jer
; cate
pars n
ELA a
wa
ER Een
NU ete Eid
note mits od
reed
or ee tort
PE SA
he pmen
(LE et 3
er EEE aspra
in N
o
DI LOT a | K ed iu ti k +
i RL n
af
i pi Ee ROVER ot
Hu on
AV Ta
Ba n Rad:
Zu
Ù
A
|
À
;
5 i 7
}
f
»
5
(
}
6
‘i |
|
‘
f
i
i
;
f
(
f
N
kr
LATE D
NET Us
cor TAI ke, ub
N ey mn
a ele
RI ART We
Ab a
ER
PN EAN |
NET TN À
i ALT
u vel
we
du
NEC
Hi
>
LA
ap
Vi
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Mr. W. ALBARDA
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
EEN EN TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1877—78
ry ©
Cad SEEN. EN
US a di CP
| JUN 10 1879 |
77? &
ar
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1878
IN HO U: D
VAN HET
EEN EN TWINTIGSTE DEEL.
Verslag van de 32ste Zomervergadering der Neder-
landsche Entomologische Vereeniging , tee te
Utrecht op 30 Junij 1877 e
Les Macrolépidoptères de Bréda et de ses environs;
liste supplémentaire n°. 7 (captures de 1876), par
E. JM HEYLAERTS fils’.
Lijst van de Leden der Nederlandsche ARE
Vereeniging op 30 Junij 1377. Sie
Bibliotheken der Nederl. Entomologische Vereeniging ;
bijgekomen boeken van 4 Julij 1876 tot 31 Juli) 1877.
Entomologische inhoud van ontvangen tijdschriften.
Verslag van de 44de Wintervergadering der Nederl.
Entomologische Vereeniging, gehouden te Leiden
op 22 December 187% 2.12%
Opgave van en aanteekeningen over Lepidoptera in
Zuid-West Celebes verzameld, door Mr. M. C.
Piepers, met aanmerkingen en beschrijving der
nieuwe soorten door P. C. T. SNELLEN (plaat À en 2).
Acrolepia valeriella Zell. n. sp. beschreven door P. €.
T. SNELLEN (plaat 2 fig. a, b, c). !
Un Ephialtes de Java (Eph, melanomerus de Haan.
Bladz.
XXVI
+. XXVIE
XXXIII
XLVII
LXXI
De inlandsche Hemipteren; beschreven en meeren-
deels ook afgebeeld door S. G. SNELLEN VAN VOL-
LENHOVEN; &ste stuk, bijvoegsels en verbeteringen
tot de afdeeling der Heteroptera (plaat 3 en 4).
Acentropus niveus Oliv. in zijne levenswijze en verschil-
lende toestanden beschreven door C. RITSEMA Cz.
(plaat 5 en GO). =. cu spe
Aanteekening over Phalaena ins Coun, door
PACSTSSNELLENTE :
Cecidipta Excoecariae Brg. door Prof. H. vito
te Cordova (Argentijnsche republiek) .
Oproeping, door S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Nieuwe exotische Tineinen van ’s Rijks Museum van
natuurlijke historie te Leiden, beschreven door P.
C. T. SNELLEN en afgebeeld door Mr. A. BRANTS
plaatsen 8) At sita
Twee nieuwe dd M Re Gadmettines! be-
schreven door P. C. T. SNELLEN en afgebeeld door
Mr. A. BRANTS (plaat 8 fig. 11—16)
Espèces nouvelles ou peu connues d’Hymenopteres
térébrants, décrites par S. C. SNELLEN VAN Vor-
HOVEN Ane 9, 40 en 11): re:
Acidoproctus, par M. E. PIAGET (plaat 12 En AG)
Een nieuw geslacht der Phoriden, door G. A. Six
(plaat 12 fig. 4, a—d). LARE
lets over Bibio N, Loew, door F. \. VAN DER
Wurp (plaat 12 fig. 2 en 3) .
Aanteekeningen Fe Diplocampta paradoxa Jaenn.
en verwante soorten, door F, M. van DER WULP
(plaat 12 fig. 4).
Twee nieuwe Tipuliden van orta dach Fr. M. VAN
DER Wu Lp (plaat 12 fig. 5 en 6) . . . dii
Data ad faunam hymenopterologicam Sibiriae, auctore
Alexandro Mocsary, Musaei nationali Hungarici
assistente +. .. «s
Bladz.
AQ
429
148
194
198
MBE Es AG
VAN DE
TWEE-EN-DERTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGINCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE UTRECHT
op Zaturdag 30 Junij 1877,
des morgens ten 10 ure.
Voorzitter: Mr. H. Ver Loren van Themaat.
Tegenwoordig met den Voorzitter de heeren: Mr. W.
Albarda, Mr. A. Brants, Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, A. J. F.
Fokker, F. J. M. Heylaerts Jr., J. Kinker, Mr. A. F. A.
Leesberg, Dr. J. van Leeuwen Jr., J. W. Lodeesen, Dr. E.
Piaget, P.G. T. Snellen, K. N. Swierstra, Mr. S. C. Snellen
van Vollenhoven, A. J. Weytlandt en F. M. van der Wulp.
Van de heeren Dr. A. W. M. van Hasselt, H. Baron Lewe
van Middelstum, Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, C.
Ritsema Cz., E. Seipgens, G. A. Six en H. L. Gerth van
Wijk is berigt ingekomen dat zij verhinderd zijn ter ver-
gadering op te komen.
De Voorzitter opent de bijeenkomst met eene korte toe-
spraak , waarin hij, onder herinnering dat hem voor ongeveer
25 jaren ook de leiding der algemeene vergadering van deze
Vereeniging was opgedragen, de aanwezigen welkom heet
en inzonderheid den heer Fokker die, onlangs als lid toe-
getreden, voor ’t eerst de vergadering bijwoont.
ll VERSLAG.
De Voorzitter vraagt of iemand ook eenige aanmerking
wenscht te maken op de notulen der vorige Zomervergadering
van 17 Junij 1876 te Middelburg en die van de jongste
Wintervergadering te Leiden op 23 December 1876 gehouden,
zoo als die notulen in de gedrukte verslagen zijn opgenomen
en aan de Leden rondgezonden. Daar niemand deswege het
woord verlangt, worden zij geacht te zijn goedgekeurd.
Overeenkomstig art. 17 der wet brengt de President van
het Bestuur, Mr. W. Albarda, het volgende jaarverslag uit:
«Mijne, Heeren!
« Als Voorzitter der Vereeniging is het mijn pligt U ver-
slag te geven van hetgeen gedurende het afgeloopen jaar
belangrijks in en door haar is geschied en van den toestand
waarin zij verkeert.
«Zoo als altijd hebben er in het personeel wijzigingen
plaats gehad. De dood heeft ons een ijverig lid, den heer
C.J. Grube te Amsterdam, ontrukt, die na eene langdurige
ziekte op nog jeugdigen leeftijd is bezweken. Professor L.
A. J. Burgersdijk, Dr. L. L. Aronstein en de heer J. C.
Stern hebben om verschillende redenen voor het lidmaatschap
onzer Vereeniging bedankt, en dat van den heer N. H. de
Graaf moeten wij als vervallen beschouwen.
«Tegenover dit verlies van vijf leden staat eene aanwinst
van tien leden, die in den loop van dit jaar als zoodanig
zijn aangenomen; het zijn de heeren P. Cool, Emeritus-
predikant te Harlingen, P. H. J. J. Ras, jur. student te
Leiden, F. L. S. F. Baron van Tuyll van Serooskerken, student
te Delft, L. de Bruyn, Officier der artillerie te Delft, W.
H. Dreessens te St. Odiliënberg (Nederl. Limburg), A. J. F.
Fokker, jur. student te Leiden, B. Verbrugge te Rotterdam,
E. Seipgens te Zutphen, J. H. Vallen onder Swalmen bij
Roermond en A. M. J. Bolsius, geneesheer der Biliton-
Maatschappij, op Biliton in Nederlandsch Indië.
VERSLAG. IMI
«Het geheele getal leden is thans als volgt:
Begunstigers yr thse 28
Kereleden. sii heise. ui sai
Corresponderende leden. . . . 12
Buitenlandsche leden. . . . . 2
Gewonei:leden,;.:,.;}10 ee RB
Terzamen. 2... . 120.
« Door velen Uwer is sedert lang de wensch uitgesproken,
dat onze Vereeniging het eenmaal zoo verre mogt brengen,
dat zij hare bibliotheken en insecten-collectie in één eigen
lokaal kon bewaren. Er zijn zelfs door velen Uwer vrijwillige
bijdragen toegezegd om de onvermijdelijke kosten, die
daaraan verbonden zijn, te helpen dragen. Het is dan ook
steeds het streven van het Bestuur geweest om aan dien
wensch te voldoen; ’t was echter hoogst moeijelijk binnen
Leiden een ruim en vooral droog lokaal te vinden, dat
voor het door ons beoogde doel geschikt was. Mij is het
aangenaam U thans te kunnen mededeelen, dat met 1 Julij
van dit jaar de lokalen, tot dusver in gebruik bij de Hol-
landsche Maatschappij van Letterkunde in het gebouw van
het Leidsche departement der Maatschappij tot Nut van ’t
algemeen, in onze handen overgaan; lokalen die in alle
opzigten aan de door ons gestelde eischen voldoen. Met het
Bestuur van genoemd departement hebben wij eene over-
eenkomst aangegaan, waarbij wij die lokalen onder zekere
voorwaarden voor drie jaren hebben gehuurd. De kosten
hierdoor veroorzaakt komen voor een deel ten laste van het
fonds voor de bibliotheek Hartogh Heys van de Lier, met
goedvinden van onze hooggeachte begunstigster, en ten
deele van de algemeene kas der Vereeniging. Voorloopig
kan deze laatste daarin voorzien, doch het is twijfelachtig
of dit op den duur het geval zal zijn. Het Bestuur heeft
gemeend, om verschillende redenen niet op de vroeger gedane
inschrijvingen van een aantal Uwer te moeten terugkomen,
maar het stelt zich voor, indien de last dezer uitgaaf op
IVO VERSLAG.
den duur te zwaar op de kas mogt drukken, dat Gij,
Mijne Heeren, alsdan even bereid zult worden bevonden
als vroeger, om door vrijwillige bijdragen daaraan te ge-
moet te komen.
« Wij zullen dus de lokalen, waarin zich thans onze
collectie insecten en onze boeken bevinden, onder dank-
zegging aan hen wier liberaliteit ons tot dusver eene
schuilplaats verleende, ontruimen, en met 1 September
aanstaande zullen in de nieuwe lokalen zoowel de bibliotheek
als de collectie zijn overgebragt en gerangschikt. Reeds heeft
het Bestuur aan den heer J. Kneppelhout hiervan kennis
gegeven en hem schriftelijk dank gezegd voor de jaren lang
betoonde welwillendheid.
«Behalve de jaarlijksche huur voor het nieuwe lokaal,
veroorzaakt de verhuizing van twee uitgebreide boekver-
zamelingen en van de insecten-collectie aanmerkelijke kosten ;
doch gij behoeft U daarover niet bezwaard te gevoelen.
De heer Dr. Blom Coster, geneesheer te ’s Gravenhage,
schonk aan onze Vereeniging eene gift van f 100.— (een
voorbeeld dat ik gaarne door vele anderen gevolgd zag) ;
en ofschoon die gelden aanvankelijk bestemd waren voor
de uitgave van het werk van Dr. Piaget, werd later, toen
voor die uitgave zich een ruimer gezigteinder opende, met
toestemming van den gever, besloten de geschonken som
aan te wenden tot dekking van de kosten, die de verhuizing
onzer eigendommen zou na zich slepen.
«In de Wintervergadering van 23 December jl. is reeds
met een enkel woord sprake geweest van het uitmuntend
werk van ons medelid Dr. Piaget, hetwelk geroepen schijnt
te zijn om eene groote gaping in de entomologische literatuur
aan te vullen. Wil het voor het kader van ons Tijdschrift
te uilgebreid was, zijn wij op middelen bedacht geweest
om de uitgave er van op eene andere wijze te verzekeren.
Als een gevolg onzer pogingen is van den geachten Direc-
teur van het Koninkl. Zoologisch Genootschap Natura Artis
Magistra te Amsterdam berigt ontvangen, dat het Bestuur
VERSLAG. V
van genoemd Genootschap f 2000.— in twee jaren voor de
uitgave beschikbaar stelde, mits het in zijne werken worde
opgenomen. Sedert hebben wij van de zaak niet verder
gehoord. Dr. Piaget is, zoo ik wel ben onderrigt, thans
met zijn werk geheel gereed, en wij hopen van harte
dat door de hulp van Natura Artis Magistra, weldra de
naauwgezette studiën van ons ijverig medelid wereldkundig
zullen worden gemaakt en daardoor een schoone parel be-
vestigd aan de kroon der entomologische wetenschap in
Nederland.
«Een ander belangrijk werk, dat van onzen geleerden
Secretaris, den heer F. M. van der Wulp, de vrucht van
jaren arbeids, wordt, gelijk u bekend is, op vorstelijke wijze
door Z. K. H. Prins Hendrik gesteund. Onder den titel van
«Diptera Neerlandica» is het eerste deel verschenen. Mag
ik aannemen wat een bekend Duitsch Dipteroloog er van
zegt, dan heeft de heer van der Wulp met zijnen arbeid
aan de beoefenaars der Entomologie in het algemeen, maar
vooral aan onze vaderlandsche entomologen eene groote
dienst bewezen. Wij wenschen dat de beide andere deelen
spoedig mogen volgen.
«Onze onvermoeide hooggeschatte vriend Mr. S. C. Snellen
van Vollenhoven gaat steeds voort de Nederlandsche ento-
mologische literatuur met belangrijke werken te verrijken.
Van Jhr. Ed. J. G. Everts zag dezer dagen het licht een
supplement op zijne Lijst der Nederlandsche Coleoptera.
De heer P. C. T. Snellen arbeidt druk aan het tweede deel
van zijne Vlinders van Nederland, dat de Microlepidoptera
zal bevatten en zijne voltooijing begint te naderen. De lijst
van Nederlandsche Neuroptera, door mijn’ broeder Mr. J.
H. Albarda bewerkt, kan almede spoedig verschijnen.
«Het orgaan waardoor onze Vereeniging naar buiten
werkt is dus niet de eenige weg waarlangs de leden onzer
Vereeniging de vruchten hunner studién openbaar maken,
en toch is dat Tijdschrift eene verzameling van meest zeer
belangrijke opstellen. Bij de Redactie is steeds overvloed
VI VERSLAG.
van stof aanwezig, en het grootste bezwaar, dat zij te
overwinnen heeft, is om alles geleidelijk te plaatsen, zonder
de voor haar gestelde grenzen te overschrijden. Dit jaar
vooral moest zij zeer zuinig zijn, om de kosten der uit-
gave niet boven het bij de begrooting toegestane cijfer
te doen stijgen. De laatste aflevering van deel XX is ter
perse en de platen zijn reeds afgedrukt.
«In ruil tegen het Tijdschrift zijn onze bibliotheken dit
jaar weder vrij geregeld verrijkt met de werken van buiten-
landsche academien en genootschappen, en ten blijke dat
ons Tijdschrift in den vreemde regt wedervaart, kan dienen
dat wij nieuwe aanvragen tot ruiling ontvingen, en wel
van het «Verein für naturwissenschaftliche Unterhaltung »
te Hamburg, van Dr. Katter, den Redacteur der « Entomo-
logische Nachrichten», van het Nationaal Museum te Rio
de Janeiro en van het Nationaal Hongaarsch Museum te
Buda-Pest.
«Hoe werkzaam de Entomologische Vereeniging ook in
het afgeloopen jaar is geweest, toch voelde het Bestuur dat
er aan die werkzaamheid iets ontbrak. Er was meer leven
te wekken en wij rekenden ons verpligt onze beste krachten
in te spannen ten einde daarin verbetering te brengen.
Het Bestuur wendde zich onder dagteekening van 19 Januarij
jl. tot den Minister van Koloniën met het volgende adres:
« « HoogEdelGestrenge Heer,
Het bestuur der N. E. V. rekent zich verpligt eerbiedig
Uwe Excellentie te wijzen op een onderwerp tot zijnen werk-
kring behoorende, doch dat tevens met de eer van het
vaderland en de belangen der wetenschap in naauw verband
staat. |
Kort na de oprigting van ’s Rijks Museum van Nat. Hist.
te Leiden in het begin der regering van Z. M. Koning
Willem I werd met grooten ijver begonnen aan de explo-
ratie onzer overzeesche bezittingen in Oost en West; de
heeren Boie, Macklot, Kuhl en van Hasselt, Blume, Pel,
VERSLAG. VII
Sal. Müller en Dieperink zonden schatten van voorwerpen
voor natuurlijke historie over, waaronder voornamelijk de
dierkunde in al hare onderdeelen rijkelijk vertegenwoordigd
werd, zoodat het mogelijk werd de beroemde werken :
Natuurlijke geschiedenis der Overzeesche Bezittingen, Mono-
graphies de Mammalogie en Coup d’Oeil général sur les
possessions etc. in het licht te geven.
Het overlijden van den onvermoeiden Directeur van ’s Rijks
Museum Dr. Temminck schijnt wel den voornaamsten prikkel
tot verder onderzoek verlamd te hebben, want sedert
treffen wij in Zuid-Amerika en Afrika geen reiziger op
staatskosten meer aan en in de Oost-Indische bezittingen
alleen de heeren Bernstein en von Rosenberg, wier onder-
zoekingen zich van lieverlede hoofdzakelijk tot ornithologie
gingen bepalen; vooral de laatste die van zijne tweede reis
naar Nieuw-Guinea niets dan vogels heeft medegebragt.
Sedert de laatstverloopen tien jaren heeft ’s Rijks Museum
van Natuurl. Hist. te Leiden geene insecten ontvangen uit
Suriname en Afrika dan eenige weinigen door welwillendheid
van particulieren, en uit Oost-Indië van de officiële reizigers
zoo weinig dat de vermeerdering niet noemenswaard is.
Ondertusschen werden onze kolonien voornamelijk voor
entomologie onderzocht door den Engelschman Russell
Wallace en worden zij nu nog geexploreerd door de Italianen
Marchese Doria, Beccaria en d’Albertis; zoodat het treurig
verschijnsel aanwezig is dat hij, die kennis wenscht te ver-
krijgen van de insecten in onzen Archipel voorkomende, te
rade moet gaan allereerst bij vreemdelingen, en daarna
eerst bij de eigenlijke bezitters der koloniën.
Aan de ondergeteekenden komt een dergelijke toestand
voor de eer des lands onhoudbaar en vernederend voor;
zij hebben, voor zoo ver hun arm reikte, gedaan wat zij
konden, getuige de «Essai d’une faune entomologique de
Parchipel Néerlandais», getuige zoo vele artikelen in het
Tijdschrift voor Entomologie van de heeren Snellen van
Vollenhoven, Snellen, Dr. van Hasselt, Ritsema — doch zij
VIII VERSLAG.
zijn niet bij magte zelf reizigers uit te zenden ter onder-
zoek van het onbekende.
Vertrouwende dat Uwe Excellentie instemmen zal in de
meening dat het beneden de waardigheid is van een land
de natuurlijke historie zijner kolonién door vreemden te
laten exploreren en zelf daarbij alleen toeschouwer te zijn,
wenden ondergeteekenden zich tot Uwe Excellentie met het
dringend verzoek dat het Uwe Excellentie behagen moge:
1° ter wille van het onderzoek der gelede dieren (uitsluitend)
aan te stellen een reiziger in de binnenlanden van Suriname,
en een ander vooreerst ter exploratie van Java’s Zuidooste-
lijke streken of van de omstreken van Bandjermassing ;
2' te beschikken, dat de insecten door hen naar het
moederland over te zenden, ofschoon de eigendom daarvan
na de determinatie en beschrijving over moet gaan aan meer-
gemeld Rijks-Museum, gedurende een geruimen tijd ter
beschrijving en afbeelding blijven toevertrouwd aan de
Nederl. Entom. Vereeniging, en ter fine daarvan dadelijk
na de aankomst worden in handen gesteld van den Conser-
vator dier Vereeniging.
Met eerbiedige hoogachting hebben zij de eer te zijn,
Van Uwe Excellentie de Dienstv. Dienaren,
Het Bestuur der Nederlandsche Entomologische
Vereeniging,
(get) Mr. W. ALBARDA, Voorzitter.
(get) F.M. VAN DER WULP, Secretaris. »»
«Ik ging als Voorzitter naar den Haag, om den Minister
op een aantal bijzonderheden te wijzen, minder voor schrif-
telijke mededeeling geschikt. Zijne Excellentie, die blijkbaar
ons adres met aandacht had gelezen, beloofde de zaak in
overweging te zullen nemen en scheen aanvankelijk wel
geneigd om aan onze vertogen gevolg te geven, doch niet-
temin ontvingen wij korten tijd later het navolgend antwoord :
VERSLAG. IX
« « Aun het Bestuur der Nederlandsche Entomologische
Vereeniging te Leiden.
's Gravenhage, 31 Januarij 1877.
««In Uwe missive van 19 Januarij Il. wordt de wensch
uitgedrukt, dat de Regering een tweetal personen moge
belasten met het instellen van een onderzoek der Gelede
dieren in de binnenlanden van Suriname en in de Zuid-
Oostelijke streken van Java.
««Gaarne erken ik met U het nut van natuurkundige
onderzoekingen in onze kolonien en wordt door mij gewaar-
deerd wat op dit gebied door Uwe Vereeniging is verrigt,
doch ik meen dat de bemoeijingen der Regering zich in
deze niet verder mogen uitstrekken dan om, waar zij daar-
voor de middelen bezit, de pogingen van particulieren te
ondersteunen.
««Ik kan derhalve mijne instemming niet geven aan het
denkbeeld om een of meer Gouvernements-onderzoekers in
dienst te stellen, maar verklaar mij gaarne bereid om, voor
zooveel Nederlandsch Oost-Indië betreft, aan hen die van
wege Uwe Vereeniging met het doen van exploratiön mogten
belast worden, eenige ondersteuning te verleenen.
««In dat geval zal het mij aangenaam zijn aangaande
Uwe plannen te worden ingelicht, ten einde met de Indische
Regering in overleg te kunnen treden omtrent de wijze
waarop aan Uwe wenschen zou zijn te voldoen.
De Minister van Koloniën,
(get) F. ALTING MEES.»»
«Ik heb gemeend deze beide stukken hier in hun ge-
heel te moeten opnemen, opdat ieder kunne oordeelen
over den staat van zaken. Zelfs met den meest geschikten
en meest bekwamen Minister van Kolonién is er dus voor
wetenschappelijke belangen geen steun te vinden, zoolang
wij niet met den scherpen geessel der kritiek de kracht
X VERSLAG.
der ellendige bureaucratie aan het Ministerie van Kolonien
weten te breken; doch, Mijne heeren, laat ons met ver-
eende krachten pogen, om langs particulieren weg te
verkrijgen waartoe ons langs officiélen weg de middelen
worden onthouden.
«Van de Maatschappij van Tuinbouw en Plantkunde
ontvingen wij eene uitnoodiging om te komen overleggen
omtrent eene gepaste wijze van herdenking van den sterf-
dag van Linnaeus op 10 Januarij 1878. Eene Commissie,
bestaande uit- de heeren J. W. Lodeesen en J. Kinker,
vertegenwoordigde ons. Beide heeren werden in eene com-
missie benoemd, die belast is de plegtige viering van dien
gedenkdag voor te bereiden, doch zij meenden daarvoor
te moeten bedanken. Het programma is nog niet vastgesteld,
doch onze Vereeniging is geheel vrij om zich daaraan al
dan niet aan te sluiten.
« Wij ontvingen voorts eene uitnoodiging om de Ento-
mologische Vereeniging te doen vertegenwoordigen bij het
Congres ter gelegenheid van de internationale Tentoon-
stelling van Tuinbouw en Plantkunde, in de maand April
jl. te Amsterdam gehouden. Ik heb als Voorzitter der Ver-
eeniging dat Congres bijgewoond, doch hoe belangrijk ook
sommige onderwerpen voor mij waren, er is niets verhandeld
wat voor onze Entomologische Vereeniging van nut kon zijn.
«Aan Mevrouw Hartogh Heys van de Lier zijn wij onzen
besten dank verschuldigd voor de wijze waarop zij onzen
Penningmeester steeds van de middelen voorziet, om de
uitgebreide bibliotheek van wijlen haren echtgenoot in stand
te houden en in belangrijkheid te doen toenemen. Niet
weinig zal daartoe bijdragen de onlangs door ons gedane
aankoop van het even belangrijke als kostbare werk van
O. G. en A. Costa, Fauna del regno di Napoli, dat wij
binnen kort hopen te ontvangen.
«De toestand onzer finantiön mag, bij de zware offers
die van de kas worden gevorderd, voldoende worden ge-
noemd, dank zij het beleid en de naauwkeurigheid van onzen
VERSLAG. XI
Penningmeester; de straks door hem af te leggen rekening
en verantwoording zal de juiste cijfers leeren kennen.
« Volgens het mij door den Conservator ingediend rapport
zijn de ten vorigen jare bestelde nieuwe laden aangeschaft
en in gebruik, doch blijft er nog steeds gebrek aan ruimte.
De heer Everts is met het op nieuw rangschikken der
Coleoptera gereed gekomen, waarvoor hem bij deze de
verschuldigde dank wordt gebragt. Er zijn voor de collectie
een aantal voorwerpen ontvangen van de heeren Everts en
Leesberg (Coleoptera), Schepman (Neuroptera), Dr. Signoret
(Cocciden uit Frankrijk), Snellen van Vollenhoven (planten-
gallen en insecten van verschillenden aard) en Gerth van Wijk
(Hymenoptera aculeata), die met erkentelijkheid zijn aange-
nomen. De collectie verkeert overigens in goeden toestand.
«De bibliotheken werden, behalve door de werken voor
het Tijdschrift in ruil ontvangen en door aangekochte boeken,
in den loop van het jaar verrijkt door geschenken van de
heeren Burgers, Everts, A. Fauvel, Grube, Hoek, R. Mac
Lachlan, F. Plateau, J. J. Scudder, E. de Selys Longchamps,
Prof. P. J. Veth, Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Dr.
H. Weyenbergh en F. M. van der Wulp, waarvoor aan de
milde gevers bij deze de hartelijke dank der Vereeniging
wordt gebragt.
«En hiermede, Mijne heeren, heb ik aan den op mij
rustenden pligt voldaan. Het was mij aangenaam zoo vele
belangrijke feiten ter vermelding voor mij te hebben, en
ik wensch dat de toekomst jaarlijks meer en meer stof
daartoe moge leveren.»
Na voorlezing van dit jaarverslag, brengt de Penning-
meester, de heer Lodeesen, overeenkomstig art. 26 der wet,
zijne rekening en verantwoording ter tafel en voegt eenige
toelichtingen daarbij. Even als in vorige jaren is die reke-
ning gesplitst in drie deelen : de algemeene kas, het fonds
voor de uitgave van het Tijdschrift en het fonds voor de
bibliotheek Hartogh Heys van de Lier.
XII VERSLAG.
Uit de rekening blijken de volgende cijfers:
Algemeene kas.
Ontvang. Saldo van het jaar 1875/76. f 525.823
Gewone inkomsten . ... . . …= 601.95
Buitengewone inkomsten (gift van
Dr. Blom GOSLE) nn ne ee OO
— f1227.773
Uitgaaf. Gewone uitgaven . . . . f 407.864
Buitengewone uitgaven (overschrij-
ving op het Fonds voor de uit-
gave van het Tijdschrift) . . . - 300—
OSR
Batie saldo, . : 7 919.01
Fonds voor de wilgave van het Tijdschrift.
Ontvang. Gewone inkomsten (waar-
onder de Rijkstoelage ad f 500 —
en die van Teijlers stichting ad
ADO Mate ST AEEA TIE
Buitengew. inkomsten (overschrij-
ving uit de algemeene kas) . . - 300.—
f 1339 —
Uitgaaf. Voorschot van den Penning-
meesteriri: ao admet ee 06 06
Gewone uitgaven. . . . . ...-1330.78;
Buitengewone uitgaven (aankoop
van oude jaargangen) . . . .- 18.70
[1455.543
Nadeelig saldo. . . . f 116.54:
Fonds voor de bibliotheek Hartogh Heys van de Lier.
Ontvang. Saldo van het jaar 1875/76. f 347.38
Inkomsten} se dat. Zabel
--—--—— f 751.38
Uitgaven +... cts ia
Batig saldo. . . .f 41503
VERSLAG. XIII
De bovenstaande cijfers toonen aan, dat de algemeene
kas der Vereeniging tot dusver ruimschoots in de behoeften
heeft kunnen voorzien; dat ook het fonds voor de bibliotheek
Hartogh Heys bestand is tegen de te doene uitgaven, vooral
ook omdat deze laatsten naar willekeur kunnen worden
beperkt of uitgebreid; dat daarentegen de kosten der uit-
gave van het Tijdschrift moeijelijk uit de gewone inkomsten
zijn te bestrijden, waarom zelfs dit jaar eene overschrijving
van f 300 uit het saldo der algemeene kas is noodig geweest.
Ten aanzien van de hooggestegen kosten voor de uitgave
van het Tijdschrift geeft de heer Albarda, namens de
Redactie, eenige inlichtingen ; het 19° deel namelijk , waar-
van de betalingen hoofdzakelijk in deze rekening voorkomen,
is merkelijk uitgebreider en kostbaarder geweest dan een
der vorige jaargangen; wijl de staat der kas op den duur
zulke weelde niet zou toelaten, is reeds ten vorigen jare
besloten tot eenige beperking en zal dan ook het thans
bijna afgewerkte 20" deel minder uitgebreid zijn en daar-
door eene volgende rekening op dit punt een minder hoog
cijfer opleveren. Omtrent het aanzienlijke batig slot voor
de bibliotheek Hartogh Heys herinnert de heer Albarda
aan ’t geen hij zoo even in zijn jaarverslag heeft medegedeeld,
dat namelijk voor die bibliotheek een kostbaar werk is
besteld, waarvan echter de betaling nog moet geschieden
en uit het aanwezige saldo zal worden gekweten.
De Voorzitter draagt aan de heeren Kinker en Swierstra
op, om de rekening na te zien.
Verder wordt door den Penningmeester eene schets van
begrooting ingediend voor de inkomsten en uitgaven van
het volgende vereenigingsjaar en deze aan de aanwezige
leden ter inzage voorgelegd.
Als plaats tot het houden der volgende Zomer vergadering
wordt, na eenige beraadslaging, bij meerderheid van stem-
men Nijmegen aangewezen; en wordt de heer H. Baron
Lewe van Middelstum te Beek gekozen om die vergadering
als Voorzitter te leiden. Daar de heer Lewe niet tegen-
XIV VERSLAG.
woordig is, zal hem deze keuze schriftelijk worden mede-
gedeeld !).
Inmiddels zijn de heeren Kinker en Swierstra gereed
gekomen met het onderzoek der rekening, die door hen
met de daarbij behoorende bescheiden is vergeleken en in
volkomen orde bevonden. De Voorzitter zegt hun dank voor
het volbrengen dezer taak en brengt inzonderheid ook den
dank der Vergadering aan den Penningmeester voor de
zorgen en moeite door hem aan het beheer der geldmid-
delen besteed.
Hiermede de huishoudelijke werkzaamheden afgeloopen
zijnde, wordt, na eenige oogenblikken pauze, overgegaan
tot de wetenschappelijke mededeelingen.
De heer Snellen maakt melding van een’ dezer dagen
bij den Secretaris ingekomen brief van Baron Lewe van
Middelstum, waarin deze mededeelt dat hij uit eene in het
najaar op Vaccinium myrtillus gevonden en na de over-
wintering met bladen van den theeboom gevoede rups een
exemplaar had bekomen van Angerona corylaria Dup., eene
soort die hij meende dat nog niet in Nederland was aan-
getroffen. De heer Snellen merkt daaromtrent op, dat het
hier blijkbaar geldt eene merkwaardige varieteit van Ang.
prunaria L., dezelfde die hij in zijn werk «De Vlinders van
Nederland» beschreven heeft onder den naam van Sordiata
en die reeds op de titelplaat van het 6° deel van Sepp’s
Nederlandsche Insecten is afgebeeld. Bovendien is niet door
Duponchel, maar reeds door Esper de naam Corylaria aan
haar gegeven.
Verder vestigt de heer Snellen de aandacht op den merk-
waardigen vorm van den zuiger bij de vlinders van het
Noctuinen-geslacht Ophideres Boisd., zoo als die door J.
Künckel in de Comptes-Rendus des séances de U Acad. des sciences
1) Sedert heeft de heer Lewe van Middelstum, in autwoord daarop, te kennen
gegeven dat hij de gedane opdragt aanneemt.
VERSLAG. XV
te Parijs van 1875 p. 397—400 is beschreven. Hij laat zulk
een’ zuiger met eene vergroote afbeelding ter bezigtiging
rondgaan. De zuiger van eene verwante soort, Catocala
elocata, die. mede door hem is afgebeeld, mist alle bijzon-
derheden, aan den eerstgemelden waar te nemen en is
alleen tot opneming van vloeistoffen, geenszins tot boren
geschikt.
De -heer Heylaerts zegt, dat ofschoon hij voorloopig
zijne lijsten van Breda’sche Macrolepidoptera had gesloten,
zijne vangsten in 1876 vrij belangrijk waren. Hij geeft dus
ook nu weder een aanvullingslijstje *), waarop niet minder
dan drie voor onze Fauna nieuwe soorten voorkomen,
waaronder de tot dusverre alleen in Engeland gevonden
Epichnopteryx reticella Newman. Ook in het verzamelen van
Microlepidoptera was hij vrij gelukkig. Behalve eenige nog
niet gedetermineerde species, komt daaronder voor de, voor
onze Fauna nieuwe, Grapholitha scopariana H. S.
Omtrent Cosmopterye Scribaiella von Heyd. zegt hij, dat de
vele mijnen, op Arundo phragmites gevonden, hem slechts
een paar popjes hebben opgeleverd, dewijl bijna alle rupsen
verdroogden niettegenstaande hij de rietstengels in nat zand
bewaarde. Hij schrijft zulks daaraan toe, dat hij de planten
te vroeg reeds in October, en niet in November verzamelde.
Eerst in het voorjaar verpopt genoemde soort en levert in
Junij de vlindertjes. Zijne waarneming komt volstrekt niet
overeen met de bewering van Professor Frey te Zurich,
die (Stettiner Ent. Zeit. 1875 pag. 44) opgeeft, dat reeds op
20 April de eerste imagines uitkwamen.
In n° 174 van de Petites nouvelles entomologiques komt eene
interessante mededeeling voor van den heer Lichtenstein,
den bekenden onderzoeker der Phylloxera-soorten, omtrent
waarnemingen van Dr. Adler uit Sleeswijk. Deze wil nl.
bij de soorten van de familie der Cynipiden een « Genera-
1) Als bijlage achter dit verslag gevoegd,
XVI VERSLAG.
tions-Wechsel » hebben opgemerkt, even als men die bij de
Aphiden waarneemt. Zoo zou dan verklaard worden, waarom
van enkele species alleen wijfjes worden aangetroffen. Als
voorbeeld haalt de heer L. aan Spathegaster Baccarum, die
zich ontwikkelt, in beide sexen, uit gallen, in den
vorm eener witte bezie, van Quercus pubescens. Het wijfje
heeft dan eene korte legboor met welke het in de jonge
bladeren eijeren legt. Door de verwonding der bladhuid
ontstaan kleine lensvormige gallen, waaruit later de Neuro-
terus lenticularis, alleen wijfjes, geboren wordt. Deze
wijfjes hebben eene zeer lange legboor, waarmede zij
in de bladknoppen hare eijeren afzetten, waarop weder de
eerstgenoemde galvorm en vervolgens eerstgenoemde soort
ontstaat. Behalve van deze geeft Dr. Adler nog de meta-
morphose in gelijken zin van vijf andere soorten op.
Spreker vraagt of ook een der aanwezige collega’s iets
daarvan gelezen of daaromtrent proeven heeft genomen.
Deze vraag wordt in ontkennenden zin beantwoord.
De heer Leesberg vestigt de aandacht der Vergadering
op een pas uitgekomen werkje van Dr. Vitus Graber,
Professor te Czernowitz, getiteld Die Insekten 1° Theil
«Der Organismus der Insekten» München 1877.
Dit boekje, waarvan het 2" deel reeds ter perse ligt onder
den titel «Das Leben der Insekten», draagt de sporen van
langdurig en naauwkeurig onderzoek, benevens de bewijzen
van uitgebreide kennis. Vooral is het hoofdstuk Orientirungs-
apparat (pag. 257—307) belangrijk, wijl de schrijver aldaar de
nieuwere ontdekkingen over het gehoor- en reuk-orgaan der
insecten behandelt, en hoewel zijne theorie over het al of
niet bestaan dezer organen nog verre van bewezen is, zal
menig anatoom en physioloog zich aangespoord gevoelen,
ook in die rigting zijne onderzoekingen op Dr. Graber’s
voetspoor voort te zetten. Vele uitvoerige houtsneden ver-
fraaijen het werk, terwijl de geringe prijs (3 Mark) het voor
ieder beoefenaar der Nat. Historie toegankelijk maakt.
VERSLAG. XVII
Ten slotte laat Spreker het boekje ter bezigtiging rond-
gaan en vermeldt in ’tkort de resultaten van Dr. Graber’s
studie over het gehoor en het reukorgaan der insecten.
De heer Everts vertoont een aantal microscopische
praeparaten, door welke hem de ware bouw der mond-
deelen bij de Apioniden duidelijk is geworden. Hij hoopt
later dit onderwerp nog verder te bestuderen en eenige
afbeeldingen van die monddeelen te geven bij eene ver-
handeling over de Nederlandsche Apioniden, die bij hem
in bewerking is.
De heer Snellen van Vollenhoven deelt allereerst
eene waarneming mede omtrent zekere soort van Haft
(Ephemera), waarvan voor als nog de naam hem onbekend
bleef. Op een stillen achtermiddag of vooravond in Junij
met heerlijken schijn van bijna ondergaande zon, zag hij,
liggende tegen een der duinen bij ter Heide (Zuid-Holland)
en starende in de blaauwe lucht, daarin schier onmerkbare
stippen, die nu en dan iets grooter werden. Langzamerhand
daalden zij zoo laag dat zij herkenbaar werden als witte
haften, om dan plotseling weder torenhoog te stijgen. Geen
enkele daalde laag genoeg om onder bereik van het net te
komen. Spreker vraagt of een der leden zou kunnen melden
welk haft zoo hoog, zoo ver van zoet water en zoo digt
bij zee vliegt en of het niet te vermoeden is dat zulke
hoogvliegers een deel uitmaken van het voedsel van de
gierzwaluw (Cypselus apus) ?
Ten tweede komt hij terug op eene mededeeling door
hem op de vergadering te Middelburg gedaan. Aldaar had
hij onder andere teekeningen er eene laten rondgaan, voor-
stellende een groot en buitengewoon fraai gekleurd wijfje
van eene Cheimatobia-soort, welke bij hem het vermoeden
had doen ontstaan dat dit voorwerp tot Gheim. boreata kon
behooren, Een der toen aanwezige leden had bepaaldelijk
2
XVIII VERSLAG.
verklaard dat de circulerende teekening geen wijfje van
Cheimatobia voorstelde. Spreker heeft nu ten opzigte van
die quaestie mede te deelen dat de eijeren van dat wifje
afzonderlijk zijn opgekweekt en dat, ofschoon de meeste
rupsen verongelukt of de poppen niet uitgekomen zijn, uit
ééne pop een zeer kennelijk mannetje van Cheim. brumata
zich ontwikkeld heeft.
Ten derde deelt deze Spreker mede dat hij bezig is voor
’s Rijks Museum. van Natuurlijke Historie te Leiden een
sedeelte der collectie Hymenoptera van den heer A. E.
Holmgren (onlangs aangekocht) in te schikken en dat hem
daarbij in het oog gevallen is de zeer treffende overeen-
komst in vorm en kleur van twee Ichneumoniden (Listro-
dromus of Neotypus melanocephalus Gm. en lapidator F.) met
een Cryptide Coenocryptus Apum Curt., welke overeenkomst
zoo groot is dat men zeer geneigd zou zijn deze dieren in
eene verzameling van insecten naast elkander te zetten,
ware het niet dat de karakteristieke kenmerken der groepen
of afdeelingen in deze soorten zeer duidelijk te zien waren.
Spreker neemt daaruit aanleiding om die kenmerken op te
geven en in afbeeldingen aan te wijzen, waarbij hij de
hoogstzeldzame Coenocryplus Apum, alzoo genoemd omdat
zij parasiet is van eene Osmia-soort, en behoorende aan
’s Rijks Museum, aan de aanwezigen vertoont.
Ten slotte vermeldt Spreker dat hem door ons medelid
Snelleman voor eenigen tijd toegezonden was een opstel
over den Middelburgschen entomoloog Johannes Goedaert,
met eene proeve van determinering der platen en beschrij-
vingen in diens werk. Reeds door Werneburg was voor
eenige jaren eene dergelijke proef voor de Lepidoptera in
dat boek vervat, in ’t licht gegeven (men weet dat de
meeste waarnemingen van Goedaert op vlinders betrekking
hebben). Beide determinatien komen in vele opzigten over-
een, doch in andere wijken zij van elkander af. Spreker
heeft nu ook eene determinatie van Goedaert’s afbeeldingen
VERSLAG. XIX
en «Bevindinghen » opgemaakt ') en deelt die in vergelij-
king met de beide anderen mede, voor zoo verre het eerste
deel betreft, hebbende hij door het medebrengen van twee
exemplaren zorg. gedragen dat de leden in staat waren over
het verschil in de drie bestemmingen ten minste door in-
spectie van de platen een oordeel te vellen. Verschillende
opmerkingen der aanwezige leden verlevendigden deze anders
min of meer langwijlige litanie.
De heer Swierstra, als ambtenaar van het Kon. Zoo-
logisch Genootschap Natura Artis Magistra te Amsterdam,
laat ter bezigtiging rondgaan een eerst sints den vorigen
avond gestorven exemplaar van den zoo gevreesden Colorado-
kever, Doryphora (Leptinotarsa) decemlineata Say. Het diertje
is met nog drie anderen, in een doosje uit Amerika naar
Amsterdam gezonden. Bij aankomst bleek, dat er slechts
een individu (een g) aan de vermoeijenissen der reis weer-
stand had kunnen bieden; het werd door Dr. W. A. de
Klerck aan het genootschap ten geschenke gegeven. Zonder
het minste voedsel had het de reis over den Oceaan afge-
legd, en nuttigde onmiddellijk na aankomst het dubbele
van zijn eigen volumen van een’ doorgesneden aardappel,
dien men het, bij gebrek aan loof, had voorgezet; wel een
bewijs dat het gevreesde insect, met of zonder aardappelen
verpakt en verzonden, de reis naar Europa levend kan
volbrengen. Onder de noodige voorzorgen heeft het diertje
ruim negen dagen in den Amsterdamschen dierentuin ge-
leefd, den zevenden dag nadat het daar gekomen en ruim-
schoots met versch loof gevoerd was, legde het een hoopje
eijeren, ten getale van zeven, aan den onderkant van een
blaadje. Zij waren hoog oranje gekleurd, langwerpig rond
en staande (of wil men hangende) aan het blad bevestigd.
Spreker verklaarde nog niet te weten of zij bevrucht waren
en larven zouden leveren; de mogelijkheid daartoe bestond
1) Zij is opgenomen in het Album der Natuur, Jaarg. 1877 blz. 307 en volg:
XX VERSLAG.
evenwel, wijl onder de doode reisgenooten zich minstens
twee mannetjes bevonden; hij verklaart zich overigens be-
reid daarvan nader verslag te doen !).
De heer Piaget deelt, naar aanleiding van het voren-
staande, eenige bijzonderheden mede omtrent den levenden
Colorado-kever, onlangs te Rotterdam gevonden; het voor-
werp was hem kort daarna vertoond en eenigen tijd later, toen
het naar het Ministerie van Binnenlandsche Zaken in den
Haag was opgezonden, ook aan den heer Snellen van Vol-
lenhoven; beiden hadden zij het dadelijk voor den Colorado-
kever herkend ?). In eene flesch met aardappelloof geplaatst,
had het weldra op de bladeren eijeren gelegd. Het was door
een der visiteurs gevonden naast eene kist met uijen, die
even te voren was gelost uit een stoomschip, van New-York
gekomen; het is niet onderzocht of zich nog meer exem-
plaren in die kist bevonden, maar deze is op last der
Regering verbrand; zelfs is het mogelijk, dat vóór die
1) Uit eene latere schriftelijke mededeeling van den heer Swierstra blijkt dat
werkelijk na 6 of 7 dagen de jonge larven te voorschijn kwamen; hij plaatste ze
voorzigtig met een penseeltje op eene bij voorbaat onder eene stolp gekweekte aard-
appelplant, en onmiddellijk begonnen zij haar vernielingswerk. Aanvankelijk werden
ronde gaatjes ter grootte van een’ speldeknop in de bladeren geknaagd, maar later
ook het blad ter zijde aangetast. De larven zijn traag in hare bewegingen, maar
wandelen toch rusteloos van den eenen steel naar den anderen, Higenaardig is daarbij
het gebruik van het laatste ligchaams-segment bij wijze van een zevenden poot: als
op een kruk wordt daarop door het diertje gesteund als de werkelijke pooten worden
vooruitgebragt, eenigermate te vergelijken met het gebruik dat de Kanguro’s van
hunnen staart maken. Bij de geboorte waren de larven vleeschkleurig, geenszins
bloedrood en ook later blijft de kleur steeds ver van het bloedroode. De heer
Swierstra heeft met zekerheid drie vervellingen waargenomen, doch meent dat er
nog aan zijne aandacht ontsnapt kunnen zijn, omdat de afgestroopte huidjes, met
uitzondering alleen van het kopschild en de pooten, telkens door de larve worden
opgegeten. Van de zeven larven waren er, op het oogenblik van zijn schrijven
(21 Julij), nog vier in leven, waarvan drie bijna volwassen en ter verpopping gereed.
2) Later ís de heer Snellen van Vollenhoven in het bezit gesteld van het bewuste
voorwerp, dat toen bij hem nog geruimen tijd heeft geleefd en op nieuw eijeren
heeft gelegd. De eijeren en de daaruit voorgekomen larven zijn door hem in onder-
scheidene levensperioden, naar de natuur afgeteekend. Die afbeeldingen zijn onlangs,
met eene beschrijving, in het licht gegeven en stellen de voorwerpen meer herken-
haar voor dan de afbeeldingen welke tot dusver van wege de Regering zijn verspreid,
VERSLAG. XXI
verbranding andere exemplaren gelegenheid hebben gehad
te ontsnappen zonder te worden opgemerkt. Het vermoeden
is niet ongegrond, dat het insect is overgebragt met de
aardappelen, die als victualie aan boord waren, en zich
van daar naar de kist met uijen heeft begeven. In allen
gevalle blijkt uit het vorenstaande, hoe gemakkelijk het
dier zich laat overbrengen en ook hier te lande nakome-
lingschap verwekt; het is dus maar al te zeer te vreezen,
dat het mettertijd ook onze aardappelvelden zal benadeelen,
terwijl niet genoeg kan worden aanbevolen om naauwlettend
toe te zien overal waar de aardappelplant geteeld wordt,
vooral in de nabijheid onzer koopsteden, en mogt de vijand
zich vertoonen, spoedig afdoende maatregelen tot verdel-
ging te nemen.
De heer W. Albarda herinnert, hoe eenige jaren ge-
leden op eene onzer vergaderingen ') sprake is geweest van
verwoestingen van den theeheester, die geheele plantagiën
in onze Oost-Indische bezittingen met ondergang bedreigden
en aan schadelijke insecten werden toegeschreven. Hij had
toen beloofd daaromtrent onderzoekingen te doen en aan-
vankelijk reeds in de Wintervergadering van 6 December
1873 eene brochure over dit onderwerp van den heer C.
Meyboom te Tjoemboeloeit ter tafel gebragt en besproken.
In dit geschrift werden eenige zoo het heet onbekende
insecten als de oorzaak aangeduid van de ziekte, die zich
openbaart door zwarte vlekken op de bladeren, terwijl later
de ontbladerde takken wit worden en sterven. Wijl Spreker
sedert het noodige materiaal had ontvangen, namelijk zieke
en gezonde takken en bladeren, alsmede de insecten die
van de vernieling beschuldigd waren, is hij thans in staat
daarover licht te verspreiden. De insecten had hij dadelijk
herkend als tot de wantsachtigen te behooren; zij werden
door den heer Snellen van Vollenhoven gedetermineerd als
1) Die te Haarlem op 15 Junij 1872; zie Tijdschrift deel XVI. blz. XX en volg.
XXII VERSLAG.
twee varieteiten van Holcopeltis Antonii, doch deze deelde
tevens als zijn gevoelen mede, dat de zwarte vlekken op
de theebladeren niet door deze dieren konden veroorzaakt
zijn, terwijl hij ook geenszins op de witte vlekjes op de
takken eijeren van insecten kon ontdekken, zoo als vroeger
werd beweerd. Spreker had die witte vlekken dadelijk als
Lichenen herkend en hield de zich daarop bevindende zwarte
punten voor geene insecten-eijeren maar voor fungi, en hij
geloofde de zwarte vlekken op de bladeren mede niet aan
insecten maar aan fungi te moeten toeschrijven. Een nader
microscopisch onderzoek der aangetaste bladeren beves-
tigde dit en hoewel de heer Meyboom bij gelijksoortig
onderzoek geen schimmel had kunnen ontdekken, vond
Spreker zeer duidelijk de cellenlagen van het blad opge-
vuld met kleine paddestoelen uit de familie der Phytismae,
waarvan Spreker trots alle moeite de soort niet kon be-
palen. Om hiertoe te geraken, zond hij de zieke bladeren
aan een der grootste Cryptogamisten, Dr. L. Rabenhorst
bij Meissen in Saksen, die bevestigde dat de in de bladeren
voorkomende schimmelplant eene Phytisma was en wel eene
onbeschreven soort van dat geslacht, en dat tevens de
donkere stippen op de witte plaatsen aan de takken wel
degelijk waren fungi, en wel niet alleen van eene nieuwe
species maar ook van een nieuw genus. Spreker heeft nu
de stellige overtuiging dat het kwaad in de theeplantagiën
niet aan de aangeduide of eenige andere insectensoort te
wijten is, zoo als in de brochure van den heer Meyboom
wordt beweerd, maar alleen aan de bovengenoemde schim-
melplant, en dat daartegen zeer goed middelen ter ver-
drijving zouden toe te passen zijn.
‘De heer Brants vestigt de aandacht der vergadering
op eene toevallig ter tafel aanwezige rups van Ocneria
dispar L., die juist vervelde en wier rugwratten aanvan-
kelijk allen roodbruin waren, terwijl die der vijf voorste
segmenten eerst langzamerhand en na geruimen tijd aan
VERSLAG. XXIII
de lucht blootgesteld te zijn geweest, de blaauwgrijze tint
verkregen, waardoor zi) in kleur zoo sterk afsteken bij de
wratten der volgende geledingen, die steeds helder rood-
bruin blijven. Hij maakt hieruit de gevolgtrekking, dat alle
rugwratten van deze rupssoort roodbruin zijn, doch op de
vijf voorste ringen bedekt door eene zwarte opperhuid, die
tengevolge van een witachtig uitzweetsel aan de wratten
een blaauwachtig aanzien geeft.
Verder deelt de heer Brants mede, dat Porthesia chry-
sorrhoea L., in 1876 en vorige jaren zoo uiterst schadelijk
aan de ijpenboomen der singels te Arnhem, thans door het
tijdig uitsnijden der rupsennesten in Maart en April jl.,
op afdoende wijze is uitgeroeid.
Eindelijk laat de heer Brants een doosje ter bezigtiging
rondgaan met onderscheidene insecten, o. a. met mannelijke
en vrouwelijke exemplaren van Hormomyia Fagi Hart., door
hem in dit voorjaar gekweekt.
De heer van der Wulp wijst er op, hoe reeds nu,
terwijl het eerste deel van zijn werk over de Nederlandsche
Diptera naauwelijks verschenen is, nieuwe ontdekkingen
hem ter oore komen, die, als hij er vroeger kennis van
had gedragen, in dat boek hadden moeten zijn opgenomen.
Zoo, bij voorbeeld, is Hormomvia Fagi, waarvan de heer
Brants zoo even eenige exemplaren liet zien, daarin onder
de inlandsche soorten vermeld, enkel omdat de zeer in ’t
oog loopende en fraaije gallen van dit insect menigmaal bij
ons op de beukenbladeren gevonden zijn; het kweeken der
mug was aan Spreker nog nimmer gelukt, tot dat in dit
voorjaar de heer Brants de goedheid had hem een aantal
dezer gallen met daarin nog levende larven en poppen toe
te zenden, en al zeer spoedig, in ’t laatst van Maart en de
eerste dagen van April, de volkomen insecten daaruit te
voorschijn kwamen. Eene andere soort uit de familie der
Cecidomyiden, Cecidomyia Bryoniae Bouché, werd door den
heer Six uit gallen van Bryonia gekweekt en het voorkomen
XXIV VERSLAG.
van deze kleine mug in ons land daarmede geconstateerd.
Voorts werd een exemplaar van Oxycera formosa Meig. door
den heer Maurissen te Nuth in Nederlandsch-Limburg
gevangen. Het blijkt uit deze voorbeelden, dat de lijst der
Diptera tot onze Fauna behoorende nog steeds voor uit-
breiding vatbaar is.
Hiermede de reeks der wetenschappelijke mededeelingen.
afgeloopen zijnde, wordt deze vergadering, met een woord
van dankzegging aan de verschillende Sprekers, door den
Voorzitter gesloten.
Den volgenden dag had eene excursie plaats in de om-
streken van de Bildt, waaraan al de ter vergadering opge-
komen leden deelnamen, met uitzondering van den heer
Heylaerts, die wegens beroepsbezigheden weder naar zijne
woonplaats moest terugkeeren; daarentegen was Dr. T. W.
O. Kallenbach uit Rotterdam, die den vorigen dag eerst
na de vergadering zich naar Utrecht had kunnen begeven,
mede van de partij, die door fraai zomerweder begunstigd
werd. Was de vangst op de heide en in de bosschen van
de Bildtsche streken voor eenigen slechts middelmatig te
noemen, toch werden er door sommigen enkele merkwaardige
soorten van daar medegenomen, waarvan de volgenden wel
der vermelding waard zijn :
Coleoptera.
Stenolophus Teutonus Schr.
Acupalpus consputus Dfts.
Agabus chalconotus Panz.
Hydroporus memnonius Nicol.
» flavipes Ol.
Helophorus nubilus F.
Mycetoporus ruficornis Kr.
Soronia punctatissima Hl.
Cyrtusa minuta Ahr.
Olibrus pygmaeus St.(Fn.n.sp.)
Cercus rufilabris Latr., gemeen
|
op Juncus.
Hoplia philanthus Sulz.
» praticola Dfts.
Malthodes brevicollis Payk.
Apion confluens Kirb., op
Chrysanthemum.
‘Apion laevigatum Kirb. (Fn.
n. Sp.)
Strophosomus limbatus F.
Scolytus Ratzeburgi Jans., in
berken.
Oberea oculata L.
Psylliodes cucullata IL, zeer
gemeen.
VERSLAG. XXV
Hemiptera. Ortholitha plumbaria F.
Cidaria luteata W. V.
Coreus pilicornis Klug. Crambus alpinellus Hbn.
Lygus unifasciatusF. var. late-| Eudorea frequentella St.
ralis Hahn., 2 exempl. Pempelia subornatella Dup.
Miris (Trigonotylus) ruficor- » plumbella W. V.
nis Fall., 2 exempl. Tortrix piceana L.
Pediaspis fruticola Fall. » cinctana W. V., met
eene varieteit.
Conchylis rutilana Hbn.
Penthina cespitana Hbn.
Gelechia umbrosella Zell.
terrella W. V.
Hymenoptera.
Lyda pratensis F.
Trichomma enecator Rossi. » i :
Microgaster abdominalis N. Oegocomia quadripuncta Haw.
ab. Ks.
Meteorus brunnipes Ruthe. Diptera
Chrysis fulgida L.
Tachytes pectinipes L. Tipula peliostigma Schumm. ,
Odynerus parvulus H. Sch. in verscheidene exemplaren.
Prosopis dilatata Kirb. Anthrax fenestrata Fall.
Chrysopila nigrita F.
Lepidoptera. | Zodion cinereum F
i Physocephala chrysorrhoea
Sphinx Pinastri L. Meig.
Acidalia straminata F. » vittata F.
Bij gelegenheid van deze excursie maakten verscheidene
Leden met belangstelling gebruik van het vriendelijk aan-
bod van den heer van Hasselt, om diens bijenteelt, digt
bij het station de Bildt gelegen, te bezigtigen. Op de meest
voorkomende wijze door den eigenaar rondgeleid, werd
deze uitgebreide inrigting, waarin het stelsel van de Berlepsch
is toegepast, en vooral de winterbewaarplaats der korven
door hen beschouwd. De toelichtingen en de belangrijke
mededeelingen van den heer van Hasselt omtrent de prak-
tische resultaten, door hem verkregen, strekten zeer tot
aanbeveling van het genoemde stelsel, mits het wordt in
praktijk gebragt door iemand, die goed op de hoogte is
van de huishouding der bijen en alles wat daarmede in
verband staat.
594.
595.
098.
599.
LES MACROLEPIDOPTERES DE BREDA ET
DE SES ENVIRONS.
LISTE SUPPLÉMENTAIRE N. 7.
Captures de 1876
PAR
Fi. J.M. HEYLAERTS Fils.
Epichnopteryx reticella Newman. De cette
espèce, trouvée Jusqu'ici seulement en Angleterre,
je pris trois fourreaux, un mâle et deux femelles,
sur des peupliers près «den Emmer». Le mâle fit
son apparition le 4 Juin, les femelles apparurent
le 9 du même mois. Faunae nova species.
Nonagria Sparganii Esp. Quelques mâles, assez
passés, furent pris au «Speelhuis» le 10 Août.
Leucania straminea Tr. Un mâle avec les pré-
cédents.
Erastria argentula Hb. Quelques exemplaires
furent pris par Mr. Snellen dans le « Ulvenhoutsche
bosch» le 10 Juin dernier, quelques autres, le 12,
par moi.
Acidalia herbariata F. Les chenilles en Novembre
sur les fleurs desséchées de Malva sylvestris dans un
magasin de drogueries de notre ville. Les papillons
se montrerent du 20 Juin jusqu’au 10 Juillet. Faunae
nova species.
Eupithecia linariata F. Deux femelles, dont
l’une fût trouvée le 25 Juillet dans le «Loopschans»,
l’autre le 4° Aoüt au «Speelhuis».
Eupithecia virgaureata Dbld. Les chenilles, en
Octobre 1875, sur les fleurs de Solidago virgaurea.
Une seule femelle éclose le 21 Avril. Deux mâles
furent pris le 5 Mai à Ginneken. Faunae nova species.
REMARQUE.
La superbe variété Taras Meig. de Syrichtus Malvae L.
fut pris par moi, le 10 Juin 1876, dans le « Loopschans ».
LIJST: DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
op SO Junij 1877,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
te
BEGUNSTIGERS.
Teyler’s Stichting te Haarlem. 1860.
De heer J. Kneppelhout, Hemelsche Berg te Oosterbeek. 1867.
» » Dr. François P. L. Pollen, te Scheveningen. 1867.
Mevrouw Hartogh Heys van de Lier, geb. Snoeck, te ’s Gravenhage. 1868.
De heer Dr. F. J. L. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
„ » Mr. J. Thiebout, te Zwolle. 1869.
so» Jhr. Mr. W. €. M. de Jonge van Ellemeet, te Oost-Capelle
bij Middelburg. 1870.
» » Jhr. F. van den Santheuvel, te Dordrecht. 1870.
EERELEDEN.
De heer Dr. G. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch
Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
H. T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861.
Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis-
senschaften en Burgemeester van Weenen. 1861.
Prof. Dr. H. Löw, te Guben. 1862.
„ » Prof. J. 0. Westwood, F. L. S., Directeur van het Hopean
Museum te Oxford. 1862.
A. E. W. Ludeking, Officier van gezondheid bij het Nederl.
Indische leger. 1862.
Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, te St. Petersburg. 1864.
, » Prof. J. J. P. Hoffmann, te Leiden. 1865.
» » Dr. Gustav L. Mayr, Professor aan de Hoogere Burgerschool
te Weenen. 1867,
XXVIII LIJST DER LEDEN ENZ.
De heer Dr. H. D. J. Wallengrèn, te Farhult, bij Höganäs in Zweden,
1871.
n R. Mac Lachlan, F. L. S., te Londen. 1871.
„ Dr. T. Thorell, Hoogleeraar in de Zoologie aan de Hoogeschool
te Upsala in Zweden. 1872.
» Dr. C. A. Dohrn, President der Entomologische Vereeniging
te Stettin. 1873.
» M. E. Baron de Selys Longehamps, te Luik, 1874.
n Dr. V, Signoret, te Parijs, 1874.
CORRESPONDERENDE LEDEN.
De heer Prof. Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Aken. 1853.
» Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
» Dr. C. Stal, Professor aan het Kon. Zoologisch Museum te
Stockholm. 1864.
„ Frederic Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige
Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864.
» J.W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te Londen. 1865.
Z. Exe. Mr. J. W. van Lansberge, Gouverneur-Generaal van Neder-
landsch Indié, te Batavia. 1865.
De heer Prof. P. C. Zeller, Grünhof bij Stettin. 1867.
»
» W. Mink, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te Cre-
feld. 1867.
„ Dr. H. Weyenbergh, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Cordova
in de Argentijnsche Republiek. 1872.
» Dr. W. Marshall te Weimar. 1872.
» J. Putzeys, te Brussel. 1874.
» A. Fauvel, te Caen. 1874.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
De heer Henri Vicomte de Bonvouloir, Archiviste-adjoint de la Société
entomologique de France, Rue de l Université, 15, te Parijs.
(1867—68). |
» H. Jekel van Westing, lid der K. Acad. der natuuronderzoe-
kers te Moscou en van verscheidene entomol. genootschappen,
Rue Letort, 2, te Parijs. (1868—69).
GEWONE LEDEN.
1845-46.
De heer Dr. J. G. H. Rombouts, te Groesbeek.
» F.M. van der Wulp, Denneweg, 116, te ’s Gravenhage. — Diptera.
» Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, huize Schothorst, te
Hoogland bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXIX
De heer J. W. Lodeesen, Prinsengracht bij de Reestraat, 377, te Amster-
dam. — Lepidoptera indigena.
» n Dr. J. R. E. van Laer, te Utrecht.
» » Mr. H. Ver Loren van Themaat, te Utrecht. — Lepidoptera.
n » Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Phil. nat. Dr., Laan
van Meerdervoort, 48, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera en
Hemiptera.
» n W.O. Kerkhoven, te Twello.
1551-52.
De heer R. T. Maitland, Directeur van den Kon. Zoologisch-botanischen
Tuin te ’s Gravenhage. — Algemeene Entomologie.
» » P.C. T. Snellen, Leuvenhaven, te Rotterdam. — Lepidoptera.
n n Dr. M. Imans, te Utrecht.
» » Dr. W. A. J. van Geuns, Oude Gracht, te Utrecht.
1852-53.
De heer Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde, 123, te ’s Gravenhage. —
Inl. Lepidoptera, bijzonder Microlepidoptera.
» » 6. M. de Graaf, Heerengracht, te Leiden. — Lepidoptera.
n n G.A. Six, De Ruiterstraat, 65, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera.
» » Dr. W. Berlin, Hoogleeraar aan het Athenaeum, Plantage
Parklaan n°. 3, te Amsterdam.
1855-56.
De heer A. A. van Bemmelen, Directeur van de Diergaarde te Rot-
terdam. — Algemeene Entomologie.
» » Mr.E.A.de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen, te Velp. —
Lepidoptera.
» » M. Breukelman, te Delfshaven. — Lepidoptera.
1856-57,
De heer Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden, — Inlandsche Lepi-
doptera (bijzonder Microlepidoptera) en Neuroptera.
» » Mr. W. Albarda, te Ginneken. — Lepidoptera en Neuroptera;
» » Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade, 15, te
’s Gravenhage. — Arachniden.
1857-58,
De heer Dr. J. W. Schubärt, te Utrecht.
s n W.K. Grothe, te Zeist
1858-59.
De heer J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht, —
Lepidoptera.
a » J. Backer, te Oosterbeek, — Lepidoptera.
XXX LIJST DER LEDEN ENZ.
1860-61.
De heer J. Kinker, Oudezijds-Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort ,
n°, 223, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
Dr. E. Piaget, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Korte-
naerstraat, 416, te Rotterdam. — Diptera en Parasitica.
1861-62.
Wijlen de heer H. Hartogh Heys van de Lier (het Lidmaatschap
door zijne Weduwe voortgezet).
»n n
1562-63.
De heer H. Baron Lewe van Middelstum, te Beek bij Nijmegen. —
Lepidoptera.
1863 -64.
De heer Mr. R. Th. Bijleveld, Rapenburg te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
» » D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F, 3471, te Zwolle. —
Lepidoptera.
1864-65.
De heer Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Lepidoptera.
H. J. Veth, Phil. nat. Cand., Leeraar aan de Hoogere Bur-
gerschool te Rotterdam. — Algemeene Entomologie.
H. W. Groll, te Haarlem. — Coleoptera.
1365-66.
” n
» »
De heer Dr. H. C. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat, te
Arnhem. — Lepidoptera.
Mr. A. Brants, Buitensingel te Arnhem. — Lepidoptera.
1366-87.
De heer F. J. M. Heylaerts Jr., St. Jansstraat te Breda. — Lepi-
doptera enz.
Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar te Utrecht. — Alge-
meene Zoologie.
A. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
n» bij
” »
n ”
1867-68.
De heer C. Ritsema Uz., Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur-
lijke historie, Rapenburg n°. 94 te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
» » Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil. nat, Doctor, te Assen.
1868-69.
De heer Dr. J. G. de Man, Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur-
lijke historie, te Leiden. — Algemeene Entomologie.
n n Dr T. W. O. Kallenbach, te Rotterdam. — Lepidoptera.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXI
De heer A. Cankrien, Boompjes, te Rotterdam. — Lepidoptera.
» » Mr. C. J. Sickesz, Burgemeester van Laren, Huize de Cloese
bij Lochem.
1369-70.
De heer M. Nijhoff, Nobelstraat 18, te ’s Gravenhage. — Bibliographie.
1870-71.
De heer Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Leeraar aan de Hoogere Burger-
school, Huigensstraat 11, te ’s Gravenhage. — Coleoptera.
» » Mr. M. C. Piepers, Lid der regterlijke magt in Nederlandsch
Indié. — Lepidoptera.
» » Dr. P. J. Veth, Hoogleeraar aan de Rijksinstelling van onder-
wijs in de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch Indië,
te Leiden.
1871-72.
De heer W. A. Ivangh Schepman, te Rhoon. — Lepidoptera.
» » Dr. J. Ritzema Bos, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
en de Landbouwschool te Wageningen.
» » J. F. G. W. Erbrink, N. Z. Voorburgwal over de Kolk, n°. 62,
te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
» » J.B. van Stolk, Zeemansstraat, te Rotterdam. — Lepidoptera.
» » Mr. A. F. A. Leesberg, Jan-Hendrikstraat, 9, te ’s Graven-
hage. — Coleoptera.
» » Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar te Groningen.
» » M. M. Schepman te Rhoon. — Neuroptera.
» » Dr. C. K. Hoffmann, Hoogleeraar te Leiden. — Vergelijkende
ontleedkunde.
1872-73,
De heer Dr. A. J. van Rossum, Kastanjelaan te Arnhem.
1873-74.
De heer A. B. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat te Arnhem.
» » Dr. J. van Leeuwen Jr., Prinseneiland, n°. 91, te Amster-
dam. — Lepidoptera.
» » Mr. M. ’s Gravesande Guicherit, te Delft.
1874—75.
De heer H. L. Gerth van Wijk, Leeraar aan de Hoogere Burger-
school te Middelburg. — Hymenoptera aculeata.
» » J.van den Honert, Nieuwe Waalseiland bij de Schipperstraat ,
n°. 26, te Amsterdam.
» » R. H. Saltet, Med. Stud., Heerengracht bij de Wolvenstraat,
n°. 264, te Amsterdam.
» » K. N. Swierstra, Koninkl, Zool. Genootschap „Natura Artis
Magistra” te Amsterdam. — Algemeene Entomologie,
XXXII LIJST DER LEDEN ENZ.
1875-76.
De heer H. Uijen, Priemstraat te Nijmegen. — Lepidoptera.
„ J.G. Wurfbain, Huize Heuven, te Worth-Rhede.
„ Dr. F. N. Obbes, te Hilversum.
„ A. J. Weytlandt te Noordwijk.
„ Dr. M. W. Beijerinck, Leeraar aan de Landbouwschool te
Wageningen.
Vine. Mar. Aghina, Sacr. Ord. Praed., te Schiedam.
N. La Fontijn, Officier der Infanterie te Vlissingen.
n
n n
1876-77.
De heer P. Cool, Emeritus-Predikant te Harlingen.
P. H. J. J. Ras, Jur. Stud. te Leiden (adres: Huize Rijnstein
te Arnhem).
F. L. S. F. Baron van Tuyll van Serooskerken, Student te
Delft (adres: Buitensingel te Arnhem).
L. de Bruyn, Officier der Artillerie te Delft.
W. H. Dreessens te St. Odiliénberg (Ned. Limburg).
A. J. F. Fokker, Jur. Stud. te Leiden. — Algemeene Ento-
mologie.
B. Verbrugge, Leuvenhaven 209, te Rotterdam. — Coleoptera.
Emile Seipgens te Zutphen.
J. H. Vallen, boomkweeker, op ’t Kasteel Hellenraedt onder
Swalmen bij Roermond. — Nuttige en schadelijke insecten.
A. M. J. Bolsius, Geneesheer der Biliton-Maatschappij op
Biliton (Ned. Indie).
n ”
BESTUUR.
President. Mr. W. Albarda.
Vice-President. P. C. T. Snellen.
Secretaris. F. M. van der Wulp.
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.
Bibliothecaris en Conservator. C. Ritsema Cz.
Penningmeester.. J. W. Lodeesen.
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
De President van het Bestuur.
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.
F. M. van der Wulp.
BIBLIOTHEKEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
BIJGEKOMEN BOEKEN VAN 1 JuLiJ 1876 TOT
SL JULI. 4877.
BIBLIOTHEEK A,
Natuurlijke Historie in het algemeen.
. Kittredge (Geo. F.), The present condition of the earth’s interior.
Buffalo, 1876. 8vo. (Geschenk van de Buffalo Society of Natural
Sciences).
Algemeene Dierkunde.
. Collett (R.), Bidrag til Kundskaben om Norges Gobier. Christiania,
1874. 8vo. (Met de beide volgende nummers ten geschenke van de
Koninklijke Universiteit van Noorwegen).
. Sars (G. O.), Om , Blaakvalen” (Balaenoptera Sibbaldii Gray)
med Bemaerkningar om nogle andre ved Finmarkens Kyster fore-
kommende Hvaldyr. Christiania, 1874. 8vo.
. —— On some remarkable forms of animal life from the great
deeps off the Norwegian coast. IT. Researches on the structure
and affinity of the genus Brisinga, based on the study of a new
species Brisinga coronata. Christiania, 1875. With 4 copper plates
and 3 autographic plates. 4to.
. Weyenbergh (H.), Coronella Bachmanni n. sp. Cordoba, 1876. 4to.
(Geschenk van den Schrijver). |
Algemeene Entomologie.
. Cederstrém (C.), Entomologiska anteckningar. Stockholm, 1872.
8vo. (Geschenk van de Koninklijke Academie van Wetenschappen te
Stockholm).
8
XXXIV BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
7.
12.
15.
14.
15.
16.
17.
18.
Graber (Dr. V.), Die Insekten. ister Theil: Der Organismus
der Insekten. München, 1877. Mit 200 Holzschnitten. 8vo. (Ge-
schenk van den Schrijver).
Holmgrèn (A. E.), Insekter fran Nordgrénland, samlade of
Prof. A. E. Nordenskiöld är 1870. Stockholm, 1872. 8vo (Ge-
schenk van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Stockholm).
. Oliveira (M. P.d’), Mélanges entomologiques sur les Insectes du
Portugal. Coimbre, 1876. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
. Schneider (J. Sparre), De i Sondre Bergenhus Amt hidtil obser-
verede Coleoptera og Lepidoptera. Christiania, 1875. 8vo. (Ge-
schenk van de Koninklijke Universiteit van Noorwegen).
Scudder (S. H.), Entomological Notes. V. Boston, 1876. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
Siebke (H.), Enumeratio Insectorum Norvegicorum. Fasc. II.
Catalogum Coleopterorum continens. Fasc. III. Catalogum Lepi-
dopterorum continens. Christiania, 1875/76. 8vo. (Geschenk van
de Koninklijke Universiteit van Noorwegen).
Wallengrén (H. D. J.), Insecta Transvaaliensia. — Bidrag till
Transvaalska Republikensi Södra Afrika Insektfauna. Stockholm,
1875. 8vo. (Geschenk van de Koninklijke Academie van Weten-
schappen te Stockholm).
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
Everts j(Dr. E.) Supplement op de Lijst der in Nederland voor-
komende Schildvleugelige Insekten (Coleoptera). ’s Gravenhage,
1877. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Fähraeus (0. I.), Coleoptera Caffraria, annis 1838—1845 a J. A.
Wahlberg collecta. N°. 2—7. Stockholm, 1871—72. 8vo. (Geschenk
van de Koninklijke Academie van Wetenschappen te Stockholm).
B. Lepidoptera.
Grote (A. R.), Check List of the Noctuidae of America, North
of Mexico. Prt. I and II. Buffalo, 1875/76. 8vo. (Geschenk van
de Buffalo Society of Natural Sciences).
Packard (A. S.), A Monograph of the Geometrid Moths or Pha-
laenidae of the United States. Washington, 1876. With 23 plates.
Ato. (Geschenk van den heer S. C. Snellen van Vollenhoven).
Scudder (8. H.), The relationship of the early spring blues.
London Ont., 1876. 8vo. (Met de 3 volgende nommers ten geschenke
van den Schrijver).
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
27,
28.
29.
30.
31.
82,
33.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XXXV
Seudder (8. H.), A brief comparison of the Butterfly faunas of
Europe and Eastern North-America, with hints concerning the
derivation of the latter. Salem, 1876. 8vo.
—— A cosmopolitan Butterfly. Its birthplace and natural history.
Cambridge, 1876. 8vo.
—— Antigeny, or sexual Dimorphism in Butterflies, 1877. 8vo.
Vollenhoven (Dr. S. C. Snellen van), Beschrijvingen en afbeel-
dingen van Nederlandsche Vlinders. (Vervolg op Sepp, Beschou-
wing der Wonderen Gods enz.). ’s Gravenhage, 1876. DI. III,
n°. 43—50. Met gekl. pl. 4to.
Wallengrén (H. D. J.), Bidrag tille Kännedom af Fjärilfaunan
pa St. Barthelemy. Stockholm, 1871. 8vo. (Met de 5 volgende
nommers ten geschenke van de Koninklijke Academie van Weten-
schappen te Stockholm).
Skandinaviens Pyralider och Choreutider. Stockholm, 1871,
8vo.
—— Bidrag till Södra Afrikas Fjärilfauna. Stockholm , 1872. 8vo.
—— Index specierum Noctuarum et Geometrarum in Scandinavia
hucusque detectarum. Stockholm, 1874. 8vo.
—— Tvenne för Skandinaviens Fauna nya Pyralider. Stockholm ,
1873. 8vo.
—— Species Tortricum et Tinearum Scandinaviae. Stockholm ,
1875. 8vo.
Weyenbergh (H.), Sobre el appendice al abdomen de las Hem-
bras del genero Euryades Feld. Cordoba, 1875. 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
C. Hymenoptera.
Holmgren (A. E.), Om de Skandinaviska arterna af Ophionid-
slägtet Campoplex. Stockholm, 1872. 8vo. (Met de 2 volgende
nommers ten geschenke van de Koninklijke Akademie van Weten-
schappen te Stockholm).
—— Oedemopsis Rogenhoferi Tschek, funnen pà Hunneberg i
Westergötland. Stockholm, 1872. 8vo.
—— Dispositio methodica Exochorum Scandinaviae. Stockholm,
1873. 8vo,
Vollenhoven (8. C. Snellen van), Pinacographia. Afbeeldingen
van meer dan 1000 soorten van Noordwest-Europeesche Sluip-
XXXVI BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
34.
35.
36.
87.
38.
39.
40.
41.
42.
43.
44,
45.
46
47,
48,
wespen. ’s Gravenhage, 1876. Afl. 4 met 5 gekl. pl. 4to. (Ge-
schenk van den Schrijver).
D. Hemiptera.
Reuter (O. M.), Skandinaviens och Finlands Acanthiider. Stock-
holm, 1871. 8vo. (Met de 9 volgende nommers ten geschenke van
de Koninklijke Academie van Wetenschappen te Stockholm).
—— Skandinaviens och Finlands Aradider. Stockholm, 1872. 8vo.
— — Acanthiidae americanae. Stockholm, 1871. 8vo.
—— Skandinaviens och Finlands Reduviider. Stockholm, 1872. 8vo.
—— Skandinaviens och Finlands Nabider. Stockholm, 1872. 8vo.
—— Nabidae novae et minus cognitae. Bidrag till Nabidernas
kännedom. Stockholm, 1872. 8vo.
—— Nya svenska Capsider. Stockholm, 1874. 8vo.
—— Genera Cimicidarum Europae. Stockholm, 1875. 8vo.
—— Capsinae ex America boreali in Museo Holmiensi asservatae.
Stockholm, 1875. 8vo.
Stal (C.), Enumeratio Hemipterorum. Bidrag till en Förteckning
öfver alla hittills kinda Hemiptera, n°.4. Stockholm, 1874. Ato.
E Neuroptera.
Mac Lachlan (R.), A Monographie Revision and Synopsis of the
Trichoptera of the European Fauna. London, 1876/77. Part V
and VI. With 14 pl. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Selys Longehamps (E. de), Synopsis des Agrionines. 5me légion:
Agrion (suite). Le genre Agrion. Bruxelles, 1876. 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
F. “Orthop tens.
Scudder (H. 8.), Brief Synopsis of North-American Earwigs ,
with an Appendix on the Fossil Species. Washington, 1876. 8vo.
(Met het volgende nommer ten geschenke van den Schrijver).
— List of the Orthoptera collected by Dr. A. S. Packard in
Colorado and the neighbouring territories during the summer of
1875. Washington, 1876. 8vo. (bij het vorige ingenaaid).
Tullberg (T.), Fürteckning öfver Svenska Podurider. Stockholm,
1871. 8vo. (Met de 2 volgende nommers ten geschenke van de
Koninklijke Academie van Wetenschappen te Stockholm).
4
©
50.
51.
52.
D3.
54.
55.
56.
57.
58.
59.
60.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XXXVII
Tullberg (T.), Sveriges Podurider. Stockholm, 1872. M. 12 tafl. 4to.
6, Diptera.
Trybom (F.), Bidrag till kännedomen om Syrphusflugornas larfver
och pupper. Stockholm, 1875. 8vo.
Wulp (F. M. van der), Diptera Neerlandica. De Tweevleugelige
Insecten van Nederland. 1ste deel met 14 pl. ’s Gravenhage , 1877.
Gr, in 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Hentz (N. M.), The Spiders of the United States. A Collection
of Arachnological Writings. Edited by E. Burgess, with notes
and descriptions by J. H. Emerton. Boston, 1875. With 21 pl-
8vo. (Geschenk van de Boston Society of Natural History).
Scudder (S. H.), The Tube-constructing Ground’Spider of Nan-
tucket. Cambridge, 1877, 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Thorell (T.), Descrizione di alcune specie di Opilioni dell’Arci-
pelago Malese appartenenti al Museo Civico di Genova. Genova,
1876. 8vo. (Met het volgende nommer ten geschenke van den Schrijver).
—-- Due ragni esotici. Genova, 1877. 8vo.
Palaeontologie.
Scudder (8. H.), On the carboniferous Myriapods preserved in
the Sigillarian stumps of Nova Scotia. Boston, 1873. 4to. (Met
de 3 volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
—— Fossil Orthoptera from the Rocky Mountain Tertiaries.
Washingten, 1876. 8vo.
Fossil Coleoptera from ‘the Rocky Mountain Tertiaries.
Washington, 1876. 8vo.
The insects of the tertiary beds at Quesnel (British Co-
lombia) 1876. 8vo.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Burger (D.), Ueber das sogenannte Bauchgefäss der Lepidoptera,
nebst einigen Beobachtungen über das sympathische Nervensystem
dieser Insektenordnung. Mitgetheilt aus dem Nachlasse des Ver-
storbenen von C. K. Hoffmann. M. 1 Taf. Leiden, 1876. 8vo.
(Geschenk van den vader des Schrijvers).
XXXVIII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
61.
62.
63.
64.
65.
66.
67.
68.
69.
70.
[RE
72.
73.
Muhr (Dr. J.), Ueber die Mundtheile der Orthoptera. Ein Beitrag
zur Vergleichenden Anatomie. Prag, 1877. M. 3 lith. Tafln. 8vo.
Plateau (F.), Note sur les phénomènes de la digestion chez la
Blatte américaine (Periplaneta americana Linn.). Bruxelles, 1876.
8vo. (Met de twee volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
—— Note sur les phénomènes de la digestion et sur la structure
de l’appareil digestif chez les Phalangides. Bruxelles, 1876. 8vo.
Recherches sur les phénomènes de la digestion et sur la
structure de {l’appareil digestif chez les Myriapodes de Belgique.
Bruxelles, 1876. 4to.
Sars (G. O.), Om Hummerens postembryonale Udvikling. Chris-
tiania, 1874. M. 2 autogr. Pl. 8vo. (Geschenk van de Koninklijke
Universiteit van Noorwegen).
Weyenbergh (H.), Hypostomus plecostomus Val. Mémoire anato-
mique pour servir à l’histoire naturelle des Loricaires. Cordoba,
1876. Av. 10 pl. 8vo. (Met de 2 volgende nommers ten geschenke
van den Schrijver).
—— Sur les larves du genre Ctenophora. Cordoba, 1876. 8vo.
—— Apuntes anatomicos y biologicos sobre el genero Hermetia
(Latr.) Estudios hechos especialmente en la Hermetia illucens Latr.
Cordoba, 1876. 8vo.
Tijdschriften.
Annali del Museo Civico di Storia naturale di Genova, pubblicati
per cura di G. Doria e R. Gestro. Genova, 1875/76. vol VII,
VIII. M. pl. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr, v. Entom.)
Annuaire de l’Académie Royale des Sciences, des Lettres et des
Beaux-Arts de Belgique. Brux. 1875/76. Ann. 41 et 42. KI. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Annuaire Entomologique pour 1877 par A. Fauvel. Caen et Paris,
1877. Kl. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Archives Neerlandaises des Sciences exactes et naturelles, pu-
bliées par la Société Holl. d. Sc. à Harlem. La Haye, 1876/77.
Tom. XI, livr. 2—5, tom. XII, livr. 1. 8vo. (Geschenk van de
Holl. Maatschappij v. Wetenschappen te Haarlem).
Archives of Science and Transactions of the Orleans County
Society of Natural Sciences. Newport, Orleans Co. Vermont,
1874. vol.I, n°. 7—9. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschrift v. Entom.)
74.
75.
76.
77.
78.
79.
80.
81.
82.
83.
84.
85.
86.
87.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XXXIX
Archives do Museu Nacional do Rio de Janeiro. Rio de Janeiro,
18/6. Vol.I, trim. 1,2. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Bienenvater aus Böhmen. Organ des von Sr. Majestät allerhöchst
sanktionirten Vereines zur Hebung der Bienenzucht Böhmens.
Redigirt von R. Mayerhöffer. Prag, 1875/76. Jahrg. I, n°. 9—11,
Jahrg. II. 8vo. (Geschenk van Prof. P. J. Veth).
Boletin de la Academia Nacional de Ciencias exactas. Cordoba,
1875. 76. Tom. II. entr. 1, 2. 8vo. (Geschenk van Prof. H.
Weyenbergh).
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France.
Paris, 1876, n°. 87, 88, 89; 1877, n°. 3—8, 10. 8vo.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Buffalo,
1876. vol. III, n°. 2 and 3. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.)
Bulletin of the Essex Institute. Salem, 1876. vol. VII. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschrift v. Entom.)
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Firenze, 1876/77.
An VII, trim. 2-4; An IX trim. 1: 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.)
Bijdragen tot de Dierkunde, uitgegeven door het Genootschap
Natura Artis Magistra te Amsterdam. Amst. 1848—59. Aflev.
1-38. Met gekl. pl. fol. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Compte-Rendu des Séances de la Société Entomologique de Belgique.
Brux. 1876/77. Ser. II, n°. 26, 29, 31, 33, 34, 37—39. 8vo.
Entomologische Nachrichten. Herausgeg. von Dr. F. Katter.
Quedlinburg, 1876/77. Jahrg. II. Heft 6—12; Jahrg. III. Heft
1-8. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Boston 1875/76.
Vol. II, prt. 4, n°. 2-4. With plates. 4to. (In ruil legen het
Tijdschr. v. Entom.)
Memoirs of the American Association for the Advancement of
Science. I. Salem, 1875. With 3 plates. 4to.
Naturhistorische Hefte nebst deutsch redigirter Revue, herausgeg.
vom Ungarischen National-Museum in Budapest. Redigirt von O.
Herman. Budapest, 1877. Bd. I, Heft 1. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.)
Newman (E.), The Entomologist. London, 1876/77. Vol. IX,
n°. 157-163, vol. X, n°. 164—170, 8vo.
XL
88.
89.
90.
91.
92.
93.
94.
95
96.
97.
98.
99.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Periödieo Zoolögieo. Organo de la Sociedad Zoolégica Argentina,
publicado por la misma. Cordoba, 1875/76. Tom. I entrega 3,
A; tom. II entrega 3. 8vo. (Geschenk van Prof. H. Weyenbergh),
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Boston,
1875/76, vol. XVII prt. 3 and 4; vol. XVIII prt. 1 and 2. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society
of London for the year 1875, prt. 4 and for the year 1876 prt.
1—3. London, 1875/76. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Report (Annual) of the Board of Regents of the Smithsonian
Institution for the year 1875. Washington, 1876. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr, v. Entom.)
Report (Fourth-Annual) of the Board of Directors of the Zoolo-
gical Society of Philadelphia. Philadelphia, 1876. 8vo.
Schriften der Königlichen physikalisch-oekonomischen Gesellschaft
in Königsberg. Königsberg, 1874. 76. 15ter Jahrg. 2te Abth.;
16ter Jahrg. 1ste und 2te Abth. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.)
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. ’s Gravenhage, 1876/77. Deel 19,
aflev. 3 en 4; deel 20, aflev. 1—3. M. pl. 8vo.
Tijdschrift der Nederlandsche Dierkundige Vereeniging. ’s Grav.
en Rotterd., 1876. 3de jaarg. M. pl. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.)
Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, gevestigd te
Amsterdam. Amsterdam, 1876/77. dl. II, n°. 2—4. 4to. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Tijdschrift (Nederlandsch) voor de Dierkunde, uitgegeven door
het Koninklijk Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra te
Amsterdam, onder redaktie van P. Bleeker, G. F. Westerman
en H. Schlegel. Amsterdam, 1864—74. Deel I—IV. Met platen
gr. in-8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Verhandlungen der K. K. zoologisch-botanischen Gesellschaft in
Wien. Wien, 1876. Bd. XXV. Mit 16 Tfin. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.)
Verslag van den Landbouw in Nederland over 1874. 1ste ge-
deelte en over 1875. ’s Gravenhage, 1876/77. Ato. (Geschenk
van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken).
100.
101.
102.
103.
104.
105.
106.
107.
108.
109.
110.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLI
Verslag van de 31ste Zomervergadering en van de 10de Win-
tervergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging ,
gehouden te Middelburg den 17den Junij en te Leiden den
23sten December 1876. ’s Gravenhage, 1877. 8vo.
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Academie van
Wetenschappen, afd. Natuurkunde. Amsterdam, 1876/77. 2de
reeks, 10de deel, 2de en 3de stuk; 11de deel, 1ste en 2de stuk.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschrift v. Entom.)
Zeitschrift für die Gesammten Naturwisschenschaften. Redigirt
von Dr. C. G. Giebel. Berlin, 1875. Bd. XLVI. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Zoologie (Die) in den Niederlanden. Die während der Jahre
1875 und 1876 erschienenen Arbeiten. Referent: P. P. C. Hoek.
Leiden und Leipzig, 1877. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Reizen.
Pas (F. de), De Residentie-kaarten van Java en Madoera.
Amsterdam, 1876. 4to. (Geschenk van het Aardrijkskundig Ge-
noolschap). *
Plateau (F.), Les voyages des naturalistes Belges. Bruxelles,
1876. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Schouw Santvoort (J.), Plan van een onderzoekingstocht in
Midden-Sumatra. Amsterdam, 1876. M. 2 kaarten. 4to. (Geschenk
van het Aardrijkskundig a)
Varia.
Argentine Republie written in German by R. Nap, assisted by
Several Fellow-writers for the Central Argentine Commission
on the Centenary Exhibition at Philadelphia. Buenos-Aires ,
1876. 8vo. (Geschenk van Prof. H. Weyenbergh).
Festversammlung am 8. April 1876 zur Feier des Fünfund-
zwanzigjährigen Bestehens der K. K. Zool. Bot. Gesellschaft.
Wien, 1876. 8vo.
Verslag van den toestand der Gemeente Leiden over 1875 en
1876. Leiden, 1876/77. 8vo. (Geschenk van en Wet-
houders van tien)
Weyenbergh (Prof. H.), Revista y enumeracion de ecritos zoolo-
gicos sobre el territorio de Sud-America. Cordoba, 1876. 8vo.
(Met het volgende nommer ten geschenke van den Schrijver).
XLII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
111. Weyenbergh (Prof. H.), Tercer informe anual del Museo Zooló-
a
gico en Cordoba. Cordoba, 1876. 8vo.
BIBLLOTIIEER TE,
Natuurlijke Historie in het Algemeen.
Niets bijgekomen.
Algemeene Dierkunde.
Niets bijgekomen.
Algemeene Entomologie.
Fritsch (K.), Jährliche Periode der Insectenfauna von Oesterreich-
Ungarn. II. Die Käfer (Coleoptera). Wien, 1877. 4to.
. Lubbeck (J.), Ursprung und Metamorphose der Insecten, aus dem
Englischen von W. Schlösser. Jena, 1876. M. 6 Tfin. und 63
Holzschn. 8vo.
. Murray (A), Economic Entomology. Aptera. London. 8vo.
. Rendu (V.), Les insectes nuisibles à l’agriculture, aux jardins et
aux forêts de la France. Paris, 1876. Av. 47 fig. 8vo.
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
. Bonvouloir (H. de), Monographie de la famille des Eucnémides.
Paris, 1871—75. Av. 42 pl. 8vo. (Als supplement op het 10de
deel der 4de serie van de Annales de la Société Entomologique
de France, ten geschenke ontvangen van de Société Entomologique
de France). -
Fauvel (A.), Faune Gallo-Rhénane ou Species des Insectes qui
habitent la France, la Belgique, la Hollande, le Luxembourg, la
Prusse-Rhénane, le Nassau et le Valais (Coléoptères). Tom. III,
6me livr. Caen, 1875. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Gemminger (Dr. M.) et B. de Harold, Catalogus Coleopterorum
hucusque descriptorum synonymicus et systematicus. München,
1876. Tom. XII. 8vo.
Wessel (A. W.), Beitrag zur Käferfauna Ostfrieslands. Aurich ,
1877. 8vo.
10.
LL:
12.
13.
14.
15.
EG:
Lis
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLIII
B. Lepidoptera.
. Hewitson (W. C.), Exotic Butterflies, being Illustrations of new
species. London, 1876—77. Part 99 and 100. With col. plat. 4to.
Vollenhoven (Dr. S. C. Snellen van), Beschrijvingen en afbeel-
dingen van Nederlandsche Vlinders. ’s Gravenhage, 1876/77. DI.
III, n°. 43—50. Met gekl. pl. 4to. (Vervolg op J. C. Sepp, Be-
schouwing der Wonderen Gods, enz.)
Weismann (Dr. A.), Studien zur Descendenz-Theorie II. Ueber
die letzten Ursachen der Transmutationen. Leipzig, 1876. M. 5
col. Tafln. 8vo.
C. Hymenoptera.
Duncan (J.), The Natural History of Bees. Edinburg, 1840.
W. 30 pl. 8vo.
Thomson (C. G.), Hymenoptera Scandinaviae. Lundae, 1875/76.
Tom, IV fase. 1 et 2 (Pleromalus Swed.). 8vo.
D. Hemiptera.
Douglas (J. W.) and J. Scott, The British Hemiptera. Vol. I.
Hemiptera-Heteroptera. London, 1865. W. 21 pl. 8vo.
E. Neuroptera.
Niets bijgekomen.
F. Orthoptera.
Schoch (Dr. G.), Die Schweizerischen Orthopteren. Analytische
Tafeln zur Bestimmung geradflügliger Insecten. Zürich, 1876. 8vo.
G. Diptera.
Wulp (F. M. van der), Diptera Neerlandica. De Tweevleugelige
Insecten van Nederland. ’s Gravenhage, 1877. iste deel met 14
pl. gr. in 8vo.
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Rosicky (F. V.), Die Myriopoden. Bühmens. Prag, 1876. M. 24
Holzschn. gr. in 8vo.
Palaeontologie.
Niets bijgekomen.
XLIV | BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
27.
28.
29.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde,
Stecker (A.), Anatomisches und Histologisches über Gibocellum,
eine neue Arachnide. Berlin, 1876. M. 4 Tafin. 8vo.
Tijdschriften.
Album der Natuur. Tijdschrift ter verspreiding van natuurkennis
onder beschaafde lezers van allerlei stand. Jaarg. 1876, afl. 9—12;
1877, afl, 1—9. Haarlem, 1875/76. 8vo.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Brux., 1876.
Tom. XIX. Av. 1 pl. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Annales de la Société Entomologique de France. Paris, 1872/75.
5me ser. Tom, H—V. Av. pl. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.)
Annales des Sciences naturelles. Zoologie et Palaeontologie. Paris,
1876/77. 6me ser. tom. III, n°. 5 et 6; tom. V, n°. 1—5. Av. pl. 8vo.
Annals and Magazine of Natural History. Conducted by C. C.
Babington, A. Günther, W. S. Dallas and W. Francis. London,
1876/77. Ath. ser. vol. 18, 19 and 20, n°. 1. With pl. 8vo.
Archiv fiir Naturgeschichte. Gegriindet von Wiegman und fort-
gesetzt von Erichson und Troschel. Berlin, 1873/77. Jahrg. 39,
Heft 6; 40, Heft 5; 42, Heft 2 und 3; 43, Heft 1. M. Tafin. 8vo.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben von dem En-
tomologischen Vereine in Berlin. Redact. Dr. G. Kraatz. Berlin,
1875/76. 19ter Jahrg. (unt. d. Titel , Deutsche Entomologische
Zeitschrift”) Heft 2; 20ster Jahrg. Heft 1 und 2. Mit Tafln. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr, v. Entom.)
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou,
publié sous la Direction du Dr. Renard. Moscou, 1875/76. Ann.
1875, n°. 3 et 4; 1876, n°. 1 et 2. Av. pl. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.)
Bulletins de l’Académie Royale des Sciences, des Lettres et des
Beaux-arts de Belgique. Brux. 1874/75. 2me ser. tom. 38—40.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Correspondenz-Blatt des zoolog.-miner. Vereines in Regensburg.
Regensburg, 1876/77. Jahrg. 30; 31, n°. 1 und 2. 8vo.
Entomologische Zeitung. Herausgegeben von dem Entomologischen
Vereine in Stettin. Stettin, 1874/76. Jahrg. 35—37. Mit Tafln.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
317.
38.
89.
40,
A1.
42.
43.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLV
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Conducted by J. W.
Douglas, R. Mac Lachlan, E. C. Rye and H. T. Stainton. London ,
1376/77. Vol. XIII, n°. 2—12; vol. XIV, n°. 1 and 2. 8vo.
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. Petropoli, 1875/76.
Tom. XI. Av. 5 pl. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Isis. Maandschrift voor populaire natuurwetenschap , onder redactie
van Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen. Haarlem, 1876/77.
DI. 5, aflev. 9—12; dl. 6, aflev. 1—7. 8vo..
Jaarboekje van het Kon. Zool. Genootschap „Natura Artis Ma-
gistra.” Amsterd. 1875. M. pl. 8vo. (Geschenk van „Natura Artis
Magistra.’’)
Journal (The) of the Linnean Society of London (Zoology).
London, 1874/75. Vol. XII, n°. 60—63, With pl. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Mittheilungen der Schweizerischen entomologischen Gesellschaft.
Redigirt von Dr. G. Stierlin. Schaffhausen, 1876. Vol. IV, Heft
n°. 9. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Nunquam otiosus. Zoologische Mittheilungen van Dr. L. W.
Schaufuss. Dresden, 1876. Bd. II. S. 361—408. 8vo.
Revue et Magasin de Zoologie pure et appliquée. Fondé par
Guérin Méneville. Paris, 1876/77. 3me ser. tom. IV, n°. 3—12;
tom. V, n°. 1 et 2. Av. pl. 8vo.
Transactions of the Entomological Society of London for 1875.
London, 1875. With plates. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.)
Transactions of the Linnean Society of London. London, 1876.
Sec. ser. (Zoology). Vol. I prt. 3. W. pl. 4to.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. ’s Gravenhage, 1876/77. Deel XIX,
aflev. 3 en 4; dl. XX, aflev. 1—3. Met gekl. pl. 8vo.
Verslag der 31ste Zomervergadering en der 10de Wintervergade-
ring van de Nederlandsche Entomologische Vereeniging , gehouden
te Middelburg den 17den Junij en te Leiden den 23sten Decem-
ber 1876. ’s Gravenhage, 1877. 8vo.
Zoological (The) Record for 1875, being volume XII of the
Record of Zoological Literature, edited by E.-C. Rye. London,
1877. 8vo.
Zoologist (The). A Monthly Journal of Natural History , conducted
by E. Newman and J. E. Harting. London, 1876/77. Sec. ser,
n°, 130—135; Third ser. vol. I, n°. 1—7. 8vo,
XLVI BIBLIOTHEKEN DER NED. ENT. VEREEN.
Reizen.
44. Fedtschenko (A.), Reise in Turkestan auf Veranlassung des
General-Gouverneurs von Turkestan, General von Kaufmann,
herausgegeben von der Gesellschaft der Freunde der Naturwis-
senschaften in Moskau. Moskau, 1874—1876. Zoologie. M. col.
Tafln. 4to.
n°. II. Lepidoptera, von N. Erschoff. M. 6 col. Tafln.
n°. IV. Coleoptera, I, von S. von Solsky.
n°. V. Orthoptera, von H. de Saussure. M. 1 Taf.
n°. VI. Neuroptera, von R. Mac Lachlan. M. 4 Tafln.
n°. VII. Crustacea, von W. N. Uljanin. M. 13 Tafln.
n°. VIII. Hymenoptera, Apidae I, von F. Morawitz.
ny IX, Ri I von F. Morawitz. M. 3 Tafln.
u. © En II, von 8. von Solsky. M. 2 Tafln.
Varia.
Niets bijgekomen.
ENTOMOLOGISCHE INHOUD
VAN
ON DMAEN OGEN: TIJDSCHRIFTEN.
Juli 1876.
Newman’s Entomologist, n°. 157 (Julij 1876) (a).
Orbituary : Edward Newman. — Descriptions of Oak-galls. Trans-
lated from Dr. G. L. Mayr’s „Die Mittel europäischen Eichengallen ”
by E. A. Fitch. — Entomological Notes, Captures, ete. —
Answers to Correspondents. — Extracts from the Proceedings of
the Entomological Society of London.
Entomologist’s Monthly Magazine n°. 146 (Julij 1876) (0).
Descriptions of some new genera and species of New-Zealand Coleo-
ptera, by D. Sharp (continued). — Natural History of Lycaena
Argiolus, by W. Buckler. — List of Japanese Butterflies, by R.
P. Murray. — Ascalaphus kolyvanensis, var. ponticus (an spec.
distincta ?), by R. Mc. Lachlan. — Entomological Notes, Cap-
tures, ete. — Review: Die Neuropteren Europa’s, von F. Brauer. —
Orbituary : Edward Newman. — Proceedings of the Entomolo-
gical Society of London. — Descriptions .of some new species of
Buprestidae belonging to the genus Lius H. Deyr., bij Edw.
Saunders.
Annals and Magazine of Natural History, 4th series, vol. 18, n°. 103
(Julij 1876) (0).
On the Colydiidae of New-Zealand, by D. Sharp. — Descriptions
of new genera and species of New-Zealand Coleoptera. Part III,
by F. P. Pascoe.
Revue et Magasin de Zoologie, fondé par Guérin Méneville. 3"° ser,
tom. IV (1876) n°. 3—5. (b).
Les Cicadines d'Europe, par Fieber et Rieber,
1) (a) duidt aan dat het werk tot de oorspronkelijke Bibliotheek der Ned. Ent,
Vereeniging, (5) dat het tot de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier behoort,
XLVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Correspondenz-Blatt des zoolog.-miner. Vereines in Regensburg. Jahrg.
30 (1876) n°. 1—3. (b).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen (Fortsetzung), von G. Kittel.
Annali del Museo Civico di Storia Naturale di Genova. Vol. VII. (a).
Muscaria exotica Musei Civici Januensis. Fragmentum III. Species
in Insula Borneo provincia Sarawak, annis 1865—1868, lectae
a March. J. Doria et Doct. O. Beccari, a Prof. C. Rondani. —
Le Formiche Ipogee, con descrizioni di specie nuove o poco note,
per Dott. C. Emery. — Coléoptères de la T'unésie récoltés par
M. Abdul Kerim, décrits par L. Fairmaire. — Catalogo dei
Tenebrioniti della Fauna europea e circummediterranea apparte-
nenti alle collezioni del Museo Civico di Genova, parte 2%, per
F. Baudi. — Descriptions de Carabiques nouveaux ou peu connus,
par J. Putzeys. — Note sopra alcuni-Carabici appartenenti al
Museo Civico di Genova con descrizioni di specie nuove, per
Dott. R. Gestro. — Aggiunta alla Nota sulle formiche ipogee,
per Dott. C. Emery. — Descrizione di un nuovo genere e di
alcune nuove specie di Coleotteri Papuani, per Dott. R. Gestro.
Augustus 1876.
Newman’s Entomologist, n°. 158 (August 1876) (a)
| Agrotis Tritici and Agrotis aquilina, by John F. Carrington. — Des-
criptions of Oak-galls. Translated from Dr. Mayr’s „Die Mittel-
europäischen Eichengallen,” by E. A. Fitch. — Doings and
Observations among the Aculeate Hymenoptera during 1875, by
J. B. Bridgman. — Entomological Notes, Captures, ete. —
Answers to Correspondents. — Extracts from the Proceedings of
the Entomological Society of London.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 147 (August 1876) (0).
Descriptions of some new species of Buprestidae, belonging to the
genus Lius Deyr., by E. Saunders. — Description of a new
species of Ectemnorrhinus from Kerguelenland, by C. O. Water-
house. — New species of Longicorn Coleoptera from New-Zealand,
by H. W. Bates. — Description of three new species of Papilio
from the collection of Mr. Herbert Druce, by A. G. Butler. —
Entomological Notes, Captures, etc. — Proceedings of the Ento-
mological Society of London. — Descriptions of some new genera
and species of New-Zealand Coleoptera, by D. Sharp.
Annals and Magazine of Natural History. 4th ser. vol. 18 n°. 104
(August 1876) (0).
New Species of Coleoptera from the Island of Rodriguez, collected
by the Naturalists accompanying the Transit- of- Venus Expedition,
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. XLIX
by Ch. O. Waterhouse. — On a small Collection of Lepidoptera
from Cape York and the South-east Coast of New Guinea, by
A. G. Butler.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Ann 8°. Trim. II. (a).
Le Helicopsyche in Italia. Lettera agli entomologi italiani, di C. de
Siebold. — Diagnosi di tre Vesparii microsomi insetticidi, nota
del Prof. C. Rondani. — Studi e Ricerche d’Araenologia per G.
Cavanna. — Coleotteri Tenebrioniti delle collezioni italiane,
esaminati da F. Baudi (continuazione). — Repertorio degli insetti
parassiti e delle lora vittime, del Prof. C. Rondani. — Saggio
di un Catalogo dei Lepidotteri d’Italia compilato dall’ Ing. A.
Curò. — Rassegna Entomologica.
Tijdschrift voor Entomologie. Deel XIX, aflev. 3 (a en b).
Acht nieuwe Oost-Indische Aylocopa-soorten, beschreven door C.
Ritsema Cz. — Over Oligostigma Guen., een genus der Pyraliden ,
door P. C. T. Snellen. — Iets over Otiorhynchus sulcatus Linn.,
door 8. v. V. — Bijvoegsel tot de nieuwe Naamlijst van Neder-
landsche Vliesvleugelige insecten (Hymenoptera), door 8. C. Snellen
van Vollenhoven.
Annales des Sciences naturelles. Zoologie, 6"° ser. tom. IV, n°. 1—3 (b).
Descriptions des Crustacés rares ou nouveaux des côtes de France
(25% article), par M. Hesse.
September 1876.
Newman’s Entomologist, n°. 159 (September 1876) (a).
Varieties of Melanagria galathea, by S. Stevens. — Descriptions of
Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die Mitteleuro-
päischen Eichengallen”, by E. A. Fitch. — Description of the
Larva of Hemerophilla abruptaria, by P.H. Jennings. — Descrip-
tion of the Larva of Hyria auroraria, by G. T. Porritt. —
Entomological Notes, Captures, etc. — Answers to Correspon-
dents. — Extracts from the Proceedings of the Entomological
Society of London.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 148 (September 1876) (b).
Descriptions of some new genera and species of New Zealand
Coleoptera, by D. Sharp. — Description of a new genus of Ani-
sotomidae, by D. Sharp. — Diagnoses of undescribed species of
Phytophaga, by J. S. Baly. — Descriptions of three new species
of European Hemiptera-Homoptera, by J. Scott. — British He-
miptera-Heteroptera ; additional Species, by O. M. Reuter. --.
Entomological Notes, Captures, ete. — Reviews, Proceedings
of Learned Societies, etc,
4
EL ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Annals and Magazine of Natural History. 4th. ser. vol. 18, n°. 105
(September 1876) (0).
The Development of the Ova of Chthonius in the Body of the
Mother and the Formation of the Blastoderm, by A. Stecker. —
On a Collection of Lepidoptera from Port Moresby, New Guinea,
by A. G. Butler. — On the structure of the Mouth in Sucking
Crustacea, by Prof. J. C. Schiödte.
Album der Natuur. Jaarg. 1876. aflev. 11 (0).
Eenige opmerkingen omtrent het verschil der insecten welke op
onze duinen en heiden voorkomen, door G. A. Six.
Tijdschrift der Nederlandsche Dierkundige Vereeniging. 3° dl. aflev. 1 (a)
De vrijlevende zoetwater-Copepoden der Nederlandsche Fauna, door
Dr. P. P. C. Hoek.
Archiv fiir Naturgeschichte, herausgeg. von Troschel. Jahrg. 42,
Heft 2 (0).
Verzeichniss der von Dr. Gundlach auf der Insel Cuba gesammelten
Rüsselkäfer (Fortzetzung), von Dr. E. Suffrian. — Ueber Dendroptus,
ein neues Milbengeschlecht, von Dr. Kramer.
Mittheilungen der Schweizer. entomologischen Gesellschaft. Bd. IV,
n°. 9 (b).
Beschreibungen eeniger kaukasischer Rüsselkäfer, von Dr. Stierlin. —
Ueber die beste Manier, grössere Schmetterlinge zu tödten, von
Pfarrer Eugster. — Beobachtungen über die Entwicklungsgeschichte
einiger Insekten, von H. J. Erne. — Beobachtungen über die
Naturgeschichte der Phylloxera, von Jules Lichtenstein. — Ueber
Benutzung von Büchern zum Bestimmen und Ordnen von Insek-
tensammlungen. — Urodon concolor Schh., villosus All. und
Allardi Jekel, von J. Jekel.
Oetober 1876.
Newman’s Entomologist, n°. 160 (October 1876) (a).
Ephyra pendularia var., by F. Bond. — Remarks on Colias Edusa
and Colias Hyale, by J. Jenner Weir. — Descriptions of Oak-
galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die Mitteleuropäischen
Eichengallen,” by E. A. Fitch. — The peculiar Relations of
Plants and Insects as exhibited in Islands, by A. R. Wallace. —
Entomological Notes, Captures, ete. — Extracts from the Pro-
ceedings of the Entomological Society of London.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 149 (October 1876) (b).
Descriptions of some new genera and species of New Zealand
Coleoptera, by D. Sharp. — Descriptions of new Hemiptera-
Heteroptera, by E. Saunders. — Description of a new species of
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LI
European Hemiptera, by J. Scott. — Descriptions of three new
species of Hemiptera-Heteroptera from New Zealand, by F. Bu-
chanan White. — Entomological Notes, Captures, ete. — Descrip-
tions of new Cucujidae and Cleridae, by C. O. Waterhouse.
Annals and Magazine of Natural History. 4th. ser. vol. 18, n°. 106
(October 1876) (b).
On the structure of the Mouth in Sucking Crustacea, by Prof. J.
C. Schiödte (continued). — On the Mode in which the Young of
the New Zealand Astacidae attach themselves to the Mother, by
J. Wood Mason. — On a New Genus and Species of Collembola
from Kerguelen Island, by J. Lubbock. — On a New Species
of Mantidae, by Prof. J. Wood Mason. — Description of twenty
new Species of Hesperidae, by W. C. Hewitson. — On the Phe-
nomena of Digestion in the Cockroach (Periplaneta americana L.),
by F. Plateau.
Revue et Magasin de Zoologie, fondé par Guérin-Méneville. 3me ser.
tom. IV (1876) n°. 6 et 7 (b).
Les Cicadines d'Europe, par Fieber et Rieber.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Ann. 8°. Trim. III (a).
Nota sulla biologia della Fillossera del leceio (Phylloxera Florentina
Targ. Tozz.), a Targioni Tozzetti. — Species italicae ordinis
Dipterorum collectae et observatae, a Prof. C. Rondani. — Co-
leotteri Tenebrioniti delle collezioni italiane, esaminati da F. Baudi.
(contin.) — Studi e ricerche d’Aracnologia , dell Dott. G. Cavanna.—
Poche notizie riguardanti la Fauna entomologica italiana, del
Prof. A. Costa. — Confronto di apparizioni entomologiche negli
1875 e 1876, del A. Villa. — Sopra una Mylabris (Mylabris
fulgorita Reiche) adoperata in Egitto per prevenire l’idrofobia,
del Dott. Sonsina.
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. Tom. XI (0).
Matériaux pour l’entomographie de l’Amérique du Sud. Staphylini-
des, recueillis par M.M. C. Jelsky et le Baron de Nolcken,
dans le Pérou et la Nouvelle Grenade. Article III, par S. Solsky. —
Matériaux pour servir à une faune diptérologique de la Russie,
par J. Portchinsky. — Verzeichniss Süd-Russischer Spinnen,
von Dr. T. Thorell. — Enumération des espèces du genre Cy-
nomyia du gouvernement de Mohileu, par J. Portchinsky. —
Krankheiten welche im Mohileu’schen Gouvernement von den
Larven der Sarcophila Wohlfarti entstehen, und deren Biologie,
von J. Portehinsky. — Beiträge zur Kenntniss der Käfer des
europäischen und asiatischen Russlands mit Einschluss der Küsten
des Kaspischen Meeres, von J. Faust. — Matériaux pour l’ento-
mographie des provinces asiatiques de la Russie, par S. Solsky.
Lil ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Tom. XIX. fase. 1 (0).
Note sur une sécrétion propre aux Coléoptéres Dytiscides, par
F. Plateau. — Monographie des Brachynides, par M. le Baron
M. de Chaudoir. — Comptes-Rendus des séances.
Tijdschrift voor Entomologie. Deel XIX, aflev. 4 (a en b).
De inlandsche Bladwespen in hare gedaantewisseling en levenswijze
beschreven door S. C. Snellen van Vollenhoven.
November 1876.
Newman’s Entomologist, n°. 161. (November 1876) (a).
Pachnobia hypoborea, by J. T. Carrington. — Descriptions of Oak-
galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „die Mitteleuropäischer
Eichengallen” by E. A. Fitch. — Life-Histories of Sawflies.
Translated from the Dutch of Dr. S.C. Snellen van Vollenhoven
by J. W. May. — Are the colours of Lepidoptera influenced by
Electricity? by J. Jenner Weir. — Description of the Larva of
Eurymene dolabraria, by P.H. Jennings. — Entomological Notes,
Captures, etc. — Answers to Correspondents. — Extracts from
the Proceedings of the Entomological Society of London.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 150 (November 1876) (0).
Descriptions of new Cucujidae and Cleridae, by C. O. Waterhouse.
— Descriptions of hitherto uncharacterized Phytophaga, by J.S.
Baly. — On certain British Hemiptera-Homoptera. Description
of a species of the genus Liburnia, new to Great Britain, by J.
Scott. — On melanism, by E. Birchall. — Description of the
larva and habits of Ebulea stachydalis and sambucalis, by W.
Buchler. — Entomological Notes, Captures, etc.
Annals and Magazine of Natural History. 4th ser. vol. 18, n°. 107
(November 1876) (b). |
Descriptions of two new Species of Cetoniidae, by C. O. Water-
house. — Researches on the Phenomena of Digestion and on
the structure of the Digestive Apparatus in the Belgian Myrio-
pods, by F. Plateau. — On the Femoral Brushes of the Man-
tidae and their Function, by J. Wood Mason. — On the Geo-
graphical Distribution of Schizocephala, a Genus of Mantidae,
by J. Wood Mason.
Verhandlungen der k. k. zool.-bot. Gesellschaft in Wien. Bd. XXV (a).
Neue Pilzmiicken aus der Sandezer Gegend, von Dr. A. Grzegor-
zek. — Ueber neue und einige ungenügend bekannte Cecido-
myiden der Wiener Gegend, von Dr. F. Lüw. — Beschreibung
neuer und ungenügend bekannter Phryganiden und Oestriden,
von Dr. F. Brauer. — Hemiptera Heteroptera Austriaca, mm.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LIII
Maji-Augusti 1870 a J. A. Palmén collecta, enumeravit 0. M.
Reuter. — Neue Lepidopteren des südamerikanischen Faunenge-
biets, von Dr. O. Staudinger. — Zweiter Beitrag zur Kenntniss
der Arachniden-familie der Territelariae Thorell, von Dr. A.
Ausserer. — Beiträge zur Kenntniss der Nord-Amerikanischen
Nachtfalter, besonders der Microlepidopteren, von Prof. P. C.
Zeller. — Beitrag zur Dipteren-Fauna Oesterreichs, von Prof. J.
Palm. — Beitrag zur Kenntniss der Land-Isopoden, von C. Vogl.
— Nachtrige zu meinen Arbeiten über Milbengallen, von Dr.
F. Löw. — Die europäischen Encyrtiden, von Dr. G. Mayr. —
Die ersten Stände einiger Lepidopteren, von F. A. Rogenhofer. —
Beobachtungen über die Blattgalle und deren Erzeuger auf Vitis
vinifera L., von Ritter G. von Haimhoffen.
Transactions of the Entomologieal Society of London for the year
1875 (b).
Contributions towards a knowledge of the Rhopalocera of Australia,
by A. G. Butler. — Descriptions of new species of Endomychici,
by the Rev. H. S. Gorham. — Descriptions of new genera and
species of Phytophaga, by J. S. Baly. — Descriptions of new
species of Indian aculeate Hymenoptera, collected by Mr. G. R.
James Rothney, by F. Smith. — Descriptions of new species of
Bees belonging to the genus Nomia of Latreille, by F. Smith. —
On the Lamellicorn Coleoptera of Japan, by C. 0. Waterhouse. —
Synopsis of the British Hemiptera-Heteroptera. Part. I, by E.
Saunders. — Description of a new species of Prosopocoelus (Co-
leoptera, Lucanidae), by Major F. J. Sydney Parry. — Deserip-
tion of the male of Alcimus dilatatus Fairm., by C. O. Water-
house. — Description of a new species of Myriopod from the
borders of Mongolia, by A. G. Butler. — A Sketch of our pre-
sent knowledge of the Neuropterous Fauna of Japan (excluding
Odonata and Trichoptera), by R. Mac Lachlan. — Descriptions
of new Coleoptera from Australia, by C. O. Waterhouse. —
Descriptions of some new species of short-tongued Bees belonging
to the genus Nomia of Latreille, by J. 0. Westwood. — Descrip-
tions of new Heteromerous Coleoptera, by J. 0. Westwood. —
On the species of the Rutelidae inhabiting Eastern Asia and
the Islands of the Malayan Archipelago, by J. O. Westwood. —
Description of a new genus of Clerideous Coleoptera, from the
Malayan Archipelago, by J. O. Westwood. — Description of a
new species of Lucanidae with a note on Lissotes obtusatus, by J. O.
Westwood. — Synopsis of British Hemiptera-Heteroptera, by E.
Saunders. (Part. II). — Descriptions of new species of Endomy-
chini, by the Rev. H. S. Gorham. — A list of the Lepidoptera
referable to the genus Hypsa of Walker’s List, with descriptions
LIV
ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
of new genera and species, by A. G. Butler. — On some new
genera and species of Heteromerous Coleoptera (Helopidae) from
Tierra del Fuego, by C. O. Waterhouse. — Description of a new
genus of Coleoptera belonging to the family Scaritidae, by H.
Burmeister.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou. Ann.
1875, n°. 3 et 4 (0).
Genres aberrants du groupe des Cymindides, par le Baron de Chau-
doir. — Een opstel over Hemiptera-Heteroptera in het Russisch.
— Patagonische Lepidopteren beobachtet auf einer Reise im Jahre
1874, von C. Berg.
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Jahrg. 1875. 2tes Heft und 1876.
iste Heft (0).
Beiträge zur Kenntniss der Peruanischen Käferfauna auf Dr. Abend-
roth’s Sammlungen basirt, von Th. Kirsch (5tes Stück). —
Ueber zweifelhaften Chernetiden-Arten, welche von A. Menge
beschrieben wurden, von A. Stecker. — Weitere Beiträge zur
Kenntniss der deutschen Sphecodes-Artes, von von Hagens. —
Ueber Sitaris analis Schaum und colletis Mayet, von G. Kraatz.
— Aus der Bienen-fauna Nassau’s, von Prof. A. Schenck. —
Ueber Baëtis aurantiaca und reticulata Burm., von M. Rostock. —
Ueber ein Mittel gegen die Reblaus, von J. Boll. — Anhang
dazu, von G. Kraatz. — Vierter Nachtrag zur Revision der
europ. Otiorhynchus-Arten, von Dr. G. Stierlin. — Neue Käfer-
arten aus Ungarn, beschrieben von Putzeys, Reitter, de Saulcy
und Weise. — Phaedon carniolicus Germ. und seine Varietäten,
von J. Weise. — Drei neue europäische Staphylinen-Arten, von
J. Weise. — Vier neue europäische Molops-Arten nebst einigen
Bemerkungen über früher beschriebene, von Dr. G. Kraatz. —
Beiträge zur Europäischen Käferfauna, von L. von Heyden. —
Beiträge zur Käferfauna Deutschlands, von L. von Heyden. —
Meligethes prioides n. sp. von E. Reitter. — Ueber die Gattung
Philhydrus Sol., von L. von Heyden. — Ueber das Schwimm-
vermögen eines Riisselkiifers, von A. Schultze. — Ueber deutsche
Phytobius-arten, von Th. Kirsch. -- Ueber Centrotoma lueifuga
Heyd., von Th. Kirsch. — Ueber deutsche Staphylinen, von Dr.
Eppelsheim. — Ueber deutsche Rüsselkäfer, von Dr. Eppelsheim.
—- Ueber deutsche Chrysomelinen ete., von Dr. Eppelsheim und
G. Kraatz. — Die deutschen Molops-arten , von G. Kraatz. — Ueber
Haptoderus cognatus Dej., placidus Rsh. und Schmidti Chaud.,
von G. Kraatz. — Drei neue europäische Plerostichus Bon., von
G. Kraatz. — Ueber Anthocomus fenestratus Linder, und Ver-
wandte, von G. Kraatz. — Ueber Brachycerus-arten, von G.
Kraatz. — Bericht über die 48. Versammlung deutscher Natur-
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LV
forscher und Aerzte in Gräz, von Dr. G. Kraatz. — Synonymi-
sche Bemerkungen von G. Kraatz, L. von Heyden, E. Reitter
und G. Haag. — Sammelberichte von G. Kraatz, W. Koltze,
und G. Zwalina,
Europaeae et circummediterraneae Faunae Tenebrionidum specierum ,
quae comes Dejean in suo Catalogo, editio III, consignavit, ex
ejusdem collectione in R. Taurinensi Musaeo asservata, cum
auctorum hodierne recepta denominatione collatio. Auctore Flaminio
Baudi a Selve. Pars altera. — Vorschläge zur praktischen Ein-
richtung wissenschaftlicher Zeit-, namentlich Vereinsschriften ,
von Dr. G. Kraatz. — Ueber sogenannten Ausschnitte aus Zeitschrif-
ten, von G. Kraatz. — Ueber Separata aus v. Harold’s coleopterolo-
gischen Heften, von G. Kraatz. — Beiträge zur Kenntniss der
Peruanischen Käfer-Fauna, auf Dr. Abendroth’s Sammlungen
basirt, von Th. Kirsch. — Ueber Stephanocleonus Saintpierrei
Chevr., von Dr. G. Kraatz. — Ueber Cleonus (Cyphocleonus)
sardoes Chevr., von G. Kraatz. — Ueber andalusische Cleonus-
Arten, von G. Kraatz. — Ueber andalusische Cryptocephalus, von
G. Kraatz. — Entomologische Studiën im Darwinischen Sinne,
von G. Kraatz. — Ueber Carabus Ulrichii var. Rhilenois, C. to-
rosus Friv. und C. brabeus Schauf, von G. Kraatz. — Zusätze
und Berichtigungen zu Hagen’s Bibliotheca Entomologica, von
Prof. Dr. H. M. Schmidt-Goebel. — Die Cryptocephalen um Schmie-
deberg , von Klette. — Rhizotrogus Euphytus Buq., von A. Schultze.
Ueber Limnebius sericans Muls., eine für Deutschland neue Art,
von J. Gerhardt. — Ueber Limnebius picinus Marsh., von Dr. G.
Kraatz. — Eine neue deutsche Limnebius-Art, von J. Gerhardt.
— Ueber Käfer in Block’s Verzeichniss der Insekten des Plaui-
schen Grundes, von Dr. G. Kraatz. — Sammelberichte von Ger-
hardt, Kellner und Kraatz. — Synonymische Bemerkungen, von
Dr. G. Kraatz. — Aeltere Mittheilungen (von F. J. Schmidt)
über Höhlenkäfer. — Deutungen einiger Käferarten aus Grimmer’s
Coleopteren Steiermarks, von J. Weise. — Ueber die Synon. der
Haemonia Zosterae Fabr., von Schioedte. — Ueber Deutsche
Haemonia-Arten, von Dr. G. Kraatz. — Ueber Amara concinna
Thoms., von Dr. G. Kraatz. — Ueber zweifelhafte Hamburger
Käfer, von W. Koltze. — Ueber Bembidium eribrum Duval, von
Dr. G. Kraatz. — Ueber den Phaedon pyritosus des Rossi und
der späteren Autoren, sowie einige verwandte Arten, von Dr. G.
Kraatz. — Ueber deutsche Gonioctena-Arten, von Dr. G. Kraatz.
— Liosomus ovatulus Clairv. und impressus Boh. S., von Th.
Kirsch. — Die Arten der Gattung Anoplus Schh., von von Kie-
senwetter und Kirsch. — Ueber Bostrichus amitinus Eichh., von
Kellner.
LVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
December 1876.
Newman’s Entomologist. N°. 162 and 163 (December 1876) (a).
Danais Archippus in Sussex, by Th. E. Crallan. — Danais Archippus,
by J. Jenner Weir. — Descriptions of Oak-galls. Translated
from Dr. G.L. Mayr’s „die Mitteleuropäischen Eichengallen” by
E. A. Fitch, — Observations upon the Larva of Stauropus Fagi
by H. M. Golding Bird. — Capture of Lepidoptera at Sallow-
Bloom, by J. T. Carrington. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. N°. 151 (December 1876) (b)
On Melanochroism and Leucochroism, by F. Buchanan White. —
Notes on Mr. Atkinson’s Collection of East Indian Lepidoptera,
with Descriptions of new species of Rhopalocera, by W. C. He-
witson. — List of the Butterflies known to inhabit New Zealand,
with deseriptions of a new genus and a new species, in the
collection of J. D. Enys, by A. G. Butler. — Diagnosis of a new
species of Psallus (Hemiptera Heteroptera), by O. M. Reuter. —
Descriptions of nine new species of Buprestidae, by E. Saunders.
— Notes on British Tortrices, by C. G. Barrett. — Metamor-
phoses of Xylophagus cinctus F. and X. ater F., by F. Buchanan
White. — Entomological Notes, Captures etc.
Annals and Magazine of Natural History. 4th. ser. vol. 18, n°. 108
(December 1876) (0). o
Description of a new species of Mantidae with pointed eyes, by
Prof. J. Wood Mason. — On some new and little known Am-
phipodous Crustacea, by the Rev. T. R. R. Stebbing. — Descrip-
tions of twenty-five new species of Hesperidae from his own col-
lection, by W. C. Hewitson. — On a collection of Lepidoptera
recently received from Abyssinia, by A. G. Butler. — Anatomi-
cal and Morphological Researches on the Nervous System of Hy-
menopterous Insects, by E. Brandt. — On some remarkable
species of Mantidae, by Prof. J. Wood Mason.
Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereines in Regensburg. Jahrg.
30 (1876) n°. 4—8 (b).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel (Fortsetzung). —
Ueber die Nematus-gallen an Weidenblättern und ihre Erzeuger,
. von Dr. Kriechbaumer.
Revue et Magasin de Zoologie, fondé par Guérin Méneville. 3me ser.
tom. IV (1876) n°. 8 (b).
Descriptions d’Eumolpides nouveaux ou peu connus, par M. E.
Lefèvre,
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LVII
Archiv für Naturgeschichte, herausgeg. von Troschel. Jahrg. 42.
Heft 3 (b).
Anatomisches und Histiologisches über Gibocellum , eine neue Arach-
nide, von Dr. A. Stecker.
Periodico zoologico. Organo de la Soc. Zool. Argentina. Tom. I. Entr. 4 (a).
Apuntes anatömicos y biolögieos sobre el genero Hermetia Latr.,
por el Prof. Dr. H. Weyenbergh. — Descriptions et notices
d’Arachnides de la République Argentine, par E. L. Holmberg. —
Revista y enumeracion de escristos zoologicos sobre el territorio de
Sud-America. — Sur les larves du genre Ctenophora, par le Dr.
H. Weyenbergh.
Tijdschrift voor Entomologie. Deel XX, aflev. 1 (a en b).
Verslag der 31ste Zomervergadering. — Heterocera op Java verza-
meld door Mr. M. C. Piepers, met Aanteekeningen en Beschrij-
vingen der nieuwe soorten door P, C. T. Snellen.
Zeitschrift für die gesammten Naturwissenschaften. Redigirt von C. G.
Giebel. Jahrg. 1875. Bd. 46 (a).
Uebersicht der Gallenbildung an Tilia, Salix, Populus, Artemisia
nebst Bemerkungen über einige andere Gallen, von Fr. Rudow. —
Durch Psylloden erzeugte Cecidien an Aegopodium und andern
Pflanzen, von Fr. Thomas. — Zur Kenntniss der Gattung Ophion
F., von Prof. E. Taschenberg.
Januarij 1877.
Newman’s Entomologist. N°. 164 (January 1877) (a).
Variety of Saturnia Carpini (with illustration), by F. Bond. —
New and rare British Lepidoptera observed during the years 1874,
1875 and 1876, by J. T. Carrington. — New and rare British
Hemiptera observed during the years 1874, 1875 and 1876, by
F. Buchanan White. — A few days in the Norfolk Fens, by
W. H. Tugwell. — Entomological Notes, Captures, ete. — Ans-
wers to Correspondents.
Entomologist’s Monthly Magazine. N°. 152 (January 1877) (0).
On stridulation in the genus Vanessa (with illustration), by A. H.
Swinton. — Notes on British Tenthredinidae and Cynipidae, by
P. Cameron. — Descriptions of two new Butterflies from the
Philippine Islands, by W. C. Hewitson. — Entomological Notes,
Captures, ete. — Proceedings of the Entomologieal Society. —
Deseriptions of a new genus and some new species of New Zea-
land Coleoptera, by D. Sharp.
LVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Annals and Magazine of Natural History. 4th. series, vol. 19, n°. 109
(January 1877) (0).
On some new genera and species of Araneidae, by the Rev. O. P.
Cambridge. — Descriptions of twenty five new species of Hespe-
ridae, by W. C. Hewitson. — On Rhopalocera from Japan and
Shanghai, with Descriptions of new species, by A. G. Butler. —
Descriptions of new species of Blattidae belonging to the genus
Panesthia, by Prof. J. Wood Mason. — On the structure and
organisation of the Polyphemidae, by Dr. C. Claus. — On the
Colydiidae of New Zealand, by D. Sharp.
Proceedings of the Scientific. Meetings of the Zoological Society for
1875. Part. IV (a).
On a collection of Butterflies from the New Hebrides and Loyalty
Islands, with descriptions of new species, by A. G. Butler. —
On a small collection of Butterflies from Fiji, by A. G. Butler. —
Descriptions of several new species of Sphingidae, by A. G. Butler.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Ann. 8°. trim.IV (a).
Repertorio degli insetti parassiti e delle loro vittime, del Prof. C.
Rondani. — Coleotteri Tenebrioniti delle collezioni italiane, esa-
minati da F. Baudi. — Aggiunte al saggio di un Catalogo dei
Lepidotteri d’Italia, di A. Curo. — Studi e ricerche d’Aracno-
logia, del Dott. G. Cavanna. -- Riassunto di una memoria sui
Picnogonidi, del Dott. G. Cavanna.
Revue et Magasin de Zoologie, fondé par Guérin Méneville. 3me sér.
tom. IV (1876) n°. 9—12 (b).
Descriptions d’Eumolpides nouveaux ou peu connus, par M. E.
Lefèvre. — Catalogue descriptif des Cicindelètes et des Carabiques
recueillis par M. A. Raffray en Abyssinie, par M. le Baron de
Chaudoir, avec la description des espèces nouvelles. — Descrip-
tion d’une chenille fossile, Satirites incertus, par M. H. Daudet.
Annales des Sciences naturelles. Zoologie. 6me ser. tom. IV, n°. 4—6 (b).
Descriptions des Crustacés rares ou nouveaux des côtes de France,
par M. Hesse. — Recherches sur l’appareil respiratoire et le
mode de respiration de certains Crustacés brachyures, par M.
Jobert. — Note sur deux espèces nouvelles de Crustacés prove-
nant de la Nouvelle-Zélande, par M. A. Milne Edwards. — Mé-
moire sur les Métamorphoses des Acariens en général, et en
particulier sur celles des Trombidions, par M. P. Mégnin.
Februarij 1877.
Newman’s Entomologist. N°. 165 (February 1877) (a).
The Occurrence of Melittaea didyma in the South of Scotland (with
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LIX
illustration), by J. Jenner Weir. — New and Rare British Gall-
producers observed since the year 1872, by E. A. Fitch. —
New and Rare British Lepidoptera observed during the years
1874, 1875 and 1876, by J. T. Carrington. — Notes on Lycaena
Arion, by G. F. Mathew. — Educational Collections, by 8. J.
Capper. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. N°. 153 (February 1877) (b).
Descriptions of a new genus and some new species of New Zealand
Coleoptera, by D. Sharp. — Notes on British ‘Tenthredinidae
and Cynipidae, by P. Cameron. — Notes on the degree of ten-
dency to variation exhibited by the Lepidoptera of Pembroke
and its neighbourhood, by C. G. Barrett. — Notes on Rhopalo-
cera from Angola, with Description of a new species of Deudoriz
from Zanzibar, by W. C. Hewitson. — Description of a new
species of Argynnis from Arctic America, by A. G. Butler. —
On stridulation in the genus Ageronia, by A. H. Swinton, —
Entomological Notes, Captures, etc.
Annals and Magazine of Natural History. 4th. series, vol. 19, n°. 110
(Februarij 1877) (U).
List of the species of Crustacea collected by the Rev. A. E. Eaton
at Spitzbergen in the summer of 1873, with their localities and
Notes, by E. J. Miers. — Descriptions of new genera and spe-
cies of New Zealand Coleoptera. Part. IV, by F. P. Pascoe. —
On the reproductive apparatus of the Ephemeridae, by M. Joly.
Archiv fiir Naturgeschichte, herausgeg. von Troschel. Jahrg. 43. Heft
1(6).
Estheria californica Packard, von H. Lenz. — Beitrag zur Meta-
morphose der Käfer, von Th. Beling. — Nachträgliche Bemer-
kung über Milben, von Dr. Kramer. — Antennophorus Uhlmanni,
einer neuen Gammaside, von G. Haller. — Ueber das Eierlegen
einiger Locustiden, von Dr. P. H. Bertkau.
Maart 1877.
Newman’s Entomologist. N°. 166 (March 1877) (a).
Henry Doubleday (with Photograph), by J. W. Dunning. — Notes
on new and rare species of Aculeate Hymenoptera, taken during
1874, 1875 and. 1876, by F. Smith. — Descriptions of Oak-
galls. Translated by E. A. Fitch. — Notes on Lycaena Arion ,
by G. F. Mathew. — Entomological Notes, Captures, ete. —
Answers to Correspondents.
Entomologist’s Monthly Magazine, N°. 154 (March 1877) (b).
LX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
On stridulation in the genus Acherontia, by A. H. Swinton. —
Notes on the Tortrices of Pembrokeshire, by C. G. Barrett. —
Note on Mr. Buxton’s Eastern Butterflies, with deseription of a
new species of Poritia, by W. C. Hewitson. — Deseriptions of
new genera and species of Galerucidae, by J. S. Baly. — Ento-
mological Notes, Captures, etc.
Annals and Magazine of Natural History. 4th. ser. vol. 19, n°. 111 (b).
Descriptions of two new genera and species of Indian Mantidae,
by Prof. J. Wood Mason. — Hermaphroditism among the Para-
Sitic Isipoda, by J. Buller. — Additions to the Coleopterous
Fauna of Tasmania, by Ch. O. Waterhouse..— Notes on the
femoral brushes of the Mantidae, by Prof. J. Wood Mason. —
Development of the antennae in the pectinicorn Mantidae, by
Prof. J. Wood Mason. — On the power possessed by certain
Mites, with or without mouths, of living without food through
entire phases of their existence or even during their whole lives,
by M. Mégnin. —- Note on the phenomena of digestion and on
the structure of the digestive apparatus in the Phalangidae , by
F. Plateau.
Album der Natuur. Jaargang 1877, aflev. 5 (0).
Overzicht der diensten door het Rijks Museum van natuurlijke
historie te Leiden aan de dierkunde bewezen, door G. A. Six.
Tijdschrift voor Entomologie. Deel XX, aflev. 2 (a en b).
Araneae exoticae quas quondam in India Orientali (praesertim in-
sula Amboina) collegit Cel. Dr. C. L., Doleschall, ac, pro Museo
Lugdunensi, determinavit Dr. A. W. M. van Hasselt. — Bijdrage
tot de kennis der gedaantewisseling van Diptera, door S. C.
Snellen van Vollenhoven. — Tryphon praerogator Grav., door 8.
v. V. — Lepidoptera op Sumatra verzameld, voornamelijk in
Atchin, door J. J. Korndörffer, met beschrijving van eenige
nieuwe soorten, door P. C. T. Snellen. — Description du Nirmus
asymmetricus Nitzsch, par M. le Doct. E. Piaget. — Aanteeke-
ning over de Europeesche soorten van het genus Pancalia Steph.,
door P. C. T. Snellen. — De inlandsche Hemiptera beschreven
en meerendeels ook afgebeeld, door S. C. Snellen van Vollenho-
ven (zevende stuk).
Stettiner Entomologische Zeitung. Jahrg. 37 (1876) (0).
Insecten-Beobachtungen in der Libyschen Wiiste, von Max Korb.—
Exotisches, von H. B. Möschler. — Paussus Woerdeni, eine neue
Art aus Congo, beschrieben von C. Ritsema. — Eine neue In-
secten-quelle, von Cornelius. — Nachtrag zur Revision der Eu-
ropäischen Lathridiidae, von E. Reitter. -- Ein neuer Dytiscus,
we
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. WT
beschrieben von E. Wencke. — Einige neue dalmatinische ,
griechische und kleinasiatische 'Tenthrediniden, von J. P. E. F.
Stein. — Lepidopterologisches, von Keferstein. — Zur Systematik
von Phylloxera, von J. Lichtenstein. — Englische Notizen, von
W. Koltze. — Microlepidopterologische Notizen, von G. Brischke.
— Ueber hypogaeische Ameisen, von Dr. C. Emery. — Be-
schreibung neuer oder minder bekannter unterirdischer Amei-
sen, von Dr. C. Emery. — Exotisches, von Dr. C. A. Dohrn.
— Rhinocles, novum genus Calandridarum, von Dr. C. A. Dohrn.
— Ueber drei im hohen Norden vorkommende Arten der Schmet-
terlingsgattung Cupido, von Dr. J. Spangberg. — Lepidopte-
rologische Mittheilungen aus dem nassauischen Rheinthale ,
von A. Fuchs. — Eine neue Art der Gattung Aspila (Eury-
choridae) von Dr. G. Haag. — Exotisches, von Dr. C. A.
Dohrn. — Zwei Longicornien aus Monrovia, von Dr. C. A. Dohrn.
— Nothgedrungene Ptiliomachie, von Dr. C. A. Dohrn. — Nord-
amerikanische Noctuiden, von Dr. A. Grote, — Beiträge zur
Lepidopteren-Fauna Sicilien’s, von A. von Kalchberg. — Hyme-
nopterologische Mittheilungen, von H. Burmeister. — Ein Ausflug
nach dem Rothensteiner Felsen, von O. Schmiedeknecht. —
Beobachtungen über Entwickelung überwinternder Schmetterlings-
puppen bei der Zimmerzucht, von H. Backhaus. — Neue Dytis-
ciden, beschrieben von E. Wehncke. — Check List of the Noctuidae
of America, North of Mexico, by A. R. Grote, angezeigt von
Dr. A. Speyer. — Ueber Camptodes vittatus Er., von E. Reitter.
— Einige Tineen aus Texas, beschrieben von H. Frey und J.
Boll. — Synonymische Miscellaneen, von Dr. E. Suffrian. —
Weitere Beiträge zur Geschichte der Phylloxera, von J. Lichten-
stein. — Beschreibung einer neuen Enneamera (Chrysomelidae, sect.
Haltieinae), von E. von Harold. — Ueber Cupido Fylgia Spangb.,
von Dr. O. Staudinger. — Sphinx atropos, ein europäischer
Schmetterling, von Keferstein. — Die Argentinischen Arten der
Gattung Trox Fabr., von H. Burmeister. — Naturgeschichte der
Rogenhofera grandis, einer Fliege aus der Familie der Oestriden,
von Prof. C. Berg. — Zusätze und Bemerkungen zu der Ueber-
sicht der europäischen Arten des Genus Ichneumon, von Tisch-
bein. — Exotisches, von H. B. Müschler. — Ueber Bostrichus
amitinus Eichh., von Dr. Doebner. — Neue exotische Nitidulidae,
beschrieben von E. Reitter. — Zur Lebensweise der Paussiden,
von Dr. ©. A. Dohrn. — Zwei Leseblumen, von Dr. C. A. Dohrn. —
Exotisches, von Dr. C. A. Dohrn. — Beiträge zu den Pyralidi-
nen Südamerika’s, von Prof. C. Berg. — Neue Dytisciden , beschrie-
ben von E. Wehncke. — Neue Clavicornien, beschrieben von E.
Reitter. — Die Raupe von Hadena Amica Tr., beschrieben von
Sintenis. — Eine noch nicht beschriebene Aberration der Synto-
LXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
mis Phegea (ab. Pfluemeri), von von Wacquant-Geozelles. —
Synonymisches über Tomiciden, von W. Eichhoff. — Weitere
Beobachtungen über Phylloxera, von J. Lichtenstein. — Coleo-
pterologische Kleinigkeiten, von Prof. Schmidt Goebel. — Ueber
die Befruchtung der Nordamerikanischen Yucca-Arten, von J.
Boll. — Anzeichnungen über einige Coleoptera Cordovana (Ar-
gentina), von Dr. C. A. Dohrn. — Neue Staphylinen, beschieben
von Dr. E. Eppelsheim. — Ueber die Zucht von Bombyx Pernyi
Guér., vou M. Lelièvre. — Ist der Kartoffelkäfer giftig, von A. Grote
und A. Kaiser. — Sparostes africanus, beschrieben von J. Putzeys.
Annali del Museo civico di Storia naturale di Genova. Vol. VIII (a).
Monographie des Chléniens, par M. le Baron de Chaudoir. — Ca-
talogo dei Tenebrioniti della Fauna europaea e circummediterranea
appartenenti alle collezioni del Museo Civico di Genova, per F.
Baudi. — Descrizione di una nuova specie di Eupholus, per R. Gestro
e L. M. d’Albertis. — Le prime crociero del , Violante” comandato
dal Capitano-Armatore Enrico d’Albertis. Risultati aracnologici,
del Prof. P. Pavesi. — Sopra alcuni Opilioni (Phalangidea)
d’Europa e dell’ Asia occidentale, con un quadro dei generi europei
di quest’ ordine, pel Dott. T. Thorell. — Diagnosi di alcune
nuove specie di Coleotteri raccolte nella regione Austro-Malese
dai Signori Dott. O. Beccari, L. M. d’Albertis e A. A. Bruyn,
per R. Gestro. ;
Journal of the Linnean Society. Zoology. Vol. XII, n°. 60—63 (0).
Notes on the Lepidoptera of the Family Zygaenidae, with Descrip-
tions of new Genera and Species, by A. G. Butler. — On the
Subfamilies Antichlorinae and Charideinae of the Lepidopterous
Families Zygaenidae and Arctiidae, by A. G. Butler. — Obser-
vations on Ants, Bees, and Wasps. Part III , by Sir John Lubbock.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Vol III, n°. 2
and 3 (a).
A List of the North-American Syrphidae, by Ch. R. Osten Sacken.
— An Illustration of North-American Agrotis and Oncocnemis, by
L. F. Harvey. — On Noctuidae from the Pacific Coast of North-
America, by A. R. Grote. — Synonymic List of the Butterflies
of North-America, North of Mexico, by 8. H. Scudder.
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Vol. 17, prt.
3 and 4, vol. 18, prt. 1 and 2 (a).
Notes on Orthoptera from Northern Peru, collected by Prof. J.
Orton, by S. H. Scudder. — List of Hemiptera and Neuroptera,
collected by Prof. Orton in Northern Peru, by P. R. Uhler. —
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXIII
Description of a new Agrotis, by Chas. V. Riley. — Description
of some Labradorian Butterflies, by S. H. Scudder. — The
Species of Coleoptera described by T. W. Randall, P. S. Sprague
and E. P. Austin. — A Century of Orthoptera, by S. H. Seudder. —
On Spharagemon, a Genus of Oedipodidae, by S. H. Scudder. —
Revision of two American Genera of Oedipodidae, by S. H. Scudder.
— On some Spiders of Labrador, by T. Thorell. — Structure
of the Palpus of male Spiders, by J. H. Emerton. — Synopsis
of the Odonata of America, by H. A. Hagen. — On Fossil In-
sects from Cape Breton, by S. H. Scudder. — Notes on the
Noctuidae, by H. K. Morrison. — Diptera from the Island Gua-
daloupe, by C. R. Osten Sacken. — On the North-American
Species of Syrphus, by C. R. Osten Sacken. — On the Butter-
flies of Cape Breton, by S. H. Scudder.
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Vol. II, prt. IV,
n°. 2-4 (a).
On gynandromorphism in the Lepidoptera, by S. A. Packard. —
The structure and transformations of Eumaeus atala, by S. H.
Scudder. — Prodrome of a Monograph of the Tabanidae of the
United States, by C. R. Osten Sacken.
_ Memoirs of the American Association for the Advancement of Science I (a).
Fossil Butterflies, by S. H. Scudder.
April 1877.
Newman’s Entomologist. N°. 169 (April 1877) (a).
Lepidoptera easily overlooked: n°. 1 Ebulea Stachydalis, by J. T.
Carrington. — Phytoptus of the Birch knots, by E. A. Ormerod.
— Descriptions of Oak-galls. Translated by E. A. Fitch, — New
and Rare Microlepidoptera observed during the years 1874,
1875 and 1876, by W. P. Weston. — On Melanism in Lepi-
doptera, by N. Cooke. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. NO. 155 (April 1877) (b).
Descriptions of Hymenoptera from Spitzbergen, collected by the
Rev. A. E. Eaton, by the Rev. T. A. Marshall. — Lepidoptera
captured during an excursion to Switzerland and the Italian
Lakes, by W. A. Forbes. — Entomological Notes, Captures, etc.
— Descriptions of some new species and indications of new genera
of Coleoptera from New Zealand, by D. Sharp.
Annals and Magazine of Natural History. 4th series, vol. 19, n°. 112
(April 1877) (b).
The Vates Ashmolianus of Westwood, the Type of a new genus of
LXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Mantidae, by Prof. J. Wood-Mason. — Hermaphroditism in the
Parasitic Isopoda. Further Remarks on Mr. Bullar’s Papers on
the above subject, by N. H. Moseley. — Descriptions of three
Homopterous Insects in the Collection of the British Museum,
by A. G. Butler.
Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereines in Regensburg. Jahrg.
30 (1876) n°. 9—12 (b).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel. — Ueber Nema-
tusgallen an Weidenblättern und ihre Erzeuger (Nachtrag), von
Dr. Kriechbaumer.
Bullettino della Società Entomologiea Italiana. Ann. 9°, trim. I (a).
Saggio di un Catalogo dei Lepidotteri d’Italia, compilato dall’ Ing.
A. Curo. — Coleotteri Tenebrioniti delle Collezioni Italiane, esa-
‘ minati da F. Baudi. — Repertorio degli insetti parassiti e delle
loro vittime, del Prof. C. Rondani. — Saggio di un ordinamento
naturale dei Mirmicidei e Considerazioni sulla Filogenesi delle
Formiche ,* pel Dott. C. Emery. — Di alcune speciali produzioni
dermiche in certi Crostacei brachiuri, del Dott. A. Batelli.
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Jahrg. 1876. 2tes Heft. (0).
Eclimus hirtus und Hapalothrix lugubris, zwei neue europäische
Dipteren, vom Prof. H. Löw. — Sapromyza obsoletoides n. sp.,
von Dr. J. Schnabl. — Verwandlungsgeschichte der Phora rufipes
Meig., von Dr. J. Schabl. — Zehn neue Hydrocanthus-Arten, be-
schrieben von E. Wencke. — Ueber Carabus biseriatus Chaud.,
von Dr. G. Kraatz. — Europaeae et eircummediterraneae Faunae
Tenebrionidum specierum quae Comes Dejean in suo Catalogo
consignavit ex ejusdem colleetione in R. Taurinensi Musaeo as-
servata, cum auctorum hodierne recepta denominatione collatio.
Auctore F. Baudi a Selve. Pars tertia. — Generis Helopis specie-
rum methodicae dispositionis tentamen. Auctore F. Baudi a Selve,
— Bemerkungen über Prosodes-Arten, von Dr. G. Kraatz. —
Bemerkungen über Asida-Arten, von Dr. G. Kraatz. — Ueber
die Bockkäfer-Gattung Phyloecia, von Dr. G. Kraatz. — Neue
Trans-Caucasische Coleopteren, gesammelt von Hans Leder, be-
schrieben von E. Reitter. — Revision der Monotomidae (sensu
le Conte), von E. Reitter. — Revision der Philothermus-Arten,
von E. Reitter. — Rhipidonyx, novum genus Mycetophagidarum,
von E. Reitter. — Neue Peruanische Nitidularier der Kirsch’schen
Sammlung, von E. Reitter. — Neue Nitidularier der Dohrn’schen
Sammlung, von E. Reitter. — Orthoperus punctulatus n. sp. (aus
Ungarn), von E. Reitter. — Uebersicht der Europäischen Cerylon-
Arten, von E. Reitter. — Eine Excursion auf dem Krivan in
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXV
Uagarn, von Dr. K. Branesik. — Die Cortodera- und Grammoptera-
Arten redivirt von Dr. L. v. Heyden. — Die Longicornen-Gat-
tung Vadonia, von Dr. L. v. Heyden, — Ueber Thomsons nägra
anmärkningar öfver arterna af slägtet Carabus vow Dr. G. Kraatz.
— Ueber Carabus leptopus Thoms. (Gougeleti Reiche), von Dr.
G. Kraatz. — Ueber Carabus Fausti Dohrn, von Dr. -G. Kraatz.
— Carabus intricalus var. montenegrinus Kraatz, von Dr. G.
Kraatz. — Berichte über Entomologische Excursionen nach einigen
Comitaten Ungarns, von Max von Hopffgarten. — Zwei neue
Grammoptera-Arten, von Dr. G. Kraatz. — Synomymische Be-
merkungen von Baron v. Chaudoir. — Ueber Pimelia Fairmairei
Kraatz, von Dr. W. Rolph. — Nachträge dazu von Dr. Kraatz
und Dr. Haag. — Ueber Systematik und geographische Verbrei-
tung der Gattung Silpha L. und verwandten Genera, von Dr. G.
Kraatz. — Uebersicht über die Südamerikanischen Arten der
Silphiden-Gattung Hyponecrodes Kraatz, von Dr. G. Kraatz. —
Ueber eine merkwürdige Monstrosität bei Cimber axillaris, von
Dr. G. Kraatz. — Noch einige Beschreibungen von Difformitäten
bei Käfern, von Dr. G. Kraatz. — Ueber einen Heilipus aus
Peru mit fadenförmigen Pilzen, von Dr. G. Kraatz. — Die Zahl
der Deutschen Phytoecia-Arten, von Dr. G. Kraatz. — Anaspis
(Silaria) palpalis n. sp., von J. Gerhardt. — Molorchus discicollis
Heyd., von Dr. L. v. Heyden. — Revision der Cerylon-Arten
aus Europa und den angrenzenden Ländern, von E. Reitter. —
Ueber den Clypeus der Necrophorus-Arten, von Dr. G. Kraatz. —
Ueber das Artrecht des Neerophorus morio Gebl., von Dr. G.
Kraatz. — Ueber Neerophorus sepulchralis Heer, von Dr. G.
Kraatz. — Ueber Donacia sericea der v. Heyden’schen Sammlung,
von Dr. G. Kraatz. — Ueber Amara continua und Philonthus
sericeus, von Dr. G. Kraatz. — Ueber Dorcatoma Zusmachusense,
von E. von Harold. — Bothynoderes duplicarina Chevr., eine
angeblich neue deutsche Art, von Dr. G. Kraatz.
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Ann. 1876,
n°. Let 2 (b).
Ein neuer russischer Flusskrebs, Asfacus colchieus, von Prof. K.
Kessler. — Beitrag zur Kenntniss der Süsswasser-Cladoceren
Russlands, von A. Hudendorff. — Monographie dés Siagonides ,
par le Baron de Chaudoir.
Proceedings of the scient. Meetings of the Zool. Soc. of London for
1876. prt. III (a).
Revision of the Lepidopterous genus Teracolus, with Descriptions
of the new species, by A. G. Butler. — List of the Butterflies
of Peru, with Descriptions of new species, by H. Druce, and
with some notes by E. Barlett. — On a small Collection of But-
9
LXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
terflies from the New Hebrides, by A. G. Butler. — On a new
Order and some new Genera of Arachnida from Kerguelen’s Land,
by the Rev. O. P. Cambridge. — Descriptions of Lepidoptera
from the Collection of Lieut. Howland Roberts, by A. G. Butler. —
— Catalogue of a Collection of Spiders made in Egypt, with
Descriptions of new Species and characters of a new Genus, by
the Rev. O. P. Cambridge.
Mei 1877.
Newman’s Entomologist. N°. 168 (May 1877) (a).
Heliothis sculosa, by E. A. Fitch. — On the Formation of a Col-
lection of foreign Lepidoptera, by W. F. Kirby. — A six week’s
Entomological Tour in Switzerland, by the Rev. J. C. W.
Tasker. — Notes on Crambites, observed during the years 1874,
1875 and 1876, by W. P. Weston. — Cidaria fulvata, by F.
Bond. — Descriptions of Oak-galls. Translated by E. A. Fitch. —
Isocolus Scabiosae, a Cynipideous Gallmaker new to Britain, by
E. A. Fiteh. — Melanochroism ete. in Lepidoptera, by F. Bu-
chanan White. — On Melanism and Variation in Lepidoptera,
by W. Prest. — Causes of Melanism in Lepidoptera, by E. K.
Robinson. — Reereations of a Country Doctor, by H. W.Livett.
— Entomological Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine. N°. 156 (May 1877) (0).
Descriptions of some new species, and indications of new genera
of Coleoptera from New Zealand, by D. Sharp. — Diagnoses of
four species of Doryphora from Columbia by J. S. Baly. — On
stridulation in some species of Lepidoptera-Heterocera, by A. H.
Swinton. — Description of a new Marma from West-Africa, by
W. ©. Hewitson. — Description of Eupitheeia albipunctata, var.
angelicata, by C. G. Barrett. — Entomological Notes, Captures, etc.
Annals and Magazine of Natural History. 4th series, vol. 19, n°. 113
(May 1877) (b).
On the Final Stage in the Development of the Organs of Flight in
the Homomorphie Insecta, by Prof. J. Wood-Mason. — Revision
of the Lepidopterous Genus Cleis, with Descriptions of the new
Species, ‘by A. G. Butler. — On the Elateridae of New Zealand,
by D. Sharp. — Descriptions of a new species of Portunidae
from the Bay of Bengal, by Prof. J. Wood-Mason. — New Co-
leopterous Insects from Queensland, by C. O. Waterhouse.
Revue et Magasin de Zoologie, fondé par Guérin Méneville. 3me ser.
tom. 5, n°. 1 et 2 (0).
Les Cicadines d'Europe d’après les originaux et les publications les
plus récentes. Traduit de Allemand par F. Reiber. — Monogra-
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXVII
phie de la tribu des Sareoptides psoriques qui comprend tous les
Acariens de la Gale de l’homme et des animaux, par M. J. P.
Bégnin.
Schriften der Physik.-Oekon. Gesellschaft zu Königsberg. Jahrg. 16
(1875) (a).
Beobachtungen über die Arten der Blatt- und Holzwespen, von C.
G. A. Brischke und Prof. Dr. G. Zaddach. — Vierter Nachtrag
zum neuen Verzeichniss der Preussischen Käfer, von Dr. Lentz.
— Ueber den Colorado-Käfer, von Dr. Schiefferdecker. — Ueber
die Reblaus, von Dr. Benecke. — Ueber Anpassungen zwischen
Pflanzen und Insekten, von Dr. Czwalina.
Juni 1877.
Newman’s Entomologist. N°. 169 (June 1877) (a).
Melitaea Athalia var. Eos Haw., by S. Stevens. — Introductory
Papers on Lepidoptera, by W. F. Kirby. — Melanism in Lepi-
doptera, by N. Cooke. — Andrena ferox, by E. A. Butler. —
On the Spiders of Scotland, with a List of Species, by the Rev.
O. P. Cambridge. — Descriptions of Oak-galls. Translated by E.
A. Fitch. — Entomological Notes, Captures, etc. — Answers to
Correspondents.
Entomologist’s Monthy Magazine. N°. 157 (June 1877) (b).
Natural History of Drepana sicula, by W. Buekler. — Characters
of a new genus and descriptions of new species of Cossonidae
from the Sandwich Islands, by the Rev. T. Blackburn. — De-
scription of a new species of Butterfly from Lake Nyassa, by
W. C. Hewitson. — Antispila Rivillei, the summer brood, by
H. T. Stainton. — Descriptions of new species and indications
of new genera of Coleoptera from New Zealand, by D. Sharp. —
Remarks on some British Hemiptera-Heteroptera, by Dr. 0. M.
Reuter. — Entomological Notes, Captures, ete. — Descriptions
of new Coleoptera from various localities, by C. O. Waterhouse.
Annals and Magazine of Natural History. Ath. ser. vol. 19, n°. 114
(June 1877) (b).
Descriptions of several African and Australian Lepidoptera in the
Collection of the British Museum, by A. G. Butler. — On the
Elateridae of New Zealand, by D. Sharp. — Description of a
new species of Phasmidae from the Malay Peninsula, by Prof.
J. Wood-Mason.
Tijdschrift voor Entomologie. Deel 20, aflev. 3 (a en b.)
Verslag van de 10de Wintervergadering. — De inlandsche Hemi-
LXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
pteren beschreven en meerendeels ook afgebeeld door S.C. Snellen
van Vollenhoven.
Julij 1877.
Newman’s Entomologist, N°. 170 (July 1877) (a).
Biographical Notices. James Scott Bowerbank (with Photograph) ,
by J. T. Carrington. — Descriptions of Oak-galls. Translated by
E. A. Fitch. — On the Spiders of Scotland with a List of Spe-
eies, by the Rev. O. P. Cambridge. — An Abstract of a paper
by Dr. Grenacher on the eyes of Arthropods, by B. Thompson
Lowne. — Workings of Hylesinus Fraxini, by E. A. Ormerod. —
On the Abnormal Appearance of Colias Edusa and other Diurnal
Lepidoptera in 1877, by J. T. Carrington. — Entomological
Notes, Captures, ete. .
Entomologist’s Monthly Magazine. N°. 158 (July 1877) (0).
Descriptions of new Coleoptera from various localities, by C. O.
Waterhouse. — On stridulation in the Hemiptera-Heteroptera
(with illustrations), by A. H. Swinton. — Deseription of a new
species of Trioza, by J. Scott. — Remarks on some British He-
miptera-Heteroptera (continued), by O. M. Reuter. — Apterous
males in the Coccidae, by J. Lichtenstein. — Occurrence of two
species of Trichopterygia new to Britain, by the Rev. A. Mat-
thews. — Three new species of Longicorn Coleoptera from Japan,
by H. W. Bates. — Entomological Notes, Captures, etc. — List
of Heterocerous Lepidoptera recently collected by the Rev. T.
Blackburn in the Hawaiian Islands, by A. G. Butler.
Annals and Magazine of Natural History. 4th. series, vol. 20, n°. 115
(July 1877) (b).
Descriptions of Asiatie Diurnal Lepidoptera, by F. Moore. — Report
on the Crustacea collected by the Naturalists of the Arctic Ex-
pediticn in 1875/76, by E. J. Miers. — On a small Collection of
Orthopterous Insects of the Families Phasmidae and Mantidae
from Australia and New-Britain, with Descriptions of four new
Species, by Prof. J. Wood-Mason.
Archiv für Naturgeschichte, herausgeg. von Troschel. Jahrg. 40.
Heft 5 (0).
Bericht über die wissenschaftlichen Leistungen auf dem Gebiete
der Entomologie während der Jahre 1873 und 1874, von Dr.
Ph. Bertkau.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Tom. XIX, fase. 2
et 3 (0).
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXIX
Notes et additions au mémoire de M, Beed sur les Carabiques du
Chili inséré dans les Proceedings of the Zoological Society of London
(January 1874), par le baron M. de Chaudoir. — Etude des
espèces européennes et cireumeuropéennes du genre Cneorhinus
Schönh. de la tribu des Brachydérides, Curculionides adélogna-
thes cyclophthalmes, par M. H. Tournier. — Notes pour servir à
l’histoire des insectes du groupe des Phylloxériens, homoptères
formant la transition des Aphidiens aux Coccidiens, par J. Lich-
tenstein. — Description des métamorphoses de Minturnia dimidiata
Lac., coléoptère du groupe des Mégalostomides, par E. Dugès.—
Comptes Rendus des Séances.
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie 6™ sér. tom. V, n°. 3- 5 (b).
Mémoire sur l’appareil musical de la Cigale, par M. G. Carlet.
i "
x Kur tia La È)
ONE
ELE
Fat EAUX Qt ait Ee) +
br
DeLee bs
Ne} xi | sw 45). Pare yim ag ee siii tits
el AW CBR en Ron nin LE IRIS Ia
Ge
D
i A
bie =
f n -
3
a 5.
+
.
= .
.
» 7
N Jenn È
ÿ i
i .
i dI j
‘ *
. i
.
na
+ 1 ; '
1
Mik:
\
} i CERTES ps
i
1
‘
N ERS. AG
VAN DE
ELFDE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE LEIDEN
op Zaturdag 22 December 1877,
des avonds ten 6 ure.
Voorzitter Mr. W. Albarda; voorts tegenwoordig de
heeren: Mr. A. Brants, Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Generaal
Dry AS WM. van Hasselt, J. Kinker, Mr. A. F A. Lees-
berg, J. W. Lodeesen, R. T. Maitland, Dr. J. G. de Man,
Dr. E. Piaget, C. Ritsema Cz., P. C. T. Snellen, K. N.
Swierstra, H. J. Veth, Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven ,
A. J. Weytlandt en F. M. van der Wulp.
Van de heeren Dr. M. C. VerLoren van Themaat, Dr.
Rombouts en F.J. M. Heylaerts Jr. is berigt ingekomen ,
dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen.
De Voorzitter opent de vergadering, heet de tegenwoordig
zijnde leden welkom en wijst er op, dat het Bestuur voor-
nemens is op de aanstaande Zomervergadering eene ver-
andering in de wet voor te stellen, ten einde in ’t vervolg
6
LXXII VUE RS A MG.
minder beperkt te zijn in de keuze van het tijdstip der
Wintervergaderingen, waardoor zal voorkomen worden dat
de wetenschappelijke mededeelingen op het laatst van den
avond, zoo als vroeger wel eens plaats vond, worden
gestoord door het vertrekken van sommige leden, die
gaarne nog met den laatsten spoortrein wenschen huis-
waarts te keeren. Voor dezen avond verzoekt hij daarom
de aanwezigen bij hunne voordragten eenige beknoptheid
in acht te nemen, voor zooveel dit met den aard der me-
dedeelingen is overeen te brengen, opdat zoo mogelijk de
bijeenkomst tegen den tijd van vertrek der laatste treinen
kan afgeloopen zijn.
De heer van Hasselt opent de rij der mededeelingen
en leidt de zijnen in door te herinneren aan de langdurige
nasporingen omtrent de herkomst van den gesteelden en
fleschvormigen cocon der Agelena (s. Agroeca) brunnea Blackw.,
door hem voor een paar jaren in het Tijdschrift beschreven.
Fenige maanden later ontving hij van ons geacht medelid
Ritsema een ander hem tot hiertoe onbekend coconnetje,
uit Würzburg medegebragt. Het is ook glinsterend wit,
blijkbaar van eene analoge spinnensoort, en mede gesteeld,
even als het vorige. Aan een Krica-takje gesponnen schijnt
het daaraan niet te hangen, maar eene opgerigte houding
te hebben, even als dit met den verschen Brunnea-cocon
dikwijls het geval is. Veel kleiner, bezit het een’ anderen
vorm, dien hij met een plat bekertje vergelijkt, waarop
de zwavelgele ovula, met een doorschijnend laagje spinrag
luchtig bekleed, geplaatst zijn.
Beschrijving of teekening daarvan heeft hij bij geen
der hem ten dienste staande arachnologische schrijvers
kunnen vinden, zoodat hij op nieuw voor de queslie van
een «nidus mysticus Heylaerts» scheen te staan. Spoediger
nogtans dan ten vorigen male, zegt hij, op het spoor van
den vermoedelijken oorsprong daarvan gekomen te zijn.
In den afgeloopen zomer hield hij, onder vele anderen.
VAR SATA UC. LXXIIT
ook enkele pulli in observatie van eene andere Agelena-soort,
t. w. A. celans Blackw., die evenwel niet tot den volwassen
toestand konden worden gebragt en afstierven of nog tijdig
op spiritus werden gezet. In hetzelfde fleschje met mos
en heidekruid, waarin hij deze bewaard had, plaatste hij
en naar het scheen bijna volwassen ¢ van deze species,
die insgelijks spoedig bezweek.
Na eenigen tijd eene andere spinsoort daarin willende
kweeken, bemerkte hij, tot zijne niet geringe verrassing,
dat aan een mos-stengeltje, een nog kleiner, maar overigens
volmaakt gelijkvormig coconnetje als dat van Ritsema,
gehecht was. Daar hij nagenoeg zeker meent te zijn in
dit fleschje dezen zomer geene andere araneolae te hebben
gekweekt, houdt hij het voor hoogst waarschijnlijk, dat
deze «bekervormige» cocon door Agelena celans wordt
vervaardigd.
Paartjes op spiritus, zoo van deze species als van A. brun-
moa, benevens hunne merkwaardige eijernestjes, ter bezig-
tiging latende rondgaan, verzoekt hij de Leden beleefdelijk
aanhouding van dergelijke coconnetjes om tot kweekproef
te dienen.
't Zou niet onaardig zijn met zekerheid uit te maken of
deze beker-maakster werkelijk soortelijke analogie heeft met
onze, nu bekende, /lesschen-fabriekante.
Dezelfde Spreker geeft, in afwachting van er misschien
later in het Tijdschrift uitvoeriger op terug te komen, een
kort verslag van eene in het Spaansch geschreven brochure,
hem door onzen landgenoot en medelid, den Hoogleeraar
te Cordova in de Argentijnsche Republiek, Dr. H. Weven-
bergh vereerd, en welwillend door hem in het Nederduitsch
overgebragt door ons geacht medelid Mr. Leesberg. De
mededeeling loopt over een «caso letal por la mordedura
de una arana (la Segestria perfida Walck.) »
Het geval betrof een gezonden, kleinen jongen van 44
jaren, die des nachts door eene spin in den voorarm gebeten
zijnde, ruim 24 uren daarna, onder locale en algemeene
LXXIV VIER JS BRA U,
vergiftigings-verschijnselen van septischen aard (sterke zwel-
ling van den arm, bloed-dissolutie, cerebro-spinaal aan-
doening, enz.) was bezweken. De heer W. deelt nog een
dergelijk doodelijk geval en andere levensgevaarlijke uit
het land zijner tegenwoordige inwoning mede. Hij heeft
intusschen geen daarvan zelf waargenomen en heeft alles
van hooren zeggen; alleen omtrent het door hem beschreven
sterfgeval zijn hem door de ouders en betrekkingen ver-
scheidene inderdaad der opmerking overwaardige inlichtingen
op zijne categorische vragen verstrekt, doch het kind werd
door geen medicus bezocht en was zelfs voor de aankomst
van een’ geneeskundige reeds begraven.
Spreker gelooft wel, dat wij hier werkelijk met een
lethaal geval door spinnenbeet te doen hebben, hetgeen
reeds van groot belang is, daar, zoo als bekend, de zoo-
logen vrij algemeen de doodelijkheid van het spinnenvergift
voor den mensch ten sterkste betwijfelen, of dit zelfs tot
de fabelen meenen te mogen rekenen. Wat daarentegen
aangaat de bij dit stuk gevoegde diagnose der in casu te
beschuldigen spinsoort, — de Segestria Florentina s. per-
fida, — is hij van oordeel, dat deze minder vertrouwen
verdient, hoezeer het wel schijnt, dat die spin daar te
lande nog al veelvuldig voorkomt en gevreesd wordt.
Hij is in de gelegenheid , een prachtexemplaar dier spin, —
in ons vaderland nog slechts uit ééne vindplaats, Walcheren,
door ons geacht medelid Gerth van „Wijk hem bekend
geworden, — te laten rondgaan en besluit zijne mededee-
lingen met het doen bezigtigen van een paar andere fraaije
voorwerpen der meest als giftig beruchte spinsoorten, te
weten der Tarantel (Tarantula fasciiventris Duf.) en der
Oranje-spin (Lathrodectus Curacaviensis Müll.).
De heer Snellen van Vollenhoven zegt ongeveer
het volgende:
«Het is u allen bekend dat de Regering ten behoeve
van ’s Rijks Museum van natuurlijke historie te Leiden de
WER Shee As Ge LXXV
collectie der Scandivische Ichneumoniden van den heer
Holmgren aangekocht heeft; de heer Ritsema, conservator
aan die beroemde instelling, heeft mij vergund deze collectie
in die van het Museum in te lasschen; het spreekt van
zelf dat deze mij bijzonder aangename taak mij in de
noodzakelijkheid heeft gebragt de zeer verspreide literatuur
dienaangaande na te gaan; tevens heb ik gemeend verpligt
te zijn hetzelfde te doen met opzigt tot de Ichneumonen
onzer kolonien en van geheel het zuidelijke gedeelte van
Azie. Opmerkelijk is het mij daarbij toegeschenen dat
sedert het tijdperk van Linnaeus en Fabricius, dat is sedert
het begin dezer eeuw, in de behandeling der Oost-Indische
Ichneumoniden een stilstand heeft plaats gehad van 40
jaren, want eerst in 1846 vinden wij in de Hyménoptères
des Suites à Buffon van de hand van A. Brullé eenige be-
schrijvingen van Indische sluipwespen.
«Later beschreef de Engelsche schrijver Frederick Smith
de Ichneumoniden, welke Wallace op zijne bekende reis
door onze bezittingen heeft verzameld, en wel in de Pro-
ceedings van de Linnean Society van Londen, deel 2,3,5,
6,7en8. Daarna gaf hij in Deel XI (1873) eene algemeene
naamlijst van alle bekende O. I. Hymenoptera, dus ook
van Ichneumoniden. Die lijst is echter met onachtzaamheid
of slordigheid opgemaakt, want niet alleen dat sommige
soorten van Brullé, gedrukt naast of tusschen anderen die
wel worden vermeld, zijn vergeten, maar ook in de naam-
geving ontdekt men verschillende fouten, waarvan echter
eenigen worden verbeterd. Zoo leest men Pimpla eructator
Br. voor cinctator Br, Zoo beschreef Smith in het 5° deel
der Proc. eene Pimpla flaviceps Sm., ofschoon Brullé dien
naam reeds aan een ander insect had toegekend (in de
lijst wordt de naam in P. fenestrata veranderd). Zoo
vindt men in deel II en weder in deel IIT eene Rhyssa
maculipennis Sm., maar de tweede is eene andere species
als de eerste en de naam werd dus weder verbeterd
met Fasciata,
LXXVI NE RSA.
«In ’s Rijks Museum vond ik nu verscheidene soorten,
niet door Wallace aangetroffen, niet door Smith geboekt.
Buiten de 5 soorten van Rhyssa door Smith opgegeven,
beschreef ik er 3 in ons Tijdschrift in 1873 en vind er nu
nog 4 onbeschreven. Van het geslacht Pimpla komen in
de lijst der Proceedings voor 33 soorten; op 's Rijks Mu-
seum staan nog 9 anderen. Het geslacht Ophion telt bij
Smith tien soorten, op ’s Rijks Museum vindt men eene
halve lade vol Oost-Indische Ophionen; het is dus te ver-
moeden dat daaronder nog een schat van nieuwe soorten
aangetroffen zal worden. De oogst is derhalve groot en
ik maak mij gereed er den sikkel in te slaan.
«Voor's hands heb ik mij tot het geslacht Pimpla bepaald
en vind daaronder eigenlijk drie, zoo niet vier genera.
Een daarvan is reeds door Holmgren afgezonderd voor de
Europeesche P. flavicans, en dat genus heet Theronia ; het
wordt gekenmerkt door de dikke dijen der pooten en door
de geheel gladde segmenten van het abdomen. Een ander
genus wil ik Syene noemen en scheid het af voorna-
melijk op grond van het kenmerk, dat de segmenten van
het achterlijf even voor den achterrand eene doorloo-
pende zeer diepe dwarsgleuf bezitten. Overigens is mij in
het algemeen gebleken dat de genera hier, even als in
andere orden en familien, in elkander loopen en dat men
zich dus alle geslachten eigenlijk moet voorstellen als
hebbende een of meer typische soorten als middenpunt en
verscheidene min of meer afwijkende soorten, die van dit
middenpunt naor andere genera uitstralen.
«Wat de biologie van het geslacht Pimpla in Oost-Indië
betreft, geene enkele aanteekening dienaangaande vind ik
beschreven, doch een der onbeschreven soorten werd door
den heer Overdijk op Java in verscheidene exemplaren uit
Sagra Boisduvallii gekweekt; ik noem die soort dan ook P.
Sagrae.
«Bij deze rhapsodistische mededeeling wil ik nog de vol-
gende min of meer heterogene opgave voegen. Tot de
Ware RS Silas AS: Ges LXXVII
lijst der bekende inlandsche Hymenoptera, die niet verder
loopt dan tot aan de Chrysiden, heb ik sedert 1 Maart 1876
bijgevoegd 86 soorten, zoodat op dit oogenblik van de
daarin behandelde familien bekend zijn:
Naamlijst van 1869 en 1872 . . . 1072 soorten.
Bijvoegsel in het tijdschrift 1876. . 277 »
medert 1>Maarı 16706 ontdekt’. ©.” 86 75
Totaal . . . 1435 soorten.
Men gelieve nu daarbij in het oog te houden dat ik ieder
oogenblik stuit op soorten, die mij toeschijnen onbeschre-
ven te zijn en dat het getal personen, die zich de moeite
geven mij van materiaal te voorzien, betrekkelijk gering
is, en zal zich dan approximatief een denkbeeld kunnen
vormen van den rijkdom onzer Fauna aan Hymenopteren.»
De heer Swierstra deelt het volgende mede:
«In September j. I. vervoegde zich de heer Dirks, amb-
tenaar aan het Technologisch hoofdbureau der Amster-
damsche Kanaalmaatschappij tot mij, van een doosje voorzien,
waarin cen twintigtal levende insecten, met verzoek hem
eenige inlichtingen betreffende de levenswijs dezer diertjes
te geven. Bij inzage bleek ’t mij eene soort van het genus
Silpha te zijn en ik vertelde dus, wat eenvoudig voor de
hand lag, dat deze torren van rottende dierlijke stof leven
en gewoonlijk voor «nuttig» staan aangeschreven. Mij
althans, was niet anders bekend. Zeer ongeloovig stond ik
dus te kijken, toen de heer Dirks mij zeide, dat de onder-
havige dieren de vernietigers waren van het jonge koolzaad
in polder II oost der bovengenoemde Maatschappij 1). Bij
eene zeer matig gestelde opbrengst en produetsprijs was de
te verwachten schade nog al van beteekenis en het wel
der moeite waard de zaak nader te onderzoeken. Alle mij
overhandigde torren bleken de in ons land niet zeldzame
1) Deze polder maakt een deel uit van het voormalige, thans drooggelegde IJ,
ten westen van Amsterdam, ter grootte van 400 hectaren.
LXXVIII VE RS UA
Silpha opaca XL. te zijn; het toevoegsel in de Lijst der
Nederlandsche Coleoptera: vrij gemeen in aas,» alsmede wat
ik bij andere schrijvers betreffende het genus las, versterkte
mij in mijn gevoelen, dat, zoo als meermalen, ook hier de ver=
keerde werd beschuldigd en de verwoesting veeleer aan an-
dere oorzaken moest worden toegeschreven, b.v. Halticiden.
Een onderzoek in loco met den heer Dirks en den opzigter des
polders gedaan, overtuigde mij echter op afdoende wijze,
dat ik gedwaald had. Het eerste koolzaadplantje 't beste
dat ik zag, ter hoogte van ongeveer 10 centim. opgeschoten,
werd zeer smakelijk verorberd door een vijftal S. opaca.
't Was betrekkelijk spoedig verdwenen. Geheele akkers kon
men afzien zonder er een enkel plantje op te ontdekken,
akkers, die volgens de verzekering van den opzigter, nog
voor weinige dagen in weligen groei stonden; letterlijk
alles wat groen was werd verslonden. Zonder moeite kon
ik een paar honderd exemplaren op een uitgespreiden zak-
doek afschudden van een bos forsch groeijende planten van
Rumex aquatica, en als op onze wandeling langs de kale
akkers met bijna iederen tred niet een of meer Opaca’s
werden getroffen, verwonderde mij zulks meer dan de
verbazing der beide andere heeren, wanneer zij de diertjes
zagen knagen aan drooge foecalien, oude stukken leder, enz.
«Ondanks mijne verwondering, kon ik mij toch niet
voorstellen dat een dergelijk feit geheel en al onbekend
zou zijn en ik besloot dus de mij ten dienste staande literatuur
verder na te gaan Daarbij vond ik geconstateerd dat
Silphiden-larven in Frankrijk en Duitschland, hoewel zeld-
zaam, toch enkele malen schadelijk optraden. O. a. vindt
men bij Brehm, Thierleben 14° ed. vermelding en in de 2"
uitgaaf een meer uitvoerig verhaal van het schadelijk op-
treden van Silpha's. Ook Redtenbacher spreekt er met een
paar woorden van in zijne Fauna Austriaca.
«Ik rapporteerde vervolgens aan het Bestuur der A. K.
M. mijne bevinding, tevens in bedenking gevende: «., om
overwijld last te geven tot staking der reeds aangevangen
VAR ERE Siemens CE LXXTX
herzaaijing, omdat iedere opschietende zaadkorrel op nieuw
voedsel zou verstrekken aan de blijkbaar hongerlijdende
massa; b. om in verband hiermede op een geheel vrij stuk
land te zaaijen ten einde in het a. s. voorjaar overal te
kunnen stekken, daar waar ’t zal blijken noodig te zijn en
eindelijk e. om de zeer ruwe midden-oppervlakte der akkers
van den geheelen polder te eggen en vlak te maken, aan-
gezien juist de elfene gedeelten der akkers nog 't minst
aangetast waren en de diertjes, die in volkomen staat
overwinteren, minder gelegenheid zouden vinden om zich
tegen het naderend barre jaargetijde te beschutten. Voor ’t
overige zal men den invloed van het winterweder moeten
afwachten, dat hoogstwaarschijnlijk in dezen de grootste
bondgenoot zal blijken te zijn.
«Waaraan is nu het optreden van een enkelen vorm in
zulke verbazende massa’s toe te schrijven ? Genoemde polder
is, als ik wel heb, in 1875 droog gelegd, waardoor eene
groote hoeveelheid rottende dierlijke stof, zoo als ligt te
denken valt, achterbleef en het ontwikkelen van deze diertjes
in grooten getale zeer in de hand werkte. In het najaar
van 1876 liep de polder op nieuw onder, waardoor een
nieuwe aanvoer van die stoffen plaats vond. De reeds talrijke
individuen ontvlugtten naar de hoogere deelen, terwijl de
aanwezigheid van een stoomgemaal den watersnood van te
korten duur deed zijn om de diertjes veel te schaden. Zoo
vonden ze in het voorjaar van 1877 een welbereiden disch
en hunne numerieke vermeerdering was hiervan een natuur-
lijk gevolg. Vele varkens maakten hier echter niet alleen
de spoeling dun maar totaal op, en zoo zag zich lang-
zamerhand het legio genoodzaakt, brood voor korstjes van
pastijen te gebruiken, wat weer ongetwijfeld een’ verzwak-
kenden invloed op de nakomelingschap zal uitoefenen.
«Gaarne geef ik in dezen mijne meening voor beter, doch
wensch ten slotte de vraag te stellen, of feiten als het
hier bedoelde niet de wenschelijkheid bewijzen dat er ook
hier te lande, zoo als reeds voor lang in ’t buitenland
LXXX VISE JR SSD PAGES
een Staats-entomoloog worde aangesteld, die in dergelijke
veel voorkomende gevallen, met de noodige volmagt en
vooral practische kennis toegerust, handelend kan optreden,
eene zaak door onzen te vroeg verscheiden Wttewaall met
zoo veel warmte voorgestaan en nog onlangs door ons
geacht lid Snellen van Vollenhoven in de Landbouw-courant
n°. 48 op nieuw ter sprake gebragt. »
Naar aanleiding van het gesprokene door den heer
Swierstra, wijst de heer H. J. Veth er op, dat Dr. J.
Ritzema Bos in zijne Landbouw-dierkunde ; nuttige en schade-
lijke dieren van Nederland, uitvoerig de levenswijs der Sil-
phiden en ook hun schadelijk optreden behandelt. De heer
Swierstra zegt, dat de jongste aflevering van het genoemde
werk hem nog onbekend is en als eerst kortelings uitge-
komen, welligt nog niet in de bibliotheek van N. A. M.
is ontvangen. !)
Overigens brengt Dr. Piaget, ten vervolge op de mede-
deelingen van den heer Swierstra, andermaal de wensche-
lijkheid ter sprake, dat er van Staatswege een ijverig en
kundig entomoloog worde aangesteld, om ten behoeve van
land- en tuinbouw, bij het aanrigten van schade door in-
secten, waarnemingen en proeven te doen en zoo mogelijk
de middelen aan te wijzen tot beteugeling van het kwaad en
voorkoming van nadeelen in ’t vervolg. Hij meent dat het op
den weg ligt der Entomologische Vereeniging, om de aandacht
der Hooge Regering op het nut van zoodanige instelling te
1) De heer Swierstra is later in de gelegenheid geweest de bedoelde plaats in het
werk van Dr. Ritzema Bos na te zien. Deze zegt het volgende van S/pha opaca :
„Vrij gemeen in aas. De larve is, volgens Curtis in Engeland, volgens Taschen-
„berg in Frankrijk aan mangelwortelen schadelijk.» En elders (blz. 54): „de larven
„van eenige Silpha-soorten (S. atrata, obscura en opaca) zijn enkele malen op akkers
vaangetrofien, waar jonge suikerbieten of mangelwortels stonden, welke planten ge-
„heel door hen werden kaalgevreten.» De heer Swierstra vestigt er de aandacht op
dat hier alleen sprake is van schade, door de larven te weeg gebragt, maar dat
het schadelijk optreden van eene Si/pha-soort in volkomen toestand in die massa als
door hem is waargenomen en dan nog wel aan het jonge koolzaad, een tot dusver on-
bekend feit schijnt te ziju.
Vasta: Ry See Aue LXXXI
vestigen. De Voorzitter antwoordt dat hij en zeker ook
de overige leden het volkomen eens zijn met de heeren
Swierstra en Piaget omtrent de wenschelijkheid van het
instellen eener dergelijke betrekking, en dat hij gaarne
met de overige Bestuursleden in overweging wil nemen, of
niet aan den wenk van Dr. Piaget, om betreffende dit on-
derwerp een adres aan de Regering in te dienen, gevolg
dient te worden gegeven.
De heer Veth deelt mede, dat hij zich dezen zomer,
gedurende zijn verblijf in het Zoologisch station te Vlissin-
gen, weder heeft kunnen overtuigen van de meermalen
gebleken eigenaardige fauna van het eiland Walcheren.
Onder de 175 soorten van Coleoptera, bijna allen door hem
in de onmiddellijke nabijheid var dit station gevangen,
bevinden zich verscheidene zeldzaamheden. Te meer is
dit merkwaardig omdat dit terrein zich kenmerkt door een
zeer schralen plantengroei. Nieuw voor de fauna waren
een S-tal exemplaren van Phylonomus tigrinus Bohem. Verder
ving hij er Agriotes gallicus Lac. in zeer vele exemplaren,
Apion Malvae F., Anisodactylus pseudoaeneus Dej., Cillenum
laterale Curt., Heterocerus femoralis Kies. enz.
Overigens vermeldt hij de volgende vangsten nieuw voor
onze fauna of nog slechts een enkele maal aangetroffen :
Myrmedonia Haworthit Steph., nieuw voor de fauna, bij
Rotterdam; Deleaster dichrous Grav., in verscheidene ex.
bij Rotterdam, volgens Dr. Everts alleen van Ellecom in
Gelderland bekend; Hister helluo Truqui, nieuw voor de
fauna, in een 20-tal exemplaren van St. Oederode in N.-
Brabant; Geotrupes hypocrita IL, een 6-tal bij elkander in de
buurt van Amersfoort, uit den grond gegraven. Tot nog toe
was deze laatste soort alleen bij Breda en Bergen-op-Zoom
gevangen. Misschien is zij echter zoo zeldzaam niet en zou
men ze op andere plaatsen ook wel vinden, door diep in
den grond onder mest te zoeken.
Ten slotte vertoont Spreker nog een fraai voorbeeld van
LXXXII NAME, Sal AiG:
melanisme , bij een te Rotterdam gevangen Amphidasis be-
tularia. Zoowel deze, als exemplaren van de meesten der
genoemde Coleoptera laat hij ter bezigtiging rondgaan.
De heer Leesberg zegt dat hij door de welwillendheid
van ons medelid Mr. A. Brants in het najaar verscheidene
exemplaren ontving van Thyamis Verbasci Pnz. (tabida F.)
te Arnhem op Verbascum Thapsus aangetroffen en waarvan
sommigen nog levend waren. Deze soort, hoewel in het
buitenland niet zeldzaam, was tot nog toe alleen te Arnhem
door den heer van Medenbach de Rooy in een enkel exemplaar
gevonden. Alle andere voorwerpen, die onder den naam
van Verbasci door Spreker in de collectie der Vereeniging
of in die der leden waren gezien, waren Thyamis Jacobeae
Wat. (tabida Ol). De ontvangen levende exemplaren waren
gelukkig van beiderlei sexe, zoodat Spreker de waarschijn-
lijk bevruchte eitjes ter bezigtiging laat rondgaan, waaruit
hij hoopt in het voorjaar de nog onbekende gedaantewis-
seling dezer soort te kunnen waarnemen.
Wegens het groote verschil in kleur bij den type en de
varieteiten dezer Halticide, wijst Spreker op de moeijelijk-
heid bij het zamenstellen eener analytische tabel. Moet
men hier, op de kleur lettende, dezelfde soort drie of vier
raal herhalen of liever alleen wijzen op het kenmerk ,
waardoor deze soort zich bijzonder onderscheidt, namelijk
de zeer lange doorn der achterscheenen ?
De meeste leden waren van het laatste gevoelen, omdat
het herhalen eener soort veel bezwaren heeft en de kleur
een zeer veranderlijk kenmerk is.
De heer Maitland wenscht eene mededeeling te doen
niet van wetenschappelijken maar meer van technischen aard.
Hij wijst namelijk hen, die zich met het aanleggen van
insecten-verzamelingen bezig houden, op eene gelegenheid
om zieh op weinig kostbare wijze de noodige laadjes daar-
voor aan te schaffen. Die laadjes, lang 0.40, breed 0.38
NEE Riser Ge LXXXIII
en diep van binnen 0.05 M., worden van populierhout ge-
heel gereed, op het in elkander zetten na, geleverd door
de firma Vermaes en de Ronde, sigarenkistenfabriekanten te
Weltiazen kosten dan per: Medistjes.: ijd vr ntfs ea
Komt -bij-1Ovruiten „eerste. kwaliteit. .4. . 1: 212%
Werkloon voor het in elkander lijmen. . . . - 3—
MOE Ge 0 el at done de
10 stuks goed sluitende en net afgewerkte insectenlaadjes
verkrijgt. Wenscht men de voorzijde van fijn cederhout,
dan wordt de prijs met slechts f 0.50 per 10 stuks verhoogd.
Wil men den bodem met opzettelijk daartoe vervaardigde
turfplaten voorzien, dan vereischt zulks nog eene uitgaaf
van ongeveer f 6 voor de 10 laadjes '). De heer Maitland
laat een monster der door hem besprokene kistjes zien.
Dr. Piaget spreekt over Nirmus stenopygus Nitsch, die
in zoo vele opzigten van de andere soorten van dit geslacht
afwijkt, dat hij het noodig acht daarvoor een nieuw genus
op te rigten, waaraan hij den naam van Acidoprectus wenscht
te geven. Met zijne gewone naauwkeurigheid wijst hij de
voornaamste kenmerken van dit geslacht aan, daarin be-
staande dat het voorste gedeelte van den kop in ’t midden
uitgehold is en ter wederzijde in den vorm van eenen tand
uitsteekt; dat het achterlijf een tweeden inwendigen band
heeft en de beide laatste achterlijfs-segmenten kegelvormig
zijn. Hij verduidelijkt zijne opmerkingen door teekeningen
op het bord, alsmede door afbeeldingen, die hij ter bezig-
tiging laat rondgaan, welke laatsten hij zich voorstelt ook
in het Tijdschrift te doen opnemen, tevens met eene meer
uitvoerige beschrijving van het geslacht en van eenige
daaronder te rangschikken nieuwe soorten.
1) Deze turfplaten zijn te verkrijgen bij Brückel, Spuistraat n°. 45 te °s Graven-
hage en kosten f 0.89 per plaat van 0.53 bij 0.43 M. Zij vervangen op doelmatige
wijze de veel kostbaarder kurken bodems.
LXXXIV VEER oS) ITA Cr
De heer Snellen brengt in de eerste plaats aan de aan-
wezigen de groeten over van ons medelid Mr. M. C. Piepers
die, in het begin dezes jaars naar Oost-Indië vertrokken,
thans op Java te Kedirie is gevestigd, waar hij de betrek-
king van President van den Landraad bekleedt.
Onmiddellijk na zijne aankomst op Java, waar hij aanvan-
kelijk verblijf hield te Bodjonegoro, residentie Rembang,
maakte de heer Piepers werk van het verzamelen van in-
secten en kon in den loop van den zomer reeds eene col-
lectie naar Nederland afzenden. Deze collectie uit ruim
300 Lepidoptera en een zeker aantal insecten uit andere
orden bestaande, is niet alleen behouden in ons land aan-
gekomen, maar de vlinders zijn reeds uitgezet en met de
andere insecten voor het grootste gedeelte gedetermineerd.
Dit alles is nog binnen den tijd van een jaar geschied en
geeft wel een doorslaand bewijs van den ijver van ons
werkzaam medelid en van het nut hetwelk de verbeterde
gemeenschap tusschen Nederland en zijne O. J. bezittingen
ook voor de entomologie aanbrengt.
Onder de Lepidoptera, die uitmunten door frischheid,
goede behandeling en conservatie, bevinden zich eenige
nieuwe Heterocera. Bij de Rhopalocera zijn geene onbe-
schreven soorten, maar wel eene varieteit van Thestias
venilia Lucas g met witte in plaats van gele grondkleur.
Deze varieteit was aan Spreker niet bekend. Verder merkte
hij op twee exemplaren van Grapholitha lanceolana Hbn.,
niet verschillende van inlandsche. Dezelfde soort komt ook
voor op Sumatra. In Nederland bewoont zij moerassige
plaatsen en vliegt om Juncus.
Vervolgens deelt Spreker mede dat de heer Greshoff uit
's Gravenhage, geémploijeerde bij de Afrikaansche Handels-
vereeniging te Rotterdam en thans in Zuid-West-Afrika,
eene tweede bezending Afrikaansche insecten heelt over-
sezonden, waarbij een aantal goed behandelde en bewaarde
Lepidoptera. Spreker laat daarvan ter bezigtiging rondgaan
een fraai exemplaar der merkwaardige Pseudopontia para-
MARS RE SNLRAN Gis LXXXV
dora Felder (Calabarica Plötz.), eene zeer afwijkende Pieride.
De heer Snellen legt verder een’ brief over, dien Mr. Piepers
van den heer Korndörffer ontving en waaruit blijkt dat
het vermoeden van Mr. Piepers, dat Cathaemia Belisama en
Pyrameis Cardui niet in Atchin maar elders op Sumatra,
in hoogere streken gevangen waren, zeer gegrond is. (Zie
Tijdschr. v. Ent. deel XX.)
Eindelijk laat Spreker rondgaan een viertal Nederlandsche
Lepidoptera zijnde:
Nephopteryx similella Zinck. Nieuw voor de Fauna en
door ons medelid van den Brandt bij Venlo gevangen.
Lycaena Arion L. Een man, den 22" Julij in Noord-Bra-
bant bij Rijen door Spreker bemagtigd.
Catephia alehymista W. V. Een tweede exemplaar dezer
door Pater Aghina in Gelderland ontdekte nieuwe inland-
sche Noctuine (zie Verslag der Wintervergadering op 19
December 1874) vond de heer van den Brandt bij Venlo
tegen een’ eik den 18" Junij.
Agrotis glareosa Borkh. Van dit zeldzame dier, waarvan
tot dusverre nog slechts één inlandsch exemplaar bekend
was, vond de heer van der Wulp in September een wijfje
in de duinen bij ’s Gravenhage en had de goedheid Sprekers
collectie met dit voorwerp te verrijken.
De Voorzitter, Mr. W. Albarda, herinnert de aanwezige
leden aan hetgeen de Arnhemsche en andere dagbladen in
de maand Augustus laatstleden omtrent de groote scharen
witte vliegen te Arnhem en op andere plaatsen langs onze
groote rivieren hebben medegedeeld, opgeschroefde verhalen
(volgens de Maasbode waren het geen vliegen maar zielen
van afgestorvenen) en welke ieder jaar door de dagbladen
met een zeker mystiek waas worden omkleed.
Gelijktijdig met de verschijning te Arnhem, Dordrecht
en andere plaatsen, kwam ook eene aanzienlijke schare
witte vliegen te Diedenhoven (Thionville) in Lotharingen
en zette zich bij millioenen vast in de versche verw van
LXXXVI VUE RSA
eene aldaar nieuw gebouwde spoorwegbrug. De met den
bruggenbouw belaste Ingenieur zond aan Spreker in eenen
brief een aantal exemplaren van die vliegen, met bijvoeging
dat zij hem veel last hadden berokkend en dat hun getal
„oo verbazend groot was, dat hij den volgenden morgen bij
den gaslantaarn van eene daarbij liggende brug de doode
dieren 9 centimeters hoog vond liggen.
Na onderzoek was het Spreker gebleken dat de te Die-
denhoven, te Dordrecht en te Arnhem verschenen dieren
allen waren Ephemera albipennis Latr. en dat die vlugten
allen in denzelfden avond of den daaraanvolgenden zijn
verschenen, zoodat een trekken dezer diertjes niet waar-
schijnlijk is. Het blijkt dus dat op groote afstanden en
onder verschillende plaatselijke omstandigheden toch de
metamorphose der Ephemeriden, op hetzelfde oogenblik,
dezelfde phase intreedt.
Dezelfde Spreker wijst op hetgeen hij in de laatst te
Utrecht gehouden Zomervergadering omtrent de ziektein de
theeheesters op Java heeft medegedeeld (zie Tijdschr. v. Ent.,
deel XXI, bladz. xx1). Hij meende toen dat over die ziekte
het laatste woord was gezegd, doch ten gevolge van mede-
deelingen, deels door Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven,
deels door hemzelven uit Indië ontvangen, is hij thans van
oordeel dat de zaak nog een nader onderzoek vereischt.
Uit die mededeelingen toch is gebleken, dat dezelfde of
eene soortgelijke ziekte in de theeheesters in Engelsch Indië
heeft geheerscht, en dat aldaar even als op Java de oorzaak
der ziekte aan een insect wordt toegeschreven, namelijk aan
den steek van Helopeltis Antonii L. Wel heeft deze bewering
de aanwezigheid van de door Spreker gevonden Fungi, be-
hoorende tot de familie Phytisma Fries. en wel van eene nog
onbeschreven species, niet verklaard en nog minder de onmo-
gelijkheid aangetoond dat dit paddestoeltje alleen de ziekte
is, maar bij het stellige beweren der Indische theeplanters
dat Helopeltis Antonii de schuldige is, dient de zaak nader
onderzocht te worden. Aan Spreker is nieuw materieel
Ve EROS DRAG, LXXXVII
toegezegd; gedeeltelijk heeft hij dat reeds ontvangen en
onderzocht, doch ook deze vernieuwde nasporingen hebben
niets nieuws opgeleverd, maar hij zal verdere bezendingen
afwachten en later op de zaak terugkomen.
De heer Ritsema wijst er op dat de zeldzaamheid van
een of ander insect in de collectién niet altijd is toe te
schrijven aan de zeldzaamheid der soort, maar gewoonlijk
meer aan onze onbekendheid met hare levenswijze, schuil-
hoeken enz. Tot staving daarvan vestigt hij de aandacht
op eene mededeeling, onlangs (3 November) door den heer
H. Donckier de Donceel op eene vergadering der Belgische
Entomologische Vereeniging gedaan, dat namelijk een tot
dusver schaarsch in de insectenverzamelingen voorkomende
en dus ook zeer dure prachtkever, Chrysochroa ocellata van
het vaste land van Indië, voor korten tijd in overgroote
hoeveelheden te Brussel is ingevoerd, en wel als mode-
artikel, waardoor de prijs tot 30 centimes per stuk is ge-
daald. Een twaalftal exemplaren, die hij door vriendelijke
tusschenkomst van den heer Donckier ontvangen heeft,
laat hij ter bezigtiging rondgaan.
De heer Brants vertoont onderscheidene exemplaren
van de vrij zeldzame Cicadelline, Ledra aurita L., waar-
van een met het nymphen-huidje, allen in den nazomer
4877, op beuken rondom Arnhem gevangen, benevens een
voorwerp der overbekende Ephemera albipennis Latr., welk
haft ook weder in den zomer van dit jaar, enkele dagen
achtereen aan den Rijn ook bij Arnhem, in grooten
getale is waargenomen en zoo als reeds zoo even door
den Voorzitter werd opgemerkt, aanleiding heeft gegeven,
dat de dagbladen, in min of meer onjuiste berigten, deze
verschijning ten onregte als eene bijzonderheid hebben
medegedeeld.
Verder deelt Spreker mede, dat zoowel door den heer
Backer te Oosterbeek, als door den heer Ras en door hem
LXXXVIII VERS LAC.
zelven in de omstreken van Arnhem, inden afgeloopen zomer,
de spinsels van Cnethocampa processionea L. in vrij grooten
getale zijn opgemerkt. Beide laatstgenoemden vonden nabij
Warnsborn o. a. eene vereeniging van dergelijke spinsels,
onder aan den stam van een jongen eikenboom, in vorm
en grootte ongeveer gelijk aan een kokosnoot. Bij het uit
elkander werken van dezen hoop spinsels bleek het, dat
de rupsen, die tegen den stam waren ingesponnen en
derhalve het eerst met haar werk waren begonnen, nog
onveranderd waren, terwijl de meer naar buiten geplaatste
cocons, nog geheel versche en de buitenste, alzoo de
laatstgevormde spinsels reeds poppen van verscheidene
dagen oud bevatten.
Spreker acht dit der mededeeling waardig, aangezien
het, hoewel bekend van onderscheidene dieren uit andere
insecten-orden, voor zoover hij weet, omtrent Lepidoptera
— althans wat betreft de verpopping — nog niet werd
opgeteekend, en trouwens slechts bij zeer enkele soorten
kan voorkomen, aangezien gemeenschappelijke verpopping
tot de hooge uitzonderingen onder de vlinders behoort.
Van het vrij groot getal poppen van den Processie-vlinder,
door genoemde heeren medegenomen, stierf een niet on-
aanzienlijk deel; de overigen leverden slechts voor de eene
helft vlinders, terwijl de andere helft bewoond bleek door
enkele exemplaren eener bekende vlieg, Phorocera cilipeda
Rond., doch grootendeels door eene niet minder bekende
sluipwesp, Pimpla instigator F.
Vooral wat de sluipwesp betreft verdient het voorkomen
daarvan in Processie-rupsen de aandacht, daar genoemde
Pimpla zich hierdoor doet kennen als eene gevaarlijke vijandin
van Cn. processionea, en hierdoor tevens het gevoelen van
A. H. Nicolai (Die Wander- oder Prozessionsraupe enz,
Berlin 1833), dat de Processie-rups ook door Ichneumonen
wordt vervolgd, stellig wordt bevestigd, en zulks in tegen-
spraak met de meening van Ratzeburg, die in zijne Forst-
Insecten (deel Il, pag. 125) aan de juistheid van Nicolai’s
Ve Bek SUA LXXXIx
waarneming twijfelt en beweert, dat het in elk geval eene
zeldzaamheid moet zijn, indien de meergenoemde rups door
eene sluipwesp wordt bewoond.
De reeks der mededeelingen hiermede afgeloopen zijnde,
sluit de Voorzitter de vergadering met een woord van
dankzegging aan de verschillende sprekers.
rs
OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
LEPIDOPTERA IN ZUID-WEST CELEBES VERZAMELD,
DOOR
Mr. M. C. PIEPERS,
met Aanmerkingen en Beschrijving der nieuwe soorten
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
EERSTE AFDEELING: RHOPALOCERA.
Al de in deze en de volgende afdeelingen mijner mede-
deelingen vermelde Lepidoptera zijn door mij persoonlijk
gevangen of gekweekt tusschen December 1869 en Juni
1874 in dat gedeelte van het Zuid-westelijk schiereiland
van het groote eiland Celebes, hetwelk de onder rechtstreeks
Nederlandsch bestuur staande landen van het gouvernement
Celebes en onderhoorigheden bevat, alsmede op het tot
hetzelfde gouvernement behoorende eiland Saleyer. Voor
zoover mij bekend is, zijn tot nog toe slechts door den
bekenden Engelschen reiziger Wallace, die echter alleen
de omstreken der hoofdplaats Mangkasar en van het naburige
Maros bezocht, eenige aanteekeningen over de Lepidoptera,
in deze streken levende, bekend gemaakt.
De juiste tijdstippen waarop de voorwerpen gevangen
werden, zijn in den regel niet opgegeven. Ik acht dit voor
de winterlooze, tropische streken als eene zaak zonder
belang en meen naar mijne ondervinding te moeten aan-
| 1
2 OPGAVE VAN. EN AANTEEKENINGEN OVER
nemen dat, tenzij bijzondere omstandigheden dit beletten,
de generatiën der Lepidoptera elkander aldaar gedurende
het gansche jaar onafgebroken opvolgen. De meeste gewone
vlinders heb ik op Java en Celebes steeds het gansche jaar
door gezien; ik meende daarom beter te doen alleen dàn
aanteekening van den vangtijd te houden (zoo als b. v. bij
Papilio Rhesus) wanneer een vlinder slechts op zekere tijden
van het jaar door mij is aangetroffen. Bij het kweeken van
Lepidoptera uit rupsen heb ik steeds bevonden dat de
vlinders na weinige dagen of weken uitkwamen.
Ter verduidelijking der opgegeven plaatsnamen diene het
volgende : 1)
Makassar (beter Mangkasar of Mangkasara). Hoofdplaats aan
zee gelegen in eene lage doch niet moerassige landstreek.
Maros (beter Maroesoe). Hoofdplaats der afdeeling Noorder-
districten; vlak land doch reeds aanmerkelijk hooger dan
Mangkasar.
Bonthain (beter Bantaeng). Hoofdplaats der afdeeling Zuider-
distrieten. Ligt aan zee, aan den voet van het gebergte.
Lokka. Een herstellingsoord in dat gebergte, nabij Ban-
taéng; op plus minus 4000 voet boven de oppervlakte der
zee gelegen, aan den voet van eenen bergtop «de Doodkist »
geheeten, die nog ongeveer 500 voet hooger is.
Bisappoe (Waterval van). Deze prachtige hooge waterval
is op ongeveer 13 uur gaans van Bantaéng (Bonthain) ge-
legen en wordt ook wel naar die plaats genoemd.
Bantimoerong is de inlandsche benaming van eenen mede
zeer schoonen waterval, door Wallace beschreven. Hij is
1) De juiste spelling der plaatsnamen in deze door de Mangkasaren en Boegineezen
bewoonde landstreken is pas voor korten tijd door Dr. B. F. Matthes bekend gemaakt
in een opstel, uitgegeven in het 7de deel der Bijdragen van het Koninklijk Instituut -
voor de taal- land- en volkenkunde van Nederlandsch Indi& (’s Gravenhage 1872)
en den niet te korten titel dragende » Eenige opmerkingen omtrent en naar aanleiding
„van dat gedeelte van Dr. J. J. de Hollander’s Handleiding bij de beoefening der
„land- en volkenkunde van Nederlandsch Oost-Indië, hetwelk handelt over het
» Gouvernement van Celebes en onderhoorigheden. »
Ter voorkoming van verwarring vermeld ik hier van de belangrijkste plaatsen zoo=
wel de gebruikelijke als de wezenlijke spelling.
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. : 3
op ruim 24 uur gaans van Maroesoe (Maros) gelegen en
wordt daarom ook veelal «De Waterval van Maros» genoemd.
Amparang (Bergpas van de). De groote weg van de afdeeling
Zuider-distrieten naar de afdeeling Ooster-districten over-
schrijdt het gebergte daar waar de rivier de Amparang zich
eenen weg daar door heen baant. Om deze reden noemt
men dit gedeelte van den grooten weg veelal de bergpas
van de Amparang. |
Lamatti. Is de naam van een heuvelig regentschap in de
afdeeling Ooster-districten.
Takalar (a). Is eene plaats op ongeveer 10 uren gaans van
Mangkasar, zeer nabij de zee, in laag moerassig land gelegen.
Saleyer (beter Silayara). Het vrij groote, ten Zuid-westen
van Celebes gelegen bergachtige eiland. ,
Djeneponto. Plaats aan zee gelegen ongeveer 20 uren gaans
ten zuiden van Mangkasar. Zeer laag land.
Balangnipa. Hoofdplaats der Ooster-districten; zeer laag.
moerassig land nabij de zee gelegen.
E.
RHOPALOCERA
gerangschikt naar Herrich-Schäffer’s Prodromus (Corr. Bl.
des Zool.-Min. Vereins zu Regensburg), de Erycinina, Lycae-
nina en Hesperidina naar den Catalogus van Kirby.
4. Euploea Euctemon Hew. — Amparang; twee mannetjes.
2. Euploea Hyacinthus Butl. (Hewitsonii Feld.). — Bonthain,
3000 voet; een wijfje. Alleen in het gebergte gezien.
3. Euploea Diana Butl. (Horsfieldii Feld.). — Amparang; Maros;
Bonthain ; 3000 voet; verscheidene exemplaren. Als
de voorgaande.
4. Euploea Mniszechii Feld. — Balangnipa; Lamatti; Bonthain;
ten deele op 3000 voet hoogte gevangen. Vele exems
plaren.
4 OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
5. Euploea Viola Butl. (Westwoodii Feld.). — Bantimoerong ;
Bonthain; Amparang; op laatstgenoemde plaats de
meeste exemplaren. sp
Aanmerking. Ken voorwerp is een derde kleiner
dan de andere exemplaren, die de grootte hebben van
het bij Felder afgebeelde mannetje; de teekening
bestaat mede uit veel kleiner vlekken doch is volkomen
gelijk aan die van den type. Sn.
6. Euploea Schlegelii Feld. (Superba Voll.; Badoura Kirb.). —
Amparang; Bonthain.
Aanmerking. Het is vreemd dat Kirby uit de zeer
goede afbeelding door Dr. Snellen van Vollenhoven
de indentiteit met Schlegelü niet herkend heeft en
nog een’ nfeuwen naam voor Superba (die overigens
toch verdoopt moest worden) bedacht. Het wijfje ge-
lijkt zeer op het mannetje, doch mist de beide vaal-
zwarte strepen in cel 1° der voorvleugels. Sn.
7. Euploea Eupator Hew. — Amparang; Lamatti. Verscheidene
exemplaren, waarbij zeer groote wijfjes van 100—
403 mm. vlugt. De groote wijfjes uitsluitend uit het
zware bosch van den bergpas der Amparang. —
8. Euploea Redtenbacheri Feld. — Bantimoerong (twee wijfjes);
Bonthain (een man).
Aanmerking. Ik houd Coracina Hopff. (Stett. Ent. Zeit.
1874 p. 30) voor dezelfde soort.
Het voor zoo ver ik weet nog onbeschreven wijfje
is even groot als de man (ongeveer 95 mm.), op de
bovenzijde omberbruin met vervloeijend roetbruine
wortelhelft, aderbeloop en achterrand, zoodat een
bleekere band van vlekken of liever langsstrepen der
grondkleur overblijft, die met eene tegen de punt
van iederen vleugel iets geslingerde reeks van ronde
witte vlekjes is geteekend. Aan den wortel van cel
3 en tegen het eind van de middencel der voorvleugels
ziet men nog een of twee paar witte vlekjes, voor
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 5
den achterrand in sommige cellen witte stippen.
Franje wit en donkerbruin.
Onderzijde bleeker dan boven; het aderbeloop ver-
vloeijend donkerbruin; de vleugelwortels niet don-
kerder maar daarentegen cel 2 en 3 der voorvleugels
wel en dus op die plaats de lichte band, die veel
helderder is dan boven, afgebroken. Even voorbij het
midden van den vleugel wordt nog eene reeks witte
vlekken gevonden; de stippen voor den achterrand
zijn in alle cellen duidelijk en alle witte vlekjes paars-
' achtig. Eindelijk ziet men bij den binnenrand der
voorvleugels twee paarswitte langsstrepen, eene breede
over ader 1 en eene smalle in cel 1°. Deze vlinder
gelijkt dus op de wijfjes van Midamus en op Eupl.
configurata Feld. Sn.
9. Hestia Blanchardii March. (Tondana Voll.). — Bantimoerong.
Verscheidene exemplaren. Niet zeldzaam in het lage
gebergte. Ook nabij Bonthain.
Aanmerking. De vleugels meer gelijkmatig berookt .
dan op de afbeelding Tondana Voll. Sn.
40. Hestia vitrea Blanch. — Amparang; Bonthain (3000 voet);
Bantimoerong. Niet zeldzaam in het lage gebergte, wat
ook Hopffer aanteekent. Zie Stett. Ent. Zeit. 1874 p. 35.
Aanmerking. Hestia en Ideopsis zijn door Herrich-
Schäffer vereenigd. Ik zie wel bij sommige soorten
verschil in den stand van de dwarsader der achter-
vleugels tusschen ader 4 en 5 (steil bij Blanchard
en Batjanensis Voll. in litt.), schuin bij Vitrea, Chloris),
‘doch andere soorten (vooral Daos Boisd.) vormen den
overgang. Sn.
11. Danais Cleona Crain. — Amparang, Bonthain.
Aanmerking. Alle exemplaren gelijk aan Cramer’s
afbeelding. Crocea Butl. van Java schijnt slechts eene
varieteit te zijn. Sn.
6 OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
42. Danais Juventa Cram. — Vele exemplaren van verschillende
plaatsen; overal uiterst gemeen.
Aanmerking. De vleugels zijn spitser dan bij de
Javanen en het groenwit der wortelhelft beperkter,
doch ander verschil vind ik niet. Een overgang
op Danais sobrina Boisd. wordt zoodoende aange-
duid. Sn.
43. Danais Melissa Cram. — Bonthain (3000 voet); Takalara;
Saleyer.
44. Danais fulgurata Butl. — Takalara; Djeneponto; Saleyer.
Schijnt niet zeldzaam. Alleen in de zeer lage en
moerassige, niet ver van zee gelegene streken. Al-
daar gewoon en de iets hooger op gemeene Dan.
leucoglene Feld. vervangende. _
45. Danais leucoglene Feld.—Bantimoerong (3000 voet); Lamatti.
Zie bij de voorgaande soort.
Aanmerking. Waarschijnlijk Philene var. en met deze
varieteit van Plexippus L.; Fulgurata is ook na ver-
want doch schijnt eene goede soort. Sn.
16. Danais Chrysippus L. — Djeneponto ; Saleyer, Bantimoerong.
Vele exemplaren. Even als bij Batavia (zie Lepidoptera
van Batavia, Tijdschrift deel XIX) zeer gewoon in
de nabij gelegen streken, doch ook alleen daar voor-
komende.
Aanmerking. Kleiner en donkerder dan Afrikaan-
sche exemplaren. Sn.
47. Cyllo Leda L. — Overal uiterst gewoon. Over de rups
zie het stuk over de Lepidoptera van Batavia. Zij
leeft ook bij Mangkasar op Pampa-gras.
Aunmerking. Zeer vele exemplaren, die allen klein
en donker zijn en slechts zelden en dan nog spaar-
zaam met roestkleur om de wit gekernde zwarte
vlekken der .voorvleugels zijn geteekend. SN.
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 7
48. Bletogona Erebia Sn. nov. spec. (PI.4 fig. 4). — Bonthain.
Een mannetje van 59 mm. In het lage gebergte nabij
Bonthain.
Aanmerking. Dit genus, dat aan Herrich-Schäffer
onbekend bleef, vindt zijne plaats naast Cyllo. Ader
3 der achtervleugels is van 4 slechts juist half zoo
ver als van 2 (bij Cyllo iets verder), de 3 bovenste
worteladeren der voorvleugels zijn slechts zeer weinig
verdikt en de achtervleugels -ongestaart.. Overigens
zijn de oogen naakt-en de nervuur, palpen en sprie-
ten als bij Cyllo.
Mijne nieuwe soort is op de bovenzijde donker
roetbruin met lichteren , bruingrijzen, niet scherp be-
grensden achterrand der vleugels. Op de onderzijde is
zij bruingrijs met vuilwitte schrapjes, die vooral over-
vloedig zijn im de middencel en verder boven ader
4, langs den voorrand der voorvleugels; cel 2 en 3
dier vleugels hebben er slechts weinige, cel 1° en 1°
vertoonen er slechts sporen van langs den achterrand.
Op de achtervleugels zijn zij meer gelijkmatig, iets
rijkelijker langs den binnenrand en tegen den vleugel-
wortel. Cel 6 heeft even voor de helft een ovaal.
zwart oog met groote paarswitte kern. -
Blet. Mycalesis Feld. is op de bovenzijde grijsbruin,
de voorvleugels hebben eene groote roodgele en witte,
bovenaan zwartgerande vlek, de achtervleugels een’
halven leemgelen dwarsband, waarin drie ovale zwarte,
wit gekernde vlekken. Onderzijde geelwit en, behalve
op het staarthoek-vierde der voorvleugels, met grijs-
bruine schrapjes; in cel 2—4 der voorvleugels en
4°, 2—7 der achtervleugels geel gerande, wit gekernde
zwarte oogen. Erebia foem. ? Sn.
49. Yphthima Hübneri Kirb. (Philomela Hbn., Zutr.). — Lamatti;
Balangnipa; Saleyer; Bonthain (3000 voet). Zeer
gewoon.
8 OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
Aanmerking. Is Lysandra Cram. niet : dezelfde
soort? Sn.
20. Yphthima Loryma Hew. — Gewoon, doch niet in het
lagere land.
Aanmerking. Vele exemplaren van verschillende
plaatsen, die zeer in grootte variéren, namelijk van
do—45 mm. Dit verschil is niet sexueel. Sn.
21. Debis Arete Cram. — Maros en Makassar. Op sommige
plaatsen niet zeldzaam. Deze is de schemering-vlinder, |
waarover in het Verslag der Zomervergadering van
de Ned. Ent. Vereen. op pag. xxı wordt gesproken
onder den naam van Debis Europa F.
Aunmerking. Verscheidene exemplaren, die geen
overgang toonen op Beroe Cram., waarmede Kirby
haar als varieteit vereenigt. ~ Sn.
22. Mycalesis Megamede Hew. — Makassar, Balangnipa, Bon-
thain (3000 voet). Gewoon.
23. Mycalesis Mineus L. (Justina Cram.) — Twee exemplaren,
beiden van Makassar.
2
a
. Mycalesis Hesione Cram. var. Doris Cram. — Maros, La-
matti, Bantimoerong. Gewoon.
Aanmerking. Volgens Kirby is Doris Cram. dezelfde
als Medus Fabr. en Hesione Cram. slechts eene varie-
teit. Sn,
25. Mycalesis Jopas Hew. — Lamatti.
26. Mycalesis Dexamenus Hew. — Verscheidene exemplaren,
allen van Bonthain. In het lage gebergte gewoon.
27. Mycalesis Jtys Feld. — Amparang (twee mannen); Bon-
thain 3000 voet (een wijfje). Als de voorgaande.
28. Elymnias Cumaea Feld. (Cuerulescens Voll. in litt.) —
Bonthain, Makassar, Saleyer. Vele exemplaren. Ver-
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 9
moedelijk een schemering-vlinder even als El. Lais,
waarmede hij in wijze van doen veel overeenkomst
heeft. Op sommige plaatsen, vooral op Saleyer, zeer
gewoon en hoofdzakelijk in zoogenaamde Klapper-
en Arengtuinen, aanplantingen van Cocos nucifera L.
en Arenga saccharifera Mart. De vlinder rust even als
Lais onder aan de stammen dezer boomen.
29, Ergolis Ariadne L. — Bonthain, Djeneponto. In de moe-
rassige, nabij de zee gelegene streek van Djeneponto
zeer gewoon, in hoogere streken minder.
30. Ergolis obscura Feld. — Bonthain. Op enkele plekken
in het dichte bosch van den bergpas der Amparang
en nabij den waterval van Bisappoe. Verscheidene
exemplaren van beide sexen.
Aanmerking. Felder maakt alleen het mannetje
bekend; ik geef dus eene beschrijving van de andere
sexe. Bij de: wijfjes zijn de voorvleugels aan den
achterrand minder afgerond dan bij den man, op
ader 2 en 6 zelfs iets hoekig en de geheele achter-
rand is meer gegolfd. Bovenzijde bruingeel gekleurd,
scherper geteekend dan bij den man, aan den wortel
weinig donkerder doch iets grauwer, tusschen de
teekeningen iets warmer geel. De bruine vlekken
voor den achterrand zijn op de achtervleugels in
alle cellen duidelijk en de geheele achterrand achter
eene scherpe zwartbruine lijn donker grauw, in cel
3, 4, 6, 7 der voorvleugels soms grijswit. Het ge-
deelte der achtervleugels dat boven ader 5 ligt, is
dus bij het wijfje niet ongeteekend en vaal grauw-
bruin gelijk bij het mannetje. Aan de onderzijde
herhaalt zich de teekening der bovenzijde vrij scherp
op bruinwitten grond. SIL.
31. Limenitis Lymire Hew. — Bonthain. Niet zeldzaam in
het lagere gebergte.
10 OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN ‘OVER
32. Limenitis Lysanias Hew. — Bonthain. In het lagere ge-
bergte. Slechts een exemplaar.
33. Limenitis Lybnites Hew. — Amparang, Bonthain. Niet
zeldzaam in het lagere gebergte. Slechts enkele
exemplaren. Een paar werd in coitu gevangen.
Aanmerking. Het wijfje mist de twee groote
witte vlekken der voorvleugels die het mannetje
bezit. SI
34. Limenitis Lyncides Hew. — Bonthain, Amparang. Als de
voorgaande, doch niet zeer gewoon en zich kenmer-
kende door eigenaardige zwevende vlucht, zich ook
gaarne, op iets meer dan -manshoogte, tegen boom-
bladeren nederzettende.
Aanmerking. Bij Lybnites en Lyncides is het zeer
moeijelijk uit te maken of de middencel der voor-
vleugels gesloten of open genoemd moet worden. In het
laatste geval behooren zij volgens Herrich-Schäffer’s
Prodromus tot Athyma.
Het is wel te verwonderen dat Kirby in zijn met
zooveel zorg bewerkten Catalogus Herrich-Schäffer’s
systeem niet gevolgd heeft. Er bestaat toch voor de
Rhopalocera geen ander dat in degelijkheid het werk
van den Regensburger Lepidopteroloog in de verte
nabijkomt. Alleen de Lycaenina en Erycinina heeft
Dr. Herrich-Schäffer uit gebrek aan materieel niet
kunnen bewerken en de Hesperidina niet volledig. Sn.
30. Neptis Antara Moore — Bonthain, Balangnipa, Lamatti.
Verscheidene exemplaren. Gewoon in het lagere ge-
bergte.
36. Neptis Neriphus Hew. — Bonthain. Als de voorgaande.
Mede verscheidene voorwerpen.
37. Neptis Aceris Lep. var. Celebensis Hopff. (Stelt. Ent. Zeit.
1874, p. 36.) — Vele exemplaren van alle lokalitei-
39.
40.
AA.
42,
43.
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 1441
ten, uitgenomen Bonthain. Uiterst gewoon. De exem-
plaren van Saleyer de donkersten.
Aanmerking. De voorwerpen behooren allen tot
de varieteit Celebensis, doch sommigen vertoonen
overgangen op den type der soort. Het wit der
bovenzijde is min of meer verduisterd en op de
onderzijde der voorvleugels is de witte vlek in cel 1
meestal kleiner dan bij den type. Sn.
. Charaxes Athamas Drury. — Alloe, Bonthain. Zeldzaam ;
in het lage gebergte. Slechts twee exemplaren.
Cyrestis Rahria Moore. —- In het bosch bij den Bantimoe-
rong. Een exemplaar.
Cyrestis Thyoneus Cram. — Alleen in het bosch bij den
Bantimoerong, doch aldaar gewoon.
Cyrestis Acilia God., var. Strigata Feld. (Catena Voll. in
litt.) — Vele exemplaren. In het dichte bosch van
het lage gebergte gewoon, doch nimmer in het
eigenlijke lage land gevonden.
Aanmerking. Stellig geene afzonderlijke soort zoo
als Hopffer (Stett. Ent. Zeit. 1874, p.36) vermeldt. Sn.
Amathusia Phidippus L. — Verscheidene exemplaren. Een
overal zeer gewone schemeringvlinder. Zie de be-
schrijving der rups in de Lepidoptera van Batavia.
Aanmerking. De exemplaren van Gelebes zijn ruim
zoo groot en ook donkerder dan de Javanen. Sn.
Cierome Chitone Hew. (Gelebensis Voll. in litt.) — Bonthain,
Bantimoerong, Amparang. Deze vlinder komt uit-
sluitend voor in dicht, vochtig bosch in het gebergte,
waar hij zich op den vochtigen grond zet. Op die
plaatsen zeer gewoon.
. Diadema Bolina L. — Verscheidene exemplaren van alle
lokaliteiten ; ook Bonthain, 3000 voet. Zeer gewoon.
12
45
AG
47
48
OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
‘ Aanmerking. De wijfjes behooren meerendeels tot
de var. Iphigenia Cram. Pl. 67. D. E. En.
. Diadema Misippus L. — Slechts drie mannetjes. In het
lage land gewoon.
. Diadema Antilope Cram. — Balangnipa (Lamatti). Zeld-
zaam. Een wijfje met veel blaauwen weerschijn.
. Cethosia Aeole Feld. — Bantimoerong. Vrij zeldzaam en
alleen in het lage gebergte. Slechts drie exemplaren.
. Cethosia Picta Felder. — Lokka, Bonthain, Mangkasar.
Gewoon, ook te Lokka. Vele exemplaren.
Aanmerking. Zou volgens Kirby’s Catalogus eene
varieteit zijn van Biblis Drury. Ik kan dit niet be-
slissen, doch bij vergelijking van Felder’s beschrij-
ving met Biblis, zoo als die bij Cramer is afge-
beeld, vindt men belangrijke verschilpunten. De
exemplaren van Picta die voor mij staan, zijn allen
omtrent gelijk en komen met Felder’s beschrijving
overeen. SIL.
49. Atella Phalanta Drury. — Eenige exemplaren, allen van
Bonthain, waar de soort gewoon is.
50. Atella Alcippe Cram., var. Celebensis Wall. (Spec. div. 9) —
Herhaaldelijk in aantal tegen de kale rotsen bij den
Bantimoerong gevonden, doch nimmer elders.
Aanmerking. Verscheidene exemplaren die geen
overgang op den type vertoonen. Ook de door von
Rosenberg op Noord-Celebes verzamelde voorwerpen,
waarvan op ’s Rijks Museum verscheidenen aanwezig
zijn, bieden geene overgangen aan. Sn.
51. Protogoniomorpha Sabina Cram. — Niet zeldzaam in het
lage gebergte bij Bonthain.
52. Adolias Evelina Stoll. — In het dichte bosch van den
bergpas der Amparang. Slechts eenmaal.
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 15
53: Minetra Sylvia Cram. var. Salentia Hopff. (Stett. Ent. Zeit.
1874, p. 35.) — Niet zeldzaam te Mangkasar en bij
den Bantimoerong. Elders niet gevonden.
Aanmerking. Wel niet meer dan eene groote varie-
teit. Een exemplaar van Gorontalo (Noord-Celebes)
nadert reeds meer den type. Sn.
54. Messaras Maeonides Hew. — Zeer menigvuldig bij den
Bantimoerong, doch elders niet gevonden.
55. Cirrochroa Semiramis Feld. — Bantimoerong. Slechts twee
exemplaren.
56. Cynthia Arsinoe: Cram. var. Deione Erichs. (Hopff. Stet.
Ent. Zeit. p. 35). — Gewoon in het lage gebergte.
Aanmerking. Verscheidene exemplaren van verschil-
lende plaatsen, allen behoorende tot Deione zoo als
Hopffer die karakteriseert. Ten opzigte van den vorm
der donkere dwarslijn op de onderzijde der voor-
vleugels neem ik bij sommige exemplaren van den
heer Piepers en bij voorwerpen van Noord-Celebes
(Gorontalo) en Java (Malang) reeds overgangen op
den type waar, zoo als Cramer dien afbeeldt. Om
het verschil in den vorm dier dwarslijn kan ik dus
nog niet aan specifiek verschil gelooven. Sn.
57. Lexias Amanda Hew. — Verscheidene exemplaren, doch
slechts één gaaf paar. Allen van Mangkasar. Een
zeer schoone vlinder. Hij is zeer gewoon te Mang-
kasar, vooral nabij Mangaboomen (Mangifera indica
L.), ook te Maros, doch elders niet gevonden.
58. Lexias Aetes Hew. — Alleen bij den Bantimoerong.
59. Euripus Halitherses L.— Eens in den bergpas der Ampa-
rang. Zeldzaam, doch misschien ook over het hoofd
gezien door de groote gelijkenis die hij vliegende
met Danais Juventa heeft.
14
60
61
63
DI
©
66
67
68
ORGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
. Apatura Parisatis Westw. — Bonthain. Twee exemplaren.
. Precis Avesta Feld. — Bonthain. Een exemplaar.
Aanmerking. Het genus Pseudergolis Feld. is met
het volste regt met Precis vereenigd. : SIL.
. Precis Ida Cram., var. intermedia Feld. — Balangnipa ;
Maros; Saleyer. Overal zeer gemeen. Deze is de
vlinder in het bovenvermelde Verslag Precis Iphita
genoemd. De echte Iphita heb ik op Celebes nooit
gevangen.
Aanmerking. De exemplaren staan in het midden
tusschen Ida Cram. en Hedonia L., zoo als die door
Cramer is afgebeeld. Sn.
. Junonia Erigone Cram. — Bonthain. Enkele exemplaren;
iets grooter dan de Javanen.
. Junonia Laomedia L. — Maros. Deze en de beide volgende
soorten behooren tot de meest gewone en omtrent
overal voorkomende soorten.
. Junonia Orithyia L. — Bonthain; Saleyer ; Lokka.
Aanmerking. Een wijfje nadert Vanessa Royeri Voll.
(Tijdschr. voor Ent. IV, pl. 8, f. 1, p. 157). Kirby
eiteert Royeri als varieteit bij Orithyia en wel teregt. Sn.
. Junonia Asterie Linn. — Bonthain.
. Doleschallia Bisaltide Cram. — Bonthain; Saleyer. Niet
zeer gewoon. |
Aanmerking. Alle exemplaren als Polibete Cram.
235 CG, D, doch met één duidelijk roodgeel bandje
aan den voorrand der voorvleugels en niet met drie
stippen zoo als Cramer afbeeldt. Sn.
. Rhinopalpa Polynice Cram. var. Megalonice Feld. — Bonthain.
Een enkel exemplaar in het lage gebergte nabij den
waterval van Bisappoe.
69.
70.
TE
12.
73.
TA.
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 15
Abisara Echerius Stoll. — Bonthain. Een wijfje.
Miletus Symethus Cram. — Bonthain; Mangkasar; Saleyer.
Zeer gewoon.
Aanmerking. Bij twee exemplaren is de teekening
der zeer bleeke onderzijde uiterst flaauw, doch over-
eenkomende met den type. Oogen naakt. Nervuur
als bij Cupido. Sn.
Allatinus fallax Feld. — Bonthain. Twee exemplaren.
Allatinus albatus Feld. — Amparang; Bonthain.
Allatinus major Feld. — Amparang; Bantimoerong.
Aanmerking. Nervuur en oogen als bij Miletus,
doch de pooten normaal gevormd. Sn.
Lucia? substrigata Sn. nov. sp. (Pl. 1, fig. 2). — Maros.
Slechts een enkel wijfje.
Aanmerking. Deze soort wijkt van alle genera der
Lycaeniden af en moet zeker een nieuw genus vor-
men, doch daar ik slechts een enkel en nog wel een
vrouwelijk exemplaar voor mij heb, wil ik haar bij
den tegenwoordigen staat van de classificatie der
Lycaenina voorloopig liever in een der verwante
genera huisvesten en wel in Lucia Westw., waar-
mede zij nog de meeste overeenkomst heeft.
Sprieten slechts een derde zoo lang als de voor-
rand der voorvleugels, dik, knodsvormig, zonder
duidelijk knopje. Oogen als het vierde van een bol
gevormd, met afgerond boveneinde, naakt. Palpen
smal, glad, spits, tweemaal zoo lang als de oogen,
het spitse eindlid half zoo lang als lid 2. Thorax
gewelfd, ovaal. Vleugels afgerond zonder staartjes
of hoeken. Voorvleugels met elf aderen, 8 en 9
gesteeld, 7 ontbrekende. Achtervleugels met 8 ade-
ren, zonder praecostaal-ader. Voor- en middenpoo-
ten kort en dik, gewoon gevormd, glad beschubd.
16 OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
Deze soort onderscheidt zich dus van Lucia door
de glad beschubde pooten, van de overige verwante
genera door de sprieten, van Curetis en Brassolis door
den vleugelvorm, van Pentila door de lange palpen.
D’Urbania Trimen schijnt mede na verwant, doch
heeft naar de afbeelding langere sprieten en anders
gevormde vleugels.
Palpen met witte onder- en grauwbruine boven-
helft. Sprieten lichtbruin, de bovenzijde van het
knopje voor de spits zwart. Bovenzijde van lijf en
vleugels donker grauwbruin, de onderzijde parel-
grijs met vele fijne, gegolfde, afgebroken grauwe
lijntjes. Pooten wit met zwart geringde tarsen. Het
exemplaar heeft eene vlugt van 20 mm. Sn.
75. Cupido Hylax F. — In het dichte bosch nabij den Banti-
moerong en de Amparang niet zeldzaam, doch elders
niet gevonden.
Aanmerking. Varieert in grootte (22—29 mm.) , doch
de exemplaren komen met Horsfield’s afbeelding in
teekening en vleugelvorm zeer wel overeen. Oogen
naakt. / Sn.
76. Cupido Piepersii Sn. nov. sp. (Pl. 4, fig. 3). — Bantimoerong;
Amparang. Als de voorgaande en daar niet zeldzaam.
Zet zich op den vochtigen grond.
Aanmerking. Verscheidene exemplaren ; allen oogen-
schijnlijk mannen.
De onderzijde dezer soort, die tot de onder-afdee-
ling Damis Boisd. ‘behoort, komt zoo zeer met die
van Pindus Feld. overeen, dat zij stellig daarnaast
geplaatst moet worden. Op de onderzijde verschilt
zij door het gemis der witte randmanen en doordat
de witte band der voorvleugels niet in den binnen-
randshoek uitloopt.
Vlugt 25—27 mm. Palpen op den rug zwart, van
voren blaauwwit, lid 2 met zwarte haren. Sprieten
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. #7
zwart, onduidelijk wit geringd. Lijf zwart; buik
blaauw wit; staartspits zwart. Bovenzijde paarsblaauw,
vrij dof, met dof koolzwarten buitenrand, die langs
den voorrand der voorvleugels smal is, doch van de
voorvleugelpunt tot den staarthoek der achtervleugels
zich van ruim 1 tot ruim 3! mm. verbreedt. De
verbreeding neemt vooral op de achtervleugels sterk
toe. Ader-einden bij den rand en franje zwart.
Binnenrand der achtervleugels van het eind van den
zwarten rand tot den wortel wit.
Onderzijde eenvoudig wit, doch niet zeer helder
en met een’ roetzwarten buitenrand, die op de
achtervleugels niet veel breeder is dan boven, doch
langs den achterrand en de punthelft van den voor-
rand der voorvleugels bijna 3 mm. breed is. Langs
de wortelhelft van den voorrand der voorvleugels
wordt hij nog iets breeder en zet zich ook op den
wortel der achtervleugels voort. Deze rand heeft
aan den wortel der voorvleugels eene smalle spitse
witte streep, ongeveer een derde zoo lang als de
vleugel en tegen den binnenrandshoek der achter-
vleugels twee fijne gegolfde goudgroene lijntjes. Poo-
ten zwart, wit gespikkeld. Oogen kort behaard. Sn.
77. Cupido Missus Feld. — Bantimoerong. Slechts één voor-
werp.
Aanmerking. Oogen kort behaard. Sn.
78. Cupido Rhode Hopif. (Stett. Ent. Zeit. 1874, p. 27). —
Amparang; Bonthain. Gewoon in het lage gebergte.
Verscheidene exemplaren.
Aanmerking. Het onderscheid dezer soort van Roxus
God., Horsfield , Cat. Lep. East Ind. Comp. b'#0;;n°.5,
pl. 2, fig. 4, 4* is mij nog niet duidelijk. De oogen
zijn kort behaard. Sn.
79. Cupido Rosimon F. — Zeer gewoon in de omstreken van
Bonthain. Verscheidene exemplaren.
18 OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
Aanmerking. Bovenzijde zwarter dan bij de Javanen.
Oogen naakt. Sn.
80. Cupido Plinius F. — Nabij Bonthain niet zeldzaam. Ook
op Saleyer. Eenige exemplaren.
Aanmerking. De plaats dezer soort, waarvan ik
nog geene goede afbeelding ken, is naast Lingeus
Cram. De oogen zijn bij onze exemplaren allen
ingevallen, zoodat ik over het al of niet behaard
zijn niet kan oordeelen. Sn.
81. Cupido Malaya Horsf. — Alleen in de nabijheid van Bon-
thain. Vier exemplaren.
Aanmerking. Omtrent de oogen moet ik hetzelfde
als bij de voorgaande soort aanteekenen. Sn.
82. Cupido Strabo F. — Verscheidene exemplaren van alle
lokaliteiten, behalve Mangkasar. In het lage gebergte.
Ook van Bonthain.
Aanmerking. Ook van deze soort ken ik geene af-
beelding. De oogen zijn behaard. De wijfjes hebben
even als bij de overige mij van Celebes bekende
soorten van Gupido, minder blaauwe bestuiving dan
de Javaansche voorwerpen. Sn.
83. Cupido Kandarpa Horsf. — Mangkasar. Een exemplaar (8).
Aanmerking. Is geene varieteit van Strabo F. zoo
als Kirby wil en zich van de vele exemplaren dier
soort, in mijne collectie en op ’s Rijks Museum, in
de mannelijke sexe duidelijk onderscheidende door de
zilverblaauwe kleur der bovenzijde, welke zoo als
bij Corydon Scop. d is. Bij Strabo is zij zoo als
Argiolus L. 4. Verder is de franjelijn bi) Kandarpa
overal zeer scherp zwart en fijn; bij Strabo is zij op
de bovenzijde der voorvleugels dikker, op hunne
onderzijde zeer flaauw. Oogen behaard. Sn.
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 19
84. Cupido Ancyra Feld. — Bantimoerong. Slechts één wijfje.
Aanmerking. De oogen zijn behaard. Sn.
85. Cupido Parrhasius F. — Amparang, Bonthain, Saleyer ;
verscheidene exemplaren.
Aanmerking. Oogen behaard. Sn.
86. Cupido Celeno Cram. (Celerio F.) — Zeer gewoon. Vele
exemplaren uit verschillende lokaliteiten.
Aanmerking. De oogen zijn kort behaard. Sn.
87. Cupido Aratus Cram. — Mede van verschillende lokali-
teiten en zeer gewoon in het lagere gebergte.
Aanmerking. Oogen kort behaard. Sn.
88. Cupido Latimargus Sn. nov. spec. (PI. 1 fig. 4). — Amparang,
Bonthain, Maros, Takalar.
Aanmerking. Verscheidene exemplaren van 25— 838
mm., die dus even als de verwante soorten, tamelijk
in grootte varieeren. Door de teekening van de onder-
zijde der voorvleugels, welke in deze groep van
Cupido de beste kenmerken geeft, verwant aan Kon-
dulana Feld., Alecto Feld., Kankena Feld. en Elpis
God. Van Kankena wordt zij onderscheiden door de
onderzijde, die aldaar bruin is gelijk bij Thecla Ilicis.
Van Kondulana, Alecto en Elpis, die wel slechts eene
species uitmaken, wordt onze nieuwe soort onder-
scheiden 1°. door het smalle oranje boogje boven
het oog in cel 2 van de onderzijde der achtervleugels,
2°. door de paarsblaauwe, breed vaal zwart gerande
bovenzijde van het mannetje, die bij de genoemde
drie licht zilverachtig groenblaauw is gelijk bij
Corydon Scop. en smal zwart gerand. Ook de blaauwe
bestuiving van de wortelhelft der bovenzijde toont
bij de wijfjes hetzelfde verschil in tint.
Lid 4 en 2 der palpen wit, het laatste bovenaan
20
OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
zwart gelijk 3 geheel. Sprieten zwart, op de onder-
zijde wit gestippeld. Oogen kort behaard; aangezigt
zwart met witte oogranden. Bovenzijde der vleugels
licht paarsblaauw, vrij dof, iets doorschijnend, bij het
wijfje alleen als bestuiving der wortelhelft, bij den
man tot aan den 3-4 mm. breeden vaalzwarten,
gelijkmatigen achterrand, welke op de voorvleugels
vrij scherp is begrensd, op de achtervleugels iets
vervloeit en daar met twee rijen van fijne witte
liinen is versierd, waarvan de binnensten minder
scherp zijn dan de buitensten. Bij het wijfje zijn die
lijntjes helder wit en zoo gebogen dat zij bijna eene
keten van ovalen vormen. Cel 2 is tusschen de witte
lijntjes iets zwarter. Franjelijn der achtervleugels fijn
wit, vooral bij de wijfjes. Franje donker grijs.
Onderzijde donker grijs, op de achtervleugels iets
bruinachtig, tusschen den achterrand en de derde
witte lijn daarvoor iets donkerder. Op de voorvleugels
zijn de 5 eerste witte lijnen (van den wortel af ge-
rekend) aldus: De twee eersten beginnen op de
hoogte van ader 6, loopen tot ader 1, zijn iets ge-
bogen, parallel en vrij zamenhangend. Dan komen
twee kleinere die ongeveer aan den voorrand be-
ginnen, tot ader 3 en 4 gaan en mede iets gebogen
zijn. De kortste (vierde) is op ader 6 gebroken. De
vijfde lijn begint onder den voorrand, is bovenaan
gebogen, verder schuiner dan de achterrand en con-
vergeert op ader 1 met de tweede lijn. Tusschen de
beide nu nog overblijvende, met den achterrand
parallele witte lijnen, zijn de aderen iets lichter dan
de grond. Achtervleugels met tien witte lijnen en
daarvan 4 en 2 zeer flaauw, 3 in cel 1° spits gebroken,
4 aldaar gebogen, 5 evenzoo doch het streepje in
cel 2 wortelwaarts bol, 6 slechts een rudiment in
cel 6 en 7, 7 niet verder dan ader 3 komende, 8
slechts een rudıment in cel 4 en 5, 9 en 10 keten-
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. A
vormig verbonden en van 9 het witte boogje in cel
2 vervangen door het oranje boogje dat eene groote
zwarte vlek kroont. Op ader 1° ziet men nog eene
oranje stip boven een zwart vlekje in cel 4”. Pooten
wit, zwart gevlekt. Sn.
89. Cupido Philatus Sn. nov. spec. (Pl. 1, fig. 5). — Bonthain.
Niet zeldzaam in het lagere gebergte.
Aanmerking. Zes exemplaren van 23—35 mm.
Verwant aan Amphissa Feld. en aan Aratus Cram. en
even als deze beiden, de onderzijde der achtervleugels
tusschen de beide rijen spitse witte kapjes voor den
achterrand bijna koolzwart hebbende.
Amphissa heeft op de onderzijde der achtervleugels
in alle cellen roode teekeningen voor den achterrand
en van de eerste vijf witte lijnen der voorvleugels
zijn 1 en 2 zeer kort, 3—5 parallel en doorloopende.
Aratus verschilt in de mannelijke sexe door de kleur
der bovenzijde, die bij Philatus bleek hemelsblaauw
is en bij Aratus weinig meer dan blaauwwit (even
als bij Geleno Cramer); de wijfjes verschillen door
de bij Philatus zwartgrijze, bij Aratus bruingrijze
onderzijde en vooral door de gedaante van de tweede
en derde witte lijnen voor den achterrand der voor-
vleugels, die bij Aratus parallel en weinig gebogen
zijn, terwijl zij bij Philatus twee reeksen van ronde
of spitse witte kapjes vormen.
Palpen, sprieten, aangezigt en oogen als bij de
voorgaande soort; de bovenzijde van den man op de
achtervleugels bleeker, witachtig en iets doorschijnend,
op de voorvleugels met een smallen vaalzwarten rand,
die tegen den binnenrandshoek zeer fijn wordt, op
de achtervleugels voor den rand op eene witte lijn
met vaalzwarte vlekken in de cellen, welke halfrond
zijn en wortelwaarts witte boogjes hebben, behalve
bij den binnenrandshoek waar de vlek langwerpig
22
OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
vierkant is en door een wit lijntje doorsneden wordt.
Het wijfje is op de bovenzijde vaalzwart met blaauw-
witte wortelhelft der voorvleugels en blaauwwit be-
stoven wortel der achtervleugels, terwijl de achter-
rand der laatsten dezelfde teekening vertoont als bij
het mannetje, doch helderder en scherper.
Op de onderzijde is ook tusschen de zeer fijne
laatste lijn voor den achterrand en de voorlaatste de
erond donkerder, doch niet beslist zwart, gelijk tus-
schen de tweede en derde lijn, vooral op de achter-
vleugels.
Van de vijf eerste lijnen der voorvleugels loopt de
eerste van ongeveer de hoogte van ader 6 tot ader
4 en is zeer fijn, terwijl het streepje in cel 2 sterk
uitspringt. De tweede loopt van ader 6 tot 4; de derde
begint aan den voorrand en is gelijk aan de eerste
doch dikker; de vierde komt niet verder dan ader
3 en de vijfde wordt als boven vermeld, door eene
reeks ronde witte kapjes gevormd. Van de beide nu nog
volgenden is de eerste eene reeks spitse witte kapjes
(dat in cel 1° is dubbel) en de tweede onafgebroken
en regelmatig.
Op de achtervleugels ziet men negen lijnen, waar-
van de eerste drie zoo fijn en flaauw zijn, dat zij
naauwelijks in aanmerking komen; de vierde is in
cel 1° spits gebroken, de vijfde loopt slechts van ader
6 tot 4, de zesde is in cel 1° gebogen, de zevende
en achtste vormen twee rijen zeer spitse kapjes
(vooral de zevende) en de negende is als de laatste
der voorvleugels.
Bij een paar exemplaren heeft de zwarte vlek in
cel 2 een fijn oranje boogje vóór het binnenste witte
kapje en bij allen ontbreekt het buitenste witte kapje
in die cel, doch bij geen exemplaar is de zwarte
vlek aldaar met groenzilveren schubben versierd.
Pooten als bij de voorgaande. Sn.
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 23
90. Cupido Boeticus L. — Alle lokaliteiten , overal zeer gewoon.
ot
92.
93.
96.
SU
Verscheidene mannen.
Cupido Perusia Feld. — Amparang, Bantimoerong, Bonthain.
In het lagere gebergte. Vele exemplaren.
Aanmerking. De oogen zijn vrij lang behaard. Sn.
Cupido Nora Feld. — Bonthain, Mangkasar. Zeer gewoon
nabij Bonthain, vooral in koffietuinen en zich gaarne
op de bladeren van den koffieboom nederzettende.
Vele exemplaren; van Mangkasar slechts een.
Aanmerking. Deze soort varieert in de grondkleur
der onderzijde, die bij sommige mannelijke exem-
plaren leemkleurig is, terwijl zij bij de meesten grijs
moet worden genoemd. Bij de wijfjes gaat die grond-
kleur tot het okergele over. De oogen zijn behaard.
Sn.
Cupido Cagaya Feld. — Een paar malen op den vochtigen
grond in het dichte bosch van den bergpas der
Amparang en ook eens te Lokka.
Aanmerking. Oogen naakt. Sn.
. Cupido Lysizone Sn. (Tijdschr. v. Ent. XIX p. 161. (Sep. 24),
pl. 7 fig. 2 en 2). Alle lokaliteiten. Uiterst gewoon,
overal voorkomende en zeer laag over en. tusschen
het gras vliegende. Vele exemplaren.
. Hypolycaena Erilus God. — Meest alle lokaliteiten. Zeer
gewoon, ook op Saleijer, doch niet in het lage land.
Hypolycaena Sipylus Feld. — Bonthain, Maros. Vier voor-
werpen. In het lage gebergte.
Aanmerking. Oogen bij Erilus en Sipylus behaard;
voorvleugels met 10 aderen; 7 en 9 ontbreken. Sn.
Pseudodipsas Bengalensis Moore. — Een exemplaar. Balang-
nipa. i
24
OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
98. Pseudodipsas villosa Sn. nov. spec. (Pl. 1, fig. 6). Bonthain.
Aanmerking. Een gaaf paar en een afgevlogen van
27—29 mm.
Van Bengalensis onderscheiden door even sterk als
bij Lycaenoides getande achtervleugels, de man boven-
dien door fijn wollig behaarde bovenzijde, even als
zij bij laatstgenoemde soort is. Van deze en van
Bengalensis onderscheidt haar de onderzijde der voor-
vleugels zeer duidelijk, want deze is bij die twee
soorten met twee korte gebogen witte streepjes aan
beide zijden der dwarsader, met twee geheel parallele
witte lijnen op drie vierden en met twee getande
lijnen voor den achterrand geteekend. Bij Villosa vindt
men wel de beide laatstgenoemde lijnen, maar de
voorlaatsten loopen slechts door tot ader 3 en worden
dan door ééne witte lijn vervangen, terwijl men in
plaats van de witte streepjes naast de dwarsader
hier twee witte lijnen vindt, waarvan de eerste tot
halfweg cel 1> komt en onderaan wortelwaarts is
omgebogen, terwijl de tweede tot ader 1 doorloopt.
Eindelijk heeft de zwarte vlek in cel 2 der achter-
vleugels slechts enkele bruinroode schubben boven
zich. Lycaenina Feld. ken ik alleen uit de beschrijving;
volgens deze is de teekening van de onderzijde der
voorvleugels gelijk bij Lycaenoides en verder de grond-
kleur der onderzijde lichter, het zwarte vlekje der
achtervleugels zeer klein. De overige drie soorten van
het genus verschillen door geheel andere grondkleur
en teekening, gelijk een enkele blik op de af beel-
dingen leert.
Oogen kort en digt behaard, onder en boven spits.
Palpen met spits, doornvormig zwart eindlid, twee
derden der lengte van het breedere, blaauwwitte
middenlid hebbende. Sprieten zwart, wit geringd;
het lange knopje met bruin uiteinde. Kop zwart met
witte oogranden. Achtervleugels met twee fijne witte
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 25
spitsjes aan het eind van ader 4’ en 2, op 3 en 4
iets getand. Bovenzijde bij den man donker, grijs-
achtig dof paarsblaauw , langs de randen iets donkerder
door dat aldaar de fijne grijsachtige beharing onl-
breekt. Het wijfje is grauwbruin met eene fijne
witte lijn langs de zwarte franjelijn, die tegen de
punt verdwijnt, en eenige zwarte vlekjes daarvoor in
cel 4’—4. Onderzijde donkergrijs, de voorvleugels
als boven beschreven, de achtervleugels met drie
onregelmatig ketenachtig verbonden paren witte
dwarslijnen en twee spits getande witte lijnen voor
den achterrand. Pooten en borst blaauwwit, de eersten
zwart gevlekt. Voorvleugels met 11 aderen, 8 en 9
gesteeld. De nervuur, de oogen, palpen en sprieten
zijn ook bij Bengalensis en Lycaenoides eveneens als
bij Villosa. Mijne drie voorwerpen der nieuwe soort
varieeren niet in de teekening der onderzijde 1). Sn.
99. lolaus Mantra Feld. — Bonthain. Een wijfje.
100. lolaus Japyx Hew. — Maros, Bonthain, Amparang,
Mangkasar. Eenige exemplaren.
401. lolaus Cyrillus Hew. — Bonthain. Eenige exemplaren.
Aanmerking. De oogen zijn bij deze en de beide
voorgaande soorten naakt; de voorvleugels hebben
elf aderen en de palpen zijn vrij lang. Sn.
402. Sithon Sugriva Horsf. — Bonthain. In het lage gebergte.
Eenige exemplaren.
403. Sithon Orsolina Hew. — Bonthain, Bantimoerong, Am-
parang. In het lage gebergte.
Aanmerking. S. Westermanni Feld. verschilt wel niet
sperifiek. De bij den man zeer groote oogen zijn in
1) Balliston Hbn. Zutr. f. 229, 230 schijnt mij toe ook tot dit genus te be-
hooren. Komt dit dier inderdaad in Florida voor ?
26 OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
beide soorten behaard, vooral digt behaard bij
Sugriva, de palpen bij de wifjes langer dan bij de
mannen; de voorvleugels hebben elf aderen. Sn.
104. Deudoryx Epijarbas Hew. — Bonthain. Een paar. Deze
en al de volgende Deudoryx-soorten worden in het
lage gebergte aangetroffen.
105. Deudoryx Diovis Hew. — Bonthain. Drie exemplaren.
106. Deudoryx Dioetas Hew. — Bonthain, Tondong. Ver-
scheidene exemplaren.
Aanmerking. De mannen zijn op de bovenzijde met
vurig roodgeel gekleurd. Sn.
107. Deudoryx Phranga Hew. — Bonthain. Verscheidene exem-
plaren.
Aanmerking. De oogen en de nervuur der vier hier
genoemde Deudoryx-soorten zijn als bij Sithon, doch
de palpen korter en bij beide sexen niet zoo sterk
in lengte verschillende. Hewitson’s exemplaren waren
van Batjan. Zijne afbeelding en beschrijving passen
echter zeer goed. Sn.
108. Deudoryx Indrasari Sn. nov. spec. (PI. 1, fig. 7). — Bonthain.
Twee exemplaren van 23—24 mm. vlugt.
Aanmerking. Ik heb in de genera Sithon en Deudoryx
(want tot een van beiden behoort deze soort, indien
men inderdaad hier twee genera aannemen mag)
geene afbeelding of beschrijving gevonden, welke
op deze soort toepasselijk is en moet haar dus voor
nieuw houden. Om het korte staartje op ader 2 en
de sterk afgeronde lob aan den staarthoek der achter-
vleugels, beschouw ik haar voor nader verwant aan
Deudoryx, doch kleur en teekening herinneren meer
aan Sithon Sugriva. De achterrand der achtervleugels
is vooral bij het wijfje op ader 3 en 6 zeer hoekig
en als met de schaar gelijk gesneden. Oogen en palpen
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 27
als bij Sithon en Deudoryx; het bij het wijfje wel
iets breedere doch toch nog smalle aangezigt geheel
wit even als bij den man. Palpen bij den man met
geheel wit middenlid en zwart, aan den wortel wit
eindlid; bij het wijfje lid 2 wit met zwarte punt,
3 geheel zwart en langer. Sprieten zwart, wit ge-
ringd; het knopje zwart met bruin uiteinde.
Bovenzijde van den man bruinzwart, op de voor-
vleugels de wortelhelft donkerblaauw, op de achter-
vleugels de tweede of franjehelft; zijne franje zwart.
Het wijfje is donker grauwbruin en de franje alleen
tegen de voorvleugelpunt bruin, verder blaauwwit :
achtervleugels onder ader 6 met een fijn blaauwwit
lijntje langs de zwarte franjelijn. Lob aan den staart-
hoek bij beide sexen half oranje en groenzilver, zwart
gerand; het staartje zwart met witte spits en voorrand.
Onderzijde lichtgrijs, bij den man met een bosje
zwarte haren aan den binnenrand der voorvleugels;
lange middenvlekken en eene bij den binnenrand der
achtervleugels gebroken dwarsstreep op twee derden
okergeel, zwart gerand. Voor den achterrand der
“voorvleugels twee rijen wit afgezette zwarte drie-
hoekjes; voor dien der achtervleugels van de punt
tot ader 3 eene rij grootere, scherper wit afgezette,
dan een smal vlekje in cel 3 en vervolgens de achter-
rand geheel okergeel, met twee koolzwarte vlekken,
waarvan de kleinere, in cel 4°, sterk groenzilver be-
schubd is. De beschreven zwarte vlekken en het
okergeel zijn wortelwaarts door eene zwartgrijze,
niet scherpe lijn begrensd, die boven den staarthoek
sterk groenzilver is beschubd. Lob aan den staarthoek
koolzwart, de binnenrand daarboven met een oker-
geel streepje. Franjelijn dik zwart. Franje als boven.
Pooten wit, zwart gevlekt. Sn.
109. Curetis Thetys Fabr. — Bantimoerong, Bonthain; in het
lage gebergte.
28
110
111
114
OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
Aanmerking. Eenige exemplaren en wel de man
Anops Barsine Feld. (Novara), het wijfje Anops Cele-
bensis Feld. 7
Sprieten knodsvormig, zonder duidelijk knopje.
Oogen behaard. Voorvleugels met elf aderen, uit de
spits der middencel eene gevorkte, waarvan de onderste
tak (hier ader 7) in den achterrand uitloopt, terwijl
overal waar bij de voorgaande genera eene gevorkte
ader op die plaats aanwezig is, beide takken (ader
8 en 9) in den voorrand uitloopen. Bij Curetis ont-
breekt dus ader 9; ader 10 en 41 komen uit den
voorrand der middencel. Sn.
. Liphyra Brassolis Westw. — Mangkasar, een wijfje.
Aanmerking. Oogen naakt. Sprieten knodsvormig.
Voorvleugels met 11 aderen, 7 en 8 als bij Curelis,
9 ontbrekende, 10 mede gesteeld en dus uit den
voorrand der middencel slechts ééne ader. Sn.
. Amblypodia Araxes Feld. — Balangnipa, Maros. Drie
exemplaren.
Aanmerking. Volgens den Catalogus van Kirby eene
varieteit van Amantes Hew. Sn.
. Amblypodia Acetes Hew. — Bonthain, Balangnipa. Drie
exemplaren.
. Amblypodia annulata Feld. — In het bosch nabij den Ban-
timoerong. Een mannetje.
Aanmerking. De sprieten zijn bij Amblypodia tegen
het eind zeer weinig verdikt; oogen naakt; palpen
met lang, dun eindlid. Nervuur als bij Cupido. Sn.
. Pontia Dione Wall. — Gewoon in de nabijheid van
Bonthain.
Aanmerking. Verscheidene exemplaren, goed mel,
de beschrijving overeenstemmende. Sn.
415.
LIO:
dI:
aS:
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 29
Pieris Coronea Cr. — Van dezen nabij Batavia z00 ge-
meenen vlinder trof ik slechts eenmaal, in Mei 1870,
eenige exemplaren aan in de zeer nabij de zee ge-
legen tuinen van den Controleur te Saleyer.
Pieris Eperia Boisd. — Mangkasar, Bonthain, Banti-
moerong, Saleyer.
Aanmerking. Het wijfje gelijkt zeer op dat van
Lyneida Cram. en verschilt dus sterk van het mannetje.
Sn.
Pieris Emma Voll. — Bonthain. Twee mannen.
Pieris Paulina F. — Bonthain. Een enkel exemplaar.
Aanmerking. Het voorwerp is een wijfje dat tot de
varieteit Melania Voll. behoort. Sn.
. Pieris Polisma Hew. — Bantimoerong. Een mannetje.
. Pieris Amasene Cram.— Bonthain. Een mannetje.
. Pieris Albina Boisd. - Een mannetje.
. Pieris Panda God. var. Nathalia Feld. — Bantimoerong ;
een mannetje.
Aanmerking. Het exemplaar behoort tot de stellig
niet specifiek verschillende varieteit Nathalia Feld.
Wall. Sn.
. Pieris Lyncida Cram. var. Lycaste Feld. — In het lage
gebergte. Verscheidene exemplaren van verschillende
vindplaatsen. Schijnt niet zeldzaam.
Aanmerking. Ik kan ook hier geene reden vinden om
meer dan eene lokale varieteit aan te nemen. Exem-
plaren uit Noord-Celebes in mijne collectie komen reeds
meer met Javaansche voorwerpen overeen. Sn.
124, Pieris Albata Hopff. (Stett. Ent. Zeit. 1874 p. 22 en
Jacquinotii Voll. Monogr des Pier. p. 45 n°. 57 (non
Lucas). — Bonthain. Twee mannetjes.
30 ORGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
Aanmerking. Pieris Jacquinotii Lucas wordt in den
Catalogus van Kirby als varieteit bij Pieris Albina
Boisd. geciteerd. Dat de Jacquinotii van Dr. Snellen
van Vollenhoven niet tot Albina kan behooren, ver-
moedde Kirby reeds blijkens het ? dat hij bij het
citaat uit de Mon. des Pier. plaatste en leerde mij
een enkele blik op den vleugelvorm mijner voor-
werpen, die met de op ’s Rijks Museum aanwezige
exemplaren overeenkomen. Ik erken in deze de door
Hopffer beschrevene nieuwe soort. Sn.
425. Pieris Fatime Voll. — In het lage gebergte nabij Bonthain
gevangen.
Aanmerking. Twee exemplaren, beiden wijfjes, waar-
van het eene in kleur en teekening juist met de af-
beelding overeenkomt. Bij het tweede, iets grootere,
zijn de lichte teekeningen der boven- en onderzijde
wel eveneens gevormd doch oranjegeel in plaats van
onzuiver wit. Sn.
426. Pieris affinis Voll. — Bantimoerong.
Aanmerking. Drie exemplaren die ik voor mannen
houd. Sn.
427. Pieris Ithome Feld. — Bonthain. In het lage gebergte
gewoon. Verscheidene exemplaren van beide sexen.
428. Pieris Zarinda Boisd. en var. — Niet in het lage,
alluviale land, doch in het lagere gebergte overal.
Steeds zeer gemeen op eene zandplaat boven den
Bantimoerong en de beide varieteiten door elkander
op het vochtige zand zittende. Zie bovenvermeld
Verslag der zomervergadering van 1875. Het wijfje
is mij onbekend.
Aanmerking. Verscheidene mannelijke exemplaren,
die ten deele zeer gaaf zijn en tot den oranjegelen
type behooren, of tamelijk afgevlogen en tot de
donker bloedroode varieteit behoorende. Overgangen
zijn niet bepaald aangeduid. Sn.
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 31
429. Cathaemia Rosenbergii Voll. (Lorquinii Feld.) 1). — Ver-
scheidene exemplaren van Mangkasar, Bonthain,
Lokka, Bantimoerong. De vlinder is overal gewoon;
ik vond hem zelfs op eene hoogte van 4000 voet in
het gebergte van Bonthain menigvuldig. De rups vond
ik in menigte gezellig in mijnen tuin te Mangkasar
op eene in het Mangkasaarsch—Maleisch daunpoelie ,
in het Javaansch Kematéan genoemde plant, die
parasitisch op de blimbing (Averhoa L.) groeide. Zij
is hel goudgeel van kleur met zwarten kop en achterste
en heeft aan elke zijde van den rug eene rij lange
gele schuin opwaarts gerichte haren, zoodanig dat
op elke geleding twee dier haren zijn ingeplant.
Eenige kortere haren bevinden zich aan de beide
zijden. De pop gelijkt op die van de Nederlandsche
Pieriden, doch is goudgeel met uitwassen of doorntjes,
van welke eenigen zwart van kleur zijn. Op den
14% dag kwam de vlinder uit.
430. Cathaemia Hombronii Luc. — Mangkasar. Twee exemplaren.
431. Hebomoia Glaucippe L. — Bonthain, Amparang. Zeer
groote exemplaren. In het lagere gebergte niet zeld-
zaam.
432. Thestias Piepersii Sn. nov. spec. (Pl. 2, fig. 1 (8) en 2 (9).
Bonthain. Verscheidene exemplaren, ten deele in coitu
gevangen. Deze vlinder is zeer gewoon aan den voet
van het gebergte in de omgeving van Bonthain,
waar hij op zonnige plaatsen tusschen kreupelhout
laag langs den grond vliegt. Elders is hij nooit door
mij aangetroffen.
Aanmerking. Deze opmerkelijke onbeschreven soort
is alleen aan Reinwardtit Voll. nader verwant en kan
met geen der andere species van het genus vergeleken
1) Het komt mij voor dat de naam van Felder de jongere is. Sn.
32 OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
worden. Naar de teekening der voorvleugels laten
de bekende soorten zich in twee groepen verdeelen,
die op de volgende wijze kunnen worden gekarak-
teriseerd :
I. Zwarte dwarsstreep voor de achterrandshelft
der voorvleugels bij beide sexen bijna loodregt, aan
den voorrand beginnende, onafgebroken over de
dwarsader loopende en ader 2 snijdende.
Spec. 1. Pyrene Cram.
. Ludekingi Voll.
. 2 Undata Butl.
. 2 Latifasciatus Butl.
. Marianne Cram.
. Aenippe Gram. (Volgens Kirby dezelfde als
Pyrene L. Er.)
. Pyrenassa Wall. (Volgens Kirby varieteit van
Pyrene L. Cr.)
» 8. Verna Druce. — Mede wel niet specifiek van
Pyrene verschillende.
» 9. Annae Wallengr. — (huj. gen. ®)
»
»
OUT En OO DO
~J
»
II. Zwarte dwarsstreep voor de achterrandshelft
der voorvleugels met een horizontaal gedeelte aan
den vleugelwortel beginnende, de middencel op de
helft snijdende of aldaar afgebroken, verder het ge-
heele beloop van ader 2 volgende 1).
Deze tweede groep verder verdeeld in twee kleinere
groepen:
A. De geheele vleugelpunt voorbij de zwarte
dwarsstreep bij beide sexen oranje, met (afd. 1) of
zonder (afd. 2) gele vlekken tegen de spits.
Spec. 10. Venilia God.
» 41. Vollenhovi Wall. (Balice Voll. Monogr.)
1) De wijfjes van Reinwardtii en Piepersü wijken in teekening van de wijfjes van
al de andere soorten en van hunne mannetjes af door donkere, licht gevlekte bovenzijde.
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 33
Spec. 12. Balice Boisd.
» 13. Venatrix Wall.
B. Bij de mannen slechts eene vlek in het midden
der voorvleugels oranje, het overige der vleugelpunt
citroengeel of wit met zwart aderbeloop en eene zwarte
dwarsstreep; bij de wijfjes de bovenzijde zwartbruin
of zwart met eene breede, onregelmatige lichte
boogstreep.
Spec. 14. Piepersii Sn.
» 15. Remwardtii Voll.
Van Piepersi en Reinwardti, waarvan Wallace het
wijfje beschrijft, verschillen dus de beide sexen zeer.
Mijne nieuwe soort heeft eene vlugt van 58—64
mm., zijnde de mannen iets kleiner dan de wijfjes.
Bij beiden zijn de palpen citroengeel met zwart eind-
lid, de kop zwart en geel behaard, de sprieten op
de bovenzijde donkerbruin met aan de punt bruingeel
knopje, op de onderzijde aan den wortel donkerbruin
met lichte stippen, verder lichtbruin, in bruingeel
overgaande. De thorax en de wortelhelft van het op den
rug zwarte achterlijf zijn olijfgroen behaard. Vleugels
bij den man aan den wortel olijfgroen, op de voor-
vleugels in eene afgeronde vlek die tot 2 der midden-
cel komt, doch zich in cel 12 als eene spitse streep
tot voorbij de helft der middencel uitstrekt, op de
achtervleugels slechts als eene bestuiving in de rigting
van den staarthoek. Overigens is de grondkleur citroen-
geel gelijk bij Venilia, Vollenhovii en Balice, op het
midden der voorvleugels met de bovenbeschreven
oranje vlek, die tegen den wortel door eene dunne
zwarte streep wordt begrensd en zich slechts weinig
voorbij de dwarsader uitstrekt. Het geheele aderbe-
loop is voorbij de tamelijk horizontale, tegen den
achterrand verbreede zwarte streep die den vleugel
in twee deelen scheidt, vervloeijend zwart, de voor-
3
34
OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
rand evenzeer zwart, aan den wortel haarfijn, verder
breeder; de achterrand is meer zwartbruin en vrij
breed, zoodat het geel achter de gebogen zwarte
afgebroken streep, die van den voorrand tot ader 2
loopt, zich als eene reeks bijna spadevormige vlekken
vertoont. Ader 1 is ook zwart beschubd, doch fijn.
Achtervleugels met wortelwaarts regt afgesneden ,
iets vervloeijenden , een klein derde der vleugelbreedte
innemenden zwartbruinen achterrand.
Onderzijde meer goudgeel, al het olijfgroen en
zwart der bovenzijde groenachtig aangeduid; cel 4°
en 1° der voorvleugels geelwit met eene driekante
zwartbruine vlek boven den staarthoek en de voorrand
der voorvleugels tot over de helft fijn zwart. Verder
ziet men nog een zwarl vlekje op 2 van cel 2 der voor-
vleugels en fijne zwarte stippen langs den geheelen ach-
terrand tusschen de aderen en eene stip op de dwars-
ader der achtervleugels. Borst, buik en pooten geel.
Het wijfje is op de bovenzijde vaal donkerbruin;
de zwavelgele dwarsband is op de voorvleugels ge-
bogen, in cel 2 afgebroken, aan den binnenrand
zeer breed, op de achtervleugels de kleinere wortel-
helft geheel beslaande en fijn stralig een gedeelte
van de aderen der tweede helft kleurende. Onder-
zijde botergeel, tegen den wortel der voorvleugels
groengeel, cel 1 der laatsten wit met breed vaalzwart
achterrandsderde. Verder is de grond vooral tegen
den achterrand grof zwart gesprenkeld met eene rij
vaalbruine vlekken op drie vierden en donkerbruine
vlekjes op de dwarsaders. |
Reinwardlii mas, waarvan ik het origineel voor
mij heb, onderscheidt zich door witte, aan den
wortel licht blaauwgrijze bovenzijde met smallen
zwarten achterrand der achtervleugels en door zwa-
velgele, bruin gevlekte en gesprenkelde onderzijde.
Verder is de vlugt slechts 40 mm.
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 39
Het wijfje van Remwardtii schijnt volgens Wallace
niet alleen met wit — maar ook met geel gekleurde
bovenzijde voor te komen. Het gelijkt naar de be-
schrijving vooral in de gele varieteit en op de on-
derzijde zeer op het wijfje van Piepersü. De wit
gekleurde type is gemakkelijk van deze soort te
onderscheiden, doch de gele varieteit moeijelijker.
Intusschen moet ik doen opmerken dat Wallace spreekt
van een donkeren band die zich bij Reinwardtii 2 op
de onderzijde der voorvleugels bevindt, terwijl men
bij Piepersii aldaar slechts losse vlekken aantreft. Sn.
133. Callidryas Scylla L. — Maros, Mangkasar, Takalar ; overal
zeer gewoon.
Aanmerking. Niet alle mannetjes van Gelebes heb-
ben eene groote zwarte stip op de bovenzijde van
de dwarsader der voorvleugels; er zijn er ook die
hierin niet van Javaansche verschillen. Daarentegen
zijn zij allen grooter, terwijl de wijfjes door zeer
sterk zwart bestoven vleugelwortels van Javaansche
voorwerpen derzelfde sexe verschillen. Sn.
434. Callidryas Crocale Cram. (Alemeone Voll... — Als de
voorgaande.
Aanmerking. De mannen zijn zeer groot, bijna ge-
heel geel, slechts tegen den achterrand der voor-
vleugels zonder scherpe begrenzing witachtig. Twee
wijfjes zijn zoo donker als het exemplaar waarvan
Dr. Snellen van Vollenhoven in zijne Monographie
spreekt. Sn.
435. Callidryas Pomona F. (Hilaria Voll). — Maros, Saleyer,
Mangkasar; gewoon. Slechts vier wijfjes.
136. Terias Celebensis Wall. — Bonthain, in het dichte bosch
van het lagere gebergte.
437. Terias Alitha Feld. — Mangkasar, Bonthain, Saleyer;
36
138.
439.
140.
141.
142.
143.
OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
zeer gewoon. Verscheidene exemplaren die nog al in
grootte verschillen (30—50 mm.).
Terias Tominia Voll. (Tondana Feld.) — Bonthain , Saleyer.
Twee exemplaren.
Terias Latimargo Hopff. (Stett. Ent. Z. 4874, p. 25). —
Bonthain, Bantimoerong. Drie exemplaren.
Terias Blanda Boisd. — Een exemplaar. Vindplaats niet
met zekerheid op te geven.
Terias Hecabe Linn. - Alle lokaliteiten ; zeer gewoon.
Aanmerking. Vele exemplaren die geen overgangen
vertoonen op de verwanten. Niettemin geloof ik dat
velen daarvan wel als varieteiten met Hecabe zullen
moeten worden vereenigd en stip daarvan alleen aan
Blanda Boisd., Floricola Boisd. en Brenda Doubd. Sn
Terias Harina Horsf. — Bantimoerong, Mangkasar. Drie
exemplaren.
Aanmerking. Deze soort onderscheidt zich in vleugel-
vorm van al de bovengenoemden zeer sterk. Aan
Amerikaansche stoomfabrikanten van Lepidopteren-
genera wordt zij als zeer geschikte grondstof voor
een nieuw genus aanbevolen. Sn.
Eronia Tritaea Feld. — Bonthain, Mangkasar ; overal zeer
gewoon. Vele exemplaren.
. Leptocircus Curius F. var. Ennius Feld. — Bonthain.
Drie exemplaren. De soort is niet zeldzaam in het
lagere gebergte; zij gelijkt zittende zeer op eene
Libellula.
. Papilio Hippolytus Cram. (Remus auct.) — Saleyer, Ban-
timoerong, Bonthain. Niet zeldzaam in het lagere
gebergte.
Aanmerking. Drie exemplaren; waarbij één zeer
kleine man. Sn.
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 37
146. Papilio Pompeus Cram. var. Hephaestus Feld. — Saleyer
Bonthain, Bantimoerong. Overal, zoowel in het lage,
alluviale land als in het gebergte, waar ik hem zelfs
in het dichte bosch op den top van de « Doodkist »
nabij Lokka aantrof. Uiterst gewoon is hij in het
Z. O. gedeelte van het door mij bereisd schiereiland
in de kuststreek tegenover het eiland Saleyer, waar
ik hem ook dikwijls over de zee zag vliegen.
147. Papilio Haliphron Boisd. — Zeer gewoon op het eiland
Saleyer. Buitendien slechts één exemplaar bij de
Bantimoerong.
Aanmerking. De grondkleur van de bovenzijde der
voorvleugels is bij al de wijfjes vaalbruin, bij de
mannen zwart. Sn.
148. Papilio Androcles Boisd. — Amparang, Bonthain. Drie
exemplaren. Deze vlinder wordt niet in het lage,
alluviale land, doch des te meer in de lagere berg-
streken gevonden, alwaar hij geenszins zeldzaam is,
zoo als Wallace beweert, doch zelfs overal zeer ge-
woon. Hij is niet gemakkelijk onbeschadigd te vangen.
149. Papilio Rhesus Boisd. — Bantimoerong, Bonthain. Slechts
drie exemplaren.
Hoewel deze vlinder in Noord-Celebes gemeen
schijnt te zijn, mocht het mij gedurende de drie
eerste jaren van mijn verblijf in Z. W. Celebes slechts
gelukken één zeer beschadigd exemplaar nabij de
Bantimoerong machtig te worden. Eerst in October
1872 trof ik hem vrij menigvuldig aan in het dichte
bosch een weinig beneden den waterval van Bisappoe,
eene plaats, welke reeds meermalen op verschillende
tijden van het jaar door mij bezocht was, zonder er
hem dan ooit gezien te hebben. In April, Mei en
Juni 1873 bezocht ik dezelfde plek verscheidene malen
’s weeks, doch trof den vlinder daar nooit aan; maar
38
OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
in October 1873, in dezelfde maand dus als ten
vorigen jare, was hij daar weder niet zeldzaam.
Elders trof ik behalve het beschadigde exemplaar
bij de Bantimoerong dezen vlinder nooit aan. Wallace
echter zegt hem ook nog op de een tijd lang door
hem bewoonde plaats, niet ver van Maros, te hebben
gevonden. Het schijnt dus dat Papilio Rhesus in Z.
W. Celebes tot bepaalde plekken beperkt is en daar
-vermoedelijk ook slechts op bepaalde tijden voor-
komt, iets dat in Europa gewoon is, doch in de
altijd groene tropenlanden zeer zelden schijnt voor
te komen en de gissing wettigt dat de rups op de
bladeren van eene dier weinige planten leeft, welke
(gelijk b. v. Tectonia grandis L.) een groot deel des
jaars bladerloos zijn.
450. Papilio Sarpedon L. var. Milon Feld. — Bantimoerong.
Gewoon in het lagere gebergte vooral nabij stroomend
water.
Aanmerking. Eenige exemplaren, die wel is waar
tamelijk constant zijn, wat de verschilpunten met
den type betreft, doch m.i. heeft Kirby teregt Milon
als varieteit met Sarpedon vereenigd. "Sn.
A51. Papilio Eurypilus L. var. Pamphylus Feld. — Bantimoerong
en Mangkasar. Met Sarpedon; op dezelfde plaatsen.
Eenige exemplaren.
Aanmerking. Meyeri Hopff. houd ik ook slechts voor
eene varieteit van Eurypilus. Sn.
152. Papilio Agamemnon L. — Mangkasar, Bantimoerong,
Bonthain. Zeer gewoon, vooral in tuinen, waar de
rups, even als te Batavia, voornamelijk op den uit
West-Indië ingevoerden zuurzak (Anona muricata L.)
leeft. Zie hare beschrijving in de Lepidoptera van
Batavia.
Aanmerking. Kenmerkend voor deze en andere
exemplaren van Celebes zijn de kleinere, verder ge-
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 39
scheidene vlekken van den middenband der ook iets
spitsere voorvleugels, doch duidt dit m. i. volstrekt
geen specifiek verschil aan. SIL.
153. Papilio Codrus Cram. var. Celebensis Wall. — Slechts
“ eenmaal in mijn’ tuin te Mangkasar.
154. Papilio Encelades Boisd. — Twee exemplaren, in het
lagere gebergte nabij Bonthain gevangen.
Aanmerking. Deze zeldzame en merkwaardige soort
ziet er volkomen uit als eene Danais. Sn.
155. Papilio Gigon Feld. — Bantimoerong, Bonthain, Mang-
kasar. Niet zeldzaam; vliegt zeer snel en laag bij
den grond even als de Javaansche Papilio Demolion.
Aanmerking. Is eigenlijk slechts eene reusachtige
varieteit van Demolion Cram. Sn.
156. Papilio Alphenor Cram. — Overal zeer gemeen en ook
volgens mij slechts eene varieteit van Papilio Polytes.
Vlucht enz. zijn volkomen dezelfde en de rupsen
vertoonen mede geen verschil. Zij leven te Mang-
kasar even als te Batavia voornamelijk, zoo niet
uitsluitend op dezelfde plant, de Djeroek Kingkit
(Triphosia aurantiola Lour. (Trifoliata de C.).
Aanmerking. Vele exemplaren. De wijfjes allen
gestaart, de mannen ongestaart. Is wel niet meer
dan een reusachtig ras van Polytes L. Nicanor Feld. is
ook slechts eene varieteit dier soort. Een Celebaansch
exemplaar (3) van Alphenor is niet grooter dan een
gewoon Javaansch mannetje van Polytes. Sn.
157. Papilio Helenus L. var. Sataspes Feld. — Mangkasar ,
Amparang, Bantimoerong. In het lagere gebergte
niet zeldzaam. Vier exemplaren.
158. Papilio Adamanthius Feld. — Bonthain, Mangkasar, Alloe,
Bantimoerong. Komt ook in het lage land voor,
40) OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
doch is in het lagere gebergte gewoon. Vele exem-
plaren.
Aanmerking. Ts weinig meer dan eene groote
varieteit van Peranthus F. Sn.
159. Papilio Polyphontes Boisd. — Saleyer, Bonthain ‘(3000
voet), Balangnipa, Bantimoerong. In het lagere ge-
bergte niet zeldzaam.
Aanmerking. Vele exemplaren waarbij eene varie-
teit met gele in plaats van roode vlekken der onder-
zijde. Polyphontes is wel niet anders dan eene groote,
spitsvleugelige varieteit van Polydorus L. SIL.
460. Papilio Ascalaphus Boisd. — Mangkasar, Maros. Overal
zeer gewoon, doch vooral in het lage land. Vele
exemplaren.
Een wijfje legde in gevangenschap 7 licht-oranje-
gele eijeren, van de grootte welke die der groote
Nederlandsche: Sphinxen hebben. 1)
161. Casyapa Thrax L.— Saleyer, Mangkasar. Overal uiterst
gemeen. Zie de beschrijving der rups in de Lepi-
doptera van Batavia. Drie exemplaren.
162. Ismene Exclamationis F. — Bonthain. Verscheidene exem-
plaren.
163. Ismene subcaudata Feld. — Amparang. Een mannetje.
Aanmerking. Felder’s afbeelding is, gelijk hij trou-
wens zelf opmerkt, naar een oud, verbleekt voor-
werp gemaakt. Het voor mij staande versche is
zwartbruin, tegen de vleugelwortels staalgroen glanzig
en met oranjegelen, zwart gevlekten staarthoek der
achter vleugels. Sn.
164. Ismene Ilusca Haw. — Balangnipa, Bonthain. Een paar.
165. Ismene excellens Hopff. (Sfett. Ent. Zeit. 1874, p. 39). —
1) Dit is in de »Lepidoptera van Batavia» (Tijdschrift dl. XIX, blz. 157) ten
onrechte van Papilio Memuon vermeld.
166.
167.
168.
169.
170.
170.
1717,
178.
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. A
Bonthain. In het, lagere gebergte gevangen. Twee
mannen.
Ismene Malayana Feld. — Maros. Een mannetje.
Ismene Badra Moore. — Bonthain, Maros. Een paar.
Ismene Sena Moore. — Bonthain. Drie exemplaren.
Aanmerking. Deze en de voorgaande soort zijn tot
dusverre alleen uit Bengale bekend. sn.
Pamphila Julianus F. — Saleyer, Mangkasar. Overal zeer
gemeen.
Aanmerking. Een mannetje heeft zeer kleine glas-
vlekken. . Sn.
Pamphila Acalle Hopff. (Stett. Ent. Zeit. 187%, p. 41). —
Saleyer.
. Pamphila Maro F. — Mangkasar, Balangnipa. Eenige
exemplaren.
. Pamphila Augiades Feld. — Saleyer. Twee mannen.
3. Pamphila Augias L. — Lamatti, Maros. Kenige exemplaren.
. Pamphila Marnas Feld.(?) — Bonthain. Twee slechte
mannen.
Aanmerking. Mijne determinatie is niet geheel zeker.
Sn.
. Pamphila Beturia Hew. — Bonthain. Een mannetje.
Aanmerking. Behoort tot het genus Plastingia, ten
minste naar de sprieten. Sn.
Plastingia tessellata Hew. — Mangkasar, in een Aren-
tuin (Arenga saccharifera M.). Een paar in coitu. Beide
sexen verschillen niet noemenswaard.
Plesioneura Feisthamelii Boisd. — Bonthain, Maros. Vijf
exemplaren.
Plesioneura Dan K.— Bonthain, Bantimoerong. Een paar.
42
179.
180.
181.
182.
183.
OPGAVE VAN EN AANTEEKENINGEN OVER
Plesioneura Dhanada Moore. — Mangkasar, Bonthain
(3000 voet).
Aanmerking. Vier exemplaren die zeer wel met
Moore’s beschrijving overeenkomen. Sn.
Taractrocera Maevius F. — Overal zeer gewoon, ook op
Saleyer.
Tagiades Japetus Cram. — Saleyer, Maros, Mangkasar
Bonthain.
Aanmerking. Zes exemplaren die slechts weinig wit
hebben aan den achterrand der achtervleugels. Sn.
Tagiades Celebica Feld. — Bonthain, Maros. Gewoon in
het lagere gebergte. Negen exemplaren.
Tagiades? Fuscula Sn. nov. sp. (Pl. 2 fig. 3). — Bonthain,
Bantimoerong, Mangkasar. Acht exemplaren.
Aanmerking. In vleugelvorm komt deze soort meer
overeen met sommige soorten van Achlyodes dan met
Tagiades. Intusschen vinden wij wat den bouw der
sprieten en palpen aangaat, weder vrij wat meer
overeenkomst met het laatstgenoemde genus. Van
beiden onderscheidt de vlinder zich door den oor-
sprong van ader 2 der voorvleugels, die voorbij het
midden (op 2) van den binnenrand der middencel ont-
spruit; hiernaar en ook overigens zou ik volgens
Herrich-Schäffer’s tabel van de genera der Hesperidina
(zie Corr. Bl. des Zool. Min. Vereins zu Regensburg 1869
p. 138) den vlinder tot H. Schaffer’s genus Thracides
moeten brengen.
Palpen breed, dik behaard, ii korte spitse eind-
lid bijna in de ect van lid 2 verborgen. Sprieten
dun, spits, het knopje weinig dikker dan de schaft,
als een afgeronde hoek gebogen. Oogen groot. Aan
de basis der sprieten een duidelijk haarbosje. Lijf
slank. Pooten dun, de achterscheenen met vier sporen
LEPIDOPTERA VAN Z. W. CELEBES. 43
zonder haarbosje. Voorscheenen met een aanhangsel.
Voorrand der voorvleugels bij den man zonder omslag.
Oorsprong van ader 2 der achtervleugels als die der
voorvleugels; 3 en 4 bijna uit één punt.
De geheele ongeteekende bovenzijde van den vhnder
is bij het mannetje donker roetbruin, iets paars-
achtig, bij het wijfje iets lichter en valer. De onder-
zijde is donkerder, meer met paars gemengd, de
voorvleugelpunt en staarthoek der achtervleugels
benevens cel 1? en 1% der voorvleugels zijn niet meer
dan grauwbruin. De vlinder varieert niet. . Sn.
In bovenstaande lijst zijn in het geheel 183 soorten ver-
meld. Bovendien zijn door den heer Piepers nog 6 wel
meestal nieuwe Lycaeninen en Hesperidinen gevangen , doch
slechts in enkele, niet voor beschrijving vatbare, meest
slechte vrouwelijke exemplaren. Wij achten het beiden beter
de publicatie van niet wel op eene voldoende wijze te
karakteriseren nieuwe soorten achterwege te laten. Misschien
behooren zij wel als variërende exemplaren tot reeds bekende
soorten en buitendien zijn onze catalogi reeds al te rijk
aan vlugtig en onvolkomen beschreven soorten, ten deele ook
wel ontstaan door de zucht van vele schrijvers om hunnen
naam door het publiceeren van nieuwe soorten te ver-
eeuwigen (2). Wij achten het dus beter om geene nieuwe
struikelblokken voor na ons komende Entomologen te schep-
pen, ten minste niet met opzet.
ACROLEPIA. VALERIELLA ZELLER nov. sp.
BESCHREVEN DOOR
P. C. T. SNELLEN.
(Plaat 2, fig. a, b, c.)
In het jaar 1868 ontvingen Mr. H. W. de Graaf en ik
van den heer van Medenbach de Rooy te Arnhem een
vlindertje ter determinatie, waarin wij eene Acrolepia her-
kenden, doch tevens bevonden dat het tot geene der ons
bekende soorten van dat geslacht kon worden gebragt.
Wij zonden het dus aan Professor Zeller, wiens bekende
welwillendheid ons ook in dit geval de noodige inlichting
verschafte. ZHooggel. teekende aan: «N°. 157. Eine Acrolepia
«aber beschädigt so dass ich nicht erkennen kann ob sie
«zu einer kleinen, noch unbenannten Art gehòrt die auf
«feuchten Wiesen in der Nähe von Inula Brittannica fliegt
«oder ob sie auch von dieser verschieden ist.» Later had
Prof. Zeller de vriendelijkheid mij van die nog onbenoemde
soort twee exemplaren voor mijne collectie te zenden onder
den naam Valeriella Zell. in litt., onder opgave dat die
naam gekozen was omdat de voorwerpen tusschen Valeriana
dioica waren gevangen. Onmiddellijk vermoedde ik dat deze
soort en de Acrolepia van den heer de Rooy dezelfde waren
en in dit gevoelen ben ik door herhaalde bezigtiging van
zijn voorwerp steeds versterkt. Verwachtende dat deze
soort, hetzij door Prof. Zeller zelf of in von Heinemann’s
Kleinschmetterlinge, wel zou beschreven worden, liet ik de
ACROLEPIA VALERIELLA ZELL. 45
bekendmaking achterwege, doch het eene zoo min als het
andere geschiedende, wenschte ik de soort beschreven en
afgebeeld te zien voor ik het tweede deel mijner Vlinders
van Nederland uitgeef. Professor Zeller gaf mij hiertoe ver-
lof en daarvan maak ik gebruik.
Wat de generieke kenteekenen aangaat zoo is het diertje
eene typische Acrolepia Curtis, v. Hein. (Roeslerstammia
Herr.-Sch.). Ik verwijs dus te dien opzigte vooral naar
Herrich-Schäffer en von Heinemann, alleen aanteekenende
dat de bijpalpen bij de nieuwe soort vrij duidelijk zijn.
Onder de reeds beschreven soorten blijven Vesperella en
Fumociliella buiten aanmerking om de (volgens de auteurs)
spitse, iets uitstekende punt en den bogtigen achterrand
der voorvleugels. Verder onderscheiden Assectella, Grani-
tella en Pygmaeana en ook, volgens de auteurs, Tauricella,
Perlepidella, Eglanteriella, Solidaginis en Betulella zich door
de donkere grondkleur der voorvleugels, welke bij Valeriella
wit kan genoemd worden even als bij Arnicella en Cariosella.
Het is dus in deze groep, waartoe ook, naar de beschrij-
vingen, Adjectella v. Heyd. en Exsuccella Erschoff behooren,
dat Valeriella nader gekarakteriseerd dient te worden. Naar
de ruwe afbeelding zou ik zeggen dat Æxsuccella niet
tot Acrolepia behoort, terwijl zij in de beschrijving met
Granitella — waarschijnlijk als naast verwante soort, —
wordt vergeleken. Wij kunnen haar dus laten rusten.
Acrolepia adjectella von Heyden zal ik lager bespreken.
Valeriella onderscheidt zich van Cariosella en Arnicella
duidelijk door twee kenteekenen; ten eerste door de kleur
van de teekening der voorvleugels -— bij Valeriella donker-
grijs en bij de anderen lichtbruin; ten tweede door den
vorm van den donkeren middenband dier vleugels, welke
bij Vateriella geheel ongebogen en schuin van het midden
van den voorrand naar drie vijfden van den binnenrand
verloopt, terwijl hij bij Cariosella gebroken, bij Arnicella
gebogen is (zie fig. 2 en 3). Buitendien, doch als minder
sprekend kenmerk niet zoo gewigtig, is de franjelijn aan
46 ACROLEPIA VALERIELLA ZELL.
begin en einde naauw merkbaar omgebogen, maar bij de
andere soorten zeer duidelijk en over het geheel, vooral
bij Arnicella ook in het midden meer gebogen. De buiten-
helft van de achterrandsfranje is donker, doch verdeelt zich
eerst geheel onderaan in tweeën, even als bij Cariosella,
maar nog onduidelijker, terwijl bij Arnicella die verdeeling
reeds onder de vleugelpunt plaats vindt.
Overgaande tot eene nadere beschrijving, naar het goed
geconserveerde paartje van Prof. Zeller, vermeld ik dat de
vlugt van den man is 101 mm., die van het wijfje 114 mm.
De, vooral bij den man, tegen de punt iets gekartelde,
overigens draadvormige sprieten zijn zeer kort behaard,
grijswit, donkergrijs geringd. Palpen, kop, thorax en
voorvleugels zijn grijswit, bij den man iets helderder dan
bij het wijfje. De voorvleugels zijn gelijkmatig met kleine
donkergrijze dwarsschrapjes besprenkeld en bovendien op
de voorrandshelft en langs den achterrand donkergrijs ge-
wolkt. Verder is bij het wijfje de voorrandswortel don-
kergrijs en bij beide sexen de volgende donkergrijze tee-
keningen aanwezig: een halve dwarsband op een vierde
van den binnenrand, die iets schuin staat, namelijk een
weinig in de rigting der vleugelpunt; hij is bovenaan niet
scherp begrensd en komt ongeveer tot aan de middencel.
De nu volgende geheele dwarsband is in het midden flaauwer
dan aan de randen en de driekante plek aan den binnen-
rand tusschen hem en den halven dwarsband helderder
wit dan het overige van den vleugel. Tusschen den geheelen
dwarsband en de vleugelpunt vindt men langs den voor-
rand twee paren donkere vlekjes, die door eene duidelijke
tusschenruimte gescheiden zijn. Zij zijn bij den man zeer
flaauw. Het vierde vlekje is in den vorm eener streep
verlengd, die langs den achterrand loopt, doch den binnen-
rand niet ten volle bereikt en vooral in het midden zeer
flaauw is. De franjelijn is scherp en donkergrijs. Franje
grijswit, geteekend als boven beschreven.
Achtervleugels en achterlijf lichtgrijs — onder en boven.
ACROLEPIA VALERIELLA ZELL. 47
De eersten hebben grijswitte franje met donkergrijze wor-
. telhelft; het laatste eene witte staartpluim. Onderzijde der
voorvleugels donkergrijs, ongeteekend. Pooten grijswit,
donker gevlekt.
De beide exemplaren van Prof. Zeller zijn den 3"
Junij 1872 bij Stettin op moerassig weiland tusschen Vale-
riana dioica en Inula Brittannica gevangen en het dier vliegt
ook bij Meseritz. Het voorwerp van den heer de Rooy is
den 30” Mei 1868 bij Arnhem gevonden.
Acr. Valeriella is ook voor Adjectella von Heyden aange-
zien, doch deze moet zoo na aan Cariosella verwant zijn,
dat Prof. Frey niet eens het specifiek verschil kan aanne-
men (zie Mittheil. Schweiz. Ent. Gesellsch. 1868, p. 186),
terwijl hij het onderscheid tusschen Cariosella en Vateriella
stellig wel bemerkt zou hebben.
De rups is nog onbekend. Evenzoo weet ik niet of deze
soort ook eene tweede generatie heeft en mede in andere
landen dan Nederland en Duitschland is gevonden.
UN EPHINXETESC DET ANY
EPHIALTES MELANOMERUS pre HAAN.
Je ne me rappelle pas avoir vu décrit quelquepart un Ephi-
altes des Indes Orientales, région où les Rhyssa, les Theronia
et les Pimpla semblent pulluler. Cependant depuis un
demi-siècle un Ephialtes, originaire de Java selon léti-
quette attachée à l'individu unique, se trouve dans un des
tiroirs de la galerie des Insectes au Musée royal d'histoire
naturelle des Pays-bas à Leide. Il date du voyage de M.
le professeur Reinwardt, aucun des envois faits depuis ce
temps-là ne contenant un second exemplaire de cette espèce,
ni même une autre espèce du même genre. Il parait donc
que notre Melanomerus est bien rare dans Vile de Java, et
les Ephialtes aux Indes.
Ephialtes niger, palpis pallidis; pedibus rufis, posticorum
coxis, trochanteribus nec non femoribus nigris; ventre brun-
neo-rufo. 2
Long. corp. 25 mm. terebrae 37.
Cette espèce exotique ressemble tellement à notre Ephi-
altes Manifestator L. (Rex Kriechb.) qu'il suffira de noter
les différences. Les ailes ont bien la même nuance jau-
nâtre, mais le stigma et les nervures sont noirs ; la nervure
transverse anale des inférieures a son angle bien au dessus
du milieu. L’abdomen est plus grêle par rapport à la
longueur; son premier article offre en dessus deux faibles
carènes longitudinales parallèles, ne s’etendant pas jusqu’au
bord. La tarière est bien plus longue que chez le Rex.
Les quatre pattes antérieures sont uniformément rouges,
excepté le bout du dernier article des tarses, qui est brun,
mais les postérieures diffèrent fortement par leur coloration ;
les hanches sont noires, les trochanters sont de la même
couleur avec deux petites taches rouges, les cuisses sont
noires avec l'extrême base et le bout rouges, les jambes
sont rouges avec l'extrémité brune, enfin les tarses sont
brunâtres ; ceux-ci un peu plus courts que les jambes. Le
ventre est d’une couleur rouge foncée.
Sar Ve
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN,
BESCHREVEN EN MEERENDEELS 00K AFGEBEELD
DOOR
S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
Achtste stuk met twee platen.
Bijvoegsels en verbeteringen tot de afdeeling der Heteroptera. !)
AEN OD: ON EAN SEN.
| EERSTE FAMILIE. — Schildwantsen.
Tetyra maura L. — Bij Bergen op Zoom in Junij, Everts.
Bij Breda in Maart (Heylaerts), in Junij (v. Voll.),
in September (Leesberg). Bij Brummen in Mei
(v. Voll.).
Tetyra hottentotta F. — Bruine var. bij den Haag, v. Hasselt;
zwarte var. op Walcheren, La Fontijn.
Podops inunctus F. — In vrij groot aantal bij Breda in Maart,
Heyl. Een klein ex. bij Arnhem, v. Medenbach de Rooy.
Phimodera galgulina H. Sch. — In Junij bij Scheveningen,
Leesb.
Odontoscelis fuliginosa L. — Lichtgekleurde voorwerpen, een
in Junij -bij Scheveningen, van der Wulp; een bij
Noordwijk mede in Junij, Everts. De var. Dorsalis F.
in Junij bij Domburg, Six.
Coreomelas scarabaeoides L. — Bij den Haag in April, Leesb.
Bij Velp in Aug., Ritsema.
1) Eerste stuk, Deel XI 1868. Tweede stuk, Deel XII 1869. Derde stuk,
Deel XIII 1870. Vierde stuk, Deel XVI 1873. Vijfde stuk, Deel XVIII 1875.
Zesde stuk, Deel XIX 1876. Zevende Stuk, Deel XX 1877.
4
50 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Asopus coeruleus L. — Bi Breda, Leesb. By Arnhem, v.
Med. de Rooy.
Asopus punctalus L. — Bij Scheveningen, Leesb. Op Wal-
cheren, La Fontijn.
Asopus dumosus L. — Op Walcheren, La Font.
Asopus luridus F. — Herhaalde malen in het Haagsche bosch;
bij Loosduinen, v. Hasselt; bij Breda, Leesb.
Asopus cuslos F. Me het een. in Ang gevonden daor
Mr. W. Albarda, door mij in Aug. op Sterkenburg en
door mijn’ zoon te Naaldwijk.
Asopus bidens L. — Op Walcheren, La Fontijn. Bi) Arnhem
den 17" Maart, v. Medenb. i Rooy.
Cydnus bicolor L. — In Nov. en December bij den Haag, de
Graaf; bij Utrecht, v. Hass.; bij Arnhem in Juni, v
Med. de Rooy.
Cydnus morio L. — Bij Loosduinen en Utrecht, v. Hass. ; bij
den Haag in Junij, Leesb. |
Cydnus biguttatus L. — Nog een paar exemplaren bij Breda in
Maart en Junij, Heyl. Bij Arnhem in Julij, v. Med.
de Rooy. Den 8* April op den St. Pietersberg bij
Maastricht, Maurissen.
Cydnus flavicornis F. — Den 20” April bij Arnhem een voor-
werp, dat veel grooter is dan die van de duinen ge-
woonlijk zijn, v. Med. de Rooy. Op 15 Mei in menigte
op een’ kalen duin bij Scheveningen, Six.
Sciocoris umbrinus Wolff. — Bij Breda in Maart, Heyl.
Aelia Klugii Hahn (niet Linnaeus). — Aan de Bildt in Julij,
Everts; op den zandweg naar Wassenaar in Julij, v
Voll.
2—3. Aelia pallida Küst.
Plaat 3, fig. 1 en la.
Küster, Stett. Ent. Zeit. XIII (1852), p. 394, Taf. II,
fig. 4.
-Lengte 8 mm. — Kenmerkend voor deze soort zijn de
beide vlekjes aan de onderzijde der dijen en de afwezig-
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. yi
heid van eene zwarte langsstreep op het corium, welke
laatste bij Klugii Hahn steeds aänwezig is. Het geheele
dier is ledergeel met donkerbruine gestippelde versieringen.
Het lijf is naar gelang der lengte breeder dan bij Alugit
en minder glanzig. De kop is minder sterk gebogen. Op
de bovenzijde is de teekening van kop en borststuk nage-
noeg dezelfde; de sprieten schijnen mij toe iets langer te
zijn. Het schildje is breeder en heeft ter wederzijde van
de lichte middelstreep 4 langsstrepen, uit bruine putjes
bestaande, waarvan de uiterste geheel tegen den zijrand
aansluit en even als de daarop volgende zeer kort is, ter-
wijl de beide anderen, spoedig ineengevloeid, tot aan de
spits doorloopen. Het corium is grof gestippeld doch zon-
der teekening. Aan de onderzijde zijn de pooten met
bruine stippen bespikkeld en de dijen vertoonen elk twee
bruine vlekjes, uit grove stippels bestaande, en schuin
naast elkander geplaatst (zie fig. da). .
Deze soort werd door den heer van Medenbach de Rooy
den 16” Sept. bij Arnhem aangetroffen en door mij 15
Junij bij Velzen.
Aelia inflexa Wolff. — Bij den Haag, Six.
Cimea lituratus Klug: — Bij Utrecht, -v. Hasselt; in April op
Ulex europaeus op de Meerdervoortsche duinen bij den
Haag, de Graaf; op Walcheren, La Fontijn.
SA. Cimex pinicola Muls.
Plaat 3, fig. 2 en 2a.
Flor, Rhynch. Livl. I. 133 var. Longirostris en II, p.
578. — Mulsant, Ann. Soc. Linn, 1852, p. 89. 1)
Lengte 11 mm. — Breeder dan de meeste naverwante
soorten, bronskleurig, dadelijk herkenbaar aan de bijzondere
1) De beschrijving van Mulsant is mij onbekend; ik neem op verzekering van
Flor aan dat deze soort zijne Pinicola is. Het is jammer dat Mulsant niet gewacht
heeft met beschrijving, want Flor’s benaming is wel zoo goed.
52 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
lengte van den zuiger, die tot aan den derden ring van
het abdomen reikt. De middellob van den kop is bijna
even lang als de zijlobben. De sprieten zijn zwart, alleen
het eerste lid heeft op de bovenzijde eene onduidelijke
sele vlek. De zijranden van den thorax zijn tot aan de
schouders geel en de spits van het schildje is van dezelfde
kleur. Het corium der dekschilden is taankleurig bruin, de
membraan berookt met eene donkerder vlek aan den binnen-
hoek; de vleugels zijn zeer licht grijs met zwarte aderen
en de bovenzijde van het abdomen is zwart. De buiten-
rand van het connexivum is met langwerpige gele vlekjes
versierd. De pooten zijn vuil olijfgroen met donkerder tarsen.
Van deze merkwaardige soort ving de heer van Meden-
bach de Rooy bij Arnhem een vrouwelijk exemplaar. Volgens
Flor leeft de soort op Juniperus.
4-5. Cimex nigricornis F.
Plaat 3, fig. 3.
Fabr. S. Rh. 157, 8. — Wolff, Ic. Cim. p. 138, tab.
Ah, f. 132. — Fall. Hem. Suec. I, p. 27, 9. — Hahn,
W. Ins. U, p. 59, PL 48, n°. 447 — Panz. Dl dns
113, 9. — Flor, Rh.) Lol. 1,:p. 18,0. 6.et 140,
n°, 7. — Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 78.
Lengte 15 mm. — Lederkleurig geel met bruine stip-
peltjes bezet. De kop vrij lang. uitgerekt met bijna regte
zijden, welke vrij breed zwart gestippeld zijn; twee fijnere
streepjes van bruine puntjes loopen van de spits over de
naden der lobben naar den achterrand strijkelings langs
de ocellen. Het borststuk is aan den voorrand hoekig diep
ingesneden en op de zijden tot vleugelvormige zwarte
punten uitgebreid; de achterrand loopt regt, met een klein
indeukje in het midden. De zwarte strepen van den kop
worden op den thorax een eindje voortgezet. Het eerste
lid der sprieten is geel, de overigen zijn dof zwart; het
3° is bijna de helft korter dan het 2°. De zuiger is kort,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. dI
met eene zwarte streep over de bovenzijde. Het schildje
is lang uitgerekt en heeft eene lichtgele punt. De dek-
schilden, van de algemeene ligchaamskleur, hebben een
zwart vlekje aan de basis onder den thorax; hunne mem-
braan is bruinachtig geel met een zwart vlekje aan den
binnenhoek en een bruin veegje aan de spits. Onderzijde
en pooten bleekgeel; de achterdijen vertoonen aan den
onderkant een zwart langsstreepje.
De heer C. Ritsema Cz. ving een enkel voorwerp op:
Beekhuizen den 18” Augustus.
Acanthosoma haemorrhoidale L. — Deze soort overwintert; zij
wordt, even als de volgende op het eerste groen van
opslag van eschdoornen in het Haagsche bosch aan-
getroffen.
Acanthosoma haematogaster Schrank. — Aldaar in April.
Acanthosoma ferrugator F. — Bij Breda, Leesb. en Heylaerts;
bij Arnhem in October, v. Med. de Rooy; aan de
Rhedersteeg 30 Aug., v. Voll.
TWEEDE FAMILIE — Coreoden.
Syromastes marginatus L. — Bij Rhede in Julij , Rits. Bij Breda
in Sept. Heyl.
Syromastes quadratus F. — Deze soort blijkt nu geenszins
zoo zeldzaam te zijn als ik vermoedde; zij werd ver-
scheidene malen door Dr. van Hasselt, den heer
G. A. Six en door mij aangetroffen in het duin bij den
Haag en Scheveningen; voorts ving eerstgemelde haar
ook bij Utrecht en de heer Leesberg bij Middelburg.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
ot
en
3. Syromastes Scapha F.
Plaat 3, fig. 4:
Fabr S. Rh. 193, 9. — Burm. Handb. II. p. 315 n°. 3. —
Wolff, Ic. Cim. p. 69, tab. 7. fig. 66. — Panz. Fauna
Germ. 447. 9. — Hahn, W. Ins. II. p. 103, tab. 61,
fig. 186. — Curtis, Brit. Ent. IV. 174. — Flor, Rhynch.
Livl. I, p. 474. — Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 112,
pl. 4, fig 4.
Lengte 11 mm. — Nootbruin, aan de onderzijde iets
lichter, met donkerbruine vlekjes. Kop vierhoekig, plat
van boven, korrelig met eenige rimpels op den schedel;
de zijden en de nek licht gekleurd; een doorntje tusschen
de sprietbases en twee anderen op zijde. Het eerste lid der
sprieten korrelig met een fijn doorntje aan zijn’ voet, boven
bruin, onder rood; het 2° anderhalf maal langer, rolrond,
geheel bloedrood, het 3° iets korter, aan de punt wat ver-
breed met een doorntje, tot op de helft rood, dan bruin,
het 4° nog korter, spoelvormig, zwart. De zuiger reikt tot
even voorbij de middenheupen. Het borststuk, aan den
voorrand ingebogen, met puntige voorhoeken, loopt naar
achteren vrij hoog op en is op het breedste punt tweemaal
breeder dan aan den hals; de zijden zijn dus zeer bogtig.
De zijrand is aan het lage gedeelte gekerfd. Het midden
van den rug is iets lichter gekleurd. De dekschilden zijn
sterk gestippeld en hebben op het corium vier witachtige
onbestippelde vlekjes; hunne membraan heeft een bronzen
sloed en tusschen de aderen verhevenheden als hierogly-
phisch snijwerk. Het abdomen, dat op zijde buiten de
dekschilden uitsteekt, is aldaar sepia-bruin met vuilwitte
vierkante vlekjes. De pooten vertoonen geen -doorntjes,
maar zijn sterk met bruine vlekjes getijgerd. *)
Van deze voor onze Fauna nieuwe soort werden twee
1) De na verwante Ænoplops Bos A. Dohrn is eene goede zelfstandige soort, maar
Cornutus Dohrn schijnt mij toe met Scapha iu een te loopen.
sica ande
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 55
exemplaren door den heer Heylaerts bij Breda gevangen
in Maart en April; het eene is zeer gaaf, het andere heeft
vergroeide, abnormale sprieten,
—
Coreus pilicornis Burm. — Ook deze soort blijkt niet zoo zeld-
zaam als zij wel scheen. Dr. Everts ving 3 exx. bij
Noordwijk in Junij, de heer Heylaerts een in Mei bij
Bergen op Zoom, de heer La Fontijn een op Wal-
cheren en ik een bij Domburg op Walcheren 18 Junij,
en een aan de Bildt, 1 Julij.
Coreus difficilis Voll. — De ware naam van dit insect is Gerd-
leptus squalidus Costa, in 1858 nogmaals door Stein in
de Berliner Entomologische Zeitung beschreven onder
de benaming van Lividus. De soort komt ook bij
Berlijn en in Engeland voor. Ik bezit nu vier exx.,
waarvan 3 bij Breda in het voorjaar gevangen door
den heer Heylaeris en het vierde door den heer La
Fontijn op Walcheren. Bij twee daarvan zijn de
uiteinden der dijen aan de bovenzijde bruin. — Ook
eenmaal gevangen op de Scheveningsche duinen en
een voorwerp bij Domburg door den heer Six.
Stenocephalus nugax F.
Plaat 3, fig. 5.
Fabr. S. Rh. 200, 42. — Wolff, Ic. Cim. p. 30. tab. 3,
fig. 30 — Schill. Beitr. 48, 11, tab. 5, fig. 2. — Burm.
Handb. II p. 328. — Hahn, W. Ins. I. p. 22. tab. 3.
fig. 13. — Douglas and Scott, Brit. Hem. p.141 ‚tab. v. fig. 6.
Het geslacht Stenocephalus is nieuw voor onze Fauna en
onderscheidt zich hoofdzakelijk van de overige Coreoden
doordien 1° het laatste lid der sprieten het langste van
allen is en 14 maal langer dan het 3°; 2° de achterpooten
zeer lang en slank zijn zonder eenige doornen of stekels
aan de dijen.
56 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Lengte 15 mm. — Slank, grauwbruin, donkerder ge-
stippeld. Kop tweemaal langer dan breed, van de basis
der sprieten af kegelvormig verlengd en in twee puntjes
uitloopend; oogen bol, donkerbruin, ocellen lichter en wat
roodachtig. Zuiger slank, licht gekleurd met eene donkere
bovenstreep, reikende tot de middenheupen. Sprieten langer
dan het halve lijf, slank, behaard; het 1° lid dikker, naar
buiten krom gebogen, zwart; het 2° lang en smal, zwart
met 2 geelwitte bandjes; het 3° veel korter, zwart met
geelwitte basis; het 4° veel langer, overal slank, gekleurd
als 3. Thorax weinig langer dan de kop, op den rug trape-
zium-vormig, met omgebogen achterrand. Schildje vrij
groot, driehoekig met ivoorwit spitsje. Dekschilden zonder
teekening ; membraan bruin met iets donkerder aderen en
daartusschen eene menigte bruine vlekjes; de grondader
groot en ongevlekt. Rug van het abdomen bloedrood met
de basis en-de spits bruin; zijranden opstaand, bruin met
vierkante witte vlekjes geblokt. Onderzijde bronskleurig
bruin, de buik iets lichter dan de borst. Pooten lang en
slank; heupen en basis der dijen ivoorwit ; scheenen behaard,
geelachtig met de beide uiteinden zwart; tarsen zwart.
Van deze merkwaardige soort ving de Generaal Dr. van
Hasselt een mannelijk individu, 23 Nov. op een’ wijngaard
in zijn’ tuin binnen ’s Gravenhage, en had de goedheid er
mijne verzameling mede te verrijken.
Pseudophloeus Fallenit Schill. — Sedert heeft nog Mr. Leesberg
een exemplaar bij den Haag gevonden, in Junij.
Pseudophloeus Walilii H. Sch.
Plaat 3, fig. 7.
Herr. Sch. in Panzer, Faun. Germ. 127, 6. — Id.,
Wanz. Ins. VI. p. 4. tab. 182 fig. D.
Lengte ongeveer 7 mm. — Van de vorige soort sterk ver-
schillend in grootte, in kleur en sterker doornen. Zwart,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 57
aan de onderzijde roodbruin gevlekt. Kop met 2 sterke
doornen voor de oogen en 2 kleine stekeltjes aan de spits.
Alle leden der sprieten doornachtig, het 3° aan het eind
bestekeld knodsvormig. De zijranden van den prothorax
dragen sterke doornen en zijn voorbij het midden sterker
uitgebogen dan bij de andere soort; voor den achterrand
loopt eene sterke plooi. Het schildje heeft de zijden aan de
basis verdikt en een knobbeltje op de spits. De dekschilden
zijn sterk gestippeld op den clavus en tusschen de aderen ;
de membraan is zeer donker, de uitstekende rand van het
abdomen met vuilwitte streepjes voorzien. De pooten zijn
donkerbruin, de dijen sterk gekorreld, de scheenen met
vuilwitte bandjes geteekend; ook het eerste lid der tarsen
is licht gekleurd.
Ziedaar dan weder eene zuidelijke soort in ons vaderland
aangetroflen en wel in Zeeland. Kan dit anders verklaard
worden, dan door den invloed van den golfstroom? De
soort werd op Walcheren ontdekt door den heer La Fontijn,
aan wiens ijver wij de kennis van meer zeldzaamheden
verschuldigd zijn.
Atractus Dalmannii Schill.
Plaat 3, fig. 6.
Schilling, Beir. I. 41. PL 1, f. 4. — Hahn, W. Ins. I.
p. 112, Tab. 64, f. 193. — Burm. Handb. II p. 308, n°. 2.
— Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 122, tab. 4 f. 8.
Het geslacht Atractus verschilt van Pseudophloeus voor-
namelijk, in de relative lengte der sprietleden, zijnde lid 8
hier slechts tweemaal langer dan 2.
Lengte 6—7 mm. — Lichter of donkerder nootbruin,
aan de buikzijde iets lichter. De breede kop loopt in 3
even groote punten uit, in wier tusschenruimten de sprieten
ingeplant zijn; van dezen is het eerste lid ovaal, van boven
| plat, ietwat korrelig, het 2° slank, rolrond, iets korter,
De
geelachtig; het 3° tweemaal langer, geelachtig, rolrond,
58 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
doch uitloopende in een verbreeden zwarten knop, het
4° korter dan 1, dik, peervormig. De oogen puilen weinig
uit. De zuiger reikt slechts tot de middenheupen. Het
borststuk is trapezium-vormig, iets breeder dan lang, met
puntige voor- en ietwat stomper achterhoeken; de achter-
rand is aan beide zijden van het schildje lappig uitgebogen ;
de voorste helft van den zijrand is breed wit geboord.
Het schildje is donker, met eene geelachtige versiering in
de gedaante van een vliegenden vogel, niet altijd duidelijk.
Het corium der dekschilden is vrij kort, hunne membraan
lang en zeer donker. De opgewipte zijrand van het abdomen
is vrij breed, met lichtere vlekken op de ringen. De pooten
zijn gevlekt met donkere bandjes om dijen en scheenen.
De heer van der Wulp schonk mij een inlandsch voor-
werp uit de collectie door Perin bijeengebragt; later ont-
ving ik nog twee voorwerpen, door de-heeren Everts en
Leesberg in Junij bij Noordwijk aangetroffen.
m >.
Alydus calcaratus L. — Door den heer Ritsema en mij in
Augustus gevangen aan de Rhedersteeg, door den
heer Leesberg bij Breda in September.
Berytus tipularius L. — Deze soort is nu ook in de omstreken
van Breda aangetroffen en wel door den heer Hey-
laerts, 4 April.
Berytus elegans Curt. — Meermalen op de duinen aangetroffen
door den heer Six en mij zelven.
Berytus minor H. Sch. — Werd door den heer Six bij den
Haag gevangen, indien ten minste mijne bestemming
juist is.
3—4. Berytus crassipes A. Sch.
Plaat 3, fig. 8.
Herr. Sch. Nomencl. p. 43. — Fieb. Wien. Ent. Monatschr.
HI, 206. — Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 156.
Lengte 6 mm. — Honiggeel met 3 witte strepen op den
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 59
prothorax, sterk gelijkend op Clavipes, doch verschillend
doordien de lamel tusschen de sprieten stomper en korter
is, en op zijde gezien ronder; bovendien is de knods aan
het eind van het 2° lid der sprieten plotselinger aanvan-
gend. Deze knods, de spits van lid 3 en lid 4 zijn zwart.
De aderen op het corium zijn lichter gekleurd dan de
ruimte daartusschen; aan de spits van ‘het corium ziet
men een zeer flaauw bruin stipje; de membraan is met
“breeder dan het corium. Het achterlijf is in het midden veel
breeder dan de thorax. De dijen zijn knodsvormig, die van
het voorste paar honiggeel, die van het tweede paar bruiner ,
die van het derde bepaald bruin. (Het zou mij niet ver-
wonderen indien deze soort slechts eene verscheidenheid
bleek te zijn van Ber. minor H. Sch.).
Een voorwerp bij Breda in Maart gevangen door den
heer Heylaerts; een ander door den heer Six bij Scheveningen.
3—4. Berytus cognatus Fieb.
Fieber, Wien. Ent. Monatschr. UI (1859), p. 205. —
Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 153, n°. 3.
Lengte 12 mm. — Bruinachtig geel of licht nootbruin
met de langslijstjes van den thorax minder duidelijk, ken-
haar aan het smalle corium en de breede membraan. De
vooruitstekende spits van den kop ietwat stomp en op
zijde gezien opgewipt. Sprieten zeer slank en lang; de
spits van het 4° lid niet plotseling verdikt, bruin, het 2°
bijzonder kort, het 3° met een zwart stipje aan de spits,
het 4° zwart. Thorax in het midden naar beneden gebogen,
middenlijstje op den rug duidelijk, maar die aan de zijden
minder scherp afgescheiden en van dezelfde kleur als de
thorax. Dekschilden met smal corium, dat aan den binnen-
zoom en tegen den clavus aan bruin is; een zwart vlekje aan
de spits; membraan breeder met twee bruine strepen,
waarvan de langste naar de spits verbreed. Pooten lang,
gekleurd als het ligchaam met de dijen aan het eind wel
dikker, maar niet eigenlijk knodsvormig.
60: DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Van deze buitengemeene soort ving de heer Heylaerts
‘in April ‘in de omstreken van Breda twee voorwerpen,
waarvan het een wat sterker gekleurd is als het andere.
Het ware zeer te wenschen, dat alle tot nu toe beschreven
soorten uit de groep der Berytiden eens bij elkander kon-
den gebragt worden in authentieke exemplaren, ten einde
daarvan eene vergelijkende revisie te houden; want het is
vrij waarschijnlijk dat er verschillende zullen moeten zamen-
smelten of zullen blijken niets dan verscheidenheden van
vroeger beschrevenen te zijn.
Corizus capitatus F. — Ook in het duin tusschen Scheveningen
en den Haag aangetroffen door Dr. van Hasselt en mjj.
Corizus -Hyoscyami L. — Bij Beekhuizen den 18” Aug. gevan-
gen door den heer Ritsema.
DERDE FAMILIE. — Pyrrhocoriden.
Pyrrhocoris apterus L. — Ook bij Arnhem, v. Med. de Rooy.
| VIERDE FAMILIE. — Lygaeoden.
Het geslacht Pachymerus, gelijk ik het tot nog toe aan-
genomen heb (zie Deel XIII, 1870) bestaat uit te vreemd-
soortige bestanddeelen om het geheel te laten zoo als het
is; hoever moet men echter gaan met de verdeeling? toch
niet zoo ver als Fieber, die bijna voor iedere soort een
genus aanneemt, noch zelfs als Douglas en Scott, die zelfs
door hun’ landgenoot Saunders op dit punt berispt zijn. In
de algemeene revisie van den text, waarmede, zoo ik hoop,
deze beschrijving der inlandsche Hemiptera Heteroptera
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 61
spoedig afzonderlijk staat te verschijnen, zal ik het resultaat
mijner overwegingen dienaangaande in ’t licht geven en voor
'shands alhier mij bepalen tot het beschrijven van nieuwe
soorten en de opgave der bijgekomen vindplaatsen van reeds
bekenden.
Pachymerus ferrugineus L. — Een voorwerp uit de verza-
meling van den heer Perin.
Pach. rusticus Fall. — Te Delft op het eind van September,
Dr. Everts; op het Scheveningsche duin 30 Julij, Six;
te Noordwijk in Julij, Rits.; bij Breda in Maart, Hey-
laerts; door mij gevangen te Kampen in Julij en aan
de Rhedersteeg 30 Augustus in copula.
Pach. nubilus Fall. — Bij Breda, Heyl.
Pach. hemipterus Schill. — Bij Breda door den heer Heylaerts
en op Walcheren door den heer La Fontijn aangetroffen.
Pach. sabulosus Schill. — Bij den Haag, Leesb.; bij Noord-
wijk, Weytlandt; bij Heemstede, v. Voll.; bij Arnhem,
v. M. de Rooy; op Walcheren, Gerth v. W.; bij Breda,
Heyl.; aan de Rhedersteeg en te Oisterwijk, v. Voll.
Pach. marginepunctatus Wolff. — Bij Utrecht, v. Hass.; bij
_ Wassenaar in April, de Graaf; bij Scheveningen en
Waalsdorp, soms gemeen onder Galium, v. Voll.
Pach. chiragra F. — (In mijne afbeelding zijn de 3 vlekjes
op den thorax wat te sterk uitgedrukt, doch de mem-
braan moest meer gevlekt zijn). Bij Arnhem 42 Mei,
v. Medenb. de Rooy.
Pach. varius Wolff, — In overgroote menigte ‘aan de wor-
tels van Jasone montana bij Scheveningen, v. Voll.
Pach. decurtatus H. Sch. — Op Walcheren, La Fontijn.
(Deze soort moet bepaaldelijk uit het geslacht Pachy-
merus uitgescheiden en tot Micropus Spin. gebragt
worden).
Pach. pietus Schill. — De gemeenste soort, die men des
winters met het uitzeven van bladeren en afval ver-
62 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
krijgt. Vier verschillende varieteiten worden door de
Engelschen als afzonderlijke soorten opgegeven.
Pach. quadratus F. — In Juli} bij den. Haag, Six.
Pach. Lynceus F. — In het duin bij Work Six; bij
den Haag en Loosduinen in October, v. Hass.; bij
Scheveningen 22 Julij, v. Voll.; aan het Ginneken bij
Breda 3 April, Heyl.
Pach. Pini L. — Nog eenige malen door verschillende
_ heeren bij Arnhem en Velp gevangen; voorts te Delft,
Leesberg en bij Hilversum 25 Mei, v. Voll.
Pach. agrestis Fall. — Meermalen in het duin; voorts bij
Utrecht, v. Hass. en bij Breda, Heylaerts.
_ Pach. praetextatus H. Sch. — Bij a Haag, v. Hasselt; bij
Scheveningen 15 Mei, Six; bi) Arnhem 13 Mei, v. Med.
de Rooy; bij Aus 94 Julij, v. Voll.
Pach. contractus H. Sch. — Bij in Maart, Heyl.; op
Walcheren, Gerth v. Wijk.
Pach. sylvaticus F. — Onder dezen naam heb ik twee na-
verwante soorten bijeengevoegd, zie verder bij de be-
schrijving van P. dilatatus H. Sch.
Pach. plebejus Fall. — By Breda 3 Maart, Heyl. en bij
Arnhem 29 Maart, v. Med. de Rooy.
Pach. pusillus Schill. — De naam dient veranderd te worden
in dien van Brevipennis Latr. Bij Driebergen en bij
Scheveningen (in Junij), Six; bij Breda in September,
Heylaerts.
Pach. luniger Schill. — 3 Oct. in eene oranjerie binnen
Middelburg, Gerth v. Wijk; bij Breda in April, Heylaerts.
Nu volgen de soorten, nieuw voor onze Fauna.
24. Pachymerus Rolandri L.
Plaat 3, fig. 9.
Linn. S. N. 12 Ed. II, 729, 98. — Fabr. S. Rh. 230,
127. — Fall. Hem. Suec. 60, n°. 20. — Wolff, Ic. Cim.
199, tab. 19, f. 193. — Panz. Fauna Germ, 118, f. 3.—
Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 172.
DE: INLANDSCHE HEMIPTEREN. 63
Lengte 7 mm. — Van gedaante als Pint en Lynceus.
Boven en onder zwart, uiterst fijn gestippeld en dien ten
‘ gevolge mat, doch de kop wat glanziger. Dekschilden op
corium en. clavus zwart met een bruinen gloed, de naad
daartusschen geelachtig; de membraan aan de binnenzijde
en op het midden bedekt met eene taankleurig gele, naar
buiten getande vlek, de breede zoom sepia-bruin. Sprieten ,
zuiger en pooten zwart.
Slechts één voorwerp is mij bekend; het werd 4 Mei
in de omstreken van Arnhem gevangen door den heer
van Medenbach de Rooy.
25. Pachymerus brunneus Sahlb.
Plaat 3, fig. 10.
Sahlberg, Geocor. Fenn. 57, 6. — Douglas and Scott,
Brit. Hem. p. 198, Pl. 7, fig. 4.
Lengte 4—5 mm. — Zwart met de achterhelft van het
borststuk, de dekschilden en pooten roodbruin. Kop drie-
hoekig en vrij spits, zwart, weinig glanzig. Sprieten bruin-
zwart, met de helft van het laatste lid geel. Prothorax
kort, breed met ronde voorhoeken, de achterrand breeder
dan het voorste gedeelte; dit met eene dwarsrij van stip-
peltjes van-de bruinroode, sterk gestippelde achterhelft af-
gescheiden. Schildje vrij breed, sterk gestippeld, zwart.
Dekschilden grof gestippeld, roodbruin met de basis van
den zijrand en een halfrond vlekje op het corium tegen
den naad van den clavus lichter; membraan donker met
een paar witte veegjes. Pooten bruinrood, soms met
donkerbruine dijen, de spits der scheenen en de tarsen
lichter.
De soort werd tot nog toe slechts in duinstreken waar-
genomen; bij Wassenaar in het najaar (Perin), bij Sche-
veningen in April en Loosduinen in Sept. (Dr. v. Hasselt),
by den Haag in April, (Dr. Everts) en in Nov. (Mr.
Leesberg).
64 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN,
26. Pachymerus notatus Fieb.
Plaat 3, fig. 11.
Fieber, Europ. Hemipt. p. 179, n°. 3.
Lengte iets meer dan 4 mm. — Geheel van gedaante
als de voorgaande, doch roodachtig geel van kleur en
kleiner. Aan den met fijne witte haartjes bezetten kop
puilen de bruine oogen vrij sterk uit. Het eerste lid der
sprieten is bijna zoo lang als de kop, slank, geelachtig
rood met bruine spits; het 2° is bijna de helft langer, aan
de basis slanker, eveneens gekleurd; het 3° korter dan 2
en iets dikker, is behaard, zwart met geele basis;. het
4° even lang, maar spoelvormig is halfweg eerst zwart,
dan geel. De zuiger is doorschijnend geel en reikt tot het
2° paar der heupen. Het borststuk is sterk gestippeld, doch
glanzig. De dekschilden zijn veel minder rood van kleur,
ledergeel met bruine stipjes en een bruin, tamelijk breed
streepje op den naad van clavus en corium; de membraan
is donkerbruin met 2 witte in zigzag loopende streepjes.
De pooten zijn geheel ledergeel; alleen het laatste lid der
tarsen is bruinachtig en de klaauwtjes zijn bruin.
De heer Ritsema ving 26 Junij 1876 een enkel exem-
plaar dezer zeldzame soort bij Warmond.
27. Pachymerus dilatatus H. Sch.
Plaat 3, fig. 12.
Herr. Schaeff. W. Ins. VI, p: 33, Pl. 192, f. 59. 1) —
Douglas and Scott, Brit. Hemipt. p. 204.
Lengte 7 mm. — Zwart, sterk gestippeld en toch min
of meer glanzig, geheel met een uiterst fijn bruinachtig
zeer kort vilt bekleed, dat evenwel spoedig schijnt los te
laten. Kop tamelijk kort; oogen uitpuilend zwart; zuiger
en sprieten zwart, doch rossig in de geledingen; de laat-
sten met eenige zwarte haren bezet. Borststuk tamelijk
bol en breed, naar achteren verbreed en aldaar grof ge-
1) Bij deze figuur zitten de voorpooten al zeer zonderling op zijde van den pro- |
thorax aangehaakt.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 65
stippeld. Schildje lang gerekt en grof gestippeld. Membraan
donkerbruin met lichte wolkjes aan de basis der aderen
en een ander aan de vleugelspits. Pooten geheel zwart,
„alleen iets roodbruin aan de tarsen; voorste dijen bijzon-
der dik met een zeer sterken doorn onder digt bij de knie.
Ik had deze soort verward met Sylvaticus F. Twee voor-
werpen ontving ik van den heer Heylaerts, door hem bij
Breda in Maart gevangen; twee anderen werden 19 April
door den heer van Medenbach de Rooy bij Arnhem aan-
getroffen.
28. Pachymerus erraticus F.
Plaat 4, fig. 1.
Fabr. S. Rh. 232, 189. — Fallen, Hem. Suec. I p. 60
n°. 19. — Panz. Fn. Germ. 121 f. 3. — Schill. Beitr. I
p. 74, 15. — Flor, Rhynch. Livl. I p. 279, n°. 27. —
Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 177, tab. 6, fig. 7. 1)
Lengte 5—6 mm. — Langwerpig, van boven plat, bont
gekleurd, zeer kenbaar aan een half cirkelrond wit vlekje
op de membraan. Kop driehoekig, schier niet gestippeld , dof
zwart, oogen niet sterk uitpuilend, zwart. Sprieten slank,
onbehaard, zwart, het 4° lid wel eens rood aan de basis,
de drie laatsten van gelijke lengte. Zuiger roodbruin met
het 4° lid donker. Borststuk iets breeder dan lang met regt
doorloopende zijranden; voorbij de helft is eene dwarsgroef;
het daarvoor liggende gedeelte is ietwat bol en zwart, het
daarachter liggende plat, gestippeld, bruingeel; naast den
naad zijn de zijden wit, de achterhoeken zwart. Schildje
vrij lang, weinig gestippeld, iets meer aan de basis. Dek-
schilden aan de basis troebel licht geel, verder op geel-
achtig bruin, met een paar bruine veegjes naar het eind
van het corium; membraan bruinzwart, aan den binnen-
hoek eene in aderen uitloopende gele vlek en eene helder-
witte half cirkelronde vlek hangende aan de spits van het
1) De laatste schrijvers citeeren bij deze soort ook Herrich-Schaeffer’s Pachymerus
— fenestratus (W. Ins. IV f. 437); mijns inziens is dit evenwel eene andere soort ; zelfs
zou ik twijfelen of de Engelsche Zrralicus wel volkomen dezelfde is als de onze.
5
66 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
corium. Onderzijde zwart. Poolen geheel rood, de dikke
voordijen met bruine knieën, een grooten tand en eenige
zeer kleine in eene rij aan de onderzijde.
Van deze fraaije soort werden voorwerpen gevonden te
Utrecht (v. Hass.), bij Breda in Julij (Heyl.), bij Arnhem
in Sept. (v. Med. de Rooy) en op Walcheren (La Font.).
29. Pachymerus luscus F.
Plaat 4, fig. 2.
Fabr. S. Rh: 231, 133. — Schill. Beitr. I p. 67. PI. 6,
f. 4. — Wolff, Ic. Cim. 145, tab. 14. fig. 139. — Panz
Fn. Germ. 92, f. 11. — Hahn, W. Ins. I p. 48, tab. 8,
fig. 30. — Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 480, pl. 6
fig. 8.
Lengte bijna 7 mm. — Slank, aan de bovenzijde grauw-
geel met zwart geteekend, aan de onderzijde zwart met
zijdeachtig kort haar bekleed. Kop vrij kort, zwart met
sroote bruine oogen. Sprieten lang en slank; lid 1 tamelijk
dik, zwart met beide uiteinden geel, lid 2 zeer slank, rood-
seel, lid 3 iets dikker en korter, roodgeel met de spits
bruin, 4 even lang doch iets dikker, zwart met gele basis.
Halsschild geel, de vourhelft ingenomen door eeue groote
vierhoekige zwarte vlek, de achterhelft bruingestippeld en
met twee scheeve driehoekige zwarte vlekken in de achter-
hoeken. Schildje groot, dof zwart, met 2 gele streepjes op
het midden en de spits geel. Dekschilden grauwgeel, de
clavus met rijen zwarte putjes, het corium met dergelijke
rijen aan de basis, voorbij het midden zwart met eene
klokvormige figuur van grauwgele kleur rustende op den
buitenrand. Membraan gemarmerd met bruin, wit en geel.
Pooten grauwgeel met de achterste helft der dijen en de
uiterste spits der scheenen zwart; de voordijen niet bij-
zonder dik, hebben aan de onderzijde eene gleuf, weder-
zijds bezet met fijne tandjes.
Gevonden door Perin, waarschijnlijk bij Katwijk; voorts
door den heer Ritsema bij Scheveningen in Julij en bij
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 67
Rozendaal in Aug., alsmede door den heer Six te Scheve-
ningen den 27" October.
30, Pachymerus fracticollis Schill.
Plaat 4, fig. 3.
Schill., Beitr. 1 p. 82, tab. 7, fig. 6. — Hahn, W. Ins.
I p. 66, tab. 10, fig. 40. — Flor, Rhynch. Livl. T p. 229,
n°. 2. — Douglas and Scott, Brit. Hem. p.170.Pl.6,f.5.
Lengte 5—6 mm. — Kenbaar aan de sterke insnoering
van het borststuk en de 2 bruingele vlekjes daarachter.
Kop ietwat uitgerekt, zwart met fijn grijs vilt bedekt;
oogen groot met grof netwerk. Sprieten langer dan de helft
van het lijf, harig; 1° en 4° lid tamelijk dik, zwart; 2° en
5° slank, bruin. Zuiger geel, reikende tot bij de midden-
heupen. Borststuk door eene insnoering in 2 bijna even
lange helften verdeeld; de eerste klokvormig zwart, de
andere aan den achterrand veel breeder dan aan den voor-
rand, zwart met gelen achterzoom en twee bruingele vlek-
ken in het midden. Schildje zwart met wilte spits. Dek-
schilden geel met donkerbruine marmering, die de basis
en den buitenrand vrijlaat en het donkerst is aan den
binnenhoek van het corium, alwaar op dien donkeren grond
een driehoekig geel vlekje uitkomt. Membraan rookkleurig
met lichter gekleurde golvende aderen. Onderzijde zwart
met den buik wat gebronsd. Pooten geelrood met de uit-
einden der 4 achterste dijen bruin.
Mij zijn vier voorwerpen dezer soort bekend, twee ge-
vangen bij Breda in het begin van Mei door den heer
Heylaerts en een mede in Mei gevonden door den heer van
Medenbach de Rooy in de omstreken van Arnhem. Het
vierde vond de heer Leesberg in Oct. bij den Haag.
51. Pachymerus nebulosus Fall.
Plaat 4, fig. 4.
Fallen, Hem. Suec. I, 54, n°. 11. — Panz. D. Ins.
121, 7. — Hahn W. Ins. I, p. 46 Pl. 7 f. 29 (onken-
68 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
baar). — Schill. Beitr I, p. 69, 8. tab. 6. f. 5. — Flor,
Rh. Livl. 1, p. 268.
Lengte 5 mm. — Zwart met een dun grijsachtig vilt
bedekt. Kop met de zeer groote oogen breeder dan lang,
oogen bruin. Sprieten langer dan de helft van het lijf,
zwart; lid 4 kort, slechts even voor den kop uitstekend,
lid 2 tweemaal zoo lang, 3 iets korter en 4 iets dikker en
langer dan 2. Zuiger lichtbruin, reikend tot de midden-
heupen. Borststuk aan den achterrand bijna 2 maal breeder
dan lang, met toegeronde voorhoeken en schier niet ge-
golfde zijranden, die zeer eng gezoomd zijn; op dit
zoompje even over het midden een wit vlekje. Voorste ge-
deelte van den thorax zwart, achterste geelgrauw met
een zwart streepje in het midden. Schildje vrij lang, zwart
met twee gele vlekjes voorbij het midden en de spits geel.
Dekschilden lichtgeel met fijne zwarte aderen en rijen van
zwarte puntjes, de uitsterste spits van het corium zwart,
alsmede eene langwerpige vlek aan den binnenhoek, in
welke weder een ‘ovaal geel vlekje met zwart oogpunt;
membraan zwartachtig, aan de basis en langs de aderen
wit. Buik met geelachtig vilt bekleed, Heupen en dijen
zwart, de voordijen met 2 tandjes, die vrij ver van elkander
afstaan, knieën en voorscheenen geel; overige scheenen en
tarsen met gele bandjes.
Van deze zeldzame soort werden 3 voorwerpen in April
bij Scheveningen bemagtigd door Dr. van Hasselt en mij.
32. Pachymerus griseus Wolff.
Plaat 4, fig. 5.
Wolff, Ic. Cim. p. 113. Pl. XI, f. 107. — Panz. Faun.
Germ. 118, 7. — Fallen, Hem. Suec. 52, 8 (Pilifrons). —
Fieber, Eur. Hem. p. 197, n°. 1 et 2 (Emblethis).
Lengte 7 mm. — Langwerpig ovaal, vrij plat, boven
lederkleurig bruingeel; onder zwart, gemakkelijk te verwis-
selen met Marginepunctatus Wolff. De punten van verschil
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. . 69
tusschen beiden zijn echter tamelijk talrijk. Griseus is
grooter, geler, heeft stijve borsteltjes op de spits van den
kop, een’ anderen omtrek van het borststuk en fijner maar
donkerder bestippeling op den zijrand. Ik heb vroeger
beiden voor eene soort gehouden.
Kop driehoekig met de zijranden een weinig naar binnen
gegolfd, de spits toegerond en bezet met korte stijve bor-
steltjes; twee donkere vlekken op den schedel. Oogen
bol, rond, donkerbruin; voor ieder oog een borsteltje.
Sprieten iets korter dan het halve lijf, nootgeel, sterk be-
borsteld, aan beide uiteinden iets donkerder. Zuiger rei-
kende tot aan het tweede heupenpaar, aan de basis geel,
verder op zwart. Borststuk aan den voorrand sterk naar
binnen gebogen, aan de gebogen zijranden plat verbreed,
aan den achterrand flaauwelijk naar binnen gebogen, in
het midden zeer weinig bol; de voorhelft niet zoo digt
gestippeld als de achterhelft; de zijranden met donkerbruine
vlekjes bezaaid. Schildje groot, in de hoeken met een
donker vlekje en daarvoor een lichter. Dekschilden aan
den zijrand met driehoekige donkere vlekjes; hunne mem-
braan bruinachtig met witte druppeltjes bezaaid. Rand
van het abdomen met vrij groote bruine vlekken gelijgerd.
Pooten geel met rijen van donkere stippels; voordijen dik
met 6 stekeltjes van onder; scheenen met rijen van 6 of
7 borsteltjes, tarsen aan de spits donkerder. Onderzijde
zwart, met geel aan de naden van het borststuk en gele
vlekken om de heuppannen; buik met rooden gloed.
Twee voorwerpen van deze nieuwe soort werden 12 Aug.
op Walcheren bemagtigd door den. heer La Fontijn, die
er mij met zijne gewone welwillendheid een van ten ge-
schenke gaf.
Of deze soort de Cimex arenarius is van Linnaeus’ Fauna
Suecica, zoo als Fieber wil, kan ik niet bepalen. Wolff’s
afbeelding is zeer ongelukkig, zijne beschrijving dragelijk.
Hield ik vroeger Griseus en Marginepunctatus voor een,
het komt mij nu nog voor dat Fieber’s Platychilus in al te
70 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
minutieuse punten verschilt om er iets anders dan eene
zuidelijke verscheidenheid in te erkennen.
NB. Ik bezit nog een voorwerp tot het geslacht
Pachymerus maar tot geen der bovengenoemde soorten
behoorende, dat door den heer Six tot Nebulosus
Fall. gebragt wordt op grond van eenige overeen-
komst met de niet gelijkende fig. 29 van Hahn. Ik
vind deze soort in geen der mij toegankelijke boeken
beschreven en durf haar evenwel niet als nova species
te hoek stellen, omdat het eenige exemplaar niet frisch.
genoeg is in de kleur en er olieachtig: uitziet. Het
werd door den heer Six bij den Haag gevangen.
Heterogaster Urticae F. — Op ter Schelling, Everts; bij Breda,
Heyl.; op Walcheren, Gerth. v. W.
Cymus Resedae Panz. — Op Walcheren, La Fontijn.
Cymus Ericae Schill. — Bij Velp in Julij, de Gr.
Cymus glandicolor Hahn. — Bij Voorschoten in Julij en in
het duin in Junij, v. Voll.; bij Breda in April, Heyl.
Ophthalmicus grylloides L. — Bij Utrecht, v. Hasselt.
3. Ophthalmicus pallidipennis Costa.
Costa, Monogr. degl. Ophth. 1843. — Fieber, Ent. Mon.
p. 118, PI. 10, f. 1 (Angularis). — Id. Eur. Hem. p.176,9.
Lengte 4 mm. — Meer op de eerste dan op de tweede
gelijkend, glanzig zwart met de basis der dekschilden vuil
wit. Kop ongestippeld glad met den schedel zwart, het
aangezigt en de keel licht zalmkleurig rood. Oogen glanzig ,
donker kastanjebruin. Sprieten zwart met een uiterst fijn
wit streepje in de lengte over het derde lid. Zuiger zwart
met de spits van het tweede lid geelachtig wit. Borststuk
grof gestippeld met een ongestippeld dwarsrigcheltje op
een derde der lengte; ook de achterrand is glad; deze is
tamelijk breed, ivoorwit en ook de voorrand vertoont in het
midden die kleur. Het schildje is grof gestippeld en voorbij
de helft naar de spits toe wat ezelsrugachtig. De dek-
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 71
schilden goed ontwikkeld met membraan, glad, glanzig met
3 rijen stippeltjes of ingedrukte putjes, geelachtig wit,
naar den binnenhoek bruin; de membraan glasachtig. Aan
de onderzijde de voorrand van den thorax en de heuppan-
nen wit; de pooten bruinachtig rood.
Deze voor onze Fauna nieuwe soort werd in twee exem-
plaren door den heer La Fontijn op Walcheren (bij Vlis-
singen) gevangen.
Zosmenus capitatus Wolff. — Bij Noordwijk in Junij, Everts;
bij Arnhem in April, v. Med. de Rooy.
Zosmenus Laportii Fieb. —- Bij Breda in April, Heyl.; bij
den Haag in November onder afgevallen loof, Everts
en Leesberg.
3. Zosmenus quadratus Fieber.
Plaat 4, fig. 6.
Fieber, Ent. Monogr. p. 31, tab 2, f. 7, 9, 11.
Lengte 3,6 mm. — Herkenbaar aan de drie langsrigcheltjes
vooraan op den thorax. Zeer licht grauwgeel, ook de sprieten
en pooten. Kop kort en breed met roodbruine oogen,
voor welke een naar voren gerigt stekeltje; de middelloh
van het voorhoofd is vrij lang ') en de zijlobben krommen
zich als platte hoorntjes voor dezen heen en raken elkander
weder aan. Het eerste lid der sprieten is dikker dan bij de
andere soorten. Het borststuk heeft 3 langsrigcheltjes op den
hals en de zijranden zijn niet ingebogen. Het schildje is
veer kort, donkerbruin met een ovaal wit knobbeltje op
de spits. De dekschilden hebben een’ zeer breeden clavus,
zijn vrij grof gekorreld en vertoonen aan iederen zijrand
7 of 8 bruine vlekjes; de membraan heeft de basis net-
achtig vliezig, daaruit ontspringen vier witte regte aderen.
De pooten hebben niets bijzonders.
1) In figuur 7 op Plaat IT van Fieber is dit onjuist voorgesteld, beter doch
nog niet volkomen juist, in fig. 9.
72 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Fieber beschrijft het corium en den clavus als gevlekt
en beeldi ze ook zoo af; ik zie dit niet op mijn exemplaar
behalve de randvlekjes; echter houd ik de determinatie
voor juist.
Een enkel voorwerp van deze. zuidelijke soort werd door
den heer N. La Fontijn op Walcheren gevangen.
VIJFDE FAMILIE — Capsinen.
Monalocoris Filicis L. — Door Dr. Everts op ter Schelling
aangetroffen.
Pithanus Maerkelii H. Sch. — Voorwerpen met onontwik-
kelde dekschilden in de duinen, v. Hass. , Six, v.*Voll.;
een te Domburg 18 Junij, v. Voll.
Lopus tunicatus F. — Im Nov. in het Haagsche bosch,
v. Voll.
Heterotoma erinicornis Klug. — Een zuiver en zeer kenbaar
exemplaar dezer soort is door den heer Six bij Drie-
bergen gevangen en door hem aan de verzameling der
Ned. Ent. Vereeniging geschonken.
Heterotoma Malı Mey. D.
Meyer, Stelt. Ent. Zeit. 1841. p. 87. — Id. Verzeichn.
Cups ip Odi, | 30 Tal 2 03 |
Lengte bijna 4 mm. — Zwart, met de dekschilden rood-
bruinachtig zwart, geheel met grijze of goudglanzige haartjes
dik bezet. Om de groote overeenkomst met Magnicornis Fall.
zal het wel voldoende zijn op het onderscheid tusschen
beide soorten te wijzen. Mali is grooter, de thorax is boller,
de membraan is donkerder; het 4° lid der sprieten is naar
evenredigheid dikker; de knieën en scheenen zijn licht
roodbruin en de stekeltjes der achterpooten ontspringen
niet uit zwarte puntjes.
De heer G. A. Six ving twee voorwerpen bij Driebergen,
ik een bij Levden en een gepaard paar op Staalduin in Aug.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. is
Heterotoma unicolor Hahn.
Plaat 4, fig. 7.
Hahn, Wis. Tip. Oe Pt 5971179. Kirsch,
Capsinen 84, 441. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 432.
Lengte 4 mm. — Geheel zwart, het mannetje volgens
de genoemde Engelsche auteurs slanker en zonder merke-
lijke verdikking van het 2° lid der sprieten. Bij ons werden
alleen voorwerpen gevangen, ovaal van gedaante met knods-
achtig en behaard 2° lid der sprieten; dezen zouden volgens
Hahn 4 zijn, volgens Douglas 9. De kop is vrij breed, het
borststuk kort, de dekschilden aan den buitenrand voor
den cuneus ingekeept, de membraan donker doch iriseerend.
De pooten zijn matig dik, de scheenen met 2 rijen stekeltjes
bezet.
Deze soort werd reeds als inlandsch opgegeven in mijne
naamlijst in de Bouwstoffen, in het 5° stuk heb ik haar
echter overgeslagen. Zij is volgens den heer Six gemeen
op heigrond bij Driebergen en de Bildt in Junij. Bij Brummen
werd zij gevonden door den heer van Walchren en door
mij in Aug. in de omstreken van Roozendaal in Gelderland.
Haltieus luridus Fall. — Ook bij Velzen in Junij gevangen
door Jhr. Dr. Everts.
Camaronotus cinnamopterus Kirschb. — Bij Loosduinen, Dr.
van Hasselt. — Op Walcheren een zeer donker ex.
La Fontijn.
Phytocoris divergens Mey. — Voorlaatste regel staat: Ulmi,
lees: Divergens.
Lygus unifasciatus F. — Bij de Bildt in Julij, v. Voll.
Lygus Gyllenhalit Fall. — Bij Loosduinen, v. Hass.
Lygus mutabilis Fall. — Een wijfje aan de Bildt in Julij,
Sverts; een bij Woensdrecht in Juni, v. Voll.
Lygus aurantiacus Voll. — Het is mogelijk dat deze soort
reeds door Fieber vermeld werd onder den-naam van
74 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Phylus palliceps. Zijn voorwerp was echter veel bleeker
(bleich weisslich; ockergelblich) en stamde uit Spanje.
42-43. Lygus angustus H. Sch.
Herrich-Schaeff. Nomencl. p. 49. — Meyer, Rh. d. Schweiz,
p. 56, n°. 49, tab. II, fig. 3. — Fieb. Eur. Hem. p. 288.
Lengte bijna .4 mm. — Geheel geel met donkerbruine
oogen. Kop breed driehoekig, glanzig, aan de spits rood-
achtig. Oogen bol, uitpuilend. Zuiger fijn, geel, reikend
tot de middenheupen. Sprieten lang en zeer dun, het 2° lid
meer dan viermaal langer dan het eerste, een weinig bruin
aan de spits. Borststuk met witte microscopische haartjes
bedekt. Dekschilden bijna doorschijnend, zeer licht geel;
hunne membraan groot, glashelder en sterk iriseerend ;
spits van het corium en aderen der membraan flaauwelijk
groenachtig. Achterlijf geel met groene tint. Pooten van
de kleur van het ligchaam, behalve het laatste tarsenlid,
dat bruin is. Klaauwtjes donkerbruin.
Door den heer Six in Junij bij den Haag gevangen.
Lygus viridulus Fall. — In Junij en Julij niet zeldzaam op
de Scheveningsche duinen, Six; bij Gennep, v. Voll.
Lygus pulicarius Fall. — Nog eenige exemplaren bij den
Haag in Junij, Six.
ZESDE FAMILIE. — Anthocoriden.
Temnostelhus pusillus H. Sch. — Bij Breda, Heylaerts; bij
Arnhem, v. Voll.
Anthocoris limbatus Fieb. — Bij Arnhem 22 April, v. Med.
de Rooy; op Walcheren, La Fontijn.
Anthocoris vittatus Kieb. — Bij Velp in Julij, Rits.
Lyclocoris domestica Schill. — Op Walcheren niet ongemeen ,
Gerth v. W. en La Font,
Microphysa coleoplrata Fall. — Beide sexen bij den Haag in
Julij, Six.
De man is zwart met harige sprieten, waarvan de 3
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 75
laatste leedjes even lang zijn. Het borststuk is glanzig
en vertoont eene diepe dwarsgroef. De dekschilden zijn
donkergrijs met een’ clavus, een’ cuneus en eene be-
rookte iriseerende, groote membraan; de cuneus is
roodachtig en heeft aan de basis een smal wit streepje.
De rug van het abdomen is geelbruin. De pooten zijn
zwart.
Microphysa pselaphoides Westw. — Een ¢ bij den Haag.
De tweede vorm van het wijfje, in stuk 4 op bladz. 16
beschreven en bij fig. 11 afgebeeld, behoort niet tot
Pselaphoides, maar tot Microphysa elegantula Bär. (zie
Bärensprung, Berl. Ent. Zeit. I, 191, tab. 2, f.3 en
Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 488. Pl. 16, f. 2).
Het mannetje, dat volgens den heer Mink te Crefeld
op bepaalde tijden tegen boomstammen gemeen is,
werd, voor zoo verre mij bekend is, in ons vaderland
nog niet ontdekt.
Acanthia lectularia L.— Ik zie nu het verschil tusschen de
4 soorten van Acanthia duidelijk uiteengezet door E.
Saunders in zijn Synopsis of British Hemiptera-Hetero-
plera in de «Transactions of the Ent. Soc. of London »
1876, p. 621. Desniettemin moet ik verklaren dat ik
geen soortelijk verschil zie tusschen onze weegluizen
uit duiventorens en uit kazernen.
Aradus Leptopterus Germ. — Bij Breda in Dec., Heylaerts;
bij den Haag in Aug. v. Voll.
Aneurus laevis F. — Bij Breda, Hevl.
ACHTSTE FAMILIE, — Netwantsen.
2. Dictyonota strichnocera Fieb.
Plaat 4, fig. 8.
Fieber, Entom. Monogr. p. 95, n°. 3. Taf. 8, f. 4—7.
Lengte 3,5 mm. — Ik meen te kunnen volstaan met de
punten van onderscheid op te geven tusschen deze soort
76 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
en D. crassicornis Fall. De voor ons nieuwe soort heeft de
sprieten met korter haren bezet, die naauwer aansluiten ; ook
zijn de beide eerste leedjes op dezelfde wijze behaard als het
3° en even dik, zoodat zij daarmede een geheel schijnen
uit te maken. De zijranden van het borststuk loopen ronder
toe, zonder hoeken en hun netwerk bestaat slechts uit 2
rijen mazen, niet uit 3 of 4. Het borststuk is op den rug
iets bultiger. De dekschilden zijn wel even lang maar hun
corium is korter en dus de vorm der membraan anders;
hun netwerk is grover en de zijrand is naar achteren
breeder.
Een enkel voorwerp is mij bekend, door den heer A.
van den Brandt te Venlo gevangen.
Monanthia Cardui L. — In Junij bij Huyssen, v. Med. de
Rooy; op Walcheren, Gerth v. Wijk.
Monanthia Humuli F. — Door den heer Groll bij Haarlem
aangetroffen op Myosotis.
Monanthia Wolffii Fieb. — Door den heer Groll bij Haar-
lem in menigte aangetroffen op Echium; desgelijks
door den heer Six bij Wassenaar.
5-4. Monanthia vesiculifera Fieb.
Plaat 4, fig. 9.
Fieber, Entom. Monogr. p. 87, n°. 31, pl. 7, £ 25, 26. —
Herr.-Schaeff, W. Ins. IV. ‘p.. 15.. Tab. 114, 11502
(M. costata).
Lengte 3 mm. — Kenbaar aan de 4 blaasachtige ver-
hevenheden op de dekschilden. Geelachtig wit en zwart
gemengd, breed ovaal, naar voren een weinig uitgerekt.
Kop zwart, ruw, met 2 kleine stekeltjes op het voorhoofd ;
voor de ronde, roodbruine oogen een wit streepje. Sprieten
zeer dun en tamelijk lang; lid 4 en 2 licht zalmrood, 3
geel, 4 zwart, van onder halfweg geel. Borststuk midden
op zwart, aan de zijkanten gemarmerd, de 3 langsrigchels
wit. Dekschilden zeer breed met tamelijk fijn netwerk , dal
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 77
echter aan den buitenrand grover mazen heeft. De buitenste
.der beide kielen vertoont twee zwarte blazen; de mazen
in het midden van den zijrand en aan den achterrand zijn
zwart, de overigen geelachtig wit. De onderzijde is zwart
met opstaande witte randen van de borstgleuf, waarin de
zuiger ligt. De pooten zijn zeer licht geel.
Deze soort werd voor het eerst bij ons waargenomen
door den heer Snellen, die imagines en larven bij elkander
aantrof in de omstreken van Rotterdam. Later vond de
heer Heylaerts haar ook bij Breda, en Dr. Everts bij
's Gravenhage.
3-—4. Monanthia costata F.
Plaat 4, fig 10.
Kabr. S, Rh. 452402 — Fall. Hem. Suee. 143; da ==
Herr=Sch. W. Ins IV; p»55; pl. 123. fig. 390. — Flor,
Rh. Livl. I, p. 347.
Lengte 3—4 mm. — Langwerpig ovaal, voor en achter vri)
spits, het borststuk bijna zonder bladachtigen zoom, geel-
achtig grauw. Kop klein met 2 naar elkander gebogen
doorntjes tusschen de sprieten. Oogen donkerbruin. Sprieten
kort en vrij dik, bruinachtig rood met het eindlid zwart.
Halsschild urnvormig, van achteren in een’ langen processus
puntig toeloopend; de nek bedekt met eene gele, naar
achter toegeronde kap, waarachter de kleur zeer donker
is, ja bijna zwart; de drie langskielen zijn grof en loopen
evenwijdig; de opstaande zoom van netwerk is bijzonder
smal. De zoom der dekschilden daarentegen is zeer breed
en bestaat -uit drie vrij regelmatige rijen mazen. Onderzijde
bruin. Pooten tamelijk kort en dik, roodachtig geel met
het laatste tarsenlid zwart. |
Bij Arnhem in April, v. Med. de Rooy; bij Middelburg
in Juni}, Leesb.; bij Breda in Mei en Junij, Heylaerts en
Leesberg. |
Monanthia quadrimaculata Wolff. — In Julij bij Arnhem,
van Medenbach de Rooy. Voor ongeveer een jaar heb
78 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
ik netwantsen uit Walcheren, die ik van den heer
Gerth van Wijk ter bestemming ontvangen had, Mo-
nanthia Dumetorum H. Sch. genoemd; een voorwerp
daarvan is nog in mijn bezit, doch ik moet heden
verklaren dat ik, behalve de geringe grootte geen ver-
schil erkennen kan, groot genoeg om daarop de regten
van eene afzonderlijke soort te gronden. Ook na de
lezing van Fieber’s beschrijving en het vergelijken
zijner afbeeldingen blijf ik bij de. meening dat M. Du-
melorum geene soort is. |
Monanthia obscura H. Sch. — Bi) den Haag, Six en v. Voll.;
_ in Juni) bi) Velzen, v. Voll.; in April bij Breda, Heyl.
Derephysia foliacea Fall. — Niet zeldzaam in den nazomer
op het binnenduin van Waalsdorp, Six en v. Voll
Gen. AGRAMMA West w.
Dit geslacht, door Laporte Piesma genoemd, verschilt
van al de overigen in de familie der Netwantsen doordien
het borststuk aan den voorrand de doorzigtige met net-
werk bedekte blaasvormige kap mist en zijne zijranden
ook niet bladachtig verbreed en met netwerk bedekt zijn
In alle overige opzigten past dit genus volkomen in de
familie.
Agramma laetum Fall.
Plaat 4, fig. 11.
Fallen, Hem. Suec. 1, 151, 15. — Burm. Handb. II, p.
957 1. — Germar, Faun. Ins. Eur. 10, 14. — H. Sch.
W. Ins. IV, p. 49, Pl. 122, f. 388. — Flor. Rh. Livi. I,
p. 324. — Douglas and Scott, Hem. Brit. p. 242, PI. 9, f. 1.
Lengte 2 mm. — Zwart, met den voorrand van het
halsschild wit, den processus en de dekschilden zeer licht
grauw. Kop rond, zeer weinig gestippeld; oogen groot,
doch vrij plat, zwart. Sprieten zwart, niet veel langer dan
1! maal de lengte van den kop, tamelijk dik en naar
buiten gekromd. Borststuk zwart, grof gestippeld, met
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 79
den voorrand op den rug naar achteren ingebogen, de
zijranden met eene zeer geringe golving voor het midden,
de achterhoeken afgerond en de breedte aldaar slechts
anderhalf maal die van den voorrand. Een wit zoompje
langs den voorrand, kort daarachter eene dwarsgroef; de
processus iets neergedrukt, licht geelachtig grauw. Dek-
schilden langer dan het achterlijf, van kleur als de pro-
cessus, uit eene soort van netwerk bestaande, even als
hun zoom, die zeer smal is; de membraan is van het
corium door geen zoom of rigchel afgescheiden. Pooten
kort en vrij dik, rood met zwarte klaauwtjes.
Deze soort is, waar zij voorkomt, in grooten getale ver-
eenigd aan te treffen. Zij werd gevonden bij den Haag
door den heer Six, in het midden van April door den
heer Heylaerts bij Breda en in Junij bij Noordwijk door
Dr. Everts.
Bij het eerst onlangs verschenen zevende stuk heb ik
nog geene bijvoegels of verbeteringen aan te brengen,
zoodat mijne taak hiermede voleindigd is.
Voor de Homoptera heb ik reeds vele bouwstoffen bijeen-
gebragt, doch mijns inziens niet voldoende om de beschrij-
ving der soorten nu reeds aan te vangen; ik blijf mij dus
ten dringendste aanbevolen houden voor toezending van
insecten tot deze afdeeling behoorende en wel meer bij-
zonder van de volgende geslachten:
Delphax ,
Aphrophora ,
Euacanthus,
Paropia,
Pediopsis ,
Deltocephalus ,
Athysanus ,
Jassus en
Psylla.
SO DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Ook wil ik mij gaarne met de determinatie van inlandsche
soorten van de afdeeling der Homoptera, met uitzondering
der Aphides of bladluizen belasten.
Verklaring der Afbeeldingen.
Plaat 3.
Fig. en 1° Aelia pallida Küster.
» en 2° Cimex pinicola Muls.
» Cimex nigricornis F.
» Syromastes Scapha F.
4
2
3
4
» 5 Stenocephalus nugax F.
6 Atractus Dalmanni Schill.
d
8
9
»
» Pseudophloeus Waltlir H. Sch.
» Berytus crassipes H. Sch.
» Pachymerus Rolandri L.
E O i red brunneus Sahlb.
» M » notatus Fieb.
» +42 » dilatatus H. Sch.
Plaat 4.
Fig. 1 Pachymerus erraticus F.
» 2 » luscus F.
Da td » fracticollis Schill.
» 4 » nebulosus Fall.
» griseus Wolff.
D
» 6 Zosmenus quadratus Fieb.
7 Heterotoma unicolor Hahn.
8 Dictyonota strichnocera Fieb.
» 9 Monanthia vesiculifera Fieb.
palo » costata F.
» 1 Agramma laetum Fall.
ACENTROPUS NIVEUS Ov.
IN ZIJNE LEVENSWIJZE EN VERSCHILLENDE TOESTANDEN
BESCHREVEN DOOR
C. RITSEMA Cz. :)
(Hierbij Plaat 5 en 6).
GESCHIEDENIS VAN MIJN ONDERZOEK.
Toen de heer H. W. de Graaf in de vergadering der
Nederlandsche Entomologische Vereeniging van den 19"
December 1868, een paar mannelijke voorwerpen van
Acentropus niveus Oliv. ter bezigtiging rondgaf en, behoudens
eenige bijzonderheden die aangaande de levenswijze bekend
waren, mededeelde dat deze voor onze fauna nieuwe Py-
ralide door hem den 10°" Augustus van datzelfde jaar op
het buitengoed «Klein Leeuwenhorst» onder Noordwijker-
hout gevangen was, ?) herinnerde de heer H. Weyenbergh Jr.
zich, dit insect reeds voor verscheidene jaren aan het zoo-
genaamde Kolkje, een vijver niet ver van het dorp Overveen
bij Haarlem aan den voet der duinen gelegen, aangetroffen,
en daarvan eenige exemplaren met eene kleine collectie
Phryganiden aan de insectenverzameling der N. E. V. ge-
schonken te hebben.
1) Voor hen die zich op de hoogte willen stellen van de uitgebreide literatuur
over het geslacht Acentropus, verwijs ik naar hetgeen daarover geschreven is, zoowel
door mijzelven (Tijdschr. v. Entom., 2de ser. dl. VI (1871) blz. 157—172; id., 2de
ser. dl. VIII (1873) blz. 16—25 en id., dl. XIX (1876) blz. 1—22) als door den
heer Dunning (Trans. Ent. Soc. of London. 1872. p. 121—156 and p. 281, 282).
2) Zie: H. W. de Graaf en P. C. T. Snellen, Microlepidoptera nieuw voor de
fauna van Nederland, in Zijdschr. v. Entom. 2de ser. dl. IV (1869) blz. 208.
6
82 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
Des morgens na de Vergadering werden dan ook die
voorwerpen (eveneens mannelijke) bij het bezoek dat door
de leden aan genoemde verzameling gebragt werd, daarin
aangetroffen. Zij waren, zoo als de heer Snellen van Vollen-
hoven onder het bezigtigen mededeelde, niet lang geleden
met inlandsche Phryganiden aan den bekenden Engelschen
Neuropteroloog R. Me. Lachlan ter determinatie toegezonden,
en van dezen terug ontvangen met de opmerking, dat zi)
niet tot de Phryganiden maar tot de Lepidoptera behoorden.
Door een en ander was mijne belangstelling voor dit
insect opgewekt, en uitgelokt door zijne aanwezigheid in
de omstreken van mijne geboortestad, besloot ik zoo spoedig
mogelijk pogingen in het werk te stellen om de nog weinig
bekende rups meester te worden, en er het vlindertje uit
op te kweeken, om zoo doende in de gelegenheid te zijn
de gedaantewisseling en levenswijze volledig na te gaan en
te beschrijven.
Daar evenwel mijn aquarium, dat ik voor deze kweeking
noodig had, als terrarium in beslag werd gehouden door
de larven van Knoicyla pusilla Burm. (de bekende land-
phryganide) met wier levensgeschiedenis ik mij toen bezig
hield, moest ik tot het volgend jaar geduld hebben. In-
middels stelde ik mij op de hoogte van de literatuur over
dit onderwerp, en maakte daarbij aanteekeningen, die de
stof geleverd hebben voor mijn «Geschiedkundig Overzigt»,
dat door twee « Aanvulsels» tot op dezen tijd is bijgehou-
den, en waarnaar in de eerste noot op de voorgaande
bladzijde verwezen wordt.
Den 44° Junij 1870 volbragt ik mijn’ eersten ontdekkings-
togt naar het Kolkje, en had reeds dadelijk het geluk een
twaalftal , echter zonder uitzondering mannelijke imagines
meester te worden. Des avonds merkte ik op dat er door
spinnen jagt op hen werd gemaakt. Mijn zoeken naar de
rupsen was echter te vergeefs.
Ongeveer veertien dagen later vond ik aan een Potamo-
gelon crispus L., welke plantensoort een voornaam deel van
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 83
den plantengroei in bedoelden vijver uitmaakte, in den
oksel der bladeren tegen den stengel eenige witte zijde-
achtige spinseltjes, die het huidje van een vlinderpopje
bevatten. De drie paren kegelvormig uitpuilende stigmata
die ik hieraan opmerkte, verschaften mij, met het oog op
eene mededeeling van Brown (Zoologist, 1864, p. 8918) de
zekerheid, dat ik het spinsel met het pophuidje van Acen-
tropus voor mij had. Den 414° Julij daaraanvolgende vond
ik in drie dergelijke spinseltjes het nog niet uitgekomen
popje, en in een verhard spinseltje een popje dat met een
cocon gevuld was, waarin ik de reeds gekleurde nimf van
eene sluipwesp aantrof. Voorts kreeg ik dienzelfden dag
eene volwassen rups in mijn bezit, die bezig was zich ter
verpopping in te spinnen.
Nu was ik op het juiste spoor, en het viel mij dan ook
in de volgende maand niet moeijelijk een tiental rupsen,
die echter aanmerkelijk in leeftijd verschilden, te verza-
melen. Deze werden met de planten waarop ik ze aantrof
(zonder uitzondering exemplaren van Potamogeton erispus L.)
in het aquarium geplaatst, en bragten daar den winter
door.
Reeds in de laatste dagen van April ') begonnen som-
mige rupsen zieh in te spinnen , terwijl anderen haren
halven wasdom nog niet bereikt hadden.
Ongelukkig moest ik omstreeks half Mei voor eenigen
tijd van huis, en wat ik vreesde gebeurde: bij mijne te-
rugkomst vond ik de planten rottende en geen enkele rups
of pop meer in leven. Nieuwe bezigheden deden mij be-
sluiten den draad van mijn onderzoek niet voor het volgend
jaar weder op te vatten. ?)
Den 42° Mei 1872 ging ik dan ook het Kolkje weder
1) In het laatst van Maart en in April waren weder een aantal rupsen door mij
verzameld, en bij de anderen in het aquarium gevoegd.
2, Eene volwassen rups, die ik in de eerste helft van Mei aan den heer Brants
had afgestaan, leverde, volgeus eene mondelinge mededeeling van den heer B, in
de tweede helft van Junij cen vrouwelijk vlindertje op, dat slechts van vleugel-
rudimenten voorzien was.
84 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
bezoeken met het doel om rupsen en poppen te verzamelen
en was verrast er reeds verscheidene mannelijke imagines
aan te treffen. Ook rupsen en poppen bragt ik in een
bevredigend aantal mede naar huis, zoodat ik met grond
kon hopen, dien zomer mijn onderzoek te zullen voltooijen.
Reeds waren er verscheidene mannelijke vlindertjes in
mijn aquarium geboren, en zag ik reikhalzend naar het
verschijnen van wijfjes uit, toen mij onverwachts door den
heer W. Roelofs van Brussel het voorstel gedaan werd,
een entomologisch uitstapje naar onze Noordzee-eilanden
te maken; als datum waarop wij in Amsterdam bij elkander
zouden komen, was 27 Mei vastgesteld. Daar deze gelegen-
heid om aan een reeds lang door mij gekoesterd verlangen
te voldoen te uitlokkend was om ze ongebruikt te laten
voorbijgaan, besloot ik de bevolking van mijn aquarium
nogmaals op te offeren. En ziet! toen ik op den avond
voor mijn vertrek mijn aquarium voor de laatste maal
onderzocht, ontdekte ik het eerste wijfje, terwijl het zich
onder water bedaard over de planten voortbewoog. Het
was van vier rudimentaire vleugels voorzien. Voorzigtig
nam ik het uit het water, stak het aan eene speld en zette
het te droogen, om het bij mijne terugkomst in de collectie
der N. E. V. te plaatsen, waarin het zich thans nog be-
vindt.
Na eene afwezigheid van acht dagen kwam ik den 3°"
Junij weder te huis. Wij hadden de eilanden Tessel, Vlie-
land en ter Schelling bezocht, en den 29“ Mei aan eene
uitgestrekte plas (het Alloo) bij het dorp de Koog op het
eerstgenoemde eiland , tot onze groote verrassing ons
vlindertje aangetroffen. Ik verzamelde er een negental
mannetjes (wijfjes vond ik niet) benevens rupsen en poppen
op Potamogeton erispus L. Overtuigd van de onmogelijkheid
deze laatsten in het leven te behouden, nam ik ze in
spiritus mede. Te huis vond ik, zoo als ik verwacht had,
mijn aquarium in denzelfden betreurenswaardigen toestand
als het vorig jaar bij mijne terugkomst: de planten rottende,
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 85
het water bedorven en de rupsen en poppen dood. Boven-
dien echter trof ik nu verscheidene doode mannetjes aan,
en ook een reeds eenigszins in ontbinding verkeerend wijfje ,
dat even als het in het vorig jaar door den heer Brants
gekweekte en dat van den 26%" Mei slechts rudimentaire
vleugels bezat.
De voortzetting van mijn onderzoek niet weder een jaar
willende verschuiven, ging ik het Kolkje in het begin van
Julij daaraanvolgende op nieuw bezoeken, maar bemerkte
toen tot mijne niet geringe teleurstelling, dat de vijver uit-
gebaggerd en van zijne planten beroofd was. Aan voort-
zetting van mijn onderzoek in dat jaar viel dus niet te
denken, en zelfs in 1873 kon ik slechts eene enkele rups
vinden, zoodat ik hoewel met tegenzin besloot, deze zaak
een paar jaren te laten rusten, ten einde den plantengroei
en als daarmede zamenhangende ook den Acentropus gelegen-
heid te geven, zich behoorlijk te herstellen. Er werd toch
een eenigszins ruime voorraad van rupsen vereischt om de
bestaande onzekerheid aangaande het al of niet voorkomen
van twee vormen van wijfjes bij dit vlindertje uit den weg
te ruimen. Hagen (Stell. Ent. Zeitung, 1859, S. 203) wijst
er op, dat er bij de vrouwelijke sexe twee vormen schijnen
voor te komen, en wel een met korte, de andere met lange
vleugels. Dunning (Trans. Ent. Soc. of London, 1872, p.151)
houdt dit voor zeker, daar hij de rudimentair gevleugelde
voorwerpen !) en die welke van goed ontwikkelde vleugels
voorzien zijn (Zancle Hansoni Steph. en Acentropus latipennis
Moeschl. 2, volgens Dunning, 1. c. p. 149, met elkander
identisch) als wijfjes van eene enkele soort (Niveus) be-
schouwt. Ook ik had reeds getoond deze meening omtrent
het bestaan van twee vrouwelijke vormen bij deze soort
toegedaan te zijn, daar ik (Pet. Nouv. Entom. 1872, N°. 50
1) Volgens Dunning (l. c. p. 136) heeft Brown te Burton-on-Trent zelfs een
wijfje gekweekt dat volkomen vleugelZoos («absolutely apterous, without a vestige of
wing «) was.
86 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
p. 200, en Tijdschr. v. Entom. 2° ser. dl. VIII, blz. 23) bij
de poging om het bewijs te leveren dat er slechts fwee
soorten (Niveus Oliv. en Latipennis Moeschl.) van het ge-
slacht Acentropus bekend waren, den rudimentair- zoowel
als den Engelschen normaal gevleugelden vrouwelijken vorm
(Zancle Hansoni Steph.) aan den Niveus had toegekend.
Het lezen van Dunning’s verklaring dat A. latipenms
Moeschl. volkomen identisch is met den Engelschen normaal
gevleugelden vrouwelijken vorm (Zancle Hansoni Steph.) deed
echter het vermoeden bij mij opkomen, dat elk der vrou-
welijke vormen tot eene der door mij aangenomen soorten
zou behooren, en wel de rudimentair gevleugelde vorm
tot Niveus, de normaal gevleugelde tot Latipennis.
Het scheen mij toe dat dit vraagstuk kon worden opgelost
door een tamelijk groot aantal rupsen van dezelfde vindplaats
op te kweeken, maar ten einde die uit het Kolkje te kunnen
bekomen, moest ik om bovengenoemde reden geduld hebben.
Gedurende den zomer van 1874 vertoefde ik eenige weken
te Velp bij Arnhem, en bezocht natuurlijk meermalen het
landgoed Beekhuizen. Mij aldaar op een’ morgen in de
tweede helft van Augustus aan den vijver bevindende,
kwam de gedachte bij mij op, te onderzoeken of Acentropus
zich ook hier ophield, en al spoedig bleek mij dat dit in-
derdaad het geval was. Ik verzamelde een dertigtal man-
nelijke vlindertjes (wijfjes vond ik ook hier niet) en trof,
alweder op Potamogeton crispus L., de rupsen en poppen
aan.
Toen ik eenige dagen later mijne bevinding aan den heer
A. B. van Medenbach de Rooy te Arnhem mededeelde,
vernam ik van hem dat er kort te voren in het Dominicaner
klooster te Huissen, door Pater Max. Vine. Aghina, een
van normaal ontwikkelde vleugels voorzien Acentropus-wijfje
gevangen was, terwijl het des avonds op het licht eener
lamp afgekomen, zeer wild over de tafel rondvloog.
Reeds den volgenden dag begaf ik mij naar Huissen,
om inspectie in loco te houden, en tevens te trachten
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 87
meer van deze wijfjes als ook mannetjes magtig te wor-
den, doch ook bij een tweede bezoek bleef mijn zoeken
langs het water in de nabijheid van het klooster vruchteloos.
Het door Pater Aghina gevangen wijfje was aanmerkelijk
grooter dan de op verschillende plaatsen van ons land ver-
zamelde mannetjes, hoewel deze onderling ook nog al
eenig verschil in grootte aanbieden; voorts was bij dit wijfje
de voorrand der voorvleugels vrij sterk uitgebogen, terwijl
hij bij de mannetjes regt, voorbij het midden zelfs iets
ingebogen is; verder waren de voorvleugels vrij eenkleurig
blaauwgrijs (de franje echter helder wit), voorbij het midden
langs den voorrand slechts flaauw verdonkerd, met een
donker streepje op de dwarsader, terwijl de mannetjes
geene, of slechts eene zeer flaauwe teekening op de dwars-
ader vertoonen , kenmerken waardoor volgens Moeschler
A. latipennis zich van A. niveus moet onderscheiden. Volgens
Dunning (Le. p. 136) houdt Brown het echter voor zeker,
dat het door Moeschler met zijn Latipennis-wijtje vergeleken
Niveus-exemplaar geen wijfje maar een mannetje geweest
is, zoodat de opgesomde verschillen niet op de soort maar
slechts op de sexe betrekking zouden hebben.
Neemt men evenwel in aanmerking, dat ik op de plaatsen
waar ik tallooze mannetjes van den Niveus verzamelde,
nog geen enkel dergelijk normaal gevleugeld wijfje had
aangetroffen, en uit rupsen van eene dier plaatsen afkomstig
slechts rudimentair gevleugelde wijfjes verkregen had, dan
zal men moeten erkennen, dat dit geval wel geschikt was
om mij te versterken in mijne meening, dat de twee vor-
men van wijfjes niet tot eene enkele soort behoorden, en
mij aan te sporen in het volgend jaar de kweeking van
rupsen uit het Kolkje op nieuw te beproeven, ten einde te
trachten het bewijs voor mijne meening te leveren.
Den 20°" April 1875 begaf ik mij dan ook naar het Kolkje,
en keerde met een tiental rupsen van verschillenden leeftijd
terug. Zij werden door mij in het vooraf voor hare ont-
vangst in gereedheid gebragte aquarium geplaatst.
88 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
Den 4" Mei daaraanvolgende ging ik het Kolkje nogmaals
bezoeken, waardoor het getal mijner rupsen tot ongeveer
vijf en twintig klom. Bij den buit van dezen dag bevonden
zich ook eenige reeds ingesponnen rupsen.
Bij een’ derden togt, den 20** Mei ') ondernomen, trof
ik slechts twee rupsen aan; zij waren volwassen en be-
gonnen aanstalten te maken om zich in te spinnen. Overigens
bemagtigde ik dien dag een vijftiental spinseltjes, en behalve
een dood mannelijk vlindertje ook twee doode wijfjes, de
eersten die ik in de vrije natuur aantrof, beiden even als
de drie vroeger gekweekte voorwerpen van rudimentaire
vleugels voorzien.
Des avonds van dit uitstapje te huis komende, werd ik
verrast door in de stopflesch waarin de gevonden rupsen
en spinseltjes werden overgebragt, een vrouwelijk vlindertje
aan te treffen; ook dit voorwerp, dat gedurende de reis
uit de pop te voorschijn gekomen moet zijn, was slechts
van vleugelrudimenten voorzien. Toen het met den inhoud
der flesch in het aquarium was overgestort, zwom het met
behulp der van lange franje voorziene middel- en achter-
pooten in een’ bijna loodregten stand, met den kop naar
boven, hortend en stootend rond, totdat het zich ten slotte
met de voorpooten en door ombuiging van het achterlijf
onder water aan den stengel van een der planten vast-
klemde en tot rust kwam. Later in den avond het aquarium
met licht naderende, zag ik dit wijfje, de spits van het
achterlijf opgerigt houdende, over de oppervlakte van het
water rondzwemmen, terwijl het spoedig op het licht van
den lantaarn afkwam.
Tot den 29" Mei kwamen vervolgens zeven wijfjes, allen
met rudimentaire vleugels, en drie mannetjes tot ontwik-
keling, doch ongelukkig zoo, dat slechts eene der sexen
1) Den 12den Mei had ik in de Lee, een water dat langs het dorp Warmond
stroomt, zoowel aan exemplaren van Potamogeton crispus L als van P. perfoiiatus L.
enkele Acentropus-rupsen en spinseltjes gevonden, die mij tot in de tweede helft van
Junij vijf Niveus-mannetjes en twee rudimentair gevleugelde wijfjes hebben opgeleverd.
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 89
op hetzelfde tijdstip vertegenwoordigd was, hetgeen het
plaats hebben en dus ook het waarnemen der copulatie
onmogelijk maakte. Steeds kropen de vlindertjes des avonds
uit de pop, en had ik gelegenheid waar te nemen dat de
wijfjes zoowel op als in het water rondzwommen en niet
minder dan de mannetjes door licht werden aangetrokken.
Eindelijk was evenwel het geluk mij gunstig, ten minste
in zooverre, dat er in den avond van den eersten Junij
twee mannetjes en twee wijfjes, de laatsten van rudimen-
taire vleugels voorzien, tot ontwikkeling kwamen; doch het
woei dien avond zoo hevig, dat ik vreezen moest de co-
pulatie, wanneer zij plaats zou grijpen, niet te zullen kunnen
waarnemen. Het bleek dan ook onmogelijk te zijn den lan-
taarn, waarmede ik het aquarium dat in den tuin stond
des avonds bezocht, langer dan eenige oogenblikken aan
te houden, die echter juist voldoende waren om te zien,
dat de mannetjes zeer vlug om de op de oppervlakte van het
water drijvende wijfjes rondfladderden. Daar de storm
steeds in hevigheid toenam, bezocht ik het aquarium dien
avond niet meer. Hetgeen ik gezien had deed echter het
vermoeden bij mij opkomen, dat de copulatie niet ın (zoo
als Reutte volgens von Heinemann aan dezen schrij ver heeft
medegedeeld) !) maar op het water plaats grijpt, en dat
het wijfje na afloop hiervan onderduikt om hare eijeren op
de voedingsplant af te zetten.
Den volgenden morgen zaten de mannetjes als naar ge-
woonte boven de oppervlakte van het water tegen planten-
stengels, de wijfjes echter onder water op Potamogeton-
bladeren; zij hielden zich met de voorpooten vast en hadden
het achterlijf om het blad omgebogen. Tot mijne niet
geringe vreugde bespeurde ik op deze bladeren talrijke
langwerpig ronde groenachtig geel gekleurde eitjes, in
regelmatige rijen naast elkander geplaatst. Naar alle waar-
1) Welligt was het paartje dat door Reutte bespied werd , door het een of ander
verschrikt, en had het wijfje het raadzaam gevonden onder te duiken, voor dat het
mannetje zich aan haar bezit verzadigd had.
90 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
schijnlijkheid had dus de copulatie plaats gehad, en was ik
in het bezit van bevruchte eijeren. Dit bleek inderdaad
het geval te zijn, daar den 16" Junij (dus vijftien dagen
nadat de eitjes gelegd waren) de eerste rupsjes te voorschijn
kwamen. Nadat dit ongeveer eene week had voortgeduurd ,
ontwikkelde zich op de nog niet uitgekomen eijeren (+ de
helft van de gelegde hoeveelheid) eene schimmelplant ,
waarschijnlijk Saprolegnia monoica, zoodat deze voor mij
verloren gingen. De schaal der verlaten eijeren was door-
zigtig als glas en kleurloos, en werd door de jonge rupsen
onaangeroerd gelaten.
Dikwijls bespeurde ik op den rug van jonge rupsen een
klein rood spinnetje (Hydrachna ?), dat zich aldaar had vast-
gehecht en zich zonder twijfel met het bloed der rupsjes
voedde.
Den 5'* Junij waren in mijn aquarium nog twee, en den
11° daaraanvolgende nog één rudimentair gevleugeld wijfje
uit de pop te voorschijn gekomen, waardoor het getal der
aan mij bekende vrouwelijke vlindertjes uit het Kolkje tot
achttien klom, waaronder zich geen enkel voorwerp met
normaal ontwikkelde vleugels bevond, hoewel er in den
graad van ontwikkeling dezer organen wel eenig verschil
was waar te nemen. Toen zich daarna geen vlindertjes
meer vertoonden, kwam ik tot de overtuiging dat de voor-
raad poppen in het aquarium uitgeput moest zijn, hetgeen
bij een den 30°" Junij ingesteld onderzoek dan ook wer-
kelijk het geval bleek te wezen, daar ik behalve eene nog
niet volwassene en eene volwassene rups, die als model
voor afbeeldingen hebben gediend, niets dan spinseltjes met
ledige pophuidjes aantrof. Dat het getal der verkregen
imagines (18, waarvan 13 gg en 5 dd) niet in overeen-
stemming was met dat der door mij in het aquarium
geplaatste rupsen en poppen (+ 40), liet zich zeer goed
verklaren door de omstandigheid, dat ik van tijd tot tijd
rupsen en poppen waarop zich de hierboven genoemde
schimmelplant vertoonde, uit het aquarium verwijderd had.
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 94
Daar ik de sluipwesp die de rups van Acentropus tot zijn
slagtoffer kiest gaarne wilde kennen, begaf ik mij den
3% Julij naar het Kolkje, om te trachten verharde spin-
seltjes, zoo als ik den 14°" Julij 1870 er een had aangetroffen,
meester te worden. De waterpest (Hlodea Canadensis, ook
wel Anacharis alsinastrum genoemd) had echter zoozeer de
overhand over den plantengroei verkregen, dat ik slechts
enkele Potamogeton-planten kon ontdekken, die mij wel eenige
zeer jonge rupsjes doch niet de gewenschte spinseltjes op-
leverden. Groot was intusschen mijne verrassing, toen ik
een normaal gevleugeld Acentropus-wijfje dood op het water
zag drijven en er binnen korten tijd nog een viertal in den-
zelfden toestand aantrof. Bij naauwkeurige beschouwing bleek
dat deze wijfjes geheel met het te Huissen gevangen voor-
werp overeenkwamen, alleen was de kleur der voorvleugels
minder blaauwgrijs en het streepje op de dwarsader, hoewel
duidelijk aanwezig, niet zoo donker van kleur. Behalve drie
©?
van deze wijfjes, waaronder een met geheel grijswitte
voorvleugels, nam ik een zes en twintigtal mannetjes mede.
Voorts ving ik dien dag eene oeverwants (Limnobates Stagno-
rum L.), terwijl zij bezig was een levend Acentropus-mannetje
uit te zuigen.
Den 8 Julij daaraanvolgende herhaalde ik mijn bezoek
aan het Kolkje, doch het mogt mij ook toen niet gelukken
de zoozeer gewenschte met sluipwespcocons bezette spin-
seltjes aan te treffen. Wel vond ik weder eenige jonge
rupsjes, als ook twee mannelijke en tien normaal gevleugelde
vrouwelijke imagines, onder welke laatsten zich een levend
voorwerp bevond; behalve dit nam ik nog een drietal doode
wijfjes mede. Daar een arbeider, die bezig was met het
afsteken van de kanten des vij vers, mij mededeelde, dat men
den volgenden dag weder met het uitbaggeren beginnen
zou, besloot ik het Kolkje, ten minste in 1875, niet meer
ter wille van de Acentropus-quaestie te bezoeken. Behalve
ten opzigte van de in Acentropus-rupsen parasiteerende sluip-
wesp, had mijn onderzoek toch ook bevredigende resultaten
92 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
opgeleverd. Het aan het Kolkje vinden van normaal ge-
vleugelde wijfjes die met Acentropus latipennis Moeschl.
overeenstemmen, had mijn geloof aan het bestaan van twee
soorten die ieder een eigen vorm van wijfje zouden bezitten
aan het wankelen gebragt, en mij tot Dunning’s meening
(het bestaan van eene soort met twee vormen van wijfjes)
doen overhellen, eene meening die na een grondig onderzoek
van al de door mij verzamelde voorwerpen (zoowel man-
nelijke als vrouwelijke), ook door onzen microlepidopteroloog
P. C. T. Snellen gedeeld wordt.
Het was mij echter nog niet gebleken of elk der beide
vrouwelijke vormen aan eene bepaalde generatie eigen was.
Voor de oplossing van deze vraag had ik mijne hoop gevestigd
op de rupsjes die bij mij in het midden van Junij geboren
waren uit eijeren den 1“" Junij door rudimentair gevleu-
gelde, uit overwinterde rupsen ontwikkelde wijfjes gelegd.
Deze rupsjes groeiden eerst bijzonder langzaam, later
sneller doch zeer ongelijk, zoodat zij langzamerhand aan-
merkelijk in grootte begonnen te verschillen. Tegen Augustus
waren eenige hunner volwassen en begonnen aanstalten te
maken om zich in te spinnen. Zij hadden dus ongeveer
zes weken noodig gehad om hunnen vollen wasdom te be-
reiken. Hoeveel malen de rups vervelt voor zij volwassen
is heb ik niet kunnen nagaan.
Den 23" Augustus verscheen de eerste imago en wel
een mannelijke, en werd den daaropvolgenden dag door
een tweede voorwerp van dezelfde sexe gevolgd. Dit zijn
tot dusver de eenige imagines die ik van mijn broed rupsen
verkregen heb. De nog overgebleven rupsen betrokken
sedert hare winterkwartieren.
De jonge rupsjes, den 8%” Julij door mij uit het Kolkje
meegenomen , leverden mij van 17 Augustus tot 15 September
één rudimentair gevleugeld wijfje en drie mannetjes op.
Ongelukkig echter bezweek dit wijfje zonder gepaard te
zijn en eijeren gelegd te hebben. Waarschijnlijk zou door
hare kinderen het raadsel zijn opgelost omtrent het verband
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 93
dat er bestaat tusschen de beide vormen van wijfjes en de
verschillende generaties. Nu echter kan ik slechts gissen
dat zich uit hen omstreeks het midden van den volgenden
zomer eene generatie onlwikkeld zou hebben, waartoe de
normaal gevleugelde wijfjes behooren *).
Wel had ik ook hier liever waarnemingen dan gissingen
medegedeeld, doch het scheen mij beter toe de reeds gedane
waarnemingen en vooral ook de beschrijvingen der ver-
schillende toestanden bekend te maken, dan te wachten tot
het onzekere in deze zaak zal zijn opgehelderd , waarvoor
stellig, het lastige der kweeking in aanmerking nemende,
nog verscheidene jaren vereischt zullen worden.
Door mijne, gedurende de jaren 1870—75 gedane waar-
nemingen, komen wij tot de kennis der volgende
LEVENSWIJZE.
Nadat de rupsen op verschillenden leeftijd in of aan de
voedingsplant (soorten van fonteinkruid, Polamogelon ?), en
wel de jongeren in den stengel, de ouderen tusschen aan-
eengesponnen bladeren, den winter hebben doorgebragt,
heginnen zij zich in het laatst van Maart weder over de
planten te verspreiden. Spoedig daarop spinnen zij twee
Potamogeton-bladeren meestal aan het topeind aaneen, en
houden zich vervolgens daartusschen op, terwijl zij zich
met het niet aaneengesponnen gedeelte dier bladeren voeden.
Hierdoor gebeurt het somtijds dat het gedeelte, waartusschen
zij huizen, van de plant losraakt, waarna dit echter door
de rups tot voedsel gebruikt of verlaten wordt. Dikwijls
ook, zoowel bij dag als bij nacht, waarschijnlijk wanneer
het voedsel in hare nabijheid verbruikt is, verlaat de rups
1) Zie voor den ontwikkelings-eyelus zoo als ik mij dien voorstel het Verslag der
gde Wintervergadering der N. B. V. (Tüjdschr. v. Entom. dl. XIX (1876) blz. XCIX),
en The Entomologist’s Monthly Magazine, vol. XII p. 257.
2) Ik zelf trof de rupsen aan op P. crispus en perfoliatus, Brown behalve op
laatstgenoemde soort ook op P. pectinatus, terwijl Millière ook van P. Zucens melding
maakt
94 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
hare woning en laat zij zich aan eenen draad op andere
bladeren neder, of begint langzaam over de planten rond
te kruipen, waarschijnlijk ter opsporing van eene geschikte
plaats om zich eene nieuwe woning te vervaardigen. Vrij-
willig schijnt de rups het water niet te verlaten.
Tegen het einde van April beginnen sommige rupsen zich
in te spinnen, terwijl anderen haren halven wasdom nog
niet bereikt hebben. Het spinsel wordt onder de oppervlakte
van het water tegen of gedeeltelijk in den stengel der
planten meestal in den oksel der bladeren, enkele malen
echter ook aan de onderzijde van een blad vervaardigd;
het is stevig, helder wit van kleur, en van buiten met
bladstukjes of met het blad in welks oksel het voorkomt,
bekleed.
Omstreeks het midden van Mei beginnen de imagines
der eerste of voorjaars-generatie zich te vertoonen; naar het
schijnt kruipen zij tegen den avond uit de pop. Bij dag
zit de mannelijke vlinder slaperig even boven de oppervlakte
van het water tegen stengels van waterplanten, en komt,
opgejaagd zijnde weder spoedig tot rust. In dezen toestand
zijn de sprieten naar achteren teruggeslagen en gedeeltelijk
onder de vleugels verborgen, terwijl de palpen schuin vooruit
naar beneden afhangen; de vleugels hebben ongeveer den
horizontaal driehoekigen stand van het geslacht Hydrocampa.
Als het donker wordt begint hij echter zeer vlug in wijde
cirkelbogen over den waterspiegel rond te vliegen , terwijl
hij zich slechts zelden op het water of op drijvende planten
nederzet. ') De bij deze generatie slechts van vleugelru-
dimenten voorziene wijfjes zijn in staat zoowel in ?) als
1) Dat hij zich evenwel somtijds verder van het water verwijdert, bewijzen de
voorwerpen door de Graaf, Dunning, Cowly en Walker des avonds binnenshuis om
eene lamp vliegende gevangen Ook zagen Knaggs en Me. Lachlan enkele malen
een mannelijk vlindertje van den waterspiegel loodregt omhoog stijgen, hetgeen
evenwel volgens laatstgenoemden waarnemer door eene windvlaag veroorzaakt werd,
terwijl Corbin twee voorwerpen ving die tamelijk vlug ongeveer 3 of 4 voet boven
de oppervlakte van het water vlogen. |
2) Brown zegt (Newman’s Zoologist for 1864, p. 8918) te hebben waargenomen,
dat een mannetje vrijwillig onderdook, eu na langs een’ Potamogeton-stengel geloopen
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 95
op het water rond te zwemmen, en worden even als de
mannetjes door licht aangetrokken.
De paring schijnt spoedig na het uitkomen der vlindertjes
op de oppervlakte van het water plaats te grijpen !); ik
nam ten minste eens op een’ avond waar, hoe een paar
mannetjes zeer levendig rondfladderden om een paar wijfjes
die, de spits van het achterlijf opgerigt houdende, op de
oppervlakte van het water dreven. Na de paring duikt het
wijfje onder, en zet hare talrijke langwerpig ronde, geel-
achtig groene eitjes in aaneengesloten rijen op de bladeren
der voedingsplant af. Zij zijn dan tamelijk sterk ingezonken
en helder van inhoud; na eenige dagen wordt de kern
troebel, welke troebeling zich langzamerhand over den ge-
heelen inhoud uitbreidt; later wordt in ieder eitje een min
of meer niervormig zwart vlekje (een der beide oogen-
groepjes van het embryo) zigtbaar, terwijl ten slotte de
jonge rups in al hare deelen door de eischaal heen duidelijk
is waar te nemen.
Ongeveer veertien dagen nadat de eitjes gelegd zijn komen
de eerste rupsjes door eene in de schaal gebeten opening
te voorschijn en begeven zich tusschen de vliezen die den
stengel der Polamogeton-planten omgeven, of verspreiden
zich over de bladeren met welker bladmoes zij zich weldra
beginnen te voeden. Na verloop van eenige dagen boren
sommige rupsjes zich in den stengel of in de middelnerf
der bladeren en knagen daarin gangen. Op welken leeftijd
zij deze gangen verlaten kan ik niet met juistheid zeggen;
wel heb ik opgemerkt dat men ze slechts in vrij jeugdigen
toestand daarin aantreft. De meeste rupsjes echter blijven
zich op de bladeren ophouden, buigen het topeind daarvan
te hebben, weder boven kwam zonder dat zijne vleugels nat waren. — Kolenati zegt
(Wiener Entomologische Monatschrift Bd. II (1858) S. 382) dit onderduiken van
een wijfje te hebben waargenomen zonder evenwel te vermelden of dit wijfje rudimentair
dan wel normaal gevleugeld was.
1) Volgens Reutte echter zwemt het wijfje bij de paring onder water en trekt
zelfs het mannetje met zich onder.
96 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
om of bijten een min of meer half cirkelvormig stukje uit
den rand, spinnen dit op de bladschijf vast en houden zich
in de op deze wijze vervaardigde woning op, zich voedende
met het bladmoes dat onder hun bereik valt. Op lateren
leeftijd vervaardigt de rups zich eene woning door twee
bladeren meestal aan het topeind langs de randen aaneen
te spinnen.
Op jeugdigen leeftijd groeijen de rupsjes bijzonder lang-
zaam, later sneller doch zeer ongelijk, zoodat zij langza-
merhand aanmerkelijk in grootte beginnen te verschillen.
Na ongeveer zes weken heeft een gedeelte der rupsen zijn’
vollen wasdom bereikt, spint zich op boven beschreven
wijze in, en levert na ongeveer drie weken de imagines op
(ook van deze tweede generatie schijnen de wijfjes rudi-
mentair gevleugeld te zijn), terwijl de overige rupsen slechts
langzaam voortgroeijen en den winter overblijven, om in
het volgende jaar weder de imagines der eerste of voor-
jaars-generatie op te leveren. De wijfjes der tweede of
najaars-generatie leggen na bevrucht te zijn eijeren, waaruit
nog hetzelfde jaar de rupsjes zullen te voorschijn komen,
die in vereeniging met de in haren groei achterlijk gebleven
rupsen der vorige generatie overwinteren. Terwijl uit de
laatstgenoemden imagines der voorjaars-generatie zullen
ontstaan, zullen de eersten, daar zij op jeugdiger leeftijd
overwinteren, later in den zomer eene generatie (zomer-
generatie) opleveren , waartoe waarschijnlijk de normaal
gevleugelde wijfjes behooren. De van deze wijfjes stam-
mende rupsen zullen vermoedelijk allen overwinteren, !)
en de daaruit ontwikkelde imagines in het volgende jaar
een deel der voorjaars-generatie uitmaken. Hieruit zou dan
volgen dat onder de overwinterende rupsen afstammelingen
gevonden worden van de voorjaars-, zomer- en najaars-
generatie.
1) Het is ook zeer denkbaar dat sommigen dezer rupsen sneller, en anderen der
in het najaar geborenen langzaam zullen groeijen, zoodat juist uiet alle in het laatst
van Junij uitkomende vlinders noodzakelijk van dezelfde teelt afkomstig moeten zijn.
(Snellen)
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. . 97
Van de normaal gevleugelde wijfjes kan ik slechts mede-
deelen dat zij even als de mannetjes en de rudimentair
gevleugelde wijfjes door licht worden aangetrokken. Stainton
en Aghina toch vingen ieder een voorwerp dat op het licht
eener lamp wasafgekomen, en dat, even als de onder de-
zelfde omstandigheden gevangen mannetjes, over de tafel
waarop de lamp stond, zeer wild rondvloog.
Als vijanden der rups heb ik leeren kennen eene kleine
roode waterspin (Hydrachna?) en eene Ichneumonide,
welker larf zich in het popje des vlinders inspint; als
die der imagines eene op de oppervlakte van het water
levende spinsoort, eene oeverwants (Limnobates Stagno-
rum L.) en visschen, waarbij waarschijnlijk nog de meer-
vledermuis (Vespertilio dasycneme Boie) gevoegd zal moeten
worden. Of de vroeger reeds genoemde schimmelplant
(Saprolegnia monoica) de oorzaak of een gevolg is van den
dood der embryonen, rupsen en poppen, waag ik niet
te beslissen. 1)
Volge nu de
BESCHRIJVING DER VERSCHILLENDE TOESTANDEN.
ki. — Dit is groenachtig geel van kleur en langwerpig
rond van vorm met zeer stompe uiteinden. De schaal is
van uiterst fijne langsgroeven voorzien, waardoor zij zich
bij vergrooting overlangs gestreept voordoet.
Rups. — Pas uit het ei gekomen is zij ongeveer een
millimeter lang. De kop en het nekschild zijn alsdan
merkbaar breeder dan de volgende segmenten , die op hunne
beurt weder naar achteren trapsgewijsin breedte afnemen. De
kop, het aan den achterrand boogvormig afgeronde, nog
niet in tweeën gedeelde nekschild, de borstpooten en een
vlekje op de staartklep zijn donker bruinachtig grijs; de
mond is helder bruin; de oogjes staan in een min of meer
1) Dat waterspinnen jagt op de imagines maken is ook door Mc. Lachlan en
Corbin waargenomen; de laatste schrijver noemt voorts nog als vijanden van Acen-
tropus een kleine roodachtige loopkever (naar hij meent Calathus mollis of C. me-
lanocephalus) en een klein bloedzuigerachtig diertje.
7
98 È AGENTROPUS NIVEUS OLIV.
niervormig zwart vlekje bijeen; de randen der wangen en
de hakenkransjes of zooltjes der vier paren buikpooten en
der naschuivers zijn bruinachtig zwart. Het overige gedeelte
van het ligchaam is kleurloos en doorschijnend, zoodat de
ligchaamsinhoud duidelijk zigtbaar is.
Na de eerste vervelling wordt de grijze kleur van de
verschillende deelen lichter, terwijl het vlekje op de staart-
klep bijna geheel verdwijnt. Het nekschild heeft een’
gegolfden achterrand verkregen en vertoont over het midden
een spoor van het deellijntje.
Op lateren leeftijd (het is mij niet mogelijk geweest de
overige vervellingen na te gaan) is de kleur van het rupsje
groenachtig geel. Het nekschild is door een kleurloos bandje
volkomen in tweeën gedeeld, en zijn flaauw gegolfde ach-
terrand is donker vuilbruin. De grijze kleur van den kop,
het nekschild en de borstpooten is nog lichter geworden,
terwijl het vlekje op de staartklep geheel verdwenen is.
Aan iedere zijde van den kop zijn nu twee oogjes van de
overigen afgezonderd; deze zijn zwart, die welke in een
groepje vereenigd zijn gebleven, bruin van kleur. Het
nageltje der borstpooten en de haakjes der buikpooten en
naschuivers zijn helder bruin.
In volwassen toestand is de rups 10 à 12 mm. lang, in
het midden dikker dan aan de einden, dus spoelvormig,
hetgeen in den regel bij de rupsen der Pyraliden het geval is,
overigens rond. De kleur is geel met eene eenigszins groene
tint; daar de huid doorschijnend is, schemert het gebruikte
voedsel door, terwijl de luchtbuizen als zilverglanzige draden
zigtbaar zijn; bij aanwending van eene sterke vergrooting
blijkt de huid met digt opeenstaande kleine tepelvormige
wratjes bedekt te zijn. De kop en het nekschild zijn hoorn-
achtig en bleeker van kleur dan het overige ligchaam ; ook
hebben deze deelen eene bruinachtige tint; de grenslijnen
der wangen blijven echter donker en het deellijntje van
het nekschild kleurloos. De bovenkaken zijn helder roest-
bruin en met drie groote en twee kleine tanden gewapend.
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 99
De beide op zich zelf staande oogjes zijn zwart, die welke
tot een groepje vereenigd zijn, bruin. De kleur der borst-
pooten komt met die van het ligchaam overeen , terwijl de
nageltjes helder bruin zijn. Ook de haakjes der vier paren
buikpooten, die een’ aan de binnenzijde afgebroken krans
vormen, en die der naschuivers hebben deze kleur. Be-
halve de kop en het nekschild zijn alle segmenten van
dwarse huidplooïjen voorzien. Als naar gewoonte zijn er
negen paar stigmata aanwezig, die op de gewone plaats,
d. i. op den eersten en op den vierden tot en met den
elfden ring, voorkomen; zij zijn cirkelrond van vorm en
bruin van kleur; die van de middelste ringen zijn de
grootsten, die van den elfden ring uiterst klein. Het getal
der wratjes of stippen op de ringen (onderscheiden in
vierhoekstippen, zijstippen en buikstippen !) wijkt door
het ontbreken van een der zijstippen van het normaal getal
af. De stippen zijn bruin en dragen ieder een meer of
minder lang, slechts aan. de basis gekleurd borstelhaar.
De vierhoekstippen loopen op den tweeden, derden en
laatsten ring in ééne lijn, en sluiten zich aan de zijstippen
aan; op den vierden tot en met den elfden ring zijn zij
in den vorm van een vierhoek geplaatst; de beide voorste
stippen zijn echter uiterst klein en vallen daardoor weinig
in het oog. Van de zijstippen schijnt die, welke achter
het stigma op de stigmataalstreep moest voorkomen, te
ontbreken. De buikstippen bevinden zich op de gewone
plaats. Op den kop en het nekschild komen nog enkele haren
voor, terwijl men er op het midden van de staartklep twee,
en langs den achterrand daarvan zes waarneemt.
Pop. — Deze is helder bruin van kleur, op de rugzijde
donkerder dan op de buikzijde; naar achteren loopt zij
tamelijk puntig toe, terwijl de segmenten van het achterlijf
flaauw ingesnoerd zijn. Het opmerkelijkst aan haar zijn
drie paar kegelvormig uitpuilende stigmata, en wel een
1) Zie de noot op blz. 12 van het eerste deel der tweede serie van Sepp’s » Ne-
derlandsche Insecten naar hunne aanmerkelijke huishouding n enz.
400 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
paar op het tweede, derde en vierde achterlijfsegment ;
vooralook door hun’ donkerbruinen rand loopen deze organen
dadelijk in het oog; de overige stigmata (een paar op den
prothorax en op het vijfde, zesde, zevende en achtste
achterlijfsegment) zijn lijnvormig. Op den kop neemt men
drie paar doorntjes waar, als: een paar op het voorhoofd,
op den schedel en op het achterhoofd. Op het voorhoofd
en op het achterhoofd staan deze doorntjes digter bijeen
dan op den schedel, terwijl de afstand tusschen het voorste
en middelste paar grooter is dan die tusschen het middelste
en het achterste. Op de segmenten van het achterlijf komen
enkele fijne haartjes voor, op het voorlaatste segment zijn
zij echter sterker ontwikkeld. Het laatste segment is van
negen paar !) tamelijk lange, aan het eind haakvormig
omgebogen borstels voorzien, welker rangschikking men
beter door de afbeelding dan door eene omschrijving zal
leeren kennen. Zonderling is het, dat de vrouwelijke pop,
die behalve door den breederen bouw ook door een klein
verschil in de knobbels op de buikzijde van het anaalseg-
ment van de mannelijke pop te onderscheiden is, voor de
beide vormen van wijfjes normaal ontwikkelde vleugel-
scheeden bezit; bij die poppen welke een rudimentair ge-
vleugeld wijfje. zullen opleveren , wordt echter slechts een
klein gedeelte der vleugelscheeden door de vleugels in beslag
genomen, hetgeen vooral in het oog loopt bij poppen waaruit
de imago spoedig te voorschijn zal komen, daar de vleugels
dan door hunne donkere kleur gemakkelijk te onderschei-
den zijn.
Imago. ?) — «Daar de beide sexen tamelijk verschillen, zoo
zal ik eerst den man beschrijven. Ik heb van dezen 58 door den
heer Ritsema gevangen en gekweekte voorwerpen voor mij.
De kleinste gevangen exemplaren hebben 11 mm. vlugt ;
1) Bij eene enkele vrouwelijke pop nam ik tien paren van deze haakjes waar.
2) Op mijn verzoek heeft de heer P. C. T. Snellen het beschrijven van het
volkomen insect op zich genomen; de door hem geleverde beschrijvingen neem ik
woordelijk over. 3
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 101
het grootste, bij Arnhem gevangen, 16 mm. ,- terwijl de
meesten zich tusschen 123—133 mm. bewegen. Bij de
Arnhemsche exemplaren komen de grootsten voor; de Tesse-
laars zijn niet kleiner dan die van den duinkant. De kop
is klein met afgeronden , vrij vlakken schedel en aangezigt;
dit laatste is ongeveer zoo breed als de zwarte, naakte
oogen, en de geheele kop met korte, digte, glad afgescho-
ren grijsgele of lichtgrijze beharing bedekt. De zuiger-
rudimenten zijn zeer moejjelijk te zien; beter de stompe
onderkaaksvoelers of bijpalpen. De lipvoelers zijn ruim
anderhalfmaal zoo lang als de kop, dik, drieledig, geel
gekleurd, doch even als de bijpalpen, ijl met korte, stijve
zwarte haren bezet. Het wortellid is het kleinste, het
langwerpig-ovale derde het grootste. Sprieten ter lengte
van twee derden der voorvleugels, donkergrijs, met vrij
groot, plat, vierkant grondstuk. De leden van de schaft
zijn tot een derde ongeveer vierkant; verderop worden zij
smaller en hoe langer hoe duidelijker ovaal, zoodat de spriet
tegen de punt op een snoer van eijerdoppen gelijkt. Hij is
zeer kort en gelijkmatig behaard. Halskraag zeer klein,
met eenige lichtgrijze haren bezet, die achter den kop op-
rijzen. Thorax groot, ovaal, sterk gewelfd, glad donker-
grijs beschubd. Schouderdeksels smal, doeh zoo lang als
de thorax en lichtgrijs. Vleugels lang en smal, de voor-
vleugels met vlakken, op twee derden zelfs iets ingedrukten
voorrand , zeer spitse punt en schuinen, gelijkmatig afge-
ronden achterrand, die zonder afscheiding in den binnen-
rand overgaat. De verhouding van lengte en breedte staat
als ongeveer 6 tot 2, voor de eerste de voorrand gemeten
zijnde en voor de tweede eene loodregte lijn van den voor-
rand naar het einde der binnenrandsader. Ik merk hierbij
op, dat de kleinste exemplaren duidelijk scherper gepunte
voorvleugels hebben dan de grooteren. Dit gaat echter zeer
ongevoelig toe. De achtervleugels hebben den vorm van
het vierde eener ellips met afgeronde punt en staarthoek.
De beschubbing is fijn en zit zeer vast ; de schubben schijnen
102 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
den gewonen vorm te bezitten, namelijk breed en kort.
De kleur der voorvleugels variëert , ook bij gave, gekweekte
voorwerpen, van zeer licht grijswit tot lichtgrijs; steeds
echter is de vleugelwortel min of meer grijswit. Teekening
in den vorm van dwarslijnen of dien der gewone vlekken
is niet aanwezig; alleen is de dwarsader iets dikker en
soms donkerder beschubd, zoodat daardoor een flaauw ,
halvemaanvormig middenteeken wordt gevormd; verder zijn
Ge franjelijn en adereinden donkerder, bruinachtig. Einde-
lijk bevindt zich aan den voorrand, bij een derde begin-
nende, dan tot twee derden iets verbreed en den voorrands-
hoek der middencel bereikende, om dan verder tot de
_vleugelpunt weder te versmallen, eene donkerder streep ,
die donkergrijs, soms bruingrijs of iets okerkleurig is
en uit grovere en digtere beschubbing bestaat. Deze don-
kere streep loopt vooral bij de grijswitte exemplaren in het
oog. De achtervleugels en de geheele franje zijn zuiver
wit, de franjelijn en adereinden ook op de achtervleugels
iets bruinachtig.
«Op de onderzijde zijn de voorvleugels bij de donker ge-
kleurde exemplaren bleekgrijs en de achtervleugels wit;
bij de witgrijzen is de geheele onderzijde wit; bij allen de
voorrand der voorvleugels fijn donker okergeel; diezelfde
tint vertoont zich, doch in mindere mate, langs den
achterrand der voor- en om de punt der achtervleugels.
« Tot de vleugeladeren overgaande, merkt men op dat de
middencel der voorvleugels aan haren wortel zeer smal is
en naar achteren iets verbreed met afgeronden achterrand;
zij heeft niet ten volle twee derden der vleugellengte. Uit
haar ontspruit ader 2 bij, doch duidelijk vóór haren bin-
nenrandshoek en loopt vrij steil naar beneden; 3 ontspruit
uit den binnenrandshoek , tweemaal zoo ver van 2 als van
4; deze en 5 komen bijna uit één punt en 3—5 divergeeren
eenigszins tegen den achterrand. Niet zoo ver van de
takken der middenader als gewoonlijk bij de Pyraliden,
doch altijd nog door eene duidelijke tusschenruimte van
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 103
ader 5 gescheiden, ontspringen verder ader 6 en 7 uit de
bovenhelft der dwarsader en loopen in den achterrand uit;
8 en 9 gesteeld in den voorrand ; 10 en 11 parallel met 8
en 9, doch niet*zeer schuin, ontspruiten uit den voorrand
der middencel en loopen vrij in den voorrand, terwijl de
aan het eind iets gezwaaide costaalader een weinig langer
dan de halve vleugel is. Aan het eind der vleugelvouw
bevindt zich tegen den achterrand het niet ongewone begin
eener tweede binnenrandsader , die echter spoedig ophoudt,
en onder den wortel van ader 1a het bij de Pyraliden en
Equitinen voorkomende adersprankje.
«In de achtervleugels is de middencel iets breeder ; ader
2-5 staan iets verder uiteen, doch zijn ongeveer eveneens
als in de voorvleugels ; 2 is echter meer horizontaal. Na
ader 5 wendt de dwarsader zich wortelwaarts en gaat on-
gevoelig in het vleugelvlies te loor; eerst boven de helft
der middencel komt zij weder te voorschijn, aanvankelijk
als eene plooi en dan duidelijker bij de plaats waar ader
6 ontspringt. Deze begint vrij ver van ader 7, in plaats
van zoo als bij Botys en Hydrocampa uit één punt met die
ader te ontspruiten. Ader 7 ontspringt uit den voorrands-
hoek der middencel, doch vereenigt zich dadelijk met de
zeer digt langs den fijnen voorrand der middencel loopende
ader 8. Die vereeniging is zeer volkomen; beide aderen
versmelten tot eenen stam, die zich eerst digt bij de vleu-
gelpunt weder in tweeën splitst, waarbij men opmerkt dat
de bovenste tak (ader 8) soms naauwelijks zigtbaar is en
men dus, even als Herrich-Schäffer bij het door hem be-
schreven wijfje van Latipennis, in de achtervleugels slechts
7 aderen vindt; de binnenrandsaderen als gewoonlijk voor
ééne gerekend. Het vleugelhaakje is duidelijk en aan de
voorvleugels op de gewone wijze bevestigd.
«De pooten zijn niet bijzonder lang of dun; daarin ver-
schilt A. niveus van de vlinders der mede waterlievende
genera Hydrocampa , Cataclysta en Parapoynx. Zij zijn glad
beschubd en normaal gevormd en op de bekende plaatsen
104 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
met de gewone doch zeer korte sporen gewapend, die
bovendien na den dood van het dier meest digt tegen den
poot liggen. Aan de voorpooten ziet men den bij de Lepi-
doptera voorkomenden, hier goed ontwikkelden scheendoorn.
Verder dragen de midden- en achterscheenen bi] gave voor-
werpen lange fijne witte haren, die echter spoedig verloren
gaan. De kleur der pooten is geelachtig, aan de buiten-
zijde der heupstukken, dijen en scheenen zwartgrijs.
« Het achterlijf is tweemaal zoo lang als de achtervleugels,
plat, vrij breed, de rug aan den wortel grijswit, verder
donkergrijs met fijn witgrijzen achterrand der ringen,
terwijl de drie vrij lange kleppen , die de genitaliën bescher-
men ,-geelachtig zijn, even als de buik. De borst is grijswit.
« Van het wijfje heb ik 7 exemplaren met geheel ontwik-
kelde vleugels voor mij, allen door den heer R. op 3 en
8 Julij bij Overveen gevonden, en 15 exemplaren met
vleugelrudimenten , waarvan 2 op 20 Mei bij Overveen zijn
gevangen , 12 tusschen 20 Mei en 11 Junij uit Warmond-
sche en Overveensche rupsen zijn gekweekt en een den
24" Junij uit eene Warmondsche rups.
« Van de volkomen gevleugelde wijfjes is slechts een exem-
plaar levend gevangen en voor uitzetting vatbaar ; de ande-
ren dreven dood op het water en zijn, met ééne uitzondering,
zonder nut voor de beschrijving der vleugels.
«De wijfjes zijn allen veel grooter en dikker van lijf dan
de mannen, en de volkomen gevleugelde overtreffen hen
ook in de vlugt, daar deze 173—18 mm. bedraagt. Bij alle
wijfjes zijn de palpen slechts zeer korte stompjes, niet
langer dan een vierde der oogen, en de sprieten ook veel
korter en dunner dan bij de mannen. De voorvleugels
hebben in plaats van een’ vlakken, een’ zeer sterk naar
buiten gebogen voorrand, en de donkere plek langs diens
tweede helft is, hoewel aanwezig, veel dunner beschubd en
lichter. De kleur is geheel gelijkmatig lichtgrijs met donkerder
franjelijn en de dwarsader bij geen der beide exemplaren
donkerder. De nervuur is dezelfde als bij het mannetje,
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 105
doch de aderen zijn minder opeengedrongen. De pooten zijn
iets dunner en de sporen naauwelijks zigtbaar. Het achterlijf
is op de bovenzijde alleen in de zijden van den eersten
ring grijswit; overigens donkergrijs met grijswitten buik,
stomp, met meer of min uitstekenden eijerlegger. Van
deze twee voorwerpen wijkt een volkomen gevleugeld exem-
plaar door den heer Aghina bij Huissen gevangen, slechts
door een duidelijker middenteeken der voorvleugels af.
«Wat de voorwerpen met vleugelrudimenten aangaat, deze
komen, behalve in de vleugels, ten opzigte van den bouw
der ligchaamsdeelen met de volkomen wijfjes overeen ; de
vleugelstompjes variéeren van naauwelijks een vierde der
lengte van het lijf tot bijna de helft, en zijn zeer smal en
spits. Sommige exemplaren zijn wel de helft langer en
dikker van lijf dan de beide volkomen gevleugelden; ik ver-
onderstel dus dat ook bij dezen exemplaren van nog belangrijk
grooter vlugt voorkomen !). |
«Naar de beschrijving van de kleur bij Olivier moeten de
grijswitte exemplaren als type worden beschouwd, en de
grijzen als varieteit. Of ook wijfjes met grijswitte voor-
vleugels voorkomen is mij onbekend; een der dood gevonden
wijfjes heeft wel die kleur, doch de vleugels zijn zeer van
schubben ontbloot , zoodat de lichtere tint wel alleen door
verbleeking kan zijn ontstaan. »
Het volgende schreef de heer Snellen neder betreffende de
PLAATSING IN HET SYSTEEM EN SYNONYMIE.
«Kan het ons niet bevreemden, dat de ontdekker van dit
insect het in 1791 voor eene Phryganide hield, zoo is het
toch verwonderlijk dat er later, nadat de geleerde West-
wood zoo duidelijk had aangetoond dat Olivier’s Phryganea
nivea een Lepidopteron was, nog pogingen werden aange-
1) Zeer opmerkelijk is ook hetgeen ik aan een levend rudimentair gevleugeld
wijfje bij den heer R. waarnam, namelijk het uitsteken van de drie eerste paren der
stigmata des achterlijfs; deze vertoonen zich tepelsgewijs. De overige vier paren zijn
als gewoonlijk (zie pl. 6 f. 13).
106 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
wend om deze m. 1. volkomen uitgemaakte zaak op nieuw
in twijfel te doen trekken. Onklare begrippen omtrent de
kenmerken van de orden der insecten en misschien zucht
tot tegenspraak, zullen waarschijnlijk wel de hoofdoorzaken
geweest zijn van het handhaven der stelling, dat het dier
tot de Phryganiden (Trichoptera) behoorde. Hoe naauw- —
keuriger men toch het volmaakt insect beschouwt, des te
vaster wortelt de overtuiging, dat men met een’ tamelijk
normaal gevormden vlinder te doen heeft, die ongelijk
veel minder overeenkomst met eene Phryganide heeft dan
sommige andere Lepidoptera, b. v. de Micropterygina.
Hoewel van den zuiger slechts rudimenten te zien zijn,
zoo wijst de bouw der lip- en onderkaaksvoelers duidelijk
op eene verwantschap met de Pyraliden-genera Chilo, Scir-
pophaga en Schoenobius ; de vleugelvorm vooral heeft over-
eenkomst met die van de vlinders der berde laatstgenoemde
genera, de bekleeding is volkomen schubvormig, en onder-
zoekt men eindelijk de nervuur, dan blijkt het ten duide-
lijkste dat deze geheel en zeer ondubbelzinnig die der Py-
raliden is. Men vindt namelijk in de achtervleugels drie
binnenrands-aderen en de eigenaardige verbinding van ader
7 en 8, die, behalve bij de Pyralidina, alleen bij de Gy-
matophorina, Lasiocampina, Drepanulina en Siculina voor-
komt. Bij deze vier familién hebben de achtervleugels
echter ten hoogste twee binnenrandsaderen. Zeer duidelijk
is ook het adersprankje onder de binnenrandsader der voor-
vleugels, dat mede, behalve bij de Pyralidina, alleen bij
de Rhopaloceren-familie der Equitina voorkomt.
« Wat nu de betrekking van Acentropus niveus tot de ove-
rige Pyraliden aangaat, zoo is zelfs nog door grondige
onderzoekers van den laatsten tijd, zoo als von Heinemann
en Dr. A Speijer, het ontbreken der sporen aan de mid-
den- en achterpooten als eene zeer belangrijke afwijking
van den Pyraliden-type beschouwd, en, indien dit ont-
breken inderdaad plaats vond, met regt. Onderzoekt men
echter de, — het zij in het voorbijgaan herinnerd ,— geheel als
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 107
bij de gewone Lepidoptera gevormde pooten met een sterk
vergrootglas, dan ziet men, althans bij de mannetjes, zeer
duidelijk dat de gewone sporen wel is waar klein en niet
altijd even lang, maar toch bij gave voorwerpen steeds
aanwezig zijn. Bij de wijfjes zijn de sporen echter zeer
rudimentair en moeijelijk te ontdekken. Ook het naar be-
neden omgekrulde der lipvoelers, waarop Speijer als iets
bijzonders wijst, vindt men niet bij alle doode exemplaren ;
bij velen hangen zij regtuit naar beneden.
«In de pooten of palpen ligt dus, dunkt mij, geene ge-
noegzame reden om voor Acentropus eene subfamilie bin-
nen den kring der Pyraliden te vormen, daargelaten dat
subfamiliën in de Pyraliden toch moeijelijk behoorlijk kunnen
worden afgebakend. Dat de generieke naam Acentropus
door het vinden der sporen geheel ongepast wordt, is reeds
door anderen opgemerkt, doch ik ben te zeer voor het
handhaven der prioriteits-regten in de nomenclatuur , om
daarom eene verandering noodzakelijk te keuren.
«De nervuur, waarop als het belangrijkste bij de classifi-
catie der Lepidoptera Heterocera steeds het eerst moet
gelet worden, verwijst Acentropus tot de Pyralididae van
Lederer „en wel meer bijzonder tot die van zijne genera
23487, omdat ader 6 en 7 der voorvleugels beiden uit
de dwarsader ontspringen. Een belangrijk verschilpunt met
die genera wordt echter in de aderen der achtervleugels
gevonden. Men merkt aldaar op, dat ader-6, in plaats
van bijna uit één punt met de met ader 8 verbondene ader
7 te ontspringen , namelijk geheel boven aan de middencel,
tamelijk ver van den voorrandshoek dier cel, op twee derden
van haren achterrand ontspruit. Deze plaatsing van ader
6 komt bij de Pyralidina zeer zeldzaam voor en is het
hoofdkenmerk , waardoor het genus Acentropus zich van de
genoemde 165 genera onderscheidt. Hierbij komen, als
verdere eigendommelijkheden, de rudimentaire zuiger en
korte sporen en, ofschoon van minder belang, ook het ont-
breken der ocellen. Buitendien bezit het genus Acentropus
108 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
nog eene andere eigendommelijkheid , die, voor zoover ik
weet, bij geen ander Pyraliden-genus voorkomt. De wijf-
jes van de, misschien wel eenige, Europesche soort, zijn
ten opzigte van de ontwikkeling der vleugels niet constant.
Naast voorwerpen, waarbij die organen volkomen ontwik-
keld zijn, komen exemplaren voor, bij welke de vleugels
zeer rudimentair zijn. Zulk eene variatie in de ontwikke-
ling der vleugels is bij de Lepidoptera zoo niet eenig, dan
toch hoogst zeldzaam. Soorten waarbij de wijfjes slechts
rudimenten van vleugels bezitten, zijn er in aantal, en bij
sommige voorwerpen (b. v. van Hibernia progemmaria Hübn. 2)
varieert de lengte dier rudimenten vrij wat, doch nooit
zoozeer dat de vleugels ook maar tot de volkomen ontwik-
keling naderen.
«Met de hierboven zoo getrouw mogelijk beschrevene tot
heden bekend geworden inlandsche voorwerpen, die bijna
allen door mijne handen zijn gegaan, komen in grootte en
bouw 2 Engelsche en 5 Russische voorwerpen overeen, die
ik van baron von Noleken ontving. In kleur vertoonen de
Russen geen verschil met de Nederlanders; de Engelsche
exemplaren zijn zeer oud en beschadigd en blijven dus
buiten aanmerking. Ik kan echter tot geene andere gevolg-
trekking komen, dan dat allen tot ééne species behooren ,
die ik voor Olivier’s Phryganea nivea houd.
«Baron von Nolcken heeft in de Stett. Ent. Zeit. 1869, pag.
275, het vermoeden geuit, dat behalve Niveus nog zes andere
Europesche soorten van Acentropus zouden bekend zijn en
getracht deze te karakteriseeren, hierbij uitgaande van de
veronderstelling , dat de door hem en anderen aangeduide
punten van verschil werkelijk en steeds aanwezig zijn.
Wat vooreerst de Phryganea nivea van Olivier aangaat,
wiens korte beschrijving door hem geheel wordt aangehaald ,
zoo betwijfel ik zeer dat men het hier met de beschrijving
der vleugels: «blanches sans taches», zoo naauw moet
nemen. De grondkleur der voorvleugels varieert en er zijn
grijswitte voorwerpen, welker vleugels men bijna wit mag
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 109
noemen. Alle redeneeringen op wijfjes met volkomen vleu-
gels en op die met vleugelrudimenten gebaseerd, vervallen
dunkt mij door de waarnemingen van den heer Ritsema ;
het ontbreken van eene fijne witte beharing der achter-
scheenen is alleen een gevolg van het afvliegen. Bijoogen
kan ik bij de Russische exemplaren, die op de vliegplaats
van Kolenati’s Acentropus Newae gevangen zijn, zoo min
ontdekken als bij mijne andere voorwerpen, en wat de
sporen aangaat, zoo heb ik boven aangemerkt dat zij ook
bij de mannen in lengte varieeren, over het geheel klein
zijn en digt tegen de scheenen liggen, zoodat men hen
wel over het hoofd kan zien. Acentropus Hansoni Steph. ,
Garnonsii Curt., Badensis en Germanicus von Nolcken en
Newae Kol. zullen dus allen als synonymen met Nivea
Olivier moeten worden vereenigd.
« Buitendien heeft Möschler (Wien. Ent. Monatschr. IV ,
p- 95) nog eene zevende soort beschreven, te weten Acen-
tropus latipennis van Sarepta, die ook door Herrich-Schäffer
in zijne Neue Schmetterlinge, p. 31, fig. 155, is beschreven
en afgebeeld. Hetgeen beide schrijvers van deze soort zeg-
gen te zamen vattende, vindt men dat zij van Niveus moet
verschillen : 10. door breedere voorvleugels met gebogen
voorrand ; 2°. geheel bruingrijs achterlijf; 3°. kleinere pal-
pen; 40. behaarde midden- en achterscheenen ; 5'. behaarde
middentarsen ; 60. kortere, dunnere, naauwelijks behaarde
sprieten. Punt 1, 3 en 6 zijn juist die, waardoor ook de
beide sexen van Niveus zich van elkander onderscheiden.
Het komt mij dus als vrij zeker voor, dat hier niet dezelfde
sexen, maar een man van Niveus en een wijfje der nieuwe
soort met elkander zijn vergeleken. Deze drie punten kun-
nen dus buiten beschouwing blijven, te meer, omdat een
Sareptaner man van Latipennis, dien ik van Dr. Staudinger
ontving, ten opzigte van hen cigenlijk in geenen deele van
mijnen Niveus mas verschilt. Wel is het iets breed- en
stompvleugeliger dan de kleinste mannen, doch met het
grootste vergeleken, dat door de zachtste overgangen met
110 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
de anderen is verbonden, vind ik zelfs dit laatste nog
stompvleugeliger dan Latipennis. Beharing der scheenen
wordt ook bij Niveus gevonden, wanneer de exemplaren
gaaf zijn. Eene beharing der tarsen kan ik echter zoo min
bij mijn zeer gaaf mannetje van Latipennis als bij een der
voor mij staande Niveus mares vinden ; zi) was echter zeer
duidelijk te zien bij het levende wijfje, waarvan ik boven
sprak, en bevondt zich aan de midden- en achtertarsen.
Zonder twijfel helpt zij, even als de beharing der schee-
. nen, het wijfje in het zwemmen. Er blijft dus alleen
de kleur van het achterlijf over. Dit is op de bovenzijde
bij al mijne exemplaren van Niveus als boven beschreven
en gelijk Olivier opgeeft, terwijl het bij mijn Latipennis
aan wortel en punt grijswit en verder grijsachtig okergeel
is. Hoewel nu in dit opzigt duidelijk van Miveus verschil-
lende, merk ik toch ook weder eene afwijking van Möschler’s
woorden op, die het achterlijf bruingrijs noemt , maar ik zou,
wel verre van daarin grond voor het specifiek verschil te
vinden, eer geneigd zijn om aan te nemen dat de Sarep-
taner exemplaren in de kleur van het achterlijf eenigszins
veranderlijk zijn en welligt aldaar ook duidelijke overgan-
gen naar onze West-Europesche voorwerpen voorkomen.
«Mijn exemplaar van Latipennis heeft een zeer duidelijk
middenpunt op de voorvleugels, terwijl dit bij Niveus mas
geheel ontbreekt of slechts flaauw is; het door den heer -
Aghina gevangen wijfje bezit het echter zeer duidelijk , en
dit belet mij aan het sterk uitgedrukte middenpunt van
het Sareptaner voorwerp veel gewigt te hechten.
«Mijns inziens staan dus ook de soortsregten van Latipennis
op vrij losse schroeven, en is het-gevoelen, dat al de tot
dusverre beschreven Acentropi slechts eene soort uitmaken,
niet ongegrond.”
Tot dusver de heer Snellen. Ik voeg hier nog bij dat
door Dunning (Trans. Ent. Soc. of London 1872, pag. 152)
de synonymie op de volgende wijze was vastgesteld :
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 4
LEPIDOPTERA PYRALIDINA,
Fam. ACENTROPODIDAE.
ACENTROPODIDAE, Wocke, Catalog der Lepidopteren des
europäischen Faunengebiets. 1871, p. 216 (ACENTROPIDAE,
Stephens, Illustr. of Brit. Entom. Mand. vol. VI (1836/37)
pag. 150; ACENTRIDAE, Speyer, Stelt. Ent. Zeitung. 1869,
p. 405).
Gen. Acentropus.
Acentropus, Curtis, Brit. Ent. vol. XI (1834) n°. 497.
(Acentria, Stephens, Syst. Cat. of Brit. Ins. Mand. (1829)
p. 316; Zancle, Stephens, Nomenel. of Brit. Ins. sec. ed.
(1833) col. 118).
Sp. 4. Acentropus niveus.
Phryganea nivea, Olivier, Encycl. Method. Ins. tom. VI.
pag. 536, 549. n°. 42 (1791) 2.
Acentria nivosa, Stephens, Syst. Cat. of Brit. Ins. Mand.
p. 316 (1829). 3, sine descrip.
Zancle Hansoni, Stephens, Nomencl. of Brit. Ins. sec. ed.
col. 118 (1833). 9 alis amplis, sine descrip.
Acentropus Garnonsii, Curtis, Brit. Ent. vol. XI n°. 497
(4834). 8; Proceed. Ent. Soc. of London. 1854, p. 24, g alis
abortivis.
A. niveus, Stephens, Illustr. of Brit. Ent. Mand. vol. VI
p. 150 (1836). &, ¢ alis amplis.
Acentria nivea, Newman, Zoologist for 1857. p. 5629.
Acentropus Nevae, Kolenati, Wien. Entom. Monatschrift.
Bd. II S. 381 (1858) 8.
A. latipennis, Moeschler, Wien. Entom. Monatschrift. Bd. IV
S. 55 (1860). g alis amplis.
A. badensis, Nolcken, Stettin. Entom. Zeitung. Bd. XXX
S. 283 (1869). &, e alis abortivis.
A. germanicus, Nolcken, Stettin. Entom. Zeitung. Bd. XXX
S. 283 (1869). à.
A. obscurus (var.), Tengström, Notis. Faun. Fenn. Förh.
Bd. X p. 324 (1869). 4.
112 ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
Dat deze Pyralide, die op de plaatsen waar zij voorkomt
niet tot de zeldzaamheden behoort, over het grootste ge-
deelte van Europa verspreid is, moge blijken uit de hier-
onder opgenoemde
VINDPLAATSEN.
Frankrijk (Parijs, door Olivier).
Belgié (Linthoutsche bosch, door Andries; Brussel, door
Fologne).
Nederland (Overveen, door Weyenbergh en Ritsema;
Noordwijkerhout, door de Graaf; Tessel, Beekhuizen en
Warmond, door Ritsema; Huissen, door Aghina).
Engeland (Greenwich, door Stephens; Reading, door
Hanson ; Colchester, door Garnons; Glanville’s Wootton ,
door Curtis en Dale ; Burton-on-Trent, door Brown en Mc
Lachlan; Hampstead, door Knaggs, Me Lachlan, Wormald
en Piffard ; Lewisham , door Stainton; Horning Fen, door
King; Wicken Fen, door Bond; Haslemere , door Barrett;
Ringwood, door Corbin; Oatlands, door Stevens; Cheshunt,
door Boyd; Londen, door Dunning; Sheernes, door Wal-
ker en Barrett '); Peckham, door Cowley; Sheppy, door
Hodgson).
Schotland (door Leach; Loch Leven, Kinross, Loch Gelly
en Fife, door Syme).
Zweden (lfösjön, Ringsjön, Wombsjön en Farhult, door
Wallengren).
Rusland (St. Petersburg, door Kolenati en von Nolcken;
Helsingfors , door Palmen; Pargas, door Reuter; Abo en
Nyland, door Tengström ; Sarepta, door Moeschler).
Duitschland (Frankfort a/d Oder en Greifswald, door
Zeller; Stralsund, door Hering; Oost-Pruissen, door Lenz;
Bodensee, door Reutte).
De noordelijkste dezer vindplaatsen (Abo in Finland) ligt
op 61°, de zuidelijkste (Ueberlingen aan de Bodensee in
Baden) op 47° 45 N. breedte, de oostelijkste (Sarepta aan
1) Newman’s Entomologist, November 1875, p. 283.
ACENTROPUS NIVEUS OLIV. 413
de Wolga) op 62°, de westelijkste (Kinross in Schotland)
op 44° 20’ O. lengte van Ferro, zoodat de streek waar
Acentropus niveus Oliv. voorkomt (ten minste voor zoover
wij tegenwoordig weten) zich uitstrekt van #70 45° tot 61°
N. breedte en van 14° 20’ tot 62° O. lengte.
Leiden, December 1875.
Verklaring der figuren.
Fig. A. Groepje eijeren op Potamogeton crispus L. (natuur-
lijke grootte).
» 2. Een eitje vergroot.
» 3. Woning van eene jonge rups.
» 4. Haltwassen rups.
» 5. Volwassen rups.
» 6. Dezelfde vergroot.
» 7. De vrouwelijke pop vergroot.
» 8. Een der uitpuilende stigmata van de pop sterker ver-
groot.
» 9. Kopeinde van de pop sterker vergroot.
» 10. Staarteinde van de pop sterker vergroot.
a. van terzijde.
b. rugzijde. _
ce. buikzijde van eene vrouwelijke pop (het met
een * aangeduide hakenpaar zag ik slechts bij
één vrouwelijk popje).
d. buikzijde van eene mannelijke pop.
» 41. Een mannelijk vlindertje vergroot.
» 12. Normaal gevleugeld vrouwelijk vlindertje vergroot.
» 13. Rudimentair gevleugeld vrouwelijk vlindertje ver-
groot.
ig. 14.
15.
16a.
46h.
17:
18.
ACENTROPUS NIVEUS OLIV.
Kop van een mannelijk vlindertje sterker vergroot.
Spriet van het mannetje sterker vergroot.
Voorvleugel van het mannetje (ontschubd).
Achtervleugel van het mannetje (idem).
De schouderdeksels of patagia.
Schubben van verschillende ligchaamsdeelen des
mannelijken vlinders.
a. van de rugzijde van den thorax.
b. van het vlak der voorvleugels.
c. van de franje der voorvleugels.
AANTEEKENING
OVER
PHALAENA STRATONICE Cramer,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
In Februarij des vorigen jaars eenige vlinders beschou-
wende, die door den insectenhandelaar Heine uit Londen
waren medegebragt, en volgens hem afkomstig van Japan
of het Amour-gebied, werd mijne aandacht getrokken door
een paar voorwerpen die mij herinnerden aan Vithora in-
drasana Moore, Proc. of the Zool. Soc. of London, 1865,
p. 795, pl. 42, f. 5. Een exemplaar koopende en dit te
huis met de vermelde afbeelding vergelijkende, zag ik, dat
ik inderdaad eene soort van hetzelfde genus voor mij had.
De generieke kenmerken stemden met Moore’s beschrijving
volmaakt overeen en ook met de afbeelding. Tegelijk echter
kwam mij eene afbeelding op eene der laatste platen van
Cramer’s vierde deel zijner Uitlandsche kapellen in de ge-
dachten en deze opzoekende, zag ik dat ik eenen vlinder
voor mij had, die in vorm van lijf en vleugels, in kleur en
in teekening zoo juist met Cramer’s figuur overeenstemde
als men dit bij de voor kleinere vlinders wel wat lompe
en grove afbeeldingen van onzen beroemden landgenoot
kon verwachten. Alleen de sprieten stemden niet overeen.
Cramer beeldt die op zijne gewone wijze (de baarden van
den schaftwortel af naar boven een weinig in lengte ver-
minderende, doch nog aan de spits vrij lang) gebaard af en
116 PHALAENA STRATONICE CRAMER.
daarbij korter dan de halve voorrand der voorvleugels,
terwijl zi) bij mijn voorwerp langer, ongebaard en knods-
vormig waren. Ik zou dus aan eene andere soort moeten
gelooven, die hoewel in vleugelvorm, kleur en teekening
zeer op Cramer’s afbeelding gelijkende, daarvan in een
punt van belang — den vorm der sprieten — verschilde.
Intusschen was het mij maar al te wel bekend dat bezitters
van insectenverzamelingen er vooral vroeger volstrekt geen
bezwaar in vonden om, wanneer hunne voorwerpen be-
schadigd waren, en sprieten, pooten, kop of achterlif
misten, die van een exemplaar eener geheel andere soort
te nemen en aan te plakken, wanneer grootte en kleur
dier ligchaamsdeelen slechts ongeveer bijkwamen of zelfs
ook niet indien het geschonden voorwerp maar een ont-
brekend ligchaamsdeel terug bekwam. Bij Coleoptera toch
werden het ligchaam en bij Lepidoptera de vleugels als het
essentiëele van het dier beschouwd, en de rest als bijzaak.
Zelfs werden, vooral bij exotische vlinders, de vleugels,
indien zij beschadigde randen hadden, met de schaar bij-
gerond !
Ik vermoedde dus eene dergelijke vervalsching, doch
alvorens tot cen besluit te komen, verzocht ik den altijd
hulpvaardigen Conservator van het inseetenkabinet aan
’s Rijks Museum te Leiden, den heer €. Ritsema Cz., om
eens te willen nazien of Phal. Stratonice Cramer op ’s Rijks
Museum aanwezig was en hoedanige sprieten de dieren
hadden.
Onmiddellijk ontving ik het volgende antwoord: «Van
Ph. Stratonice Cramer bezit het Museum twee exemplaren,
die beiden slechts den linkerspriet bezitten, terwijl bij
een ook het achterlijf ontbreekt. Het andere exemplaar
schijnt mij toe, of liever, ik ben er zeker van, een wijfje
te zijn !). De sprieten van beide voorwerpen zijn aan
elkander gelijk; onderaan dun, tegen het eind langzamer-
1) Waarschijnlijk om de dikte van het achterlijf.
PHALAENA STRATONICE CRAMER. TAZ
hand dikker wordende, en naar het mij toeschijnt, aan het
eind der geledingen van eenige fijne haartjes voorzien !).
Cramer schijnt, te oordeelen naar de sterk gekamde sprieten ,
een mannetje afgebeeld te hebben.»
Mijn voorwerp nader onderzoekende zag ik, niet alleen
aan het slanke achterlijf maar ook aan den ongespleten,
in een oogje aan de subcostaalader der voorvleugels be-
vestigden vleugelhaak, dat ook mijn voorwerp een man was,
beide sexen dus gelijke, knodsvormige, vrij dunne sprieten
hebben en de sprieten van Cramer’s origineel allerwaar-
schijnlijkst valsch waren.
Wat nu de plaats van Stratonice in het systeem aangaat,
zoo ben ik het verder volstrekt niet eens met Moore, dat
Indrasana en dus ook hare verwante Sfralonice tot de Aga-
ristina behooren. Zij zijn beiden, niettegenstaande de
eenigszins afwijkende sprieten, waarvan echter meer voor-
beelden op te noemen zijn (o. a. de genera Rhopalodes en
Remodes Guenée) ware Geometrina, en wel dieren die tot
Guenée’s Zerenidae behooren. Vleugeladeren, kop, palpen,
pooten en oogen zijn bij Stratonice zoo als bij de genera
Abraxas, Pantherodes en Rhyparia, terwijl de bijoogen ont-
breken. Bij de Agaristinen-genera ÆEusemia, Alypia en
Aegocera is dit alles geheel anders en o. a. de nervuur bij
hen ongeveer als bij Arctia en Callimorpha. Dat Phal. Stra-
tonice Cramer eene Geometrine is, werd trouwens reeds
door Felder in het VI° deel van het Wiener Entom. Monat-
schrift vermeld, waar hij echter niets van de sprieten zegt,
en alleen hoogst oppervlakkige beschouwers kunnen aan
eene verwantschap met de Agaristina denken.
Ten gevolge van eene manie waarmede thans vele natuur-
onderzoekers behebt zijn en die hen doet aannemen, dat
de eene helft der bestaande diersoorten als hoofddoel van
haar bestaan beschouwt, de andere helft na te apen,
heeft een ander Engelsch entomoloog, de heer Butler,
1) Dus eveneens als bij Vithora indrasana Moore.
118 PHALAENA STRATONICE CRAMER.
Phalaena Stratonice Cramer met hare echte sprieten op nieuw
beschreven als Vithora Agrionides (Ann. and Mag. of Nat.
History, Ser. IV, vol. XV (1875) p. 137), terwijl hij ons
verhaalt, dat zij «mimics Phalaena Stratonice Cramer » !
zonder ons echter te verhalen of hij deze redeneering grondt
op voorwerpen zoo als Cramer die afbeeldt of alleen op de
figuur.
«Le savant» Mr. Walker heeft Phal. Palmyra Stoll en
Phal. Catilina Cramer in een genus vereenigd met Stratonice
Cram. (waarvoor Hübner het genus Cistidia vormde (Verz.
p.174)), hoewel Hübner deze drie heterogene bestanddeelen
vrij wat beter generiek had geclassificeerd door Palmyra
met hare verwante Militaris Linn. in zijn genus Euschema
te plaatsen en Catilina met Tiresias Cram. 85 B. en Hypo
zantha Hübn. Zutr. fig. 191, 192 in zijn genus Dysschema
te vereenigen.
De beide hier besproken vlinders Stratonice en Indrasana
moeten dus bij de Geometrina, familie Zerenidae Guenée
worden geplaatst in een genus, welks naam is Cistidia Hübner.
CECIDIPTA EXCOKCARIAE Bre.
DOOR
Prof. H. WEYENBERGH
te Cordova (Argentijnsche republiek).
Allengs begint zich ook in de Argentijnsche republiek
meer wetenschappelijk leven te openbaren; langzaam maar
zeker. Hoewel de eenige Argentijnsche nationale universiteit
te Cordova de oudste der geheele Nieuwe wereld kan ge-
noemd worden (1622) '), zoo is haar leven lang een planten-
leven geweest; afzonderlijke faculteiten bestonden niet en
wat bij voorb. aan zoologie werd gedaan, mocht geen
naam hebben. De eer dat zij de beroemdste staatslieden
van Zuid-Amerika heeft geleverd, is de grootste die men
haar kan toekennen.
Toen ik hier in 1872 kwam, waren Prof. Burmeister en
ik de eenige zoologen. Prof. Burmeister was voor toen elf
jaren den bekenden Franschen natuuronderzoeker Bravard
opgevolgd, als directeur van het provinciaal museum te
Buenos-Aires. Prof. Bravard was de opvolger van Ferrari,
den stichter van dit museum, een Italiaan (1826). Bravard
kwam op eene wetenschappelijke reis om bij de aardbeving
die Mendoza in 1861 teisterde.
Deze drie directeuren van het museum te Buenos-Aires
kan men de eenige vertegenwoordigers der zoologie in
1) Die van Lima is wel tien jaar ouder, maar bestaat nog slechts in naam en
de oudste universiteit van Noord-Amerika (Cambridge-Boston) is tien jaar jonger dan
die van Cordova.
120 CECIDIPTA EXCOECARIAE BRG.
Argentina noemen, tot voor korten tijd, Strobel, d’Orbigny
en andere reizigers die dit land bezochten, als zoodanig
niet meerekenend.
De professoren die aan de Cordova-universiteit natuur-
lijke historie onderwezen bleven als zoologen onbekend.
In 1875 vernam ik dat in Buenos-Aires eenige kooplieden
zich met het aanleggen van verzamelingen bezig hielden,
en ook onder de leeraren aan de staats «colegios» (gym-
nasiën) in de hoofdsteden der provinciën, eenigen zich met
zoologie bezig hielden, waarop ik besloot eene poging te
wagen tol oprichting eener Argentijnsche Zoologische Ver-
eeniging.
Thans telt die vereeniging 60 leden en geeft, hoewel
niet zonder met groote finantieele bezwaren te moeten
worstelen, haar eigen tijdschrift uit.
Intusschen besloot de provinciale regeering van Buenos-
Aires de ondersteuning aan de zoogenoemde universiteit
te Buenos-Aires te verhoogen en er ook zoologie te doen
onderwijzen. Deze universiteit is eigenlijk eene hoogere
burgerschool op zeer: grooten voet aangelegd, en voert
daarom sinds 1830 den wijdschen titel van universiteit en
hare leeraren dien van professor !).
Door een en ander is inderdaad de lust tot zoologische
studien zeer toegenomen, en onder de leden der zoologische
vereeniging zijn de antropoloog Moreno, de arachnoloog
Holmberg e. a. reeds buiten ’s lands bekend, om niet te
spreken van hen die in de wetenschap als maatschappelijke
betrekking werkzaam zijn.
Onder de laatsten behoort ook de heer C. Berg, die in
1873 als assistent van Prof. Burmeister door de provinciale
regeering werd aangesteld, in het volgend jaar tevens door
de nationale regeering tot leeraar aan het gymnasium te
Buenos-Aires en in 1875 daarenboven tot leeraar in de
1) » Profesor» is hier de titel van elk die iets, wat ook, openlijk of privaat,
onderwijst, terwijl » Catedratico » de vertaling is van ons » professor, in den zin van
universiteits-hoogleeraar.
CECIDIPTA EXCOECARIAE BRG. 101
zoologie aan hare universiteit door de provinciale regeering
werd aangesteld. De heer Berg houdt zich hoofdzakelijk
met de studie der Lepidoptera bezig en, Rus van nationa-
liteit, publiceert hij zijne studien hoofdzakelijk in Russische,
Duitsche en Argentijnsche tijdschriften, waardoor zij wel-
licht den lezers van dit Tijdschrift minder onder de oogen
komen. Vroegere meer of min gelukkig geslaagde opstellen
voorbijgaand, wil ik van het laatste hier kortelijk een
overzicht geven, daar het een nieuw vlindergeslacht geldt,
dat door de eigenaardige levenswijze der rups, inderdaad
zeer belangrijk mag heeten.
Het oorspronkelijk opstel is verschenen in « Anales cien-
lificos de Buenos-Aires» en vau een (voor Buenos-Aires
fabrikaat) vrij goede, gekleurde plaat voorzien. Deze «anales
cientificos» zijn het tijdschrift van een gezelschap ter be-
oefening der natuurwetenschappen te Buenos-Aires en zijn
gewis in Europa niet voor elk ter zicht te bekomen. Reeds
twee jaargangen bestaan er van, maar de inhoud is over het
algemeen de reis naar Europa per post niet waard; over
brugwerken, arsenalen, chemische fabrieken , bouwplannen,
enz. bevat het een tal van compilaties en uittreksels.
Daarom te meer kan het zijn nut hebben het daaronder
verscholen en begraven belangrijk opstel van den heer
Berg hier kortelijk te vertolken.
Ik laat de diagnosen van het geslacht en van de soort
vooraf gaan.
Gen. GECIDIPTA. Capilli breves, confertim inserti. Ocelli
distincti. Antennae maris bipectinatae; apicem versus serratae :
feminae breviter bipectinatae , apice crenato-serrato. Palpi labiales
thorace breviores, maris adscendentes, squamis dense vestiti,
apice acuminali; feminae porrecti, hirsuti-squamosi, subcom-
pressi, articulo terminali leniter nutante. Palpi maxillares lon-
qiusculi, sat squamosi, labialibus partim incumbentes.
Alae anteriores mediocriter latae, limbo sub-circulari; venis
undecim, ramulis III, IV et V separatis, VIII et IX e ramo
communi. oriundis.
129 CECIDIPTA EXCOECARIAE BRG.
Alae posteriores venis octo, ramulis IV et Ver eadem origine
sine petiolo.
Spec. C. EXCOECARIAE: d et 2; robusti, cinereo-rufescentes ;
ulis anticis cinereo-rufescentibus viridi, fusco, nigro rubroque
miatis, striga postmediana nigra, interrupta, fascia mediana
et exteriore dilute cinereis fusco-marginatis, strigula discali
aterrima squamis rufis adscendentibus circum-vallata, punctis
marginalibus atris ; alis posticis fere albis, valde opalizantibus. —
Exp. alar. ant. maris 30—32 mm.; feminae 36-42 mm.
Deze beide diagnosen mogen voldoende zijn, en de uit-
voerige beschrijvingen van het geslacht en de soort meen
ik daarom met stilzwijgen te kunnen voorbijgaan, te meer
daar zij meer dan zes bladzijden beslaan zeuden.
Alleen zij hier nog opgemerkt dat in het systeem het
geslacht Cecidipla moet geplaatst worden naast Zophodia Hbn.
in de familie Phycidae.
De soort is door eenige heeren verzamelaars ontdekt in
de provincie Buenos-Aires en door den heer Berg in de
provincie Corrientes.
De plant waarop de rups leeft is eene Kuphorbiacee
(Kacoecaria biglandulosa Müll.).
De rups is bladgroen of geelachtig, soms vrij licht, met
vele zwarte puntjes en stipjes, op den rug meer stroogeel
en op de zijden meer safraangeel. De kop is zwart met
stijve grijze haren; de kaken zijn zwart en krachtig. Het
eerste segment is grauwachtig zwart; het schildje vertoont
eene zwarte langslijn en is ook aan de randen van dezelfde
kleur.
Op de zijden ziet men een weinig verheven zwart puntje
met korte haren, dat op elken ring op de grens van het
heldere middenveld des rugs geplaatst is.
Onder de stigmata, die bruin-rood zijn met zwarten rand,
staan ook eenige zwarte stippen, elk van een grijs haar
voorzien. Op den rug staat op de grens van elk segment
een langwerpig vlekje.
GECIDIPTA EXCOECARIAE BRG. 193
De borstpooten zijn kastanjebruin, de buikpooten blad-
groen met rooden rand en enkele witachtige haartjes.
Doch reeds genoeg over de beschrijvingen van het dier,
om tot het belangwekkende van zijne levenswijs over te
kunnen gaan.
Op den genoemden boom brengt eene soort van Chermes
gallen voort op de dunne takken, en als die gallen reeds
vrij groot zijn legt onze vlinder van buiten zijne eieren er
op, daartoe de grootste gallen uitzoekend. Eene uitzondering
of toeval is het als hij twee eieren op ééne gal legt.
Zoodra de eieren uitkomen, doorboort de jonge rups
den wand en begeeft zich in de holte der gal. Gaande-
weg verteert zij de geheele gal, slechts een uiterst dun
huidje overlatend, juist zooveel als voldoende is om de
sal haren vorm te doen behouden. Terwijl de rups zoo de
woning opeet, spaart zij de bewoonsters ook niet, maar
verslindt die evenzeer, zich alzoo te gelijkertijd met plant-
aardig en dierlijk voedsel voedend.
Is nu de gal zeer groot, dan gaat alles goed; de rups
vindt dan voor haar geheele leven eene voldoende woning
en voedsel-voorraad, maar is de gal niet zeer groot, dan
moet zij raad schaffen in dien dubbelen nood. Zij doet dit
op verschillende wijzen, al naar de omstandigheden het
meebrengen.
De gewone wijze schijnt te zijn dat zij een gat in het
galhulsel maakt en dan aan de randen der opening eene buis
van zijde spint, waardoor aldus de inwendige ruimte ver-
groot wordt; zulk eene buis kan twee centimeters lang
worden en blijft aan het vrije einde open.
Vindt de rups echter, voor zelf aan 't werk te gaan, in
hare nabijheid een oud en leeg spinsel van eene of andere
Bombyx of spin, groot genoeg voor haar lichaam, dan
maakt zij het zich gemakkelijk, verlaat de gal en neemt
haren intrek in de verlaten woning. Gelukt haar noch het
een noch het ander, dan helpen haar hare sterke kaken:
124 CECIDIPTA EXCOECARIAE BRG.
zij zoekt een’ vrij dikken tak van den boom waarop zij leeft
en boort in het vrij weeke hout een gat, kruipt er in en.
holt er zich eene woning in uit. Als laatste redmiddel blijft
haar ook nog over eenige bladen door draden aan elkander
te spinnen en daarin te leven op de wijze der Hesperiden-
rupsen. Eene dergelijke woning schijnt haar echter het
minst van allen te bevallen; althans zij gaat tot hare ver-
vaardiging alleen in hoogen nood over.
Heeft zij nu eene nieuwe woning, op welke wijze dan
ook verkregen, dan heeft zij nog geen voedsel. Sinds de
bladluizen op zijn, is het met het dierlijk voedsel uit en
zij moet zich dus met de bladen des booms vergenoegen.
Hare licht- of wereld-schuwheid belet haar echter vrijmoedig
haar eten te zoeken en openlijk te gebruiken. Daarom gaat
zij des nachts uit, verzamelt zich snel eenige bladen of een
jong uitspruitsel uit de nabijheid der woning en gaat daar-
mede ijlings naar huis. Is de verzamelde voorraad wat
groot van omvang, dan kan zij er de opening niet mede
in, en spint haar dan voor de opening vast, terwijl zij zelf
binnenshuis zittend dan allengs blaadjen voor blaadjen
naar binnen trekt en opeet. Al zijn na eenige dagen de
laatste blaadjens reeds droog en hard geworden, zij waagt
zich niet naar buiten in de wijde wereld, om versche te
zoeken, voor de voorraad op is. Liever slecht voedsel met
rust, dan goed met onrust en gevaar, schijnt hare leus te
zijn. Is eindelijk de nood aan den man, dan gaat zij, maar
niet voor midden in den nacht, buiten hare woning. Zoo
verzekert de heer Berg, die eenigen op zijne kamer heeft
opgevoed. Nooit ziet men de rups over dag en zij doet ook
’s nachts geen stap verder dan noodig is om het meest
nabijzijnde scheutje af te plukken.
Zij schijnt zich intusschen bij deze voorzorgsmaatregelen
wel te bevinden, althans haar leven is voor eene rups zeer
lang; een zomer en een winter achtereen. Eerst in het
voorjaar sluit zij hare woning en verpopt, waarna binnen
4 weken de vlinder verschijnt.
CECIDIPTA EXCOECARIAE BRG. 195
De pop heeft een eigenaardigen vorm; de afbeelding doet
denken (van de rugzijde gezien) aan de larve van bokkevers,
hoewel de kleur kastanjebruin is.
_ Het talent van deze rups en de vaardigheid waarmede
zij zich naar de omstandigheden weet te schikken en hare
bouwplannen te wijzigen, is, naar ik meen, bijna eenig in
de orde der Schubvleugeligen,
OOP R O°, PEINIG,
De asschenpoetster onder de orden onzer inlandsche
insecten is zeker die der Regtvleugeligen (Orthoptera). Als
men nagaat hoe de overige orden worden bestudeerd, hoe-
lang reeds die der Vlinders zich verheugen mag in een
aanzienlijk getal beoefenaars, hoe onze Torren door Everts
en Leesberg worden gecatalogiseerd, hoe onze Diptera door
van der Wulp in 3 deelen worden beschreven, als men
overweegt dat eene beschrijving onzer Wantsen en eene
naamlijst onzer Neuroptera staan uitgegeven te worden en
dat de kennis onzer Hymenoptera jaarlijks door eenige
publicatién vermeerdert, dat eindelijk ook onze Parasitica
in een prachtwerk het licht zullen zien, dan smart het ons
te bespeuren dat over onze Orthoptera nog niets te lezen
valt dan de zes bladzijden druks daarover door mij in het
tweede deel der Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland
voor ongeveer 20 jaren of meer uitgegeven.
Het feit moge zonderling schijnen, maar het is het zeker
niet voor hem die bedenkt dat Orthoptera in het algemeen
met geene fraaije of schitterende kleuren pronkende , weinig
aandacht trekken, dat bovendien hunne kleuren zoo wel
in spiritus als door het droogen van opgezette voorwerpen
veranderen en meest in grauw en bruin overgaan en dat
eindelijk de studie der soorten in verschillende geslachten
bijzonder moeijelijk en tijdroovend is.
Het verheugde mij nu zeer voor een paar weken in eene
doos met Hemiptera, mij ter bestemming toegezonden door
Mr. A. H. Maurissen, lid onzer Vereeniging, ook (ter aan-
vulling en uit horror vacui) bijgevoegd te vinden een zeker
aantal Orthoptera. God zij dank! «dacht ik», daar is ten
minste iemand die zich deze verstootelingen aantrekt.
Ongelukkig waren de vindplaatsen bij vele soorten niet
ÖPROEPING. 427
aangegeven en zoo bleef het mij een mysterie of ik regt
had om zekere Thamnotrizon, die ik zelfs met behulp van
Fischer’s Orthoptera Europaea niet determineeren kon, in de
Naamlijst der Nederlanders op te nemen. Hoezeer mij dit
voor de statistiek in het algemeen en meer bijzonder voor
de satisfactie van mijn’ vriend Maurissen speet, het feit
dat er een Thamnotrizon met nog een twintigtal andere
Regtvleugeligen ter doopvont opkwamen, deed mij zoo veel
genoegen dat het mij de volgende gedachten in de pen gaf.
De ware methode om met betrekking tot de namen, de
levenswijze en het oponthoud der Orthoptera binnen onze
grenzen tot volledige kennis te komen zou voorzeker deze
zijn dat in ieder onzer provincien ten minste een entomoloog
zich belastte met het vangen, naar het levend individu
beschrijven of afbeelden der Orthoptera zijner omgeving
en dat al deze documenten met de insecten zelf als bewijs-
stukken opgezonden werden aan een entomoloog, die zich
wel met de inordebrenging van dit faunistisch onderdeel
wilde belasten. Maar . .
eer vergeet mijn regterhand zich zelf,
Ker stijgt het visschenheer naar ’s hemels blaauw gewelf,
Eer zingt de kikvorsch mêe in ’s hemels englenchoren ,
Eer dees gelukstaat ons, mijn vrienden, wordt beschoren.
Wij moeten onze begeerten in toom houden, onze phan-
tasie de voetboeijen aanleggen. Het zal al wel zijn indien
hier of daar een enkel vriend van onze asschepoetster
aangetroffen zal worden, welwillend genoeg om een twintigtal
Orthoptera op te steken en aan een bepaald adres op te
zenden.
Verondersteld nu dat dit mogelijk is en dat een viertal
welwillenden zich daartoe bereid verklaart, natuurlijk met
het heilige voornemen om niet alleen eeuwig bereid te
blijven, maar ook werkelijk zij het ook slechts gedurende
den loop van een paar jaren te handelen, dan stel ik mij
disponibel ter ontvangst, bestemming, beschrijving — en
terugzending, indien deze verlangd wordt. Alleen zal het
128 OPROEPING.
noodzakelijk zijn, indien het werk eenig wetenschappelijk
resultaat zal opleveren, dat men zich houde aan de vol-
sende instructien.
De oorwormen en kakkerlakken (Forfieula en Blatta)
kunnen onuitgezet gelaten worden; bezit men echter tal-
rijke individuen, dan is het zeker wenschelijk dat van iedere
soort een voorwerp worde uitgezet.
Onder de krekels (Gryllodea) wordt voornamelijk gewenscht
Myrmecophila Acervorum Panz., een diertje van 13 lijn lengte,
dat in den voorzomer in mierennesten voor moet komen.
Wat de overige krekels betreft, zal het mij aangenaam
wezen, indien men van een d en een g van elke soort de
vleugels wil uitzetten.
Van de bontgekleurde sprinkhanen dient men bij het
insect eene korte opgaaf der kleuren te voegen en van de
geslachten Meconema af tot Tettiw toe wordt men verzocht
zoo mogelijk uitgezette exemplaren in te zenden. Tot narigt
diene daarbij dat de soorten van het geslacht Stenobothrus,
bevattende onze meest gewone wei-, heide- en duin-sprink-
haantjes, zonder het uitzetten der vleugels (ten minste aan
eene zijde) niet te determineeren zijn. Alleen bij de soorten
van het geslacht Tella kan men de moeite van uitzetten
besparen.
Voorts dient in aanmerking genomen te worden dat
eenige soorten van sabelsprinkhanen, alsmede eene soort
van Chrysochraon (Acrydide) korte dekschilden en vleugels
bezitten en dat men dus niet alle sprinkhanen zonder
lange vleugels als onvolwassen moet beschouwen.
Wij kennen nog slechts 36 soorten van inlandsche Ortho-
ptera; moge door den voorgestelden maatregel het getal
der op de lijst te brengen species binnen het jaar ten
minste tot 50 stijgen.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Febr. 1878.
NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN
VAN
‘SRUKS MUSEUM VAN NATUURLIJKE HISTORIE TE LEIDEN,
BESCHREVEN DOOR
P. C. T. SNELLEN
EN AFGEBEELD DOOR
Mr. A. BRANTS.
(Hierbij Plaat 7 en 8).
Hoewel het getal der reeds gepubliceerde Tineinen uit
andere Faunae dan de Europeesche juist niet onbeteekenend
mag genoemd worden en zelfs wanneer men de pseudo-
beschrijvingen van eenen Walker uitzondert, nog bijna 650
soorten bedraagt, zoo komen toch insecten van die vlinder-
familie, vooral uit de keerkringslanden, nog altijd zoo
zeldzaam tot ons, dat zij steeds de belangstelling der Le-
pidopterologen in hooge mate opwekken. Het kwam mij
dus niet ongepast voor om eenige weinige onbeschreven
exotische Tineinen, op ’s Rijks Museum te Leiden bewaard,
na bekomen vergunning van den heer Ritsema, Conser-
vator van het Entomologisch Kabinet, in het Tijdschrift
voor Entomologie te publiceeren. Vooral wenschte ik dit
te doen nu mij het voorregt te beurt valt op nieuw de
hulp te mogen ondervinden van Mr. A. Brants, wiens talent
wat het afbeelden van Lepidoptera aangaat te zeer bekend
is om op nieuw mijnen lof te behoeven.
Dat van de meeste soorten slechts één exemplaar voor-
9
130 NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN.
handen is, kan, dunkt mij, geene reden zijn om de be-
kendmaking achterwege te laten. Wanneer toch zullen wij
op nieuw van deze soorten voorwerpen bekomen en wie
zal beslissen of er dan een voldoend aantal, alle varieteiten
vertegenwoordigende, aanwezig is? Ook komt mij het pu-
bliceeren van nieuwe soorten van Lepidoptera naar één
voorwerp nooit onraadzaam voor, wanneer de dieren slechts
gaaf zijn en de afbeeldingen (die niet gemist kunnen worden)
benevens de beschrijvingen, met de noodige zorg zijn
vervaardigd. Van de juistheid der afbeeldingen ben ik zeker
en voor de beschrijvingen heb ik mijn best gedaan, terwijl
de voorwerpen in voldoenden staat verkeeren.
4. Famea pronubella m. nov. sp.
(PL 7 fig. 1—6).
Door het ontbreken van palpen, zuiger en bijoogen
hebben wij tot opname van deze Tineine slechts de keus
tusschen de genera Fumea, Epichnopteryx en Solenobia. Het
laatste genus wordt uitgesloten door de gepluimde sprieten,
die alleen aan de mannen der beide eerste genera eigen
zijn en Epichnopterye door dat ten minste de bekleeding
der voorvleugels uit langwerpige, platte ronde schubben
bestaat en zoodoende blijft Fumea alleen over.
Volkomen homogeen met de mij in natura bekende
soorten van dit genus (Sepium, Betulina, Nana en Reticu-
latella) is Pronubella echter niet, want de achtervleugels
hebben 8 vrije aderen en in de voorvleugels omvatten de
gesteelde aderen 7 en 8 de vleugelpunt, terwijl bij de ge-
noemde vier soorten in de achtervleugels 7 aderen worden
gevonden en 7 en 8 der voorvleugels ongesteeld zijn. In-
tusschen zie ik alleen in dit verschil, geene gebiedende
reden om het reeds zoo groote getal der insecten-genera
op nieuw met een te vermeerderen.
Schedel en aangezigt zijn okergeel, de eerste tusschen
de sprietwortels met gele, over het aangezigt hangende
haren bekleed. De sprietwortels zijn vrij dik. Van de
NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN. 151
sprieten zijn alleen van den regter eenige leden overig,
die echter voldoende zijn om te kunnen zien dat de schaft
even als bij de mannen der andere soorten met vrij lange
baarden is bezet. Thorax grijsbruin, de schouderdeksels
vrij langharig.
De vleugels zijn, bij de andere soorten vergeleken, zeer
lang en smal, nog veel meer dan bij Sepium en zoodoende
heeft dit vlindertje ondanks zijn korte lijf eene vlugt van
444 mm. Voorrand der voorvleugels gelijkmatig gebogen.
Flaauwer en vooral in het midden vlakker, zijn ook de .
achterrand en binnenrand gebogen, terwijl zij beiden een
derde korter zijn dan de voorrand en de vleugelpunten afge-
rond zijn. De kleur der geheel ongeteekende voorvleugels
is een iets grauwachtig donkerbruin dat eenen goudglans
heeft. De achtervleugels zijn veel kleiner dan de voor-
vleugels; hun voorrand is even lang als de binnenrand der
voorvleugels, de punt afgerond, de achterrand sterk ge-
bogen en gaat met eenen vrij duidelijken staarthoek in den
korten binnenrand over, die ruim de helft korter is dan
de voorrand. Hunne kleur is een zeer bleek, iets glanzig
vuil okergeel met eenen achterrand van hetzelfde bruin
dat de grondkleur der voorvleugels uitmaakt; deze rand
is aan de vleugelpunt het breedst en schijnt nog breeder
door dat een smal donker streepje op de dwarsader er zeer
nabij staat. Naar onderen is hij binnenwaarts iets uitge-
sneden, juist voor den binnenrandshoek waar hij afgerond
eindigt, weder een weinig breeder. Hij vervloeit in den
gelen grond der vleugels.
De geheele achterrandsfranje is iets donkerder bruin
dan de voorvleugels en eenkleurig; die van den binnen-
rand der achtervleugels bleekgeel.
Achterlijf weinig langer dan de achtervleugels, dun, tame-
lijk afgewreven, evenwel zie ik op zijde en tegen de punt vrij
lange, bruingrijze beharing.
Onder zijn de vleugels als boven doch bleeker.
De pooten zijn kort, dun, bruingrijs met okergele tweede
132 NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN.
helft en hebben lange gele haarpluimeu aan het eind der
scheenen, zoodat ik van de sporen der middenpooten niets
zien kan. De middensporen der achterscheenen zie ik mede
niet, doch de eindsporen onderscheid ik. De vlinder wijkt
dus ook door deze lange beharing der pooten af van de
bovengenoemde soorten, waar die deelen glad beschubd
en ook langer zijn.
In de achtervleugels komt ader 2 even voorbij de helft
uit den binnenrand der middencel, 3—6 ongeveer op ge-
lijken afstand uit de dwarsader die naar binnen wijkt, 8
uit den wortel. De nervuur der voorvleugels is, met het
opgegeven verschil, als bij Sepium ; zij hebben dus 11 aderen;
ader 9 en 10 of, zoo men 9 als ontbrekende beschouwt,
10 en 11 zijn echter meer opeengedrongen en staan schuin.
Of de middencellen overlangs gedeeld zijn kan ik niet
onderscheiden. De binnenrandsader is ongevorkt doch op
twee derden geknakt.
Bij het voorwerp is een 14 mm. lange, naar het schijnt
rolronde zak (in het midden is hij platgedrukt) die aan
de basis (toevallig?) twee kleine, vinvormige aanhangels
heeft. Het weefsel schijnt dun en slap en is met vuil
donkergrijze en vuil witte afknaagsels (waarschijnlijk van
mos) bekleed, zoodat de rups eene dergelijke leefwijze
schijnt te hebben als die van Sepium en Betulina. De pop
is bruingeel en heeft een stomp staarteinde 1).
Een mannetje: Java, Ardjoeno, door den heer Heck-
meijer verzameld. Het wijfje is nog onbekend.
1) De heer Brants merkt omtrent de pop op: » De ledige pophuls heeft niets van
die eener fumea of Epichnopteryx, doch is zoowel door de beide haken aan de
buikzijde en alle afwezigheid van doornen, haken of kromme haren op segment 11
aan de rugzijde, als door den bultigen, breeden thorax en de vleugelscheeden, zonder
twijfel die van eene Psychide. Indien dus de vlinder niet tot die familie kan worden
gebragt, moet welligt aan eene vergissing van den verzamelaar worden gedacht en
de pop niet tot deze soort gebragt worden.» De kwestie der vergissing kan ik niet
beslissen, maar ik moet opmerken dat /wmea en hare verwanten zoo na aan de Psychiden
grenzen dat ik aan het aangeteekende omtrent de pop niet zooveel gewigt mag
hechten.
NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN. 435
2. Prays? hilarella M. nov. sp.
(Pl. 7 fig. 7—11).
Hoewel in enkele opzigten niet onbelangrijk van het
genus Prays afwijkende, levert deze vlinder toch genoeg
punten van overeenkomst daarmede op om hem er, al-
thans voorloopig, in te kunnen huisvesten. Buitendien is
alleen het wijfje bekend en komt het mij dus raadzaam
voor ook hier de vorming van een nieuw genus nog te
verschuiven. Intusschen zouden, al bezat het mannetje
ook nog zoo vele bijzondere kenteekenen die bij het wijfje
ontbreken, de karakters van het nieuwe genus toch zoo
moeten worden gesteld dat ook de wijfjes onmiddellijk ge-
neriek konden worden gedetermineerd zonder de kennis
der mannen.
Het eenige zeer gave exemplaar dezer nieuwe soort dat
mij bekend is, heeft eene vlugt van 26 mm. De zuiger is
lang en opgerold; bijpalpen ontbreken; de lipvoelers zijn
regtuitstekende, nog iets korter dan de stompe, hoornige
kegel waarmede het aangezigt tusschen de oogen vooruit-
steekt. Lid 1 is kort, lid 2 even breed als lang, 3 korter
dan 2, stomp en iets voorover hangende. De bekleeding
is zwart met eene witte vlek op lid 2. Ook de kegel op
het aangezigt, die van voren eene horizontale gleuf heeft,
is zwart met eene witte vlek op den onderkant. De oogen
zijn groot, breeder dan het aangezigt; bijoogen ontbreken.
Schedel smal, wit behaard. Sprieten kort, zeer weinig
langer dan de helft der voorvleugels en draadvormig. Hals-
kraag en rug zwart, de eerste met twee, de laatste met
vijf witte vlekjes, de schouderdeksels steenrood met witte
punt en alles glad beschubd.
Voorvleugels lang, smal, de voor- en binnenrand bijna
vlak, de achterrand half zoo lang als de voorrand, de punt
duidelijk doch stomp, de staarthoek tamelijk afgerond. De
grondkleur kan als glanzig rood koperkleurig worden aan-
genomen, doch wordt zoo zeer verdrongen door de meest
uit dof geelachtig witte, scherp en dik zwart gerande vlekken
134 NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN.
bestaande teekening, dat zij slechts aan den wortel, als
twee dwarsstrepen en op de helft van het middenveld
bovenkomt. Aan den vleugelwortel staat eene witte stip,
dan volgen drie liggende drupvormige witte vlekken wier
spits naar den wortel is gerigt. In het middenveld merkt
men vooreerst twee liggende ovale witte vlekken op, die
overlangs, een weinig boven het midden zijn geplaatst. De
tweede, grootste dezer vlekken is voorbij de helft door een
zwart streepje overdwars gedeeld en de eerste heeft eene
witte stip boven zich. Verder merkt men op het midden
van den voorrand een kort en op het midden van den
binnenrand een langer doch smaller wit streepje op; op
het laatste rusten een klein vierkant wit vlekje en een
grooter, mede vierkant doch langwerpig. Al deze teeke-
ningen zijn dik, groen- of blaauwglanzig zwart gerand, be-
halve de beide horizontale streepjes op voor- en binnen-
rand, die alleen aan de binnenzijde een zwarten rand hebben.
De koperroode grondkleur is juist in den vorm der beide
gewone dwarslijnen uitgespaard; in het midden des midden-
velds vertoont zij zich tusschen de ovale vlekken bijna
als eene I. De achterrand en het laatste vierde van den
voorrand worden geheel beslagen door eenen witten band,
die door de korter of langer zwart beschubde adereinden
gestreept is en van de korte, geelwitte, op 4 en # zwart
gevlekte franje door eene dikke zwarte franjelijn is gescheiden.
Achtervleugels kwart-elliptisch met duidelijke doch stompe
hoeken en effenen, op ader 5 iets ingetrokken achterrand.
De binnenrand is iets langer dan de helft van den voor-
rand. Grondkleur zuiver wit met eenen zwartgrijzen rand,
die alleen aan den voorrand, waar hij tevens het breedste
is (14 mm.) scherp door den voorrand der middencel is be-
grensd; langs den achterrand vervloeit hij ook op de einden
der grootendeels fijn zwart beschubde aderen. De franje is
kort, langs den binnenrand zwartgrijs, overigens wit.
Het achterlijf flaauw gewelfd, glad beschubd, groenzwart,
de laatste ring stomp, okergeel.
NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN. 135
Op de onderzijde zijn de voorvleugels zwartgrijs met
twee witte vlekken aan den wortel der middencel en op de
dwarsader en met eene ongelijke, door de zwart beschubde
adereinden verdeelde streep langs vleugelpunt en achterrand.
Franjelijn en franje als boven. Achtervleugels als boven,
doch de zwarte achterrand weinig dikker dan de franjelijn
der voorvleugels en nergens verdikt, zoodat aan de vleugel-
punt, in cel 6 en 7 twee witte vlekjes boven komen die
op de bovenzijde ontbreken. Buik zwart, met 4 in lengte
toenemende witte dwarsstrepen voor den ook hier oker-
gelen laatsten ring.
Pooten stevig, middelmatig lang, gewoon gevormd en
gespoord, glad geschubd.
Wat de nervuur aangaat, zoo hebben de voorvleugels
42 aderen. Ader 4 schijnt aan den wortel gevorkt; van
ader 1b ziet men geen spoor, zelfs niet aan den achter-
rand aan het eind der vleugelvouw; ader 2 komt uit de
helft van den binnenrand der middencel; 3 en # uit een
punt uit haren binnenrandshoek, 5 iets daarboven. De
dwarsader is op de helft wortelwaarts gebroken en dunner;
6 en de lange steel van ader 7—9 komen uit de spits der
middencel; 40 en 11 uit haren voorrand; 12 loopt vrij in
den voorrand uit; alles gelijk op bijgaande teekening,
waarnaar ik kortheidshalve verwijs, is voorgesteld. In de
achtervleugels zijn de 3 binnenrandsaderen dun en geheel
regt; verder ontspringt ader 2 een weinig meer naar
achteren dan in de voorvleugels; 3 en 4 zijn gesteeld, 5
ontspruit uit het midden der hier vrij steile dwarsader, 6
en 7 zijn iets langer gesteeld dan 3 en 4, 8 is aan den
wortel met den voorrand der middencel vergroeid en loopt
iets onder de vleugelpunt, vrij in den achterrand uit.
Het voornaamste waardoor deze vlinder zich van Prays
-onderscheidt, ligt wel in de meer ontwikkelde achtervleugels ,
wier franje korter en wier aderbeloop ook geheel anders
is, benevens in de korte palpen en het uitpuilende voor-
hoofd. Intusschen wijkt de nervuur der achtervleugels
136 NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN.
van Atychia, waaraan de vleugelvorm ook zeer herinnert,
nog meer af, want aldaar ontspringt ader 2 met 3 uit één
punt uit den binnenrandshoek der middencel en 4—7 op
gelijke afstanden ongesteeld uit den terugwijkenden achter-
rand dier cel. Oeta heeft 12 ongesteelde aderen der voorvleu-
gels met eene aanhangcel, en een kop als Prays.
Het nieuwe genus dat voor deze soort zal moeten worden
gevormd, dient in de voorhoede der Tineinen te worden
geplaatst, want door de wijde tusschenruimte die tusschen
ader 5 en 6 der voorvleugels wordt gevonden, wijkt deze
vlinder zeer van de mij bekende Tineinen-genera af.
Het eenige mij bekende exemplaar is in Suriname ge-
vangen door den Vice-admiraal Tengbergen, die zijne col-
lectie, waarin zich vele exotische Lepidoptera van waarde
bevonden, aan ’s Rijks Museum schonk.
3. Cryptophasa transversella m. nov. Sp.
(Pl. 7, fig. 12—16).
Het verschil tusschen dezen vlinder en het genus Crypto-
phasa zoo als dit door Prof. Zeller (vrij kort) in de Linnaea
Entomologica 1X p. 350 wordt beschreven, komt mij niet
belangrijk genoeg voor, om voor hem een nieuw genus te
vormen. Na is ook wel de verwantschap met Ortho-
taelia; toch leveren de bij dat genus aan den staarthoek
sterk afgeronde achtervleugels, het langere achterlijf, de
langere pooten, de dunnere palpen met langer eindlid, de
iets ruige kopbekleeding en de in voor- en achtervleugels
geheel ongesteelde, ten deele ook op andere plaatsen ont-
springende aderen te belangrijke verschilpunten op om aan
eene, zij het dan ook slechts voorloopige, indeeling bij
Orthotaelia te kunnen denken.
De beide exemplaren die ik van mijne nieuwe soort
voor mij heb en die ik, ondanks hun verschil in teekening,
toch slechts voor varieteiten van ééne soort houd, hebben
in hunnen bouw veel dat aan het Lithosinen-genus Karias
NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN. 12
doet denken, doch de 3 duidelijke binnenrandsaderen der
achtervleugels en de ongeveer op gelijken afstand van
elkander ontspringende takken van de ondervoorrands- en
middenader der voorvleugels (bovenste en onderste mediaan-
ader), waarbij de aderen 9—11 zeer lang en toch weinig
schuin zijn, doen dadelijk zien dat wij met eene ontwijfel-
bare Tineine te doen hebben en wel, uit hoofde van de
spitse, sikkelvormige palpen, met eene soort van de groote
familie der Gelechidae. |
Kop bolvormig, op den schedel met eenigszins opstaande,
platte, schubvormige haren bedekt, het vlakke aangezigt
glad beschubd, en iets smaller dan de groote oogen. Geene
bijoogen. Zuiger kort, gerold. Geene bijpalpen. Lipvoelers
slechts weinig langer dan de kop, sikkelvormig; lid | kort,
iets ruw beschubd; 2 weinig breeder dan een derde der
oogen, glad beschubd, plat, aan de voorzijde afgerond; 3
priemvormig doch niet zeer spits, smaller dan 2, iets korter
dan de helft van diens lengte en glad beschubd. Sprieten
kort, weinig langer dan de helft der voorvleugels, dun,
draadvormig, kort behaard; het wortellid vierkant, vrij
duidelijk. Thoraxbekleeding uit glad gestreken haren en
schubben bestaande, de rug weinig gewelfd. Voorvleugels
driekant, met bijna ongebogen voor- en binnenrand, de
laatste slechts ruim 4 korter, de achterrand iets langer
dan de helft van den voorrand, steil, flaauw gebogen, de
vleugelhoeken duidelijk. Achtervleugels bijna kwart-cirkel-
vormig met duidelijke, doch stompe hoeken, de achterrand
op ader 5 zeer flaauw ingetrokken, daaronder iets sterker
gebogen; franje kort. Voorvleugels met 12 aderen; ader
Aa schijnt tegen den wortel gevorkt; in de vleugelvouw
ziet men een vrij lang rudiment van ader 1b dat wortel-
waarts verdwijnt. Ader 2—5 zijn even lang en ontspringen
digt bij elkander om en uit den binnenrandshoek der
discoidaal- of middencel; ader 6 ontspringt boven aan de
dwarsader; 7 en 8 zijn gesteeld, komen uit den iets alge-
ronden voorrandshoek der middencel en loopen onder de
198; NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN.
vleugelpunt in den achterrand uit; 9—11 komen met ge-
ljke tusschenruimten uit de ongedeelde middencel, 12 is
vrij en loopt op twee derden van den voorrand uit.
In de achtervleugels ontspringen ader 2—4 op omtrent
gelijken afstand om den staarthoek der middencel, 5 boven
de helft der iets terugwijkende dwarsader; 6 en 7 zijn
gesteeld, 8 komt uit den vleugelwortel doch loopt aanvan-
kelijk vrij digt langs den voorrand der middencel.
Pooten stevig, kort, de voor- en middenpooten gewoon
gevormd en de laatsten met een paar sporen van ongelijke
lengte. De achterscheenen zijn met eene dikke beharing
voorzien waarin de vier gewone sporen bijna verborgen zijn.
Achterlijf dun, niet langer dan de achtervleugels, kegel-
vormig, gewelfd, met korte bijeengestreken staartpluim.
De grondkleur van schedel, rug en voorvleugels is bij
het eene exemplaar een helder, zuiver okergeel. De sprie-
ten, het aangezigt en de palpen op zijde zijn iets bleeker,
van voren worden de laatsten bijna wit. Op de voorvleugels
is de binnenrandswortel donkergrijs; verder ziet men onder
den voorrandswortel, vervolgens in cel 1b, op een vierde
en in cel 5, na bij den achterrand, telkens een bruingrijs
vlekje, terwijl de franjelijn aan de vleugelpunt verdikt en
donker bruin is en eindelijk, dwars over den vleugel, van
3 des voorrands naar + van den binnenrand, eene iets
blinkende, potloodkleurige lijn, die aan den voorrand een
weinig breeder en op de middenader afgebroken is. Franje
als de vleugel.
Bij het andere exemplaar is de gele kleur van kop en
thorax bleeker en grauwer, het gedeelte van de voor-
vleugels wortelwaarts van de potloodstreep bijna geheel
reekleurig bruin en alleen eene haarfijne lijn langs den
voorrand en een vlekje voor de bovenhelft der potloodstreep
zuiver geel. Achter deze wordt de vleugel grootendeels be-
slagen door eene driekante, licht omberbruine vlek die met
de basis op de potloodlijn rust, terwijl de iets stompe spits
naar het midden van den achterrand is gekeerd Het ge-
NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN. 139
deelte van den driehoek dat den voorrand aanraakt, is
veel donkerder en het overige van den vleugel met de
franje is okergeel als bij het andere voorwerp en met
hetzelfde donkerbruine streepje aan de vleugelpunt.
Achtervleugels bij beide exemplaren donker grijsbruin,
tegen den wortel iets bleeker en ınet okergele, aan den
staarthoek grauwe franje. Onderzijde bruingrijs met bleek-
gele, stralige langsvegen uit den wortel over de beide
vleugels bij het eerstbeschreven exemplaar, bij het andere
alleen op de achtervleugels, terwijl de voorvleugels slechts
aan den wortel wat bleeker zijn en aan het eind der mid-
dencel op de middenader een geel vlekje rust.
Pooten en lijf op de onderzijde bleek grijsachtig oker-
geel, de franje als boven doch wat grauwer. De boven-
zijde van het achterlijf donkergrijs.
Het eerstbeschrevene, minstgeteekende exemplaar be-
schouw ik als type; het is op Java in Malang door den heer
Hillebrand gevangen, het andere, als var. « aan te merken,
op den Ardjoeno door den heer Heckmeyer.
4. Cryptolechia? effractella m. nov. sp.
(Pl. 7, fig. 17—25).
Voor deze soort die ik voorloopig in het genus Gryptolechia
huisvest, zal later wel eens een nieuw genus moeten worden
sevormd, daar de vorm van vleugels en palpen al te zeer
afwijkt van die der mij bekende vlinders van dat genus.
Ik heb van Effractella alleen de vrouwelijke sexe voor mij.
Vlugt 27 en 30 mm. Sprieten dun, draadvormig, in het
geheel ongeveer 8 mm. lang en daarvan het rolronde,
bovenaan iets verdikte wortellid 1 mm. Kop met de vrij
kleine oogen halfbolvormig, de schedel en het aangezigt
iets plat, het laatste 13 maal zoo breed als de oogen en
met korte, smalle, iets ruig uitstaande schubben bekleed.
Geene bijoogen. Zuiger dun, kort, op de bovenzijde be-
schubd. Geene bijpalpen. Lipvoelers langer dan kop en
thorax, het eerste lid klein, korter dan de kop, het tweede
140 NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN.
bijna zoo lang als kop en thorax, eerst bijna regtuitstekende,
en dan iets omgebogen, ongeveer sabelvormig, op de rug-
zijde door eene kam van opstaande haren verbreed en van
onderen, vooral aan de tweede helft en van voren, door
eene lange, platte, aan de voorzijde afgeronde beharing.
Uit het tweede lid rijst het lange, spitse, iets gebogen
priemvormige eindlid omhoog, dat tot aan de helft versierd
is door eene naar boven verbreedende beschubbing, waar
op een krans van uitgespreide aan het eind schubvormig
verbreede haren volgt, uit welks midden zich de dunne,
spitse tweede helft van het eindlid verheft.
Thorax dik, breed, iets plat met korten halskraag en
schouderdeksels en glad beschubd. Vleugels ongeveer als
bij Depressaria gevormd, doch de voorrand der voorvleugels
met eene uitsnijding die, even als bij het Tortricinen-genus
Rhacodia, door de aan beide zijden der uitsnijding aan-
wezige, uitstekende beschubbing nog meer in het oog loopt.
Aan de wortelzijde is deze beschubbing bovendien naar
boven omgebogen. Op een derde van den binnenrand staat
een klein bosje opgerigte schubben en op het midden van
den vleugel nog vijf anderen, waarvan de drie grootsten
zich ongeveer op dezelfde plaats bevinden waar bij de Gele-
chiden de drie typische stippen staan. Voor den achterrand
staat nog eene dwarsrij kleine opstaande schubben en de
franje is kort, tegen den binnenrandshoek iets verlengd.
Wat de kleur der tot hiertoe beschreven ligchaamsdeelen
aangaat, zoo is de kop licht okergeel, de sprieten evenzoo,
met vele zwarte schubben, de palpen geelwit met enkele
bruine schubben, thorax en voorvleugels dof okergeel,
een klein weinig grijsachtig. Op de laatsten ziet men aan
het tweede zevende van den voorrand eene breede, schuine
iets gebogene, tot de helft van den vleugel reikende donkere
streep, die op de helft der middencel eindigt en uit staal-
blaauwe, zwarte en bruine schubben bestaat. Verder is de
grond om de vleugelpunt roestbruin beschubd met een
staalblaauw vlekje, de insnijding in het midden en de
NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN. 144
franjelijn beiden fijn roestbruin, terwijl de rij kleine opstaande
schubben voor den achterrand, drie stippen die onder de
insnjding, aan den voorrandswortel en juist onder het
eerste vierde der vleugelvouw gevonden worden, zwart
zijn. Franje donker paarsgrijs, iets glanzig, de langere
haren aan den binnenrandshoek okergeel. ')
Achtervleugels kwart-elliptisch maar met sterk afgeronde
punt en staarthoek en flaauw gebogen achterrand. Zij zijn
iets intensiver en frisscher geel dan de voorvleugels en,
behalve een klein roestbruin vlekje aan de vleugelpunt,
ongeteekend.
Franje aan den binnenrandshoek half zoo lang als de vleugel,
naar boven gaandeweg korter wordende, in kleur gelijk aan
die van den vleugel, behalve aan de vleugelpunt waar zij
juist vóór het roestbruine vlekje, paarsgrijs is.
Onderzijde geel, met bruine schubben tegen den wortel
der voor- en langs den voorrand der achtervleugels; in de
vleugelpunten ziet men een klein grijsbruin vlekje. Franje
geel, op de achtervleugels aan de vleugelpunt, op de voor-
vleugels langs den geheelen achterrand met paarsgrijze
spits.
Ik moet nog aanmerken dat het schijnt als of op de
onderzijde de voorrand der voorvleugels aan den wortel is
omgeslagen; dezen omslag echter met de punt eener naald
zoekende op te ligten, bemerkt men dat de vleugel op die
plaats slechts iets dikker en daarbij glad is beschubd.
Wat de nervuur aangaat, zoo is de middencel der voor-
vleugels ongeveer drie vijfden van den vleugel lang en een
derde zoo breed, gemeten op de helft der uitsnijding,
hare lengteas ligt iets boven het midden van den vleugel,
zij is naar achteren weinig verbreed en aan het einde regt-
hoekig met vrij steile, onder ader 6, geknakte dwarsader.
1) Fig. 18 vertoont een voorvleugel eenigszins van boven tegen den voorrand aan gezien ,
ten einde de onderlinge verhouding in grootte en plaatsing der onderscheidene hoopjes
schubben beter te doen uitkomen. —
142 NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN.
Ader 2 ontspringt uit Z van haren binnenrand en loopt
iets gebogen en vrij schuin; 3 komt even voor haren
staarthoek en is iets geslingerd; 4 en 5 ontspringen uit
een punt een weinig boven dien hoek; 6 uit het midden
der dwarsader en loopt, als 5, een weinig opwaarts; 7
en 8 (gesteeld) loopen voor de vleugelpunt in den voor-
rand uit, 9—11 mede daarin, vóór de uitsnijding, 12 is
vrij en de middencel heeft naar achteren eene fijne plooi
als begin eener onvolkomen overlangsche verdeeling. Van
ader 1b zie ik geen spoor; la is wortelwaarts gevorkt.
In de achtervleugels is de middencel korter en smaller
dan in de voorvleugels, de dwarsader loopt schuin naar
onderen, ader 2 komt uit 2 van den binnenrand der cel,
3 en 4 uit een punt uit haren staarthoek, 5 ontspringt een
weinig daarboven en is aan den wortel gebogen, 6 komt
uit 2 der dwarsader, 7 uit den top en beiden loopen
parallel, 8 ontspruit uit den wortel en loopt even vóór de
vleugelpunt in den voorrand uit.
De pooten zijn kort en dik, overigens gewoon gevormd
en gespoord, de achterscheenen vrij lang en dik behaard.
Achterlijf ruim de helft langer dan de achtervleugels,
dik, breed en plat, kort gespitst met uitstekenden, korten
eijerlegger.
Beide exemplaren komen uit Australié en wel uit Nieuw-
Holland.
5. Stomylia (nov. gen.) erosella m. nov. sp.
(PI. 8 fig. 1—6).
Voor de nu te beschrijven vlindersoort ben ik genood-
zaakt een nieuw genus te vormen, daar de afwijking van
al de verwante genera te groot is om haar voegzaam in
een der bestaanden te kunnen opnemen. Leeren de sikkel-
vormige palpen en de vorm der achtervleugels ons dat de
verwanten onder de genera Psecadia, Trichostibas, Exaeretia ,
Depressaria en Symmoca te zoeken zijn, zoo verbieden,
NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN. 143
m. i. bovenal de gesteelde aderen 6 en 7 der achtervleugels,
en dan de vorm der palpen en voorvleugels dadelijk de
opname in een der vier eerstgenoemde genera, terwijl de
wijze waarop de beide laatstgenoemde ligchaamsdeelen zijn
gevormd een beletsel uitmaakt voor de vereeniging met
Symmoca, al zijn ook ader 6 en 7 der achtervleugels zoo
als zij daar zijn.
Sprieten dun, draadvormig, ter lengte van drie vijfden
der voorvleugels; het wortellid breeder dan de schaft, plat
en vrij lang. Kop half bolvormig doch wat langer dan bij
de voorgaande soort, de schedel plat, zoo mede het aange-
zigt en beiden met vrij groote platte schubben bekleed, die
op zijde van den schedel een iets uitstekenden rand boven
de oogen vormen. De laatsten zijn een weinig smaller dan
het aangezigt. Bijoogen zie ik niet en van de bijpalpen
slechts korte rudimenten over den wortel van den vrij
langen, op de bovenzijde beschubden spiraalzuiger. Lip-
voelers sterk ontwikkeld en gebogen, lid 1 en het veel
langere lid 2 te zamen wel tweemaal zoo lang als de kop.
Lid 2 is ongeveer zoo gevormd als bij Hermogenes alife-
rella Zeller (zie Stett. Ent. Zeit. 1867 Taf. II fig. 6b) doch
bovenaan nog iets sterker verdikt en aldaar aan de onder-
zijde met eene spits door schubben gevormd. Lid 3 weinig
korter dan 2, priemvormig, gebogen en spits, is dun doch
heeft aan de achterzijde twee verdikkingen door schubben-
dotjes gevormd.
Thorax afgerond vierkant, iets plat, glad beschubd, met
korten halskraag en schouderdeksels. Achterlijf ontbreekt
zoomede al de pooten op een achterpoot na, die kloek
gebouwd, iets plat, gewoon gevormd en gespoord is. De
scheen is op den rug kort behaard, overigens de poot
glad beschubd.
Vleugels langwerpig, aan die der Depressariën herinne-
rend doch nog wat smaller, de voorrand der voorvleugels
in het midden uitgesneden even als bij Crypl.? effractella ;
hier is echter de vleugel juist voorbij de uitsnijding iets
144 NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN.
breeder en bij Effractella er voor. 1) Voorbij de uitsnij-
ding loopt de voorrand schuin naar de spitse vleugel-
punt, de korte achterrand is naar onderen zeer schuin,
de staarthoek zeer vlak. De achtervleugels naderen in vorm
vrij sterk naar die van de genera Carcina, Lecithocera en
Rhinosia, daar zij niet, gelijk bij Depressaria, aan den
binnenrandshoek lobbig verbreed zijn. De franje der voor-
vleugels is kort, die der achtervleugels is aan den binnen-
randshoek bijna half zoo lang als de breedste plaats van
den vleugel, dat is ongeveer bij ader 2.
Wat de nervuur aangaat, zoo is de middencel der voor-
vleugels ongeveer een derde zoo breed als de vleugel en
twee derden zoo lang; zij is naar achteren verbreed en heeft
eene regthoekige dwarsader. Ader 2 komt uit $ van haren
binnenrand en loopt schuin om in den binnenrandshoek
te eindigen, 3 en 4 zijn gesteeld op dezelfde wijze als 2
en 3 bij vele Depressariën, 5 komt uit den binnenrands-
hoek dr middencel, 6 uit de dwarsader even onder den
voorrandshoek dier cel, 7 en 8 zijn gesteeld en loopen in
den voorrand uit even voor de vleugelpunt, 9—11 ont-
springen even ver van elkander en loopen voorbij de uit-
snijding in den rand, 12 er voor. Eene deeling der midden-
cel zie ik niet, wel twee korte plooijen tegen den achterrand.
Ader L loopt zeer nabij den binnenrand en is wortel-
waarts gevorkt. In de achtervleugels is de middencel breeder
doch korter, haar voorrand naar buiten, de dwarsader iets
naar binnen gebogen en in de cel zie ik twee lange plooïjen.
Ader 2 ontspringt als in de voorvleugels, 3—5 uit één punt,
6 en 7 zijn gesteeld, 8 loopt digt langs de middencel en
bij de vleugelpunt in den voorrand uit.
Aangezigt donkergrijs. Schedel, thorax en sprieten lichter,
met flaauwe donkerder stippen, het wortellid der sprieten
geelachtig, de palpen tot aan de verbreeding van lid 2
lichtbruin, dan lichtgrijs, ook het eindlid, de schubben-
1) De uitsnijding van den voorrand is vrij gering wanneer men de schubben, die
aan haar begin en einde over den- rand heensteken, buiten rekening laat.
NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN. 145
pakjes aan zijne achterzijde binnenwaarts lichtgrijs, buiten-
waarts zwart. De eenige poot is lichtbruin, aan den wortel,
zoomede de sporen en de lichtgrijs gerande sporen zwart-
bruin.
De voorvleugelbekleeding is door eenige dwarsrijen kort
opstaande schubben iets ruw, dof lichtgrijs, naar achteren
iets geelachtig en overal fijn donker gewolkt, de uitsnijding
halvemaanvormig breed, roodbruin afgezet. Verder ziet
men aan den wortel drie donker blaauwgrijze stippen, aan
den voorrand voor en achter de uitsnijding en in het midden
van den vleugel eenige bruinachtige, op twee derden van
den vleugel een blaauwgrijs vlekje met drie donkerder stippen
en onder de vleugelpunt een groot en een klein zwart vlekje.
Achter deze ziet men een lijntje van grijswitte schubben
om de vleugelpunt als begin der overigens niet aangeduide
franjelijn. De franje is okerbruin met okergele buitenhelft.
Achtervleugels glanzig grijs, iets roodachtig, ongeteekend,
tegen den achterrand smal donkergrijs, de fran bruin-
achtig. Onderzijde der voorvleugels donkergrijs, langs de
voorranden met bruine schubben, overigens ongeteekend ;
de franje bruinachtig grijs. Achtervleugels als boven.
Het eenige exemplaar — een wijfje — is op Java door
den heer Heckmeijer gevangen en wel op den Ardjoeno.
6. Dasycera? Bernsteiniella m. nov. sp.
(PL 8 fig. 7—10).
Het is weder alleen om de vorming van een nieuw genus
te vermijden, dat ik den nu te beschrijven vlinder tot
Dasycera breng, want hoewel de geheel als bij Dasycera
gevormde, slechts wat langere palpen duidelijk doen zien
dat de vlinder tot de Oecophoriden moet worden gerekend
en de sprieten ook ruig behaard zijn, zoo zijn die sprieten
veel langer, anders gevormd en verschilt de nervuur zeer.
Kop glad beschubd, donkerbruin met staalblaauwen glans.
De rudimentaire bijpalpen en de korte zuiger donker oker-
geel Palpen in het geheel 4 malen langer dan de kop, glad
10
146 NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN.
beschubd, het sterk gebogen platte middenlid donkergeel ,
het dunne, fijne, naaldvormige, doch nog iets gebogen
eindlid slechts een weinig korter dan lid 2 en donkerbruin.
Sprieten zoo lang als de voorvleugels, uit eene vrij dikke
platte schaft bestaande, die met lange platte schubben
eenzijdig is gevederd; deze schubben zijn aan wortel en
spits van de schaft het kortst, in het midden het breedst.
De spriet is dus geheel anders dan bij de beide sexen der
twee in mijn bezit zijnde soorten van Dasycera (Oliviella
en Sulphurella), waar de schaft tot twee derden aan alle
zijden door ongeveer platliggende schubben is verdikt en
hoogstens tot twee derden van den voorrand der voorvleu-
gels komt. De kleur van den spriet is bij Bernsteiniella
donkerpaars met kopergloed. Thorax ontschubd. Vleugels
smal en spits, nog smaller en spitser dan bij Sulphurella
dach op dezelfde wijze gevormd, zoodat Bernsteiniella zich
ten minste in dit opzigt ongedwongen bij de genoemde
soort aansluit. De bovenzijde is glanzig, fraai donker-
bruin met eenen breeden goudgelen dwarsband, die even
onder het midden van den voorrand der voorvleugels be-
gint, een weinig steiler dan de achterrand der vleugels
loopt en in den staarthoek der achtervleugels eindigt. Deze
band is op de voorvleugels ongeveer 1,5 mm. breed, wortel-
waarts tegen den voorrand bijgerond en van onderen tegen
den binnenrand mede, doch flaauwer, verbreedt zich aan
den voorrand der achtervleugels tot ongeveer het dubbele,
om weder, geleidelijk versmallende, met eene breedte van
1,5 mm. te eindigen. Franje over het geheel kort, tegen
den staarthoek der achtervleugels iets verlengd, doch daar
nog slechts 4 zoo breed als de vleugel, gekleurd als de
vleugels behalve aan het eind van den dwarsband waar zij
goudgeel is. Onderzijde iets lichter en glanziger bruin dan
boven, eveneens geteekend doch wortelwaarts van den
dwarsband met goudgele schubben bestrooid.
Wat de nervuur aangaat, zoo zijn de middencellen beiden
open, en ontbreekt ader 5 op voor- en achtervleugels,
NIEUWE EXOTISCHE TINEINEN. 447
bovendien ontbreekt ader 10 der voorvleugels en zijn ader
2 en 3 der voor. en 3 en 4 benevens 6 en 7 der achter-
vleugels gesteeld. Bij de beide genoemde Europeesche soorten
ziin de middencellen gesloten, hebben de voorvleugels 12
en de achtervleugels 8 aderen, alleen 7 en 8 der voor-
vleugels zijn gesteeld (trouwens bij Bersteiniella ook) en
ader 7 en 8 der achtervleugels ontspringen verwijderd van
elkander.
Pooten vrij stevig, gewoon gevormd en gespoord,
vrij glad beschubd, goudgeel, de beide voorste paren met
goudgele, bruin gevlekte tarsen, de achterpooten met donker-
bruine, geel gerande tarsenleden en alle scheenen met een
bruin vlekje aan de punt.
Achterlijf geelbruin, slank, de helft langer dan de achter-
vleugels.
Het eenige exemplaar, een mannetje, is door Bernstein
op het eiland Salawatti in Nederlandsch Oost-Indië ge-
vangen.
TWEE NIEUWE ZUID-AMERIKAANSCHE GEOMETRINEN,
BESCHREVEN DOOR
P. C. T. SNELLEN
EN AFGEBEELD DOOR
Mr: «AG BRANTS.
(Zie plaat 8 fig. 11—16.)
Genus Heterusia Hbn. Zutr. (AP. 1825) ')
(Scordylia Guenée).
Dividata m. nov. sp. Pl. 8 fig. 11—15.
Twee mannen van 26 en 27 mm.
Deze soort behoort tot afdeeling I van Guenée en mij,
en is zeer na verwant aan Partitata Guenée en Caesarea
Feld. en Rog. Van laatstgenoemde soort, die op mijne Hippo-
menata Tijds. v. Ent. 17 p. 80 pl. 6, f. 3 volgt ?), onder-
scheidt Dividata zich door meerdere grootte doch voorname-
lijk door eenkleurig roetzwarte, niet geel- en zwartbonte
franje der voorvleugels, vervolgens door dat de voorrand
van de wortelhelft der voorvleugels leemkleurig is met
eenige bruine schrapjes, maar niet licht goudgeel met twee
1) Zterusia Hope is van 1840 of 1841. Het schijnt mij echter niet volstrekt
noodzakelijk toe om den naam te veranderen, hoewel een Zeeuw in dit geval ver-
warring zou kunnen aanrigten.
2) Het. dichroata Rog. en Felder Nov. II. 2 pl. 130 f. 3 is synoniem met Hippo-
menata, maar mijn naam is ouder, hetgeen blijkt door dat de genoemde auteurs by
pl. 128 en 131 mijne beschrijvingen en afbeeldingen uit het 17e deel van het Tijd-
schrift eiteeren.
NIEUWE ZUID-AMERIKAANSCHE GEOMETRINEN. 149
scherpe zwarte vlekjes en eindelijk door dat de franjelijn
van de goudgele wortelhelft der achtervleugels niet zwart
is, maar slechts bruin bestoven.
Nog nader is Dividata verwant aan de kleinere Partitata
(20—21 mm.), doch deze heeft ook bonte franje, de wortel-
helft der vleugels is bleekgeel (bijna kopergeel), Guenée
noemt het oneigenlijk «jaune fauve »); het zwarte gedeelte
der achtervleugels is op ader 5 ingesneden (bij Dividata bolrond)
en op de onderzijde der voorvleugels is bij Partitata alleen
de bovenhelft van cel 1b aan den wortel goudgeel, terwijl
de onderhelft wit is even als de geheele wortelhelft van cel
Aa (bij Dividata is de wortelhelft van cel 1b geheel goud-
geel). Eindelijk is de roodbruine punt der achtervleugels
bij Partitata sterk wit gesprenkeld en bij Dividata (even als
bij Caesarea) niet.
Sprieten draadvormig, bijna naakt, bruin. Palpen en kop
roodachtig leemgeel, de eersten op zijde met bruine langs-
streepjes, het aangezigt met eene bruine stip. Thorax en
achterlijf leemkleurig grijs, de schouderdeksels roodachtig
en ieder met een bruin streepje. Wortelhelft der vleugels
goudgeel; daarin cel 12 der voorvleugels roodachtig grijs
met bruine dwarsschrapjes (6 of 7) en daarvan het vijfde
dikker; aderwortels zwart bestoven. Bij den binnenrands-
hoek der achtervleugels ziet men bij het eene exemplaar
eene zwarte stip, en bij beiden eenige roodbruine schubben.
De achterrandshelft der vleugels (op de voorvleugels de
grootere, op de achtervleugels de kleinere) is zwart, op de
voorvleugels met een zweem van tandjes tegen den wortel
(welke bij Gaesarea en Partitata in het geheel niet worden
gevonden), op de achtervleugels als boven gezegd tegen
den wortel rondgebogen. Aan den voorrand der voorvleugels
staat een bleekgeel vlekje.
Spits van de franje der voorvleugels witachtig. Franje
der achtervleugels van de vleugelpunt tot ader 3 zwart
met onduidelijke grijswitte vlekjes, overigens geelwit.
Op de onderzijde is de wortelhelft van cel la der voor-.
150 NIEUWE ZUID-AMERIKAANSCHE GEOMETRINEN.
vleugels onzuiver wit, het overige der wortelhelft goud-
geel, cel 12 als boven doch bleeker; de tweede helft is
zwart, langs den voorrand en om de punt roodbruin, grijs-
geel bestoven met het lichte (hier grootere) vlekje der
bovenzijde.
De achtervleugels zijn tot twee derden bleek grijsgeel
met roodbruine sprenkels. Het puntderde (van den wortel
van ader 7 tot aan ader 4) is roodbruin, eerst donkergrijs,
dan grijsgeel gesprenkeld doch steeds flaauw.
Borst, buik en pooten grijsgeel ; de tarsen bruin gestippeld.
Beide exemplaren ontving ik van Dr. Staudinger ten ge-
schenke. Zij zijn uit Zuid-Amerika, waarschijnlijk uit Peru.
Genus Erateina E. Doubleday
(Trans. Ent. Soc. of London V p. 110 (1848).
Staudingeri m. nov. sp. PI. 8 fig. 14—16.
Een zeer gaaf exemplaar van 30 mm. vlugt (mas ?).
Deze soort behoort tot afdeeling I van Doubleday en her-
innert sterk aan de vlinders van het Rhopaloceren-genus
Diorhina.
De achtervleugels zijn bijna juist zoo gevormd als bij
Papilio Podalirius en Ajax.
Het vleugelhaakje ontbreekt en dus durf ik niet beslissen
of mijn exemplaar inderdaad een mannetje is. Ik zou echter
geneigd zijn dit aan te nemen om de beharing der sprieten.
Sprieten draadvormig, vrij dik, zwart, gelijkmatig kort
doch duidelijk grijswit behaard. Palpen en aangezigt zwart,
zwavelgeel gerand. Zeer kleine halskraag zwavelgeel. Thorax
olijfgroen, vrij lang en fijn behaard. Achterlijfsrug mede
olijfgroen, de ringen fijn zwavelgeel gerand. Voorvleugels
roetzwart met donker olijfgroen bestoven wortelderde.
De vleugel wordt doorsneden door een iets doorschijnenden
zwavelgelen dwarsband, die van even voor de helft van den
voorrand naar den binnenrandshoek loopt doch dien niet be-
reikt. Deze band is wortelwaarts regt, franjewaarts afgerond ,
NIEUWE ZUID-AMERIKAANSCHE GEOMETRINEN. 151
en naar onderen puntig. Franje roetzwart met onzuiver
witte spits.
Wortelderde der aan den achterrand getande, op ader 4
lang gestaarte achtervleugels op zwarten grond olijfgroen
bestoven tot aan eene smalle, bleek zwavelgele streep, die
ongeveer aan het midden van den voorrand begint en uit-
loopt in het vurig oranjebruin dat het staarthoek-derde der
vleugels kleurt, terwijl het puntderde zuiver roetzwart is.
Het oranjebruin heeft boven en aan den staarthoek , alsmede
aan het eind van ader 3 en 5 groote zwarte vlekken aan den
vleugelrand. De lange staart op ader 4 is aan de wortel-
helft geheel vurig oranjebruin, de tweede helft tegen den
binnenrand zwart, aan de spits en aan den voorrand bleek
zwavelgeel, in het midden oranjebruin. Franje binnen de
insnijdingen oranjebruin met bleek zwavelgele spits, overi-
gens als de aangrenzende vleugel gekleurd, in cel 6 geheel
bleek zwavelgeel.
Onderzijde der voorvleugels zeer schoon purperkleurig,
cel la echter geheel, 1b grootendeels eerst vuilwit, dan
donkergrauw, even als de franje en eene smalle streep
langs den voorrand vooral tegen de punt. Uit den vleugel-
wortel komen zeven korte’ zwavelgele langsstralen; de
onderste is echter flaauw en komt op den grijzen grond
weinig uit. De lichte dwarsband der bovenzijde is ook hier
aanwezig, doch loopt met eene gekromde punt # den staart-
hoek uit. Hij is alleen aan begin en einde zwavelgeel, overi-
gens meer bleek oliegeel en heeft eenen satijnglans. Een
onzuiver (geelachtig) witte, naar onderen dunnere en niet
scherp begrensde band loopt van vier vijfden des voorrands
naar den staarthoek, doch bereikt dien niet.
Wortelderde en puntderde der achtervleugels purper;
het eerste met vijf iets gebogen bleek zwavelgele langs-
strepen uit den wortel en daarvan de tweede (van onderen
af) met twee zijtakken; deze langsstralen worden gevormd
door de licht bestoven aderen; het puntderde vertoont
eenige roodgrijze schubben, eenigszins in den vorm van
152 NIEUWE ZUID-AMERIKAANSCHE GEOMETRINEN.
een half maantje bij den voorrandshoek; beiden zijn ove-
rigens even als boven door eene zwavelgele dwarsstreep
gescheiden, die echter breeder en langer is. Het overige
derde is als boven gekleurd en geteekend, doch de franje
is in de cellen geheel geelwit, alleen op de adereinden
zwart.
Pooten zwavelgeel met grauwachtige tarsen. Borst
zwavelgeel; de buik grauw met zwavelgeel gerande ringen ;
het laatste lid met twee witte en twee zwavelgele langs-
streepjes.
Van deze soort, die ik naar Dr. Staudinger benoem, ont-
ving ik het afgebeelde exemplaar ten geschenke. Zij is uit
Zuid-Amerika, waarschijnlijk uit Peru.
ESPÈCES NOUVELLES OU PEU CONNUES
D’ HYMENOPTERES TEREBRANTS,
DECRITES PAR
8. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
(Avec 3 planches.)
J'aurais dû, depuis la dernière révision de ma Liste d’Hy- -
menoptères néerlandais, donner la description de 9 espèces
nouvelles mentionnées dans cette liste sans diagnose ni
description; mais étant toujours occupé à remanier et à
amplifier la nomenclature elle-même, j'ai ajourne de ré-
pondre à ce que mes collègues en Hymenoptérologie avaient
bien certainement le droit d'attendre de moi. Maintenant
je viens réparer cet oubli en offrant au public non seule-
ment la description de ces espèces toujours inédites, mais
en outre celle de quelques autres, dont j’ai fait la connais-
sance dans les deux ou trois dernières années. Pour celui
qui s'occupe de l’étude des minimes espèces d’Hymeno-
ptères, la moisson est tellement riche qu’on n’a presque
qu’à etendre la main pour trouver des espèces inconnues
par dizaines; mais la grande difficulté qui se présente à
chaque pas est le doute si l’espece en question n’est point
décrite dans quelque mémoire peu connu, publié dans l’un
des cent et un recueils zoologiques, qu'on ne saurait con-
154 ESPÈCES NOUVELLES OU PEU CONNUES
naître tous en détail, même quand la bibliothèque d'un
particulier serait assez riche pour les contenir tous, sans
exception. Ce qu'il nous faut en premier lieu c’est une
révision magistrale du catalogue de Kirchner.
1. Amasis sanguinea Voll.
Planche 9, fig. 1 et la.
Am. colore sanguineo, antennis, oculis, maculis verticis,
mesothoracis et abdominis nigris. Long. 6 mm. Hab.
Marocco.
D'un rouge purpurin foncé, tout le corps couvert d’une
ponctuation dense, cette espèce se rapproche de /’Amasis
obscura F. La tête et le thorax offrent une villosité soyeuse
de couleur grise. Les yeux, une grande tache transversale
sur le vertex, ainsi que les antennes sont noirs; entre ces
dernières et les yeux on voit une fossette longitudinale
assez profonde. Les mandibules et les palpes sont noirätres.
De chaque côté du mésothorax on voit une tache longitu-
dinale noire. Les ailes sont hyalines transparentes avec
les nervures roussätres; la seconde nervure récurrente est
interstitiale avec celle qui sépare la première cellule cubi-
tale de la seconde. Le premier segment de l’abdomen est
noir excepté sur les côtés; le second offre une tache noire
sur la partie dorsale; le troisième une raie transversale
noirätre. Le sternum et le ventre sont noirs. Les pattes
sont dun rouge clair, à Vexception des hanches, des
trochanters, de l'extrême base des cuisses et des deux
derniers articles des tarses, dont la couleur est noire.
Je dois cet insecte à l’obligeance de M. Schepman, in-
tendant de la seigneurie de Rhoon et Pendrecht et possesseur
d’une fort belle collection conchyliologique. Il avait reçu
des coquilles du Maroc, parmi lesquelles il se trouvait une
Hélice, dans l’ombilic de laquelle avait été construit un
D HYMENOPTERES TEREBRANTS. 155
cocon qui après un laps de temps très-considérable , s’ouvrit
pour donner passage à notre Cimbicide.
2. Macrophya histrionica Voll. !)
Maer. nigra flavovariegata, alarum costa et stigmate nec
non tibiis et tarsis posticis ochraceis. Long 1 centim. g.
Cette jolie espèce est d'un noir mat sur la tête et le
thorax, d’un noir assez luisant sur l’abdomen. Les antennes
sont noires, quelque peu renflées en massue vers le bout.
Sur la face se voient deux sillons peu profonds, partant
des ocelles pour aboutir à côté de la base des antennes.
Le clypéus et la lèvre supérieure sont d’un jaune serin
ainsi que la base des palpes. De la méme couleur sont les
épaulettes du prothorax, les écailles alaires, l’écusson et
le post-écusson avec une tache ovale de chaque côté de la
poitrine. Les ailes ont une couleur jaune-brunàtre, plus
foncée aux antérieures dont la côte et le carpe sont
ochracés; les nervures sont noirätres, à l’exception de celles
de la cellule lancéolée qui sont jaunes; la nervation est con-
forme à celle de la Crassula. L’abdomen offre au premier
segment une bande échancrée d’un jaune serin, aux 3"*
Am et 7% segments des taches latérales d’un jaune verdàtre,
aux 5” et 6” deux bandes interrompues de même couleur ;
tandisque le bord supérieur du 8" est jaune-safran. Les
quatre pattes antérieures sont jaune-citron avec la base
des hanches noires et le bout des tarses roussätres. Les
pattes postérieures ont les hanches noires, avec l'extrémité
jaune-citron, les trochanters et la moitié des cuisses du
même jaune, le reste des cuisses noir avec le genou ochracé,
les jambes et les tarses aussi de couleur d’ocre.
La femelle que je décris, a été prise aux environs de
Baireuth par M. Zeller.
1) Il m'est impossible de retrouver l’insecte désigné par le numéro 179, une
femelle d’une nouvelle espèce de Macrophya, capturée à Rotterdam par M. Fransen.
156 ESPÈCES NOUVELLES OU PEU CONNUES
3. Tenthredo Colon Klug.
M. P. Cameron de Glasgow a eu la bonté de me donner
une remarquable variété de cette espéce, différente par la
couleur de l’abdomen qui est tout-à-fait noire. Les quatre
premiers articles des antennes sont noirs, le cinquiéme est
noiratre en dessus et d’un brun trés-pàle en dessous, les
suivants sont d'un blanc brunatre; l'extrémité du 9" est
un peu foncée. Les cuisses sont noires en dessus.
L’individu en question, une femelle, a été capturé en Ecosse.
4. Exephanes Occupator Grav.
La justesse du coup d'œil de Wesmael quant à la
distribution des femelles par rapport aux mâles des Ich-
neumons sans indication de provenance, réclame bien des
fois toute notre admiration; il semble n’avoir pas besoin
de les élever pour en faire des couples bien assortis; car
l'élève des deux sexes démontre presque toujours a pos-
teriori combien était juste et vraie sa supposition. Dans
son «Tentamen dispositionis methodicae» il a accouplé
UIchneumon occupator Gray. avec l’Exrtensorius var. 5 2 sous
le nom d’Ewephanes occupator ; eh bien! M. le Prof. Holm-
gren en Suede nous a annoncé quelques années plus tard
qu'il avait élevé les deux sexes de cet Exephanes des chry-
salides de la Nonagria Typhae; du moins c'est ee qui me
parait ressortir des paroles mêmes de M. Holmgren. Pour
qu'il ne reste aucun doute sur la légitimité de l’union, je
constate ici que M. Swierstra, conservateur du cabinet
d'insectes au jardin zoologique d'Amsterdam, à élevé plu-
sieurs exemplaires des deux sexes des chrysalides de la
Nonagria Sparganii. Les mâles, provenant de ces chenilles
ont sur la face deux larges taches triangulaires d’un jaune
de cire et une petite tache de même couleur sur le premier
article des antennes en dessous; l'extrémité de abdomen est
entièrement noire. Les femelles ont le quatrième segment
D'HYMENOPTÈRES TEREBRANTS. 457
de l'abdomen de la même couleur rouge que le second et
le troisième.
5. Platylabus pictus Voll,
Planche 9, fig. 2.
Plat. rufus, albo-nigroque variegatus, antennis ac tarsis
posticis albo annulatis, ano albo 3. Long. 9 mill.
Assez voisin du Plat. rufus Wesm., mais différant par la
base grêle du pétiole sans renflements latéraux et par la
distribution des couleurs. La tête est aussi large que le
thorax, noire, assez luisante, avec la face, la bouche,
les joues et presque tout le pourtour des orbites blancs.
Les antennes sont assez épaisses, presque aussi longues
que le corps, subserrulées; le premier article est blanc en
dessous, noir en dessus, les 15 suivants sont noirs en
dessus, ferrugineux en dessous, les 16—20 d’un blanc
jaunätre et les suivants bruns. Le thorax est rouge avec
la poitrine et la plupart des sutures noires, 5 à 6 petites
taches jaunes de chaque côté et une raie noire sur le milieu
du dos. L’écusson est rouge et son extrémité jaunätre. Les
ailes sont enfumées avec les nervures noires et le carpe
brun. L’abdomen a le premier segment noir, le 2°, le 3°
et la base du 4 rouges; l'extrémité de celui-ci, le 5° et
la base du 6° noirs, le reste blanc.‘ Les quatre pattes an-
terieures sont blanches et les cuisses rougeàtres, les hanches
et les trochanters marqués de noir; les pattes postérieures
sont noires ainsi que l'extrémité des hanches et des tro-
chanters, les épines à l’extrémité des jambes et les articles
3 et 4 des tarses blancs; la base des jambes est rougeàtre.
Le male d'après lequel cette description a été faite, fut
capturé aux environs de Montpeiller par M. le professeur
Lichtenstein.
158 ESPÈCES NOUVELLES OU PEU CONNUES
6. Crypturus niger Voll.
Planche 9, fig. 3 et 3a.
Crypt. niger, facie albomarginata, pedibus albo-rufoque
variegatis, Long. 8 mm.
Les catalogues d’Hymenopteres européens ne font mention
que d’une seule espèce de Cryplurus, PArgiolus Rossi,
décrite au long par Gravenhorst dans son «Ichneumono-
logia”. M. Gribodo de Turin m’a envoyé une seconde espèce
de ce genre, qui ne me semble pas pouvoir être comptee
pour une variété de l’Argiolus, attendu que la tête a une
forme bien différente. Celle de l’Argiolus est fortement ré-
trécie en arrière des yeux, de sorte que vue d’en haut
elle semble cordiforme, tandisque la tête du Niger est presque
aussi large en arrière des yeux, qu’un peu plus en avant
mesurée avec les yeux, et garde la même largeur jusqu'aux
angles postérieurs qui sont très-arrondis. Ce qui m'a
particulièrement frappé dans la description que donne Graven-
horst, c'est qu’il n’y est pas fait mention de l’excessive
longueur des pattes postérieures, fait qui frappe les yeux
à la première inspection. Gravenhorst dit bien des pattes
en général: «pedes elongati, graciles», mais il ne dit rien
de spécial sur les postérieures dont la longueur par rapport
aux quatre autres est disproportionnée et rappelle celle du
Linoceras macrobatus Grav. parmi les Cryptides. Notre Cryp-
turus niger a les jambes postérieures tout aussi longues.
La tête est noire avec la partie faciale des orbites blan-
chatres; la bouche est noire, avec les palpes d’un blanc
grisàtre; les antennes sont noires. Tout le thorax est noir,
couvert d'une ponctuation fine et serrée, et d’une pubes-
cence grisätre. L’abdomen est noir, glabre, presque luisant,
pointillé; la courbure du premier segment ne me semble
pas être celle d’un Ichneumonide, mais plutôt celle d’un
D’HYMENOPTERES TÉRÉBRANTS. 159
Tryphonide 1). Les ailes sont hyalines à nervures noires
et base pâle. Les 4 pattes antérieures ont les hanches
noires, les trochanters blancs, les cuisses d’un rouge pâle,
les jambes d’un blanc rougeätre et les tarses blancs à
extrémité noire; les postérieures ont la hanche, le trochanter
antérieur et la jambe noirs, ainsi que la base du premier
article des tarses; le trochanter postérieur et la cuisse sont
rouges, les tarses sont blancs à l’exception des deux ex-
trémités noires.
L'insecte qui me semble un mâle, a été pris dans un
des départements méridionaux de la France.
7. Euceros unifasciatus Voll.
Dans ma dernière révision des Hyménoptères néerlandais
jai donné ce nom à deux femelles que je regardais alors
comme appartenant indubitablement à une espèce inconnue
d’Euceros (Eumesius Westw.), mais au sujet desquelles mon
opinion n'est plus aussi arrêtée qu’alors. Elle a été quel-
que peu ébranlée par le fait que j'ai trouvé dans la collec-
tion de M. Holmgren sous le nom de E. crassicornis Grav.
(Morionellus Hlmgr.) une femelle ne différant que trés-peu
des miennes. Quoiqu'il en soit, voici la description de
mon Unifasciatus.
Long. 8 à 10 mm. — Noir, peu luisant, couvert d’une
dense pubescence très-courte, grise. Lèvre et palpes pales ;
une tache longitudinale, sub-triangulaire au bord antérieur
de chaque ceil, ainsi qu'une tache allongée derrière l'œil,
de couleur jaune trés-pale. Deux points blanchätres sur le
bord antérieur du mésothorax, deux autres à la base de
l’écusson, le bord postérieur de celui-là avec une raie sur
le post-écusson jaunätres. Point de cellule supéromédiane
sur le métathorax. Base des ailes avec la côte jaunatre , carpe
1) Chez Z’Argiolus la forme du premier segment est identique.
160 ESPÈCES NOUVELLES OU PEU CONNUES
d'un brun pale. Abdomen plus large que le thorax, noir
à l'exception d’une bande interrompue d’un blanc laiteux
au bord du premier segment, et du ventre qui est d'un
jaune d’ocre antérieurement. Pattes de la première paire
d'un jaune brunätre à hanches et trochanters noirs; pattes
intermédiaires de même, sauf que la base des cuisses est
noire, les pattes postérieures noires à genoux brunätres.
Tel est le signalement des femelles capturées par M.
van der Wulp près de la Haye et par M. Ritsema à Leide;
mais je possède encore une femelle, prise par M. Ritsema
(au bois d’Ulvenhout près Breda), qui diffère des deux
autres par la coloration des pattes postérieures. Celles-ci
ont le dessous des hanches d’une couleur feuille-morte, les
trochanters noirs, les cuisses d’un jaune brunätre et le
reste des pattes noir.
TRICHOMASTIX !).
Nouveau genre de Tryphonide.
Il est toujours difficile et souvent dangereux de fonder
un genre sur une espèce dont on ne possède qu’un seul
individu; cependant souvent la science profite de la publi-
cation et lorsque une fois la glace est rompue, on remarque
avec satisfaction que d’autres rapports sur l'espèce jusqu’-
alors inconnue et par cela même reléguée parmi les points
d'interrogation surgissent de toutes parts. C’est ce qui me
décide à publier comme appartenant à un genre nouveau
un insecte de la sous-famille des Tryphonides; mais comme
je ne me soucie pas de mutiler le seul exemplaire que je
possède, je ne saurais, il faut bien l'avouer, lui assigner avec
certitude la place qui lui convient.
M. Kriechbaumer de Munich, à qui j'avais envoyé une
description accompagnée d’un croquis de mon insecte,
croit qu'il faut le placer entre les Bassus ou bien tout à
1) De ÛgeË, poil et wasted, fouet.
D’HYMENOPTERES TEREBRANTS. 161
cöte de ce genre. Il me semble que le genre nouveau,
quoique appartenant aux Tryphonides schizodonti par la
seissure des dents aux mandibules, ne saurait former tout
simplement une division dans le genre Bassus, la confor-
mation de ses antennes et la compression excessive de
l'abdomen s’y opposant. Voici les caractères du genre,
Caput transversum. Clypeus discretus et valde depressus.
Mandibulae apicem versus attenuatæ, dente supe-
riore bifido. Antenna filiformes, pilosæ, 19 articu-
lorum, quorum tertius basi pergracili. Thorax brevis
gibbulus. Abdomen sessile, inde a segmento tertio
valde compressum, terebra exserta brevi. Alarum
areola deficiente.
8. Trichomastix polita Voll.
Planche 9, Fig. 4 et 4 a,b, c.
Trich. nigra, nitida, ore et thorace albomaculatis, pedibus
fulvis, tibiis fuscescentibus, basi alba. Long. 8 mm.
D'un noir luisant. La face offre une dépression remar-
quable sous les ocelles et à l’entour de la base des antennes,
au dessous de laquelle se voit une petite bosse, peu éle-
vée. Le clypéus est fortement déprimé et comme les parties
de la bouche d’un blanc sale; cependant les mandibules,
dont la couleur est un peu plus jaunâtre, sont bordées de
noir, particulièrement aux dents. Les palpes maxillaires
ont cinq articles et les labiaux quatre. Les veux sont ovales,
bruns. Les antennes sont filiformes, aussi longues que la
moitié du corps, de 19 articles, noires; les deux premiers
sont lisses et luisants, les suivants de couleur mate et
poilus ; le 3”° est aussi long que les 4”° et 5"° réunis, le dernier
est un peu plus long que l’avant-dernier, l'extrémité en
est obuse (Fig. 4°). Le thorax est très luisant, bombé sur le
dos, plus haut que large, court par rapport à l'abdomen ;
les flancs offrent de chaque côté une dépression assez no-
11
162 ESPÈCES NOUVELLES OU PEU CONNUES
table, le métathorax est rugueux et (à ce qui me parait)
sans carinules. Un trait blanc se voit de chaque côté en
avant de l'insertion des ailes, dont la squamule est blanche,
ainsi qu'un point calleux au dessous. L’écusson offre deux
points allongés blancs, partant de la base. Les ailes sont
enfumées à nervures noirätres; la côte en est blanchätre
à la base, le carpe brun à base blanche. L’abdomen est
deux fois plus long que le thorax et fortement comprimé
depuis la base du 3" segment; il est entièrement noir à
l'exception de la base du ventre qui est blanchätre. Le
premier segment est distinctement aciculé et offre en outre
deux carinules divergentes sur le bord latéral; la base du
second est aciculée de même entre les gastrocoeles. Le
troisième segment est très-long et le bord postérieur en
est échancré sur le dos. Les pattes sont de longueur or-
dinaire, les cuisses et jambes postérieures renflées; la couleur
des hanches, des trochanters et des cuisses est fauve, les
quatre jambes antérieures sont fauves à base blanchàtre,
les postérieures sont d’un brun clair à base blanche; les
tarses de devant sont fauves, les quatre autres sont d’un
brun pâle à base blanche.
Je dois mon unique exemplaire à la complaisance de
M. le Général van Hasselt, qui le trouva dans les dunes
de Scheveningue. M. Kriechbaumer m’annonce qu'il possède
un exemplaire presque identique, provenant de la Silésie.
9. Bassus cinctus Grav. 9
Chez Gravenhorst et Holmgren on ne trouvera que la
description du mäle. La femelle semble être demeurée in-
connue jusqu’ä-present. J'ai trouvé dans une collection
d'Hyménoptères de M. le Prof. Lichtenstein une femelle de
Bassus qui me paraît être celle du cinctus, vu qu'elle offre
les mêmes particularités de structure et de coloration que
le male, par exemple l’aréole supramédiane du métathorax
distincte, le premier segment de l'abdomen plus long que
D'HYMENOPTÈRES TÉRÉBRANTS. 163
large, la nervure transverso-anale des ailes postérieures
anguleuse en dessous de son point médian et les bords des
segments intermédiaires de Vabdomen colorés en jaune
orangé.
Elle diffère du mâle en ceci: à la face les orbites,
ainsi qu'une tache ronde au dessus du clypeus sont jaunes ;
non seulement le bord postérieur des segments 2 et 3 de
l'abdomen est largement bordé de jaune orangé, mais
aussi la base du 3” est finement bordée de jaune; le 4"°
a le bord jaunâtre peu défini et les suivants ont la bordure
plutôt grise que jaune. Les pattes sont colorées comme
chez le mâle, mais l’extreme base des cuisses et des jambes
aux 4 postérieures est noire.
Cette femelle a été prise aux environs de Montpellier.
10. Phytodictus exareolatus Voll.
Planche 9, fig. 5.
Phyt. niger thorace flavomaculato, abdominis nitiduli
segmento primo albo-marginalo, pedibus fulvis nigroma-
culatis, tibiis et tarsis posticis nigris, alis sine areola,
Long. 7 mm. ¢
Cette espéce nouvelle a le plus de rapport avec l’Obscurus
de Desvignes, cependant elle en diffère à plusieurs égards.
La tête, plus large que le thorax, a les parties de la
bouche brunes et deux petits traits jaunes entre les yeux
et les ocelles. Les antennes presque aussi longues que le
corps, ont le premier article entièrement noir et les suivants
d'un brun pale, plus foncé en dessus. Le thorax est d'une
couleur noire, un peu plombée et offre quelques traits et
taches jaunes, savoir: deux traits huméraux fort minces,
Yécaille alaire et une petite tache en avant, deux points
à la base et une bande à l'extrémité de l’écusson, le post-
écusson, enfin deux taches sinuées sur la partie déclive
du métathorax. L’abdomen est d'un noir luisant; les seg-
164 ESPÈCES NOUVELLES OU PEU CONNUES
ments antérieurs sont séparés l’un et l’autre par des
étranglements ; le premier est bordé de blanc et le second
a les angles latéraux jaunes; l’extr&me bord des derniers
est blanchâtre. La tarière est un peu plus longue que la
moitié de abdomen, finement velue, et a l'extrémité blanche.
Les ailes sont transparentes à nervures päles; la côte et
le carpe sont jaunes; l’aréole n'est qu'indiquée car la
nervure extérieure manque. Les 4 hanches antérieures sont
noires à extrémité jaune, leurs trochanters sont jaunes à
base maculée de noir, les cuisses sont fauves, les jambes
de la première paire jaunes ainsi que les tarses, celles de
la seconde jaunes et tres-päles aux deux extrémités, les
tarses d’un brun pale, plus obscur vers l'extrémité. Les
hanches de la troisième paire sont fauves avec un point
noir au bout; les trochanters noirs en avant, puis jaunes,
les cuisses fauves à deux anneaux bruns, l’un à la base
l'autre avant le genou qui est jaune, les jambes et les
tarses des pattes postérieures sont noirs.
Une femelle de cette espèce provint à Voorst en Gueldre
d'un cocon elliptique de soie jaune grisätre pâle, trouvé
par M. le docteur Wttewaall.
PH rp wars:
Nouveau genre de Pimplides.
Genre voisin d’Arenetra et comme celui-là appartenant
aux Pimplides aberrants. Il a la tête transverse, renflée,
presque cubique, le bord du vertex tranchant; les yeux
proéminents; les antennes filiformes, assez longues; le
mésothorax divisé en trois lobes distincts, le métathorax
long, peu incliné dans sa partie postérieure avec une
aréole supéromédiane distincte et allongée. L’abdomen est
subpétiolé, s’élargissant jusqu'au bord du quatrième seg-
ment et terminé en massue. La tariere est peu allongée,
Les ailes antérieures sont assez larges, arrondies à l’apex,
D'HYMENOPTÈRES TEREBRANTS. 165
à aréole obliquement triangulaire subpétiolée. Les pattes
sont assez longues et grèles, à crochets fort petits.
41. Phidias aciculatus Voll.
Planche 10, fig. 2 et 2a,
Phid. niger, nitidulus, pedibus pallide brunneis, abdomi-
nis segmentis eburneo marginatis. Long. 8 mm.
Noir, fort luisant sur la tête et le mésothorax. Veux
gros, saillants, bruns. Antennes plus longues que les deux
tiers du corps, dun gris noirätre; les trois premiers ar-
ticles brun foncé. Thorax à villosité microscopique et soyeuse ;
écusson assez grand et bombe; metathorax de couleur
mate. Ailes transparentes et irisées à carpe et nervures
d'un brun tres-päle. Premier segment de l'abdomen aciculé,
ainsi que la base du second, les autres lisses, les derniers
couverts d'une villosité soyeuse; la couleur en est d'un
noir brunatre; le second segment a une bordure assez
large de couleur d'ivoire, les suivants des bordures plus
minces et dont la couleur passe successivement de l’éborine
au blanc crayeux. La tarière ne dépasse pas le tiers de
la longueur de l'abdomen. Les quatre pattes antérieures
sont brun clair, les hanches et les trochanters blanchätres;
les postérieures sont de couleur plus foncée, mais l’extré-
mité des hanches, les trochanters, la base des cuisses, les
genoux et la base des jambes sont d’un blanc sale.
L’exemplaire femelle que jai décrit, m'a été envoyé
d'Angleterre par le reverend Dr. T. A. Marshall.
12. Acoenites nigripennis Grav.
Planche 10, fig. 3.
Grav. Ichn. Eur. Ill. p. 815, n°. 6.
Comme cette espéce parait être trés-rare et qu'elle n'a
jamais été figurée, je donne le dessin d’après nature d’une
166 ESPÈCES NOUVELLES OU PEU CONNUES
femelle, capturée dans les Pyrenées par le révérend Mars-
hall, qui a eu la bonté de mettre son exemplaire unique
durant quelque temps à ma disposition.
L'insecte en question n’est pas entièrement conforme à
la description donnée par Gravenhorst. Il a les pattes co-
lorées comme celles du mâle et abdomen est tout-à-fait
de couleur marron, excepté la base qui est noire. Le mé-
sothorax est couvert dans le milieu du dos de plusieurs
séries longitudinales de points enfoncés, et un peu déprimé;
le métathorax est fortement rugueux. Le dernier article
des tarses est presque aussi long que le premier, tandis que
le 2°et le 3°, et bien plus particulièrement le 4° sont courts,
43. Scolobates Marshalli Voll.
Planche 10, fig. 1 et la.
Scol. miyer, thorace punctulato pubescente, abdominae ni-
lente medio rufo, pedibus anterioribus dilute rufis,
posticis nigris. Long. fere 12 mm. ¢
Cette espèce est assez voisine de l’Aurculalus F. (Cras-
sitarsus Grav.), mais elle en diffère par la tête et les pieds
postérieurs entièrement noirs, ainsi que par plusieurs autres
détails importants.
Tête et thorax noirs, pointillés et pubescents; tete trans-
verse et large, quelque peu émarginée à l’occiput, dilatée
en arrière des yeux. Ceux-ci ovales, d’un brun tres-päle;
ocelles grands, blancs. Palpes gris. Antennes filiformes,
aussi longues que le corps, noires; le troisième article plus
long que le premier; je n’ai pas réussi à compter les ar-
ticles; le dernier finit en pointe. Thorax un peu plus large
que la tête, à mésothorax bombé. Squamules alaires noires.
Ailes hyalines, un peu enfumées vers le bout; la nervure
costale et le carpe brun clair; les autres nervures plus
foncées, excepté à la base des ailes, Toutes les hanches
D'HYMENOPTÈRES TÉRÉBRANTS. 167
et les trochanters sont noirs; les cuisses antérieures noires
à la base, ensuite d’un jaune brunätre, les jambes et les
tarses jaune sale, les crochets grands et bruns; les pattes
intermédiaires assez conformes, mais un peu plus foncées
en couleur, principalement aux tarses. Pattes postérieures
tres-longues et très-fortes, entièrement noires; hanches et
cuisses très-luisantes, jambes mates et pubescentes ; dernier
article des tarses aussi long que le second, 3° et 4 plus
courts.
L’abdomen, mince à sa base, acquiert sa plus grande
largeur au quatrieme segment et est un peu comprime
après le 3"; le premier est une fois et demie plus long
que le second et noir jusque pres du bord postérieur; ce
bord avec les segments 2 à 4 sont d’un rouge orangé,
luisant comme de la porcelaine; les suivants sont noirs à
fine bordure blanche.
L’individu mâle que je décris, a été pris dans les Py-
renées par le révérend docteur Marshall.
1%. Ophion unicallosus Voll.
Planche 10, fig. 4 et 4a.
Ophion brunnescenti-flavus, facie angustissima, antennis
fulvis, metathorace rugoso. Long. 26 mm.
M. Holmgren a décrit sous le nom de Ophion repentinus
une espèce distincte de toutes celles connues antérieurement
par le fait que la première cellule cubitale n'offre qu'un
seul point calleux. En voici maintenant une autre qui
outre cette particularité, en offre deux autres bien remar-
quables, l’amincissement de la face et la rugosité du
metathorax.
La couleur generale du corps est un jaune sale ou bru-
nätre; le méso- et le metathorax sont plus obscurs sur le
dos et abdomen offre une raie brune sur le dos des seg-
ments 3—7, La face est trés-étroite et les yeux qui sont
168 ESPÈCES NOUVELLES OU PEU CONNUES
d'un brun presque noir, touchent presque aux ocelles.
Les antennes qui n’ont pas la longueur du corps, sont
fauves, à troisième article noiràtre. L’écusson est assez
élevé et plus jaune que les parties environnantes. Le mé-
tathorax est couvert de rides obliques qui semblent re-
tomber de chaque côté comme les branches d’un saule
pleureur, en laissant au milieu un espace libre longitu-
dinal, simulant le tronc. Les ailes antérieures n’olfrent
dans la première cellule cubitale qu'un seul point calleux,
et la première moitié du radius est comme noueuse vers
ce point-là. I’abdomen et les pattes n’offrent rien de re-
marquable; la tarière est très-courte.
M. le professeur Lichtenstein, de l’université de Mont-
pellier, prit en Espagne une femelle de cette espèce
remarquable,
45. Anomalon melanocneme Voll.
Planche 10, fig. 5_et 5a.
An. nigrum, ore, clypeo, facie el apice genarum flavis ;
antennis rufofuscis corpore brevioribus ; abdomine rufo,
basi et apice, nec non dorso segmenti secundi nigris ;
libiis posticis nigris, basi alba. Long. 1 cm.
Quoique celte espèce ait le bord du chaperon plutôt ar-
rondi que pointu, elle appartient bien certainement par
sa neuration au genre (ou sous-genre) Anomalon de Wes-
mael. La tête et le thorax sont noirs, pointillés, peu lui-
sants, couverts d'une villosité grisätre, courte et serrée.
La face plus large en haut qu'en bas, est jaune ainsi que
la bouche, le chaperon, le bas des joues et les palpes; le
bord orbital externe est taché de brun-rougeatre. Les
antennes sont aussi longues que la moitié du corps, noires
en dessus, brunes en dessous. Les ailes sont hyalines à
carpe d'un jaune brunatre; la seconde nervule récurrente
D'HYMENOPTÈRES TEREBRANTS. 169
est interstitiale, la première est brisée au dessus du mi-
lieu; la nervure anale des inférieures est brisée au dessous
du milieu. L’abdomen est rouge sur la seconde moitié du
premier segment, sur le second à l'exception d'un trait
dorsal, sur le troisième et quatrième et les flancs du
cinquième; les valvules de la tariére sont en massue, assez
allongées, noires. Les pattes antérieures sont jaunes à
hanches et trochanters noirs; les intermédiaires ont les
hanches, les trochanters et la base des cuisses noirs, les
cuisses et les jambes fauves, les tarses brunàtres à bases
des articles jaunes; les postérieures sont noires et l’extreme
base des cuisses rouge, celle des jambes blanche et les
deux premiers articles des tarses d’un rouge sombre.
C'est encore à M. Lichtenstein que je dois la connais-
sance de cette espèce, dont il captura un exemplaire
femelle près de Montpellier.
16. Cremastus balteatus Voll. !).
Planche 10, fig. 6.
Crem. niger, orbitis albis, abdomine medio, femoribus et
libiis rufis. Long. 9 mm.
Voisine du Crem. pungens Grav. La tete est noire avec
les orbites tant externes qu’internes blanches, le chaperon
blane à disque brunätre et les mandibules blanches; en
dessus du chaperon se voit en outre une tache triangu-
laire blanche. Yeux grands, d’un gris brunätre. Antennes
noires, quelque peu fauves en dessous. Thorax entière-
ment noir à métathorax peu proéminent. Ailes faiblement
enfumées à base et à écaille blanches, à carpe et à ner-
vures noires. Abdomen comprimé à partir de la base du
troisième segment, noir avec des bandes rouges, savoir:
1) 1 faut rayer de la liste des espèces le Cremaslus cabalisticus n°. 739% qui
nest pas une espèce nouvelle, et u’appartieut pas même au genre.
170 ESPÈCES NOUVELLES OU PEU CONNUES
l'extrémité du second segment, le 3, le 4° excepté la
base, l’extrémité du 5°, ainsi que du 6°; la moitié anté-
rieure du second est aciculée. Le pli ventral est jaune.
Les hanches et les trochanters sont noirs ou tachetés de
jaune et de noir, les cuisses et les jambes sont fauves;
les tarses sont jaunätres, ceux de la paire postérieure ont
l'extrémité des articles brunatre.
M. F. J. M. Heylaerts fils a bien voulu m’olfrir un male
de cette espèce, capturé par lui aux environs de Breda.
17. Cremastus sabulosus Voll.
Planche 10, fig. 7 et 7a.
Crem. niger, capite thoraceque albo pictis, apice metathoracis
distincte ultra medias coras posticas producto; pedibus
anticis testaceis, posterioribus fusco testaceoque varie-
gatis. 3 Long. 5 mm.
Cette espèce semble intermédiaire entre le Crem. signatus
Holmgr. et albipennis Zett. et pourrait peut-être passer pour
le mâle jusqu’a-present inconnu de la premiere. Elle se
rapproche de celle-ci par le dessin du thorax, de celle-là
par la couleur des ailes.
La tête est transversale et assez large, noire, peu lui-
sante; les orbites, les joues, le chaperon, les mandibules
et les autres parties de la bouche sont d’un blanc jaunätre.
Le thorax est long, beaucoup plus large en avant qu'en
arrière, à mésothorax trilobé et à métathorax dépassant
la moitié des hanches postérieures; il est noir, avec deux
traits en hameçon sur le dos du prothorax jaunâtres. Bords
latéraux de l’écusson et écailles alaires de même couleur.
Les ailes sont d'un blanc laiteux à carpe brunatre; les
nervures sont blanches à l'exception du radius, de la ner-
vure transverso-cubitale et d’un point noir sur la nervure
médiane. L’abdomen est noir à ventre jaunätre. Les pattes
de la première paire sont ochracées, à trochanters bruns;
D'HYMENOPTÈRES TEREBRANTS. va
les intermédiaires et les postérieures sont bigarrées de
brun et d’ochracé; les jambes postérieures sont noires à
trait blanc longitudinal.
M. van der Wulp trouva deux mâles de cette espèce au
mois d'Aoùt dans les dunes de Scheveningue. La femelle
m'est inconnue.
18. Atractodes spiniger Voll.
Planche 10, fig. 8.
Atr. niger, antennis tricoloribus, metathorace spinoso, pe-
dibus et abdominis medio rufo. Long. 8 mm.
Si le second segment abdominal était transversal et
non plus long que large, cette espèce pourrait se placer
à côté du Varicornis Holmgr. auquel elle ressemble. La
tête est noire; le chaperon est hérissé de poils; les man-
dibules sont brunes et les palpes blanchätres à base plus
foncée. Les antennes sont assez épaisses, plus longues que
la moitié du corps; le premier article est fort, noir avec
le dessous d’un brun rouge, le second qui est petit, est
entierement de cette couleur; les trois suivants, assez
allongés, de couleur ochracée, le 8° au 12% blancs, tous
les autres noirs. Le thorax est noir; le métathorax offre
au bord latéral de la partie déclive deux dents très-saillantes
et au dessous deux autres plus petites. L’abdomen est
fusiforme et assez grele, les trois articles antérieurs sont
rouges à l’exception de la base noire, les suivants sont
noirätres, trés-luisants à bords jaunätres. Les ailes sont
hyalines à base pâle, à carpe et à nervures brun-clair.
Les pattes sont rouges, les tarses des intermédiaires
brun-clair, l'extrémité des jambes postérieures et les tarses
dun brun plus foncé.
Je possède un individu male de cette espèce, capturé
aux environs de Leyde.
472 ESPÈCES NOUVELLES OU PEU CONNUES
19. Laccophrys Villae novae Voll,
Planche 11, fig. 1, 1a et 159
Lace. fulvus, antennis, oculis, ocellis et terebra atris.
- Long. 4 s. 5 mm.
Quoique je ne remarque point de nervule transversale
dans la cellule humérale postérieure, comme M. Reinhardt
la mentionne et la figure dans la Berliner Zeitung IX. p. 266,
PE II, © 06, je ne doute pas que l'espèce ‘que je vais
décrire, n’appartienne au genre Laccophrys.
Tout le corps d’un fauve luisant, plus rougeätre chez
la femelle, plus jaunatre chez le male. La face offre trois
carinules longitudinales peu élevées; au-dessus du chaperon
se voit une rangée de poils. Les yeux sont en ovale et
noirs, les ocelles très-rapprochés les uns des autres, de
même couleur. Les antennes sont sétiformes, aussi longues
que le corps, composées d’un grand nombre d'articles noirs,
le scape étant fauve. Le thorax et l’écusson n’offrent rien
de remarquable. Les ailes sont grandes, hyalines à reflets
irisés, le carpe et la nervure costale étant d'un brun foncé,
les autres nervures brun-clair. L’abdomen est court, sub-
sessile, ovalaire, son premier segment pourvu de carinules
latérales. La tariére est droite, aussi longue que l'abdomen,
noire. Les pieds sont moyens, de la couleur du corps, à
l'exception du dernier article des tarses qui est brun.
J'avais vu quelques-uns de ces insectes volliger autour
d'une plante de Bryonia europaea dans les dunes de Waals-
dorp et j'ai capturé le 5 Juillet des males sur les fleurs
de la même plante dans le jardin d’une villa à Naaldwijk.
Chaque fois que je vis ces Hyménoptères, ils se trouvaient
meles à une troupe de Trypeta Wiedemanni, jouant amou-
reusement sur les feuilles et les fleurs, ce qui me fait
supposer qu'ils y vivent en parasites. Plus tard je reçus de
la Zélande une femelle, prise par M. Gerth van Wijk.
D'HYMENOPTERES TEREBRANTS, 173
20. Laccophrys Medenbachii Voll.
Planche 11, fig. 2.
Lacc. castaneus, capite, pedibus ac segmento secundo ab-
dominis rufis, alis obscuris. Long. 4 mm.
Cette nouvelle espèce ressemble le plus à la Rubriceps
Ratz. mais en diffère par la couleur moins foncée du corps
et celle plus obscure des ailes, ainsi que par la couleur
rouge des pattes. — Tête très-large, fauve, à palpes bruns,
yeux et ocelles noirs. Antennes de 30 articles, assez
épaisses à la base, microscopiquement velues, noires, à
scape lisse et luisant. Thorax allongé, moins large que la
tête, d’un brun marron, passant au noir sur le métathorax
qui est fortement rugueux. Ailes très-obscures à raie blan-
châtre au dessous du carpe; celui-ci tres-grand; nervure
récurrente interstitiale. Abdomen plus court que le thorax, à
premier article noir, aciculé; le second lisse et rouge, les
suivants très-luisants chätains avec une tache noire sur
le dos; la tariere plus courte que l’abdomen, faiblement
recourbée en haut, noire. Pattes assez fortes d’un rouge
fauve à tarses postérieurs brunätres.
Je dédie cet insecte à la mémoire de M. A. B. van Me-
denbach de Rooij, zélé entomologiste, décédé dans la force
de l’âge et qui donnait les plus belles espérances; c'est à
lui que je dois la femelle décrite plus haut, prise dans
les environs d’Arnhem le 21 Juillet.
21. Microdus compeditus Voll.
Cette espèce dont il est fait mention sous le numéro 825°
dans la dernière révision (Tijdschr. v. Ent. Tome 19", pag. 243)
doit être portée sur la liste comme Microdus rugulosus Nees
ab Es. Elle a été suffisamment décrite dans le premier
tome des «Hymenopterorum Ichneumonibus affinium Monogra-
phiae” pag. 148; il n'est donc pas nécessaire d’y revenir.
174 ESPÈCES NOUVELLES OU PEU CONNUES
22. Alysia Theodori Voll.
Planche 11, fig. 3 et 3a.
Al. nigra nitida, abdominis medio fulvo, pedibus piceis,
antennarum articulo quarto longiore quam tertio, radio
ab alarum apice remoto. Long. 54 mm.
Cette espèce nouvelle a les plus grands rapports avec
la 30° de M. Haliday (Entom. Magaz. V. p. 232), dont il a
figuré les ailes sous les n° 15 et 29 de la 17° Planche;
cependant elle en diffère par la couleur et qui plus est,
par ce que la cellule anale des ailes postérieures est plus
longue.
La tête et le thorax sont noirs, luisants, les mandibules
sont couleur de poix, les palpes blanchâtres. Les antennes
dépassent le corps en longueur et sont noires avec la base
couleur de poix en dessous; le 4° article est plus long que
le troisième. Les écailles alaires sont brunes, les ailes un
peu enfumées; le carpe est épais et le radius atteint la
côte avant l'extrémité de l’aile; la nervure récurrente est
presque interstitiale. L’abdomen dont le bout est trés-obtus,
est un peu plus long que le thorax et moins large; il est
luisant sur le premier segment qui me semble raboteux
ou aciculé; celui-ci est noir en dessus, fauve en dessous;
les deux suivants sont entièrement jaunes, le quatrième
est noir à bordure fauve, les derniers noirs. Les quatre
pattes antérieures sont d’un jaune brunätre, les deux pos-
térieures couleur de poix a articulations jaunatres.
Je dois l'individu (9) que je décris à l’obligeance de M.
Théodore van Hasselt, qui le captura dans les dunes de
Loosduinen et auquel je me fais un vrai plaisir de le
dédier.
D'HYMENOPTÈRES TÉRÉBRANTS. 475
23. Mesora analis Voll.
Planehe 11, fig. 4.
Mes. nigra nitida, mandibulis et antennis brunneis, pedibus
et segmentis ultimis abdominalibus rufis. Long. 4 mm.
Je ne connais le genre Mesora que par les tables analy-
tiques des Braconides de M. le Prof. Förster (Verhandlun-
gen des Nat. Vereins pr. Rheinl. u. Westphal. XIX) et par la
description du type Gilvipes qu'a donnée M. Haliday dans
sa brochure « Hymenoptera britannica, Alysia»; mais je ne
doute nullement que mon espèce nouvelle n’appartienne à
ce genre.
Elle a les machoires hiantes des Braconides exodontes,
deux cellules cubitales (Dacnusoidae), la neuration de l’espece
typique sus-nommée, le postécusson mutique, les yeux
glabres et quatre articles aux palpes labiaux. Elle diffère
de la Gilvipes seulement par le nombre des articles aux
antennes, qui au lieu d’être de 25—29 (Haliday), sont de
33. Jajouterai que si le genre Mesora n'est point adopté
par les Hymenopterologues, notre espèce doit rentrer dans
le genre Dacnusa de Haliday.
Corps court et trapu d’un noir luisant. Tête courte et
très-large, avec deux petites élévations obliquement au
dessous de la base des antennes. Parties buccales brunes,
la machoire de droite à deux dents, celle de gauche à trois;
palpes päles. Yeux arrondis, glabres, noirs. Antennes séta-
cées, plus longues que le corps, brunes; le scape allongé,
noir, les derniers articles presque granuleux. Thorax presque
aussi haut que long; les sutures des lobes du mésothorax
crénelées et sur le lobe médian avant l’écusson le commen-
cement d’une autre ligne enfoncée dont les bords semblent
dentelés. Deux fossettes à la base de l’écusson ; le métathorax
rugueux. L’abdomen est aussi long que la tête et le thorax
réunis, en ovale arrondi à l’extremite, d’un noir de poix,
couvert d’une pubescence blanche; le bord des 2" et 3"
176 ESPÈCES NOUVELLES OU PEU CONNUES
segments et toute l’extrémité sont rouges. Les ailes sont
enfumées; le carpe et les nervures d’un brun de poix. Les
pattes sont fauves, à l'exception de la base des hanches et
des tarses postérieurs.
Le mâle que je décris, a été pris par M. Gerth van Wijk
le 30 Juillet à Biggekerke en Zélande.
24. Hetroxys Gribodii Voll.
Planche 11, fig. 5.
Cyaneo-viridi-metallicus, abdomine obscuriore, anlennarum
scapo, pedibus praeter coxas et ventris basi fulvis, alis
fusco-bimaculatis. Long. 7 mm.
La téte est large et courte, bombée sur le vertex et
derrière les yeux, trés-finement pointillée, d’un beau bleu
métallique un peu verdätre; la face est un peu déprimée
sur le devant comme pour y loger le scape des antennes
qui est fauve, tandis que tous les articles suivants sont
noirs. Les yeux sont arrondis, peu proéminents, bruns. Le
prothorax qui forme une sorte de col boursoufflé, est d'un
bleu foncé verdätre, le mésothorax, l’écusson et le court méta-
thorax sont d’un vert métallique et ponctués plus grossière-
ment que la tête; les flancs sont d’un bleu foncé. Les squamules
alaires sont lisses et brunes; les ailes transparentes, à ner-
vure noire et à deux grandes taches brunes, dont la seconde
semble pendre au rameau radial; chaque tache a au dessous
une petite nébulosité brune. L’abdomen très-grêle et allongé
est d’un brun obscur métallique à reflets verts; la base du
dos est verte et celle du ventre rouge. Les hanches sont
d'un beau violet et le reste des pattes est fauve à l’excep-
tion des crochets qui sont noirs.
Monsieur J. Gribodo, entomologiste zèlé de Turin, a pris
deux exemplaires femelles de cette espèce dans le nord de
l'Italie et ayant eu la bonté de m'en offrir un, je me fais un
devoir de lui prouver ma reconnaissance en lui dédiant cette
belle espèce.
D’HYMENOPTERES TÉRÉBRANTS. 477
25. Goniozus tibialis Voll.
Planche 11, fig. 6.
Gon. niger nitidus, antennarum parte media, libus tarsisque
fulvis, alis hyalinis abdomine brevioribus, ramo radiali
elongato. Long. 3 mm.
DI
On connait quatre espèces de Goniozus; deux d’entre
elles (Claripennis et Fuscipennis) ont les jambes médianes et
postérieures noires; les deux autres (Mobilis Först. et
Distigmus Thoms.) les ont de couleur fauve. Je dois faire
remarquer ici que je connais la dernière espèce de visu,
ayant reçu de l’auteur un exemplaire mâle typique. En Hol-
lande se trouve une cinquième espèce, plus grande que le
Distigmus, qui offre plusieurs caractères du Claripennis.
Le corps est noir, coriace, assez luisant, la tête aussi
large que le prothorax à l'insertion des ailes. Les mandi-
bules sont fauves. Les antennes ont l'extrémité du premier
article et les suivants jusqu'au sixième de même couleur.
Entre les antennes se voit une carinule longitudinale peu
allongée. Les yeux sont ovales et assez grands, mais non
bombés, noirs. Les ailes sont plus courtes que l'abdomen,
blanches, transparentes, mais d’une consistance assez solide;
la neuration est la même que celle du Gonioz. claripennis
(voir: Verhandl. des Vereins für Rheinl. und Westphalen 1851,
tab.1,f.3), done trés-différente du Mobilis, particulièrement
par la longueur de la nervure radiale. L’abdomen est au
milieu plus large que le thorax et me semble être plus lisse
que celui-ci; la base du ventre est couleur de poix. Les
pattes sont assez fortes, principalement celles de la première
paire; toutes les jambes, ainsi que les tarses, sont fauves.
Je possède deux individus de cette espèce; le premier .
qui est du sexe feminin a été pris aux environs de la Haye
en Août, par M. Six, l’autre dont le sexe est pour moi
incertain, a été pris dans la même localité en Octobre par
l'avocat Leesberg.
A CDD PROCESS
PAR
M. E PIAGET.
C'est un nouveau genre de Philopterides que je voudrais
ajouter à ceux que Nitzsch a établis. En découvrant le Nir-
mus stenopyqus cet auteur l'avait placé provisoirement parmi
les Lipeuri, le séparant ainsi avec sa sagacité habituelle des
Nirmi ; il comptait d’ailleurs en faire un sous-genre à part.
Burmeister dans son Manuel d’entomologie (II, 428) le replaca
dans le genre Nirmus et Giebel a suivi son exemple. Main-
tenant qu’à l'espèce unique décrite par Giebel, sont venues
se Joindre 3 ou probablement 4 espèces nouvelles du méme
type, je n'hèsite plus à établir pour les grouper le genre
Acidoproctus dont les caractères distinctifs sont la crénelure
de l’avant-téte, l'existence à l’abdomen d’une seconde bande
interne, et la forme conique des deux derniers segments
de l'abdomen.
L’avant-téte conserve une grande largeur et offre une
profonde crénelure au lieu de la signature des Docophori ;
le clypéus n'est pas distinct; le sinus antennal peu profond
et reporté en avant, n'a pas de trabécule, langle antérieur
est au plus saillant, dans 2 espèces complètement arrondi ;
l'antenne est à peu près uniforme dans les deux sexes,
courte et forte, les articles vont en diminuant de grosseur
à partir du premier; l'oeil est saillant sans soie; la tempe
longue, arrondie en arrière sans soie, mais avec quelques
épines ; l’occiput rentrant; les bandes occipitales distinctes
ACIDOPROCTUS. 179
au moins à la base, parallèles entr’elles; l’antennale trans-
parente fait le tour de l’avant-tête, portant un nombre
variable de fins poils, avec une tache assez foncée qui
s'étend de langle antennal à la racine des mandibules.
Le prothorax subquadrangulaire, un peu rétréci en avant;
le métathorax habituellement plus large que la téte à la partie
antérieure, sauf chez le Marginatus, acuminé sur l’abdomen,
avec une bande transparente qui en fait le tour, et quelques
soies au bord postérieur. Les pattes ne différent de celles
des Nirmi que par une plus grande longueur, surtout au tibia.
L’abdomen ovale allongé ou un peu obové, nu sauf aux
angles, avec de larges sillons transverses entre chaque segment
et un sillon médian qui partage les taches abdominales. En
dedans de la bande latérale qui ne dépasse pas la suture,
il existe une seconde bande transparente, a peu près parallèle
au bord, dont la forme varie selon les espèces. Les 7 premiers
segments chez le mâle sont de longueur inégale, chez la
femelle à peu près égaux; les deux derniers brusquement
séparés du 7°, forment un petit cone un peu tronqué ou
arrondi (9) aigu ou arrondi (+). L'appareil génital rappelle
dans les deux sexes celui des Mrmi.
Les individus se rencontrent asez rarement, et jusqu'ici
exclusivement sur des Palmipèdes, sauf le Bifasciatus qui
s’est peut-être égaré sur une Dromas ardeola. |
Acidoproctus marginatus n. sp.
Pl. 12, fig. C.
La tête est un peu conique, plus longue que large, pro-
fondément crénelée en avant, comme si la dépression avec
sa signature était tombée; trois fins poils incolores à l’avant-
tête; les antennes avec leur sinus sont reportées en avant,
assez fortes et de longueur moyenne; le 5° art. n’est guères
plus long que le précedent; les yeux peu saillants, les tempes
arrondies, nues; l’occiput rentrant avec une tache triangu-
laire très peu colorée ; les bandes occipitales transparentes ;
les antennales plus colorées sont distinctement reliées aux
180 ACIDOPROCTUS.
mandibules et aux autres bandes; en avant elles longent le
sinus, forment la petite excroissance qui remplace la tra-
bécule, contournent la corne du clypéus et s’arrétent à une
plaque foncée de chitine en avant des trabécules. En arrière
de l'oeil commence une bande marginale qui borde la tempe
et l'occiput. Le prothorax nu, arrondi sur les côtés; le
métathorax presque aussi large que la tête, à peine coloré,
acuminé sur l’abdomen, avec une bande transparente qui en
fait le tour et deux soies de chaque côté vers les angles posté-
rieurs. Les pattes presque nues, incolores sauf les ardillons;
les tarses très courts; le tibia a la soie dorsale ordinaire.
L’abdomen ovale allongé, nu sauf quelques rares soies aux
angles des derniers segments, se compose en apparence
de 40 anneaux, le Je s'étant comme dédoublé; les trois
derniers plus courts et plus étroits que les autres. Les huit
premiers segments portent une bande latérale recourbée à
angle droit vers les deux sutures. En dedans de cette bande
une tache interrompue par un sillon longitudinal où se
trouve le stigmate à peine visible, en dedans du sillon la
tache peu colorée recouvre un renflement limité par une
petite bande sémi-circulaire. Les anneaux par fois étranglés
au milieu, sont séparés sur les côtés par des échancrures ;
le dernier avec deux épines terminales. À la face ventrale,
la valvule large et presque bilobée ; une tache génitale mal
limitée et en arrière de celle-ci deux bandes en forme de
pinus dont les branches sont très aiguës (fig. D).
La teinte est blanchätre, les bandes antennales, les laté-
rales de l'abdomen, les mandibules et les tarses fauves.
Dimensions 20—21 3.
lonqueur largeur
téte 0.53 » 043
thorax 0.38 » 041
abdomen 1.15 pr Obs
antenne 0.2
Je fémur 0.21
se tibia 0.21
ACIDOPROCTUS. 181
Sur un Larus spinicauda. Je regrette de n'avoir pas encore
pu découvrir de male; mais la femelle comme espèce est
très distincte du Stenopygus, ne füt-ce que par les dimen-
sions et par les taches de l'abdomen.
Acidoproctus bifasciatus n. sp.
PI. 12, fig. G.
La tête rappelle celle du Marginatus ; 6 poils de chaque
côté de l’avant-tête dont un dans la erénelure même, et
trois en avant; langle antérieur du sinus fait saillie et forme
un angle aigu; l’antenne rappelle celle des Ornithobir ; les
articles vont en diminuant jusqu'au 4e qui est plus court
que le 5e; l'oeil gros et saillant avec une tache en dedans;
les tempes arrondies avec 6 épines; l’occiput très rentrant
avec une courte signature; les bandes occipitales légèrement
convergentes et peu colorées, les temporales foncées, les
antennales s'arrêtent au fond de la crénelure, avec une
large tache qui va des angles antennaux aux mandibules ;
la crénelure forme en avant un angle aigu et s’élargit de
là jusqu'au fond; en arrière de la crénelure deux petits
triangles de chitine.
Le prothorax à côtés parallèles, un peu rétréci en avant,
avec deux bandes latérales et deux taches; le métathorax
plus large que la tête, élargi vers l’angle antérieur qui est
arrondi, acuminé sur l'abdomen, avec deux taches noires
en avant, deux courtes soies à langle et deux plus longues
latérales.Les pattes robustes et peu poileuses, le tibia plus
long que le fémur, avec un poil dorsal et deux petites
épines au côté interne.
L’abdomen allongé, plutôt obové qu’ovale, nu sauf aux
angles; les segments sont à peu près de même longueur; le
8e subitement rétréci et le Je conique forment la pointe de
abdomen ; les bandes latérales étroites; une seconde bande,
comme dans les Ornithobii, court parallèlement au bord
jusqu'au 8e segment, s’élargit à chaque suture, communique
avec la bande laterale et envoie un appendice oblique à l’in-
182 ACIDOPROCTUS.
térieur; les taches sont quadrangulaires, séparées par un
étroit sillon médian et un large sillon transverse, plus fon-
cées aux bords. A la face ventrale une petite valvule étroite
et convexe, avec deux petites bandes latérales, une ligne
noirätre parallèle au bord sur les 7 premiers anneaux,
visible à la face dorsale au milieu de la bande interne; des
taches quadrangulaires peu colorées (fig. B).
La teinte générale est fauve-clair, les taches fauves, ou
par places plus foncées, les bandes en partie transparentes.
Dimensions: 33 2.
longueur largeur
tete 0.7 » 05
thorax 0.5 » 05
abdomen 2.1 DAME
antenne 0.25
se femur 0.25
3 tibia 0.34
Sur une Dromas ardeola du Jardin zoologique de Rotterdam.
Le male m'est encore inconnu.
Il est possible que, si je connaissais le male, il faudrait éta-
blir une nouvelle espèce pour un Acidoproctus provenant d'une
Anas radjah de Halmaheira (Muséum de Leide). Les dimen-
sions sont en général plus courtes; la tête est moins longue
quoique tout aussi large; les bandes antennales plus larges,
l'angle du sinus antennal brusquement saillant, de sorte
que la tête parait comme étranglée en avant de cet angle
(fig. A); le dernier segment de l’abdomen moins aigu à la
pointe; la valvule plus étroite, un peu concave au milieu
(fig. B); les taches sont beaucoup moins foncées, le méta-
thorax moins large que la tete.
Dimensions 299.
lonqueur largeur
tete 065° > 2053
thorax 0.48 » 042
abdomen 1.8 DAAGS)
antenne 0.25
3e fémur 0.25
ge tibia 0.34
ACIDOPROCTUS. 183
C'est une espèce ou une variété voisine du A. stenopygus
N. (Giebel Epiz. p. 179, tab. VIII, f. 6 et 7) provenant d’une
Anas rufina. Le dessin n'est probablement pas très exact:
les deux coins noirätres sont la base des bandes occipitales ;
les points noirs de la tête et de l'abdomen me paraissent
fantastiques; les antennes et les fémurs trop greles, les
tibias trop courts. — C'est probablement à cette espèce ou
a la précédente que se rapportent deux figures d’Albin,
pl. XLVIIT.
Acidoproctus maximus n. Sp.
Pl. 12, fig. E en F.
La tête rappelle à beaucoup d’egards celle du Bifasciatus ;
à l'antenne le 24 article est plus long que les autres; la
tempe avec 3 soies au lieu de 6 épines; les bandes occi-
pitales plus larges et plus distinctes; chez le mâle la tete
est plus forte que chez la femelle, les antennes plus longues
et plus robustes, le 4e article le plus gros égale le 3e, le
24 le plus long, le Se légèrement renflé et un peu angulaire
à l'extrémité (fig. F).
. Le thorax et les pattes sont encore celles du Bifasciatus,
seulement le tibia chez la femelle porte à l'extrémité un
anneau peu coloré mais tres-distinct.
A l'abdomen g les appendices obliques de la bande interne
sont beaucoup plus courts; le 8e segment est plus court
avec deux soles et une épine, le % très aigu, avec une
tache marginale de chaque côté. L’abdomen du mâle est plus
court; les angles des segments saillants jusqu’à donner au
bord une apparence scalariforme, avec deux fines soies au
premier, 3 aux suivants, 4 au 7e; les 3 premiers segments
les plus longs, égaux entr’eux, les 4 suivants plus étroits,
le & plus large que chez la femelle, le 9e arrondi avec deux
soies. Il est à remarquer que chez les mâles non encore
développés le Je segment est ouvert, profondément échan-
eré; la bande interne se renfle considérablement sur les
184 ACIDOPROCTUS.
2 premiers anneaux, et sur les 4 suivants pousse à l’inté-
rieur deux appendices transverses qui se rejoignent à l’ex-
trémité; les taches quadrangulaires, comme chez la femelle
sont plus foncées au bord.
Dimensions: 331 g, 283 d.
longueur 2 8 largeur 9 d
tête 0.7 —0.7 » 0.58—0.58
thorax 0.55—0.55 » 0.54—0.55
abdomen 2.1 —1.6 » 0.71—0.64
antenne 024—0.31
3e femur 0.22—0.28
ge tibia 0.3 —0.34
Sur un Dendrocygnus arboreus du Jardin zoologique de
Rotterdam et sur un D. vagans et guttatus du Muséum de
Leide; seulement sur ce dernier labdomen de la femelle
était plus développé surtout en largeur (0.85); — aussi une
temelle sur un Plotus de Costarica. |
EEN NIEUW GESLACHT DER PHORIDEN,
DOOR
Meer dan eens vond ik in de Scheveningsche boschjes
bij den Haag, tusschen bladen en kort gras onder hooge
boomen, een uiterst klein vliegje, dat volgens de vleugel-
aderen en de sprieten kennelijk tot de Phoriden behoort,
maar overigens in velerlei opzigten zoo zeer van alle daarin
seplaatste soorten afwijkt, dat naar mijn inzien noodwendig
daarvoor een nieuw genus moet worden gevormd, waaraan
ik den naam van Leplophora wensch te geven.
Ik maakte daarvan eene korte beschrijving en eene schets-
teekening, die ik, met het diertje zelf, aan den heer van
der Wulp mededeelde. Deze achtte, even als ik, het op-
rigten van dit nieuwe geslacht volkomen gegrond en was
zoo goed aan de beschrijving eenige uitbreiding te geven en
de afbeeldingen te vergrooten. Zie hier nu de beschrijving:
LEPTOPHORA n. g.
Door den langen smallen vorm, den naar evenredigheid
grooten kop en den weinig gewelfden thorax van alle andere
Phoriden zeer in habitus afwijkende. Kop van boven gezien
lang en plat, op den schedel met enkele zwakke borstels.
Sprieten eivormig, met langen, fijn behaarden, subapicaal
geplaatsten borstel; palpen eenigszins knodsvormig, aan
het eind borstelig behaard. Thorax buitengewoon smal en
plat, aan het vooreinde smaller dan de kop; schildje klein;
186 EEN NIEUW GESLACHT DER PHORIDEN.
achterlijf elliptisch, in ’t midden breeder dan de thorax.
Pooten naakt; heupen en dijen sterk verdikt; ook de scheenen
der voorste pooten een weinig verdikt; aan de voorpooten
valt die verdikking het meest in ’t oog, zoodat deze den
vorm van een paar grijppooten aannemen. Vleugels groot,
aan 'teinde breed en stomp; de voorrandsaderen stevig en
donker gekleurd ; cubitaal-ader ongevorkt, ongeveer de halve
lengte der vleugels bereikende; de voorrand tot daar met
niet zeer lange, maar fijne wimpers bezet; verder op de
vleugelvlakte drie teedere en flaauwe langsaderen ; de eerste
dezer aderen aan haren wortel afgebroken; de tweede kort
vóór het eind der cubitaal-ader uit deze ontspruitende, ver-
volgens boogvormig naar beneden loopende en daarop bijna
regt in de vleugelspits geeindigd; de derde uit of digt bij
den vleugelwortel ontspruitende, voorbij het midden plot-
seling naar beneden gebogen en iets voorbij de halve
vleugellengte in den achterrand uitloopende; de beide laatst-
genoemde aderen alzoo in ’t midden tot elkander genaderd,
doch vervolgens weder sterk van elkander verwijderd.
Leptophora perpusilla n. sp.
Lengte 1 mm. — Zwarl, weinig glanzig; kop en thorax
met fijne platliggende beharing. Sprieten, palpen en pooten
(ook de heupen) licht bruinachtig geel; de sprietborstel
witachtig. Vleugels glasachtig met bijna onmerkbare bruin-
achtige tint; de voorste aderen donkerbruin, de overigen
ongekleurd.
Vliegtijd Juni} en September.
De afbeeldingen stellen voor:
Plaat 12, fig. 1a het vliegje van ter zijde,
Wh aU aap » » boven gezien.
» de spriet.
» 1d palp.
pu
IETS OVER BIBIO ANGLICUS LOEW
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
In cene kleine verzameling inlandsche Diptera, door den
heer J. W. B. Gunning te ’s Gravenhage bijeengebragt,
vond ik een voorwerp, waarin ik bij den eersten aanblik
den gewonen Bibio hortulanus F. g meende te herkennen,
Eene nadere beschouwing evenwel deed mij zien, dat het
in sommige wezenlijke kenmerken verschilde en het dus:
eene andere soort moest zijn. Toen ik daarop de bestaande
beschrijvingen nalas, bemerkte ik al spoedig dat ik een
wijfje voor mij had van Bibio anglicus Loew (Syst. Deschreib.
der bekannten Europ. Zweift. Insecten I p. 22, n°. 22); de
voor een deel geelroode borstzijden, de kleur en teekening
der. vleugels enz. lieten daaromtrent geen twijfel.
De heer Gunning heeft mij verzekerd, dat hij dit voor-
werp den vorigen zomer te Doorn heeft gevangen. Het
voorkomen van B. anglicus in ons land kan op zijne getui-
genis gerust worden aangenomen, en er valt dus bij de
Bibio-soorten, in mijne Diptera Neerlandica als inlandsch
opgegeven, reeds dadelijk weder eene soort te voegen. Het
vinden van deze soort ten onzent is des te meer van be-
lang, omdat zij tot dusver, zooveel ik kan nagaan, nog
niet op het vaste land van Europa was aangetroffen; Loew
toch had zijne exemplaren uit Engeland van den heer Verall
188 IETS OVER BIBIO ANGLICUS LOEW.
ontvangen en buiten hem heeft niemand de soort vermeld.
Intusschen, hoe uitvoerig ook door Loew ter aangehaalde
plaatse beide sexen beschreven en onder anderen met
B. hortulanus vergeleken zijn, ontbreekt daaraan de vermel-
ding van een in ’t oog vallend onderscheidingskenmerk,
aan de vleugels en hun aderbeloop ontleend. Bij B. anglicus
namelijk zijn de vleugels smaller en schijnen zij dienten-
gevolge aan de spits stomper en meer afgerond; voorts is
het wortelstuk der cubitaal-ader van gelijke lengte als de
middeldwarsader en is deze laatste schuin geplaatst, zoodat
zij met het genoemde wortelstuk een’ hoek van ongeveer
45 graden vormt. Bij B. hortulanus daarentegen, waar de
vleugels breeder zijn, is het wortelstuk der cubitaal-ader
veel langer dan de middeldwarsader en deze zeer kort en
tevens regtstandig.
Het is welligt niet ondienstig deze verschillen door eene
vleugelaf beelding van de beide soorten te verduidelijken ;
op plaat 12 wordt in fig. 2 de vleugel van B. anglicus, in
fig. 3 die van B. hortulanus voorgesteld.
Het aangegeven onderscheid in het aderbeloop mag vooral
daarom niet worden uit het oog verloren, omdat het in
beide sexen aanwezig is en alzoo een kenmerk bevat van
bijzondere waarde in een geslacht als Bibio, waar nog al
uiteenloopende sexuële verschillen voorkomen. Schiner heeft
in zijne Diptera austriaca daarop eene hoofdverdeeling van
het geslacht gegrond, die zeer proefhoudend is. Gelijk boven
is aangetoond, behooren dus de beide hier besproken soor-
ten niet eens tot dezelfde hoofdafdeeling van het geslacht,
en ondanks hare onderlinge overeenkomst in kleur en tee-
kening, wordt daardoor alle gedachte aan eene zeer naauwe
verwantschap tusschen de beide soorten afgesneden.
AANTEEKENINGEN
OMTRENT
DIPLOCAMPTA PARADOXA JAENN.
EN VERWANTE SOORTEN,
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
Op de vergadering der Entomologische Vereeniging van
29 Augustus 1874 te Arnhem maakte ik melding van eene
bezending Diptera uit de Argentijnsche republiek, die ik
aan mijn’ geachten vriend, Professor Weyenbergh te Cor-
dova te danken had. De vrees, welke destijds bestond, dat
zijne eerste bezending van daar tevens de laatste zou zijn,
heeft zich gelukkig niet bewaarheid, want sedert ben ik
in het bezit gekomen van eene tweede collectie Argentijnsche
Diptera, nog uitgebreider dan de eerste, en ik mag zelfs
de hoop voeden, dat de heer Weyenbergh, die het voor-
_ nemen heeft dit jaar zijne familie en vrienden in het vader-
land te bezoeken, bij die gelegenheid zelf nog een en ander
zal medebrengen.
Blijkens het verslag van de genoemde vergadering sprak
ik toen ond. and. van eene Anthracide, die in een enkel
gebrekkig exemplaar voorhanden was, maar niettemin zich
liet herkennen als Anthrax paradoxa Jaenn. *) en die volgens
het aderbeloop der vleugels en andere kenmerken m. i.
1) F. Jaennicke, Neue exotische Dipteren aus den Museen zu Frankfurt a M,
und Darmstadt, p. 31, Taf. 2 fig. 16.
190 AANTEEKENINGEN OMTRENT DIPLOCAMPTA
ongetwijfeld in het geslacht Diplocampta Schiner ') thuis hoort.
Bij de tweede bezending van den heer Weyenbergh bevond
zich nogmaals een voorwerp van deze soort en wel een
dat volkomen gaaf is gebleven. Ik ben daardoor in staat
aan de beschrijving van Jaennicke nog het volgende toe te
voegen.
Het aangezigt steekt puntig vooruit, zoodat de kop van
ter zijde gezien een’ driehoek vormt, aan welks punt de
zuiger een weinig uitsteekt. Ter wederzijde van den thorax
bevindt zich, even achter den dwarsnaad, een vrij lange,
naar achteren gerigte, donkere borstel. De pooten zijn eer
vuil roodgeel dan wel bruinachtig te noemen; onder aan
de achterdijen zijn enkele fijne stijve borsteltjes; aan de
achterste scheenen bevinden zich dergelijke borsteltjes in
grooter aantal. De kolfjes zijn beenwit. De sterke S-vormige
buiging der radiaal-ader is bij het eerst overgezonden exem-
plaar even hoekig en met kleine ader-rudimenten als door
Jaennicke is afgebeeld, maar in het tweede exemplaar is
die buiging meer afgerond en ook van de ader-rudimenten
op de hoeken is daar niets te zien. Nog moet ik hierbij
opmerken, dat bij mijne beide exemplaren het bruine vlekje
ontbreekt in 't midden van de eerste achtercel, waarvan
Jaennicke spreekt en dat ook in zijne afbeelding te zien
is. Het zal wel niemand bevreemden, dat ik ondanks dit
geringe verschil toch niet aarzel mijne voorwerpen als
Jaennicke’s soort te determineren. Ik geef hierbij (Plaat 12,
fig. 4) eene afbeelding van den vleugel van mijn eerste
exemplaar.
Als ik nu de afbeelding vergelijk, door Schiner (Novara-
Reise, Taf. II fig. 9) gegeven van Diplocampta singularis,
dan vind ik ook daar de buigingen der radiaal-ader meer
afserond, doch dan doet zich tevens een belangrijk verschil
voor tusschen de beide soorten (D. singularis Schin. en
paradoxa Jaenn.), daarin bestaande, dat bij eerstgenoemde
1) Novara-Reise (Diptera) p. 119,
PARADOXA JAENN. EN VERWANTE SOORTEN. 191
drie, bij de laatste slechts twee cubitaal-cellen aanwezig
zijn; bij D. singularis namelijk ontspruit uit de hoekige
ombuiging aan het begin van den bovenarm der cubitaal-
ader, eene terugloopende dwarsader, die de radiaal-ader
volkomen bereikt en de bovenste cubitaal-cel in tweeën
deelt. Indien men hier aan dit verschil hetzelfde gewigt
moest hechten als bij de geslachten Anthrax (in beperkten
zin) en Exoprosopa, dan zou A. paradoxa niet in het genus
Diplocampta kunnen worden opgenomen. Voor Anthrax en
Exoprosopa laat zich zulk eene generieke verdeeling zeer
goed verdedigen, omdat zich onder beiden een groot aan-
tal soorten laten begrijpen; maar voor Diplocampta is zulk
eene afscheiding geheel onnoodig, omdat het daar slechts
een paar soorten geldt en het hoofdkenmerk in den sterk
gebogen loop der radiaal-ader ligt. Bovendien schijnt er
ook bij D. paradora met hare twee cubitaal-cellen, eene
neiging te bestaan om de derde cubitaal-cel te vormen,
hetgeen zoowel bij de vleugelafbeelding van Jaennicke als
bij een van mijne beide voorwerpen (zie mijne fig. 4) wordt
aangeduid door een klein ader-rudiment aan de buiging van
den bovenarm der cubitaal-ader, juist op het punt, waar
bij D. singularis de aanhechting plaats heeft van de ader,
welke de bovenste cubitaal-cel in tweeën deelt.
Even als vroeger, ben ik dan ook van meening dat Anthrax
paradoxa Jaenn. niet anders dan in het geslacht Diplocampta
moet worden gerangschikt. Om haar daarin te kunnen op-
nemen, zouden evenwel de generieke kenmerken, door
Schiner aangegeven, eene geringe wijziging moeten onder-
gaan. Zoo noemt hij b. v. het aangezigt kort, een weinig
vooruitstekend : die woorden «een weinig» dienen weg te
vallen, omdat bij D. paradoxa het aangezigt sterker en
puntiger vooruitkomt. Even zoo zou de aanduiding, dat de
zuiger niet uitsteekt, moeten vervallen, wijl deze bij de
genoemde soort een klein eind uit den mondrand te voor-
schijn treedt. Eindelijk zou de vermelding van de dwars-
ader, welke de radiaal-ader met den bovenarm der cubitaal-
192 AANTEEKENINGEN OMTRENT DIPLOCAMPTA
ader verbindt, niet als een algemeen kenmerk van het
genus kunnen gelden, maar als eene bijzonderheid, welke
aan een der beide soorten eigen is en waarvan zich bij de
andere naauwelijks eenig spoor vertoont.
Dat beide soorten, bij alle punten van overeenkomst,
nogtans, behalve in het getal der cubitaal-cellen, in vele
opzigten van elkander afwijken, is uit de beschrijvingen
duidelijk te zien. D. paradoxa is grooter en door de vaalgele
viltige beharing nagenoeg geheel eenkleurig; hare sprieten
zijn geelachtig, hoogstens het eindlid donkerder; de pooten
zijn geheel vuil roodgeel en de vleugels hebben door den
donkeren zoom aan al de dwarsaderen en aan sommige
gedeelten der radiaal-ader een vlekkig aanzien. Bij D. sin-
gularis daarentegen is de kop bruin, het voorste gedeelte
van het voorhoofd wit ten gevolge eener digte beharing;
de sprieten zijn geheel zwartbruin en de dijen donkerder
dan de scheenen en tarsen; aan de vleugels heeft alleen
de radiaal-ader, doch deze over hare geheele lengte, eene
bruinachtige bezooming, doch overigens vertoonen zij geene
vlekkige teekening.
Door den Baron Osten Sacken !) wordt onder den naam van
Dipalta serpentina nog eene Anthracide uit Californie beschre-
ven, die met de beide hierboven vermelde soorten eene naauwe
verwantschap moet hebben, daar ook bij haar de cubitaal-
ader S-vormig gebogen is. Zij komt met Diplocampta singu-
laris Schin. overeen door het bezit van drie volkomen cubitaal-
cellen; er is dus eene dwarsader, die de radiaal-ader met
den bovenarm der cubitaal-ader verbindt, maar de plaats
van aanhechting dezer dwarsader schijnt te verschillen
(the erossvein in Dipalla serpentina is inserted in the middle
of the sinus and not at its base. O. S.)
Nog eene andere soort en wel van Georgie, die door Osten
Sacken |. c. ter loops vermeld, doch niet beschreven of
genoemd wordt, zou volgens hem mede hier behooren en
1) Western Diptera p. 236 en 287.
PARADOXA JAENN. EN VERWANTE SOORTEN. 193
in de plaatsing der dwarsader geheel met Jaennicke’s figuur
overeenkomen. Zeer duidelijk is dit niet, want in de vleugel-
afbeelding, die Jaennicke van zijne Anthrax paradoxa geeft,
is in t geheel geene dwarsader aanwezig; alleen schijnen de
kleine adertipjes aan de buigingen aan te duiden, dat bij
die soort eene neiging bestaat om eene dwarsader te vormen.
Intusschen, wat hier ook van zij, geloof ik dat men het
meest moet blijven hechten aan de sterke buiging der
radiaal-ader en volgens dit kenmerk al de bovengenoemde
soorten tot een geslacht moet brengen, dat den naam van
Diplocampta Schin. behoort te dragen en tot dusver alleen
in Amerika gevonden is.
13
TWEE NIEUWE TIPULIDEN VAN SUMATRA,
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
De beide Tipuliden, die ik hieronder wensch te beschrij-
ven, zijn te Lahat op Sumatra gevangen en werden door
den heer Giesbers, Officier van gezondheid, van daar over-
gezonden aan het genootschap Natura Artis Magistra te
Amsterdam, in welks verzameling zij zijn geplaatst.
1. Libnotes notata n. sp.
Testacea; fronte argenteo-maculato; articulis antennarum
duobis primis fuscis; abdomine utrinque linea laterali
nigra; pedibus luteis; alis hyalinis, venis flavis, costa
punctis duobus obscuris. d long. 12 mm.
Kop bruinachtig; het voorhoofd smal, boven de sprieten
zilverachtig. Sprieten geel, een weinig langer dan de kop,
veertienledig; de beide wortelleden zwartbruin; zuiger en
palpen bruin. Thorax bruingeel, van boven vöör den dwars-
naad vlekkig bruinachtig aschgrauw ; langs den hals, boven
de voor- en middenheupen, alsmede ter wederzijde van den
achterrug bruine langsstreepjes. Achterlijf bruingeel, met
zwartbruine zijstreep, die naar het einde smaller wordt,
en van boven met eene zwartbruine langwerpige vlek op
elken ring, of zoo men wil, met eene afgebroken rugstreep ;
mannelijke genilalién geel; de tangarmen dik en stomp,
TWEE NIEUWE TIPULIDEN VAN SUMATRA. 195
met borstelige beharing. Pooten geel, de tarsen naauwelijks
iets verdonkerd ; scheenen zonder eindsporen. Kolfjes bruin-
achtig met gelen steel. Vleugels zeer lang en smal, glas-
achtig, aan den voorrand een weinig geelachlig, aan de
spits en langs den achterrand iets verdonkerd; tegen den
voorrand met een paar donkere stippen, door eene vlek-
achtige schaduw aan de uitmonding der hulpader en der
subcostaal-ader veroorzaakt; de aderen geel, alleen ter
plaatse der beide genoemde vlekjes, aan den wortel der
radiaal-ader en meerendeels ook aan de dwarsaderen zwart;
de langsaderen hebben aan haar einde eene microscopische
beharing; voor het aderbeloop verwijs ik naar Plaat 12, fig. 5.
Toen ik het hierboven beschreven voorwerp onder de
oogen kreeg, was ik dadelijk overtuigd dat het in geen
der bestaande genera eene plaats kon vinden en ik besloot
daarom het bij gelegenheid onder een’ nieuwen generieken
naam te beschrijven. Die gelegenheid deed zich niet aan-
stonds voor, en inmiddels kreeg ik de Transactions of the
Entom. Society of London over 1876 in handen, waarin Pro-
fessor Westwood onder den naam van Libnoles een nieuw
geslacht beschrijft, op eene soort van Ceylon gegrond, die
hij naar den vinder D. Twaites Libnotes Twailesiana noemt.
Zijne beschrijving en vooral de vleugelafbeelding, die hij
er aan toevoegt, herinnerden mij dadelijk aan het boven
bedoelde insect en bij nadere vergelijking bleek het mi,
dat ik hier inderdaad met hetzelfde geslacht, maar met
eene andere soort er van te doen had. Aan Westwood
stond, even als aan mij, alleen het 4 ten dienste, de
vrouwelijke sexe van het geslacht Libnotes is alzoo nog
niet bekend.
Naar Westwood’s vrij korte beschrijving schijnt het
onderscheid tusschen de beide soorten voornamelijk hierin
te bestaan, dat bij L. Twaitesiana de geheele sprieten, als-
mede de voordijen aan de basis en de achterste dijen aan
de spits donker zijn; voorts dat de vleugels ongeteekend
en de vleugeladeren zwartachtig zijn. Bij L. notata daaren-
196 TWEE NIEUWE TIPULIDEN VAN SUMATRA.
tegen zijn de sprieten, met uitzondering der wortelleden
en ook de geheele pooten geel; de vleugels zijn aan de
uitmonding der beide voorste aderen met een schaduwachtig
vlekje geteekend, en de vleugeladeren zijn, behalve enkele
zwartachtige plekken, geel; voorts schijnt de zilverachtige
plek op het voorhoofd van mijne soort bij die van West-
wood te ontbreken.
Westwood heeft zich onthouden om de plaats aan te
geven, die het geslacht Libnotes in het systeem behoort in
te nemen, en bepaalt zich tot de aanmerking dat het
moeijelijk is om de juiste verwantschap van een zoo vreemd
insect aan te geven. Inderdaad moet ik erkennen, dat het
aderbeloop door de langgerekte en aan het eind gebogen
cellen van dat van alle andere Tipuliden afwijkt. Het komt
mij evenwel voor, dat de gevorkte radiaal-ader, de micro-
scopische beharing aan het eind der langsaderen en het
gemis der eindsporen aan de scheenen vrij beslissend aan-
duiden, dat de plaats van dit geslacht bij de Eriopterina
moet worden gesteld, alwaar het, als afwijkende van al de
andere genera, aan het hoofd of aan het eind zou kunnen
worden geplaatst.
2. Epiphragma insignis n. sp.
Thorace fusco-cinereo ; abdomine fusco, incisuris pallidis ;
pedibus testaceis immaculatis; alis maculis annulisque cin-
namomeis. d Long. 11 mm.
Bruingeel. Voorhoofd in ’t midden verdonkerd; de beide
wortelleden der sprieten donkerbruin, de schaftleden geel.
Palpen bruinachtig. Thorax van boven bruinachtig asch-
grauw, eenigszins vlekkig; borstzijden en heupen ten deele
met geelachtigen satijnglans en bruine vlekken. Achterlijf
van boven bruinachtig met lichtere insnijdingen; de ringen
in ’t midden met een dwarsgroefje; mannelijke genitaliën
bruingeel, de tangarmen dik, een weinig behaard. Pooten
vuilgeel; de tarsen naauwelijks iets verdonkerd; de eind-
TWEE NIEUWE TIPULIDEN VAN SUMATRA. 197
sporen der scheenen klein. Kolfjes bruinachtig met gelen
steel. Vleugels bijna glasachtig met kaneelbruine teekening,
deels in ringvormige vlekken bestaande; drie dezer ringen
liggen op de discoidaal-ader, de derde er van treedt nog
even in de schijfcel; een halve ring, met het open gedeelte
tegen den vleugelrand, bevindt zich aan de vleugelspits en
wordt door den bovenarm der aldaar aanwezige vorkcel
doorsneden; twee halve ringen, donkerder van kleur, liggen
met de geslotene zijde tegen den voorrand, de tweede boven
den oorsprong der radiaal-ader ; aan het uiteinde der hulp-
ader, der subcostaal-ader en van beide armen der radiaal-
ader bevinden zich donkerbruine stippen. (Zie de afbeelding
van den vleugel Plaat 12, fig. 6.)
In het aderbeloop komt deze soort met onze Europesche
Epiphragma picta nagenoeg overeen; alleen is de vork der
raliaal-ader korter, en de achterdwarsader staat niet vóór
maar merkelijk voorbij het midden der schijfcel; het voor
het geslacht Epiphragma kenmerkende dwarsadertje tusschen
den voorrand en de hulpader is hier bijzonder dik en
donker gekleurd. Overigens is E. insignis veel kleiner en
zwakker gebouwd, en mist zij de bruine ringen aan de dijen.
Het is de eerste Aziatische soort van het geslacht Epi-
phragma. De weinige soorten van dit geslacht (er zijn er
nu 9 of 6 vermeld) zijn zeer verspreid over den aardbol:
E. picta L. bewoont Europa, E. fuscipennis Say en Solatrix
O. Sack. worden in Noord-Amerika gevonden, E. Histrio
Schin. in Columbie en E. insignis in den Oost-Indischen
archipel. Behalve deze maakt de Baron Osten-Sacken nog
melding van eene onbeschreven Zuid-Amerikaansche soort
(zie Monographs of the North-American Diptera, Part IV, p. 194).
DATA AD FAUNAM HYMENOPTEROLOGICAM SIBIRIAE,
AUCTORE ALEXANDRO MOCSARY,
MUSAEI NATIONALIS HUNGARICI ASSISSENTE,
Fauna Hymenopterologica Sibiriae hodieque non satis
cognita, incitavit me, species in Musaeo nationali Hunga-
rico asservatas et olim ab Alberto Kindermann in variis
Sibiriae partibus lectas hoc loco enumerare; additis descri-
ptionibus specierum novarum.
Hae vero species sunt sequentes: Cimbex Betulae Zadd.
var. nigra Zadd., Trichiosoma Vitellinae L., Clavellaria Ame-
rinae L., Abia fasciata L., Hylotoma coeruleipennis Retz. Thoms.
(enodis Kl. Htg.), ciliaris L. Fall. (coerwea Kl.), ustulata L.,
pagana Pz., melanochroa Gml. (femoralis Kl.), Lophyrus Pini L.,
Dolerus vulneratus n. sp., Athalia Spinarum F., Allantus Schaef-
ferì KI., tricinctus F., Macrophya haematopus Pz., Tenthredo
mesomela L. (viridis KI.) histrio KI., livida L., bicincta L., spec-
tabilis n. sp., albicornis F., flavicornis F., Cephus Faunus New.
Thoms., Arundinis Gir., Tremex Magus F., Sirex gigas L.,
spectrum L., Ichneumon leucocerus Gr., grossorius F., seæcinc-
tus W., Amblyteles fossorius Müll., Sibiricus n. sp., fusorius L.,
Trogus lutorius F., Alomya ovator Gr., Metopius dentatus F.,
Pimpla instigator Pz., Omalus auratus Dhlb., Chrysis ignita L.,
Scolia unifasciata Gyrill. var., Pompilus viaticus Latr., cocci-
neus F. var. socius mihi (etiam pronoto antice coccineo), Ammo-
phila striata n. sp., Miscus campestris Latr., Pelopacus viola-
ceus F., destillatorius Latr., Bembex rostrata Latr., Gorytes mysta-
ceus L., Vespa Sawonica F., Polistes Gallicus L. var. Geoffroyi
DATA AD FAUNAM HYMENOPTEROLOGICAM SIBIRIAE. 199
Lep. et Serv., Eumenes Amadei Lep., pomiformis F., Odynerus
Herrichü Sauss., Pterochilus Pallasii Kl., Bombus fragrans
Pall. Ev. nec K., melanurus Lep. (Altaicus Ev.), vorticosus
Gerst., Muscorum F., Halictus quadristrigatus Latr., Colletes
succinctus L., Anthidium laterale Latr. (auripes Ev.), Melecta
luctuosa Scop., Paidia abdominalis Ev.
DESCRIPTIONES SPECIERUM NOVARUM.
1. Dolerus vulneratus. — Niger; lobo medio et lateralibus
mesonoti tegulisque sanguineis; abdomine nitido, segmento
primo dorsali subrugoso-punctato, reliquis subtiliter coria-
ceis; alis hyalinis, nervis stigmateque piceis. g — Long.
10 mm.
Dolero thoracico KI. colore proximus.
2. Tenthredo spectabilis. — Nigra; capite fortius, thorace
subtilius confertim subrugoso-punctatis, subopacis et fusco-
pubescentibus; scutello alte elevato et mucrone instructo;
abdominis segmentis dorsalibus duobus primis glabris dis-
perseque punctatis, reliquis subnitidis, subtiliter coriaceo-
rugosis et breviter fusco-pubescentibus, primo et quinto
margine apicali late flavo-fasciatis; clypeo et mandibulis
rufo-piceis; palpis antennarumque articulis tribus prioribus
rufescentibus; collari in medio interrupto, tegulis externe
maculaque metasterni flavis; femoribus nigris, anterioribus
pro parte ochraceis, genibus, tibiis ac tarsis ochraceis,
tibiis externe, tarsis vero apice infuscatis; alis superioribus
obscure-hyalinis, parte antica (praeter cellulam humeralem
anteriorem H.S. hyalinam) fere usque ad dimidium saturate
fumatis violaceoque micantibus, costa stigmateque fulvis. —
39. Long. 14-15 mm.
Species haec Spectabilis colore Allanto tricincto F. Kl. non
insimilis est.
3. Amblyteles Sibiricus. — Niger; subopacus et cinereo-
pubescens; clypeo disperse punctato, apice truncato; palpis ,
900 DATA AD FAUNAM HYMENOPTEROLOGICAM SIBIRIAE.
mandibulis, labro, clypei maxima parte vel punctis tantum
duobus , orbitis oculorum internis, antennarum scapo subtus,
saepe etiam collari lineolaque ante alas et tegulis pallide
luteis; scutello convexo, flavo; mesonoto confertim fortius
subrugoso-punctato; metanoto rude rugoso, areis superio-
ribus tribus: superomedia quadrangulari, posteromedia
tripartita; abdomine dense punctato, gastrocaelis profundis,
intervallo convexo, segmentis ventralibus 2—3 plica media
elevata instructis, dorsalibus primo nigro, secundo basi fulvo,
apice late nigro, tertio toto fulvo, quarto basi et lateribus,
saepe etiam quinti lateribus segmentisque ventralibus 2 —4
vel 2-5 fulvis, reliquis supra et subtus nigris; trochante-
ribus vel totis vel tantum apice fulvis; femoribus nigris,
basi et apice fulvis; tibiis ac tarsis fulvis, illis posticis
apice late nigris; alis silaceo-hyalinis, costa dilute ferru-
sinea, stigmate fulvo. — ¢ Long. 21 mm.
Ambl. palliatorio Grav. colore haud insimilis, sed fere
dimidio maior ac robustior.
Animadversio. Donec femina detecta erit, egregia haec
species, interim inter Amblyteles macrostictos Crioceris inse-
renda est.
4. Ammophila striata. — Nigra; capite et pedibus fusco-,
thorace griseo-pilosis; pro- et mesonoto transverse, scutello
longitudinaliter, spatio metanoti cordiformi vero oblique
striatis; callis humeralibus, metanoti lateribus coxisque
posticis supra argenteo-tomentosis; abdominis segmentis
2—.. \secundi basi quartique parte postica nigris exceptis)
fis, reliquis atrocoeruleis. — g Long. 23 mm.
v;i. sabulosae L. similis, sed sculptura diversa maculaque
pectoris argenteo-tomentosa deficiente distincta.
A. grypho Sm., speciei Americae septemtrionalis, scul-
ptura proxima.
Bier
1.Bletogona Erebia Snell. 2. Lucia? substrigata Snell. 3. Cupido Piepersii Snell
AS
40. latimargus Snell. 5.C. Philatus Snell. 6. Pseudodipsas villosa Snell. 7. Deudoryx Indrasari Snell
GU
uo
At
ct
ne
% Ko a js
2 sd alti A: Di ‘
i Bun i an te
ae Dar
lH
)
a. b.
<= E SS; =
È = 3
asi
Gi.
= © = FF
ee = = È
— \
a” 4
|
|
a.Acrolepia Valeriella Zeller. b. A.Cariosella Zeller c. A. Arnicella von Heyd.
DT .
i: +
ie:
RA
i Van
SR Aa
Le 10 MN bé
Inlandsche Hemiptera.
bend, Fb
Kur
00
= = oP
n
+ Ù
i Nr
agi
Pi ay u
Nr i
aK
inal ag
ii
Sv. fec AW sculps.
Inlandsche Hemiptera.
a OMIS A
DI
Ro
TE
Ni ye si
ML ans np
poe
ae
ne 45
m
Le Rh
RUNE Dal EN
A her a oe
I°; i af
EIRE
6
BEV AAD) AN Ys
J vl. fec AJW. sculps
Acentropus niveus Oliv.
7 SI Ni A
N u
te l'e
TUR, i: Pei Mn, di ia RY
DIRT
ni | De TANO
Elo,
J.v.L.fec. AJ.W sculps.
Acentropus niveus Olıv.
A i A.J.W. sculps.
A.
RINO:
1. Amasis sanguinea Voll. 2.Platylabus pictus Voll. 3. Crypturus niger Voll.
4. Trichomastix polita Voll. 5. Phytodietus exareolatus Voll.
S.v.V. fec AJW. sculps
1. Scolobates Marshallı Voll. 2 Phidias aciculatus Voll. 3. Acoemtes nigripennis Grav.
4.Ophion unicallosus Voll. 5. Anomalon melanocneme Voll. 6. Cremastus balteatus Voll.
7. Cremastus sabulosus Voll. 8. Atractodes spiniger Voll.
S.v.V. Fec
PERS
A.J.W. sculps.
1. Laccophrys Villae novae Voll. 2.Lacc. Medenbachii Voll. 3. Alysia Theodori Voll.
4. Mesora analis Voll. 5.Hetroxys Gribodii Voll. 6. Goniozus tibialis Voll.
Li
A
| di ER je
(RS:
i 5 4 i,
12 7
u DAR
AUS
Bien 4 a, in qe Ne 6413 | tu) dai Sol: ee i | ue
ae fry ON.
um î fh 7
A TR "u qi er
te ae | pe (el a: if
ue
hy,
| ui a
ni tu no i
iN.
So en
LORI MAT cli
| ae ui Va ar Dr ce
Hi ae cae
il
Nd as
A-GE.P & 1-6 E.M.v.d.W.fec.
AJ.W. sculps.
hw AFVN
ch)
I
DR
a
is. Qu
LATE
À TIOSCHAIFT VOOR ENTONOLOGIE |
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
Mr. W. ALBARDA
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
| EN |
© F. M. VAN DER WULP
EEN EN TWINTIGSTE DEEL
TAARGANGE 18178
~
Ops
| K
\% > %
Sean N
sug Nae Re
N
Se Aflevering
an aarts na ADA
anes
/ Pee :
2
©
% CP
RE,
Beos )
SGRAVENIAGE
MARTINUS NIJHOFF
1878
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
TITGEGEVEN DOOR
E NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Mr. W. ALBARDA
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
KEN EN TWINTIGSTE DEEH
"JAARGANG 1877—78
DAAN
2% Aflevering © “Cocos
RRA AR A DAAD Ne
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NUUOFF
1878
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
| + |
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
Win We ALBARDA
Mr, S. C. SNELLEN VAN VOLLENIIOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
EEN EN TWENTEGSTE DERE
JAARGANG. 4877—78
SY Aflevering
‘SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJIIOFF
1878
CSL)
À
( NORTE N
{Ai Lin A
LA
where et
ra
enden
Rate)
RCE LC =
3 gern ii
eine
act
arn raes NLS
apen te
met > À uvre Ma bo
PRI TT gras, PERLES ‘ Wi u us e wi err
Ù mgr be 0T wie, te»
re 1 i ay
Ee ee DI