€ menta en nahme nn! wahr er
etn trennen: ige BT ERNE
tn,
BouwDd (939
HARVARD UNIVERSITY
ln
pay
i [TASH
|
Up
LIBRARY
OF THE
MUSEUM OF COMPARATIVE ZOÖLOGY
EXCHANGE
STA)
Tijdschrift voor Entomologie
UITGEGEVEN DOOR
De Nederlandsche Entomologische Vereeniging
ONDER REDACTIE VAN
PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, F. T. VALCK LUCASSEN
EN
J. J. DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL
EEN-EN-TACHTIGSTE DEEL.
JAARGANG 1938.
of Com
JAN 13 1939 °)
LIB KARL
Aflevering 1 + 2 (p.1-126) . . . verscheen in Mei 1938
Aflevering 3 + 4 (p.127 —334) verscheen in December 1938
INHOUD VAN HET EEN-EN-TACHTIGSTE DEEL
Bladz.
Verslag van de Een-en-Zeventigste Wintervergadering I-LVil
Verslag van de fe elias ag Zomer-
vergadering . . . . BE ees ENVI ACV
Ledenlijst der Ned. Ent. Ve VER CVE Cl
Prof. A. D. Peacock, D. Sc. Parthenogenesis as
illustrated in the late Dr. A. J. van Rossum's
experiments with Pseudoclavellaria amerinae L.
(Evans EREN hit week den EN ae TS
Dr. D. C. Geijskes, Over de insectenfauna van
de Kagerplassen en omgevende wateren. . . 14- 34
Dr. G. Barendrecht, The Dutch Fungivoridae in
the collection of the Zoological Museum at
Amsterdam. : . war... 39-54
Ir. G. A. Graaf Bentinck, nz kn,
gen betreffende Nederlandsche Lepidoptera . 55- 60
Prof. Dr. J. C. H. de Meijere, Die Larven der
Agromyzinen. Vierter Nachtrag . . . 61-116
Dr. D. C. Geijskes, Over Bucculatrix maritima Su.
een motje op zeeaster en hare parasieten . . 117-121
Prof. Dr. J. C. H. de Meijere, Acidoxantha bom-
BaCi SP A ns ene 122123
Postrat Nagel, Fauna javanensis Ce fam.
kueanidae).. stamt . 124-126
L. H. Scholten, Macro- bendes. uit de eee
Faunistisch-biologische bijdrage tot de kennis
van de vlinderfauna van Zuidoost-Gelderland
en ‘t aangrenzend Duits gebied. . . . . 127-229
Prof. Dr. J. C. H. de Meijere, Über die he
kalhörner der Puppe von ee cornuta Big.
(Dipt. Phoridae). . . . 2230-233
A. Diakonoff, Tinea misella Zeller ein on
von Tinea insectella Fabricius. . . . 234 — 238
K. J. W. Bernet Kempers, Ae
derus vulneratus Panz . . . . 239 — 241
B. J. Lempke, Catalogus der ee leche Mere,
Spean INE ee ne See 242 304
Registe CUS 305-332
Seele ne enne a 1 333-334
x
astra
PA
;
k =
=
i
3
|
4
E
a of Compay
; f N Zoc logy RN
“il! IS
\ UY N 22 f 938
\ (
BRARN
Tijdschrift voor Entomologie
UITGEGEVEN DOOR |
De Nederlandsche Entomologische Vereeniging
ONDER REDACTIE VAN
| PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, F. T. VALCK LUCASSEN
EN
J. J. DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL
EEN-EN-TACHTIGSTE DEEL.
JAARGANG 1938.
EERSTE EN TWEEDE AFLEVERING.
(MEI 1938).
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
De contributie voor het lidmaatschap bedraagt f 10.—
per jaar. Ook kan men, tegen het storten van f 100.— in
eens, levenslang lid worden.
Buitenlanders kunnen tegen betaling van f 35.— lid wor-
den voor het leven.
De leden ontvangen gratis de ra Berichten
(6 nummers per jaar; prijs voor niet-leden f 0.50 per num-
mer), en de Verslagen der Vergaderingen (2 per jaar;
prijs voor niet-leden f 0.60 per stuk).
De leden kunnen zich voor f6.— per jaar abonneeren
op het Tijdschrift voor Entomologie (prijs voor niet-leden
f 12.— per jaar).
De oudere publicaties der vereeniging zijn voor de leden
voor verminderde prijzen verkrijgbaar.
Aan den boekhandel wordt op de sie voor niet-leden
geene reductie toegestaan.
al
Sn VERSLAG
VAN DE
EEN-EN-ZEVENTIGSTE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE UTRECHT OP ZONDAG 13 FEBRUARI 1938, DES
MORGENS TE 11 UUR.
President: Prof. Dr. J. C. H. de Meijere.
Aanwezig het Eerelid Dr. A. C. Oudemans en de ge-
wone leden: Dr. G. Barendrecht, P. J. Bels, Ir. G. A. Graaf
Bentinck, K. J. W. Bernet Kempers, A. J. Besseling, J. Broer-
se, C. M. C. Brouerius van Nidek, Prof. Dr. S. J. Brug,
J. C. Ceton, J. B. Corporaal, A. Diakonoff, Prof. Dr. W.
M. Docters van Leeuwen, P. H. van Doesburg, H. C. L.
| van Eldik, G. L. van Eyndhoven, F. C. J. Fischer, Dr. D.
C. Geijskes, W. de Joncheere, Dr. W. J. Kabos, B. H. Klyn-
stra, Dr. G. Kruseman Jr., Dr. S. Leefmans, B. J. Lempke,
J. Lindemans, N. Loggen, Dr. D. Mac Gillavry, de Neder-
landsche Heidemaatschappij, vertegenwoordigd door den
heer M. de Koning, A. C. Nonnekens, de Plantenziekten-
kundige Dienst, vertegenwoordigd door den heer T. A. C.
Schoevers, R. A. Polak, Dr. A. Reclaire, A. Starcke, Dr.
D. L. Uyttenboogaart, F. T. Valck Lucassen, F. van der
Weerd, P. van der Wiel en Ir. T. H. van Wisselingh.
Geintroduceerd de heeren: L. Bels, W. C. Boelens, K.
Dikstaal, P. van Doesburg, Ir. M. Hardonk, P. W. Hum-
melinck en C. Schoen.
Afwezig met kennisgeving het Correspondeerende lid Dr.
H. Schmitz S.J.1) en de gewone leden: Prof. Dr. L. F. de
Beaufort, Chr. Berger, H. Coldewey, C. Doets, F. B. Klyn-
stra, J. Koornneef, W. J. Kossen, Mej. M. Mac Gillavry,
G. S. A. van der Meulen, H. van der Vaart, J. J. de Vos
tot Nederveen Cappel, J. C. Wijnbelt, C. J. M. Willemse
en J. H. E. Wittpen.
De Voorzitter opent de vergadering en spreekt zijne vol-
1) Dr. Schmitz heeft aan den President medegedeeld, dat, van
16 Februari tot 1 September 1938, zijn adres zal zijn: Istituto Nun ‘Al-
vres, Caldas da Saude, Minho, Portugal.
Il VERSLAG.
doening uit over de talrijke opkomst. Aan deze vergadering
gaat vooraf, zooals bij convocatie is bekend gemaakt, eene
BUITENGEWONE VERGADERING.
Het Bestuur heeft deze uitgeschreven, ten einde de mach-
tiging en de sanctie der leden te vragen voor het voornemen,
stappen te doen, waardoor wederom, gelijk vroeger de naam
van Prins Hendrik der Nederlanden, de naam van een der
Leden van het Koninklijk Huis aan onze Vereeniging ver-
bonden zal kunnen worden. Een langdurig en krachtig ap-
plaus vertolkt de instemming van de vergadering met dit
voornemen.
Als plaats voor de volgende wintervergadering wordt,
op voorstel van het Bestuur, Amsterdam aangewezen.
Hierna zijn aan de orde de
WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.
De heer A. C. Oudemans, die, na de publicatie van zijn
Kritisch Historisch Overzicht der Acarologie, Derde Ge-
deelte, 1805— 1850, Leiden, E. J. Brill, Oct. 1936—Mei 1937,
zijne studiën voortzette, deelt zijne nieuwe vondsten
op het gebied der Systematiek en der Nomenclatuur der
Acari mede.
1. Sejus C. L. Koch VI 1836. — C. L. Koch bracht 9
soorten van Mesostigmata in zijn genus Sejus. In 1842 wees
hij Sejus viduus C. L. Koch als type aan. Door latere auteurs
werden de 8 overige soorten in nieuwe genera geplaatst,
zoodat het genus Sejus alleen met zijn type, viduus, over-
bleef. Maar geen acaroloog wist eigenlijk, wat voor dier
Sejus viduus is. Na vele malen Koch's beschrijving en
afbeelding van Sejus viduus bestudeerd te hebben, is Spr.
tot de overtuiging gekomen, dat zij na verwant is, ja zelfs
hoogstwaarschijnlijk dezelfde soort is als Epicrius
corniger Berlese II 1891, afgebeeld en beschreven in Ber-
lese’s Acari, Myriopoda e Scorpioni italiana, fa. 59. t.
2. — In 1920 brengt Berlese dit dier (zie zijn Acari,
Myriopoda et Pseudoscorpiones hucusque in Italia reperta.
Indici ; Firenze 1920, p. 7) in het genus Lasioseius Berlese
12 VI 1916, dat Seius muricatus Berlese VIII 1887 tot type
heeft. Zijn Seius muricatus is echter niet = Sejus muricatus
C. L. Koch IV 1839, maar behoort hoogstwaarschijnlijk tot
het groote genus Typhlodromus Scheuten 1857. Epistoom,
vertikaalharen en mandibel wijzen daarop. Berlese's
Sejus muricatus is dus verkeerd gedetermineerd, heeft dus
nog geen naam. Spr. stelt voor, haar Typhlodromus berlesei
VERSLAG. Ill
nov. nom. te noemen. Berlese's genus Lasioseius, type
Typhlodromus berlesei Oudms. 1938 is dus synoniem met
Typhlodromus Scheuten 1857, zoolang Typhlodromus pyri
Scheuten 1857 en Typhlodromus berlesei Oudms. 1938 in één
genus vereenigd blijven.
2. Ixodes vespertilionis C. L. Koch 1841. — Nuttall
en Warburton brachten in hun standaardwerk : Ticks,
A Monograph of the Ixodoidea, Part II, Ixodidae, p. 271,
bijna alle soorten van C. L. Koch's (1844) en Kolena-
ti's (1860) op Chiroptera levende soorten van Ixodes bij
elkander. Na grondige bestudeering der door de genoemde
auteurs gegeven afbeeldingen en beschrijvingen komt Spr.
tot de gevolgtrekking, dat de inzichten der Engelsche auteurs
onhoudbaar zijn. Spr. geeft het volgende overzicht van de
resultaten van zijne studién.
a. Ixodes crassipes (Kolenati 1857) &. (non 2). — Sy-
nonymen : Haemalastor crassipes Klti., Meletemata ent., fa.
7, in: Bull. Soc. imp. Naturalistes Moscou, v. 30. P. 1.
1857. p. 39. n. 6. — Idem, in: Wien. ent. Mntschr., v. 1.
fa. 5.XI.1857. p. 160. — Idem, Synops. prodr. Ixodida, in:
Wien. ent. Mntschr., v. 2. fa. 1. I. 1858. p. 2. — Idem, Beitr.
Kenntn. Arachn., in: Sitzb. math. naturw. CI. Ak. Wiss.
Wien, v. 40. 1860. p. 578. t. 2. f. 5. a—c & (non f. 5 d—f
2). — Idem, Monogr. europ. Chiropt., 1860, p. 150. — Op
Rhinolophus blasii ; Egypte.
b. Het ?, dat niet den naam crassipes dragen mag, en als
een Haemaphysalis herkend is, noemt Spr. Haemaphysalis
kolenatii nov. nom.
c. Ixodes exaratus (Klti. 1856). — Sarconissus exaratus,
Klti., Paras. chiropt., Brünn 1856 en Dresden 1857. — Sar-
conyssus exaratus, KIti., Synops. prodr. Ixodida, in: Wien.
ent. Mntschr., v. 2. fa. 1. I 1858. p. 2. — Idem, Klti., Beitr.
Kenntn. Arachn,, in: Sitzb. math. naturw. Cl. Ak. Wiss.
Wien, v. 40, 1860. p. 575. t. 1. £, 2. — Op Myotis myotis en
M. mystacinus ; Moravië. — Schildje breed-ovaal, palpen
kort-knotsvormig ; de genitaalgroeven buigen aan hun einde
(achteraan) naar binnen ; de anaalgroeven vormen eene ei-
vormige figuur, waarvan de naar achteren gerichte ei-spits
open is ; pooten langer dan het lichaam.
d. Ixodes flavipes C. L. Koch XI 1841. — Ixodes [luvipes
C. L. Koch, Deu. Crust. Myr. Arachn., fa. 39. t. 2. XI. 1841.
— Ixodes flavipes, C. L. Koch, Syst. Uebers. Zecken, in:
Arch. Naturg., v. 40. P. 1. 1844. p. 232. n. 6. — Sarconissus
flavipes, Klti., Europ. Chiropt., in: Allg. deu. naturh, Ztg.,
s. 2. v. 2. 1856. p. 191 en Sarconissus brevipes p. 192. —
Idem, K1ti., Paras. Chiropt., Brünn 1856 en Dresden 1857,
p. 21 en 22. — S. flavipes Klti., Excurs. Hermannshöhle, in:
Wien. ent. Mntschr., v. 1. fa. 5. XI 1857, p. 135. — Sarconys-
sus [lavipes Klti., Synops. prodr. Ixodida, in: Wien. ent.
IV VERSLAG.
Miatschr v.2: fal le 17 1858.p. 2, —Idem, KME Bei
Kenntn. Arachn., in: Sitzb. math. naturw. Cl. Ak. Wiss.
Wien, v. 40. 1860. p. 574. t. 1. f. 4 a—d. — Op Rhinolophus
ferrum equinum en hipposideros ; Beieren, Moravie, Stier-
marken. — Schildje breeder dan bij verpertilionis, achter niet
toegespitst, maar rond ; zijdelings zeer weinig ingedeukt ; geel
met zwarte vlekken ; anaalgroeve aan het einde (achteraan)
naar buiten omgebogen ; pooten + even lang als het lichaam.
e. Ixodes gracilipes (v. Frauenfeld 1853). — Eschatocepha-
lus gracilipes, v. Frau., Neue Zeckengatt., in: Verh. zool.
bot. Ges. Wien; Sitzb. 1853, p. 57. t. f. af. &. — Ixodes
troglodytes, Schmid, apud v. Frau., (zie boven) p. 58. —
Haemalastor gracilipes, v. Frau., Ueb. einen &c., in: Verh.
Zool bot. Ges. Wien, v. 4. 1854. p. 28. t.f.4.5. Modes
vespertilionis p. 29 4 (neen, eveneens 2 ). Sarconissus se-
riceus, Klti., Eur. Chiropt., in: Allg. deu. naturw. Ztg., s. 2.
v. 2. 1856. p. 189. — Sarconissus hispidulus, Klti., Paras.
Chiropt., Brünn 1856 en Dresden 1857, p. 22. — Eschato-
cephalus gracilipes, Heller, zur Anat. Argas pers., in: Sitzb.
math. naturw. Cl. Ak. Wiss. Wien, v. 30. 1858. fa. 16. p. 301.
322. t. 2. £.7.9;t.3.£.21. 4 — Haemalastor gracilipes, Klti.,
Synops. prodr. Ixodida, in: Wien. ent. Mntschr., v. 2. fa. 1.
I. 1858. p. 2. — Idem, Klti., Beitr. Kenntn. Arachn., in:
Sitzb. math. naturw. CI. Ak. Wiss. Wien, v. 40. 1860. p.
579. t. 3. £. 6. — Op Rhinolophus blasii en R. euryale ; Ka-
rinthië, Banaat, Dalmatië, Egypte. — Dit is de soort, die door
de Engelsche auteurs onder den verkeerden naam van Ixodes
verpertilionis (zie boven, p. III) beschreven en afgebeeld is.
en o.a. het in het oog vallend kenmerk heeft: pooten 114—2
maal langer dan het lichaam. Spr. verwijst naar hun werk.
f. Ixodes nodulipes (Klti. I 1858). — Sarconyssus nodu-
lipes, Klti., Synops prodr. Ixodida, in: Wien. ent. Mntschr.,
va 2. fa. 1. 101858.p. 22 — "Idem, Ki liti Beitr, Kenntn
Arachn., in: Sitzb. math. naturw. Cl. Ak. Wiss. Wien, v.
40. 1860. p. 576. t. 1. f. 3. — Op Myotis myotis ; Moravië.
— „Sehr selten’. — Schildje min of meer hartvormig,
klein ; genitaalgroeve aan haar einde (achteraan) naar bin-
nen gebogen ; anaalgroeve in de afbeelding zeer sterk ge-
bogen, bijna cirkelvormig (??) ; pooten als bij gracilipes, maar
elk lid, behalve de tarsi, distaad in dikte toenemend, tarsi
distaad afnemend.
g. Ixodes verpertilionis C. L. Koch IX 1841. — Idem, C.
TIR Deu Crust. Myr Arachns fa 37.729 3NPR er
e. — Sarconissus kochii Klti., Eur. Chiropt., in: Allg. deu.
naturf. Ztg., s. 2. v. 2, 1856. p. 181; Sarconissus flavidus, p.
192. — Idem, Klti., Paras. Chiropt., Brünn, 1856 en Dres-
den 1857. p. 23. n. 5.; Sarc. flavidus, n. 6.— Sarc. kochii,
Klti., Excurs. Hermannshöhle, in: Wien. ent. Mntschr., v. 1.
fa. 5. XI. 1857. p. 135. — Sarconyssus kochii, Klti., Synops.
VERSLAG. V
prodr. Ixodida, in: Wien ent. Mntschr., v. 2. fa. 1. I 1858.
p. 2. — Idem, Klti, Beitr. Kenntn., Arachn., in: Sitzb.
math. naturw. CI. Ak. Wiss. Wien, v. 40. 1860. p. 576. t. 2.
f. 4. — Op Rhinolophus ferrum equinum, Rhin. hipposideros,
Myotis myotis ; Beieren, Moravië, Stiermarken. — Schildje
lang, afgerond-ruitvormig, achter toegespitst, cervikaal-
groeven lang, verdeelen het schildje in 3 velden ; genitaal-
en anaalgroeven aan hun einde (achteraan) naar buiten uit-
eenwijkend ; pooten weinig tot 114 maal langer dan het
lichaam. — Opmerking. De teekening van Kolenati
vertoont de pooten langer dan die van Koch, zoodat de
„vormen’ vespertilionis en kochii misschien Nympha en ?
voorstellen, misschien zelfs niet identiek zijn.
3. Pyemotes Amerling 1852. — In de vorige winterverga-
dering, te 's Gravenhage gehouden, heeft Spr. er reeds op
gewezen, dat er niet ééne soort van Pyemotes (Pediculoides
Targioni Tozzetti 1878) bestaat (ventricosus Newport 1850),
maar vele, en dat zelfs eene der soorten in een ander genus,
Phthiroides Oudms. X 1936, moet geplaatst worden. (Tijds.
v. Entom., v. 80, Verslagen p. IV—VIII). — De Pyemotes-
soorten zuigen insectenlarven en insectenpoppen uit, en men
kan er bijna zeker van zijn, dat op verschillende insecten-
larven ook verschillende soorten van Pyemotes voorkomen.
Spr. geeft hierbij twee voorbeelden. Over het algemeen zijn
Pyemotes-soorten vijanden van voor onze oekonomie
schadelijke Insecten.
a. Pyemotes tritici Lagrèze-Fossat 1851. — In 1838 be-
schrijft Debia een Acarus, dien hij in uitziftsel van graan-
voorraden (,du blé”) vond, en geeft er eene figuur van.
Beschrijving en afbeelding zijn onvoldoende om de soort te
bepalen. — Van Lagrèze-Fossat 1851 kan men het-
zelfde zeggen ; ook hij spreekt van ‚du blé”. Maar hij noemt
het dier Acarus tritici; waaruit blijkt, dat zijn ,,blé” uit Tri-
ticum vulgare Aschrs. & Gr. bestond. — Ook de beschrijving
en afbeelding van Targioni Tozzetti zijn van weinig
waarde voor de vaststelling der soort. — De eerste afbeel-
ding, die aan de eischen van den tegenwoordigen tijd vrij-
wel voldoet, is die van Ch. Robin (Traité du microscope,
Paris, 1871, p. 766, fig. 200). Hij geeft het diertje geen
wetenschappelijken naam, maar de soort is stellig dezelfde,
daar zij eveneens gevonden werd „dans le tas de blé nou-
vellement égrené”, waar zij natuurlijk parasiteerde op Tinea
granella L. — Als soortkenmerk mag zeker wel in aanmer-
king komen het aan tarsi I voorkomende olfactorisch orgaan,
dat 114 maal langer is dan genoemde tarsi.
b. Pyemotes herfsi Oudms. X 1936. — Deze door Dr.
Ad. Herfs te Leverkusen bij Keulen in zijne kweekproeven
op de larve van Sitotroga biselliella (Hummel) parasiteerend
gevonden soort onderscheidt zich onmiddellijk van tritici door
VI VERSLAG.
een min of meer peervormig olfactorisch orgaan, dat aan
tarsi I naar buiten gericht is en bijna 3 maal kleiner is dan
tarsi I, kleiner zelfs dan de breedte daarvan.
4. Siteroptes Amerling III 1861. — Evenzoo is het gesteld
met het genus Siteroptes (Pygmephorus Kramer 1877.). —
De soorten van dit genus zuigen plantensappen, waardoor
zij voor onze kultuurgewassen, vooral Gramineeën, soms zeer
schadelijk zijn. Spr. weet uit ervaring, dat iedere graan- of
grassoort hare eigene soort Siteroptes heeft; hij is ervan
overtuigd, dat Pediculopsis graminum Reuter 1907 (Reuter
had in alle geval graminisugus Hardy 1850 moeten schrijven)
een collectiefnaam is. — A merling was een goed kenner
van plantendeformaties. Hij beschrijft de gallen goed en,
waar hij in deze parasieten vond, gaf hij dezen eenen naam.
Helaas gaf hij in de meeste gevallen van den parasiet geene
beschrijving, zoodat al die namen, zoowel der genera als der
soorten nomina nuda zijn. Waarschijnlijk heeft men
om die reden later weinig notitie van zijne werken genomen.
En dat is jammer, want hij kende reeds de later berucht
geworden Acarapis woodi (Rennie 1921), die in bepaalde
gebieden sommige bijencultures totaal doet mislukken, en de
,, Weissährigkeit” der Gramineeén ! — Waar hij de inwoners
eener gal vergelijkt met ,,Seekälber , daar weet men met
zekerheid, dat de gal door een Phytoptus veroorzaakt werd ;
maar ook in zulke gevallen is de naam, die hij aan den ver-
wekker geeft, ongeldig. — Geheel anders is het geval, indien
hij van zulk eene ,,Milbe” (hij wist dus, dat het Acari
waren) eene afbeelding geeft. En die geeft hij van den
Siteroptes, die bij .Secale cereale de ,,Weissahrigkeit” ver-
oorzaakt, en aan den Therismoptes, die de graanplanten doet
omvallen. — De Internationale Regels der Nomenclatuur
verklaren deze namen geldig. — Nu kan men wel zeg-
gen: „ja, maar zijne afbeeldingen zijn te gebrekkig, om de
soort te herkennen”, waarop Spr. antwoordt: de soort
wordt bepaald door de gast (zooals wij boven reeds
zagen) ; dat alléén zou reeds voldoende zijn, maar boven-
dien : ook latere auteurs gaven onvoldoende afbeeldingen :
alle figuren van Kramer, Canestrini, Fanzago,
Berlese, Michael, Reuter, Nalepa en an
deren (!) zijn voor de tegenwoordige eischen onvoldoende.
5. Therismoptes Amerling III 1861. — Dit woord betee-
kent: beschadiger van den .oogst. En inderdaad,
de Therismoptes zuigt aan dát gedeelte van den halm, waar
de sikkel den halm doorsnijdt, dus aan het onderste, „ober
dem Rhizom”, „ober der Wurzel”. De beschadiging kan zóó
ernstig zijn, dat de halm omvalt. Amerling vermeldt uit-
drukkelijk, dat zij (Die Milbenkrankheit unserer Getreide-
arten, in: Lotos, voll: fa. 2, TIT 1861, p. 25) nicht ber
steingelb” (Siteroptes) „sondern weisslich blass waren und
VERSLAG. VII
ohne jene oben angeführten Halteren’” (pseudostigmatische
organen). Dan waren die diertjes ook geene Siteroptes (zoo-
als Spr. in het verslag der vorige wintervergadering meende,
1. c. p. VIII), maar Acari van een ander genus. Amerling
noemt het Therismoptes, welke naam geldig is, omdat
hij eene afbeelding geeft van „eine schimmelige Hautpartie
mit den Eiersäckchen” (2 2) „und T'herismoptes-Larven ;
gleich ober der Wurzel’. — Wij herkennen onmiddellijk
Tarsonemus-Larven ! Maar hij beeldt ze met 8 pooten af.
(Dat is meer voorgekomen: Miss Mantell beeldt de
larve van Petrobia latens (O. F. Müller 1776) (zie K.H.O.A.
III, C. p. 1075) en Kolenati de eerste afbeelding, die
hij van Otonyssus aurantiacus Klti. 1856 gaf, met 8 pooten
af; en Hermann beeldt zelfs een volwassen Trombidium
longipes met 10 pooten af (zie K.H.O.A. II. p. 328). Maar
deze afbeeldingen geven ons daarom nog niet het recht, de
namen, die aan de voorgestelde dieren gegeven werden, on-
geldig te verklaren, — Tarsonemus Canestrini & Fanzago
1876 valt dus als synoniem van Therismoptes Amerling III
1861. De familienaam Tarsonemidae Kramer 1877 wordt dus
Therismoptidae Oudms. 1938, en de groepnaam Tarsonemini
Can. & Fanz. 1877, die bovendien Italiaansch, geen Latijn
is, wordt vervangen door Heterostigmata Berlese 1897.
6. Acarus mori Rondani 1870. — Op de bladeren van
Morus vond Rondani een Acarus. Niemand weet, wat
voor dier dat is, daar, na Rondani, niemand moerbei-
bladen naar Acari onderzocht. De 14 millimeter metende
afbeelding is zeer geslaagd (zie Bull. Soc. ent. ital, v. 2. e.
1. f. 18.). Eene 3-maal vergroote fotografische reproductie
vertoont alle détails nu duidelijker. Spr. komt, per exclusio-
nem, tot de gevolgtrekking, dat het dier in geen enkele der
bekende families past, het naast aan Tydeidae verwant is
en derhalve zeer vermoedelijk bij de Stomatostigmata Oudms.
1906 thuis behoort. Spr. doopt haar Rondaniacarus mori
(Rondani 1870).
7. Trichadenus sericariae Rondani 1870. — Deze soort
werd op de cocons van Sericaria mori (L. 1758) gevonden ;
later ook aan de onderzijde der bladeren van Morus. Inder-
daad zijn deze Acari plantenparasieten, thuis behoorend in
het genus Pseudoleptus. Vergelijk de 3-maal vergroote foto-
graphische reproductie met de afbeelding van Stigmaeus |lo-
ridanus Banks 1915 (die eveneens een Pseudoleptus is, en
op Ananassa leeft. (U. S. Dept. Agric., Report 108 p. 36.
f. 47). — Pseudoleptus Bruyant 1911 is dus synoniem met
Trichadenus Rondani 1870.
8. Phytoptus Dujardin VII 1851. — Fr. Thomas pu-
bliceerde in Mei 1869 zijn „Ueber Phytoptus Duj. und”
&c. in het „Programm der Realschule und des Progymna-
siums in Ohrdruf", — Daarin vinden wij (p. 3) de volgende
Vill VERSLAG.
passages: „In dem Bericht über die Arbeiten der entomo-
logischen Section der schlesischen Gesellschaft fiir vater-
landische Kultur im Jahre 1850 findet sich eine Beobachtung
C. Th. v. Siebold’s, welche unsere Milbe betrifft. Der
genannte Forscher traf fast regelmässig zwischen den Haar-
auswiichsen der Erineen... die von Turpin und Dugés
abgebildeten Milben, welche er mit dem Namen Eriophyes
belegte. v. Siebold gibt eine kurze, treffende Beschrei-
bung des Thieres’, ... &c. En, een eind verder : „Der v. Sie-
bold'sche Name Eriophyes hat ohne Zweifel das Recht
der Priorität’. — Waarschijnlijk heeft Nalepa, de onna-
volgbare beoefenaar der Phytoptidae, niet vöör 1897 deze
passages onder de oogen gehad, althans in Maart 1898 vinden
wij voor het eerst den naam Eriophyidae door hem gebruikt.
(Zool. Jahrbü., Abth. System. &c., v. 11. p. 405). — Waar-
schijnlijk heeft Nalepa niet het door Thomas geci-
teerde „Bericht ter hand genomen, want dan zoude hij in
zijn werk „Eriophyidae (Phytoptidae)"” (Das Tierreich, fa.
4. p. 5) niet geschreven hebben: „1850 Eriophyes C. Th.
v. Siebold.” — Immers, de titel van het door Thomas
geciteerde werk luidt: „Bericht … Kultur im Jahre 1850”.
Dat wijst er reeds op, dat dit werk niet in 1850, maar op
zijn vroegst in 1851 verscheen. De vraag is nu: vóór
of na Juli 1851? — Raadplegen wij nu genoemd ‚Bericht.
Op p. 17 vindt men „Bericht über die Thatigkeit der allge-
meinen naturwissenschaftlichen Section der schlesischen Ge-
sellschaft in 1851”. En op p. 45 lezen wij in eene noot:
„Vergleiche Monatschrift der Berliner Akademie 1850 und
1851.” — Deze twee passages zijn voldoende om te bewijzen,
dat von Siebold's mededeelingen, die eerst op
p. 68 beginnen, niet vóór Febr. 1852 kunnen versche-
nen zijn. — Eriophyes von Siebold II (of III?) 1852 heeft
dus niet de prioriteit boven Phytoptus Dujardin VII 1851.
(Zie Intern. Regeln d. zool. Nomenclatur, Art 25a.). — lets,
wat in eene vergadering mondeling medegedeeld wordt, is
geene „Veröffentlichung” of Publication” vóór het ge-
drukt en in den handel verkrijgbaar is ge-
steld.
9. Otonyssus Kolenati 1856 en Trombicula Berlese 1905
werden door Spr. in zijn K.H.O.A. III. D. p. 1363 op schijn-
baar goede gronden bij elkander gevoegd, of, wil men, als
synoniem verklaard. Spr. ziet thans in, dat hij eene drog-
reden gebruikte.
a. Otonyssus Kolenati 1856. — De naam zegt het reeds :
Kolenati vond deze dieren aan de ooren der Chiropte-
ra. Zij komen ook op het patagium voor. Het is gebleken, dat
zij Larvae van Trombidides Leach 1815 zijn. Nog geen acaro-
loog heeft zich de moeite getroost, uit deze Larvae Nymphae
te kweeken, en uit die Nymphae Adulti. Het is mogelijk, dat
VERSLAG. IX
de Adulti in de vrije natuur leven : het is bekend, dat eenige
Adulti boomen beklimmen. Het is mogelijk, dat eenige be-
paalde soorten dat alleen doen om in de nesten der Chirop-
tera eieren te leggen. In dat geval zouden die Adulti tot de
genera Microtrombidium Haller 1882 of Enemothrombium
Berlese VII 1910 kunnen behooren. Maar het is 66k moge-
lijk, dat de nog onbekende Adulti de nesten of slaapgelegen-
heden der Chiroptera niet verlaten en een betrekkelijk kort
leven leiden. Nog vreemder is het, dat de in grotten levende
Chiroptera dikwijls massa's Otonyssus dragen. De Adulti
leven dan hoogst waarschijnlijk op den bodem dezer grotten
van roof. En toch heeft men nog nooit Trombidides vrij
levend in grotten aangetroffen. Wij staan hier nog voor een
probleem. Aan jongeren dit op te lossen.
b. Trombicula Berlese VII 1910. — Er zijn reeds eenige
Adulti bekend. Door Hirst is aangetoond (Annals applied
Biology, v. 13. fa. 1. Febr. 1926. p. 140= 143), dat de be-
kende „Leptus autumnalis’' (Shaw 1790) de Larva van eene
Trombicula is. Ook is het al eenige malen voorgekomen, dat
volwassen Trombicula uit akkeraarde te voorschijn kwamen.
Deze sterk behaarde, teere, wit-rose getinte diertjes leven
dus subterraan. Nu is het gewoonte geworden, op
vogels en zoogdieren parasiteerende Larvae Trombicula-zoo-
en-zoo te noemen, zonder dat men de Nymphae of de Adulti
kent. Het spreekt van zelf, dat men zich hier op gevaarlijk
terrein begeeft. Er zijn reeds eenige tientallen van zulke
Larvae bekend, en het is zeer waarschijnlijk, dat vele daar-
van niet tot het genus Trombicula behooren.
10. Coelognathus infestans (Berl. 1884). — Grimm,
Beiträge zur Lehre von der Fortpflanzung und Entwickelung
der Arthropoden, II, Entwickelingsgeschichte von Tyrogly-
phus siro, in Mém. Acad. imp. Sci. St. Petersb., s. 7. v. 17.
fa. 12 et. dernier (paru I 1872). — Dit artikel wordt ver-
gezeld door eene plaat met 15 figuren, voorstellende 1 ei en
14 phasen van het zich daarin ontwikkelend embryo. Alle
eieren vertoonen eene gekorrelde schaal! — Grimm's
Tyroglyphus siro is dus niet de bekende 7. farinae (L. 1758),
waarvan de eieren volkomen glad zijn, maar Coelognathus
infestans (Berl. 1884).
11. Acaridina balaenarum van Beneden 1870. — Van
Beneden, Les Cétacés, leurs commensaux et leurs para-
sites, in: Bull. Acad. roy. Sci. Lett., beaux-Arts Belg. s. 2.
v. 29. p. 353. — ‚Nous avons trouvé plusieurs individus
entre les Tubicinelles et les Cyames. Les nombreuses et lon-
gues soies qui recouvrent le corps sont plumeuses. Nous
nous proposons de les faire connaître en détail plus tard”. —
Tubicinella de Lamarck behoort tot de Coronulinae, eene
soort Zeepokken ; Cyamidae leven echter niet voor hun leven
vastgehecht, maar bewegen zich vrij op den walvisch ; beide
X VERSLAG.
behooren tot de Crustacea, Schaaldieren. De walvisch was
een der Zuidpoolzee : Balaena australis Desm. — De af-
beelding toont echter slechts weinige korte, gladde haren,
Van Beneden zal echter zeker niet met opzet de haren
zoo kort geteekend hebben ; wij nemen aan, dat de harer
zoo kort waren als door van Beneden geteekend is,
en dat wat wij thans — in vergelijking met andere Detriti-
colae Mégnin 1872 — kort noemen, voor den beroemden
Belgischen hoogleeraar lang was. — Sedert dien heeft
geen enkele acaroloog dergelijke diertjes onder de oogen
gehad. De afbeelding toont ons echter duidelijk eene der
Detriticolae, met scheidingslijn tusschen propodo- en hystero-
soma, met betrekkelijk lange, doch niet spits toeloopende
tarsi, en met schaarvormige mandibels. Zij behoorden dus
niet tot het genus Glycyphagus Hering 1838, zooals A n-
drew Murray meende (Economic Entomology, Aptera,
London, 1877, p. 282), maar tot de Tyroglyphidae Donna-
dieu 1868 sensu lato. — Uit de woorden „soies plumeuses”
kunnen wij niet opmaken, of de haren slechts enkele zijde-
lingsche takjes vertoonden, dan wel tamelijk dicht behaard
waren, zooals bij Glycyphagus bijna normaal is; maar waar-
schijnlijk was het eerste het geval, anders had van Bene-
den het wel in zijne afbeelding duidelijker aangegeven. —
De soort is het naast verwant aan eene ,,mealmite’, afge-
beeld in een artikel van Jacob Bell, The sugar-mite,
in: The pharmac. Journ., v. 10. fa. 8. II. 1851, p. 396. Deze
teekening is zóó goed, dat men aannemen moet, dat het
diertje er zoo uit zag. Dan was het ook een voor Spr. onbe-
kende Coelognathus Hessling 1852. Spr. noemt deze 2 Acari
dus Coelognathus balaenarum (v. Ben. 1872) en Coelognathus
belli nov. nom. — Belgische collega's, zoekt in van Be-
neden nagelaten manuskripten !
De heer Mac Gillavry vertoont een paar werkjes over
mieren, die bibliographische zeldzaamheden zijn :
Het eene is eene publicatie van Th. C. Jerdon, een
medicus in Engelsch-Indié, die daar ornithologische en en-
tomologische observaties maakte. Zijne eenige bijdrage op
entomologisch gebied is: „A Catalogue of the Species of
Ants found in Southern India”. Nu is het vertoonde boekje
niet eens het oorspronkelijke, in het „Madras Journal of Lite-
rature and Science 1851”, verschenen geschrift, maar slechts
het in 1854 in de Ann. and Mag. of Natural History ver-
schenen extract. Waarschijnlijk is dit een volledige herdruk,
al wordt het een „extract genoemd. Het boekwerk ontleent
echter zijne waarde daaraan, dat het het exemplaar van den
auteur zelf was, die er nog latere observaties en emendaties
aan toevoegde, en het met oorspronkelijke schetsteekeningen
versierde, Het exemplaar is later het eigendom geweest van
VERSLAG. XI
H.H. Godman Austen, die het op zijne beurt, in 1906,
aan H. Bingham ten geschenke gaf, getuige de daarin
geschreven opdracht.
Het tweede curiosum op Formiciden-gebied is een exem-
plaar van het zeldzame geschrift van Latreille: Essai sur
l'histoire des Fourmis de France, Brives, 1798. Behalve dat
het boekje zeer zeldzaam is, is het rondgaande exemplaar
voorzien van manuscript-correcties. Deze correcties zijn,
waar het schrift op wijst, wel van een tijdgenoot, en merk-
waardig wegens de nauwkeurigheid, waarmede hij alle slor-
digheden van stijl van den grooten Latreille verbetert;
een schoolmeester, die een proefwerk van een schooljongen
onder handen neemt, zou het hem niet kunnen verbeteren.
De naam van dezen criticus heeft Spr. niet kunnen uitvin-
den. Bezit door die toevoegingen het boekje meer dan het
behoorde te bevatten, aan den anderen kant geeft Hagen
op, dat het 50 + 2 pagina's groot moest zijn, en daar zijn
exemplaar slechts 50 pagina's bevat, intrigeert het Spr. zeer,
wat op die twee ontbrekende bladzijden zou kunnen staan.
Het is Spr. nog niet gelukt, een tweede exemplaar van dit
werk op te sporen, en dit is mede de reden van deze mede-
deeling, nl. omdat Spr. hoopt, door publicatie, zoo’n tweede
exemplaar ter inzage te kunnen krijgen. Op de slordigheid
van Latreille, bij het haastige publiceeren, maakt ook
J. Duncan attent, in zijne biographie van Latreille
in het deeltje „Exotic Moths” 1841, van Jardine's Natura-
lists Library. Deze aardige biographie is, zoowel door
Hagen als door Horn, vergeten te vermelden. Uit de
opdracht „a mon jeune élève Charles”, blijkt dat Latreil-
le reeds in 1798 met zijne oogen sukkelde, en zich daarom
bij zijne onderzoekingen door den toen tienjarigen Charles
moest laten helpen. Wie die Charles was, vond Spr. niet
vermeld, maar hij acht het niet onmogelijk, dat het baron
de Walckenaer was, die met Latreille vermaag-
schapt was, en die ook later, toen hij in 1835 voorzitter van
de Société entomologique de France was, zijn familielid
Latreille herdacht. Dit geschiedde, toen Latreille's
aangenomen kinderen aan de Société diens bronzen buste
vereerden, Toch moet Walckenaer in 1798 reeds 16
of 17 jaar oud geweest zijn, maar het is mogelijk, dat de
excursies, waar Latreille op doelde, en die de grond- ©
slag voor zijn mierenboekje vormden, reeds eenige jaren
terug lagen, vóór de publicatie. In zijne biographiën wordt
wel steeds op den slechten gezondheidstoestand van La-
treille gewezen, maar niet vermeld, dat dit ook speciaal
op zijne oogen sloeg. Hij deelde dus eenigszins het lot van
Lamarck, die door Latreille zijn père adoptif ge-
noemd werd, en die later zelfs blind geworden is.
Dan laat Spr. rondgaan eene foto van een legsel van eene
XII VERSLAG.
Limnophilide. De heer Diakonoff was zoo vriendelijk,
deze foto te vervaardigen. Terwijl de meeste Trichoptera
hunne eieren of liever eiermassa’s in het water of vlak er
bij deponeeren, doen sommige o.a. de Limnophiliden, dit
veelal buiten het water, maar dan op takken of andere voor-
werpen er boven. Zoodra de larven zich uit de gelei uitwer-
ken, vallen zij dan in het water, om daar verder hunne ont-
wikkeling door te maken. In het geval, waarvan de foto
rondgaat, was de plaats van aanhechting op een hulstblad,
1,70 m boven het wateroppervlak, maar een meter daarvan
ter zijde. Hier zouden dus de larven een, voor hunne kleinte,
belangrijk langen weg af te leggen hebben gehad, om het
water te bereiken. Ofschoon deze legsels zeer gewoon moeten
zijn, worden zij zelden opgemerkt, en dit is de aanleiding
tot deze demonstratie. Er zijn nl. nog van vele soorten na-
dere waarnemingen gewenscht, al heeft Silfvenius
(Siltala) er reeds eene dikke monographie aan gewijd.
Juist dit legsel, gevormd als een bolsegment, lijkt Spr. toe,
nog niet beschreven te zijn, tenzij het identiek is aan het
door de Geer in zijne Mémoires beschreven en afge-
beelde legsel, in deel II, 1. (Tab. XIII, fig. 13—14). Het is,
in dit geval van de Geer, nog niet uitgemaakt, tot welke
soort dit legsel, of, zoo men wil, eierdrilpudding, behoort.
De heer Docters van Leeuwen vindt in deze waarneming
eene analogie met de wijze van eierleggen van sommige
Javaansche boomkikvorschen (Rhagophorus sp.). Ook hier-
bij worden de legsels vaak op geruimen afstand van het
water gedeponeerd. De uitgekomen larfjes worden daarna
door zware regens naar het water toe gespoeld.
De heer Geijskes, die het bedoelde legsel van den heer
MacGillavry heeft ontvangen, zegt, dat het naar zijne
meening afkomstig is van eene soort van het geslacht Lim-
nophilus, vermoedelijk L. marmoratus Curt.
Bij de Trichoptera vallen twee typen van eilegsels te onder-
scheiden : 1°. korstvormige, meestal afgelegd op steenen
(Rhyacophiliden) en 2°. geleiachtige bollen, afgezet op stee-
nen en planten (Limnophiliden). Spr. heeft deze ei-geleien,
van Stenophylax-soorten, geregeld gevonden in den nazomer
langs Jura-beken in Zwitserland, aan en onder watervalletjes.
Hieruit kropen de larven na eenigen tijd te voorschijn, en
vielen dan direct in het water.
Betreffende het afzetten van legsels van waterinsecten
buiten het ,,Wasserbezirk” kan Spr. wijzen op het feit, dat
Lestes viridis v. d. L., de eenige Odonaat, die hare eieren
in over het water hangende takken afzet, zich ook niet altijd
precies aan het wateroppervlak houdt. In dat geval vallen
de uitgekomen larfjes op het droge, en niet in het water. Deze
diertjes zijn echter zeer beweeglijk, en kunnen het ook in
eene droge ruimte vrij lang uithouden, Aldus bereiken vele
VERSLAG. XIII
op het droge gevallen larfjes ten slotte toch het water, waarin
zij terecht moeten komen om zich verder te ontwikkelen.
Mogelijk komt eene dergelijke beweeglijkheid bij jonge Tri-
choptera-larven ook voor, zoodat de larven, komende uit
eieren, die iets van den waterkant af afgezet zijn, niet steeds
behoeven te gronde te gaan.
De Heer Docters van Leeuwen spreekt over het legappa-
raat van de galmuggen, waarvan slechts weinig bekend is.
Eene eigenlijke legboor, zooals die o.a. bij de Cynipiden
voorkomt, bezitten de galmuggen niet. Het legapparaat van
deze dieren wordt uit de twee laatste achterlijfssegmenten
gevormd. Eene samenvatting over hetgeen over den bouw
van dit apparaat bekend is, vindt men in eene beschrijving
van Verhoeff, die verschenen is in het groote gallenwerk
van Ruebsaamen (Cecidomyiden, allgemeiner Teil, 1925,
p. 23 e.v.). In dit artikel wordt eene beschrijving gegeven
van den bouw van het legapparaat van die galmuggen, die
hare eieren op plantenorganen leggen, of ze tusschen jonge
organen inschuiven. Vooral in het laatste geval zijn de beide
laatste segmenten van het abdomen sterk verlengd en uit-
stulpbaar. Er bestaan echter ook galmuggen, hoewel zeld-
zamer, die hare eieren in een plantenorgaan leggen. Van den
bouw van het legapparaat van deze dieren is vrijwel niets
bekend. Het komt voor bij vertegenwoordigers van de ge-
slachten : Asphondylia, Schizomyia, Cystiphora en Monar-
thropalpus. Over het eierleggen van deze dieren heeft Spr.
geene mededeelingen kunnen vinden.
Eene Javaansche galmug, die door Felt als Asphondylia
bursaria beschreven is, vormt gallen op de stengels van Sym-
plocos fasciculata Zoll. Op de zomervergadering in Assen,
in 1922 gehouden, heeft Spr. eene korte schets gegeven van
de gal en het leven van de galmug. In den laatsten tijd is
hij bezig geweest, de ontwikkeling van deze gal wat meer
uitvoerig te onderzoeken en daarbij heeft hij ook zijne aan-
dacht moeten vestigen op den bouw van het legapparaat.
Deze galmug legt namelijk haar ei in eene holte, die zij in
een jongen stengeltop maakt. In verband met deze wijze van
leggen is het laatste lichaamssegment in eene scherpe naald
veranderd. Het voorlaatste segment is zakvormig, langer dan
breed. Dit segment is 1.1 mm lang, de stekel 1.2 mm. In rust
zijn beide in het abdomen verborgen, maar bij het leggen
ziet men eene lange, gele blaas te voorschijn komen, en aan
het einde daarvan, in eene trechtervormige holte, is de leg-
stekel vastgehecht. De blaas is dunwandig, met fijne chitine-
versterkingen ; de naald is donker zwart, slechts 20—25 u
op doorsnede, aan het einde iets verbreed toegespitst.
Het ei van deze galmug is spoelvormig ; de beide einden
zijn versmald, en eindigen met een afgeronden top. Het ei
XIV VERSLAG.
is + 260 u lang en in het midden + 80 u breed. Daar de
doorsnede van de legstekel veel nauwer is, moet het ei bij het
passeeren sterk in de lengte worden uitgerekt. De doorsnede
van het lumen van den stekel is ongeveer 8 u, en het ei zou
dus minstens 10 maal moeten kunnen worden verlengd. Dit
is nauwelijks aan te nemen.
De oplossing van het raadsel moet waarschijnlijk in andere
richting gezocht worden. Het ei heeft twee wanden, een
dunnen binnensten en een dikkeren buitensten. Aan het
dunne einde is in den buitenwand eene nauwe opening, als
eene micropyle, en ook in rust puilt de inhoud van het ei,
omgeven door den binnenwand, als een klein blaasje buiten
de dikke schaal uit. Heeft men het ei onder een dekglas en
drukt men daarop, dan wordt dit blaasje grooter, om weer
kleiner te worden, wanneer de druk ophoudt.
Bij galwespen geschiedt het eierleggen, zooals o.a. door
Beijerinck is aangetoond, op de volgende wijze: Het
ei bestaat uit het eigenlijke ei en een dunnen steel. Wanneer
het ei tegen de opening van de legboor aankomt, vloeit de
inhoud van het ei in den steel. Het geplooide ei wordt nu
door de legboor geperst en als het aan het einde daarvan
gekomen is, vloeit de inhoud weer uit den steel in het ei
terug, waarna de steel door de legboor wordt getrokken.
Spr. meent reden te hebben, te vermoeden, dat iets der-
gelijks ook bij deze galmug en wellicht eveneens bij andere
soorten geschiedt. Wanneer het ei tegen den legstekel aan-
komt, zou de inhoud door de micropyle uitvloeien, omgeven
door den dunnen binnenwand. Het ei zal dan gemakkelijk
door den stekel kunnen gaan, en als het aan het einde ge-
komen is, kan de inhoud weer in het ei terugvloeien. Waar-
genomen is dit echter niet en Spr. vreest, dat het ook wel
niet gemakkelijk waargenomen zal kunnen worden.
De heer Leefmans merkt naar aanleiding dezer mededee-
ling op, dat bij de galmug Contarinia torquens de Meij. de
legbuis telescopisch gevormd is. Onmiddellijk na het uitkomen
is de legbuis geheel uitgestulpt. In rust reikt zij tot vrij ver
naar voren in het abdomen. Zij wordt gebruikt, om de eieren
tusschen de jonge blaadjes in te schuiven, en is ongeschikt
om in het weefsel te boren. Spr. gelooft ook eerder aan uit-
stulping.
Het door den heer Docters van Leeuwen hier-
boven beschreven mechanisme doet Spr. denken aan iets bij
het ei van Contarinia torquens. Dit is nl. van eene soort
steeltje voorzien, en wel vöör het leggen. De vraag komt
dus op, of dit steeltje niet eene dergelijke beteekenis heeft,
nl. als reservoir, om een deel van den inhoud van het ei
tijdelijk op te nemen. Spr. zal trachten, dit nader na te gaan.
De heer Bernet Kempers laat rondgaan afbeeldingen van
de monddeelen van een paar onlangs door hem uit bosch-
VERSLAG. XV
aarde gezeefde larven, en wel vermoedelijk van een Cercyon
en van Nargus; voor de determinatie heeft hij gebruik ge-
maakt van de tabellen van A. Böving. Daarbij worden
gevoegd de afbeeldingen der monddeelen van de volwassen
insecten dier soorten.
De larve Cercyon is pootloos, vuil geel, zonder eenige
teekening. De antenne is 3-ledig ; naast het 3e lid is een
nevenlid, feitelijk een vliezig blaasje; aan den top van het
3e lid zijn eenige borstelharen, waarvan één duidelijk langer
dan de overige. De voorkaken zijn geheel verschillend ge-
vormd : rechts heeft een grijptand in het midden van den
binnenkant, die links ontbreekt. De achterkaak heeft 3 taster-
leedjes, geplaatst op een tasterdrager, waaraan eene lob
(galea) te herkennen is. De stam is zeer groot en breed,
bewimperd en voorzien van eenige stevige tanden aan de
basis. De tong is puntig, behaard en hoog uitstekend boven
de inplanting der zeer kleine tweeledige liptasters.
Larven van Cercyon litoralis werden beschreven door
Schiödteen Thomson, van C. analis door Schiöd-
Hem zie verts):
Met de monddeelen van het volwassen insect bestaat
geenerlei overeenkomst.
De larve van Nargus, in ieder geval van een diertje, be-
hoorende tot de Cholevinae, is geheel anders gevormd ; deze
is lang en smal, zwart aan de bovenzijde, grijs aan de onder-
zijde, met goed ontwikkelde pooten, opvallend groote an-
tennen en lange urogomphi, aan de zijkanten van het lichaam
met naar het uiteinde verbreede borstelharen ; het verschil
is dus zeer opvallend. De antenne is weliswaar 3-ledig en
is in het bezit van een bijleedje, maar het tweede lid is naar
verhouding veel langer en smal, en voorzien van lange, uit-
staande borstelharen. De voorkaken, hoewel onderling ver-
schillend, zijn aan den top gespleten, bezitten eene kauw-
plaat, en in het midden van de insnijding aan den binnen-
kant, een vliezig uitsteeksel, dat geenszins te vergelijken is
met een grijptand. De achterkaak heeft een drieledigen taster,
geheel anders geplaatst dan! bij de vorige soort; de kaak-
lobben zijn alleen aan den top zichtbaar; de galea is vliezig
en tweeledig, aan den rand bewimperd, waarbij de wimpers
tegen elkaar aansluiten als bij een vogelveer. De lacinia is
aan den top van lange tanden voorzien. De tong is vliezig,
aan den top golvend gebogen, en voorzien van lange haar-
tjes. De liptasters zijn 2-ledig. De bovenlip is naar voren
rond, voorzien van regelmatig geplaatste lange borstelharen
en korte doorntjes.
Het volwassen insect vertoont met de larve in de mond-
deelen, wel meer overeenkomst dan bij de vorige soort; het
verschil is echter nog zeer groot.
Opgemerkt wordt, dat de Cholevinae door Everts tot
XVI VERSLAG.
de Silphidae, door Böving, op grond van de larven, ge-
bracht worden tot de Anisotomidae, een resultaat, waartoe
Spr. in 1923 reeds gekomen was, op grond van zijne vleugel-
onderzoekingen. (Zie Entomologische Mitteilungen XIII,
1924, p. 50).
De heer van Wisselingh vertoont een aantal, door hem
in 1937 gevangen Lepidoptera, en doet hieromtrent eenige
mededeelingen.
Over het algemeen is het jaar 1937 voor de vangst zeer
ongunstig geweest. Niet alleen waren door het geringe aan-
tal zonnige dagen de vangsten overdag slecht, ook het aantal
voor de vangst geschikte avonden was gering, ten gevolge
waarvan zoowel op stroop als op licht niet alleen het aantal
aangetroffen exemplaren, maar ook het aantal soorten be-
langrijk bleef beneden de gemiddelden van andere jaren.
Niettegenstaande de ongunstige omstandigheden kwam
Spr. toch een aantal interessante soorten tegen: Op 29 Mei
vond hij tegen een straatlantaarn te Vogelenzang een exem-
plaar van Hydrilla palustris Hb., eene soort, die nog slechts
eenige jaren als inlandsch bekend is, en welke in de duin-
streek nog niet was aangetroffen. Op 5 Juni ving Spr. te
Heemstede Phragmataecia castanea Hb. en te Zandvoort een
exemplaar van Caradrina selini B., en op 12 Juni twee stuks
van laatstgenoemde soort op stroop bij Venlo. Deze soort,
waarvan het voorkomen in Nederland nog slechts korten tijd
bekend is, schijnt minder zeldzaam te zijn, dan werd ver-
moed. Van 13—20 Juni vertoefde Spr. te Epen in Zuid-
Limburg ; het weer was toen buitengewoon slecht, iederen
dag regen en wind, en koude, gure avonden. De eenige
mogelijkheid om nog iets te vinden bestond in het afzoeken
van boomstammen, waartoe vooral het Bovenste Bosch bij
Epen en het Kerpersbosch bij Holset ruimschoots gelegen-
heid bieden. Dit zoeken leverde een groot aantal Tephro-
clystia-soorten op, waaronder eenige zeer zeldzame, nl.
Tephroclystia togata Hb., eene van onze grootste Tephro-
clystia's, die nog slechts eene enkele maal in ons land is aan-
getroffen ; Tephroclystia abietaria Goeze en een zestal exem-
plaren van de een paar jaar geleden door de keeren Col-
dewey en Scholte als inlandsch ontdekte Tephroclystia
lariciata Frr. De laatste, overigens weinig sprekende soort,
is dadelijk te herkennen aan een wit schildje op den thorax.
Alle drie soorten werden in het Bovenste Bosch gevonden.
Begin September bracht Spr. wederom eene week in Epen
door, thans bij zonnig weer overdag, doch de avonden, waarop
men in dezen tijd van het jaar is aangewezen, waren koel,
zoodat de vangsten op stroop en licht gering waren. De beste
vangsten waren een exemplaar van Agrotis agathina Dup. en
vier exemplaren van Cirrhoedia xerampelina Hb.
VERSLAG. XVII
Op 1 Augustus is Spr. van Heemstede naar Wassenaar
verhuisd, waar zijn huis vrij uitzicht heeft op de duinen en
de bosschen van Duynrell, zoodat dit zich goed voor de licht-
vangst leent. Uit de resultaten van de tweede helft van het
ongunstige jaar 1937 meent Spr. te mogen afleiden, hier in
volgende jaren goede vangsten te kunnen doen. De belang-
rijkste hier in 1937 op licht gevangen soorten waren : Twee
exemplaren van de door den heer Lempke in het tweede
deel van den onlangs verschenen catalogus der Nederland-
sche Macrolepidoptera als nov. ab. beschreven aberratie
nigrescens van het & van Cosmotriche potatoria L. op 1 en 8
Augustus. Deze aberratie is op enkele plaatsen in ons land
aangetroffen, doch tot nu toe niet in de duinen. Eenige exem-
plaren van Acidalia marginepunctata Goeze tusschen 11 en
18 Augustus. Een bijna geheel donker bestoven exemplaar
van Nonagria sparganü Esp. Op de voorvleugels is alleen
in eene veeg langs de middenader en in eene veeg langs den
binnenrand de grondkleur behouden. Spr. heeft deze varië-
teit nergens beschreven gevonden. Op 13 en op 16 Aug.
ving Spr. twee abnormaal kleine exemplaren van Plusia
gamma L. Zij hadden eene vlucht van 29 en 32 mm tegenover
ongeveer 40 mm normaal. Op 14 October vingt Spr. een
exemplaar van Spilosoma menthastri Esp. Deze soort vliegt in
Mei en Juni, zoodat het gevangen exemplaar tot eene tweede
generatie moet behooren, waarvan het voorkomen in Neder-
land hem niet bekend was. Ten slotte kwam op 27 October
een zeer licht gekleurd exemplaar van de nog pas sinds eenige
jaren als inlandsch bekende Larentia autumnata Bkh. op de
lamp.
De heer Polak vermeldt, dat bij het tweetal soorten rup-
sen, Euproctis chrysorrhoea L. en Malacosoma neustria L.,
die de Amsterdamsche boomen gedurende de laatste jaren in
steeds sterkere mate hebben geteisterd, zich eene derde heeft
gevoegd : Lymantria dispar L. Zeer merkbare schade heeft zij
nog niet aangericht, maar het is te vreezen, dat ook van hare
verwoestingen het geboomte in onze hoofdstad binnenkort zal
hebben te lijden. Want in den afgeloopen zomer konden de
rupsen en de vlinders er in aantal worden opgemerkt, en
op het oogenblik dragen verscheidene boomstammen er de
welbekende eierschooltjes.
Nimmer heeft Spr. in de kleine halve eeuw, die hij in Am-
sterdam woont, de rupsen er in zoo sterke mate de boomen
zien beschadigen, als in den afgeloopen zomer. En tot voor
enkele jaren was het slechts ééne soort, die nu en dan scha-
delijk optrad : Malacosoma neustria L. Ongeveer zeven ja-
ren geleden deed Euproctis chrysorrhoea L. langs den Am-
stelveenschen weg en het Vondelpark hare intrede. Toen zou
het een gemakkelijk werk zijn geweest, de plaag af te weren,
XVIII VERSLAG.
zooals omstreeks 1880 is geschied. Wij lezen in Dr. J. Th.
Oudemans, Nederlandsche Insecten, dat toen de Amster-
damsche boomen zijn gezuiverd door de winternesten weg
te knippen. Nu de soort tot in het hartje van de stad is door-
gedrongen, zal het onschadelijk maken van de nesten een
veel omvangrijker werk zijn.
Malacosoma neustria L. heeft zich nu te Amsterdam zoo
sterk vermeerderd, als zelden of nimmer te voren. De ont-
bladerde boomen langs de grachten waren in den zomer van
1937 beschamend voor de hoofdstad van het land van Lee u-
wenhoek en van Swammerdam. In de jaren vóór den
oorlog bestreed men de rupsen door de eierringen in den win-
ter weg te knippen. En hierdoor gelukte het dan, de schade
tot staan te brengen.
Maar in de laatste jaren heeft men minder doeltreffende
middelen aangewend. Door middel van brandspuiten joeg men
krachtige waterstralen door de kruinen der boomen, om de
rupsen te doen vallen. Dit had weinig of geen succes, door-
dat de meest gezonde rupsen gespaard bleven en men boven-
dien slechts een klein gedeelte van de Amsterdamsche boo-
men kon bewerken.
Deze wijze van bestrijding werd dan ook verlaten, en in
den zomer van 1937 is men begonnen met het verstuiven van
Derris. Ook hiervan zal, naar Spr. meent, geen gunstig resul-
taat zijn te verwachten, afgezien van de vraag, of de rupsen
tegen Derris meer of minder resistent zijn. Als de rupsen in
de spinsels zitten, worden zij door de Derris meestal niet
getroffen, zoodat eene herhaalde bestuiving noodig zou zijn.
Bij regenachtig of winderig weer blijft het poeder niet in de
kruinen der boomen hangen. De kwaal heeft in den loop der
laatste jaren zulk een omvang gekregen, dat men nagenoeg
alle Amsterdamsche boomen zou moeten bewerken, wat niet
alleen zeer kostbaar zou zijn, maar ook vrijwel onmogelijk
is, doordat men de stadstuinen en de andere particuliere ter-
reinen niet kan bereiken. En juist hier zou eene zuivering
noodwendig zijn. Want Spr. heeft gezien, dat in buurten,
waar van schade in de boomen langs de straat nog niet veel
was te zien, in de stadstuinen door den basterdsatijnvlinder
eene ware ravage werd aangericht. De pereboomen in die
tuinen schijnen eene attractie voor die soort te zijn. Boven-
dien kon men de vlinders als sneeuwvlokken ‘s avonds in die
schijnbaar intacte buurten om de lantaarns zien dwarrelen.
Ons entomologen zou eene intense derris-bestuiving te
Amsterdam aan het hart gaan. Waarschijnlijk zouden eenige
onschadelijke soorten, die het natuurleven in de stad ver-
tegenwoordigen, getroffen worden. Spr. noemt bijv. de op
iepen levende Vanessa polychloros L., Dilina tiliae L., Abra-
xas sylvata Sc. en Ennomos autumnaria Wernb. Opmerkelijk
is het, dat D. tiliae te Amsterdam in stand blijft, daar de rups
VERSLAG. XIX
slechts een enkele decimeters breeden ring aarde aan den
voet van den stam ter beschikking heeft, om er in te kun-
nen verpoppen. En ieder jaar ziet Spr. in het hartje der stad
de versch uitgekomen vlinders tegen de stammen.
De naar Spr. s meening meest doeltreffende en minst kost-
bare bestrijding is de biologische, waarover hij op onze jong-
ste zomervergadering heeft gesproken. „Artis en omgeving,
die bij vroegere rupsenplagen steeds in sterke mate hadden te
lijden, zijn sedert men de sterke vermeerdering van Tele-
nomus sp. in de hand heeft gewerkt, vrij van M. neustria L.
gebleven.
De heer Diakonoff merkt op, dat, voor zoo verre hij kon
nagaan, de ringelrupsen, zelfs reeds in zeer jonge stadia, niet
binnen, doch buitenop het gemeenschappelijke spinsel
zitten, ook tijdens het vervellen. Wat het hechtvermogen
van het Derris-stuifmengsel aan de bladeren der boomen
betreft, dit is zeer aanzienlijk ; bovendien heeft men binnen
in de stad niet zoo veel last van wind, die het poeder zou
doen wegwaaien. Derris-bestuiving kost natuurlijk geld,
doch is niet duurder dan wegknippen van eierringen, dat
zeer veel tijd vergt.
De bestrijding van de ringelrups in den zomer is in 1937
in het biologisch laboratorium van de Afdeeling Handels-
museum van het Koloniaal Instituut gecontroleerd, door in
de stad bestoven naast onbestoven rupsen eene maand lang
voort te kweeken. De resultaten zijn in het bezit van de
Rupsen-Bestrijdingscommissie, en zullen verder in het kort
in de jaarmededeeling „Inlichtingen en onderzoekingen van
de Afd. Handelsmuseum in 1937” worden samengevat. Zij
zijn geheel anders dan de heer Polak gezegd heeft, al is
de bestrijding, door bijkomstige omstandigheden, op rupsen
in ouder, dus minder gevoelig, stadium toegepast. Het per-
centage nl. der rupsen, gestorven vóór de verpopping, was
aanzienlijk ; nog opvallender was het lage percentage vlin-
ders, dat ten slotte uit bestoven rupsen te voorschijn is ge-
komen, in tegenstelling met het percentage vlinders uit niet
bestoven rupsen.
Ten slotte wil Spr. de aandacht erop vestigen, dat bij de-
ze kweek zeer weinig rupsparasieten te voorschijn zijn ge-
komen: slechts 1—2% der rupsen bleek te zijn geparasi-
teerd ; het waren alleen Tachiniden ; sluipwespen zijn in het
geheel niet aangetroffen. Dit wijst, naar Spr. meent, op eene
armoede aan rupsparasieten in de stad, hetgeen tevens eene
verklaring kan zijn voor de intensiteit der plaag. Wat de na-
deelen van de bestrijding der rupsen met Derris voor de nut-
tige parasieten betreft, een gevaar, waarop door den heer
Polak herhaaldelijk is gewezen, zoo verschijnen de eipara-
sieten van de ringelrups, die dan toch, bij gebreke aan rups-
parasieten, het nuttige werk moeten verrichten, pas eene
XX VERSLAG.
maand nadat de laatste bestrijding heeft plaatsgevonden,
zooals den heer Barendrecht is gebleken.
De heer Schoevers zegt, dat de bestrijding der ringelrup-
sen te Amsterdam niet is gericht op uitroeiing, maar op voor-
kömen van den overlast langs de openbare wegen. Het is
in den afgeloopen zomer overtuigend gebleken, dat dit door
bestuiving met Derrispoeder, mits tjdig begonnen
wordt, en eenige flinke motorverstuivers beschikbaar zijn,
zeer goed mogelijk is. De uit Duitschland bestelde, krach-
tige verstuiver kwam te laat, zoodat ten slotte de motor van
den Plantenziektenkundigen Dienst werd gebruikt. Spr. laat
eenige, door het Koloniaal Instituut genomen foto's circu-
leeren, waarop duidelijk te zien is, hoe goed het poeder
overal door de boomen stoof, tot in den top toe. De Ge-
meentereiniging is er in geslaagd, een harer electrisch ge-
dreven zuigpompen te verbouwen tot een poederverstuiver,
die uitstekend werkte. Misschien zal nog wel zulk eene pomp
verbouwd worden; in dat geval staan in 1938 drie flinke,
snelwerkende machines ter beschikking, zoodat, daar het
bestuiven van een boom slechts 5 minuten vordert, dan per
dag 600 boomen behandeld zullen kunnen worden. In zeer
korten tijd kunnen dan dus vrij zeker alle straten en grachten,
waar de plaag overlast dreigt te gaan veroorzaken, be-
handeld worden. Immers niet alle boomen in Amsterdam wor-
den aangetast; slechts in eenige complexen neemt de plaag
ernstige afmetingen aan. Spr. geeft den heer Polak overi-
gens de verzekering, dat de door dezen genoemde punten
de volle aandacht hebben van de „Commissie ter bestudee-
ring van middelen tot bestrijding van de rupsenplaag in
Amsterdam’, waarin Spr. zelf zitting heeft.
De heer Leefmans zou, na beide partijen inzake de ringel-
rupsbestrijding te hebben gehoord, gaarne een en ander
willen opmerken, dat er wellicht toe kan bijdragen, de uit-
eenloopende gezichtspunten nader tot elkaar te brengen. In
de eerste plaats moet hij opmerken, dat het niet aangaat,
het niet gelukken van de ringelrupsenbestrijding in Amster-
dam op het debet der toegepast-werkende entomologen te
brengen, daar dezen bij het uitvoeren der noodige maat-
regelen afhankelijk zijn van anderen. Aan de bestrijding in
Amsterdam ligt eene degelijke studie op het Koloniaal In-
stituut ten grondslag. De jonge ringelrupsen zijn gevoelig
voor derris, dat staat vast. Echter is de bestrijding te laat
toegepast, wat aan allerlei omstandigheden te wijten is, bui-
ten de onderzoekers op het Koloniaal Instituut, o.a. dat ook
blijkbaar de medewerking van de zijde der Gemeente te wen-
schen heeft overgelaten. Naar aanleiding van hetgeen de
heer Schoevers betreffende de motorverstuivers zegt,
merkt Spr. op, dat in Indië deze verstuivers zeer voldaan
hebben, en nog voldoen. Zij worden nog steeds met succes
bij de Brachartona-bestrijding gebruikt.
VERSLAG, XXI
Wat de argumenten van den heer Polak aangaat, meent
Spr. ‚dat het argument van dezen spreker niet mag verwaar-
loosd worden, dat, indien de grachten van ringelrupsen
worden gezuiverd, er toch altijd nog de tuinen achter de
huizen als infectiebron blijven bestaan. Aan deze infectiebron
dient dus voldoende aandacht te worden besteed. Als Spr.
het goed begrepen heeft, wil de heer Polak aldaar de
haarden bestrijden door parasieten. Of dat mogelijk is, kan
Spr. niet beoordeelen.
De heer Uyttenboogaart zegt, dat men z.i. in deze materie
dient uit te gaan van den regel, dat men de eene methode
moet toepassen, zonder daarom de andere na te laten. Zoo
lang de overheid niet bereid is, de besmettingshaarden op
particuliere terreinen kosteloos met derris te bestrijden, acht
Spr. de toepassing van de biologische methode daarnaast
wenschelijk, omdat daardoor tegelijk de plaag op particuliere
terreinen wordt bestreden. Men hoede zich voor eenzijdig-
heid en voor het berijden van stokpaardjes.
De heer Reclaire vraagt zich af, of Derrispreparaten zon-
der gevaar voor den mensch in eene groote stad verspoten
kunnen worden, daar Derrispoeder en Derrisextracten, naar
hem uit zijne praktijk bekend is, verre van onschadelijk zijn.
De heer Schoevers stelt daartegenover, dat de gevallen,
waarop de heer Reclaire doelt, zijn voorgekomen in fa-
brieken en werkplaatsen, waar vooreerst de Derriswortel
fijn verpoederd wordt, zoodat ook de mechanische prikkeling
van de slijmvliezen eene rol speelt, en verder de concentratie
der werkzame bestanddeelen zeer veel grooter is, dan bij de
toepassing van bestuiving of bespuiting ooit kan voorkomen.
Spr. heeft zelf meermalen een geheelen dag door zulke be-
stuivingswolken rondgeloopen, zonder er eenig nadeel van
te ondervinden. Alleen was na zoo'n dag het smaakgevoel
iets verminderd.
Ook de heer Diakonoff kan het bovenstaande, uit de jaren-
lange praktijk van het Koloniaal Instituut, ten volle be-
vestigen 1).
De heer Schoevers, die onverwachts verhinderd is geweest,
de vorige wintervergadering bij te wonen, heeft nu eigen-
lijk stof van twee jaar te bespreken, maar zal, met het oog
op den uitermate krap toegemeten tijd, zich moeten beperken
tot eenige grepen uit den rijken voorraad materiaal.
Daar velen der aanwezigen nog wel nooit sprinkhaan-
vreterij zullen hebben gezien anders dan op de film (b.v. in
1) Noot bij de correctie. Het spijt mij, dat ik de sprekers,
die na mij het woord hebben gevoerd over de Amsterdamsche rupsen-
plaag en hare bestrijding, niet onmiddellijk heb kunnen beantwoorden.
Ik heb mijne opmerkingen ingezonden voor de Entomologische Berichten.
R. A. Polak.
XXII VERSLAG.
de thans loopende film „De goede aarde’’) laat Spr. een ~
buisje rondgaan met eenige slaboonen, waaruit een exem-
plaar van de groote groene sabelsprinkhaan
(Locusta viridissima L.) in een minimum van tijd groote stuk-
ken heeft uitgevreten.
Daarna geeft hij een praeparaat en eenige foto's rond, be-
trekking hebbend op den graanloopkever, Zabrus te-
nebrioides Goeze. In 1936 werd voor het eerst met zekerheid
vreterij door dit insect in ons land geconstateerd, en wel aan
tarwe in Limburg. De overwinterde larven, die 20-30 cm
diepe gangen loodrecht in den grond graven, sabbelen des
nachts de blaadjes van jonge graanplantjes uit, en trekken
die in een kluwentje een eindje in de gang. De kevers vreten
in den zomer aan de melkrijpe korrels ; deze schade verzinkt
in het niet bij die, door de larven aangericht. Pogingen tot
bestrijding met maag- en contactgiften faalden. Vruchtwisse-
ling is het aangewezen middel om de schade zoo veel mo-
gelijk te voorkomen (Versl. ‘36, blz. 9) *).
In 1937 gaven andere loopkevers eenigen last, niet door
planten te beschadigen, maar door zich daarin te verschui-
len. In naar Engeland geëxporteerde slakroppen uit Venlo
vond nl. de Food Inspector te Hull kevers, behoorende tot
de soorten Calathus fuscipes Goeze en C. melanocephalus L.;
niet ten onrechte vond deze Inspector sla met kevers minder
geschikt voor menschelijke consumptie. Het werd noodig, de
sla van sommige velden, waarop de kevers nog al talrijk wa-
ren, vóór de verzending uit te schudden. Ofschoon een paar
maal uit het buitenland schade door C. fuscipes is vermeld,
aan aardbeien, granen en kiemende zaden, was van eenige
vreterij aan de sla niets te bespeuren.
Hoewel kortschildkevers, evenals loopkevers, meestal car-
nivoor zijn, zoo zijn er toch enkele soorten, die óók, of al-
leen, plantaardig voedsel gebruiken, zooals ook h. t. 1. voor
eenige Trogophloeus-soorten is vastgesteld. In 1936 was het
Oxytelus sculptus Grav., die:te Ter Aar alle jonge kom-
kommerplantjes van een kweeker opvrat. Bestuiving met
Derrispoeder met 34 % rotenon ‚die onmiddellijk werd uit-
gevoerd, doodde practisch alle kevers (Versl. '36, blz. 26).
Twee andere soorten werden eveneens ervan verdacht,
schade toe te brengen, en wel T'achinus subterraneus L. aan
jonge loten van Chrysanthemum-moeren te Hoorn en Oxy-
telus rugosus F. aan kiemende maiskorrels te Hengelo; het
is evenwel niet onomstootelijk vastgesteld, dat de kevers de
daders waren, al is de waarschijnlijkheid inderdaad groot.
Het zal zaak zijn, vooral de soorten van het geslacht Oxytelus
in het oog te houden. Steeds zijn het de imagines, die zich
aan de planten vergrijpen.
*) Deze aanduiding beteekent: Verslag van den Plantenziektenkundigen
Dienst over het jaar 1936.
VERSLAG. XXIII
Op tal van plaatsen werden weilanden ernstig geteisterd,
en gazons soms plaatselijk geheel vernield door engerlingen,
vooral die van den Junikever, Rhizotrogus solstitialis L.
en van het rozenkevertje, Phyllopertha horticola L.;
de Plantenziektenkundige Dienst is erin geslaagd, op het
voetspoor van buitenlandsche onderzoekers (wier opgaven
echter in enkele gevallen onjuist bleken), de meest voor-
komende engerlingsoorten, met behulp van de beharing der
onderzijde van het achterlijf, met zekerheid te determineeren.
Eene kaart met foto's en teekeningen der verschillende ach-
terlijven wordt rondgegeven. Waargenomen is nu, dat, in
tegenstelling met hetgeen in de literatuur vermeld wordt, de
engerlingen van het rozenkevertje in het voorjaar niet meer
vreten, hetgeen die van den Junikever wel doen. De heer
Ir. H. van Lookeren Campagne van den Planten-
ziektenkundigen Dienst“) observeerde te Lunteren de vlucht
van den Junikever gedurende eenige avonden Vrijwel klok-
slag 10 uur begonnen de eerste kevers te vliegen ; 5 minuten
later was de lucht er vol van. De vlucht duurde niet langer
dan een kwartier; daarna vielen de kevers weer op den
grond, waar de paring plaats had. Daarna kropen de kevers
weer in de vlieggaten in den grond, waarmede het gazon a.
h.w. doorzeefd was. Tot dusverre faalden alle geprobeerde
bestrijdingsmiddelen ; zelfs zwavelkoolstof, die vroeger wel
resultaat had gegeven, bleef ditmaal zonder uitwerking. De
reden hiervan is duister gebleven.
Van de zgn. haantjes of bladkevers verdienen
enkele soorten vermelding. Zoo Lema lichenis Voet (= cy-
anella Payk.) ; het was althans hoogstwaarschijnlijk de larve
van deze van granen bekende soort, die een veldje mais in
West-Overijssel, door het vreten van streepvormige venster-
tjes in de bladeren, zóó ernstig beschadigde, dat de groei en
de opbrengst er merkbaar onder leden. Dat dit van graan-
bladeren levende insect ook de mais niet versmaadt, is
overigens niet verwonderlijk, maar, daar eerst in de aller-
laatste jaren de mais op grootere schaal wordt verbouwd,
heeft het er niet eerder de kans toe gekregen.
Voor zoo ver Spr. weet, is voor het eerst in Nederland
beschadiging van aardbeien door de larven van Galerucella
tenella L. geconstateerd. Wel bereikten den P. D. reeds een
paar maal inzendingen uit België. De planten leden zeer
ernstig door de vreterij aan de bladeren, waarvan vaak niet
veel meer dan de nerven overbleef. In Augustus wemelde het
veldje van de kevers. Bestuiving met Derrispoeder, waarvoor
de haantjes en hunne larven zeer gevoelig zijn, zal onge-
twijfeld eene plaag onmiddellijk beëindigen.
Van meer belang is de Colorado-kever, Leptino-
*) In het Vervolg aangeduid met de letters P. D.
XXIV VERSLAG.
tarsa (= Doryphora) decemlineata Say. Wat reeds eenige
jaren verwacht en gevreesd werd, is in 1937 geschied : de
kever heeft, van België uit, onze grenzen overschreden. Te
Castenraay, Bakel en Baarlo werden haarden ontdekt; on-
middellijk is door den P. D. op grond van de wet ingegrepen
en getracht, de haarden uit te roeien. Of dit gelukt is, zal in
1938 moeten blijken. De P. D. tracht, door verspreiding van
brochures (Mededeelingen) en vlugschriften met gekleurde
plaatjes”), kaarten met modellen van de kevers en van de
larven, en sluitzegels, ‘alsmede door lezingen, het insect in
de Zuidelijke provincies algemeen bekend te maken, zoodat
ieder aardappelteler onmiddellijk zijne aanwezigheid zal kun-
nen vaststellen. Spr. laat voorbeelden van dit demonstratie-
materiaal rondgaan. Mocht het insect h. t. 1. ingeburgerd
geraken, zoo ziet Spr. daarin niet zoo zeer eene directe be-
dreiging van de aardappelcultuur, daar bestrijding met maag-
gif of Derris gemakkelijk uitvoerbaar is ; wel zullen de pro-
ductiekosten daardoor natuurlijk stijgen. Erger zijn echter
de belemmeringen van den handel, die van de aanwezigheid
van den Colorado-kever het gevolg zullen zijn. Er zijn staten,
die geen invoer van aardappelen of van bewortelde planten
toelaten van plaatsen, die minder dan 200 km verwijderd
zijn van de dichtstbijzijnde vindplaats van den kever ! Daar-
door is thans ons geheele land van export naar zulke staten
uitgesloten. Dit is natuurlijk dwaasheid, te meer nog, omdat
de kever alleen met aardappelen zou kunnen worden over-
gebracht, indien daar zóó veel grond aan zit, dat er een pop
of kever in kan zitten. In de knollen zelf zal men nooit een
kever of larve vinden, daar beide zich uitsluitend met het loof
voeden. De kevers verplaatsen zich op eigen kracht met den
wind mede. Ook is het zeker mogelijk, dat met reizigers en
goederen met spoortreinen, auto's, booten, en tegenwoordig
ook vliegmachines, kevers worden overgebracht, en daar-
tegen kan men geene maatregelen nemen.
Vele malen verschenen alarmeerende berichten in de bla-
den, dat, nu hier, dan daar, de Colorado-kever zou gevon-
den zijn ; het betrof dan echter zeer vaak larven en vooral
poppen van Coccinelliden of larven van leliehaantjes
(die inderdaad wel op die van den Colorado-kever gelijken),
ook wel kevers van de geslachten Trichius en Necrophorus
(Versl. '36, blz. 74).
In eene cactus-kas te Goes vond men verdroogde knoppen,
die, in de zon gelegd, zich bewogen, evenals de bekende
dansende Mexicaansche boontjes, bewoond door rupsjes van
Carpocapsa saltitans W., dit doen. In die knoppen bleken
zich snuitkeverlarven van het Anthonomus-type te bevinden,
*) Mededeeling 68 v. d. P. D., „de Coloradokever” (f —20), Meded.
79, „De wet tot bestrijding van den Coloradokever” (f—.10), Vlug-
schrift 47, „de Coloradokever".
VERSLAG. XXV
en inderdaad verschenen er later enkele fraaie roode snuit-
kevertjes uit, behoorende tot de soort Anthonomus pedicula-
rius L., die in knoppen van meidoorn leeft. Dit klopte, want
inmiddels waren de knoppen als meidoornknoppen herkend.
Een verschil met de beschadiging door den appelbloesem-
kever is daarin gelegen, dat van de appelbloesems alleen de
bloemkroon bruin wordt en gesloten blijft (,,dompers' of
,doodskoppen’’), terwijl bij den meidoorn de geheele knop,
met kelkbladeren en al, bruin en hard wordt.
Eene nieuwe vondst was Platypus cylindrus F., de eike-
kernhoutkever, die, als larve en als kever, werd aan-
getroffen in eikenrondhout in Frankrijk. Een houthandelaar
had daar eikenstammen willen koopen, doch vond op die
stammen overal boormeel, en bij openkloven ‚‚wormen’ er
in. Een en ander werd aan den P. D. gezonden ; de ,,wormen"
waren keverlarven met eene eigenaardige bruinroode tee-
kening op het borststuk. Prof. Roepke herkende ze als
larven van genoemde soort. Het wijfje boort zich in den
zomer, van uit eene verdieping in den bast, straalsgewijze
naar binnen in den stam in; het mannetje volgt het, en
werpt het boormeel naar buiten ; in den gang heeft de paring
plaats. Als het wijfje bij het kernhout komt, knaagt het ge-
woonlijk (niet altijd), daaromheen, dus de jaarringen volaen-
de, een soms wel 30 cm langen gang; op eene willekeurige
plaats van dien gang richt het zich naar het hart van den
stam, en boort dus in het kernhout een gang met zijgangen.
De eieren worden in hoopjes in de gangen gelegd ; de daaruit
komende larven leven van het uit het hout in de gangen
vloeiende sap ; zij zijn in of even voor den volgenden zomer
volwassen, en verpoppen in eene poppenwieg. De kevers
verschijnen in Juli ; zij schijnen lang te leven, want er werden
er nog in November gevonden. De voorgenomen koop ging
in dit geval niet door, zoodat met deze stammen de kever
niet werd ingevoerd, maar Spr. twijfelt er niet aan, of het
is vroeger herhaaldelijk geschied, zoodat het insect, áls het
h. t. I. aarden kon, stellig wel reeds inheemsch zou zijn.
Niettemin verzocht Spr. importeurs van hout uit Frankrijk,
waarin de beschadiging mocht worden geconstateerd, voor
alle zekerheid dit hout vóór den volgenden zomer te ver-
werken, en, als dit niet ging, het van af Mei onder water
te bewaren.
[Nog tal van andere waarnemingen over kevers moet
Spr. wegens gebrek aan tijd stilzwijgend voorbijgaan ;
voor zoo verre zij reeds in Verslag 1936 zijn, of in dat
van 1937 zullen worden behandeld, worden zij, ten be-
hoeve van hen, die er belang in stellen hieronder opge-
somd :
Vierhoornkever, Gnathocerus cornutus F., in
melkpoederfabriek, Versl. '37.
XXVI VERSLAG.
Galerucella tanaceti L. aan spitskool, Versl. ‘36, blz. 28.
Chlorophanus viridis L. aan aardappelen, Versl. ‘36,
bib 12
Philopedon plagiatus F. aan bieten, Versl. ‘36, blz. 14.
Phytonomus variabilis Hbst. aan lucerne, Versl. '36,
ol, 117%
Ceutorrhynchus assimilis Payk. aan bloemkoolplanten,
Versl. '36, blz. 28.
Liophloeus tessulatus Müll. in een varkenshok, Versl. '36,
bl242:
Apion spec. in stengels van paardeboonen, Versl. '37.]
Bij de determinatie van vele der bovengenoemde kever-
soorten verleenden de heeren Dr. D. L. Uyttenboo-
gaart en P. van der Wiel wederom welwillend hunne
hulp.
Spr. komt nu tot de Lepidoptera. De bastaardsatijn-
vlinder, Euproctis chrysorrhoea L., deed weder in Lim-
burg en Brabant, en zelfs in Amsterdam, van zich spreken.
Na de geslaagde bestrijding met Derris-poeder in 1936 in
het Vondelpark (Versl. ‘36, blz. 44) werden in 1937 op
grootere schaal proeven genomen in Limburg. Het succes
was nu uitermate gering, mede doordat de bij den Dienst
gestationneerde, op instigatie van den Boschraad aangekochte
krachtigere motorverstuiver ((6 pk, stuifhoogte tot 35 m)
den dienst weigerde. Door ongunstig weer werd de bestui-
ving rijkelijk laat uitgevoerd, waaraan misschien de misluk-
king, wegens de geringere gevoeligheid der reeds iets oudere
rupsen, geweten moet worden. Ook had men op de open
wegen veel last van den wind.
De bestrijding der ringelrups, Malacosoma neustria L.,
te Amsterdam, werd reeds door den heer Polak ter sprake
gebracht.
[De volgende Lepidoptera, die niet besproken konden
worden, verdienen nog vermelding :
Plakker, Ocneria dispar L., 1937 op pruimen in
kassen.
Roggehalmrups, Hadena didyma Esp. Versl. "36,
bl2.19.
Cacoecia lecheana L.
Pandemis ribeana Hb. ? op appel, Versl. '37
Tmetocera ocellana F.
Cacoecia rosana L., op veenbes, Versl. '36, blz. 24
i Be Op upruim È 2 RAME AGO}
re costana F.,op Cyclamen, „ M GOE
Olethreutes lacunana Dup., op Cyclamen, Versl. ‘37.
Capua angustiorana Hw., op Taxus, Versl. ‘36, blz. 37
Grapholitha funebrana Bri op pruim, Versl. '37
Steganoptycha nanana Fr., op spar, Versl. ‘36, blz. 37.
Nothris marginella F., op Juniperus, Versl. ‘36, blz. 36.
VERSLAG XXVII
Ephestia elutella Hb. SRI :
Borkhausenia pseudospretella Stt. de Me ra mo’
Endrosis lacteella Schiff. ne
De President maakt er Spr. opmerkzaam op, dat zijn
spreektijd verstreken is. Spr. vraagt, nog even te mogen
doorgaan, om nog enkele zeer belangrijke gevallen te be-
handelen, hetgeen hem wordt toegestaan.
Van de gevallen, die op Diptera betrekking hebben,
noemt Spr. nu alleen het voorkomen van galmugmaden als
inquilinen in de gangen van Dizygomyza spec. in wilgen (de
zgn. „mergvlekken). Deze laatste heeft Spr. reeds in de
Wintervergadering in 1924 behandeld; Prof. de Meijere
is er toen in geslaagd, de vliegen op te kweeken en te deter-
mineeren als D. carbonaria Zett. Op de wilgenteenen in ques-
tie kwam, niet hoog boven den grond, eene platte, bruine,
ietwat spiraalvormig verloopende plek voor, vaak iets gebar-
sten. Onder den bast bevond zich eene rottige, bruine massa,
waarin vele oranjegele galmugmaden. In elke vlek was een
gaatje aanwezig, waardoor waarschijnlijk de Dizygomyza-
made den tak had verlaten, om in den grond te gaan ver-
poppen. Dit alles kwam geheel overeen met een door
Barnes onder den titel „A cambium miner of basket
willows and its inquiline gall midge” in „Annals of Applied
biology’, 1933, p. 498—-519, beschreven verschijnsel. Ba r-
nes slaagde er in, de vliegen op te kweeken, en Hendel
determineerde ze als eene nieuwe soort, die hij D. Barnesi
doopte. Hendel meent, dat onze vlieg van 1923 niet
D. carbonaria is geweest, maar eene nieuwe soort, die hij
D. cambii Hend. genoemd heeft.
Barnes verkreeg ook de imagines der inquiline galmug-
maden ; hij ‘beschreef ze als eene nieuwe soort onder den
naam Projeltiella dizygomyzae. Naar het Spr. voorkomt, is
deze inquiline. wegens het veroorzaken van eene vrij diep
invretende rotte plek, waarop de teen gemakkelijk afbreekt,
schadelijker dan de mergvlekken veroorzakende Dizygomyza.
Waarschijnlijk stelt het vlieggat dezer laatste de galmuggen
tot de aantasting in staat; of het mugje hierdoor de legbuis
naar binnen steekt om eieren te leggen, of dat het zelf tot
dat doel naar binnen kruipt, dan wel of de eieren bij het
gaatje worden afgezet en dan de maden naar binnen kruipen,
heeft Spr. niet kunnen uitmaken (Versl. ‘36, blz. 38). Wel
is hem een eenigszins analoog geval bekend bij koolzaad.
De galmugmaden, die vaak in de hauwen gevonden worden,
zijn alleen aanwezig in zulke, waarin de snuittor uit de kool-
zaadhauwen, Ceutorrhynchus assimilis Payk., een gaatje heeft
gemaakt, om daar een ei door te schuiven.
Daarna geeft Spr. een buisje rond met een tuinboon, waarin
eene groote, ronde, van buiten zwarte plek. In deze rotte
massa werden vele gele galmugmaden gevonden. Over
XXVIII VERSLAG
deze aantasting, die tamelijk veelvuldig voorkwam, en niet
onschuldig is, daar elke aangetaste boon waardeloos is, was
niets in de literatuur te vinden. Helaas gelukte het noch
Spr. noch Prof. Docters van Leeuwen, aan wien
hij een paar maal materiaal opzond, imagines te verkrijgen,
zoodat de identiteit van deze galmugmaden nog duister blijft.
Evenmin kon worden vastgesteld, of zij de primaire oorzaak
waren.
[Andere Diptera, die in 1936 en 1937 de aandacht van den
P. D. getrokken hebben, zijn:
Hylemyia coarctata Fall., aan rogge, Versl. ‘36. blz. 10.
Napomyza lateralis Fall., aan witlof, Versl. ‘36, blz. 29
Anthomyine, aan rhabarber, Versl. ‘37.
Oscinella frit L., aan mais, Versl. ‘36, blz. 18.
Lycoria pusilla Mg.
Megaselia spec.
Mayetiola destructor Say, aan wintertarwe, Versl. ‘36
blz:
Contarinia torquens de Meij, aan kool (onderzoek in
handen van Dr. Leef mans).
Cecidomyia brachyntera Schwäg., aan bergden, Versl.
‘36, blz. 36.
Dasyneura tetensi Rübs., aan zwarte bes, Versl. ‘36,
lol 2S)
Dasyneura violae F. Lw., aan violen, Versl. '37.]
Van de Hymenoptera behandelt Spr. kort de plaatselijke
in 1936 zeer hevige aantasting van grove den door de den-
nenbladwesp, Diprion (Lophyrus) pini L. die door
bestuiving met Derris (14 % rotenon) zeer goed bestreden
kan worden (Versl. ‘36, blz. 45). In 1937 was de vreterij zeer
veel minder ernstig; het aantal bastaardrupsen was maar
gering en dat der parasieten groot, zooals o.a. bleek op Het
Loo, waar mannetjes van de sluipwesp Macrocryptus basi-
zonius Grav. bij honderden aan den voet der dennen op den
grond te vinden waren, waar zij waarschijnlijk wachtten op
de uitkomende wijfjes. Op grond van een en ander werd
geadviseerd, van eene voorgenomen bestuiving af te zien,
hetgeen eene niet onaanzienlijke besparing beteekende, die
in dit geval te danken was aan de samenwerking van den
betrokken houtvester, den P. D. en het Laboratorium voor
Entomologie der Landbouwhoogeschool, waar Dr. Geijs-
kes de sluipwesp determineerde.
Met enkele woorden maakt Spr. nog gewag van het werk
van twee entomologen, een Amerikaan en een Oostenrijker,
van het “European parasite Laboratory” der Amerikaansche
regeering te St. Cloud, die gedurende verscheidene weken,
in April en Mei, in ons land door parasieten, hoofdzakelijk
sluipwespen, aangetaste exemplaren van de dennenlot-
rups en van de rupsen van het larixmotje hebben
N aan champignons, Versl. '36, blz. 39.
VERSLAG XXIX
verzameld. Te Wageningen was daarvoor een centraal ver-
zamelpunt ingericht, waarheen door de dennenlotrups be-
woonde dennescheuten uit allerlei plaatsen in het geheele
land bij zakken vol werden gezonden. Van 15 tot 20 meisjes
waren in dienst genomen om de geparasiteerde exemplaren
uit te zoeken, die naar Amerika werden verscheept. Voor
de door den P. D. getroffen voorbereidingen voor een en
ander toonden de heeren zich uiterst dankbaar 1).
Ten slotte (hij is al ver over zijn tijd!) behandelt Spr. nog
één Rhynchoot. Omstreeks half Juni 1937 zond men den
P. D. uit Waalwijk lindebladeren toe, met verzoek om in-
lichtingen over de daarop voorkomende beschadigers. Een
daarvan was de algemeen voorkomende slakvormige
lindebasterdrups, Eriocampoides limacina Kl, doch
de tweede, die in groot aantal aanwezig was, was een plat,
grijs diertje, met donkere vlekjes, dat in vorm sterk geleek
op eene bladvloolarve ; wel viel het op, dat de diertjes zich
veel sneller bewogen, dan deze larven gewoonlijk doen.
Dr. Blöte, wien eenige exemplaren werden toegezonden,
herkende ze evenmin als Spr, en ook hij was geneigd, ze
voor bladvloolarven te houden. Bij verdere correspondentie
kwam uit, dat de diertjes niet op de bladeren, maar op de
stammen gevonden waren; men had ze gemakshalve maar
met de bladeren in een doosje gedaan, en verzuimd te ver-
melden, dat zij op de stammen waren verzameld. Spr. dacht
toen direct aan wantsen, en, toen enkele dagen later
eenige exemplaren in den imaginaaltoestand waren overge-
gaan, bleken het inderdaad wantsen te zijn, die door Dr.
Blöte werden gedetermineerd als de zeldzame /sometopus
intrusus H.S., waarvan in het Leidsch museum slechts drie
exemplaren aanwezig waren. De larve was nog niet beschre-
ven, en Dr. Blöte stelt zich voor, dit t.z.t. te doen. Een
buisje, waarin een aantal larven en eenige imagines, wordt
ter bezichtiging rondgegeven.
Spr. besluit nu met het doen circuleeren van eenige ge-
schriften, waarin het vraagstuk van het mogelijke gevaar voor
menschen, huisdieren (w.o. bijen), wilde vogels en visschen
bij het gebruik van giftige bestrijdingsmiddelen van planten-
ziekten en van schadelijke dieren wordt behandeld, t.w. den
nieuwen, door Dr. Th. J. de Haan bewerkten druk van
de door Spr. zelf destijds geschreven Mededeeling 61 van
1) De heer M.de Koning, houtvester der Nederlandsche Heide-
maatschappij, verzocht mij, daags na de vergadering per brief, te dezer
plaatse ook melding te maken van de hulp, door de Ned. Heidemaat-
schappij aan de heeren Dr. Sellers en Dr. Bergold bij dit onder-
zoek verleend. Bijna al hunne reizen werden gemaakt onder leiding van
den Adjunct-Directeur der N.H.M. en hemzelf, en een groot deel van
het gebruikte kweekmateriaal was van de Nederlandsche Heidemaat-
schappij afkomstig. Ook de heer Schoevers bevestigt gaarne de
groote medewerking van de Heidemaatschappij, alsmede van het Staats-
boschbeheer. JBC SET
XXX VERSLAG
den P. D. „Vermeende en werkelijke gevaren verbonden aan
het gebruik van giftige bestrijdingsmiddelen in land- en tuin-
bouw”, verder Nr. 602/3, 49e Jaarg., 1937, van het „Land-
bouwkundig Tijdschrift, waarin een artikel van Ir. J. J.
Fransen, getiteld „Insectenbestrijding en Bijenteelt’, en
ten slotte Nr. 12, 43a Jaarg., 1937, van het „Tijdschrift over
Plantenziekten”, waarin een artikel van Dr. H. N. Klujj-
ver „Over het gevaar van het gebruik van giftige midde-
len in land- en tuinbouw voor wild- en vogelstand’.
Ook laat hij een tweetal nieuwe boeken over algemeene
Entomologie circuleeren, nl. W. Speyer, Entomologie mit
besonderer Berücksichtigung der Biologie, Oekologie und
Gradationslehre der Insekten (Wissenschaftl. Forschungs-
berichte, Bd. 43, Th. Steinkopf, Dresden u. Leipzig, 1937)
en R. À. Wardle, General Entomology (Philadelphia-
Winnipeg, 1936).
[Insecten en mijten, die reeds in het Verslag ‘36 van den
P.D. zijn vermeld, of in het Verslag over 1937 vermeld
zullen worden, zijn nog:
Rhynchota :
Pyrrhocoris apterus L., in een grasveldje, Versl. ‘36,
lola, SiS).
Euscelis plebejus L.,aan Asparagus-snijgroen, Versl. '37
Perebladvloo, Psylla pyrisuga Först. of Ps. pyri
E., Mersli 37.
Aphis fabae L., aan boonen, Versl. '36, blz. 19.
Rhopalosiphoninus latysiphon Davids., aan aardappelen,
Mersl. #56, blz. 12.
Trialeurodes chittendeni Laing., op Rhododendron,
Versi 37:
Collembola :
Xenylla corticalis Börn. aan champignons,
Hypogastrura viatica Tullb. Versl. '37.
\Acarina :
Tyroglyphidae, aan champignons, Versl. ‘36, blz. 41.
Tetranychidae, aan ooftboomen, Versl. ‘37.
Eriophyes gracilis Nal., op framboos, Versl. '36, blz. 24. ]
De heer Reclaire deelt mede, dat hij 11.7.1937 te Eijs (L.)
een ? van Heterocordylus tumidicornis H.S, van eene struik
heeft geklopt. Voorzoover hem bekend is, werd deze wel uit
het omliggend gebied, o.a. het Rijnland bekende Miride, tot
nu toe nog niet in Nederland waargenomen.
Uit Gronsveld ontving Spr. een & van Halticus luteicollis
Pnz., eene aldaar door den heer v. d. Boorn in aantal
gevonden Miride. Tot nu toe was alleen de var. propinqua
H.S. uit ons land (Valkenburg, L.) bekend; dat dan ook
de forma typ. bij ons zou voorkomen, was dus te verwachten.
Bij Afferden (L.) vond Spr. 14.9.35 eene Microvelia, die
VERSLAG XXXI
hij voor pygmaea Duf, hield; met zekerheid was de soort
niet te bepalen, daar het een 9 was. De heer Schmidt
te Fürth meende, dat het wellicht eene verwante of nog
onbeschreven soort zou zijn, Dr. Jaczewski te War-
schau schreef Spr., dat het zoo goed als zeker M. pygmaea
Duf. was, doch dat eerst het onderzoek van een 3 algeheele
zekerheid zou kunnen verschaffen. In de verwachting, meer
ex. te kunnen vangen, heeft Spr. dezelfde plek in September
van het vorig jaar nog eens bezocht, en er talrijke Microvelia
verzameld ; helaas bleken zij bij nader onderzoek tot de
gemeene M. reticulata Burm. te behooren. Wit het grensge-
bied is M. pygmaea Duf. niet bekend; of zij in Duitschland
voorkomt, schijnt ook nog niet zeker te zijn, wel is zij zuide-
lijker waargenomen.
Van onze op vleermuis levende Cimex-soorten ontving
Spr. een ex. uit Amsterdam (16.9.37) van den heer Broer-
se en een paar ex. uit Groenekan (Utr.) van den heer
Vink. Zij behooren tot C. stadleri Horv. (vid. Dr. Singer
te Aschaffenburg), resp. tot C. dissimilis Horv. De heer
Singer deelde nl. Spr. schriftelijk mede, te vermoeden,
dat uiteindelijk C. dissimilis en stadleri eene en dezelfde soort
zijn, die dan dissimilis zal moeten heeten, daar stadleri eerst
voor kort is beschreven. De heer Singer wil het type
van C. dissimilis onderzoeken, om te kunnen uitmaken, of
inderdaad beide soorten synoniem zijn. Tot nu toe was hem
dit nog niet mogelijk.
Spr. vertoont verder een paartje van Pionosomus opacellus
Horv., eene Lygaeide, in Gulde’s ,,Wanzen Mitteleuropas”
nog alleen uit Hongarije vermeld, die echter sindsdien te
Berlijn (Spr. ontving eenige ex. van den heer Siefke al-
daar, die hem meldde, dat de soort aldaar veelvuldig voor-
kwam) en ook bij Bremen is gevonden, dus ook in ons land
te verwachten is. Deze Pionosomus is verwant aan de op
onze heiden veelvuldige P. varius Wlff.; de levenswijze
schijnt dezelfde te zijn. Het maakt dus den indruk, dat
P. opacellus zich westwaarts verbreidt, al moet men met ge-
volgtrekkingen bij betrekkelijk slecht bestudeerde orden, zoo-
als de wantsen, voorzichtig zijn. Echter is bij beter bestu-
deerde orden, zooals b.v. bij de kevers, iets dergelijks waar-
genomen. Spr. herinnert aan Apion oblongum Gyll., eene
oost-Europeesche, ook bij Berlijn en later te Hilversum ge-
vonden soort, aan Anthicus tobias Mars., eene soort uit Me-
sopotamië later te Dusseldorp, daarna bij Bemelen (L.) en
in Engeland gevonden, aan Philonthus rectangulus Shp., uit
Japan beschreven, daarna in verschillende Europeesche lan-
den, en ook op verschillende plaatsen in Nederland gevon-
den, aan Perigona nigriceps Dej., een kosmopoliet (?), kort
geleden te Amsterdam en te Valkenburg (L.) ontdekt. Vol-
gens schriftelijke mededeeling van den heer Ruile te Rohr-
XXXII VERSLAG
bach (Beieren) heeft deze heer in een dal in Zuid-Beieren
Ataenius horticola Har. gevonden, eene coprophage Apho-
diide, het westelijkst uit Griekenland en Klein-Azië bekend.
Spreker vraagt zich af, of in sommige gevallen vliegmachines
de dieren medegebracht hebben ?
Ten slotte deelt Spr. iets mede over het wantsje Berytinus
signoreti Fieb., eene in ons land verbreide, misschien wel
gemeene soort, die hij 11.8.37 in aantal op eene heide te
Hilversum aantrof. De door hem geprepareerde 14 ex. bleken
tot zijne bevreemding alle langvleugelig te zijn, een vorm,
die bij deze soort als zeldzaam geldt. Bij nader onderzoek,
bleken de 24 ex., die als kortvleugelig in zijne verzameling
stonden, in werkelijkheid langvleugelig te zijn! Op zijne
vraag deelden hem de heeren Dr. Jordan te Bautzen en
Schmidt te Fürth mede, in hunne verzamelingen alleen
langvleugelige ex. te bezitten. Bij het onderzoek dient men
de vleugels voldoende op te lichten, en er zich van te over-
tuigen, dat de ondervleugels niet aan de bovenvleugels kle-
ven, daar men zich anders gemakkelijk vergist, zooals het
Spr. overkomen is. Het halsschild van de langvleugelige exx.
is ongeveer gebouwd als dat van de langvleugelige ex. van
Berytinus minor H.S., iets breeder en gewelfder dan bij den
kortvleugeligen vorm. Bij B. minor zijn bij den kortvleugeligen
vorm de ondervleugels slechts als korte stompjes aanwezig.
Vermoedelijk is dit bij B. signoreti ook het geval. De kort-
vleugelige vorm van deze soort schijnt dus wel zeldzaam te
zijn. Er zijn trouwens meer Berytinus-soorten bekend, waarbij
dit het geval is.
De heer van der Wiel deelt mede, dat de heer Oben-
berger verleden jaar — tijdens zijn bezoek aan ons land —
zijne Buprestiden gerevideerd heeft, terwijl hij onlangs nog
eenige twijfelachtige soorten gedetermineerd. Naar aan-
leiding hiervan kan Spr. de volgende soorten en vormen als
nieuw voor ons land vermelden : Anthaxia submontana Obbg.
(Goudeti Cast.), eene soort, welke zeer verwant is aan (doch
geene var. van) A. 4-punctata L. Naar het schijnt, is À. #-
punctata in ons land zeldzamer dan de nieuwe soort, hetgeen
geene verwondering wekt, aangezien #-punctata meer in berg-
streken voorkomt (boven 1800 m) en submontana in lager
streken. De verschillen zullen later nader worden aangegeven.
Agrilus betuleti Ratz. ab. Fügneri Obbg. (tristis Fügn.), één
ex. van Garderen 10-5-1936, door den heer Reclaire ge-
vangen ; een ex. van den nominaat-vorm werd nog door den
heer Mac Gillavry gevangen te Bunde 7-7-1931.
Agrilus rubicola Ab., eene aan A. viridis L. verwante soort,
werd door Spr. in één ex. gevonden op een zolder te Am-
sterdam 6-7-1931 ; op dezen zolder lag eene groote hoeveel-
heid uit Drente aangevoerd berkenhout. Van de ab. chryso-
VERSLAG XXXIIÎ
deres Ab. werd één ex. gevangen door den heer Corpo -
raal te Ommen 24-6-1924. A. rubicola leeft als larve in
galachtige aanzwellingen van bramen en rozen; A. viridis
leeft als larve onder de schors van diverse loofboomen.
Agrilus angustulus II, ab hungaricus Obbg., een ex. door
Spr. gevangen te Valkenburg (L.) 19/25-5-1920 ; ab. Gyllen-
hali Schilsky door den heer Willemse één ex. gevangen
te Rimburg (Z.L.).
Verder kan Spr. nog de volgende voor ons land nieuwe
soorten en vormen vermelden :
Van Perigona nigriceps Dej., een cosmopoliet, welke echter
in Europa slechts op enkele plaatsen in Zuid-Frankrijk, bij
Triest en bij Teschen (Silesië) gevonden werd, werden op
2-12-1936 eenige exx. door den heer Broerse uit een
composthoop op de Oude Oosterbegraafplaats te Amsterdam
gezeefd ; ook werden door den heer Reclaire en Spr. een
tweetal exx. gezeefd uit een composthoop te Valkenburg (L.)
op 20-9-1937.
Laccobius scutellaris Motsch., eene soort, welke vroeger
uit ons land was opgegeven — het bleken toen exx. te zijn
geweest van L. sinuatus Motsch. — werd door den heer
Lieftinck te Belfeld op 4-6-1927 in één ex. aangetroffen
(Coll. Reclaire, det. d’Orchymont).
Een afwijkend ex. of onbeschreven var. van Clytus arietis
L. werd door den heer Schepman 6-6-1928 gevangen te
Luntershoek (Z.H.) ; het halsschild vertoont eene symme-
trische teekening, gevormd door breede, witachtige schubjes.
Door Spr. werd te Swalmen 13-6-1937 één ex. van Trixagus
elateroides Heer 's avonds uit gras gesleept.
Anisoxia Juscua Ill. werd door Spr. in een drietal exx. uit
eene groote loofhoutmijt geklopt te Terborg, 1 t/m 4-8-1937.
Van Phloeosinus thujae Perris werd in de Collectie van
den heer F. W. Beekhuis van Till — door de goede
zorgen van den heer Reclaire in bezit van Spr. gekomen
— een tweetal 2 9 en vele geprepareerde larven aangetrof-
fen, verzameld onder de schors van Juniperus communis te
Ommen 4-12-1934, In de bij deze collectie behoorende ver-
zameling vraatstukken werd door Spr. uit den aanwezigen
Juniperustak nog een & uitgesneden.
De vraatstukken van Phloeosinus thujae en de besproken
soorten worden door Spr. ter bezichtiging gesteld.
De heer Stärcke doet eene mededeeling over gedrag en
ontwikkeling van enkele Javaansche mie-
ren tijdens hun verblijf hier te lande. Door de groote vrien-
delijkheid, ijver voor de wetenschap en bekwaamheid van
Dr. Edward Jacobson te Bandoeng is Spr. namelijk
in staat gesteld, eenige kolonies van Javaansche mieren hier
in glasnesten te observeeren, een elftal, behoorende tot de
XXXIV VERSLAG.
tropische genera Polyrhachis, Technomyrmex en Myrmicaria,
en tot de cosmopolitische, doch niet inheemsche genera Doli-
choderus, Pheidole en Crematogaster. Het transport is be-
grijpelijkerwijze niet zoo eenvoudig, en meermalen heeft Dr.
Jacobson, — die bovendien ook nog een deel der kosten
op zich nam, — zich daarvoor eene dagreis per auto getroost,
ergens een eind een vulkaan op, met eene spade en een ge-
huurden koelie, om, na eene lunch in een verafgelegen pasan-
grahan, met den buit huiswaarts te keeren. Daar werd het
zooveel mogelijk uitgestoken nest in zijne bus eene poos in
koud water gezet, om de zenuwachtigheid te doen bedaren
(ijskast is nog gemakkelijker) en de dames overgeschud in
een klein transportbusje, dat verder werd aangevuld — niet
zeer los maar ook niet zeer vast — met goed vochtig slaap-
mos. Het busje moet goed gesloten worden, anders droogt
het mos uit, en komt de buit dood aan. Natuurlijk mag maar
ééne kolonie tegelijk in eene bus, ook dan, wanneer meerdere
kolonies van ééne soort zijn verzameld, of wanneer onder
één steen meerdere soorten schijnbaar tezamen zijn aange-
troffen. Anders vindt men bij aankomst alleen nog maar
eenige koppen en andere resten. In den grond nestelende
soorten zijn het lastigst te verzenden, daarbij komt namelijk
allicht wat aarde mee. In de vochtige mosbus gaat die door
het trillen bij het transport samenballen en klotst de mieren
dood of verstikt ze. De mieren komen toe met weinig lucht
— dus vooral geene luchtgaatjes — en kunnen wel eene poos
buiten voedsel, maar niet buiten vocht. Intusschen heeft Spr.
wel gemerkt, dat Javaansche mieren veel meer (naar schat-
ting wel 10 maal meer) voedsel gebruiken, dan onze inland-
sche soorten, zoodat het bijstoppen van een watje met voch-
tige suiker geen kwaad kan. Mocht er bij het opzetten van
het deksel eene mier gevaar loopen, verpletterd te worden,
dan mag men toch niet talmen, want voor één dier dat men
zou redden, loopen er 10 andere weg.
Bij ontvangst werd de inhoud uitgeschud in eene water-
arena (een platte steen in een zeer grooten ontwikkelbak met
water), waarop een bloempot met eene jonge plant van
Prunus serotinus. Deze soort is gekozen om hare vrij dikke,
gladde bladeren, wijl verschillende Indische boommieren
gaarne zulke dikke, gladde bladeren kiezen, om tusschen of
onder tegenaan te nestelen. De arena was door eene duikbuis
verbonden met een glasnest.
Twee eigenschappen bleken in de arena al spoedig allen
onderzochten Javaanschen soorten gemeen te zijn : er ver-
dronken veel minder individuen in het water, dan bij onze
inheemsche Lasius en Formica in overeenkomstige omstan-
digheden, en voorts hadden alle boommieren de neiging, om
naar boven, den bloempot op, te vluchten, in stede van de
duikbuis in, zooals de onze doen, die alle in de aarde nes-
VERSLAG. XXXV
telen, of onder schors (met uitzondering van Leptothorax
tuberum F., die doode hondstongstengels verkiest, zooals de
Meyendel-Commissie heeft ontdekt — medegedeeld door den
heer W. T. M. Bleys —).
De verhuizing kwam pas na eenige dagen tot stand, en
herhaaldelijk moest Spr. tenslotte de bladeren, waarop de
kolonie samengeschoold zat, voorzichtig afknippen en snel
in het glasnest overbrengen. Bij onze inheemsche mieren is
de kolonie vaak al na enkele minuten met pak en zak het
glasnest aan het binnentrekken. Vochtige turf wordt door de
onderzochte Javaansche boommieren eerder geschuwd dan
gezocht. Deed Spr. wat broed in het glasnest ter aanlokking,
met eenige werksters daarbij, dan bevond men herhaaldelijk
den volgenden morgen, dat het broed weer was weggehaald
en opnieuw ergens in de arena in een hoekje bij den bloem-
pot (Pheidole plagiaria F. Sm.) of bij de kolonie op een
blad (Polyrhachis rastellata v. pagana Sants, Technomyrmex
detorquens Walker) was neergelegd, resp. aldaar werd vast-
gehouden door werksters (Polyrhachis) of aan de onderzijde
van het blad was vastgeplakt (Technomyrmex).
Alle boommieren bleken op gezichtsprikkels
veel beter te reageeren dan de inheemsche soorten. Als
men eene levende vlieg, al zijn de vleugels er af, aan eene
kolonie Lasius, Formica (subgenera Servijormica en Raptifor-
mica) of Myrmica geeft, doet de ontstaande scène denken
aan een spelletje blindeman : alle mieren loopen in groote
opwinding stukken spoor van de vlieg te volgen, en loopen
daarbij vaak het werkelijk object rakelings voorbij zonder er
eenige aandacht aan te schenken. Zij worden blijkbaar bij
het zoeken van prooi bijna uitsluitend door het topo-chemisch
zintuig der antennen geleid. Eene uitzondering maken de
soorten van het subgenus Formica s.s., de roode boschmieren
en hunne verwanten; deze reageeren ook duidelijk op ge-
zichtsprikkels, doch halen in dit opzicht nog niet bij Myrmi-
caria carinata var. jacobsoni nov. var.!) en bij het wijfje van
1) Myrmicaria carinata F. Sm. var. JACOBSONI nov. var. 9 Tête
et gaster avec pétiole et postpétiole noirâtres, thorax d'un ferrugineux
assez sombre, appendices d'un brun foncé, articulations et tarses plus
clairs. Sculpture forte, environ comme carinata, à |’ exception du gaster,
dont la base n est pas striée. Les stries fines, longitudinales
qu on trouve sur le postpétiole de carinata manquent également. 415—5
mm. Largeur de la tête 1.22—1.28 mm (carinata 5—6.3 mm, resp.
1.46—1.59 mm, — specimens de Batang Marangin, Sumatra W. K.)
Cette ouvrière possède la sculpture et la couleur de carinafa, les dimen-
sions et le gaster de subcarinata. M. Donisthorpe a eu |’ amabilité
de la comparer avec le monotype de Myrmicaria castanea Crawley, qui
provient du même G. Gede — volcan de Java et non pas de Sumatra
comme le dt Crawley. —. Il écrit "Your species does not agree
with it; yours is smaller, darker and the sculpture on the head and thorax
is quite different. We do not possess your species in the B. M. collection”.
9. Se distingue de subcarinafa par le gaster, dont la base est finement
striee (visible à 12 fois), et par un contraste plus vif entre le gaster plus
XXXVI VERSLAG
Polyrhachis bicolor F. Sm. bij welke de optische indrukken
zoo levendig zijn dat zij de aangeboden stukken mug, of
suiker, of eiwit, onmiddellijk te pakken hebben ; het kost zelfs
moeite, het nest weer te sluiten, want ook de opening wordt
onmiddellijk gepercipiëerd en verder verkend. Dat het wer-
kelijk het gezichtswerktuig is, dat de besturende
prikkels daarbij levert, blijkt uit het feit dat men de P. bicolor-
koningin van hare eieren kan weglokken naar een bewegen-
den vingertop buiten naast het nest, wat niet vermindert als
de hand door een dikken, kouden winterhandschoen bedekt
is, zoodat de uitstralende warmte verwaarloosbaar is ge-
worden.
Beide soorten nemen daarbij eene zeer primitieve
houding aan: het gaster is onder het lichaam naar voren
gekromd. Het is eene houding, die men bij vele Ponerinen
vindt, en merkwaardigerwijze ook bij onze inheemsche oog-
mieren, de roode boschmier c.s. Alleen vertoonen de roode
boschmieren deze dreigende houding alleen zittend; de
Polyrhachis bicolor en de Myrmicaria loopen ook bij elke
emotie in die houding rond en lijken dan veel op spinnen.
Als men intelligentie definieert als het ver-
mogen om op nuttige wijze met eene gewoonte
te breken, dan zijn de tropische Polyrhachis bicolor en P.
rastellata var. pagana, Technomyrmex detorquens, Pheidole
plagiaria en Ph. anastasii Em. var. cellarum For., Myrmicaria
carinata var. jacobsoni alle bij 68°—80° F. belangrijk veel
intelligenter dan onze Formica sanguinea Latr., die
wij gewend zijn, als de spits der mieren-intelligentsia te be-
schouwen. Spr. heeft trouwens de fabel der groote intelligen-
tie van de roode roofmier reeds meermalen tegengesproken.
Zij zijn volgens Spr. minder intelligent dan de F. fusca, de
zgn. „slaven”.
Pandazis heeft in een 1930 verschenen vergelijkend
hersenonderzoek bij verschillende miersoorten?) opnieuw ge-
noirâtre et le thorax d’ un ferrugineux assez clair, avec le centre du
scutum encore plus clair. Appendices d’ un brun foncé, noirätre, moitié
distale du funicule et articulations d’ un brun plus clair. Largeur de la
tête 2.19 mm. La seule femelle subcarinata dont je dispose a la tête
large de 2.35 mm. Elle est aussi grande que |’ autre.
C'est à cause du gaster strié de la femelle que je range cette variété
sous la M. carinata F. Sm.
Dédiée à M. le Dr. honoris causa Edw. Jacobson qui la décou-
vrit dans le jardin de Tjibodas, près de Buitenzorg sur le Gede à 1400 m,
où le nid se trouvait dans la terre, près de |’ étang. Types m.c. A la
méme variété appartiennent aussi les spécimens trouvés par M. Van
der Meer Mohr à Siriari, Habinsaran, N. Sumatra, à 1400 m,
le 7.VIII.1928 (Menozzi, Misc. zool. Sumatrana XLVII p. 1. 1930
sous le nom de M. brunnea Saund., mais brunnea a les antennes plus
sveltes.).
2) Ueber die relative Ausbildung der Gehirnzentren bei biologisch
verschiedenen Ameisenarten. Z. f. Morph. u. Oekologie der Tiere Bd.
18 p. 114—169 (1930).
VERSLAG XXXVII
tracht, de superioriteit van Formica sanguinea af te leiden
uit de uitzonderlijk gunstige verhouding tusschen het volumen
der bekers en de middenmassa van het supraoesophageaal-
ganglion, wanneer daarvan de optische en topochemische
kwabben zijn verwijderd. Dit oordeel is gebaseerd op me-
tingen aan het totaal-preparaat, waarbij van de projectie-
figuur in het waarnemingsvlak is uitgegaan, zonder rekening
te houden met den ten opzichte daarvan meer of minder hel-
lenden stand der bekers. Spr. maakt bezwaar tegen de cij-
fers, die op deze vrij grove methode berusten. Behalve nog
andere bezwaren, waarop Spr. hier nog niet wil ingaan, be-
staat nog de algeheele verwaarloozing van de sociale stuctuur
der onderzochte soorten, en van de quantitatieve samenstel-
ling hunner kolonies, waarbij arbeidsverdeeling, goed ont-
wikkeld mededeelingsvermogen en sociale toewijding der in-
dividuen eene boven deindividueele vermogens
liggende intelligentie der kolonie, dus van
de soort, kunnen veroorzaken.
Van Crematogaster en Dolichoderus kan Spr. de intelligen-
tie niet zoo roemen, doch van dit laatste genus telde het (per
ongeluk !) meegekomen kolonietje slechts enkele individuen
zonder koningin.
Om enkele feiten der groote intelligentie van deze tropen-
bewoners te noemen, het volgende.
Er verdronken er minder in het water der arena.
Technomyrmex en de beide Pheidole-soorten (ééne Ja-
vaansch, ééne West-Indisch) leerden reeds na een dag het
water zoo subtiel te betreden dat de oppervlakte-capillariteit
hen droeg. Het was een merkwaardig gezicht, eene file van
die kleine miertjes over het wateroppervlak te zien voorwaarts
schrijden, langzaam en voorzichtig, als jongens op het eerste
ijs, en daarbij herhaaldelijk veilig de overzijde te zien be-
reiken, zeer tot Spr.'s misnoegen. Bij onze inlandsche soorten
heeft Spr. dit alleen eenigszins bij Teframorium gezien, doch
lang niet in die mate. Wel zag Spr. het ook bij de Parafre-
china longicornis Latr., die in onze warme kassen wel voor-
komt, ook weer eene tropische soort.
De veel grootere Myrmicaria’s trachtten ook wel het water
te betreden ; zij zakten er door, maar wisten bijna steeds den
vasten wal te bereiken, veel beter dan dit aan onze Formica
fusca auct. b.v. gelukt, die ongeveer even groot is.
Alleen Polyrhachis rastellata deed heel weinig pogingen
in die richting ; deze habitueel aan Lasius fuliginosus Latr.
herinnerende, glimmend zwarte boombewoners toonden zeer
weinig ondernemingslust en klitten dadelijk weer in een paar
dichte kluitjes samen, onder tegen een paar Prunus-bladeren.
Zij zijn ook wel meer reukdier, wat wellicht samenhangt met
den duidelijken, duffen stank, die hunne kolonie verspreidt.
Op bewegen van den vinger of voorhouden van prooi reageert
XXXVIII VERSLAG.
de kolonie heel weinig, enorm echter, als eene ontploffing,
vliegen zij uit elkaar bij zacht aanblazen. Spr. moet hier nog
bijvoegen, dat hij dit suffe gedrag der rastellata moet toe-
schrijven aan hunne gemoedsstemming, zoo kort na de ver-
wijdering uit de transportbus, en hunne geslachtsdieren en
bijna alle broed missend. Want toen bij het fotografeeren
eenige maanden later, toen zij weer een nest hadden, en lar-
ven, de kurk eens van het nest was gegaan, en verscheidene
werksters over de laboratoriumtafel wandelden, toonden zij
genoeg ondernemingsgeest, onderzochten alles, en wisten zich
bliksemsnel uit de voeten te maken, zonder paniek, als men ze
wilde pakken.
Suikerkorrels worden in het algemeen door onze mieren
versmaad als zij droog zijn. Ook na ze vele malen als
heerlijk voedsel te hebben leeren kennen in vochtigen toe-
stand, herkennen zij ze niet in drogen toestand. Ook de
overigens zeer intelligente Messor rufitarsis F. draagt ze wel
naar binnen, doch blijkbaar alleen in hunne kwaliteit als
korrels, want ze worden als voedsel alleen dan ge-
bruikt, als ze tot in de vochtige kamer zijn gebracht. Alleen
van Formica fusca heeft Spr. gezien, dat zij droge suiker-
korrels uit het voornest haalden. Van de tropische mieren
hadden Tapinoma melanocephalum F. Pheidole anastasii Em.
var. cellarum For. Myrmicaria carinata F. Sm., var. jacob-
soni m., Polyrhachis rastellata var. pagana Sants. en Techno-
myrmex detorquens Walker na eenige voederingen geleerd,
de korrels naar de vochtige kamer te dragen, waarbij de
kleine Tapinoma’s en Pheidole's vaak ook de voorpooten
gebruikten om de korrel vast te houden. In
de kolonie aangekomen, werd vaak door de werkster, die de
korrel bracht, deze niet gedeponeerd maar als zoodanig
aan de andere werksters gepresenteerd, in plaats van de
geregurgiteerde druppel. Dit lijkt Spr. eene enorme gedrags-
wijziging, in aansluiting aan veranderd voedsel.
De door Spr. dusgenaamde „patrouillereactie”
komt bij Technomyrmex, Myrmicaria, Tapinoma melanoce-
phalum en de beide Pheidole’s zeer fraai voor. Dit toont eene
hooge mate van ethische remming van de voedingsfunctie der
individuen ten gunste der gemeenschap.
De genoemde soorten wisten zeer spoedig den weg in het
glasnest, sneller dan onze inlandsche soorten ook alweer (met
uitzondering van de Crematogaster).
Behalve deze grootere intelligentie, viel bij alle boommieren
het gemak op, waarmede zij zich tegen de onder-
zijde van eene glasplaat voortbewogen. Ook van de hand
zijn zij bijna niet af te knippen ; het hechtschijfje tusschen de
klauwen is bij hen blijkbaar beter ontwikkeld, dan bij de
soorten, die in de aarde wonen.
Spr. moet zich beperken, en zal dus alleen een paar ont-
VERSLAG. XXXIX
dekte feiten releveeren, die zich voor demonstratie leenen.
Het eerste heeft betrekking op de lar ve van Tech-
nomyrmex detorquens Walker. Reeds vroeger, in zijne mede-
deeling van 1933 (Tijdschr. v. Ent. LXXIVI, blz. XXVI—
XXXI) over de larven der Dolichoderinen, heeft Spr. een
merkwaardig bolletje of staartje vermeld, dat bij de
larfjes van Tapinoma melanocephalum F. aan het caudale
einde naar achteren uitsteekt, en waarvan Spr. toenmaals de
functie niet kon vaststellen. Bij microscopisch onderzoek op
doorsneden bleek alleen een ietwat verdikte dermis; de in-
houd bestond uit het gewone lichaamsvocht met een paar vet-
cellen, en was in wijd open verbinding met de rest van het
lichaam.
Bij de larven van Technomyrmex nu vond Spr. weer dat-
zelfde bolvormige staartje. De larve van deze Dolichoderine
is ook weer hypognaath, heeft weinig ontwikkelde mond-
deelen, die op groote afhankelijkheid van vloeibare voedering
wijzen, en vertoont ook in zijn gebrek aan beharing groote
gelijkenis met de Tapinoma-larven.
De sensiltorens (larvale tasters) op het labium zijn even
breed als die op de maxillen, wat ook weer op sterke trophal-
laxis wijst. Het trok nu de aandacht, dat deze larven veelal,
evenals de eieren (doch niet de nymphen), tegen de onder-
zijde der glasplaat geplakt zaten, en bij de beschouwing met
het microscoop bleek plotseling de functie van het staartje:
het is een zuipnap. Delarven worden door dewerk-
sters met hunne rugzijde (ook wel eens op zijde) tegen de
glasplaat gedrukt, waarbij het staartbolletje indeukt en zich
capillair vasthecht. Zij liggen daardoor gunstig voor de voe-
dering met den kop naar beneden. Reeds de jongste larven
vertoonen het staartje, dat op de rondgegeven foto's goed te
zien is. De eieren zitten gewoon vastgekleefd, in het alge-
meen elk apart, dus niet zoo in hoopen als bij de meeste
mieren.
Bij verreweg de meeste miersoorten heeft de larve twee of
drie soorten van haren, nl. microchaeten, die zintuigorganen
zijn, acrochaeten, die wat grooter en enkelvoudig of zeer
weinig vertakt zijn, en oncochaeten, die ankervormig of in
lange zweepdraden eindigen. Deze larven worden tot hoopen
vereenigd en loopen daarbij het gevaar, te dicht op elkaar te
worden gedrongen en te weinig lucht te krijgen. Daartegen
zorgen de acrochaeten; zij houden eenigen afstand. Ook
moeten de larven vlug en efficiënt weggedragen kunnen wor-
den; daarvoor zorgen de oncochaeten, die ze tot lar ve-
pakketten vereenigen ; al deze larven liggen. Het is mo-
gelijk, dat er soorten zijn, waarbij zij aan de oncochaeten han-
gen, doch Spr. heeft dit nooit gezien. De beide soorten haren
zijn te zien op de rondgegeven microfoto van de huid der
larve van Camponotus mediopallidus For. uit Centr. Am.
XL VERSLAG.
De larven der door Spr. onderzochte Dolichoderinen zijn
zeer weinig behaard, doch wel kleverig. Hier zorgt nu het
uitstekende staartje uitnemend voor eenige ruimte onderling.
Overigens vindt men bijna immer iedere larve apart, en niet
tot hoopen vereenigd. De rondgegeven foto's zijn in vivo ge-
nomen, en toonen de geringe mate van ophooping, zelfs van
de eieren.
Het staartje is dus een andere weg om hetzelfde resultaat
te bereiken, als bij de andere groepen met de beharing wordt
bereikt. Het geheel is als eene aanpassing aan het nestelen
tusschen gladde bladeren te beschouwen. Deze bieden geene
goede ankerplaats voor hechtharen, doch zijn voor zuignappen
zeer geschikt. Technomyrmex detorquens nestelde in den tuin
van Dr. Jacobson te Bandoeng veelal tusschen de gladde
bladeren van sommige sierstruiken, zooals de rondgegeven
nestjes doen zien. Jammer genoeg, zijn de bladeren zeer ver-
welkt en geschrompeld. Zij worden bij elkander gehouden
door fragmentjes aarde, die men eigenlijk geen carton kan
noemen. Ook in het glasnest bouwden zij lichtschermen van
turfblaadjes, met zeer weinig samenhang, en los van bouw.
Van metselen of fiinkauwen is geene sprake, en de overal
verspreide, vrij kleverige uitwerpselen zijn de eenige specie,
terwijl er geene blijken zijn, dat zij opzettelijk wordt aan-
gebracht.
Het tweede, wat Spr. wil demonstreeren, is hetbewoon-
de nest van Polyrhachis rastella var. pagana, eene platte,
verticale kamer tegen den verticalen, ronden glaswand aan,
in de Petrischaal gebouwd van turf, van binnen geheel met
ziidedraden gevoerd door de larven, en van een fraai rond
uitgangskokertje voorzien, ook van turf gebouwd, doch niet
gevoerd. De glaswand is goeddeels met zijde overtrokken,
doch niet met turf belegd. In de natuur nestelden zij tusschen
twee bladeren. Hier is de glaswand als surrogaat geadop-
teerd, en in plaats van het tweede blad een losse turfwand
gebouwd. De meeste Polyrhachis-soorten behooren tot die
vermaarde dieren,welke larven als weefspoel, dus als instru-
ment, gebruiken tot het samenvoegen van nestbladeren tot
woning of tot het bouwen van schild- of bladluisstallen.
Het hier vertoonde weefsel lijkt verdacht veel op schimmel,
doch blijkt onder het microscoop toch uit zijdedraden van
verschillende dikte te bestaan, waardoor slechts een paar
schimmeldraadjes hier en daar heenloopen. Wel iser buiten:
het nest veel schimmel, doch niet er binnen, Aan de zijde-
laag, die tegen den glaswand is aangebracht, hangen de
nymphen ( 4 4 ) met den kop omlaag als vleermuizen. Zij zijn
naakt, terwijl Polyrhachis meest cocons heeft. Vermoede-
lijk is het spinvermogen der larven geheel gebruikt voor het
nest, als het ware een sociale cocon.
Bij de larven zijn de thoraxsegmenten aanmerkelijk smaller
VERSLAG. XLI
dan de volgende, die door de groote maag zijn gezwollen.
Daardoor wordt caudaal van den kop eene ventrale holte ge-
vormd, in profiel goed te zien. Daarin worden door de werk-
sters stukken van de verstrekte muggen gedeponeerd; de
larve eet deze vleeschvoeding zelfstandig en vindt tegendruk,
als zij hare stevige kaken in de prooi wil slaan. Bij onze For-
micinen ontbreekt een dergelijke trophothylax. De prae-
nymph van P. rastellata heeft ze evenmin (de maag is dan
uitgestooten) (Foto rondgegeven van kleine en groote lar-
ven met trophothylax, eene praenymph zonder deze). Alle
larven blijken tot nu toe ¢ 4, en ontwikkelden zich uit
eieren hier door de werksters gelegd; eene koningin is niet
aanwezig. Een aantal ¢ & zijn reeds ontwikkeld; zij zijn
„nieuw voor de wetenschap’ wat overigens van weinig be-
lang is, aangezien de verschillen tegenover rastellata type
minimaal of geheel onzichtbaar zijn. Van de var. pagana was
slechts 1 exempl. bekend, een & uit Britsch-Indië in de col-
lectie Santschi Dr. Santschi was zoo vriendelijk, de
determinatie van onze exemplaren te bevestigen.
De heer Kruseman laat ter bezichtiging rondgaan: ,,Sy-
stème Naturel du Règne Animal, par Classes, Familles ou
Ordres, Genres et Espèces etc.”, Paris MDCCLIV chez Cl.
J. B. Bauche. Tome premier bevat: „les Classes des Qua-
drupèdes, Oiseaux, Amphibies, suivant la méthode de M.
Klein ; avec une Notice de celle de M. Linnaeus sur les
mêmes Animaux ; & l'Ordre des Poissons suivant la division
d'Artedi” ; tegenover de titelpagina bevindt zich een portret
van Linnaeus uit het jaar 1748. Tome second bevat: „la
Classe des Insectes, & celle des Vers, suivant la méthode de
M. Linnaeus”. Tegenover den titel vindt men hier een por-
tret van Klein uit het jaar 1743. De schrijver is nergens
vermeld, doch uit de voorrede blijkt, dat dit dela Chenay
des Bois is. In de voorrede komen de volgende zinnen
voor, die Spr. toeschijnen, niet geheel onbelangrijk te zijn in
verband met de bekende ruzie tusschen Réaumur en de
Buffon, nl.: „Messieurs de Buffon & Daubanton ont
trouvé leurs (dat zijn Linnaeus, Klein, Ray en an-
deren) méthodes défectueuses. L'ordre le plus simple & le
plus éloigné de toute distribution méthodique, est celui que
ces deux Savans suivent dans leur Histoire Naturelle”.
Dit werk is niet vermeld in „Bibliographia Linnaeana”
door J. M. Hulth, noch in „A catalogue of the works of
Linnaeus...’ 2d Ed. British Museum. Wel is het door
Engelmann opgenomen in zijn bekenden Catalogus.
Verder laat Spr. een doosje rondgaan, waarin zich enkele
Nederlandsche exemplaren van Dexiopsis lacteipennis Zett.
(Anthomyinae, Dipt.) bevinden.
XLII VERSLAG.
De heer Leefmans kan nu, in vervolg op hetgeen hij ter
zake van de studie van Contarinia torquens de Meijere op
de vorige wintervergadering heeft medegedeeld, nog het een
en ander daaraan toevoegen. Spr. beperkt zich slechts tot de
voornaamste punten, daar eene tweede publicatie ter zake
ter perse is.
Wat de larven aangaat,is de voedingswijze nog niet ge-
heel opgehelderd, wat te wijten is aan moeilijke directe waar-
neming daarvan. Spr. houdt de gal aan kool voor eene zgn.
chemomorphe gal.
In verband daarmede werd eenig anatomisch werk ver-
richt, in zake den bouw van het darmkanaal en zijne aan-
hangselen. De tractus intestinalis is goed ontwikkeld. De
middendarm bestaat uit een wijden zak, met een uit groote
klieren of cellen bestaanden wand. Spr. kon geene uitmonding
van het rectum in den anus vinden, zoodat de conclusie is,
dat het darmkanaal blind eindigt. Door literatuur, waarop
Dr. Barendrecht Spr.'s aandacht vestigde, bleek dat
F. X. Williams iets dergelijks gevonden heeft bij Ceci-
domyia resinicoloides Will. (USA). Op Spr.’s voorstel deed
Dr. Barendrecht een onderzoek naar den inwendigen
bouw bij de Contarinia-larven door middel van microtoom-
coupes, waaromtrent hij straks zelf het een en ander zal
mededeelen.
De monddeelen zijn sterk gereduceerd. Dat hiermede het
weefsel zou worden beschadigd, betwijfelt Spr.
De bestandheid tegen onderdompeling der larven is nog
grooter dan te voren bevonden. Spr. hield volwassen larven
3 maanden onder water, Na twee maanden verpopten twee
dezer larven, terwijl zij ondergedompeld bleven, en een der
poppen leverde (uit het water gehaald), kort daarop eene
mug ! De larven zijn dus wel zeer goed tegen onderdompeling
bestand, en zullen niet licht lijden door inundatie. Echter
wordt de verpopping door onderdompeling uitgesteld,
vertraagd.
Het bleek, dat bij de cocons „overliggen’ voorkomt. Lar-
ven, Juli 1936 verpopt, leverden Juli 1937 pas de muggen,
in plaats van Augustus 1936. Dit verschijnsel is ook bij an-
dere Diptera waargenomen. Spr. geeft daarvan voorbeelden.
Wat de phaenologie der muggen aangaat, werd het vol-
gende gevonden :
In 1937 kwam vast te staan, dat de vlucht der muggen
niet afhankelijk is van het weder kort vóór of ten tijde van
het begin der vlucht. Immers hoewel de laatste week van Mei
en de eerste week van Juni in 1937 veel warmer waren
dan in 1936, verscheen de massa der muggen in 1937 eene
volle week later dan in 1936, wat het nut, ja de on-
misbaarheid der vangbakken aantoont. Het bleek, dat
in ‘t voorjaar twee à drie maanden hoogere temperatuur
VERSLAG. XLIII
noodig waren om de overwinterde larven tot verpopping,
en de poppen tot uitkomen der muggen, te nopen. Een
verder bewijs, dat het uitkomen der muggen niet afhan--
kelijk is van tijdelijke hooge temperatuur is, dat zij ook uit-
komen bij temperaturen van 10 tot 15° C., temperaturen,
die al in Maart voorkomen, zelfs eerder. Toch verschijnen
in het veld de muggen dan niet, zelfs niet eerder dan Juni!
Ook werd nagegaan, of de diepte, waarop de larven
verpoppen, in verband zou kunnen staan met den aard der
vlucht. 's Zomers verpopt 90, 's winters 94% niet dieper dan
5 cm. Wanneer dit dus, in verband met de temperatuur in
den bodem, invloed zou hebben op den vorm der vluchtcurve,
zou de curve allereerst een steilen top moeten vertoonen. In
1936 en 1937 was de vorm der vluchtcurve geheel anders.
Er is eene zwakke voorvlucht, eene sterke middenvlucht
(maximum) en eene zwakkere navlucht. Ook bij kunstmatige
vervroeging blijft deze karakteristieke vorm behouden, zoo-
dat Spr. tot de opvatting is gekomen, dat de vorm der curve
onafhankelijk is van abiotische factoren, en in eigenschappen
der muggen (erfelijke of constitutioneele) haar oorsprong
moet vinden, en dat het verloop van de vlucht steeds gelijk
zal zijn.
Het een en ander is van zeer veel belang voor eene ratio-
neele bestrijding der Draaihartigheidsplaag, mede in verband
met het volgende.
Reeds in 1936 waren er aanwijzingen, dat de vlucht op
verschillende plaatsen gelijk (synchroon) verliep, en in 1937
kwam dit door speciale tellingen nog veel sterker uit.
In plaatsen als Lutjebroek, St. Pancras, Heemstede en
Puttershoek (Hoeksche Waard) was het verloop der vlucht
practisch geheel gelijk.
Als belangrijke biologische factoren voor eene doelmatige
bestrijdingsmethode werd dus gevonden, dat de verschijning
van de massa der muggen blijkbaar niet afhankelijk is
van plaatselijke weersomstandigheden, maar van het weer
in de maanden Maart tot Mei, en dus afhankelijk is van
het klimaat in eene bepaalde streek, en daarmede samen-
hangt. Dat beteekent dus ook, dat de vlucht in eene streek
met gelijk klimaat, als b.v. de kuststreek van Nederland,
gelijk valt of ongeveer gelijk valt.
Dit, met de eveneens w.s. steeds op dezelfde wijze ver-
loopen der vluchten, met vóór, maximum en navlucht, vooral
van de voorjaarsvlucht, brengt eene practische oplossing
van het vraagstuk in zicht.
Het wordt nu mogelijk, voor eene bepaalde streek door
middel van de vangbakken te bepalen, wanneer het maximum
der vluchten valt, en men kan zich dan — in tegenstelling
met wat vroeger geschiedde — bepalen tot bespuiting ge-
durende de topvluchten, die in 1936 en 1937 niet langer dan
6 tot 10 dagen duurden.
XLIV VERSLAG.
Wat dit practisch beteekent, ziet men uit hetgeen bij de
bespuitingsproeven van het afgeloopen jaar gebleken is.
Bij de sluitkool werd 10 maal en bij de bloemkool werd
12 maal gespoten, wat de oude methode ver-
tegenwoordigt, wilde men, zonder de maxima der
vluchten te kennen, resultaten behalen. Door gelijktijdige
tellingen der aantasting is nu gebleken, dat bij de proeven
met sluitkool met slechts 2 keeren bespuiting en bij die met
bloemkool met 4 keeren bespuiting had kunnen worden
volstaan, wanneer alleen gedurende de maxima der
vluchten gespoten was. Nu wordt ook duidelijk, waarom
de experimentators, die vrijwel steeds gedurende den ge-
heelen duur der vluchten spoten, dikwijls resultaten hadden
(Quanjer, Spithost, Mesnil en ook Spr.) maar
dat de practijk met dezelfde middelen vaak totaal geen re-
sultaten boekte. De reden is, dat de practijk zich bepaalt tot
slechts enkele keeren spuiten, omdat vaak spuiten practisch
niet uitvoerbaar is. Daardoor was voor den koolverbouwer
de kans om de critieke periode te missen, zeer groot !
Thans zal dat, zoo vertrouwt Spr., niet meer voorkomen,
daar kan worden aangegeven, wanneer het maximum der
vlucht komt, en wanneer dit eindigt.
Eene omstandigheid, die zeer tot het slagen zal kunnen
bijdragen, is het groote herstel der kool in normale (het
meerendeel) der jaren, welk herstel tot 96 % kan bedragen,
al naar de gevoeligheid der betrokken koolsoort.
Daardoor wordt het mogelijk, met slechts gering risico
de voor- en navlucht te verwaarloozen, daar die slechts ge-
ringe schade geeft.
De nieuwe methode is dus gebaseerd op beperking
der bespuitingen door het verwaarloozen van het
onbelangrijk deel der vlucht, dat nu door het vang-
bakken-systeem kan worden aangewezen en het kunnen aan-
geven van den juisten tijd voor de bestrijding.
Ook in zake het critisch aantal muggen per
oppervlakte-eenheid zijn gedurende de laatste
jaren reeds gegevens verkregen, zoodat bij een bepaald aan-
tal muggen (zegge 60) per ha pas tot bestrijding zal worden
overgegaan, en bij daling daaronder van het aantal in de
vangbakken de bestrijding gestaakt zal worden.
Op hiervoren aangegeven wijze zal dus in het komend
seizoen te werk worden gegaan. De vlucht wordt bepaald
door de vangbakken op twee plaatsen in het koolgebied in
N-Holland, en per radio zal worden bekend gemaakt, wan-
neer men moet spuiten, en wanneer men kan ophouden.
Middelen ter bespuiting werden bij de experimenten van
1937 ook verkregen, terwijl Spr. er stellig van overtuigd is,
dat ook onder de vroeger goed bevonden middelen, als
nicotinezeep, er zijn, die bruikbaar zullen blijken, mits zij
VERSLAG. XLV
slechts te juister tijd zullen worden toe-
gGepas t
Er zullen nog wel kleine veranderingen noodig zijn, als
b.v. het aantal muggen, waarbij moet worden bestreden, maar
Spr. vertrouwt stellig, dat het principe van het systeem
juist zal blijken.
Aangezien de resultaten verleden jaar werden verkregen
door o.a. de tusschenpoozen der bespuiting zoo te regelen,
dat steeds de eieren en de pas uitge-
komen larven worden geraakt (tusschenpoozen
van 3 tot 5 dagen), in verband met den duur van het
eistadium, wordt voorloopig aan deze tusschenpoozen vast-
gehouden, terwijl getracht zal worden, door proeven uit te
maken, of deze tusschenpoos nog kan worden vergroot.
Alles bijeengenomen berust het nieuwe bestrijdingssysteem
dus op eene betere kennis van de biologie
van Contarinia torquens, in verband met decul-
tuurwijze der kool, en staat dus op betere basis dan
vroeger, toen het spuiten, zonder deze biologische basis, min
of meer — tenminste voor de koolbouwers — een hasard-
spel was, waarin zij dikwijls verloren.
Spr. wil deze gelegenheid benutten, om op het groote be-
lang te wijzen van meer en betere phaenolo-
gische waarnemingen inzake schadelijke
insecten hier te lande.
De zooeven gedane mededeelingen toonen het nut daarvan
aan.
Er bestaat hier nog eene Phaenologische Vereeniging,
destijds opgericht door wijlen Dr. H. Bos. De entomologen
zijn daarin nog slecht vertegenwoordigd, terwij] dit te be-
treuren is, daar hier voor de entomologie een zeer belangrijk
terrein braak ligt, omdatdephaenologievanvoor
den land-, tuin- en boschbouw schadelijke
insecten van zeer groot belang is voor eene
doelmatige bestrijding.
Spr. beveelt deze vereeniging, waaromtrent hij gaarne be-
langstellenden nader zal inlichten, ten zeerste in de belang-
stelling der aanwezige medeleden aan.
Ten slotte vestigt Spr. de aandacht der medeleden op een
aantal publicaties van Indische, toegepast werkende ento-
mologen en van Nederlandsche entomologen, wier publica-
ties op Indië betrekking hebben, en laat deze rondgaan :
Dr. J. G. Betrem, De morphologie en systematiek van
de voornaamste witte luizensoorten van Java. (Ar-
chief v. d. Koffiecultuur 1937).
—,,— Modern entomologisch onderzoek, in Hand. 7e Ned.
Ind. N.W. congres 1936.
A. Diakonoff, De Rijstmot, Corcyra cephalonica Stt.
(No. 112 van de Berichten v. d. Afd. Handels-
museum, K. V. Koloniaal Instituut, 1937).
XLVI VERSLAG.
Dr. EA) He Franssen en pP. MT. Tigeglelovenkek
De vijanden en de ziekten der Orchideeën op Java
en hunne bestrijding, 1935.
Dr. H. J. de Fluiter, Over den invloed van het voedsel
op insecten. (Versl. v. d. 16e vergad. v. d. Ver. van
Proefstationpersoneel Oct. 1936).
Dr. H. J. de Fluiter, Voorloopige mededeel. i. z. het
onderzoek over een engerlingenplaag in de Java-
koffie. („De Bergcultures, no. 12 en 13—1936).
Dr. A. D. Voûte, Cryptorrhynchus gravis F. und die
Ursachen seiner Massenvermehrung in Java. (Extr.
d. Arch. Neerl. de Zoologie, tome II, le livr. 1935).
— „— Die biologische Bekämpfung der Insekten in Niederl.
Indien. (Natuurk. Tijdschr. voor ‘Ned. Indië deel
97, 1937, p. 28—34).
Verder vestigt hij de aandacht op het fraaie proefschrift
van Mej. Maria Rooseboom, getiteld: Contribution à
l'étude de la cytologie du sang de certains insectes, avec
quelques considérations générales, verdedigd te Leiden, 1937,
met stellingen op entomologisch gebied. Eindelijk vestigt hij
de aandacht op eene stelling in het proefschrift van den heer
Th. van Eek, Wortelrot van Viola tricolor L. max. hort,
verdedigd te Amsterdam 1937, die luidt: „De mogelijkheid
is groot, dat de omstandigheden in Nederland zeer ongunstig
zijn voor een sterke ontwikkeling van de Coloradokever’’.
Het zou interessant zijn, indien deze stelling door den schrij-
ver nader werd toegelicht.
Uit de twee laatstvermelde publicaties blijkt, dat èn ento-
mologische onderwerpen èn entomologische stellingen in
dissertaties hoe langer zoo meer in zwang komen, hetwelk
zeer verheugelijk is.
De heer Barendrecht bespreekt het darmkanaal
der larve van Contarinia torquens de Meij.
Bij zijn onderzoek naar de levenswijze van de galmug Con-
tarinia torquens de Meij, die de draaihartigheid van kool ver-
oorzaakt, was Dr. Leef mans de wenschelijkheid geble-
ken, iets meer te weten over de voedingswijze der betreffende
larven. Spr. heeft in dit verband een voorloopig onderzoek
naar den bouw van het darmkanaal dezer dieren ingesteld,
waarvan het resultaat opheldering aangaande eenige der du-
bieuze punten heeft gebracht.
Aan de hand van eenige vertoonde microfoto's doet Spr.
enkele mededeelingen over de microscopische anatomie van
het darmkanaal. Door Spr. werden nl. tot dusver alleen
coupeseriën onderzocht, terwijl het darmkanaal in toto door
Dr. Leef mans werd uitgepraepareerd.
Wat vooral opvalt is, zooals bij vele larven, de sterke
ontwikkeling van den middendarm, die in vele coupes bijna
VERSLAG. XLVII
de geheele doorsnede opvult, en waarvan het grootcellig
epitheel bij de verschillende individuen een zeer verschillend
beeld vertoont, dat bij nader onderzoek zeker eenige gegevens
aangaande de wijze van secretie zal blijken op te leveren. Bij
sommige individuen zijn de cellen even hoog als breed en
puilen in het darmlumen uit, terwijl zij bij andere geheel plat
zijn. Eene afzonderlijke spierlaag van den middendarm werd
nog niet gevonden. De voordarm biedt minder opmerkelijks ;
het voorste deel is duidelijk getransformeerd tot eene pomp-
installatie ten dienste van de voedselopname.
Zeer opmerkelijk zijn de groote speekselklieren, die vrij ver
vooraan eene uit weinige cellen bestaande, bolvormige op-
zwelling vertoonen, die bijna alle ruimte in de lichaamsholte
inneemt. In deze groote cellen zijn ook de bekende „reuzen-
chromosomen’ te zien, die juist in de laatste jaren bij allerlei
Dipterenlarven zoozeer de aandacht hebben getrokken. Deze
cellen zijn van een geheel anderen aard dan de overige
speekselkliercellen, die de meer naar achteren gelegen deelen
vormen.
De einddarm, die samen met de twee buizen van Malpighi
uit het achterste deel van den middendarm ontspringt, be-
staat uit eenige zeer scherp gescheiden deelen. Het eerste
deel is dikwandig en sterk gekronkeld, het daaropvolgende,
dat eene lus naar voren beschrijft, daarentegen uiterst dun-
wandig. Geheel achteraan vormt de einddarm dan nog eene
blaasvormige verwijding, die soms aan het levende dier reeds
te zien is. Deze blaas gaat tenslotte weer over in een nauwer
deel, dat naar buiten schijnt uit te monden.
Dit laatste is echter niet geheel zeker. Dr. Leef mans
slaagde er nl. niet in, bij het levende dier door druk den
darminhoud naar buiten te brengen, evenals zulks reeds voor
andere Itonididenlarven beschreven werd. Nu kon Spr. echter
ook geene open verbinding vinden tusschen middendarm en
einddarm, zoodat de afsluiting ook hier zou kunnen liggen.
De buitengewoon geringe afmetingen van deze dieren maken
echter een microscopisch onderzoek in dezen niet volkomen
betrouwbaar ‚zoodat dit probleem nog op andere wijze zal
moeten worden onderzocht.
Wel kon met betrekking tot de voedingswijze reeds worden
aangetoond, dat de dieren uitsluitend vloeistof opnemen,
waarschijnlijk dus exsudaat van de geprikkelde plantenweef-
sels. Bij geene der seriën was ook maar een spoor van vaste
plantenbestanddeelen in het darmkanaal te vinden, steeds
was de middendarm met eene homogene massa gevuld. De
einddarm daarentegen was steeds geheel leeg.
De zonderlinge veronderstelling, in enkele oudere publica-
ties over de draaihartigheid uitgesproken, dat de larve zich
door osmose (door de huid!) zou voeden, is hiermede dus
afdoende weerlegd. Over de functie van de verschillende
XLVII VERSLAG.
deelen van het darmkanaal zal echter nog wel eenig onder-
zoek verricht moeten worden.
De heer Leefmans wenscht aan het gesprokene nog eene
kleine aanvulling toe te voegen. De zeer jonge larve heeft
nog geene spatula; de monddeelen zijn zeer gereduceerd,
en waarschijnlijk niet in staat, weefsel te beschadigen. De
bouw van het darmkanaal is niet noemenswaardig verschil-
lend bij oude en jonge larven.
De heer Bentinck vermeldt en vertoont het volgende :
I. In DI. 76, p. XXXIV en DI. 77, p. XXIII besprak Spr.
een 2-tal exx. van eene Lithocolletis-soort, gekweekt uit Salix
viminalis-mijnen uit Ruigenhoek. Deze exx. werden eerst door
Dr. Meder, Prof. Hering en hemzelf aangezien voor
Lith. viminiella Stt., doch later kwam Prof. Hering hierop
terug, en determineerde ze als L. dubitella H.S. Aangezien
Spr. zich niet goed met deze determinatie kon vereenigen,
nam hij ze verleden zomer mee naar den heer Pierce, die
ze naar de genitalién onderzocht, en vaststelde, dat zij in-
derdaad viminiella Stt. waren. Eene latere vergelijking met
exx. in het Britsch Museum bevestigde deze determinatie
volkomen. Spr. vertoont hier deze glanzige, doch niet scherp
geteekende soort, vergeleken met de doffe, doch zeer scherp
geteekende L. dubitella, maar ook met L. salictella Z., want
Snellen beschouwde deze met viminiella als ééne soort
in zijn bekend werk op p. 927, hetgeen eene vergissing is
geweest; dit blijkt ook uit de exx. in zijne collectie in het
Leidsch Museum (E. B. No. 171, p. 41), die alle salictella
zijn. L. viminiella Stt. is thans dus eene nieuwe soort voor
onze fauna.
II. Drie nieuwe soorten voor onze fauna, die Spr. op ver-
zoek van den heer C. Doets vermeldt, n.l.: Een ex. van
Nymphula rivulalis Dup. van 8.6.'37 en 1 ex. van Olethreutes
nebulosana Zett. van 30.5.'37 (det. Meder) beide te Hol-
landsche Rading door den heer Doets gevangen. Deze
laatste werd vroeger door Kennel in Spuler 1910 als eene
variéteit van O. metallicana Hb. beschouwd, doch later in
zijn „Pal. Tortriciden” van 1921 als eene goede soort, die
hij zeer uitvoerig beschrijft. Deze vangst is zeer merkwaar-
dig; de soort werd zeker niet hier verwacht, aangezien zij
tot nu toe slechts vermeld was uit Schotland, Scandinavië,
oostwaarts de Oostzee, de Sudeten en de Alpen. Verder
verscheidene exx. van Gracilaria rufipennella Hb., 1937 uit
Hilversum. In 1936 ving de heer Doets het Iste ex. op
licht.
III. Een ex. van eene Bryotropha sp. uit Zandvoort (30.6.
'32), die tot nog toe niet thuis gebracht kan worden. Spr.
hield dit ex. voor B. senectella Z., hoewel het toch vrij sterk
er van afwijkt; de 2e helft der voorvleugels wordt plotseling
VERSLAG. XLIX
veel lichter. Toevallig zond Dr. Meder een volkomen
hierop gelijkend dier, gevangen bij Kiel, aan Spr., dat hij
ook niet determineeren kon. Spr. nam beide mee naar den
heer Pierce, die de genitaliën onderzocht; beide waren
2 2, doch zij bleken geheel gelijk te zijn aan B. affinis Dgl.,
hoewel de vlinder geheel anders is. In het Britsch Museum
was de soort ook geheel onbekend. De heer Pierce raadde
aan, te wachten totdat een & gevonden werd, voordat vast-
gesteld kan worden, of wij hier met eene geheel nieuwe soort
te doen hebben.
IV. Twee exx. van Smerinthus quercus Schiff. in copulatie
gevangen door den heer P. A. Gout te Alphen a/d Rijn,
in den tuin van de Martha-stichting in 1909. (Zie DI. 80, p.
248, waar de heer Lempke aangeeft onder welke omstan-
digheden deze exx. gevangen zijn). Aangezien deze exx.
geene overvliegers uit zuidelijke streken zijn, zooals exx. van
Daphnis nerü L., Chaerocampa celerio L. en Deilephila livor-
nica Esp. enz., kan deze soort niet worden toegevoegd aan
de lijst onzer Nederlandsche Macrolepidoptera van Dr. J. Th.
Oudemans en J. A. Snijder. Deze soort moet men
niet verwarren met de daarop gelijkende var. subflava Gillmer
van Sm. populi L.
V. Eenige bijzonderheden uit de vangsten van 1937:
1 ex. van Homoeosoma sinuella F., 7 Juni te Zandvoort,
Bonn; È nebulella Hb. 7 Juli ,, di ;
ie) Gymnancylarcanella Hb. 5 Juli ,, h ;
met eene sterk donkere bestuiving der voorvleugels, waar-
door zij vrij sterk afwijkt van de type.
1 ex. van Alipsa angustella Hb. 2 Juli te Zandvoort (leg.
v. Wisselingh).
1 ex. van Nephopteryx rhenella Zk. 16 Juni te Belfeld.
2 exx. van Capua angustiorana Hb., die verleden zomer
zeer schadelijk was op Taxus te Amerongen.
1 ex. van Cacoecia aerijerana H.S. 18. Aug. te Meerssen.
1, ,, Gracilaria phasianipennella Hb. var. quadru-
plella Z., van 5 Aug. uit Meerssen, zeer kenbaar aan de 4
duidelijke, lichte vlekken en zeer van de type afwijkend.
1 ex. van Gypsosoma incarnana Hw. var. alnetana Gn. op
8 Juli te Vogelenzang gevangen door den heer Doets. Dit
ex. is geheel blauwzwart gekleurd.
De heer Diakonoff doet eenige mededeelingen betreffende
Microlepidoptera.
In 1908 gaf Lord Walsingham in de Proceedings
of the Zoological Society of London (1907, p. 1017—1019)
een overzicht van de literatuur en de synonymie van eene
circumtropische mottensoort, Setomorpha rutella Zeller. W al-
singham voegdeleenige nieuwe synoniemen toe aan de
lange lijst namen, waaronder deze soort in verschillende
L VERSLAG.
landen van de beide werelddeelen in den loop der tijden her-
haaldelijk beschreven werd; aan het hoofd van deze lijst
plaatste hij Setomorpha rutella Z. zelf en beweerde, dat deze
naam, door Zeller in 1852 gepubliceerd, een synoniem
zou zijn van Tinea insectella F., onder welken naam eene mot
door Fabricius in zijn Entomologia systematica (III (2),
303, no. 72 (1794)) beschreven is, gevangen in eene doos
met gedroogde insecten uit Afrika. Walsingham wees
er verder op, dat in de beschrijving van insectella eene druk-
fout geslopen is, waardoor zij onbegrijpelijk wordt, en zegt:
„There seems little doubt that Fabricius described rutella Z.
under the name insectella”. Hoewel Spr. het geheel eens met
dezen auteur is, wat de bovengenoemde correctie in de diag-
nose betreft, moest hij de laatste uitspraak betwijfelen, daar
uit het stuk van Walsingham niet blijkt, dat hi het
type van insectella zelf gezien heeft, en ook geene verdere
bewijzen ter staving van zijne bewering geleverd worden.
Daar het Koloniaal Instituut te Amsterdam doende is, een
overzicht van de Setomorpha-soorten uit Ned. Oost-Indië sa-
men te stellen, heeft Spr. getracht, het type van Fabricius
van Tinea insectella op te sporen. Het gelukte boven alle
verwachtingen : het unieke, meer dan 140 jaren oude exem-
plaar bleek in het Kieler Museum aanwezig te zijn. De Direc-
teur, Dr. Olav Schröder, was zoo vriendelijk, dit type
aan het Koloniaal Instituut voor onderzoek op te zenden,
en gaf zelfs toestemming, gezien den zeer slechten toestand
van het geheele object, een microscopisch preparaat van het
genitaal-apparaat te maken. Dit was tevens eene manier, om
dit belangrijke kenmerk veilig te fixeeren, en voor onherstel-
baar verlies te vrijwaren.
Het onderzoek der genitalia van dit exemplaar, een man-
netje, gaf een zeer verrassend resultaat, waarvan eene voor-
loopige mededeeling thans kan worden gedaan. Tinea in-
sectella Fabricius heeft niets met Setomorpha rutella Zeller
te maken, voorzooverre deze laatste soort Spr. in eenige
exemplaren uit Ned.-Indië bekend is, doch is mogelijk iden-
tiek met Tinea misella Z., beschreven in 1839. Hiermede is
deze kwestie echter nog niet opgelost! Terwijl het genitaal-
apparaat van insectella F. vrij goed gelijkt op de afbeelding
van misella Z. in het mooie boek van Pierce en Met-
calfe, „The Genitalia of Tineina”, zoodat deze twee soorten
identiek schijnen te zijn, blijkt het mannelijke genitaalapparaat
van eenige exemplaren van eene mot onder den naam van
Tinea misella Z. in de verzameling van het Zoologisch Mu-
seum te Amsterdam aanwezig, afkomstig uit Nederland en
ook uit Graz, Steiermark, een geheel ander beeld te vertoo-
nen | Eene nieuwe vraag komt aan de orde: welke van de
twee soorten, door Mr. Pierce afgebeeld of in ons Mu-
seum aanwezig, is nu de ware misella van Zeller en wat
VERSLAG. LI
is dan de andere soort ? Spr. heeft reeds aan Mr. Pierce
hierover geschreven, en wacht zijn antwoord af; is de door
hem afgebeelde soort inderdaad Tinea misella Z., dan moet
deze naam vervallen en door Tinea insectella F. vervangen
worden. Afbeeldingen van het mannelijk genitaalapparaat
van het type van Tinea insectella F., van ,,Tinea misella”
uit het Amsterdamsch Museum en van Setomorpha rutella Z.
uit Ned.-Indië worden ter bezichtiging rondgegeven.
Voorts doet Spr. eene mededeeling over eenige nieuwe en
zeldzame Nederlandsche Microlepidoptera, verduidelijkt door
eenig demonstratie-materiaal. Een tweetal soorten kunnen als
nieuw voor onze fauna worden gemeld, namelijk :
Argyresthia pygmaeella Hb., op 10-VI-1934 tijdens de
zomervergadering te Epen in twee exemplaren door sleepen
bemachtigd, doch toen voor A. goedartella L. gehouden. De
rups van deze in Midden- en Zuid-Europa algemeene soort
leeft op wilg.
Paralispa gularis Z., waarvan Spr. reeds eenige malen een
en ander mocht mededeelen, ook dit jaar bij honderden in
een Amsterdamsch pakhuis van zoete vruchten aangetroffen.
Deze soort, door Spr. „notenmot' gedoopt, moet als inlandsch
worden aangemerkt, nu zij reeds uit twee Amsterdamsche
pakhuizen, en zelfs ook uit Groningen (als rups) gemeld is,
en nu eveneens het bewijs geleverd werd, dat zij in ons land
kan overwinteren (verg. mededeeling van Spr. op de zomer-
vergadering 1937). Evenals zijne beruchte voorgangers, de
meelmot en de cacaomot, zal ook de notenmot zich in Europa
voor goed weten in te burgeren.
Dr. J. Th. Oudemans en Lycklama hebben een
regel opgesteld, dat alleen die dieren, welke buiten, dus
niet in huizen, worden aangetroffen, als inlandsch mogen
worden beschouwd; deze regel moet volgens Spr. herzien
worden. Talrijke voorraadinsecten immers, zooals klanders,
meeltorren, meelmot, cacaomot, notenmot en vele andere,
maken een belangrijk deel van onze fauna uit, al komen
zij in normale omstandigheden nooit buiten de directe
omgeving der voorraden, waarin zij leven, voor. Aan
den anderen kant zijn er genoeg gevallen bekend, dat ge-
kweekte tropische insecten ontsnappen, en buiten gevangen
worden ; zoo moet Spr. aan eenige exemplaren van Attacus
(Philosamia) ricini Jones denken, die in het Koloniaal Insti-
tuut werden vrijgelaten, dadelijk in de buurt van dat gebouw
gevangen werden en triomphantelijk aan het Zoölogisch
Museum werden afgeleverd. Volgens genoemden regel zou
deze tropische vlindersoort voortaan ook als inlandsch be-
schouwd moeten worden.
Spr. wil voorstellen, den genoemden regel, althans voor
het gebruik door microlepidopterologen, te wijzigen en hem
bijvoorbeeld dezen vorm te geven:
LI VERSLAG.
Als inlandsch kunnen die insecten (motten) worden aan-
gemerkt, welke buiten worden aangetroffen, en ook die
binnenshuis in groot aantal voorkomen ; sporadische vond-
sten, zoowel binnen-, als buitenshuis van soorten, waarvan
de afkomst uit exotische of andere verre landen met eenige
zekerheid vermoed kan worden, zijn niet voldoende, om de
betrokken soort al dadelijk in de faunalijst op te nemen;
dergelijke vondsten moeten als ‚import worden aangemerkt,
in afwachting van bewijzen, dat de soort, hetzij permanent,
hetzij periodiek, zich in ons land gevestigd heeft. Deze regel,
ofschoon ook verre van volmaakt, is toch beter bruikbaar
dan de genoemde regel van Oudemans en Lycklama.
Vervolgens noemt Spr. eenige soorten, in den zomer van
1937 bemachtigd. Een exemplaar van de bijzonder fraaie
Psacaphora schranckella Hb., te Amsterdam op licht op 2-
VIII-1937 gevangen ; het is het tweede Nederlandsche exem-
plaar. Twee ex. van Gracilaria (Euspilapterix) aurogutella
Stph. uit Hypericum-mijnen gekweekt, die in Belfeld tijdens
de laatste zomervergadering verzameld waren (uitgekomen :
20 en 25-VI-1937) ; tevens werden talrijke mijnen van de
zeldzame Nepticula septembrella Stt. aangetroffen, die helaas
niets anders dan talrijke parasieten (Proctotrupiden) oplever-
den.
Ten slotte vertoont Spr. eenig materiaal van eene interes-
sante onderfamilie der Tortricidae, nl. der Ceracidae. Deze
onderfamilie, die eene natuurlijke en goed herkenbare groep
vormt, heeft twee Amerikaansche en drie Indo-Australische
geslachten. Van de laatste drie wordt fraai materiaal, voor-
namelijk uit het Zoölogisch Museum der Universiteit te Ber-
lijn, aan Spr. ter studie toegezonden, vertoond. Alle soorten
hebben een gladden kop en heldere, prachtige kleuren. Het
geslacht Cerace, dat de grootste Tortriciden omvat, werd door
zijn afwijkenden habitus en teekening langen tijd onder de
Tineina gerekend; het is gekenmerkt door bont gestreepte
en gestippelde voorvleugels. Het geslacht Zacorisca munt uit
door prachtige metaalblauwe en oranje kleuren, terwijl Chres-
marcha door de sneeuwwitte grondkleur der voorvleugels
gekenmerkt is. Cerace-soorten bewonen het Indo-Maleische
gebied, Zacorisca is voornamelijk Papuaansch, terwijl Chres-
marcha kenmerkend is voor de Papuaansche en Australische
fauna's.
Spr. wil besluiten met een brief van Dr. Klimesch te
Linz, aan hem gericht, voor te lezen. Onze Oostenrijksche
collega verzoekt den Nederlandschen microlepidopterologen
om hulp in de volgende zaak: voor kweekdoeleinden zou
hij graag levend materiaal van de interessante mot, Gonio-
doma limoniella Stt., te Cadzand op Statice limonium aan-
getroffen, ontvangen.
De heer Stärcke merkt op, dat iedere soort heeft: 1°. een
VERSLAG. LIII
gebied, binnen hetwelk zij zich kan bewegen, 2°. een
gebied, binnen hetwelk zij zich ook kan voeden, 3°. een
gebied, waarbinnen zij zich ook nog kan voortplanten,
en stelt de vraag, of het niet verstandig zou zijn, zich er toe
te bepalen, voor elke soort deze drie gebieden vast te stellen,
en de onlogische tegenstelling tusschen inlandsch en niet-
inlandsch geheel te laten vallen? Dan loopt men ook geen
gevaar om, ter wille van economische bezwaren, de weten-
schap te moeten gaan vervalschen.
De President zegt, dat het wel blijkt, hoe moeilijk het is,
te bepalen, welke soorten als inlandsch moeten worden be-
schouwd. Naar zijne meening zal het zelfs onmogelijk blij-
ken, daarvoor algemeene regels vast te stellen. Volgens Spr.
is het in twijfelachtige gevallen grootendeels eene quaestie
van tact, en hierbij kan ook met mogelijke economische ge-
volgen eenige rekening gehouden worden, natuurlijk zonder
„vervalsching der wetenschap”.
De heer Uyttenboogaart deelt het volgende mede:
1°. Op 10 November 1936 ontving Spr. eene larve, in een
doorgesneden Echinocactus, van den Plantenziektenkundigen
Dienst te Wageningen. Aangezien deze larve niet meer wilde
eten, legde Spr. haar in een bedje van papierwol in een open
lucifersdoosje. Dit werd gesloten in eene kartonnen doos
van 15 X 15 cm oppervlak, waarin in den tegenovergestel-
den hoek werd gelegd een reageerbuisje met eene prop, van
een linnen lapje gemaakt, die regelmatig vochtig werd ge-
houden. Doosje en buisje werden op hunne plaatsen vast-
gezet. Twee maanden lang gebeurde er niets; de larve bleef
onveranderd, daarna ging zij zich verkorten op de wijze, als
aan verpopping pleegt vooraf te gaan, doch bleef in dezen
toestand 31% maanden; daarna was plotseling de larve uit
het lucifersdoosje verdwenen, en bleek zich naar de andere
zijde van de doos te hebben begeven; zij had zich door de
linnen prop heen gevreten, en zich van het kauwsel eene
poppenwieg gemaakt. Hierin bleef zij in verkorten toestand
weder 114 maand zonder verandering, steeds bij kamertem-
peratuur, die schommelde tusschen 58 en 68° F. Daarna
heeft Spr. op raad van den heer Corporaal, de larve
in hoogere temperatuur gebracht (stookkelder van de cen-
trale verwarming, temperatuur tusschen 70 en 90° F.), waar-
op spoedig verpopping volgde. Op 21 Mei kwam een boktor
uit, behoorende tot het genus Moneilema. Hier hebben wij
dus weder een geval van plaatsverandering eener boktor-
larve buiten haar natuurlijk milieu. Evenals zulks het geval
was bij de larve van Lepromoris gibba Brullé (zie T.V.E.
T. 75, supplement p. 58 e.v.), leeft ook in dit geval de larve
weder in eene xerophiele plant, en houdt ook hier weder het
verplaatsingsinstinkt nauw verband met de levensomstandig-
LIV VERSLAG.
heden, die eene verhuizing als eene voor de instandhouding
der soort noodzakelijke mogelijkheid dwingend voorschrijven.
2°. Bij het onderzoek naar de oorzaken van de draaihartig-
heid der kool werden door Dr. Leefmans in koolplanten,
die in warenhuizen werden gekweekt te St. Pancras (N.-H.)
larven aangetroffen, die in de bladeren mineeren. De infectie
werd ontdekt op 2 Mei 1937, en betrof vele planten. De aan-
getaste bladeren waren toen nog groen. Op 11 Mei waren
deze bladeren vergeeld, doch de larven zaten nog in de
mijnen. Zij verpopten kort daarna in den grond, en op 2 Juni
werden de eerste kevertjes aangetroffen, die Spr. niet an-
ders kan determineeren dan als Ceutorrhynchus contractus
Mrsh. De larven van dit genus zijn bij uitstek bekend, hetzij
als veroorzakers van gallen aan stengels of wortels, hetzij
als bewoners van de zaden in de hauwen der Cruciferen.
De laatste vormen echter slechts eene betrekkelijk kleine
groep, waartoe o.a. Ceutorrhynchus assimilis Payk. behoort,
die in 1936 hier en daar in ons land groote schade aan
het koolzaad toebracht. Voor zoover in de eerste groep de
larven de stengels der planten bewonen, zijn er enkele soor-
ten bekend, die geene uitwendig zichtbare galvorming teweeg-
brengen, doch binnen in den stengel vindt men dan toch
weefselwoekeringen en vaatverwijdingen, die met galvorming
na verwant zijn. Eene in bladeren mineerende larve ver-
schilt dus biologisch evenzeer van de beide bovengenoemde
groepen, als deze van elkander verschillen en het spreekt
vanzelf, dat Spr. derhalve ijverig gezocht heeft naar ver-
schillen tusschen dezen Ceutorrhynchus en exemplaren van
C. contractus Mrsh., waarvan hij met zekerheid mocht onder-
stellen, dat zij op wilde Cruciferen waren gevangen. In zijne
collectie bezit Spr. exemplaren van Arabis alpina (Rotter-
dam), Alliaria officinalis (Renkum), Cardamine pratensis
(Empe) en Sinapis arvensis (Eerbeek). Stengelgallen van
de larve zijn waargenomen door verschillende auteurs aan
Sinapis arvensis, ter groote van eene erwt, aan Cardamine
door Trotter (1904), die de gal beschrijft als eene kleine,
vleezige, eenkamerige verdikking van den stengelhals, en aan
Alliaria door V. Planet, die geene nadere beschrijving
van de gal geeft. Van 15 door Dr. Leef mans gekweekte
exemplaren vallen er 14 al dadelijk op door hunne aanzienlijke
grootte, die bij Spr.’s inlandsche exemplaren van C. con-
tractus Mrsh. alleen door 2 Rotterdamsche en 1 Eerbeeksch
exemplaar geëvenaard wordt. Het eene kleine exemplaar
werd door Dr. Leefmans in 1936 verkregen, en deed
aanvankelijk bij Spr. het vermoeden rijzen, met eene nieuwe
soort te doen te hebben wegens de zwakke ontwikkeling der
bultjes aan weerszijden van het halsschild. Bij de 14 exem-
plaren van 1937 vertoonen echter juist de 4 4 eene zeer
sterke ontwikkeling van deze bultjes, die zich schuin van
VERSLAG. LV
boven (het dier hellende van voren naar achteren), bij 30-
malige vergrooting, voordoen als eene flauw gebogen, scherpe,
glimmende kiel. Bij de 2,2 is het bultje normaal ontwik-
keld, doch is slechts zelden een spoor van kielvorming zicht-
baar. Behalve door den langeren snuit onderscheidt het ©
zich van het & door iets plomperen en breederen vorm, en
door het ontbreken van eene groef op het laatste sterniet,
alsmede door eene welving der beide eerste sternieten, die
bij het & juist eenigszins zijn ingedrukt. Al deze kenmerken
vindt Spr. terug, zij het ook iets minder in het oog vallend,
bij exemplaren, die niet op cultuurplanten zijn gevangen. De
kleine verschillen kunnen echter zeer goed verband houden
met de, over het algemeen, geringere grootte. In elk geval
geeft de uitwendige morphologie Spr. geene aanleiding, om
den Ceutorrhynchus, waarvan de larve in koolbladeren mi-
neert, zelfs maar als een biologisch ras van C. confractus
Mrsh. te beschouwen. Voor zoover de uitwendige morpho-
logie betreft, moet deze Ceutorrhynchus als een typische
contractus Mrsh. beschouwd worden. Blijft de vraag, of de
bladmineerende levenswijze der larve eveneens als typisch
voor de soort moet worden beschouwd. Spr. acht de moge-
lijkheid niet uitgesloten, dat alle vroegere waarnemingen
foutief zijn geweest, en betrekking hadden op de larven van
andere Ceutorrhynchus-soorten, die op dezelfde planten voor-
komen (bijv. robertii Gylh. op Alliaria, enz. Zie over voor-
komen van meerdere Ceutorrhynchus-soorten op dezelfde
planten: Dr. C. Urban in Entomol. Blätter 1921, p. 19
e.v.). Nergens immers vond Spr. vermeld, dat de waarnemers
die larven ook inderdaad gekweekt hebben, terwijl het gelijk-
tijdig aantreffen van de imagines en de gallen op dezelfde
plant nog niet een verband tusschen deze beide bewijst.
Daarom gelooft Spr. vooralsnog, dat Dr. Leef mans, door-
dat hij de larve gekweekt heeft, de ware levenswijze van
C. contractus Mrsh. heeft ontdekt. In dit verband wijst hij
er echter op, dat Brischke in „Schriften der naturf.
Ges. Danzig”, 1881, p. 239 mededeelt, dat hij de larve van
Ceutorrhynchus erysimi F. (de naaste verwant van contractus
Mrsh.) heeft gekweekt, en dat deze mineert in de bla-
deren van Matthiola incana en Cheiranthus Cheiri. Voorts
vindt Spr. bij Urban (Ent. Blätter 1924 p. 86) vermeld, dat
Hering in 1921 de larven van contractus Mrsh. zou heb-
ben gevonden in bladmijnen van Alliaria officinalis!). H e-
ring zou dus eigenlijk de eerste ontdekker van de juiste
levenswijze der larve van C. contractus zijn. Dit is het eenige,
wat Spr. na ijverig zoeken in de litteratuur over bladmineeren-
1) In zijn pas verschenen werk: Die Blattminen Mittel- und Nord-
Europas vermeld Hering Ceutorrhynchus contractus Mrsh. uit tal van
Cruciferen, bovendien uit enkele nog C. quadridens Pz., met anderen
mijngang. de Meijere.
LVI VERSLAG.
de Ceutorrhynchus-larven heeft kunnen vinden. Dr. Leef-
mans verkreeg ook nog een exemplaar van eene kleine
sluipwesp, die bij de larve van contractus parasiteert. Voorts
trof Dr. Leef mans een aantal imagines van Ceutorrhyn-
chus assimilis Payk. in de bloemen van koolzaad te St. Pan-
cras aan.
Spreker laat ter bezichtiging rondgaan exemplaren van
de behandelde insecten en larven van C. contractus, benevens
bladeren van kool met de bladmijnen en foto's daarvan, door
Dr. Leef mans geprepareerd en vervaardigd.
Verder een zeer fraai ontwikkeld 4 van denzelfden Stra-
tegus sp., die reeds eerder hier te lande in Malta-aardappelen
levend is ingevoerd. Ditmaal is het dier wel degelijk met eene
bananenboot uit Jamaica medegekomen, hetgeen Spr.s mee-
ning bevestigt, dat dit eiland de eigenlijke patria is.
Dan laat Spr. nog ter bezichtiging rondgaan een busje
met voedsel voor aquarium-vischjes, dat sterk is aangetast
door Ptinus tectus Boield. Duidelijk kan men in dit substraat
de cocons zien, die de larve spint alvorens te verpoppen. Dit
spinvermogen der larven verergert de aangerichte schade
zeer aanzienlijk, Deze nieuwe vijand onzer voorraden dient
scherp in het oog te worden gehouden.
Ook gaat nog ter bezichtiging rond een papieren zakje
met zaad van Cyclamen. In dit zaad wordt een levendige
uitvoerhandel gedreven, o.a. naar Argentinië. Nu is het al
een paar maal voorgekomen, dat het zaad daar aankwam
met zware aantasting door Sitodrepa panicea F. (Col. Anob.),
zooals ook het geval is met het zaad in dit zakje. Er ontstond
geschil over de vraag, of de aantasting aan den exporteur
kon worden geweten, dan wel of de kevertjes er tijdens de
reis in gekomen waren. Volgens Spr. wijzen de gaatjes, die
in de zakjes zijn geknaagd, er op, dat de aantasting tijdens
de reis heeft plaats gehad, want uit kweekproeven, herhaal-
delijk genomen, is hem gebleken, dat de kevertjes nimmer
trachten, het voedselsubstraat te verlaten, zoolang daarvan
nog voldoende voorraad aanwezig is, zooals bij de zakjes met
zaad, die aan zijne beoordeeling werden onderworpen steeds
het geval was. Het bewuste zakje, dat rond gaat, levert nu
het afdoend bewijs van de juistheid van Spr.s meening,
omdat men daar eene knaagplek aan de buitenzijde kan zien,
juist waar de randen over elkaar zijn geplakt en het papier
dus dubbel is, waar het insect er niet in geslaagd is, zich
toegang te verschaffen. Tevens toont dit aan, dat de aan-
tasting op eenvoudige wijze te voorkomen is door de zakjes
in goed sluitende kartonnen of spanen doosjes te verpakken,
hetgeen Spr. dan ook aan de exporteurs heeft aangeraden.
Toevalligerwijze kreeg Spr. juist den vorigen avond bezoek
van een exporteur van Cyclamen-zaad, die hem vertelde, dat
de zakjes met zaad te zamen in een couvert van sterk papier,
VERSLAG. LVII
en dit weer in eene blikken doos werd verpakt, zoodat dus
infectie tijdens de reis uitgesloten was. Het was hem intus-
schen gebleken, dat de ontvanger in Argentinië de zakjes
met zaad had uitgepakt en geruimen tijd open en bloot in
zijn magazijn had laten liggen, zoodat de infectie toen moet
hebben plaats gehad. Hier te lande is dit beslist niet gebeurd.
Niets meer aan de orde zijnde, wordt de Vergadering door
den President, na dankzegging aan de sprekers, gesloten.
Draagt bij tot redding van Artis
Door een gelukkig toeval was het juist voor het afdrukken
van dit Verslag, dat het Bestuur achterstaande mededeeling
ontving van het ARTIS REDDINGS COMITE, met ver-
zoek om plaatsing in het eerstvolgende nummer van ons
orgaan.
Voor dit ons allen ongetwijfeld bijzonder sympathieke
doel — de sympathie is wederkeering, want ARTIS heeft
van oudsher de Entomologie bevorderd en haar de plaats
gegeven, die haar toekomt — stellen wij gaarne aan omme-
zijde plaatsruimte beschikbaar.
Het Bestuur.
Een aantrekkelijke groote loterij
Het comité, dat zich sedert eenige maanden beijvert
fondsen bijeen te brengen tot redding van het genootschap
„Natura Artis Magistra’ te Amsterdam, dat wil zeggen tot
behoud van den fraaien tuin en uitzonderlijke dierenverza-
meling, heeft, met toestemming van den Minister van Justitie,
een loterij georganiseerd, waarvan de loten à één gulden
per stuk van den 20sten April af verkrijgbaar zijn. De loterij
omvat 60,000 loten en er is voor een totale waarde van
meer dan f 15,000,— aan prijzen.
Tot die prijzen behooren, behalve twee automobielen en
een speciaal gebouwd Pampusjacht een reis Rotterdam-
New York-San Francisco en terug, met een 15-daagsch
verblijf in de Ver. Staten en inclusief een bezoek aan twee
wereldtentoonstellingen, luxetreinen en hotelaccomodatie.
De prijzen zijn fraai, zooals men ziet — men kan ook
eenige lidmaatschappen voor het leven of halfjaarabonne-
menten Artis winnen — en zullen zeker voor velen aanleiding
vormen tot het koopen van loten.
Het is intusschen te hopen — en wij wekken daartoe
gaarne onze lezeressen en lezers op — dat ook tal van
landgenooten alleen reeds uit de overweging, dat zij door
loten te koopen het voortbestaan van Artis helpen verze-
keren, hiertoe zullen besluiten.
Artis in de Amsterdamsche Plantage, waaraan wij schier
allen de schoonste jeugdherinneringen bewaren, moet voor
de toekomst — verjongd — behouden blijven.
Laat ons door naar vermogen Artis Reddingsloten te
koopen daartoe bijdragen.
Loten kunnen worden aangevraagd bij het ARTIS RED-
DINGS COMITE, Mauritskade 14, Amsterdam-O. (Post-
giro 321500; Amsterdamsch Gemeente-Giro : A 4400).
emp, LVII
È Zoslogy i A)
Lis nan}
VERSLAG
VAN DE
DRIE-EN-NEGENTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN IN HOTEL ,,DE HERDER” TE BEETSTERZWAAG OP
ZATERDAG 2 JULI 1938, DES MORGENS TE 11 UUR.
President: Prof. Dr. J. C. H. de Meijere.
Aanwezig het Eerelid Dr. A. C. Oudemans en de ge-
wone Leden: Dr. G. Barendrecht, Dr. W. Beijerinck,
Ir. G. A. Graaf Bentinck, Prof. Dr. S. L. Brug, J. B. Cor-
poraal, A. Diakonoff, B. H. Klynstra, Dr. G. Kruseman Jr.
M. A. Lieftinck, Dr. D. Mac Gillavry, Dr. A. Reclaire,
Dr. DY L. Uyttenboogaart, F. T. Valck Lucassen, J. J.
de Vos tot Nederveen Cappel en P. van der Wiel.
Geintroduceerd de heeren D. P. Mulder en J. van der
Velden.
Afwezig met kennisgeving het Correspondeerend Lid
Dr. P. Speiser en de gewone Leden: K. J. W. Bernet
Kempers, C. J. Briejér, J. Broerse, H. Coldewey, Prof. Dr.
W. M. Docters van Leeuwen, F. C. J. Fischer, C. de Jong,
FE. B. Klynstra, Dr. S. Leefmans, B. J. Lempke, Mej. M.
Mac Gillavry, Dr. Th. C. Oudemans, R. A. Polak, H. van
der Vaart, J. C. Wijnbelt en Ir. T. H. van Wisselingh.
De President opent de Vergadering met de volgende rede:
Mijne Heeren,
Nu wij na 16 jaren wederom in Friesland bijeen zijn, heet
ik u allen welkom te Beetsterzwaag, waaraan wij van toen
zeer aangename herinneringen hebben. Het is voor ons doen
wel vrij laat in den tijd, maar veel is dit jaar later dan ge-
woonlijk en wij hopen, dat dit ook op de excursie zal blijken.
Wij verloren in het afgeloopen jaar niet minder dan 3
eereleden. Op zijn landgoed te Tring overleed den 27en
Augustus 1937 Lord Lionel Walter Rothschild in den
ouderdom van 69 jaar, eerelid sinds 1913. Van zijne jeugd
afaan vol zoölogische neigingen en vooral hartstochtelijk
vlinderverzamelaar, bleef hij deze roeping zijn leven lang
LIX VERSLAG.
niet alleen getrouw, maar werd hij daardoor de stichter van
een particulier zoölogisch Museum, dat menig Staats- en
Stadsmuseum naar de kroon steekt, wat hem intusschen niet
weerhield, tal van officiéele functies waar te nemen, zoo
o.a. het lidmaatschap van het Lagerhuis. Tijdens het Inter-
nationaal Entomologen-Congres, te Oxford in 1912 gehou-
den, ontving hij de deelnemers, waartoe ook Everts,
Van der Hoop en ikzelf behoorden, op zijn landgoed
aan een uitgebreiden lunch, eri bezichtigden wij ook het
museum, waarin voor die gelegenheid eene onafzienbare
reeks Ornithoptera's op lange tafels waren uitgestald. De
publicaties van hem en zijn medewerker Dr. K. Jordan be-
hooren door zijne onbeperkte middelen almede tot de schit-
terendste op lepidopterologisch gebied.
Een entomoloog van algemeene vermaardheid was even-
eens Dr. Géza de Horvath, die op 8 September op
hoogen leeftijd te Budapest overleed, eerelid sinds 1929. In
latere jaren was hij directeur van de zodlogische afdeeling
van het Hongaarsche Nationale Museum. Zijne studie gold
de Rhynchoten, en hiervan was hij een der meest vooraan-
staande beoefenaars. Zijne publicaties over deze orde zijn
zeer talrijk en behandelen menigmaal ook soorten uit Ned.
Oost-Indié.
Het derde eerelid, dat wij moesten missen, was Edward
Meyrick, die eerst in het vorige jaar in deze functie
was benoemd. Hij overleed, eveneens hoogbejaard, op
31 Maart 1938 te Marlborough. Hij wijdde zich sinds vele
jaren en tot aan zijn einde aan de studie vooral der Micro-
lepidoptera, waarin hij een bekend specialist was van zeld-
zame productiviteit; ondanks zijn baanbrekend werk blijft,
vooral wat de exoten betreft, nog zeer veel te doen over,
vooral daar hij de nieuwere methodes als het genitaliën-
onderzoek niet voldoende tot hun recht kon doen komen.
Ook hij leverde voor de Oost-Indische fauna menige waarde-
volle bijdrage.
Van de buitenlandsche leden overleed Dr. W. Chr.
Mezger te Neuilly s. Seine, lid sedert 1926/27.
Voor het lidmaatschap bedankten als gewone leden de
heeren:
H. A. Bakker, ‘s-Gravenhage (1921/22).
Mr. E. van Delden, Soerabaja (1923/24).
E. D. van Dissel, Utrecht (1906/07).
Th. van Eek, Buitenzorg (1935). =
Dr. J. K. de Jong, Buitenzorg (1927/28).
P. Korringa, Bergen o/Z. (1937).
H. Lucht, Bondowoso, Java (1931/32).
Ir. J. J. L. de Rooij, Rotterdam (1929/30).
Toegetreden zijn als:
Buitenlandsch lid: Miss Th. Clay, Londen.
VERSLAG. LX
Gewone leden :
Pater A. Adriaanse, M.S.C., Tilburg.
W. C. Boelens, Hengelo (Ov.).
Ir. M. Hardonk, ‘s-Gravenhage.
P. W. Hummelinck, Utrecht.
S. B. Klynstra, ‘s-Gravenhage.
Het Staatsboschbeheer, Utrecht.
F. van der Weerd, ‘s-Gravenhage.
Dr. H. J. van der Weij, Bussum.
Het totaal ledental bedraagt :
Eereleden (incl. de drie aanstonds
te benoemen nieuwe Eereleden) 10
Begunstigers . . API be
Correspondeerende eden er ZO
Buitenlandsche Leden. . . . . 13
Gemwonenlbedentn nr el
Hotaal suas Oo, tegen vorig
jaar 189, dus weder een teruggang, maar de kleinst
mogelijke.
Van ons Tijdschrift verscheen Deel 80 Afl. 3 + 4 en kort
geleden ook Afl. 1 + 2 van Deel 81 ; van de Entomologische
Berichten No. 216 tot 222. Het nieuw benoemde redactielid
de heer de Vos tot Nederveen Cappel stelde
met veel zorg het register van het 9e deel samen, waarvoor
ik hem ook namens de vereeniging gaarne dank zeg.
De bibliotheek bevindt zich in goeden staat. De catalogus
is gereed, waardoor in eene veel gevoelde behoefte is voor-
zien. Den bibliothecaris mogen wij voor deze belangrijke
prestatie, waaraan meer vast zat dan menigeen zou denken,
van harte gelukwenschen en danken.
De vergaderingen werden zeer voldoende bezocht. De
wintervergadering baart het bestuur in de laatste jaren
eenige zorg door het aantal en den omvang der mededee-
lingen. Uitbreiding van het aantal vergaderingen zou aan
deze bezwaren ten deele tegemoet kunnen komen, maar geeft
het gevaar van versnippering, terwijl toch de kans, zooveel
mogelijk leden te ontmoeten, een groot voordeel van den
tegenwoordigen toestand is. Mi. zou reeds veel gewonnen
kunnen worden, wanneer de leden wilden zorgdragen, zich
niet te veel in details te begeven, die het meerendeel der
leden niet interesseeren kunnen, en eenigszins uitvoerige
nomenclatuurquesties, diagnosen enz, liever aan de Ent. Ber.
toe te zenden. Dan zou ook het verslag beknopter worden,
waarop in vorige convocaties, echter zonder merkbaar succes,
aangedrongen is. Ook is het gewenscht, zich zeer te beper-
ken wanneer het zaken betreft, die reeds elders gepubliceerd
zijn.
LXI VERSLAG.
In de hoop op het welslagen der vergadering en der
excursie van morgen open ik deze 93ste zomervergadering.
Hierna brengt de heer Klynstra uit het
Verslag van den Penningmeester over het
Boekjaar 1937.
Mijne Heeren,
Schatte ik in mijne begrooting van verleden jaar het na-
deelig saldo voor het jaar 1937 op £1120.—, in werkelijk-
heid is dit nog grooter geworden en bedroeg f 1433.63. Dit
komt doordat de uitgaven voor de Bibliotheek, welke op
f1700— begroot waren, inderdaad f 2093.62 bedragen
hebben.
De verdere uitgaven en inkomsten weken niet belangrijk
af van de in de begrooting genoemde bedragen.
Hierbij laat ik de Balans en de Verlies- en Winstrekening
rondgaan, welke hierachter zijn afgedrukt.
De volgende toelichtingen heb ik te geven:
BALANS, Debetzijde :
De inschrijvingen Grootboek Nationale Schuld en de ef-
fecten zijn berekend naar de beurswaarde op 30 December
1937, welke voor sommige hooger, voor andere lager was
dan het jaar daarvoor. Zoo steeg het bedrag der inschrijving
Grootboek Nationale Schuld in vollen eigendom, terwijl de
inschrijving Grootboek Nationale Schuld in blooten eigendom
en effecten in blooten eigendom daalden, hoewel de beleg-
gingen onveranderd bleven. Effecten in vollen eigendom
geven ook een lager bedrag dan het vorige jaar. Dit komt
echter door verkoop van f 1300— 4% N.W.S. en uitloting
£500.— 41% % Pandbrief Rotterdamsche Hypotheekbank,
waarvan de opbrengst noodig was voor noodzakelijk kasgeld.
De waarde van de rest der eigen effecten steeg met f 386.41,
met welk bedrag de rekening Reserve voor Koersverlies ver-
hoogd werd.
Leden-Debiteuren. Op 31 December ll. stond nog aan
achterstallige posten f 309.95 open ; ondanks mijne herhaalde
en dringende aanmaningen was het niet mogelijk dit bedrag
te innen.
Catalogus van de Bibliotheek. Deze rekening staat onver-
anderd debet voor f 1393.78 ; in 1937 werden geene verdere
drukkosten betaald. Subsidies, waarop wij wel gehoopt had-
den, werden in het afgeloopen jaar niet ontvangen of toe-
gezegd. Als goed nieuws kan ik U echter mededeelen, dat
ik in de vorige maand f500.— subsidie ontving van de
Dr. D. L. Uyttenboogaart-Eliasen-Stichting voor de uitgave
van den Catalogus.
VERSLAG. LXII
BALANS, Creditzijde :
Fonds Hartogh Heys van de Lier. Deze rekening geeft
eene stijging van het zelfde bedrag waarmede de betreffende
belegging, inschrijving Grootboek Nationale Schuld, geste-
gen is.
Legaat Mr. A. Brants. Deze rekening verminderde met
f 250.—, welk bedrag, overeenkomstig het doel van dit legaat,
gebruikt werd om de drukkosten van den Catalogus der
Nederlandsche Lepidoptera van den Heer B. J. Lempke in
het Tijdschrift voor Entomologie, deel 80, ten deele te be-
kostigen.
Legaat Dr. C. L. Reuvens en Nalatenschap Dr. H. J. Veth.
Beide rekeningen geven eene vermindering met de zelfde
bedragen, waarmede de betreffende beleggingen gedaald zijn.
Dr. J. Th. Oudemans-Stichting. Deze rekening steeg met
f 67.85, zijnde de helft der rente door deze stichting gekweekt.
Kapitaal. Het nadeelig saldo 1936, f 379.40, werd van deze
rekening afgeboekt, zoodat het bedrag derzelve daalde tot
F7693.28.
VERLIES- EN WINSTREKENING, Debetzijde :
Bibliotheek. Het nadeelig saldo van deze rekening is zeer
hoog, f 2093.62. Voor aankoop werd f 1421.87 besteed, aan
salaris van de(n) assistent(e) werd f 346.— betaald. De
rest is het bedrag der onderhoudskosten, dat niet gedekt werd
door de rente van het Fonds Hartogh Heys van de Lier.
Onkosten. Deze rekening geeft het totaal van alle onkos-
ten, zooals porti, drukwerk, contributies aan andere vereeni-
gingen, Belasting van de Doode Hand enz.
VERLIES- EN WINSTREKENING, Creditzijde :
Contributies. Deze daalden verder tot f 1157.—. De drie
voorafgaande boekjaren bedroegen zij nog resp. f 1215.—.
f 1285.—, f 1365.—.
Indien U betreffende de overige posten nog het een of
ander minder duidelijk is, dan verwijs ik U naar de gegeven
toelichtingen in de vorige jaarverslagen.
De volgende begrooting kan ik voor het loopende boek-
jaar geven:
INKOMSTEN :
Contributies . mien tet en Gor EIZO
IEEE ee ee ee at ED te en ee tee econ Oi
f 1590.—
UITGAVEN :
Bibliotheek BET. en 3 f 1000.—
Onkosten MESSE VE DER SE x » 320.—
Tijdschrift voor Entomologie (f 725.— minus
Rijkssubsidie f 225.—) . ME, f 500.—
Entomoloaische Berichtens. nu, vaan wen v370—
f 2190.—
LXIII VERSLAG.
Balans Boekjaar 1937.
Activa :
Postrekening No. 188130 . . ii 2323
Inschrijving Grootboek Nationale Schuld in
vollen eigendom Sins : „ 10.149.—
Effecten in vollen eigendom . . À , 1159625
Inschrijving Grootboek Nationale Schuld in
blooten eigendom . spt lil UE 9.855.—
Effecten in blooten eigendom 1254043
Secretaris 5 63.01
Leden-Debiteuren . 309.95
Catalogus v. d. Bibliotheek 1.393.78
Nadeelig Saldo 1937 1433.63
f 47.366.28
Passiva :
Fonds Hacke-Oudemans 200.—
Fonds van Eyndhoven . 1121826
Fonds Mac Gillavry . 13562
Fonds Hartogh Heys van de Lier. „ 10.149.—
Fonds Leden voor het leven . 3.500.—
Legaat Mr. À. Brants ; 500.—
Legaat Dr. C. L. Reuvens. . . sa 9099
Nalatenschap Dr. H. J. Veth . 1254025
Leden-Crediteuren : 3 x 4.—
Reserve Dubieuse Contributies À 4 66.96
Nederlandsch-Indische Entomologische Ver. . 6.—
Dr. J. Th. Oudemans-Stichting . 3 23048
Reserve voor Koersverlies . 1.249.25
Kapitaal . 1.893,28
f 47.366.28
Verliesen Winst Boekjaar 1937.
Verlies :
iidsehzitavoer Entomologie > NAN | 418.09
Entomologische Berichten . 268.94
Bibliotheek 2.093.62
Onkosten 323,36
5 310201
Winst:
Gontributies bi trim ne ue
Rente y 513.38
Nadeelig Saldo 1937 . 1.433.63
503410201
VERSLAG. LXIV
Ook deze begrooting is weer niet sluitend ; de uitgaven
overschrijden met f 600.— de inkomsten. Eene sluitende be-
grooting zal echter voorloopig wel tot de vrome wenschen
blijven behooren, daar deze met stijgende kosten, in het bij-
zonder voor de Bibliotheek, dalenden rente-standaard en
vermindering der contributies niet te bereiken valt.
Financieel Verslag der
Dr. J. Th, Oudemans-Stichting.
Het bezit van genoemde Stichting bestond op 31 Decem-
ber 1937 onveranderd uit f 5600.— Inschrijving Grootboek
Nationale Schuld 213 %. Voor de helft der gekweekte rente,
f 67.85, werd deze Stichting in de boeken der N.E.V. ge-
crediteerd, zoodat op 31 December jl. een bedrag van
f 237.48 te beleggen viel.
Vereeniging tot het financieren der
viering van het 100-jarig bestaan der
Nederlandsche Entomologische
Vereeniging.
Op de vorige Zomervergadering kon ik U mededeelen, dat
het bezit van bovengenoemde vereeniging f 181.28 bedroeg.
Zeer tot mijne spijt mocht ik sindsdien geen verdere bij-
dragen meer ontvangen. De gekweekte rente in het afgeloopen
jaar beliep f 4.76, zoodat het bezit bedraagt f 186.04.
De President zegt den Penningmeester dank voor zijn
verslag en vraagt naar de bevindingen van de Commissie
tot het nazien der Rekening en Verantwoording van den
Penningmeester over het boekjaar 1937.
De heer Bentinck verklaart, mede namens den heer Van
Wisselingh, dat zij de rekening en verantwoording hebben
nagezien en in volkomen orde bevonden. Namens de com-
missie stelt hij voor, de rekening en verantwoording goed
te keuren en den Penningmeester te dechargeeren van het
door hem gevoerde beheer.
Op voorstel van den President wordt hierna den Pen-
ningmeester, onder dankzegging voor zijn zorgvuldig
beheer, bij acclamatie décharge verleend.
De President wijst hierop als leden der commissie voor het
nazien der rekening en verantwoording over het boekjaar
1938 aan de heeren Dr. G. Barendrecht en Dr. G.
Kruseman Jr. Beide heeren, ter vergadering aanwezig,
aanvaarden deze benoeming.
De President geeft het woord aan Dr. D. L. Uytten-
boogaart tot het uitbrengen van het
Verslag van den Bibliothecaris over het jaar 1937,
Met het drukken van den nieuwen catalogus werd voort-
LXV VERSLAG.
gegaan, echter niet regelmatig, omdat de drukker ons soms
weken lang op de proeven liet wachten. Dit oponthoud was
echter niet onwelkom, omdat het mij gelegenheid gaf om
zoowel de nog niet afgedrukte kopij als de eerste drukproe-
ven nogmaals nauwkeurig zoowel met den inhoud der bi-
bliotheek als met den kaart-catalogus te vergelijken. Zoo-
doende konden nog tal van vergissingen worden hersteld en
hiaten worden ‚aangevuld. Het bleek zelfs noodzakelijk
voor de rubriek „Tijdschriften en andere periodieken’ eene
geheel nieuwe kopij te vervaardigen daar de reeds bestaande
zoo onvolledig bleek dat ze niet voldoende ruimte bood om al
het ontbrekende op te nemen. Inmiddels begon de heer
Verhoeff, die Mevr. Raacke als assistent is opge-
volgd, met de samenstelling van het Iste supplement. De
kopij hiervoor kwam in Juni van dit jaar gereed. Toen bleek,
dat de nieuwe kopij voor de rubriek „Tijdschriften enz.”
eerst in het begin van 1938 gereed kon komen, zijn wij ook
nog begonnen met de samenstelling van een 2de supplement,
dat zoo tijdig in 1938 gereed kwam, dat het nog in den
nieuwen catalogus kon worden opgenomen, zoodat deze bij
zijn verschijnen tot 31 December 1937 compleet is. Het doet
mij genoegen dat ik in staat ben op deze vergadering den
nieuwen catalogus, die zoo juist verschenen is, te vertoonen.
De orde in de bibliotheek laat mi. nog veel te wenschen
over, omdat tot nu toe, bij gebrek aan voldoend personeel,
de rangschikking der boeken overeenkomstig den catalogus
telkens weer gestoord wordt, omdat uitgeleende boeken na
terugkomst op verkeerde plaatsen worden neergezet.
Zoo kan het voorkomen, dat naar boeken, die toch zeer
stellig aanwezig zijn, bij nieuwe aanvraag vergeefs wordt
gezocht.
Nu de nieuwe catalogus gereed is, zal de assistent van den
bibliothecaris zich geheel kunnen belasten met het terug-
plaatsen der uitgeleende boeken. Vooraf zal echter weer eene
geheele revisie noodig zijn om alle verdwaalde boeken op
hunne juiste plaatsen terug te brengen.
Intusschen verzoek ik den leden uitdrukkelijk om, wan-
neer zij een boek uit den catalogus met den juisten titel heb-
ben aangevraagd, er geen genoegen mee te nemen, als zij
soms ten antwoord krijgen, dat het boek niet te vinden is,
doch in zulk een geval zich bij mij persoonlijk te beklagen.
Met het inbinden van boeken en tijdschriften werd ge-
regeld voortgegaan. Hierbij is nog een groote achterstand in
te halen; het is echter voor het behoud der boeken nood-
zakelijk.
Belangrijke aanschaffingen hadden in dit jaar niet plaats ;
van de aanschaffing van het groote werk van Oberthür
werd reeds in het vorig verslag melding gemaakt, hoewel de
betaling daarvan eerst in de rekening van 1937 verantwoord is.
VERSLAG. LXVI
Zeer belangrijke schenkingen werden ontvangen van onze
eereleden Dr. A. C. Oudemans en Prof. A. Lameere,
waarvan eene bijzondere vermelding hier op haar plaats is.
Het aantal personen, die boeken uit de bibliotheek ter leen
ontvingen, bedroeg 50, het aantal uitgeleende boeken 1110,
op 655 bons, het aantal bezoekers bedroeg 85. Voorts werden
vele boekwerken ter plaatse ingezien door het personeel der
entomologische afdeeling van het Zoölogisch Museum. Ook
in de leeszaal van het Koloniaal Instituut werden zeer dikwijls
boeken uit onze bibliotheek geraadpleegd.
Behalve de boven reeds genoemde zeer belangrijke schen-
kingen ontving onze bibliotheek nog grootere en kleinere ge-
schenken van de volgende instellingen en personen : Instellin-
gen : Centrale Boekerij van de Koninklijke Vereeniging Ko-
loniaal Instituut, Amst.; Societas entomologica Fennica,
Suomi; Nederlandsche Dierkundige Vereeniging. Personen :
Prof. Dr. O. de Beaux ; Ir. G. A. Graaf Bentinck ; Dr. J. G.
Betrem ; Dr. H. C. Blôte ; J. B. Corporaal ; Dr. K. W. Dam-
merman; A. Diakonoff ; Prof. Dr. W. M. Docters van
Leeuwen; F. van Emden; Ir. J. J. Fransen; Prof. Dr. G.
D. Hale Carpenter ; P. Haverhorst ; Prof. Dr. K. M. Heller ;
Dr. E. Jacobson; C. de Jong; R. Kleine; W. J. Kossen ;
Dr. G. Kruseman; Dr. S. Leefmans ; B. J. Lempke; M. A.
Lieftinck ; Prof. Dr. J. C. H. de Meijere ; A. d’Orchymont ;
Familie Oudemans, Putten; Prof. Dr. W. Roepke; U.
Saalasıı Dr.) Hie Schmitz’ Dr. EVA M Speijer ; Prof. Dr.
E. Strand ; Dr. D. L. Uyttenboogaart ; F. T. Valck Lucassen ;
Dr. J. van der Vecht; J. J. de Vos tot Nederveen Cappel;
Dr. A. D. Voûte.
De nieuwe Catalogus der Bibliotheek wordt ter bezichti-
ging rondgegeven, zoo ook eene proefaflevering van een aar-
dig Fransch tijdschrift „La Terre et la Vie”.
Verder vermeldt Spr., dat hij onlangs een zeer goedkoopen
en toch degelijken binder gevonden heeft (te Rotterdam),
die eene proefzending bindwerk zeer tot tevredenheid heeft
afgeleverd.
De President zegt, dat hij ditmaal den Bibliothecaris na-
mens de Vereeniging wel zeer bijzonderen dank mag bren-
gen voor zijne toewijding en voor zijne onvermoeide werk-
zaamheid, die dit jaar hare bekroning vonden in het ver-
schijnen van den nieuwen Catalogus. Door een langdurig
applaus geven de aanwezigen hunne instemming met deze
woorden te kennen.
Hierna is aan de orde de vaststelling van de plaats, waar
de volgende Zomervergadering zal gehouden worden. Ge-
noemd worden De Lutte, Aalten, Herikerberg b/Goor (door
Dr. Kruseman), de streek nabij Bergen-op-Zoom (door Ir.
G. A. Graaf Bentinck), Texel (door den heer M. A. Lief-
LXVI VERSLAG.
tinck, die tevens de aandacht vestigt op het hotel „Cali-
fornia’ bij De Koog, dat in eene voor ons doel zeer ge-
schikte omgeving ligt). Bij de stemming wordt daarop Texel
aangewezen.
Bij de hierop volgende verkiezing van twee leden in het
Bestuur wegens periodiek aftreden van de heeren Corpo-
raal en Mac Gillavry worden de aftredenden met
groote meerderheid herkozen. Beiden aanvaarden hunne her-
benoeming.
Hierna is aan de orde de verkiezing van drie n'euwe eere-
leden in de vacatures, ontstaan door het overlijden van de
heeren Lord Walter Rothschild, Dr. G. de Hor-
váth en Edw. Meyrick, Door het Bestuur worden
aanbevolen de heeren Prof. A. D. Im ms, Prof. Sir E. B.
Row tomsieny ProkeDra Foi liveelsjtire
De heer Mac Gillavry zegt, ter toelichting van de can-
didatuur van Prof. Imms o.a., dat deze entomoloog, die
in Europa en in Britsch-Indié heeft gewerkt, een van de
eerste plaatsen in onze wetenschap inneemt. Talrijk zijn zijne
publicaties en, nu hij chef is van het Entomologisch Instituut
te Cambridge, geeft hij leiding aan een staf van entomologen
uit allerlei landstreken. Zijn magnum opus is zijn General
Textbook of Entomology, dat in korten tijd drie drukken
beleefde. Eenige hoofdstukken ervan behandelde hij nog
uitvoeriger in zijn ,,Recent Advances in Entomology’, die
ook reeds eenige malen herdrukt zijn.
De heer Uyttenboogaart zegt, naar aanleiding van de can-
didatuur van Prof. Poulton, dat deze oud-hoogleeraar
aan de Universiteit te Oxford, die zich vooral heeft bewo-
gen op het gebied van mimicry en evolutie der lepidoptera,
hierop baanbrekend werk heeft verricht; zijne publicaties
hierover mogen tot de beste gerekend worden.
De heer de Meijere zegt van Prof. Silvestri, dat deze,
directeur van het zoölogisch laboratorium der Hoogere school
voor Landbouwkunde te Portici bij Napels, niet alleen over
velerlei onderwerpen van toegepaste entomologie bijdragen
heeft geleverd, maar ook daarnevens vele uitstekende onder-
zoekingen heeft verricht vooral over hymenoptera, termieten,
thysanura en andere lagere insectenorden. Hij is een der
meest bekende entomologen van Italié en verdient zeker alle
aanbeveling als opvolger van Berlese en Gestro.
De heer Bentinck stelt voor, tot eerelid te benoemen F. N.
Pierce te Warmington, een pionier op het gebied van
genitalién-onderzoek bij lepidoptera, die zich hiermede reeds
ongeveer 40 jaren bezighoudt, er reeds een 5-tal boeken
over heeft geschreven en als autoriteit op dat gebied groo-
ten naam verworven heeft.
VERSLAG. LXVIII
De heer Diakonoff voegt hieraan toe, dat die onderzoe-
kingen van de grootste beteekenis zijn voor de systematiek,
vooral der microlepidoptera. Veel ook heeft hij zich be-
moeid met Europeesche micro's, en dus ook voor de kennis
onzer inheemsche fauna belangrijk werk verricht.
Bij de hierop volgende stemming blijken de meeste stem-
men zich te hebben vereenigd op de heeren Imms, Poul-
tonen Silvestri.
Hierna wordt voorgelezen de volgende brief:
Amsterdam, 18.6.1938.
Aan het Bestuur der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging.
Mijne Heeren,
Ondergeteekenden, leden der N.E.V., hebben de eer, Uwe
aandacht te vragen voor eene aangelegenheid, die, naar hun
oordeel, van groot belang is voor de ontwikkeling der Ver-
eeniging.
Wij zijn tot de overtuiging gekomen, dat de ,,Winter-
vergadering’ in de laatste jaren te lijden heeft aan eene
overmaat van stof, en wel in die mate, dat vele mede-
deelingen daardoor niet of weinig tot hun recht komen.
De voor eenige jaren ingevoerde spreektijdbeperking heeft
o.i. slechts in zooverre voldaan, dat het hierdoor mogelijk
is gebleven, allen sprekers eene beurt te geven ; de hoedanig-
heid der mededeelingen heeft echter hieronder geleden, en
zal er in de toekomst waarschijnlijk in nog sterker mate
onder lijden.
Wij hebben hierbij vooral op het oog mededeelingen be-
treffende door de leden verrichte meer uitgebreide onder-
zoekingen. Dergelijke mededeelingen toch nemen al spoedig
een uur of meer tijds in beslag, en zijn ook door eene an-
dere, later te noemen oorzaak dikwijls niet wel uitvoerbaar.
Het lijkt ons dan ook wenschelijk, om naast de reeds be-
staande zomer-en wintervergadering nog eene derde ver-
gadering in te stellen, die, in November gehouden, „Herfst-
vergadering zou kunnen worden genoemd.
Ten einde deze vergadering, die speciaal bestemd zou zijn
voor meer uitgebreide mededeelingen, aan haar doel te doen
beantwoorden, meenen wij dat zij in twee opzichten van de
bestaande vergaderingen zou dienen te verschillen.
Ten eerste zou zij moeten worden gehouden in eene wer-
kelijk voor dit doel geschikte lokaliteit, waar niet alleen de
hoorders, maar ook de sprekers de noodzakelijke accommo-
datie vinden : gelegenheid tot projecteeren, bord en demon-
stratietafel. Waarschijnlijk zullen dus collegezalen van la-
boratoria het meest geschikt zijn.
Ten tweede zal het noodzakelijk zijn, eenige weken te
LXIX : VERSLAG.
voren eene agenda op te stellen, die met de convocatie ver-
zonden kan worden. Immers zal het systeem van aanmelding
der sprekers bij den aanvang der vergadering hier niet zijn
vol te houden.
Aldus zou de Wintervergadering aanmerkelijk ontlast
worden en weer geheel kunnen worden besteed aan kortere
mededeelingen en het persoonlijk contact tusschen de leden.
Het lijkt ons juister, geen onderscheid te maken tusschen
de stof der beide vergaderingen: het criterium blijve uit-
sluitend gelegen in de meerdere of mindere uitgebreidheid
der mededeelingen.
Wij zouden Uw Bestuur dan ook willen verzoeken in deze
richting stappen te ondernemen.
Met de meeste hoogachting,
(get) G. Batrendaecntt
G. Kruseman Jr.
Het Bestuur wil gaarne eene proef nemen als in dezen
brief voorgesteld. Het stelt zich voor, van te voren eene
circulaire tot de leden te richten, en hierin ook te verzoeken
om opgave van het onderwerp en van den vermoedelijken
duur der mededeelingen.
De heer Mac Gillavry voegt hieraan nog toe, dat ook de
financiëele consequenties door het bestuur onder de oogen
gezien zijn, en dat de proef zich ook hiertoe zal moeten uit-
strekken. Wanneer de proef in alle opzichten als geslaagd zal
mogen worden beschouwd, zoo kan dan nader beslist worden
over voortzetting. Uitdrukkelijk is in de Bestuursvergadering
er op gewezen, dat, vooral ook wat betreft de toegepaste
entomologie, het niet gewenscht is, dat mededeelingen, die
reeds elders gepubliceerd zijn of binnen kort gepubliceerd
zullen worden, nog eens in onze publicaties in druk zullen
verschijnen. Ook wegens den staat onzer geldmiddelen zal
het Bestuur hiertegen dienen te waken.
De heeren Barendrecht en Kruseman werpen ook de vraag
op, of het niet gewenscht zou zijn, de verslagen der winter-
vergaderingen in beknopter vorm te geven, en maken ver-
gelijkingen met de Nederlandsche Botanische Vereeniging,
die afzonderlijke floristenvergaderingen pleegt te houden.
Op voorstel van den heer Lieftinck zal in het Verslag
dezer vergadering eene proef worden genomen met het plaat-
sen van ondertitels boven de mededeelingen.
De President dringt nogmaals aan op beknoptheid van
de te drukken mededeelingen.
De heer Mac Gillavry schenkt voor het foto-album eene
aardige opname van onzen President, bezig met de vangst
van diptera, en wekt de leden op, bij voorkomende gelegen-
heden het foto-album te gedenken.
VERSLAG LXX
Na de pauze komen aan de orde de
WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN
Nieuwe vondsten op het gebied der Systematiek en der
Nomenclatuur der Acari II.
De heer A. C. Oudemans vervolgt zijne nieuwe vond-
sten op het gebied der Systematiek ender
Nomenclatuur der Acari.
Porrhostaspis lunulata Jul. Müller, Beitr. Höhlenfauna
Mährens, in: Lotos, v. 9, fa, 2. II 1859. p. 29 t. f. 2 ad.
— Eugamasus elimatus (C. L. Koch V. 1839).
Gamasus cellaris Mégnin, Mém. Fam. Gamas., in:
Journ. Anat. Physiol., v. 12. fa. Mai 1876. p. 331 = Euga-
masus loricatus (Wankel 1861).
Gamasus lagenarius M é g nin, ibid. p. 329 = Holopara-
situs lichenis (Schrank 1781).
Gamnasus jungorum Wegnin, ibid, p. 350... & f. 2:
— Pergamasus crassipes (L. 1758).
Gamasus horticola M é g nin, ibid., p. 331 ; non Gamasus
horticola C. L. Koch VI 1839; = Pergamasus longicornis
Berl. 1906.
Gamasus nanus Mégnin, ibid., p. 232, komt Spr. voor,
een Pergamasus te zijn.
Holostaspis favosa Jul. Müller, Insectenepiz., in:
Jhrsh. naturw. Sect. mähr. schles. Ges. 1859, p. 180 t. 3. f.
4 a—c is een Geholaspis.
Gamasus copromorgus Mégnin, Mém. &c. Fam. Ga-
mas., in: Journ. Anat. Physiol., v. 12 fa. Mai 1876. p. 331,
is vermoedelijk een Macroheles, maar niet muscae domesticae
Scop. 1772, daar deze kastanjebruin is en groot, terwijl de
genoemde oranjebruin en slechts 0.75 lang is.
Holostaspis glabra Jul. Müll. Insectenepiz., in: Jhrsh.
naturw. Sect. mähr. schles. Ges., 1859, p. 178 t. 3. f. 3 a—e,
is een Macrocheles.
Gamasus rotundatus Mégn., Mém. &. Fam. Gamas.,
in : Journ. Anat. Physiol., v. 12. fa. Mai 1876, p. 329. — Is
niet rotundatus D u g. VII 1834, waarmede M. haar identifi-
ceert, maar een Anoplocelaeno, die Spr. mégnini herdoopt.
nov. nom.
Acylostaspis leucogaster Jul. Müller, apud Kolenati
Altvater, in Jhrsh. naturw. Sect. mähr schles. Ges. 1858
(1859!) p. 69, later onder den naam Holostaspis leucogastra
beschreven en afgebeeld : Jul. Müll. Beitr. mähr. Arachn.,
in: Lotos, v. 10. Febr. 1860. p. 50. t. 2. f. 6 a—c, is aan
Iphidosoma verwant.
Holostaspis contigua Jul. Müller, Insectenepiz., in:
Jhrsh. naturw. Sect. mähr. schles. Ges. 1859. p. 181. t. 4. f.
la—c, komt Spr. voor, een Eulaelaps te zijn.
LXXI VERSLAG.
Evenzoo Gamasus infernalis Jul. Müller, in: Lotos, v.
ie, Ze ur 1859 jon 22) À CE
Evenzoo Laelaps lemni Grube, in: Middendorff's
Reise Sibirien, v. 2. P. 1. 1851..p. (37), t- 322.22 Snom Me
(zie beneden !)
Gamasus pygmaeus Jul. Müller, Beitr. Höhlenf.
Mährens, in : Lotos, v. 9. fa. 2. Febr. 1859. p. 30. t. f 3 ac.
— Eulaelaps leucurus (Schrk. 1781).
Gamasus fenilis Megnin, Mém. &c. Fam. Gamas., in:
Journ. Anat. Physiol., v. 12. fa. Mai 1876, p. 332. = Haemo-
laelaps molestus Oudms. IX 1929! zoodat fenilis de prio-
riteit geniet.
Eumaeus longipes Grube, Verz. Arachn., in Arch. Na-
turk. Liv.-Ehst.-Kurl., s. 2. v. 1. p. 460. 1859 is een Hyletastes.
Holostaspis fimetarius Jul. Müller, Insectenepiz., in:
Jhrsh. naturw. Sect. mähr. schles. Ges. 1859. p. 182. t. 4. f. 3
a—c = Iphidosoma testudineus (Schrk. 1781).
Laelaps lemni Grube, in: Middendorff's Reise
Sibirien. v.02. Pili opie B72).2t2 32, 1.50. non KS) NONNEN
echte Laelaps, die Spr. grubei herdoopt, nov. nom.
Lepronyssus cruciatus Jul. Müller, Beitr. mähr. Arach-
nidenf., in : Eotos, v 10: fa. 2. Eebr. 1860, pr OMEN
a—c. = Laelaps hilaris C. L, Koch VI 1836.
Typhlodromus pyri Scheuten, Einiges üb. Milben, in:
Arch. Naturg.,iv. 23, Bali p. 111. 2262.45. ig hiedso-
mus foliorum (Schrk. 1781).
Paulicki & Hilgendorf, Aus dem Hamb. zool.
Garten, in: Arch. pathol. Anat. Physiol. klin. Med., v. 46.
fa. 1. 18.11.1869. p. 64, zijn de eersten, die eene Pneumonys-
sus-soort waarnamen „in trachea und bronchi von Cerco-
pithecus meyeri?” van Guinea. Dus niet Grijns en de
Haan 1901. — Jammer, dat de soort noch beschreven noch
afgebeeld is.
Gamasus musci Mégnin, Mém. &c. Fam. Gamas,, in:
Journ. Anat. Physiol., v. 12. fa. Mai 1876. p. 329. t. 8. f. 1.
is een Macrocheles ?
Amerling, Die Milbenkrankheit unser Getreide-arten,
in : Lotos, v. 11. fa. 2. Febr. 1861. p. 26. spreekt over een
genus Siteroptes en beeldt de soort af, die bij Secale cereale,
boven den bovensten halmknoop, achter de daar zich bevin-
dende bladscheede leeft, zonder haar een naam te geven.
Kirchner, Die Milben Böhmens, in : Lotos, v. 14. p. 126.
VIII 1864, noemt haar Siteroptes cerealium. — Siteroptes is
het latere genus Pygmephorus Kramer 1877.
Boisduval, Essai Entom. horticole, Paris, 1866, p. 87,
handelt over een Acarus hyacinthi. Hij zegt daarvan:
„ll existe un autre acarus d'une petitesse extreme, gros
comme un grain de poussière, entièrement grisâtre et assez
agile, qui vit entre les squammes de certaines espèces de Lili-
VERSLAG. LXXII
acées, principalement des Jacinthes ; il est dans certaines an-
nées, assez abondant à l'automne, et cause quelquefois des
démangeaisons aux personnes qui manient une grande
quantité d'oignons ; ... Nous ne trouvons mentionné nulle
part l'acarus de la Jacinthe, nous ne savons pas s'il n'a pas
déjà été observé par quelque naturaliste. Nous lui donnons le
nom provisoire d’acarus des Jacinthes, Acarus hyacinthi”. —
Hoewel de beschrijving veel te wenschen overlaat, blijkt wel
uit de gegevens: „d'une petitesse extreme ; entièrement gri-
sâtre ; assez agile ; vit entre les squammes ; cause des déman-
geaisons aux personnes qui manient une grande quantité
d'oignons — dat wij hier te doen hebben met eene Siterop-
tes-soort, die derhalve Siteroptes hyacinthi (Bois d. 1866)
genoemd kan worden. — De in Amerika uit Frankrijk, België,
Nederland en Japan ingevoerde hyacinthenbollen bevatten
zeer dikwijls Rhizoglyphus echinopus (Fumouze & Ro-
bin VII 1868). Nu heeft N. Banks in zijn werkje „A
revision of the Tyroglyphidae of the United States” (U. S.
Dept. Agric., Bur. of Ent, Technical Series, No. 13, Wash.
1906), p. 19 deze mijt beschreven en afgebeeld onder den
naam van Rhizoglyphus hyacinthi Boisd., waarmede hij
dus eene fout beging. En deze verkeerde benaming is door de
Amerikanen algemeen overgenomen. — Rhizoglyphus is ge-
middeld + 1 mm. groot, paarlwit, met wijnroode mandibels
en pooten, uiterst traag, leeft niet tusschen de rokken der
bollen, maar in door rotting ontstane, zoowel uit- als inwen-
dige holten, welke door haar worden uitgevreten en door de
talrijke nakomelingschap gevuld worden ; zij veroorzaakt ook
geen jeukgevoel bij degenen, die de bollen hanteeren.
Amerling, Die Milbenkrankheit unser Getreidearten,
in : Lotos, v. 11. fa. 2. Febr. 1861. p. 26. spreekt over Acari, die
de halmen van Secale cereale aan hun benedensten knoop zoo-
danig aantasten, dat de halm omvalt. Hij noemt het genus:
Therismoptes, beschrijft de soort niet, maar beeldt haar wel
af. — Kirchner, Die Milben Böhmens, in : Lotos, v. 14.
fa. 8.VIIL.1864 noemt de soort Therismoptes cerealium, welke
naam geldig is. — Therismoptes is het latere genus Tarsone-
mus.
Maddox, Remarks on some Paras., in: Monthly Micr.
Journ., Sept. 1871, p. 147, beschrijft eene Therismoptes, door
hem tusschen de haren van een dooden Pipistrellus pipistrellus
gevonden en beeldt haar op t. 96. f. 9 af. — Therismoptes
zijn plantenparasieten ; het exemplaar is dus toevallig op de
dwerg-vleermuis terecht gekomen ; het leefde natuurlijk van
de sappen uit een blad van den boom, waarin de vleermuis
hare nestholte had. De pooten III en IV staan ver naar ach-
teren, evenals bij Ther. auranti Oudms. 1927, maar
Maddox’ soort draagt ter zijde van pooten III een kort
haar, wat nog al typeerend is. Spr. doopt haar Ther. maddoxi ;
nov. spec.
LXXII VERSLAG.
Boisduval, Essai Entom. horticole, 1866, maakt mel-
ding van een Acarus russulus, „d'un rouge ferrugineux et
presque microscopique, ne se trouve que sur les Cactées, par-
ticulièrement sur les mammillaria, les echinocactus et genres
voisins”. Het diertje werd reeds in 1832 door Perty, Beitr.
Fauna monac., in: Isis, v. 25. fa. 7. p. 732 vermeld, maar
niet beschreven, noch benoemd. Het spreekt van zelf, dat
het dezelfde is als Brevipalpus cactorum (Oudms. VII
1929), die dus voortaan B. russulus (Boisd. 1866) heeten
moet.
Loudon, An Encycl. of Gard, Ed. 3. 1850, p. 1122,
maakt reeds melding van Acari op Orchideeën. Parfitt,
An Acar. inj. to Orchids, in: Zoologist, v. 17. fa. 4. Apr.
1859, p. 6161. beschrijft Acarus orchidarum. Dr. Geijskes,
die zich thans in Suriname bevindt, heeft uitgemaakt, dat zij
dezelfde soort is als die, welke door Spr. in de Entom. Ber.
v. 7. fa. 165. Jan. 1929 onder den naam van Brevipalpus
pereger Donnad. beschreven is, en dat Brevipalpus pereger
Donnad. 1875 eene andere soort is.
Sannio rubrioculus Scheuten 1857, Einiges über Mil-
ben, int Arch. Naturg.2.v.723 Be 1 Sp Ate Ze
op Pirus, is eene Bryobia.
Scharrer, in: Bull Soc. impér. Naturalistes Moscou,
v. 43. 1870. p. 408 geeft eene afbeelding van een der vele
vijanden van Vitis vinifera uit de omgeving van Tiflis. Dit
wonderlijke figuurtje vertoont het & eener Flexipalpus
Scheuten 1857 (=Tenuipalpus Donnad. 1875), met
N. B, een gesegmenteerd abdomen, evenals bij Coccus | —
Flexipalpus op Vitis zijn Spr. tot dusverre onbekend.
Donnadieu, Rech. s. 1. Tétraniques, VI 1875, p. 114.
t. 4. f. 31—42, beschrijft een Tenuipalpus glaber, die hij met
Trombidium glabrum Dugès 1834 identificeert. Deze is
echter een Caligonus. Eene soort, die verkeerd gedetermineerd
is, heeft nog geen naam. Spr. doopt haar Flexipalpus donna-
dieui nov. nom.
Scheuten, Einiges über Milben, in: Arch. Naturg.,
v. 23. 1857 P. 1. p. 111 t. 7 £. 11 beschrijft een Flexipalpus
tiliae. Spr. was er sedert lang van overtuigd, dat dit genus
identiek is aan Tenuipalpus Donnadieu VI 1875. Dr.
Geijskes echter, met wien Spr. daarover een onderhoud
had, maakte tegen de vereeniging der beide genera bezwaren,
voornamelijk omdat Scheuten's tiliae staafvormige haren
draagt en Donnadieu's soorten kromme, of beschubde,
of bladvormige haren bezitten. Bij zijne studiën over Pyemotes,
moest Spr. inzage nemen van Riibsaamen’s Mitt. &c.
Gallen &c., in: Ent. Nachr., v. 25. fa. 15—18. Sept. 1899.
p. 224—282. Tot zijne groote vreugde vond Spr. daarin, p.
256, eene afbeelding van Pediculoides (dat is Pyemotes)
grewiae. Maar deze figuur stelt niet anders voor dan een
VERSLAG. LXXIV
Tenuipalpus met staafvormige haren ! zoodat Dr. Geijskes
nu wel ervan overtuigd zal zijn, dat de beide genera identiek
zijn.
Kirchner, Beitr. Naturôk. Milben, in: Lotos, v. 13,
VI 1863, p. 84: „Eine schöne Milbenart traf ich ferner in
den Zapfenrosen unserer Salix Caprea L. an,” &c. — Hij
zag haar daarin eieren leggen, enz. Deze is niet anders dan
Koch's Tetranychus salicis. Kirchner noemt haar Rho-
daxes Capreae, zoodat zij thans Rhodaxes salicis (C. L.
Koch III 1838) heet. — Berlese doopte haar 1886 in
zijn werkje Acari dannosi alle piante coltivati Padova 1886,
p. 24, Oligonychus brevipodus. Derhalve is Oligonychus
Berl. 1886 een synoniem van Rhodaxes Kirchner VI
1863.
In Nov. 1867 verscheen van de hand van Fleischmann
een artikel : Die Milbensucht des Hopfens, in : Die landwsch.
Versuchs-Station Chemnitz. Hij is de eerste, die t. 2.
f. 1 bij eene Tetranychide de twee vertakte tracheeënstam-
men zag, welke zich vlak achter het gnathosoma (,,capi-
tulum’) vereenigen ! De soort heet Schizotetranychus humuli
(Fleischm. XI 1867).
De Tetranychus der Dracaena s wordt door Boisduval,
Essai Entom. hortic., 1866, p. 88, cinnabarinus genoemd. Hij
beschrijft nauwkeurig de kleurveranderingen gedurende de
ontwikkeling.
Tetranychus coffeae (Nietner 1861) leeft op de boven-
ziide der bladen, behoort dus vermoedelijk tot een der ver-
wante genera. Nietner zegt ook niet, dat zij spint.
De op Fagus langs de nerven der onderzijde der bladen
levende Tetranychus wordt door Donnadieu, Rech.
Tetran., VI 1875, p. 127 t. 12. f. 104—106, 116—119 be-
schreven en afgebeeld onder den naam van Phytocoptes ner-
vorum. Het dier was reeds Linnaeus bekend : Acarus fagi
nom. nud. Het heet dus Tetranychus nervorum (Donnad.
ST).
De op Vitis vinifera levende soort wordt door Trevisan,
in: Rivista period. Lavori Accad. Sci. Arti Padova, v. 1. fa.
1. VII 1852, p. 9 en 10 beschreven onder den naam van
Tetranychus passerinü, naar Giovanni Passerini,
professore di botanica nella Reale Università di Parma".
Wel geeft hij nog een 8-tal planten op, op welke dezelfde
soort zoude voorkomen, maar daarin vergist hij zich |
Onder den naam van Tachymorphaeus pomonae beschrijft
Amerling, Bedeutsamk. d. Milben &c., in : Centrlbl. ges.
Landeskult., v. 1862, fa. 5, II 1862, p. 34. col. 2. de op appel,
peer, kwets en slee levende Tetranychus pomonae (Am. II
1862).
Robineau-Desvoidy, Mém. Malad. Vigne et Pom-
meme terre, n°: C, R, sea. Acad Sei.) iv; 33. fa. 12..p.318,
LXXV VERSLAG.
beschrijft de op aardappels voorkomende soort Tetranychus
solanorum (Rob. Desv. IX 1851).
De op Viburnum tinus levende soort wordt door Bois-
duval, Essai Entom. hortic., 1866, p. 91 beschreven als
très-arrondi, is dus waarschijnlijk een Rhodaxes, dus Rho-
daxes tini (Boisd. 1866).
Trichadenidae is de naam die Pseudoleptidae vervangen
moet, omdat Pseudoleptus Bruyant 1911 een synoniem
van Trichadenus Rondani 1870 is.
Cheyletus seminivorus Packard, Guide to the Study
of Insects, Ed. 3. 1872, p. 664 (ook in Ed. 1. 1869?) =
Cheyletomorpha lepidopterorum (Shaw 1794). :
Eutarsus cancriformis von Hessling, Ein. Not. Weich-
zelzopf, ine lil, med. Ztgeiv. 1. fa. 5. V.1852,p. IS Meo
tf lab: —9 Cheyletusveruditas™ (Steri 1780):
Sarcoptes anachantes Roster, Sopra Acaro Allodola,
in : Bull. Soc. ent. ital., v. 4. fa. 1. VI 1872 = Harpyrhynchus
nidulans (Nitzsch 1818), indien de soort van den leeuwrik
dezelfde is als die van den groenvink.
Scheuten, Einiges ü. Milben, in: Arch. Naturg. v. 24.
P. 1. fa. V 1857 p. 112. t. 8. f. 8, beeldt hier eene „Andere
Species einer Typhlodromus-Larve” af (in de meening, dat
Phytoptidae larven zijn, eene meening, die tot in 1875 voort-
duurt: Donnadieu). — Het dier ziet er uit als uit
kegels bestaande: een gelijkzijdige met een punt naar
voren gericht, en een gelijkbeenige, met den top naar achteren
gericht. Hij vond het op Pirus. — Het dier wordt niet be-
schreven. — Dat zelfde dier vond Pagenstecher, Ueb.
Milben, in Verh. naturh. med. Ver. Heidelberg, v. 1. fa. 2.
VII 1857, ook op Pirus, „die seltnere Form von Scheuten,
ausgezeichnet durch...... seine vor Allem am stärksten dop-
pelkonische Gestalt”. Hij noemt het Phytoptus pyri.
— Zoowel uit Scheuten's afbeelding, als uit Pagen-
stecher's beschrijving, waarbij hij zelfs Scheuten
citeert, blijkt, dat Phytoptus pyri Pagst. een Epitrimerus
is, dus Epitrimerus pyri (Pagst.) moet genoemd worden.
— Maar Napela, Zur Syst. d. Gallm., in: SB. Ak. Wien,
v. 99, 1890, fa 1. p. 50 noemt de echte Phytoptus (cylinder-
vorm) : Phytoptus pyri nov. spec. | Dat is tegen de Intern.
Regels der Nomenclatuur. — Gelukkig had het dier reeds
een naam! Maar dat wist Nalepa niet! Westwood
beschreef het reeds uitvoerig in: Ent. monthly Mag. v. 7.
fa. Aug, 1870. p. 67. onder den naam van Acarellus pyri,
zonder Scheuten en Pagenstecher te kennen. En
daar deze naam niet met Phytoptus pyri Pagst. homo-
niem is, is hij, volgens de Internationale Regels der No-
menclatuur, geldig. De echte Phytoptus van Pirus
heet dus Phytoptus pyri (Westwood VIII 1870) ! (niet
Phytoptus pyri Nal. 1890). |
VERSLAG. LXXVI
Macquart, Les arbr. et arbriss. d'Europe, in: Mém.
Soc. Agric. Arts Lille, v. 1851 p. 316. beschrijft Tetrapo-
dili onder den naam van Tetranychus persicae larves. Al
zijn het geene larvae van een Tetranychus (die M. ook niet
vond), de soortnaam is geldig ; de soort heet dus Phyllocop-
tes persicae (Macq. I 1852), niet Phyll. cornutus Banks
1906.
Spr. heeft in zijne historische opsporingen in de periode
1851—1875 honderd twee en twintig beschrijvin-
gen van Phytoptus-gallen gevonden, waarvan de verwek-
kers nog niet beschreven zijn!
Ratzeburg, Die Waldverderber, Ed. 6. 1869. p. 442,
beschrijft een Acarus blastocoptus als verwekker van ,,Knos-
penwucherung, Hexenbesen bij Betula alba. De soort heet
dus Phytoptus blastocoptus (Ratzeb. 1869), niet Phy-
toptus calycophthirus (Nal. 1919). — Nalepa beschouwt
laatstgenoemde als eene variëteit van Phytoptus rudis Can.
1892. Dan moet zij Phytoptus rudis blastocoptus (Ratzb.
1869) genoemd worden.
Von Frauenfeld, Einige n. Pflzmilben, in: Abh.
zool. bot. Ges. Wien, v. 15. 1865 p. 897. beschrijft uitvoe-
rig Phytoptus campestricola, die op Ulmus campestris „auf
den Blättern beiderseits Wärzchen, Knôpfchen, Pusteln”
veroorzaakt. De naam is dus geldig (= postea : Eriophyes
ulmicola Nal. 1919).
Dezelfde, E. n. Pflzmilben, in : Abh. zool. bot. Ges., v. 15.
1865. p. 263. beschrijft Phytoptus coryli, die op Corylus avel-
lana eene deformatie veroorzaakt: ,,Internodien verkürzt,
Blatter klein bleibend, gekrauselt, behaart . De naam is dus
geldig.
Amerling, Physiokratische Bemerkungen, in: Lotos,
v. 19. p. 76. VI. 1869 beschrijft een Phytoptus onder den
naam van „Larve von Limopsorine drabae muralis”, in de
meening, dat deze ,,Seekälberähnliche” diertjes larvae van een
hem onbekenden Acarus zijn. En al was de plant, waarop hij
ze vond, niet Draba muralis, maar Lepidium draba, de naam
is, volgens de Internationale Regels der Nomenclatuur, gel-
dig. Zij veroorzaken : „Vergrüning der Blüten”. De soort
wordt in 1890 door Nalepa Phytoptus drabae genoemd,
wat niet noodig was.
Von Frauenfeld, Einige n. Pflzmilben, in: Abh.
zool. bot. Ges. Wien, v. 15. 1865. p. 898, beschrijft Phytoptus
evonymi van Evonymus europaeus, „Blattrandrollung nach
oben”. De naam is dus geldig (= Phytoptus convolvens N al.
1892).
ieee SscottaGallsyaim Scott Nat v2, fas 9: 1 1873,
beschreef, hoewel kort, Phytoptus gerani ; vond haar in ge-
deformeerde twijgtoppen van Geranium sanguineum. Later
vond Canestrini dezelfde soort en gaf haar denzelfden
naam.
LXXVII VERSLAG.
Von Frauenfeld, Einige n. Pflzmilben, in: Abh.
zool. bot. Ges. Wien, v. 15. 1865. p. 897 beschreef Phytoptus
granulatus, „Blätter Mittelrippe unten wulstig, oben rinnen-
förmig” van Rosa spinosissima. De naam is dus geldig. De
soort werd later door Nalepa, 1914, Eriophyes rhodites
genoemd. Deze naam is dus een synoniem van den eerstge-
noemden.
Kaltenbach, Pflanzenfeinde, 1874, p. 92. No. 67,
beschrijft Volvulijex aceris, veroorzakend Cephaloneon my-
riadeum Bremi op bladen van Acer campestre. Het was dus
niet noodig, aan deze soort een anderen naam te geven,
nl. dien van macrorhynchus Nal. 1889.
A merling, Noch eine physiokratische Beobachtung, in :
Lotos, v. 8. fa. 5. VI 1858, p. 99, 102 beschrijft schorsgallen
aan de twijgjes van Prunus domestica, en deelt mede, dat deze
» Rindengallen'” veroorzaakt werden door „eine Milbe’,
welke hij op de begeleidende Tafel, f. 5—8 afbeeldt.
Aan deze soort geeft hij in zijn artikel ,,Nachtr. Notiz. Ceci-
doptes pruni’ in: Lotos, v. 11. fa. 9. IX 1861. p. 169. den
naam, die hier staat. De soort is dus voldoende bepaald door
eene, hoewel slechte, afbeelding, en de mededeeling, dat zij
voorkomt in de schorsgallen aan twijgjes van Prunus domes-
tica. Het was dus niet noodig, dat Nalepa in 1925 aan dat
dier den naam van Eriophyes phloeocoptes gaf.
Over Phytoptus pyri (Westwood VIII 1870) was
hierboven, p. LXXV, reeds sprake.
Shimer, Descr. 2 Acar. White Maple, in Trans. amer.
ent. Soc., v. 2. p. 319 beschrijft Vasates quadripedes, ver-
oorzakend Cephaloneon-achtige bladgallen aan de bovenzijde
der bladen van Acer dasycarpum. Deze soort moet dus
heeten : Phytoptus quadripedes (Shimer V 1869). Banks
veranderde dezen naam in 1907 onnoodig in Phytoptus qua-
dripes.
ae genstecher, Ueb. Milben, &c., in Verh. naturh.
med. Ver. Heidelb., v. 1. fa. 2. VII 1857. p. 53, beschrijft
Phytoptus rhamni, levende in Erineum rhamni Pers. op bladen
van Rhamnus cathartica. — Nalepa noemde het dier later,
1899, onnoodig : Eriophyes annulatus.
Westwood, in: Proc. ent. Soc. Lond., in: Zool., v. 22.
fa. 7. VII 1864. p. 9143 vond in knop-deformaties van Ribes
nigrum : Phytoptus ribis. — Later noemde Westwood,
On a minute form of Ac. in Zool, v. 5. fa. Aug. 1870, p.
2268, dezelfde soort: Acarellus ribis-nigri.
Trombidium albicolle, Holmberg, Descr. Arachn. Ar-
gentina, in : Periodico zool., v. 1. fa. 4. V 1875. p. 282—300.
t. 6. f. 7 is een Allothrombium. Is niet vermeld in Berlese,
Ordo Prostigmata 1893 p. 98, noch in Berlese, Trom-
bidiidae 1912 p. 281. — Trombidium albicolle, Stoll,
Arachn. Acaridea, fa. 1, p. 5. moet omgedoopt worden in
Balaustium stolli, nov. nom.
VERSLAG. LXXVIII
Trombidium crassipes, Menge, in: Berendt, Bernstein
organ. Reste, v. 1. P. 2. 1854, p. 8. 104. — Non Tr. crass.
O. F. Müll. 1776, Fabr. 1793. — Spr. noemt haar Micro-
trombidium mengei. nov. nom.
Het genus Antonides Alf. Dugès, Notes zool, in:
Revue Sci. nat. Montpellier, v. 2. 1873, p. 322 type guanaju-
atensis t. 5. f. 9—19. — is een Eylais.
Rhyncholophus albovittatus Alf. Dugés, ibidem p. 322.
t. 5. f. 1-8. van Guanajuato, is een Balaustium. — Is niet
vermeld in Berlese, Ordo Prostigmata p. 147.
Trombidium bulbipes, Packard, 3d. ann. Rep. injur.
benef. Ins. Mass., p. 26. f. 152 — is een Balaustium. — Is
niet vermeld in Berlese, Ordo Prostigmata, p. 87.
Trombidium sarcasticum, Alf. Dugés, lc. p. 282, 310, t.
6. f 8. is een Balaustium. — Is niet vermeld in Berlese,
Ordo Prostigmata, p. 104.
Rhyncholophus plumipes C. L. Koch, in: Rosen-
hauer, Thiere Andalusiens 1856, p. 412, is thans Eatoniana
plumipes (C. L. Koch 1856). Niet vermeld in Berlese,
Ordo Prostigmata, p. 87.
Rhyncholophus arenicola Andersén, Bidr. Känn. Nord.
Acar., in: Öfvers. Vet. Akad. Förh., fa. IV 1863, p. 183.
Is een Erythraeus. — Niet vermeld in Berlese, Ordo
Prostigmata, p. 87.
Rhyncolophus mimus Bolivar, in: Anales Soc. españ.
Hist. nat., v. 4. 1875; Actas de la Soc., p. 38. — Is een
Erythraeus. — Niet vermeld in Berlese, Ordo Prostig-
mata, p. 87.
Rhyncholophus oedipodarum von Frauenfeld, Zool.
Misc., in: Abh. zool. bot. Ges. Wien, v. 18. 1868. p. 889. —
Is eene Erythraeus-Larva. — Niet vermeld in Berlese,
Ordo Prostigmata, p. 87.
Smaridia extranea L. Koch, Beschr. n. Arachn., in:
Verh. zool. bot. Ges. Wien, 1867. p. 242. — Is een Smaris.
— Niet vermeld in Berlese, Ordo Prostigmata, p. 84.
. Tyroglyphus siculus Robin & Fumouze, in: Fu-
mouze, De la Canthar. offic., p. 37.41.46 t. 3. — Is een
echte Tyroglyphus, d.w.z. dat het 4, evenals Tyroglyphus
farinae (deGeer 1778), twee platte anaal-zuignappen
heeft. Alle andere Acaridiae Detriticolae bezitten half-bol-
vormige zuignappen.
In Spreker s vorige mededeeling, p. X was reeds sprake
van een Acarus door Jacob Bell in meel gevonden.
Deze soort kon Spr. toenmaals niet thuis brengen, zoodat
hij haar in het genus Coelognathus v. Hessling 1852
meende te moeten brengen, en haar Coelognatus belli
noemde. — Acardina balaenarum van Beneden 1870
gelijkt zóó sterk op Coel. belli, dat Spr. ook deze soort in
het genus Coelognathus onderbracht : Coelognathus balaena-
LXXIX VERSLAG.
rum (v. Ben. 1870). — Beide soorten thans met andere
Detriticolae vergelijkend, trof Spr. de groote gelijkenis van
Coel. belli met Histiogaster entomophagus Lab. 1852, die
eveneens in meel aangetroffen wordt (Supino in: Ca-
nestrini, Prospetto Acarofauna ital., v. 6. 1894. p. 815),
zoodat Coel. belli een synoniem van Histiogaster entomopha-
gus wordt. — Maar dan heeft Acaridina van Bene-
den 1870 de prioriteit boven Histiogaster Berlese 1883!
— Wij kennen dus nu Acaridina entomophagus (Lab.
1852), Acaridina balaenarum v. Ben. 1870 en Acaridina
corticalis (Mich. 1885).
In Spr.s Kritisch Historisch Overzicht der Acarologie, v.
III. P.E. Acaridiae, p. 2063—64 stelde hij den naam Coe-
lognathus von Hessling 1852 in de plaats van Ty-
rophagus Oudms. III 1924. — Spr. vond sedert dien, dat
Coelognathus reeds gepreoccupeerd is, en wel door Fit-
zinger 1843 voor Ophidia. — Tyrophagus wordt dus
hersteld. De Internationale Regels der Nomenclatuur ver-
zetten zich er niet tegen, dat Thyreophagus Rondani
1874 bestaat.
Tyroglyphus viviparus Salensky, Die Geschichte der
Embryonalentwickelung der Milben [Russisch], p. 55 is ver-
moedelijk eene Hericia. — „hält sich die neue Gattung”
(soort) „in feuchten Stellen der halbzerstörten Bäumen auf.”
[vertaling van Mevr. Valk-Kotscherginal.
Mesalges caudilobus (Grube 1859). — Synoniemen:
Dermaleichus caudilobus Grube, Verz. Arachn., in: Arch.
Naturk. Liv.- Ehst.-Kurl., s. 2. v. 1. 1859. p. 480. t. f. 3. 4. —
Dermalichus socialis Robin, Mém. Sarcopt. avic., in: C.
R. Sea. Ac. Sci. v. 1868. P. 1. p. 786. — Dermaleichus pici-
majoris Buchholz, Bemerk. Dermal., in: Acta Acad.
@aes. Keop. Car. Germ. Nat. Eur. iv. 35 1869,p 2.9005:
f. 28—30. — Analges serratilobatus Giebel, Ueb. Federm.
Gatt. An., in: Zeits. ges. Naturw., v. 37. fa. 5. V 1871.
Pteronyssus Rob. 27 IV 1868; monotype Dermaleichus
picinus C. L. Koch (= Pteronyssus pici medii (Schrk. 1803).
De schurftmijt van Capra mag niet Sarcoptes caprae
Fürst. 1861 genoemd worden, omdat deze naam gepreoc-
cupeerd is: Bourg. & Delafond 1858 (= Chorioptes
caprae). Spr. stelt den naam Acarus caprinus nov. nom.
voor, of, zoo men wil: Acarus siro caprinus.
Acarus caballi O u d ms. 1929 vervalt, daar de soort reeds
in V 1872 door Mégnin Sarcoptes uncinatus genoemd
werd, nl. in: Bull. Soc. Méd. vétér, v. 26. p. 58.
De schurfmijt van Ursus arctos werd in 1855 reeds be-
naamd en beschreven: Sarcoptes ursi Strzedzinski.
[Russisch], Beschouwingen over (de) schurft Mijt bij (den)
Mensch en bij eenige Dieren. Sanktpeterburg 1855, p. 41.
Kytodites Mégnin in: Revue Soc. sav. des Départe-
VERSLAG. LXXX
ments, S. 6. v. 5. fa. 2. Mei 1877. — Synoniemen : Cytodites
Mégnin, Les Acar. paras. Tissu cellulaire, in : Journ. Anat.
Physiol., v. 25. fa. 1. I 1879. p. 150. — Cytoleichus, M é g-
nin ibidem.
Kytodites nudus (Vizioli XI 1869). — Synoniemen :
Sarcoptes nudus Vizioli, Osserv. micr., in: Giorn. Anat.
Fis. Pat. Anim., p. 257, XI 1869. — Kytodites glaber M é g-
nn Rev Soc sav. d. Departements, s.6. v. 5. fa. 2.
V 1877. p. 476. — Cytodites [glaber] Mégnin, Les Acar.
paras. Tissu cell, in: Journ. Anat. Physiol. v. 25. fa. 1. I
1879. p. 150. — Cytoleichus sarcoptoides M é g ni n, ibidem.
Korte mededeelingen over Diptera.
De heer de Meijere ontving van Pater Schmitz Pho-
ridenpuparién van Diploneura (subg. Dohrniphora) cornuta
Big., waarvan de door den pupariönwand naar buiten ste-
kende ademhoorns der pop reeds vroeger de aandacht ge-
trokken hadden door de ter weerszijde voorkomende franje,
met verzoek na te gaan, wat de morphologische beteekenis
dezer franje is. Het bleek dat de bij andere Phoriden voor-
komende dunnere plekjes voor de ademhaling bij deze soort
zitten op lange stelen, die van de twee naast elkaar liggende
buizen, waarin de „viltkamer zich hier verdeelt, uitgaan, en
zoo ter weerszijde deze franje ontstaat. Deze merkwaardige
verhouding zal in het Tijdschrift nader worden uiteengezet.
Daarna laat Spr. rondgaan materiaal van Acidoxantha
bombacis, eene kort geleden door hem gepubliceerde Trype-
tine van Java, waarvan de larven leven van de meeldraden
van den wilden kapokboom, Bombax malabaricum (randoe
alas), wiens aantal vruchten daardoor merkbaar wordt ver-
minderd. Aan zijn artikel kan hij nog toevoegen, dat de
onderneming Silowok Sawangan ligt te Weleri (Midden
Java). Tot dusverre is deze vlieg gelukkig niet op de ge-
kweekte kapok aangetroffen.
Een ander vliegje, dat hij onlangs van het Instituut voor
Plantenziekten te Buitenzorg ontving, en dat uitgekomen was
uit rupsen van den theepoetjoekroller, Laspeyresia leucostoma,
telkens één uit elk rupsje, bleek eene Chloropide te zijn,
uiterst verwant aan Siphonella (Polyodaspis Duda) ruficornis
Macq. Het voorhoofd is bij de Javaansche exemplaren van
voren breed geel, maar overigens zijn er bij vergelijking van
verscheidene exemplaren nauwelijks doorgaande verschillen
te vinden. De larven van ruficornis zijn bij verschillende in-
sectenlarven gevonden, vooral van Micro's en Coleoptera,
zoo bij ons in okkernoten, aangetast door rupsen van eene
Carpocapsa; volgens Voukasovietch zouden zij ook
als uitwendige parasieten bij bladwespen (Hoplocampa spp.)
voorkomen. Of de Javaansche van begin afaan inwendige
parasieten zijn, is nog niet zeker.
LXXXI VERSLAG.
In de vierde plaats herinnert Spr. aan de Heleide (Cera-
topogonide) Culicoides nubeculosus, die verleden jaar in het
Boschplanterrein te Amsterdam de werklieden zoodanig lastig
viel, dat sommigen het werk moesten staken. Eene andere
soort van dit geslacht, wier bloedzuigen aan bepaalde per-
sonen zeer pijnlijk jeukende bulten ten gevolge heeft kwam
hem onlangs door de medewerking! van Mej. C. M. Bor-
gart in handen. Het is eene kleinere, voor ons land nieuwe
soort (Culicoides impunctatus Goetgh.), die, eveneens zeer
plaatselijk, op een der eilanden in het Wijdeblik bij Vree-
land voorkomt. Mogelijk is zij echter ook op de Loosdrecht-
sche plassen wel meer verbreid, maar ons tot dusverre ont-
gaan, vooral daar zij eerst des avonds verschijnt.
Voorloopige mededeeling over de bestrijding van de ringel-
rups en van den bastaardsatijnvlinder in de stad Amsterdam.
De Heer Diakonoff doet, mede namens zijne medewerkers,
EF. Bothma en D. Mulder, eene Voorloopige
mededeeling over de bestrijding van de
ringelrups en van den bastaardsatijnvlin-
der in de stad Amsterdam in 1938. Hij be-
paalt zich thans tot de resultaten van een klein onderzoek
naar de parasieten van deze rupsen, hetwelk is uitgevoerd
in het Zoölogisch Laboratorium van de Afdeeling Handels-
museum van het Koloniaal Instituut voor de ,,Commissie ter
bestudeering van middelen ter bestrijding van de rupsenplaag
in Amsterdam”. Daar hardnekkige geruchten de ronde deden,
dat vooral van den kant van eiparasieten van de ringelrups
veel heil te verwachten zou zijn, terwijl overigens nagenoeg
niets over hun optreden en hunne talrijkheid bekend was,
scheen het de Commissie de moeite te zullen loonen, dit na
te gaan. Het lag vooral in de bedoeling, eenige gegevens
over het percentage van verschillende parasieten te verza-
melen, daar op deze wijze een idee kon worden gevormd
over hunne waarde als bondgenooten in den strijd tegen
de rupsen.
Aan de parasieten van de ringelrups is vooral aandacht
besteed, daar deze rups meer schade in Amsterdam aan-
richtte dan die van den bastaardsatijnvlinder: de talrijke
iepen langs de Amsterdamsche grachten werden immers voor-
namelijk door de ringelrups aangetast, terwijl de bastaard-
satijnvlinder, die eiken prefereert, zich voornamelijk in het
Vondelpark deed gelden. Bovendien waren de parasieten van
laatstgenoemde reeds door de Fluiter bestudeerd, en
de resultaten in het Tijdschrift voor Plantenziekten jg. 40,
p. 1-36 (1934) gepubliceerd.
VERSLAG. LXXXII
De parasieten van de ringelrups.
De eiparasieten (Proctotrupidae) *) interesseerden ons in
de eerste plaats. Hiertoe werden in de eerste maanden van
dit jaar van boomen op verschillende. punten in de stad de
eiringen verzameld, van takjes afgehaald, geteld en in kweek-
potten geplaatst. Dit waren jampotten, afgesloten met eene
kurk, waardoor eene glazen buis stak. De potten werden in
een donker kistje gezet, zoodat de glazen vangbuizen door
den wand naar buiten staken. Zoowel de uitkomende rupsjes
als ook de parasieten, die veel later verschenen, kwamen,
door het licht aangelokt, in de buis terecht, en konden zoo
gemakkelijk verwijderd en geteld worden. Deze kweekpotten
werden zoowel buiten, als ook in het laboratorium en in een
thermostaat geplaatst, om het uitkomen bij verschillende
temperaturen te bestudeeren. Tot nu toe werden 1613 ringen
geobserveerd, waaruit 4792 parasieten kwamen. Dit is wel
een bijzonder poover resultaat: rekenen wij nl. het aantal
eieren per ring op 200, een zeker niet te hoog cijfer, dan
blijkt, dat er uit 322600 eieren niet meer dan 4792 parasieten
zijn gekomen, wat slechts 1,5 % geparasiteerde eieren be-
teekent. Hieruit blijkt wel, dat voorloopig het nut van eipara-
sieten voor het opruimen van de ringelrups in Amsterdam
practisch van geene beteekenis is. Wit ringen, gekweekt bij
verschillende temperaturen en vochtigheid, kwam een onge-
veer gelijk percentage parasieten te voorschijn, wat voor ons
eene reden is te veronderstellen, dat dit percentage door
kweeken in onnatuurlijke omgeving niet benadeeld is.
Bij het verder kweeken van de ringelrups, wat in rupsen-
kasten en ook in hooge petrischalen geschiedde, kwamen
eenige Braconiden te voorschijn, vermoedelijk Meteorus sp.,
. die zijne cocons aan dunne draadjes ophangt, en eene kleinere,
donkere soort, vermoedelijk Apanteles sp. Beide mogen slechts
volledigheidshalve genoemd worden, daar zij sporadisch wer-
den gekweekt, en hun percentage 1 % niet overschreed. Zij
zijn als van geene beteekenis te beschouwen.
Interessant zijn hiertegenover T'achiniden als parasiet, die
uit halfwassen, volwassen en reeds versponnen rupsen te
voorschijn komen, tot 4 exemplaren per rups. Ook hunne
beteekenis bij het onderdrukken van de plaag in de stad mag
echter niet worden overschat. Het juiste percentage van deze
parasieten kan voorloopig nog niet worden opgegeven, daar
zij nu nog steeds blijven uitkomen; dit wordt geschat op
10—11 %, wat heel wat meer dan andere parasieten betee-
kent, doch op zichzelf niet veel is. Bovendien zijn reeds aan-
wijzingen voorhanden, dat dit percentage alleen betrekking
heeft op parasieten uit rupsen in parken verzameld, terwijl
*) De juiste namen van verder genoemde parasieten, die inmiddels ter
determininatie naar specialisten zijn opgezonden, zijn ons nog niet bekend.
LXXXII VERSLAG.
de rupsen uit de boomen langs grachten en straten aanzienlijk
minder geparasiteerd zijn.
Voorts valt het op, dat niet minder dan de helft van de
uit de rupsen komende maden niet op normale wijze dadelijk
een tonnetje vormt, doch een tijd blijft liggen, de donker-
bruine kleur van het puparium verkrijgt, maar niet den ge-
wonen vorm ervan, en inschrompelt. Vermoedelijk zullen deze
larven geene vliegen opleveren.
Interessant is, dat de maden altijd de rups verlaten tus-
schen het 8ste en 9e abdominaal-segment, welke plaats later
door een breed litteeken te herkennen is. De rups sterft
dadelijk daarna.
Een ander, mogelijk belangrijker, bondgenoot bij de be-
strijding dan de genoemde parasieten, is een vorm van flache-
rie, waaraan een aantal rupsen ten offer valt. Juiste cijfers
ziin hierover moeilijk te verkrijgen, daar bij het kweeken de
zieke rupsen alle andere snel besmetten en de epidemie binnen
eenige dagen alle rupsen in eene kweekkast doodt. De om-
standigheden van het kweeken in het laboratorium, misschien
gebrek aan zonlicht, schijnen voor de uitbreiding der ziekte
zeer gunstig te zijn.
De parasieten van den bastaardsatijnvlinder.
Deze kunnen ingedeeld worden in ectoparasieten van de
jonge, in winternesten overwinterende rupsen en in endo-
parasieten der oudere rupsen.
Van de eerste categorie konden twee soorten gekweekt
worden, uit de winternesten verzameld, zoowel in het Vondel-
park, als ook op eenige punten in de stad, nl. een Monodon-
tomerus sp. en een Eupteromalus sp. (Chalcididae.). Het
hoogste aantal parasieten, dat uit één nest te voorschijn kwam,
was 69, terwijl deze parasieten gezamenlijk hoogstens 1,5 %
en gemiddeld 0,7 % rupsen voor zich opeischten.
Van de tweede categorie werd Meteorus sp. in eenige
exemplaren uit volwassen rupsen gekweekt.
Het percentage door Tachiniden geparasiteerde bastaard-
satiinrupsen werd dit jaar niet nagegaan.
Tenslotte wil Spr. de aandacht vestigen op de zeer on-
gunstige levensomstandigheden, die de parasieten in de stad
vinden. Buiten de stad reeds is hun nut volgens de Flui-
ter twijfelachtig. De parasieten, die na uitkomen uit den
gastheer op den grond vallen en hier verpoppen of overwin-
teren, gaan voor het grootste gedeelte onherroepelijk te
gronde, daar zij in de grachten terecht komen, of van de
straten worden opgeveegd. Dit geldt bijv. voor de besproken
Tachiniden : hunne pupariën zijn glad, en vallen meestal uit
de rupsenspinsels op den grond. Hierdoor is o.i. het genoemde
verschil in aantal parasieten bij rupsen van parken en plant-
soenen tegenover die van straten en grachten te verklaren.
Hymenopteren zijn er beter aan toe, voor zooverre hun co-
cons aan zijdedraadjes worden opgehangen of met eene losse
VERSLAG. LXXXIV
buitenste bekleeding aan boomtakken, die door de rupsen
oversponnen zijn, blijven hangen.
Het gezegde wordt met eenig fotomateriaal en met mate-
riaal van opgezette parasieten toegelicht.
Op eene vraag van den heer Mac Gillavry of niet
verwacht kan worden, dat het parasietenpercentage met het
toenemen der plaag zal stijgen, antwoordt Spr., dat dit nu
reeds het derde jaar der plaag is, zoodat de vooruitzichten
hierop nog weinig bemoedigend zijn. De wiagunemingen zullen
evenwel worden voortgezet.
De heer de Meijere wijst er op, dat het ook wel mogelijk
is, de parasieteering door parasietenkweek op te voeren, en
noemt in dit verband de bestrijding op Java van de Witte
Wolluis (Oregma lanigera Zehntn.) door middel van den
inheemschen parasiet Encarsia flavoscutellum Zehntn. (zie
Hazelhoff in Arch. Suikerindustrie 1927 p. 599).
De heer Diakonoff antwoordt, dat men in het algemeen
in zulke gevallen onderscheid dient te maken tusschen 1)
parasieten van kortelings ingevoerde schadelijke dieren, die
zelf kunstmatig uit het land van oorsprong van het schade-
lijke insect werden ingevoerd, en in het nieuwe land noch
van hyperparasieten, noch van concurrentie te lijden hebben,
en dus hun nuttig werk ongestoord kunnen uitoefenen — en
2) parasieten van endemische schadelijke dieren, die zelf
endemisch zijn en dus onderworpen blijven aan den ijzeren
regel van het natuurlijk evenwicht in die streek. Mocht het
nu een enkelen keer — lang niet altijd! — gelukt zijn, het
aantal parasieten van de eerste categorie door kweeken en
uitzetten te vermeerderen, zoo boekten de pogingen om zulks
met parasieten van de tweede groep te doen, naar zijn weten,
geen succes. Aan Spr. zijn in elk geval slechts voorbeelden
van het mislukken van deze pogingen bekend. Zoo zijn
b.v. jarenlang voortgezette proeven met het kweeken en ver-
spreiden van Trichogramma, een endemischen parasiet van
den suikerrietboorder (Scirpophaga) in Mysore en ook van
eene andere Trichogramma-soort, een eveneens endemischen
parasiet van de beruchte Tea Tortrix op Ceylon bij
gebrek aan eenig resultaat ten slotte opgegeven.
De heer Uyttenboogaart wijst op de geslaagde biologische
bestrijding van den snuitkever (Gonipterus), die in Argen-
tinié de Eucalyptus-boomen aantastte. Deze uit Australié af-
komstige snuitkever werd in korten tijd onschadelijk gemaakt,
toen de juiste parasieten eveneens uit Australié werden ge-
importeerd. In dit verband is het interessant op te merken,
dat twee soorten van dezen snuitkever in Argentinié werden
geconstateerd, waarvan de eene tot nu toe nog niet in Austra-
lié is gevonden. Beide soorten werden aangetast door den-
zelfden parasiet, waarvan reeds was gebleken, dat hij, wat
zijn waard betreft, sterk gespecialiseerd is. Dit doet Spr.
onderstellen, dat de soort, die nog niet uit Australié bekend
LXXXV VERSLAG.
is (G. platensis Mar.), in Argentinië door mutatie uit de
ingevoerde soort (G. gibberus Boisd.) is ontstaan.
In memoriam Edw. Meyrick.
In aansluiting aan het door den Voorzitter gezegde
wil de heer Diakonoff voorts eenige woorden wijden in me-
moriam van Edward Meyrick, een van de grootste
Lepidopterologen van onzen tijd, die op 31 Maart 1938 te
Marlborough is overleden. Meyrick werd op 24 November
1854 in die stad geboren, en heeft zich van jongs af aan aan
de studie der Lepidoptera, voornamelijk van de micro's ge-
wijd. In 1876 zag zijn eerste artikel het licht, en zijne laatste
publicatie dateert van November 1937.
In deze periode heeft Meyrick als amateur — hij is zijn
leven lang onderwijzer geweest — meer dan 20.000 soorten
vlinders, voornamelijk Microlepidoptera, beschreven. Hij is
de groote reorganisator van de systematiek der zoogenaamde
Microlepidoptera geweest, en heeft zeer belangrijke bijdragen
geleverd tot de Australische en Nieuw-Zeelandsche fauna,
waarvoor zijn verblijf van eenige jaren in die landen zeer
gunstig is geweest; later volgden beschrijvingen van Zuid-
Afrikaansche, Zuid-Amerikaansche en ook van Voor-Indi-
sche en Maleische micros. Bekend is zijn werk „Exotic mi-
crolepidoptera’’, waarvan reeds 4 dikke deelen verschenen
zijn, terwijl aan deel 5 gewerkt werd. Het bezit van eene
enorme collectie, welke thans in het Britsch Museum van
Natuurlijke Historie komt, is voor dit werk van onschatbare
waarde geweest.
Meyrick was de eenige specialist, die zich ernstig met
de fauna van de Microlepidoptera van Nederlandsch Oost-
Indië heeft beziggehouden, eenige incidenteele beschrijvingen
van oudere auteurs, zooals Snellen, Klunder van
Gijen, van Deventer, Pagenstecher en en-
kele anderen uitgezonderd. Als fundament voor deze studie
heeft de collectie van het Leidsch Museum gediend, eertijds
door van Eecke aan Meyrick ter bewerking opgezon-
den. In de laatste jaren was het vooral Dr. Kalshoven
te Buitenzorg, die geregeld Microlepidoptera op Java liet
verzamelen en kweeken en Meyrick van interessant ma-
teriaal voorzag. Thans is Spr. geen specialist voor de Indo-
Maleische fauna van deze groep bekend, hemzelf, die deze
studie sedert eenige jaren heeft opgevat, uitgezonderd. Door
velen zal Meyrick gemist worden.
Mededeelingen over Nederlandsche Microlepidoptera. VIII.
Voorts doet Spr. mededeelingen over eenige interessante
Nederlandsche Microlepidoptera. Een drietal
soorten kan als nieuw voor onze fauna gemeld worden.
1. In het najaar van 1937 vond Spr. te Den Haag op den
onderkant van de bladeren van Acer platanoides L.
opvallende plooimijnen van eene Lithocolletis-soort, die van
geene andere dan Lithocolletis plantanoidella de Joann., eene
VERSLAG. LXXXVI
Zuid- en Midden-Europeesche soort, konden zijn. De mijnen
zijn rijkelijk verzameld, zoowel door Spr. als ook later, op
zijne aanwijzing van de vindplaats, door den heer Ben-
tinck. In April van dit jaar kwamen motjes uit, die veel
op L. acerijoliella Z., welke soort op Acer campes-
tre L. leeft, gelijken, doch behalve de voedsterplant ook
eenige typische verschillen vertoonen. Verdere bijzonderheden
over deze soort zal de heer Bentinck mededeelen. Eene
uitvoerige en mooie studie over de op verschillende esch-
doorns voorkomende Lithocolletis-soorten, nl. acerifoliella Z.
(sylvella Haw.), platanoidella de Joann. acernella Z. (geni-
culella Rag.) en pseudoplataniella Rag. (de laatste soort niet
inlandsch) van de hand van Abbé de Joannis is ver-
schenen in Ann. de la Soc. entomol. de France, jg. 88, p.
405—416 (1919— 1920), waarin ook nauwkeurig de vier
genoemde soorten worden onderscheiden. Spr. vertoont ma-
teriaal van L. platanoidella, evenals van hare mijnen op
Acer platanoides L.
2. Op de 71ste Wintervergadering mocht Spr. mededeelen,
dat Tinea misella Z. een synonym zou zijn van 7. insectella
F., van welke laatste hij de genitalia van het type-exemplaar
uit het Museum te Kiel heeft onderzocht. Thans is dit met
zekerheid bevestigd, dank zij de vriendelijke medewerking
van Mr. Pierce in Engeland, die in het Br. Mus. de geni-
talia van het type van misella Z. heeft onderzocht, zoodat de
naam misella Z. door den naam insectella F. moet worden
vervangen. Bij dit onderzoek ontdekte Spr. eene nieuwe
Tinea-soort, en wel tegelijkertijd met Mr. Pierce, eene
reden, waarom deze soort onder beider namen als Tinea
ditella Pierce et Diakonoff in het recent verschenen
boek van Pierce & Metcalfe, „The Genitalia of British
Pyrales, Deltoids and Plumes”, p. 68 (1938) is beschreven.
Dit is dus de tweede nieuwe soort voor onze fauna; zij komt
bovendien in Engeland en in Graz voor, en zal waarschijn-
lijk ook in andere landen worden aangetroffen. Bij eene
andere gelegenheid hoopt Spr. uitvoeriger op deze soort terug
te komen.
3. Op de 70ste Wintervergadering en op de 92ste Zomer-
vergadering mocht Spr., mede uit naam van ons medelid, den
heer Doets te Hilversum, het een en ander mededeelen be-
treffende de Nederlandsche soorten van het geslacht Blasto-
dacna. Thans is het gelukt, met zekerheid vast te stellen, dat
er twee soorten in Nederland voorkomen, ééne levend in
appeltwijgen, en eene andere in meidoornbessen.
De eerste komt algemeen voor en is heel schadelijk in boom-
gaarden; de tweede zal ook wel algemeen blijken voor te
komen ; zij is echter moeilijker te kweeken, daar de rups in
de bessen overwintert. Twee jaar werden de pogingen voort-
gezet, met als resultaat twee 3 & en drie ? 2 door den heer
Doets in Hilversum gekweekt en een 4 door Spr. verkregen
LXXXVII VERSLAG.
uit meidoornvruchten, verzameld in de Waterleidingduinen te
Vogelenzang. De beide soorten onderscheiden zich door leef-
wijze en door den tijd van voorkomen : de Crataegus-soort in
Mei, de appelsoort in eind Juni en in Juli. Zij zijn bovendien
duidelijk verschillend gekleurd : de appel-soort is donkerder,
met witachtige teekening gemengd met okergeel op een
koffie-bruinen ondergrond ; de meidoorn-soort heeft eene
zuiver witte teekening, soms met sporen van gele schubben,
op een zwart-grijzen ondergrond met eene violette tint. Een
onderzoek der genitaliën heeft nog andere duidelijke verschil-
len tusschen deze twee soorten aan het licht gebracht: de
3 & zijn dadelijk aan den bouw van de sacculi te onderschei-
den, waartoe deze van op zijde moeten worden bekeken;
bij de appel-soort is de sacculus breed, met een toegespitsten
top en een uitsteeksel aan den onderkant; bij de meidoorn-
soort is de sacculus smaller, met een afgeronden top; de
aedoeagus is bij de meidoorn-soort korter dan bij de appel-
soort. Zeer merkwaardig is de gnathos bij de beide soorten
gebouwd, in den vorm van twee korte armen, die achterwaarts
zijn omgebogen en in eene trechtervormige verbreeding ein-
digen, waarvan de rand getand is. Aangezien Mr. Pierce
in zijn bekend boek ,, The Genitalia of the British Tineina’ de
4 genitalia van de Blastodacna-soorten van voren en niet
van opzij gezien afbeeldt, kon Spr. niet met zekerheid uit-
maken, in hoeverre deze soorten met de twee bovengenoemde
overeenkomen. Hij is daarom over de nomenclatuur dezer
laatste voorloopig niet geheel zeker. Van de hand van
T. Bainbrigge Fletcher en H. Steinger is in
“The Entomologist s Record and Journal of Variation” jg. 45,
p. 86 (1933) een artikel verschenen, waarin vier soorten
worden onderscheiden. Volgens zijne tabel moeten onze soor-
ten als volgt heeten : die van appel Blastodocna putripe-
nella Z. en die van meidoorn B. hellerella Dup. De twee
andere door hem genoemde soorten zijn met de vorige nauw
verwant; atra Hw. heeft donker bruine voorvleugels, bijna
zonder lichte teekening en leeft ook in appeltwijgen, en
vinolentella H.S., levend in wingerdranken, bezit eenkleurige
palpen. Materiaal van de besproken soorten wordt ter be-
zichtiging rondgegeven.
Ten slotte nog een paar lastige, doch noodzakelijke naams-
veranderingen. Mr. T. Bainbrigge Fletcher, een
autoriteit op het gebied van Microlepidoptera-nomenclatuur,
publiceert in het genoemde tijdschrift eene serie artikelen
over namen, die volgens de prioriteitsregels invalied blijken
te zijn en daarom moeten vervallen. Thans is reeds het doods-
vonnis uitgesproken over Eucosma (Epiblema) brunnichiana
Schiff., waarvoor de naam farfarae Fletcher is voorgesteld
(Ent. Rec. 50, p. 25) en Pammene fimbriana Z., die nu in-
quilina Fletcher moet heeten (t. c., p. 53). Eene lange serie
van andere namen zal spoedig volgen.
VERSLAG. LXXXVIII
Mededeelingen over Nederlandsche Lepidoptera.
De Heer Bentinck vermeldt en vertoont het volgende :
I. Een exemplaar van Panthea coenobita Esp. als vertegen-
woordiger van het exemplaar op 12.6.37 door den heer van
Lith te Epen gevangen, dat zich thans bevindt in de col-
lectie van het Museum van Natuurlijke Historie te Rotter-
dam onder beheer van den heer Landman. Deze zeld-
zame soort is nieuw voor onze fauna.
II. Eenige exemplaren van Gypsonoma neglectana Dup.
uit Amsterdam en Overveen, nieuw voor onze fauna. Deze
soort is zeer lastig van G. incarnana Hw. te onderscheiden,
doch, wat de genitaliën betreft, zeer duidelijk verschillend.
De heer Pierce onderzocht Spr.'s serie van incarnana,
en ontdekte daaronder niet minder dan 7 exemplaren van
neglectana.
III. De heer Diakonoff had Spr. verleden najaar eene
vindplaats gemeld van Lithocolletis-mijnen op Acer platanoi-
des, dicht bij Waalsdorp te den Haag. Spr. nam vele mijnen
mee en ook eenige, die hij in het Haagsche Bosch vond, en
kweekte met succes een aantal exemplaren van de door den
heer Diakonoff ontdekte nieuwe soort voor onze fau-
na : Lith. platanoidella de Joannis. Spr. toont hierbij de ver-
schilpunten aan van deze soort met Lith. sylvella Hw. van
Acer campestre en geniculella Rag. van Acer Pseudoplatanus.
Pater de Joannis ontdekte eenige jaren geleden deze
nieuwe soort, die overigens sterk op sylvella gelijkt, doch die
alleen op Acer platanoides leeft.
IV. De heer Dufrane zond Spr. eenige exempla-
ren van eene Coleophora sp., die volgens hem de echte
Col. jlavaginella Z. zoude zijn, alleen voorkomende langs de
Oostzee en in België, terwijl onze exemplaren van Col. fla-
vaginella volgens hem Col. maeniacella Stt. zouden zijn. Spr.
zond deze aan den heer Pierce, tezamen met zijne zoo-
genaamde exx. van maeniacella uit Overveen, een ex. geheel
overeenkomende met de echte flavaginella uit Meerssen, en
een ex., dat volgens hem Col. annulatella Tgstr. zou zijn uit
Overveen. De heer Pierce kwam tot de conclusie, dat
de flavaginella exx. van Dufrane uit België, het ex. uit
Meerssen, de exx. van maeniacella en het ex. van annulatella
alle precies gelijk waren volgens het genitaliën-onderzoek,
terwijl alle Coleophora-soorten anders zeer sterk onderling
verschillen. Ook stemden zij geheel overeen met de Britsche
exx. van annulatella. Volgens hem zouden dan alle ééne soort
zijn, die locale rassen heeft, die in de grondkleur verschillen ;
de naam flavaginella Z. is de oudste en blijft derhalve ge-
handhaafd.
V. Lithosia pygmaeola Dbld. en L. pallijrons Z. zijn vol-
gens het genitaliën-onderzoek van den heer Pierce ééne
soort. De verschillen, destijds door genitaliën-onderzoek
LXXXIX VERSLAG.
door Spr. aangetoond, blijken achteraf te gering te zijn, om
2 soorten aan te kunnen houden ; verder merkte de heer
Pierce op, dat deze verschilpunten niet constant zijn : alle
overgangsvormen komen voor. L. pygmaeola Dbld. is de
oudste naam en blijft gehandhaafd, terwijl L. pallifrons Z.
als eene varieteit van deze beschouwd moet worden en dus
vervalt als soort op onze lijst van inlandsche soorten. L. lu-
tarella L. blijft eene goede soort ; hare genitaliën zijn duidelijk
verschillend van die der beide andere.
VI. Eenige bijzondere vangsten enz. : Een ex. van Lypusa
maurella S. V. en een ex. van Leucodonta bicoloria Schiff.
op 6.6.38 te Amerongen gevangen, 2 exx. van Lithocolletis
viminiella Stt. van 29.5 en 1.6.38, wederom gekweekt uit Salix
viminalis-mijnen uit Ruigenhoek, 2 exx. van Lith. betulae Z.
uit Betula alba-bovenmijnen.
VII. Ten slotte vertoont Spr. nog het zoo juist verschenen
werk van «E AN Pierce en]. W. Met calice ine
Genitalia of the British Pyrales with the Deltoids and Plu-
mes , dit ter completeering van hun vroegere werk over de
Genitalia der Lepidoptera.
De heer Diakonoff zegt, dat Lypusa maurella in het Gooi
niet zeldzaam schijnt te zijn : ons medelid de heer C. Doets
vangt deze soort geregeld te Hilversum.
Verder merkt hij op, dat in het laatste werk van Mr.
Pierce eene zeer belangrijke revisie voorkomt van de
nomenclatuur van de genera der Pyraliden. Voor de andere
groepen van Microlepidoptera is deze nomenclatuur reeds
door Meyrick en Bainbrigge Fletcher geschied,
zoodat wij thans hiermede gereed zijn.
Over Nederlandsche Micronecta-soorten.
Als aanvulling op eene vroegere mededeeling (Winterver-
gader. 1937) bericht de heer Reclaire nogmaals over Micro-
necta meridionalis Costa, een van onze kleinste Corixidae,
die een paar jaar geleden door den heer Geijskes bij
Warmond teruggevonden werd.
Op blz. 352 van zijn ,,Hemiptera Heteroptera Neerlan-
dica” ('s-Gravenhage 1878) schrijft Snellen van Vol
lenhoven aangaande Sigara 1) minutissima L. o.a.: „Het
is mij niet bekend, dat dit insect door iemand anders hier te
lande is gevangen dan door Perin ; hij ving het bij Leyden
in Mei en Junij. Door de welwillendheid van den heer van
der Wulp kwam ik in het bezit van 3 exemplaren uit die
vangst.”
Fokker schrijft in No. 4 (blz. 303) van zijn „Catalogus
der in Nederland voorkomende Hemiptera” o.a. : „Te Leiden
5 & 6, eenige exemplaren door Perin ; ik ving ook bij Leiden
1) Dit genus heet tegenwoordig Micronecta.
VERSLAG. XC
in Mei een drietal. Ofschoon ik de voorwerpen van Perin,
waarnaar S. v. V. zijne beschrijving van minutissima nam,
niet ken, aarzel ik niet, ze op grond van de gelijkheid van
vindplaats en van de beschrijving zelve, tot Scholtzii te bren-
gen; minutissima is niet inlandsch. 1)
Nu ontving Spr. eenigen tijd geleden van den heer Kr u-
seman een aantal wantsen uit de verzameling van het
Zoël. Museum te Amsterdam ter revisie. Hierbij bleken zich
3 Micronecta meridionalis Costa (= scholtzii Fieb.) te be-
vinden, gezamenlijk op één kartonnetje geplakt, gelijk dit
vroeger vaak geschiedde en die nog in vrij goeden toestand
verkeerden, en het vindplaats-etiket „Leid. 5. Per.” en naam-
etiket ,,Sigara minutissima F. Sn. v. V. det” droegen. -
Spr. laat het drietal rondgaan. Het is niet uitgesloten, dat
dit de voorwerpen van Perin zijn, waarover Fokker
meldt ze niet te kennen, te meer, daar Snellen van
Vollenhoven spreekt over 3 ex. uit de vangst van Perin.
Op de eene of andere wijze ziin de voorwerpen dan van de
verzameling van S. v. V. naar die van het Zoöl. Museum
te Amsterdam verhuisd 2).
Ofschoon de bovenvermelde vondst van Micronecta meri-
dionalis bj Warmond Fokker s opvatting reeds beves-
tigde, is dit nu door het voor den dag komen van de voor-
werpen van Perin wel ten volle geschied. Het is niet uitge-
sloten, dat Perin het diertje destijds in groot aantal heeft
gevangen, want het is bekend, dat het in groote scharen voor-
komt, dusdanig, dat men het sjirpen op eenigen afstand reeds
“heet te hooren.
Onder de wantsen van het Zoöl. Museum bevond zich
verder o.a. ééne Spathocera dalmani Schill, door Prof. de
Meijere 6.00 te Amsterdam gevonden, eene ongewone
vindplaats, daar het wantsje als bewoner van droge gronden
bekend staat, waarop ook de overige Nederlandsche vond-
sten duiden. Het komt echter bij wantsen wel meer voor, dat
ééne en dezelfde soort zoowel op droge gronden als ook op
vochtige terreinen heet te leven.
Mededeelingen over eenige Nederlandsche Lepidoptera.
De Heer Beijerinck heeft in zijn tuin te Wijster (Dr.) twee
ongeschilde elzenhouten draadpalen van ca. 10 cm diameter,
waarin larven van Sesia culicilormis L. huisden. Toen de
eerste, op één der beide palen waargenomen vlinder werd
gevangen (9 Mei 1938), staken er reeds drie ledige pop-
huiden uit den zelfden paal. De andere paal vertoonde die
nog niet. In het geheel zijn gedurende de maand Mei min-
stens 30 poppen uitgekomen uit beide palen te zamen. Op-
I) Sindsdien bij ons op enkele plaatsen gevonden.
2) Met de coll. v. d. Wulp. — de Meijere,
XCI VERSLAG.
vallend was hierbij: 1°. dat de poppen uitsluitend versche-
nen aan de naar het Zuiden gekeerde helft der palen, ter-
wijl 2°. de poppen van den eersten paal, die eerder de morgen-
zon ontving, voor zoover dit kon worden waargenomen, steeds
vóór het middaguur uitkwamen, terwijl die van den tweeden
paal, welke eerst later door de zon werd beschenen, tegen den
middag tot vrij laat in den namiddag uitkwamen.
Dit naar buiten komen der poppen kon meermalen worden
gevolgd. De plaats was doorgaans niet van te voren herken-
baar. De vliesdunne schorsrest brak open en met tusschen-
poozen werkte de pop, waarschijnlijk met behulp van de be-
doornde abdomen-ringen, zich kronkelend naar buiten tot de
vleugelscheden vrij waren. Eene enkele maal ging het dier
te ver naar buiten en rolde op den grond om daar uit te
komen. Daarbij brak de pophuid los en kroop het insect snel
naar buiten om zich dan eerst een poosje te zonnen. Daarna
werden opeens met groote snelheid de vleugels gespreid,
waarvoor het dier hoogstens eene halve minuut noodig had.
Verder deelt Spr. mede, dat hij eene bijna volwassen rups
van Gasfropacha quercijolia L. op Calluna vulgaris (L.) Hull
aantrof in het centrum der Dwingeloo’ sche Heide in Drente,
een veld van ca. 1400 H.A. oppervlakte. Dit exemplaar was
lichtbruin van kleur en voorzien van duidelijke pijlvlekken
op de segmenten. Een tweede, veel donkerder en nagenoeg
effen aardkleurig exemplaar werd door den Heer G. A.
Brouwer te Norgervaart gevonden op Salix aurita L..
Beide exx. hebben zich thans ingesponnen en zijn verpopt.
Te Veenhuizen (bij het z.g. „Bergveen ) werd eind Juli
1937 in het gras langs eene wijk door den Heer G. van
Waning Bolt een dood exemplaar gevonden van Apa-
tura iris L., nabij eene vliegplaats van Limenitis sibilla L. De
omgeving lijkt geschikt voor de rupsen van beide soorten, nl.
eikenbosch met vochtige leempaden en weelderigen onder-
groei van kamperfoelie, frambozen en hier en daar Salix
Caprea L.. Voor zoover hem bekend, is dit tot nu toe de
noordelijkste vondst van Apatura iris L. in Nederland.
Over eigenaardige „Entomologische” Literatuur.
De Heer Mac Gillavry bespreekt eenige boeken uit zijn
bezit, die onder eene zeer afzonderlijke entomologische ru-
briek vallen. Terwijl toch de meeste mededeelingen op onze
vergaderingen betrekking hebben op faunistiek, variatie, bio-
logie, nut en schade en dergelijke, kunnen de insecten ook
aanleiding zijn voor literatuur-beschouwingen.
Zoo bestaat er eene uitgebreide literatuur over de insecten
voorkomende in den bijbel en andere theologische geschriften.
Onder deze rubriek zou men zelfs het gebruik van afbeel-
dingen in het Oud-Egyptisch kunnen rangschikken.
Dan, na de middeleeuwen, zijn de insecten naast andere
VERSLAG. XCII
dieren en ook planten, veelal een dankbaar hulpmiddel voor
de zoogenaamde emblemata. Ziet men naar de oude afbeel-
dingen van Hoefnagel, 1592, dan vindt men hierin een
overgang van emblemata en raadsels naar de zuivere afbeel-
dingen van het insect als zoodanig. Aldrovandus (circa
1600) en Moufet (1634) mogen daarbij genoemd worden.
Terwijl de eerste nog te veel aan de oude fabels hecht,
laat Moufet reeds dien ouden ballast weg, en behoort dus
niet meer tot de literaire entomologie.
Zuiver chronologisch mag men dit niet opvatten, daar b.v.
Hollar (1646) in tjd na Moufet komt, doch in op-
vatting dichter bj Hoefnagel staat.
Terloops zij opgemerkt, dat in zuiverheid van morpholo-
gische afbeelding Hollar bj Hoefnagel niet halen
kan.
Deze twee auteurs kan men ook beschouwen als de voor-
loopers der prentwerken, die den roem der bezitters van na-
tuurhistorische cabinetten aan de buitenwereld moesten ver-
kondigen. De ijdelheid der verzamelaars was wel de voor-
naamste oorzaak dier publicaties. De insecten speelden daarbij
meer de rol van kostbare curiositeiten en bij de rangschikking
werd meer op het artistieke effect gelet, dan op systematische
verwantschap. (Seba, Vincent enz.).
Geheel buiten de genoemde rubrieken van entomologie met
artistieken inslag staat de zuiver literaire en anecdotische
entomologie, waar de entomologie alleen als subject eene rol
speelt.
Als voorbeelden noemt Spr. enkele fabels van Lafon-
taine, gedichten van Guido Gezelle enz. Daar het
meeslepen van eene bibliotheek voor Spr. eene onmogelijkheid
was, heeft hij slechts eenige „lichtere lectuur meegebracht.
In de eerste plaats een paar werkjes van Kleondas,
Das Lob des Flohs, 1743, sl. en Kleondas, Das Lob der
Fliege, 1746. Franckfurth und Leipzig. Deze werkjes vormen
met: Das Lob des Spiegels en Das Lob des Papegeyes een
verzamelbandje van uit het Fransch vertaalde satyren, zooals
men ziet, slechts gedeeltelijk entomologisch.
Jammer genoeg heeft een vroegere bezitter er Das Lob der
Ameise und Das Lob der Spinne uit verwijderd. Wie de
oorspronkelijke schrijver was, is Spr. niet bekend.
Van dergelijke quasi-ernstige verhandelingen, waarmede
de eene of andere literator zich amuseerde, zijn er verschei-
dene. Eene bekende juridische is die van Opizius Joco-
serius „Dissertatio juridica de eo. quod justum est circa
spiritus familiares feminarum, hoc est pulices”.
Horn en Schenkling (No. 16572) geven den titel
van eene uitgave van 1688. vermoedelijk is het boekje echter
veel ouder, zoo zag Spr. eene opgaaf van 1684 Liberovadi.
Niet onmogelijk is het, dat het nog veel ouder is, en dat
XCII VERSLAG.
Martin Opitz (1597—1639) de eigenlijke auteur is,
Toevallig ontdekte Spr. vorig jaar jaar een portret van dezen
dichter, echter zonder toelichting. Verschillende uitgaven en
vertalingen zijn bekend, maar al spreekt Spr. van een bekend
werk, zoo is het toch uiterst zeldzaam, want noch Hagen,
noch Horn, noch Spr. zagen er ooit een exemplaar van.
Vervolgens vertoont Spr. een tekstboekje van „La grande
Symphonie des Punaises’, paroles de M. M. Nadar et
Charles Bataille, musique de M. Jacques Offen-
bach. Partout et Nulle Part, mais dans l'arrière-boutique
de tous les libraires. En l'an de Joie 1883.
Vervolgens „l'Art entomologique” van Le Roux, waarin
men, al in 1814, in ellenlange gedichten de entomologie be-
schreven vindt. De erbij gevoegde toelichtende noten zijn
echter wel noodig om te begrijpen welk entomologisch feit
aan de verzen ten grondslag ligt.
Ten slotte entomologie als grondslag voor kinderboekjes.
Een zeer verspreid Engelsch kinderboekje leeft nog steeds
voort, sinds ruim eene eeuw. Spr. vertoont de facsimile-repro-
ductie van 1883 van eene der eerste uitgaven van Roscoe
“The Butterfly s Ball, and the Grasshoppers Feast” 1808.
Niets meer aan de orde zijnde, wordt de vergadering door
den President, na dankzegging aan de sprekers, gesloten.
VERSLAG. XCIV
De contributie voor de Nederlandsche Entomologische
Vereeniging bedraagt per jaar f 10.—, voor leden in het
Rijk buiten Europa f6.—. Tegen storting van een bedrag
van f 100.— in eens, of, voor personen in het buitenland,
van f 35.—, kan men levenslang lid worden. De leden ont-
vangen gratis de Verslagen der Vergaderingen (2 per jaar)
en de Entomologische Berichten (6 nummers per jaar). De
leden kunnen zich abonneeren op het Tijdschrift voor En-
tomologie voor f 6.— per jaar.
Voor niet-leden bedraagt de prijs van het Tijdschrift voor
Entomologie per jaargang f 12.—, netto, en van de Ento-
mologische Berichten f 0.50 per nummer.
La cotisation annuelle de la Société Entomologique Néer-
landaise est fixée à fl. 10 —. Contre un versement de fl. 100.—
(pour les étrangers fl. 35.—) on peut être nommé membre
à vie. Les membres reçoivent les Procès-verbaux des séances
(2 par année) et les Entomologische Berichten (6 numéros
par année). L'abonnement au Tijdschrift voor Entomologie
est, pour les membres, fixé à fl. 6.— par année.
Le prix du Tijdschrift voor Entomologie pour les personnes,
qui ne sont pas membres de notre société, est fixé à fl. 12.—
par volume, net, et des Entomologische Berichten à fl. 0.50
par numéro.
The subscription to the Netherlands Entomological Society
is fixed at fl, 10.— per annum, Life-membership can be ob-
tained by paying the amount of fl. 100.— (for foreigners
fl. 35.—). The Reports of the Meetings (2 per year) and the
Entomologische Berichten (6 numbers per year) are sent to
all members. The subscription to the Tijdschrift voor Entomo-
logie amounts, for members, to fl. 6.— per annum.
For others the price of the Tijdschrift voor Entomologie
is fl. 12.— per volume, net, of the Entomologische Berichten
fl. 0.50 per number.
Der Mitgliedsbeitrag für die Niederländische Entomologi-
sche Gesellschaft beträgt fl. 10.— pro Jahr. Lebenslängliche
Mitgliedschaft kann erworben werden gegen Zahlung von
fl. 190.— (für Ausländer fl. 35.—), Die Sitzungsberichte (2
pro Jahr) und die Entomologische Berichten (6 Nummer pro
lahr) werden allen Mitgliedern zugesandt. Mitglieder kön-
nen auf die Tijdschrift voor Entomologie abonnieren zum
Vorzugspreise von fl. 6.— pro Jahr.
Für Nichtmitglieder beträgt der Preis der Tijdschrift voor
Entomologie fl. 12.— pro Band, netto, der Entomologische
Berichten fi.0.50 pro Nummer.
XCV VERSLAG.
Voor de leden der Nederlandsche Entomologische Veree-
niging zijn verkrijgbaar bij den Secretaris, J. B. Corporaal,
p/a. Zoölogisch Museum, Plantage Middenlaan 53, Amster-
dam (C.), voor zoover de voorraad strekt:
Tijdschrift voor Entomologie, per deel (f 12.—) J 6.—
Entomologische Berichten, per nummer (f 0.50) 0.20
Verslagen van de Vergaderingen der Afdeeling
Nederlandsch Oost-Indié van de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, per nummer (f 0.50) ,, 0.20
Handelingen der Nederlandsche Entomologische
Vereeniging, van 1846—1858, met Repertorium . „ 1.25
Verslagen der Vergaderingen . . . (f0.60) . 0.25
Handleiding voor het verzamelen, bewaren en
verzenden van uitlandsche insecten . . (f0.50) „ 0.40
Repertorium betreffende deel I—VIII van het
Tijdschrift voor Entomologie . . 050
Repertorium betreffende deel IX—XVI ice US HO
Repertorium betreffende deel XVII-XXIV id MOSS
Catalogus der Bibliotheek met MS 2 I en
Ilgtennitgayen 19382 ea. sr. 2,50
P.C.T. Snellen, De Vlinders van Nederland,
Macrolepidoptera, met 4 platen . . „ 10.—
F.M.vander Wulp, Catalogue Be che de-
scribed Diptera from South-Asia . . . (f3—) „ 2.40
EM van der WiuliptentDr Je CHE
Meijere, Nieuwe Naamlijst Nederl. Diptera . „ 2.10
Jhr. Dr. Ed. Everts, Lijst der in Nederland en
het aangrenzend gebied voorkomende Coleoptera ,, 0.30
C. J. M. Willemse, Orthoptera Neerlandica
(f5—) , 3—
M. À. Lieftinck, Odonata neerlandica I &
lApers deel: . . (f5—) , 3—
Prof. Dr. J. Code Meijere, Die Larven
der Agromyzinen, I, 1925. . . . (f5—) , 3—
Dr. L. J. Toxopeus, De soort DI Gudde van
plaats en tijd, getoetst aan de Lycaenidae van het
Australaziatisch gebied (alleen voor leden) . . » 4—
Dr. H. Schmitz S. J., In Memoriam P. Erich
Wasmann S. J., met pd en lijst zijner geschriften
(450 titels) at SUC 2150) 068 81650
Dr. A. Reclaire, “Naamlijst Nederl. Wantsen
(f6—) „ 3—
Dr. A, Reclaire, id. Suppl 1934 (fj 1—_) 050
Feestnummer ter eere van Dr. J. Th. Oudemans
1932 (Supplement T. v. E. deel 75) . (f10—) „ 5—
Dr. J. Th. Oudemans, In Memoriam Jhr. Dr.
Ed. J. G. Everts, met portret en lijst zijner ge-
schriften (326 titels). . sf 2000
B. J. Wem sp ke; Catalogus der Nederlandsche
Macrolepidoptera I; II, III, per deel. . (f6—) ,, 2.50
De prijzen tusschen haakjes ( ) gelden voor niet-leden
der Vereeniging.
XCVI
LUST VAN DE LEDEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
OP 1 AUGUSTUS 1938,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER
TOETREDING, ENZ.
(De Leden, die het Tijdschrift voor Entomologie Deel
LXXXI ontvangen, zijn met een*, de Leden voor het
leven met een $ aangeduid).
EERELEDEN.
*Prof. K. M. Heller, Weisser Hirsch, Strauss-Str. 211, Dres-
den. 1911.
*Prof. H. J. Kolbe, Steinäckerstr. 12, Berlin-Lichterfelde W.
1913.
*Dr. L. O. Howard, Principal Entomologist, Bureau of
Entomology, Washington, D.C., U.S.A. 1929.
*Dr. A. C. Oudemans, Burgemeester Weertsstraat 65, Arn-
hem. 1932.
*Dr. W. Horn, Habelschwerdt Allee 25, Berlin-Dahlem. 1933.
*Prof. Dr. R. Jeannel, p/a Muséum National d'Histoire Na-
turelle, 45bis, Rue de Buffon, Paris (Ve). 1936.
“Prof. Dr. Aug. Lameere, Rue Dufacqz 74, Brussel. 1937.
Perot. A. D mms, MA, sc. D, F.R.S., Zoological. La-
boratory, The Museums, Cambridge, Engeland. 1938.
Ro ERE dw Br Poulton, D. Se AM ARE RS etc.
Wykeham House, Banbury-Road, Oxford, Engeland. 1938.
*Prof. Dr. F. Silvestri, R. Istituto Superiore Agraria, Portici
pr. Napoli, Italië. 1938.
BEGUNSTIGERS.
$*Het Koninklijk Zoölogisch Genootschap „Natura Artis
Magistra”, Amsterdam (C.). 1879.
$De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, Haarlem.
1884.
$Mevrouw J. M. C. Oudemans, geb. Schober, Huize ,,Scho-
venhorst”, bij Putten (Veluwe). 1892.
XCVII LIJST DER LEDEN ENZ.
$Mevrouw de Wed. J. P. Veth, geb. v. Vlaanderen,
‘s-Gravenhage. 1899.
Mevrouw P. J. K. de Meijere, geb. v. Dam, Noorder Amstel-
laan 17411, Amsterdam (Z.). 1913.
Mevrouw J. S. M. Oudemans, geb. Hacke, Putten (Veluwe).
1922.
$Mevrouw E. Uyttenboogaart, geb. Eliasen, Heemstede. 1922.
$Mevrouw J. J. Hacke, geb. Oudemans, Bronovolaan 14,
‘s-Gravenhage. 1923.
Mevrouw A. Y. S. Mac Gillavry, geb. Matthes, ‚de Haaf”,
Bergen-Binnen (N.-H.). 1926.
$C. A. Oudemans, Oude Delft 212, Delft. 1929.
$Mevrouw J. S. Oudemans, geb. Hoeksma, Arts, Oude Delft
DD Del} WOZ
$Dr. Ir. A. H. W. Hacke, Bronovolaan 14, ‘s-Gravenhage.
1929,
$Mej. C. C. Oudemans, Prins Mauritslaan 53, ‘s-Gravenhage.
1930.
$Mevrouw C. A. H. Lycklama à Nijeholt, geb. Tabingh Suer-
mondt, Twaalf Apostelenweg 75, Nijmegen. 1933.
CORRESPONDEERENDE LEDEN.
A. W. Putman Cramer, Lawrence Avenue 322, Westfield,
New Yersey, U.S.A. 1883.
Dr. L. Zehntner, Reigoldswil, Baselland (Zwitserland). 1897.
Dr. P. Speiser, Medicinalrat, Kaiserstrasse 12, Königsberg
Pr. 1,906.
Dr. H. Schmitz S. J., Ignatius College, Valkenburg (L.).
1921.
*Dr. E. R. Jacobson, Ghijselsweg 6, Bandoeng, Java. 1928.
Dr. K. Jordan, Zoological Museum, Tring, Herts., Engeland.
1926:
J. D. Alfken, Delmestrasse 18, Bremen. 1929.
*A. d’Orchymont, Houba de Strooperlaan 132, Brussel II.
1929,
H. St. John Donisthorpe, c/o Department of Entomology,
British Museum (Natural History), Cromwell Road, Lon-
don S.W. 7, Engeland. 1931.
Prof. Dr. G. D. Hale Carpenter, M. B. E., D. M., Penguelle,
Hid’s Copse Road, Cumnor Hill, Oxford, Engeland. 1933.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
*René Oberthür, Rue de Paris 84, Rennes (Ille-et-Vilaine),
Frankrijk. — Coleoptera, vooral Carabiden (1882—83).
LIJST DER LEDEN ENZ. XCVIII
Dr. H. Schouteden, Directeur du Musée du Congo, Tervue-
ren, België. — (1906—07).
Corn. J. Swierstra, Directeur van het Transvaal-Museum.
Pretoria. — (1908—09).
“James E. Collin, ,,Rayland”, Newmarket, Engeland. —
(1913—14).
“Bibliotheek der R. Universiteit, Lund, Zweden. — (1915—
16).
Prof. Dr. Felix Rüschkamp, p. a. Philosophisch-theologische
Hochschule, Offenbacherlandstr. 244, Frankfurt a/M.
Süd 10. — Coleoptera (1919—20).
*Dr. A. Clerc, 7, Rue de Montchanin, Paris (XVIIe), Frank-
rijk. — Coleoptera, vooral Curculionidae orb. terr. (1926
—27).
“Dr. A. Avinoff, Director, Carnegie Museum, Pittsburg, Pa.,
U.S. A. — Lepidoptera (1928—29),
Prof. N. Bogdanov—Katjkov, Instituut voor toegepaste
Zoölogie en Phytopathologie, Troizkj str., 9, apt. 8, Lenin-
grad. U. S. S. R. — Oeconomische Entomologie en Tene-
brionidae (1928—29).
*John D. Sherman Jr, 132, Primrose Ave., Mount Vernon,
N.Y. U. S. A. — Bibliographie. (1930-31).
*Dr. Marc André, Muséum national d'Histoire naturelle, 61,
Rue de Buffon, Paris (Ve), — Acari (1933).
*F. J. Spruijt, ,, Traprock Farm”, Deerfield, Mass., U.S.A. —
(1933).
Miss Th. Clay, 18, Kensington Park Gardens, London W.11.
— Ectoparasieten (1938).
GEWONE LEDEN.
Pater A. Adriaanse M.S.C., Missiehuis, Bredasche weg
204, Tilburg. — Hymenoptera (1938).
Prof. Dr. H. J. van Ankum, Wilhelminalaan 34, Zeist. —
Algemeene Zoölogie (1871—72).
Dr. G. Barendrecht, Conservator Entomologisch Laborato-
rium, Plantage Doklaan 44, Amsterdam (C.). — Hy-
menoptera (1928-29),
“Prof. Dr. L. F. de Beaufort, Buitengewoon Hoogleeraar aan
de Gemeentelijke Universiteit; Directeur van het Zoölo-
gisch Museum te Amsterdam, Huize „de Hooge Kley”,
Leusden bij Amersfoort. — (1911—12).
$Dr. W. Beijerinck, Biologisch Station. Wijster (Dr.). —
(1930—31).
P. J. Bels, biol. cand., Velserstraat 101, Haarlem. — Alge-
meene Entomologie, vooral Formiciden (1934).
A. C. V. van Bemmel, biol. docts., p/a Zoölogisch Museum,
Buitenzorg, Java. — Algemeene Entomologie (1937).
Ir. G. A. Graaf Bentinck, Electrotechn. Ing., Bloemendaal-
sche weg 196, Overveen. — Lepidoptera (1917—18).
XCIX LIJST DER LEDEN ENZ.
Chr. Berger, med. stud., Rapenburg 47, Leiden. — Coleopte-
ra (1934).
K. J. W. Bernet Kempers, Oud-Directeur der Registratie en
Domeinen, Riouwstraat 152, ‘s-Gravenhage. — Coleoptera
(1892—93).
A. J. Besseling, Koningsweg 30, ‘s-Hertogenbosch. — (1923
EZ
$*Dr. J. G. Betrem, Entomoloog b/h. Proefstation Malang,
Boeringweg 15, Malang, Java. — Hymenoptera (1921—22).
Dr. J. A. Bierens de Haan, Privaatdocent aan de Universiteit,
Minervalaan 26, Amsterdam (Z.). — (1918—19).
Ir. P. A. Blijdorp, Harnjesweg 78L., Wageningen. — Toe-
gepaste en Algemeene Entomologie, vooral Orthoptera
(1933).
“Dr. H. C. Blöte, Conservator aan ‘s-Rijks Museum van
Natuurlijke Historie te Leiden, Wilgenlaan 8, Voorscho-
ten. — (1923-24),
*W. C. Boelens, Arts, Hengelo (Ov.). — Coleoptera (1938).
D. G. J. Bolten, J. v. Oldenbarneveldtlaan 24, Amersfoort. —
Water-insecten (1937).
Prof. Dr. H. Boschma, Directeur van 's-Rijks Museum van
Natuurlijke Historie te Leiden. — (1935).
Dr. J. Bosscha, Parc-Hotel, Merano (Italia). — Coleoptera
(1882—83).
Mevrouw C. M. Bouwman-Buis, Ostadelaan 17, Bilthoven.
— Arachnidae (1937).
C. J. Briejér, biol. docts., Stationsweg 226, Hillegom. —
Toegepaste Entomologie (1936).
J. Broerse, Rustenburgerstraat 108, Amsterdam (Z.). —
Nederlandsche Coleoptera (1923—24).
*C. M. C. Brouerius van Nidek, A. v. Scheltemaweg 4, Ber-
gen (N.-H.). — Coleoptera (1937).
Prof. Dr. S. L. Brug, Instituut voor Tropische Hygiéne,
Mauritskade 57, Amsterdam (O.). — (1931—32).
Mej. A. M. Buitendijk, Witte Singel 73a, Leiden — Aptery-
gogenea (1932).
J. R. Caron, Van der Helstlaan 44, Hilversum. — Lepido-
ptera (1919—20). |
J. C. Ceton, „Grazia Felix”, Keijenbergsche weg 9, Benne-
nekom. — Lepidoptera (1932).
*H. Coldewey, litt. class. drs., „Nieuw Veldwijk”, K 73,
Twello. — Lepidoptera (1919—1920).
$J. B. Corporaal, Conservator voor Entomologie aan het
Zoölogisch Museum, Plantage Middenlaan 53, Amster-
dam (C.). — Coleoptera, vooral Cleridae (1899—1900).
Rector Jos. Cremers, Looiersgracht 7, Maasstricht. —
Coleoptera en Lepidoptera (1906—07).
Dr. K. W. Dammerman, Directeur van 's Lands Plantentuin,
Buitenzorg, Java. — Algemeene Entomologie (1904—05).
LIJST DER LEDEN ENZ. C
“Het Deli Proefstation, Medan, Sumatra. — (1908—09).
*A. Diakonoff. biol. docts., Nic. Maesstraat 91, Amsterdam
(Z.). — Microlepidoptera; Algemeene Entomologie (1933).
Prof. Dr. W. M. Docters van Leeuwen, Bergweg 159a,
Leersum. — (1921—22).
Ir. J. Doeksen, Herman Coleniusstraat 29, Groningen. —
Thysanoptera (1937).
*P. H. van Doesburg, Cantonlaan 1, Baarn. — Coleoptera
(op 22).
*C. Doets, Diependaalschelaan 286, Hilversum. — Micro-
lepidoptera (1935).
*G. Doorman, Julianaweg 14, Wassenaar. — (1915—16).
F. C. Drescher, Pahud de Mortangesweg 3, Bandoeng,
oa (1911212).
Mr. E. J. F. van Dunné, Batavia, Java. — Lepidoptera
(1911—12).
*Prof. Dr. L. D. Eerland, p/a Rijksiniversiteit, Groningen. —
(1935).
*H. C. L. van Eldik, Van der Woertstraat 20, ’s-Graven-
hage. — Lepidoptera en Coleoptera (1919—20).
M. L. Eversdijk, Biezelinge. — Algemeene Entomologie
(1919—20).
A. M. J. Evers, Adelaarsweg 69, Amsterdam (N.). —
Coleoptera (1937).
§G. L. van Eyndhoven, Eindenhoutstraat 36, Haarlem. —
Lepidoptera (1927—28).
FE. C. J. Fischer, Persijnstraat 13a, Rotterdam. — Tricho-
ptera en Lepidoptera (1929-—30).
*Dr. H. J. de Fluiter, Entomoloog, Besoekisch Proefstation,
Djember, O.-Java. — Toegepaste en Algemeene Entomo-
logie, vooral Hymenoptera en Diptera parasitica
(1929—30).
Ir. J. J. Fransen, Amsterdamscheweg 18, Arnhem .— Toege-
paste, vnl. Landbouwentomologie (1935).
Dr. C. J. H. Franssen, Dierkundige bij het Instituut voor
Plantenziekten, Bataviasche weg 18, Buitenzorg, Java. —
Aphididae, Paussidae (1928—29).
$*Dr. D. C. Geijskes, p/a Landbouwproefstation, Paramaribo,
Suriname. — Aquatiele Neuropteroidea (1928—29).
*Mej. A. Gijzen, biol. docta., Bergweg 236b, Rotterdam.
Microlepidoptera (1929—30).
W. H. Gravestein, Rubensstraat 87, Amsterdam (Z.). —
Coleoptera (1937).
*T. A. M. van Groenendael, arts, Wilhelminastraat 21, Soe-
kaboemi, Java. — (1930—31).
Dr. J. A. W. Groenewegen, leeraar aan de H.B.S., Johan
de Withstraat 49, Leiden. — Arachnoidea (1929-30).
Ir. M. Hardonk, Sportlaan 164, ‘s-Gravenhage. — Macro-
lepidoptera (1938).
CI LIJST DER LEDEN ENZ.
P. Haverhorst, Wilhelminapark 70, Breda. — Lepidoptera
en Hymenoptera aculeata (1928—29).
H. Hoogendoorn, Markt 216, Oudewater. — Algemeene En-
tomologie, vooral Trichoptera (1934).
SP. W. Hummelinck, Maliebaan 22, Utrecht. — (1938).
Het Instituut voor Plantenziekten, Buitenzorg, Java. —
(1930—31). |
Mej. A. Jaarsveld, biol. docta., Javalaan 10, Baarn. — Alge-
meene Entomologie (1929-30).
$*Dr. E. R. Jacobson, Ghijselsweg 6, Bandoeng, Java. —
Algemeene Entomologie (1906—07).
J. A. Janse, Damrak 57, Amsterdam (C.). — Lepidoptera
Rhopalocera (1930—31).
P. J. Janse Jr., p/a Ondern. Silau Doenia, P. K. Tebing Ting-
gih, Sumatra's O. K. — Diptera (1930—31).
*W. de Joncheere, Singel 198, Dordrecht. — Lepidoptera
(1913—14).
C. de Jong, Assistent aan 'sRijks Museum van Natuurlijke
Historie te Leiden, Hoogewoerd 14, Leiden. — Coleoptera
(1926—27).
Dr. W. J. Kabos, Lazarus Mullerlaan 5, Santpoort. — Di-
ptera (1936).
Dr. L. G. E. Kalshoven, Dierkundige bij het Instituut voor
Plantenziekten, Buitenzorg, Java. — Algem. Entomologie
(1921—22).
Prof. Dr. C. J. van der Klaauw, Hloonileerank aan de Rijks-
universiteit, Kernstraat 11, Leiden. — Toegepaste Ento-
mologie (1929—30).
$*B. H. Klynstra, Frankenstraat 60, ‘s-Gravenhage. —
Coleoptera, voorn. Caraboidea (1902—03).
$F. B. Klynstra, Frankenstraat 60, ‘s-Gravenhage. — Co-
leoptera (1935).
$S. B. Klynstra, Frankenstraat 60, ‘s-Gravenhage. — Co-
leoptera (1938).
*W. Koenraads, Klimopstraat 88, ‘s-Gravenhage. — (1933).
Ir. H. Koornneef li, Mr. Sickeszlaan 20, Utrecht. — Hy-
menoptera (1936).
J. Koornneef, Hoogeweg 18, Velp (Geld.). — Algemeene En-
tomologie, vooral Hymenoptera (1917—18).
Mr. H. H. Kortebos, Directeur Twentsche Bank, St. Lam-
bertuslaan 10a, Maastricht, — Lepidoptera (1935).
W. J. Kossen, Nieuwe Meerdijk 110, Badhoevedorp (N.-H.).
— Laboulbeniaceeén (1936).
§*Dr. G. Kruseman Jr., Jacob Obrechtstraat 16, Amsterdam
(Z.) — Diptera (1930—31).
Dr. P. A. van der Laan, p/a Deli Proefstation, Medan, Su-
matra, — (1934).
Laboratorium voor Entomologie der Landbouwhoogeschool,
Berg 37, Wageningen. — (1929—30).
LIJST DER LEDEN ENZ. CII
*Dr. S. Leefmans, lector a. d. Gemeentelijke Universiteit te
Amsterdam, Brederolaan 11, Heemstede (Post Aerden-
hout). — Algemeene Entomologie. Lamellicornia
Mat 12),
G. de Leeuw S. J, Hobbemakade 51, Amsterdam (Z.). —
Algemeene Entomologie (1931—32).
H. E. van Leyden, biol. docts., flatgebouw ,,Catsheuvel”,
Adriaan Goekooplaan 111, ‘s-Gravenhage. — Lepidoptera
(1915—16).
B. J. Lempke, Oude IJselstraat 1211, Amsterdam (Z.). —
Lepidoptera (1925—26).
§*M. À. Lieftinck, Conservator, Zoëlogisch Museum, Buiten-
zorg, Java. — (1919—20).
J. Lindemans, Spoorlaan 90, Ermelo (G.). — Ichneumonidae
(1901—02).
N. Loggen, Heidestraat 49, Hilversum. — Lepidoptera
(192425).
*C. J. Louwerens, Hoofd le Hollandsch-Inlandsche School,
Djember, Java. — (1928—29).
$*Dr. D. Mac Gillavry, ,,de Haaf", Bergen-Binnen (N.-H.).
— Coleoptera en Rhynchota (1898—99).
$Dr. H. J. Mac Gillavry, Palaeontoloog, p/a N.V. Ned.
Koloniale Petroleum-Mij, Soengei Gerong, Palembang,
Sumatra. (1930—31).
§Mej. M. E. Mac Gillavry, Aalsmeerderweg 301, Aalsmeer.
(O.). — Lepidoptera (1929—30).
*J. C. van der Meer Mohr, Directeur van het Deli Proef-
station, Medan, Sumatra. — (1925—26).
*Prof. Dr. J. C. H. de Meijere, Noorder Amstellaan 174",
Amsterdam (Z.). — Diptera (1888—89).
G. S. A. van der Meulen, Van Breestraat 170, Amsterdam
(Z.). — (1924—25).
*Museo Entomologico ,,Pietro Rossi”, Duino (Trieste), Italia
— (1928—29).
“De Nederl, Heidemaatschappij, Arnhem. — (1903—04).
*De Nederlandsch-Indische Entomologische Vereeniging,
p/a Instituut voor Plantenziekten, Buitenzorg, Java. —
(1935).
È Nies, Heuvel B 43, Deurne (N.-Br.). — Lepidoptera
1935).
*H. Th. Nieuwenhuijsen, Nonnenveld 86, Gorinchem. —
Algemeene Entomologie (1927—28).
A. C. Nonnekens, 2e Jan van der Heydenstraat 8, Amster-
dam (Z.). — Coleoptera (1921—22).
Dr. S. J. van Ooststroom, Assistent aan 's Rijks Herbarium te
Leiden, Emmalaan 21, Oegstgeest. — Coleoptera (1935).
Dr. A. C. Oudemans, Burgemeester Weertsstraat 65, Arnhem.
— Acari, Pulicidae (1878—79).
§J. C. Oudemans, Oude Delft 212, Delft. — (1932).
CII LIJST DER LEDEN ENZ.
$*Dr. Th. C. Oudemans, Landbouwkundig ingenieur, Huize
„Klein Schovenhorst”, bij Putten (Veluwe). — Algemeene
Entomologie (1920—21).
À. A. van Pelt Lechner, Velperweg 79, Arnhem. —
(1925—26).
xD. Piet, Kruislaan 222hs, Amsterdam (O.). — Lepidoptera
(1937).
Plantenziektenkundige Dienst, Wageningen. — (1919—20).
R. A. Polak, Weesperzijde 34 boven, Amsterdam (O). —
(1898— 99).
Proeftuin Z.-H. Glasdistrict, afd. Onderzoek, Zuidweg,
Naaldwijk. — (1937).
“Dr. A. Reclaire, Alexanderlaan 17, Hilversum. — Coleo-
ptera, Rhynchota (1919—20).
Dr. A. Reyne, Joh. Vermeerstraat 831, Amsterdam (Z.). —
Algemeene Entomologie (1917—18).
's Rijks Museum v. Natuurl. Historie, Leiden. — (1915—16).
W. À. Schepman, Directeur Amsterdamsche Bank, Bossche-
weg 25, Vught. — Coleoptera (1919—20).
L. H. Scholten, C. 66, Lobith. — Lepidoptera (1923-24).
Dr. E. A. M. Speijer, Pijnboomstraat 98, ‘s-Gravenhage. —
Arachnoidea, vooral Pedipalpi en Scorpionidae (1932—33).
*Het Staatsboschbeheer, Museumlaan 2, Utrecht. — (1937).
*M. Stakman, Frederik Hendrikstraat 10, Utrecht. —
(1921-22).
Aug. Stärcke, Arts, Den Dolder (Utr.). — Formicidae
(1925—26).
Mej. Dr. M. N. Stork, Hobbemakade 951, Amsterdam (Z.).
— (1928—29).
Dr. À. L. J. Sunier, Directeur van het Koninklijk Zoölogisch
Genootschap „Natura Artis Magistra’, Plantage Midden-
laan 51, Amsterdam (C.). — (1927—28).
H. Teunissen, Schellinglaan 19, Voorburg (Z.-H.). — Hy-
menoptera (1937).
Dr. G. van der Torren, van Oldenbarneveldweg 36, Bakkum
(gem. Castricum). — Toegepaste Entomologie (1937).
*Dr. L. J. Toxopeus, Raden Soemeroeweg 1, Buitenzorg,
Java. — Indo-Australische Lycaeniden (1919—20).
$*Dr. D. L. Uyttenboogaart, Adriaan Pauwlaan 8, Heem-
stede (post Haarlem). — Coleoptera (1894-95).
H. van der Vaart, Hagelingerweg 139, Santpoort (Dorp). —
Coleoptera en Lepidoptera (1921—22).
*F. T. Valck Lucassen, ,, t Molenblick”, Vorden (Gelderl.).
— Coleoptera (1910—11).
Dr. J. van der Vecht, Dierkundige bij het Instituut voor Plan-
tenziekten, Buitenzorg, Java. — Hymenoptera (1926—27).
*J. van der Velden, Borne (Ov.). — Lepidoptera (1938).
A. Veldhuizen, Off. v. gez. 2e kl. K.N.M., villa ,,Duinoord”,
Huisduinen (den Helder). — Lepidoptera (1934).
LIJST DER LEDEN ENZ. CIV
Prof. Dr. J. Versluys, 2tes Zoologisches Institut der Univer-
sität, Wien I. — (1920—21). i
M. C. J. Visscher, Vondelkade 18, Zwolle. — Lepidoptera
(1935).
Mevrouw Dr. B. de Vos, geb. de Wilde, J. M. Coenen-
straat 22, Amsterdam (Z.). — Algemeene Entomologie
(1926—27).
*J. J. de Vos tot Nederveen Cappel, Amazoneweg 1, Was-
senaar. — Coleoptera (1902—03).
$Dr. A. D. Voüte, Tjisankoei-straat 10, Bandoeng, Java. —
(1929—30).
Mevrouw J. Voüte, geb. Broeksma, p/a Dr. Steensma, Clio-
straat 20, Amsterdam (Z.). — (1931—32).
F. van der Weerd, Ondern. Sinagar, halte Tjibadak bij
Soekaboemi, Java. — Toegepaste Entomologie (1937).
Dr. H. J. van der Weij, Amersfoortsche straatweg 91, Bus-
sum. — Lepidoptera (1938).
$*P. van der Wiel, Gerard Terborgstraat 23, Amsterdam
(Z.). — Midden-Europeesche Coleoptera en Formicidae
(1916—17).
J. C. Wijnbelt, Ceintuurbaan 41, Amsterdam (Z.). — Mi-
crolepidoptera (1924—25).
J. Wilcke, biol. docts., Veeteeltstraat 4, Amsterdam (O.). —
Hymenoptera (1936).
§*C. J. M. Willemse, Arts, Eygelshoven (Z.-Limb.). —
Orthoptera (1912—13).
“Ir. T. H. van Wisselingh, Hoofdingenieur bij 's Rijks Wa-
terstaat, Storm v. ‘s-Gravesandeweg 95, Wassenaar. —
Lepidoptera (1924—25).
*J. H. E. Wittpen, le Constantijn Huygensstraat 103huis,
Amsterdam (W.). — Lepidoptera (1915—16).
Het Zoölogisch Museum en Laboratorium, Buitenzorg, Java.
— (1919—20).
BESTUUR.
Prof. Dr. J. C. H. de Meijere, President (1936—1942).
Dr. D. Mac Gillavry, Vice-President (1938 —1944).
J. B. Corporaal, Secretaris (1938-—1944).
B. H. Klynstra, Penningmeester (1934—1940).
(Postrekening der Ned. Ent. Ver.: 188130).
Dr. D. L. Uyttenboogaart, Bibliothecaris (1934— 1940).
F. T. Valck Lucassen (1936—1942).
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR DE
PUBLICATIES.
Prof. Dr. J. C. H. de Meijere (1936 —39).
J. J. de Vos tot Nederveen Cappel (1937—1940).
F. T. Valck Lucassen (1936 —39).
(Vs 9 5 C On
| UUy logy >
Do Zas)
? ;
Parthenogenesis as illustrated in the late
Dr. J. A. van Rossums experiments
with Pseudoclavellaria amerinae
L. (Hym. Tenthr.)
. by
Professor A. D. Peacock, D.Sc.
University College (University of St. Andrews), Dundee, Scotland.
During the period 1897—1904 the late Dr. J. A. van Ros-
sum made in Holland a number of experiments in partheno-
genesis with the saw-fly Pseudoclavellaria amerinae L. (1),
known to him as Clavellaria amerinae L. Some very interes-
ting results were recorded from time to time (2) but the death
of the experimenter unfortunately prevented their being col-
lated and discussed in the manner they deserve. A close
examination of the data shows that they are too few for the
formulation of many definite conclusions but that they do
suggest interesting possibilities, especially if considered along
with my own extensive breeding and cytological work with
other species, notably Thrinax macula Kl. Such a considera-
tion, however, would not be appropriate for this journal and
the principal object of this paper is firstly to state clearly
and exactly what facts v. Rossum discovered, and secondly
to indicate the interesting possibilities raised by these facts ;
incidentally, opportunity is taken to introduce the terms ‘par-
thenogone’ and ‘parthenogonic’ to replace respectively the
more cumbersome expressions 'parthenogenetically-produced
organism’ and ‘parthenogenetically-produced respectively.”
THE RESULTS OF THE BREEDING EXPERIMENTS.
Parthenogenesis. These can be conveniently set out and
understood by means of Tables 1, 2 and 3. One cardinal point
that should be made clear is the type of offspring produced
by individual parthenogenetic females. On this only three
experiments furnish clear-cut information, one relating to
the originator of the strain (1898), a second to a female
* For these terms I am indebted to Dr. O. Skutsch and Mr. W. L.
Lorimer, my colleagues of the Classical Department.
FIRST
1897. Larva found (XLVI).
1898. *Female emerged April 28; pro-
duced 35 eggs from which were obtained
18 larvae (XLIII).
"=" gite sacre a)
1900. 1 4 emerged 1899. 3 @ @ and 8 9 9 emerged 1901. 1 4 and 1 9 emerged early in
April13, after 2 years’ April 11-May 14 (XLII).
PARTHENOGONIC ‘ibernation (XLIII. *Six of these females laid 100 or so also found dead (XLIV).
GENERATION parthenogenetic eggs giving 55 larvae,
SECOND
of which 45 spun cocoons (XLIII).
a
1901. 84 4 and 1900. 13 4 & and 29 9 emerged 1902. 144 & and 5 9 9
April 12-May 15, after 3 years' hiber-
29 © emerged April 13-28 (XLIII, XLV).
April, after 3 years’ hibernation. 1 &
emerged
PARTHENOGONIC April 13-21, after *One of these females laid about 60 eggs nation. 2 & 4 also found dead in cocoon
GENERATION 2 years’ hibernation (XLIII, XLV), which developed partheno- (XLV).
(XLIV, XLV). genetically, giving 52 larvae. Only *Three of these females produced
27 larvae survived to spin cocoons 70 larvae (XLVI).
(XLIV).
| |
| | | | | | |
THIRD 190254 ” emerged 1901.13 4 & il 1903. 7 8,8 1903. 7 4 & and 1904. 5 4 4 and 1905.1 © emer-
April 18-May 3 after April 12-21, (XLIV ). emerge 3 è è emerged 4 Q 9 emerged ged May 4, after
PARTHENOGONIC 2 years hibernation March 22-27, March 24-29 April 12-30, after 3 years’ hiber-
GENERATION (XLV). after 3 years’ (XLVI, p. 63). 2 years’ hibernaton nation (XLVIII)
hibernation *One of these fema- (XLVII).
(XLVI, p.63). les produced 19
larvae parthenoge-
netically (XLVI).
|
FOURTH IOO ©) AA ani
PARTHENOGONIC dead 3 (XLVII, p.LV).
GENERATION 1905. 1 dead &
. (XLVII, p. LIX).
Table 1. The details of v. Rossum’s experiments in parthenogensis with Pseudoclavellaria amerinae L.
* Denotes parthenogenetic breeding experiment. Roman figures refer to v. Rossum’s records.
ILLUSTRATED IN THE LATE DR. J. A. VAN ROSSUMS ASO. 3
1 9 (1898)
Sand ONONCE
a batch of 6 of these
females used (1899).
|
Bn wands rene:
1 2 used (1900). a batch of 3 of
| these 9 2 used (1902).
| |
IAS 27828, andi8) 2792:
1 2 used (1903).
1186
Table 2. The sources and progeny of the parthenogenetic females
of the second parthenogonic generation (1900), and a third
to a female of the third parthenogonic generation (1903).
From the eggs of the first specimen 5 males and 9 females
were reared, from those of second specimen, 24 males, and
form those of the third, 11 males.
The first result suggests that some parthenogenetic females
are deuterotokous (amphoterotokous). But the deuterotoky is
of a special kind, which may be termed ‘haploid-diploid’,
because of the very different chromosome constitutions of
the two sexes produced. For in hymenoptera males are
haploid, being produced from unfertilised eggs which un-
dergo two maturation divisions and come to possess the
reduced or haploid number of chromosomes”, while partheno-
gonic females are diploid and arise from eggs in which the
diploid number is maintained or restored by some process of
autoregulation +; and this condition is to be distinguished
from that in certain other deuterotokously parthenogenetic
organisms where both male and female offspring are diploid.
The proportion of adults reared to eggs laid is 40% (Table
3), not a high figure, but the number and proportions of ma-
les and females obtained seem to rule out the possibility that
* This statement is mainly based on researches in Tenthredinidae by
Peacock and Sanderson (3), and Sanderson (4), which show that a
number of tissues of the male have a chromosome constitution half that
of the female. See also Schrader and Hughes-Schrader (5). The
alternative view advanced is that the male has a diploid soma and a
haploid germ-plasm ; see Vandel (6).
+ Recent (unpublished) work on the thelytokous females of the saw-fly
Thrinax macula Kl., by Peacock and Sanderson, shows that the egg
undergoes one maturation division and remains diploid.
In any case the two types of deuterotoky should be distinguished, for
the two sexes in Hymenoptera are produced in different manners from
those by which they are produced in certain other deuterotokous
organisms.
4 PROF. À. D. PEACOCK, PARTHENOGENESIS AS
either sex has been produced in an exceptional manner, as
in such cases where occasional females are found in parthe-
nogenetically arrhenotokous species (e.g., Pteronidea ribesii
Scop.) or occasional males in parthenogenetically thelytokous
species (e.g., Pristiphora pallipes Lep.).
The other two results, in which all-male broods were ob-
tained, strongly suggest however that certain of the parthe-
nogenetic females are purely arrhenotokous. The view is sup-
ported on other grounds to be discussed later.
In the specimens of 1900 the proportion of adults reared to
eggs laid is also 40% : the records of the specimens of 1903
do not permit an exact percentage being stated but it would
certainly be lower than 58%, which is the approximate figure
calculated from the proportion of adults obtained to the
number of larvae which hatched.
The other breeding experiments in which both sexes oc-
curred in the offspring give us no clue as to the partheno-
genetic behaviour of individual females so that the reason or
reasons for the deuterotoky manifested is unknown. The re-
sults obtained may have been due to one or a combination
of the following phenomena: either individual partheno-
genetic females were deuterotokous, as in the first exact
result noted above ; or individual females might be either
thelytokous — so far not known, or arrhenotokous, the latter
condition being shown in the two exact results noted above.
Sex Ratio. In all, 12 females were used in five breeding
experiments, particulars of which are given in the following
table.
Date Females Eggs Larvae Offspring Percentage
4 © offspring : eggs
1898 1 35 18 5 9 ca 40
1899 6 100 55 35 9 ca 44
1900 1 60 52 24 — Cana
1902 3 — 70 12 8 less than 28.6*
1903 1 — 19 11 — less than 57.9*
Table 3. Breeding results of five v. Rossum experiments.
* Calculated by reference to number of larvae obtained.
Efforts to arrive at some idea of the sex ratio from the
figures of Table 3 are as follows :
(1) From all 12 females were obtained
87 6 6 and 26 2 2 (100: 30)
(2) From the 3 isolated females were obtained
40) "3s "and 9 ore GI00k 2225)
(3) From the two batches of 6 and 3 were obtained
47, 8.8 and 1719, 2 (100-836)
(4) From the batch of 6 were obtained
3503 & and OM or 71008237)
(5) From the batch of 3 were obtained
12 && and 8 22 (1002669)
ILLUSTRATED IN THE LATE DR. J. A. VAN ROSSUM'S A.S.O. 5
Beyond recording these figures little more can be said.
Provisionally the ratio of males to females may be regarded
as being of the order 100 : 30, but it is obvious that until we
know whether the individual parthenogenetic females are of
two kinds, ie, deuterotokous and arrhenotokous, and until
the breeding data from a sufficiently large number of indi-
vidual females is known, a more precise ratio cannot be cal-
culated. It will readily be seen, for instance, that the propor-
tion of males derived from the batches of 6 and 3 in these
experiments will be materially affected by the number of ar-
rhenotokous females in each batch.
The Question of Dijferential Viability of the Sexes. An-
other factor which may-operate in determining the sex ratio is
differential sexual viability, and this factor is also to be con-
sidered in coming to any conclusion regarding the nature of
the parthenogenesis shown by individual females.
The number of experiments performed and the proportions
of adults reared (Table 3), judged by absolute standards,
are not high. Nevertheless, according to my extensive expe-
rience with several other species, the experimental results are
not without significance. That the females are less viable is
not borne out by the 1898 experiment, for more females than
males were obtained : and that the males are the less viable
is not shown by the 1900 and 1903 experiments, where males
only were obtained. The experiments with batches of 6 and
3 females, while they show that the sex ratio is in favour of
the male, do not however indicate a scarcity of females.
To my mind, the 1898 result, isolated though it is, should
be interpreted as showing that some individual partheno-
genetic females produce both males and females, and the 1900
and 1903 results as showing that other individual partheno-
genetic females produce only males ; briefly, that the species,
parthenogenetically, is both deuterotokous and arrhenotokous.
The matter will be further discussed later. Further, it is con-
sidered that the sex ratio calculated from the experiments
has not been influenced by differential sexual mortality but,
rather, by the paucity of the experiments performed.
The Males, Sexual Behaviour, and Manner of Reproduc-
tion. Males are parthenogenetic products. It has been seen
from 3 experiments that the males were derived from two
types of parthenogenetic females, one deuterotokous and
one arrhenotokous, while the other experiments with batches
of parthenogenetic females do not allow us to draw any
conclusions as to the manner of parthenogenetic male-pro-
duction. The fundamental question of the determination of
male-production will be dealt with presently but it may be
said here that there seems no necessity for regarding the appe-
arance of the male broods as being other than a phenomenon
normal to the species,
6 PROF. À. D. PEACOCK, PARTHENOGENESIS AS
Regarding the health and vigour of the males, v. Rossum
notes that those of the second generation were no less lively
than those of the first ; that those of 1901 belonging to the
third generation were only very little smaller than those of
the second, while those of 1903 belonging to the third gene-
ration, after three years’ hibernation, were large; that one
of the fourth generation evinced readiness to pair. In my
opinion there seems no season for the view that the vigour
of males had diminished after four generations of partheno-
genetic reproduction.
In pairing experiments three males and three females were
used. The first two males emerged in 1902 after three years’
hibernation but the type of mother which produced them
(whether deuterotokous or arrhenotokous) is unknown. They
showed no inclination to pair and v. Rossum mentions that
this may have been due to the cold weather prevailing. The
third male was derived from an arrhenotokous female of the
third parthenogonic generation, and was a lively specimen
which evinced readiness to pair. The female however resisted
his efforts and a fight ensued in which she lost an antenna.
The evidence is too scanty for arriving at any definite con-
clusion regarding the sexual behaviour of either sex, though
many observations on the sexual behaviour of Thrinax ma-
cula, a species resembling in many respects P. amerinae,
suggest the reasonable interpretation that the females carried
on the strain without the assistance of the males and there-
fore did not need highly developed sexual instincts. The
evidence from the three experiments of v. Rossum, small
though it is, does not run counter to this explanation.
The origin of males from both deuterotokous and arrheno-
tokous females has been seen. How these conditions have
arisen is a fundamental question that will be discussed later,
though it may be said here that there is no necessity for
regarding the appearance of the two male broods which
terminated the experimental series as being due to a 'depres-
sion effect’ of continuous parthenogenesis in the strain. It
is true that the experiments came to an end because males
only were produced, but, as only two females were used to
carry on the strain (one in 1900 and the other in 1903), it
is more likely that the strain died out because insufficient
females were used to carry it on. Further, analogy with the
conditions proved to exist in Thrinax macula suggests the
reasonable interpretation that the appearance of the two male
broods in P. amerinae was really a normal phenomenon, the
males being the offspring of arrhenotokous females. It is of
course possible that some environmental factor(s) could
bring about a change in the manner of parthenogenetic
reproduction, i.e., from deuterotoky to arrhenotoky, but the
nature of such factors is entirely unknown.
ILLUSTRATED IN THE LATE DR. J. A. VAN ROSSUM'S A.S.O. 7
One would not expect normal sexual behaviour in deu-
terotokously parthenogenetic females, as in P. amerinae, or
in thelytokously parthenogenetic females, as in 7. macula,
by the very fact of their having become able to produce by
parthenogenesis. The change in their genetical constitution,
whatever its physical basis, has possibly created a bar to
fertilisation even when a male does succeed in pairing. That
such might be the case in P. amerinae is suggested by my
experiments with 7. macula and Pristiphora pallipes in which
the females show very little, if any, sexual behaviour, and
in which infrequent pairings have been shown to produce no
change in the kind of offspring normally produced in these
species. Once female sexual instincts have become diminished
or lost in this way two important consequences might follow :
(1) certain of the males which the females may still be able
to produce would be abnormal — undersexed ; 2) males, nor-
mal or otherwise, in the presence of the new type of females
would not react sexually to the normal extent. The first idea
is supported by current views of cytology and genetics into
which we cannot enter here. The second idea is not proved,
for we lack knowledge of the stimuli that determine pairing
in saw-flies. The absence of sexual behaviour on the part
of the two amerinae males might have been caused by the
cold weather (as suggested by v. Rossum) but the above
argument shows an alternative explanation. If, however, the
active behaviour of the third male be characteristic of ame-
rinae males we see that bar to pairing or fertilisation is due
to the nature of the female.
It is possible, nevertheless, that arrhenotokously partheno-
genetic females might still retain their sexual instincts and
would pair, but no proof of this exists in v. Rossum's or any
other saw-fly experiments.
SUGGESTED INTERPRETATION OF PARTHENO-
GENESIS IN P. AMERINAE.
Bearing in mind how few are the known facts, it is neces-
sary to proceed with caution in the attempt to interpret them.
The following argument is therefore tentative. If we accept at
their face-value the fact that there are two types of broods —
one mixed and the other all-male, and the reasonable view
that the species is maintained solely by the deuterotokous
females, it follows that the deuterotokous females give rise
the females of like kind, and, further, that there is the possi-
bility of a second type of female, the arrhenotokous. The
question then arises as to the origin of the arrhenotokous
females, and the answer is: from the deuterotokous type,
because there is no other source, for arrhenotokous females
cannot produce their kind. The deuterotokous females must
8 PROF. A. D. PEACOCK. PARTHENOGENESIS AS
then be capable of producing males, arrhenotokous females,
and deuterotokous females.
The next problem relates to the incidence of these different
kinds of individuals. One way of accounting for them is that
the individual deuterotokous female can produce a mixed
brood composed of males and two kinds of females, one
purely arrhenotokous and the other deuterotokous. This,
however, raises the more fundamental question as to what
factors influence the deuterotokous females to produce these
three types of offspring. This may be attacked by considering
it cytologically ; diploid deuterotokous females produce re-
duced, haploid, male-producing eggs, as well as autoregula-
ting diploid eggs which will give rise to diploid male-produ-
cing females, together with autoregulating diploid eggs which
will yield again the diploid deuterotokous type of female.
It is not very material to this paper as to what cytological
processes produce these ends but what is important is that
the eggs of one and the same female might be influenced
to develop in three different ways. The influences at work
may be hereditary or environmental, or both, but of these
we possess no information. However, if the influences are
hereditary, the course of events can be stated as above. (See
Scheme below.) On the other hand, if we suppose the action
of environmental factors, we are forced to suppose also that
the reproductive material is unstable and can be affected to
produce different kinds of eggs in different proportions.
Once we suppose this there arises an alternative suggestion,
namely, that, in reality, there is only one kind of female,
which, under certain conditions, produces nothing but males,
and, under others, a mixed brood of males and females. (See
Scheme below.) In the first case the male broods are the
grandchildren of a deuterotokous female, in the second the
children. Yet, whichever is correct, the same principle is
involved, namely, that the deuterotokous female is in an
unstable state.
With the interpretation in mind that P. amerinae main-
tains itself by diploid parthenogenetic females but pos-
sesses to a certain extent the now useless faculty for arrheno-
tokous parth enogenesis, it is suggested that this species has
been derived from a form (still the most common) which
reproduced bisexually but was arrhenotokously partheno-
genetic. How the faculty for deuterotokous parthenogenesis
was acquired is unknown, presumably by some mutation.
The reactions of this new faculty on the habits of the species
are likewise unknown, though modern discoveries in cytology
and genetics enable us to envisage some of them. These
questions, however, lie beyond the scope of this paper. It
would appear, however, that v. Rossum’s experiments show
that amerinae is a species in which there has occurred the
‘2eUuLJawe ellejj2aej2opnasq Ut sısauaßouayyıed jo
saonejaidiaqui Buyensnyj sawayas [es180]0343 pue Jesıßojorg
<— _sajemaj projdip
SNOY0J013)nap pue (uz) <— sajewoy snoyozosornop Ajjeyuawepunz Papa sassoni
(u) sajeur projdey <— jew] sajeu Jo À P
(q) <— Ajeyuauepuny
JO ‘(u) sajew projdiq pooiq pexiur Jena (q)
pioydey saya JO !sajew Ja}
(uz) sojewoj prodip <— (uz) sajeway projdip <— pooiq paxıyy <— snoyoyoraynaq
x om
SnOYOJ012]N2(T sn0Y0]0123n2(] (az) pooiq alen = a \ spury I
JO sojeuoj è «— SIE:
(u) sojew prordeg «— (uz) sajemay projdıp <— seu Rn
snoyozouoy.a piojdi (e) pue sajeu jo Ee
il yuy
(u) sajew piordeH POLE DESC
1e918oj03fiD jes1dojorg
10 PROF. À. D. PEACOCK, PARTHENOGENESIS AS
loss of the bisexual process and the establishment of a new
manner of reproduction, by a new type of female, rendering
arrhenotokous parthenogenesis useless.
SUGGESTIONS REGARDING THE EVOLUTION OF
THE DIFFERENT KINDS OF PARTHENOGENESIS
IN TENTHREDINIDAE.
My study of v. Rossum's work, in conjunction with my own
work on other forms, leads me to suggest, for some species
at least, the probable course of evolution of the different
kinds of parthenogenesis in saw-flies. The primitive con-
dition was that of normal bisexuality, a condition now un-
known in the group. The next was the development of
arrhenotokous parthenogenesis whereby males come to be
produced by a peculiar method, the continuation of the spe-
cies however still depending upon bisexual reproduction ; this
is the condition which exists today in the majority of saw-
flies investigated and is probably found in all except those
entirely dependent upon the females. The manner of evolu-
tion of this type of parthenogenesis has been ably studied
by the Schraders (5). Later, deuterotokous parthenogenesis
entered and it is to be expected that at first it co-existed with
the arrhenotokous type ; no species showing these characte-
ristics have been discovered and it may be that none now
exist owing to the success of the new method of reproduction.
Next would be the success of the deuterotokous type of female
at the expense of both the male-producing female and sexual
type of female, or, to put it another way, the success of con-
tinuous female parthenogenesis over bisexual reproduction ;
under what circumstances such occurred is not known, though
its occurrence is apparently testified by P. amerinae. The
further stage would show the diminution of deuterotokous
parthenogensis on the part of individual females and the
substitution of thelytokous parthenogenesis, together with the
diminution in number of males ; again the circumstances deter-
mining these are likewise unknown but their operation seems
to be testified in Thrinax macula, where, although thelytokous
parthenogenetic reproduction is the rule, an occasional female
sporadically may produce either a male brood containing odd
females or an all-male brood. A later stage is shown in such
types as Pristiphora pallipes where thelytokous parthenoge-
netic reproduction is fixed, though a very small percentage
of males occurs, these males being entirely useless in repro-
duction. It is of course possible that rare males are accidental
products, the results of some unusual irregularity in the ma-
turation of eggs normally thelytokous, in which case it may
be that thelytoky has arisen directly at some stage prior to,
and independent of, the evolution of deuterotoky. No indi-
» ILLUSTRATED IN THE LATE DR. J. A. VAN ROSSUM'S A.S.O. 11
cations of this exist and the known biological facts, e.g., those
relating to P. amerinae and Thrinax macula, indicate rather
that thelytokous parthenogenesis has supplanted the deute-
rotokous, and the latter the arrhenotokous, during the course
of the evolution of the different kinds of parthenogenesis
exhibited in the Tenthredinidae. Lastly comes the stage
where only females exist, e.g., in Allantus (Emphytus) pal-
lipes Lep. and others, this end being arrived at via deutero-
toky, though, as just mentioned, some such forms may have
developed thelytoky directly.
A detailed and critical consideration of these suggestions
is impossible without the aid of cytology and genetics, sub-
jects outside the scope of this paper, so it is proposed to
reserve such consideration for a future communication.
ACKNOWLEDGMENTS.
The preparation of this paper has been materially assisted
by the late Dr. J. Th. Oudemans and Mr. J. B. Corporaal,
who kindly supplied me with separata containing v. Rossum's
notes, and by the Department of Scientific and Industrial
Research of Great Britian, which has supported by a financial
grant my researches on parthenogenesis.
SUMMARY.
1. The late Dr. J. A. v. Rossum’s records relating to his
experimental observations on parthenogenesis in the saw-
fly Pseudoclavellaria amerinae L. (Tenthredinidae), pu-
blished between 1898— 1905, have been collated in order
to ascertain exactly what they reveal. The data proved
to be too few for the formulating of many definite con-
clusions, though they suggest a number of interesting pos-
sibilities, especially when read in conjunction with the
extended observations by the writer of this paper on the
species Thrinax macula Kl., the habits of which in many
ways resemble those of P. amerinae.
2. Beginning with a virgin female v. Rossum reared a strain
in which four parthenogonic generations were obtained,
the strain terminating when males only were obtained.
The writer of this article does not regard this as showing
that continuous parthenogenesis brought about male-pro-
duction by some ‘depression process’ ; it is more probable
that the strain ended because insufficient females were
used for breeding.
3. The number of experiments in parthenogenetic reproduc-
tion was small, five. Three separate virgin females were
used : one gave a mixed brood of and 5 && and 9 29,
another 24 4 &, and another 11 4 $. It would appear
therefore that both deuterotokous and arrhenotokous
parthenogenesis exists in the species. In an experiment
12
PROF. À. D. PEACOCK, PARTHENOGENESIS AS
involving a batch of six virgin females 35 ¢ 4 and 9 Q 9
were reared, and in another involving a batch of three
virgin females 12 & 4 and 8 9 © ; these experiments also
show that deuterotokous parthenogenesis exists in the
species but give no information regarding the partheno-
genetic habit of individual females.
The five experiments, involving the use of 12 parthogene-
tic females, produced 87° 4 & and 26 2 9 and this ratio
of 100 :26 may be regarded provisionally as approxima-
ting to the sex ratio. Until the breeding results from a
larger number of individual females are known an exact
figure is impossible.
. There is no indication of differential viability between
the sexes.
Three pairing experiments, involving three males and three
females, were unsuccessful ; but the reason for this is un-
known. As, however, the breeding experiments show that
the strain was carried on so far by females only, it seems
likely that the species is maintained by females only, and
that the development of this type of parthenogenesis has
resulted in a diminution or loss of the sexual instincts of
the females. How far the males are abnormal in sex be-
haviour is unknown.
The production of male broods by certain amerinae fema-
les parallels what occurs normally in the commonest type
of saw-fly, where the unfertilised (but fertilisable) fe-
males are male-producing. It follows that these amerinae
females may likewise be fertilisable, though there is no
evidence of this. The arrhenotokous females must be the
offspring of deuterotokous females for there is no other
source for them.
To account for the production of arrhenotokous parthe-
nogenetic females and deuterotokous parthenogenetic fe-
males it is suggested that, in reality, there exists only one
kind of female—deuterotokous, but reproductively unsta-
ble; such a female, under certain conditions, produces a
mixed brood of males, of male-producing females, and of
deuterotokous females, but, under other conditions, produ-
ces either males only, or a mixed brood of males and of
deuterotokous females. Whether the sex-determining condi-
tions are inherent or/and environmental remains unknown.
The evolutionary aspect is discussed by the present writer.
The arrhenotoky of P, amerinae, it is suggested, is vesti-
gial, and the species is to be regarded as having originated
by mutation from the form of saw-fly, still most common,
where males are produced parthenogenetically from un-
fertilised eggs and females sexually from fertilised eggs.
By considering the facts relating to other species it is
further suggested that at least one course of evolution of
ILLUSTRATED IN THE LATE DR. J. A. VAN ROSSUM'S A.S.O, 13
parthenogenesis in the Tienthredinidae has been as fol-
lows : primitively bisexually-reproducing forms have been
succeeded by arrhenotokously parthenogenetic forms,
which subsequently mutated to produce deuterotokously
parthenogenetic forms, from which arose the partially then
completely thelytokously parthenogenetic forms.
The detailed cytological and genetical consideration of
parthenogensis in sawflies is reserved for a later paper.
(1)
(2)
(3)
(5)
(6)
REFERENCES.
Enslin, E. — Die Tenthredinoidea Mitteleuropas.
Beihejte Deutsch. Entom. Zeit. Berlin. 1918.
v. Rossum, A. J. — Tijdschr. v. Entomol. XLI—XLIX,
1898—1905.
Peacock, A. D. and Ann R. Sanderson. Cytological evi-
dence of male haploidy and female diploidy in a saw-fly
(Hymen. Tenthr.)
Proc. Second Intern. Cong. for Sex Research, 1930.
Sanderson. Ann R. The cytology of parthenogenesis in
Tenthredinidae.
Bibliographia Genetica XIV, 1933.
Schrader, F. and Sally Hughes-Schrader. Haploidy in
Metazoa.
Quart. Rev. Biol. VI (4), 1931.
Vandel, A. La Parthenogenese. Paris. 1931.
Over de insectenfauna van
de Kagerplassen en omgevende wateren
door
Dr. D. C. Geijskes
(Lab. v. Entomologie, Landbouwhoogeschool Wageningen)
In December 1927 promoveerde J. P. Otto aan de Leidsche
Universiteit op een dissertatie getiteld: „Een oecologische
studie van de fauna der Kagerplassen en omgevende
wateren . Deze verdienstelijke studie heeft ons voor het eerst
een kijk gegeven op het leven in deze wateren. Bij het tot
stand brengen van zijn proefschrift, zag de bewerker zich
door de uitgebreidheid van stof genoodzaakt, zich in hoofd-
zaak tot het plankton en bepaalde diergroepen van de bodem-
fauna te beperken. Aldus werd als netelig speciaalgebied ook
het insectenleven geëlimineerd. Dit is een der hoofdredenen,
die mij ertoe hebben geleid, gedurende mijn studieverblijf te
Leiden, meer speciaal op de insectenfauna van dit plassen-
gebied te letten, om eventueel een aanvulling op Otto's werk
te kunnen geven. Door velerlei omstandigheden is het mi
helaas niet mogelijk geweest, het terrein zoo stelselmatig als
wel wenschelijk ware geweest, te doorzoeken.
Het verzamelde feitenmateriaal is in de periode 1928— 1936
bijeengebracht, echter met onderbreking van enkele jaren. In
hoofdzaak berusten mijn gegevens op gevangen imagines en
al hetgeen, dat zoowel vanuit de boot, als langs de oevers op
het land werd waargenomen. Vooral in later jaren verwisselde
ik vaak het luchtnet voor het waternet, doch niet altijd bleek
dit instrument in dit terrein bruikbaar. Het werken hiermede
in de dichte rietgordels, of op de met steenslag beschoeide
open kanten, is dikwijls ontmoedigend moeilijk. Dat zoo het
gebodene geen aanspraak op volledigheid kan maken, is van-
zelfsprekend. Toch heb ik gemeend goed te doen, mijn ge-
gevens thans samen te stellen, temeer daar de kans op com-
pleteering door verandering van woonplaats gering is ge-
worden.
De Kagerplassen vormen met de Brasemermeer en de
Westeinderplas een restant, van het eens zoo uitgestrekte
Haarlemmermeer. Ze zijn vooral door hun grillige vorm en
het bezit van enkele groote eilanden getypeerd en vormen
door hun afwisseling een eldorado voor de watersport-
beoefenaars. De plassen zelf zijn als groote reservoirs voor
15
VAN DE KAGERPLASSEN ENZ.
‘U219JM 2pu2A2BwO ua uassejdiaBey ap ueA UEENSIyIZIIAO 'T ‘Big
N
NISSVIAUIDVA
319/0331 300
à
GIMOdAIIWAINWIIAVVA
16 DR. D. C. GEIJSKES, OVER DE INSECTENFAUNA
het boezemwater van het omringende polderland te beschou-
wen; zij staan door tal van kanalen en vaarten met het
buitenwater in verbinding. De Haarlemmermeer-ringvaart
geeft naar het Noorden verbinding met het Spaarne en het
IJ, het Oegstgeesterkanaal bij Katwijk met de Noordzee,
terwijl de Leidsche trekvaart, de Zijl en de Zijp en vele
kleinere vaarten met het achterliggende polderland in
contact staan. y
Limnologisch behooren de Kagerplassen, alsook alle overige
Zuid-hollandsche plassen, tot de eutrophe binnenmeren. Het
meest opvallende in hun bouw is de geringe diepte, zoodat
ze als een breed, maar plat watervlak zijn te beschouwen.
De gemiddelde diepte bedraagt ca. 2.5 m, vele gedeelten
reiken echter tot 3 m, terwijl als grootste diepte 4 m bij
uitzondering wordt gevonden (monding Oude Ade en Bal-
gerij). De geringe diepte brengt met zich, dat bijna overal
een breede litoraalzône, gekenmerkt door een vegetatiegordel,
aan de oevers aanwezig is. Deze plantengordel is zeer een-
vormig en begint op den wal meest met wilgenboschjes, af-
gewisseld naar het water toe door Epilobium hirsutum en
Iris pseudacorus ; dan volgt in het water al of geen Spar-
ganium en een rietgordel van wisselende dikte, niet zelden
een tiental meters breed, doch deze kan òf worden ver-
vangen door Typha angustifolia òf plaatselijk geheel ont-
breken. Hierbuiten groeit meestal een uitgestrekt veld van
submerse Potamogeton, vooral in stillere gedeelten en soms
vermengd met Nuphar in smal water, welke tusschen 1.50—
2 m diepte eindigt. Op windhoeken met groote golfslag, is
Potamogeton dikwijls door de mattenbies (Scirpus palustris)
vervangen. Op gunstige plaatsen kan de litoraalzône zich tot
dertig meter uit de wal uitstrekken.
Buiten deze litoraalzône vinden we geen planten meer.
We krijgen dan het sublitoraal in de beteekenis die Thiene-
mann (1925) eraan hecht, hetwelk eigenlijk het geheele
verdere bodemgedeelte beslaat, dat hier door de geringe
diepte waarschijnlijk niet verder reikt, dan tot het bovenste
sublitoraal in den zin van Lundbeck (1926), (— Eprofundal
van Lenz 1928). Hier bestaat de bodem uit een fijne grijze
gruisachtige massa, die dikwijls met veenbrokken is ver-
mengd en door vele schalen van de driehoekmossel Dreis-
sensia polymorpha Pall, en een Pisidium-soort wordt bedekt.
Deze bouw en de geographische ligging van de plassen
brengt voor de samenstelling van haar fauna, in dit geval
meer speciaal voor de insectenfauna, zekere consequenties
met zich. Het zijn vooral 3 factoren, die daarbij een rol spe-
len: de geringe diepte, de wind en het zoutgehalte van het
water. Door de geringe diepte ontbreekt een profundaal met
zijn typische bewoners, daarentegen neemt het sublitoraal
een zeer groot bodemoppervlak in beslag. Hierdoor zijn de
VAN DE KAGERPLASSEN ENZ. 17
bewoners van deze zône in staat gesteld, zich veelal mas-
saal te ontwikkelen. Door de open ligging in het polderland,
vlak onder de kust, is de invloed van de wind in dit plassen-
gebied zeer groot; het heeft een dikwijls krachtige golfslag
en een sterke beroering van het wateroppervlak tot gevolg.
Dit vindt zijn uitdrukking in het voorkomen van vele bran-
dingsvormen en rheophiele insectensoorten in het litoraal,
terwijl anderzijds vele nektontisch levende stilwatervormen
de plassen mijden. Ten derde is het water zwak brak (oligo-
halien in de beteekenis van Redeke 1922), d.w.z. er komt
volgens Otto 99— 322 mg/L Cl. in voor. Dit zout is afkom-
stig, ten deele van de Noordzee door de verbindingen met
het buitenwater, ten deele van de zoutere poldergedeelten,
vooral in de Haarlemmermeerpolder, vanwaar het op de
ringvaart en de Kagerplassen wordt geloosd.
Otto heeft speciaal op de beteekenis van dit zoutgehalte
voor de samenstelling van de fauna der Kagerplassen, t.w.
de Evertebrata excl. Insecta, het dierlijke plankton en de
vischstand, gewezen. Hij kwam hierbij tot de conclusie, dat
de meeste diergroepen uit echte zoetwatervormen zijn sa-
mengesteld, terwijl slechts enkele soorten als euryhaliene
brakwaterbewoners zijn op te vatten, zooals: Leander lon-
girostris H. M. Edw., var. robusta de Man (Decapoda),
Neomysis vulgaris J. V. Thoms. (Schizopoda), Corophium
lacustre Vanhöff. (Amphipoda), Cordylophora Caspia Pall.
— lacustris Allm. (Coel.), Hydrobia jenkinsi Smith (Mol-
lusca). Bij uitzondering en meer als toevalsgast, dringen
soms mariene soorten tot in dit gebied door (Conger conger
L. zeepaling).
We zullen in het navolgende zien, dat deze zienswijze ook
grootendeels voor de insecten opgaat. Als oorspronkelijke
zoetwaterbewoners, ontbreken mariene vormen uit den aard
der zaak geheel ; maar ook die vormen, welke als karakte-
ristieke elementen van het mesohaliene brakwater bekend
staan (bep. Chironomiden), ontbreken hier eveneens. Daar-
entegen vinden we in vele groepen oligo-euryhaliene soor-
ten vertegenwoordigd, welke in dit gebied niet zelden tot
een groote individueele ontwikkeling komen. Over het al-
gemeen echter is de insectenfauna der Kagerplassen soorten-
arm te noemen; behoudens een enkele uitzondering, is zij
uit hier te lande algemeen voorkomende soorten samenge-
steld.
EPHEMEROPTERA :
Cloëon dipterum (L.) Bgts. algemeen, ook door Albarda
van Leiden en Warmond (Ritsema) opgegeven.
„ simile Fat. enkele nymphen tusschen oevervege-
tatie Poelmeer en Eimerspoel.
18 DR. D. C. GEIJSKES, OVER DE INSECTENFAUNA
Caenis moesta Bgts.1) algemeen.
, horaria L. (= dimidiata Steph.) algemeen, reeds
door Albarda van Leiden (v. Vollenh.) en
Warmond (Ritsema) vermeld.
Clo&on dipterum is vanaf half Mei-Sept. een zeer gewoon
en typisch element van de fauna van het Zuid-hollandsch
polderland. De 4 4 vliegen tegen zonsondergang gaarne in
troepen langs oeverkanten en boven boschages, terwijl de
2 9 meer geisoleerd in de vegetatie, of op hekwerk en tegen
vensterruiten te vinden zijn. De nymphen leven in kleine
plasjes en slooten tusschen waterplanten; in de oeverzône
van de open plassen, vond ik ze niet. Hier treedt CI. simile
er voor in de plaats, ofschoon ook deze soort aan de stillere
gedeelten de voorkeur geeft.
Of ook Cloëon inscriptum Bgts. hier voorkomt, heb ik niet
met zekerheid kunnen vaststellen ; wel werd ze te Oegstgeest
buitgemaakt (6.IX.1930).
In de insectenfauna van de Kagerplassen, spelen de beide
Caenis-soorten een overheerschende rol. Telkenjare treden
ze vrij explosief in enorme hoeveelheden op; in veelvuldig-
heid wint moesta het nog van horaria. Vanaf begin April tot
eind Augustus verschijnen de subimagines en imagines van
horaria, terwijl die van moesta gewoonlijk iets later tevoor-
schijn komen, maar slechts tot einde Juni te vinden zijn.
Tegen zonsondergang en tijdens onweer ook wel overdag,
zwermen de uiterst teere en kleine subimagines bij duizenden
dicht over het wateroppervlak, vanwaar ze uit de nymphen-
huid zijn verrezen. Op stille avonden kunnen ze de vaar-
tuigen, alsook de kleeren en haren van de watersportbeoefe-
naars geheel bedekken en deze plaatsen voor hun vervelling
tot imago benutten. Bijzondere aantrekkingskracht oefenen
de vuurtorenlichten op deze diertjes uit, waarvan de witte
palen met hen geheel grijs bedekt kunnen zijn.
Hun naam getrouw, leven de imagines slechts kort; de
4 & wellicht slechts enkele uren, de ©,$ waarschijnlijk hoog-
stens 24 uren, gedurende welken tijd de copulatie en de
eiafzetting plaats vinden. De eipakketten worden door de
-2 2 aan de wateroppervlakte afgestreken. De nymphen van
de Caenis-soorten zijn typische bewoners van het sublitoraal
(zie ook Lundbeck, p. 128 en 168). Dit verklaart waar-
schijnlijk ook hun massale voorkomen, gezien de omstandig-
heid, dat het sublitoraal in de Kagerplassen verreweg het
grootste gedeelte van het bodemoppervlak in beslag neemt.
1) De soorten van het geslacht Caenis vormen systematisch een weinig
gefundeerde en onzekere groep, welke een goede moderne revisie be-
hoeft. Zekerheidshalve stuurde ik eenige exemplaren van mijn C. moesta
naar de auteur ter contrôle op en mocht van Dr. Bengtsson te Lund
(Zweden) de bevestiging der determinatie vernemen.
VAN DE KAGERPLASSEN ENZ. 19
De ontwikkeling der nymphe tot imago, vordert een tijds-
verloop van een jaar.
Omtrent de geographische verspreiding der waargenomen
soorten, kan worden medegedeeld, dat allen van zeer uiteen-
loopende plaatsen op het europeesche continent bekend zijn.
Van Caenis moesta echter zijn tot op heden slechts
weinig vindplaatsen bekend geworden ; de soort werd door
Bengtsson (1917) uit Zuid-Zweden beschreven, nadien vond
Schoenemund (1930) haar in het Ruhrgebied, terwijl Mej.
de Vos (1930) haar naar nymphenmateriaal voor ons land
van verschillende plaatsen in Noord-Holland (Terschelling,
Wijde Blik, Dorssewaardpolder, Naardermeer, Geestmer-
ambachtpolder), Friesland (Langweerderwielen, Coevorder-
meer) en Limburg (Groote Molenbeek) opgeeft. De overige
Ephemeroptera, behooren tot de algemeen voorkomende
soorten in ons land.
ODONATA :
Ischnura elegans v. d. L. Van begin Juni tot half September
overal langs de oevers, zoowel aan de plassen,
als aan de omliggende vaarten en slooten, alge-
meen.
Agrion pulchellum v. d. L. zeldzaam, 1 © in de oever-
vegetatie van de Kever (Kaageiland) 23.V1.1935.
Aeschna grandis L. verspreid en niet talrijk; de eenige
Aeschna, die regelmatig in het gebied verschijnt
(Binnen Kaag, Oude Kooi, Aug.).
Aeschna mixta Latr. niet algemeen ; in Sept. 1928 werden
eenige exemplaren aan de Sever vliegend langs
de rietzoom waargenomen. De soort mijdt even-
als Ae. grandis de open plassen.
Cordulia aenea L. niet algemeen ; in Mei aan polderslooten
te vinden (Poelmeer, Lakerpolder).
Orthetrum cancellatum L. sporadisch op afgemaaid hooi-
land aan te treffen (Poelmeer 17 Juli 1935). Ook
te Oegstgeest gevonden. Albarda vermeldt de
soort van Leiden (de Graaf).
Volgens Albarda zou Lestes virens Charp. door van Bem-
melen te Warmond zijn gevangen. Vermoedelijk is deze
zeldzame soort met den wind uit de duinstreek hierheen
gevoerd, daar ze vroeger althans bij Noordwijk aan duin-
plassen voorkwam. Behalve de genoemde soorten, geeft Al-
barda nog de volgende libellensoorten van Leiden op : Lestes
viridis v. d. L. (de Graaf), Lestes barbara Fab. (Périn),
Lestes sponsa Hansem. (Herklots), Pyrrhosoma nymphula
Sulz. (de Man), Agrion puella v. d. L. (Périn), Brachytron
pratense Müll. (Périn), Ae. isosceles Müll. (de Graaf).
Zooals uit het voorgaande blijkt, zijn de Kagerplassen arm
20 DR. D. C. GEIJSKES, OVER DE INSECTENFAUNA
aan libellen. De eenige algemeen voorkomende soort is
Ischnura elegans, waarvan de nymphen in het zwak brakke
water gunstige ontwikkelingsvoorwaarden schijnen te vinden.
Het is trouwens van het cosmopolitisch geslacht Ischnura
bekend, dat de soorten zich uit zouthoudend water kunnen
ontwikkelen en daardoor dikwijls nabij de zeekust worden
aangetroffen (zie ook Lucas 1930 p. 105). De nymphen zijn
streng aan den plantengordel van het litoraal gebonden, ter-
wijl ook de imagines zich meest tusschen de oevervegetatie
ophouden en slechts ongaarne deze verlaten. De rijke ont-
wikkeling van /. elegans staat hier wel in groote tegen-
stelling met het schaarsche voorkomen van de weinige andere
libellensoorten in dit gebied. Wellicht dat haar dominantie
mede een gevolg is van de geringe concurrentie van andere
soorten met gelijke levenswijze. Als eenige concurrente treedt
hier Agrion pulchellum op, die echter door haar zeldzaam-
heid geen rol van beteekenis speelt. Het is mogelijk, dat de
nymphen van deze overal elders in het zoete water gewone
soort, hier voor het zoutgehalte van het water te gevoelig
zijn, om zich rijkelijk te kunnen ontwikkelen.
De gevonden Anisoptera treden alle sporadisch ‚op. Het
vermoeden ligt voor de hand om aan te nemen, dat alle waar-
genomen groote libellensoorten uit de polderslooten van het
omringende land afkomstig zijn en slechts terloops de plassen
bezoeken, zonder er te huizen. Voor hun ontwikkeling vragen
zij nl. stille bochten met rijke en drijvende vegetatie, welke
echter in het eigenlijke plassengebied door het teveel bewogen
water practisch ontbreken. In dezen speelt het gemis aan
gunstige broedplaatsen boven de saliniteit van het water een
doorslaggevende rol, aangezien het mij bekend is, dat o.a.
Ae. grandis en mixta zich uit het mesohaliene polderwater
van Noord-Holland kunnen ontwikkelen.
Tenslotte zij nog opgemerkt, dat alle hier aangetroffen
soorten tot de algemeenste vertegenwoordigers van onze
libellenfauna behooren. Dit wijst erop, dat slechts de meest
resistente soorten in deze omgeving kunnen gedijen. De ge-
ringe soortenontwikkeling wijst eveneens op een voor Odo-
nata ongunstig terrein.
HEMIPTERA : (Dr. Reclaire det.)
Chartoscirta cocksi Curt. Poelmeer 17.VI.1935 1 expl.
Nepa cinerea L. aan onbegroeide slik-oevers op stille
plaatsen algemeen.
Sigara (Arctocorisa) striata L. Poelmeer 17.VI.1935 in
aantal op ondiepe plaatsen.
Sigara (Arctocorisa) Jalleni Fieb. dito, doch minder talrijk.
Micronecta meridionalis Costa, Poelmeer 17.V1.1935 1 expl.
op modderige ondiepe plaats.
VAN DE KAGERPLASSEN ENZ. 21
Mijn gegevens van de waterwantsen zijn verre van vol-
ledig. Behalve de genoemde soorten, komen ook de gewone
vertegenwoordigers der geslachten Notonecta, Gerris, Hydro-
metra, Plea etc. meer in het bijzonder in de polderslooten
algemeen voor. Ik verzuimde echter ze nauwkeurig bijeen te
brengen. Een nadere beschouwing van het terrein doet echter
spoedig inzien, dat het buitenwater voor de pleustontisch en
nektontisch levende soorten geen gunstig woongebied vormt.
Voor een goed deel kan hiervoor de te groote bewogenheid
van het water aansprakelijk gesteld worden. Die soorten
welke er in worden aangetroffen, munten uit door geringe
lichaamsgrootte.
Uit een faunistisch oogpunt, is de vondst van Mieronecta
meridionalis van belang. Zij wordt het eerst in Snellen van
Vollenhoven (1878) abusievelijk onder den naam minutissima
L., als door Perin bij Leiden in Mei en Juni gevangen, ver-
meld. Later geeft Fokker (1886) aan, de soort öök bij Leiden
in 3 exemplaren gevonden te hebben en wijst erop, dat of-
schoon hem de voorwerpen door Perin verzameld niet onder
oogen zijn gekomen, hij niet aarzelt, ze op grond van de
gelijkheid van vindplaats en van de beschrijvnig van Sn. v. V.,
tot Scholtzii Fieb. (= meridionalis Costa) te brengen. Door
de vondst in Poelmeer, is haar voorkomen in de omgeving
van Leiden thans wederom bevestigd.
MEGALOPTERA :
Sialis flavilatera L.
Dit aan onze binnenwateren algemeen voorkomende in-
sect, ontbreekt ook hier niet.1) Gedurende de eerste warme
dagen in Mei, treedt ze op beschutte plaatsen dikwijls talrijk,
doch nergens dominant op. Hoewel op vele plaatsen de larven
in de plassen stellig gunstige ontwikkelingsterreinen kunnen
vinden, is het bescheiden optreden der soort wellicht mede
een gevolg van de directe invloed van de wind, waaraan dit
plassengebied zoo sterk is blootgesteld. Het is zeer wel denk-
baar, dat dit plompe en onbeholpen vliegend insect door de
wind in haar bewegingen wordt belemmerd. Het is trouwens
bekend, dat de ? 2 voor het afzetten van hun zwarte eipak-
ketten op rietbladeren, een rustig, weinig gestoord plekje
behoeven. Dit werd door du Bois en Geigy (1935) bij hun
uitvoerige Sialis-studie aan de Sempachersee in Zwitserland.
duidelijk geconstateerd. Zij vonden n.l. de eipakketten op de
rietbladeren over de geheele breedte van de rietgordel op
plaatsen, die niet of slechts zelden aan wind en sterke golf-
1) Albarda (1889, p. 288) geeft haar van Leiden op (v. Vollenh.).
Of ook S. fuliginosa Pict. aldaar voorkomt, zooals Alb. p. 289 eveneens
vermeldt (Ritsema leg.), moet betwijfeld worden, aangezien mij is ge-
bleken, dat de determinaties van Alb. deze soort betreffende niet te
vertrouwen zijn.
22 DR. D. C. GEIJSKES, OVER DE INSECTENFAUNA
slag zijn blootgesteld, daarentegen op sterk aan de wind
geëxponeerde plaatsen met een rietzoom van 12 meter breedte,
slechts op de eerste vier meter van den oever af gerekend
talrijk, op de daaropvolgende drie meter sporadisch, om in
de buitenste vijf meter geheel te ontbreken. Dat op de Kager-
plassen met hun doorgaands veel smallere rietzoomen de wind
een belemmerende factor kan zijn voor het slagen van de
eiafzetting van Sialis, is zeer waarschijnlijk.
De larven bewonen vermoedelijk ook hier, behalve het lito-
raal, het sub-litoraal voor het grootste gedeelte van hun be-
staan (zie ook Lenz 1928, Lundbeck p. 128, 168 en du Bois
& Geigy l.c.), alwaar het ze aan voedsel (Oligochaeten,
Caenis-nymphen, Chironomiden-larven etc.) niet zal ont-
breken. Na twee jaren verpoppen ze zich aan den oever op
het droge.
NEUROPTERA :
Sisyra fuscata Fabr.
Van dit kleine weinig opvallende insect, werd in Juni 1930
één exemplaar in de oevervegetatie aan het Zweiland op
het Kokeiland gevangen. Ongetwijfeld is dit diertje hier niet
zeldzaam, doch valt door zijn kleinheid niet spoedig op.
Snellen vond de soort te Leiden (Juni) en Ritsema in Leider-
dorp (Aug.) (zie Albarda 1889 p. 294 1)). De larven leven
in zoetwatersponzen, welke in de Kagerplassen op vele plaat-
sen talrijk voorkomen en volgens Otto (1927) door de soort
Ephydatia fluviatilis L. vertegenwoordigd worden. Sponzen-
kolonies in Juli 1932 op Sisyra-larven onderzocht, leverden
geen resultaat op, doch dit mag grootendeels aan het ver-
gevorderde seizoen te wijten zijn geweest.
HYMENOPTERA: (J. Koornneef det.)
Pimpla taschenbergi D. T. 1 9 Sprietlaeck 10.V11.35,
rietzône.
Omorgus ferinus Holmgr. 1 9 Poelmeer oevervegetatie
2.V111.35.
Diapria bina Kie]]. (Proctotrup.) 1 ? Lakerpolder
29.V11.32.
Waterbewonende Hymenoptera zijn niet waargenomen. Of
ze in de Kagerplassen voorkomen, is moeilijk te zeggen, maar
niet waarschijnlijk te achten. Ze treden nl. op als parasieten
in libellen- en wantseneieren, alsook in de larven van be-
paalde Trichoptera. De hiervoor in aanmerking komende
gastheeren zijn evenwel niet aangetroffen.
Dat ik gemeend heb, de enkele terloops mee verzamelde
1) Beide exemplaren bevinden zich nog in de coll. Wageningen, af-
komstig uit de oude coll. ‘der N.E.V. Hieronder staat voor Leiden
Snellen als verzamelaar aangegeven en niet Ritsema, zooals Albarda
aangeeft.
VAN DE KAGERPLASSEN ENZ. 23
sluipwespen in mijn lijsten te moeten opnemen, vindt zijn
reden in het feit, dat volgens den Heer Koornneef alle aan-
getroffen soorten nieuw voor de Nederlandsche fauna zijn.
Daarenboven kan als bijzonderheid vermeld worden, dat
Diapria bina Kieff. tot nu toe slechts uit Nd-Italië bekend
is, een bewijs te meer, hoe onvolledig onze kennis der sluip-
wespen in het algemeen nog is!
Naar de Heer J. Lindemans te Ermelo mij schriftelijk mede-
deelde, verkreeg hij een paartje van Pimpla taschenbergi D.T.
uit de rups van de bekende rietuil Calamia lutosa Hb., af-
komstig uit Crefeld. We kunnen dus aannemen, dat deze
sluipwespensoort de ook ten onzent in rietlanden gewone
rietuil belaagt en aldus mede in de rietvegetatie thuis behoort.
COLEORTERA:
Hyphydrus ferrugineus L. Poelmeer enkele larven tus-
schen oeverplanten 17.VII.35.
Hydaticus sp. (verm. transversalis Pontopp.) dito, twee
volw. larven.
Enochrus melanocephalus Ol. één imago (P. v. d. Wiel
det.) Poelmeer op ondiepe plaats met slik-
bodem, 17.VII.35.
Donacia clavipes F.
op rietbladeren, vrij algemeen, Mei, Juni.
Uit deze weinige gegevens blijkt reeds, dat de keverfauna
niet nauwkeurig is nagegaan. De vermelde soorten kunnen
dan ook moeilijk een indruk geven, van wat hier aan Coleop-
tera voorhanden is. In het totale beeld spelen de waterkevers
echter een ondergeschikte rol; we zien hier weer iets derge-
lijks, als reeds voor de wantsen werd geconstateerd : geringe
soortenontwikkeling, geringe lichaamsgrootte van de soorten,
die in het buitenwater worden aangetroffen en een voor-
komen aldaar in de rustigste gedeelten ervan. In tegenstelling
hiermede, herbergen de polderslooten tal van algemeen voor-
komende waterkevers, die echter niet nader zijn onderzocht.
RICHOPTER A:
Hydroptilidae :
Agraylea multipunctata Curt. Groote sloot en Leede bij
Eerd ZOO URE VAOD ESE
Hydroptila dampfi Ulm. 10.VII.35, 9.VIII.36 in aantal
Sprietlaeck.
Orthotrichia tetensii Kolbe Poelmeer 9.VII.35 1 4.
Oxyethira costalis Curt. Groote sloot 1.VIII.36 1 2.
Polycentropidae :
Holocentropus dubius Ramb. Warmond (Ritsema).
picicornis Steph. Warmond 21.V.30 1 &
(Ritsema).
24 DR. D. C. GEIJSKES, OVER DE INSECTENFAUNA
Cyrnus flavidus McL. Warmond (Ritsema).
Psychomyidae :
Ecnomus tenellus Ramb. Juni, Juli en Aug. zeer algemeen.
Lype phaeopa Steph. Sprietlaeck 1.VIII.36 2 & 4, Seve
LS ASI MINCE |
Phryganeidae :
Phryganea grandis L. algemeen, Mei-Juli.
Agrypnia pagetana Curt. Warmond (Ritsema), Groote
Sloot 1.8.36 1 &, Leiden (de Graaf), Oegst-
geest 1.8.36 1 4.
Leptoceridae :
Leptocerus senilis Burm. zeer algemeen, Juni-Sept.
aterrimus Steph. algemeen, Juni.
cinereus Curt. Warmond en Leiden
(Ritsema).
Mystacides nigra L. zeer algemeen, Mei-Sept.
azurea L. Warmond, Leiderdorp (Ritsema).
5 longicornis L. algemeen, Juni-Sept.
Oecetis ochracea Curt. zeer algemeen, Mei-Sept.
furva Ramb. algemeen, Juni, Juli.
lacustris Pict. Poelmeer 21.VI.35 14, Zwei-
land 23.41.3578.
Setodes tineijormis Curt. Warmond (Snellen).
Molannidae :
Molanna angustata Curt. Zweiland 3.1V.30 1 9, War-
mond (Ritsema).
Limnophilidae :
Limnophilus rhombicus L. Zijl. V. 27 larven (Gorter),
poldersloot. Sassenheim 2511125 larven
(Gorter).
Îlavicornis Fabr. Zweiland 28.V.29 1 2,
Warmonderleede, begin Mei 27 volw. larven
(Gorter).
decipiens Kol. polderslooten omg. Leiden
(Gorter).
marmoratus Curt. idem.
politus Mel. Zijl 24.1X.30, talrijk.
afjinis Curt. Warmond, Leiden (Ritsema),
Oegstgeest Mei, Juni en Aug. Sept.
Anabolia nervosa Leach. algemeen, Sept.
In deze soortenlijst treffen we twee nieuwe soorten voor de
Nederlandsche fauna aan. Het zijn Hydroptila dampfi Ulmer
en Orthotrichia tetensii Kolbe. Beide behooren tot de uiterst
kleine motachtige Hydroptilidae, diertjes van slechts enkele
mm grootte. Den 10en Juli 1935 trof ik na zonsondergang op
de oeverplanten en de steenen beschoeiing van de Spriet-
laeck een groot aantal kleine Hydroptilidae aan, die wegens
hun vlugheid en geringe grootte moeilijk te bemachtigen wa-
ren, Het bleek later, dat we hier met een Hydroptila-soort
>>
19
19
,*
LA
VAN DE KAGERPLASSEN ENZ. 25
te doen hadden, die echter met geen der bekende inlandsche
vormen overeenkwam. Zelfs mislukte aanvankelijk de deter-
minatie met behulp van de uitvoerige werken van Mc Lachlan
en Ulmer, ook nadat maceratie-preparaten van het genitaal-
apparaat waren vervaardigd. Op den Oden Aug. 1936 zag
ik nogmaals ter zelfder plaatse naar deze Hydroptila-soort
uit en trof haar inderdaad in groot aantal, verscholen aan de
onderzijde van enkele ruwe betonblokken wederom aan. Ook
op de oeverplanten konden eenige exemplaren worden ver-
zameld. In totaal werden een 20-tal individuen bemachtigd.
Aan de hand van dit materiaal werd, na bestudeering van
de jongste en zeer verspreide literatuur over deze insecten,
de soort met zekerheid achterhaald. Ze bleek in 1929 door
Ulmer in Zool. Anz., Bd. 80, pp. 264— 266, fig. 10—12, naar
3 & & beschreven en afgebeeld te zijn. Twee daarvan waren
afkomstig uit het Frische Haff (Lazarettschiffzug Danzig 3,
18.VIII.1915, Dr. Horn leg.) en de andere uit Königsberg.
am Licht, 24.VII.1920, Dr. Dampf leg. Haar vondst hier te
lande is dus geheel onverwacht, Of dit insect ook verder langs
de Oostzee- en Noordzee-kust in Duitschland voorkomt, zal
voortgezet onderzoek moeten uitmaken.
De tweede nieuwe soort voor de fauna, Orthotrichia tetensii
Kolbe, werd den Oden Juli 1935 in 1 4 tegen het venster van
een bootenhuis bij Poelmeer gevonden. Haar voorkomen in
ons land kon worden vermoed, aangezien de soort uit het
aangrenzende gebied van Duitschland bekend was en het
diertje zich uit stilstaand plantenrijk water ontwikkelt. In-
tusschen is ze mij ook uit de omgeving van Wageningen be-
kend geworden, zoodat we stellig voor haar een groote ver-
spreiding in Nederland kunnen aannemen.
De overige vermelde soorten behooren bijna alle tot de
meer gewone vormen, welke ook verder in ons land algemeen
optreden. Door hun aanpassingsvermogen en hun soorten-
rijkdom, zijn onder de Trichoptera niet zelden soorten als
„Leitform” voor een bepaald watertype aan te wijzen. In
de aanzienlijke en stellig vrij volledige soorten lijst van de
Kagerplassen, is het evenwel moeilijk, om zulke typen aan
te geven. Hier wordt de biotoop meer door het gezamenlijke
soortencomplex, dan door een enkele ,,indicator -vorm ge-
typeerd, waarbij de frequentie der soorten onderling een
betere maatstaf voor de waardeering van het watertype aan-
geeft, dan de qualiteit zelf. Zoo is de dominantie van de ver-
tegenwoordigers der Leptoceridae zeer opvallend. Vooral
Leptocerus senilis en Oecetis ochracea, alsook Mystacides
nigra en longicornis beheerschen het beeld. Ook Ecnomus
tenellus, een kleine Psychomyide, treedt zeer talrijk op en
de reeds vermelde Hydroptila dampfi moet eveneens tot de
karakteristieke elementen van dit gebied gerekend worden.
Onder de Limnophilidae zijn Limnophilus [lavicornis, L. poli-
26 DR. D. C. GEIJSKES, OVER DE INSECTENFAUNA
tus en Anabolia nervosa als typische plassenbewoners te noe-
men.
Van deze soorten kan gezegd worden, dat ze zich meest
uit stroomend of sterk bewogen water ontwikkelen ; vele
kunnen zelfs als brandingsvormen worden aangemerkt (L.
senillis, Oec. ochracea, L. aterrimus, H. dampfi (?), Lype
phaeopa, Molanna angustata, An. nervosa). De meeste ove-
rige soorten zijn stilwaterbewoners, ofschoon sommige het
open water ook als larve niet mijden (Phr. grandis). Het
meerendeel hiervan beperkt zich tot de stille oevergedeelten
of tot de polderslooten met rijke vegetatie (Agr. multipunc-
tata, Orth. tetensii, Ox. costalis, Holocentropus, Cyrnus,
Setodes, L. affinis, rhombicus, marmoratus, decipiens, Agryp-
nia pagetana). Ook sponzenbewonende Trichoptera-larven
komen hier voor. Als zoodanig staan vooral de larven van
Lept. senilis, in mindere mate die van Lept. fulvus en Ecnomus
tenellus bekend (zie ook Silfenius 1906 en Lestage 1926).
In een sponzenkolonie aan een brugpeiler bij Oud-Ade trof
ik eens een aantal larven van Lept. fulvus in vrij grooten ge-
tale aan (19.VII.32). Of mede door deze eigenaardigheid
Lept. senilis en Een. tenellus in de Kagerplassen hun veel-
vuldigheid te danken hebben, is moeilijk te beoordeelen. Wel
weten we, dat de sponzenkolonies, die volgens Otto (1927)
hier alleen door de soort Ephydatia fluviatilis L. vertegen-
woordigd zijn, er zeer talrijk kunnen optreden.
In hoeverre het zoutgehalte van de Kagerplassen van in-
vloed is op de samenstelling van de Trichoptera-fauna, is
eveneens moeilijk te bepalen. Doorgaans vormt een verhoogde
saliniteit van het milieu een ongustige factor voor het in-
sectenleven. En stellig geldt dit voor vele Trichoptera; ty-
pische brakwaterbewoners kennen we in deze groep niet.
Toch vinden we voor een aantal soorten in het oligohaliene
water een sterke ontplooiing. Er werd reeds op gewezen,
dat hier vooral verschillende Leptoceridae in opvallend aan-
tal tevoorschijn komen. Zij wekken daardoor den indruk, zich
hier in een optimum te bevinden. Ook Redeke (1932, p. 31)
heeft op grond van de onderzoekingen van Mej. de Vos
(1930) op deze eigenaardigheid gewezen en noemt onder de
vele zoetwatervormen „die in den oligohalinen Binnengewäs-
sern ausgezeichnet gedeihen”, voor de Trichoptera : Cyrnus
flavidus, Phryganea grandis, Limnophilus rhombicus, fla-
vicornis, Anabolia nervosa, waartoe nog de opmerking wordt
gevoed: ‚Einige scheinen sogar das schwachbrackische
Wasser zu bevorzugen, wie z.B. Oecetis ochracea und Setodes
tinaeiformis".
Met uitzondering van H. dampfi, waarvan de verdere ver-
spreiding niet bekend is, ontwikkelen zich alle hier voor-
komende soorten ook uit het zoete water en behooren aldaar
mede tot de meer gewone verschijningen. Deze omstandigheid
VAN DE KAGERPLASSEN ENZ. 27
rechtvaardigt het vermoeden, dat we in de Kagerplassen en
in het oligohaliene binnenwater in het algemeen, met een
zuivere zoetwaterfauna, betreffende de Trichoptera, te maken
hebben en wel speciaal met die soorten, welke de minder
gunstige invloed van het zoutgehalte niet deert. We moeten
dus een selectie van soorten aannemen, die zich naar gelang
de omstandigheden tot de meer resistente vormen beperkt.
Dat dit dikwijls samenvalt met wijdverspreide en algemeen
voorkomende soorten, is een feit, dat we reeds bij de be-
spreking der Odonata hebben opgemerkt. Hunne groote indi-
vidueele ontplooiing in het brakwater kunnen we ons derhalve
als door een grootere expansie-mogelijkheid door geringere
concurrentie geboden, voorstellen. Dezelfde soorten, die in
het zoete water door een grooter aantal andere, gelijklevende
soorten in toom gehouden worden, tot een voor iedere bio-
toop normale constante, ondervinden hier minder weerstand
in hun expansie-mogelijkheid door geringere soortsnivel-
leering. Hun soortconstante kan daardoor in het oligohaliene
milieu hooger liggen, dan in het zoete water mogelijk is. Hoe
grooter de soortenrijkdom in een biotoop, des te lager de
constante voor iedere soort apart en omgekeerd. Worden
dus in een gemeenschap een aantal soorten door bijzondere
omstandigheden (in dit geval een hooger zoutgehalte) uitge-
schakeld, dan stijgt voor het restant de soortconstante. Of-
schoon dus de algemeene omstandigheden zich niet optimaal
verhouden, kan toch een grootere individueele ontwikkeling
bereikt worden. En de vermeende voorkeur is dan slechts
schijn.
DIPTERA excl. Chironomidae : (Prof. de Meijere det.).
Orthorapha :
Nematocera Tipulidae :
Tipula unca Wied. (longicornis Schumm.) Poelmeer
ONS Spacey SER
5 scripta Mg. Poelmeer 9.VII.35 1 2.
Pachyrhina scurra Mg. Poelmeer 9.VII.35 1 2.
7 quadrifaria Mg. Oegstgeesterkanaal 6.VII.35
ee
ve analis Schumm. Poelmeer 21.VI — 2.VIII.35
Teele
Dicranomyia didyma Mg. Zweiland 23.VI.35 1 9,
Sprietlaeck 10.VII.35 1 2.
Rhamphidia (Helius) longirostris Mg. Poelmeer 9.VI.35
Ken
Limnophila nemoralis Mg. Poelmeer 9.VII.35 1 ©.
Ptychoptera (Liriope) contaminata L. Zweiland 23.VI.1
2, Sprietlaeck 23.VI.35 1 2.
28 DR. D. C. GEIJSKES, OVER DE INSECTENFAUNA
Brachycera
Stratiomyidae :
Stratiomyia furcata Fabr. Poelmeer 2.VIII.35 1 expl.
Chrysomyia formosa Scop. Poelmeer 9.VII.35 2 expl.,
Sprietlaeck 10.VII 1 expl.
Tabanidae :
Haematopota (Chrysozona) pluvialis L. Zweiland
23.VI.35 eenige expl.
Leptididae :
Leptis (Rhagio) tringaria L. Poelmeer 2.VIII.35 2 expl.
Empididae :
Empis livida L. Poelmeer 9.VII.35 3 expl.
Hilara chorica Fall. Sprietlaeck 10.VII.35 3 expl.
Dolichopodidae :
Chrysotus gramineus Fall. Poelmeer 2.VIII.35 1 expl.
Poecilobothrus nobilitatus L. dito 1 expl.
Dolichopus claviger Stann. Poelmeer 21.VII.35 1 expl.
di plumipes Scop. Zweiland 23.VI. 1 expl.,
Sprietlaeck 10.VII.35 1 expl.
pennatus Mg. Zweiland 23.VI.35 1 expl.
brevipennis Mg. Sprietlaeck 10.VII.35
2 expl.
Sympycnus annulipes Mg. Poelmeer 2.VIII.35 1 expl.
Lonchopteridae :
Lonchoptera (Musidora) lutea Panz. Poelmeer 9.VII.-2.
VIII.35 5 expl.
furcata Fall. Sprietlaeck 10.VII.35 1 expl.
Cyclorapha :
Syrphidae :
Melanostoma mellinum L. Poelmeer 9.VII.—2.VIII.35
4 expl.
Muscidae :
en
de
Myospila meditabunda Fabr. Sprietlaeck 10.VII. 1 expl.,
Poelmeer 2.VIII. 2 expl.
Limnophora (Calliophrys) riparia Fall. Zweiland 23.VI.
2 expl.
Chortophila sp. Poelmeer 9.V11.35 1 expl.
Coenosia tigrina F. Poelmeer 2.VIII.35 3 expl.
Scatophaga merdaria L. oeverzône zeer algemeen.
à stercoraria L. als vorige.
Tetanocera ferruginea Fall. Poelmeer 9.VII.35 1 expl.
Opomyza germinationis L. Poelmeer en Sprietlaeck
9/10.V11.35 4 expl.
Borborus (Cypsela) geniculatus Macq. als vorige, 2 expl.
Limosina (Leptocera) roralis Rond. Poelmeer 2.V 111.35
1 expl.
De gegeven soortenlijst kan moeilijk op volledigheid bogen
is niet toereikend om een beeld van de Diptera-fauna van
Kagerplassen te geven. Ze is echter volledigheidshalve
VAN DE KAGERPLASSEN ENZ. 29
hier opgenomen en geeft weer, wat in 1935 gedurende en-
kele excursies in de maanden Juni en Juli langs de oever-
planten werd verzameld. De meest voorkomende soorten zul-
len echter stellig hieronder te vinden zijn. Naar Prof. de
Meijere mij mededeelde, behooren de gevonden soorten door-
gaans tot de gewone vormen voor waterrijke streken. Opval-
lend is het massale optreden van de beide Scatophaga-
soorten ; niet zelden vormen deze vliegen bij slechts enkele
slagen door de oeverplanten, groote ballen in het insectennet !
Onder hen wint merdaria het veelal in veelvuldigheid van
stercoraria. De eerste houdt zich meer in de omgeving van
kanalen en slooten op, de laatste is vooral langs de oevers
van de wijde plassen te vinden. Onder de Tipulidae werden
Pachyrhina analis en Tipula unca het meest waargenomen.
Chironomidae : (Dr. Kruseman det.)
Prothenthes punctipennis Mg. Poelmeer 2.VI—9.VII.35
algemeen.
Trichotanypus choreus Mg. Zweiland 23.VI. 1 & 3 8,
Sprietlaeck 23 2 9.
Cricotopus sylvestris Mg. Poelmeer 9.VI. 1 2, Zwei-
land 23.VI. 74 6 2.
> ornatus Mg. Sprietlaeck 10.VII. 1 &.
do bicinctus Mg. Zweiland 23.VI. 15 ¢ 3 9,
Sprietlaeck 10.VII. 10 &.
Tanytarsus inopertus Walk. Poelmeer 9.VII. 1 3.
Cladotanytarsus vanderwulpi Edw. Zweiland 23.VI.
IS
Pentapedilum nubeculosum Mg. Poelmeer 2.VI. 14 3,
Sprietlaeck 10.VII. 29 4.
x sordens v. d. W. Poelmeer 2.VI. 1 ¢, 9.VI.
40/03 WO VAIS MES prietlaeckelONAIEMNSE
Polypedilum leucopus (Mg.) Edw. Poelmeer 9.VII. 2 4.
3) nubeculosum Mg. Poelmeer 2.VI. 14 &,
Sprietlaeck 10.VII. 29 ¢.
i flavonervis (Staeg.) Edw. Sprietlaeck 10. VII.
21588
Endochironomus tendens Fabr, Zweiland 23.VI. 1 6.
Glyptotendipes paripes Edw. Poelmeer 2.VI. 2 4, 9.VII.
1 4, Zweiland 2 9.
Pi pallens Mg. var. glaucus Mg. Poelmeer 2.VI.
1 4, Zweiland 23.VI. 1 4.
5 joliicola Kieff. Zweiland 23.VI. 2 ¢.
7 mancunianus Edw. Sprietlaeck 10.VII. 1 4.
Tendipes (Chironomus) plumosus L. var. prasinus Mg.
Zweiland 23.VI. 3 6.
53 (Camptochironomus) tentans Fabr. Spriet-
laeck 10.VII. 1 2.
As (Limnochironomus) nervosus Staeg. Poel-
30 BR. D. C. GEIJSKES, OVER DE INSECTENFAUNA
meer 2 VI 870 VIT ©. Zweiland23 MA
lome MS pretlaeckMO VIS Om
oN (Xenochironomus) xenolabis Kieff. Zweiland
23.VI.5 4, Sprietlaeck 10.VII. 1 &.
i (Cryptochironomus) supplicans Mg. Poel-
meer IV INC PRO VIII
2 (Parachironomus) longiforceps Kieff. Zwei-
land 23.4. 1s lee
sa in! monotomus Kieff. Poel-
meer 9.VI.1 4, 9.VIL ur.
a A arcuatus Gtgh. Poelmeer
2.112 9s IN
De vermelde Chironomiden stellen ook slechts een fractie
voor, van wat in werkelijkheid in de Kagerplassen aanwezig
zal zijn. Het omvat als bij de overige Diptera, alleen datgene,
wat gedurende de maanden Juni en Juli tot begin Aug. 1935
meer stelselmatig bijeen is gebracht. Dat toch reeds een 24-
tal soorten zijn te boeken, wijst op een zekere soortenrijkdom.
Naar Dr. Kruseman mij mededeelde, schuilt onder dit mate-
riaal weer een nieuwe soort voor de Nederlandsche fauna,
nl. Glyptotendipes foliicola Kieff., welke soort uit België en
Engeland reeds als algemeen bekend stond (zie ook Kruse-
man 1936). Zij werd op 23 Juni in de oevervegetatie aan de
noordoever van het Zweiland in 2 & & gesleept. Van de
overige soorten kan worden vermeld, dat zij in ons land niet
zeldzaam voorkomen; alleen Polypedilum jlavonervis is tot
nu toe slechts uit Zuid-Holland bekend.
Rijk vertegenwoordigd en in vele gevallen dominant, wer-
den de volgende soorten gevonden : Protenthes punctipennis,
Cricotopus bicinctus, Pentapedilum nubeculosum, Limnochi-
ronomus nervosus en Parachironomus monotomus. Vooral de
twee laatstgenoemde soorten kunnen massaal optreden en
vormen niet zelden ,,rookzuilen’ van dansende 4 & boven
elke geschikte verhevenheid aan den oever der plassen.
De vermelding van de Chironomiden-fauna van een water,
is door de klassieke onderzoekingen van Prof. Thienemann
en zijn leerlingen van groot belang geworden bij de algeheele
typeering en beoordeeling daarvan. Volgens de indeeling
der Thienemannsche school, behoort het onderzochte gebied
naar de Chironomiden soorten tot het sterk eutrophe meren-
type, en de Kagerplassen kunnen als een echte „Chironomus-
see” beschouwd worden, waarin de Chir. plumosus-groep s.l.
domineert, (zie ook Thienemann 1922, Lenz 1925, 1933).
Zoover het verzamelde materiaal thans laat vermoeden,
ontbreken hier de echte brakwaterchironomiden (zie Kruse-
man 1933a) ; wel komen een aantal euryhaliene soorten voor,
zooals Polypedilum nubeculosum, Glyptotendipes pallens, var.
glaucus, Chironomus plumosus, Limnochir. nervosus,
Xenochir. xenolabis, Cryptochir. supplicans, Parachir. mono-
VAN DE KAGERPLASSEN ENZ. 31
tomus en arcuatus, doch het geheel aan Chironomiden is als
een zoetwaterfauna met hoogstens oligo-euryhaliene elemen-
ten op te vatten.
Onder de vele hier vertegenwoordigde soorten, nemen de
bewoners van het litoraal een groote plaats in. De soorten
van de geslachten Cricotopus, Parachironomus en Pentapedi-
lum, zijn volgens Lenz (1928) brandingsvormen ; de larven
van Glyptotendipes-soorten leven meest als mineerders in tal
van waterplanten, terwijl de larve van Xenochir. xenolabis
als sponsparasiet bekend is. Welke soorten het sublitoraal
bevolken, is slechts te vermoeden. Als zoodanig komen in de
eerste plaats de slijkbewonende Chironomus-larven in aan-
merking, waarvan een groot percentage stellig de zoo rijk
voorhanden soorten Chir. nervosus en monotomus toe zal
komen. Nauwkeurige gegevens hieromtrent ontbreken nog
en zullen eerst door nauwgezet bodemonderzoek geleverd kun-
nen worden.
SUMMARY.
A study is made of the insectfauna of one of the lakes
(Kagerplassen) and surrounding waters in the peat-bogs
polderland of South-Holland near Leiden. Beside a faunistic
point of view, special attention has been: given to the eco-
logical relations, under which the insects live here. The mate-
rial on which this study is based, is collected more occacio-
nally than systematically during the years 1928—1936. The
total of species collected for the ordres dealt with, are:
Ephemeropta 4, Odonata 6, Hemiptera 5, Megaloptera 1,
Neuroptera 1, Hymenoptera 3, Coleoptera 4, Trichoptera 29,
Diptera excl. Chir. 35, Chironomidae 25. Among these, a few
species new to the Dutch fauna were met with (3 Hymen-
optera, of which one has only be known from Nth-Italia ; 2
Trichoptera, one of which has only be known from East-
Germany, and one Chironomid, known also from England
and Belgium) and some rare species are also found. As a
whole, the insectfauna could be recognized as similar, com-
posed by common species, living in stagnant or slowly run-
ning waters of the Netherlands.
With regard to the limnological details, the studied waters
belong to the eutrophic lake-type. Special attention must be
called to the fact that the lakes of this country are very
shallow in relation to their size. Only an average depth of 2.5 m
and a maximum of 4 m is present, whereas the uppersurface
reaches to a length of 2.5 Km by a width of 1.5 Km in its
maximum. Under this condition only two regions are recog-
nizable : a littoral- and a sublittoral-region. The first one
contains the phytalzone of the banks, extending from one as
far as thirty meters from the shore. In this zone, the follo-
wing plants can usually be found in this order : Iris, Phrag-
32 DR. D. C. GEIJSKES, OVER DE INSECTENFAUNA
mitis or Typha angustifolia and Potamogeton (submers) or
Scirpus palustris, surrounding the banks from shore to open
water. Outside the littoral, the second aphytal sublittoral-
region, contains the whole further bottomsurface, of which
the soil is muddy and peaty and covered richly by shells of
Molluscs as Dreissensia and Pisidium.
Regarding the ecological relations, the insect life of the
Kager-lake is principally subjected to three factors, viz. : the
shallowness of the lakebottom, the wind, and the salinity of
the water. The waterliving insect larvae inhabit for the most
part the littoral region and only a small number of species
exsists as sublittoral occupants, under which Caenis, Sialis
and Chironomus s.str. are the most abundant. No profundal
species exist here.
In a position near the North Sea, surrounded by open marsh
grounds, the lake is influenced considerably by the S. W.
wind. This results in troubling the watersurface by high
waves for many days of the year. This may be observed by
the presence of several rheophile species in the littoral, whe-
reas the water is shunned by the nektontic- and pleustontic-
living species, such as bugs and beetles and many other forms
of the quiet and richly overgrown inlandwaters in the vicinity.
The salinity of the water reaches 99—322 mg/L Cl. The
salt comes partly from the North Sea by open communica-
tions and partly by saltly springs in the surrounded polder-
land, from which the water is pumped up to the lake by
draining-mills and pumping-stations. Generally the salinity
of the water reduces the number of species in most ordres.
As no typical brackishwater species are observed, the insect-
fauna of the studied waters may be considered as a fresh-
water-fauna, selected by the salinity of the water in oligo-
euryhaline species. By this selection, the condition of some
species is given, to develope in a very favourable way, ena-
bled by an absence of concurrent species, which can not
stand this water. So the abundance of Ischnura elegans
v. d. L. (Odonata) and many Trichoptera as Leptocerus
senilis Burm., Oecetis ochracea Curt, Mystacides nigra L.,
M. longicornis L., Ecnomus tenellus Ramb., Hydroptila damp-
fi Ulm., Limnophilus Jlavicornis Fabr., L. politus McL., Ana-
bolia nervosa Leach, may be explained.
GENOEMDE LITERATUUR.
Albarda H. 1889 Catalogue raisonné et synonymique des
Névroptères, observés dans les Pays-Bas et
dans les Pays limitrophes. Tijdschr. v. Ent.
DI. 32, pp. 211—376.
Bengtsson S. 1917 Weitere Beiträge z. Kenntnis d. nordischen
VAN DE KAGERPLASSEN ENZ. 33
Eintagsfliegen. Ent. Tidskr. 1917, pp. 174—194.
du Bois A. M. & Geigy R. 1935 Beiträge zur Oekologie,
Fortpflanzungsbiologie und Metamorphose von
Sialis lutaria L. Rev. Suisse Zool., T. 42, no. 6,
pp. 169—248.
Fokker A. J. F. 1886 Catalogus der in Nederland voorko-
mende Hemiptera, le ged. Hem. Het. Tijdschr.
v. Ent, DI. 29, pp. 296—304.
Gorter F. J. 1929 Proeven over den kokerbouw van Trichop-
tera-larven. Diss. Leiden, van Doesburgh.
Kruseman G. 1933a Welche Arten von Chironomus sl. sind
Brackwassertiere ? Verh. Intern. Ver. f. theor.
u. angew. Limn., Bd. 6, pp. 163—165.
1933b Tendipedidae Neerlandica P.1. Genus
Tendipes cum generibus finitimis. Diss. Am-
sterdam, de Boer Jr. den Helder.
—————— 1936 10e mededeeling over Tendipedidae. Ver-
slag 9le Zomerverg. N.E.V. Tijdschr. v. Ent.,
DIO pP: RE
Lenz Fr. 1925 Chironomiden und Seetypenlehre. Die Natur-
wissenschaften, Bd. 13, H. I.
— 1928 Einführung in die Biologie der Süsswas-
serseen. Biol. Studienbücher IX, Berl. Jul.
Springer.
—— 1933 Untersuchungen zur Limnologie von
Strandseen. Verh. Intern. Ver. f. theor. u. an-
gew. Limn., Bd. 6, pp. 166-177.
Lestage J. A. 1925 Notes trichoptérologiques (10me note).
Une larve de Trichoptere spongillicole. Ann.
biol. Lac., T. 14, fasc. 3/4, pp. 237—248.
Lucas W. J. 1930 The aquatic (naiad) stage of the British
Dragonflies (Paraneuroptera). Ray Soc. Lon-
der, No IU
Lundbeck J. 1926 Die Bodentierwelt norddeutscher Seen.
Archiv f. Hydrobiol., Suppl. Bd. 7, pp. 1—473.
Otto J. P. 1927 Een oecologische studie van de fauna der
Kagerplassen en omgevende wateren. Diss.
Leiden, E. J. Brill, Leiden.
Redeke H. C. 1922 Zur Biologie der niederländischen Brack-
wassertypen. Bijdr. tot de Dierk. Afl. 22.
— 1932 Abriss der regionalen Limnologie der
Niederlande. Hydrobiol. Club Amsterdam,
Publiek
Schoenemund E. 1930 Ephemeroptera in: Die Tierwelt
Deutschland, 19. T.
Silfvenius (Siltala) A. J. 1906-1908 Ueber die Nahrung
der Trichopteren, Act. Soc. Faun. Fenn. F. 29,
DO DIS
34 DR. D. C. GEIJSKES, OVER DE INSECTENFAUNA
Snellen van Vollenhoven S. C. 1878 Hemiptera Heteroptera
Neerlandica. Nijhoff 's-Grav.
Thienemann A. 1922 Die beiden Chironomus-Arten der Tie-
fenfauna norddeutscher Seen. Archiv f. Hy-
drobiol., Bd. 13, pp. 609— 646.
1925 Die Binnengewässer Mitteleuropas in:
Die Binnengewässer Bd. 1, Schweizerbart Stutt-
art.
Ulmer G. 1929 Ueber einige deutsche Hydroptiliden. Zool.
Anz. Leipz., Bd. 80, pp. 253—266.
de Vos A. P. C. 1930 Ueber die Verbreitung der aquatilen
Insektenlarven in den Niederlanden. Int. Rev.
d. ges. Hydrobiol. u. Hydrogr., Bd. 24, H. 5/6,
pp. 485—506.
To Wo 185 ID OOM Biel
A N ee er”
Geijskes, phot. Cc.
Fig. 2. a. Warmonderleede; b. Zweiland; c. Sprietlaeck,
The Dutch Fungivoridae in the collection
of the Zoological Museum at Amsterdam
by
Dr. G. BARENDRECHT
The collection of Dutch Diptera in the Zoological Museum
at Amsterdam consists for the greater part of the collection
Prof. Dr. J. C. H. de Meijere brought together in some
forty years. Most of the material was identified by the col-
lector himself, leaving, however, such families as the Tendi-
pedidae, Simuliidae, Psychodidae, Sciaridae, and Fungivori-
dae entirely or partly to a specialist or some other person who
could give all his time to one group. In this way the writer,
then assistant to Prof. de Meijere, some years ago under-
took the determination of the fairly extensive Fungivoridae
material.
That at present the work on fungus gnats is so much
more gratifying than twenty years ago is largely due to Land-
rocks monograph in Lindner: „Die Fliegen der paläarkti-
schen Region” and to Edwards’ work on the British Fungi-
voridae. Still, consulting the original literature, especially the
papers of Dziedzicki, Lundstroem, Johannsen,
Edwards, and Landrock, remains indispensable. For
such keys and descriptions as are to be found in Land-
rocks monograph, are seldom sufficient, not because their
being worse than others but owing to the difficulty of giving
a verbal diagnosis of these gnats. Like in so many other fa-
milies of Diptera satisfactory characters for separating the
species can only be obtained from the male hypopygium. We
are, therefore, largely dependant on the figures of these parts
and it is much to be regretted that the numerous figures of
hypopygia in Landrock's monograph are, on the whole, so
badly reproduced. Hence, one is often compelled to consult
the original figures of Dziedzicki, Lundstroem, and Edwards.
Except Prof. de Meijere's collection (including a small
remnant of the collection van der Wulp) the Museum ob-
tained a collection of fungus gnats reared from various species
of mushrooms by Mr. and Mrs. Westenberg-Sorg-
drager. This collection was also entrusted to the writer
for examination. It appeared that in several cases species of
Fungivoridae were reared from mushroom species in which
they were not known to breed, so far as the data in Land-
36 DR. G. BARENDRECHT,
rock's monograph go. The writer thought it of some interest
to record these „new food plants under the various species.
Although the writer has given three years to the study
of this family of Diptera he is far from considering himself
a specialist for this group, and moreover, he has not the
opportunity to continue his work on these gnats in the future.
Nevertheless, he met with several points of a more general
interest. First a few species were found which are probably
new to science, while in other cases species names had to
be rectified. Then, the list of Dutch Fungivoridae was en-
larged with 53 species. It was considered useful, therefore,
to give a complete list of the Fungivoridae in the Amsterdam
Museum.
The writer is much indebted to Mr. F. W. Edwards for
his valuable advice on several difficult points as also for the
donation of an authentic specimen of his species Polyxena
nitidula.
Ditomyinae
Symmerus Walk.
annulata Meig.
Bolitophilinae
Bolitophila Meig.
glabrata Loew.
hybrida Meig.
From Clitocybe odora Bull.
pseudohybrida Landr.
From Paxillus involutus Batsch. and Clitocybe odora Bull.
Considerable difficulty was met with in separating this
species from hybrida Meig., Landrock laying much stress
on the presence or absence of tp. In hybrida this cross
vein according to the descriptions is always present. This
species was represented, however, in the collection
Westenberg-Sorgdrager by 118 specimens, partly sho-
wing, partly lacking tp! In this particular case the writer
based his identification chiefly on the female ovipositor,
the characters of the male hypopygium not being very
satisfactory.
rossica Landr.
From Boletus elegans Sch.
Bolitophilella Landr.
cinerea Meig.
From Hypholoma fasciculare Huds.
Diadocidiinae
Diadocidia Ruthe
ferruginosa Meig.
THE DUTCH FUNGIVORIDAE A.S.O. SÙ
Macrocerinae
i Macrocera Meig.
angulata Meig.
centralis Meig.
fasciata Meig.
inversa Loew.
lutea Meig.
phalerata Meig.
stigma Curt.
stigmoides Edw.
vittata Meig.
Ceroplatinae
Asindulum Latr.
flavum Winn.
Ceroplatus Bosc.
Of this rare genus I found only four specimens, originally
labelled tipuloides Bosc. In my opinion, however, this de-
termination is not correct, two specimens belonging to
testaceus Dalm. and the other two being very probably
winnertzi Landr.
testaceus Dalm.
winnertzi Landr. ?
Cerotelion Rond.
lineatus Fabr.
Apemon Joh.
marginata Meig.
Zelmira Meig.
bicolor Macq.
discoloria Meig.
fasciata Meig.
Îlava Macq.
In the collection de Meijere I found a male and a female,
both of which, being collected at the same date and lo-
cality, I believe to belong to this species. In both speci-
mens, however, ry ends far before the middle of r;—r;
in cl Yet the male hypopygium resembles closely Ed-
wards figure of this species.
macrocera Edw.
modesta Winn.
nemoralis Meig.
nigricornis Fabr.
pallida Staeg. ?
Only 1 female !
semirufa Meig.
zonata Zett.
38 DR. G. BARENDRECHT,
Sciophilinae
Mycomyia Rond.
bicolor Dzied.
cinerascens Macg.
fissa Lundst.
The identification of this species is very dubious. In the
collection de Meijere I found 3 males, collected at different
dates at Hilversum. The only hypopygium with which
that of these specimens shows a slight resemblance at
least is that of M. fissa as figured by Lundstroem. The
Fig. 1. Mycomyia fissa Lundst.
likeness being, however, only very superficial and this
identification presuming, therefore, a considerable inaccu-
racy in Lundstroem’s figure, I give here a figure of one
of our specimens, so that the reader my judge for him-
self (fig. 1).
1 Female, labelled with this name, from the collection van
der Wulp.
incisurata Zett.
limbata Winn.
pulchella Dzied.
tenuis Walk.
trilineata Zett.
winnertzi Dzied.
Neoempheria O. Sack.
striata Meig.
Leptomorphus Curt.
walkeri Curt.
Allocotocera Mik.
pulchella Curt.
THE DUTCH FUNGIVORIDAE A.S.O. 59
Neurotelia Rond.
nemoralis Meig.
Paraneurotelia Landr.
dispar Winn.
Sciophila Meig.
hirta Meig.
lutea Macq.
nigronitida Landr.
Monoclona Mik.
rujilatera Walk.
Acnemia Winn.
nitidicollis Meig.
Speolepta Edw.
leptogaster Winn.
Coelosia Winn.
tenella Zett.
1 Male from Hilversum. The hypopygium is without any
doubt identical with that figured in Pl. 5, fig. 38 of
Landrock’s monograph. There is a difference, however,
between our specimen and Landrock's description, c en-
ding halfway the distance r;:—m;,+ 2 and the meso-
notum being rather pale with three dark fused stripes.
Synapha Meig.
vitripennis Meig.
Boletina Staeg.
dispecta Dzied.
1 Male from Bussum. The hypopygium does not agree
completely with any of the figures available, but Mr. Ed-
wards to whom I sent a drawing of our specimen thought
it very much like dispecta Dzied. (fig. 2).
dubia Meig. :
gripha Dzied.
griphoides Edw.
sciarina Staeg.
To this species applies the same as to the dispecta. Of
this identification I am not so sure neither.
silvatica Dzied.
Rondaniella Joh.
variegata Winn.
40 DRAGABARENDRECEHN
Fig. 2. Boletina dispecta Dzied.
Fig. 3. Leia longiseta nov. spec., lateral aspect.
Leia Meig.
bimaculata Meig.
fascipennis Meig.
longiseta nov. spec.
In the collection de Meijere are 3 males belonging to a
species which I believe to be new. After the very long
bristles on the hypopygium I name this species longiseta.
Head brown, shining, palpi and lower part of the face
yellow. Scape of antennae yellow, flagellum brown.
Thorax yellow, shining. Posterior 2/3 of the mesonotum
blackish ; this part consists essentially of two nearly fu-
sed, very broad stripes. The greater part of the postno-
tum brown, scutellum yellow with 4 bristles.
Wings with a subapical fascia, hardly visible in the ho-
lotype but very distinct in one of the cotypes, beginning
halfway r;—r; and ending, very indistinctly, on the end
of cu,. In this specimen there is also a very faint spot
on the basis of the m stem and ta, and on the middle of
cus, r; almost = ta, a conspicuous but short.
THE DUTCH FUNGIVORIDAE A.S.O. 41
. Legs, spurs included, yellow, only the tip of fs slightly
darkened.
Abdomen yellow with broad dark spots on the posterior
margin of the tergites or segments entirely brown with
the basal parts narrowly yellow.
Hypopygium fig 3.
3 mm, wing 3.5 mm.
Holotype: Male, labelled: Ommen, 25.V[.16, de M.
Cotypes : 2 Males, 1 labelled: Ommen, 25.VI. 16, de M.
and 1: Amsterdam, 10.VII. 20, de Meijere.
winthemi Lehm.
Ectrepesthoneura End.
hirta Winn.
Tetragoneura Winn.
sylvatica Curt.
Docosia Winn.
gilvipes Hal.
sciarina Meig.
Fungivorinae
Anatella Winn.
ciliata Winn.
unguigera Edw.
Exechia Winn.
cincta Winn.
contaminata Winn.
crucigera Lundst.
dizona Edw.
dorsalis Staeg.
fimbriata Lundst.
frigida Holm.
fusca Meig.
indecisa Walk.
lundstroemi Landr.
nigroscutellata Landr.
nitidicollis Lundst.
pallida Stann.
parva Lundst.
Regarding this species a considerable confusion exists in
literature. In 1924 Edwards!) made the following remark
about the „variability of this species :...... the ventral
bristlebearing projections are also much longer in some
specimens than is indicated in Lundstroem's figures’.
1) Trans, Ent, Soc. Lond, 1924, pp 505—662,
42
DR. G. BARENDRECHT,
Landrock gives a figure of the species he calls parva
(Pl. 8, fig. 7) showing only a very slight resemblance to
the original figures of Lundstroem?) (PI. 10, figs. 104—
105). Perhaps, only being acquainted with one of these
Fig. 4 Exechia parva Lundst.
two forms, one might be inclined to disregard this diffe-
rence, assigning decisive importance to the bristlebearing
projections, not present elsewhere in the genus Exechia.
In our material however. I found, 2 males, quite similar
to Lundstroem's figures, and 5 males, belonging to the
species on which probably Landrock's figure was based.
The two males first mentioned obviously belong to the
species parva Lundst.
The species represented by the other 5 specimens I should
have named anew but for Mr. Edwards drawing my at-
tention to the fact that in 1912 Johannsen described two
American species of Exechia which might be identical
with our species, parva Lundst. being — capillata Joh.
So I sent drawings of the hypopygia of both species to
Prof. Johannsen, who kindly answered that the drawing
reproduced in fig. 5 would represent his repanda very
well indeed. Therefore the 5 specimens mentioned above
are recorded under the name E. repanda Joh.
On the other hand Prof. Johannsen considered parva
Lundst, not identical with capillata. This point is, howe-
ver, of more importance to the American entomologists
2), ActassSoe, aun bl Henne Mols 2900:
THE DÜTCHMEUNGIMORIPAE" A.S.O. 43
than to us, for, Lundstroem's species being the older, we
may anyhow preserve the name parva for our specimens.
pulchella Winn.
repanda Joh.
See parva Lundst.
separata Lundst.
Fig. 5. Exechia repanda Joh.
In my opinion this species is undoubtedly synonymous
with E. lateralis Dzied. (nec Meig.?). Cf. Dziedzicki's
figs. 253—2543) and Lundstroem's figs. 87-894). In
Landrock’s monograph the name lateralis does not ap-
pear except as synonymous with fusca Meig. I do not
know the motives for suppressing the name lateralis but
am much inclined to restore it for separata Lundst.
spinuligera Lundst. (spinigera Landr., nec Winn.)
Landrock considers this species, described in 1912 by
Lundstroem5), synonymous with spinigera Winn. Pro-
bably this is not correct. For, Lundstroem, having pre-
viously identified his specimen as spinigera Winn. sent it
to Dziedzicki, and this authority, having been able to
3) Atlas des organes génitaux (Hypopygium) des types de Winnertz
et des genres de sa collection de Mycétophiles.
Publications de la Société des Sciences de Varsovie 1915.
4) E. concinna Winn., Lc.
5) Acta Soc. Faun. Fl. Fenn. Vol. 36, 1912.
44 DR. G. BARENDRECHT,
examine Winnertz type, found Lundstroem’s specimen
not identical with Winnertz’ species. There may be ob-
served an obvious difference between Dziedzieckis fi-
gures 270—2713) and Lundstroem's 85—866) the latter
being adopted by Landrock. In our material I found seve-
ral specimens which could readily be identified as spinu-
o)
Fig. 6. Exechia spinuligera Lundst.
Fig. 7. Exechia frigida Holm.
Fig. 8. E. frigida Holm (left) and E. spinuligera Lundst. (right),
tip of the upper clasper.
3) See p. 43.
6) E. spinigera Winn., Acta Soc. Faun. Fl, Fenn. Vol. 32, 1909.
THE DUTCH FUNGIVORIDAE A.S.O. 45
ligera Lundst. Lundstroem s figure not being very exact,
I made a new drawing of the spinuligera hypopygium
(fig. 6). Beside this figure the species is portrayed I con-
sidered as the real spinigera Winn. (fig. 7), until Mr.
Edwards told me that this specimen probably belongs
to the species frigida Holm. Apparently spinigera Winn.,
spinuligera Lundst., and /rigida Holm. are closely related
species, the main difference between spinuligera and
frigida concerning the tip of the upper claspers (fig. 8).
trivittata Staeg.
Rhymosia Winn.
affinis Winn.
domestica Meig.
From Clitocybe clavipes Pers.
fasciata Meig.
fenestralis Meig.
From Clitocybe clavipes Pers., Boletus subtomentosus L.,
Lepiota procera Scop.
signatipes v. d. W.
1 Male from the collection van der Wulp and labelled Rh.
signatipes v. d. W. This is surely not the species Dzied-
zicki7) in his Rhymosia monograph took for signatipes,
the hypopygium being identical with that of fruncata
inn., as represented in the same paper. Very little doubt
ge
DI ip
Fig. 9. Rhymosia tarnanii Dzied.
indeed obtaining about the identity of our specimen as
the type of van der Wulp's species and considering, on
the other hand, that Dziedzicky has examined the type
7) Horae Soc. Ent. Ross. Vol. 39, 1909.
46 DR. G. BARENDRECHT,
Winnertz species, changing these two names is inevitable.
Henceforth truncata Winn. has to be called signatipes
v. d. W., this name being the older one. For signatipes
auct., nec v. d. W. I propose the name winnertzi.
tarnanii Dzied.
Dziedzicki's original figures of the hypopygium not being
very accurate, this is once again figured (fig. 9).
Fig. 10. Allodia batava nov. spec., dorsal aspect of halfthe hypopygium with
part of the upper clasper removed, and lateral aspect of the clasper complex.
Allodia Winn.
This genus I consider as one of the most difficult in the
Fungivorinae, the hypopygium of many species, besides
having to be prepared very carefully, showing a strong
resemblance. In this respect we owe very much to the
work of Mr. Edwards!).
alternans Zett.
batava nov. spec.
In the collection de Meijere I found 2 specimens probably
belonging to this genus, though showing also some re-
) See p. 11.
THE DUTCH FUNGIVORIDAE A.S.0. 47
semblance to Rhymosia, and which I believe to be new.
Head brown. Palpi yellow. Scape of antennae and base
of first flagellar segment yellow, flagellum brown. Me-
sonotum grizzly brown, towards the shoulders somewhat
yellowish. Scutellum brown with 2 bristles. Postnotum
brown. Pleurae yellowish brown. 1 Propleural bristle ?
Halteres yellow. Wings spotless, a fairly conspicuous.
Legs yellow. Abdomen in the holotype yellow with brown
spots, the latter extending dorsally almost over the whole
length of the segments but laterally restricted to the pos-
terior part. Posterior segments brown. In the cotype the
brown colour is more extensive but less dark. Hypopy-
gram fig. 10, 2,5 mm, wing 2,53 mm.
Holotype: 1 Male, labelled: Nederland, de M.
Cotype: 1 Male, labelled: Zandvoort, VIII, 94, de M.
bicolor Macg.
Very dubious, only 1 female, from the collection van der
Wulp and labelled with this name.
crassicornis Stann.
lissicauda Lundst.
Îlaviventris v. d. W.
This species is represented only by the irrecognizable
fragments of a female from the collection van der Wulp.
grata Meig.
From Pluteus spec, Lepiota acutesquamosa Weinm.,
Psathyra spadiceo-grisea Schaeff. ?
griseicollis Staeg.
lugens Wied.
From Psathyra spadiceo-grisea Schaeff. ?, Paxillus invo-
lutus Batsch., Boletus subtomentosus L., Mycena galeri-
culata Scop.
lundstroemi Edw.
ornaticollis Meig.
From Armillaria mellea Vahl., Boletus subtomentosus L.,
Hebeloma spec.
ruficauda v. d. W.
Of this species ? I found 1 female, not to be identified,
and 1 pair of wings, both from the collection van der
Wulp. A male from the collection van der Wulp turned
out to be grata Meig.
sericoma Meig.
truncata Edw.
Polyxena Meig.
bergensis nov. spec.
In the collection Westenberg-Sorgdrager I found 6 Po-
lyxena’s, reared from Russula’s collected at Bergen (N.H.)
and probably belonging all to the same new species.
This species, which I name bergensis, is closely related
48 DR. G. BARENDRECHT,
to nitidula Edw. as regards the male hypopygium and the
female ovipositor. The male antennae in this species have,
however, only 2 + 11 segments, in nitidula 2 + 13. In
the females there is still more resemblance, this sex in
both species having 2 + 9 antennal segments and the
ovipositor showing only a very little difference. Cf. fig.
12 with Edwards’ fig. Head blackish brown, male an-
tennae 2 + 11 segments, female antennae 2 + 9 seg-
ments. Flagellum brown, scape brighter. Second segment
ji
Fig. 11. Polyxena bergensis nov. spec. hypopygium lateral aspect.
Fig. 12. Polyxena bergensis nov. spec. lateral aspect of the ovipositor.
Fig. 13. Polyxena sixi nov. spec. lateral aspect of the hypopygium.
of palpi brown, frontside somewhat yellow. Thorax dark
brown, mesonotum towards the front margin a little paler,
shining. Legs in the holotype quite yellow, in the cotype
tip of f, and fz darkened. M; abbreviated, base of cubital
fork beyond that of medial fork. Halteres yellow. Abdo-
men blackish brown. Hypopygium fig. 11. Ovipositor fig.
12. 2,5 mm., wing 2—2,5 mm.
THE DUTCH FUNGIVORIDAE A.S.O. 49
Holotype : 1 Male, reared 1.1X.1931 from Russula fra-
gilis Pers. ?, collected 19.VIII.1931 at Bergen (N.H.).
Cotypes : 1 Male and 4 females, reared 5.1X.1931 from
Russula alutacea Pers. ?, collected 16.VIII. 1931 at Ber-
gen (N.H.).
brevicornis Staeg.
crassicornis Meig.
jasciata Meig.
fissa Edw.
From Russula spec.
flaviceps Staeg.
fusca Meig.
murina Winn.
parvipalpis Edw.
sixi nov. spec.
In the collection de Meijere I found a Polyxena male from
the collection van der Wulp, the original determination
of which could not be traced. The specimen is gummed
laterally on a slip of cardboard but for the rest in a fairly
good condition. After preparation of the hypopygium it
turned out to belong to a new species, which I name, after
the collector Mr. Six, sixi. Like most Polyxenas this spe-
cies is to be distinguished almost solely by the male hy-
popygium, the antennae unfortunately being broken off.
Head blackish brown, second segment of palpi black.
Thorax on the whole dark brown, only the mesonotum
paler, little shining. Legs yellow ? M3 ending near to the
wing margin but not reaching it. Cubital fork somewhat
before medial fork. Abdomen brown, underside of first
three segments paler. Hypopygium fig. 13. 2 mm, wing
2 mm.
Type: 1 Male, labelled : Driebergen, 10. Six.
Trichonta Winn.
atricauda Zett.
terminalis Walk.
Phronia Winn.
Although in this genus the hypopygia of the various spe-
cies differ very much and are easily distinguished, yet
they offer one particular difficulty. That is, being very
complicated, they are often rather inaccurately figured,
a circumstance which makes identification often very trou-
blesome. I have, therefore, in a few cases made new figures.
basalis Winn.
conjormis Walk.
dubia Dzied.
egregia Dzied,
exigua Zett.
50 DR. G. BARENDRECHT,
flavipes Winn.
forcipata Winn.
mutabilis Dzied. Fig. 14.
nitidiventris v. d. W.
Recent writers (Landrock, Edwards) apply to this spe-
Fig. 14. Phronia mutabilis Dzied.
cies the name vitiosa Winn. notwithstanding their doubt
as to its correctness. We have 1 male, from the collec-
tion van der Wulp, labelled nitidiventris v. d. W., the
hypopygium of which is readily identified with that of
vitiosa Winn., as figured by Dziedzicki 3). It is labelled
H. 5/5, which means that it is collected at the Hague in
the earlier years of van der Wulp's activity, before 1859,
the year of publication of this species. This is, therefore,
almost with certainty, the type of van der Wulp's species.
Hence the name vitiosa Winn. has to be suppressed for
nitidiventris v. d. W.
It will be generally known that Ph. nitidiventris Winn.,
Dzied. nec v. d. W. is quite another species which has
been named praecox by Edwards in 1924.
obscura Dzied.
praecox Winn. M.S. (Edwards 1924).
tarsata Staeg.
Very dubious, only 2 females, one identified by Strobl in
1901 and one coming under this name from the collection
van der Wulp.
3) See p. 43.
THE DUTCH FUNGIVORIDAE A.S.O. 51
Fig. 15. Phronia tenuis Winn.
tenuis Winn.
ign la:
Dynatosoma Winn.
fuscicorne Meig.
Fungivora Meig.
This large genus is represented bij a considerable number
of species. On the whole, the identification of the males
offered little difficulty, except in the signata group. It is,
therefore, not impossible that a few of the signatoides spe-
cimens will turn out to be signata or sigillata.
On the other hand, in my opinion, the determination of the
females is hardly possible, colour and chaetotactic cha-
racters being both too variable to be relied upon. Some
remarks are made on this point under the various species.
bimaculata Febr.
blanda Winn.
cingulum Meig.
In a few specimens there are 2—3 ventral bristles on ty.
confluens Dzied.
finlandica Edw.
This species can only be identified with fig. 37 of Lund-
stroem8) (M. lunata Lundst., nec Meig.)
formosa Lundst.
fraterna Winn.
fungorum de G.
WAG Soc. Faun El Henn Vol 2901907.
52 DR. G. BARENDRECHT,
guttata Dzied.
lineola Meig.
luctuosa Meig.
From Armillaria mellea Vahl.
In this species much variation in the bristles on to was
met with. Most specimens have 2, a few, however, 3—4
internal bristles. And not a few specimens are asym-
metrical in this respect. The ventral bristles are varying
from 2—5 and often asymmetrical too.
marginata Winn.
One specimen has 3 ventral bristles on to.
obscura Dzied.
ocelus Walk.
semifusca Meig.
signatoides Dzied.
As stated above, the identification of this species is not
always beyond doubt.
sordida v. d. W.
The only specimen from the collection van der Wulp is
Fig. 16. Fungivora unicolor Stann.
Fig. 17. Zygomyia setosa nov. spec.
THE DUTCH FUNGIVORIDAE A.S.O. 53
in a very bad condition and hardly to be identified. We
have, however, a specimen, collected by Prof. de Meijere
at Zandvoort of which the hypopygium is readily iden-
tified with that figured by LundstroemS).
spectabilis Winn.
strigata Staeg.
trinotata Staeg.
unicolor Stann.
vittipes Zett.
Only 1 female probably belonging to this species.
Zygomyia Winn.
flaviventris Winn.
Rather dubious, only 1 irrecognizable fragment of a spe-
cimen identified by van der Wulp.
humeralis Wied.
notata Stann.
sefosa nov. spec.
In the collection de Meijere I met with 1 male, belonging
to a new species, which I have named setosa after the
long bristles on the hypopygium.
Head brown, palpi yellow, scape of antennae and base
of Ist flagellar segment yellow, rest of the flagellum
brown. Thorax brown, mesonotum at the shoulders with
a very small yellow spot. The specimen having been
moistened, nothing can be recorded about the degree of
shining. Legs yellow, tip of f darkened. Only one middle
leg left. The tibia of this leg bears : 1 big and 3 small in-
ternal, 4 dorsal, 1 ventral, and 2 external bristles. Halteres
yellow.
Wings spotless, somewhat yellow. Abdomen brown, the
ventral side a little more yellow. Hypopygium fig. 17.
2,5 mm, wing 2,75 mm.
Type: 1 Male, labelled : Amsterdam, X,91, de M.
valida Winn.
vara Staeg.
Sceptonia Winn.
costata v. d. W.
This species, described in 18599) after a female, in the
Diptera Neerlandica was suppressed by the author him-
self and fused with nigra Meig. Hence, this species is
wanting in the ,, Nieuwe Naamlijst’ and its supplements.
Edwards has, however, restored this species when it tur-
ned out to be different from nigra not only in the colour,
but in the male hypopygium too. In addition to the type
some specimens collected afterwards are present in the
collection of the museum.
8) Acta Soc. Faun. Fl. Fenn. Vol. 29, 1907.
9) Tijdschr. v. Ent. XXXX 1859, Vol. 2, pp. 159—185.
54 DR. G. BARENDRECHT.
jumipes Edw.
membranacea Edw.
nigra Meig.
Epicypta Winn.
punctum Stann.
Delopsis Skuse.
aterrima Zett. (nec Strobl !)
Faunistische Aanteekeningen betreffende
Nederlandsche Lepidoptera
door
Ir. G. A. GRAAF BENTINCK.
Het is thans ruim 4 jaren geleden, dat wijlen Dr. J. Th.
Oudemans den „staat onzer Nederlandsche Lepidoptera
bijwerkte (DI. 76. 1933. p. 309—318). Daar er in dien tijd
weer heel wat bijgekomen is, acht ik het niet ongewenscht,
dat dit opnieuw geschiede. Deze wensch werd zelfs reeds
geuit door Dr. Mac Gillavry inde E. B. No. 213 p. 297.
Wat de Macrolepidoptera betreft, is er na bovengenoemde
van wijlen Dr. Oudemans geen samenvattend overzicht
verschenen, doch wat de Microlepidoptera aangaat, heb ik
kort geleden een 4e Supplement op Snellens bekend
werk gepubliceerd (DI 79. 1936. p. 199— 216), aangevende
een totaal van 1041 soorten. Dit sluit aan op het 3e Supple-
ment van wijlen Dr. Lycklama à Nijeholt (DI 76.
1933. p. 87—101), aangevende 1018 soorten, overeen-
komende met het 2e vervolg op zijn Naamlijst van 1927
(E. B. No. 184. p. 368— 369) waar het getal der inlandsche
soorten eveneens op 1018 gebracht wordt. Dr. Oudemans
telde nog 2 soorten er bij in zijn bovengenoemden staat”
onzer Lepidoptera, (nl. Argyresthia semifusca Hw. en
Nephopteryx rhenella Zk.) waardoor het aantal op 1020
kwam te staan. Deze 2 zijn echter reeds medegeteld in mijn
4e Supplement hierboven genoemd, waardoor tot op heden
1041 soorten nader omschreven zijn met toegevoegde deter-
minatietabellen, die aansluiten op die van Snellens Mi-
crolepidoptera. Nadien werden nog een 7-tal nieuwe soorten
ontdekt, waarvan tot nu toe één reeds vermeld is, nl. Acalla
abietana Hb. ; terwijl de 6 andere op de eerst volgende ver-
gadering vermeld zullen worden. Hierdoor rijst het aantal
onzer Microlepidoptera tot 1048.
Macrolepidoptera
Staudinger Kolom der
No. Naamlijst OS.
694 Hesperia carthami Hb. | 7 vóór Hesperia sao Hb.
824 Notodonta tritophus Esp. 10 na Notodonta phoebe Sieb.
1064 Panthea coenobita Esp. 15 vóór Diphtera alpium Osbeck.
1567a Miana latruncula Hb. 22 na Miana strigilis Cl.
56 Ir. G. A. GRAAF BENTINCK, FAUNISTISCHE
Staudinger Kolom der
No. Naamlijst OS.
1567b Miana versicolor Bkh.
1877b Hydroecia lucens Frr.
2551
DU
Plusia gutta Gn.
Lythria purpuraria L.
3314 Larentia miata L.
3369a Larentia spadicearia Schiff.
22 vóór Miana jasciuncula Hw.
26
36
49
46
47
na Hydroecia paludis Tutt.
na Plusia festucae L.
moet vervallen.
na Larentia siterata Hufn.
in de plaats van L. unidentaria
Hw.
3370 = unidentaria Hw. 47 vervalt als soort (= var. van
ferrugata Cl.)
3381 , autumnata Bkh. 47 na Larentia dilutata Bkh.
3522 Tephroclystia pulchellata |49 na Tephroclystia linariata F.
Stph.
3572 se selinata H.S. {50 na 5 virgaureata Dbld.
Hesperia carthami Hb.
DI. 78. p. LXIII. Een ex. in Mei 1917 te de Lutte door mij
gevangen. (Det. Warren en Derenne).
Notodonta tritophus Esp.
DI. 80. p. XXVII. Majoor J. C. Rij k vangt 1 ex. van deze
soort in het najaar van 1936 in zijn tuin te Meerssen.
Panthea coenobita Esp.
De officieele vermelding van deze nieuwe soort voor onze
fauna moet nog volgen op de a.s. vergadering der N. E. V.
Intusschen heeft de heer H. Landsman van het Museum
van Nat. Hist. te Rotterdam mij medegedeeld, dat de heer
v. Lith 1 & van deze zeldzame soort op 12.6.37 te Epen
op licht gevangen heeft; het ex. bevindt zich in de collectie
van bovengenoemd Museum.
Miana latruncula Hb.
DI. 77. p. XXI—XXIII. Een onderzoek der uitwendige geni-
taliën toont duidelijk aan het verschil tusschen strigilis L. en
deze soort, die kleiner is en meestal donkerder en zelfs alge-
meener dan strigilis.
Miana versicolor Bkh.
DI. 77. p. XXI—XXIII. Evenals de vorige soort is ook
deze door genitaliën-onderzoek van strigilis en latruncula te
scheiden. Van deze zeldzame soort ving ik 1 ex. op 18.7.19
te Hengelo (det. Dr. Heydemann).
Hydroecia lucens Frr.
E. B. No. 199. p. 69—70. De heer Lempke maakt mel-
ding van 2 inlandsche exx. ; beide in de coll. Coldewe y.
De heer Coldewey deelt mede, dat het eene ex. door
AANTEEKENINGEN BETREFFENDE ENZ. 5m
Dr. Verploegh te Groenlo in Aug. 1911, en het andere
door hemzelf op 29.8.30 te Twello gevangen is.
Plusia gutta Gn.
E.B. No. 203. p. 145—146. De heer Ceton meldt hier
de vangst van 1 ex. in Aug. 1934 te Amsterdam door den
heer Clomp.
Lythria purpuraria L.
Dimes p.) XOOVI Di 77% ps KOI Deze scort moet
vervallen, terwijl L. purpurata L. gehandhaafd blijft (zie ook
MB No. 214. p. 308).
Larentia spadicearia Schiff.
DI. 77. p. XXII--XXIII en DI. 72. p. XCI. De genitaliën
van deze algemeene soort verschillen aanmerkelijk van die
van ferrugata Cl. met var. unidentaria Bkh. Deze 2 laatste
vormen samen dus één soort, (in de lijst van Dr. Oude-
mans en Snijder 2 soorten), spadicearia wordt nu als
nieuwe soort toegevoegd, waardoor het aantal onveranderd
blijft. Zie ook de mededeeling van den heer Lempke in
de E. B. No. 195 p. 2—5.
Larentia miata L.
E. B. No. 204 p. 149—150. De heer Lempke meldt de
vangst van 1 ex., gevangen in den herfst van 1913 te Am-
sterdam door den heer J. de Boer.
Larentia autumnata Bkh.
DI. 77. p. XXVIII. De heer v. Wisselingh ving 1 ex.
op 25.10.24 te Nijmegen (det. Lempke); DI. 80. p. XXXI
en 1 ex. te Aerdenhout. De heer R. Tolman vangt deze
soort vrij geregeld te Soest. (Zie mededeelingen van den
heer Lempke: E. B. No. 205. p. 174—175 over andere
vindplaatsen). |
Tephroclystia pulchellata Stph.
DI. 79. p. XXXIII. De heer v. Wisselingh vindt bij
Vaals eenige rupsen op Digitalis purpurea, die later ver-
poppen ; hij verwachtte deze nieuwe soort, hetgeen juist ver-
ondersteld bleek te zijn, daar hij in dl. 80. p. XXX hierop
terugkomt, de poppen kwamen uit en leverden de vermoede
soort. Later ving hij tezamen met den heer Coldewey
nog meerdere exx. op dezelfde plaats.
Tephroclystia selinata H. S.
DI. 77. p. LKXVI. De heer Coldewe y ving een afge-
vlogen $ van deze soort; daarna kweekte de heer Schol-
ten een aantal exx. uit rupsen te Beek (bij Didam) op
schermbloemen gevonden.
58 Ir. G. A. GRAAF BENTINCK, FAUNISTISCHE
Microlepidoptera
Derde Vervolg op de Naamlijst van de
Nederlandsche Microlepidoptera
van wijlen Dr. H. J. Lycklama à Nijeholt van 1927.
8a. Aphomia gularis Z.
55. Crambus salinellus Tutt.
663. Nephopteryx rhenella Zk.
911. Nymphula rivulalis Dup.
1183. Botis cilialis Hb. (S. 40 noot)
1316. Oxyptilus hieracii Z. (S. 1027 noot)
1448. Acalla abietana Hb.
1473a. Acalla fissurana Pierce
1523. Cacoecia histrionana Froel.
1773. Conchylis roseana Hw. (S. 235 noot)
1902. Olethreutes branderiana L. (S. 283 noot)
1905b. x nebulosana Zett.
1937. tiedemanniana Z.
1964. Cymolomia hartigiana Rtzb.
1977. Steganoptycha diniana Gn.
2017a. Bactra scirpicolana Pierce
2401. Argyresthia semifusca Hw.
DAINO) pygmaeella Hb.
2447a. Plutella megapterella Bentinck
2917. Brachmia dimidiella Schiff.
3387. Borkhausenia formosella S.V. (S. 718 noot).
3404. Phaulernis dentella Z.
3596. Chrysoclista bimaculella Hw. (S. 861 noot)
3916. Goniodoma limoniella Stt.
4058. Gracilaria rufipennella Hb.
4178. Lithocolletis viminiella Stt.
4245. Bucculatrix maritima Stt. (S. 955 noot)
4555a. Tinea ruricolella Stt.
455900") OR personella Pierce
4583a. , piercella Bentinck
4585 , columbariella Wek.
4760. Micropteryx thunbergella F. (S. 1064 noot)
De volgende 2 soorten moeten vervallen :
2409 Argyresthia rufella Tgstr.
4042 Gracilaria rhodinella H.S.
De volgende veranderingen moeten plaats vinden :
248’ Homoeosoma snellenella Bentinck wordt H. nimbella
Dup.
248. Homoeosoma nimbella Z. wordt H. pseudonimbella
Bentinck
1622. Cnephasia wahlbomiana L. wordt Cn. virgaureana
ESRI
Snellen’s Nephopteryx hostilis Stph. wordt Salebria
adelphella F. R.
Snellen’s Nephopteryx rhenella Zk. wordt Nephopteryx
hostilis Stph.
AANTEEKENINGEN BETREFFENDE ENZ. 59
Nadere gegevens, betreffende de nieuw bijgekomen Micro-
lepidoptera-soorten, zijn overbodig, daar dit voor 25 soorten
reeds geschied is in voornoemd Suppl. IV op Snellens
werk. Van de overige 7 soorten kan ik dit nog doen voor
Acalla abietana Hb., die na dien tijd vermeld is. Van de nu
nog overblijvende 6 soorten (Nos 8a, 911, 1905b., 2419, 4058
en 4178) is nog geen vermelding geschied, dit zal wel op de
a.s. vergadering gebeuren. Alleen van Aph.. gularis Z. is door
den heer Diakonoffreeds veel vermeld (DI. 80. p. XXXII
en LXXXVII; E. B. No. 214 p. 313—315).
Acalla abietana Hb.
DI. 79. p. LKXXIII en dl. 80. p. XXXIII. De heer Dia ko-
noff vertoont 1 ex. op 20.4.35 te Hilversum gevangen door
den heer Doets, die onlangs nog 2 exx. er bij ving.
Wat het aantal onzer inlandsche Lepidoptera betreft, het
volgende :
De vorige telling der Macrolepidoptera van
br@incdieimiamis was. Male... . . 837. soorten
Lythria purpuraria L. vervalt. . al 1 soort
Larentia spadicearia Schiff. vervangt Bruns
dentaria Hw. en brengt dus geen verandering
im de Gellik Meg yr es EA e NR 0 soorten
836 soorten
11 nieuwe soorten hierboven vermeld bij 11 È
Inlandsche Macrolepidoptera 847 soorten
Dat der Microlepidoptera leerden wij kennen uit de vorige
telling als te zijn 1020, doch om de 2 laatste door Dr. Oud e-
mans genoemd in (Pos. 4 en 5) niet dubbel te tellen, nemen
wij het resultaat van het 2e Vervolg van de Naamlijst van
Pella mia (pos 3) aan, meten 1018 soorten
hierbij komt het bovengenoemde 3e Vervolg
MER te on SC | 32 soorten
1050 soorten
en 2 soorten daarbij genoemd vervallen ... af 2
Inlandsche Microlepidoptera 1048 soorten
De daarna genoemde veranderingen spelen geen rol bij de
telling.
60 Ir. G. A. GRAAF BENTINCK, FAUNISTISCHE
Dit getal verkrijgen wij ook aldus :
IIle Suppl. op Snellen geeft een totaal aan
vann sn: Ko Sonate
IVe Soma. op Se ie en eet er aan toe. . 25 à
1043 soorten
IVe Suppl. op Snellen vermeldt het ver-
vallen van. . È Malle sarda pe 2 5
1041 soorten
Acalla abietana Hb. later vermeld … … bij 1 soort
6 nieuwe nog niet vermeld (Nos. 8a, 911,
19055, OS Ga GIS) 120 os 6 ERD 6 soorten
Inlandsche Microlepidoptera 1048 soorten
Het aantal onzer Lepidoptera is dus:
Macrolepidoptera . . 847 soorten
Microlepidoptera . . 1048
Totaal 1895 soorten
Dat is dus 38 meer dan de laatste telling. Deze telling is
afgesloten op 1 Dec. 1937.
Die Larven der Agromyzinen.
Vierter Nachtrag )
Prof. Dr. J. C. H. DE MEIJERE
(Amsterdam).
Mit diesem 4ten Nachtrag möchte ich die lte Serie ab-
schliessen. Zunächst folgt die Beschreibung einiger mir bis
jetzt nicht oder ungenügend bekannten Agromyzinen-
Metamorphosen, dann einige allgemeine Bemerkungen und
zur Übersichtlichkeit des von mir in dieser Hinsicht Publizier-
ten 2 Register, einer alphabetisch nach den Agromyzinen-
Arten, der zweite nach den Wirtpflanzen angeordnet.
Agromyza Fall.
* Agromyza drepanura Her.
Puparium gelbbraun, mit deutlichen Einschnitten. Vorder-
stigmen kurz oval, mit 2 Reihen von Knospen, offenbar
relativ wenig. Hinterende gerundet, ohne Wärzchen und
auch ohne runde Höcker ; Hinterstigmen weit von einander
entfernt, mit 3 gleichgrossen, langen, sitzenden Knospen wie
bei nana u.s.w. Warzengürtel schmal, aus zerstreuten, brau-
nen, dreieckigen Wärzchen gebildet, diese nicht zugespitzt,
bisweilen abgerundet. An Medicago sativa, Rostov a. D.,
Russland, Hering leg.
Diese Art gehört nach obigem zu der Gruppe von nana
u.s.w., unterscheidet sich aber durch die schmäleren Warzen-
gürtel und die kürzeren Vorderstigmen.
* Agromyza erodii Hering. Fig. 1.
Puparium rotbraun mit deutlichen Einschnitten.
Warzengürtel nur an den Seiten, schmal, aus meist in
Gruppen stehenden, ziemlich grossen, breit dreieckigen oder
runden, mit Spitze versehenen Wärzchen gebildet.
Hinterstigmen mit 3 Knospen, welche sternförmig geord-
1) Die Hauptarbeit: Tijdschr. v. Ent. LXVIII. 1925 p. 195—293 und
LXIX, 1926, p. 227—318; Erster Nachtrag ibid. LXXI, 1928, p. 145—
178; Zweiter Nachtrag LXXVII, 1934, p. 244—290. Dritter Nachtrag
LXXX, 1937, p. 167—243. Ein Verzeichnis der hölländischen Agromyzinen
-Imagines gab ich in Tijdschr. v. Ent. LXVII, 1924, p. 119—155. Zusätze
findet man in Suppl. IV, 1928 (T. v. E. LXXI p. 47-48) und V. 1935
(T. v. E. LXXVIII p. 214—218) op de Naamlijst der Nederlandsche
Diptera. :
62 PROE DR] CIRSDEZMENERE,
net sind ; die Mitte des Stigmas ist etwas trichterförmig
vertieft. An Erodium sp. Canarische Inseln, Insel Fuertaven-
tura, Hering leg.
Hering M. Zool. Jahrb, Abt. Syst. Bd. 53) p2358:
* Agromyza graminicola Hend. Fig. 2.
Puparium fast 3 mm lang, schwarz, etwas rötlich durch-
schimmernd, mit deutlichen Einschnitten, Hinterende ohne
runde Höcker, etwas schief abgeschnitten.
Mundhaken schwarz, die oberen Fortsätze des Schlund-
gerüstes etwas ins Braune ziehend. Warzengürtel aus zer-
streuten, dreieckigen, spitzen Wärzchen gebildet. Hinter-
stigmen mit 3 nicht besonders grossen divergierenden Knos-
pen, zweimal so weit wie ihre grösste Breite von einander
entfernt.
Crossen a/O. IX '34 an Phragmites communis, Hering leg.
Agromyza ferruginosa v. d. Wulp. Fig. 3.
In der Hauptarbeit I beschrieb ich die Larven dieser Art
auf p. 217, und die von rufipes Mg auf p. 230. Damals ist
mir die Ähnlichkeit dieser auf Boraginaceae vorkommenden
Arten nicht aufgefallen und erst jetzt kam ich dazu sie ein-
Fig. 1 Agromyza erodii Her. Hinterstigma. Fig. 2. Agromyza graminicola
Hend., Hinterende des Pupariums. Fig. 3. Agromyza ferruginosa v. d. W.
a Hinterende, b Hinterstigma, c Mundhaken mit Umgebung. Fig. 4.
Agromyza lygophaga Her.. a Vorderstigma, b Hinterstigma,
c Warzengiirtel.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 63
gehender zu vergleichen, weil die Beschreibungen vom Jahre
1925 auch eigentlich keine Unterschiede angeben. Ich glaube
jetzt einen gefunden zu haben. Weber den Mundhaken liegt
die Wölbung, welche die Sinnesgruppe trägt. Die Unterseite
derselben, welche demnach unmittelbar über den Mundhaken
liegt, ist bei rufipes mit zahlreichen spitzen Wärzchen besetzt,
welche bei ferruginosa fehlen. Im übrigen zeigen beide Arten
die grösste Uebereinstimmung. Beide haben an der Sinnes-
gruppe median einen Streifen, welcher sich vorn in 2 kurze
Spitzen teilt, darunter gerade über der oben bezeichneten
Stelle 2 kurze, beiderseits in eine Spitze auslaufende Gräten
neben einander. Ueber der Sinnesgruppe findet sich ein den
meisten Agromyzen fehlendes Querband von dreieckigen
Wärzchen, welche hier weit getrennt ist von dem nur an den
Seiten, ungefähr auf der Grenze zwischem unpaaren Ab-
schnitt und der Basis der Fortsätze sichtbaren Prothorakal-
gürtel. Auch bei beiden ist am abgestutzten Körperende unten
eine jederseits in der Mitte der Körperseite vorspringende
Warzengruppe vorhanden. Die 3-knospigen Hinterstigmen
sind relativ sehr klein.
Am unpaaren Abschnitt finden sich bei beiden die dünnen,
in einander übergehenden Lateralgräten.
* Agromyza lygophaga Her. Fig. 4.
Puparium 2 mm lang, gelb, mit deutlichen Einschnitten,
die durchbrechenden Prothorakalhörner deutlich, gerade;
die obere Hälfte runzelig, ohne deutliche Tüpfel, wohl porös ;
dıe ganze Oberfläche des Pupariums mit netzförmiger Zeich-
nung. Die Flügel des Schlundgerüstes dunkelbraun, vom ge-
wöhnlichen Verhalten, an der Basis etwas weiter aus einan-
der als bei salicifolii, hinten einander fast berührend. Warzen-
gürtel ziemlich breit, vorn und hinten mit in Quergruppen
stehenden kleineren Wärzchen, diese breit rundlich mit Spitze.
in der Mitte ein paar Reihen grösserer, gleichfalls rund mit
kurzer Spitze, welche weiter auseinander stehen. Vorder-
stigmen oval, mit 2 Reihen von Knospen, zusammen ca. 8.
Hinterstigmen mit 3 Knospen, welche je in verschiedener
Richtung konisch vorspringen ; unter dem Stigma zeigen sich
ein paar kurze, aber ziemlich breite, tubulöse Drüsen. Zu
beiden Seiten des Anus ein dunkler, nicht grosser, halb-
kugelförmiger Höcker. An Salix, Crossen a. O., Hering leg.
Hering M. Die Blattminen Mittel- und Nord-Europas,
Lief. 5, 1937 p. 462.— Angaben über das Puparium.
* Agromyza salicifolii Collin. Fig. 5.
Puparium rotbraun, 2 mm lang. Mundhaken schwarz, je
am Ende mit 2 schwarzen Zähnen dicht bei einander, wenig
an Länge verschieden. Fortsätze des Schlundgerüstes braun,
die Flügel dicht beisammen mit schmalem Zwischenraum, am
64 PROF. DRAC HYDE MENERE,
Ende einander fast berührend, der unpaare Abschnitt braun,
unten schwarz, an der Oberseite grösstenteils längsgeteilt.
Vor den Mundhaken zwei schwarze, schmale Halbkreise,
median weit offen. Warzengürtel nicht breit, aus einigen
Reihen meistens runder oder mit kurzer Spitze versehener
Wärzchen bestehend. Prothorakalgürtel auch aus breiten
runden Wärzchen, aber mit deutlicher Spitze, gebildet. Vor-
derstigmen in geringer Entfernung von einander, mit nur 3
sitzenden Knospen. Hinterstigmen mit 3 Knospen, welche
langgestielt sind, die Stiele sternförmig gelagert, nur die
Knospen ragen etwas vor, mit z. B. einer dreiarmigen Figur
6a
4 5
wo
yy
OOM De wy VY
velo
Fig. 5. Agromyza salicifolii Collin a Vorderstigma, b Hinterstigma.
ce Mundhaken mit Umgebung. Fig. 6. Agromyza tephrosiae de Meij.
a Vorderende, b Mundhaken mit Umgebung, c Vorderstigma, d Hinter-
stigma, e Warzengürtel.
als diinne Stelle, also den Anfang bildend zu einer Teilung
in mehrere Knospen. Ringsum die beiden Stigmen des Hin-
terendes zahlreiche ziemlich grosse runde Wärchen mit kur-
zer Spitze. Unten ragen am Hinterende zwei kurze runde
Höckerchen vor. An Salix canariensis, Canarische Inseln,
Hering leg.
Hering Zool. Jahrb. Abt. Syst. Bd 53, 1927 p. 446:
Hendel im Lindner p. 149.
* Agromyza tephrosiae de Meij. Fig. 6.
In meinen Studien über südostasiatische Dipteren XIII
(Tijdschr. v. Ent. LX, 1917) beschrieb ich Agr. tephrosiae,
welche auf Java in Tephrosia miniert, und konnte auch Larven
und Puparien untersuchen. In: Zur Kenntnis javanischer
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 65
Agromyzinen (Bijdragen tot de Dierkunde, XXII p. 23). habe
ich noch einiges hinzufügen können. Auffälligerweise ergab
sich bei der Untersuchung von Agr. salicifolii Coll., dass diese
Art in einigen Hinsichten mit ihr übereinstimmt, was mich
veranlasste nochmals auf diese Art zurückzukommen und die
früheren Angaben zu ergänzen. Das Schlundgerüst ist typisch
Agromyza-artig, der obere und untere Flügel liegen einander
dicht genähert, weil der obere nur wenig gebogen ist; er
ist von brauner Farbe, die Mundhaken sind schwarz, merk-
würdiger Weise je mit 4 Zähnen, wenig an Länge verschie-
den, sodass sie kaum alternieren, je der 2te Zahn ist am läng-
sten. Die Warzengürtel bestehen aus dreieckigen bis, ge-
wöhnlich, rundlichen Warzen mit deutlicher Spitze, die
Grösse ist wechselnd, oft werden kurze Gruppen bez. Reihen
gebildet. Die hinteren Gürtel mit grossen runden Warzen, in
der Mitte vorn und hinten mit Gruppen von spitzen Wärz-
chen. Vorder- und Hinterstigmen sind in der erstgenannten
Abhandlung schon beschrieben und beide von besonderem
Bau ; Vorderstigmen 3-knospig ; Hinterstigmen 9-knospig in
3 Gruppen von 3, jede Gruppe langgestielt, die Stiele stern-
förmig divergierend. Weil auch das Verhalten der 1. Längs-
ader etwas abweicht war ich in der 2ten Abhandlung nicht
sicher, ob nicht eher eine Dizygomyza vorlag, aber nach dem
Schlundgerüst ist es doch wohl eine richtige Agromyza.
* Agromyza viciae Kalt. Fig. 7.
Mundhaken je mit 2 scharfen Zähnen, welche alternieren.
Unpaarer Abschnitt des Schlundgerüstes gerade, schwarz,
die Fortsätze gelbbraun, von den Flügeln der obere wenig
gebogen, der untere breit. Ueber der Sinnesgruppe ein drei-
eckiges Warzenband, mit der Spitze nach vorn gekehrt, aus
schwarzen, spitzen Wärzchen gebildet ; auf diese Stelle folgt
nach hinten zu der Prothorakalgürtel, aus kleineren Wärz-
chen, welche dorsal zerstreut stehen, an den Seiten meistens
in Querreihen oder-gruppen. Die weiteren Warzengürtel
sind schmal, die vorderen vorn mit einer, die hinteren mit
1—2 Reihen dreieckiger Warzen in Quergruppen, in der
Mitte des Gürtels grössere rundliche Warzen mit äusserst
kurzer Spitze, nur die Spitzen braun, im übrigen farblos ; in
den hinteren Gürteln fehlen die dreieckigen und bleiben nur
ein paar Reihen der runden Warzen übrig ; Hinterende ab-
gerundet, ohne Warzen. Vorderstigmen von der Seite ge-
sehen mit ca. 8 Knospen, im ganzen ca. 10. Hinterstigmen
mit 3 Knospen, die beiden nach aussen gekehrten länger und
doppelgefaltet, die 3te, wie in dieser Gruppe gewöhnlich,
nach vorn gerichtet. Mine im Blatt von Vicia sepium, Krip-
pen, Sächsische Schweiz, 27.VI.1937, Hering leg.
Mit dieser Art habe ich die Larven aller Vicia-Bewohner
kennen gelernt. Sie lassen sich durch folgende Tabelle unter-
scheiden.
66 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Fig. 7. Agromyza viciae Kalt. a Vorderstigma, b Hinterstigma, c War-
zengürtel. Fig. 8 Agromyza vicifoliae Her. Mine an Vicia. Fig. 9.
Agromyza sp. an Malva. a Vorderstigma, b Hinterstigmen, c Warzen-
gürtel. Fig. 10. Agromyza sp. an Polygonum bistorta a. Vorderstigma,
b Hinterstigma, c Warzengürtel.
1. Obere Fortsätze des Schlundgerüstes mit nur einem
E MO Ur etek ne RARES EEE 2
Obere Fortsätze des Schlundgerüstes mit zwei Flügeln 4
2. Hinterstigmen mit 30Knospent "0" bn
DE MENOS AERDEN Liriomyza congesta Beck.
Hinterstigmen mit mehreren Knospen ..................... 3
3. Hinterstigmen-Filzkammer am Ende nicht erweitert;
obere Fortsätze des Schlundgerüstes wenig gebogen
dn RP tee else AIME in ee Liriomyza strigata Mg.
Hinterstigmen-Filzkammer am Ende allmählig erweitert ;
obere Fortsätze stark gebogen! m... eee eee eee
DR 0 LEE OSR Phytomyza atricornis Mg.
4. Hinterstigmen mit strahlenweise angeordneten zahl-
reichen® Knospen een Agromyza lathyri Hend.
Éinterstigmentmit nur 3, Knospen Cl era pee 5
5. Zwei der 3 Knospenstielen doppelgefaltet. Warzen-
gürtelsschmal nn an. en. Agr. viciae Kalt.
Alle 3 Knospenstielen nach vorn gerichtet und gerade.
Warzengurtel) sehrvbreit niin. PORC SIR A 6
6. Kein Warzenband über der Sinnesgruppe ...............
Se RUIN TNS SUGARS EUROS MSN ARR EE Agr. nana Mg.!)
Ein Warzenband über der Sinnesgruppe ..................
WEE GANGS ona are Agr. bicophaga Her., vicifoliae Her.
1) Diese von Stary erwähnte Art nennt Hering bei Vicia nicht,
es kann vicifoliae Her gewesen sein, die in 1930, noch nicht unterschieden
wurde.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. > 167
Nach meinem Befund ist die Mine von vicifoliae Her.
derjenigen von viciae Kalt. ähnlich ; sie ist eine Blase, welche
oben anfängt, öfters fast das ganze Blättchen einnimmt, nur
einen schmalen Blattrand freilassend. Bisweilen zeigt sie un-
ten ein paar breite Ausläufer. Excrement ist wenig vorhanden,
nur am Ende der Mine sind einige Klümpchen abgelagert.
* Agromyza sp. Fig. 9.
Larven relativ schlank, 3 mm lang, 0.4 mm breit.
Mundhaken mit 2 grossen scharfen Zähnen, wie bei fla-
viceps Fall., von mir abgebildet Hauptarb. I. p. 219, und wie
bei dieser Art gar nicht alternierend. Unpaarer Abschnitt
schwarz, gerade, vorn dünner. Obere Flügel stark gebogen,
schmal, die unteren nach hinten verbreitert, Warzengürtel
nicht breit, aus Gruppen breiter Warzen mit scharfer Spitze
gebildet, hierin ähnlich spiraeae Kalt. (Hauptarb. I p. 232).
Vorderstigmen mit nur 5 Knospen. Hinterstigmen auf ziem-
lich langen Trägern, nicht gross, mit 3 gleichfalls nicht gros-
sen Knospen, ohne Fächerhaare.
Hinterende abgestutzt, unten mit 2 dreieckigen Läppchen.
An Malva neglecta, Canarische Inseln, Hering leg.
Hering. Zool. Jahrb. Abt. Syst. 53, 1927 p. 452.
* Agromyza sp. Fig. 10.
Von der Art, von welcher ich das Puparium im 3. Nachtr.
p. 174 beschrieb, erhielt ich jetzt von Dr. Buhr auch die
Larven. Larve gelb, Mundhaken mit je 2 scharfen Zähnen,
diese alternierend. Unpaarer Abschnitt des Schlundgerüstes
gerade, schwarz, die Fortsätze braun, beide Flügel auffällig
schmal, die oberen an der Wurzel stark gebogen, der untere
Flügel nur hinten etwas breiter. Am Kopfe kein Warzen-
band über der Sinnesgruppe, auch kein Stirnfortsatz.
Warzengiirtel mässig breit, an den Seiten vorn und hinten
mit in Gruppen von 2—7 stehenden, scharf zugespitzten
Warzen bestehend, in der Mitte der Gürtel meistens oft ein-
zeln stehende, breitere, rundliche Warzen, auch mit scharfer
Spitze. Die Gürtel auch dorsal, aber schmaler, durchlaufend ;
ventral schwache Binden von grösseren, farblosen Warzen,
rundlich bis dreieckig. Vorderstigmen ungleich zweihörnig,
das längere Horn nach vorn gekehrt, von der Seite mit ca. 6
Knospen, die 2. Reihe kürzer, median liegend. Hinterstigmen
mit 9—10 Knospen ; Hinterende abgerundet, nackt. An
Polygonum bistorta, Tessin (Mecklbg.) 12.V1.'37 Dr. Buhr
leg.
Melanagromyza Hend.
* Melanagromyza cunctans Mg. Fig. 11.
Puparium gelb, 2.5 mm lang, etwas weniger schlank als
die der Stengel-Ophiomyien, Einschnitte undeutlich. Mund-
68 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
haken kurz und dick, je ohne zweiten Zahn. Schlundgerüst
schwarz, oberer Flügel schmal, etwas gebräunt, nach hinten
verschmälert, unterer Flügel relativ dicht dahinter, breiter
und bis zum Ende gleichbreit. Warzengürtel relativ schmal,
mit zerstreuten, aber nicht besonders dicht stehenden, mäs-
sig grossen Wärzchen, diese rundlich oder mit kurzer Spitze,
je die hinteren Wärzchen etwas grösser und mehr in Reihen
angeordnet, die Wärzchen öfters auffällig am Rande der
Muskeleindrücke angeordnet. Vorderstigmen kurz einhörnig
mit 2 Reihen sitzender Knospen, zusammen 10—11. Hinter-
stigmen dicht neben einander, mit je 6 fast sitzenden Knos-
pen in einem median offenen Bogen, welcherdie Stigmen-
narbe umgibt: diese als kurze Röhre mit gezacktem Rand
vortretend.
In Stengelgalle an Lotus rectus, Korsika, 7.1X.30; an
Lotus sp., Korsika, Ajaccio, 7.1X.1933, Dr. Buhr leg.
Dieser Larve sehr ähnlich ist M. sojae Zehntn. (Bijdr. t.
d. Dierk. XXII p. 18) deren Imago aber anders gefärbt ist
als cunctans Mg.
Melanagromyza lappae Lw.
Von dieser Art habe ich früher die Anzahl der Knospen
an den Hinterstigmen nicht angegeben; ich fand deren
17—19. Meijere J. C. H. de. Hauptarb. I p. 243.
Melanagromyza pulicaria Mg. Fig. 12.
Im Juli ‘37 erhielt ich von Dr. Buhr einige Larven und
Puparien aus Crepis tectorum L. worüber er mir Folgendes
schrieb ; „Dieser Parasit lebt, falls die Pflanze intakte grund-
ständige Blätter hat, nur in diesen. Reicht ein Blatt nicht
aus, geht die Larve durch den Stengel in ein nächstes u.sw.,
um sich dann in der Blattbasis zu verpuppen. Dabei frisst
sie das Gefässbündel grössenteils mit, sodass dann das Blatt
völlig abstirbt. Fehlen die grundständigen Blätter, so geht
die Larve auch in den Stengel, trifft sie bald auf ein sten-
gelbürtiges Blatt, so ist die Stengelmine klein, andernfalls
kann die Mine recht gross werden. Die Verpuppung erfolgt
dann entweder im Basalteil des erreichten Blattes oder die
Larve geht meist wieder abwärts, um sich an der Über-
gangsstelle Wurzel-Spross unter einer alten Blattbasis zu
verpuppen.” Am 19 Juli erschien bei mir die erste Fliege,
ein 9 von Melanagromyza pulicaria Mg. Die Mine verläuft
hier demnach anders als bei der gewöhnlichen Futterpflanze
Taraxacum officinale, wobei die Larve, wie ich früher angab,
indessen auch wohl in ein weiteres Blatt übergehen kann,
Zu meiner früheren Beschreibung kann ich noch bemerken :
der unpaare Abschnitt ist ziemlich lang, gerade wie bei
Ophiomyia, die 2 Zähne des vorderen Hakens vor denen
des hinteren.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 69
Es sind 8 gut entwickelte Warzengürtel sichtbar, die
meisten haben hinten ca. 3, vorn 1—2 grössere Warzen,
welche meistens am oberen Ende abgerundet, auch wohl
dreieckig sind ‚der hinterste Gürtel hat deren hinten ca.
5 Reihen. Die Hinterstigmen haben bisweilen weniger
Knospen als 14, welche Anzahl ich früher angab ; ein Exem-
plar hatte am einen Stigma 12, am anderen 14, ein anderes
am einen 11, am anderen 14. In der Larve schliesst diese
14 6
Ba
Fig. 11. Melanagromyza cunctans Mg. a Vorderstigma, b Hinterende
mit Hinterstigmen, c Puparium. Fig. 12. Melanagromyza pulicaria Mg.
a Hinterstigma, b Puparium. Fig. 13. Ophiomyia campanularum Stary,
a Puparium, b Hinterstigmen. Fig. 14. Ophiomyia sp. a an Achillea
ptarmica, b an Reichardia.
Art sich sehr nahe den Ophiomyien an; die Art aus Chon-
drilla, welche ich dieser Gattung zurechnete, sieht ihr wegen
des gelben Pupariums besonders ähnlich ; bei dieser zeigte
das einzige Puparium jedoch 10 Hinterstigmenknospen, so-
dass sie doch wohl nicht zur selben Art gehört.
Ophiomyia Braschn.
* Ophiomyia campanularum Stary. Fig. 13.
Puparium 2,5 mm, relativ schmal, zart, matt gelbweiss-
lich, hinten mehr ins Gelbe ziehend ; die Verpuppung findet
im Stengel statt. Vorn wie gewöhnlich mit schwarzen Vor-
derstigmen der Larve, je vorn an den 2 Hälften des oberen
Deckels als 2 etwas gebogene schwarze Stäbchen. Hinter-
stigmen am Hinterende dicht neben einander, divergierend,
von gelber Farbe. Mundhaken lang und schmal, schwarz,
die beiden Zähne des vorderen Hakens vor denen des
zweiten ; unpaarer Abschnitt des Schlundgerüstes lang und
gerade, schwarz, die Flügel braun, schmal. Warzengürtel
wie gewöhnlich, vor und hinter dem Mittelband von sehr
70 PROS DRC. HMDEIMETIERE
kleinen Wärzchen einige (3—4, nahe dem Körperende hie
und da bis 6) Reihen grösserer ; diese sind sehr kurz und
abgestutzt oder gerundet, die dem Mittelband näher liegen-
den sind kleiner als die äusseren. Vorderstigmen mit 2 Reihen
von Knospen, wie gewöhnlich ; Hinterstigmen mit 5 Knos-
pen. Rosinsee bei Drodowin Chorin, Mark. Hering leg. Das
einzige Exemplar, welches Prof. Hering in der Mark auf-
fand (Mitt. D. ent. Ges. III p. 129, 1932) überliess er mir
zur Untersuchung, wofür meinen besonderen Dank. Die Mit-
teilungen Starÿs über diese Art habe ich Nachtr. 3. p. 191
schon erwähnt. Das Puparium öffnet sich in derselben Weise
mit Zweiteilung des oberen Deckels ‚wie Hendel es in
Lindner p. 191 beschreibt. Die Mine unterscheidet sich nach
Hering von der von O. Heringi durch den in runden,
dicken Klumpen abgelagerten Kot.
Ophiomyia melandryi de Meij. Fig. 16.
Noch einige Notizen möchte ich hier geben zu dieser
schon Hauptarb. I p. 251 und 3. Nachtr. p. 181 besprochenen
Art. Die Larve ist weisslich, 4 mm lang, 14 mm breit, sie
lebt an der Innenseite des hohlen Stengels, wo man die Mine
als weissen, geraden Gang von einer dünnen Schicht über-
deckt, in der sonst grünlichen Bekleidung der Markhöhle
beobachten kann. Die Vorderstigmen zeigen von der Seite
gesehen 8—9 Knospen ‚die Hinterstigmen haben deren
12—13.
* Ophiomyia persimilis Hend. Fig. 15.
Von Crepis (Hieracium) paludosa erhielt ich
einige Stengelstücke, welche Dr. Buhr am 15 Juli ‘37 zu
Mönkweden gefunden hatte ; sie erhielten teils rein schwarze
Puparien, teils solche mit breiten gelben Querbinden zwi-
schen den schwarzen Einschnitten, in welchen die Warzen-
gürtel liegen ; dorsal sind diese schwarzen Binden etwas
breiter ; die Ventralseite, bisweilen auch das Hinterende,
sind ganz gelb. Beide waren Ophiomyien, beide hatten
10—11 Knospen an den Hinterstigmen (Fig. 15a), und aus
beiden schlüpfte nach einigen Tagen dieselbe Art. persimilis
Hend., welche Hering schon früher aus den schwarzen Pu-
parien erhalten hatte. Die quergestreiften gehören demnach
keiner besonderen Art an, wie ich mit Buhr im 3. Nachtrag
p. 184, oben, vermutete.
Merkwürdiger Weise fand Dr. Buhr 12 Oktober 1937 zu
Mönkweden bei Rostock an Lactuca und Lampsana die quer-
gestreiften Puparien alle schon leer, die schwarzen noch
besetzt. Ob diese im folgenden Frühling schlüpfen ? ?
An Reichardia picroides.
Puparium gelb, mit schwarzen Querbinden an den Ein-
schnitten. Schlundgerüst und Warzengürtel sind typisch
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 71
Ophiomyia-artig, die Warzengürtel mit abgerundeten oder
stumpfen grösseren Warzen. Die Stigmen konnte ich leider
an dem einzigen, durch Druck im Herbarium verstümmelten
Stück nicht auffinden.
Korsika : Ajaccio 14.VIII.'33, Dr. Buhr leg.
An Sonchus oleraceus sandte mir Dr. Buhr den
31. August aus Deutschland Stengelminen, mit Larve und
Fig. 15. Ophiomyia persimilis Hend. a an Sonchus, Hinterstigma, b an
Hieracium laevigatum, Hinterstigma, c an Crepis (Hieracium) paludosa,
quergestreiftes Puparium, Hinterstigma. Fig. 16. Ophiomyia melandryi
de Meij. Vorderstigma. Fig. 17. Ophiomyia sp. an Galium, gelbes Pu-
parium, Hinterstigma. Fig. 18. Ophiomyia sp. an Stachys, Hinterstigma,
schwarzes Puparitim. Fig. 19. Ophiomyia proboscidea Strobl anHieracium
murorum, Hinterstigma. Fig. 20. Ophiomyia sp. an Chondrilla, gelbes
Puparium, Hinterstigma.
z. T. lebenden schwarzen Puparien, welche mir nach den
11-knospigen Hinterstigmen (Fig. 15a) ebenfalls zu Ophio-
myia persimilis Hend. gehören. Der Fall ist interessant, weil
bis jetzt von diesem Geschlecht nur die Stengelminen von
Phytoliriomyza perpusilla, gleichfalls von ihm gefunden und
von Hering gezüchtet, erwähnt werden. In „Mecklenbur-
gische Minen’, Stettin. Entom. Zeit. 93. 1932, p. 106, er-
wähnt er von derselben Stelle bei Teterow, Sept. 1931, diese
Art auch für Crepis und Lampsana ; nach späteren Funden
scheint es mir zweifelhaft, ob hier nicht die Ophiomyia vorlag.
Füssen im Allgau, 24.VIII.1937, Dr. Buhr leg.
Später erhielt ich noch von Dr. Buhr schwarze Puparien
am Stengel von Hieracium laevigatum, welche er
am 12. Oktober 1937 zu Mönkweden bei Rostock aufgefun-
den hatte. Nach den Hinterstigmen (Fig. 15b) sind diese
wirklich persimilis Hend., sodass hier eine neue Wirtpflanze
vorliegt.
72 PROEFMDROJACHADEMMETIERE
* Ophiomyia proboscidea Strobl. Fig. 19.
Dr. Buhr sandte mir im Juli dieses Jahres eine frische
Puppe im Stengel von Hieracium murorum. Es erschien keine
Imago, aber das Puparium zeigte 10 Knospen an den Hin-
terstigmen, welche Anzahl sowohl bei proboscidea als bei
persimilis vorkommen kann. M. Er. ist es eher erstere Art,
weil gar keine Trennung der Knospen in zwei Gruppen
wahrnehmbar ist, was bei der 2ten gewöhnlich wohl der Fall
ist. Ausserdem ist proboscidea auch in Hieracium schon be-
kannt.
* Ophiomyia sp. Fig. 18.
Von Stachys silvatica sandte mir Dr. Buhr braunschwarze
Puparien in der Stengelmine, welche er am 12. Oktober 1937
zu Mönkweden bei Rostock gefunden hatte, mit der Mit-
teilung, dass sie ebenda auch an Stachys palustris vorhanden
waren. Diese Puparien sind kleiner als die von Oph. labia-
tarum Her. welche überdies gelb sind. Dennoch zeigen sie,
wie diese Art, 7 Knospen an den Hinterstigmen ; ob es wirk-
lich eine verschiedene Art ist ??
* Ophiomyia sp. Fig. 14.
An Achillea fand Dr. Buhr im Oktober 1937 (Mönk-
weden bei Rostock) noch Puparien von der Art, bei welche
diese schwarz sind ‚nur am Stengel, nicht auch in der
Blütenstandsregion. Es mag dies gewöhnlich der Fall sein,
aber ich habe auch eins, dass dicht unter einer Blüte lag
(Nachtr. 3 p. 188). Das von ihm jetzt erhaltene Puparium
hatte wieder nur 3 Knospen an den Hinterstigmen. Auch hier
ist es noch fraglich, ob es wirklich eine von der Art mit gelbem
Puparium verschiedene ist. Aus Reichardia picroi-
des liegt mir wohl dieselbe Art vor: Puparium schwarz,
3 mm. lang. Schlundgerüst und Warzengürtel typisch Ophio-
myia-artig ; grössere Warzen dreieckig, ziemlich spitz. Vor-
derstigmen relativ kurz, einhörnig, schwarz. Hinterstigmen
mit 3 gleichgrossen Knospen (Fig. 14b).
Im Stengel von Reichardia picroides, Korsika, Ajaccio,
14.V111.'33, Dr. Buhr leg.
Von Achillea ptarmica sah ich auch eine Larve, ca. 3 cm
von der Zweigspitze, von Sanitz, 29.VIII. 36, deren eines Hin-
terstigma 4 Knospen zeigte. Es könnte achilleae gewesen
sein, die Farbe des Pupariums blieb unbekannt.
An Crepis radicata, wahrscheinlich auch diese Art. Pu-
parium braun. vom gewöhnlichen Charakter. Einschnitte un-
deutlich. Schlundgerüst und Warzengürtel typisch Ophio-
myia-ähnlich ; die grösseren Wärzchen meistens abgerundet,
bisweilen dreieckig. Vorderstigmen einhörnig, kurz, schwarz-
braun, mit wenigen Knospen. Hinterstigmen braun, das eine
mit deutlich 4 Knospen, am anderen konnte ich nur 3 Knos-
pen erkennen.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 73
Am Stengel von Crepis radicata, Korsika, Corte, 23.IX.'33.
Dr. Buhr leg.
* Ophiomyia sp. Fig. 20.
Puparium braungelb. Warzengürtel typisch Ophiomyia-
artig, relativ stark, z.b. mit bis 9 Reihen abgerundeten grös-
seren Warzen hinten, dort keine grösseren vor dem Mittel-
band von sehr kleinen Wärzchen. Hinterstigmen mit ca. 10
Knospen.
Im Stengel von Chondrilla juncea (Composite). Korsika,
26.1X.'33. Dr. Buhr leg. 10-knospige Hinterstigmen können
sich auch bei dem Puparium von Oph. proboscidea und per-
similis finden, aber diese sind schwarzbraun.
* Ophiomyia sp. Fig. 17.
Nach dem früher erhaltenen Material habe ich im 3. Nachtr.
p. 186 die Farbe des Pupariums von Oph. gali Her. als
schwarz angegeben ; man findet aber in Galium mollugo auch
solche, welche gelb sind. Zunächst war dieses der Fall mit
einem Puparium, welches ich von Dr. Buhr im Juli 1937
lebend erhielt und woraus am 10. August eine kleine Schlupf-
wespe heraus kam. Dann fand ich in dem einige Tage später
erhaltenen, gleichfalls von Dr. Buhr gesandten Material von
Galium mollugo mit Liriomyza ? Larven auch ein gelbes Pu-
parium von 2,5 mm. Länge in einem der Stengelstückchen
aus der Blütenstandsregion, welches nicht dazu gehörte, weil
die Liriomyza nicht in der Mine verpuppt. Auch aus diesem
entwickelte sich eine Schlupfwespe am 3. September 1937.
Wenigstens das erste Puparium hatte 5 Knospen an den
Hinterstigmen, was mit der für galii typischen Anzahl stimmt,
an dem 2ten waren die Knospen abgebrochen. Auch bei
Achillea habe ich in 3. Nachtr. p 187 und 188 schwarze und
gelbe Puparien erwähnt und :neuerdings erhielt ich von
Dr. Buhr auch schwarze Puparien aus dem Stengel von
Stachys, und auch diese haben dieselbe Anzahl von Knospen
(7) an den Hinterstigmen wie die gelben. Zunächst habe
ich diese alle getrennt gehalten, aber es dringt sich die Frage
auf ob vielmehr die Farbe des Pupariums nicht constant ist,
aber bald schwarz, bald gelb, und bei galii alle diese 5, bei
Achillea alle 3, bei Stachys alle 7 Knospen an den Hinter-
stigmen haben. Damit stimmt auch, dass bei Oph. persimilis
gleichfalls die Farbe wechselnd ist und man nach Dr. Buhr
gemischt ganz schwarze, und gelb und schwarz bandierte
findet, alle mit 10—11 Knospen an den Hinterstigmen und
ganz gleichen Imagines. Die Zahl der verschiedenen Ophio-
myia-Arten wäre dann, ich möchte fast sagen glücklich,
geringer als wir zunächst meinten. Bei Stachys gibt Hering
(Blattminen p. 500) auch eine Art mit hellem Puparium
(Oph. labiatarum Her.) und eine mit schwärzlichem Pupa-
74 PROF DR): CSEISDEZMENUERE
rium an (Oph. spec.). In Satureja kommt auch erstgenannte
Art vor, und, mit schwarzem Puparium, angeblich Oph.
proboscidea Strbl. (,,Blattminen” p. 472). |
Dizygomyza Hendel.
Dizygomyza cambii Hendel. Fig. 21.
Die Fliegen, dezen Larven Markflecke in Asten und Stam-
men mehrerer Baume verursachen, gehôren zu der Unter-
gattung Dendromyza Hendel von Dizygomyza Hendel.
Hendel führt in „Lindner' jetzt eine Reihe von Arten
auf. Von den meisten ist die Biologie noch unbekannt, einen
bestimmten Baum als Wirt bezeichnet er nur für Diz. cambii
Hend, deren Larve aus Salix ich in 1926 in meiner Haupt-
arbeit II p. 259 unter dem Namen carbonaria beschrieben
hatte. Die einzige Art, deren Larve eine andere Lebensweise
führt ist Diz. posticata Mg. welche Platzminen in den Blät-
tern von Solidago virga-aurea veranlasst.
Nach Hendel kommen Markflecke vor in Salix, Betula,
Alnus, Corylus, Prunus und Pirus-Arten. J. C. Nielsen,
der 1906 zum ersten Male die Larven und ihre Metamor-
phose eingehender studierte erwähnt Larven aus Birken,
Erlen, Weiden und Vogelbeeren (= Ebereschen (Sorbus
aucuparia)). Aus dem Boden am Fusse befallener Erlen
erhielt er mehrere Puparien, welche ihm eine relativ grosse,
schwarze Agromyzide lieferten, die er deswegen als Agro-
myza carbonaria Zett. bestimmte. Die von ihm aus verschie-
denen Bäumen studierten Larven hielt er für einerlei, nur
war er über die aus Vogelbeere einigermaassen im Zweifel.
Erst in der letzten Zeit ist auf die Verursacher der Mark-
flecke mehr geachtet worden, wegen der Überzeugung, dass
hier mehrere Arten im Spiele sind. In 1926 war auch ich
darauf nicht verdacht und beschrieb die Art aus Salix als
carbonaria Mg, gleich wie Nielsen. Nach Hendel ist sie aber
von dieser specifisch verschieden, u.a. ist sie weniger glän-
zend und er hat für meine carbonaria den Namen cambii
eingeführt. Meine Beschreibung der Larve ist auch nicht ein-
gehend genug und es ist Sache, die verschiedenen Arten
unterscheiden zu lernen und mit den Larvenbeschreibungen
von Barnes (von Diz. Barnesi Hend., aus mehreren Salix
Arten, 1933) Kangas (von Diz. betulae, n.sp. aus Birke,
1935) undSchimitschek (von Diz. cambii Hend. 1935)
zu vergleichen. Diese Arbeiten sind in meinem 3. Nachtrag
schon erwähnt.
Einen ausführlicheren Bericht über die Larve kann ich
leider nicht geben, weil mir nur einige Schnittpräparate von
den befallenen Ästen mit Teilstücken der Larven zu Ver-
fügung standen.
Wohl kann ich berichtigen dass die Mundhaken keinen
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 75
zweiten Zahn hätten. Es ist wirklich bei beiden ein zweiter
Zahn vorhanden, und damit fällt der grösste Unterschild
mit der Weidenlarve von Schimitschek weg. Es will mir
scheinen, diese sei ebenfalls cambii gewesen.
Das strohgelbe, wenig glänzende Puparium, von welchem
ich im 2. Nachtr. p. 263 einiges angab, stimmt mit Barnes’
Figur von Barnesi (p. 509) gut überein, besser als mit der-
jenigen Kangas’ von betulae (p. 17.) Das Schlundgerüst zeigt
den in Fig. 11c angegebenen oberen Fortsatz (das Oberste,
der hellere Saum, liegt hier zu Unterst), die Zähne an den
Mundhaken sind schwer zu erkennen, weil sie, wie auch Niel-
sen und Kangas angeben, einander zugewandt sind. Die Teile
des Schlundgerüstes sind kürzer und breiter als bei Barnesi ;
die Hinterstigmenknospen liegen in einer Linie, eine nach
oben, eine nach unten und die kürzere mittlere nach hinten
gerichtet. Die 2 Längseindrücke nahe dem Vorderende, welche
Kangas für betulae abbildet, finde ich hier nicht.
Ausser den 3 jetzt näher bekannten kommen in anderen
Bäumen wohl noch weitere Arten vor, die glänzend schwarze
Art, welche Nielsen als carbonaria betrachtet, ist nach Hen-
del eher latigenis Hend. oder Mallochi Hendel gewesen.
Dizygomyza humeralis v. Ros. Fig. 22.
Mine an Dichrocephala latifolia D.C. (Composite), Bot.
Gart. Rostock 4. Aug. 1937, Dr. Buhr leg. 1 Ex.
Fig. 21. Dizygomyza cambii Hend. a Puparium, Hinterstigmen. b. Mund-
haken, c oberer Fortsatz. Fig. 22. Dizygomyza humeralis v. Ros. an
Dichrocephala, Vorderstigma. Fig. 23. Dizygomyza incisa Mg. Hinterende
vom Puparium nach Hendel. Fig. 24. Dizygomyza morosa Mg. a Vor-
derstigma, b Hinterstigma. Fig. 25. Dizygomyza Sönderupi Her. a Mund-
haken, b Hinterstigmen vom Puparium, von unten. Fig. 26. Dizygomyza
Staryi Her. Hinterstigmen. Fig. 27. Dizygomyza sp. an Lycopus a
Vorderstigma, b Hinterstigma, c Hinterstigma des 2ten Stadiums.
76 PROFMDRIJACIHMIDERMENERE
Ist wohl diese Art, aber die Vorderstigmen zeigten weni-
ger Knospen als gewöhnlich, nur eine Reihe von 7, während
gewöhnlich in 2 Reihen zusammen 10, 12, 14 oder 16 Knos-
pen vorhanden sind. Die Unterbrechung ist bei geringerer
Anzahl grösser als in Fig. 306, Hauptarb. I p. 256. mit 16
Knospen. Hinterstigmen konnte ich nicht auffinden, das
Schlundgerüst stimmt.
Dizygomyza incisa Mg. Fig. 23.
Im 1. Nachtrag p. 154 beschrieb ich Larven und rotgelbe
Puparien von Diz. „incisa, Später fand ich jedoch bei
Hendel und Hering, dass incisa ein schwarzes Pupa-
rium hat, dem von Diz. pygmaea sehr ähnlich, und die Figur,
welche Hendel von den Hinterstigmen gibt (in Lindner
p. 39, Fig. 44—46) stimmt gar nicht mit meinen Angaben,
sodass ich überzeugt bin, dass hier irgend ein Versehen vor-
liegt. Von Hering erhielt ich neuerdings das schwarze Pu-
parium von incisa, und das ist wirklich etwas ganz anderes
als das von mir beschriebene, das ich seinerzeit gleichfalls
von Freund Hering erhielt. Was das gewesen ist, kann ich
augenblicklich leider nicht sagen ; die Art soll von Calama-
grostis epigeios herrühren, in welchem Grase auch incisa
miniert. Jedenfalls ist es eine Art mit sehr besonderen Hin-
terstigmen, welche nach weiteren Merkmalen wohl auch zur
Untergattung Poémyza gehört. Was nun die wirkliche incisa
anlangt, so unterscheidet sich das Puparium von dem von
pygmaea durch die Structur der konkaven Einschnitte und
durch die Hinterstigmen. In den konvexen Ringen sind beide
Arten glatt und stark glänzend, schwarz mit purpurnen und
blauen Reflexen. In den konkaven zeigt pygmaea äusserst
feine Querlinien, ist als nadelrissig zu bezeichnen. Incisa ist
dort vielmehr unregelmässig runzelig durch eine Anzahl
kleiner schuppiger Erhabenheiten. Die Hinterstigmen von
pygmaea habe ich Nachtr. 2. p. 270 schon beschrieben ; die
3 Knospen stehen auf kurzen Stielen, welche in verschiede-
ner Richtung divergieren, demnach viel unregelmässiger als
die von incisa, welche vonHendel (Lindner p. 39 Fig. 45)
trefflich abgebildet sind ; die 3 Knospen sind hier mehr an-
liegend, und divergieren etwas u. zw. nach oben und unten,
während die mittlere fast senkrecht zur Medianlinie des
Hinterendes steht. Nach obigem ist von der Tabelle auf p. 256
von Herings Blattminenwerke, welche über Blattminen
bei Gramineae handelt, je der erste Satz nicht zutreffend um
beide Arten zu trennen, der zweite ist richtig.
Dizygomyza morosa Mg. Fig. 24.
Von dieser Art habe ich früher das Puparium beschrieben
Nachtr. 1 p. 156, als laterella Zett., die Larve Nachtr.
2 p 0269:
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 77
Von Dr. Buhr erhielt ich jetzt Larven, die er am 12.
October 1937 an Carex sp. zu Mönkweden bei Rostock
gefunden hatte. Ich kann noch hinzufügen : Prothoraxgürtel
mit in Gruppen angeordneten kleinen, dreieckigen, bräun-
lichen Wärzchen, im übrigen die Warzengürtel sehr wenig
auffällig und schwer auffindbar, schmal und aus dicht ge-
lagerten, einander berührenden, querovalen bis viereckigen,
farblosen Wärzchen bestehend.
* Dizygomyza Sönderupi Hering. Fig. 25.
Puparium 2 mm lang, gelbbraun, an den Seiten, ganz vorn
und ganz hinten, gelb, vorne und ventral breit schwarz, mit
deutlichen, gelblichen Einschnitten.
Mundhaken mit je 2 scharfen Zähnen, welche regelmässig
alternieren. Unpaarer Abschnitt schwarz, gerade, obere
Fortsätze schwarz, schmal, gerade. Über der Sinnesgruppe
mit Längsbinde von härchenähnlichen Warzen. Puparien
ohne Warzengürtel, nur vorn am unteren Deckelchen findet
sich eine Gruppe kurzer, ungefärbter, schuppenähnlicher
Wärzchen. Vorderstigmen auf kurzen braunen Trägern, sie
sind von der in dieser Gruppe gewöhnlichen Fächerform,
am Rande mit ca. 11 ziemlich lang gestielten Knospen. Hin-
terende abgerundet ‚in der Mitte liegt als Längslinie die
Analöffnung, darüber springt ein in der Mitte eingebuch-
tetes Querplättchen vor, an dessen Oberseite die beiden
Hinterstigmen hervorragen ; diese sind stabförmig, von den
3 Knospen liegt die eine am Ende, die beiden unteren gehen
vom Medianrande ab, und biegen sich oberseits quer über
die Filzkammer ; ihre Spitzen ragen bisweilen als kurze
Seitenzweige vor. An Carex silvatica, Dänemark, Sönderup
leg.
Das Puparium sieht dem von Diz. morosa Mg (= laterella
bei Hering, Minenstud. VII p. 481 und in meinem 1.
Nachtr. p. 156) ähnlich aber hier sind die Hinterstigmen
stärker gebogen, und die unteren Knospen umgeben ring-
förmig das Unterende des Stabes.
* Dizygomyza Staryi Hering. Fig. 26.
Puparium bräunlich gelb. Einschnitte wenig deutlich, durch
eine feine Querstrichelung angedeutet, aber ohne eigentliche
Warzen. Mundhaken je mit 2 scharfen Zähnen, welche
alternieren. Unpaarer Abschnitt des Schundgerüstes schwarz,
gerade.
Nkeiij erie 1] SCHE rde miNachten2 mp 271:
* Dizygomyza sp. Fig. 27.
Mundhaken mit je 2 Zähnen, welche alternieren. Schlund-
gerüst schwarz ; unpaarer Abschnitt kurz, gerade, obere
Fortsätze schmal, schwach gebogen. Am Kopfabschnitt weder
78 PROF DRC. HE DERMENERE,
ein Warzenband noch ein Stirnfortsatz. Warzengiirtel aus
grossen, runden, braunen Warzen mit kurzer Spitze gebil-
det, dorsal und ventral schwach entwickelt, die Warzen
weiter auseinander und spärlich. Die Warzen in den Giirteln
meistens zerstreut, die hinteren dichter beisammen und oft
in Reihen ; in den hinteren Giirteln die Warzen rund, ohne
Spitze. Der Prothorakalgiirtel aus kleinen, dreieckigen, in
Gruppen angeordneten Wärzchen gebildet, der Mesotho-
rakalgürtel namentlich dorsal entwickelt, dahinter folgen
noch 9 Gürtel.
Vorderstigmen schuppenförmig, relativ gross, mit ca.
16—17 kurzgestielten Knospen ; die Hinterstigmen mit 3
Knospen, die beiden oberen stark zusammengefaltet, die
untere grösser und leicht gebogen. Hinterende abgerundet,
ohne Wärzchen.
Im 2ten Stadium sind die Wärzchen viel kleiner, je die
in der hinteren Hälfte der Gürtel am kleinsten, alle dreieckig,
aber unten relativ breit. Hinterstigmen mit 3 geraden Knos-
pen. Zähne der Mundhaken ganz schwarz, ohne gelbe Spitze.
Kurze, breite Gangmine im Blatte von Lycopus europaeus,
Calfa bei Tighina, Bessarabien, 17.1X.1937, Hering leg. Die
Larve ähnelt derjenigen von Diz. labiatarum Hend., lamii
Kalt. und morionella Zett., alle in Labiaten minierend. Mit
den beiden letzteren stimmt sie auch durch die gebogenen
oberen Knospen überein, was bei ihr aber in noch viel stärke-
rem Maasse der Fall ist, doch weicht sie von allen drei durch
die grosse Anzahl der Vorderstigmen-Knospen ab. Hen-
del erwähnt in seiner Liste der Wirtpflanzen (Lindner p.
543) bei Marrubium vulgare eine Dizygomyza Beckeri Hend.
Diese fehlt im Register ; dieser gibt wohl eine Melanagro-
myza Beckeri Hend. an, aber im Text findet man bei dieser
keine Wirtpflanze erwähnt; Hering hat in seinem Minen-
werke bei Marrubium gar kein Dipteron erwähnt, sodass es
mir undeutlich blieb was mit Diz. Beckeri gemeint wäre.
Hering teilte mir mit, dass Mel. Beckeri ein Compositen-
minierer aus Süd-Europa ist.
Liriomyza Mik.
* Liriomyza andryalae Her. Fig. 29.
Puparium gelb. Warzengürtel mit zerstreuten, dreieckigen
Wärzehen. Meijere J. €. H. de, Nacht AP paseo!
* Liriomyza Buhri Her. Fig. 28.
Von dieser Art erwähnte ich im 3. Nachtr. p. 202 ein von
Prof. Hering erhaltenes leeres Puparium aus Campanula,
und meinte damals, dass die von mir als Lir. sp. p. 201, unten,
beschriebene Art nicht dieselbe sein konnte. Nach ausge-
dehnterem Material aus Campanula rotundifolia, welches ich
Mitte Juli 1937 von Dr. Buhr erhielt, bin ich der Ansicht,
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 79
dass diese nach geringfügigen Differenzen des Pupariums
getrennten Arten doch identisch sind. Die 3 jetzt erhaltenen,
lebenden Puppen sind heller als das früher gesehene und
als gelb zu bezeichnen, die Hinterstigmen sind divergent und
waren bei der Lir. sp. wohl zufällig konvergent am im Sten-
gel verbliebenen Puparium, welches im übrigen auch etwas
anderer Gestalt war, mehr gleichbreit und überhaupt etwas
schlanker als die doch wohl etwas dunkleren, braungelben
Puparien, welche sich in die Erde finden. Später, Anfang
August, erhielt ich von Dr. Buhr noch einiges Material aus
einem älteren Herbar eines Onkels, sowohl aus Campanula
/ Sag
Fig. 28. Liriomyza Buhri Her. a Puparium, Hinterende, b, c Hinterstigmen,
d, e Larve in Campanula, f, g, h in Jasione. Fig. 29. Liriomyza andryalae
Her. Hinterstigma des Pupariums. Fig. 30. Liriomyza cruciferarum Her.
Hinterstigma des Pupariums. Fig. 31. Liriomyza graminicola de Meij.
Hinterstigma des Pupariums. Fig. 32. Liriomyza kleiniae Her. Hinter-
stigma des Pupariums.
rotundifolia L.3.VIII.1907. Ribnitz i. Mecklbg,, als aus Ja-
sione montana, ebenfalls eine Campanulacee, Juli 1910, Tes-
sin. Beide enthielten ein paar Larven, und je ein gelbes Pu-
parium im Stengel, welches den Stengelpuparien der früheren
Sendungen ähnlich war; auch die Larven sind ähnlich, so-
dass ich alles als Lir. Buhri betrachte. Dennoch bleibt es
unsicher, warum einige Puparien im Stengel verblieben, an-
dere, wie gewöhnlich, nicht. Es könnten parasitierte sein,
— eins enthielt 5 kleine Hymenopteren —, es kônnten auch
wahrend des Trocknens vorzeitig verpuppte sein.
Lir. Buhri hat offenbar 2 Generationen, denn ich erhielt
Imagines im August aus Larven vom selben Jahre, aber auch
ein Puparium von Hering, welches erst nach Uberwinterung
die Imago lieferte ,beide aus Larven, welche die Mine ver-
80 PROF? DR. AC HMDE METIERE
lassen hatten ‚sodass es hiervon nicht abhängt, die Larven
sind aber alle einerlei.
Der Beschreibung kann ich noch hinzufügen, dass von der
Basis der Mundhaken sich ein grau getönter Flecken nach
oben verbreitet, welcher nicht immer gleich deutlich ist. Nahe
über den Mundhaken fängt der Prothorakalgürtel an, dessen
erste Reihe von Wärzchen, im Gegensatz zu den folgenden,
dorsal nicht unterbrochen ist, aber mit einer besonderen
Warzchenbinde nicht zu verwechseln ist; bisweilen sind es
auch nur vereinzelte Wärzchen. Die Hinterstigmen haben
immer nur 3 Knospen, zeigen, namentlich bei jüngeren Lar-
ven, wohl bisweilen ein etwas anderes Bild, doch vom selben
Charakter.
Puparium 1,5 mm lang, rot - bis geldbraun, ziemlich breit
oval mit deutlichen Einschnitten. Mundhaken mit je 2 Zähnen,
die vordere etwas mehr gesondert. Schlundgerüst schwarz,
der obere Fortsatz wenig gebogen, der untere halb so lang.
Warzengürtel mässig breit, aus fast gleichgrossen, dreiecki-
gen, braunen, zerstreuten Wärzchen gebildet. Vorderstigmen
auf 2 gesonderten kurzen Trägern: das Stigma zeigt, wie
gewöhnlich eine kurze Reihe von sitzenden Knospen. Hin-
terstigmen gleichfalls ziemlich weit getrennt, die 2 Träger
divergierend, das Stigma mit 3 Knospen, die untere nach
oben vorragend, ziemlich spitz, die beiden anderen am Ende
des Trägers, kurz und rundlich. Rostock, VIII ‘36 leg.
Buhr ; Verpuppung ausserhalb der Mine, im. erhalten 5.111.37
(Hering).
Dieses Puparium sieht dem der unbekannten Agromyzide,
welche Stary von Campanula persicifolia abbildet, so
ähnlich, dass ich es für dieselbe Art halte, nur ist das letzte
Segment etwas kürzer. Nach der deutschen Tafelerklärung
stammt es aus einer Stengelmine dieser Pflanze, es kann dem-
nach auch von einer ausgekrochenen Larve herrühren.
* Liriomyza cruciferarum Her. Fig. 30.
Puparium gelb mit deutlichen Einschnitten, vom pusilla-
Typus. Obere Fortsätze ziemlich stark gebogen, schwarz und
ziemlich dick. Warzengürtel aus zerstreuten, dreieckigen,
braunen Wärzchen gebildet. Vorderstigmen wie gewöhnlich
knopfförmig, kurz oval, mit mehreren Knospen. Hinterstigmen
mit drei Knospen, die untere etwas mehr gesondert, äber nur
wenig länger.
An Raphanus raphanistrum L. Canarische Inseln, Hering
leg. de Meijere J. C. H. Nachtr. 1 p. 160.
Liriomyza eupatorii Kalt.
Eine am 12 Oktober 1937 im Botan. Garten zu Rostock
an Solidago rugosa aufgefundene Larve stimmte mit dieser
Art, welche von Linnaniemi auch von Solidago erwähnt wird.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 81
Die Mine ist aber stark gewunden, erinnert nach Herings
Minenwerk stark an die von Solidaginis. Der Anfang fehlt
leider.
Liriomyza graminicola de Meij. Fig. 31.
Abbildung des Hinterstigma mit 9, zum Teil schwach ge-
trennten Knospen Fig. 31; in der Mitte die Stigmennarbe.
Breukelen, 10 August ‘37, in einem Grasblatte.
Die Mine beginnt in der Mitte des Grasblattes, läuft als
dünner Gang von ca 14 mm gerade nach oben und ver-
breitert sich im Endteil bis 1,5 mm. Die Spitze liegt noch
weit von der Blattspitze und die ganze Mine ist 4 cM. lang.
* Liriomyza kleiniae Her. Fig. 32.
Gelbweisses Puparium vom gewöhnlichen pusilla-Typus,
mit deutlichen Einschnitten. Warzengürtel mit zerstreuten
dreieckigen, vielfach an der Spitze abgerundeten Wärzchen.
Hinterstigmen mit 3 nicht grossen Knospen.
de Meijere J. C. H. de. Nachtr. 1. p. 160.
* Liriomyza mercurialis Hering. Fig. 33.
Schlundgerüst vorn schwarz, obere Flügel braungelb.
Hinterstigmen mit 7 und 9 Knospen.
Meesijrerier J&C: HlmiNachtrr 2.5pP9277.
Liriomyza ornata Mg. Fig. 34.
Von dem Puparium, welches in Hauptarb. I p. 273 be-
schrieben wurde, habe ich jetzt einige Teile nach Behandlung
mit Diaphanol näher untersucht.
Das Schlundgerüst ist relativ stark, die oberen Fortsätze
sind relativ breit und ziemlich stark gebogen. Mundhaken
mit 2 Zähnen am Ende; ich bin nicht sicher ob dies 2 alter-
nierende sind oder ob beide Mundhaken 2 Zähne haben,
welche nicht alternieren. Vor der Erbleichung waren Mund-
haken und Schlundgerüst ganz schwarz.
Die Hinterstigmen habe ich früher als ca. 12-knospig an-
gegeben ; sie sind aber sehr viel verwickelter. Die konischen
Vorsprünge, welche in einem ovalen Bogen stehen, und wel-
che ich früher als die 12 Knospen betrachtet habe, beher-
bergen meistens je 2—4 Knospen, ein Verhalten, dass in
dieser Form sonst nirgends bei den Agromyzinen auftritt
und nur erinnert an die Bildung bei Agromyza tephrosiae,
wo es auch zu sekundärer Teilung kommt; hier sind die
Knospen aber alle gut getrennt. Das hiesige Verhalten ist
dasselbe, welches ich früher von den durchbrechenden Pro-
thorakalhörnern der Puppe von Eristalis beschrieben habe,
wo auch jede primäre Knospe nich einen, sondern 5—6
Tüpfel trägt, welche als sekundäre Knospen zu betrachten
sind.
82 PROEVDRMJ IC (DE /MEIJERE
Es ist jetzt bekannt, dass die Art im Stengel von Butomus
umbellatus miniert und dieselbe ist, von welcher Kalten-
bach, Pflanzenfeinde p. 710, als Agromyza confinis Mg.
die Lebensweise schon beschrieb. Hendel macht in „Lind-
ner’ p. 240 auch einige Bemerkungen über das Puparium ;
er zählte an den Hinterstigmen 12—13 Knospen, wie ich
früher.
* Liriomyza pascuum Mg. Fig. 35.
Mundhaken mit je 2 scharfen Zähnen, welche alternieren.
Schlundgerüst schwarz, unpaarer Abschnitt kurz, gerade,
obere Fortsätze fast gerade, sehr wenig gebogen, schmal,
nach hinten bräuner. Über und unter den Mundhaken keine
Wärzchen. Warzengürtel aus zerstreuten, fast gleichgrossen,
dreieckigen Wärzchen, an den hinteren Gürteln diese meistens
abgerundet. Vorderstigmen, wie gewöhnlich in der pusilla-
Gruppe, kurz zweihörnig, mit einer Reihe von sitzenden
Knospen ; Hinterstigmen oval, mit ca. 10 Knospen. Papillen
deutlich, als kurze Wölbungen vorragend.
An Euphorbia amygdaloides L., Mesnil bei Paris, Juli 1932,
Hering leg.
Im 2. Nachtrag p. 275 schrieb ich, dass die in meiner
Hauptarbeit I p. 276. beschriebene pusilla Mg. von Euphor-
bia mit esulae bei Lindner, p. 216 und nicht mit pascuum,
ebenda p. 241, stimmt. Die 2 Arten wurden früher als die
echte pusilla Mg., auch von Hering, zusammengefasst. Ich
tat dies, weil die Imagines ‚die ich von Hering bekommen
hatte, wirklich die Merkmale von esulae zeigten. Nachdem
Fig. 33. Liriomyza mercurialis Her. Hinterstigma des Pupariums. Fig. 34.
Liriomyza ornata Mg. a Schlundgerüst, b Hinterstigma des Pupariums.
Fig. 35. Liriomyza pascuum Mg. Hinterstigma. Fig. 36. Liriomyza
polygalae Her. Hinterstigma des Pupariums. Fig. 37. Liriomyza umbilici
Her. Hinterstigma des Pupariums. Fig. 38. Liriomyza strigata Mg. in
Mentzelia. Fig. 39. Liriomyza sp. an Xanthium a. Vorderstigma,
b Hinterstigma.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 83
ich jetzt obige Larven von pascuum, aus Euphorbia amyg-
daloides verglichen habe, und diese mit meiner früheren Be-
schreibung von pusilla stimmten, glaube ich, dass auch diese
nicht esulae waren, und nicht von derselben Herkunft waren
wie die Imagines. Das stimmt mit Hendels Angabe, dass
esulae nur von Euph. esula bekannt ist, in Deutschland nur
von einem Fundort (Jerichow an der Elbe), während pas-
cuum an verschiedenen Euphorbien (amygdaloides, helios-
copia, cyparissias, palustris) gefunden wurde.
Nach schriftlicher Mitteilung von Prof. Hering besitzt er
von dem Fundort von esulae keine Larven oder Puparien
mehr.
* Liriomyza polygalae Her. Fig. 36.
Gelbes Puparium. Warzengürtel aus zerstreuten braunen
Wärzchen, welche dreieckig sind, meistens mit abgerundeter
Spitze. Hinterstigmen mit 3 gleichen kleinen Knospen.
de Meijere, J. C. H. de, Nachtr. 1, p. 160.
Liriomyza sonchi Hend.
An Hieracium villosiceps N. et P. Dr. Buhr leg. VII.1937.
Ein von ihm erhaltenes Puparium lieferte Lir. sonchi Hend.
Die oberen Fortsätze werden bei dieser Art nach hinten braun.
Liriomyza strigata Mg. Fig. 38.
Eine Larve an Richardsonia scabra (Rubiacee), von
Dr. Buhr erhalten Juli 1937, war diese Art.
Gleichfalls eine Larve an Mentzelia oligosperma, und 2
Puparien aus Mentzelia albicaulis ; bemerkenswert ist, dass
diese Pflanze zu den Loasaceen gehört. Zur selben Zeit
von Dr. Buhr gefunden.
Liriomyza taraxaci Her.
Von Dr. Buhr einige Puparien aus Leontodon autumnalis
erhalten ; die Ende Juli erschienenen Fliegen hatten die Merk-
male von faraxaci Her.
* Liriomyza umbilici. Fig. 37.
Puparium gelb, vom pusilla-Typus, mit deutlichen Ein-
schnitten ; Warzengürtel fehlend, an den Einschnitten höch-
stens einige Andeutungen. Hinterstigmen mit 7 Knospen.
An Umbilicus pendulinus, Canarische Inseln, Hering leg.
de Meijere J. C. H. de Nachtr. 1 p. 162.
* Liriomyza sp. Fig. 40.
Von der Liriomyza sp.? vom 3. Nachtrag p. 204 aus
Galium mollugo erhielt ich im Juli 1937 von Dr. Buhr aus-
gedehnteres Material, sodass ich die Beschreibung noch
etwas ergänzen kann.
84 PROF DRG Hy DERMENERE;
Die Larven sind tiefgelb, gut 3 mm lang; hinter den
Mundhaken 2 grosse flache, farblose Papillen, nach unten
umgeben durch einen schwarzen Flecken, nach oben schliesst
sich daran eine braunliche, die Dorsalseite erreichende Quer-
binde. Mehr nach hinten zu die aus Gruppen von dreieckigen
Wärzchen bestehende Prothorakalbinde. Vorderstigmen
einhôrnig mit ca. 9 Knospen ; Hinterstigmen zweihôrnig, mit
fast geschlossenem Kreis von ca. 10 sitzenden Knospen. Das
Fig. 40. Liriomyza sp. in Galium a Vorderende, b Vorderstigma,
c Hinterstigma, d Hinterende von unten, b. von der Seite.
Hinterende war beim Exemplar, nach welchem die Figur
41d in Nachtr. 3 gemacht wurde, nicht ganz natürlich ge-
lagert, es ist abgestutzt, oben mit den 2 Hinterstigmen, unten
neben dem Anus mit 2 deutlichen Lappchen.
Die Mine dieser winzigen Art findet sich gewöhnlich in
der Bliitenstandsregion. Ca. 30 Juli gingen die ersten Exem-
plare aus dem Unterende der Minen in die Erde.
* Liriomyza sp. Fig. 39.
Mundhaken mit je 2 Zahnen, welche alternieren, der vor-
dere Zahn wie gewöhnlich in dieser Gattung mehr geson-
dert ; unpaarer Abschnitt des Schlundgerüstes kurz, gerade ;
die oberen Fortsätze gleichmässig schwach gebogen,
schwarz ; über der Sinnesgruppe eine breite Querbinde von
braunen, dreieckigen Wärzchen. Vorderstigmen knopfför-
mig, von der Seite gesehen mit ca. 7 kurzgestielten Knospen.
Hinterstigmen mit 3 Knospen, keine besonders gross. War-
zengürtel aus relativ grossen, dunklen, dreieckigen Wärz-
chen mit kurzer Spitze gebildet.
Unregelmässige Gangmine an Xanthium strumarium, Calfa
bei Tighina, Bessarabien 17.1X.37, Hering leg.
Phytagromyza Hend.
* Phytagromyza centaureana Her. Fig. 41.
Mundhaken mit je 2 scharfen Zähnen, welche alternieren.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 85
Schlundgerüst schwärzlich. Unpaarer Abschnitt etwas nach
unten gebogen, die oberen Fortsätze ziemlich stark gebogen.
Ueber der Sinnesgruppe ein Warzenband, welches sich nach
den Seiten hin bald verschmälert und aus kleinen, dunklen,
dreieckigen Wärzchen gebildet ist; auch unter den Mund-
haken Wärzchen vorhanden.
Warzengürtel mässig breit, aus dicht stehenden, kleinen,
dreieckigen Wärzchen gebildet, welche wenig an Grösse
verschieden sind. Vorderstigmen knopfförmig, mit zerstreu-
ten Knospen, ca. 15 in Anzahl. Hinterstigmen mit unregel-
mässigem Bogen von ca. 30 Knospen. Hinterende abgerun-
det, unten mit 2 kurzen Läppchen.
Siegen (Westfalen) 16.VI.37, Hering leg.
Phytagromyza flavocingulata Strobl ?
An einer Stelle nahe Amsterdam, wo ich in Mai einige
Imagines (aber mit ganz schwarzer Stirne) erbeutete, traf
ich am 15 Juli 37 Larven und Puparien an Holcus mollis,
welches Gras obige Art nach Herings Zucht miniert. Nur
gehen nach seiner Angabe die Larven in die Erde, während
ich glaube in einem Blatt 2 Puparien gefunden zu haben.
Nach Untersuchung der Larve ergab es sich, dass diese
mit meiner Dizygomyza sp. von Nachtrag 2, p. 272 über-
einstimmen, welche zu einer als Larve sehr charakteristischen
Gruppe gehören, deren Imagines teils der Untergattung
Poémyza, teils Dizygomyza s. str. an gehören. Sie sind
hauptsächlich gekennzeichnet durch eine aus Härchen ge-
bildeten Längsbinde über der Sinnesgruppe am Kopfe, durch
breitschuppenförmige Vorderstigmen, dreiknospige Hinter-
stigmen und durch den Bau der Warzengürtel, welche bei
Poëmyza vorn und hinten grössere Warzen zeigen, während
die Mitte keine Wärzchen trägt, sondern durch feine Linien
grob schuppig oder netzartig gefeldert erscheint. Bei Dizy-
gomyza s. str. bestehen die Warzengürtel aus dicht gelager-
ten, farblosen, querovalen Wärzchen.
Die Art aus Holcus würde mit Poëmyza stimmen ist aber
von allen durch die vielknospigen Hinterstigmen verschieden.
Das gelbe Puparium ist fast 3 mm lang. Phytagromyza sieht
tatsächlich Dizygomyza in vielem so ähnlich, dass es m. Er.
ganz gut eine polyphyletische Gattung sein kann, deren
Arten sich an verschiedene Gruppen von Dizygomyza an-
schliessen. Eine sehr kurze Discoidalzelle findet man bei
einigen Dizygomyzen und selbst Liriomyzen auch, und bei
einigen Arten endet die costa ebenfalls an der Mündung
von IS,
* Phytagromyza Heringi Hendel. Fig. 42.
Mundhaken mit je 2 ziemlich scharfen Zähnen, welche
alternieren. Unpaarer Abschnitt des Schlundgerüstes kurz,
86 PROE TDR) CoH DEA MENERE:
gerade, schwarz; obere Fortsätze fast gerade, schmal,
ebenso von schwarzer Farbe. Ueber und unter den Mund-
haken keine Wärzchen, auch kein Stirnfortsatz vorhanden.
Warzengiirtel ziemlich breit, aus dreieckigen, zerstreuten
braunen Wärzchen gebildet, je die hinteren etwas grôsser
und mehr in Gruppen angeordnet. Vorderstigmen kurz
zweihôrnig auf ziemlich langen Trägern, die Knospen un-
regelmässig zerstreut. Auch die Hinterstigmen kurz zwei-
Fig. 41. Phytagromyza centaureana Her. a Vorderstigma, b. Hinterstigma.
Fig. 42. Phytagromyza Heringi Hend. a Vorderstigma, b. c Hinterstigma.
Fig. 43. Phytagromyza populicola Hal. a Vorderstigma, b Hinterstigma.
Fig. 44. Phytomyza abdominalis Zett. Vorderstigma. Fig. 45. Phytomyza
aizoon Her. Hinterstigma des Pupariums. Fig. 46 Phytomyza alpigenae
Hend. a Mundhaken, b Stirnfortsatz, c Vorderstigma, d Hinterstigma.
hôrnig, das Stigma etwas gewölbt, die Knospen ziemlich un-
regelmässig angeordnet, ca. 20.
An Fraxinus excelsior, Geisenheim a. Rh. leg. Dr. Voigt.
Oct 252
* Phytagromyza populicola Hal. Fig. 43.
Von dieser Art beschrieb ich im 2. Nachtrag p. 278 das
Puparium. Ich erhielt jetzt von Prof. Hering auch die Larven
(Berlin-Frohnau, 14.X.1937. Mine an Populus balsamifera,
Hering leg.). Zur früheren Beschreibung kann ich noch
Folgendes hinzufügen: Es ist weder ein Warzenband über
der Sinnesgruppe noch ein Stirnfortsatz vorhanden. Je 2
Zähne an den Mundhaken, regelmässig alternierend. Un-
paarer Abschnitt fast gerade ; auch der obere Fortsatz fast
gerade, schmal, in der vorderen Hälfte oben mit braunem
Saume. Ein dünne Gräte als Rest des unteren Flügels bis zu
34 der Länge des oberen Flügels vorhanden. Warzengürtel
aus kleinen, fast farblosen, abgerundeten Wärzchen gebildet,
wenig auffällig. Vorderstigmen mit ca. 11—13 Knospen,
etwas unregelmässig. Die zwei Hörner der Hinterstigmen
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 87
etwas weniger ungleich als in Fig. 22 des 2. Nachtrags, mit
21—23 Knospen, auch etwas unregelmässig ; der obere, hin-
tere Teil etwas länger als der vordere, bisweilen sind sie
kaum verschieden.
Phytomyza Fall.
* Phytomyza abdominalis. Zett. Fig. 44.
Mundhaken mit je 2 scharfen Zähnen, welche alternieren ;
unpaarer Abschnitt ziemlich kurz, gerade; obere Fortsätze
wenig gebogen, etwas ins Braune ziehend. Ueber den Mund-
haken weder ein Warzenband noch ein Stirnfortsatz. War-
zengürtel aus zerstreuten, dreieckigen, braunen Wärzchen,
je die vorderen bedeutend kleiner als die hinteren, diese
öfters mehr zugespitzt und mehr in Reihen. Vorderstigmen
kurz zweihörnig mit ca. 10 Knospen. Hinterstigmen mit regel-
mässigem Bogen von ca. 13—15 Knospen. Hinterende schief
nach hinten und unten abgestützt.
An Anemone hepatica, Tetschen a. Elbe, Bohemia, Dr.
F. Zimmermann. Meijere J. C. H. de. Hauptarbeit II
pa 238.
Phytomyza affinis Fall.
Von dieser Art erhielt ich von Dr. Buhr ein schwarzes
Puparium aus einer sehr langen Mine an Cirsium palustre
und 2 Puparien aus Cirsium oleraceum ; die Minen verliefen
hier zu etwa 2/3 in dem Parenchym des Hauptnerven auf
der Blattunterseite. Puparien alle im Blatte, gefunden 12.X.
1937 zu Mönkweden bei Rostock.
Nach Hendel in ,,Lindner” ist die Farbe der Pupa-
rien dieser Art eigentlich weiss, schwarz seien nur die
abgestorbenen oder parasitierten.
* Phytomyza aizoon Her. Fig. 45.
Puparium weiss, der Rand des Anus gelbbraun, oval mit
wenig deutlichen Einschnitten, vorn auf kurzem V die ein-
hörnigen Vorderstigmen ; hinten auf 2 kurzen konischen
Trägern die Hinterstigmen ; diese zeigten hier einen regel-
mässigen Bogen von 12 Knospen, also etwas mehr als bei
Hering (9—10). Warzengürtel aus zerstreuten, gleichgros-
sen, aber im ganzen ziemlich kleinen, dreieckigen Wärzchen
gebildet. Die weisse Chitinhaut zeigt bei starker Vergrös-
serung eine ganz eigentümliche Structur von parallelen
Linien, je nach den zahlreichen Bezirken in der Richtung
wechselnd. Mauthen, Kärnten, Hering mis., an Saxifraga
aizoon.
Mireviere JNC HE dies Nachtr:2"p.279:
* Phytomyza alpigena Fig. 46.
Von dieser Art erhielt ich von Prof. Hering ein paar
88 PROFMDR J..C. BH. DEYMEIJERE,
Larven, während ‘ich früher nur das Puparium kannte
(Nachtr. 1 p. 165) und die Unterschiede von Ph. (Nap.)
lonicerella bei der Beschreibung dieser Art (Nachtr. 2 p.
284) nicht angeben konnte.
Mundhaken mit je 2 ziemlich stumpfen Zähnen, welche
alternieren, der vordere nicht gesondert und wenig gebogen.
Schlundgerüst schwarz, obere Fortsätze bis zum Ende von
dieser Farbe und gleichbreit bleibend. Stirnfortsatz vorhan-
den, am Ende geknöpft. Keine Warzen über der Sinnes-
gruppe. Warzengürtel aus zerstreuten dreieckigen Wärz-
chen gebildet, je hinten ein paar Reihen grösserer, gleich-
falls dreieckig. Vorderstigmen knopfförmig, mit mehreren
unregelmässig angeordneten Knospen ; keine Drüsenöffnun-
gen unter den Knospen. Hinterstigmen mit einem etwas
unregelmässigen Bogen von ca. 18 Knospen, gleichfalls ohne
Drüsenöffnungen.
Unterschiede von lonicerella sind besonders in den Mund-
haken, in den oberen Fortsätzen, welche bei dieser nur an ~
der Wurzel schwarz, weiterhin wenig gefärbt sind und in
den Drüsenöffnungen unter den Stigmenknospen zu finden.
Für die Hinterstigmen gab ich früher 13 Knospen an, aber
diese Anzahl variiert, wie gewöhnlich ; bei einem Exemplare,
welches ich von Dr. Buhr erhielt (Korsika, Corte, 20.1X.33
Dr. Buhr leg.) fand ich deren 11.
Bei lonicerella sind die Wärzchen auch nicht gleichgross,
sondern in der Grösse unregelmässiger, im ganzen die hin-
teren auch grösser, aber mit Übergängen.
* Phytomyza albimargo Her. Fig. 47.
Puparium schwarz, oval mit deutlichen Einschnitten, vorn
dicht neben einander auf kurzen Trägern die kleinen ‚kurz
zweihörnigen Vorderstigmen ; hinten auf 2 getrennten ko-
nischen Trägern die Hinterstigmen. Diese sind oval, wenig
breiter als ihr Träger, anscheinend mit einem regelmässigen
Bogen von Knospen (ca. 18—20, aber schwer zu zählen).
An Anemone nemorosa, Berlin, Hering leg.
Meiere J. C. H. de, Hauptarb. II p. 242. Nachtr.
1. p. 165. — In Hering’s Figur scheinen mir in a die Vor-
derstigmen zu weit entfernt, in Fig c. sehen sie als einhör-
nig aus, was sie nicht sind.
* Phytomyza angelicastri Her. Fig. 41.
Wie die Larve von angelicivora gebildet. Mundhaken mit
je 2 scharfen Zähnen, welche alternieren. Am Kopfe weder
Wärzchen noch Stirnfortsatz. Obere Fortsätze nach hinten
zu grossenteils braun, etwas gebogen, schmal, auch der un-
paare Abschnitt etwas gebogen. Warzengürtel mässig breit,
die Gürtel vorn mit zerstreuten, dicht stehenden, dreieckigen,
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 89
spitzen Wärzchen, hinten die Wärzchen grôsser und weiter
auseinander, aber von derselben Gestalt. Vorderstigmen
zweihörnig, mit relativ langen Hörnern und ca. 18 Knospen.
Hinterstigmen gleichfalls zweihörnig, schmal, mit ca. 23
Knospen.
Phytomyza (Napomyza) annulipes Mg. Fig. 49.
Puparium ziemlich schmal, cylindrisch, lang 41%—<ca. 5
mm, breit 1 mm, mit undeutlichen Einschnitten, am ver-
schmälerten Hinterende die sehr wenig vorspringenden
Hinterstigmen, die Oberfläche grossenteils mit sehr feinen,
dicht gelagerten Querlinien besetzt.
Schlundgerüst schwarz. Mundhaken anscheinend mit je
Ah E
43a
i. alte
Fig. 47. Phytomyza albimargo Her. Vorderstigmen des Pupariums.
Fig. 48. Phytomyza angelicastri. Her. a Mundhaken, b Vorderstigma,
c Hinterstigma. Fig. 49. Phytomyza annulipes Mg. a Schlundgerüst,
c Vorderstigma, b, d Hinterstigma.
2 Zähnen, welche alternieren, der 2te Zahn bedeutend
kleiner, neben der Basis der Mundhaken ein gebogenes
schwarzes Band. Der unpaare Abschnitt gerade, die oberen
Fortsätze wenig gebogen, relativ stark, der untere fast eben-
so lang. Kein Warzenband über der Sinnesgruppe. Warzen-
giirtel schmal, aus sehr kleinen, gelblichen, abgerundeten
zerstreuten Wärzchen gebildet, mehr nach hinten zu schei-
nen sie ganz zu fehlen. Die Stigmen sind beide einhôrnig,
die Knospen in 2 Reihen, schwer zahlbar, das Vorderstigma
mit ca. 9 Knospen, das Hinterstigma mit ca. 10.
Hinterende abgerundet, nackt; das letzte Segment deut-
licher abgesetzt. Die Larve sieht offenbar derjenigen von
Ph. (N.) lateralis Fall. sehr ähnlich.
* Phytomyza atragenis Her. Fig. 50.
Puparium 2 mm lang, gelb, oval, mit undeutlichen Ein-
90 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
schnitten. Obere Fortsätze des Schlundgerüstes braun, der
untere wenig gefärbt. Warzengürtel wenig auffällig, schmal,
aus zerstreuten, sehr kleinen dreieckigen oder abgerundeten
Wärzchen gebildet. Vorderstigmenträger dicht beisammen
V-förmig entspringend, die Stigmen von der Seite mit ca.
10 sitzenden Knospen. Hinterstigmen fast einhörnig, gleich-
falls mit ca. 10 Knospen.
Nach Hendel in ,,Lindner” ist diese Art identisch mit
Kaltenbachi Hend., was nach Obigem möglich ist.
Vals (Schweiz) an Atragene alpina.
Phytomyza atricornis Mg.
Eine von Dr. Buhr aus Nolana prostrata erhaltene Larve
war diese Art. Rostock. Botan. Garten 20.V11.'37.
Gleichfalls ein Puparium an Salicornia herbacea; ein
kurzes Stengelstück mit den Blättern war miniert (Dr. Buhr
leg.)
* Phytomyza chaerophylliana Her. Fig. 51.
Mundhaken mit je 2 scharfen Zähnen, welche alternieren.
Unpaarer Abschnitt des Schlundgerüstes schwarz, gerade,
ziemlich lang ; obere Fortsätze allmählich verschmälert, nach
hinten zu braun. Keine Warzen über der Sinnesgruppe ;
Stirnfortsatz vorhanden. Warzengürtel aus zerstreuten, drei-
eckigen Wärzchen gebildet, je die hinteren etwas grösser
und mehr in Reihen angeordnet. Vorderstigmen klein, kurz
zweihörnig, das vordere Horn etwas länger, im ganzen mit
ca. 8 Knospen ; Hinterstigmen mit fast regelmässigem Bogen
von ca. 16 Knospen. Hinterende abgestutzt, ohne Wärzchen.
An Chaerophyllum temulum L. Crossen am Oder, Bran-
denburg, Hering leg.
* Phytomyza farfarae Hendel. Fig. 53.
Ein Puparium, wohl dieser Art angehörig, fand Dr. Buhr
in einer Gangmine an Tussilago. Es ist ganz weiss, von der
Gestalt von Ph. atricornis Mg., wie diese mit V-förmigen
Vorderstigmenträgern. die Hinterstigmenträger nach der
Spitze nicht verbreitert, beide mit wenig Knospen, die Vor-
derstigmen mit ca. 9, die Hinterstigmen mit ca. 7 Knospen,
das Verhalten wie bei africornis.
Tirol, Stanzach im Lechtal, 25 u. 26 August. 1937.
* Phytomyza fuscula Zett. (= avenae de Meij.)
Puparium hinten mit je 4 Knospen ; wohl diese Art, die
auch aus Hafer bekannt ist. An Secale cereale, Mai ‘23,
Hering.
Meiere ).€. H. der Hauptarb2 ly ps 2518 aNacher
2. p. 280.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 91
Fig. 50. Phytomyza afragenis Her. a Vorderstigma, b Hinterstigma.
Fig. 51. Phytomyza chaerophylliana Her. a Stirnfortsatz, b Vorder-
stigma des Pupariums, c Hinterstigma. Fig. 52. Phytomyza hoppiana
Her. a Vorderstigma des Pupariums, b Hinterstigma. Fig. 53. Phytomyza
farfarae Hend. a Vorderstigma des Pupariums, b, c Hinterstigmen.
Fig. 54. Phytomyza laserpitii Hend. a Mundhaken und Anfang Schlund-
gerüst, b Vorderstigma. Fig. 55. Phytomyza narcissiflorae Her. a Vorder-
stigma des Pupariums, b Hinterstigma.
* Phytomyza hoppiana Her. Fig. 52.
Puparium gelb, oval. Mundhaken mit je 2, nicht sehr
spitzen Zähnen. Obere Fortsätze schmal, wenig gebogen,
schwarz, der untere bräunlich, schwach gefärbt. Warzen-
gürtel aus zerstreuten, dreieckigen, spitzen Wärzchen. Vor-
derstigmen relativ klein, oval, mit ca. 7 sitzenden Knospen
schwer zählbar. Hinterstigmen mit ca. 14 Knospen in einem
etwas unregelmässigen Bogen. Die von Hendel in „Lind-
ner’ angenommene Identität mit rectae Hend. ist nach Obi-
gem wohl möglich.
Vals (Schweiz) an Atragene.
* Phytomyza laserpitii Hend. Fig. 54.
Von dieser, in der Hauptarb. II p. 270 beschriebenen Art
erhielt ich von Dr. Buhr weiteres Material, von ihm in Tirol,
bei Stanzach im Lechtal 25. und 26. August 1937 gesammelt.
In der früheren Beschreibung sind mit den häkchenartigen
Warzen über dem Munde die 2 Anhänge gemeint, welche
bei mehreren Phytomyzen über den Larvenfühlern vorkom-
men. Die Vorderstigmen sind bei jüngeren Larven als in
Fig. 95, haben wirklich nur eine geringe Anzahl von Knos-
pen, ca. 8. Die Hinterstigmen zeigen 13—20 Knospen, und
bilden, wenn die Knospen zahlreich sind, einen fast oder
bisweilen ganz geschlossenen Bogen ; so fand ich bei einem
Exemplar das eine mit 13 Knospen mit deutlicher Unter-
brechung, das andere mit 18, ganz ohne solche.
92 PROF DRM Co HY DEAMEIJERE,
* Phytomyza philactaeae Her.
Puparium oval, mit undeutlichen Einschnitten. Vorder-
stigmen dicht beisammen auf ziemlich langen Stielen V-
förmig vorragend. Hinterstigmen auf konischen Trägern,
zweihôrnig. Vorderstigmen mit unregelmässig angeordneten
Knospen der Figur 25 a von Kaltenbachi Nachtr. 1. ähnlich.
Hinterstigmen : die Hörner etwas ungleich gross. Die Knos-
pen sind schwer zählbar, aber der Identität mit Kaltenbachi,
von welcher Hendel sie als Farbenvarietät aufführt, scheint
mir das Puparium nicht zu widersprechen. An Actaea, Vals,
Schweiz.
* Phytomyza narcissiflorae Her. Fig. 55.
Puparium gelb. Unpaarer Abschnitt des Schlundgerüstes
von oben gesehen in der vorderen Hälfte längsgeteilt ; obere
Fortsätze braun. Warzengürtel mit zerstreuten, braunen,
dreieckigen Wärzchen. Papillen gross, mehr als halbkugel-
förmig vorragend, gelb. Vorderstigmen dicht beisammen,
etwas divergierend in der Gestalt eines kurzen V, je zwei-
hörnig mit ca. 8 Knospen ; Hinterstigmen weit auseinander,
auf kurzen Trägern oval mit einem fast regelmässigen Bogen
von ca. 16 Knospen.
An Anemone narcissiflora L. ‚ Parpan (Schweiz).
* Phytomyza ranunculivora Her. Fig. 56.
Puparium gelb, oval, mit deutlichen Einschnitten. Mund-
haken mit je 2 Zähnen, welche alternieren. Unpaarer Ab-
schnitt des Schlundgerüstes schwarz, gerade; die oberen
Fortsätze gelbbraun, schmal, wenig gebogen. Warzengürtel
wenig auffällig, nur an den Seiten, aus sehr kleinen, kurzen.
nicht spitzen, braunen Wärzchen ‘gebildet, nur vorn die
Wärzchen dreieckig, aber gleichfalls klein. Vorderstigmen
auf getrennten Trägern, mit je ca. 9 Knospen, zweihörnig.
Auch die Hinterstigmen zweihörnig, auf kurzen, dicken,
konischen Trägern ; die Stigmen sehr schmal, die Hörner
relativ lang, die Knospen in 2 Reihen, von welchen die eine
breit unterbrochen ist, zusammen ca. 25 Knospen.
An Ranunculus mactheni, Kärnten, Hering leg.
* Phytomyza saxifragae Her. Fig. 57.
Puparium braungelb ; Vorderstigmen auf V-förmigen
Trägern deutlich zweihörnig, mit zahlreichen Knospen.
Mundhaken mit je 2 spitzen Zähnen ; unpaarer Abschnitt
schwarz ; obere Fortsätze schmal, fast gerade ‚dunkelbraun.
Meijere J. C. H. de. Hauptarb. II. p. 289.
* Phytomyza scabiosae Hend., scabiosarum Her.
Beide gehören zur africornis-Gruppe, einen Unterschied
konnte ich nicht feststellen, von scabiosae stand mir jedoch
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 93
nur ein Puparium, von scabiosarum ein paar Larven zur ver-
fügung.
* Phytomyza selini Her.
Zu der Beschreibung der Larve in Hauptarb. II p. 291
Fig. 56. Phytomyza ranunculivora Her. a Vorderstigma, b Hinterstigma.
Fig. 57. Phytomyza saxifragae Her. a Vorderende des Pupariums,
b Vorderstigma. Fig. 58. Phytomyza sp. an Lithospermum, a Vorder-
stigmen, b Hinterende, c Hinterstigma. Fig. 59. Phytomyza sp. an Osteri-
cum a Vorderstigma, b Hinterstigma. Fig. 60. Phytomyza sp. an Pleuro-
spermum a Vorderstigma, b Hinterstigma.
kann ich noch hinzufügen, dass die Mundhaken spitze Zähne
haben ; über ihnen ist weder Warzenband noch Stirnfortsatz
vorhanden.
An Selinum carvifolia, Crossen a. O. Hering leg.
* Phytomyza silai Her.
Aus Silaus beschrieb ich im Nachtrag 3. p. 237, Phyt. sp.
und gab dabei Süd-Europa als Fundort an. Das ist ein Ver-
sehen. Die Art stammt aus Schlesien, Buhr leg., und wurde
von Hering als silai beschrieben in ,,Blattminen” p. XII.
* Phytomyza solidaginis Hend.
Im 1. Nachtrag p. 174 konnte ich eine erwachsene Larve
beschreiben, bei welcher leider die Region über der Sinnes-
gruppe nicht gut erhalten war. Ich kann dieses jetzt nach
einem Stück von Berlin-Finkenkrug, Juni ‘31, Hering leg.
ergänzen. Über der Sinnesgruppe findet sich ein breites Band
von dreieckigen Wärzchen, welches aber nach den Seiten
hin bald schmäler wird und von etwa dreieckiger Gestalt ist.
Ein Stirnfortsatz ist nicht vorhanden. Hinterende abgerundet,
unten mit 2 dreieckigen Läppchen, davor zerstreute abge-
rundete Wärzchen.
An Solidago virga-aurea, Berlin-Finkenkrug, Juni 1931,
Hering leg.
Sk PROE DR MAC FEN DEIMEIERE,
* Phytomyza trollii Her.
Larven, die Dr. Buhr im October an Trollius europaeus
im Botan. Garten zu Rostock fand, zeigen die Merkmale
dieser Art, nur ist der obere Flügel nach dem Ende hier
deutlicher braun ; die Mehrzahl der Minen blieb unvollendet.
Phytomyza sp. Fig. 58.
Puparium von 1,5 mm. von der Gestalt desjenigen von
Ph. atricornis, dunkelbraun, mässig glänzend, Einschnitte
wenig deutlich. Warzengürtel ziemlich breit, aus zahlreichen
zerstreuten dreieckigen Wärzchen, dahinter einige Reihen
grösserer, gleichfalls dreieckig und braun, an den Seiten ohne
Übergange. Mundhaken mit relativ dicken und kurzen Zäh-
nen. Schlundgerüst schwarz, das unpaare Stück fast gerade,
obere Fortsätze wenig gebogen, der untere braun. Vorder-
stigmen V-förmig vorragend, das Stigma oval, mit mehreren
zerstreuten Knospen. Hinterstigmen gesondert auf konischem
Träger, das Stigma rundlich mit mehreren (ca. 15) unregel-
mässig angeordneten Knospen.
Tighina (Bessarabien), Platzmine an der Spitze der Blät-
ter von Lithospermum purpureo-coeruleum.
* Phytomyza sp. Fig. 60.
Mundhaken mit je 2 scharfen Zähnen. Unpaarer Ab-
schnitt gerade ; obere Fortsätze ziemlich schmal, wenig ge-
bogen, oben mit schmalem Saume. Über der Sinnesgruppe
kein Warzenband und kein Stirnfortsatz. Warzengürtel
mässig breit, aus zerstreuten dreieckigen, ziemlich spitzen
Wärzchen gebildet. Vorderstigmen zweihörnig, mit ca. 10
Knospen. Hinterstigmen gleichfalls zweihörnig, mit etwas
unregelmässigem Bogen von 15 Knospen.
Blattmine an Pleurospermum austriacum (Hoffm.) 21 Juli
1903, vom Melzergrund im Riesengebirge, Dr. Buhr mis.
August 1937. Der breite Gang eine Strecke weit die schma-
len Zipfel ganz einnehmend.
Wegen Abwesenheit besonderer Merkmale ist ohne Zucht
die Art nicht sicher bestimmbar.
* Phytomyza sp. Fig. 59.
Mundhaken mt je 2, ziemlich spitzen, wenig alternierenden
Zähnen. Unpaarer Abschnitt deutlich gebogen ; obere Fort-
sätze wenig gebogen, nach hinten bräunlich. Über der
Sinnengruppe kein Warzenband, wohl ein ziemlich kurzer
Stirnfortsatz. Warzengürtel mässig breit, die Wärzchen
dreieckig, braun, hinten in den Gürteln etwas grösser und
mehr in Reihen angeordnet. Vorderstigmen knopfformig, mit
ca. 8 Knospen. Hinterstigmen mit einem regelmässigen Bo-
gen von ca. 13 relativ langen Knospen. Hinterende abge-
stutzt, unten abgerundet, nackt.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 95
Blattminengang an Ostericum palustre Bess. (Umbellifere)
41X.1902 bei Nauen (Mark) ; Dr. Buhr mis. August. 1937.
Kurzer sich bald verbreiternder Gang mit welligen Rän-
dern ; Kot in kleinen zerstreuten Körnern in der ganzen Mine.
Wegen Abwesenheit hervorragender Merkmale ist die
Art nicht sicher bestimmbar ohne Zucht. Am meisten typisch
ist das Vorderstigma.
* Phytomyza sp.
An derselben Stelle, wo von auch Ph. laserpitü von p. 91
herrührte, fand Dr. Buhr ein paar Gangminen an derselben
Wirtpflanze. Die eine enthielt noch Reste einer Larve, welche
der von laserpitii ähnlich ist, aber mir doch verschieden
schien : der obere Fortsatz ist dunkler, schwärzlich, nicht
braungelb; am unpaaren Abschnitt fehlt die Lateralgräte,
die Wärzchen schienen mir spitzer, nicht kurz dreieckig bis
abgerundet. Leider fehlten die Hinterstigmen.
Allgemeine Bemerkungen.
Indem jetzt der 4. Nachtrag zu „Die Larven der Agro-
myzinen' erscheint, scheint es mir erwünscht eine Übersicht
über das bis jetzt erreichte hinzuzufügen. Ich gebe deswegen
am Ende der Arbeit ein Verzeichnis der behandelten Arten,
nebst einer nach den Pflanzen angeordneten. Hier möchte
ich einige Zusätze zu den allgemeinen Bemerkungen bei den
Gattungen folgen lassen und einiges bezüglich Zucht und
Praeparation.
Zur Untersuchung benutze ich noch immer mit Wasser
verdünnte Karbolsäure (phenolum liquefactum). Hieraus kann
man sie zur Aufbewahrung direkt in venetianischen Ter-
pentin überbringen, welcher den Vorteil hat, dass die Ob-
jekte nicht ganz wasserfrei zu sein brauchen, was bei Canada-
balsam unbedingt nötig ist. Für die Aufbewahrung benutze
ich jetzt zwei viereckige Stückchen Deckglas, von 9 x 14
und 7 X 7 mm, Das grössere ist am schmalen Rande zwischen
einem doppelt gefalteten Stückchen Karton mit arabischem
Gummi festgeklebt, welches etwas (ca. 2 mm) vorspringt,
sodass es an eine Nadel gespiesst werden kann. Auf dem
grösseren wird ein Tröpfchen venetianischen Terpentins
angebracht und dann das Präparat und das kleine Deck-
gläschen darauf gelegt. Man kann dann die Sachen von
beiden Seiten betrachten, was bei den Präparaten auf Cel-
luloidplättchen nicht möglich ist, die überhaupt für die stär-
keren Vergrösserungen, die hier unbedingt nöthig sind, nicht
brauchbar sind. Für das Aufkochen der Blatt- und Stengel-
stücke, die eine Larve enthalten, kann man auch Deckel
oder Boden einer kleinen Blechdose benutzen, was bestimmte
Vorteile hat, u.a. dass sie nicht brechen können. Zur Unter-
96 PROE NDR NC HHRDEPMEIERE:
suchung schwarzer Puparien kann, wie schon Hauptarb. I
p. 212 mitgeteilt wurde, Diaphanol gute Dienste leisten. Nach
ca. 24 Stunden sind diese meistens genügend heller gewor-
den, bis braungelb, um an den Hinterstigmen die Zahl der
Knospen genügend festzustellen. Sie länger darin zu belas-
sen, gibt Gefahr, dass die Stigmata undeutlicher werden.
Es ist sehr anzuraten, bei der Zucht auch die leeren Pu-
parien aufzubewahren, am besten je der eigenen Imago beige-
fügt, weil öfters die Wirtpflanzen von mehreren Arten be-
fallen werden und man sonst nicht sicher ausmachen kann
zu welcher Larve die Imago gehört.
Die Zucht kann, wie schon Hauptarb. I p. 213 mitgeteilt
wurde, nach der Methode von Hendel und Hering
auch in mit einem Kork verschlossenen Glastuben stattfin-
den. Hering hat diese Methode beschrieben in: L'ama-
teur de Papillons, Journal de Lepidopterologie palaearctique,
6.1933: Elevage et préparation d'insectes mineurs. p.
301—309.
Auf Reisen benutzt er des Raumes halber Tuben von
8—10 cm Lange und 3 cm. Diameter, zu Hause sind auch
grössere verwendbar. Der Boden wird mit einer Schicht Erde
belegt; darauf kommt eine Moosschicht. In der Saison des
Schlüpfens is anzuraten zweimal täglich nachzusehen ob Ima-
gines erschienen sind; die Fliegen sind erst nach mindestens
24 Stunden zu spiessen, damit sie beim Trocknen nicht
schrumpfen. Hauptsache bei der Zucht ist, dass die Tuben
weder zu trocken, noch zu nass werden.
Den allgemeinen Bemerkungen über die Gattungen kann
ich noch Folgendes hinzufügen :
Agromyza. Ein Warzenband über der Sinnesgruppe,
wie es bei Liriomyza und Phytomyza systematisch von gros-
sem Wert ist, tritt bei Agromyza meistens nicht auf, wenig-
stens nicht als gesonderte Bildung. Gut entwickelt und ganz
frei vom Prothorakalgürtel ist es bei Agr. ferruginosa v. d.
W. und rufipes Mg. Beide haben auch einen starken Bor-
stenbesatz in der Analgegend.
Vom Typus von Agr. nana Mg. ist besonders À. viciae
Kalt. zu erwähnen, wegen der starken Faltung der Hinter-
stigmenknospen.
A. salicifolii Collin zeichnet sich durch die langgestielten
Knospen an den Hinterstigmen aus. Während hier nur 3
Knospen vorhanden sind, zeigt das ebenfalls dreiteilige
Stigma von A. tephrosiae de Meij. je mehrere Knospen an
den langen Stielen.
Melanagromyza. Von dieser Gattung hatte ich in
meiner Hauptarbeit nur erst wenig zu sehen bekommen.
Meine damalige Angabe, dass die Mundhaken nur den
Endzahn besitzen, trifft nach späteren Befunden für die
meisten nicht zu. Was die Larven anlangt, ist es eine
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 97
heterogene Gattung. Zu der aeneiventris-Gruppe gehört noch
cunctans Mg., mit gleichfalls vorstehender Stigmennarbe,
aber mit weniger Knospen. Zur simplicoides-Gruppe ist sa-
rothamni Hend. zuzufügen, wie die andern mit 3 Knospen
an den Hinterstigmen und gedrungenem Schundgerüst. Da-
geven haben pulicaria Mg. und cunctata Hend. den Cha-
rakter der Ophiomyia-Larven ; cunctata ist ausserdem durch
die secundäre Zähnelung der Zähne ausgezeichnet. Eine sehr
besondere Gruppe dieser Gattung ist mir aus Java bekannt
geworden ; nach dem erstgefundenen Beispiel nenne ich sie
die theae-Gruppe. Alle diese zeichnen sich durch beilförmige
Mundhaken aus, welche an ihrem Unterrande gesägt sind;
die Wirkung wird vergrössert, weil die Endteile der beiden
Haken hinter einander liegen und so zusammen eine längere
Säge bilden. Alle haben dreiknospige Hinterstigmen und
wohl alle bilden ganz epidermale Minen, wovon sie bei Agro-
myzinen das erste Beispiel sind. Es wurde schon Nachtr.
2 p. 259 darauf hingewiesen, dass die Sägebildung an den
Mundhaken sich in ähnlicher Weise an den Mandibeln von
epidermale Minen bewohnenden Microlepidopteren vorfindet.
Weitere Formen findet man noch bei den, javanischen
Arten (wo ausser den schon erwähnten Kalshoveni de Meij.
noch hinzu kam), so z.B. dolichostigma mit sehr langen Trà-
gern an den Vorderstigmen mit am Ende ca. 12 Knospen ;
ricini mit langen Vorderstigmen mit 2 Spirallinien von Knos-
pen, zusammen ca. 50.
Die Hinterstigmen zeigen bei diesen javanischen Arten
folgende Knospenanzahl :
3 theae-Gruppe
9 phaseoli Coq. (mit Stirn-
fortsatz)
6-7 sojae Zehntn. (mit vor-
ragender Stigmennarbe)
10 Kalshoveni de Meij.
12 Weberi de Meij.
15 ricini de Meij.
15 dolichostigma de Meij.
Thea, Coffea etc
Phaseolus u.a. Papilionaceen
Soja IE AN) Lei ,?
Antidesma
Cajanus, Flemingia
Ricinus
Soja, Phaseolus-
(mit 2 ungleichen Hör-
nern)
Für im übrigen aus Java, von mir z. T. an anderer Stelle,
beschriebene Arten weise ich auf die Angaben im 2. Nach-
trag p. 244—245 und 3. Nachtrag p. 168 hin.
Ophiomyia. Diese Gattung ist viel mehr einheitlich.
Auf die grosse Anzahl der Stengelminen bewohnenden Ar-
ten, deren Kenntnis wir zum grôssten Teile Dr. Buhr ver-
danken, habe ich Nachtr. 3. p. 177 schon hingewiesen.
Dizygomyza. Einen sehr einheitlichen Charakter
zeigen die Arten, welche Hendel in seinen Untergattungen
Poëmyza und Dizygomyza s.str. untergebracht hat ; diese be-
98 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
fallen meistens Gramineen, einige leben in Iris. Nach den
Larven kann man nach dem Bau der Warzengürtel 2 Grup-
pen unterscheiden. Bei der einen bestehen diese aus einer
Mittelbinde, welche nur grössere schuppenartige oder netz-
artige Felderung zeigt, und vorn und hinten durch einige
Reihen deutlicher Wärzchen eingeschlossen wird, (atra Mg
incisa Mg. lateralis Macq, muscina Mg. pygmaea Mg.
scutellaris v. Ros.), bei der zweiten werden sie durch oft
wenig deutliche ca. querovale dicht gelagerte, farblose
Wärzchen gebildet (bimaculata Mg. iraeos R. D. iridis
Hend., morosa Mg., poae Her., semiposticata Hend., Sön-
derupi Her.). Es ist wohl bemerkenswert, dass hier die
Systematik der Imagines sich mit der jenigen der Larven deckt,
denn die lte Gruppe enthält die Arten von Poëmyza, die
2te die von Dizygomyza s.str. Merkwürdig sind hier die
trotz ihrer 3 Knospen vielgestaltigen Hinterstigmen.
Von den javanischen Arten, welche ich neu beschrieb,
gehört nach der Larve javana de Meij. zulder 1. Gruppe,
cornigera de Meij. zur 2. Was die übrigen Untergattungen
anlangt, so ist unter Dendromyza, von welcher ich selbst nur
cambii Hend. und posticata Mg. gesehen habe, posticata, die
in Blättern von Solidago miniert, durch mehr gewöhnliche,
gedrungene Gestalt von den in der Rinde verschiedener
Bäume lebenden Arten verschieden ; sie besitzt aber, wie diese
nur 3 Knospen an den Hinterstigmen. Von Cephalomyza
kenne ich nur cepae Her., sie ist durch lange Zähne an
den Mundhaken und durch das kurze Schlundgerüst ausge-
zeichnet. Die untersuchten Arten von Amaurosoma (abnor-
malis Meade, lamii Kalt. und morionella Zett.) haben alle
3. knospige Hinterstigmen, ebenso die von Trilobomyza (fla-
vifrons Mg., labiatarum Hend., verbasci Bché.), die Praspe-
domyza-Arten (approximata Hend., morio Bri. und hilarella
Zett.) alle Hinterstigmen mit zahlreichen Knospen ; die Ca-
lycomyza-Arten zum Teil 3 (artemisiae Kalt., gyrans Fall.
hier bisweilen 4) aber humeralis v. Ros. zahlreiche Knospen
an den Hinterstigmen. Prothorakalhörner der Puppe, die am
Puparium ‘bei mehreren Agromyzen vorhanden sind, fehlen
hier durchwegs, ich fand sie aber bei der javanischen corni-
gera de Meij.
Liriomyza. Von den Liriomyzen ist bemerkenswert,
dass auch diese Gattung mehrere Stengelminierer umfasst,
von welchen bis jetzt leider nur Lir. Buhri Her., in Campa-
nula, genügend bekannt geworden ist. Eigentümlich sind
noch die Hinterstigmen von Lir. ornata Mg., deren grosse
Anzahl von Knospen offenbar durch Teilung der primären
hervorgerufen ist.
Phytomyza. Die Phytomyza-Arten zeigen, trotz ihrer
Zahlreichkeit, meistens keine besonders hervorragenden
Merkmale an den Larven. Wichtig ist, ob ein Stirnfortsatz
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 99
vorhanden ist. Breite, dreieckige Zähne an den Mundhaken
wurden, ausser bei sphondyli, auch bei ein paar anderen
Umbelliferen-Minierern gefunden (bei berulae Her. und einer
Art aus Pimpinella magna, die noch nicht gezüchtet wurde).
Besondere Ausbildung der Warzengürtel, z.B. durch grös-
sere, fast farblose, runde Warzen zeigen Ph. Rydeni Her.,
trolliivora Her., aconitophila Hend. Durch den grossen Stirn-
fortsatz ist Ph. cecidonomia Her. ausgezeichnet.
Herzlichen Dank bringe ich hier allen, die meine Arbeit
durch Zusenden von Material unterstützten. In erster Stelle
gedenke ich hier unseren leider verstorbenen Freund, Prof.
Hendel, weiterhin im besonderen Prof. Hering und
Dr. Buhr. Ohne ihre Mithilfe wäre meine Arbeit sehr be-
deutend unvollständiger geblieben als es trotzdem noch der
Fall ist. Denn die neuen Funde haben wohl viele neue Arten
zu Tage gefordert, aber von vielen nicht seltenen Arten blieb
die Biologie leider noch immer unbekannt. Mit Freude ar-
beiten wir aber weiter !
INHALT DES 4. NACHTRAGS.
blz.
ERSETZEN ORE BERNE neden jk an ce |
Melanazgremyza, en vr “ll o n eer Rele + MOT
Don ia dec biken stance NE SEAN MERA ae nO?
Deve MI ER, ARE 4 WARE EON NLS
Lilo) deinde rde O ARE cae AS A SMS
Eivfagromyzanio cn. So ale ee MOT
Phytomyza . . EN er
Allgemeine Bemerkungen Zah | WERE TEN Yes AN Fs 95
IHbaldeswar Nachtragse., ue eo sa TER
Registers. ue 7 a 25100
A. Nach den Darren seconde RENE he Pr HOO,
B. Nach den Wirtpflanzen angeordnet . . . . . . 104
REGISTER.
I und Il sind die beiden Teile der Hauptarbeit; N = Nachtrag.
A. Nach den Dipterennamen angeordnet.
Agromyza agrosticola Her. N 1. 146.
albipennis Mg. N 2. 245.
—— albitarsis Mg. N 2. 245, 247.
[N 3. 169.
—— allecta Mel. II. 304.
—— alnibetulae Hend. (als albitarsis
[Mg.) I. 216.
—— (Dom.) ambigua Fall. I. 236.
—— angulata Lw. N 2. 247.
—— anthracina Mg. I. 217. N 1. 146.
apfelbecki Strobl N 2. 248.
bicophaga Her. II. 305. N 1.
[146. N 4. 66.
borealis Mall. II. 304.
(Dom.) cinerascens Macq. N 1.
[148. N 3. 169.
dipsaci Hend. I. 234
[ (als Agr. sp.) N 1. 147.
drepanura Her. N 2. 248.
[N4. 61.
—— erodii Her. N 2. 248. N 4. 61.
ferruginosa v. d. W. I 217.
IN 227628
flaviceps Hend. I. 219.
—— fragariae Mall. II. 303, 304.
—— frontella Rond. I. 237.
—— genistae Hend. N 3. 169.
— graminicola Hend. N 2. 248.
INE#262:
—— igniceps Hend. (als humuli Her.)
132222
—— (Dom.) intermittens Beck.
[N 1. 149.
—— Johannae de Meij. I. 223.
—— lantanae Frogg. I 253.
— lathyri Hend. I. 233 (als Agr.
[Spy IB DS NE MI ZONNKANOG:
— laterella Zett. II. 303. 304.
—— lucida Hend. (als airae Karl)
FING 146. N222245:
— lygophaga Her. N 4. 63.
—— de-Meijerei Hend. I. 225.
—— melampyga Löw. II. 304.
—— (Dom.) mobilis Mg. I. 238.
—— (Dom.) nana Mg. I. 238. N 2.
[245 NP 43°66. N 3. 170.
—— nigripes Mg. I. 226 (+ lucida
(Head) MIN| 25245. IN SO;
Agromyza nigrescens Hend. (als
Heringi de Meij. I. 220.
ONES 70!
(Dom.) niveipennis Zett. I. 239,
orobi Hend. N 1. 147.
panici de Meij. N 2. 248.
parvicornis Lw. II. 304. N 2. 248.
phragmitidis Hend. I. 228.
platyptera var. coronata
[Lw. II. 304.
pruinosa Coq. I. 261.
pruni Grossb. I. 260. N 2. 250.
pusilla Mg. II. 304.
reptans Fall 1226 SNA GS
DN Aor 225), IN Sl 1/0,
Tubi NB ri ANS I),
rufipes Mg. sle 2S0 EN 745
[N 4. 62.
salicina Hend. I 231. II 309.
—— salicifolii Coll. N 4. 63.
—— spiraeae Kalt. I. 231. N 1. 148.
[ING2 972455
—— tephrosiae de Meij. N 4. 64.
—— tiliae Coud. I. 248. II. 304.
IN®2.250.
—— viciae Kalt. N 4. 65..
—— vicifoliae Her. N 3. 171.
INT#260,67
—— websteri Mill. II. 304.
—— sp. an Avena I. 240.
Be EN LL
— an Avena und Hordeum
DN) 355173:
an Calis IN) 3 17/2,
— an Malva N 4. 67.
— an Ononis N 2. 250.
— an Polygonum bistorta
INS 2% INE Sh O7
— an! lritieum Nes Meis
Cerodonta denticornis Panz. II. 301.
femoralis Mg. II. 301. 304.
fulvipes Mg. II. 301. N 1.
N772N22290%
phragmitophila Her. N 3. 241.
Dizygomyza artemisiae Kalt I. 255.
NZS 2495),
atra Mg. I. 255.
abnormalis Mall. N 1. 152.
[N 3. 189.
REGISTER. 101
Dizygomyza approximata Hend.
DE 23%
barnesi Hend. N 2. 263. N 4. 74.
betulae Kangas N 3. 190.
IN| Se 466
—— bimaculata Mg. I. 258. N 3. 191.
— cambii Hend. als carbonaria
CZE) de ZOO SIN Ze 263.
INT 3), IO, INAS
—— cepae Her. N 1. 152.
cornigera de Meij. N 3. 192.
[N 2. 264.
flavifrons Mg. I. 261. N 1. 154.
gyrans Fall. N 3. 193.
hilarella Zett. I. 262.
humeralis v. Ros. (als bellidis
Melle) 16° 257% IS 22 7%
incisa Mg. N 1. 154 (ist andere
(Ar) INS Wa 2 63 INE a 7/0
—— iraeos R. D. (als morosa Mg)
IE AGG, Wie SOA VA
iridis Hend. (als aff. morosa
De) 1226722 INS ISG:
javana de Meij. N 2. 266.
[INS 194:
labiatarum Hend. I. 263. N 1.
[MS ORN 3 107
lamii Kalt. I. 264.
lateralis Macq. I. 265, N 2. 267.
ONT NR
laterella Zett. ap. Frost. II.
[304, 307.
luctuosa Mg. II. 307. N 1. 153
[ (als effusi Karl) N 1. 156.
ON MOR 020$:
morio Bri. I. 266.
—— morionella Zett. N 2. 269.
—— morosa Mg. (als laterella Zett.)
|
ANS OsmN ie 200263,
A IN 22 76:
muscina Mg. N 1. 157.
—— poae Her. (als morosa Mg.)
DNS IS ONIN 263:
posticata Mg. I. 269. N 2. 270.
—— pygmaea Mg. I. 269. N 2.
[os ZZA INE Ee Hoy,
scutellaris v. Ros. (als scirpi
(Karl) N 1. 158. N 3. 194.
semiposticata Hend. II. 306.
IIW27263}
solidaginis N 2. 263.
sönderupi Her. N 4. 77.
stanvittler N22 71 NRN 194.
|
|
IN 4. 77.
verbasci Bche. I 270. N 2.
639272:
sp. an Bambu N 2. 274.
sp. an Gras N 2. 272.
spiana Grase N) 2.2272.
sp. an Senecio N 2. 273.
sp. an Lycopus N 4. 77.
bebe des
Liriomyza amoena Mg. I. 276.
[N 3. 195.
—— andryalae Her. N 1. 160.
IN € 76
—— angularis Hend. N 2. 276.
—— artemisicola de Meij. I. 285.
—— asteris Her. N 2. 276.
INE3.2195:
— buhri Her. N 3. 195 nota, 201
MS ET SINO 78.
—— cannabis Hend. N 3. 195.
—— centaureae Her. (als Lir. sp.)
3.199.
—— centaureana Her. (als centaureae
[Her. N 3. 196.
—— cicerina Rond. (als ononidis
[de Meij.) I. 278, 291. N 3. 197.
—— congesta Beck. (als leguminosa-
[rum de Meij. en pusio Mg.
2776 My DA IN| 197%
cruciferarum Her. N 1. 160.
INA SO:
equiseti de Meij. I. 281.
esulae Hend. ? (als pusilla Mg.)
DE Zp ZONE IN EE B
eupatorii Kalt. I. 283 N 4. 80.
fasciola Mg. (als subsp. bellidis
[de Meij.) I. 284. II. 309.
flaveola Fall. I. 271.
graminicola de Meij. I. 280.
INT 4e 0),
gudmanni Her. N 2. 276.
hydrocotylae Her. N 2. 277.
impatientis Bri. I. 272.
kleiniae Her. N 1. 160. N 4. 81.
de Meijerei Her. N 2. 277.
mercurialis Her. N 2. 277.
INGA SI:
millefolii Her. N 1. 160.
orbona Mg. I. 273.
ornata Mg. I. 273. N 2 276:
DNI Ze Gila
pascuum Mg. N 4. 82.
polygalae Her. N 1. 160.
N Ss Gis},
puellaUMgS122745 1732197
pumila Mg. (als ptarmicae
[de Meij.) I. 286, 291.
pusilla Mg. sl. I. 274, II.
[304.
pusilla Mg. (als hieracii Kalt.)
279.
pusio Mg. (als tragopogonis
[de Meij.) N 1. 161.
saxifragae Her. N 4.
sonchi (als hieracii Kalt.)
I/O RNA IMG INI S 3
solani Her. N 1. 161. N 3. 197.
strigata Mg. I. 278. N 1. 161.
1162 (EE IB So) IN Ze
PAT AS 2, LE
ei e ke
102 REGISTER.
Liriomyza tanaceti (als hieracii var.
tanaceti) I. 280.
taraxaci Her. (als hieracii Kalt.)
thesii Her. I. 282.
thymi Her. N 3. 205.
urophorina Mik I. 293.
variegata Mg. I. 291.
valerianae Hend. (als fasciola
violiphaga Hend. N 3. 198.
virgol Zett, 1229221183072
sp. an Amarantus N 3. 199.
sp. an Exacum N 3. 198.
sp. in Galium. Stengel N 3.
sp. an Lathyrus N 3. 201.
sp. an Picridium N 3. 201.
sp. an Plantago N 3. 198.
sp. an Tagetes N 3. 200.
sp. an Xanthium N 4. 84.
Melanagromyza aeneiventris Fall. I.
Eco
[251 N#28251/
cecidogena Her. N 1. 151.
coffeae Kon. N 2. 251.
cunctans Mg. N 4. 67.
cunctata Hend. I. 252
dolichostigma de Meij. I. 248.
gibsoni Mall. I. 243.
lappaetEw 002375 NN 02951;
phaseoli Coq. I. 248.
ricini de Meij. I. 248.
sarothamni Hend. N 2. 255.
schineri Gir. I. 245. II. 304.
ee En La
IN®23 251:
—— simplex Lw. I. 245. N 3. 175.
—— simplicoides Hend. I. 246.
INE2=251:
sojae Zehntn. I. 248. N 4. 68.
theae Green N 2. 256. N 3. 175.
weberi de Meij. I. 248.
span. Coccinia N 3.175:
sp. an Dioscorea. N 3. 175.
span? N 3. 176.
sp. an einem Farne N 2. 261.
iomyia achilleae Her. N 3. 187.
campanularum Stary.
ELEND
©
er
P
galii Her. N 3. 186.
heringi Stary N 3. 179.
labiatarum Her. N 3. 180.
Se
N2ZIDNPI27EINERESS:
umbilici Her. N 1. 162. N 4. 83.
[Mg.) I. 283.
[N 2. 278.
sp. in Achillea Stengel. N 3. 202.
BONES:
MAILS EST INA 8252:
kalshoveni de Meij. N 2. 254.
[N 4. 68.
pulicaria Mg. N 1. 149. N 4. 68.
INES MTS ING 4169:
lantanae Frogg. I. 253. N 3. 180.
maura Mg. (als curvipalpis Zett.
DE DEC IN Zoe Zoll Zo
Ophiomyia melandryi de Meij. I. 251.
N 3. LS LINE 0E
—— persimilis Hend. N 3. 182.
IN: 4. 70:
—— pinguis Fall. I. 249. N 2. 263.
[N 3. 184.
—— proboscidea Strobl. N 1. 151.
[INSS MT EN 72:
— sp. in Asparagus-Stengel.
[N 3. 184.
—— sp. in Achillea-Stengel N 4. 72.
—— sp. in Chondrilla-Stengel.
[N 4. 69, 73.
—— sp. in Daucus-Stengel N 3. 186.
— sp. in Galium-Stengel N 3. 189.
—— sp. in Galium-Stengel N 4. 73.
—— sp. in Lepidium-Stengel
[N”3. 18%
—— sp. in Matricaria-Stengel
[N 3. 188.
— sp. in Stachys Stengel N 4. 72.
—— graminearum Her. N 2. 278.
—— hendeliana Her. Il. 228.
—— heringi Hend. N 4. 85.
—— mamonowi Her. N 2. 278.
—— populi Kalt. II. 283. N 1. 173.
—— populicola Hal. N 2. 278.
— [N 4. 86.
—— populivora Hend. N 1. 173.
—— similis Bri. II. 229. N 1. 163.
—— tridentata Löw II. 295.
—— tripolii de Meij. II. 296. N 2. 288.
—— xylostei R.D. (als Phytomyza
luteoscutellata de Meij.) II
1270, 299. NIET:
Phytomyza abdominalis Zett. II. 238.
[NS 2052 Nessa
aconitella Hend. N 3. 206.
aconiti Hend. II. 238. N 2. 279.
— (Nap.) aconitophila Hend.
N 3. 207.
actaeae Hend. N 3. 208.
adenostylis Her. N 1. 164.
adjuncta Her. N 2. 279.
[N 3. 208.
aegopodii Hend. N 3. 210.
affinis Fall. II. 239. N 3. 210.
[N 4. 87.
agromyzina Mg. II. 241.
aizoon Her. N 2. 279. N 4. 87.
albiceps Mg. II. 241. N 2. 281.
albimargo Her. II. 242. N 1. 165.
[N 4. 88.
—— alpigenae Hend. N 1. 165.
[N 4. 87.
—— anemones Her. II. 243. N 3. 210.
—— angelicae Kalt. II. 243.
— angelicastri Her. N 4. 88.
o
REGISTER.
Phytomyza angelicivora Her. II. 244.
—
pari
eo]
INES ZN
(Nap.) annulipes Mg. N 4. 89.
anthrisci Hend. II. 244.
ONE Zale
aquilegiae Hend. II. 245.
Ness 212:
archangelicae Her. N 3. 212.
arnicae Her. N 1. 166. N 3. 213.
asteribia Her. N 3. 213.
asteris Her. (als tenella Mg. en
[Phe sps)) 1192993 Nile 176.
INI 287 NEN 205.0) 214.
astrantiae Hend. II. 246.
atragenis Her. kaltenbachi
[Hend. N 4. 89.
atricornis Mg. II. 247. N 1. 166.
[N 2. 280. N 4. 90.
auricomi Her. = fallaciosa Bri.
INEIREI6ZENE37207
bellidina Her. N 3. 214.
bipunctata Lw. (als echinopis
[Her.) N 3. 205. N 2. 283.
brischkei Hend. II. 252.
brunnipes Bri. N 1. 168.
calthivora Hend. N 3. 205.
calthophila Her. (als nigritella
[Zett.) II. 276. N 3. 205, 214.
campanulae Hend. N 3. 215.
carvi Her. N 3. 216.
cecidonomia Her. N. 3. 216.
chaerophylli Kalt. II. 253.
chaerophylliana Her. N. 4. 90.
cicutae Hend. II. 253. N 3. 217.
cineracea Hend. N 1. 168.
cinerea Hend. II. 254.
cirsicola Hend. (als bipunctata
[Lw.) N 2. 280, N 3. 205.
cirsii Hend. II. 255.
LIN S27:
— clematidis Kalt. (als thalictri
ERRE
|
[Esch. Kund.) II. 294.
DINGS IN| 35 205
continua Hend. N 2. 281.
conyzae Hend. II. 256.
[ING Say VA
corvimontana Her. N 2. 282.
crassiseta Zett. II. 257.
cynoglossi Her. N 2. 282.
cytisi Bri. II. 258.
doronici Her. N 3. 217.
dorsata Hend. N 3. 218.
elsae Hend. (als facialis Kalt.)
[II. 259. N 1. 168. N 3. 218.
erigerophila Her. N 1. 169.
eupatorii Hend. (als lappae
[Gour.) II. 269. N 1. 170, 172.
facialis Kalt. N 1. 170.
fallaciosa Bri. (als auricomi Her.)
[IN 1 167. Ni 3. 204.
farfarae N 4. 90.
103
Phytomyza fascicola Bri (als anemones
CRIS
FER. |
RASE
Ill
[mimica Her.) N 3. 204,
[221 NT22 280:
ferulae Her. N 1. 171.
flavicornis Fall. II. 259.
flavofemorata Strobl. (als
[pratensis de Meij.) II. 284.
UNS) 211959226;
fuscula Zett. (als avenae de
[Meij.) II. 251. N 2. 280.
[N 3.204. N 4. 90.
gentianae Hend. II. 262.
[N 3. 219.
(Nap.) gentianella Hend.
INC NE 37205.
glechomae Kalt. II. 230.
gymnostoma N 3. 205.
hellebori Kalt. II. 262.
hendeli Her. II. 262.
heracleana Her. N 3. 219.
heringiana Hend. Il. 263.
hieracii Hend. II. 263.
hoppiana Her. N 4. 91.
ilicicola Löw. II. 264.
ilicis Curt. II. 264.
jacobaeae de Meij. II. 267.
kaltenbachi Hend. N 1. 171.
kyffhusana Her. N 2. 284.
[N 3. 220.
appae Gour. II. 268. N 1. 172.
laserpitii Hend. II. 270. N 4. 91.
(Nap.) lateralis Fall. II. 231.
ONT Ze DEL IN ZI
(Nap.) lonicerella Hend. (als
[lonicerae Kalt.) II. 228.
[IND 259284. Ni35 221,
luzulae Her. II. 271.
matricariae Hend. II. 271.
[N 2. 280 (als anthemidis)
[N 3. 221.
melampyri Her. (als flavofemo-
[rata Strobl.) II. 260.
Nie de SA INI 32228:
melana Hend. II. 272.
milii Kalt. II. 271.
minuscula Gour. II. 273.
narcissiflorae Her. N. 2. 286.
[N 4. 92.
nigra Mal 275.21N3:0223.
nigritella Zett. N 2. 286.
obscura Hend. II. 278. N 3. 205.
223. N 1. 171. N 3. 205 (als
[hedickei Her.) II. 275. N 3
[205 (als nepetae Hend.) N 3.
[205 (als tetrasticha Hend.)
obscurella Fall. II. 278.
olgae Her. N 3. 224.
orobanchia Kalt. II. 279.
pastinacae Her. II. 292 (als
sphondylii R. D.) N 1. 172.
INE3#223:
104 REGISTER.
Phytomyza pauli-loewi Hend. II. 280.
periclymeni de Meij. II. 281.
ENG S224:
petoi pera INE 172 INES 205.
philactaeae Her. N 4. 92.
phillyreae Her. N 3. 225.
pimpinellae Her. N 3. 226.
plantaginis R. D. II. 282.
primulae R. D. II. 284.
pubicornis Hend. II. 285.
ramosa Hend. II. 286. N 1. 174.
ranunculi Schrk. II. 287.
ranunculivora Her. N 4.92.
rectae Hend. (als pulsatillae
He) NIET ANNS 205
[228. (als hoppiana Her.)
[N 4. 91.
ia
rufipes Mg. II. 288.
(Nap.) rydéni Her. N 3. 228.
(Nap.) salviae Her. II. 233.
saxifragae Her. II. 289. N 4. 92.
scabiosae Hend. N 3. 229.
EN 02:
scabiosarum Her. N 2. 286.
(N 4. 92.
scolopendri R. D. II. 289.
[N 3. 230.
scotina Her. II. 290.
sedicola Her. II. 290.
selini Her. 11.291.) N 4. 93,
senecionis Kalt. (als lappae
[Gour.) II. 269. N 1. 172.
sii Her. (= berulae Her.)
(DIAR SINDS:
—— silai Her. N 4. 93.
— solidaginis Hend. II. 292.
INDER We IN 05E
—— sonchi R. D. (als lampsanae
Her., hieracina Her.) II. 267.
IN 205, Zahils
Ad
230.
Phytomyza sphondylii R. D. II. 292.
IND ies
spoliata Her. N 2. 287.
succisae Her. II. 293.
swertiae Her. N 3. 231.
tanaceti Hend. II. 293. N 3. 232.
taraxaci Hend. N 3. 232.
thalictricola Hend. N 3. 233.
thymi Her. N 2. 288.
thysselini Her. II. 294.
tordylii Hend. N 3. 233.
trollii Her. N 2. 288. N 3. 234.
[N 4. 94.
— trolliivora Her. N 3. 234.
—— umbelliferarum Her. N 3. 235.
varipes Macq. II. 297.
veronicicola Her. N 3. 236.
virgaurae Her. N 3. 236.
a Piel ES
—— vitalbae Kalt. II. 298,
ONS 238%
(Nap.) xylostei Kalt. II. 233.
[N 3. 236.
sp. an Clematis N 3. 238.
sp. an Clematis N 3. 240.
sp. an Conioselinum N 3. 238.
sp. an Gnaphalium N 3. 236.
sp. an Laserpitium N 4.95.
. an Lithospermum N 4. 94.
sp. an Ostericum N 4. 95.
sp. an Peucedanum N 3. 238.
sp. an Pimpinella N 3. 240.
sp. an Pleurospermum N 4. 94.
sp. an Ranunculus N 3. 238.
sp. an Silaus N 3. 237.
Pseudonapomyza atra Ma. II. 235.
[Neale
Xeniomyza ilicitensis Her.
ALI
Genus? an Celtis N 3. 242.
B. Nach den Wirtpflanzen angeordnet
ACHILLEA.
Liriomyza millefolii Her. N 1. 160.
pumila Mg. (als ptarmicae de
[Meij.) I. 286.
SPIEN. 3.7202!
Ophiomyia achilleae Her. N. 3. 187.
Gyo IN| Wey Tete INI Sa 7/2,
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
corvimontana Her. N 2. 282.
—— matricariae Hend. II. 294. (als
[tanaceti Hend.)
ACONITUM.
Phytomyza aconitella Hend. N 1. 177
[als EPS) ANS 207:
aconiti Hend. II. 239. N 2. 279.
| Phytomyza aconitophila Hend.
[N 3. 208.
ACTAEA.
Phytomyza actaeae Hend. N 3. 208.
—— philactaeae Her. N 4. 92.
ADENOSTYLES.
Phytomyza adenostylis Her. N 1. 165.
AEGOPODIUM.
Phytomyza aegopodii Hend. N 3. 210.
angelicae Kalt. II. 244. N 3. 210.
—— obscurella Fall. II. 279.
—— pubicornis Hend. II. 286.
REGISTER. 105
AGRIMONIA.
Agromyza spiraeae Kalt. Holl. Agr.
[120.
AGROSTIS.
Agromyza agrosticola Her. N 1. 146.
AIRA.
Agromyza lucida Hend. (airae Karl)
ONE ES
ALLIUM.
Dizygomyza cepae Her. N 1. 153.
Phytomyza gÿmnostoma Lw.
[N 3. 205.
ALNUS.
Agromyza alnibetulae Hend. (als
[albitarsis Mg.) I. 216.
AMARANTUS.
Liriomyza sp. N 3. 199.
ANDRYALA
Liriomyza andryalae Her. N 1. 160.
(INES:
ANEMONE.
Phytomyza abdominalis Zett. II. 238.
INSS22064. N74287.
albimargo Her. II. 242. N 4. 88.
anemones Her. II. 243. N 3. 210.
hendeli Her. II. 263.
narcissiflorae Her. N 4. 9.
ANGELICA.
Phytomyza angelicae Kalt. II. 243.
angelicastri Her. N 4.88.
angelicivora Her. II. 244, 279.
(als obscurella Fall.)
(INES 2
Melanagromyza lappae Löw. I. 244.
[N 4. 68.
BAR
ANTHEMIS.
Ophiomyia achilleae Her. N 3. 197.
Phytomyza matricariae Hend. N 2.
280. (als anthemidis),
INESMZ22R
ANTHRISCUS.
Phytomyza anthrisci Hend. II. 245.
—— (Nap.) lateralis Fall. II. 232.
ANTIDESMA.
Melanagromyza kalshoveni de Meij.
[ N 2. 255.
ANTIRRHINUM.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
AQUILEGIA.
Phytomyza aquilegiae Hardy II. 246.
—— minuscula Gour. II. 274.
ARCHANGELICA.
Phytomyza archangelicae Her.
INS ZIA
ARTEMISIA.
Dizygomyza artemisiae Kalt. I. 255.
Liriomyza artemisicola de Meij. I.
[285.
—— gudmanni Her. N 2. 276.
— de meijerei Her. N 2. 277.
Phytomyza albiceps Mg. II. 242.
annulipes Mg. N 4. 89.
atricornis Mg. II. 249.
ARNICA.
Phytomyza arnicae Her. N 1. 166.
INE By US
conyzae Hend. N 3. 217.
ARUNCUS.
Agromyza spiraeae Kalt. N 1. 148.
ASPARAGUS.
Melanagromyza simplex Lôw. I. 245.
INSAITS
Ophiomyia sp. N 3. 184.
Genus ? N 3. 242.
ASPERULA.
Dizygomyza morio Bri. I. 266.
ASTER.
Diz. humeralis v. Ros. (als bellidis
(tales) ml 257%
Liriomyza asteris Her. N 3. 195.
eupatorii Kalt. I. 287.
Melanagromyza aeneiventris Fall. I.
[242.
Ophiomyia proboscidea Strbl.
INMAI5?:
Phytagromyza tripolii de Meij. II.
[296.
106
Phytomyza asteribia Her. N 3. 213.
—— asteris Hend. (als Ph. sp. und
[tenella Mg.) II. 240. N 1.
Aas IN| Ws ZUG. PASV/o INI Se
[214.
ASTRAGALUS.
Liriomyza variegata Mg. I. 291.
ASTRANTIA.
Phytomyza astrantiae Hend. II. 247.
ATRAGENE.
Phytomyza kaltenbachi Hend. =
atragenis Her. N 4. 89.
rectae Hend. = hoppiana Her.
IST Ze Sil.
AVENA.
Agromyza (Domomyza) sp. I. 240.
SD UNS 2178:
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
fuscula Zett. (als avenae de
[Meij.) II. 251. N 2. 280.
Pseudonapomyza atra Mg. II. 235.
BALLOTA.
Dizygomyza labiatarum Hend. Holl.
[Agr. 122.
BAMBUSA.
Dizygomyza sp. N 2. 274.
BELLIS.
Dizygomyza humeralis v. Ros. (als
[bellidis Kalt.) I. 258.
Liriomyza fasciola Mg. (als subsp.
bellidis de Meij.) I. 285
[II. 317.
Phytomyza bellidina Her. N 3. 214.
BERULA.
Phytomyza sii Her. N 3. 230.
—— thysselini? Hend. II. 295.
BETULA.
Agromyza alnibetulae Hend. (als
[albitarsis) I. 216.
pruinosa Coq. I. 261.
Dizygomyza betulae Kang. N 3. 190.
INES 76%
REGISTER.
BORAGO.
Agromyza rufipes Mg. N 4. 62.
BRASSICA.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
[N 10166
rufipes Mg. II. 289.
BUDDLEIA.
Dizygomyza verbasci Bche. N 2. 272.
BUPLEURUM.
Phytomyza elsae Hend. (als facialis
Kalt.) II. 2592 Neo?
[N 3. 21%
facialis Kalt. N 1. 171.
BUTOMUS.
Liriomyza ornata Mg. N 2. 276.
[N 4. 81.
CALAMAGROSTIS.
Dizygomyza sp. (als incisa Mg.)
[NME SANTO
—— muscina Mg. N 1. 158.
CALLIOPSIS.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
CALTHA.
Phytomyza calthophila Hend. II. 277.
[N 2. 286.
CAMPANULA.
Dizygomyza gyrans Fall. N 3. 193.
Liriomyza buhri Her. N 3. 195 nota,
[201° (als "Lir sp) NE Aen
strigata Mg. N 2. 277.
Ophiomyia heringi Stary N 3. 179.
campanularum Stary N 3. 178.
[N 4. 691.
Phytomyza campanulae Hend.
[N 3.25
CANNABIS.
Liriomyza cannabis Hend. N 3. 195.
CARDUUS.
Liriomyza strigata Mg. I. 279.
IN’ 1.16%
REGISTER. 107
Melanagromyza aeneiventris Fall. I.
[243.
Phytomyza affinis Fall. II. 240.
[N 4. 87.
atricornis Mg. II. 248. N 1. 166.
CAREX.
Dizygomyza luctuosa Mg. N 1. 156.
[N 2. 268.
—— morosa Mg. (als laterella Zett.)
INEISISSENELE76:
—— semiposticata Hend. II. 306.
—— sônderupi Her. N 4. 77.
stansen NN 2 2712 N 4. 77.
CARUM.
Phytomyza carvi Her. N 3. 216.
CELTIS.
Agromyza sp. N 3. 172.
Gen? N 3. 242.
CENTAUREA.
Liriomyza centaureae Her. (als Lir.
[sp.) N 3. 199.
—— Liriomyza centaureana Her. (als
[centaurae Her.) N 3. 196.
Phytagromyza centaureana Her.
ON) 5 Gee
Phytomyza atricornis Mg. II. 248,
[249.
cinerea Hend. II. 255.
—— spoliata Her. N 2. 287.
CERASTIUM.
Dizygomyza flavifrons Macq.
PING lg Sa:
CETERACH.
Phytomyza dorsata Hend. N 3. 208.
CHAEROPHYLLUM.
B toma chacrophyl Kalt. II. 253.
chaerophylliana Her. N 4. 90.
CHENOPODIUM.
Dizygomyza abnormalis Mall.
INSZ NIS ZEN 31189:
CHONDRILLA
Ophiomyia sp. N 4. 73.
CHRYSANTHEMUM.
Liriomyza strigata Mg. I. 279.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248, 249.
CICER:
Liriomyza cicerina Rond. N 3. 197.
Phytomyza affinis Mg. N 3. 210.
CICUT A.
Phytomyza cicutae Hend. II. 253.
CICHORIUM.
Liriomyza strigata Mg. Holl. Agr. 124.
Ophiomyia pinguis Fall. I. 250.
[N 2. 263. N 3. 184.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
=== (Nap:) lateralis) Ball 11.232.
[IND Ze Bese INL Se ZOL
CIMICIFUGA.
Phytomyza actaeae Hend. N 3. 208.
CIRSIUM.
Phytomyza affinis Fall. II. 240.
BINNENSTE
cirsicola Hend. (als bipunctata
Ewa) IN 22280:
cirsii Hend. II. 255.
CLEMATIS.
Phytomyza kaltenbachi Hend.
INPI
_—_—_ vitalbae Walt 1122982 N 32239:
SD INL Ss 290:
Spa INL Sp 240:
CLINOPODIUM.
Phytomyza obscura Hend. II. 278.
COCCINIA.
Melanagromyza sp. N 3. 175.
COFFEA.
Melanagromyza coffeae Kon.
IN®2.251:
COLUTEA.
Liriomyza congesta Beck. (als
[leguminosarum de Meij.) I. 282.
108 REGISTER.
COMARUM.
Agromyza spiraeae Kalt. Holl. Agr.
[120.
CREPIS.
Melanagromyza pulicaria Mg. a +
68.
Ophiomyia persimilis Hend. N 4. 70.
Sop INS. 1D
CONIOSELINUM.
Phytomyza sp. N 3. 238.
CONVOLVULUS.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
CORNUS.
Phytomyza agromyzina Mg. II. 241.
CUCUMIS.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
CYNARA.
Agromyza apfelbecki Strobl. N 2,
[248.
CYNOGLOSSUM.
Agromyza rufipes Mg. I. 230.
Phytomyza cynoglossi Her. N 2. 283.
CYPERACEE.
Dizygomyza cornigera de Meij. N 2.
[2645535 192:
CYTISUS.
Agromyza de meijerei Hend. I. 225.
Phytomyza cytisi Bri. II. 258.
DAHLIA.
Liriomyza strigata Mg. Holl. Agr. 124.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
DAPHNE.
Dizygomyza approximata Hend. I.
[254.
DATURA.
Liriomyza solani Her. N 3, 198.
DAUCUS.
Ophiomyia sp. N 3. 186.
Phytomyza anthrisci Hend. N 3. 211.
DELPHINIUM.
Phytomyza aconiti Hend. II. 239,
[N 2. 279,
DIANTHUS.
Dizygomyza flavifrons Mg. Holl. Agr.
[122.
DICHROCEPHALA.
Dizygomyza humeralis v. Ros.
IN davo:
DIERVILLEA.
Phytomyza lappae Gour. (?) II. 269.
DIOSCOREA.
Melanagromyza sp. N 3. 175.
DIPSACUS.
Agromyza dipsaci Hend. (als Agr.
[SDS
Phytomyza ramosa Hend. II. 287.
INT
DORONICUM.
Liriomyza strigata Mg. Holl. Agr. 124.
ECHINOPS.
Phytomyza bipunctata Lw. (als
echinopis Her.) N 2. 283.
ECHIUM.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
ENDIVIA.
Phytomyza continua Hend. N 2. 281.
EQUISETUM.
Liriomyza equiseti de Meij. I. 281.
virgo, Zett I. 292.1723068:
[N 2. 278.
ERIGERON.
Phytomyza erigerophila Her. N 1.
1172.
REGISTER. 109
ERODIUM.
Agromyza erodii Her. N 2. 248.
IN Olle
EUPATORIUM.
Dizygomyza artemisiae Kalt. I. 255.
Liriomyza eupatorii Kalt. (als fasciola
Mg. var. eupatorii) I. 284.
RAIN le WO; 172,
strigata Mg. Holl. Agr. 124.
Melanagromyza aeneiventris Fall. I.
9432
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
— eupatorii Hend. (als lappae
[Gour.) II. 269. N 1. 170.
EUPHORBIA.
Liriomyza esulae Hend.
[(als pusilla Mg.) I. 276.
INI Se (Sk
—— pascuum Mg. N 4. 82.
EXAGONUM.
Liriomyza sp. N 3. 199.
FARN.
Melanagromyza sp. N 2. 261.
FERULA.
Phytomyza ferulae Her. N 1. 171.
FICARIA.
Phytomyza ranunculi Schrk. II. 288.
FRAGARIA.
Agromyza fragariae Mall. II. 303.
—— spiraeae Kalt. I. 231. N 1. 148.
FRAXINUS.
Phytagromyza heringi Hend. N 4. 85.
GALEOPSIS.
Liriomyza eupatorii Kalt.
[(als fasciola Mg. var.) I. 284.
strigata Mg. Holl. Agr. 124.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
GALIUM.
Liriomyza sp. I. 286.
= sp. N 3. 204. N 4. 83.
Ophiomyia galii Her. N 3. 186. N 4.
[73.
sp. N 3. 188.
SP IN| 45 73:
GENISTA.
Agromyza genistae Hend. N 3. 169.
GENTIANA. |
Phytomyza gentianae Hend. Il. 262.
[IN ZIG,
Phytomyza (Napomyza) gentianella
[Hend. N 1. 163.
GERANIUM.
Agromyza nigrescens Hend.
[(als Heringi de Meij.) I. 220.
GETREIDE.
Dizygomyza lateralis Macg. I. 265.
Cerodonta femoralis Mg? II. 301.
Man vergleiche auch Avena, Hordeum,
[Secale und Triticum.
GLECHOMA.
Phytomyza (Nap.) glechomae Kalt.
[II. 230.
GNAPHALIUM.
Phytomyza atricornis Mg. N 1. 166.
Sos IN| 3 MSO
GRäSER.
Agromyza albipennis Mg. I. 226.
(Dom.) ambigua Fall. I.
[236.
—— graminicola Hend. N 2. 248.
(Dom.) mobilis Mg. I. 238.
Cerodonta denticornis Panz. II. 301.
fulvipes Mg. N 2 290.
Dizygomyza incisa Mg. N 4. 76.
javana de Meij. N 2. 266.
lateralis Macq. I. 265. N 2. 267.
—— pygmaea Mg. I. 269.
[ING Zee ZIEN 4076:
So IN 2, M/S,
SPINDER
Liriomyza flaveola Fall. I. 271.
graminicola de Meij. I. 280.
[N 4. 81.
Phytomyza milii Kalt. II. 273.
nigra NIG 27.013223:
Pseudonapomyza atra Mg. II. 235.
Man sehe auch: Aira, Bambusa,
[Calamagrostis, Getreide, Hol-
[cus, Panicum, Phragmites.
110 REGISTER.
HELIANTHUS.
Liriomyza strigata Mg. N 1. 161.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248
[und Holl. Agr. 127.
HELICHRYSUM.
Phytomyza atricornis Mg. Holl.
[Agr. 127.
HELLEBORUS.
Phytomyza hellebori Kalt. II. 262.
HESPERIS.
Liriomyza strigata Mg. I. 279.
Phytomyza atricornis Mg. Holl.
[Agr. 128.
HERACLEUM.
Melanagromyza lappae Lw. I. 244.
Phytomyza heracleana Her. N 3. 219.
sphondylii R. D. II. 293.
HIERACIUM.
Liriomyza pusilla Mg. (als hieracii
[Kalt.) I. 280.
sonchi Hend. N 3. 231. N 4. 83.
Ophiomyia persimilis Hend. N 4. 71.
proboscidea Strobl. N 3. 184.
IN’4#. 72.
HOLCUS.
Phytagromyza flavocingulata Strobl. ?
56 65%
—— graminearum Her. N 2. 278.
HORDEUM.
Agromyza sp. N 3. 173.
HUMULUS.
Agromyza flaviceps Fall. I. 219.
HYDROCOTYLE.
Liriomyza hydrocotylae Her. N 2. 277.
strigata Mg. N 2. 277.
HYPOCHOERIS.
Ophiomyia persimilis Hend. N 3. 183.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
cecidonomia Her. N 3. 216.
IMPATIENS.
Liriomyza impatientis Bri. I. 272.
IES
Phytomyza ilicicola Lw. II. 264.
—— ilicis Curt. II. 264.
INULA.
Phytomyza conyzae Hend. II. 257.
—— kyffhusana Her. N 2. 284.
[N 3. 2208
IRIS.
Dizygomyza iridis Hend.
[(als Diz. aff. morosa Mg.)
[1..267. MTS 05 MNS ER
iraeos R. D. (als morosa Mg.)
[I. 267.
sp. (als Agr. laterella Zett.)
[II. 303.
JASIONE.
Liriomyza Buhri Her. N 4. 79.
JUNCUS.
Dizygomyza luctuosa Mg. (als effusi
[Karl) N 1. 1552N7 27268
JURINEA.
Phytomyza atricornis Mg. Holl.
[Agr. 128.
KNAUTIA.
Agromyza dipsaci Hend. (als Agr. sp.)
1. 2348
Phytagromyza similis Bri. II. 229.
[N 1. 16%
Phytomyza ramosa Hend. II. 286.
KLEINIA.
Liriomyza kleiniae eHr. 1. 160.
NG oie
LACTUCA.
Ophiomyia persimilis Hend. N 3. 183.
Phytomyza (Nap.) lactucae Vimm.
[N 3. 205.
LAMIUM.
Agromyza flavipennis Hend. I. 220.
Dizygomyza labiatarum Hend. I. 264.
lamii Kalt. I. 264.
REGISTER. 111
le Deve IN| 1.2161.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
LAMPSANA.
Liriomyza strigata Mg. Holl. Agr. 124.
[
Liriomyza puella Mg. I. 274. N 3.
[197.
strigata Mg. I. 270.
Melanagromyza cunctata Hend. (als
Ophiomyia sp.) I. 253. N
952522
Ophiomyia persimilis Hend. N 3. 182.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
sonchi R. D. (als lampsanae
[Her.) II. 268.
LANTANA.
Ophiomyia lantanae Frogg. I. 253.
[N 3. 180.
LAPPA.
Phytomyza atricornis Mg. Holl. Agr.
[127.
—— lappae R. D. II. 269.
LASERPITIUM.
Phytomyza laserpitii Hend. II. 270.
[N 4. 91.
—— sp. N 4. 95.
LATHYRUS
Agromyza lathyri Hend. II. 305.
(ING 248:
Liriomyza congesta Beck. (als legu-
minosarum de Meij.) I. 283.
— sp. N 3. 201.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
LEONTODON.
Liriomyza taraxaci Her. N 4. 83.
Ophiomyia persimilis Hend. N 3. 183.
LEPIDIUM.
Ophiomyia sp. N 3. 184.
LIBANOTIS.
Phytomyza heracleana Her.? N 3.
[220.
—— libanotidis Her. N 2. 284.
LILIUM.
Liriomyza urophorina Mik I. 293.
LINARIA.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
LITHOSPERMUM.
Phytomyza sp. N 4. 94.
LONICERA.
Phytagromyza hendeliana Her. II. 228
(in Holl. Agr. als lonicerae
[ Kalt.)
xylostei R. D. (als Phytomyza
luteoscutellata de Meij.) II.
[271, 299.
Phytomyza alpigenae Hend. N 1. 166.
[N 4. 87.
—— (Nap.) lonicerella Hend. II. 228
[nota, N 2. 284. N 4. 88. N 3.
[221. (als lonicerae Kalt.
—— periclymeni de Meij. II. 282.
IN 33224:
—— (Nap.) xylostei Kalt. II. 233.
LOTUS.
Melanagromyza cunctans Mg. N 4.
[67.
Liriomyza congesta Beck. (als legu-
minosarum de Meij.) Holl.
[Agr. 124.
LUPINUS.
Liriomyza strigata Mg. N 2. 277.
Phytomyza albiceps Mg.? II. 242.
atricornis Mg. Holl. Agr. 128.
LUZULA.
Dizygomyza bimaculata Mg. I. 258.
[N 3. 191.
Phytomyza luzulae Her. II. 271.
LYCHNIS.
Dizygomyza flavifrons Mg. Holl. Agr.
[122.
LYCIUM.
Liriomyza solani Her. N 1. 161.
LYCOPUS.
Dizygomyza sp. N 4. 77.
MALVA.
Agromyza sp. N 4. 67.
BD REGISTER.
Liriomyza strigata Mg. N 2. 277.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
MATRICARIA.
Liriomyza sp. N 3. 204.
Ophiomyia sp. N 3. 188.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
—— (Nap.) lateralis Fall. II 232.
—— matricariae Hend. II. 272. N 3.
[2218
MEDICAGO.
Agromyza (Dom.) drepanura Her.
NE 2, DE IN Se Olle
—— ——— frontella Rond. I. 237.
nana Mg. N 3. 170.
Liriomyza congesta Beck. (als legu-
[minosarum de Meij.) I. 283.
MELAMPYRUM.
Phytomyza flavofemorata Strobl. (als
[pratensis de Meij.) II. 284.
[INES M2 AN MENT
Phytomyza melampyri Her. (als fla-
[vofemorata Strobl) II. 261.
UND Eb Baik
MELANDR YUM.
Dizygomyza flavifrons Mg. I. 262.
Ophiomyia melandryi de Meij. N. 3.
MSN 4 0
MENTHA.
Phytomyza petoi Her. N 1. 173.
obscura Hend. (als Ph. hedickei
[Her., nepetae) N 1. 171.
MENTZELIA.
Liriomyza strigata Mg. 83.
MERCURIALIS.
Liriomyza mercurialis Her. N 2. 277
[N 4. 81.
NEPETA.
Phytomyza obscura (als nepetae
[Hend.) II. 275.
NICOTIANA.
Liriomyza solani Her. N 3. 198.
NOLANA.
Phytomyza atricornis Mg. N 4. 90.
OENANTHE.
Phytomyza anthrisci Hend.? II. 245,
ONONIS.
Agromyza sp. N 2. 251.
Liriomyza cicerina Rond. (als ononidis
[de Meij.) I. 278.
ORLAYA.
Phytomyza anthrisci Hend. N 3. 211.
OROBANCHE.
Phytomyza orobanchia Kalt. II. 280.
OROBUS.
Agromyza lathyri Hend. I 233 (als
[Agr. sp.) N 22 2480 IN 35570)
orobi Hend. N 1. 148.
OSTERICUM.
Phytomyza sp. N 4. 95.
PANICUM.
Agromyza panici de Meij. N 2. 248.
Dizygomyza javana de Meij. N 2.
[266. N 3. 194.
PAPAVER.
Liriomyza strigata Mg. I. 279.
Phytomyza atricornis Mg. Holl. Agr.
[128. II. 248.
PASTINACA.
Phytomyza pastinacae Hend. (als
sphondylii R.D.) II. 293.
IN 1..192,71752 N 392288
PEUCEDANUM.
Phytomyza pauli-loewi Hend. II. 281.
sp. N 3. 238.
PHACELIA.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
PHILLYREA.
Phytomyza phillyreae Her. N 3. 225.
REGISTER:
PHLOX.
Phytomyza atricornis Mg. N 1. 166.
[Holl. Agr. 128.
PHLOMIS.
Dizygomyza morionella Zett. N 2.
[269.
PHRAGMITES.
Agromyza lucida Hend. (als nigripes
[Mg.) I. 226.
—— graminicola Herd. N 4. 62.
phragmitidis Hend. I. 228.
Cerodonta phragmitophila Her. C 3:
DAR
Dizygomyza atra Mg. I. 257.
PICRIDIUM.
Liriomyza sonchi Hend.? N 3. 201.
Ophiomyia persimilis Hend. N 3. 183.
PICRIS.
Liriomyza strigata Mg. N 2. 277.
PIMPINELLA.
Phytomyza adjuncta Her. N 3. 208.
—— melana Hend. II. 272.
—— pimpinellae Hend. N 3. 226.
Sp ANS 240)
PIRUS.
Phytomyza heringiana Hend. II. 263.
PISUM.
Agromyza lathyri Hend. N 2. 248.
Liriomyza congesta Beck. (als legumi-
[nosarum de Meij und pusio
[Mg.) I. 278, 283.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
PLANTAGO.
Liriomyza sp.? N 3. 198.
Phytomyza atricornis Mg. N 1. 166.
—— plantaginis R. D. II. 283.
PLEUROSPERMUM.
Phytomyza sp. N 4. 94.
POA.
Cerodonta fulvipes Mg. N 1. 177.
113
Dizygomyza poae Her. (als morosa
[Mg.) N 1. 156.
POLYGALA.
Liriomyza polygalae Her. N 1. 160
[IN Si 63),
POLYGONUM.
Agromyza sp. N 3. 174. N 4, 67.
POLYPODIUM.
Phytomyza scolopendri R. D.
[N 3. 230.
POPULUS.
Agromyza albitarsis Mg. N 2. 247.
[N 3 169.
Phytagromyza populi Kalt. II.
LOS INL, 17%}
—— populicola Hal. N 2. 278.
[N 4. 86.
tridentata Lw. Il. 296.
POTENTILLA.
Agromyza spiraeae Kalt. I. 231.
[Holl. Agr. 120.
PRIMULA.
Phytomyza primulae R. D. II. 285,
PTERIS.
Dizygomyza hilarella Zett. I. 262.
PULSATILLA.
Phytomyza rectae Hend (als pulsa-
[tillae Her.) N 1. 174.
PINS 2225;
PYRETHRUM.
Phytomyza albiceps Mg. II. 242.
atricornis Mg. II. 248.
RANUNCULUS.
Phytomyza fallaciosa Bri. (als auri-
[comi Her.) N 1. 167.
—— fascicola Bri. (als anemones
[mimica Her.) N 2.
[250 MN 0227
ranunculi Schrk. II. 228.
—— ranunculivora Her. N 4. 92.
—— Rydeni Her. INS 220;
—— sp. N 3. 238.
114 i REGISTER.
RAPHANUS.
Liriomyza cruciferarum Her. N 1.
IGO, INL Ee AO
REICHARDTIA.
Ophiomyia persimilis Hend. N 4. 70.
SPNL
Phytomyza atricornis Mg.
[Holl Agr ly 297.
RICHARDSONIA.
Liriomyza strigata Mg. N 4. 83.
ROSA.
Agromyza spiraeae Kalt. I. 231.
NIRO
RUBUS.
Agromyza rubi Bri. N 1. 148.
[N 3. 170.
SALICORNIA.
Phytomyza atricornis Mg. N 4. 90.
SALIX.
Agromyza lygophaga Her. N 4. 63.
Agromyza salicifolii Collin. N 4. 63.
salicina Hend. I. 231.
Dizygomyza cambii Hend. I. 259.
IN P63 NS MONA
barnesi Hend. N 2. 263. N 4. 74.
Melanagromyza cecidogena Her.
N 1. 15%.
schineri Girl 02457
simplicoides Hend. I. 247.
Phytagromyza (als Phytomyza)
[tridentata Lw. II. 296.
SALVIA,
Phytomyza salviae Her. II. 233.
scotina Hend. II. 290.
SAMBUCUS.
Liriomyza amoena Mg. I. 277.
[N 3. 195.
SANICULA.
Phytomyza brunnipes Bri N 1. 168.
SAPONARIA.
Dizygomyza flavifrons Mg. I. 262.
SAROTHAMNUS.
Agromyza johannae de Meij. I. 223.
Melanagromyza sarothamni Hend.
IN? 222552
SATUREIA.
Ophiomyia labiatarum Her. N 3. 180.
SAXIFRAGA.
Phytomyza aizoon Her. N 2.
[280. N 4. 87.
saxifragae Her. II. 289. N 4. 92.
Phytomyza scabiosae Hend. N 4. 92.
scabiosarum Her. N. 2. 287,
NA ODA
SCIRPUS.
Dizygomyza morosa Mg. N 2. 269.
scutellaris v. Ros. (als scirpi
[Karl) N 1. 159. N 3. 194.
SCOLOPENDRIUM.
Ph. scolopendri R. D. jf. 289.
SCROPHULARIA.
Dizygomyza scolopendri R. D. II. 289.
SCUTELLARIA.
Dizygomyza labiatarum Hend. I. 264.
SEGAEES
Agromyza (Dom.) niveipennis
[Zette 152398
Phytomyza fuscula Zett. (avenae
[de Meij.) N 4. 90.
SEDUM.
Phytomyza sedi Her. II. 291.
SELINUM.
Phytomyza selini Her. II. 292. N 4. 93.
SENECIO.
Dizygomyza sp. N 2. 274.
Liriomyza strigata Mg. Holl. Agr. 124.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248, 249,
jacobaeae de Meij. II. 257.
—— (Nap.) lateralis Fall. II. 232.
senecionis (als lappae Gour.)
[269 NETZ
REGISTER. NE
SILAUS.
Phytomyza silai Her. N 3. 237.
(as SP h Esp") NE4.93.
SILENE.
Dizygomyza flavifrons Mg. I. 262.
SILYBUM.
Phytomyza atricornis Mg. N 1. 166.
SISYMBRIUM.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248. 249.
SIUM.
Phytomyza sii Her. N 2. 287.
IN®32 230.
SOLANUM.
Liriomyza solani Her. N 1. 166.
— IN 37198
Phytomyza atricornis Mg. Il. 249.
SOLIDAGO.
Dizygomyza posticata Mg. I. 268.
INI 2270)
Liriomyza eupatorii Kalt. N 4. 80.
Ophiomyia maura Mg. (als curvi-
[palpis Zett.) I. 249. N 2. 262.
Phytomyza solidaginis Hend. II. 297.
INTENSE 95:
——- virgaureae Her. N 3. 236.
SONCHUS.
Liriomyza sonchi Hend. (als hieracii
[Kale Sl 279) 280. NAT 161.
strigata Mg. I. 279.
Ophiomyia persimilis Hend. N 4. 71.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
cirsii Hend. II. 255.
SPARTIUM.
? Nya) 243.
SPIRAEA.
Agromyza spiraeae Kalt. I. 231.
STACHYS
Dizygomyza labiatarum Hend. I. 264.
Ophiomyia labiatarum Her. N 3. 180.
Zes N 4. 72.
SUCCISA.
Phytomyza olgae Her. N 3. 224.
succisa Her. II. 293.
SUAEDA.
Xeriomyza ilicitensis Her. N 2. 288.
SWERTIA.
Phytomyza swertiae Her. N 3. 231.
SYMPHYTUM.
Agromyza ferruginosa v. d. W.
Ul Bile INI Se (O2
SYMPHORICARPUS.
Phytomyza periclymeni de Meij. II
PE2ENE3F225.
(Nap) xylostei salts 12 235.
ON 25-225)
Phytagromyza xylostei R. D. (als
[luteoscutellata de Meij.) II. 271.
TAGETES.
Liriomyza sp. N 3. 200.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
[Ne GG:
TANACETUM.
Liriomyza tanaceti Hend. (als hieracii
[subsp. tanaceti de Meij.)
[I. 280.
Phytomyza atricornis Mg. Holl.
[Agr. 127.
TARAXACUM.
Melanagromyza pulicaria Mg.
IN| alg Silke INT 4768:
Liriomyza strigata Mg. I. 279
—— taraxaci Her. (als hieracii Kalt
PINS ONIN ZERE INS 252,
DNLS
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
TEPHROSIA.
Agromyza tephrosiae de Meij. N 4. 64.
TEUCRIUM.
Dizygomyza labiatarum Hend.
BNI ler
THALICTRUM.
Liriomyza fasciola Mg. ? I. 285.
116 REGISTER.
Phytomyza clematidis Kalt als thalictri
[Roug. Esch. II. 294.
[N 1. 176.
— thalictricola Hend. N 3. 233.
AEEA
Melanagromyza theae Green N 2.
[256 IN Sk 75:
THESIUM.
Liriomyza thesii Her. I. 282.
THYMUS.
Phytomyza thymi Her. N 2. 288.
THYSSELINUM.
Phytomyza thysselini Hend. II 295.
TILIA.
Agromyza tiliae Coud. I. 248.
TORILIS.
Phytomyza tordylii Hend. N 3. 233.
TRAGOPOGON.
Liriomyza pusio Mg. (als hieracii Kalt.
[und tragopogonis de Meij.)
[ls ZO ING We) Olt
TRIFOLIUM.
Agromyza nana Mg. I. 238.
Liriomyza congesta Beck. (als legu-
[minosarum de Meij.) Holl.
AGE ALT NEST
Phytomyza brischkei Hend. II. 253.
TRIGLOCHIN.
Lirimyza angularis Hend. N 2. 276.
TRITICUM.
Agromyza sp. N 3. 174.
Dizygomyza lateralis Macq. N 3. 194.
TROLLIUS.
Phytomyza trollii Her. N 2. 288.
IN) Sy 28k IN 4298
trolliivora Her. N 3. 234.
TROPAEOLUM.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
TUSSILAGO.
Phytomyza atricornis Mg. ? II 249.
farfarae Hend. N 4. 90.
UMBELLIFERE.
Phytomyza umbelliferarum Her.
N 3.2255
UMBILICUS.
Liriomyza umbilici Her. N 1. 162.
EN AMS
URTICA.
Agromyza anthracina Mg. I. 217.
reptans Fall. I. 228.
Melanagromyza aeneiventris Fall.
[I: 243;
Phytomyza flavicornis Fall. II. 259.
VALERIANA.
Liriomyza valerianae Hend. (als
[fasciola Mg.) I. 283.
strigata Mg. I. 279.
Phytomyza atricornis Mg.
Holl.
[Agr. 128.
VERBASCUM.
Dizygomyza verbasci Bché. I. 270.
VERONICA.
Agromyza rufipes Mg.? I. 230.
Liriomyza fasciola Mg? I. 285.
Phytomyza crassiseta Zett. II. 257.
—— veronicicola Her. N 3. 236.
VICIA.
Agromyza bicophaga Her. II. 305.
[N I. 146.
—— lathyri Hend. N 2. 248.
— nana Mg. N 4. 66.
—— viciae Kalt. N 4. 65.
—— vicifoliae Her. als nana Mg. I.
[2395 N35 SIEN MGO MGE
Liriomyza congesta Beck. (als legumi-
[nosarum de Meij.) I. 283. N 4. 66.
Phytomyza atricornis Mg. N 4.
VIOLA.
Liriomyza violiphaga Hend. N 3. 198.
XANTHIUM.
Liriomyza sp. N 4. 84.
XERANTHEMUM.
Phytomyza atricornis Mg. Holl.
[Agr.. 127.
ZINNIA.
Phytomyza atricornis Mg. N 2. 280.
59%
Over Bucculatrix maritima Stt, een
motje op zeeaster en hare parasieten
door
Dr. D. C. GEIJSKES
(Laboratorium voor Entomologie, Landbouwhoogeschool, Wageningen).
Tijdens een kort verblijf te Medemblik op 25 Augustus j.l.
maakte Ir. G. W. Harmsen, ambtenaar van de Directie van
de Wieringermeerpolder, me opmerkzaam op een insecten-
aantasting van zeeaster (Aster tripolium) in de Wieringer-
meerpolder, niet ver van de buitendijk, ongeveer 5 K.M.
ten Noorden van Medemblik. Bij een onderzoek ter plaatse
bleek de aantasting zeer locaal te zijn. Temidden van een
geheel veld Aster tripolium kwamen slechts hier en daar
,teruggebleven” plekken voor. Juist het korter zijn van de
aangetaste planten tegenover de gezonde exemplaren was
typisch. Ook het schriele uiterlijk verraadde de bezette plan-
SS
N
===
SEA
Fig. 1. Bucculafrix maritima Stt.
Pop verzameld in Wieringermeerpolder bij Medemblik, 25 Aug.,
Imago uitgekomen 1 Sept. 1937.
ten. Nauwkeurige observatie van de planten zelf bracht
spoedig aan het licht, dat we hier te doen hadden met een
beschadiging, door een Microlepidopteron veroorzaakt,
waarvan toen talrijke smalle witte coconnetjes langs de
stengel aanwezig waren. Per stengel konden 8—10 cocons
worden geteld. Helaas bleken de meeste cocons reeds leeg
te zijn, wat gemakkelijk te zien was aan de pophuid, die
halfweg uit de cocon stak. Niettemin werd een bos sterk
met cocons bezette stengels geplukt en voor verdere kweek
meegenomen.
118 Dr. D.C. GEIJSKES, OVER BUCCULATRIX
In het Lab. v. Entomologie te Wageningen verscheen het
eerste motje den 28sten Augustus. Het bleek een klein grauw
bruin weinig opvallend gestreept diertje te zijn, dat stellig
tot de Lyonetidae behoorde ; de typische cocons echter deden
me sterk denken aan die op brem van Gracilaria kollariella Z.
Fig. 3. Stengelgedeelte van
Fig. 2. Aster tripolium planten, aangetast door Aster tripolium met venster-
Bucc. maritima Stt. en bezet met popcocons vraat van Bucc. maritima:
(zie pijltjes). Wieringermeerpolder 25 Aug. 1937. rupsen. Bij pijl een popcocon.
De daaropvolgende dagen verschenen nog enkele exemplaren
en tevens kwamen er parasieten voor den dag, sluipwespjes,
behoorende tot de Braconidae en Chalcididae. Na 15 Sep-
tember scheen alles te zijn uitgekomen, althans geen nieuwe
individuen werden waargenomen, waarom de kweek verder
werd afgebroken. In totaal waren zoo ongeveer 100 stengels
in observatie geweest, elk bezet met minstens 4 en hoogstens
10 cocons. Een nauwkeuriger aanteekening is helaas achter-
wege gebleven.
MARITIMA STT., EEN MOTJE OP ZEEASTER ENZ. 119
In totaal verschenen uit deze kweek, loopende van 26
Augustus—15 September 1937:
12 motjes
8 Braconiden
16 Chalcididen.
Men bedenke hierbij dus, dat bij het aanzetten van de
kweek, de meeste cocons reeds leeg waren.
De Heer Ir. Graaf Bentinck te Overveen, die zoo vrien-
delijk was voor ons de determinatie van het motje uit te
voeren, kwam tot de ontdekking, dat we hier te doen hadden
met de soort Bucculatrix maritima Stt. Dit insect werd eerst
voor kort in ons land te Amsterdam ontdekt door den Heer
Diakonoff. Het werd door hem aldaar in 1935 gedurende
de maand Augustus in een vanglantaarn in den tuin van het
Koloniaal Instituut talrijk aangetroffen (zie T. v. E. DI.
LXXIX, 1936, p. XXXVI). Een jaar later konden door hem
te Camperduin op 21 Mei mijngangen op zeeaster worden
gevonden, die door rupsjes ‘van Bucc. maritima waren be-
woond en 8 Juni d.a.v. de vlindertjes leverden. Eveneens
trof genoemde Heer in Juni te Zeeburg bij Amsterdam
talrijke mijnen en cocons op zulte aan, terwijl ook eenige
motjes gevonden werden (zie T. v. E. DI. LXXIX 1936,
p. LXXXIV). Tenslotte kon de Heer Bentinck 1 expl. te
Zandvoort bemachtigen (T. v. E. DI. LXXIX, 1936, p. 215).
Uit deze nog slechts sporadische gegevens blijkt wel, dat
Bucculatrix maritima in Noord-Holland, overal waar Aster
tripolium voorkomt, niet zeldzaam zal zijn. De soort schijnt
aan deze plant gebonden en streng monophaag te leven.
Ook buiten Nederland is zij van zoute gronden bekend, o.a.
uit Engeland en Noord-Europa.
Omtrent de eiafzetting is weinig bekend; deze heeft stel-
lig op de voedselplant plaats. Van de rupsjes, die grijsgroen
zijn met een donkere ruglijn en een gelen kop, weten we, dat
ze althans in het begin van hun leven mineeren in de bladeren
van zeeaster en hierin aan den bovenkant smalle kronkel-
mijngangen aanleggen. Later leven zij vrij aan den onderkant
der bladeren en langs de stengel, waar ze typische lang-
werpige vensters uitvreten (Fig. 3). Het is vooral deze vre-
terij, die de plant schade doet en door het verminderde assi-
milatie-vermogen haar groei belemmert. Sterk aangetaste
planten blijven daardoor korter en ontwikkelen ook veel min-
der bloemen ; de bloeiwijzen blijven klein, en zaad wordt maar
weinig of in het geheel niet gezet (zie foto).
De verpopping vindt plaats in langwerpige witte cocons,
aan de buitenzijde voorzien van 5 lengteribbels. Ze worden
aan de onderzijde van de bladeren, of meer nog op de stengel
aangelegd, soms zelfs enkele tegen of half over elkaar heen.
Bij het uitkomen van de pop schuift deze halfweg uit de
120 Dr. D. C. GEIJSKES, OVER BUCCULATRIX
cocon naar buiten, steeds aan de naar beneden gerichte zijde.
De pop zelf is licht tot donkerbruin van kleur.
De vlindertjes zijn grof beschubd en zeer verschillend van
tint en teekening. Volgens Bentinck (l.c. p. 203 en 215) kun-
nen de voorvleugels vuil donker okergeel of bruin zijn, of
geheel ongeteekend, of wel met min of meer duidelijke „Litho-
colletis-teekening, bestaande uit een witte langslijn uit den
wortel en 2 paar schuine witte langsstreepjes, of wel met een
donker stipje op 34 lengte en een even boven het midden
van den bruinen rand. De franje is licht met een donkere dee-
lingslijn. De achtervleugels zijn donkergrijs, de kopharen
geelbruin, op zijde lichter en zeer ruig, het aangezicht en de
sprietwortel zijn bleek geelgrijs. De lengte bedraagt 8—9 mm.
Naar de weinige ons ten dienste staande gegevens is het
waarschijnlijk, dat Bucculatrix maritima in ons land per jaar
2 generaties maakt. Diakonoff (T. v. E. p. LXXXIV) trof
in 1936 op 21 Mei te Camperduin zoowel mijnen als cocons
op zeeaster aan, de eerste vlinders hiervan verschenen 8 Juni
d.a.v. Op 10 Juni trof Diakonoff in een vanglantaarn te Am-
sterdam de eerste motjes van deze generaties aan, terwijl op
18 Juni de soort in zeer groot aantal in de lantaarn gevonden
werd. Het jaar daarvoor werden de motjes voor 't eerst in
Augustus opgemerkt. Deze zouden dan van de tweede gene-
ratie afkomstig zijn!). Ook de weinige exemplaren, door mij
eind Augustus in de Wieringermeerpolder gevonden, zijn
als het laatste restant van de tweede generatie te beschou-
wen. Hoe dit insect overwintert, is zoover mij bekend, niet
onderzocht. Doordat Aster tripolium tweejarig is, kunnen
zich hier verschillende mogelijkheden voordoen. Het insect
kan derhalve òf als ei, òf als jonge rups (in de rozetbladeren),
òf als imago (verscholen) den winter doorkomen. Het laatste
geval is nog het meest waarschijnlijk te achten, gezien het
feit, dat vele micro's in ons klimaat als imago overwinteren.
De waargenomen parasieten behooren, zooals reeds ge-
meld, tot de Braconidae en Chalcididae. Van de eerste fa-
milie was slechts één soort aanwezig, behoorende tot het ge-
slacht Apanteles. Bij determinatie met de lijst van Fahringer
in Opuscula Braconologica Bd. IV 1935 vertoonde ze veel
overeenkomst met Apanteles anomalus Lyle, uit Engeland
bekend als solitaire parasiet van Bucculatrix nigricornella Z.
Dr. Ferrière te London, die de parasieten ter verdere deter-
minatie werden toegezonden, kon echter deze determinatie
niet met zekerheid bevestigen.
1) De heer Diakonoff was zoo vriendelijk mij als zijn laatste meening
hieromtrent het volgende te berichten: „Uit eenige waarnemingen in onze
lichtkast gedurende dezen zomer verricht, is het mij nu met zekerheid
gebleken, dat er fwee generaties van deze mot bij ons optreden: één
in Juni en één in Augustus, die zeer duidelijk gescheiden zijn, althans
in Amsterdam”.
MARITIMA STT., EEN MOTJE OP ZEEASTER ENZ. 121
De Chalcididae bleken volgens Dr. Ferrière tot 4 soorten te
behooren en wel:
Eupteromalus ?nidulans Först. (9 expl.), Habrocytus sp.
(5 expl.), Asaphes vulgaris Walk. (1 expl.), Eulophus sp.
(1 expl.). Hiervan moet Asaphes vulgaris wellicht als hyper-
parasiet worden opgevat.
Acidoxantha bombacis n. sp.
von
Prof. Dr. J. C. H. DE MEIJERE
Amsterdam.
Hendel hat die Gattung Acidoxantha zuerst in seiner
Bestimmungstabelle aller Trypetinengattungen (Wien. Ent.
Ztg. XXXIII, 1914, p. 83) aufgeführt. Eine Beschreibung
gab er in: Sauters Formosa-Ausbeute. Tephritinae (Ann.
Mus. Nation. Hungar. XIII, 1915, p. 450). Diese stimmt ganz
auf die neue Art, nur sind die Borsten nicht alle gelb, einige
dunkelbraun aber doch mit starkem gelben Schiller. Von
Hendel's Art punctipennis (ibid. p. 151) ist sie aber ver-
schieden ; der Thorax ist nicht einfarbig hell rotgelb, und es
finden sich keine schwarzen Punkte am 4. und 5. Abdominal-
tergit, die Flügelzeichnung ist aber fast dieselbe. Merkwür-
diger Weise findet sich fast dieselbe Zeichnung auch bei
Acidia himalayensis Bezzi, welche Gattung sich aber u.a.
durch bedornte 3. Längsader (14 He) unterscheidet (Bezzi,
M., Indian Trypaneids, Mem. Indian Museum, Vol. III. 1913,
No Sr pP. 142 PL IDEE LO)
8, 2. Stirne matt rotgelb, Stirnstrieme unbehaart, 2 obere
Orbitalborsten, von welchen die hintere gelb und halb so
lang ist als die vordere, beide nach hinten schauend, 2 vor-
dere Orbitalborsten. Fühler gelb, das 3te Glied an Wurzel
und Spitze, z. T. auch unten, breit dunkel. Fühlerborste
nackt. Untergesicht gelb, weisslich bereift. Säuger und Taster
gelb.
Thorax matt weisslich mit weisslicher Bereifung, zu beiden
Seiten mit 3 wenig auffälligen braünlichen Längsstriemen.
Die Behaarung des Thorax sehr kurz, weiss. Schildchen
gelbweiss mit 4 Borsten, die Unterseite mit schwarzen äus-
seren Ecken. Hinterrücken gelb, am Hinterrand in der Mitte
glänzend schwarz. Hinterleib gelb, der 3. bis 5. Ring am
Vorderrande schwarz. Die Legeröhre des © braungelb, an
den Seiten und die äusserste Spitze schwarz.
Flügel mit Querbinden, eine vollständige über die hintere
Querader, an welcher eine Säumung der Flügelspitze an-
schliesst, eine Y-förmige, welche die kleine Querader enthält,
sich am Vorderrande bis zu einem schwarzen Fleckchen an
der Spitze der subcosta erstreckt, und sich wurzelwärts noch
bis in die 2, Basalzelle ausdehnt, auch die Umgebung der
Wurzelquerader verdunkelt ; die in Figur 1. wenig punktier-
ACIDOXANTHA BOMBACIS N. SP. 123
ten Stellen sind gelb, die dicht punktierten grau. Beine ganz
gelb, höchstens die Tarsen nach dem Ende etwas dunkler.
Vorderschenkel und Mittel- und Hinterschienen aussen mit
einer Reihe von gelben Borsten. 4 5 mm, ® mit Legeröhre
ca. 6 mm, Flügel 5 mm.
Tönnchen ganz gelb mit wenig deutlichen Einschnitten.
Von Warzengürteln ist auch mit starker Loupe nichts zu
sehen. Hinterende abgerundet. Hinterstigmen um weniger als
ihr Durchmesser von einander entfernt, mit je 3 geraden
Knospen, darunter in einem querovalen, matt schwarzen
Fleckchen der Anus.
Fig. 1. Acidoxantha bombacis de Meij, Flügel.
Mittel-Java : Sil. Sawangan, aus Blumen von Bombax ma-
labaricum, Aug. 1937. Die Larven leben in den Blumen des
randoe alas, Bombax malabaricum, und zerstören im beson-
derer: die Staubblätter. Angeblich treibt darum der grösste
Teil der randoe-Blumen keine Früchte. Prof. Roepke erhielt
die Fliegen von Herrn Deinema und sandte sie mir zur Be-
stimmung zu.
Nach schriftlicher Mitteilung des Herrn Deinema war es
schon lange aufgefallen. dass die übermässige Blüthe dieser
Waldriesen nur eine äusserst geringe Anzahl Kapok-Kolben
liefert. Nähere Untersuchung lehrte, dass in fast jeder noch
geschlossenen Blüthenknospe einige Larven vorhanden waren,
welche die Staubblätter befielen, sodass zuletzt nur eine breiige
braune Masse übrig blieb. Von Dr. Levert wurden einige
Blüthenknospen in einer bis zur Hälfte mit Erde gefüllte
Flasche gebracht; die Larven lieferten bald die Tönnchen,
sowohl in den Knospen als in der Erde, während nach ca.
14 Tagen daraus typisch grün gefärbte Fruchtliegen hervor-
kamen. Diese Zuchtversuche wurden sowohl in 1936 als in
1937 in der ersten Hälfte von August ausgeführt. Herr
Deinema fügt noch hinzu, dass, nachdem bei dem randoe
alas sich ca. 100 % der Blüthen befallen ergeben hat, Über-
gang dieser Fliege auf die cultivierte Java-randoe verhäng-
nisvolle Erfolge haben würde.
Fauna javanensis.
(Coleopt. fam. Lucanidae)
von
POSTRAT NAGEL, Hannover.
Prosopocoilus aterrimus nov. spec.
Mas. Niger, subsplendens, Pros. javanensi v. d. Poll con-
silimis sat differt et major. Caput transversum, angulis anticis
rotundatis ; cantho oculos 4 fere dividiente ; post oculos dila-
tatum, supra semicirculariter planum, pone angulos anticos 2
foveis parvis indistinctis, in medio 2 foveis magis distinctis
ornatum ; margine antico excavato, margine postico splenden-
te; labro parvo rotundato ; mandibulis capite longioribus,
undulatis, apice acutis, intus serratis. Prothorax capite latior,
angulis anticis perpaulo productis, rotundatis ; lateribus undu-
latis, postice perpaulo divergentibus, angulis posticis rotun-
datis ; indistincte longitudinaliter incisus, in medio fovea mi-
nima instructus. Scutellum late cordiforme. Elytra prothoracis
latitudine, sine parte opaca exteriore, ut in Pros. javanense,
supra 2 costis indistinctis instructa.
Subtus subsplendens, sed processus prosternale, medium
metasterni et segmentes abdominales splendentes. Tibiae an-
ticae extus serratae, intermediae et posticae in medio spina
minima armatae ; tarsi aureopilosi.
In mare minore foveae in disco capitis et spinae tibiarum
intermediarum magis distinctae.
Longit. corporis 38 mm, mandibularum 11 mm, latit. max.
15 mm. Habitat: Kaligoea (Slamat), Java insula; 1500 m,
VI 1937. C. F. Drescher, Bandoeng,'legit. Typus in coll.
Drescher, cotypus in coll. mea.
Femina. Niger, splendens. Caput ut in mare semirculariter
planum, pone oculos foveatum, supra et in marginibus exter-
nis subrugosum ; labro parvo rotundato, mandibulis opacis
unidentatis. Prothorax capite latior, in medio fovea perpaula
instructus et valde indistincte longitudinaliter incisus, lateri-
bus postice divergentibus, angulis anticis posticisque rotunda-
tis. Elytra prothoracis latitudine, in exteriore parte opaca,
sed pars opaca ab parte splendente nec distincte separata ut
in Pros. javanense. Tibiae anticae serratae, intermediae et
posticae spina acuta fere in medio armatae.
Longit. corporis mandib. incl. 30 mm; latitudo max. 11,5
mm. de.
Die vorstehend beschriebene neue Art wurde von Herrn F.
FAUNA JAVANENSIS. 125
C. Drescher gesammelt ; sie ähnelt sehr dem Prosopocoilus
javanensis, weicht aber besonders auch durch grösseren
Wu
Völlig schwarz ist sie mattglänzend, und es fehlt ihr de
matte Streifen an den äusseren Deckenrändern. Der Kopf ist
breiter, als lang, mit gerundeten Vorderecken ; die Augen-
leiste teilt die Augen ungefähr zur Hälfte ; hinter den Augen
eine Verbreiterung, ähnlich vielen Odontolabis-Arten ; die
Oberseite ist halbkreisförmig abgeflacht und weist bei den
Augen eine kaum sichtbare Vertiefung auf, 2 etwas deut-
lichere befinden sich am Rande des Halbkreises, die bei mit-
telgrossen und kleinen Stücken sehr deutlich sind. Der Vor-
derrand ist einwärts gebogen, die Stirne hohl, das kleine La-
brum gerundet. Der Hinterrand des Kopfes ist glänzend. Die
Mandibeln sind länger als der Kopf, geschwungen, an der
Basis, etwas hinter — spitzenwärts gesehen — der Mitte
und vor dem Ende mit etwas grösseren Zähnen besetzt, die
Zwischenräume kleiner gezähnt. Die Vorderbrust ist breiter,
als der Kopf, Vorderecken gerundet und etwas vorgezogen,
Seiten geschweift und nach hinten divergierend. Hinterecken
ebenfalls gerundet, in der Mitte deutlich der Länge nach ein-
geschnitten und genau in der Mitte mit einer punktförmigen
Vertiefung versehen. Schildchen breit herzförmig, sehr fein
zerstreut punktiert. Die Flügeldecken so breit, als der Pro-
thorax, mit 2 undeutlichen Längsrippen versehen, die aber
nicht bis zu den Enden durchlaufen.
Unterseite mit Ausnahme des Prosternalfortsatzes, der
Mitte des Metasternums und der Hinterleibsringe-diese Teile
glänzend-mattglänzend. Vorderschienen dicht gezähnt, Mit-
tel- und Hinterschienen mit kaum sichtbaren Mitteldorn
besetzt, Tarsen goldig behaart.
Das Weibchen ist sehr glänzend — wie übrigens auch die
126 FOSTRAT NAGEL,
kleinen Männchen — tiefschwarz, die Aussenränder der
Decken chgriniert. Hierdurch ähnelt das Weibchen sehr dem
von Prosopocoilus javanensis ; während aber bei diesem der
glänzende Mittelteil der Decken scharf vom mattem Seitenteil
getrennt ist, geht bei der neuen Art der glänzende Teil mehr
allmählich in den matten Teil über. Der Kopf hat die gleiche
halbrunde Abflachung wie beim Männchen, nur ist hier die
Oberseite leicht gerunzelt ; neben den Augen befindet sich
eine dreieckige Vertiefung, die nach der Stirne zu durch eine
schwache Leiste begrenzt wird. Die Mandibeln sind matt
und haben 1 Mittelzahn ; das Labrum ist klein und halbrund.
Die Vorderbrust breiter, als der Kopf, mit leicht nach hinten
divergierenden Seiten, in der Mitte sehr undeutlich längs
geschnitten und inmitten dieses Schnittes die auch beim
Männchen vorhandene punktförmige Grube, Vorder- und
Hinterecken gerundet. Die Decken sind so breit, wie die
Vorderbrust. Unterseite nicht ganz so glänzend als die Ober-
seite, Ränder des Metasternums und der Hinterleibsringe
matter, Mentum halbrund und gerunzelt; Vordertibien am
Aussenrand dicht gezähnt, Mittel- und Hintertibien mit
deutlichem Mitteldorn.
Die 3 Typen befinden sich in der Sammlung Drescher,
Bandoeng, Cotypen in meiner Sammlung.
Bladz.
ΗLVII
i Tenthr.) i 12016
Geijskes, Over de insectenfauna van
e Kagerplassen en omgevende wateren. ie 14- 34
| . Barendrecht, The Dutch Fungivoridae in
35— 54
\.Graaf Bentinck, a aanteekenin-
en betreffende Nederlandsche Lepidoptera . 55- 60
Dr. J. C. H. de Meijere, Die Larven der .
gromyzinen. Vierter Nachtrag . . . . . . 61-116
>. Geijskes, Over Bucculatrix maritima Stt.,
motje op zeeaster en hare parasieten . . 117-121
5): C. H. de Meijere, Acidoxantha bom- _
di 222-123
at Nagel, Fauna javanensis ili fam.
124-126
Avis
La Société Entomologique des Pays-Bas prie les Co
d'adresser dorénavant les publications scientifiques, q
sont destinées, directement à : Bibliotheek der Nederlands
Entomologische Vereeniging, p/a.Bibliotheek van het I
niaal Instituut, AMSTERDAM, Mauritskade 62.
adresser sa réclamation sans aucun ed parce qu'il
serait pas possible de faire droit à des réclamations tard
J. B. CORPORAA
Secrétaire de la Socié
entomologique des Pays |
p/a. Zoölogisch Museun
Plantage Middenlaan
Amsterdam.
Le,
yo ef Colman
27 Zesloay de
ce)
È 8
\ JAN 13 1939
Tijdschrift voor Entomologie
UITGEGEVEN DOOR
De Nederlandsche Entomologische Vereeniging
ONDER REDACTIE VAN
PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, F. T. VALCK LUCASSEN
EN
J. J. DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL
EEN-EN-TACHTIGSTE DEEL.
JAARGANG 1938.
DERDE EN VIERDE AFLEVERING.
(DECEMBER 1938).
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
De contributie voor het lidmaatschap bedraagt f 10.—
per jaar. Ook kan men, tegen het storten van f 100.— in-
eens, levenslang lid worden.
Buitenlanders kunnen tegen betaling van f 35.— lid wor-
den voor het leven.
De leden ontvangen gratis de Entomologische Berichten
(6 nummers per jaar; prijs voor niet-leden f 0.50 per num-
mer), en de Verslagen der Vergaderingen (2 per jaar;
prijs voor niet-leden f 0.60 per stuk).
De leden kunnen zich voor f6.— per jaar abonneeren
op het Tijdschrift voor Entomologie (prijs voor niet-leden
f 12.— per jaar).
De oudere publicaties der vereeniging zijn voor de leden
voor verminderde prijzen verkrijgbaar.
Aan den boekhandel wordt op de prijzen voor niet-leden
geene reductie toegestaan.
en dot Ss oe ane ee ne
Noorden. =
DoetrnchaQ |
- =
ss
SE
nue
DI Pa wold
Np
— 4 oHılder
> 9
/ N j OZeddom
Deuzdh ech.
6 DAR en la Sal
+Klein-Rese ly,
an ente Mand
IA
SÉtlulzen Fey
u
; 1 SK
Ne > OS kkum
N
5 O Sheerenser
d 3
iere
Schetskaart van het Z.O. deel van de Lijmers met aangrenzend Duits gebied.
Schaal 1 : 160.000.
In de omcirkelde gebieden werd het grootste deel der in de lijst genoemde
vlinders gevangen.
Macro-Lepidoptera uit de Lijmers.
Faunistisch-biologische bijdrage tot de kennis van de
vlinderfauna van Zuidoost-Gelderland en ‘t aangrenzend
Duits gebied.
door
L. H. SCHOLTEN.
Ter inleiding.
Toen ik in 1923 lid werd van de Nederl. Entom. Vereni-
ging, schreef me de toenmalige Voorzitter, wijlen Dr. J.
Th. Oudemans, dat ik het geluk had in een entomolo-
gisch gunstig gebied te wonen. Hij raadde me aan, mijn
naaste omgeving intensief te doorzoeken naar de hier voor-
komende Lepidoptera, vooral ook, omdat aan dit onderzoek
in deze streek tot nu toe zo goed als niets was gedaan.
Ik ben toen aan die taak begonnen, waarvoor ik het ene
jaar meer, het andere minder tijd en gelegenheid had. Eerst
in Herwen, later in Lobith, en van den beginne af in de
Bijvank en de Montferlandse heuvels, heb ik gezocht en
gespeurd, en honderden excursies in deze omgeving hebben
me langzamerhand een kijk gegeven op de vlinderfauna van
deze streek.
Over het resultaat daarvan na een onderzoek van 10 jaren
heb ik op de Zomervergadering van de Nederl. Ent. Ver.,
in 1932 te Doetinchem gehouden, een en ander meegedeeld.
(Zie T. v. E., LXXV, blz. LXXVII.) Daar sprak ik de
hoop uit, elders een lijst der gevonden soorten te kunnen
publiceren.
Intussen gingen weer 5 jaren voorbij, waarin van het
samenstellen dier lijst niets kwam. Achteraf ben ik daar blij
om. Want ik ben tot het inzicht gekomen, dat een lijst, zoals
ik toen bedoelde: een eenvoudige opsomming der waarge-
nomen soorten, weinig nut heeft. Het resultaat van talrijke
waarnemingen, die een aanhoudende studie der vlinderfauna
van een bepaald gebied oplevert, blijft dan onvermeld en
heeft zo voor een ander geen waarde.
Toen is het plan ontstaan van deze bijdrage. De samen-
stelling ervan bracht wel grotere bezwaren mede, maar daar
stond ook tegenover, dat, mocht mijn opzet slagen, er iets
tot stand gebracht zou worden, dat ongetwijfeld enige blij-
vende waarde had, waarvan ook anderen konden profiteren.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 128
Een der grootste bezwaren voor mij was wel, zoveel
mogelijk alle aberratieve vormen op te nemen, door mij in
dit gebied waargenomen. Dat was voor het overzicht, zoals
ik het nu bedoelde, echter nodig.
Er wordt over het belang van deze vormenkwestie ver-
schillend geoordeeld. Om hun tegemoet te komen, die zeer
grote waarde hechten aan een nauwkeurige opgave van alle
vormen, heb ik ze zoveel mogelijk vermeld. Dit wil echter
niet zeggen, dat ik àl deze aberratief-namen voor gerecht-
vaardigd houd.
Om de studie van deze vormen ook voor andere gebieden
te vergemakkelijken, heb ik van alle opgegeven aberraties
zoveel mogelijk de korte beschrijving gegeven. Deze zijn
meest door Lempke gecontroleerd. Dit waarborgt de
juistheid ervan en voorkomt veel moeilijkheden, die men
anders ondervindt.
Om de betrouwbaarheid zo groot mogelijk te doen zijn,
heb ik ook voor de juiste determinatie van de meeste aberr.
vormen de medewerking ingeroepen van de heren Dr.
Heydemann-Kiel en Lempke-Amsterdam, de eerste
vooral voor de uilen en spanners, de laatste voor de dag-
vlinders en enige andere groepen en soorten. Het was mezelf
onmogelijk alle vormen juist te determineren. Genoemde
heren hebben me zeer bereidwillig geholpen, waarvoor ik
ze ook hier hartelijk dank.
Ik bedoel met deze bijdrage geen beschrijving van een
nauwkeurig begrensd gebied. Dat is onmogelijk, omdat .
bodemgesteldheid en klimaat niet aanmerkelijk verschillen
van omliggende streken. Wel zal de vlinderfauna van de
Lijmers min of meer afwijken van die van het uiterste Noor-
den bijv. of van de duinstreek, doch ik geloof niet, dat er
grote verschillen bestaan tussen de door mij onderzochte
streek en een willekeurig gebied uit het Zuiden of het Oosten
van ons land, afgezien dan van het feit, dat hier of daar
de bodemgesteldheid, (moerassige heide of kalkheuvels van
Zuid-Limburg) haar invloed op de fauna doet gelden.
Ik bericht dus alleen over een gebied in het Zuid-Oosten
van ons land, dat ik, omdat er toevallig mijn woonplaats in
ligt, nader heb kunnen onderzoeken ; waarmee ik, wat de
vlinderfauna betreft, door een 15-jarig onderzoek, zeer ver-
trouwd ben geraakt, en dat ik in die tijd wel zó heb leren
kennen, dat het overzicht niet al te onvolledig behoeft uit te
vallen.
Voor zover mij bekend, is voor ons land van geen enkel
gebied een dergelijk uitvoerig overzicht verschenen, alleen
enkele vanglijsten van een of andere plaats of streek, die
ook al weer verouderd zijn. Om een goed totaal-overzicht
van de gehele fauna van Nederland te krijgen, moeten er
meer van deze streekbeschrijvingen komen. Geen enkel
129 L. FI. SCHOLTEN,
Lepidopteroloog kan het gehele land alleen voldoende onder-
zoeken.
Is het niet jammer, dat men voor ons interessante duin-
gebied geheel op losse publicaties is aangewezen ? Eveneens
voor Zuid-Limburg, Drente en enkele andere belangrijke
gebieden ?
De heer Lempke is begonnen aan een modern bijge-
werkte Catalogus voor heel ons land, alleen faunistisch. Hoe
nuttig en nodig deze ook is, en hoe degelijk Lempke dat
werk, blijkens de intussen verschenen eerste beide delen,
ook aanpakt, moet hij toch voor elke bepaalde streek be-
perkter blijven dan een werk, als het onderhavige, zijn kan.
Daarom dient zijn werk met deze faunistisch-biologische
streekbeschrijvingen te worden aangevuld.
Zoals ik op de Zomervergadering te Doetinchem reeds
mededeelde, beslaat het terrein, waar ik verzamelde, slechts
een geringe oppervlakte. Nauwkeurig de grenzen hiervan
aan te geven, gaat uit den aard van de zaak niet. Men leert
door ervaring enkele plekken als gunstig kennen. Die wor-
den dan bij voorkeur bezocht. Uit het daar tussen gelegen
gebied, meestal wei- en bouwland, neemt men ook wel eens
iets mee, maar in de regel is dit minder geschikt „vang-
terrein. Dan: vlinders zijn geen planten, dus veel minder
aan bepaalde plaatsen gebonden. Het ene jaar zijn ze er,
het andere weer niet.
Als men met licht vangt, bestaat ook niet altijd de zeker-
heid, dat een gevangen dier in de allernaaste omgeving
thuis hoort, vooral niet, als men sterk licht gebruikt, dat op
grote afstand zichtbaar is. Bij zwakker licht heeft men meer
zekerheid, doch ook nog geen absolute. Datzelfde geldt ook
voor het vangen op smeer, al geloof ik, dat men dan meer
dieren uit de onmiddellijke nabijheid krijgt, dan met licht.
In beide gevallen heeft men kans, zwervers of trekkers
te krijgen, dieren dus, die niet in de naaste omgeving thuis
behoren.
Zijn er wel eens proeven genomen, om uit te maken, van
hoe ver vlinders afkomen op licht en smeer, hoe groot de
actie-radius van de lamp, de aantrekkingskracht van de
stroopgeur is ?
Voor de vangst op licht verkeerde ik niet in de gunstigste
omstandigheden. Herwen was tamelijk goed, maar dat was
in de eerste jaren van mijn onderzoek, zodat ik die gelegen-
heid niet genoeg heb kunnen uitbuiten. Lobith was veel
minder geschikt in dit opzicht, omdat mijn woning daar ge-
heel door andere gebouwen is omringd en in voor- en na-
jaar de electrische straatlampen veel te laat, voor dit doel
tenminste, branden.
In Herwen en Lobith ving ik meermalen dieren, waarvan
ik met zekerheid kan aannemen, dat ze van elders kwamen.
De dichtstbijzijnde dennenbossen met hei en varens zijn
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 130
hemelsbreed 3 tot 4 km van daar verwijderd, en toch ving
ik er meermalen op licht: Rhyacia birivia Schiff. (= Agr.
strigula Thnbg.), Pachycnemia hippocastanaria Hbn., Bup.
piniarius L., Itame fulvaria Vill. (= Thamn. brunneata
Brgst.), Lythina chlorosata Scop. (= Phas. petraria Hbn.),
Pol. ridens F. e.a. Dat moeten wel zwervers geweest zijn,
want zover kunnen ze door mijn betrekkelijk zwak licht niet
zijn gelokt. Dergelijke dieren beschouw ik als toevallige
gasten ; ze komen ook niet geregeld. De vlinders, die dichtbij
leven, krijgt men vroeg of laat wel op de lamp, voor zover
ze dan op licht afkomen.
Ook bij het smeren treft men wel van die zwervers. Zo
ving ik in September en October 1935 in de Bijvank elke
avond, als ik smeerde, Cidaria firmata Hbn., terwijl toch het
naaste dennenbos een heel stuk van de smeerplaats verwij-
derd was. Of bestaat de mogelijkheid, dat ik de aantrekkings-
kracht van de stroop onderschat ?
Als dus een soortenlijst van een bepaalde plaats of eng-
begrensde streek alleen gebaseerd is op de vangst met een
sterke lamp, krijgt men zeker geen zuiver beeld van de fauna
dier streek. Heeft men daarnaast echter geregeld gesmeerd,
dan zal het overzicht vollediger zijn. Dat smeren iets meer
zekerheid geeft, blijkt m.i. ook hieruit dat meestal op stroop
de vlinders het talrijkst komen onmiddellijk na het invallen
van de duisternis.
De meeste zekerheid omtrent de indigeniteit der soorten
geeft wel het vinden, vooral het geregeld vinden, van eieren,
rupsen en poppen.
Ik heb in het onderhavige gebied alle manieren toegepast,
de laatste zeker niet het minst.
Vele excursies heb ik gemaakt, van het vroege voorjaar
tot laat in de herfst. Niet genoeg, om Alles te leren kennen,
maar toch wel zóveel, dat ik verreweg het grootste deel der
hier voorkomende soorten heb ontdekt. Excursies, die me
buitengewoon veel genoegen en natuurgenot hebben ver-
schaft, die me véél meer dan alleen de hier levende vlinders
hebben leren kennen. Die me dikwijls de aangenaamste ver-
rassingen brachten, ook teleurstellingen en minder prettige
wederwaardigheden, maar die me nimmer ontmoedigden.
Ik mag niet te veel plaatsruimte vergen, anders zou ik nog
veel over die uitstapjes, vooral naar de Bijvank en de Mont-
ferlandse heuvels, maar ook naar de rechter Rijnoever en de
moerassige Bijland, kunnen vertellen.
Als men op de hier geschetste wijze het vlinderleven in
zijn eigen, niet al te groot gebied, heeft nagespeurd en er
heeft verzameld, krijgt de zo ontstane collectie een grote
subjectieve waarde. Elk dier wekt herinneringen. Als men
zijn verzameling op een andere wijze heeft moeten samen-
stellen, zal dat veel minder het geval zijn.
131 LATSSCHOETEN
Ik wijs hierop in deze inleiding, om nog eens bijzonder
de voordelen te accentueren, die den verzamelaar geboden
worden, als hij zijn eigen gebied nauwgezet onderzoekt. Niet
iedereen is daarvoor in de gelegenheid, maar die het kan,
doe het: hij zelf in de eerste plaats zal er zich wel bij be-
vinden, en de kennis van de vlinderfauna van ons land zal
er sterk door worden bevorderd.
Met bijzondere voorliefde denk ik hier aan de Bijvank,
het reeds meer door mij vermelde oude bos te Beek bij Didam.
Hoe dikwijls is 't me overkomen, dat ik op de fiets stapte,
zonder bepaald te weten, waar ik heen zou gaan. In Elten
moest ik dan beslissen. Dikwijls was ik, zonder het haast te
weten, reeds weer op het bekende zandwegje, dat me naar
de Bijvank bracht. Meer dan ergens anders heb ik in dit
Dorado rondgezworen, om zijn natuurschoon en zijn rijke
vlinderfauna. Hoewel de Bijvank met de naaste omgeving
slechts pl.m. 100 ha groot is, heb ik er in 15 jaar 428 soorten
Macro's waargenomen, datis ruim de helft van alle
soorten, die in ons land voorkomen. Om de
grote rijkdom van dit kleine plekje duidelijk te laten uitko-
men, heb ik alle hier gevonden soorten met een * aangeduid.
Ik reken het me tot plicht, hier een woord van dank neer
te schrijven aan wijlen den heer P. Meisters, in leven
rentmeester van het landgoed, die zich met mij over iedere
nieuwe ontdekking verheugde en me alle mogelijke faciliteiten
verleende, om zowel bij dag als bij nacht daar te mogen
rondzwerven.
Ook den Beheerder van het Huis Bergh mag ik mijn dank
niet onthouden voor zijn tegemoetkomende houding.
Op de derde plaats wil ik hier memoreren de belangstel-
lende welwillendheid, die ik al deze jaren mocht ondervinden
van de meeste Duitse douane-ambtenaren, die in deze jaren
van strenge grensbewaking mijn tochten naar en over het
buitenlands grondgebied veel vergemakkelijkt hebben.
Herhaaldelijk zag ik in het donker een zaklantaarn op me
gericht of werd ik aangeroepen met een: „Halt, Zollbeamte |”
Nauwelijks zagen ze den nachtelijken avonturier, of 't klonk :
„Ha, das ist der Herr, der Raupen sucht’, of: „Der Lehrer
aus Lobith, der Schmetterlinge fängt’. Bijna steeds volgde
dan een gesprek over natuurhistorische dingen, waarvoor bi
hen dikwijls veel belangstelling bestond.
Ook over de Hollandse kommiezen, waarmee ik uiteraard
nogal eens in aanraking kwam, niets dan lof.
Omtrent de in deze lijst opgenomen soorten merk ik nog
op, dat alleen die soorten zijn genoteerd, waarvan ik met
zekerheid de aanwezigheid heb geconstateerd. Van verreweg
de meeste heb ik één of meer exx. in mijn verzameling. Van
de weinige, waarmee dit niet het geval is, heb ik zonder enige
twijfel de indigeniteit kunnen vaststellen.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 182
Verder heb ik gebruik gemaakt van de „Bouwstoffen voor
een fauna van Nederland,” door J. A. Herklots, eerste
deel, 1853. Daarin worden een aantal soorten vermeld, die
Ver Huell heeft waargenomen bij Montferland. De meeste
hiervan zijn door mij, een paar door anderen, teruggevonden.
Daarom zie ik er geen bezwaar in, de enkele, waarmee dit
nog niet het geval is, ook te vermelden. Ik heb dit niet gedaan
met Araschnia levana L., die volgens Ver Huell vroeger
geregeld in mijn geboorteplaats Didam voorkwam. Ik be-
schouw deze soort, zeker tegenwoordig, als een toevallige,
hoogstens als een tijdelijke gast, die hier niet indigeen is.
(In navolging van anderen vermeld ik wel soorten als Colias
electo L. subsp. croceus Fourcr. en C. hyale L., die ook geen
inlandse vlinders zijn.) Daarentegen meen ik wel te mogen
opnemen Mesogona oxalina Hbn., daar deze soort nu een
paar maal in Zuid-Limburg gevangen is en ook in Duits-
land voorkomt.
Een paar soorten vermeld ik op gezag van de „Catalogus
der Nederl. Macrolepidoptera, Deel I: Rhopalocera , van
Lempke, die me ook schriftelijk nog een paar interessante
vondsten meldde.
Zoals uit het bijgevoegd schetskaartje blijkt, loopt de grens
tussen Nederland en Duitsland juist in deze streek heel
eigenaardig. Duitsland springt met een heel scherpe bocht
Noordwestwaarts in het Nederlandse gebied en scheidt zo
mijn alluviaal verzamelterrein van het diluviaal. Mijn weg
naar de Bijvank en de Montferlandse heuvels leidt steeds
over dit Duits gebied.
In de eerste jaren heb ik aan deze streek, waarin ook de
heerlijke Eltenberg *) ligt, weinig aandacht geschonken. Ik
verzamelde toen alleen , Nederlandse” vlinders. Langzamer-
hand ben ik gaan inzien, dat dit toch eigenlijk weinig zin
heeft. Een politieke grens, zo grillig getrokken als in mijn
gebied, kan toch geen waarde hebben bij de vaststelling der
hier voorkomende soorten.
Als ik in Lobith een dier op licht vang, is het dan niet
heel goed mogelijk, dat het een „Duits dier is, dat bijv. van
de Eltenberg is komen overvliegen ? En als ik in de Bijvank
smeer, meestal dicht aan de grens, omdat juist de Zuidrand
van het bos het gunstigst ligt, vang ik dan steeds vlinders
van zuiver Nederlandse oorsprong ? Hier staat bijv. een grens-
paal, die ik bij het smeren nooit oversla, dicht bij het beekje,
waar ik mijn eerste Eup. selinata-rupsen vond. (Zie Int. Ent.
Zeitschr. Guben, 1935) Nederlandse of Duitse dieren ?
Tijdens het bewerken van deze lijst leerde ik twee verza-
melaars uit Emmerich kennen, de heren Dr. Janecke en
*) In analogie met Welterberg, enz. zou de schrijfwijze Elterberg moeten
zijn. Hier in de streek wordt algemeen gesproken van Eltenberg,
133 ErESSCHOEREN,
Spaarmann, die reeds enige jaren in deze omgeving ver-
zamelden. Behalve van enkele waarnemingen, die ik zelf op
Duits gebied deed, zal ik ook gebruik maken van de erva-
ringen van de heren J. en S., die me daartoe welwillend toe-
stemming verleenden. Zij verzamelden in de naaste omgeving
van Emmerich, in het beboste gebied tussen deze stad en de
Montferlandse heuvels, en ook in dit heuvelgebied zelf. Van
beide heren heb ik de collecties mogen bezichtigen. Aan hun
betrouwbaarheid valt niet te twijfelen.
Ik zal dus de volgende soorten wel vermelden, hoewel ze
niet in de Lijmers gevangen zijn. Ze zijn alle dicht bij de
Nederlandse grens gevonden.
No. 92. Poecilocampa populi L.
„ 154. Synanthedon tipuliformis Cl.
„ 155. Synanthedon vespiformis L.
„ 232. Tholera cespitis F.
„ 254. Brachionycha sphinx Hfn.
257. Lythophane socia Rott.
„ 273. Omphaloscelis lunosa Haw.
84. Cosmiarcitrago TV.
„ 288. Mania maura L.
„ 312. Talpophila matura Hfn.
„ 340. Archanara spargannii Esp.
, 354. Catocala sponsa L.
„ 372. Zanclognatha tarsiplumalis Hb.
, 508. Bapta bimaculata F.
„ 514. Ennomos quercinaria Hfn.
, 517. Ennomos erosaria Schiff.
„ 537. Erannis aurantiaria Hbn.
542. Lycia hirtaria Cl.
“Van de vermelde 565 soorten in deze lijst zijn er dus 18
tot nu toe niet binnen de Nederlandse grenzen van mijn
vanggebied aangetroffen. Ik twijfel er niet aan, of de meeste
ervan, zo niet alle, komen ook hier voor”).
Wat de biologische bijzonderheden betreft, dit zijn alle
eigen waarnemingen. Ik heb nergens betreffende literatuur
gecopiëerd, die dikwijls reeds van anderen overgenomen en
op de koop toe soms nog foutief is ook. Dan maar liever wat
minder. Wel zal het voorkomen, dat waarnemingen zijn mede-
gedeeld, die anderen ook reeds hebben gedaan, maar her-
haalde, betrouwbare mededelingen over eenzelfde feit, zijn
dikwijls ook van belang.
Daar veel van mijn materiaal uit de Bijvank of de Mont-
ferlandse heuvels komt, vinde hier voor alle duidelijkheid nog
een kleine toelichting plaats. Hoewel de Bijvank geen plaats-
aanduiding is, gebruik ik kortheidshalve steeds deze naam,
ook op mijn étiketten. Wilde ik volledig zijn, dan moest ik
vermelden: Beek-bj-Didam, Bijvank. Ook voor
het heuvelgebied lijkt me de aanduiding : Montferland vol-
*) Noot bij de corr.: No. 273 en 514 heb ik in 1938 reeds in de Bijvank
gevangen.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 134
doende. Dit terrein vormt een aaneengesloten complex, en
of een dier nu gevonden wordt een km ten Noorden of ten
Zuiden van genoemde top, maakt in de regel niets uit. Bo-
vendien zijn beide gebieden, door wat ik er voor en na over
publiceerde, wel voldoende bekend.
Bodem en plantengroei.
Globaal bestaat het onderzochte gebied uit twee gedeel-
ten: een alluviaal (Herwen, Lobith, e.o.) en een diluviaal
(Bijvank, Montferland e.o.) Het eerste bestaat grotendeels
uit wei- en bouwland. Deze zijn als gecultiveerde grond niet
zo rijk aan vlinders. Beter is een strook langs de Rijn, met
hier en daar een weelderige plantengroei.
Jammer, dat het mooiste gedeelte hiervan, een braak lig-
gend terrein, plaats heeft moeten maken voor de nieuwe
vluchthaven. De laatste jaren zijn trouwens in mijn omge-
ving meer mooie stukjes natuur opgeruimd, die uit floristisch
of faunistisch oogpunt interessant waren. Men kan er ener-
zijds weinig bezwaar tegen inbrengen, dat wegens de heer-
sende werkeloosheid naar meer werkobjecten wordt gezocht,
maar anderzijds is het toch weer jammer, dat in Beek en
Didam bijv. vele wegen zodanig zijn verbeterd, dat aan de
eertijds dichtbegroeide sloten en wegkanten geen plantje of
struikje meer te bekennen is. Er is gerooid en recht gemaakt,
zodat er niets meer van over is dan zand en nog eens zand.
Veel insecten- en vogelleven is zo onmogelijk gemaakt. Ik
hoop nu maar, dat bij het intreden van betere economische
omstandigheden de wilde-plantenwereld daarvan zal profi-
teren, doordat ze dan wellicht weer met rust gelaten wordt.
Sommige dijkhellingen en zogenaamde „baggerputten”,
ondiepe plassen, waaruit ten behoeve van de steenfabricage
de klei is weggegraven, en die verder aan hun lot worden
overgelaten, zijn ook goed. Een verse baggerput is snel, in
enkele jaren reeds, een dorado geworden wat plantengroei
betreft. Zo'n plek is dan een geschikte verblijfplaats voor
vele vlindersoorten. Vooral in droge jaren, is hier een gun-
stig terrein voor excursies, evenals het elders reeds genoemde
moerasgebied de Bijland. (Verslag Zomerverg. Doetinchem,
EEN pag LOX)
Over deze plek zei ik op die vergadering : „Zal de vroe-
gere rijkdom aan vlinders hier ooit terugkeren ?” Deze vraag
lijkt me nu, achteraf, nogal naïef. Immers, ik had kunnen
weten, dat ze zòu terugkeren, of liever, dat ze niet verdwe-
nen was, al was er dat jaar niet veel van te bespeuren. De
natuur is op dergelijke catastrophen ingesteld. Mensenhanden
kunnen door onverstandig ingrijpen verwoestingen aanrich-
ten, de natuur zelf zal dit niet licht doen. De flora en fauna
van dit gebied heeft meermalen — hoe dikwijls reeds ? —
in de loop der tijden voor korter of langer tijd een water-
135 L. H. SCHOLTEN,
massa over zich heen voelen gaan of er een tijd onder be-
dolven gestaan. Wat desondanks tot 1930 heeft stand ge-
houden, zal zo ineens maar niet verdwijnen! Planten- en
dierenwereld hebben zich in zulke gebieden stellig op bij-
zondere wijze tegen dergelijke bijzondere bedreigingen leren
beschermen. (Zie ook bij No. 364.)
In het T. v. E., DI. XLVII, komt een artikeltje voor van
D. Ter Haar: ‚lets over het weerstands- en aanpassings-
vermogen van insecten, in verband met Xystophora palu-
strella Dougl.” Daarin bespreekt Ter Haar dezelfde
kwestie, die ik hier vluchtig aanroerde.
Inderdaad heb ik kunnen constateren, dat de vlinder-
rijkdom van dit heerlijk plekje natuur nog bestaat. De lage
waterstand van 1933 en 1934 stelde me in staat, deze streek
wat meer te bezoeken en ik kon me ervan overtuigen, dat
alles weer was als in 1930, rijker zelfs. Ik deed er enkele
nieuwe en interessante vondsten.
De Bijvank en de Montferland hebben een zandgrondflora.
De eerste, met gedeeltelijk vochtige bodem, is een karakteri-
stiek oud bos, oud vooral, omdat het altijd bos is geweest en
gebleven. Het is bijna geheel loofbos. Enkele gedeelten zijn
begroeid met dennen, grove den en fijnspar. Eik komt er veel
voor, als kreupelhout en jonge en oudere bomen. Verder beuk,
berk, iep, linde, es en els. Als onderhout een rijke vegetatie
van hazelaar, vuilboom, kornoelje, braam, framboos, kamper-
foelie, varen en bosbes, en in het hogere gedeelte ook van
heide. In de lanen en onder het kreupelhout allerlei lage
planten, die voor dergelijke bossen kenmerkend zijn. Dat het
bos oud is, blijkt ook hieruit, dat Impatiens noli tangere
(Springzaad) en Neottia nidus avis (Vogelnestorchis) er
voorkomen.
Omdat het gedurende een lange reeks van jaren nooit in
zijn geheel gekapt of tot bouwland omgewerkt is, om daarna
weer bebost te worden, hebben vele vlindersoorten hier rustig
stand kunnen houden. Door de zo rijk variërende begroeiïng,
de grote rijkdom aan vogelsoorten en ook aan andere insecten
dan vlinders, vormt dit bos een levensgemeenschap, waarin
voor elk dier bestaansmogelijkheid is en blijft, en waarin op
natuurlijke wijze het evenwicht bewaard blijft.
Moge dit bos als Natuurmonument voor
ner madeslaehe, nea lolly ein!)
In de Montferlandse heuvels, waar de hoogste toppen tot
100 m reiken, overheerst de grove den. De fijnspar komt er
betrekkelijk weinig voor, de larix meer. De laatste jaren is
op verschillende plaatsen weer fijnspar aangeplant. Bijna
overal hebben de dennenbossen een weelderige ondergroei
van gras, bosbes, kamperfoelie en kreupelhout. De bodem is
er op vele plaatsen waterrijk, getuige enkele bronnen, als
het Peeske en het Klein-Peeske en ook de talrijke plekken
*) Noot bij de corr.: In Juli 1938 heb ik ook Apafura iris L. in de
Bijv. gevangen !
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 136
met weelderige kamperfoeliegroei. Berk en eik, ook als
kreupelhout, zijn er niet zeldzaam. Heide komt langs de wegen
en hier en daar op open plekken veel voor.
Goede plaatsen — goed voor een snuffelend entomoloog —
zijn ook steeds daar, waar pas een bos gekapt is en de bodem,
nadat de stobben gerooid zijn, enige jaren braak blijft liggen,
of als bouwland wordt gebruikt, om daarna weer beplant te
worden.
Ik herinner me nog met iets als heimwee zo'n veld, in de
zomers van 1926 en ‘27, dat over een grote uitgestrektheid
met Epilobium angustifolium was bedekt. Het was een open-
baring van schoonheid, toen in de bloeitijd van de wilgen-
roosjes, plotseling vanaf de grintweg Elten-Beek, mijn blik
viel op die purperen helling, juist zich badend in het licht van
de ondergaande Julizon. Nu is er nog maar sporadisch een
spichtig plantje te bekennen. De Epilobiumstruiken dreigden
de jonge dennen te verstikken, werden afgemaaid en de vol-
gende jaren hebben de snel groeiende dennen de rest gedaan.
Wanneer zal er elders nog weer eens zo'n veld ontstaan ?
Een paar exx. van de hier zz. Celerio gallii Rott. in mijn
collectie herinneren me nog steeds aan die Epilobium-zomers.
Een ander plekje in dit gebied mag ik hier ook niet on-
vermeld laten. Het is het Klein-Peeske, wel klein, maar altijd
interessant. Helaas werd het de laatste jaren alweer inge-
krompen, daar men ontdekte, dat het stukje grasland, 't welk
er deel van uitmaakte, ook nog wel geschikt was te maken
voor bouwland. De entomoloog staat altijd op gespannen
voet met den ontginner |
Het lijkt me overbodig de flora van dit gebied volledig
te behandelen. Het hier genoemde geeft wel een algemene
indruk van de rijke verscheidenheid, die de streek aan
planten biedt.
Klimaat.
De fauna van een streek is van verschillende factoren
afhankelijk. Bekend is, dat in het algemeen het aantal soorten
afneemt van het Zuiden naar het Noorden. Hierop moet dus
het klimaat van invloed zijn. Doch ook de geologische ge-
steldheid van de bodem, de verhouding tussen hoog en laag,
de ligging van de heuvelketens ten opzichte van de heersende
winden en de zonbestraling, zijn belangrijke factoren.
Om vergelijking in klimatologisch opzicht met andere delen
van ons land of met het buitenland mogelijk te maken, wil
ik hier enkele gegevens mededelen, die ik kon putten uit de
literatuur, die Dr. C. Braak me welwillend namens het
Kon. Met. Instituut te De Bildt verstrekte.
Ons land heeft een zeeklimaat, evenals geheel West-
Europa. De invloed van dit zeeklimaat doet zich natuurlijk
niet overal even sterk voelen. In hoeverre dit wel het geval
137 EHS SCHOENEN:
is, zal alleen door een nauwkeurige studie van verschillende
gebieden na te gaan zijn.
De invloed van de zee doet zich hier te lande meer gelden
in een verzachting door de heersende zeewinden met hun
waterdamp, dan in de verwarming door de Golfstroom.
Het sterkste blijkt de invloed van de zee uit de dagelijkse
schommelingen, d.i. het verschil tussen de dagelijkse maxi-
mum- en minimumtemperatuur. Hieruit blijkt ook, dat Den
Helder en Vlissingen bijv. een zeeklimaat hebben en dat het
Oosten, waarin het hier besproken verzamelgebied ligt, reeds
het karakter van een landklimaat vertoont. Zou dit niet een
van de redenen zijn, dat sommige soorten, zoals Papilio
machaon L., die in 't Oosten gewoon zijn, in 't Westen niet
of sporadisch voorkomen ?
Voor Den Helder vond ik voor de periode 1894—1929 een
gemiddelde jaarlijkse max. temperatuur van 28,4° C. en een
minimumtemp. van -8,1° C., een verschil dus van 36,5° C.
Voor Winterswijk, het dichtstbijgelegen waarnemingsstation
in deze streek, waren die getallen resp. 32° en -13,3° C.,
een verschil dus van 45,3°.
De Lijmers komt met 9,1° C. dicht bij de jaarlijkse ge-
middelde temperatuur van Münster (8,9° C.) en ligt aan-
merkelijk boven het gemiddelde van geheel Westphalen,
waarvoor K. Uffeln (Die Groszschmetterlinge Westfa-
lens, blz. 9) opgeeft 6—8° C. De gemiddelde temperatuur
van de Lijmers komt overeen met die van De Bildt en het
landgemiddelde.
Als we de jaarlijkse hoeveelheid neerslag van de Lijmers
en ook van geheel Nederland vergelijken met die van het
aangrenzend gebied, waarover Uffeln gegevens verstrekt,
zien we, dat ons gebied armer is aan regen dan Westphalen.
Uffeln geeft als jaargemiddelde 884 mm. Dat dit grote
verschil wordt veroorzaakt door de hogere ligging van een
deel van het Duits gebied, blijkt uit de gemiddelde neerslag
van het grootste deel van Westphalen, dat vlak is, met 757 mm
en van het kleinere bergachtige deel, dat een gemiddelde
heeft van 938 mm.
Lobith (14 m boven zee) heeft voor ons land een
zeer hoog jaargemiddelde, n.l. 762 mm. Doetinchem-Kilder
(13 m boven zee), heeft over een periode van 48 jaar een
gem. van 691 mm. Het landgemiddelde bedroeg over de
periode 1848—1930 : 690,4 mm.
Jammer, dat ik geen gegevens kon vinden voor het heuvel-
gebied van de Montferland. Zeer waarschijnlijk zou het ge-
middelde hier ook hoog liggen.
Natuurlijk is de absolute hoeveelheid neerslag niet de enig-
ste factor, die invloed uitoefent op de fauna van een gebied.
Ook de verdeling over de verschillende jaargetijden, de al-
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 138
gemene vochtigheidstoestand van de lucht, leggen gt in
de schaal.
_ Systematiek.
Daar dit werk in de eerste plaats als faunistisch-biologisch
bedoeld is, en daar de systematiek een onderdeel van de En-
tomologie is, waarin moeilijk door te dringen is, heb ik deze
hier zoveel mogelijk buiten beschouwing gelaten. Om plaats-
ruimte te winnen, laat ik ook indeling in klassen, familien,
enz. achterwege.
Uit practisch oogpunt behandel ik de soorten in dezelf-
de volgorde, die Lempke toepast in zijn Catalogus der
Nederl. Macrolepidoptera, waarvoor ik de beide reeds ver-
schenen delen kon raadplegen. Voor de uilen en spanners
volg ik, even als Lempke dat zal doen, de bewerkers van
Seitz in: Die Groszschmetterlinge, Dl. 3 en 4, behoudens
enkele wijzigingen. Ook de volgorde der resterende groepen
zijn in overleg met Lempke vastgesteld. Ik doe dit vooral
ten gerieve der lezers, die ook Lempke s Catalogus ge-
bruiken.
Ik ben er mezelf zeer goed van bewust, dat ook dit werk
niet volmaakt is. Maar de lezer gelieve het te nemen voor
wat het wil zijn : een ernstige poging, op deze wijze iets bij
te dragen tot betere kennis van de vlinderfauna van ons land.
Een aansporing ook tot anderen, vooral jongeren, die pas
beginnen, hun gebied op dezelfde wijze te behandelen. Ook
voor latere onderzoekers kan het misschien van nut zijn. Het
voortbestaan van een natuurobject, als de Bijvank is, in zijn
tegenwoordige vorm, is nog niet gewaarborgd !
Mochten Collega's er fouten of vergissingen in ontdekken
dan zal ik gaarne daarvan op de hoogte gebracht worden,
om ze te herstellen.
Lobith, Mei 1938.
* 1. Papilio machaon L. Vliegt geregeld in twee generaties :
V-VI en VII-VIIL bij gunstig weer tot in de herfst.
In warme zomers, zoals 1934, talrijk, vooral in de
zomergeneratie. Rupsen gewoon op Daucus carotus
L., meermalen gevonden op Angelica silvestris L.,
Pastinaca sativa L. en soms talrijk op Pimpinella
saxifraga L.
Door Lempke en mezelf werden gekweekt of
gevangen de volgende aberratieve vormen, alle uit de
omgeving van Lobith:
ab. aurantiaca Spr. in een sterk overgangsex., 6-VIII-34.
Grondkleur botergeel in plaats van zwavelgeel. Men
herkent deze vorm onmiddellijk in de vlucht tussen
de gewone exx. door de sterk afwijkende kleur. Bij
Montf. werd een ex. dezer aberr. gevangen door
Drak ieee (rem pie il.)
139
ab.
ab.
ab.
ab.
ab.
ab.
ab.
ab.
L. H. SCHOLTEN,
flava Tutt. Lichtgeel. Meermalen bij Lob.
noviessignata Uffeln. Van de onderste gele maan
der voorvls. loopt een geel streepje evenwijdig aan
de binnenrand naar het middenveld.
immaculatus Schultz. De zwarte vlek bij de voorvl.
punt ontbreekt.
melanosticta Reverdin. In de eerste gele costaalvlek
der voorvls. een liggend zwart streepje.
castinii Lmbl. In één of meer halve manen op de
bovenzijde der achtervls. rode vlekjes.
dissoluta Schultz. Zwarte vlek aan het einde van
de middencel der achtervleugels open.
bella Stm. Bovenste helft van de anaalvlek der
achtervls. hemelsblauw.
punctellatus Cabeau. Zwarte stip van de voorvl. punt
zeer klein.
* 2, Aporia crataegi L. Eens als pop te Herwen. Geregeld
ab.
ab.
ab.
ab.
op de zandgronden van Did., Bijv. en Montf. Af en
en toe ook bij Emmerich. De rupsen vind ik het meest
op Sorbus aucuparid L., de lijsterbes, maar ook op
Prunus spinosa L., Prunus domestica L., Pirus malus
L. en Crataegus.
De vlinder vliegt longeveer van 10-VI tot begin
VII. In het bosrijke gedeelte van deze streek is hij
bepaald een geregelde verschijning, die graag de
bloeiende bramen bezoekt. 't Gemakkelijkst zijn de
rupsen te krijgen, als men in t vroege voorjaar de
lijsterbessen afzoekt naar de spinsels, waarin de jonge
rupsen hebben overwinterd.
Lempke kweekte uit Bijvankse rupsen de
2 alepica Cosm. Vleugels voor ‘t grootste gedeelte
weinig beschubd, doorzichtig.
szulinzskyi Bryk. Ader 5 der achtervls. gevorkt.
enderleini Bryk. Ader 6 der achtervls. gevorkt.
‚waarbij ader 3 van de linkervoorvl. en ader 5 van
de rechterachtervl. gevorkt is.
* 3. Pieris brassicae L. Overal gewoon, als rups dikwijls
schadelijk op kool ; zo bijv. in de nazomer van 1933.
In ‘t voorjaar van 1934 zaten de vlinders bij tien-
tallen voor de ramen van gebouwen en woningen.
Bij het verplaatsen van een kachel in mijn woning
te Lobith in de lente van 1934, bleken in een stuk
kachelpijp, een „elleboog, die aan de kachel be-
vestigd was geweest, meer dan 20 poppen dezer
soort te zitten. De rupsen hadden in de vorige herfst,
vanuit een in de buurt liggende tuin, een plaats ge-
zocht om zich te verpoppen, hadden zo de woning
bereikt, waren tegen de muur opgekropen tot aan
het dak, (7 à 8 m), waren ook hier tegenop geklau-
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 140
terd, hadden de schoorsteen gevonden, waaruit
slechts een nauwe buis stak van een dm doorsnede,
waren daarin verdwenen, door het roet heen, om-
laag, tot ze in de nauwe kachelpijp terecht kwamen,
maar voor de kachel gekomen niet verder meer kon-
den, daar een schuif haar de verdere doorgang
belette.
Hierdoor wordt wel heel duidelijk de trekzucht
van deze dieren gedemonstreerd, als ze verpoppings- -
rijp zijn. Voelen ze instinctief het gevaar, dat er
dreigt, als ze zich op de akker verpoppen ? Trachten
ze daarom zo ver mogelijk weg te kruipen ? (Zie in
in verband hiermee ook bij Abrostola triplasia L.,
Nor Se lolo Ille
Hoewel ze zich alle in het roet hadden verpopt,
kwamen er toch alleen normale vlinders uit te voor-
schijn !
* 4, Pieris rapae L. De gewoonste soort, meest in drie gene-
raties. Schadelijk aan koolsoorten. Rups op ver-
schillende wilde cruciferen gevonden, ook op Tro-
paeolum. Te Lob. ving ik de
ab. & subtus-[lava Lempke, waarbij de onderzijde van
voorvl.punt en der achtervls. diep geel is. Type in
de coll. Lempke.
ab. © nigropunctata Lmbll. In het midden der achtervls.
een donker zwart vlekje.
* 5, Pieris napi L. Overal, maar minder dan de vorige. In
de Bijv. het meest voorkomende witje. Het is voor
mij nog altijd een raadsel, waarop de rupsen van
de tweede gen. leven, daar in sommige jaren de
vlinder in Juli zeer talrijk op open, met hei begroeide
plaatsen voorkomt en cruciferen in de Bijv. slechts
sporadisch te vinden zijn. Reeds in de eerste dagen
van IV is deze soort aan te treffen. In de Bijv. ving
ik de
ab. 2 posteromaculata Reverdin. Zwarte stip op de
achtervls.
* 6. Euchloë cardamines L. Komt ook overal voor, maar
nooit talrijk. Vliegtijd eind IV-VI. Uit de Bijv. de
ab. parvipuncta Turati. Zwarte vlekjes op de voorvls.
zeer klein.
“7. Colias hyale L. Alleen in 1934 tamelijk veel waarge-
nomen in deze streek, VIII-IX. Ik ving toen bij
Lobith de
ab. obsoleta Tutt. Langs de achterrand der voorvls.
geen of zeer flauwe zwarte vlekken.
ab. pygmaea Lmbll. Een dwergex.
ab. unimaculata Tutt. Bovenzijde der achtervls. in het
midden met één oranje vlek.
141
ab.
ab.
ab.
ab.
ab.
L. H. SCHOLTEN,
pallidior Ckll. Middenstippen op de achtervls. nau-
welijks zichtbaar.
flavojasciata Lmbll. Op de voorvls. een doorlopende
gele band langs de achterrand, dus alle vlekken
verbonden.
opposita Zusanek. Onderzijde van de achtervls. met
volledige rij krachtig ontwikkelde submarginaal-
vlekken.
macropuncta Finke. Middenstip der voorvls. sterk
vergroot.
pupillata Lempke. Middenstip der voorvls. gekernd.
* 8. Colias electo L. subsp. croceus Fourcroy. Waargenomen
ab.
ab.
ab.
ab.
in 1928, veel talrijker in 1931 en weer, maar minder,
in 1935. Van eind VII- tot begin X. Gevangen in
deze streek :
2 basisuffusa Lempke. Wortel van de voorvls. sterk
donker bestoven. Type in de coll. Lempke, van
Montferl.
bimaculata Rocci. De twee vlekken op het midden
van de onderzijde der achtervls. raken elkaar niet.
Montf.
deannulata Rocci. Om de beide zilvervlekken alleen
de binnenste donkerste lijn, de rest van de donkere
omlijsting ontbreekt. Montf.
Q abuissoni Caradja. Grondkleur lichtgeel, oranje-
achtig. Montf.
* 9, Gonepteryx rhamni L. Gewoon, vooral in de bossen.
Vlinder vanaf half VII tot in de herfst en na de
overwintering weer tot in VI. Rupsen geregeld op
Frangula alnus Mill, waarop ik de vlinder in V
eitjes zag leggen. De overwinterende vlinder s win-
ters onder mos gevonden.
* 10, Limenitis camilla L. (— sibilla L.) Didam, Biv., Elten-
ab.
berg en Emm. Rups op Lonicera periclymenum L.,
waarop ze klein overwintert, dicht tegen een takje
aan gesponnen. Vlinder VII—VIII. Zit gaarne op
bloeiende bramen. In de vliegtijd een sieraad op de
boswegen van de Bijv. Hier ook gevangen de
completa Derenne, waarbij de witte donker be-
stoven vlek in de cel der voorvls. afwezig is.
* 11. Pyrameis atalanta L. Enkele exx. waargenomen in VII,
meer in VIII IX. Rups meermalen op brandnetel
gevonden in VIII en nazomer.
* 12. Pyrameis cardui L. In sommige jaren niet of slechts
ab.
weinig. In 1931 zeer talrijk, eind V in vele hon-
derden exx., alle sterk afgevlogen. Enkele weken
later de rups talrijk op Carduüs. Toen enkele exx.
gekweekt van de
sexiespupillata Vrty. Op de voorvls. 5 kleine witte
vlekken in plaats van 4. Lob.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 142
ab. carnea Fritsch, met bruinachtig rose grondkleur.
Lob.
ab. minor Failla. Een dwergex., waarvan de voor-,
maar vooral de achtervls. veel donkerder zijn. Ge-
vangen te Lob. IX.
* 13. Aglais (Vanessa) urticae L. Overal gewoon, in 2 gen.
VI en VIII-IX.
* 14. Vanessa polychloros L. Overal, maar veel minder dan
de vorige. Vlinder VII—VIII. Rups in VII gevon-
den op Prunus cerasus L. en Salix.
“15. Vanessa io L. Overwinterde exx. in het voorjaar,
daarna de vl. weer in VII—VIII. Niet zz. Ge-
regeld vliegt io op de boswegen van de Montf.,
waar nergens brandnetel groeit.
16. Vanessa antiopa L, Sporadisch waargenomen in de
Montf. heuvels, Wehl (Stilliwald) en bij Emm.,
VIII—IX en IV.
* 17. Polygonia C-album L. Voor 't eerst door mij in deze
streek waargenomen in de Bijv., waar ik VII-1936
twee exx. ving. Door Dr. Janecke en Spaar-
mann ook gevangen bij Elten en Emm.
18. Melitaea aurinia Rott. 1 ex. gevangen in de Montf.
heuvels, 2-VI-1930. Dit ex. vloog op een droge
heiweg, op enige afstand van het Klein-Peeske,
waar deze soort vermoedelijk thuis hoort.
19. Melitaea cinxia L. Velgens Lempke's Cat. vroeger
bij Zeddam waargenomen.
* 20. Melitaea athalia Rott. Sommige jaren talrijk in Did.
en de Bijv., eind V—VI. Ik vond vele vlinders
‘savonds op Pteris aquilina L. zitten, waar ze zo
af te nemen waren. In andere jaren ziet men ze
niet of sporadisch.
21. Brenthis (Argynnis) selene Schiff. Tot nu toe alleen
gevonden te Did., eind V.
22. Brenthis euphrosyne L. Did. Wehl. In 1923 niet zz.
reeds op 5-V.
23. Argynnis lathonia L. Did. Wehl. In 1923 talrijk op
serradella-velden. Nadien zelden meer waarge-
nomen. De soort is hier zeker niet gewoon.
* 24. Argynnis paphia L. Alleen gevangen in de Bijv., waar
hij geregeld, maar nooit talrijk voorkomt van mid-
den VII tot in VIII. Zit graag op bloeiende bramen,
distels en Eupatorium. Volgens Lempke's Cat. ook
bij Montf.
25. Melanargia galathea L. Lempke vermeldt deze
soort van Montf. Volgens een mededeling van L.
bevindt zich een ex. van 23-VII-1899 in de coll.
van het Zoöl. Museum te Amsterdam, Ouds. leg.
26. Eumenis (Satyrus) semele L. Op de droge gronden
van Did., Montf. en Emm. niet talrijk van VII-IX.
143
7
26:
+
30297
* 30
3]
* 32
33
+
+
+
+
* 34,
1,35,
* 36.
* 37
* 38
+
+
39,
L. H. SCHOLTEN,
Pararge aegeria L. subsp. vulgaris Zell. In de bossen
op de zandgronden gewoon in 2 gen., IV—V en
VII—VIII. In de Bijv. rupsen gevonden op gras
in X, die zich nog hetzelfde jaar verpopten.
Pararge megera L. Overal, alleen in warme zomers
talrijker, zoals in 1934, Twee gen., V—VI en VII
— VIII. Te Lob. ving ik de
ab. bipupillata Mosley, met dubbel gekernd apicaaloog
in de voorvls.
Aphantopus hyperantus L. In enkele exx. te Herwen,
zeer talrijk elk jaar in de Bijv., ook elders op het
diluviaal gedeelte. VII—VIII.
Maniola (Epinephele) jurtina L. Overal, VI—VIII.
Coenonympha pamphilus L. Overal gewoon, wel bijna
de gehele zomer.
Thecla ilicis Esp. In de bossen van Did., Bijv., Montf.
en Emm. nergens zz. Rups in V op eik, vl. VII.
Bij Montf. ving ik de
ab. pseudomas Lempke, ©, dat de bekende gele vlek
op de voorvls. mist. 1 ex. dezer aberr., uit de Bijv,
in coll. Jonker, Amsterdam.
Callophrys rubi L, Op de zandgronden gewoon, eind
IV—VII. Ik sleepte enkele malen in 't begin van
V een © van V. myrtillus, zodat ik vermoed, dat
de rups ook op blauwe bosbes leeft.
Zephyrus quercus L. In 't begin van VII en VII in
de Bijv, Montf. en Emm., om eiken vliegend of op
de bladeren ervan zittend. Niet bepaald zz. Rups
in V uit eik te kloppen, tegelijk met die van Th.
ilicis Esp. In 1936 kweekte ik van beide soorten een
aantal rupsen samen op. 't Ging goed, tot de rupsen
van ilicis zich verpopten. Nauwelijks waren deze
hiermee begonnen of gereed, of de quercus-rupsen
waren er bij, om de nog zachte poppen op te peu-
zelen, terwijl ze de rupsen met rust hadden gelaten.
Zephyrus betulae L. Af en toe waargenomen te Did.
Bijv. en Emm., eind VII—IX. Rups in VI uit slee
geklopt.
Heodes (Chrysophanus) phlaeas L. Overal, het meest
op de zandgronden, in 2 of 3 gen, van begin V
tot het najaar.
Heodes tityrus Poda. (dorilis Hufn.). Veel minder dan
de vorige waargenomen te Did., Bijv. en Emm., in
2 gen. V—VI en VII—VIII.
Lycaenopsis (Lycaena) argiolus L. Het meest op de
zandgrond, IV—V en VII—VIII. Ik zie dit
blauwtje ook af en toe in Lob. vliegen.
Plebejus (Lycaena) argus L. Gewoon in de Montf.
heuvels, VII.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 144
* 40. Polyommatus icarus Rott. Overal gewoon in 2 gen.
V—VI en VII—VIII. Van de Montf. heuvels de
ab. © fransiens Tutt. De zwarte submarginaalstippen
aan de onderzijde van de voorvls. niet rond, maar
langwerpig uitgerekt. Montf.
* 41. Carterocephalus (Pamphila) palaemon Pall. Van deze
soort ving ik 2 exx. in de Bijv., 7—VI en 21—VI.
* 42. Adopoea lineola O. Niet zz. in de Bijv. en Montf.
(Klein-Peeske). Vliegt met flava in VII—VIII.
* 43. Adopoea flava Briinnich (thaumas Hufn.) Did., Bijv.
en Montf. Beide soorten ook bij Emm.
44. Urbicola (Augiades) comma L. Alleen gevangen te
Wehl, VIII.
* 45. Augiades sylvanus Esp. Een enkele maal te Lob. en
Herw., gewoon op de zandgronden, VI—VII.
* 46. Hesperia malvae L. Did., Wehl., Bijv., Niet zz. op gra-
zige plaatsen in V en begin VI.
47. Erynnis (Thanaos) tages L. Voor enige jaren gevan-
gen te Did. en Wehl, V.
48. Acherontia atropos L. Komt bijna ieder jaar in deze
streek voor. De bijzonder grote rups trekt blijk-
baar ook de aandacht van de niet-entomologen,
want enkele malen werden me rupsen gebracht uit
Did., Herwen en Lob., die steeds in de nabijheid
van aardappelvelden waren gevonden, in VII en
VIII. Zowel de groene als de grijze vorm kwamen
voor, het meest de laatste.
In de droge zomer van 1934 kreeg ik reeds
21-VII twee volwassen rupsen uit Herwen, prach-
tige grote exx., waaruit 30 en 31-VIII de vlinders
verschenen. In die zomer kweekte ik 6 exx. el,
terwijl me ook een in Lob. gevonden vlinder werd
gebracht, die op een schutting zittend was aan-
getroffen. Verschillende andere vondsten van rup-
sen zijn me die zomer uit deze streek bekend ge-
worden, zodat ik 1934 met recht een atropos-jaar
voor dit gebied kan noemen.
Krijgt men de rupsen of poppen later, in VIII of
IX, en is de nazomer niet warm, dan krijgt men de
poppen gemakkelijk uit, als men ze in 't begin van
de herfst, half X bijv, in een vertrek met centrale
verwarming brengt.
De volwassen rupsen plaats ik in een grote wijd-
halzige fles, half met aarde gevuld. Bij gezonde
dieren gaat de verpopping steeds goed. Na 14
dagen breng ik de poppen over in een verblijf met
gazen wanden.
49, Herse (Protoparce) convolvuli L. Herhaaldelijk wer-
den me te Herwen en Lobith rupsen en poppen van
145
L. H. SCHOLTEN,
deze soort gebracht, die bij het aardappelrooien
gevonden waren in velden, waar veel Convolvulis
arvensis L. groeide. Het is me wel gelukt de rup-
sen verder te kweken met boven genoemde plant,
maar nog nooit kreeg ik een imago uit een gevon-
den of een gekweekte pop. Altijd stierven de pop-
pen in de herfst of de winter.
In 1934 vond Dr. Janecke bij Elten twee
vlinders op 22- en 27-IX, op een boomstam zit-
tend.
50. Sphinx ligustri L. Een enkele maal als vlinder aange-
troffen. Te Lob. en Herwen als rups op Ligustrum
vulgare L. in VII—-VII.
* 51. Sphinx pinastri L. Door 't gehele gebied niet zz., het
ab.
ab.
ab.
meest in de dennenbossen, daarbuiten af en toe als
zwervers, zoals te Lob. Als pop onder mos te
vinden, als rups VIII—IX gevonden. De vlinder
van VI—VIII. In 1936 een ex. op licht te Lob.
6— VIII, één op een boomstam te Babberich op
8—VIII. Waren dat dieren van een 2e gen.? Of
late uitkomers van de enkelvoudige ?
Onder mijn exx. bevindt zich de
vittata Closs. Voorvls. met 3 pijlvlekken en 2 don-
kere midden banden.
asiaticus Butler. Grijs, met de pijlvlekken, zonder
de banden.
jerrea Closs. Grondkleur der voorvls. donker as-
grijs, tot zwartgrijs. Montferl.
* 52, Mimas tiliae L, Nergens zz. Rups gevonden op Ulmus
ab.
ab.
ab.
campestris L., Betula en Tiliae, VII—VIII. Vlin-
der VI—VII. Ik kweekte of ving de
transversa Jordan. Middenband volledig.
virescens-transversa Tutt. Als vorige, zonder rood
of bruin.
voorvls. virescens- maculata Tutt, achtervls. suf-
fusa Clark. Achtervls. sterk verdonkerd. Lob.
* 53. Smerinthus ocellata L. Gewoon, als rups te vinden op
allerlei soorten wilg, ook op appel gevonden. Pop
onder wilgen en in oude knotwilgen. De pop van
deze soort is ruw, terwijl die van A. populi L. glad
aanvoelt. Vlinder op licht V—VII.
* 54, Amorpha (Smerinthus) populi L. Als rups op Populus,
ab,
overal. Op Pop. tremula nog in de herfst aange-
troffen. Vlinder V—VI, af en toe ook nog in VIII,
Herw., Lob. en Emm. Mede in verband met het
late voorkomen van de rups wijst dit wel op een
2e gen.
Onder mijn exx. bevinden zich de
rufa Gilm. Grondkleur roodgeel, zonder tekening.
Lob. e. p.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 146
ab. suffusa Tutt. Donkergrijs, midden- en buitenveld
donker, banden scherp. Lob.
ab. roseo-tincta Reuter. Als de vorige, maar geheel rose
bestoven. Lob.
ab. cinerea-diluta Gilmer. Grijs, midden- en buitenveld
bruin of olijfkleurig, banden vaag.
ab. rufa-diluta Gilmer. Roodgeel tot vosrood, midden-
veld donker, tekening flauw. Lob.
55. Hemaris fuciformis L. Midden- VII vond ik een aantal
kleine en volwassen rupsen in de Montf. heuvels
op Lonicera periclymenum L., meest op spichtige
takjes, die tussen jonge dennen verborgen stonden.
Hieruit kreeg ik het volgend voorjaar enige vlin-
ders. Volgens Dr. Janecke vliegt deze soort ge-
regeld bij de Eltenberg op Melandryum.
* 56. Macroglossum stellatarum L. Tamelijk gewoon, vooral
op open terrein, met veel Galium. Als rups in V
op deze plant gevonden te Herw., talrijk bij Lob.
in VII. Vlinder tot ver in de nazomer op allerlei
bloemen, overdag.
57. Celerio euphorbiae L. Deze soort is bij Lob., langs de
Rijn, zeer gewoon. Bijna ieder jaar als rups min of
meer talrijk, gevonden, van midden VII—IX. De
rupsen komen in alle stadia voor, van heel klein
tot volwassen. Dit wijst wel op een zeer onregel-
matig uitkomen van de vlinder. Deze vliegt in de
schemering op bloemen, o.a. op Centaurea sca-
biosa L.
Meermalen kwamen poppen bij mij nog in het-
zelfde jaar uit. Van de vlinders, die ik heb be-
waard, zijn uitgekomen: 1 ex. 5-X-1925,
1 ex. 31-IX-1931. (Coll. Lempke).
2 exx. 28-VIII, 1 ex. 30-VIII, 1 ex. 17-IX-1932.
(De laatste Coll. L.)
1 ex. 20-IX-1936.
In de loop der laatste jaren zijn er echter nog
meer exx. in de herfst uitgekomen, die ik niet heb
bewaard, omdat deze kwestie me toen niet inte-
resseerde. Of in de natuur ook een 2e gen. voor-
komt, heb ik niet kunnen vaststellen, maar ik ver-
moed van wel. De pop, waaruit de vlinder van
20-IX-36 kwam, had de gehele zomer op een
balcon, aan de Noordzijde, gestaan, terwijl deze
nazomer juist niet bijzonder warm was. In ver-
band hiermede vind ik het vermeldenswaard, dat
in de warme nazomer van 1934, toen ik ongeveer
25 poppen dezer soort bewaarde, geen enkel ex.
in de herfst uitkwam. Er werken hier dus bepaald
andere factoren dan alleen temperatuursinvloeden.
147
ab.
ab.
ab.
ab.
L. H. SCHOLTEN,
De volgende aberr. vormen kan ik van Lob. ver-
melden :
unimacula Closs. De buitenste costaalvlek der
voorvls. ontbreekt of is tot een stip gereduceerd.
rubescens Garbowsky. De lichte delen van de vls.
roodachtig getint. 1 ex. gevangen, 1 el. Dit laatste
vooral is een prachtig rose dier.
mediofasciata Mayer. Over het lichte midden van
de voorvls. loopt tussen wortel- en submarginale
band een donkere streep, die de beide costaalvlek-
ken met elkaar verbindt en voortloopt tot vlak bij
de binnenrand.
annellata Closs. De beide costaalvlekken der voor-
vls. boogvormig met elkaar verbonden of elkaar
onder een hoek rakend.
58. Celerio gallii Rott. Zeldz. in deze streek. 15-8-1929
vond ik een vlinder, in 't gras zittend, in de Montf.
heuvels. Een paar weken later, in de nabijheid
daarvan, op Epilobium angustifolium, 2 rupsen,
waaruit nog in Sept. van hetzelfde jaar de vlinders
kwamen. Lempke deelde me mee, dat de heer
H. Veen op 15-8-1931 in de nabijheid van de
jeugdherberg ,,Wolkenland” 4 rupsen dezer soort
op dezelfde voedselplant vond.
* 59. Pergesa elpenor L. Door 't gehele gebied waarge-
nomen, vlinder V—VI, rups VII—VIII, op Galium,
Epilobium en Impatiens.
60. Pergesa porcellus L. 1-VI-1934 vlogen in de scheme-
ring aan de Rijn bij Lob. vele exx. op Salvia
pratensis. Nadien enkele keren op licht. Ook bij
Emm.
* 61. Cerura bicuspis Bkh. Als f.n.sp. twee rupsen gevon-
den op berk in de Bijv. eind IX-1924, waaruit het
volgend jaar ten huize van wijlen Dr. J. Th.
Oudemans de vlinders verschenen, beide exx.
volgens diens mededeling na middernacht. Als dit
late uitkomen ook in de natuur plaats heeft, zou
dit misschien het feit kunnen verklaren, dat de
vlinder zo weinig wordt waargenomen. Soorten,
die in de loop van de dag of tegen de avond uit-
komen, zoals bifida en vinula, treft men nogal
eens tegen stammen aan. Het ene ex. berust in de
coll. Zoöl. Mus. Amsterdam, het andere in de
mijne. Bij Montf. ook spinsels gevonden.
* 62. Ceruna furcula Cl. Twee maal als rups gevonden op
Pop. tremula te Did. Als vlinder op een stam in
de Bijv. Deze soort is hier veel zz. dan de volgen-
de, en er het best als rups van te onderscheiden.
* 63. Cerura bifida Hbn. Niet zz. Als rups herhaaldelijk op
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 148
Populus en Salix gevonden. De vlinder op de
stammen dier bomen vanaf einde IV.
* 64. Dicranura vinula L. Gewoon, als rups op Populus. In
de bossen graag op kleine struiken van Pop. tre-
mula, VII—VIII, die ze geheel kaal vreet. Vlinder
V—VI op stammen en palen.
* 65, Stauropus fagi L. Bijv. 6-VI, © op een stam, 20-VI
twee & & uit berk geklopt. Als rups op berk ge-
vonden te Did. Bijv. Ook bij Emm. gevangen.
* 66. Hoplitis milhauseri F. Spinsels meermalen gevonden
in de Bijv. en bij Mont., op eik en beuk. Talrijk bi
Emm. (Spaarmann). Te Babb. 4 op stam
16-VI, te Elten 4 16-VI, in de Bijv. © op beuk
10-VI.
67. Drymonia querna F. In de Bouwstoffen vermeldt
Ver Huell de soort van Montferland.
* 68. Drymonia trimacula Esp. 1 ex. in de Bijv., 16-VI. Te
Elten een rups op eik, IX. Ook bij Emm.
69. Drymonia chaonia Hbn. 1 4 op licht te Herw., waar-
schijnlijk een overvlieger uit Babberich, waar een
eikenbos is. Ook bij Emm.
* 70. Pheosia tremula Cl. Niet zz. in VI. Te Lob. en Emm.
ook in IX op licht gevangen. Rups in de nazomer
op Pop. tremula.
* 71. Pheosia dictaeoides Esp. Als rups op berk gevonden
in de Bijv. en bij Montf. in IX. Als vlinder op
licht bij Emm.
* 72. Notodonta dromedarius L. Als rups op Alnus en
Betula, Babberich, Did., Bijv. en Montf., VII—IX.
Als vlinder nog 13-VII te Lob.
* 73. Notodonta ziczac L. Als rups niet zz. op Salix en
Populus. Vlinder V. Ook nog op licht 20-IX.
* 74. Peridea (Notodonta) anceps Goeze. (trepida Esp.) In
VI eitjes gevonden op eik te Did., waaruit ik de
vlinder kweekte. In V de vlinder uit beuk geklopt
in de Bijv. Talrijk bij Emm. op licht.
* 75. Leucodonta bicoloria Schiff. Deze fraaie spinner heb
ik in de Bijv. en de Montf. heuvels meermalen ge-
vonden. Steeds vond ik ze onder berken, in t gras
zittend of klopte ik ze uit jonge bomen. Dit laatste
schijnt me de beste methode, om in midden-VI
bicoloria te vinden. Bij de Imbosch heb ik die me-
thode indertijd ook met succes toegepast. Mijn
dieren zijn gevangen van 10—24 Juni.
*76. Ochrostigma velitaris Hufn. Als rups een paar maal
uit eikenhakhout geklopt te Did. en Bijv., VIII.
Hieruit alleen een kreupel ex. gekweekt. In de
Bijv. eens een thorax met voorvls. gevonden. In de
Bouwstoffen vermeldt Ver Huell deze soort van
149
SIIT
* 78.
ATO
* 80.
* 81
+
* 82.
83.
* 84.
* 85.
* 86.
* 87
+
* 88.
* 89.
ENEISSCHOLTEN?
Montf., als rups in VIII op lage eiken gevonden.
Lophopteryx camelina L. Gewoon, meest in de bossen
op de zandgrond. Op licht te Lob. nog een ex.
5-IX.
Pterostoma palpina L. Niet zz. Als rups gevonden op
Populus en Salix, VIII.
Phalera bucephala L. Zeer gewoon, rupsen vanaf VII
op allerlei loofhout.
Pygaera curtula L. Door 't gehele gebied, maar nergens
talrijk. Rups gevonden op Populus en Salix. VI.
V en VII.
Pygaera anachoreta F. Komt meer voor dan de vorige
soort. Rupsen op dezelfde voedselplanten. VI. in
2 gen. V. en VII.
Pygaera pigra Hufn. Gevonden als rups op kruipwilg
te Did. en in de Bijv. VII VIII.
Dasychira fascelina L. Een © op hei zittend gevonden
26-VII, Montf. Daar ook de rupsen in na- en voor-
jaar aangetroffen op Calluna. Ook bij Emm. in VII.
Dasychira pudibunda L. Overal in de bossen, maar
nooit talrijk als rups, op allerlei loofhout. De kweek
a.o. duurt van VI—X, daar de rupsen slechts lang-
zaam groeien en dikwijls vervellen. De eerste
ab. concolor Stgr. & kreeg ik in een kreupel ex. el.
uit de Bijv. in 1934. 10-VI-35 vond ik een ® ex.
op een stam in de Bijv. en nadien nog een &. De
aberr. vorm komt ook bij Emm. voor.
Orgyia gonostigma F. Twee rupsen in V op eik te
Did., waaruit twee 9 2, en in dezelfde maand een
rups op bosbes in de Bijv, waaruit ik een &
kweekte.
Orgyia antiqua L. Nergens zz., als rups op allerlei
loofhout.
Stilpnotia salicis L. In de meeste jaren weinig of niet
aangetroffen, maar soms schadelijk op Populus,
zoals in 1924 en 1928. Ik herinner me ook nog,
hoe in 1917 te Didam en Babberich zelfs de boom-
gaarden werden aangetast, toen de in de nabijheid
staande peppelrijen waren kaal gevreten. Vlinder
VII.
Lymantria dispar L. Overal gewoon, maar niet scha-
delijk. VI. eind VII VIII. Bij het uitkomen van
poppen dezer soort zag ik pas uitgekomen 9 9,
waarvan de vleugels zich nog moesten ontwikkelen,
reeds in copula.
Lymantria monacha L. Op de zandgronden, meestal
in weinige exx., als rups of vlinder gevonden.
Eens talrijk op dennestammen in de Montf. heuvels
waargenomen, VIII. Rups in VI uit eik geklopt.
* 90.
*91
+
92°
LES
On
1595,
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 150
Van de weinige exx., die ik bezit, behoort er één
tot de
ab. nigra Freyer Voorvls. met zwarte middenband van
costa tot binnenrand. Bijv., el.
ab. fransiens Th. Mieg. Zwarte tekening op de voorvls.
sterk uitgebreid. Bijv. el. 1 ex.
ab brunnea Stipan. Gehele lichaam en vleugels grijs-
bruin, tekening der voorvls. flauw. 1 dwergex. uit
de Bijv. el.
ab. eremita Hb. Grondkleur der voorvls. bruinachtig
of grijsachtig zwart, tekening normaal en duidelijk
zichtbaar. 1 ex. el. Montf.
Porthesia chrysorrhoea L. (similis Fuessl.) Gewoon,
doch nooit als schadelijk aangetroffen. Vliegt in
VII, meest iets later dan de volgende soort. Rups
in V—VI op loofhout.
Euproctis phaeorrhoea Donovan. (chrysorrhoea auct.
nec L.) Komt alle jaren voor, soms zeer schade-
lijk, zoals in 1929. Ook in 1937 weer talrijk. In
de Montf. heuvels de rups geregeld op eik. In
VII de vlinders (uitsluitend & & ) op licht. Ik heb
enkele gevallen meegemaakt, dat personen door
de haren van de rups een ernstig eczeem kregen.
Poecilocampa populi L. In IV-37 twee verse exx. op
licht bij Emm. gevangen. (Dr. Janecke.)
Trichiura crataegi L. Niet bepaald zz., meest als rups
waargenomen op Crataegus, (Herwen), te Didam
op Prunus spinosa, in de Bijv. op Populus tremula
en Quercus. Als vlinder ook bij Emm. IX—X. Uit
Herwen de
ab. pallida Tutt. Veel lichter, het 4 met donkere band.
Malacosoma castrensis L. Een jaar of tien geleden
talrijk bij Montf., als rups in V—VI op Calluna,
als pop in VII. Later weinig meer gezien.
Malacosoma neustria L. Overal gewoon, soms talrijk
en schadelijk. Rups op alle soorten loofhout. Van
de vlinders komen de & & talrijk op licht van
af einde VI, tot in VIII. Ik bezit van Lob. de vol-
gende aberraties :
ab. quercus Esp. Okerachtig geel met twee donkere
lijnen.
ab. annularis Fourcr. Kleur als de vorige, met donkere
middenband.
ab. neustria L. Geel met donkere lijnen.
ab. vulgaris Bkh. Grondkleur licht roodachtig, soms
met iets okerachtige tint.
ab. rufescens- unicolor Tutt. Grondkleur licht rood-
achtig, vaak okerachtig, tekening onduidelijk.
ab. rufescens- virgata Tutt. Grondkleur als de vorige,
voorvls. met donkere middenband.
151
ab.
L. H. SCHOLTEN,
cervina Tutt. Licht grijsbruin met twee donkere
dwarslijnen. Lob.
* 96. Pachygastria (Lasiocampa) trifolii Schiff. Als rups
ab.
ab.
ab.
op Calluna vulgaris, Montf. V—VIII. Een 3 op
licht te Lobith, behorende tot de
cervina Tutt. Voorvls. roodgrijs met min of meer
duidelijke middenband, achtervls. roodbruin. Ge-
kweekt nog de
obsoleta-ruja Tutt. Diep voskleurig roodbruin, te-
kening op de voorvls. onduidelijk.
rufa Tutt. Kleur als de vorige, tekening der voorvls.
duidelijk. 't Gemakkelijkst kweekt men de rups
buiten, onder gaas en glas, zo luchtig mogelijk. Ze
eet graag Trifolium en Prunus.
* 97, Lasiocampa quercus L. Op de zandgronden gewoon,
ab.
ab.
ab.
ab.
ab.
ab.
ab.
doch niet alle jaren even talrijk. Als jonge rups in
de herfst op heide en bosbes. Van begin IV af
weer op genoemde planten, ook op Salix, Betula,
Sarothamnus en Lonicera. Laat zich zeer gemak-
kelijk kweken met Prunus domestica. Gekweekte
exx. komen in VI reeds uit, in de natuur in VII—
VIII, waar de 4 & overdag wild rondvliegen, op
zoek naar de ® 2. Behalve de typonominale vorm
van de 2 2 komen hier voor:
& basipuncta Tutt. Gele vlek aan de wortel der
voorvls. Gewoon.
4 roboris F. J. A. D. Grondkleur kastanjebruin,
met brede banden, naar buiten vervloeiend.
& purpurascens Tutt. Diep purper- of chocolade-
bruin met smalle banden.
& purpurascens- latovirgata Tutt. Als de vorige,
met brede banden.
® ochrea- virgata Tutt. Dof okerkleurig, met
lichte band over voor- en achtervls.
e brunnea- virgata Tutt. Grondkleur bruin, met
lichte band over voor- en achtervls.
e brunnea- marginata Tutt. Als de vorige, buiten-
helft van de vleugels lichter dan de wortelhelft.
* 98. Macrothylacia rubi L. Vooral op de zandgronden, als
rups tot laat in de herfst, meest op Calluna en
Rubus. Op zonnige dagen in Februari en Maart
ziet men de rupsen wel op zandwegen lopen. Ze
zoeken dan een plaats om zich te verpoppen. Over-
wintering binnenshuis mislukt altijd. Buiten lukte
het me zonder moeite tussen vier glasschijven, met
wat mos er in.
In Herwen ving ik eens twee 9 2 op licht reeds
5-V.
99, Dendrolimus pini L. Twee maal als rups in de Montf.
* 100.
* 101.
* 102.
103.
* 104.
* 105.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 152
heuvels gevonden, eens in Maart en een aange-
stoken ex. in VII. Ver Huell vermeldt de soort
in de Bouwstoffen als vrij menigvuldig in VII en
VIII op dennenstammen in de Montf. heuvels ge-
vonden.
Cosmotriche potatoria L. Overal gevonden, maar
nooit talrijk, als rups op Phragmites en harde
grassen, V—VI, en als vlinder in VII, op licht.
Onder mijn exx. de
ab. © lutescens Tutt. Diep geel of oranjegeel, te-
kening normaal. Lob., Herw.
ab. intermedia Tutt. Grondkl. geel, voor- en achter-
rand der voorvls, roodbruin, dwarsl. gewoon,
achtervls. roodachtig of bruinachtig geel met don-
kerder dwarsschaduw. & uit Lob.
ab. extrema Tutt. Eénkleurig roodbruin, zonder geel,
met gewone dwarslijnen. & Lob.
Gastropacha quercifolia L. Didam, een rups op Salix
repens L. Bijv., rups op beukestam en op Prunus
spinosa. Hier ook de vlinder in VII. Te Lob. en-
kele malen op licht VII—VIII. Ook te Emm. ge-
vangen. Ik bezit de
ab. alnifolia Ochs. Helder roestrood, met veel donkere
partijen, langs de voorrand der voorvls. en langs
de achterrand van alle vis. en in 't midden van de
achtervls.
Gastropacha populifolia L. Eens als rups te Herwen
gevonden, waaruit 11-VII een 9. Ook te Emm.
gevangen.
Odonestis pruni L. Af en toe een ex. op licht te Herw.
en Lob., talrijk bij Emm. in VII. De meeste exx.
behoren tot de
ab. aurantiaca Lempke, die oranjerood is. Bij één ex.
is de grondkleur zeer rood. Dit komt volgens
Lempke in kleur geheel overeens met een af-
beelding van de Oostsiberische vorm
ab. rufescens Kard. Lob.
Endromis versicolora L. Als rups eens in de Bijv. en
meermalen in de heuvels gevonden, volwassen
in het begin van VII. Een & op licht te Lob.
wel een overvlieger uit het heuvelgebied. Ook op
licht bij Emm.
Eudia (Saturnia) pavonia L. Rupsen geregeld in de
Montf. heuvels op Calluna vulgaris, in de Bijv.
op Sorbus aucuparia L. Ze laten zich ook gemak-
kelijk met Crataegus en Prunus kweken. De vlin-
ders, die ik uit de Bijv. rupsen kweekte, zijn groter
en lichter van kleur, dan die ik van de Rheder-
heide heb. Of dit een constant verschil is, weet
153
106.
* 107.
* 108.
* 109,
* 110.
* 111.
112;
* 113.
* 114.
* 115.
* 116.
EMANSCHOLTEN,
ik nog niet. Ze behoren alle tot de
ab. alboplaga Gschwander of zijn sterke overgangen
naar deze vorm. Het oog staat bij de 4 4 op
crêmewitte, bij de ? © op zuiverwitte grond. Niet
zz. komt de
ab. deflexa Schultz voor, waarbij de ogen op alle
vleugels zover naar buiten zijn geplaatst, dat ze
de dubbele getande dwarslijn raken. Minder de
ab. occlusa Braun. Op de avls. is de ruimte tussen de
buitenste en binnenste dubbele dwarslijn van even
onder het oog tot aan de binnenrand donker ge-
vuld, doordat de dwarslijnen van daar af samen-
lopen.
Aglia tau L. Montferland, eind IV en begin V. De
wild rondvliegende 4 & met een net tussen de
dennen te vangen is een uitstekende sport-
oefening ! Uit een bij Montf. gevonden 9 kweek-
ten Coldewey en ik een aantal vlinders met
beuk. De rups vond ik ook op berk.
Drepana falcataria L. Op de zandgronden gewoon,
wordt in 2 gen. licht uit berk opgejaagd in V en
VI. Rups op Betula en Alnus.
Drepana lacertinaria L. Minder dan de vorige, doch
ook niet zz. Rups op Betula. Hierbij de
ab. erosula Lasp. Grondkleur bruinachtig geel, zonder
donkere streepjes. Bijv.
ab. scincula Hbn. Grondkleur grijs of bruingrijs. Bijv,
Lob.
Drepana binaria Hufn. Enkele keren in de Bijv. uit
struiken geklopt in V, ook op smeer in IX. Rups
op eik gevonden in IX. Bij Emm. V en VII.
Drepana cultraria F. Een paar maal in de Bijv. uit
Fagus geklopt in V.
Cilix glaucata Scop. Overal, op licht en in de sche-
mering bij hagen, V en VII.
Habrosyne pyritoides Hfn. (derasa L.) Als rups te
Babberich en talrijker in de Bijv. op Rubus in
VIII en IX. De vlinder niet zz. op smeer in de
Bijv, de Montf. heuvels en bij Emm. VII.
Thyatira batis L. Als rups op Rubus te Didam en
Bijv. in dezelfde tijd als de vorige. De vlinder
eveneens met de vorige op smeer.
Palimpsestis (Cymatophora) fluctuosa Hbn. 1 ex. op
licht te Lob. Enkele stammen en takken zittend
gevonden in de Bijv. en bij Emm. VI—VII.
Palimpsestis duplaris L. Op smeer in de Bijv. en bij
Emm. VI—VII.
Palimpsestis or F. Niet zz. als rups op Populus tre-
mula. Did., Montf. en Bijv. De vlinder komt op
* 117.
* 118.
* 119.
ALZAVA
* 121.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 154
de zandgronden geregeld op smeer. Ik ving of
kweekte de
ab, discolor Warren. Dof bruinachtig grijs, lijnen on-
duidelijk, vlekken helder. Bijv.
ab. unimaculata Auriv. De ronde vlek ontbreekt. Bijv.
ab. confluens Closs. De ronde en niervlek met elkaar
verbonden. Bijv.
ab. unifasciata Splr. De dwarslijnen buitenwaarts van
het middenveld zo goed als verdwenen, die aan
de binnenzijde donker afstekend. Bijv.
Palimpsestis ocularis L. (octogesima Hbn.) Op smeer
in de Bijv. en bij Emm. VI—VII.
Polyploca flavicornis L. Als rups in de zomer inge-
sponnen op Betula, niet zz. Vlinder in III—IV op
stammen, vooral van berk, soms talrijk op een
warme dag in het voorjaar. Ik ving of kweekte de
ab. galbanus Tutt. Grondkleur geelachtig groen, te-
kening zeer licht, vlekken eveneens en onduidelijk,
achtervls. zeer licht. Bijv.
ab. confluens Klem. Ronde- en niervlek met elkaar
verbonden. Bijv.
ab. angustefasciata Heydemann. Deze nieuwe ab. is
naar een Bijvanks ex. door Dr. H. in de Int. Ent.
Zeitschrift-Frankfurt, 52e Jahrg., blz. 48, (Taf. I,
Fig. 13) beschreven.
Van de beide zwarte lijnen, die gewoonlijk het
middenveld insluiten, is de buitenste nagenoeg ver-
dwenen. De binnenste is gebleven, maar slechts
aan de costa duidelijk zwart getekend. Ze zijn
elkaar tot op de helft genaderd, waardoor ze
rechthoekig op de grijze begrenzing van de ronde
vlek aansluiten. Daarna lopen ze, het middenveld
sterk versmallend, op geringe afstand van elkan-
der, en slechts flauw zichtbaar, naar de binnen-
rand.
Type in mijn coll. |
Polyploca ridens F. In de Bijv. enkele keren op
eikenstammen zittend aangetroffen in IV—V,
door Coldewey en mi. Te Lob. 1 ex op licht,
4-V. Bij Emm. op licht gevangen.
Nola cucullatella L. Gewoon op licht te Herw. en Lob.
VIL In de Bijv. op stammen.
Roeselia (Nola) albula Schiff. Sommige jaren op licht
te Lob. in VII. In de Bijv. enkele exx. opgejaagd
op een plek, waar veel Rubus groeide. Onder de
exx. van de Bijv., minder onder die van Lob.
komt de
ab. fascialis Splr. voor. Middenveld der voorvls. breed,
bruin. Het achterrandsveld is bruin, door een
scherpe golflijn gedeeld.
155
122;
123.
124.
16125:
126.
127:
2128:
52129,
* 130.
* 131.
132%
135:
1434
* 135.
L. H. SCHOLTEN,
Celama (Nola) confusalis H.S. Op stammen in V te
Didam en Montferland.
Celama centonalis Hbn. Af en toe op licht te Lob. VII.
Celama holsatica Sauber. Hiervan werd door L e m p-
ke in Lambillionea van Februari 1938 het soort-
recht aangetoond. Ik ving een ex. op licht te Lo-
bith in VII, met enige exx. van de vorige soort.
Miltochrista miniata Forst. Niet talrijk in de Bijv.
Eltenberg en 1 ex. op licht te Lob. VII,
Philea (Endrosis) irrorella Cl. In dl. I van de Bouwst.
vermeldt V. H. deze soort als Sefina irrorea Hbn.
van de Montf. Dr. Janecke deelde me mee.
dat de soort geregeld op de Zuidelijke helling van
de Eltenberg, de Englischer Hügel, vliegt, dus dicht
bij de Nederl. grens.
Cybosia mesomella L. Op de zandgronden gewoon,
VI— VII. Rups van Vaccinium myrtillus en Cal-
luna vulgaris gesleept in V.
Lithosia depressa Esp. (deplana Esp.) Bijv. en Montf.
niet zz. Gemakkelijk als vlinder uit spar te klop-
pen. Als rups in V en VI op bemoste stammen.
Lithosia griseolea Hbn. Bijv. en Montf. Vlinder in
VIII op bloeiende planten, o.a. op Eupatorium en
Carduüs.
Lithosia complana L. Bijv. en Montf. Rups in V op
bemoste stammen. Vlinder in VIII niet zz., vooral
op bloeiende Eupatorium. —
Lithosia sororcula Hfn. In de Bijv. niet zz. in V. Ook
bij Montf.
Pelosia muscerda Hfn. Einde VI en VII op smeer in
de Bijv. gevangen.
Atolmis (Gnophria) rubricollis L. De rups in de na-
zomer op bemoste struiken, o.a. op Betula, Quer-
cus en Picea gevonden. Vlinder in V en VI, komt
ook op licht.
Phragmatobia fuliginosa L. Herw., Didam, Lob.
Montf. en Emm. Ongeregelde verschijning op
licht, VII VIII. In 1934 talrijk. Bij Montf. vond
ik enkele rupsen op Carduüs. De meeste exx.
behoren tot de
ab. intermedia Tutt. Achtervls. zwart, behalve de
brede rode binnenrand.
ab. marginata Tutt. Achtervls. rood, op een smalle
zwarte rand na. Zz. Lob.
De type is vrij gewoon : Achtervls. rood, op een
rij zwarte vlekken langs de achterrand na.
Spilarctia (Spilosoma) lubricipeda L. Overal, doch
minder gewoon dan de volgende. Het lijkt me, of
deze soort een iets latere vliegtijd heeft dan
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 156
menthastri Esp. Ik ving in Lob. en Herw. de
ab. unicolor Hmbg. Zonder vlekken, behalve één
voorrandsvlek.
* 136. Spilosoma menthastri Esp. De gewoonste soort, steeds
talrijk op licht. Rups in de nazomer op allerlei lage
planten en heesters. In VIII-1934 kwamen meer-
malen rupsen dezer soort op smeer. Onder mijn
exx. de
ab. krieghoffi Pabst. Aantal punten talrijk. Lob.
ab. paucipuncta Fuchs. Aantal punten sterk geredu-
ceerd. Lob.
137. Spilosoma urticae Esp. Herwen, Lob. en Emm., niet
zz. Geregeld elk jaar in enkele exx. op licht. Ik
kweekte ze zonder moeite a.o. met Plantago. De
poppen moeten niet al te droog bewaard worden,
daar men anders veel kreupele exx. krijgt. Ik
ving de
ab. alexandri Pazs. Vleugels zonder punten. Lob.
* 138. Diaphora (Spilosoma) mendica Cl. Op licht te Herw.,
Lob., Bijv. en Emm. V—VI.
* 139. Arctia caja L. Overal. Jonge rupsen in de herfst op
Salix gevonden, in de lente op velerlei planten
en heesters. Ik ving of kweekte de
ab. flavosignata Closs. Witte tekening geel van kleur.
Een overgangex. met geelwitte banden. Lob.
ab. conjluens Rebel. De vlekken op de achtervls. in-
eengevloeid tot banden. Herwen.
ab. aurantiaca Englisch. Achtervls. oranjerood. Lob.
* 140. Tyria (Hypocrita) jacobaeae L. Op de zandgronden
als rups in VII op Senecio jacobaeae. Vlinder
V—VI: Babberich, Bijv., Eltenberg.
141. Zygaena trifolii Esp. Een ex. gevangen bij het Klein-
Peeske. (Montf.) VII.
142. Zygaena filipendulae L. Alleen een paar maal bij
Herwen gevangen. Komt ook bij Eltenberg voor.
* 143. Rhagades (Ino) pruni Schiff. Als rups niet zz. aan
de jonge eindscheuten van Calluna V—VI. Vlin-
der in VII. Bijv. en Montf.
144. Procris (Ino) staticis L. Sporadisch waargenomen te
Didam en Montf. Ook bij Emm. VI—VII.
* 145. Apoda (Cochlidion) limacodes Hufn, Overal, waar eik
groeit, in de herfst als rups, V— VI als vlinder.
In de Bijv. zag ik de 4 & talrijk in de zonne-
schijn vliegen.
* 146. Canephora (Pachytelia) unicolor Hfn. Niet zz. in de
Bijv., Montf. en bij Emm.
De rups in V aan grassen. Eind V en VI
spinnen ze zich vast aan bomen en struiken, vooral
op ruige heide.
157 LH SCHOLTEN,
* 147. Sterrhopteryx hirsutella Hbn. In de Bijv. komen in
het voorjaar de zakken talrijk op stammen, vooral
eik, voor. Vlinder VI.
* 148. Fumea casta Pall. Bijv., Montf. De zakjes veel op
bomen, V en VI.
* 149, Proutia (Fumea) betulina Zett. Het voorkomen in de
Bijv. vastgesteld door Coldewey. (In lit.)
* 150. Taleporia tubulosa Retz. Deze soort, die evenals de
beide volgende vroeger dikwijls tot de Micro-
lepidoptera werd gerekend, komt op de zand-
gronden algemeen voor, waar men de bekende
lange zakken op alle boomsoorten aantreft. De
vlinder vliegt in het einde van V en begin VI.
* 151. Solenobia inconspicuella Stt. De graankorrelvormige
zak op bemoste stammen. De & vlinder einde
IV, overdag vliegend gevonden in de Bijv. en de
Montferlandse heuvels. (Det. Bentinck.)
* 152. Solenobia cembrella L. Van deze soort ving ik einde
IV enige exx. op stammen van Fagus in de Bijv.
| (Det. Bentinck.)
153. Aegeria (Trochilium) apiformis Cl, Meermalen als
vlinder zittend gevonden op Populus en Salix
VI—VII, Babberich en Lob.
154. Synanthedon (Sesia) tipuliformis Cl. Ik zag van deze
soort exx., die in Elten gevangen waren. De soort
komt ongetwijfeld ook elders in het gebied voor.
155. Synanthedon vespiformis L. Een ex. 2-VIII bij Emm.
gevonden door den heer Spaarmann.
156. Synanthedon culiciformis L. Een ex., op berkeblad
zittend, gevonden bij Montferland, 25-V.
157. Synanthedon formicaeformis Esp. Bij Lob. niet zz.
als rups in dode takken en gezwellen van Salix.
Het gemakkelijkst krijgt men de vlinder, als men
die takken en gezwellen eind V verzamelt. Dan
zijn de rupsen meest verpopt en verkrijgt men
zonder moeite de vlinder in VI
158. Chaemasphecia (Sesia) empiformis Esp. Naar deze
soort heb ik jarenlang vergeefs uitgekeken. In
Duitsland komt ze langs de Beneden-Rijn niet zz.
voor. Daar de voedselplant der rups, Euphorbia,
hier ook veel groeit, was er dus alle reden te ver-
onderstellen, dat ze hier ook te vinden zou zijn.
Midden-VI-34 vond ik bij Lob., aan de Rijn,
enige dorre Euphorbia-stengels. Tengevolge van
de droge zomer waren ze toen gemakkelijk uit te
graven en bleken ze kleine Aegeridae--rupsen te
bevatten. Ik nam er een drietal mee, die spoedig
verpopten. Enkele dagen later vond ik die dorre
stengels ook elders bij Lobith. (Bijland). Nadat
* 159.
160.
* 161.
* 162.
163.
* 164.
* 165.
* 166.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 158
de popjes thuis uitgekomen waren, ging ik 7-VII
op de Bijland de vlinder zoeken. Ik kwam eigenlijk
al iets te laat, want van de vele exx., die er vlogen,
waren de meeste reeds afgevlogen. Ze vlogen in
de felle zonneschijn boven de Euphorbia-struiken
en waren door hun kleur moeilijk te zien, vooral
de enigszins afgevlogen exx. Ik trof er daar ook
in copula aan. Met enig geduld vindt men ze tegen
de avond ook op de stengels zitten.
Hoewel de kenmerken niet volkomen overeen-
stemmen met die welke Spuler (Bnd. II, blz.
312 en 314) geeft — bij alle exx. ontbreekt o.a.
de gele streep over het midden van de thorax —
bestaan er tegen het aannemen van een andere
soort te veel bezwaren, zodat ik ze maar voor
empiformis Esp. houd.
Cossus cossus L. Komt overal voor, bij Herwen en
Lob. veel in knotwilgen, ook in fruitbomen en eik.
Vlinder in VII, tegen de avond op Salix-stammen
zittend. Ook op licht.
Zeuzera pyrina L. Gevonden te Didam en Emm. VII.
Hepialus humuli L. Algemeen op weiden en grazige
plaatsen bij Herwen en Lob. Ook in de Bijv.
waargenomen. Onmiddellijk na zonsondergang
ziet men in VI—VII de ¢ 4 talrijk vliegen, in
danszweefvlucht op zoek naar de ? 2. Deze ziet
men minder talrijk, Zo gauw het donker gewor-
den is, ziet men de paartjes hier en daar in copula
aan de grashalmen hangen.
Hepialus sylvinus L. Gevangen te Herw., Lob., Bijv.
en Emm. In de Bijv. enkele malen paartjes in
copula aangetroffen, in 't gras zittend, VIII. Eens
vele exx. bij Lob. op iepenstammen zittend 30-
VIII. In de Bijv.
ab. poecilus Horm. Deze is meer geelbruin en wordt
uit Roemenie vermeld.
Hepialus lupulinus L. Enkele malen gevonden bij
Herw., Lob. en Emm. in V. Komt ook op licht.
Hepialus hecta L. Zeer talrijk in de Bijv. en Montf.
VI—VII. Tegen zonsondergang de & & in typisch
dansend-zwevende vlucht op open grazige plaat-
sen en boswegen. Overdag veel op stammen.
Diphtera alpium Osbeck. Als rups in VII-IX uit
Quercus geklopt in de Bijv. en Didam. De vlinder
op stammen in V—VI en op smeer. Montf. Met
de typonom. vorm komt voor de
ab. runica Hw. Dwarslijnen enkelvoudig. Bijv.
Colocasia (Demas) coryli L. Reeds eind IV, meest
op beukenstammen, in de Bijv. en Montf. Een 2e,
159
167.
* 168.
* 169.
* 170.
* 171.
172;
1175.
* 174.
L. H. SCHOLTEN,
kleinere generatie, eind VII aangetroffen. Als rups
VI en IX uit berk geklopt. Een ex. uit de Bijv.
vormt een overgang naar de
ab. avellanae Huene, waarvan de grondkleur één-
kleurig grijs is, zonder bruine wortelhelft, met
normale tekening.
Arsilonche albovenosa Goeze. Bij Lob. zeer gewoon,
ook bij Emm. gevangen. Meermalen de rups tal-
rijk op Phragmites, Typha en harde grassen aan-
getroffen, in VI en weer in de nazomer. Vlinder
IV—V en VII. Komt ook op licht. Er komen
zwak getekende en sterk donker getinte exx. voor.
Uit Lob. rupsen kweekte ik de
ab. ochracea Tutt. Roodachtig okergeel, met bleek
okergele aderen.
Acronicta rumicis L. Gewoon op stammen, licht en
smeer, in 2 gen, V en VII. Rups in IX op zuring
gevonden. De typonominale vorm weinig gezien,
de meeste exx. behoren tot de
ab. salicis Curtis. Geheel donker, met een rij witte
vlekjes voor de achterrand. Ook vele overgangen
naar deze vorm.
Acronicta psi L. Overal, maar nooit talrijk aange-
troffen in VI—VII. Van de volgende soort het
best als rups te onderscheiden. Op licht en smeer,
rups op allerlei loofhout.
Acronicta tridens Schiff. Als de vorige. De rups dezer
soort tref ik meer aan dan die der vorige.
Acronicta aceris L. Overal, V- begin VII, op stam-
men, licht en smeer. De typische rups geregeld
in de herfst.
Acronicta auricoma F. Als rups gevonden in de Bijv.
en de Montf. heuvels op Calluna vulgaris, Vac-
cinium myrtillus en Betula, VI en IX. Vlinder
V—VI en VII—VIII.
Acronicta megacephala F. Komt overal voor. De
vlinder in VI--VII op smeer en licht, ook veel
op stammen van Populus. Rups op Populus-soor-
ten gevonden.
Acronicta leporina L. Op de zandgronden niet zz.
VI—VII. Een klein ex. nog 11-VIII-1934 in de
Bijv. op bloeiende Eupatorium. De meeste exx.
behoren tot de
subsp. grisea Cochrane, met lichtgrijze grondkleur.
175.
In de Montf. heuvels ving ik de typonom. vorm
in 1 ex. op smeer. Voorvls. crémewit. Ook komt de
ab. bradyporina Tr. voor. Kleur als grisea, maar met
zwart bestoven buitenveld. Bijv.
Bryophila perla F. 1 ex. op licht te Lob. 12-VII.
* 176.
5.177,
* 178.
* 179,
* 180.
* 181.
52182,
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 160
Euxoa (Agrotis) obelisca Schiff. In Aug. 1934 ving
ik 5 exx. op licht te Lob. en op bloeiende planten
in de Bijv. Ze behoren alle tot de
ab. (ras) stephensii Heydm. Zwartgrijs, roodachtig
getint, niet roodbruin als de typische vorm. Komt
volgens Dr. Heydemann uitsluitend in het
Atlantisch gebied voor.
Euxoa tritici L. Een 12-tal jaren geleden was de soort
talrijk te Herwen op licht en smeer, en op bloeien-
de Calluna bij de Montf. Nu ik er de laatste jaren,
om de aberr. vormen, geregeld op let, ontmoet ik
de soort nog slechts sporadisch. Ik ving de
ab. hortorum Steph. Donker asgrijs, met duidelijke
tekening, zonder lichte costa. Van een zeer groot
® ex. dezer aberr. schreef Dr. Heydemann,
dat zonder mannelijk vergelijkingsmateriaal niet uit
te maken was, of deze grote exx. misschien tot
E. aquilina Schiff. behoren. Herw., Montf. VIII.
ab. albilinea Haw. Grondkleur roodbruin met witte
voorrand. In overgangen
ab. eruta Hbn. Grondkl. licht grijsachtig bruin, teke-
ning meer of minder duidelijk. Emm., Lob.
Agrotis ypsilon Rott. Op smeer te Herw., Lob., Bijv.
en Emm. VII—IX. Uit de Bijv. de
ab. fusca Dann. Voorvls. geheel donker bestoven op
een lichtere band langs de achterrand na.
Agrotis segetum Schiff. Overal op licht en smeer
VI—VII. Gewoon is de
ab. nigricornis Vill. Voorvls. éénkleurig zwart. Ook
in overgangen.
Agrotis corticea Hbn. Op licht te Lob. en Emm. Op
smeer Bijv, VI—VII. Hier ving ik de
ab. obsoleta-fusca Tutt. Grondkleur bruingrijs of don-
kergrijs, dwarslijnen geheel of gedeeltelijk verdwe-
nen, vlekken duidelijk, grondkleur zonder donkere
besprenkeling.
Agrotis vestigialis Rott. Op bloeiende heide en Eupa-
torium, Montf. VIII. Op smeer Bijv. VII, Emm.
Mijn exx. zijn alle donkerder dan die ik uit de
duinen en Amsterdam bezit. Ik ving in overg. de
ab. violascens Heydm. Binnenrand en buitenveld, maar
vooral de voorrand, mooi violetrose getint op licht-
bruine ondergrond. Soms alleen de voorrand. Bijv.
ab. olivacea Hart. De grondkleur, de vlekken en de
overige tekening olijfkleurig. Montf.
Agrotis exclamationis L. Overal talrijk VI—VII,
vooral op lichten smeer. De rups als schadelijk
in aardappelen aangetroffen. Ik ving de
ab. unicolor Hbn. Grondkleur donker roodachtig bruin,
161
* 183.
* 184.
185.
* 186.
* 187.
* 188.
L. H. SCHOLTEN,
ronde vlek ontbreekt, de andere vlekken duidelijk.
Bijv., Lob.
ab. rufescens Tutt. Voorvls. helder roodachtig grijs,
met duidelijke lijnen en vlekken. Lob., Bijv.
ab. brunnea Tutt. Grondkleur roodbruin, tekening
zeer donker. Bijv.
Rhyacia (Agrotis) ravida Schiff, (obscura Brahm.)
Einde VI en begin VII 1935 ving ik een dozijn
exx. dezer soort op smeer in de Bijv. Komt ook
bij Emm. voor. Mijn exx. behoren meest tot de
typonom. vorm met rode voorrand, die volgens
Dr. Heydemann in Midden-Duitsland weinig
voorkomt. Een paar exx. behoren tot de
ab. bigramma Esp. Grijsbruin, zonder rode voorrand,
ruimte tussen ronde en niervlek donker gevuld.
Rhyacia simulans Hufn. Eenmaal in de Bijv. uit een
struik geklopt. In Herw., Lob. en Emm. op licht
gevangen, ook meermalen in huizen en gebouwen,
VI. Af en toe ook weer in IX.
Rhyacia saucia Hbn. Een paar exx. op smeer te Her-
wen VIII, sporadisch ook bij Emm., Montf.
(Dr. Janecke).
Rhyacia birivia Schiff. (strigula Thnbg.) Gewoon op
de zandgronden, waar Calluna groeit. Enkele
malen ook op licht te Lob. Volwassen rupsen be-
gin IV op Calluna vulgaris in de Bijv. Ze ge-
bruikten geen voedsel meer en lagen vele weken,
eer ze verpopten.
Rhyacia festiva Schiff. (primulae Esp.) Overal op
licht en smeer VI—VII. Ik bezit van deze soort
de typonom. vorm, die bruin is met grijs wortel-
veld en grijze vlekken. Verder de
ab. primulae Esp. Grondkleur okergeel met duidelijke
tekening, middencel donker gevuld. Overal.
ab. congener Hbn. Geheel roodbruin met geelachtige
vlekken, de ruimte er tussen niet donker gevuld.
Bijv.
ab. ignicola H. Sch. Grondkleur geel, met duidelijke
tekening, zeer donkere vlek tussen ronde en nier-
vlek. Bijv., Montf.
ab. lamentanda Alph. Een lichte éénkleurig okergele
vorm, die uit Siberie bekend is. Bijv.
Rhyacia brunnea Schiff. Als rups in 't voorjaar op
Lonicera in de Bijv., op Vaccinium in de Montf.
heuvels. Komt op smeer. De meeste exx. behoren
tot de
ab. rufa Tutt. Grondkleur helder rood, zonder paars,
ronde en niervlek geelachtig, de ruimte er tussen
dikwijls niet donkerder dan de grondkleur. Bijv.,
Montf., Emm.
* 189.
* 190.
* 191.
24192:
193:
MELO:
2195:
si 196.
* 197.
198.
* 199,
* 200,
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 162
Rhyacia baja F. Bijv. en Montf. Van de laatste vind-
plaats ook reeds door Ver Huell vermeld.
Rups in IV op Populus tremula gevonden. Op
smeer VII—VIII.
Rhyacia rubi View. Komt overal voor, op licht, smeer
en bloeiende Eupatorium. In 2 gen. V en VIII—
IX. Uit de Bijv. de
ab. grisea Pfau. Grondkleur grijs, zonder rode tint.
Rhyacia c-nigrum L. Overal in 2 gen. op licht, smeer
en bloeiende planten, V—VI en VIII IX. Niet
bepaald zz. is de
ab. rosea Tutt. Grondkleur helder donkergrijs, rood-
achtig getint.
ab. nunatrum Esp. Grondkleur lichter, bruinachtig
grijs. Lob.
Rhyacia triangulum L. Overal, op licht, soms talrijk
op smeer. (Bijv.) Rupsen in ‘t voorjaar op Prunus
spinosa en Salix gevonden.
Rhyacia ditrapezium Bkh. Tot nu slechts in 1 ex. op
smeer in de Bijv. Kan vooral op smeer licht met
de vorige soort verward worden.
Rhyacia plecta L. Gewoon op licht en smeer, ook op
Eupatorium, V. en VII—VIII. Te Lob. ving ik
in beide gen. de
ab. anderssoni Lampa. Voorvls. zwartachtig violet.
Rhyacia umbrosa Hbn. Niet zz. in deze streek. Ge-
vangen op licht, maar vooral op bloeiende Car-
duüs en Eupatorium, VIII.
Rhyacia xanthographa Schiff. Overal. Rups in V
talrijk op gras gevonden in de Montf. heuvels.
Laat zich ook gemakkelijk met Prunus spinosa
opkweken. Vlinder op licht en smeer VIII—IX.
Komt ook graag op bloeiende Calluna. Niet zz.
is de
ab. budensis Frr. Grondkleur grijs. Herw., Lob.,
Montf.
ab. rufa Tutt. Grondkleur donkerrood of kastanje-
bruin. Vindplaats als de vorige.
Rhyacia putris L. Talrijk op licht, Herw., Lob.
Bijv. VI.
Rhyacia castanea Esp. Volgens mededeling van
Lempke bevindt zich een ex. dezer soort in
de coll. Dr. Prince, dat bij de Montf. gevan-
gen is.
Rhyacia augur F. Overal op licht en smeer, VI—VII.
Eurois (Agrotis) prasina F, Op stammen in de Bijv.
23-VI. Meermalen vleugels gevonden in de Bijv.
Montf. Ook te Emm. gevangen. Talrijk op smeer
in de heuvels begin VI. Jonge rupsen niet zz. ge-
163
* 201.
* 202.
203.
204.
* 205.
* 206.
L. H. SCHOETEN
sleept van Vaccinium myrtillus in de heuvels,
nazomer. Volwassen in V op deze plant en op
Rubus. Uit met Salix doorgekweekte rupsen een
kleinere 2e gen. in XI. Ik bezit de
ab. lugubris Petersen. Grondkleur gelijkmatig bruin-
grijs, geringe sporen van groene of witte tekening.
Beschreven uit Estland.
ab. viridior Spuler. Grondkleur sapgroen (helder
groen) in plaats van geelgroen. Bijv., Montf.
ab. albimacula Horm. Grondkleur een mengsel van
donker- en lichtgrijs, de vlek achter de niervlek
zuiver wit of grijs gevuld. Bijv., trf.
Eurois occulta L. Jonge rupsen talrijk van Vaccinium
gesleept in VIJI—IX. Volwassen eind IV en V
op dezelfde plant. In de Monf. heuvels de vlinder
gewoon op smeer eind VI en VII. Ook uit Bijv.
en bij Emm. Uit het Montf. gebied bezit ik de
ab. passetii Th. Mieg. Bijna zwart met lichte dwars-
banden. Warren zegt in Seitz, Bnd. III, dat
passetii en implicata dezelfde vormen zijn, maar
in het Suppl. blz. 87. “zeggen Dromen
Dr. Draudt, uitdrukkelijk, dat het twee afzon-
derlijke aberr. zijn. Niet zz., ook in overgangen.
Cerastis (Pachnobia) rubricosa F. Montf., Bijv. en
Didam. Niet zz. in de 2e helft van IV op katjes.
Ik kweekte de rupsen a.o. met Galium en kreeg
daarvan de vlinders reeds in Januari. De kweek
is alleen om de fraaie rups reeds de moeite waard.
Onder de type komt voor de
ab. rufa Hw. Grondkleur helder rood met rose franje.
Orthosia (Ammoconia) caecimacula Schiff. Van deze
soort, die ik reeds jaren tevergeefs in het heuvel-
gebied zoek, ving Dr. Janecke uit Emmerich een
aantal exx. op smeer bij de Montf. op 12-IX-36.
Alle zijn zeer licht van tint.
Mythimna (Mesogona) oxalina Hbn. Ver Huell
vermeldt deze soort in DI. I der Bouwstoffen op
blz. 20 onder No. 332 en geeft op pag. 264 als
vindplaats Montferland op. Later werd het voor-
komen in ons land in twijfel getrokken, tot ze in
1910 bij Valkenburg teruggevonden werd. (T. v.
Er DIEEIVM M9 ME pag: SOC) Intl Avans
een ex. op licht te Meerssen, 16-X. (Nat. Maand-
blad, No. 11, 1934) Ik meen daarom de soort hier
te moeten vermelden.
Naenia typica L. Herw., Bijv. en Lob., op smeer en
bloeiend gras, VI—VII.
Triphaena (Agrotis) pronuba L. Een der gewoonste
Noctuïden, op licht, maar vooral op smeer,
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 164
ab.
ab.
ab.
ab.
VI-X. In ‘t voorjaar op allerlei Gramineeën als
rups te vinden. De typonom. vorm is bleekgrijs,
niet gewoon. Daarnaast komen de volgende aberr.
min of meer talrijk voor :
ochrea Tutt. Grijsachtig okergeel, bijna éénkleurig.
Lob., Bijv.
ruja Tutt. Voorvls. en thorax roodachtig oker-
kleurig, bijna éénkleurig. Lob., Bijv.
innuba Tr. Lichaam en voorvls. donkerbruin, één-
kleurig. Bijv.
nuba Kaiser. Als ochrea, maar de niervlek als een
donkere, meestal zwartbruine vlek afstekend. Bijv.
* 207. Triphaena fimbriata Schreber. (fimbria L.) In IV
ab.
ab.
ab.
en begin V als rups in de Bijv. gevonden op Salix
en Prunus spinosa, in de Montf. heuvels op Vac-
cinium myrtillus. Ze laten zich zonder moeite ver-
der kweken. Vlinders hiervan in VI. De soort
komt ook bij Emm. voor.
Uit de Bijv. bezit ik de
virescens Tutt. Licht grijsachtig groen.
brunnea Tutt. Diep roodbruin.
obscura Lenz. Voorvls. donker, zonder lichte con-
trasten (behalve golflijn), in verschillende kleur-
vormen.
208. Triphaena janthina Schiff. Enkele malen op licht te
Lob. en Emm., VIII.
* 209, Triphaena orbona Hufn. De soort met donker costaal-
vlekje. Deze en de volgende soort en haar syno-
niemen worden nogal eens met elkaar verward.
Volgens Lempke moeten ze genoemd worden,
zoals ik het hier doe.
Ver Huell vermeldt deze soort in de Bouw-
stoffen van Montf. Een enkele maal bij Emm.,
Bijv. en Montf. op smeer in VI—VII.
* 210. Triphaena comes Hbn. Niet zz. Komt op licht en
ab.
211. Eue
smeer, VI—VII. In 't voorjaar als rups op allerlei
planten en heesters: Salix, Crataegus, Prunus,
Urtica en Lamium. Ik kweekte de
. ochrea Tutt. Voorvls. okergeel. Lob.
. grisea Tutt. Voorvls. donkergrijs. Lob., Herwen.
. prosequa Tr. Roodbruin, duidelijk getekend. Lob,
Herw.
adsequa Tr. Voorvls. lichtgrijs. Lob., Herw.
retagrotis (Agrotis) agathina Dup. Van deze
interessante soort ontdekte ik in het begin van
Mei 1937 de rupsen in de Montf. heuvels. Ik
sleepte een aantal jonge rupsen van Calluna vul-
garis, waaraan ze in dit stadium ook overdag te
vinden zijn. Aanvankelijk dacht ik twee mij on-
165
2212;
=213.
HAE
215.
2116.
PAT
BR. TR SEHOEREN;,
bekende soorten gevonden te hebben, een groene,
geelgestreepte en een bruine. Bij het verder kwe-
ken bleek echter al spoedig, dat het één soort
was: de groene rupsen veranderden de een na
de andere in bruine.
Zekerheid omtrent de soort kreeg ik, toen ik
kort daarna bij Rudolf Boldt in Wyler
dezelfde rupsen zag, die hij van Heumensoord had
meegebracht. Zijn voorspelling, dat er wel niet
veel van de dieren terecht zou komen, kwam
precies uit. Van meer dan honderd rupsen heeft
het er geen enkele tot pop gebracht. Dezelfde er-
varing had Boldt vroeger reeds opgedaan. Hoe
zorgvuldig ik ze gedurende de maand Mei ook
verzorgde, ze stierven successievelijk alle aan een
besmettelijke ziekte. Ze aten niet meer, werden
flets en doorzichtig, wat op het spoedig naderend
einde wees.*)
Begin VI heb ik met de lantaarn nog enige
rupsen gevonden, die spoedig ter verpopping
wegkropen. Maar ook hiermee had ik geen ge-
luk. Door een onvoorzien toeval verdronken ze
me alle.
De meeste rupsen vond ik op een plek met hei
en jonge dennen. Op de wegen langs en door dit
bos waren ze niet zz. Buiten deze plek vond ik
hier en daar nog een enkele.
Barathra (Mamestra) brassicae L. Overal VI—VIII.
Bij Emm. de
ab. scotochroma Röb., die een zwarte, melanistische
vorm is. Grondkleur sterk verdonkerd.
Scotogramma (Mamestra) trifolii Rott. Overal in
twee gen, V en VII—VIII. Op licht en smeer.
Polia (Mamestra) contigua Schiff. Bijv. en Montf.
In sommige jaren talrijk als rups op Vaccinium
myrtillus. Ook gevonden op Sarothamnus vulgaris
en Epilobium. Als vlinder op stammen en veel op
smeer, V— VI.
Polia genistae Bkh. 2 exx. op licht te Herw. en Lob.,
1 op smeer bij Montf. en enkele bij Emm. V—VI.
Polia thalassina Rott. Op licht te Herw. Gekweekt
a.o. met Plantago. In de Bijv. als rups op, als pop
onder Betula. De vlinder niet zz. op smeer. Bijv.
en Montf. De gekweekte exx. uit Herwen be-
hoorden alle tot de
ab. achates Hbn. Voorvls. bijna éénkleurig roodbruin.
Komt ook in de Bijvank voor. Hier gevangen de
ab. humeralis Haw. Grijsbruin, zonder rode tint.
Polia dissimilis Knoch. Overal, op licht en smeer, in
*) Noot bij de corr. In Augs 1938 kreeg ik uit de enige rups, die ik
in VI vond, inderdaad de vlinder.
* 218.
7 219%
220.
221
222.
223.
0224
225
226.
ur,
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 166
2 gen. en V en VIII. Te Herw. en Lob. ving ik de
ab. confluens Ev. Zwartachtig bruin, tekening slechts
even aangeduid.
Polia persicariae L. Zeer gewoon, soms talrijk op
licht, VI—VII. Rups in de nazomer op velerlei
planten aangetroffen. Af en toe de
ab. unicolor Stdgr. Niervlek donker, zonder wit. Lob.
Polia oleracea L. Overal gewoon, op licht en smeer,
in 2 gen. V en VIII. Niet zz. de
ab. rufa Tutt. Grondkleur helder roodbruin, zonder
de donkere tint van de typische vorm.
Polia pisi L. Als rups geregeld op‘ Vaccinium en
Sarothamnus, Bijv. en Montf. VIII—IX. Vlinder
VI—VII, op smeer. Ik kweekte de
ab. rufa Tutt. Helder rood, tekening onduidelijk, be-
halve de lichte golflijn. Montf.
ab. splendens Stephs. Roodbruin, bijna éénkleurig,
witte golfliin duidelijk. Montf. e.l.
Polia nana Hfngl. (dentina Esp.) Overal, veel op
boomstammen in de bossen, en op smeer. 2 gen.
V—VI en VII—VIII. Ik bezit de
ab. leucostigma Haw. Grondkleur witachtig grijs.
Overgang uit de Bijv.
ab. ochrea Tutt. Grondkleur der voorvls. okerachtig
Pons Over Bis
Polia serena Schiff. Ongeregelde verschijning op licht
te Lob. Op stammen Montf. VI.
Polia spinaciae View. (chrysozona Bkh.) Herw., Lob.
en Emm, op licht, VII—VIII. In de laatste jaren
hier niet meer waargenomen.
Harmodia (Dianthoecia) rivularis F. (cucubali Fuessl.)
Elk jaar in enkele exx. op licht te Herw., Lob.
en Emm. De rups vond ik jong in de zaaddozen
van Coronaria Floss cuculi, VII. Hieruit nog de-
zelfde nazomer de vlinder.
Harmodia bicruris Hfngl. (capsincola Hbn.) In tegen-
stelling met de vorige komt deze soort hier zelden
op de lamp af. Toch is ze niet zz. Waar de
voedselplant der rups, Melandrium album, groeit,
vind ik in de zaaddozen hiervan steeds talrijk de
rups, V—VI en VII—VIII. De poppen der 2e
gen. overwinteren bij mij steeds. Lob. Montt.,
Emm.
Harmodia compta Schiff. Herwen, Lob. Enkele exx.
op licht gevangen, VI en ook nog een ex. 4-IX-34.
Aplecta (Mamestra) advena Schiff. Eind VI, begin
VII op smeer in de Bijv. en de Montf. heuvels.
Van de laatste plaats ook reeds in de Bouwst.
vermeld. Komt ook bij Emm. voor.
167
L. H. SCHOLTEN,
* 228. Aplecta tincta Brahm. 5 exx. op smeer in de Bijv.
VI-VN.
* 229, Aplecta nebulosa Hfngl. Overal aangetroffen, op licht,
stammen, maar vooral op smeer, VI—VII. Rups
zit overdag soms op stammen. Uit de Bijv. de
ab. bimaculosa Esp. Donker grijs met zwarte teke-
nin
* 230. Pachetra (Mamestra) fulminea F. (leucophaea View.)
In de Bijv. en 't heuvelgebied niet zz., dikwijls
op stammen zittend. Veel op smeer, eind V, begin
VI. Uit de Bijv. de
ab. quadrimaculata Kujau. Onder de ronde en nier-
vlek een grote zwarte vierhoekige vlek.
* 231. Tholera (Epineuronia) popularis F. Talrijk op licht
en bloeiende planten in VIII te Herw., Lob., Bijv.
en Emm.
* 232. Tholera cespitis F. Tot nu toe alleen op licht gevan-
gen te Emmerich, VII.
233. Trichoclea (Mamestra) albicolon Hbn. Alleen te Lob.
en Emm. zz. op licht en bloemen in V—VI.
* 234. Monima (Taeniocampa) gothica L. Deze, evenals de
andere Monima-soorten, behalve M. opima H,,
heb ik grotendeels in het voorjaar op bloeiende
Salix-katjes aangetroffen, Al naar de weersom-
standigheden kan men ze daarop vinden vanaf
half Maart tot einde April. De gunstigste tijd is
in de regel de eerste helft van April. Ze komen
ook op smeer, maar met stroop heb ik tot nu toe
weinig succes gehad, misschien, omdat ik smeerde
in de nabijheid van de katjes. Met licht zijn ze
ook te krijgen, maar daarvoor moet men gunstig
wonen.
M. gothica L. komt in "t gehele gebied voor,
het meest wel in de bossen op de zandgrond. De
meeste exx. behoren tot de typonominale vorm.
Niet zz. is de
ab. pallida Tutt. Grondkleur licht witachtig grijs.
Didam, Bijv. Verder:
ab. rufescens Tutt. Grondkleur licht roodachtig grijs.
Did., Bijv.
ab. taeniata Lenz. Met opvallend lichte band voor de
golflijn. Bijv.
ab. askoldensis Stdgr. Grondkleur meer violetgrijs.
Volgens Warren in Seitz, bekend uit Amoer-
land en Japan. Bijv.
ab. hirsuta Warren. Door den auteur nieuw beschre-
ven in Seitz, III, blz. 90. Voorvls. grijs, donker
bestoven, met zwak rode tint, dwarslijnen zwart,
gothica-vlek in tweeën gebroken. Bijv.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 168
ab. pallida T. + ab. reducta Lenz. Bij de laatste ont-
breekt de wortelhelft van de zwarte gothica-vlek.
Bijv.
ab. pallida T. + ab. obsolescens Lenz. Bij de laatste
is de tekening onduidelijk, behalve de zwarte
gothica-vlek. Bijv.
ab. pallida T. + ab. taeniata Lenz. Bijv.
ab. brunnea Tutt. Diep roodbruin, vaak purperkleurig
getint, tekening normaal. Bijv.
* 235. Monima munda Esp. Komt ook in 't gehele gebied
voor, maar is minder algemeen. In Mei-Juni ver-
bergen de rupsen zich overdag in de schorsreten
van eiken. Laat zich gemakkelijk met Pirus kwe-
ken. Een der vroegste Monima’s. De typonominale
vorm is de meest voorkomende. Een paar maal
ving ik de
ab. immaculata Stdgr. Zonder zwarte voorrandsvlek-
ken. Ook in overg., evenals de
ab. grisea Tutt, waarvan de grondkleur donkergrijs
is, zonder bruin of geel. Beide in de Bijv.
* 236. Monima populi Strôm. Door 't gehele gebied, maar
nooit talrijk. Als vlinder ook heel vroeg. De rups
einde V en VI gevonden op Populus tremula in
de Bijv., en op de stammen van Populus canaden-
sis Mchs. bij Lob. De typonom. vorm is de meest
voorkomende. Ik bezit 1 ex. van de
ab. intermedia Steph. Donker grijsbruin, Bijv. W a r-
ren veronderstelt, dat deze ab. het meest bij de
2 2 voorkomt. Toevallig is mijn ex. een 3.
ab. obsoleta Tutt. De lichtste en minst getekende vorm.
In trf. Bijv.
* 237. Monima miniosa F. In 't geheel vond ik van deze
soort 4 exx. in de Bijv, alle op katjes. Eind V
vond ik in de Bijv. een aantal jonge rupsjes op
Quercus, waarop ze gezellig leefden. Bij Emm.
is de soort niet bepaald zz. Ver Huell ver-
meldt ze van Montf.
* 238. Monima stabilis View. De meest gewone der Moni-
ma's. Schijnt wel de langste vliegtijd te hebben,
_ want meermalen vond ik nog ver in VI deze
vlinder. Rups op loofhout in VI. De type, die
roodachtig grijs is, met min of meer rode bestui-
ving, komt het meest voor. Niet zz. is de
ab. pallida Tutt. Lichtgrijs, dikwijls met okergele tint.
Verder ving ik
ab. obliqua Vill. Donkergrijs met duidelijke tekening.
Een mooie ab. waarvan ik 1 ex. in de Bijv. ving.
ab. rufa Tutt. Helder rood. Niet gewoon. Ook in trf.
* 239, Monima pulverulenta Esp. Alleen in het bosrijk ge-
169
ab.
ab.
L. H. SCHOLTEN,
deelte gevonden, daar dikwijls zeer talrijk. Rups
V—VI op eik. De typonom. vorm de meest voor-
komende. Niet zz. is ook de
pusillus Haw. Dof grijs, zonder rood. Ook in
overg., evenals de
rufa Tutt. Helder rood of rose. Alles Bijv.
* 240. Monima incerta Hfngl. Deze variabele soort is ner-
ab.
ab.
ab.
ab.
ab.
gens zz. Het meest gevonden in de bossen. Naast
de type, die gewoon is, komt niet zz. voor de
fuscata Haw. Grondkleur der voorvls. helder
zwartachtig. Bijv.
subcarnea Warren. Grijsachtig vleeskleurig met
diepbruine middenband. Door Warren nieuw be-
schreven in Seitz, III, blz. 92. Bijv. 1 ex.
coerulescens Tutt. Grondkleur der voorvls. licht
blauwgrijs met donkere middenband. Bijv, 1 ex.
Verder in overgangen de
pallida Lampa. Grondkleur witachtig grijs, fijn
gestreept. 2 exx. Bijv.
ab. atra Tutt. Dof roetzwart, éénkleurig. 2 exx.
Bijv.
ab. rufa Tutt. Eénkleurig helder rood. 1 ex. Bijv.
type + subcarnea Warren. 2 exx. Bijv.
* 241. Monima opima Hbn. Deze is wel de zz. Monima in
het gebied. Ik vond slechts 2 exx., beide 9 2,
zittend op heide, en op gras tussen heide, resp.
Montf. 12-V en Bijv. 4-V. Beide waren pas uit-
gekomen. Van het tweede kreeg ik een aantal
onbevruchte eieren. Opmerkelijk is de late ver-
schijningsdatum van beide exx., daar meestal een
vroegere vliegtijd opgegeven wordt.
In begin-V 1937 vond ik in de Montf. heuvels
een vers legsel eieren, dat door zijn helder geel-
witte kleur sterk tegen de donkere heistengels af-
stak. Het waren ongetwijfeld Monima-eieren, die
na enkele dagen de bekende paarse tint kregen.
Ze kwamen ook geheel overeen met de onbevruch-
te eieren, die ik een paar jaar geleden kreeg. Zon-
der twijfel had ik dus de lang begeerde eieren van
opima. Helaas, na enkele dagen begonnen de jonge
rupsjes te verkleuren en stierven. Een klein ge-
deelte overleefde nog de eerste vervelling. Hoewel
ik die nog op wilg heb ingebonden, is er geen
enkele door gekomen.
Daar ook de Emmericher heren, die veel op
katjes verzamelden, de soort nooit aantroffen, meen
ik te mogen aannemen, dat deze in mijn gebied
pas in 't begin van V verschijnt en een heidedier is.
* 242. Monima gracilis F. Rups gevonden bij Lob., inge-
122:
244.
245.
Li 246.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 170
sponnen op Lysimachia vulgaris L. en op Salix.
Typonom. vorm gewoon. Verder de
ab. pallida Steph. Witachtig, zonder noemenswaardige
donkere beschubbing. 1 ex. Bijv. Daar eveneens
l ex. van de mooie
ab. rosea Tutt. Licht roodachtig, zonder zwarte
schubben.
Cerapteryx (Chareas) graminis L. Herw., Lob., Bijv,
Emm. Op licht in VIII, op gras zittend in de
Montf. heuvels. Van de laatste behoort 1 ex.
tot de
ab. ruficosta Tutt. Voorvls. grijs, met rode voorrand.
In trf. Verder 1 ex. tot de
ab. albineura Bsd. Voorvls. met tot de achterrand
doorlopende geelwitte aderen, die door zwarte
lengtestrepen omzoomd zijn.
Hyphilare (Leucania) lithargyria Esp. Gewone ver-
schijning op licht te Herw., Lob. en Emm. Op
smeer in de Bijv., V—VII. Ik ving de
ab. ferrago F. Grondkleur geheel rood. Lob.
ab. grisea Haw. Grijs, zonder geelrode tint. Tekening
duidelijk. Lob.
Hyphilare albipuncta F. 1 ex. op licht te Lob. VIII.
Hyphilare l-album L. Eerst in de laatste jaren in een
zevental exx. op licht te Lob. en op smeer in de
Bijv. gevangen. VI en IX—X. Bij Emm. niet
bepaald zz.
* 247. Sideridis (Leucania) comma L. Nergens zz., op licht
248.
* 249,
250.
en smeer, VI—VII.
Sideridis impura Hbn. Herw., Lob. Emm. Niet zz.
Rups in V op gras gevonden. Vlinder in VII
talrijk op bloeiend gras bij Lob.
Sideridis pallens L. De gewoonste soort, op licht,
smeer en bloeiende planten, in 2 gen. VI en
VIIT-VIII. Gewoon is de
ab. ectypa Hbn. Voorvls. roodachtig.
Sideridis obsoleta Hbn. Op licht te Herw. Lob. en
Emm. In VIII en IX-'34 de rups talrijk op Phrag-
mites communis L. in de Bijland bij Lob. Over-
dag verborgen ze zich in dorre rietstoppels, soms
4 tot 5 bij elkaar, die evenwel, ondanks de grote
hoeveelheid excrementen, niet vuil werden. Vroeg
in het volgend voorjaar vond ik, eerst de rupsen,
later de poppen, in de stoppels, waarin ze de
winter hadden doorgebracht. Na de winter vond
ik telkens slechts 1 rups of pop in een stengel,
die voor de verpopping eerst door een vliesje
wordt afgesloten. Vlinder V—VI. Enkele exx.
vormen een sterke overgang naar de
171
251.
1252;
253.
254.
2255,
* 256.
257.
258.
1259;
* 260.
* 261.
* 262.
263.
EH SCHOLTEN,
ab. nigrostriata Tutt. Sterke zwarte beschubbing
tussen de aderen en langs de middencel. Lob.
Sideridis pudorina Schiff. (impudens Hbn.) In Lob.
1 ex. op licht gevangen, in de Bijv. enkele op
smeer, einde VI, begin VII.
Cucullia umbratica L. Op licht en bloemen, overal,
maar niet talrijk, V—VIL _
Cucullia scrophulariae Cap. Als rups meermalen in
VII op Scrophularia nodosa L. aangetroffen bij
Lob., in de Bijv. en vooral bij Montf.
Brachionycha sphinx Hufn. Alleen waargenomen bij
Emm., op licht en stammen, XI. Niet zz.
Aporophyla nigra Haw. Ik ving 4 exx. dezer soort
op smeer in de Bijv., 24-IX-35. Dr. Janecke
ving 1 ex. op smeer 18-IX-36, in de Montf.
heuvels. 1 ex. 3-X-36 bij Emm. Al deze exx. be-
behoren tot de
ab. seileri Fuchs. Geheel zwart, zonder bruin.
Lithophane (Xylina) semibrunnea Haw. Een 10-tal
exx. op smeer in de Bijv. begin X-35. Ook bij Emm.
Lithophane socia Rott. 1 ex. op Salix-katjes, begin
IV, te Elten, op Duits gebied, dicht bij de Bijv.
Ook te Emm. gevangen.
Lithophane ornithopus Rott. 1 ex. op smeer te Her-
wen, 19-IX. Door Ver Huell in de Bouwst.
van de Montf. vermeld onder de naam van Xy-
lina Rhizolita W. W.
Lithophane lamda F, Eveneens in 1 ex. gevonden, op
een boomstam zittend, midden-III, Bijv. Het ex.
behoort tot de
ab. zinckeni Tr. Veel bonter dan de type.
Xylina (Calocampa) vetusta Hbn. Op licht te Herw.,
IV. Op katjes meermalen in de Bijv, IV. Enkele
exx. op smeer aldaar in IX. De prachtige rups
a.o. gekweekt met Iris. Rupsen ook op grassen
gevonden in VI.
Dichonia (Xylocampa) areola Esp. Niet bijzonder zz.
Op licht te Herw., op stammen te Babberich, Did.,
Bijv. en Montf. Ook uit katjes geschud. Rupsen
in V op Lonicera gevonden.
Meganephria (Miselia) oxyacanthae L. Rupsen in V
gevonden op Prunus spinosa L. te Babb. en in
de Bijv. te Herw. op P. domestica. Vlinder tal-
rijk op smeer in de Bijv. IX—X.
Crino (Hadena) satura Schiff. (porphyria Esp.) 1 ex.
op bloeiende Eupatorium bij het Klein-Peeske,
26-VIII. Dr. Janecke smeerde een paar jaar
later in de nabijheid, speciaal om deze soort te
krijgen. Ze waren talrijk aanwezig. Begin IX-37
264.
* 265.
* 266.
* 267.
É 268.
269.
* 270.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 172
2 exx. op een andere plaats in de heuvels, even-
eens op smeer.
Crino adusta Esp. Kwam in IX-24 talrijk als rups
voor op Calluna in de Bijv. Dr. Janecke
sleepte een rups van Vaccinium in de heuvels.
Op smeer ving ik 2 vlinders in VI-37, Montf.
Agriopis (Dichonia) aprilina Hbn. Talrijk op smeer
Bijv., IX-X-35.
Dryobotodes (Dryobota) protea Esp. Als rups in VI
uit eik geklopt te Didam en Bijv. Zeer talrijk op
smeer in de Bijv. IX-X-35, in de typonom. vorm,
en ook veel als
ab. variegata Tutt. Zwart en roodachtig, met wit-
achtige binnenrand, vlekken en franjeveld.
Eupsilia (Scopelosoma) satellitia L. Overal, maar
vooral in de bossen. Als rups in VI op Quercus
en Corylus. Als vlinder niet zz. op smeer in X en
in t voorjaar, dan ook op katjes. Ik ving in de
Bijv. de
ab. rufescens Tutt. Grondkleur der voorvls. rood of
roodgeel.
ab. frabanta Huene. Niervlek en punten wit.
ab. brunnea Lampa. Voorvls. roodbruin. De type, die
grijs is, komt ook niet zz. voor.
Conistra (Orrhodia) erytrocephala F. Vele exx. op
smeer, Bijv., einde IX—X. Ook bij Emm. Behalve
de typonom. vorm, niet zz. de
ab. pallida Tutt. Grondkleur lichtgrijs.
ab. glabra Hbn. Grondkleur donker, meer violetbruin,
lichte voorrand, vlekken en lijnen.
Conistra vau-punctatum Esp. Door Ver Huell in
de Bouwst. vermeld als Cerastis silene W. V. van
Montf. Coldewey ving deze soort in Doetin-
chem. Het voorkomen in dit gebied lijkt me dus
niet twijfelachtig.
Conistra vaccinii L. In de bossen talrijk op smeer,
vanaf IX tot laat in de herfst en weer in het voor-
jaar. Dan ook veel op katjes. Zoals bekend is,
varieert de soort sterk. Om de aberr. vormen te
leren kennen, die in de Bijv. voorkomen, heb ik
in de herfst van 1935 een groot aantal exx. van
vaccinii gevangen en door Dr. Heydemann
laten nazien, ook om zekerheid omtrent mijn ligula-
determinatie te krijgen. Dr. H. schreef me, dat
sommige ligula-vormen moeilijk van die van
vaccinii waren te onderscheiden, vooral omdat om-
trent het genitaliën-onderzoek der beide soorten
nog weinig positiefs bekend is. Hij zal gaarne ma-
teriaal voor dit onderzoek ontvangen.
173
an.
ab.
ab.
ab.
ab.
slop
ab.
ab.
ab.
L. 'H. SCHOLTEN,
Mijn ruim 100 exx. dezer soort heeft hij als
volgt gedetermineerd :
de typonom. vorm, éénkleurig roodbruin, gewoon.
ochrea Tutt. Grondkleur okergeel, met roodachtige
dwarslijnen. In enkele exx.
mixta Stdgr. Voorvls. in 't midden en voor de
achterrand met licht okergele dwarsbanden, aderen
licht. Komt veel voor.
glabroides Fuchs. Roodbruin, voorrand lichter,
vlekken en gewaterde band geel. Evenmin zz.
spadicea Hbn. Grondkleur roodachtig of kastanje-
bruin met donkere dwarslijnen. Zeldz.
sujjusa Tutt. Middenveld zwartachtig grijs of
leikleurig verdonkerd, wortel- en franjeveld rood-
bruin. Zeldz.
obscura Tutt. Gehele voorvls. zwartachtig grijs,
of grijsachtig met lichte aderen en verdere teke-
ning. Enkele exx.
fusca Lenz. Voorvls. zwartachtig bruin zonder
lichte banden. Zeldz.
mixta-grisea Lenz. Als mixta, maar met grijs
middenveld. Niet zz. Een groot aantal exx. vorm-
den overgangen naar deze aberraties.
Conistra ligula Esp. Tegelijk met de vorige op smeer,
ab.
maar zz. C. ligula verschijnt wel een maand later
dan de vorige soort.
De diepbruine typonom. vorm heb ik niet ge-
vonden. De 5 exx., die ook Dr. H. voor ligula
hield, behoorden alle tot de
polita Hbn. Donker tot zwartbruin, zonder rood of
lichtbruin, met grijsachtig witte golflijn. Bijv.,
Emm
Conistra rubiginea F. Op smeer in de Bijv. X—XI.
In ‘t voorjaar op katjes. De rupsen laten zich ge-
makkelijk opkweken met Pirus malus L.
. Omphaloscelis (Anchoscelis) lunosa Haw. Dr. Ja-
necke ving 7-X-36 een ex. bij Emm.
Spudea (Orthosia) ruticilla Esp. Vanaf midden III
ab.
ab.
ab.
ab.
niet zz. Behalve de type de
castanea Warren. Roodbruin, alle tekening min
of meer onduidelijk.
grisea Warren. Grijs, zonder rode tint, tekening
niet scherp. Een groot deel der vlinders behoort
hiertoe.
rufo-variegata Dann. Grondkleur roodachtig, mid-
denveld van de voorvls. breed zwartbruin, ook de
andere velden bont getekend. Zz.
unicolor Heinrich. Zowel grijze als rode exx., bij
welke alle tekening verdwenen is, op de flauw
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. Liz
donkere niervlek na, en een geringe aanduiding
van de donkere bestuiving van de golflijn bij de
voorrand.
ab. dilutior Heinrich. Zowel grijze als rode exx. met
flauwe tekening, de scherp. geknikte dwarsstreep
echter nog duidelijk.
* 275. Amathes (Orthosia) lychnidis F. (pistacina F.) Over-
al, IX en X, op licht en smeer. Het meest aange-
troffen op smeer in de Bijv. Dr. Heydemann
geeft de voorkeur aan de naam lychnides F., in
tegenstelling met Warren in Seitz III.
Van deze sterk aberrerende soort bezit ik, alles
Bijv., de
ab. pistacina F. Roodachtig okergeel, scherp getekend.
Niet zz.
ab. rubetra Esp. Als de volgende, maar de uiterste
voorrand wit. Niet zz.
ab. ferrea Haw. Helder rood, van de tekening alleen
4 streepjes aan de voorrand en 2 donkere strepen
in plaats van de ronde en niervlek, of ook deze
tekening geheel ontbrekend.
ab. obsoleta Tutt. Licht roodachtig okergeel, éénkleu-
DE 772:
ab. serina Esp. Licht grijsachtig okerkleurig, scherp
getekend.
ab. pallida Tutt. Grondkleur licht grijsachtig oker-
kleurig, of geelachtig, tekening onduidelijk.
ab. brunnea Tutt. Bruinachtig geelrood, met duidelijke
voorrandsvlekjes, ronde- en niervlek, zonder lichte
aderen.
Verder overgangen naar de
ab. canaria Esp. Grondkleur zwartachtig, dwarslijnen
en vlekken geelachtig. Zz.
ab. silesiaca Schultz. Voorvls. zwart verdonkerd,
dwarslijnen en aderen bleekgeel, achtervls. zwart-
grijs. Zz.
Ten slotte nog een aantal exx. van een nog
niet beschreven kleuraberratie.
* 276. Amathes lota L. Gewoon, als rups veel op Salix in
V. De rups ligt lang ingesponnen, eer ze verpopt.
De vlinder in IX, op licht en smeer. In min of
meer sterke overgangen de
ab. rufa Tutt. Roodachtige tint in plaats van grijze.
Lob., Bijv.
* 277, Amathes macilenta Hbn. Niet zz. op smeer in de Bijv.
in de herfst van 1935. Meermalen smeerde ik in
een beukenlaan, om deze soort te krijgen, steeds
vergeefs. Op enige afstand van het bos kwamen
ze wel op de stroop af. Dezelfde ervaring deed
175
* 278.
2219.
* 280.
251
* 282.
283.
284.
* 285.
Ep iss SCHOBWEN?
ik op met Cosmia aurago F. Bij Emm. is deze
soort ook gevangen.
In overgangsvormen vond ik de
ab. nigrodentata Fuchs. Voorvls. met twee scherp ge-
tande dwarslijnen.
ab. immaculata Gauckler.
Amathes circellaris Hfngl. Meermalen uit Salix-katjes
gekweekt, tegelijk met Cosmia-rupsen. Geregeld
op smeer in de Bijv, IX—X. Hier de
ab. macilenta Hbn. Voorvls. donkerbruin gewolkt,
vooral langs binnen- en buitenrand. Achtervls.
zwartgrijs.
ab. ferruginea Esp. Roestkleurig. In overgangen de
ab. nigridens Fuchs. Dwarslijnen sterk zwart en ge-
tand.
Amathes helvola L. In de bossen niet zz., in de Bijv.
soms zeer talrijk op smeer, IX—X. Behalve de
typonom. vorm, die niet zz. is, de
ab. rujina L. Helder rood, met donkerder banden.
2 exx. Ook in trf.
ab. catenata Esp. Voorvls. roodachtig, scherp gete-
kend, zwarte dwarsstreepjes tussen laatste dwars-
lin en golflijn. 2 exx.
ab. ochrea Tutt. Grondkleur groengrijs of oker-
geel, goed ontwikkelde roodachtige dwarsbanden.
Niet zz.
ab. unicolor Tutt. Lijnen en dwarsbanden onduidelijk,
bijna éénkleurig roodachtig. 2 exx.
ab extincta Spuler. Grondkleur okergeel, onduidelijk
getekend. 2 exx.
ab. cinnamomea Fuchs. Voorrandsveld donkerbruin,
sterk grijs bestoven, tekening onduidelijk. 2 exx.
Cosmia (Xanthia) aurago F. Talrijk op smeer Bijv.
IX-X-35.Ook bij Emm. gevangen. Hier een paar
exx. met geheel éénkleurig violetrode voorvleugels.
Cosmia lutea Ström, Zeer gemakkelijk uit Salix-katjes
te kweken, later met Plantago. Lob., Montf., Emm.
en Bijv. Hier ook veel op smeer, VIII IX.
Cosmia fulvago Esp. De gewoonste soort, als rups in
- Salix-katjes, als vlinder op smeer, VIII—IX. In
de Bijv. ving ik de
ab. flavescens Esp. Eénkleurig geel, zonder tekening,
soms alleen de niervlek.
Cosmia gilvago Esp. 2 exx., één van Herwen en één
van Babb., IX. Ook enkele malen bij Emm. ge-
vangen.
Cosmia citrago L. Komt bij Emm. voor in IX.
Amphipyra pyramidea L. Overal, meest op smeer
VIII-IX. Als rups op allerlei loofhout gevonden,
VI.
* 286.
287.
288.
* 289.
* 290.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 176
Amphipyra tragopoginis L. Overal, op licht en smeer
VII—VIII. De rups vond ik ingesponnen op Tri-
folium in VI.
Stygiostola (Rusina) umbratica Goeze. Nergens zz.,
veel op smeer in de Bijv. en Montf. VI—VII.
Mania maura L. Tot nu toe alleen zz. bij Emm. ge-
vonden.
Dipterygia scabriuscula L. Een paar maal op licht te
Lob. Gewoon op smeer in de Bijv. en Montf. 2
gen. V—VI en VII-IX.
Parastichtis (Hadena) lithoxylea F. Lob., Emm. en
Herw. op licht, Bijv. op smeer in VII.
291. Parastichtis sublustris Esp. Op licht te Herw. en Lob.,
0292:
293.
2297
935,
=296;
* 297,
2298;
op smeer Eltenbg.
Parastichtis rurea F. De type op stammen en smeer,
Bijv., op licht te Lob. en Emm. in VI. De meeste
exx. behoren hier tot de
ab. alopecuris Esp. Donker roodachtig bruin, niervlek
donker geringd.
Parastichtis monoglypha Hfngl. Overal talrijk, op
licht en smeer. Als er op een ongunstige avond
in VI of VII niets vliegt, is monoglypha toch
present. Niet zz. komt voor de
ab. infuscata B. Wh. Grondkleur zwartachtig, teke-
ning tamelijk duidelijk.
ab. obscura Th. Mg. Grondkleur der voorvls. donker-
bruin, tekening minder duidelijk dan bij de type.
Parastichtis lateritia Hfngl. Overal in het gebied, maar
nooit talrijk waargenomen. Op licht en smeer VII.
Met de typonom. vorm komt voor de
ab. borealis Strd. Grondkleur donker, met duidelijke
tekening. Ook in trf.
Parastichtis sordida Bkh. Een enkele keer op licht te
Herw., op smeer Montf. In de Bijv. thorax met
vis. Ook bij Emm. Hier de
ab. renardi B. Grondkleur licht, éénkleurig grijs.
Parastichtis remissa Hb. (gemina Hbn.) Bonte vorm.
Wortelveld grijsbruin, middenveld donkerbruin
tot de donkere streep uit de tapvlek, daaronder
licht, evenals de gewaterde band, ronde- en nier-
vlek. Franjeveld donker. Niet zz. is de
ab. submissa Tr. Als de typonom. vorm, maar de ge-
waterde band niet zo licht.
ab. obscura Hw. (gemina Hbn.) Eénkleurige vorm,
donker grijsachtig zwart, vlekken zwak geringd,
dwarslijnen en golflijn licht. Gewoon.
Parastichtis unanimis Hbn. Lob. Herw. en Emm. op
licht. In de Bijv. op smeer. VI.
Parastichtis basilinea F. Talrijk op smeer en licht:
177
52997
300.
* 301.
* 302.
L. HL. SCHOLTEN,
Herw., Lob., Emm., Bijv. en Montf., V—VI.
Meermalen gevangen de
ab. cinerascens Tutt. Asgrijs, zonder rood, vooral be-
kend uit Noord-Engeland.
Parastichtis scolopacina Esp. 2 exx. in de Bijv., één
op smeer, één op een stam, in VII.
Parastichtis (Miana) ophiogramma Esp. Rupsen einde
V in de jonge scheuten van Phragmites en Gra-
mineeén. Als ze volwassen zijn, verlaten ze de
stengels, om in de grond te verpoppen. De vlinder
ving ik op licht te Herw. en Lob. In laatstgenoemde
plaats ving ik de
ab. moerens Stgr. Grondkleur der voorvls. donker
grijsachtig, de grote vlek aan de costa zwartachtig.
Parastichtis secalis L. Zeer gewone soort, op licht,
smeer en bloeiend gras, VI—VII. Van deze zeer
variabele soort bezit ik de
ab. leucostigma Esp. Grondkleur zwart, tekening dui-
delijk, niervlek geelachtig, donkere streep vanuit
de tapvlek. Herw., Lob., Biv.
ab. didyma Esp. Roodachtig of bruinachtig, sia
veld donkerder, niervl. witachtig, donkere streep
als de vorige. Lob., Bijv.
ab. oculea Guen. Witachtig grijs, voorrand donker,
niervl. witachtig Lob., Bijv., Herw.
ab. I-niger Haw. Grondkleur grijs, middenveld don-
kerder grijs, niervl. geelachtig, donkere streep als
bij leucostigma. Herw., Bijv.
ab. nictitans Esp. Voorvls. éénkleurig roodbruin, te-
kening duidelijk, niervl. wit, streep uit de tapvlek
ontbreekt. Lob., Bijv., Herw.
ab. reticulata Tutt. Voorvls. grijs, soms flauw oker-
geel getint, tekening duidelijk. Niervl. geel of wit.
Oligia (Miana) fasciuncula Haw. Naar aanleiding
van het interessante artikel van Dr. F. Heyde-
mann: „Zur Morphologie und Formenbildung
der Gattung Miana Stph.”, in de Ent. Zeitschrift-
Frankfurt, XXXXVle Jahrg., heb ik Dr. H. ai
mijn Miana’s te nadere determinatie gezonden. Op
diens gezag vermeld ik hier de volgende soorten
en aberr. vormen:
Type: Voorvls. levendig, midden- en franjeveld
dieper rood. Dwarslijnen gedeeltelijk wit. Bijv.,
13-VI, Herw., 17-VI en 5-VII, Lob., 13-VI.
ab. cana Stdgr. Voorvls. bijna éénkleurig grijsgeel,
middenveld roodachtig. Bijv., 13-VI, Lob., 24-VI.
Ook trf. naar deze aberr. te Lob., 24 en 25-VI.
ab. pallida Tutt. Als cana, maar het middenveld even
bleek als de rest van de vleugel, alleen aan de
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 178
binnenrand zichtbaar, doch daar niet rood, maar
wat donkerder dan de grondkleur.
* 303. Oligia bicoloria Vill. Gewoner dan de vorige. Ver-
schijnt later. Op licht, smeer en boven grazige
plaatsen in de schemer.
Deze soort varieert meer dan de vorige. Ik bezit
de typonom. vorm. Voorvls. grijsachtig bruin,
achterrandshelft lichter dan de wortelhelft. Herw.,
9-VIII.
ab. brunnea-reticulata Tutt. Grondkleur okerkleurig
of bruin, met dwarsstreepjes, vlekken duidelijk,
voorvls. niet verdeeld in kleurhelften. Herw.,
20-VII, Lob., 24-VII.
ab. furuncula Hbn. Wortelhelft okerachtig of rood-
achtig, bijna bruin, buitenhelft witachtig grijs.
Herw., 19-VII, 20-VII. Lob., 16-VII, 24-VII en
8-VIII. Een trans. van Lob. 10-VIII.
ab. victuncula Hbn. Voorvls. éénkleurig met fijne
zwarte dwarslijn, die van costa tot binnenrand
loopt tussen ronde en nietvl. door. Herw., 20-VII.
* 304. Oligia aerata Esp. (latruncula Hbn.) Nergens zz.,
bijna steeds als
ab. aethiops Haw. Geheel éénkleurig zwart, franjeveld
soms iets lichter. Mijn exx. zijn alle gevangen einde
VI te Lob., Bijv. en Eltenberg. In de Bijv. ving
ik een overg. ex. van de
ab. unicolor Tutt. Voorvls. éénkl. donker purperbruin
of roodachtig zwart.
* 305. Oligia strigilis L. Overal in VI en VII. Mijn exx. be-
horen tot de typonom. vorm. Wortel- en midden-
veld bruinachtig grijs, met brede witte achterrands-
band. Eerst in 1936 in een aantal exx. op licht
te Lob. gevangen. Verder de
ab. fasciata Tutt. Wortel- en middenveld zwartachtig,
met brede witte achterrandsband. Volgens Dr. H.
op het vasteland zz. Lob. 26-VI en 1-VII, tel-
kens 1 ex.
ab. suffumata Warr. + conjuncta Heydm. Sujfumata
W.: als fasciata, met sterk verdonkerd franjeveld,
karakteristieke tandjes duidelijk ; conjuncta H. met
duidelijke zwarte dwarsstreep uit de tapvlek. Niet
zz. Bijv. 29-VI, Lob. 19-, 26-, 28-VI.
ab. intermedia Helbig. Franjeveld sterk gemengd met
grijsbruin, middenveld iets bruiner dan bij de type.
De buitenste fijne dwarslijn is wit gebleven. Niet
zz. Eltenberg 24-VI, Lob. 11-, 25-, 30-VI en
10-VII.
ab. aethiops Osth. Geheel zwart, maar toch de diep-
zwarte karakteristieke tekening aanwezig. Lob.,
26-V i en VI
179
306.
* 307.
308.
* 309.
* 310.
* 311.
312
+
313.
Hans
* 315.
E EISSCHORTEN?!
Oligia versicolor Bkh. Deze in ons land nog weinig
gevonden soort werd door Dr. Heydemann
uitvoerig beschreven in zijn boven aangehaald ar-
tikel. Ze is moeilijk van de verwante aerata en
strigilis te onderscheiden. Wat de grootte betreft,
houdt ze het midden tussen beide soorten. Alleen
genitalien-onderzoek geeft afdoende zekerheid. Ik
ving van deze soort drie exx., 1 te Lob. 1-VII-35
en weer 2 exx. op licht te Lob. 10-VI-36. Het
eerste ex. behoort tot de
ab. aethiops Heydem. Diepzwart, alle tekening, op de
dwarsstreep uit de tapvlek en de omranding van
vlekken na, verdwenen.
De beide andere tot de
ab. roseo-suffumata Heydm.
Sidemia (Dyschorista) fissipuncta Haw. Rups in de
voorzomer niet zz. te vinden in de schorsreten van
Salix-stammen. Vlinder in VII op licht en smeer
Herw., Lob. en Bijv. Hier de
ab. nigrescens Tutt. in overg. Grondkleur voorvls.
zwartachtig bruin.
Luperina (Apamea) testacea Hbn. Op licht in VIII
te Herw. en Lob. Ook bij Montf. gevonden. Ik
bezit van de eerste beide vindplaatsen de
ab. nigrescens Tutt. Grondkleur zwartachtig grijs,
tekening onduidelijk.
ab. cinerea Tutt. Grondkleur asgrijs (donkergrijs),
tekening duidelijk.
Trachea atriplicis L. Geregeld op licht te Lob. en op
smeer in de Bijv. V—VII.
Euplexia lucipara L. Lob. Bijv., Montf., op licht en
smeer, VI—VII. Rups in VIII op verschillende
planten gevonden.
Trigonophora (Brotolomia) meticulosa L. Overal in
in 't gebied in 2 gen, V—VI en VIII IX. Rups
reeds vroeg in t voorjaar op allerlei planten ge-
vonden, o.a. op Calluna.
Talpophila (Celaena) matura Hfngl. Op licht te Emm.
gevangen 28— VII.
Lithomoia (Hyppa) rectilinia Esp. 3 exx. op smeer
en op stammen zittend in de Montf. heuvels, be-
gin VI. In IX rupsen gesleept van Vaccinium, die
echter in t najaar stierven. Ook door Dr. Ja-
necke bij Montf. gesmeerd.
Hoplodrina (Caradrina) alsines Brahm, Zeer talrijk
op licht, smeer en bloeiend gras, overal, VI—VII.
Hoplodrina blanda Schiff (faraxaci Hbn.) Ik had voor
enige jaren tussen mijn alsines-exx. een dier staan,
dat de opmerkzaamheid van den heer Cold e-
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 180
wey trok. Door zijn lichte, iets glanzende tint,
week het van de alsines-exx. af. Bij nadere be-
schouwing en bestudering dachten we aan twee
mogelijkheden : ambigua en sericea Sn. Later is
het dier door bemiddeling van den heer Lemp-
ke onder de ogen van een buitenlandse Noctui-
den-specialist geweest, die het terugzond met het
etiquet : ab. sericea Speyer ? Dat vraagteken vol-
deed ons natuurlijk niet en we zochten verder.
Coldewey en Blöte hebben het toen ver-
geleken met Snellen’s type in het Leids
museum voor Nat. Historie, of het misschien toch
nog sericea Sn. kon zijn. Daar kwam men zo ver,
dat het dier nog het meest weg had van faraxaci,
maar een definitieve beslissing werd niet verkre-
gen.
Daarop heb ik Dr. Hydemann de puzzle
ter oplossing gezonden. Ik vermeldde het dier in
mijn bijgevoegde lijst als C. alsines B. met een
paar vraagtekens. Die werden door Dr. H. aan-
vankelijk geschrapt, hij hield het ook voor een
ex. dier soort, Later voegde hij er aan toe: rein
äuszerlich faraxaci mit ambigua-Farbe. Ook dacht
hij aan de mogelijkheid van een hybride. Daar ik
Dr. H. toestemming had gegeven voor genitaliën-
onderzoek, vervaardigde hij een preparaat en
schreef later, dat het een zekere faraxaci was, met
een zeer lichte, reebruine grondkleur. Uitwendig
alleen van ambigua te onderscheiden door de
niet sterk gezaagde en niet sterk bewimperde
sprieten.
Het bewuste dier is een ¢, 2-VII-1930 op licht
te Lob. gevangen. Ik heb bij dit geval wat langer
stil gestaan, om te laten zien, hoe moeilijk het
soms is, een of ander dier absoluut zeker te deter-
mineren, waarbij ik dan stilzwijgend aanneem,
dat de laatste determinatie juist is geweest.
Overigens komt de gewone blanda-vorm hier
niet zz. voor tussen die van alsines. Ze is nogal
moeilijk hiervan te onderscheiden. Alleen, als men
van beide een serie aanlegt, zijn de verschilpunten
beter te zien.
* 316. Elaphria (Caradrina) morpheus Hfngl. Overal op
licht, smeer en bloeiende planten, VI—VII.
317. Elaphria selini Bsd. 1 ex. op licht te Lob. 26-VI-32.
* 318. Elaphria clavipalpis Scop. (quadripunctata F.) Overal
op licht, smeer, bloeiend gras en Eupatorium in
2 gen. V—VI en VIH—IX.
* 319. Petilampa arcuosa Haw. Op smeer in de Bijv. niet
181
L. H. SCHOLTEN,
zz. in VI—VII. Bij Emm. de rups gevonden op
Gramineeen. Het veel kleinere mannetje ziet men,
als het op smeer zit en eenigszins afgevlogen is,
licht voor een „micro aan.
* 320. Psilomodes (Erastria) venustula Hbn, Lob., Montf.,
Bijv. Op licht en smeer, VI. Dit fraaie diertje joeg
ik eind VI talrijk op uit dor gras langs een bospad
bij Montf.
* 321. Gortyna (Helotropha) leucostigma Hbn. Mijn col-
ab.
ab.
ab.
lectie bevat nog 45 exx. dezer soort. Enkele ving
ik op licht, de meeste op smeer in het begin van
Augustus 1934. De rups trof ik in VI talrijk aan in
Iris pseudacorus bij Lob. (Bijland). Droge jaren,
waarin het moeras gedeeltelijk droog komt te lig-
gen, zijn voor de ontwikkeling gunstig. In 1934
kwam de vlinder bij honderden op smeer, in alle
vormen.
Gortyna leucostigma is een zeer variërende soort,
zowel wat kleur als wat tekening betreft. De kleur
is in hoofdzaak koffiebruin, van licht tot zeer
donker, soms meer roodachtig. Bij vele exx. is de
tekening slechts flauw zichtbaar, bij andere zeer
duidelijk. De niervlek, wit of geel, is nu eens dui-
delijk (maar nooit geheel gevuld), dan weer is de
heldere vlek donker gekernd, vaag of nagenoeg
afwezig. De gewaterde band variëert van zeer
flauw tot helder witachtig geel.
Het onderbrengen van een groot aantal exx. in
verschillende groepen is hier dan ook zeer moei-
lijk. Er zijn altijd wel enkele dieren, die aan de
beschrijving van een of ander type beantwoorden,
maar bij vele exx. is een juiste benaming moeilijk.
Dr. Heydemann heeft een gedeelte van mijn
materiaal gedetermineerd, maar zelfs met behulp
van deze exx. blijft het lastig.
Ik voel meer voor Snellen's indeling in twee
groepen : die met effen of nagenoeg effen grond-
kleur en de andere, met meer contrasterende
voorvls. Tot de eerste groep behoren dan de
typonominale vorm (= fibrosa Hbn. volgens
Snellen). Voorvls. donker bruin (koffiebruin)
Niervlek geel. Overige tekening slechts flauw
zichtbaar.
albipuncta Tutt. Als de vorige, maar met zuiver
witte niervlek. Tot de tweede groep :
lunina Haw. Als de type, maar de gewaterde band
veel lichter en ader 3 en 4 aan de besis licht.
Vlekken duidelijk.
fibrosa Hbn. (= Snellen’ type) Levendig rood-
achtig bruin, middenveld het donkerst.
ab.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 182
De beide laatste vormen zijn practisch niet uit
elkaar te houden. Alle vormen komen talrijk voor.
pallida Heydm. Deze ab. heeft Dr. Heydmann
op mijn verzoek als nieuw beschreven in de Int.
Ent. Z.-Frankf., 52e Jahrg., No. 26, blz. 47 (Taf.
I, Fig. 18 & ). Het is een bijzonder licht ex., dat
in tint overeenkomt met sommige rose exx. van
Monima gracilis F.
Dr. H. beschrijft het als bleek roodachtig bruin,
met matgrijs vervaagd voorrandsveld, zodat op de
voorvls. alleen de geelachtig witte niervlek duide-
lijk blijft. Achtervls. vuilwit, eveneens lichter dan
bij de typonom. vorm., met matgrijze aderen en
golflijn.
Type en co-type in min coll, van Lob.
11-VIII-29 en Bijland (bij Lob. 6-VIII-34, het
eerste op licht, het andere op smeer.
* 322. Apamea (Hydroecia) oculea L. (nictatans L.) Deze
ab.
ab.
ab.
soort ving ik tot nu toe alleen in de Bijv. op smeer
en bloeiende Eupatorium, einde VII en eerste
helft van VIII. Is ook bij Emm. gevangen. De
vliegplaats is de Zuidelijke bosrand, langs een
smal beekje met rijke vegetatie, en dicht daarbij
eveneens op een vochtige plaats. Van de 30 exx.,
die ik er ving, behoort ongeveer de helft tot de
typonom. vorm. Grondkleur grijsachtig roestrood,
iets wolkig, min of meer violet getint. Verder
enkele tot de
nictitans Bkh. Groter, meer roodbruin tot roest-
rood. 8-VIII tot 16-VIII.
pallida Tutt. Licht grijs met roodachtige tint.
27-VII, 8-VIII.
rosea Tutt. Grondkleur helder rood, franje der
achtervls. rose. 3 exx. 8-VIII tot 15-VIII. Een
ex. is prachtig rose gekleurd.
* 323. Apamea fucosa Frr. (paludis Tutt.). Deze soort
komt in twee hoofdvormen voor: fucosa-fucosa
Frr. en fucosa paludis Tutt.
De eerste vang ik hoofdzakelijk in Lob. Uit de Bijv.
slechts 1 ex. De vorm paludis Tutt. komt zowel
te Lob. als in de Montf. heuvels voor (Klein Pees-
ke). Ze komen op licht, smeer en bloeiende Eupa-
torium, VII en VIII.
De bijna 30 exx., die ik bezit, zijn door Dr.
Heydemann als volgt gedetermineerd :
fucosa fucosa Fr. Dus de typonom. vorm. Deze is
zeer licht geelachtig lederkleurig. Niervlek licht
oranjekleurig. 7 exx., alle van Lob. van 26-VII tot
6-VIIL. Ook de albo-maculatavorm komt voor.
183
L. H. SCHOLTEN,
subsp. fucosa paludis Tutt. Nauvwelijks groter dan
ab.
oculea L. ab. nictitans Bkh. Voorvls. smaller, licht
okerachtig geel of vuil grijsgeel. Niervlek geel. 1
ex. Montf. 13-VIII, 1 van Lob. 61 VIII.
intermedia Heydm. Donker ledergeelbruin. 2 exx.
van Lob. 6-VII en 13-VII. Bijv. 17-VII. Ook de
vorm met witte niervlek.
Deze aberr. komt als intermedia Tutt. ook bij
de subsp. voor. 2 exx. Lob. 27-VII en 7-VIII.
ab. rufa Dadd. Licht roodbruin, zonder grijze of oker-
ab.
ab.
gele tint. De aberr. van de type in 2 exx. : Lob.
18-VII en 4-VIII, van de subsp. 1 ex. Montf.
10-VIII.
obscura Heydm. Diep chocoladebruin, zonder
grijze of okergele tint. Niervlek wit. Alleen bij de
type waargenomen. In 1 ex. van Lob. 22-VII, met
een gele niervlek, hetwelk Dr. H. van elders nog
niet zag.
grisea Tutt. Donker grijsachtig met flauw groen-
achtige tint. Alleen bij de type in 2 overg. exx. van
Lob. 13-VII en 3-VIII.
3 324. Apamea lucens Frr. Van deze tot nu toe in ons
ab.
land zz. soort ving ik 1 ex. op smeer in de Bijv.
Het was het enige ex., dat die avond het mee-
nemen waard was, 15-VIII-1936. Volgens Dr.
Heydmann is de soort een hoogveendier. De
meeste vroegere vindplaatsen schenen daar ook
wel op te wijzen. Van de exx., die in ons land
werden gevangen door Coldewey op licht
te Twello, werd dit verondersteld, of beter: de
mogelijkheid werd niet uitgesloten geacht.
Mijn ex. kan echter onmogelijk een hoogveendier
zijn. Hoogstens kan hier worden aangenomen,
dat het de voorkeur geeft aan vochtige plaatsen,
daar even buiten de Bijv, wel een paar vochtige
plekken zijn. Zolang echter van de levenswijze
van de rups niet meer bekend is, kan daarover
niets met zekerheid gezegd worden. Het voor-
komen van zo'n zeldzame soort in de Bijv. is in
elk geval merkwaardig en illustreert nog eens het
door mij in de inleiding reeds vermelde feit, dat
de Bijv. wel een bijzonder vlindergebied is.
Volgens Dr. He y dem. is het ex. een over-
gang naar de
intermedia Tutt.
325, Xanthoecia (Gortyna) flavago Schiff. (ochracea Hbn.)
Herwen, Lob. op licht. Rupsen in stengels van
Eupatorium canabinum, VII. Vlinder VIII—IX.
326. Hydroecia micacea Esp. Herw., Lob. op licht en
2331.
30332;
333.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 184
smeer, vooral in droge zomers niet zz., VII—VIII.
Ik ving overg. naar de
ab. grisea Tutt. Grondkleur grijsachtig wit. Lob.
ab. infacta Warren. Voorvls. roodbruin getint, mid-
denveld slechts weinig donkerder. Lob.
. Pyrrhia umbra Hufn. Komt geregeld in enkele exx.
op licht te Lob. in VII. Ook in de Bijv. waarge-
nomen.
Ipimorpha (Plastenis) retusa L. Op smeer en licht,
Lob., Herw., Emm.
Ipimorpha subtusa F. Herw., Lob. Bijv, Emm. Op
licht en smeer. Rups op Populus tremula. In V-35
talrijk op een omgewaaide peppel bij Lob.
Meristis (Grammesia) trigrammica Hufn. Bijv.
Montf., Elten en Emm. V—VI. De type is ge-
woon, eveneens de
ab. evidens Thnbg. Grondkleur van de voorvls. geel-
achtig. In de Bijv.
ab. albescens Lenz. Grondkl. witachtig, langs de ach-
terrand van voor- en achtervls. een donkere scha-
duw. Bij Emm. is gevangen de
ab. obscura Tutt. Donker zwartgrijs met 2 meer of
minder duidelijke lijnen op de voorvls., de andere
zwak zichtbaar.
Calymnia affinis L. 1 ex. op licht te Lob. en 1 op
smeer in de Bijv. VII. Ook bij Emm.
Calymnia pyralina View. Elk jaar op licht te Lob.
Ook gevangen te Herw. en Bijv. eveneens bij
Emm. VII.
Calymnia trapezina L. Komt door ‘t gehele gebied
voor, het meest wel in de bossen. De „gevaarlijke
rups leeft in VW en VI ingesponnen op Quercus,
Corylus en ander loofhout. De vlinder komt einde
VII en in VIII soms talrijk op smeer. Hij varieert
sterk. Behalve de typonominale vorm, die witachtig
of okerachtig grijs is met duidelijke dwarslijnen,
komen in de Bijv. voor de
ab. rufa Tutt. Grondkleur helder rood. 1 ex. en een trf.-
ab. ochrea Tutt. Grondkleur helder okerachtig geel.
l ex. en overgangen.
ab. carnea Warren. Licht, alle schaduwlijnen, vooral
donkere middenband, zacht vleeskleurig. 3 exx.
ab. pallida Tutt. Witachtig of okerachtig grijs. Dwars-
lijnen onduidelijk. Niet zz.
ab. grisea Tutt. Donkergrijs, met donkerder dwars-
lijnen. Exx. dezer ab. schijnen soms groenachtig
bestoven. Niet zz.
ab. conspersa Warr. Bestuiving zeer donker, zowel
bij de licht vleeskleurige als bij de roodachtige
vormen. Niet zz.
185
334.
L''ENSCHOPTEN
Phragmitiphila (Nonagria) typhae Thnbg. In een
paar droge jaren talrijk als rups in typha-stengels
aangetroffen, VII—VIII. Vlinders komen zelden
op licht. Ik kweekte de
ab. nervosa Esp. Voorvls. bruingrijs met donkere
aderen. Lob.
ab. fraterna Tr. Voorvls. donkerbruin. Lob.
335.
336.
* 337.
338.
* 339,
340.
341.
* 342,
343.
Phragmitiphila (Calamia) lutosa Hbn. Ik vond deze
soort talrijk met de lantaarn op rietstengels bij
Lob. (Bijland) in IX en X-34. Snellen zegt,
dat de vlinders vooral op de rietpluimen zitten.
Ik vond ze daarentegen steeds aan stengels zit-
tend. Niet zz. was de
ab. rufescens Tutt. Eénkleurig rood okerachtig zon-
der tekening. De soort alleen waargenomen in
Herwen, Lob., Elten en Emm.
Arenostola (Calamia) phragmitidis Hbn. Een enkele
maal op licht te Lob. Rupsen in stengels van
Gramineeën, Phragmites en Symphytum officinale
Bij Lob. V—VI. Ik kweekte de
ab. rufescens Tutt. Voorvls. geheel rood getint.
Arenostola fluxa Hbn. (hellmanni Ev.) Typonom.
vorm — ab. saturata Stdg. met geelrode voorvls.
Lob., niet zz. in de eerste helft van VII gevon-
den aan de Rijn, waar hij op bloeiende Tanace-
tum vloog. Op smeer in de Bijv. VIII. Op beide
plaatsen komen exx. voor, die behoren tot de
ab. hellmanni Ev. Zandokergeel, donker bestoven,
zonder rood.
Arenostola pygmina Gaw. (fulva Hbn.) Een paar
keer op licht te Herw. IX.
Archanara (Nonagria) geminipuncta Haw. Rups
zeer talrijk ‘gevonden in Phragmites bij Lob. en
Herw., zz. ook in de Bijv., V—VI. De vlinder
in VIII. Uit poppen kweekte ik de
ab. unipuncta Tutt. Eén wit vlekje in de niervlek.
ab. nigricans Stdgr. Roetachtig zwartbruin, zonder
witte vlekjes.
Archanara spargannii Esp. Zeldz. bij Emm. uit Typha
gekweekt.
Archanara algae Esp. (cannae O.) In 1932 talrijk als
rups in Phragmites en Scirpus. Af en toe op licht
in VIII. Lob.
Calamia (Luceria) virens L. Overal aangetroffen in
enkele exx. Uit Betula geklopt te Did., meermalen
op Sarothamnus bij Montf., daar ook op bloeiende
Eupatorium, op gras zittend bij Lob. VIII IX.
Chloridea (Heliothis) dipsacea L. 1 ex. op licht te
Lob., VIII, waar men dit dier der vochtige heide
toch eigenlijk niet zou verwachten.
2911
22345.
* 346.
53477
348.
349.
* 350.
351.
1952:
2353,
354.
* 355.
7356.
357,
* 358.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 186
Anarta myrtilli L. Gewoon op heide Bijv., vooral
Montf. Rups V—VI en VIII IX, vlinder, vlin-
der V en VII VIII. Bijna alle exx. behoren tot de
ab. rufescens Tutt. Grondkleur helder rood. Slechts
een enkel exx. behoort tot de donkere typische
vorm.
aus flammea Schiff. (griseovariegata G.) In de
dennenbossen van het gebied gewoon IV—V.
Komt ook geregeld op katjes. Van schade nooit
iets gemerkt. Behalve de type waargenomen de
ab. griseovariegata G. Grondkleur groengrijs met
enkele roodachtige vlekjes. —
Panemeria (Heliaca) tenebrata Scop. Lob., Did., Bijv.
Niet zz. V—VI.
Lithacodia (Erastria) fasciana L. Een enkele maal te
Lob. (Bijland), talrijk in de bossen van Bijv. en
Montf., meest op stammen. Komt ook op smeer,
VI—VII. Uit de Bijv. de
ab. albilinea Haw. De grote witte vlek bij de binnen-
randshoek van de voorvls. is verdwenen, alleen
de witte golfliin is gebleven.
Lithacodia uncuia Cl. Alleen bij Lob. (Bijland) in 2
gen. zz. waargenomen V en VIII.
Erastria (Emmelia) trabealis Scop. 2 exx. op licht te
Lob. VI. Ook bij Emm. in VII.
Sarrothripus revayana Scop. Rups op eik gevonden
in de Bijv. en Montf. VI en VIII. Vlinder in het
vroege voorjaar (overwinterde), in VII en weer
in de herfst.
Earias chlorana L. Herwen en Lob. Talrijk bij wilgen
V en VII—VIII. Ook op licht. Rups gemakkelijk
te vinden in samengesponnen topbladeren van
Salix.
Hylophila prasinana L. Rups op Quercus in de Bijv.
IX. Vlinder V—VI, 1 ex. op licht te Lob.
Hylophilina (Hylophila) bicolorana Fuesl. Enkele exx.
op smeer in de Bijv. VI—VII.
Catocala sponsa L. 2 exx. op smeer bij Emm. door
DA) en2spe vl:
Catocala nupta L. Overal gewoon, op licht en vooral
op smeer VIII—X.
Minucia (Pseudophia) lunaris Schiff. Bijv., Montf.,
Emm. Einde V en begin VI, op smeer en tussen
eikenhakhout opgejaagd.
Gonospileia (Euclidia) mi Cl. Een paar maal te Her-
wen gevangen, ook bij Emm.
Gonospileia glyphica L. Niet zz. V—VI Lob., Herw.,
Bijv., Montf., Emm. De spannerachtige rups in
VIII op grassen gevonden.
187
359.
* 360.
* 361.
* 362.
363.
* 364.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS.
Phytometra (Plusia) festucae L. Lob., Emm. Op
moerassige plaatsen V—VI en VII—VIII. In de
Bijland zag ik in VIII-34 vele exx. in de sche-
mering op Îris pseudacorus vliegen. Komt ook op
licht.
Phytometra chrysitis L. Algemeen V—VI en VII—
VIII. Op licht ving ik te Lob. de
ab. juncta Tutt. Groengouden dwarsbanden met el-
kaar verbonden.
ab. disjuncta Schultz. Goudgele dwarsb. niet met el-
kaar verbonden.
ab. aurea Huene. Goudgele dwarsb. met elkaar ver-
bonden.
ab. croesus Bryk. Niervlek goudkleurig gevuld.
Phytometra jota L. Uit de Bijv., Montf. en bij Emm.
VI. In de Bijv. vond ik eens een vlinder op Loni-
cera zittend einde VI. Hier geregeld de rups op
kamperfoelie gevonden IV—V. Ik kweekte de
ab. percontationis Tr. Metaalkleurige vlekken op de
voorvls. ineengevloeid.
Phytometra (Plusia) gamma L. Overal gewoon, soms
zeer talrijk, in 2 gen., V en tot laat in de herfst.
Chrysoptera (Plusia) moneta F. Meermalen op licht
te Lob. VI en VIII.
Abrostola triplasia L. Gewoon op licht V—VI en
VIII. Rups op Urtica. In 1935 vond ik in de
Bijland, de reeds meermalen vermelde moerassige
plek bij Lob., waar veel populieren en wilgen
groeien, een groot aantal poppen van verschil-
lende vlinders. Omdat ik ze ter plaatse niet alle
kon thuisbrengen, nam ik er een flinke partij mee.
Ze zaten voor 't grootste gedeelte onder losse
stukken schors van dode wilgen en populieren.
Later bleken de meeste van Abr. triplasia te zijn.
Verpopt de rups van deze soort zich altijd op
dezelfde wijze ? Me dunkt van niet, daar ze niet
niet altijd de gelegenheid daartoe heeft. Van en-
kele andere soorten, die ik daar toen op dezelfde
wijze verpopt vond, is dat zeker niet het geval.
Dit waren o.a. Rhycia plecta L., Rh. putris L.,
Polia oleracea L. (zeer talrijk), Monima stabilis
View, Spilarctia lubricipeda L., Spilosoma mentha-
stri Esp. Er stonden nogal wat dode wilgen, en
waar de schors maar enigszins had los gelaten,
hadden de genoemde soorten daarvan geprofiteerd.
Wisten die rupsen instinctief, dat de boden daar
dikwijls onder water komt te staan ? Dat er gevaar
dreigde, als ze zich op de gewone wijze verpopten ?
Van de 60 triplasia-poppen, die ik meegenomen
365.
* 366.
1507.
* 368.
* 369.
370.
2371.
L. A. SCHOLTEN, 188
had, bleken er 90 % door sluipwesplarven bewoond
te ziin, van de andere soorten geen enkele.
Abrostola tripartita Hufn. Veel minder dan de vorige,
Herwen en Lob.
Episema (Diloba) caeruleocephala Fr. Vooral de rups
gewoon in V— VI op Crataegus. Vlinder IX—X
op licht.
Scoliopteryx libatrix L. Overal, vooral als rups in de
nazomer op Salix. Vlinder op katjes, licht en
smeer. 's Winters in woningen.
Aëthia (Zanclognatha) emortualis Schiff, Niet gewoon
in de Bijv. en bij Emm. V.
Laspeyria flexula Schiff. Enkele exx. uit sparren ge-
klopt in de Bijv. VI. Ook bij Emm.
Parascotia fuliginaria L. 1 ex. op licht te Lob. VII.
Rivula sericealis Scop. Nergens zz., vooral op voch-
tige gronden, VI en VIII.
372. Zanclognatha tarsiplumalis Hb. Op de Eltenberg niet
* 373.
7374.
1975:
* 376.
* 377.
* 378.
* 379,
* 380.
* 381.
zz. in eikenhakhout, VII.
Zanclognatha tarsipennalis Tr. Enkele exx. Bijv., ge-
regeld op licht te Lob. VI—VIII.
Zanclognatha nemoralis F. (grisealis Schiff.) Gewoon
in de bossen, vooral in de Bijv. VI.
Herminia derivalis Hbn. Bijv. en Montf., op beide
plaatsen 1 ex. in VII.
Pechipogon barbalis Cl. In de bossen gewoon, V—
VI. Rups in de herfst uit Quercus geklopt.
Bomolocha fontis Thnbg. Bijv. en Montf., overal, waar
Vaccinium myrtillus groeit, Rups VIII—IX, vlin-
der V—VII. Komt ook op smeer. Overdag erg
schuw. Met de typonom. vorm komt veel voor de
ab. rufescens Tutt. Wortel- en middenveld op de
voorvls. roodbruin.
Hypena proboscidalis L. Overal, waar brandnetel
groeit, soms in groot aantal, op licht en smeer, V
en VII—VIII.
Hypena rostralis L. Minder dan de vorige, IV—V
en VIII—IX. Ik vond deze soort meermalen bin-
nenshuis, ook op smeer en op katjes.
Hypenodes costaestrigalis Steph. In de Bijv. en Montf.
(Klein Peeske) op bloeiende Eupatorium VIII.
Op 2-VI-34 ving ik een afgevlogen ex. bij Lobith.
Brephos parthenias L. Op de zandgronden, waar berk
groeit, niet zz. in de 2e helft van III en begin IV.
De rups in VI op Betula. In de Bijv. ving ik de
ab. dilutior Heinrich. De witte tekeningen op voorvls.
sterk verminderd.
ab. unicolor Heinrich. Als de vorige, maar de witte
tekeningen op de voorvls. (behalve bij de geblokte
189 L. H. SCHOLTEN,
franje) geheel door de grondkleur verdrongen.
* 382. Alsophila (Anisopteryx) aescularia Schiff. In de bos-
sen nergens zz. in het vroege voorjaar. De rups
in VI talrijk op Quercus. Uit de Bijv. in over-
gangen de
ab. brunnea Hann. Grondkleur zwartachtig bruin.
* 383, Alsophila quadripunctata Esp. (aceraria Schiff.) 1 ex.
op beukestam in de Bijv. Ook bij Emm.
* 384. Pseudoterpna pruinata Hufn. Op de zandgronden van
Did., Bijv., Montf. VII—VIII. Rups in V—VI op
Sarothamnus. De meeste exx. verkleuren vrij
spoedig, maar dan is de tint nog zeer verschillend,
van witachtig grijsgroen tot donkergrijs. Mijn exx.
behoren grotendeels tot twee vormen, die door
overgangen verbonden zijn. Het zijn het
ras nigrolineata Schwschusz. Grondkleur groen of gris,
dwarslijnen zwart. De meest voorkomende vorm
in het Atlantische kustgebied. Montf.
ab. grisescens Reutti. Grondkleur grijs in plaats van
groen. Deze vorm lijkt zeer op coronillaria Fuesl.
Haar verbreidingsgebied is volgens Prout in
Seitz, Suppl. op Bnd. IV, blz. 7, nog niet voldoende
onderzocht. De mogelijkheid bestaat, dat dit uit
geographisch oogpunt van belang is. Montf. en
Did.
* 385, Hipparchus (Geometra) papilionaria L. Overal, waar
Betula groeit. Rups in het najaar klein, in V—VI
volwassen op de voedselplant.
* 386. Comibaena (Euchloris) pustulata Hufn. Enkele malen
als vlinder in de Bijv. Ook bij Emm. In V een
pop uit eik geklopt in de Bijv. Vlinder in VII.
Bij kweking een gedeeltelijke kleinere gen. in IX.
* 387. Hemithea aestivaria Hbn. (strigata Müll.) Komt over-
al voor, in Lob. geregeld op licht in VII. In 1933
nog een ex. 13-VIII. In de Bijv. ook een ex. op
bloeiende Eupatorium in dezelfde maand. Rups in
het voorjaar op loofhout.
388. Thalera fimbrialis Scop. Alleen in de Montf. heuvels
waargenomen, als rups V—VI op Calluna, als
vlinder in VII.
* 389, Iodis (Thalera) lactearia L. Deze en de volgende soort
schijnen nogal eens met elkaar verward te wor-
den. Zo hoort de beschrijving, die Ter Haar-
Keer, 2e uitgave, op blz. 289 van deze soort
geeft, thuis bij putata en omgekeerd. De afb. op
plaat 65, 9 en 10, zijn goed. Snellen in zijn:
Vlinders van Nederland, Macrolepidoptera 1867,
twijfelt er zelfs aan, of het wel twee soorten zijn.
Deze verwarring is zeker in de hand gewerkt
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 190
doordat beide soorten heel spoedig zodanig ver-
kleuren, dat er van de tekening niets meer te zien
is. Dit krijgen ze in de natuur al heel spoedig,
maar ook in de collectie is het fraaie groen spoedig
weg. Men kan dit proces wel enigszins vertragen
door de diertjes niet met aether te doden, doch
afdoend is dit niet. Wil men dus studie van beide
soorten maken, dan moet men over verse dieren
beschikken en... de biologie niet verwaarlozen.
Slaat men de literatuur over beide soorten na,
dan blijkt er alleen overeenstemming te bestaan
wat de morphologie betreft. Over vliegtijd en
voedselplant der rups bijv. lopen de gegevens nogal
uiteen. Dat Snellen over weinig gegevens
beschikte is te begrijpen. Het zijn beide dieren
van de zandgronden van het midden en het Oosten
van ons land en Snellen en zijn medewerkers
kenden beter het Westen.
Als men van beide een aantal dieren gekweekt
of vers gevangen heeft, is alle twijfel uitgesloten.
De dwarslijnen zijn bij lactearia niet geslingerd,
forser dan bij putata, en lopen nagenoeg parallel
tot aan de rand. Het groen is ook anders getint
dan bij de volgende soort. Lactearia is iets groter
dan putata. De soort begint later te vliegen dan
putata, in het laatst van V' en begin VI, terwijl
putata vliegt vanaf het midden van V.
* 390, Iodis putata L. Overal, waar Vaccinium myrtillis
groeit: Did., Montf., Bijv., vanaf midden V en
in VI. Zeer talrijk meestal in de Montf. heuvels.
Hij is door de meer geslingerde dwarslijnen, die
uit halve maantjes bestaan, gemakkelijk van de
vorige te onderscheiden. Die dwarslijnen zijn, wat
het verloop betreft, minder constant dan bij lac-
tearia.
Voor enige jaren kreeg ik uit een ab ovo-kweek
een paar exx. met nagenoeg rechte dwarslijnen,
die dus sterk op lactearia leken. Door elkaar zijn
exx. van putata ook iets kleiner. De rups sleepte
ik dikwijls van Vaccinium myrtillus, in VII—IX.
In de laatste jaren heb ik nog eens speciaal op
beide soorten gelet. Einde V talrijke putata’s op
de gewone vliegplaatsen, steeds op en bij Vacci-
nium. Geen enkele lactearia zag ik hiertussen. Deze
joeg ik wel vanaf begin VI op uit eikenstruiken.
In IX sleepte ik een aantal rupsen van bosbes, en
klopte op verschillende plaatsen in de Bijv. en bij
Montf. rupsen van Quercus (bomen en struiken.)
Ik heb geen duidelijk verschil tussen de rupsen
191
L.-H. SCHOLTEN,
kunnen vaststellen, evenmin later tussen de pop-
pen. Alle rupsen waren bijna volwassen, verpop-
ten op dezelfde wijze tussen enkele los gesponnen
draden aan de voedselplant. Als ik op grond van
de tot nu toe opgedane ervaringen er niet zo zeker
van was geweest met twee soorten te doen te
hebben, zou ik alles voor putata gehouden hebben.
Mijn vermoeden bleek echter juist te zijn : Zon-
der mankeren kwamen uit de bosbes-rupsen pu-
tata's, uit de andere lactearia’s van het zuiverste
ras. De laatste kwamen niet zo vroeg uit als de
putata's. Duidelijk was ook te zien, omdat ze vol-
komen vers waren, dat lactearia nog mooier, meer
zijdeachtig glanzend is dan putata.
Ik zag in 1936 nog in VII lodis lactearia vliegen.
Lempke deelde me mee, dat hij van deze soort
exx. bezit, die in IX gevangen zijn, en die hij voor
een 2e gen. houdt. Ook Vorbrodt en Berge-
Rebel vermelden een 2e gen. bij deze soort.
Prout in Seitz slechts één. Voor ons land meen
ik een 2e gen, zeker als regel, te moeten betwij-
felen. Zelf zag ik zo laat nooit een lactearia vlie-
gen, wat niet betekent, dat hij niet kan voorkomen.
Maar ook, de rupsen groeien zeer langzaam. Die
ik in IX uit eik klopte, waren nagenoeg alle even
groot en konden mi. onmogelijk van 2e gen.-
dieren zijn. De mogelijkheid bestaat, dat een ge-
deelte der rupsen zich snel ontwikkelt en dan een
2e gen. levert. Ik acht het meer waarschijnlijk, dat
de laat aangetroffen vlinders uit poppen zijn, die
langer hebben gelegen. Van mijn poppen kwamen
de laatste ook bijna twee maanden na de eerste
uit, wat toch wel op een sterke neiging in deze
richting wijst.
Ook over de voedselplanten der rupsen van deze
beide soorten, speciaal wat lactearia betreft, lopen
de meningen of waarnemingen van verschillende
auteurs nogal uiteen. Berge- Rebel vermeldt
zelfs, dat de rups soms overwintert. Hier blijft
dus nog wel een en ander te onderzoeken.
* 391. Calothysanis (Timandra) amata L. Overal gewoon,
in 2 gen, V—VI en VII—VIII.
* 392. Cosymbia (Ephyra) pendularia Cl. In de bossen niet
zz. in twee gen. V en VII—VIII. Rups uit Quer-
cus en Betula geklopt. Uit de Bijv. 1 ex. van de
ab. obsoletaria Lamb. Antemediaanlijn van de voorvls.
bijna geheel verdwenen.
* 393, Cosymbia porata L. Voorkomen en vliegtijd als de
vorige, bovendien op licht te Lob. Uit de Bijv. de
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 192
ab. punctalaria Lamb. Op alle vleugels een rij duide-
like achterrandsvlekken, die grijs of grijsbruin zijn.
* 394, Cosymbia quercimontaria Bastelb. Deze soort werd
het eerst beschreven door Bastelberger in
de Stettiner Ent. Zeitung van 1897, blz. 120—125,
en 222—228. Ze was toen slechts bekend uit de
Rheingau en Oostenrijk.
In verband met haar voorkomen in de Rijnstreek
en omdat ze nauw verwant is met Cos. puncta-
ria F., was het verstandig gezien van den bewer-
ker van Onze Vlinders, 2e uitgave, de uitvoerige
beschrijving van Bastelb. over te nemen, want
op goede gronden kon worden aangenomen, dat
de soort ook bij ons voorkwam en wellicht gere-
geld met punctaria verward was.
Toch heeft het tot 1932 geduurd, eer de soort
uit ons land vermeld werd. De heer R. Boldt
heeft ze toen in de omgeving van Nijmegen ge-
vonden, waarvan hij mededeling deed in de Frankf.
Ent. Zeitschrift van 8-9-32, dl. 47. Lempke
maakte in de Ent. Berichten, No. 189 van 1 Jan.
1933 de Nederlandse collega's op deze vondst
opmerkzaam. Naar aanleiding hiervan spoort ook
de heer Derenne in Lambillionea van Maart
1933 zijn lezers aan, bijzondere aandacht aan deze
soort te besteden.
Hetzelfde had Dr. Heydemann reeds in
1925 gedaan in de Intern. Zeitschr. Guben, Jahrg.
19, waar hij ook afb. der & genitalien geeft.
In de 22e jaargang van hetzelfde tijdschrift
(1928) komt Dr. H. nog eens op deze soort terug.
Hij vermeldt verschillende nieuwe vindplaatsen
uit Duitsland. Uit dit art. blijkt ook, hoe vroeger
verschillende verzamelaars Cos. quercimontaria en
punctaria met elkaar verwarden.
De bewerker der Geometriden in Seitz, L. B.
Prout, releveert op blz. 147, Band 4, en in het
Suppl. daarop, blz. 31, de door anderen vermelde
vindplaatsen en mededelingen.
Het lijkt me wel nuttig, in verband met de ver-
spreiding dezer soort, meer in 't bijzonder in ons
land, en ter aanvulling van wat over deze spanner
tot nu toe bekend is, mijn eigen ervaringen met
quercimontaria mee te delen.
Ik had tussen mijn exx. van punctaria L. sinds
een paar jaren een 3-tal dieren staan, die ik voor-
lopig hier geplaatst had, hoewel ze niet geheel met
punctaria overeenkwamen. Het waren 3 & ©, resp.
gevonden 16-V-30 op een stam in de Onzalige
193
E.H SCHOLTEN,
bossen bij Dieren; 13-V-33 op een berkeblad
zittend bij Montf., en 19-V-33, opgejaagd uit
eikenhakhout, eveneens in de Montf. heuvels.
Meermalen had ik er Bastelberger's be-
schrijving op nageslagen, maar durfde toch niet
te beslissen, dat het quercimontaria’s waren.
Boldt’s artikel en Lempke's aansporing
deden me in het voorjaar van 1935 bijzondere
aandacht aan deze soort besteden. 13-V vond ik
in de Bijv. een ? op een larix-stam zitten, in de
nabijheid van eikenhakhout. Het kwam geheel met
mijn twijfelexx. overeen. Op 30-V-35 joeg ik in
de Montf. heuvels op twee verschillende plaatsen
enkele exx. op. Op 10 Juni vlogen daar nog af-
gevlogen exx.
Voor mezelf was ik er nu wel van overtuigd,
Cos. quercimontaria gevonden te hebben, maar om
absolute zekerheid te krijgen moest ik nog meer
materiaal hebben. Daarom bezocht ik 24-VII
diezelfde plaatsen weer, om de tweede gen. te
zoeken. Ik vond ze niet, kreeg alleen toevallig
een rups in mijn vlindernet, die naar de beschrij-
ving wel op een rups van quercimontaria leek. Ze
werd meegenomen, verpopte en leverde inderdaad
3-VIII-35 een vlinder van genoemde soort. 30-VII
ging ik er weer heen, ditmaal in gezelschap van
de heren Lempke en Van Galen. We
smaakten het genoegen samen 4 exx. te vangen.
Ook vloog er toen Cos. punctaria L. in de 2e gen.
2 en 5 Aug. d.o.v. ving ik er weer een aantal,
zodat ik nu over een flinke serie van 37 exx. be-
schikte, 4 4 & en 6 9 ? van de voorjaarsgen. en
15 4 & en 12 2 2 van de zomergen. Enkele 2 9
offerde ik om eitjes te krijgen, wat me, grotendeels
door gebrek aan tijd, mislukte.
Ik ben voor uitroeiïng dezer soort in mijn ge-
bied niet zo bevreesd als de heer Boldt, in zijn
hiervoor geciteerd artikel, blijkbaar is voor de om-
geving van Nijmegen. Hij schrijft daar: Das
Hauptzentrum scheint in Heiligenland (Heilige-
Landstichting, Sch.) bei Nijmegen zu liegen, wo
die Art vor Nachstellungen durch
Entomologen geschützt ist. (Spa-
tiéring van mij. Sch.)
Op 6 verschillende plaatsen in de Montf. heu-
vels vond ik de soort. Daar eik hier veel groeit,
vooral als hakhout, waaruit ik de meeste dieren
door kloppen opjoeg, geloof ik niet, dat de soort
daar zo licht uitgegroeid zal worden. Dat geloof
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 194
ik trouwens van geen enkele, zeker geen kleine
soort, als ze niet aan een beperkt biotoop gebon-
den is. i
Om een dergelijke soort goed te leren kennen,
acht ik een ruime hoeveelheid materiaal beslist
nodig. Bastelb. heeft de soort uitvoerig be-
schreven, maar als men slechts een enkel ex. bezit,
zijn alle punten uit diens beschrijving niet steeds
toepasselijk op dit ene ex. Plaatst men echter twee
rijen, van elke soort één, naast elkaar, dan ziet men
beter de verschilpunten. (Verwarring met Cos.
porata F. is m.i. minder waarschijnlijk, Cos. ru-
ficilaria ken ik niet, kan ze daarmee niet vergelij-
ken.)
Over 't geheel is quercimontaria B. kleiner dan
punctaria, hoewel van beide soorten ook even
grote exx. voorkomen.
De vleugelvorm van quercimontaria is meer
afgerond dan die van punctaria. Doordat bij de
laatste de achterrand der voorvls. gezwaaid is,
steekt de voorvl.punt uit, maar een enkele keer
komt dit ook bij de eerste soort voor.
Een zeer goed kenmerk is de rode beschubbing,
die bij quercimontaria gelijkmatig op alle vleugels
aanwezig is. Daardoor hebben voor- en achter-
vleugels ongeveer dezelfde tint, in tegenstelling
met punctaria, waar de voorvls. steeds donkerder
zijn dan de achtervleugels. Punctaria heeft slechts
gedeeltelijke rode beschubbing. Ze is bij querci-
montaria niet bij alle exx. even dicht. Ook is ze
fijner dan bij de andere soort, eveneens aan de
onderzijde der vls. Soms is de bestuiving niet
rood-, maar roestbruin.
De grondkleur lijkt me bij quercimontaria iets
lichter dan bij de verwante soort. Maar door de
lichtere, lakrode beschubbing heeft ze bij de eerste
toch een donkerder tint, zelfs in de vlucht zicht-
baar. Bij de zomergen. kon ik ze daardoor reeds
bij het vliegen van de andere onderscheiden.
In deze gen. bestaat er nog een zeer constant
verschil tussen beide soorten. Een 15-tal exx. van
Cos. punctaria, die ik deze zomer ving, (Montf.,
Bijv. en Lob.), hadden zonder uitzondering de be-
kende violette vlekken voor de achterrand. (ab.
naevata Bast.) Geen enkele der ruim 30 querci-
montaria s had ook maar een spoor dezer vlekken.
Ook de voorjaarsgen. mist deze vlekken volkomen,
terwijl ze bij punctaria nog een enkele maal voor-
komen.
195
ab.
ab.
L. H. SCHOLTEN,
De schaduwlijn is bij alle quercimontaria’s (op
een na) aanwezig, meestal scherp begrensd, dui-
delijk, door de bestuiving roder dan bij punctaria.
Middenstippen op de voorvls. meestal, op de
achtervls. dikwijls, steeds als flauwe lichte vlekjes,
ongeringd. De plaatsing op de achtertervls. is
nogal onregelmatig. Soms staan ze op enige af-
stand wortelwaarts van, soms aan, soms in de
schaduwlijn.
Kleur der franje bij quercimontaria als de grond-
kleur, soms met vlekjes voor de aderuiteinden. Bij
punctaria is de franje rose getint, steekt daardoor
bij de grondkleur af. Ook hier af en toe vlekjes
als bij de andere soort.
Franjelijn fijn, zwart of violetgrijs, soms uit
streepjes bestaande,
Onder mijn exx. bevindt zich een groot 2, dat
elk spoor van een schaduwlijn mist. Toevallig is
bij dit ex. ook de voorrand op punctaria-wijze ge-
zwaaid. De beide stippenrijen zijn aanwezig. De
buitenste bestaat bijna geheel uit lakrode, in plaats
van zwarte punten.
Dr. H. heeft in de Int. Ent. Zeitschr. Frankf.,
5le Jahrg., No. 44, blz. 392, (Taf. I., Fig. 3 9)
dit ex. beschreven als
privataria Heydm. Type in mijn coll. Montf.
5-VIII-35. Dr. H. wijst er nog op, dat deze ab.
geheel met dezelfde vorm van Cos. ruficilaria
H.S. overeenkomt.
Het op Taf. I, Fig. 2 4, afgebeelde ex. be-
schrijft Dr. H. als de
nigrosparsaria Heydm. Het is bijzonder dicht en
grof besprenkeld, met zwartachtige bruinrode
schubben, en lijkt daardoor veel donkerder. Het
komt overeen het dezelfde ab. van Cos. linearia
Hbn. en lijkt op sommige exx. van Cos. porata L.
L. en Cos. ruficilaria H. S.
Type in mijn coll. Montf. 31-VII-35.
De eieren worden, in gevangenschap tenminste,
bij voorkeur aan de bladranden afgezet. Ik heb,
zelfs bij enige vergroting, geen verschil kunnen
constateren tussen de eieren van beide soorten.
Ze zijn elipsvormig, bedekt met een fijn netwerk
van onregelmatige vijfhoeken, aanvankelijk wit,
later rose met rode vlekken.
Na een week komen de rupsjes uit. Hoewel ik
van beide soorten slechts een gering aantal rupsjes
kon opkweken, geloof ik toch gemerkt te hebben,
dat er van den beginne af een constant verschil
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 196
is tussen beide rupsjes. Die van quercimontaria
zijn wit, met donker olijfgroene ringen en worden
na de eerste vervelling bruin. De punctaria-rups-
jes hebben een rugtekening uit min of meer sa-
menhangende driehoekige vlekjes bestaande. De
quercimontaria-rupsen zijn ook later bruin, met
donkere ruitvormige rug- en witachtige zijvlekken.
De donkere rugvlekken ontbreken bij de andere
soort steeds. De rupsen van punctaria variëren
later sterk in kleur. Vele worden min of meer
groen met geelrode zijvlekken, die ik bij geen en-
kele quercimontaria-rups aantrof.
Uit eitjes van quercimontaria, die ik in de eerste
dagen van VIII kreeg, bekwam ik reeds 7-XI twee
vlinders, een 3e gen. dus, die in de natuur wel
niet voorkomt. Ze kwamen geheel met de 2e gen.
overeen.
De vliegtijden zijn in mijn gebied voor de eerste
gen. : de tweede helft van V en begin VI, voor de
2e gen.: einde VII en begin VIII.
* 395, Cosymbia punctaria L. De gewoonste soort, vooral
* 396.
ab.
ab.
ab.
ab.
ab.
in de bossen, af en toe ook op licht te Lob., V en
VII-VII, bij kweking binnenshuis ook een derde
gen. in IX. Deze soort variëert nogal. Ik ving of
kweekte de
naevata Bast. Met een rij violette of grijze achter-
randsvlekken. Nergens zz.
radiomarginata Joannis. In het achterrandsveld een
rij dikke aderstrepen, gescheiden door smalle stre-
pen van de grondkleur. Bij Montf.
communifasciata Don. Zonder tekening, behalve
een smalle scherpbegrensde middenschaduw.
Montf.
infuscata Reuter. Sterke donkere bestuiving op
boven- en onderzijde van de voorvls. Dwarsband
krachtig grijs. Bijv.
erythrescens Preisecker. Sterk rood bestoven, be-
halve het wortelveld en een smalle streep langs
costa en achterrand. Bijv.
Cosymbia' linearia Hbn. 1 ex. in de Bijv., behorend
ab.
tot de
simplijicaria Culot. Voorvls. éénkleurig geel, alleen
met scherpe donkere middenschaduw.
397, Scopula (Acidalia) rubiginata Hufn. Dit spannertje,
dat op droge gronden heet voor te komen, waar
ik het trouwens ook meermalen ving, komt af en
toe op licht te Lobith in VII. Ook bij Montf.
gevangen.
* 398, Scopula floslactata Haw. (remutata Schiff.) In de
407.
408.
409.
* 410.
AI
412.
Drs SERIOENEN?)
bossen op de zandgronden gewoon in V—VI.
Scopula immutata L. Overal, bij Lob. op vochtige
plaatsen zeer talrijk vanaf einde VI.
. Scopula ornata Scop. Niet zz. te Lob. langs de Rijn
in V en VII—VII. Ook in de Bijv. en bij Emm.
Sterrha (Acidalia) nigropunctata Hufn. (strigilaria
Hbn.) Alleen in de Bijv. gevangen in VII.
Sterrha muricata Hufn, 1 ex. te Lob., op een moeras-
sige plaats, 6-VII. In de Bijv. en de Montf. heuvels
niet zz.
. Sterrha dimidiata Hufn. Door 't hele gebied aange-
troffen in VII VI.
. Sterrha seriata Schrk. (virgularia Hbn.) Overal, in
in 2 gen., VI—VII en IX.
. Sterrha sylvestraria Hbn. (straminata Tr.) 1 ex. in
de Bijv. 17-VII, op een heideveldje.
. Sterrha biselata Hufn. (bisetata Rott.) In de bossen
gewoon in VII—VIII.
In de Montf. heuvels ving ik een ex., dat pas
uitgekomen en toen geheel paars bestoven was.
Later veranderde het paars in grijs. Dr. Hey-
demann, wien ik het zond, hield het ex. voor de
ab. griseata Preisecker, waarbij alle vleugels grijs
bestoven zijn, behalve de franje en de golflijn, die
geel zijn. In de Int. Ent. Zeitschrift-Frankf., 5le
Jahrg., No. 44, blz. 391, vermeldt Dr. Heyde-
mann deze zz. aberr., die naar een enkel ¢ ex.
door Preisecker beschreven is. Het Montf.
ex. beschouwt hij als de 2 allotype.
Sterrha rusticata Schiff, Talrijk op een plaats bij Lob.,
midden VII. Ook op licht.
Sterrha fuscovenosa Göze. (interjectaria Bsd.) Eerste
helft van VII op sommige plaatsen bij Herwen
en Lob. zeer talrijk. Vliegt in de schemering op
ruige plaatsen en bij hagen. Ook op licht.
Sterrha inornata Haw. 1 ex. op licht te Lob. VII.
Ook bij Emm. gevangen.
Sterrha aversata L. Nergens zz. in VII. De typonom.
vorm is die met donkere dwarsband. Gewoon is de
ab. remutata L. Zonder donkere dwarsband.
Sterrha emarginata L. Bijv., VI—VII. In trf. ving ik
daar de
ab. mosquensis Heyne. Door besprenkeling met zwarte
schubben veel donkerder.
Lythria purpurata L. In de Montf. heuvels, V en
VII—VIII. Begin VII-33 aldaar talriÿk. Toen
gevangen de
ab. hilariata Kitt. Grondkleur der voorvls. geel.
ab. suffumata Lempke. Grondkleur der voorvls. don-
"ler
* 414.
415:
ALG:
417.
* 418.
peal:
420.
NAZIO
“ORE.
423,
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 198
ker olijfgroen, banden minder duidelijk. Type in
mijn coll.
ab. nigricaria Lempke. Grondkleur zwartachtig, zon-
der banden, zomergen. Type in coll. Lempke.
ab. tangens Hann. Buitenste band sterk verbreed,
zonder de achterrand te bereiken.
Ortholita mucronata Scop. (plumbaria F.) Did., Bijv,
Montf. V en VII—VIII.
Ortholita chenopodiata L. (limitata Scop.) Herw.,
Bijv., VIII.
Anaitis efformata Guén. Gevangen te Did., Bijv. en
Montf. V en VIII. Daaronder de
ab. fangens Hann. De beide banden, die het midden-
veld begrenzen, raken elkaar in het midden en
verdelen het middenveld in tweeén.
ab. fasciata Hann. Idem, maar blijven in de onderste
helft verenigd.
Chesias legatella Schiff. (spartiata Fuessl.) Didam,
Montf. Rups op brem, V—VI. Vlinder in X.
Chesias rufata F. Minder dan de vorige. Vlinder
IV—V te Wehl, Herwen en Montf. Het ex. uit
Herwen moet wel van elders gekomen zijn, daar
te Herwen nergens brem te vinden is. Bij Montf.
vond ik 23-IV enkele exx. op Sarothamnus zittend.
Acasis (Lobophora) viretata Hbn. Geregeld in de Bijv.
in twee gen. V en VII—VIII, in de 2e gen.
minder gewoon.
Lobophora halterata Hufn. Bijv. in V op stammen.
Mysticoptera (Lobophora) sexalata Retz. (sexalisata
Hbn.) Een gaaf © in de Bijland bij Lobith, 16-V.
Daar op dezelfde plaats veel afgevlogen ferru-
gata’s waren, hield ik het dier eerst voor die soort.
Het opgericht achterlijf kwam me echter vreemd
voor. Als sexalata dit steeds doet, is hij daardoor
licht van Cid. ferrugata te onder scheiden.
Operophtera (Cheimatobia) brumata L. Overal ge-
woon, soms talrijk en schadelijk als rups op loof-
hout. Vlinder in XI—XII. In de Bijv. vond ik de
ab. unicolor Lamb. Geheel éénkleurig, zonder lijnen
of middelpunt.
Oporinia (Larentia) diluta Schiff. Overal in de bos-
sen. Rups op allerlei loofhout ‚in de Bijv. veel op
Corylus, in de heuvels op Vaccinium in V en VI.
De vlinder in IX—X op stammen en op smeer.
Uit de Bijv. de
ab. obscurata Stgr. Donkere bruinachtige grondkleur.
Tekening nog zichtbaar.
Oporinia autumnata Bkh. 2 exx. uit de Bijv., waarvan
1 el. uit een op Pop. tremula gevonden rups. Beide
behoren tot de
199
pias.
* 425.
* 426.
MAZZO
428.
GOR.
* 430.
* 431.
1432:
433.
243%
02455
* 436.
* 437.
L. H. SCHOLTEN,
ab. intermedia Clark. Bont, met donkere dwarsbanden,
de grond ertussen witachtig, evenals de golflijn.
Triphosa dubitata L. Op licht te Herwen, V en VII.
In de Bijv. eveneens in V op stammen. Einde V
en VI de rups daar op Rhamnus catharticus, te-
gelijk met die van Ph. vetulata Schiff, ingespon-
nen. Niet gewoon.
Calocalpe (Eucosmia) undulata I Als rups geregeld,
soms talrijk op Vaccinium bij Montf. in VIII-IX.
In de Bijv. ook op Salix. Vlinder VI—IX.
Philereme (Scotosia) vetulata Schiff. In de Bijv., in
de 2e helft van V, soms zeer talrijk op de weinige
struiken van Rh. catharticus, die daar verspreid
in het bos staan.
Philereme transversata Hufn. (rhamnata Schiff.) 2
exx. in de Bijv. VII. Ook bij Emm. een paar maal
gevangen.
Lygris prunata L. Rups te Herwen uit Ribes geklopt,
V. Vlinder op licht te Herw. en Lob. in VII. Niet
gewoon.
Lygris testata L. Did. Bijv., Montf., Lob. VII—VIII.
Komt op bloeiende Eupatorium.
Lygris populata L. Enkele malen als vlinder in de
Bijv., talrijk in de Montf. heuvels, gemakkelijk
uit Vaccinium op te jagen, VII. De rups in
V—VI op deze plant. Alle exx. behoren, met
weinig variatie tot de typonom. vorm.
Lygris mellinata F. (associata Bkh.) Zz. in de Bijv.
Als vlinder gewoon op licht te Herw. en Lob.,
VI—VII. Rups in V op Ribes.
Lygris pyraliata Schiff. (Larentia dotata Stdgr.) 1 ex.
Bijv. Zz. te Herw. en Lob.
Cidaria (Larentia) fulvata Forst. Ongeregeld op licht
te Herw. en Lob. Ook te Emm. VII.
Cidaria ocellata L. Overal aangetroffen, in 2 gen,
V—VI en VIII. Veel in dennenbossen bij
Montf., waar Galium groeit.
Cidaria bicolorata Hufn. 1 ex. Bijv. VII. Ook bij Emm.
Cidaria variata Schiff. Waar in Didam, Montf. en
Bijv. bosjes voorkomen met Abies excelsea, is deze
soort einde V en VI te vinden. De vlinder zit
op stammen, takken en op de grond en laat zich
licht opjagen. In de Bijv. ving ik de
ab. interrupta Schaw. De middenband der voorvls.
één maal doorgebroken.
ab. costimacula Höfer. Van de middenband slechts
een voorrandsvlek over.
Cidaria obeliscata Hbn. Overal, waar de gewone den,
Pinus sylvestris, groeit. Ik ving de soort ook tussen
* 438,
* 439.
* 440,
MALI.
442.
23443,
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 200
de vorige, zodat ik aanneem, dat de rups ook op
Abies excelsa leeft. C. variata ving ik nooit bij Pi-
nus sylvestris. Vliegtijd als de vorige, en nog eens
in de nazomer VIII—IX. Ik ving of kweekte de
ab. (ras) pseudovariata Heydmn. Grondkleur bruin-
achtig grijs, wortel- en middenveld iets donkerder
en bruiner, aderen in het middenveld zwart, aan
de binnenrand van dit veld een zwarte vlek.
ab. mediolucens Röszler. Grondkleur grijsbruin, dwars-
band lichter, geler.
ab. nigrofasciata Gumpbg. Grondkleur grijsachtig,
middenveld zwart.
Cidaria firmata Hbn. Naar deze soort zocht ik jaren-
lang tevergeefs in dennenbossen. In het najaar
van 1935, toen ik veel in de Bijvank smeerde,
kreeg ik ze geregeld op stroop, in totaal wel 30
x., grotendeels afgevlogen, IX—X. Het is één
van de weinige spanners, die blijkbaar talrijk op
smeer komen. De smeerplaatsen waren steeds op
enige afstand van dennenbossen gelegen.
In 1936 ving Dr. Janecke ook enige in de
Montf. heuvels.
Cidaria siterata Hufn. 1 ex. el. Didam 2—X. De rups
klopte ik in VII uit Betula. Coldewey vond
een ex. op een stam in de Bijv. V.
Cidaria truncata Hufn. Overal, in 2 gen. V—VI en
VUI—IV. Rups begin V volwassen van bosbes
gesleept in de heuvels, op Rubus in de Bijv. De
vlinder talrijk op smeer einde VIII bij Lob. (Bij-
land). Nagenoeg alle exx. behoren hier tot de
ab. perfuscata Haw. Middenveld zwart. In de Bijv.
ving ik een paar maal de
ab. rufescens Ström. Middenveld rood.
De typonom. vorm, met witachtig grijs bestoven
middenveld, ving ik bij Lob.
Cidaria fluctuata L. Dit diertje is overal en altijd te
vinden. Zeker 2 gen. Weinig variërend. Ik ving
in overgangen de
ab. abstersata H.S. Dwarsband verdonkerd tot de
binnenrand. Lob.
Cidaria montanata Schiff. In de bossen van Did.
Babb., Bijv. en Emm. gewoon in V—VI. Van
Montf. heb ik de
ab. fuscomarginata Stdgr. Alle vleugels met brede
donkere achterrand.
Cidaria spadicearia Schiff. Lempke vermeldt in
zijn art.: „Cidaria ferrugata Cl. en spadicearia
Schiff. in Nederland”, E. B. 195 van 1 Jan. 1934,
dat ik spadicearia in Lob. e.o. nooit waargenomen
* 444,
52445:
* 446.
447.
448.
GER),
L. H. SCHOLTEN,
heb. Dat was tot 1933 waar, doch daarna heb ik
deze soort ook in dit gebied gevangen, enkele ma-
len in de Bijv. en 1 ex. op licht te Lob. In elk geval
is de soort hier zz. Het Lobith's ex., dat ik 8-VIII
ving, is volgens Dr. Heydemann „ein inte-
ressantes Stück’ en behoort volgens hem wel tot de
ab. deletata Fuchs. Bijna éénkleurige grijze voorvls.
met roodachtige tint in het wortelveld en langs de
voorrand.
Cidaria ferrugata Cl. Overal gewoon, alleen in het
heuvelgebied weinig aangetroffen. De typonom.
vorm komt weinig voor, bijna alles is overgang
naar of
ab. unidentaria Haworth. Middenveld zwart. V—VI
en VII-VII.
Cidaria biriviata Bkh. (pomoeriaria Ev.) De voedsel-
plant van de rups dezer soort komt op één plaats
in de Bijv. voor. In sommige jaren groeit de plant
er talrijk, in andere, als de bramen en andere ge-
wassen weelderig opgegroeid zijn, vindt men er
slechts sporadisch enkele Impatiens-plantjes.
Dikwijls heb ik op die plek naar de zeldzame
biriviata gezocht, steeds tevergeefs, tot ik in IV-37
heel toevallig een mooi ex. op een stam vond in
de nabijheid van de Impatiens-groeiplaats. De
soort kwam er dus voor. In V en VI d.o.v. zocht
ik er tevergeefs naar de rups op de toen veel daar
voorkomende planten van het springzaad. Begin
VIII was de rups op dit betrekkelijk kleine plekje
talrijk te vinden, van heel kleine tot volwassene.
De kleine rupsen zijn moeilijk te vinden. Ze zitten
overdag meestal gestrekt aan de onderzijde van de
bladeren en vallen door haar geelgroene kleur niet
op. De volwassen, grijsblauwe rups, zit ook op de
bovenzijde van de bladeren.
Cidaria designata Hufn. Geregeld in 2 gen. in de Bijv.
V en VII—VIII. In de Bijland bij Lob. soms tal-
rijk in V. Hier in overg. de
ab. coarctata Prout. Middenband zeer smal.-
Cidaria obstipata F. (fluviata Hbn.) 2 exx. op licht te
Lob., 25-VIII-1928 en 9-VII-1937.
Cidaria lignata Hbn. (vittata Bkh.) Op licht te Herw.
en Lob. Op vochtige plaatsen bij Lob. soms talrijk
in VI en VII.
Cidaria pectinaria Knoch, (viridaria F.) Montf., Bijv.,
Lob., V—VI, en weer in IX, soms talrijk op plaat-
sen, waar Galium groeit in de bossen. Ik kweekte
voor enige jaren een aantal rupsen a.o., die alle
in VIII de vlinder gaven, doch veel kleiner waren
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 202
dan de voorjaarsvorm. Deze kleine najaarsvorm
komt in de natuur ook voor. Ik zag 1 ex. bij Montf.
in IX, terwijl ik een klein ex. uit de duinen bezit.
(Bentinck leg.)
* 450. Cidaria didymata L, Alleen in de Bijv. Hier gewoon
in VII. Zit veel op stammen, wordt ook licht op-
jaagd.
451. Cidaria sagittata F. Op de reeds meer vermelde moe-
rassige plek bij Lobith, de Bijland, vond ik 7-VII-
1934 een voorvleugel van deze mooie en zz. span-
ner. Dit was voor mij natuurlijk een reden, daar
enige tijd later naar de rups te gaan zoeken, te-
meer omdat op die plaats veel Thalictrum flavum
L. groeit. Dit gebeurde op 3-VIII.
Geruime tijd zocht ik op de vindplaats van de
vleugel tevergeefs de rijpe zaadtrossen af. Op een
andere plek, in de nabijheid, had ik meer succes:
ik vond er mijn eerste sagittata-rups. Weer een
bewijs, dat volhardend en doelbewust zoeken dik-
wijls tot een resultaat leidt.
Evenals de vlinder is de rups ook een prachtig
dier, dat moeilijk op de zaadtrossen van de voedsel-
plant te vinden is.
Ze is kort, dik, met spits toelopende segmenten,
op zij spitsbultig. In rust zit ze gekromd tussen
de vruchten of tegen de takjes. Door haar varië-
rende geel- tot olijfgroene kleur, haar violetbruine
tekening en de typisch spits uitstekende delen ziet
men ze niet gemakkelijk, omdat ze zich hierdoor
zeer aanpast aan vorm en kleur van de groene en
rijpende zaden van de voedselplant. Daar komt nog
bij, dat Thalictrum flavum een neiging vertoont
tot geelachtige vergroeiingen in de zaadtrossen,
waardoor de overeenkomst tussen vruchttrossen en
rupsen haast volmaakt wordt. Dit wordt ook nog
in de hand gewerkt, doordat aan één vruchttros
dikwijls vruchten in verschillende grootte voor-
komen.
De rups is zeer traag en laat niet gemakkelijk
los. Verband met het leven op moerassige plaatsen ?
Het is werkelijk een genot, een Thalictrum-tros
met enige sagittata-rupsen een poos op zijn gemak
te beschouwen. Eerst ziet men niets, maar bij wat
nauwkeuriger kijken ontdekt men successievelijk
de bewegingloze diertjes. Wat een prachtige over-
eenkomst in kleur en vorm !
Ik vond er de eerste keer een dozijn en de vol-
gende dag nog enkele, alle geheel of nagenoeg
volwassen. Hoewel alle rupsen wegkropen in het
203
EIER SCHOLTEN,
bijgevoegde mos, kwamen er het volgend jaar
toch slechts 3 vlinders uit. Later bleek, dat ze ook
licht verpoppen tussen plantenresten.
In 1935 was de plaats wegens de hoge water-
stand niet bereikbaar. In 1936 ben ik er 30 Juli
weer heen geweest. Zoals ik reeds vermoedde,
was door het minder gunstige weer de groei der
rupsen enigszins vertraagd.
De vindplaats van 1934 was nog niet te bereiken.
Dichtbij groeide langs een sloot de voedselplant
ook, meer verspreid en grotendeels door de koeien
van de zaadtrossen beroofd. Op de nog overge-
bleven trossen vond ik inderdaad het gezochte
dier terug, en volstrekt niet zz.! De vruchten
waren nog niet rijp als in 34, de rupsen variëer-
den van heel klein tot bijna volwassen.
Mijn oog kreeg een mooie gelegenheid zich te
oefenen in het vinden van de curieuze diertjes.
Toch gebeurde het nog, dat ik op een trosje,
waarop ik aanvankelijk niets zag, later 3—4 rupsen
vond. Bedoelde sloot was ongeveer 500 m lang en
overal kwam de rups voor. In verband met de
vindplaats van 1934 blijkt wel, dat de rups hier
niet aan één plekje gebonden is, maar over ‘t ge-
hele terrein verspreid voorkomt.
Van de popjes, die ik bewaarde, kwam slechts
een gedeelte in 37 uit. Het sprak voor mij eigen-
lijk vanzelf, dat een gedeelte der poppen langer
bleef liggen. Ik was hiertoe o.a. ook gekomen door
de ervaring, die ik intussen had opgedaan met
andere moerasbewoners.
De winter van ‘36 op ‘37 was weer een hoog-
water-periode. Het water wilde in het voorjaar
van 37 niet weg, en zo kon ik in ‘37 pas midden-
Juli dit terrein weer betreden, en nog lang niet
overal. Op de peppelstammen was te zien, dat er
ongeveer anderhalve meter water had gestaan.
Op de hogere gedeelten begon de flora zich weer
volop te ontwikkelen. Het was interessant te zien,
hoe de plantengroei zich in één enkel jaar had
gewijzigd. Heel schuchter was hier en daar een
Thalictrum-stengeltje te bespeuren, een enkel tros-
je begon te bloeien. Van sagittata-rupsen natuur-
lijk geen spoor. Dat kon ook niet. Toen de popjes
moesten uitkomen, stond er nog een flinke hoeveel-
heid water. Ik twijfel er geen oogenblik aan, of
deze wachten een gunstiger gelegenheid af, die
misschien nog niet eens het volgend jaar komt.
Want dat dergelijke soorten door periodieke stoor-
5452.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 204
nissen, als hier door het water veroorzaakt worden,
te niet gaan, geloof ik niet meer.
Heeft men ooit op de weinige vindplaatsen dezer
soort in ons land naar de rups gezocht ? Op grond
van mijn ervaringen geloof ik, dat men daarmee
succes zou hebben. Er zijn toch wel meer plaatsen,
waar Thalictrum flavum L. in voldoende hoeveel-
heid groeit. Het vinden van de prachtige rups
loont voldoende de moeite.
Een paar maal vond ik een geheel afgevreten
trosje, en dan hadden de rupsen zich op de bla-
deren begeven, die ze zich ook goed lieten smaken.
Cidaria bilineata L. Overal gewoon,van VI—VIII. In
de Bijv. ving ik de
ab. infuscata Gumbg. Middenveld min of meer don-
ker gevuld.
ab. margaritata Kautz. De beide middelste lijnen,
2453,
© SORA
2455;
MASO, :
457.
* 458.
MASO.
* 460.
waaruit het middenveld der voorvls. bestaat, raken
elkaar op verschillende punten, zodat een van voor-
rand tot binnenrand lopend ,,parelsnoer ontstaat.
ab. dumetata Schrank. Grondkleur bleekgeel. In trf.
Cidaria silaceata Schiff. 1 ex. in de Bijv. en 1 op Duits
gebied, dicht bij de Bijv. V—VI.
Cidaria corylata Thnbg. In de bossen zeer gewoon,
soms met dozijnen tegelijk op stammen. Rupsen
in de nazomer veel op Betula. Niet zz. is de
ab. ruptata Hbn. Dwarsband wit onderbroken.
Dr. Heydemann vond tussen mijn Bijv. en
Montf. exx. een opmerkelijke vorm, die hij in de
l.E.Z-Frankfurt, No. 44, biz. 393,7 (Taf. I. Fig.
11) beschreven heeft als
ab. unicolorata Heydm. De olijfkleurige of okerachtige
tint van de witte grondkleur tussen wortel- en
middenveld, en binnenwaarts van de golflijn, is
vervangen door chocoladebruin. Tot nu toe alleen
nog bij enkele © © waargenomen.
Cidaria rubidata Schiff. Slechts in een paar exx. uit
de Bijv., waarvan 1 el. van Galium mollugo. Rups
VIII, vlinder V.
Cidaria albicillata L. Didam en Bijv. niet zz. in V—VI.
Cidaria hastata L, 3 exx. gevangen te Didam, eind
V-1923. Nadien niet meer waargenomen.
Cidaria rivata Hbn. Bijv. en Lob. VII. Ook Emm.
Rupsen op Galium mollugo, Did. en Bijv. VIII.
(Zie over deze en de volgende soort Ent. Ber.
No. 149, DI. VII van 1 Mei 1926.)
Cidaria alternata Müll. (sociata Bkh.) Overal zeer
gewoon, in 2 gen, V en VII—VIII.
Cidaria alchemillata L. Geregeld op licht te Herw.,
205 L. H. SCHOLTEN,
Lob. en Emm. VII—VIII. In de Bijv. ook op
bloeiende Eupatorium.
461. Cidaria bifasciata Haw. (unifasciata Haw.) Midden-
VIII-35 en 36 ving ik op licht te Lob. 3 exx. dezer
soort. Ik had nogal moeite met de juiste determi-
natie, tot de heer Coldewey zo vriendelik
was, me te helpen. Dit geschiedde tijdens een be-
zoek aan C. te Twello op 1-X-36.
Onmiddellijk na mijn thuiskomst, de volgende
dag, ging ik er op uit, om de rups te zoeken. Ik
had op een laaggelegen weide in de nabijheid van
Lobith, voor enkele jaren talrijk de voedselplant
der rups, Euphrasia odontites, zien bloeien.
Zoals ik in de inleiding reeds vermeldde, zijn er
in deze omgeving veel zogenaamde baggerputten.
Voor de steenfabricatie is de klei weggegraven.
_ De rest heeft men maar laten liggen. De diepere
gedeelten zijn met water gevuld, de iets hoger
gelegene worden als weiland gebruikt, waarvoor
ze niet eens bijzonder geschikt zijn. Voor den
natuurliefhebber-entomoloog zijn het in sommige
jaren prachtplekjes, waar allerlei planten groeien.
Hij is er niet rouwig om, dat deze gronden voor
cultivering minder geschikt zijn.
. Mijn Euphrasia-weitje was voor een paar jaren
als hooiland blijven liggen en toen had Euphrasia
odontites gelegenheid gehad, zich volop te ont-
wikkelen. Vandaar, dat Cidaria bifasciata in mijn
onmiddellijk de herinnering wakker riep aan een
rose vlakte van bloeiende odontites.
't Gaat ons dikwijls op onze speurtochten zo:
het ene jaar is een plant talrijk aanwezig, het vol-
gende of later zoekt men er tevergeefs naar.
Nu was de bloeitijd van odontites wel voorbij,
maar de rijpe zaadtrossen waren ook slechts spo-
radisch te vinden. Het weitje werd nu door koeien
begraasd, en die hadden de plant blijkbaar ook
niet versmaad. Toch vond ik, na enig zoeken, ook
in een aangrenzend moerassig terreintje, nog een
hoeveelheid planten, die ik mee naar huis nam.
Vol verwachting begon ik te kloppen en ik had
succes : een kort, traag spannertje tuimelde op het
doek, nog meer, en zo kreeg ik er die middag
bijna twee dozijn.
De volgende dag vond ik elders, langs de lage
oever van een put, veel odontites staan. Hieruit
kreeg ik evenwel geen rupsen. Op weer een an-
andere plaats hadden blijkbaar veel rupsen geze-
ten. Bij nauwkeurig toezien bleken vele vruchten
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 206
een ronde opening te hebben, die ik nu kende. De
rups zit op de vruchten en vreet op dezelfde wijze
als Harmodia (Dianthoecia)-rupsen dit doen, van
buiten door de vruchtwand heen, om de zaden te
bereiken. Deze typische ronde gaatjes vond ik zeer
veel. Dat ze door bifasciata-rupsen waren ge-
maakt, bleek ook wel hieruit, dat ik daar nog een
dozijn rupsen vond, enkele in reeds geheel droge
trossen, de meeste in nog groene zaaddozen.
Zeker was dus wel, dat de rups in dit gebied
talrijk aanwezig was geweest. Het merendeel was
waarschijnlijk reeds weggekropen ter verpopping.
De kleur der rupsen, allerlei tinten licht- tot
donker grijsbruin, ook groen, is aangepast aan de
kleur der rijpende of rijpe vruchten. Daardoor is
ze moeilijk te zien, doch bij wat geduld en rou-
tine lukt het toch wel. Ze zit vrij op de vruchten,
alleen als ze eet, zijn de kop en de voorste seg-
menten onzichtbaar, daar deze dan in de zaad-
dozen verborgen zijn. Ze is traag, maar laat bij
kloppen spoedig los. Ze wordt beschreven als
spoelvormig, maar ze is dit alleen, als ze zich
ergens neerzet om te vervellen. In de gewone rust-
stand, op de vruchten of de takjes der voedselplant,
hebben ze een meer gedrongen voorkomen.
Een uitvoerige beschrijving der rups vond ik in
Spuler II, blz. 61, waar A. Meess O. Hof-
mann citeert, die haar naar een Weense rups
heeft gemaakt. Ik heb ze met een aantal van mijn
rupsen vergeleken, ze gaat in hoofdzaak steeds op.
Eén typisch kenmerk vermeldt hij, dat ik bij al
mijn rupsen terugvond en dat de soort zeker,
mede in verband met haar voorkomen in deze tijd
op Euphrasia odontites, kan doen thuisbrengen :
„Auf den letzten Segmenten und der Afterklappe
ist der Raum zwischen den 3 Rückenlinien ganz
schwärzlich ausgefüllt”.
Blijkbaar heeft Hofmann een niet volwassen rups
ter beschrijving gehad, daar hij als lengte 1 cm
opgeeft. Mijn volwassen exx. meten 15 tot 16 mm.
Als ze gaat vervellen, is ze zowel naar voren als
naar achteren verdund.
Prout vermeldt in Seitz, Bnd. III, ook de
groene vorm, die onderling weer varieert, doch
veel minder voorkomt dan de bruine.
C. bijasciata wordt overal als zz. vermeld. Al-
leen in Engeland is de rups op enkele plaatsen
talrijk aangetroffen. Barrett zegt, dat de vlin-
der overdag niet licht wordt opgejaagd, zodat
L. H. SCHOLTEN,
deze soort als tamelijk zz. werd beschouwd, totdat
de rups en haar gewoonten werden ontdekt.
South zegt: de rupsen zijn vaak overvloedig.
De heer G. F. Mathew deelt mede, dat hij bijna
500 exx. kreeg uit 3 bosjes van de voedselplant,
verzameld in het district Harwich. (Schrift. meded.
Cold.)
Uit ons land zijn slechts 3 vangsten bekend.
Snellen vermeldt de eerste in T. v. E. 13,
1870, pag. 87. De heer Medenbach de
R ooy Jr. ving in Augustus 1866 een ex. op het
Lagewater te Velp bij Arnhem.
In het nr. van 1887 wordt een ex. van Numans-
dorp, gevangen door de Joncheere, vermeld.
In 1893 een uit Z. Limburg, : (Houthem, Lyck-
lama à Nyeholt) en 1894 een bij Breda door
Dr. Kallenbach.
Door de Engelse schrijvers wordt ook vermeld,
dat de pop een sterke neiging vertoont, langer dan
een jaar te blijven liggen, zelfs tot 5 jaar toe.
Van mijn 50 popjes kwamen in de maand Au-
gustus ‘37 25 vlinders uit. Van geen enkele rups,
die ik kweekte, kreeg ik zo laat in de zomer de
vlinder.
Ik heb deze soort wat uitvoeriger behandeld.
Misschien zijn er lezers, die een terrein kennen,
waar Euphrasia odontites veel groeit. Voor hen
kunnen deze aanwijzingen wellicht van nut zijn,
deze zz. soort ook te vinden. Ik vermoed, dat ze
o.a. in Zuid-Limburg zeker meer voorkomt, dan
men tot nu toe weet. Ik zag ten Z. van Epen een
wei met veel Euphr. odontites.
* 462. Cidaria albulata Schiff. Te Bijv. en Lob., telkens 1 ex.
in VI
463. Cidaria flavofasciata Thnbg. Enkele malen op licht te
Herwen en Lob. Talrijk bij de Eltenberg. (Dr.
Janecke).
464. Cidaria furcata Thnbg. (sordidata F.) Deze soort
sleepte ik enige jaren geleden zeer talrijk als rups
van Vaccinium myrtillus in de Montf. heuvels,
2e helft van V en begin VI. Ze leeft op deze
plant, ingesponnen tussen de bladeren. De laatste
jaren trof ik ze minder aan. Hoewel de rups er
zo veel voorkwam, zeg ik de vlinder weinig in
VII. Dr. Janecke trof hem niet zz. aan op
smeer bij het Klein-Peeske. Ook de verwante vol-
gende soort komt graag op de stroop.
Ik kweekte van de Montf. de volgende aberr.
vormen:
* 465.
466.
* 467.
* 468.
69
70.
petal,
9472;
2413:
2474.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 208
ab. sordidata F. Groen met donkere dwarsbanden.
ab. fricolorata Schrk. Kleur als de vorige, maar mid-
denband witgrijs of wit.
ab. obliterata Prt. Groen, bijna zonder tekening.
ab. flavotincta Culot. Grondkleur geel.
De typonominale vorm, die asgrijs is met donkere
dwarsbanden, komt ook voor.
Cidaria coerulata F. (autumnalis Ström.) Nergens zz.,
waar Alnus groeit. Hierop in VIII de rups inge-
sponnen. Vlinder VI—VII, komt ook graag op
smeer. Ik kweekte of ving de
ab. obsoletaria Schille. Voorvls. bijna éénkleurig don-
ker asgrijs of donkerbruin.
ab. semifuscata Prt. Dwarsbanden bruinachtig, be-
halve aan de voorrand, maar de smalle, lichtgroene
banden, waardoor het middenveld begrensd wordt,
onveranderd.
ab. literata Don. Wortel- en voorrandsveld donkerder,
meer roestkleurig, middenband witachtig. In trf.
Cidaria badiata Schiff. In de 2e helft van IV en V op
licht te Lob. Herw. en Emm. Niet gewoon. Ik
bezit de
ab. rectifasciaria Lamb. Het lichte middenveld 1/3 bre-
der dan gewoon. Hierin geen dwarslijn. Lob.
ab. alpestris Neub. Middenveld bruin, het distale matig
verdonkerd, zonder lichter gedeelte. Ook achtervls.
iets bruiner. Herw.
Pelurgia (Larentia) comitata L. Herwen en Lob. tal-
rijk op licht VII—VIII, Bijvank. VIII.
Hydrelia (Larentia) flammeolaria Hufn. (luteata
Schiff.) Montf. en Bijv. V—VII, in de nabijheid
van Alnus.
Euchoeca (Larentia) nebulata Scop. (obliterata Hufn.)
Alleen in de Bijv. waargenomen in VII
Asthena albulata Hfn. (candidata Schiff.) In de Bijv.
uit loofhout opgejaagd, VI.
Asthena anseraria H.S, In de Bijv. meer dan de vo-
rige. Geregeld in VI—VII, uit Cornus sanguinea
te kloppen. Zie voor verschil tussen deze en de
vorige soort T. v. E., Verslag Zomerverg. 1926.
Eupithecia (Tephroclystia) tenuiata Hbn. Gekweekt
uit Salix caprea-katjes van de Bijv. Vlinders hier-
uit in VI.
Eupithecia plumbeolata Haw. In de Bijv. niet zz. in
de 2e helft van V op plaatsen, waar Melampyrum
pratense L. groeit.
Eupithecia bilunulata Zett. (strobilata Hbn.) Een
paar maal in de Bijv. aangetroffen, op de stam
van een spar zittend. Ook Coldewey vond
209
E. EIS SEHOLTEN.
hier een gaaf ex. 5-VI. Als deze soort iets afge-
vlogen is, kan ze licht met E. tantillaria Bsd. ver-
ward worden. De vliegtijd schijnt me wel later te
zijn dan van E. tantillaria Bsd.
475. Eupithecia linariata F. Lob., Montf. Rupsen op Lina-
ria vulgaris VII—VIII. Vlinder op licht. Bij kwe-
king der Juli-rupsen kwam een deel der poppen
nog in de nazomer uit, de rest in V d.o.v.
* 476. Eupithecia valerianata Hbn. Als vlinder te Didam nog
2—VII, in de Bijv. V. Hier de rups niet zz. in
het begin van VIII op Valeriana officinalis.
* 477. Eupithecia centaureata Schiff. (oblongata Thnbg.)
Overal gevonden, V—VI en VII-IX. Rupsen
op allerlei Umbelliferen, vooral Pimpinella saxi-
fraga, Angelica silvestris en Pastinaak. De rupsen
zijn, al naar de voedselplant, waarop ze voor-
komen, zeer verschillend gekleurd.
* 478, Eupithecia selinata H. S. Over deze soort, die in 1933
door Coldewey en mij als nieuw voor de
Ned. fauna werd ontdekt, resp. als vlinder in
Twello en als rups in de Bijv., heb ik uitvoerige
mededelingen gedaan in de „Intern. Entom. Zeit-
schrift-Guben", 29e jaargang, blz. 199— 203 en
227—228. Ik heb nadien op de vindplaats de rups
nog meermalen waargenomen.
* 479, Eupithecia tripunctaria H. S. (albipunctata Hw.) Di-
dam, maar vooral in de Bijv. en bij de Eltenberg,
als rups in VIII—X op Angelica silvestris. Te
Lob. ook op licht gevangen. De gekweekte vlin-
ders komen al vroeg in het voorjaar uit, als de
poppen in een verwarmd vertrek worden gebracht.
Af en toe komen er ook reeds in de herfst uit, t
geen ook in de natuur gebeurt. Niet weinig exx.
behoren tot de
ab. angelicata Barrett (anglicata Gmpbg.) Eénkleurig
roetachtig zwart, zonder tekening, behalve de diep-
zwarte vlek, Ook in trf.
* 480. Eupithecia absinthiata Cl. Komt door 't gehele gebied
voor, op licht te Herw. en Lob., op stammen en
bloeiende Eupatorium te Bijv. en Montf. Ik kweek-
te vele exx. uit rupsen, die ik op Eupatorium en
Solidago vond, op de beide laatstgenoemde plaat-
sen. Bij Lob. ook op Artemisia.
De soort is als imago moeilijk van de vol-
gende te onderscheiden. De Eupithecien-specialist,
F. Lange te Freiberg-Saksen, heeft al mijn exx.
nagezien en zo nodig gedetermineerd.
Wat de biologie betreft is er nog een en ander,
dat mij niet duidelijk is.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 210
Bij het kweken van een aantal Eupithecia-
soorten heb ik steeds de ervaring opgedaan, dat de
soorten, welke in de natuur vroeg verschijnen, als
eerste of enige generatie, binnenshuis ook vroeg
uitkomen, vooral als ze in de nawinter in een
verwarmd vertrek worden geplaatst. Dit was b.v.
het geval met: E. fripunctaria H.S., virgaureata
Dbl., selinata H.S. nanata Hbn. en innotata H.
Andere soorten, die buiten laat uitkomen, ver-
schijnen ook bij kweking laat, reageren veel min-
der op kamerwarmte, soms helemaal niet. Dit was
b.v. het geval met E. pimpinellata Hbn. en goos-
sensiata Mab.
Van de eerstgenoemde groep kreeg ik de ima-
go's vanaf Februari tot begin Mei, van de andere
vanaf einde Mei (als ze tegelijk met de andere
in een verwarmd vertrek waren geweest) tot be-
gin Augustus. Over ‘t geheel komen deze minstens
een paar maanden later uit dan de andere groep.
Daarmee is ook in overeenstemming, dat ik deze
trage soorten buiten ook steeds laat heb aange-
troffen.
Aangenomen nu, dat de determinatie van mijn
soorten juist is, verwondert het me, dat absinthia-
ta-popjes bij mij steeds zo vroeg uitkwamen, ter-
wijl de exx., die als vlinder gevangen zijn, dateren
van 12-VII tot 13-VIII.
Het vroege uitkomen van mijn absinthiata’s zou
m.i. moeten wijzen op een vroege eerste generatie
of een tamelijk vroege enkelvoudige (castigata
b.v.) Zo dit niet het geval is, dan vormt de soort
in dit opzicht een opmerkelijke uitzondering.
De rupsen vond ik eind VII reeds en in VIII
op Eupatorium, tegelijk met de vlinders, iets dat
dat ook al vreemd is. Ik vond ze ook later nog
op Solidago, tot begin X.
In de winter van 1936—'37 bewaarde ik enige
poppen van E. pimpinellata en absinthiata, welke
laatste ik op Artemisia vond. En deze kwamen
niet vroeg uit! De vlinders verschenen precies in
dezelfde dagen als die van pimpinellata.
Een verklaring voor het vroege uitkomen zou
kunnen zijn, dat de vlinder in de natuur onregel-
matig uitkomt, van VI—VIII bijv., maar hiermee
is niet in overeenstemming, dat ze binnen ongeveer
in dezelfde tijd verschijnen. Tot nu zijn me ook
geen exx. uit Juni bekend, in de natuur gevangen.
Het vermoeden, dat we hier met een meer dan
één soort te doen hebben, is uitgesproken door
211
* 481.
482.
* 483.
* 484.
485.
* 486.
487.
488.
* 489.
E He SCHOLETEN;
den heer Lycklama à Nyeholt op de 65e
Wintervergadering van de N. E. Vereniging. (Zie
Verslag, T. v. E., blz. X en XI.) Hij geeft in een
tabel de datums aan, waarop bij hem deze soort
uitkwam, in verband met de voedselplanten, waar-
op hij de rupsen had gevonden. Ook bij L. kwamen
de Eupatorium-dieren het vroegste uit, en pas veel
later die van Artemisia. Zijn ervaringen in dit
opzicht komen dus volkomen met de mijne overeen.
Op grond van wat ik hier mededeelde, en ook
in verband met het door Lycklama vermelde,
lijkt me de bestudering van de biologie dezer
soort(en) nog zeer gewenst. Ik heb hierbij opzet-
lijk iets langer stil gestaan, om ook anderen, die
in de gelegenheid zijn, de soort, vooral als rups
te vinden, aan te sporen daarop bijzonder hun
aandacht te vestigen.
Terloops zij hier nog vermeld, dat een aantal
exx., dat ik van Lange kreeg uit Saksen, zon-
der uitzondering veel groter is dan de mijne, waar-
over ook Lange zijn verwondering uitsprak.
Eupithecia goossensiata Mab. (callunae Spr.) Bij deze
soort verloopt de ontwikkeling normaal, in tegen-
stelling met de eigenaardigheden, die ik van de
vorige vermeldde. Ik ving ze op licht te Lob. (det.
Lange), en sleepte ze als rups talrijk van heide
bij Montf., IX—X. E. goossensiata is als vlinder
moeilijk van de vorige te onderscheiden. Ik geloof
wel, dat de rupsen, die men in de herfst van Cal-
luna sleept, alle van deze soort zijn.
Eupithecia assimilata Dbl. Op licht te Herwen en Lob.
in twee duidelijk te scheiden en onderling te on-
derscheiden generaties, IV—V en VII.
Eupithecia vulgata Haw. Overal, op licht V—VI.
Eupithecia castigata Hbn. Did., Lob. Montf. In de
Bijv. niet zz. op stammen, V— VI. Als rups ge-
vonden op Solidago, Vaccinium, Eupatorium en
Sium latifolium, VIII—IX.
Eupithecia succenturiata L. Meermalen te Lob. op
licht gevangen VII.
Eupithecia icterata Vill. (subfulvata Schiff.) Herw.,
Bijv., Montf. Op licht en bloeiende Eupatorium,
VI—VIII.
Eupithecia subnotata Hbn. Herwen en Lob. niet zz.
op licht, VII.
Eupithecia indigata Hbn. Montf., V—VI in dennen-
bossen.
Eupithecia pimpinellata Hbn. Als rups niet zz. gevon-
den bij Lob. en in de Bijv. IX, op Pimpinella
* 490.
49%
E SVA
1935:
494,
495.
496.
2497.
* 498,
2499;
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 212
saxifraga. Vlinder VII—VIII. Ik vind het merk-
waardig, dat deze rups, die ik de laatste jaren
ook op andere plaatsen in ons land vond, zo lang
verborgen kon blijven voor het speurend oog van
de Lepidopterologen. Ik geloof wel, dat vroeger
de kleine diertjes veelal verwaarloosd werden.
De Eupithecia’s zijn anders zo gemakkelijk te
kweken.
Eupithecia nanata Hbn. IV—V de vlinder op heide,
Montf., zeer gewoon. In VIII een 2e gen. Ook
op licht te Herw. en Lob. Rups in VI en IX—X
talrijk van Calluna vulgaris gesleept.
Eupithecia innotata Hfn. Bij Lob. gewoon. Als rups
in IX—X bij honderden op Artemisia campestris,
ook op À. vulgaris, op ruige plaatsen langs de
Rijn. Op licht niet zz., in beide generaties, maar
't meest in VII VIII. Deze behoren tot de
ab. fraxinata Crewe. Kleiner en donkerder. Eens vond
ik in de Bijv., waar nergens Artemisia groeit, een
ex. dezer soort in V.
Eupithecia virgaureata Dbl. Meest als rups gevonden
op Eupatorium en Calluna in IX. Bijv. en Montf.
Eupithecia abbreviata Steph. De meeste jaren in de
Bijv. een gewoon dier in IV—V, op de stammen
van Quercus, maar vooral van Fagus. Op de
laatste zijn ze gemakkelijk te vinden. Ook op
katjes aangetroffen.
Eupithecia dodoneata Guen. Tegelijk met de vorige
en op dezelfde plaatsen.
Eupithecia sobrinata Hbn. 18-VII-1934 en 1-IX-1934
telkens 1 ex. op licht te Lob. Daar sobrinata vooral
op Juniperus heet te leven, had ik deze soort in
Lob. zeker niet verwacht. Ook vond ik Rhamnus
opgegeven, dan zouden het overvliegers van de
heuvels kunnen zijn.
Eupithecia lariceata Frr. Na enkele jaren tevergeefs
dit spannertje in de Montf. heuvels, op plaatsen,
waar veel Larix groeit, gezocht te hebben, vond
ik eindelijk 6-V een gaaf 9, op kamperfoelie zit-
tend, onder een larix.
Eupithecia tantillaria Bsd. (pusillata Hbn.) Did.
Montf., Bijv. Gewoon, soms zeer talrijk in sparren-
bossen, vanaf de tweede helft van V tot in VI.
Bij zonnig weer erg schuw.
Gymnocelis (Tephroclystia) pumilata Hbn. In Herw.
en Lob. op licht, in de Bijv. en Montf. opgejaagd
uit Calluna en op stammen, IV—V en VII—VII.
Chloroclystis rectangulata L. Op licht te Herw. en
Lob., op stammen in de Bijv., VI—VII. Waarop
leeft de rups daar ?
215
* 500.
* 501.
502,
* 503.
* 504.
* 505.
506.
* 507.
568.
* 509,
* 510.
* 511.
al:
513.
514.
515.
L. H. SCHOLTEN,
Chloroclystis debiliata Hbn. Rupsen en vlinders, soms
massaal, in de Montf. heuvels, sporadisch ook
in de Bijv. Rups einde V tussen los bijeengespon-
nen bladeren van Vaccinium myrtillus. Ze is ge-
makkelijk te slepen en verder te kweken. Einde
VI de vlinder talrijk op stammen.
Collix sparsata Tr. Herw., Lob., Bijv. en Did., steeds
in enkele exx. VI.
Abraxas grossulariata L. Komt in 't gehele gebied
voor, als rups op Ribes grossularia en Prunus
spinosa, als vlinder op licht in VII.
Abraxas sylvata Scop. Enkele malen in de Bijv. VI—
VII, ook bij Eltenberg. Zit meestal onder iepen
op de grond of op bladeren.
Lomaspilis (Abraxas) marginata L. Overal aange-
troffen, 't meest in de Bijv. VI-VII.
Ligdia (Abraxas) adustata Schiff. Herw. op licht, V
en VIII. Bijv. IV en V. Lob. 30-V.
Bapta distinctaria H.S, (pictaria Curt.) 1 ex. op
bloeiende Prunus spinosa te Babberich, in Herw.
niet z. op licht in IV. Na dien nooit teruggezien.
Bapta temerata Schiff. Did., Bijv. Hier geregeld elk
jaar enkele exx. op stammen of uit loofhout op-
gejaagd. Uit de Bijv. de
ab. pauper Hoffm. Voorvls. met 3 zwakke bruinach-
tige dwarslijnen, zonder zwarte bestuiving aan de
achterrand. Op de achtervls. de dwarslijnen bijna
verdwenen.
Bapta bimaculata F. Bij Emmerich gevangen door
Dr. Janecke.
Cabera (Deilinia) pusaria L. Overal in 2 generaties,
V en VII—VIII.
Cabera exanthemata Scop. Als de vorige.
Ellopia fasciaria L. (prosapiaria L.) Didam, Montf.,
Bijv., Emm. Een typisch © Montf. 20-VI. Vlin-
der V—VI. De meeste exx. behoren hier tot de
ab. prasinaria Schiff. die groen is. Deze vorm komt
zowel in dennen- als in sparrenbossen voor.
Campoea (Metrocampa) margaritata L. Montf. en
Bijv. in 2 gen. V en VIII-IX. De 2e gen. is
kleiner.
Ennomos autumnaria Wrnbg. Herw. en Lob. IX.
Ennomos quercinaria Hufn. Bij Emm. 1 ex. dezer soort
gevangen op licht in VIII. Het is een gepronon-
ceerd ex. van de
ab. equestraria F. Het middenveld normaal, de rest
van de vleugels, vooral langs de voorrand, zeer
donker.
Ennomos alniaria L. Op licht te Herw., Lob. en Emm.
in VII.
516.
517.
* 518.
22519,
* 520.
* 521.
1522;
523.
22524.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. PNG
Ennomos fuscantaria Steph. 1 ¢ op licht te Lob.
4—IX.
Ennomos erosaria Schiff. Gevangen bij Emm.
Selenia bilunaria Esp, In 2 gen. V—VI en VII—VIII
te Herw., Lob., Did., Bijv. en Emm.
Selenia tetralunaria Hufn. Voor enige jaren enige
rupsen op Quercus gevonden in de Bijv. IX. Komt
ook bij Emm. voor.
Phalaena (Hygrochroa) syringaria L. Rups overwin-
tert klein op Lonicera, is eind V volwassen en
dan niet zz. in de Bijv. en Montf.
Gonodontis bidentata Cl. Kwam in de nazomer van
1924 tamelijk veel als rups voor op loofhout in
in de Bijv. Na dien nog een enkele maal als
vlinder in V. Ook bij Emm. gevangen.
Colotois (Himera) pennaria L. Herwen, op licht IX.
Als rups in de Bijv. uit eik geklopt, V. Talrijk bij
Emm. op licht in IX.
Crocallis elinguaria L. Te Herw. eens in vele exx.
als rups op Ribes. Te Babb. op Prunus, bij Montf.
op Vaccinium en Calluna. Vlinder in VII op licht.
Angerona prunaria L. Als rups op allerlei loofhout,
meest op Vaccinium myrtillus in de Bijv. en Montf.
Overwintert op ongeveer 1/3 van haar grootte en
is half V volwassen. De vlinder vliegt in VI en
begin VII. Deze soort is zeer variabel. Slechts
een gering gedeelte van de beide geslachten be-
hoort tot de typonominale vorm, dus met dichte
donkerbruine dwarsstreepjes. De rest behoort tot
een of andere bekende aberr. of tot een overgangs-
vorm.
In 1937 verzamelde ik bij Montf. een aantal
rupsen, van Vaccinium, die ik thuis met Prunus
verder kweekte. Van de 50 poppen, die ik kreeg,
verschenen tot mijn verrassing niet minder dan 13
exx. van de ab. corylaria Thnbg., die onderling
nog weer sterk in tekening en tint verschilden. ©
Dat was niet minder dan 25 %, en wel 8 & & en
52 2,
Ook vroeger kweekte of ving ik af en toe een
ex. van deze vorm,
ab. corylata Thnbg. (sordiata Fuessl.) Van de grond-
kleur is alleen een dwarsband op de voorvls. over-
gebleven, die de binnenrand niet geheel bereikt.
Soms zet deze band zich min of meer op de
achtervls. voort. Ook zijn er exx. bij, waarbij de
dwarsband op de voorvls. breed is en zich voort-
zet tot aan de binnenrand. Bij sommige exx. is
voor de voorvl. punt nog een vlek van de grond-
kleur overgebleven.
215
5923,
526
527:
* 528.
2520;
* 530.
0531
532.
2533,
* 534.
535.
E. FL SCHOLTEN,
ab. pickettaria Prout. Deze heeft ook nog een band
van de grondkl langs de achterrand van de vls.
1 2 el. Montf.
ab. spangbergi Lampa. © © zonder enige bruine
dwarsstreepjes. Montf. e.l.
ab. selectaria Rebel. & &, waarbij de bruine dwars-
streepjes zeer vaag zijn, zodat de dieren een bleek
voorkomen hebben, tegenover de typische exx.
e.l. Montf.
De overige & 4 zijn overgangsvormen tussen
de ab. selectaria en typonom. vorm, het grootste
deel der © ? een trf. tussen de ab. spangbergi
en de type.
Ourapteryx sambucaria L. Overal, op licht in VII.
Rups op Lonicera in de Bijv. V.
Plagodis (Eurymene) dolabria L. Af en toe in de
Bijv. Ook bij Emm. Pop onder mos op stam van
Quercus gevonden.
Opisthograptis luteolata L. Overal in V—VI, een
tweede, meestal iets kleinere gen. in VIII—IX.
Epione repandaria Hufn. (apicaria Schiff.) Te Herw.
en Lob. geregeld op licht, in de Bijv. nog in X.
Cepphis (Epione) advenaria Hbn. Gewoon in de bos-
sen, talrijk waar Vaccinium groeit, V— VI. Rups
op deze plant in VIII. In de Bijv. ving ik de zz.
ab. fulva Gilmm. Eénkleurig donker geelbruin, zonder
tekening.
Pseudopanthera (Venilla) maculata L. Op schaduw-
rijke, vochtige boswegen: Bijv. Did. Montf.
Niet zz. V—VI.
Macaria (Semiothisa) notata L. In de bossen niet zz.,
vooral in de Bijv. V—VI en VII—VIII.
Macaria alternaria Hbn. In de Bijv. en bij Emm.
Macaria signaria Hbn. Voor 't eerst in 1934 in de
Bijv., waar ik toen een 15-tal exx. uit sparren
door kloppen opjoeg, einde VI. Later geregeld
elk jaar, de gehele maand Juni. Deze soort is in
de Bijv. niet zz., maar beperkt tot de sparren-
bosjes.
Macaria liturata CL In de bossen van Pinus sylvestris
gewoon in V—VII.
Thera (Hybernia) rupricapraria Schiff. Dit vroege
spannertje komt van Januari tot Maart, al naar
de weersomstandigheden, voor in Herw., Lob.,
Babberich en Emm. Het gemakkelijkst vindt men
het bij Crataegus-hagen, waaromheen het spoedig
na het invallen van de schemering vliegt, en dan
al gauw in copula is aan te treffen. De soort
komt ook op licht. De groene, witgestreepte rups
klopt men in V uit Crataegus-hagen.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 216
* 536. Erannis (Hybernia) leucophaearia Schiff. Uffeln
geeft in: „Die Groszschmetterlinge Westfalens,
mit besonderer Berücksichtiging der Gegenden
von Warburg, Rietberg und Hagen, 1908,” en
in: „Nachträge und Berichtigungen, 1914”, resp.
blz. 26—28 en 46, zijn mening over één der oor-
zaken van het ontstaan van melanisme en over
de toenemende neiging daartoe onder bepaalde
omstandigheden, i.c. de industrialisatie van een
gebied. K. Uffeln vraagt in laatstgenoemd
werkje nog eens nadrukkelijk aan alle entomo-
logen, aan deze neging tot zwart wor-
den hun speciale aandacht te besteden.
Dit was voor mij de aanleiding in het voorjaar
van 1935 te onderzoeken, hoe het in de Bijvank
gesteld was met het melanisme bij E. leucophaea-
ria Schiff.
Ik had enkele jaren geleden wel eens enkele
exx. dezer soort gevangen, maar er nooit bijzon-
dere aandacht aan geschonken. Midden-III-1935
ving ik er 120 & 4, meest op jonge Quercus-
stammen zittend, zoveel mogelijk verschillende
vormen. Ik heb die bestudeerd en vind het resul-
taat belangrijk genoeg, vooral in verband met
boven aangehaalde en andere literatuur, om er hier
een en ander over mee te delen.
De Bijvank is geen industriegebied. Roet, zwa-
vel of salpeterzuur verontreinigen er de lucht niet.
De stammen der bomen hebben er alle hun natuur-
lijke kleur. Een Duits entomoloog, met wien ik
deze kwestie besprak, hield het toch nog voor
mogelijk, dat de Bijvank onder invloed stond van
het Ruhrgebied. Ook Grabe in: „Einiges zur
Frage des Industrie-Melanismus, Intern. Entom.
Zeitschrift Guben, 20 Jahrg,” vindt het aanneme-
lijk, dat de invloed uitoefenende gassen van het
Ruhrbekken tot over de grenzen van dit gebied
hun invloed doen gelden. Dat wil er echter bij mij
niet in, daarvoor is de afstand te groot, dan kan
men ten slotte heel West-Europa wel als een groot
industriegebied gaan beschouwen. En dan zou er
van een speciaal industrie-melanisme geen sprake
zijn.
Ik vermeld dit uitdrukkelijk, omdat Uffeln
aanneemt, dat het melanisme in het Ruhrgebied
daardoor bevorderd wordt, hetzij door rechtstreek-
se inwerking, hetzij door aanpassing (schutkleur)
Deze theorie is trouwens ook door anderen ver-
kondigd. (Hasebrock.)
217
L. H. SCHOLTEN,
E. leucophaearia Schiff. heeft in de Bijvank ook
een sterke neiging tot donker worden, of beter
misschien : bij deze soort komen ook in de Bij-
vank zeer veel donkere exx. voor. Nu is het voor
mij uitgesloten (dit is natuurlijk maar een leken-
mening !), dat de door Uffeln veronderstelde
oorzaken daarop in de Bijv. van invloed geweest
kunnen zijn. Een feit is echter, dat er bij leuco-
phaearia in de Bijv. een sterke mate van donker
zijn bestaat. Wanneer dit donker-zijn ontstaan is,
is uit de aard der zaak moeilijk of helemaal niet
uit te maken. Is deze „neiging tot zwart worden”
in een bepaalde periode begonnen, spontaan, of
is dat een gevolg van evolutie, die reeds veel en
veel vroeger heeft plaats gevonden en die mis-
schien geleidelijk of met sprongen nog plaats
heeft ?
Wat het „hoe” betreft, vermag ik geen antwoord
te geven, meer deskundigen op dit gebied mogen
trachten dit interessante probleem op te lossen.
Alleen in de literatuur der laatste jaren — dit
laatste niet al te krap te nemen — wordt er, vooral
uit Duitsland en Engeland, melding gemaakt van
een sterke tendens in deze richting.
Hübner beschreef de ab. nigricans, Esper
dezelfde vorm onder de naam van marmorinaria.
Of deze vorm toen zz. was, is nu moeilijk uit te
maken. Snellen zegt in de: „Vlinders van Ne-
derland, 1867, dat de type toen de gewone vorm
was. Hij vermeldt ook de ab. nigricans (als ab.
marmorinaria Esp.) De geheel donkere vorm ech-
ter niet. De ab. merularia Weym. vond ik meest
als zz. opgegeven. Uffeln geeft ze als niet zz.
uit Westfalen.
Vergelijking met een betrekkelijk lang voorbije
periode is niet mogelijk. Kwamen de verschillende
vormen vroeger reeds in dezelfde verhouding voor,
maar bleef dit tot in onze tijd onbekend, omdat er
minder of niet op gelet werd ? Of is er inderdaad
de laatste tijd „neiging tot- of grotere neiging tot
melanisme ?”
Voor latere onderzoekers is het misschien dien-
stig, de toestand van heden vast te leggen, aan-
genomen, dat er in deze tijd een verandering
plaats heeft, die in een overzienbaar tijdvak ge-
schiedt. Was dat vroeger ook gebeurd, dan had-
den onze onderzoekers nu meer houvast.
Ik geloof wel, dat men met het vaststellen van
„feiten op dit gebied erg voorzichtig moet zijn.
De
ab.
ab.
ab.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 218
Zo schrijft Grabe b.v. in de Int. Ent. Zeitschr.
Guben, 1915, pag. 53; „Die seit langen Jahren
hier und auch anderswo beobachtete Hyb. leuco-
phaearia ab. merularia Weym. ist seit 4-6
Jahren in vereinzelten Stücken zur ab. sub-
rufaria Uffeln übergegangen."
Hier wordt dus zo maar beweerd, dat in het wel
zeer korte tijdsverloop van een 5-tal jaren de ene
aberratie in de andere is overgegaan. Zou dat
werkelijk zo zijn? ?
Ik heb in de Bijv. de volgende vormen waarge-
nomen :
typonominale vorm, door Hübner afgebeeld als
matig egaal bruingrijs, het wortel- en franjeveld
slechts iets bruiner, de 3 lijnen duidelijk.
nigricans Hbn. (marmorinaria Esp.) Het proxi-
male en het gehele distale veld, behalve de golf-
liin, sterk verdonkerd, het middenveld licht.
merularia Weym. Eénkleurig donkerbruin of
zwartachtig.
subrufaria Uffeln. Grondkleur der voorvls. bruin-
rood.
Behalve deze vier nog een paar andere, waar-
over aanstonds nader. Bij de typische vorm is er
een zeer grote variatie, wat betreft de duidelijk-
heid der 3 liinen. Ze ontbreken soms geheel, soms
gedeeltelijk en zijn steeds verschillend van inten-
siteit. Ook het verloop der lijnen en de breedte der
banden is sterk uiteenlopend. De donkere beschub-
bing in het basale en postmediane veld is zeer
varierend in kleur en dichtheid. Steeds is echter
door deze beschubbing heen de witachtige onder-
grond min of meer zichtbaar. De golflijn is meestal
opgelost in onregelmatige lichte vlekken. Men kan
gemakkelijk enige dozijnen dieren van de typonom.
groep naast elkaar zetten, met heel zwakke tot
dicht beschubde voor- en achtervleugels, waarbij
dan nog allerlei nuances in tekening en sterkte
der dwarslijnen komen, zó, dat er geen twee exx.
volkomen gelijk zijn.
Men krijgt zo wel heel wat dieren, die nogal van
de type afwijken, die men desnoods alle als over-
gangsvormen zou kunnen beschouwen, maar die
toch hier onder gebracht moeten worden. Terecht
zegt K. Uffeln, dat voor elk van deze dieren
een nieuwe aberr.-naam meer gerechtvaardigd zou
zijn, dan voor vele andere beschreven vormen.
Als het proximale veld en het gehele distale (be-
halve de golflijn) zó donker wordt, dat de grond-
219
Lb. HA SGHOLTEN,
kleur verdwijnt, wat meestal gepaard gaat met een
lichte middenband, krijgt men de ab. nigricans
Hbn. Deze vormt ook weer een groep van nog al
uiteenlopende vormen. De beide dwarslijnen zijn
meestal afwezig. Hun plaats wordt aangeduid door
de grens van de beide donkere gedeelten en de
lichte band die dikwijls zeer scherp is, maar soms
geheel vervaagt. Deze lichte band is ook telkens
weer geheel verschillend van vorm en helderheid.
De schaduwlijn is vaak geheel of gedeeltelijk af-
wezig, soms breed uitgevloeid.
De kleur varieert van licht over grijs en donker-
bruin tot zwart. De achtervls. zijn nu eens gelijk-
matig, lichter of donkerder bestoven, hebben dan
weer een donker randgedeelte. (Bij de type zijn
de achtervls. steeds gelijkmatig bestoven.)
Ook in deze groep zijn moeilijk twee gelijke exx.
te ontdekken.
K. Uf feln heeft in de volgende groep ab. sub-
rufaria van merularia Weym. gescheiden. Als men
vasthoudt aan de type-beschrijving : egaal zwart-
bruin, kan dat ook, want subrufaria is roodbruin.
Maar dan had hij, om consequent te zijn, de ni-
gricans-groep ook moeten splitsen in een rood-
bruine en een zwarte vorm, want dezelfde rood-
bruine tint, die subrufaria kenmerkt, komt in de
nigricans-groep ook talrijk en in duidelijk gekleur-
de exx. voor. Of kwamen die in het Ruhrgebied
niet voor ? Í
_ Als men de type-groep niet al te streng be-
grenst, blijven er, behalve enkele nader te bespre-
ken vormen, en die van de merularia-subrufaria-
groep, weinig dieren over, die men niet bij de
type of nigricans kan onderbrengen. Enkele twij-
- felgevallen zijn er, bij zulk een variërende soort,
altijd.
Het was vooral om de allerdonkerste vormen,
dat ik naar de Bijvank toog, want dit zijn bij leu-
cophaearia de meest extreme vormen van melanis-
me. Van een 3-tal excursies bracht ik er een 30-
tal mee. 't Hadden er nog meer kunnen zijn. Deze
vorm is daar dus verre van zz. Ik vond er zelfs
enkele malen twee op één stam. Ook in deze groep
is wel variatie, maar toch veel minder dan in de
‘voorgaande. De kleur wisselt weer van allerlei
tinten zwartgrijs tot zwartbruin. Bij vele is er nog
een vaag spoor van de middenband aanwezig, bij
sommige is hij nog goed zichtbaar, maar nooit licht.
Bij heel wat exx. steken de anderen min of meer
ab.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 220
geelbruin af tegen de donkere ondergrond. Bij
sommige is een groter of kleiner wortelgedeelte
van de achtervls. licht, bij andere zijn deze vleu-
gels geheel donker.
Ik had aanvankelijk al mijn rood- en zwart-
bruine exx. tot éne merularia-groep verenigd,
maar Dr. Heydemann beschouwde toch de
ab. subrufaria Uff. als een goede afzonderlijke
_ vorm, die hem uit Noord-Duitsland zelfs in 't
geheel niet bekend was.
Nadat ik de meeste van mijn 120 exx. zo on-
geveer volgens bovenstaande ab. groepen had in-
gedeeld, bleven er nog enkele exx. over, waarmee
ik geen weg wist. Alles als overgangsvorm be-
schouwen gaat ook niet,want er moet toch ook een
bepaalde aanwijzing in een of andere aberratie-
richting zijn.
Vooreerst betrof het hier enkele exx., waarbij
alle dwarslijnen grotendeels of geheel ontbreken.
Doordat de voorvls. gelijkmatig met donkere
schubben bestrooid zijn, ontbreekt de dwarsband.
Alleen wijl hier en daar nog een gering spoor van
de dwarslijnen te bespeuren is, meent men bij som-
mige exx. nog iets van een dwarsband te zien.
Van de golfliin zijn ook bij enkele dieren nog
flauwe sporen te zien. De achtervls. zijn bij alle
exx. egaal beschubd, min of meer donker.
Door het ontbreken van de dwarslijnen en de
middenband, en door de meer gelijkmatige donkere
beschubbing van voor- en achtervls., zien deze
dieren er veel eentoniger uit dan de type of de
ab. nigricans Hbn. De witte grondkleur komt over-
al heel zwak door, waardoor ze een meer gespren-
keld voorkomen hebben. Door de zwartgrijsbruine
beschubbing, maar meer grijs dan bruin, hebben
ze een grauwe tint,
Bij de 2 exx. uit deze groep is de tint lichtgrijs,
terwijl de tekening geheel ontbreekt. Dr. Heyde-
mann heeft ze in de I.E.Z.-Frankf., 5le Jahrg.,
No. 44, (Taf. I, fig. 14 en 15) beschreven als
destrigaria Heydem. Het is volgens hem een ni-
gristische vorm, die niets heeft uit te staan
met de melanistische ab. merularia Weym. Ze kan
ook niet als overgangsvorm naar deze ab. be-
schouwd worden en komt waarschijnlijk overal
onder de soort voor. Type en cotype in mijn coll.
Tenslotte rest me nog één ex. te bespreken, dat
al zeer van alle andere afwijkt. Dr. Heyde-
mann heeft het op dezelfde plaats als de vorige
537.
* 538,
L. H. SCHOLTEN,
(Taf. I, fig. 10) beschreven als de
ab. desparsata Heydem. Hij zegt daar, dat deze ab.
meer een contrast- dan een albinistische vorm
schijnt te zijn.
Alle vleugels zijn zuiver ivoorwit, zonder bruin-
grijze besprenkeling. De 3 dwarslijnen op de voor-
vls. ziin daarentegen bijzonder scherp breed zwart-
grijs, als met inkt getrokken. In het wortelveld,
langs de voorrand, bij de voorvl. punt en aan de
postale zijde van de 2e dwarslijn is een grijsgele
schaduw, zoals ook bij normale exx. aanwezig is.
Franjelijn fijn grijs, franje aan de basis witachtig,
buitenwaarts lichtgrijs. Op de achtervls. zijn de
dwarslijnen slechts flauw zichtbaar, franjelijn en
franje als de voorvls. Kop en thorax grijswit,
achterlijf geelbruinachtig, met zwak aangeduide
grijsbruine rugvlekken.
Type: Bijv. 17-III-1935, in mijn coll. Het trok
door zijn lichte kleur reeds van verre de aandacht.
In welke verhouding komen nu de verschillende
vormen in de Bijv. voor? De eigenlijke typische
vorm, zoals Hübner die beschreef, komt er
maar weinig voor. Tot de gehele groep, zoals ik
ze hiervoor heb omschreven, behoorden naar schat-
ting ongeveer de helft der exx., die ik er zag. De
andere helft behoorde in hoofdzaak tot de donkere
aberraties.
Wie is er in ons land nog meer in de gelegen-
heid, een dergelijk onderzoek in te stellen naar
deze soort? Ze vliegen in een tijd dat er op lepi-
dopterologisch gebied nog weinig te doen is en
waarin men, na de wintermaanden, met behaag-
lijkheid de boslucht weer inademt.
Zijn de verhoudingen overal en in alle jaren
dezelfde? Snellen schrijft, dat de soort aan
de duinkant niet zz. is. Is dat nog zo? Hoe zijn
speciaal daar de verhoudingen ?
Erannis aurantiaria Hbn. Komt bij Emm. voor.
Erannis marginaria F. Herw., Did, Montf., Bijv.
Emm. Eind III en IV. Komt op bloeiende katjes.
Rups in V op Quercus en ander loofhout. 4-IV-
'37 talrijk ‘savonds op stammen in de Bijv., pas
uitgekomen. Hierbij de
ab. unistrigaria Uffeln. Van de 3 dwarslijnen is al-
leen de buitenste over.
ab. fuscata Harrison. Grondkleur zwartachtig bruin.
In enkele overgangsex.
Ook waren hierbij een paar exx. met een don-
kere, scherp begrensde dwarsband, overeenkomen-
2539,
* 540.
2341.
542,
* 544,
515
* 546.
MOAT.
* 548,
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 222
de met de ab. fasciata Linstow van Erannis auran-
tiaria Hbn. |
Erannis defoliaria CI. Als rups overal in de bossen
gevonden, het meest op Quercus en Corylus, eens
op Calluna, V. De vlinder op stammen, meer op
licht bij Emm. Uit de Bijv. de
ab. holmgreni Lampa. Dwarsbanden ontbreken.
Phigalia pedaria F, Op stammen in de bossen en
Zevenaar II-III.
Apocheima (Biston) hispidaria Schiff. Na 10 jaar
tevergeefs in de Bijvank naar dit zz. dier gezocht
te hebben, werd in 1935 mijn moeite beloond. Ik
vond er 23-III een & op een eikestam en 14-IV
een 9 op een beuk. De volgende jaren heb ik
nog enkele exx. in de Bijv. gevonden, in 1937
reeds 13-III.
Lycia (Biston) hirtaria Cl. Niet zz. op stammen bij
Emm. IV.
Biston strataria Hufn. Als rups uit Quercus geklopt
in V, Bijv. Hier ook de vlinder op stammen,
eveneens bij Emm.
Biston (Amphidasis) betularia L. De typische vorm
gevonden te Didam, Bijv. en Montf., niet gewoon.
De rups op Salix, Alnus, vooral Betula, ook op
Lysimachia vulgaris. Het meest komt deze soort
voor in de vorm
ab. carbonaria Jord. (doubledayaria Mill.) Ook op
licht te Herw. en Lob. VII—VIII.
Boarmia cinctaria Schiff. Did., Bijv., maar meest in
de Montf. heuvels, waar ik einde IV en begin
V de vlinder geregeld op stammen vind, bijna
steeds 4 &. Van Montf. ook de
ab. pascuaria Brahm. Middenveld witachtig, overige
der voorvls. sterk verdonkerd. (In Seitz IV : sub-
marmoraria Fuchs.)
Boarmia rhomboidaria Schiff, (gemmaria Brahm.) Te
Herw. en Lob. op licht VII—VIII, in de Bijv.
op bloeiende Eupatorium, VII.
Boarmia secundaria Esp. In de sparrenbosjes van de
Bijv. gewoon in VII, bij Montf. rupsen in V.
Ook bij Emm.
Boarmia repandata L. Deze nogal variabele soort is
gewoon in de bossen, zeer talrijk bij Montf. als
vlinder in VI, als rups in najaar en volwassen
tot einde V op Vaccinium, Lonicera, Calluna.
Van Montf. de
ab. destrigaria Haw. Grondkleur lichter, maar sterk
bestoven, donkere lijnen bijna verdwenen, sub-
terminaallijn duidelijk.
223
549,
* 550.
551.
552.
2353.
2554,
555,
556.
537.
* 558,
ib. be SCHOLTEN;
ab. similata Vorbr. In cel 3 der voorvls. een opval-
lende duidelijke punt. |
Naar twee Montf. © ©, uit rupsen gekweekt,
die ik vond op Vaccinium myrtillus, beschreef
Dr. Heydemann de nieuwe
ab. brunneata Heydm. in de L.E.Z.-Frankf., 52e Jahrg.,
No. 3, blz. 28, (Tafel I, Fig. 9 £). De tekening
is normaal, de grondkleur van alle vleugels gelijk-
matig okerbruin, ook de plekken, die anders wit
zijn en de golfliin. Voorhoofd, thorax en achter-
lijf eveneens bruinachtig. Type en cotype in mijn
coll.
Boarmia roboraria Schiff. Af en toe in de Bijv. VI—
VII. Als rups op Corylus in V. De meeste exx.
behoren tot de
ab. infuscata Stdgr. Bovenzijde zeer donker bestoven,
of overg.
Boarmia punctinalis Scop. (consortaria F.) Komt over-
al voor, meest in de bossen, VI—VII. Niet zz.
is de
ab. humperti Hump. Eénkleurig zwartachtig, met
witte golflin.
Boarmia bistortata Goeze (crepuscularia Dup.) De
vroegste Boarmide, is reeds in de 2e helft van III
te vinden, meest in de bossen, doch ook aange-
troffen op Salix-stammen bij Lob. Zeker twee gen.
III—IV en VII, misschien een derde. Ik bezit een
ex. van 17-X, el, Rups op loofhout, in de heuvels
veel op Vaccinium myrtillus. Ik vond de
ab. defessaria Frr. Donkerbruin met witte golflijn. Bijv.
Boarmia consonaria Hbn. Montf., V. Ook bij Emm.
Boarmia extersaria Hbn. (luridata Bkh.) Zeer gewoon
in de Bijv. V—VI.
Boarmia punctulata Schiff. Zeer gewoon in V—VI,
in de bossen.
Pachycnemia hippocastanaria Hbn. Bijv. en Montt.,
talrijk in IV, minder in VII, vooral op Calluna.
Ook op licht te Herw. en Lob. VII.
Gnophos obscurata Schiff. Door Spaarmann in
de Montf. heuvels gevangen 15-VIII. Ook reeds
door Ver Huell vermeld in de Bouwst. van
Montf.
Isturgia (Fidonia) limbaria F. Gewoon, waar Saro-
thamnus vulgaris groeit, V en VII—VIII.
Ematurga atomaria L. Gewoon op de zandgronden,
vooral op en bij heide, in 2 gen., die welhaast in-
eenlopen, van IV—VIII. De soort varieert zeer
Alle exx. behoren tot de
subsp. minuta Heydem. Hieronder vond ik de volgende
vormen :
5559;
* 560.
* 561.
* 562,
563.
564.
565.
MACRO-LEPIDOPTERA UIT DE LIJMERS. 224
ab. obsoletaria Zett. Zeer donker, dicht zwartbruin
bestoven, grondkleur grijsachtig, nog slechts zicht-
baar in enkele onduidelijke donker bestoven ban-
den op voor- en achtervls. Montf.
ab. latelineata Biczanko. Lijnen op alle vleugels sterk
verbreed. Montf.
ab. ustaria Fuchs. Grondkl. dicht bruin bestoven, zo-
dat ze slechts in enkele vlekjes overblijft. Montf.
ab. virilis Stauder. 9, met grondkleur van het &.
Montf.
ab. unimarginata Cornelsen. Dwarslijnen op alle vlgs.
flauw zichtbaar, behalve de buitenste, die juist zeer
duidelijk is. Montf.
Bupalis piniarius L. Talrijk in de dennenbossen van
het gebied, V—VI. Te Herw. 2 ? op licht ge-
vangen. Poppen gemakkelijk onder mos te vinden.
Ik kweekte daaruit de
ab. strigata Dziurz. 9 Over 't en van de voorvls.
een donkere dwarsband van de costa tot binnen-
rand. Montf.
ab. fuscantaria Krulik, ?, Grondkleur donker bruin-
achtig. Montf.
Itame (Thamnonoma) wauaria L. Herw. en Lob. op
Ribes. Van Herwen de
ab. v-remotum Schultz. De v niet verbonden aan de
2e costaalvlek, doch los er van tussen de 2e en 3e.
Itame fulvaria Vill. (brunneata Thnbg.) Bijv., Montf.,
Emm. Zeer talrijk als rups op Vaccinium myrtil-
lus bij Montf. in V—VI en als vlinder van af
einde VI. Een paar maal als vlinder op licht te
Lob. Trekkers ?
Lithina (Phasiane) chlorosata Scop. (petraria Hbn.)
Vooral Montf. en Bijv. op plaatsen, waar veel
Pteris aquilina groeit, V—VI. Ook op licht te
Herwen.
Chiasma (Phasiane) clathrata L. Herw., Lob. op
licht, maar veel meer op ruige plaatsen, waar Tri-
folium groeit, V en VII—VIII. Ik ving bij Lob. de
ab. cancellaria Hbn. Alle dwarslijnen aanwezig, maar
zeer smal.
ab. nocturnata Fuchs. Alle vls. geheel donker, op en-
kele gele vlekjes na.
Dyscia (Scodonia) fagaria Thnbg. Rups tot midden
IV, in gestrekte houding op Calluna zittend, ge-
vonden. Vlinder V— VI. Montf.
Perconia strigillaria Hbn. Montf., VI—VII, niet zz.
Rups op Calluna in V.
REGISTER
(Met het oog op de beschikbare plaatsruimte heb ik in dit
register alleen de in de lijst vermelde soorten opgenomen.)
Abbreviata Steph. ............ BIz, 212:
absinthriata CARS n 209.
ACETIS@IE dene A 159.
adustanEspi a nt 1723
adustata Schiff. ....... He o ra 213.
Avena ESCHE e ee 166.
advVenaria alam 13500050068 eee 215.
aegeria sbsp. vulgaris Zell. ...... 143.
aerata (Esper A eeen 178.
aescularianSchiffa Ze. eg: 189.
aestivaria Hlbn. ........... SEE 189.
affinis Dia ee 184.
agathina®Dup. mn... een 164.
albicillatan ee 204.
Abc Mb RO 167.
albipuneta "Renee 170.
albovenosa Goeze. .................. 159.
Abu Sn s pandosossondoboodcocooce 154.
albulata Schiff eee 207.
albulatawElin ser 208.
alchemillata Bey we ee 204.
algae Esp. un. en et 185.
alniaria ile) AN ee eee 213.
alpinum WO sb A ES 158.
alsinesiBrahma eens 179.
alternauawElbns ae re 215.
alternatan MU REEN 204.
AMA tardi ARE ees EPA SAD) 191.
anachoreta MERE e 149.
anceps "Goeze rennes 148.
anserarian ESE 208.
antiopaple sss ne o to 142
antigua Libre Men UR 149.
apiformisgCl AMEN 157.
aprilina bn ne 172.
ALCUOSA mir iw ea eee eee Er 180.
areola Esp ws... "7 le
argiolus sle Nor Are 143.
ATOUS lei ses 143.
assimilata Db Irre Eee: 211.
atalanta Ita oa Rs caga 141.
athalia ROL 142.
atomarian nn ee. 223.
atripliciS IR. Re res 179.
atropos AL EN nn 144.
augur B oe ER EE 162.
aurago Fasen Ae 175.
aurantiatant ba 221
ALTI CO MAME RARA Blz. 159,
aurinian ROE 142.
autumnaria NVirnbg ere 215;
autumnata Bkh. ..................... 198.
AVversata il. kb 197.
BadiatassSchi AREA 208.
baja, F. asten 162.
barbalis. ‚Cl... Ro ee 188.
baselinea Es SR ee o 176.
Dati, SESSION EEE 153.
betulae Eee eee 143.
betularia Litio eee Re 229}
betulin ae tt 2 e Re o 157.
bicolorana Etes le Reese 186.
bicolorata Hufn. ....... BE EN 199.
bicoloria®#S ch EEE RE 148.
bicoloria Mile 178.
bicrüris ingl ee 166.
bicuspis BK ero a 147,
bidentata’ EFT RN. En 214.
bifasciata Shaw 205.
bifida NE 2a 147.
bilineata, Db.» piaci e eee 204.
bilunaria Esp een 214
bilunulata Zette 208.
bima culata RE Rea 213.
binaria EUR se 153.
biriviamS chil 161.
biriviatamB kh 201.
biselata HUE re 197.
bistortata Goeze ..................... 2233
blanday Schikty re eee 179.
brassicae nlt (Pieris) ren 139.
brassicae L. (Barathra) ............ 165.
brumata’ Ear Ee 198.
brunnea S chi. en 161.
bucephala, Tier eee 149.
Caecimacula Schiff. … 163.
caeruleocephala Fr. ............... 188.
Caja We. a MP eee eee 156.
C-album E22... E 142.
camelina LL.) rs 149.
camilla Ir re 141.
cardaminess len 140.
cardut ale. heer 141.
casta gallo Ce e 157.
castanea. Esp. 162.
REGISTER. 226
eastigatas Hbn. rosse. Biz 20.
asin |E 150.
cembrellagi Ser tee nen 157.
Fentanreata, Schiffs … Zeus 209.
centonalis Hbn. »......-......2.....- 155.
zege TEN 167.
Chan agile DINAR 148.
chenopodiatan E\........... Hr: & 198.
chllorene Le et 186.
chlorosata Scop. ..................... 224.
CERESIO | CARRE EUX 187.
chnysorrhoeas Liss 5464.01 150.
CIMGHATIA RN SCIE... 222.
cite. Woe 142.
esncellanissElfngle sterven gr 175.
zig abend ee EE 1754
dattes ILES SERRES DRE DDA
elawipalwis SCOP. 12.25... 180.
E: mige LEREN 162.
cocuiatanE knn 208.
comifatam ene eee 208.
comes tbe: rate eden 164.
comma (Sideridis)s::...... 170.
comma (Urbicola): nd LA
coenen |E Bea 155%
ComptasSchift sn dente deer 166.
CONFUSAMSIFA SD tanden erdee. 155.
eonsonariamldbns sn nee. 223.
CONTAUANSCRILE tecno 165.
CONVOVO Fl Faes Se 144.
EOntice ambten eenst res 160.
RAI Ne A 204.
com 1E e RES 156
COS SU JED... Nr es 158.
costaestrigalis Steph. ............... 188.
erataeqi Ws (Aporia) ..::..--2------ 139.
crafaegigle (Trichiura)) ...........- 150.
ereulatellay Een ee 154.
enlteitormise ES PP 197
ultra ten: 153
ua ne ee ren eee 149.
Debate Bibi eee ce 213.
detoliaram bns ee eee 222,
BSE AMES DIE none 155.
denivalisMHbnm ice ii 188.
designatamblúfn. tendens 201.
diefacoides. Esp. …… tanansenensrssele 148.
Biematap ll serene dike 202.
HMS CRÉÉ 0. te ed 198.
cimidiatal UN... eed 197.
psaceanilccucecerecee tenter itt 185.
disparati LE 149.
dissimilis Knoch. ..................... 165.
distinetarian HS. nenne 213.
difrapezion. Bkh...................2 162.
dodoneatal Guén. nonnen 212:
dlolabmiasy lenten sehe denen MNS),
dromedaris eeen 148.
OEL ARE SEE EEE 199,
Buplatisp En inenen eh dee 153.
Efformato Guen ee Blz. 198
electo L. sbsp. croceus Fourer. ... 141.
elinguaria, Essen... fem 214.
elpenoraltiiz 31 n 147.
emarginata@le co nn 197.
emortualis Schiff, nur... 188.
empitormisp Espen 157%
erosaria Schiff. ..................... 214.
enytrocephalan FS ee 172%
euphorbiae lin ee RE 146.
euphrosine win. trans nd. OR 142:
exanthematasScop "m ee 218.
exelamationisel eee eee eeeeenee 160.
extersariatblbn& essa n 223.
Kaganiamlhnbge 2.2... nn 224.
road De ES 148.
falcatariaan Le re 155:
fascelina WI nee nr eh ee 149.
fasciamas TE Hu Seo ae 186.
faselariau PS nee 213.
faseiuneulaW law. era Wie
ferrugatat CIM toe ole e code 201.
FESTIVA MIS chiite BNN 161.
festucaen LA TE IE 187.
filipendulla ear RE 156.
AMbrtalis SCOPI 189.
fimbriata Schreber .................. 164.
frmatasH bn Re 200.
fissipunctanblan en 179.
flame at SCR E 186.
flammeolana SH une e 208.
Hava@Brunnichen an e O 144.
HaAVATONS CNIL ee 183.
Hayvieornis Der. 154
flavofasciata Nb Pre 207.
flexular Schiffer see 188.
floslactata SHAW ne 196.
flnettata WE DAR 200.
fltretuosaNbib ne 155;
flux ET nee 185.
FOIS ER nnn ce ee 188.
formica oss ISS) et 1972
MUCOSE 146.
ÉUCOSA ETS I E ne Re Re 182.
tuliginariam er ae ee 188.
fuliginosan Kare RE 155:
MINE RT etes. 167.
{UVA GOMES PRI E We:
frames Vil scoocopaassoossonsdonu0, 224:
fuliwata REISER ascites 199.
furcatay MERA 207.
Luncula Elen I eea 147.
fuscantarianSteph re eee 214.
HUSCOVENOSAN Goezer Mr. een. 197.
Galathea lis orti ia 142.
Galli RO tte eee reren ndster dd 147.
dannato 187.
geminipuncta Haw. .................. 185.
genistaen Bkidk. cei ela 165.
vago Esp. sai RN 175.
227, REGISTER.
HAUCATAISCOP ee Bl232153:
alyphieasl er seen ne 186.
@onostigmay EA ae een 149;
goossensiata Mab. .................. 211.
GOthica LE tee E 167.
graeilisc Ha IT 169:
gramınisı Dem er 170.
drseolea HIbn ere sen er 155
drossulariata Pr er ee 213.
Élalterata elite ee 198.
hastata N engere 204.
hectary Es DER IE 158.
helvolanl got Eeen Ds
hippocastananriamillome: vn 223;
hirsutellasibn Pr tr rene eee 157.
hirtaria CREER PR 222.
hispidaniasSchiffe een 222.
holsaticay Saubere 155.
hamuli AE EPS pas a A ee 158.
hyale Listes ne 140.
hyperanthus MERE Er coerce 143.
Icarus RON ars ee 144.
ieteratas Villa near Zille
ilieis Esp: read 143.
immutata Ei. cee ek eee 197.
impura (ibn. RR 170.
ineertaßhlingl 20.2. 169.
inconspicuellaySth. me ern 157.
indigatam ld bm, "More re 211.
innota ta EN ee LE 72125
inornata la We nee 197.
OR RS a eo 142.
irrorella EME oe EC, 155.
Jacobaeae nb ee 156.
janthına® Schiff, er re 164.
jota pl nn: 187.
jurtina banner 143.
Taeertinariale ee en. 153.
lacteania Er ee 189.
album ee: 170
lAMda AE OPERA ar Wile
lariceata Eri N soccer 212.
lateritiaskifnal eee 176.
lato RE na 142.
legatella SS chit eee 198.
leporina Lite etende 159.
letcophaearialschitf "ren 216.
leucostigma Hbn. .................. 181.
lib atria en Re Saga 188.
lignatayElbn re seed 201.
Wa TESE ee 173.
ligusteiy ee te 145.
limacodes..Elin, ee... 156.
limbaria: weg CERN anne 223.
linanatau Bay gern ee 209.
lineariaaHibna sn eccer eee ee eee ene 196.
lineola On rer ete Pet art 14%
lithargyria Esp rm 170.
lithoxydta WB SSR Blz. 176
liturata El. LR Ne 215.
lota: DL. RE 174.
lubricipeda Le anna 155.
lucens. Ert. 12.0.0 en eeeeeee eee 183.
lucipara, Ús, „nadere eee eee 179.
JÜnaris SCA RENNES 186.
IUNosa Law sn 173.
lupulinus: DL. 52e 158.
lutea Strom ER RRERRIEEES 175.
IuteolatanL.......2... 202 eee 215.
lutosa Hbn. lE 185.
lychnidist Et. eg 172
MAaChAo NCR, eee eeeeeee 138.
macilenta DI Ie 174.
ma culla ta WR NNO 215.
malvae Li ss TSE 144.
margaritata gl. Se 213
marginaria, Bol E 221.
marginata Le one 213.
matürawblfngl en 179;
maura; Li: es LO 176.
megacephala F. ..................... 159.
megera EL... RE 143.
mellinatam Ee 199,
mendical El, wone 156.
menthastri Esp. ep 156
mesomellay ales” A 155.
Meticulo sa IE ee eee eee eee EEE 179,
Mii Cleto 186.
micacea» Esp: ti... ct 183.
milhauseri WE 2202 O 148.
miniatambors e E E 155.
miniosa Bon. vonken 168.
menacha..L.: trend eee eee 149.
moneta Fok natte de 187.
monoglypha Hingis 176.
montanata SERIE ses 200.
Morpheusdhlingli Rit se enon 180.
mucronata SCOPE 198.
munda Esp) Ates 168.
muricata Blum ee e ECC EEE 197.
museerda@ LEA en 155.
myetilli tet onee 186.
Nana Hingl. sve re 166.
nanata kb nn RR DD,
napi Ts 121208524010 En 140.
nebulata Scop. "eee 208.
nebulosa Flfngl re ee 167.
nemoralis BE. ee NES 188.
Neustria! EN 150.
nigra Haw. en 17%
nigropunctata FIfn tee: 197.
notatas kw a sae eee 215.
nupta La zaan menen 186.
©Obelisea Schiff 2 re 160.
obeliscata HDI III 199,
obscurata, Schiff, en 223.
obsoleta Hbn. ............... SS 170.
REGISTER. 228
BESEIDATAER. rasen ven Blz. 201.
zoenen LER 163.
geellatanl. ((Smer.) a... ion 145.
sella ke (Gdr 199.
scans ei inn 154
coule GA En 182.
DIETA Solto tt 166.
ophiogramma Esp. --........:...... Wile
acier Jol on sio 169.
ar Br te ee eres 153.
erbona@hiufn., Lane den 164.
OA ANS COPD neede seed 197.
eenithopus, Rott. orarie 171.
Sales mio lo en... esse 163.
oxyacanthoe WE. tossen 171.
BalgemensPalll datos 144.
elen Ee ns RE 170.
alpa ane ae dere verdes le dn 149.
BARON ICONE es eeen vende 143.
PER 142%
gapilionariagl ti. 189.
Batten as Msn... ede: 188.
Batone eeN ee 152.
Peelinanias Knoch. estone 201.
Bela enedee seele ede este 227;
pendula (CREER pere 191.
carers” | PON nde noen Seer DES
neder Ier eee 159.
Heusteartaenlbens. tenen dd den 166.
Phaeorchoear Dons iii 150.
pieces Ile redders Eee 143.
phragmitides Hlbn. ................ 185.
pigra Hufn., eee. Ont en er 149.
pimpinellata Hbn. ..............eeo. PANG
MAS Cried EN nn 1453
Riou LIRE RS ER 151.
(OLIVEROS een 2241
RSM nn 166.
Rete a 162.
plumbeolata Haw. .................. 208.
polychlorosiL. tratta 142.
Pepularis ibi 167.
Bopulataml 0.2.02. ae 199.
populi Ee (Amorpha) .............: 145%
Pople. (Poec:)s een: 150.
OPUS TON... ee nee 168.
populo gl "7"... 152%
oma tse NEP AO EE 191,
Borcellusaen nn. ee... 1478
porotoria Bi. see. coop 152.
rasta) rede Ana 162.
Bresinandsil.. a oneens 186.
Broboseidalis Tor ern een 188.
ofS so (1b), UU ene eee 163.
PROC ARE SD. eend ne feeen 172.
Brumata Vi ufn docili 189.
“Siete AI oo tte 214.
RIMA CAME ali 199.
SHC en 152%
Pati Schiff. ML en Pere 156.
PMR ae Blz. 159.
pudibundam Es een ak. 149.
PudonnasSchiff re 171.
pulverulenta Esp rer ee. 168.
pumilata dln nee 212.
punctariag LA sente 196.
PuNctinalis| Scope ent 223.
Bd te SAND ee ee 223.
punpuratam lee." MEER 197,
pusaria We Ae Rel Ae, 213.
pustulataf. Kutn. er 189.
ButatayE. re to 190.
Pütrism. ne message. 162.
Pygminag Geweten 185.
DEEE Schiff re re 199.
Pyralinae View. eg 184.
Dykamıdear BE, Bt See 175.
Pyrinam Meee sansa Tia 158.
Pymitoidess Klin ne. nee. 155;
@uadripunctata Esp er 189.
quercifolia gle. Nr mr ar ene 152.
quercimontaria Bastb. ............... 192.
QUErCINA ro Kulm ET Fe E 213.
quercus mle (Ze phi) re 143.
quercus (ass) 151.
ulema) fade dee 148.
Rapae to need ee 140.
ravidamS chi 161.
rectangulata ple.) em ee 212.
rectilineaßpESspr eee 179.
vemissal Klon A te er 176.
repandarian klufnss 22 nee DDS
repandata OE eee: 222:
fetusa ee 184.
TVA VATA LS CODE RIT 186.
GRAM MINIER esse needed 141.
rhomboidaria, Schiff. +... 222.
TITENS RETE N LT SR Re 154
rivatan long ee 204.
tivulanisk By ces. 166.
reberatianSchitt er ee 223%
rostralis Alf e 188.
nubis (Calle) EE RI 145:
ob (Macot) ee DIL
LUDICO 162.
Tubidata SCT Re 204.
Tubigmata Gr a fn none ene 196.
TUDIGIO CAME I OO 175?
moments IL, ooancesacooccpasonogocoe 155;
nUDTiCOsaNE MN 163.
Titata whe tree anti 198.
Gupicaptranianschittmn nn 215.
abra Se see ae En se 159.
NeW lay Aten RE 176.
gusticataMe chit esn redete 197.
MGE RES p MISS I 173;
Sagittata RQ RIA enne 202.
Salicis tn es MA EEE 149,
229 REGISTER.
sambicarianl Re RR Blz. 215.
satellitiau esse. re 172%
Ce Schiff 20 eee 171.
saugaahlbnn.r.... een 161.
scabrinsculans Re 176.
scolopacina MESpN ee een 177
scrophulariae Caps ren Als
secalis” La ER 177.
seeundaria®Esp. a en 222.
segetumg Schiff E 160.
selenen Schik N 142.
Selm ataw EINS ME 209.
SCN SHARAN 180.
Semele TES MEN RR SIR 142.
semibrunnea Haw. .................. 171.
SERENAMSCHI LAM RR 166.
Serata WS Chie RE 197.
Sericeali RSCOPA nn 188.
sezziata. INGA, 002050000005008900000060 198.
Signarian bbned een 2155
silaceatar Schrift 204.
simulans Hufn. ..................... 161.
Siteratamldufn see 200.
sobrinatamkibnn ee eee eee 212.
socaaRottı a ee 171.
sordida Bkhe nn. ee RAI 176.
SOLOIGU ARE RR O 155.
spadieeamagSchil ee 200. |
SParganmi Esp 185.
sparsata: Diener 213.
Sphinx Un. ven RO Als
spinaeiae View... 166.
sponsa Ad RE ARE 186.
ANS VE 2 ee 168.
SALES AN en AMEN ARE ARS ER 156.
alain JL Re ee sne er 146.
strata Gil afne EEn 222.
Strigilis teen rane 178.
SUDIUSÉTISAE SPIRA 176.
sUbnotata Wi DIRETE 0A 211.
SUDÉUSA GEE dieten EE Teek ene 184.
succenturiataml eee te ee 211.
SVIVALUSAESPA I re 144.
Sylvata AS CODE PAS),
syvestrania@Elbn me 197.
syılvanusals see: 158
Syringarian say. IRE I DAR
Wag esi er ra 144.
tantillaria WB Sch se 212.
torsipennalis lee 188.
tarsiplumalis Hbn. .................. 188.
au SSR ge TR IRRE 153.
temeratalS CRE M Eee 213.
tenebrataiSCOp Kar 186.
tentata HDI Re 208.
testa CCA Mb DICI RR 179.
testata sto. coerenza o 199.
tetralunaniar Llufn ee 214.
thalassinawRotts ee 165.
tiliae ie ue EEEN Blz. 145.
tinctam ra A googsnonndesosnconcacecs 167.
tipuliformis Cl 157.
tityrus:'Podar'. RER 143.
trabealis-Scop. ite ne 186.
tragopoginus Lf e 176.
transversata Hufn. .................. 199.
trapezina Ii. zins CARE RO 184.
tremula Cl: aan 148.
triangulum! AE "ee ese 162.
ÉTITENS MS CITE ESS 159.
CLOS CRI ANNE 151.
trifolii Espers 156.
Erifolin Rot 165.
trigrammica Hufn sn 184.
trimacula Esp "27 e 148.
tripartita Hufn 22002 re 188.
triplasia. Loire SATA 187.
tripunetaria HIST 209.
tritici Dyes lessee re A 160.
truncCata EU seen 200.
tUbulOSa Retz PANNES 157.
typhae “hn: o eee 185.
typica. E. i eee eee 163.
UM Hufe ss 184.
umbrati can nen 171.
umbratica Goeze ..................... 176.
umbrosa Hbn. ......- one ente 162.
unanimis Hbn. it eee 176.
uncula Cl SALUE RA 186.
undulata 199.
unicolorwEifn Me 156.
Urticae Li: oi 142.
urticae; Esp. assor 156.
Waccinii LA 172.
valerianata HDI 209.
VATIATANO CNIL Eee 199.
vau-punctatum Esp. .......... 0... 1728
velitarisehlufne Cr Os 148.
venustula Hbn. .......................- 181.
versicolor Bkh MEIER E 179.
versicoloran eee EEE 152.
vespitormis) Ls. A RISI 157%
vestigialis Rott. ve 160.
vetulatan Schikf 2 EEE 199.
vetustar lb ere eee 171.
vinula® Li ns E 148.
Vitens lvis 185.
viretata WElbi ASIA eo 198.
virgaureata DIE AND
vulgata Haw. strandt ee 211
Wratuaria Le 3.0 et 224.
Xanthographa Schiff. "PERTE 162.
Ypsilon Rott: VAA ee 160.
Ziezae le 148.
Über die Prothorakalhörner der Puppe von
Diploneura cornuta Big. (Dipt. Phoridae).
von
Prof. Dr. J. C. H. DE MEIJERE
Amsterdam.
Vor kurzer Zeit erhielt ich von P. Dr. Schmitz
(Valkenburg, Holl. Limburg) Puparia der Phoride Diplo-
neura (subg. Dohrniphora) cornuta Big. mit der Bitte, die
Prothorakalhörner dieser Art zu untersuchen, weil sie von
eigentümlicher Beschaffenheit seien. Diese Art hat eine weite
Verbreitung, ist aus mehreren Teilen der Tropen unter ver-
schiedenen Namen beschrieben und ist auch in Europa, u.a.
in den Niederlanden aufgefunden. Die erwähnten Exemplare
vonP.Schmitz stammten aus Java (Gelangan 20-1-1932),
woher er sie von Dr. Franssen erhalten hatte ; sie waren
aus einem faulen Ei von Parus major cinereus gezüchtet. Die
sonderbaren Prothorakalhörner sind, wie P. Schmitz mir
mitteilte, auch öfters abgebildet worden, so sehr gut von
Jones, der die Larven in den Vereinigten Staaten in den
Kannen von Sarracenia fand, und als ,venusta” aufführte.
Nähere Angaben gibt auch Lundbeck in Bd. VI seiner
Diptera Danica p. 147, der feinere Bau dieser jederseits mit
einer Art Franse versehenen Hörner scheint aber nicht stu-
diert zu sein, sodass die morphologische Deutung dieser
Franse unbekannt blieb. |
In meiner vor vielen Jahren erschienenen Abhandlung:
Über die Prothorakalstigmen der Dipterenpuppen (Zool.,
Jahrb. Abt. Anat. Ontog. Bd. XV. 1902 p. 623—692) ha-
be ich nachgewiesen, dass solche Hörner, wie alle Stigmen
bei Dipterenlarven und -puppen ihren Ursprung nehmen aus
einer blasenartigen Erweiterung, welche dicht vor der Aus-
mündung der Trachee in die Haut dieser einseitig anliegt ;
dieser Teil hat aber keine Spirallinie wie die Trachee, aber
ist mit kurzen härchenähnlichen Bildungen bekleidet, weshalb
ich ihn als Filzkammer bezeichnet habe. Wo die Blase die
äussere Chitinhaut berührt, finden sich bestimmte dünnere
stellen (Tüpfel), vielleicht auch kleine Löcher, welche den
Gasaustausch mit der Aussenwelt erleichtern. Die Tüpfel
liegen oft am etwas erweiterten Ende (,,der Knospe’’) län-
gerer Stiele, welche natürlich auch durch entsprechende Her-
vorragungen der Chitinhaut bekleidet sind. Das primäre
231 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, ÜBER DIE
Ende der Trachee ist dichtgefallen und das Stigma äusser-
lich nur noch als Narbe erkennbar. Damals studierte ich
auch ein paar Phoriden und fand das Verhalten sehr einfach.
Die Prothorakalhörner sind hier gerade, nach oben etwas
verjüngte Stäbchen ; es finden sich an ihnen mehrere Tüp-
fel, da wo die Haut der einfach tubulösen Filzkammer die
äussere Haut berührt (Abhandl. von 1902, Taf. 34, Fig. 39
von Phora, jetzt Megaselia). Bei Diploneura cornuta zeigt
sich ein abweichendes Verhalten. Zunächst ist die Filzkam-
Fig. 1. Prothorakalhorn des Pupariums von Diploneura (subg. Dohrni-
phora) cornuta Big. Fig. 2. Eine der seitlichen Knospen mit Stiel. Fig. 3.
Endpartie des Horns. Fig. 4. Mittlerer Teil des Horns, a. solide Achse,
b.die 2 Äste der Trachee, c. Knospenstiel, d. Knospe. An der rechten
Seite sind die Knospen nur teilweise gezeichnet.
mer an der Basis des abgeflachten Hornes in zwei Äste geteilt,
die sich an der Spitze des Hornes wieder vereinigen. Jeder
Ast trägt an der Aussenseite eine Reihe von ca. 50 Knospen
auf geraden, langen und feinen Stielen, je durch eine feine
Chitinschicht umgeben, welche mehrere kurze Härchen trägt
und an der Basis mehrere bogenförmige, bisweilen verzweigte
Härchen. Im unteren Teile des Horns stehen die Knospen
etwas weiter aus einander. Die Knospen sind einseitig nach
oben (aussen) gerichtet, sie zeigen an der einen Seite je
einen etwa dreieckigen Saum, welcher durch eine Chitinlinie
gestützt wird; dadurch wird eine regelmässige Lage der
PROTHORAKALHORNER DER PUPPE U.S.W. 232
Knospen verursacht, weil die Stiele einander nicht berühren
können.
Die Besonderheiten der Bildung sind einerseits die zwei-
teilung der Filzkammer und dann die Feinheit der knos-
penstiele. Ersteres findet sich, soviel mir bekannt, in diesem
Verhalten sonst nirgends. Zweiteilung fand ich nach meiner
Abhandlung von 1902 auch bei Callomyia, aber die zwei
Äste bleiben hier getrennt, und gehen an der Spitze nicht in
einander über. Sie tragen auch jederseits eine Reihe von,
hier ungestielten, Tüpfeln. Das ganze Horn hat hier über-
dies eine andere Gestalt; es ist breit gerundet und bricht
auch nicht durch die Haut des Pupariums durch. So schmale
Knospenstiele kenne ich ebensowenig von einer anderen
Art. Nach meiner Abhandlung von 1902, Taf. 34, Fig. 37,
liegen auch bei Ceratopogon (jetzt Bezzia) bicolor Mg. die
Knospenstiele etwa fransenartig neben einander, berühren
sich hier aber in ihrer ganzen Länge. Die sehr enge Ver-
bindung bei Diploneura mit dem Hauptast äussert sich auch
hierin, dass bei Austrocknung beide sich nicht gleichmässig
verhalten und nur selten eine Verbindung von der Luft in
dem Hauptast mit derjenigen in der feinen Tracheola des
Stieles sichtbar ist; im Hauptast entstehen plötzlich einige
ihren Platz wechselnden Luftblasen ; diese Luft muss aus
den feinen Stielen herrühren.
Wozu diese merkwürdige Bildung dienlich ist, ist schwer
zu sagen, zumal die Lebensweise dieser Larven nicht ein-
heitlich ist. Ausser aus Sarracenia-Kannen, wo sie sich, wie
in anderen Fällen, angeblich von den toten Insekten in den
Kannen ernähren, sind sie nach Malloch auch aus Excrement
von Rindern gezüchtet. Dass der Durchbruch der Hörner
gelingt, ohne dass die feinen Knospenstiele abbrechen, ist
an sich verwunderlich ; wahrscheinlich ist beim Durchbruch
alles noch weich und plastisch, während, wie in anderen
Fällen, die Durchbruchstelle durch sehr dünne Haut vorge-
bildet ist. Nach Jones fände der Durchbruch am 4ten Seg-
ment statt; Lundbeck hat schon darauf hingewiesen,
dass dieser wahrscheinlich wie bei anderen Phoriden,
am 2ten Abdominalsegment stattfindet, was ich bestätigen
kann. Jedenfalls ist die ganz besondere Abweichung in der
Gattung Diploneura, wo nur die Untergattung Dohrniphora
solche Hörner aufweisen soll, sehr bemerkenswert. Diese
Untergattung ist namentlich in Süd-Amerika reichlich ver-
treten, aber von der Metamorphose dieser Arten ist wohl
noch nichts bekannt.
LITERATUR.
Jones, F. M. Dohrniphora venusta Coq. in Sarracenia
flava. Entom. News XXIX, 1918, p. 299-302,
J Ode
233 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, ÜBER DIE
Malloch, J. (Ri Proc. WES Nation Museum 45/4012
pa 202;
M e ijere, J. C. H. de. Zool. Jahrb. Abt. Anat. u. Ontog.
15. 1902, p. 623—692.
Weiss. Bull. Hist. Nat. de l'Afrique du Nord, 1911, 34
(D. chlorogaster).
Tinea misella Zeller ein Synonym von
Tinea insectella Fabricius
von
A. DIAKONOFF
Abteilung Handelsmuseum des Kolonialen Instituts, Amsterdam
Im Jahre 1908 hat Lord Walsingham in den Pro-
ceedings of the Zoological Society of London (1907, S.
1017—1019) eine Übersicht der Literatur und der Synony-
mie einer circumtropischen Mottenart, Sefomorpha rutella
Zeller gegeben. Walsingham fügt der langen Liste
von Namen, unter welchen diese Art in verschiedenen Teilen
der Alten und Neuen Welt wiederholt aufs Neue beschrieben
wird, einige neue Synonyme zu. Er vertritt dabei den Stand-
punkt, dass der älteste damals bekannte Name, nämlich Se-
tomorpha rutella Z. von 1852 nicht berücksichtigt ist, und
dass es sich auch hier um ein Synonym handeln dürfte, und
zwar von Tinea insectella Fabricius von 1794.
Die Beschreibung dieser Art von Fabricius in der En-
tomologia systematica III (2), S. 303, No. 72 (1794) ist
folgende: .
72. T. (inea) alis basi cinereis apice fuscis ... insectella.
Habitat in Insectis ex Africa missis Mus. Dom, Bosc.
Minor T. tapezella. Caput & thorax fusca.
Alae basi ad medium cinereae, posticae fuscae ma-
culis plurimis, obsoletis, brunneis.
Walsingham scheint den originellen Typus von Fa-
bricius nicht untersucht zu haben. Er schreibt (S. 1019) :
„Ihere seems little doubt that Fabricius des-
cribed rutella Z. under the name insectella : in his
description "posticae’ appears to be used in the sense
of “postice” (possibly a misprint) and to apply to
the forewings.”
Weitere Gründe führt dieser Schreiber für seine Meinung
nicht an.
Bei unserer Untersuchung nach den Arten des Geschlech-
tes Setomorpha aus Niederlandisch Ost-Indien, hielten wir es
fiir erforderlich, uns zu bemiihen, den originalen Typus von
Fabricius von Tinea insectella aufzufinden.
In dem Buch von W. Horn und E. Kahle ,,Ueber
entomologische Sammlungen’ (Teil LI, Bd. 2—4, S. 71,
1935—1937) fanden wir, dass die Fabricius’schen Typen
in den folgenden Museen zu finden waren: Zoologisches
235 A. DIAKONOFF,
Museum der Universität Kiel, Zoologisches Museum Kopen-
hagen, Oxford Museum, British Museum Natural History
und Musee National in Paris. Bei einer Rundfrage in diesen
Instituten, hatten wir tatsächlich das Glück, im Kieler Mu-
seum den in Frage kommenden Typus von insectella, ein
Unicum, zu finden.
Der Direktor des genannten Museums, Dr. Olaw
Schöder hatte die Güte, uns diesen Typus zur Unter-
suchung zuzusenden.
Das Etikett dieses Insekts, auf welchem mit Tinte ,,in-
sectella” geschrieben war, zeigte die charakteristische Hand-
schrift von Fabricius, wie sie in genanntem Buch von
Horn und Kahle auf Tafel XIX, Fig. 1 abgebildet ist.
Es besteht also kein Zweifel dass wir den originalen Typus
von insectella F. vor uns hatten.
Das Exemplar, ein Männchen, befand sich in einem schlech-
ten Konservierungszustand. Die Fühler waren teilweise abge-
brochen, der Kopf und die Palpen ganz entschuppt und die
Flügel fett geworden. Der schlechte Zustand des Objekts
war für uns eine Anleitung, die Genehmigung zu erbitten,
ein mikroskopisches Präparat von den Genitalien zu machen,
die einzige Methode, welche gestattet die Genitalkennzeichen
zu untersuchen und die Art dieses Exemplars mit Sicherheit
zu bestimmen. Zugleich könnte hierdurch dieses wichtige
Kennzeichen dauernd und sicher fixiert werden.
Wir haben die gewünschte Genehmigung denn auch vom
Direktor des Kieler Museums erhalten und möchten nicht
versäumen, auch an dieser Stelle unseren herzlichen Dank
für sein Vertrauen und seine Hilfe auszusprechen.
Zu unserer grossen Ueberraschung konnten wir nun fest-
stellen, dass Tinea insectella Fabricius nichts mit Setomor-
pha rutella Zeller zu tun hat, dass sie aber identisch ist mit
Tinea misella Zeller !
Der männliche Genitalapparat dieser Art ist sehr typisch
gebaut und ist sofort zu erkennen. Er stimmte in allen Kenn-
zeichen überein mit der Abbildung des männlichen Appa-
rats von Tinea misella Z. von Pierce und Metcalfe,
veröffentlicht in ihrem Buch „The Genitalia of the British
inenatsS lO, Wael AE (61955)E
Um volle Sicherheit zu bekommen, haben wir uns an Herrn
Pierce gewandt, der dann die Freundlichkeit hatte, uns
ein Präparat der & Genitalien von der Art, die bisher in
England T. misella genannt wird, zuzusenden. Dieses Präpa-
rat ergab vollständige Übereinstimmung mit 7. insectella F.
Schliesslich hat das Britische Museum, auf gemeinsames
Ersuchen, sowohl von uns als von Herrn Pierce, ein Prä-
parat der Genitalien des Zeller'schen Original-Typus von
T. misella hergestellt. Herr Pierce berichtete uns, dass
er die völlige Übereinstimmung damit feststellen konnte.
TINEA MISELLA ZELLER US.W. 236
Diese wohlbekannte Motte, die im Freien, als auch in
Häusern angetroffen wird, und sich von tierischen und pflanz-
lichen Stoffen nährt, ist also vor 144 Jahren von Fabricius
beschrieben worden, der sie in einem aus Afrika zugesand-
ten Kasten mit Insecten vorfand. Das Vorkommen von Tinea
insectella in diesem Lande ist nicht bekannt geworden, doch
ist es nicht unmöglich, dass sie dort auch vorkommt. Wahr-
scheinlicher ist es aber, dass die Motte oder ihre Raupe erst
in Europa in diese Insectensammlung geraten ist, in der sie
dann von Fabricius angetroffen wurde.
Somit besteht kein Zweifel über die Identität dieses Typus
von Fabricius. Seine bereits oben zitierte Beschreibung
gibt unter Berücksichtigung der Korrektion Walsing-
ham s, nicht grade ausfürlich, jedoch hinreichend sicher die
typischen Merkmale dieser Art wieder, und die Genitalkenn-
zeichen liefern den unumstösslichen Beweis für ihre Identi-
tät mit Tinea misella Z. Der Name insectella F. von 1794
besitzt die Priorität, und der Name misella Z., veröffent-
licht 1839 in , Isis”, S. 184, No. 24, wird als Synonym hin-
fällig.
Beschreibung des Genitalapparates.
Das Tegumen formt einen breiten Ring, dorsal mit zwei
starken Anhängseln von dunklem Chitin, die eine Zange
bilden ; die Form der Enden erinnert an einen Hahnenkamm
und ist an der Oberfläche mit zwei Höckern versehen. Diese
Organe dienen scheinbar ebenso wie die Valven dazu, den
Hinterleib des Weibchens während der Kopulation fest zu
halten und stellen den Uncus vor, der in zwei Hälften ge-
spaltet ist und eine sehr specialisierte Gestalt angenom-
men hat.
Die Valven werden nach den Enden zu schmaler und sind
an den Aussenseiten mit langen Schuppen dicht besetzt. Die
Enden selbst sind an den Innenflächen mit Warzen und
Borsten bedeckt und unterhalb der Warzen befindet sich ein
Dorn. Auf der rechten Valva ausserdem noch ein kleinerer
Dorn.
Die Costa ist mit Borsten besetzt. Der Sacculus zeigt zwei
Höcker, einer davon basal, mit Borsten bekrönt, der andere
distal, mit Borsten an der Aussenfläche, und drei starken
Kammzähnen an der Innenfläche. Der Saccus ist gespaltet
und kurz. Die Juxta ist dreieckig. Der Penis ist lang und
sichelförmig gekrümmt, die Vesica ohne Cornuti.
Das mikroskopische Präparat der Genitalien des Fabri-
ciusschen Typus befindet sich jetzt im Zoologischen Mu-
seum der Universität Kiel.
Bei der Untersuchung von T. insectella-Exemplaren aus
England durch Herrn Pierce, und aus Niederland und
Österreich durch uns, wurde eine neue Art gefunden, die der
237 A. DIAKONOFF,
T. insectella F. sehr ähnlich sieht, und baldigst an anderer
Stelle beschrieben werden wird *).
Erklärung der Abbildungen.
Fig. 1. Der Genitalapparat des Fabriciusschen Typus
von Tinea insectella von unten gesehen.
Fig. 2. Ansicht von oben. |
Fig. 3. Seitenansicht.
(o) ; 250 m
Fig. 1.
* Anmerkung während der Korrektur: diese Art wurde bereits be-
schrieben unter dem Namen Tinea ditella Pierce et Diakonoff in Pierce
and Metcalfe, The Genitalia of The British Pyrales, S. 68 (1938).
238
TINEA MISELLA ZELLER U.S.W.
zo
PLAY
GO.
Re Ze
Fig. 3,
Larval form of Plegaderus vulneratus Panz
by
K. J. W. BERNET KEMPERS.
Under the bark of pines and cherry-trees is found in great
numbers a little beetle, named Plegaderus vulneratus Panz.,
length 11/,—-13/; mm, belonging to the family Histeridae,
tribus Abraeni. (Everts Coleoptera Neerlandica I p. 460.)
This species is distributed in our whole country under the
bark of these trees and pursuits little barkbeetles as Hylastes
palliatus Gyll. a.o. As I found a multitude of larvae under the
bark of pines in the burrows made by Hylastes palliatus |
feel justified to consider the larva, which — according to
the „Illustrated synopsis of the principal larval forms of the
order coleoptera by Adam Böving Ph. D. and EF. C.
Craighead, Ph. D.” was a Histerid, — as Plegaderus
vulneratus Panz. Indeed there are more species of Plegaderus ;
in our country there are noted only Plegaderus vulneratus
mentioned above and Plegaderus caesus Herbst, the last at
Roosendaal near Velp under the bark of willows, poplars,
oaks, birches, beeches and appletrees.
According to Reitter „Fauna germanica II p. 295 the
larvae and imagines of Plegaderus live on Poduridae and
larvae of insects, especially on Crypturgus pusillus.
Larva and pupa of Plegaderus discissus Er. are described
by Perris.
The larval form of Plegaderus vulneratus Panz. is, as I
believe, neither described nor figured.
At first sight the larva reminds of a carabid-larva which
it is not. The legs of the carabidae are six-jointed with
distinct tarsus, and one or two distinct movable claws. Ple-
gaderus has legs consisting of five joints, namely 1 coxa, 2
trochanter, 3 femur, 4 tibio-tarsus, 5 one claw (fig. 11.).
Dr. A. Bö ving was so kind as to write me: ‚In the key
of the synopsis the terminology of Verhoeff was follo-
wed according to the theory that tarsus was fused with the
claw and not with the tibia”.
Couplet 5 (Synopsis p. 11.) should be changed into:
Urogomphi jointed, individually movable, exceptionnally solid
or absent, but then with free, jointlike maxillary palpiger.
Couplet 6 second alternative leads to the superfamily
Hydrophiloidea, including the Histeridae after Dr.
Bòving's view.
LARVAL FORM OF PLEGADERUS ETC. 240
In the family Histeridae there are two main groups of
larvae namely 1° those which possess 3-jointed maxillary
palps and 2-jointed labial palps (the genera Hister, Gnathon-
cus, Platysoma and Paromalus). î
and 2°-those which possess 4-jointed maxillary palps
and 3-jointed labial palps (the genera Plegaderus and
Abraeus.) (comp. fig. 6 7 and 8).
According to Everts’ Coleoptera Neerlandica Abraeus-
species live in vegetable mould, decayed plant-material and
old tan. Abraeus globosus Hoffm. and granulum Er are myr-
mecophilous.. The species of Abraeus generally are very rare.
This leaves out the possibility of the larvae dealt with
here belonging to Abraeus. The larva figured here therefore
must belong to the genus Plegaderus, and according to its
mode of life, cannot be anything else than that of Plegaderus
vulneratus Panz.
The larvae are found in February, March, April, September
and October in pinewoods in different parts of the Nether-
lands.
The larva (fig. 1) is pure white, head and thorax brown.
The 2d-to and inclusive the 8th abdominal segment have
projections, resembling false legs or scansorial verrucae
(s. Calopus angustus Lec. Böving plate 51) (fig. 2).
No ocelli,
Urogomphi short and two jointed with proximal joints
fused at base. (fig. 3).
Antenna 3-jointed; the second joint with 2 vesiculiform
joints and 3 setae, the third joint with 2 setae at the top and
3 setae at the side. (fig. 4).
Mandible with retinaculum placed in the middle of the
inner edge and with penicillus at base (fig. 5).
Maxilla (fig. 6) with 4-jointed palps, the end-joint bear-
ing a long seta. The jointlike maxillary palpiger (pr.) with
galea (ga.) ; cardo fused with stipes (st.).
Labium with 3-jointed labial palps (fig. 7 and 8) Clypeus
with a wide tooth in the middle, flanked with a sharp tooth
at both sides. The sides with 3 long setae. (fig. 9).
Fig. 10 presents the spiracle, fig 11 a, b and c the 3 legs.
Many thanks to Dr. A. Böving for his directions in
fixing the name of the larva.
241 _K. J. W. BERNET KEMPERS,
Catalogus
der Nederlandsche Macrolepidoptera
door
B. J. LEMPKE.
III.
In dit deel worden alle overige families van de oude groep
der Bombyciden behandeld, zoodat ons nog de twee groote
families der Agrotidae en Geometridae resten. Deze indeeling
is uitsluitend uit practische overwegingen gevolgd.
De Psychidae zijn overeenkomstig moderner opvattingen
uitgebreid met de z.g. Micro-Psychidae. In overeenstemming
met Rebel (in Spuler, Schmett. Eur., vol. 2, 1906) zijn
de soorten met gevleugelde 9 & (de Lypusinae) tot de Tinei-
dae gerekend en komen dus in dezen Catalogus niet voor.
T utt (Brit. Lep., vol. 2, 1900) beschouwt ook deze groep
als Psychidae, doch Burrows noemt in zijn artikel „Upon
the suggested Relationships of Psychides’’, voornamelijk ge-
baseerd op genitaliënonderzoek, Lypusa maurella Fb. nadruk-
kelijk „a Tineid” (Ent. Rec., vol. 36, p. 82, 1924), en be-
vestigt aldus de zienswijze van Rebel. Onze faunistische
kennis van deze familie is nog maar middelmatig en van de
Micro-Psychidae zelfs zeer slecht.
Een voor Zuid-Limburg belangrijke publicatie verscheen in
1937, nl. het „Verzeichnis der bisher in der Umgegend
Aachens gefundenen Macro-Lepidoptera” door wijlen R.
Püngeler (Iris, vol. 51, p. 1—100, 31 Juli 1937). In het
vervolg van den Catalogus zal deze lijst steeds aangeduid
worden als „Püngeler'. Vooral zijn vangsten op Paffen-
broich, zijn landgoed, 4 km ten westen van Aken, dicht bij
de Nederlandsche grens, zijn van belang.
Drepanidae.
Drepana Schrank.
174. D. falcataria L. Onze gewoonste Drepanide. Overal,
waar de berk veel voorkomt: op zandgronden (ook in de
duinen), op moerassige terreinen, in Zuid-Limburg. Ook een
enkele maal te Amsterdam aangetroffen (Van der Beek,
v. d. M.). 2 gens, de eerste half April tot ver in Juni, de
tweede begin Juli tot eind Aug.
245 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (141)
Var. De typische vorm is okerachtig of licht bruinachtig
(zie Lambillionea, 1938, p. 6), een gewone vorm. South, pl.
68, fig. 7.
1. gen. vern. falcataria L. De lijn, die vanuit de vvl.punt
schuin naar den binnenrand loopt, is breed, veel gepronon-
ceerder dan bij de zomerdieren.
2. gen. aest. tenuistrigaria Lempke, Lamb., 1938, p. 7, pl. 1,
fig. 2. De lijn uit de vvl.punt is dunner, minder opvallend dan
bij de voorjaarsdieren. Het verschil is het sterkst bij de lichte
vormen.
3. ab. pallida Stephan, Iris, 1924, p. 206. Grondkleur zeer
licht, bijna wit. Zie South, pl. 68, fig. 6. Naarden (Z. Mus.) ;
Soest (Lpk.).
4. ab. intermedia Lempke, Lamb., lc. Grondkleur bruin.
Alle exx., die donkerder zijn dan de typische vorm, maar niet
tot 5 behooren. Zeer gewoon. South, fig. 3 en 4.
5. ab. infernalis Hoffmann, Ent. Rundsch., vol. 29, p. 158,
1912. Grondkleur zeer donker, waardoor een zekere gelijkenis
met de volgende soort ontstaat. Groesbeek, Soest (Lpk.) ;
Lochem, Arnhem, De Bilt (Z. Mus.).
175. D. curvatula Bkh. Veel lokaler dan de vorige soort.
Wegens de voedselplant, els, veel meer gebonden aan voch-
tiger terreinen. 2 gens, de eerste van de tweede helft van
April tot begin Juni (22-4 tot 4-6), de tweede begin Juli tot
eind Aug. (3-7 tot 29-8).
Vindpl. Fr. : Kollum. Dr. : Schoonoord. Ov. : Hengelo,
Markelo, Diepenveen, Bathmen. Gdl. : Nijkerk, Harderwijk,
Putten, Epe, Apeldoorn, Twello, Empe, Boekhorst bij Laren,
Doetinchem. Utr. : Utrecht, Ankeveen, Nichtevegt. N.H.:
Holl. Rading, Hilversum, Drafna, Naarden, Amsterdam
(1918, v. d. M.). Z.H. : Leiden, Voorschoten, Den Haag,
Rockanje, Rotterdam, Dordrecht. Zl. : Burgh. N.B. : Bergen
op Zoom, Ginneken, Breda, Tilburg, Vught, 's-Hertogen-
bosch. Lbg.: Belfeld, Maastricht, Gulpen, Wittem, Epen,
Vijlen, Vaals.
Var. Gering. Een doorgaand verschil tusschen de twee
generaties kan ik niet vaststellen.
H ybr. rebeli Standfuss, Zool. Studien, p. 69, 1898. De
hybride curvatula 3 X falcataria ? stemt in kleur overeen
met curvatula, is daarvan te onderscheiden door het bezit van
de groote donkere vlek aan het einde van de middencel der
vvls. van falcataria, hoewel deze bij de hybride kleiner is.
In natura nooit in ons land aangetroffen. In 1907 kweekte
Vander Beek echter 8 4 & en 6 2 £ van rebeli, afkom-
stig van uit de rups gekweekte Ankeveensche exx. van cur-
vatula en falcataria (T. v. E., vol. 51, p. III). Hiervan 7 exx.
in coll-Van der Beek, 2 in coll-Van der Vaart
en 2 in coll.-Z. Mus.
176. D. harpagula Esp. Slechts van 1 vindplaats bekend,
(142) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 244
waar de soort enkele jaren achtereen is aangetroffen, doch
zich waarschijnlijk niet heeft kunnen handhaven. De Neder-
landsche vlinders dateeren van 22-5 tot 10-6. In Denemarken
en Sleeswijk-Holstein is de soort onbekend; bij Hamburg
zeer zeldzaam (laatste ex. in 1908); niet bij Bremen; in
Hannover vroeger bij de stad Hann. maar sinds tientallen
jaren niet meer aangetroffen; in Westfalen zeer zeldzaam ;
in de Rijnprov. alleen bij Elberfeld ; in België zeer twijfel-
achtig, geen enkele zekere vangst bekend ; in Engeland alleen
zeer zeldzaam in de Leigh Woods bij Bristol.
Vindpl. N.B.: Omgeving van Breda. In T. v. E., vol.
33, p. XXXV, deelt Heylaerts mee, dat in Sept. 1886
verscheiden rupsen bij Princenhage op Betula alba werden
gevonden. De vlinders kwamen 5-10 Juni 1887 uit. Ook in
1888 werden eenige rupsen gevonden. In L. Mus. bevinden
zich 12 vlinders met vindplaats. Breda, el, van 22-5 tot
9-6-1888, benevens een rups van 17-9-1888. De soort is dus
in elk geval 3 achtereenvolgende jaren bij Breda voorge-
komen.
177. D. lacertinaria L. Door het geheele land op zand-
gronden (ook in de duinen), ook op vochtiger terreinen,
waar veel berk groeit (Oud-Loosdrecht), over het algemeen
echter minder talrijk dan falcataria. 2 gens, de eerste half
April (12-4) tot ver in Juni, de tweede begin Juli tot in de
tweede helft van Aug. (3-7 tot 20-8).
Var. De typische vorm is geelachtig of geelachtig bruin,
de grondkleur der vvls. met talrijke korte bruinachtige streep-
jes bedekt.
ab scineula Hb; Samm. Eur.‘ Schm.. fig 50,2 1800.
Grondkleur grijs of bruingrijs, bedekt met talrijke korte don-
kere streepjes, de 2 dwarslijnen op de vvls. sterk ontwikkeld.
Overal in de voorjaarsgen. De Gavere meldt (T. v. E.,
vol. 10, p. 202), dat hij 1 ex. van scincula in de zomergen.
ving tegelijk met een typisch ex. op 3 Juli 1854, maar het is,
gezien de vroege datum, best mogelijk, dat het een laat ex.
van de eerste gen. was.
2. ab. erosula Laspeyres, N. Schr. Naturf. Freunde, Berlin,
vol. 4, p. 36, 1803 (teste Lep. Cat., pars 49). Grondkleur
der vvls. effen okergeelachtig, niet met donkere streepjes
bedekt zooals bij den typischen vorm. In de zomergen. South,
plied stig. 6;
3. ab. fasciata Lempke, Lamb., 1938, p. 11. Op de vvls. is
de ruimte tusschen de 2 dwarslijnen donker gevuld, zoodat
een donkere band ontstaat. Overveen (Z. Mus.). T. v. E.,
vol..50;.pl; 1, ‚fig. 9.
4. ab. impuncta Lempke, Lamb., l.c. Vvls. zonder midden-
stip. Apeldoorn (Z. Mus.) ; Aalten (v. G.) ; Nijmegen (v.
d. M.) ; Tilburg (Van den Bergh).
5. gen. vern. De meeste ¢ 4 en enkele ® 9 behooren tot
245 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER . (143)
scincula Hb. of zijn trans. exx., enkele & 3 en de meeste
® 2 zijn typische lacertinaria.
6. gen. aest. Ongeveer de helft der 3 4 en ® 9 behoort
tot erosula, de andere helft is typische lacertinaria. Zie ook
Lambillionea, l.c. Belangrijk is de vangst van een erosula te
Oisterwijk op 22-6-1924 (Cold.). Dit wijst öf op een vroege
tweede gen., öf de vorm komt ook nu en dan in de voorjaars-
gen. voor.
178. D. binaria Hufn. Door het geheele land in zand- en
boschachtige streken, daarbuiten weinig waargenomen. Waar-
schijnlijk 3 gens., de eerste half April tot einde Juni (21-4 tot
30-6), de tweede begin Juli (8-7) tot eind Aug., waarschijnlijk
tot in Septr., de derde (misschien begin of midden Septr. tot)
begin (6) October (volgens de uitvoerige gegevens van
Cold. ; helaas belet plaatsgebrek het opnemen van zijn prach-
tige tabellen). -
Vindpl. Fr.: Kollum. Gr.: Groningen. Dr.: Hooge-
veen. Ov. : Enschede, Markelo, Diepenveen, Deventer. Gdl. :
Nijkerk, Leuvenum, Apeldoorn, Twello, Voorst, Empe, Loe-
nen, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze, Wageningen ; Lochem,
Aalten, Doetinchem ; Bijvank ; Berg en Dal, Nijmegen. Utr. :
Veenendaal, Doorn, Zeist, De Bilt, Bilthoven, Utrecht,
Groenekan, Amersfoort, Soest. N.H.: Hilversum, ‘s-Grave-
land, Bussum, Valkeveen, Amsterdam (1917, v. d. M.), Drie-
huis, Bloemendaal, Haarlem, Overveen, Zandvoort, Vogelen-
zang. Z.H. : Lisse, Noordwijk, Leiden, Wassenaar, Den Haag,
Scheveningen. N.B. : Bergen op Zoom, Breda, Tilburg, Ois-
terwijk, Gennep. Lbg. : Plasmolen, Venlo, Belfeld, Roermond,
Melick, Linne, Rolduc, Voerendaal, Vaals, Epen, Meerssen,
Gronsveld, Maastricht.
Var. 1. gen. vern. binaria Hufn.
2. gen. aest. aestivaria Lempke, Lamb., 1938, p. 12, pl.
1, fig. 7. Kleur minder warm, grijzer; de twee vlekken op
de vvls. kleiner ; de vlinders zelf ook kleiner. (In Z. Mus.
een © van 29-7, Venlo, dat grooter is dan alle andere voor-
jaarsdieren, met groote stippen op de vvls. Misschien uit een
overwinterde pop, die pas tegelijk met de tweede gen. uit-
kwam). (Van gen. aut. te weinig materiaal beschikbaar).
3. ab. lilliputaria Strand, Seitz, vol..2, p. 2007 19752
wat kleiner dan normaal, veel lichter, bij de vvl.punt nauwe-
lijks eenige donkere kleur. Nijmegen (Cold.) ; Hilversum
(Z. Mus.).
179, D. cultraria F. Door bijna het geheele land op zand-
gronden (ook in de duinen), doch lokaler dan binaria. In
beukenbosschen vrij gewoon, vooral de overdag rondvliegende
8 &. 2 gens, de eerste eind April tot de tweede helft van
Juni (29-4 tot 22-6), de tweede begin Juli tot begin Septr.
(6-7 tot 3-9).
Vindpl. Fr,: Gaasterland, Ov.: Diepenveen. Gdl.:
(144) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 246
Ermelo, Putten, Apeldoorn, Twello (alleen van 1932 tot 1935
in 1 of 2 exx. per jaar), Hoog Soeren, Laag Soeren, Imbosch,
Ellecom, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Renkum, Wageningen :
Vorden ; Bijvank ; Ubbergen, Nijmegen, Malden. Utr. : Ame-
rongen, Doorn, Maarsbergen, Zeist, De Bilt, Bilthoven, Soest-
dijk, Baarn. N.H. : Holl. Rading, Hilversum, Bussum, Naar-
den, Driehuis, Bloemendaal, Overveen. Z.H. : Den Haag,
Rotterdam. N.B. : Bergen op Zoom, Breda. Lbg. : Kerkrade,
Vaals.
Var. 1. gen. vern. cultraria F.
2. gen. aest. aestiva Speyer, Ent. Z. Stettin, vol. 33, p. 109,
1872. Kleiner, enkele & & iets donkerder, de meeste 2 2 2
donkere vlekjes op de vvls. in plaats van 1. (Een enkele keer
hebben ook voorjaars- © 9 2 vlekjes, de & 4 hebben in den
regel geen vlekjes of slechts een flauw stipje).
3. ab. flava Lempke, Lamb., 1938, p. 12. Grondkleur der
vleugels geel. Amerongen (Lpk.) ; Den Haag (37).
Cilix Leach.
180. C. glaucata Scop. Op zandgronden (ook in de duinen)
en in boschachtige streken ; nog niet uit het N. bekend; in
het O. en Z. op licht vaak gewoon. 3 gens. de eerste half
April tot half Juni (13-4 tot 14-6), de tweede van begin Juli
tot midden of soms eind Aug. de derde van eind Aug. tot
7 Septr.
Vindpl. Ov. : De Lutte, Albergen, Markelo, Diepenveen.
Gdl.: Putten, Apeldoorn, Twello, De Steeg, Arnhem, Oos-
terbeek ; Zutfen, Lochem, Almen, Ruurlo, Aalten, Terborg,
Doetinchem ; Lobith, Herwen ; Berg en Dal, Ubbergen, Beek-
Nijm., Nijmegen, Groesbeek ; Wamel, Tiel. Utr. : Doorn,
De Bilt, Utrecht, Amersfoort, Soest, Groenekan, Maarsen.
N.H.: Hilversum, Bussum, Blaricum, Wijk aan Zee, Drie-
huis, Overveen, Aerdenhout, Zandvoort. Z.H. : Wassenaar,
Den Haag, Dordrecht, Numansdorp. Zl. : Domburg, Goes,
Kapelle-Goes. N.B.: Willemstad, Bergen op Zoom, Breda,
Tilburg, Cuyck. Lbg.: Mook, Plasmolen, Venlo, Blerick,
Roermond, Meerssen, Valkenburg, Kerkrade, Rolduc, Voe-
rendaal, Epen.
Var. 1. gen. vern. obscurata Lempke, Lamb., 1938, p. 14,
pl. 1, fig. 10. Grooter dan de zomergen.; de ovale vlek in
het midden der vvls. bijna zoo donker als die aan den binnen-
rand; teekening aan den achterrand sterker; avls. in het
midden met een onscherpen donkeren band.
2. gen. aest. glaucata Scop. Kleiner ; ovale vlek der vvls.
veel lichter dan die aan den binnenrand; donkere band in
het midden der avls. zeer flauw of ontbrekend.
3. gen. aut. obscurata Lempke (vermoedelijk). De weinige
beschikbare herfstdieren zijn donker, maar meer materiaal
moet afgewacht worden.
247 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (145)
4, ab. asiatica Bang Haas, Iris, vol. 20, p. 70, 1907. De
ovale vlek in het midden der vvls. ontbreekt. Aalten, Soest
(trans, Lpk.).
Cymatophoridae.
Habrosyne Hb.
181. H. pyritoides Hufn., 1766 (derasa L., 1767). Door
het geheele land in boschachtige streken, in den regel iets
minder gewoon dan de volgende soort. Meestal 1 gen., half
Mei tot in Aug. (11-5 tot 6-8) ; hoofdvliegtijd in Juli, soms”
eind Juni beginnend (Cold.). Zeer zelden treedt een partieele
tweede gen. op. Wiss. ving na lange pauze een ex. op
21-9-1925.
Vindpl. Gr.: Haren. Dr. : Paterswolde, Assen, Hooge-
veen, Frederiksoord. Ov.: Denekamp, Lonneker, Hengelo,
Almelo, Rijssen, Colmschate, Diepenveen, Deventer. Gdl.:
alle zandgronden. Utr.: De Bilt, Amersfoort, Soest, Lage
Vuursche. N.H.: Gooi, Haarlem, Bloemendaal, Overveen.
Z.H.: Noordwijk, Oegstgeest, Den Haag, Rockanje, Dor-
drecht. Zl.: Goes. N.B. en Lbg.: geheele prov.
Thyatira Hb.
182. T. batis L. Door het geheele land in boschachtige
streken, op vele vindplaatsen gewoon. 2 gens., de eerste begin
Mei tot begin Aug. (10-5 tot + 10-8), de tweede half Aug.
tot half Septr. (15-8 tot 13-9). Cold. merkt op: ,,Hoofdvlieg-
tijd in Juli, meestal beginnend in de derde decade van Juni
en doorloopend in de eerste decade van Aug. Een niet tal-
rijke voorhoede in Mei op heete dagen. Waarschijnlijk hieruit
stamt een tweede gen. van midden Aug. tot midden Septr.”
Vindpl. Door het geheele O. en Z. In het W.: Anke-
veen, Bergen, Heilo, Velzen, Haarlem, Goes.
V ar. 1. ab. indecorata Turner, Brit.. NoctS Suppl Pop.
12, 1926. De rose kleur van den thoraxrug en van de groote
vlekken vervangen door licht geelachtig. Veenhuizen, Apel-
doorn (de Vos) ; Vorden, Bussum (Z. Mus.) ; Breda (20).
2. ab. juncta Tutt, Brit. Noct., I, p. 2, 1891. De 2 groote
rose vlekken bij de vvl.punt met elkaar verbonden Exx., waar-
bij de vlekken elkaar even raken, komen overal, hoewel niet
talrijk, voor. Een prachtig ex., waarbij de 2 vlekken tot een
groote vlek zijn samengesmolten, van Roermond (Lck.).
Palimpsestis Hb.
183. P. fluctuosa Hb. Uitsluitend op zandgronden en bosch-
achtige terreinen in het O. en Z. 1 gen. tweede helft van
Mei tot half Aug. (23-5 tot 10-8).
(146) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 248
. Vindpl. Gdl.: Ermelo, Putten, Leuvenum, Tongeren,
Apeldoorn, Twello (zeldzaam), Imbosch, Rozendaal, Velp,
Arnhem, Oosterbeek, Wageningen, Bennekom, Ede ; Lochem ;
Bijvank, Lobith (waarsch, zwerver) ; Nijmegen, Malden, Ha-
tert. Utr. : Amerongen. N.B.: Breda: Lbg. : Fes oem, Kerk-
rade, Houthem, Eperheide, Vaals.
Var. De typische vorm (Hb. fig. 212) is bont: grijswit
wortelveld, donker bruingrijs middenveld, grijswitte, naar den
achterrand donkerder wordende, gewaterde band, waarin een
witachtige golflijn.
1. ab. concolor nov. ab. Grondkleur eenkleurig donkergrijs,
zonder wit, teekening normaal 1). Lochem, Oosterbeek, Nij-
megen (Z. Mus.) ; Bennekom (Lpk.) ; Vaals (Cold).
184. P. duplaris L. In bijna het geheele land waargenomen,
vooral in boschachtige streken, maar over het algemeen niet
talrijk. 2 gens., de eerste half Mei tot begin Aug. (13-5 tot
+ 10-8), de tweede van tweede helft Aug. tot half Septr.
(22-8 tot 18-9).
Vindpl. Fr.: Kollum, Gaasterland. Gr.: Groningen,
De Punt. Dr. : Hoogeveen. Ov. : Denekamp, Lonneker, Hen-
gelo, Almelo, Markelo, Diepenveen. Gdl.: Veluwe (Twello
ieder jaar enkele), Graafschap en Achterhoek, Nijmegen,
Hatert, Groesbeek, Wamel. Utr. : Amersfoort, Soest, Bilt-
hoven, De Bilt, Utrecht, Nichtevegt. N.H.: Hilversum, Bus-
sum, Amsterdam, Wijk aan Zee, Velzen, Haarlem, Over-
veen. Z.H. : Hillegom, Leiden, Wassenaar, Den Haag, Delft,
Rotterdam, Schiedam, Rockanje. N.B.: Ginneken, Breda,
Rijen, Tilburg, Oisterwijk, ‘s-Hertogenbosch. Lbg. : Baarlo,
Tegelen, Roermond, Maalbroek, Melick, Borgharen, Kerk-
rade, Bunde, Geulem, Voerendaal, Eperheide, Epen.
Var. De typische vorm heeft lichter en donkerder ge-
wolkte vvls. met een smallen lichten, soms witachtigen, band
buitenwaarts van het middenveld (,,Alae superiores cinereo-
nebulosae, in medio transverse albidiores’, Fauna Suec., p.
352, 1761 :,,Vvls. aschgrijs-gewolkt, in het midden overdwars
meer witachtig”). Onze gewoonste vorm. Keer, pl. 64, fig. 4.
1. ab. britannica Turner, Brit. Noct., I, Suppl., p. 84, 1927.
Grondkleur der vvls. lichtgrijs, middenveld donkerder, teeke-
ning onscherp. De gewone Zuidengelsche vorm, bij ons slechts
als ab. South, pl. 39, fig. 1, 2. Lochem, Hillegom (Z. Mus.) ;
Bilthoven (Cold.).
2, ab, obscura Wut! Enton vol 21%. p. 42.2.1888. Vals.
zeer donker met flauwen band aan den wortel. South, l.c.,
fig. 3. Denekamp (de Vos); Putten, Apeldoorn, Arnhem,
Renkum, Rockanje (Z. Mus.) ; Soest, Voerendaal (Lpk.) ;
Hilversum (Doets); Overveen (5), Utrecht (L. Mus.).
1) Fond gris foncé uniforme, sans blanc, dessin normal.
249 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (147)
3. ab. unipunctata Spuler, Schmett. Eur., I, p. 335, 1908.
Vvls. met 1 middenstip. Lonneker, Amsterdam (v. d. M.) :
Denekamp, Apeldoorn (de Vos) ; Twello (Cold.) ; Groes-
beek, Wamel, Bussum, Wijk aan Zee, Rotterdam (Z. Mus.) ;
Utrecht (L. Mus.) ; Wassenaar (Br.); Breda (12).
185. P. (Cymatophora Tr.) or Schiff. Hoofdzakelijk op
zandgronden en in boschachtige streken, op vele vindplaatsen
gewoon. 2 gens., de eerste begin Mei tot in Aug. (4-5 tot +
10-8), de tweede in Aug. (+ 10-8 tot 29-8). Cold. schrijft:
„Voorhoede 4-5 (in Twello 12-5) tot 13-6. Hoofdvliegtijd
1-7 (in 1932 reeds 27-6) tot ongeveer 10-8. Tweede gen.
Augustus, misschien al in de eerste decade.” |
Var. 1. ab. confluens Closs, Int. Ent. Z., vol. 11, p. 84,
1917. Ronde vlek en niervlek samengevloeid. Algemeen.
2. ab. unimaculata Auriv., Nord. Fjär., p. 77, 1888. De
ronde vlek ontbreekt. Apeldoorn (Z. Mus.) ; Hulshorst, Ha-
tert (Bo.); Bijvank (Sch.) ; Soest (Lpk.) ; Laren-N.H.
(Knf.) ; Blaricum (Doets) ; Bussum (7); Rockanje (Mus.
Rd.) ; Roermond (Fr.); Tilburg (Van den Bergh).
3. ab. obscura Spuler, Schm. Eur. I, p. 334, 1908. Ronde
vlek ontbreekt, niervlek slechts even aangeduid, vooral bij
gelijkmatig donker bruingrijs getinte exx. Lonneker (v. d. M.);
Colmschate (Hardonk) ; Oldebroek (42), Plasmolen (L.
Mus.) ; Apeldoorn (de Vos); De Steeg, Arnhem, Renkum,
Bussum, Breda (Z. Mus.); Soest (Lpk.); Hilversum (Doets).
4. ab. interrupta nov. ab. De lijn, die franjewaarts het
middenveld begrenst, door de niervlek, of de lijn, die het
wortelwaarts begrenst, door de ronde vlek doorbroken. !)
Apeldoorn (Z. Mus.; hier bovendien 3 exx. zonder vind-
plaats e coll-Van Leeuwen); Breda (16).
5. ab. fasciata Spuler, L.c., 1908. Grondkleur donker, mid-
denveld begrensd door scherp afstekende zwartachtige dwars-
lijnen. Aalten (v. G.); Breda (19).
6. ab. unifasciata Spuler, lc. De dwarslijnen buitenwaarts
van het middenveld ontbrekend (of zeer flauw), die binnen-
waarts van het middenveld juist donkerder en daardoor zeer
opvallend. Soest (Lpk.) ; Breda (L. Mus.) ; Epen (Wiss.).
7. ab. discolor Warren, Seitz, vol. 2, p. 327, 1912. Grond-
kleur dof bruingrijs, teekening vaag, de 2 vlekken meestal
echter scherp. Bijvank (Sch.) ; Arnhem (Z. Mus.) ; Soest
(Lpk.) ; Bussum (Van der Weij).
8. ab. marginata Warnecke, Int. Ent. Z., vol. 5, p. 241,
1911. Vvls. zwart vanaf den wortel tot vlak voor de lijn
gevormd door de pijlvlekken, zoodat langs den achterrand
een smalle band van de typische grijsachtige kleur loopt.
Beide kleuren zijn scherp van elkaar gescheiden. Lichte groen-
I) La ligne qui borde extérieurement l'aire médiane est coupée par la
tache réniforme ou la ligne bordant intérieurement cette aire est traversée
par la-tache orbiculaire.
(148) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 250
achtige vlekken normaal. Dwarslijnen nog net zichtbaar. Avls.
donkerder dan normaal. Aalten, 2-7-1936 (v. G.). Het eerste
Nederlandsche ex. van de zwarte albingensis-groep |
186. P. (C.)ocularis L. Lokaler dan de vorige soort, op
sommige vliegplaatsen echter niet zeldzaam. Waarschijnlijk
1 gen. van eind Mei tot half Aug. (25-5 tot 19-8). Cold.
schrijft: ,,Hoofdvliegtijd half Juni tot half Juli (16-6 tot
14-7). In 8 opvolgende jaren slechts 5 data vroeger en 2 later.
Eén gen. is blijkbaar regel; exx. van een tweede gen. zullen
wel hooge uitzondering zijn, in Aug. zag ik de soort
nooit.”
Vindpl. Fr. : 2 exx, in Z. Mus. met etiket „Friesland.
Ov. : Hengelo, Almelo (niet gewoon, Cold.), Diepenveen
(gewoon, Lukkien). Gdl. : Putten, Apeldoorn, Twello (ge-
regeld in 2—12 exx. per jaar), Laag-Soeren, Rheden, Arn-
hem; Warnsveld, Eefde, Vorden, Aalten, Doetinchem ; Bij-
vank; Beek-Nijm., Berg en Dal, Nijmegen, Hatert. Utr.:
Zeist, De Bilt, Utrecht, Soest, Maarsen, Nichtevegt. N.H.:
Hilversum, Laren, Bussum, Amsterdam, Schoorl, Bloemen-
daal, Overveen, Zandvoort. Z.H. : Noordwijk, Leiden, Den
Haag, Zevenhuizen, Rotterdam, Hilligersberg, Dordrecht,
Numansdorp, Oud-Beierland, Oostvoorne, Rockanje. Zl:
Stavenisse, Haamstede, Kapelle-Goes. N.B. : Bergen op Zoom,
Ginneken, Breda, Tilburg, Deurne. Lbg. : Venlo, Steyl, Roer-
mond, Linne, Kerkrade, Meerssen (vrij gewoon), Maastricht,
Houthem, Voerendaal, Mechelen.
Var. Linné beschrijft den typischen vorm (Syst. Nat.
XII, p. 837, 1767) als: „alis cinereis fascia pallidiore lineis
nigris terminata ocelloque notata.’ Ook in de Descriptio
spreekt L. slechts van: ,,...... ocello parvo albo, pupilla nigra
notata.’ Dit „kleine witte oogje met een donkere pupil’ kan
slechts de ronde vlek zijn. De niervlek noemt L. in zijn be-
schrijving niet, zoodat de typische vorm òf geen niervlek òf
een zeer onduidelijke heeft. [Cf. South, p. 88: „sometimes
the lower portion of the 8 is obscure |. Nederlandsche ty-
pische exx. zijn me niet bekend.
1. subsp. octogesima Hb., Beitr. Schm., I, 1, pl. 1, fig. G,
1786. Ronde en niervlek beide aanwezig. Bijna altijd raken
de vlekken elkaar (ook in H.'s figuur), doch soms staan ze
los van elkaar. Onze hoofdvorm.
2. ab. frankii Boegl, Mitt. Münch. E. G., vol. 10, p. 21,
fig., 1920. Grondkleur der vvls. zwartachtig, waartegen de
2 groenwitte vlekken scherp afsteken. De dwarslijnen, die
het middenveld begrenzen, nog duidelijk zichtbaar. Pendant
van de zwarte or-vormen. Deurne (Nies) ; Maastricht (Mus.
M.); Meerssen (Rk. hier meer dan de typische vorm) ;
Voerendaal (Br.).
3, ab. clausa nov. ab. De dwarslijnen, die het middenveld
251 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (149)
begrenzen, komen aan den binnenrand samen. 1) Numans-
dorp (Z. Mus.).
4, ab. discolor nov. ab. Davarehinen flauw of ontbrekend.?)
Noordwijk (Z. Mus.).
5. ab. confluens nov. ab. Ronde vlek en niervlek vloeien
samen tot 1 vlek. 3) Roermond (Lck.).
6. ab. interrupta Spuler, Schm. Eur., I, p. 334, 1908. De
lijn, die het middenveld wortelwaarts begrenst, door de ronde
vlek, of de lijn, die het franjewaarts begrenst, door de nier-
vlek doorbroken. Apeldoorn, Rotterdam (Z. Mus.) ; Zeist
(Br)
Polyploca Hb.
187. P. diluta F. Alleen lokaal in het O. en Z. waarge-
nomen, op de vliegplaatsen vrij geregeld, maar tot nog toe
niet talrijk. In Denemarken eenmaal in 1936 in Jutland, ver-
breid op Fünen, in één bosch op Seeland niet zeldzaam, in
een bosch op Lolland. In Sleesw.-Holst. verbreid ; bij Ham-
burg overal, maar niet zeer talrijk; bij Bremen niet zeldz. ;
bij Hannover sommige jaren gewoon, bij Osnabrück niet tal-
rijk ; in Westfalen en de Rijnprov. lokaal (Püngeler, lc.:
bij Aken gewoon). In België zeer lokaal in de oostel. helft.
In Engeland verbreid tot in Zuid-Schotland, het meest in
Z.-Engeland. 1 gen. half Aug. tot half Octr. (16-8 tot 17-10).
Vindpl. Ov.: Denekamp (div. colls.) ; Hengelo, Mar-
kelo (Btk.). Gdl.: Lochem (Z. Mus.) ; Nijmegen (Lck.).
Lbg.: Venlo (Z. Mus.) ; Valkenburg (Mus. M.); Epen
(Hardonk).
Var. 1. diluta F. Vvls. donker, de 2 roodbruine dwars-
banden onduidelijk, buitenste dwarsband tamelijk smal, naar
buiten zeer onscherp, langzamerhand overgaande in het grijze
achterrandsveld. Keer, pl. 64, fig. 5. Vorm van zuidelijker
Europa. 2 Nederl. exx.: Hengelo (Van den Bergh) ; Venlo
(Z. Mus.).
2. subsp. hartwiegi Reisser, Z. Oest. E. V., vol. 3, p. 14,
1927. Lichter grijs, de 2 dwarsbanden scherp en duidelijk.
South, pl. 39, fig. 5 en 6. De vorm van N.W.-Europa, waar-
toe ook onze exx. behooren.
188. P. flavicornis L. In de zandstreken van het geheele
land (ook in de duinen), op vele vindplaatsen gewoon. 1
gen., begin Maart tot in de tweede helft van April (3-3 tot
19-4).
Vindpl. Fr.: Kollum, Gorredijk. Gr.: Appelbergen, in
1) Les lignes transversales qui bordent laire médiane se joignent au
bord interne.
2) Lignes transversales faibles ou absentes.
3) Les macules orbiculaire et réniforme sont réunies de sorte qu'elles
ne forment plus qu une seule macule.
(150) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 252
de omgeving van Groningen zeer gewoon (Skm.). Dr.:
Schoonoord, Wijster, Hoogeveen. Ov.: Denekamp, Vasse,
Almelo (niet gewoon, Cold.), Diepenveen (gewoon). Gdl.:
Ermelo, Putten, Leuvenum, Elspeet, Epe, Tongeren, Stroe,
Assel, Apeldoorn, Twello (zeldzaam op licht), Empe, Terlet,
De Steeg, Arnhem, Oosterbeek, Wageningen (zeer gewoon,
Skm.), Bennekom, Ede; Gorssel, Eefde, Korenburgerveen,
Aalten (gewoon), Doetinchem; Bijvank, Montferland ; Di-
dam; Berg en Dal, Nijmegen, Hatert. Utr. : Rhenen, Leer-
sum, Amerongen, Doorn, Zeist, De Bilt, Bilthoven, Amers-
foort, Soest (talrijk). N.H.: Hilversum (zeer algemeen,
Doets), Bussum, Amsterdam (8-4-1930, v. d. M.), Santpoort,
Overveen, Aerdenhout. Z.H. : Noordwijk, Wassenaar. N.B. :
Bergen op Zoom, Ginneken, Breda, Tilburg, Oisterwijk, Ge-
mert, ‘s-Hertogenbosch, Cuyck, Deurne. Lbg : Venlo, Blerick,
Roermond, Maasniel, Linne, Rolduc, Meerssen (één maal),
Vaals. È
Var. De typische vorm heeft grijze vvls. zonder groen-
achtige of geelachtige tint (,,Alis superioribus cinereis’'). Tot
dezen vorm behoort een belangrijk deel onzer exx.
1. ab. anglica Houlbert, Lép. Comp., vol. 18, p. 214, fig.
57, 1921. Vvls. geelachtig groengrijs, costa aan den wortel
en boven de vlekken geelachtig, dwarslijnen duidelijk, zwart-
achtig. South, pl. 39, fig. 7. Op alle vindplaatsen gewoon.
2. ab. galbanus Tutt, Br. Noct., I, p. 6, 1891. Grondkleur
als 1, vlekken licht en onduidelijk, dwarslijnen en avls. zeer
licht. Putten (Z. Mus.) ; Bijvank (Sch.) ; ‘s-Hertogenbosch
(7) ; Aalten, Amerongen, Soest (Lpk.). Slechts in enkele exx.
3. ab. medionigra Höfer, Verh. zool.-bot. Ges., Wien, vol.
73, p. (193), 1923. Het geheele middenveld der vvls. zwart,
de 2 vlekken scherp afstekend. Deurne, 18-3-36, een prachtig
ex. (Nies).
4. ab. interrupta Houlbert, Lép. Comp., vol. 18, p. 215,
1921. De ronde vlek wortelwaarts uitgerekt, de lijn (of lijnen),
die het middenveld aan die zijde begrenst, doorbrekend.
Twello (Cold.) ; Aalten (Lpk.) ; Elspeet (Z. Mus.).
5. ab. confluens Klemensiewicz, Spraw. kom. Fiz., vol. 46,
p. 18, 1911-12. Ronde vlek en niervlek samengesmolten.
Putten, Oosterbeek, Nijmegen (Z. Mus.); Apeldoorn (de
Vos); Aalten (Lpk.) ; Bijvank (Sch.).
6. ab. unimaculata Masl., Polskie Pismo Ent., vol. 8, p. 50,
1929. Alleen de ronde vlek aanwezig. Soest (Lpk.) ; De Bilt,
Breda (Z. Mus.).
as: obsoleta Wasly op. cit, vol. 22p.2131, 1923, De 42
vlekken bijna geheel onzichtbaar. Putten, Nijmegen, Noord-
wijk, Venlo (Z. Mus.) ; Apeldoorn (6), Wassenaar (9),
Breda (11), De Bilt (L. Mus.) ; Soest (Lpk.) ; Linne (Mus.
M.) ; Denekamp (Mus. Rd.).
8. ab. angustefasciata Hdm., Ent. Z., vol. 52, p. 48, fig.
253 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (151)
13, 1938. De dwarslijnen, die het middenveld begrenzen,
loopen vanaf de niervlek dicht naast elkaar tot den binnen-
rand, zoodat het middenveld slechts half zoo breed is als
normaal. Bijvank (Sch., type) ; Aalten, Didam, Bennekom
(Lpk.) ; Apeldoorn, Putten, Arnhem, Nijmegen, Oisterwijk
(Z. Mus.).
9. ab. clausa nov. ab. De 2 dwarslijnen, die het middenveld
begrenzen, raken elkaar aan den binnenrand.!) Oosterbeek
(Z. Mus.).
189. P. ridens F. Veel lokaler en zeldzamer dan de vorige
soort, bijna uitsluitend in boschachtige streken in het O. van
het land. 1 gen. tweede helft van April tot tweede helft van
Mei (24-4 tot 21-5). (In Z. Mus. een ex. van Aug. 1891 van
Lochem, in L. Mus. een ex. van Maart 1913 van De Bilt).
Vindpl. Gr.: Groningen. Dr.: Paterswolde. Ov.:
Zwolle, Ootmarsum, Markelo, Diepenveen. Gdl.: Ermelo,
Leuvenum, Apeldoorn, Twello (in 1930 en 31 telkens 10
exx. op licht, daarna gemiddeld 1 per jaar), Empe, Arnhem,
Oosterbeek ; Vorden, Lochem, Winterswijk, Aalten; Bij-
vank ; Lobith ; Nijmegen. Utr.: Austerlitz, Zeist, De Bilt,
Baarn. N.H.: Hilversum, Bussum, Zandvoort. Z.H. : Dor-
drecht. N.B.: Bergen op Zoom, Breda, Oisterwijk, Cuyck.
Lbg.: Venlo, Tegelen, Roermond, Kerkrade, Vaals.
Var. De typische vorm is donkergroen met witte dwars-
banden. Overal onder de soort, maar veel minder dan de
volgende vorm.
1. ab. xanthoceros Hb., Samml. Eur. Schm., fig. 205, 1802.
Dwarsbanden okerachtig, grondkleur vaak met iets bruin-
achtige tint. Keer, pl. 64, fig. 8. Onze hoofdvorm.
2. ab. nigricans Spuler, Schmett. Eur., I, p. 336, 1908.
Grondkleur zwart bestoven, lichte teekening haast verdwe-
nen. Markelo (Btk.): Twello (Cold.) ; Apeldoorn (de
Vos) ; Arnhem, Nijmegen, Austerlitz, Venlo (Z. Mus.) ;
Zandvoort (Wp.).
3. ab. interrupta-alba Tutt, Brit. Noct., I, p. 7, 1891. In
het midden van het donkere middenveld een witte band van
costa tot binnenrand. Twello (Cold.).
Amatidae.
Amata F,
190. A. phegea L. Verbreid, maar lokaal, in de zand-
streken van N.-Brabant en Midden-Limburg. Ten N. van
de groote rivieren sporadisch, niet als standvlinder. De N.W.-
grens van het verbreidingsgebied loopt precies door het Z.
1) Les lignes transversales qui bordent l'aire médiane se joignent au
bord interne.
(152) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 254
van ons land. In Denem., Sleesw.-Holst., bij Hamburg en
Bremen (hier niet meer sinds 1879) komt de vlinder niet
voor; in Hannover alleen in de Harz; in Westfalen bij
Bielefeld (1911); in de Rijnprov. alleen bij Kreuznach; in
België in de Kempen (Neeroeteren bij Maaseyck), bij Ant-
werpen, Gent, Walcourt (Namen) en Ortho (Ardennen) ;
niet in Engeland. Phegea komt, ook bij ons, meestal op zeer
beperkte vliegplaatsen voor, maar is daar dan in den regel
talrijk. 1 gen. eerste helft van Juni tot in Aug. (In 1937
groeiden bij een ab ovo kweek enkele rupsen door en lever-
den in Octr. den vlinder, Lpk.).
Mindpl- Gdl: Dieren, a Aug. 1904 (IL. Mus.) NH:
Hilversum, 1879 (Z. Mus.) ; Overveen, 1917, talrijke exx.
in een duinpan op distel vliegend (Cannemeyer teste
Toxopeus). Z.H.: Rotterdam, Dordrecht (beide in 1871
en 1872, De Vlinders, II, p. 1137). N.B. : Halsteren, Bergen
op Zoom, Rozendaal, Breda, Rijsbergen, Udenhout, Tilburg,
Helmond, Deurne, Vierlingsbeek. Lbg. : Venlo, Horst, Weert,
Roermond, Muggenbroek.
Var. De vlinder is zeer variabel. Typische exx. hebben
donkere, aan de punt witte sprieten, een blauwachtigen gloed
over de vleugels, op de vvls. 6 en op de avls. 2 witte vlek-
ken, op het achterlijf een smallen gelen ring op ring 1 en
een breeden, die aan de buikzijde open is, op ring 5. De
vlekken op de vvls. worden als volgt genummerd : 1 basaal-
vlek, 2 bovenste mediaanvlek, 3 onderste mediaanvlek, 4
bovenste antemarginaalvlek, 5 middelste, 6 onderste ; die op
de avls.: 1 basaalvlek, 2 achterrandsvlek.
1. ab. nigroantennalis Obraztsov, Ent. Anz., vol. 16, p. 46,
1936 (nigricornis auct. nec Alph.). Sprieten geheel donker.
Deurne (Lpk.).
2. ab. viridescens Obr., Ent. Rundschau, vol. 53, p. 201,
1936. Vleugels met groenachtigen weerschijn. Overal onder
de soort.
3. ab. violascens Obr., Lc. Vleugels met paarsachtigen weer-
schijn. Minder dan 2.
Ar ab. orbieulhijeca Zerny, Lep Cat pars 7, p. 81, 1912:
Met zwarte punt midden in vlek 2 der vvls. Bergen op Zoom
(alleen rechts, Z. Mus.) ; Deurne (alleen links, Lpk.) ; Til-
burg (idem, Van den Bergh).
5. ab. parvipuncta Rocci, Mem. Soc. Ent. It., vol. 2, p. 10,
1923. Alle vlekken sterk verkleind. Bergen op Zoom (Z.
Mus.). Het ex. mist op den rechter vvl. bovendien vlek 5 en
6, op de avls. vlek 1. Exx. met gereduceerde vlekken zijn,
afgezien van ab. 10, bij ons zeer zeldzaam.
6. ab. arcuata Turati, Atti Soc. It. Sci. Nat., vol. 56, p. 215,
1917. Op de vvls. vlek 1 en 3 met elkaar verbonden, zoodat
aan den binnenrand een witte streep ontstaat. Helmond
(L. Mus.).
255 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (153)
7. ab. repicta Tti., lc. Vlek 4 der vvls. in tweeën gedeeld.
Bergen op Zoom, Horst (Z. Mus.) ; Deurne Lpk.).
8. ab. septemmaculata Müller, Int. Ent. Z., vol. 14, p. 77,
1921. Vlek 5 in tweeën gedeeld. Bergen op Zoom (Z. Mus.,
25 exx.) ; Rozendaal (Wiss.) ; Helmond (Wp.).
9. ab. anticipluspuncta Obr., l.c., vol. 53, p. 186, 1936.
Vvls. met extra vlekken (anders dan 7 of 8), meestal com-
binatie van 7 en 8. Bergen op Zoom (Z. Mus., 6 exx.).
10. ab. monosignata Tti., l.c., p. 215, 1917. Vlek 1 der avls.
ontbreekt. Bergen op Zoom, Horst (Z. Mus, 11 exx.);
Rozendaal (8, Wiss,) ; Breda (13) ; Deurne (Lpk.). Over-
gangsexx., waarbij vlek 1 klein is, vrij talrijk, hoofdzakelijk
bij de 4 4.
11. ab. divisa Stauder, Ent. Anz., vol. 1, p. 116, 1921. Vlek
1 der avis. in 2 of 3 vlekken gedeeld. Bergen op Zoom, Horst
(Z. Mus.) ; Breda (14, 16) ; Deurne (Lpk.).
12. ab. posticipluspuncta Obr., Ent. Anz., vol. 16, p. 38,
1936. Vlek 1 en 2 der avls. gedeeld of alleen vlek 2, vvls.
normaal. Bergen op Zoom (22, Z. Mus.) ; Deurne (Lpk.).
13. ab. pluspuncta Obr., Ent. Anz, vollop 29181955;
Voor- en avls. beide met extra vlekken. Bergen op Zoom
(Cold., Z. Mus.) ; Rozendaal (Wiss.) ; Breda (18), Horst
(5), Helmond (L. Mus.) ; Deurne (Lpk.); Tilburg (Van
den Bergh).
14. ab. puellula Stauder, Ent. Anz., vol. 1, p. 115, 1921.
De voorste achterlijfsgordel ontbreekt. Bergen op Zoom (Z.
Mus.) ; Rozendaal (8, Z. Mus.) : Breda (13, 16).
15. ab. circumcingulata Obr., Ent. Anz., vol. 16, p. 46, 1936.
De tweede gordel is aan de buikzijde gesloten en omvat het
abdomen geheel. Waarschijnlijk alleen bij de & ¢, daar bij
de 9 © de gordel aan de buikzijde veel breeder doorbroken
is. Bergen op Zoom (Z. Mus.).
16. ab. Dwergen. Deurne (Lpk.).
Nolidae.
Nola Leach.
191. N. cucullatella L. Door het geheele land, algemeen.
1 gen. half Juni tot begin Aug. (14-6 tot 5-8).
Var. Sommige exx. hebben het middenveld lichter (wit-
ter) dan gewoonlijk.
1. ab. fuliginalis Stephens, Haust., vol. 4, p. 63, 1834. Vvls.
zwartachtig, wortel en mediaanlijn donkerder. Den Haag,
2 exx. (Hardonk).
Roeselia Hb.
192. R. togatulalis Hb. Zeer lokaal in boschachtige stre-
ken in het O. 1 gen., eerste helft van Juni tot eind Juli (12-6
(154) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 256
tot 31-7). De rupsen overwinteren nauwelijks half vol-
wassen (Bo.).
Vindpl. Gdl.: Putten, Apeldoorn, Arnhem, Renkum ;
Nijmegen, Heumensoord. Lbg.: Venlo, Tegelen.
193. R. albula Schiff. Door bijna het geheele land op zand-
gronden, het meest in de duinen. 1 gen., begin Juni tot mid-
den Aug. (5-6 tot 13-8), soms als groote uitzondering een
zeer partieele tweede gen. in Septr.: Wiss. ving 5-9-28 een
gaaf ex. te Zandvoort.
Vindpl. Ov.: Almelo, Diepenveen (gewoon). Gdl.:
Nunspeet, Apeldoorn, Twello (gewoon, vaak talrijk), Empe,
Oosterbeek, Bennekom ; Laren, Lochem, Aalten, Varsseveld,
Doetinchem (zeldzaam, Cold.) ; Bijvank ; Lobith ; Nijmegen,
Hatert. Utr.: Rhenen, Soest. N.H.: Wijk aan Zee, Over-
veen, Bentveld, Zandvoort. Z.H. : Noordwijk, Katwijk, Was-
senaar, Scheveningen, Hoek van Holland, Dordrecht. N.B.:
Rijen, Cuyck, Deurne. Lbg. : Venlo, Blerick, Bemelen, Meers-
sen (vrij zeldzaam), Houthem.
Var. De exx. zijn, wat de teekening betreft, vrij variabel.
Bij sommige is slechts een deel van het middenveld bruin.
Een licht 9 van Cuyck (Z. Mus.) heeft haast het geheele
franjeveld wit.
1. ab. fascialis Splr., Schm. Eur., II, p. 123, 1906. Midden-
veld breed, bruin ; franjeveld bruin, door een scherpe, witte
golflijn gedeeld. Onze donkerste exx. Laren-Gdl., Hatert,
Overveen, Venlo (Z. Mus.) ; Bijvank, Lobith (Sch.) ; Twello
(Cold.) ; Meerssen (Rk.).
194, R. strigula Schiff. Vrij lokaal in boschachtige stre-
ken. 1 gen. half Juni tot begin Aug. (15-6 tot 9-8).
Vindpl. Ov. : Almelo. Gdl. : Ermelo, Putten, Apeldoorn,
Woeste Hoeve, Arnhem; Vorden, Lochem, Boekhorst bi
Laren. Utr. : Eemnes. N.H.: Hilversum, Laren, Haarlem.
N.B. : Ginneken, Breda, Oisterwijk, ‘s-Hertogenbosch. Lbg. :
Venlo, Rolduc.
Var. De grondkleur varieert van lichter tot donkerder
grijs. So.
Celama Wkr.
195. C. confusalis H. S. Door het geheele land op zand-
gronden en in boschachtige streken, ook in de duinen. 1 gen.,
half April tot in de tweede helft van Juni (11-4 tot 20-6),
soms als groote uitzondering een enkel ex. eener partieele
tweede gen. in Aug.: Twello, 23-8-1935 (Cold.).
Vindpl. Fr. : Kollum, Beetsterzwaag. Dr. : Paterswolde.
Gdl.: Putten, Leuvenum, Apeldoorn, Twello (zelden op
licht), Imbosch, Dieren, Ellecom, Velp, Arnhem, Oosterbeek,
Renkum; Slangenburg (gewoon, Cold.) ; Montferland, Di-
dam; Berg en Dal, Nijmegen, Groesbeek. Utr. : Maarsber-
257 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (155)
gen, Zeist, De Bilt, Vechten, Baarn, Soest, Lage Vuursche.
N.H.: Hilversum (zeer algemeen, Doets), Bussum, Naarden,
Muiderberg, Alkmaar, Velzen, Santpoort, Bloemendaal, Over-
veen, Zandvoort, Vogelenzang. Z.H. : Sassenheim, Oegst-
geest, Wassenaar, Den Haag, Dordrecht. N.B. : Bergen op
Zoom, Breda, Oisterwijk, St. Michielsgestel, Cuyck. Lbg. :
Mook, Plasmolen, Venlo, Blerick, Epen.
Var. Sommige exx. zijn vrij donker, zonder echter de
ab. monachalis Hw. te bereiken.
1. ab. pallida nov. ab. Geheel wit, met flauwe dwarslijnen,
overigens zonder teekening. 1) Wassenaar (Z. Mus.).
196. C. centonalis Hb. Zandgronden en boschachtige ter-
reinen door het geheele land (ook in de duinen), vrij gewoon.
1 gen. half Juni tot begin Aug. (18-6 tot 6-8), soms enkele
exx. eener partieele tweede gen. in Septr. (tot nog toe alleen
bij kweeken, zie Van Leeuwen in Sepp, 2e serie, vol. 4).
Vindpl. Ov.: Albergen, Oldenzaal, Lonneker, Almelo.
Gdl.: Putten, Apeldoorn, Twello, Ruurlo, Eibergen, Win-
terswijk, Korenburgerveen, Aalten, Doetinchem, Lobith, Nij-
megen, Hatert. N.H.: Hilversum, Castricum, Wijk aan Zee,
Velzen, Haarlem, Overveen, Zandvoort, Heemstede, Vogelen-
zang. Z.H. : Noordwijk, Wassenaar, Den Haag, Schevenin-
gen, Loosduinen, Hoek van Holland. N.B. : Breda, Rijen, Til-
burg, Boxmeer, Deurne. Lbg. : Mook, Plasmolen, Eperheide.
Var. De typische vorm (Samml. Eur. Schm., Pyr., fig. 15)
heeft witte, met geelachtige (bruinachtige) lijntjes geteekende
vvls. zonder donkere velden. Het is dus een zwak geteekende
vorm, De fig. in Seitz, suppl. II, pl. 5 i, is donkerder, maar
moet toch eveneens als typisch beschouwd worden.
1. ab. aljkeni Warnecke, Abh. Nat. Ver. Bremen, vol. 30,
p. 122, 1938. Vvls. eenkleurig wit. Wijk aan Zee (Z. Mus.) ;
Zandvoort (Wiss.).
2. ab. atomosa Bremer, Bull. de I’ Ac. des Sc. de St. Pet.,
1861, p. 491. Vvls. wit met 2 flauw zichtbare dwarslijnen.
Sepp, l.c., pl. 25, fig. 14. Korenburgerveen (Cet.) ; Nijmegen,
Wijk aan Zee, Overveen, Vogelenzang, Scheveningen, Loos-
duinen, Mook, Plasmolen (Z. Mus.) ; Haarlem, Zandvoort,
Heemstede (Wiss.) ; Hatert (Bo.) ; Wassenaar (2), Castri-
cum, Rijen (L. Mus.) ; Apeldoorn (de Vos) ; Noordwijk
(L. Wag.) ; Eperheide (v. d. M.).
3. ab. fasciata Rebel, Berge, 9e ed, p. 421, 1910. Het
geheele middenveld der vvls. bruin. Putten (Van der
Beek) ; Apeldoorn (de Vos): Twello (Cold.) ; Barchem
(L. Mus.) ; Overveen (Btk.) ; Noordwijk (L. Wag.) ; Eper-
heide (v. d. M.).
4. ab. candidalis Stgr., Mem. Rom., vol. 6, p. 258, 1892.
1) Forme ä fond blanc ne montrant que de faibles lignes transversales,
le reste est sans dessin.
(156) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 258
Vvls. met breed bruinachtig middenveld, het franjeveld meer
of minder donker bestoven. Winterswijk, Wijk aan Zee,
Overveen, Plasmolen (Z. Mus.) ; Hatert (Bo.).
Saba jamosa Berger, Z. ©est. "E.V, vol. 3, pr 13, 1918.
Vvls. eenkleurig bruin, de witte schubbenvlekjes aan den
voorrand en in den regel ook de dwarslijnen blijven duidelijk
zichtbaar. Apeldoorn (de Vos) ; Hatert (Bo.) ; Loosduinen
(L. Mus.).
6. ab. contrarialis Heydemann, Int. Ent. Z., vol. 27, p. 420,
1933. Kleiner, teekening der vvls. zwartbruin. Onder de soort,
ook in trans. exx. Alle door Van Leeuwen afgebeelde
exx. hebben donker geteekende vvls.
197. C. holsatica Sauber. Typische bewoner van droge
heiden en door het geheele land in de geschikte streken aan
te treffen. 1 gen, eind Juni tot in Aug. (30-6 tot 9-8).
(Lukkien vond 3-5-1937 een ex. te Ellecom, een ver-
rassend vroegen datum).
Vindpl. Ov.: Almelo. Gdl.: Putten, Leuvenum, Apel-
doorn, Twello, Laag Soeren, Ellecom, Arnhem, Lochem,
Vorden, Barchem, Aalten, Doetinchem, Lobith, Nijmegen,
Malden. Utr.: Soest. N.H.: Hilversum, Laren, Huizen,
Drafna, Bussum, Amsterdam (13-7-1899, Z. Mus.), Heem-
stede (3-7-1937, Wiss.). N.B.: Zundert, Breda. Lbg.:
Meerssen (zeldzaam).
Var. 1. ab. reducta Lempke, Lamb., 1938, p. 38, pl. II,
fig. 12. Teekening der vvls. sterk gereduceerd. Het type heeft
nog slechts 1 dwarslijn. Putten (Z. Mus.) ; Malden (Bo.).
2. ab. fasciata Lempke, l.c. Vvls. met volledigen donkeren
middenband. Twello (Cold.) ; Arnhem, Soest (Z. Mus.) ;
Aalten (v. G.) ; Malden (Bo.).
3. ab. obscura Lempke, lc. Vvls. geheel zwartachtig, maar
teekening duidelijk. Malden (Bo.).
O pm. Holsatica is oorspronkelijk beschreven als een vorm
van centonalis (patria: Sleeswijk-Holstein). Boldt kon
echter belangrijke biologische verschillen vaststellen, terwijl
Diakonoff constante verschillen in de uitwendige geni-
taliën vond. De punten van verschil zijn:
1. Holsatica heeft over het midden van de avls. een don-
keren band, die van de costa tot op korten afstand van den
binnenrand loopt (Lamb., 1938, pl. II, fig. 8—15; Sepp, l.c.,
fig. 10). Centonalis mist dien band (Lamb., l.c., fig. 1—7;
Sepp tig. 211013147 15).
2. Het copulatieapparaat is bij holsatica ( & en 9) kleiner
en donkerder dan bij centonalis. Volledige zekerheid levert
bij de 4 4 de gnathos, die bij beide soorten duidelijk en
constant in vorm verschilt. Voor uitvoerige bespreking zie
tekst en figuren in Lambillionea, Lc.
3. De rups van holsatica is iets donkerder dan die van
centonalis. De centonalis-rups vindt Boldt steeds op vrij
259 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (157)
vochtige plaatsen op afgevallen bladeren van berk (soms eik),
doch ze komt zeer waarschijnlijk ook op klaversoorten voor.
De rups van holsatica vindt men in het voorjaar in de jonge
rozetten van Genista pilosa L. soms onder struiken van
Genista anglica L., op droge heiden en leeft daar van de
afgevallen blaadjes van vorige jaren, later ook van de af-
gevallen bloembladeren. De vindplaatsen Lobith en Amster-
dam zijn van afgedwaalde exx. (in de hoofdstad zijn bijna
alle typische heidedieren wel eens aangetroffen |), Heemstede
waarschijnlijk ook. Brem komt daar in elk geval niet voor. 1)
Zie overigens voor uitvoerige behandeling van de 2 soorten
Lambillionea, 1938, p. 27—38.
Lithosiidae.
Nudaria Hw.
198. N. mundana L. Lokaal, het meest in de duinen. 1 gen.
half Juni tot eind Juli (16-6 tot 30-7).
Vindpl. Fr.: Kollum, Warga. Gdl.: Nijkerk, Vorden.
Utr.: Amersfoort, Soest. N.H.: Diemerbrug, Amsterdam,
Zaandam, Bergen, Alkmaar, Wijk aan Zee, Bloemendaal,
Haarlem, Overveen, Zandvoort, Vogelenzang. Z.H.: War-
mond, Noordwijk. Zl. : Domburg. N.B.: Breda. Lbg.: Echt,
Maastricht, Meerssen, Gulpen, Epen, Vaals.
Comacla Wkr.
199, C. senex Hb. Lokaal, vooral in eenigszins vochtige
streken. Rupsen soms in aantal uit riet en Molinia gekrabd
aan de oevers van plassen (Bo.). 1 gen., eind Juni tot eind
Juli (29-6 tot 30-7).
Vindpl. Fr. : Wartena, Lekkum. Ov. : Almelo, Diepen-
veen. Gdl. : Twello (vrij zeldz.), Wageningen, Aalten, Nij-
megen, Hatert, Diervoort. N.H. : Amsterdam, Vlieland, Wijk
aan Zee, Haarlem, Aerdenhout, Zandvoort, Heemstede.
Z.H. : Den Haag, Hoek van Holland, Rotterdam, Rockanje.
ZI. : Middelburg. N.B. : Breda (in 1871 zeer talrijk, T. v. E.,
vol. 15, p. 120). Lbg.: Plasmolen, Venlo, Gulpen.
Var. De vlinder varieert iets in duidelijkheid van
teekening en in tint.
1) Van Leeuwen schrijft in Sepp (lc, p. 128), dat zijn ab ovo
kweek van centonalis uit Overveen 1 vlinder opleverde even sterk ge-
teekend als fig. 10 uit Soest (= holsafica!). Dit slaat echter alleen op
de vvl.teekening, niet op den donkeren band van de avis. zooals blijkt
uit zijn exx., die nog in Z. Mus. aanwezig zijn. Het zijn alle echte cen-
tonalis !
(158) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 260
Miltochrista Hb.
200. M. miniata Forster. Gewoon op alle zandgronden
en boschachtige terreinen, ook in de duinen. Waarschijnlijk
in den regel 1 gen. van begin Juni tot begin Aug. (5-6 tot
8-8), doch data buiten Juli komen niet veel voor. In Z. Mus.
zijn 2 gekweekte exx. van 22-9-74 en 1-10-74, zoodat bij
het kweeken in elk geval een (partieele) tweede gen. op-
treedt. Waarschijnlijk treedt die ook nu en dan in natura
op, wat Snellens vliegtijdopgave : eind Juni tot in Septr.
zou verklaren. In Z. Mus. een gevangen ex. van Breda,
25-8-1915. Vermoedelijk is dit reeds een ex. van een tweede
gen.
Var. De vvls. zijn soms geheel roodachtig, maar meestal
zijn alleen de randen zoo, terwijl het middendeel lichter is.
(ab levatDe Graaf, Bst Ip: 234, 18553 (Ke; p. 7, 1851,
nomen nudum). Vleugels geel. Afb.: T. v. E., vol. 13, pl.
6, fig. 6. „Friesland, 2 exx., Paterswolde, 3 exx., Den Deyl
bij Leiden, 4 exx. (Z. Mus.) ; Dieren (L. Mus.) ; Den Haag
(2 exx., Btk.) ; Breda (T. v. E., vol. 15, p. 119: Ulvenhout-
sche Bosch; een trans. in Z. Mus.).
2. ab. deleta Höfer, Verh. zool.- bot. Ges., Wien, vol. 73,
p. 193, 1924. Op de vvls. ontbreken de basaallijn en de zig-
zaglijn, alleen de rij stippen voor den achterrand is aanwezig.
Nijmegen, Hillegom (trans, Z. Mus.) ; Princenhage (Wp.).
Philea Zeller.
201. P. irrorella Cl. Lokaal, vooral op zandgronden en
in Zuid-Limburg. 1 gen. tweede helft van Mei tot begin Aug.
(24-5 tot 11-8).
Vindpl. Gr. : Groningen. Gdl. : Apeldoorn, Empe, Voor-
stonden, Brummen, Ellecom, Arnhem, Aalten, Gendringen,
Doesburg, Zeddam, Montferland, Nijmegen. Utr. : De Bilt.
N.H. : Haarlem. Z.H. : Wassenaar. N.B. : Bergen op Zoom,
Breda. Lbg : Venlo, Tegelen, Echt, Bemelen, Meerssen (zeld-
zaam), Houthem, Geulem, Schin op Geul, Valkenburg, Wel-
terberg, Eyserberg, Wijlre, Vijlen, Vaals.
Var. 1. ab. nickerli Rbl, Verh. zool.-bot. Ges., Wien,
vol. 56, p. 6, 1906. Vvls. in het midden dunner beschubd,
geelachtig wit, de randen donkerder geel. Ellecom, Nijmegen,
Venlo, Houthem (Z. Mus.) ; Welterberg (Wiss.) ; Eyser-
berg (Lpk.).
Cybosia Hb.
202. C. mesomella L. In de zandstreken van het geheele
land (ook in de duinen), bovendien in Zuid-Limburg, ge-
woon. 1 gen. eind Mei tot eind Aug. (25-5 tot 25-8).
261 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (159)
Var. De typische vorm heeft licht crèmekleurig witte
vvls. („alis supra albis”, Syst. Nat., X, p. 535), terwijl de —
costa en achterrand der vvls., de kop en de halskraag geel
zijn. In Z. Mus. een ex. van Breda met kop en halskraag wit.
lab. flava! De Graaf) BstLip 234, 853 n(ke spies
nomen nudum). Vvls. geel. Overal onder de soort, zoowel
bij ¢ 3 als ® ® en haast even gewoon als de witte vorm.
2. ab. cremella Kroulikovsky, Soc. Ent., vol. 23, p. 18, 1908.
Vvls. witachtig, de zwarte punten aan costa en binnenrand
ontbreken bijna of geheel. Renkum, Bloemendaal (Z. Mus.).
Ook bij den gelen vorm zullen dergelijke exx. wel voorkomen.
3. ab. Dwergen. Amersfoort (Langeveld).
Oeonistis Hb.
203. O, quadra L. Zeer onregelmatig. In den regel uiterst
zeldzaam of zelfs geheel ontbrekend, dan plotseling (het
laatst in 1936) op verscheiden plaatsen talrijk. Zoo ving Rk.
in 1936 te Meerssen op 9 Aug. 5 exx., op 15 Aug. 30 exx.
en op 17 Aug. 11 exx. Pater Prick nam de soort dat jaar
te Maastricht waar op 9,17, 919) 235926, 127 enteZ9 Aue:
Snellen (De Vlinders, I, p. 153) noemt de soort „ge-
meen”. Of hij zijn werk juist in een periode van talrijkheid
schreef, of dat quadra inderdaad vroeger veel geregelder
voorkwam, is niet meer uit te maken. De oorzaak van het
plotseling talrijke optreden in 1936 is niet met zekerheid
bekend. Het is mogelijk, dat de vlinder hier altijd, maar dan
zeer zeldzaam, voorkomt, om onder bijzonder gunstige om-
standigheden plotseling zeer sterk te vermeerderen, maar we
kunnen hier even goed met een geval van immigratie te doen
hebben. Hetzelfde verschijnsel heeft zich in 1936 ook in het
buitenland voorgedaan (zie bijv. Fiebig, Mitt. Ent. Ver.
Bremen, 1936). 1 gen, tweede helft van Juni tot begin Septr.
(21-6 tot 5-9).
Vindpl. Fr.: Kollum (1901). Gr.: Groningen. Dr.:
Hoogeveen. Ov.: De Lutte (1909), Diepenveen (1936, 3
exx.), Deventer. Gdl.: Nijkerk, Harderwijk, Putten (1888,
1902, 1927, 1929), Apeldoorn (1888, 1890, 1892, 1902),
Tiwello (1936, 1937, telkens 1 ex.), Empe, Dieren, Velp
(1905), Arnhem (1871, 1872, 1902), Oosterbeek (1870),
Bennekom (1937, 1 ex.), Ede (1853), Vorden, Lochem
(1890), Aalten (1936), Varsseveld, Doetinchem, Nijmegen
(1878, 1932). Utr.: Doorn, Driebergen (1882), Zeist,
Utrecht (1900, 1905), Soest (1872, 1874, 1879), Baarn (1878,
1888, 1898, 1909), Eemnes (1874), Loosdrecht (1856, 1857).
N.H. : Hilversum (1876), Amsterdam (1888, 1901, 1906, 1 ex.
in 1937), Haarlem. Z.H. : Den Deyl, Wassenaar, Den Haag
(1869, 1876), Rotterdam (1890), Dordrecht (1905). Zl:
Walcheren, Goes, Kapelle (1879, 1888). N.B. : Breda (1869,
(160) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 262
1871, 1873, 1882, 1911), Ginneken (1909), Tilburg (1876).
Lbg.: Venlo, Tegelen (1907), Steyl (1908), Brunssum
(1936), Rolduc (1907), Meerssen (46 exx. in 1936, 2 exx.
in 1937), Maastricht (1936), Epen (1 ex. 1937), Vaals
(1936).
Var. 1. ab. luteomarginata Lbll., Cat. Lép. Belg., p. 370,
1906. Vvls. van het 4 eenkleurig geelgrijs zonder den don-
keren achterrand. Ede, Amsterdam (Z. Mus.) ; Meerssen
(Rk.).
2 ab obscura ochaw. eZ. ©est, E.V... vol 16,1p 21921
Geheele vvl. van het 4 donker op den gelen wortel na.
Meerssen (Rk.).
3. ab. unipunctata Spuler, Schm. Eur., vol. 2, p. 148, 1906.
2 zonder de donkere vlek aan den binnenrand der vvls.
Een trans. van Wassenaar, waarbij de vlek zeer flauw is
(Z. Mus.).
Lithosia F.1)
204. L. depressa Esp. (deplana Esp. nec L.). In zand-
en boschachtige streken van het geheele land, ook in de
duinen. Vrij lokaal, maar op de vindplaatsen soms in aantal.
1 gen., half Juni tot half Septr. (20-6 tot 15-9). Cold. ving
9-10-33 een gaaf 2 te Twello (laat ex. of tweede gen.?).
Vindpl. Ov.: Lonneker, Holten, Diepenveen. Gdl.:
Ermelo, Putten, Leuvenum, Nunspeet, Tongeren, Het Loo,
Apeldoorn, Twello (weinig talrijk), Laag Soeren, De Steeg,
Rozendaal, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Renkum, Bennekom ;
Laren, Aalten, Slangenburg, Montferland, Nijmegen. Utr.:
Amerongen, Soestdijk. N.H.: Hilversum (rupsen veel ge-
klopt uit Abies, Doets), Laren, Bussum, Overveen. N.B.:
Ginneken, Breda, Rijen, Oisterwijk, Overloon. Lbg.: Plas-
molen, Arcen, Venlo, Beesel, Roermond, Susteren.
Var. De soort is duidelijk sexueel dimorph. Het 4 (met
fijn gekamde sprieten) heeft grijsachtig gele vvls. en iets
lichtere avls., het © (met draadvormige sprieten) heeft don-
kergrijze vvls. met gele costa en eenkleurig donkergrijze
avls. 2)
1. ab. unicolora Guenée, Ann. Soc. Ent. Fr., 1861, p. 54.
Vvls. eenkleurig geel. Door den auteur van het 2 beschre-
1) Voor dit geslacht kon nog juist gebruik gemaakt worden van de
monografie van Sterneck: „Zur Kenntnis von Lithosia F. und Pelosia
Hb.” in Z. Oest. E. V., vol. 23, 1938. De soorten zijn volgens deze pu-
blicatie gerangschikt.
2) Het verschil is zoo sterk, dat de oude auteurs 4 en @ als aparte
soorten beschouwden, waarvan de synonymie de volgende is:
& = deplana Esp., Schmett. in Abb., IV, 1, p. 97, pl. XCIII, fig. 1,
2, 1786; luteola Hb., Beitr. Schm., I, 3, p. 11, pl. I, fig. E, 1788 (nec
Samml. Eur. Schm., fig. 92) ; helvola Hb., Samml. Eur. Schm., fig. 95,
+ 1800; helveola O., Schm. Eur., vol. 3, p. 133, 1810.
263 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (161)
ven, maar komt ook bij het & voor. Putten, Breda, Oister-
e Venlo (Z. Mus.).
2. ab. foeminea Guenée, lc. & van dezelfde kleur als het
e, avis. ook eenkleurig grijs zonder donkeren achterrand.
Leuvenum (Cold.) ; Nijmegen (Z. Mus.).
205. L. pygmaeola Dbld. In het geheele duingebied van
Texel tot Walcheren, op de vindplaatsen in den regel ge-
woon. Zoo kwam de soort 25 Juli 1928 in massa te Zand-
voort voor, begin Aug. soms wel 100 exx. per avond (Wiss.).
Bovendien is 1 ex. uit het binnenland bekend. 1 gen., begin
Juni tot eind Aug. (5-6 tot 26-8).
Vindpl. Gdl: Putten, 25-7-1928, 1 & (Z. Mus.).
N.H.: Texel, Wijk aan Zee, Driehuis, Haarlem, Overveen,
Zandvoort, Heemstede. Z.H.: Noordwijk, Katwijk, Wasse-
naar, Den Haag, Rockanje. Zl.: Domburg.
Var. 1. pygmaeola Dbld., Zoologist, vol. 5, p. 1914,
28 Octr. 1847. Bijna alle exx. behooren tot den kleinen bleeken
geelgrijzen typischen vorm (ook het & van Putten). Deze is
verder alleen bekend uit de Belgische duinen en uit de duinen
aan de Engelsche zuidwestkust (Kent en Norfolk).1)
2. f. pallifrons Zeller, Stett. Ent. Z., vol. 8, p. 339, Nov.
1847. In den regel iets grooter en de grondkleur der vis.
geler. (Keer, pl. 83, fig. 6). Verschillende exx. van pyg-
maeola vormen door hun gelere vvls. een trans. naar pallifrons,
terwijl een enkele maal zelfs exx. aangetroffen worden, die
geheel indentiek zijn aan pallifrons : Zandvoort (Btk.) ; Dom-
burg (Z. Mus.).
Het is overigens wel merkwaardig, dat typische pallifrons
alleen lokaal in Denemarken is aangetroffen (op Bornholm,
Falster en Moen, waarschijnlijk uitloopers van de Zweed-
sche exx.), doch verder in het geheele omringende gebied
ontbreekt. In het uiterste Westen heeft de soort zich tot een
zeer specialen duinvorm ontwikkeld (afgezien van het Gel-
dersche 4 ), die dus geheel geïsoleerd staat van den hoofd-
vorm, maar die zijn afstamming niet verloochent door af en
toe echte pallifrons-exx. te produceeren. Het zal zeker in-
teressant zijn na te gaan, of er nog een verbinding bestaat
tusschen de Britsch-Nederlandsch-Belgische pygmaeola en de
Q = depressa Esp. Lc., p. 98, fig. 3; ochreola Hb., l.c., fig. 96.
De definities, die Seitz van deze namen geeft (vol. 2, p. 65, 1910),
zijn niet juist. Van ochreola Hb. zegt hij :Vvls. „fast lehmgelb”. H ü b-
ner's fig. is echter een typisch donker 9. Van ‘helveola ©. = helvola
Hb.: „fast weiszgelb”. De fig. is echter een normaal 4. Van luteola Hb.:
„von unbesfimmiter Zwischenfarbe”. Maar Hübner zegt zelf, dat zijn
luteola — deplana Esp. is. Alle namen zijn dan ook synoniemen en als
aberratie-namen volkomen onbruikbaar.
1) De typonominale vorm komt niet in Zweden voor, zooals opgegeven
wordt in Lep. Cat., pars 26, p. 568, 1922. De bedoelde exx. behooren tot
pallifrons (Nordström, Entom. Tidskr., 1925, p. 213—216).
(162) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 264
Fransche pallifrons. 1) Het is duidelijk, dat pallifrons met zijn
uitgestrekt vlieggebied (tot ver in Azié) de hoofdvorm en
pygmaeola daarvan een gespecialiseerd ras is, maar tenge-
volge van een prioriteitsverschil van enkele dagen (ik heb dit
in Lambillionea uitvoerig uiteengezet) moet de soort L. pyg-
maeola Dbld. heeten met subsp. (bij ons ab.) pallifrons Z.
* 206. L. lutarella L. Sporadisch. In Denemarken in Jut-
land (alleen op Diursland, het groote Oostjutl. schiereiland)
en lokaal op Seeland, Moen en Bornholm. In Sleesw.-Hol-
stein sporadisch ; bij Hamburg alleen op droge, met gras
begroeide zandgronden ; ontbreekt bij Bremen ; in Hannover
bij de stad (in den vorm nigrogrisea Peets) ; in Westfalen
vroeger bij Munster ; in de Rijnprov. bij Bingen. Ontbreekt
in België en Engeland. Van Nederlandschen vliegtijd niets
bekend.
Vindpl. N.B.: Breda, 2 exx. in L. Mus. (Heylaerts
schrijft in T. v. E., vol. 13, p. 148 : „Très rare dans le Ulven-
houtsche Bosch”). Lbg. : Maastricht (Z. Mus., een oud ex.
uit de coll-Van den Brandt).
Opm. De verhouding tusschen pygmaeola, pallifrons en
lutarella is pas in 1938 definitief tot klaarheid gebracht door
het genitaliënonderzoek van Diakonoff (in litt.), Pier-
ce (in litt.) en Sterneck (l.c.). Hierbij bleek, dat pyg-
maeola niet een vorm was van lutarella, zooals vroeger ge-
meend werd, dat er evenmin 3 aparte soorten waren, doch
dat pygmaeola en pallifrons één soort vormen, lutarella een
andere.
L. lutarella is, als ze niet afgevlogen is, gemakkelijk te
onderscheiden door de prachtige dooiergele kleur, zoowel van
v.- als avls., terwijl de voorrandshelft der avls. in den regel
veel donkerder (zwarter) is dan bij pygmaeola-pallijrons en
daardoor veel sterker afsteekt. Bij pygmaeola-pallijrons zijn
de avis. in den regel lichter dan de vvls. (ook bij de bleeke
pygmaeola vera soms nog wel te zien). Het voorhoofd van
lutarella is donker, maar dat van pygmaeola-pallifrons is,
niettegenstaande den naam, lang niet altijd licht, kan zelfs
zoo donker zijn als bij lutarella. Ook bij onze Nederlandsche
pygmaeola komen exx. met licht en met donkerder voor-
hoofd voor. Zie voor de genitaalverschillen vooral de pu-
blicatie van Sterneck. Zie ook de studie over Deensche
pygmaeola-pallifrons en lutarella van Dr. Hoffmeyer
in Flora og Fauna, 1931, p. 137—141.
1) De bekende Catalogue van Lhomme is hier van weinig nut. Palli-
frons, die als een vorm van lufarella behandeld wordt (met niet geheel
juiste diagnose), wordt opgegeven van Vendée en Deux-Sèvres. Pyg-
maeola wordt (eveneens als vorm van lutarella) vermeld van: Env.
de Paris, Eure et Loire, Indre, Hautes-Pyrénées. Vooral deze vindplaatsen
lijken me zeer onwaarschijnlijk, te meer, omdat de diagnose niet juist is
(„ailes supérieures jaune pâle, ailes inférieures plus ou moins noires sau-
poudrées de foncé moins l'aire costale”, l.c., p. 122).
265 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (163)
207. L. complana L. In alle zandstreken, ook in de duinen,
maar op lang niet alle plaatsen gewoon. In Twello bijv. komt
de soort veel minder voor dan griseola, terwijl Lukkien
in Diepenveen in 12 jaar geen enkel ex. waarnam. 1 gen,
begin Juli tot half Septr. (1-7 tot 13-9).
Var. De tint der vvls. is vrij variabel.
208. L. lurideola Zincken. In boschachtige streken, vooral
in het O. en Z., vrij lokaal, maar op de vindplaatsen in den
regel gewoon. Vliegtijd midden Juni tot half Septr. (17-6 tot
13-9), zoodat het niet uitgesloten is, dat bij de late exx. en-
kele eener tweede gen. zijn.
Vindpl.Fr.: Kollum. Gr. : Groningen. Dr. : Paterswolde
(rupsen tegen eikestammen in het Kluvingsbosch, Skm.),
Schoonoord, Hoogeveen. Ov.: Denekamp, Zwolle, Welsum,
Diepenveen. Gdl.: Nijkerk, Heerde, Twello (gewoon),
Veenendaal ; Gorssel, Zutfen, Almen, Laren, Vorden, Win-
terswijk, Aalten, Zelhem, Doetinchem, Nijmegen. Utr. : Leer-
sum. N.H. : Laren. Z.H. : Rockanje. Zl. : Wemeldinge. Lbg. :
Venlo, Echt, Brunssum, Maastricht, Geulem, Houthem, Ule-
straten, Welterberg, Gulpen, Eperheide, Epen, Vaals.
209. L. griseola Hb. Een onzer gewoonste Lithosia’s (maar
in Twello minder dan de vorige), in alle boschachtige streken,
ook op vochtige terreinen, zooals de vennen bij Hatert en den
Plasmolen (zeer talrijk, Bo.), Kortenhoef, Aalsmeer. Bij Al-
melo komt de soort in groot aantal voor, elken avond kwamen
de vlinders op de lamp, ook bij maan of regen (Cet.). 1 gen,
eind Juni tot eind Aug. (27-6 tot 27-8).
Var. De kleur der vvls. varieert van lichter tot donkerder
grijs.
1. ab. flava Hw., Lep. Brit, p. 147, 1809. Vvls. geel in
plaats van grijs. Zeldzaam. Rijs, Hilversum, Numansdorp,
Rockanje (Z. Mus.) ; Aalten (v. G.) ; Muiderberg ( v. d.
M.; Z. Mus.) ; Aalsmeer (Pt.) ; Nederhorstdenberg, Breda
(L. Mus.).
210. L. sororcula Hufn. Voornamelijk in boschachtige
streken, vrij lokaal. 1 gen., tweede helft van April tot eind
Juni (24-4 tot 28-6).
Vindpl. Dr.: Norg. Ov.: Hengelo, Markelo, Diepen-
veen. Gdl.: Putten, Gortel, Apeldoorn, Twello (geregeld,
maar meest niet talrijk), Brummen, Dieren, Velp, Wolfheze,
Bennekom, Vorden, Ruurlo, Aalten, Slangenburg, Bijvank,
Nijmegen, Hatert. Utr.: Soest. N.H.: Schoorl, Overveen.
Z.H.: Lisse, Den Haag, Rotterdam, Dordrecht. Zl. : Haam-
stede. N.B.: Ginneken, Breda, Ulvenhout, Princenhage,
Hondsdonk, Helvoirt, Oisterwijk, Deurne. Lbg.: Plasmolen,
Venlo, Roermond, Kerkrade, Meerssen (vrii zeldzaam),
Houthem, Epen.
Var. 1. ab. flava nov. ab. Vvls. geel in plaats van oranje-
(164) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 266
geel.1) Weldam—Markelo (L. Mus.) ; Gortel, Bijvank
(Cold.) ; Apeldoorn (de Vos) ; Putten, Arnhem, Rotterdam,
Venlo (Z. Mus.) ; Deurne (Lpk.).
* 211. L. bipuncta Hb. Slechts van 1 vindplaats bekend in
3 volkomen gave exx. Eén der onverklaarbaarste vangsten,
die ooit in ons land gedaan zijn. Volgens Seitz komt de
soort slechts in Zuid-Afrika (Kaapland, Natal) voor, mis-
schien ook in Indië, terwijl slechts enkele exx. in Zuid-Europa
(Italië en Spanje) zijn waargenomen. Dr. Sterneck, die
1 der 3 exx. heeft kunnen onderzoeken, meent, dat het in-
tensieve handelsverkeer tusschen Nederland en Z.O.-Azie
misschien een verklaring voor de vangst in ons land kan
zijn. De determinatie is geschied met Seitz, daar noch
Sterneck noch ik over exx. konden beschikken. Intusschen
is de soort onmiddellijk te herkennen aan 2 groote zwarte vlek-
ken op de vvls., 1 aan den voorrand en 1 boven den binnen-
rand, precies als bij het 9 van O. quadra L. Bij onderzoek van
het copulatie-apparaat bleek dit zoo sterk te verschillen van
alle bestudeerde Lithosia's, dat de soort naar Sterneck's
meening minstens in een apart subgenus thuishoort. Voor
bijzonderheden verwijs ik naar zijn publicatie. De heer W it t-
pen, die de vlinders zelf gevangen heeft, heeft ze altijd
aangezien voor exx. van P. muscerda Hufn., omdat dit ten-
slotte de eenige Nederlandsche Lithosia-achtige vlinder is
met gevlekte vvls.
Vindpl. N.H.: Zandvoort, 25 Juli 1900, 3 exx. (Wp.).
De dieren zaten tegen rieten omheiningen van aardappel-
veldjes in de duinen.?)
Pelosia Hb.
212. P. muscerda Hufn, In boschachtige streken, zoowel
op droge als vochtige gronden, in heidestreken en in de
duinen, 1 gen., half Juni tot half Septr. (18-6 tot 19-9;
de late vangsten exx. eener tweede gen. ?).
Vindpl. Fr.: Beetsterzwaag, Rijs. Gr.: Groningen.
Dr.: Eelde, Rolde, Schoonoord, Hoogeveen. Ov.: Dene-
kamp, Lonneker, Hengelo, Almelo (talrijk, Cet.), Diepen-
veen. Gdl. : Veluwe ( Twello weinig), Graafschap en Achter-
hoek, Bijvank, Malden, Hatert (talrijk, Bo.). Utr. : De Bilt,
Soest, Lage Vuursche, Groenekan, Loosdrecht, Kortenhoef
(veel, Doets), Nichtevegt. N.H. : Hilversum, Laren, Bussum,
Wijk aan Zee. Haarlem, Overveen, Zandvoort, Heemstede.
Z.H. : Hillegom, Noordwijk, Leiden, Wassenaar, Rockanje,
1) Ailes antérieures jaunes au lieu de jaune-orange.
2) Ik wijs er in dit verband op, dat het eenige op het oogenblik uit
ons land bekende ex. van Rhodomefra sacraria L., ook een Afrikaansche
soort, eveneens in het duingebied werd gevonden en ook gave franje had.
Wel een merkwaardige overeenstemming !
267 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (165)
Dordrecht. Zl.: Domburg. N.B.: Ginneken, Breda, Burgst,
Princenhage, Oisterwijk, Vught, Deurne. Lbg.: Plasmolen
(talrijk, Bo.), Venlo, Tegelen, Baarlo, Roermond, Maasniel,
Heerlen, Voerendaal.
Var. Het aantal zwarte vlekjes op de vvls. is zeer ver-
anderlijk.
1. ab. immaculata Oudemans, T. v. E., vol. 42, V. p. 20,
1899 (concolor Schultz, Ent. Z., vol. 22, p. 183, 1909). Vvls.
zonder zwarte vlekjes. Fig.: T. v. E., vol. 40, pl. 12, fig. 2.
Beetsterzwaag (F. F.) ; Hengelo (Btk.) ; Tongeren (links,
Hardonk) ; Apeldoorn (de Vos) ; Nijmegen (Onze VI, p.
70) ; Oisterwijk (Z. Mus.).
Atolmis Hb.
213. A. rubricollis L. Vooral in boschachtige streken (ook
in de duinen), maar ook daarbuiten aangetroffen. 1 gen.
eind Mei tot half Juli (22-5 tot 19-7). Midden Juni 1933
vloog de vlinder bij Delden in vollen zonneschijn in aantal
om de toppen van alleenstaande oude pijnboomen (Cold).
Vindpl. Fr. : Bakkeveen, Oranjewoud. Gr. : Groningen,
Slochteren. Dr.: Paterswolde, Hoogeveen. Ov.: Almelo,
Delden (Twente geregeld, soms talrijk, Cold.), Ommen, Mar-
kelo, Nijverdal, Holten, Diepenveen. Gdl. : Putten, Elspeet,
Nunspeet, Hoog Soeren, Apeldoorn, Twello (op licht vrij
geregeld, maar niet talrijk), Empe, Ellecom, De Steeg, Arn-
hem, Oosterbeek, Wolfheze, Bennekom (talrijk, Cet.), Ede;
Zutfen, Aalten, Varsseveld, Slangenburg, Bijvank, Montfer-
land, Didam, Nijmegen, Hatert, Groesbeek. Utr. : Doorn,
Zeist, De Bilt, Soest, Baarn. N.H. : Holl. Rading, Hilversum,
Bussum, Amsterdam (1936 v. d. M., 1937 Jonker), Bergen,
Castricum, Santpoort, Bloemendaal, Haarlem, Overveen.
Z.H. : Warmond, Noordwijk, Wassenaar, Den Haag, Sche-
veningen, Rotterdam, Hillegersberg. N.B. : Ginneken, Breda,
Hondsdonk, Deurne. Lbg.: Plasmolen, Venlo, Brunssum,
Kerkrade, Epen, Meerssen.
Var. 14 ab. flavicollis Neub/tSoc Ents) vol. sia p M5
1902. Halskraag geel in plaats van rood. Apeldoorn (L. Mus.).
Arctiidae.
Coscinia Hb.
214. C. striata L. Op zandgronden, ook in de duinen.
Zeer lokaal, maar op de vindplaatsen soms in aantal. 1 gen,
begin Juni tot in de tweede helft van Aug. (4-6 tot 22-8).
Vindpl. Gr. : Groningen (Onland). Ov. : Zwolle. Gdl. :
Nijkerk, Harderwijk, Putten, Nunspeet, Uddel, Laag Soeren,
Wolfheze, Wageningen, Bennekom; Drempt, Doesburg.
(166) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 268
Utr.: Leersum, Driebergen, Amersfoort, Soest. N.H.: Hil-
versum, Bussum, Huizen, Valkeveen, Haarlem, Bloemendaal.
Z.H.: Katwijk, Leiden (Den Deyl), Wassenaar, Den Haag.
N.B.: Breda. Lbg.: Arcen.
Var. Literatuur: Warnecke, Iris, 1924, p. 149 en volg.
1. ab. pallida Butler, Trans. Ent. Soc. London, 1877, p. 360.
Op de vvls. ontbreken de donkere strepen, alleen de 2 midden-
celvlekken zijn aanwezig. Groningen, Susann „Zuid-Hol-
landé2(Z..Mus.);t Breda) (15, 18):
2. ab. laetijica Stauder, Boll. Soc. Adr. Sc. Nat., vol. 25,
panico pli fig. 11, 1910, Vis. eenkleurig geelachtig,
zonder strepen en middencelvlekken. Breda (19).
215. C. cribraria L. Op zandgronden, vooral heidestreken
en duinen. Er zijn echter ook enkele vindplaatsen op voch-
tiger gronden bekend. 1 gen., begin Juni tot in de tweede
helft van Aug. (9-6 tot 22-8).
Vindpl. Dr.: Frederiksoord. Ov.: Markelo, Diepen-
veen. Gdl.: Putten, Leuvenum, Nunspeet, Apeldoorn, Twel-
lo (geregeld, maar niet talrijk), Empe, Rhederhei, Velp,
Oosterbeek, Wolfheze, Wageningen, Bennekom; Zutfen,
Vorden, Lochem, Laren, Aalten; Hatert. Utr. : Leersum,
Amerongen, Maarsbergen, Driebergen, Zeist, De Bilt, Bilt-
hoven, Soesterberg, Soest. N.H.: Hilversum, Laren, Bussum,
Drafna, Texel, Wijk aan Zee, Driehuis, Bloemendaal, Haar-
lem, Overveen, Naaldenveld, Zandvoort, Heemstede. Z.H. :
Noordwijk, Katwijk, Wassenaar, Den Haag, Hoek van Hol-
land, Rockanje, Zevenhuizen (polderland! T. v. E., vol. 39,
p. 75). Zl. : Haamstede, Domburg, Serooskerke (Br., 1937,
op kleigrond). N.B. : Bergen op Zoom, Rozendaal, Ginneken,
Breda, Tilburg, Oisterwijk, Deurne. Lbg.: Mook, Arcen,
Venlo, Tegelen, Melick, Susteren, Brunssum, Meerssen
(zeldzaam).
Var. De vlinder komt bij ons in 2 vrij scherp van elkaar
gescheiden rassen voor, een duinras en een heideras. Het
laatste bleek mij bij kweeken constant te zijn, terwijl Br. een
kolonie van het duinras te Serooskerke op kleigrond aantrof,
op ongeveer 5 km van de duinen, zoodat ook dit ras bij nader
onderzoek wel constant zal blijken te zijn. Geen van beide
rassen stemt overeen met den typonominalen vorm, die bij
ons slechts aberratief optreedt.
1. ras anglica Oberthür, Lép. Comp., vol. 5, p. 171, fig.
735, 736, 1911. De stippen op de vvls. uitgevloeid tot lengte-
stralen evenwijdig aan de aderen. Meestal is de witte grond-
kleur gebleven, maar soms is ook deze verdonkerd. Het don-
kere ras onzer heidestreken (ook die van N.W.-Duitschld.,
België en Engeld.), soms als ab. in de duinen : Driehuis (Van
Berk) ; Zandvoort (Wp.) ; Rockanje (Z. Mus.).
2. ras arenaria Lempke, Lamb., 1937, p. 150, pl. 10, fig.
5, 6. Vvls. met fijne zwarte stippen, die vaak gereduceerd
269 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (167)
in aantal zijn; avls. lichter, de wortelhelft (of nog meer)
lichtgrijs. Het lichte en iets kleinere duinras. Als ab. nu en dan
onder het heideras : Putten, Houthem, beide 1 4 (Z. Mus.).
3. cribraria L. Vvls. met vrij groote, bijna geheel vrij staan-
de stippen. Keer, pl. 82, fig. 2. Als vrij zeldzame ab. hier en
daar onder het heideras. Hatert (Bo.) ; Soest (Lpk.) ; Hil-
versum, Venlo (Z. Mus.).
4, ab. unicolor Closs, Int. Ent. Z., vol. 10, p. 39, 1916.
Vvls. geheel wit, zonder stippen. Ab. van het duinras. Schoorl
(Wiss.) ; Den Haag, Domburg (Z. Mus.) ; Haamstede,
Serooskerke (Br.).
Utetheisa Hb.
216. U. pulchella L. Niet inheemsch. Evenals in het om-
ringende gebied een zeer zeldzame immigrant. In Denemar-
ken lang geleden 1 ex. in N. Jutland. In Sleesw.-Holst.
niet waargenomen ; bij Hamburg zeer zeldz. ; bij Bremen eens
vòòr 1879 ; in Hannover een gaaf © 6-10-1892 bij Menslage
(Osnabrück) ; in Westfalen 1 ex. in 1893; in de Rijnprov.
eenige malen als trekker. In België de laatste jaren alleen
een ex. te Cortenberg. In Engeld. zeer zeldzaam, maar toch
wat meer dan bij ons. De weinige beschikbare data wijzen
op 2 gens.
Min dpl#Ov. Olst (Onze Milis p. 74). Gal Beelkbi
Nijmegen (l.c.) ; Nijmegen, 15-10-1876 (T. v. E., vol. 34,
p. XXIV). Z.H. : Rotterdam, 7-6-1892, een prachtig gaaf ©,
waarvan niet aangenomen kan worden, dat het is komen
toevliegen (Z. Mus.).
Var. 1. subsp. pallida Spuler, Schm. Eur. II, p. 143, 1906.
De noordelijker vorm is kleiner, de roode en zwarte teekenin-
gen zijn bleeker, de avls. zijn matter, grijszwart geteekend.
Hiertoe behoort het ® van Rotterdam, evenals dat van Beek.
Volgens Spuler is pallida in Z.W.-Duitschland in-
heemsch. 1)
Phragmatobia Stephens.
217. P. fuliginosa L. Door het geheele land, vooral in
boschachtige streken. Waarschijnlijk 3 gens., de eerste begin
Mei tot in de tweede helft van Juni (1-5 tot 23-6), de tweede
begin Juli tot eind Aug. (7-7 tot 27-8), terwijl nu en dan
nog exx. van een derde gen. half Septr. tot half Octr. voor-
komen. In 1937 ving v. G. een ex. op 15-9 na een pauze van
1) Pierce bericht mij zoo juist, dat pulchella in een aantal soorten
uiteenvalt, waarvan de © 9 echter niet of zeer moeilijk zijn te onder-
scheiden. Het ex. van Beek (in Zoöl. Lab. Utr.) en dat van Rotterdam
zijn beide © 9. De andere kon ik niet achterhalen. Voorloopig moeten
dus alle exx. als pulchella beschouwd worden.
(168) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 270
29-7, in 1933 kweekte Tolman een ex., dat 14-10 uit-
kam. |De’Gavere schrift (I. v. E. vol. 10, p. 199),
dat nu eens de rups, dan weer de pop overwintert en dat
in beide gevallen de vlinder in Mei uitkomt. Ik heb hiervan
geen bevestiging kunnen vinden. De algemeene ervaring is,
dat de volwassen rups overwintert. |
Vindpl. Gr.: Appelbergen (ten Z. van Groningen
overal, Skm.). Dr. : Paterswolde, Norg, Schoonoord, Hoo-
geveen. Ov. : Steenwijk, Lonneker, Hengelo, Almelo (gewoon,
Cet.), Markelo, Diepenveen, Deventer. Gdl. : Veluwe, Graaf-
schap en Achterhoek, Montferland, Didam, Herwen, Lobith,
Nijmegen en omgeving. Utr. : overal op zandgrond. N.H.:
Gooi, Muiden, Amsterdam, Wijk aan Zee, Velzen, Santpoort,
Haarlem, Overveen, Zandvoort. Z.H.: Hillegom, Katwijk,
Leiden, Rijswijk, Rotterdam, Woerden, Dordrecht. ZI. :
Haamstede, Domburg, Serooskerke, Kapelle-Goes. N.B.:
Bergen op Zoom, Ginneken, Breda, Tilburg, Oisterwijk,
‘s-Hertogenbosch, Nuenen, Engelen, St. Michielgestel, Deur-
ne. Lbg.: geheele prov. (Meerssen zeer gewoon).
Var. Linné beschrijft den typischen vorm (Syst. Nat.
ROO) cals: ze ers alis deflexis fuliginosis puncto nigro ;
inferioribus rubris nigro-maculatis. Dus vvls. roetkleurig of
donkerbruin, avls. rood met zwarte vlekken langs den achter-
rand. Deze vorm komt overal voor, maar is in den regel niet
talrijk.
1. ab. marginata Tutt, Ent. Rec., vol. 15, p. 64, 1903. Langs
den achterrand der avls, een doorloopende zwarte band,
overigens zijn ze rood. Overal onder de soort, wat meer dan
de typische vorm.
2. ab. intermedia Tutt, lc, p. 63. Als 1, maar bovendien
is de geheele voorrandshelft der avis. zwart, zoodat alleen
aan den binnenrand een breede roode driehoek overblijft.
De gewoonste vorm. Keer, pl. 79, fig. 12 ; South, pl. 80, fig. 1.
3. ab. typica-rufa Tutt, Lc., p. 62. Grondkleur der vvls.
mooi licht roodbruin. Overal, maar niet talrijk ; onafhankelijk
van de kleur der avls. Door Tutt oorspronkelijk van den
Schotschen vorm (borealis Stgr.) beschreven.
4, ab. impuncta nov. ab. Vvls. zonder zwarte stippen aan
het einde der middencel. 1) Utrecht (L. Mus.), Breda (21).
5. ab. kolari Dioszeghy, Mitt. Siebenb. Ver. f. Naturw. zu
Hermannstadt, 1932, p. 127 (punctata Salerou, Lamb., 1935,
p. 86). Aan den achterrand der vvls. 1 of meer zwarte vlek-
jes. Twello (Cold.) ; Hilversum (Wp.).
6. ab. Dwergen. Wijk aan Zee (Wp.).
Teratol. ex. Linker vleugels te klein, de vvls. boven-
dien te smal. Zandvoort (Pt.).
1) Ailes antérieures sans les taches noires discales.
271 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (169)
Parasemia Hb.
218. P. plantaginis L. Met zekerheid uitsluitend in Zuid-
Limburg ; daar lokaal, maar op de vliegplaatsen vrij gewoon.
1 gen., eind Mei tot half Juli (27-5 tot 15-7). [Bij kweeken
treedt altijd een gedeeltelijke tweede gen. op, die van Aug.
tot Octr. (23-8 tot 21-10) uitkomt. Zeer waarschijnlijk zal
deze gen. ook in natura wel voorkomen, maar ze is tot nog
toe niet waargenomen, ook al, omdat in Septr. weinig in het
krijtgebied verzameld is. ]
Vindpl. [? Gdl.: Dieren (Bst., I, p. 235: „Eene reeks
van jaren geleden eenmaal in het Dierensche bosch’, teste
Ver Huell. Zeer twijfelachtig.] Lbg.: Maastricht (St.
Pietersberg), Mechelen, Epen, Vijlen, Vaals.
Var. Het typische ¢ heeft gele, het ® roode avls.
1. ab. hospita Schiff, Syst. Verz. p. 316, 1776. & met
witte grondkleur der avls. Op alle vindplaatsen. Ongeveer
een vijfde der 3 & behoort er toe.
2. ab. aurantiaca Schaw., Mitt. Münch. E. G., vol. 14, p.
115, 1924. Grondkleur der avls. van het © oranjegeel. Maas-
tricht, Epen, „Limburg, 32 2 (Z. Mus.) ; Vaals (Cold.
ook een &).
3, ab. rubrocostata Closs, Int. Ent. Z., vol. 8, p. 200, 1915.
Voorrand der vvls. van het © rood. Vaals (Z. Mus.). (Bij
normale 2 ? zijn zoowel de costa als de subcosta rood ; bij
het bedoelde ex. is de geheele ruimte tusschen beide aderen
rood).
Spilarctia Butler.
219. S. lubricipeda L., 1758 (lutea Hufn., 1766). Vlieg-
tijd half Mei tot half Aug. (18-5 tot 10-8), vrij zeker toch
slechts 1 gen. Door het geheele land algemeen, ook bekend
van Texel.
Var. 1. ab. hipperti Lbll., Ann. Soc. Ent. Belg., 1903, p. 7.
4 met de lichte grondkleur van het 2. Delden (v. d. M.);
Putten (Z. Mus.) ; Berg en Dal, Hillegersberg (Bo.) ; Hil-
versum (L. Mus.).
2. ab. unicolor Homberg, Bull. Soc. Ent. Fr., 1907, p. 71
(denigrata Schultz, Ent. Z., vol. 22, p. 183, 1909). Op de
bovenzijde ontbreken alle vlekken, behalve op de vvls. de
costaalvlek het dichtst bij den wortel. Meestal in zwak ge-
vlekte trans. exx. Deventer, 2 (Cold.) ; Zutfen (L. Wag.) ;
Haarlem, Den Haag, Rotterdam (3 zeer zwak geteekende
9 9, Z. Mus.) ; Herwen, Lobith (Sch.) ; Breda (50).
3. ab. paupera Hoffman, Int. Ent. Z., vol. 5, p. 227, 1911
(semiunicolor Vorbrodt, Mitt. Schweiz. E. G., vol. 12, p. 493,
1917). Vvls. normaal, avis. op de bovenzijde zonder vlekken.
(170) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 272
Amsterdam, & (Z. Mus.) ; Den Haag (26) ; Hillegersberg
(Bo.).
4. ab. fasciata Tugwell, Entom., vol. 27, p. 95, p. 205, fig.
4, 1894. Op de vvls. een door de lichte aderen doorsneden
zwarte band, die vanaf ongeveer twee derden van de costa
(de tweede costaalvlek) met een boog naar de vlek loopt,
die zich aan den binnenrand bij den binnenrandshoek bevindt.
Op de avls. een submarginale band van groote donkere vlek-
ken (als bij South, pl. 77, fig. 6; de vvl.teekening is echter
die van ab. eboraci Tugwell). Wijster, & (Beijerinck) ; Haar-
lem, &, Amsterdam, Rijnsburg, 2 2 2 (Z. Mus, 3 pracht-
exx.). Bovendien enkele trans. exx., die wel de vvl.teekening
van fasciata hebben, doch bij welke de avls. minder sterk ge-
teekend zijn: Amsterdam (2 & &, 1 9, Z. Mus.; 1 &, v. d.
M.; 1 4, Van der Beek; &, 24), Duivendrecht, ® (Van
der Beek).
5. ab. zatima Cramer, Uitl. Kap., vol. 4, p. 182, pl. 381,
fig. F, 1782. Voorrand, binnenrand en geheele buitenhelft
der vvls., en de avis. bijna geheel, zwartachtig, door de lichte
aderen doorsneden. South, pl. 77, fig. 7 en 8.
Hoewel Cramer als vindplaats Suriname opgeeft, is
het door hem afgebeelde ex. zonder twijfel een Nederlandsch
dier geweest. De beide meest bekende vindplaatsen van dezen
merkwaardigen vorm, Engeland en Helgoland, kunnen niet
in aanmerking komen. In Engeland werd de vorm pas bekend
gemaakt door Haworth, die haar beschreef als ab. ra-
diata in Trans. Ent. Soc., I, p. 366, 1809—12, terwijl G à d-
ke, de bekende ornitholoog, zatima in 1863 op Helgoland
ontdekte. Dat het ex. misschien wel uit Zeeland afkomstig
zou zijn (Onze VI., p. 78), is echter slechts een veronder-
stelling van Ter Haar. Met zekerheid valt hieromtrent
niets te zeggen. Van belang is nog de volgende zinsnede
van Cramer (lc.):,,In het Kabinet van den Hoog Wel-
geb. Heer Baron Rengers bevindt zich eene Nagt-Kapel,
welke in de Baronnie van Breda is gevangen en met deze
veele overeenkomst heeft.” In L. Mus. bevindt zich een prach-
tige serie van 12 exx., ab ovo gekweekt door Heylaerts
in 1884 met vindplaats Breda. Nooit heeft H. echter deze
serie vermeld, zoodat ze van dezen entomoloog niet als be-
trouwbaar beschouwd kan worden. In Mus. M. bevindt zich
1 ex. met etiket: ,, Vermoedelijk uit Limburg’.
Zatima is vermoedelijk wel in het W. terug te vinden,
vooral in verband met de verbreiding van den vorm. Of het
voorkomen van ab. fasciata als een aanwijzing hiervoor be-
schouwd mag worden, is niet zeker. Deze vorm verkreeg
Tugwell niet door kruising van zatima met typische lu-
bricipeda, zooals South schrijft (p. 152), maar door selec-
tie van 2 vlinders, die minder sterk de fasciata-teekening
273 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (171)
vertoonden. Intusschen stamden de poppen uit Yorkshire,
waar ook zamita voorkomt.
Waar zatima aangetroffen wordt, treedt zij altijd in een
zeer gering percentage op. Zoo verkreeg Bredemann
op Föhr van 50 rupsen 1 zatima (Warnecke, Die Heimat,
1933, p. 154). Alleen massale kweeken zullen den vorm dan
ook te voorschijn kunnen doen komen. In hoofdzaak komt
hij aan de Noordzeekusten voor. Warnecke schrijft
(l.c.) : „Nach meiner Ansicht... handelt es sich bei zatima
um eine sehr alte Form des Nordseegebietes, um eine Form,
die schon vorhanden gewesen sein musz, als nach dem Ab-
klingen der Eiszeit Südengland noch in direkter Landverbin-
dung mit der cimbrischen Halbinsel stand.” Verbreiding :
Engeland (Lincolnshire, Yorkshire, 1 ex. van Cumberland
teste Barrett, vol. 2, p. 283), [Nederland], Borkum
(teste Oberthür), Helgoland en de Noordfriesche Wad-
deneilanden Amrum en Föhr. Bovendien vermeldt Ober-
thir s(Lep» Comp.; vols 5 Mp.165, 1911) een 227 opäliche
gevangen te Gray (Haute-Saône).
Spilosoma Stephens.
220. S. menthastri Esp. Algemeen, in het geheele land.
2 gens., de eerste begin Mei tot begin Aug. (1-5 tot 7-8),
de tweede half Aug. tot half Octr. (13-8 tot 14-10). Cold.
schrijft : „Gen. I 1 Mei tot 25 Juli (alleen in 1927 tot 7 Aug.).
Begin der eerste gen. schommelt tusschen 1 en 24 Mei, einde
tusschen 6 (1936) en 25 Juli. Gen. II: 13 Aug. tot 15 Sept.
Deze tweede gen. nam ik waar in 9 van de laatste 15 jaren ;
het aantal exx. bedraagt gemiddeld slechts 2 % van het
aantal exx. der eerste gen. In Twello alleen zag ik in 14
jaren meer dan 1000 stuks. Opvallend is de geringe variatie.”
In 1937 ving Wiss. na lange pauze een gaaf ex. op 14 Octr.
Var. 1. ab. paucipuncta Fuchs, Jahrb. Nass. Ver. vol.
45, p. 89, 1892, De zwarte stippen op de vleugels sterk ge-
reduceerd in aantal en grootte. Vrij gewoon.
2. ab. krieghoffi Pabst, Ent. Z., vol. 10, p. 28, 1896. Het
aantal zwarte stippen zeer sterk vergroot. Vrij gewoon.
3. ab. unipuncta Strand, Arch. f. Math. og Nat. vol. 25,
p. 23, 1903. Avls. met 1 stip. Apeldoorn, Amsterdam (Z.
Mus.) ; Berg en Dal (Bo.); Beek bij Nijm., Doorn (Br.) ;
Soest (Lpk.) ; ‘s-Hertogenbosch, Engelen (L. Mus.) ; Pa-
terswolde (L. Wag.).
4. ab. godarti Oberthür, Lép. Comp., vol. 5, p. 64, 1911;
vol. 6, pl. CXXII, fig. 1085, 1086. Op de vvls. vrij lange
zwarte strepen in de richting van de aderen. Eén van de
mooiste menthastri-vormen. Andere afbeelding: Barrett,
(172) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 274
Ope 7 fig MEL) Nijmegen, 21930 M0 7193107)
Mus., afstammelingen van normaal 9 van 1929); Amster-
daneen. AM) Castricum 8, "19008 (Z. Müus.)!:
Breda (37).
5. ab. transitoria Obthr., l.c., vol. 6, pl. CXXII, fig. 1079,
1080, 1912. Grondkleur der vvls. licht roomkleurig geel
(jaunesdesicreme > vol #5;2p 463) Onze VI, "pl 24; fig.
11b. Diepenveen (Lukkien) ; Deventer, Twello, Doetinchem
(Cold.) ; De Steeg, Oosterbeek, Beek-Nijm., Nijmegen, Soest,
Rotterdam (Z. Mus.) ; Berg en Dal (Bo.) ; Bergen op Zoom
(Snijder) ; Breda (41), s-Herogenbosch (L. Mus.) ; Lop-
persum, Vogelenzang (Wiss.) ; Utrecht (Wp.) ; Amsterdam
(v. d. M.) ; Giesendam (T. v. E., vol. 29, p. 30) ; Kerkrade
(Latiers).
[6. ab. brunnea Obthr., Et. d’Ent., livr. XX, p. 37, pl. 12,
fig. 221—223, 1896. Vvls. bruinachtig. Nijmegen, 1928,
2 exx. (Z. Mus.). Beide vlinders zijn de afstammelingen van
een normaal wild 9, waarvan de rupsen gevoerd waren met
brandnetelbladeren, die te voren met permangaanzure kali
waren bestreken. Het broedsel leverde behalve deze 2 exx.
een serie normale dieren en een aantal exx. van ab. fransi-
toria op. Of het voedsel oorzaak is van het verschijnen der
ab. is twijfelachtig, want in 1930 en 1931 leverde een op
dergelijke wijze behandelde kweek, afstammende van een
ander normaal wild 9 van 1929, geen enkel ex. van ab.
brunnea op, maar daarentegen enkele exx. van ab. godarti.
Ik twijfel er niet aan, of bij kweeking in het groot bij normaal
voedsel zal de vorm eveneens in ons land blijken voor te
komen, te meer, omdat hij, behalve uit Schotland, vanwaar
Oberthiir’s typen stammen, ook in een enkel ex. uit
België bekend is.]
7. ab. Grondkleur grijsachtig. Rotterdam, 9 met grijze avls.
(Kallenbach) ; Zwolle, 4 met grijzen achterrand van v.- en
avis. (Z. Mus.).
Behalve de genoemde komen nog allerlei kleinere afwij-
kingen in de vlekkenteekening der vvls. voor. Vrij vaak zijn
enkele stippen veranderd in korte streepjes. Een ex. van
1) Het extreem van dezen vorm zou ab. walkeri Curtis, Brit. Ent.
vol. 2, pl. 92, 1825, zijn. Volgens Oberthür is dit echter een lubri-
cipeda-vorm, waarmee ik het eens ben. Behalve door Curtis is het
origineel ook afgebeeld door Barrett, lc, fig. 1g. Volgens beide
afbeeldingen is het een dier met zafima-achtige vvls. en normale avls.
Een ongekleurde afb. van het type bevindt zich in Entom., vol. 27,
p. 205, fig. 1. Een copie van deze afb., maar dan gekleurd door den
copiist, is de fig. in South, pl. 78, fig. 5. De prachtige menthastri-kleur
in South is pure fantasie! Zoowel Curtis als Barrett beelden
een vlinder af met gele vleugels en lichaam (ook thorax), de zuivere
lubricipeda-tint. Alle afbeeldingen hebben betrekking op hetzelfde ex.
dat eind Aug. 1820 door Sir Patrick Walker in zijn huis te
Drumseugh, Edinburg, gevangen werd.
In T. v. E., vol. 30, p. 208, wordt een ex. van Amsterdam beschreven,
dat waarschijnlijk ook tot ab. godarti behoorde.
275 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (173)
Twello (Cold.) heeft de tweede en derde stip aan de costa
door een zwart streepje verbonden. Een ander, eveneens van
Twello, heeft op de vvls. een rij duidelijke zwarte streepjes,
ontstaan door de verbinding van telkens 2 stippen, op de
franjelijn, in gelijke richting met deze. Sommige exx. hebben
langs den achterrand der avls. een rij groote zwarte vlekken,
wat gepaard kan gaan met cen reductie der vvl.teekening.
221. S. urticae Esp. Vrij lokaal door het geheele land,
vooral op vochtige plaatsen. 1 gen., tweede helft van April tot
begin Juli (23-4 tot 5-7).
Vindpl. Fr.: Warga, Wolvega. Gr.: Groningen. Dr.:
Eelderwolde. Ov.: Ootmarsum, Hengelo, Almelo, Enter,
Zwolle, Diepenveen. Gdl. : Apeldoorn, Twello (niet gewoon),
Arnhem, Wageningen, Veenendaal, Zutfen, Doetinchem
(zeldz., Cod.) ; Beek-Didam, Herwen, Lobith ; Beek-Nijm.,
Nijmegen, Malden, Hatert, Groesbeek; Leeuwen, Zalt-
Bommel. Utr. : Ankeveen. N.-H.: Amstelveen, Aalsmeer,
Amsterdam, Koog a. d. Zaan, Haarlem. Z. H.: Leiden, Rijs-
wijk, Rotterdam, Heinenoord, Rockanje, Numansdorp, Dor-
drecht. N.B.: Bergen op Zoom, Breda, Ulvenhout, Rijen,
Tilburg, ‘s-Hertogenbosch, Deurne. Lbg. : Venlo, Roermond,
Meerssen, Bunde, Maastricht, Vaals.
Var. 1. ab. pluripuncta Rbl., Berge, Oe ed, p. 426, 1910.
Het aantal stippen grooter dan normaal. Amsterdam (Wp.).
2. ab. anomala Maslowscy, Polskie Pismo Ent. vol. 2,
p. 128, fig. 6, 1923. Bij de vvl.punt staat een korte rij horizon-
tale streepjes, zooals dat bij menthastri regel is. Nijmegen
(Wiss.) ; Beek-Nijm., Beek-Didam, Hatert, Breda, 's-Her-
togenbosch, Venlo (Z. Mus.) ; Twello (Cold.) ; Amsterdam
(Van der Beek) ; Zalt-Bommel (Br.) ; Breda (16, 29 enz.) ;
Rijen (Mus. M.) Vrij gewoon.
3. ab. alexandri Pazsiczky, Rov. Lapok, vol. 22, p. 88,
1915 (blanca Schaw., Verh. zool.-bot. Ges., vol. 68, p. 163,
1918). De vleugels zonder zwarte stippen. Zwolle, Groes-
beek, 's Hertogenbosch, Venlo (Z. Mus.) ; Twello (Cold.) ;
Lobith (Sch.) ; Nijmegen (Wiss.) ; Apeldoorn (L. Mus.) ;
Breda (7, 38) ; Meerssen (Rk.).
Teratol. ex. 9 zonder rechter avl., a.o., Apeldoorn (L.
Mus.).
Diaphora Stephens.
222. D. mendica Cl. Door het geheele O. en Z. in bosch-
achtige streken, op de vliegplaatsen soms op licht gewoon.
1 gen. eind April tot midden Juni (26-4 tot 18-6). (In Z.
Mus. 1 ex. van Vorden, Juli 1905).
Vindpl. Ov.: Oldenzaal, Denekamp, Hezinge, Almelo
(vrij talr., Cet.), Tusveld, Markelo, Diepenveen. Gdl. : Gar-
deren, Leuvenum, Apeldoorn, Epe, Twello (ongeregeld en
(174) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 276
zeldzaam), Laag-Soeren, Oosterbeek, Wolfheze, Wagenin-
gen, Bennekom (vrij zeldz., Cet.) ; Laren, Vorden, Koren-
burgerveen, Aalten, Varsseveld, Doetinchem (meestal ge-
woon, Cold.) ; Bijvank, Herwen, Lobith ; Berg en Dal, Ub-
bergen, Nijmegen. Utr.: De Bilt, Soest, Soestdijk. N.H.:
Laren, Bussum, Naarden, Amsterdam (Lg.). N.B.: Bergen
op Zoom, Breda, Ulvenhout, Tilburg, Cuyck, Deurne. Lbg. :
Mook, Plasmolen, Venlo, Blerick, Roermond, Lerop, Weert,
Meerssen (niet zeldz.), Brunssum, Kerkrade, Rolduc, Wijlre,
Epen.
Var. De tint der ¢ 4 is vrij variabel, soms bruiner, soms
zwarter,
1. ab. multipuncta Meves, Ent. Tidskr., vol. 35, p. 11, 1914.
Met talrijke donkere stippen. Aalten (v. d. M.) ; Nijmegen
(Wiss.) ; Laren-N.H., Epen (Z. Mus.) ; Deurne (Nies).
2. ab. depuncta Schultz, Ent. Z., vol. 22, p. 183, 1909. Vvls.
alleen met middenstip. Venlo (Z. Mus.).
3, ab. venosa Adkin, Entomol., vol. 55, p. 79, 1922. 2
witgrijs, de aderen donkergrijs, franje wit. Een extreem ex.
met zeer breed bestoven aderen : Korenburgerveen (Sch.).
4, ab. Een enkele maal zijn in ons land lichte ¢ 4 aan-
getroffen, echter niet ab. rustica Hb. (Beitr. Schm., vol. II,
3, p. 64, pl. II, fig. H, 1790) met witte vls. of ab. hibernica
Obthr. (Lép. Comp., vol. 5, p. 53, 1911) met geelwitte vleu-
gels en uit lerland beschreven. Het lichtste ex. is een $ van
Doetinchem, 28-5-1924 (Cold.) met zeer licht bruine (haast
witbruine) vleugels. De tint komt overeen met de afb. in
Standfuss, Handbuch pal. Grossschm., pl. IV, fig. 12,
1896, van een & van f. standjussi Car. Het Doetinchemsche
ex. mist echter de witte thorax en de witte aderen van deze
fig.
Een tweede 4 van Leuvenum (Cold.) is donkerder en
komt vrijwel precies overeen met de afb. van stand/ussi in
Seitz, vol. 2, pl. 17 c. Een derde 4 van dezelfde vindplaats,
weer iets donkerder, maar nog altijd veel lichter dan normale
& &, bevindt zich in Z. Mus.
Een vierde 4 van Epen, el. (Z. Mus.), heeft normale
vvls. en zeer lichte grijsbruine avls.
F. standfussi Caradja (Soc. Ent., vol. 9, p. 49, 1894) is
ontstaan door kruising van rustica & X mendica ©, terwijl
ook de omgekeerde kruising bekend is. Ze is nogal variabel
in de kleur der 3 &. Cockayne (Ent. Rec. vol. 31, p.
102, 1919) verkreeg & &, die varieerden van haast normale
rustica (van lerland) tot „a creamy brown a good deal paler
than that of any typical male”. Volgens deze kleurbe-
schrijving en volgens de gepubliceerde afbeeldingen is het
dus mogelijk, dat de 2 lichtste der 4 genoemde 3 4 (die in
coll.- Cold.) tot de f. standfussi behooren, maar zeker is het
niet, Het is even goed mogelijk, dat de raszuivere mendica-
277 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (175)
& & zoo in kleur varieeren, dat ze nu en dan aberraties op-
leveren, die uiterlijk niet van stand/ussi zijn te onderscheiden.
Zoo lang in ons land geen zuivere rustica Hb. of hibernica
Obthr. gevangen is, en dus niet bewezen is, dat ons ras
inderdaad rustica- of hibernica-bloed bevat, mogen we deze
mogelijkheid niet verwerpen. Het blijft intusschen zaak de
soort in groote series te kweeken. Alleen dan zal een be-
vredigende oplossing te bereiken zijn.
Pathol. ex. Een (iets kreupel) 3, te Leuvenum el. ge-
kweekt, heeft de zwarte stippen tot zwarte vlekken verbreed
(Cold.).
Rhyparia Hb.
223. R. purpurata L. Tot nog toe zeer lokaal in heide-
streken in het O. waargenomen. Ontbreekt in Denemarken.
Zeldz. in Holstein ; bij Hamburg in heidestreken ten Z. van
de Elbe sommige jaren als rups zeer talrijk; bij Bremen lo-
kaal, niet algemeen; in Hannover in het N. en bij Osna-
brück ; in Westfalen verbreid in het laagland; in de Rijn-
prov. bij Bingen. In België alleen in het Z.O., lokaal. Niet
in Engeland. 1 gen. half Juni tot eind Juli (17-6 tot 24-7).
Vindpl. Ov.: Denekamp. Gdl.: Ermelo, Garderen,
Nunspeet, Tongeren, Nijmegen. Lbg. : Mook.
Var Mautz heeft (Int. Ent 2. vol227 pP. 491069)
den vorm van Thüringen als den typonominalen gefixeerd.
Een prachtige afbeelding van een typisch ex. is Keer, pl. 80,
fig. 2. Ons ras is hiermee niet identiek. Het behoort tot :
1. ras callunae Mautz, l.c., p. 50, 1933. Het meest onder-
scheidt zich het @ van den typonominalen vorm. Het is
kleiner, de vvls. smaller, het geel is een veel dieper okergeel,.
de vlekken zijn kleiner en donkerbruingrijs tot zwart, nooit
zoo lichtgrijs als bij de meeste typische dieren. Het rood der
avls. is ook veel sterker, terwijl de kleur van de franje nauwe-
lijks tegen de grondkleur der avls. afsteekt. Bij de & & zijn
de verschillen minder geprononceerd.
Dit ras is beschreven naar exx. van de heidevelden van
Hannover, waar de hoofdvoedselplant Calluna vulgaris is.
Ons ras stemt geheel met de beschrijving van Mautz over-
een. Ook bij ons wordt de rups vooral op Calluna gevonden,
hoewel Wiss. de dieren op de Mookerheide ook op brem
vond.
2. ab. afromaculata Galvagni, Verh. zool.-bot. Ges., Wien,
vol. 53, p. 8, 1903. De zwartachtige vlekken op de vvls. ver-
groot en gedeeltelijk met elkaar verbonden. Nunspeet (Br.,
Z. Mus.) ; Garderen, Tongeren (Hardonk).
3, ab. berolinensis Fuchs, Ent. Z. Stettin, vol. 62, p. 126,
1901. De zwarte vlekken kleiner en minder in aantal. Dene-
kamp, 1 ex. met sterk verkleinde vlekken op de vvls. (Z.
Mus.).
(176) _ NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 278
Diacrisia Hb.
224. D. sannio L. Vooral in vochtige heidestreken en in
de duinen, op verschillende plaatsen in aantal. 2 gens, de
eerste eind Mei tot eind Juli (24-5 tot 30-7), meest eind Juni,
begin Juli; de tweede (zeer partieel) tweede helft van Aug.
(21-8) tot in Septr. Het aantal rupsen, dat bij kweeken van
eieren, afkomstig van gen. I, doorgroeit en nog hetzelfde jaar
een tweede gen. levert, wisselt sterk. Soms groeit haast het
heele broedsel door, soms slechts een enkel ex., bijv. in 1937
van ruim 100 rupsen slechts 6 (Lpk.). Waarschijnlijk heb-
ben we hier weer te doen met erfelijkheidsverschijnselen en
niet met temperatuursinvloeden.
Vindpl. Fr.: Elsloo. Gr.: Harendermolen, De Punt,
Appelbergen. Dr. : (op vochtige heiden in N.-Drente talrijk,
Wiss.) Norg, Anlo, Zeegse, Eext, Vries, Bunnerveen, Ha-
velte, Hoogeveen. Ov. : Steenwijk, Agelo, Weerselo, Almelo,
De Lutte, Ommen, Diepenveen. Gdl. : Harderwijk, Putten,
Leuvenum, Nunspeet, Stroe (in 1937 gewoon, Lpk.), Koot-
wijk, Hoog Soeren, Apeldoorn, Laag Soeren, Dieren, Imbosch,
Rheden, Wolfheze, Renkum, Ede, Eibergen, Zelhem, Laag
Keppel. Utr. : Amersfoort. N.H. : Castricum, Limmen, Wijk
aan Zee, Overveen, Zandvoort, Vogelenzang. Z.H. : Voor-
schoten. Zl. : Haamstede, Domburg. N.B. : Bergen op Zoom,
Ginneken, Breda, Chaam, Rijen, Tilburg, Oisterwijk, Reusel,
Moergestel, Meijel. Lbg.: Mook, Plasmolen, Gennep, Bel-
feld, Reuver, Venlo, Steyl, Brunssum, Schinveld, Vijlen,
Vaals.
Var. De vlinders der tweede gen. zijn in den regel kleiner
dan die der eerste, vooral de & 4.
1. ab. immarginata Niepelt, Int. Ent. Z., vol. 2, p. 181,
1908 (immaculata Obthr., Lép. Comp., vol. 5, p. 86, 1911).
Avls. zonder den donkeren achterrandsband. Groningen
(T. v. E., vol. 10, p. 199); Haamstede (Br.) ; Ginneken
(Mus. Rd.) ; Domburg, Tilburg, Mook (Z. Mus.).
2 ab... è Jatevittata, Bryk, Ent. Widskr, vol 44 polls;
1923. Achterrandsband der avls. sterk verbreed, overigens
normaal. De Punt (L. Mus.) ; Anlo, Tilburg (Cold.) ; Apel-
doorn (3, 4; de Vos; Z. Mus.) ; Hoog Soeren (Pt.) ; Laag
Soeren, Wolfheze, Renkum (Z. Mus.) ; Overveen (Latiers) ;
Vogelenzang, Haamstede (Wiss.) ; Ginneken (Langeveld) ;
Breda (3; Z. Mus.).
3. ab. moerens Strand, Arch. Math. og Nat. vol. 25, p. 23,
1903. Avls. bij het & zwartachtig, alleen de aderen en een
vlek in het midden licht, bij het $ zwart op een paar kleine
vlekjes na. Agelo (v. d. M.) ; Ommen, Apeldoorn (Z. Mus.);
Stroe, Amersfoort (Lpk.) ; Oosterbeek (T. v. E., vol. 5,
p. 112, pl. 5, fig. 4); Wolfheze (8); Zandvoort (Wp.) ;
Haamstede (Br.) ; Breda (Mus. Rd.).
279 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (177)
Teratol. ex. Linker avl. te klein. Tilburg (Van den
Bergh).
Arctia Schrank.
225. A. caja L. Door het geheele land, meer of minder
algemeen, naar gelang van de vindplaatsen en jaren. Bekend
van Texel, Terschelling en Ameland. 1 gen., begin Juli tot
eind Septr. (4-7 tot 27-9). (In Twello nooit later op licht
gezien dan 11-8, maar nog wel op 22-8 eenige exx. e.l. ge-
kweekt, Cold.).
Bij het kweeken ab ovo groeien van een legsel haast altijd
een aantal rupsen door, die nog hetzelfde jaar van begin
Octr. tot in Dec. den vlinder leveren. Zoo groeiden in 1928
bij Rk. van ongeveer 300 rupsen 30 bij dezelfde behandeling
veel harder dan de andere en leverden van 3-23 Octr. 29
vlinders. In dit verband zij gewezen op de studie van Chap-
man „On the larva of Arctia caja” (Ent. Rec., vol. 4, p. 265
etc., vol. 5, p. 11 etc.). Hij vond, dat bij elk broedsel onge-
veer 5% na 11—13 weken reeds den vlinder leverde. De
hoofdmassa overwintert na de vierde vervelling, om na den
winter nog 3 (soms 2 of 4) keer te vervellen. Daarnaast
komt bij elk broedsel meestal nog een derde groep voor, de
,langzamen’ (leggards), die veel vaker vervellen (tot 13
keer) en langzamer groeien dan de normalen. Bovendien
zijn ze niet in staat een echten winterslaap te houden, doch
ze eten 's winters (hoewel zelden). In gewone seizoenen komt
er alleen van de ‚normalen’ iets terecht, doch in warme na-
zomers maken de „vluggen een goede kans, terwijl in zeer
zachte winters de ,langzamen er beter voor staan dan de
„normalen. Misschien behooren de exx. van 27-9 (1925 en
1934 te Maastricht waargenomen door Maessen) reeds
tot een tweede gen.
Var. Zeer variabel. Afgezien van kleurafwijkingen kun-
nen de aberratieve exx. tot 2 groepen vereenigd worden.
De eerste heeft de witte teekening op de vvls. meer of minder
gereduceerd, terwijl de zwarte vlekken op de avls. vergroot
of samengevloeid, zijn; de tweede kenmerkt zich door uit-
breiding van de witte en reductie van de zwarte teekening.
Exx. van de eerste groep komen bij ons veel meer voor dan
die der tweede. De meeste exx. met neiging tot verdonkering
ziin echter niet tot een bepaalden vorm te brengen. Extreme
exx. der tweede groep met bijna geheel witte vvls. zijn nog
niet uit ons land bekend.
1. ab. jeuneti Obthr., Lep. Comp., vol. 6, p. 321, pl. CXIV,
fig. 1014, 1912. De banden op de vvls rose in plaats van
wit. Doesburg (Sepp, vol. 7, titelplaat) ; Diepenveen, ©,
banden in het midden der vvls. rose, naar de kanten crème
(Lukkien).
(178) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 280
2. ab. flavosignata Closs, Int. Ent. Z., vol. 15, p. 83, 1921.
De banden op de vvls. geel. Lobith (trans. met geelwitte
teekening, Sch.).
3. ab. aurantior nom. nov. (= aurantiaca Englisch, Lep.
Rundsch., vol. 1, p. 107, 1927, nec aurantiaca Klem., Spraw.
kom. fiz., vol. 46, p. 18-19, 1911-12). Grondkleur der avls.
oranje, teekening normaal. Deventer (Cold.) ; Nijkerk, Arn-
hem, Amsterdam, Nijmegen, Rotterdam, Venlo (Z. Mus.) ;
Lonneker (v. d. M.); Hatert (Wiss.) ; Den Haag (Har-
donk) ; Steyl, Kerkrade (Latiers) ; Lobith (Sch.).
4. ab. lutescens Ckll., Entom., vol. 20, p. 152, 1887. Grond-
kleur der avls. geel. „Friesland, Oude Pekela, Apeldoorn,
Bussum, Amsterdam, Dordrecht (Z. Mus.) ; Maarssen (Ver-
kuil) ; Breda (21, 35).
5. ab. ocellata Stättermayer, Ent. Anz., vol. 4, p. 70, 1924.
De zwarte vlekken der avls. geel geringd. Overal onder de
soort.
6. ab. nigrociliata Hoffmann, Ent. Rundsch., vol. 29, p.
157, 1912. Avls. met 1 mm breeden zwarten zoom van apex
tot anaalhoek. Deventer (tr, Cold.) ; Amsterdam (Lpk.).
7. ab. nigropennalis Stätt., l.c., 1924. Avls. met zwarte geel-
gezoomde aderen. Amsterdam (tr., Lpk.).
8. ab.confluens Rbl., Berge, 9e ed., p. 430, 1910. De vlek-
ken op de avls. ineengevloeid tot 2 banden evenwijdig aan
den achterrand. Peize (L. Wag.) ; Nijkerk, Arnhem, Venlo
(Z. Mus.) ; Herwen (Sch.) ; Nijmegen (Bo.) ; Amersfoort
(Langeveld) ; Diemen (Lpk.) ; Breda (24); Epen (Mus.
Rd.). Trans. exx., waarbij alleen de vlekken aan den wortel
tot een band ineengevloeid zijn, komen veel voor.
9. Van de sterk verdonkerde exx. zijn de volgende de
merkwaardigste :
a. Alle vlekken op den linker avl. tot 1 onregelmatige
zwarte vlek ineengevloeid, rechts wat minder. Rotterdam (17).
b. Op de vvls. slechts enkele witte vlekjes (3 aan den
voorrand, 1 aan den wortel), op elke avl. 1 groote onregel-
matige zwarte vlek. Steyl (Latiers).
c. Alle vlekken der avls. ineengevloeid. Rhoon (Mac G.).
d. Op den rechter avl. is al het zwart ineengevloeid, ook
de franje zwart; links normaal. Steyl (Latiers).
Teratol. ex. Rechter avl. kleiner (en lichter) dan
linker. Haamstede (Wiss.).
226. A. villica L.1) Op een zeer oude vindplaats in Gel-
I) A. hebe L. In E. B. vol. 7, p. 12, 1925, vermeldt Bentinck
een ex., dat op den St. Pietersberg gevangen zou zijn, wat, gezien de
verbreiding, mogelijk is. In Bst., I, p. 235, wordt een ex. van Leiden
vermeld.
Uit Denemarken 2 maal vermeld, maar zeer twijfelachtig. In Holstein
zeer sporadisch ; bij Hamburg sinds tientallen jaren niet meer ; bij Bremen
onbekend; in Hannover bij Lüneburg; niet in Westfalen; in de Rijn-
prov. zeer lokaal en zeer zeldzaam. In België zeer lokaal in het Z.O.,
op kalk en Jura. Niet in Engeland.
281 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (179)
derland na uitsluitend in de 3 zuidelijke provincies aange-
troffen. Daar lokaal, maar geregeld voorkomend. 1 gen., half
Mei tot begin Juli (12-5 tot 7-7).
Vindpl.2) [Gdl.: Nijmegen, 1778 (Sepp)]. ZI. : Haam-
stede, Zoutelande, Middelburg, Vlissingen, Goes. N.B.:
Woensdrecht, Bergen op Zoom, Breda, Notsel bij Strijbeek,
Tilburg. Lbg.: Venlo, Berckt, Steyl, Brunssum, Bingelrade,
Kerkrade, Sittard, Sweikhuizen (Zwelkhuizen, gem. Schin-
nen), Meerssen, Geulle, Maastricht, St. Pietersberg, Grons-
veld, Eysden, Epen, Vaals.
Var. De typische vorm heeft witte vlekken op de vvls.
Hiertoe behoort ongeveer 2/5 onzer exx.
1. ras britannica Obthr., Lép. Comp., vol. 5, p. 135, 1911;
vol. 6, pl. CX, fig. 998, 1912. Vlekken op de vvls. crème-
kleurig. South, pl. 87. Ras van Engeland en West-Frankrijk.
Ongeveer 3/5 onzer exx. behoort hiertoe.
2. ab. confluens Romanoff, Mem., vol. 1, p. 87, pl. IV,
fig. 9, 1884. De derde en vierde (laatste groote) costaalvlek
der vvls. met elkaar verbonden. De vierde vlek bovendien
samengevloeid met de groote vlek aan den binnenrandshoek
en met de achterrandsvlek daarboven. Bergen op Zoom,
St. Pietersberg (Z. Mus.).
33 ab. unsula Schultz, Ent! Z vol 118) n62272 190 tee
diata Spuler, Schmett. Eur., vol. 2, p. 185, 1906). De witte
vlekken aan den voorrand en die aan den binnenrand der
vvls. ineengevloeid tot 2 witte lengtestralen. Epen (T. v. E.,
wol DD ON):
4. ab. nigrofasciata Failla, Nat. Sic., vol. 7, p. 204, 1888
(fasciata Spuler, l.c., 1906). De wortelvlekken der avls. in-
eengevloeid tot een zwarten band, die tot aan den binnen-
rand doorloopt. South, pl. 87, fig. 3. Bergen op Zoom (Lpk.).
5. ab. nigrella Fettig, Cat. Lép. d'Alsace, 2e ed., p. 55,
1880. Avls. bruin in plaats van oranjegeel. Bergen op Zoom,
IERI AZZ
Tyria Hb.
227. T. jacobaeae L. Zeer gewoon in de duinen, overigens
verspreid door het geheele land, vooral op zandgronden, maar
in den regel niet talrijk. Bij Amsterdam leeft de rups op
Senecio vulgaris L. Het is mij echter nooit gelukt om rupsen,
gevonden op Senecio Jacobaea L., met S. vulgaris groot te
brengen. Zij weigeren het voedsel en gaan dood. 1 gen., be-
gin Mei tot half Aug. (4-5 tot 11-8).
2) In Z. Mus. bevindt zich een ex. (e coll.-Genkema Bakker)
met etiket: „Amsterdam, e.l., 3-5-80.” Deze plaatsaanduiding is zoo goed
als zeker onjuist. Waarschijnlijk wordt er mee bedoeld, dat de rups te
Amsterdam opgekweekt is, een (natuurlijk foutieve) manier van etiket-
teeren, die ik, hoewel gelukkig zelden, meer constateerde.
(180) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 282
Vindpl. Fr.: Ameland, Schiermonnikoog. Gr. : Rottum,
Groningen. Dr. : Paterswolde, Eelderwolde, Zeegse, Hooge-
veen. Ov. : Ootmarsum, De Lutte, Steenwijk, Kamperveen,
Zalk, Diepenveen. Gdl.: Nijkerk, Nunspeet, Apeldoorn,
Twello (zelden op licht), Klarenbeek, Empe, Arnhem, Wa-
geningen, Bennekom, Zutfen, Almen, Aalten, Slangenburg,
Doetinchem, Doesburg, Bijvank, Babberich, Nijmegen. Utr. :
Rhenen, Zeist, Soest, Groenekan, Maarssen, Loenen. N.H.:
Hilversum, Amsterdam, Spanbroek, Terschelling, Texel, duin-
gebied. Z.H. : duingebied, Rotterdam. N.B. : Breda, Tilburg,
Helmond. Lbg.: Gennep, Venlo, Blerick, Steyl, Roermond,
Kerkrade, Bunde, Houthem, Gulpen, Voerendaal.
Var. 1. ab. flavescens Thierry-Mieg, Le Naturaliste,
1889, p. 181. Al het rood veranderd in geel, Eelderwolde,
4, el. 1930 (L. Wag.).
2. ab. gilleti André, Journal des Naturalistes de Macon,
vol. 2, p. 52, 1901. De roode teekening op de vvls. meer of
minder met elkaar verbonden. Oostvoorne, voorrandsstreep
verbonden met apicaalvlek (Z. Mus.) ; Vogelenzang (idem,
Vary).
3. ab. Dwergen. Zandvoort (Jonker) ; Helmond (Btk.).
Hypsidae.
Callimorpha Latr.
228. C. dominula L. Zeer zeldzaam. Waarschijnlijk niet
inheemsch ; ook de Zuidlimburgsche exx. zijn vrij zeker uit
België afkomstig. In Denemarken is de soort eenmaal in
1936 in Jutland gevangen en is verder lokaal op de eilanden.
In Sleesw.-Holst. zeer lokaal; bij Hamburg niet zeer ver-
breid, ten Z. van de Elbe nog heel talrijk als rups; bij Bre-
men zeer zeldzaam; in Hannover in lichte bosschen, ‚,stel-
len- und jahrweise häufig’ (Fauna Hann. 1930), „in Melle
sehr häufig im Juli, hier [= Osnabr.] selten’ (Fauna Os-
nabrück, 1910) ; in Westfalen en de Rijnprov. lokaal (Pün-
geler: bij Aken zeer zeldzaam op vochtige boschweiden).
In België hoofdzakelijk in de Ardennen. In Engeland in de
Z. helft. 1 gen., eind Juni (24-6) tot in Aug.
Vindpl. Gdl.: Dieren (Bst., I, p. 235) ; Nijmegen, 2-7-
1887 (Z. Mus.) ; Huissen, Aug. 1902 (St. Joseph-Stichting,
Bergen-N.H.). Lbg.: Venray (T. v. E., vol. 16, p. LXXV,
3 exx.) ; Maastricht, Juli 1896 (Mus. Rd., Btk.), 18-7-1919
(Wiss.) ; St. Pietersberg, 24-6-1908, een klein ex. (Fr.) ;
Voerendaal, 17-7-1936 (Br.).
229, C. quadripunctaria Poda. Alleen in Z. Limbg. aan-
getroffen en daar zeldzaam. Misschien inheemsch, misschien
overvliegers uit België. Ontbreekt in Denem., in Sleesw.-
Holst., bij Hamburg en bij Bremen. In Hannover in den
283 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (181)
Harz en aan de Beneden-Werra ; in Westfalen bij Höxter
aan de Weser en bij Waldeck ; in de Rijnprov. lokaal, tot
Nideggen aan de Roer. In België gewoon in de geheele
Maasvallei en in de dalen van de zijrivieren. In Engeland
zeer lokaal in het Z. 1 gen., Juli en Aug. (8-7 tot 20-8).
Vindpl. [Gdl.: Oosterbeek, 1845 en 1872, e coll.-Bac-
ker. „Of dit goed is, kan ik niet garandeeren.” (Btk.)].
Lbg.: Schaarberg te Elsloo, 31-7-1924 (Mus. M.) ; Maas-
tricht, Aug. 1898 (Mus. Rd.), half Juli 1924 (Mus. M.),
23-7-1932 (Maessen), 10, 15 en 20 Aug. z. j. (Z. Mus.) ;
St. Pietersberg, 1921 (Nat. Mbl., vol. 11, p. 8), Aug. zonder
verdere gegevens (Z. Mus.) (en bovendien vrijwel alle exx.
met etiket ,, Maastricht"; Maurissen schrijft over het
voorkomen op den St. Pietersberg in T. v. E., vol. 9, p. 175:
„Se trouve plus souvent que l'espèce précédente [Par. plan-
taginis L.] aux mêmes endroits pendant le mois d'août ;
Cremers deelt daarentegen in Nat. Mbl., vol. 11, p. 8,
1922, mee, dat de soort daar zeldzaam is) ; Gronsveld, 8-7-
1925 (Btk.). Bovendien in Z. Mus. 2 exx. enkel met etiket
„Limburg.
Zygaenidae.
Zygaena F.
230. Z. (subgen. Thermophila Hb.) trifolii Esp. subsp.
palustris Obthr., Et. d’ Ent, livr. XX, p. 44-46, pl. 8,
fig. 151—153, 1896. Door het geheele O. en Z. op vochtige
terreinen, lokaal, maar op de vindplaatsen dikwijs zeer tal-
rijk. 1 gen., eind Mei tot begin Aug. (24-5 tot 3-8).
Vindpl. Fr.: Ameland, Wolvega. Gr.: Groningen.
Dr. : Paterswolde, Veenhuizen, Zeegse, Schoonoord. Ov. :
Denekamp, De Lutte, Oldenzaal, Hengelo, Almelo, Holten,
Diepenveen, Wijhe. Gdl. : Nunspeet, Leuvenum, Apeldoorn,
Voorstonden, Empe, Eerbeek, Laag Soeren, Brummen, Arn-
hem, Wageningen, Bennekom, Gorssel, Zutfen, Lochem,
Laren, Barchem, Vorden, Groenlo, Winterswijk, Aalten,
Varsseveld, Doetinchem, Montferland, Hatert, Groesbeek.
Utr. : Rhenen, Soesterveen. Z.H. : Hoek van Holland (Mus.
Rd.). N.B. : Hooge Zwaluwe, Bergen op Zoom, Burgst, Bre-
da, Gilze-Rijen, Tilburg, Oirschot, Oisterwijk, St. Michiels-
gestel, Overasselt, Helmond, Deurne. Lbg. : Mook, Plasmolen,
Venlo, Blerick, Tegelen, Roermond, Zwartewater, Odiliën-
berg, Weert, Eys, Geulle.
Var. De Nederlandsche vorm behoort niet tot den typo-
nominalen Middenduitschen vorm (type van Frankfort a. d.
Main), die kleiner en sierlijker is dan de onze. De laatste
stemt daarentegen overeen met den grooteren, robusteren
Westfranschen (type van Rennes), subsp. palustris Obthr.
(182 NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 284
(Reiss det.). De soort is zeer variabel. De vlekken worden
bij de Zygaenidae op de volgende wijze genummerd : boven-
ste wortelvlek 1, onderste 2, bovenste middenvlek 3, onder-
ste 4, bovenste achterrandsvlek 5, onderste 6. Bij den typi-
schen vorm van frifolii zijn de 2 middenvlekken met elkaar
verbonden (formule: 1, 2, 3 + 4, 5). Zie Brants in Sepp,
serie 2, vol. 3, fig. 19.
1. ab. orobi Hb., Samml. Eur. Schm., fig. 133, 1818. Alle
vlekken staan los van elkaar (formule: 1, 2, 3, 4, 5).
Brants, fig. 18 Op alle vindplaatsen, maar veel minder
dan de typische vorm.
2. ab. basalis De Sélys, Ann. Soc. Ent. Belge, 1872, p.
LIX. De eerste 4 vlekken met elkaar verbonden (formule :
1 + 2 + 3 + 4,5). Deurne (Lpk.) ; Apeldoorn (Z. Mus.).
3, ab. frivittata Speyer, Ent. Z. Stettin, vol. 38, p. 42, 1877.
De tweede vlek verbonden met de vierde en de derde met
de vijfde (formule: 1, 2 + 4, 3 + 5). Tegelen (Latiers).
4. ab. glycyrrhizae Hb., l.c., fig. 138, 1818. De derde, vierde
en vijfde vlek met elkaar verbonden (formule: 1, 2, 3+ 4
+ 5, volgens de fig. van Hübner; dikwijls ook: 1 + 2,
3+4+5). Brants, fig. 21. Op alle vindplaatsen, meest
een vrij gewone vorm.
5. ab. minoides De Selys, Cat. Lép. Belg., p. 23, 1837. Alle
vlekken met elkaar verbonden (formule: 1 +2+3+4+5).
Brants, fig. 20. Haast overal onder de soort.
6. ab. punctonotata Vty., Ent. Rec., vol. 38, p. 12, 1926.
Een klein extra vlekje tusschen vlek 3 en vlek 5. Hatert
(Z. Mus.) ; Almelo (Cet).
7. ab. pallens Vorbr., Mitt. Schweiz. E. G., vol. 13, p. 204,
1921. De vlekken op de vvls. lichtrood, het rood der avis.
normaal. Hatert, Breda, Plasmolen (Z. Mus.).
8. ab. intermedia Tutt, Brit. Lep., vol. 1, p. 487, 1899. Het
rood van v.- en avls. veranderd in dof oranje, roodachtig
getint. Voorstonden (L. Wag.).
9. ab. lutescens Ckll., Entom., vol. 20, p. 152, 1887. Het
rood van v.- en avls. veranderd in geel. Apeldoorn (Lpk.).
10. ab. candida Burgeff, Mitt. Münch. E. G. vol. 5, p.
61, 1914. Het rood veranderd in wit. ? Arnhem (T. v. E.,
vol. 50, p. XIX; niet in coll.-Schuyt aanwezig).
Teratol. ex. Met zeer korte sprieten (T. v. E., vol.
49 pl);
231. Z. (T.) filipendulae L. In de duinen, op moerassige
plaatsen in het polderland, op niet te droge zandgronden.
Evenals trifolii vaak kolonien vormend en daardoor op de
vliegplaatsen niet zelden talrijk. 1 gen., begin Juni tot half
Aug. (5-6 tot 20-8).
Vindpl. Fr.: Ameland, Schiermonnikoog (hier in
massa's, Wiss.), Zurich, Gorredijk, Kippenburg, Nijetrijne,
Scherpenzeel, Peperga. Gr.: Groningen. Dr. : Hoogeveen.
285 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (183)
Ov. : Oldenzaal, Lonnekermeer, Hengelo, Delden, Albergen,
Holten, Diepenveen, Steenwijk, Giethoorn. Gdl.: Nijkerk,
Harderwijk, Hulshorst, Nunspeet, Hoog Soeren, Apeldoorn,
Laag Soeren, Dieren, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze, Wa-
geningen, Veenendaal; Zutfen, Almen, Lochem, Vorden,
Winterswijk, Aalten, Slangenburg, Doetinchem, Doesburg,
Herwen, Kapelle-Avezaat. Utr. : Soest, Blauwkapel, Botshol.
N.H. : Hilversum, Bussum, Valkeveen, Naardermeer, Diemen,
Amstelveen, Aalsmeer, Amsterdam, Assendelft, Terschelling,
Vlieland, Texel, Camp, Schoorl, Bergen, Bergen aan Zee,
Limmen, Overveen, Zandvoort, Haarlem, Vogelenzang. Z.H.:
Noordwijk, Katwijk, Wassenaar, Den Haag, Hoek van Hol-
land, Rockanje, Dordrecht. Zl. : Zoutelande, Domburg. N.B. :
Burgst, Strijbeek, Engelen (in 1894 in de omgeving van
‘s-Hertogenbosch in „buitengewone menigte, teste Ca-
land, T. v. E. vol. 44, p. 47). Lbg.: Plasmolen, Venlo,
Blerick, Weert, Roermond, Borgharen en het geheele zuiden.
Var. Weer een zeer interessante vlinder ! Reeds in T. v.
E., vol. 30, p. 207, vestigde Snellen de aandacht op het
verschil tusschen exx. uit het O. en uit het W. Dank zij de
medewerking van den heer Corporaal kon de geheele
serie uit Z. Mus. ter bestudeering gezonden worden aan den
bekenden Zygaeniden-specialist O. Holik te Praag, wiens
voorzichtig gesteld oordeel ik hier onvertaald laat volgen :
„Wenn die im Amsterdamer Museum vorhandene Serie
holländischer Zyg. filipendulae L. die Zusammensetzung der
einzelnen Populationen richtig wiedergibt, dann kommt man
zu der Ansicht, dass auch auf diesem relativ kleinen Gebiet
keine einheitliche filipendulae-Rasse fliegt. Vor allem sind
die Populationen des Nordsee-Küstenstreifens unbedingt als
eigene Rasse anzusprechen, die durch ihren robusten Körper-
bau und durch ihre ungewöhnliche Grösse, weiters aber auch
durch ihren breiten und stumpfen Flügelschnitt auffällt. Das
Zeichnungsmuster ist nicht stark entwickelt im Vergleich mit
anderen filipendulae-Rassen. Die Einflüsse dieser Küsten-
rasse, als deren Typus vielleicht die Population von Bergen
anzunehmen ist, macht sich auch weiter landeinwärts bemerk-
bar, namentlich bei den Populationen des Südufers der
Zuiderzee, aber auch längs des Rheins. Diese Populationen
haben aber nicht mehr die aussergewöhnliche Grösse.
Die Populationen Nordosthollands machen keinen einheit-
lichen Eindruck mehr. Möglicherweise macht sich bei diesen
der Einfluss des angrenzenden deutschen Binnenlandes be-
merkbar, dessen filipendulae-Populationen rassenkundlich
noch nicht bearbeitet wurden. Im Flügelschnitt halten sie
ungefähr die Mitte zwischen der holländischen Küstenrasse
und den bisher untersuchten norddeutschen Populationen.
Mit der var. stettina Bgff. können aber auch diese nordost-
holländischen Populationen nicht vereinigt werden, weil jene
(184) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 286
im Flügelschnitt doch etwas schmäler und spitzer ist. Ein
abschliessendes Urteil lässt sich aber wegen des zahlenmäs-
sig unzureichenden Materials nicht abgeben.
Was an südostholländischem Material vorhanden ist, ist
zu geringfügig für eine Beurteilung. Es sind nur Standorts-
belege.
Eine eigenartige Rasse scheint sich auf den Nordsee-Inseln
herausgebildet zu haben, wenigstens auf der Insel Texel.
Aber auch in diesem Falle müssten Untersuchungen an um-
fangreicherem Material vorgenommen werden. Gegenüber
der Küstenrasse scheint diese Population wirklich verschieden
zu sein.
Die holländische Küstenrasse ist sicherlich von den nord-
und mitteldeutschen Binnenlandrassen und auch von den
baltischen Rassen abzutrennen. Nur wäre eine nochmalige
Ueberprüfung an grösserem Material von nöten, um die
Beschreibung der Rasse auf breiterer Basis durchführen zu
können. Es ist immerhin die Möglichkeit vorhanden, dass
die im Amsterdamer Museum befindlichen Stücke ausge-
wählt grosse Individuen sind.
Ueber die einzelnen Populationen wäre folgendes zu sagen :
Holländische Küstenrasse.
Bergen. Ueberaus grosse und plumpe Rasse ( 4 bis 17,
Q bis 18mm). Breiter, stumpfer Flügelschnitt, gut entwickelte
Zeichnung, aber trotzdem meist isolierte Flecken. Rot der
Flecken und Htfl. leuchtendes, helles Karmin. Marginalband
der & & breiter als bei der Population von Albergen (Ost-
holland). Optischer Glanz hell bronzegrün, besonders bei
den 9 2. Seidiger gelbgrauer Ueberguss auf der Unterseite
der Vfl. fehlt fast völlig, dagegen ist bei den © © eine aus-
gedehnte rote Bestäubung des Fleckenfeldes vorhanden.
Thoraxbehaarung und Stirnschöpfe der & 3 gut entwickelt,
Hinterleib wenig glänzend. Bei den 9 © ist die Behaarung
naturgemäss schwächer, Thorax und Abdomen daher etwas
glänzend. Vorgelegen haben 7 3 3, 3 9 9.
Noordwijk. 1 4, 299. Noch grösser und plumper
und breitflügeliger als die Tiere aus Bergen. Vielleicht aus-
gewahlte Exemplare.
Amsterdam. 9 3 4. Diese Population ist etwas ab-
weichend durch ihren dunkleren, blaugrünen optischen Glanz
und das etwas dunklere Rot. Sonst mit den Exemplaren aus
Bergen übereinstimmend. 1) Hierzu passt ein ¢ aus A m-
stelveen. Leider liegen keine 9 ? vor.
Naardermeer. Auch diese Population muss noch als
breit- und stumpfflügelig bezeichnet werden. Sie passt zu
den eigentlichen Küstenpopulationen. Sie scheint zur Rück-
1) Vary hat wiederholt festgestellt, dass die Raupen der Amsterdamer
Population an Senecio aquaticus Huds. leben und sie damit auch erzogen
(Lpk.).
287 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (185)
bildung des Marginalbandes zu neigen, nur 1 & hat die
Hinterflügel stark umrandet. Im optischen Glanz mit der
Amsterdamer Population übereinstimmend. Mehr lässt sich
wegen der schlechten Erhaltung der Tiere nicht sagen.
(A),
Drei 4 & aus dem nahe bei Naardermeer gelegenen
Bussum fallen wieder durch das besonders dunkle Kar-
min und das besser entwickelte Marginalband auf, auch der
optische Glanz ist besonders dunkel blaugriin. Der Fliigel-
schnitt ist breit wie bei den Populationen der Nordsee-Küste.
Die Tiere sind aber verhältnismässig klein. 15—16 mm
Vfllange.
Hilversum. 3 & 4. In Grösse und Flügelschnitt mit
vorigen ibereinstimmend. Das Rot ist aber wieder heller,
leuchtender, der optische Glanz neigt mehr zu Griin.
3 $ $ aus Engelen und 2 4 & aus Kapelle Ave
zaat sind breit und rundfligelig wie die eigentlichen
Küstenpopulationen, aber kleiner. Die ® 2 aus Engelen ha-
ben nur 16mm Vfllänge.
Ein 4 aus Wolfheze ist abnorm klein. Hungerform.
Nur Standortsbeleg.
Südostholland.
Arnhem. Wenn das vorliegende Paar dem Durch-
schnittszustand der dort fliegenden Population entspricht,
so fliegt hier schon eine schmal- und spitzflügelige Rasse
mit hellem Rot und grossen Flecken, die wahrscheinlich zu
den westdeutschen Binnenlandrassen gehört, keinesfalls aber
zu der westholländischen Küstenrasse, als deren Typus ich
die Population von Bergen annehme. Optischer Glanz sehr
hell, Marginalband auch bei den 4 & sehr schwach ent-
wickelt. Beide Exemplare unten sehr stark rot bestäubt.
Venlo. Zwei & 3 von diesem Standort dürften auch
einer schmalflügeligen Rasse mit gut entwickeltem Marginal-
band angehören. Die Unterseite hat den für die meisten
filipendulae-Rassen typischen seidig gelbgrauen Ueberguss.
Valkenburg. 2 ¢ &, 1 ® passen im Flügelschnitt zu
den Stücken aus Venlo. Das Marginalband verschwindet
fast vollständig. Unterseite stark gelbgrau aufgehellt. Eigen-
artiger Weise wollen 2 4 & aus dem nahebei gelegenen
Epen nicht zu den Stücken aus Valkenburg passen. Sie
sind etwas breitflügeliger, besonders der Apex der Htfl. ist
stark abgerundet.
Nordostholland.
Lochem. 5 4 &, 5 9 2. Im Flügelschnitt sind die ¢ 4
uneinheitlich, aber im allgemeinen schmal- und spitzflügeliger
als die Kiistenpopulationen. Das Rot ist heller, mehr gelb-
stichig als bei diesen, die Flecken sind grôsser, enger bei-
sammenstehend, so dass Fleck 3 und 4 sich meist berühren
oder sogar konfluent sind. Auch ist Fleck 6 an Fleck 5 stark
(186) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 288
genähert. Die Flecken 1 und 2 sind meist vereint (bei der
Küstenrasse meist durch die Ader getrennt). Marginalband
meist stark rückgebildet. Optischer Glanz hell blau bis blau-
grün, bei den 9 ? selbstverständlich heller. Unterseite deut-
lich gelbgrau, seidig glänzend. Stirnschöpfe, Thorax- und
Körperbehaarung wie bei der Küstenrasse. Die Weibchen
sind durchwegs breitflügelig. Grösse: ¢ bis 15mm, © bis
18mm. Möglicherweise sind diese grossen Differenzen in der
Flügellänge nur zufällig und nicht die Norm.
Hierzu passt ein ebenfalls sehr grosses ® aus Diepenveen
und zwei schmalflügelige 4 4 aus Vorden.
Oldenzaal. Von zwei 4 & ist eines schmalflügelig,
das andere breitflügelig. Möglicherweise ist auch diese Po-
pulation, wie jene aus Lochem, in dieser Beziehung uneinheit-
lich. Das betrifft auch die Unterseite der Vorderflügel.
Nordsee-Inseln.
Texel. 4 & 4, 1 9. Nicht sehr breitflügelig, aber Vor-
der- und Hinterflügel am Apex sehr abgerundet. Die Flecken
sind verhältnismässig klein, isoliert. Das Rot ist ein stumpfes,
wenig leuchtendes Karmin. Optischer Glanz ziemlich dunkel
blaugrün, ähnlich wie bei der Amsterdamer Population. Mar-
ginalband schmal, regelmässig, bei allen vorliegenden Stücken
vorhanden. Das überaus lange Abdomen, das die vorliegen-
den Exemplare aufweisen, scheint unnatürlich zu sein. Wahr-
scheinlich eine Folge des Tôtens mit der Injektionsspritze.”
De volgende vormen zijn inlandsch :
1. ab. conjuncta Tutt, Brit. Lep., vol. 1, p. 512, 1899. Alle
vlekken met elkaar verbonden. Formule: 1+2+3+4+5
+6. Snellen (De Vlinders, p. 127), noemt den vorm
inlandsch. Ik heb geen ex. gezien.
2. ab. biconjuncta Vty., Boll. Portici, vol. 14, p. 38, 1920.
De derde vlek verbonden met de vierde en de vijfde met de
zesde (1, 2, 3+ 4, 5 +6). Amsterdam (Vary); Epen
(Wiss.).
3. ab. confluens Obthr., Et. d’Ent., livr. XX, pl. 8, fig.
132, 1896. De tweede, derde en vierde vlek met elkaar ver-
bonden (1, 2 + 3 + 4, 5, 6). Arnhem (Z. Mus.).
4. ab. cytisi Hb., Samml. Eur. Schm., fig. 26, 1797. Alle
vlekken paarsgewijze met elkaar verbonden (1 + 2, 3 + 4,
5 + 6). In het W. en N. weinig: Terschelling (L. Wag.),
Wassenaar (L. Mus.). In het O. op haast alle vindplaatsen.
5. ab. bipunctata De Sélys, Comptes Rendus Soc. Ent.
Belge, 1882, p. CXIV. De 4 eerste vlekken met elkaar ver-
bended (273415060) lerschelling (le AWagt);
6. ab. communimacula De Sélys, lc. De 4 laatste vlek-
ken met elkaar verbonden (1, 2, 3 + 4 + 5 + 6). Arnhem
(L. Wag.).
7. ab. flava Robson, Young Nat. vol. 5, p. 236, 1884. Al
het rood veranderd in geel. Veenendaal (Z. Mus.).
289 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (187)
8. ab. aurantia Rutt, Brit. Lep.) vol.) sp. 45110, 1899s net
rood veranderd in oranje. St. Pietersberg (L. Mus.).
9. ab. intermedia Tutt, Le. Terracottakleurig in plaats van
rood. Vorden (Z. Mus.).
10. ab. minor Tutt, l.c., p. 509. Dwergen. Ruurlo (L. Mus.).
Pathol. exx. a. Vlekken op de vvls. gedeeltelijk wit.
Ruigenhoek (Blauwkapel) (L. Mus.).
b. Kleur van linker vvl. afwijkend. Overveen (T. v. E.,
VOL Gp 9, DIEM MAN
Teratol. ex. Zonder rechter avl. Limmen, e.p. (Lpk.).
Theresia Spuler. 1)
* 232. T. ampelophaga Bayle-Barelle. Slechts 1 ex. van
deze zuidelijke soort is uit ons land bekend. Het bevond zich
in de dupla-coll. van Dr. J. Th. Oudemans en is af-
komstig uit de coll-Van den Brandt. Beiden hebben
het dier ongetwijfeld voor een verkleurde (donkerbruin-
achtige) pruni aangezien. Het stond trouwens ook tusschen
een paar dergelijke pruni-exx. en week daar in kleur nauwe-
lijks van af. Het viel mij echter op door een anderen habitus
en bij determinatie (het aderstelsel wijkt in enkele belangrijke
punten van pruni af) bleek het ex. tot ampelophaga te be-
hooren. Jordan (Seitz, Il, p. 7, 1909) geeft als verbrei-
dingsgebied van deze soort op: Riviera, Italië, Z.O.-Europa,
Kaukasus en Klein-Azië. Rocci (lc. p. 125) wijst er op,
dat ze in Italië veel met pruni verward wordt, zoodat het
niet uitgesloten is, dat dit ook in andere streken het geval is.
Hoe het ex. in ons land terecht is gekomen, is niet na te gaan.
Vindpl. Lbg.: Venlo, 2, 25-7 (z. j.) (Z. Mus.).
Rhagades Wallgr.
233. R. pruni Schiff. subsp. callunae Spuler, Schmett. Eur.,
vol. 2, p. 166, 1906. In alle heidestreken, op de vindplaatsen
in den regel gewoon. 1 gen., half Juni tot begin Aug. (20-6
tot 4-8).
Vindpl. Fr.: Oranjewoud. Gr.: Appelbergen. Dr.:
Eelde, Assen, Zweeloo, Schoonoord. Ov. : Oldenzaal, Alber-
gen, Holten, Diepenveen. Gdl. : Leuvenum, Apeldoorn, Rhe-
derhei, De Steeg, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze ; Gorssel,
Zutfen, Laren, Lochem, Ruurlo, Winterswijk, Korenburger-
veen, Aalten, Varsseveld, Bijvank, Montferland, Nijmegen,
Hatert, Groesbeek. Utr. : Rhenen, Doorn, Zeist, De Bilt,
1) Een prachtige monografie over Italiaansche soorten van het oude
geslacht Ino, waarin ook de soorten behandeld worden, die voor ons van
belang zijn of kunnen worden, werd gepubliceerd door Dr. U. Rocci:
„La Zigena della vite ed alcune specie italiane del gen. Procris F. (s.l.)”
in Boll. Inst. Entom. Univ. di Bologna, vol. 9, p. 113—152, 1937.
(188) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 290
Soest. N.H.: ‘s-Graveland, Hilversum, Bussum, Amsterdam
(L. Wag.). Z.H.: Den Haag, Loosduinen. N.B. : Ginneken,
Breda, Tilburg, Oisterwijk. Lbg.: Mook, Venlo, Tegelen,
Roermond, Melick, Brunssum, Kerkrade, Bemelen, Maastricht.
Var. Onze vorm stemt overeen met exx. uit Noord-
Duitschland, door Spuler subsp. (var.) callunae genoemd
(Heydemann det.). Hij onderscheidt zich volgens
Spuler van den typonominalen (Weenschen) vorm o.a.,
doordat de voorrand der vvls. gestrekter en langer is. Spuler
voegt er aan toe, dat callunae misschien een aparte soort is.
Rocci deelt echter mee (in litt.), dat de Nederlandsche exx.
zonder eenigen twijfel tot de soort pruni behooren.
Procris E.
234, P. statices L. Komt vrijwel door het geheele land op
allerlei soorten van terrein voor : zandgronden (ook in de
duinen : Noordwijk, Wassenaar, Hoek van Holland), moe-
rassige terreinen (Loosdrecht, Botshol, Naardermeer, Oost-
einderpoel bij Aalsmeer, „in Junij 1857 bij Amsterdam op
eene zeer moerassige weide" teste Snellen, T. v. E. vol.
5, p. 174), in Zuid-Limburg. Van de Wadden-eil. bekend
van Schiermonnikoog (Wiss). Op de vliegplaatsen soms
talrijk, bijv. in 1897 bij Laag Soeren bij honderden (O ude-
ms ve Es vol. 40, p. 574) gen met zeer langen
vliegtijd : eind Mei tot half Aug. (26-5 tot 17-8).
Var. De typische vorm heeft blauwgroene vvls. (,,viridi-
caerulea”). Deze is vrij zeldzaam en komt in den regel slechts
in enkele exx. onder de soort voor. Paterswolde (Wiss.) ;
Voorst (Cold.) ; Groesbeek, Breda, Gilze-Rijen (Z. Mus.) ;
De Lutte (Btk.) ; Voorthuizen, Venlo (L. Mus.) ; Blerick
(Langeveld) ; Tegelen (Latiers) ; Tilburg (Van den Bergh).
1. ab. viridis Tutt, Brit. Lep., vol. 1, p. 390, 1899. Vvls.
bronskleurig groen. Evenals in Engeland behooren bij ons
bijna alle exx. tot dezen vorm.
2. ab. rubida nov. ab. Grondkleur der vvls. roodkoper-
kleurig!). Deze vorm is niet een kunstmatige, veroorzaakt
door vocht, maar komt wel degelijk in natura voor. De mooiste
exx. stammen uit Noord-Drente. Minder roode trans. exx.
van goudgroene kleur hebben aanleiding gegeven tot het ver-
melden van Procris geryon Hb. als inlandsche soort. Deze
komt tot in Namen voor. Eelde (Z. Mus.) ; Eelderwolde
(Wiss.). Een trans. ex. van Oosterbeek in Z. Mus.
Cochlididae.
Apoda Hw.
235. A. limacodes Hufn. In alle zand- en boschachtige
1) Fond des ailes anterieures de couleur rouge cuivre.
291 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (189)
streken, ook in de duinen. 1 gen, eind Mei tot eind Juli
(30-5 tot 27-7).
Var. lab. mulier Boldt Ent. Z. vol. 497 pP 4117 41055)
& met grondkleur der vvls. geelachtig oker, bijna geel-
achtig wit, ® eveneens lichter dan normaal. Diepenveen, ©
(Cold.) ; Brakkenstein (Malden) (Bo.).
2. ab. & ochracea Seitz, Grossschm., vol. 2, p. 341, 1912.
Eenkleurig gele & 4, vvls. alleen met 2 dwarslijnen. Brak-
kenstein (Bo.).
3. ab. & bufo Fb. Mant. Ins., vol. 2, p. 121, 1787. & met
oranje- of roodachtige vvls. met een breeden zwartachtigen
middenband. Brakkenstein (Bo.).
4. ab. & “imax Bkh., Syst. Beschr vol. 3, p 44917007
Vvls. geheel donker op een geel vlekje aan den binnenrand
tusschen de 2 linen en 1 aan den binnenrandshoek na.
Overal onder de soort. Ook bij de 2 9 komt een dergelijke
vorm voor (Bo.).
5. ab. & suffusa Seitz, lc. Vvls. geheel zwartbruin, alleen
de 2 dwarslijnen nog donkerder. Zeer zeldzame vorm : Bo.
1 ex. uit ongeveer 1000 rupsen ! Brakkenstein (Bo.); Plas-
molen, Geulle (Z. Mus.) ; Tilburg (Van den Bergh).
Heterogenea Knoch.
236. H. asella Schiff. Zeer lokaal in het O. en Z., maar
op de vliegplaatsen in den regel in aantal. Biologie: Oud e-
mans, E. B., vol. 7, p. 401-409, 1929, Hij vond de rupsen
begin Octr. op beuk en tamme kastanje aan de onderzijde
der bladeren. Ze zijn te vinden door naar de vraatfiguur
der rups uit te kijken. Het bladmoes wordt aan één of beide
zijden der nerven weggevreten. 1 gen. tweede helft van Mei
tot half Juli (23-5 tot 13-7, volgens gekweekte exx.).
Vindpl. Gdl.: Putten, Apeldoorn, Ellecom (Middach-
ten), Arnhem, Oosterbeek.N.B.: Breda. Lbg.: Plasmolen
(Ottersum, rupsen op beukeheesters tegen den Kloosterberg,
I, 19: wolk 30, js ILO):
Var. De 2 2 vertoonen nogal verschil in tint.
I. ab. flavescens® Tutt, Brit Lep, vol. np ZONE
2 9 met okergeelachtige vvls. Overal onder de soort.
Psychidae.
Acanthopsyche Heylaerts.
237. À. atra L., 1767 (opacella H. S., 1845). Nog weinig
aangetroffen in heidestreken. In Denemarken lokaal in Jut-
land en op de eilanden. In Sleesw.-Holst. en bij Hamburg
lokaal ; bij Bremen zeldz.; in Hannover alleen in het Z. der
prov.; in Westfalen zeer lokaal; in de Rijnprov. 1 2 bij
(190) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 292
Aken (Burtscheider Wald). Uit België sinds jaren niet
meer vermeld. In Engeland in het Z. en in de Schotsche
Hooglanden. 1 gen, Mei (voor zoover bekend; Tutt geeft
voor Engeland op: eind April en Mei, Brit. Lep., vol. 2, p.
391).
Wiitnaid pl Gdl. Leuvenums (in «Z; Mussel van
14-5-1926, 1 © zak, 1 © pop en jonge zakjes van Juli 1926,
zie ook T. v. E., vol. 69, p. CIII); (Wolfheze, leege zak,
Le, p. CV; Winterswijk, idem, Lc. en E. B., vol. 7, p. 13).
Lbg. : Roermond, 9, Mei 1923 (Btk.).
Pachythelia Westwood.
238. P. villosella O. Lokaal in heidestreken door het ge-
heele O. en Z., op de vindplaatsen gewoonlijk niet zeld-
zaam. 1 gen., half Mei tot eind Juli (16-5 tot 25-7, vol-
gens gekweekte exx.).
Vindpl. Dr.: Donderen, Norg, Zeegse, Oudemolen,
Schipborg, Peize, Bunnerveen, Schoonoord, Odoornerveen.
Ov. : Hengelo. Gdl. : Ermelo, Garderen, Tongeren, Apel-
doorn, Arnhem, Wolfheze, Wageningen, Bennekom. N.B. :
Breda. Lbg. : Tegelen, Roermond.
239. P. (Canephora Hb.) unicolor Hufn. Lokaal in zand-
streken in het O. en Z. 1 gen. half Juni tot begin Aug.
(21-6 tot 1-8, naar gekweekte exx.).
Vindpl. Gdl.: Putten, Laag Soeren, De Steeg, Arnhem,
Oosterbeek ; Vorden, Doetinchem, Zeddam, ‘s-Heerenberg,
Montferland, Bijvank, Beek bij Nijm., Nijmegen, Hatert,
Groesbeek. Utr. : Amerongen. N.B.: Breda. Lbg.: Plas-
molen, Venlo, Tegelen, Roermond, Melick.
Oreopsyche Spr.
240. O. plumifera O. (afra auct. nec L.). Lokaal in heide-
streken, op de vindplaatsen in aantal. 1 gen. begin April
tot half Mei. (1-4 tot 16-5).
Vindpl. Gdl.: Wapenvelde, Ermelo, Arnhem, Wolf-
heze, Wageningen, Beek bij Nijm. Utr.: Zeist, De Bilt,
Soest. N.H.: Hilversum, Bussum. N.B. : Breda.
Sterrhopteryx Hb.
241. S. hirsutella Hb. In boschachtige streken in het O.
en Z. De & &, die tegen den avond uitkomen, komen op
licht. 1 gen. begin Juni tot in de tweede helft van Juli (3-6
tot 22-7).
Vindpl. Gdl.: Twello (zelden op licht), Empe, Laag
Soeren, Aalten, Bijvank, Berg en Dal, Beek bij Nijm., Nij-
megen, Hatert. N.H.: Hilversum. N.B.: Breda (Hey-
293 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (191) _
laerts schrijft in Sepp, 2e serie, vol. 3, p. 74: „In al onze
bosschen verre van zeldzaam en zelfs trof ik haar zakken
meermalen in heggen en kreupelbosschen rondom vrij ge-
legen akkers.”), Ginneken, Gilze-Rijen, Tilburg, Oisterwijk,
Deurne. Lbg. : St. Jansberg, Venlo, Steyl, Roermond, Bruns-
sum, Meerssen, Bunde, Berg en Terblijt, Geulem, Valken-
burg, Epen.
Phalacropteryx Hb.
242. P. graslinella Bsd. Een zeer lokale soort op heiden,
alleen in Drente wat meer voorkomend, op de vliegplaatsen
daar soms vrij talrijk (teste Skm.). In Denemarken verbreid,
maar lokaal, in Jutland, niet op de eilanden. In Sleesw.-Hol-
stein zeer lokaal; bij Hamburg nog onbekend; bij Bremen
zeldzaam ; in Hannover in het N. ; in Westfalen in de Senne ;
in de Rijnprov. bij Trier. Uit België sinds jaren niet meer
vermeld. Ontbreekt in Engeland. 1 gen., begin Mei tot half
Juni (3-5 tot 17-6, volgens gekweekte exx.).
Vindpl. Dr. : Norg, Donderen, Peize, Anlo, Zuidlaren,
Bunnerveen, Odoornerveen, Schoonoord. N.B. : Breda (Gal-
dersche Heide). Lbg. : Roermond.
Epichnopteryx Hb.
243. E. tarnierella Brd. Een onzer zeldzaamste Psychiden,
die echter ongetwijfeld in het O. en Z. meer te vinden is,
wanneer maar op den geschikten tijd (Mei) naar de zakjes
gezocht wordt. Als voedselplant wordt algemeen Holcus
mollis L. opgegeven. Boldt deelt echter in een interes-
sant artikel mee (Ent. Z., vol. 50, p. 422—423, 1936), dat
hij de meeste zakken op Agrostis tenuis Sibth. (vulgaris
With.) vond en enkele op Holcus lanatus L. Hoe beperkt
de vindplaatsen kunnen zijn, blijkt wel hieruit, dat hij langs
een sloot midden in de weilanden bij Beek-Nijm. eind Mei
1936 een kleine kolonie vond op een stukje grond van 5 m
lang en 1 m breed. Nergens anders langs den slootkant of
langs dien van andere slooten was een spoor van farnierella
te ontdekken. Ruim 30 zakjes werden gevonden, die in to-
taal slechts 2 & & opleverden; de rest waren alle 9 2.
Jaren lang is de vlinder alleen bekend geweest uit Zuid-
Frankrijk en Nederland. Tegenwoordig kennen wij tarnie-
rella echter ook van Bremen, Hannover, Brunswijk en Fürth
in Beieren (Trautmann teste Meder, Int. Ent. Z,,
vol. 24, p. 131, 1930), terwijl De Joannis haar uit noor-
delijker deelen van Frankrijk vermeldt (Lamb., 1931, p. 146) :
Forêt de Carnelle (Seine-et-Oise), Nolay (Saône-et-Loire),
Vannes (Morbihan). Zijn broer ving op de laatste vind-
plaats 20 à 30 exx, door met zijn net over de toppen der
(192) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 294
grassen langs een pad te strijken. 1 gen., half Mei tot eind
Juni (11-5 tot 21-6, volgens gekweekte exx.).
Vindpl. Gdl.: Slangenburg (zak in 1932, Btk.) ; Beek
bij Nijmegen (1936, Bo., zie boven; één der beide 3 3 in
Mus. Rd.) ; Nijmegen (op de oude vestingwerken, Onze VI,
p. 358). N.B.: Breda, 11-5-1871 en 27-5-1872 (T. v. E.,
vol. 16p:1146);
244. E. pulla Esp. Verbreid in het O. en Z., op de vlieg-
plaatsen in den regel in aantal. 1 gen., begin Mei tot be-
gin Juli (5-5 tot 5-7).
Vindpl. Ov.: De Lutte, Hengelo. Gdl. : Putten, Apel-
doorn, Voorst, Loenen, Arnhem, Doetinchem (De Zumpe) ;
Bijvank; Hatert, Nijmegen, Malden (talrijk, Bo.). N.B.:
Bergen op Zoom, Breda, Tilburg, Oisterwijk. Lbg.: Venlo,
Roermond, Kerkrade, Geulem, Maastricht.
Whittleia Tutt.
245. W. retiella Newman. Zeer lokaal, slechts van en-
kele vindplaatsen bekend, maar ongetwijfeld in ons land
meer voorkomend. Op de vindplaatsen in den regel in aan-
tal. Hoe gevaarlijk het is te meenen, dat de levenswijze van
een vlinder in ons land moet overeenstemmen met die in een
ander land, blijkt wel bij deze soort. In Engeland is refiella
uitsluitend bekend van zilte gronden langs de Z.- en Z.O.-
kust en men is altijd van meening geweest, dat de vlinder
bij ons dus ook op dergelijke terreinen moest voorkomen.
Snellen heeft daarom zelfs de opgave van Heylaerts,
die de soort in 1876 bij Breda (geen zilten grond) ontdekte,
in twijfel getrokken. Intusschen is de laatste jaren gebleken,
dat retiella bij ons in de eerste plaats een bewoner van zand-
gronden is, waar halophiele planten volkomen ontbreken. In
Engeland is als voedselplant uitsluitend bekend Puccinellia
maritima Parl. (— Poa maritima De Gorter, Glyceria mari-
tima M.K., Festuca thalassica Kundt). Van de 5 hierna te
noemen vindplaatsen is deze grassoort alleen bekend uit
Diemen, maar groeide daar aan de buitenzijde van den zee-
dijk (en is daar na de voltooiing van den afsluitdijk vermoe-
delijk zelfs geheel verdwenen). De vlinder vliegt daaren-
tegen aan de binnenzijde van den dijk, waar wel een brak-
waterflora voorkomt, maar zonder Pucc. maritima. Op de
vier andere vindplaatsen komen geen halophiele planten voor
(teste Dr. Kruseman).
Heylaerts vermeldt in T. v. E. vol. 21, p. XXVI,
dat hij 3 zakken op populier vond, maar in vol. 53, p. 56—
57, deelt hij mee, dat ze daar ter verpopping waren vast-
gesponnen. Op de laatste plaats noemt hij als voedselplanten
Poa annua L. en Artemisia. Doets (E. B. vol. 10, p. 8)
sleepte de rupsen bij de Hollandsche Rading van Festuca
295 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (193)
rubra L. en Holcus lanatus L., terwijl ze in gevangenschap
alle geboden grassoorten aten.
Behalve uit Engeland is retiella nog bekend uit Dene-
marken (geregeld bij Lemvig in Noord-Jutland), uit Slees-
wijk (sinds 1929 meermalen bij Bredstedt) en uit Noord-
Frankrijk (Trautmann teste Meder, Int. Ent. Z., vol.
24, p. 131, 1930). 1 gen, eind April tot begin Juni (29-4
tot 9-6). (Voor Engeland geeft Tutt op: eind Mei en Juni,
Brit. Lep., vol. 2, p. 346, 1900).
Vindpl. Utr.: De Bilt, 1922 5 a (Z2MusJ)kEerlol-
landsche Rading, 16 & 4 in 1936, rupsen in 1937 (Doets,
zie ook E. B. l.c.). N.H.: Bussum, 18-5-1934 een 4 ge-
sleept op drogen zandgrond bij het viaduct over de spoor-
baan (Diakonoff) ; Diemen, vanaf 1909 aan de binnenzijde
van den IJselmeerdijk. N.B.: Breda, 1877 en 1878 bij Den
Emmer en op de Spinolaschans bij Terheiden (T. v. E., vol.
21Nensvol53" lc);
Fumea Stephens.
246. F. casta Pall. Door het geheele land in zand- en
boschachtige streken, gewoon. 1 gen., tweede helft van Mei
tot half Juli (21-5 tot 11-7).
Proutia Tutt.
247. P. betulina Z. Veel lokaler dan de vorige soort, in
boschachtige streken in het O. en in het duingebied. 1 gen,
begin Juni tot in de tweede helft van Aug. (5-6 tot 20-8).
Vindpl. Ov.: De Lutte, Delden, Diepenveen. Gdl.:
Leuvenum, Apeldoorn, Brummen, Arnhem, Oosterbeek, Door-
werth ; Aalten; Bijvank; Berg en Dal, Nijmegen, Hatert
(zakken zeer talrijk van dennen geklopt, Bo.). Utr. : Ame-
rongen, De Bilt. N.H.: Overveen. N.B. : Breda (Liesbosch).
Lbg. : Roermond, Maasniel.
Bacotia Tutt.
248. B. sepium Spr. Op zandgronden in het O., lokaal, op
de vindplaatsen soms in aantal; ook in Z. Limbg. 1 gen,
tweede helft van Juni tot eind Juli (23-6 tot 28-7).
Vindpl. Gdl.: Arnhem, Oosterbeek, Doetinchem, Nij-
megen, Groesbeek. Utr. : Amerongen, Driebergen, Breukelen.
N.H.: Hilversum (rups veel op Abies, nu en dan op Picea,
teste Doets). N.B. : Breda, Oisterwijk. Lbg.: Venlo, Meers-
sen, Bunde, Gulpen.
(194) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 296
Luffia Tutt.
249. L. ferchaultella Stephens. Tot nog toe uitsluitend
gevonden in Zeeland en Zd.-Limburg, op de vindplaatsen
in aantal. Overigens is de vlinder, waarvan geen & 4 be-
kend zijn, 1) alleen vermeld uit Engeland, waar hij lokaal
in de zuidelijke helft voorkomt. De zakjes zijn bij ons op
verschillende boomsoorten (iep, populier, vruchtboomen) ge-
vonden. Zie ook de uitvoerige mededeeling van Brants
over de eerste vondsten in ons land in 1918 (T. v. E., vol.
66, p. IX—XIX). 1 gen. Juli (6-7 tot 21-7).
Vindpl. Zl: Haamstede, Middelburg, Goes, Katse-
veer. Lbg.: Meerssen.
Taleporia Hb.
250. T. tubulosa Retzius, 1783 (pseudobombycella Hb.,
1796). Algemeen op zandgronden, vooral in boschachtige
streken, de zakken veel tegen beuken. Doets vond in 1936
de 4 & talrijk rondvliegen op de heide bij Hilversum. 1 gen.
half Mei tot eind Juni (17-5 tot 27-6).
Var. 1. ab. guenei Zeller, Linn. Ent., vol. 7, p. 342, 1852.
Kop niet geelachtig, maar donker. Amerongen (Lpk.) ; Breda,
Roermond (Btk.).
Solenobia Zeller.
251. S. triquetrella F. v. R. Waarschijnlijk in alle zand-
streken gewoon. In ons land komt alleen de in Midden-
Europa zeer verbreide parthenogenetische vorm voor 2) ; de
sexueele, die slechts van weinige vindplaatsen bekend is,
werd tot nog toe niet aangetroffen. 1 gen. half April tot
half Mei (11-4 tot 19-5).
Vindpl. Gdl. : Winterswijk, Arnhem, Groesbeek. Utr. :
Amerongen. N.H. : Overveen. Z.H. : Den Haag, Loosduinen.
N.B. : Bergen op Zoom, Breda, Hondsdonk. Lbg. : Venlo.
252. S. inconspicuella Stainton. Nog slechts van enkele
vindplaatsen bekend, daar gewoon. Overigens alleen met
zekerheid bekend uit Engeland (verbreid) en België (teste
Dufrane).3) 1 gen, tweede helft van Maart tot begin
Mei (24-3 tot 7-5).
1) Hering (Die Schmetterl. nach ihren Arten dargestellt, p. 303,
1932) noemt ferchaultella „die parthenogenetische Rasse’ van L. lapi-
della Goeze.
) Volgens Hering (lc. p. 304) is deze waarschijnlijk lichenella L.
) Hering (l.c.) schrijft, dat inconspicuella alleen in Engeland voor-
komt. De uit Duitschland etc. vermelde exx. behooren tot nickerli Hein.
Voor zoover mij bekend is, heeft hij de Nederlandsche en Belgische exx.
echter niet gezien.
297 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (195)
Vindpl. Gdl.: Leuvenum, Imbosch, Montferland, Bij-
vank. Utr.: Amerongen.
253. S. cembrella L.1) Waarschijnlijk door het geheele
land in boschachtige streken verspreid. De soort komt bij
ons in 2 hoofdvormen voor, de sexueele cembrella L. en de
parthenogenetische lichenella L. Vroeger werden deze als
2 afzonderlijke soorten beschouwd, maar volgens de onder-
zoekingen van Seiler hebben we met slechts één soort
te doen. Beide vormen schijnen niet naast elkaar op dezelfde
terreinen voor te komen, maar veel is hiervan nog niet be-
kend. Snellen (De Vlinders, II, p. 446) meldt, dat de
rups van den sexueelen vorm op stammen van Pinus syl-
vestris L. gevonden is, wat ook in de literatuur bevestigd
wordt. Hering bijv. zegt van den vorm (onder den naam
pineti Zell.) : „In Kieferwäldern haufig.’ Volgens Dufra-
ne komt de rups echter ook op andere boomen voor. 1 gen.
April (6-4 tot 29-4). i
Vindpl. a. cembrella L. Gdl.: Apeldoorn, Klarenbeek,
Arnhem, Bijvank, Berg en Dal, Groesbeek. Utr. : Amerongen
(in het bosch). N.B.: Breda (zakken op Pinus).
b. lichenella L. Utr. : Amerongen (op geheel andere plaats
dan cembrella, nl. op een tabaksschuur en daar talrijk, teste
Btk.). N.H.: Naardermeer, Overveen. Z.H. : Rotterdam ?
(De Vlinders, II, p. 445, als inconspicuella).
Var. De sexueele vorm, cembrella L., komt in 2 onder-
vormen bij ons voor. De donkerder noordelijke typische vorm
is de gewoonste. Daarnaast wordt ook aangetroffen :
1. ab. pineti Zeller, Linn. Ent., vol. 7, p. 348, 1852. De
lichtere, grootere zuidelijker vorm.
Opm. 1. De nomenclatuur van de laatste soort is vri
verward. Meestal wordt de soort S. pineti Z. genoemd, zon-
der een verdeeling in een noordelijker en zuidelijker vorm te
maken (o.a. door Hering), soms ook S. cembrella Teng-
str. De door mij gebruikte nomenclatuur is die van Tutt,
die mij wel gefundeerd lijkt. Linné heeft een Tinea cem-
brella beschreven (Fauna Suecica, p. 365), die moeilijk iets
anders dan deze soort kan zijn. Ook Nordström schrijft
(in litt.) : ,,Persénlich bin ich für cembrella L., worin ich nicht
anders sehen kann als pineti Z.”
en
1) S. wockii Hein. Op gezag van Dufrane vermeldt Btk. deze
soort van Amerongen. Dufrane schrijft (Lambillionea, 1930, p. 109),
dat hij wockii voor een vorm van inconspicuella houdt, omdat dezelfde
zakken: van Amerongen zoowel inconspicuella als wockii opleverden. Hij
is met deze bewering in tegenspraak met alle autoriteiten, die ik heb
geraadpleegd (Von Heinemann, Tutt, Rebel in Spuler, He-
ring), en die alle wockii als zelfstandige soort opvatten. Hering
geeft als vindplaats van wockii alleen Silezië op. Zoo lang daarom niet
door onderzoek van het genitaalapparaat (ook van authentiek buiten-
landsch materiaal) uitgemaakt is, of de Nederlandsche exx. tot wockii
behooren, acht ik het raadzamer de soort niet als inlandsch op te nemen.
(196) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 298
2. In biologisch opzicht is het geslacht Solenobia zeer be-
langwekkend. Hierop kan in dezen Catalogus niet nader in-
gegaan worden. Men leze echter de interessante inleiding
tot de Psychidae door Wehrli in Seitz, vol. 2, suppl.,
p.211—213, 1933, waar ook verdere literatuur genoemd wordt.
3. De faunistische kennis van Solenobia kan niet anders
dan fragmentarisch en zeer onbevredigend genoemd worden.
De rupsen zijn in de eerste mooie dagen van Maart op boom-
stammen te vinden, waar de kleine min of meer driekantige
gladde zakjes dan al spoedig ter verpopping worden vast-
gesponnen, zoodat de kweek weinig moeilijkheden oplevert.
Het is daarom te hopen, dat in de komende jaren wat meer
licht over deze groep verspreid wordt. Misschien zal het dan
ook mogelijk zijn verschillende nu nog duistere punten tot
klaarheid te brengen. Zoo beschouwt Hering alle parthe-
nogenetische 9 ® als één soort, lichenella L., terwijl andere
auteurs zoowel van friquetrella een dergelijken vorm onder-
scheiden (niet apart benoemd) als van cembrella (de echte
lichenella L.). Verder meent Tutt (Brit. Lep., vol. 2, p.
175), dat het door Snellen van Voll. afgebeelde ©
van friquetrella (in Sepp, serie 2, vol. 3, pl. 42, fig. 1—10)
in werkelijkheid lichenella is. (Bentinck schrijft (T. v.
E., vol. 73, p. XCVI) dat Tutt „heeft aangetoond, dat
cembrella en lichenella vormen van pineti, en wockii van in-
conspicuella zijn.” Dit is onjuist. Tutt beschouwde alleen
pineti als een vorm van cembrella L. en alle andere als zelf-
standige soorten. Seiler had zijn proeven toen nog niet
genomen, zoodat er in 1900 geen enkel bewijs was, dat ook
lichenella tot het soortcomplex cembrella behoort. Tutt’s
conclusie was toen (p. 160) : „Really we know nothing yet
of the subject and every student must take the facts as he
finds them. ’) Er bestaat ongetwijfeld groote behoefte aan
een monografische behandeling van de Nederlandsche vor-
men, waarbij de studie van het copulatieapparaat (en dan
vooral vergeleken met betrouwbaar buitenlandsch materiaal)
een belangrijke plaats zal moeten innemen.
Bankesia Tutt.
254. B. staintoni Walsingham. In 1926 in ons land door
Mure in IN hiemmtuisontdekte (lev sE voll 700 p-
XXII) ; thans van 2 vindplaatsen bekend. Behalve 1 vind-
plaats in Engeland (Southamptonwater) wist Tutt slechts
2 andere zekere vindplaatsen te vermelden, nl. Brussel en
Corsica (Brit. Lep., vol. 2, p. 212). Dufrane meldt
1 & van Frameries, Zuid België (Lamb., 1930, p. 106), ter-
wilebum romeésa(Ent, Recyiihvoli 4450p) 1d) 911932) den
vlinder uit Frankrijk vermeldt (Parijs, Vannes, Janville).
299 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (197)
Zie over deze soort ook Lycklama in T. v. E, vol.
74, p. LXXI en vol. 76, p. 93—94. Hij schrijft, dat de rups
boommos eet, doch bijna volwassen ook gaarne gras, dat
zij vanaf Aug. vooral op beuken te vinden is en dat ze eind
Febr. verpopt. 1 gen. begin Maart tot half April (7-3 tot
10-4).
Vindpl. Gdl.: Leuvenum (26 Maart 1926 het eerste
Nederl. ex.) ; Übbergen (de zakken in Septr. gewoon, teste
Lycklama, l.c., vol. 76).
Aegeriidae.
Aegeria F.
255. A. apiformis Cl. Door het geheele land, meer of min-
der gewoon. 1 gen., begin Juni tot eind Juli (3-6 tot 31-7).
Var.2 22 met helder lichtbruine in plaats van donkere
banden. Bunne, 1927 (Skm.).
Sphecia Hb.
256. S. crabroniformis Lewin. Zeer lokaal, zeldzaam. 1
gen., Juli (5-7 tot 25-7).
Vindpl. Fr. : Leeuwarden, Scherpenzeel. Dr. : Eelder-
wolde. Ov.: Deventer. Gdl.: Oosterbeek, Slangenburg.
Utr. : Nichtevegt. Z.H. : Katwijk, Rijnsburg. N.B. : Breda.
Var. 1. ab. bredanensis Heylaerts, T. v. E., vol. 26, p.
CLI, 1883. Het schildje van den metathorax met 2 gele met
de holle zijden naar elkaar gekeerde halve maantjes. Eerste
achterlijfsring geel, tweede zwart, derde geel, vierde rood-
achtig oranje, de volgende ringen geel, staartpluim oranje-
geel. Breda (type, Heylaerts, l.c.).
Paranthrene Hb.
257. P. tabaniformis Rott. In een groot deel van het land
waargenomen, lokaal. 1 gen., begin Juni tot eind Aug. (3-6
tot 28-8).
Vindpl. Fr.: Oldeboorn. Gr.: Groningen. Gdl. : Apel-
doorn, Brummen, Arnhem, Wageningen (in 1937 talrijke
uitgekomen poppen in afgezaagde populieren, Skm.), Benne-
kom ; Aalten, Slangenburg ; St. Jansberg, Malden, Hees ;
Wamel, Leeuwen. Utr.: Vianen, Bilthoven, Utrecht (Vos-
segat), Amersfoort, Groenekan. N.H.: Amsterdam, Velzen,
Aerdenhout. Z.H.: Bodegraven, Den Haag, Rockanje, Nu-
mansdorp, Dordrecht. N.B.: Bergen op Zoom, Breda, Hel-
voirt, Oisterwijk. Lbg. : Mook, Venlo, Tegelen, Horst, Roer-
mond, Maasniel, Linne, Borgharen, Brunssum, Kerkrade,
Bemelen, Meerssen, Gronsveld.
(198) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 300
Bembecia Hb.
258. B. hylaeiformis Lasp. Zeer lokaal, nog weinig waar-
genomen. 1 gen., eind Juli tot eind Aug. (29-7 tot 22-8).
Vindpl. Dr.: Assen, Rolde. Gdl.: Laag Soeren, Arn-
hem. N.B.: Breda (verscheiden rupsen in 1887, T. v. E.,
vol. 33, p. XXXV). Lbg.: Venlo, Bunde.
Synanthedon Hb.
259. S. spheciformis Esp. In de zand- en boschachtige
streken van bijna het geheele land (behalve in de duinen)
waargenomen. | gen, eind Mei tot eind Juni (25-5 tot 26-6).
Vindpl. Gr.: Groningen. Dr.: Peize, Bunnerveen,
Wijster, Frederiksoord. Ov. : De Lutte, Diepenveen. Gdl.:
Putten, Hulshorst, Nunspeet, Apeldoorn, Laag Soeren, Brum-
men, Spankeren, Ellecom, Wolfheze, Bennekom ; Winters-
wijk, Aalten. Utr. : Rhenen, Leersum, Driebergen, Soest.
N.H.: Blaricum. N.B.: Ginneken, Breda (Ulvenhoutsche
Bosch, Mastbosch), Rijen, Oisterwijk. Lbg. : Mook, Venlo,
Weert, Roermond, Kerkrade, Simpelveld, Vaals, Epen,
Schinveld, Meerssen, St. Pieter, Valkenburg.
260. S. tipuliformis Cl, Door het geheele land waargeno-
men. Alleen uit Drente zijn mij geen vindplaatsen bekend.
1 gen, eind Mei tot begin Juli (23-5 tot 9-7).
261. S. vespiformis L. In de zandstreken van bijna het
geheele land waargenomen, met uitzondering van de duinen.
1 gen. half Mei tot half Aug. (21-5 tot 17-8).
Vindpl. Gr.: Groningen. Dr.: Donderen, Zuidlaren.
Ov. : Holten. Gdl. : Putten, Hulshorst, Nunspeet, Apeldoorn,
Brummen, Ellecom, Rozendaal, Arnhem, Oosterbeek, Heel-
sum, Wageningen, Ede; Vorden, Lochem, Doetinchem,
St. Jansberg. Utr. : Rhenen, Leersum, Driebergen, De Bilt,
Bilthoven, Soest. N.H. : Hilversum. Z.H. : Rotterdam. N.B. :
Bergen op Zoom, Breda. Lbg. : Mook, Venlo, Steyl, Bruns-
sum, Houthem.
262. S. myopaeformis Bkh. Lokaal, vooral in het O. en
Z. 1 gen. half Mei tot begin Aug. (13-5 tot 1-8).
Vindpl. Ov.: Denekamp. Gdl.: Nijkerk, Vaassen,
Brummen, Dieren, Oosterbeek, Wageningen; Zutfen. Utr. :
Amersfoort, Utrecht. N.H.: Amsterdam-Watergraafsmeer
(L. Wag.). Z.H. : Dordrecht. N.B. : Geertruidenberg, Hal-
steren, Breda, Princenhage, Chaam. Lbg. : Venlo, Roermond,
Brunssum, Kerkrade, Heer, Maastricht, Mechelen.
263. S. culiciformis L. Lokaal in zandstreken (ook in de
duinen.) 1 gen. midden Mei tot eind Juli (19-5 tot 25-7).
Vindpl. Gr.: Appelbergen, Juni 1930 zeer talrijk in
afgezaagde berken (Skm.). Dr.: Zeegse. Gdl.: Nijkerk, :
Putten, Apeldoorn, Empe, Spankeren, Renkum, Wagenin-
301 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (199)
gen; Aalten, Montferland, Nijmegen. Utr. : Leersum, Zeist,
De Bilt, Amersfoort, Soest. N.H.: Hilversum, Bussum, Am-
sterdam (Van der Beek), Schoorl, Velzen. Z.H. : Den Haag.
N.B. : Breda, Gilze-Rijen, Tilburg. Lbg. : Venlo, Steyl, Roer-
mond, Maalbroek, Brunssum, Meerssen, Gulpen, Vaals.
264. S. formicaeformis Esp. Lokaal, vooral in vochtige
streken. 1 gen., begin Juni tot eind Juli (2-6 tot 31-7).
Vindpl. Fr.: 1 ex. met etiket „Friesland in Z. Mus.
Gr. : Delfzijl (waarschijnlijk uit aangevoerd rijshout, Wiss.).
Ov.: Diepenveen, Deventer. Gdl.: Arnhem, Oosterbeek,
Wageningen, Herwen, Lobith, Nijmegen, Elst, Wamel, Kui-
lenburg. Utr. : Rhenen, Linschoten, Jaarsveld, Utrecht, Nieu-
wersluis, Nichtevegt, Ankeveen. N.H.: Diemen, Amsterdam-
Watergraafsmeer, Halfweg, Beverwijk, Vogelenzang. Z.H. :
Leiden, Zevenhuizen, Rotterdam, Dordrecht, Numansdorp,
Spijkenisse. N.B.: Breda. Lbg.: Kerkrade.
Dipsosphecia Spuler.
265. D. ichneumoniformis F. Zeer lokaal, uitsluitend in
Limburg. In Denemarken lokaal en zeldzaam. Ontbreekt in
Sleesw.-Holstein, bij Hamburg en bij Bremen; in Hannover
gevonden bij Waldeck ; zeer zeldzaam in Westfalen ; in de
Rijnprov. bij Crefeld. In België zeer lokaal. In Engeland
vooral in het zuiden. 1 gen., Juni, Juli.
Vindpl. Lbg.: Roermond, 1897 (Latiers) ; Maastricht,
1922, Schin op Geul, 19-7-1934 (Mus. M.) ; Valkenburg,
20-7-1881 (L. Mus.) ; Gulpen, 30-7-1894 (Z. Mus.).
Chamaesphecia Spuler.
266. C. empiformis Esp. Lokaal in het O. en Z., op de
vliegplaatsen soms in aantal. 1 gen., eind Mei tot half Juli
(2525) total 527)
Vindpl. Gdl.: Apeldoorn, Arnhem, Oosterbeek, Wa-
geningen (niet zeldzaam langs den Rijn tusschen Wagenin-
gen en Rhenen, Skm.) ; Lobith. Utr. : Grebbe, Rhenen, An-
keveen. N.B.: Breda, ‘s-Hertogenbosch, Middelaar. Lbg. :
Grubbenvorst, „Zuid-Limburg (Z. Mus.).
Cossidae.
Cossus F.
267. C. cossus L. In het geheele land, op vele plaatsen
algemeen. Ook bekend van Schiermonnikoog (Wiss.). 1 gen.
begin Juni tot begin Septr. (8-6 tot 4-9).
Var. De vlinders varieeren nogal in tint en teekening.
Een zeer licht ex. met grijswitte grondkleur van Goes (Van
Berk).
(200) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 302
Zeuzera Latr.
268. Z. pyrina L. Door bijna het geheele land, vrij lokaal,
maar op de vindplaatsen dikwijls in aantal. I gen., half Juni
tot eind Septr. (20-6 tot 25-9).
Vindpl. Gr.: Groningen, Noorder Hoogebrug. Ov.:
Steenwijk, Zwolle, Holten. Gdl. : Nijkerk, Harderwijk, Put-
ten, Leuvenum, Apeldoorn, Twello (vrij geregeld in enkele
exx. per jaar), Brummen, Beekhuizen, Arnhem, Oosterbeek,
Heelsum, Wageningen, Bennekom ; Zutfen, Vorden, Aalten,
Doetinchem, Doesburg, Didam ; Ubbergen, Nijmegen, Neer-
bosch. Utr. : Amerongen, Utrecht, Amersfoort, Groenekan.
N.H.: Hilversum, Bussum, Amsterdam, Koog aan de Zaan,
Overveen, Haarlem. Z.H. : Oegstgeest, Leiden, Den Haag,
Voorschoten, Delft, Rotterdam, Dordrecht, Numansdorp,
Oud-Beierland. Zl.: Zierikzee. N.B.: Bergen op Zoom,
Breda, Tilburg, Deurne. Lbg. : Blerick, Tegelen, Roermond,
Stein, Brunssum, Schinveld, Maastricht, Heer, Meerssen
(alg., soms 10 of 12 per avond op licht), Valkenburg,
Klimmen, Epen.
Phragmataecia Newman.
269. P. castaneae Hb. Vooral op vochtige plaatsen, lokaal,
maar stellig meer voorkomend dan bekend is. 1 gen., begin
Juni tot eind Juli (5-6 tot 30-7), in T. v. E., vol. 6, p. 158,
een ex. vermeld van Mei.
Vindpl. Gdl.: Putten, Twello (1 ex.), Nijmegen, Zalt-
Bommel. Utr. : Maarsen, Kortenhoef, Waverveen. N.H.:
Bussum, Naarden, Naardermeer, Amsterdam, Overveen,
Heemstede. Z.H. : Roelof Arendsveen, Nieuwkoop, Hille-
gersberg, Rotterdam, Dordrecht. N.B.: Bergen op Zoom,
Breda, Oudenbosch.
Hepialidae.
Hepialus F,
270. H. humuli L. Lokaal, op allerlei grondsoorten. Op
de vindplaatsen in den regel gewoon. 1 gen., eind Mei tot
begin Septr. (31-5 tot 9-9).
Vindpl. Gr. : Groningen. Dr. : Peize, Peizermade, Eel-
derwolde, Paterswolde, Assen. Ov. : Denekamp, Enschede,
Hengelo, Almelo, Diepenveen. Gdl.: Empe, Laag Soeren,
Dieren, Arnhem, Oosterbeek, Wageningen, Bennekom ; Zut-
fen, Vorden, Winterswijk, Aalten, Doetinchem, Doesburg,
Bijvank ; Herwen, Lobith; Ubbergen, Nijmegen, Hatert ;
Huissen, Wamel, Tiel. Utr. : Doorn, Zeist, Soest, Baarn
(zeer alg., Doets), Maarssen, Kortenhoef, Ankeveen. NH. :
Amsterdam, Wijk aan Zee, Santpoort, Bloemendaal, Over-
303 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (201)
veen, Haarlem, Heemstede. Z.H. : Katwijk, Giesendam, Rot-
terdam, Hillegersberg, Hoek van Holland, Oostvoorne, Roc-
kanje, Dordrecht. N.B.: Breda, Eindhoven, Helmond,
Deurne. Lbg.: Brunssum, Maastricht, Heugem, Geulle,
Houthem, Voerendaal, Mechelen, Epen, Wijlre.
Var. 1. ab. s rufomaculata nov. ab. Met roode vlekken
op de vvls.,talst dese 914) Figs. RE. y. Er voll Op
3,4. Hillegersberg, Rotterdam (5 4 4 in Z. Mus, 2 & & in
L. Mus.) ; Heemstede (Wiss.).
2 ab: pusillus Stephan, Soc Ent, vol. 38, p 401025)
Dwergen. Hillegersberg (L. Mus.).
3. ab. © dannenbergi Stephan, lc. Vvls. zonder roode
vlekken. Alleen enkele trans. exx.: Heemstede (Wiss.) ;
Wijlre (Mus. Rd.) ; Helmond (Van den Bergh).
271. H. sylvina L. Haast door het geheele land, op de
vindplaatsen meest gewoon. 1 gen., eind Juli tot half Septr.
(30-7 tot 10-9).
Vindpl. Fr.: Leeuwarden, Kollum, Sneek. Gr.: Delf-
zijl, Appingedam, Loppersum, Groningen (in de omgeving
overal, vaak zeer talrijk, Skm.), Haren. Dr.: Paterswolde,
Peize. Ov.: Hengelo, Almelo, Diepenveen. Gdl.: Veluwe,
Graafschap en Achterhoek, Bijvank, Herwen, Lobith, Nij-
megen, Hatert, Wamel, Utr. : geheele prov. N.H.: Bussum,
Laren, Amsterdam (gewoon), Camp, Bloemendaal, Haar-
lem, Overveen. Z.H. : Oegstgeest, Leiden, Den Haag, Delft,
Rotterdam, Overschie, Giesendam, Dordrecht, Numansdorp,
Spijkenisse. Zl. : Burgh, Domburg, Wemeldinge. N.B. : Ber-
gen op Zoom, Princenhage, Ginneken, Breda, Tilburg,
's Hertogenbosch, Nuenen, Deurne. Lbg.: Mook, Venlo,
Roermond, Brunssum, Kerkrade, Meerssen (zeer gewoon),
Gronsveld, Valkenburg, Schin op Geul, Voerendaal, Meche-
len, Epen.
Var. 1 ab. poecilus Hormuzaki, Ent. Nachr., vol. 20, p.
8, 1894. &, middenveld der vvls. levendig goudbruin, wortel-
en franjeveld donkerbruin, dwarslijnen breed wit, zeer dui-
delijk ; avls. zwartgrijs. Bijvank (Sch.).
2. ab. © brunnescens nov. ab. Grondkleur bruinachtig in
plaats van donkergrijs?). Kollum, Oosterbeek, Venlo (Z.
Mus.) ; Amsterdam (v. d. M.).
3. ab. © pauper nov. ab. Grondkleur lichtgrijs, teekening
zeer flauw3). Amsterdam (v. d. M.).
272. H. lupulina L. Veel lokaler dan de vorige soort. 1
gen. hoofdvliegtijd begin Mei tot half Juni (10-5 tot 13-6),
maar in Z. Mus. een ex. van Juli 1887 en een ® van Aug.
1892,
1) 4 portant des macules rouges aux ailes antérieures comme chez
lr
2) Fond brunâtre au lieu de gris foncé.
3) Fond gris pâle, dessin très faible.
(202) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 304
Vindpl. Fr.: Kuikhorne. Gr.: Groningen. Ov.: Kam-
pen. Gdl.: Wageningen, Lobith, Herwen, Berg en Dal, Nij-
megen, Huissen, Ewijk, Wamel, Leeuwen, Echteld, Tiel.
Utr. : Rhenen, Amerongen, Soestdijk, Loenen (Oud-Over),
Nichtevegt. N.H.: Amsterdam, Buiksloot, Aalsmeer, Over-
veen. Z.H.: Noordwijkerhout, Leiden, Wassenaar, Den
Haag, Scheveningen, Delft, Rotterdam, Nieuwveen, Bode-
graven, Woerden, Boskoop, Zevenhuizen, Giesendam, Dor-
drecht, Numansdorp, Oud-Beierland, Spijkenisse. Zl. : Wal-
cheren. N.B.: Breda, Tilburg. Lbg.: Gennep, Roermond,
Kerkrade, Gronsveld, Mechelen, Epen.
273. H. hecta L. Door het geheele land op zandgronden
en in boschachtige streken. 1 gen. tweede helft van Mei tot
tweede helft van Juli (24-5 tot 21-7).
Vindpl. Fr.: Kollum, Giekerk, Beetsterzwaag. Gr.:
Groningen. Dr.: Paterswolde. Ov.: De Lutte, Hengelo,
Almelo, Ommen, Diepenveen. Gdl.: Veluwe, Graafschap en
Achterhoek, Bijvank, Montferland, Nijmegen en omgeving.
Utr. : Rhenen, Doorn, Amerongen, Zeist, Austerlitz, Amers-
foort, Soest, Baarn. N.H.: Holl. Rading, Laren, Bussum,
Naarden, Muiderberg. Z.H. : Den Haag, Dordrecht. N.B.:
Bergen op Zoom, Princenhage, Ginneken, Breda, Oisterwijk,
Helmond, Deurne. Lbg. : Plasmolen, Venlo, Roermond, Odi-
liënberg, Kerkrade, Meerssen, Amby, Gronsveld, Geulem,
Houthem, Klimmen, Epen, Vaals.
Varel ab. decorata Rroul Soc. Ent. vol. 23, Px18, 1908.
Op de vvls. voor den achterrand een derde rij zilvervlekken,
ook sporen van zilver op de avls. Ommen, Arnhem, Ede, Berg
en Dal (Z. Mus.) ; Amerongen (Wiss.) ; Apeldoorn (de
Vos) ; Breda (L. Mus.) ; Ginneken (F. F.).
2. ab. unicolor Petersen, Lep. Fauna Estland, 1924, p. 306.
De teekening der vvls. zoo goed als geheel verdwenen. Arn-
hem, Berg en Dal, Soest, Plasmolen (Z. Mus.) ; Muider-
berg (v. d. M.) ; Ellecom (Cold.).
3. ab. nigra nov. ab. Grondkleur zwart, zilvervlekken nor-
maal!). Breda (Heylaerts, T.v.E. vol. 33, p. XXXVII).
1) Fond noir, taches argentees normales.
STE
BEN
„a“ 7o3'0C0Y
Se ne %
JAN 13 1939
LI BRASS
REGISTER
ARACHNOIDEA.
Acarapis woodi Rennie VI.
Acarellus pyri Westw. LXXV.
ribis-nigri Westw. LX XVII.
Acari de G. VI, VII, LXXII, LXXIIT.
Acaridiae Detriticolae LX XVIII.
Acaridina v. Ben. LXXIX.
balaenarum v. Ben. IX,
[LXXVIII, LXXIX.
corticalis Mich. LXXIX.
entomophagus Lab. LXXIX.
Acarus L. LX XVI, LXXVIII.
blastocoptus Ratzb. LXXVI.
caballi Oudms. LXXIX.
caprinus Oudms. LXXIX.
fagi L. LXXIV.
mori Rond. VII.
orchidarum Parf. LXXIII.
russulus Boisd. LXXIII.
siro caprinus Oudms. LXXIX.
tritici Lagr. Foss. V.
Acylostaspis leucogaster Jul. Miill.
Ba
[LXX.
Allothrombium Berl. LXXVII.
Analges serratilobatus Giebel LX XIX.
Anoplocelaeno mégnini Oudms. LXX.
Antonides Dug. LXXVIII.
guanajuatensis Dug. LX XVIII.
Balaustium v. Heyd. LXXVIII.
stolli Oudms. LX XVII.
Brevipalpus cactorum Oudms. LXXIII.
pereger Donn. LXXIII.
russulus Boisd. LX XIII.
Bryobia Dug. LXXIII.
Caligonus C. L. Koch LXXIII.
Cecidoptes pruni Am. LX XVII.
Cheyletomorpha lepidopterorum
[Shaw LXXV.
Cheyletus eruditus Schrk. LXXV.
seminivorus Pack. LXXV.
Chorioptes caprae Bourg. et Delaf.
[LX XIX.
Coelognathus v. Hessl. X,
[LX XVIII, LXXIX.
balaenarum v. Ben. X, LX XVIII.
belli Oudms. X,
DSL DOLLS
infestans Berl. IX.
Cytodites Megn. LXXX.
glaber Megn. LXXX.
hyacinthi Boisd. LXXI, LXXII.
Cytoleichus Mégn. LXXX.
sarcoptoides Mégn. LXXX.
Dermaleichus caudilobus Grube
[LXXIX.
—— picimajoris Buchh. LXXIX.
picinus C. L. Koch LXXIX.
Dermalichus socialis Rob. LXXIX.
Detriticolae Mégn. X, LXXIX.
Eatoniana plumipes C. L. Koch
[LXXVII.
Enemothrombium Berl. IX.
Epicrius corniger Berl. II.
Epitrimerus pyri Pagst. LXXV.
Eriophyes v. Sieb. VIII.
annulatus Nal. LXXVII.
— gracilis Nal. XXX.
— phloeocoptes Nal. LXXVI.
—— rhodites Nal. LXXVII.
ulmicola Nal. LXXVI.
Eriophyidae VIII.
Erythraeus Latr. LX XVIII.
Eschatocephalus gracilipes v.
[Frauenf. IV.
Heller IV.
Eugamasus elimatus C. L. Koch. LXX.
loricatus Wankel LXX.
Eulaelaps LXX.
leucurus Schrk. LXXI.
Eumaeus longipes Grube LXXI.
Eutarsus cancriformis v. Hessl. LXXV.
Eylais LXXVIII.
Flexipalpus Scheuten LXXIII.
donnadieui Oudms. LXXIII.
tiliae Scheuten LXXIII.
Gamasus cellaris Mégn. LXX.
copromorgus Mégn. LXX.
fenilis Mégn. LXXI.
fungorum Mégn. LXX.
horticola C. L. Koch LXX.
Mégn. LXX.
infernalis Jul. Müll. LX XI.
lagenarius Megn. LXX.
musci Mégn. LXXI.
nanus Mégn. LXX.
pygmaeus Jul. Müll. LXXI.
rotundatus Dug. LXX.
Megn. LXX.
EHEN
Haemalastor crassipes Klti. III.
gracilipes v. Frauenf. IV.
REGISTER.
Haemalaston gracilipes Klti. IV.
Haemaphysalis II.
kolenatii Oudms. III.
Harpyrhynchus nidulans Nitzsch
ear
Hericia Can. LXXIX.
Heterostigmata Berl. VII.
Histiogaster Berl. LXXIX.
entomophagus Lab. LXXIX.
Holoparasitus lichenis Schranck LXX.
Holostaspis contigua Jul. Müll. LXX.
favosa Jul. Müll. LXX.
— fimetarius Jul. Müll. LXXI.
—— glabra Jul. Müll. LXX.
leucogastra Jul. Müll. LXX.
Hyletastes LXXI.
Iphidosoma Berl. LXX.
testudineus Schrk. LXXI.
Ixodes Latr. III.
crassipes Klti. III.
exaratus Klti. III.
flavipes C. L. Koch III.
fluvipes C. L. Koch II.
gracilipes v. Frauenf. IV.
nodulipes Klti. IV.
troglodytes Schmid IV.
(I,
Kytodites Mégn. LXXIX.
—— glaber Mégn. LXXX.
nudus Viz. LXXX.
Laelaps grubei Oudms. LXXI.
hilaris C. L. Koch LXXI.
lemni Grube LXXI.
Lasioseius Berl. II, III.
Lepronyssus cruciatus Jul. Müll.
LXXI.
Leptus autumnalis Shaw IX.
Limopsorine drabae muralis Am.
[LXXVI.
Macrocheles Latr. LXX, LXXI.
Mesostigmata Can. II.
Microtrombidium Haller IX.
mengei Oudms. LX XVIII.
Oligonychus Berl. LXXIV.
brevipodus Berl. LXXIV.
Otonyssus Klti. VIII, IX.
aurantiacus Kiti. VII.
Pediculoides Targ. Tozz. V.
grewiae LXXIII.
Pediculopsis graminisugus Hardy VI.
graminum Reut. VI.
Pergamasus Berl. LXX.
crassipes L. LXX.
longicornis Berl. LXX.
Petrobia latens ©. F. Müll. VII.
Phthiroides Oudms. V.
Phyllocoptes cornutus Banks. LXXVI.
—— persicae Macq. LXXVI.
Phytocoptes nervorum Donn. LXXIV.
vespertilionis C. L. Koch III-V.
muscae domesticae Scop. LXX.
Mesalges caudilobus Grube LXXIX.
306
Phytoptidae VIII, LXXV. :
Phytoptus Duj. VI-—VIII, LXXVI.
—— blastocoptus Ratzb. LXXVI.
calycophtirus Nal. LXXVI.
campestricola v. Frauenf.
[LXXVI.
convolvens Nal. LXXVI.
coryli v. Frauenf. LXXVI.
drabae Nal. LXXVI.
evonymi v. Frauenf, LXXVI.
geranii Traill LXXVI.
granulatus v. Frauenf. LX XVII.
pyri Nal. LXXV.
Pagst. LXXV.
Westw. LXXV, LXXVI.
quadripedes Shimer LXXVI.
quadripes Banks LXXVII.
rhamni Pagst. LXXVII.
ribis Westw. LXXVI.
rudis Can. LXXVI.
blastocoptus Ratzb.
[LXXVI.
Ju EL EU EE
Pneumonyssus LXXI.
Porrhostaspis lunalata Jul. Müll. LXX.
Pseudoleptidae LXXV.
Pseudoleptus Bru. VII, LXXV.
Pteronyssus Rob. LXXIX.
pici medii Schrk. LXXIX.
Pyemotes Am. V, LXXIII.
grewiae LXXIII.
—— herfsi Oudms. V.
tritici Lagr. Foss. V.
—— ventricosus Newp. V.
Pygmephorus Kram. VI, LXXI.
Rhizoglyphus echinopus Fum.
et Rob. LXXII.
hyacinthi Boisd. LXXII.
Rhodaxes Kirchn. LXXIV, LXXV.
capreae Kirchn. LXXIV.
salicis C. L. Koch LXXIV.
tini Boisd. LXXV.
Rhyncholophus albovittatus Dug.
[LXXVIIT.
arenicola And. LXXVIII.
— mimus Boliv. LXXVIII.
oedipodarum v. Frauenf.
[LXX VIII.
plumipes C. L. Koch LXXVIII.
Rondaniacarus mori Rond. VII.
Sannio rubrioculus Scheuten LXXIII.
Sarconissus brevipes Klti. III.
exaratus Klti. III.
flavidus Klti. IV.
flavipes Klti. III.
hispidulus Klti. IV.
kochii Klti. IV, V.
sericeus Klti. IV.
Sarconyssus exaratus Klti. III.
flavipes Klti. III.
—— kochii Klti. IV, V.
nodulipes Klti. IV.
—=_
307 REGISTER:
Sarcoptes anachantes Roster LXXV.
caprae Fürst. LXXIX.
nudus Viz. LXXX.
uncinatus Mégn. LXXIX.
ursi Strzedz. LXXIX.
Schizotetranychus humuli Fleischm.
[LXXIV.
Seius muricatus Berl. II.
Sejus C. L. Koch II.
muricatus C. L. Koch Il.
viduus C. L. Koch II.
Siteroptes Am. VI, VII, LXXI.
cerealium Kirchn. LXXI.
hyacinthi Boisd. LXXII.
Smaridia extranea L. Koch LX XVIII.
Smaris Berl. LXXVIII.
Stigmaeus floridanus Banks VII.
Stomatostigmata Oudms. VII.
Tachymorphaeus pomonae Am.
[LXXIV.
Tarsonemidae Kram. VII.
Tarsonemini Can. et Fanz. VII.
Tarsonemus Can. et Fanz. VII,
[LX XII.
Tenuipalpus Donn. LXXIII, LXXIV.
glaber Donn. LXXIII.
Tetranychidae XXX.
Tetranychus cinnabarinus Boisd.
[LXXIV.
coffeae Nietn. LXXIV.
nervorum Donn. LXXIV.
passerinii Trev. LXXIV.
persicae Macq. LXXVI.
pomonae Am. LXXIV.
salicis C. L. Koch LXXIV.
solanorum R. Desv. LXXV.
Therismoptes Am. VI, VII, LXXII.
aurantii Oudms. LXXII.
cerealium Kirchn. LXXII.
maddoxi Oudms. LXXII.
Therismoptidae Oudms. VII.
Trichadenidae LX XV.
Trichadenus Rond. VII, LXXV.
sericariae Rond. VII.
Trombicula Berl. VIII, IX.
Trombidides Leach VIII, IX.
a
Trombidium albicolle Holmb. LX XVII.
Stoll LXXVII.
—— bulbipes Pack. LXXVIII.
— crassipes Menge LXXVIII.
O. F. Müll. LXXVIII.
—— glabrum Dug. LXXIII.
— longipes Herm. VII.
—— sarcasticum Dug. LXXVIII.
Tydeidae Kram. VII.
Typhlodromus Scheuten II, III.
— berlesei Oudms. II, III.
— foliorum Schrk. LXXI.
pyri Scheuten III, LXXI.
Tyroglyphidae Donn. X, XXX.
Tyroglyphus Latr. LX XVIII.
Tyroglyphus farinae de G. LXXVIII.
| L. IX:
siculus Rob. et Fum. LXXVII.
siro Grimm IX.
viviparus Sal. LXXIX.
Tyrophagus Oudms. LXXIX.
Rond. LXXIX.
Vasates quadripedes Shimer LXXVII.
Volvulifex aceris Kalt. LXXVII.
macrorhynchus Nal. LXXVII.
COLEOPTERA:
Abraeini 239.
Abraeus Leach 240.
globosus Hoffm. 240.
granulum Er. 240.
Agrilus angustulus a. Gyllenhali
[Schilsky XXXIII.
a. hungaricus Obbg.
[XX XIII.
—— betuleti a. Fügneri Obbg.
[ XXXII.
a. tristis Fugn. XXXII.
—— communis a. chrysoderes Ab.
[ XXXII.
a. rubicola Ab. XXXII,
[X XXIII.
viridis L. XXXII, XXXIII.
Anisotomidae XVI.
Anisoxia fuscua Il.
XXXIII.
i Anthaxia Goudeti Cast. XXXII,
4-punctata L. XXXII.
submontana Obbg. XXXII.
‘ Anthicus tobias Mars. XXXI.
. Anthonomus Germ. XXIV.
pedicularius L. XXV.
i Apion sp. XXVI.
oblongum Gyll. XXXI.
Ataenius horticola Har. XXXII.
. Calathus fuscipes Goeze XXII.
melanocephalus L. XXII.
Calopus angustus Lec. 240.
Cercyon Leach XV.
analis Payk. XV.
litoralis Gyll. XV.
Ceutorrhynchus Germ. LV, LVI.
assimilis Payk. XXVI,
XXVII, LIV, LVI.
—— contractus Mrsh. LIV—LVI.
—— erysimi F. LV.
—— quadridens Pz. LV nota.
robertii Gylh. LV.
Chlorophanus viridis L. XXVI.
Cholevinae XV.
Clytus arietis L. XXXIII.
Coleoptera 23, 31.
Colorado-kever XXIII.
Cryptorrhynchus gravis F. XLVI.
Crypturgus pusillus Gylh. 239.
Donacia clavipes F. 23.
REGISTER. 308
Doryphora decemlineata Say XXIV.
Enochrus melanocephalus Ol. 23.
Galerucella tanaceti L. XXVI.
tenella L. XXIII.
Gnathocerus cornutus F. XXV.
Gnathoncus Duv. 240.
Gonipterus Schönh. LXXXIV.
— — gibberus Boisd. LXXXV.
platensis Mar. LXXXV.
Hister L. 240.
Histeridae 239, 240.
Hydaticus sp. 23.
transversalis Pontopp. 23.
Hydrophiloidea 239.
Hylastes palliatus Gyll. 239.
Hyphydrus ferrugineus L. 23.
Laccobius scutellaris Motsch. XXXII.
sinuatus Motsch. XXXIII.
Lema cyanella Payk. XXIII.
lichenis Voet XXIII.
Lepromoris gibba Brullé LIII.
Leptinotarsa decemlineata Say XXIII.
Liophloeus tessulatus Müll. XXVI.
Lucanidae 124.
Moneilema Say LIII.
Nargus C. G. Thoms. XV.
Necrophorus F. XXIV.
Oxytelus rugosus F. XXII.
sculptus Grav. XXII.
Paromalus Er. 240.
Perigona nigriceps Dej. XXXI,
XXXII.
Philonthus rectangulus Shp. XXXI.
Philopedon plagiatus F. XXVI.
Phloeosinus thujae Perr. XXXIII.
Phyllopertha horticola L. XXIII.
Phytonomus variabilis Hbst. XXVI.
Platypus cylindrus F. XXV.
Platysoma Leach 240.
Plegaderus Er. 239, 240.
caesus Hbst. 239.
—— discussus Er. 239.
vulneratus Panz. 239, 240.
Prosopocoilus aterrimus Nagel 124.
Ptinus tectus Boield. LVI.
Rhizotragus solstitialis L. XXIII.
Silphidae XVI.
Sitodrepa panicea F. LVI.
Strategus sp. LVI.
Tachinus subterraneus L. XXII.
Wrichiusn Eea:
Trixagus elateroides Heer XXXIII.
Trogophloeus Mannh. XXII.
Zabrus tenebrioides Goeze XXII.
COLLEMBOLA.
Hypogastrura viatica Tullb. XXX.
Xenylla corticalis Börn. XXX.
javanensis v .d. Poll 124—126.
DIPTERA. *)
Acidia himalayensis Bezzi 122.
Acidoxantha Hend. 122.
bombacis de Meij. LXXX,
122123:
punctipennis Hend. 122.
Acnemia Winn. 39.
nitidicollis Meig. 39.
Allocotocera Mik. 38.
pulchella Curt. 38.
Allodia Winn. 46.
alternans Zett. 46.
—- batava Barendr. 46.
— bicolor Macq. 47.
— crassicornis Stann. 47.
—— fissicauda Lundst. 47.
—— flaviventris v. d. W. 47.
—— grata Meig. 47.
— — griseicollis Staeg. 47.
—— lugens Wied. 47.
—— lundstroemi Edw. 47.
—— ornaticollis Meig. 47.
—— ruficauda v. d. W. 47.
—— sericoma Meig. 47.
truncata Edw. 47.
Anatella Winn. 41.
ciliata Winn. 41.
unguigera Edw. 41.
Apemon Joh. 37.
marginata Meig. 37.
Asindulum Latr. 37.
flavum Winn. 37.
Asphondylia XIII.
bursaria Felt. XIII.
Bezzia bicolor Mg. 232,
Boletina Staeg. 39.
dispecta Dzied. 39, 40.
— dubia Meig. 39.
gripha Dzied. 39,
—— griphoides Edw. 39.
— sciarina Staeg. 39.
silvatica Dzied. 39.
Bolitophila Meig. 36.
glabrata Loew 36.
—— hybrida Meig. 36.
— pseudohybrida Landr. 36.
rossica Landr. 36.
Bolitophilella Landr. 36.
cinerea Meig. 36.
Bolitophilinae 36.
Borborus geniculatus Macq. 28.
Brachycera 28.
Calliophrys riparia Fall. 28.
Callomyia 232.
*) Voor de in „Die Larven der Agro-
myzinen, von Prof. Dr. J. C. H. de
Meijere” voorkomende namen, wordt
verwezen naar het bij dat artikel
behoorende register op pag. 100.
309 REGISTER.
Camptochironomus tentans Fabr. 29.
Cecidomyia brachyntera Schwäg.
(XXVIII.
resinicoloides Will. XLII.
Ceratopogon bicolor Mg. 232.
Ceroplatinae 37.
Ceroplatus Bosc. 37.
testaceus Dalm. 37.
—— tipuloides Bosc. 37.
winnertzi Landr. 37.
Cerotelion Rond. 37.
lineatus Fabr. 37.
Chironomidae 29, 31.
Chironomus 31, 32.
plumosus L. 30.
v. prasinus Mg. 29.
Chortophila sp. 28.
Chrysomyia formosa Scop. 28.
Chrysotus gramineus Fall. 28.
Chrysozona pluvialis L. 28.
Cladotanytarsus vanderwulpi Edw. 29.
Coelosia Winn. 39.
tenella Zett. 39.
Coenosia tigrina F. 28.
Contarinia torquens de Meij. XIV,
[XXVIII, XLII, XLV, XLVI.
Cricotopus v. d. W. 31.
bicinctus Mg. 29, 30.
-—— ornatus Mg. 29.
sylvestris Mg. 29.
Cryptochironomus tentans Fabr. 29.
Culicoides impunctatus Goetgh.
LXXXI.
nubeculosus Mg. LXXXI.
Cyclorapha 28.
Cypsela geniculatus Macq. 28.
Cystiphora XIII.
Dasyneura tetensi Rübs. XXVIII.
violae F. Lw. XXVIII.
Delopsis Skuse 54.
aterrima Zett. (nec Strobl) 54.
Dexiopsis lacteipennis Zett. XLI.
Diadocidia Ruthe 36.
ferruginosa Meig. 36.
Diadocidiinae 36.
Dicranomyia didyma Mg. 27.
Diploneura cornuta Big. LXXX,
(2302231:
venusta Jones 230.
Dipteralr2/An20 50 5178585:
Ditomyinae 36.
Dizygomyza Barnesi Hend. XXVII.
cambii Hend. XXVII.
carbonaria Zett. XXVII.
sp. XXVII.
Docosia Winn. 41.
gilvipes Hal. 41.
sciarina Meig. 41.
Dohrniphora cornuta Cog. LXXX,
[230—232.
Dolichopodidae 28.
Dolichopus brevipennis Mg. 28.
claviger Stann. 28.
—— pennatus Mg. 28.
plumipes Scop. 28.
Dynatosoma Winn. 51.
fuscicorne Meig. 51.
Ectrepesthoneura End. 41.
—— hirta Winn. 41.
Empididae 28.
Empis livida L. 28.
Endochironomus tendens Fabr. 29.
Epicypta Winn. 54.
punctum Stann. 54.
Exechia Winn. 41, 42.
capillata Joh. 42.
cincta Winn. 41.
concinna Winn. 43 nota 4.
contaminata Winn. 41.
crucigera Lundst. 41.
dizona Edw. 41.
dorsalis Staeg. 41.
fimbriata Lundst. 41.
frigida Holm
fusca Meig. 41, 43.
indecisa Walk. 41.
lateralis Dzied. (nec Meig. ?) 43.
lundstroemi Landr. 41.
nigroscutellata Landr. 41.
nitidicollis Lundst. 41.
pallida Stann. 41.
parva Lundst. 41—43.
pulchella Winn. 43.
repanda Joh. 42, 43.
separata Lundst. 43.
spinigera Landr., nec Winn. 43.
Winn. 43—45.
spinuligera Lundst. 43—45.
trivittata Staeg. 45.
Fungivora Meig. 51.
bimaculata Fabr. 51.
blanda Winn. 51.
cingulum Meig. 51.
confluens Dzied. 51.
finlandica Edw. 51.
formosa Lundst. 51.
fraterna Winn. 51.
fungorum de G. 51.
guttata Dzied. 52.
lineola Meig. 52.
luctuosa Meig. 52.
lunata Lundst., nec Meig. 51.
marginata Winn. 52.
obscura Dzied. 52.
ocelus Walk. 52.
semifusca Meig. 52.
sigillata Dzied. 51.
signata Meig. 51.
signatoides Dzied. 51, 52.
sordida v. d. W. 52.
spectabilis Winn. 53.
strigata Staeg. 53.
aaa) BEE
COU PCE EERE Vek
REGISTER. 310
Fungivora trinotata Staeg. 53.
unicolor Stann. 52, 53.
—— Wiss Za SS,
Fungivoridae 35.
Fungivorinae 41, 46.
Glyptotendipes 31.
—— pallens v. glaucus Mg. 29, 30.
—— paripes Edw. 29.
foliicola Kieff. 29, 30.
mancunianus Edw. 29.
Haematopota pluvialis L. 28.
Helius longirostris Mg. 27.
Hilara chorica Fall. 28.
Hylemyia coarctata Fall. XXVIII.
Leia Meig. 40.
bimaculata Meig. 40.
fascipennis Meig. 40.
longiseta Barendr. 40.
winthemi Lehm. 41.
Leptididae 28.
Leptis tringaria L. 28.
- Leptocera roralis Rond. 28.
Leptomorphus Curt. 38.
walkeri Curt. 38.
Limnochironomus nervosus Staeg.
[29—31.
Limnophila nemoralis Mg. 27.
Limnophora riparia Fall. 28.
Limosina roralis Rond. 28.
Liriope contaminata L. 27.
Lonchoptera furcata Fall. 28.
lutea Panz. 28.
Lonchopteridae 28.
Lycoria pusilla Mg. XXVIII.
Macrocera Meig. 37.
angulata Meig. 37.
centralis Meig. 37.
fasciata Meig. 37.
inversa Loew 37.
lutea Meig. 37.
phalerata Meig. 37.
stigma Curt. 37.
stigmoides Edw. 37.
vittata Meig. 37.
Macrocerinae 37.
Mayetiola destructor Say XXVIII.
Megaselia 231.
sp. XXVIII.
Melanostoma mellinum L. 28.
Monarthropalpus XIII.
Monoclona Mik. 39.
rufilatera Walk. 39,
Muscidae 28.
Musidora furcata Fall. 28.
lutea Panz. 28.
Mycomyia Rond. 38.
bicolor Dzied. 38.
—— cjnerascens Macq. 38.
—— fissa Lundst. 38.
— incisurata Zett. 38.
—— limbata Winn. 38.
SONAR
Mycomyia pulchella Dzied. 38.
tenuis Walk. 38.
trilineata Zett. 38.
winnertzi Dzied. 38.
Myospila meditabunda Fabr. 28.
Napomyza lateralis Fall. XXVIII.
Nematocera 27.
Neoempheria O. Sack. 38.
striata Meig. 38.
Neurotelia Rond. 39.
nemoralis Meig. 39.
Opomyza germinationis L. 28.
Ortorapha 27.
Oscinella frit L. XXVIII.
Pachyrhina analis Schumm. 27, 29.
quadrifaria Mg. 27.
Parachironomus Lenz. 31.
arcuatus Gtgh. 30, 31.
longiforceps Kieff. 30.
monotomus Kieff. 30, 31.
Paraneurotelia Landr. 39.
dispar Winn. 39.
Pentapedilum Kieff. 31.
nubeculosum Mg. 29, 30.
sordens v. d. W. 29.
basalis Winn. 49.
—— conformis Walk. 49.
—— dubia Dzied. 49.
—— egregia Dzied. 49.
—— exigua Zett. 49.
flavipes Winn. 50.
forcipata Winn. 50.
mutabilis Dzied. 50.
nitidiventris v. d. W. 50.
Winn., Dzied., nec.
I Gls NWG SOL
— obscura Dzied. 50.
—— praecox Edw. 50.
— Winn., M. S. (Edw.) 50.
— tarsata Staeg. 50.
—— tenuis Winn. 51.
vitiosa Winn. 50.
Poecilobothrus nobilitatus L. 28.
Polyodaspis (Duda) ruficornis
[Macq. LXXX.
Polypedilum flavonervis (Staeg.)
[Edw. 29, 30.
leucopus (Mg.) Edw. 29.
nubeculosum Mg. 29, 30.
Polyxena Meig. 47, 49.
bergensis Barendr. 47, 48.
brevicornis Staeg. 49.
crassicornis Meig. 49.
fasciata Meig. 49.
fissa Edw. 49.
flaviceps Staeg. 49.
fusca Meig. 49.
murina Winn. 49,
TIT]
311 REGISTER.
Polyxena nitidula Edw. 36, 48.
—— parvipalpis Edw. 49.
sixi Barendr. 48, 49.
Profeltiella dizygomyzae Barnes
(XXVII.
Prothenthes punctipennis Mg. 29, 30.
Psychodidae 35.
Ptychoptera contaminata L. 27.
Rhagio tringaria L. 28.
Rhamphidia longirostris Mg. 27.
Rhymosia Winn. 45, 47.
— affinis Winn. 45.
— domestica Meig. 45.
—— fasciata Meig. 45.
—— fenestralis Meig. 45.
— — signatipes auct., nec v. d. W.
[46.
—— -— v. d. W. 45, 46.
—— tarnanii Dzied. 45, 46.
—— truncata Winn. 45, 46.
winnertzi Barendr. 46.
Rondaniella Joh. 39.
variegata Winn. 39.
Scatophaga merdaria L. 28, 29.
stercoraria L. 28, 29.
Sceptonia Winn. 53.
costata v. d. W. 53.
—— fumipes Edw. 54.
—— membranacea Edw. 54.
nigra Meig. 53, 54.
Schizomyia XIII.
Sciaridae 35.
Sciophila Meig. 39.
hirta Meig. 39.
lutea Macq. 39.
—— nigronitida Landr. 39.
Sciophilinae 38.
Simuliidae 35. _
Siphonella ruficornis Macq. LXXX.
Speolepta Edw. 39.
leptogaster Winn. 39.
Stratiomyia furcata Fabr. 28.
Stratiomyidae 28.
Symmerus Walk. 36.
annulata Meig. 36.
Sympycnus annulipes Mg. 28.
Synapha Meig. 39.
vitripennis Meig. 39.
Syrphidae 28.
Tabanidae 28.
Tachinidae LXXXII, LXXXIII.
‘Tanytarsus inopertus Walk. 29.
Tendipedidae 35.
Tendipes arcuatus Gtgh. 30, 31.
longiforceps Kieff. 30.
—— monotomus Kieff. 30, 31.
—— nervosus Staeg. 29, 31.
plumosus v.
supplicans Mg. 30.
—— tentans Fabr, 29.
— xenolabis Kieff. 30.
prasinus Mg. 29.
Tephritinae 122.
Tetanocera ferruginea Fall. 28.
Tetragoneura Winn. 41.
sylvatica Curt. 41.
Tipula longicornis Schumm. 27.
—— scripta Mg. 27.
unca Wied. 27, 29.
Tipulidae 27, 29.
Trichonta Winn. 49.
atricauda Zett. 49.
terminalis Walk. 49.
Trichotanypus choreus Mg. 29.
Xenochironomus xenolabis Kieff.
[30, 31.
Zelmira Meig. 37.
bicolor Macq. 37.
—— discoloria Meig. 37. ©
-—— fasciata Meig. 37.
—— flava Macq. 37.
—— macrocera Edw. 37.
—— modesta Winn. 37.
— — nemoralis Meig. 37.
—— nigricornis Fabr. 37.
—— pallida Staeg.? 37.
—— semirufa Meig. 37.
—— zonata Zett. 37.
Zygomyia Winn. 53.
—— flaviventris Winn. 53.
—— humeralis Wied. 53.
— — notata Stann. 53.
—— setosa Barendr. 52, 53.
—— valida Winn. 53.
‘ —— vara Staeg. 53.
EPHEMEROPTERA.
‘ Caenis St. 18, 18 nota, 22, 32.
dimidiata Steph. 18.
— horaria L. 18.
moesta Bgts. 18, 18 nota, 19.
Cloéon dipterum (L.) Bgts. 17, 18.
inscriptum Bgts. 18.
simile Eat. 17, 18.
Ephemeroptera 17, 19, 31.
HYMENOPTERA.
Allantus pallipes Lep. 11.
Apanteles 120.
anomalus Lyle. 120.
sp. LXXXII.
Asaphes vulgaris Walk. 121.
Braconidae LXXXII, 118, 120..
Camponotus mediopallidus For.
[XXXIX.
Chalcididae LXXXIII, 118, 120, 121.
Clavellaria amerinae L. 1.
Crematogaster XXXIV, XXXVII,
[XXXVIII.
REGISTER.
Diapria bina Kieff. 22, 23.
Diprion pini L. XXVIII.
Dolichoderus XXXIV, XXXVII.
Emphytus pallipes Lep. 11.
Encarsia flavoscutellum Zehntn.
Eulophus sp. 121.
Eupteromalus ? nidulans Först. 121.
sp. LKXXIII.
Formica L. XXXIV, XXXV.
fusca auct. XXXVI—XXXVIII.
sanguinea Latr. XXXVI,
[XXXVII.
subg. Raptiformica XXXV.
Serviformica XXXV.
Habrocytus sp. 121.
Hoplocampa sp. LXXX.
Hymenoptera 22, 31.
Lasius L. XXXIV, XXXV.
fuliginosus Latr. XXXVII.
Leptothorax tuberum F. XXXV.
__Lophyrus pini L. XXVIII.
Macrocryptus basizonius Grav.
- [ XXVIII.
Messor rufitarsis F. XXXVIII.
Meteorus sp. LXXXII, LXXXIII.
Monodontomerus sp. LX XXIII.
Myrmica XXXV.
Myrmicaria XXXIV—XXXVIII.
brunnea Saund. XXXVI. nota.
carinata F. Sm. XXXV nota.
v. jacobsoni Starcke
[XXXV, XXXVI, XXXVIII,
castanea Crawley XXXV nota.
subcarinata XXXV nota.
Omorgus ferinus Holmgr. 22.
Paratrechina longicornis Latr.
(XXXVII.
Pheidole XXXIV, XXXVII, ,
[XXXVIII.
anastasii v. cellarum For.
[XXXVI, XXXVIII.
—— plagiaria F. Sm. XXXV,
[XXXVI, XXXVIII.
Pimpla taschenbergi D. T. 22, 23.
Polyrhachis XXXIV, XXXV, XL.
bicolor F. Sm. XXXVI.
rastellata v. pagana Sants.
[XXXV—XLI.
Pristiphora pallipes Lep. 4, 7, 10.
Proctotrupidae LXXXII.
Pseudoclavellaria amerinae L.
[1, 2, 6—12.
Pteronidea ribesii Scop. 4.
Raptiformica XXXV.
Serviformica XXXV.
Tapinoma melanocephalum F.
[XXXVIII, XXXIX.
Technomyrmex XXXIV—XXXIX.
detorquens Walker
BEVEL
[LXXXIV.
312
Tenthredinidae 3 nota, 10—12.
Tetramorium XXXVII.
Thrinax macula Kl.l, 3 nota, 6, 7,
WO ille
Trichogramma LXXXIV.
LEPIDOPTERA.
Abraxas adustata Schiff. 213.
grosculariata L. 213.
—— marginata L. 213.
sylvata Sc. XVIII, 213.
Abrostola tripartita Hufn. 188.
triplasia L. 140, 187.
Acalla abietana Hb. 55, 58—60.
fissurana Pierce 58.
Acanthopsyche Heyl. 291.
atra L. 291.
opacella H.S. 291.
Acasis viretata Hb. 198.
Acherontia atropos L. 144.
Acidalia aversata L. 197.
biselata Hufn. 197.
—— bisetata Rott. 197.
dimidiata Hufn. 197.
emarginata L. 197.
floslactata Hw. 196.
fuscovenosa Goeze 197.
immutata L. 197.
inornata Hw. 197.
interjectaria Bsd. 197.
marginepunctata Goeze
(XVII.
muricata Hufn. 197.
nigropunctata Hufn. 197.
ornata Scop. 197.
remutata Schiff. 196.
rubiginata Hufn. 196.
rusticata Schiff. 197.
seriata Schrk. 197.
straminata Tr. 197,
strigilaria Hb. 197.
sylvestraria Hb. 197.
virgularia Hb. 197,
Acronicta aceris L. 159.
auricoma F. 159.
leporina L. 159.
a. bradyporina Tr. 159.
ssp. grisea Cochr. 159.
megacephala F. 159.
jos IL. 159:
—— rumicis L. 159.
a. Salicis Curt. 159.
tridens Schiff 159.
Adopoea flava Briinn. 144.
lineola O. 144.
thaumas Hufn. 144.
| Aegeria F. 299.
| —— apiformis Cl. 157, 299,
Aegeriidae 299.
| Aéthia emortualis Schiff, 188.
313 REGISTER.
Aglais antiopa L. 142.
o JES 142:
—— polychloros L. 142.
urticae L. 142.
Aglia tau L. 153.
Agriopis aprilina Hb. 172.
Agrotidae 242.
Agrotis agathina Dup. XVI, 164.
augur F. 162.
baja F. 162.
birivia Schiff. 161.
brunnea Schiff. 161.
castanea Esp. 162.
c-nigrum L. 162.
comes Hb. 164.
corticea Hb. 160.
a. obsoleta-fusca
ditrapezium Bkh. 162.
exclamationis L. 160.
a. brunnea Tutt 161.
a. rufescens Tutt 161
a. unicolor Hb. 160.
festiva Schiff. 161.
fimbriata Schreber 164.
janthina Schiff 164.
obelisca Schiff. 160.
obscura Brahm 161.
occulta L. 163.
orbona Hufn. 164.
plecta L. 162, 187.
prasina F. 162.
primulae Esp. 161.
pronuba L. 163.
putris L. 162, 187.
ravida Schiff. 161.
rubi View. 162.
saucia Hb. 161.
segetum Schiff. 160.
a. nigricornis Vill. 160.
simulans Hufn. 161.
strigula Thnbg. 130, 161.
triangulum L. 162.
tritici L. 160.
umbrosa Hb. 162.
vestigialis Rott. 160.
a. olivacea Hart. 160.
a. violascens Hdm. 160.
xanthographa Schiff. 162.
ypsilon Rott. 160.
a. fusca Dann. 160.
PERS FERIEN EL EEE
aescularia Schiff. 189.
a. brunnea Hann. 189.
quadripunctata Esp. 189.
Amata F. 253.
Phegear 9255;
a. anticipluspuncta
[Obthr. 255.
a. arcuata Tti. 254,
[Tutt 160.
Amata phegea a. circumcingulata
[Obthr. 255.
a. divisa Stauder 255.
a. monosignata Tti. 255.
. nigricornis auct.,
[nec. Alph. 254.
a. nigroantennalis
[Obthr. 254.
a. orbiculifera Zerny 254.
a. parvipuncta Rocci 254,
a
a
D
. pluspuncta Obthr. 255.
. posticipluspuncta
[Obthr. 255.
a. puellula Stauder 255.
a, repictay 711.054
—— a. septemmaculata
[Müll. 255.
a. violascens Obthr. 254.
a. viridescens Obthr. 254.
Amathes circellaris Hufn. 175.
a. ferruginea Esp. 175.
a. macilenta Hb. 175.
a. nigridens Fuchs 175.
—— helvola L. 175.
a. catenata Esp. 175.
a. cinnamomea Fuchs 175.
a. extincta Spir. 175.
a. ochrea Tutt 175.
a
a
. rufina L. 175.
. unicolor Tutt 175.
lota L. 174.
a. rufa Tutt 174.
lychnides L. 174.
lychnidis F. 174.
a. brunnea Tutt 174.
a. canaria Esp. 174.
ferrea Hw. 174.
. obsoleta Tutt 174.
pallida
. pistacina F. 174.
. rubetra Esp. 174.
. serina Esp. 174.
a. silesiaca Schultz 174.
macilenta Hb. 174.
a. immaculata Gauckler
MAS:
a. nigrodentata Fuchs 175.
pistacina F. 174.
Amatidae 253.
Ammoconia caecimacula Schiff. 163.
Amorpha populi L. 145.
a. cinerea-diluta Gillm. 146.
DvD
banal Eau
a. roseo-tincta Reuter 146.
a. rufa Gillm. 145.
a. rufa-diluta Gillm. 146.
a. suffusa Tutt 146.
Amphidasis betularia L. 222.
a. carbonaria Jord. 222.
— doubledayaria Mill. 222.
Amphipyra pyramidea L. 175.
tragopoginis L. 176,
HT
REGISTER.
Anaitis efformata Guén. 198.
a. fasciata Hann.
a. tangens Hann.
Anarta myrtilli L. 186.
a. rufescens Tutt 186.
Anchoscelis lunosa Hw. 173.
Angerona Ben Ley Als
. corylaria Thnbg. 214.
a. pickettaria Prt. 215.
a. selectaria Rbl. 215.
a. spangbergi Lampa 215.
sordiata Fuessl. 214.
Anisopteryx aceraria Schiff. 189.
aescularia Schiff. 189.
quadripunctata Esp. 189.
Apamea fucosa Frr. 182.
a. grisea Tutt 183.
a. intermedia Hdm.
a. obscura Hdm. 183.
artan Madd. 183:
fucosa fucosa Frr. 182.
fucosa paludis Tutt 182, 183.
lucens Frr. 183.
a. intermedia Tutt 183.
nictitans L. 182.
oculea L. 182.
198.
198.
|
AT
183.
a. pallida Tutt 182.
a. rosea Tutt 182.
paludis Tutt 182.
testacea Hb. 179.
Apatura iris L. XCI, 135 nota.
Aphantopus hyperantus L. 143.
Aphomia gularis Z. 58, 59.
Aplecta advena Schiff. 166.
nebulosa Hufn. 167.
a. bimaculosa Esp. 167.
tincta Brahm 167.
Apocheima hispidaria Schiff. 222.
Apoda Hw. 290.
limacodes Hufn. 156, 290.
ay puto ED 2910
a. @ limax Bkh. 291.
a. mulier Boldt 291.
a. & ochracea Seitz 291.
a. & suffusa Seitz 291.
Aporia crataegi L. 139.
a. 9 alepica Cosm. 139.
a. enderleini Bryk. 139.
a. szulinzskyi Bryk. 139.
Aporophyla nigra Hw. 171.
a. seileri Fuchs 171.
Araschnia levana L. 132.
Archanara algae Esp. 185.
cannae O. 185.
geminipuncta Hw. 185.
a. nigricans Stdgr. 185.
a. unipuncta Tutt 185.
spargannii Esp. 133, 185.
Arctia Schrank 279.
caja L. 156, 279,
BE U EEE
|
m
| |
a. nictitans Bkh. 182, 183.
314
Arctia caja a. aurantiaca Englisch
[156, 280.
. aurantiaca Klem. 280.
. aurantior Lpk. 280.
. confluens Rol. 156, 280.
flavosignata Closs
[156, 280.
. jeuneti Obthr. 279.
. lutescens Ckll. 280.
. nigrociliata Hoffm. 280.
. nigropennalis Stätt. 280.
ocellata Stätt. 280.
hebe it, 280 nota.
villica L. 280.
r. britannica Obthr. 281.
— a. confluens Rom. 281.
— a. fasciata Splr. 281.
ooo m
Mm Il
u
a. nigrella Fettig 231.
a. nigrofasciata Failla 281.
a. radiata Spir. 281.
a. ursula Schultz 281.
Arctiidae 267.
Arenostola fluxa Hb. 185.
a. hellmanni Ev. 185.
fulva Hb. 185.
hellmanni Ev. 185.
—— phragmitides Hb. 185.
a. rufescens Tutt 185.
pygmina Gaw. 185.
Argynnis euphrosine L. 142.
lathonia L. 142.
— paphia L. 142.
selene Schiff. 142.
Argyresthia goedartella L, LI.
pygmaeella Hb. LI, 58.
rufella Tgstr. 58.
semifusca Hw. 55, 58.
Arsilonche albovenosa Goeze 159.
a. ochracea Tutt 159.
Asthena albulata Hufn. 208.
anseraria H.S. 208.
candidata Schiff. 208.
Atolmis Hb. 267.
rubricollis L. 155, 267.
a. flavicollis Neub. 267.
Attacus ricini Jones LI.
Augiades comma L. 144.
sylvanus Esp. 144.
Bacotia Tutt 295.
sepium Spr. 295.
Bactra scirpicolana Pierce 58.
Bankesia Tutt 298.
staintoni Walsingham 298.
Bapta bimaculata F. 133, 213.
distinctaria H.S. 213.
—— pictaria Curt. 213.
temerata Schiff. 213.
a. pauper Hoffm. 213.
Barathra brassicae L. 165.
a. scotochroma Réb. 165.
Bembecia Hb. 300.
315 REGISTER.
Bembecia hylaeiformis Lasp. 300.
Biston betularia L. 222.
a. carbonaria Jord. 222.
—— doubledayaria Mill. 222.
eS hintatiagm (Ol 222:
—— hispidaria Schiff. 222.
strataria Hufn. 222.
Blastodacna LXXXVI, LXXXVII.
atra Hw. LXXXVII.
— — hellerella Dup. LXX XVII.
—— putripenella Z. LXXXVII.
vinolentella H.S. LXXXVII.
Boarmia bistortata Goeze 223.
a. defessaria Frr. 223.
— — cinctaria Schiff. 222.
a. pascuaria Brahm 222.
a. submarmoraria Fuchs
[222.
—— consonaria Hb. 223.
—— consortaria F. 223.
—— crepuscularia Dup. 223.
—— extersaria Hb. 223.
—— gemmaria Brahm 222.
— luridata Bkh. 223.
—— punctinalis Scop. 223.
a. humperti Hump. 223.
—— punctulata Schiff. 223.
— — repandata L. 222.
a. brunneata Hdm. 223.
a. destrigaria Hw. 222.
a. similata Vorbr. 223.
—— rhomboidaria Schiff. 222.
—— roboraria Schiff. 223.
a infuscata Stdgr. 223.
secundaria Esp. 222.
Bomolocha fontis Thnbg. 188.
a. rufescens Tutt 188.
Borkhausenia formosella S.V. 58.
pseudospretella Stt. XXVII.
Botis cilialis Hb. 58.
Brachartona (bestrijding) XX.
Brachionycha sphinx Hufn. 133, 171.
Brachmia dimidiella Schiff. 58.
Brenthis euphrosyne L. 142.
selene Schiff, 142.
Brephos parthenias L. 188.
a. dilutior Heinr. 188.
a. unicolor Heinr. 188.
Brotolomia meticulosa L. 179.
Bryophila perla F. 159.
Bryotropha affinis Dgl. XLIX.
Bucculatrix maritima Stt. 58,
7120;
nigricornella Z. 120.
Bupalus piniarius L. 130, 224.
a. fuscantaria Krulik 224.
a. strigata Dziurz. 224.
Cabera exanthemata Scop. 213.
—— pusaria L. 213.
Cacoecia aeriferana H.S. XLIX.
costana F. XXVI.
Cacoecia histrionana Froel. 58.
lecheana L. XXVI.
rosana L. XXVI.
Calamia fluxa Hb. 185.
fulva Hb. 185.
—— hellmanni Ev. 185.
—— lutosa Hb. 23, 185.
— phragmitides Hb. 185.
—— pygmina Gaw. 185.
virens L. 185.
Callimorpha Latr. 282.
dominula L. 282.
quadripunctaria Poda 282.
Callophrys rubi L. 143.
Calocalpe undulata L. 199.
Calocampa vetusta Hb. 171.
Calothysanis amata L. 191.
Calymnia affinis L. 184.
pyralina View. 184.
—— trapezina L. 184.
a. carnea Warr. 184.
. conspersa Warr. 184.
. grisea Tutt 184.
. ochrea Tutt 184.
. pallida Tutt 184.
. rufa Tutt 184.
Campoea margaritata L. 213.
Canephora unicolor Hufn. 156, 292.
Capua angustiorana Hw. XXVI,
[XLIX.
Caradrina alsines Brahm 179, 180.
ambigua Snell. 180.
— blanda Schiff. 179, 180.
— clavipalpis Scop. 180.
—— morpheus Hufn. 180.
—— quadripunctata F. 180.
—— selini Bsd. XVI, 180.
— sericea Snell. 180.
—— taraxaci Hb. 179.
a. sericea Spr. 180.
Carpocapsa LXXX.
saltitans Westw. XXIV.
Carterocephalus palaemon Pall. 144.
Catocala nupta L. 186.
sponsa L. 133, 186.
Celaena matura Hufn. 179.
Celama Wkr. 256.
centonalis Hb. 155, 257, 258.
a. alfkeni Warn. 257.
. atomosa Bremer 257.
. candidalis Stgr. 257.
. contrarialis Hdm. 258.
. fasciata Rbl. 257.
a. fumosa Berger 258.
confusalis H.S. 155, 256.
a. monachalis Hw. 257.
a. pallida Lpk. 257.
holsatica Sauber 155, 258.
a. fasciata Lpk., 258.
a. obscura Lpk. 258.
a. reducta Lpk. 258,
oo © m m
IN
DAN mw
KLEBEN
REGISTER. 316
Celerio euphorbiae L. 146.
a. annellata Closs 147.
a. mediofasciata Mayer
[147.
—— —— a. rubescens Garb. 147.
a. unimacula Closs 147.
gallii Rott. 136, 147.
Cepphis advenaria Hb. 215.
a. fulva Gillm. 215.
Cerace LII.
Ceracidae LII.
Cerapteryx graminis L. 170.
a. albineura Bsd. 170.
a. ruficosta Tutt 170.
Cerastis rubricosa F. 163.
a. rufa Hw. 163.
silene W.V. 172.
Cerura bicuspis Bkh. 147.
bifida Hb. 147.
furcula Cl. 147.
Chaerocampa celerio L. XLIX.
Chamaesphecia Splr. 301.
empiformis Esp. 157, 301.
Chareas graminis L. 170.
Cheimatobia brumata L. 198.
Chesias legatella Schiff. 198.
rufata F. 198.
spartiata Fuessl. 198.
Chiasma clathrata L. 224.
a. cancellaria Hb. 224.
a. nocturnata Fuchs 224.
Chloridea dipsacea L. 185.
Chloroclystis debiliata Hb. 213.
rectangulata L. 212.
Chresmarcha LI.
Chrysoclista bimaculella Hw. 58.
Chrysophanus dorilis Hufn. 143.
phlaeas L. 143.
- tityrus Poda 143.
Chrysoptera moneta F. 187.
Cidaria albicillata L. 204.
albulata Schiff. 207.
alchemillata L. 204.
alternata Müll. 204.
autumnalis Ström 208.
badiata Schiff. 208.
a. alpestris Neub. 208.
a. rectifasciaria Lamb. 208.
bicolorata Hufn. 199.
bifasciata Hw. 205, 206.
bilineata L. 204.
a. dumetata Schrk. 204.
a. infuscata Gmpbg. 204.
a. margaritata Kautz 204.
biriviata Bkh. 201.
coerulata F. 208.
a. literata Don. 208.
a. obsoletaria Schille 208.
a. semifuscata Prt. 208.
corylata Thnbg. 204.
a. ruptata Hb. 204.
aaa la
Cidaria corylata a. unicolorata
[Hdm. 204.
designata Hufn. 201.
a. coarctata Prt. 201.
didymata L. 202.
ferrugata Cl. 198, 200, 201.
a. unidentaria Hw. 201.
firmata Hb. 130, 200.
flavofasciata Thnbg. 207.
fluctuata L. 200.
a. abstersata H.S. 200.
fluviata Hb. 201.
fulvata Forst. 199.
furcata Thnbg. 207.
a. flavotincta Culot 208.
a. obliterata Prt. 208.
a. sordidata F. 208.
a. tricolorata Schrk. 208.
hastata L. 204.
lignata Hb. 201.
montanata Schiff. 200.
a. fuscomarginata
[Stdgr. 200.
obeliscata Hb. 199.
a. mediolucens
[Röszler 200.
a. nigrofasciata
Gmpbg. 200.
pseudovariata
[Hdm. 200.
a. (ras)
obstipata F. 201.
ocellata L. 199.
pectinaria Knoch 201.
pomoeriaria Ev. 201.
rivata Hb. 204.
rubidata Schiff. 204.
sagittata F. 202, 203.
silaceata Schiff. 204.
siterata Hufn. 200.
sociata Bkh. 204.
sordidata F. 207.
spadicearia Schiff. 200.
a. deletata Fuchs 201.
truncata Hufn. 200.
a. perfuscata Hw. 200.
a. rufescens Strôm. 200.
unifasciata Hw. 205.
variata Schiff. 199, 200.
——- a. costimacula Hôfer 199,
a. interrupta Schaw. 199.
viridaria F. 201.
vittata Bkh. 201.
Cilix Leach 246.
—— glaucata Scop. 153, 246.
a. asiatica Bang-Haas 247.
obscurata Lpk. 246.
Cirrhoedia xerampelina Hb. XVI.
Cnephasia virgaureana F. R. 58.
wahlbomiana L. 58.
Cochlididae 290.
Cochlidion limacodes Hufn. 156,
eee eee Ei
37. REGISTER.
Coenonympha pamphilus L. 143.
Coleophora annulatella Tgstr.
[LXXXVIII.
— flayaginellay Ze OO IT.
—— maeniacella Stt. LXXXVIII.
sp. LXXXVIII.
Colias electo ssp. croceus Fourcr.
RS Neal
a. 9 aubuissoni
Carla
a. © basisuffu-
[sa Lpk. 141.
a. bimaculata
[Rocci 141.
a. deannulata
[Rocci 141.
—— hyale L. 132, 140.
a. flavofasciata Lmbl. 141.
—— —— a. macropuncta
[Finke 141.
. obsoleta Tutt 140.
opposita Zusan. 141.
. pallidior Ckll. 141.
. pupillata Lpk. 141.
. pygmaea Lmbl. 140.
a. unimaculata Tutt 140.
Collix sparsata Tr. 213.
Colocasia coryli L. 158.
a. avellanae Huene 159.
Colotois pennaria L. 214.
Comacla Wkr. 259.
senex Hb. 259.
Comibaena pustulata Hufn. 189.
Conchylis roseana Hw. 58.
Conistra erytrocephala F. 172.
a. glabra Hb. 172.
a. pallida Tutt 172.
—— ligula Esp. 173.
a polital mls. 173:
— rubiginea F. 173.
—— vaccinii L. 172.
a. fusca Lenz. 173.
. glabroides Fuchs 173.
Smixtar Stdgr 2172:
mixta-grisea Lenz. 173.
. ochrea Tutt 173.
. obscura Tutt 173.
. spadicea Hb. 173.
a. suffusa Tutt 173.
vau-punctatum Esp. 172.
Corcyra cephalonica Stt. XLV.
Coscinea Hb. 267.
cribraria L. 268, 269.
r. anglica Obthr. 268.
r. arenaria Lpk. 268.
a. unicolor Closs 269.
striata L. 267.
a. laetifica Stauder 268.
a. pallida Butler 268.
Cosmia aurago F. 175.
Citra gOML 1955175.
D © m m m
pp mm p m
Cosmia fulvago Esp. 175.
a. flavescens Esp. 175.
—— gilvago Esp. 175.
lutea Strôm 175.
Cosmotriche potatoria L. 152.
a. extrema Tutt 152.
a. intermedia Tutt 152.
a. © lutescens Tutt 152.
a. nigrescens Lpk. XVII.
Cossidae 301.
Cossus F. 301.
cossus L. 158, 301.
Cosymbia linearia Hb. 196.
a. simplificaria Cul. 196.
pendularia Cl. 191.
a. obsoletaria Lamb. 191.
—— porata L. 191, 194, 19.
—— a. punctularia Lamb. 192.
—— punctaria L. 192—196.
nn a. communifasciata
[Don. 196.
—
—— a. erythrescens
Preisecker 196.
—— a. infuscata Reuter 196.
—— a. naevata Bast. 194, 196.
a. radiomarginata
Joann. 196.
quercimontaria Bast. 192—196.
a. nigrosparsaria
[Hdm. 195,
a. privataria Hdm. 195.
ruficilaria H.S. 194, 195.
Crambus salinellus Tutt 58.
Crino adusta Esp. 172.
porphyria Esp. 171.
satura Schiff. 171.
Crocallis elinguaria L. 214.
Cucullia scrophulariae Cap. 171.
umbratica L. 171.
Cybosia Hb. 260.
— mesomella L. 155, 260.
a. cremella Kroul. 261.
a. flava de Graaf. 261.
Cymatophora duplaris L. 153, 248.
—— fluctuosa Hb. 153, 247.
—— octogesima Hb. 154, 250.
—— ocularis L. 154, 250.
—— or F. 153.
Schiff. 249.
Cymatophoridae 247.
Cymolomia hartigiana Rtzb. 58.
Daphnis nerii L. XLIX.
Dasychira fascelina L. 149.
pudibunda L. 149.
a. concolor Stgr. 149.
Deilephila livornica Esp. XLIX.
Deilinia exanthemata Scop. 213.
pusaria L. 213.
Demas coryli L. 158.
Dendrolimus pini L. 151.
Diacrisia Hb. 278.
sii
|
REGISTER. 318
Diacrisia sannio L. 278.
a. moerens Strand 278.
Dianthoecia 206.
cucubali Fuessl. 166.
rivularis F. 166.
Diaphora Steph. 275.
mendica Cl. 156, 275.
a. depuncta Schultz 276.
ZZ iaia Oxa
[276, 277.
. multipuncta Meves 276.
. rustica Hb. 276, 277.
. venosa Adkin 276.
Dichonia aprilina Hb. 172.
areola Esp. 171.
Dicranura vinula L. 147, 148.
D
Diphtera alpium Osbeck 55, 158.
a. runica Hw. 158.
Dipsosphecia Splr. 301.
ichneumoniformis F. 301.
Dipterygia scabriuscula L. 176.
Drepana Schrank 242.
aestiva Speyer 246.
aestivaria Lpk. 245.
binaria Hufn. 153, 245.
a. lilliputaria Strand 245.
cultraria gi 153,245, 246;
Havas pk 0226:
curvatula Bkh. 243.
curvatula X falcataria 243.
falcataria L. 153, 242—244.
a. infernalis Hoffm. 243.
a. intermedia Lpk. 243.
a. pallida Steph. 243.
harpagula Esp. 243.
lacertinaria 12.153, 244,245.
a. erosula Lasp. 153,
—— a. fasciata Lpk. 244.
—— a. impuncta Lpk. 244.
—— a. scincula Hb. 153,
Pneu Un aan
rebeli Standf. 243.
tenuistrigaria Lpk. 243.
Drepanidae 242.
Drymonia chaonia Hb. 148.
querna F. 148.
trimacula Esp. 148.
Dryobota vide Dryobotodes.
Dryobotodes protea Esp. 172.
a. variegata Tutt 172.
Dyschorista fissipuncta Hw. 179.
a. nigrescens Tutt 179.
Dyscia fagaria Thnbg. 224.
a. immaculata Obthr. 278.
a. immarginata Niepelt 278.
a. & latevittata Bryk. 278.
a
—— a
— — a. rustica X mendica 276.
— — f, standfussi Car. 276, 277.
[244, 245.
[244, 245.
Earias chlorana L. 186.
Elaphria clavipalpis Scop. 180.
morpheus Hufn. 180.
—— quadripunctata F. 180.
selini Bsd. 180.
Ellopia fasciaria L. 213.
a. prasinaria Schiff. 213.
prosapiaria L. 213.
Ematurga atomaria ssp. minuta Hdm.
[223.
a. latelineata
[Bicz. 224.
—— —— —— —— aa. obsoletaria
[Zett. 224.
—— —— —— —— a. unimarginata
[Cornelsen 224.
— — —— —— a. ustaria Fuchs
[224.
— — —— —— a. virilis Stauder
[224.
Emmelia trabealis Scop. 186.
Endromis versicolora L. 152.
Endrosis irrorella Cl. 155.
lacteella Schiff. XXVII.
Ennomos alniaria L. 213.
autumnaria Wernb. XVIII, 213.
—— erosaria Schiff. 133, 214.
—— fuscantaria Steph. 214.
—— quercinaria Hufn. 133, 214.
a. equestraria F. 213.
Ephestia elutella Hb. XXVII.
Ephyra vide Cosymbia.
Epiblema brunnichiana Schiff.
[LXXXVII.
farfarae Fletcher LXXXVII.
Epichnopteryx Hb. 293.
pulla Esp. 294.
tarnierella Brd. 293.
Epinephele jurtina L. 143.
Epineuronia cespitis F. 167.
popularis F. 167.
Epione advenaria Hb. 215.
apicaria Schiff. 215.
repandaria Hufn. 215.
Episema coeruleocephala Fr. 188.
Erannis aurantiaria Hb. 133, 221.
ay tasciatal Einst. 222.
defoliaria Cl. 222.
a. holmgreni Lampa 222.
leucophaearia Schiff. 216, 217.
a. desparsata Hdm. 221.
—— a. destrigaria Hdm. 220.
—— a. merularia Weym.
12159218, 7220.
—— a. nigricans Hb. 217—219.
—— a. subrufaria Uff.
[211820201
marginaria F. 221.
a. fuscata Harr. 221.
a. unistrigaria Uff. 221.
marmorinaria Esp. 217, 218,
i
319 REGISTER.
Erannis marmorinaria a. nigricans
Dele 217%
Erastria fasciana L. 186.
trabealis Scop. 186.
uncula Cl. 186.
venustula Hb. 181.
Erynnis tages L. 144.
Euchloë cardamines L. 140.
a. parvipuncta Tti 140.
Euchloris pustulata Hufn. 189.
Euchoeca nebulata Scop. 208.
obliterata Hufn. 208.
Euclidia glyphica L. 186.
mi Cl. 186.
Eucosma brunnichiana Schiff.
[LXXXVII.
farfarae Fletcher LXXXVII.
Eucosmia undulata L. 199.
Eudia pavonia L. 152.
a. alboplaga
[Geschw. 153.
a. deflexa Schultz 153.
a. occlusa Braun 153.
Eueretagrotis agathina Dup. 164.
Eumenis semele L. 142.
Eupithecia abbreviata Steph. 212.
absinthiata Cl. 209, 210.
albipunctata Hw. 209.
a. anglicata Barr. 209.
anglicata Gmpbg. 209.
assimilata Dbl. 211.
bilunulata Zett. 208.
callunae Spr. 211.
castigata Hb. 210, 211.
centaureata Schiff. 209.
dodoneata Guén. 212.
goossensiata Mab, 210, 211. .
icterata Vill. 211.
indigata Hb. 211.
innotata Hufn. 210, 212.
a. fraxinata Crewe 212.
lariceata Frr. 212.
linariata F. 209.
nanata Hb. 210, 212.
oblongata Thnbg. 209.
pimpinellata Hb. 210, 211.
plumbeolata Hw. 208.
pusillata Hb. 212.
selinata H. S. 132, 209, 210.
sobrinata Hb. 212.
subfulvata Schiff. 211.
subnotata Hb. 211.
succenturiata L. 211.
strobilata Hb. 208.
tantillaria Bsd. 209, 212.
tenuiata Hb. 208.
tripunctaria H. S. 209, 210.
valerianata Hb. 209.
virgaureata Dbl. 210, 212.
vulgata Hw. 211.
uplexia lucipara L. 179.
EEE RR EI UL
es
Euproctis chrysorrhoea auct., nec L.
[150.
L. XVII, XXVI.
phaeorrhoea Don. 150.
Eupsilia satellitia L. 172.
a. brunnea Lampa 172.
a. rufescens Tutt 172.
a. trabanta Huene 172.
Eurois occulta L. 163.
a. implicata 163.
a. passetii Th. Mieg. 163.
—— prasina F. 162.
a. albimacula Horm. 163.
a. lugubris Petersen 163.
a. viridior Splr. 163.
Eurymene dolabria L. 215.
Euspilapteryx aurogutella Stph. LI.
Euxoa aquilina Schiff. 160.
—— obelisca Schiff. 160.
a. (r.) stephensii Hdm. 160.
— tritici L. 160.
a. albilinea Hw. 160.
—— a. eruta Hb. 160.
a. hortorum Steph. 160.
Fidonia limbaria F. 223.
Fumea Steph. 295.
betulina Zett. 157.
casta Pall 15742295:
Gastropacha populifolia L. 152.
quercifolia L. XCI, 152.
—— a. alnifolia Ochs. 152.
Geometra papilionaria L. 189.
Geometridae 242.
Gnophos obscurata Schiff. 223.
Gnophria rubricollis L. 155.
Gonepteryx rhamni L. 141.
Goniodoma limoniella Stt. LII, 58.
Gonodontis bidentata Cl. 214.
Gonospileia glyphica L. 186.
mi Cl. 186.
Gortyna fibrosa Hb. 181.
flavago Schiff. 183.
leucostigma Hb. 181.
a. albipuncta Tutt 181.
a. fibrosa Hb. 181.
a. lunina Hw. 181.
a. pallida Hdm. 182.
ochracea Hb. 183.
Gracilaria aurogutella Stph. LII.
kollariella Z. 118.
—— phasianipennella v.
[quadruplella Z. XLIX.
rhodinella H.S. 58.
rufipennella Hb. XLVIII, 58.
Grammesia trigrammica Hufn. 184.
Grapholitha funebrana Fr. XXVI.
Gymnancyla canella Hb. XLIX.
Gymnocelis pumilata Hb. 212.
Gypsonoma incarnana Hw.
[LXXXVII.
—— —— vy. alnetana Gn. XLIX.
REGISTER. 320
Gypsonoma neglectana Dup.
[LXXXVIII.
Habrosyne Hb. 247.
derasa L. 153, 247.
pyritoides Hufn. 153, 247.
Hadena adusta Esp. 172.
basilinea F. 176.
didyma Esp. XXVI.
gemina Hb. 176.
lateritia Hufn. 176.
lithoxylea F. 176.
monoglypha Hufn. 176.
porphyria Esp. 171.
remissa Hb. 176.
rurea F. 176.
satura Schiff. 171.
scolopacina Esp. 177.
sordida Bkh. 176.
sublustris Esp. 176.
unanimis Hb. 176.
Harmodia 206.
bicruris Hufn. 166.
capsincola Hb. 166.
compta Schiff. 166.
cucubali Fuessl. 166.
rivularis F. 166.
Heliaca tenebrata Scop. 186.
Heliothis dipsacea L. 185.
Helotropha fibrosa Hb. 181.
leucostigma Hb. 181.
Hemaris fuciformis L. 146.
Hemithaea aestivaria Hb. 189.
strigata Mull. 189.
Heodes dorilis Hufn. 143.
phlaeas L. 143.
tityrus Poda 143.
Hepialidae 302.
Hepialus F. 302.
hecta L. 158, 304.
a. decorata Kroul. 304.
a. nigra Lpk. 304.
a. unicolor Petersen 304.
— humuli L. 158, 302.
a. 9 dannenbergi
[Stephan 303.
a. pusillus Stephan 303.
a. @ rufomaculata
[Lpk. 303.
— lupulinus L. 158, 303.
sylvinus L. 158, 303.
a. © brunnescens Lpk. 303.
a. © pauper Lpk. 303.
a. poecilus Horm. 158, 303.
Herminia derivalis Hb. 188.
Herse convolvuli L. 144.
Hesperia carthami Hb. 55, 56.
malvae L. 144.
sao Hb. 55.
Heterogenea Knoch 291.
asella Schiff. 291.
a. flavescens Tutt 291.
PAG RS
Himera pennaria L. 214.
Hipparchus papilionaria L. 180.
Homoeosoma nebulella Hb. XLIX.
nimbella Dup. 58.
Zij Se
pseudonimbella Bent. 58.
—— sinuella F. XLIX.
—— snellenella Bent. 58.
Hoplitis milhauseri F. 148.
Hoplodrina alsines Brahm 179.
—— blanda Schiff. 179.
taraxaci Hb. 179.
Huppa rectilinea Esp. 179.
Hybernia vide Erannis
Hydrelia flammeolaria Hufn. 208.
luteata Schiff. 208.
Hydrilla palustris Hb. XVI.
Hydroecia fucosa Frr. 182.
fusosa Frr. 182.
paludis Tutt 182.
— lucens Frr. 56, 183.
—— micacea Esp. 183.
a. grisea Tutt 184.
a. intacta Warr. 184.
—— nictitans L. 182.
—— oculea L. 182.
—— paludis Tutt. 56, 182.
Hygrochroa syringaria L. 214.
Hylophila bicolorana Fuessl. 186.
—— prasinana L. 186.
Hylophilina bicolorana Fuessl. 186.
Hypena proboscidalis L. 188.
rostralis L. 188.
Hypenodes costaestrigalis Steph. 188.
Hyphilare albipuncta F. 170.
—— Lalbum L. 170.
lithargyria Esp. 170.
a. ferrago F. 170.
a. grisea Hw. 170.
Hypocrita jacobaeae L. 156.
Hypsidae 282.
Ino 289 nota.
—— pruni Schiff. 156.
statices L. 156.
Iodis lactearia L. 189—191.
putata L. 189—191.
Ipimorpha retusa L. 184.
subtusa F. 184.
Isturgia limbaria F. 223.
Itame brunneata Thnbg. 224.
fulvaria Vill. 130, 224.
—— wauaria L. 224.
a. v-remotum Schultz. 224.
Larentia albicillata L. 204.
albulata Schiff. 207.
— alchemillata L. 204.
— alternata Müll. 204.
—— autumnalis Ström 208.
—— autumnata Bkh. XVII, 56, 57,
[198.
—badiata Schiff. 208.
321 REGISTER.
Larentia bicolorata Hufn. 199.
bifasciata Hw. 205.
bilineata L. 204.
biriviata Bkh. 201.
coerulata F. 208.
comitata L. 208.
corylata Thnbg. 204.
designata Hufn. 201.
didymata L. 202.
diluta Schiff. 198.
dilutata Bkh. 56.
ferrugata Cl. 57, 201.
v. unidentaria Bkh. 56, 57,
firmata Hb. 200. [201.
flammeolaria Hufn. 208.
flavofasciata Thnbg. 207.
fluctuata L. 200.
fluviata Hb. 201.
fulvata Forst. 199.
furcata Thnbg. 207.
hastata L. 204.
lignata Hb. 201.
luteata Schiff. 208.
miata L. 56, 57.
montanata Schiff. 200.
nebulata Scop. 208.
obeliscata Hb. 199.
obliterata Hufn. 208.
obstipata F. 201.
ocellata L. 199.
pectinaria Knoch 201.
pomoeriaria Ev. 201.
rivata Hb. 204.
rubidata Schiff. 204,
sagittata F. 202.
silaceata Schiff. 204.
siterata Hufn. 56, 200.
sociata Bkh. 204.
sordidata F. 207.
spadicearia Schiff. 56, 57, 59,
[200.
truncata Hufn. 200.
unidentaria Hw. 56, 59.
unifasciata Hw. 205.
variata Schiff. 199.
viridaria F. 201.
vittata Bkh. 201.
Lasiocampa quercus L. 151.
a. basipuncta Tutt 151.
PERLE LEERE EDER
—— —— a 9 brunnea-marginata
[Tutt 151.
—— —— a. Q brunnea-virgata
[Tutt 151.
—— —— a. Q ochrea-virgata Tutt
MSIE
—— —— a. & purpurascens
Rute 151
—— —— a. 4 purpurascens-
[latovirgata Tutt 151.
—- — a, é
roboris Ee. A. D.
[151.
Lasiocampa trifolii Schiff. 151.
Laspeyresia leucostoma Meyr. LXXX.
Laspeyria flexula Schiff. 188.
Lepidoptera 55.
Leucania albipuncta F. 170.
comma L. 170.
—— l-album L. 170.
lithargyria Esp. 170.
Leucodonta bicoloria Schiff.
[LXXXIX, 148.
Ligdia adustata Schiff. 213.
Limenitis camilla L. 141.
sibilla L. XCI, 141.
a. completa Der. 141.
Lithacodia fasciana L. 186.
a. albilinea Hw. 186.
uncula Cl. 186.
Lithocolletis LXXXV—LXXXVIII.
acerifoliella Z. LXXXVI.
—— acernella Z. LXXXVI.
—— betulae Z. LXX XIX.
—— dubitella H.S. XLVIII.
— geniculella Rag. LXXXVI,
[LXXXVIII.
—— platanoidella Joann. LXXXV,
[LXXXVI, LXXXVIII.
pseudoplataniella Rag.
[LXXXVI.
salictella Z. XLVIII.
sylvella Hw. LXXXVI,
[LXXXVIII.
viminiella Stt. XLVIII,
[LXXXIX, 58.
Lithomoia rectilinea Esp. 179.
Lithophane lamda F. 171.
a. zinckeni Tr. 171.
—— ornithopus Rott. 171.
semibrunnea Hw. 171.
socia Rott. 171.
Lithosia F. 262, 262 nota 1.
bipuncta Hb. 266.
complana L. 155, 265.
deplana Esp. 155, 262.
depressa Esp. 155, 262, 263 nota.
a. unicolora Guenée 262,
—— a. foeminea Guenée 263.
griseola Hb. 155, 265.
a. flava Hw. 265.
helveola O. 262 nota 2.
helvola Hb. 262 nota 2.
lutarella L. LXXXIX, 264.
luteola Hb. 262 nota 2.
nigrogrisea Peets 264.
ochreola Hb. 263 nota.
pallifrons Z. LXXXVIII,
[LXXXIX, 263, 264.
pygmaeola Dbld. LXXXVIII,
VESTEN 72637 26%
a. pallifrons Z. 264.
sororcula Hufn. 155, 265.
as fayanEpkı 265.
el eG EEE
Lithosiidae 259,
Lobophora halterata Hufn. 198.
sexalata Retz. 198.
sexalisata Hb. 198.
viretata Hb. 198.
Lomaspilis marginata L. 213.
Lophopteryx camelina L. 149.
Luceria virens L. 185.
Luffia Tutt 296.
ferchaultella Steph. 296.
lapidella Goeze 296 nota 1.
Luperina testacea Hb. 179.
a. cinerea Tutt 179.
a. nigrescens Tutt 179.
Lycaena argiolus L. 143.
argus L. 143.
Lycaenopsis argiolus L. 143.
Lycia hirtaria Cl. 133, 222.
Lygris associata Bkh. 199.
mellinata F. 199.
- —— populata L. 199.
—— prunata L. 199.
—— pyraliata Schiff. 199.
—— testata L. 199.
Lymantria dispar L. XVII, 149.
monacha L. 149.
a. brunnea Stipan. 150.
a. eremita Hb. 150.
a. nigra Frr. 150.
a. transiens Th. Mieg. 150.
Lyonetidae 118.
Lypusa maurella Fb. 242.
SAAD, De
Lypusinae 242.
Lythina chlorosata Scop. 130, 224.
—— petraria Hb. 224.
Lythophane socia Rott. 133.
Lythria purpuraria L. 56, 57, 59.
—— purpurata L. 57, 197.
a. hilariata Kitt. 197.
a. nigricaria Lpk. 198.
a. suffumata Lpk. 197.
a. tangens Hann. 198.
Macaria alternaria Hb. 215.
liturata Cl. 215.
—— notata L. 215.
signaria Hb. 215.
Macroglossum stellatarum L. 146.
Macrolepidoptera 55, 59, 60, 127, 242.
Macrothylacia rubi L. 151.
Malacosoma castrensis L. 150.
neustria L. XVII—XIX,
[XXVI, 150.
. annularis Fourcr. 150.
. cervina Tutt 151.
. neustria L. 150.
. quercus Esp. 150.
. rufescens-unicolor
DANNI
—— a. rufescens-virgata
Phuttals0!
[Tutt 150.
albicolon Hb. 167.
—— brassicae L. 165.
—— chrysozona Bkh. 166.
—— contigua Schiff. 165.
—— dentina Esp. 166.
—— dissimilis Knoch 165.
—— fulminea F. 167.
—— genistae Bkh. 165.
—— leucophaea View. 167.
—— nana Hufn. 166.
—— nebulosa Hufn. 167.
— a. bimaculosa Esp. 167.
—— oleracea L. 166, 187.
—— persicariae L. 166.
—— pisi L. 166.
serena Schiff. 166.
spinaciae View. 166.
—— thalassina Rott. 165.
—— tincta Brahm 167.
trifolii Rott. 165.
Mania maura L. 133, 176.
Maniola jurtina L. 143.
Meganephria oxyacanthae L. 171.
Melanargia galathea L. 142.
Melitaea athalia Rott. 142.
aurinia Rott. 142.
Gide IL, 162.
Meristis trigrammica Hufn. 184.
a. albescens Lenz. 184.
a. evidens Thnbg. 184.
a. obscura Tutt 184.
Mesogona oxalina Hb. 132, 163.
Metrocampa margaritata L. 213.
Miana aerata Esp. 178.
bicoloria Vill. 178.
—— fasciuncula Hw. 56, 177.
— latruncula Hb. 55, 56, 178.
—— ophiogramma Esp. 177.
—— secalis L. 177.
strigilis Cl. 55.
E56:
versicolor Bkh. 56, 179.
Microlepidoptera 55, 58—60.
Micro-psychidae 242.
Micropteryx thunbergella F. 58.
Miltochrista Hb. 260.
miniata Forst. 155, 260.
a. deleta Höfer 260.
| a. flava de Graaf 260.
Mimas tiliae L. 145.
a. suffusa Clark 145.
a. transversa Jord. 145.
a. virescens-maculata Tutt.
[145.
a. virescens-transversa
[Tutt 145.
Minucia lunaris Schiff. 186.
Miselia oxyacanthae L. 171.
323 REGISTER.
Monima gothica L. 167.
a. askoldensis Stdgr. 167.
. brunnea Tutt. 168.
. hirsuta Warr. 167.
. pallida Tutt. 167.
. pallida + a. obsolescens
[Lenz. 168.
—— a. pallida + a. reducta
[Lenz. 168.
— a. pallida + a. taeniata
[Lenz. 168.
— a. rufescens Tutt. 167.
a. taeniata Lenz. 167.
gracilis F. 169, 182.
a. pallida Steph. 170.
a. rosea Tutt. 170.
incerta Hufn. 169.
aatra sut}
. coerulescens Tutt. 169.
. fuscata Hw. 169.
. pallida Lampa 169.
Mroiashutt 69
. subcarnea Warr. 169.
. type + a. subcarnea
[Warr. 169.
oo © mw
miniosa F. 168.
munda Esp. 168.
a. grisea Tutt. 168.
a. immaculata Stdgr. 168.
opima Hb. 167, 169.
populi Ström. 168.
a. intermedia Steph. 168.
a. obsoleta Tutt. 168.
pulverulenta Esp. 168.
a. pusillus Hw. 169.
aszutar akuter 169.
stabilis View. 168, 187.
a. obliqua Vill. 168.
a. pallida Tutt. 168.
a. rufa Tutt 168.
Mysticoptera sexalata Retz. 198.
sexalisata Hb. 198.
Mythimna oxalina Hb. 163.
Naenia typica L. 163.
Nephopteryx hostilis Stph. 58.
rhenella Zk. XLIX, 55, 58.
Nepticula septembrella Stt. LIT.
Nola Leach 255.
albula Schiff. 154.
a. fascialis Splr. 154.
= confusalis rl ASD:
_Cucullate late 5429755
a. fuliginalis Steph. 255.
Nolidae 255.
Nonagria algae Esp. 185.
cannae O. 185.
geminipuncta Hw. 185.
spargannii Esp. XVII, 185.
typhae Thnbg. 185.
a. fraterna Tr. 185.
a. nervosa Esp. 185.
Lane ana ee i
UAN
Nothris marginella F. XXVI.
Notodonta anceps Goeze 148.
dromedarius L. 148.
— phoebe Sieb. 55.
—— trepida Esp. 148.
—— tritophus Esp. 55, 56.
Ziezae 741148:
Nudaria Hw. 259.
mundana L. 259.
Nymphula rivulalis Dup. XLVIII, 58.
Ochrostigma velitaris Hufn. 148.
Ocneria dispar L. XXVI.
Odonestis pruni L. 152.
a. aurantiaca Lpk. 152.
a. rufescens Kard. 152.
Oeonistis Hb. 261.
quadra L. 261, 266.
a. luteomarginata Lbll. 262.
a. obscura Schaw. 262.
a. unipunctata Splr. 262.
Olethreutes branderiana L. 58.
lacunana Dup. XXVI.
—— metallicana Hb. XLVIII.
nebulosana Zett. XLVIII, 58.
tiedemanniana Z. 58.
Oligia aerata Esp. 178, 179.
a. aethiops Hw. 178.
= — a. unicolor Tutt 178.
—— bicoloria Vill. 178. =
a. brunnea-reticulata Tutt
[178.
a. furuncula Hb. 178.
a. victuncula Hb. 178.
fasciuncula Hw. 177.
a. cana Stdgr. 177.
a a. pallida Tutt 177.
—— latruncula Hb. 178.
—— strigilis L. 178, 179.
a. aethiops Osth. 178.
a. fasciata Tutt. 178.
a. intermedia Helbig 178.
a. suffumata Warr. +
[conjuncta Hdm. 178.
— versicolor Bkh. 179.
a. aethiops Hdm. 179.
a. roseo-suffumata Hdm.
[179.
Omphaloscelis lunosa Hw. 133, 173.
Operophtera brumata L. 198.
a. unicolor Lamb. 198.
Opisthograptis luteolata L. 215.
Oporinia autumnata Bkh. 198.
a. intermedia Clark. 199.
—— diluta Schiff. 198.
a. obscurata Stgr. 198.
Oreopsyche Spr. 292.
atra auct., nec L. 292.
plumifera O. 292.
Orgyia antiqua L. 149.
gonostigma F. 149.
Ornithoptera LIX.
REGISTER.
Orrhodia vide Conistra.
Ortholita chenopodiata L.
limitata Scop. 198.
—— mucronata Scop. 198.
plumbaria F. 198.
Orthosia belvola L. 175.
caecimacula Schiff. 163.
circellaris Hufn. 175.
lota L. 174.
lychnidis F. 174.
macilenta Hb. 174.
pistacina F. 174.
ruticilla Esp. 173.
Ourapteryx sambucaria L. 215.
Oxyptilus hieracii Z. 58.
Pachetra fulminea F. 167.
a. quadrimaculata Kujau
198.
[167.
leucophaea View. 167.
Pachnobia rubricosa F. 163.
Pachycnemia hippocastanaria Hb.
[130, 223.
Pachygastria trifolii Schiff. 151.
a. cervina Tutt 151.
-—— -— a, obsoleta-rufa Tutt 151.
-—— a. rufa Tutt 151.
Pachythelia Westw. 292.
unicolor Hufn. 156, 292.
villosella O. 292.
Palimpsestis Hb. 247.
duplaris L. 153, 248.
a. britannica Turner 248.
a. obscura Tutt 248.
a. unipunctata Splr. 249.
fluctuosa Hb. 153, 247.
a. concolor Lpk. 248.
octogesima Hb. 154.
ocularis L. 154, 250.
clausa Lpk. 250.
confluens Lpk. 251.
. discolor Lpk. 251.
frankii Boegl. 250.
interrupta Splr. 251.
sp. octogesima Hb. 250.
ori. 153:
an 249.
. confluens Closs 249.
. discolor Warr. 249,
. fasciata Splr. 249.
. interrupta Lpk. 249.
. marginata Warn. 249.
. obscura Splr. 249.
. unifasciata Splr. 249,
. unimaculata
p
pppp
un
vo © © © wm m
[Auriv. 249.
Pammene fimbriana Z. LXXXVII.
inguilina Fletcher LXXXVI.
Pamphila palaemon Pall. 144.
Pandemis ribeana Hb. XXVI.
Panemeria tenebrata Scop. 186.
Panolis flammea Schiff. 186.
324
Panolis flammea a. griseovariegata G.
[186.
griseovariegata G. 186.
Panthea coenobita Esp. LXXXVIII,
[555 20s
Papilio machaon L. 137, 138.
—— a. aurantiaca Spr.
a. bella Statt. 139.
. castinii Lmbl. 139.
. dissoluta Schultz 139.
. flava Tutt. 139.
immaculatus Schultz 139.
. melanosticta Reverd. 139.
. noviessignata Uff. 139.
a. punctellatus Cab. 139.
Paralispa gularis Z. LI.
Paranthrene Hb. 299.
tabaniformis Rott. 299.
Pararge aegeria ssp. vulgaris.
138.
vo D m m m
Zell.
[143.
—— megera L. 143.
a. bipupillata Mosley 143.
Parascotia fuliginaria L. 188.
Parasemia Hb. 271.
plantaginis L. 271, 283.
a. aurantiaca Schaw. 271,
a. hospita Schiff. 271.
a. rubrocostata Closs 271.
Parastichtis basilinea F. 176.
a. cinerascens Tutt 177.
gemina Hb. 176.
lateritia Hufn. 176.
a. borealis Strd. 176.
lithoxylea F. 176.
monoglypha Hufn. 176.
aMimfuscata @B MW. 176:
a. obscura Th. Mieg. 176.
ophiogramma Esp. 177.
a. moerens Stgr. 177.
remissa Hb. 176.
a. gemina Hb. 176.
a. obscura Hw. 176.
a. submissa Tr. 176.
rurea F. 176.
a. alopecuris Esp. 176.
scolopacina Esp. 177.
secalis eos
a. didyma Esp. 177.
IT
—— a. I-niger Hw. 177.
—— a. leucostigma Esp. 177.
— a. nictitans Esp. 177.
— a. oculea Guen. 177.
a. reticulata Tutt 177.
sordida Bkh. 176.
a. renardii B. 176.
sublustris Esp. 176.
unanimis Hb. 176.
Pechipogon barbalis Cl. 188.
Pelosia Hb. 262 nota 1, 266.
concolor Schultz 267.
—— muscerda Hufn. 155, 266.
325 REGISTER.
Pelosia muscerda a. immaculata
[Oudms. 267.
Pelurgia comitata L. 208.
Perconia strigillaria Hb. 224.
Pergesa elpenor L. 147.
porcellus L. 147.
Peridea anceps Goeze 148.
trepida Esp. 148.
Petilampa arcuosa Hw. 180.
Phalacropteryx Hb. 293.
graslinella Bsd. 293.
Phalaena syringaria L. 214.
Phalera bucephala L. 149.
Phasiane chlorosata Scop. 224.
clathrata L. 224.
petraria Hb. 130, 224.
Phaulernis dentella Z. 58.
Pheosia dictaeoides Esp. 148.
tremula Cl. 148.
Phigalia pedaria F. 222.
Philea Z. 260.
irrorella Cl. 155, 260.
a. nickerli Rbl. 260.
Philereme rhamnata Schiff. 199,
transversata Hufn. 199.
vetulata Schiff. 199.
Philosamia ricini Jones LI.
Phragmataecia Newman 302.
castaneae Hb. XVI, 302.
Phragmatobia Steph. 269.
borealis Stgr. 270.
— fuliginosa L. 155, 269.
a. impuncta Lpk. 270.
—— a. intermedia Tutt. 155,
a. kolari Diosz. 270.
—— a. marginata Tutt 155,
a
|
a. typica-rufa Tutt 270.
punctata Sal. 270.
Phragmitiphila lutosa Hb. 185.
a. rufescens Tutt 185.
Phytometra chrysitis L. 187.
a. aurea Huene 187.
a. croesus Bryk. 187.
a. disjuncta Schultz 187.
a. juncta Tutt 187.
festucae L. 187.
gamma L. 187.
jota,%. 2187.
a. percontationis Tr. 187.
Pieris brassicae L. 139.
napi L. 140.
a. 9 posteromaculata
Ar
rapae L. 140.
en
a. & subtus-flava Lpk.
[140.
Plagodis dolabria L. 215.
[270.
[270.
[Reverd. 140.
a. 9 nigropunctata Lmbl.
[140.
Plastenis retusa L. 184.
subtusa F. 184.
Plebejus argus L. 143.
Plusia chrysitis L. 187.
festucae L. 56, 187.
—— gamma L. XVII, 187.
— gutta Gn. 56, 57.
—— jota L. 187.
moneta F. 187.
Plutella megapterella Bent. 58.
Poecilocampa populi L. 133, 150.
Polia chrysozona Bkh. 166.
contigua Schiff. 165.
—— dentina Esp. 166.
—— dissimilis Knoch 165.
a. confluens Ev. 166.
genistae Bkh. 165.
— nana Hufn. 166.
a. leucostigma Hw. 166.
er a. ochrea Tutt 166.
—— oleracea L. 166, 187.
a, muta, lutte 166s
— persicariae L. 166.
a. unicolor Stdgr. 166.
—— pisi L. 166.
a. rufa Tutt 166.
a. splendens Stph. 166.
—— serena Schiff. 166.
—— spinaciae View. 166.
—— thalassina Rott. 165.
—— a. achates Hb. 165.
a. humeralis Hw. 165.
Polygonia c-album L. 142.
Polyommatus icarus Rott. 144.
a. © transiens Tutt. 144.
Polyploca Hb. 251.
— diluta F. 251.
ssp. hartwiegi Reisser 251.
— flavicornis L. 154, 251.
a. anglica Houlb. 252.
—— —— a. angustefasciata Hdm.
M54/252;
clausa Epk 9255;
. confluens Klem.
540252;
. galbanus Tutt 154, 252.
. interrupta Houlb. 252.
. medionigra Hôfer 252.
. obsoleta Masl. 252.
. unimaculata Masl. 252.
—— ridens F. 130, 154, 253.
a. interrupta-alba Tutt 253.
a. nigricans Splr. 253.
a. xanthoceros Hb. 253.
Porthesia chrysorrhoea L. 150.
similis Fuessl. 150.
Procris F. 289.
geryon Hb. 290.
—— statices L. 156, 290.
a. rubida Lpk. 290.
a. viridis Tutt. 290.
|
|
|
ooo m m
REGISTER. 326
Protoparce convolvuli L. 144.
Proutia Tutt 295.
betulina Z. 157, 295.
Psacaphora schranckella Hb. LII.
Pseudopanthera maculata L. 215.
Pseudophia lunaris Schiff. 186.
a. grisescens Reutti 189.
pruinata Hufn. 189.
a. grisescens Reutii 189.
r. nigrolineata
[Schwschusz. 189.
Psilomodes venustula Hb. 181.
Psychidae 242, 291, 298.
Pterostoma palpina L. 149.
Pygaera anachoreta F. 149.
custula L. 149,
pigra Hufn. 149.
Pyrameis atalanta L. 141.
cardui B dl
a. carnea Fritsch 142.
a. minor Failla 142.
pruni Schiff. 156, 289, 290.
—— ssp. callunae Splr. 289.
Rhodometra sacraria L. 266 nota 2.
Rhyacia augur F. 162.
baja F. 162.
—— birivia Schiff. 130, 161.
brunnea Schiff. 161.
a. rufa Tutt 161.
castanea Esp. 162.
c-nigrum L. 162.
a. nunatrum Esp. 162.
a. rosea Tutt 162.
ditrapezium Bkh. 162.
festiva Schiff. 161.
a. congener Hb. 161.
a. ignicola H. Sch. 161.
a. lamentanda Alph. 161.
a. primulae Esp. 161.
obscura Brahm 161.
plecta L. 162, 187.
a. anderssoni Lampa 162.
primulae Esp. 161.
putris L. 162, 187.
ravida Schiff. 161.
2. bigramma Esp. 161.
rubi View. 162.
a. grisea Pfau. 162.
saucia Hb. 161.
simulans Hufn. 161.
strigula Thnbg. 161.
triangulum L. 162.
umbrosa Hb. 162.
xanthographa Schiff. 162.
a. budensis Frr. 162.
-—— a. rufa Tutt 162.
hyparia Hb. 277.
purpurata L. 277.
PIE IRE EEND NSD AT lese NAN
w
a. sexiespupillata Vty. 141.
Rhyparia purpurata a. atromaculata
[Galv. 277.
a. berolinensis Fuchs 277.
a. callunae Mautz 277.
Rivula sericealis Scop. 188.
Roeselia Hb. 255.
albula Schiff. 154, 256.
a. fascialis Splr. 154, 256.
strigula Schiff. 256.
togatulalis Hb. 255.
Rusina umbratica Goeze 176.
Salebria adelphella F. R. 58.
Sarrothripus revayana Scop. 186.
Saturnia pavonia L. 152.
Satyrus semele L. 142.
Scirpophaga LXXXIV.
Scodonia fagaria Thnbg. 224.
Scoliopteryx libatrix L. 188.
Scopelosoma satellitia L. 172.
Scopula floslactata Hw. 196.
immutata L. 197.
ornata Scop. 197.
remutata Schiff. 196.
rubiginata Hufn. 196.
Scotogramma trifolii Rott. 165.
Scotosia rhamnata Schiff. 199.
transversata Hufn. 199.
vetulata Schiff. 199.
Selenia bilunaria Esp. 214.
tetralunaria Hufn. 214.
‘Semiothisa vide Macaria
Sericaria mori L. VII.
Sesia culiciformis L. XC, 157.
empiformis Esp. 157.
formicaeformis Esp. 157.
——- tipuliformis Cl. 157.
vespiformis L. 157.
Setina irrorea Hb. 155.
Setomorpha L, 234.
rutella Z. XLIX—LI, 234, 235.
Sidemia fissipuncta Hw. 179.
a. nigrescens Tutt 179.
Sideridis comma L. 170.
impudens Hb. 171.
—— impura Hb. 170.
—— obsoleta Hb. 170.
a. nigrostriata Tutt 171.
— pallens L. 170.
—— a. ectypa Hb. 170.
pudorina Schiff. 171.
Sitotroga biselliella Hummel V.
Smerinthus ocellata L. 145.
populi L. 145.
v. subflava Gillm. XLIX.
quercus Schiff. XLIX.
Solenobia Z. 296, 298.
cembrella L. 157, 297, 298.
Tengstr. 297.
a. pineti Z. 297.
inconspicuella Stt. 157, 296,
[296 nota 3, 297, 298,
327 REGISTER.
Solenobia lichenella L. 296 nota 2,
[297, 298.
nickerli Hein. 296 nota 3.
-— pineti Z. 297, 298.
triquetrella F. v. R. 296, 298.
wockii Hein. 297 nota, 298.
Sphecia Hb. 290.
crabroniformis Lewin 290,
a. bredanensis Heyl. 299.
Sphinx ligustri L. 145.
——- pinastri L. 145.
a. asiaticus Butler 145.
a. ferrea Closs 145.
a. vittata Closs 145.
Spilarctia Butler 271.
-— = on 2 ESS Mes 2701 272,
—— a. denigrata Schultz. 271.
- a. eboraci Tugw. 272.
. fasciata Tugw. 272.
. hipperti Lbll. 271.
. pauperi Hoffm. 271.
radiata Hw. 272.
D @ © © m © m
lutea Hufn. 271.
Spilosoma Steph. 273.
—— ih 79155, 1
—— mendica Cl. 156, 275.
—— menthastri Esp. XVII, 156,
[ie 276,
a. brunnea Obthr. 274.
a. godarti Obthr.
[273, 274, 274 nota.
a. krieghoffi Pabst 156, 273.
a. paucipuncta Fuchs
N568273.
-—— —— a. transitoria Obthr. 274.
a. unipuncta Strand 273.
a. walkeri Curt. 274 nota.
—— urticae Esp. 156, 275.
a. anomala Masl. 275.
a. pluripuncta Rbl. 275.
Spudea ruticilla Esp. 173.
a. castanea Warr. 173.
a. dilutior Heinr. 174.
—— —— a. grisea Warr. 173.
a. rufa-variegata
[Dann. 173.
unicolor Heinr. 173.
Stauropus Di Eg ll
Steganoptycha diniana Gn. 58.
nanana Fr. XXVI.
Sterrha aversata L. 197.
a. remutata L. 197.
—— biselata Hufn. 197.
— — bisetata Rott. 197.
—— dimidiata Hufn. 197.
—— emarginata L. 197.
semiunicolor Vorbr. 271.
. unicolor Hmbg. 156, 271.
zatima Cramer 272, 273.
a. alexandri Pazs. 156, 275.
a. griseata Preisecker 197.
Sterrha emarginata a. mosquensis
[Heyne 197.
—— fuscovenosa Goeze 197.
—— inornata Hw. 197.
—— interjectaria Bsd. 197.
—— muricata Hufn. 197.
—— nigropunctata Hufn. 197.
—— rusticata Schiff. 197.
—— seriata Schrk. 197.
—— straminata Tr. 197.
—— strigilaria Hb. 197.
—— sylvestraria Hb. 197.
virgularia Hb. 197.
Sterrhopteryx Hb. 292.
—— hirsutella Hb. 157, 292.
Stilpnotia salicis L. 149.
Stygiostola umbratica Goeze 176.
Synanthedon Hb. 300.
culiciformis L. 157, 300.
—— formicaeformis Esp. 157, 301.
—— myopaeformis Bkh. 300.
—— spheciformis Esp. 300.
— tipuliformis Cl. 133, 157, 300.
vespiformis L. 133, 157, 300.
Taeniocampa vide Monima.
Taleporia Hb. 296.
pseudobombycella Hb. 296.
a. guenei Z. 296.
—— tubulosa Retz. 157, 296.
Talpophila matura Hufn. 133, 179.
Telenomus sp. XIX.
| Tephroclystia XVI.
abbreviata Steph. 212.
— abietaria Goeze XVI.
—— absinthiata Cl. 209, 210.
—— albipunctata Hw. 209.
— anglicata Gmpbg. 209.
—— assimilata Dbl. 211.
—— bilunulata Zett. 208.
—— callunae Spr. 211.
—— castigata Hb. 211.
—— centaureata Schiff. 209.
—— dodoneata Guen. 212.
—— goossensiata Mab. 210, 211.
—— icterata Vill. 211.
—— indigata Hb. 211.
— innotata Hufn. 210, 212,
—— lariciata Frr. XVI, 212.
— linariata F. 56, 209.
—— nanata Hb. 210, 212.
— oblongata Thnbg. 209.
—— pimpinellata Hb. 210, 211.
— plumbeolata Hw. 208.
—— pulchellata Stph. 56, 57.
—— pumilata Hb. 212.
—— pusillata Hb. 212.
= selinatat HS" 5657209 710;
— sobrinata Hb. 212.
——— strobilata Hb. 208.
—— subfulvata Schiff. 211.
—— subnotata Hb. 211.
REGISTER. 328
Tephroclystia succenturiata L. 211.
tantillaria Bsd. 209, 212.
tenuiata Hb. 208.
togata Hb. XVI.
tripunctaria H.S. 209, 210.
valerianata Hb. 209.
virgaureata Dbld. 56,
ALT
PAGE 221122
vulgata Hw. 211.
Thalera fimbrialis Scop. 189.
lactearia L. 189—191.
putata L. 189—191.
Thamnonoma brunneata Brgst.
[130, 224.
—— fulvaria Vill. 224.
——= avena E22
Thanaos tages L. 144.
Thecla ilicis Esp. 143.
a. pseudomas Lpk. 143.
Thera rupricapraria Schiff. 215.
Theresia Splr. 289.
ampelophaga Bayle-Barelle 289.
Thermophila Hb. vide Zygaena
Tholera cespitis F. 133, 167.
popularis F. 167.
Thyatira Hb. 247.
bars 21534747.
a. juncta Tutt 247.
Timandra amata L. 191.
= cembrella L. 297.
—— columbariella Wek. 58.
— ditella Pierce et Diakonoff
[LXXXVI, 237 nota.
| — granella L. V.
— insectella F. L, LI, LXXXVI,
254-237.
—— misella Z. L, LI, LXX XVI,
[234 236.
—— personella Pierce 58.
— piercella Bent. 58.
ruricolella Stt. 58.
Tineidae 242.
Tineinae LII.
Tmetocera ocellana F. XXVI.
Tortricidae LII.
Trachea atriplicis L. 179.
Trichiura crataegi L. 150.
a. pallida Tutt 150.
Trichoclea albicolon Hb. 167.
Trigonophora meticulosa L. 179.
Triphaena comes Hb. 164.
a. adsequa Tr. 164.
—— —— a. grisea Tutt 164.
— —— a. ochrea Tutt 164.
a. prosequa Tr. 164.
— fimbria L. 164.
—— fimbriata Schreber 164.
a. brunnea Tutt 164.
a. obscura Lenz. 164.
a. v-remotum Schultz 224.
a. indecorata Turner 247.
Triphaena fimbriata a. virescens
ette 164.
—— janthina Schiff. 164.
orbona Hufn. 164.
pronuba L. 163.
a. innuba Ir. 3164
a. nuba Kaiser 164.
a. ochrea Tutt 164.
asratamtikttml6 4e
Triphosa dubitata L. 199.
Trochilium apiformis Cl. 157.
Tyria Hb. 281.
jacobaeae L. 156, 281.
a. flavescens Th.
[Mieg. 282.
a. gilleti André 282.
Urbicola comma L. 144.
Utetheisa Hb. 269.
pulchella L. 269.
ssp. pallida Splr. 269.
Vanessa antiopa L. 142.
© Ir 1140,
— polychloros XVIII, 142,
urticae L. 142.
Venilla maculata L. 215.
Whittleya Tutt 294.
retiella Newman 294, 295.
Xanthaecia flavago Schiff. 183.
ochracea Hb. 183.
Xanthia vide Cosmia
Xylina lamda F. 171.
a. zinckeni Tr. 171.
—— ornithopus Rott. 171.
—— Rhizolita W. V. 171.
—— semibrunnea Hw. 171.
—— socia Rott. 171.
vetusta Hb. 171.
Xylocampa areola Esp. 171.
Xystophora palustrella Dougl. 135.
Zacorisca LII.
Zanclognatha emortualis Schiff. 188.
grisealis Schiff. 188.
—— nemoralis F. 188.
tarsipennalis Tr. 188.
tarsiplumalis Hb. 133, 188.
Zephyrus betulae L. 143.
quercus L. 143.
Zeuzera Latr. 302.
pyrina L. 158, 302.
Zygaena F. 283.
filipendulae L. 156, 284, 285.
a. aurantia Tutt 289.
a. biconjuncta Vty. 288.
—— —— a. bipunctata de Selys 288.
a. communimacula
[de Selys 288.
a. confluens Obthr. 288.
a. conjuncta Tutt 288.
—— —— a. cytisi Hb. 288.
a
a
. flava Robson 288.
. intermedia Tutt 289.
329 REGISTER.
Zygaena filipendulae a. minor
[Tutt 289.
v. stettina Bgff. 285.
— trifolii Esp. 156, 284.
ssp. palustris Obthr. 283.
a. basalis
de Sélys 284.
a. candida
[Bgff. 284.
glycyrrhizae
[Hb. 284.
a. intermedia
[Tutt 284.
a. lutescens
[Ckll. 284.
a. minoides
[de Selys 284.
a. orobi
[Hb. 284.
a. pallens
[Vorbr. 284.
a. punctonatata
[Vty. 284.
a. trivittata
[Spr. 284.
Zee a.
Zygaenidae 283, 284.
MEGALOPTERA.
Megaloptera 21, 31.
Sials late 21722252;
flavilatera L. 21.
fuliginosa Pict. 21 nota.
NEUROPTERA.
Neuroptera 22, 31.
Sisyra Burm. 22.
fuscata Fabr. 22.
ODONATA.
Aeschna grandis L. 19, 20.
isoscelis Müll. 19.
mixta Latr. 19,720.
Agrion puella v. d. L. 19.
pulchellum v. d. L. 19, 20.
Anisoptera 20.
Brachytron pratense Müll. 19.
Cordulia aenea L. 19.
Ischnura Charp. 20.
elegans vd 21192032;
Lestes barbara Fab. 19.
sponsa Hansem. 19.
—— virens Charp. 19.
Viridis Vida EXT 19:
Odonata 19, 20, 31. i
Orthetrum cancellatum L. 19.
Pyrrhosoma nymphula Sulz 19.
ORTHOPTERA.
Locusta viridissima L, XXII,
RHYNCHOTA.
Aphis fabae L. XXX.
Arctocorisa falleni Fieb. 20.
striata L. 20.
Berytinus minor H.S. XXXII.
signoreti Fieb. XXXII.
Chartoscirta cocksi Curt. 20.
Cimex L. XXXI.
dissimilis Horv. XXXI.
stadleri Horv. XXXI.
Coccus L. LXXIII.
Friocampoides limacina Kl. XXIX.
Euscelis plebejus L. XXX.
Gerris F. 21.
Halticus luteicollis Pnz. XXX.
v. propinqua H.S. XXX.
Hemiptera 20, 31.
Heterocordylus tumidicornis
[H.S. XXX.
Hydrometra Latr. 21.
Isometopus intrusus H.S. XXIX.
Micronecta meridionalis Costa
[LXXXIX, XC, 20, 21.
—— minutissima L. LXXXIX, 21.
—— Scholtzii Fieb. XC, 21.
Microvelia pygmaea Duf. XXX, XXXI.
reticulata Burm. XXXI.
Nepa cinerea L. 20.
Notonecta L. 21.
Oregma lanigera Zehntn. LXXXIV.
Pionosomus opacellus Horv. XXXI.
varius Wlff. XXXI.
Plea Leach 21.
Psylla pyri L. XXX.
pyrisuga Först. XXX.
Pyrrhocoris apterus L. XXX.
Rhopalosiphoninus latysiphon
[Dav. XXX.
Sigara falleni Fieb. 20.
minutissima L. LXXXIX, XC.
scholtzii Fieb. XC.
Striatas #20}
Spathocera dalmani Schill. XC.
Trialeurodes chittendeni Laing. XXX.
TRICHOPTERA.
Agraylea multipunctata Curt. 23, 26.
Agrypnia pagetana Curt. 24, 26.
| Anabolia nervosa Leach 24, 26, 32.
Cyrnus flavidus McL. 24, 26.
Ecnomus tenellus Ramb. 24—26, 32.
Holocentropus dubius Ramb. 23, 26.
picicornis Steph. 23, 26.
Hydroptila dampfi Ulm. 23—26, 32.
Hydroptilidae 23, 24.
Leptoceridae 24—26.
Leptocerus aterrimus Steph. 24, 26.
cinereus Curt. 24.
fulvus Ramb. 26.
REGISTER. 330
Leptocerus senilis Burm. 24—26, 32.
Limnophilidae 24, 25.
Limnophilus affinis Curt. 24, 26.
decipiens Kol. 24, 26.
—— flavicornis Fabr. 24—26, 32.
== marmoratus Curt. XII, 24,26.
—— politus McL. 24, 25, 32.
rhombicus L. 24, 26.
Lype phaeopa Steph. 24, 26.
Molanna angustata Curt. 24, 26.
Molannidae 24.
Mystacides azurea L. 24.
longicornis L. 24, 25, 32.
Mystacides nigra L. 24, 25, 32.
Oecetis furva Ramb. 24.
lacustris Pict. 24.
ochracea Curt. 24—26, 32.
Orthotrichia tetensii Kolbe 23—26.
Oxyethira costalis Curt. 23, 26.
Phryganea grandis L. 24, 26.
Phryganeidae 24.
Polycentropidae 23.
Psychomyidae 24.
Setodes tineiformis Curt. 24, 26.
Stenophylax Kol. XII.
Trichoptera XII, 22, 23, 26, 27, 31, 32.
331
REGISTER.
ALGEMEENE ZAKEN.
Adriaanse M. S. C. (Pater A.). Lid.
LX
Bakker (H. A.). Lid bedankt. LIX.
Barendrecht (Dr. G.). Het darm-
kanaal der larve van Contarinia
torquens de Meij. XLVI.
en Dr. G. Kruseman Jr. Brief
aan het Bestuur der N.E.V. over
instelling van eene ‚Herfstvergade-
ring. LXVIII.
Bentinck (Ir. G. A. Graaf). Mede-
deelingen over Nederlandsche Lepi-
doptera. XLVIII, LXXXVIII.
Bernet Kempers (K. W. J.). Over
monddeelen van eenige keverlarven.
XIV.
Beijerinck (Dr. W.). Mededeelingen
over eenige Nederl. Lepidoptera.
Bibliothecaris. Verslag 1937. LXIV.
Boelens (W. C.). Lid. LX.
Buitengewone Vergadering. II.
Clay (Miss Th.). Buitenlandsch Lid.
DT
Commissie v. h. nazien der rek. en
verantw. over 1937. Verslag. LXIV.
Commissie id. 1938. Benoemd. LXIV.
Corporaal (J. B.). Bestuurslid herko-
zen. LXVIII.
Delden (Mr. E. van). Lid bedankt.
ER
Diakonoff (A.). Mededeelingen over
Nederl. Microlepidoptera. VII en
VIII. XLIX, LXXXV.
Stelt wijziging voor v. d. regel,
volgens welken insecten als inlandsch
ziin te beschouwen. LI.
Verzoek van Dr. Klimesch te
Linz betreffende Goniodoma limo-
niella Stt. LII.
Voorloopige mededeeling over
bestrijding v. rupsenplaag in Am-
sterdam. LXXXI.
In memoriam Edw. Meyrick.
LXXXV.
Dissel (E. D. van).
IDD
Docters van Leeuwen (Prof. Dr. W.
M.). Over het legapparaat van de
galmuggen. XIII.
Eek (Th. van). Lid bedankt. LIX.
Hardonk Ar AMP) hid Exe
Horvath (Dr. G. de). Eerelid over-
leden. LX. |
Hummelinck (P. W.). Lid. LX.
Imms (Prof. A. D.). Eerelid benoemd.
LXVI.
Lid bedankt.
Jong (Dr. J. K. de). Lid bedankt.
LIX
Klynstra (SNMP) "Ed exe
Korringa (P.). Lid bedankt. LIX.
Kruseman Jr. (Dr. G.). Bespreekt en
laat ter bezichtiging rondgaan : „Sy-
stème Naturel du Règne Animal
etc.”, Paris 1754, vermoedelijk van
de la Chenay des Bois. XLI.
Vertoont Nederl. exemplaren
van Dexiopsis lacteipennis Zett.
XLI.
Leefmans (Dr. S.). Nadere mededee-
lingen over bestrijding van Conta-
rinia torquens de Meij. XLII.
Belangstelling voor de Phaeno-
logische Vereeniging aan de leden
van de N.E.V. aanbevolen. XLV.
Vestigt aandacht op eenige en-
tomologische publicaties. XIV.
Idem op twee proefschriften.
XLVI.
Lucht (H.). Lid bedankt. LIX.
Mac Gillavry (Dr. D.). Vertoont een
paar interessante werkjes over mie-
RO IS
Laat foto rondgaan van een
Limnophilide-legsel. XI.
Bestuurslid herkozen. LXVII.
Over eigenaardige „Entomolo-
gische” Literatuur. XCI.
Meijere (Prof. Dr. J. C. H. de). Korte
mededeelingen over Diptera. LXXX.
Meyrick (Edw.). Eerelid overleden.
LIX.
Mezger (Dr. W. Chr.). Buitenlandsch
lid overleden. LIX.
Oudemans (Dr. A. C.). Nieuwe vond-
sten op het gebied der Systematiek
en der Nomenclatuur der Acari. I. II.
Idem. II, LXX.
Penningmeester. Verslag 1937. LXI.
Financieel verslag Dr. J. Th.
Oudemans-stichting. LXIV.
Financieel verslag vereeniging
tot financieren viering 100-jarig be-
staan N.E.V. LXIV.
Polak (R. A.). Een derde schadelijke
rups op Amsterdamsche boomen.
XVII.
Mindere doeltreffendheid der rup-
senbestrijding in Amsterdam. XVIII.
Poulton (Prof. Sir E. B.). Eerelid be-
noemd. LXVII.
President. Jaarverslag 1937. LVIII.
Nieuwe catalogus der bibliotheek
gereed. LX.
REGISTER. 332
Reclaire (Dr. A.). Mededeelingen over
gevangen wantsen. XXX.
Over Nederl. Micronecta-soor-
ten. LXXXIX.
Rooij (Ir. J. J. L. de). Lid bedankt.
LIX
Rothschild (Lord Lionel Walter).
Eerelid overleden. LVIII.
Schoevers (T.). Schadelijke insecten
in 1936 en 1937 XXXI.
Silvestri (Prof. Dr. F.). Eerelid be-
noemd. LXVII.
Staatsboschbeheer. Lid. LX.
Stärcke, (A.). Gedrag en ontwikkeling
van enkele Javaansche mieren.
XXXIII.
Uyttenboogaart (Dr. D. L.). Plaats-
verandering van eene boktorlarve
buiten haar natuurlijk milieu. LIII.
Uyttenboogaart (Dr. D. L.). Bladmi-
neerende Ceutorrhynchus-larven.
PVS
Voedsel voor aquarium-vischjes,
aangetast door Ptinus tectus Boield.
LVI.
—— Cyclamen-zaad, aangetast door
Sitodrepa panicea F. LVI.
Weerd (F. van der). Lid. LX.
Weij (Dr. H. J. van der). Lid. LX.
Wiel (P. van der). Nieuwe Coleoptera
voor ons land. XXXII.
Wintervergadering 1939, Amsterdam.
IT
Wisselingh (Ir. T. H. van). Mede-
declingen over gevangen Lepidop-
tera. XVI.
Zomervergadering 1939. Texel.
LXVI.
pag. IV
XVI
LII
7
26
19
51
60
125
19
19
EX
EX
LXXVIII
EO
Be
141
145
regel 5 v.
22 vi.
8 v.
DI a
7
9?
ERRATA.
Nic
6 v.
a ©
5 v.o
oF ©
OOO COR oO
no © © Er
staat verpertilionis lees :
vespertilionis.
castanea lees : castaneae.
(Euspilapterix) lees :
(Euspilapteryx).
elips lees : ellips.
senillis lees : senilis.
tinaeiformis lees:
tineiformis.
Febr. lees : Fabr.
1905 b, 4058 enz. lees:
1905 b, 2419, 4058 enz.
Fruchtliegen lees :
Fruchtfliegen.
javanensi lees:
javanensis.
javanense lees:
javanensis.
Macroheles lees :
Macrocheles.
Napela lees : Nalepa.
Acardina lees: Acaridina.
Thyreophagus lees :
Tyrophagus.
plantanoidella lees :
platanoidella.
abuissoni lees :
aubuyssoni.
Convolvulis lees :
Convolvulus.
Gilm. lees : Gillm.
Gilmer lees : Gillmer.
Ceruna lees: Cerura.
griseolea lees : griseola.
staticis lees : statices.
Pachytelia lees :
Pachythelia.
Chaemasphecia lees :
Chamaesphecia.
Xylina Rhizol. WW
lees W.V.
180
182
186
187
189
193
212
2115
216
224
230
239
ERRATA.
m
©
EEE I
334
Hydemann lees:
Heydemann.
nictatans lees: nictitans.
Fuesl. lees : Fuessl.
Rhycia lees: Rhyacia.
boden lees : bodem.
Fuesl. lees : Fuessl.
uitgegroeid lees:
uitgeroeid.
lariceata lees: lariciata.
Gilmm. lees : Gillm.
neging lees : neiging.
Bupalis lees : Bupalus.
Lithina lees : Lythina.
stellen lees: Stellen.
Abraeni lees : Abraeini.
: e
‚Bi zat:
è
pes di >
Ad hécia tee
INHOUD VAN DE DERDE EN VIERDE AFLEVERING
Bladz.
Verslag van de Drie-en-Negentigste Zomer-
wengdgenings 2 ur au: L 2... +. LVIM=XCV
Ledenlijst der Ned. Ent. Vereen. . . . . . . XCVI-CIV
L. H. Scholten, Macro-Lepidoptera uit de Lijmers.
Faunistisch-biologische bijdrage tot de kennis
van de vlinderfauna van Zuidoost-Gelderland
en t aangrenzend Duits gebied . . . 127-229
Prof. Dr. J. C. H. de Meijere, Über die Prothora-
kalhôrner der Puppe von Diploneura cornuta Big.
(Dipt. Phoridae). ee à . 230 — 233
A. Diakonoff, Tinea misella Zeller ein Synonym
von Tinea insectella Fabricius . . . 234-238
K. J. W. Bernet Kempers, Larval form of Plese
derus vulneratus Panz i . 239-241
B. J. Lempke, Catalogus der Nederlandsche Macro-
lepidoptera Ill AG ES 024
Register | 3052352
Errata . 3332334
Avis
. La Société Entomologique des Pays-Bas prie les Comités
d'adresser dorénavant les publications scientifiques, | qui lu
sont destinées, directement à : Bibliotheek der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, p/a.Bibliotheek van het Kolo-
nıaal Instituut, AMSTERDAM, Mauritskade 62.
Toutes les autres publication s et la correspondance doivent.
être adressées au Secrétaire. L'expédition du „Tijdschrift
voor Entomologie” est faite par lui. i
Si l'on n'a pas regu le numéro précédent, on est prié de lui
adresser sa réclamation sans aucun retard, parce qu'il ne lui.
serait pas possible de faire droit à des réclamations tardives.
J. B. CORPORAAL,
Secrétaire de la Société
_entomologique des Pays Bas, -
pla. Zoölogisch Museum,
Plantage Middenlaan 53, x
Ras AR
Dar
Slee Amager vows part Wft arti abe dep
DE PET
ae real
ears
ts 6 be
ned È