het eijernest lag op eene netvormige vetlaag, tegen de
kronkels van het darmkanaal aan. Het is weinig ontwikkeld,
men mag zeggen maagdelijk. ,
Na verwijdering van het eijernest, vet, luchtbuizen, enz.,
vertoont zich het ingewand, zoo als fig. 1. De slokdarm a
vormt eenerzijds een’ kropvormigen zak bh, terwijl anderzijds een
kleiner zakje a’ voorhanden is. De grens tusschen slokdarm en
krop is niet te bepalen, want reeds bij b’ begint eene verwijding.
Op den slokdarm volgt de voormaag è en de beide maagaan-
hangsels of beurzen % 2. De bovenste, blaasvormige (appendices
ventriculares superiores, auct.) hebben op den top overblijfsels
van kronkelende vaten, door velen eigene vaten (vasa propria)
genaamd. De benedenste maagbeurzen (app. ventric. inferiores)
zijn wormvormig. Er is tusschen laatstgenoemde aanhangsels
eene plooi m, die het aanzien geeft, als ware er het beginsel
van een derde appendiculair orgaan. De chijlmaag g maakt
eene bogt 7, die zich achter m buigt om eene luds te maken,
welke zich voortzet in 6. Het lagere gedeelte vertoont zich, na
uitrekking, als fig. 2. Bij g’ zijn overblijfsels van vele, fijne
malpighiaansche vaten, waar een korte, dunne darm » begint,
zich voortzet in een dikkere o, en eindigt in den met zes bruine
strepen voorzienen endeldarm A, fig. 1 en 2.
BI
Sx. fec AJW. sculps
Macrolyristes imperator, Voll.
IB
AB,C. Macrolyristes. 1,2, 4,5, Anatomie van Orthoptera.
==
FE Se
NX \ /
AN 4
AJ.W. sculps.
MACROLYRISTES IMPERATOR „ VOLL. 115
Den krop vond ik grootendeels gevuld met eene pappige stof,
waarin zich een menigte groene korreltjes en eenige vliesjes
lieten onderscheiden , alles van plantaardigen oorsprong. Of de
maag iets bevat is twijfelachtig, maar de dikke en de endeldarm
zijn gevuld. Een onderzoek van speekselklieren en andere orga-
nen is onmogelijk. Het rectum is bezel met zeer ruime lucht-
buizen.
De inwendige deelen van het mannelijk voorwerp waren,
over het geheel genomen, beter bewaard, dan die van het
vrouwelijke , waarschijnlijk door het beter binnendringen van
spiritus door eene buiksnede. Zij, die in afgelegen oorden
insekten in spiritu dooden, om voor anatomisch onderzoek te
dienen, zouden wel doen door altijd een of twee kleine buik-
sneden te maken, vooral aan groote insekten met harde huid.
Men moet dit echter niet bij het leven des diers doen, want
dan puilen de ingewanden door de openingen uit, maar eenige
dagen na den dood.
Dat de spijsverteringswerktuigen geen ander, dan een gering
individueel verschil met het wijfje opleveren, ligt voor de hand.
Een blik op figuur 5 toont dit. De slokdarm a heeft ééne
diepe en verscheidene oppervlakkige plooijen, zoo als ook de
krop bb. De voormaag c en zijne aanhangsels d e, de chijl-
maag fg, en de overblijfsels van de malpighiaansche vaten
behoeven geene omschrijving. Eenige aandacht verdient, dat
beneden laatstgenoemde vaten de dunne en dikke darm , voorts
het rectum zeer zijn ineen gekrompen, zoodat zelfs de grens
tusschen de gedeelten » en o van fig. 2, hier hh’, bijna ver-
dwenen is. De geheele spijsbuis duidt aan, dat de spijsverte-
ring was afgeloopen en nieuw voedsel moest worden genomen.
De endeldarm # was wel uitgezet, maar ledig en niet vrij van
ontbinding.
Ik vond aan den eenen kant een’ kleinen testikel met zijn uit-
voerbuis , die zich verliest in een vrij groot en digt kluwen van
kronkelige, blinde buizen of zaadblaasjes. Den tegenovergestelden
testikel kon ik niet met zekerheid herkennen; hij schijnt bij het
uitnemen van het ingewand uit de buikholte gekwetst te zijn.
114 ONTLEEDKUNDIGE AANTEEKENING OVER
De geringe ontwikkeling van de teelwerktuigen in beide indivi-
duën maakt het onderzoek van meer voorwerpen zeer wen-
schelijk.
De pneumaciteit van het dier is zeer sterk ontwikkeld. De
luchtbuizen zijn niet alleen menigvuldig, maar ook zeer ruim,
hier en daar min of meer blaasvormig uitgezet. Zoo loopen er
enorme luchtvaten naar en tusschen de maag en darmen; een
net van zulke vaten ligt op het einde van den slokdarm en op
den voormaag. De groote stammen, die langs den slokdarm
zich uitstrekken, vernaauwen zich naar den kop en vertakken
zich er in. Ook de vijf zenuwknoopen van de buikstreng, die
overig gebleven waren, gingen vergezeld van sterke tracheen
met vertakkingen.
Hetgeen mij bij het ontleden van een aantal Orthoptera onder
de oogen is gekomen, en wat ik uit verschillende schrijvers
leerde, geeft mij aanleiding tot de volgende vergelijkende op-
merkingen.
Wat ik boven zeide van de moeijelijkheid , om de grens tus-
schen slokdarm en krop te bepalen, geldt bijna van alle regt-
vleugeligen. Slechts bij de veenmollen ontwikkelt zich een wijde
zijdelingsche „ blaasvormige krop aan den niet wijden slokdarm,
zelfs verschillende van die van Acheta campestris. De active
toestand van dezen krop is vele malen afgebeeld, ja soms over-
dreven groot voorgesteld. In den winter van 1858 op 1859 ont-
leedde ik vele veenmolen, om de gesteldheid van het organisme
gedurende den winterslaap te vergelijken met die van den zomer.
Wat den krop aangaat, hij krimpt ’s winters geheel in een, zoo
als fig. 4b, evenwel niet in de hoogste mate, vertoont. Bij
het nemen van spijs in het voorjaar zet hij zich weldra weer
uit. Ik kan voor alsnog niet beslissen in hoeverre er inkrimping
van den meer algemeen voorkomenden kropvorm van de regt-
vleugeligen plaats vindt, doch bij voorwerpen uit warme gewes-
ten zal dit verschijnsel niet gevonden worden. Overigens mag
men, bij het beoordeelen van den krop, wel met eenige omzig-
tigheid te werk gaan, daar de ondervinding mij leerde, dat
voorwerpen met gevulden slokdarm, eenigen tijd in spiritus
MACROLYRISTES IMPERATOR, VOLL. 115
hangende „ kropvormige uitpuilingen kunnen bekomen. Ik ben
geneigd den toestand van fig. 1b en a’ als na den dood ontstaan
te beschouwen.
Bepalen wij ons nader tot voorwerpen van de familie der
Locustina , waarmee wij hier te doen hebben, dan kan als type
gelden de spijsbuis van Ephippiger Vitium en die van Conoce-
phalus mandibularis, door Léon Dufour ontleed en afgebeeld.
De grondvorm van de slokbuis is die van een gewonen distilleer-
kolf, dat is: een wijde hals, het bovenste deel van den slok-
darm, en een buik met bolvormigen bodem, het kropgedeelte.
Ik geef, als zesde figuur, het ingewand van Pseudophyllus
neriifolius Serv. &, bij wien de type van den slokdarm a en
de krop 5 volkomen zich vertoont.
Wij spraken van bovenste en benedenste maagaanhangsels ,
volgens algemeen aangenomen gewoonte, maar het is niet over-
tollig die benamingen een weinig toe te lichten.
Bovenste en benedenste beteekent hier niet twee kransen van
aanhangsels, die op eenigen afstand van elkaar op de maag
worden gevonden, maar eerder een opwaarts en een neerwaarts
gerigt gedeelte dier aanhangsels. Onder de Orthoptera komt
geen voorbeeld voor van twee, of meer van elkaar verwijderde
kransen, doch wel onder de Coleoptera, bij voorbeeld, in Cetonia
aurata. Ramdohr beeldt het darmkanaal der larf van dezen
tor, Tab VII, fig. 2, af. Terstond loopen drie kransen van
maagaanhangsels in het oog; een bovenste bij den aanvang van
de maag, lager een middelste en aan het einde, even boven de
vasa malpighiana, een onderste. Maar de beteekenis van elk
dezer kransen is niet dezelfde, hoewel Ramdohr hier niet op
let. Hij waarschuwt wel, om die Anhänge des Magens niel te
verwarren met die Zotten, en laat zich hier toch door de meer-
dere dikte en lengte van de wormwijze deelen der beide lagere
kransen verleiden, om alle drie voor Amhänge te houden’,
1 Zie » Die Verdauungswerkzeuge der Insecten, s.20, § 26.» Hij beeldt Tab. VIT,
fig. 3, halfkegelvormige Zotten van de maag van eene volwassene C. aurata af.
116 ONTLEEDKUNDIGE AANTEEKENING OVER
Volgens hem en de latere onderzoekingen van de Haan! en
anderen zijn de ware maagaanhangsels in onmiddelijke commu-
nicatie met de maagholte, weshalve zij ook bursæ ventriculares,
maagbeurzen, heeten en enkele schrijvers eene vergelijking met
de maagafdeelingen van herkaauwende dieren hebben gewaagd.
De Zotten, chijltepels, daarentegen dringen niet in de maag-
holte, maar monden tusschen de buitenste en binnenste wanden
in. De Haan nu brengt den bovensten krans van zijne larf tot
de ware klierige maagbeurzen (la couronne glanduleuse) en de
beide lagere tot de poches, qui contiennent le chylus composé
dune masse granuleuse , lequel, après avoir eté extrait des
aliments par la tunique muqueuse, est porté dans l'espace entre
les deux membranes de l'estomac, où il se rassemble dans les
coecums pour étre porté sous l'influence des trachées. Wij ko-
men alzoo tot het besluit, dat de maagbeurzen, ook bij de
Coleoptera alleen bij het begin van de maag voorkomen, terwijl
zij ook daar (zie fig. C, het benedenste en midden gedeelte van
e') een bovenwaarts en een minder verdeeld benedenwaarts
gerigt gedeelte vertoonen, wat niet het geval is met de chijl-
tepels.
Ik kom van deze vergelijking tusschen Goleoptera en Orthoptera
tot laatstgenoemden terug, om het bewijs te leveren, dat de
bovenste en onderste maagbeurzen met de maag communiceeren
en slechts onderdeelen van één en hetzelfde orgaan zijn. Dit
blijkt in de eerste plaats uit de ontwikkelings-geschiedenis.
Rathke heeft, in Müller's Archiv, 1844, de spijsbuis van eene
pas uit het ei gekomene larve van den gewonen veenmol en van
eene, die eenige dagen oud was, beschreven en afgebeeld. Ik
neem er alleen de maagdeelen van over in mijne zevende en
achtste figuur. Aan het blaasvormig orgaan, fig. 7d, zijn nog
geene maagbeurzen , te bespeuren, alleen is het door de voor-
maag c een weinig ingedoken. De slokdarm a en de chijlmaag
+ Zie Mémoires sur les métamorphoses des Coléoptères, ire livr., pag. 30,
Pl. 7, fig. A, B, C, Oryctes nasicornis, De teekeningen zijn van wijlen mijn’ broe-
der Dr. Æ. Saagmans Mulder,
MACROLYRISTES IMPERATOR, VOLL. 117
e wijken van den gewonen toestand niet af. Het blaasvormig
orgaan d, draagt in dit levenstijdperk bij Rathke den naam
«een vliezige, met dojer gevulde maag», terwijl hij het volgend
gedeelte e, den «dunnen darm» noemt. Hoe dit zij, uit de
volgende figuur blijkt, dat het orgaan d eene min of meer
hartvormige gedaante heeft aangenomen, doordien de voormaag
c als "t ware gezonken is, zoodat zich weerzijds de maagbeurzen
ff beginnen te vormen. Vergelijkt men nu hiermede den toe-
stand in het volwassen dier, fig. 9 naar Léon Dufour, dan staat
de voormaag c tusschen de beide maagbeurzen ff min of meer
naauw ingesloten. Een voorbeeld van zeer naauwe aansluiting
vond ik in Gryllotalpa orientalis, voorgesteld fig. 10. De letters
duiden hetzelfde aan als in de beide laatste figuren. Opmerking
verdient hier nog de blaasachtige vorm van het begin der chijl-
maag d, die anders meer trechtervormig bleek te zijn.
In den volwassen toestand komt, behalven de even voorgestelde
vorm, een ander voor, die veel meer aan dien van den jeug-
digen toestand van de larf herinnert. Bij Ephippiger Vitium
vond Léon Dufour de voormaag, fig. 11 c, tusschen de groote,
met eigene vaten gekroonde maagbeurzen ff gezonken, terwijl
geen grens tusschen hen en de chijlmaag d zigtbaar is. Locusta
viridissima nadert zeer den vorm van de Gryllotalpen.
In al deze gevallen zagen wij geen spoor van benedenste
maagaanhangsels, maar het verband tusschen de eenvoudige
bovenwaarts gerigte beurzen met de chijlmaag is duidelijk geble-
ken. Laat ons nu zien wat er van de eerstgenoemde organen is.
De ontleding van een groot getal veenmollen , zoowel inland-
sche als oostindische, bragt mij op het spoor van het ontstaan
der benedenste beurzen. Men kent den gewonen toestand uit
de negende en tiende figuur, maar zeldzaam ontmoeten wij dien
van figuur 4 en 5. In dezen laatsten vertoont zich aan den bodem
van elk der gewone beurzen d eene tepelvormige uitpuiling van
den wand e. In het individu fig. 4 zijn deze tepeltjes worm-
vormige aanhangsels e geworden. Ware nu deze de algemeene
bij veenmollen voorkomende ontwikkelingsvorm , niemand zou
geaarzeld hebben hun appendices ventriculures superiores en
118 ONTLEEDKUNDIGE AANTEEKENING OVER
inferiores toe te schrijven. Zoo als deze ontwikkeling in een
veenmol abnormaal behoort genoemd te worden, zoo is zij de
normale van Macrolyristes imperator en anderen. Een terugblik
op fig. 1 kl en fig. 5 de overtuigt er ons van. Vestigen wij de
aandacht op Acridiedea, bij wie het getal der beurzen steeds
grooter is, dan bij Gryllodea en Locustina, dan zien wij de
bovenste en benedenste duidelijker begrensd, in grootte minder
verschillend en meestal digt tegen de spijsbuis-wanden aanliggend.
Zoover ik weet, staan echter de bovenste en benedenste aanhang-
sels steeds inwendig met elkaar in verband, doch ik durf niet
beweren , dat zij nimmer elk voor zieh afzonderlijk inmonden in
de maag. Mijn onderzoek is op dit punt nog niet rijp. Als
voorbeeld van Aeridiodea diene fig. 12, Oedipoda fusciata Sieb.
door Léon Dufour ontleed. Van de zes bovenste beurzen d, en
van evenveel ondersten e, door Fischer eigenaardig appendices
aecessoriæ deorsum refleve genaamd, loopt slechts de helft hier
in toog. ‘Fusschen den slokdarm a en de chijlmaag d is geen
voormaag. Erichson en Goldfuss merkten aan, dat de uitsluitend
planten etende regivleugeligen nimmer eene voormaag bezitten,
maar dat hij voorkomt bij de verscheurenden en alvreters. Een-
maal vond ik de benedenste beurzen grooter, dan de bovensten,
namelijk in Xiphocera serrata, in 1861 uit Suriname ontvangen.
Zie fig. 19a, b, c, d = in fig. 12: De chijlmaag was zeer
week, en welligt waren ook de aanhangsels door aanvankelijke
ontbinding uitgezet, maar dit zal de grootte-verhouding tusschen
b en c niet merkelijk veranderd hebben.
De blaas- of beursvorm van de maagaanhangsels wordt in
verscheidene regtvleugeligen wormvormig. In dit geval is het
gelal vermeerderd, bij voorbeeld acht bij Mantis religiosa. Ik
wil mij thans bepalen bij een voorwerp, dat ik aan mijn vriend
J. J. Bruinsma verschuldigd ben. Hoewel volkomen vleugelloos,
overtuigde mij de aanwezigheid van volkomene eijers in de
ovaria en het gemis van vleugelkokers, dat ik met geene larf te
doen had. Vergeleken met voorwerpen van ’s Rijks Museum
herkende ik een wijfje van Saga Pedo Pall., ex Turcia, waar-
over de Haan handelt bl, 209 van zijne Bijdrage tot de kennis
MACROLYRISTES IMPERATOR, VOLL. 119
der Orthoptera. Hoewel de ingewanden deels ontbonden waren
was de kropvormige bodem van den slokdarm, fig. 14a, gaaf,
zoo als ook het stel van binnenwaarts gebogene wormwijze
beurzen, bb, dat de voormaag insluit en waarop de chijlmaag,
c, d, e, volgt. In den krop bevond zich eene massa, bestaande
voornamelijk uit hoornachtige overblijfsels van insekten. Zij
schijnen dus meest dierlijk voedsel tot zich te nemen , misschien
uitsluitend. Althans is het vinden van eenige plantaardige dec-
len, gemengd met dierlijke, in eene maag nog geen bewijs tegen
uitsluitende dierlijke dieet. Een hagedisje zag ik een grooten,
groenen sprinkhaan doorslikken, die kort te voren gras had
gegeten. De prooi was stellig dierlijk en toch zou men bij het
ontleden gras in de maag der hagedis hebben gevonden.
Ik kom terug op den merkwaardigen Pseudophyllus nertifolius,
fig. 6. Wij wezen reeds op den kolfvorinigen slokdarm, a b, laat
ons nu letten cp de maagaanhangsels. Zij zijn in vrij groot
getal aanwezig en in twee bundels verdeeld, waarvan de cene l,
geheel in ‘t gezigt valt, de andere slechts gedeeltelijk zigtbaar
is bij 2’. De wormvormige beurzen liggen digt aaneen gesloten
en vloeijen zamen in-, of wil men liever, ontspringen aan- een
breeden bodem, welke inrigting onwillekeurig doet denken aan
die van sommige schildvleugeligen, Db. v. Oryctes nasicornis,
boven reeds aangehaald. Maar wat vooral nog aandacht verdient,
is, dat bij elke bovenste bundel van maagbeurzen één krachtige
appendia inferior, m, behoort. Ik vond deze inrigting noch
bij andere anatomen vermeld, noch in natura elders terug.
Het verdient nog nader onderzocht te worden hoe de inmonding
van dit organisme in het ingewand gesteld is. Hoezeer ik over
de overige organen van dezen Pseudophyllus nu niet opzettelijk
spreken zal, veroorloof ik mij toch er eenige aanwijzing van te
geven. In fig. 6 duidt ¢ een gedeelte van de chijlmaag; dd de
voorrand van de beide zeer ontwikkelde testikels, die weerzijds
tegen de bogten van de chijlmaag en darmen liggen; d’ is een
eenigzins naar buiten gebogen vas deferens, waarvan het nor-
male beloop eenigzins S-vormig is. Eindelijk is van de menig-
vuldige zaadbeursjes (wesicules spermatiques Duf), e e, der
190 ONTLEEDKUNDIGE AANTEEKENING OVER
aandacht waardig, dat er een tweede neerdalende of benedenste
reeks, à, bestaat. Zij schemeren door den laatsten, kegelvormigen
doorzigtigen ring, 4, heen. Deze ring eindigt bladvormig gevorkt
bij &; de schub f draagt op hare zijstukken de cerci gg.
Nog een enkel woord over de bovenvermelde pneumaciteit van
den Macrolyristes imperator, met anderen vergeleken. Marcel
de Serres heeft zich, reeds voor vele jaren , met blaasvormige
verwijdingen der luchtbuizen bijzonder bezig gehouden. Hij
onderscheidt érachées vésiculaires avec des cerceaux cartilagi-
neux où sans cerceaux, waarop later weinig schijnt gelet te zijn.
Hij gaf eene afbeelding van die van Truxalis nasutus'. Deze
grootere en kleinere blazen staan wel met de gewone trachéen
in verband, doch zijn er te sterke wijzigingen van, om met de
door ons bedoelde te worden verward. Zij missen, zoover ik
hen waarnam, de weerzijdsche continuiteit van de chitineuse
(niet cartilagineuse) spiraaldraad , ook dan wanneer er enkele
ringetjes zijn overgebleven. Ik vond in de zoogenaamde Vecht-
krekel, Megalodon ensifer Serv. reeksen van luchtblaasjes zoowel
op de twee groote, doch eenvoudige maagbeurzen, als op de
maag en tusschen de kronkelingen der darmen. Zij verdienen
den naam van snoervormige (lracheae vesiculares moniliformes) ,
doeh hebben weinig dikte. Een gedeelte er van vormt als
‘t ware stralen, die uit een middenpunt voortkomen. Ik moet
in andere individuen het verband tusschen deze en de overige
luchtbuizen nog verder nasporen, maar vermeld hier thans deze
waarneming, omdat deze snoervormige organen zich aansluiten
aan die van 7ruxalis. De boven (blz. 114) aangeduide blaasvor-
mige verwijdingen in de luchtbuizen van onzen Macrolyristes
behooren niet tot de pas beschrevene, want de spiraaldraad
gaat onafgebroken door, makende slechts wijdere windingen.
Zij komen dus overeen met die, welke men, onder anderen,
bij Hydrophilus piceus uitmuntend ontwikkeld vindt.
Uit het medegedeelde en uit andere waarnemingen besluit ik
1 Zie Mémoires du Muséum d'Histoire Naturelle. Tom. 4 (1818), pag. 323 et
845 suiv. Pl. 15.
MACROLYRISTES IMPERATOR „ VOLL. 191
tei
dat de pneumaciteit van een insekt niet gewaardeerd mag wor-
den naar het al of niet aanwezig zijn van luchtblazen, zoo als
sommigen willen. Het stelsel van gewone trachéen kan zoo
sterk ontwikkeld zijn èn in volumen èn in takverspreiding, dat
het een stelsel met luchtblazen overtreft. Eveneens ben ik
overtuigd, dat men eenzijdig oordeelt, als men de ontwikkeling
van de respiratie-organen der Acridiodea boven die van de
Locustina stelt.
Ik heb mij slechts op het terrein van descriptive anatomie
bewogen, en opzettelijk niet op dat van histologie en physiologie.
Ik hoop hier later op terug te komen, nadat ik nog een
grooter aantal versche Orthoptera zal hebben kunnen onderzoeken.
KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN
DOOR
Dr. A. W. M. VAN HASSELT,
N°. 3.
TARANTULA REDIVIVA.
Tarantula rediviva — de tarantel herleeft weder —; ik durf
het echter naauwelijks onderschrijven of met luider stem uitroe-
pen, zoo zeer weerhoudt mij de geweldige magt van het heden-
daagsche standpunt, dat de aloude vrees voor de Lycosa Apulia
kortweg voor «onzin» heeft verklaard, en al wat over de
vreesselijke spin van Tarente, sedert 1599, door Ferrante Impe-
rato en tal van Napolitaansche of Italiaansche schrijvers na hem
is te boek gesteld, voor «fabelen» en « vooroordeel » houdt.
En toch. .... Serraö, Buliforio, Homberg, Hofmann, Hahn,
Dumeril, Leunis moeten het mij ten goede houden, wanneer
ik van oordeel ben, dat zij, in hunnen fellen strijd tegen het
belagchelijke en overdrevene der verhalen over den tarantel-dans,
zelve in een ander uiterste zijn vervallen door daarmede ook
vervallen te achten elk gevaar van den tarantel-beet. Het ging
met deze quaestie als met zoo vele anderen in den nieuweren
tijd, — en eigenlijk in alle tijden — peccubatur intra muros et
extra! De waarheid is naakt; al heeft men haar ook het over-
kleed uitgetrokken, dan is men nog niet dadelijk waar men
wezen moet; ook de eenvoudigst schijnende natuur-waarheden
zijn vaak omgeven met een friple airain. Wanneer de heer
KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN. 195
Hofmann in de Abruzzen werkelijk en ontwijfelbaar er niels
van heeft ondervonden, wanneer hij de ware Z. tarantula, met
de bloote hand, vatte en door haar gebeten of liever «geknepen»
werd; — wanneer de Napelsche Lazzarori zich voor een maatje
wijn er door laat bijten of «knijpen» in arm of hand; —
wanneer honderd dergelijke voorbeelden worden aangevoerd , in
welke negative resultaten zijn geconstateerd, zoo vervallen daar-
mede geenszins de waarnemingen van anderen, die van positief
nadeel spreken. Immers de omstandigheden kunnen in het eene
en het andere geval geheel verschillend zijn geweest. Wanneer
ik, zoo als nog zeer onlangs, even gestoken werd door eene
bij, die ik reeds een dag in een doosje had bewaard en er
nagenoeg niets van gevoelde; ligt dit aan het reeds half doode
diertje, of mag ik daaruit afleiden, bijen-steek verwekt geen
pijn? En wanneer ik eens eenen onvergetelijken koortsaanval
heb ondervonden, doordien mij, in den slaap in het open veld,
een twintigtal mieren, het teen nog rijkelijk aanwezige hoofd-
haar doorwoelende, in de schedelhuid hadden gebeten en
gestoken , omdat ik ze vrij onzacht daarvan verjoeg; kan dan
die waarneming ooit krachteloos worden gemaakt door de be-
tuiging van anderen, dat zij honderdmalen mieren op hunne
armen en beenen hebben gehad, zonder er in het minst, al
wondde hen deze of gene, eenigen koorts van te hebben onder-
vonden? Dergelijke analogiën zou ik meer kunnen bijbrengen,
doch de gegevene mogen volstaan, om mijne meening te ver-
duidelijken. Gesteld eens allen, die negatief spraken over den
tarantel-beet, hadden de ware species voor, — en dat is nog
zeer te betwijfelen bij de vele andere en kleinere Lycosa-soorten ,
die ook in Italië worden gevonden, en velen minder magtig dan
de Apulische, wier abdomen tot ruim «2 centimeters breedte »
kan verkrijgen en wier haakkaken «hort en zeer sterk» zijn, —
zoo: vloeit daaruit nog geenszins voort, dat zij met volwassen
individuen te doen hebben gehad, iets wat vooral bij de £,
voor alle spinnen moeijelijk te bepalen valt, indien ze niet met
den eijerzak of met jongen zijn voorzien. Evenmin is het dan
nog gezegd, dat zij op dien tijd in hare volle krachts-ontwikke-
194 KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN.
ling waren. Ook niet, of zij reeds door honger en het bewaren
in ongeschikte verblijven waren witgeput. Wijders is het ten
dezen in geenen deele onverschillig wadr die beet wordt toege-
bragt, bijv. aan de palmen der handen of op den rug der
voeten, en òf de beet in de gegeven gevallen is doorgedrongen
of is afgeschampt op de opperhuid, of zelfs niet is ingedrongen
door het vatten van een te omvangrijk of een te dikhuidig
ligchaamsdeel. Nog moet worden opgelet, in welk jaargetijde
de waarneming liep, al of niet in den heeten zomertijd. Ook
nog aan welk individu de wonde ware toegebragt, want en de
fijnheid der huid èn de gevoeligheid van het zenuwstelsel ver-
schilt cm geene kleinigheid bij verschillende personen. En nog
iets: waarom dan toch zou men hier alle nadeel willen weg-
redeneren bij eene dier-klasse, waarbij alle geslachten zonder
onderscheid een bepaald gift-apparaat (geen speeksel-toestel,
zoo als sommigen nog meenen) onwederlegbaar kan worden
aangetoond ? en waar bij de grootere soorten minstens evenveel
vergift, in droppel-vorm, in de wond kan worden gespoten,
als met de tegenwoordig veel in medisch gebruik zijnde spuitjes
voor hypodermatische injecties van minima van narcotische op-
lossingen het geval is?
Doch aan redeneren nu ook reeds genoeg; ziet hier op welke
nieuwe mededeeling ik wilde wijzen, die mij tot den uitroep
aan het hoofd van deze kleine «Notiz» heeft verleid. Verleid,
zeg ik nu, want ik zou eigenlijk zelf in loco wel eerst in staat
willen zijn geweest, om mij van de magtigheid van het bijt-
toestel der Lycoside in quaestie te overtuigen , alvorens geheel
zeker te zijn, en nog altijd blijf ik verstoken van het bezit eener
collectie van eenige dezer spinnen, hoe vaak mij die ook reeds
door reizende vrienden en vriendinnen zijn toegezegd '.
Nadat Dr. Cauro, in 1855, te Parijs, in zijne Dissertatie : sur
la piquure de la tarentule, de beste geneeswijze daarvan had
1 Indien soms een of ander der veel geachte medeleden van onze Vereeniging
gelukkiger zijn ten dezen dan ik, houde ik mij, onder teruggave van onkosten, gaarne
voor een of meer exemplaren aanbevolen. Ik ken dit beruchte diertje helaas! nog
niet anders dan in efligie en in onkenbare gedroogde exemplaartjes.
KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN. 195
aangegeven, zoo als die nog ten huidigen dage op Corsika wordt
gevolgd, en nadat Dr. Gazzo, in Missola, bij Savona, in 1845,
insgelijks de handschoen weder had opgevat, ter verdediging
van de kracht onzer Araneide (zie Annales de Thérapeutique et
de Toxicologie, etc. Février), en, uit zijne destijds vijfjarige
praktijk in die streek van Italië, verscheidene voorbeelden had
beschreven van ziekte-toevallen — geene doodelijke echter —
allen bij landlieden, die blootsvoets op het veld werkten, voor-
gekomen — teekende ik onlangs, uit het Recueil de mémoires
de med. etc. milit. T. IX, 1865, p. 297, de volgende zinsneden
aan, uit eene Note sur la morsure de la tarentule, par M. de
Santi, eersten Officier van gezondheid in Fransche dienst. Zijne
nieuwe berigten zijn allen ontleend uit Corsika, op welk eiland
«de tarantula, zoo als die door Cuvier is beschreven» zeer al-
gemeen voorkomt. De Schrijver is Chef van het hospitaal te
Guagno; een zijner naaste betrekkingen, de civiele geneesheer
Santi, is geplaatst bij het gasthuis te Ajaccio. Beiden geven vrij
gelijkluidend als hunne ervaring op: «que la tarentule soit
« venimeuse, nest plus en doute pour nous, pas plus que nous
«ne doutons, que l'absorption de son venin pendant les fortes
«chaleurs, soit suivie toujours d'accidents graves et quelquefois
« mortels. »
Zij beweren, dat er op Corsika telken jare minstens een paar
honderd menschen door tarantels worden gebeten; onze schrijver
neemt er jaarlijks 4 à 5 van op in zijn Hospitaal, en zijn broe-
der, of neef, van Ajaccio, deelt hem in dit opstel 4 van zijne
eigene waarnemingen mede.
De gebetenen zijn meestentijds landlieden, die, in den tijd
van den oogst, op den akker werkende, vooral op zeer warme
zomer- of najaarsdagen , aan de bloote voeten of enkels, door
deze grond-, aard- of loopspin worden verwond.
De beet is op zich zelven onbeteekenend; men ontwaart niet
veel meer dan het gevoel van een speldenprik of naaldensteek ;
daarop volgt plaatselijk een meer of minder sterk jeuken en
eene meer of minder uitgebreide roode vlek op de huid. Eerst
na 2 à 5 uren ontstaan hevige, soms onverdragelijke pijnen
196 KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN.
nu spoedig opgevolgd of vergezeld door algemeene verschijnselen,
namelijk in hoofdzaak, flaauwten, krampen en brakingen ; deze
houden hoogst zelden langer dan 12 à 56 uren aan, doch
schijnen enkele malen in den dood te «kunnen» eindigen. De
schrijver en zijn bloedverwant hebben dien noodlottigen uitgang
tot nog toe zelven niet waargenomen, doch hun is «verzekerd»,
dat, in 1861, in het dorp Vico één lethaal voorbeeld is
gezien, en dat, in 1865, in het dorp Piannotoli, bij Bonifacio,
drie personen aan deze vergiftiging zijn bezweken, een enkele
zelfs binnen weinige uren. Nadat door den Corsikaanschen ge-
neesheer Cauro, bovengenoemd, eene zeer spoedige en meer
rationele behandeling vrij algemeen op dit eiland is ingevoerd,
en nadat de vroeger gebruikelijke, hoogst ingrijpende volks-
bijtmiddelen (vooral het behandelen der gewonde plaats met
brandenden zwavel!) thans zijn verlaten, wordt intusschen van
een doodelijken uitgang slechts bij betrekkelijk hooge uitzonde-
ring gehoord.
Die behandeling is overigens de bij giftige wonden gewone;
binden, scarificeren, uitzuigen, koppen en inwendig diaphoretische
middelen en sedantia, vooral opiacea, in zeer hooge doses, ter
bedaring der pijnen en krampen. Deze en andere neuralgien
kunnen bij late of onvoldoende behandeling , langen tijd nablij-
ven. Daartegen worden dan warme bad- of bron-kuren voor-
deelig genoemd.
Mijne bijzondere aandacht werd verder, in de détails dezer
mededeeling , getroffen door de volgende bijzonderheden:
1°. De groote overeenkomst van het meer uitvoerig in dit
opstel geschilderd verschijnselen-heeld met de even een-
voudige beschrijving daarvan zoo als die mij reeds voor
twintig jaren, bij Dr. Gazzo uit Italië, opgevallen was.
Noch bij dezen, noch bij onzen nieuweren schrijver,
een zweem van overdrijving, een spoor van effekt-bejag,
zoo als in de vroegere Tanzwuth-historién. Alles hier
natuurgetrouwe waarneming, onopgesmukt en met over-
tuiging te boek gesteld.
2°, De opgave dat er tusschen de verwonding en de eerste
Lao di i
KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN. 197
algemeene verschijnselen 2 à 5 wren kunnen verloopen
of zelfs veelal verloopen. Hierdoor vervallen natuurlijk
al de zoo gemakkelijk door eritiei en sceptici te maken
bedenkingen , over idiosyncrasie, inbeelding, vrees, als
oorzaak dezer verschijnselen. Immers zij die daardoor
flaauw vallen of het «op de zenuwen» krijgen, wachten
hiermede in den regel geen uur of drie!
5°. De therapeutische waarneming, dat de verwonden zeer
hooge doses opiacea kunnen verdragen zonder er van
te slapen. Dit is analoog met hetgeen in de slangen-
landen der tropische gewesten is waargenomen aangaande
de tolerantie van buitengewoon hooge giften spirituosa,
zonder dronkenschap, bij giftslangen-beet.
4°. Het somtijds lang nablijven van secundaire neuralgiën ,
iets dat insgelijks in vele voorbeelden van tropische
vergiftiging, door visschen , slangen , enz. , is geconstateerd.
Al vervallen hiermede de meeste tegenwerpingen ' der recen-
tiores in de tarantula-quaestie, zoo moet ik toch vragen —
even als ik bij de beweerde gevolgen van den beet van Latrode-
ctus malmignathus deed (Tijdsch. v. Entomol. , 5de deel, 1860,
blz. 60) — kan in al deze spinnen-vergiftigingen ook ver-
wisseling denkbaar zijn met verwonding door Vipera Redi, V.
aspis of andere giftslangen? De adder bijt, vlugt, men voelt
de verwonding, ziet naar het deel...... en neemt in de
nabijheid deze of eene andere spin waar. Deze vooronder-
stelling, ten deele gesteund door eenige der bovengenoemde
analogiën, ligt, dunkt mij, hoezeer eenigzins gewaagd, voor de
1 Onder dezen is ook de vraag: heeft men hier slechts te denken aan een aanval
van cholerine of cholera sporadica ? niet ongewoon. Benige omstandigheden kunnen
inderdaad, uit een medisch gezigtspunt, aanleiding geven tot die onderstelling. Doch
zouden dan alleen de vier genoemde schrijvers, Cauro, Gazzo en de beide Santi,
deze, vooral in de warme landen zoo zeer gewone en bekende, ziekte ziet kennen ?
Zelfs zoodanig, dat zij het niet eens de moeite waardig hebben geacht over eene zoo-
danige misvatting te spreken. Bovendien, zij geven eensluidend op, meermalen
gezien te hebben, dat bij tijdige behandeling de krampen en brakingen konden worden
voorkomen, en zou het niet bijzonder vreemd zijn, dat men soms na door eene spin
gebeten te zijn, juist 2 of 3 uren daarna eene » gewone cholerine » kreeg.
198 KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN.
hand. Intusschen schijnt ook Santi die objectie stilzwijgend
te hebben gemaakt, doch die tevens te hebben voorkomen,
daar hij als ter loops aanmerkt: «la tarentule est le seul animal
«vénimeux, qu'on connait dans ce pays.» Is dit echter zoo?
Ik zou het zeer betwijfelen, dat op Corsika geene viperæ noch
scorpiones worden gevonden '. Doch al ware dit zoo, dan zouden -
voorzeker, bij zoo groot een aantal gevallen, als waarvan door
Santi gewag wordt gemaakt, deze veel grootere dieren toch
althans meermalen van zelven in het oog zijn gevallen. Men
kan in eenige gevallen, en vooral des avonds zoodanige vergis-
singen toelaten, maar, bij zoo scherp ziende personen als
het landvolk, die gewis niet als doorgaanden regel laten gelden.
Nog zou tegen den regel zijn het lang uitblijven der algemeene
verschijnselen , die na adderbeet meestal reeds tusschen de 5
à 50 minuten plegen in te treden. Werd het daarenboven
geconstateerd , dat op Corsika, althans op de bewoonde en
bebouwde vlakten, geene giftslangen voorkomen, dan houd
ik, op grond van dit een en ander pro et contra in het mid-
den te hebben gebragt, voorloopig mijnen uitroep van « Taran-
« tula rediviva » voldoende gewettigd.
N°. 4.
HET VERDEDIGINGS-TOESTEL DER RUPS VAN
DEN GROOTEN OF TWEESTAART HERMELIJN-VLINDER, CERURA
(DICRANURA S. HARPYIA) VINULA.
De Heer Claus deelt daaromtrent in de zitting van die physt-
kalisch-medicinische Gesellschaft zu Wurzburg, van 28 Junij 1862,
ongeveer het volgende mede:
«Deze rups heeft in den prothorax eenen grooten klierzak, die
aan de buikvlakte, met eene dwarssleuf, uitmondt. Aan dezen
ı WV. Aspis komt, volgens Professor Schlegel, waarschijnlijk op Corsika voor;
doch, bij gebreke aan bepaalde opgaven, is dit niet stellig zeker.
CLM. del.
Anatomie van Orthoptera.
KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN. 129
zak onderscheidt men een binnenste vlies, hetgeen min of meer
geplooid en van eene chitinaardige structuur is en eene mem-
brana propria, van eene taaije, korrelachtige zelfstandigheid.
Daaruit wordt, door eenige eigene spierbundels, welke de dwars-
sleuf openen, en door de zamentrekking der spieren van het
geheele lijf, eenige voeten ver, een stinkend vocht uitgespoten.
Dit ‘afscheidingsvocht (volgens hem het «wezenlijke verdedigings-
wapen » der rups) reageert sterk zuur en vormt, bij het naderen
van een glasstaafje met ammonia liquida, terstond een dikken
nevel. Daardoor verleid, hield G. dit zuur eerst voor vrij zoué-
zuur, doch hij nam later waar, dat dit vocht niet door nitras
argenti wordt gepræcipiteerd en meende het toen als azijnzuur
te mogen aanmerken.»
De overige opgaven van den Schrijver, aangaande den bouw
der violette draden, welke uit den staart-gaffel of -vork van het
achterlijf te voorschijn treden, daarlatende , alsmede onder op-
merking, dat het scheikundig onderzoek ter bepaling van den
aard der genoemde zure vloeistof te onvolledig is medegedeeld,
om daarop te kunnen vertrouwen, — herinneren wij aan de
steeds nog voortdurende duisternis, waarin het werkzaam begin-
sel (of misschien de werkzame beginselen) der scherpe se- en
excreties van sommige rupsen-soorten is gehuld, even als de
wijze, waarop deze vloeistoffen worden uitgedreven. Zoo, onder
anderen, beschreef Noël Humphreys, in the Intellectual Obser-
ver voor September 1862, hetzelfde apparaat geheel anders.
Volgens hem toch heeft deze rups «een uitsteeksel onder aan
den kop, met vele openingen, waardoor eene bijtende vloeistof,
als door een gieter, wordt uitgespoten!» — Hoe dit zij, de
zure geaardheid van het scherpe vocht, dat bij andere prikke-
lende rupsen ook op de huid, aan den wortel van, of zelfs in de
haren kan worden aangetroffen, — volgens Leydig, analoog aan
de inrigting der haren van den brandnetel (Urtica wrens en a),
schijnt vast te staan. Dit zuur echter, eerst door Ratzeburg
met den collectiefnaam van «rupsenzuur» (acid. erucinicum) aan-
geduid, is sedert door Will, althans bij Ph. (Bomb.) processionea
en chrysorrhoea, miet alleen aan de huid en de haren, maar
150 KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN.
ook in het ligchaam, als « mierenzuur» (acid. formicum) her-
kend. Of het nu dit zuur is, dan wel azijnzuur, wordt thans
door de opgaaf van Glaus weder twijfelachtig. De waarneming
van den laatsten berigtgever werd intusschen reeds vroeger ge-
daan door een ander natuuronderzoeker, wiens naam ik ver-
zuimde aan te teekenen. In de Stettiner Entomologische Zeitung
van het jaar 1859, kan men, bladz, 280, lezen, dat het door
sommige rupsen voortgebragte « vlugtige organische zuur» zich,
in den vorm van witten nevel met bijgebragte ammoniakdampen
verbindt. Zelfs grondt deze berigtgever daarop zijnen, trouwens
reeds vroeger empyrisch gevolgden raad, om tegen jeuking en
roos door rupsen te weeg gebragt, wasschingen te bezigen en
fomentaties van verdunde ammonia liquida. Evenzoo vond Calmeil
eere andere alcalische, het zuur neutraliserende, vloeistof, het
aqua calcis, met glycerine verdund, nuttig werkzaam tegen
huiduitslag door Ph. (B.) processionea voortgebragt.
Indien soms een of ander van onze Lepidopterologen zich
hiertoe opgewekt of in de gelegenheid vond, zoo zou hij mij
verpligten met de verzameling en daarna spoedige toezending
van eene eenigzins ruimere hoeveelheid van het bovenbeschreven
vocht der Dieranura Vinula. Daar het zuur bepaaldelijk tot de
vlugtige stoffen behoort, zou men het, na of bij het opvangen,
onmiddelijk moeten vastleggen door toevoeging van eenig alcali,
liefst potassa, waaruit het dan later kan worden vrijgesteld en
voor goed door een onzer scheikundigen gedetermineerd.
DE RUPS VAN GELECHIA TERRELLA W. V.
P. ©. T. SNELLEN.
De nog onbeschrevene rups dezer Gelechia vond ik in het
laatst van Maart bij Rotterdam, en wel in twee exemplaren ;
het eene aan de plassen, op veengrond, het andere op eene
zanderige plek, door het uittrekken van eenig gras. Te huis
gekomen deed ik mijne rupsen in eene suikerflesch met een
grasplantje en bevond, door dezelve na te zien, dat zij op den
grond, tusschen het gras, eene soort van lossen koker van zijde
hadden gesponnen, waarin zij zich zeer snel, zoo wel voor- als
achterwaarts konden bewegen. Zij voedden zich met het onder-
ste der grashalmen, die zij afknaagden en vormden na eenigen
tijd ieder een spinseltje van zijde met aarde vermengd, een
paar Ned. duimen diep in den grond, waarin zij in een licht-
bruin popje veranderden. Twee exemplaren van den vlinder
kwamen den isten Junij en den 18den dier maand uit.
De rupsen waren, toen ik haar vond, cen Ned. duim lang,
dun, spoelvormig, gelijk de rups van Eurrhypara urticata Hb.
en van vele Tortrieinen; verder donker groengrijs van kleur,
wat glimmend, op den buik iets lichter en bezet met korte
haartjes op zwarte wratten. Op den rug zag men drie onduide-
lijke donkere lijnen en op de eerste ringen achter den kop eene
onduidelijke witte. De kop was zwart, klein; het halsschild wat
grooter dan de kop, geel met twee zwarte vlekken. Ouder wor-
dende, werd hare kleur lichter, meer grijsachtig en toen zij hare
volle grootte hadden bereikt, waren zij ongeveer anderhalve duim
lang.
OPMERKINGEN OMTRENT DE VANGST VAN
KLEINE INSECTEN
DOOR
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Met tevredenheid mogen de leden onzer Entomologische Ver-
eeniging een blik werpen op de verschillende naamlijsten van
inlandsche insecten, welke sedert eenige jaren in de Bouwstoffen
voor eene Fauna van Nederland en in dit Tijdschrift worden in
het licht gegeven; deze toch worden langzamerhand vollediger
en kunnen ons tegenwoordig eene vrij juiste opgaaf leveren van
de gekorvene dieren boven de grootte van 5 of 4 millimeter,
welke in ons vaderland voorkomen. Een groote taak blijft ons
evenwel nu nog opgegeven, eene niet te verachten hoeveelheid
insecten te determineren en te registreren overig. Dezen zijn
evenwel over het algemeen zoo klein, dat zij, ofschoon voor het
bloote oog zigtbaar, toch slechts met behulp der loupe met
eenige naauwkeurigheid kunnen bestemd worden. Het kan,
dunkt mij, voor het bijeenbrengen van deze pygmeën nuttig
zijn eenige opmerkingen omtrent de vangst van zulke half-
onzigtbaarheden mede te deelen.
Vooreerst komt het mij voor dat nog niemand onzer Coleo-
pterologen of Hemipterologen stelselmatig mierennesten heeft
onderzocht, met het plan om de mierengasten te leeren ken-
nen. Hoe veel Staphyliniden, Pselaphiden en andere kleine
torretjes men op die wijze verzamelen kan, leeren ons de lijsten
van Märkel en anderen, in de Duitsche tijdschriften gedrukt.
Indien iemand niet ver van zijne woning een mierennest weet,
OPMERKINGEN OMTRENT DE VANGST VAN KLEINE INSECTEN. 159
kan dit voor hem eene bron worden van merkwaardige vang-
sten. Hij legge op en bij het nest roode tegels of dergelijke
platte steenen, en zie hen dikwijls na, vooral wanneer na een
warmen dag, des avonds een malsche regen nederdruppelt.
Nog veel te weinig zijn ten anderen onze stilstaande wateren
onderzocht, vooral de veenplassen, waarvan wij zoo overvloedig
voorzien zijn. Er zullen zich daar nog geheele scharen van
kleine waterkevers onthouden, wier namen op de lijsten onzer
Fauna nog niet voorkomen. Misschien ware eene excursie naar
eene of andere veenstreek in de maanden Mei of Augustus,
voor welke zich dan Coleopterologen met Dipterologen en Lepi-
dopterologen moesten vereenigen en op welke van roeischuiten
werd gebruik gemaakt, ter bereiking van dit doel bijzonder aan
te raden.
Dit brengt mij in de gedachte hoe weinig parasiten van riet-
en water-insecten nog slechts bekend zijn en dat wij nog niet
weten in welk insect de zonderlinge Chalcis clavipes huist, die
over het water zweeft en op rietstengels uitrust, noch ook of
de Agriolypus armatus (zie Curtis’ British Entomology, n°. 589),
wiens levenswijze ons door von Siebold geschetst werd, in
Nederland voorkomt, ‘tgeen wel zeer waarschijnlijk, maar niet
bewezen is.
In hetzelfde, zoo even aangehaalde werk van Curtis vind ik
bij de beschrijving van het inlandsche Sparasion frontale eene
opmerking, aan welke ik hier, als bij de meest geschikte ge-
legenheid, eene plaats wil inruimen. Zij luidt vertaald aldus:
«De zeer kleine Hymenoptera worden best gevangen door
takken of struiken uit te kloppen boven een fijn gazen net of
met dit net langs het gras te maaijen. De heer Haliday beveelt
mij zeer aan, hen dan daaruit in pennenschachten op te vangen
en later den inhoud dier schachten in warm water te werpen,
waardoor de fijne vleugeltjes van zelf worden uitgespreid. Men
neemt ze uit het water met een ondergeschoven stukje kaart-
papier, spreidt, zoo het noodig is, de sprieten en pooten met
een marder-penceel uit en laat ze op het kaartje liggen tot zij
droog zijn. Later kunnen zij dan met een pennemes daarvan
154 OPMERKINGEN OMTRENT DE VANGST VAN KLEINE INSECTEN.
worden afgeligt en met gom op fijne strookjes teeken- of opzet-
papier geplakt».
Ik voeg hier slechts bij, dat de later in zwang gekomen
methode van opzetten met zeer fijn zilverdraad, stellig boven
het opplakken te verkiezen is, doch dat daartoe vooreerst eene
bijzondere handigheid en ten andere een taai geduld gevorderd
worden.
Onze Lepidopterologen behoef ik er niet op te wijzen, hoeveel
Micro's zij kunnen bemagtigen door het bewaren van bladeren,
waarin, hetzij breede plekken, hetzij slangvormige loopgraven
zijn uitgegeten; ik meen te weten dat zij sedert geruimen tijd
bezig zijn hunne verzamelingen op die wijze met uitgezochte
schoonheden te vermeerderen, waarbij wel degelijk in aanmer-
king moet genomen worden, dat zij door deze handelwijs in
het bezit geraken van onafgevlogen of liever gezegd van nog
niet gevlogen hebbende voorwerpen.
De wijze van Micro's, die op rasteringen, schuttingen en
boomstammen zitten, in -doosjes met glazen deksel of glazen
buisjes te verzamelen, is mede te bekend en te druk in zwang,
om hier te worden aangeprezen. Nog dit voorjaar met de heeren
de Graaf bij Waalsdorp entomologiserende en daar een honderd-
tal uitnemend kleine motjes tegen eene rastering vindende, had
ik de beste gelegenheid om al de voordeelen der nieuwe manier
te leeren. op waarde schatten.
Ik vermeld eigenlijk het bijeenbrengen van in plekken uitge-
knaagde bladeren, hier voornamelijk met het oog op Diptera en!
Hymenoptera. Het is toeh bekend dat vele soorten van vliegen
op dezelfde wijze in bladmijnen en bloemschijfgangen leven en
het zal den Lepidopterologen zeker meer dan eens voorkomen,
dat zij in plaats of nevens de motjes, ook muggen en vliegen
zien uitkomen. Ik wenschte, voornamelijk de aanvangers in
het aankweeken, er op te wijzen, dat dergelijke averechtsche
uitkomsten, ofschoon voor hen teleurstellingen, voor de Fauna
in het algemeen aanwinsten zijn, en dat de verzamelaars wel
zullen doen deze voorwerpen met de bladeren, waaruit zij ge-
kweekt zijn, aan onzen ijverigen Dipteroloog te zenden, voor
OPMERKINGEN OMTRENT DE VANGST VAN KLEINE INSECTEN. 159
wie zij hoogst waarschijnlijk belangrijk zullen zijn. Evenzeer zal
men weldoen met het voorbeeld van de heeren Snellen en
Kinker te volgen in het bewaren van al de parasiten, die uit
poppen en spinsels te voorschijn komen, natuurlijk met eene
kleine aanwijzing omtrent de rups, waarin zij de eerste periode
van hun leven hebben doorgebragt.
Hij, die vliegen verzamelen en min of meer zeldzame soorten
opkweeken wil, mag niet uit het oog verliezen, dat men in het
najaar vliegenlarven in slakkenhuizen aantreft, b. v Discomyza
incurva Fall. in den hoorn van de groote wijnbergslak, Helix
pomatia L., en dat in het algemeen eene groote massa larven
bijeen te brengen is, door het onderzoeken van half rotte planten-
wortels , boomstronken , duivelsbrooden enz., welk onderzoek dan
het liefst in het najaar of vroege voorjaar moet plaats grijpen.
Ook wordt door Dr. J. R. Schiner, den welbekenden Oosten-
rijkschen Dipteroloog , ten sterkste aangeraden de schier op den
grond rustende breede bladeren van sommige kruiden aan de
onderzijde te onderzoeken, waarbij hij opgeeft dat men het
best en met het minste gevaar voor congestie tot zijn doel zal
geraken, door onder de plant eene brandende lont of een lucifer
te houden; de lucht toch van de phosphorus en nog meer de
damp van het brandende werk of de zwavel noopt alle insecten
aan de onderzijde, zich momentaneel op de bovenzijde van het
blad te verplaatsen, waar zij, ook juist door die beweging,
ligt in het oog vallen en gemakkelijker te bemagtigen zijn.
Dezelfde schrijver vermeldt mede, dat hij Zipara-soorten ,
waarvan hij slechts eenmaal een voorwerp in de vrije natuur
vong, bij honderden uit rietstengels met uitwassen opkweekte
en dit brengt mij in natuurlijken gedachtengang op onze nog
zoo geringe kennis van galwespen en hare parasiten. De beste
methode om deze diertjes bijeen te krijgen is, het verzamelen der
door hen bewoonde gallen. De eikenbladgallen, Cynips Quercus
folii L. kent iedereen en deze soort kan men dus vooreerst
laten waar zij is, maar gallen in blad- en vruchtknoppen, aan
stengels en wortels zijn nog in lange na niet voldoende bekend
en onderzocht, en het is dus eene belangrijke opgaaf en die
156 OPMERKINGEN OMTRENT DE VANGST VAN KLEINE INSECTEN.
zeker niet al te groote moeite vordert, die gallen in zekere
hoeveelheid bijeen te brengen en wat daaruit ontstaat, wat er
in geleefd heeft, te onderzoeken of te laten onderzoeken. Het
komt mij voor dat daartoe, onder anderen, merkwaardige bij-
dragen te verkrijgen zullen zijn van die kreupele, slecht ge-
groeide, ziekelijke eikenboompjes, die men aan den zoom der
duinstreek en van onze heidevelden vindt staan. Geheele takken
daarvan afgebroken, zouden misschien een bonte mengeling van
soorten opleveren; ik herinner mij eens een zoodanig boompje
gezien te hebben, waarvan nagenoeg alle knoppen en vele bulten
in de takken vol larven schenen te zitten.
Nog verschillende andere wijzen om kleinere insectensoorten
te verzamelen, zouden hier moeten aangevoerd worden, indien
ik mij voorgesteld had daaromtrent eene volledige opgaaf mede
te deelen; doch het was slechts mijn plan eenige kleine opmer-
kingen over dat onderwerp neder te schrijven en ik wil met
eene enkele aanduiding besluiten, die anders stellig in het ver-
geetboek zou geraken. Toen ik in den Haag woonde, heb ik
bemerkt dat de bioempluim van eene soort van duingras, ’t zij
dan duinriet (Calamogrostis epigeios) of helm (Psamma arenaria),
wel eens aan eene ziekte onderhevig is, niet veel verschillende
van het moederkoorn van rogge of haver, en dat dit moeder-
koorn bezet was met een bijzonder groot getal van kleine
vliegen, Pteromalinen en Hemiptera. Of dezen daarin leefden , of
wel alleen de suikerdeelen der plant, die zich bij de ziekelijke
plek en tegen de woekerplant schenen op te hoopen, tot voedsel
gebruikten, is mij toen niet gebleken; daar ik de zaak zeer
vlugtig behandeld heb, meenende dat dit jaarlijks op dezelfde
wijze zou geschieden en ik derhalve jaarlijks in de gelegenheid
zou zijn dit na te gaan, ‘tgeen evenwel mij sedert niet is te
beurt gevallen. Ik draag nu het onderzoek daarvan aan alle
entomologen op, wien het gunstig lot des zomers dagelijkschen
toegang op duingronden veroorlooft, en hoop dat zij niet zullen
nalaten met naauwkeurigheid waar te nemen, wat ik zorgeloos
heb verzuimd
SUR QUELQUES LUCANIDES
DU MUSEUM ROYAL D'HISTOIRE NATURELLE A LEIDE
PAR
S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
C'est un effet naturel et inévitable de la publication séparée
de descriptions d'espèces dans les mille et un livres, ouvrages
périodiques et brochures zoologiques, que dans certaines familles
particulièrement recherchées par les entomologistes, il peut naître
une confusion et une incertitude, tant par rapport au nombre
des genres et des espèces que par rapport à leurs caractères
distinctifs. En effet, peu de naturalistes ont l’occasion de feuil-
leter tous les ouvrages et journaux récents, ou sont assez fortunés
pour pouvoir les garder sous la main, afin de parvenir par la
comparaison des différentes descriptions à connaître la synonymie,
parfois si embrouillée. Ajoutons à ceci qu’on n'oserait affirmer,
que jusqu’à présent toutes les discriptions sont tellement claires
et nettes qu’on reconnaisse facilement et comme au premier coup
d'oeil l'espèce dont le descripteur traca le portrait. En dernier
lieu vienne encore cette observation que dans les quinze der-
nieres années on a souvent abusé de la diagnose, afin d’assurer
à sa dénomination personelle la priorité sur celle d’autres
auteurs, abus qui menace de devenir presque un usage. Cer-
tainement je ne nierai point l'avantage de bonnes diagnoses ;
la diagnose, précédant une description précise et minutieuse,
offre un avantage immense pour celui qui veut déterminer une
seule espèce d’entre cinquante ou cent, et qui, de cette manière
s'épargne beaucoup de peine et de temps; mais des diagnoses
détachées, formulées sans la comparaison de la plupart ou de
10
158 SUR QUELQUES LUCANIDES
toutes les espèces du même genre, sont plus embarrassantes
qu’utiles et multiplient le danger de déterminer des espèces
voisines sous des noms impropres.
Lorsqu'une confusion, comme celle dont nous avons parlé,
s'est élevée dans l'étude de quelque famille d'insectes, le mal
ne peut-être combattu ni l’ordre rétabli, que par l'apparition
d'une monographie de cette famille ou d’un catalogue critique
de ses genres et espèces. On comprendra aisément que celui
qui s’adonne à une oeuvre pareille, devra, sous peine de ne
pouvoir réussir ni d'atteindre son but, avoir fait une étude
approfondie de son sujet, qu'il faudra qu'il ait lu toutes les
descriptions des espèces et en ait vues et comparées autant que
possible. Seulement après cette étude difficile, son jugement
sera dicté par une critique saine, puisqu'il garde en sa mémoire
un tableau précis des différences spécifiques et qu'il est en
état de se rendre compte des raisons qui le portent à classer
parmi les variétés d’une espèce. telle autre décrite comme diffé-
rente essentiellement.
Pour la famille des Lucanides nous possédons une telle oeuvre
de la main de M. le major F. J. Sidney Parry, qui lui donna
le nom modeste de Catalogue et le fit insérer aux Annales de
la Société entom. de Londres (Transactions of the Entomological
Society of London, Third Series, Vol. II, Part À with twelve
Plates). Entre les moyens qui l'avaient mis à même d’entre-
prendre cette tache, il faut compter une étude spéciale des
Coléoptères Pectinicornes , la possession d’une riche bibliothèque
et d'une quantité de dessins, des voyages faits dans le but d’in-
spection des musées et des collections, des relations personelles
avec plusieurs entomologistes, et enfin la possession de la collec-
tion de Lucanides la plus riche du monde, contenant au moment
de la publication du catalogue, 263 espèces.
De l’énumération de tous ces moyens et ces avantages, auxquels
se joint un esprit juste et un coup d'oeil sûr, on peut conclure
aisément que M. Parry se trouve mieux en état que les autres
entomologistes de peser la valeur d’une distinction ou d'un carac-
tere et de distinguer nettement les espèces et les variétés. Son
DU MUSEUM ROYAL D'HISTOIRE NATURELLE A LEIDE. 159
oeuvre consiste réellement en deux parties, dont la première
contient les descriptions des espèces nouvelles et des notes sur
plusieurs espèces rares anciennes, l'autre le catalogue lui-même.
Celui-ci était complet au moment de son apparition. Mais le
temps infatigable ne s'arrête jamais et entraine tout après lui;
aussi ce catalogue était à peine entre les mains des entomolo-
gistes, que déjà de nouveaux Lucanides Indiens avaient touché
la terre d'Europe.
Ce fut là ce qui arriva au Muséum de Leide, qui bientôt
après la publication du catalogue se vit en possession de deux
ou trois espèces non mentionnées. Lorsque M. le Major m’ac-
corda l’honneur d’une visite et examina les Lucanides du Muséum
(qui depuis ce jour doit à sa bienveillance une quantité d'insectes
précieux), je me fis un plaisir de lui montrer tous nos Luca-
nides sans exception, et quelques mois après que j'eusse recu
son catalogue, je fus assez heureux, grâce aux envois de nos
naturalistes voyageurs, de pouvoir lui offrir pour sa collection
deux espèces nouvelles et quelques individus ou variétés rares.
Je désire en publier les descriptions dans ces Mémoires et y
ajouter quelques notes sur des spécimens, qui, durant la visite
de M. Parry ne purent être déterminés avec assez. de justesse
et qui ont fourni matière à une correspondance entre nous.
Auparavant il me semble toutefois nécessaire de donner une
liste des espèces conservées dans la galerie d’entomologie au
Muséum royal de Leide. Quoique leur nombre soit bien infé-
rieur à celui de la collection Parry, ou bien encore de la col-
lection que possède M. Thomson à Paris, il me semble que le
nombre de ma liste soit déjà assez remarquable pour une insti-
tution, dont le but ne doit point tant être la possession de
toutes les espèces, que celle des réprésentants de tous les gen-
res d'animaux, et dont l'enrichissement a été arrêté plusieurs
années par le défaut de voyageurs spéciaux affectés au Muséum.
En vérité du reste, je n’ai dressé cette liste que pour montrer
ce qui nous manque encore et pour faciliter de cette manière
l'échange d'objets, sans lequel nulle collection ne saurait at-
teindre un degré de perfection quelque peu remarquable.
140 SUR QUELQUES LUCANIDES
LISTE DES ESPÈCES DE LUCANIDES,
CONSERVEES AU MUSEUM D'HISTOIRE NATURELLE DE LEIDE.
NOTA, Un trait — dénote la possession
d’un des sexes.
Esp. d
Subfam. I. Chiasognathidae.
Gen. 1. Pholidotus, M° Leay.
4 “Humboldt; Schon. ci pes be saponi pasa
Gen. 2. Chiasognathus, Steph.
Grant Steph) 0... 00 n
Latreiller; Soler, ici er utc cule enr sr NE
Feisthamelii, Guér.
Prionoides, Bugs 403. a
apa
Lindentte, Mure es. e LU
Gen. 5. Rhyssonotus, M° Leay.
72. Nebulosustk Kırb) © 2 em... e a
| Gen. 4. Cacostomus, Newm.
8. Squamosus; New. ©. 4; am Ban, Coe Re
Gen. 5. Zamprima, Latr.
9. Latreillii, M° Leay. DRE ah ale
40... Aurata Dates nn Scents pets = tie hit Ar ee
44... Splendens,;Erichs: sina ii sn ie si ee Se
42... Rutilans „Erichson all ee ches este it
13. Aenea, Fahr. u.0 u... na ra ay. uae
44. Varians, Germ.. ia cgil chat
Gen. 6. Streptocerus, Fairm.
15. Speciosus, Fairm.
Gen. 7. Colophon, Westw. manque.
Esp.
16.
28.
29.
ere
a LI OI OI I OI
SEA
or
=
DU MUSEUM ROYAL D'HISTOIRE NATURELLE DE LEIDE.
Subfam. II. Lucanidae.
Gen. 8. Mesotopus, Burm.
Farandus,Swed. . . 2... u
Gen. 9. Zucanus, Scop.
Cervus, L. ES
Tetraodon, Thunb.
Lunifer, Hope .
Mearesii, Hope . Ä
Sericans, Voll. (de Haan)
NB. Comparez pour cette espèce et le Maculife-
moratus, Motsch. les annotations ci-après.
Westermannii, Hope .
Fortunei, Saund. .
Atratus, Hope .
Elaphus, Fabr.
Capreolus, L.
Lentus, Casteln.
Gen. 10. Rhaetus, Parr. manque.
Gen. 11. Hexurthrius, Hope.
Forsteri, Hope .
Rhinoceros, Oliv. ee opte
Pour le H. Chaudoirt, Deyr. voir annotations.
Parryi, Hope
Gen. 12. Odontolabis, Hope.
Ludekingii, Voll. .
Lacordairei, Voll. .
Cuvera, Hope
Delessertii, Guér. .
Gazella, F. .
Carinatus, L.
Bellicosus, Casteln.
141
A7.
SUR QUELQUES LUCANIDES
Dalmani, Hope.
Stevensii, Thoms.
Dejeanii, Reiche
Castelnaudi, Parry.
Bicolor, Oliv. :
Brookeanus, Voll. (Parry)
Platynotus, Hope .
Cingalensis, Parry .
Aeratus, Hope .
Gen. 15. Heterochthes, Westw. manque.
Gen. 14. Neolucanus, Thoms.
Baladeva , Hope.
Laticollis, Thunb.
Castanopterus, Hope .
Sinicus, Saund .
Championi, Parry .
Gen. 15. Cladognathus, Burm.
Giraffa, Fabr.
Confucius, Hope
Inclinatus, Motsch.
Cinnamomeus, Guérin.
Castaneus, Hope
Foveatus, Hope. EEE On Vac
Decipiens, Parry. (Voir les remarques ci après).
Lafertei, Reiche
Tragulus, Voll.
Bison, Fabr.
Cinctus, Montr.
Lateralis, Hope.
Zebra, Oliv.
Occipitalis, Hope .
Biplagiatus, Westw.
Oweni, Hope
85.
86.
87.
88.
DU MUSEUM ROYAL D HISTOIRE NATURELLE DE LEIDE,
Forceps, Voll. .
Spencii, Hope .
Savagei, Hope .
Serricornis, Latr.
Quadridens, Hope .
Gen. 16. Homoderus, Parry manque.
Gen. 17. Cyclorasis, Thoms.
Platycephalus, Hope . |
Gen. 18. Cyclommatus, Parry.
Metallifer, Boisd.
Tarandus, Thunb.
Mniszechii, Thoms.
Affınis, Parry
Maitlandi, Parry
Faunicolor, Hope .
De-Haanii, Westw.
Gen. 19. Canthorolethrus, Thoms. manque.
Gen. 20. Leptinopterus, Hope.
Femoratus, Fabr. .
Tibialis, Eschsch. .
Ibex, Bilb.
V. niger, Hope.
Gen. 21. Macrocrates, Burm.
Bucephalus, Burm.
Subfam. III. Dorcoidea.
Gen. 29. Hemisodorcus, Thoms.
Nepalensis, Hope
Gracilis, Saunders.
Passaloides, Hope .
Gen. 25. Ditomoderus, Parry manque.
144
Esp.
89.
90.
as
92.
95.
94.
95.
96.
97.
98.
99.
100.
101.
102.
105.
104.
105.
106.
107.
108.
109.
110.
411.
112.
145.
114.
115.
SUR QUELQUES LUCANIDES
Gen 24. Eurytrachelus, Thoms..
Alcides, Voll. (Voir la description ci-jointe.).
Bucephalus, Perty. (Voir les annotations.)
Titan, Boisd. .
Platymelus, Saund. . E RIE
Eurycephalus, Burm. (Voir les annotations.).
Tityus, Hope .
Saiga, Oliv.
Cribriceps, Chevr. ,
Purpurascens, Voll. .
Concolor, Blanch.
Thomsoni, Parry . ING
Reichei, Hope. (Voir les annotations.).
Niponensis, Voll. 3 B Andijk
Rubrofemoratus, Voll. (Voir la descripifio ci-après.)
Gen. 25. Dorcus, M° Leay.
Antaeus, Hope :
De-Haanii, Hope. (Voir les anion
Hopei, Saund .
Parryi, Thoms.
Cylindricus, Thoms.
Parallelus, Burm.
Parallelopipedus, L.
Musimon, Gene .
Gen. 26. Macrodorcas, Motsch. manque.
Gen. 27. Serrognathus, Motsch. manque.
Gen. 28. Gnaphaloryz, Burm.
Taurus, Fabr. (Voir les annotations.) .
Squalidus, Hope .
Dilaticollis, Parry.
Sculptipennis, Parry. DO
Miles, Voll. (Voir la description ei- nr)
Esp.
116.
117.
118.
119.
120.
121.
122.
125.
124.
125.
126.
127.
128.
129.
150.
151.
152.
159.
154.
155.
156.
157.
158.
DU MUSEUM ROYAL D'HISTOIRE NATURELLE DE LEIDE,
Gen. 29, Aegus, M° Leay.
Acuminatus, F.
Lunatus, Weber .
Candiensis, Hope.
Chelifer, M° Leay
Capitatus, Westw.
Laevicollis, Saund.
Platyodon, Parry.
Punctipennis, Parry.
Serratus, Parry
Insipidus, Thoms. nye EN
Malaccus, Thoms. (Voir les annotations.).
Myrmidon , Thoms. .
Gen. 50. Alcimus, Fairm. manque.
Gen. 51. Platycerus, Geoffr.
Caraboides, L.
Quercus, Weber .
Gen. 52. Scortizus, Westw.
Maculatus, Klug .
Gen. 53. Sclerostomus, Burm.
Bacchus, Hope
Femoralis, Guér.
Caelatus, Blanch.
Lessonii, Bug.
Vittatus, Eschsch.
Gen. 54. Oonotus, Parry manque.
Gen. 55. Lissotes, Westw.
Reticulatus, Westw. .
Novae-Zeelandiae , Hope
Obtusatus, Westw.
145
146
Esp.
159.
140.
141.
142.
145.
144.
145.
146.
147,
148.
149.
150.
151.
152.
195.
SUR QUELQUES LUCANIDES
Subfam. IV. Figulina.
Gen. 56. Nigidius, M° Leay.
Bubalus, Swed.
Delgorguei, Thoms. .
Laevicollis, Westw.
Madagascariensis, Cast.
Gen. 57. Agnus, Burm. manque.
Gen, 58. Penichrolucanus, Deyr. manque.
Gen. 59. Figulus, M° Leay.
Sublaevis, Palis. .
Foveicollis, Boisd.
Striatus, Oliv.
Subcastaneus, Westw.
Manillarum, Hope
Gen. 40. Cardanus, Westw.
Sulcatus, Westw.
Gen. 41. Xiphodontus, Westw.
Antilope, Westw.
Subfam. V. Syndesidea.
Gen. 42. Syndesus, M° Leay.
Cornutus, M°. Leay .
Subfam. VI. Aesalidea.
Gen. 45. Ceratognathus, Westw.
Niger, Westw. . ,
Gen. 44. Mithophyllus, Parry manque.
Gen. 45. Ceruchus, M° Leay.
Tenebrioides, F. .
Piceus, Weber.
DU MUSEUM ROYAL D'HISTOIRE NATURELLE DE LEIDE. 147
Esp. Gen. 46, Aesalus, F. den?
154 Scarabaeoides,.. Ri i an 20a 20, a ee
Subfam. VII. Sinodendroidea.
Gen. 47. Sinodendron, Hellwig.
3593. Cylindseum, Lie
ANNOTATIONS ET DESCRIPTIONS.
Lucanus sERICANS, Voll.
Quoique M. le Lieutenant-Colonel Victor de Motschoulsky
ait toujours eu l’obligeance de me faire cadeau d’un exem-
plaire de ses études entomologiques, politesse à laquelle je
suis très-sensible, le tome paru en 1861 ne m'est jamais
parvenu et je n’ai par conséquent pas encore pu comparer
espèce mentionnée avec son Lucanus maculifemoratus. Ce-
pendant j'ai recu de M. le directeur du jardin zoologique
d'Amsterdam un exemplaire de la dernière espèce ou du moins
étiquetée comme telle, provenant du Japon et peut-être origi-
naire d’entre les doubles de M. Motschoulsky. En comparant
mon exemplaire du Sericans à celui-là, je ne trouve d’autres
différences que celles-ci: Sericans est plus petit de 14 milli-
mètres; les dents de ses mandibules sont de beaucoup moins
developpées; au contraire sa couleur est plus foncée et les
taches aux cuisses ont une teinte rougeätre, tandis que chez le
Maculifemoratus elles sont décidément jaunes.
Je souscris donc à l'opinion de M. le Major Parry, que le
Sericans ne serait que la variété moyenne du Maculifemoratus ;
reste à décider lequel des deux noms a le droit de priorité,
les deux mémoires ayant été. publiés en 1861. Quant à l'habitat
Java, mentionné d’après une étiquette d'un des individus, il
faut bien supposer qu’elle aura été attachée à l’épingle par in-
advertance.
148 SUR QUELQUES LUCANIDES
Hexartarius Ruinoceros, Oliv,
Sous le nom de Hexarthrius Chaudoiri M. Henri Deyrolle
a décrit et figuré (dans les Annales de la Sociéte Entomologique
de France, Ser. IV. Tome 4°. p. 519. Pl. 4. f. 1.) une espèce
très-voisine qui provient de Vile de Sumatra. Comme cette nou-
velle espèce est citée dans le catalogue de M. Parry, et que par
conséquent elle a été acceptée par le juge le plus compétent en
cette matière, j'aurais mauvaise grace à trouver à y redire. Ce-
pendant, comme M. H. Deyrolle lui-même ne trouve pas complé-
tement inadmissible que son Chaudoiri soit une forme locale de
PH. Rhinoceros, propre à Sumatra, je ne crois pas inutile de
faire remarquer que le Muséum de Leide possède des individus
Sumatrans, qui n’offrent pas tous les caractères du Chaudoirii et
qui se rangent fort naturellement entre ces deux espèces. En outre,
il me semble que la description de M. Deyrolle n’est pas en par-
faite harmonie avec la figure 1° de sa planche; il dit expressément
que la partie inférieure de la saillie intermandibulaire est plus
avancée que la supérieure, ce que je ne retrouve pas dans la
figure, et ce que de même je ne vois pas dans mes individus,
chez lesquels la saillie intermandibulaire avance plus dans sa
moitié supérieure que dans l’inférieure. Il est à regretter que
M. Deyrolle n'ait pas fait figurer de profil les têtes des deux
espèces.
CLADOGNATHUS DECIPIENS, Parr.
M. le Major Parry ne décrit que la femelle de cette espèce rare;
il en avait vu un exemplaire dans la collection de M. le comte
de Mniszech. Depuis le Museum de Leide en a recu des districts
méridionaux de l'ile de Halmaheira; il faudra done ajouter ce nom
comme habitat de espèce, à celui de la côte de Malabar. Quant
au mâle, M. Parry dit qu’il existe un spécimen au Muséum de
Leide, dont la sculpture générale l’induit à le croire un mâle du
Decipiens, mais l'incertitude par rapport à l'habitat et le fait que
la tête de l’exemplaire semble être celui d’une espèce différente,
DU MUSEUM ROYAL D'HISTOIRE NATURELLE DE LEIDE, 149
l'avait empêché de formuler plus nettement son opinion sur son
identité spécifique. Ce sera probablement le même individu dont
M. Henri Deyrolle tranche la tête dans son Mémoire sur quel-
ques nouvelles espèces de Lucanides (Annales de la Soc. Entom.
de France, Ser. IV, Tome 4°, p. 516), en disant: «Le &
«de cette espèce existe au Muséum de Leide, mais privé de
« tête. »
Après la visite de M. Parry, dans laquelle il m'avait poliment
et avec réserve énoncé la supposition que la tête, appartenant
à quelque autre espèce, aurait été collée au prothorax, je jetai
l’insecte dans l'esprit de vin et l’y laissai 24 heures, après les-
quelles je Vexaminai et trouvai que la tête pouvait bien se
tourner en deux sens dans le col du thorax, mais qu’elle y
restait toujours adhérente; j'en conclus que la tête est authen-
tique. Je dois faire remarquer en outre que cette tête a un
caractère bien distinct et ne ressemble pas à celle d’un autre
genre connu. J'ai cru bien faire en donnant une figure coloriée
de cet insecte à la figure 1° de la 10° Planche; la petite figure
1 a représente une des mandibules, un peu grossie.
Le Muséum possède aussi un individu femelle qui agrée en
tous points à la diagnose, donnée dans le Catalogue de M. Parry
(p. 51) à la Decipiens ; cependant l’auteur, après inspection d’un
exemplaire identique que je fus heureux de pouvoir lui offrir en
échange de plusieurs magnifiques Lucanides, dont il avait doté
le Muséum, m'écrivit: «I do not think, that the 9 you sent,
is ©. decipiens; it does not at all agree in form with the figu-
res I possess of it by Migneaux of Paris, or with the insect it-
self which I have seen in Count Mniszechs collection. I am
quite disposed to believe it to be the 9 of my Cl. Wallacei, a
unique specimen found by Mr. Wallace in Gilolo. — Cet habitat
est aussi celui de la femelle en question, Gilolo étant un dis-
trict de Vile de Halmaheira, dans lequel M° Bernstein prit notre
specimen. En attendant une comparaison minutieuse, que pro-
bablement fera M. Parry lui-même, je ne donne point de des-
cription de la femelle en question.
- 450 SUR QUELQUES LUCANIDES
-
EuryTrachELus ALcipes, Voll. (Pl. 10. fig. 2 3 et 5 9).
Hab. Sumatra.
Grandeur du mäle égale à celle du Titan Boisd. Tête aussi
large que celle de cette espèce, mais moins longue, offrant au
lieu de l’excavation très-pointillée et très-large du front qu'on
voit au Titan, deux fosses peu pointillées, séparées l’une de
l’autre par une distance d’une certaine largeur. Le devant de
la tête offre plus de déclivité et trois sinus peu profonds, au
lieu de deux. Le clypeus a deux pointes latérales, entre les-
quelles le devant est courbé en arc. Les mandibules ont presque
la longueur de la tête et du thorax réunis et sont assez greles.
Celle de droite a une dent de moins que celle de gauche;
chacune a une dent assez forte près de la base, ensuite une
certaine quantité de denticules, plus nombreuses à celle de
gauche; l'extrémité des mandibuies est fourchu. Au sixième
article du funicule de l'antenne, premier de la massue, je ne
remarque pas la touffe de poils, si distincte chez le Titan et le
Bucephalus Perty.
Le prothorax est plus large et beaucoup plus aplati que chez
les congénères; le bord latéral offre une délinéation particulière,
à cause que la dent médiane entre les deux sinus latéraux, se
trouve placée au delà du milieu et non pas avant le milieu, de
sorte que la distance entre cette dent et l’angle antérieur est
presque deux fois plus grande qu'entre elle et l’angle postérieur.
Sur les élytres se voit une ligne droite assez profonde, naissant
près du callus huméral et descendant jusqu’au bord postérieur
à peu de distance de l’apex de l’élytre. — L’écusson, la poi-
trine, le ventre et les pattes sont conformes à ceux du Titan.
La femelle est un peu plus grande que celle de l’espèce nom-
mée; elle a le front et tout le coutour du corps plus fortement
vermiculé et pointillé, les points étant remplis d’une matière
brune, probablement détritus du bois dans lequel les insectes
ont vécu.
C’est à M. Ludeking que le Muséum doit les deux exemplaires
qui ornent sa collection.
S.v.V. fec. n AJW. th.
1 Cladognathus decipiens Parr. d. 3. Eurytrachelus Alcides Voll. 2.
2.Eurytrachelus Alcides Voll. d. 4. Eur. Eurycephalus Burm.
Kos
DU MUSEUM ROYAL D HISTOIRE NATURELLE DE LEIDE. 151
EurYTRACHELUS Bucepnarus, Perty.
Les individus mâles de Sumatra ont les mandibules plus droites
et plus régulières que ceux de Java et de Célébes; la différence
est même tellement frappante que j'ose prévoir qu'on les sépa-
rera bientôt sous un nom particulier. Les mandibules des indi-
vidus de Java ont l'air de vouloir se contourner en spirale,
ceux des Sumatrans au contraire restent dans le même plan,
dont inclinaison n'est pas très-sensible; en outre leur dent
médiane est plus aigue.
EuRYTRACHELUS Eurycepnarus, Burm. (Pl. 10°. fig. 4.);
Selon M. Reiche (Annales de la Soc. Entom. de France,
5° Série, Vol. 1, pag. 79) UEurycephalus serait sans aucun
doute le L. Bubalus de Perty (Observationes nonnullae in Col. Ind.
Or., p. 55); mais cet auteur ne donne aucune preuve à l'appui
de sa thèse. Or, je lis chez Perty dans la description du Bu-
balus : «Mandibulae edentatae, introrsum curvatae, ad medium
latissimae, apice subulato» et chez Burmeister dans celle de
VEurycephalus (Handbuch V, p. 587): «Die Oberkiefern sind....
am Ende entschieden gabelig getheilt; am Innenende haben
sie 2--5 Zähne, einen untersten, welcher der Ecke des lippen-
förmigen Vorsprungs entgegentritt, unmittelbar davor einen star-
ken etc.» Les mandibules du premier étant édentées, celles du
second munies de fortes dents, j'en conclus contrairement à
l'opinion émise par M. Reiche, que ces deux espèces sont dis-
tinctes.
Je ne connais pas le Bubalus Perty, mais j'ai cru retrouver
UEurycephalus dans un insecte mutilé et recollé, que je vis
dans la collection de mon ami M. Verloren. La tête et le pro-
thorax de cet individu s'accordent en tous points à la descrip-
tion de Burmeister, la partie postérieure du corps, recollé au
milieu, semble appartenir à un Odontolabis. Mot pour mot de
la description du Professeur de Halle, de «Diese seltene Art»
x
jusqu’à «die Flügeldecken» s'applique parfaitement à notre spe-
152 SUR QUELQUES LUCANIDES
cimen. Quel dommage qu'il soit mutilé. La conformation des
mandibules, et plus encore la forme si distincte du clypeus me
semblent devoir nous interdire de joindre l’Eurycephalus comme
synonyme au Saiga.
EuryrracWeLus Tuomsonı, Parry.
Cet insecte semble étre propre, non pas à toutes les îles Molu-
ques, mais particulièrement et peut-être exclusivement à Vile de
Ternate, où le défunt M. Bernstein le prit en quelque abondance.
Il est fort difficile de distinguer sa femelle de celle de la Con-
color Blanch. La couleur de la Thomsoni 9 est plus noire, se
conformant en cela à la couleur du mâle; je ne trouve point de
différence dans la ponctuation de la tête et du thorax; mais
celle des élytres en offre une assez frappante, car, tandis que
chez la Concolor les élytres sont ponctuées partout, du bord
latéral jusqu'à la suture, la ponctuation chez la Thomsoni,
assez forte au bord latéral, commence à diminuer de force
vers le milieu de l’élytre, de manière à laisser presque uni et
poli un assez grand espace en arrière de lécusson.
EURYTRACHELUS RUBROFEMORATUS, Voll. (Pl. 11, fig. 1 et 2.)
Entre les insectes Japonais que MM. de Siebold et Burger
rapportèrent de leurs voyages, je remarquai quatre individus,
2 3 et 2 2, assez conformes à l'espèce décrite par moi sous le
nom de Niponensis, mais cependant distincts, particulièrement
par la couleur rouge des cuisses chez le mâle. En comparant
plus minutieusement ces insectes aux exemplaires du Viponensis,
conservés au Muséum, je remarquai d’autres caractères distinctifs,
et espèrant avoir trouvé une espèce nouvelle, mais doutant tou- |
jours, j’envoyai ces exemplaires à M. Parry et lui demandai
son opinion. Elle me fut favorable («the sp. of Eurytrachelus
from Japan with red femora is quite new»), ce qui m engage
a la publier.
Mäle. La tête est beaucoup plus longue par rapport à la
PL il.
S.v.V. fec AW lith.
1. Eurytrachelus rubrofemoratus Voll. d. 3. Gnaphaloryx Taurus F.
2. Eurytrachelus rubrofemoratus Voll. ?. 4. Gnaphaloryx Taurus F var.
5. Gnaph. Miles Voll. d
DU MUSEUM ROYAL D HISTOIRE NATURELLE DE LEDE. 155
largeur que chez l'espèce Japonaise voisine; la saillie latérale
en avant des yeux est plus considérable ; la ponctuation de la
tête est identique. Au clypeus je ne remarque point la saillie
médiane ; les mandibules sont moins grêles et moins longues,
offrant deux dents passé le milieu, suivies d’un denticule. Les
autres organes et le dessous de la tête comme chez le Nipo-
nensis. x
Corselet un peu moins large, à bord latéral un peu plus
sinué, le milieu du bord antérieur avancant davantage sur la
nuque. Elytres non ponctuées, mais couvertes de granulations
tres-fines, leur rebord même n'étant pas ponctué, ce qui me
semble être le caractère distinctif le plus notable.
Cuisses de la première paire à reflet rouge; celles de la
seconde paire (fig. 1a) distinctement d'un rouge sanguin foncé,
à extrémité noirâtre; enfin celles de la troisième paire (fig. 1 b)
de la même couleur rouge, mais à base et genoux d'un noir
violet.
Femelle (Fig. 2 et 2a). Celle-ci diffère de sa voisine autant
que le male. Son aspect général est bien plus rugueux; les disques
de sa tête et de son prothorax ne sont pas aussi luisants,
le bord latéral de ce dernier est presque dentelé par la forte
ponctuation, enfin les élytres sont striées-ponctuées de la suture
jusqu'au tiers latéral qui est irrégulièrement rugueux; des deux
cotés de la suture se voit un large rebord aplati, três-finement
et vaguement ponctué. Les pattes sont noires, faiblement ponc-
tuées, et conformes à celles du Niponensis.
Dorcus DE Haanu', Hope.
Des montagnes centrales de Vile de Sumatra. M. Ludeking
envoya au Muséum de Leide deux miles de cette espèce, distinc-
tement différents quant à la conformation des mandibules, mais
identiques sous tous les autres rapports. Chez l’un la dent
2 Non pas Dehaanii. De même Dineura De Geert, et non pas Degeerii ou bien
même Geerit, comme on le trouve parfois.
11
154 SUR QUELQUES LUCANIDES
médiane des mandibules se trouve placée au delà du milieu, ayant
presque la même direction que la pointe aigue de l'extrémité;
chez l’autre, au contraire, la dent médiane, plus forte et plus
large, se trouve placée en deca du milieu de la mandibule et
a la même direction que celle de la Parryi Thomson, c'est
à-dire que son extrémité regarde l'extrémité de la dent opposite
de l’autre mandibule.
GrapnaLoryx Taurus F. (Planche 11° fig. 5 et 4).
On sait que le Lucanus Taurus de Fabricius est un des
Lucanides le plus commun de l'archipel Malais. Dans les îles
de Halmaheira, de Morotai et de Waigeou se rencontre une
variété, qui, si mes étiquettes ne me trompent, se retrouve dans
Vile de Sumatra. Les premiers individus de cette variété que
je recus (ils provenaient du Halmaheira septentrional et avaient
été pris par M. Bernstein), étaient tellement différents du type
que l’on trouve dans Java et dans Borneo, que je crus devoir
len séparer, comme espèce nouvelle. Outre que la ponctuation
élait différente, les points étant plus gros et moins nombreux,
le bord lateral du corselet {offrait un autre dessin, n'étant pas
dentelé en forme de scie par une quantité assez nombreuse
de denticules pointues, mais seulement crénelé à trois ou quatre
incisions, et enfin les mandibules offraient une conformation par-
ticulière, la première dent de la carène supérieure ne se trou-
vant point placée avant le milieu mais tout près de l'extrémité,
au point ou commence la bifurcation de l’apex. Encore il me
semblait que le clypeus était distinctement plus large et plus
émarginé.
Néaumoins depuis il m'a fallu changer d'opinion; un autre
envoi d'une plus grande quantité d'individus de la même espèce
m'offrit des specimens mixtes, dont la ponctuation, la dentelure
du bord prothoracique et la position de la dent aux mandibules
me faisaient hésiter de la placer près des exemplaires de l’espece
pseudo-nouvelle. Ces transitions sont offertes par les individus
moyens et petits. Les femelles qui se trouvaient dans le dernier
DU MUSÉUM ROYAL D'HISTOIRE NATURELLE DE LEIDE. 155
envoi ne différent de celles du Taurus typique de Java et de
Borneo que par la couleur, qui est un noir luisant, tandis que
chez celles-là elle est d'un brun sombre et terreux.
GNAPHALORYX MILES Voll. (Planche 11, fig. 5 et 5a 4).
Gnaphaloryx piceus, setulosus, fronte cornu nigro instructo.
Long. maris 18 mm, feminae 14.
Hab. Halmaheira merid. et Gebeh.
Voici une nouvelle espèce fort remarquable en ce qu'elle offre
le premier exemple d’une corne céphalique chez les Lucanides,
la protubérance du front de l’Aegus acuminatus F. ne pouvant
porter le nom de corne à cause de sa largeur par rapport
à sa minime hauteur. Le Miles au contraire porte indubitable-
ment une corne, et celui qui veut jeter un coup d'oeil sur notre
figure 5a, quatre fois plus grande que nature, admettra avec
nous que le développement extraordinaire des mandibules dans
cette famille n'exclut point la possibilité d'un développement
assez remarquable des téguments frontaux.
La couleur dominante de l’insecte est un brun terreux, lavé
de gris cendré, plus clair sur quelques parties, notamment les
pattes. Tout le corps est couvert de soies grises, très-courtes et
recourbées en hamecon au bout. La tête, très-large, est en trapèze,
le bord postérieur étant le plus large; l’occiput est bombé, la corne
frontale noire à l'extrémité, en piramide faiblement recourbee,
s’avance tellement qu’elle pourrait toucher à une ligne verticale
qui s’eleverait de la seconde dent des mandibules. Celles-ci sont
assez fortes, plus longues que la tête, armées intérieurement de
trois denticules obtuses et fourchues au bout. Les yeux sont
bruns et en ovale, les antennes de moyenne grandeur, noires,
avec la massue cendrée. Le prothorax est trois fois plus large
que long, son bord latéral droit jusqu'au dernier sixième, puis
brusquement rétréci; son milieu est un peu aplati et ses bords
sont densément revêtus de soies courtes, ce qui forme comme
une frange. Les élytres sont un peu plus foncées en couleur
156 SUR QUELQUES LUCANIDES, ETC,
et toutes couvertes de points enfoncés, portant des soies. En
dessous le corps et les pattes sont égaux à ceux du Taurus,
mais plus sétuleux.
La femelle est plus petite; sa tête est moins large, son
front, un peu bombé, manque de corne céphalique, étant presque
uni; ses mandibules sont courtes et triangulaires, son corselet
est un peu plus bombé et moins large. Quant aux autres
points, elle est extérieurement conforme à son mäle et aussi
sétuleuse que lui.
C’est encore feu M. Bernstein qui trouva cette curieuse espèce
et l’envoya au Muséum de Leide.
Arcus Maraccus, Thoms.
M. le Major Parry ayant eu la bienveillance de m'envoyer
tous ses exemplaires des Aegus Malaccus, Myrmidon et Adel-
phus pour les comparer à ceux du Muséum, je suis maintenant
convaincu que l'espèce décrite par moi sous le nom de Rectan-
gulus (voir ces Mémoires IV. p. 115. tab. 7. fig. 7) n'est autre
que VAegus Malaccus de M. Thomson. La plus rare de ces
trois espèces semble être l’Adelphus de Borneo.
FicuLus SUBCASTANEUS, Westw.
Nous possédons quelques individus de cette espèce, trouvés
par M.M. Schwaner et Müller dans l'ile de Borneo, qui se
distinguent de ceux de Java par la couleur rouge de, leurs
hanches et de leurs cuisses.
AANTEEKENING OVER GEMIOSTOMA SUSINELLA HERR. SCH.
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
Rete
Verg. de afbeelding der vleugeladeren op Plaat 12.
Stainton, Herrich-Schäffer en Frey hebben bij de beschrijving
van deze Cemiostoma allen over het hoofd gezien, dat zij eenen
eveneens gevormden, slechts een klein weinig korteren kuif op
den schedel heeft als Bucculatrix Boyerella en ulmella. Waar-
schijnlijk waren hunne exemplaren niet geheel gaaf, maar bij
een ongeschonden stuk, dat bij mij uit de pop is gekomen
(zonder dat ik de rups had bemerkt) en dat langen tijd het
eenige was dat ik bezat, is die kuif zeer duidelijk te zien en
heeft mij het determineren vrij moeijelijk gemaakt, omdat ik
bij alle schrijvers, als kenmerk van het genus Cemiostoma, in
de eerste plaats vond vermeld: kop glad’, in tegenstelling van
den ruigen schedel van het geslacht Bwceulatriv, dat anders
met Cemiostoma overeenstemt in het ontbreken der palpen, en
ik dus, niettegenstaande de afwijkende teekening en ofschoon
het spinsel met dat van Cemiostoma laburnella overeenkomt, in
mijnen vlinder eene Bucculatrix wilde vinden.
Verder heb ik bij het onderzoeken der vleugeladeren gevon-
den, dat zij van die van Cemiostoma spartifoliella, welke Zeller,
als type van zijn genus Cemiostoma, in de Linnaea entomo-
1 Terwijl het aanwezig zijn der enkele korte haartjes op den schedel van Scitella
als eenige uitzondering werd vermeld.
158 AANTEEKENING OVER CEMIOSTOMA SUSINELLA HERR. SCH.
logica, UI, p. 272, beschrijft en op plaat 2, f. 55—59 van
Linnaea, II, afbeeldt, in het volgende afwijken: 1°. door dat
de eerste sprank der ondervoorrands-ader (*) gevorkt is en dus die
ader in plaats van drie vier takken heeft; — 2°. door dat de
inidden-ader (®) aan het eind gevorkt is; — 5°. door dat er
eene, hoewel zeer fijne afsluiting der middencel, plaats heeft.
Ik geef hierbij eene afbeelding der voorvleugel-aderen van Susi-
nella.
Men ziet dus, dat zij tamelijk wel overeenkomen met die van
Cemiostoma scitella Zeller, volgens de afbeelding, welke Stain- |
ton daarvan op plaat VIII, fig. 3a zijner Insecta Britannica,
Tineina, geeft, en welke afbeelding, voor zoo ver ik daarover
zonder ontschubbing des vlinders, door het onderzoek met terpen-
tijnolie, kan oordeelen, juist is. Alleen zou ik zeggen, dat de
midden-ader bepaaldelijk gevorkt is. Laburnella komt daarentegen
meer met Spartifoliella overeen (altijd volgens Zeller’s afbeelding:
exemplaren van die soort bezit ik niet); evenwel is hare onder-
voorrands-ader aan het eind drietakkig, ook naar Staintons af-
beelding, terwijl zij bij Spartifoliella tweetakkig zou zijn; doch
het is ook wel mogelijk, dat Zeller het onderste takje over het
hoofd heeft gezien.
Het is dus duidelijk, dat de diagnose van het genus Cemio-
stoma moet veranderd worden; misschien zouden er wel twee
genera moeten worden gevormd, in het eene waarvan Susinella
en Scitella moeten komen, die zich van Bucculatrix als vlinder
oor gevorkten eersten tak der ondervoorrands-ader, behalve
door verschillende rupsen, leefwijze, verpopping en afwijkende
teekening, onderscheiden, — van Cemiostoma door behaarden
kop, gesloten middencel en gevorkte midden-ader; doch daar ik
te weinig soorten van Bucculatrix en slechts drie Cemiostoma
bezit, kan ik in dit geval geen beslissend oordeel vellen, even-
min als eenen naam voor het eventueele nieuwe geslacht op-
geven. Misschien zoude de naam Heydenia, naar den beroemden
Microlepidopteroloog von Heyden, niet ongepast zijn.
BAPE
Sv V fee AJW sculps.
1 Cemiostoma susinella, v.Heyd. 2-6 Cvnips tinctoria ? L.
KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN
DOOR
Dr. A. W. M. VAN HASSELT,
N°. 5.
DOOD DOOR BIJEN-STEEK.
Bij een viertal waarnemingen daarvan, op verschillende plaat-
sen van ons werelddeel beschreven, en bij de mededeeling van
Schwaner, «van menige inlanders op Borneo, die slagtoffers
werden der woede van bijen», kan ik thans weder twee geval-
len voegen uit Frankrijk. Chevallier geeft op, in Journal de
Chimie et de Toxicologie médic., T. IX, 1865, p. 650, een
voorbeeld bij een volwassen man te Sélins, getroffen door tal
van steken op armen en handen, dood binnen het uur; een
ander betrof een knaapje te Aveyron, dat vooral in het aange-
zigt gestoken, door een zwerm bijen, die hem overviel, insge-
lijks na een uur reeds was bezweken.» — In Wederl. Tijds. v.
Geneesk., öde jaarg., 1859, blz. 716, schreef ik over dit onder-
werp een klein opstel, waarin ik het vermoeden opperde, of in
die gevallen misschien de angelsteek een der grootere uitwendige
aderen kon hebben getroffen, waardoor het bijen-vergif (mieren-
zuur, plus een nog onbekend agens), door ader-inspuiting ,
onmiddelijk in het bloed kon zijn overgegaan, ten gevolge
waarvan misschien stremming van de bloedvezelstof kan tot
stand komen, die, op de bekende wijze der haarvaten-embolie,
in de hersen-, long- of hart-capillaria, doodelijke verstoppingen
tot stand kan brengen, welke rekenschap zouden kunnen geven
van den in de meeste dezer gevallen zoo spoedigen dood.
OVER EENE GALWESPSOORT ,
DIE NIEUW IS VOOR ONZE FAUNA,
DOOR
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
De lijst van inlandsche Hymenoptera, welke in 1858 in de
Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland het licht zag, be-
vatte slechts een gering getal galwespsoorten (slechts 18 staan
daar opgeteekend), en het kan dus wel niemand verwonderen,
dat van tijd tot tijd nog andere soorten, die in de naburige
landen reeds vroeger ontdekt zijn, ook hier opgemerkt worden.
Maar voorzeker mag het ons bevreemden, wanneer plotseling in
vrij groote menigte eene soort verschijnt, die niet alleen vroeger
slechts in warmere landen aangetroffen werd, maar wier galnoot
ook zoo groot is en zoo zeer in het oog valt, dat men met vrij
groote zekerheid kan aannemen, dat zij werkelijk vroeger hier
niet huisde, daar hare overblijvende gallen van buitengewone
grootte en hardheid, des winters noodzakelijk de opmerkzaam-
heid tot zich hadden moeten trekken.
In het late najaar van 1865 werd mij door den Heer Verster ,
administrateur van ’s Rijks Museum voor natuurlijke geschiedenis,
uit naam van Jhr. J. H. Gevers, als geschenk voor het Museum
aangeboden een eiken takje met 15 groote houtachtige gallen,
welke bij Noordwijk gevonden waren en aldaar vroeger niet
voorkwamen, voor zoo ver men zich herinneren kon. Op de
jagt door een stuk eiken hakhout, dat reeds grootendeels zijn
blad had laten vallen, had men deze groote ronde gallen be-
speurd, en onder de aanwezigen, jagers en oppassers, was nie-
OVER EENE GALWESPSOORT. 161
mand, die dergelijken te voren ooit had gezien. De Heer
Gevers liet een tak afsnijden en had de beleefdheid dien als
merkwaardigheid voor het Museum te destineren. Op de vraag
van den Heer Verster of mij de soort bekend was, moest ik
antwoorden, dat mij, die zoo vele jaren reeds met goede oogen
in alle jaargetijden de natuur had bezien, zoo groote en harde
gallen aan eikentwijgen nooit waren voorgekomen, en ik voegde
er bij, dat ik geen andere soort kende dan de beruchte Levan-
tische galwesp, wier appels vroeger in de bereiding van inkt
gebruikt werden, welke zoodanige gallen opleverde. Ongelukkig
waren de dieren uit de gallen reeds uitgekomen, ’t geen bleek
uit een vrij groot rond gaatje, dat op iederen galappel te zien
was. Ik verzocht dus, indien men in het volgende jaar, doch
eenige maanden vroeger, weder in dat bosch galnoten mogt
bespeuren, die men voor dezelfde soort hield, dat men daarvan
voor mij eenigen zou afsnijden. En in het volgende jaar ont-
ving ik èn van den Heer Gevers èn van den Heer W. Hoog
vele van deze gallen, voor welke welwillendheid ik beide Heeren
openlijk mijnen dank betuig.
De galnoten van den Heer Hoog (in bijzonder groot aantal)
waren gevonden bij de Vogelenzang, niet ver van het station
van den Hollandschen spoorweg. Later, ter zelfder plaats zijnde,
zag ik nog eene ontelbare massa aan het eikenhout. Zij waren
identiek met die van het vorige jaar, doch gesloten. Ik deed
ze in een paar glazen flesschen, opende er eenigen en vond er
gezonde witte larven in, die, uitgenomen de grootte, niets bij- .
zonders vertoonden en de sterkste gelijkenis hadden met die van
de gewone eikenbladgalnoten.
Dezen zomer (1865) eindelijk werden zoodanige gallen ook op
eiken-akkermaalshout bij Driebergen aangetroffen.
Is het waarschijnlijk, is het aan te nemen, dat de soort
vroeger reeds hier te lande bestaan hebbe, doch nimmer opge-
merkt zij? Ik durf dit wel ontkennend beantwoorden. De gal-
noot zit zeer dikwijls op 4-9 voet van den grond, is grooter
dan een geweerkogel, valt des winters niet af en is dus zeer
ligt te zien. Is het nu aan te nemen, dat jagers en natuur-
162 OVER EENE GALWESPSOORT.
onderzoekers zoo zeer in het oog loopende voorwerpen niet
zouden hebben bespeurd? Ik geloof dit niet, en durf met vol-
komen zekerheid zeggen, dat ten tijde, toen ik digt bij de
Vogelenzang woonde, gedurende een tijdperk van vijf jaren , de
soort , waarvan wij spreken , aldaar niet voorkwam.
Evenwel zal ik geene conjecturen maken omtrent het plotseling
verschijnen van eene soort, die mij toeschijnt de Levantische
wesp te zijn; dergelijke conjecturen leiden tot geen resultaat.
Alleen wil ik aanstippen, dat mij slechts twee wijzen voor den
geest komen, waarop de wesp uit de Levant tot ons gekomen
zou kunnen zijn; vooreerst door jaarlijksche opschuiving van
woonplaats van het zuid-oosten naar het noord-westen, en ten
andere door aanvoer van eene partij galnoten , waaruit men de
wespen zou hebben laten ontsnappen, welke wespen dan krachtig
genoeg moeten geweest zijn, niet alleen om voor de instand-
houding der soort te zorgen, maar ook om zich over een ge-
deelte van ons vaderland te verspreiden.
De galnoot is aan den stengel gehecht (zie Fig 2) ter plaatse
van eene bladknop, zoodat het schijnt dat de wesp het eitje
in den nog bijna niet ontwikkelden bladknop legt. In plaats van
dien knop ontwikkelt zich nu een harde galnoot van 1,6 tot 2,5
duim diameter, graauw, dof glanzig , kogelrond, doch dikwijls
met kleine uitwasjes en puistjes bezet, zoodat sommige gallen
daardoor min of meer eene hoekige gedaante aannemen.
Onder de mij geschonken galnoten bevond zich eene mon-
streuse, uit twee voorwerpen aaneengegroeid (zie Fig 5), waaruit
zich ook twee wespen hebben ontwikkeld, welke ieder afzon-
derlijk een gat tot ontwijking uit de cel hebben gebeten.
In het midden van de galnoot zit de larve, voortdurend
krom gebogen en door den vorm van haar verblijf in de onmo-
gelijkheid gebragt om zich ooit regt uit te strekken.
Gewoon aan het vroege uitkomen van onze meeste galwespen,
die men somtijds reeds in Maart aantreft, verwachtte ik de
volkomen insecten uit de houtige gallen ook in het voorjaar; ik
zag derhalve nagenoeg dagelijks de flesschen na, waarin ik de
galnoten gedaan had, benevens de larven in de open gesneden
OVER EENE GALWESPSOORT. 165
gallen; doch in de eersten was geen leven te bespeuren en de
anderen bleven onveranderd. Dit duurde zoo lang, dat het
mijn geduld begon te vermoeijen en ik langzamerhand naliet de
galappels na te kijken. Eindelijk op een morgen in de maand
Junij werd ik toch nog eenigermate verrast door het gezigt van
eene zeer levendige galwesp, die met verbazende overijling in
het glas op- en neêrliep. Ik keek toen dadelijk met zekere
belangstelling naar de open gesneden galnoten en zag tot mijn
groot genoegen, dat de larven tot poppen veranderd waren.
Een dezer popjes, die melkwit waren met zwarte oogen, lag
juist zoodanig gekeerd, dat het aangezigt naar de open zijde
gewend was, zoodat dit diertje met zijne nederhangende palpen
aan den bek, eenigermate deed denken aan een grognard de la
vieille garde, uit een venster ziende. Ik teekende dit, ongeveer
tweemaal vergroot, af, bij Fig. 4. |
Het kwam mij ook eenigzins merkwaardig voor de pop buiten
haar bekleedsel af te beelden. Men ziet haar in de natuurlijke
houding voorgesteld bij Fig. 5. De kleine kop a is alsdan zoo
zeer voorover gebogen en tegen de borst aangedrukt, dat men
haar nog het best door de voelsprieten herkent.
_ Van toen af kwamen in mijne suikerflesschen dagelijks gal-
wespen uit, allen wijfjes; spoedig zag ik gemengd onder de
anderen vrij groote goudgroene Pteromalinen, die evenwel niet
zoo levendig en druk schenen te zijn als de eigenlijke bewoners,
t geen opmerkelijk is, daar de parasiten gewoonlijk vlugger en
vaardiger zijn dan de dieron ten wier kosten zij bestaan. Deze
goudgroene wespjes behooren kennelijk tot het geslacht Torymus
Dalm. Callimome Spin., ’t geen aan den geheelen vorm en aan
den langen legboor der wijfjes duidelijk was. Zeer opmerkelijk
kwam het mij voor, dat deze parasiten ongeveer gelijktijdig
met de galwespen uitkwamen; hun leven toch moet betrekkelijk
vrij lang duren, indien zij hunne eijeren in de galnoten willen
leggen, waartoe hun lange legboor werkelijk schijnt te moeten
strekken; de galnoten toch zullen wel eerst in Augustus de
grootte bezitten, die men hun naar berekening der lengte van
dien eijerlegger toekennen moet. Of hebben ook misschién de
164 OVER EENE GALWESPSOORT.
larven der Cynipiden (van de onderhavige soort) twee jaren
noodig om tot ontwikkeling te komen en steken de Torymi kort
na hunne ontwikkeling de galnoten aan van eene vorige gene-
ratie, welke dan een jaar oud zijn. Op die wijze zou iedere
generatie van deze galwespen twee generatien van Torymi be-
leven, waarvan de eene voor haar evenwel onschadelijk zou zijn.
Deze onderstelling kan alleen worden uitgemaakt door iemand,
wonende nabij eene partij eikenhout, dat gedurende meer dan
een jaar door deze ‘galwespen wordt aangetast.
Ik bezat nu de volkomen insecten, waarvan ik er cen af-
beeldde bij Fig. 6 vergroot en 6a natuurl. grootte , en verlangde
den waren naam te kennen. Ik vond opgeteekend, dat de Le-
vantische galappel eene wesp te voorschijn brengt, welke door
Linnaeus Cynips tinctoria of C. Galle tinctoriae genoemd werd.
De diagnose of beschrijving van dezen grootmeester onzer weten-
schap bleef mij onbekend; bij Fabricius vond ik niets omtrent
deze soort, doch bij Hartig in zijn «Zweiter Nachtrag zur
Naturgeschichte der Gallwespen (zie Germar’s Zeitschrift für die
Entomologie, IV“ Band) vond ik de volgende diagnose :
Pallida „ ubique griseo-sericea; antennis testaceo-rufis; meta-
thoracis declivitate, abdominisque dorso plus-minus fusconigris. |
Long 1—5 lin.
Zij behoort volgens hem in de eerste afdeeling van zÿn ge-
slacht Cynips, welke zich onderscheidt door een abdomen, dat
aan de spits met zijde-achtige haren bedekt is, terwijl bij de
tweede afdeeling de spits naakt blijft.
Dat nu deze diagnose uitmuntend en veel beter dan eenige
andere op deze galwesp past, zal iedereen, die het diertje in
handen heeft, gereedelijk toestemmen.
Eene korte beschrijving geeft Olivier in het 6° deel der Ency-
clopédie méthodique, pag. 281, onder den naam van Diplolepis
gallae tinctoriae, met aanhaling van Réaumur, Mémoires pour
servir à Chistoire des Insectes, Tom. 5°, pl. 55, fig. 5. Die
korte beschrijving luidt aldus:
«Il a depuis deux jusqu'à deux lignes et demie de long. Les
antennes sont obscures, filiformes, de la longueur du corcelet.
OVER EENE GALWESPSOORT, 165
Tout le corps est testacé, et légèrement couvert d'un duvet
soyeux. La partie supérieure de l'abdomen est brune, luisante. »
Ook deze beschrijving past uitnemend, doch wanneer Olivier
vervolgens zegt, dat de larve in de galnoot leeft, die ter be-
reiding der zwarte verwstof dient, en dat iedere gal gewoonlijk
bewoond wordt door twee of drie larven en slechts nu en dan
door eene enkele, dan brengt hij mij weder in de war, en bij
gebreke van Cynipes uit Levantische galnoten, weet ik mij voor-
eerst uit mijne onzekerheid. niet te redden.
's Rijks Museum bezit twee soorten van Gynipides, welke. de
onze al zeer nabij komen, namelijk. Lignicola Hart. en Ambly-
cera Giraud, zoo zelfs dat ik bij het zien uitkomen mijner. die-
ren meende, dat zij tot eene dezer twee species zou moeten
gebragt worden; doch er bestaat verschil, en ofschoon gering,
toch onwedersprekelijk. Bovendien zegt Hartig in zijne beschrij-
ving der gallen van de eerste soort, dat zij eene rimpelachtige
korst ' hebben, ‘t geen op de onze volstrekt niet toepasselijk is.
Ziehier nu de beschrijving der galwesp, die bij mij uit de
genoemde galnoten te voorschijn gekomen is.
Lengte 4—5 millimeter. Verticale diameter van het abdomen 5,
horizontale niet volkomen 2 millim. De algemeene kleur is een
licht roodbruin; de zijde-achtige beharing, die nagenoeg alle
deelen bekleedt, is bruingrijs van kleur. De sprieten zijn rood-
bruin, gaandeweg donkerder naar de spits. Zij hebben 15 leedjes,
waarvan het 5° en 4° grooter zijn dan de overigen. De zamen-
gestelde oogen zijn zwart, de ocellen roodbruin. De kop is
anderhalfmaal breeder dan hoog, plat van voren, rond op den
schedel, met dikke uitpuilende wangen; de bovenkaken zijn
donkerbruin. Het borststuk is zeer bol op den rug, als gebult,
met een kussenvormig uitstekend schildje. De vleugels zijn
glanzig en iriserend, doch eenigzins rookkleurig ; hunne aderen
1 Hartig in Germars Zeitschrift für die Entomologie, Deel 2, p. 207. 23) C,
lignicola m. Harte, holzige, einkammerige mit brauner, rissiger Rinde bedeckte
kugelrunde Gallen, von der Grösse starker Rehposten, sitzen mitunter traubenförmig
zu 4—5 Stück an den Seiten der Eichentriebe.
166 OVER EENE GALWESPSOORT.
zijn hier donkerder, daar lichter pekbruin. De metathorax is
onder het schildje donker of aardachtig van kleur. Het abdomen
heeft op de rugzijde van den eersten ring, die 23 maal langer
is dan de overigen te zamen, eene gladde, glanzige en onbe-
haarde zwarte plek, waarvan de kleur naar de zijden evenwel
allengs in het bruine overgaat. De zeer sterk omgebogen legboor
is donkerbruin. De pooten zijn ietwat lichter van kleur dan de
borst en hebben roodbruine laatste tarsenleedjes met donker-
bruine klaauwtjes. Al mijne voorwerpen zijn wijfjes.
De vroeger vermelde Pteromalinen zijn door Ratzeburg be-
schreven onder den naam van Torymus longicaudis (Die Ichneu-
monen der Forstinsecten, 1, pag. 178, n°. 7) en komen ook
als parasiten van andere galwespen, bij voorbeeld van die der
veelcellige, zeer groote, bleeke eiken-appelen voor.
INHOUDSOPGAVE.
Blz,
Verslag van de twintigste algemeene vergadering der Ned.
Ent: Vereeniging: wite sueann rh
Bijlagen:
As List der beden. GG. a U)
B. Liste de Macrolépidoptères nouveaux. . . . 54
C. Tortricinen, nieuw voor de Fauna. . . . . 56
D. Lijst der parasiten, gesch. door Dr. Piaget . 59
E. Lijst Yan nieuwe: Diptera. de
Ei Bibliotheek. S55 2 ee
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, Description d’une nouvelle espèce
de Calodema . . . SA en
Idem, Un genre nouveau do Ilia eee OO
Idem, Beschrijving van eene nieuwe Tetrix-soort. . . . 63
J. W. Loneesen, Een paar dagen te Beek . . . . . . 67
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, Over eene rups van Clostera Curtula. 69
P. C. T. SneLLEN, Over Agrotis Ripae, Hübn.. . . . . 70
SNELLEN VAX VOLLENHOVEN, De inlandsche bladwespen in hare
gedaantewisselingen enz. Elfde stuk . . . . . . . 75
P. C. T. Snetten, Lepidopterologische aanteekeningen . . 94
Dr. A. W. M. van Hassett, Kleine entomologische mede-
deelingen, n°. 1 en 2. . à Se . 98
P. C. T. SwneLLen, lets over her i. der vel
aderen bij de vlinders . . . . ee 2102
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN , Macrolyristes, een nieuw geslacht
van Orthoptera ii. 106
Craas Murpen, Ontleedkundige aanteekeningen over Macro-
Blz.
Iyristes imperator. en.
Dr. A. W. M. van Hassezr, Kleine entomologische mede-
deelingen, n°. 5 en 4. A (192
P. €. T. Snevien, De rups van Gelechia terrella . 151
SNELLEN van VOLLENHOVEN, Opmerkingen omtrent de vangst
van kleine insecten . . 154
Idem, Sur quelques Lucanides nouveaux . . 157
P. C. T. Snezzen, Over Gelechia susinella 5 DA
Dr. A. W. M. van HasseLr, Kleine entom. mededeelingen,
n°. 5. . 158
. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, Over eene galwespsoort, nieuw
voor de Fauna van Nederland
. 160
Gu
ord (ies
i)
1
Re
PH
Ha
tir)
no
PIERA
RUE
nA
u