ARE?
PRETI,
ques
heel Eter”
SR nto oo >>
aaa
ner
en OE
i ed e eee, gonne nT ma RE DDS Dass rn
u
TR
Fi
ha
À
Yin)
Ri:
HALT,
a
di
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Dr.- A. WM. VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
Jar. Drip. J.G: EVERTS
VISF EN TWINTIGSTE DEEE
JAARGANG 1881—82
YW
~ess sees eas eee Br 4 ©
pare À
RA
MAY 237 Bee 3
\
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1882
GEDRUKT BIJ GEBR. GIUNTA
k ; hi rh AUX pl 1
TONDO: UD
VAN HET
VIJF EN TWENTIGSTE DEEL.
Verslag van de 36% Zomervergadering der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, gehouden te Maastricht op
Za Juhj- 1880: cali
Lijst van de Leden der Nederl. Entomologische Vereeniging
op 23 Juli} 1881.
Bibliotheken der Nederl. Entomologische Vereeniging ; bijge-
komen boeken van 1 Augustus 1880 tot 31 Augustus 1881.
Entomologische inhoud van ontvangen tijdschriften . .
Over het prepareren van Diptera, naar het Hoogduitsch van
Prof. J. Mix, door F. M. van DER WULP.
Mr. A. H. Mavrrssen, Lijst van insecten, in Limburg en
niet in de andere provincién van Nederland waargenomen.
Verslag van de 15% Wintervergadering der Nederl. Entomo-
logische Vereeniging, gehouden te Leiden op 15 Januarij
ORDNEN A a RENE RAR RI MY OR lo) CT sta
Dr. E. Prager, Lijst van insecten, in 1881 te Valkenburg
Bladz.
o XXVIII
XXXIV
L
XCI
CX
CXXI
inr dam baren verzameld? Jor. en en Ne Sey pet yal’ att a | ORK VEE
Dr. J. G. pp Man, Araeosternus Wieneckei n. g. n. sp., een
nieuwe vorm in de familie der Loricata (Pl. 1 en 2) .
Dr. J. Rirzema Bos, Phyllotoma Aceris Kalt. in hare gedaante-
wisseling en levenswijze beschreven (PI. 3).
=]
Prof. J. 0. Wesrwoop, Descriptions of new or imperfectly
known species of Ichneumones adsciti (PI. 4—8).
P. ©. T. Sxezzex, Aanteekening over twee Noctuinen der
Europesche fauna (Mamestra Leineri Freyer en Prodenia
littoralis Boisd.) .
S. pm Manseur, Espèces nouvelles de Coléoptéres de la
famille des Pédilides et Anthicides du Musée Royal d’hist.
nat. à Leyde .
Dr. L. W. Scuauruss, Pselaphiden und Seydmaeniden der :
Niederländischen Besitzungen auf den Sunda-Inseln, im
Reichsmuseum zu Leyden.
F. M. van DER Wotr, Amerikaansche Diptera (vervolg)
(Pl. :9>en 10).
Mr: A. F. A. Lersperc, Bijdrage tot de kennis der inlandsche
Halticiden (vervolg en slot) (Pl. 11) .
Dr. A. W. M. van Hassezr, Studiën over de klank-organen ,
den zang en den schreeuw der Cicaden .
Pp. C. T. SneLLEN, Beschrijving eener nieuwe Javaansche
Phycide, Ephestia quitella .
P. C. T. SneLLen, Aanteekeningen over Afrikaansche Lepi-
doptera, e e nno
Register.
Bladz
ier
49
BERE
VAN DE
LES-EN-DERTIGSTE LOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
GEHOUDEN TE MAASTRICHT
op Zaturdag 23 Julij 1881,
des morgens ten 10 ure.
Voorzitter : de heer Mr. A. H. Maurissen.
Verder tegenwoordig de heeren: A. van den Brandt, Jhr. Dr.
Ed. J. G. Everts, A. J. F. Fokker, H. L. Gerth van Wijk, H.
W. Groll, Dirk ter Haar, Mr. A. F. A. Leesberg, J. W. Lodeesen,
Dr. E. Piaget, C. Ritsema Cz., Dr. J. G. H. Rombouts, P. C.
T. Snellen, K. N. Swierstra, K. Bisschop van Tuinen, Dr. H. J.
Veth, F. M. van der Wulp en J. G. Wurfbain.
Van de heeren Mr. W. Albarda, Mr. A. Brants, Mr. H. Hartogh
Heys van Zouteveen, Dr. A. W. M. van Hasselt, F. J. M. Heylaerts,
G. A. F. Molengraaff, A. C. Oudemans Jsz., Dr. A. J. van Rossum
en J. H. Vallen is berigt ingekomen, dat zij verhinderd zijn de
vergadering bij te wonen.
Tot de vergadering waren ook uitgenoodigd sommige buitenlandsche
Eereleden en Corresponderende leden, die uithoofde van hunne niet
zeer ver van Maastricht verwijderde woonplaats, welligt derwaarts
zouden willen overkomen. Nu dit jaar de bijeenkomst zoo digt bij
de Duitsche en Belgische grenzen zou worden gehouden, kon dit,
1
II VERSLAG.
zoo meende men, misschien aanleiding geven om door persoonlijke
kennismaking den band, die ook bij verschil van taal en landaard,
tusschen beoefenaars derzelfde wetenschap bestaat, naauwer aan te
sluiten. Die verwachting heeft zich echter niet verwezenlijkt. De
Baron de Selys Longchamps, die tot het laatste oogenblik stellig
voornemens was de vergadering bij te wonen, werd tot zijn leed-
wezen, en niet minder tot dat van al de aanwezigen, door ge-
wigtige ambtsbezigheden verhinderd, wijl hij als President van den
Belgischen Senaat te Brussel moest vertoeven. Evenzeer werd van
den heer Mink te Crefeld vernomen, dat ongesteldheid hem terug-
hield van te Maastricht te komen. Van de overige uitgenoodigde
heeren is geen berigt ontvangen.
De Voorzitter opent de vergadering met de volgende toespraak :
«Mijne Heeren!
«Toen ik ten vorigen jare het berigt ontving dat besloten was
de eerstvolgende Zomervergadering te Maastricht te houden en dat
ik tot haren voorzitter benoemd was, verheugde ik mij over de
eerste dier beslissingen en gevoelde mij zeer vereerd met de tweede.
« Dat de hoofdstad van Limburg als plaats der bijeenkomst werd
aangewezen, meen ik te moeten beschouwen als een gevolg van
het besluit, reeds in 1865 genomen, waarbij op zeer goede gronden
de insecten-fauna van Limburg werd verklaard te behooren tot die
van Nederland. Het ware toch te betreuren geweest, als de pro-
vincie Limburg, die met de tien andere noordelijke provincien één
DI
Vorst heeft en onder dezelfde staatswetten geregeerd wordt, zou
moeten gescheiden blijven op het wetenschappelijk gebied, waarop
onze Vereeniging zich beweest.
«En wat nu de onderscheiding betreft, die mij te beurt viel,
ik weet dat mij, die nimmer eene vergadering heb geleid, daar-
mede eene zware taak werd opgelegd, maar ik heb die aanvaard
in de hoop dat Uwe welwillendheid mij niet zal ontbreken.
«Moge deze bijeenkomst haar doel bereiken en het bewijs leveren
dat nieuwe vorderingen zijn gemaakt op het gebied onzer gelief-
koosde studiën; moge zij ook dienen om den band te versterken
VERSLAG. III
van toegenegenheid en vriendschap tusschen de verspreide bewoners
van hetzelfde vaderland.
«En hiermede, Mijne Heeren, roep ık U allen een hartelijk
welkom toe en voeg daarbij den wensch dat gij van Uw bezoek
aan dit voor de meesten Uwer afgelegen gewest aangename herin-
neringen zult medenemen.
«Ik verklaar de 36ste Zomervergadering der Nederlandsche En-
tomologische Vereeniging geopend. »
De Voorzitter vraagt of iemand der aanwezigen ook eenige aan-
merking heeft op de notulen der beide vorige vergaderingen (te
Zutphen op 24 Julij en te Leiden op 19 December 1880), zooals
die notulen zijn vervat in de gedrukte verslagen, die aan de Leden
zijn rondgezonden. Door niemand wordt echter deswege het woord
verlangd.
Bij afwezigheid van den vasten President der Vereeniging, Dr.
A. W. M. van Hasselt, die tot aller groot leedwezen , door onge-
steldheid, aan zijn voornemen om herwaarts te komen, geen gevolg
heeft kunnen geven, wordt het door hem opgemaakte jaarverslag
door den Vice-President, den heer P. C. T. Snellen, voorgelezen.
Dit verslag luidt als volgt:
(Mijne Heeren! :
«Volgens het voorschrift vervat in art. 17 onzer wet, mag ik
heden de eer genieten, U de !otgevallen mede te deelen onzer
Vereeniging sedert de laatste Zomervergadering te Zutphen.
«In die vergadering ben ik, ter vervanging, of beter opvolging,
van wijlen mijn onvergetelijken vriend, onzen nooit genoeg gewaar-
deerden Mr. en Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven, tot lid van
het Bestuur benoemd en heeft dit mij later tot zijnen voorzitter
aangewezen.
«Voor dit hooge blijk van vertrouwen en sympathie betuig ik èn
heeren Leden en het Bestuur mijnen besten dank.
IV VERSLAG
« Ofschoon het mij eene volslagen onmogelijkheid was, een’ Vollen-
hoven te «vervangen», — wien op zijn herinnerings-monument
in het Leidsche museum, door velen Uwer met ons opgerigt, te
regt de eeretitel werd gegeven van « primus sui temporis in patrid
entomologus», — en hoezeer ik mij maar al te zeer bewust ben,
in de meesten, zoo niet allen uwer speciale studién, tot een der
ultimi te behooren, heb ik, na lange aarzeling, toch gemeend,
mi) niet aan Uw geéerd verlangen, in het vermeend belang onzer
Vereeniging, die ook mij zoo dierbaar is, te mogen onttrekken.
« Vergeldt mij deze overwinning op mij zelven door Uwe wel-
willendheid en toegevenheid. Maar bovenal verleent mij allen
Uwe verlichte medewerking, zóó als ik die bereids nu zoo over-
vloedig heb mogen ondervinden van mijne onvolprezen medeleden
in het Bestuur en in de Redactie, de heeren Snellen, van der
Wulp, Lodeesen, Ritsema en Everts.
«Alleen dan twijfel ik niet, of mijne vroegere bezwaren, om
Uwen «dur gregis» te zijn, zullen weldra verstuiven als kaf voor
den wind. Met zoodanigen steun immers kan het wel niemand
onmogelijk zijn, als «leider» of standaarddrager van zulk eenen
ctroep» op te treden, M. H.!, als den Uwen.
« Dat sedert ons zwaarst verlies, niemand, tot onze Vereeniging
als begunstiger, eere- of corresponderend lid, gewoon of buiten-
landsch lid, in betrekking staande, ons door den dood is ontvallen,
verdient, in de eerste plaats, dankbare vermelding, en behoort
tot de gelukkige uitzonderingen, die, met het feit, dat behalve
door den heer Ch. Destrée jr., insgelijks door niemand het lid-
maatschap is opgezegd, eene gunstige voorspelling toelaten voor
den blijvenden bloei onzer even nuttige als aangename Vereeniging ;
zulks nog te meer, daar zij zich mag verheugen in de toetreding
van wederom een drietal nieuwe leden, te weten: de heeren J.
F. Oudemans, J. Gerard Kruimel en J. Jaspers jr., allen uit Am-
sterdam, die aloude steunpilaar der Nederlandsche entomologie.
«Bij het hartelijk: welkom! dat ik hun, namens de Leden en
het Bestuur, toeroep, voeg ik den wensch, dat het hun gegeven
zij, zich eenmaal zóó te mogen onderscheiden op een of ander
VERSLAG. Vv
gebied onzer gemeenschappelijke wetenschap, als de Hoofdstad des
Rijks, in maatschappelijk opzigt, uitsteekt boven hare zusteren !
«De toestand der beide Bibliotheken, — waaruit steeds
veel gebruik wordt gemaakt, — is zeer bevredigend, dank zij de
uitmuntende zorgen van onzen altijd bereidvaardigen en volijverigen
Bibliothecaris, die zich vooral dit jaar groote inspanning heeft ge-
troost, om, door het onvermoeid aangrijpen eener buitengewone
gelegenheid, onzen reeds zoo kostbaren boekenschat nog meer te
verrijken.
«De oorspronkelijke Bibliotheek (Bibl. A) ontving wederom vele
geschenken, als van de heeren Herman Albarda, Berg, de Borre,
Everts, Mc. Lachlan, Latzel, Me. Leod, Lodeesen, de Man, A. C.
Oudemans Jsz., Piaget, Plateau, Ritsema, Scudder, Snellen , Swinton,
Prof. Westwood, Weyenbergh en van der Wulp, en bovendien van
het Aardrijkskundig Genootschap , van het Gouvernement van Ceylon ,
van Natura Artis Magistra en van het Zeeuwsch Genootschap.
«Voor de Bibliotheek van wijlen onzen, in blijvende, zelfs steeds
stijgende erkentelijkheid voortlevenden vriend Hartogh Heys van de
Lier (Bibl. B), heeft het Bestuur gemeend, behalve de gewone
vervolgwerken, zeldzame aankoopen te mogen, ja zelfs, in den
geest van den geachten gever, te moeten doen uit de rijke ento-
mologische boekerij van v. Vollenhoven.
. «De Tijdschriften , welke wij, in ruil tegen het onze, ontvangen,
kwamen, op enkele uitzonderingen na, geregeld ofschoon sommigen
wat laat, in, en met het inbinden wordt op de gebruikelijke wijze
voortgegaan.
«Ook in het afgeloopen jaar zijn weder eenige oude jaargangen,
uit het Fonds, aan Leden en aan den Boekhandelaar Martinus
Nijhoff afgeleverd.
«Het Bestuur werd, ingevolge besluit der vergadering van 24
Juli] 1880, gemagtigd tot het opheffen van de Insecten-verza-
meling onzer Vereeniging. Eene circulaire aan de Leden om voor-
stellen te mogen ontvangen omtrent de beste wijze, waarop de
Vereeniging zich van hare collectie zou kunnen ontdoen, had ten
gevolge, dat eenigen hunner, — een enkele slechts in afkeu-
VI VERSLAG.
renden zin, — zich met raad en daad tot het Bestuur hebben
gewend. Vooraan onder deze stond Dr. Ritzema Bos, met den
flinken voorslag, de verzameling en bloc over te nemen voor ’s Rijks
Landbouwschool te Wageningen; hij bood, namens die Instelling,
daarvoor de som van / 650 aan. Dit aanbod kwam het Bestuur
des te aannemelijker voor, omdat overigens niemand der Leden de
collectie in haar geheel verlangde over te nemen. Deze toch bleef
dan als zoodanig bijeen, kon aan die school, misschien veel meer
dan vroeger, ten nutte strekken en wel van een groot vaderlandsch
belang, en zou dáár voorzeker nimmer ontoegankelijk worden ge-
houden voor belangstellende leden der Vereeniging, aan welke haar
ontstaan te danken was.
«In den aanvang echter stuitte men op een bezwaar, hierin
gelegen, dat -sommige in de verzameling berustende voorwerpen,
als typische exemplaren, eene meer dan gewone wetenschappelijke
beteekenis hadden. Dit betrof:
1°. eenige unieke Coleoptera, die, tegen billijke vergoeding,
bijzonder werden begeerd door ons medelid Everts; en
2°. de geheele Orde der Hemiptera, grootendeels zamengesteld
uit typen, door wijlen Sn. van Vollenhoven in zijne « Hemiptera
Neerlandica » beschreven, en waarvoor ons medelid Fokker, —
die zich onledig houdt van Vollenhoven’s arbeid ten deze te ver-
volgen, — een zeer voldoend geldelijk aanbod (van / 55) had
gedaan.
«Het Bestuur heeft getracht de belangen der wetenschap en der
betrokken personen, met die van de kas der Vereeniging, zoo
veel mogelijk te vereenigen, en heeft aan de Directie van ’s Rijks
Landbouwschool gevraagd: 1°. Of zij genoegen kon nemen met
eene schikking, waarbij de bedoelde typische Coleoptera (ongeveer
slechts een dozijn) door den heer Everts uit de collectie werden
genomen, waartegen hij de verpligting op zich nam, haar, met
een gelijk of grooter getal andere, mede belangrijke, exemplaren
aan te vullen? en 2°. Of zij al de Hemiptera aan den heer Fokker
zou willen afstaan, tegen eene geövenredigde prijsvermindering,
onder bepaalde toezegging van ZEd., om eene geheel nieuwe collectie
VERSLAG. VII
van inlandsche Halfvleugeligen, voor de Landbouwschool, natuurlijk
gratis, te zullen bezorgen ?
«Beide voorslagen werden, zonder eenig verder voorbehoud en
met de meeste, door ons op hoogen prijs gestelde, welwillendheid ,
aangenomen. Dientengevolge is sedert de geheele verzameling, voor
de som van ‚/ 600, aan de Landbouwschool overgedragen, alleen
met uitzondering van de Hemiptera, die, afzonderlijk, voor f 55,
door den heer Fokker zijn overgenomen, en is onze Conservator
als zoodanig afgetreden. Zoowel voor diens vroeger zorgvuldig beheer,
als voor zijne groote en vele bemoeijingen met het ongerept over-
brengen onzer insecten, heeft hij dubbel de hartelijke dankbetuiging
verdiend, die ik hem thans meen, uit Uw aller naam, te mogen
toebrengen.
«Omtrent den staat van de Kas der Vereeniging zal U de ge-
detailleerde rekening en verantwoording van onzen onvergelijkelijken
Penningmeester Lodeesen straks de nadere overtuiging schenken,
dat die in vrij gunstigen toestand verkeert. De Algemeene Kas
— zonder berekening van het provenu der collectie, van de Land-
bouwschool, — sluit op 22 Julij 1881, met een batig saldo,
nagenoeg gelijkstaande met dat van het vorige jaar; het Fonds ter
uitgave van het Tijdschrift met een idem idem; alleen voor de kas
van Bibliotheek B is ditmaal, bij eene eerste en hooge uitzondering,
ten gevolge van aankoopen à contant uit de boekerij v. Vollenhoven,
door den Penningmeester een voorschot moeten worden gedaan,
dat echter, dank de blijvende mildheid onzer hooggeschatte Begun-
stigster, weldra weder zal kunnen worden vereffend.
« Ten einde aan het Tijdschrift eene steeds gewenschte uitbrei-
ding te kunnen geven, vooral wat het plaatwerk betreft, heeft het
Bestuur eene poging gedaan bij de Hollandsche Maatschappij van
Wetenschappen te Haarlem tot het mede van haar verkrijgen eener
Jaarlijksche subsidie ad hoc. Deze poging is echter, tot onze groote
teleurstelling, mislukt. De Maatschappij wees, bij haar afwijzend
antwoord, op de uitgave van haar eigen orgaan, en bood alleen aan,
daàrin die opstellen te willen opnemen, welke in ons Tijdschrift, uit
gebrek aan ruimte of middelen, geene plaats mogten kunnen vinden.
VIII h VERSLAG.
« Desniettegenstaande is de uitgave van ons Tijdschrift, — dat
vooral in het Buitenland meer en meer schijnt op prijs te worden
gesteld, blijkens de herhaalde aanvragen tot ruiling, — gelijk U
bekend is, geregeld voortgezet kunnen worden. Aflevering 3 van
deel 24 zal eerstdaags verschijnen en aflevering 4 dan weldra
volgen, waarmede de loopende jaargang wordt afgesloten. Die beide
afleveringen zullen, behalve enkele kleinere stukken, de volgende
opstellen bevatten, als van:
Oudemans Jsz. (A. C.); Iets over Acarina.
Ritzema Bos; Ontwikkelingsgeschiedenis van Zasioderma laeve.
Weyenbergh; Idem van Argentijnsche Trichoptera.
Van der Wulp; Amerikaansche Diptera.
Leesberg; Inlandsche Halticiden.
«Ook voor het volgende deel (het 25ste) zijn bij de Redactie
reeds opstellen ingekomen en is haar het vooruitzigt op nog anderen
geopend.
«In plaats van de gewone 12 platen, zijn wij genoodzaakt ge-
weest, er dit jaar 16 te geven, voornamelijk het gevolg hiervan ,
dat 3 platen van Snellen’s «Celebaansche Noctuinen», — ten
vorigen jare, uithoofde der te groote kosten , achterwege gebleven, —
thans noodzakelijk moesten worden toegevoegd. Dit kon nu ge-
schieden, zonder de kosten voor plaatwerk te zeer te doen stijgen,
aangezien eenige platen van het loopende deel ongekleurd konden
blijven, en juist het kleuren zeer kostbaar is.
«Onder de grootere werken onzer Leden, ook buiten het
Tijdschrift, mag ik, ten slotte, met hooge ingenomenheid, er op
wijzen, dat het 2de deel der linders van Nederland (Microlepi-
doptera), door Snellen, ter perse is; dat bereids een gedeelte ver-
schenen is der Zandbouwdierkunde, van Dr. Ritzema Bos; en dat
er hoop bestaat, dat weldra de beide volgende deelen der Diptera
Neerlandica, van van der Wulp, het licht zullen zien.
«Voor den klassieken arbeid van het Aardrijkskundig Genoot-
schap over de Sumatra-expeditie zijn, zoover de entomologie betreft,
bereids de Neuroptera, door Mr. J. Herman Albarda en de Diptera,
door van der Wulp, bewerkt en uitgegeven; voor de Lepidoptera,
VERSLAG. IX
door Snellen, zijn verscheidene, als altijd voortreffelijke afbeeldingen
door Mr. A. Brants vervaardigd, om weldra aan den reeds ge-
drukten tekst te worden toegevoegd; voor de Araneiden eindelijk ,
door Spreker in bewerking genomen, heeft hij mede in Dr. Everts
een’ even bezielden als kunstvaardigen teekenaar mogen vinden,
waardoor het uitzigt bestaat, dat de Lijst daarvan, met eenige
gekleurde en ongekleurde platen, in de laatste maanden van dit
jaar gereed zal komen.
« Ziedaar Mijne Heeren ! U wederom den algemeenen toestand onzer
Vereeniging naar waarheid afgeschetst. Indien wij er ons innig in
verheugen, dat deze, bij voortduring, gunstig mag worden ge-
noemd, zal zeker bij ons allen het voornemen des te vaster staan,
dien verder met alle krachten te willen en te zullen bestendigen.
Ik heb gezegd!»
Na voorlezing van bovenstaand verslag, brengt de Penningmeester,
de heer J. W. Lodeesen, zijne rekening over 1880/81 ter tafel.
De Voorzitter verzoekt de heeren Fokker en Wurfbain zich met
het onderzoek der rekening te belasten; deze houden zich onmid-
dellijk met deze taak bezig.
De hoofdcijfers der ontvangsten en uitgaven zijn als volgt:
Algemeene kas.
Naldoxope Zan Tulp SBO IJ tin PEN Ee oi ok A7) ANRT
Gewone > ontvangsten: II WEN ID Re MEt a IO OS
Opbrengst ‘der collectie Hemiptera *). 1,7% :,- 55.00
J 1238.463
Generica VERE Henst vd al lie 210.3
Saldo op 22 Juli 4881... f 462.09
Fonds voor de uitgave van het Tijdschrift:
saldovop 123. Jus 4880} WHERE e anita nr 65463
TRS SIAE ne feel) E a atrio = 71e 00:00
Transport... . f 1154.63
1) De koopprijs van de overige insecten-verzameling is nog niet ontvangen.
X VERSLAG.
Transport: va 0. f 1154.63
Toelage van Natura Artis Magistra. . . . . . - 250.00
Verkochté éxémplatene "2: +2) Gee eagle! RS
f 1845 46
Kosten vaar witeave. … come. me ee A ee
Saldo op 22 July 1881. . . f 726.48
Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier.
Saldo: top 23. Juli 1880 un u ua Je ne I ORE
Toelage van Mevr. Hartogh Heys van de Lier. . - 400.00
Proventi vani catalog; aasde ch ze 1.50
J 531.38
Aankoop :vansibbeken SI Hu MENT ST 2106
Aandeel in lokaalhuur en verdere uitgaven - 156.55
nnn HGH
Voorschot van den Penningmeester . . . . . - 197.331)
Voorts levert de Penningmeester eene schets van begrooting voor
het volgende jaar.
De heeren Fokker en Wurfbain brengen rapport uit over de
rekening, die zij met de daarbij behoorende bescheiden hebben
vergeleken en accoord bevonden. De Voorzitter zegt de Commissie
dank en stelt voor de rekening goed te keuren , onder dankbetuiging
aan den Penningmeester voor zijn uitstekend beheer. Hiertoe wordt
besloten.
Aan de orde is de bepaling van de plaats waar de volgende
Zomervergadering zal worden gehouden. In verband hiermede wordt
voorlezing gedaan van een schrijven van Mr. Hartogh Heys van
Zouteveen, die voorstelt in 1882 te Assen bijeen te komen. Bij
sommige leden vindt dit voorstel krachtige ondersteuning, vooral
ook uit aanmerking dat het noordoostelijke gedeelte van ons land
nog zeer weinig door entomologen is onderzocht. Door anderen,
1) Zie omtrent deze overschrijding der kas het jaarverslag van den President,
op blz. v en vir hiervoren,
VERSLAG. XI
ofschoon geenszins afkeerig om ook eenmaal te Assen bijeen te
komen, wordt het bezwaar geopperd, verbonden aan het twee
Jaren achtereen bezoeken eener verafgelegen provincie, waardoor
welligt menigeen zich zou laten weerhouden ter vergadering op te
komen, en wordt daarentegen Wageningen voorgesteld, als meer
in het midden des lands gelegen. In stemming gebragt, bepalen
zich 14 stemmen op Wageningen en 4 op Assen, zoodat Wage-
ningen is gekozen.
Tot Voorzitter dier vergadering wordt met algemeene stemmen
benoemd de heer Dr. J. Ritzema Bos te Wageningen, aan wien
de Secretaris deze keuze zal mededeelen !).
De huishoudelijke zaken hiermede afgehandeld zijnde, wordt na
eene korte pauze overgegaan tot de wetenschappelijke mededeelingen.
De heer Snellen spreekt over het vangen en behandelen van
kleinere Microlepidoptera. Voor het vangen gebruikt hij ronde
kartonnen doosjes, uit welker bodem een rond stuk is gesneden,
zoo groot als mogelijk, maar toch met overlating van een’ rand
van eenige millimeters breedte. Het gat wordt bedekt door een
rond stuk vensterglas, dat met lijm wordt vastgeplakt en aan de
bovenzijde met een’ randje van wit papier bekleed. Verder beplakt
hij, voor de sterkte, den bovenkant van het deksel nog met dun
wit katoen *). Om de in deze doosjes gevangen motjes te be-
dwelmen, worden een paar druppels zwavelether gegoten in den
rand der een klein weinig geopende doos. Zoodra de vlinder stil
ligt, wat door den glazen bodem zeer gemakkelijk kan worden
gezien, wordt hij uit de doos genomen en aangestoken. Dit is bij
kleine Tineinen (Lithocolletis, Nepticula) geen gemakkelijk werk.
spreker bezigt daarvoor stiftjes van platina- of zilverdraad , waaraan
met eene scherpe, stevige schaar schuinweg eene punt is ge-
sneden. Om den vlinder aan te steken, maakt hij gebruik van
eene bijzondere inrigting, bestaande uit een gewoon opzetblokje
1) Voor het afdrukken van dit verslag is van den heer Ritzema Bos berigt
ontvangen, dat hij de benoeming aanvaardt.
2) De zoogenaamde vangglaasjes zijn voor vlinders ten cenenmale te verwerpen.
XII VERSLAG.
met wijde gleuf, waarin eene reep vlierpit is gelijmd, die eenigs-®
zins boven de gleuf uitsteekt doch met puimsteen wordt glad
geslepen. Op die gelijk geslepen vlierpit nu wordt de vlinder gelegd
en doordat die oppervlakte altijd nog eenigszins ruw blijft, glijdt
het diertje niet onder het gespitste draad weg.
Het moeijelijkste blijft echter nu nog over, namelijk het uit-
spreiden der vleugels. Spreker bezigde vroeger daarvoor de hier te
lande, bij Lepidopterologen, die prijs stellen op goed uitgezette
vlinders, algemeen in gebruik zijnde opzetblokjes. Deze blokjes,
door ons medelid Lodeesen reeds 30 jaren geleden uitgevonden,
zijn zooveel verkieslijker boven de bekende spanplankjes, van welk
formaat en inrigting dan ook, dat niemand die ze eens heeft ge-
bezigd, ooit weder tot de spanplankjes terugkeert. Zij bestaan uit
glad en vlak geschaafde blokjes van droeg vurenhout, 3 centimeters
hoog, terwijl de lengte en breedte geevenredigd zijn aan de vlinders
of andere insecten die men wil opzetten. In het midden dezer
blokjes is eene gleuf van 23—24 millimeters diep, doch van eene
onbepaalde wijdte. Op eene hoogte van 4 centim. wordt in de
gleuf een reepje merg van sagopalm-bladstelen gestoken en vast-
gelijmd.
Hoewel alle praktische verzamelaars deze blokjes met voorliefde
gebruiken, bleken zij Spreker toch nog ongeschikt voor Tineinen ,
kleiner dan eene gewone Coleophora. Hij kwam dus op het denk-
beeld om blokjes te doen vervaardigen van de gewone hoogte en
van 4! bij 34 centim. oppervlakte, doch met eene gleuf van 16 mm.
wijdte. In deze gleuf worden, op eenigen afstand van elkander
en van de uiteinden, twee’ overlangsche reepjes zoo breed mogelijk
vlierpit gelijmd, die ook weder met zachten puimsteen worden
glad geslepen. Gelijk snijden gelukt namelijk nooit geheel naar
wensch en kost meer moeite en tijd. In deze gelijkgeslepen vlierpit
snijdt men met een scherp mes eene gleuf van 1 tot 2 millimeters
wijd en ongeveer dezelfde diepte. Een aldus ingerigt opzetblokje
is uitmuntend geschikt voor zeer kleine Tineinen; de vleugeltjes
behoeven niet vastgestoken te worden maar kunnen dikwijls reeds
door blazen of door eene fijne speld worden uitgespreid, terwijl
VERSLAG. XIII
zij door de altijd nog eenigszins ruwe oppervlakte van het vlier-
pit worden vastgehouden. Schieten zij terug dan steekt men achter,
niet in den voorvleugel eene fijne speld en laat vervolgens tusschen
deze en het lijf van den vlinder behendiglijk eene insectenspeld
op de vleugels vallen, waarna men de ingestoken speld kan weg-
nemen en de vleugels op de gewone wijze met verzilverd of ge-
glaceerd papier bedekt. Ook wanneer het vlindertje scheef is
aangestoken, levert dit geen bezwaar, daar het zachte vlierpit in
alle rigtingen kan worden doorstoken en de vleugels toch horizontaal
komen te liggen. Droog zijnde, prikt men de stiftjes draad met
de vlindertjes in een blokje zachte stof, dat met eene gewone
insectenspeld is doorstoken. Deze hoogst praktische manier is eene
uitvinding van wijlen den Senator von Heyden te Frankfurt a/M.
Baron von Nolcken maakte haar echter nog volkomener door den
vlinder met den kop naar de speld op te steken en niet omgekeerd.
Voor de blokjes worden onderscheidene stoffen gebezigd, het meest,
als de geschiktste, vlierpit en witte berkenzwam, doch nog beter
bevalt aan Spreker het merg der stengels van Artemisia vulgaris,
na den winter ingezameld. Dit is vast, wit, verkleurt niet en laat
zich goed snijden, terwijl men de grootte der blokjes nog kan
verminderen door die met een tangetje plat te drukken. Spreker
laat de beide hiervoren beschreven blokjes en eenige uitmuntend
opgezette insecten (Microlepidoptera en Pteromalinen) ter bezig-
tiging rondgaan.
De heer Swierstra brengt ter tafel eene doos met verschillende
insecten, onlangs door het Genootschap Natura Artis Magistra
ontvangen van den heer J. G. H. Modderman, Nederlandsch Consul
te Monrovie in Liberia. Deze kleine, maar uitnemend geconserveerde
verzameling, voornamelijk uit Coleoptera bestaande, schijnt menige
belangrijke soort te bevatten, o. a. eene, zoo niet een nieuw genus
vertegenwoordigende, dan toch stellig nieuwe soort van het geslacht
Horia.
De heer van den Brandt vertoont eenige inlandsche exem-
XIV VERSLAG.
plaren van een zeldzaam Neuropteron, Stenophylax picicornis Pict.
Volgens mededeeling van den heer Mae Lachlan was deze soort
vroeger alleen in de Alpen aangetroffen. Voor het eerst had Spreker
op 7 Maart 1873 een exemplaar gevangen onder den houtmolen
bij Venlo, later vond hij ieder voorjaar de soort terug, en op 16
April dezes jaars, bij koud weder en eene bedekte lucht, was hi
zoo gelukkig haar op nieuw waar te nemen, toen zij, ter aan-
geduide plaatse, in aantal vloog boven met waterkers begroeide
bronnen; hij maakte zich die gelegenheid ten nutte door er een
twintigtal mede te nemen.
De heer Veth vestigt de aandacht op een berigt, dat ten vorigen
jare en nu onlangs op nieuw in de couranten is opgenomen, be-
treffende een’ knaap te Rotterdam, die bij herhaling en in grooten
getale insecten-larven uitbraakte. Het vorige jaar deed dit onge-
hoorde feit de ronde bij de medici te Rotterdam, die echter geen
van allen eene voldoende verklaring er van konden geven en nog
minder schijnen geweten te hebben tot welke soort deze larven
behoorden. Nu het geval zich dit jaar op nieuw vertoonde, en wel
bij denzelfden jongen, is Spreker in het bezit gekomen van eenige
der uitgebraakte dieren, die hij nu ter bezigtiging stelt. Het zijn
de larven van twee vliegensoorten. De kleinere zijn allen reeds
geheel bewegingloos en verpopt, en van eenigen zijn zelfs de
vliegjes uitgekomen, die blijken te zijn Limosina pumilio Meig.
De grootere larven, waarvan nog geen vliegen zijn uitgekomen,
hebben ter wederzijde van elken ring aanhangsels, waardoor zij
zich doen kennen als larven van het geslacht //omalomyia Bouché;
sommigen bewegen zich nog in het fleschje waarin zij opgesloten
zijn; anderen daarentegen zijn in volkomen rust en schijnen dus
in staat van verpopping te verkeeren.
Spreker vraagt of de aanwezigen van dergelijke uitbraking van
vliegenlarven meer voorbeelden weten aan te wijzen en of zij het
feit weten te verklaren.
De heer van der Wulp zest naar aanleiding hiervan, dat
VERSLAG. XV
voorzeker onze President, Dr. van Hasselt, ware hij ter ver-
gadering tegenwoordig, mede over dit onderwerp zou hebben ge-
sproken. Toen het vorige jaar voor ’t eerst het berigt van dit
vreemde geval in de Nieuwe Rotterdammer Courant gelezen werd
en bij de geneeskundigen geen opheldering was verkregen, heeft
ons medelid, Dr. Everts, in een ingezonden stukje den raad ge-
geven, om zich bij dergelijke zaken in de eerste plaats tot ento-
mologen te wenden. Het gevolg is geweest, nu het feit zich dezen
zomer weder voordeed, dat de heer Geene, de onderwijzer bij
wien de jongen ter school gaat, daarover, met toezending der nog
levende dieren, aan den heer van Hasselt heeft geschreven. De
patient is een knaap van 11 jaar en oogenschijnlijk gezond, ofschoon
hij, sints het verschijnsel zich voor het eerst openbaarde, wel wat
van zijne blozende gelaatskleur heeft verloren. Van buik- of keel-
pijn, waarvan in de nieuwsbladen werd melding gemaakt, was
hoegenaamd geen sprake. Dat het hier een. zeer zeldzaam feit
geldt, kan daaruit worden afgeleid, dat ook aan Dr. van Hasselt,
gedurende zijne veeljarige en veelomvattende praktijk, nimmer
zoodanig geval is voorgekomen. Zelf niet in de gelegenheid geweest
den knaap te onderzoeken, meende hij aanvankelijk, dat de larven
welligt in de neusholten of kaakboezems zouden huizen, waarvan
menig voorbeeld is te noemen, vooral in Oost- en West-Indie;
maar hiertoe was een ziekelijke toestand van neus of kaken (ozaena)
de aanleiding, en daarbij waren ook geheel andere vliegensoorten
betrokken, in West-Indie b. v. de thans wel bekende Zucilia
macellarta Fabr. Bij nader onderzoek evenwel is gebleken, dat
bij dezen jongen de larven niet in den neus, maar in de maag
en ingewanden voorkwamen. De eitjes of de nog zeer kleine
larfjes moeten dus met het voedsel of op andere wijze in het
ligchaam zijn overgebragt. Men tracht nu door doelmatige genees-
kundige behandeling de dieren te verwijderen; waarschijnlijk zal
dit wel gelukken en de zaak voor den patient verder geen nadeelige
gevolgen hebben.
Wat nu het feit betreft uit een entomologisch oogpunt, er zijn
hier, gelijk reeds door den heer Veth gezegd is, de larven van
XVI VERSLAG.
tweeërlei vliegensoorten. De larven der Borborinen, waartoe Limo-
sina pumilio behoort, wier popjes mede zijn uitgekomen bij Dr. van
Hasselt, komen voor in mest, menschelijke uitwerpselen , rottende
paddestoelen en allerlei tot bederf overgegane stoffen. Spreker
ontving eenmaal een groot aantal larven, die bij het opgraven
van een kerkhof te Amsterdam, bij duizenden in de kisten met
half of geheel vergane lijken waren gevonden; ook uit deze ont-
wikkelde zich eene Zimosina-soort. De grootere larven, waarbij
Dr. van Hasselt eerst aan Oestriden had gedacht, behooren tot de
Anthomyinen en wel, gelijk reeds gezegd is, tot het geslacht
Homalomyia. De larven van dit geslacht leven, even als die der
Borborinen, in rottende plantenstoffen, dierlijke uitwerpselen enz;
zij zijn reeds van ouds bekend en o. a. afgebeeld door Goedaert
(dl. IT pl. LI), die ze uit menschelijke urine kweekte, voorts door
Swammerdam (Bibl. nat. pl. XXXVIII, fig. r-vm), die de
daaruit voortkomende vlieg de «Sekreetvlieg» noemt, en door
Blankaert (Schouwburg der rupsen, maden enz. dl. I, pl. X,G HI).
Bouché vestigde meer bepaald de aandacht op de aanhangsels ter
wederzijde des ligchaams, die niet bij de andere Anthomyinen-
larven voorkomen, en grondde vooral daarop het geslacht Momalomgia,
dat bij ons door verscheidene soorten , sommigen zeer gemeen, is
vertegenwoordigd. Voor het oogenblik is het nog niet uit te maken
welke dezer soorten hier aanwezig is 1).
De heer Fokker spreekt in de eerste plaats over een door hem
waargenomen , merkwaardigen zwerm van Libelluliden. Op 30 Mei
dezes jaars vertoonden zich te Zierikzee groote massa’s van Libellula
guadrimaculata L. Zij kwamen in digte drommen uit het Zuid-
westen, dus van over zee, aanvliegen. Hun overtogt duurde ge-
ruimen tijd, van 11 ure ’s morgens tot 11 ure ’savonds. Zij
waren in zulken getale, dat de lucht er letterlijk van was vervuld ;
1) Sedert zijn ook de grootere larven verpopt en vervolgens de vliegen uit-
gekomen; deze bleken te zijn Momalomyia scalaris Fabr., eene soort, die vaak
op onze sekreten is te vinden, en waarvan het Z zeer kenbaar is aan den uit-
stekenden tand aan de binnenzijde der middenscheenen.
VERSTAG. XVII
in de huizen, die openstonden, vlogen zij bij honderden , en tegen
de muren, die tegen het Zuidwesten waren geplaatst, lagen ze
verscheidene duimen hoor opgehoopt. Dit laatste en ook het feit
dat zij zich zeer gemakkelijk lieten grijpen, schijnt te bewijzen
dat zij eene lange reis achter zich hadden. Ook den volgenden dag
vlogen er nog duizenden, maar binnen drie dagen was er geen
enkele meer te bespeuren.
In de tweede plaats riet de heer Fokker een verzoek tot de
Leden, die zwaluwnesten of vleermuizen en duiven in handen
mogten krijgen, om hem de daarin gevonden weegluizen te
zenden. Van de vijf Europesche soorten van het geslacht Cimer L.
(deanthia F.) is nog slechts een, de gewone C. /ectularius L.,
als inlandsch bekend. Toch komen er hoogstwaarschijnlijk nog drie
andere hier voor. Wel zijn vele jaren geleden, door ons vroeger
medelid Wttewaall, eenige doozen met wandluizen uit duiventillen
verzameld, die tot ©. columbarius Jenyns heeten te behooren,
maar hun tegenwoordige toestand laat nadere determinatie niet
toe. De andere soorten zijn © Mirundinis Jenyns, even als de
vorige over geheel Europa verspreid en in nesten van /lirundo
urbica levende; en C. Pipistrellae Kol. , in Duitschland en Engeland
gevangen op Jespertilio pipistrella. Het doelmatigste is om de
ge-
vangen voorwerpen in liquor te werpen, omdat de zeer teedere
sprieten, die een voornaam onderscheidingskenmerk opleveren,
anders ligtelijk beschadigen of afbreken.
De heer Everts maakt vooreerst opmerkzaam op de verschil-
punten tusschen Notiophilus biguttatus Fabr. en N. punctulatus
Wesm., twee soorten welke oogenschijnlijk veel op elkander ge-
lijken. De laatste werd vroeger altijd over het hoofd gezien, doch
is op vele plaatsen bijna even gemeen als biguttatus, o. a. komt
zij veelvuldig voor in het Mastbosch bij Breda. N. punetulatus is
meer helder gekleurd; de stippellijnen op de dekschilden zijn veel
fijner en worden naar het uiteinde nog fijner, maar verdwijnen
nimmer geheel; de tusschenruimten zijn breeder. Tegenover deze
twee soorten en eene derde (N. rufipes Curt.) staan de fraai glan-
2
XVIII VERSLAG.
zige soorten aquaticus L. en palustris Dfts., bij welke de stippel-
lijnen naar het uiteinde der dekschilden verdwijnen.
Voorts geeft de heer Everts het onderscheid aan tusschen
Chlaenius nigricornis F. var. melanocornis Dej. en Chl. Schrankii
Dfts. Bij eerstgemelde is het eerste lid der sprieten even als de
pooten rood; de achterhoeken van het halsschild zijn stomp; bij
den type zigrieornis zijn de pooten bruinzwart; bij Chl. Schrank
zijn de drie eerste sprietleden meer of min rood; de pooten geel-
rood; de achterhoeken van het halsschild nagenoeg regt.
Dezelfde Spreker handelt in de derde plaats over het geslacht
Laccobius. Algemeen hield men de in Nederland voorkomende soort
voor L. minutus L. De zeer naauwkeurige Thomson heeft teregt
daarin meer dan ééne soort onderscheiden , waarvan er een paar ook
in Nederland zijn aangetroffen. Baron von Rottenberg geeft in het
Berliner Entom. Zeitschr. al. XVIII het volgende overzigt:
4. Halsschild tusschen de bestippeling spiegelglad. #igriceps Thoms.
Halsschild tusschen de bestippeling fijn en
regelmatig gechagrineerd, waardoor een
wetelanssontstaat „esse se de ee un A
2. Dekschilden met regelmatige, even sterke,
digt bijeenstaande stippellijnen. . . . minutus L.
Dekschilden meer verward bestippeld , slechts
hier en daar op rijen . . . . . . alutaceus Thoms.
Van Z. nigriceps is slechts een eenig voorwerp bij Sleeuwijk aan
de Merwede gevonden; 4. minutus is overal zeer gemeen en ook
alutaceus is niet zeldzaam.
Van al de besproken soorten worden exemplaren ter bezigtiging
rondgegeven.
Ten slotte vertoont de heer Everts eene merkwaardige monstro-
siteit van JIydrous caraboides L., bij welke het halsschild aan
weerszijden bullvormig is opgerigt.
De heer van der Wulp brengt naar aanleiding van hetgeen
daar straks door den heer Snellen omtrent het prepareren van
Microlepidoptera is gezegd, nogmaals in herinnering het plan, in
VERSLAG. XIX
de Wintervergadering van 1879 gevormd, om van wege de Ento-
mologische Vereeniging voorschriften zamen te stellen voor het
vangen, bewaren en verzenden van insecten, vooral met het doel
om uit den vreemde en bepaaldelijk uit tropische gewesten een
beter geconserveerd materiaal te verkrijgen. Hij heeft daartoe reeds
eenige bouwstoffen verzameld. Dr. van Hasselt namelijk heeft hem
voor de behandeling der Araneiden, Dr. Everts voor die der
Coleoptera, de naar hun inzien meest doelmatige voorschriften op-
gegeven; met betrekking tot de Diptera heeft Spreker zelf daar-
omtrent een en ander op het papier gebragt, en het zal hem voor-
zeker slechts een woord behoeven te kosten, om van den heer Snellen
iets dergelijks voor de Lepidoptera te ontvangen. Er blijven dan
nog over de Orthoptera, Hemiptera, Neuroptera en Hymenoptera.
Spreker doet bij deze een beroep op de specialiteiten voor deze
insecten-orden, om hem hunne inzigten deswege binnen kort
mede te deelen. Het zal hem dan ongetwijfeld niet moejjelijk vallen
van dat alles een geheel te vormen, dat aan de eischen kan vol-
doen. In verband hiermede vestigt hij inmiddels de aandacht op
een uitvoerig opstel van Prof. Mik, in de /erhandl. der zool. bot.
Gesellschaft te Weenen over 1880 opgenomen en over het prepa-
reren van Diptera handelende. Daarin worden een aantal nuttige
wenken gegeven, die ten deele ook op andere insecten kunnen
worden toegepast. Spreker acht dit stukje, waarvan hij een over-
druk laat rondgaan, zoo belangrijk, dat hij er cene Hollandsche
vertaling van heeft gemaakt |).
De heer Wurfbain vermeldt een bewijs van krachtig leven,
door hem waargenomen bij Aporea Crataegi L. Hij had voor zijne
verzameling enkele poppen van deze soort aan spelden gestoken.
Nadat Inj er gedurende een paar dagen niet meer naar had om-
gezien, bemerkte hij tot zijne verwondering dat uit een der pop-
pen, niettegenstaande de belemmering der speld, de vlinder zich
van het poppenvlies had weten te ontdoen en naar omstandigheden
tamelijk goed was ontwikkeld.
1) Deze vertaling is als bijlage achter dit verslag opgenomen.
XX VERSLAG.
De heer Maurissen wijst er op, dat de insecten-fauna van
Limburg in vroeger jaren door de Nederlandsche entomologen schier
stelselmatig werd verwaarloosd, maar later toch is erkend als tot
de fauna van ons land te behooren. Sedert is zij meer en meer
bekend geworden. Dat zij in vele opzigten afwijkt van die der
andere provincien, laat zich gemakkelijk verklaren uit het verschil
van den bodem; er zijn dan ook een aantal soorten aan te wijzen,
die niet in de overige gedeelten des Rijks, maar uitsluitend in
Limburg zijn gevonden. Spreker acht het niet van belang ontbloot
om, zoover op dit oogenblik onze kennis reikt, die soorten te
bepalen; hij heeft zich daarom bezig gehouden met daarvan eene
lijst zamen te stellen, die hij bij de aanwezenden laat rondgaan !).
Hiermede de wetenschappelijke mededeelingen afgeloopen zijnde,
sluit de Voorzitter, onder dankbetuiging aan de verschillende Sprekers,
de vergadering.
Den volgenden dag is door de gezamenlijke, ter vergadering
opgekomen Leden eene excursie gehouden in de omstreken van
Maastricht, en wel in de rigting van Meerssen en Valkenburg.
Hoewel in den vroegen morgen een digte regen viel en het weder
zich dus aanvankelijk ongunstig liet aanzien, brak later de zon
(
door en werd het zelfs een vrij warme zomerdag. De bezochte
streek, die door de natuur zoo mild is bedeeld en voor de meeste
deelnemers aan de excursie nog al het bekoorlijke der nieuwheid
bezat; — de gezellige en vriendschappelijke toon, die, gelijk altijd,
ook nu heerschte; — en niet het minst de ruime oogst van
insecten, door de meesten verkregen; dit alles maakte dat de dag
op alleraangenaamste wijze werd doorgebragt. Sommige leden van
het gezelschap waren reeds eenige dagen vroeger hezig geweest de
omstreken te exploreren en waren nu voor de overigen uitstekende
gidsen op de wandeling.
Onder de vangsten, daar ter plaatse gedaan, verdienen de vol-
gende bijzondere vermelding.
1) De lijst is als bijlage achter dit verslag opgenomen.
VERSLAG. XXI
COLEOPTERA.
Carabus monilis F., gemeen op den St. Pietersberg in verschil-
lende varieteiten.
Leistus ferrugineus L.
Lebia chlorocephala Hoffm.
Chlaenius vestitus Payk., langs de Maas onder steenen.
Sphodrus inaequalis Panz., in grotten van het kalkgebergte.
Taphria nivalis Panz.
Stomis pumicatus Panz.
Feronia parallela Dfts., onder steenen.
Amara consularis Dfts.
Zabrus gibbus F.
Tachys parvulus Dej. Fw. nov. sp. (Everts), een voorwerp langs
de Maas.
Bembidion 5-striatum Gyll.
» quadripustulatum Dej. Fx. nov. sp. (Everts), een voor-
werp langs de Maas.
» Doris Panz.
» decorum Panz., gemeen langs de Maas.
» nitidulum Marsh. /%. nov. sp. (Everts, Leesberg, Veth),
onder kalksteenen.
» . atrocoeruleum Steph. Zu. nor. sp. (Everts), cen voor-
werp langs de Maas.
» adustum Schm., langs de Maas.
» punctulatum Drap., id.
Falagria thoracica Curt.
Bolitochara bella Mark. Zu. nov. sp. (Everts, Groll, Leesb.), uit
Polyporus.
Aleochara lateralis Heer.
Myrmedonia collaris Payk.
» limbata Payk.
Tachyusa cyanea Kr., langs de Maas.
» atra Grav., id.
Gyrophaena nana Payk.
XXII VERSLAG
Gyrophaena strictula Er. Zw. nov. sp. (Everts, Groll, Leesb.), uit
Polyporus.
Leucoparyphus silphoides L.
Tachyporus abdominalis Er.
Quedius eruentus OL, achter boomschors.
» cinctus Payk.
Staphylinus aeneocephalus de G.
Actobius prolixus Er. Zy. nov. sp. (Everts), een voorwerp langs
de Maas.
Stenus fossulatus Er., in groeven van het kalkgebergte.
Syntomium aeneum Müll.
Homalium excavatum Steph.
Siagonium quadricorne Kirb., een voorwerp op eene vochtige plank.
Micropeplus porcatus F.
Anisotoma ovalis Schmidt.
Cyrtusa pauxilla Schmidt, Ax. nov. sp. (Everts), tegen zonsonder-
gang van planten gesleept.
Liodes humeralis Kug.
Hister stercorarius Hoffm.
Onthophilus striatus Forst.
Cercus fulvipes Er.
Epuraea obsoleta F.
» florea Er.
Meligethes subrugosus Gyll.
Antherophagus nigricornis F.
» silaceus Hrbst.
Cryptophagus scutellatus Newm. Zn. nov. sp. (Veth).
Dryops auriculatus Panz.
Onthophagus ovatus L.
Oxythyrea funesta Poda.
Agriotes gallicus Lac., gemeen.
Adrastus pusillus F., gemeen.
Helodes minutus L.
Hydrocyphon deflexicollis Müll., op waterplanten.
Homalisus suturalis Vill.
VERSLAG. XXIT
Lamprorhiza splendidula L.
Malthodes dispar Germ.
Axinotarsus ruficollis Ol., niet zeldzaam.
Ptinus rufipes F. 2.
Mordellistena brunnea F.
Silaria varians L. Fu. nov. sp. (Leesb.).
Oedemera nobilis Scop.
» flavipes F.
Otiorhynchus ligneus OI.
Peritelus hirticornis Hrbst.
Phyllobius sinuatus F.
Polydrosus tereticollis de G.
Sitones discoideus Gyll.
Balaninus nucum L.
Anthonomus druparum L.
Gymnetrum netum Germ. Zw. nov. sp. (Everts).
Cionus Scrophulariae L.
» tubereulosus Scop.
» similis Mull.
» hortulanus Marsh.
» olens F. Fu. nov. sp. (Leesb.), op Verbascum.
>» Blattariae F.
» pulchellus Hrbst.
Coeliodes rubicundus Payk.
» Geranii Payk.
Rhinoncus perpendicularis Reich.
Ceutorhynchus trimaculatus F. #x. nov. sp. (Leesb.).
» Chrysanthemi Gyll.
Apion vicinum Kirb.
» dispar Germ. 4
» -varipes Germ.
» Trifolii L. var. ruficrus Germ., merkwaardig exemplaar met
geheel zwarte pooten (Veth).
» tenue Kirb.
» aethiops Hrbst.
XXIV VERSLAG.
Apion punctigerum Payk.
Urodon rufipes OL, gemeen op Reseda lutea.
Pogonochaerus hispidus Schr.
Strangalia bifasciata Müll.
Zeugophora flavicollis Marsh.
Gryptocephalus pygmaeus F.
Pachybrachys hieroglyphicus Leach.
Chrysomela Molluginis Suffr., op Centaurea nigra.
» coerulans Serib.
» Menthastri Suffr., beide laatste soorten zeer gemeen
op Mentha.
Melasoma longicolle Suffr. #. nov. sp. (Ev., Piaget, Veth), op
Populus.
Crepidodera metallica Dfts. Zx. nov. sp. (Veth).
Mantura rustica L.
Podagrica sinuata Steph.
» Cyparissiae Koch, op Euphorbia Cvparissias.
Longitarsus tabidus F., gemeen op Verbascum.
» ochroleucus Marsh.
» exoletus L.
Psylliodes herbaceus Foudr. /%. nov. sp. (Veth).
Dibolia occultans Koch.
Apteropeda orbiculata Marsh.
Hispa atra L.
Cassida murrhaea L.
Dacne bipustulata Thunb., op Polyporus.
Cyrtotriplax bipustulata F. Fx. nov. sp. (Ev, Groll, Leesb.), op
Polyporus.
Epilachna Argus Fourcr., met larven en poppen op Bryonia
dioica.
Platynaspis luteorubra Goeze.
LEPIDOPTERA.
Sesia ichneumoniformis W, V. fx. nov. sp. (Ritsema), een d bij
Valkenburg.
VERSLAG. XXV
Cidaria olivata W. V. Zw. nov. sp. (Snellen), een gaaf d bij
Valkenburg.
Botys fulvalis Hbn. Fx. zov. sp. (Maurissen, Piaget), eenige exem-
plaren bij Valkenburg.
Crambus myellus Hbn. /%. nov. sp. (Snellen), een zeer gaaf en
frisch g bij Meerssen, op de bergen.
Coleophora ornatipennella Hbn. Fw. nov. sp. (Snellen), twee exem-
plaren bij Valkenburg.
HYMEN OPT ER A.
Colletes Daviesana Kirb.
Prosopis pictipes Nyl.
» brevicornis Nyl.
Halictus quadristrigatus Latr.
» quadricinctus F. Fx. nov. sp. (Ritsema).
» maculatus Smith.
» morio F,
Andrena Hattorfiana F.
» Gwynana Kirb.
) propinqua Schenck.
» lucens Imh. (= nitidiuscula Schenck).
» Shawella Kirb.
» nana Kirb. Zw. nov. sp. (Ritsema).
Gilissa haemorrhoidalis F.
Halictoides. dentiventris Nyl.
Osmia adunca Latr.
Trachusa Serratulae Panz.
Megachile lagopoda L. /%. nov. sp. (Ritsema).
» Willoughbiella Kirb.
» ericetorum Lep.
Anthidium strigatum Latr.
Trypetes truncorum L.
Ceratina cyanea Kirb. Zw. nov. gen. et sp. (Ritsema).
Nomada fucata Panz.
» Roberjeotiana Panz.
XXVI VERSLAG.
Nomada Fabriciana L. var. germanica Panz.
» fuscicornis Nyl.
Coelioxys rufescens Lep.
» aurolimbata Först. (= recurva Schenck),
» alata Först. Zw. zov. sp. (Ritsema).
Stelis aterrima Panz.
» phacoptera Kirb.
Anthophora furcata Panz.
» quadrimaculata F.
Bombus confusus Schenck.
» sylvarum L.
» distinguendus Mor.
» spec. (variabilis Schmied. en dan Fx. nov. sp. of agrorum
F. var. mniorum F.) (Ritsema).
DIPTERA.
Leptogaster cylindricus de G.
Hybos femoratus Müll.
Chrysogaster coemeteriorum L.
Demoticus spretus Meig. Mu. nor. sp. (v. d. Wulp).
Rhinophora melania Meig.
Myopina reflexa Rob. D.
Lispe tentaculata de G.
» consanguinea Löw, deze en de beide vorigen aan de oevers
van de Maas.
Sciomyza griseola Fall.
Tephritis tessellata Löw.
Parydra aquila Fall. Fu. nov. sp. (v. d. Wulp), aan de oevers
van de Maas.
ARANEIDEA.
Wat de Araneiden betreft, bij de gedwongen afwezigheid van
onzen Araneoloog, Dr. van Hasselt, hebben, op zijn verzoek, som-
mige Leden zich beijverd, ook spinnen mede te nemen en die aan
hem ter hand te stellen. De steller van dit verslag ontving van
hem deswege het volgende schrijven :
VERSLAG. XXVII
«Voor de Araneiden heeft de excursie in de veelbelovende om-
streken van Maastricht, — aan welke ik het zeer blijf betreuren
niet te hebben kunnen deelnemen, — niet zoo veel bijzonders
opgeleverd als ik had gehoopt. Behalve tal van meer gewone Epeira-,
Zilla-, Tetragnatha-, Theridium-, Linyphia- en andere soorten, A
waarbij nogtans verscheidene exemplaren, als grooter en fraaijer
geteekend (gelijk meermalen uit zuidelijker streken) goede dienst
deden ter verbetering mijner collectie, — werden toch eenige meer
zeldzame of meer belangrijke spinnen gevangen, als:
door den heer Maurissen :
Clubiona neglecta Cambr. 2
Oxyopes variegatus Hahn 2
Attus (Buophrys) falcatus Cl. 2 (?), pulchra varietas; forsan
species illa vicina, mihi adhuc deficiens.
door den heer Everts :
Ero saxatilis G. Koch 2
Melanophora petrensis G. Koch g (magnum exemplar).
Thomisus (Diaea) dorsatus Fabr. 9 jun.
door den heer Leesberg:
Amaurobius terrestris G. Koch g et d; hie mihi rarus.
Meta Mertanae C. Koch 9g
Marpissa brevipes CG. Koch 9.
Voor deze hunne vangsten, voor hunne tijdroovende zorgen ter
wille eener andere specialiteit, voor den mij daardoor verschaften
troost in mijn leed, betuig ik genoemden vrienden mijn opregten
dank. »
LIJST DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
op 23 Julij 1881,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
Ae
BEGUNSTIGERS.
De heer J. Kneppelhout, Hemelsche Berg te Oosterbeek. 1867.
1
”
Dr. Francois P. L. Pollen, te Scheveningen. 1867.
Mevrouw Hartogh Heys van de Lier, geb. Snoeck, te ’s Gravenhage. 1868.
De heer Dr. F. J. L. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
”
N
Mr. J. Thiebout, te Zwolle. 1869.
Het Koninklijk Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra te
Amsterdam. 1879.
EERELEDEN.
De heer Dr. G. F. Westerman, Direeteur van het Koninklijk Zoologisch
Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
H. T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861.
Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis-
senschaften en Burgemeester van Weenen. 1861.
Prof. J. 0. Westwood, F. L. S., Directeur van het Hopean
Museum te Orford. 1862.
Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, te Bergen op Zoom. 1864.
Dr. Gustav L. Mayr, Professor aan de Hoogere Burgerschool
te Weenen. 1867.
Dr. H. D. J.Wallengrèn, te Farhult, bij Höganäs in Zweden. 1871.
R. Mac Lachlan, F. L. S., te Londen. 1871.
Dr. T. Thorell, voormalig Hoogleeraar in de Zoologie aan de
Hoogeschool te Upsala in Zweden. 1872.
Dr. C. A. Dohrn, President der Entomologische Vereeniging
te Stellin. 1875.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXIX
De heer M. E. Baron de Selys Longehamps, te Luik. 1874.
n
”
Dr. V. Signoret, te Parijs. 1874.
CORRESPONDERENDE LEDEN.
De heer Prof. Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool
» 22
” 7
Zi Exe.
De heer
n ”
” ”
n n»
n ”
n N
De heer
n n
” ”
De heer
by} »
n n
»n ”
” n
” ”
”
te Aken. 1853.
Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
Frederic Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige
Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864.
J. W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te Londen. 1865.
Mr. J. W. van Lansberge, voormalig Gouverneur-Generaal
van Nederlandsch Indie. 1865.
Prof. P. C. Zeller, Grünhof bij Stettin. 1867.
W. Mink, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te Cre-
feld. 1867.
Dr. H. Weyenbergh, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Cordova
in de Argentijnsche Republiek. 1872.
Dr. W. Marshall, te Weimar. 1872.
J. Putzeys, te Brussel. 1874.
A. Fauvel, te Caen. 1874.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
Henri Vicomte de Bonvouloir, Rue de l'Université, 15
te Parijs. (1867—68).
H. Jekel van Westing, lid der K. Acad. van natuuronderzoe-
kers te Moscou en van verscheidene entomol. genootschappen,
Rue Letort, 2, te Parijs. (1868—69).
J. Lichtenstein, villa la Lironde bij Montpellier. (1878 —79).
?
GEWONE LEDEN.
1845-46.
Dr. J. G. H. Rombouts, te Groesbeck.
F. M. van der Wulp, Prinses Marie-straal, 14, te ’s Graven-
hage. — Diptera.
Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, huize Schothorst, te
Hoogland bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
J. W. Lodeesen, Prinsengracht bij de Reestraat, 377, te Amster-
dam. — Lepidoptera indigena.
Dr. J. R. E. van Laer, te Utrecht.
Mr. H. Ver Loren van Themaat, te Utrecht. — Lepidoptera.
W. O. Kerkhoven, te Lochem.
XXX LIJST DER LEDEN ENZ.
1851-52.
De heer R. T. Maitland, Commelinstraat, 25, te Amsterdam. — Alge-
meene Entomologie.
P. C. T. Snellen, Wijnhaven (Noordzijde) 45, te Rotterdam. —
” ”
Lepidoptera.
n n Dr. M. Imans, te Utrecht.
n n Dr. W. A. J. van Geuns, Oude Gracht, te Utrecht.
1852-53.
De heer Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde, 123, te ’s Gravenhage. —
Inl. Lepidoptera, bijzonder Microlepidoptera.
G. M. de Graaf, Heerengracht, 55, te Leiden. — Lepidoptera.
” ”
» n G.A. Six, De Ruiterstraat, 65, te’s Gravenhage. — Hymenoptera.
„ » Dr. W. Berlin, Hoogleeraar aan de Universiteit, Westeinde,
2, te Amsterdam.
1855-56.
De heer A. A. van Bemmelen, Directeur van de Diergaarde te Rot-
lerdam. -— Algemeene Entomologie.
» » Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen , te Velp. —
Lepidoptera.
3856-57.
De heer Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Inlandsche Lepi-
doptera (bijzonder Microlepidoptera) en Neuroptera.
Mr. W. Albarda, te Ginneken. — Lepidoptera en Neuroptera.
Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade, 15, te
’s Gravenhage. — Arachniden.
” n
n ”
1857-58.
De heer Dr. J. W. Sehubärt, te Utrecht.
W. K. Grothe, te Zeist.
1258-59.
De heer J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht. —
Lepidoptera.
J. Backer, te Oosterbeek. — Lepidoptera.
” ”
7 »
1360-61.
De heer J. Kinker, Oudezijds-Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort ,
223, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
» » Dr. E. Piaget, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Korte-
naerstraat 416, te Rotterdam. — Diptera en Parasitica.
1861-62.
Mevrouw de Weduwe Hartogh Heys van de Lier, te ’s Gravenhage,
voor wijlen haren Echtgenoot.
De heer
De
De
heer
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXI
1863 -G4.
Mr. R. Th. Bijleveld, te ’sGravenhage. —Algemeene Entomologie.
D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F, 3471, te Zwolle. —
Lepidoptera.
1361-65.
Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Lepidoptera.
Dr. H. J. Veth, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te
Rotterdam. — Algemeene Entomologie.
H. W. Groll, te Haarlem. — Coleoptera.
1865—G6.
Mr. A. Brants, Buitensingel te Arnhem. — Lepidoptera
1366-67.
F. J. M. Heylaerts Jr., St.-Jansstraat te Breda. — Lepi-
doptera enz.
Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar te Utrecht. — Alge-
meene Zoologie.
A. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
1867-63.
C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur-
lijke historie, Rapenburg 94, te Leiden. — Algemeene Ento-
mologie.
Mr. H. Hartosh Heys van Zouteveen, Phil. nat. Dr., te Assen.
1868-69.
Dr. J. G. de Man, Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur-
lijke historie, te Leiden. — Algemeene Entomologie.
Dr. F. W. O. Kallenbach, te Rotterdam. — Lepidoptera.
A. Cankrien, te Aralingen. — Lepidoptera.
Mr. C. J. Sickesz, Huize de Cloese bij Lochem.
1369-70.
M. Nijhoff, Nobelstraat 18, te ’s Gravenhage. — Bibliographie.
1870-71.
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Leeraar aan de Hoogere Burger-
school, Huygensstraat 11, te ’s Gravenhage. Coleoptera.
Mr. M. C. Piepers, Lid der regterlijke magt in Nederlandsch
Indie. — Lepidoptera.
Dr. P. J. Veth, Hoogleeraar te Leiden,
XXXII
LIJST DER LEDEN ENZ.
1871-72.
De heer Dr. J. Ritzema Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool
te Wageningen.
J. F. G. W. Erbrink, N. Z. Voorburgwal over de Kolk 62,
te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
J. B. van Stolk, Zeemansstraat, te Rotterdam. — Lepidoptera.
Mr. A. F. A. Leesberg, Jan-Hendrikstraat, 9, te ’s Graven-
hage. — Coleoptera.
Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar te Groningen.
M. M. Schepman, te Rhoon. — Neuroptera.
Dr. C. K. Hoffmann, Hoogleeraar te Leiden. — Vergelijkende
ontleedkunde.
‘ È i
1872-73.
De heer Dr. A. J. van Rossum, Kastanjelaun te Arnhem.
1373-74.
De heer Dr. J. van Leeuwen Jr., P. C. Hooftstraat 32, te Amster-
”
dam. — Lepidoptera.
Mr. M. ’s Gravesande Guicherit, te Delft.
1874-75.
De heer H. L. Gerth van Wijk, Leeraar aan de Hoogere Burger-
»
»
”
school te Middelburg. — Hymenoptera aculeata.
J. van den Honert, Plantage Prinsengracht 9, te Amsterdam.
K. N. Swierstra, Koninkl. Zool. Genootschap Natura Artis
Magistra te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
1875-76.
De heer H. Uijen, Priemstraat te Nijmegen. — Lepidoptera.
»
7
”
»
»
”
n
J. G. Wurfbain, Huize Heuven, te Worth-Rhede.
A. J. Weytlandt, te Rijswijk.
Dr. M. W. Beijerinck, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool
te Wageningen.
Vine. Mar. Aghina, Saer. Ord. Praed., te Schiedam.
N.M.La Fontijn, Officier der Infanterie te. Bergen op Zoom.
1576-77.
De heer P. H. J. J. Ras, Jur. Stud. te Leiden (adres: Huize Rijnstein
»
»
”
”
n
te Arnhem).
L. de Bruyn, Officier der Artillerie te Brielle.
W. H. Dreessens, Oudebrugsteeg 5, te Amsterdam.
A. J. F. Fokker, Jur. Stud. te Leiden. — Hemiptera.
Emile Seipgens, te Zutphen.
D
D
De
”
”
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXIII
heer J. H. Vallen, boomkweeker, op ’t Kasteel Hellenraedt onder
Swalmen bij Roermond. — Nuttige en schadelijke insecten.
» A. M. J. Bolsius, Geneesheer der Billiton-maatschappij, op
Billiton (Nederl. Indie).
1877-78.
heer A. W. Carrière jr., Westeinde 64, te ’s Gravenhage.
» J. G. van Renthergem, te Bergen op Zoom.
» Dr. C. Kerbert, Adsistent aan het Zootomisch Laboratorium ,
Reguliersgracht 78, te Amsterdam.
» 6.A.F. Molengraaff ‚ Phil. nat. stud. te Leiden. — Lepidoptera.
1878-79,
heer A. C. Oudemans Jsz., Phil. nat. stud. te Utrecht. — Acarina.
» Henri W. de Graaf, Phil. nat. stud. te Leiden.
» P. T. Sijthoff (adres: de heeren Erdmans en Sielcken) te
Batavia.
» J. B. Snellen, te Winterswijk.
n Dr. F. A. Jentink, Conservator bij ’s Rijks Museum van
Natuurlijke historie, Papengracht 22, te Leiden.
1379-80.
heer Dirk ter Haar, te Nijmegen, — Lepidoptera.
» K. Bisschop van Tuinen Hz., Leeraar aan de Hoogere Bur-
gerschool en het Gymnasium te Zwolle. — Lepidoptera.
» Dr. J. G. Ploem, te Buitenzorg (Java).
1880-81.
Heer J. F. Oudemans, Sarphatistraat 78, te Amsterdam.
» J. Gerard Kruimel, Tesselschadestraal 21, te Amsterdam.
=
» J. Jaspers Jr., Kerkstraat 167, te Amsterdam.
BESTUUR.
President. Dr. A. W. M. van Hasselt.
Vice-President. P. C. T. Snellen.
Secrelaris. F. M. van der Wulp.
Bibliothecaris. C. Ritsema Cz.
Penningmeester. J. W. Lodeesen.
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
De President van het Bestuur.
F. M. van der Wulp.
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts.
fn
.
bo
>
Or
6.
BIBLIO WE EEEN
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VERBEMGING.
BIJGEKOMEN BOEKEN VAN 1 AUGUSTUS 1880
Tor 31 Augustus 1881.
BIBLIOTHEEK A.
Natuurlijke Historie in het algemeen.
Crosby (W. 0), Contributions to the Geology of Eastern Massa-
chusetts (Occasional Papers of the Boston Society of Natural
History. III). Boston, 1880. 8vo. (Geschenk van de Boston Soc.
of Nat. Hist.).
Algemeene Dierkunde.
Bell (Th.), Catalogue of Crustacea in the Collection of the British
Museum. Part I. Leucosiadae. London, 1855. &vo.
. List of the Vertebrated Animals now or lately living in the Gardens
of the Zoological Society of London. First supplement , containing
additions received in 1879. London, 8vo,
. Mac Leod (J.), Deux Crustacés nouveaux pour la Faune Belge.
Bruxelles, 1880. 8vo. (Geschenk van den Sehrijver).
Man (Dr. J. G. de), Ueber einige neue oder noch unvollständig
bekannte Arten von frei in der reinen Erde lebenden Nematoden.
1stes Supplement. Leiden, 8vo. (Met de drie volgende nommers ten
geschenke van den Schrijver).
—— On a new Collection of Podophthalmous Crustacea,
presented by Mr. J. A. Kruyt, collected in the Red Sea near
the town of Djeddah. Leiden, 1881. 8vo.
10.
EL:
13.
14.
16. ©
1%
BIBLIOTHEKEN DER NED. ENT. VEREENIGING, XXXV
Man (Dr. J. G. de), Remarks on the species of Matula Fabr. in
the Collection of the Leyden Museum. Leiden, 1881. 8vo.
—— Carcinological Studies in the Leyden Museum. N°. 1. Leiden,
1881. 8vo.
. Weyenbergh (Dr. H.), Zoologica Sistematica. Texto tradueido muy
abreviadamente y con algunas modificaciones, de la parte siste-
matica del texto de zoologica, escrito en Holandes por el Dr. P
Harting. Tomo II (invertebrata), Tomo III (figuras). Cordoba,
1880/81. 8vo. (Geschenk van Prof. H. Weyenbergh).
Algemeene Entomologie.
Borre (A. Preudhomme de), Quelques mots sur l’organisation et
l'histoire naturelle des Animaux articulés. Conférence. Bruxelles,
1880. 8vo. (Geschenk van den heer de Borre).
Mac Leod (J.), Contribution à l'étude du rôle des insectes dans
la pollinisation des fleurs hétérostyles (Primula elatior). Bruxelles,
1880. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
. Swinton (A. H.), Insect Variety: its Propagation and Distribution.
Treating of the Odours, Dances, Colours and Music in all Grass-
hoppers, Cicadae and Moths; Beetles, Leafinsects, Bees and
Butterflies; Bugs, Flies and Ephemeridae; and exhibiting the
bearing of the Science of Entomology on Geology. London, Paris
and New-York, 1881. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Westwood (J. O.), On some unusual monstrous Insects. London,
1879. With two plates. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
White (A.), List of the Specimens of British Animals in the
Collection of the British Museum. Part XVII. Nomenclator of
Anoplura, Euplexoptera and Orthoptera. London, 1855. 8vo.
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
. Borre (A. Preudhomme de), Etude sur les espèces de la tribu
des Féronides qui se rencontrent en Belgique (2me partie).
Bruxelles, 1879. 8vo. (Met de vier volgende nommers ten geschenke
van den Schrijver).
—— Note sur le genre Macroderes Westw. Bruxelles, 1880. 8vo.
—— Description d’une espèce nouvelle du genre Trichillum Harold
(Coprides ; Choeridiides). Bruxelles, 1880, 8vo.
XXXVI BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCH E
1
19,
20.
23.
24.
28.
(0 ©)
.
Borre (A. Preudhomme de), Description d’une espéce nouvelle du
genre Onilis, suivie de celle des femelles des Onilis Lama et
Brahma et de la liste des Onitides du Musée Royal de Belgique.
Bruxelles, 1881. 8vo.
—— Matériaux pour la Faune entomologique du Brabant. Colé-
opteres. Première Centurie. Bruxelles, 1881, 8vo.
Everts (Dr. E.), Tweede supplement op de Lijst der in Neder-
land voorkomende Schildvleugelige insecten (Coleoptera). ’s Graven-
hage, 1881. Svo. (Met het volgende nommer ten geschenke van
den Schrijver).
. —— Bijdrage tot de kennis der Nitidularien. Met 3 pl.
’s Gravenhage, 1881. 8vo.
. Ritsema Cz. (C.), Descriptions of Exotie Coleoptera. 5 Parts.
Leiden, 1880/81. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Westwood (J. O.), On Cetonia aurata and Protaetia Bensoni.
London, 1880. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
B. Lepidoptera.
Berg (Dr. C.), Observaciones acerca de la familia Hyponomeu-
tidae. Buenos Aires, 1880. 8vo. (Met het volgende nommer ten
geschenke van den Schrijver).
—— Apuntes Lepidopterologicos. Buenos Aires, 1880. 8vo.
. Butler (A. G.) and Lord Walsingham, Illustrations of Typical
Specimens of Lepidoptera Heterocera in the British Museum.
Part IV and V. London, 1879/81. With col. plates. 4to. (In
ruil van de Trustees van het Britsch Museum te Londen).
Moore (F.), The Lepidoptera of Ceylon. Part I and IL. With 36
col. plates. London, 1880/81. Ato. (Geschenk van de Engelsche
Regering).
Westwood (J. O.), On two Gynandromorphous specimens of
Cirrochroa Aoris Doubl., an Indian species of Nymphalideous
Butterflies. London, 1880. With a col. plate. 8vo. (Met de vier
volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
29. —— The Codlin Moth (Carpocapsa Pomonella). London, 1879.
30. — — The Pea Moth (Tortrix nigrieana). London, 1880.
31. —— The Cabbage Moth (Mamestra Brassicae). London, 1880.
32. —— Descriptions of some new Exotic Species of Moths. With
2 col. plates. London, 1881. 8vo.
33.
34.
36.
37.
38
39.
40.
41.
43.
44,
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XXXVII
(. Hymenoptera.
André (E)., Species des Hyménoptères d’Europe et d’Algérie.
Fasc. VII-X et Annexe fasc. I. Beaune, 1880/81. Avec
planches. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschrift voor Entomologie).
Ritsema Cz. (C.), Descriptions of three new exotie species of
the Hymenopterous genus Xylocopa. Leiden, 1880. Svo. (Met
het volgende nommer ten geschenke van den Schrijver).
--— On two new exotic species of Fossorial Hymenoptera.
Leiden, 1880. 8vo.
Vollenhoven (Dr. S. C. Snellen van), Schetsen ten gebruike bij de
studie der Hymenoptera. iste, 3de en 4de stuk. ’s Gravenhage, 1868
— 73. Folio. (Ter completering ten geschenke van den heer M. Nijhoff’).
Westwood (J. O.), A Monograph of the Sawflies composing the
Australian Genus Perga of Leach. With five Plates. London, 1880.
Svo. (Met het volgende nommer ten geschenke van den Schrijver).
—— Observations on the Hymenopterous genus Seleroderma Klug
and some allied groups. With four Plates. London, 1881. 8vo.
D. Hemiptera en Parasitica.
Berg (Dr. C.), Hemiptera Argentina enumeravit speciesque novas
descripsit. Bonariae, Hamburgo, 1879. 8vo. (Geschenk van den
Schrijver).
Piaget (Dr. E.), Quatre nouvelles Pédiculines. Avec 1 pl. ’s Gra-
venhage, 1881. Svo. (Geschenk van den Schrijver).
E. Neuroptera.
Albarda (H.), Systematische lijst met beschrijving der nieuwe of
weinig bekende soorten van Neuroptera medegebragt door de
Sumatra-Expeditie. Leiden, 1881. Met 6 platen. gr. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
. Berg (C.), La Vida y Costumbres de los Termitos. Conferencia
popular, con lamina. Buenos Aires, 1880. 8vo. (Geschenk van
den heer C. Berg).
Lachlan (R. Me.), Notes on the Entomology of Portugal. II.
Pseudo-Neuroptera (in part) and Neuroptera planipennia. London,
1880. 8vo. (Met de beide volgende nommers ten geschenke van
den Schrijver).
—— Notes on Odonata, of the sub-families Corduliina, Calo-
pterygina and Agrionina (legion Pseudostigma) collected by Mr.
XXXVIII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCILE
45.
46.
47.
48.
49.
50.
53.
54.
Buckley in the district of the Rio Bobonaza, in Ecuador.
London, 1881. 8vo.
Lachlan (R. Me.), Note sur la femelle du Diastalomma tricolor
Pal. de Beauvois. Bruxelles, 1881. 8vo.
F. Orthoptera.
Berg (Dr. C.), Sinonimia y Distribucion geografica de la Langosta
peregrina (Acridium peregrinum Oliv.). Buenos Aires, 1880. 8 vo.
(Geschenk van den Schrijver).
Scudder (S. H.), List of Orthoptera collected by Dr. A. S.
Packard Jr. in the Western U. 8. in the summer of 1877.
Washington, 1880. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Westwood (J. O.), The Pea Thrips. London, 1880. (Geschenk
van den Schrijver).
(. Diptera.
Doleschall’s Diptera van den O. I. Archipel. Copie der oor-
spronkelijke teekeningen behoorende bij het 3de stuk.
Westwood (J. O.), The Pea Midge (Cecidomyia Pisi). London,
1880. (Geschenk van den Schrijver).
Wulp (F. M. van der), Diptera medegebragt door de Sumatra-
Expeditie. Met 3 gekl. pl. Leiden, 1881. gr. in 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
H. Arachnoidea en Myriapoda.
. Latzel (Dr. R.), Die Myriopoden der Oesterreichisch Ungarischen
Monarchie. Mit Bestimmungs-Tabellen aller bisher aufgestellten
Myriopoden-Gattungen und zahlreichen , die morphologischen Ver-
hältnisse dieser Thiere illustrirenden Abbildungen. 1ste Hälfte:
Die Chilopoden. M. 10 lith. Tafin. Wien, 1880. 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
Oudemans Jszn. (A. C.), Jets over Acarina in ’t algemeen.
’s Gravenhage, 1851. Met 2 platen. 8vo. (Geschenk van den
Schrijver).
Palacontologie.
Scudder (S. H.), The Structure and Affinities of Euphoberia
Meek and Worthen, a genus of Carboniferous Myriapoda. Cambridge,
1881. Svo. (Geschenk van den Sehrijver).
, —— The Devonian Insects of New Brunswick. Boston, 1880.
With a plaine plate. 4to. (Geschenk van den Schrijver).
56.
57.
60,
61.
63.
64.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XXXIX
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Mae Leod (J.), Notice sur l’appereil vénimeux des Aranéides.
Av. 1 pl. 1880. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Plateau (F.), Recherches physiologiques sur le eveur des Crus-
tacés décapodes. Av. 2 pl. 1880. 8vo. (Geschenk van den
Schrijver).
Tijdschriften.
Abhandiungen herausgegeb. vom naturwissenschaftlichen Vereine
zu Bremen. Bd. V, Heft 1. M. 3 Tafin. Bremen, 1880. 8vo.
. Anales de la Sociedad cientifica Argentina. Buenos Ayres,
1880/81. tom. X, entr. 1—5; tom. XI, entr. 1—6. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Annali del Museo civico di Storia Naturale di Genova, pubblicati
per cura di G. Doria e R. Gestro. Genova, 1879,81. vol. XV,
XVI. Met plat. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Annuaire de l’Académie Royale des Sciences, des Lettres et des
Beaux-Arts de Belgique. Bruxelles, 1879/81. Ann. 45—47.
Svo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Archief. Vroegere en latere Mededeelingen voornamelijk in betrek-
king tot Zeeland, uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap
der Wetenschappen. Middelburg, 1880. DI. V, iste stuk. 8vo.
(Geschenk van het Zeeuwsch Genootschap).
Archives Néerlandaises des Sciences exactes et naturelles,
publiées par la Société Hollandaise des Sciences à Harlem. Harlem,
1880;81. Tom. XV, livr. 3—5; tom. XVI, livr. 1 et 2. Svo.
(Geschenk van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen).
Archivos do Museu nacional do Rio de Janeiro. Rio de Janeiro,
1878. vol. II, trim. 3 y 4. Av. pl. 4to. (In ruil tegen het Tijd-
schrift v. Entom.).
. Boletin de la Academia Nacional de Ciencias de la Republica
Argentina. Cordoba, 1879. Tom. II, entr. 2 y 3. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France.
Paris, 1880, no. 15— 24; 1881, no. 1—13. 8vo. (In ruil tegen
de Verslagen der Ned. Ent. Vereen.).
. Bulletin of the Essex Institute. Salem, 1879. vol. XI. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
XL
68.
69.
70.
71.
12.
73.
74.
75.
76.
(UE
78.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Bulletin of the U. S. Geological and Geographical Survey of the
Territories. Washington, 1880/81. Vol. V, no. 4; vol. VI. 8vo.
(Geschenk van den heer F. V. Hayden).
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Firenze, 1880/81.
Anno XII, trim. 2 e 4; anno XIII, trim. 1. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de
Belgique. Bruxelles, 1880/81. Année 1880, p. xCVII-COXXXVI;
année 1881 (3me ser.) no. 1—8. 8vo. (In ruil tegen de Ver-
slagen der Ned. Ent. Vereen.). |
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter.
Quedlinburg, 1880,81. Jahrg. VI, Heft 15—24; Jahrg. VII,
Heft 1—16. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Entomologisk Tidskrift, pa füranstaltande af Entomologiska
Föreningen i Stockholm utgifven af J. Spängberg. Stockholm,
1880/81. Bd. I; Bd. II, Häft. 1—2. Svo. (In ruil tegen hel
Tijdsehr. v. Entom.).
Entomologist (The). An Illustrated Journal of British Entomology.
Edited by J. F. Carrington. London, 1880/81. vol. XIII, no.
207—211; vol. XIV, no. 212—219. 8vo.
Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde. Wies-
baden, 1878/79. Jahrg. XXXI und XXXII, 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Maandblad voor den Nederlandschen Landbouwer. Zwolle, 1880.
Jaarg. 1880, 8vo. (Geschenk van den Uitgever: W. E. J. Tjeenk
Willink te Zwolle).
Meddelanden af Societas pro Fauna et Flora Fennica. Helsing.
fors, 1880. Taft. 5. Svo. (In ruil legen het Tijdschr. v. Entom.).
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Boston,
1879. Vol. III, Part I. no. 3. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
Naturhistorische Hefte nebst deutsch redigirter Revue, heraus-
gegeb. vom Ungarischen National-Museum in Budapest. Redigirt
von 0. Herman. Budapest, 1880/81. Bd. IV, Heft 3 und 4; Bd.
V, Heft 1. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indie, uitgegeven
door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch
Indie. Batavia en ’s Gravenhage, 1880. DI. XXXIX. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
80.
81.
83.
84.
91.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLI
Notiser ur Sällskapetts pro Fauna et Flora Fennica. Förhand-
lingar. Helsingfors, 1848—1874. Häftet 1—3, 4to, Häftet 6,7,
9—13. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Periodico Zoologieo. Organo de la Sociedad Zoologica Argentina.
Sale por entregas irregulares. Cordoba, 1880. Tom. III, entr.
2 y 3. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Proceedings of the Boston Society of Natural History. Boston,
1879/80. vol. XX, prt. 2 and 3. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
Proceedings of the Linnean Society of New South-Wales. Sydney,
1879/80. Vol. IV, part 3 and 4; vol. V, part 1 and 2. With
plates. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Proceedings of the Natural History Society of Glasgow, 1881.
vol. IV, part 2. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society
of London for the year 1879, part 4; and for the year 1880,
part 1-3. London, 1880. With plates. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
. Psyche, Organ of the Cambridge Entomological Club. Cambridge,
Mass. 1880/81. vol. III. no. 74—82. 8vo. (Geschenk van den
Uitgever).
. Report (Annual) of the Board of Regents of the Smithsonian
Institution for the year 1878. Washington, 1879. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Schriften der Physikalisch-Oekonomischen Gesellschaft zu Königs-
berg. Königsberg, 1878/80. 18ter Jahrg. Abth. 2. 19ter u.
20ster Jahrg.; 21ster Jahrg. Abth. 1. 4to. (In ruil legen het
Tijdschr. v. Entom.).
- Tromso Museums Aarshefter. Tromso, 1880. Bd. III. 8vo.
. Tijdschrift der Nederlandsche Dierkundige Vereeniging. Leiden,
1881. DI. V, aflev. 3. Met plat. 8vo. (In ruil tegen het Tijd-
schrift v. Entom.).
Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap gevestigd te
Amsterdam. Amsterdam en Utrecht, 1880/81. DI. IV, no. 5;
dl. V, no. 1-5; met Bijblad no. 7-9. 4to. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
. Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederl. Entom.
Vereen. ’s Gravenhage, 1880/81. DI. XXIII ‚ aflev. 4; dl. XXIV,
aflev. 1—3. Met platen. Svo.
94.
96.
97.
Ss),
100.
101.
102.
105.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Verhandlungen der k. k. zoologisch-botanischen Gesellschaft in
Wien. Wien, 1881. Bd. XXX. Mit Tafeln. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Enlom.).
Verslag van de 35ste Zomervergadering en van de 14de Win-
tervergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging,
gehouden te Zutphen den 24sten Julij 1880 en te Leiden den
19den December 1880. ’s Gravenhage, 1881. 8vo.
Verslag van den Landbouw in Nederland over 1878. ’s Graven-
hage, 1880. Iste en 2de deel. 8vo. (Geschenk van den Minister
van Waterstaat, Handel en Nijverheid).
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van
Wetenschappen, afdeeling Natuurkunde. Amsterdam, 1880'81.
2de reeks, 15de deel, 3de stuk en 16de deel, iste stuk. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Zeitschrift für die gesammten Naturwissenschaften. Redigirt
van Dr. C. G. Giebel. Berlin, 1880. Bd. LIII. Mit Tafeln.
Svo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Reizen.
Midden-Sumatra (het werk dat over de Sumatra-Expeditie wordt
uitgegeven; alles wat tot nu toe verschenen is). (Geschenk van
het Aardrijkskundig Genootschap).
Varia.
Assemblée Générale extraordinaire convoquée pour la Commémo-
ration de la Fondation de la Société Entomologique de
Belgique. 16 Oct. 1880. Bruxelles, 1880. 8vo. (Geschenk van
de Societe Entomologique de Belgique).
Catalogue de la Bibliothèque de feu Mr. S. C. Snellen van
Vollenhoven. La Haye, 1880. 8vo.
Catalogue of the Library of the Zoological Society of London.
London, 1880. 8vo. (Geschenk van de Zoological Society of
London).
Catalogus der Bibliotheek van het Koninklijk Zovlogisch Ge-
nootschap „Natura Artis Magistra” te Amsterdam. Amsterdam,
1881. gr. iu 8vo. (Geschenk van het Genootschap).
Haaxman (P. J.), Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der
Infusorién 1675—1875. Met portret, facsimile en afbeeldingen.
Leiden, 1875. 8vo. (Geschenk van den heer P. C. T. Snellen).
104.
105.
Or
D
Ta.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING XLIII
Herdenking van Jan Swammerdam’s 200-jarigen sterfdag op
17 Febr. 1880, door het Genootschap tot Bevordering van
Natuùr-, Genees- en Heelkunde te Amsterdam. 8vo. (Geschenk
van den heer J. W. Lodeesen).
Westwood (J. O.), Obituary: Samuel Constant Snellen van
Vollenhoven. London, 1880. 8vo. (Geschenk van den Schrijver)
BIBLIOTHEEK B.
Natuurlijke Historie in het algemeen.
Linnaeus (C.), Amoenitates Academicae seu Dissertationes variae
Physicae, Medieae, Botanicae ete. Holmiae et Lipsiae, 1749. C.
tab. aen. 8vo.
Algemeene Dierkunde.
Gronovius (L. 'Th.), Zoophylacii Gronoviani fasciculus primus
exhibens Animalia quadrupeda, Amphibia atque Pisces, quae
in Museo suo adservat, rite examinavit, systematice disposuit,
descripsit, atque iconibus illustravit. — Fase. Sec. exhibens
Enumerationem Insectorum ete. Lugduni Batavorum, 1763/64. Folio.
Moptrouzier (le Père), Essai sur la Faune de l’île de Woodlark
ou Moiou. Lyon, 1857. Svo.
Algemeene Entomologie.
Beneden (P. J. van), Les Commensaux et les Parasites dans
le Règne animal. Paris, 1875. Avec 83 figures dans le texte. 8vo.
Curtis (J.), A Guide to an Arrangement of British Insects; being
a Catalogue of all the named species hitherto discovered in
Great Britain and Ireland. See. Ed. London, 1837. Svo.
Gené (J.), De quibusdam inseetis Sardiniae novis aut minus
cognitis. Fasc. I & IL C. 3 tab. aen. 4to.
Gorski (S. B.), Analecta ad entomographiam provinciarum occi-
dentali-meridionalium imperii Rossici. Fase. I. C. 3 tab. col.
Berolini, 1852. 8vo.
Savigny (J. U. de), Faune Entomologique de l'Egypte. Paris,
1810-15. 27 planches grav. très gr. in fol. Av. Index et mss.
Hyménoptères 20 pl.; Orthoptéres 7 pl.
Schiödte (J. C.), Specimen Faunae subterraneae. Bidrag til den
underjordiske Fauna. M. 4 Kobbertavler. Kjöbenhavn, 1849. 4to.
Thunberg (C. P.), Opuscula Entomologica. 4to.
XLIV BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
10.
14%
16.
Der
18.
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
Asmuss (Dr. H. M.), Monstrositates Coleopterorum. Commenta-
tionem Pathologico-Entumologicam. C. 10 tab. lithogr. Rigae et
Dorpati, 1835. 8vo.
Blanchard (E.), Catalogue de la Collection Entomologique du
Musée d’hist. nat. de Paris. Classe des Insectes, Ordre des Coléo-
pteres. ire et 2me livr. Paris, 1850. 8vo.
. Candeze (Dr. E.), Histoire des Métamorphoses de quelques
Coléoptères exotiques. Av. 6 pl. Liege, 1861. 8vo.
Chapuis (Dr. F.), Monographie des Platypides. Av. pl. Liége. 8 vo.
Eichhoff (W.), Die Europäischen Borkenkäfer, für Forstleute,
Baumzüchter und Entomologen bearbeitet. M. 109 Original-
Abbildungen in Holzschnitt. Berlin, 1881. 8vo.
Everts (Dr. E.), Bijdrage tot de kennis der Apioniden. Met
1 pl. ’s Gravenhage, 1879. 8vo.
Lacordaire (Th.), Monographie des Coléoptères subpentameres de
la famille des Phytophages. Bruxelles, Leipzig et Paris, 1845/48.
2 tomes. 8vo.
Laicharting (J. N. von), Verzeichniss und Beschreibung der
Tyroler-Insecten. ister Theil, Käferartige Insecten. ister und
2ter Band. Zürich, 1781. 8vo.
Mäklin (F. W.), Die Arten der Gattung Acropleron Perty,
monographisch dargestellt. Helsingfors, 1862. 4to. (Met de drie
volgende nommers bijeen).
—— Bemerkungen über Tanymecus (Cureulio) eireumdatus Wie-
demann. Helsingfors, 1862. 4to.
—— Zur Synonymie einiger Nordischer Käferarten. Helsingfors,
1862. Ato.
—— Brasilianische Arten der Gattung Stalira Latr. Helsingfors ,
1862. 4to. (Met de drie voorgaande nommers bijeen).
Mannerheim (C. G. de), Description de quarante nouvelles espéces
de Scarabéides du Brésil. Av. 2 pl. col. 4to.
23. Putzeys (J.), Etude sur les Amara de la collection de M. le
Baron de Chaudoir. Liege, 1866. 8vo.
29.
30,
31.
33.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLV
. Rupertsberger (M.), Biologie der Käfer Europas. Eine Uebersicht
der biologischen Literatur gegeben in einem alphabetischen Per-
sonen- und systematischen Sach-Register, nebst einem Larven-
Cataloge. Linz a. d. Donau, 1880. 8vo.
. Spry (W.) and W. E. Shuckard, 'The British Coleoptera
delineated, consisting of figures of all the Genera of British
Beetles. London, 1840. 8vo.
. Villa (A. e G. B.), Catalogo dei Coleotteri della Lombardia.
Milano, 1844. 8vo.
B. Lepidoptera.
. Laspeyres (J. H.), Sesiae Europaeae Iconibus et Descriptionibus
illustratae. Berolini, 1801. 4to.
. Moore (F.), The Lepidoptera of Ceylon. Part II and III. With
36 col. plates. London, 1880. 4to.
(. Hymenoptera.
Dahlbom (G.), Synopsis Hymenopterologiae Scandinaviae. Andra
Kretsen: Prof. Steklar och Deras Likar. iste Häftet. Lund,
1839/40. 4to.
Dours (Dr. A.) Catalogue Synonymique des Hyménopteres de
France. Amiens, 1874. 8vo.
Forel (Dr. A.), Les Fourmis de la Suisse. Systématique , Notices
anatomiques et physiologiques, Architecture, Distribution géogra-
phique, Nouvelles Expériences et Observations de Moeurs. Bale,
Genève, Lyon, 1874. 4to.
D. Hemiptera en Parasitica.
. Denny (H.), Monographia Anoplurorum Britanniae; or an Essay
on the British Species of Parasitic Insects. With 26 col. plates.
London, 1847. 8vo.
E. Neuroptera.
Brauer (F.) und F. Löw, Neuroptera Austriaca. Die im Erzher-
zogthum Oesterreich bis jetzt aufgefundenen Neuropteren nach
der Analytischen Methode zusammengestellt, nebst einer kurzen
Charakteristik aller europäischen Neuropteren-Gattungen. M. 5
lithogr. Tafeln. Wien, 1857. 8vo.
F. Orthoptera.
Bolivar (J.), Sinopsis de los Ortopteros de Espana y Portugal.
Madrid, 1878. 8vo.
XLVI
39.
40.
41.
45.
44.
45.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
G. Diptera.
Brauer (Dr. F.), Die Zweiflügler des kaiserlichen Museums zu
Wien. Wien, 1880. Mit 6 Tafln. 4to.
Brischke (©. G. A.), Die Slattminirer in Danzig’s Umgebung.
Danzig, 1880. 8vo.
. Rossi (F.), Systematisches Verzeichniss der Zweiflügelichten
Insecten (Diptera) des Erzherzogthumes Oesterreich , mit Angabe
des Standortes, der Flugzeit und einigen andern physiologischen
Bemerkungen. Wien, 1848. 8vo.
Schiner (J. R.), Fauna Austriaca. Die Fliegen (Diptera), nach
der analytischen Methode bearbeitet. Wien, 1862/64. 2 Theile. 8vo.
IH. Arachnoidea en Myriapoda.
Bertkan (Dr. Ph.), Verzeichniss der von Prof. Ed. van Beneden
auf seiner im Auftrage der Belgischen Regierung unternommenen
wissenschaftlichen Reise nach Brasilien und La Plata i. J.
1872—73 gesammelten Arachniden. Bruxelles, 1880. Mit 2
Tafln. Ato.
Haller (Dr. G.), Die Milben als Parasiten der Wirbellosen, in’s
Besondere der Arthropoden. Halle a. S., 1880. 8vo.
Latzel (Dr. R.), Die Myriopoden der Oesterreichisch-Ungarischen
Monarchie. Mit Bestimmungs-Tabellen u. s. w. iste Hälfte: Die
Chilopoden. M. 10 lith. Tafln. Wien, 1880. 8vo.
Palaeontologie.
Niets bijgekomen.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Landois (Dr: H.), Die Ton- und Stimmapparate der Insecten
in anatomisch-physiologischer und akustischer Beziehung. Mit 2
Tafln. Leipzig, 1867. Svo.
Tijdschriften.
Abeille (1°), Mémoires d’Entomologie, par M. S. A. de Marseul.
Paris, 1850/81. tom. XVIII, no. 254—247. pet. in 8vo.
Album der Natuur. Tijdschrift ter verspreiding van Natuurkennis
onder beschaafde lezers van allerlei stand. Jaarg. 1880, afl.
10-12; 1881, afl, 1—10. Haarlem, 1880/81. 8vo.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Bruxelles, 1880.
Tom. XXIII et XXIV. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
46.
47.
Ut
bo
55.
57.
58.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLVII
Annales des Seiences Naturelles. Zoologie et Paléontologie. Paris.
1880/81. 6me sér. tom IX, no. 2—6; tom. X; tom. XI, no, 1—4.
Av. pl. 8vo.
Annalsand Magazine of Natural History. Conducted by Günther,
Dallas, Carruthers and Francis. London, 1880/81. 5th ser. vol.
VI, no. 2—6; vol. VII; vol. VIII, no. 1 and 2. With pl. 8vo.
. Archiv für Naturgeschichte. Gegründet von Wiegmann und fort-
gesetzt von Erichson und Troschel. Berlin, 1880/81. Jahrg. 46,
Heft 3—5; Jahrg. 47, Heft 1. Mit Tafin. 8vo.
Archives (Nouvelles) du Muséum d'Histoire Naturelle de Paris.
Paris, 1880/81. 2me sér. tome III; tome IV, fase. 1. Av. pl. 4to.
. Bericht über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der
Entomologie während des Jahren 1579, von Dr. Ph. Bertkan.
Berlin, 1831. 8vo.
. Berliner (Deutsche) Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben
van dem Entomologischen Vereine in Berlin. Redactor: Dr. G.
Kraatz. Berlin, 1880. Jahrg. XXIV. Mit Tafin. 8vo. (In ruil
legen het Tijdschr. v. Entom.).
. Berliner Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben von dem
Entomologischen Vereine in Berlin. Redactor: Dr. UH. Dewitz.
Berlin, 1881. Jahrg. XXV, 1stes Heft. Mit Tafln. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes -de Moscou,
publié sous la Direction du Dr. Rénard. Moscou, 1880. Ann.
1879, no. 4; Ann. 1880, no. 1 et 2. Av. pl. 8vo. (In ruil
legen het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletins de l’Académie Royale des Sciences, des Lettres et des
Beaux-Arts. Bruxelles, 1878/80. Tome XLVI—L. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Correspondenz-Blatt des zoolog. miner. Vereines in Regensburg.
Regensburg, 1880/81. Jahrg. 34, no. 3125,35. ,n0. 1-6. 8vo.
. Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Conducted by Douglas,
Barrett, Me. Lachlan a. o. London, 1880/81. vol. XVII,
no. 3—12; vol. XVIII, no. 1—3. 8vo.
Froriep (L. F. v.), Notizen aus dem Gebiete der Natur- und
Heilkunde. Erfurt, 1822/30. 26 Bde. Mit Tafln. Ato.
Horae Socictatis Entomologicae Rossicae. Petropoli, 1880. Tom.
XV. Av. 20 pl. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. ». Entom.).
XLVIII BIBLIOTHRKEN DER NEDERLANDSCHE
59.
60.
61.
62.
63.
64.
66.
68.
69.
70,
71.
Isis. Maandblad voor Natuurwetenschappen, onder redactie van
Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen. Haarlem, 1880/81. DI. IX,
aflev. 7—12; dl. X, aflev. 1—7. 8vo.
Journal (The) of the Linnean Society of London. Zoology. London,
1879/80. vol. XIV, no. 80; vol. XV, no. 81—83. With plates.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft.
Redigirt von Dr. G. Stierlin. Schaffhausen, 1880/81. vol. VI,
Heft 1—3. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Mittheilungen des Münchener Entomologischen Vereins. München,
1877/81. Jahrg. I—IV; V, 1stes Heft. Mit Tafln. 8vo.
Notes from the Leyden Museum. Edited by H. Schlegel. Leiden,
1880/81. vol. II; vol. III, no. 1-—3. 8vo.
Nunquam Otiosus. Mittheilungen aus dem Museum Ludwig
Salvator von Dr. L. W. Schaufuss. Ober-Blasewitz bei Dresden,
1880. Bd. III, S. xxxım—xııv und 481—512. 8vo.
. Transactions of the Entomological Society of London for the
year 1880. London, 1880. With plates. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. ’s Gravenhage, 1880/81. DI. XXIII,
afl. 4; dl. XXIV, afl. 1—3. Met gekl. pl. 8vo.
. Verhandlungen des Naturhistorischen Vereines der preussischen
Rheinlande und Westfalens. Herausgegeb. von Dr. C. J. Andrä.
Bonn, 1880. Jahrg. XXXVII. Mit Tafin. 8vo.
Verslag van de 35ste Zomervergadering en van de 14de Win-
tervergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging,
gehouden te Zutphen den 24sten Julij 1880 en te Leiden den
19den December 1880. ’s Gravenhage, 1881. 8vo.
Zeitung (Entomologische), herausgegeb. von dem Entomologischen
Vereine zu Stettin. Stettin, 1880. Jahrg. XLI. 8vo. (In ruil
legen het Tijdschr. v. Entom.).
Zoological Record for 1864— 66 and for 1879, London, 1866—68
and 1881. 8vo.
Zoologist (The). A. Monthley Journal of Natural History, edited
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLIX
by J. Harting. London, 1880/81. 3rd ser. vol. IV, no.44--48;
vol. V, no. 49—56. 8vo.
Reizen.
Delessert (A), Souvenirs d'un voyage dans l’Inde, fexéenté de
1834 à 1839. Paris, 1843. Av. 35 pl. 8vo.
Varia.
Niets bijgekomen.
ENTOMOLOGISCHE INHOUD
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
Augustus 1880.
Newman’s Entomologist. vol. XIII, n°. 207 (August 1880) (a). !)
Zomaspilis marginaria, by F. Bond. — Localities for Beginners, by
J. ‘T. Carrington. — A few remarks upon certain Dipterous
Insects, by R. H. Meade. — Introduetory Papers on Ichneumo-
nidae, by J. B. Bridgman and E. A. Fitch. — Entomological
Notes, Captures, etc. — Obituary: Theodor Hartig.
Entomologist’s Monthly Magazine. vol. XVII, n°. 195 (August 1880) (b).
Some facts in the Life-history of Gastrophysa raphani, by J. A. Osborne. —
Anarla melanopa at home, by Mrs. J. Fraser. — New species of
Acanthoderes (Coleoptera, Longicornia, family Lamiadae) by H.
W. Bates. — Notes on some Neuroptera-Planipennia described
by the late Mons. A. E. Pictet, in his , Névroptéres d’ Espagne”
(1865), by R. Me. Lachlan. — Description of the nymph and
imago of Psylla peregrina Forst.,by J. Scott. — Notes on Ten.
thredinidae, by P. Cameron. — Entomological Notes, Captures, ete,
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. VI, n°. 32
(August 1880) (0).
On Gastrosacens spiniferus Goës, newly described and figured, by
the Rev. T. R. R. Stebbing. — Descriptions of new species of
Asiatie Lepidoptera Heterocera, by A. G. Butler. — Synopsis of
1) (a) duidt aan dat het werk tot de oorspronkelijke Bibliotheek der Ned. Ent.
Vereeniging, (2) dat het tot de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier behoort.
ENTOMOL. INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. LI
the species of Choeradodis, a remarkable genus of Mantodea
common to India and tropical America, by J. Wood-Mason. —
Gynandromorphous specimens of Cirrochroa Aoris, by A. G. Butler.
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg,
VI, Heft 15 und 16 (a).
Ichneumoniden-Studien, von Dr. Kriechbaumer. — Der Duftapparat
von Sphinx ligustri, von K. Fügner. — Libellen-schwiirme. —
Addenda und Corrigenda zu Hagen’s: Bibliotheca entomologica, II ,
von Dr. K. W. von Dalla Torre. — Zwei neue Arten der Gattung
Chrysis aus Thüringen, von Dr. O. Schmiedeknecht. — Xestophanes
lormentillae n. sp., eine neue Gallwespenart an Potentilla, von
D. H. R. von Schlechtendal. — Literarische Revue.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Entom. de Belgique. Ann.
1830. 3 Juillet (a).
Premier supplément au travail intitulé » Essai d’une classification
des Opiliones Mecostethi” ete., par E. Simon. — Note sur
une collection de Lépidoptères recueillis à Madagascar, par M.
P. Mabille, — Note sur l’Epipleure des Coléoptères, par D. Sharp. —
Liste des Elatérides décrits postérieurement au Catalogue de Munich,
par E. Candeze (fin).
Archiv für Naturgeschichte, herausgegeb. von Troschel. Jahrg. XLVI,
Heft 3 (b).
Ueber die Mundtheile der Arachniden, von A. Croneberg. — Acari-
nologisches, von Dr. G. Haller. — Ueber einige neue Cymothoinen ,
von Dr. G. Haller.
Annales des Sciences naturelles. 6me ser. Zoologie et Paléontologie.
Tom. IX, n°. 2-4 (b).
Note sur une nouvelle espèce de Crustacé aveugle, provenant des
grandes profondeurs de la mer, par M. A. Milne Edwards. —
Etude sur les moeurs et la parthénogénése des Halictes, par
M. Fabre.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tom, X, entr. 1 (a).
Apuntes Lepidopterologieos, por el Dr. D. Carlos Berg.
September 1880.
Newman’s Entomologist. vol. XIII, n°. 208 (September 1880) (a).
The Butterflies of Paraguay and la Plata, by P. H. Gosse (with
a coloured plate). — Notes from the New Forest, by J. Jenner
Weir. — Calandra oryzae and its associates, by T. R. Billups. —
Introductory papers oi Ichneumonidae, by J. B. Bridgman and
E. A. Fitch. — Entomological Notes, Captures, ete.
LII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Entomologist’s Monthly Magazine. vol. XVII, n°. 196 (September 1880) (0).
Notes on the Entomology of Portugal. I. Introductory, by A. E.
Eaton. — Notes on the Lepidoptera in the West of Ireland, by
J. J. Walker. — Notes on British Tortrices, by ©. G. Barrett. —
Notes on species of Aculeate Hymenoptera occurring in the
Hawaiian Islands, by T. Blackburn and W. F. Kirby. — Ento-
mological Notes, Captures, ete.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. VI, n°. 33
(September 1880) (0).
New Neotropical Curculionidae. Part III, by F. P. Pascoe. — Des-
criptions of new species of Asiatic Lepidoptera Heterocera, by
A. G. Butler. — On the Metamorphosis of Prosopistoma, by M.
A. Vayssière.
Zoologist (the). 3rd ser. vol. IV, n°. 45 (September 1880) (0).
Observations on Ants, Bees and Wasps, by J. Lubbock.
Album der Natuur. Jaarg. 1880, aflev. 11. (0).
De cocon of de pop en de vlinder of kapel, door v. d. Burg.
Isis. Maandschrift voor Natuurwetenschap. Jaarg. IX, aflev. 8 (0).
Spinstof by Mijten, door Dr. J. J. le Roy.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Anno XII, trim. 2. (a).
G. Papasogli, La Fillossera e la Nitrobenzina. — A. Ciro, Saggio
di un Catalogo dei Lepidotteri d’Italia. — L. Camerano, .Note
intorno ai Ditiscini del Piemonte. — C. Emery e G. Cavanna,
Escursione in Calabria: Formicidei. — P. Barglagi, Di tre opus-
culi sugli insetti fossili e sulle formazioni inglesi e straniere nelle
quali sono stati scoperti avanzi d’insetti, pubblicati da H. Goss. —
F. Baudi di Selve, Lettera al dott. G. Cavanna su alcuni cole-
otteri della Terra di Lavoro, — Rassegna entomologica. — P.
Cavanna, Notizie di Entomologia applicata.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegev. door de Nederl. Entom. Vereen.
DI. XXIII, aflev. 4 (a en b).
Eenige Diptera van Nederlandsch Indie, door F. M. van der Wulp
(vervolg en slot). — Over de rups van Bombyx Crataegi L., door
Dr. J. van Leeuwen Jr. — Nieuwe Pyraliden op het eiland
Celebes gevonden door Mr. M. €. Piepers, beschreven door P.
C. T. Snellen. — Rectificatie, door Dr. J. Ritzema Bos.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Entom. de Belgique. Ann. 1880.
7 Août. (a).
Description de quelques Coléoptéres de la Malaisie et de la Papouasie,
par M. van Lansberge.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LITI
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VI, Heft 17 und 18. (a).
Schattenseiten der entomologischen Zeitschriften-Litteratur und
Vorschläge zur Beseitigung derselben, von Dr. Kriechbaumer. —
Ist Phyllaeus Giraudi Perris = Macrocephus ulmariae m.?, von
von Schlechtendal. — Bemerkungen über corsische Kiiferarten,
von Dr. F. E. Pipitz. — Zwei neue Arten der Gattung Chrysis
aus Thüringen, von Dr. 0. Schmiedeknecht (Schluss). — Tabel-
larische Uebersicht über die Arten der Gattung Chrysis aus
Dahlbom’s Phalanx I (Chrysides ano integerrimo. Olochrysis Licht.),
welche blauen oder grünen Kopf und Thorax bei goldfarbigem
Hinterleib besitzen, von Dr. O Schmiedeknecht. — Entomologische
Bilder aus den ungarischen Flugsandsteppen, von Prof. K. Sajo. —
Beiträge zur Biologie und Psychologie. III Reizungs- u. Verthei-
tigungsorgane, Geschlechtstrieb und Gefühllosigkeit bei Insecten ,
insbesondere Schmetterlingen, von W. von Reichenau. — Ergän-
zung, von Dr. Bertkau.
Mittheilungen des Münchener Entomologischen Vereins. Redact. v.
Harold. Jahrg. I-HI, IV Heft 1. (0).
Jahrg. I (1877). — Ueber Merophysia Luc., Coluocera Motsch. und
Reitteria Leder, von Edm. Reitter. — Ueber die Gattungen Pia-
famus und Telephanus Er., von Edm. Reitter. — Neue Arten aus
der Gattung Sitophagus Muls., von Edm. Reitter. — Description
d’une nouvelle espèce de Lampyride, par M. A. Chevrolat. —
Mélanges entomologiques sur les insectes du Portugal, par Manuel
Paulino d’Oliveira, angezeigt von Dr. L. von Heyden. — Be-
schreibung einer neuen Leplinotarsa, von E. von Harold. —
Uebersicht der Arten der Gattung Aspicela, von E. van Harold. —
Neue Arten aus den Familien der Cucujidae, Nitidulidae, Colydiidae
und Cryptephagidae, von Edm. Reitter. — Drei merkwürdige
Bernstein-Insekten, von J. P. E. Frdr. Stein. — Die columbischen
Chrysomelinen der Coleopteren-Sammlung von Ed. Steinheil. —
Eine neue Clenostoma, von Ed. Steinheil. — Cassididae, von B.
Wagner. — Neue columbische Elateriden aus Ocana, von Ed.
Steinheil. — Neue Schmetterlinge des Berliner Museums, be-
schrieben von Dr. H. Dewitz. — Dämmerungs- und Nachtfalter
von Portorico, gesammelt von Herrn Consul Krug, zusammen-
gestellt von Dr. H. Dewitz. — Coleopterorum Species novae,
autore E. Harold. — Beschreibung eines neuen Aphodius, von
E. von Harold. — Nomenclatorische und synonymische Bemer-
kungen zur zweiten Ausgabe des Catalogus Coleopterorum Europae,
von E. von Harold. — Beiträge zur Kenntniss aussereuropäischer
LIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Coleopteren, von Edm. Reitler. — Beschreibung eines neuen
Carabus, van E. von Harold.
Jahrg. II (1878). — Beitrag zur Kenntniss der Sinnesempfindungen
der Insekten, von Dr. A. Forel. — Diagnoses Attoidarum aliquot
novarum Novae Hollandiae collectionis Musei zoologici Berolinensis »
auctore F. Karsch. — Neue Cioidae, beschrieben von Edm. Reit’
ter. —- Ueber Coleopteren aus dem tropischen Afrika, von E.
von Harold. — Descriptions de Carabides nouveaux de la Nouvelle
Grenade rapportés par M. E. Steinheil, par M. J. Putzeys. —
Beschreibung neuer Arten von Heteromeren als Nachtrag zu
Monographien, von Dr. Haag-Rutenberg. — Eine Bemerkung zu
T. Thorell’s „On European Spiders” 1869—70, von Dr. F,
Karsch. — Nouveau genre d’Heteromeres, par M. A. Chevrolat. —
Diagnosen neuer Coleopteren aus dem innern Afrika, von E. von
Harold. — Voyage de M. E. Steinheil à la Nouvelle Grenade-
Eumolpides, par M. Ed. Lefévre. —- Verzeichniss der von Herrn
Ed. Steinheil in Neu-Granada gesammelten Cryptocephalini und
Criocerini, von Martin Jacoby. — Tarpa spissicornis Klug, von
A. Hiendmayer.
Jahrg. III (1879). —- Nekrolog : Eduard Steinheil. — Scorpionolo-
gische Beiträge, I und II, von Dr. F. Karsch. — Afrikanische
Schmetterlinge, beschrieben von Dr. H. Dewitz. — Smerinthus
Tiliae L. ab,: Pechmanni, beschrieben von A. Hartmann. —
Raupe der Cidaria cyanata, beschrieben von C. von Gumppenberg. —
Ueber einige Agonoscelis-Arten (Hemiptera-Heteroptera), von E-
von Harold. — Beiträge zur Kenntniss der Languria-Arten aus
Asien und Neu-Holland, von E. von Harold. — Zwei neue Arach-
niden des Berliner Museums, von Dr. F. Karsch. — Miscellanea,
von J. P. E. Frdr. Stein. — Beschreibung einer neuen Pachnoda,
von E. von Harold. — Die Kleinschmetterlinge des europäischen
Faunengebietes. Erscheinungszeit der Raupen und Falter, Nahrung
und biologische Notizen, bearbeitet von A. Hartmann.
Jahrg. IV (1880) 1stes Heft. — Die Kleinschmetterlinge des euro-
päischen Faunengebiets u. s. w., bearbeitet von A. Hartmann, —
Die Dipterengattung Lasiops Mg. ap. Rd., ein Beitrag zum Stu-
dium der Europäischen Anthomyiden, von F. Kowarz.
Meddelanden af Societas pro Fauna et Flora Fennica. Häft. V. (a).
Nya bidrag till Abo och Alands skärgärds Hemipter-fauna, af 0.
M. Reuter.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Entom. de Belgique. Ann.
1880, 4 Septembre (a).
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LV
Communications arachnologiques, par Léon Becker. — Avis préli-
minaire d’une nouvelle classification de la famille des Dytiseidae ,
par D. Sharp. — Renseignements sur le Blaslophagus piniperda. —
Note sur la femelle du Rhagiosoma Madagascariense Chap., par
A. Preudhomme de Borre.
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France. Ann.
1880. 25 Aoüt et 8 Sept. (a).
Observations sur l’ancien genre Goliathus Lam., par J. Thomson. —
Notes sur la synonymie de la Aylorhiza venosa Latr., par H.
Lucas et L. Bedel. — Note sur l’Euophrys (Altus) erratica Walck. ,
par H. Lucas. —- Description d’une nouvelle espèce d’Arachnide
de Sicile, par E. Simon. — Espèces nouvelles de Carabiques du
genre Pasimachus, par de Chaudoir. — Note sur un nouveau
genre de Cetonides, par J. Thomson. — Descriptions de deux
Cureulionides nouveaux, par A. Chevrolat.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tem. X, entr. 2. (4).
Observaciones acerca de la familia Hyponomeutides, por el Dr. D.
C. Berg.
Annales de la Société Entomologique de France. 5me ser. tome
VIM (1878); (6).
Note critique sur les différents systèmes de classification des Lépi-
doptéres Rhopalocéres établis depuis l’époque de Latreille et Essai
d’une nouvelle Classification jusqu’aux genres exclusivement, par
C. Bar. — Diptères nouveaux ou peu connus, par J. M. F. Bigot
(9me partie). — Observations sur les Arachnides qui habitent la
Champagne, principalement les environs de Sézanne, par H.
Lucas. — Cucujides nouveaux ou peu connus, par A. Grouvelle
(3me mém.) — Mémoire pour servir à Vhistoire de la Trioza
centranthi Vallot, par E. André. — Descriptions de Coléoptères
recueillis par M. l'abbé David dans la Chine centrale, par H.
Deyrolle et L. Fairmaire. — Description d’une nouvelle espèce
de Lépidoptère du genre Papilio (P. Laglaizei) provenant de
la Nouvelle Guinée, par A. Depuiset. — Note sur un nouveau
genre et une nouvelle espèce d’Hémiptére (Bledionotus systellono-
loides), par O. M. Reutter. — Etudes arachnologiques, par E.
Simon (7me mém.). — Histoire de la Cochenilie vivant sur les
racines des Palmiers de la section des Seaforthia. Exposé des
caractères du genre Rrhizaeeus, par J. Künckel d’ Herculais. —
Diagnoses de Lycides nouveaux ou peu connus, par J. Bourgeois
(2me part.). — Notice nécrologique sur Thibesart, par L. Reiche. —
Notice sur la vie et les travaux entomologiques de Carl Stäl,
par V. Signoret. — Note sur un nouvel Acarien parasite (Geckobia
LVI
ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Latasti), par P. Mégnin. — Note sur quelques Arachnides ren-
contrées sur le littoral du département de la Manche, par II.
Lucas. — Etudes arachnologiques, 8me mémoire , par E. Simon. —
Diptéres nouveaux ou peu connus (10me part.), par J. M. F.
Bigot. -— Quelques excursions entomologiques sur les dunes nor-
mandes, par M. Girard. — Notes pour servir à la nomenclature
générale des Coléoptéres, par L. Bedel. — Cucujides nouveaux
ou peu connus (4me mémoire), par A. Grouvelle. — Descriptions
de Coléoptéres de Cochinchina recueillis par M. le doct. Morice,
par L. Fairmaire. — Revision des genres Onychopterygia, Dicra-
noncus et Colpodes, par le baron de Chaudoir. — Espéces nouvelles
de Téléphorides, par L. Reiche. — Notes pour servir à l’histoire
des Hyménoptéres de l’Archipel Indien et de la Nouvelle Guinée
(genre Pelopaeus), par M. Maindron. — Etudes arachnologiques
(9me mém.), par E. Simon. — Diptéres nouveaux ou peu connus,
par J. M. F. Bigot. — Etude sur la classification des Dytiscidae,
par M. Régimbart. — Observations sur l’armure genitale de
plusieurs espèces frangaises de Zygaenidae , par Buchanan White. —
Notes pour servir 4 la Monographie des Brenthides , par G. Power.
Id. tome IX (1879) (0).
Essai sur la tribu des Erodiscides et descriptions de nouvelles
espéces de cette division des Curculionites, suivis de quelques
remarques sur le genre Olidocephalus, par A. Chevrolat. — Con-
tribution & la Faune entomologique des Etats-Unis de Colombie.
Catalogue Ges Lyeides recueillis par M. Ed. Steinheil, avec les
diagnoses des nouvelles espèces, par J. Bourgeois. — Quelques
observations entomologiques, par J. Lichtenstein. — Essai sur
les Jassides Stäl, Fieb. et plus particulièrement sur les Acocéphalides
Puton (lre part.), par V. Signoret. — Etudes arachnologiques
(10me mémoire), par E. Simon. — Faune des Coléoptères du
bassin de la Seine et de ses bassins secondaires (1re part.). —
Etudes arachnologiques, par E. Simon (10me mémoire). — Des-
criptions de Coléoptères nouveaux du nord de l’Afrique, par L.
Fairmaire. — Notes pour servir à l’histoire des Hyménoptères de
l'Archipel Indien et de la Nouvelle Guinée (2me mémoire), par
M. Maindron. — Dipteres nouveaux ou peu connus (11me mémoire),
par J. M. F. Bigot. — Faune des Coléoptères du bassin de la
Seine et de ses bassins secondaires, par L. Bedel (Suite). —
Descriptions de quelques nouvelles espèces de Géoryssides, Par-
nides et Hétérocérides propres à la faune européenne, par L,
Reiche. — Deux nouvelles espèces de Curculionides d’Orient, par
L. Reiche. — Description de quelques Coléoptères nouveaux
recueillis en Espagne par D. Manuel Martorell y Pena, par L.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LVII
Fairmaire. -— Descriptions de Coléoptères nouveaux du nord de
l'Afrique (2me partie), par L. Fairmaire. — Essai sur les Jas-
sides Stal, Fieb., et plus particulièrement sur les Acocéphalides
Puton (Suite), par V. Signoret. — Etude sur les Yponomeutides ,
par A. Guenée. — Recensement des Lépidoptères Hétérocères
observés jusqu'à ce jour à Madagascar, par P. Mabille. —
Observations sur les moeurs et métamorphoses du Gymnosoma
rotundatum L., diptère de la famille des Muscides, par J. Künckel
d’Hereulais. — Disposition partieuliere des pattes chez les nymphes
des Cicada, par J. Kiinckel d’Hereulais. — Nouvelle espèce de Po-
lybia et description de son nid, par H. Lucas. — Description et figure
d’une nidification appartenant à un Hyménoptère du genre Polybia ,
par H. Lucas. — Notice nécrologique sur Edouard Perris, par
A. Laboulbène. — Notice nécrologique sur le colonel Goureau ,
par H. Miot. — Faune des Coléoptères du bassin de la Seine et
de ses bassins secondaires, par L. Bedel (Suite).
October 1880.
Newman’s Entomologist. vol. XIII, n°. 209 (October 1880) (a).
Addition of Bryophila Par to the British Fauna, by W. Warren. —
Notes on the Lepidoptera of Natal, by W. D. Gooch. — Iden-
tifying Acronycta tridens and A. psi, by G. A. Smallwood. —
The larva of Pachetra leucophaca, by G. Elisha. — The Tortrices
of Surrey, Kent and Sussex, by W. P. Weston. — Entomological
Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. vol. XVII, n°. 197 (October 1880) (0).
Descriptions of five species of Aculeate Hymenoptera unrecorded as
British, by Edw. Saunders. — On an undefined Faculty in
Insects, bij J. H. Fabre. — Notes on the Entomology of Portugal,
bij R. Me Lachlan. — On the singular new species of Plutella
(allied to P. cruciferarum) coliected in Spitzbergen in 1873 by
the Rev. Eaton, by H. T. Stainton. — Description of a new
species of Brahmaca from Japan, by A.G. Butler. — Descriptions
of two new species of Coleoptera from Central America, by D.
Sharp. — Entomological Notes, Captures, ete.
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France. Ann.
1880. 22 Sept. (a).
Description d’une nouvelle espéce de Goliathides , par J. Thomson. —
Description d’un nouveau genre de Curculionides, voisin des Sym-
piezoscelus Waterh., par À. Chevrolat.
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. vol.
WI Hefti” (0).
LVIII ENTOMOLOGISCHE INIIOUD VAN
Entomologische Notizen, von Dr. G. Haller. — Neue Schlupfwespen
aus den Alpen, von Dr. Kriechbaumer, — Helerogynis pennella
Hb., von Dr. Christ. — Cordulia alpestris de Selys, von Dr. G.
Schoch. — Bericht über die 23. Sitzung der schweizerischen
entomologischen Gesellschaft am 18. Juli 1880 in Luzern. —
Kleiner Beitrag über Eichengallen aus der Nähe Berns. Juli 1880,
van J. Uhlmann.
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg,
VI, Heft 19 und 20. (a).
Ichneumoniden Studien, von Dr. Kriechbaumer. — Eine Excursion
in die Berge von Talysch, von Hans Leder. — Literarische Revue.
Deutsche (Berliner) Entomologische Zeitschrift. Jahrg. XXIV (1880)
2tes Heft. (b).
Ueber Dimorphismus und Variation einiger Schmetterlinge Nord-
Americas, von J. Boll. — Ueber Studien zur Descendenztheorie,
von Dr. Rössler. — Nene Lagria-Arten aus Africa und Ost-Indien ,
beschrieben von E. Reitter. — Natürliches System der carnivoren
Coleoptera, von H. Kolbe. — Verzeichniss von Coleopteren aus
Asturien mit Beschreibungen neuer Arten, von Candöze, v. Heyden,
Kirsch, Kraatz, Stierlin , zusammengestellt von Dr. L. v. Heyden. —
Synonymische Bemerkungen, von Dems. — Genera nova Cetoni-
darum ; zweites Stück (Cetoniden aus Madagascar), von Dr. G.
Kraatz. — Nachträgliche Bemerkungen über meine Lomaplert
aus Neu Guinea und eine neue Glyeyphana von dort, von Dems. —
Gedenkblätter an H. von Kiesenwetter den Freunden und Ver-
ehrern desselben gewidmet von Dr. G. Kraatz. — Ueber Seulptur-
Abweichungen bei Carabus, von G. Kraatz. — Missbildungen
von Insecten, beschrieben von G. Kraatz. — Afrikanische Coleo-
pteren, beschrieben von G. Quedenfeldt. — Einige neue Ontho-
phagen, beschrieben von E. von Harold. — Beiträge zur Kenntniss
einiger Braconiden-Gattungen, von BE. Reinhardt. — Kleinere
Mittheilungen, von Dr. Paasch. — Ueber Leplura rufa Brulle
und Verwandte, von G. Kraatz.
November 1880.
Newman’s Entomologist. vol. XIII, n°. 210 (November 1880) (a).
The Macrolepidoptera of the Shetlands Isles, by J. Jenner Weir. —
Insects bred from Cynips Kollari Galls, by E. A. Fitch. — Three
new Ichneumons, by J. B. Bridgman. — Introductory Papers
on Lepidoptera, by W. F. Kirby. — The Tortrices of Surrey,
Kent and Sussex, by W. P. Weston. — Notes on the Lepido-
ptera of Natal, by W. D. Gooch. — Entomological Notes, Cap-
tures, etc. — Reviews.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LIX
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XVII, n°. 198 (November 1880) (b).
Drepana sicula bred from the egg, by W. H. Grigg. — Additional
Notes on the Larva of Prepana sicula, by W. Buckler. —
Reminiscences of Entomology in Suffolk, by A. H. Wratislaw. —
Parthenogenesis in the Coleoptera, by J. A. Osborne. — Dr. F.
Müllers’s Discovery of a case of Female Dimorphism among Diptera,
by Baron C. R. Osten Sacken. — Description of the Nymph of
Arylaena Genistae Latr., by J. Scott. — Entomological Notes,
Captures, ete. — Reviews.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. VI, n°. 35
(November 1880) (b).
A new Cetonia from Madagascar, by C. O. Waterhouse. — Com-
pletion of the Biology of the Aphides of the Galls of the Poplar
(Pemphigus bursarius L.), by J. Lichtenstein.
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France. Ann.
1880. 13 et 27 Octobre (a).
Descriptions de trois nouveaux Curculionites, un Macromerus et
deux Rhinochenus, par M. A. Chevrolat. — Notices synonymiques
sur plusieurs espèces d’Arachnides, par M. E. Simon. — Des-
criptions de deux nouvelles espèces de Curculionides, par M. A.
Chevrolat. — Description d’une nouvelle espéce européenne de
Coleoptere du genre Mniophila, par M. J. Wankowiez. — Des-
criptions de trois nouvelles espèces de ‘l'incites du genre Bulalis,
par M. E. Ragonot.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tom. X, entr. 3 & 4 (a).
Observaciones acerca de la familia Hyponomeutides, por el Dr. D.
Carlos Berg (conclusion). — Asilides Argentinos, por D. E.
Lynch Arribalzaga (continuacion).
Deutsche (Berliner) Entomologische Zeitschrift. Jahrg. XXIV (1880)
Istes Heft (b).
Beiträge zur Kenntniss der Canthariden, von Dr. Haag-Rutenberg. —
Ueber die Heteromeren-Gattung Rhylinola Eschsch. und Verwandte,
von G. Kraatz. — £utheia Merklii nov. spec., von H. Simon. —
Beitrag zur Kenntniss der asiatischen Cnodaloniden (Tenebrioni-
den), von Dr. G. Kraatz. — Die Arten der Tenebrioniden-Gattung
Zophobas in Dr. Haag’s Sammlung, von Dr. G. Kraatz. -— Ob-
servations sur les Opatrum, par Jos. Miedel. — Description d’une
nouvelle espèce du genre Ectalorliinus Lacord., par W. Roelofs. —
Pimelocerus cinctus (Dej. Cat.) nov. gen. et sp. Curcul., par W.
welofs. — Käfer aus dem Ashanti-Gebiete nach Familien aufge-
zählt und beschrieben. 1. Cetonidae von Dr. G. Kraatz; 2.
Lyeides énumerés par J. Bourgeois; 3, Cassididen von D.
LX ENTOMOLOGISCHE INILOUD VAN
Wagener; 4. Brenthides nommés par M. G. Power; 5. Aus
diversen Familien von Edm. Reitter. — Ueber Aphelorrhina simil-
lima Westw. (nec simillima Waterh. = Westwoodi Kraatz), von
Dr. G. Kraatz. — Gehört die Goliathiden Gattung Hypselogenia
Burm. zu den Goliathiden?, von Dr. G. Kraatz. — Eudicella
Darwiniana nov. spec., von Dr. G. Kraatz. — Zwei neue West-
Africanische Cetoniden-Gattungen, von Dr. G. Kraatz. — Ueber
die Varietäten der Pachnoda flaviventris Gory, von G. Kraatz. —
Genera Cetonidarum Australiae, von Dr. G. Kraatz. — Drei
neue und ausgezeichnete Cetoniden (Lomaptera) aus dem Südosten
von Neu-Guinea, von Dr. G. Kraatz. — Neue Chrysomeliden
aus Süd-Amerika, von E. von Harold. — Neue Oedionychis-Arten ,
von E. von Harold. — Uebersicht der Europäischen Verwandten
des Haliplus ruficollis de Geer, von E. Wehncke. — Ueber Phyl-
lobius alneti F. und calcaratus F., von K. Flach , mit Nachschrift
von Dr. v. Heyden. -- Ueber Rhagonycha rhaetica Stierl. und
Scopolti Gredl., von Dr. v. Heyden. — Zur Lebensweise des
Orectochilus villosus Müll., von H. Kolbe. — Sammelbericht aus
Thüringen, von Kellner. — Goniochilus Haroldi nov. spec., von
Witte. — Necrolog: Dr. Haag-Rutenberg, von G. Kraatz. — Todes
Anzeige: v. Kiesenwetter, Kirschbaum, Menge. — Necrolog: Dr.
S. C. Snellen van Vollenhoven, von G. Kraatz.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Mosecu. Ann.
1880 n°. 1. (U).
Ueber das Kopfskelet und die Mundwerkzeuge der Zweiflügler, von
M. A. Menzbier. — Een opstel in het Russisch over Hemiptera
Heteroptera. — Beiträge zu meinen Verzeichnissen der um Sarepta
und am Bogdo vorkommenden Pflanzen und Insecten, und Beschrei-
bung einer Mylabris-Larve, von A. Becker.
Proceedings of the Linnean Society of New South-Wales. vol. IV,
prt. 3 (a).
On the Australian Amphipoda, by W. A. Haswell. — Notes on
the Phyllosoma Stage of /bacus Peronii, by W. A. Haswell.
Isis. Maandschrift voor Natuurwetenschap. 9de Jaarg., aflev. 10 (0).
De Galäpagos-eilanden (Ausland).
Boletin de Ja Academia Nacional de Ciencias de la Republica Argentina.
Tom. IH ‚zentr. 2. y::3%(@).
Description d’une puce gigantesque, Pulex grossiventris, par le Doet.
H, Weyenbergh.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indie. DI. XXXIX (4).
Eenige aanteekeningen omtrent de fauna van Banka en Palembang
door Dr. J. C. Ploem,
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXI
Proceedings of the Zoological Society of London for the year 1879.
Part IV (a)
On some new and rare Spiders from New-Zealand, with charaeters
of four new genera, by the Rev. O. P. Cambridge. — On some
African Species of Lepidoptera belonging to the subfamily Nym-
phalinae, by W. L. Distant. —- Letter from Mr Robert B. White
containing remarks upon the habits of a Species of Ant (Alla
cephalotes). — On Arachnidae from the Mascarene Islands and
Madagascar, by A. G. Butler. — Deseriptions of new species of
Phytophagous Coleoptera, bij Martin Jacoby.
Id. for the year 1880. Part 1 (a).
On some new and little-known Species of Tineidae, by Thomas
Lord Walsingham.
Schriften der Physik.-oekonom. Gesellschaft zu Königsberg. Jahrg.
XIX, 1ste Abth. (a).
Die Meeres-Fauna an der preussischen Küste, beschrieben von Prof.
G. Zaddach (1ste Abth.).
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VI, Heft 21 und 22 (a).
Naturforscher-Versammlung zu Danzig, 1880. — Eine Excursion
in die Berge von Talisch, von Hans Leder. — Die bisher unbe-
kannte makroptere Form von Blissus Doriae Ferr., von Prof.
Karl Sajó. — Weitere Funde von makropteren Exemplaren des
Plinthisus converus Fieb. und die Larven dieser Art, von Prof.
Karl Sajó. — Anoria villosa Fabr., von Herber. — Psyche Sera
MOR, on ME Wiskott: =. Nene: oder wenig bekannte After-
taupen, von Dr. R. von Stein. — Sphinx Streckeri n. Sp., von
Dr. 0. Staudinger. — Coccinelliden, von H. Gradl. — Die zwölfte
skandinavische Naturforscher-Versammlung, von E. Bergroth. —
Nekrolog: Emanuel Lokaj, von Dr. R. von Stein.
Notes from the Leyden Museum. vol. II (1880) (0).
Deseriptions of the new Elateridae collected during the recent
scientific Sumatra-Expedition, by Dr. E. Candéze. — A new genus
and four new species of Elateridae from the collection of the
Leyden Museum, by Dr. E. Candèze, — Deseriptions of three new
species of Coleoptera collected during the recent scientific Sumatra-
Expedition, by E. Reitter. — On a new species and a new
variety of the family Euenemidae, by Vicomte H. de Bonvouloir. —
Description cf a new species of the family Brenthidae from
Sumatra, by G. Power. — Description of a new species of the
family Scolytidae from Sumatra, by W. Eichhoff. — On two
new species of Geodephagous Coleoptera from Sumatra ‚ by J.
LXII
ENTOMOLOGISCHE INILOUD VAN
Putzeys. — Descriptions of three new species of Coprophagous
Lamellicorn Coleoptera from Sumatra, by Baron E. von Harold. —
On Heliocopris Sturteri Harold, by Baron E. von Harold. —
On Ataenins monstrosus Harold, by Baron E. von Harold. —
Xymophron, a new genus of the Seatonomidae, by Baron E. von
Harold. — Description of a new genus and species of Ecelonerides
from Sumatra, by W. Roelofs. — Description of a new Sumatran
species of the genus Myllocerus, by W. Roelofs. — The new
Dytiscidae and Gyrinidae collected during the recent scientific
Sumatra-Expedition, described by Dr. M. Régimbart. — Deserip-
tion of a new species of the Lucanoid genus Migulus, by C.
Ritsema Cz. — Description of two new species of the Rhyncho-
phorous genus Apoderus, by W. Roelofs. — On a new species
of the genus Ectatorhinus, by W. Roelofs. — Description of a
new species of the Rhynchophorous genus Oxyrhynchis, by W.
toelofs. — Description of a new species of the family Anthri-
bidae, by W. Roelofs. — On two new species of the genus
Lomaplera from the Timor group, by C. Ritsema Cz. — Deseri-
ption of a Sumatran species of the Longicorn genus Calloplophora
Thoms., by ©. Ritsema Cz. — A new species of the Coleopterous
genus Platyrhopalus from Java, described by C. Ritsema Cz. —
Description of three new exotic species of the Hymenopterous
genus Aylocopa, by C. Ritsema Cz. — On two new exotic species
of Fossorial Hymenoptera, by ©. Ritsema Cz. —- A new flea
from Kerguelen-Island, described by Dr. O. Taschenberg. — On
some species of the genus Sesarma Say and Cardisoma Latr.,
by Dr. J. G. de Man. — On some species of Gelasimus Latr.
and Macrophthalmus Latr., by Dr. J. G. de Man. — On some
Podophthalmous Crustacea, presented to the Leyden Museum by
Mr J. A. Kruyt, collected in the Red Sea near the city of
Djeddah, by Dr J. G. de Man.
Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereines in Regensburg. Jahrg.
1880, n°. 3—7 (b).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel. — Das d des
Ichneumon 9-albatus, von Dr. J. Kriechbaumer. — Das vermuth-
liche & des Ichneumon mordax, von Dr J. Kriechbaumer. —
Ein um München entdecktes blaues Ichneumon 7, und das ver-
muthliche 9 desselben, von Dr. J. Kriechbaumer.
December 1880.
Newman’s Entomologist. vol. XIII, n°. 211 (December 1880) (a).
The Maerolepidoptera of the Shetland Isles, by J. Jenner Weir
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXTII
(concluded). — The Mierolepidoptera of the Shetland Isles,
by Howard Vaughan. — Eupoecilia Thuleana: a Microlepido-
pteron new to science, by Howard Vaughan. — The Tortrices
of Surrey, Kent and Sussex, by W. P. Weston (conelnded). —
Introductory Papers on Ichneumonidae, by J. B. Bridgman and
E. A. Fitch. — Note on the genus Orthezia, by F. Buchanan.
White. — Entomological Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine. vol. XVII, n°. 199 (December 1880) (2).
Encalyptus-galls, by R. Me. Lachlan. — Erebia Cassiope at home,
by J. Fraser. — An additional species of British Hemiptera, by
J. Edwards. — On the eggs and larvae of some Chrysomelae
and other (allied) species of Phytophaga, by J. A. Osborne. —
The life-history of Grapholitha nigricana, by John H. Wood. —
Further Notes on the natural history of Botys pandalis, by W.
Buckler. — On the distribution of Damaster, with Description of
a new species, by G. Lewis. — Entomological Notes, Captures,
ete. — Entomological Society of London, October 6th and
November 3rd. 1880.
DI
ler)
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. VI, n°. :
(December 1880) (0).
Descriptions of two new Coleoptera from Madagascar, by €. 0.
Waterhouse. — On the Existence of Polar Globules in the Ovum
of the Crustacea, by M. L. F. Henneguy.
Album der Natuur. Jaarg. 1881, afl. 2 (0).
De stemwerktuigen der insecten (met afbeeldingen), door Dr. R. Horst.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Entom. de Belgique. Ann.
1880. 2 Oct. et 6 Nov. (a).
Communications arachnologiques, par Léon Becker. — Hémiptères
nouvelles pour la Belgique, par M. Lethierry. — Nouvelles obser-
vations sur les migrations des Pucerons, par J. Lichtenstein. —
Matériaux pour servir A une faune Arachnologique de la Nouvelle
Calédonie, par E. Simon. — Sur une excursion entomologique en
Allemagne pendant les mois de Juin et Juillet 1880, par A.
Preudhomme de Borre. — Communications Arachnologiques, par
Léon Becker.
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France. Ann.
1880. 10 Nov. (a).
Description d’une nouvelle espèce de Coléoptère d’Abyssinie , apparte-
nant à la division des Goliathides, par M. A. Raffray. — Description
de nouvelles espèces de Cureulionides, par M. A. Chevrolat, —
LXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Note relative ä la vie évolutive d’une espèce de Coléoptère du
genre Callirhipis, par M. H. Lucas.
Naturhistorische Hefte nebst deutsch redigirter Revue vom Ungar.
Nation.-Museum in Budapest. Bd. IV, Heft III (a).
Coleoptera nova e Hungaria meridionali, a J. Frivaldsky deseripta. —
Hemipterologische Mittheilungen, von Dr. G. Horvath. — Eine
der Gerste und dem Weizen schädliche neue Aphidenart, Schizo-
neura cerealium n. sp., von Dr. A. von Szaniszló. — Beiträge
zur Lebensweise der P/yloptus vitis Landois; besonders deren
Ueberwinterungsart und Schädlichkeit,von Dr. A. von Szaniszlò .
Annali del Museo civico di Storia Naturale di Genova. vol. XV. (a).
Phytophages Abyssiniens du Musée civique d’histoire naturale de
Génes, par F. Chapuis. — Note sopra alcuni Coleotteri dell’
Arcipelago Malese e specialmente delle isole della Sonda, per R.
Gestro. — Les Staphylinides des Moluques et de la Nouvelle-
Guinée (2e mémoire), par A. Fauvel. — Neue Nitiduliden des
Museo Civico di Storia Naturale in Genua, ,beschrieben von Edm.
Reitter. — Spedizione italiana nell’ Africa equatoriale. Risultati
zoologici. I. Lepidotteri, per C. Oberthür. — Addition au relevé
des Elatérides Malais, par le Dr. Candèze. — Studi sugli Arac-
nidi Africani, del Prof. P. Paresi. — Formiche pel Dott. ©.
Emery. — Sopra alcuni Imenotteri di Tunisia, per G. Gribodo. —
Appunti sull’ Entomologia Tunisina, di R. Gestro. — Neue Niti-
dulidae des Museo civico di Storia Naturale, beschrieben von
Edm. Reitter. — Etude sur les Collections de Lepidopteres
Océaniens appartenant au Musée eivique de Génes, par C. Ober-
thiir. — De quelques Genres nouveaux et Espéces nouvelles de
l'ordre des Hémiptères faisant partie de la Collection du Musée
civique de Génes, par V. Signoret.
Verslag van de 35ste Zomervergadering der Nederl. Entom. Vereen.
gehouden te Zutphen (a en bd).
Nieuwe Naamlijst van Nederlandsche Suctoria met eene Tabel voor
het bestemmen der inlandsche geslachten en soorten naar aan-
leiding van Dr. O. Taschenberg’s Monographie, opgemaakt door
C. Ritsema Cz. — S. ©. Snellen van Vollenhoven als Entomoloog
geschetst, door F. M. van der Wulp (met portret).
Archiv für Naturgeschichte, herausgegeb. von Dr. F. H. Troschel.
Jahrg. 47, Heft 1 (b).
Verzeichniss der während der Rohlfs’schen Africanischen Expedition
erbeuteten Myriopoden und Arachniden, von Dr. F. Karsch. —
Ueber ein neues Amerikanisches Dipteron, von Dr. F. Karsch. —
Ueber eine neue Gattung Scorpione, von Dr. F. Karsch. — Zur
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXV
Formenlehre der pentazonen Myriopoden, von Dr. F. Karsch. —
Zum Studium der Myriopoda Polydesmia, von Dr. F. Karsch. —
Gattungen und Arten der Scolopendriden, von Dr. E. Kohlrausch.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Entom. de Belgique. Année
1880. 4 Dee. (a).
Communications arachnologiques, par Léon Becker. — Suite des
Coléoptères recueillis dans mon excursion en Allemagne en Juin
et Juillet 1880, par A. Preudhomme de Borre. — Lamellicornes
et Buprestides rapportés de Provence par M. Becker, par M. A.
Preudhomme de Borre. — Liste de Coléoptéres nouveaux pour
la faune Belge, par H. Donckier de Donceel.
Bulletins des Séances de la Société Entom. de France. Ann. 1880.
24 Nov. et 8 Dee. (a).
Diagnoses de trois nouveaux Trechus aveugles (sous-genre Anoph-
thalmus) propres à l'Europe, par E. Abeille de Perrin. — Note
sur une espece de Cétonides (Neptunides polychrous Thoms.), par
J. Thomson. — Description d’un Coléoptére nouveau d’Espagne
(Crypticus pubens), par Léon Fairmaire. — Description d’un Cur-
culionide nouveau (Ceutorhynchus Fairmairii), par C. Brisout de
Barneville. — Descriptions de quatre Curculionides nouveaux
d'Europe et d'Asie, par A. Chevrolat. — Descriptions et obser-
vations sur divers Hémiptéres, par V. Signoret. — Note relative
à un Hyménoptère apivore, par H. Lucas. — Note sur des Arach-
nides recueillis en Gröce par M. A. Letourneux, par E. Simon. —
Note sur diverses larves de Cicindélétes, par M. H. Lucas. —
Note synonymique sur quelques espéces d’Hydrophilidae décrits
en 1841 dans la Fauna Coleopterorum Helvetica du Prof. 0. Heer,
par L. Bedel. — Diagnoses de trois nouvelles espèces de Curcu-
lionides de la division des Cholides, par M. A. Chevrolat.
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VI, Heft 23 und 24. (a).
Addenda und Corrigenda zu Hagen’s: Bibliotheca Entomologica, II,
von Dr. K. W. v. Dalla Torre (Schluss.) — Der Berliner Ento-
mologische Verein. -— Stiftungsfest des Stettiner Entomologischen
Vereins. — Coccinelliden (Schluss), von H. Gradl. — Lygris var.
ovulata mihi, von H. Bergmann. — Die Raupe von Mamestra
splendens im Vergleich mit der von Mamestra oleracea, von A.
Streckfuss. — Macrolepidopterologische Notizen dieses Jahres aus
dem Liineburgischen, von Dr. Riist. — Literarische Revue.
Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde. J ahrg. XXXI
und XXXII (a).
Mein Fang im Ober-Engadin, 1876 und 1878, von A. von Homeyer. —
5
LXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Erster Nachtrag zu „die Käfer von Nassau und Frankfurt,’
von L. von Heyden. — Versuch die Grundlage für eine natür-
liche Reihenfolge der Lepidopteren zu finden, von Dr. Rössler. —
Ueber Nachahmung bei lebenden Wesen (Organismen) insbesondere
den Lepidopteren, mit einer Betrachtung über die Abstammungs-
lehre, von Dr. Rössler.
Entomologisk Tidskrift utgifven af J. Spängberg. Band I (a).
Species scandinaviae Anartae generis Noctuarum descripsit J. Späng-
berg. — Ofversigt af skandinaviens arter af Diptergruppen Pha-
sinae, af H. D. J. Wallengren. — Adnotationes ad , Ichneumo-
nologiam suecicam” auctore A. E. Holmgren. -- Om en nyligen
Aterfunnen svensk Nattfjäril, af ©. Aurivillius. — Om furuspinderens
(Eutrichia pini) optraeden i Norge i aarene 1812—16, af W. M.
Schöyen. — En entomologisk utflygt till , Ostra Stäket” 4 Werm-
don, af O. Th. Sandahl. — Skandinaviens arter af Tineidgruppen
Plutellidae (Staint.), af H. D. J. Wallengren. — Om skandina-
viens arter af familjen Phryganidae, af H. D. J. Wallengren. —
Bladminerande fluglarven pa vara kulturväxter, af A. E. Holm-
gren. — Mélanges lépidoptérologiques, par J. Spängberg. — Sur
quelques espèces européennes de la sous-famille des Psocines , par J.
Spängberg. — Bidrag till skandinaviens Fjärilsfauna, af K. Fr.
Thedenius. — Om insektfängst ombord p§ fartyg fran främmande
land, af H. J. Ekeverg. -- Dagfjärilsfaunan pa en flick af Mellersta
Skäne antecknad af C. Lindequist. — Svensk-Norsk Entomologisk
Literatur 1878—79. — Finlands och den Skandinaviska halföns
Hemiptera Heteroptera, af O. M. Reuter. — Compte-Rendu des tra-
vaux des Entomologistes au 12me Congrès des Naturalistes Scandi-
naves à Stockholm en 1880, par J. Spängberg. — Coleopterologiske
notitser, of W.M. Schöyen. — Till Gastrodes abietis’ (Linn.) lefnads
historia, af O. M. Reuter. — För kulturväxterna skadliga insekter,
af A. E. Holmgren. — Fyndorter mer eller mindre sällsynta
svenska skalbaggar, meddelade af A. Wangdahl. — Bidrag till
Kännedomen om Skandinaviens Fjärilsfauna, af K. Fr. The-
denius. — Smiirre meddelanden, af J. Spängberg. — Fran Dalarö
i September 1880. Entomologisk skizz, af O. M. Reuter. —
Dansk Entomologisk Literatur 1878—79. — Finsk Entomolo-
gisk Literatur 1878—79.
January 1881.
Newman’s Entomologist. vol. XIV, n°. 212 (January 1881) (a).
Variety of Melanippe hastata, by J. T. Carrington. — Notes on the
Lepidoptera of Natal, by W. G. Gooch (continued). — The
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXVII
Mangold-Fly, by E. A. Fitch. — Notes from Taynuilt, by R.
E. Salwey. — Entomological Notes, Captures etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. vol. XVII, n°. 200 (January 1881) (0).
Notes on Macrolepidoptera in the New Forest in 1880, by W.
H. B, Fletcher. — On the species of the genus Orthezia, by J.
W. Douglas. — The occurrence in Herfordshire of Pempelia
hostilis, with description of the Larva, by John H. Wood and
W. Buckler. — On Parthenogenesis in Tenthredinidae, by J. E.
Fletcher. — Notes on the Entomology of Portugal. III. Lepido-
ptera, by Dr. O. Staudinger. — Australian Gall-making Lepi-
dopterous larvae, by E. Meyrick. — Entomological Notes, Cap-
tures ete. — Reviews. — Obituary: Etienne Mulsant, by J. O.
Westwood. — An Announcement of new genera of the Epheme-
ridae, by A. E. Eaton.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. VII n°. 37
(January 1881) (0).
Descriptions of new species of Lepidoptera in the Collection of the
British Museum, by A. G. Butler. — New Neotropical Curculio-
nidae. Part IV, by F. P. Pascoe. — On a small collection of
Crustacea and Pyenogonida from Franz-Josef Land, collected
by B. Leigh Smith, by E. J. Miers. — Descriptions of new
species of Heteropterous Hemiptera, collected in the Hawaiian
Islands by the Rev. T. Blackburn. n°. 3, by F. Buchanan White. —
On a new species of Papilio from South India, with Remarks
on the species allied thereto, by J. Wood-Mason. — Researches
on the Comparative Anatomy of the Nervous System in the
different Orders of the Class of Insects, by M. E. Brandt.
Zoologist (the). 3rd. ser. vol. IV n°. 49 (January 1881) (0).
Habits of the Tarentula, by V. Bergsö.
The Journal of the Linnean Society. Zoology. vol. XIV n°. 80 (0).
An Analysis of the Species of Caddis-flies (Phryganea) described
by Linnaeus in his „Fauna suecica”, by H. D. J. Wallengren,
with Notes by R. Me. Lachlan. — On the Anatomy of Ants,
by J. Lubbock (Abstract).
Id. vol. XV n°. 81—83 (0).
On the Thorax of the Blow-fly (Musca vomitoria), by A. Hammond. —
On a small collection of Crustacea made by Edward Whymper,
chiefly in the N. Greenland Seas; with an Appendix on additional
Species collected by the late British Arctic Expedition, by E.
J. Miers. - Description of a new Genus of Moth of the Family
Liparidae from Madagascar, by A. G. Butler. — Notice of Crus-
taceans collected by P. Geddes at Vera-Cruz, by E. J. Miers, —
LXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
On supposed Stridulating-Organs of Steatoda guttata Wider. and
Linyphia tenebricola Wider., by F. Maule Campbell. — On certain
Glands in the Maxillae of Tegenaria domestica Blackw., by F.
Maule Campbell. — Observations on Ants, Bees and Wasps;
with a Description of a new species of Honey-Ant. Part VII.
Ants, by John Lubbock.
Proceedings of the Scient. Meetings of the Zoological Society of London
for the year 1880. Prt. II and III (a).
On new and little-known Butterflies from India, by A. G. Butler. —
Description of a new species of Orthopteron of the genus Anos-
tostoma from Madagascar, by A. G. Butler. — Descriptions of
new species of Phytophagous Coleoptera, by M. Jacoby. — Des-
criptions of five new species of Rhopalocera from East Africa,
by F. D. Godman and W. L. Distant. — On some new and
little-Known Spiders of the genus Argyrodes Sim., by O. P. Cam-
bridge. — A. Monograph of the Sawflies composing the Australian
genus Perga of Leach, by J. O. Westwood. — On a new Ento-
mostracon from Afghanistan, by F. Day. — On a collection of
Lepidoptera from Candahar, by A. G. Butler.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo X, entrega V (a).
Apuntes Lepidopterologicos. II. Descripcion de tres orugas de la
familia Arctiadae, por el Dr. Carlos Berg. — Sinonimia de algunos
dipteros chilenos, por el Dr. E. Lynch Arribalzaga.
Tijdschrift voor Entomologie uitgegev. door de Nederl. Entom. Vereen.
Deel XXIV, aflev. 1 (a en b).
Verslag van de 35ste Zomervergadering der Nederl. Entom. Vereen. —
Quatre nouvelles Pédiculines, par E. Piaget. — Eene waarneming
omtrent Grapholitha corticana Hbn. in verband met Andricus Ramuli
Linn., door G. A. Six. — Bijdrage tot de kennis der Nitidularien ,
door Jhr. Dr. Ed. Everts.
Notes from the Leyden Museum, edited by Prof. H. Schlegel. vol. III
n°. 1 (January 1881) (0).
On a new species of Cetonide from the Aru Islands, by C. Rit-
sema Cz. — Description of a new species of the Longicorn genus
Cereopsius Thoms., by C. Ritsema Cz. — A new species of the
Longicorn genus Bacchisa Pase., by C. Ritsema Cz. — Synony-
mical remarks about two species of Longicorn Coleoptera in the
collections of the Leyden Museum, by C. Ritsema Cz. — On a
new genus of Longicor: Coleoptera belonging to the group of the
Batoceridae, by C. Ritsema Cz. — Description of a new species
of the Longicorn genus Praonetha Pasc., by C. Ritsema Cz. —
Description of a new species of the Coleopterous family Elateridae,
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXIX
by C. Ritsema Cz. — New species of Pachyleria, a genus of
Longicorn Coleoptera, described by C. Ritsema Cz. — Description
of a new species of the Longicorn genus Melanauster Thoms., by
C. Ritsema Cz.
Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereines in Regensburg. Jahrg.
1880, n°. 8 (b).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel (Fortsetzung).
Tromso Museums Aarshefter. III. (a).
Lepidopterologiske bidrag til Norges arktiske fauna, af J. Sparre
Schneider.
Entomologische Nachrichten. VII (Jahrg. 1881), Heft 1und 2. (a).
Ichneumoniden-Studien. Ueber das ¢ des Amblyteles litigiosus Wesm. ,
von Dr. J. Kriechbaumer. — Crateronyx Dumi L. Beitrag zur
‘ Biologie iiber diesen Spinner, von Borgman. — Dasypoda rhodo-
dactyla n. sp., von K. von Dalla Torre. — Vorschläge zur Prä-
paration, vun Borgman. — Naturhistorisches Museum der Stadt
Bern. — Erklärung, von von Harold. — Entomologischer Verein
Thüringens, von Franke. — Synonymische Bemerkungen, von
A. Mocsäry. — Notiz zur Phänologie von Melolontha vulgaris,
von Kolbe. — Chlorops nasuta in Menge. — Cychrus Balcanicus
n. sp., von von Hopfgarten. — Reiseskizzen von den Balearen,
von Will. — Sphegidologische Studien, von Kohl. — Partheno-
genesis bei Käfern. — Zur Naturgeschichte von Mania Maura,
von Wackerzapp. — Nekrolog: Etienne Mulsant.
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France. Ann.
1880. 22 Decembre. (a).
Liste de quelques modifications nouvelles à introduire dans la
nomenclature des Hydrophilides, par M. L. Bedel. — Descrip-
tions de deux Coléoptéres de la famille des Lycides, par M. J.
Bourgeois. — Diagnoses de deux Curculionides nouveaux de la
division des Calandrides, par M. A. Chevrolat. — Descriptions
de deux nouvelles espèces de Diptères, dont l’une est le type
d’un genre nouveau, par M. J. Bigot.
Abhandlungen herausgegeben vom naturwissensch. Vereine zu Bremen.
Bd. VIE, Heft 1. (a).
Uber eine neue Art der Calaniden-Gattung Temora Baird, von
S. A. Poppe. — Weitere Bemerkungen iiber die freilebenden
Süsswasser-Copepoden, von H. Rehberg.
LXX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Februari 1881.
Newman’s Entomologist. vol. XIV, no. 213 (Febr. 1881) (a).
Variety of Argynnis Lathonia, by R. W. Bowyer. — The Man-
gold-fly, by E. A. Fitch (concluded). — Life-histories of Saw
flies. ‘Translated from the Dutch of the late Dr. S. C. Snellen
van Vollenhoven, by J. W. May. — Notes on the Lepidoptera
of Natal, by W. D. Gooch (continued). — Remarks on our
Dipterous Plant-miners and the plants they affect, by P.
Inchbald. — Entomological Notes, Captures, ete. — Obituary :
Etienne Mulsant; Achille Guenée.
Entomologist’s Monthly Magazine. vol. XVII, no. 201 (Febr. 1881) (0).
An Anouncement of new genera of the Ephemeridae (continued),
by A. E. Eaton. — Description of another new species of
Damaster, by G. Lewis. — Notes on Cucujidae in Japan, with
diagnosis of a new species, by G. Lewis. — Descriptions of four
new species of Cossonidae from the Hawaiian Islands, by T.
Blackburn. — Notes on the hairs of Hymenoptera, by E. Saun-
ders. — The species of the genus Orthezia, by J. W. Douglas. —
Description of a new species of Dolerus from Scotland, by P.
Cameron. — Entomological Notes, Captures, etc. — Obituary:
Jacob Boll; Achiile Guenée.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. VII no. 38
(Febr. 1881) (6).
On a collection of Butterflies from Nikko, Central Japan, by A.
G. Butler. — Recent Dredging by the U. S. Fish Commission
of the South Coast of new England, with some Notice of the
Crustacea obtained, by S. J. Smith.
Album der Natuur. Jaarg. 1881, aflev. 4. (0).
Bescherming tegen vliegen, muggen, muskieten, bladluizen, enz.,
door Hg. — Lichtende duizendpoot, door Hg.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Ent. de Belgique. Série III,
Host):
Liste des Hémiptères recueillis par M. de Borre en Allemagne,
par M. Becker en Provence et dans les Alpes-Maritimes, et par M.
de Sélys-Fanson dans l’Afrique australe, par M. Lethierry.
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Redig.
von Dr. G. Stierlin. Vol. VI, Heft 2 (0).
Die Zygänen unserer Südalpen, von Dr. Christ. — Jacob Boll,
ein Schweizer’scher Naturforscher, von Prof. Frey. — Sammel-
notiz über Schweizerischen Neuroptern. — Beschreibung neuer
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXI
Otiorhynchus Arten, von Dr. Stierlin. — Bemerkungen über
einige Otiorhynchus-Arten. — Excursionen in Guatemala, von
Dr. O. Stoll. — Beiträge zur Kenntniss der Tropyphorus-Arten,
von Dr. Stierlin.
Mittheilungen des Münchener Entomologischen Vereins. 4ter Jahrg.
1880. 2tes Heft. (b).
Die Dipterengattung Lasiops Mg., von F. Kowarz. — Vier neue
Ixodiden des Berliner Museums, von Dr. F. Karsch. — Einige
neue diplopode Myriopoden des Berliner Museums, von Dr. F.
Karsch. — Drei neue afrikanische Araneiden, von Dr. F.
Karsch. — Ein eigenthümlicher Schutzapparat der Larve von
Ctenophora atrata L., beschrieben von Fr. Hermann. — Einige
neue Coleopteren, beschrieben von E. von Harold. — Zur Species-
frage, ein Wort der Erwiederung von Dr. G. Kraatz.
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. v. Dr. F. Katter. Jahrg.
VII (1881) Heft 3 und 4. (a).
Sphegidologische Studien, von F. F. Kohl. — Reiseskizzen von
den Balearen, von F. Will. — Addenda und Corrigenda zu
Hagens Bibliotheca entomologica, von Dr. K. W. von Dalla
Torre. — Reisebrief vom Massanary. — Zur Kenntniss der
Feinde schädlicher Krautraupen, von W. von Reichenau. —
Die Raupen der Dasychira selenitica, von Brischke. — Ueber die
Lebensweise von Silpha opaca. — Synonymistisches (Hymeno-
ptera), von F. F. Kohl. — Ichneumoniden-Studien, von Kriech-
baumer. — Beitrag zur Kenntniss der Nematiden, von R. von
Stein.
Anales de la Sociedad Centifica Argentina. Tomo XI, entrega 1. (a).
Asilides Argentinos, por D. Enrique Lynch Arribalzaga (con-
tinuacion).
Maart 1881.
Newman’s Entomologist. vol. XIV, no. 214 (March 1881). (a).
Contributions to the history of the British Pterophori, by R.
South. — Notes on Oakgalls in the Quercetum of the Royal
Botanic Garden, Kew, by R. A. Rolfe. — Introductory Papers
on Ichneumonidae, by J. Bridgman and E. A. Fitch. — Butterfly
Hunting in Natal: on the Coast-Lands, by W. D. Gooch. —
Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Montly Magazine. vol. XVII, no. 202. (March 1881). (2).
Trichoptera and Neuroptera of the Upper Engadine in August, by
R. Me. Lachlan. — Notes on exotic Rhynchota, by W. L.
Distant. — An additional species of British Homoptera, by J.
LXXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Edwards. — On female dimorphism of Paltostoma torrentium, by Dr.
F. Müller. — Characters of new genera and descriptions of new
species of Geodephaga from the Hawaian Islands, by the Rev.
T. Blackburn. — Notes on the Entomology of Portugal. IV. Lepi-
doptera (continued), by E. L. Ragonot. — Diagnoses quatuor
novarum Pentatomidarum, seripsit Dr. 0. M. Reuter. — Ento-
mological Notes, Captures, ete.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. VII, n°. 39
(March 1881) (0).
On Synaxes, a new Genus of Crustacea, by Spence Bate. — On
the first Part of a Memoir by Mons. Charles Oberthiir on the Lepi-
doptera of the Isle of Askold, by A. G. Butler. — Relation of
devonian Insects to later and existing Types, by S. H. Seudder. —
Further Note on Anomorhynchus (or Colossendeis) Smithiv, by E.
J. Miers. — On the Formation of the Blastoderm in the Ara-
neida, by M. A. Sabatier.
Zoologist (the), a monthly journal of Natural History. 3rd ser. vol. V,
n°. 51 (March 1881) (0).
Notes and Observations on British Stalk-eyed Crustacea, by J. T.
Carrington and E. Lovett.
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VII, Heft 5 und 6 (a). -
Reiseskizzen von den Balearen, von F. Will (Fortsetzung). —
Ueber Sirex fuscicornis F., von 8. Brauns. — Zur Entwickelung
von Nematus gallarum Htg. = viminalis L. und Valisnierii Htg.,
von Dr. Rudow. — Die Mittel Europäischen Dasypoda-Arten,
besonders der westlichen Länder, von Dr. Rudow. — Eine Miss-
bildung von Musca domestica, von Dr. Rudow. — Zur geogra-
phischen Verbreitung einiger Odonaten, von E. Bergroth. —
Zur Anziehungskraft des Lampenlichts auf Nachtschmetterlinge
und andere Insecten, von H. Borgman. — Sphegidologische
Studien, von Fr. Kohl. n°. III. — Notizen zum v Catalogus
coleopterorum Enropae» von Stein und Weise, von Dr. L. W.
Schaufuss. — Eine hornlose Raupe von Smerinthus Populi, von
J. Schilde. — Nekrolog: Gabriel Koch.
Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereines in Regensburg. Jahrg.
34, n°. 9—12 (b).
Systematische Uebersicht der Käfer welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel (Forsetzung). —
Brachycyrtus, novum genus Cryptidarum, von Dr. Kriechbaumer.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTE\. LXXIII
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Ent. de Belgique. Série II
n°. 2 (a).
Neophya Selys, nouveau genre de Cordulines, par M. de Selys-
Longehamps. — Suite des Col&opteres recueillis dans mon exeur-
sion en Allemagne en Juin et Juillet 1880, par A. Preudhomme
de Borre. — Hyménoptères et Diptères recueillis par A. Preud-
homme de Borre, pendant son excursion en Allemagne en Juin-
Juillet 1880, par le Dr. J. C. Jacobs et A. Preudhomme de
Borre. — Orthoptères recueillis par M.M. Becker et Preudhomme
de Borre dans les voyages qu’ils ont faits en Provence et en
Allemagne, en 1880, par A. de Bormans. — Communications
arachnologiques, par Léon Becker. — Troisièmes Addenda au
Catalogue des Coléoptères de Belgique, par H. Donckier.
Archiv für Naturgeschichte, herausgegeb. von Troschel. Jahrg XLVI,
Heft 5 (0).
Bericht über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der
Arthropoden im Jahre 1879, von Dr. Ph. Bertkau.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Anno XII, Trim. 4 (a).
Della Torre, Anophthalmus Targionii, nuovo Carabide ceco d’Italia
(con tav.). — Bargagli, Di tre opusculi sugli insetti fossile a
sulle formazioni inglesi e straniere nelle quali sono statixoperti
avanzi d’insette, pubblicati da H. Goss. — Fanzago, Escursione
in Calabria: Miriapodi (con tav.). — Rassegna. — Notizie di
Entomologia applicata.
Nunquam Otiosus. Zoologische Mittheilungen von Dr. L. W. Schaufuss.
Bd. III, p. 481—511. (0).
Beschreibung sechzig neur Pselaphiden, von Dr. Schaufuss.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou. Ann. 1880,
n° 2. (0).
Essai monographique sur les Morionides, par le Baron de Chaudoir.
Proceedings of the Boston Society of Natural History. vol. XX, Prt. II
and III. (a).
Larvae of Insects discharged through the urethra (concluded), by
Dr. H. Hagen. — Remarks on White Ants, by Dr. H. Hagen. —
Flies from a Petroleum Lake, by Dr. H. Hagen. -- Synopsis
of the New-England species of Colletes, by Mr. W. H. Patton. —
Notes on North American Decapoda, by Mr. J. S. Kingsley. —
A new species of Simulium with a remarkable nympha-case, by
Dr. H. Hagen.
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Vol. III, Prt. I,
number 3 (a).
LXXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Palaeozoie Cockroaches: a complete Revision of the species of both
worlds, with an Essay toward their Classification, by S. H. Scudder.
April 1881.
Newman’s Entomologist. vol. XIV, n°. 215 (April 1881) (a).
Variety of Melanthia albicillata (var. suffusa), by John T. Carring-
ton. — Contributions to the History of the British Pterophori,
by R. South. -- Introduetory Papers on Ichneumonidae, by J.
B. Bridgman and E. A. Fitch. — The cocoons of Hydrophilus
piceus and Hydrobius fuscipes, by A. G. Laker. — Pyralis Lieni-
gialis Zell.: a Pyrale added to the British Fauna, by W. Thomp-
son. — Entomological Notes, Captures, ete. — Reviews. —
Obituary: W. P. Weston; R. Hind.
Entomologist’s Monthly Magazine. vol. XVII, n°. 203 (April 1881) (0).
Tropical Notes, by W. B. Pryer. — Description of a new species
of Lycaenidae from Penang, by W. L. Distant, — Notes on the
Entomology of Portugal. V. Lepidoptera (continued). Microlepido-
ptera, by H. T. Stainton. — Further Notes on the early stages
of Hydrocampa nymphaealis, by W. Buckler. — Description of
a new species of Trichoptera (Polycentropus Kingi) from Scotland ,
by R. Me. Lachlan. — A new species of Helotidae from Japan,
by G. Lewis. — Entomological Notes, Captures, ete. — Notes
on British Tortrices, by C. G. Barret (continued).
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. VII, n°. 40
(April 1881) (0).
Description of a new Longicorn Beetle from Java, by W. L. Distant. —
New Neotropical Curculionidae; Part V, by F. P. Pascoe. —
General Considerations upon the Carcinological Fauna of great
Depths in the Caribean Sea and Gulf of Mexico, by A. Milne
Edwards. — On a collection of Nocturnal Lepidoptera from the
Hawaiian Islands, by A. G. Butler. — Description of Parantir-
rhoea Marshalli, the type of a new genus and species of Rhopa-
locerous Lepidoptera from South India, by J. Wood-Mason. —
Notes upon the food of Predaceous Coleoptera, by F. M. Webster. —
On the Histolysis of the museles of the larva during the postem-
bryonic development of the Diptera, bij M. H. Viallanes.
Zoologist (the), a monthly Journal of Natural History, edited by J. E.
Harting. 3rd ser. vol. V, n°. 52 (April 1881) (0).
Notes and observations on British Stalk-eyed Crustacea (Introduc-
tion), by J. T. Carrington and E. Lovett.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXV
Notes from the Leyden Museum, edited by Prof. H. Schlegel. Vol.
II, n°. 2. (April 1881). (0).
Description of a new species of the genus Chelonarium from Java,
by E. Reitter. — Two new species of Coleoptera collected
during the recent scientific Sumatra-expedition, described by E.
Reitter. — Description of a new species of the Coleopterous
genus Bothrideres Er., by C. Ritsema Cz. — Two new species
of the Coleopterous genus Helota Me. Leay , described by C. Ritsema
Cz. — Synonymical remarks about certain Coleoptera and a Hetero-
cerous Lepidopteron, by C. Ritsema Cz. — The species of the Rhyn-
chophorous genus Eupholus Guér., enumerated by C. Ritsema
Cz. — Description of a new Psychid from Java, by F. J. M.
Heylaerts. — On a new collection of Podophthalmous Crustacea,
presented by Mr. J. A. Kruyt, collected in the Red Sea near
the town of Djeddah, by Dr. J. G. de Man. — Remarks on
the species of Matuta Fabr. in the collection of the Leyden
Museum, by Dr. J. G. de Man.
Album der Natuur. Jaarg. 1881, aflev. 6. (0).
Nog een voorbeeld van zelfmoord van een scorpioen, door R. E. de
Haan. — Zintuigelijke organen aan de binnenste sprieten der
Crustaceön, D. L.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Entom. de Belgique. Ser.
III, m. .3..(@):
Description: d’une nouvelle espèce d’Onitis (0. Vischnu), par A.
Preudhomme de Borre. — Sur une variété de Papilio Demoleus
Linn., par M. Capronnier. —- Descriptions de deux nouvelles
especes du genre Lycosa, par M. Becker.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo. XI, entr. 3. (a).
Asilides Argentinos, por D. Enr. Lynch Arribalzaga (continua-
eion). — Generos y especies de Aracnidos Argentinos, nuovos 6
poco conocidos, por el Dr. E. L, Holmberg.
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VII (1881), Heft 7 und 8. (a).
l'ericht über eine entomologische Reise nach Dalmatien, der Her-
zegowina und Montenegro im Jahre 1880, von von Hopfgarten. —
Beitrag zur Kenntniss der Gattung Dasypoda, von von Stein. —
Verbesserung, von Rudow. — Niptus hololeueus, von Schilde. —
Hohe Preise für exotische Käfer. — Quousque tandem?, von
Kriechbaumer. — Ichneumonen-Studien, von Kriechbaumer. —
Eine neue Limenitis-Art von Amur, von Taneré. — Ein mon-
ströser Prionus insularis Motsch., von v. Schönfeldt, — Ueber
LXXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
den Generationswechsel der Gallwespen. — Ueber Rhynchites
Bacchus, von Schmidt-Gübel.
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Vol.
VI; Heft. 3. (0).
Lycaena Lycidas Trapp, von H. Jäggi. — Observations sur l’organe
detonant du Brachinus crepitans Oliv., de Ph. de Rougemont. —
Meine Exkursionen im Sommer 1880 (Hymenoptera), von E.
Frey-Gessner. — Enumération des Hémiptéres récoltés en Syrie
par M. Abeille de Perrin avec la description des espèces nou-
velles, par le Dr. Puton. — Syrische Hemiptera, von E. Frey-
Gessner. — Beschreibung neuer Otiorhynchus-arten, von Dr.
Stierlin. — Ueber die Varietäten des Carabus Olympiae Sella,
von Dr. Stierlin. — Ein neuer Pferostichus aus den Seealpen,
von Dr. Stierlin.
Stettiner Entomologische Zeitung. Jahrg. 41 (1880). (b).
Verzeichniss der von E. Steinheil in Neu-Granada gesammelten
coprophagen Lamellicornien, von E. von Harold. — Mamestra
Leineri var. (?) Pomerana. — Nekrolog des Dr. F. Chapuis. —-
Bemerkungen der von A. G. Butler vorgenommenen Revision der
Sphingiden, von P. Maassen. — Neue Haliplus, beschrieben von
E. Wehncke — Verzeichniss der von Prof. Dr. R. Buchholtz
in West-Afrika gesammelten Schmetterlinge, von C. Plötz (Fort-
setz.). — Ergebnisse des Lepidopteren-Fanges an Haideblüthe im
August und September 1879, von A. Fuchs. — Ueber die Be-
stimmung der von Linné beschriebenen Gattung Phryganea, von
Dr. H. Hagen. — Neue Neuroptera in: Die Insecten von Dr.
Vitus Graber, von Dr. H. Hagen. — Nekrolog des Dr. G. Haag,
von C. A. Dohrn. — Coleophora linosyridella, eine neue Art aus
dem unteren Rheingau, von A. Fuchs. — Lepidopterologische
Mittheilungen aus dem unteren Rheingau, von A. Fuchs. —
Notiz für Lepidopterophilen. — Prioritäts-berechtigte Lepido-
pteren Namen aus H. Ström’s Entomologischen Abhandlungen, von
W. M. Schöyen. — Solatium in angustiis, von ©. A. Dohrn. --
Ueber ostindische Galeruciden, von E. von Harold. — Exotisches ;
von ©. A. Dokrn. — Beitrag zur Kenntniss der Schmetterlings-
Verbreitung, von P. Maassen. — Zwei neue russische Schlupf-
wespen, beschrieben von F. W. Woldstedt. — Bemerkungen
zu Dr. Jacob Spängberg’s Psocina Suecicae et Fenniae, von H.
Kolbe. — Zwei Bemerkungen, von F. J. M. Heylaerts. — Ver-
zeichniss der vom Prof. Dr. R. Buchholz in West-Afrika gesam-
melten Schmetterlinge, von C. Plötz. — Notes sur les Elytrurus
des îles Viti, par M. L. Fairmaire. — Naturgeschichte der
Eugonia fuscantaria Hübn., von Torge. — Lebensgeschichte der
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXVIÎ
Pappelgallen-Blattlaus, Pemphigus bursarius (Aphis) Linn., von
J. Lichtenstein. — Microlepidopteren in Australién, ein Brief
des Herrn E. Meyrick, übersetzt durch P. C. Zeller. —
Microlepidopteren des Rheingaues, von A. Fuchs. — Spicilegia
Linnaeana, von C. A. Dohrn. — Die Löw’sche Dipteren-Sammlung ,
von J. P. E. Fr. Stein. — Revision des Zonitis d'Australie, par
M. L. Fairmaire. — Neue Staphylinen, beschrieben von Dr.
Eppelsheim. — Exotisches, von Dr. C. A. Dohrn. — Verzeichniss
der vom Prof. Dr. Buchholz in West-Afrika gesammelten Schmet-
terlinge, von C. Plötz (Schluss). — Die Geometriden Pommerns,
von Prof. Hering. — Ueber einige merkwürdige Fälle von Ver-
schleppung and Nichtverschleppung der Dipteren nach anderen
Welttheilen, von ©. R. Baron von Osten-Sacken. — Spicilegia
Linnaeana, von Dr. C. A. Dohrn. — Ueber die Linné’ schen
Species Phryganea flavilatera und Hemerobius lutarius, von H.
Kolbe. — Ueber die Vernichtung schädlicher Inseeten durch den
Hefenpilz, von Dr. H. Hagen. — Dinusa Taygelana n. sp.,
beschrieben von Dr. Eppelsheim, — Exotisches, von C. A.
Dohrn. — Die Pommerschen, insbesondere die Stettiner Microlepi-
dopteren, verzeichnet von F. O. Büttner. — Wanderungen des
Pemphigus bursarius, von Jules Lichtenstein. — Berichtigungen
und Bemerkungen zum Verzeichniss der vom Prof. Dr. Büchholz
in West-Afrika gesammelten Schmetterlinge, von C. Plötz. —
Verglichne Cataloge, von C. A. Dohrn. — Nekrolog des Dr. F.
O. Biittner.
Bulletin des Séances de la Société Entom. de France. Ann. 1881,
n°. 1—6 (a).
Description d’une nouvelle espèce d’Oxygonia, par M. Chre
vrolat. — Diagnoses de nouvelles espèces du genre Bathyscia,
par M. Abeille de Perrin. — Note sur le genre ancien Goliathus
Lamarek, par M. J. Thomson. — Diagnoses de Coléoptéres
nouveaux trouvés en Corse et en Sardaigne, par M. L. Fair-
maire. — Remarques sur la synonymie de plusieurs espéces du
genre Pimelia, par M. le Doct. Sénac. — Description de trois
nouvelles espèces de Cholides, par M. A. Chevrolat. — Descrip-
tion d’un Col&optere trouvé en Corse, par M. L. Fairmaire. —
Note sur un erustacé de l’ordre des Siphonostomes, par M. H.
Lucas. — Diagnoses de trois nouvelles especes de Cholides,
par M. A. Chevrolat. — Description d’une nouvelle Serica de
Sardaigne, par M. L. Fairmaire. — Deseriptions de deux genres
nouveaux d’Hémiptéres de la division des Cydnides, par le Dr.
V. Signoret. — Notes sur la synomymie et l'habitat de quelques
Hémiptères, par M. le Dr. A. Puton. — Diagnoses de trois nou-
LXXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
velles espèces de Curculionides, par M. A. Chevrolat. — Remar-
ques sur divers Hémiptères, par le Dr. G. de Horvath. —
Description d’une nouvelle espèce de Coléoptére de la division
des Lycides, par M. J. Bourgeois. — Note sur divers Hémi-
pteres, par le Dr. A. Puton. — Liste de Hémiptéres de Chine,
par M. V. Signoret. — Sur un nouveau genre de Diptére, par M.
Bigot. — Quatre nouvelles espèces américaines de Curculionites ,
par A. Chevrolat. — Descriptions de deux nouvelles espèces de
Coléoptéres, par L. Fairmaire. — Sur la femelle d’Anthia ferox
Thoms., par M. H. Lucas.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Bd. XXV (1881) 1stes Heft (0).
Zur Käferfauna der Sandwich-, Marshall- und Gilberts-Inseln , von
Dr. F. Karsch. — Arachniden und Myriopoden Mikronesiens ,
von Dr. F. Karsch. — Aus meinem entomologischen Tagebuche,
von Dr. L. Sorhagen. — Diagnoses Arachnoidarum Japoniae ,
auctore Dr. F. Karsch. — Die Käfer der Rohlfs’schen Afrika-
nischen Expedition 1878—79, von Dr. F. Karsch. — Die Cama-
rotus des Berliner Museums (Coleopt. Curculion.), von Dr. F.
Karsch. — Ueber die Flügelbildung bei Phryganiden und Lepi-
dopteren, von Dr H. Dewitz. — Beschreibung der Larve und
Puppe von Liponeura brevirostris Löw, von Dr. H. Dewitz. —
Acanthosomina et Urolabidina nova et minus cognita, descripsit
Dr. O. M. Reuter. — Ueber den Bau der Trilobitenschale, von
J. Dewitz. — Uebersicht der europäischen Skorpione, von Dr.
F. Karsch. — Gliederthiere von Angola, von Dr. F. Karsch. —
Ein neuer Gryllide aus Japan, von Dr. J. P. E. Fr. Stein. —
Neue Coleopteren aus Ost-und Mittel-Asién, von Dr. O. Thieme. —
Zwei neue Pyraliden, von Dr. L. Sorhagen.
Verslag van de 14de Wintervergadering der Nederl. Entom.
Vereen. (a en b).
Tweede Supplement op de Naamlijst der Nederlandsche Bijen, door
C. Ritsema Cz. — Tweede Supplement op de lijst der in Neder-
land voorkomende Schildvleugelige Insecten (Coleoptera), door
Dr. Ed. Everts. — Opgave van Coleoptera welke in het naast
omliggend gebied zijn aangetroffen, door Dr. Ed. Everts.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgeg. door de Nederl. Entom. Vereen.
DI. XXIV, aflev. 2 (a en b).
Verslag van de 14de Wintervergadering. — Bijdrage tot de kennis
der Nitidularien, door Dr. Ed. Everts (vervolg en slot). — Eenige
woorden ter herinnering aan C. Fransen Hz., door P. C. T.
Snellen. — Lepidoptera van Celebes verzameld door Mr. M. C.
Piepers, met aanteekeningen en beschrijvingen der nieuwe soorten,
door P. C. T. Snellen.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXIX
Annales des Sciences Naturelles. 6me sér. Zoologie et Paléontologie.
Tom. X n°. 4 à 6 (0).
Nouveaux cas de Myiasis observés dans la province de Cordova
(République Argentine) et dans la République de Venezuela, par
M. P. A. Conil.
Bulletin of the United States Geological and Geographical Survey of
the Territories. vol. IV n°. 1 (a).
Preliminary List of the North American Species of Agrotis, with
Descriptions, by A. R. Grote.
Naturhistorische Hefte, herausgegeb. vom Ungarischen Nation. Museum
zu Budapest. Bd IV, Heft 4 (a).
Coleoptera nova in Europa orientali et Asia minore a D. E. Merkl
detecta et a J. Frivaldsky deseripta. — Hymenoptera nova e
variis orbis terrarum partibus, ab A. Moesäry deseripta. — Ueber
die auf Gerste- und Weizenwurzeln lebenden Aphiden Arten, von
Dr G. Horvath. — Ueber den Circulationsapparat der Pseudoscor-
pione, von Dr. E. Daday.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomol. de Belgique.
Sér. III, n. 4 (a).
Note sur plusieurs envois de Lépidoptères provenant de Madagascar ,
par M. P. Mabille. — Note sur la femelle du Diastatomma tricolor
Pal. de Beauv., par M. Me Lachlan. — Communications arach-
nologiques, par L. Becker. — Note sur des larves d’Odonates,
par M. A. de Borre.
Mei 1881.
Newman’s Entomologist. vol. XIV, n°. 216 (May 1881) (a).
Notes on the Lepidoptera-Rhopalocera of Hudson’sbay , by J. Jenner-
Weir. — Butterfly Hunting in Natal: On the Coast-Lands, by
W. D. Gooch (continued). — Life-Histories of Sawflies. Translated
from the Dutch of the late Dr. Sn. v. Vollenhoven, by J. W.
May. — Introduetory Papers on Ichneumonidae, by J. Bridgman
and E. A. Fitch (continued). — Entomologieal Notes, Captures,
etc. — Review.
Entomologist’s Monthly Magazine. vol. XVII, n°. 204 (May 1881) (6).
Notes on British Tortrices, by C. G. Barrett (contin.). — Notes on
the Lepidoptera of the Valais, by B. C. R. Jordan. — A new
species of Degeeria, by H. N. Ridley — Parthenogenesis in the
Tenthredinidae, by P. Cameron. — Deseription of a new genus
and two species of Hemiptera Heteroptera from South-America ,
by J. Scott. — New species of Longicorn Coleoptera allied to
Colobothea, by H. W. Bates. — Entomological Notes, Captures ete.
DXXX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. VII n°. 41
(May 1881) (0).
Note on Papilio nebulosus Butl., by L. de Nieeville. — On a Col-
lection of Nocturnal Lepidoptera from the Hawaiian Islands, by
A. G. Butler. — Descriptions of two new Longicorn Coleoptera
and a new genus of Dynastidae, by Ch. O. Waterhouse. —
Description of a new species of the Coleopterous Genus Dryops
from Pekin (Fam. Parnidae), by Ch. O. Waterhouse. — Des-
cription of a new cornuted Species of Cetoniidae from North-
eastern India, by J. Wood-Mason.
Zoologist (the), a monthly Journal of Natural History, edited by J. E.
Harting. 3rd ser. vol. V n°. 53. (May 1881) (0).
Notes and Observations on British Stalk-eyed Crustacea, by J. T.
Carrington and E. Lovett. — Unusual Weight of a Crab, by
Th. Cornish.
Mittheilungen des Münchener Entomologischen Vereins. Jahrg. V
(1881) Heft 1 (b).
Die Ameisen der Antille St Thomas, von Prof. Dr. A. Forel. —
Cassididae, von B. Wagener. — Einige neue Coleopteren, be-
schrieben von E. von Harold. — Zur Münchener Fauna. Sam-
melbericht von E. von Harold (Staphylinidae).
Entomologische Nachrichten, herausgeg. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VII, Heft 9 und 10 (a).
Ichneumoniden-Studien , von Dr. J. Kriechbaumer. — Bericht über
eine entomologische Reise nach Dalmatien, der Herzegowina und
Montenegro im Jahre 1880, von M. v. Hopfgarten. -— Ein Lepi-
dopterologischen Rückblick auf den Sommer des Jahres 1879,
von Dr. A. Speier. — Vier neue Fossorien aus Frankreich, von
v. Dalla Torre. -—Carpocapsa putaminana, von Schmidt-Göbel. —
Von der Lebenszähigkeit von Acherontia Atropos.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XI, entr. IV (a).
Generos y especies de Aracnidos Argentinos, nuevos 6 poco cono-
cidos, por el Dr. E. L. Holmberg.
Periodico Zoologico. Organo de la Sociedad Zoologica Argentina.
Tomo III, entr. 2 y 3. (a).
Description d’une Puce gigantesque, Pulex grossiventris m., par le
Dr. H. Weyenbergh. — Nouveaux cas de Myiasis observés dans
la province de Cordova (Rép. Arg.) et dans la République de
Venezuela, par le Dr. P. A. Conil. — Etude sur l’Acridium
Paranense Burm., ses variétés et plusieurs insectes qui le détrui-
sent, par le Dr. A. Conil.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXI
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France. Ann.
1881, n°. 7—9 (a).
Descriptions de trois nouvelles especes d’Hémiptéres. par le Dr.
V. Signoret. — Description d’une nouvelle espéce de Cochenille,
par M. Colveé et J. Lichtenstein. — Note synonymique sur deux
espéces de Lycides, par M. J. Bourgeois. — Descriptions de trois
nouvelles espèces de Fourmis, par M. E. André. — Description
d’une nouvelle espèce de Coléoptére, par M. Léveillé. — Note
synonymique sur divers Hémiptéres de France, par A. Puton.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Ann. XII, Trim. 1 (a).
Sugli Imenotteri della Lombardia. Memoria 1, del Dott. Paolo
Magretti. — Escursione in Calabria (1877—78), dell'Ing. G.
Gribodo. — Rassegna entomologica.
Annali del Museo Civico di Storia Naturale di Genova. Vol. XVI. (a).
Addition à l’énumération des Histérides rapportés de l’Archipel
Malais, de la Nouvelle Guinée et de l'Australie boréale par
M.M. le Prof. O. Beccari et L. M. d’Albertis, par S. A. de Marseul. —
Spedizione Italiana nell'Africa equatoriale. Risultati zoologiei:
R. Gestro, Diagnosi di nuove specie di Coleotteri. — A. de
Bormans, Ortotteri. — E. de Selys Longchamps, Odonati. —
G. Gribodo, Imenotteri. — C. Emery, Formiche. — L. Lethierry,
Emitteri. — Descriptions de deux nouvelles epéces d’Obisium anoph-
thalmes du sous-genre Blothrus, par E. Simon. — Enumerazione
dei Lucanidi raccolti nell’Areipelago Malese e nella Papuasia dai
signori G. Doria, O. Beccari e L. M. d’Albertis, per R. Gestro. —
Enumeration of the Diptera of the Malay Archipelago collected
by Prof. O. Beccari, Mr. L. M. d’Albertis and others, by C. R.
Osten-Sacken. — Viaggio ad Assab nel Mar Rosso, dei Signori
G. Doria ed O. Beccari con il R. Avisso » Esploratore”. I. For-
miche, per Emery. — Studi sugli Aracnidi africani. II. Aracnidi
d’Inhambane, per P. Pavesi. — Histerides nouveaux, par S. A.
de Marseul. — Description d’une nouvelle espéce du genre /1y-
drovatus, par M. Regimbart. — Revue des Cydnides contenus
dans la collection du Musée civique d’histoire naturelle de Génes,
par V. Signoret. — R. Gestro, Aliquot Coleopterorum Musei
Civici Januensis diagnosis.
Transactions of the Entomological Society of London for the year
1880. (è).
Materials for a Revision of the Lampyridae, by the Rev. H. S.
Gorham. -- On some Coleoptera from the Hawaiian Islands, by
D. Sharp. — On Synonyms of Heterocerous Lepidoptera, by A.
G. Butler. — Descriptions of Cetoniidae and Cerambycidae from
6
LXXXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Madagascar, by Ch. O. Waterhouse. — On the Structure of
the Lampyridae, with reference to their phosphorescence. —
Notes on the Coloration and Development of Insects, by P. Ca-
meron. — On Celonia aurata and Protaetia Bensonii, by J. O.
Westwood. — Materials for a Revision of the Lampyridae, by
the Rev. H. S. Gorham. — On two Gynandromorphous Speci-
mens of Cirrochroa Aoris Doubl., an Indian species of Nympha-
lideous Butterfly, by J. O. Westwood. — A list of Diurnal
Lepidoptera collected in the Sierra Nevada of Santa Marta,
Colombia and the Vicinity, by F. Du Cane Godman and O.
Salvin. — On the Genus Colias, by H. J. Elwes. — Notes on
Exotic Rhynchota, with Descriptions of new Species, by W. L,
Distant. — On the Asiatic Lepidoptera referred to the Genus
Mycalesis; with descriptions of new Genera and Species, by F.
Moore. — On the Buprestidae from Madagascar, by Ch. O.
Waterhouse. — Observations upon certain Species of the Lepi-
dopterous Genus Terias, with Descriptions of hitherto unknown
forms from Japan, by A. G. Butler. — Synopsis of British Hete-
rogyna and Fossorial Hymenoptera, by Edw. Saunders. — On
a collection of Hemiptera from Japan, by J. Scott. — Descrip-
tion of a new Species of the anomalous Genus Polyctenes, by
Ch. O. Waterhouse.
Verhandlungen des Naturhist. Vereines der preuss. Rheinlande und
Westfalens, herausgeg. von Andrä. Jahrg. 37 (b.)
Ueber das Flügelgeäder des Lasius umbratus Nyl., von E. Adolph. —
Verzeichniss der bisher bei Bonn beobachteten Spinnen, von
Ph. Bertkau.
Verhandlungen der k. k. zool. bot. Gesellschaft in Wien, Jahrg.
1880 (Band XXX) (a.)
Bericht iber eine im Friihling 1879 nach Dalmatien unternom-
mene coleopterologische Reise, von L. Miller. — Ueber neue
Gallmücken und neue Miickengallen, von Dr. F. Löw. —
Bestimmungs-Tabellen der europäischen Coleopteren. III. Ent-
haltend die Familien: Scaphidiidae, Lathridiidae und Dermestidae,
von Edm. Reitter. — Coleopterologische Ergebnisse einer Reise
nach Croatien, Dalmatien und der Herzegowine im Jahre 1879, unter
Mitwirkung der Herren D. E. Eppelsheim und L. Miller, von
Edm. Reitter. — Verzeichniss der von Fedtschenko in Turke-
stan gesammelten Odonaten, von Prof. F. Bauer. — 'Turke-
stanische Psylloden, von Dr. F. Löw. — Die Metamorphose von
Coenomyia ferruginea Scop., von Th. Beling. — Beschreibung
neuer Dipteren, von J. Mik. — Ueber das präpariren der Dip-
teren, von J. Mik. — Beitrige zur Schmetterlings-fauna von
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXIIÎ
Surinam. III, von H. B. Möschler. — Leplomastax Simonis n.
sp., eine neue, der subterranen Blind-Fauna angehörende öster-
reichische Coleopteren-Art, von J. Stussiner. — Beitrag zur
kaukasischen Käfer-fauna, unter Mitwirkung von Dr. Eppelsheim
und E. Reitter, von Hans Leder. — Beiträge zur Kenntniss der
erzeugenden Insecten Europas, von F. A. Wachtl. — Neue
Spinnen aus Amerika. IIte Folge, von E. Keyserling. — Dipte-
rologische Mittheilungen, von J. Mik. — Zur näheren Kennt-
niss der begattungsfähigen sexuirten Individuen der Pemphiginen ,
von Dr. F. Löw.
Junij 1880.
Newman’s Entomologist. vol. XIV, n°. 217 (June 1881). (a).
On Silk-Producing Bombyces, by A. Wailly. — Butterfly Hun-
ting in Natal: On the Coastlands, by W. D. Gooch (continued). —
Introductory Papers on Ichneumonidae, by J. B. Bridgman and
E. A. Fitch (continued). — Entomological Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine. vol. XVIII, n°. 205 (June 1881) (0).
Annotated List of British Anthomyidae, by R. H. Meade. — On
the supposed effect of the winters in Japan on the smaller
Coleoptera, by G. Lewis. — The Coleoptera of Askham Bog,
York, by the Rev. W. W. Fowler. — List of Lepidoptera
observed in the neighbourhood of Gallipoli, Turkey, in 1878,
by G. F. Mathew. — Notes on Thysanura collected in the
Canaries and Madeira, by H. N. Ridley. — Entomological Notes,
Captures, etc. — An announcement of new Genera of the
Ephemeridae, by the Rev. A. E. Eaton.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. VII n°. 42
(June 1881) (0).
The Structure and Affinities of Euphoberia Meek and Worthen, a
Genus of Carboniferous Myriopoda, by 8. H. Scudder. — On
some Indian Coleoptera, chiefly from Travancore, by Ch. O.
Waterhouse. — On some Buprestidae from Australia, by Ch. O.
Waterhouse. — Mr. Butler on Butterflies from Japan, by H.
J. Elwes.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entom. de Belgique. 3me
Sér. n°. 5 (a).
Communications Arachnologiques, par L. Becker. — Suite des Coléo-
ptères recueillis dans l’excursion en Allemagne en Juin et en Juillet
1880, par M. A. Preudhomme de Borre.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XI, entr. 5 (a).
Dos nuevas especies del grupo de los Dipteros Pupiparos, por el
Dr. H. Weyenbergh.
LXXXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Entomologische Nachrichten, herausgeg. von Dr F. Katter. Jahrg.
VII, Heft 11 und 12 (a).
Ein Lepidopterologischer Riickbliek auf den Sommer des Jahres
1879, von Dr A. Speyer (Schluss). — Addenda und Corrigenda
zu Hagen’s Bibliotheca Entomologica, von Dr. K. W. von Dalla
Torre (IV). — Notiz über Ammoconia vetula Dup. und ihre Raupe,
von Dr. A. Pagenstecher. — Coceinellen-Puppen. — Hemiptera
Europae annis 1875—1878 descripta consignavit Dr. G. v. Horväth
(I. Hemiptera Heteroptera und II. Hemiptera Homoptera). —
Ueber Rhynchites Bacchus L., von Prof. Dr. Lentz. — Libel-
lenschwarm, von G. Weidinger.
Naturhistorische Hefte, herausgeg. vom Ung. Nat. Museum zu Budapest.
Bd. V Heft 1 (a).
Coleoptera Europaea nova, a J. Frivaldsky descripta. — Hymeno-
ptera nova e variis orbis terrarum partibus, ab A. Mocsary
descripta. — Diptera nova ex Hungaria, a L. Madarassy deseripta.—
Hemiptera nova vel minus cognita, descripsit Dr. G. Horväth.
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France. Ann.
1881, n°. 10 et TE (7):
Note sur la Drypla iris Cast., par M. R. Oberthür. — Description
d’une nouvelle espèce européenne du genre Trox, par M. A. Bon-
naire. — Description de deux espèces d’Hémiptéres nouvelles de
la faune paléarctique, par M. A. Puton. — Trois Hémiptères
nouveaux pour la faune francaise, par M. A. Puton. — Descrip-
tions d’un nouveau genre et d’espèces de Curculionides de la
Nouvelle-Guinée et d’Australie, par M. A. Chevrolat.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgique.
Sme sér., n°. 6, (a):
Note sur l’Ateuchus tmolus Fisch. avec description d’une espèce
nouvelle du genre Synapsis, par D. Sharp. — Note sur les Cyni-
pides, par M. van Segvelt. — Antenne complémentaire chez la
Tenthredopsis nassata 8 var., par le Dr. Jacobs.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Tom. XXIII (0).
Monographie des Scaritides (Scaritini), par le baron M. de Chaudoir
(2me partie). — Etude sur les espèces de la tribu des Féronides
qui se rencontrent en Belgique, par A. Preudhomme de Borre
(2me partie).
Id. Tom. XXIV (0).
Additions à la Faune du Japon, par W. Roelofs. — Description de
quatre nouvelles espèces du groupe des Cyphides, par W. Roelofs. —
Metamorphoses du Bruchus Barcenae Eug. Dugès, par le Dr. Eug,
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXXXV
Dugês. — Les Lucanides de Belgique, par L. Mélise. — Supplé-
ment au Catalogue des Coléoptéres de la Faune Belge, par H.
Donckier de Donceel. — Révision du Catalogue des Staphylinides
de la Faune Belge, par H. Donckier de Donceel. — Liste des
Staphylinides rencontrés jusqu’à ce jour dans le département du
nord, classés d’après la Faune Gallo-Rhénane de M. Fauvel, par
M. L. Lethierry. — Etudes sur les Scorpions (premier article),
par L. Becker. — Note sur le genre Xerodermus Motsch., par
W. Roelofs.
Proceedings of the Linnean Society of New South Wales. Vol. IV,
prt. 4. (a).
Note supplementary to a paper on the Australian Leucosiidae, by
W. A. Haswell. — On the Australian Brachyura Oxyrhyncha,
by W. A. Haswell.
Id. „vol, VW, prt. 4, and: 2 (a).
On some new Amphipoda, by W. A. Haswell. — Descriptions of
Australian Microlepidoptera, by E. Meyrick (Part 3 and 4,
Tineina).
Zeitschrift für die gesammten Naturwissenschaften, herausgeg. von
Prof. Giebel. Bd. LIII (a).
Miscellanea arthropodologica, von Dr. G. Haller. — Versuch einer
chronologischen Uebersicht der bisher beschriebenen oder benannten
Arten der Gattung Pulex Linn., mit Berücksichtigung ihrer Syno-
nymen, von C. Ritsema. — Beitrag zur Kenntniss der Fort-
pilanzung und der Geschlechtsverhältnisse der Ostracoden, nebst
Beschreibung einer neuen Species der Gattung Cypris, von W.
Müller. — Neue Zoocecidién und Cecidozoén, von Dr. F. Karsch. —
Arachnologische Blätter (Decas I), von Dr. F. Karsch. — Die
Spaltung der Dipterengattung Systropus Wied., von Dr. F. Karsch.—
Die Macrolepidopteren der Umgegend von Leipzig, zusammen-
gestelt vom Entomologischen Verein » Fauna» in Leipzig. —
Hymenopterologische Ergänzungen zu früheren Arbeiten in dieser
Zeitschrift, von Prof. E. Taschenberg. — Zur Arachnidengattung
Theraphosa Walek., von Dr. F. Karsch. — Ein neuer japanischer
Myriopod, von Dr. F. Karsch. — Ein neuer Lithobius, von Dr.
F. Karsch,
Julij 1881.
Newman’s Entomologist. vol. XIV, n°. 218 (July 1881) (a).
John Blackwall, F. L S. (Obituary Notice), by O. Pickard-Cam-
bridge. — The new Insectarium at Regent’s Park, by John T.
Carrington. — Tortriv Lafaurayana Ragonot, a Species new
LXXXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
to the British Fauna, by E. A. Atmore. — Collecting in North
Devon, by R. South. — Entomological Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine. vol. XVIII, n°. 206 (July 1881) (b).
An announcement of new genera of the Ephemeridae (concluded),
by A. E. Eaton. — Annotated list of British Anthomyidae, by
R. H. Meade (continued). — List of Lepidoptera observed in the
neighbourhood of Gallipoli, Turkey, in 1878, by G. F. Mathew
(continued). — Note on the egg and some peculiarity of structure
in the larva of Himera pennaria, by J. Hellins. — Thyreophora
antipodum , new species of Diptera, by Baron ©. R. Osten-Sacken. —
Two new Panorpidae from Western North Amerika, by R. Me
Lachlan. — Entomological Notes, Captures, etc. — Obituaries:
Baron Maximilien de Chaudoir and John Blackwall. — Some
new species and genera of Coleoptera from New Zealand, by
D. Sharp.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. 8, n°. 43
(July 1881) (0).
Notes on a small Collection of Rhynchota from Tokei, Japan, by
W.{L. Distant. — Revision of the Lepidopterous Genus Azelina,
with Descriptions of new Species in the collection of the British
Museum, by A. G. Butler. — On Dr. Karsch’s Subdivision of
the Phrynidia, by A. G. Butler.
Zoologist (the), a monthly Journal of Natural History, edited by J. E.
Harting. 3rd ser. vol. V n°. 55 (July 1881) (b).
Notes and Observations on British Stalk-eyed Crustacea, by J. T.
Carrington and E. Lovett.
Notes from the Leyden Museum, edited by H. Schlegel. vol III, n°. 3 (b).
Carcinological Studies in the Leyden Museum, by Dr J. G. de Man
(No. 1). — Four new species and a new genus of Longicorn
Coleoptera, described by C. Ritsema Cz. — Three new species
of Sumatran Longicorn Coleoptera from the collections of the
Sumatra-Expedition, described by C. Ritsema Cz. — Description
of a new species of the Dynastid genus Trichogomphus Burm.,
by C. Ritsema Cz. — A new species of the genus Rawasia Roel.,
described by W. Roelofs. — Duae novae Staphylinidae ex India
Orientali (Sumatra), descriptae ab A. Fauvel.
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VII, Heft 13 und 14 (a).
Ueber das Präpariren der Dipteren, von J. Mik. — Beobachtungen
über Blattwespen, von O. Schmiedeknecht. — Libellenschwarm. —
Acronicta Aceris, von H. Gaukler. — Synonymisches, von Brischke,
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXVII
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XI, entr. 6. (a).
Aracnidos Argentinos, por el Dr E. L. Holmberg.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegev. door de Nederl. Entom. Vereen.
DISXXIV, afl. 3 (a en b).
Lepidoptera van Celebes, verzameld door Mr. M. C. Piepers, bewerkt
door P. C. T. Snellen (vervolg) — Overzicht van het werk van
Dr. Robert Latzel „ Die Myriopoden der Oesterreichisch-Ungarischen
Monarchie,” door G. A. Six. — lets over Acarina in ’t algemeen ,
door A. C. Oudemans, Jszn. — Microlepidoptera nieuw voor de
Fauna van Nederland, medegedeeld door Mr. H. W. de Graaf
en P. C. T. Snellen (laatste vervolg). — Lasioderma laeve Illig.
in zijne verschillende ontwikkelingstoestanden, beschreven door
Dr. J. Ritzema Bos. — Psyche leucosoma nov. sp. van Java, be-
schreven door P. C. T. Snellen. — Aanteekening over eenige
Lepidoptera van Amboina en de Philippijnsche eilanden, door P.
C. T. Snellen. — Over Argentijnsche Trichoptera, door Prof. H.
Weyenbergh (No. 1). — Amerikaansche Diptera, door F. M. van
der Wulp.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Ent. de Belgique. Sér. III,
n°. 7 (a).
Description d’une nouvelle espèce de Buprestide du genre Sternocera
rapportée de l’Afrique centrale par M. le capitaine Cambier, par
A. Preudhomme de Borre. — Communications Arachnologiques,
par L. Becker.
Bulletin des Séances de la Soc. Ent. de France. Ann. 1881 n°. 12
et 13 (a).
Description de cing Curculionides nouveaux du genre Cholus, par
A. Chevrolat. — Descriptions de deux nouvelles espèces du genre
Anthia, par H. Lucas. — La synonymie des six espèces de
Sphaeridium décrites par Fabricius en 1775, par L. Bedel.
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. Tom. XV (1879) (0).
Vergleichend-anatomische Skizze des Nervensystems der Insecten,
von Dr. Ed. Brandt. — Ueber die Metamorphosen des Nerven-
systems der Insecten, von Dr. Ed. Brandt. — Vergleichend-
anatomische Untersuchungen über das Nervensystem der Hymeno-
pteren, von Dr. Ed. Brandt. — Vergleichend-anatomische Unter-
suchungen des Nervensystems der Käfer (Coleoptera), von Dr.
Ed. Brandt. — Vergleichend-anatomische Untersuchungen über das
Nervensystem der Lepidopteren, von Dr. Ed. Brandt. — Verglei-
chend-anatomische Untersuchungen über das Nervensystem der
Zweiflügler (Diptera), von Dr Ed. Brandt. — Les Araneides du
Pérou central, par L. Taczanowski, — Hypenodes Balneorum
LXXXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
nov. sp., von Sergius Alpheraky. — Beitrag zur Schmetterlings-
fauna St. Petersburgs, von W. von Hedemann. — Les Chrysides
et Sphégides du Caucase, par 0. Radoczkowsky. — Diptera nova
rossica et sibirica, par J. Portschinsky. — Lepidopteren-Fauna
Kleinasien’s, von Dr. 0. Staudinger. — Quelques mots sur les
organes respiratoires des larves des Odonates, par O. Poletaïew.
Proceedings of the Natural History Society of Glasgow. vol. IV prt 2 (a).
Apiarian Notes on Argylishire for 1879, by Mr. R. J. Bennett. —
On the use of coloration and markings of caterpillars and on the
development of the Insect, by Mr. P. Cameron. —: Entomological
Notes bearing on Evolution, by Mr. P. Cameron.
Entomologisk Tidskrift, utgifven af J. Spängberg. Bd. I(1881), Häft
1, 2 (a).
Den entomologiska föreningen i Stockholm under dess första arbets-
ar 1880. — Coleoptera Transvaaliensia. Bidrag till kinnedom om
Transvaal-landets i S. Afrika Coleopter-fauna, af H. D. J. Wal-
lengren. — Species novas vel minus cognitas Gyponae generis
Homopterorum, descripsit J. Spangberg. — Om en samling Fjärilar
fran Gaboon, af Chr. Aurivillius. — En parasit hos Vanessa C-
album iakttagen af E. A. Holmgren och G. Zetterlund. — Nagra
ord om ollonborrarne och sädesknäpparne samt om den skada de
förorsaka, af P. v. M. — Résumés. — Finlands och den Skan-
dinaviska Halföns Hemiptera Heteroptera, af O. M. Reuter. —
Genera nova Tinearum, auctore H. D. J. Wallengren. — Nagra
iakttagelser rörande getingar, af O. E. L. Dahm. — Fosfores-
censen hos lysmasken, af H. Enell. — Bidrag till kännedomen
om Skandinaviens Fjärilsfauna, af K. F. R. Thedenius.— Résumés.
Augustus 1881.
Newman’s Entomologist. vol. XIV, n°. 219 (August 1881) (a.)
Is Vanessa polychloros the prototype of Vanessa urticae?, by W.
Withe. — Introductory papers on Lepidoptera, by W. F. Kirby
(N°. XVII). — On the Development of the pupa of Arctia caja,
by E. Lovett. — Entomological Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine. vol. XVIII, n°. 207 (August
1881) (0).
Some new species and genera of Coleoptera from New Zealand
(concluded), by D. Sharp. — Notes on the British Bythosco-
pidae, by James Edwards. — A North American species of
Dilar, by R. Me. Lachlan. — Life History of Gelechia brizella ,
by H. Moncreaff. —- Description of the larva of Ennyehia- octo-
maculalis, by W. Buekler, — Notes on the species of Ophthal-
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXIX
mophora, a genus of Geometrid Moth, by A. G. Butler. —
Annotated list of British Anthomyidae, by R. H. Meade (conti-
nued). — On certain British Hemiptera Homoptera, by John
Scott (resumed). — Entomological Notes, Captures, etc.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol VIII, ne. 44.
(August 1881) (0).
On the perfect state of Prosopistoma punctifrons, by M. A. Vays-
sière. — Notes on Longicorn Coleoptera. Revision of the Aere-
nicides and Aphionychides of tropical America, by H. W.
Bates. — Migrations of the Poplar-Aphis (Pemphigus bursarius
Linn.), by M. J. Lichtenstein. — On the structure of the
Oothecae of the Mantides, and the Hatching and first Moult of
the Larvae, by M. C. Brongniart.
Zoologist (the), a monthly Journal of Natural History, edited by J. E.
Harting. 3rd ser. vol. V, n°. 56 (August 1881) (0).
On the Habits of Ants, by Sir John Lubbock. — Dwarf Swim-
ming Crab at Penzance, by Th. Cornish.
Album der Natuur. Jaarg. 1881, aflev. 10. (b.)
Nog eenmaal de zelfmoord bij Scorpioenen.
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VII (1881) Heft 15 und 16 (a.)
Verzeichniss der Neuropteren Deutschlands, Oesterreichs und der
Schweiz, von M. Rostock. — Nachtrag zu den Beobachtungen
über Blattwespen, von Dr. 0. Schmiedeknecht. — Epicauta
vittata aus Eiern zu erziehen. — Tetraneura ulmi und Coccinella
T-punclala. — 54ter Versammlung deutscher Naturforscher und
Aertze. — Nekrolog: Rosenhauer, Zaddach, de Sauley. — Ento-
mologische Streifzüge durch Dalmatien, Kroatien und die
Herzegowina, Mostar und den Velez, von C. Schirmer. —
Sphegidologische Studien, von F. F. Kohl. — Nova aberratio:
Lycaena Eumedon ab. Speyeri, ab A. Husz. — Prof. Rosen-
hauer’s Sammlungen.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Ent. de Belgique. Ser. III,
n°. 8. (a.)
Communications Arachnologiques, par L. Becker. — Note sur le
mâle de Perla Selysii Pict., par R. Me. Lachlan.
Correspondenz-Blatt des zool. min. Vereines in Regensburg. Jahrg.
35, n°. 1—6. (b.)
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächtsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel.
xC ENTOMOL. INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN.
Annales des Sciences Naturelles. 6me sér. Zool. et Paléont. Tom. XI,
n°. 1-4. (b).
Etude sur l’état parfait du Prosopistoma punctifrons, par M. A.
Vayssière. — Description de quelques Crustacés macroures pro-
venant des grandes profondeurs de la mer des Antilles, par M.
À. Milne-Edwards.
Archivos do Museo Nacional do Rio de Janeiro. Vol. III (1878)
3° y 4 trim. (a)
Sobre as casas construidas pelas larvas de insectos Trichopteros da
provincia de Santa Catharina, pelo Dr. F. Müller. — Supple-
mento ao mesmo trabalho.
OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA 1)
naar het Hoogduitsch
VAN
JOSEF MIK;
Professor aan het academisch gymnasium te Weenen,
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
Veel is er reeds in verschillende boeken en tijdschriften geschreven
over het prepareren van insecten, daarbij ook menige aanwijzing
gedaan, die bepaaldelijk het prepareren van Diptera betreft of
althans daarbij dienen kan. Niettemin ondervinden zij, die insecten
ruilen of ter determinatie ontvangen, bijna dagelijks, dat de
meesten der gegeven voorschriften òf weinig practisch zijn òf uit
het oog worden verloren. Het schijnt wel dat er te veel is geschre-
ven hoe men de insecten moet prepareren, maar te weinig hoe men
ze miet prepareren moet.
Vooral zijn het de Diptera, welke men uit andere verzamelingen
meestal in zulken toestand krijgt, dat zij voor eene behoorlijke
determinatie en althans voor een grondig onderzoek geheel onbruik-
baar zijn. Bovendien zijn de Diptera, omdat hunne chitine-huid
teederder is dan die van de meeste andere insecten , moeijelijker
1) Dit onderwerp, door den zoo kundigen Dipteroloog, den heer Mik, behan-
deld in een opstel in den jaargang 1880 van de Verhandlungen der Wiener zool.
bot. Gesellschuft, komt mij belangrijk genoeg voor, om ook door middel van
ons Tijdschrift onder de oogen van onze vaderlandsche entomologen en vooral
van de jongeren onder hen te worden gebragt. Daar het oorspronkelijke stuk nog
al uitvoerig is en vele bijzonderheden bevat, die geacht kunnen worden genoeg
bekend te zijn, heb ik de vrijheid genomen het hier en daar wat de bekorten. Daar
waar ik met den Schrijver in meening verschilde, heb ik mij veroorloofd dit in
eene noot aan te teekenen. vd. WW.
XCH OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA.
te conserveren, zoodat zij daarom alleen reeds eene meer zorg-
vuldige behandeling vereischen. Deze omstandigheden geven mij
aanleiding om het een en ander in ’t midden brengen over het
prepareren van insecten en bepaaldelijk van Diptera, zooals mij
dit het meest practisch voorkomt. Ik hoop daardoor inzonderheid
aan eerstbeginnende dipterologen en aan verzamelaars menigen wenk
te geven, die hun welkom zal zijn; doch ik erken dat ik mij
hierbij ook door eigenbelang laat leiden, omdat ik dientengevolge
van anderen een beter geprepareerd materiaal denk te krijgen, dat
volkomen voor eene wetenschappelijke bewerking geschikt is; en in
dit laatste opzigt zullen voorzeker mijne vakgenooten mij erkentelijk
zijn, omdat zij ongetwijfeld even als ik te lijden hebben van de
gebreken, welke ruil- of bestemmingsvoorwerpen gewoonlijk aan-
kleven. Ook aan entomologen, die zich met andere weekvleugelige
insecten-orden bezig houden, kan menige aanwijzing, hier door
mij gegeven, te stade komen.
Ofschoon ik mij niet vlei, dat mijne entomologische collega’s
met al mijne inzigten zullen instemmen — immers ieder heeft
zijne eigen gewoonten, waarvan hij niet gaarne afwijkt — zou ik
het toch zeer wenschelijk achten, dat hetgeen ik hier op den
voorgrond wil stellen omtrent het aan de speld steken van Diptera,
als een vaste regel wierd aangenomen. Het kan in deze weinige
woorden worden zamengevat: de middellijn van den thorax-rug
moet geheel gaaf’ blijven. Deze middellijn draagt, om niet te spreken
van de teekening of van indrukselen daar ter plaatse, zeer dik-
wijls eene hoogst karakteristieke beborsteling, die volkomen zigt-
baar dient te blijven. Geheele reeksen van Diptera (de Empiden,
Dolichopoden, stellig ook de Anthomyinen en anderen) zullen eerst
dan beter worden gekend en onderscheiden, als met de borstels
op den thorax ten volle rekening wordt gehouden. Onze gebrekkige
kennis, zelfs van de inlandsche Diptera, is voornamelijk daaraan
te wijten, dat in de beschrijvingen veel te weinig op de borstels
acht geslagen is. Wie bij voorbeeld naar de vroegere werken en
zelfs naar Schiner’s Fauna austriaca Helomyzinen tracht te bestemmen,
zal in de meeste gevallen niet slagen; wie daarentegen Löw’s
OVER HET PREPAREREN VAN DIPTFRA. XcIit
monographie Ueber die europäischen Ilelomyziden ') gebruikt, zal
stellig teregt komen. Löw heeft daarin voor ’t eerst, met zijne
gewone scherpzinnigheid, de borstels op den thorax tot kenmer-
ken gebezigd. Vreemd is het evenwel, dat hij in zijne latere
monographie der Noord-Amerikaansche Dolichopoden ?) de borstels
van den thorax weder geheel veronachtzaamd heeft, waardoor hij
een zeer nuttig element tot het gemakkelijk onderscheiden der
genera heeft buitengesloten. Bij gelegenheid van het oprigten van
bet geslacht Sphyrotarsus 3) heb ik aangetoond, van hoeveel be-
lang de borstels op den thorax-rug voor de systematiek der Doli-
chopoden zijn te achten. Kowarz heeft in zijne uitmuntende
monographie der Europesche Medeterus-soorten *) de daaraan ont-
leende kenmerken zelfs voor de onderscheiding der species gebezigd ,
en mijne nieuwe Dolichopoden-genera in de « Dipterologische
Untersuchungen» °) zijn voornamelijk op de borstels van den
thorax gegrond.
Met het aanvoeren van deze feiten wil ik alleen eenige kracht
bijzetten aan mijn hierboven uitgesproken wensch omtrent het
aan de speld steken van Diptera. Ik ga nu over tot het bespreken
van eenige punten, die mij van het meeste belang schijnen bij
het prepareren van Diptera.
1. Ik ga van de veronderstelling uit, datgeen Dipteroloog
er aan denken zal zijne vangst door middel van spi-
ritus te dooden. Het dooden van Diptera met cyan-
kalium is evenzeer af te keuren; want het gebeurt ligt,
dat men de dieren te lang laat blijven in het fleschje, waarin
zich dit vergif bevindt, zoodat zij te sterk uitdroogen en daardoor
breken, terwijl de plooïjen, die door onderlinge aanraking som-
wijlen in de vleugels ontstaan, wegens de te snelle uitdrooging
niet meer glad zijn te strijken.
2. Kleine en zeer kleine vliegen (van niet meer dan
1) Zeitschrift für entomologie, Breslau 1859.
2) Monographs, Part II. Washington 1862.
3) Verhandlungen Zool. bot. Gesellschaft in Wien, XXIV (1874) p. 9.
4) Idem XXVII (1877) p. 39.
5) Idem XXVIII. (1878).
XGIV OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA.
4 mm. lengte) moeten niet worden gedood, indien ze
niet dadeljk aan de speld worden gestoken. Zij
kunnen in een glas worden gedaan, waarin zich tot ongeveer een
vijfde zijner hoogte fijne strookjes van dun papier bevinden. Ik
gebruik daartoe een stevig fleschje met breede monding (de be-
kende mosterdfleschjes). In de goed passende, met een weinig was
ingewreven kurk, waarmede het gesloten wordt, is in ’t midden
een gat geboord, waarin een mede goed passend glazen buisje met
mat geslepen randen van 5.5 cm. lengie en 1 cm. middellijn
gestoken wordt; dit buisje steekt boven en onder de kurk onge-
veer 1.8 cm. uit en is aan het bovenste eind weder door een
kurkje gesloten, dat door een stevigen zijden draad aan de groote
kurk is vastgehecht, doch zóó dat het kurkje van het glazen
buisje ongehinderd kan worden afgeligt. De kleine voorwerpen
worden stuk voor stuk voorzigtig met de vingers uit het net
genomen en door het buisje in het glas gebragt, waarbij het
kleine kurkje aan den zijden draad kan blijven hangen. Men kan
denzelfden toestel ook gebruiken tot het dekken van kleine, trage
vliegjes, maar zorge daarbij dat geen waterdruppels of andere
onreinheden in de flesch geraken. Het is goed het glazen buisje,
na elke vangst, weder met het kurkje ze sluiten, ofschoon slechts
zelden eene vlieg uit de flesch den weg door het buisje naar de
vrije ruimte terugvindt. Uiterst teedere voorwerpen (zoo-
genaamde minutia) moeten nimmer in aantal levend
bij elkander worden gezet; men doe ze liever afzonderlijk
in kleine cylinderglaasjes, waarin zich mede reepjes dun papier
bevinden. Het best is echter ze, zoo mogelijk dadelijk nadat ze ge-
vangen zijn, aan de speld te steken. Minder teedere soorten kunnen
zeer goed tot den volgenden dag levend in de flesch bewaard
worden, mits deze gedurende den nacht, goed digtgekurkt, in
koud water worde gelegen of, met eene vochtige doek omwonden,
op eene koele plaats worde gebragt. Heeft men genoeg tijd om de
dieren dadelijk na de vangst aan spelden te steken, — wat trou-
wens altijd dient te geschieden als er te veel in de flesch zouden
bijeen zijn, — dan worden zij het gemakkelijkst gedood door een
OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA. XCV
weinig tabaksrook, die door het glazen buisje in de flesch kan
worden geblazen. Heeft men dit eenvoudige middel niet bij de hand,
dan is eene meer omslagtige methode noodig, gelijk hierna in
punt 4 zal worden opgegeven, en in dat geval dient de daar om-
schreven doos groot genoeg te zijn, om de vangflesch te kunnen
bevatten.
3. Grootere Diptera kunnen, nadat zij aan de speld zijn gestoken
(zie punt 9) en wanneer er in de vangdoos (zie aanhangsel, n°. 1)
plaats mogt te kort schieten, bij partijen, het eenvoudigst en
spoedigst worden gedood in eene langwerpige, goed sluitende, met
linnen overplakte houten doos, wier bodem met vliermerg !) is
bekleed. Ik gebruik de volgende afmetingen: lengte 13, breedte
7, hoogte 3 cm., deze laatste gerekend van de oppervlakte van
het vliermerg tot aan den bovensten rand. Aan de smalle zijde is
Fig. 1. aan den zijrand van het deksel (fig. 1) eene kleine
vierkante uitsnijding van hoogstens 1 cm. breedte
aangebragt; eene daarop passende uitsnijding bevindt
zich ook aan den zijrand der doos, zoodat bij het
sluiten de beide uitsnijdingen eene kleine opening
vormen (fig. 2). Nadat een partijtje vliegen in de
doos gestoken zijn, maar zóó dat zij niet te digt
bij de opening staan, wordt de doos gesloten en
door de opening een of twee brandende zwavel-
stokjes gestoken, die weder teruggenomen worden
zoodra de zwavel afgebrand is. Daarop wordt het
deksel naar beneden gedrukt, zoodat ook de opening gesloten
wordt, en na 2 of 3 seconden, zelden langer, zijn de dieren
dood. Zij moeten ook niet te lang in de zwaveldamp blijven,
omdat het zich daarbij ontwikkelend zwavelig zuur sommige kleuren
verandert; ik bemerkte dit b.v. aan roodbruin gekleurde Nenioceren ,
die door een langer verblijf in de zwaveldamp waren verbleekt.
Uit de doodingsdoos worden nu de vliegen overgebragt in de
reserve-doos (verg. aanhangsel, n°. 3).
1) Hiervoor kan ook een stukje van de bij ons veel in gebruik zijnde turf-
platen worden gebezigd. v. Ds. W,
xcvi OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA.
4. Heeft men in het sleepnet (zie aanhangsel, n°. 9) een groot
aantal kleine voorwerpen gevangen, dan blijft er niet anders over
dan alles wat zich in het net bevindt te dooden, door het onderste
gedeelte: van het net in de hierboven onder 3 beschreven doos vast
te klemmen en dan te handelen zoo als daar is vermeld. Men
slepe met het net niet te dikwijls achtereen, vooral
niet aan vochtige plaatsen, waar zich tallooze slakken ophouden;
want al zijn er van deze ook maar enkelen in het net opgenomen,
dan kunnen zij de daarin aanwezige kleine vliegjes geheel onbruik-
baar maken. Men stelle zich tot regel: liever weinig te vangen
en goed te prepareren, want slechte preparaten geven maar
al te vaak aanleiding om door onjuiste opgaven in de wetenschap
verwarring te stichten. Op plaatsen, waar slakken of planten met
ligt afvallende vruchten veelvuldig voorkomen, “is het geraden na
elke sleping de in het net gevangen insecten te dooden en ver-
volgens met het pincet uit te zoeken, en is het zelfs aan te be-
velen de voorwerpen dadelijk aan de speld te hechten. Hieruit
volgt reeds dat het verkeerd is de doode diertjes los in
het fleschje gedurende de excursie mede te voeren,
om ze thuis gekomen of eerst den volgenden dag te prepareren.
Uit het oogpunt van dierenbescherming zal welligt menig verza-
melaar ook afzonderlijk voor elke grootere vlieg, die hij vangt,
een zwavelstokje en den noodigen tijd willen opofferen, of hij kan
ten minste de aan de speld gestoken vliegen in de vangdoos door -
een’ mond vol tabaksrook bedwelmen, hetgeen door een boorgaatje
in den zijwand der doos gemakkelijk geschieden kan; kleinere
vliegen zelfs worden door dit laatste middel alleen reeds gedood.
5. Digt behaarde of beschubde Diptera, als Bomby-
liden enz. , wier bekleeding ligtelijk wordt afgewischt, moeten
niet met de vingers worden aangevat. Zij kunnen òf
afzonderlijk in het net worden gedood, zooals bij 4 is aangegeven,
òf wel binnen het net aan de speld worden gestoken, even als de
vliegen, die met de vangschaar (zie aanhangsel, n°. 7) zijn ge-
vangen.
6. Blanke spelden zijn af te keuren. Deze veroorzaken
OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA. XGVII
vaak het voor eene duurzame bewaring hoogst nadeelige en boven-
dien in de verzameling onoogelijke kopergroen. Al kunnen ook
sommige Diptera, bv. de Mycetophiliden, zeer goed, zonder aan
dit kwaad onderhevig te zijn, aan blanke spelden worden gestoken ,
dan hebben deze toch nog een ander nadeel: zij zijn namelijk
te veerkrachtig. Als de punt krombuigt, wat zoo ligt gebeurt,
dan springt bij het regtbuigen, door de veerkrachtige eigenschap
der speld, niet zelden een of ander ligchaamsdeel van het gedroogde
en broze voorwerp af en raakt gewoonlijk door zijne nietigheid
geheel verloren. Om dit breken der insecten te voorkomen, dient
men de spelden uit den bodem, waarin zij gestoken zijn, in
dezelfde rigting uit te trekken als waarin de punt is ingedrongen,
want alleen op deze wijze kan worden vermeden dat de punt der
speld aan den rand der opening afbreekt, hetgeen anders bijna altijd
gebeurt als de punt kromgebogen is. Ook zilverdraad is voor
kleine voorwerpen niet aan te raden, want het is nim-
mer geheel vrij van koper en veroorzaakt dus almede kopergroen.
Men bezige dus alleen verlakte ijzeren spelden en
verlakt ijzerdraad !). Het roesten van deze spelden kan al-
1) Ik ben het met den Schrijver niet eens, dat de zwartverlakte spelden en
ijzerdraad zoozeer de voorkeur verdienen boven de blanke. Misschien stelt hij
dit op rekening van het vasthouden aan eenmaal aangenomen gewoonten. In ons land
hebben de insecten-collectien meer nog dan elders van vocht te lijden; de onder-
vinding heeft mij geleerd, dat eene zeer geringe mate van vochtigheid zelfs nog
eer de zwarte spelden aantast dan de dieren die er aan gehecht zijn. De roestige
speld geeft niet alleen eene vuile vlek op den bodem waarin zij gestoken is,
maar wat erger is, zij breekt bij de eenvoudigste behandeling, soms midden
door, en dan staat men geheel hulpeloos, wijl het dier niet meer in de collectie
kan worden geplaatst noch van de speld kan worden ontdaan. Het kopergroen,
dat aan de blanke spelden ligtelijk ontstaat, is voorzeker een groot kwaad,
maar het is in den regel niet zoo nadeelig als het roesten der zwarte spelden.
Dat de blanke spelden veerkrachtiger zijn en daardoor bij het insteken in den
bodem somtijds sterk trillen en aanleiding geven tot het breken der voorwerpen,
stem ik volkomen toe; maar dit gevaar bestaat alleen bij de zeer dunne spelden,
en eenige geoefendheid en voorzigtige behandeling kunnen daaraan te gemoet komen ;
overigens maak ik van de dunste spelden ook geen ander gebruik dan om kleine
voorwerpen daaraan zeer laag vast te hechten en dan het bovenste gedeelte van
de speld voorzigtig af te breken, iets wat door middel van heen en wederbuigen
met het pincet gemakkelijk geschiedt; de aldus afgeknotte speld wordt vervol-
gens op een stukje vliermerg gestoken. v. d. W.
7
XCVIII OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA.
leen dan ontstaan, wanneer de verzameling in een vochtig lokaal
is geplaatst of de bodem der insectenladen met eene stof is bekleed ,
die vocht aantrekt, zooals palmmerg. Voor de bodems der
insectenladen is zoogenaamde papierpap het meest
kan te bevelen 1),
è. Kleine Diptera van 3 mm. lengte of daaronder,
of zelfs grootere soorten, maar die daarbij zeer
smal zijn, zooals verscheidene Nemocera (Trichocera, Chirono-
mus enz), moeten niet aan spelden worden gestoken.
Het is niet onverschillig op welke hoogte de dieren aan de speld
worden gehecht. Ik voor mij doe dit zoodanig, dat de speld van
boven met den duim en den wijsvinger kan worden aangevat
zonder het voorwerp aan te raken, namelijk zoo hoog dat het
knopeinde der speld ongeveer 1 cm. boven de oppervlakte van
den thorax van het insect uitkomt. Door eenige oefening leert
men alras op het oog af die maat vinden. Wil men echter bij-
zonder naauwkeurig te werk gaan, dan kan men de aangegeven
hoogte telkens door middel van een maatstokje afmeten; een
gewoon potlood is daarvoor zeer geschikt.
8. Men gebruike geen te dikke spelden voor Di-
ptera. Deze insecten zijn, als zij gedroogd zijn, zoo ligt, dat het
niet noodig is ze aan eene bijzonder stevige speld te hechten,
waardoor meestal een of ander ligchaamsdeel onzigtbaar wordt
gemaakt.
9. Kleine Diptera en alle anderen, die op de middel-
lijn van den thorax eene bijzondere teekening vertoo-
nen of bij welke de thorax-rug met stevige borstels
(macrocheten)bezet is, moeten niet door de middellijn
van den thorax worden gestoken. Alleen bij uitzondering
kan dit geschieden bij de grootere soorten van Syrphiden , Stratiomyi-
den, Bombyliden en dergelijken. Sommige Dipterologen hebben de ge-
1) Bij ons te lande worden tegenwoordig vrij algemeen turfplaten gebruikt
voor het beleggen van den bodem der insectenladen. Ik kan niet aannemen, dat
deze turfplaten, mits goed gedroogd, meer vochtdeelen zouden bevatten of uit
den dampkring aantrekken dan andere stoffen, die voor hetzelfde doel geschikt
zijn. verd.
OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA. XCIX
woonte, om hunne voorwerpen in den naad tusschen het schildje
en den mesothorax te steken; hierdoor wordt echter òf het schildje
òf het dikwijls door groeven enz. karakteristieke eind van den
thorax-rug beschadigd. Over ’t algemeen moet nooit door
het prepareren een onparig ligchaamsdeel aan het
gezigt worden onttrokken. Eene betere methode zou zijn,
om de speld dwars door de beide borstzijden te steken (mits
nimmer tegenovergestelde plekken door de speld worden getroffen);
maar hierdoor zou in tweeërlei opzigt eene verkeerde uitkomst
worden verkregen: vooreerst zou eene verzameling, waarin alle
exemplaren zich alleen van ter zijde vertoonen, er onoogelijk uit-
zien en geen juist overzigt van de typische vormen leveren; en
ten tweede zouden bij kleinere dieren de vaak kenmerkende tee-
kening en beharing van de borstzijden geheel of ten deele bedekt
zijn, waardoor men van kwaad tot erger zou zijn vervallen. De
beste wijze van de speld te steken is, naar mijne mee-
ning, als de speld gebragt wordt midden door de lijn,
welke de grens tusschen den thorax-rug en de reg-
Fig. 3.
3
is deze plek door eene zwarte stip aange-
ter borstzijde uitmaakt. In fie.
duid. Wel zal het, bij veelvuldig aan de
speld steken van dieren, vooral van kleinere
soorten, op de wandeling, niet altijd geluk-
ken de juiste plek te treffen, maar door
oefening zal men daartoe geraken en weldra het meerendeel der
exemplaren naar dit voorschrift aan de speld zijn gehecht; en
mogt ook al de speld niet bij allen loodregt op den thorax-rug
staan, dan wordt dit kleine nadeel meer dan opgewogen door de
voordeelen, die men overigens door het volgen dezer methode
behaalt. Zelfs die voorwerpen, bij welke de speld tusschen de
heupen weder uitkomt, zijn daarom niet minder bruikbaar, omdat
daarbij de linker borstzijde onaangetast blijft. Ook sommige soorten ,
die met eene eigenaardige bestuiving zijn bedekt, zooals Rham-
phomyien enz., moeten naar deze methode aan de speld worden
gestoken, omdat anders het vocht, dat tengevolge van den speldeprik
C OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA.
naar buiten dringt, zich over den thorax-rug verspreidt en de
bestuiving voor altijd bederft. Het zal niet moeijelijk vallen, ook
bij de hierboven bedoelde grootere Syrphiden enz., die op den
thorax-rug geen macrocheten dragen, de speld een weinig regts
van de middellijn te steken.
10. De gedurende eene excursie aan de speld ge-
hechte Diptera steke men nimmer op de kraag van
de jas of op den hoed, maar berge ieder exemplaar dadelijk
in de vangdoos.
at. Kleine of bijzonder smalle Diptera (zie n°. 7) moeten in
plaats van aan eene speld, aan minutien-draad worden ge-
stoken. Onder minutien-draad versta ik kleine stukjes zeer dun
zilver- of verlakt ijzerdraad, die aan beide einden zijn toegespitst
of althans scheef zijn afgesneden. IJzerdraad is het meest aan te
bevelen !). Men houde het stukje draad met een kort pincet vast,
legge het doode diertje op den rug in eene plooi van de handpalm
en steke alsdan de punt tusschen de midden- en achterheupen in
het mesosternum, een weinig links en zooveel mogelijk loodregt,
doch zoo dat zij uit den thorax-rug niet of naauwelijks even te
voorschijn treedt. Als de kleine diertjes op deze wijze worden
behandeld, nadat zij even te voren gedood en dus nog week zijn,
dan zullen zij, ook na gedroogd te zijn, nooit van den draad los
raken. Men moet zulke kleine voorwerpen nimmer
aan de bovenzijde doorsteken. Het draadje wordt met zijn
onderste eind gestoken in een stukje vliermerg, dat reeds te voren
aan eene speld is gehecht, en wel zóó dat de pooten het
vliermerg niet bereiken. Het merg uit den stengel van de
zonnebloem (Helianthus annuus) is wegens zijne blinkend witte
kleur fraaijer, doch daarentegen minder vast; wil men het gebrui-
ken, dan is het aan te bevelen om zoowel het draadje als de
speld aan de onderzijde van het merg te bevestigen door een
drupje arabische gom, waarin eenige aluin is opgelost. Men
1) Op de gronden hiervoren reeds in de noot op blz. XCVit aangegeven, geef ik
juist de voorkeur aan zilverdraad. Platinadraad zou nog wel het beste zijn, in-
dien het niet te duur ware, vats Nive
OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA, CI
hechte overigens niet meer dan een exemplaar op
ieder stukje merg.
12. Het opplakken van kleine Diptera op strookjes
papier of mica is onvoorwaardelijk af te keuren,
want zelfs bij de zorgvuldigste behandeling zal het niet gelukken
alle ligchaamsdeelen vrij te houden, die later voor een gewenscht
onderzoek moeten dienen, terwijl aan losweeking bijna niet te
denken valt.
13. Ook de thans veelvuldig aangeprezen methode van inslui-
ting in canada-balsem kan een goed speldpreparaat
niet vervangen. Op zijn best genomen kan zoodanige inslui-
ting worden aangewend voor microscopische preparaten van enkele
ligchaamsdeelen.
14. Van geen Dipteron moeten de vleugels worden
uitgespannen. Dit tijdroovende werk zou hier slechts nadeelen
ten gevolge hebben; bij alle mogelijke voorzorgen wordt daardoor
ligtelijk eenig ligchaamsdeel gebroken, en, wat erger is, de
natuurlijke habitus der Diptera gaat er geheel door verloren. Wen-
schelijk is het, dat de zuiger en palpen, indien zij te veel in de
mondholte zijn teruggetrokken, nog voor zij geheel verdroogd zijn,
met de punt eener speld naar voren worden gehaald, doch niet
zoo ver dat het dier daardoor een onnatuurlijk aanzien krijgt;
vooral bij Musciden is dit van groot nut. De pooten moeten zoo
worden geplaatst, dat de scheenen niet tegen de dijen gedrukt
zijn. Ook de mannelijke genitalien moeten zoo noodig van het
achterlijf worden opgeheven. Gesloten, op het achterlijf rustende
vleugels, b. v. van Syrphiden, Stratiomyiden enz. moeten zoo
worden opgerigt, dat de rug des achterlijfs bloot komt. Dit alles
laat zich vrij gemakkelijk door middel eener speld verrigten aan
ten halve gedroogde dieren, en ook aan reeds geheel gedroogde
kan het geschieden, nadat deze zijn opgeweekt; maar toch
heeft die opweeking hare schaduwzijde, want voorwerpen, die te
lang in het weektoestel zijn gebleven, worden ligt olieachtig of
door schimmel aangetast. Het eenvoudigste weektoestel bestaat,
gelijk bekend is, in een schoteltje met zuiver, vochtig zand, dat
CH OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA.
met een glazen dekseltje wordt toegedekt; om schimmel tegen te
gaan, bevochtige men het zand met eenige druppels alkohol. Bij
de grootere Tipuliden dienen de lange en zeer breekbare pooten op
een stukje stevig papier, dat aan de speld wordt opgeschoven,
zoo te worden nedergelegd, dat zij later den bodem der doos, ook
al dringt de speld daarin iets dieper dan gewoonlijk, niet kunnen
raken !); als de dieren volkomen gedroogd zijn, wordt het papier
door middel van een pincet voorzigtig weder van de speld geno-
men. Zulke stukjes papier dienen ook om het zware achterlijf van
sommige Tipuliden-wijfjes tijdelijk te ondersteunen, en kunnen
ook bij Syrphiden worden aangewend, wier achterlijf niet zelden
naar beneden ombuigt.
15. Van veel belang is het, om dadelijk na iedere excursie
aanteekening te houden van het voorkomen van sommige soorten,
van de bijzonder gekleurde, gevlekte of gestreepte oogen, bij klei-
nere Tipuliden, Cecidomyiden enz. van het getal der sprietleden.
Ten aanzien van Cecidomyiden en dergelijke teedere mugjes is het
zeer dienstig de kleur en teekening nog bij het leven kortelijk te
beschrijven. Bij gekweekte exemplaren, die, alvorens aan de speld
te worden gestoken, gedurende een of twee dagen tot rijpheid
moeten komen, teekene men de voedingsplant, bij parasieten het
voedsterdier zorgvuldig op. Al deze bijzonderheden kunnen op een
etiquetje of wel op eene afzonderlijke lijst worden vermeld. Zonder
eenige uitzondering, moet aan ieder preparaat een eti-
quetje worden gehecht, waarop de plaats en dagtee-
kening der vangst is vermeld?). Nog zij opgemerkt dat
1) Voor het prepareren der Tipuliden bedien ik mij sints jaren met goed ge-
volg van eene doos, wier bodem met eene dubbele laag turfplaat is bedekt.
Ik steek de pas gedoode voorwerpen, naar gelang van hunne grootte en de
lengte hunner pooten, daarin zoo diep, dat de pooten den bodem raken; door
middel van spelden, die ook in den bodem worden vastgestoken, laat zich dan
vrij gemakkelijk aan alle ligchaamsdeelen de gewenschte rigting geven; om dit
echter met goed gevolg te doen, moeten de dieren nog geheel week zijn.
va GEAN
2) In groote verzamelingen, als die van een museum, welke door gedurigen
toevoer dikwijls op nieuw moeten worden gerangschikt, is het m. i. dringend
noodig, dat elk exemplaar bovendien een klein etiquetje met den soortnaam draagt,
ten einde de kwade gevolgen te voorkomen van alle mogelijke vergissingen,
OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA. CHI
elke soort zoo mogelijk in een groot aantal exemplaren dient te
worden verzameld; niet alleen dat zoodoende de meeste kans be-
staat om beide sexen te bemagtigen, maar dikwijls ook wordt
onder een groot getal voorwerpen, die men aanvankelijk allen voor
dezelfde soort hield, bij nader onderzoek nog wel eene andere,
verwante species aangetroffen.
16. In het belang van een grondig onderzoek kan het soms
zijn nut hebben, behalve aan de speld gestoken voorwerpen, ook
spiritus-preparaten te bezitten van zulke Diptera, wier sprieten of
genitalien ligt verschrompelen of die in ’t algemeen zeer klein en
teeder zijn. Mogt het noodig zijn Diptera, die in spiritus hebben
gelegen, later voor de verzameling te prepareren, dan legge men
het dier, nadat het behoorlijk aan de speld is gestoken, op een
plat schaaltje, waarin juist zooveel spiritus is dat de vleugels onder-
gedoken zijn. Onder een der vleugels wordt dan een stukje dun
papier geschoven en met de punt eener speld of met een penseel
de vleugel op het papier uitgespreid, wat in het vocht gemak-
kelijk geschiedt. Hetzelfde wordt vervolgens met den anderen vleugel
gedaan. Liggen beide vleugels, wat niet zelden gebeurt, op elkander
dan moet het eerste papierstrookje van onderen en daarna het
andere tusschen de beide vleugels worden aangebragt. Nadat dit
geschied is, wordt de spiritus, die zich in het schaaltje bevindt,
door middel van vloeipapier daaruit verwijderd, en wanneer ook
die, welke zich aan de vleugels en de strookjes papier bevindt,
grootendeels is verdampt, dan kan de vlieg, nadat de papiertjes
voorzigtig zijn verwijderd, met geheel ontplooide vleugels van het
schaaltje worden genomen.
17. Eene soortgelijke bewerking moeten ook zulke Diptera onder-
gaan, die olieachtig geworden zijnde, ter zuivering in zwavelether
zijn gedrenkt. Dit zuiveren evenwel gelukt meestal reeds, door
met een penseel een drupje van het vocht op het dier te laten
vallen, doch waarbij de vleugels moeten worden vermeden. Met
deze bewerking moet intusschen niet verder worden gegaan dan
waaraan, bij het verschikken van groote massa’s, zelfs de meest naauwkeurige
en kundige entomoloog blootstaat.
CIV OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA.
hoog noodig is, wijl cen tweede druppel soms de uitwerking van
den eersten kan uitwisschen en dan alleen eene geheele indom-
peling in den ether helpen kan, die ook niet te lang moet duren,
omdat anders de kleuren verbleeken en het dier een verdord aan-
zien krijgt. Olieachtig geworden vliegen aan blanke spelden, die
door kopergroen zijn aangetast, kunnen niet zoo maar in den ether
worden geworpen, want het kopergroen lost zich dan op en de
vlieg krijgt door het ingezogen vocht eene groenachtige tint. Om
dit te voorkomen, moet het dier, nadat het kopergroen voorzigtig
is weggenomen, worden opgeweekt, van de speld worden losge-
maakt en eerst aan eene andere verlakte speld worden gestoken.
Zeer kleine voorwerpen, door kopergroen aangetast , zijn gewoonlijk
onherstelbaar verloren.
18. Voor elken entomoloog is het van het grootste belang om
de verzameling, waaraan hij zooveel zorg, tijd en kosten heeft be-
steed, in goeden staat te houden. Eene insecten-collectie heeft vele
vijanden; deze sluipen meestal heimelijk naar binnen, decimeren
den aanwezigen voorraad of tasten een enkel, somwijlen kostbaar
voorwerp aan. Tot de ergste vijanden behooren vochtigheid en stof,
die schimmel en mijten tot nasleep hebben en in staat zijn de
grootste verzamelingen te verwoesten; voorts de Psociden !), des
te gevaarlijker omdat zij aan het oog ontsnappen; zij zijn bij het dag-
licht meestal bewegingloos en verraden zich eerst dan, wanneer de
schade reeds vrij aanzienlijk is geworden; zij geven de voorkeur
aan versche preparaten, verteren gaarne de kolfjes der Nemoceren
en knagen soms regelmatige stukken uit den achterrand der vleu-
gels of vreten gaten in deze ligchaamsdeelen. Verder zijn het eenige
soorten van de geslachten Dermestes, Attagenus en Anthrenus en
vooral het mottengeslacht Zinea. Al de laatstgenoemden laten zich
trouwens, door ijverig nazien, aan de sporen die zij achterlaten
vrij spoedig herkennen. Als hoofdregel voor het onderhouden eener
verzameling geldt, dat zij moet worden geplaatst in een droog
1) Het meest zijn te vreezen de viervleugelige Coecilius pedicularius L. en
diens ongevleugelde nimf, voorts de vleugellooze Zrocfes divinatorium Müll. en
Atropos pulsatorius L,
OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA. CV
lokaal en in geheel stofvrije kasten. Als afwerende mid-
delen zijn aan te merken: petroleum, carbolzuur, terpentijngeest ,
etherische olien, als laurier-, cajaput-, kaneelolie, verder extract
van patschouli, mosterdolie enz. Men drenkt daarmede een schijfje
zwam, dat aan eene speld gehecht in de doos wordt gestoken !).
Wegens de vlugtigheid van al de genoemde zelfstandigheden is het
noodig deze van tijd tot tijd te vernieuwen. Naphthaline weert,
volgens mijne ondervinding, de Psociden niet geheel; de voor de
gezondheid schadelijke en overigens gevaarlijke stoffen: zwavel-
koolstof, zwavelether, sublimaat, benzine, muskus enz. laat ik
buiten aanmerking; zwavelkoolstof heeft ook dit nadeel, dat het op
het door loodwit geglansd papier, dat tegenwoordig veel tot binnen-
bekleeding van insectendoozen wordt gebruikt, zwarte vlekken doet
ontstaan. De als een krachtig middel tegen vijandelijke indringers
aanbevolen kamfer kan niet zonder bezwaar worden aangewend,
omdat onder haren invloed de gedroogde insecten ligt vochtig en
olieachtig worden. Het is evenwel niet genoeg om de insecten in
de doozen te beschermen; de ondervinding leerde mij, dat een
belangrijk voorbehoedmiddel tegen schade door vernielende insecten
ook daarin bestaat, als de lucht in de kasten, die de geheele ver-
zameling bevatten, met desinfecterende stoffen wordt bezwangerd.
Hiervoor is kamfer het meest geschikt. Bijzondere voorzorgen ver-
eischen de insecten, die ons uit andere handen toekomen; zij
dienen, alvorens in de verzameling te worden geplaatst, aan eene
zorgvuldige quarantaine te worden onderworpen.
19. Ten opzigte van het inpakken van insecten, met het doel
om ze te verzenden, moet worden in ’t oog gehouden, dat zij
stevig en niet al te digt bijeen in de doos moeten worden gesto-
ken en deze in papier gewikkeld om het indringen van stof te
beletten. Om het stooten tegen te gaan, is het noodig de doos
aan alle zijden met eenige veerkrachtige zelfstandigheid (b. v. den
bij boekbinders voorkomenden afval van papier) te omringen, en
1) Om mogelijke bevlekking van den bodem te voorkomen, doe ik onder de
zwam nog een stukje kaartenblad. Ve der We
GVI OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA.
dan het geheel in eene tweede doos of kist te pakken; het ver-
dient aanbeveling tusschen de papierstrookjes eenige kamfer te
strooijen.
AANHANGSEL.
Volledigheidshalve wensch ik hier nog kortelijk de ustensilien
te bespreken, die bij eene dipterologische excursie noodig zijn.
Met weinig middelen toch, ligt en ongehinderd als een gewoon
wandelaar en zonder eenig opzien te baren, kan zulk een togt
worden ondernomen. Ik zal hier in weinig woorden opnoemen,
wat ik voor een eendaagschen togt medeneem.
N°. 1. De vangdoos (zie hierboven punt 3 en 4.) Deze is
òf eene langwerpige, afgeronde, gewone houten- òf eene vier-
hoekige kartonnen doos, altijd goed sluitende, met linnen overdekt
en op den bodem bedekt met daarin gelijmde, digt aan elkander
liggende staafjes vliermerg. De lengte is ongeveer 22 cm., de
breedte 11 cm., de diepte van binnen 2.8 cm. De deksel, die
niet hooger is dan 1 cm., is aan de smalle zijde door een stevig
en vooral niet te kort bandje aan de doos zelve bevestigd; de
doos kan op de wandeling aan een stevig snoer worden omgedra-
gen; het is aan te bevelen om vóór de excursie op het vliermerg
eenige druppels terpentijngeest te werpen of een weinig kamfer in
een gazen zakje met eene speld daarin vast te steken.
N°. 2. De doodingsdoos, hiervoren onder punt 1 beschreven.
N°. 3. De reserve-doos, van ongeveer dezelfde inrigting en
afmetingen als de hierboven onder N°. 1 aangeduide vangdoos,
doch zonder inrigting om omgehangen te worden en zonder het
boorgaatje, waarvan de vangdoos is voorzien. De reserve-doos
wordt slechts zelden geopend, om bij partijen daarin de Diptera
op te nemen, nadat zij gedood zijn.
N°. 4. De minutia-doos. Ik gebruik hiervoor een klein
kartonnen met linnen overtrokken doosje, waarvan de bodem met
vliermerg bedekt is; het is met een caoutschou-ringetje gesloten
OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA. GVII
en dient om de gevangen zeer kleine insecten te bergen (zie punt 11.)
3
N°. 5. De vangflesch, hiervoren onder punt 2 beschreven.
N°. 6. Drie of vier met een kurkje gesloten cylinderglaasjes.
Fig. 4.
N°. 7. Eene vangschaar (zie
hiervoren punt 5 en 9). Zij dient voor
het vangen van enkele voorwerpen, die
men bepaaldelijk op het oog heeft, en
die zich op schermbloemen, op bladeren
of tegen boomstammen bevinden. Ik
geef hierbij de afbeelding van twee
vormen van vangscharen; fig. 4 stelt
die voor, welke door Schiner, fig. 5.
die welke door Low gebruikt werd.
Bij deze figuren zijn op verkleinde
schaal getrouw de ware afmetingen ge-
volgd 1). Tot goed verstand dezer ap-
paraten moge nog het volgende dienen:
de bovenste raamachtige gedeelten moe-
ten, als de armen gesloten zijn, volko-
men op elkander passen en overal
aansluiten; zij worden met dezelfde
stof. overtrokken, als waarvan het hand-
net (zie N°. 8) is vervaardigd, en
vormen dan de beide kleppen der
schaar. Om de stof behoorlijk over het
raam te spannen, wordt dit vooraf met
een veterband omwonden. Schiner’s vang-
schaar heeft twee regte armen, die zich
om het draaijingspunt g bewegen en aan
het eind even als eene gewone schaar
van oogen zijn voorzien. De armen van
Löw’s vangschaar zijn in ’t midden uitge-
bogen, met het draaijingspunt /; als
1) In fig. 4 is ab = 9.5, cd. = 8.5, ef = 6, by = 5, gh = 83, ik = 63,
Im = 35 em; — in fig. 5 is ab = 11, ed = 9.5, Im = 10, ef = 3, gh =
1, 24 = 2,3 cm.
GVIII OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA,
handvadsel dienen hier smalle strookjes leder, die buiten
op de buikige plaats der armen met een paar schroefjes zijn be-
vestigd. Wegens de eenvoudiger wijze van vasthouden en den doel-
matiger vorm der kleppen is Schiner’s schaar verreweg te verkiezen
boven die van Löw. Het eenige bezwaar is, dat zij wegens de
diametrale rigting van het handvatsel tegenover de klepramen niet
zoo gemakkelijk kan worden geborgen, doch dit is weg te nemen
door een klein veertoestel, waardoor het handvatsel naar willekeur
kan worden losgemaakt en aangehecht. 1)
N°. 8. Het handnet. De ring bestaat uit een 3 mm. dik ijzer-
draad en heeft buitenwaarts 16.5 cm. doorsnede. Buiten den ring
wordt door het schroefvormig zamendraaijen der draadeinden een’
steel van 23 cm. lengte aangebragt, wier einde nog zoover
wordt teruggebogen, dat daaraan een oog ontstaat, bestemd om als
handvatsel te dienen. De doelmatigste stof voor den zak is wit
krip of fijn wit neteldoek. Dit handnet is een zeer geschikt en
bijna voor alle omstandigheden dienstig vang-apparaat; zoo noodig,
kan het ook door bindgaren aan eenen stok worden bevestigd..
N°. 9. Het sleepnet. De ring kan van 4 mm. dik ijzerdraad
worden gemaakt en dient eene middellijn van 20 cm. te hebben;
hij is aan eene zijde open en aan de andere zijde van een schar-
nier voorzien, zoodat hij digtgeslagen kan worden. Aan de beide
einden b:vinden zich vierkante ooren, die naauwkeurig op een
stalen staaf passen, welke in eene schroef eindigt en de punt van
een gewonen wandelstok vormt; door middel van eene moer wordt
de ring aan den stok vastgeschroefd. De zak wordt van dezelfde
stof gemaakt als die van het handnet; alleen zijn de afmetingen
iets grooter.
N°. 10. Twee moeren voor het sleepnet n°. 9, een voor
het verliezen.
N°. 11. De stok daarvoor.
N°. 12. Een speldekussen, met een zeker aantal insecten-
1) Dergelijke vangscharen met afgescheiden handvatsel, zijn bij ons niet onbe»
kend; onze Snellen van Vollenhoven bezat er een, die hij vele jaren gebruikte.
De mijne is bijna geheel gelijk aan die van Schiner. Ve Ds Ws
OVER HET PREPAREREN VAN DIPTERA. CIX
spelden, naar de verschillende nummers gerangschikt en afge-
scheiden.
N°. 13. Een klein fleschje met een 150-tal minutia-draadjes
(zie hiervoren punt 11), of wel een doosje waarin deze draadjes
op eenen bodem van vliermerg zijn gestoken.
N°. 14. Een pincet.
N°. 15. Een loupe.
N°. 16. Zwavelstokjes en cigaren (zie hiervoren punt 2, 3 en 4).
N°. 17. Een zakmes.
N°. 18. Het maatstokje (zie hiervoren punt 7).
N°. 19. Een stukje bindgaren.
N°. 20. Naald en draad.
Voor kleinere excursien kan wel een en ander dezer ustensilien
worden thuis gelaten, b.v. de minutia-doos, omdat de geprepa-
reerde minutia ook wel tusschen aan spelden gehechte vliegen
in de reserve-doos kunnen worden gestoken; ook kan de vangdoos
tevens voor doodingsdoos worden ingerigt en dan deze vervangen.
Voor een’ togt van verscheidene dagen is het hierboven aangegeven
gereedschap volkomen toereikend, mits men zorge voor een ge-
noegzamen voorraad spelden, cylinderglaasjes enz. en een of twee
reserve-zakken voor de beide netten, alsmede een fleschje met
spiritus en de noodige cartons voor het opbergen der geprepa-
reerde voorwerpen.
LIJST VAN INSECTEN,
in LIMBURG en niet in de andere provincien van NEDERLAND
waargenomen ,
OPGEMAAKT DOOR
Mr. A. H. MAURISSEN. ')
I. LEPIDOPTERA.
Apatura Iris L. — Kerkrade ?); Venlo (v. d. Brandt).
Coenonympha Hero L. — Houthem.
Lycaena minima Fuessl. — St. Pieter; Venlo (v. d. Brandt).
Thecla W-album Knoch. — Kerkrade.
Syrichthus Sao Hbn. — Maastricht.
Hesperia Actaeon Esp. — Valkenburg; Gronsveld.
Sesia ichneumoniformis F. — Valkenburg (Ritsema).
Thyris fenestrella Scop. — St. Pieter; Gronsveld.
Bembecia hylaeiformis Lasp. — Bunde; Venlo (v. d. Brandt).
Nemeophila Plantaginis L. — St. Pieter.
Callimorpha Hera L. — St. Pieter; Venlo (v. d. Br.).
; Dominula L. — Venray (Pater Aghina).
Notodonta Tritophus F. — Maastricht.
Gluphisia cressata Esp. — id.
Asphalia diluta W. V. — Venlo (v. d. Br.).
Leucania conigera F. — Maastricht; Venlo (v. d. Br.).
A L-album L. — Maastricht.
1) Volledigheidshalve zijn in deze lijst ook opgenomen de soorten, door de
Leden der Entom. Vereen. kort voor of na de vergadering te Maastricht, in de
omstreken dier stad verzameld, voor zooveel die soorten niet reeds als inlandsch
bekend waren.
2) Voor zoover geen naam achter de vindplaats is vermeld, zijn de soorten
door mij gevangen.
LIJST VAN INSECTEN ENKEL UIT LIMBURG. CXI
Xanthia ocellaris Brkh. — Venlo (v. d. Br.).
Geometra vernaria Hbn. — Oud-Vroenhoven.
Acidalia corrivallaria Kretschm. — Gennep (Snellen).
Epione vespertaria L. — Maastricht.
Gnophos furvata W. V. — id.
Aspilates formosaria Ev. — Gennep (Uijen).
Ortholitha bipunetaria Schiff. — Oud-Vroenhoven; Valkenburg.
Cidaria fluviata Hbn. — Venlo (v. d. Br.).
» galiata Hbn. — Maastricht.
» Olivata W. V. — Valkenburg (Snellen).
» anangulata Haw. — Maastricht.
» procellata F. — St. Pieter; Houthem; Valkenburg.
» tristata L. — Maastricht.
» testaceata Don. — Maastricht; Venlo (v. d. Br.).
» Silaceata Hbn. — Maastricht.
„ aquata Hbn. — Gronsveld.
tersata Hbn. — Oud-Vroenhoven.
Bs flavalis Schiff. — Venlo (v. d. Br.).
„ fulvalis Hbn. — Maastricht; Valkenburg.
Orobena limbata L. — In Limburg.
Crambus myellus Hbn. — Meerssen (Snellen).
Nephopteryx similella Zinck. — Venlo (v. d. Br.).
Pempelia ornatella W. V. — Maastricht.
Glyptoteles leucacrinella Zinek. — Venlo (v. d. Br.).
Olindia albulana F. — Maastricht.
Grapholita pupillana CI. — Maastricht, Venlo (v. d. Br.).
5 „perlepidana Haw. — Maastricht.
Steganoptycha granitana H. Sch. — Venlo (v. d. Br.).
Cerostoma scabrella L. — Maastricht.
Psecadia decemguttata Hbn. — Gronsveld.
Rhinosia formosella Hbn. — Houthem.
Ypsolophus ustulellus F. — Maastricht.
Harpella Geoffrella L. — id.
Oleophora lunaris Haw. — Venlo (v. d. Br.).
Coleophora vibicella Hbn. —- Maastricht.
fi ornatipennella Hbn. —. Valkenburg (Snellen).
Mimaenophilus phaeodactylus Hbn. — Maastricht.
Aciptilia spilodactyla Curt. — id,
CXIT LIJST VAN INSECTEN ENKEL
II. COLEOPTERA.
Callistes lunatus F. — St. Pieter.
Chlaenius suleicollis Payk. — Venlo (v. d. Br.).
Platynus austriacus F. var. modestus St. — Valkenburg (von Hagens).
Harpalus obseurus F. —- Oud-Vroenhoven.
5 caspius Stev. — St. Pieter.
Tachys parvulus Dej. — Maastricht (Everts).
Bembidium quadripustulatum Dej. — id. id.
Schueppelii Dej. — Maastricht (Groll).
nitidulum Marsh. — Meerssen (Everts, Leesberg, Veth).
= atrocoeruleum Steph. — Maastricht (Everts).
Haliplus elevatus Panz. — Valkenburg (von Hagens).
Hydroporus bilineatus St. — Ambij.
Laccophilus variegatus St. — St. Pieter.
”
n
Helophorus avernieus Muls. — id.
Bolitochara bella Märk. — Gronsveld (Ev., Groll, Leesberg).
Gyrophaena strietula Er. — id. id.
Staphylinus pedator Grav. — Maastricht (Ziegeler).
Actobius prolixus Er. -— Maastricht (Ev.).
Philonthus decorus Grav. — St. Pieter.
Xantholinus glaber Nordm. — Oud-Vroenhoven.
Anthobium signatum Märk. — Houthem.
Siagonium quadricorne Krb. — Valkenburg (v. Hagens, Everts).
Phosphuga polita Sulz. — St. Pieter.
Agyrtes castaneus Payk. — Valkenburg.
Cyrtusa pauxilla Schmidt. — Valkenburg (Ev.).
Agathidium nigripenne Kug. — Valkenburg (v. Hagens).
Brachypterus fulvipes Er. — Oud-Vroenhoven; Gronsveld (Ev.).
Meligethes Czwalinai Reitt. — Houthem; Bunde; Valkenburg.
villosus Bris. — Maastricht.
3 moestus Er. — Oud-Vroenhoven.
È tristis St. — Bunde (Ev.).
> solidus St. -- Oud-Vroenhoven (Ev.).
Cryptophagus scutellatus Newm. — Valkenburg (Veth).
Paramecosoma melanocephalum Hrbst. — Houthem (de Heusch).
Potaminus substriatus Müll. — Valkenburg (v. Hagens).
Riolus nitens Müll. — id. id.
IN LIMBURG WAARGENOMEN. CXIII
Elmis Volkmari Panz. — Valkenburg (v. Hagens).
Onthophagus taurus Poda. — Gronsveld.
Rhizotrogus aestivus Ol. — St. Pieter.
Anisoplia villosa Goeze. —- Venlo (v. d. Br.).
Trichius fasciatus L. — St. Pieter; Venlo (v. d. Br.).
Anthaxia nitidula L. met de var. laeta F. —- Gronsveld.
Elater cinnabarinus Esch. — Kerkrade.
u Pomonae Steph. — Houthem.
Cryptohypnus dermestoides Hrbst. — Bunde.
= x var. quadriguttatus Lap. — Meerssen.
Cardiophorus nigerrimus Er. — Kerkrade.
Corymbites purpureus Poda. — Houthem.
Hydrocyphon deflexicollis Mill. — Valkenburg (Ev., Veth).
Ragonycha fuseicornis Ol. —- Limmel en Valkenburg.
Malthinus fasciatus Fall. — Aan den Plasmolen onder Mook (Ev.).
Drilus flavescens Rossi. — Houthem en Valkenburg.
Ebaeus pedicularius Schr. — St. Pieter.
n thoracicus Fourer. — id.
Diaperis Boleti L. — Maastricht.
Mycetochares bipustulata Ill. — Venlo (v. d. Br.).
Scraptia fuscula Müll. — Nuth.
Silaria varians Muls. — Maastricht (Leesb.).
Pyrochroa coccinea L. — Kerkrade.
Oedemera podagraria L. — Bunde; Gronsveld.
5 flavipes F. — Valkenburg; Gronsveld.
Otiorhynchus tenebricosus Hrbst. — St. Pieter.
Peritelus hirticornis H. — St. Pieter; Valkenburg.
Liophloeus Herbstii Gyll. — Nuth; St. Pieter; Venlo (v. d. Br.).
Tropiphorus elevatüs Hrbst. — Houthem.
Liparus coronatus Goeze. — St. Pieter.
Gymnetron netum Germ. — Gronsveld (Ev.).
Cionus olens F. — Gronsveld (Leesb.).
Ceutorhynchus trimaculatus F. — Maastricht (Leesb.).
Orthochaetes rubricatus Fairm. — St. Pieter.
Bagous cylindricus Payk. — Ambij.
Elleschus scaninus Payk. — Maastricht.
Baris viridisericea Goeze. — St. Pieter.
Cossonus cylindricus Sahlb. — Gronsveld.
OXIV LIJST VAN INSECTEN ENKEL
Apion Roelofsi Ev. — Valkenburg (Roelofs).
flavimanum Gyll. — St. Pieter.
elegantulum Germ. — id.
Trifolii L. var. rufrierus Germ. — Valkenburg (Veth).
Simum Germ. — Valkenburg (Ev.).
Urodon suturalis F. --- St. Pieter.
„ conformis Suffr. — id.
Xyleborus eryptographus Ratz. — id.
Obrium cantharinum L. — Venlo (v. d. Br.).
Stenostola ferra Schr. — Limmel.
Phytoecia nigricornis F. — id.
Strangalia bifasciata Müll. — Meerssen ; Nuth; Venlo (v. d. Br.)
Grammoptera ustulata Schall. — Venlo (v. d. Br.).
Clythra longimana L. — Nuth; Venlo (v. d. Br.).
» eyanea F. — Maastricht en Oud-Vroenhoven.
„ aurita L. — Bunde.
Cryptocephalus 8-punctatus Scop. — St. Pieter en Nuth.
5 frenatus Laich. — Nuth.
Chrysomela Molluginis Suffr. — Meerssen.
Melasoma longicolle Suffr. — Meerssen (Ev., Piaget, Veth).
Gallerucella Crataegi Först. — St. Pieter.
Podagrica fuscipes F. — id.
Psylliodes Hyoseyami L. — Bunde (Ev.).
Cyrtotriplax bipustulata F. — Gronsveld (Ev., Groll, Leesb.).
Coceinella 14-pustulata L. — Nuth en Gronsveld.
Halyzia 10-guttata L. — Maastricht.
» 12-guttata Poda. — Valkenburg (Ev.).
Epilachna Argus Fourer. — Valkenburg; Kerkrade; Houthem.
HI, HYMENOPTERA.
Hylotoma femoralis Klug. — Houthem; Nuth; Venlo (v. d. Br.).
Nematus monticola Thoms. — Venlo (v. d. Br.).
Cryptocampus nigricornis Klug. — id.
Haplocampa brevis Klug. — Maastricht.
Dolerus saxatilis Hart. — Venlo (v. d. Br.).
» uliginosus Klug. — id.
Emphytus calceatus Klug. — Nuth; Venlo (v. d. Br.).
IN LIMBURG WAARGENOMEN, CXV
Selandria aperta Hart. — Houthem.
5 flavens Klug. — Nuth.
Allantus bifaseiatus Klug. — Houthem.
Macrophya erytrhoenema Costa. — id.
Strongylogaster cingulatus F. — Venlo (v. d. Br.).
Tenthredo longicornis Thoms. — Maastricht.
ambigua Klug. — Venlo (v. d. Br.).
n
= zonata Panz. — Houthem.
= obtusa Klug. — Venlo (v. d. Br.).
Perineura ocutellaris F, — St. Pieter.
Trigonalys Hahnii Spin. — Venlo (v. d. Br.).
Ichneumon umbraculosus Gr. — Maastricht.
2 discrepator Wesm. — Venlo (v. d. Br.).
5 molitorius Schr. — id.
5 defensorius Vill. — id.
Amblyteles elegantulus Schr. — id.
5 fulviventris Klug. — id.
fe signator Grav. — id.
Phaeogenes trepidus Wesm. — Nuth.
Phygadeuon fumator Grav. — id.
= diaphanus Grav. — Houthem.
Cryptus hortulanus Grav. — Nuth.
3 confector Grav. — Venlo (v. d. Br.).
à opacus Grav. — id.
„ erythropus Grav. — id.
: stomaticus Grav. — id.
Mesostenus obnoxius Grav. — Houthem.
Hemiteles tenuicornis Grav. — id.
» conformis Grav. — Venlo (v. d. Br.).
È areolatus Panz. — id.
Mesoleptus vulneratus Dft. — id.
È sulphuratus Grav. — Maastricht.
Catoglyptus flaveolator Hlmgr. — Venlo (v. d. Br.).
Prionopoda stietica Hlmgr. — id.
Tryphon consobrinus Hlmgr. — Oud-Vroenhoven; Venlo (v. d. Br.),
notatus Grav. — Maastricht.
n
5 mesoscanthus Grav. — Venlo (v. d. Br.).
Anisosterion alacre Grav. — St. Pieter.
CXVI LIJST VAN INSECTEN ENKEL
Exenterus laticeps Grav. — Houthem.
Pimpla roborator Grav. — Maastricht.
„ caudata Ratz. — Venlo (v. d. Br.).
5 sculatoria F. — id,
Exochus tibialis Hall. — id.
Glypta scalaris Grav. — id.
Lissonota versicolor Hlmgr. — id.
» insignita Grav. — Maastricht.
» Carbonaria Hlmgr. — Nuth; Venlo (v. d. Br.).
» bicornis Grav. — Meerssen.
Acoenites arator Rossi. —- Maastricht.
Anomalon septentrionale Hlmgr. — Venlo (v. d. Br.).
= fibulator Grav. — Limburg.
la sellatum Voll. — Venlo (v. d. Br.).
Limneria errans Hlmgr. — id.
à notata Grav. — Maastricht.
Mesochorus vitticollis Hlmgr. — Venlo (v. d. Br.).
Porizon minator Grav. — Maastricht.
Microgaster glomeratus F. — Venlo (v. d. Br.).
Microdus rugulosus N. ab Es. — id.
È compeditus Voll. — id.
Agathis nigra N. ab Es. — Meerssen.
Bracon Roberti Wesm. — Venlo (v. d. Br.).
Torymus Danei Curt. — id.
Proctotrupes viator Hall. — Nuth.
. Loxotropa nigrielavis N. ab Es. — Maastricht.
Heterospilus tubidulus Hal. — Venlo (v. d. Br.).
Aerotomus lucidulus Grav. — id. !)
Tiphia morio F. — Venlo (v. d. Br.).
Mimesa equestris F. — Aan den Plasmolen onder Mook (Piaget).
Psen concolor Dahlb. — Bunde.
Cerceris interrupta Panz. — Venlo (v. d. Br.).
5 quadricineta Panz. — Maastricht.
Tachytes obsoleta Rossi. — Venlo (v. d. Br.).
Priocnemis simulans Thoms. — id.
1) Deze en de vorige soort worden hier aan het slot der Hymenoptera tere-
brantia gesteld, omdat ik over hare plaats in het systeem geheel onzeker ben.
IN LIMBURG WAARGENOMEN. CXVII
Prosopis obscurata Schenck. — Venlo (v. d. Br.).
Halictus quadristrigatus Latr. — Maastricht; St. Pieter; Valkenburg
(Ritsema); Venlo (v. d. Br.).
laevigatus Kirb. — Maastricht, Houthem.
quadricinetus F. — Valkenburg (Ritsema).
» longulus Smith. — St. Pieter, Meerssen.
Andrena Hattorfiana F. — Maastricht; Venlo (v. d. Br); Valken-
burg (Ritsema).
n
n
= flessae Panz. — Maastricht.
- bimaculata Kirb. — Venlo (v. d. Br.).
x Moravitzi Thoms. — id.; aan den Plasmolen (Ritsema).
chrysopyga Schenck. — Maastricht.
n nana Kirb. — Valkenburg (Ritsema).
Cilissa melanura Nyl. — Maastricht.
Osmia bicolor Schr. — id.
Megachile lagopoda L. — Valkenburg (Ritsema).
Ceratina cyanea Kirb. — id.
Nomada armata H. Sch. — Maastricht.
» Yhenana Mor. — Meerssen, Gronsveld.
Coelioxys aurolimbata Först. (recurva Schenck). — Nuth; Valken-
burg (Ritsema).
A alata Först. — Valkenburg (Ritsema).
Bombus confusus Schenck. — Maastricht; Valkenburg (Ritsema).
5 soroënsis F. — Valkenburg (von Hagens).
IV. DIPTERA.
Sciara conspicua Winn. — Maastricht.
n placida Winn. — id.
Zygomyia valida Winn. — id.
Empheria striata Meig. — Venlo (v. d. Br.).
Sciophila alacris Winn. — Maastricht.
3 hyalinata Meig. — Venlo (v. d. Br.).
Asindulum femoratum Meig. — Nuth.
Simulia nana Zett. -— Maastricht; Venlo (v. d. Br.).
Chironomus vernus Meig. — Maastricht.
bs hilarellus Zett. — id.
n laetus Meig. — id.
CXVIII LIJST VAN INSECTEN ENKEL
Limnophila lucorum Meig. — Venlo (v. d. Br.).
Ephippium thoracicum Latr. — id.
Oxycera formosa Meig. — Nuth.
Beris chalybeata Först. — Maastricht.
Tabanus pilosus Löw. — Venlo (v. d. Br.).
5 sudeticus Zett. — id.
Ogeodes zonatus Er. — Maastricht.
Bombylius fugax Wied. — Maastricht.
Dasypogon teutonus L. — Maastricht (Ziegeler).
Asilus forcipula Zelll — Houthem.
» punctipennis Meig. — Limburg.
» rusticus Meig. — Nuth.
Chrysopila flaveola Meig. — Venlo (v. d. Br.).
Atherix Ibis F. — Maastricht.
Platypalpus rufipes Meig. — Plasmolen (Piaget).
A unguiculatus Zett. — id.
Phora ciliata Zett. — Maastricht; Plasmolen (Piaget).
„ distincta Egg. — Maastricht.
Leria caesia Meig. — St. Pieter.
» serrata L. — Maastricht.
Aulacigaster rufitarsis Meig. — id.
Parydra aquila Fall. — Maastricht (v. d. Wulp).
Camarota flavitarsis Meig. — Bunde.
Chlorops rufina Zett. — Maastricht.
Platyparea discoidea F. — id.
Spilographa Meigenii Löw. — id.
Urophora quadrifaseiata Meig. — id.
Tephritis ruralis Löw. — Nuth.
5 Leontodontis de G. — Venlo (v. d. Br.).
Lonchoea fumosa Egg. — Venlo (v. d. Br.).
Coenosia monilis Meig. — Plasmolen (Piaget).
a verna F. — id.
Anthomyia brevicornis Zett. — Venlo (v. d. Br.).
Eriphia Bilbergi Zett. — id.
Dexia carinifrons Fall. — Maastricht.
Nyctia halterata Panz. — St. Pieter.
Macquartia tenebricosa Meig. — Nuth.
Clytia helvola Meig. — Meerssen.
IN LIMBURG WAARGENOMEN. CXIX
Miltogramma murina Meig. — Plasmolen (Piaget).
Exorista Heraclei Meig. — Venlo (v. d. Br.).
Demoticus spretus Meig. — Valkenburg (v. d. Wulp).
Echinomyia ursina Meig. — Venlo (v. d. Br.).
Phania vittata Meig. — Maastricht.
Syntomogaster delicata Meig. — Nuth.
Hyalomyia aurulans Meig. — Maastricht.
5 muscaria Fall. — id.
5 umbripennis Meig. — Houthem; Venlo (v. d. Br.).
Microdon devius L. — Maastricht.
Xanthogramma citrofasciata de G. — Venlo (v. d. Br.).
Syrphus laternarius Mill. — id.
= sexnotatus Meig. — id.
Chilosia canicularis Panz. — Maastricht; Venlo (v. d. Br)
Volucella inanis L. — Gronsveld; Nuth.
3 inflata F. — Maastricht.
Eristalis alpinus Panz. — Maastricht; Venlo (ve di) Bri).
- eryptarum F. — Venlo (v. d. Br.); Plasmolen (v. d. Wulp).
Spilomyia vespiformis L. — Houthem.
Xylota femorata L. — Venlo (v. d. Br.).
» abiens Meig. — id.
Brachypalpus Meigenii Schin. — id.
Criorhina ruficauda de G. — Heer.
; berberina F. — Venlo (v. d. Br.).
5 È var. Oxyacanthae Meig. — Houthem; Venlo
(v.d Bry).
Orthoneura elegans Meig. — Nuth.
Chrysogaster splendens Meig. — Maastricht.
= chalybeatus Meig. — Nuth.
Chrysotoxum vernale Löw. — Plasmolen (Piaget).
> arcuatum L. — Venlo (v. d. Br.).
à intermedium Meig. — Nuth; Venlo (v. d. Br.).
V. NEUROPTERA.
Leucorrhinia caudalis Charp. — Venlo (v. d. Br.).
Onychogomphus forcipatus L. — Maastricht.
Ephemera lineata Eat. — Venlo (v. d. Br.).
Ephemerella ignita Poda. — Meerssen,
OXX LIJST VAN INSECTEN ENKEL UIT LIMBURG.
Baetis phaeops Latr. — Oud-Vroenhoven.
Heptagenia semicolorata Cart. — Limmel.
= insignis Eat. — St. Pieter; Venlo (v. d. Br.).
È flavipennis Duf. — Maastricht.
Perla abdominalis Brau. — id.
, cephalotes Curt. — St. Pieter; Venlo (v. d. Br.).
» Selysii Pict. — St. Pieter, Bunde.
Taeniopteryx trifasciata Piet. — St. Pieter.
Panorpa alpina Brau. — id.
Limnophilus luridus Curt. — Venlo (v. d. Br.).
Stenophylax picicornis Pict. — id.
è stellatus Curt. — id.
Crunoecia inorata M. Lachl. — id.
Lasiocephala basalis Kol. — Oud-Vroenhoven.
Odontocerum albicorne Sc. — Meerssen.
Hydropsyche pellucidula Curt. — Maastricht.
Chimarra marginata L. — id.
vi. HEMIPTERA.
Eusacoris melanocephala F. — Nuth.
Cimex Juniperina L. (Juniperi Fieb.). — St. Pieter.
Lygaeus saxatilis Scop. — Maastricht.
Peritrechus arenarius Hahn. — Amby.
Miris longicornis Fall. — Maastricht.
Calocoris marginellus F. — Limburg.
Dictyonota strichnocera Fieb. — Venlo (v. d. Br.).
Corixa praeusta Fieb. — Maastricht.
Pediopsis nana H. Sch. — id.
Eupteryx (Typhlocyba) Curtisii Flor. — id.
Wik, ARANEIDEA.
Misumena trieuspidata F. — Maastricht.
Meta Menardi Latr. (fusca C. Koch). — id.
Amaurobius similis Blackw. — id.
Clubiona amarantha C. Koch (terrestris Westr.). — Nuth.
ELSE
VAN DE
VIJFTIENDE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE LEIDEN
op 15 Januarij 1882,
des morgens ten 104 ure.
Voorzitter de heer Dr. A. W. M. van Hasselt.
Verder tegenwoordig de heeren Mr. W. Albarda, A. A. van
Bemmelen; Mr... R. Th. Bijleveld … Mr. A.'Brantss J. F. Gi Wi.
Erbrink, Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, A. J. F. Fokker, Mr. H. W.
de Graaf, G. M. de Graaf, H. W. Groll, Dr. A. A. W. Hubrecht,
J. Jaspers jr., Dr. A. A. Jentink, J. Kinker, J. Gerard Kruimel,
Mr. A. F. A. Leesberg, Dr. J. van Leeuwen jr., J. W. Lodeesen,
A. C. Oudemans Jsz., Dr. E. Piaget, C. Ritsema Cz., Dr. J. G.
H. Rombouts, P. C. T Snellen, K. N. Swierstra, Prof. P. J.
Veth, Dr. H. J. Veth en F. M. van der Wulp.
Van de heeren Dr. J. Ritzema Bos, Henri W. de Graaf, Dirk
ter Haar en H. Uijen is berigt ontvangen, dat zij verhinderd zijn
de vergadering bij te wonen.
De Voorzitter opent de vergadering met eene korte toespraak,
waarin hij, onder herinnering op nieuw aan het veeljarig presidium
van wijlen Snellen van Vollenhoven, er op wijst, dat hij thans,
ter vervanging van dezen, voor het eerst zich geroepen ziet de
entomologische winterbijeenkomst te leiden. Hij betuigt nogmaals,
dat hij niet dan noode, ook uit aanmerking van zijn reeds ge-
9
CXXII VERSLAG.
vorderden leeftijd, er in heeft toegestemd om aan de vereerende
keuze zijner medeleden gevolg te geven; maar gaarne wil hi,
zoolang zijne krachten het veroorloven, naar zijn beste vermogen
de belangen der Vereeniging bevorderen. Hij verheugt zich in de
talrijke opkomst en heet de aanwezigen hartelijk welkom, bepaal-
delijk ook de hier tegenwoordige nieuwe leden, de heeren Kruimel,
Jaspers en Hubrecht, op wier medewerking tot het streven der
Vereeniging hij ten volle rekent.
Alvorens tot de eigenlijke wetenschappelijke mededeelingen wordt
overgegaan, vertoont de heer Bijleveld een levenden schorpioen,
die met veel belangstelling door de aanwezenden bezigtigd wordt,
In tegenstelling van vroegere gewoonte, volgens welke de Voor-
zitter eerst na de overige leden het woord voert, wenscht de heer
van Hasselt thans de rij der wetenschappelijke mededeelingen
te openen. Hij is onlangs gereed gekomen met de bewerking
eener systematische lijst der Araneiden van Midden-Sumatra, door
de heeren Joh. F. Snelleman en A. L. van Hasselt in de jaren
1877 —79 verzameld, als leden der expeditie, derwaarts door
het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap uitgezonden.
Over die lijst zelve mag hij hier niet vooruitloopen. De betrek-
kelijk rijke schat, daarin vermeld, wordt dezer dagen opgeno-
men in de afdeeling Natuurlijke Historie van het groote werk
« Midden-Sumatra », onder toezigt van Prof. P. J. Veth, te
Leiden bij E. J. Brill uitkomende en waarvan in 1880—81
bereids verscheidene afleveringen het licht zagen. Hij kan zich
echter niet weerhouden de algemeene resultaten van zijn onder-
zoek reeds op deze vergadering in te leiden. Te meer gevoelt hij
zich daartoe gedrongen, omdat hij niet twijfelt, dat onze Vereeni-
ging als zoodanig met hem, gaarne openlijk dank zal willen be-
tuigen zoo aan de heeren leden der expeditie, als aan ons Hoog-
geleerd medelid voornoemd, — die de ziel mag worden genoemd
niet alleen van hare uitzending, maar ook van de doeltreffende
inzameling harer menigvuldige vruchten, — voor hetgeen zij
VERSLAG. CXXITI
gezamenlijk ten dienste der wetenschap in het algemeen en van
de dikwerf verwaarloosde entomologie in het bijzonder, ten deze
hebben tot stand gebragt.
Wat de Araneiden betreft, heeft Spreker, onder ruim 300 mede-
gebragte spiritus-exemplaren niet minder dan 106 meer of minder
belangrijke soorten aangetroffen. De groote meerderheid daarvan
behoort tot de sectien der Orbitelariae en Saltigradae, terwijl de
Tubitelariae en vooral de Territelariae de minderheid uitmaken;
voor de laatste sectie intusschen wordt de quantiteit door de quali-
teit ruimschoots vergoed.
Dat deze bijdrage tot de araneologie der tropen, althans met
het oog op het aantal gevonden soorten, niet gering is te schatten,
mag hieruit worden afgeleid, dat Doleschall, de Indische araneoloog
per excellentiam, uit Ambon en Java slechts een 30-tal species
meer heeft beschreven, en dat Beccari, die, insgelijks ad hoc, Cele-
bes heeft bereisd, volgens opgaaf van Thorell, in het Aste deel
zijner beroemde Studi sui Ragni Malesi e Papuani, slechts één
soort meer (107) van dit eiland heeft medegebragt dan onze
Sumatra-reizigers.
Onder deze, door Spreker gedetermineerd, beschouwt hij 20
a 25 soorten als vermoedelijk nieuw voor de O. I. Fauna, meent
hij minstens 14 tot de zeldzame, enkele zelfs tot de zeer weinig
voorkomende te mogen brengen.
Tot de eerste reeks (der species novae) behooren twee tot de
Europesche genera Pachygnatha en Segestria, — waarvan tot hiertoe
nog geene representanten uit onze Oost-Indien waren beschre-
ven, — aan welke het hem een genoegen was de namen van den
hoogleeraar Veth en den heer Snelleman te mogen verbinden.
Deze soorten worden, even als de hierna vermelde, voor de
aanwezenden ter bezigtiging gesteld.
In de laatste reeks (der rariora) wordt door den merkwaardigen
Lip(h)istius desultor Schiödte, uit de sectie der Territelariae, —
op welken Spreker reeds vroeger, zoowel hier als in de Kon. Aka-
demie van wetenschappen, de aandacht heeft gevestigd, — voor-
zeker het glanspunt dezer verzameling geleverd, dewijl daarvan,
CXXIV VERSLAG.
behalve het exemplaar van het Aardrijkskundig Genootschap, nog
slechts twee anderen in Europa bestaan, één in het museum van
Kopenhagen en één in het Britsch museum te Londen.
Als met Europesche soorten overeenkomende of daarmede althans
naauw verwant, worden in deze collectie 5 species gevonden uit
de geslachten Zilla, Tetragnatha, Dolomedes en Lycosa, terwijl
daarentegen de in Europa zeer talrijke onder-familien der Liny-
phiden en der Micryphantiden, zoo in de tropische gewesten in
het algemeen, als nu weder in Midden-Sumatra, door geen enkele
soort vertegenwoordigd bleken te zijn.
Evenzoo zijn, als naar gewoonte, ook in deze betrekkelijk groote
verzameling, geene species uit het, overigens in de heete klimaten
levende geslacht Acrosoma aangetroffen, niettegenstaande onderschei-
dene representanten van de andere vormen der z. g. « doornspinnen »
of Gasteracanthiden, sommigen zelfs in vrij grooten getale, voor-
handen waren.
Uit het genus Gasteracantha, sensu strictiori, vertoont Spreker
enkele der meest belangrijke soorten, zooals G. Malayensis Sim. ,
curvicauda Vauth., globulata Walck., mammosa C. Koch en ande-
ren, en voegt daarbij eenige opmerkingen omtrent de benaming
der onderverdeelingen van dit geslacht volgens Simon en Butler.
Wat in het bijzonder de tepelvormige Stanneoclavis- en de veel-
doornige Aranoethra-groepen, beiden volgens Butler, aangaat, zou
hij voor de eerste den naam van Zhelacantha (afgeleid van
het Grieksche «thyly», papilla mammae), voor de laatste
dien van Polyacantha (van het Grieksche «polus», multus),
boven de gebruikelijken verkieselijk achten. Voor de z. g. « fraus-
versa» groep, met in ‘toog vallende dwarse zijdoornen kon, naar
zijn voorstel, de benaming van Zijstekeligen, Pleuracantha (van
« pleuros » latus) worden aangenomen. Misschien zouden ook de
verwante genera zonder stekels of doornen (Paraplectana, Cyrta-
rachne, enz.) in eene groep van Ongestekelden, Anacantha (met
voorzetting der «alpha privans») kunnen worden zamengevat.
Ten slotte laat hij het vijftal platen, tot zijne lijst behoorende,
ter bezigtiging rondgaan, onder vermelding, dat de fraai gekleurde
VERSLAG. CXXV
en uiterst natuurgetrouw geteekende afbeeldingen aan het kunst-
vaardig penseel van ons ijverig medelid E. Everts te danken zijn.
Professor Veth doet eene mededeeling betreffende den stand van
het werk over de expeditie naar Midden-Sumatra , waarin door de En-
tomologische Vereeniging van den aanvang af zooveel belang is gesteld
en die door vele harer leden zoo krachtig gesteund is. Het Reis-
verhaal, de Aardrijkskundige beschrijving, de Volksbeschrijving ,
de Ethnographische Atlas en de afdeeling over Taal- en Letterkunde
zijn voltooid of zullen het worden in de eerste maanden van
dit jaar. Alleen de voltooijing van het gedeelte dat over de
natuurlijke historie handelt, zal nog veel tijd vorderen. Geheel
gereed zijn de Reptilien en Visschen, de Mollusken , de Neuroptera,
de Diptera en de Crustaceén; van de Lepidoptera was de tekst
het eerst gereed, maar van de platen is ook nu nog slechts eene
enkele in bewerking; van de Coleoptera zijn eenige vellen druks
en ééne plaat voltooid; er wordt daarmede geregeld voortgegaan,
en voor de verschillende onderdeelen dezer uitgebreide groep zijn,
met een paar weinig beteekenende uitzonderingen, bewerkers
binnen- of buiten’slands gevonden; van de Araneiden ligt de
tekst ter perse en zijn de platen in proef gebragt, maar nog niet
geheel voor den afdruk gereed. De afdeeling over Zoogdieren en
Vogels en het botanisch gedeelte zijn in bewerking en zullen geen
bezwaar opleveren. Maar ten opzigte der nog overige groepen,
namelijk de Hymenoptera, de Hemiptera, de Orthoptera en de
Vermes, is de staat van zaken zeer onvoldoende. De heer Snel-
len van Vollenhoven, wiens verlies wij zoozeer betreuren, had de
bewerking der Hymenoptera terebrantia en der Hemiptera op zich
genomen. Na zijn overlijden was het zeer bezwaarlijk geweest een
plaatsvervanger voor hem te vinden. De heer Ritsema had echter
aangeboden thans de Hymenoptera terebrantia zoowel als de aculeata
op zich te nemen; doch niet vóórdat de Coleoptera voltooid waren.
Wel had hij reeds vroeger, kort na de terugkomst van den heer
Snelleman, met de bewerking der aculeata een begin gemaakt,
maar hij was toen gestoord door de aankomst van eene nieuwe
CXXVI VERSLAG,
bezending, door de heeren van Hasselt en Veth op hunne reizen
op Oost-Sumatra bijeengebragt, en verschillende omstandigheden
hadden hem genoopt nu zich het eerst aan de bewerking der
Coleoptera te wijden. De Vermes zijn ter bewerking aan den heer
Horst toevertrouwd, maar deze heeft daarvoor nog geen tijd kun-
nen vinden. De Hemiptera en Orthoptera zullen waarschijnlijk ge-
heel aan buitenlandsche bewerkers in handen moeten gegeven worden.
Spreker vertoont eenige proeven van het werk, daaronder den
geheel voltooiden ethnographischen atlas en eenige platen van
afgebeelde insecten en spinnen. Het blijkt daaruit dat met kleu-
rendruk boven verwachting gunstige, ofschoon nog niet boven alle
bedenking verheven resultaten verkregen zijn.
De heer Snellen laat in de eerste plaats ter bezigtiging rond-
gaan exemplaren van eenige, in 1881 in Limburg voor de Neder-
landsche Fauna nieuw ontdekte Lepidoptera, in het bijzonder om
de aandacht te vestigen op de naauwe verwantschap van sommigen
met reeds bekende soorten.
Wat betreft den mede eerst in den voorgaanden zomer ont-
dekten Crambus myellus Hübner, wijst hij op de mogelijkheid dat
nog eene, aan dezen Crambus en aan onzen welbekenden pinellus
verwante soort in het zuidoosten van Nederland zou kunnen
voorkomen, namelijk conchellus W. V. Zij verschilt van myellus
en pinellus vooral door geheel witte franje der voorvleugels en
door het geheel ontbreken (ook van sporen) eener lichte dwarslijn
vóór den achterrand derzelfde vleugels.
Vervolgens laat Spreker eene doos rondgaan , waarin zich twee
reeksen exemplaren bevinden van de volgende soorten van Lepi-
doptera :
Axyha putris L.
Timandra amata L.
Boarmia crepuscularia W. V.
Cidaria ferrugata L.
Agrotera nemoralis Scop.
Blabophanes Monachella Hübn.
VERSLAG. CXXVII
Het merkwaardige daarbij is, dat de exemplaren der eene reeks
afkomstig zijn van Java, waar zij door ons medelid Piepers in
1881 te Sindanglaya werden gevangen en ondanks eenige kleine
verschillen zoozeer met de inlandsche exemplaren derzelfde soorten,
waarvan eene tweede reeks gevormd is, overeenkomen, dat Spreker
niet aan specifiek verschil mag gelooven. Bij Axylıa putris vond
hij geen verschil. Bij 7imandra amata is de achterrand der voor-
vleugels regter en hunne eerste dwarslijn duidelijker dan bij
inlandsche voorwerpen, terwijl laatstgenoemde ook de, bij de
Javanen aanwezige, roode bestuiving van den voorrandswortel dier
zelfde vleugels missen. Intusschen kan wel niet aan een specifiek
verschil worden gedacht, want bij een Javaansch wijfje begint
o. a. de vleugelvorm reeds zeer tot dien der inlandsche voor-
werpen te naderen. De heer Fred. Moore houdt, zooals aan Spreker
is medegedeeld, deze Oost-Indische varieteit, die ook op het vaste-
land voorkomt, voor eene afzonderlijke soort en heeft daaraan den
naam van convictaria gegeven.
Bij het Javaansche voorwerp van Boarmia crepuscularia zijn de
vleugels iets langer dan bij een volkomen eveneens gekleurd
Nederlandsch exemplaar, doch erepuseularia is, gelijk meer Lepi-
doptera (men bezie b. v. slechts eene reeks van Colias Edusa en
Hyale), in vleugelvorm een weinig veranderlijk.
Cidaria ferrugata komt geheel overeen met Europesche exem-
plaren der zwart gebandeerde varieteit wuidentaria Haworth.
Agrotera nemoralis (een wijfje) verschilt van Nederlandsche
wijfjes derzelfde soort door donkerder achtervleugels, ongebogen,
schuinen achterrand van het gele wortelveldje der voorvleugels en
aan den staarthoek dierzelfde vleugels geheel grijze franje. Ook
hier kan Spreker slechts eene locale varieteit aannemen.
Blabophanes Monachella verschilt niet van Europesche voor-
werpen.
Onder het beschouwen dezer voorwerpen is bij Spreker op nieuw
het vermoeden levendig geworden, dat in ver verwijderde tijdperken
een gelijkvormig, gematigd klimaat over de geheele aarde heeft
geheerscht, hetgeen de verbreiding van vele insecten-soorten heeft
CXXVUI VERSLAG.
bevorderd, terwijl later, toen het klimaat door allerlei oorzaken
begon te veranderen en de uitersten, die wij thans waarnemen,
zich vertoonden, de zoogen. tropische soorten zijn ontstaan, terwijl
de soorten der gematigde klimaten zich naar enkele geschikte
lokaliteiten, op bergen terugtrokken en daar stand hielden, zooals
het geval is met de hier besproken soorten, die, als boven gezegd,
te Sindanglaya, in eene, zij het dan ook niet zeer hoog gelegene,
bergstreek van West-Java werden verzameld. Dat nog niet meer
voorbeelden van denzelfden aard worden geconstateerd, schrijft
Spreker toe aan het weinige bezoek dat hooggelegen streken in
tropische gewesten van verzamelaars ontvangen en ook hieraan,
dat de aanwezigheid van vele groote, vreemd gevormde en schit-
terend gekleurde insecten, meestal de aandacht afleidt van de
kleinere en onaanzienlijke, die echter niet minder merkwaar-
dig zijn.
Naar aanleiding van hetgeen de heer Snellen heeft medegedeeld
omtrent het voorkomen van dezelfde of nagenoeg dezelfde vormen
van Lepidoptera in ver van elkander verwijderde streken , waardoor
bij hem het denkbeeld is gewekt, dat die gewesten in vroegere
geologische tijdperken met elkander op eenigerlei wijze in ver-
binding hadden gestaan, merkt Professor Veth op, dat dit ver-
schijnsel zich ook in andere diergroepen en niet zelden ook in de
Flora vertoont. Hij herinnert aan den strijd of de maïs eene plant
van de oude of van de nieuwe wereld is en aan de bewering
van sommige botanici, dat zij oorspronkelijk aan beiden behoort,
en meent dat ook gronden kunnen worden aangevoerd ten bewijze
dat de tabak reeds in het verre oosten bekend was eer zij ons
werd aangebragt uit Amerika. Hij wijst ook op de zeer sterke
overeenkomst, niet zelden tot identiteit overgaande, van de
Flora der hooge bergtoppen op Java met de Flora van Europa.
Wel is er geen twijfel aan of die gelijkheid is in sommige gevallen
door overbrenging van zaden of kiemen te weeg gebragt; maar
ook hij meent, dat er veel waarschijnlijkheid is in de onderstelling
van den heer Snellen, en vestigt bepaaldelijk de aandacht op de
VERSLAG. . CXXIX
gissing van Darwin en Wallace, dat in de zoogenaamde ijsperiode,
door de geologen aangenomen, dier- en plantvormen van de gema-
tigde luchtstreek zich hebben kunnen verbreiden tot de tropische
gewesten, waar zij zich later allengs meer en meer gewijzigd
hebben, maar zoo dat eenige overblijfselen van de oude vormen,
vooral in de hoogere bergstreken zijn overgebleven.
De heer Mr. W. Albarda, ofschoon niet voornemens eenige
wetenschappelijke mededeeling te doen, wenscht van deze gelegen-
heid gebruik te maken, om aan de Vereeniging aan te bieden de
20 eerste deelen van het belangrijke werk van E. A. Zuchold,
Bibliotheca historiae naturalis, in ruil tegen het minder volledige
exemplaar, in de bibliotheek Hartogh Heys aanwezig. De heer
Ritsema betuigt als bibliothecaris zijnen dank voor dit welwillend
aanbod, waarmede de vergadering luide instemt.
De heer A. G. Oudemans Jszn. deelt vooreerst mede dat
Dr. G. Haller te Bern gedurende de laatste jaren zich bijzonder
heeft bezig gehouden met het bestuderen der monddeelen en der
inwendige organisatte van een groot aantal der meest verschillende
Acarina. Dr. Haller kwam tot het resultaat, dat de Acarina in het
bezit zijn van 3 paren kaken, een cephalothorax met slechts
2 paren pooten, en een abdomen met eveneens 2 paren
pooten. Hoe die pootparen op zich zelf er uitzien, doet niets ter
zake, maar in den regel zijn de abdominaal-pooten in habitus ver-
schillend van de cephalothorax-pooten. Bevindt zich, hetgeen zeer
dikwijls het geval is, tusschen de cephalothorax- en de abdomi-
naal-pooten eene groeve, zoodat het lyf als het ware duidelijk in
twee deelen verdeeld wordt, dan blijkt die groeve van invloed te
zijn op de inwendige organisatie; indien er zich echter, hetgeen
veel zeldzamer het geval is, eene groeve vertoont ächter de abdo-
minaal-pooten, — welke groeve door eenige acarinologen aan-
gezien wordt als de ware aanduiding van de grens tusschen cepha-
lothorax en abdomen, — dan blijkt het, dat die groeve van niet
den minsten invloed is op de inwendige organisatie. Die invloed
CXXX VERSLAG.
bestaat voornamelijk in eene vaste scheiding tusschen ware cepha-
lothorax- en ware abdominaal-organen, maar ook zeer dikwijls in
eene zigtbare insnoering op de verdikte plaats van den darm, die
als maag wordt beschouwd. Dr. Haller is ten slotte tot het besluit
gekomen, dat de orde der Acarina, die tot dusver in de klasse
der Arachnoidea is opgenomen, geheel van de Arachnoidea geschei-
den en tot eene afzonderlijke klasse moet worden verheven, die
hij die der Acaroidea noemt. Deze klasse nadert dus tot de hoogere
Crustacea, en het meest tot de Amphipoda. Spreker meent veel
gewigt te mogen hechten aan de door Haller opgenoemde redenen,
en twijfelt er niet aan of velen zullen hunne goedkeuring aan deze
scheiding schenken. Spreker laat, behalve het stukje van Dr. Haller,
getiteld « Die Mundtheile und systematische Stellung der Milben » *)
waarin kortelijk het resultaat van des Schrijvers onderzoekingen is
blootgelegd, ook rondgaan eene vergelijkende tabel van de ledematen
der verschillende groepen onder de Arthrozoa, ontleend aan het
werk van Prof. P. Harting: « Leerboek van de grondbeginselen der
dierkunde» (3e deel, 2e stuk).
Ten tweede deelt Spreker mede, dat door denzelfden Dr. Haller
bij de Ixodidae aan de onderzijde der voorste pooten gehoororganen
zijn ontdekt, bestaande uit twee naast elkander gelegen blaasvor-
mige holten of kamers. In eene dezer kamers bevinden zich alleen
eenige haartjes, in de andere daarentegen een aantal naar het
middelpunt stralende haartjes en twee otolithen. Reeds vroeger
zijn deze twee kamertjes waargenomen , onder anderen door Megnin ,
maar nooit heeft een der waarnemers de ware functie daarvan
begrepen. Ook heeft Dr. Haller bij de Tyroglyphidae, aan de twee
voorste pootparen, kolfvormige, met eene grijze zelfstandigheid ge-
vulde aanhangsels gevonden, die hij als reukorganen beschrijft.
Spreker verzekert, dat hij, terstond nadat Haller’s waarneming
hem bekend was geworden, bij vijf verschillende Ixodidae de twee
kamers en de otolithen en aan vier verschillende Tyroglyphidae de
reukorganen heeft kunnen vinden, zoodat hij de waarneming van
1) Separat-Abdrück aus dem „ Zoologischen Anzeiger” 1881, n°. 88,
VERSLAG. CXXXI
Dr. Haller kan bevestigen, doch hij oppert daarbij de vraag, of
nu deze Acaroidea, al hebben zij analoga van onze ooren en neuzen,
ook werkelijk hooren en ruiken. Deze vraag kan natuurlijk niet
anders dan na een naauwkeurig onderzoek beantwoord worden.
Spreker vertoont afbeeldingen van deze gehoor- en reukorganen.
Daarna vestigt de heer Oudemans de aandacht der leden op het
werkje, getiteld «Die Milben als Parasiten der Wirbellosen in
’s Besondere der Arthropoden, van Dr. G. Haller, dat voornamelijk
voor entomologen bewerkt is.
Vervolgens roept Spreker voor de bestemming van eenige exotische
Chernetidae (Pseudoscorpiones) de hulp in van den heer C. Rit-
sema Cz., die in 1874 in het Tijdschrift voor Entomologie eene
lijst der inlandsche Chernetidae heeft bekend gemaakt.
Ten slotte vermeldt de heer Oudemans 1°. dat hij bezig is met
het bewerken eener lijst van ongeveer honderd inlandsche Acaroidea,
die hij heeft kunnen bestemmen, een klein aantal, dat wel ras
zal aangroeijen; 2°. dat hij, in het verslag der 14e winterverga-
dering, waarschijnlijk ten onregte Analges Hallerii als eene nieuwe
soort beschreven heeft, daar zij welligt identiek is met Analges
bidentatus Giebel, die reeds in 1871, hoewel zeer oppervlak-
kig, beschreven is; welke vergissing voortgesproten is uit de
omstandigheid, dat zijn dvalges Hallerii, naar zijne meening,
een ware Analges pachycnemis is, terwijl Haller den Analges biden-
tatus Giebel onder de Analges Chelopii geplaatst heeft, onder welke
groep naar Sprekers oordeel, zijne vermeende nieuwe soort niet
’t huis behoort.
De heer Piaget zegt, dat hij zich in den laatsten tijd bijzonder
heeft toegelegd op het verzamelen van Tenthredinen en Ichneu-
moniden. Zijn verblijf gedurende een gedeelte van den afgeloopen
zomer te Valkenburg bij Maastricht heeft hem een aantal soorten
opgeleverd, waarvan sommigen niet in de andere provincien ge-
vonden zijn en evenmin vermeld staan in de lijst van uitsluitend
Limburgsche soorten, door den heer Maurissen opgemaakt (zie
blz. cx). Ook zijn terzelfde plaatse door hem vele Diptera
CXXXII VERSLAG.
gevangen, waaronder enkele nieuwe voor de Nederlandsche fauna.
Spreker laat eene lijst rondgaan van de door hem verzamelde
soorten 1).
De heer Everts vestigt de aandacht op de Staphyliniden, door
ieder te herkennen aan den langgestrekten vorm en aan de verkorte
dekschilden, waarom aan de familie den naam Brachelytra is
gegeven. Die korte dekschilden evenwel zijn niet een kenmerk,
dat uitsluitend aan deze groep eigen is, want ook in verscheidene
andere keverfamilien komen soorten voor, bij welke de dekschilden
evenzeer verkort zijn. Spreker zou daarom den naam Brachelytra
liever door dien van Staphylinidae vervangen zien. Z. i. is een
meer uitsluitend kenmerk gelegen in de buitengewoon losse aan-
hechting der achterlijfsringen, waarvan althans de zevende zeer
bewegelijk is; de eerste ring is altijd en veelal ook de tweede
onder de dekschilden verborgen; onder het loopen is het eind des
achterlijfs dikwijls naar boven omgebogen. By de vroeger aange-
nomen verdeeling der Coleoptera naar het aantal tarsenleden
kunnen de Staphyliniden niet onder eene der hoofdafdeelingen
worden gebragt, want onder hen worden, behalve pentamera,
ook tetramera, heteromera en zelfs trimera aangetroffen. In hunne
inwendige organisatie is veel overeenkomst met die der Silphiden
en Histeriden, minder met die der Carabicinen; de verwantschap
met laatstgemelde familie bestaat hoofdzakelijk in den habitus; ook
de larven gelijken veel op die der Carabicinen, maar nog meer op
die der Histeriden. In uitwendigen vorm even als in sommige
bijzondere kenmerken vertoonen vele Staphyliniden eene opmer-
kelijke gelijkenis met sommige Coleoptera uit overigens zeer ver-
wijderde groepen, ongeveer op dezelfde wijze als de Marsupialia
onder de Zoogdieren de karaktertrekken van verschillende andere
familien bezitten. Spreker laat hiervan eenige merkwaardige voor-
beelden zien, als:
1) Deze lijst is als bijlage achter dit verslag gedrukt.
VERSLAG. CXXXITI
Deleaster en. Anthophagus, in habitus overeenkomende met
Odacantha en Dromius (Carabicinen) en ook even vlug in
hunne bewegingen.
Autaha en Falagria, sterk gelijkende op ÆZuplectus (Pselaphiden)
en even als deze onder bladeren en planten te vinden.
Olophrus, in habitus met sommige Choleva’s (Silphiden) overeen-
stemmende en in gezelschap met deze tusschen rottende en
schimmelende plantendeelen levende.
Tachyporus, zeer gelijkende op Leptinus (Silphiden) en met deze
onder afgevallen bladeren te vinden.
Conurus, waarvan de soorten dezelfde spartelende bewegingen
maken als de haar in vorm zeer nabij komende Choleva
sericea F. en met deze onder bladeren en stroo huizen.
Hypocyptus longicornis Payk, die op een’ Agathidium (Silphiden)
gelijkt en met dezen onder schimmelende bladeren woont.
Micropeplus porcatus F., die door de geknopte sprieten en de
eigenaardige sculptuur veel van een Ontkophilus (Histeriden)
heeft en even als deze onder drooge koemest en schimmelende
plantendeelen te vinden is.
Proteinus, met Brachypterus- en Lathrimaeum, met Cereus
(beiden uit de familie der Nitidularien) overeenkomende.
In de tweede plaats vertoont de heer Everts een Geotrupes
stercorarius L., waarvan de regter achterpoot van twee scheenen
is voorzien; dit merkwaardige exemplaar is door den heer Jaspers
gevonden. Spreker voegt daarbij, dat de heer Guicherit hem voor
eenigen tijd een Carabus nemoralis Müll. liet zien, bij welken
volkomen dezelfde abnormaliteit voorkwam.
De heer van Leeuwen spreekt over de soortregten van Cura-
drina Taraxaci Hbn. en Alsines Brahm, die door de vleugeltint en
de kleur der rupsen zouden zijn onderscheiden, maar overigens
in alles gelijk zijn (Zaravaci: rups wit of grijs, vlinder grijze voor-
en witte achtervleugels; — A/sizes: rups geelbruin, vlinder geel-
bruine voor- en donkergrijze achtervleugels). Hij deelt mede dat
hij in den afgeloopen zomer in de gelegenheid is geweest, de
CXXXIV VERSLAG.
ontwikkeling van twee broedsels na te gaan, uit eijeren, gelijktijdig
verkregen van in copulatie aangetroffen vlinders. Het eene dier
broedsels moest, volgens de ouders te oordeelen , tot Zaraxaci worden
gebragt, en het andere tot A/sines. Toch leverden de rupsen geen
onderscheid op. In beide broedsels hadden deze geelbruin tot grond-
tint, in allerlei nuances, tot grijsachtig beenwit toe. Zij ontwik-
kelden zich (tengevolge van het kweeken in de kamer) abnormaal
snel, en leverden nog vóór den winter (October tot eind December)
de vlinders. Daar nu uit eenzelfde broedsel vlinders met lichter en
donkerder achtervleugels zijn gekomen, zouden de eerstgenoemde
exemplaren dus eigenlijk Tarawacı , de laatstgenoemde Alsines moeten
heeten. Hierdoor is derhalve bewezen, wat reeds vroeger door den
heer Snellen (zie Vlinders v. Ned., bl. 446) is vermoed, dat nl.
Taraxacı en Alsines slechts ééne soort uitmaken, welker kleur-
nuances trouwens niet meer uiteenloopen dan bij zooveel andere
vlinders ’t geval is.
Spreker laat eene doos rondgaan, waarin de vlinders, uit
de zoo even genoemde broedsels verkregen, zijn bijeengezet, be-
nevens de ouders waarvan beide broedsels afstammen.
De heeren Snellen en Mr. H. W. de Graaf meenen dat àl de
ter bezigtiging gestelde vlinders tot A/sines behooren en er zich
geen enkele Taravacı onder bevindt.
De heer van Leeuwen antwoordt dat de vlinders tot eene tweede
winter-generatie behooren en dientengevolge wat onbestemder van
tint zijn dan gewoonlijk; dat hij echter in de omstreken van Am-
sterdam, waar deze Caradrinen veel voorkomen, nooit exemplaren
heeft gevangen, die meer dan deze op den naam van Taraxaci
aanspraak zouden hebben; en dat eindelijk, al mogt men ook al
de ter vergadering gebragte vlinders A/sines willen noemen, het
bewijs dat de beide soorten één zijn, toch is geleverd, daar immers
de rups van Alsines nooit wit zou zijn, terwijl in beide zijne
broedsels verscheiden witte rupsen voorkwamen !).
I) Snellen t. a. pl.: „ik zou dan ook niet aarzelen beide soorten te ver-
„eenigen, ware het niet dat.... de omstandigheid, dat ik uit witte en grauwe
„rupsen steeds Zarazaci, uit bruine Alsines verkreeg, mij weerhield,"
VERSLAG. __ CXXXV
De heer Swierstra deelt mede, als Conservator van het Kon.
Zool. Genootschap Natura Artis Magistra, dat genoemd genootschap
in October j. 1. eene hoogst belangrijke verzameling Coleoptera ten
geschenke heeft ontvangen van den heer D. van Ulsen te Kim-
berley (Zuid-Afrika). Volgens den schenkingsbrief is genoemde ver-
zameling bijeengebragt door Dr. Bradshaw gedurende een drie-
jarigen onderzoekingstogt langs de Zambesi-rivier naar de binnen-
landen van dat stroomgebied. Ten gevolge van onoverkomelijke
bezwaren heeft echter Dr. Bradshaw zijne verzamelingen, oorspron-
kelijk bestemd voor het Britsch museum, tot eigen behoud
moeten vervreemden, ten einde zijne terugreis mogelijk te maken.
Spreker brengt hulde aan den schenker, die deze hoogst kostbare
verzameling voor zijn geboorteland en voor de wetenschap in ’t
algemeen, zoo belangeloos heeft gered, en laat eene doos met eenige
der fraaiste en zeldzaamste exemplaren rondgaan, welke door de
Leden met de meeste belangstelling worden bezigtigd.
Verder deelt Spreker mede, dat gedurende de derde expeditie
van het Nederlandsche Noordpoolschip Willem Barentz door den
zooloog tevens Med. Doct. M. Weber, lector aan ’s Rijks univer-
siteit te Utrecht, insecten uit die gewesten zijn medegebragt.
Gelijk bekend is, geschiedde die reis, wat betreft de zoologische
onderzoekingen ten koste en bate van Natura Artis Magistra. Spre-
ker is door de Directie belast met de voorloopige sortering van
het verzamelde. Hij doet met vertrouwen een beroep op de zeer
gewaardeerde hulp van de Leden der Entomologische Vereeniging
voor het onderzoek en de determinatie der zich daarbij bevindende
insecten, waarvan hij een gedeelte ter bezigtiging laat rondgaan.
De heer van der Wulp deelt in de eerste plaats mede, dat
het hem eindelijk gelukt is de bewerking te voltooijen der Argen-
tijnsche Diptera, door hem van ons geacht medelid Prof. Weyenbergh
ontvangen, nadat het hem veel moeite heeft gekost de uitgebreide
en zeer verspreide literatuur over de Amerikaansche T weevleugeligen
bijeen te brengen. Hij heeft nu de vele daaronder voorkomende
nieuwe soorten beschreven, waarvan op dit oogenblik het tweede
CXXXVI VERSLAG.
stuk voor het Tijdschrift ter perse is; hij laat de beide daartoe
behoorende platen, waarvan de eene een twaalftal Anthraciden-
vleugels voorstelt, ter bezigtiging rondgaan.
In de tweede plaats wijst Spreker op een artikel in La Lumière
électrique, Journal universel @électricité, 1881, p. 144, waarop
de heer Guicherit hem opmerkzaam heeft gemaakt, en waarin
wordt gesproken van elektrieke schokken, door insecten veroor-
zaakt. Bij het eene voorbeeld was het een kever uit de familie
der Elateriden, bij het andere eene groote ruigharige rups uit
Zuid-Amerika. Spreker vraagt of iemand der aanwezigen daarvan
vroeger iets gehoord of gelezen heeft 1).
Eindelijk komt de heer van der Wulp nog eens terug op het
voorgenomen plan om eenige doelmatige instructien zamen te stellen
voor het verzamelen, bewaren en verzenden van insecten, met het
doel om uit den vreemde en bepaaldelijk uit tropische gewesten
een beter materiaal ter bewerking te krijgen. Hij is reeds in het
bezit van daartoe betrekkelijke bouwstoffen voor Goleoptera, Lepi-
doptera, Diptera en Araneiden en beveelt zich nogmaals aan ook
voor bijzonderheden hieromtrent betreffende de nog overige insecten-
orden, ten einde weldra in staat te zijn daarvan een geheel te
vormen en dit te laten drukken.
Niemand verder het woord verlangende, sluit de Voorzitter deze
vergadering met een woord van dank aan de verschillende Sprekers
voor hunne mededeelingen.
1) Bij nader onderzoek is het gebleken, dat de verhalen, in het Journal
d'électricité van 1881 opgedischt, ver van nieuw zijn. Blijkbaar zijn zij overge-
nomen uit de welbekende Introduction to Entomology van Kirby en Spence; wij
vinden ze daar terug in de 7de editie (1857) in eene noot op p. 57, bij den
vierden brief (direct injuries caused by insects). Welligt komt deze noot ook
reeds in vroegere uitgaven voor, maar in de Hollandsche vertaling, waarvan
deel I in 1828 verscheen, wordt zij op de corresponderende blz. 100 niet aan-
getroffen. Het verdient opmerking dat sedert omtrent dergelijke eigenschappen
van insecten, niettegenstaande er zooveel aan entomologie is gedaan, naar 't
schijnt, geen waarnemingen meer zijn bekend geworden, hetgeen wel tot twijfel
aanleiding geeft.
LIJST VAN INSECTEN,
in 1881 te VALKENBURG in LIMBURG verzameld
DOOR
Dr. FE PAG wr.
HYMENOPTERA.
Hylotoma pullata L.
» atrata Klug.
» ustulata L.
» femoralis Klug.
» coerulescens F.
Nematus coeruleocarpus Hart.
» lutea Panz.
» ventricosus Mus.
Klug.
Dolerus anticus Klug.
» saxatilis Hart.
» tristis F.
Emphytus cinctus L.
Selandria aethiops F.
» ephippium Panz.
» morio F.
» aperta Hart.
Athalia annulata F.
Allantus marginellus F.
» zonatus Klug.
Macrophya haematopus Panz.
Tenthredo nitida Klug.
Ichneumon fabricator Grav.
» vestigator Wesm.
Ichneumon illuminatorius var.
3 Wesm.
» sugillatorius L.
Amblytelus castigator F.
» subsericans Grav.
» elegans Grav. 1).
Probolus fossorius Grav.
Colpognathus celerator Grav.
Dicaelotus pumilus Grav.
Centeterus confector Grav.
Eristicus clericus Grav.
Cryptus arrogans Grav.
» nigripes Grav.
» titillator L.
» » var. 2 Grav.
» hostilis Grav.
» ? melanoleucus var. 1
Grav.
» spiralis Grav.
Phygadeuon fumator var. Î et
7 Grav.
» tenuiventris Grav.
» abdominator var.
4 Tasch. (= pro-
fligator var. 3
Grav.)
1) De soorten, voor wier naam het teeken * is geplaatst, zijn niet in de
andere provincien van ons land gevangen en evenmin vermeld in de Lijst van
Limburgsche insecten, door Mr. A. H. Maurissen medegedeeld achter het verslag
der zomervergadering van 1881, blz. cx.
10
CXXXVIII
Phygadeuon obscuripes Tasch.
(= abdominator
var. 3 Grav.)
? » vagabundus var. 2
Grav.
si » bitinctus Grav.
» labralis Tasch. (=
jejunator var. 1
Grav.)
. » tenuipes Grav.
a » variabilis Grav.
i » procerus Grav.
cum var. 1 Grav.
> » cretatus Grav.
Hemiteles varitarsus Grav.
» niger Tasch.
Exolytus laevigatus Först.
Pimpla stercorator Grav. var. 2.
» scanica Vill.
» viduata Grav.
Glypta bifoveolata Grav. var. 1.
» haesitator Grav.
» ceratites Grav.
Lissonota cylindrator Vill.
» bellator Grav.
» fracta Grav.
Coelocentrus caligatus Grav.
Phytodietus segmentator Grav.
Mesoleptus Typhae Fourer.
» cingulatus Grav.
» testaceus F.
x » subcompressus Grv.
Euryproctus annulatus Grav.
È » atomator Grav.
4 » chrysostomus Grv.
Perilissus lutescens Holmer.
(= grisescens Grav.)
» pallidus Grav.
- Tryphon rutilator var. 10 Grav.
» incertus Hlmgr. (=
rutilator var. 8 Grav.)
» consobrinus Holmer.
(= rutilator var. 3
Grav.)
» elongator F.
» varicornis Grav.
» brachyacanthus Gmel.
Tryphon segmentorius var. 1
Grav.
» ephippium Hlmgr.
Erromenus brunnicans Grav.
Exochus flavomarginatus
Hlmgr.
Bassus laetatorius F.
» flavolineatus Gr. var.
1 Hlmgr.
» areolatus Hlmgr. (=
sulcator var. 3 Grav.)
» albosignatus var. 4 Grv.
Exetastes illusor Grav.
Ophion luteus L.
Anomalon tenuicorne Grav.
cum var, 2 Gray.
Limneria difformis Grav.
> mutabilis Hlmgr.
» dumeticola Hlmgr.
» obscurella Hlmgr.
» vivida Hlmgr.
» geniculata Grav.
Mesochorus gemellus Hlmgr.
» dorsalis Hlmgr.
» pectoralis Ratz.
Porizon harpurus Schr.
Pristomerus vulnerator Panz.
Elampus Panzeri F.
Hediychrum lucidulum Dahlb.
Chrysis ignita L.
Mellina arvensis var. 1. Dahlb.
Mimesa bicolor Schenck.
» equestris F.
» atra Panz.
Passaloecus turionum Dahlb.
» gracilis Dahlb.
Cerceris 5-fasciata Rossi (=
nasuta Dahlb.)
» labiata F.
Hoplisus 5-cinctus F.
Psen atratus Panz.
Tachytes pompiliformis Panz.
Nysson omissus Dahlb.
Rhopalum tibiale F.
. Diodontus pallipes Panz.
Priocnemis pusillus Schenck.
. Priocnemis variegatus var. c F.
» obtusiventris
Schenck.
» notatus Wesm.
» hyalinatus Dahlb.
» affinis v. d. Lind.
» exaltatus Panz. var.
a Dahlb.
Aporus bicolor Schenck.
Ceropales maculata F.
Pompilus rufipes L.
» concinnus Dahlb.
» spissus Schenck.
» melanarius Dahlb.
» viaticus Dahlb.
» sericeus Schenck.
» pectinipes L.
» dispar Dahlb.
Tiphia femorata F.
Myrmosa melanocephala F.
DIPTERA.
Hormomyia producta Meig.
Sciara Thomae L.
Chironomus riparius Meig.
» dorsalis Meig.
Tipula hortensis Meig.
» truncorum Meig.
Pachyrhina annulicornis Meig.
» Histrio F.
Cylindrotoma glabrata Meig.
Dicranota bimaculata Schumm.
Limnobia modesta Meig.
Limnophila ferruginea Meig.
Erioptera propinqua Egg.
Pachygaster ater Panz.
Chrysomyia formosa Scop.
» polita L.
Beris vallata Först.
Actina tibialis Meig.
Tabanus fulvus Meig.
Leptogaster guttiventris Zett.
Dioctria Reinhardi Wied.
» Baumhaueri Meig.
» Sp.
Laphria gilva L.
CXXXIX
" Asilus geniculatus Meig.
*
» setulosus Zell.
Leptis tringaria L.
Chrysopila nigrita F.
» atrata F.
» aurea Meig.
Scenopinus fenestralis L.
Hybos grossipes L.
Empis lutea Meig.
Hilara maura F.
Porphyrops praerosus Löw.
Xanthochlorus tenellus Wied.
Dolichopus trivialis Hal.
Pipunculus pratorum Fall.
» ruralis Meig.
Psarus abdominalis F.
Chrysotoxum festivum L.
Pipiza carbonaria Meig.
Pipizella virens F.
» annulata Meig.
Chrysogaster metallina F.
Melanostoma mellina L.
Platychirus clypeatus Meig.
Syrphus excisus Zett.
Melithreptus scriptus L.
» nitidicollis Zett.
Xanthogramma ornata Meig.
Paragus lacerus Lòw.
» tibialis Fall. var. trian-
guliferus.
Bacha elongata F.
Volucella bombylans L.
Eristalis tenax L.
Helophilus trivittatus F.
Syritta pipiens L.
Eumerus lunulatus Meig.
Physocephala rufipes F.
Zodion notatum Meig.
Occemyia atra F.
Sicus ferrugineus L.
Gymnosoma rodundata L.
Echinomyia ferox Panz.
Tachina rustica Meig.
>» larvarum L.
Metopia leucocephala Rossi
Thryptocera crassicornis Meig.
Siphona flavifrons Staeg.
CXL
* Clytia tephra Meig.
Phyto lepida Meig.
Morinia nana Meig.
Sarcophaga carnaria L.
» dissimilis Meig.
Graphomyia maculata Scop.
Mesembrina meridiana L.
Pollenia rudis F.
» varia Meig.
Pyrellia cadaverina L.
Cyrtoneura pabulorum Fall.
» curvipes Macq.
Limnophora varians Zett.
Hylemvia variata Meig.
» linogrisea Meig.
Anthomyia humerella Zett.
Homalomyia lepida Wied.
Cordylura albilabris F.
Norellia spinimana Meig.
Helomyza similis Meig.
Dryomyza flaveola Fall.
Sciomyza griseola Fall.
» cinerella Fall.
Tetanocera laevifrons Lòw.
» elata F.
Limnia obliterata F.
» marginata F.
» unguicornis Scop.
Platystoma seminationis F.
Lauxania aenea Fall.
» cylindricornis F.
Sapromyza praeusta Fall.
Sapromyza lupulina F.
» longipennis F.
» rorida Fall.
Trypeta onotrophes Lòw.
» Colon Meig.
Oxyphora miliaria Schr.
Tephritis pantherina Fall.
» dioscurea Lòw.
Nemopoda cylindrica F.
Themira gracilis Zett.
Micropeza corrigiolata L.
Loxocera elongata Meig.
Chyliza atriseta Meig.
Psila fimetaria L.
» nigra Fall.
Meromyza variegata Meig.
» saltatrix L.
» laeta Meig.
Chlorops cereris Fall.
» glabra Meig.
» gracilis Meig.
Oscinis maura Fall.
Notiphila nigricornis Stenh.
» annulipes Stenh.
Discomyza incurva Fall.
Hydrellia griseola Fall.
Scyphella flava L.
Opomyza florum F.
Geomyza combinata L.
* Phyllomyza securicornis Fall.
* Phora iridipennis L. Duf.
ARAEOSTERNUS WIENECKEI N. G. N. SP.
EEN NIEUWE VORM IN DE FAMILIE DER LORICATA ')
DOOR
Dr. J. G. DE MAN.
(Hierbij Plaat 1 en 2).
Deze zeer belangrijke nieuwe vorm, dien ik wegens het smalle
sternum Araeosternus noemen -wil, behoort zonder eenigen twijfel
tot de familie der Loricata (Scyllarinae, Palinurinae) en is, wat zijne
generieke kenmerken aangaat, het naast verwant aan het geslacht
Palinurus Fabr. s. s. (Palinuri communes Edw.), maar wijkt door
den bouw van den cephalothorax, de gedaante van het voorhoof
en van het sternum zoozeer af, dat hij voortaan den type van eene
nieuwe groep naast die der Scyllarinae en Palinurinae vormen moet.
De cephalothorax heeft een verlengde min of meer cylindrische
gedaante; de bovenvlakte is langwerpig rechthoekig, daar de grootste
breedte, die een weinig achter de sutura cervicalis gevonden wordt,
zich tot de lengte verhoudt als 5 : 8; die sutura ligt een weinig
achter het midden en loopt aan weerszijden schuin naar voren en
naar beneden naar het voorste gedeelte van het antennaire sternum ;
suturae branchiocardiales zeer zwak aangeduid; vlak vóór en even-
wijdig aan den gebogen achterrand van de bovenvlakte van den
cephalothorax ligt een zeer diepe gladde sleuf. Het cephalostegiet
of dat deel van de bovenvlakte van den cephalothorax, dat vóór de
sutura cervicalis ligt, is in de richting der lengte gewelfd, het
omostegiet bijna vlak; de geheele bovenvlakte evenwel naar weers-
zijden gebogen, terwijl de zijstreken van het cephalostegiet concaaf
zijn. Zijranden gebogen; die van het omostegiet afgerond, die van
1) Deze beschrijving verscheen ook in de Engelsche taal in de Notes from the
Leyden Museum, tome III. p. 131.
1
À ARAEOSTERNUS WIENECKEI N. G. N. SP.
het cephalostegiet naar voren scherper en eindigend in een scherpen
buitenhoek. Het gewelfde mediane gedeelte van het cephalostegiet
gaat naar voren in het breede driehoekige, een weinig naar be-
neden hellende voorhoofd over, de concave zijdelingsche deelen van
het cephalostegiet daarentegen in de spitse buitenhoeken van het
rugschild. Het voorhoofd wordt van die buitenhoeken door twee
diepe driehoekige insnijdingen gescheiden, waarin de middelmatig
groote oogen liggen, en strekt zich nagenoeg even ver naar voren
uit als de buitenhoeken van het rugschild. Dit laatste draagt geen
doornen gelijk bij de Palinuri, maar de geheele bovenvlakte is zeer
dicht met talrijke kleine dwarsche gele haarbosjes overdekt, die
voornamelijk aan en nabij de zijranden op schubvormige knob-
beltjes gezeten zijn, terwijl er enkele langere haren tusschen ver-
spreid staan. De voorrand van het voorhoofd en de buitenranden
der vermelde insnijdingen, waarin de oogen liggen , zijn een weinig
getand en een kleine mediane reeks van eenige weinige scherpe
tanden bevindt zich op het voorste gedeelte van het voorhoofd. De
zijvlakken van het achterste gedeelte van den cephalothorax dalen
verticaal naar beneden, maar de een weinig concave zijvlakken
van het voorste gedeelte dalen schuin naar binnen en naar be-
neden; ook die zijvlakken zijn met talrijke zeer kleine korte haar-
bosjes bedekt. Het breede driehoekige voorhoofd bedekt geheel en
al de oog- en antennaal-segmenten; het laatste is smal en met
twee kleine gecomprimeerde doornvormige schubben gewapend,
welke een weinig naar elkaar convergeeren.
Buitenste antennen geheel gevormd als bij de ware Palinuri
Fabr. (s. s.), daar de coxoceriten en basiceriten geheel met het
epistoma vergroeid zijn. Een antennaal-schub ontbreekt daarom ook.
Het ischioceriet of basale lid van den steel is met een kleinen doorn
aan den buitenhoek gewapend; de bovenvlakte van achteren con-
caaf, van voren convex, de benedenvlakte gewelfd en een weinig
ruw, de binnenvlakte concaaf en glad; de voorrand der boven-
vlakte met eenige gele haren bezet. Het meroceriet of tweede lid
evenzoo met enkele weinige gele haren bekleed, gelijk ook het
carpoceriet; eindlid of proceriet een weinig korter dan de cephalo-
ARAFOSTERNUS WIENECKEI N. G. N. SP. 3
thorax, in vele leden verdeeld en met lange gele, kransgewijze
geplaatste haren begroeid. Binnenste antennen een weinig onder
de buitenste geplaatst, geheel gebouwd als bij Palinurus Fabr. (s. s.);
het basale lid, het langste van allen, reikt tot het midden van
het carpoceriet der buitenste antennen; het tweede en derde lid
zijn even lang en te zamen zoo lang als het basale, de twee eind-
draden zeer kort, het langere binnenste in vele geledingen ver-
deeld, iets korter dan de gezamenlijke lengte der twee eindleden
en aan beide randen behaard. Epistoma rechthoekig, breeder dan
lang, de voorrand aan weerszijden van eene in het midden aan-
wezige fijne insnijding uitgerand en getand, voor het overige fijn
gekarteld; buitenvlakte van het epistoma met vele kleine fijne
haarbosjes begroeid. Buitenste kaakpooten reikende tot het midden
van het carpoceriet der buitenste antennen, geheel gebouwd als
bij Palinurus Fabr. s. s.; het tweede lid, dat correspondeert met
het basipodiet der looppooten, van een slank exopodiet voorzien,
waarvan het flagellum tot het midden van het vierde lid reikt;
derde lid trapeziumvormig, langer dan breed, hebbende den voor-
rand breeder dan den achterrand, terwijl de binnenrand der smalle
binnenvlakte met negen ef tien scherpe tanden gewapend is, die
naar voren in grootte toenemen; de binnenvlakte van al de leden
met talrijke lange gele haren begroeid.
Sternum langwerpig, rechthoekig, uit vijf segmenten samen-
gesteld, waarvan het eerste of voorste iets minder breed is
dan het tweede, het tweede, derde en vierde bijna even breed
zijn, het vijfde weder zeer smal is, terwijl de beide helften der
bovenvlakte van dit vijfde segment naar elkaar toegekeerd zijn.
Looppooten allen monodactiel; het eerste paar veel dikker en krach-
tiger dan de overigen, en iets verder reikende dan de steel der
buitenste antennen; coxopoditen tegen den voorrand van het eerste
lid van het sternum aanliggend, zoodat hunne binnenvlakten
elkander aanraken en niet van een gescheiden zijn als bij Pali-
nurus; meropoditen nauwelijks reikende tot den voorrand san het
epistoma , samengedrukt met scherpen bovenrand, een weinig
concave gladde binnenvlakte, de buitenvlakte convex en met tal-
4 ARAFOSTERNUS WIENECKEI N. G. N. SP.
rijke kleine haarbosjes overdekt, met langere haren aan de onder-
vlakte en aan den bovenrand, met een zeer kleinen tand aan het
distale einde van den benedenrand. Carpopoditen zeer kort, met
afgeronden bovenrand en gewelfde behaarde buiten- en binnenvlakten.
Propoditen iets langer dan de carpopoditen met convexe buiten- en
binnenvlakten, die met talrijke kleine dwarsche haarbosjes bedekt
zijn, met afgeronden bovenrand , aan den benedenrand met drie of vier
kleine conische doornen gewapend, waarvan de voorste de grootste is
en met vele lange gele haren begroeid. Dactylopoditen zoo lang als de
propoditen, met afgeronden gladden bovenrand, in een krachtigen donker
rooden klauw uitloopend, terwijl zij op de zijden met drie rijen van
dwarsgeplaatste gele haarbosjes begroeid zijn. De overige pooten
nemen naar achteren geleidelijk in lengte af en zijn min of meer
als bij de ware Palinuri gevormd. Coxopoditen van de pooten van
het tweede paar tegen de zijranden van het eerste en tweede
lid van het sternum gelegen; meropoditen zeer gecomprimeerd,
met scherpe boven- en benedenranden met vlakke buiten- en
een weinig concave binnenvlakte; carpopoditen cylindrisch met
afgeronde boven- en onderranden; propoditen bijna tweemaal zoo
lang als de carpopoditen, samengedrukt; dactylopoditen verlengd,
nagenoeg twee derden van de lengte der propoditen lang. Buiten-
vlakten van al die leden met zeer kleine haarbosjes bedekt, terwijl
de boven- en benedenranden met lange gele haren begroeid zijn.
Pooten van het derde paar gelijk aan die van het tweede, hoewel
een weinig korter. Die van het vierde evenzoo aan de twee voor-
gaanden gelijk, hoewel de meropoditen iets minder gecomprimeerd
zijn. Coxopoditen van het vijfde paar van elkander afgescheiden
door het smalle vijfde segment van het sternum, met een kegelvormigen
penis op de ondervlakte; meropoditen cylindrisch; carpopoditen
naar verhouding langer dan die van het vierde paar met een
kleinen schubvormigen tand aan het distale eind van den onderrand.
Gelijk die van het tweede paar, zijn ook de overige looppooten
zeer behaard, met langere gele haren aan de boven- en beneden-
randen der verschillende leden.
Abdomen gelijk aan dat van Palinurus Fabr. s. s., een weinig
ARAEOSTERNUS WIENECKEI N. G. N. SP, 5
langer dan het rugschild; de terga of bovenvlakten der leden zeer
gewelfd, niet gesleufd en met uitzondering van een smal voorste ge-
deelte met talrijke zeer kleine korte haarbosjes begroeid. Pleura van
het eerste segment met een concaven buitenrand en stompe voor- en
buitenhoeken. Voorste gedeelte van de pleura van het tweede segment
met afgeronden voorrand, van het veel grootere achterste gedeelte door
eene driehoekige insnijding afgescheiden; buiten-achterhoek scherp,
buitenrand van voren getand. Pleura van het derde segment ruit-
vormig met een bijna rechten getanden buitenrand, met spitsen
buiten-achterhoek, en bijna rechten achterrand. Pleura van het
vierde en vijfde segment bijna gelijk aan elkaar, vierhoekig, met
afgeronden voorsten buitenhoek, spitsen achter-buitenhoek, en een
kleinen scherpen tand op het midden van den buitenrand. Pleura
van het zesde segment driehoekig met afgeronden voorsten buiten-
rand, met concaven en getanden achterrand. Telson vierhoekig,
een weinig langer dan breed; het voorste gedeelte verkalkt en
met talrijke kleine haarbosjes voorzien gelijk op de terga der
overige segmenten, het overige gedeelte vliezig met talrijke longi-
tudinale rijen van zeer kleine korte haarbosjes. — Achterrand
van het sternum van het eerste segment van het abdomen met
drie tanden gewapend, waarvan de middelste afgeplat en krachtig
is; achterranden der sterna van het tweede en derde segment met
verscheidene kleine zijtanden en een middelsten iets grooteren tand ;
die van het vierde en vijfde segment evenzoo met eenige kleine
scherpe bijna gelijke tanden; sternum van het zesde segment in
longitudinalen zin langer dan de voorafgaande, met drie scherpe
tanden aan weerszijden eener mediane insnijding aan den achter-
rand, terwijl de zijden concaaf en een weinig getand zijn. Binnen-
vlakten der pleura een weinig behaard. Exopoditen der abdominaal-
aanhangsels van het tweede, derde, vierde en vijfde segment
bladvormig, die van het tweede ovaal en toegespitst, die der drie
overigen geleidelijk smaller wordende, allen behaard aan beide
randen; endopoditen van de aanhangsels van het tweede segment
een weinig korter dan de exopoditen, lijnvormig en behaard, die
der overigen rudimentair. Exopoditen en endopoditen van het zesde
6 ARAEOSTERNUS WIENECKEI N. G. N. SP.
segment groot en breed, gelijk bij Palinurus Fabr. s. s. en met
het telson de staartvin van het dier vormende; de bovenvlakte
bedekt met talrijke longitudinale rijen van kleine zeer korte haar-
bosjes, gelijk aan die van de bovenvlakte van het telson.
Afmetingen:
Lengte van het rugschild 82 mm.
Grootste breedte ervan 50 mm.
Afstand der voorste buitenhoeken van het rugschild 28 mm.
Lengte van het abdomen 105 mm.
Lengte van het telson 30 mm.
Lengte der buitenste antennen 85 mm.
Lengte der binnenste antennen 50 mm.
Lengte der voorpooten 110 mm.
Lengte van het sternum 36 mm.
Breedte van het middelste segment van het sternum 18 mm.
Het eenige voorwerp, een mannetje, werd Dr. Wienecke aan-
geboden, toen hij het kleine Ratten-eiland bezocht, nabij Benkoelen
(Sumatra), door een man, die zeide dat het dier door hem in de
zee gevonden was, en ik veroorloof mij aan dezen zonderlingen
kreeft den naam te verbinden van hem, die de verzameling Crus-
taceën van ’s Rijks museum van natuurlijke historie zoo zeer ver-
meerderd heeft.
De familie der Loricata moet dientengevolge voortaan in drie
groepen vervallen, die der Scyllarinen, Palinurinen en Araeoster-
ninen, waarvan de laatste onderscheiden is door het rechthoekige
smalle, naar achteren niet verbreede sternum en den bouw van
het verlengde, min of meer cylindrische en behaarde rugschild,
dat geene doornen draagt, maar met korte haarbosjes versierde
schubben.
PAYLLOTOMA ACERIS KALTENBACH,
IN HARE GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIZE
BESCHREVEN
Dr. J. RITZEMA BOS.
(Hierbij Plaat 3).
Eene vraag door C. Miller in The Entomologists weekly Intel-
ligencer for 1856, blz. 110, gedaan betreffende eene « mysterious
mining larva» is zonder twijfel ontstaan door eene waarneming
aangaande Phyllotoma Aceris, hoewel Miller zelf aan een motrupsje
dacht.
De eerste, die deze soort beschrijft, is Kaltenbach, in de
Verhandlungen des naturhistorischen Vereins der preussischen Rhein-
lande u. Westphalens, 13° Jaargang (1856), bl. 257.
Verder wordt zij door M’Lachlan onder denzelfden naam, maar
als nova species, beschreven in The Entomologists monthly Maga-
zine, Vol. IV (1867—68) bl. 104, terwijl Charles Healy in
hetzelfde deel (bl. 105—107) het een en ander omtrent bouw en
levenswijze der larve meedeelt.
Kaltenbach noemt haar en beschrijft haar zeer beknopt in die
Pflanzenfeinde aus der Klasse der Insekten (A874), op bl. 9.
Eindeljk heb ik zelf de larven van deze soort, in hare cocons
besloten, vertoond op de 35° zomervergadering der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging (zie het verslag van die vergadering in
het Tijdschrift voor Entomologie, deel XXIV, bl. xvi.
Ziedaar al wat ik aangaande de literatuur van dit insect kon
machtig worden. Al de aangehaalde artikels bevatten niets dan
korte beschrijvingen van het volwassen insect, met doorgaans nog
8 PHYLLOTOMA ACERIS KALT. IN HARE
meer beknopte mededeelingen aangaande den bouw en de levenswijze
der larven. Afbeeldingen van Phyllotoma Aceris schijnen nog niet
te bestaan. Daarom acht ik het niet van belang ontbloot, mijne
waarnemingen aangaande deze bladwesp, van afbeeldingen vergezeld,
in dit Tijdschrift te publiceeren, te meer, omdat Phyllotoma een
in vele opzichten merkwaardig geslacht is, waarvan nog maar
weinige soorten tot heden in hare levenswijze nauwkeurig zijn gade-
geslagen.
Ook op dit gebied heeft de onvergetelijke Snellen van Vollen-
hoven het begin gemaakt. Van zijne hand zijn de beschrijving en
afbeelding der verschillende ontwikkelingstoestanden van PAyllo-
toma melanopyga Kl., welker larve in de elzenbladeren mineert
(Tijdschr. v. Entom. IX, bl. 196, pl. 8) en die van de in
berkenbladeren zich ontwikkelende Phyllotoma tenella Zadd.
(Tijdsehr. v. Entom. XVII, bl. 39, pl. 4). Nog vermeldt
Snellen van Vollenhoven eene soort, bij den Haag waargenomen,
door hem PA. pinguis genoemd, en beschreven op bl. 421 van
deel XII van het Tijdschr. v. Entom., afgebeeld op pl. 3 van
datzelfde deel, maar waarvan hem de levenswijze niet bekend werd.
Ten slotte maakt hij in hetzelfde deel van het Tijdschr. v. Entom.
(bl. 122) nog melding van eene zeer kleine bladwesp, die hij
ontvangen had, en welke, wat de sprieten betreft, eene Phyllo-
toma, wat de vleugels aangaat, eene Fenusa is.
Het bovenstaande is zeker voldoende om te bewijzen, dat
Phyllotoma’s in ons land niet dicht gezaaid schijnen, wat betreft
het aantal soorten. Ook wat aangaat het aantal exemplaren , waarin
de meeste soorten hier voorkomen, kan men constateeren, dat
dit niet groot is. Slechts PAyllotoma melanopyga schijnt vrij algemeen
verspreid te zijn, want volgens Snellen van Vollenhoven’s opgaven
vond men haar te Rotterdam, te Leiden en te Amersfoort, terwijl
ik zelf haar aantrof te Warffum, te Groningen, nabij Ruurlo en
te Wageningen.
Toen ik nu het vorige jaar in staat werd gesteld, de levenswijze
van eene voor onze fauna nieuwe en over ’t geheel nog slecht
gekende Phyllotoma-soort na te gaan, heb ik van deze gelegenheid
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE. 9
gebruik gemaakt. Dit artikel, waarin ik mijne waarnemingen
mededeel, kan dus eenigszins worden beschouwd als een eerste
vervolgstuk op Snellen van Vollenhoven’s monographieén van
inlandsche bladwespen.
In de laatste dagen van Juni 1880 zond mij de heer E. van
den Bosch te Goes eene menigte lensvormige, op zaadjes gelijkende
lichaampjes met cirkelronden omtrek, van welke de diameter 6 à 7
mm. bedroeg. Hunne oppervlakte vertoonde aan den eenen kant een
zeer dicht, zijdeachtig, blinkend spinsel, terwijl de andere kant
werd gevormd door de opperhuid van een blad. Door het spinsel
heen kon men eene larve zien, die het inwendige van het lens-
vormige lichaampje innam en door hare krachtige bewegingen
gedurig het geheele ronde lichaampje deed opspringen tot eene
hoogte van 5 à 10 mm. Deze zonderlinge bewegingen hadden de
aandacht getrokken van hen, die ze in den Wilhelminapolder in
grooten getale onder eschdoornboomen hadden gevonden.
Het bleek mij spoedig, dat de binnen de meergenoemde lens-
vormige lichaampjes levende larven waren die van Phyllotoma
Aceris Kaltenbach, welke o. a. in Kaltenbach’s Pflanzenfeinde,
zij het dan ook niet zeer volledig, beschreven worden. Ik verzocht
den heer van den Bosch om bladeren van de eschdoornboomen ,
waaronder de lensvormige lichaampjes waren gevonden, ten einde
de beschadiging te kunnen nagaan, welke zij dezen bladeren
aandoen. Voorts trachtte ik de larfjes tot verdere ontwikkeling
te brengen, wat mij met een zestal exemplaren mocht gelukken.
Rekent men echter, dat ik in den loop van den vorigen zomer
zeker over een paar honderd lensvormige lichaampjes kon beschik-
ken, en dat ik voortdurend nauwgezet voor het welzijn hunner
bewoners zorgde, dan is dit resultaat gering. Trouwens Kaltenbach
zegt: « Die Zucht ist schwierig und mir meist misslungen. »
Ik deel nu eerst mede wat mij aangaande de levenswijze van
Phyllotoma Aceris, 100 door beschouwing van het mij toegezonden
materiaal als uit de mededeelingen van Kaltenbach en Healy is
bekend geworden, en ga vervolgens over tot de beschrijving van
10 PHYLLOTOMA ACERIS KALT. IN HARE
deze soort in hare drie toestanden van imago, pop en larve.
LEVENSWIJZE. De volwassen bladwespen kwamen bij mij uit tus-
schen 24 April en 2 Mei, dus op een’ tijd, waarop bij het
schrale, gure voorjaarsweder van 1881, nog slechts zeer weinige
eschdoornblaadjes waren te zien. Buiten zouden zeer zeker de
imagines wat later zijn uitgekomen; dat ze zich in mijn labora-
torium wat sneller hebben ontwikkeld, moet natuurlijk worden
toegeschreven aan de hoogere temperatuur, die daar doorgaans
heerschte. In de meeste jaren echter zal men zeker ook buitens-
huis den gewonen tijd van het uitkomen der imagines wel op het
begin van Mei mogen stellen, den tijd, waarop doorgaans reeds
de eschdoorns met hunne meeste bladeren prijken. — Hoewel ik
een tijdlang een paar mannelijke en een paar vrouwelijke blad-
wespen met elkaar hield opgesloten in eene ruimte, waarin ik
eenige van bladeren voorziene, in water geplaatste eschdoorntakjes
had gebracht, zoo mocht het mij toch niet gelukken de paring
of het eierleggen waar te nemen. Afgaande op het feit, dat —
zooals in mijne fig. 1 is te zien — doorgaans de uitgevreten
plaatsen van het blad aan eene der hoofdnerven beginnen, zoo
geloof ik fe mogen aannemen, dat de vrouwelijke PAyllotoma
Aceris door middel van hare zaagvormige legboor in het blad eene
opening maakt in de onmiddellijke nabijheid van eene of meer van deze
hoofdnerven, en door deze opening haar eitje in het bladmoes
brengt. Het larfje moet zonder twijfel spoedig uit het ei komen,
en bovendien nog snel groeien, daar het meestal reeds vóór het
einde van Juni volwassen is. De platte PAyllotoma-larve mineert in
de bladeren; zij vreet het bladmoes weg, maar laat de beide
opperhuiden en de nerven met hare vertakkingen ongeschonden.
Zij laat zich in het mineeren niet zeer storen door de aanwezig-
heid van tamelijk zware nerven, hoewel zij nooit hare knaag-
ruimte aan weerskanten van eene hoofdnerf doet uitstrekken,
en — zooals bij eene beschouwing van fig. 1 zal blijken — ook
de nerven van den tweeden rang niet vaker dan noodig is, over-
schrijdt. Doorgaans strekt zich eene knaagruimte uit tusschen twee paar
TRE
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE. 14
of tusschen drie paar zulke nerven van den tweeden rang. Dikwijls
mineeren drie of vier, ja soms vijf tot tien larven in een enkel
blad, hetwelk weldra overal, waar de larve zich heeft opgehouden,
bijkans geheel witte plekken vertoont, gevormd door niets anders
dan de beide opperhuiden. Later worden deze doorschijnende
witte plekken doorgaans donkerder; want bij bevochtiging der
bladeren door dauw of regen vervloeien de excrementen der larve,
die anders uit fijne korreltjes bestaan, en kleuren aldus de plekken
bruin. Is nu de larve volwassen, dan vreet zij nog eene cirkel-
ronde plek uit van + 6 mm. diameter, aansluitende aan het
reeds uitgevreten gedeelte des blads, en spint daarbinnen eene
lensvormige cocon om zich zelve heen; maar vóór deze gereed is,
bijt zij met hare kaakjes de bovenste opperhuid van het blad
langs den rand van de cocon door. Deze bovenste opperhuid blijft
aan de cocon kleven, wanneer deze laatste van het blad afvalt. Het
blad, dat overigens over bet uitgevreten gedeelte alleen uit de
twee opperhuiden bestaat, vertoont dan op de cirkelvormige plaats,
waar de larve het laatst leefde, niets meer dan eene enkele
opperhuid nl. de benedenste (zie fig. 1). De cirkelronde cocons,
die aan den eenen kant bekleed zijn met een stukje blad-epidermis ,
waaraan eenige nerven zijn vastgehecht, blijven op den grond
liggen, maar kunnen zich nog altijd meer of min van de eene
naar de andere plaats bewegen, ’t zij actief, door sprongen —
gelijk reeds boven werd vermeld —, ’tzij passief, bijv. door den
wind. In de figuren 2 en 3 vindt men eene cocon op de dubbele
grootte afgebeeld; in fig. 2 ziet men den kant, waaraan de opper-
huid is bevestigd, in fig. 3 de zijde, waar geen blad-epidermis
zich over heen uitstrekt, zoodat men door het spinsel van de
cocon heen de larve kan onderscheiden. Zoowel in fig. 2 als in
fig. 3 is aan den gekartelden rand der cocon zichtbaar de eigen-
aardige wijze, waarop de bastaardrups het cirkelvormige stuk
epidermis uitvreet.
Boven reeds deelde ik mede, dat mij de meergenoemde lens-
vormige lichaampjes werden toegezonden in de laatste dagen van
Juni. Toen reeds hadden de bastaardrupsjes opgehouden te vreten,
12 PHYLLOTOMA ACERIS KALT. IN HARE
en waren ze dus volwassen. In mijn laboratorium kwamen de
bladwepen in het laatst van April en het begin van Mei te
voorschijn; en reeds werd er door mij op gewezen, dat ze in de
vrije natuur zeker later zouden zijn uitgekomen. Neemt men nu
ook al aan, dat de bladwespen al zeer spoedig gaan paren en
eierleggen, en dat na zeer weinige dagen reeds uit de eieren de
bastaardrupsen voor den dag komen, dan blijkt het toch in ieder
geval, dat de larve van Phyllotoma Aceris hare groei-periode in
minder dan twee maanden doorloopt. Daarna volgt eene periode
van rust, die den geheelen winter duurt. In Maart en de eerste
helft van April opende ik enkele cocons, en vond daarin nog
steeds onveranderde bastaardrupsen. Op 24 April, toen de eerste
twee bladwespen voor den dag kwamen, vond ik nog in sommige
cocons onveranderde bastaardrupsen, maar ook in eene enkele
cocon eene pop, welke door mij in fig. 7 is afgebeeld. Het blijkt
dus, dat de poptoestand in slechts weinige dagen wordt door-
loopen.
Uit de vergelijking van de leefwijze van Phyllotoma Aceris met
die van Ph. tenella en Ph melanopyga, welke Snellen van
Vollenhoven ons heeft geschetst, blijkt, dat alle drie soorten als
bastaardrupsen mineeren, en zich — als ze volwassen zijn — in
eene lensvormige cocon insluiten, maar dat P%. Aceris de eenige
der inlandsche soorten is, welker cocon n'et in het blad, in de
ruimte tusschen de bovenste en de benedenste opperhuid, blijft
zitten.
Ik heb thans bij de afbeeldingen van PAyllotoma Aceris in hare
onderscheidene ontwikkelingstoestanden (zie fig. 4—12) de volgende
beschrijvingen te voegen.
BESCHRIJVING VAN DE BLADWESP. Lengte 4.5 à 5 mm.; het
mannetje is doorgaans iets kleiner dan het wijfje. Kop, als bij
alle Phyllotoma’s, veel meer breed dan lang, minstens 23 maal
zoo breed. Vlak naast de oogen is de voorkant van den kop meer
of min ingedrukt, terwijl het midden van dien voorkant, tusschen
de beide tamelijk ver van elkaar geplaatste sprieten, weer iets
meer naar voren uitsteekt. De sprieten zijn zoo lang als kop en
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE. 43
borststuk samen, overal ongeveer even breed, en bestaan uit 12
leden (zooals Kaltenbach vermeldt, niet 11 leden, zooals M’Lachlan
opgeeft), van welke de eerste drie zeer kort zijn, en het vierde
langer is dan deze eerste drie te zamen; de volgende leden der
sprieten nemen zeer geleidelijk in lengte af (vgl. fig. 9). De kleur van
de antennen is zwart; de voorste leden vertoonen bij sommige
individu’s aan den benedenkant eene eenigszins bruinachtige tint.
Alle leden zijn zwak behaard. — De oogen zijn zeer groot, bij-
kans bolvormig, grijsachtig van kleur. De kop is geheel zwart,
behalve eene streep, aan den binnenkant van ieder oog loopende,
welke streep zich echter bijkans alleen aan de onderzijde uitstrekt ,
en slechts even aan den voorkant der bovenzijde zichtbaar is. De
twee tamelijk dikke basale leden van de onderkaakstasters zijn
grootendeels zwart, maar wit geringd; de eindleden zijn vuilwit.
De onderlip is geelwit met bruine randen; de onderlipstasters zijn
ook geelwit, maar hun eindlid is donkerbruin. De kleur van het
borststuk is, evenals die van het achterlijf, glimmend zwart
zoowel aan de rug- als aan de buikzijde. Alleen de aanhechtings-
plaatsen der heupen zijn vuilwit van kleur. Borststuk en achterlijf
zijn geheel onbehaard.
Van den bouw der pooten kan fig. 10 een denkbeeld geven,
waar een voorpoot is afgebeeld. De betrekkelijk breede heupen
zijn glimmend zwart, behalve hare aan den dijring aansluitende
uiteinden, welke witachtig zijn. De smallere dijring is insgelijks
op zijne basale helft zwart, overigens witachtig. De dij is zwart,
behalve het aan de scheen grenzende, dat alweer vuilwit is,
terwijl van de scheen het eerste vierde gedeelte insgelijks vuilwit,
maar het overige zwart is. De voeten, waarvan het eerste lid
langer dan de andere en het laatste ovaal van vorm is (vgl. fig.
10), zijn bruinzwart, maar schijnen door geelwitte haartjes wat
lichter van kleur. De klauwtjes aan het uiteinde van den voet
en die aan het uiteinde der scheen zijn matig groot.
De vleugels zijn donker rookkleurig, hier en daar met rood-
achtigen of blauwachtigen weerschijn. Vóór- en achtervleugels
blijken bij vergrooting zwak te zijn behaard (zie fig. 8, 11 en
14 PHYLLOTOMA ACERIS KALT. IN HARE
12). De radius der voorvleugels is stevig en zeer donker bruin;
hij wordt naar het stigma toe dikker. Het stigma zelf is ovaal,
zeer breed en dik, insgelijks donkerbruin. De cubitus is ook van
dezelfde kleur en sterk ontwikkeld. De ruimte tusschen radius en
cubitus is zeer gering. Het aantal radiaalcellen bedraagt 2; het
aantal cubitaalcellen 3. De verdere bijzonderheden betreffende het
verloop der nerven in voor- en achtervleugels kunnen blijken uit
fio. 11 en 12. Slechts wil ik nog doen opmerken, dat de
laatste der nervi mediani niet — zooals de beide andere — zich
in rechte richting uitstrekt, maar zich eerst naar de voorlaatste
middenader heen buigt, om zich vervolgens er weer van af te
begeven. Fig. 11 en 12 zijn met behulp van de camera lucida
geteekend, en geven dus een trouw beeld van de werkelijkheid.
Vergelijking van deze figuren met die, welke Snellen van Vollen-
hoven geeft van Phyllotoma tenella (Tijdschr. v. Entomologie,
XVII, pl. 4, fig. 11 en 15) en van Ph. melanopyga (Tijdschr.
v. Ent. IX, pl. 8, fig. 5) bewijst, dat tusschen het aderbeloop
der vleugels van de onderscheidene Phyllotoma’s eenige verschillen
bestaan, en dat bepaaldelijk bij PA. Aceris dit aderbeloop meer
volledig is dan bij de beide vroeger in dit Tijdschrift beschreven
soorten.
BESCHRIJVING VAN DE POP. Hierover kan ik kort zijn. Ik heb
haar in fig. 7, van de buikzijde gezien, afgebeeld. De kleur is
geelachtig wit, behalve de oogen, die donker grijsbruin zijn en het
basale lid der sprieten met drie daaraan grenzende leden, welke
bruin van kleur zijn. De lengte van de pop is ongeveer die van
de wesp.
BESCHRIJVING VAN DE BASTAARDRUPS. Charles Healy heeft in deel
IV van The Entomologists monthly Magazine, bl. 105, eene be-
schrijving geleverd van de bastaardrups in de verschillende perioden
van haar kortstondig leven. Ik kan slechts de volwassen larve
„afbeelden en beschrijven, daar jongere voorwerpen niet in mijne
handen kwamen. Alle PAyllotoma-larven zijn plat van lichaam en
bezitten slechts weinig ontwikkelde pooten, zoo borst- als buik-
pooten. Beide eigenschappen staan natuurlijk in verband met de
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE. 45
levenswijze. De pooten worden door de larven slechts zeer weinig
gebruikt; en alleen een dier met een gedeprimeerd lichaam kan
wonen in de enge ruimte tusschen de beide opperhuiden van
een blad. Ja zelfs reeds het platte lichaam der Phyllotoma-larve
doet de wanden der cirkelronde cocon, in welke zij vertoeft, in
het midden uitzelten , zoodat deze cocon lensvormig wordt.
De volwassen bastaardrups is 6 à 7 mm. lang en bestaat uit
een breeden, korten, meer of min ovalen kop, waarop drie
tamelijk breede borstringen volgen, terwijl de 10 achterlijfs-
segmenten naar achteren toe langzamerhand smaller worden. De
kleur van het geheele dier is wit, op de meeste deelen eenigszins
naar het blauwgrijze, maar hier en daar ook iets naar het gele
overhellende. Slechts de monddeelen met hunne aanhangselen en
de borstpooten zijn door hunne chitine-afzetting bruinachtig ge-
kleurd. De sprieten (fig. 5) zijn breed van basis en vierledig. Den
bouw der monddeelen heb ik niet verder nagegaan. De borstpooten
bestaan slechts uit twee leedjes, waarvan het eerste breed, het
tweede smaller en naar het uiteinde toe eenigszins puntig is,
zonder een eigenlijk klauwtje te vormen (vergel. fig. 4 en 6).
Zooals uit fig. 4 blijkt, zet zich de buikzijde der segmenten van
het borststuk aan weerskanten in een eenigszins chitineus aan-
hangsel voort, waaraan de borstpooten zijn bevestigd. De zeven
paar gewone buikpooten zijn zeer klein en niets anders dan korte,
stompe, natuurlijk ongelede lichaams-aanhangselen. De beide naschui-
vers, aan het laatste achterlijfssegment geplaatst, zijn tot een wratje
met elkaar vergroeid. Voor de beschrijving van de bastaardrups in
hare vroegere toestanden, moet ik naar de bovenvermelde mede-
deelingen van Charles Healy verwijzen. Ik wil slechts doen op-
merken, dat — volgens dezen onderzoeker — bepaaldelijk bij de
pas uit het ei gekomen bastaardrupsjes de kop, de rugzijde van
het eerste en het tweede segment van het borststuk en de buik-
zijde van al de borst- en ook die van de eerste achterlijfssegmenten
donkerbruin of zwart gekleurd zijn door eene sterke chitine-afzet-
ting. Ook na de eerste vervelling blijven de bruine teekeningen
bestaan; maar na de tweede vervelling zijn ze veel minder dui-
16
PHYLLOTOMA ACERIS KALT.
delijk geworden, en na de derde vervelling, wanneer de larve
volwassen is geworden, zijn ze geheel verdwenen, op de bruine
teekeningen van de monddeelen na.
bo
Verklaring van de afbeeldingen.
Gedeelte van een blad van Acer pseudo-platanus, op twee
plaatsen uitgevreten door eene larve van Phyllotoma Aceris,
ook de plaatsen vertoonende, waar de cocon heeft gezeten.
Eene cocon, waarbinnen de larve van Phyllotoma Aceris, van
boven gezien. Men merkt op dat de bovenwand gevormd wordt
door de opperhuid van het blad van den ahorn.
Eene cocon, waarbinnen dezelfde larve, maar gezien van be-
neden. Men merkt op, dat de benedenwand wordt gevormd
door een eenigszins doorschijnend spinsel, waardoorheen de
larve doorschemert. — Fig. 2 en 3 zijn op de dubbele
grootte afgebeeld.
Volwassen larve van Phyllotoma Aceris, uit de cocon geno-
men en aan de buikzijde bezien.
Spriet
ti van bovengenoemde larve, sterk vergroot.
Pop van Phyllotoma Aceris, vergroot.
Imago van dezelfde soort, vergroot.
Spriet
Voorpoot |
Voorvleugel
Achtervleugel
van het volwassen insect, zeer vergroot.
DESCRIPTIONS
OF
NEW OR IMPERFECTLY KNOWN SPECIES
OF
ICHNEUMONES ADSCITI,
BY
J. O. WESTWOOD M. A, F.L. S.
Hope PROFESSOR OF ZOOLOGY IN THE UNIVERSITY OF OXFORD.
In this memoir, which I have ventured to regard in the light
of a monument dedicated to the memory of my late friend S. C.
Snellen van Vollenhoven (whose love for the insects of the family
Ichneumonidae has been fully manifested in the pages of the
Tijdschrift voor Entomologie), I have brought together descriptions
and figures of some of the most remarkable species of the group
with which I am acquainted. I regret that of some of the species
I have not been able to give an analysis of the parts of the
mouth, the individuals at my disposal being often unique.
SYNOPSIS OF THE SPECIES DESCRIBED IN THIS MEMOIR.
4. Snellenius Vollenhovii Westw. (New Guinea).
2. Agathophiona fulvicornis Westw. (Mexico).
3. Agathirsia rufula Westw. (Mexico).
»
»
22.
24.
25.
»
»
»
»
»
»
»
DESCRIPTIONS OF
. Agathirsia rufiventris Westw. (Mexico).
proxima Westw. (Mexico).
fulvo-castanea Westw. (Mexico).
. Agathona sericans Westw. (Mexico).
. Agathilla fulvo-picta Westw. (Mexico).
. Myosoma pennipes Westw. (Amazons).
Euscelinus sarawacus Westw. (Borneo).
. Spinaria armator Fabr. (Sumatra, Java).
sulcator Smith (Gilolo).
spinator Guér. (Bengal).
fuscipennis Brullé (China, Java).
attenuata Westw. (Borneo).
leucomelaena Westw. (Siam).
dimidiata Westw. (Ceram).
suliana Westw. (ins. Sula).
. Cenocoelius cephalotes Smith. (Makassar).
insidiator Smith. (Mysol).
amazonicus Westw. (Amazons).
gerasinorum Westw. (Minas Geraes).
columbianus Westw. (Columbia).
neglectus Westw. (Brazil).
sexnotatus Westw. (Amazons).
bifasciatus Brullé. (Para).
nigriventris Cresson. (Cuba).
Stenophasmus ruficeps Smith. (Aru).
apicalis Westw. (Borneo).
femoralis Westw. (ins. Mysol).
. Streblocera fulviceps Westw. (England).
»
longiscapha Westw. (England).
ICHNEUMONES ADSCITI. 19
Genus SNELLENIUS Westw.
Genus novum venis alarum anticarum fere ut in genere Miero-
gastro Latr. dispositis, antennis autem, omnino in familia, insolitis.
Caput parvum, mesonoto dimidio angustius, sub-orbiculatum ;
elypeus convexus; labrum brevissimum semicirculare. Palpi maxil-
lares modice elongati, articulis 4 apicalibus fere «que longis,
basali? brevissimo. Antenne alis paullo longiores, 17-articulatæ,
articulo primo crassiori, reliquis subquadratis latis, planis, e medio
ad apicem sensim angustatis. Thorax magnus oblongus, antice
rotundatus, capite multo major; mesonoto gibboso, postscutello
biimpresso; metanoto sculpturato, linea media elevata, fossulis
duabus prope angulos posticos impresso. Abdomen parvum,
thorace multo minus petiolo longitudinaliter sulcato, parte postica
obovali. Ale magne, antice stigmate magno elongato, postice
acuminato; area marginali unica, postice attenuato; area prima
submarginali e discoidali vena distincta obliqua separata, area
secunda submarginali minuta semiovali, angulo basali postico areæ
marginalis connexa, area tertia submarginali magna, ad apicem
ale extensa. Pedes satis robusti, femoribus et tibiis pedum 2
posticorum compressis.
Species unica, SNELLENIUS VOLLENHOVII Westw. (Tab. 4, fig. 1—4).
Niger, capite et thorace obscuris subvelutinis, abdomine nitido ;
pedibus anticis fulvis tarsis nigricantibus; alis fuscis, area prima
submarginali et basi cellule contigua pellucidis.
Long. corp. 7 mm.; expans. alar. antic. ?/, unc.
3
Habitat in Nova Guinea (Wallace). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
Memorie Dom. S. C. Snellen van Vollenhoven, Entomologi
peritissimi et indefessi, qui insecta, præsertim ordinis Hymeno-
pterorum et familie Ichneumonidarum elucidavit, hoc insectum
persingulare animo merenti dedicavi.
Genus AGATHOPHIONA Westw.
Corpus maris elongatum, abdomine longo, compresso, ad apicem
sensim clavato, petiolo et segmento secundo thoracem longitudine
20 DESCRIPTIONS OF
æquantibus; lobis duobus corneis compressis apicalibus segmento
precedenti haud longioribus. Caput transversum, antice angustius,
Jateribus pone oculos rotundatis. Antenne corporis longitudine.
Labrum breve transversum. Mandibulæ curvate apice profunde
bifido. Maxillæ elongatæ graciles, lobo externo longitudine stipitis,
ciliato; palpi maxillares longi gracillimi 5-articulati, articulis fere
longitudine æqualibus, externis gracilioribus (an articulus basalıs
minutissimus mihi non obvius?). Mentum maxillarum longitudine,
labium longissimum bipartitum , lobis filiformibus, rostrum gracil-
limum inflexum mento plus quam quadruplo longius efformans;
palpi labiales gracillimi 4-artieulati, articulis æque longis, apicalibus
gracilioribus. Thorax obovatus, capitis latitudine æqualis. Ale
colorate, anticæ cellulam parvam secundam submarginalem carentes,
area prima submarginali cum discoidali effusa.
Species unica, AGATHOPHIONA FULVICORNIS Westw.
(Tab. 4, fig. 5—13).
Nigra, nitida, antennis (articulis duobus basalibus nigris exceptis)
fulvis; pedibus nigris, tarsis fusco-luteis, tibiis duabus posticis
fuscis; alis nigro-fuscis, venis nigris.
Long. corp. lin. 2!/,; expans. alar. antic. lin. 12.
Habitat in Mexico, San Angel (D. Coffin). In mus. Hopeiano
Oxoniæ (olim nostro).
Genus AGATHIRSIA Westw.
(Microdus p. Cresson).
Praecedenti affine. Differt statura breviori magis compacta,
abdomine thorace minori, oviductu abdominis longitudine, valvis
apice crassioribus. Antenna corporis longitudine æquales aut bre-
viores. Corpus glabrum, caput vertice sulcato. Mandibulæ falcatæ
apice acuto. Maxillæ graciles, lobo apicali stipite æquali. Palpi
maxillares ut videtur 6-articulati, articulis apicalibus sensim
attenuatis, basali minuto. Labium elongatum gracillimum bilaci-
niatum , rostrum sub pectore inflexum formans. Alæ anticæ modiocres ,
area prima submarginali eum discoidali effusa, secunda minuta
ICHNEUMONES ADSCITI. 91
subtrigona supra petiolata. Oviductus exsertus abdominis longi-
tudine æqualis, valvis lateralibus apice dilatatis.
Obs. 1. In individuis nonnullis rudimenta venulæ inter areas
primam submarginalem et discoidalem extant.
Obs. 2. Congenericus videtur Microdus thoracicus Cresson (Proc.
Amer. Ent. Soc. IV p. 181).
Species 1. AGATHIRSIA RUFULA Westw. (Tab. 5, fig. 14).
Fulvo-rufescens, nitida, facie nigra aureo-setosa, labro aurantio,
vertice utrinque impresso, Jateribus pone oculos rotundatis, lævibus,
rufis; antennis dimidio basali rufis, apicali nigris; labio palpis
labialibus vix duplo longiori; thorace antice, regione scutellari
et metanoto nigris, hoc utrinque circulariter impresso; abdomine
fulvo-rufescente, segmento primo in medio sulcato, segmento
penultimo nigro; pedibus rufo-fulvis, tarsis flavescentibus; alis
obscure flavescentibus, versus apicem paullo obscurioribus, stig-
mate venisque fuscis (mas).
Long. corp. lin. 4; expans. alar. antic. lin. 8.
Habitat in Mexico prope Chapultipec (D. Coffin). In mus.
Hopeiano Oxoniæ (olim nostro).
Species 2. AGATHIRSIA RUFIVENTRIS Westw. (Tab. 5, fig. 5—8).
Praecedenti simillima et forsitan sexus alter ejusdem; capite et
thorace nigris nitidis, facie utrinque prope os luteo-sericea; labro
flavo; labii lobis valde elongatis, palpis labialibus fere triplo
longioribus; antennis fulvis, articulo basali et dimidio apicali
nigris; abdomine segmento basali ad basin nigro nitido, tota parte
reliqua rufa, nitida; oviductu abdomine paullo longiori, valvis
nigris, setosis, ad apicem incrassatis; pedibus rufis; alis anticis
thorace et abdomine simul sumptis longitudine æqualibus, fusco-
luteis, stigmate nigro, venis fuscis (foemina).
Long. corp. lin. 4; ovid. lin. 3; expans. alar. antic. lin. 8.
Habitat in Mexico (D. Coffin). In mus. Hopeiano Oxoniæ (olim
nostro):
22 DESCRIPTIONS OF
Species 3. AGATHIRSIA PROXIMA Westw.
A. rufiventris fœminæ proxima, differt capite et thorace obscure
castaneis, labro concolori, antennis et pedibus fulvis, illis pone
medium nigris; abdomine rufo, valvis oviductùs nigris, pone
medium parum dilatatis, ante apicem sensim acuminatis; labii
lobis valde elongatis, palpis labialibus fere triplo longioribus, alis
parum lutescentibus, apice obscurioribus, stigmate nigricante,
venis fuscis.
Long. corp. lin. 4; expans. alar. antic. lin. 71/,.
Habitat in Mexico (D. Coffin). In mus. Hopeiano Oxoniæ
(olim nostro).
Species 4. AGATHIRSIA FULVO-CASTANEA Westw. (Tab. 5, fig. 9 et 10).
A rufiventri fem. simillima. Tota fulvo-castanea, metanoto
convexo, luteo-setoso; antennis pone medium nigris; valvis ovi-
ductùs nigris setosis longitudine abdominis; mandibulis castaneis
apice nigris; maxillis, mento et labio nigris, hoc in lobis duobus
filiformibus, vix mento longioribus diviso (Tab. 5, fig. 9, 10);
palpis omnibus fulvis; pedibus fulvis, tarsis pallidioribus; alis
melleis pone medium obscurioribus; stigmate fusco, venis luteo-
fuscis, cellula secunda submarginali oblique trigona, pedicello
brevissimo are marginali connexa (foemina).
Long. corp. lin. 4; expans. alar. antic. lin. 8.
Habitat in Mexico (D. Coffin). In mus. Hopeiano Oxoniæ (olim
nostro).
Genus AGATHONA Westw.
Gaput transversum, thoracis latitudine, postice profunde emargi-
natum, angulis posticis rotundatis. Antenne corpore toto paullo
breviores. Mandibulæ falcate, apice integre acute; maxillæ elon-
gate, lobis duobus apicalibus angustis stipite paullo longioribus;
palpi maxillares gracillimi, ut videtur, 6-articulati, articulo basali
minuto, reliquis 5 fere que longis. Mentum angustum longitudine
loborum maxillarium, depressum. Labium valde angustum e lobis
ICHNEUMONES ADSCITI. 23
duobus filiformibus formatum; palpi labiales maxillaribus paullo
brevioribus 4-articulati, articulis apicalibus gracillimis. Ala medio-
eres, antic stigmate longo extus acuminato; areola unica margi-
nali, tribus submarginalibus; prima cum discoidali effusa; secunda
minuta trigona, postice incompleta; tertia apicem ale attingente.
Abdomen petiolo sulcato, dorso setis aureis obtectum; oviductus
brevis exsertus, valvis lateralibus apice deflexis et dilatatis.
Species unica, AGATHONA SERICANS Westw. (Tab. 5, fig. 11—15).
Nigra, aureo-villosa , facie sub antennas carinata, vertice utrinque
profunde impresso, metanoto aureo-setoso; abdomine basi macu-
lisque duabus lateralibus segmenti secundi rufis; segmentis tertio
ad apicem dense aureo-setosis; femoribus nigris, tibiis tarsisque
fulvis, tibiis duabus posticis apice nigris; alis fulvescentibus , venis
et stigmate brunneis.
Long. corp. lin. 5; expans. alar. antic. lin. 84.
Habitat in Mexico prope Chapultepec (D. Coffin). In mus.
Hopeiano Oxoniæ (olim nostro).
Obs. Vene nonnulle alarum anticarum plus minusve bullatæ,
inde aree illis venis circumscripte plus minusve incomplete
evadunt.
Genus AGATHILLA Westw.
Præcedentibus duobus generibus affine, corpore glabro, antennis cor-
pore brevioribus, alis magnis. Caput transversum postice emarginatum,
thorace paullo angustius. Maxille parum elongate intus lobo parvo
membranaceo instruct. Palpi maxillares lobo apicali duplo longiori,
ut videtur 5-articulati (si articulus alius basalis minutissimus est).
Mentum corneum nitidum, elongato-obtrigonum, stipite maxil-
larum majus. Palpi labiales mento parum breviores, 4-articulati,
gracillimi. Labium e lobis duobus valde elongatis depressis formatum ,
rostrum sub pectus insecti simulans. Ale satis magne, area unica
marginali, tribus submarginalibus, prima cum discoidali effusa,
secunda subquadrangulari (aree marginali petiolo brevi conjuncta),
24 DESCRIPTIONS OF
tertia apicem ale attingente. Abdomen thorace dimidio longius;
oviductus brevis exsertus deflexus.
Species unica, AGATHILLA FULVO-PICTA Westw. (Tab. 6, fig. 1—7).
Fulvo-castanea melleo-variegata, facie sub antennas flava guttis
duabus nigris ad basin clypei, vertice inter antennas et ocellos
macula nigra; antennis nigricantibus basi et in medio rufescen-
tibus; thorace antice macula parva media, lateribusque ad basin
alarum posticarum nigris; scutello, postscutello parvo apiceque
metanoti flavis; margine postico segmentorum abdominalium flavis,
segmentis apicalibus fere omnino flavis; oviductu flavo valvis
lateralibus nigris; alis melleis, versus apicem parum fuscescentibus ;
stigmate fulvo, venis castaneis; pedibus castaneis tibiis posticis
apice fuscis, tarsis pallidioribus.
Long. corp. lin. 6; expans. alar. antic. lin. 11.
Habitat in Mexico apud Belen Barranca (D. Coffin). In mus.
Hopeiano Oxonie (olim nostro).
PI. 6 fig. 4 represents a portion of one of the lobes of the
labium taken beyond the middle of the organ represented
in figure 3. It is a very remarkable structure, representing a
number of longitudinal and oblique muscular striole, an immense
number of minute hooklets arranged in triple longitudinal series,
the inner edge with minute broad discs finely serrated on the
external margin. The apex of the labial lobe is represented at
fig. 5, showing a vast number of minute flattened appendages,
gradually becoming more pointed to the tip of the organ.
enus MYOSOMA Brulle.
(Brullé, Hist. nat. Hymenopt. vol. IV, p. 450).
Species 1. Myosoma hirtipes Brullé 1. c. p. 451 (Amer, merid.)
DRD. » fuscipenne Brullé |. c. (Brazil).
Dit: » rubriventre Brullé 1. c. p. 452 (Brazil).
Da » mutator Fabr., Brullé |. c. p. 453 (Nov.
Hollandia).
ICHNEUMONES ADSCITI. 25
Species 5. Myosoma rubrum Brullé L €. p. 453 (Guiana).
» 6; » fasciatum Brullé 1 c. p. 454 (Guiana,
Surinam).
MYOSOMA PENNIPES Westw. (Tab. 6, fig. 8).
Castaneo-fulvum, capite nigro nitido; alis hyalinis, anticis apice
fuscescentibus; pedibus obscure fulvis dense et late nigro-hirtis.
Long. corp. lin. 4; expans. alar. antic. lin. 7.
Habitat apud Santarem, Amazonia (Bates). In mus. Hopeiano
Oxonie.
Caput parvum nigrum, nitidum, laeve, vertice ın medio parum
impresso; antennis longis gracilibus. Thorax oblongo-ovatus, capite
parum latior, lobis anticis convexis glaberrimis, metanoto magis
infuscato subpunctato. Ale elongate angustæ hyaline, anticæ apice
infuscato, costa stigmateque elongato nigris, cellula unica mar-
ginali, tribus submarginalibus, secunda valde elongata. Pedes
duobus antici graciles obscure fulvi, parum hirsuti, quatuor postici
fulvi, dense et late nigro-hirti (præsertim in pedibus duobus pos-
ticis). Abdomen valde elongatum glabrum; segmento basali lateribus
parum elevatis, parte media elevata et utrinque impressione
longitudinali e lateribus separata; segmento secundo ad basin
carina tenui media; segmentis reliquis transversim impressis,
apicalibus obscuris.
Genus EUSCELINUS Westw.
Genus novum Braconibus et Peri/ito affine e turba numero-
sissima Ichneumonidum adscitorum femoribus posticis incrassatis
et dentatıs facillime distinguendum (generis Pachymerus Grav. et
Pristomerus Curt. ad sectionem Ichneumonidum genuiorum per-
tinentibus).
Caput subglobosum; antennis longis gracillimis. Thorax ovalis
suturis profunde impressis, metanoto carinato. Abdomen elongatum
clavatum, pedunculo oblongo basi utrinque angustato. Ale anticæ
cellula unica marginali, tribus submarginalibus. Pedes elongati
femoribus posticis crassis et denticulatis.
26 DESCRIPTIONS OF
EUSCELINUS SARAWACUS Westw. (Tab. 6, fig. 9).
Capite et mesonoto piceo-castaneis, metanoto varioloso carinis
tribus gracilibus instructo; abdominis segmento primo nigro,
irregulariter punctato et sublineato; secundo albido, margine postico
ad latera antice producto, cum segmentis reliquis abdominis obscure-
brunneis ; pedibus quatuor anticis obscure fulvis, femoribus
posticis crassis, infra denticulatis, nigris; alis pallide fuscescentibus ,
stigmate nigro, basi albido.
Long. corp. lin. 2!/,; expans. alar. antic. lin. 4.
Habitat Sarawak, Borneo (Wallace). In mus. Hopeiano Oxonize.
Caput piceo-castaneum, nitidum, globosum; vertice transversim
striolato, striis minimis. Thorax ovatus, lobis mesonoti glabris
convexis, suturis inter lobos rude-punctatis; scutello convexo;
metathoracis dorsum variolosum, lateribus magis rugosis, carinis
tribus longitudinalibus. Abdomen segmento primo nigro varioloso ,
interstitiis inter puncta lineas irregulares longitudinales elevatas
formantibus; segmento secundo pallide luteo, lateribus ultra medium
margineque tenui postico cum segmentis reliquis abdominis punc-
tatissimis piceo-rufis. Ale pallide fusce, venis in medio disci
pone stigma obsoletis. Pedes pallide lutescentes, femoribus duobus
posticis cum tibiis in medio nigricantibus, illis crassis subtus
denticulatis, dentibus circiter 12, medio majori.
Genus SPINARIA Brullé.
(Brullé, Mist. nat. Ins. Hymen. IV p. 513).
Caput parvum vel mediocre, antennis longis gracilibus. Abdomen
segmentis basalibus plus minusve coalitis, segmentis apicalibus
utrinque spina armatis. Prothorax in speciebus nonnullis spina
erecta armatus. Ale anticæ cellula unica marginali, tribus sub-
marginalibus, secunda subtrapeziformi. Oviductus fœminæ brevis.
SPINARIA ARMATOR Fabr.
Bracon armator, Fabricius, Syst. Piez. p. 107.
Spinaria armator, Brullé, Hist. nat. Ins. Hymén. IV p. 513.
«Rufa; antennis, pedibus posterioribus duobus et segmentorum
ICHNEUMONES ADSCITI. 97
priorum abdominis quatuor dorso nigris; alis flavis apice obscuro.
BOKS Au, sed
«Roux avec les pattes de derrière presque entièrement brunes;
l'abdomen est d’une jaune pale et le dessus des quatre premiers
segments est noir en très-grande partie. Les antennes sont noires
(d'après Fabricius). Les ailes sont jaunes avec le tiers postérieur
obscur; le stigma est noir avec l’extrémité noire ainsi que la partie
de la cöte qui le précéde. La face est saillante au-devant les
antennes. Le dos du prothorax est fortement strié en long et armé
au milieu d’une forte épine, recourbée en avant; les còtés se
prolongent en une sorte d’épine. Les lobes dorsaux du mésothorax
sont élevés, surtout celui du milieu, et les sillons interlobulaires
sont lisses. Le métathorax est fortement rugueux, avec trois lignes
saillantes, dont la moyenne est courte, et qui sont dirigées en
long; les angles postérieurs sont trés-saillants en forme d’épine
émoussée. Les cinq premiers segments de l’abdomen sont fortement
striés en long et les intervalles des stries fortement chagrinés. La
base du premier segment présente une dépression presque carrée,
dont le contour est determine par des lignes saillantes, avec la
postérieure anguleuse au milieu. Le bord postérieur du deuxième
segment offre de chaque còté une épine mousse; les segments 3
et 4 présentent au méme endroit une forte épine et une saillie
comprimée au milieu; le milieu du cinquieme segment se prolonge
en une épine longue et pointue; les autres segments manquent
ainsi que le dessous de l’abdomen. »
« Longueur 0,010. »
Habitat Sumatra (Fabricius), Java (anc. collection de Bosc, coll.
mus. Paris).
SPINARIA SULCATOR Smith.
Spinaria suleata, Smith, Hymen. Sumatra etc. Proc. Linn. soc.
VIII (1865) p. 67, pl. 4, fig. 9.
Spinaria sulcata. S. rufoflava, antennis tarsisque posticis nigris ;
alis fuseis basi flavo-hyalinis.
«Female. Length 4 lines. Reddish yellow; the antenne, poste-
28 DESCRIPTIONS OF
rior tarsi and extreme base of the tibiæ black; the wings dark
piceous with their extreme base yellow hyaline; the nervures brown,
the stigma large with an irregular subhyaline spot beneath. The
head and mesothorax shining, the metathorax with a short blunt
spine on each side, the prothorax with the characteristic acute
bent spine above. The abdomen longitudinally grooved and striated ,
the third and fourth segments armed laterally with a short acute
spine (9). »
Habitat Gilolo (Wallace). Individua duo in mus. Hopeiano
Oxoniæ.
«Quite distinct from the species described by Brullé (ist. nat.
ins. Hymén.) and that described by Guérin in Voyage de la Coquille
(Bracon spinator). Our species most closely resembles the latter,
but differs in having the wings entirely dark, in the abdomen
deeply striated, and in not having a spine in the middle of the
third and fourth segments of the abdomen. » (Smith, op. cit.).
SPINARIA SPINATOR Guér.
Bracon spinator, Guérin, Voy. Coquille, p 199.
«Rufus, thorace spina collaris recta, abdominis dorso strigoso,
duobus segmentis ultimis postice trispinosis, segmento apicali flavo
postice unispinoso; antennis tarsisque posticis fuscis. Alis lutes-
centibus apice fuscis.
«Long. 11 mm.; enverg. 24 mm.
«Elle ressemble assez à /’armator Fabr., mais elle en diffère
par la couleur de l’abdomen, des ailes et des pattes. Téte d’un
rouge päle, tres-petite, portée sur un cou étroit bien distinct,
quoique assez court; les yeux sont grands, ovalaires, noirs. Les
antennes sont de moitié plus longues que le corps, filiformes et
noires. Le corselet est d’un rouge pàle en dessus et en dessous,
très-rétréci en avant, bossu et élevé au milieu. Le prothorax est
tres-court en forme de collier, sa partie antérieure est étroite,
tronquée carrément pour recevoir le cou; il est armé aux angles
antérieures de cette troncation de deux tubercules spiniformes
ICHNEUMONES ADSCITI. 29
assez saillants, et au milieu, près de son insertion avec le segment
suivant, d’une forte épine droite dirigée en haut. Le mesothorax
est beaucoup plus grand et plus large, avec deux sillons en avant,
qui circonscrivent trois bosses lisses et une autre bosse en arrière
entourée de gros points enfoncés. Le metathorax est transverse,
tronqué carrément en arriere, avec les angles postérieurs terminés
chacun par une épine saillante et tronquée au bout. Les ailes sont
jaunes transparentes, avec le bout brun; la moitié du point épais
et une tache située au milieu de l’aile supérieure et touchant la
cöte, sont d’un brun plus foncé. Les pattes sont de grandeur
moyenne, rouges avec l’extrémité des jambes et les tarses des pos-
térieures bruns. L’abdomen est rouge päle, sessile, plus large que
le corselet, ovale oblong, pointu en arriere; ses segments sont
finement ridés dans le sens de la longueur, le second offre une
petite bosse de chaque còté et en arrière; les troisiéme et quatrième
ont aux angles postérieurs une forte épine dirigée en arrière, et
au bord postérieur, au milieu, une épine plus courte de la force
de celles du deuxième segment; le dernier segment est jaune,
triangulaire et terminé en une pointe aigué au milieu. Le dessous
est concave; on voit avant l’anus une forte pointe; l’oviducte est
tres-court et ne dépasse pas la pointe du dernier segment sous
laquelle il est caché.
«Ce curieux Bracon qui, par la petitesse de sa tête, pourrait
constituer une division dans le genre, a été trouvé au Bengale. »
(Guérin Méneville, op. cit.).
SPINARIA FUSCIPENNIS Brulle.
Brullé, Mist. nat. ins. Hymén. IV, p. 514.
«Flava, capite et mesothoracis dorso rufis, alis fere totis, antennis ,
pedibus posterioribus duobus et abdominis segmentorum priorum
quatuor dorso nigris. g.
«Il ne differe du précédent que parce qu’il est jaune avec la
tete et le dos du mesothorax roux et qu’il a les ailes presque
entièrement brunes ou même noires; le stigma des ailes antérieures
entièrement noir, et un trait hyalin oblique au dessous de ce der-
30 DESCRIPTIONS OF
nier. Le metathorax parait pointue et, en outre, ride en long; il
offre de chaque còté une ligne saillante et anguleuse. Le reste
comme dans le précédent.
«Longueur du corps 0,011, de la tarriere 0,001.
«Hab. la Ghine (coll. Mus.), Java (coll. Serville).
«Obs. L’individu que renferme la collection de M. Serville a
la base des ailes un peu plus obscure que celui de Chine qui
appartient au Muséum, mais il n’y a pas entre eux d’autres diffé-
rences appréciables. » (Brullé, op. cit.).
SPINARIA ATTENUATA Westw. (Tab. 7, fig. 1).
Fulvo-testacea, antennis corpore parum longioribus nigris, thorace
glabro nitido, lobis mesonoti valde convexis; collare inermi; abdo-
mine elongato, thorace fere duplo longiori, rude punctato, seg-
mentis 3, 4 et 5 utrinque ad apicem spina laterali armatis; alis
obscure fuscis dimidio basali aurantiis; anticis fascia abbreviata
nigra ante stigma notatis, nubilaque pallida inter stigma et angu-
lum analem.
Long. corp. lin. 6; expans. alar. antic. lin. 4.
Habitat Sarawak, Borneo (Wallace). In mus. Hopeiano Oxonie.
Reliquis speciebus hujus generis multo angustior et elongatior ,
collari absque spina erecta notato. Mesonotum lobis elevatis convexis
parce punctatis; metanoto convexo punctatissimo. Abdomen seg-
mento basali in duas partis constrictione diviso, parte postica
latiori et utrinque linea impressa obliqua notata; segmentis reli-
quis linea tenuissima media longitudinali impressis, tertio et duobus
sequentibus utrinque ad angulos posticos spina brevi armatis; sexto
pone medium utrinque emarginato, apice obconico acuto; valvis
oviductüs brevibus nigris, terebra picea. Pedes graciles fulvi. Ale
ad basin aurantie apicibus late obscure fuscis; anticis fascia indis-
tincta nigra, e costa ante stigma in discum ale obliterata, stig-
mate obscure fulvo, nubila minuta subhyalina inter stigma et
marginem posticum, vena inter areas 1 et 2 submarginales valde
obliqua et cum vena recurrente haud continua.
ICHNEUMONES ADSCITI. 34
SPINARIA LEUCOMELÆNA Westw. (Tab. 7, fig. 2).
Lata convexa, abdomine brevi obovato, segmentis 3 et 4 utrinque
spina nigra postice porrecta armatis, ultimo in apice semicircula-
riter et profunde emarginato; nigra, abdominis basi, lateribus (in
medio interruptis) et apice albidis; alis hyalinis, venis et stigmate
nigris; collari inermi.
Long. corp. lin. 4; expans. alar. antic. lin. 9.
Habitat in Cambodia, Siam. In mus. Hopeiano Oxoniæ.
Species corpore brevi, lato, convexo, collari inermi, colori-
busque omnino distincta. Caput parvum obtrigonum, postice
attenuatum; vertice elevato; antenne nigre, palpi gracillimi
elongati albidi. Thorax brevis subpentagonus basi latiori; mesonoto
convexo parum nilido sublævi, lineis duabus impressis longitudi-
nalibus mediis; sutura recta inter alas anticas depressa, profunde
striato-punctata; alteraque simili pone postscutellum sed magis
curvata notato; metanoto declivi, punctatissimo, latissimo, recte
truncato, lateribusque rectis. Abdomen longitudine caput et thoracem
fere equale, obovatum, convexum, basi metanoto arcte applicatum
per totum ejus latitudinem; segmento primo (nisi spatio medio
marginis postici), lateribus segmenti secundi, fascia lata segmenti
quarti, segmentoque quinto albidis; parte relicta dorsali nigra,
parte nigra striatissima, striis postice convergentibus; segmentis
3 et 4 utrinque spina nigra, postice porrecta, armatis; segmento
ultimo utrinque in angulum parvum denteque valido albido pro-
ducto. Pedes nigri, tibiis quatuor anticis basi et apice pallidis.
Ale subhyaline, venis et stigmate nigris; cellula secunda sub-
marginali alarum anticarum fere subquadrata, venulis ejus basin
et apicem formantibus fere rectis et parallelis.
SPINARIA DIMIDIATA Westw. (Tab. 7, fig. 3 et 4).
Testaceo-fulva, abdomine (segmento basali concolori excepto)
nigro, striato, collari spina erecta armato, metanoto angulis posticis
acuminato-productis; abdominis segmentis 3 et 4 utrinque spina
postica porrecta armatis; antennis nigris; pedibus fulvis; alis
32 DESCRIPTIONS OF
pallide fuscis, basi pallidioribus et subflavidis, striola tenui obliqua
hyalina in medio aree prime submarginalis.
Long. corp. lin. 4°/,; expans. alar. antic. lin. 10.
Habitat Ceram (Mad. Pfeiffer). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
Caput parvum, breviter obtrigonum, fulvum, antice in lobos
duos parvos (in quos insident antenne) productum. Antenne
nigra. Prothorax in collum conicum elongatus, dorso spina erecta
acuta armatus; mesonotnm lobis valde convexis, giabris; metanoto
transverso, e postscutello sulco punctato separato, punctatissimo ,
angulis posticis extus acute sed breviter productis. Abdomen thorace
multo majus, basi thoracis latitudine æquale, ad apicem segmenti
tertii sensim dilatato, dorso striolis gracillimis obsitum; segmentis
secundo et tertio sulco basali rude punctato notatis; segmentis
tertio et quarto ad angulos posticos utrinque spina armatis; seg-
mento apicali in spinam terminato. Pedes longi graciles fulvi. Ale
permagnæ, pallide fuscescentes, stigmate obscuriori, linea magis
hyalina per medium aree prime submarginalis currente; area
secunda submarginali subquadrata; vena inter areas 1 et 2 parum
obliqua.
SPINARIA SULIANA Westw.
Fulva; antennis nigris; collari spina erecta armato; metanoto
angulis posticis inermibus; abdomine thorace multo majori, fulvo,
longitudinaliter striato; segmentis tertio et quarto angulis posticis
in spinam utrinque productis, medioque marginis postici in carinam
parvam acutam producto, segmento ‘apicali in spinam acutam
terminato, lateribus subemarginatis; alis basi flavidis, apice infu-
matis, puncto nigro in medio coste anticarum ante stigma (hoc
flavo), cum nubila cinerea media fere ad marginem analem extensa.
Long. corp. lin. 3'/,—4; expans. alar antic. lin. 7—9.
Habitat in insula Sula (Wallace). In mus. Hopeiano Oxonie.
Sp. dimuliate forma et armatura proxima; differt magnitudine
minori, abdomine unicolori, alisque in medio fascia obscura
cinerea. Caput parvum; antenne nigræ articulo basali pallido;
collare elongatum trigonum; mesonotum lobis elevatis glabris;
ICHNEUMONES ADSCITI. 33
scutello sulco transverso basali producto; metanoto angulis posticis in
tuberculum conicum utrinque producto. Abdomen thorace multo
majus, supra striolis impressis omnino obsitum; segmentis secundo
et tertio sulco basali punctato notatis, tertio et quarto utrinque
ad angulos posticos in spinam porrectam productis; segmento
apicali mucronato, lateribus oblique marginatis. Pedes longi graciles
fulvi. Ale basi flavæ, apice cinerascentes; puncto nigro ad apicem
vene subcostalis ante stigma, hoc flavo, nubila cinerea transversa
mediana.
Genus CENOCCELIUS Hal.
Cenocelius Haliday, M.S. in Westwood, Gen. syn. Brit. ins.
(in Mod. classif. Ins. I p. 62; Brullé, Hist. nat. ins. Hymen. IV
p. 481; Smith, Nom. Brit. Hymen. pt. XII p. 27 and Proc.
Linn. soc. Zool. vol. VI p. 66; Snellen van Vollenhoven, Schetsen
Hymenopt. tab. VI, fig. 24.
Syn. Capitonius, Brullé, Mist. nat. ins. Hymen. IV p. 544.
Syn. Aulacodus, Cresson, Proc. Ent. soc. Philadelph. vol. IV
(1865) p. 8.
The genus Capitonius of Brull& was established upon an elegant
species from Brazil in the collection of the Jardin des plantes in
Paris, where I examined and made a drawing of the unique type
in 1852. The genus was placed by Brull& in the family Evanii
and regarded as allied to the genus Aw/zeus. The antenne were
described as 13-jointed, but a careful examination enabled me to
perceive that these organs were mutilated, a perfect specimen in
the Hopeian collection shewing them to be twice the length of
the mutilated antenne of the typical Parisian individual.
The following is the description of the genus Capitonius, as
given by Brullé Mist. nat. ins. Hyménopt. IV p. 544:
«Ce groupe est très-voisin des Awlacus, dont il diffère tout
d’abord par la troisième discoidale qui n’est pas fermée. En outre
sa tête presque cubique et creusée sur la vertex d’une large fos-
sette pour recevoir les antennes, fossette dans laquelle se trouve
un des ocelles. Sa face large, avec la bouche rejetée tout à fait en
3
34 DESCRIPTIONS OF
bas 1); son abdomen déprimé, quoique ovalaire, permettant de le
distinguer facilement du groupe des Awlacus. Le prothorax des
Capitonius est prolongé en forme de col comme dans les Aulacus
et Vabdomen est inséré sur le bord postérieur et supérieur du
metathorax, qui est tronqué brusquement en arriere.
«Les ailes de devant ont une radiale assez grande qui n’atteint
pas l’extrémité, trois cubitales dont l’extérieure très longue, deux
discoidales fermées et la troisieme très longue allant jusqu’au bout
de Vaile. Il en résulte qu’il n’existe qu’une nervure récurrente
et une seule marginale postérieure. Les antennes sont filiformes,
plus courtes que le corps, composées d’un premier article long et
presque cylindrique, d’un deuxième court et globuleux et de 11
articles à peu près cylindriques et dininuant très peu le longueur;
il doit manquer au moins un article, car les deux antennes sont
incomplètes dans le seul individu que j'ai vu. Les pattes sont assez
grèles et celles de derrière un peu plus longues et un peu plus
fortes que les quatre antérieures. Le premier article des tarses est
long et celui des pattes antérieures échancré en dedans à la base;
les trois articles suivants sont plus courts et vont en diminuant
de longueur; les crochets m’ont paru munis d’une dent ou d’une
forte saillie à la base et d’une pelote assez grande.
«Je ne connais qu’un seul sexe de ces insectes et je suppose
que c’est le male à cause de l’absence de la tarière. » (Brullé l. c.).
The genus Aw/acodus of Cresson was also regarded by its author
as most probably belonging to the Evaniide, and as allied to
Aulacus (whence the generic name). Deceived by Brulle’s descrip-
tion of the mutilated antennae of Capitonius, Cresson considered
it as generically distinct from that genus, observing that
«this remarkable genus resembles at first sight a small species
of Aulacus with a large head, but on a closer examination the
characters were found to be very dissimilar. It seems to form a
very close connecting link between the Ichneumones adsciti and
1) Tout ce que je puis dire de la bouche, c'est que les trois derniers articles
des palpes maxillaires sont longs et gréles et que le dernier est plus court que
les précédents qui sont égaux entre eux.
ICHNEUMONES ADSCITI. : 35
the Evaniidse; from the former it differs by the mode of the inser-
tion of the abdomen, from the latter by the multiarticulate antenne;
it therefore does not belong strictly to either family, but on account
of the peduncle of the abdomen being inserted at considerable
elevation upon the metathorax — a character which seems con-
fined to the Evaniide — I place it for the present in that family. »
The type of the genus Aulacodus is A. nigriventris Cresson |. c.
(Cuba).
CENOCCELIUS CEPHALOTES Smith (Tab. 7, fig. 5).
Smith, Journ. Proe. Linn. soc. Zool. vol. VI, p. 66.
C. capite, thorace cum pedibus quatuor antieis ferrugineis;
metathorace, abdomine pedibusque duobus posticis nigris; alis fuscis,
capite transverse quadrato, punctato, fossula inter ocellos et basin
antennarum; antennis nigris (annulo fulvo subapicali in fœmina),
articulis duobus basalibus fulvis; mesonoto valde rugoso, utrinque
antice tuberculo conico elevato; metanoto areolato, rugoso, punc-
tato, angulis duobus posticis obtuse productis. Abdomen nigrum
nitidum, segmento basali angusto elongato-conico, lateribus prope
basin parum angulatis, dorso levi bicarinato, segmentis reliquis
massam ovalem, thorace minorem, formantibus. Ale fuscæ, nubila
minuta pallidiore pone medium, stigmate venisque nigris; cellula
secunda submarginali parva truncato-conica, basi ejus cum vena
recurrenti continua.
Long. corp. lin. 5; oviduct. lin. 4; expans. alar. antic. lin. 13,
Habitat Makassar (Wallace). In mus. Hopeiano Oxoniee,
«Female. Length 5 lines. Black, the head, thorax, anterior and
intermediate legs, as well as the two basal joints of the antenne
ferruginous; the methathorax black; the palpi pale testaceous, the
antenne with a fulvous annulus ‘near its apex; wings fuscous ;
the head as wide as the thorax, quadrate, strongly punctured,
with the vertex smooth and shining. Thorax coarsely punctured
and produced anteriorly into elevated tubercles; the scutellum
elevated; the metathorax coarsely punctured. Abdomen smooth and
shining.
36 DESCRIPTIONS OF
«The male agrees with the female in colour and form, but has
more red joints at the base of the antenne and has no annulus
at their extremity; the posterior legs are rufo-fuscous. » (Smith 1. c.).
CENOCŒLIUS INSIDIATOR Smith.
Smith, Journ. Proe. Linn. soc. Zool. vol. VII, p. 12.
Praecedenti (C. cephalotes) proximus et coloribus simillimus , dif-
fert statura minori, antennis totis nigris gracilibus. Capite, thorace
et pedibus quatuor anticis ferrugineis, abdomine nigro nitido.
Thorace villoso, antice tuberculis duobus minutis vix prominulis;
metanoto dense pube cinerea tecto, angulis posticis rotundatis;
abdomine elongato-ovali, sensim e basi ad medium latiori, late-
ribus segmenti primi ante medium vix angulatis, hujus basi lineis
duabus gracilibus impressis, apiceque utrinque impresso; pedibus
et alis ut in precedente (foem.).
Long. corp. lin, 6; oviduct. lin. 4; expans. alar. antic. lin. 10}.
Habitat insula Malayana Mysol (Wallace). In mus. Hopeiano
Oxoniæ. i
«Female. Head and thorax ferruginous, the former subquadrate ,
wider than the thorax, smooth and shining; the antenne black,
the face thickly covered with white pubescence. Thorax rough and
pubescent, the scutellum smooth, shining and elevated; the meta-
thorax black and densely covered with white pubescence. The
wings dark bronze with the nervures black; the anterior and
intermediate legs red, the posterior pair black. Abdomen black,
smooth, shining and impunctate; the basal segment with a short
petiole and deep impression on each side at its apical margin above.
CENOCŒLIUS AMAZONICUS Westw.
Aurantio-fulvus, capite lato, abdomine (segmento basali excepto)
pedibusque duobus posticis nigris; alis hyalinis, venis basalibus
flavidis, apicalibus cum stigmate nigris; terebra corpore longiori.
Long. corp. lin. 34; oviduct. lin. 4—6; expans. alar. antic.
lin. 6, —8.
ICHNEUMONES ADSCITI. 37
Habitat in Amazonia (Bates). In mus. Hopeiano Oxonie.
Caput transversum, thorace paullo latius, vertice convexo, antice
fossula inter ocellos et antennas, spinula minuta inter basin
antennarum apice truncato; antenna nigræ articulis duobus basa-
libus fulvis; flagello ante medium crassiori, apice tenuissimo.
Thorax ovalis, setosus, mesonoto ante scutellum areolato, meta-
noto valde punctato; abdomen thorace paullo longius; segmento
basali longo-trigono, supra longitudinaliter striolato; segmentis reli-
quis convexis glaberrimis nigris, oviductus longus, valvulis nigris
apice externo fulvis. Pedes breviusculi, quatuor antici fulvi, duo
postici crassiores nigri. Ale hyalinæ flavido vix tinctæ, venis in
parte basali pallidis, in parte apicali cum stigmate nigris; cellula
secunda submarginali parva fere quadrata, venaque basali parum
obliqua et cum vena recurrenti continua.
CENOCŒLIUS GERASINORUM Westw.
Castaneo-niger nitidus, pedibus quatuor anticis pallidioribus ;
antennis nigris; abdominis segmento basali carinis duabus elevatis
in fossulis duabus marginis postici extensis; alis subfulvescen-
tibus, apicibus magis cinerascentibus, puncto costali parvo medio
nigro, stigmate flavo; area secunda submarginali mediocre, basi
subobliqua et cum vena recurrenti continua.
Long. corp lin. 6; oviduct. lin. 5; expans. alar. antic. lin. 13.
Habitat in Minas Geraes (Rogers). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
Caput quadratum, genis subtus valde prominentibus, margine
postico valde emarginato, vertice excavato tuberculisque duobus
pone et inter oculos distinctum. Antenne nigræ, articulo basali
elongato, tuberculo minuto spiniformi inter basin antennarum.
Thorax elongato-ovalis, lobis mesonoti gibbosis, sulcis punctatis
separatis, metanoto valde rugoso. Abdomen thoracis magnitudine
equale, nitidissimum sanguineo-piceum, segmento basali cari-
natum, carinis in fossulis duabus posticis extensis; segmentis
reliquis convexis. Pedes quatuor antici obscure fulvi, femoribus
supra obscurioribus; duo postici obscuriores , tarsis nigris. Ale
magne subfulvescentes apicibus cinerascentibus, venis pone medium
38 DESCRIPTIONS OF
alarum pallide fuscis; stigmate alarum anticarum flavo. Terebra et
valvuli nigri, his pone medium crassioribus.
CENOCGELIUS COLUMBIANUS Westw.
Testaceus, capite nigro nitido, pedibus antennisque nigris, his
apice fuscis; terebra et valvis oviductùs nigris; alis fusco-nigris,
litura tenui obliqua subhyalina per cellulam primam submarginalem
et basin areæ contigue discoidalis currente.
Long. corp. lin. 5!/,; oviduct. lin. 3'/,; expans. alar. antic.
lim. AI
Habitat in Columbia (Chesterton). In mus. Hopeiano Oxonie.
Caput nigrum nitidum glabrum, vertice impressione ad basin
antennarum extensa, ocellis duobus externis in margine elevato
partis impresse positis; antenne articulo basali fere dimidium
longitudine capitis æquante; parte media crassiori, apicibus valde
attenuatis. Thorax elongato-ovalis, postice truncatus, antice nitidus
parum punctatus, metanoto punctatissimo. Abdomen ovale subcon-
vexum longitudine thoracis æquans, glabrum, nitidum, segmento
primo subtrigono, lateribus prope basin paullo angulatis, basi
striolis nonnullis longitudinalibus elevatis, externis duabus e tuber-
culis duobus minutis nigris basalibus extensis; margine postico
segmento utrinque impresso. Ale sat magne fusco-nigræ, costa et
stigmate magno venisque nigris; cellula secunda submarginali
parva, basi valde obliqua vena cum vena recurrenti continua,
litura tenui media subhyalina obliqua.
CENOCŒLIUS NIGRITUS Westw.
Niger nitidus, thorace (metanoto excepto) aurantio; alis fusco-
nigris gutta parva media hyalina venis divisa.
Long. corp. lin. 5; oviduct. lin. 4; expans. alar. antic. lin. 10.
Habitat Villa nova, Brasilia. In mus. Hopeiano Oxonie (olim
F. Smithii).
Caput nigrum nitidum, postice declive et semicirculariter emar-
ginatum, thoracis latitudine; vertice inter ocellos et antennas
impresso et spinula minima inter harum basin armato. Thorax
ICHNEUMONES ADSCITI. 39
aurantius, luteo parum setosus, medio ante scutellum inæquale ;
metanotum breve nigrum rude punctatum. Abdomen nigrum
nitidissimum longitudine capitis cum thorace, convexum; segmento
basali trigono supra longitudinaliter striato, margine postico utrinque
impresso. Pedes graciles nigri. Ale fusco-nigre, stigmate venisque
piceo-nigris, cellula secunda submarginali parva postice latiori,
vena ejus basali obliqua et cum vena recurrenti fere continua.
CENOCŒLIUS SEXNOTATUS Westw. (Tab. 7, fig. 6).
Niger, capite, collari et metanoto testaceis, abdomine angusto,
alis hyalinis, anticis fascia abbreviata ante medium, macula parva
sub stigma apiceque fusco-nigris; antennis gracilibus fuscis, basi
fulvis.
Long. corp. lin. 4; oviduct. lin. 3!/,; expans. alar. antic. lin. 7.
Habitat in Amazonia (Bates). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
Caput latum transversum punctatum, oculis prominentibus,
vertice sulco impresso ad basin antennarum extenso. Antenne
long graciles, fusca, articulo primo dimidium capitis longitudine
equali. Thorax ovalis, niger, rude punctatus; collari, apice scu-
telli et metathoracis dorso et lateribus obscure testaceis; sulcis
inter lobos mesonoti punctis oblongis impressis. Abdomen thorace
longius et angustius, nigrum glaberrimum, segmento basali longo-
conico, lateribus ante medium paullo angulatis et ad apicem
utrinque tuberculo elevato instructis, dorso sulco longitudinali:
Pedes breves nigri; postici preesertim magis robustis et brevibus.
Ale hyaline, antic costa et stigmate magno nigris; fascia ante
medium in cellulis duabus discoidalibus, nubila sub stigma,
apiceque fusco-nigris, cellula secunda submarginali parva, basi
valde obliqua cum vena recurrente continua.
CENOCCELIUS BIFASCIATUS Brullé (Tab. 7, fig. 7—10).
Capitonius bifasciatus Brullé, Hist. nat. ins. Hymén. IV p. 545.
C. fulvus, capite, antennis, abdominis apice, femoribus inter-
mediis pedibusque duobus posticis nigris, alis flavidis, anticarum
40 DESCRIPTIONS OF
basi, fascia media apiceque fuscis; capite glaberrimo thorace latiori,
lateribus genisque infra dilatatis, vertice profunde excavato, sulco
profundo ex ocellis ad basin antennarum extenso, margine postico
semicirculariter emarginato, acuto, fulvo. Antennis longis gracillimis ,
multiarticulatis, articulis arctissime conjunctis; apice attenuatis,
omnino nigris. Thorax ovalis lobis mesonoti elevatis; metanoto
parvo rugoso; abdomine elongato ovali, depresso, glaberrimo;
marginibus segmenti primi cum sequentibus continuis haud angu-
latis; alarum anticarum coste apice crasso, stigmate nigro, macula
parva basali, fascia media (in medio interrupta) apiceque fuscis;
venis in parte flavida alarum fulvis, in partibus fuscis nigris;
alis posticis fascia lata pone medium fusca (mas).
Long. corp. lin. 4; expans. alar. antic. lin. 8.
Habitat. ..... In mus. Hopeiano Oxonie et mus. Gall.
Parisiis.
Capitonius bifasciatus (Brullé, op. cit.) «nigro, rufo et flavovarius,
alis flavis, anterioribus fasciis duabus, posterioribus fascia unica
fuseis; metathorace rugoso (mas).
«Il est varié de noir, de jaune et de roux, avec les ailes de
devant ornées de deux bandes brunes. Toute la moitié inférieure
de la tete est jaune ainsi que la bouche; toute la moitié supérieure
est noire ainsi que les antennes. Le bout des mandibules est noir.
Le prothorax est jaune ou d’une jaune roux, le metathorax jaune;
le dos du metathorax brun ou noir avec la region scutellaire jaune
ou d’un roux jaunätre, les flancs du mesothorax et la poitrine
sont noirs et le milieu de cette dernière est jaune. Les trois pre-
miers segments de l’abdomen sont d’un roux vif et brillant; les
autres segments sont noirs. Les pattes antérieures sont entièrement
d’une jaune roux; celles du milieu ont les hanches, le base des
trochanters et les cuisses presque en entier noires, le bout des
trochanters, les trochantins, les jambes et les tarses d’une jaune
roux et le dernier article des tarses brun; les pattes de derrière
sont noires avec l’extrémité seule des trochanters rousse. Les ailes
sont jaunes; les antérieures offrent deux bandes brunes, l’une au
milieu, l’autre a l’extrémité; les postérieures ont une large bande
ICHNEUMONES ADSCITI. 41
brune qui en couvre presque toute la derniere moitie; les nervures
et le stigma sont de la couleur de la région qu’ils occupent. La
tete offre entre les yeux une large fossette, A bords releves pour
recevoir les antennes; cette fossette s'étend jusque sur le vertex.
Le mesothorax est vaguement ponctué et ses sillons sont fortement
crenelés; les flanes du thorax sont lisses, avec des sillons margi-
naux ponctués. Le metathorax est fortement rugueux et comme
ridé irrégulièrement. L’abdomen est déprimé et lisse ainsi que la
téte; son premier segment est presque plat en triangle, un peu
plus long que large. »
«Long. 0,010. Habit le Brésil, Para. Coll. du muséum de Paris.»
(Brullé, op. cit. p. 546).
CENOCCELIUS NIGRIVENTRIS Cress.
Aulacodes nigriventris Cresson, Proc. Ent. Soc. Philadelphia ,
vol. IV (1865) p. 8. (ex insula Cuba).
Rufus, nitidus; abdomine nigro, basi pallide flavida; antennis
pedibusque (basi exceptis) obscuris; alis hyalinis. (9).
Long. corp. lin. 3; expans. alar. antie. lin. RIST
Obs. Antenne circiter 24-articulate; oviductus corpore toto
parum longior.
Obs. Congenericus videtur Mierodus thoracicus Cresson, Proc.
American Ent. Soc. IV p. 181, teste individuo in musæo Britan-
nico sic nominato.
Genus STENOPHASMUS Smith.
Smith, Proc. Linn. soc. Zool. vol. III, p. 169.
Corpus elongatum, capite globoso, antennis longis gracillimis,
ultra 36-articulatis; pronoto in collum angustum producto; petiolo
abdominis longo, eylindrico; oviduetu longitudine abdominis; alis
anticis cellula unica marginali, tribus submarginalibus; pedibus
longis longe setosis; tarsis longis gracilibus 5-articulatis; mandi-
bulis crassis trigonis, intus prope apicem denticulis nonnullis
minutis armatis; inaxillis lobis duobus parvis arcte applicatis;
42 DESCRIPTIONS OF
palpis maxillaribus 5-articulatis, articulis duobus basalibus minutis,
tribus ultimis gracilibus setosis, longitudine æqualibus; mento
parvo obconico; labio lato, breviter trigono; palpis labialibus
4-articulatis, primo brevi, tribus ultimis gracilibus, setosis,
æque longis. 7
This genus placed by Mr. F. Smith in the family Evaniide,
belongs to the Ichneumonides adsciti and is nearly allied to Spa-
thus, Macrocentrus etc. It is thus described by Mr. F. Smith:
«Head globose; antenne longer than the body and very slender
and setaceous, the prothorax forming a slender neck; the anterior
wings with one marginal and three submarginal cells; the femora
slightly incrassated, not denticulate; tarsi 5-jointed; abdomen
petiolated; the petiole as long as the abdomen; the ovipositor as
long as the petiole and abdomen united.
«This genus is founded on the examination of a single indivi-
dual, which in general appearance exactly resembles the smaller
species of the genus Megischus, but differs in neuration of the
anterior wings; its femora are not denticulate, in which character
it differs from both Megisehus and Stephanus; with the latter
genus it agrees in having 5-jointed tarsi. »
STENOPHASMUS RUFICEPS Smith (Tab. 8, fig. 1—5).
Smith , op. cit. p. 169.
Niger, pergracilis, capite et antennarum basi rufis, oviductu
tarsisque pallide testaceis; petiolo cylindrico (thoracis longitudine)
et segmentis proximis abdominis obscure castaneo-testaceis: illo
prope basin utrinque in angulum minutum dilatato; apice abdo-
minis obscuriori, thoracis lateribus subargenteis; capite subgloboso ,
vertice transverse striolato, striolis minutis; pedibus nigris, tarsis
intermediis albis; postieis obscurioribus; alis pallide infumatis,
stigmate anticarum nigra fasciaque tenui transversa hyalina, ante
stigma per cellulam primam currente ad marginem analem
extensa (foem.).
Long. corp. lin. 5; oviduct. lin. 3; expans. alar. antic. lin. 6.
ICHNEUMONES ADSCITI. 43
Habitat Aru (Wallace). Olim in mus. Saunders.
« Black, slightly shining: head globose, red and sprinkled with
white hairs and delicately striated transversely. Thorax sprinkled
with white pubescence above, the sides more thickly clothed with
the same: above the thorax is transversely rugose, on the meta-
thorax becoming more regularly striate; the metathorax has a
central longitudinal carina and also one on each side; the legs
sprinkled with erect white hairs; the tarsi pale rufo-testaceous
with the last joint black: wings subhyaline, with a broad light-
fuscous stain along the centre of the anterior pair: a hyaline
streak crosses them at the base of the stigma. Abdomen: the
petiole as long as the thorax, narrowest at the base of the abdo-
men: it is rugose at the base; the ovipositor pale testaceous ».
Var. ex insula Sula (Waliace) in mus. Hopeiano hospitatur ,
paullo minor, corporis longitudine 4 lin., colore magis piceo,
aliter simillima.
STENOPHASMUS APICALIS Westw.
Piceo-niger, capite supra subdepresso, antennis perlongis (insec-
tum totum cum oviductu æquantibus), gracillimis basi fulvis
apicibus sensim fuscis; mesonoti sulcis profundis; metanoto medio-
criter elongato semiovali, utrinque carinis duabus gracillimis vix
distinguendis, altera media furcata magis distincta; abdominis
segmento primo pergracili supra striolato, lateribus in medio vix
angustatis, longitudine dimidium thoracis fere quante; parte
relicta abdominis ovali depressa, picea, segmento parvo ultimo
albido, oviductu. cum valvulis pallide luteis, his apice nigris;
pedibus piceis, tarsis longis pallide testaceis; alis nigricantibus,
anticis fascia tenui transversa pallida prope basin, altera latiori
pone medium (ante stigma) apiceque hyalinis.
Long. corp. lin. 3; oviduct. lin. 4; expans. alar. antic. lin. 41/,.
Habitat Sarawak, Borneo (Wallace). In mus. Hopeiano Oxonie.
STENOPHASMUS FEMORALIS Westw.
Niger subnitidus, capite globoso vertice delicatissime transverse
44 DESCRIPTIONS OF
striolato, antennis gracillimis, nigris, basi obscure testaceis; palpis
coxisque quatuor anticis albis; thorace longo-ovali, metanoto longo,
carinis 5 gracilibus longitudinalibus, media in medio metanoti
furcata; petiolo abdominis vix metanoto longiori, gracili, utrinque
prope basin parum angulato; parte relicta abdominis ovali ; pedibus
longis, femoribus rufis, tibiis nigris, basi albidis, tarsis anticis
quatuor albidis apice nigris, posticis nigris; alis pallide infumatis,
anticis stigmate magno nigro, striga literam > simulante, in
medio alarum nubilaque sub stigma (cellulam secundam submar-
ginalem occupante) nigricantibus (foe).
Long. corp. lin. 3'/,; oviduct. fere lin. 2; expans. alar. antic.
Kino.
Habitat insula Malayano Mysol (Wallace). In mus. Hopeiano
Oxonie.
Obs. Species tres precedentes insulas Malayanas incolunt. Species
quatuor cel. Cressonio descriptæ, scil. Sf. Gundlachu, St. cubensis ,
St. Megischoides et St. pusillus (Proc. Entom. soe. Philadelphia,
vol. IV, 1865 p. 84, 85, 86 et 87) insulam Cubam habitant.
Genus STREBLOCERA Westw.
Westw. in London and Edinb. Philos. magazine, 34. ser. vol.
III, Nov. 1833, p. 343, Introd. to mod. class. ins. II, p. 138,
fig. 75. 19. 20, and p. 154; ditto Gen. Synops. in ditto p. 61;
Nees v. Esenb. Mon. II, p. 441; Marshall, Catal. Brit. Hym.
p. 112 (1872); Snell. v. Vollenhoven, Schetsen, tab. IV, f. 4.
Genus Perilito et Microctono affine. Caput transversum, antice
bituberculatum. Antenne fere corporis longitudine, in maribus
geniculate, 16-articulate: articulo primo longo (capite longiore),
subtus tuberculo vel denticulo crasso prope basin instructo; secundo
brevi, apici prioris oblique inserto; tertio secundo majori, apice
subtus paullo producto seu subuncinato; quarto brevi, apici tertii
etiam oblique inserto; hoc et reliquis filiformibus; in foeminis
filiformes 19-articulatæ, articulo primo reliquis crassiori et longiori,
secundo priori duplo breviori, tertio et reliquis gracilibus. Collare
angustum, subtrigonum; mesonotum lobis elevatis; metanotum
ICHNEUMONES ADSCITI. 45
semiovale; abdomen breviter pedunculatum, subrhomboidale. Ale
satis magne; antice stigmate magno; cellula unica marginali
brevi, apice subrotundato; cellulaque prima submarginali cum
discoidali effusa. Oviductus internus vel parum exsertus.
Species 1. STREBLOCERA FULVICEPS Westw.
(Tab. 8, fig. 6—8).
Westw. op. supra cit.
Piceo-nigra, nitida; capite fulvo glabro, oculis ocellisque nigris ;
antennis fuscis, articulis tribus basalibus fulvis; articulo primo in
mare spina acuta antice porrecta armato, secundo parvo, tertio
paullo majori, hujus apice oblique truncato, quarto minuto, in
medio marginis superi articuli tertii insidente, quinto quarto paullo
majori, hoc et reliquis gracilibus; pedibus fuscis, femoribus ful-
vescentibus; alarum stigmate venisque pallide fuscescentibus.
Long. corp. 2 mm.; expans. alar. antic. 4 mm.
Habitat in Sylva «Boombe» dicta prope oppidum Kingston,
com. Surreijana, mense Augusti 1833.
Obs. Differt foemina antennis gracilibus rectis 19-articulatis,
articulo primo crassiori longitudine articulorum 3, 4 et 5 quali,
articulis tertio ad apicem filiformibus; oviductu haud exserto.
My figure of this insect will always have a mournful interest
for me. At the request of M. Snellen van Vollenhoven I had just
commenced delineating the insect as a contribution for his Pina-
cographia, when I received the sad news of his decease.
Species 2. STREBLOCERA LONCISCAPHA Westw.
(Tab. 8, fig. 9).
Praecedenti multo major, antennis masculinis aliter formatis,
sc. articulo primo longo, paullo curvato, subtus prope basin tuber-
culo parvo rotundo instructo, secundo brevi, tertio elongato fere
primi longitudine æquante, apice subtus in spinam seu unguem
deflexum producto; reliquis 13 gracilibus, articulis tribus basalibus
46 DESCRIPTIONS OF
kete fulvis, reliquis nigris; capite piceo nitido, vertice castaneo.
Thorace nitido nigro-piceo; mesonoti medio castaneo; abdomine
castaneo, segmento basali nigro, segmentis apicalibus piceis.
Long. corp. 3 mm.; expans. alar. antic. 63/, mm.
Habitat Glanvilles Wootten (coll. Dale), etiam in com. Oxoniæ
(coll. Matthews).
Differt foemina antennis longioribus et gracilioribus, geniculatis ;
ut videtur, 17-articulatis, articulo primo longitudinem articulorum
3—10 simul sumptis aequanti, articulis reliquis filiformibus;
oviductu exserto, tertiam partem abdominis quanti: petiolo abdo-
minis striato.
Obs. I have not seen the female, of which the above descrip-
tion is derived from the figure in the « Schetsen» pl. IV, fig. 4,
which differs from the female of Sfr. fulviceps in having the
ovipositor exserted and the basal joint of the antenne nearly
occupying one third of the whole length of those organs.
Description of the figures.
PI. 4, fig. 1. Snellenius Vollenhovii Westw. (magnified).
Di » » four terminal joints of maxil-
lary palpus.
3 » » fore wing.
4. » » hind wing.
5. Agathophiona fulvicornis Westw.
6. » » head seen in front.
4 » DI » » sideways.
8 » » maxilla.
9 » » mentum and labium.
10. » » fore wing.
TE » » hind wing.
12. » » abdomen of 4 seen sideways.
13. » » apex of ditto with corneous
forceps of male organs.
ICHNEUMONES ADSCITI. 47
Pl. 5, fig. 1. Agathirsia rufula Westw.
Pl. 6, fig.
Pree ho,
4.
Ze
3.
pom
0 JAE ©
»
»
»
»
»
»
»
mandible.
maxilla, mentum and labium.
fore wing.
rufiventris Westw.
» seen sideways.
» mandible.
» maxilla, mentum and labium.
Julvo-castanea Westw. maxilla.
»
»
»
» »
» mentum and labium.
. Agathona sericans Westw.
seen sideways.
mandible.
maxilla, mentum and labium.
wings.
Agathilla fulvo-picta Westw.
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
seen sideways.
maxilla, mentum and labium,
portion of one of the laciniæ
of the labium opposite the head
of the insect fig. 2.
apex of lacinia.
fore wing.
hind wing.
Myosoma pennipes Westw.
Euscelinus sarawacus Westw.
Spinaria attenuata Westw.
»
»
»
leucome
laena Westw.
dimidiata Westw.
»
head and prothorax.
Cenoceelius cephalotes Smith.
»
»
»
sexnotatus Westw.
bifasciatus Brullé, seen sideways.
» head seen in front.
48 DESCRIPTIONS OF ICHNEUMONES ADSCITI,
PI. 7, fig. 9. Cenocelius bifasciatus, antenna (mutilated at the tip)
from the type specimen.
10. » » wings.
PI. 8, fig. 1. Stenophasmus ruficeps Smith.
2. » » mandible.
3. » » maxilla.
4. » » mentum and labium.
5, » » base of antenna.
6. Streblocera fulviceps Westw.
ie » » antenna of d,
8. » » antenna of 9.
9° » longiscapha Westw., antenna of d.
rm
AANTEEKENING
OVER
TWEE NOCTUINEN DER EUROPESCHE FAUNA
DOOR
POT NEL LEN:
4. MAMESTRA LEINERI Freyer.
Hoewel nog steeds tot de meer zeldzame Noetuinen der Europesche
fauna behoorende, mag Mamestra Leineri zich toch reeds in het bezit
eener tamelijk rijke literatuur verheugen. Meermalen afgebeeld,
door Freyer (twee maal), door Herrich-Schäffer (ook twee malen),
door Frivaldsky en misschien zelfs reeds door Hübner (als oct.
implexa fig. 414), is zij beschreven en besproken, mede wat hare
eerste toestanden aangaat, door Eversmann, Guenée, Schulze,
Staudinger, von Noleken en door een’ ongenoemden schrijver
(Stett. Ent. Zeit. 1880, p. 46), terwijl ook Lederer deze soort
kende en in zijne Noctuinen Europa’s opnam.
Toch hebben al de genoemde entomologen nog iets aan haar
over het hoofd gezien, en wel het sterk rond uitpuilende voor-
hoofd. Hoewel door beschubbing bedekt en nog verborgen onder
een stomp voorhoofdskuifje, is dit kenmerk toch niet moeielijk
waar te nemen, vooral bij onderzoek met eene speld of naald,
en is het niet minder duidelijk dan b. v. bij dporophyla migra
of Zutulenta, waar het deze soorten aanspraken heeft verschaft op
de eer van een afzonderlijk genus. Ik verwonder mij er over, dat
zelfs Lederer deze bijzonderheid niet heeft opgemerkt, daar zij
toch ruim zoo duidelijk is als die welke hij wel van Leineri
vermeldt op p. 90 van zijn bovengenoemd werk (de fijne doorn
4
50 AANTEEKENING OVER TWEE
aan beide zijden der voorscheenen), en terwijl andere verwante
soorten van het genus (Pis, oleracea, Brassicae) een geheel
vlak voorhoofd hebben. Bij Albieolon, Sodae en Trifolii puilt
het ook een weinig uit, doch volstrekt niet zoo sterk als bij
Leineri, waar de (vrij smalle) palpen niet eens verder komen
dan deze voorhoofdsbuil met hare bekleeding. Nog meer verwon-
dert het mij dat Lederer dit over het hoofd heeft gezien, omdat
hij in zijne analytische tabel der Noctuinen, op pag. 47 van zijn
werk, bij de Noctuinen met behaarde oogen reeds in afdeeling 4
het genus Phorocera Guenée (Metopoceras) afscheidt om het uit-
stekende voorhoofd. Stellig heeft hij Leineri niet goed onderzocht.
Ik vermoed dit te meer, omdat hij op p. 92 bij Phorocera spreekt
van «eine neue, in Zeichnung der Mam. Sodae ähnliche Art, die
bei gleicher Stirnbildung behaarte Augen hatte» (misschien wel
Leimert var.) en bij naauwkeurig onderzoek van onze soort stellig
hetzelfde zou hebben gezien.
Aanleiding tot generieke afscheiding van Mamestra Leineri wil
ik in het vermelde kenmerk niet zoeken, doch wel een zeer ge-
schikt specifiek kenteeken.
Overigens komt het mij voor, dat Herrich-Schäffer’s figuur 102,
die den type voorstelt, te breede en spitse voorvleugels heeft en
dat de varieteiten-namen pomerana Schulze en Miller: von Nolcken
overbodig zijn; zij behooren onder de varieteit cervina Eversmann,
Herrich-Schäffer fig. 163, 164 (goed), als iets sterker uitgedrukte
vormen.
9. PRODENIA LITTORALIS Boisd,
(retina Freyer, Herr. Sch.).
Naar de beschrijving te oordeelen die Lederer in zijne Noctuinen
Europa’s, p. 112, van de generieke kenmerken van het genus
Prodenia Guen. geeft, zou men zeggen dat de beide sexen der
eenige Europesche soort (littoralis Boisd. = retina H.S.) alleen in
den bouw der sprieten en de overige gewone sexuéle kenmerken
van elkander verschillen, doch verder in kleur en teekening der
voorvleugels overeenstemmen. Wel is waar is er tusschen de beide
NOCTUINEN DER EUROPESCHE FAUNA. 54
figuren 144 en 145, die Herrich-Schäffer in zijne Syst. Bearb.
deel II, Noctuides Tab. 29, als de beide sexen van zijne retina
afbeeldt, verschil op te merken, doch Guenée zegt (Noet. I, p.
163) dat figuur 144 eene andere soort voorstelt; welke echter,
laat hij in het midden, en daar Lederer, zooals ik boven op-
merkte, ook niet van eenig sexueel verschil in kleur en teeke-
ning bij retina spreekt en zich dus stilzwijgend aansluit bij de
algemeene beschrijving, die Guenée van de beide sexen onzer
soort geeft (hoewel hij ook zonder eenige aanmerking beide figuren
van Herrich-Schäffer bij retina Freyer citeert), maak ik hieruit
op dat man en wijf er bijna eveneens uitzien en houd Lederer’s
citaat der heide figuren voor eene vergissing.
De heer Piepers zond mij Prodenia littoralis zeer dikwijls van
Celebes en Java, doch steeds kreeg ik slechts wijfjes. Na in vele
bezendingen altijd en uitsluitend slechts die sexe te hebben ont-
vangen, waarvan ik mij door naauwkeurig onderzoek der sprieten
en van het vleugelhaakje overtuigde, begon ik op het vermoeden
te komen, dat de beide sexen van /itloralis niet zoo met elkander
overeenstemmen als men naar Guenée en Lederer wel zou zeggen
en dat ik dus den man wel reeds zou hebben ontvangen, doch
als eene andere soort van hetzelfde genus. Ware Mittoralis op
Java en Celebes niet zulk eene gewone verschijning als zij blijkens
de vele ontvangen exemplaren inderdaad is, dan had ik kunnen
gelooven dat het toeval genoemden entomoloog tot dusverre slechts
wijfjes in handen had gespeeld; maar onder een paar dozijn
exemplaren zou ik ten minste toch wel een’ enkelen man mogen
verwachten , vooral omdat die sexe gewoonlijk bij de Noctuinen
eer wordt gevangen dan de vrouwelijke.
Ik ging dus na welke andere Prodenia’s ik van Mr. Piepers had
ontvangen, doch vond slechts ééne soort, testaceoides Guenée, en
de voorwerpen dezer soort, waarvan ik er nog meer ontving dan
van Zittoralis (ik heb er op heden nog een tiental fraaije voor
mij staan) onderzoekende, zag ik tot mijne verwondering dat zij
allen mannelijk waren. Voor mij werd het raadsel hierdoor opge-
‘ost. Littoralis Boisd. is het wijfje en festaceoides Guenée de man.
52 AANTEEKENING OVER TWEE
Mijne exemplaren van laatstgenoemde komen goed met Guenée’s
beschrijving overeen en variéren niet belangrijk; bij allen is de
onderhelft van het middenveld leemgeel, de ronde vlek eenkleurig
houtgeel en de grond van den gewaterden band licht paarsachtig
blaauwgrijs. In deze punten verschilt testaceoides dan ook vooral
van /ittoralis, waar de onderhelft van het middenveld paarsachtig
bruingrijs is als de bovenhelft, de ronde vlek donker gestreept en
de grond van den gewaterden band licht paarsachtig bruingrijs.
Op Herrich-Schäffer’s beide figuren loopt dit sexueel verschil nu
wel niet zoo sterk in het oog, maar is toch in hoofdzaak te zien;
het minst duidelijk is het leemgeel in de onderhelft van het mid-
denveld, dat slechts in cel 44 als eene kleine vlek aanwezig is.
Herrich-Schäffer heeft zeker de beide afgebeelde exemplaren van
Dr. Frivaldsky als de beide sexen van retina ontvangen en dus
is het wel zonderling, dat Guenée, — die bij retina (p. 164) het
vermoeden te kennen geeft dat Herrich-Schäffer’s fig. 144 wel bij
testaceoides zou kunnen behooren, hoewel «l'espace median n’est
nullement teinté de jaune» (wat niet geheel juist is), — niet op het
denkbeeld is gekomen, dat zijne Zestaceoides de andere sexe van
retina kon zijn. Vooral is dit zonderling, omdat hij bij de be-
schrijving van testaceoides, op pag. 165, op nieuw aanteekent
dat Pierret hem twee exemplaren had gegeven, die aan dezen , met
retina, onder denzelfden naam, als Europeesch waren gezonden.
Daaruit leidde hij alleen af dat Pierret door een insectenhandelaar
die er zich niet om had bekreund den oorsprong der geleverde
vlinders te onderzoeken, met opzet was bedrogen. Had zijne vader-
liefde voor de door hem «gecreëerde» soort hem minder verblind,
dan zou hij zijne retina en testaceoides misschien ten opzigte der
sexuéle kenmerken hebben onderzocht en de waarheid ontdekt.
Mijne Indische exemplaren der beide sexen onzer Prodenia zien
er tamelijk verschillend uit. Bij Candiotische exemplaren, zooals
Herrich-Schäffer afbeeldt, zijn man en wijf welligt in den regel
minder uiteenloopend, Fig. 145 (het wijfje) is over het geheel
niet zoo sterk gekleurd als de gave en frissche Javanen en ik zag
ook eens een Europeesch exemplaar, dat minder levendige kleuren
NOCTUINEN DER EUROPESCHE FAUNA. 59
en flaauwere teekening had dan de door Mr. Piepers gezondene.
Deze vormen inderdaad Guenée’s varieteit A. De varieteit B uit
Afrika (Senegal), met okerkleurige voorvleugels, ken ik niet, zij
verschilt misschien specifiek zooals Guenée vermoedt.
Freyer’s afbeelding dezer soort kan ik nu niet vergelijken,
maar die van Boisduval, in de /aune de Madagascar, Bourbon et
Maurice, pl. 13, fig. 8, ligt voor mij. Zij is in het geheel niet
fraai, doch niettemin en ook niettegenstaande er reeds eene
Leucania littoralis is, moet onze Prodenia toch den door Bois-
duval gegeven naam dragen. Hoe weinig waarde Guenée zelfs aan
zijn eigen systematischen arbeid moge hechten (zie de allermerk-
waardigste aanteekening, Moet. I, p. 50, bij Aeronyeta pachy-
cephala), zoo zullen de genera Prodenia en Leueania toch wel
door geen wetenschappelijk entomoloog ooit meer bijeen worden
geworpen.
De heer Piepers heeft, blijkens de aan sommige exemplaren van
littoralis Boisd. en testaceoides Guen. gehechte etiketten met num-
mers, over beiden aanteekeningen gemaakt. Ik zal hem hierover
schrijven en verwacht stellig dat, wanneer die aanteekeningen be-
trekking hebben op het kweeken uit de rupsen, ook daaruit zal
blijken, dat er tusschen de beide genoemden van geen specifiek,
maar alleen van sexueel verschil sprake kan zijn.
Ik merk nog op, dat men wel gave en frissche exemplaren van
deze Prodenia en ook van de andere soorten van het genus dient
te hebben, om de aanwezigheid te kunnen constateren van de
lange, zijdeachtige beharing der achterlijfs-segmenten, die Lederer
als generiek kenmerk in zijne analytische tabel der Noetuinen-
genera op p. 61, afdeeling 101, vooropzet. Zij gaat ras verloren.
ESPECES NOUVELLES DE COLEOPTERES
DE LA FAMILLE DES PEDILIDES FT ANTHICIDES
du Musee Royal d’hist. nat. a Leyde
DECRITES PAR
M. S. DE MARSEUL,
PEDILIDAE.
1. XYLOPHILUS FASCIOLATUS nov. spec.
Long. 2 mm., larg. 1 mm. — Oblong, assez large, faiblement
convexe, d’un testacé roussàtre peu luisant, garni d’une très-fine
et courte pubescence grisätre; une grande tache foncière brune
allongée sur le milieu de chaque élytre, celles-ci ornées d’une
seconde pubescence couchée, fine et blanche, couvrant la base et
Pextrémité et formant une fascie en M ou en zigzag. — Téte
densément pointillée, large et grosse, un peu convexe sur le
vertex; yeux noirs, gros, saillants, atteignant presque le bord
postérieur, sinués en devant, peu écartés sur le front. Antennes
dépassant l’épaule, premiers articles menus et oblongs, 3” un
peu plus petit que le 2"°, les suivants un peu plus larges et
transverses, dernier ovale obtus. — Prothorax pointillé comme la
tête, plus étroit qu’elle, presque en carré transverse, tronqué en
devant avec les angles arrondis, à peine rétréci en courbe sur les
côtés, avancé au milieu de la base avec les angles arrondis, et
une faible dépression au devant de l’écusson, qui est petit et
arrondi. — Elytres assez fortement ponctuées, obovales subparal-
leles, arrondies largement au bout, tronquées à la base et beaucoup
ESPÈCES NOUVELLES DE COLÉOPTÈRES. 1513)
plus larges que le prothorax; angles huméraux élevés arrondis;
bossettes un peu marquées. — Pattes gréles, cuisses postérieures
peu épaisses.
Ressemble un peu pour la taille et le facies au populmeus,
mais le dessin en zigzag formé par la pubescence des élytres et
surtout la disposition des 2™ et 3™° articles des antennes le séparent
au premier abord.
Hab. Java occidental: Batavia (Sijthoff).
ANTHICIDAE.
2. MACRATRIA LINEELLA nov. spec,
Long. 4 mm., larg. 1,2 mm. — Etroit allongé, peu convexe,
noir avec le devant de la tête, la bouche, les palpes, les antennes,
les pattes d'un roux testacé, la base des cuisses et le milieu des
jambes un peu rembrunis. — Tête arrondie, assez convexe, légèrement
enfoncée au milieu de l’occiput, luisante et paraissant lisse; yeux
grands, ovales, peu convexes, rapprochés de la base antennaire;
palpes grands, dernier article sécuriforme. Antennes très-gréles,
un peu élargies vers le bout, n’atteignant pas l’épaule; articles
longs, dernier acuminé, moins long que les deux précédents. —
Prothorax oblong ovale, peu convexe, plus large que la téte, très-
rétréci en devant avec un goulot peu distinct, arqué sur les côtés
avec sa plus grande largeur avant le milieu, faiblement rebordé
à la base, avec les angles peu saillants; surface densément et très-
finement ponctuée räpeuse, vetue d’une pubescence grise, couchée,
assez fournie. Ecusson en carré, pubescent. — Elytres tronquées
et beaucoup plus larges que le prothorax à la base, avec les épaules
assez saillantes arrondies; trois fois plus longues que larges, atténuées
par derriére, arrondies chacune au bout; suture abaissée derriére
l’écusson, élevée ensuite, bordée d’une strie enfoncée; densément
et finement ruguleuses, légérement sillonnées, vétues d’une pubes-
cence couchée grise formant de trés-légéres lignes. — Pygidium roux
obscur, dépassant les élytres. — Dessous pubescent, flancs de la
poitrine à pubescence fine blanche. — Cuisses très-renflées,
56 ESPECES NOUVELLES DE COLEOPTERES
Distinet par sa petite taille, la couleur du devant de la tete et
des pattes, le prothorax ayant sa plus grande largeur avant le
milieu, les élytres à pubescence alignée.
Hab. Java oriental: Ardjoeno (Hekmeyer).
3. MACRATRIA SORICINA nov. spec.
Long. 5 mm., larg. 1,8 mm. — Trés-allongé, faiblement convexe,
tres-finement pointillé granuleux, avec la tête plus lisse et luisante;
vétu d’une courte pubescence grise, serrée, ne laissant pas voir
le fond qui est noir. — Tête subarrondie, assez convexe; yeux
grands, arrondis, peu convexes, plus rapprochés des antennes que
des angles postoculaires qui sont fort arrondis, peu distants en
devant sur le front; parties de la bouche roux testacé avec la
pointe des mandibules noire; dernier article des palpes long, cul-
triforme. Antennes gréles, roux testacé, n’atteignant pas l’épaule;
articles allongés, derniers un peu épaissis, dernier presque aussi
long que les deux précédents ensemble, acuminé. — Prothorax
ovale long, assez convexe, atténué en avant, avec le goulot peu
distinct, ayant sa plus grande largeur vers le milieu et là pas plus
large que la tete, tronqué et rebordé a la base avec les angles
saillants. Ecusson en carré. — Elytres plus larges à la base et
deux fois plus longues que le prothorax; épaules arrondies, peu
DI
saillantes; bossettes peu marquées; atténuées peu à peu a partir de
,
l’épaule, rétrécies arrondies ensemble au bout, dépassées par le
pygidium; stries fines, peu marquées, rapprochées. — Dessous
noir, finement pubescent. — Pattes roux testacé; jambes postérieures
un peu rembrunies; cuisses fortement renflées.
Ressemble bien au pallidicornis, mais il a le pronotum beaucoup
moins rétréci en avant et moins fortement granuleux ponctué, sa
tête sans échrancrure profonde à l’oceiput.
Hab. Iles Arou (von Rosenberg).
4. MACRATRIA BICINCTA nov. spec.
Long, 6 mm., larg. 1,5 mm. — Etroit très-allongé, peu convexe,
DE LA FAM. DES PEDILIDES ET ANTHICIDES. 57
noir luisant, finement pubescent de jaune. — Tête ovale subar-
rondie, convexe, pointillée, bord occipital étroitement sinué; yeux
grands, noirs, ovales, convexes, placés sur les côtés, assez rap-
prochés des antennes par leur bord antérieur; épistome densément
ruguleux pointillé, séparé du front par une legere dépression trans-
verse; labre et parties de la bouche roux; palpes très-longs, les
trois derniers articles grands. Antennes menues, atteignant les
épaules, rousses, à peine rembrunies vers l'extrémité; articles
allongés, dernier plus long que les deux précédents ensemble,
longuement acuminé. — Prothorax en ovale allongé, faiblement
convexe, trés-densément et tres-finement ponctué ràpeux, un peu
atténué en devant avec un goulot assez fort; arrondi à la base et
étroitement rebordé, ayant sa plus grande largeur vers le milieu
et un peu plus large que la téte avec les yeux. Ecusson en carré
ruguleux. — Elytres de moitié plus longues et beaucoup plus larges
que le prothorax à la base; angles antérieurs saillants arrondis;
bossettes marquées; subparalleles, atténuées en courbe vers l’extré-
mité, arrondies chacune au bout; suture élevée, entre les deux
sillons rugueux; surface fortement ponctuée, subsillonnée en dedans
vers le milieu, partie antérieure confusément rugueuse ponctuée,
postérieure presque lisse; ornées de deux bandes de poils serrés
courts blancs, l’une en arc au tiers antérieur, l’autre transverse
droite au dernier quait. — Dessous noir finement pubescent. — Pattes
d’un roux ferrugineux, cuisses fortement renflées, rembrunies vers
le bout, jambes plus obscures.
Hab. Iles Philippines: Luçon (Dohrn).
5. TOMOPERUS FUSICORNIS nov. spec.
Long. 3 mm., larg. 1,5 mm. — Jaune roux, luisant, garni de
poils jaunes mi-dressés peu rapprochés; antennes noires avec les deux
premiers articles roux et le dernier pale. — Téte obcordiforme, lisse,
légérement convexe, trés-élargie par derrière; angles postoculaires
arrondis renflés; yeux noirs, petits, ronds, placés au tiers posté-
rieur, Antennes robustes, atteignant le milieu, 1° article obconique,
58 ESPÉCES NOUVELLES DE COLEOPTERES
peu épais, 2™ petit, arrondi, les suivants 3—40 épais, trans-
verses, serrés, dernier petit, pointu. — Prothorax long, bilobé
par un étranglement large et profond, ruguleux; lobe antérieur
subeordiforme, bombé, plus étroit que la tete, lisse, muni d’un
goulot court et net; lobe postérieur court, évasé, lisse, tronqué et
finement rebordé à la base, un peu plus étroit. Ecusson enfoncé,
à peine sensible. — Elytres oblongues ovales, arrondies à la base,
épaules peu marquées; dilatées par derriere, convexes, tronquées
en are au bout, parsemées de gros points peu serrés. — Pattes assez
fortes, longues, cuisses renflées en dehors, 4° article des tarses
posterieurs pas très-allongé.
Cette curieuse espèce présente une forme analogue à celle de
certains Tomoderus, tels que Piochardi, ventralis etc., mais son
prothorax est plus allongé, plus fortement étranglé et ses antennes
sont d’une forme tout autre, fusiformes, épaissies au milieu avec
le dernier article petit, acuminé.
Hab. Sumatra: District Rawas, en Mai (Expédition Néerlandaise).
6. MECYNOTARSUS BISETIGER nov. spec.
Long. 1,5 mm., larg. 0,5 mm. — Oblong, légèrement convexe,
noir, trés-finement pruineux, assez luisant sur les élytres. -—
Tete trigone, bombée, arrondie posterieurement; yeux assez grands,
sinués au bord antérieur, rapprochés des antennes; dernier article
des palpes renflé, sécuriforme. Antennes atteignant le milieu, allon-
gées, grêles et testacées dans la première moitié, rembrunies et un
peu épaissies dans l’autre; articles longs, dernier fusiforme, plus
long que le précédent. — Prothorax élevé sur le dos, muni en
devant d’un long appendice, peu élargi, bordé d’une frange fine-
ment denticulée, arrondi au bout, surmonté de deux petites lignes
élevées longues, nettes, subparalléles et réunies sous un angle trés-
aigu; còtés fortement dilatés en angle mousse vers le milieu, puis
très-rétrécis jusqu’à la base mais présentant deux denticules écartés
d’oü part un long poil ou soie dressé; base étroite, rebordée en
bourrelet. Ecusson petit. — Elytres subelliptiques, oblongues,
DE LA FAM. DES PEDILIDES ET ANTHICIDES. 59
convexes, plus larges que le prothorax, arrondies au bout, en arc
obtus à la base avec les épaules marquées quoique arrondies ; surface
pointillée éparsement et faiblement. — Pattes allongées, cuisses
renflées, obscures, jambes greles, testacées ainsi que les tarses,
les postérieurs au moins aussi longs que les jambes.
Le plus petit des espèces connues, il ne ressemble à aucune,
sa coloration, la forme de la corne et son armature le distinguent
parfaitement. 1)
Hab. Sumatra (Müller).
7. ANTHICUS SERRICORNIS NOV. spec.
Long. 5 mm., larg. 2 mm. — Roux testacé, luisant; yeux,
milieu des antennes et une grande tache commune sur le milieu
des élytres noirs; pubescent de la couleur du corps, avec des lignes
de longs cils dressés, écartés sur celles-ci. — Téte obconique, arrondie
et entaillée circulairement à la nuque, bombée, rugueuse, poin-
tillée; yeux réniformes, granulés, renflés, médiocrement écartés ;
palpes grands, dernier article long sécuriforme. Antennes robustes,
atteignant les épaules, 1” article ovoide, 9m petit, court, roux;
1) Je trouve dans la collection de Laferté une jolie petite espèce inédite qu'il
me semble utile de rapprocher de celle-ci parce qu’elle vient des Indes-Orientales ,
vaste pays qui n’a fourni jusqu’ici que de rares espèces à ce groupe Si intéressant,
Mecynotarsus obliquemaculatus Laf. — Long. 2 mm., larg. 1 mm. — Oblong,
peu convexe, très-finement pointillé alutacé, vêtu d'une courte pubescence soyeuse,
serrée, couchée; fond jaune pâle avec la tête faiblement rembrunie, une tache
obscure près de l’écusson et une noire oblique au delà du milieu des elytres,
raccourcie en dedans et en dehors. Yeux noirs. Antennes filiformes, atteignant
l'épaule, articles longs, dernier un peu épais. Prothorax assez convexe, trans-
verse, arrondi sur les còtés, muni en devant d'une corne triangulaire, assez large,
arrondie au bout, bordée de nombreux petits denticules noirs, avec une crête
concentrique, en angle très-aigu, et crénelée de même; dans l'intervalle on dis-
tingue de très-petits granules épars; fortement rétréci à la base qui est tronquée
et rebordée, muni de chaque côté de deux petites dents écartées d'où sort une
longue soie dressée. Ecusson très-petit. Elytres tronquées à la base avec les
angles huméraux marqués mais peu saillants, bossettes nulles; suture ni élevée
ni enfoncée; côtés un peu en courbe, ayant leur plus grande largeur au delà
du milieu, arrondis au bout. Pattes très-pâles, jambes et tarses allongés et
presque filiformes.
La forme des élytres et les taches noires si tranchées, le distinguent tout de
suite des variétés pales du rhinoceros.
60 ESPECES NOUVELLES DE COLEOPTERES
les suivants noirs, en triangle oblong, dont la dent interne sail-
lante, dernier fusiforme terminé en pointe. — Prothorax oblong, poin-
tillé, convexe sur le dos et comme cordiforme, arrondi en devant
sur les còtés et aussi large que la téte, puis rétréci et creusé vers.
la base, qui est large, renflée en un bourrelet, plus épais sur les
cotés; goulot étroit, bien marqué. Ecusson enfoncé, en triangle
aigu. — Elytres oblongues , finement réticulées, déprimées sur le dos,
plus larges que le prothorax, avec l’épaule et la bossette saillantes,
un peu en courbe sur les còtés, largement arrondies au bout;
tache dorsale commune s’avancant en pointe vers l’écusson, laissant
a découvert le bord basal et le bord apical. Abdomen densément
garni d’une fine pubescence jaune soyeuse. Pattes assez longues,
assez épaisses; 1% article des tarses postérieurs très-allongé.
Présente quelques rapports de forme avec le Jongiceps, mais ses
antennes dentelées, ses épaules et ses bossettes plus saillantes et
sa coloration l’en éloignent considérablement. La structure de la
téte et du prothorax le placent dans la méme section.
Hab. Sumatra: Koetoer, en Juin (Expédition Néerlandaise).
8. ANTHICUS CRUCIELLUS nov. spec.
Long. 3,5 mm., larg. 1,5 mm. — Assez long, noir de poix,
juisant; bouche, antennes, pattes et deux fascies sur les élytres
larges, d’un jaune pale; écusson et bord extrême du prothorax
roux brun; fortement ponctué en dessus, plus densément sur le
pronotum; pubescent de gris. — Tete convexe, en triangle court,
base postérieure tronquée avec les angles postoculaires arrondis;
yeux ronds, peu saillants, antérieurs; palpes allongés, à dernier
article grand, sécuriforme. Antennes atteignant presque le milieu,
menues, un peu épaissies au bout, articles longs. — Prothorax moins
large que la téte, formant une téte arrondie en devant et muni
d’un étroit goulot; assez convexe sur le dos, un peu plus long
que large, sinué sur les côtés après le milieu, base large, peu
arquée et indistinctement rebordée. Ecusson petit, carré, enfoncé. —
Elytres 2,5/1,5 mm., beaucoup plus larges que le prothorax, tron-
DE LA FAM. DES PEDILIDES ET ANTHICIDES. 61
quées à la base, avec les épaules marquées mais arrondies, en
courbe légère sur les côtés, un peu déprimées sur le dos, arrondies
au bout, ornées de deux larges fascies pàles, un peu raccourcies
en dehors et à la suture, l’une placée derriere l’épaule, l’autre aux
deux tiers; la base et J’extrémité restent noires et l’intervalle qui
les sépare un peu plus grand que les fascies. — Pattes päles, allon-
gées, menues.
Ressemble un peu au Zransversalis; le prothorax est conformé
de la méme facon, la tete triangulaire est plus large et plus droite
à la base, les élytres allongées ont des taches analogues mais
beaucoup plus grandes, la base ne présente pas les bossettes aussi
accusées, et la couleur est en somme bien différente.
Hab. Java oriental: Ardjoeno (Hekmeyer).
9. ANTHICUS SUBRUBROCINCTUS nov. spec.
Long. 4 mm., larg. 1,3 mm. — Allongé, légèrement convexe,
noir très-luisant, garni de longs poils gris mi-dressés ; ponctuation
écartée, faible sur la tête et grosse sur le prothorax et les élytres. —
Téte grosse, trigone, assez convexe, subarrondie avec les angles
par derriere; yeux grands, ronds, peu saillants; bouche un peu
testacée; palpes à dernier article long, fortement sécuriforme.
Antennes très-allongées, dépassant les épaules, à articles longs,
grêles, rembrunis sauf les premiers, dernier un peu plus gros et
à peine plus long que le précédent. — Prothorax oblong, plus étroit
que la tête,. arrondi en devant, mais non dilaté sur les côtés ,
muni d'un goulot assez net; dos peu convexe, égal; côtés à peine
sinués; base rebordée, à angles peu ressortis. Ecusson petit, en-
foncé. — Elytres obovales, longues, un peu convexes, élargies en
courbe sur les côtés, ayant leur plus grande largeur après le
milieu, arrondies au bout, base subtronquée, étroite, angles mar-
qués ainsi que la bossette; suture. marginée, enfoncée derrière
l’écusson; ornées de deux taches d’un rouge obscur, l’une vers
le tiers, l’autre vers les deux tiers, obliques en sens inverse. —
Pattes allongées, menues, roux testacé, jambes un peu rembrunies,
62 ESPÈCES NOUVELLES DE COLEOPTERES
Fait partie du groupe du Zongicollis, dont il se distingue à
première vue par sa grosse ponctuation écartée, par les taches
des élytres d'un rouge sombre, etc.
Hab. Sumatra: Kloempang, en Aôut (Expédition Néerlandaise).
40. ANTHICUS JAVANUS nov. spec.
Long. 3 mm., larg. 1 mm. — Ovale oblong, légérement con-
vexe, noir luisant, hérissé de quelques poils jaunes; prothorax
roux; base des antennes, pattes, milieu de la poitrine et deux
taches jaune testacé sur les élytres. — Téte en triangle large, con-
vexe, tronquée 4 la base avec les angles marqués arrondis; surface
densément ponctuée rugueuse avec une faible ligne lisse un peu
élevée au milieu; yeux ronds, petits, avancés vers les antennes;
celles-ci n’atteignant pas l’épaule, menues, un peu épaissies en
dehors, articles oblongs, 8—10 plus courts, dernier renflé et
assez gros, pyriforme, tronqué au bout, mais prolongé en dedans
par une pointe aigué. — Prothorax dilaté de chaque còté en bosse
arrondie et en ce point de la largeur de la téte, muni en devant
d’un goulot bien accusé; atténué sinué vers la base qui est étroite,
rebordée et tronquée; surface fortement ponctuée. Ecusson petit,
rond. — Elytres obovales, avec leur plus grande largeur après le milieu,
en pointe arrondie au bout, tronquées à la base avec les épaules
saillantes obtuses, bossettes un peu marquées, une légère dépres-
sion derriére; suture un peu élevée, flanquée de chaque còté
d’une strie; densément et également ponctuées, ornées de deux
larges taches obliques jaunes , 1" allant du bord externe au sutural ,
et de l’épaule au tiers, 2"° placée un peu avant l’extrémité et
isolée de la suture comme du bord externe. — Pattes peu épaisses,
jambes et tarses gréles.
Différe du quadrioculatus par sa taille petite, sa couleur plus claire,
la ponctuation de la tête et du prothorax bien plus forte, du Miwew
par sa téte noire, rugueuse ponctuée, son prothorax à points bien
plus gros, etc.
Hab. Java occidental: Batavia (de Gavere).
DE LA FAM. DES PEDILIDES ET ANTHICIDES. 63
11. ANTHICUS BIZONELLUS nov. spec.
Long. 2,6 mm., larg. 1 mm. — Oblong, mediocrement convexe,
luisant, blond jaune, un peu marron en dessous, garni de quel-
ques poils assez longs, jaunätres, orné sur les élytres d’une double
ceinture noire. — Téte en triangle large, bombée, coupée droit par
derriére, avec les angles postoculaires peu prolongés arrondis, pa-
raissant lisse; yeux arrondis, peu saillants et assez petits. Antennes
atteignant l’épaule, filiformes, articles allongés. — Prothorax pas plus
long que large, fortement dilaté en bosse à la partie antérieure
des còtés, sans atteindre la largeur de la téte, muni au bord
apical d’un fort goulot, rétréci sinué par derriere, base tronquée,
rebordée, avec les angles peu ressortis; surface fortement ponctuée.
Ecusson petit, arrondi. — Elytres allongées, subparalleles, arrondies
au bout, tronquées à la base et beaucoup plus larges que le pro-
thorax, avec les épaules saillantes émoussées , bossettes légéres ;
suture flanquée d’une strie sulciforme, enfoncée derrière l’écusson,
élevée ensuite; surface assez fortement ponctuée, points disposés
un peu en lignes sur le dos; ornées de deux fascies noires comme
raccourcies en dehors, 1° au milieu plus grande formant une
double courbe remontée sur la suture, 2"° pas loin de langle
apical, petite, en forme de triangle sur la suture. — Pattes longues,
cuisses assez épaisses.
Peut se placer près de l’ocellatus dont il diffère par la ponctu-
ation, la couleur, les taches qui ornent les élytres, etc. etc.
Hab. Java oriental: Ardjoeno (Hekmeyer).
12. ANTHICUS BATAVIENSIS nov. spec.
Long 2,5 mm., larg. À mm. — Oblong, un peu déprimé sur
le dos, d’un roux testacé, plus pàle sur les élytres qui sont
ornées après le milieu d’une tache noire transverse; la moitié ex-
terne des antennes noir brun. — Téte trigone , assez convexe, cour-
bee sur les côtés, tronquée droit à la base, avec les angles post-
oculaires bien marqués, émoussés; surface densément et très-finement
64 ESPÈCES NOUVELLES DE COLEOPTERES.
chagrinée, finement pubescente de gris; yeux peu saillants, portés
en avant près des antennes; dernier article des palpes large, renflé
et sécuriforme. Antennes atteignant l’épaule, menues, articles
oblongs, grossissant et se raccourcissant vers l’extrémité, dernier
pyriforme, pointu. — Prothorax sculpté et pubescent comme la téte,
presque aussi large qu’elle, pas plus long que large, peu convexe,
faiblement arqué au bord apical avec un goulot très-mince; côtés
dilatés en bosse antérieurement, rétrécis sinués par derrière; base
presque droite, peu élargie aux angles et faiblement rebordée.
Ecusson petit, arrondi. — Elytres plus larges à la base que le pro-
thorax, avec les angles marqués quoique arrondis; bossette peu
sensible; élargies en courbe sur les côtés, ayant leur plus grande
largeur au delà du milieu, arrondies au bout, légérement convexes ,
luisantes, avec des points forts, écartés, alignés en avant; tache
noire transverse, assez longue, n’atteignant ni la suture, ni le
bord externe; garnies de poils jaunàtres mi-dressés. — Pattes très-
pàles, jambes menues, tarses très-fins, pas très-longs.
Se place près du wchulosus, auquel il ressemble, mais outre
la distribution des taches des élytres, la ponctuation est trés-
differente, plus serrée et épaisse sur les élytres, elle est plus forte
et moins ramassée sur le prothorax et sur la téte.
Var. Parfois la couleur noire s’etend, envahit la tête et plus
ou moins le pronotum, la bande noire s’élargit et s’étend sur les
bords, se prolonge sur la suture, le long du bord apical, et montre
une tendance à se rejoindre et à enclaver une tache jaune, formée
par la couleur foncière.
Hab. Java occidental: Batavia (de Gavere et Sijthoff).
Pselaphiden und Seydmaeniden der Niederländischen
Besitzungen auf den Sunda-Inseln,
IM REICHSMUSEUM ZU LEYDEN
BEARBEITET
VON
Dr. L. W. SCHAUFUSS,
Bras. R. R. O., I. Reuss C.-E. 2.
PSELAPHIDAE.
1. BYTHINUS ATOMUS n. sp.
Rufo-testaceus, pubescens, abdomine castaneo, breviter obovato;
capite cum oculis triangulari; thorace rotundato-subcordato, majore
quam caput; elytris caput thoracemque longitudine aequantibus,
latioribus, striis suturali integra, discoidali ad mediam partem
obsoleta; abdominis segmentis primo et quinto latioribus, suhae-
ualibus, 2—4 angustis; femoribus clavatis.
2 D À
Long. 2 mm., lat. fere 4 mm. — Hab. Batavia (de Gavere, Sijt-
hoff). — Nicht selten.
Augen gross, vorspringend, schwarz, grobkürnig.
Maxillartaster: letztes Glied so lang als die Augen breit
sind, halb so dick, kurzoval, etwas zugespitzt, blassgelb. (Ich
kann an den mir vorliegenden wenigen Exemplaren, die zum
Theil schadhaft sind, leider genauere Untersuchungen nicht anstellen ;
es ist nicht unmöglich, dass ich Grösse und Dicke zu bedeutend
angegeben habe).
Fühler: Glied 1 und 2 gross, kugelig, 3—7 sehr klein,
perlschnurförmig, 8 doppelt so breit als dick, breiter als 7, 9
5
66 PSELAPHIDEN UND SCYDMAENIDEN
und 10 quer, 10 breiter als 9, 11 sehr dick und gross, kurz
eiförmig, über viermal so breit und fünfmal so lang als eines der
Glieder 3—7.
Die Schenkel sind im vorderen Drittel stark angeschwollen ,
namentlich die mittleren.
Coxen nahe an einander liegend, die hintersten sind sehr gross
und nehmen je 2 der Hinterleibsbreite ein.
Fünf Hinterleibsringe, erster und fünfter sehr breit , fünfter
breiter als der erste, 2—4 schmal, zusammen so breit als der erste.
Das Thier scheint der Gattung Cercocerus Motsch. verwant zu
sein, die Palpen sind für Bythimus ein wenig zu stark und lang.
2. PANAPHANTUS SQUAMICEPS n. Sp.
Rufo-sanguineus, nitidus, ochraceo-pilosulus, segmentis abdo-
minalibus supra et subtus, elytris posticis, thoracis foveola lateri-
busque dense squamosis; capite subrotundato , apice porrecto,
opaco, ruguloso, ochraceo-pilifero, inter oculos triimpresso subca-
naliculatoque ; thorace subcordato, antice subconstricto , nitido,
supra laxe cribrato-punctato; elytris parum convexis, postice dila-
tatis, nitidis, quadristriatis, interstitiis suturali seriatim, reliquis
disperse punctulatis piliferisque.
Long. 14 mm., lat. 2 mm. — Hab. Batavia (Sijthoff). — Gemein.
Fühler so lang als Kopf und Halsschild zusammengenommen,
unter einem Vorsprunge vor. und zwischen den Augen eingefügt,
genähert. Erstes Glied doppelt so lang als breit, cylindrisch, zweites
so dick wie das erste, quadratisch, 3—7 etwas schmäler, perl-
schnurförmig, jedoch breiter als lang, achtes und neuntes kaum
breiter, zehntes und elftes eine Keule bildend, zehntes fast so
breit als das erste lang ist, elftes dreimal so lang und fast ein-
halbmal breiter als das zehnte.
Maxillartaster sehr klein, fadenförmig, nach vorn etwas
verbreitert, die beiden letzten Glieder zusammengenommen kaum
der Länge des zweiten Fühlergliedes entsprechend und viermal so
lang als breit, am Ende stumpf zugespitzt.
DER SUNDA-INSELN. 67
Augen sehr gross, grobkörnig.
Kopf dicht squamulirt, matt, zwischen den Augen eingedrückt.
Halsschild verkehrt herzförmig, vorn und daselbst obenüber
eingeschnürt, vor dem Schildchen mit grosser Grube, welche wie
die Ränder dicht befilzt ist; glänzend, weitläuftig mit runden
Grübchen besetzt.
Flügeldecken: Seiten fast gerade, nach hinten erweitert,
mit abgerundeten Ecken. Der Nahtstreif ist ganz, an der Basis
vertieft, der Rückenstreif am Ende etwas nach innen gebogen. Der
Nath entlang, zwischen ihr und dem Suturalstreifen, läuft eine
Punctreihe, die anderen Zwischenräume fast reihig, weitläuftig
punctirt und ebenso mit kurzen, dicken, aufrechtstehenden gelben
Börstchen besetzt, die an den Seiten und am Hinterrande dichter
stehen.
Das Thierchen hat weissliche, mattdurchscheinende Flügel.
Hinterleibsringe oben und unten an der Basis dicht
gelblichweiss gesäumt, hinter der Basis weniger dichte, aufrecht-
stehende, weisse Börstchen.
Schenkel kaum verdickt, oben etwas bogig. Mittelschenkel
am Ende mit einem Dorn, nach vorn etwas ausgebogen. Erstes
Tarsenglied deutlich abgesetzt, klein, so lang als breit, die
anderen lepismaeform; eine einfache Klaue.
Ich habe das Thier in die Gattung Panaphantus gestellt, obgleich
die Form der Palpen der von Kiesenwetter gegebenen Abbildung
nicht entspricht; die Diagnose: «palpi max. art. penult. parvo,
ult. ovato, subacuminato » lässt viele Variationen der Deutung zu.
3. ZETHUS BATAVIANUS n. sp.
Brunneus, cribrato-punctatus, breviter disperse pilosus, ore pedi-
busque testaceis, elongato-obovatus; capite transverso, apice subtus
rotundato, ante basin leviter curvato, medioque lineola abbreviata
impresso; elytris subquadratis, antice parum angustatis, lateribus
rotundatis, cribrato-punctatis, striis suturali integra, discoidali ad
basin solum notata; abdominis segmentis tribus primis subaequa-
libus, convexis.
68 PSELAPHIDEN UND SCYDMAENIDEN
Long. 14 mm., lat. fere 4 mm. — Hab. Batavia (Sijthoff). —
Nicht häufig.
Hals dicht punctirt, Kehle mit Längsrinne, Kinn gewölbt, vorn
eingedrückt, mit beiderseitigem Hügel, vor welchem Börstchen
hervorragen; Unterlippe zweimal länger als breit, beiderseits aus-
geschweift. Die seitliche Längsgrube am Kopfe, worin sich die
Maxillartaster befinden, ist von unten besser als von oben sichtbar.
Die Oberlippe ist breit, Ecken abgerundet, die Unterlippe dach-
formig überragend.
Mittelcoxen gross, fast kugelig, wie die vorderen zusammen-
stossend, die hinteren länglich, flach, nahe zusammenstehend.
Das Thier ist geflügelt.
Hinterleibsringe gerandet.
Durch die convexen, seitlich gerundeten Flügeldecken, nach
hinten etwas verbreiterten Hinterleib, grösseren, vorn gerundeten
Kopf, und die Grösse von Z. opacus Schauf. verschieden.
4, BRYAXIS SIAMENSIS Schauf.
Pselaphiden Siam’s, Dresden 1877, p. 9.
In Java häufig: Ost-Java (Mulié); Batavia (de Gavere, Sijthoff).
Zur Beschreibung, welche s. Z. nach einem Unicum gemacht
wurde, kann ich heute Folgendes hinzufigen :
Ueber der Fühlereinlenkung stehen zwei kleine Hockerchen,
dahinter befindet sich ein schràger, nach hinten gehender, wenig
vertiefter Eindruck. Der Glanz hinter den Höckerchen kann leicht
zu der Annahme verleiten, dass ein Eindruck vorhanden sei, in
den meisten Fällen ist dies jedoch nur Täuschung; ein wirkliches
Grübchen daselbst beobachtete ich nur an 2 Exemplaren.
Das elfte Fühlerglied ist am grössten, kurz verkehrt eiförmig,
etwas zugespitzt, das vorletzte fast kugelformig, das erste und
zweite etwas länger als breit, wenig stärker als die folgenden.
Das Männchen hat auf der Mitte des Kopfes bisweilen ein
ganz flaches Grübchen. Das Metasternum ist breit- und tief-, der
vierte Hinterleibsring tief-eingedrückt, der breite erste ist in der
Mitte ausgeschnitten.
DER SUNDA-INSELN. 69
Das Weibchen zeigt nur einen schwachen Eindruck auf dem
Metasternum; die Hinterleibsringe sind ohne besondere Kennzeichen.
Die Javaner Exemplare haben den Thorax etwas breiter als mein
Siamesisches. Bei manchen Stücken ist die Basis des Halsschildes,
die Nath, sowie der Hinterleib ein wenig angebräunt.
5. BRYAXIS CORDATA Schauf,
Pselaphiden Siam’s, Dresden 1877, p. 9.
In Java sehr gemein.
Frisch erhaltene Exemplare aus Batavia (Sijthoff) zeigen eine
reichlichere Pubescenz auf Flügeldecken und Halsschild, wodurch
dieselben matt erscheinen. Bei vielen Exemplaren tritt auf dem
Scheitel ein kleines längliches Grübchen auf, viel kleiner als die
drei anderen Kopfgruben. Der erste Hinterleibsring hat oben jeder-
seits eine Querlinie (also von oben gesehen der Länge des Thieres nach).
Die milchweiss opalisirenden Flügel sind länger als das Thierchen.
6. Bryaxıs Fonensis Schauf.
Pselaphiden Siam’s, Dresden 1877, p. 10.
Ein Exemplar aus Batavia (Sijthoff). Ganz ausgetärbt zeigt das
Thier hellere Füsse, Fühler und Palpen.
7. EUPLECTUS ACUMINATUS n. Sp.
Rufo-ferrugineus, disperse punctulato-pilifer; capite antice cur-
vato impresso, medio elevato; thorace obcordato, profunde trifo-
veolato, foveolis linea supra basin conjunctis, antice medio longi-
tudinaliter linea impressa, basi emarginata, angulis posticis excisis,
lateribus breviter unispinulosis; elytris quadratis, subconvexis, fere
lineatim disperse punctulato-piliferis, striis suturali integra, discoi-
dali apice evanescente; segmentis abdominis tribus primis aequa-
libus, utrinque medio plicatiliter impressis.
Long. 15% mm., lat. 2 mm. — Hab. Batavia (Sijthoff). —
Scheint seltener zu sein.
Maxillartaster: letztes Glied so lang als das letzte Fühler-
glied, + so breit als lang, nach vorn zugespitzt.
70 PSELAPHIDEN UND SCYDMAENIDEN
Die Fühlerkeule ist dreigliedrig. Fühlerglied 1 und 2 ver-
dickt, 3—8 perlschnurförmig, die Glieder etwas breiter als lang,
neuntes stark quer, 4 mal breiter als lang, zehntes breiter als
das neunte, kurz kegelförmig, fast so breit als das elfte.
Der Kopf ist tief hufeisenförmig eingedrückt, die Rundung nach
vorn. Der Eindruck ist jederseits hinten grubenartig vertieft.
Durch die Ausrandung der Hinterecken des Halsschildes bildet
sich vor der Mitte des Seitenrandes ein kleiner scharfer Dorn; die
äusseren Hinterecken der Flügeldecken sind scharfspitzig.
Hinterleib nicht gerandet, unten glatt, an den Rändern
zerstreut punctirt, die Pünktchen mit längeren niederliegenden
Härchen besetzt.
Die hinteren Coxen berühren sich nicht; ob dies dazu berech-
tigt, dieses Thier der Gattung Philus einzuverleiben, lasse ich
dahingestellt.
8. BATRISUS RITSEMAE n. sp.
Castaneus, nitidus, longe ochraceo-hirsutus, amplus, abdomine
cum elytris breviter ovato, convexo; antennis robustis, monili-
formibus, articulis tribus ultimis parum majoribus, non clavatis;
capite inter et post antennas impresso; thorace rotundato-cordato ,
basi plicato-foveolato et curvato-impresso; humeris parum sed
distinete prominulis; tibiis curvatis, anticis fere angulatis.
Long. 144 mm., lat. fere 1 mm. — Hab. Sumatra: Benkoelen
(Leembrugge). — Nicht selten.
Der Basaleindruck des Halsschildes sendet nach dem Schild-
chen zu eine vertiefte Linie, die Basis ist mehrfach grubenartig
eingedrückt.
Die Flügeldecken sind sehr fein weitläuftig punctirt, glän-
zend, und wie das ganze Thier sehr dicht lang aufrecht behaart.
Das Thier würde der von Motschulsky (Bull. Mose. 1851
Separ. p. 12) signalisirten Gattung Harmophorus, zu deren Be-
gründung ich vorerst aber nicht beitragen möchte, angehören ,
wenn Derselbe nicht schriebe: «la forme du corselet rap-
»
DER SUNDA-INSELN. 74
proche ce genre des Centrophthalmus et des Tyrus»,
was sich nicht gut vom B. Ritsemae sagen lässt. Das letzte
Maxillartasterglied ist sehr fein, haarförmig. Alles Andere stimmt.
Herrn Conservator C. Ritsema Cz., welcher mir das Pselaphiden-
material des Reichsmuseum freundlichst communicirte, gewidmet.
9. BATRISUS FUNDAEBRACCATUS n. Sp.
Rufosanguineus, nitidus, disperse ochraceo-subpilosus; femoribus
posticis apice valde clavatis, cavatis, cavo extus dentato; capite
inter antennas impresso, inter oculos bifoveolato, fronte lineola
longitudinali impresso; thorace valde cordato, longitudinaliter tri- et
basi impresso , foveis tribus conjunctis, basi utrinque plicata; elytris
subpilosis, subquadratis, subconvexis, antice rotundatis, humeris
vix spinulose prominentibus, striis suturali discoidalique distinctis ;
abdominis segmento primo maximo, basi utrinque minute plicati-
liter impresso.
Long. 13 mm., lat. 2 mm. — Hab. Batavia (Sijthoff). — Nicht
hàufig.
Durch die stark angeschwollenen Hinterschenkel (4°), welche nach
aussen hohl sind, und deren Aushöhlung einen mit einem oder
mehreren Zähnchen versehenen Eingang haben, gut gekennzeichnet.
Die Fühler sind ein wenig länger als Kopf und Halsschild
zusammengenommen. Erstes glied stark, fast viereckig, zweites
kaum grösser als eines der perlschnurförmigen 3—7, 8—11
eine lose, wenig verdickte Keule bildend.
Das Halsschild hat nach hinten jederseits einen kleinen Dorn,
ähnlich wie an den Schultern, nur deutlicher.
40. BATRISUS SCULPTURATUS n. Sp.
Castaneus, nitidus, ore pedibusque testaceis, obsolete disperse
punctulatus, pilifer; capite quadrato, angulis posticis rotundatis,
inter oculos bifoveolato, inter antennas biimpresso; thorace cordato,
subtiliter punctato, basi utrinque dense punctato foveolatoque,
utrinque longitudinaliter et supra basin impresso-lineato; elytris
72 PSELAPHIDEN UND SCYDMAENIDEN
nitidis, dense punctato-pilosis, striis suturali et discoidali apice
evanescentibus, interstitis convexis, humeris distinctis; abdo-
minis segmento primo supra utrinque valde exciso et medio
utrinque minute dentato, intus utrinque sculpturato, apice medio
subcornuto.
Long. fere 2 mm., lat. 3 mm. — Hab. Java or.: Ardjoeno (Hek-
meyer). — Unicum.
Das erste Glied der Palpen ist so lang oder länger als das
dritte, dünn, von der Mitte nach vorn etwas verdickt, wenig
gebogen; zweites Glied klein, dreieckig, länger als breit; das dritte
Glied hat die Form eines länglichen Parallelogramms. — Taster
noch heller als die Füsse.
Fühler lang und dünn, borstentragend, jedes Glied abgesetzt,
erstes verdickt, länger als breit, vorn oben ausgeschnitten, aussen
nach vorn schräg abgestutzt, eine einseitige Spitze bildend, 2—8
13 bis 2mal länger als breit, allmählig an Länge zunehmend,
neuntes und zehntes dicker, grösser, oval, elftes 2 so lang als
neuntes und zehntes zusammengenommen, fast oval, zugespitzt.
Kopf zwischen den Fühlern leicht längseingedrückt, zwischen
den Augen mit zwei Gruben.
Halsschild herzformig, seicht zerstreut punctirt und mit
Borsten besetzt; an der Seite ist eine Längslinie eingedrückt,
welche nach den Hinterecken läuft; von da geht eine eingedrückte
Querlinie längs der Basis hin, die in der Mitte äusserst seicht ist
und sich nach einem Grübchen über dem Schildchen herabbiegt.
Flügeldecken und Hinterleib bilden ein oben und unten
abgekürztes Oval; beide sind dicht punctirt, convex; der letzte
Ring nimmt von oben gesehen den ganzen Hinterleib ein, ist
jederseits tief bogig ausgeschnitten, in der Mitte oben abgestutzt,
jederseits daselbst mit kleinem Zähnchen versehen, unterhalb der
Ausschnitte jederseits (nach innen) mit einigen tief eingegrabenen
Linien. Diese nach hinten verlaufend, hinten in der Mitte mit
einem kleinen Hörnchen.
-
Weitere Untersuchungen konnte ich an dem Unicum nicht
riskiren,
DER SUNDA-INSELN. 73
14. CENTROPHTHALMUS QUADRISTRIATUS Schauf.
Pselaphiden Siam’s, Dresden 1877, p. 22.
Ost-Java (Mulié), Batavia (Sijthoff). — Nicht selten.
12. CENTROPHTHALMUS PUNCTIPENNIS Schauf. var. punctatis-
simus Schauf.
Pselaphiden Siam’s, Dresden 1877, p. 22.
Ein Exemplar von Batavia (de Gavere), viel besser erhalten als
mein typisches. Das Thier ist oben und unten ziemlich dicht be-
haart. Das letzte Fühlerglied ist kugelig.
13. ENOPTOSTOMUS JAVANUS n. Sp.
Rufo-testaceus, subopacus; antennarum clava fere cylindrica,
dimidiae antennarum longitudinis; capite inter oculos bifoveolato ;
thorace subgloboso, antice constricto, basi unifoveato; elytris sub-
nitidis, breviter ochraceo-piliferis, postice dilatatis, striis suturali et
discoidali integris, ad basin profunde impressis, apice et segmentis
abdominalibus primis basi dense ochraceo-pilosis.
Long. 14 mm., lat. + mm., antenn. long. ? mm. — Hab. Java
(Raadt). — Selten.
Maxillartaster: Zweites Glied nierenförmig, dünner als das
dritte, nach aussen mit einem feinem Härchen versehen, nach
hinten eingebogen, verschmälert, drittes Glied etwas länger als
das zweite, die ausgezogene seitliche Spitze bis zu ihrer Basis so
lang als der Bogen vorher nach vorn, viertes Glied nicht länger
als das zweite Glied, dreieckig, die ausgezogene seitliche Spitze
nur kurz.
Fühler: Das erste Glied ein wenig länger als breit, das
zweite quadratisch, 3—7 kleiner, kugelförmig, 8—11 walzen-
formig, nach vorn kaum verbreitert, die schräg abgestutzten 9 und
10 kürzer als das achte oder elfte, das letzte vorn abgerundet.
Der Kopf ist mit den grossen vorstehenden Augen breiter als
lang, von den Augen nach vorn stark verengt, über der Fühler-
einlenkung wiederum erweitert.
74 PSELAPHIDEN UND SCYDMAENIDEN
Schenkel kaum verdickt, Schienen nach vorn etwas breiter,
wenig gebogen.
Vordere Coxen wenig, hintere bedeutend entfernt.
Von den mir bekannten Enoptostomen (Aubei, opacus Schauf. ,
pontieus, siamensis Schauf.) durch die walzenförmige Fühlerkeule
unterschieden.
14. CTENISTES MITIS n. sp.
Elongato-obovatus, pallidus, ochraceo-adpresse-pilosus, thorace
antice bi-, basi tri-alboplagato, elytris apice, segmentis abdomi-
nalibus basi tenuiter albomarginatis; capite (sine oculis) elongato,
inter oculos bifoveolato, inter antennas longitudinaliter impresso;
thorace elongato, antice subangustato, convexiusculo, pilis brevibus
divergentibus praedito; elytris postice parum dilatatis, leviter
convexis, pilis ochraceis adpressis, striis suturali integra, discoidali
apice evanescente.
d. Antennis 4 corporis longitudine, articulis quatuor ultimis 4
antennarum longitudine, 3—7 minutis, moniliformibus, 8, 10,
14 inter se longitudine aequalibus, nono parum octavo breviore.
Long. fere 12 mm., lat. 2 mm. — Hab. Batavia (Sijthoff). — Unicum.
Augen gross, grobgekörnt, schwarz, vorstehend.
Flügel hyalin, milchweiss.
Beine lang, Schienen gerade, vordere Schenkel kaum ver-
dickt, die hintersten in der Mitte keulenförmig aufgeschwollen.
Etwas kleiner und schmäler als Ct. palpalis Rehb., von bleicher ,
rostgelber Farbe, das d mit längerer Fühlerkeule, die Hinterleibs-
ringe nur schmal mit weisslichen Härchen gesäumt. Nur die Naht
und Fühlerkeule sind ein wenig dunkler als das Thier.
SCYDMAENIDAE.
15. EUMICRUS EPOPSIMUS n. Sp.
Rufus, antennis pedibusque rufotestaceis, disperse ochraceo-sub-
hirsutus, parum convexus; antennis 11-articulatis, clava biarticulata ;
capite subquadrato, angulis posticis rotundatis; thorace latitudine
DER SUNDA-INSELN. 19
longiore, lateribus medio rotundatis, antice angustatis; elytris obo-
vatis, disperse punctatis, humeris distinctis; femoribus parum
clavatis, tibiis rectis, ad apicem vix dilatatis.
Long. 4 mm., lat. 2 mm. — Hab. Batavia (de Gavere). — Selten.
3—6 Glied der Fühler kaum länger als breit, 7 und 8
nicht breiter, klein, quadratisch, 9 ebenso aber einhalbmal dicker ,
zehntes und elftes doppelt so dick, eine starke, zwei Fünftel der
Fühlerlänge einnehmende Keule bildend; das neunte Glied ist
zwar dicker als das achte, aber kann nicht mit als zur Keule ge-
hörend betrachtet werden.
Die Flügeldecken sind zerstreut punctirt und mit ganz
feinen Härchen besetzt, auch auf dem Kopfe und Halsschilde be-
findet sich eine sehr feine, schwer sichtbare Punctur.
Die vorderen Coxen berühren einander fast, die hinteren
stehen auseinander.
Das Metasternum ist fast so gross als der Abdomen.
Von Scydm. alatus Nietner, welcher ein Ewmicrus ist, durch
Grösse und Farbe, Punctur der Flügeldecken und dadurch unter-
schieden, dass die letzten beiden Fühlerglieder gleichbreit sind, ihm
aber durch die zweigliedrige Fühlerkeule verwandt.
Die Augen stehen nicht vor.
Das Halsschild ist breit herzförmig, nach vorn ausgezogen ,
mit anderen Worten: länger als breit, die Seiten sind stark gerundet ,
nach vorn mehr eingezogen als nach hinten.
16. SCYDMAENUS PYRIFORMIS Nietn.
Ann. nat. hist. 2 Ser. XX. 1857. p. 188.
(= brunnipennis Motsch. Etud. ent. 1858. p. 30).
Rufus, antennarum articulis tribus ultimis obscurioribus, pedibus
pallidis, longius disperse hirsutus; antennarum articulis 1—8 te-
nuibus, primo et secundo elongatis, 3—8 moniliformibus, clava
triarticulata, nono et decimo globosis, undecimo obovato; capite
majore, convexo, subquadrato , lateribus ad apicem parum angus-
tatis, angulis posticis rotundatis; thorace subhirsuto, parum latitu-
76 PSELAPHIDEN UND SCYDMAENIDEN.
dine longiore, antice rotundato-ampliato, angulis posticis subrectis,
basi leviter rotundata, linea utrinque plica abbreviata impressa,
medio profunde bi-foveolato; elytris ovatis, lateribus rotundatis,
sutura antice, basi utrinque impressis, supra disperse punctatis,
subhirsutis; femoribus subelevatis, obscurioribus.
Long. 1 mm., lat. 4 mm. — Hab. (Geylon); Java (Raadt), Batavia
(Sijthoff). — Sehr gemein.
Die beiden Grübchen in der Basallinie des Halsschildes
sind bei den Exemplaren aus Batavia weniger tief und breit als
bei einigen anderen, nur mit «Java» bezeichneten. Das Fältchen,
welches bei den Hinterecken des Halsschildes jederseits die Basal-
linie begrenzt, ist schwer sichtbar.
Der Kopf ist beim g etwas nach hinten gerundeter.
Die Art ist leicht an den sehr weitläuftig punctirten Flügel-
decken zu erkennen, diese und das Halsschild, wohl auch der
Kopf, tragen lange hochgelb glänzende, etwas niederliegende Haare,
aber ebenso zerstreut als die Punctur der Flügeldecken.
AMERIKAANSCHE DIPTERA
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
Vervolg van deel XXIV, blz. 141.
(Hierbij Plaat 9 en 10),
BOMBYLIDAE (Vervolg) !).
Genus ANTHRAX Scop.
Van dit geslacht, zooals het door de nieuwere Dipterologen be-
perkt is, ken ik 11 Amerikaansche soorten, die zich laten onder-
scheiden als volgt:
a. Vleugels met zwarte of donkerbruine teekening,
die zich tot in of over de beide onderste
wortelcellen witstrekt „N lens onb;
Vleugels geheel glasachtig of hoogstens aan den
wortel en voorrand donker gekleurd . . . Ah.
b. De donkere teekening der vleugels bereikt ten
minste het einde der schijfeel . . . . .c.
De donkere teekening der vleugels is slechts
even voorbij de middeldwarsader voortgezet
en laat het eind der schijfcel geheel vrij . d.
1) Bij de opsomming der mij bekende eigenlijke Bombyliden (DI. XXIV, blz. 162
en 163) verzuimde ik te vermelden, dat in ’s Rijks museum te Leiden nog ver-
tegenwoordigd zijn: Lordotus gibbus Löw door een wijfje, en Anastoechus bar-
batus O. Sack, door twee mannetjes, allen van Arizona in Noord-Amerika
(Neumögen).
78
(&
h.
AMERIKAANSCHE DIPTERA.
. In de derde achtercel is aan de ader, die de
schijfeel van onderen begrenst, een aanhan-
gend adertje, dat somwijlen geheel is door-
getrokken en dan de derde achtercel in tweeén
déelfi vt i. re ea Aln
(N. Am.).
In de derde achtercel geen zoodanig adertje . melasoma n. sp.
(N. Am.).
. De donkere kleur der vleugels bedekt ruim
twee derden der schijfcel en laat aan de
fonderste wortelcel slechts den uitersten tip vrij. Minas Macq.
(Z. Am.).
De donkere kleur der vleugels laat de grootste
helft der schijfcel en een groot deel der onderste
worielcel'yrifis ce cash eee ne
Schildje geelbruin; pooten helder roodgeel. . hypoxantha Macq.
(Z. Am.).
Schildje zwart; pooten zwart of pekbruin . . f
. Ter wederzijde van den thorax eene streep van
witte haarbekleeding . . . . . . . . ditaenia Wied.
(Z. Am.).
Geen witte strepen langs den thorax, maar de
borstzijden geheel met geelachtige beharing. 4.
. Laatste ringen des achterlijfs met sneeuwwitte
beharing. fsi vecia al avena, brenta] pp.
(Argentina).
Laatste ringen des achterlijfs met geelachtige
beharimesi = we See htt sol. Oh tie lol nee
(N. Am.).
Vleugels met donkeren zoom aan den voorrand. 1.
Vleugels zonder donkeren zoom aan den voorrand. j.
. De donkere zoom een groot deel der subcostaal-
cel en soms zelfs de geheele bovenste wortel-
cel innemende .. = :. em. se: sf ane nd Ei
(Chile).
AMERIKAANSCHE DIPTERA. za
De donkere zoom slechts een deel der randcel
bedekkende en zich niet over de daaronder
gelegen cellen uitstrekkende. . . . . . Perimele Wied.
(Z. Am.).
j. Achterscheenen buitenwaarts met nederliggende
borstels gewimperd; grootere soort (11 mm.). hypomelas Macq.
(N. Am.).
Achterscheenen niet met borstels gewimperd,
maar slechts met de gewone fijne doorntjes
bezet; kleinere soort (5,5 mm.). . . . . Amasia Wied.
(Z. Am.).
1. Anthrax Halcyon Say.
Say, Long’s exped. App. 371. 1; Wied. Auss. Zweifl. I. 288. 44.
pl II. f.. 6; Macq. Dipt. er. II. 1. 68. 39. pl. 19 f. 6; O. Sack.
West. Dipt. 239; v. d. Wulp, Notes from the Leyd. Mus. IV. 73. 1.
Twee geheel gelijke, mannelijke exemplaren van Arizona in Noord-
Amerika (Neumögen) in het Leidsch museum.
De beschrijving van Wiedemann (die van Say heb ik niet kunnen
vergelijken) past tamelijk wel; toch mag ik eenige afwijkingen niet
verzwijgen. Vooreerst is bijna het geheele schildje bruingeel en slechts
eene vlek aan de basis zwart (bij Wiedemann heet het zwart en
alleen aan de spits , ziegelroth”); verder is de derde achtercel niet
door eene dwarsader in tweeén gedeeld, zooals Wiedemann dit heeft
afgebeeld, maar bevindt zich alleen aan de bogt der schijfcel een
overtollig adertje, dat bijna in dezelfde rigting loopt als het begin
der langsader tusschen de tweede en derde achtercel (zie mijne vleugel-
afbeelding PI. 9 fig. 1). Volgens Osten Sacken is bij deze soort de
dwarsader in de derde achtercel niet altijd, maar toch bij de meeste
exemplaren volkomen. Overigens kan hier geen der andere Noord-
Amerikaansche soorten van de groep waartoe A. Halcyon behoort
(A. Ceyx Löw, Demogorgon Walk., flaviceps Löw, fuliginosa Löw,
Alpha O. Sack.) in aanmerking komen. Het meest nog zou aan
A. Alpha O. Sack. (West. Dipt. p. 239) kunnen worden gedacht,
doch bij deze is de vorkcel aan haar begin door een dwarsadertje
in tweeén gedeeld, wat bij mijne exemplaren geenszins het geval is.
80 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
2. Anthrax melasoma v. d. Wulp.
V. d. Wulp, Notes from the Leyd. Mus. IV. 74. 2.
Tota atra opaca; facie subprominente; antennarum articulo tertio
coniformi, stylo breviusculo; alis cinereis, basi, costa fasciaque lata
nigro-fuscis. — 2 long. 13,5 mm.
Het eenigszins afgevlogen exemplaar is donkerzwart en bijna glans-
loos, het schildje meer pekzwart. Op het voorhoofd en het aangezigt,
alsmede aan de kanten van den thorax en van. het achterlijf, is eene
zwarte beharing; vóór aan den thorax en tegen het achterhoofd zijn
overblijfselen van eene opstaande, digte, grijsgele beharing. Het
voorhoofd heeft in ’t midden eene ingedrukte plek; het aangezigt
steekt een weinig vooruit; de zuiger komt naauwelijks uit den mond-
rand te voorschijn. Sprieten zwart; het eerste lid zwart behaard; het
derde langwerpig kegelvormig, met korte, aan het einde eene kleinig-
heid verdikte griffel. Pooten zwart, dun; achterste scheenen met fijne
doorntjes. Vleugels (Pl. 9 fig. 2) breed; de wortel en een van boven
daarmede verbonden breede dwarsband zwartbruin; de donkere kleur
van den wortel reikt tot even in de wortelcellen ; de donkere dwars-
band treedt aan de binnenzijde tot halverwege in deze cellen, loopt
aan de buitenzijde van voren tot aan het einde der randeel, reikt tot
aan de vorkcel en laat het einde der drie eerste achtercellen vrij; de
kern der vierde achtercel en vooral die der schijfcel is lichter; het
overblijvende glasachtige gedeelte der vleugels heeft eene vrij donkere
grauwe tint en is zelfs in den achterhoek bruinachtig.
Een g van Arizona in Noord-Amerika (Neumögen) in het museum
te Leiden.
Ik kan deze soort tot geen der vele reeds beschreven N. Ameri-
kaansche soorten brengen; zij past zelfs niet in een der zes groepen,
waarin Osten Sacken (West. Dipt. p. 238) de Anthrax-soorten van
N. Amerika heeft verdeeld.
3. Anthrax Minas Macq.
Macq. Dipt. ex. supp. 3. 33. 78. pl. 3 f. 10.
Een d uit Argentina (Weyenbergh).
Het exemplaar is tamelijk afgevlogen en bovendien niet te best
geconserveerd. Macquart’s beschrijving (naar een niet zeer gaaf voor-
werp) kan er echter wel op worden toegepast en zijne vleugelaf-
beelding komt vrij wel met de mijne (Pl. 9 f. 3) overeen. Wat tot
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 81
eenigen twijfel aanleiding kan geven, is dat hij het derde sprietenlid
lang noemt, terwijl het bij mijn exemplaar volstrekt niet langer is
dan bij de meeste andere soorten.
4. Anthrax hypoxantha Macq.
A. hypoxantha, Macq. Dipt. ex. II. 1. 65. 28. pl. 21. f. 8; —
A. semitristis, Phil. Verh. zool. bot. Ges. Wien, XV (1865) 665. 10.
Een paar mannetjes van Argentina (Weyenbergh).
Macquart’s beschrijving past tamelijk wel ; ook zijne vleugelaf beelding
komt in de hoofdzaak overeen; alleen zijn bij mijne exemplaren de
middeldwarsader en het adertje, waardoor de middelste wortelcel
wordt gesloten, minder helder bezoomd. Ik geef daarom mede eene
afbeelding van den vleugel (PI. 9 fig. 4).
De soort is naauw verwant aan A. ditaenia, doch onderscheidt zich
van deze door de roestkleurige haarbekleeding , het geelbruine schildje
en de helder roodgele pooten.
Dat A. semitristis Phil. dezelfde soort is als A. hypoxantha Macq.,
komt mij niet twijfelachtig voor.
5. Anthrax ditaenia Wied.
Wied. Auss. Zweifl.! I. 283. 38; Schiner, Dipt. Nov. Reise, 124.
27; F. Lynch, El Naturalista argentino, I. 268. 5.
Twee exemplaren uit Argentina (Weyenbergh).
Wiedemann’s beschrijving is voldoende om de soort te herkennen.
De dijen hebben bij mijne voorwerpen eene roodgele bestuiving, en
in het zwart der vleugels zijn langs de aderen lichtere zoomen, die
ook door Schiner zijn opgemerkt (zie mijne vleugelteekening PI. 9 fig. 5).
6. Anthrax leucocephala n. sp.
Nigra; capite abdominisque segmentis tribus ultimis niveis; thorace
antice et laterali, scutelli margine posteriori, abdominisque basi pilis
flavescentibus vestitis; antennis pedibusque nigro-fuseis; alis hyalinis,
pro parte basali fuscis. — 4 long. 11 mm.
Verwant aan A. melaleuca Wied. (Auss. Zweifl. I. 299. 61), doch
door den witten kop onderscheiden. Aangezigt weinig vooruitstekend,
even als de breedere onderste helft van het voorhoofd en het geheele
achterhoofd digt met zijdeachtig aschgrauw vilt bedekt, dat in de
meeste rigtingen een sterken sneeuwwitten weerschijn heeft ; het smallere
bovengedeelte van het voorhoofd zwartachtig met opstaande zwarte
6
82 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
beharing: mondrand met roodachtigen zoom. Sprieten kort, bruin-
zwart; het derde lid uivormig; de eindborstel zoo lang als de spriet;
zuiger een eind buiten den mond uitstekend. Thorax zwart, op den
rug met korte zwarte beharing; de halskraag, de geheele borstzijden
en eene plek ter wederzijde achter den vleugelwortel met lange, digte,
zijdeachtige bleekgele beharing; dergelijke beharing ook aan den
achterrand van het overigens zwarte schildje. Achterlijf fluweelzwart ;
de eerste ring en de zijden van den tweeden met digte geelachtige
beharing; aan weerszijden van den derden ring zwarte beharing; de
drie laatste ringen geheel bedekt met sneeuwwitte beharing, die alleen
op den rug een weinig geelachtig is; buik met okergele beharing,
min of meer dwarsbanden vormende. Pooten bruinzwart; dijen en
scheenen met lichtbruine beschubbing. Kolfjes okergeel. Vleugels
(PI. 9 fig. 6) aan den wortel voor een goed deel donker chocolaad-
bruin, overigens glasachtig; de donkere kleur reikt aan den voorrand
tot bijna aan het eind der randeel en trekt zich naar onderen traps-
gewijze of zoo men wil, eenigszins getand naar den vleugelwortel
terug, doch zoo dat zelfs het begin van den achterrand vrij blijft;
van de schijfcel neemt zij slechts het wortelderde in ; aderbeloop normaal.
Een vrij gaaf d uit Argentina (Weyenbergh).
Bij de bestemming dezer soort zou in de eerste plaats in aan-
merking kunnen komen A. melaleuca Wied., hierboven reeds genoemd.
Wiedemann’s beschrijving, naar afgevlogen exempiaren gemaakt, zou
werkelijk passen, indien men aanneemt dat hij de witte bekleeding
van den kop niet heeft kunnen waarnemen; maar ik vind een over-
wegend bezwaar in de „bruine” kolfjes en in de „zwarte” beharing
der borstzijden, waarvan Wiedemann spreekt.
Eene tweede soort, waaraan hier kan worden gedacht, is die welke
door den beer Felix Lynch onder den naam van A. melaleuca ? Wied.
is beschreven (El Naturalista argentino, I. 269. 7), doch vervolgens
door hem weder als eene afzonderlijke species wordt beschouwd
(I. c. p. 275), waaraan hij den naam pudica (van Rondani afkomstig)
wil geven. Mijn voorwerp beantwoordt in de meeste opzigten aan
zijne uitvoerige beschrijving; maar in een voornaam punt wijkt het
af, namelijk in de witte bekleeding van het aangezigt en voorhoofd,
die bij pudica als kastanjebruin (castano amarillento) wordt aangege-
ven; van den witten driehoek voor het schildje, die bij de genoemde
soort aanwezig is, zie ik geen spoor.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 83
Ik kom dus tot het besluit, dat wij hier aan drie verschillende,
hoewel zeer verwante soorten te denken hebben, die in de teekening
der vleugels en in de witte beharing der drie laatste lijfsringen met
elkander overeenkomen, maar zich overigens door de hierboven aan-
geduide kenmerken laten onderscheiden.
7. Anthrax celer Wied.
Wied. Auss. Zweifl. I. 310. 77; Macq. Dipt. ex. II. 1. 69. 43.
Een ¢ van Arizona in Noord-Amerika (Neumögen), dat vrij wel
aan bovenstaande beschrijvingen beantwoordt, bevindt zich in ’s Rijks
museum te Leiden.
STONER berttva. Phil
Philippi, Verh. zool. bot. Ges. Wien, XV (1865). 668. 16; v. d. Wulp,
Notes from the Leyd. mus. IV. 76. 4.
Twee mannelijke exemplaren uit Chile in het Leidsche museum.
Philippi’s beschrijving past vooral op een dezer exemplaren. Het
andere wijkt eenigszins af door het donkerder schildje en door iets
meer uitbreiding van den donkerbruinen zoom aan den voorrand der
vleugels; deze treedt namelijk ook nog in de radiaal-cel, waarvan
alleen het verbreede einde vrij blijft, en neemt ook de geheele bovenste
wortelcel in tot even voorbij de middeldwarsader: bovendien hebben
sommige dwarsaderen een zweem van donkere bezooming (zie Pl. 9
fig. 7). Daar overigens geen wezenlijk onderscheid te bespeuren is,
houd ik het laatstbedoelde exemplaar slechts voor eene donkere
varieteit.
9. Anthrax Perimele Wied.
Wied. Auss. Zweifl. I. 583. 16.
Een d van St. Barthelemy (Delaunay), in het museum te Brussel
aanwezig, meen ik tot deze soort te moeten rekenen. De beharing
van den laatsten lijfsring is blinkend zilverwit. Het exemplaar is 10
mm. lang en dus grooter dan door Wiedemann wordt aangegeven
(33 1.). De soort behoori tot dezelfde groep als onze A. hottentotta L.,
waarmede zij in het aderbeloop volkomen overeenstemt; de voorrand
der vleugels is evenwel niet geel, maar even zuiver glasachtig als de
overige oppervlakte; alleen de uiterste wortel is bruingeel, welke
kleur aan den voorrand niet verder dan tot de worteldwarsader reikt.
84 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
10. Anthrax hypomelas Macq.
Macq: "Dipt. ex.) ILL. "76. 103507 Wulp, Notes from the Leyd.
mus. IV. 0.3,
Een 9 van Arizona in Noord-Amerika (Neumögen) in het Leidsche
museum reken ik tot deze soort. Ofschoon het exemplaar wel niet
zeer gaaf is, vertoont zich daaraan toch duidelijk eene zwarte beha-
ring in de zijden van den tweeden en derden achterlijfsring, hetgeen
maakt dat ik het voorwerp niet kan bestemmen als A. molitor Löw
(Dipt. Am. Sept. Cent. VIII. 42), met welker beschrijving het overigens
vrij wel overeenstemt, doch bij welke de zwarte beharing eerst aan
den vijfden en zesden ring voorkomt. De achterscheenen zijn buiten-
waarts met vele platliggende borstels als gewimperd, even als Löw
dit van molitor en eenige verwante soorten beschrijft. De radiaal-ader
heeft aan hare hoekige basis een klein terugloopend adertje, zooals
zich dit in sommige exemplaren van onze inlandsche A. hottentotta L.
voordoet, met welke overigens het geheele aderbeloop overeenkomt.
In het Leidsche museum bevindt zich nog een mannelijk exemplaar
van dezelfde herkomst en zeer op het bovengemelde gelijkende, dat
echter merkelijk kleiner is (niet meer dan 7 mm., terwijl hypomelas
12 mm. lang is) en waarvan de pooten niet zwart, maar bruingeel
zijn; het aangezigt en het achterhoofd van dit voorwerp zijn wit be-
haard. Ik kan het tot geen der bekende Noord-Amerikaansche soorten
met glasachtige vleugels brengen; het meest nog schijnt het overeen
te komen met A. mucorea Löw (1. e. Cent. VIII. 43), doch ook daar heeten
de pooten zwart, hoewel door eene bleeke bestuiving bedekt; en de
bovenarm der vorkcel wordt gezegd bijna in de vleugelspits uit te
loopen, wat bij mijn exemplaar niet het geval is.
11. Anthrax Amasia Wied.
A. Amasia, Wied. Aussereur. Zweifl. I. 317. 87; — A. vicina,
Macq. Dipt. ex. II. 1. 75. 60. pl. 21. f. 1.
Een g uit Argentina (Weyenbergh) houd ik voor deze soort, die
zich door hare geringe grootte en de geheel ongeteekende vleugels
van al de vorigen onderscheidt. Dat A. Amasia en vicina dezelfde
soort is, schijnt juist mijn voorwerp te bevestigen. Het verschil zou
vooral bestaan in de kleur der haarbekleeding, want Wiedemann zegt
van zijne soort: „griseo hirta”, en Macquart van de zijne: „flavido
hirta”. Nu houdt mijn voorwerp het midden, wijl de beharing geel-
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 8
achtig grauw is, ongeveer tusschen okergeel en aschgrauw. De zwarte
beharing in de zijden van sommige lijfsringen, waarvan beide schrij-
vers melding maken, ontbreekt aan mijn exemplaar; ik vermoed
dat dit alleen een kenmerk van het ¢ zal zijn (Wiedemann noemt
geen sexe, maar zou dan, even als Macquart, alleen het d hebben
beschreven). Het aangezigt loopt van onderen spits toe; de eerste en
vierde lijfsringen zijn wit behaard; de vleugels (Pl. 9 f. 8) zijn ge-
heel glasachtig, alleen de smalle mediastinaal-cel heeft eene bruin-
gele tint.
Buiten de bovenstaande soorten van het geslacht Anthraw (in be-
perkten zin), ken ik nog drie Amerikaansche soorten van Argyra-
moeba en eene van Comptosia, te weten:
12. Argyramoeba Oedipus Fabr.
Anthrax Oedipus, Fabr. Syst. Antl. 123. 22; Wied. Aussereur.
Zweifl. I. 262. 12; — Argyromoeba Oedipus, Schiner, Dipt. Nov. Reise,
121. 11; — Anthrax irrorata, Say, Journ. nat. hist. Phil. TI. 46.
6; — Anthrax irrorata, Macq. Dipt. ex. IL. 1. 60. 15. pl. 20. f. 6
en supp. 4. 34.
Een 4 uit Argentina (Weyenbergh).
Behalve door de eigenaardige teekening der vleugels (zie PI. 9.
f. 9), is deze soort vooral ook gekenmerkt door het rudimentaire
adertje aan de onderzijde der schijfcel, waardoor de derde achtercel
onvolkomen in tweeén wordt gedeeld.
Macquart haalt Say niet aan en schijnt haar dus alleen toevallig
onder denzelflen naam te hebben beschreven.
13. Agyramoeba Pluto Wied.
Anthrax Pluto, Wied. Auss. Zweifl. I. 261. 11; — Argyramoeba
ead. O. Sack. West. Dipt. 244.
Een ¢ van Wisconsin (Thure Kumlien) in het museum te Leiden
(hetzelfde exemplaar, waarvan ik melding maakte in dit Tijdschrift
deel X, blz. 127). Het behoort tot de varieteit uit Illinois en Texas,
door Osten Sacken vermeld, waarbij de grootere vlekken digt bij de
vleugelspits zijn zamengesmolten tot een’ dwarsband, die zoowel van
boven als van onderen gevorkt is; eene afbeelding (Pl. 9. fig. 10)
moge tot opheldering dienen.
86 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
14. Argyramoeba imitans Schin.
Argyromoeba imitans, Schiner, Dipt. Nov. Reise, 122. 15.
Twee mannetjes en twee wijfjes uit Argentina (Weyenbergh).
Schiner’s beschrijving, ofschoon naar een enkel en niet geheel gaaf
voorwerp gemaakt, is nogtans geschikt om de soort te herkennen.
Ook mijne exemplaren zijn niet zuiver genoeg, om aan te vullen wat
aan zijne beschrijving ontbreekt. Bij deze soort zijn de mannelijke
genitalien sterk ontwikkeld en naar beneden gerigt. Eene vleugel-
afbeelding geef ik PI. 9. f. 11.
15. Comptosia Landbecki Phil.
Phil. Verh. zool. bot. Ges. Wien, XV (1865) 677. 4.
Ik reken tot deze soort eenige exemplaren van beide sexen, mij
uit Argentina door Prof. Weyenbergh toegezonden. Hunne determinatie
leverde mij nog al eenig bezwaar op. Aanvankelijk meende ik ze als
C. bifasciata Macq. te moeten bestemmen, omdat Macquart’s be-
schrijving (Dipl. ex. supp. 4. 114. 8) en zijne daarbij gevoegde af-
beelding (pl. 10 f. 18) mij wel toepasselijk voorkwamen, ofschoon de
laatste ver van kenbaar is. Intusschen heeft Dr. Philippi, in zijn
uitmuntend stuk over de Chilenische Diptera (Verh. zool. bot. Ges.
dl. XV), aan het licht gebragt, dat er nog eenige andere, naauw
aan bifasciata verwante vormen bestaan; hij onderscheidt er niet
minder dan vijf, te weten: bifasciata, Landbecki en montana, die een
rooden sprietwortel hebben, benevens vulgaris en consobrina met
geheel zwarte sprieten. Het zal later moeten blijken of hier werkelijk
aan afzonderlijke soorten dan wel slechts aan varieteiten moet worden
gedacht.
Mijne voorwerpen, die, behalve in de grootte, onderling in alles
volmaakt overeenstemmen, kunnen stellig niet tot de beide laatst-
genoemde soorten worden gerekend, omdat de sprieten zeer duidelijk
een roodgeel wortellid hebben. Volgens de opvatting van Philippi
zou bifasciata zijn te herkennen aan de roodgele beharing onmiddellijk
boven de sprieten (Macquart zegt dan ook: „front à poils d’un blanc
jaunätre”); bij al mijne exemplaren daarentegen is de zijdeachtige
beharing van het voorhoofd even wit als die van het aangezigt. Blijven
dus over C. Landbecki en montana. Van deze beiden vertoont de
eerste de donkere teekening op de vleugels ten minste even volledig
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 87
als bifasciata, terwijl bij montana daarvan niets anders is over-
gebleven dan een smalle zoom aan den voorrand en langs de dwars-
aderen. Daar nu bij mijne exemplaren die teekening volkomen aan-
wezig is, kom ik tot het besluit, dat zij als ©. Landbecki moeten
worden gedetermineerd. Werkelijk schijnen ook de diagnose en be-
schrijving, door Philippi van deze soort gegeven, op mijne voor-
werpen te kunnen worden toegepast. Ten einde evenwel andere
Dipterologen, die welligt in de gelegenheid zijn typische exemplaren
te vergelijken, in staat te stellen over de juistheid mijner determinatie
te oordeelen, geef ik hier van de door mij bedoelde soort eene uit-
voerige beschrijving, benevens eene afbeelding van den vleugel
(PI. 9 fig. 12).
Lengte 10,5 — 15,5 mm. — Van slanken vorm. Voorhoofd , aangezigt
en wangen met digte, platliggende, witte beharing; aangezigt zeer
kort; de mondrand spits toeloopend en tot digt onder de sprieten
reikende; voorhoofd bij het & driehoekig, met de oogen van boven
bijna aan elkander stootende; bij het ¢ het voorhoofd naar achteren
sterk versmald; achterhoofd grauw, aan de oogkanten wit bestoven
en met witte beharing; oogen van achteren in ’t midden ingebogen.
Sprieten kort; het eerste lid dik en bleek roodgeel ; de beide volgenden
zwart; het derde priemvormig en langzamerhand in de eindgriffel
overgaande. Zuiger zwart, merkelijk langer dan de sprieten en tusschen
deze schuin uitstekende. Thorax van boven zwart, met drie blaauw-
achtig witte langsstrepen, de middenste het smalst; beharing vaal-
geel en zwartbruin gemengd; borstzijden witachtig bestoven; vóór
den vleugelwortel een bosje vaalgele borstels. Schildje vuil roodgeel,
aan den wortel meestal zwartachtig. Achterlijf dubbel zoo lang als de
thorax, vaalgeel, met zwarten voorrand der ringen, zoodanig dat de
zijrand ruimschoots en daarentegen van achteren slechts de insnijdingen
vrij blijven; in sommige rigtingen is eene lichte rugstreep merkbaar ;
in de zijden hier en daar eene lichtgrijze bestuiving, alsmede eene
blonde beharing, die aan den eersten ring langer is; buik eenkleurig
„geelachtig aschgrauw. Pooten dun, roodgeel; de heupen en ook
eenigszins de dijen wit bestoven; scheenen veelal verdonkerd, tarsen
bruinzwart. Kolfjes geel; de knop van onderen donker gevlekt, van
boven wit. Vleugels merkelijk langer dan het achterlijf, in 4 in
’t midden van den voorrand iets ingebogen; de wortel en de voorrand
tot aan ’t eind der subcostaal-ader bruin; bovendien twee daarvan
88 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
uitgaande bruine dwarsbanden, waarvan de eerste smaller is en het
eind der tweede wortelcel, maar daarentegen den achterrand niet
bereikt; de tweede band vooral naar onderen verbreed en de achter-
cellen bedekkende; in dien tweeden band hebben de cellen lichtere
kernen, zoodat eigenlijk alleen de aderen donker gezoomd zijn; de
grondkleur der vleugels overigens wit; .er zijn vier cubitaal-cellen en
voorts vijf achtercellen, omdat de eerste door eene dwarsader in
tweeén is gesplitst.
CYRTIDAE.
1. Panops aeneus Phil.
Phil. Verh. zool. bot. Ges. Wien, XV (1865). 647. 4.
Een enkel exemplaar van Argentina (Weyenbergh), dat ik voor
deze soort houd, ofschoon de kleur der beharing zoowel van thorax
als achterlijf bleek okergeel is, terwijl Philippi spreekt van , pilis
albidis”. Zeker althans kunnen geen der andere Chileensche soorten,
door hem of door Blanchard beschreven, in aanmerking komen.
2. Pteropexus bicolor Macq.
Macq. Dipt. ex. supp. 1. 98. 1. pl. 9. f. 2.
Een d van Bogota (van Lansberge), in ’s Rijks museum te Leiden ,
breng ik, hoewel met eenigen twijfel, tot deze soort en geef tevens
eene vleugelafbeelding (Pl. 10 fig. 1), waaruit kan blijken dat althans
generiek de bestemming wel juist zal zijn. Mijn twijfel ontstaat vooral,
_omdat het exemplaar in kleur van Macquart’s beschrijving afwijkt;
de grondkleur van thorax en schildje is namelijk niet groen, maar
blaauwachtig zwart, digt bedekt met vaalgele beharing; de grond-
kleur van het achterlijf is niet paars, maar glanzig bruingeel (Mac-
quart spreekt ook van een voorwerp, met de zijden des achterlijfs
„d'un violet fauve”). Niettegenstaande deze verschillen acht ik het
toch meer dan waarschijnlijk, dat ik hier dezelfde soort voor mij heb.
De oogen zijn lang en digt behaard.
ASILIDAE.
1. Blepharepium coarctatum Perty.
Laphria coarctata, Perty, Delect. an. art. Bras. 181. pl. 36 f. 4; —
Dasypogon coarctatus, Walk. List VI. 504; — Planetolestes coarctatus ,
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 89
E. Lynch Arrib. Asil. argent. sep. 6. 3; — Blepharepium coarctatum,
E. Lynch. Arrib. |. e. 73.3; — Dasypogon bonariensis, Macq. Dipt. ex.
I. 2.194; — ? Blepharepium luridum, Rond. in Baudi et Truqui, Studie
entom. I. 89. 48; — Dasypogon subcontractus, Walk. Dipt. Saund. 455 ; —
Senobasis annulatus, Bigot, in R. de la Sagra, Hist. phys. pol. et nat. de
Pile de Cuba, 789 pl. 20 f. 3; — Dasypogon secabilis, Walk. Trans. ent.
Soc Lond. n. ser. V. 276; Bell Dit. Mess. II. 63. 1. pl. 1 £4; — Senobasis
auricineta, Schin. Verh. zool. bot. Ges. Wien, XVII (1867) 371. 31.
Twee mannetjes uit Argentina (Weyenbergh).
Als men de analytische tabel raadpleegt, door Schiner van de
genera der Asiliden gegeven !), dan zou deze soort tot het geslacht
Senobasis Macq. kunnen worden gebragt; immers de voorscheenen
hebben een, zij het ook niet zeer grooten einddoorn; het achterlijf is
aan den wortel duidelijk versmald; de vleugels hebben slechts twee
cubitaal-cellen en de vierde achtercel is zoowel als de anaal-cel
(onderste wortelcel) gesloten. Intusschen beantwoordt de soort geenszins
aan al de kenmerken, door Macquart aan het geslacht toegeschreven.
Die kenmerken zijn evenwel niet eens door den auteur van het
genus altijd in ’t oog gehouden. Macquart noemt het derde sprieten-
lid knodsvormig en spreekt van de mannelijke genitalien als met een
paar kromme haken voorzien; in zijne afbeelding van Senobasis analis
(Dipt. ex. I. 2, pl. 5 f.1) is dit een en ander te zien. De beide andere
soorten, door hem tot het genus Senobasis gebragt, (S. maculipennis
en fenestrata Macq.), schijnen echter nog al van de door hem aan-
gegeven generieke kenmerken af te wijken, en hij zelf kon ook niet
zeker zijn of zij werkelijk daarmede overeenkwamen, want van
beiden kende hij slechts het 9, terwijl fenestrata bovendien door hem
beschreven is naar een exemplaar, waaraan het derde sprietenlid
ontbrak. Zeker is het althans dat S. maculipennis niet in het geslacht
Senobasis past, want Macquart noemt van deze het derde sprietenlid
„fusiforme, peu renflé,” dus geheel anders als hij PARA Eee in
de generieke kenmerken heeft aangegeven.
Nu heeft Rondani een Dasypoginen-geslacht opgerigt, dat hij
Blepharepium noemt, en daarin past zoowel Senobasis maculipennis
Macq. als de soort, door Perty onder den naam van Laphria coarclata
beschreven en welke ik thans voor mij heb. De bekwame schrijver
1) Verh. zool, bot. Gesellsch. Wien., XVI. p. 654 en volg.
90 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
over de Argentijnsche Asiliden, de heer E. Lynch Arribalzaga , heeft
dit zeer juist opgemerkt en uiteengezet. Hij had aanvankelijk voor
Perty’s soort een nieuw geslacht (Planetolestes) gevormd, maar heeft
kort daarna teregt ingezien, dat dit geheel synoniem was met het
genus Blepharepium Rond.
Bij de bovenstaande synoniemen der soort heb ik Blepharepium
luridum Rond. en Dasypogon subcontractus Walk. alleen op gezag van
Lynch er bijgevoegd, daar ik op dit oogenblik de beschrijvingen van
Rondani en Walker niet kan vergelijken.
De beschrijving van Dasypogon bonariensis Macq. past volkomen,
met uitzondering van één punt: Macquart ontzegt namelijk aan zijne
soort het doorntje aan ’t eind der voorscheenen ; dit zal waarschijnlijk
aan eene vergissing zijn te wijten. Ook de beschrijving van Senobasis
annulatus Bigot levert geen bezwaar; wel wordt de lengte op 30 mm.
aangegeven, terwijl mijn grootste exemplaar slechts 13,5 mm. haalt;
maar op de plaat wordt eene veel geringer grootte aangeduid; de
afbeelding is bovendien vrij kenbaar, ofschoon de kleur der vleugels
te licht en te gelijkmatig is.
Dasypogon secabilis Walk. is stellig synoniem, ofschoon de grootte
op 10 lin. wordt aangegeven. Volgens de beschrijving, door Bellardi
van deze soort gegeven, zou ook de meerdere grootte in den weg
staan, die Bellardi op 23—26 mm. stelt en hier door de afbeelding
niet weersproken wordt; voorts maakt Bellardi melding van een krans
van goudgele borstels op het achterhoofd, terwijl bij mijne exemplaren
slechts beharing van die kleur en eenige zwarte borstels te dier plaatse
aanwezig zijn; ook noemt hij de kolfjes bruin en zelfs de knop
zwart, terwijl ik de kolfjes niet anders dan geel of hoogstens bruin-
geel kan heeten (Walker zegt evenwel: „halteres pale yellow”).
Eindelijk Senobasis auricincta Schiner. De beschrijving past over
't algemeen zeer goed, ook de aangegeven grootte (8 1.); verschil-
punten zijn alleen: dat de zuiger zwart wordt genoemd, terwijl ik
dien althans aan de basis bruingeel vindt; dat wordt gesproken van
sterk verdonkerde tarsen, terwijl bij mijne exemplaren de tarsen niet
donkerder zijn dan de scheenen; dat de voetballen !) der achter-
pooten als rudimentair worden aangeduid, terwijl ik ze bijna even
1) In de beschrijving staat: klauen, hetgeen blijkbaar eene fout is, gelijk
reeds door Lynch is opgemerkt.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 91
lang vind als aan de middelpooten, d. i. ongeveer half zoo lang als
de voethaken. Van de kleur der kolfjes maakt Schiner’s beschrijving
geen melding.
Daar overigens mijne exemplaren in alle opzigten met de aan-
gehaalde beschrijvingen overeenstemmen, aarzel ik niet om aan te
nemen, dat zij op dezelfde soort doelen als het eerst door Perty is
beschreven en afgebeeld. Opmerking verdient het ook, dat Osten
Sacken, die in zijn Catalogus der Noord-Amerikaansche Diptera
Senobasis annulatus Big. in het geslacht Diogmites opneemt, daarbij ,
op gezag van Löw, niet alleen Dasypogon secabilis Walk. maar ook
Senobasis auricincta Schin. als synoniem vermeldt.
2. Phonicocleptes Busiris E. Lynch.
E. Lynch Arribalzaga, Asilides argentinos, sep. p. 70 n°. 45.
Een slecht geconserveerd mannelijk exemplaar uit Argentina
(Weyenbergh) houd ik voor deze soort, waarvan de heer Lynch
alleen het 9 heeft beschreven.
Het geslacht Phonicocleptes komt zeer nabij aan Allopogon en
Deromyia. Van Allopegon onderscheidt het zich door het gemis van
borstels op den ocellen-knobbel en van de digte beharing op het ach-
terhoofd. Van Deromyia verschilt het door de korte voetballen, die
niet half zoo lang zijn als de voethaken, en door de stekelachtige
borstel, die tusschen de voetballen uitsteekt.
3. Deromyia rufescens Macq.
Dasypogon rufescens, Macq. Suit. à Buffon, Dipt. I. 295. 8; —
Diogmites rufescens, v. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus. IV. 76. 5.
Op twee wijfjes van Arizona in Noord-Amerika (Neumögen), in
het Leidsch museum berustende, is Macquart’s aangehaalde beschrij-
ving van toepassing, indien men althans aanneemt dat hij het doorntje
aan het eind der voorscheenen heeft overzien (hij plaatst namelijk de
soort in de afdeeling waar dit doorntje ontbreekt). Te eer durf ik
dit aannemen, omdat de heer Osten Sacken (Cat. of the Dipt. of N.
Amer. p. 72) ook van dit denkbeeld uitgaat, als hij de soort eene
plaats aanwijst in het geslacht Diogmites Löw, dat m.i. synoniem is
met Deromyia Phil., welke laatste naam de oudste is.
Philippi (Verh. Zool. bot. Ges. Wien XV. 705) kenmerkt het geslacht
Deromyia als volgt:
92 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
„Caput transversum, breve, imberbe. Oculi (in utroque sexu?)
distantes, glabri. Antennae tuberculo nullo insertae; artieulis
duobus primis elongatis, subaequalibus, subeylindrieis; tertio antece-
dentes simul sumtos subaequante, compresso, basi paullo angustiore,
stylo brevi, crasso terminato. Facies plana, brevis, glabra, modo
setae quatuor in labro; epistoma haud prominens. Proboscis caput
aequans; palpi filiformes. Collum longum. Abdomen angustum-
lineare, glaberrimum, segmento ultimo hirtello. Alarum cellula mar-
ginalis aperta, quarta postica clausa vel aperta. Ped es graciles, parce
setosi, caeterum glaberrimi; tibiae anticae unco parum curvo termi-
natae; tarsi moniliformes; femora postica et tibiae posticae clavatae;
pulvilli duo.
Löw (Dipt. Amer. Sept. Cent. VII. 36) heeft zijn geslacht Diogmites
slechts zeer kortelijk op de volgende wijze aangeduid: Diogmites
Saropogonibus affinis, a plerisque cellulà posteriore quartà clausâ, ab
omnibus capite latiore et magis disciformi, abdomine et pedibus multo
longioribus gracilioribusque discernuntur !).
Zoowel de beide exemplaren van Dasypogon rufescens, als de drie
hierna volgende soorten behooren stellig tot het geslacht Diogmites,
daar ze als zoodanig dadelijk werden herkend door den Baron Osten
Sacken, die bij gelegenheid van een zeer gewaardeerd bezoek de
Diptera van het Leidsch museum en die van mijne eigen collectie in
oogenschouw nam. Maar op deze soorten zijn ook volkomen van
toepassing de kenmerken, door Philippi voor zijn genus Deromyia
aangegeven. Bij allen is de vierde achtercel gesloten. Dit is echter
niet het geval bij al de soorten van Philippi: van de drie door hem
beschreven soorten hebben zelfs twee deze cel geopend. Het is de
vraag of deze wel in datzelfde genus kunnen blijven en of zij misschien
niet beter onder Saropogon of Laparus zijn te rangschikken.
Zooals hierboven is gezegd, past Macquart’s beschrijving op de
1) Uit deze diagnose zou men afleiden dat bij het genus Saropogon, althans
in den regel, de vierde achtercel geöpend is; maar dit is het geval niet en
Löw zegt dan ook bij de oprigting van dit laatste geslacht (Zinn. Ent. II. 439)
uitdrukkelijk, dat de vierde achtercel bij de meeste der daartoe gebragte soorten
gesloten is. Als onderscheid tusschen de beide geslachten (Saropogon en
Diogmites) zou alzoo, volgens Löw, niet anders overblijven dan de verschillende
habitus. Op die wijze wordt eene juiste opvatting der generieke verdeelingen
uiterst moeijelijk, tenzij men kan beschikken over een uitgebreid materiaal,
waarin de beschreven soorten allen of nagenoeg allen vertegenwoordigd zijn.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 93
beide wel niet volkomen gave, maar toch nog zeer kenbare exem-
plaren in het Leidsch museum ; vooral de eigenaardige teekening van
het achterlijf is door hem duidelijk aangegeven; ter wederzijde namelijk _
van den tweeden en elk der volgende ringen bevindt zich eene wit-
achtige bestuiving, die van voren door eene schuine zwarte veeg
begrensd wordt; aan het eene exemplaar is die teekening nog goed
zigtbaar; aan het andere, overigens geheel gelijk, is zij echter
afgewischt.
Osten Sacken (1. c.) stelt Dasypogon rufescens Macq., hoewel met
twijfel, als synoniem tot Diogmites discolor Löw (Dipt. Am. Sept. Cent.
VII. 37). Inderdaad schijnen beiden zeer verwant, maar niettemin
bestaan er punten van afwijking, en zeker althans kunnen de twee
exemplaren, die ik voor mij heb, niet als D. discolor worden bestemd :
deze moet veel donkerder zijn, want Löw noemt het achterlijf van
het d zwart en dat van het 9 donkerbruin, terwijl bij mijne voor-
werpen de grondkleur van het achterlijf bruingeel moet worden ge-
noemd en Macquart, zonder de sexe te vermelden, eenvoudig zegt:
n abdomen testace.”’ Voorts zijn de palpen van D. discolor zwart behaard,
terwijl zij bij mijne exemplaren roodgele beharing hebben; eindelijk
zijn de vleugels van discolor aan de spits en den achterrand verdon-
kerd (aschgrauw), terwijl Macquart zegt: „ailes presque hyalines”
en mijne exemplaren alleen aan de uiterste spits eenige aanduiding
van grijze tint vertoonen.
4. Deromyia Winthemi Wied.
Dasypogon Winthemi, Wied. Dipt, ex. I. 223. 17; id. Auss. Zweifl,
I. 387. 32.
Ik bezit een enkel vrouwelijk voorwerp, zonder aanduiding van
vaderland (Wiedemann geeft als zoodanig Zuid-Amerika aan). De
heer Mik te Weenen is, op mijn verzoek, zoo goed geweest het met
de typische exemplaren in het Weener museum te vergelijken, waar-
door de juistheid der determinatie is verzekerd.
5. Deromyia Weyenberghi n. sp.
Ex cinereo ochraceus; facie et mystace pallide flavis; barba alba;
thorace subvittato; pleuris albido-cinereis; abdomine fasciis subfuscis
in segmentorum singulorum medio; pedibus testaceis; tarsorum arti-
eulis ultimis fuseis; alis hyalinis, ad summum apicem griseis; vena
transversa media in cellulae discoidalis medio. — dg long. 19—21,5 mm.
94 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
Aangezigt bijna de halve breedte van den kop innemende, wit-
achtig geel; knevelbaard van dezelfde kleur; voorhoofd meer grauw-
geel even als het achterhoofd; dit laatste met gele beharing; kinbaard
wit; op den ocellen-Knobbel twee zwarte borstels. Sprieten bruingeel;
de beide eerste leden met zwarte borstels. Zuiger zwart; palpen
bruingeel met gele beharing. Thorax en schildje grauwachtig okergeel,
op den thorax drie onduidelijke bruine langsbanden, de middenste
van voren gespleten; borstzijden witachtig grijs; in de zijden en van
achteren op den thorax, alsmede aan den achterrand van het schildje,
zwarte borstels. Achterlijf slank, grauwachtig geel; elke ring met
een bruinen dwarsband, die den voorrand noch den achterrand be-
reikt en ter wederzijde zich naar voren ombuigt; de kleine mannelijke
genitalien met lange, deels gele, deels zwarte haren bezet; de doorn-
achtige borsteltjes aan den anus van het 9 zwart. De lange, maar
niettemin vrij stevig gebouwde pooten bruingeel; heupen grijs be-
stoven; de drie laatste tarsenleden zwartbruin; al de dijen en de
voorscheenen met korte, achterste scheenen met langere stijve zwarte
borstels; tarsen met vele dergelijke zwarte borstels; de doorn aan
het eind der voorscheenen zwart. Kolfjes bruingeel. Vleugels glas-
achtig, met flaauwe geelachtige tint, aan de uiterste spits een weinig
grijs; middeldwarsader op het midden der schijfeel.
Een mannetje en twee wijfjes van Argentina (Weyenbergh).
6. Deromyia placida n. sp.
D. Weyenberghi similis; sed abdomine testaceo immaculato ; alarum
apice et margine posteriori griseis; vena transversa media ante medium
cellulae discoidalis. — d long. 17,5—21 mm.
Zeer verwant aan de vorige en in de meeste opzigten daarmede
overeenkomende, zoodat het voldoende is de verschillen hier aan te
geven. De beharing der palpen is bruin: de banden op den thorax
zijn iets duidelijker; het achterlijf is eenkleurig bruingeel en naar ach-
teren meer verdund; de genitalien glanziger; de borstels aan de achter-
scheenen iets zwakker; de vleugels hebben aan de spits en den
achterrand een vrij breeden grijzen zoom, die bij wijze van eene
veeg nog indringt in de schijfeel, in de vierde achtercel en in de
anaal-cel; de middeldwarsader staat niet op, maar vóór het midden
der schijfcel.
Twee mannetjes van dezelfde herkomst als voren,
95
AMERIKAANSCHE DIPTERA,
7. Laparus argentinus n. sp.
Thoracis dorso scutelloque cinereo-fuscis; maculis humeralibus,
antennis, palpis, abdomine pedibusque rufis; facie et mystace pallide
flavis; alis fusco-testaceis, in apice et margine posteriori dilutioribus ;
cellula posteriori quarta et cellula anali apertis. — 2 long. 10,5 mm.
Aangezigt bleekgeel, onder den sprietwortel met een glanzig bruin-
geel, weinig verheven en in ’t midden iets ingedrukt knobbeltje;
voorhoofd een weinig donkerder; ocellenknop zwartachtig; de knevei-
baard uit bleekgele borstels zamengesteld. Sprieten roodgeel; de beide
eerste leden met zwarte borsteltjes; het derde lid smal, naar het
eind spits toeloopend, met stompe griffel; palpen roodgeel, met bleek-
gele beharing; zuiger aan de basis roodgeel, verder glanzig zwart.
Thorax van boven, even als het schildje zwartachtig grauw ; schouders
roodgeel; borstzijden roodachtig, grijs bestoven; in de zijden en van
achteren op den thorax zwarte borstels; twee dergelijke aan den
achterrand van het schildje. Achterlijf slank, bijna driemaal zoo lang
als de thorax, roodgeel; de eerste ring van boven zwart; de korte
tweede zwart, van achteren met lichtgrijze bestuiving; de zesde en
volgende ringen glanzig; op den zesden eene zwartachtige rugvlek.
Pooten roodgeel; de heupen grauwachtig; de spits der scheenen en
der tarsenleden min of meer gebruind; voorheupen met gele borstels ;
de verdere borstels der pooten zwart, niet talrijk en weinig stevig,
alleen aan de tarsen in grooter aantal; het doorntje aan ’t eind der
voorscheenen en de matig lange voethaken mede zwart. Kolfjes rood-
geel. Vleugels met vrij krachtige bruingele tint, aan de spitsen langs
den achterrand flaauwer en meer grijsachtig; eerste achtercel aan
hare uitmonding niet vernaauwd; vierde achtercel wijd geopend; ook
de anaal-cel geopend; middeldwarsader voorbij het midden der schijfcel.
Een 9 van Argentina (Weyenbergh).
Ik weet deze soort niet beter te rangschikken dan in het geslacht
Laparus, zooals dit door Löw in zijne Bemerkungen über die Fam.
der Asiliden p. 4 kortelijk en later in zijne Dipteren Süd-A frika’s p. 57
meer uitvoerig is gekenmerkt. Ik houd mij daarbij ook aan de op-
vatting van Schiner (Verhandl. zool. bot. Gesellsch. Wien, XVI p. 654).
Dit geslacht is in Zuid-Afrika door talrijke soorten vertegenwoordigd ;
toch verdient het opmerking, dat het aanvankelijk door Löw werd
opgerigt voor eene soort (L. tabidus), die hij van Braziliaanschen
96 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
oorsprong achtte; later heeft hij die ook onder de Zuid-Afrikaansche
opgenomen, en daarbij de Kaap met een ? als vaderland aangewezen.
Overigens wordt door Schiner ook Dasypogon albopunctatus Macq. uit
Australie er toe gerekend.
L. argentinus wijkt van de Afrikaansche soorten alleen af door de
beide borstels aan den achterrand van het schildje en door de
plaatsing der middeldwarsader, die niet vóór maar voorbij het midden
der schijfcel is ingewricht. Van het ongetwijfeld digt verwante geslacht
Derom yia (= Diogmites) verschilt Laparus door de niet gesloten vierde
achtercel.
8. Plesiomma semirufa Wied.
Dasypogon semirufus, Wied. Auss. Zweifl. I. 393. 42; — Plesiomma
semirufa, Schin. Verh. Zool. bot. Gesellsch. Wien, XVI. 678.
Van deze fraaije en zeer kenbare soort ontving ik een gaaf d uit
Argentina van Prof. Weyenbergh. Hoewel het voorhoofd merkelijk
smaller is dan bij andere Dasypoginen, is het echter niet zoo smal
als Macquart dit afbeeldt van zijne Pl. testacea en als zijne uitdruk-
king: , yeux presque contigus” zou doen vermoeden.
9. Scleropogon ochraceus v. d. Wulp.
Stenopogon ochraceus, v.d. Wulp, Tijdschr. v. Ent. XIII. 212. pl9,£,9.
In Osten Sacken’s Catalogus der Noord-Amerikaansche Diptera
(p. 68) is deze soort tot het genus Scleropogon Löw gebragt, waartoe
zij inderdaad behoort wegens het aderbeloop der vleugels (de eerste
achtercel gesloten). Dat Osten Sacken I. c. in zijne noot 101 twijfel
oppert omtrent mijne vroegere determinatie als Stenopogon, op grond
dat de voorscheenen met een doorntje zouden zijn gewapend, is het
gevolg van een misverstaan mijner beschrijving, zeer verschoonlijk in
iemand, die, zonder onze taal te kennen, toch dikwijls blijken geeft,
dat hij haar wel weet te ontcijferen. Gelijk ik destijds reeds heb
gezegd, zijn de voorscheenen van Sel. ochraceus zonder doorntje.
10. Dizonias bieinetus Löw.
Dizonias bieinctus, Löw, Dipt. Am. Sept. Cent. VII. 54; — Dasy-
pogon tristis, Walk. Dipt. Saund. 93; — Dasypogon quadrimaculatus,
Bell. Ditt. Mess. II. 80. pl. 1 f. 8.
Een d uit Argentina (Weyenbergh).
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 97
Zie omtrent de bovengemelde synonymie: 0. Sack. Cat. of the Dipt.
of N. Amer. p. 230, noot 103.
Het voor mij liggende exemplaar is zeer gaaf; de witte band is
alleen op den derden ring volkomen ; die op den tweeden ring daar-
entegen is beperkt tot een paar zijvlekjes; aan de voorzijde der voorste
heupen bevinden zich witte borstelharen, aan de buitenzijde steviger
zwarte borstels; aan de achterheupen zijn deze buitenwaartsche bor-
stels wit en geplaatst op eene aldaar voorkomende vlek van witte
bestuiving. De beharing der genitalien is wit, doch van onderen met
zwarte haren gemengd; de witte haren aan de bovenste aanhangsels
zijn langer, gebogen en straalvormig geplaatst.
11. Prolepsis Lucifer Wied.
Dasypogon Lucifer, Wied. Auss. Zweifl. I. 388. 34: Walk. List,
VI. 432. 122; — Cacodaemon Lucifer, Schin. Verh. zool. bot. Ges. Wien,
XVI. 672; E. Lynch Arrib., Asil. Argent. sep. 8. 5; Bigot, Ann.
Soc. ent. Fr., 5e ser. VII. 431; — Prolepsis Lucifer, E. Lynch
Arrib. 1. e. 76. 5; — Dasypogon Satanas, Wied. Auss. Zweifl. I. 401.
56; Löw, Bemerk. Asil. 13; Walk. List, VI. 442. 153; — Caco-
daemon Satanas, Schin. 1. ce. 702; — Prolepsis fumiflamma, Walk.
Dipt. Saund. 101. pl. 3. f. 6.
Beide sexen uit Argentina van Prof. Weyenbergh.
Dat Dasypogon Lucifer en Satanas Wied., niettegenstaande het in
toog loopend verschil van de kleur der sprieten en vleugels, als
beide sexen dezelfde soort uitmaken, is reeds voorlang door Löw op-
gemerkt en sedert daardoor bevestigd, dat van eerstgemelde niet dan
wijfjes, van de tweede niet dan mannetjes zijn aangetroffen. Bigot
(Ann. Soc. ent. de France, 5e ser. VIII. 220) maakt melding van een
Dasypogon Lucifer Q en een D. Satanas 3, in zijne collectie berus-
tende en die aan dezelfde speld zijn gestoken, waarschijnlijk om aan
te duiden dat deze exemplaren gepaard zijn gevangen.
Eene aandachtige vergelijking der beschrijving van Prolepsis fumi-
flamma Walk. doet zien, dat ook deze gegrond is op een vrouwelijk
exemplaar van Dasypogon Lucifer Wied. De oppervlakkigheid, waar-
mede Walker heeft gewerkt, komt hier weder aan het licht: eerst heeft hij
in zijne lijst voor het Britsch museum de beide sexen, op het voor-
beeld van Wiedemann, als afzonderlijke soorten vermeld, en toen hij
later uit de Saundersche collectie de soort werkelijk voor zich kreeg,
7
98 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
heeft hij haar onder een nieuwen generieken en specifieken naam
beschreven. Intusschen is die generieke naam (Prolepsis) ouder dan
die van Cacodaemon, door Schiner aan het genus gegeven, en moet
deze laatste alzoo wijken.
Minder zeker schijnt het mij toe, dat ook Dasypogon rufipennis Macq.
(Dipt. ex. I. 2. 45. 58) als synoniem bij Pr. Lucifer g moet worden
gesteld, gelijk de heer Lynch vermoedt. Vooreerst is D. rufipennis
grooter (Macquart geeft 10 1. aan); voorts is bij haar de knevelbaard
niet zwart (Macq. noemt dien „d’un brun roussätre, 4 soies supé-
rieures noires”); daarentegen noemt hij het eerste sprietenlid zwart
en de zijden van den thorax wit gevlekt, wat bij Pr. Lucifer 2
niet voorkomt; en eindelijk zwijgt hij geheel van den zwartachtigen
band vóór de spits der vleugels evenzeer als van den donkeren zoom
aan den achterrand.
12. Dicranus Tuema E. Lynch.
E. Lynch Arribalzaga, Asil argent. sep. 9. 6.
Van deze prachtige soort bezit ik een drietal zeer gave mannelijke
exemplaren, mij uit Argentina door Prof. Weyenbergh overgezonden,
Zij is dezelfde, waarvan ik in de zomervergadering der Entomologische
Vereeniging, op 29 Junij 1878 te Nijmegen !) melding maakte, en
die ik toen voornemens was als D. praecellers te beschrijven. Zij
staat in de naauwste verwantschap zoowel met Dasypogon rutilus Wied.
(Auss. Zweifl. I. 370. 6) als met D. longiungulatus Macq. (Dipt. ex.
supp. 4. 67. 71) ?), beiden uit Brazilie. Toch geloof ik niet dat zij
met een van deze beiden kan worden vereenigd. D. rutilus heeft
volgens Wiedemann een lichtgeel schildje, de zijvlekken van het
“achterlijf zijn goudgeel en de laatste lijfsringen worden door eene
vosroode beharing bezoomd. Bij D. longiungulatus Macq., die in de
witte zijvlekken van het achterlijf meer overeenkomst aanbiedt en
waarvan het schildje ook niet geel schijnt te zijn, worden daarentegen
de sprieten en de achterscheenen zwart genoemd.
Vermits de heer Lynch alleen het 9 heeft beschreven en nog wel
naar een niet zeer gaaf voorwerp in het museum te Buenos Ayres,
1) Tijdschr. v. Ent. XXII. blz. xxı.
2) Wel te onderscheiden van Dasypogon longiungulatus Macq. (Dipt. ex. I. 2.
36. 7), eveneens van Brazilie, die tot het genus A//opogon behoort en synoniem
is met Dasypogon vittatus Wied.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 99
zal het niet overbodig worden geacht, dat ik hier nogmaals de be-
schrijving, zooveel noodig aangevuld, herhaal.
Lengte 26 mm. (mijne mannelijke exemplaren), 29 mm. (het g door
Lynch beschreven).
Aangezigt en achterste oogrand goudgeel; knevelbaard van dezelfde
kleur, uit lange, alleen tegen den mondrand geplaatste borstels be-
staande; schedel bruinachtig; beharing van het achterhoofd alsmede
de kin- en bakkenbaard bleek goudgeel. Zuiger glanzig zwart; palpen
bij mijne exemplaren roodgeel met eveens gekleurde haren, bij het 9
(volgens Lynch) donker. Sprieten roodgeel; de beide eerste leden
kort; het tweede lid van onderen met een langen gelen borstel en
voorts zoowel van boven als van onderen met kleinere zwarte borsteltjes ;
derde lid anderhalfmaal zoo lang als de beide eersten te zamen, iets
donkerder dan deze, elsvormig , spits toeloopend , met korte onduidelijke,
zwartachtige eindgriffel. Thorax dof zwartbruin , met goudgele teekening,
bestaande in eene vlek op de schouderknobbels, een’ zoom ter weder-
zijde van den rug, zes ronde vlekjes op den rug, waarvan twee
vooraan tusschen de schouderknobbels en de onduidelijke donkere
langsbanden, en vier op eene rij langs den dwarsnaad; voorts in
eenige onregelmatige vlekken in de borstzijden en op de knobbels
ter wederzijde van den achterrug; het achtereinde van den thorax
alsmede het schildje grijs bestoven. In de zijden en aan den achter-
rand van den thorax zwarte borstels, een paar dergelijke ook aan
den achterrand van het schildje. Achterlijf glanzig zwart; de korte
eerste ring alleen dof, ter wederzijde met gele uitstaande beharing
en een paar zwarte borstels; de vier volgende ringen met witte zij-
vlekken, eenigszins in den vorm van een breed afgebroken achterzoom ;
mannelijke genitalien weinig uitstekend, glanzig zwart, met deels
zwarte, deels grijsachtige beharing; bij het 9 de anus met zwarte
doorntjes bezet (Lynch). Pooten helder roodgeel; de heupen zwart-
bruin met gele beharing; dijen meestal van boven met eene
zwarte langsstreep (bij een mijner exemplaren ontbreekt die geheel,
bij een tweede is er slechts eene aanduiding van); achterscheenen
aan de binnenzijde met een zwartbruin uiteinde; aan al de tarsen de
twee of drie laatste leden alsmede de lange voethaken zwart; de
stijve borstels aan de scheenen spaarzaam en roodgeel, even als die
aan de eerste tarsenleden; waar de tarsenleden donker zijn, worden
ook de borstels zwart. Kolfjes roodgeel. Vleugels zoo lang als het
100 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
achterlijf, aan den wortel en den voorrand met geelachtige tint en
roodgele aderen, overigens iets grauwachtig en de aderen bruin; de
vleugelspits grauwbruin, welke kleur aan den wortel der drie eerste
achtercellen een’ zoom overlaat; daarentegen bevindt zich een kern
van dezelfde grauwbruine kleur in de schijfeel, de vierde en vijfde
achtercel, de anaal-cel en den achterhoek; middeldwarsader iets vóór
het midden der langgerekte schijfcel; eerste achtercel aan haar einde
een weinig vernaauwd; vierde achtercel gesloten en gesteeld; anaal-cel
tegen den vleugelrand gesloten.
13. Cyrtopogon chrysopogon Löw.
Löw, Dipt. Am. Sept. Cent. VII. 59.
Een g uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel.
14. Holopogon bullatus n. sp.
Obscure cinereus; thorace gibboso, nigro-vittato; antennis, probos-
cide, palpis, macula faciali, abdominis dorso pedibusque posticis nigris;
pedibus anterioribus badiis; mystace, pilis setisque omnibus pallidis ;
alis cinereo-fuscis. — d g long. 9—10.5 mm.
Lang heb ik geaarzeld of ik deze soort in het geslacht Oligopogon
Löw of Holopogon Löw zou rangschikken. De hoog gewelfde thorax
en de slechts tot halverwege het gezigt reikende knevelbaard zou
haar eene plaats aanwijzen in eerstgemeld genus; zij mist echter een
der voornaamste kenmerken er van, namelijk de behaarde sprieten-
griffel, en schijnt daarom beter in het genus Holopogon te passen.
Kop bijna dubbel zoo breed als hoog; aangezigt licht aschgrauw »
plat, ongeveer een derde der kopbreedte innemende, in ’t midden
met eene ronde, glanzig zwarte vlek, die somtijds in tweeén is ge-
deeld; knevelbaard geelwit, minstens tot de halve hoogte van het
gezigt opstijgende; achterhoofd grijs; kinbaard wit; oogen van voren
met grootere facetten; voorhoofd donker aschgrauw; ocellenknobbel
sterk ontwikkeld. Zuiger, palpen en sprieten zwart; de beide eerste
sprietleden met bruingele borstels; het derde lid ruim dubbel zoo
ang als de voorgaande te zamen, en daarbij smal, met naakte,
matig lange, spits toeloopende, naar beneden gebogen griffel. Thorax
bultachtig verheven, aschgrauw, met zwarte, breede langsbanden, de
middelste van voren duidelijk gespleten; de buitenste uit onregel-
matige vlekken bestaande; ook op de borstzijden donkere vlekken;
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 101
bij afwissching der bestuiving komt eene glanzig zwarte grondkleur
voor den dag; schildje en achterrug eenkleurig grauw, geheel naakt;
beharing van den thorax zeer onbeduidend; de borstels aan de kan-
ten en van achteren op den thorax zijn niet veel meer dan fijne
haren van bleekgele kleur. Achterlijf langwerpig, aan het eind
eenigszins naar beneden omgebogen (bij het ¢ overal gelijk breed,
bij het g in ’t midden iets verbreed), van boven zwart, met licht-
grijze, aan elkander verbonden zijvlekken; de laatste ring geheel van
die kleur; buik aschgrauw; aan den eersten ring des achterlijfs en
aan den buik is eene geelachtige beharing; mannelijke genitalien
klein, glanzig zwart. Pooten stevig; dijen matig verdikt, voorscheenen
zonder einddoorn, doch aan de spits met stevige borstels; achter-
scheenen naar het eind kolfachtig verdikt; ook de drie eerste leden
der achtertarsen dikker; heupen aschgrauw; de voorste pooten overigens
kastanjebruin, met den wortel der dijen glanzig zwart en de laatste
tarsenleden pekzwart; achterpooten zwart met eenigen glans en de
knieén min of meer bruinrood; al de pooten hebben eene digte be-
haring en vele borstels van bleek roodgele kleur; zelfs de borstels
aan de tarsen niet verdonkerd. Kolfjes bruingeel; de knop meestal
van boven met donkere vlek. Vleugels met gelijkmatige donker grauw-
bruine tint, alleen in de streek der randvlek iets krachtiger; aderen
zwartbruin, met uitzondering van de hulpader en het begin der sub-
costaal-ader, die brningeel zijn; vorkcel zeer langwerpig, dubbel zoo
lang als haar steel; al de achtercellen en ook de anaal-cel geopend;
middeldwarsader op twee derden der schijfcel geplaatsts
Twee mannetjes en vier wijfjes uit Argentina (Weyenbergh).
15. Hvpenetes asiliformis n. sp.
Nigricans, pilosula; barba alba; antennis, palpis, mystace pedi-
busque nigris; genubus rufis; tibiarum setis ex maxima parte albidis;
antennarum articulo tertio articulis binis praecedentibus aeque longo,
ante medium tenui, apice crassiori. — 4 long. 9 mm. — (PI. 10fig.2—4).
Gelijkt op eene kleine Asiline. Kop breeder dan de thorax, wit-
achtig bestoven; gezigtsknobbel en knevelbaard drie vierden van het
aangezigt innemende; de laatste uit ruwe zwarte borstels bestaande ;
beharing van het achterhoofd, benevens de kin- en bakkenbaard wit-
achtig; boven op het achterhoofd en van voren tegen den ocellen-
knobbel eenige lange zwarte borstels. Sprieten zwart, iets langer dan
102 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
de kop in doorsnede; eerste lid dun, cylindrisch; tweede napvormig ;
beiden met witachtige beharing; derde lid naakt, zoo lang als de beide
eersten te zamen, aan de wortelhelft zeer dun en vervolgens knods-
vormig verbreed, met korte, stompe griffel. Zuiger glanzig zwart,
spits toeloopend, van onderen met witachtige haren, als vervolg van
den kinbaard. Thorax en schildje zwart, met witachtige bestuiving,
die op den rug eene onduidelijke teekening overlaat en vooral op de
schouders en in de borstzijden de overhand krijgt; schouderknobbels
met lange witachtige beharing; op den rug van den thorax, het
voorste vierendeel uitgezonderd, lange zwarte borstels; enkele der-
gelijke borstels ter wederzijde vóór den vleugelwortel en aan den
achterrand van het schildje. Achterlijf naar achteren iets smaller,
zwartgrauw, aan de vijf eerste ringen met smallen witgrijzen achter-
zoom en iets breederen zijrand van dezelfde kleur; beharing des
achterlijfs witachtig; genitalien klein en bijna geheel door den plat-
ten achtsten bovenring bedekt. Pooten glanzig zwart, doch door de
witachtige beharing dof en grauw; aan de onderzijde der dijen is die
beharing langer; knieén geelrood; scheenen met een aantal lange
stijve borstels, meerendeels van geelwitte kleur, doch aan de buiten-
zijde der voorste scheenen en aan den achterkant der achterscheenen
zijn er ook eenige, die zwart zijn; de borstels der tarsen allen zwart.
Kolfjes vuilgeel. Vleugels smal, niet volkomen zoo lang als het ach-
terlijf, eenkleurig grauw, met donkerbruine aderen; het aderbeloop
komt overeen met dat van Löw’s afbeelding van H. stigmatias (Dipt.
Süd. Afr. Tab. II. f. 44a); de wortelcellen en de schijfeel zijn echter
langer en smaller.
Een d uit Argentina (Weyenbergh).
Het geslacht Hypenetes werd door Löw (Dipt. Süd. Afr. p. 89) op-
gerigt voor eene Zuid-Afrikaansche Dasypogine, die zich onderscheidt
door dunne sprieten, waarvan het derde lid aan de basis smal is en
zich naar het einde knodsvormig verbreedt. Deze sprietenvorm vertoont
zich ook in het Amerikaansehe geslacht Clavator Phil.; Gerstaecker
heeft daaruit aanleiding genomen, om dit Jaatste geslacht als synoniem
met Hypenetes te verklaren, en Schiner heeft hem hierin gevolgd.
Hypenetes behoort tot die genera, welke aan het eind der voor-
scheenen geen haakvormig doorntje hebben. Bij de beschrijving van
het genus Clavator en van de daartoe gebragte soorten, zwijgt Philippi
van dit kenmerk; doch te oordeelen naar zijne afbeelding van
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 103
Clavator punctipennis (Verhandl. zool. bot. Gesellsch. XV pl. zxvrf. 31),
zouden echter de scheenen, even als bij Hypenetes, ongewapend zijn.
Dit wordt ook daardoor bevestigd, dat Schiner (blijkens Dipt. Nov.
Reise, p. 159) deze soort heeft gekend en haar zonder bedenking in
het geslacht Hypenetes rangschikt, zoodat men kan aannemen dat hij
bij haar geen doorntje aan de voorscheenen gevonden heeft. Hij
achtte dan ook de synonymie der beide genera ten volle bewezen,
en brengt ook Dasypogon fulvicornis Macq. (Dipt. ex supp. I. 67. 47)
die mede ongewapende voorscheenen heeft, tot het gesl. Hypenetes.
Intusschen beschrijft Osten Sacken (Western Dipt. p. 292) eene
soort, die hij Clavator sabulonum noemt en waarbij wel degelijk de
voorscheenen met een doorntje gewapend zijn; waaruit hij, hoewel
ten onregte en zonder op Schiner’s mededeelingen te letten, de gevolg-
trekking maakt, dat zulks ook bij de overige soorten van Philippi
het geval zou zijn. Zoolang nu de Dasypoginen in ’t algemeen worden
onderscheiden naar de al of niet aanwezigheid van het doorntje aan
de voorscheenen, — en niet ligt zal dit als hoofdkenmerk worden
losgelaten, — kan Clavator sabulonum O. Sack niet in het ge-
slacht Hypenetes worden opgenomen, en het blijft nog onzeker of
dit wel zou kunnen geschieden met de overige door Philippi be-
schreven Clavator-soorten, uitgezonderd Cl. punctipennis. Daarentegen
kunnen er geen ernstige bedenkingen bestaan, om deze laatste en
de hierboven beschrevene asiliformis onder Hypenetes te rangschikken.
16. Megapoda labiata Fabr.
Laphria labiata, Fabr. Syst. Antl. 160. 20; Wied. Dipt. ex. I. 232.
1; id. Auss. Zweifl. I. 499. 1; — Megapoda cyanea, Macq. Suit. a
Buff. Dipt. I. 288. 1; id. Dipt. ex. I. 2. 59.
Eenige exemplaren uit Brazilie in het Leidsch museum; een d mede
van daar in mijne collectie.
17. Dasyllis grossa Fabr.
Asilus grossus, Fabr. Spec. ins. II. 460. 1; id. Ent. syst. IV. 376.
1; id. Syst. Antl. 153. 1; Wied. Auss. Zweifl. I. 498. 113; — Laphria
tergissa, Say, Journ. ac. Phil. III. 75. 5; Wied. Auss. Zweifl. I. 502.
5; -- Laphria analis, Macq. Dipt. ex. I. 2. 68. 15.
Een 3 uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel.
104 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
Dat Asilus grossus F. dezelfde soort is als Laphria tergissa Say, is
door Osten Sacken duidelijk in het licht gesteld in zijnen Catalogue
of the described Diptera of North America p. 233, noot 115.
18. Laphria gilva Linn.
Asilus gilvus, Linn. Faun. suec. n°. 1912; — Laphria gilva, Löw,
Linn. Ent. II. 548. 8; Schiner, Faun. austr. I. 139; — Asilus rufus,
de Geer, Ins. VI. 241. 4. pl. 13 £. 15.
Een ¢ uit de omstreken van Quebec (Provancher), in het Brus-
selsche museum aanwezig, gelijkt zoo volkomen op deze Europesche
soort, dat ik het gerust als zoodanig durf determineren. In den
Catalogus der Noord-Amerikaansche Diptera van den Baron Osten
Sacken wordt de soort niet vermeld.
19. Andrenosoma xanthoenema Wied.
Laphria xanthocnema, Wied. Auss. Zweifl. I. 509. 18; Macq. Dipt.
ex. 1. 2, 61:42.
Een ¢ van Brazilie in het Leidsch museum.
Het achterlijf is in de zijden van den tweeden tot en met den
vijfden ring zwart, op den vierden ring zelfs tot zulke uitbreiding,
dat de roode kleur er schier geheel verdrongen wordt.
20. Andrenosoma erythropyga Wied.
Laphria erythropyga, Wied. Auss. Zweifl. I. 509. 17.
Een d van Rio in het Leidsch museum.
De knevelbaard heeft in ’t midden eenige zwarte borstels, die
echter tusschen de digte witte haren weinig in ’t oog vallen. De
vleugels zijn aan dit oude exemplaar meer grauwbruin dan geelachtig ;
de eerste achtercel is wel aan ’t einde vernaauwd, maar niet gesloten
en gesteeld, zooals bij de voorgaande soort.
21. Lampria clavipes Fabr.
Laphria clavipes, Fabr. Syst. Antl. 162. 27; Wied. Dipt. ex. I.
237. 9; id. Auss. Zweifl. I. 513. 23; — Lampria clavipes, Bell. Ditt.
mess. II. 13. 2. pl. 1. f. 15.
Een enkel paartje uit Brazilie bevindt zich in mijne collectie.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 105
22. Lampria mexicana Macq.
Macq. Dipt. ex. supp. 2. 37. 3; Bell. Ditt. mess. II 15. 1.
Ik bezit twee wijfjes zonder aanduiding van vaderland (gelijk uit
den naam blijkt, leeft de soort in Mexico).
23. Lampria bicolor Wied.
Laphria bicolor, Wied. Auss. Zweifl. 1. 522.40; — Laphria megacera ,
Macq. Suit. à Buff. Dipt. I. 284. 18. |
Een g zonder aanduiding van vaderland in mijne collectie (de soort
is uit Noord-Amerika).
24. Dasythrix leucophaea E. Lynch.
E. Lynch Arribalzaga, Asil argent. sep. 22. 17.
Een & uit Argentina (Weyenbergh).
25. Atomosia xanthopus Wied.
Laphria xanthopus, Wied. Auss. Zweifl. I. 529. 52.
Een g van Guanaxuato (Dugès) in het museum te Brussel.
26. Atomosia tibialis Maca.
Macq. Dipt. ex. supp. 1. 76. 8.
Een 9 uit Columbie in het museum te Brussel.
27. Atomosia pilipes Thoms.
Atomosia pilipes, Thoms, Eug. Resa, Dipt. 465. 33 ; — Al. pilosipes ,
E. Lynch Arribalzaga, Asil. argent. sep. 19. 15.
Een 9 van Argentina (Weyenbergh), vroeger door mij, ten onregte,
als At. modesta Phil. bestemd. i
28. Atomosia geniculata Wied.
Laphria geniculata, Wied. Dipt. ex. I. 241. 19; id. Auss. Zweifl.
I: 528. 51.
Een 2 uit Argentina (Weyenbergh).
Wiedemann’s beschrijving is ten volle op dit exemplaar van toe-
passing, met uitzondering dat het achterlijf geen witte insnijdingen
heeft. Professor Mik heeft het, op mijn verzoek, met de typen in het
Weener museum vergeleken en verzekert mij dat daaronder ook
exemplaren zonder witte insnijdingen voorkomen.
106 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
29. Atomosia venustula E. Lynch.
E. Lynch Arribalzaga, Asil argent. sep. 17. 13.
Een 9 uit Argentina (Weyenbergh).
30. Mallophora infernalis Wied.
Asilus infernalis, Wied. Dipt. ex. I. 202. 35; id. Auss. Zweifl. I.
475. 76; Perty, Del. an. Bras. 181. pl. 36 f. 5; — Mallophora infer-
nalis, Macq. Suit. à Buff. Dipt, I. 301. 1; Bell. Ditt. Mess. II. 21. 1.
Een mannetje en twee wijfjes, zonder aanduiding van herkomst,
in het Leidsch museum; ik zelf bezit een ¢ uit Brazilie.
31. Mallophora robusta Wied.
Asilus robustus, Wied. Auss. Zweifl. I. 478. 81; — Mallophora
robusta, Macq. Dipt. ex. supp. 1. 78.
Twee wijfjes uit Brazilie in het Leidsch museum; ik zelf bezit
een 9 mede van daar.
32. Mallophora ruficanda Wied.
Asilus ruficauda, Wied. Auss. Zweifl. I. 476. 78; — Mallophora
ruficauda, Walk. List, VII. 580; E. Lynch Arribalzaga, Asil. argent.
sep. 30. 19.
Ik bezit een 9 van Argentina (Weyenbergh) en een d van Montevideo.
33. Mallophora Pluto Wied.
Asilus Pluto, Wied. Auss. Zweifl. I. 477. 80; — Mallophora Pluto,
Schin. Dipt. Nov. Reise, 176. 49.
Een d uit Argentina (Weyenbergh), waarop Wiedemann’s beschrij-
ving goed past. De eerste achtercel is echter aan ’teind gesloten en
kort gesteeld, en daar Wiedemann noch Schiner van deze bijzonder-
heid melding maakt, kan ik eenigen twijfel omtrent de juistheid der
determinatie niet onderdrukken.
34. Mallophora Minos Wied.
Asilus Minos, Wied. Auss. Zweifl. I. 478. 82.
In het museum te Leiden zijn verscheidene exemplaren uit Brazilie ;
ik zelf bezit een 2, mede van daar.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 107
35. Mallophora tibialis Macq.
M. tibialis, Macq. Dipt. ex. I. 2. 85. 1; — M. fascipennis , Macq.
Dipt. ex. supp. 4. 75. 20; — M. fasciata Walk. Dipt. Saund. II. 112.
Ik bezit een g van deze soort uit Brazilie.
Dat M. fascipennis Macq. en M. fasciata Walk. hier als synoniemen moeten
worden gesteld, laat zich uit de beschrijvingen gemakkelijk afleiden.
M. tibialis Macq. (Dipt. ex. supp. 1. 77. 17) van Guiana is eene
andere soort, die echter uiterst kort is beschreven naar een gebrekkig
exemplaar zonder achterlijf.
36. Mallophora nigritarsis Fabr.
Dasypogon wigritarsis, Fabr. Syst. Antl. 168, 18; — Asilus ead.
Wied. Dipt. ex. I. 208. 46; id. Auss. Zweift. I. 479. 84; — Mallo-
phora ead. Macq. Dipt. ex. I. 2. 86. 4; Schin. Verh. zool. bot. Ges.
Wien, XVII (1867) 386. 66; v. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus.
TVs 600.06.
Vijf mannetjes en een wijfje van Brazilie (Bescke) in het Leidsch
museum; ik zelf bezit een paar mannetjes, waarvan het eene met
het etiquet Suriname. In de hoofdzaak komen zij met Wiedemann’s
beschrijvingen overeen; ik moet evenwel opmerken, dat niet alleen
aan de zwarte achtertarsen, maar ook aan de voorste (die roodgeel
zijn met beharing van dezelfde kleur en zwarte borstels), de leden
allen zeer kort en breed zijn; de sprieten zijn dun, hun eindborstel
langer dan het 3° lid. De beharing der palpen wordt door Wiedemann
vosrood genoemd; aan al mijne exemplaren is zij zwart, hetgeen ook,
volgens Schiner, aan de typische voorwerpen van Wiedemann het
geval is; Macquart zoekt in de kleur van die beharing een sexueel
verschil en noemt die bij het 4 geel, bij het 9 zwart, wat met mijne
waarneming in strijd zou zijn. Van de gele haarstreep op de achter-
tarsen, waar Wiedemann van spreekt, zie ik niets.
37. Promachus rufipes Fabr.
Asilus rufipes, Fabr. Syst. ent. 794. 16; id. Ent. syst. IV. 383. 32;
Wied. Dipt. ex. I. 203. 38; id. Auss. Zweifl. I. 487. 93; — Dasypogon
rufipes, Fabr. Syst. Anil. 169. 23.
Een ¢ met het etiquet „Am. Sept.?”, afkomstig uit de oude col-
lectie van Raye van Breukelerwaard, in ’s Rijks museum te Leiden.
108 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
38. Promaehus trichonotus Wied.
Asilus trichonotus, Wied. Auss. Zweifl. I. 490. 97.
Exemplaren van Brazilie (Bescke) in het museum te Leiden; een
g van dezelfde herkomst in mijne collectie.
39. Proctacanthus Heros Wied.
Asilus Heros, Wied. Auss. Zweifl. I. 427. 4.
Van deze soort bevindt zich een paartje uit Noord-Amerika, afkom-
stig uit de vroegere collectie van Raye, in ’s Rijks museum te Leiden.
40. Proctacanthus brevipennis Wied.
Asilus brevipennis, Wied. Auss. Zweifl. I. 431. 10.
Het 9 uit het Leidsch museum, door Wiedemann aan het slot zijner
beschrijving vermeld, is daar nog aanwezig. Ik zelf bezit cen d uit
Argentina (Weyenbergh), dat ook tot deze soort schijnt te behooren,
althans daaraan digt verwant is, gelijk mij ook is medegedeeld door
den heer Mik, die het met de typische exemplaren in het Weener
museum heeft vergeleken. Werkelijk is Wiedemann’s beschrijving
daarop vrij wel van toepassing, met uitzondering echter van de zwarte
veeg aan den voorkant der dijen, die ontbreekt, en van de kleur
der sprieten, waarvan althans de beide eerste leden (het derde is
afgebroken) roodgeel en niet zwart zijn. De genitalien zijn aan mijn
exemplaar niet groot en van roodgele kleur; zij bestaan in een paar
zeer langwerpige, aan ’t eind lichtgeel behaarde boven- en een paar
kortere onderkleppen.
41. Proctacanthus rubriventris Macq.
Pr. rubriventris, Macq. Dipt. ex. supp. 4. 87. 11. pl. 8. f. 3; Lynch
Arribalzaga, Asil. Argent. sep. 9. 6; — Erax speciosus, Phil. Verhandl.
zool. bot. Ges. Wien, XV. 693. 3. pl. 26 f. 28.
Van deze groote en prachtige soort bezit ik een zeer gaaf vrouwelijk
exemplaar uit de Argentijnsche republiek, mij door Prof. Weyenbergh
toegezonden.
Reeds voor ik het aangehaalde stuk van den heer Lynch Arribalzaga
gezien had, was ik tot dezelfde conclusie als hij gekomen, dat Erax
speciosus Phil. synoniem is met Proctacanthus rubriventris Macq.
Philippi heeft het 9 zeer kenbaar beschreven en afgebeeld, doch
voorbijgezien dat de soort reeds door Macquart was benoemd; hij
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 109
vergist zich bovendien met haar in het geslacht Erax te plaatsen.
Macquart’s beschrijving, die alleen op het 4 betrekking heeft, moge
korter en minder volledig en zijne afbeelding minder juist zijn, bij
eene oplettende vergelijking van al de bijzonderheden blijft er geen
twijfel over, of beide schrijvers hadden dezelfde soort voor oogen.
42. Proctacanthus virginianus n. sp.
Nigricans; mystace pallide rufo, interdum pilis nigris marginalibus
mixto; barba albida; thorace substriato , abdominisque marginis brunneo-
pollinosis; ovidueto elongato, nigro nitido; tibiarum basi castanea; alis
ex flavido cinerascentibus; nervis ad alarum apicem et marginem pos-
teriorem leviter fuscano-limbatis. — 2 long 23—26 mm. — PI. 10
fig. 5 en 6).
Van donker uitzigt; de glanzig zwarte grondkleur van thorax en
achterlijf min of meer bedekt door geelbruine bestuiving, die op den
thorax onduidelijke langsstrepen vrij laat en aan het achterlijf voorna-
melijk in de zijden en ook eenigszins aan den achterrand der ringen
optreedt; de dunne langgerekte eijerbuis is geheel glanzig zwart; de
bovenste eindkieppen loopen spits toe en zijn langer dan de onderste,
die eene borstelige zwarte beharing dragen. Beharing van den thorax
zwart en vrij kort; ter wederzijde achter den dwarsnaad eenige stevige
zwarte borstels; aan den achterrand van het schildje en aan beide
zijden van den zeer korten maar verbreeden eersten lijfsring mede
lange zwarte borstels. Kop weinig breeder dan de thorax; gezigtsbult
groot, van boven een vierde van het aangezigt vrij latende, geheel
bedekt door den digten knevelbaard, die bij een der beide exemplaren
geheel bleek roodgeel is, bij het andere daarentegen van boven en
in de zijden met een aantal zwarte haren is vermengd; de kinbaard
bleekgeel of zelfs witachtig. Spieten zwart; het eerste lid van onderen
met een digten bundel zwarte borstels; eindborstel bijna dubbel zoo
lang als het derde lid. Zuiger zeer glanzig zwart; palpen zwart, digt
met borstels van dezelfde kleur bezet. Pooten zwart, scheenen aan de
wortelhelft roodachtig kastanjebruin en daar ter plaatse met vaalgele,
doch overigens met zwartachtige beharing; al de borstels der pooten
zwart. Kolfjes zwart. Vleugels merkelijk korter dan het achterlijf,
geelachtig aschgrauw; de aderen aan de vleugelspits en den achter-
rand met flaauwe bruine bezooming; bovenarm der eubitaal-vork met
een aanhangend adertje; tweede achtercel niet naar boven verbreed.
110 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
Twee, met uitzondering van den deels verschillend gekleurden
knevelbaard, geheel gelijke wijfjes van Virginie (Dr. A. Breyer)
in het museum te Brussel.
43. Proctacanthus senectus n. sp.
Griseus; mystace barbaque albidis; antennis nigris, articulo tertio
parvo apice acuminato, stylo elongato; thorace vittis quatuor obscuris ,
fusco limbatis; abdomine maculis dorsalibus fuscis, hypopygio maris
et oviducto foeminae nigris subnitidis; pedibus rufis, femoribus antice
nigrosignatis, tarsis piceis; alis hyalinis. — 4 g long. 26—30 mm.
Kop witachtig; aangezigt ongeveer een vierde der kopbreedte in-
nemende en aan ruim de onderste helft bultachtig verheven; knevel-
baard wit, van onderen met eenige gele haren en zelfs een paar
zwarte borstels er tusschen; kinbaard en beharing van het achterhoofd
wit; voorhoofd met zwarte beharing; achter de oogen een krans van
gele borstels; oogen naar onderen tegen den binnenkant met grootere
facetten, wat vooral bij het d duidelijk is. Sprieten klein, zwart;
het eerste lid het langst; het tweede half zoo lang, beiden met
vaalgele beharing; het derde lid weinig langer dan het tweede,
peervormig, spits toeloopend; de eindborstel zoo lang als de beide
laatste sprietleden te zamen, aan de uiterste spits eene kleinigheid
verdikt. Zuiger glanzig zwart; palpen donker, onder den digten
baard half verborgen. Thorax grijs, van boven vóór den dwarsnaad
met vier iets donkerder langsbanden; de beide middelsten duidelijk,
vrij smal, naar voren iets uiteenloopend, over de geheele lengte van
elkander gescheiden en ter wederzijde met een zwartachtigen zoom;
de beide zijbanden minder duidelijk en meer vlekkig, soms alleen te
herkennen aan den donkeren zoom langs de binnenzijde; schildje van
dezelfde kleur als de thorax; het achterste gedeelte van den thorax
alsmede het schildje met overeindstaande vaalgele beharing, waar-
tusschen zich zwarte borstels mengen; dergelijke borstels, maar iets
steviger, bevinden zich vóór den vleugelwortel en ter wederzijde vóór
het schildje; de borstzijden hebben eene witte beharing en op den
knobbel onder den vleugelwortel staan zwarte borstels. Achterlijf lang
‘ en smal, grijs; aan den voorkant van elken ring een zwartachtige
zoom, in de gedaante eener van achteren afgeronde vlek; in sommige
rigtingen de zijden van het achterlijf bruinachtig ; mannelijke genitalien
niet groot, zwart en eenigszins glanzig, met grijze beharing en enkele
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 111
zwarte borstels; tusschen de aan het eind afgeknotte bovenkleppen
steekt van boven een zwart tepelachtig orgaan uit; de onderkleppen
naar het einde spits en aldaar met gele beharing; eijerbuis van
het ¢ glanzig zwart, niet volkomen zoo lang als de beide laatste
lijfsringen. Heupen grijs als de borstzijden; dijen en scheenen rood-
geel, doch door de digte witachtige beharing grauwachtig rood
schijnende; de voorzijde van al de dijen zwartachtig; tarsen pek-
zwart; de stekelachtige borstels der pooten allen zwart; bij het d ont-
breken deze aan de voordijen; ook de voethaken zwart, de voetballen
daarentegen bruingeel. Kolfjes bruingeel. Vleugels bijna zuiver glas-
achtig; bij het d is de tweede helft van den voorrand als zwart
gezoomd, omdat de subcostaal-ader zeer digt langs de randader loopt.
Beide sexen uit Argentina (Weyenbergh).
Bij een der mannelijke exemplaren is de grondkleur der beide
middelbanden donkerder, waardoor de bezooming weinig duidelijk is.
44. Proctacanthus brevistylatus n. sp.
Cinereus; antennis nigris, tenuibus; articulo tertio articulis primo
et secundo conjunctis longiori, stylo parvo munito; thorace lineis
duabus mediis nigris maculisque lateralibus fuscis; abdomine fusco-
maculato; pedibus rufis, femoribus nigrovittatis; tarsis fuscis; alis
hyalinis apud apicem laeviter brunnescentibus, costa (4) subdilatata.
d long. 19 mm.
Aschgrauw. Aangezigt bijna een derde der kopbreedte innemende,
witachtig; gezigtsbult tot twee derden der hoogte van het aangezigt
reikende; knevelbaard deels uit witte, deels uit gele borstelharen
bestaande; kinbaard en beharing van het achterhoofd wit; achter de
oogen een krans van zwarte borstels; de facetten aan de voorzijde der
oogen iets grooter dan de overige. Sprieten zwart, van slanken vorm ;
eerste lid cylindrisch, het tweede kort, het derde iets langer dan de
beide voorgaande te zamen; de eindborstel slechts een derde der
lengte van het laatste sprietenlid. Zuiger en palpen zwart. Thorax
van boven met twee duidelijke zwartbruine langsstrepen, die naar
voren eenigszins uiteenloopen; ter wederzijde nog een paar donkere
vlekken; van achteren op den thorax en op het schildje eene vaalgele
beharing, waartusschen eenige zwarte borstels staan ; vóór den vleugel-
wortel enkele grootere zwarte borstels; borstzijden met witte beharing.
Achterlijf cylindrisch, eenigszins platgedrukt; op elk der ringen eene
112 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
groote zwartbruine vlek; die van den vierden en vijfden ring duidelijker,
die van den zesden ring even duidelijk, maar kleiner; genitalien
glanzig blaauwzwart met gemengd gele en zwarte beharing; de
bovenkleppen een paar korte, kromme haken vormende, waartusschen
een behaard zwart tepeltje uitsteekt; van onderen nog een paar om-
gebogen, zwarte, aan ’t eind borstelig behaarde tepeltjes. Heupen
grijs als de borstzijden; de pooten verder roodgeel, de onderkant der
dijen en de voorkant der achterscheenen zwartachtig; tarsen zwart-
bruin; de voorheupen, de dijen van onderen en de binnenkant der
scheenen met digte en lange, witachtige beharing ; de stekelige borstels
der pooten zwart; zij ontbreken aan de voordijen; aan het eerste of
de beide eerste leden der tarsen van onderen eene glanzig geelroode
viltige beharing. Kolfjes geel. Vleugels glasachtig, aan de spits en
het laatste gedeelte van den achterrand met eenige geelbruine tint;
aderen zwart; de voorrand voorbij het midden een weinig verbreed.
Een enkel ¢ uit Argentina (Weyenbergh).
45. Eccritosia barbata Fabr.
Asilus barbatus, Fabr. Ent. syst. IV. 379. 12; id. Syst. Anil. 155. 7;
Wied. Dipt. ex. I. 187. 9; id. Auss. Zweifl. I. 439. 22; — Procta-
canthus barbatus, Macq. Dipt. ex. I. 2. 122. 4.
In mijne collectie bevinden zich een paar wijfjes zonder aanduiding
van vaderland (de soort behoort in Brazilie thuis).
46. Erax stylatus Fabr.
Asilus stylatus, Fabr Syst. ent. 795. 19; id. Ent. syst. IV. 384. 38;
Wied. Dipt. ex. I. 198. 30; id Auss. Zweifl. I. 462. 57. pl. 6. f. 6; —
Dasypogon stylatus, Fabr. Syst. Antl. 171. 31.
In ’s Rijks museum te Leiden bevinden zich twee wijfjes, het eene
van Rio de Janeiro (Bescke), het andere van Wisconsin (Thure
Kumlien).
47. Erax macularis Wied.
Asilus macularis, Wied. Dipt. ex. I. 193. 19; id. Auss. Zweifl. I.
447. 33; Macq. Dipt. ex. I. 2. 147. 32.
Een d en een 2 van Rio de Janeiro, benevens nog een 4 uit
Noord-Amerika in het museum te Leiden; een d van Suriname in
mijne collectie.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 113
48. Erax macrolabis Wied.
Asilus macrolabis, Wied. Auss. Zweifl. I. 458, 51.
Een 2 van Tenessee (Troost), benevens twee mannetjes uit Noord-
Amerika (afkomstig van de oude collectie van Raye) in ’s Rijks
museum te Leiden.
49. Erax auribarbis Wied.
Asilus auribarbis, Wied. Dipt. ex. I. 186. 8; id. Auss. Zweifl. I. 437. 19.
Twee mannetjes van Bahia in het museum te Leiden; in het eene
exemplaar is de vorkcel zonder het gewone terugloopend adertje.
50. Erax labidophorus Wied.
Asilus labidophorus, Wied. Auss. Zweifl. I. 459. 52; — Erax ead,
Macq. Dipt. ex. I. 2. 110. 7.
Een oud mannelijk exemplaar van Brazilie in het museum te Leiden.
51. Erax striola Fabr.
Dasypogon striola, Fabr. Syst. Antl. 172. 38; — Asilus striola, Wied.
Dipt. ex. 1. 199. 31; Auss. Zweifl. I. 464. 58; — Erax striola, E.
Lynch Arribalzaga, Asil. argent. sep. 51. 35; — Er. maculatus, Macq.
Dipt.! ex. 1.2: 111: pl: 966:
Twee wijfjes van Brazilie in het museum te Leiden.
52. Erax flavofasciatus Wied.
Asilus flavofaseiatus, Wied. Auss. Zweifl. I. 470. 68.
Een ¢ van Rio de Janeiro (Bescke) in het museum te Leiden.
53. Erax rufinus Wied.
Asilus rufinus, Wied. Zool. Mag. II. 47. 8; id. Auss. Zweifl. I.
441. 25; — Krax rufinus, Schin. Verh, zool. bot. Ges. Wien, XVII
(1867). 393. 84; v. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus. IV. 78. 7.
Een mannetje en twee wijfjes, uit Brazilie, in het Leidsch museum.
De kenmerken, door Wiedemann opgegeven, vind ik aan deze
exemplaren terug. De sprieten zijn bleek roodgeel; het eerste lid is
het langst, cylindervormig en van onderen over de geheele lengte,
van boven alleen aan ’t eind met zwarte borstels; het tweede lid is
kort, mede met zwarte borstels; het derde niet veel langer, priem-
vormig, met zwarte rugstreep en een zwarten eindborstel, die ten
8
114 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
minste zoo lang is als het tweede en derde sprietenlid te zamen. Het
aangezigt is niet breed en wordt van boven nog smaller. Van de
bruinachtige kleur in ’t midden van den achterrug, waarvan Wiedemann
spreekt, zie ik niets. De borstels op den thorax en aan de pooten
zijn allen zwart. De mediastinaal-cel is zwartbruin en vormt eene
donkere streep tegen den voorrand; de bovenarm der cubitaal-vork
is aan den wortel wel eenigszins hoekig omgebogen, maar mist bij al
mijne exemplaren het terugloopende adertje.
54. Erax pogonias Wied.
Asilus pogonias, Wied. Dipt. ex. 1. 198. 29; id. Auss. Zweifl. I.
460. 54; — Dasypogon barbatus, Fabr. Syst. Antl. 169. 22.
Een ¢ van Arizona (Neumögen) in het museum te Leiden.
De aangehaalde beschrijvingen passen beter dan eenige andere op
dit voorwerp.
55. Erax unicolor Bell.
Bellardi, Ditt. mess., II. 37. 3.
Van deze soort bevinden zich in het BER museum eenige
exemplaren van beide sexen, met het etiquet: Guanaxuato, E. Dugès.
De conservatie laat wel te wenschen over, doch is van dien aard,
dat ook de mannelijke exemplaren (Bellardi beschrijft alleen het 9)
zich met voldoende zekerheid laten determineren. Bellardi kon geen
melding maken van de sprieten; ongelukkig is ook aan al de boven-
bedoelde voorwerpen althans het derde sprietenlid afgebroken; de
beide eerste leden zijn zwart, het tweede met vele zwarte borstels
bezet. De kenmerken van het 2 zijn allen (met uitzondering van de
genitalien) ook op het & toepasselijk; de digte beharing en vooral de
lange manen op den hoog gewelfden, kielvormigen thorax zijn zeer
in ’t oogvallend. De vleugels van het ¢ zijn aan de tweede helft van
den voorrand verbreed; de randcel is geelbruin; de beide daaronder
gelegen cellen vertoonen een aantal dwarsplooijen. De mannelijke
genitalien zijn zeer groot, naar boven omgebogen, glanzig zwart; de
bovenste aanhangsels aan ’t einde stomp; de onderste, die iets korter
zijn, in eene spitse punt geëindigd en van onderen aan de basis
met een stevigen, krommen doorn; de beharing dezer deelen grooten-
deels zwart, aan ’t eind der bovenste aanhangsels blond.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 115
56. Erax senilis Wied.
Asilus senilis, Wied. Auss. Zweifl. I. 471. 70; Walk. List, II.
400; — Krax senilis, E. Lynch Arribalzaga, Asil. argent. sep.
47. 32.
Ik ontving drie mannetjes en vier wijfjes uit Argentina van Prof.
Weyenbergh. De uitvoerige beschrijving van den heer Lynch past
volkomen op deze vrouwelijke exemplaren; de mannetjes komen daar-
mede ook wel overeen, met uitzondering evenwel, dat zij geene
zwarte borstelharen van boven in den knevelbaard dragen en ook de
beharing der palpen niet zwart, maar witachtig is. Daar zij overigens
geene afwijking vertoonen, meen ik ze tot dezelfde soort te mogen
rekenen. De grootte der voorwerpen, zoowel van de eene als van de
andere sexe, loopt nog al uiteen en verschilt van 11 tot 16.5 mm.
57. Krax bilineatus n. sp.
Ex cinereo ochraceus; thorace lineis duabus fuseis, antice divergen-
tibus; antennarum articulis duobus primis flavis, articulo ultimo nigro ;
haustello palpisque nigris; femoribus nigricantibus, supra rufis; tibiis
rufis, posticis dimidio apicali nigro; tarsis nigris, anticorum articulis
basalibus rufis; alis flavescentibus. — 9 long. 10 mm.
Aangezigt witachtig, zonder bult, ongeveer een vierde der kop-
breedte innemende; knevelbaard geelachtig wit; zuiger en palpen
zwart, de laatsten met zwarte borstels; kinbaard en beharing van
het achterhoofd wit; borstelkrans achter de oogen geel. Sprieten slank ;
de beide eerste leden geel, het derde naauwelijks zoo lang als het
eerste, even als de eindborstel zwart. — Thorax, schildje en achterlijf
grijsachtig okergeel; op den thorax twee zwartbruine, naar voren uit
elkander wijkende en van achteren ineenloopende langsstrepen, waar-
nevens de kleur, althans in sommige rigtingen, tot het bruinachtige
neigt; de ruimte van voren tusschen de beide strepen blijft steeds
licht; borstzijden aschgrauw; geheel van achteren op den thorax en
in de zijden vóór den vleugelwortel staan eenige zwarte borstels; twee
dergelijke bevinden zich aan den achterrand van het schildje. Achterlijf
naar het einde gelijkmatig spits toeloopend; de buik zwartachtig; de
eijerbuis glanzig zwart, korter dan de laatste ring, bijna niet zamen-
gedrukt. Pooten roodgeel; de heupen aschgrauw; de dijen aan den
onder- en voorkant benevens hare geheele spits, ook de spits der
116 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
scheenen en der eerste tarsenleden zwartachtig; de laatste tarsenleden
geheel zwart of zwartbruin; aan de achterscheenen is de donkere
kleur tot ongeveer de halve lengte uitgebreid; de stekelige borstels
der pooten grootendeels zwart, slechts hier en daar een enkele van
bleekgele kleur. — Kolfjes geel. — Vleugels met geelachtige tint en
bruingele aderen; de randader daar waar de hulpader eindigt zwart;
de cubitaal-vork vrij breed, haar bovenarm sterk gebogen uit den
hoofdtak ontspruitende en aan de bogt met een zeer klein ader-
rudiment; middeldwarsader iets vóór het midden der schijfcel.
Een ¢ van Argentina (Weyenbergh).
Wegens het ader-rudiment aan de vorkcel meen ik dat deze kleine
doch fraaije soort niet beter dan in het geslacht Erax kan worden
geplaatst; zij wijkt echter van andere soorten af door de korte en
minder zamengedrukte eijerbuis en de niet hoekige maar afgeronde
ombuiging van den bovenarm der cubitaal-ader.
Erax flavidus Macq. (Dipt. ex. I. 2. 114. 15), — wel te onder-
scheiden van Asilus flavidus Wied. (Auss. Zweifl. I. 473. 74), die ook
tot het genus Erax behoort, — zou misschien in aanmerking kunnen
komen, ware het niet dat van deze de palpen geel worden genoemd.
Ik ontving van Prof. Weyenbergh nog een paar Argentijnsche Erax-
soorten, die ik niet weet te determineren, doch alleen wijfjes; ik
geloof daarom wel te doen met de beschrijving te wachten, tot ik
zoo gelukkig zal zijn ook de andere sexe te leeren kennen; voor E.
bilineatus heb ik te dien opzigte eene uitzondering gemaakt, omdat
deze bijzonder kenbaar is.
58. Mochtherus Truquii Bell.
Asilus Truquii, Bellardi, Ditt. mess. II. 52. 2.
Twee wijfjes van Guanaxuato (E. Dugès) in het Brusselsche museum.
De beschrijving, door Bellardi van het d gegeven, past zoo goed
op deze vrouwelijke exemplaren, dat de determinatie niet twijfelachtig
kan zijn. De eijerbuis is glanzig zwart, van ter zijde zamengedrukt,
de bovenklep aan ’teind met ronde lamellen, die met korte stekeltjes
bezet zijn.
59. Epithriptus albisetosus n. sp.
Cinereus; antennis nigris; facie, mystace barbaque albis; thorace
lineis duabus maculisque lateralibus fuseis; abdomine nigricante; seg-
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 117
mentorum limbo postico albido; pedibus rufis, femorum parte antica ,
tibiarum apice, tarsorum anteriorum articulis tribus ultimis tarsisque
posticis totis nigris; pedorum setulis albescentibus; alis flavidis. —
d 2 long. 13 mm.
Volgens Schiner’s analytische tabel der Asiliden-genera meen ik deze
soort tot het geslacht Epithriptus Löw te moeten brengen.
Aangezigt naar boven versmald, aan de onderste belft bultig ver-
heven, wit even als de knevelbaard en de beharing van kin en achter-
hoofd; tegen de kruin achter de oogen eene rij van zwarte borsteltjes.
Sprieten zwart; het eerste lid eylindrisch, met bleekgele beharing;
het tweede kort (het derde aan mijne beide exemplaren afgebroken) ;
zuiger en palpen zwart. Thorax en schildje aschgrauw; op den rug
van den thorax twee donkerbruine, van voren iets uiteenwijkende
langsbanden, en daarbuiten nog een paar donkere, niet scherp be-
grensde vlekken; achter op den thorax eenige zwarte borstels. —
Achterlijf zwartachtig, met lichtgrijzen achterrand der ringen; aan
de vier voorste ringen vóór de insnijdingen borsteltjes, waarvan die
in de zijden witachtig, die op den rug zwart zijn; mannelijke geni-
talien kolfachtig, omhoog gebogen; de bovenkleppen glanzig, aanvan-
kelijk zwartbruin met deels zwarte, deels geelachtige beharing, naar
het einde roestkleurig met bleekgele beharing; daartusschen steekt
een klein, behaard, zwart tepeltje uit; eijerbuis van het 9 glanzig
zwart, een weinig doch niet sterk zamengedrukt, ongeveer 200
lang als de beide laatste lijfsringen. — Pooten roodgeel; de heupen
aschgrauw; de dijen aan den voorkant zwart, wat bij het ¢ tot eene
zwarte veeg is beperkt; voorts de spits der scheenen, althans der
achterscheenen, de laatste leden der voorste tarsen, benevens de ge-
heele achtertarsen zwart of zwartbruin; beharing der pooten witachtig ,
vooral lang en digt aan de voorheupen; de stekelige borstels der
pooten bleekgeel, alleen sommigen aan de tarsen zwart. — Kolfjes
geel. — Vleugels met geelachtige tint en zwartbruine aderen; middel-
dwarsader iets voorbij het midden der schijfcel.
Een enkel paartje van Argentina (Weyenbergh).
Verwant schijnen te zijn Asilus (Epithriptus) niveibarbus en albospi-
nosus Bell. (Ditt. mess. II. 53. 4 en 54. 5), die echter beiden onder-
scheiden zijn door zwarte borstels boven in den knevelbaard; niveibarbus
bovendien door roodachtige vlekken in de borstzijden, dito zijden en
onderkant des achterlijfs, het geel bestoven schildje en eene zwarte
118 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
veeg aan de voorscheenen; albospinosus nog door de zwarte beharing
der beide eerste sprietleden, den gelen achterzoom der lijfsringen en
de donkerder pooten en vleugels.
THEREVIDAE.
Psilocephala nigra Say.
Thereva nigra, Say, Journ. ac. Phil. III. 40. 2; Wied. Auss. Zweifl.
I. 235. 12.
Een ¢ uit Mexico (Dugès) in het museum te Brussel.
LEPTIDAE.
1. Leptis plumbea Say.
L. plumbea, Say, Journ. ac. Phil. III. 39. 10; Wied. Auss. Zweifl.
I. 228. 15; — L. griseola, v. d. Wulp, Tijdschr. v. Entom. X. 142.
14. pl. 4 f. 5.
Een ¢ van Wisconsin (Thure Kumlien) in ’s Rijks museum te Leiden.
Bij nadere vergelijking van Wiedemann’s beschrijving, moet ik
erkennen, dat Löw juist heeft gezien, toen hij mijne soort met
L. plumbea identificeerde.
2. Leptis mystacea Macq.
Macq.) Dipt.vex AT 1.530245 pl3 bis £2;
Van Wisconsin (Thure Kumlien) in het Leidsche museum, van
Quebec (Provancher) in dat te Brussel.
3. Leptis hirta Low.
Löw, Dipt. Amer. Sept. Cent. I. 21.
Een d van Quebec (Provancher) in het Brusselsche museum.
4. Chrysopila quadrata Say.
Leptis quadrata, Say, Journ. ac. Phil. III. 35. 3; Wied. Auss. Zweifl.
I. 226. 11; — Leptis fumipennis, Say, l. c. 37. 7; Wied. I. c. I.
227. 12; Walk. List, 1.217; — Leptis reflera, Walk. List, 1.216; —
Chrysopila dispar, v. d. Wulp, Tijdschr. v. Ent. X. 143. 15 pl. 4
f. 6-11.
Een d van Quebec (Provancher) in het museum te Brussel; beide
sexen uit Wisconsin (Thure Kumlien) in dat te Leiden.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 119
5. Chrysopila apicalis n. sp.
Fusca; abdominis basi pedibusque testaceis; tarsorum articulis
ultimis obscuris; alis subhyalinis, ad apicem leniter infuscatis; stig-
mate nervisque fuscis; nervi cubitalis ramo superiori in medio cur-
vato. — d 9 long. 5.5—7 mm.
_ Het & zwartbruin, het 2 meer tabaksbruin. Kop, sprieten en pal-
pen zwartachtig; zuiger vuilgeel; voorhoofd van het 2 met eene
langsgroeve en boven de sprieten met een smal geelachtig dwarsbandje.
Sprieten zeer kort, het derde lid rondachtig, met langen eindborstel.
Bij het & de schouderknobbels, eene vlek binnenwaarts van den
vleugelwortel, de borstzijden, de zijden van den achterrug, de eerste
lijfsring en het begin van den buik bruingeel; bij het 9 is van deze
teekening weinig te zien, daarentegen op den thorax eene aanduiding
van drie breede donkere dwarsbanden; eijerbuis bruingeel. Pooten
bruingeel, het eind der tarsen zwartbruin. Kolfjes zwartbruin met
geelachtigen steel. Vleugels breed, zeer glanzig, bijna glashelder, aan
de spits een weinig verdonkerd; aderen zwartbruin; randvlek roet-
bruin; bovenarm der cubitaal-vork in ’t midden opgebogen, zoodat
de spitshelft der vorkcel merkelijk breeder is dan de wortelhelft ;
middeldwarsader digt bij den wortel der schijfcel; de bovenste der
uit deze cel ontspruitende langsaderen ver naar achteren gerukt.
Beide sexen van Guadeloupe (Delaunay) in het museum te Brussel.
De soort schijnt zeer verwant aan Chr. americana Schiner (Dipt.
Nov. Reise, 197. 4); ik kan haar echter niet als zoodanig bestemmen,
omdat Schiner niet spreekt van den gelen wortel des achterlijfs en
hij daarentegen de vleugels als bruingeel getint noemt; voorts heet
bij hem de bovenarm der vorkcel aan de basis hoekig omgebogen.
EMPIDAE.
Syneches simplex Walk.
S. simplex, Walk. Dipt. Saund. 165 pl. 5. f. 7; — S. punctipennis,
v. d. Wulp, Tijdschr. v. Entom. X. 139. 12. pl. 3. f. 18—21.
Een 2 van Wisconsin (Thure Kumlien) in ’s Rijks museum te Leiden.
Toen ik mijne S. punctipennis beschreef, was mij de aangehaalde
beschrijving van Walker en de daarbij gevoegde afbeelding van Prof.
Westwood nog onbekend.
120 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
DOLICHOPODAE.
1. Psilopus grisoprasius Walk.
Ps. chrysoprasi, Walk. List., III. 646; — Ps. chrysoprasius, Löw
Neue Beitr. VIII. 90; Mon. Dipt. N. Am. II 265. 10.
Eenige exemplaren van beide sexen, van Guadeloupe en Martinique
(Delaunay), in het museum te Brussel.
2. Psilopus equestris Fabr.
Musca equestris, Fabr. Syst. ent. 782. 50; id. Ent. syst. IV. 340.
119; — Dolichopus equestris, Fabr. Syst. Antl. 268. 7; — Psilopus
equestris, Wied. Auss. Zweifl. II. 214. 3.
Een paartje uit Argentina (Weyenbergh).
De juistheid der determinatie is verzekerd door den heer Mik, die
z00 goed was mijne exemplaren met Wiedemann’s typen in het Weener
museum te vergelijken.
3. Psilopus longisetosus n. sp.
Chalybeo-viridis nitidus, nigro-setulosus; abdomine nigro-fasciato; pedi-
bus testaceis, femoribus nigris; antennis nigris, seta apicali corpore lon-
giori; alis cinerascentibus, praeter umbram costalem dilute infuscatam ,
immaculatis; tegulis pallide setulosis; halteribus obscure testaceis. —
d long. 6 mm. — (PI. 10 fig. 7).
Glanzig metaalachtig groen, van boven meer tot het staalblaauwe
neigende. Kop meer breed dan hoog; voorhoofd staalblaauw; aange-
zigt metaalgroen, naar onderen sterk versmald, in ’t midden met eene
wit bestoven dwarsgroef; kinbaard geelachtig; op den schedel eenige
stevige zwarte borstels. Sprieten zwart; het tweede lid het grootste,
van onderen met borstels; het derde zeer klein, als ’t ware het wor-
tellid vormende van den zeer langen sprietborstel; deze naar boven
opgebogen, bijna anderhalfmaal ter lengte des ligchaams, aan de basis
dikker, doch langzamerhand verdunnende, aan het eind haarvormig.
Zuiger bruingeel; palpen zwart. Borstzijden met eenige aschgrauwe
bestuiving; achterlijf naar achteren versmald, met zwarten zoom
langs de insnijdingen. Op den thorax lange zwarte borstels; twee
dergelijke aan den achterrand van het schildje; ook het achterlijf
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 121
rondom met vele uitstaande donkere borstels. Hypopygium matig
groot, zwartbruin; de bovenste aanhangsels kort, naar het einde
verbreed; de onderste aanhangsels langer en smaller, aan ’t eind op-
gebogen en aan den wortel van onderen met een doornachtig , lang
behaard uitsteeksel. Pooten vuil roodgeel; heupen zwart met witten
weerschijn; dijen zwart, de voorste aan de spits bruingeel; achter-
scheenen en al de tarsen bruinachtig, de laatste tarsenleden zelfs
donkerbruin; onder aan de dijen eene vrij lange, blonde beharing.
Vleugelschubben met bleekgele borsteltjes; kolfjes geelbruin. Vleugels
groot, grijsachtig, sterk iriserend; tegen den voorrand, voorbij de
uitmonding der subeostaal-ader, eene lichtbruine schaduw, die zich
slechts tot de cubitaal-ader uitstrekt; aderen zwartbruin; de voor-
rand aan den wortel met korte borsteltjes bezet; uitmonding der
subcostaal-ader op de halve vleugellengte, die der radiaal-ader digt
bij de vleugelspits; cubitaal-ader gebogen; discoidaal-ader regthoekig
omgebogen en voorbij de ombuiging niet voortgezet; eerste achtercel
naauw geöpend; schijfdwarsader zacht geslingerd, op twee derden van
de eerste achtercel ingewricht.
Een d van Brazilie, in het museum te Brussel.
Te vergeefs heb ik naar eene beschrijving gezocht, die op deze
soort past. Volgens Löw (Mon. Dipt. N. Amer., II. 230) zouden al
de tropische soorten van het geslacht Psilopus zwarte borsteltjes aan
de vleugelschubben hebben; de bovenbeschreven soort, die zoo) wegens
de herkomst als wegens haar geheele maaksel onder de tropische
vormen moet worden gerekend, weerspreekt die stelling.
4, Argyra albicans Löw.
Löw, Neue Beitr. VIII. 45. 1; id. Monogr. Dipt. N. Amer. IL 125.
Een d uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel.
5. Neellus poliogaster Phil.
Hydatostega poliogastra, Phil. Verh. zool. bot. Ges. Wien, XV
(1865) 780 pl. 28 f. 52,
Een exemplaar uit Chile in mijne collectie; het stemt volkomen
met Philippi’s beschrijving en afbeelding overeen.
122 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
SYRPHIDAE.
1. Ceria barbipes Löw.
Löw, Neue Beiträge I. 19. 18.
Een 9 uit Argentina (Weyenbergh). Het komt tot in de minste
bijzonderheden met Löw’s beschrijving van het d overeen; alleen is
de lange beharing aan de binnenzijde der middenscheenen niet aanwezig.
2. Volucella obesa Fabr,
Syrphus obesus, Fabr. Syst. ent. 763. 5; Ent. syst. IV. 282. 15;
Syst. Antl. 227. 14; — Volucella obesa, Wied. Auss. Zweifl. 11. 199. 8;
Macq. Suit. à Buff. Dipt. I. 494. 5; Bigot, in R. de la Sagra, Hist.
phys. pol. et nat. de Vile de Cuba, 801; — Ornidia obesa, St. Farg.
et Serv. Encycl. meth. X. 786.
Deze over bijna geheel Zuid-Amerika verspreide en ook in tropisch
Azie en Afrika voorkomende soort is in schier alle collectien ver-
tegenwoordigd. In het Brusselsche museum vond ik exemplaren van
Mauritius (de Robillard), van Guadelonpe (Delaunay) en uit Brazilie
(de Lacerda); in ’s Rijks museum te Leiden en in mijne collectie
bevinden zich exemplaren van Brazilie, Suriname, Columbie en Caracas;
ik bezit een voorwerp, waarbij de vlek op de vleugels geheel ontbreekt.
3. Volucella scutellata Macq.
Macq. Dipt. ex. II. 2. 25. 9. pl. 6 f. 2; Blanch. bij Gay, Mist. fis.
y pol. de Chile, VII. 405. 1. pl. 4 f. 6; v. d. Wulp, Notes from the
Leyd. mus. IV. 79. 8.
Een d uit Chile in ’s Rijks museum te Leiden.
De uitdrukking van Macquart: „bord postérieur de l’écusson à six
petits tubercules terminés chacun par une soie” is minder juist: het
ziin geene borstels, maar inderdaad zes zwarte doorntjes, die aan
het grondstuk wratachtig verdikt en drie aan drie over den rand
verdeeld zijn. Door dit kenmerk nadert de soort tot het geslacht
Temnocera; het derde sprietenlid is echter van voren naauwelijks iets
ingedrukt. Bij dit exemplaar zijn de gele kanten van den thorax
bijna niet aanwezig en is de kleur der sprieten vrij donker bruingeel.
4. Volucella notata Big.
Bigot, Annales de la Soc. entom. de France, 5e ser. V. 475. 6.
Beide sexen, uit Argentina (Weyenbergh).
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 123
De beschrijving past geheel op deze voorwerpen. Het zeer lang-
werpige derde sprietenlid loopt naar het uiteinde vrij spits toe en is
aan de voorzijde eenigszins uitgebogen; de oogen zijn in beide sexen
duidelijk behaard. Bij het & is de beharing van den kop zoowel als
van het geheele ligchaam zeer digt en vrij lang; ook de pooten en
vooral de buitenzijde der achterscheenen hebben eene zeer digte,
uitstaande beharing. Bij het 2 is de kleur van het schildje niet
geelachtig, maar donker en metaalglanzend als de geheele thorax.
5. Temnocera spinigera Wied.
Volucella spinigera, Wied. Auss. Zweifl. Il. 197.5; — Temnocera id.
Macq. Dipt. ex. II. 2. 27. pl. 7. f. 1.
Drie mannetjes en drie wijfjes uit Argentina (Weyenbergh).
Wiedemann’s beschrijving is in de voornaamste punten op deze
exemplaren toepasselijk. Volgens hem zijn de zijden en de achterrand
van den thorax, even als het schildje „rein braun”; ik vind dit
zoo bij twee vrouwelijke voorwerpen; bij het derde wijfje zoowel als
bij de drie mannetjes is de thorax geheel donker, glanzig zwart met
iets metallieken gloed; het schildje is evenwel bij al de exemplaren
meer bruin, terwijl ook het achterlijf bij allen tot het bruine neigt.
De vleugelvlek is bij de drie mannetjes volkomen zooals Wiedemann
die beschrijft, doch bij de wijfjes is daarvan sleckts een spoor te
vinden, ’t zij in eene donkere bezooming der aderen daar ter plaatse,
waardoor de vlek in eenige kleinere vlekken is opgelost (2 exemplaren),
of wel (bij een exemplaar) in eene niet zwartbruine, maar licht
bruinroode vlek, die met de bruinachtige tint aan den vleugelwortel
is ineengesmolten.
De grootte mijner voorwerpen ioopt nog al uiteen; het grootste is
12.5 mm., het kleinste slechts 9 mm. lang (Wiedemann geeft 54 1.
= ongeveer 11.5 mm. aan). De oogen hebben in beide sexen eene
digte, maar korte, witachtige beharing. Het voorhoofd steekt bij het
4 merkelijk meer vooruit dan bij het 9; het aangezigt is bij beiden
onder het midden bultig verheven (zie Pl. 10 f. 8).
Het geslacht Temnocera werd in 1825 in de Encyclop. method.
(dl. X p. 786) opgerigt voor eene Syrphide uit China (T. violacea),
die zich onderscheidt door het derde sprietenlid, dat aan de voorzijde
in ’t midden is ingedrukt, en door het schildje, dat aan den achter-
124 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
rand met doorntjes is gewapend, doch welke soort overigens met
die van het geslacht Volucella overeenkomt.
Dezelfde kenmerken worden ook aangetroffen bij Volucella spinigera
Wied., die in Zuid-Amerika niet zeldzaam is en die ik eer nog als
type van het geslacht Temnocera zou willen beschouwen, omdat er
nog meer Zuid-Amerikaansche soorten zijn.
Wiedemann meende het nieuwe genus niet te kunnen aannemen;
hij laat het met Volucella vereenigd en beschrijft Temnocera violacea
onder den naam van Volucella mutata. Macquart daarentegen, die er
steeds op uit is om de generieke benamingen, door zijne landgenooten
ingevoerd, in stand te houden, neemt het geslacht Temnocera af-
zonderlijk op. In zijne Diptères exotiques legt hij een bijzonder gewigt
op den meer langwerpigen vorm van het derde sprietenlid (zie o. a.
zijne tabel der Syrphiden in het aangehaalde werk). Op zich zelf is
dit laatste kenmerk geheel onvoldoende, om het gesl. Temnocera van
de overige Volucella’s te onderscheiden, want onder de exotische
soorten der laatsten zijn er, die zelfs een veel langer derde sprieten-
lid bezitten dan de Temnocera-soorten; een voorbeeld daarvan levert
Volucella notata Big. (hiervoren onder n°. 4 behandeld); toch is deze
volstrekt geene Temmocera, want het derde sprietenlid is, in stede
van in ’t midden ingedeukt, integendeel aan de voorzijde een weinig
bol, en evenmin zijn er doornen aan het schildje te vinden.
Als men uitsluitend op de Europesche soorten van Volucellu acht
geeft, dan zou de generieke afscheiding van het geslacht Temmnocera
alleszins gewettigd zijn, want inderdaad, bij al de overeenkomst in
habitus, aderbeloop enz., vormen het langwerpige, uitgesneden
sprietenlid en het doornige schildje een zeer in ’t oogvallend onder-
scheid. Bij het onderzoek van sommige exotische voorwerpen blijkt
evenwel dat deze kenmerken geen scherpe afscheiding vormen. Zoo ken
ik eene soort (Volucella decorata Walk. , waarvan ik een exemplaar uit
Padang bezit), die bijzonder korte, maar toch ingedrukte sprieten
heeft, terwijl het schildje volstrekt ongedoornd is; zij bezit ook
geenszins den korten ineengedrongen vorm der Temnocera-soorten en
komt in habitus meer overeen met onze Volucella zonata; daarentegen
heeft Volucella scutellata Macq. uit Chile (zie hiervoren n°. 3) een
doornig schildje, maar geen ingedeukte sprieten.
Toch zou ik het geslacht Temnocera niet uit het systeem willen
verbannen, want bij het groote aantal exotische soorten van
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 125
Volucella blijft het altijd wenschelijk om eenige, die zich zoo bijzonder
onderscheiden, in een afzonderlijk genus op te nemen. Het best zal
zijn zich voor het geslacht Temnocera te houden aan de kenmerken,
oorspronkelijk in de Eneyel.. méth. opgegeven, met eenige wijziging
nogtans, die sedert door de kennis van verschillende exotische Volucella-
soorten noodig is geworden. Ik meen dat het genus op de volgende
wijze zou kunnen worden gekarakteriseerd :
Vrij groote Syrphiden van breeden, gedrongen eironden vorm.
Kop iets breeder dan de thorax; aangezigt gewelfd, weinig of
niet vooruitstekend, ver onder de oogen afdalende, soms bijna
kegelvormig verlengd. Oogen kort en digt behaard, althans bij 4.
Sprieten korter dan het gezigt; het derde lid langwerpig, in ’t midden
aan de voorzijde, somwijlen ook aan de achterzijde ingedeukt ; spriet-
borstel duidelijk gevederd. Schildje aan den achterrand met korte
borstelachtige doorntjes. Achterlijf gewelfd, eenkleurig d. i. zonder
vlekken of banden. Al het overige, ook het aderbeloop der vleugels,
als bij Volucella.
6. Temnocera recta n. sp.
Nigra submetallica; capite flavido; fronte non producto; epistomate
perpendieulare ; scutello et (in 9) thoracis limbis testaceis; alis praeter
punetum nigrum costalem immaculatis. — ¢¢ long. 9— 11 mm.
In den regel kleiner dan 7. spinigera en overigens van haar onder-
scheiden door ongevlekte vleugels, het niet vooruitstekende voorhoofd
en een regtstandig, niet bultig aangezigt (zie Pl. 10 f. 9).
Kop wasgeel, aangezigt met weinig in ’t oog vallende geelachtige
beharing; de digte beharing der oogen geelgrauw, in d langer, ook
langer dan bij spinigera d. Sprieten roestkleurig, nog niet tot de
halve gezigtslengte afdalende; het derde lid in ’t midden ingeknepen ,
aan het einde een weinig verdonkerd; sprietborstel zwartbruin, van
boven langer bevederd dan van onderen. Thorax en achterlijf glanzig
zwart, met metaalachtigen gloed; schildje doorschijnend bruingeel;
bij het 9 ook de zijden van den thorax zoo gekleurd; beharing van
den thorax en het schildje donkerbruin (4) of meer bruingeel (2);
achterlijf fijn gestippeld, met uiterst korte zwartachtige beharing.
Pooten zwart. Vleugels glasachtig, met uitzondering van een klein
zwartbruin stipvormig vlekje aan de uitmonding der hulpader, ge-
126 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
heel ongeteekend; aderen geelbruin; middeldwarsader donkerder; bij
het 9 de mediastinaal-cel met geelachtige tint.
Een enkel paartje uit Argentina (Weyenbergh).
7. Temnocera setigera O. Sack.
O. Sack. West. Dipt. 334.
Een gaaf g van Arizona in Noord-Amerika (Neumögen) in ’s Rijks
museum te Leiden.
Aan de zeer duidelijke beschrijving van Osten Sacken is niets toe
te voegen. De soort is zeer kenbaar aan het kegelvormig verlengde
aangezigt (PI. 10 fig. 10) en de langere, niet doornige borstels aan
den achterrand van het schildje.
8. Sericomvia lappona Linn.
Musca lappona, Linn. Faun. suec. 1794; — Syrphus lapponum ,
Fabr. Spec. ins. II, 422. 4; id. Ent. syst. IV. 2807; id. Syst. Antl.
226. 7;— Syrphus lappona, Fall. Syrph. 20.8; — Sericomyia lappona,
Latr. Gen. Crust. IV. 322; Meig. Syst. Beschr. III. 344. 3; Macq.
Suit. a Buffon, Dipt. I. 496. 3; Zett. Ins. lapp. 590. 2; id. Dipt.
Scand. II. 646. 4; Schiner, Faun. austr. I. 331.
Beide sexen uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel.
In den Catalogus der Noord-Amerikaansche Diptera van den Baron
Osten Sacken wordt deze soort niet anders vermeld dan met aan-
haling van Volucella lappona uit O. Fabrieius’ Fauna groenlandica ,
in de veronderstelling dat deze dezelfde is als Sericomyia lappona.
Dat zij in Canada voorkomt, kan nu als zeker worden aangenomen.
Genus Erıstarıs Latr.
Van dit geslacht zijn mij 13 Amerikaansche soorten bekend, die
zich op de volgende wijze laten onderscheiden :
a. Sprietborstel gevederd. . . . . . . . . b.
Sprietborstel naakt. 2... +... + vee ee 4.
b. De beide laatste achterlijfsringen zeer glanzig
koperkleurig . . . . 2 . . . . . + Bastardi Macq.
(N. Am.).
d.
h.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 127
De beide laatste achterlijfsringen, ofschoon
soms glanziger dan de voorgaande, niet
er eat
. Mondrand en het onderste gedeelte der wangen
ANO ei alle tha ae, ws ARIUS) Dow.
(N. Am.).
Mondrand en wangen door de geelgrauwe haar-
bekleeding of de bleekgele bestuiving geheel
BECEL een Oe ee” RR remain À I
(N. Am.).
Schildje geel of bruingeel, steeds ongevlekt . «
>
.
Schildje zwart of pekbruin, voor het minst
mee zwarte. zZijviekken: 27. it dae
. Haarbekleeding van den thorax eenkleurig. . /.
Haarbekleeding van den thorax lichte en don-
kere dwarsbanden vormende. . . . . . i.
se chleriijen: verdikt. +. vi. “a co a ln Ge
Achterdijen onverdikt. #2). Le urn. ele
. Pooten eenkleurig zwart, alleen met gele tarsen. pygolampus Wied.
(Brazilie).
Pooten zwart met gele knieén en wortel der
SCHESHERI u N Nene e er EEE. fon:
(N. Am.).
Op de metaalglanzende derde en vierde achter-
lijfsringen eene ronde fluweelzwarte midden-
WICKS es in anne alee ee arne en se demi den bus Wied.
(N. Am).
Op de fluweelzwarte derde en vierde achter-
lijfsringen een metaalglanzende, van voren
ingekeepte dwarsband . . . . . . . . bogotensis Macq.
(Z. Am).
. Pooten grootendeels roodgeel; de subcostaal-cel ,
cubitaal-cel en het eind der eerste achtercel
met grauwe kern . . è ar . . vinelorum F.
(N. en Z. Am.).
128 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
Pooten zwart, alleen met de uiterste knieén
en den wortel der voorste scheenen geel. . agrorum F.
(Z. Am.).
j. Ligehaam nagenoeg geheel onbehaard ; oogen
WHA POR IAN See pe ME. A UMICHIOn MAR:
(Guadeloupe).
Ligchaam behaard, even als de oogen . . . k.
k. Schildje geel met zwarte zijvlekken . . . quadraticornis Macq.
(Chile).
Schildje geheel zwart a sem vert ede Eu
I. Achterlijf met bruingele zijvlekken . . . . furcatus Wied.
(Z. Am.).
Achterlijf eenkleurig metaalachtig zwart . . aeneus Fabr.
(N. Am.).
9. Eristalis Bastardi Macq.
Er. Bastardi, Macq. Dipt. ex. II. 2. 35. 7. pl. 9 f. 1; — Er.
nebulosis, Walk. List, III. 616.
Eenige exemplaren uit de omstreken van Quebec (Provancher) in
het Brusselsche museum.
10. Eristalis hirtus Löw.
Er. hirtus, Löw, Dipt. Amer. sept. Cent. VI. 66; Ost. Sack. West.
Dipt. 335; — Er. temporalis, Thomson, Dipt. Eug. Resa, 490. 77.
Een paartje van Arizona (Neumögen) in het museum te Leiden.
11. Eristalis nemorum? Linn.
Musca nemorum, Linn. Faun. suec. 1761 ; — Eristalis nemorum, Meig,
Syst. Beschr. III. 394. 16; Schiner, Faun. austr. I. 336.
Een ¢ uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het Brus-
selsche museum aanwezig, kan ik tot geen der beschreven Noord-
Amerikaansche soorten brengen. Het gelijkt echter zoodanig op onze
inlandsche E. nemorum , dat ik geloof beter te doen het als zoodanig
zij ’t ook met twijfel, te bestemmen dan het als eene nieuwe soort
te beschrijven. Mijn twijfel wordt vooral veroorzaakt 1°. omdat het
kleiner is (slechts 9.5 mm.); 2°. omdat de sprieten en ook de spriet-
borstel zwart zijn; 3°. omdat de gele vlekken van het achterlijf
grooter zijn en zich ook over den derden ring uitstrekken.
AMERIKAANSCHE DIPTERÀ. 129
12. Fristalis pygolampus Wied.
Wied. Auss. Zweifl. II. 161. 12.
Een d van Brazilie (Bescke) in ’s Rijks museum te Leiden; nog
een tweede d aldaar, dat zich indertijd bevond onder Braziliaansche
insecten, afkomstig van wijlen van Eyndhoven.
13. Eristalis tenax L.
Musca tenax, Linn. Faun. suec. 1799; — Syrphus tenax, Fabr.
Ent. syst. IV. 288. 36; Fall. Syrph. 26. 17; Zett. Ins. lapp. 594. 7;
id. Dipt. scand. III. 661. 7; — Eristalis tenax, Fabr. Syst. Antl. 238.
24; Meig. Syst. Beschr. III 385. 4; Macq. Suit. à Buff. Dipt. I. 504.
11; Schin. Faun. austr. I. 334; — Musca porcina, de Geer, Ins. VI.
98. 1; — Conops vulgaris, Scop. Ent. carn. 354. 960.
Twee mannetjes uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het
museum te Brussel.
14. Eristalis dimidiatus Wied.
Er. dimidiatus, Wied. Auss. Zweifl. II. 180. 41; — Er. niger , Macq.
Suit. à Buff. Dipt. I. 505. 15; — Er. l’Herminieri, Macq. Dipt. ex.
II. 2. 55. 38; — Er. chalybeus, Macq. Dipt. ex. II. 2. 55. 39; —
Er. incisuralis, Macq. Dipt. ex. supp. 4. 139. 64; — Er. inflexus,
Walk. List, III. 617.
Een d uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het Brussel-
sche museum.
15. Eristalis bogotensis Macq.
Macq. Dipt. ex. II. 2. 52. 3; v. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus.
Ns 19S 9,
In het Leidsch museum bevindt zich een ¢ en ik zelf bezit beide
sexen van deze soort, allen uit de Argentijnsche republiek en door
Prof. Weyenbergh overgezonden.
Macquart kende alleen het 9; zijne beschrijving past op mijne
vrouwelijke voorwerpen, met uitzondering van een gering verschil
in de teekening des achterlijfs: de gele zijvlekken namelijk van
den tweeden ring gaan bij deze exemplaren niet op den derden
ring over, en de metallieke band van dezen laatsten is in 't midden
niet afgebroken, maar slechts van boven ingekeept. Bij het d is de
beharing der oogen, als gewoonlijk, langer, terwijl de gele zij vlekken
9
130 AMERIKAANSCHE DIPTERA. ~
van het achterlijf grooter zijn en zich werkelijk over den derden
ring uitstrekken.
16. Eristalis vinetorum Fabr.
Syrphus vinetorum, Fabr. Ent. syst. supp. 562. 27; — Eristalis vine-
torum, Fabr. Syst. Antl. 235. 13; Wied. Auss. Zweifl. IL. 163. 15;
Macq. Dipt. ex. II. 41. 16; Bigot, in R. de la Sagra, Hist. phys. pol.
et nat. de Vile de Cuba p. 803; — Er. trifasciatus, Say, Journ. ac.
Phil. VI. 165; — Er. warum, Walk. List, III. 623.
Eenige exemplaren van Brazilie in ’s Rijks museum te Leiden en
in mijne collectie; een ¢ van Nieuw-Orleans (Becker) en beide sexen
van Guadeloupe (Delaunay) in het museum te Brussel.
17. Eristalis agrorum Fabr.
Syrphus agrorum, Fabr. Ent. syst. IV. 285. 27; — Eristalis agrorum,
Fabr. Syst. Antl. 235. 12; Wied. Auss. Zweifl. II. 172. 28.
Een paartje van Guadeloupe (Delaunay) in het Brusselsche museum;
een d van Argentina (Weyenbergh) in mijne collectie.
18. Eristalis quadraticornis Macq.
E. quadraticornis, Macq. Dipt. ex. II. 2. 51. 31. pl. 20. f. 2; Blanch.
bij Gay, Hist. fis. y pol. de Chile, VII. 406. 2; v. d. Wulp, Notes
from the Leyd. mus. IV. 79. 10; — E. testaceiseutellatus, Macq. Dipt.
ex. supp. 4. 138. 61. pl. 13. f..2; Blanch. 1. c. 407. 3.
Twee mannetjes en drie wijfjes uit Chile, in ’s Rijks museum te
Leiden.
E. quadraticornis en testaceiscutellatus hebben eene in ’t oog vallende
overeenkomst; van de eerste is alleen het g, van de laatste alleen
het d bekend; in de exemplaren van het Leidsch museum vind ik
beiden alleen door dezelfde sexen vertegenwoordigd; dit alles in aan-
merking nemende, aarzel ik niet aan te nemen dat zij te zamen
slechts ééne soort uitmaken.
Door hare geringe grootte en den habitus heeft de soort eenige
overeenkomst met onze E. sepuleralis; zij onderscheidt zich echter
door het gele schildje, waaraan zich alleen zwarte zijvlekken be-
vinden; aan de achterpooten zijn de dijen vrij sterk gebogen en is
het eerste tarsenlid gezwollen.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 131
19. Eristalis furcatus Wied.
Wied. Zool. Mag. III. 51. 16; id. Auss. Zweifl. IL. 176. 34.
Een d van Argentina (Weyenbergh) breng ik tot deze soort, of-
schoon het schildje geheel zwart is en niet, zooals Wiedemann aan-
geeft, aan de spits lichter.
De soort behoort tot dezelfde groep als onze Er. geneus en sepuleralis.
Zeer verwant en misschien wel geheel dezelfde schijnt Er, femoratus
Macq. (Dipt. ex. II. 2. 40. 15).
20. Eristalis aeneus Fabr.
Syrphus aeneus, Fabr. Ent. syst. IV. 102. 88; Fall. Syrph. 28. 22;
Panz. Faun. germ. 82. 15; Zett. Dipt. scand. IIL 668. 14; — Conops
aeneus, Scop. Ent. carn. 365. 967; — Eristalis aeneus, Fabr. Syst.
Anti. 244. 57; Meig. Syst. Beschr. III. 384. 2; Macq. Suit. a Buff.
Dipt. I. 506. 16; — Eristalis cupreovittatus, Wied. Auss. Zweifl. II.
190. 54.
Een g uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel.
21. Eristalis unicolor n. sp.
Niger, subnudus, abdomine submetallico, scutello piceo ; epistomate
flavido-pollinoso, vitta media, margine oris genisque nigris; fronte
prominula, macula nigra nitida supra antennas; oculis nudis ; anten-
narum seta nuda, nigra; punctis humeralibus fulvis; tibiis tarsisque
ex rufo piceis; femoribus posticis paulo dilatatis; tibiis posticis cur-
vatis; alis rufescentibus; nervis longitudinalibus in alarum apice
fusco-limbatis. — 2 long. 15.5 mm. — (PI. 10 fig. 11—13).
Voorloopig breng ik deze soort, waarop ik geen der bestaande be-
schrijvingen kan toepassen, tot het geslacht Eristalis, omdat zij in
habitus, in den vorm van kop, sprieten en pooten, alsmede in het
aderbeloop daarmede overeenstemt. Door de geheel naakte oogen, het
ontbreken van alle langere beharing aan ligchaam en pooten, en het
gemis van gele teekening wijkt zij echter zoozeer af van de meeste
andere soorten, dat zij waarschijnlijk later wel tot het vormen van
een nieuw genus aanleiding zal geven. Veel overeenkomst is ook met
het geslacht Plagiocera Macq., maar de niet transversale vorm van
het derde sprietenlid verbiedt de rangschikking der soort in dat genus,
132 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
Voorhoofd matig breed, naar achteren een weinig versmald, zwart-
ruin, met korte beharing van dezelfde kleur; het eenigszins kegel-
vormig uitstekende gedeelte boven de sprieten glanzig zwart, fijn
gestippeld en bovendien gegroefd, onmiddellijk boven de sprieten roest-
kleurig; aangezigt slechts een weinig gewelfd, doch zonder vooruit-
stekenden knobbel, bleekgeel; een breede langsband, de mondrand en
de kinbakken glanzig zwart. Sprieten zwart of althans zwartbruin;
het derde lid eivormig, met naakten roodgelen borstel. Oogen naakt.
Thorax dofzwart, met uiterst korte zwarte beharing; alleen in de
zijden vóór den vleugelwortel een bosje van langere zwarte haren ;
de schouders een weinig roodachtig bestoven en daaronder, ter weder-
zijde van den prothorax, een eivormige roodgele knobbel; de borst-
zijden tusschen de voor- en middenheupen met eenige roodachtig
aschgrauwe bestuiving. Schildje pekbruin met flaauwen glans en
uiterst korte beharing. Achterlijf zwart, eenigszins blaauwachtig
metaalglanzend, met zeer korte, deels zwarte, deels roodbruine be-
haring; in de zijden van den eersten ring de zwarte beharing iets
langer; aan de laatste ringen roodachtige insnijdingen. Pooten zwart;
de scheenen en tarsen pekbruin, tot het roode neigende; de knieën
en de achtertarsen meer bepaaldelijk geelrood; op de heupen eene
witte bestuiving; achterdijen naauwelijks iets dikker dan de andere;
achterscheenen gebogen; de achterdijen hebben van boven op het
dikste gedeelte eene digte, korte, zwarte beharing en van onderen
eenige langere en fijne haren; overigens de pooten naakt. Vleugel-
schubben roodgeel, met eene franje van grove, schubachtige, zwarte
haren. Vleugels met roodgele tint, die aan den wortel en den voor-
rand krachtiger is; aderen roestkleurig; de langsaderen in de nabij-
heid der vleugelspits met bruinachtigen zoom.
Een 9 van Guadeloupe (Delaunay) in het museum te Brussel.
22. Helophilus similis Macq.
Macq. Dipt. ex. II. 2. 64. 7.
Twee mannetjes van Quebec (Provancher) in het Brusselsche museum.
Deze voorwerpen komen met Macquart’s vrij korte beschrijving
tamelijk wel overeen (o. a. is de beharing op het voorhoofd zwart),
terwijl geen der overige beschrijvingen van Noord-Amerikaansche
Helophilus-soorten daarop past. De band op den derden lijfsring is
evenwel weinig smaller dan die op den tweeden; is dit misschien een
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 133
sexueel verschil? (Macquart kende alleen het 9). Aan de midden-
pooten is het eind der dijen, even als de scheenen en tarsen, bij-
zonder dun.
23. Dolichogyna fasciata Macq.
Macq. Dipt. ex. II. 2. 66. 1. pl. 12 f. 1; Blanch. bij Gay, Hist.
fis. y pol. de Chile, VII. 408. 1. pl. 4 f. 8; Phil. Verh. zool. bot.
Ges. Wien, XV. 744; v. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus. IV
80. 11.
Een ¢ uit Chile, van Dr. Dohrn afkomstig, in ’s Rijks museum
te Leiden.
De aangehaalde afbeeldingen geven geen getrouwe voorstelling van
de soort; in beiden is de gele teekening van het achterlijf onjuist
weergegeven; de beschrijving van Macquart leert die teekening beter
kennen. In Macquart’s figuur zijn bovendien de vleugels, gelijk wij
van hem gewoon zijn, buiten alle evenredigheid groot. De afbeel-
ding van Blanchard is geheel onnatuurlijk; de breede kop met
uitpuilende oogen geeft daaraan een vreemd voorkomen; de gele
banden op den thorax ontbreken, en in het aderbeloop der vleugels
is de subcostaal-cel gesloten voorgesteld, terwijl zij bij het geslacht
Dolichogyna aan haar einde open is.
24. Sterphus antennalis Phil.
Philippi, Verh. zool. bot. Ges. Wien, XV (1865) 757. 1. pl.
If dla
Ik bezit van deze soort een d uit Chile.
Philippi’s uitvoerige beschrijving laat geen twijfel over aan de
identiteit; ik moet evenwel opmerken, dat bij mijn exemplaar de
voorhoofdsdriehoek en het aangezigt met eene oranjekleurige bestuiving
zijn bedekt, waardoor de metaalglans, in de beschrijving vermeld,
geheel onzigtbaar is; alleen aan de kinbakken komt die glans een
weinig te voorschijn. Bovendien zijn de vleugels niet zwart, maar
langs de aderen is een donkerbruine zoom, waardoor de vleugels
over ’t geheel een duister aanzien verkrijgen. —
25. Didea fuscipes Löw.
Löw, Dipt. Amer. sept. Cent. IV. 82.
Een 2 uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel.
134 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
26. Temnostoma alternans Löw.
Löw, Dipt. Amer. sept. Cent. V. 37.
Van deze fraaije soort bevinden zich een paar gave mannetjes uit
de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum te Brussel.
27. Catabomba Pyrastri Linn.
Musca Pyrastri, Linn. Faun. suec. 1817; Schrank, Faun. boica , II.
2431; id. Faun. austr. 907; — Syrphus Pyrastri, Fabr. Spec. ins.
II, 432. 58; id. Ent. syst. IV. 305. 102; Meig. Syst. Beschr. III.
303. 44; Macq. Suit. à Buff. Dipt. I. 536. 3; Schin. Faun. austr. I.
301; — Scaeva Pyrastri, Fabr. Syst. Antl. 249. 3; Fall Syrph. 39.
5; Zett. Dipt. scand. 11. 703. 5; — Syrphus transfugus, Fabr. Ent. syst.
IV. 306. 104; id. Syst. Antl. 250. 5; — Musca Rosae, de Geer, Ins.
VI. 108. 5. pl. 6 f. 14—21; — Syrphus affinis, Say, Journ. acai.
Phil. III. 93. 9; Wied. Auss. Zweifl. II. 117, 2.
Een 9 van Arizona (Neumögen) in het Leidsch museum.
Het genus Catabomba, door den Baron Osten Sacken (West. Dipt.
p. 325) voor deze en aanverwante soorten opgerigt, komt mij
volkomen gegrond voor.
28. Catabomba melanostoma Macq.
Syrphus melanostomus, Macq. Dipt. ex. 11. 2. 87. 2; Blanch. bij
Gay, Hist. fis. y pol. de Chile, VII. 410. 3; — Syrphus latefacies ,
Macq. Dipt. ex. supp. 4. 152. 48.
Een d van Chile (afkomstig van Dr. Dohrn) in het Leidsch museum.
Deze soort is zeer verwant aan de vorige; het voorhoofd is echter
meer uitstekend en sterker behaard.
29. Syrphus ochrostoma Zett.
Zett. Dipt. scand. VIII. 3133. 12—13; Schiner, Faun. austr. I. 310.
Twee mannetjes, waarvan het eene slecht is geconserveerd, uit de
omstreken van Quebec (Provancher) in het Brusselsche museum.
De aangehaalde beschrijvingen passen volkomen op deze voorwerpen ;
daarentegen vind ik onder de beschrijvingen van Noord-Amerikaansche
Syrphus-soorten geen enkele, die daaraan beantwoordt. Ik moet dus
aannemen, dat S. ochrostoma, die in het hooge noorden van Europa
woont en op de bergen in Duitschland en Oostenrijk weêrgevonden
wordt, ook in Canada voorkomt. Zij gelijkt zeer op onze S. Ribesü L.,
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 135
doch onderscheidt zich van deze o. a. door de geheel gele beharing
van het schildje.
30. Syrphus hortensis Phil.
Phil. Verh. zool. bot. Gesellsch. Wien, XV (1865). 746. 11.
Een d van Chile (afkomstig van Dr. Dohrn) in ’s Rijks museum
te Leiden.
31. Syrphus sexguttatus n. sp.
Thorace aenescente; limbo laterali scutelloque flavis; abdomine
angusto nigro, maculis sex flavis sublunulatis; capite pedibusque
flavis; antennis et femorum basi nigris; oculis pilosulis. — 4 9 long.
10.5—11.5 mm.-
Van slanke gestalte; achterlijf smal, doch niettemin in ’t midden
iets breeder dan naar het einde; oogen behaard. Kop geel; de mond-
rand en de gezigtsknobbel gebruind en glanzig, welke bruine kleur
bij het 2 eenigszins streepvormig naar boven wordt voortgezet; bij
die sexe ook de onderste rand der kinbakken zwart; voorhoofd
donkergrauw, met zwartbruine beharing; ter plaatse waar de sprieten
zijn ingewricht eene donkerbruine zeer glanzige dubbelvlek. Sprieten
zwart. Thorax metaalachtig zwartgroen, ter wederzijde met een
niet scherp afgescheiden gelen band, die boven den vleugelwortel
tot aan het schildje reikt; borstzijden grijs; beharing van den thorax
aschgrauw, op de gele zijbanden meer geelachtig; schildje wasgeel
met donkere beharing. Achterlijf glanzig zwart; op elk der tweede,
derde en vierde ringen twee gele vlekken, die den zijrand niet be-
reiken, aan den binnenkant afgerond en naar boven iets verbreed
zijn en daardoor eenigszins maanvormig worden; aan den vierden en
vijfden ring is een smalle gele achterzoom; aan den wortel des ach-
terlijfs ter wederzijde eene ruwe vaalgele beharing; buik bij het d
zwart met de zes gele vlekken van den rug doorschijnend, bij het 2
geel met zwarte insnijdingen. Pooten geel; heupen en wortel der dijen
zwart; de laatste tarsenleden zwartbruin. Vleugelschubben en kolfjes
geel, de eersten met gele franje. Vleugels glasachtig, met fijne zwart-
bruine aderen; mediastinaal-cel geel.
Een paartje uit Argentina (Weyenbergh).
Bovenstaande soort schijnt verwant aan S. sermaculatus Macq.
(Dipt. ex. supp. 4. 153. 49), doch daar worden de vlekken des ach-
terlijfs eirond (ovalaires) genoemd , en zouden de achterpooten zwart zijn.
136 AMERIKAANSCHE DIPTERÀ.
32. Syrphus calceolatus Macq.
Macq. Dipt. ex. II. 2. 91. 8 pl. 16 f. 1.; Blanch. bij Gay, Hist.
fis. y pol. de Chile, VII. 411. 6; v. d. Wulp, Notes from the Leyd.
mus. IV. 80. 12.
Beide sexen van Chile (Dohrn) in het Leidsch museum.
Door het kegelvormig vooruitstekende aangezigt vertoont deze soort
verwantschap tot de geslachten Melithreptus, Mesograpta en Allograpta,
doch wegens het achterlijf, dat breeder is dan de thorax, dient zij
hare plaats in het genus Syrphus te behouden.
Verklaring der afbeeldingen.
PI. 9. f. 1. Anthrax Halcyon Say (vleugel).
Be aie melasoma n. sp. id.
RR Minas Macq. id.
AL a hypoxantha Macq. id.
DA ES ditaenia Wied. id.
FREE leucocephala n. sp. id.
euh festiva Phil. id.
BIER Amasia Wied. id.
9. Argyramoeba Oedipus F. id.
10. A Pluto Wied. id.
11. Le imilans Schin. id.
12. Comptosia Landbecki Phil, id.
PI. 10. f. 1. Pleropeæus bicolor Macq. id.
2. Hypenetes asiliformis n. sp.
4 5 (spriet).
à 5 (vleugel).
Proctacanthus virginianus n. Sp.
n (vleugel).
n
Psilopus longisetosus n. sp.
Temnocera spinigera Wied. (kop).
. rs recla n. sp. id.
10. + setigera O. Sack. id.
11. Eristalis unicolor n. sp.
12. n » (kop van voren).
13. n A (kop van terzijde).
(WORDT VERVOLGD).
BIJDRAGE TOT DE KENNIS
DER
INLANDSCHE HALTICIDEN
DOOR
Mr. A. F. A. LEESBERG.
(Vervolg van deel XXIV, blz. 169).
(Hierbij Plaat 11).
Genus IV. CREPIDODERA Chevr.
Van zonnis (crepido) en déo7 (collum). '
Chevrolat, Dict. Univ. Hist. Nat. IV. 1844. p. 334.
Synoniem: Arrhenocela Foudr., Chalcoides Foudr., Hippuriphila
Foudr., Ochrosis Foudr., Epitrix Foudr.
Diagnose.
Thorax sulco postico transverso distineto. Sulcus utrinque fossula
abbreviatus. Elytra striato-punctata.
Dit geslacht onderscheidt zich vooral door den bouw van het
halsschild; daarop vertoont zich eene dwarsgroef, die ter weerszijde
begrensd is door eene verticale insnijding (zie fig. 1a en 2a). Verder
vertoonen de dekschilden regelmatige stippelrijen of stippellijnen !). De
sprieten zijn 1l-ledig, de festons meer of minder zichtbaar, de pooten
gewoon.
De ondergeslachten van Foudras zijn m. i. te recht door Gem-
minger en Harold in het ééne geslacht Crepidodera vereenigd,
1) Bij stippellijnen zijn behalve de stippels nog duidelijk lijnen te zien, waarin
de stippels als in groeven staan. Bij stippelrijen mist men die lijnen en zijn de
stippels zeer oppervlakkig.
9*
138 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
terwijl ik er tevens het geslacht Epilrix Foudr. bijvoeg, dat zich
alleen door behaarde dekschilden en eenigsins afwijkenden vorm der
voorhoofdsbuilen onderscheidt.
Tabel der soorten.
1: Dekschilden:.onbehaard - 1006029;
— Dekschilden behaard . . . . . . . 12.
2. Kleur niet metaalglanzig. . . . . . 3.
== Kleur metaalelanzie® sus ts yg En LT:
3. Voorhoofdskiel driehoekig afgeplat . . 4.
— Voorhoofdskiel rechtlijnig, niet afgeplat. 5.
4. Dwarsgroef op het halsschild zeer zwak ;
dekschilden lichtbruin met donkerbruinen
MAO . + « «© I. Salicariae Schr.
— Dwarsgroef op he halsschild duidelijk ;
dekschilden bleekgeel zonder donkerder
AA enne e er ule) En re SR
5. Blauwzwarte soort met rood halsschild. &.* rufipes Koch.
Rood bruine SOOT Len. eee 0.
6. Halsschild alleen op de basis der dwars-
groef bestippeld ; dekschilden verward be-
stippeld; grootere soort (3.5—5 mm.) . 3. transversa Marsh.
— Halsschild op de geheele dwarsgroef be-
stippeld; dekschilden met vrij regelmatige
stippellijnen; kleinere soort (3 mm.). . Æ. ferruginea Scop.
7. Dekschilden bronskleurig, aan het einde
geel gevlekt. . . . . «+ … . AL Modeeri L.
— Dekschilden aan het Dio niet gevlekt. 8.
8. Sprieten zwart of donkerbruin, aan de
IDASIN AGO asa va eee
— Sprieten geheel geel . . . . . 10;
9. De vijf eerste leden der sprieten en . 6. aurala Marsh.
— De vier eerste leden der sprieten geel . #. chloris Fondr.
10. Dekschilden met stippelrijen, blauw;
halsschild koperkleurig . . . . . . 8* nitidula Ol.
— Dekschilden met stippellijnen , een-
kleurig met het halsschild . . . . . 11.
1) Zie de noot op blz. 175 van deel XXIV.
INLANDSCHE HALTICIDEN. 139
11. Halsschild en dekschilden eenkleurig . ®. Helxines L.
— Halsschild en dekschilden met blauwen
of violetten zijrand. . . . . . . . 20. smaragdina Foudr.
12. Dwarsgroef op het halsschild duidelijk
begrensd, voor het schildje glad. . . 12. pubescens Koch.
— Dwarsgroef op het halsschild zwak be-
grensd, geheel gelijkmatig bestippeld . 13.* Atropae Foudr.
1. Crepidodera Salicariae Payk.
Payk. Faun. succ. II. p. 453; Kuts. IV. 140; Foudr. 304, 1;
All. 546; Abeille 183.
Grootte 1.8 mill.
Kort eivormig gewelfd, van boven geheel geelbruin, bij jonge
exemplaren Jichtgeel. Kop en halsschild fijn bestippeld, het laatste
van eene zeer zwakke dwarsgroef voorzien; dekschilden met fijne stip-
pellijnen, meestal aan den naad donkerder bruin gekleurd dan het
overige gedeelte; onderkant zwart.
Deze soort is de eenige in het genus Crepidodera , waarbij de dwars-
groef eenigzins aan het geslacht Haltica doet denken. De stippellijnen
geven echter dadelijk een scherp kenmerk.
Verbreid op Lythrum salicaria.
Gevangen in Nederland: Vorden 6 en Utr. 7, Gr.; Breda, 5, H.;
Middelburg 6, Ev.
2. * Crepidodera ventralis Il.
Ill. Mag. VI. 58, 3 en III. 34; Kuts. IV. 142; Foudr. 305. 2;
All. 548; Abeille 182.
Syn. Cr. abdominalis Kiist.
» Cr. nigriventris Bach.
Grootte 1.3 mill.
Eivormig, vrij gewelfd. Kop en halsschild zeer fijn bestippeld,
het laatste voorzien van eene duidelijke dwarsgroef, ter weerszijde
met eene verticale insnijding afgezet; bovenkant bleekgeel even als
de sprieten en pooten; dekschilden met stippellijnen; onderkant
zwart.
Leeft verbreid op Solanum Dulcamara.
Nog niet in Nederland gevonden, wel op de grenzen, o. a, te
Dusseldorf,
140 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
3. Crepidodera transversa Marsh.
Marsh. Ent. br. I. 203, 83.
Syn. Cr. exoleta; Koch, Ent. Hefte; Kuts. IV. 117; Foudr. 331.
8; All. 51. 5; Abeille 185.
Syn. Cr. impressa Dfts., Redt., Bach.
» Or. ferruginea Steph.
Grootte 3.5—5 mill.
Langwerpig ovaal, geheel geelbruin gekleurd. Halsschild in het
midden duidelijk bestippeld, op de dwarsgroef alleen aan de basis
van stippels voorzien; dekschilden verward bestippeld, de stippelrijen
hier en daar dubbele lijnen vormend.
Verbreid op distelsoorten, vooral op Cirsium canum en rivulare.
De vroeger als inlandsch opgegeven Cr. impressa F. is eene Zuid-
Europeesche soort, die zich voornamelijk van Cr. transversa onder-
scheidt door een onbestippeld halsschild.
4. Crepidodera ferruginea Ill.
Il. Mag. VI, 109. 32; Kuts. IV. 109; Foudr. 332, 9; All. 52. 26;
Abeille 186.
Syn. Cr. exoleta L. Fn. suec. II. 531; Fabr.; Oliv.; Ent. Hefle.
n Cr. flava L. Fn. suec. I. 535.
Var. (sec. Allard) Cr. marginicollis Küst.
Grootte 2.5—3 mill.
Eivormig, geheel geelbruin gekleurd. Halsschild zeer onduidelijk
bestippeld; dekschilden vrij regelmatig van stippellijnen voorzien.
Deze soort onderscheidt zich van de vorige voornamelijk door het
zwak bestippelde halsschild en de regelmatige stippellijnen op de
dekschilden; zij is ook meer gewelfd.
Gemeen op distelsoorten. Overal in Nederland.
3 * Crepidodera rufipes L.
Linn. Syst. Nat. ed. II 595, 65; Foudr. 323. 1; All. 55, 9;
Abeille 187; Kuts. IV. 72.
Syn. Cr. ruficornis Marsh., Fabr., Panz.
Grootte 2.5—3 mill.
Langwerpig, gewelfd, zwart; kop, halsschild, sprieten en pooten
rood, dekschilden blauwzwart; duidelijk van stippelrijen voorzien ,
tusschenruimten der stippelrijen met eene fijne rij kleinere stippel».
INLANDSCHE HALTICIDEN. 141
Verbreid in Europa op Orobus vernus, Vicia sepium en Malva sylvestris.
Nog niet in Nederland waargenomen.
6. Crepidodera aurata Marsh.
Marsh. Ent. brit. 1802. p. 195; Foudr. 317, 3; All. Abeille 196. —
(Pl. 11. fig. 1 en 1a).
Syn. Cr. versicolor Kuts. IV. 77; All. 1861. 34; — Cr. nitidula
Fourer. Ent. I. p. 100; — Cr. pulchella Steph. Ill. brit. V. p.
423; — Cr. Helwines var. a. Koch, Ent. Heft. UI. p. 15.
Grootte 2—3 mill.
Eivormig, vrij sterk gewelfd. Kop en halsschild koperkleurig, soms
geheel groen goudkleurig; dekschilden groen of violet metaalglanzend ; 5
eerste sprietenleden roodgeel , overige leden zwart of donkerbruin ; pooten
behalve de zwarte achterdijen roodgeel. De kleur van kop en hals-
schild is altijd sterker metaalglanzend dan die der dekschilden. Kop
en halsschild sterk bestippeld, de dwarsgroef op het halsschild door
eene rechtlijnige loodrechte insnijding afgezet; dekschilden met regel-
matige stippellijnen; tusschenruimten bijna onbestippeld; onderkant
zwart.
Deze soort, vroeger met de volgende Cr. chloris, smaragdina en
_ Helxines verward, onderscheidt zich voornamelijk door de verschillende
tint van het kopergroen of violet op halschild en dekschilden, door
de 5 eerste gele sprietenleden en de verticale insnijding op het
halsschild.
De meeste in Nederland voorkomende Aurala’s hebben kop en hals-
schild koperkleurig, dekschilden metaalgroen. De violette var. is
zeldzaam.
Gemeen op wilgen en populieren.
#. Crepidodera chloris Foudr.
Foudr. 318. 4; All. 311; Abeille 196.
Syn. Cr. Helxines Panz. Faun. germ. 21, 6.
Grootte 2—3 mill.
Meer langwerpig dan de voorgaande; de 4 eerste sprietenleden geel,
de overige zwart; kop, halsschild en dekschilden eenkleurig groen
of blauw metaalglanzend. Halsschild sterk bestippeld, dekschilden met
regelmatige stippellijnen, tusschenruimten bijna glad. Pooten behalve
142 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
de achterdijen geel. Onderkant zwart. Onderscheidt zich van de vorige
door gelijke kleur op halsschild en dekschilden, en van Cr. smarag-
dina door de kleur der sprieten.
Gemeen op wilgen.
8. * Crepidodera nitidula L.
Linn. Syst. Nat. ed. II. 594. 60; Kuts. IV. 75; Foudr. 314. 1; All.
62. 16; Abeille 194.
Grootte 3 mill.
Kop en halsschild groen koperkleurig; dekschilden blauw; sprieten
geel, de laatste leden donkerder; pooten behalve de bronskleurige
achterdijen geel. Kop en halsschild fijn bestippeld ; dekschilden met
fijne stippelrijen, die nabij den naad eenigszins verward zijn. Onder-
kant zwart.
Deze fraaie soort, dadelijk te herkennen aan de fijne bestippeling ,
leeft op populieren en wilgen in geheel Duitschland en Zweden,
maar is in Nederland nog niet waargenomen.
9. Crepidodera Helxines L.
Linn. Syst. Nat. ed. II, 594. 58; Foudr, 316. 2; All. 1861. 310;
Abeille 195; Kuts. IV. 112. — (PI. 11. fig. 2 en 2a).
Syn. Cr. fulvicornis All. 64. 18.
Var. Cr. cyanea Marsh. Ent. brit. p. 196.
Var. Cr. metallica Dufts. Faun. austr. II. p. 273.
Grootte 2—3 mill.
Deze soort onderscheidt zich van al de vorige door den meer ovalen,
sterker gewelfden vorm. Kleur zeer verschillend, nu eens geheel koper-
kleurig, dan weder helderblauw (var. cyanea) of groen bronskleurig.
Sprieten en pooten behalve de zwart gevlekte achterdijen geel. Hals-
schild sterk bestippeld (bij -sommige varieteiten zwakker); verticale
groef niet loodrecht maar eenigszins schuin geplaatst; dekschilden
regelmatig met stippellijnen; tusschenruimten glad. Onderkant zwart.
Deze soort, vroeger hier te lande verward met C. aurala en chloris,
is dadelijk aan den sterker gewelfden vorm te onderkennen en onder-
scheidt zich vooral van de beide genoemde door dezelfde kleur op
halsschild en dekschilden, hetzij groen, koperkleurig of blauw , terwijl
die bij de beide voorgaande op halsschild en dekschilden verschillend
_ INLANDSCHE HALTICIDEN. 143
is; bovendien door de eenigszins scheef geplaatste verticale groef en
de geheel gele sprieten; van Cr. smaragdina door den blauwen of
violetten rand, die deze soort steeds ter zijde van halsschild en dek-
schilden heeft.
De var. metallica Dfts., door Gemminger en Harold m. i. ten onrechte
voor eene afzonderlijke soort gehouden, onderscheidt zich alleen door
de kleur, die geheel metallisch koper is. Duftschmidt vermeldt echter
bij de varieteiten ook de blauwe met den naam Cr. cyanea Marsh.
Zeldzaam in Nederland. Leeft op wilgen. Ik zag exemplaren van
Smit, Amsterdam of Friesland? (Swierstra); Maastricht ‚ Maur. en
Veth; Nijmegen, Ter Haar. De var. metallica bij Maastricht, Veth
en Maur. De var. cyanea schijnt hier nog niet waargenomen.
Deze soort heeft in hare varieteiten een aantal namen, die ik kort-
heidshalve weglaat. De belangstellende vindt die bij Gemm. en Har.
Le. p. 3484 en 3485.
10. Crepidodera smaragdina Foudr.
Foudr. 319. 5; All. 1861. 311; Abeille 197.
Grootte 2—2.5 mill.
Kleiner en minder gewelfd dan de vorige soort; kleur groen of koper-
bronskleurig; zijrand van halsschild en dekschilden steeds blauw of
violet. Sprieten en pooten geheel geel, soms de achterdijen met eene
zwarte vlek. Halsschild grof bestippeld; dekschilden met regelmatige
stippellijnen, tusschenruimten gewelfd, bijna glad, Onderkant zwart.
Dadelijk te herkennen aan de blauwe of violette kleur van den zijrand.
Ik zag van deze soort eene varieteit, afkomstig uit Engeland (in
het museum van Nat. Hist. te Brussel), merkwaardig door geheel
zwarte pooten en sprieten, waarschijnlijk door melanisme.
Leeft op abeelen (All.). Zeldzaam, in Nederland gevangen : Ellecom,
7, Hait.; Breda, 7, H.; Vorden, 6, Gr.; in Holland, Sn.; Nuth, 7, M.
XL. Crepidodera Modeeri L.
Linn. Syst. Nat. ed. II. 594. 57; Kuts. IV. 139; Foudr. 306. 1;
All. 64. 19; Abeille 198.
Grootte 2 mill.
Deze soort onderscheidt zich van al de voorgaande door de kleur
der dekschilden , die voor het grootste gedeelte donker bronskleurig
144 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
en op het laatste derde gedeelte geel of geelbruin zijn. Sprieten basis
en pooten, behalve de achterdijen, geel. Halsschild zwak bestippeld ;
dekschilden met vrij sterke stippellijnen, die in het laatste derde ge-
deelte verdwijnen.
Leeft op Equisetum arvense,
Verbreid in Nederland.
12. Crepidodera pubescens Koch.
Koch, Ent. Hefte, IL p. 37 et 58; Kuts. IV. 114; Foudr. 310.
1; All. 65. 20; Abeille 198.
Grootte 2 mill.
Deze en de volgende soort onderscheiden zich van alle overige van
het geslacht Crepidodera door de behaarde dekschilden. Ovaal. Sprieten
en pooten, behalve de zwarte achterdijen, geel. Halsschild sterk be-
stippeld; vóór het schildje eene onbestippelde ruimte; dwarsgroet
zeer duidelijk; dekschilden met sterke stippellijnen; tusschenruimten
bestippeld.
Soms zijn de dekschilden aan het uiteinde rood gekleurd (volgens
Allard ook kop en halsschild gedeeltelijk roodbruin).
Leeft op Solanum Dulcamara.
Niet zeldzaam in Nederland.
De var. met rood uiteinde der dekschilden is mij bekend uit den
Haag, Ev. en Leesb.
13. * Crepidodera Atropae Foudr.
Foudr. 311. 3; All. 67. 21; Abeille 199; Kuts. IV. 116.
Grootte 1.8—2 mill.
Kleiner dan de vorige soort, en daarvan onderscheiden door het
halsschild, dat ook vóór het schildje gelijkmatig bestippeld is, en
de donkerbruine kleur der dekschilden aan het uiteinde in roodbruin
overgaande. De indruk op het halsschild is ook veel zwakker dan
bij ©. pubescens.
Of deze soort en Cr. intermedia Foudr., die in Frankrijk voor-
komt, werkelijk als soorten van Cr. pubescens te scheiden zijn, durf
ik alsnog niet te beslissen.
Leeft op Hyoscyamus niger en Atropa Belladona.
Nog niet in Nederland waargenomen.
INLANDSCHE NALTICIDEN. 145
Genus VII. HERMZEOPHAGA Foudr.
Van ‘Eguaio; (mercurialis) en gaya (edo).
Foudr. l. ec. p. 299.
Syn. Linozosta All. 72.
Diagnose.
Thorax sulco postico transverso distincto. Suleus utrinque fossula
abbreviatus. Elytra vage-punctata aut laevigata.
Dit geslacht onderscheidt zich van het genus Crepidodera door de
verward bestippelde dekschilden, terwijl bij ‚Crepidodera de dekschilden
regelmatige stippelrijen of lijnen vertegenwoordigen. Voor het overige
is het aan dat geslacht geheel gelijk.
De eenige soort, die wij zouden kunnen bezitten, maar hier te
lande nog niet werd gevonden, is
* Hermaophaga Mercurialis F.
Fabr. Ent. syst.-I. 2. p. 33; Kuts. IV. 67; Foudr. 301. 2; All.
72. 26; Abeille 207. — (PI. 11, fig. 3).
Grootte 2—2! mill.
Zeer gewelfd, geheel donkerblauw, sprieten zwak behaard, basis
der sprieten en tarsen bruingeel. Halsschild en dekschilden zeer fijn
bestippeld, zonder spoor van lijnen of rijen.
Leeft in geheel Noord- en Midden-Europa op Mereurialis perennis.
Genus VIII. HALTICA Geofir.
Van @Arızos (saltitans).
Geoffroy, Hist. Ins. I. 1762. p. 244.
Syn. Altica Geofir. en Graptodera Chevrol.
Diagnose.
Carina linearis, rarius depressa; encarpis variis, distinetis. Thorax
transversim sulcatus vel impressus, suleus margines laterales attingit.
Elytra confuse punctata vel punetulata.
Dit geslacht kenmerkt zich door den bouw van het halsschild.
Sprieten elfledig; festons zeer duidelijk; kiel scherp of afgeplat.
Halsschild voorzien van eene dwarsgroef, die tot aan den zijrand
doorloopt, zonder verticale insnijding. Dekschilden verward bestippeld ,
pooten en sprieten gewoon.
10
146 BIJDRAGE TO DE KENNIS DER
Tabel der soorten.
1. Dekschilden ter weerszijde voorzien van
eene plooi of riggel. (Pl. 11, fig. 40) . 4. Quercetorum Foudr.
— Dekschilden zonder plooi of riggel. . . 2.
2. Dekschilden mat, zonder zichtbare be-
stippeling > . . . . +. +2. Tamaricis Schr.
— Dekschilden duidelijk bas la NOT hia, cao
3. Dekschilden naar het einde verbreed ,
niet sterk gewelfd; bestippeling nimmer
in rijen; kiel meestal scherp . . . . 4.
— Dekschilden overal even breed, sterk ge-
welfd; bestippeling gedeeltelijk in rijen ;
kiel bijna altijd tusschen de festons af-
ERA ai as ALS va on N (pet eke a Glen woens
4. Kleur groen of ENEN voorhoofds-
builen driehoekig, meer of minder af-
gerond: halsschild ter weerszijde met
duidelijke stippels . . . . 2.2.2.4 ampelophaga Guer.
— Kleur donkerblauw, violet of donker
groenblauw ; voorhoofdsbuilen ovaal;
halsschild zeer zwak bestippeld . . . & Lythri Aubé.
1. Haltica Quercetorum Foudr.
Foudr. Mon. p. 293. 4. — (PL. 11, fig. 4 en 44).
Syn. H. Erucae Oliv. Ent, VI. p. 705-t. 4.77643, All. 76-29;
Abeille 211; Kuts. IV. 14.
Grootte 4—4.5 mill.
Langwerpig, ovaal, glanzend groen, sprieten en pooten bruinzwart.
Halsschild zeer fijn-, dekschilden fijn verward bestippeld. De dek-
schilden hebben ter weerszijde nabij den zijrand eene verheven plooi
of riggel, die nu eens zoo lang is als de dekschilden zelven, dan
weder tot een derde dier lengte beperkt is; deze riggel is altijd op
het laatste derde gedeelte der dekschilden het best te zien. Voor-
hoofdskiel tusschen de festons scherp, niet afgeplat.
Gemeen en soms schadelijk op jong eikenplantsoen, ook in Nederland.
De larve is beschreven door Bouché Ste/t. Ent. Zeit. 1347. p. 165.
Zij leeft op eikenbladeren en verpopt zich in den grond.
INLANDSCHE HALTICIDEN. 147
2. Haltica Tamaricis Schr.
Schrank, Fuessl. Neu. Mag. II. 1785. p. 318.
Syn. Il. articulata Beck.
» IH. azurea Knoch.
» 4. consobrina Dfts.; Kuts. IV. 11.
» H. oleracea var. e. Gyll.
» H. Erucae F.
» HI. Hippophaës Aubé; All. 81. 33; Abeille 216; Foudr. 290, 1.
Grootte 3.5—4.5 mill.
Meestal geheel effen blauw, zelden met eene groene tint; in vorm
veel gelijkend op een klein exemplaar van Agelastica Alni (het Elzen-
haantje). Sprieten en pooten zwart. Voorhoofdskiel afgeplat tusschen
de voorhoofdsbuilen. Halsschild en dekschilden mat, bijna geheel on-
bestippeld. Soms ziet men met eene scherpe loupe enkele puntjes.
Leeft op Hippophaö Rhamnoides L. en op Tamaria germanica Is,
vooral in Augustus en September.
De larve is beschreven door Foudras |. c. Deze soort onderscheidt
zich dadelijk door de bijna onbestippelde dekschilden van alle ver-
wante.
Gevangen in Nederland: Breda, H.; Rott. Sn.; Maastr. M. ; Ellecom,
6, Hait.; Den Haag, Leesb.
3. Haltica oleracea L.
Linn. Syst. Nat. ed. X. p. 372.: Foudr. 297. 7; Kuts. IV. 16;
All. 84. 37; Abeille 218.
Syn. H, Helxines Fourer.
Var. I. H. basalis All.
Syn. Carduorum Guér. All. Abeille 215.
» Sicula All. Ann. Fr. 1859. p. 167.
n Il. H. pusilla Dfts. Faun. austr. III. p. 253; All. Abeille 219,
Syn. consobrina Thoms.
» Potentille All. 1859. p. 167.
n cognata Kuts. IV. 17.
» montana Foudr. 295. 5.
» II. H. Helianthemi All. 166; Abeille 217.
Grootte 3—3.5 mill.
Men ziet uit de aangehaalde litteratunr, welke varieteiten deze soort
148 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
bezit. Het is mij dan ook niet mogen gelukken, de als soorten be-
schouwde H. pusilla Dfts. en H. Helianthemi All. door blijvende
kenmerken van den type aftezonderen. Ik voeg ze daarom onder ééne
soort bijeen. Hoe sterk zij varieert kan men zien bij Foudras 1. c.,
die 8 varieteiten aangeeft.
Deze soort is veel sterker gewelfd en veel smaller dan de overige
van dit geslacht. De kleur varieert van blauw, donker blauwgroen
tot bronsgroen en koperkleurig. Voorhoofdskiel meestal afgeplat, soms
bij de var. pusilla (maar niet constant) scherp. Sprieten en pooten
zwart. Bestippeling zeer verschillend, meestal duidelijk op het hals-
schild en zeer sterk op de dekschilden, bij de varieteiten, vooral bij
pusilla fijn, maar altijd gedeeltelijk in rijen op de dekschilden. De
var. H. Helianthemi is steeds blauw even als de eerste var. HM.
Carduorum.
De larve, door Chapuis en Candèze (Mem. Liege VIII. 1853. p. 607)
beschreven, leeft op struiken en verschillende planten, o. a. op Poly-
gonum aviculare L.
Kweeking met verschillend voedsel zal waarschijnlijk de varieteiten
opleveren.
Gemeen in Nederland, ook de var. pusilla; de var. Helianthemi
alleen uit Bunde, M.
4. Haltica ampelophaga Guer.
Guérin, Rev. Zool. 1858 p. 415; All. 78. 31; Abeille 213.
Syn. H. consobrina Foudr. 291. 2.
Grootte 3.5—4.5 mill.
Meestal helder bronsgroen, zelden blauwgroen, in kleur veel ge-
lijkend op H. Quercetorum. Sprieten en pooten zwart; voorhoofdskiel
zeer scherp; festons driehoekig, de punt naar voren soms een weinig
afgerond. Halsschild glad, maar ter weerszijde tegen den zijrand met
eenige duidelijke stippels; dekschilden duidelijk verward bestippeld.
Deze soort onderscheidt zich van H. Quercetorum door het gemis
van plooi of riggel; van H. Lylhri door den vorm der festons, de kleur
(die nimmer donkerblauw of violet wordt) en de bestippeling van het
halsschild.
De larve is beschreven door Guérin 1e.
Leeft volgens Foudras op den wijnstok en sommige moerasplanten.
In Nederland gevangen: Wolfheze, 7, Sn.; Ginneken, v. V.; Ber-
INDANDSCHE IHALTICIDEN. 149
gen 0/Z. 6, Ev.; Arnh. Sn.; Rott. Veth.; Haag, Ev. en Hait. Schijnt
intusschen zeldzaam te zijn, zoodat, met uitzondering van de eerste
vinplaats die ik kon verifieeren, ik voor de juistheid der determinatie
niet kan instaan.
5. Haltica Lythri Aube.
Aubé, Ann. Fr. 1843. p. 8.; All Abeille 214.; Mon. 79. 32. 9;
Foudr. 292. 3.
Syn. H. consobrina All. 81. en Epilobii All. 1859. p. 167.
Grootte 3—4.5 mill.
Meestal donkerblauw, soms geheel violet, zeer zelden blauwgroen.
Sprieten en pooten zwart. Voorhoofdskiel scherp; festons ovaal. Hals-
schild en dekschilden duidelijk bestippeld, de laatsten soms met eenige
rimpels tusschen de stippels. Het 4 is doorgaans veel kleiner.
Onderscheidt zich door de aangehaalde kenmerken van de vorige soort.
De larve is beschreven door Foudras |. e.
Leeft op Epilobium-soorten en Lythrum salicaria.
Verbreid in Nederland.
Genus IX. PODAGRICA Foudr.
Van Modaygıxos (podagricus).
Foudr. p. 337.
Diagnose.
Carina nulla, encarpis variis. Thorax utrinque breviter suleatus,
suleus marginem posteriorem attingit. Elytra lineato-punctata, lineis
irregularibus.
Dit geslacht onderscheidt zich van de voorgaande door het gemis eener
dwarsgroef op het halsschild: alleen eene korte verticale insnij-
ding is overgebleven. Van het volgende geslacht, dat hetzelfde ken-
merk bezit, onderscheidt het zich door den ovalen vorm, terwijl het
genus Balanomorpha, gelijk de naam aanduidt, veel meer den vorm
eens eikels heeft, derhalve veel meer eylindervormig is. Sprieten elfledig ,
gewoon; kop zonder kiel, met of zonder festons; halsschild met eene
verticale insnijding ter weerszijde. Dekschilden met stippelrijen of
verward bestippeld. Pooten gewoon; achterschenen in twee korte
Icbben verdeeld.
Volgens Foudras zijn de soorten van dit genus de slechtste springers
der geheele groep, van daar de naam , Podagricus” (stram).
150 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
Slechts 2 soorten zijn in Nederland gevonden, en het is niet waar-
schijnlijk dat wij er meer zullen bezitten, daar zij tot de fauna van
zuidelijk Europa behooren.
Tabel der soorten.
1. Dekschilden gedeeltelijk met duidelijke stip-
pelrijen; bronsgroen, pooten zwart . . . . 4. fuscipes F.
— Dekschilden geheel verward bestippeld; blauw,
posten woods”. lune me LR MN Oa
1. Podagrica fuscipes F.
Fabr. Syst. Ent. 1775 p. 114.; Foudr. 343. 4; Kuts. IV. 195;
All. 540. 142; Abeille 267.
Syn. P. bicolor Goeze, cwruleostriata De Geer en nitidula Laichart.
Grootte 2.5—3 mill.
Ovaal, vrij breed; sprieten behalve de 4 eerste leden en pooten zwart ;
kop roodachtig; halsschild en dekschilden groen bronskleurig, soms
het halsschild gedeeltelijk roodachtig bruin. Halsschild zeer fijn be-
stippeld; dekschilden met 9 stippelrijen, die tegen het einde verdwijnen.
De metamorphose dezer soort is beschreven door Foudras |. c. De
larve is geel en verpopt zich in den grond.
Leeft in geheel Europa; vrij gemeen op Malva sylvestris en andere
Malvaceeën.
In Nederland alleen gevangen te St. Pieter , M.
2. Podagrica fuscicornis L.
Linn. Syst. Nat. ed. XII p. 595; Foudr. 340. 2; Kuts. IV. 199;
All. 544. 147; Abeille 270.
Syn. P. Malvae Fourer., rufipes F. en fulvipes F.
Grootte 2.8—4.5 mill.
Grooter dan de voorgaande soort. Sprieten behalve de vier eerste
jeden zwart; kop, halsschild en dekschilden blauw. Halsschild zeer
fijn, dekschilden fijn verward bestippeld. Kop en pooten rood.
De larve en metamorphose dezer soort zijn beschreven door Heeger
Sitzungsber. Acad. Wien 29. 1858 p. 100.
Leeft op Althaea officinalis, rosea en chinensis, ook op Malva sylvestris.
Niet zeldzaam in Nederland,
INLANDSCHE HALTICIDEN. 151
Genus X. BALANOMORPHA Chevr.
Van BaXaros (glans) cn “ogg (forma)
Chevrolat d'Orbigny, Diet. II. 1842. 426.
Syn. Mantura Steph. Ill. brit. IV. 1801. p. 323. !)
Diagnose.
Carina encarpisque nullis. Thorax utrinque breviter sulcatus. Con-
spectus fere cylindricus; elytra striato-punctata.
Dit geslacht onderscheidt zich, behalve door het gemis van dwars-
groef, vooral door den vorm van het lichaam, dat geheel op een ge-
kloofden eikel gelijkt. Sprieten elfledig, gewoon. Kop zonder kiel of
festons, halsschild met eene korte verticale insnijding; dekschilden
met duidelijke stippellijnen; pooten gewoon, achterschenen niet uit-
gesneden of verdeeld.
© Tabel der soorten.
1. Dekschilden aan het uiteinde lichter
DEED EN REN e e IZ
— Dekschilden eenkleurig . . . . . . nà obtusata Gyll.
2. Dekschilden groen bronskleurig, uiteinde
QE CORNE E e Een ne . 2. rustica L.
— Dekschilden geel bronskleurig, uiteinde
lichter «ava era dal artt A's ir Chrysanthentt: Kech.
1% Balanomorpha obtusata Gyll.
Gyll. Ins. suec. III. 579. 45; Foudr. 274. 3; Kuts. VI. 52.5; All.
949. 152; Abeille 289.
Var.? B. ambigua Kuts. VI. 52; All. Abeille 289.
Grootte 2.5 mill.
Geheel donkerblauw, tarsen en schenen geel, dijen bruin of zwart,
eerste leden der sprieten bruin, de overige zwart. Halschild duidelijk be-
stippeld, dekschilden met regelmatige stippellijnen ; tusschenruimten glad.
De var.? ambigua Kuts. is door mij met deze soort vereenigd, omdat
ik, beide soorten bezittende, de opgegeven verschillen voor al te onbe-
duidend houd, te meer daar de type wordt opgegeven te leven in
1) Ofschoon de naam van Stephens ouder is, geef ik de voorkeur aan den
naam van Chevrolat, wijl deze met juistheid het geslacht karakteriseert en de
eerste niets beteekent,
192 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
het Noorden (Zweden, Lapland en de Alpen), terwijl de var. ambigua
uitsluitend aan het midden van Europa eigen zou zijn.
Vroeger als inlandsch opgegeven (zie Everts 1ste Lijst), bleek de
determinatie mij onjuist, en moet deze soort alhier nog gevonden
worden.
Is overal zeldzaam. Opgave der voedingsplant ontbreekt.
2. Balanomorpha rustica L.
Linn. Syst. Nat. ed. XII. p. 595; Kuts. VI. 49; Foudr. 271. 1;
All. 548. 151; Abeille 288. — (Pl. 11, fig. 5).
Syn. B. semiænea F., Payk. etc.
Grootte 23 mill.
De grootste soort van dit geslacht. Basis der sprieten en pooten
geel, behalve de zwarte achterdijen. Kleur blauw of bronsgroen; uit-
einde der dekschilden, behalve den zwarten naad, geel; soms neemt de
gele kleur een groot gedeelte der dekschilden in. Halsschild sterk bestip-
peld, dekschilden met regelmatige stippellijnen. Zelden zijn ook de
voordijen bruin van kleur.
Leeft op Rumex en rietsoorten, ook onder afgevallen bladeren des
winters.
Gevangen in Nederland: Haag 5, 4, 10, Hait. Leesb. en Ev;
Gorinchem 5, Ev.; Utr. 6, Gr.
3. Balanomorpha Chrysanthemi Koch.
Koch, Ent. Hefte, II. 45; Foudr. 273. 2; Kuts. VI. 51.; All. 550.
153; Abeille 288.
Grootte 2 mill.
Kleiner en meer gedrongen dan de voorgaande, geheel bruin
bronskleurig, pooten en sprietenwortel geel, achterdijen bronskleurig.
Uiteinde der dekschilden veel lichter dan het overige gedeelte ge-
kleurd. Halsschild vrij sterk bestippeld, dekschilden regelmatig met
stippellijnen; tusschenruimten glad.
Leeft op Chrysanthemum Leucanthemum. Niet zeldzaam in Nederland.
Genus XI. SPHÆRODERMA Steph.
Van oœpaïox (globus) en dégua (cutis).
Steph. Ill. brit. IV. 1834. p. 328.
Diagnose.
Carina convexa lanceolata; encarpis distinetis trigonis. Conspectus
INLANDSCHE HALTICIDEN. 153
hæmisphærieus; thorax et elytra tenuissime confuséque punctulata.
- Wij zijn met dit geslacht tot de half kogelvormige gedaante ge-
naderd, die het met de beide volgende van alle andere geslachten
der Halticiden afzondert.
Sprieten elfledig. Kiel en festons duidelijk, halsschild zonder
insnijdingen, dekschilden zonder stippelrijen of lijnen, maar fijn ver-
ward bestippeld. Pooten zwaar gebouwd, gewoon DE
label der Soorten:
Grootte 3—3.2 mill. Halsschild, van boven
gezien, bijna overal even breed, sterk aan de
basis bestippeld. . . . . + . . . . . . IL Cardu Gyll.
Grootte 2.8—3 mill. Halsschild meer conisch,
duidelijk naar voren verengd (zoodat van boven
gezien de zijranden onzichtbaar worden), zeer
zwak overal bestippeld . . . . . . . . . 2 testacea F.
1. Spheroderma Cardui Gyll
Gyll. Ins. suec. IV. 659; Kuts. VIII. 464; Foudr. 353.2; All. 415.
138; Abeille 247.— (Pl. 11, fig. 6).
Syn. Sph. orbieulata Bach. Käf. p. 357.
Grootte 3—3.2 mill.
Ovaal; sterk gewelfd; geheel roodbruin. Halsschild zwak, tegen de
basis echter duidelijk bestippeld; dekschilden onregelmatig zwak
bestippeld.
Gemeen op allerlei distelsoorten, vooral Carduus nutans L.
2. Sphaeroderma testacea F.
Fabr. Spec. Ins. I. 136. 110; Kuts. VII. 463; Foudr. 352.1;
All. 415. 138; Abeille 248.
Grootte 2.8—3 mill.
Half kogelvormig, kleiner dan de voorgaande soort; geheel rood-
bruin; halsschild veel meer naar voren verengd, conisch, overal zwak
bestippeld; dekschilden zeer zwak bestippeld.
1) Het geslacht Argopus Fisch., dat misschien hier zou kunnen voorkomen
in ééne soort, 4. haemisphaerieus, onderscheidt zich van Sphaeroderma door de
verlenging van het epistome, dat in den vorm van twee hoorntjes uitsteekt,
154 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
Eveneens op distelen levend.
Zeldzamer dan de vorige soort, doch zeer gemakkelijk te onder-
scheiden door de opgegeven verschilpunten.
Genus XII. MNIOPHILA Steph.
Van urior (muscus) en pido: (amicus).
Steph. Ill. brit. IV. 1834. p. 330.
Diagnose.
Antennarum artieuli 3 ultimi crassiores. Carina depressa. Thorax
integer. Conspectus fere hæmisphæricus, elytris vage lineato-pune-
tulatis, apice spinula ornatis.
Dit geslacht onderscheidt zich vooral door de laatste drie verdikte
sprietenleden, een kenmerk dat zich bij geen ander Halticiden-genus
voordoet. Overigens in vorm, maar veel kleiner, gelijkend op de ge-
slachten Sphwroderma en Apteropeda. Kiel duidelijk afgeplat; halsschild
zonder kenteekenen; dekschilden met zeer zwakke stippelrijen en
aan het uiteinde bij den naad van een doorn voorzien; pooten gewoon.
Ongevleugeld.
De eenige soort, die van dit geslacht bij ons zou kunnen voor-
komen, is:
# Mniophila muscorum Koch.
Koch, Ent. Hefte II. 48. 26; Kuts. VIII. 459. Foudr. 285. 1; All.
553. 158; Abeille 295. — (PI. 11, fig. 7).
Grootte 1 mill.
Geheel blinkend zwart, onderkant bruin; ovaal, bijna half kogel-
vormig; sprieten en pooten roodbruin. Halsschild en dekschilden zeer
zwak bestippeld.
Leeft onder mos op hoog gelegen gronden, vooral op Hypnum
loreum en triquetrum. In Nederland nog niet gevonden.
Genus XIII. APTEROPEDA Chevr.
Van aaregos (sine alis) en ovs (pes).
Chevrol. d'Orbigny, Diet. II. 1842. p. 43.
Diagnose.
Antenne 11-articulatæ, progressim crassiores. Carina dilatata; en-
carpis distinetis. Thorax integer, elytris lineato-punctatis.
Dit geslacht bezit geen verdikte drie laatste sprietenleden , overigens
INLANDSCHE HALTICIDEN. 155
in vorm gelijk aan de beide voorgaande. Kiel en festons duidelijk ;
halsschild zonder kenteekenen. Dekschilden met min of meer duidelijke
stippellijnen, zonder doorn aan het einde van den naad. Pooten gewoon.
De beide inlandsche soorten onderscheiden zich als volgt:
1. 'Tusschenruimten der stippellijnen met fijne
stippels; kleur groen, blauw, violet of brons-
denne ne gt due „ahnt . 1. orbieulata Marsh.
— Tusschenruimten glad, kleur geheel brons-
zwart . . 2. globosa Ill.
1. Apteropeda orbiculata Marsh.
Marsh. Ent. brit. I. 1802. 200; Foudr. 279. 2; Kuts. VIII. 449.
Syn. A. ciliata Oliv. Ent. VI. t. 4. f. 76; All. 575. 179; Abeille 291.
Grootte 2.5— 2.8 mill.
Sterk gewelfd, half kogelvormig, groen, koperkleurig, blauw of
violet; sprieten en pooten, behalve de bronskleurige achterdijen,
geelbruin. Halsschild zwak, dekschilden regelmatig in lijnen bestip-
peld: tusschenruimten duidelijk bestippeld.
In bosschen en droge streken verbreid.
Gevangen in Nederland: N.-Brab. Sn.; Breda, 10, H. en Weyt-
landt, op Medicago sativa; Maastricht, Veth, Ev. en Leesb.
2. Apteropeda globosa Il
Illiger Schneid. Neu. Mag. I. 5. 1794. p. 602; Kuts. VIII. 451;
All. 577. 181; Abeille 292. — (Pl. 11, fig. 8).
Syn. A. majuscula Foudr. 281. 3.
„ A. nigroenea Weidenb.
[SS
—
. conglomerata Ill.
5 . globus Dfts.
Grootte 2.8—3 mill.
Sterk gewelfd, half kogelvormig, blinkend zwart, grooter dan de
vorige soort; sprieten en pooten, behalve de zwarte achterdijen , geel.
Halsschild verspreid bestippeld, dekschilden met diepe stippellijnen ;
»
bb
—
tusschenruimten glad.
Onderscheidt zich door aanzienlijker grootte, zwarte kleur en gladde tus-
schenruimten, benevens de diepe stippellijnen, dadelijk van de vorige soort.
Levenswijze als bij de vorige.
In Nederland alleen gevangen te Nijmegen, Ter Haar,
156 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
Genus XIV. LONGITARSUS Latr.
Van ,longus” en , tarsus”.
Latreille, Cuvier, Règn. animal, 2e ed. V. p. 155.
Syn. Teinodactyla Chevrol. (Foudras) en Thyamis Steph.
Diagnose.
Corpus ovatum aut oblongo-ovatum plus minusve convexum. An-
tennae 11-artieulatae filiformes. Thorax integer. Elytra confuse
seriatimve punctata. Tarsi postiei tibiarum apici inserti, arti-
culo primo elongato tibiam dimidiam aut xquans aut
superans.
Dit laatste geslacht der Halticiden heeft, gelijk reeds uit de analy-
tische tabel der genera blijkt, tot bijzonder kenmerk den vorm van
het eerste lid der achterpooten (zie Pl. 11, fig. 94). Terwijl bij alle
andere genera dit eerste lid gewoon is gevormd, vindt men het hier
zeer sterk verlengd, zoodat het de helft der scheen in lengte over-
treft en zelden (alleen bij L. Jacobew) evenaart. Overigens vindt men
in dit uitgebreid geslacht (er zijn ruim 100 Europeesche soorten,
waarvan bijna 40 inlandsch) alle vormen der overige genera ver-
tegenwoordigd. Bij de grootere soorten treft de analogie met de genera
Psylliodes, Chwetocnema en Crepidodera, bij de kleinere is vooral veel
gelijkenis met Aphthona.
Het lichaam is eivormig of langwerpig. Sprieten elfledig. Festons
en kiel nu eens scherp, dan weder geheel onzichtbaar. Halsschild
zonder groeven of insnijding. Dekschilden verward of in kleine rijen
bestippeld, nooit met stippellijnen. Pooten gewoon, behalve de voor-
melde achtertarsen.
De onderscheiding der soorten van dit geslacht levert zeer eigen-
aardige moeilijkheden op. Vooreerst stuit men, bij verdeeling volgens
de kleuren, op een aantal immature voorwerpen, die de geheele
analytische tabel bederven. De algemeene vorm is m. i. echter te
weinig bepaald, om daarop, zooals Allard gedaan heeft, eene tabel
te baseeren. Ik heb dan ook getracht zooveel mogelijk constante
kenmerken, onafhankelijk van de variaties in kleur, op te geven,
maar erken gaarne dat, evenmin als de tabellen van Kutschera ,
Foudras en Allard mij voldoen, ook de mijne op volledigheid mag bogen.
INLANDSCHE HALTICIDEN. 157
Tabel der soorten.
. Kleur zwart of bronsachtig met of zonder
lichtere vlekken. ©. + RER fe
Kleur bruin of donker SITÀ ae RER
Kleur licht of donker geel met of zonder
zwarteteekening van boven; zwart, donker
bruin of geel van onderen . . . . . 10.
. Dekschilden eenkleurig . . . . . . 3.
Dekschilden met liehte vlekken of licht
gekleurd witeinde lea pal
. Voorpooten geheel geelbruin; dekschilden
gedeeltelijk in korte rijen bestippeld, ge-
heel zwart . . . . 1. niger Koch.
Voorpooten gedeeltelijk Bec pavia und,
. Bronszwart blinkend; dekschilden nabij
basis en naad in rijen bestippeld. . . 2, * puler Schr.
Blinkend of dof zwart; dekschilden ver-
ward ‘bestippeld. . . . + 0.
. Blinkend zwart; pooten gedeeltelijk bin uin-
rood; dekschilden sterk bestippeld . . 3. Anchuse Payk.
Dofzwart; pooten gedeeltelijk vaalgeel;
dekschilden zeer zwak bestippeld. . . 4. ater F.
. Dekschilden zwart met eene roodbruine
vlek vóór het uiteinde . . . . . . & holsaticus L.
Dekschilden zwart of donkerbruin brons-
kleurig met geelbruin gekleurd uiteinde. 6. * apicalis Beck.
Dekschilden zwart met eene roodbruine
vlek aan den schouder en eene tweede
nabij het uiteinde; buitenrand der dek-
schilden steeds zwart. . . . . . …&* quadriguttatus Font.
. Dekschilden met metaalglans, duidelijk
en gedeeltelijk in rijen bestippeld. . . 8. fulgens Foudr.
Dekschilden zonder metaalglans, licht of
donkerbruin, soms pekbruin . . . . 8.
. Dekschilden met eene sterke schouder-
buil, waardoor zij veel breeder dan het
uiteinde van het halsschild schijnen, vrij
158 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
plat, meestal gedeeltelijk in rijen be-
stippeld. ering erker Ce ie ur. iris Sepp.
— Dekschilden zonder schouderbuil, alzoo
met het halsschild een ovaal vormend,
sterk gewelfd, zonder stippelrijen. . . 9.
9. Dekschilden dofbruin, zeer fijn bestip-
peld; de stippels verdwijnen geheel in
de tweede helft. Wr, Is OMR RO. castonens DER:
— Dekschilden blinkend bruin, zwartbruin
(bij immature exemplaren zelfs geel-
bruin), grof bestippeld; de stippels ver-
dwijnen eerst in het laatste derde gedeelte. IL. brunneus Dfts.
10. De zwarte naad is grooter in oppervlakte
dan dellgele zijrandes … c.a ot on I dorsalis Æ.
— De gele kleur der dekschilden is verre-
weg overheerschend . . …. . . . 11.
11. Kop, halsschild, naad en onderkant ge-
heel zwart, soms het halsschild roodbruin. 12.
— Kop roodbruin ; halsschild meer of minder
bruin; naad zwart of roodbruin; onder-
kantyzwartsofsbruin:.. (Saia Selb:
— Kop, halsschild, naad en onderkant
geel, soms een weinig donkergeel wat
naad en onderkant betreft . . . . . 26.
12. Dekschilden zeer zwak bestippeld; hals-
schild meestal roodbruin... . . . : 13.
— Dekschilden duidelijk sterk bestippeld ;
halsschild altijd zwart bronskleurig . . 14.
13. Schouderbuil sterk ontwikkeld ; halsschild
bijna vierkant; zwarte naad in het midden
verbreediyinhanl. Cet oa oen on on oog EB picicens Steph
— Dekschilden aan de schouders afgerond ;
halsschild veel breeder dan lang; naad
overal even breed, zwart . . . . . 14. sulurellus Dfts.
14. Naad en buitenrand der dekschilden
zwart, de laatsten verward bestippeld . 15. Nasturtii F.
— Alleen de naad zwart; dekschilden met
stippelrijen aan de basis, . . , . , 46. suturalis Marsh.
INLANDSCHE HALTICIDEN. 159
15. Kop en halsschild met duidelijken metaal-
SA ETC PIRO, COLO ie ORE, 12. atricillus L.
— Kop en halsschild zonder metaalglans . 16.
16. Doorn der achterschenen sterk en
lang. Groote soort van 3.5—4 mill.;
dekschilden zwak bestippeld . . . . 18. tabidus F.
— Doorn der achterschenen smal en klein;
soorten van 2—3.5 mill.; dekschilden vrij
-duidelijk bestippeld . . . . «+ + 17.
17. Naad der dekschilden zwart of donker
roodbruin. 24.2. = Nele ia ea
— Naad eenkleurig met de dekschilden of
een weinig roodbruin gekleurd. . . . 25.
18. Dekschilden gedeeltelijk in rijen bestippeld. 19.
— Dekschilden geheel verward bestippeld . 21.
19. Schouderbuil zeer sterk voorspringend ;
dekschilden aan de basis breeder dan het
halsschild, daardoor de vorm vierkant . 19. juncicola Foudr.
— Schouderbuil meer afgerond; dekschilden
zeer weinig breeder dan het halsschild,
MELE EMER) gd) >» (ela a 20
20. Halsschild conisch '), zoodat de voor-
kant veel smaller dan de achterkant
schijnt; doorn der achterschenen kort;
dekschilden grof bestippeld . . . . . 20. patruelis All.
— Halsschild bijna even breed aan voor- en
achterkant; doorn der achterschenen vrij
lang; dekschilden fijn bestippeld . . . 21. Lycopi Foudr.
(abdominalis All.)
21. Halsschildleoniseh". 1.155, nm sun oes
1) Het woord conisch verdient eene kleine opheldering, wijl de beteekenis ge-
wichtig is voor de bestemming der soorten. Bij vele Longitarsen vindt men het
halsschild oogenschijnlijk breeder aan de basis (d. i. nabij de dekschilden) dan
vooraan bij den kop. Bij nauwkeuriger beschouwing ziet men echter dat de
zijranden naar voren sterk naar beneden gebogen zijn, zoodat men van boven ge-
zien de figuur van een trapezium aanschouwt; bij andere soorten daarentegen zijn
voor- en achterrand ook van boven gezien even breed en verkrijgt men bijna
een zuiveren rechthoek. Bij de kleinere soorten is echter eenige oefening noodig
om dadelijk dat verschil te zien,
23.
BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
Halsschild aan voor- en achterkant even
breed tu) uo a NOUS PAIE
22: Kop roodbruin; | dekschilden fn bestippeld 23. atricapillus Dfts.
(melanocephalus Gyll.).
Kop zwart; dekschilden duidelijk en grof
bestippeld on. +. + e 224. melanocephalusD. Gr.
(atriceps Kuts.)
Halsschild niet conisch, maar steeds veel
breeder ‘dan “hoor Ak N. wine 72240
Halsschild conisch of bijna vierkant. 25.
. Dekschilden zeer fijn bestippeld; schou-
derbuil duideljk, vrij plat; grootte
1.2. mE er > + +. . 25. pusillus Gyll.
Dekschilden vrij oe bebe veel
meer gewelfd; grootte 1.8 mill. . . . 26. Medicaginis All.
5. Dekschilden aan de schouders afgerond,
vrij grof bestippeld ; halsschild conisch . 28% Ballotae Marsh.
Schouderbuil vrij duidelijk; halsschild
bijna vierkant; bestippeling fijn; achter-
dijen gedeeltelijk zwart . . . . . . 28. evoletus L.
(femoralis Marsh.)
. Dekschilden met vrij duidelijke schou-
dern Vek EP EN SEE ET
Dekschilden aan de schouders afgerond. 51.
. Het laatste gedeelte der achterdijen zwart
gekleurd. i.e a SX da a et ED OCHTolEUCUS Marsh.
Pooten geheel geel. +... 28.
. Kleur bleekgeel; dekschilden bijna onbe-
stippeld; halsschild conisch. . . . . 30. Jacobee Wat.
Kleur meer roodgeel; halsschild aan voor-
en achterrand even breed . . . . . 29.
. Dekschilden glanzend, onbestippeld . . 31. gracilis Kuts.
Dekschilden fijn-, maar zichtbaar bestip-
Dad ee „30,
. Dekschilden Aknschäirlends fin estinta
roodgeel of bruingeel . . . . . . . 32. pellueidus Foudr.
Dekschilden niet dcorschijnend , vrij dui-
delijk bestippeld , bleekgeel. . . . „BBF canescens Foudr.
INLANDSCHE HALTICIDEN. 161
31. Halsschild duidelijk bestippeld. . . . 32.
— Halsschild bijna onbestippeld . . . . 33.
32. Sprieten langer dan de helft van het
CHARTS Shae ese ) . +. . 34. flavicornis Steph.
— Sprieten veel korter dan 1 helft van
het lichaam . . . . + + +. 35. ferrugineus Foudr.
33. Dekschilden sod ee ieee
—- Dekschilden vrij grof nabij de basis be-
stippeld; doorschijnend, langwerpig . . 36. membranaceus Foud.
— Dekschilden fijn, maar duidelijk bestip-
peld; lichaam vierkant gewelfd . . . 32. viduus All.
34. Geelbruin; sprieten zoo lang of langer
dan het lichaam; sterk gewelfd . . . 38. laevis Dfts.
— Witgeel; sprieten veel korter dan het
lichaam; vrij plat. . . 2 . . . . 39. candidulus Foudr.
1. Longitarsus niger Koch.
Koch, Ent. Hefte, II. 57. 33; Kuts. VI. 220; Foudr. 135. 5; All.
95. 45; Abeille 312.
Grootte 2 mill.
Eivormig gewelfd, geheel blinkend zwart; de basis der sprieten en
de pooten behalve de zwarte achterdijen geelbruin. Halsschild zwak,
dekschilden sterk , gedeeltelijk in korte rijen bestippeld.
Leeft in geheel Europa. Opgave der voedingsplant ontbreekt.
In Nederland gevangen: Haag 4, Ev.; St. Pieter 6, M.
2. * Longitarsus Pulex Schr.
Schrank, Enum. Ins. austr. 1781. p. 85; Foudr. 139. 8.
Syn. L. consociatus Först.
„ L. obliteratus Rosenh., Kuts. VI. 216; All. 96. 46; Abeille 325.
Grootte 1—1.5 mill.
Ovaal, gewelfd, {zwart bronskleurig, soms met blauwe tint;
basis der sprieten en pooten behalve de achterdijen, geelbruin , voor-
en middendijen in het midden zwart gevlekt (bij immature exem-
plaren geheel geelbruin). Halsschild sterk bestippeld; schouders afge-
rond; dekschilden nabij de basa in korte rijen bestippeld. O ng e-
vleugeld.
11
162 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
Onderscheidt zich van de vorige soort door veel geringer grootte,
door de gevlekte voordijen, de soms blauwachtige bronskleur, het
grof bestippelde halsschild en gemis der ondervleugels.
Leeft op Thymus Serpyllum, in geheel Europa; in Nederland nog
niet gevonden.
3. Longitarsus Anchusae Payk.
Payk. Faun. Suec. ed. II 1799. p. 101; Kuts. VI, 219; Foudr.
136.6; All. 98. 47; Abeille 374.
Syn. L. gagatinus Dfts.
Grootte 1.5—2 mill.
Eivormig, gewelfd, zwart; schenen, tarsen en basis der sprieten
bruingeel, voor- en middendijen voor het grootste gedeelte zwart,
achterdijen geheel zwart. Halsschild zwak, dekschilden sterk verward
bestippeld; schouders afgerond.
Ongevleugeld of met rudimentaire ondervleugels.
Gemeen op allerlei Boragineeén.
4. Longitarsus ater F.
Fabr. Syst. Ent. 1775. p. 115.
Syn. L. parvulus Payk; Kuts. VI. 223; Foudr. 146. 12; All. 99. 48;
Abeille 413.
Syn. L. pumila Ill. Mag. VI. 170. 138.
Grootte 1—1.4 mill.
Eivormig, dofzwart; basis der sprieten en pooten behalve de
achterdijen en de gevlekte voordijen, vaalgeel. Halsschild zeer zwak
bestippeld even als de dekschilden, die soms aan het uiteinde geel-
achtig bruin gekleurd zijn (bij immature exemplaren zijn de geheele
dekschilden dofbruin). Schouders sterk voorspringend. Gevleugeld.
Gemeen op lage planten, ook des winters onder dorre bladeren.
5. Longitarsus holsaticus L.
Linn. Syst. Nat. ed. X. p. 373; Kuts. VI. 225; Foudr. 141. 9;
All. 101. 50; Abeilte 320.
Syn. L. pulicarius Li
Grootte 2 mill.
INLANDSCHE HALTTCIDEN. 163
Kort eivormig gewelfd, blinkend zwart; basis der sprieten en voor-
pooten benevens de achtertarsen en eene ronde of hartvormige vlek
nabij het uiteinde der dekschilden geelbruin; achterschenen en
dijen zwart. Halsschild zeer zwak bestippeld; dekschilden met sterke
schouderbuil, duidelijk verward bestippeld. Gevleugeld.
Deze soort onderscheidt zich van de volgende door de breede
schouders en de gele vlek, die nimmer het uiteinde of den naad
bereikt.
Leeft op Equisetum en Pedicularis lacustris.
Gevangen in Nederland: Utr. 4, Drieb. 10, Wassen. 5, S.; Breda ,
He, 9, Ev.
6. * Longitarsus apicalis Beck.
Beck. Beitr. bair. Ins. 1817. p.18. t.5. f. 23; Kuts. VI. 224; All.
102. 5; Abeille 311.
Syn. L. analis Dfts., Foudr. 144. 11.
» 2. praticola Sahlb.
» L. Fischeri Zett.
Grootte 2.5 mill.
Eivormig, gewelfd, donker bronskleurig (soms bruin bronskleu-
rig op de dekschilden); basis der sprieten, uiteinde der dekschilden
en pooten (behalve eene zwarte vlek op de achterdijen) geelbruin.
Halsschild fijn bestippeld, dekschilden met afgeronde schouders ,
duidelijk en nabij de basis in korte rijen bestippeld.
De gele vlek aan het uiteinde breidt zich bij sommige individuen
vrij ver uit.
Leeft in hoog gelegen streken over geheel Europa op vochtige
weiden.
In Nederland nog niet waargenomen.
2 * Longitarsus quadriguttatus Pontopp.
Pontopp. Nat. Dan. 1765. p. 203. t. 16.
Syn. L. quadripustulatus Fabr. Syst. 118; All. 103. 52; Abeille
355; Kuts. VI. 227.
Syn. L. quadrimaculatus Koch, Ent. Hefte II. 41. 42; Foudr.
142. 10.
Syn. L. quadrinotatus Dfts. (Cynoglossi Marsh.).
Grootte 2.5—3 mill.
164 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
Langwerpig ovaal, gewelfd, blinkend zwart; basis der sprieten en
pooten, behalve de zwarte achterdijen bruingeel. Halsschild en dek-
schilden sterk verward bestippeld, de laatste met afgeronde schouders
en met twee geelroode vlekken, een aan den schouder en de tweede
nabij het uiteinde der dekschilden. Soms loopen de vlekken in een;
zeer zelden zijn de dekschilden geheel zwart. Onderscheidt zich
in alle geval van de vorige soort door de sterker bestippeling van
het halsschild.
Leeft in geheel midden-Europa op Cynoglossum officinale.
Nog niet in Nederland waargenomen.
s. Longitarsus fulgens Foudr.
Foudr. 149. 14; Kuts. VII. 153; All. Abeille 382.
Grootte 1.8 mill.
Eivormig gewelfd, bruinzwart, sterk blinkend met metaalglans; basis
der sprieten en pooten behalve de zwarte achterdijen roodgeel. Hals-
schild zeer zwak, dekschilden vrij duidelijk en gedeeltelijk in rijen
bestippeld. Schouders vrij sterk ontwikkeld. Gevleugeld.
Deze soort onderscheidt zich dadelijk door den sterken metaalglans
op de dekschilden.
Leeft op vochtige weiden en in moerassen.
In Nederland alleen gevangen te Vianen, 6, Ev.
9. Longitarsus luridus Scop.
Scop. Ent. carn. 1763. p. 70 f. 219; Kuts. VII. 156; Foudr. 158.
20; All. 135. 82; Abeille 380.
Syn. L. convexus var. fuscescens en nigricans Steph.
Grootte 2 mill.
Eivormig weinig gewelfd, blinkend zonder metaalglans, rood- zwart-
of geelbruin, meestal de zijranden van halsschild en dekschilden
donkerbruin gekleurd; basis der sprieten en pooten lichter bruin;
naad meestal donkerder dan de dekschilden. Halsschild nu eens
grof bestippeld, dan weder glad; dekschilden grof bestippeld, nabij
de basis in rijen. Schouders zeer sterk voorspringend, waardoor de
dekschilden, afgescheiden van het halsschild, een vierkanten vorm
vertoonen. Gevleugeld of met rudimentaire ondervleugels 1).
1) Kutschera zegt, dat deze soort steeds gevleugeld is, hetgeen ik meen te
moeten betwijfelen.
INLANDSCHE HALTICIDEN. 165
Onderscheidt zich van de beide volgende door sterke schouder-
buil, door de bestippeling in rijen en de helderder roodbruine kleur.
L. brunneus is bovendien steeds ongevleugeld.
Gemeen op allerlei soorten van Boragineeén.
De grove bestippeling zou deze soort misschien kunnen doen ver-
warren met L. flavicornis of L. ferrugineus, vooral bij de lichtge-
kleurde exemplaren, maar deze beide soorten hebben sterk afgeronde
schouders en nimmer eene bestippeling in rijen.
10. Longitarsus castaneus Dfts.
Dfts. Faun. austr. III. 260; Kuts. VII. 162; Foudr. 150. 15;
All. Abeille 378.
Grootte 2—2.5 mill.
Geheel donker kastanjebruin, mat, met eenigen vetglans, gewelfd’
basis der sprieten en pooten roestgeel, uiteinde der achterdijen donker.
Halsschild zeer zwak bestippeld; schouders afgerond; dekschilden aan
de basis duidelijk bestippeld; de stippels verdwijnen recds in de tweede
helft. Ongevleugeld.
Deze soort onderscheidt zich van L. luridus door de sterk afgeronde
schouders, van L. brunneus door de zwakke bestippeling en de matte
kleur.
In Nederland alleen gevangen te Breda, H. op Trifolium.
Leeft volgens de monographisten op vochtige weiden.
11. Longitarsus brunneus Dfts.
Dfts. Faun. austr. ed. III. 260; Kuts. VII. 158; Foudr. 152.16; All.
Abeille 333.
Syn. L. luridus Gyll.; Redt. ed. IL; Zett.; All.
Grootte 2—2.7 mill.
Eivormig, gewelfd, blinkend, in alle nuances der bruine kleur van
af donker pekbruin tot licht geelbruin; basis der sprieten en pooten
geelbruin, achterdijen donkerder. Halsschild nu eens sterk dan weder
bijna onzichtbaar bestippeld. Schouders sterk afgerond. Dekschilden
met diepe en grove stippels, die tot 2 der lengte zichtbaar zijn; aan
het einde ieder afzonderlijk afgerond. Ongevleugeld.
Verward met de beide vorigen en alleen door de aangegeven ken-
merken te onderscheiden.
166 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
Gemeen in Nederland, de donkere varieteiten meer in de heide-
streken of nabij de rivieren.
Leeft op vochtige weiden.
12, Longitarsus dorsalis F.
Fabr. Spec. Ins. I. 1781. p. 135; Foudr. 169. 27; Kuts. VII. 299;
All. 104. 53; Abeille 375.
Grootte 1.8 mill.
Langwerpig, weinig gewelfd, zwart; basis der sprieten en geledingen
der pooten bruin; halsschild bruingeel, in het midden donkerder bruin x
bijna onbestippeld; dekschilden fijn maar duidelijk bestippeld, geel
met zeer breeden zwarten naad, die meer dan de helft der dekschil-
den inneemt.
Leeft op Senecio erucaefolius’en Pistacia lentiscus L. (Kuts. Foudr.)
In Nederland werd deze fraaie soort alleen gevonden door Fokker,
Zierikzee 4.
13. Longitarsus piciceps Steph.
Steph. Ill. brit. IV. p. 309; Foudr. 166. 25; Kuts. VII. 308;
All. Abeille 385 (picipes?).
Syn. L. atricapillus All. 117. (1860) Redt. ed. II.
n Foudrasi Crotch. Sharp. Cat. 1871.
» Poweri All. Abeille 408.
» picipes All. Abeille 385; Redt. ed. III.
Met deze soort begint de serie der moeilijk te onderkennen Lon-
gilarsen.
Grootte 2—2.5 mill.
Langwerpig, weinig gewelfd; basis der sprieten en pooten geel;
achterdijen gedeeltelijk bruin gevlekt; kop meestal zwart, soms donker-
bruin; halsschild roodgeel, bijna vierkant. Schouders sterk ontwikkeld,
met duidelijke schouderbuil. Dekschilden bleekgeel met in het midden
eenigszins breeder zwarten naad, zeer fijn, oppervlakkig en bijna
onzichtbaar bestippeld. Onderkant geheel zwart.
De sterke schouderbuil, het vierkante halsschild, de onbestippelde
dekschilden en de zwarte onderkant laten deze soort met vrij groote
zekerheid bestemmen.
Leeft in geheel Europa op Senecio viscosus (All), Inula brittannica
Kuts.), op moerasgronden (Foudr.)
INLANDSCHE HALTICIDEN. 167
In Nederland gevonden: Haag, Hait.; Amst., K. (ook de var.?
Poweri All.); Arnh., 7, v. M. de R; Valkenburg, Leesb.
14. Longitarsus suturellus Dfts.
Dfts. Faun. austr. ed. III. 1825. p. 262. — (Pl. 11, fig. 9.)
Syn. L. thoracicus Kuts. VII. 310; All. 107. 56; Abeille 393.
L. melanocephalus Foudr. 163. 23,
» L. fuscicollis Steph.
» L. Senecionis Bach.
Grootte 2.2 mill.
Eivormig, vrij sterk gewelfd, blinkend; basis der sprieten en pooten
roodgeel, achterdijen donkerbruin of zwart even als de tarsen; kop,
halsschild en onderkant bruinzwart of zwart; het halsschild dikwijls
lichterbruin. Halsschild en dekschilden bijna glad of zeer oppervlakkig
bestippeld; schouders sterk afgerond; dekschilden roodgeel met overal
even breeden zwarten naad. Bij jonge individuen zijn de kleuren allen
n
lichter. Gevleugeld.
Op vochtige weiden niet zeldzaam.
Deze soort onderscheidt zich van de vorige door sterk afgeronde
schonders en overal even breeden zwarten naad, van de beide volgende
door de zwakke bestippeling.
15. Longitarsus Nasturtii F.
Fabr. Ent. Syst. I. 2. p. 31; Kuts. VII. 302; Foudr. 160. 21; All.
115. 63; Abeille 390.
Syn. L. atricillus var. ; Payk.
» L. circumscriptus Bach.
» L. pratensis var. Koch,
Grootte 1.8—2 mill.
Eivormig, weinig gewelfd; basis der sprieten en pooten geelrood,
behalve de zwarte achterdijen; kop en halsschild zwart, glanzend;
dekschilden bleekgeel met zwarten naad. Halsschild sterk bestippeld
en gerimpeld ; schouders sterk ontwikkeld; dekschilden duidelijk verward
bestippeld. Gelijkt in vorm veel op L. luridus. Bij jonge exemplaren
is het halsschild bruinzwart.
Leeft op Echium vulgare en verschillende andere lage planten.
Verbreid in Nederland.
168 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
16. Longitarsus suturalis Marsh.
Marsh. Ent. brit. 1802. p. 201; Kuts. VII. 303; All. 114. 62;
Abeille 391.
Syn. L. nigricollis Foudr. 161. 22.
» L. Nasturtü Gyll.; var. c. Thoms.
Grootte 2.2 mill.
Eivormig, vrij gewelfd; basis der sprieten en pooten geelbruin ,
achterdijen donkerder; kop en halsschild zwart blinkend ; dekschilden
bleekgeel, met zwarten naad en zijrand, het zwart aan de zijranden
soms in het midden verbreed. Halsschild duidelijk bestippeld zonder
rimpels; schouderbuil duidelijk; dekschilden sterk aan de basis in
rijen bestippeld.
Bij jonge exemplaren is het halsschild bruinrood.
Gelijkt veel op de vorige soort, waarvan zij verschilt door den
zwarten zijrand en de bestippeling in rijen aan het begin der dek-
schilden.
Op vochtige weiden verbreid.
Gevangen in Nederland: Haag, Hait. en Leesb.
Ke. Longitarsus atricillus L.
Linn. Faun. suec. 1761. p. 166.; Kuts. VIII. 33; All. 108. 57;
Abeille 329.
Syn. L. fuscicollis Foudr. 175. 31.
Grootte 2—3 mill.
Eivormig gewelfd; basis der sprieten en pooten behalve de bruine
achterdijen geel; kop en halsschild roodbruin metaalglanzend; dek-
schilden bleekgeel met bruinrooden naad. Halsschild even als de
dekschilden duidelijk bestippeld; schouders sterk afgerond. Gelijkt
veel in vorm op eene Balanomorpha en is aan den metaalglans dadelijk
te herkennen.
Verbreid op klaver en vochtige weiden.
Niet zeldzaam in Nederland.
18. Longitarsus tabidus F.
Fabr. Syst. Ent. 1775. p. 115.
Syn. L. Verbasci Panz. Faun. germ. 21. 17; Kuts. VII. 312;
Foudr. 182. 15; All. 120. 68; Abeille 309. .
INLANDSCHE HALTICIDEN. 169
Var. L. Thapsi Marsh. All. 113. 61.
» L. dorsalis Rossi.
» L. borealis Zett.
Grootte 3.5—4 mill.
Eivormig sterk gewelfd, blinkend; sprieten en pooten donkerbruin ;
kop, halsschild en dekschilden lichter of donkerder geelbruin, naad
meer of minder zwart; soms eene zwarte vlek aan de schouders; bij
jonge exemplaren al de kleuren veel bleeker, zelfs de naad roodbruin.
Spoor of doorn aan de achterschenen sterk verlengd en gekromd.
Bestippeling zeer zwak.
Deze soort onderscheidt zich van alle andere inlandsche door de
aanzienlijke grootte en den sterken achterdoorn; zij varieert zeer in
kleur, zoodat men soms geheel bleekgele exemplaren met rooden naad
ontmoet.
Leeft op Verbascum en Scrophularia canina. Verbreid in alle varieteiten.
Gevangen in Nederland: Arnh., 5, d. R. en Br.; Gronsveld, 7, Ev.
en Leesb. De eigenlijke type met zwarte schoudervlek in Nederland
nog niet waargenomen.
19. Longitarsus juncicola Foudr.
Foudr. 189. 39; Kuts. VIII. 51; All. 1861. 323; Abeille 384.
Syn. L. substriatus Kuts. VIII. 43.
Grootte 1.6—1.7 mill.
Eivormig gewelfd, blinkend; basis der sprieten en pooten behalve
de bruine achterdijen roodgeel; kop en halsschild .donker roodbruin;
dekschilden roodgeel. Schouders sterk ontwikkeld. Halsschild zwak,
dekschilden duidelijk in rijen bestippeld, naad donker roodbruin; onder-
kant geheel zwart, behalve het laatste segment van het abdomen dat
roestkleurig is.
Onderscheidt zich van de verwante L. Lycopi en L. curtus door
sterke schouderbuil, veel donkerder geelroode kleur en het roestkleu-
rig laatste segment van het abdomen.
Leeft op moerasplanten.
Gevangen in Nederland: Haag, Ev. en Leesb.; Gork. Ev.
20. Longitarsus patruelis All.
All. Abeille 398.
170 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
Syn. L. lateralis All. 110. 58.
Grootte 2.5 mill.
Eivormig, vrij sterk gewelfd; basis der sprieten en pooten, behalve
de zwarte achterdijen, geelbruin; de kleur overigens veel overeenkomend
met die van L. atricapillus Dfts. (melanocephalus Gyll.), alleen zijn de
schouders wat sterker ontwikkeld en de bestippeling veel dieper en
in kleine rijen op de dekschilden. Bij immature exemplaren is de naad
roodbruin even als de kop, en alle kleuren veel lichter.
Leeft op Verbascum (Bouillon blanc) volgens Allard en is volgens
zijne determinatie in Nederland alleen gevangen duor den heer Hey-
laerts te Breda. Ik betwijfel echter het soortrecht en zoo het exemplaar
juist gedetermineerd is, geloof ik dat wij hier waarschijnlijk met
eene varieteit der zeer sterk varieerende L. lateralis Ill. (niet in-
landsch) te maken hebben 1).
21. Longitarsus Lycopi Foudr.
Foudr. 193. 41; Kuts. VIJL 39; All. Abeille 387.
Syn. L. abdominalis All. 119. (1860).
» L. tantulus Foudr. 195. 42.
Grootte 1.3—1.8 mill.
Langwerpig ovaal, vrij sterk gewelfd, geeibruin; basis der sprieten
en pooten geel; kop donkerbruin, soms zwartbruin, evenals de achter-
dijen; naad duidelijk zwart gekleurd. Bestippeling fijn op halsschild
en dekschilden, op de laatste gedeeltelijk in korte rijen.
Leeft op Mentha-soorten en Lycopus europeus.
Ik kan geen verschil vinden tusschen deze soort en L. abdo-
minalis All. (1860. 119, 67 en 832; Abeille 411). Dat de kleur wat
minder donker zou zijn en de bestippeling wat fijner, springt mij bij
veelvuldige overgangen niet in het oog, en dat men beide zoogenaamde
soorten op verschillende planten, Lycopus en Klimop, heeft aangetroffen
is zeker geen bewijs.
Ik ving, volgens determinatie van den heer Allard, L. Lycopi bij
1) Daar ik, ondanks herhaald verzoek, het eenige exemplaar, door den heer
Heylaerts gevangen, niet meer ter bezichtiging ontving, kan ik voor de juist-
heid der determinatie niet instaan. Alle andere exemplaren, door den heer
Allard als Z. patruelis gedetermineerd, bleken mij te zijn exemplaren van Z. atri-
capillus Dfts. — L. lateralis Ill. type leeft in Zuidholland op Verbaseum en kan in de
analytische tabel op de plaats van Z. patruelis All. staan.
INLANDSCHE HALTICIDEN. 171
Breda, met Ev.; en de heer Fokker vond haar bij Zierikzee; terwijl
L. abdominalis bij den Haag, door Ev. en mij gevangen werd.
22. Longitarsus curtus All
All. 1860. 832. 137. 84; Kuts. VIII. 41; All. Abeille 410.
Syn. L. pratensis All. 137.
Grootte 1.7—1.9 mill.
Sterk eivormig gewelfd. Van boven geheel geelbruin blinkend, be-
halve den donkerbruinen naad; onderkant grootendeels zwart even
als de uiteinden der achterdijen. Schouders sterk vooruitspringend ;
bestippeling verward, meestal duidelijk, bij immature exemplaren
zwak.
Leeft op Echium vulgare.
Deze soort onderscheidt zich van de aanverwante L. Lycopi en L.
juncicola door meerdere convexiteit en van de laatstgenoemde vooral
door lichter kleur.
Gevangen in Nederland: den Haag, L.
32. Longitarsus atricapillus Dfts.
Dfts. Faun. austr. III. p. 257; Foudr. 176. 32.
Syn. L. melanocephalus Gyll. Ins. suec. III. 555. 19 (pro parte);
Kuts. VIII 35; All. 1860. 111. 59; Abeille 313.
L. atricillus Foudr. 164.
Grootte 1.8—2.4 mill.
Langwerpig ovaal, zwak gewelfd; basis der sprieten en voorpooten
benevens de achtertarsen bleekgeel; achterdijen en schenen bruin-
zwart; kop en voorrand van het halsschild zwart of bruinzwart, even
als de naad der dekschilden. Schouders duidelijk afgezet; uiteinde der
dekschilden vrij spits toeloopend. Bestippeling zwak en verward.
Bij immature voorwerpen zijn de kleuren roodbruin in plaats van
zwart.
Leeft op allerlei lage planten en overwintert onder dorre bladeren.
Zeer gemeen in Nederland.
24. Longitarsus melanocephalus De Geer.
De Geer, Mém.-Ins. V. 1775. p. 348.
Syn. L. atriceps Kuts. VIII 38; All. Abeille 317.
Grootte 1.8 mill.
172 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
Eivormig ovaal, weinig gewelfd. Kop bijna altijd zwart, overigens
geheel gelijk in kleur aan de voorgaande soort, maar constant kleiner
en op de dekschilden duidelijk en grof bestippeld.
Zeldzamer dan de vorige, maar in vele plaatsen met L. atricapillus
waargenomen. Misschien eene lokaal-varieteit.
25. Longitarsus pusillus Gyll.
Gyll. Ins. suec. III. p. 549; Kuts. VIII. 141; Foudr. 184. 36; All.
125. 73; Abeille 369.
Grootte 1.2 mill.
Eivormig ovaal, vrij plat. Kop bruin of roodbruin; basis der sprie-
ten en pooten geel, achterdijen soms wat donkerder; halsschild en
dekschilden geelbruin, soms witgeel (vooral bij jonge exemplaren) ;
onderkant lichter of donkerder bruin. Bestippeling zeer fijn, bijna
onzichtbaar.
Leeft op lage planten en is in het najaar gemeen tegen muren
en hekken. Overal in Nederland.
26. Longitarsus Medicaginis All.
All. 124. 72; Abeille 366; Kuts. VIIL 143.
Grootte 1.8 mill.
Eivormig ovaal, vrij gewelfd. Kop donkerbruin; basis der sprieten en
pooten geel, achterdijen en onderkant donkerder; halsschild en dek-
schilden bruingeel. Schouders vrij sterk vooruitspringend. Bestippeling
op het halsschild zwak, op de dekschilden vrij duidelijk doch ver-
ward.
Gelijkt veel op de vorige soort, maar is grooter, donkerder van
kleur en sterker bestippeld.
Leeft op Ballota nigra en Klaver.
De eenige exemplaren, die ik als zoodanig met zekerheid kon
determineeren, zijn gevangen bij Zwijndrecht en Dordrecht, Ev.; Leiden
7, v. d. W.; Zierikzee, 4, Fokker.
2e. * Longitarsus Ballotae Marsh.
Marsham, Ent. brit. I. p. 205; Kuts. VIII. 46; Foudr. 191. 40;
All. 133. 81; Abeille 323.
Grootte 1.6—2 mill.
INLANDSCHE HALTICIDEN. 173
Eivormig ovaal, gewelfd; geheel licht bruingeel, onderkant van
halsschild en dekschilden zwart; achterdijen donkerbruin. Halsschild
rimpelig; dekschilden met afgeronde schouders en vrij sterke, gedeel-
telijk regelmatige bestippeling. Achterscheendoorn veel langer dan bij
de andere soorten (behalve L tabidus). Ongevleugeld of met rudi-
mentaire vleugels.
Is in geheel midden-Europa gemeen op Ballota nigra en Marrubium
vulgare.
Nog niet in Nederland waargenomen, wel nabij de grenzen o. a.
te Hoesselt, M.
28. Longitarsus exoletus L.
Linn. Syst. Nat. ed. X. p. 373; Waterh. Trans. Ent. Soc. 3 ser. I.
1866. p. 23. |
Syn. L. atricillus Oliv. Ent. VI. 720. t. 5. f. 91.
„ L. Boppardiensis Bach. III. 1859. p. 152.
„ L. pratensis Foudr. 186. 37.
» L, femoralis Marsh. Ent. brit. I. p. 201; Kuts. VIII. 47; All.
123. 71; Abeille 356.
Grootte 2.5—2.7 mill.
Langwerpig ovaal, gewelfd; geheel licht bruingeel; mond, einde
der sprieten en achterdijen, schildje en onderkant zwart; naad fijn
roodbruin afgezet. Halsschild bijna vierkant, fijn en rimpelig bestip-
peld; schouders vooruitspringend; dekschilden fijn verward, soms in
kleine rijen bestippeld.
In geheel Europa op Echium vulgare en Convolvulus sepium.
Gevangen in Nederland: Zierikzee en Renesse, 8, Fokker; Val-
kenburg, 7, Veth.
29. Longitarsus ochroleucus Marsh.
Marsh. Ent. brit, 1802. p. 202; Kuts. VIII, 146; Foudr. 208, 51;
All. 131. 79; Abeille 405.
Grootte 2—2.5 mill.
Deze en de volgende soorten zijn allen aan boven- en onderkant
licht- of donkergeel gekleurd; de naad is soms wat roodachtig en de
onderkant wat donkerder dan de bovenzijde. Eivormig ovaal, vrij
plat; witgeel, mond en uiteinde der achterdijen zwart, uiteinde der
sprieten en tarsen bruin. Bestippeling bijna onzichtbaar.
174 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
In geheel gematigd Europa. Ik klopte in Juli 1881 vele exemplaren
bij Maastricht uit wilgen. Misschien leeft deze Halticide als larve in
de jonge takken. Opgave der voedingsplant ontbreekt.
Ik zag overigens exemplaren: Bergen op Zoom, Ev.; Haag, v. d.
W. en Hait.; Utr., 5, Gr.
30. Longitarsus Jacobæae Wat.
Waterh. Cat. Brit. coll. 1858. p. 94.
Syn. L. exoletus Fourer. en Geoffr.
n L. tabidus Oliv. IV. p. 110. Ent. VI. p. 718. t. 5. f. 88; Kuts.
VII. 148; Foudr. 201. 46; All. 126. 74; Abeille 402.
9
Grootte 3 mill.
Geheel bleek rood- of witgeel: mond zwart; uiteinde der sprieten
donkerbruin. Eivormig ovaal, vrij sterk gewelfd; halsschild conisch
(zie anal. tabel), bijna onbestippeld; schouderbuil duidelijk ; dekschilden
zeer zwak bestippeld. Eerste lid der achtertarsen gelijk aan, maar
niet langer dan de helft der achterscheen.
Een der gemeenste soorten van dit geslacht.
Leeft op Senecio Jacobaca.
Overal in Nederland.
31. Longitarsus gracilis Kuts.
Kuts. Mon. VIII. 275; All. Abeille 407.
Grootte 1.7—1.8 mill.
Eivormig ovaal, vrij plat; geheel bleekgeel; in vorm veel over-
eenstemmend met L. ochroleucus, maar zonder zwarte dijen. De kleur
is ook meer bruin- dan witgeel en de bestippeling veel meer uiteen,
maar even fijn.
Ik heb deze soort overgenomen naar de determinatie van den heer
Allard, die 3 à 4 exemplaren, gevangen: Leiden, 7, v. d. W. en
Wassenaar, 8, Perin, aldus determineerde.
32. Longitarsus pellucidus Foudr.
Foudr. 210. 52; Kuts. VIII. 152; All. Abeille 403.
Syn. L. testaceus All. 127. 75 (1860).
Grootte 2—2.3 mill.
Eivormig ovaal, vrij gewelfd; blinkend; bleek bruingeel; onder-
kant, mond en uiteinde der sprieten donkerder. Halsschild vrij dui-
INLANDSCHE HALTICIDEN. 175
delijk bestippeld ; schouderbuil duidelijk; dekschilden fijn, aan de basis
in rijen bestippeld; soms zijn de stippels bijna geheel onzichtbaar en
de kleur is wat de Franschen noemen gélatineux.
Op Inula mentha en klaver in geheel midden-Europa.
In Nederland gevangen: Zierikzee, Fokker; Arnhem, v.M.d.R.;
Gronsveld, Ev.
33. * Longitarsus canescens Foudr.
Foudr. 215. 55; Kuts. VIII. 284; All. 1861. 326; Abeille 389.
Syn. L. helvolus Kuts. VIII. 269.
Grootte 1.5—1.8 mill.
Geheel bleekgeel; eivormig ovaal, gewelfd; lip en uiteinde der
achterdijen iets donkerder. Bestippeling op het halsschild bijna onzicht-
baar, op de dekschilden wat duidelijker en in kleine rijen.
Opgave der voedingsplant ontbreekt.
Nog niet in Nederland gevangen !).
34. Longitarsus flavicornis Steph.
Steph. Ill. brit. IV. p. 309; All. 136. 83; Abeille 350.
Syn. L. rubiginosus Foudr. 204. 48; Kuts. VII. 157.
Grootte 2.5 mill.
Eivormig ovaal, gewelfd; blinkend licht bruingeel. Sprieten bijna
zoo lang als het lichaam; schouders geheel afgerond; bestippeling
op halsschild en dekschilden diep, grof en verward. Ongevleugeld.
Leeft op Eupatorium cannabinum.
Gevangen in Nederland: Haag 10, L.; Rott., Sn.; Breda 7, H.
(op Solanum Dulcamara); Zierikzee, Fokker; Amsterdam, Swierstra ;
Nijmegen, ter Haar.
35. Longitarsus ferrugineus Foudr.
Foudr. 216. 56; Kuts. VIII 155; All. 1861. 327; Abeille 349.
Grootte 1.8 mill.
Eivormig ovaal, gewelfd; blinkend roodgeel; lip en uiteinde der
sprieten donkerder, de laatste korter dan de helft van het lichaam.
Schouders afgerond; bestippeling op halsschild en dekschilden duidelijk ,
maar veel minder grof dan bij L. rubiginosus. Ongevleugeld.
1) Het exemplaar van Z. canescens Foudr., vermeld in dit Tijdschrift dl. XXIV
blz. 201 (noot) zonder opgaaf van vindplaats, bleek mij ook te zijn L. Jacobeae Wat.
176 BISDRAGE TOT DE KENNIS DER
Opgave der voedingsplant ontbreekt.
Gevangen in Nederland: Haag, Hait., L., Ev.; Ruurlo, Ev.
36. Longitarsus membranaceus Foudr.
Foudr. 222. 60; Kuts. VIII. 156; All. Abeille 346.
Syn. L. Teucrii All. 222. 62.
Grootte 1.5—1.7 mill.
Eivormig ovaal; bleekgeel; lip en uiteinde der sprieten wat don-
kerder ; voorhoofdsbuilen zichtbaar; halsschild en dekschilden duidelijk,
grof verward bestippeld; de dekschilden zijn meestal doorschijnend,
zoodat de kleur van het abdomen zichtbaar wordt.
Leeft op Teucrium Scorodonia.
Gevangen in Nederland: Breda, 9, L.; Amst., Swierstra; Zierikzee,
Fokker.
37. Longitarsus viduus All
All. Abeille 340.
Grootte 1.5 mill.
Ovaal, sterk gewelfd; bruingeel; sprieten iets langer dan de helft
van het lichaam; kop en uiteinde der sprieten donkerder bruin;
naad een weinig roodachtig gekleurd. Schouders afgerond. Bestippe-
ling op halsschild en dekschilden fijn maar duidelijk. De vorm is vrij
ineengedrongen en gelijkt, zooals Allard terecht opmerkt, op een
Plectroscelis (Chatocnema).
Gevangen in Nederland: Breda, 9, L.; Zierikzee, Fokker.
Opgave der voedingsplant ontbreekt.
Ik ving mijne exemplaren tegen muren zittende in den zonneschijn.
38, Longitarsus levis Dfts.
Dfts. Faun. austr. III. ed. 1825. p. 261; Kuts. 174. 162; All. 1860.
121; Abeille 351.
Syn. L. succineus Foudr. 218. 57; All. 833. 237.
„ L. pratensis var. c. Gyll. Ins. suec. III. p. 539.
Grootte 2 mill.
Eivormig ovaal, gewelfd; zeer blinkend; geheel roodbruin; hals-
schild en dekschilden doorschijnend. Sprieten bijna zoo lang als het
lichaam; schouders afgerond; bestippeling onzichtbaar.
In vorm veel gelijkend op L. flavicornis, onderscheidt zich deze
INLANDSCHE HALTICIDEN. > AT
soort dadelijk door het geheele gemis van bestippeling. Zelfs met eene
sterke loupe ziet men ter nauwernood eenige rimpels. Ik vermoed
dat L. pratensis van Panzer (Faun. germ. 21. 16; syn. Waterhousei
Kuts.) geen andere dan deze soort is. Zooveel is zeker dat ik noch
te Weenen in het museum van Natuurlijke Historie, noch van den
heer Allard een L. pratensis heb te zien kunnen krijgen, en dat de
exemplaren, die ik als zoodanig uit Duitschland ontving, mij ge-
bleken zijn niet anders dan L. lœvis te moeten heeten.
De duisterheid in de synonymie van L. pratensis Pz. is zoo groot,
dat ik er werkelijk niet uit wijs kan worden. Allard beschrijft I. c.
137, L. pratensis Pz., maar zegt later pag. 832: die soort moet
Curta heeten. Foudr. 1. e. 186. 37, beschrijft L. pratensis Pz., maar
Kutschera zegt, 1. c. VIII. 278: L. pratensis Pz. en L. pratensis Gyll.
zijn twee soorten, die ik niet ken en L. pratensis door Foudras be-
schreven, is L. femoralis Marsh., ofschoon Foudras laatstgemelde soort
onmiddellijk na L. pratensis beschrijft. Volgens Bach, |. c. III. 154,
is L. pratensis Pz. overal en synoniem met L. longicornis? ? (zeker
wegens de lange sprieten van L. lwvis). Thomson I. c. VIII. 184,
kent alleen een L. pratensis Gyll. uit Zweden. Dan komt er weer
een nieuwe L. pratensis All., syn. met L. longipennis Kuts.; in één
woord, er is geen eind aan de verwarring. Ik ben derhalve zoo vrij
voorloopig L. pratensis Pz., Gyll. en All. te ignoreeren.
L. levis is niet zeldzaam op lage planten.
Op vele plaatsen in Nederland gevonden.
39. Longitarsus candidulus Foudr.
Foudr. 207. 50; Kuts. VIII. 163; All. Abeille, 339.
Syn. L. latifrons All. 130. 77.
Grootte 2 mill.
Geheel melkwitgeel, onbestippeld, weinig gewelfd. Sprieten veel
korter dan het lichaam. Halsschild tweemaal zoo breed als lang;
onderkant wat donkerder.
Ik bezit cen exemplaar gevangen door Perin te Valkenburg bij
Leiden.
Opgave der voedingsplant ontbreekt.
12
178 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER INL. HALTICIDEN.
Verklaring der afbeeldingen.
PI. 11. fig. 1. Crepidodera aurata Marsh.
„ la. a „ (halsschild).
i tah x Helxines L.
pid - n (halsschild).
n 3 Hermaeophaga Mercurialis F.
„ 4. Haltica Quercetorum Foudr.
edi ato > (dekschild).
5. Balanomorpha rustica L.
6. Sphaeroderma Cardui Gyll.
„ 7. Mniophila muscorum Koch.
8. Apteropeda globosa Ill.
9. Longitarsus suturellus Dfts.
sods A 5 (achterpoot).
Verbeteringen en aanvullingen.
In het eerste stuk mijner Halticiden (dl. XXIV blz. 208) staat
bij de verklaring der afbeeldingen PI. 16 fig. 9: Aphthona ochripes
Curt. 3; lees: A. ochripes Curt. 9.
Hiervoren blz. 157, regel 8 van onderen, staat: L. quadriguttatus
Font.; lees: L. quadriguttatus Pont.
De op blz. 183 van dl. XXIV als vermoedelijk inlandsch vermelde
soort, Psylliodes cupronitens Först. (herbacea Foudr.) is reeds in 1881
door den heer Veth bij Maastricht gevonden.
STUDIEN
OVER
DE KLANK-ORGANEN, DEN ZANG EN DEN SCHREEUW
DER
CICADEN,
DOOR
Dr. A. W. M VAN HASSELT,
Reeds voor een tiental jaren werd mijne aandacht meer in het
bijzonder gevestigd op de zoogenaamde zang-insecten, door
eene welwillende mededeeling van mijn’ vriend en vroegeren ambt-
genoot Dr. K. W. Gratama, destijds uit Japanschen dienst terug-
gekeerd.
Bij gelijktijdige toezending van eene flesch met eenige dier
zangers, — Locustae, Grylli en Cicadae, — op spiritus, be-
richtte hij mij, dat zoodanige in Japan nog altijd in eene zeer
primitieve soort van vogelkooitjes, met tralies uit dunne spijltjes
van bamboes vervaardigd, bewaard, en te Osaka en andere groote
steden, voor weinig geld, den volke te koop aangeboden werden. Ge-
woonlijk ziet men er des avonds mannen mede rondloopen, die
verscheidene zulke kooitjes aan een’ stok op den rug dragen en
onder een eigenaardigen uitroep trachten uit te venten. In som-
mige veel bezochte straten stellen zij ze ook, tot laat in den nacht,
in de open lucht, op matjes of kleine stalletjes, door kaarsen ver-
licht, nevens andere handelsartikelen te koop, terwijl de kooitjes
in andere winkels insgelijks afzonderlijk worden verkocht.
180 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN,
Ofschoon de uitventers er bij opgeven, welk voedsel men deze
diertjes geven moet, schijnen ze niet lang in leven te kunnen
worden gehouden. «De mijnen ten minste», schreef Gratama,
«waren na een paar dagen dood, en dit tot mijn groot genoegen,
«want sommigen maakten, vooral ’s nachts, zonder ophouden een,
ceven doordringend als eentoonig, vervelend geluid. »
Desniettegenstaande schijnen toch de Japanners er veel behagen
in te scheppen, even als dit voorheen, — en misschien nog, —
bij de lagere volksklasse van Zuidelijk Europa het geval was,
vooral in Spanje, Griekenland en Italie, alwaar onder anderen
overeenkomstige kooitjes met krekels, onder den naam van gr yl-
leria zeer bekend en gezocht waren.
Met de stelselmatige bepaling der, mij bij deze gelegenheid ge-
worden, onderscheidene zang-insecten, — waarvoor ik den heer
Gratama mijn’ dank vernieuw, — heb ik mij, door tijdgebrek,
niet onledig kunnen houden, maar werd ik daardoor opgewekt,
hunne merkwaardige geluidstoestellen van naderbij te bestudeeren.
Na de «zangspiegels, strijkstokken » enz., bij de toen verkregen
en later ook bij verscheidene andere soorten van Locusta, Acri-
dium, Gryllus en Gryllotalpa, door aanschouwing te hebben leeren
kennen, bepaalde ik mij echter weldra uitsluitend tot een nauw-
keurig onderzoek van het veel meer samengesteld klank-apparaat
der Cicadina, tot de orde der Hemiptera Homoptera behoorende.
Behalve de Japansche, vrij groote, voorwerpen, bezigde ik daartoe
vroeger en later een ruim aantal drooge en spiritus-exemplaren , —
levende heb ik, wijl geen dezer dieren inheemsch is, nimmer ter
beschikking gehad, — van verschillende Zuid-Europeesche en
tropische soorten, mij vriendschappelijk geschonken vooral door
onze geachte medeleden Ritsema, Swierstra en W. Albarda, onlangs
ook van der Wulp en Guicherit, die ik deswegens hoogst erken-
telijk blijf. Daaronder meen ik Cicada (Tettigonia) plebeja, Orni
en sanguinea (of haematodes?) 1) met eenige zekerheid te hebben
1) Aan deze drie zijn, geloof ik, wel de meeste waarnemingen ontleend,
terwijl onder anderen ook Cicada Fraxini, mannifera, pruinosa, montana, septem-
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 181
herkend, doch aan de determinatie der andere ontlede species uit
de tropen heb ik mij nog altijd niet durven wagen. Indien ik
echter nogmaals moest aanvangen met dit onderwerp, zou ik gewis
niet verzuimen, mij vooraf eene juiste kennis der soorten eigen te
maken. Bij groote overeenkomst toch in de hoofd-organen, valt
hier ook groote verscheidenheid in de plaatsing, den vorm en den
omvang van deze, vooral in die der hulp-organen, en der ver-
schillende holten voor beiden, bij vele mij niet bij naam bekende
species, niet te miskennen, zelfs zoodanig, dat eene systematische
vergelijking van deze aan volgende onderzoekers ten sterkste mag
worden aanbevolen. Bij gebreke daarvan heb ik mij tot eene
algemeene typische beschrijving moeten beperken, nogtans
hier en daar onder vermelding der gevondene bijzondere afwij-
kingen. !)
Daar het mij al spoedig bleek, dat de door sommigen « umfang-
reich » , door anderen « wenig umfangreich » genoemde litteratuur
over dit onderwerp zeker niet door allen, vóór zij hunne eigen
nasporingen te boek stelden, naar behooren is geraadpleegd, heb
ik het noodig geoordeeld, deze fout, die hier tot meer dan ééne
pseudo-ontdekking heeft geleid, zooveel mij mogelijk is geweest,
te vermijden.
Nevens onze standaardwerken over de Zoologie en de vergelij-
kende Dierkunde van J. van der Hoeven en P. Harting, heb ik,
vroeger of later, de navolgende geschriften daarover kunnen be-
studeeren :
Réaumur, Mémoires pour servir à l’histoire des insectes, Tome
IV. 1744.
Rösel, /nseetenbelustigungen, 2ter Band. 1749.
De Geer, Abhandlungen zur Geschichte der Insekten, 3ter Band.
1780. (Is niet veel meer dan een referaat der vorigen).
decim, maculata in het bijzonder worden vermeld, alsook #bicen en lyricen, enz.
Gelegenheid tot het opsporen der hedendaagsche synoniemen, vooral van de twee
laatstgenoemde soorten, heeft mij tot hiertoe ontbroken.
1) Mijne collectie praeparaten, zoo van den typus als van vele afwijkingen,
heb ik bestemd voor het Leidsche Museum, afdeeling Entomologie.
182 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN,
C. G. Carus, Analekten zur Naturwissenschaft u. s. w. 1899 1).
Burmeister, Handbuch der Entomologie, Band I. 1832.
Brandt und Ratzeburg, Medizinische Entomologie. 1833. (Een
goed referaat volgens Reaumur en Carus).
Goureau en vooral Solier, beiden in de Annales de la soc,
entomol. de France, Tome VI. 1836 en 1837.
Von Siebold, Lehrbuch der vergleichenden Anatomie der wirbel-
losen Thiere. 1848.
Kirby and Spence, Jutroduction to Entomology, Tth. ed. 1857.
Giebel, Gliederthiere. 1863.
H. Landois, 7on- und Stimmapparate der Insecten. 1867. In
1874 vervolgd in zijne Thierstimmen.
Targioni Tozzetti, in Annuario scientifico etc. 1867.
F. Brauer, in Archw für Naturgeschichte van Troschel, Jahrg.
34. 1848.
Cesare Lepori, in Dulletino della soc. entomol. Italiana. 1869.
De drie laatsgenoemde schrijvers «sopra l’organo sonoro delle
Cicale » zijn mij echter niet bekend in originali, maar ik vind die
met lof geciteerd en gerefereerd door
Paul Mayer, in het Zeitschrift für wissenschaftl. Zoologie van
von Siebold, Band XXVIII. 1877.
G. Carlet, in Annales des Sciences naturelles, Zoologie T. V. 1877.
DE PLAATS VAN HET KLANK-TOESTEL.
Voorloopig de daartoe behoorende ademhalingswerktuigen buiten
beschouwing latende, wordt het alleen bij de mannelijke Cicaden ,
— zooals algemeen bekend is, kunnen hunne wijfjes niet «zingen », —
aangetroffen in eene eigene ruimte tusschen den achterrand van
den metathorax en het eigenlijk gezegde, bewegelijke achterlijf,
die gevormd blijkt te zijn door de twee voorste of eerste, gemeta-
morphoseerde, als aan elkaàr geklonken, onderling geheel onbe-
wegelijk geworden , abdominaal-segmenten of ringen.
1) Dit werkje schijnt zeldzaam. Na vele vruchtelooze pogingen ben ik voor
eenige jaren eindelijk geslaagd, er een exemplaar van te bemachtigen, door be-
zorging van wijlen onzen verdienstelijken antiquarius Frederik Muller.
DEN ZANG EN DEN SCIIREEUW DER CICADEN. 183
Het is bilateraal en vertoont, van uit de ondervlakte des lichaams
gezien, na verwijdering der bedeksels van buiten en der verbin-
dingsvliesjes van binnen, nu eens meer dan weder minder duidelijk
in het oog springende naar de soorten, aan beide zijden syme-
trische holten of liever deels verbonden afperkingen !), waarvan de
wanden in vorm en richting zeer uiteenloopen, te weten eene dus
te noemen, van weerszijden samenvloeiende , groote cavitas thoracico-
abdominalis, eene dubbele, veeltijds tetraëdrische, cavitas suboper-
cularis en eene, insgelijks aan beide zijden voorkomende, cavitas
lateralis, die ook wel de «sonora» of «la cellule» (Réaumur) of
«la caverne» (Carlet) wordt geheeten, de eerste naam wegens het
klank-orgaan, dat daarin buitenwaarts besloten is.
DE ANATOMIE DER KLANK-ORGANEN.
Zonder hen voorloopig nog in hoofd- en hulp-organen te onder-
scheiden, — waarover nader bij den zang zelven, — doch onder
de laatsten hier reeds de respiratie-werktuigen mede opnemende,
verdienen de volgende deelen afzonderlijke vermelding, als: de
muziekklep, de trochanter, het schut- of dekblad, het
gele vlies, het diaphragma, de spiegel, de tamboerijn,
de muziekspier cum annexis, de stigmata cum appendicibus,
de buikholte en eindelijk het blaasje van Brauer (?).
De muziekkleppen (hoornkleppen, opercula, « plaques écail-
leuses» of «volets» van Réaumur) zijn vrij dunne, als ’t ware
lederachtige platen, uit eene verdubbeling der opperhuid bestaande,
die zich van den beneden-achterrand van den metathorax, in
horizontale richting, over het zangtoestel en veeltijds ook over een
kleiner of grooter getal der andere buikringen uitstrekken en,
naar de soort, niet slechts in lengte, maar ook in breedte en
vorm, — langwerpig eirond of halfmaansgewijze driehoekig, —
alsmede in kleur, — geelachtig, licht of donkerbruin , groen , enz. , —
1) Ofschoon wel wat uitvoerig vond ik deze holten nog het best beschreven
door Carlet; doch zij zijn voor het overige bij alle soorten niet altijd zoo dui-
delijk te onderscheiden. Vooral bestaat groote verscheidenheid in de z.g. cavitas
subopercularis,
184 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN,
kunnen verschillen. Overigens geheel vrij, zijn zij aan hare basis,
beneden het derde pootpaar, stevig en weinig of niet bewegelijk ,
zonder scharniergeleding, aan het borststuk bevestigd.
Boven haar, in hare onmiddellijke nabijheid, bevinden zich onder
aan het femur of liever aan de bijheup der genoemde pooten, nu
eens grootere, dan kleinere, doornvormige uitsteeksels, — de zoo-
genaamde trochanteres (de «chévilles (?) en épine» van
Réaumur), — met hunnen scherpen top „gericht naar den binnen-
kant van de basis der muziekklep, schuin daaroverheen stekende,
doch, in den regel, zonder die aan te raken.
Aan de buitenzijde van iedere muziekklep verheft zich, in verti-
cale richting, van uit den tweeden abdominaal-ring, daaraan vast-
zittend doch naar voren vrij, het schutblad of dekblad !),
als eene harde, deels hoornachtige, schubvormige. geheel onbewe-
gelijke apophyse of huidplaat, blijkbaar met de muziekkleppen van
onderen, tot nu eens meer, dan minder volkomen zijwaartsche
bescherming of bedekking van de inwendige klank-organen
dienende.
De muziekkleppen teruggeslagen of verwijderd zijnde, ontwaart
men aan haren voet, van de eene zijde van den eersten abdomi-
naal-ring tot de andere, — in transversale richting of als een
langwerpigen vierhoek, — een eigenaardig vezelachtig bindvliesje,
het, soms echter slechts witgrijze, gele vlies (de «membrane
flexible» of « plissee» der Fransche schrijvers; de « weiche Haut »
van Carus, ook «muskulòse » genoemd door Brandt en Ratzeburg;
de «membrana gialliccia » van Lepori). Dit is, in tegenstelling der
andere membranen, zacht of week en geheel ondoorschijnend; het
vertoont meerdere of mindere dwarsplooien, en wordt in de eene
soort veel sterker ot breeder ontwikkeld dan in de andere aange-
troffen. Het overdekt de groote cavitas thoracica, het verbindt
den metathorax met het eerste buik-segment, en bezit, volgens
Carlet (zie de kritische toelichting in fine) eigene spierbundeltjes
1) Dit wordt wegens deze benaming, die overigens juist is, wel eens verward
met de muziekklep, dan ook en met evenveel recht als „dekblad” voor-
gesteld. Carlet noemt het liever de „apophyse de la caverne”.
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 185
z00 aan de buiten- als binnenzijde, die op den meerderen of minderen
graad van spanning van dit vlies invloed zouden kunnen uitoefenen.
Wanneer men dit vlies weg-praepareert, ziet men bovenwaarts,
na het verwijderen van de spieren, bindvliezen en tracheeén, in
het midden van den wand der naborst, eene langwerpige spleet ,
«la fente médiane» van Carlet, reeds door Solier aangeduid,
doch door Mayer nader als diaphragma beschreven, welke tus-
schen haar en de bovenste klankholte gemeenschap blijkt toe te
laten.
In de benedenwaarts tegenovergestelde richting en aldaar de
cavitas subopercularis, — die bij eenige soorten veel ruimer en
duidelijker afgebakend is dan bij anderen, — afsluitende, valt
onmiddellijk beiderzijds een tweede, geheel anders bewerktuigd vlies
in het oog, in de zoogenaamde «ovale vensters» of het « entogaster »
van Carlet, in den tweeden, hoornachtig verbreeden abdominaal-
ring, onder een schuinen of hellenden stand, sterk uitgespannen,
de dusgenoemde spiegel (de «miroir» van Réaumur) '). Deze
is zeer dun, droog en bijzonder broos, glasachtig doorschijnend,
glinsterend, sterk en soms in concentrische ringen iridesceerend ,
effen of glad, en wordt door sommigen structuurloos geacht, door
anderen gezegd te bestaan uit bindweefsel, met enkele « epider-
moide » cellen bekleed. De vorm der spiegels is niet altijd ovaal,
maar meermalen circulair, of halfmaansgewijs, of ook wel min ot
meer triangulair, volgens de soorten. Veeltijds witgrijs, hebben
zij bij enkele soorten eene roode kleur, en vindt men hen ook
soms onregelmatig bruinzwart geaderd, als gepigmenteerd.
Het derde vlies, het meest belangrijke, dat ik de tamboerijn
zal noemen (de «tamburo» der Italiaansche schrijvers), draagt
ook onderscheidene andere benamingen, vooral die van «timbale » ot
pauk (Réaumur) en van tympanum of trommelvlies (Carus). Het
is hetzelfde als de «membrane sonore» der Fransche schrijvers,
het « gefältetes Häutlein » van Rösel en de « membrana pieghettata »
1) De spiegel wordt door de Fransche schrijvers soms ook „le tambour”
genoemd en van daar wel eens verward met onze tamboerijn. Zoo vond ik b. v.
van een „valschen” en , waren” trommel of tambour gewag gemaakt.
186 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN,
der Italianen !). Men ontwaart het buitenwaarts en ter zijde der
muziekkleppen, vooral na het oplichten van deze, en het treedt
geheel te voorschijn bij het verwijderen der dekbladen, die er
parallel mede verloopen. Soms springt het ook, zonder dat iets
behoeft weggenomen te worden, voor een grooter of kleiner ge-
deelte (naar de soorten) onmiddellijk in het oog, zijnde het dan bij
sommigen ter zijde alleen door de vleugel-basis verdekt. Zelfs heb
ik het bij enkele anderen van tropischen oorsprong, als bij zeld-
2
zame afwijking, aan de bovenvlakte van den rug onbedekt ge-
vonden, met eene dan niet zijwaarts, maar ter gezegde plaatse
aan weerskanten geheel openstaande « cavitas sonora». Het is in
een’ nagenoeg verticalen stand ingeraamd in een’ stevigen, ovalairen
chitine- of «hoorn »-ring, zijwaarts tusschen het eerste en tweede
abdominaal-segment. De tamboerijn heeft eene elliptische of eivor-
mige gedaante en is naar buiten gewelfd of convex, van binnen
schulpvormig uitgehold of concaaf; zij bezit een wel droog en broos
opperhuids-weefsel, doch op verre na niet zoo broos als de spiegels;
ook is zij weinig of niet, slechts half, doorschijnend, maar veel
dikker en perkamentachtig; zij wordt bovendien versterkt door
verscheidene, ten getale van 5 à 10 naar de soorten, van voren naar
achteren nagenoeg parallel verloopende, harde of vaste, zeer veerkrach-
tige, als «kraakbeenige» (Reaumur) , liever baleinachtige, donker-
bruin gekleurde, min of meer snaarvormige chitine-ribbetjes
of balkjes, waardoor zij een deels geplooid, deels halfblaasvormig
buitenwaarts gebogen aanzien verkrijgt. Veelal van eene grijsgele
kleur, worden bij enkele soorten ook min of meer rood- of groen-
achtig gekleurde tamboerijn-vliezen aangetroffen.
De muziek-spier, — de « toon-», « klank-» of « geluid-»spier,
ook wel, zoo physiologisch als anatomisch niet geheel juist, « tensor
1) Ik heb geaarzeld tusschen het aannemen der benaming van trommelvlies
in plaats van tamboerijn, doch de laatste, als meer op een muziek-instrument
van toepassing, verkozen, terwijl de eerste meer in anatomisch gebruik is voor
het tympanum van het gehoor-orgaan. Toegegeven moet echter worden, dat ook
de naam van tamboerijn oneigenlijk is, zooals dan ook hier de nomenclatuur in
het algemeen te wenschen overlaat.
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 187
tympani», doch juister, volgens Carlet, ook « tamboerijn-spier » 2
genoemd, — is van een nu eens geheel cylindrischen, dan eens
meer geknot-conischen vorm. Veelal aan de beide uiteinden iets
verbreed, kan men aan deze spier soms twee ten deele vereenigde
groote of hoofdstammen, en altijd vele afzonderlijke, kleine lineaire
langsbundels onderscheiden. Met betrekking tot het insect zelf is
zij opvallend dik of breed, sterk ontwikkeld, b. v. bij C. plebeja
van 6 op 5 millim. (Carlet) , en donkerder bruin (zelfs zwartachtig) van.
kleur dan de gewone spieren. In het midden van het apparaat
gezeteld, ontspringt zij, — ter weerszijde ééne, en te zamen eene
V vormende, — van een driehoekig uitsteeksel of kam, door Carus
«abdominaal-sternum», door Carlet «crête entogastrique » ge-
heeten, uit het midden van de verbindingsplaats der ovale vensters
en verloopt rakelings langs den binnenrand der ovale spiegelven-
sters, en daaraan door teedere bind- (?) of structuurlooze vliesjes
verbonden, in eene soms meer, soms minder sterke schuine,
buiten- en bovenwaartsche richting, naar de holle voor-binnenzijde
van de tamboerijn. Zoowel aan het punt van oorsprong als vooral
aan dat van inplanting zijn de spier-fibrillen, — wier dwars ge-
streepte structuur mij bij microscopische nasporing, onder ver-
gelijking met de overige willekeurige spieren, ten duidelijkste is
gebleken ?), — vereenigd met een dwars daarop als ’t ware aan-
gekleefd, ovaal of elliptisch chitine-lamelletje, waarvan echter alleen
het voorste of bovenste algemeen als het hoornplaatje, of bij
de Franschen meer als het peesplaatje (cla plaque cartilagi-
neuse» of «tendineuse ») bekend is. Immers uit eene centrale ver-
dieping aan de bovenvlakte van dit plaatje ontspringt steeds een
vrij stevig, schijnbaar driehoekig of kegelvormig z. g. peesje 3),
dat zich (volgens Mayer met eene ringvormige uitholling) min of
1) Eigenlijk zijn „muscle moteur de la timbale”.
2) Ik achtte dif onderzoek dezer spier slechts hierom niet geheel overbodig,
dewijl zij volgens Landois, als „sterk chitinisirt”, uit „Chitin-Stäbchen” zou
bestaan en dus geen contractiliteit zou bezitten!
8) Of hierin inderdaad veerkrachtig (pees-)weefsel voorkomt, heb ik niet
microscopisch kunnen constateeren. Ik kon het er niet vinden.
188 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN,
meer excentrisch, naar voren aan een of meer der ribbetjes van
de tamboerijn inplant. Bovendien vond ik, even als Réaumur en
Carlet, meermalen, wat echter niet. algemeen wordt vermeld, dat
behalve dit «peesje», nevens hetzelve nog andere dunvliezige
draadvormige verbindingen bestaan van het peesplaatje met de
tamboerijn, alsmede met den onderrand van haren hoornring.
Ten slotte verdienen voor ons onderwerp de stigmata der
Cicaden eene zeer bijzondere vermelding. Eerst van lieverlede en niet
dan na veelvuldige oefening is het mij gelukt, daarover tot een
helder inzicht te geraken, vooral na mijn eigen onderzoek aan de
nauwkeurige aanwijzingen van P. Mayer te hebben getoetst en
dienvolgens uitgebreid. Inderdaad kan men zeggen, dat al deze
uitwendige openingen der ademhalings-organen, — van welke 10
paren worden onderscheiden, — iets opmerkenswaardigs bezitten,
Zelfs de overigens gewone, kleine, niet tot het klank-apparaat
behoorende, buik-stigmata zijn eigenaardig. Hunne 5 paren
namelijk hebben niet alleen zeer nauwe mondjes, maar deze vond
ik, zooals door Carus het eerst en terecht is aangegeven, boven-
dien in den regel door eene witte, als meelachtige stof, oogen-
schijnlijk althans, schier geheel gesloten, als ’t ware verstopt.
De overige daarentegen, — die ik de groote stigmata zal
noemen, — vertoonen bij een’ afwijkenden vorm, meerendeels eene
buitengewone ontwikkeling. Deze kunnen verdeeld worden in 5
paren, waarvan twee paren buiten aan den thorax en de drie
andere binnen de klankholten, allen meer of minder zijwaarts»
aan de ondervlakte van het lichaam gelegen zijn.
Het eerste paar, vrij diep onder eene als episternite uitstekende,
driehoekige epidermis-schub verscholen , komt uitwendig op de onder-
grens van den prothorax voor, doch heb ik dit niet altijd zoo
duidelijk en in zijn geheel kunnen isoleeren als de volgende.
Het tweede paar bevindt zich, mede van buiten, onderaan en in
den zijwand van den mesothorax, en valt het meest van allen in
het oog, even boven de inplanting der muziekklep, insgelijks door
eene, iets grootere episternite ten deele verdekt. Het hiertoe be-
hoorende stigma is, naar ik meen, het eerst door Solier, ook in
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 189
vivo, waargenomen, en ik zal het dus naar hem het stigma
van Solier noemen !).
Het derde paar wordt inwendig gevonden binnen de klankholte,
na het verwijderen of geheel en al omslaan der muziekklep, vlak
bij hare basis, insgelijks onder eene kleine episternite, aan den
beneden-achterrand van den metathorax, tusschen dezen en het
gele vlies, zijwaarts in de onmiddellijke nabijheid van de tamboerijn.
Deszelfs stigma is tegenwoordig algemeen vermaard als het « Schrill-
stigma van Landois», doch acht ik mij ten volle gerechtigd, daar-
voor, naar zijn’ veel vroegeren ontdekker, de benaming van het
stigma van Garus voor te stellen.
Deze drie paren der groote stigmata, inzonderheid het tweede
en derde, beschouw ik als de belangrijkste, ook in zooverre als zij
het best onderzocht zijn en als onderling eene groote overeenkomst
vertoonende. Zij bezitten eene vrij ruime opening of langsspleet,
waarboven zich, ter weerszijde, een half ovaal of bolvormig ge-
welfd, geelkleurig klepje, het eene iets grooter dan het andere,
en ook alleen bewegelijk, als eene valvula, met fijne lange gele
haartjes of ciliën omrand, verheft, en waarlangs benedenwaarts
of in de diepte, een in de lengte geplooid of gestreept, dun, wit-
grijs, zacht vliesje, de stemband van Landois, is uitgespannen ,
dat echter eerst goed zichtbaar wordt nadat het stigma in zijn ge-
heel is uitgenomen, en nadat het voor het opsporen der plooien onder
de lens of den microscoop is gebracht. In de bestaande afbeeldingen
dezer groote stigmata vindt men dit « vliesje », zoowel door Carus als
door Landois, veel duidelijker voorgesteld, dan de daarboven zich
buitenwaarts verheffende «klepjes», die toch niet minder kenmer-
kend gevormd zijn, en zich reeds aan het bloote oog vertoonen,
zeer juist door Carlet met een ooglid of palpebra te vergelijken.
Het vierde, ook inwendige paar, — met het vorige reeds aan
1) Volkomen zeker ben ik echter niet, of Solier dit dan wel het volgende
stigma bedoelt. Vooral grond ik de boven aangenomen meening op zijne beschrij-
vingen omtrent het duidelijk zien der bewegingen van deszelfs valvulae, zonder
daarbij op te geven, of hij vooraf de muziekkleppen had verwijderd, hetgeen
daartoe voor het derde stigma, althans bij C. plebeja, wordt vereischt, alsmede
op die omtrent deszelfs uitmonding (zie de volgende bladz.).
190 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN ,
Carus bekend, doch door Mayer en Carlet duidelijker beschreven, —
is gezeteld in den wand der ovale vensters, nevens de spiegels,
nabij den oorsprong der muziekspier, die daardoor van tracheeén,
schijnt te worden voorzien.
Het vijfde, ook nog tot het klank-apparaat behoorende paar,
komt voor aan de basis van het dekblad.
Van deze beide stigmata heb ik wel de ronde, als hoornachtige
openingen, soms met aanhangende tracheaal-vliesjes, gevonden,
maar daaraan komen de bovenbeschreven « klepjes» niet voor.
Hunne tracheeén zelve mocht het mij niet gelukken, verder
dan enkele millimeters van af den binnenkant der stigmata, in de
borst- en muziekholten te vervolgen. Solier is van meening, dat
zijn stigma, zonder luchtbuis (?), toegang tot het borststuk ver-
leent !). Carus daarentegen wil gevonden hebben, dat het zijne
binnenwaarts uitmondt in eene tracheale verwijding of lucht-
blaas, die zich van uit de klankholte, door eene benedenwaartsche
spleet, zelfs tot in de eigenlijke buikholte, als een «accessoire
luchtzak », zou voortzetten. Overigens kan men duidelijk kleine,
witte tracheeën-vertakkingen langs de binnenwanden der muziek-
holten zien verloopen, en wil Carus daarvan, microscopisch, eind-
takjes door de tamboerijn verspreid hebben gezien.
Wat de buikholte betreft, is het velen onderzoekers, o. a.
Carus, Tozzetti en Mayer, even als mij opgevallen, dat deze bij de
mannelijke Cicaden, in den regel, nagenoeg geheel ledig en op eene
bevreemdende wijze hol wordt bevonden. Bij de opening treft men
daarin niets aan dan lucht en de geatrophiëerde intestina tegen
de drooge buikwanden aangekleefd, mitsgaders de inwendige genitaal-
organen benedenwaarts, naar het uiteinde van den apex , verdrongen.
Een paar malen ook vond ik daarin een, van de spiegels naar
achteren verloopend, zeer broos vliesachtig zakje, als van zeer dun,
grijsachtig postpapier , de geheele bovenhelft der buikholte innemende,
1) „Tl débouche de chaque côté immédiatement dans la cavité thora-
cique, mettant ainsi cette cavité en communication directe avec lair extérieur.”
l. c. p. 202. Ook Carlet getuigt zulks voor dit stigma (of voor dat van Carus)
gezien te hebben, ofschoon niet bij C. Aaematodes.
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. Ge
vermoedelijk een overblijfsel der bovenvermelde «luchtblaas »
van Carus.
Ten slotte vond ik nog kortelijk melding gemaakt van het
«blaasje van Brauer». Uit het oorspronkelijke is mij de be-
schrijving van dit «orgaantje» niet bekend, en bij mijne doode
exemplaren kon ik de aanwezigheid er van ook niet constateeren.
In de korte referaten daarover wordt het beschreven als een blaas-
vormig, door sterke «ribben» uitgespannen, vlies, dat alleen bij
de mannetjes, aan de basis der « bovenzijde » van het achterlijf, uit
eene ovale spleet te voorschijn zou treden !).
DE GELUIDEN DER CICADEN.
Door middel van eenige en door medewerking van andere der
genoemde organen zijn de mannelijke Cicaden in staat, betrekkelijk
vrij sterke geluiden te weeg te brengen. Zij kunnen (zooals zulks
alleen door het algemeen spraakgebruik gewettigd wordt) «zingen»
en «schreeuwen».
De zang. Zonder mij op het muzicale gebied te wagen, daar
ik nimmer levende Cicaden heb gehoord, doch voorgelicht door de
vele schriften over dit onderwerp, is het mij gebleken, dat de
zang hier niet als eene onveranderlijke of standvastige grootheid
mag worden voorgesteld, niettegenstaande de overeenkomst der
hoofd-toonwerktuigen. Waarschijnlijk gelijken tred houdende met
meer dan eene morphologische wijziging in dezen en de hulp-
organen, kan de klank, bij de sterk uiteenloopende, zoowel zeer
kleine als bijzonder groote soorten, aanmerkelijke verscheidenheden
opleveren, niet slechts in kracht, maar ook in modulatie en timbre,
de laatste bovendien gewijzigd door den individueelen indruk op
het menschelijk gehoor. Terwijl sommige, zelfs de meeste bericht-
evers, met den heer Gratama, den zoogenaamden «zane» der
9 ? © €
1) Indien hier door Brauer niet uitdrukkelijk werd bijgevoegd: „so auffal-
lend das Gebilde ist, so würde es bisjetzt gänzlich übersehen” (zie P. Mayer
Le. 8. 81), zou ik in verzoeking geraken, om dit „orgaan” eenvoudig te be-
schouwen als een gedeelte van de tamboerijn, zooals die werkelijk bij enkele
soorten, voor een deel, van boven aan beide zijden, op den rug van het abdomen,
vrij in het oog valt. Zie hiervoren, blz. 186, van boven.
192 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN,
Cicaden onaangenaam, ja leelijk vinden, of dien scherp en schril
noemen, en reeds Réaumur er van vermeldt: «qu’il ne plait pas
toujours», wordt deze door anderen, b. v. Landois, als «etwas
ungemein sanftes und rührendes» geprezen. Vindt men bij de oude
Grieken deze muziek, even als iets liefelijks, met het snaargeluid
van harpen of cithers vergeleken, of later die van C. tibicen L.
met het gekweel eener fluit, anderen meenden daarin het monotone
van lierklanken te herkennen, zooals bij C. /yricen L. en bij eene
mij onbekende Surinaamsche soort, misschien wel dezelfde, die te
Paramaribo bij het volk als de «liereman » te boek staat !). Dat
dit geluid bij sommige tropische species geheel anders is dan bij
de meeste Europeesche, staat vast en verklaart de omstandigheid ,
dat sommige auteurs het als snerpend, snorrend of gonzend, anderen
het als gillend, nog anderen het als sissend beschrijven. De grond-
geluiden vindt men dan ook voorgesteld, als nu eens met de tong-
klanken sit, sis, dzis, dan weder met den keelklank gwir het meest
overeenkomende, allen echter stootend of bevend, in zeer snellen
korten rythmus, uitgestooten. Bij verscheidene soorten schijnt slechts
één ?), bij anderen twee of meer toonen te kunnen worden onder-
scheiden, gelijk door Landois voor C. montana en C. septemdecim,
in verschillend notenschrift , wordt aangeduid.
De schreeuw. Onafhankelijk van het «zingen», doch soms
onmiddellijk na het eindigen daarvan en bij het wegvliegen in de
vrije natuur, wordt nog een ander geluid vernomen, hetgeen
minder algemeen bekend schijnt, te weten eene soort van min ot
meer fluitenden, korten schreeuw of gil, welke laatste men
ook, ofschoon beide niet altijd en niet bij alle soorten, bij
proef-cicaden, door deze opzettelijk te plagen of te pijnigen, wille-
1) Intusschen zouden daar te lande ook eenige z. g. lantaarndragers of
Fulgorina, aan de Cicaden verwant, kunnen „zingen”, doch niet zeer fraai; hun
geluid werd in een oud boek, dat ik vergat te noteeren, vergeleken bij dat van
een’ schaarslijper.
2) Van de cigale commune (C. plebeja?) schrijft Solier: „le chant est
tremblottant, composé d’une seule note, repetée très-rapidement” 1. c. p. 212.
Ook Mayer onderscheidde bij €. Orni slechts een enkelen toon 1.c. 8.89. Aicard
echter gewaagt, in zijne Souvenirs de Provence, van eene „strophe à double echo”.
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 193
keurig kan uitlokken. Ofschoon de schreeuw (le «cri ») dus in
zekeren zin van den zang (le «chant», la «stridulation ») moet
worden onderscheiden, houdt Solier, aan wien deze laatste opgave
is ontleend, zich op grond zijner waar- en proefnemingen over-
tuigd, dat beide door dezelfde organen worden voort-
gebracht !).
Betrekkelijk de sterkte van deze geluiden, bepaald van den
zang, die zich het sterkst, volgens sommigen onjuist, alleen over
dag laat hooren, komt mede, zeker insgelijks naar het verschil
der species, verscheidenheid in de opgaven voor. Volgens Acrelius,
door De Geer als zegsman aangehaald, kan die soms nog op eenige
honderd passen afstands worden gehoord, terwijl zelfs Newport en
Hancock van Braziliaansche Cicaden beweren, dat men haar ge-
zang op eene distantie, volgens den eenen van een vierden, vol-
gens den anderen zelfs van een geheelen Engelschen mijl, op een
stillen avond, kan vernemen. Kirby merkt omtrent deze laatste
schatting op, dat indien men eene zoodanige geluidsterkte eens
op den mensch overbracht, d. 1. als men diens stemgeluid, naar
evenredigheid van beider lichaamsomvang , denkbeeldig in sterkte
kon laten toenemen, dit dan wel van de eene tot de andere Pool
zou „moeten weerklinken! Hij vergeet intusschen bij deze over-
drachtelijke voorstelling, dat er in de bovengenoemde mededeelingen
zeker geen sprake was van het geluid eener enkele Cicade (van
eene zoogenaamde « solo»), maar dat die betrekking hebben op het
zingen dezer insecten ten grooten getale, in sterke zangkoren,
zooals zulks in Zuid-Amerika, — onlangs vernam ik dit nog uit
den mond mijner dochter, voor de omstreken van Paramaribo, —
meermalen wordt waargenomen, en over een welker monster-
concerten, voor Cicada septemdecim uit Noord-Amerika, door Kalm
reeds in de vorige eeuw getuigd werd, dat men in hare nabijheid
1) „Si le cri me parait different du chant, je ne doute cependant pas,
„qu'ils ne soient das l’un et l’autre au même organe, mais que l’insecte
„peut seulement s'en servir pour produire à volonté un chant d’amour ou un
„eri de douleur”. 1. c. p. 205.
15
194 STUDIËN OVER DE KLANK-ORGANEN,
zoo hard mogelijk schreeuwen moest om elkaar te kunnen ver-
staan 1).
HET PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK DER KLANK-ORGANEN.
Ofschoon alleen de ontleedkundige nasporingen daarvan reeds
voorlang het gronddenkbeeld hunner wijze van werking hadden in
het licht gesteld, is het toch, wegens de latere toelichtingen van
hetzelve, noodzakelijk, de natuurkundige waarnemingen aan,
en de vele proeven op deze insecten, zoo aan doode als levende,
bij wijze van vivisectie, gedaan, vooraf in alle bijzonderheden na
te gaan.
De muziekkleppen. — By drukking van deze tegen den
buik wordt, bij zingende en schreeuwende Cicaden, het geluid iets
doffer, bij het opheffen er van, onder boven- of rugwaartsche be-
weging van het achterlijf, alsook na het wegsnijden der kleppen,
iets helderder (Goureau, Solier, Carlet); dit niet bij alle soorten
(Mayer).
Het dekblad. — Het afknippen daarvan maakt de klank
eenigszins duidelijker (Goureau); weder niet altijd (Mayer).
Het tergum. — Dit, — d. i. de rugvlakte van de muziek-
holte, — vertoont bij den zang, niet bij den enkelen schreeuw, voor
het bloote oog duidelijk zichtbare vibratién (Solier). Deze zijn zelfs
op den geheelen thorax ook voor het gevoel waarneembaar (Carlet).
De spiegels. — Men zag die bij het zingen, in oppervlakkige
dwarsche plooijen, vibreeren (Solier), zelfs zoo dat men lichte, er
op gestrooide, stofjes kon zien dansen (Carlet). Insnijding, door-
klieving, geheele verwijdering er van verzwakken het geluid, schoon
slechts onbeduidend (Solier, Carlet); anderen vonden zulks niet
bevestigd (Goureau, Lepori, Mayer).
Het gele vlies. — In- of doorgesneden, of in zijn geheel weg-
genomen *) zijnde, volgt slechts eene geringe wijziging in de ge-
1) Bij deze opgaven moet echter worden opgemerkt, dat het niet altijd vast
staat, of daaraan geen andere zang-insecten ten gronde liggen, of althans er
mede deel aan nemen.
2) In het geval van geheele wegneming levert deze proef tevens een
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 195
luidsterkte (Solier, Carlet); ook dit wordt, vermoedelijk voor eene
andere species, ontkend (Lepori).
De tamboerijn. — Bij pas gedroogde spiritus-exemplaren, —
bij droog opgezette is zij te broos, — geeft dit vlies een duidelijk
muzikalen, met den zang in minimo analogen toon, als men er
met eenig vast voorwerp in de dwarste overheen strijkt (Réaumur
en anderen), of vooral, — gelijk dit mij het best gelukte, —
als men het, van de buitenzijde drukkende, met een’ speldeknop
inbuigt («einknickt») en dan de drukking plotseling nalaat (Mayer).
Bij het zingen geraakt de tamboerijn niet alleen in trilling, maar
ondergaat zij in den regel eene afwisselende vormverandering , beur-
telings van convex meer of minder concaaf wordende en omgekeerd ,
een en ander des te duidelijker en sterker naarmate der intensiteit
van den zang (Goureau, Solier, Carlet, Mayer en anderen). Indien men
haar aan de buitenvlakte met olie besmeert , wordt het geluid niet
opgeheven, maar zwakker en lager, en verandert het timbre (Lepori).
Na insnijding of gedeeltelijke verminking, wordt het geluid zwakker;
geheele verwijdering der beide tamboerijnvliezen
doet het zingen en schreeuwen ten eenenmale ver-
stommen (Solier, Mayer).
De muziekspier. — Bij bezichtiging met eene sterke loupe
wil men hare snelle samentrekkingen gedurende het zingen hebben
gezien (Lepori en Carlet, tegen Solier en Mayer). Door mechanische
uitrekking of verschuiving van deze spier of haar peesje, alsmede
door eene wippende (basculeerende) verplaatsing van haar pees-
plaatje, kan, zoo bij levende als doode voorwerpen, een zwakke
klank worden voortgebracht, in toon-hoogte gelijk aan die van
den zang zelven !) (Réaumur, Carus, Solier, Mayer en anderen).
Insnijdingen in deze spier doen de geluidsterkte afnemen, geheele
bewijs tegen het „schrillen” van het derde stigma, aangezien dit dan veelal
mede zal worden verwijderd of aanmerkelijk beleedigd.
1) Solier zegt er van: „qu'on produit en petit le chant de la cigale” (1. c.
p. 208); Mayer getuigt daarbij: „und zwar genau in derselben Höhe, wie es
am lebenden Thiere ertönt” (1. c. S. 88). Mijn gehoor is niet scherp genoeg
meer, om ook dit te kunnen bevestigen.
196 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN,
doorsnijding aan beide zijden doet het zingen of
schreeuwen plotseling en voor goed ophouden (Mayer).
De stigmata. — Men kan bij het zingen en schreeuwen de
bewegelijke klepjes der groote stigmata, in het bijzonder die van
het tweede en derde paar, zien vibreeren of zich snel openen en
sluiten (Solier en Landois); intusschen verdient hierbij uitdruk-
kelijk vermelding, dat zulks, alleen onder iets mindere versnel-
ling, ook bij niet zingende of schreeuwende Cicaden, — als gewoon
ademhalingsverschijnsel, — is waargenomen (Solier, Carlet). Wanneer
men hunne openingen, met name die der « Schrill-stigmata van
Landois», vult of sluit door het op- en indruppelen van olie, ziet
men het dier wel (door ademnood) onrustig worden, doch er ont-
staat geen verandering in den zang of schreeuw (Lepori).
Het vrij krachtig inblazen van lucht in de bovenste muziekholte
door een dunnen koperen tubus, na het maken van eene kleine
daaraan geëvenredigde opening in het gele vlies, waarbij de lucht
door het tweede en derde stigma uitgedreven en alzoo eene kunst-
matig versterkte «uitademing» aangebracht wordt, is niet in
staat, op zich zelve, eenigen muzikalen toon voort te brengen
(mihi). Ik nam deze proef naar aanleiding van het Landois’sche
fluitje, uit een halm der Poa aquatica te vervaardigen, hetgeen hij
tot verklaring van de «laute, flötend-schrillende Ton » te hulp roept.
Het abdomen. — Bij het zingen, — doch niet bij het
schreeuwen (Solier), — is het van algemeene bekendheid, dat dit
lichaamsdeel zeer snelle, als bevende schommelingen vertoont,
immers bij de meeste species. Plotseling afknippen van deszelfs
bewegelijk gedeelte, — d. i. zonder de beide vaste bovenste seg-
menten mede te verwijderen, — veroorzaakt eene verzwakking
van den zang (Mayer). Te dezer plaatse moet ook nog de opmerk-
zaamheid worden gevestigd op eene, zij het dan ook enkele waar-
neming, waarin, bij eene schreeuwende Cicade, het doordringen
der «accessoire luchtblaas» van Carus tot diep in de buikholte
(wier wanden half doorschijnend kunnen zijn) schijnt gezien te
zijn door Solier, echter zonder het belang zijner observatie geheel
te hebben begrepen.
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 197
De vleugels. — Deze zijn bij den zang in de vrije natuur
niet in beweging (Goureau) en het afknippen daarvan brengt ook
geene wijziging in den zang of schreeuw te weeg (Solier).
WERKINGSWIJZE VAN HET KLANKTOESTEL.
Uit de voorafgegane anatomische, physiologische en experimenteele
gegevens, met elkaar in verband beschouwd, komt men reeds als
van zelf tot de voorstelling der oorzaken , door welke bij deze insecten
betrekkelijk zoo buitengewoon krachtige geluids-effecten kunnen
worden voortgebracht, en tot de gevolgtrekking , dat het Cicaden-
gezang de resultante is der samenwerking van onderscheidene fac-
toren, te weten van
twee bijzondere hoofd-organen,
enkele hulpwerktuigen; en
den algemeenen lichaamsbouw.
4°. Als hoofd-organen dienen zonder tegenspraak de m uz iek-
spier en de tamboerijn, reeds door Réaumur als zoodanig
geduid. Uit den omvang, den oorsprong, de inplantingen en de
richting dezer spier blijkt, — zooals nog niet door alle schrijvers
over het onderwerp helder werd ingezien, — dat hare samen”
trekking eene meervoudige werking uitoefent: als vooreerst , snelle
rhytmische vormveranderingen van de tamboerijn; ten tweede,
daarmede in snelheid gelijken tred houdende, op- en nedergaande
bewegingen van het achterlijf; en in de derde plaats, aan beiden
evenredige, afwisselende samendrukking en uitzetting, of althans
verplaatsing, in- en uittreden, der lucht in de klankholten. Bij
de eersten verwekt het binnenwaarts getrokken tamboerijnvlies ,
telkenmale wanneer dit, bij iedere spierontspanning , plotseling
door den terugslag der veerkrachtige ribbetjes, zijne welving her-
neemt, een helderen klank, analoog aan dien van eene ingedrukte
en weder uitspringende dunne metaalplaat 1).
9°. Als zoogenaamde hulpwerktu igen hebben de spie-
1) Door Carus wordt Casserius geciteerd, als reeds in 1600 dezen klank met
het geruisch van een blad klatergoud te hebben vergeleken,
198 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN,
gels, het gele vlies en de muziekkleppen slechts eene
ondergeschikte beteekenis; de eersten door mede-trillen en klinken,
de laatsten ook door wijziging van het geluid; doch komen de
groote stigmata met hunne aanhangsels met meer recht als
zoodanig in aanmerking.
Door de buitengewone ontwikkeling der drie eerste paren van
deze, hunne eigenaardige plaatsing en vermoedelijken samenhang
met bijzondere tracheeén-verwijdingen, worden de naborst-, de
klank- en ten deele ook de buik-holten hier zoo rijkelijk voorzien
van en gevuld met dampkringslucht, dat de bekende invloed daar-
van op het versterken der klanken, ook van de tamboerijn, niet
kan worden ontkend. Daarenboven kunnen zij, doch slechts be-
trekkelijk voor sommige soorten, met Carlet beschouwd worden
als veiligheidskleppen voor de teedere klankvliezen, door het even-
wicht te bewaren tusschen de luchtdrukking buiten en binnen de
muziekholten, volgens hem in analogie met de functie der Eusta-
chiaansche buizen van het middeloor.
In hoeverre het geluid door de muziekkleppen kan worden ge-
wijzigd of getemperd, staat minder vast. Mij schijnen zij, althans bij
de soorten waar ze in omvang en nauwe aansluiting uitmunten , daar-
toe wel iets te kunnen bijdragen. Ten gevolge toch van het vergrooten
of verkleinen van den afstand tusschen haar en het achterlijf, bij
de op- en nederwaartsche plaatsverandering daarvan, zal de lucht
uit de muziekholte bij afwisseling vrijer of moeilijker langs hare
randen uitstroomen en het tamboerijngeluid iets helderder of doffer
kunnen worden !).
Behalve dat deze kleppen, bij de meeste species ten minste,
voorts tot bedekking en bescherming der hoofd-organen dienen,
bedwingen zij zeker ook de soms te sterke uitslagen van het achterlijf
naar beneden, bij het vurige zingen. Deze voorstelling van hare
nuttige bijwerking is meer aannemelijk dan die van Réaumur,
Goureau en anderen, alsof de daarbij ontstaande drukking op de
kleppen, op hare beurt, in toom wordt gehouden door den tegen-
1) Carlet schrijft daaraan zelfs het rhytmische van den zang toe.
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 199
stand van de trochanteres der achterpooten. Immers Solier heeft
bij den zang, ook in de vrije natuur, nooit kunnen waarnemen,
dat die met de kleppen in aanraking kwamen !). Den naam van
muzieksleutels (les «clefs») acht hij alzoo op hen niet van toepas-
sing; wel helt hij over tot het gevoelen, om de muziekkleppen
zelve, zij het dan ook in meer passieven zin, als zoodanig te be-
schouwen.
3°. De lichaamsbouw in het algemeen is ongetwijfeld van
grooten invloed ter verklaring der sterkte van het geluid bij het
zingen en schreeuwen der Cicaden. Carus vooral heeft deze, in
tegenoverstelling van vele andere insecten, onder vergelijking met
de Locustiden, doch in nog hoogere mate, wegens het ongemeen
overwicht der ademhalings-organen, als ware «luchtdieren » doen
kennen, bij welke hier zelfs de buikholte op bevreemdende wijze
grootendeels met lucht is gevuld. Daarenboven zijn de uitwendige
bekleedselen en bedekselen, de wanden, de ringen, de tusschen-
schotten, de vensters, zelfs de peesplaatjes, bijzonder rijk aan min
of meer veerkrachtig hoorn- en chitine-weefsel, en verkeeren de
vliezige organen allen, met inbegrip hunner verbindingsvliezen ,
doch met uitzondering van het gele vlies, in een buitengewonen
droogen, deels glasachtig broozen toestand en in een hoogen graad
van spanning.
In deze eigenaardige bewerktuiging en structuur-verhouding moet
zeker de hoofdvoorwaarde worden gezocht, onder welke een zoo
zwakke, ofschoon hooge toon, als door de trillingen der betrekkelijk
teedere tamboerijn wordt opgewekt, hier ten gevolge van het mede-
trillen en resonneeren der lucht en der omringende vaste deelen ,
— als ’t ware bij den zangbodem eener viool of bas ?), — eene
1) Dit moet echter wel zeer moeilijk zijn waar te nemen, vooral bij enkele
soorten, waar de top of het einde van den trochanter vlak bij de muziekklep
geplaatst is.
2) Ons medelid Guicherit gaf het denkbeeld aan eener oppervlakkige verge-
lijking met onzen z. g. „rommelpot” (Duitsch „Rumpel”, Engelsch „rum-
blingpot”), waarbij dan de pot de klankholte, de blaas de tamboerijn en de
stok de muziekspier zouden vertegenwoordigen. Wij laten zulks geheel over aan
de welwillende beoordeeling der musici onder de zoologen,
200 STUDIÈN OVER DE KLANK-ORGANEN,
zoo intensieve geluidsterkte kan erlangen, als waarvan bij de Gicaden-
concerten, vooral in de tropische gewesten, gewag wordt gemaakt.
DE WIJFJES-CICADEN.
De gegeven verklaring van den zang der Cicaden, ofschoon
weinig grond tot twijfel overlatende, wordt nog in hooge mate
bevestigd door het vergelijkend ontleedkundig onderzoek hunner
«stomme» wijfjes.
Bij deze bestaan in de, mede aan elkaar gesoldeerde, bovenste
buikringen, die echter overigens met de volgende nagenoeg in
vorm overeenkomen, geene eigenlijk gezegde holten, en ter zijde
worden die ook in den regel door geene dek- of schutbladen be-
grensd (slechts bij uitzondering vond ik daarvan een onduidelijk
spoor), terwijl het abdomen in de volgende segmenten niet ledig
en met lucht, maar met ingewanden en ovula gevuld wordt be-
vonden. Van de trochanteres, de muziekkleppen, de spiegels met
hunne ovale vensters, de gele vliesjes, — deze zonder de span-
spiertjes van Carlet, — worden min of meer duidelijke, in vorm
gewijzigde, grootere of kleinere rudimenten, en van de tamboerijn
niet veel meer dan een, met de uitwendige bekleedselen vergroeid
of ineengesmolten, spoor aangetroffen, als eene geribde schubvor-
mige uitholling 1); doch wat het meest kenmerkend is, bij allen
ontbreekt de muziekspier ten eenenmale!
Daarentegen bezitten zij, in overeenkomstigen vorm en op ge-
lijke plaatsen wel de groote stigmata met hunne aanhangsels, in
ontwikkeling voor die bij de mannetjes, in den regel, slechts
weinig onderdoende, waarvan ook ik mij, met Mayer en Carlet,
1) Het is mij, die dozijnen van zeer verschillende Cicaden heb onderzocht,
volstrekt onverklaarbaar, hoe Landois, — en hij alleen, — in Thierstimme
S. 33, kan, — ik zou geneigd zijn te zeggen, durft, — verklaren : bij de wijfjes
de tamboerijn (das , Trommelhiutchen”) met hare ,, Falten”, met hare ,, Horn-
ringe” en met hare „überliegende Klappe”, op eene analoge , Stelle” en in
dezelfde , Lage” te hebben „ wiedergefunden” als bij de mannetjes!! Voor den
oningewijde werpt hij in die opgave, als met voordacht, een valsch licht over
den waren toestand, dien hij, slechts voor den zaakkundige waarneembaar, even
laat doorschemeren in de eindwoorden, dat dit orgaan hier „in die Körper-
haut eingesenkt ist”. (sic).
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 201
— voornamelijk voor het « Schrill-stigma » van Carus (Landois) en
dat van Solier, — bij de meest voorkomende soorten heb overtuigd.
De afwezigheid en onvolledigheid alzoo der klank-organen , eener-
zijds, de aanwezigheid der stigmata, ter andere zijde, bij de Cicaden-
wijfjes, strekken reeds op zich zelve ten bewijze, dat de eersten
uitsluitend dienen voor de z. g. muziek der mannetjes-Cicaden ,
de laatsten, gelijk overal, voor de ademhaling bij beide sexen,
alleen met eenig overwicht van deze verrichting voor de manne-
lijke, wegens hunne medewerking bij den zang.
KRITISCHE TOELICHTINGEN.
Zoo tot beter begrip der geschiedenis van het onderwerp, als
om daardoor ook hier ter plaatse het mijne toe te brengen tot ver-
dediging der «oude» theorie van Réaumur tegen de «nieuwe»
van Landois, acht ik het volgende overzicht mede niet van weten-
schappelijk belang ontbloot. Immers zonder algemeene bestrijding
van de laatste theorie, ware het licht mogelijk, dat zij door hare
schoonschijnende eenvoudigheid, zooals hier en daar, op het voet-
spoor van Darwin, bereids het geval was, feitelijk in de dierkundige
handboeken, ook de onze, als die van een waar « stem »-orgaan, het
burgerrecht zou verkrijgen, gelijk in vroegere jaren de onjuiste
hypothese van Rösel, over de werkingswijze van het muziekpeesje ,
in een zoologisch leerboek, dat van Oken, was overgegaan.
Réaumur (1741). — Het is een wel opmerkelijk feit, dat
de door dezen gemaakte gevolgtrekkingen uit zijne alleen aan doode
voorwerpen bewerkstelligde, doch algemeen als bijzonder schoon en
nauwkeurig geprezen nasporingen , sedert, ook voor levende Cicaden ,
door alle volgende natuuronderzoekers, — Landois alleen uitge-
zonderd, — althans wat de cardo quaestionis betreft, in meerdere
of mindere mate zijn gedeeld geworden, zooals ze voor de hoofd-
zaken hiervoren zijn beschreven. Onder eenige andere bijzonder-
heden, die aan zijn onderzoek waren ontsnapt en eerst later bekend
zijn gemaakt, behoort vooral de belangrijke nevenrol, hier door
de ademhalings-organen vervuld, gelijk die door Carus, grooten-
deels langs den anatomischen weg, is ontdekt, daarna door Solier,
202 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN,
meer physiologisch is toegelicht, en laatstelijk door Landois, hoofd-
zakelijk op histiologischen grondslag, met overdrijving is voor-
gesteld.
Rösel (1749). — Ook diens onderzoek , dat van zijn’ voorganger
bevestigende, munt uit door groote nauwkeurigheid, inzonderheid
door zijne teekeningen, meerendeels die van Réaumur nog ver-
duidelijkende. In de « Ergänzung » van diens arbeid heeft hij evenwel
een grooten misstap begaan door eene geheel verkeerde voorstelling
der werkingswijze van het peesje der muziekspier. In plaats
van daardoor het tamboerijnvlies te laten intrekken, gelijk dit nu
is uitgemaakt, sprak hij, door eene valsche waarneming misleid,
het vermoeden uit, dat het uiteinde er van vrij zou zijn en als
een vast lichaam, eene «spitzige Stiel», bij wijze van de punt
eener penneschacht, op de ribvormige snaren van dit vlies zou
tokkelen! Hoe onjuist die verklaring ook zijn moge, zoo verdient
Rösel volstrekt niet, dat hem door Landois het verwijt wordt ge-
daan, alsof zijne «Angaben durchaus (!) der anatomische Belege
ermangeln », en dat zijne hypothetische « plectra » of strijkstokken
door dezen in een belachelijk daglicht worden gesteld. Immers, als
men zelf vele praeparaten heeft gemaakt, zal men de opvatting van
Résel zeker zoo erg dwaas niet vinden als Landois. Men kan zich
dan overtuigen, dat dit peesje, in drooge exemplaren, meermalen
van de tamboerijn afscheurt, in dien toestand als verhardt en
alsdan inderdaad, niet «hypothetisch» volgens Landois, in den
vorm van een driehoekig scherp toegespitst stijltje, in de richting
van het muziekvlies, doch op een geringen afstand daarvan,
vrijelijk boven het hoornplaatje uitsteekt, juist zooals Rösel dit
heeft afgebeeld.
Carus (1829). — Deze zet in zijne geniale verhandeling « Veber
die Stimmwerkzeuge der Cicaden» physiologisch leven bij aan de
anatomische uitspraak van Réaumur, — aan wien ook hij in elk
opzicht recht laat wedervaren, — en vult die meesterlijk aan, door
haar in nauw verband te beschouwen met de organisatie dezer
insecten in het algemeen en met hunne hoog ontwikkelde respi-
ratie-werktuigen in het bijzonder. Niet alleen heeft hij hunnen
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 203
rijkdom aan tracheeön , met hare zak- en blaasvormige verwijdingen DI
aangewezen, maar is ook het eerst tot de ontdekking gekomen
van een hunner eigenaardig bewerktuigde en onder de muziekklep
verborgen, groote stigmata. Uit deze overwegende ontwikkeling der
ademhalings-organen wordt hier, te recht, door hem de buitenge-
wone intensiteit van den zang afgeleid. Nogtans gaat hij, in zijn’
ijver voor die verklaring (trouwens niet in den gang van zijn
voorafgaand betoog), m. i. te ver bij zijne (S. 165) getrokken
eind-conclusie, dat «das Singen der Cicaden ein gleich-
sam fieberhaft schnelles, klingendes Athemholen»
zou zijn. In deze zinsnede streeft Carus zijn doel, dat in het ge-
heele opstel eene minder exclusieve richting laat erkennen, te veel
voorbij. Schijnbaar althans plaatst hij hier den door Réaumur over
°t hoofd gezienen respiratie-factor, op zijne beurt, ten koste van
diens instrumentalen factor, te zeer op den voorgrond. Naar de
letter zouden zijne woorden aan eventueele aanhangers der theorie
van Landois gelegenheid geven tot eene valsche uitlegging, door
den klemtoon te laten vallen op het « Athemholen» en niet op
het «klingende» daarbij. En toch in dit laatste is de geest der
definitie opgesloten, dewijl ook Carus vooraf erkent, hetgeen sedert
hem, proefondervindelijk, al zekerder en zekerder vaststaat, dat
het ongeschonden bestaan van tamboerijn en muziekspier de abso-
lute voorwaarde uitmaakt voor het «Klingen» en «Singen»,
uitingen waartoe de Cicaden-wijfjes, — die toch ook op analoge
wijze «athemholen », — buiten staat zijn.
Goureau (1836). — Deze schrijver verklaart in zijn uitvoerig
Essai sur la stridulation des insectes, in het algemeen, na enkele
eigene, slechts bescheidene opmerkingen over de proeven op de
Cicaden in het bijzonder, ook in vivo, te hebben gedaan: «Il me
«parait, que Réaumur a parfaitement connu l’organe sonore
«de ces insectes. » Mij met dit gevoelen wel kunnende vereenigen,
mag ik hem, — met het oog op de vroeger of later na Réaumur
1) Voor de Locustiden, als „trachées vésiculaires”, reeds in 1818 door
Marcel de Serres beschreven en afgebeeld.
204 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN,
gedane ontdekkingen , — echter niet toegeven, wanneer hij vervolgt:
«que son Mémoire ne laisse rien à désirer, au moins d’important ».
Solier (1 837). — Diens groote en schoone verhandeling, Obser-
vations sur le chant des Cigales, — in welke alleen het gemis
van bekendheid doorstraalt vooral met hetgeen na Réaumur over
dit onderwerp is gepubliceerd, — is misschien daarom des te
leerzamer en zelfstandiger, en behelst dan ook veel wetenswaardigs.
Zij sluit zich in wetenschappelijken zin eenigermate aan den arbeid
van Carus-aan. Blijkbaar zonder dien te kennen, vereenigt Solier
hier zijne physiologische nasporingen met de anatomische, en ver-
bindt hij zijne waarnemingen in de vrije natuur, — waarbij het
bespieden dezer insecten vele zorgen blijkt te vereischen, — met
het nemen van verscheidene vernuftige proeven op levend gevangen
voorwerpen. Oorspronkelijk, door eigen onderzoek, is ook hem de
hooge graad van ontwikkeling der ademhalings-organen opgevallen,
en ontdekte hij mede het bestaan van een der groote stigmata
(vermoedelijk het tweede). Voor het eerst eindelijk werd door hem
de aandacht gevestigd op den «schreeuw» van sommige Cicaden
(bepaald bij ©. plebeja), als wel in klank, maar niet in oorsprong !)
van haren «zang» te onderscheiden. Over het algemeen blijkt hij
insgelijks tot de gevolgtrekking over te hellen, m. i. juister of ten
minste omzichtiger, — in de aankondiging van zijn werk door zijn’
land- en tijdgenoot Goureau, — omschreven , dan in die van zijn ge-
leerden voorganger Carus: «que l’air joue un grand rôle dans
«le chant de ces insectes ».
Landois (1867). — Deze geleerde schijnt weinig of geen kennis
te hebben gedragen van, noch de noodige aandacht te hebben ge-
schonken aan de litteratuur van den Cicaden-zang. De grondleggers
der verklaring daarvan heeft hij niet of slecht begrepen , en de latere
toelichtingen, vóór hem over haren samenhang met de ademhalings-
verrichting gegeven, zijn hem een gesloten boek gebleven. Solier
1) Juist wegens den instrumentalen oorsprong ook van den ,schreeuw”,
stelt Solier dien op enkele plaatsen van zijn geschrift minder juist voor als
„une espèce d’expiration prolongee”, dit edoch, naar ik meen, meer bij wijze
van vergelijking.
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 205
kent hij in het geheel niet, en Carus haalt hij slechts even in
het voorbijgaan, en nog wel alleen bij het bespreken van wijfjes-
Cicaden, aan met de onbeduidende zinsnede: «abgesehen von den
«kürzen Notizen (über ihre Laden und Spiegelhôhlen) von G. G.
«Carus», alsof Carus ten deze geene andere verdiensten had ')!
Wees hun onderzoek te recht op de belangrijke nevenwerking van
de lucht en de respiratie, bij den zang, in zijne voorstelling schrijft
hij daaraan het leeuwenaandeel toe. Hij ziet däärin zelfs het door
hem gevonden factotum, onder onbegrijpelijk verregaande mis-
kenning der experimenteel bewezen hoofdwerking van de eigenlijk
gezegde klank-organen. Door eenzijdigheid op het dwaalspoor ge-
raakt ten gevolge van zijne bevindingen bij andere insecten, met
name de z. g. bromvlieg, grondt Landois zijne vocale theorie,
__ jaat ons niet vergeten zonder eenig positief bewijs daarvoor
aan te voeren, — exclusief op « zijn» onder de muziekklep geze-
teld « Schrill-Stigma ». Als bij den larynx der gewervelde dieren,
meent hij dáárin hunne « stemspleet» en « stembanden » te her-
kennen. Inderdaad heeft hij dan ook dit stigma goed bestudeerd
en beschreven, en het, onder microscopische vergrooting , duidelijk
afgebeeld. Doch met hooge opdrijving der beteekenis daarvan , verklaart
hij kortweg de overige samenstellende deelen van het wezenlijke
klanktoestel allen voor weinig beteekenende, eenvoudige « Reso-
nanz-Apparate », en, — wat hierbij wel het ergste van allen is, —
onder deze ontzegt hij, primo, aan de muziekspier, door hem
N.B. niet eens in zijne algemeene schematische afbeelding opge-
nomen, elke physiologische waarde, en verwerpt hij, secundo, de
bewegingen der tamboerijn, met een in de natuurleer onge-
hoord: «non possumus), onder den apodictischen uitroep:
«ein so fest gewachsenes Organ kann durch Muskeln nicht aus
seiner Lage gebracht werden >!
Eindelijk heb ik nog eene zware beschuldiging, die men zelfs,
wetenschappelijk, crimineel zou mogen noemen. Landois schijnt
1) Dit is alles wat de Hoogleeraar, in zijne beide geschriften over de Cicaden,
omtrent Carus, en nog wel onder aanhaling van diens Analekten, der ver-
melding waardig acht. Zie Thon- u. Stimmapparate 8. 53 en Thierstimme 8. 34.
206 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN,
mij niet vrij te spreken van plagiaat, met zich de ontdekking
van het bewuste (derde) stigma toe te eigenen, in deze bewoor-
dingen: «Die Luftlòcher der Metathorax waren bisher von
den Förschern völlig unberücksichtigt geblieben»! Dit is des te
onvergeeflijker, daar de Verhandeling van Carus, zij het dan ook
«nachträglich», hem volgens eigene aanhaling niet onbekend was
gebleven !). Deze schrijver, alsmede Solier, hadden lange jaren
vóór hem, « Luftlöcher », aan het zijne gelijk, beschreven, en door
Carus was zelfs van een daarvan eene goede afbeelding gegeven.
Men heeft dus, zooals door enkele zoologen en entomologen reeds
gedaan wordt, voortaan volstrekt geen recht meer, om van «het
Schrill-stigma van Landois» te spreken. Alleen het epitheton
«Schrill» behoort aan hem; maar zelfs ook die benaming moet
dan insgelijks aan de overige groote stigmata, — die hij met stil-
zwijgen voorbijgaat, — worden toegekend, met name ook aan
het tweede, welks klapvliesjes Solier, bij den gil of schreeuw,
eene versnelde beweging zag aannemen.
Waar ten slotte door Landois wordt gezegd: » Es scheinen die
Akten über den verschiedensten Controversen (bei dieser Frage)
noch heute nicht geschlossen zu sein» (Thierstimme S. 29), zoo
schijnt mij dit oordeel voornamelijk de tegenspraak te gelden, die
tegen zijne stellingen, in welke hij hoopte het laatste woord over
deze questie te hebben gesproken, van vele kanten is opgerezen.
Alleen uit dit gezichtspunt de juistheid zijner opmerking ten volle
beämende, kan ik mij echter ook daarmede, voor het overige,
alweder niet vereenigen. Op ondergeschikte punten toch moge nog
altijd eenige aanleiding tot verschil van gevoelen of tot twijfel zijn
overgebleven, in de hoofdzaak heerscht hier eene treffende overeen-
stemming tusschen de gezamenlijke natuuronderzoekers, vóór en na
Landois, grooter zelfs dan bij tal van andere duistere vraagstukken
omtrent anatomische toestellen in de insectenwereld a).
1) Misschien echter kende Landois de Analekten van Carus alleen bij naam en
verdient hij alsdan, wegens onwillekeurige, onbedachtzame toeëigening van eens
anders goed, slechts eene eenvoudig correctioneele terechtwijzing.
2) In substantie heb ik deze kritiek over Landois, mondeling, reeds
veel vroeger openbaar gemaakt. Het eerst in eene gewone vergadering der afd.
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 207
G. Carlet (1877). — De omvangrijke memorie van dezen
Franschen Hoogleeraar, Sur l'appareil musical de la Cigale, met
goede teekeningen voor C. plebeja opgehelderd, is veel vollediger
dan die van zijnen landgenoot Solier, op wiens arbeid hij blijk-
baar heeft voortgebouwd, doch met meer vrucht, dewijl hem ook
de verhandeling van Carus niet onbekend was gebleven. Landois
echter schijnt hij niet te hebben gekend. Zonder met een woord
van diens « Schrill-theorie» gewag te maken, omhelst ook hij in
de hoofdzaak de leer van Réaumur. «La timbale est le corps
vibrant», doch hij voegt daarbij, op voetspoor van Carus en
Solier: «elle ébranle lair et les membranes voisines. » Goed be-
kend met de stigmata van deze voorgangers, is het mij voor het
overige niet klaar, of hij de andere groote stigmata oorspronkelijk
heeft opgespoord, dan wel hen alleen bevestigt op het voetspoor van
Lepori of andere, echter door hem niet aangehaalde, schrijvers vöör hem.
Na een instrumentje, uit in elkaar geschoven, in- en uitsprin-
gende, stalen veeren bestaande, te hebben uitgedacht, in den geest
van «le cri-cri», eene Fransche soort kinderspeelgoed (?), en
daarmede de tamboerijn-uitslagen en trillingen te hebben nage-
bootst, begrijp ik niet, hoe hij, op eene andere plaats, de muziek-
holten, in haar geheel beschouwd, kan vergelijken met een
gewonen trommel, waarvan de beide tamboerijns de twee trom-
melvellen voorstellen. Bij een’ trommel toch behooren losse trom-
Natuurkunde van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (zie proces-verbaal
der zitting van 25 Januari 1873) luidende: „Spreker handelt over de muziek-
„toestellen der zang-insecten, met bijzondere aanwijzing van dat der Cicadae,
„ter bevestiging van Réaumur’s theorie tegen den twijfel daarover ingebracht
„door Landois”. En later, meer in het breede, in eene der wintervergaderingen
van de Nederl. Entomologische Vereeniging (zie Verslag van 19 December 1874,
Tijdschr. voor Entomologie, dl. XVIII blz. Lxxxr). Daarin komt een kort résumé voor
over mijne toen ter bezichtiging gestelde gewone en microscopische praeparaten
der deelen van het muziek-apparaat der Cicaden, met inbegrip van de stigmata,
en over den zakelijken inhoud dezer „Studiën”, toen reeds voor ons Tijdschrift
toegezegd, en kan men de volgende uitspraak opgeteekend vinden: „Spreker
„voert verschillende bewijzen aan, onder anderen aan Solier ontleend”, — des-
tijds was ik nog altijd zoekende naar een exemplaar der Analekten van Carus, —
„waardoor hij het eene groote dwaling meent te mogen noemen van Landois,
„om, ter wille van zijn Schrill-stigma, de muzikale waarde van al de overige
„ Reaumur’sche organen te ontkennen”.
208 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN,
melstokken, en Carlet zelf kent en beschrijft de muziekspieren te
juist, om te mogen veronderstellen, dat deze als zoodanig op de
tamboerijns zouden inwerken!
Deze vergelijking intusschen vooropgesteld zijnde, is het mij nog
meer onverklaarbaar, hoe hij, in zijne « Théorie du chant» p.
33, beweren kan: «que l’appareil musical de la Cigale contient
tous les éléments, qui existent dans appareil de phonation des
animaux supérieurs ». In een gewonen trommel toch zijn zeker
al de elementen tot stemvorming niet opgesloten ! Misschien heeft
hij hier het «klingende Athemholen » van Carus misverstaan. In
elk geval heeft hij hier de larynx van Landois niet op het oog,
want de functie der groote stigmata beschouwt hij als eene meer
ondergeschikte, slechts met die der tubae Eustachianae te verge-
lijken (zie hiervoren blz. 198).
Het beste deel van zijn werk wordt m. i. gevonden in zijne
ontleedkundige beschrijvingen der verschillende samenstellende deelen
van het klank-apparaat. Intusschen zondigt ook dit door te groote
uitvoerigheid en vooral door zijne nieuwe Grieksche nomenclatuur,
voor andere goede oude benamingen in de plaats gesteld.
Carlet’s hoofdverdienste schijnt mij te zijn gelegen in zijne ontdek-
king, aan een der hulp-organen gedaan, t. w. in die der spanners
van het gele vlies, trouwens, volgens zijne eigen eerlijke mede-
deeling, reeds veel vroeger door zijn’ landgenoot Dugès voorbereid 1).
Aan den bovenrand namelijk der tamboerijn ontspringt een klein
spiertje, ongeveer 2 à 3 millim. lang en 1 millim. (!) breed, dat
schuin benedenwaarts, langs de onderzijde van het stigma van
Carus verloopt en zich, — ook door tusschenkomst van een (zeker
microscopisch) «peesje» en «peesplaatje», — inplant aan eene
«apophyse» der buitenzijde van het gele vlies, dat daardoor bij
het zingen in een hoogeren graad van spanning zou worden ge-
bracht; hij noemt dit spiertje diensvolgens »le muscle tenseur
de la membrane plissée».
1) Dugés zou dit spiertje, naar hij veronderstelt, misschien wel gezien,
doch het als „muscle tenseur de la timbale” verkeerd geduid hebben. (Traité de
physiologie comparée, t. Il, 1838).
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 209
Op de middellijn tusschen de beide gele vliesjes komt ter weers-
zijde, met elkaar parallel loopende, nog een dergelijk dwerg-spiertje
voor, «le muscle sterno-entogastrique». Van het sternum
aan ‘den metathorax-rand begeeft het zich naar het entogaster ,
onder zijdelingsche aanhechting aan het gele vlies, dat er bij de
spier-contractie door geplooid, bij de spier-relaxatie (?) door ge-
spannen zou worden, terwijl eene tweede werking er van zou be-
staan, door het bewegelijk abdomen tot den thorax te doen naderen ,
bij de schommelingen, die gedurende den zang aan het achterlijf
worden waargenomen.
Aangezien ik deze «Mémoire» van Carlet eerst in den laatsten
tijd voor mijne studién heb kunnen raadplegen, kan ik deze zijne
ontdekkingen door eigen aanschouwing niet bevestigen. Aan mijne
tot hiertoe gemaakte, thans drooge, praeparaten is het mij niet
gelukt, eenig spoor dezer spiertjes te herkennen. Zijn het wel wille-
keurige spieren of slechts bandachtige verbindingsvliezen ? Voor
één er van nogtans getuigt Carlet, dat het «fibres striées» (is
dit = dwars-gestreept ?) bezit; daar hij voor de vezelen der groote
muziekspier dezelfde uitdrukking bezigt, geloof ik wel het eerste
te mogen aannemen.
P. Mayer. — Mede eerst onlangs had ik het voorrecht, kennis te
maken met de hoogst wetenschappelijke, anatomisch en physiolo-
gisch belangrijke, bijdrage over het « Ton-apparat der Cicaden »,
van dezen, naar men weet, te Napels gevestigden Hoogduitschen
geleerde. Op eene zelfstandige en eigene wijze heeft Mayer een
nauwkeurig nieuw onderzoek bewerkstelligd van de structuur,
alsmede van de textuur der klank-organen, daarbij zijne bijzondere
aandacht schenkende aan de onderscheidene stigmata in hunne
verschillende plaatsing, de laatste vooral door recht instructieve sche-
matische teekeningen (voor Cicada Orni) opgehelderd. Insgelijks ver-
dient, onder de door hem verrichte experimenteele nasporingen ,
zijne proef met doorklieving der muziekspieren bij levende Cicaden ,
bovenvermeld, als hoogst bewijskrachtig te worden geprezen voor
de theorie van Réaumur, die insgelijks door hem, tegen Landois,
met nadruk wordt voorgestaan,
14
210 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN,
Kon ik echter ook bij hem geen bewijs ontdekken van bekendheid
met, of misschien van belangstelling in, de geschriften van Carus,
Solier en Carlet, — welke schrijvers ik althans bij hem niet
geciteerd vond, — daarentegen leerde ik van hem, dat zoowel
reeds lang vóór mij (1873 —74) als vóór hemzelven (1877), door
andere natuuronderzoekers , deels op grond van nieuwe of gewijzigde
proefnemingen, in mijn opstel aangehaald, niet minder krachtig
protest tegen de dwaalleer (das «Irrthum») van Landois was
aangeteekend , namelijk door Targioni Tozzetti (1867), door F,
Brauer, ten deele (1868) en door C. Lepori (1869).
NASCHRIFT OVER DE MUZIEKSPIER.
Over haar in het bijzonder, ten slotte, bij dit misschien te lange
opstel, nog een kort woord. Dit moge verantwoording vinden in
de onbegrijpelijk scheeve voorstellingen, door sommige, overigens
meestal zaakkundige schrijvers over hare verrichting gemaakt. Onder
anderen wijs ik, ten voorbeelde, op de volgende omschrijvingen
daarvan:
« Wird durch (!) die Athmungsbewegung der Hinterleib erwei-
«tert, so(!) spannt sich dieser Muskel zugleich mit (!), wodurch
«u. s. w.» (Burmeister).
«Les muscles peuvent très bien remplir cet objet » (dit wordt
door den schrijver voorgesteld als een « mouvement de bascule du
disque tendineux») «par Vallongement (!) d’un de ses faisceaux ,
«pendant que l’autre se raccoureit ». (Solier).
«I should imagine, that these muscular bundles are extended (!)
«and contracted by (!) the alternate approach and recession of the
«trunk and abdomen to and from each other ». (Kirby).
«Durch (!) die Athmung dehnt sich der Hinterleib (!) aus und
« verengt sich; dadurch (!) spannt und erschlafft sich der Muskel
«u. s. w.» (Giebel).
DEN ZANG EN DEN SCHREEUW DER CICADEN. 211
«Eine solche rückweise stattfindende (!) Muskelthätigkeit, wie
«sie hier supponirt (!) wird, ist auch, an und für sich, ohne Ge-
«genstück in der Natur (!!)». (Landois).
«In het midden van deze (de muziekcellen) hangt (!) een klein
«zeldzaam meesterstuk, — een triangel, — tusschen (!) twee
«kleine ijzerharde (!) spiertjes, waarmede het dier, door middel
«van luchtstooten (!!) slaan (!) kan». (N. N., in het nieuwe popu-
laire Weekblad Fauna, 1882 n°. 3). |
Is het bij deze citaten, — waaronder ik, wegens de billijkheid,
bij die uit het buitenland, tot mijn leedwezen, ook een sterk
sprekend uit Nederland heb moeten opnemen, en die nog zouden
kunnen worden vermeerderd, — niet, alsof de schrijvers geen
het minste elementaire begrip hadden van de vezelverkorting ,
waardoor zich de spier-contractiliteit openbaart? en alsof men
van meening ware, dat juist deze spierbundels de abnormale eigen-
schap zouden bezitten, zich nu eens actief te kunnen verlengen,
dan weder zich slechts passief te gedragen, of dat zij hoogstens
elasticiteit zouden vertoonen ?
Wanneer men echter de betrekkelijk zeer sterke ontwikkeling
der muziekspier, althans bij de meeste soorten, met hare menig-
vuldige tot machtige kegels of cylinders vereenigde vezelbundels,
in situ, slechts oppervlakkig gadeslaat, zoo valt het den ge-
oefenden ontleedkundigen blik terstond in het oog, dat zij in dit
organisch klankwerktuig de mechanische drijfkracht of bewegings-
oorzaak vertegenwoordigt; welke voorstelling tot zekerheid klimt
door vergelijking met de wijfjes-Cicaden, die, zonder haar, geen
geluid vermogen voort te brengen.
Het is inderdaad deze spier, die, minder morphologisch dan
functioneel, in hare dubbele beteekenis, zoo voor den zang, als voor
de luchtwisseling, met een eigendommelijk gevormd middelrif
zou kunnen worden vergeleken, en die, naar mijne overtuiging,
overdrachtelijk gesproken, hier «de eerste viool speelt ».
In hare samengestelde wijze van werking op de tamboerijn en
op de ademhaling, welke ik zooveel mogelijk in mijne studie-proeve
212 STUDIEN OVER DE KLANK-ORGANEN ENZ. DER CICADEN.
heb aangetoond, wordt als van zelve gewezen op een harmonisch
verband, tot het verwekken der hier zoo krachtige toonvorming
noodzakelijk. Uit dit gezichtspunt kan dan ook de muziekspier
wellicht worden beschouwd als bemiddelaarster der extremen
tusschen de «instrumentale» en «vocale» theoriën over den
Cicaden-zang.
’SGRAVENHAGE,
April 1882.
BESCHRIJVING
EENER
NIEUWE JAVAANSCHE PHYCIDE,
EPHESTIA GUTTELLA,
DOOR
Pi CES SNO EI BON,
Deze soort, waarvan ik een gaaf en frisch mannetje van 14
millim. vlugt voor mij heb, moet in het genus Hphestia Guen.
worden geplaatst, en wel in von Heinemann’s (zie Schmett. Deutschl.
II, 1 Heft 2 p. 201) afdeeling A, doch zij is niet zonder afwij-
kingen. Zoo is de middencel der achtervleugels open, hunne aderen
3 en 4 zijn lang gesteeld, de voorvleugels hebben geen omslag
aan den voorrandswortel en de palpen (ook de bijpalpen) zijn wel
een derde langer dan bij Mph. elutella en wanthotricha, de eersten
buitendien ook spitser.
Kleur van palpen, sprieten, kop, thorax en voorvleugels een
dof, grijsachtig, zeer flaauw rood getint okergeel. De palpen, wier
middenlid nog iets boven den kop uitsteekt, terwijl het eindlid
iets korter is dan de helft van lid 2, zijn aan de spits zwart, en
de grond der voorvleugels is fijn en gelijkmatig, tegen den achter-
rand iets digter, koolzwart bestoven. Verder zijn zij geteekend met
zwarte stippen. Van deze staat eene ronde aan den voorrands-
wortel, eene langwerpige even boven dien des binnenrands; twee
volgende worden op de plaats der eerste dwarslijn gevonden,
namelijk eene ronde op een derde van den voorrand en eene lang-
werpige, iets meer wortelwaarts, juist onder den binnenrand der
middencel. Een derde paar, iets kleinere ronde, staat op de dwars-
214 BESCHRIJVING EENER NIEUWE JAVAANSCIIE PHYCIDE,
ader en ook daarvan is de onderste, buitenste, de grootste. Dan
komt eene iets gebogene, met den achterrand evenwijdig loopende
rij van vijf stuks op vier vijfden; van deze is de voorrandsstip
zoo groot als de bovenste van het paar op de dwarsader, de
anderen, vooral de middenste drie, veel kleiner, doch altijd toch
nog iets grooter dan eene reeks van zes fijne, die langs de franjelijn
staan. Franje met eene donker okergele lijn over den wortel, verder
donker grijsgeel. Achtervleugels lichtgrijs, de franje iets geler,
over haren wortel eene fijne bleekgele lijn. Achterlijf en onderzijde
der vleugels gris, laatstgenoemde ongeteekend, de franje als boven.
Pooten en borst lichtgrijs, de eersten buitenwaarts zwart gestippeld.
Ader 5 der voorvleugels ontbreekt geheel, 8 der achtervleugels
is zeer kort, 2 en de steel van 3 en 4 derzelfde vleugels ver-
deelen zich reeds op twee vijfden der vleugellengte, 6 en 7 op
een derde. Punt der voorvleugels duidelijk, regthoekig.
Malang. — In mijne collectie,
AANTEEKENINGEN
OVER
AFRIKAANSCHE LEPIDOPTERA,
DOOR
P. C. T SNELLEN.
Na de ontvangst der beide bezendingen Afrikaansche Lepidoptera ,
die ik in het 15de en 16de deel van het Tijdschrift voor Ento-
mologie heb besproken, zijn nog eenige grootere of kleinere uit
© hetzelfde werelddeel in mijne handen gekomen. Geen van allen
omvatte echter alle familien der Lepidoptera. Door personen bijeen-
gebragt, die zich alleen in het voorbijgaan met het verzamelen
van vlinders bezig hielden, ontbraken in die collectien de Hete-
rocera bijna geheel, terwijl de kleinere Rhopalocera, met name
de Lycaenina en Hesperidina ook slechts schaars vertegenwoordigd
waren. Onder de overgezonden vlinders is dan ook geen enkele
nieuwe soort. Niettemin hebben zij mij aanleiding gegeven tot
eenige opmerkingen en aanteekeningen, die ik hier wil mede-
deelen, te gelijk met eenige verbeteringen, die vooral mijn stuk
over de door van Woerden verzamelde Lepidoptera (Lids. v.
Ent. XV (4872) p. 1—112, pl. 1—7) betreffen.
De belangrijkste bezendingen Afrikaansche vlinders ontving ik
van de heeren Greshoff en Pasteur, beiden, evenals wijlen van
Woerden, geémployeerden der Afrikaansche Handelsvereeniging te
Rotterdam. De door hen gezonden Lepidoptera werden allen in
Angola bijeengebragt, aan de Congo- en aan de Quanza-rivier,
216 AANTEEKENINGEN OVER
Acraca Serena Fabr., Syst. Ent. p. 461; id. Ent. Syst. IL. 1
p. 164. — Trimen, Lhopal. Afric. Austral. p. 107.
Eponina Cramer, IN pl. 268 C, D (niet A, B).
Manjaca Boisduval, Faune de Madag., Lépid. p. 33 pl. 5 f. 6,
7 (€), pl. 4 f. 6 (2). — Snellen, Tijds. v. Ent. XV (1872) p. 11.
Verscheidene exemplaren, door Pasteur verzameld, geven mij
aanleiding tot de volgende opmerkingen. Vooreerst citeren Fabri-
cius en Herrich Schäffer (Prodromus Syst. Lepidopt.) bij Serena
verkeerdelijk Æponina Cramer A, B. Deze is eene andere soort.
Vervolgens is Manjaca Boisd. pl. 4 f. 6 niet het gewone wijfje,
maar eene varieteit met grijswit bestoven voorvleugels. De gewone,
regelmatige wijfjes zijn bij Cramer afgebeeld en verschillen in kleur
en teekening niet van den man. Eindelijk vind ik bi mine
exemplaren nog een paar kleine varieteiten, behalve die met afge-
broken, zwarten dwarsband der voorvleugels (J/anjaca Boisd. ,
pl. 5 f. 6, 7). Soms ontbreekt de zwarte stip in de middencel
der voorvleugels. Ook komen bij enkele voorwerpen in plaats van
een roodgeel gevlekten, zwarten achterrand der vleugels, zwarte
langsstrepen op de adereinden voor; inzonderheid is dit het geval
op de voorvleugels. Gele stippen in de punt der voorvleugels,
zooals Cramer afbeeldt, worden bij geen mijner exemplaren ge-
vonden, evenmin bezit ik voorwerpen met geheel ongevlekten
achterrand der bovenzijde, zooals Trimen die beschrijft.
Een exemplaar behoort tot Trimen’s varieteit met grijsbruin be-
stoven, aan de punt met eene vuilwitte vlek geteekende voorvleu-
gels, terwijl eindelijk nog op te merken valt, dat bij al de door
Pasteur gezonden stukken de zwarte dwarsband der voorvleugels
afgebroken is. Uit dit alles blijkt dat Serena eene sterk variérende
deraca is.
Acraca:Egina Cram., I pl. 39 F. G.
Uit de door mij ontvangen voorwerpen blijkt, dat althans Pseu-
degina Westwood (Zyina Stoll, pl. 25 f. 3, 3e) slechts eene
varieteit van Zyina is. Zeer waarschijnlijk is dit ook het geval
met Acara Hewitson, Mwot. Butterfl., Acraca pl. UI f. 19, 20,
AFRIKAANSCHE LEPIDOPTERA. 217
en misschien behoort zelfs Eyina tot Zetes Linn. (Wenippe Stoll,
plas fot Lal:
Acraea Eponina Cram., IN pl. 268 A, B (niet C, D).
Een voorwerp ontving ik van Pasteur. Het verschilt niet van
Cramer’s afbeelding en ook niet van exemplaren, die onlangs door
Sala en Buttikofer in Liberie werden verzameld en zich thans
op het Leidsch museum bevinden.
Acraea Orestia Hewits., Mut. Monthl. Mag. XI (1874—75)
p. 131; id., Exot. Butt., Acraca pl. VII f. 47.
Orestina Plötz, Stett. Ent. Zeit. 1880 p. 190.
Orestina Plötz is dezelfde soort als Ovestia Hewitson. Op de
afbeelding is de donkere achterrana der achtervleugels te scherp
uitgedrukt. Overigens verwacht ik, dat het later wel blijken zal
dat deze Orestia Hewits. slechts eene kleine varieteit van Quirina
Fahr. is.
Loanda (Pasteur).
Acraea Acrita Hewits Ewot. Butt., Acraca pl. IN f. 18.
Een gaaf en frisch exemplaar ontving ik van Pasteur. Waar-
schijnlijk is Acrita een grootere vorm van Cerasa Hewits.
Acraea Lycia Fabr., Syst. Ent. p. 464.
Vele exemplaren, ook van de varieteit Syanzini Boisduval, Faune
de Madagascar, Lépid., p. 34 pl. 6 f. 6, 7, doch zonder over-
gangen. Ik houd echter Syanzini stellig niet voor eene bijzondere
soort. Een voorwerp van den type heeft bijna paarsachtig grijze
voorvleugels, zweemende naar die van der. Necoda Hewits., Acr.
pl. IL f. 9, waarvan Kirby wel teregt vermoedt dat zij eene
varieteit van Zycia is.
Loanda (Pasteur). Een bijzonder groot exemplaar ontving ik
door van Medenbach de Rooij uit Natal.
Acraea Admatha Hewits., Exot. Butt., Acraea pl. II f. 16, 17.
Admatha is waarschijnlijk slechts eene varieteit van Horta Linn.
Mijne exemplaren variéren eenigszins. Een ¢ heeft eene vuilbruine
bovenzijde met eene witte plek bij den staarthoek der achtervleu-
218 AANTEEKENINGEN OVER
gels. Een ander (3) begint te naderen tot Abdera Hewits., craca
pl. I f. 1, 2, welke volgens Kirby eene varieteit is van Cepheus
Linn., Mus. Ludov. Ulr. p. 252, en zoodoende mogt Linnaeus toch
wel op het regte spoor zijn, toen hij (Syst. Nat. I, 2 p. 755)
het vermoeden uitte dat zijne Cepheus als eene varieteit tot Horta
kon behooren. Hewitson merkt in zijne Ewotic Butterflies bij Acraea
Acara wel met regt op, dat de toekomst leeren zal dat de Acraeén
van Afrika zeer variören. Niettemin zijn er schrijvers, die voort-
gaan met op de ligtzinnigste manier zoogenaamde nieuwe soorten
te beschrijven (zie Plötz, bij der. Orestia hierboven).
Aeraea Gea Fabr., Spec. Ins. II p. 32.
Epaea Cram., II, pl. 230 B, C. |
Esebria Hewits., Exot. Butterfl., deraea pl. II f. 11, 12.
Protea Trimen, Rhop. Afric. Austr. p. 110 pl. 3 f. 2.
Deze citaten behooren stellig bijeen.
Loanda (Pasteur).
Acraea Vinidia Hewits., Ewot. Butt., deraea pl. VII f. 45, 46.
Eenige exemplaren. Een voorwerp heeft ook in cel 2 der voor-
vleugels eene zwarte stip. Acerata Hewits. pl. VII f. 44 is stellig
slechts eene varieteit van india, overeenkomende met de varieteit
Manjaca van Serena.
Angola (Greshoff).
Acraea Zetes Linn., Syst. Nat. Ed. 12. I, 2 p. 766.
Menippe Drury, Illustr. UI pl. 13 f. 3. — Stoll, pl. 28 f. 1, 1A.
Acara Hewits., Huot. Butt., Acraea pl. UI f. 19, 20.
Het door Keulemans op het Prinsen-eiland gevangen exemplaar
dezer soort komt overeen met Acara Hewits., die wel niet anders
is dan eene varieteit van Zetes Linn. Egina Cram., Pseudegina
Westwood, Natalica Boisd. en Anemosa Hewits. verschillen waar-
schijnlijk ook niet specifiek van Zetes.
Danais Chrysippus Linn., Mus. Ludov. Ulr. p. 263; id.,
Syst. Nat. Ed. 12.1, 21p. 767 n°. 119.
Eenige exemplaren, door Greshoff en Pasteur uit Angola over-
AFRIKAANSCHE LEPIDOPTERA. 219
gezonden, behooren allen tot het gewone Afrikaansche , heldergeel
gekleurde ras van den type, en geven tot geenerlei bijzondere opmer-
king aanleiding. Daarentegen meen ik te moeten aanteekenen, dat
alle exemplaren door Buttikofer en Sala in Liberie verzameld en
zich thans op het Leidsch museum bevindende, tot de varieteit
Aleippus Cramer II pl. 127 E, F behooren.
Danais Limniace Cram., I pl. 59 D, E.
Var. Petiverana Doubl. en Hewits., Gen. of Diurn. Lep. p. 93
ph batt. |
Pasteur zond een exemplaar van deze overigens ontwijfelbare
varieteit, welke zich onderscheidt doordat op de bovenzijde der
voorvleugels, tegen den wortel van cel 4 5 geene wigvormige blaauw-
groene streep, maar slechts zulk eene kleine ronde vlek wordt
gevonden.
Yphthima Doleta Kirby, Catal. of Lepid. of the Dublin
museum p. 44.
Asterope Snellen, Tijds. v. Ent. XV (1872) p. 14.
Tot deze soort en niet tot Asterope behooren de beide door van
Woerden gevangen exemplaren van het genus Yphthima.
Mycalesis Eliasis Hewits., Zot. Butterfl., Mycal. pl. Vu
f 44, 45.
Pasteur zond drie exemplaren van Loanda.
De heer F. Moore merkt in de Transactions of the Entom. Soc.
of London, 1880 p. 155 op, dat de meesten der beschrevene
Afrikaansche Satyriden, die tot het genus Myealesıs worden gebragt,
generiek van de Aziatische soorten verschillen en velen er zelfs
niet eens mede verwant zijn, terwijl in het bijzonder de soort,
die volgens hem de type van het genus is, namelijk de Afrikaansche
Evadne Cramer, onder de Aziatische soorten geene verwanten
bezit. |
Vooreerst moet ik hierop aanmerken, dat het «typen »-stelsel
bij wetenschappelijke Zoologen afgedaan heeft en dan, dat men
wel, zooals in vele andere gevallen, den naam van het genus
aan Hübner’s Verzeichniss mag ontleenen, doch dat het gezag van
220 AANTEEKENINGEN OVER
dien Iconograaf, uithoofde van de onbeduidende karakteristiek zijner
« Vereine» niet verder kan gaan. Dit mag mede als eene uitge-
maakte zaak worden beschouwd. Herrich Schäffer is, in zijnen
welbekenden Prodromus Systematis Lepidopt. (Corresp. Blatt des
Zool.- Mineral. Vereins zu Regensburg A864 —1871) de ware, weten-
schappelijke grondvester van het genus Jycalesis, en wanneer ik
nu de door hem gestelde hoofdkenmerken (Ader 3—4 der achter-
vleugels uit één punt, drie hoofdaderen der voorvleugels aan den
wortel blaasvormig gezwollen, de oogen behaard en de mannen
met een haarbosje aan den voorrand van de middencel der achter-
vleugels) naga, dan bevind ik, dat de in mijn bezit zijnde Afri-
kaansche soorten van Mycalesis, met uitzondering van Mliasis, wel
allen naakte oogen hebben, maar anders volkomen in dat genus
passen, ook in den habitus niet afwijken, en dat overigens de
afwijkingen van de Aziatische soorten zich bepalen bij kleine ver-
schillen in het beloop van de aderen 5—7 der achtervleugels. Het
beloop dezer aderen is intusschen ook bij mijne Afrikanen niet
steeds eveneens. Misschien vindt men het noodig, doch onver-
mijdelijk is het althans niet, de naaktoogige Afrikaansche Mycale-
siden generiek af te zonderen, maar wat stellig bij mij geen ingang
kan vinden, is de verdeeling der Aziatische soorten in een aantal
nieuwe genera met barbaarsche namen, zooals Moore doet. Aan-
bevelenswaardig mag het heeten, om ten behoeve van een gemakke-
lijker overzigt, het genus in groepen te splitsen, doch het deugt
niet om daarvoor, in de eerste plaats, een alleen den mannen
eigen sexueel kenmerk te bezigen, zooals Moore doet, en ik merk
verder op dat zijne overige karakteristiek alles behalve voldoet voor
eene behoorlijke groepering der soorten.
Mycalesis Bliasis is eene soort, die groote overeenkomst heeft
met de Oost-Indische A»apita Moore en, zooals ik boven opmerkte,
de oogen zijn behaard evenals bij de Aziaten.
Hypanis Ilithyia Drury, ZZustr. II. pl. 17, f. 4,2. — Cram.,
Ill, pl. 213 A, B; pl. 214 C, D.
2
Greshoff zond een exemplaar, dat tot den type kan worden ge-
AFRIKAANSCHE LEPIDOPTERA. 221
rekend (Gram. 244 C, D), zonder nadere opgave van vangplaats;
Pasteur een paar voorwerpen der varieteit Polinice Cram., pl. 375
G, H, van Loända en vele zeer groote, der varieteit Cora Feisth.,
(Acheloia Wallengren, Rhopal. Caff. p. 29). Ik was bijna geneigd
deze stukken voor eene verschillende soort te houden, doch vond
een exemplaar, dat den overgang vormt tusschen Police en Cora.
De varieteit Auvatara Boisd., die ik mede in door Pollen en van
Dam van Madagascar medegebragte stukken voor mij heb, verschilt
ook belangrijk in meer dan een opzigt; zij wordt echter wel teregt
in Kirbys Catalogus als varieteit tot /lıthyia gerekend.
Neptis Nemetes Hewits., Zwot. Butt. IN Neptis pl. I f. 1, 2.
Twee exemplaren, door Pasteur overgezonden (van de Quanza-
rivier), verschillen van den type: 1°. doordat de witte dwarsband
der voorvleugels op ader 1 is afgebroken; 2°. door de aanwezigheid
van eenige witte stippen in de middencel derzelfde vleugels; 3°. door-
dat de witte dwarsband der achtervleugels in cel 5 buitenwaarts
eerst sterk is verbreed en dan, verder naar boven, even sterk
versmalt, zoodat hij in cel 7 naauwelijks half zoo breed is als bij
den type; 4°.
door lichtere, roestbruin .gemengde onderzijde ;
5°. door boven de helft ongelijken wortelrand van den middenband
der achtervleugels; 6°. door scherpere en helderder witte golflijn
aan de buitenzijde van dien band; 7°. door kleinere en lichtere
bruine vlekken voor die golflijn en 8°. door meer afsebroken witte
lijnen voor den achterrand. Specifiek verschil wordt hierdoor echter
stellig niet aangeduid, hoogstens eene lokale varieteit, die ik Pasteuri
wil noemen.
Gen. 65. PSEUDONEPTIS nov. gen.
Herrich Schäffer plaatst de nu volgende soort in zijn genus Jaera
(Catuna Kirby), en inderdaad heeft zij althans oppervlakkig veel
overeenkomst in bouw met Crithea Drury en Opis Drury, doch
daar hij haar niet bezat of kon onderzoeken, was de invoeging
slechts voorloopig. Een paartje, dat ik uit Afrika ontving, stelt mij
222 AANTEEKENINGEN OVER
in staat aan Coenobita de juiste plaats in het systeem aan te
wijzen. Deze is echter niet in het genus Jaera (Catuna), want
de subcostaal-ader der achtervleugels verwijdert zich van de costaal-
ader, juist tegenover de plaats waar de praecostaal-ader ontspringt.
Coenobita behoort dus in afdeeling IT van Herrich Schäffer’s Ana-
Iytische tabel der Nymphalinen-genera (Corr. Blatt des Zool.-
Mineral. Vereins 1864, pag. 105 enz.) en, daar de middencel
zoowel der voor- als der achtervleugels gesloten is, verschilt zij
van al de in afdeeling II genoemde genera en vereischt dus de
vorming van een nieuw genus.
Wat nu Jaera Opis aangaat, deze soort komt in de afdeeling III,
waar Herrich Schäffer haar zeer juist plaatst en waar de subeostaal-
ader der achtervleugels zich van de costaal-ader verwijdert, duidelijk
voor den oorsprong der praecostaal-ader. De verdere generieke ken-
merken van Pseudoneptis zijn hoofdzakelijk de volgende: Oogen
groot, naakt. Palpen opgerigt en gebogen, smal, met spits eind-
lid. Sprieten zoo lang als drie vijfden der voorvleugels, met lang,
dun, knopje. Vleugels langwerpig, met gegolfden achterrand en
bijna vlakken voorrand der achtervleugels, de punt van laatst-
genoemde scherp. Praecostaal-ader der achtervleugels buitenwaarts
gebogen, ader 8 (costaal-ader) in de vleugelpunt ; middencel weinig
langer dan een derde van den vleugel, 7, 6, 5 even ver van
elkander boven, uit en onder haren voorrandshoek, ader 3 en 4
uit een punt uit den spitsen staarthoek der cel, 2 uit ruim drie
vijfden van haren binnenrand. In de voorvleugels geene hoofdader
‘aan den wortel opgezwollen, de middencel zoo lang als de halve
vleugel, ader 2 uit twee derden van haren binnenrand, 3 en 4
verwijderd van elkander, — + (4) of ruim 4 (2) zoo ver als 2 van 3;
dwarsader (discocellulair-ader) rond gebogen, 5 uit drie vierden,
6 uit hare spits, uit één punt met den steel van 7—10, ader 7
in den achterrand, 8—10 even lang, het bovenste stuk van den
steel iets korter, het onderste iets langer dan het middenste; ader
11 ontspringt bijna op vijf zesden van den voorrand der middencel
en loopt vrij in den voorrand uit. Pooten gewoon gevormd; lit
slank ; teekening aangelegd als bij Vegtis.
AFRIKAANSCHE LEPIDOPTERA. 223
Psendoneptis Coenobita Fabr., Ent. Syst. II. 1 p. 247.
Fabricius noemt de lichte teekening wit. Zij is groenwit.
Angola (Greshoff). Liberia (Buttikofer en Sala).
Vanessa (Pyrameis) Cardui Linn.
Ook deze wereldburger ontbrak in de bezending van den heer
Pasteur niet. De hoogte der vangplaats was niet nader aangeduid,
doch ik geloof, ingevolge de waarnemingen van den heer Piepers
in Indie, dat Cardui ook in tropisch Afrika niet in de lager ge-
legene heete streken vliegt, maar in de hoogere, waar een meer
gematigd klimaat heerscht.
Loanda (Junjj).
Diadema Misippus Linn., Mus. Ludov. Ulr. p. 264.
d — Bolina Cram., I pl. 65, E, F.
9 = Diocippus Cram., I pl. 28, B, C.
Var. g = Znaria Cram., II p. 214 A, B.
De beide sexen van dezen vlinder verschillen, zooals bekend is,
veel van elkander, doch ik moet hier nog opmerken, dat ik uit
Oost-Indie tot dusverre alleen typische wijfjes (Diocippus Cram.)
ontving, daarentegen uit Afrika alleen wijfjes, die tot de varieteit
Inaria behooren. In de mannen uit de beide genoemde landstreken
is geen verschil.
Angola (Greshoff, Pasteur); Liberia (Sala en Buttikofer); Prinsen-
Eiland (Keulemans). Schijnt in Afrika gemeen te zijn.
Catuna duodecimpunctata Snell, Tijds. v. Ent. XV (1872)
p. 15 pl. 1 f. 1—3 (Jaera).
Aterica Clorana Druce, Trans. Ent. Soc. of London, 1874 p. 157.
Kirby verandert in zijnen Catalogus den naam van het genus
in Catuna, daar Jaera Hübn., H. S. reeds vroeger was gebruikt.
Ook Duodecimpunetata mogt wel aanspraak maken op een nieuw
genus. Vleugelvorm en aanleg van teekening zijn geheel anders
dan bij Opis en Orithea, de kop is kleiner, ader 11 der voorvleugels
is vrij lang en loopt vrij in den voorrand uit: bij Opis (Crithea
bezit ik niet) is zij kort, ader 12 doorsnijdende.
224 AANTEEKENINGEN OVER
Het door van Woerden gezonden exemplaar is tot dusverre het
eenige dat ik zag.
Godartia Eurinonia Cram., I pl. 70 A.
Var. Ansellica Butl., Trans. Ent. Soc. of London, A870, p. 525.
Een exemplaar, dat tot de onbeduidende varieteit Anse//ica behoort.
Loanda (Pasteur).
Libythea Labdaca Westw., Gen. of Diurn. Lep. p. 443.
Var. Laws Trimen, Trans. Ent. Soc. of London, 1879 p. 337.
Een exemplaar. Trimen’s opmerking, dat de achterrand der achter-
vleugels bij de Europesche en Amerikaansche soorten van het genus
gelijkmatig is getand, terwijl hij bi] de Afrikaansche en Aziatische
op ader 2 neiging tot eene staartvormige verlenging toont, heb ik
bevestigd gevonden.
Angola (Greshoff).
Lycaena Parsimon Fabr., Syst. Ent. p. 526.
Asteris Snell., Tijds. v. Ent. XV (1872) p. 18 pl. 4 f. 4,5.
Verscheidene exemplaren. Het blaauw der bovenzijde van den &
is nog grijsachtiger en doffer dan op mijne aangehaalde afbeelding.
Loanda (Pasteur).
Lycaena Boeticus Linn., Syst. Nat. Ed. 12 p. 789 n°. 226.
Ken paar. De bovenzijde is bij den 4 levendiger blaauw gekleurd
dan bij mijne Europesche exemplaren, doch de vleugelvorm dezelfde
en dus de achterrand, vooral der achtervleugels, minder afgerond
dan bij mijne Javaansche en Celebaansche voorwerpen.
Quanza-rivier, Loanda (Pasteur).
Lyeaena Telicanus Lang, Vere. 2e Ausg. p. 47.
Eenige exemplaren.
De onderzijde verschilt bij Afrikaansche exemplaren dezer soort
van die van Europesche. De grond is namelijk bij de eerstgenoemden
over het geheel lichter grijs, doch sommige der door de witte
dwarslijnen ingesloten vlekken en strepen zijn donkerder, bijna
zwart, en de witte lijnen zelven breeder en helderder. Zij hebben
dus een bonter aanzien. Dit bemerkte ik zoowel bij de door Keule-
AFRIKAANSCHE LEPIDOPTERÀ. 225
mans op het Prinsen-eiland verzamelde exemplaren als bij die, welke
Pasteur aan de Quanza-rivier en te Loanda vond.
Pseudopontia paradoxa Feld., Petites Now. 1869. n°. 8.
Calabarica Plötz, Stett. Ent. Zeit. 1870 p. 348 pl. 2 f. 1a—f.
De sprieten zijn bij deze zonderlinge Pieride tot bovenaan ver-
dikt. Naar de aangehaalde, vergroote afbeelding, fig. 1¢ oordee-
lende, zou men meenen dat zij naar boven dunner worden. Dit
is niet het geval.
Angola (Greshoff); Liberia (Buttikofer en Sala).
Pontia Xiphia Fabr. Spec. Ins. II p. 43 n°. 180.
Pontia Xiphia Fabr. en P. Alcesta Gramer worden nog steeds
als twee soorten beschouwd. Ik kan tusschen beiden eigenlijk alleen
dit verschil vinden, dat bij laatstgenoemde de zwarte vlek en punt
der voorvleugels kleiner en de fijne donkere lijntjes der onderzijde
minder sterk uitgedrukt zijn dan bij Xiphia.
Xiphia bezit ik van Java en Sumatra, en van Alcesta zond Gres-
hoff eenige exemplaren uit Angola, die tot de, iets grooter dan de
type zijnde, varieteit Sy/vicola Boisd., Faune de Madag. p. 20
behooren.
Keulemans ving op het Prinsen-eiland twee wijfjes, die de zwarte
vlekken en vleugelpunt geheel missen.
Pieris Larima Boisd., Spec. Gen. I p. 524.
Capricornus Ward, Ent. Monthl. Mag. VHI (1871) p. 59.
Pasteur zond vele exemplaren dezer tamelijk variërende soort.
Boisduval kende en beschreef slechts het 2, doch deed verkeerd
door het met Gliciria Cram. te vergelijken. Dit geeft een onjuisten
indruk, want de vleugelvorm is bij deze soort geheel anders, meer
zooals bij Calypso Fabr. Sommige exemplaren van het 2 hebben
eene bijna geheel witte bovenzijde, bij anderen zijn de achter-
vleugels langs den achterrand smal geelachtig; bij een mijner
voorwerpen zijn zij geheel bleek, onzuiver citroengeel. Evenzoo
verschillen ook de zwarte vlekjes op den achterrand en de rij
zwarte stippen daarvoor, zeer in duidelijkheid. De man mist ge-
woonlijk de zwarte vlekjes op den achterrand der achtervleugels
15
226 AANTEEKENINGEN OVER
bijna geheel, terwijl ook die op den achterrand der achtervleugels
kleiner en duidelijk gescheiden zijn; alleen drie of vier om de
vleugelpunt worden door eene dunne zwarte bestuiving eenigszins
verbonden. De boogrij zwarte stippen vóór den achterrand ont-
breekt. De onderzijde is bij beide sexen steeds eveneens; de
voorvleugels zijn wit, met min of meer sterk oranje gekleurd
wortelderde der middencel, smal grauwen voorrand en breedere , ook
dun okerkleurig oranjegeel bestoven vleugelpunt. Achtervleugels
levendig oranje-okergeel, bijna chromaatgeel; cel 8 bijna oranje-
rood; de franje bij het eind der aderen 15, 2 en 3 zwart. Boven-
dien ziet men eene min of meer onvolledige boogrij zwarte stippen
over beide vleugels, op vijf zesden.
De ¢ gelijkt dus op dien van Pier. Saba Fabr. Laatstgenoemde
is echter kleiner en spitsvleugeliger; de onderzijde der achtervleugels
en die van de punt der voorvleugels zijn zeer bleek okergeel en
op eerstgenoemde cel 8 alleen aan den voorrand zeer smal oranje,
maar niet rood.
Quanza rivier.
Pieris Saba Fabr., Spec. Ins. II p. 46 n°. 199.
Epaphia Cram., III pl. 207 D, E. (9)
Vele mannen ontving ik van den heer Pasteur, doch slechts één
wijfje, dat van de typische voorwerpen afwijkt: 1°. door geel-
achtig witte grondkleur, 2°. doordat de wortelhelft der voorvleugels
alleen in de middencel zwart bestoven is en 3°. de zwarte achter-
rand der achtervleugels niet meer dan een vierde der vleugelbreedte
heeft. Ook ziet men aan den wortel van de bovenzijde der achter-
vleugels slechts enkele zwarte stofjes.
Pieris Mesentina Cram., III pl. 270 A, B.
Severina Cram., IV pl. 338 G, H. (9).
De heer Pasteur zond vele mannelijke exemplaren , die met Mesen-
tina Cramer overeenkomen en slechts variéren in grootte, in de
mindere of meerdere breedte van den zwarten achterrand en in
het min of meer sterk uitgedrukte zwarte middenvlekje der voor-
vleugels. Daarentegen zijn een twaalftal voorwerpen van Severina
AFRIKAANSCHE LEPIDOPTERA. 227
allen vrouwelijk , en bij de zoo overeenstemmende onderzijde is het
voor mij niet twijfelachtig, dat Mesentina en Severina als de sexen
van ééne soort bijeen behooren. Voor zoover mij bekend, heeft
nog niemand daarop gewezen. De vleugelvorm is op de afbeelding
van Severina Cramer niet geheel juist, de voorvleugels moesten
iets spitser zijn.
De wijfjes variéren overigens niet onbelangrijk in de tint van
de bovenzijde der vleugels. Deze is wit, geheel okerkleurig geelwit
of alleen aldus op de voorvleugels, terwijl de achtervleugels zwavel-
kleurig wit zijn. Het zwarte middenteeken der voorvleugels is even
onbestendig van grootte als bij de mannen.
Syrische exemplaren dezer soort zijn kleiner en hebben een
smalleren, bij den man meer wit gevlekten achterrand der boven-
zijde. Ook is de grondkleur der onderzijde witter. Zij vormen de
varieteit Augusta Olivier.
Pieris Phileris Boisd., faune de Madag. p. 17 pl. 2
f. 3—5; id., Spec. Gén. I p. 512.
Greshoff zond eenige exemplaren, die van Boisduval’s afbeel-
dingen alleen verschillen door sterker zwart bestoven voorvleu-
gelpunt en meer citroengeel dan oranjegeel bestoven wortel _
derzelfde vleugels; doch ook een paar, dat, bij gelijken vleugel-
vorm en zwarte teekening, zich onderscheidt doordat de grond-
kleur der vleugels niet wit maar licht citroengeel is. Ik kan hier
evenwel niet aan specifiek verschil gelooven. Variatie in grondkleur
van wit tot geel is bij Pieriden eene gewone zaak.
Zeer waarschijnlijk komt het mij voor, dat deze Pdileris slechts
eene varieteit is van Pieris Sylvia Fabr., Syst. Ent. p. 470; id.,
Entom. Syst. III. 1 p. 188 n°. 582, welke varieteit zich van den
type onderscheidt door sterker donker bestoven voorvleugelpunt
en meer oranje gekleurden voorvleugelwortel. Ahodope Fabr, Syste
Ent. p. 473; id., Ent. Syst. III. A p. 609 (Eudoxia Cram. pl. 213 €)
is eene tweede varieteit met geheel oranjegele voorvleugels, Poppea
Cram. 110 D eene kleinere afwijking van den type, met binnen-
waarts puntig verlengde zwarte randvlekken, terwjl de zwarte
228 AANTEEKENINGEN OVER
bestuiving aan de voorvleugelpunt, die aldaar bij den type de zwarte
vlekken verbindt, ontbreekt , evenals bij Hudoxia Cramer en Phileris
Boisduval.
Pieris Agathina Cramer, II pl. 237 D, E.
Van Pasteur ontving ik eenige typische voorwerpen, maar ook
een paar vrouwelijke exemplaren met onder en boven geheel oranje
grondkleur.
Terias Hecabe Linn., Sust. Nat. Ed. 12, I, 2 p. 763. —-
Cramer, II pl. 124 B, C. — Snellen, Midden-Sumatra , Lepid. p. 23.
Pasteur zond een typisch exemplaar met smal donkeren achter-
rand der achtervleugels, dat niet van Javaansche verschilt.
Var. Blanda Boisd., Spec. Gen. I p. 672 n0. 32.
Van Greshoff ontving ik een 9, dat met het door Keulemans op
het Prinsen-eiland gevangen voorwerp overeenstemt.
Terias Senegalensis Hübn., Zutr. f. 969, 270.
Verscheidene exemplaren werden door Pasteur overgezonden. Zij
zijn min of meer goud- of citroengeel van grondkleur, op de voor-
vleugels smaller of breeder zwartgerand, terwijl de achtervleugels
een zeer smallen, op de aderen iets verdikten zwarten rand
hebben of slechts zwarte stippen aan de uiteinden der aderen.
Niettegenstaande de mindere grootte dezer voorwerpen acht ik het
niet onmogelijk, dat Senegalensis toch slechts eene der vele varie-
teiten van Hecabe is, misschien veroorzaakt door den vliegtijd,
daar Pasteur bij één exemplaar aanteekent, dat het in het drooge
jaargetijde gevangen werd.
Terias Brigitta Cramer, IV pl. 331 B, C. — Snellen,
Midd. Sumatra, Lepidopt. p. 24.
Drona Horsfield, Cat. Lep. East India Comp. p. 137 pl. 1 f. 138.
Rachel Snellen, Tijds. v. Ent. XV (1872) p. 27 pl. 1 f. 10—13.
Eenige exemplaren ontving ik van Pasteur. Daarbij zijn zeer
kleine wijfjes; een heeft niet meer dan 27 mm. vlugt, doch
verschilt overigens niet van Cramer’s afbeelding, die ook de vrouwe-
lijke sexe voorstelt. Op mijne afbeelding van het wijfje (waar het
AFRIKAANSCHE LEPIDOPTERA. 229
aderbeloop te sterk is uitgedrukt) vindt men bovendien nog een
zwart vlekje in den staarthoek der voorvleugels. Het is ook bij
een paar Afrikaansche voorwerpen aanwezig.
Idmais Doubledayi Hopffer, in Peters Reise, Zool. V p. 363.
Chrysonome Doubled. en Hewitson, Gen. of Diurn. Lep. pl. 7 f. 5.
Vesta Trimen, Rhopal. Afric. Austral. I p. 62.
Pasteur zond een aantal exemplaren. Ik houd de specifieke
regten van Doubledayi niet voor zeer gegrond en verwacht dat
het later, door het vinden van overgangen, wel blijken zal dat
zij slechts eene varieteit is van Chrysonome Klug.
Idmais Dynamene Klug, Symbol. Phys. pl. 6 f. 17, 18. —
Boisd., Spee. Gen. I. p. 588 n°. 5.
Pasteur zond vele exemplaren van beide sexen, die wel is waar
onderling geen verschil vertoonen, maar toch houd ik het niet
voor onmogelijk dat later zal blijken, wanneer de Lepidoptera van
Afrika beter bekend zijn, dat Amata Fabr., Cypraea Fabr., Calais
Cram. en Dynamene Klug te zamen slechts ééne soort uitmaken.
Callosune Antigone Boisd., Spec. Gen. I p. 572 n°. 19. —
Trimen, hop. Afric. Austr. p. 52.
Van deze aan Ævippe verwante soort zond Pasteur eenige exem-
plaren. Boisduval kende alleen den d, het 2 is door Trimen be-
schreven. Ik merk bij mijne exemplaren op, dat de roode vlek
der voorvleugelpunt een purperen weerschijn heeft, die bij Evippe
en de volgende Theogone ontbreekt.
Callosune Theogone Boisd., Spec. Gen. 1 p. 575 n°. 23. —
Trimen, Rhopal. Afric. Austral. p. 51.
Vele exemplaren ontving ik zoowel van Greshoff als van Pasteur.
Daarbij zijn er, die van typische voorwerpen van Evippe Linn.,
Godart, Boisduv. en Cramer pl. 91, F, G naauwelijks anders
verschillen dan door een weinig mindere grootte en door het
ontbreken van de zwarte middenstip der voorvleugels. Andere,
met deze door de zachtste overgangen verbonden, behooren tot de
varieteit A van Boisduval’s Theogone, en zoo wordt het voor. mij
230 AANTEEKENINGEN OVER
waarschijnlijk dat Theogone (met nog onderscheidene zoogenaamde
soorten van het genus Callosune) wel niet meer is dan eene varieteit
van Hvippe.
De wijfjes van Theogone variëren in het min of meer over-
vloedige van de zwarte teekening der bovenzijde.
Dryas Leda Doubl., Gen. of Diurn. Lep. p. 65. — Trimen,
Rhopal. Afric. Austr. p. 63 pl. 2 f 5.
Wahlbergi Wallengrèn, hop. Caffrar. p. 17.
Pasteur zond vele exemplaren van beide sexen, die grooter zijn
dan Trimen’s afbeelding. Doubleday zegt dat hij geene kenmerken
kan vinden, genoegzaam om de generieke afscheiding van Leda
van het genus Eronia te wettigen. De genoemde soort vergelijkende
met Zronia Valeria, Tritaea, Boebera, Argolis en Jobaca, vind
ik de volgende verschillen:
Leda: De genoemde Æronia-soorten :
Sprieten : Korter dan de helft Zoo lang als de helft van den
van den voorrand der voorrand der voorvleugels.
voorvleugels.
Voorvleugels: Met spitse punt, de Met afgeronde punt, de ach-
achterrand steil, naar terrand schuin, gelijkmatig
onderen buikig. gebogen.
Dwarsaderder Langer dan de helft Veel korter dan de helft der
voorvleugels der geheele dwars- geheele dwarsader, bijna regt-
boven ader 5: ader, schuin, sterk standig, naauwelijks gebogen.
wortel waarts gebogen.
Hierbij komen nog de geheel verschillende kleur en teekening.
Belangrijk mogen deze verschillen niet worden geacht, doch bij
den zoo afwijkenden habitus der vlinders, komt mij eene gene-
rieke afscheiding alleszins gewettigd voor.
Mijne vrouwelijke exemplaren zijn bijna even levendig geel ge-
kleurd als de mannelijke.
Dryas Buqueti Boisd., Spec. Gen. I p. 607 n® 1. — Trimen,
Rhop. Afric. Austr. p. 66,
AFRIKAANSCHE LEPIDOPTERA. 231
Eenige exemplaren (Pasteur).
Ook deze soort plaats ik liever in het genus Dryas dan in Bronia.
De sprieten zijn echter iets langer dan bij Zeda, ook is de dwars-
ader der voorvleugels boven ader 5 iets langer en schuiner, maar
met dat al is de overeenkomst van Buqueti met Leda in alles
veel grooter dan met de bovengenoemde Eronién.
Goniloba cretacea Snellen, Zijds. v. Ent. XV (1872) p. 27
pl. 2 fig. 4—6.
Hesp. Gonessa Hewitson, Ann. and Mag. of Nat. Hist. 1877
vol. 19 p. 76.
Pamph. Leucosoma Mabille, Petit. Now. 1877 p. 114 n°. 7.
Beide synoniemen hebben in hetzelfde jaar het licht gezien.
Plesioneura Galenus Fabr., Ent. Syst. III. 1. p. 350. —
Donov., /ns. of India pl. 50 f. 3.
Fabricius zegt van deze soort: «Habitat in Indiis», doch in
Kirby’s catalogus wordt geen vaderland vermeld. Ik ontving twee
exemplaren van Pasteur, afkomstig van Loanda.
Syntomis (Ceryx) Thyretiformis Wallengr., Kafer!l.
Heteroe. Fjirilar p. 14. — Snellen, Zijds. v. Ent. XV (1872)
p: 35 pl. 3 f. 1—3.
Syntomis fulvescens Butler, Illustr. I p. 17 pl. 7 f. 2.
Een exemplaar ontving ik nog van Pasteur. Het is gelijk aan
het door van Woerden gezondene.
Earias fuscociliana Snellen, 7tjds. v. Ent. XV (1872) p. 36,
Greshoff zond een wijfje. Het eindlid der palpen is de helft
langer dan bij den d, doch overigens is er, behalve wat de ge-
wone sexuéle kenmerken aangaat, geen verschil. Mijn vermoeden,
dat Maculana Snell. de andere sexe van fuscociliana zou zijn,
blijkt dus ongegrond.
Laelia subrufa Snellen, 7%jds. v. Ent. XV (1872) p. 39;
id., XXII (1879) p. 105 pl. 8 f. 6; id., Midd. Sumatra, Lepid. p. 39.
Eene wijd verbreide soort, die tevens vrij sterk variéert. Ik
ken haar nu van Zuidwest-Afrika, Sumatra, Java en Celebes.
232 AANTEEKENINGEN OVER
Acontia gibbosa Snellen, Tijds. v. Ent. XV (1872) p. 50
pl. 4 f. 9, 10 (Agrophila).
Nader onderzoek heeft mij geleerd, dat deze soort in het genus
Acontia Ochs. en Treits., Led. moet worden geplaatst.
Mesotrosta stigmatula Snellen, Tijds. v. Ent. XV (1872)
p. 55 pl. 4 f. 16 (Brastria); id., Tijds. v. Ent. XXIII (1879 —
1880) p. 55.
Chytoryza Tecta Grote, Canad. Ent. VII p. 190.
_Ik ken deze soort nu van Noord-Amerika (Texas), Zuid-Amerika
(Columbie), Zuidwest-Afrika (Angola), Java en Celebes. Zij moet,
naar Lederer’s systeem der Noctuinen, niet in het genus Hrastria,
maar in Mesotrosta worden geplaatst. Chytoryza Grote kan ver-
vallen.
Thalpochares orthogramma Snellen, Tds. v. Ent. XV
(1872) p. 59 pl. 5 f. 5 (Mera).
Vliegt ook op Celebes.
Pangrapta Selenialis Snellen, Tijds. v. Ent. XV (1872)
p. 64 (Platydia).
Het is beter om deze soort in het genus Pangrapta (bij Deco-
ralis Hübn., Zutr. (Marmorinia Epionoides en Geometroïdes Guen.,
Hypena elegantalis Fitch) en bij Gilvagalis Snell., Tijds. v. Ent.
XXIII (1879-1880) p. 112 pl. 8 f. 9, te plaatsen, want de
vleugelvorm is geheel dezelfde, terwijl bij het genus Platydia Guenée
de achterrand der achtervleugels tusschen de punt en het midden
niet uitgesneden is.
Rivula terrosa Snellen, 7%4s. v. Ent. XV (1872) p. 66
pl 5 £ 40; id, XVI (1873) p. 72.
Vliest, behalve aan de Congo-rivier, in Afrika ook op het
Prinsen-eiland en op Madagascar, verder op Java, Sumatra en
Celebes.
Notocyma pruinosa Snellen, 7%jds. v. Ent. XV (1872)
pid: pl bedda:
Ook op Java en Celebes. De juiste plaats van het genus is
dadelijk achter Gonodonta.
AFRIKAANSCHE LEPIDOPTERA. 239
Acropteris Mendax Snellen, Tijds. v. Ent. XV (1872) p.
TA pl. 6 f. 3, 4; id, XXIII (1879—80) p. 138.
Vliegt mede op Java en Celebes.
Chionopteryx Alucitaria Snellen, Zijds. v. Ent. XVI
(1873) p. 72 pl. 4 f. 1-5.
Op de aangehaalde plaat is mijne afbeelding van het aderstelsel
dezer soort niet goed weergegeven, wat bij het nalezen der be-
schrijving ten deele reeds blijkt. Ader 9 der voorvleugels moest
in de vleugelpunt uitloopen en ader 11 op ader 12 stuiten, niet,
deze doorsnijdende, in den voorrand eindigen.
Macaria Angolaria Snellen, Zijds. v. Ent. XV (1872) p. 81
TNA 12
De in mijne beschrijving vermelde Macaria sufflata Guenée heb
ik later van Java en Celebes leeren kennen, en bevonden dat zij
zich inderdaad door de bogtige, naar onderen niet verbreede midden-
schaduw der voor- en achtervleugels op het eerste gezigt van
Angolaria onderscheidt. Verder is de zwarte lijn, die bij de beide
soorten van de helft van cel 4 der voorvleugels naar den binnen-
rand der achtervleugels loopt, bij Sxflata duidelijk en overal dubbel,
terwijl de ruimte tusschen de beide lijnen geel is; voorts ontbreekt bij
Angolaria het witte vlekje bij de punt der voorvleugels, dat Suf-
flata heeft, en is het achterrandsderde der bovenzijde bij laatstge-
noemde bijna geheel donkergrijs, bij Angolaria slechts een weinig
donker gewolkt.
Botys tridentalis Snellen, Tijds. v. Ent. XV (1872) p. 89
peal à 6,1.
De voorvleugels zijn op de aangehaalde afbeelding te bruin van
kleur geworden en de achtervleugels vöör de boogstreep veel te
licht.
Botys mutualis Zell., Mer. Caf. p. 40.
Botys Aegrotalis Snell., Tijds. v. Ent. XV (1872) p. 90 pl. 7
f. 8; id., Midd. Sum. IV Lepid. p. 63 (var.)
Mijne Aegrotalis is niet die van Prof. Zeller, zooals bleek, toen
234 AANTEEKENINGEN OVER AFRIK. LEPIDOPTERA.
deze de welwillendheid had, mij een exemplaar ter vergelijking te
zenden. De afbeelding in het Tijdschrift is onder de handen van
den kleurder gebrekkig geworden. Ik heb in mijne reeds voltooide
behandeling der Pyraliden van Celebes (waar Mutualis ook voor-
komt, zoowel als op Sumatra en Java) de feilen in de bedoelde
afbeelding nader opgegeven en zal die dus hier niet herhalen. !)
Cnaphalocrocis (Marasmia) rectistrigosa Snell., Zijds. v.
Ent. XV (1872) p. 92 pl. 7 f. 14, 12.
Op de afbeelding is de grondkleur te zwavelgeel en moest de
streep langs den voorrand in het schubbenkammetje potloodkleurig-,
niet blaauw-grijs zijn.
Phakellura Capensis Zell, Mier. Caf. p. 52.
Ik vermoed dat Capensis dezelfde soort is als Indica Saunders,
Trans. Ent. Soc. of London, New Ser. 1 (1850—51) p. 163 pl. 12
f. 5—7. Laatstgenoemde zou dus de oudste naam zijn. Garorialis
Guen., Delt. et Pyr. p. 297 houd ik ook niet voor verschillend
van Indica.
Grapholitha (Sericoris) improbana Snell, 7yds. v.
Ent. XV (1872) p. 109 pl. 8 f. 11.
Ook deze afbeelding is er onder de handen van den colorist niet
duidelijker op geworden. De leemgele achterrand is niet aangeduid,
evenzoo komt de driekante lichte vlek der grondkleur aan den
binnenrand niet genoeg uit.
Hoewel naar kleur en teekening schijnbaar eene Semasia, leert
toch een onderzoek van het aderstelsel, dat /mprobana tot de afdee-
ling Sericoris behoort, want ader 5 der achtervleugels is aan den
wortel wel gebogen, doch ontspringt toch nog op eenigen afstand
van de ongesteeld uit één punt komende aderen 3 en 4.
1) Het bedoelde opstel zal in den volgenden jaargang van dit Tijdschrift het
licht zien,
Da.
REGISTER.
CRUSTACEA.
Araeosternus Wieneckei de Man (Sumatra).
blz. 1.
COLEOPTERA.
Actobius prolixus Er. xxi, cx.
Adrastus pusillus F. xxır.
Agathidium. cxxxl11.
” nigripenne Kug. cxI.
Agriotes gallicus Lac. xx.
Agyrtes castaneus Payk. cxil.
Aleochara lateralis Heer. xx1.
Amara consularis Dfts. xxI.
Anisoplia villosa Goeze. cxi.
Anisotoma ovalis Schmidt. xxi.
Sn sm nitidula L. cxnI.
” var. laeta F. cxui.
ee nigricornis F. xxII.
” silaceus Hrbst. xx.
Anthicus bataviensis Mars. (Java). 63.
mi bizonellus Mars. (Java). 63.
» eruciellus Mars. (Java) 60.
” javanus Mars. (Java). 62.
” serricornis Mars. (Sumatra). 59.
” subrubrocinctus Mars. (Sum.) 61.
Anthobium signatum Mark. cxil.
Anthonomus druparum L. xxiu.
Anthophagus. cxxxiII.
Apion aethiops Hrbst. xxrı1.
” dispar Germ. xxM.
elegantulum Germ. cxıv.
flavimanum Gyll. cxIv.
punctigerum Payk xxIv.
Roelofsi Ev. cxIv.
Simum Germ. cxIv.
tenue Kirb. xx.
Trifolii L. var. ruficrus Germ.
XXIII, CXIV.
” varipes Germ. XXIII.
vicinum Kirb. xxin.
ERA ciliata Ol. 155.
” conglomerzta Ill. 155.
globosa Ill. 155.
globus Dfts. 155.
majuscula Foudr. 155.
nigroaenea Weid. 155.
orbiculata Marsh xxıv, 155.
BERNER NEN
Slee Ses
Autalia. cxxxın.
Axinotarsus ruficollis Ol. xxmI.
| Bagous eylindrieus Payk. cxur
| Balaninus nucum L. xx.
Balanomorpha ambigua Kuts. 151.
” Chrysanthemi Koch. 152.
” obtusata Gyll. 151.
” rustica L. 151.
” semiaenea F. 152.
Baris viridisericea Goeze. CXIII.
Batrisus fundaebraccatus Schauf. (Java). 71.
” Ritsemae Schauf. (Sumatra). 70.
” seulpturatus Schauf. (Java). 71.
Bembidion adustum Schn. xx1.
" atrocoeruleum Steph. xxI, CXII.
decorum Panz. xxI.
” Doris Panz. xxI.
” nitidulam Marsh. xxI, CxII.
. punctulatum Drap. xxt.
” quadripustulatum Dej. xxI, CXII.
” quinquestriatum Gyll. xx.
” Schueppelii Dej. cxıı.
Bolitochara bella Mark. xxI, cx.
Brachypterus. CxxxHI.
” fulvipes Er. cxI.
Briaxis cordata Schanf. (Siam, Java). 69.
” fonensis Schauf. (id ). 69.
” siamensis Schauf. (id.) 68.
Bythinus atomus Schauf. (Java). 65.
Callistes Innatus F. cxıı.
Carabus monilis F. xxI.
Cardiophorus nigerrimus Er. cxnI.
Cassida murrhaea L xxiv.
Centhrophthalmus punctipennis
(Siam, Java). 73.
7 quadristriatus Schauf. (Java). 73.
Cereus. CXXXIII.
Schanf.
” falvipes Er xxm.
Ceutorhynchus Chrysanthemi Gyll. xxMt.
” trimaculatus F. xxIII, CXIII.
Chlaenius nigricornis F. var. melanocornis
Dej. XVIII.
” Schrankii Dfts. xvII.
” sulcieollis Payk. cx.
" vestitus Payk. xxr.
Choleva. cxxxIm.
Chrysomela coerulans Scrib. xxiv.
” Menthastri Suffr. xxiv.
" Molloginis Suffr. xxiv, cxIv.
Cionus Blattariae F. xxIII.
236
Cionus hortulanus Marsh. xxrtr.
” olens F. xxIII, CXIII
7 pulchellus Hrbst. xx.
” Scrophulariae L. xx.
” similis Müll. xxıır.
” tuberculosus Scop. xx.
Clythra aurita L. oxıv.
“ eyanea F. cxıv.
” longimana L. cxty.
Coccinella 14-pustulata L. cxtv.
Coeliodes Geranii Payk. xxur.
” rubicundus Payk. xxtII.
Coleoptera uit Z. Afrika. cxxxv.
Conurus. CxxxIII.
Corymbites purpureus Er. cx.
Cossonus cylindrieus Sahlb. ext.
Crepidodera abdominalis Küst. 139.
n Atropae Foudr. 144.
” aurata Marsh. 141.
” cyanea Marsh. 142.
" exoleta L. 140.
” exoleta Koch. 140.
Ù ferruginea 111. 140.
” ferruginea Steph. 140.
” flava L. 140.
“ fulvicornis All. 142.
” Helxines L. 142.
” Helxines Panz. 142.
” impressa Dfts. 140.
" marginicollis Küst. 140.
” metallica Dfts. xxiv, 142.
” Modeeri L. 143.
” nigriventris Bach. 139.
” nitidula L. 142.
” pubescens Koch. 144.
” pulchella Steph. 141.
” ruficornis Marsh. 140.
” rufipes L. 140.
” Salicariae Payk. 139.
” smaragdina Foudr. 143.
” transversa Marsh. 140.
” ventralis Ill. 139.
” versicolor Kuts. 141.
Cryptocephalus frenatus Laich. cxrv.
” octopunctatus Scop. cxry.
” pygmaeus F. xxIv.
Cryptohypnus dermestoides Hrbst. cxttt.
” id. var. quadriguttatus Lap. cx.
Cryptophagus scutellatus Newm. xxIr, CxII.
Ctenistes mitis Schanf. (Java). 74.
Cyrtotriplax bipustulata F. xxiv, cxtv.
Cyrtusa pauxilla Schmidt. xx, cx.
Dacne bipustulata Thunb. xxıv.
Deleaster. exxxırı.
Diaperis Boleti L. exırı.
Dibolia oceultans Koch. xxıv.
Drilus flavescens Rossi. cxarr.
Dromius. CxxxuHIT.
Dryops auriculatus Panz. xxi.
Ebaeus pedicularius Sehr. oxm.
7 thoracicus Fourer. exıı.
Elater cinnabarinus Esch. cxi.
7 Pomonae Steph. exit,
REGIS TIER.
Elleschus scaninus Payk. cxut.
Elmis Volkmari Panz. oxi.
Enoptostomus javanus Schauf. (Java). 73.
Epilachna Argus Fourer. xxiv, CXIV.
Epuraea florea Er. xxrr.
7 obsoleta F. xxır.
Eumierus epopsimus Schauf. (Java). 74.
Euplectas. cxxxmt.
” acuminatus Schauf. (Java). 69.
Falagria. CxxxIIrt
” thoracica Curt. xxI.
Feronia parallela Dfts. xx1.
Gallerucella Crataegi Först. cxIv.
Geotrupes stercorarius L. (Monstreus exempl.
van). CXXXIII.
Grammoptera ustulata Schall. cxıv.
Gymnetron netum Germ. xxIII, CXIII
Gyrophaena nana Payk. xxr.
” strictula Er. xxII, CXI.
Haliplus elevatus Panz. cx.
Haltica amphelophaga Guér. 148.
” articulata Beck. 147.
7 azurea Knoch. 147.
” basalis All. 147.
» Carduorum Guér. 147.
” cognata Kuts. 147.
” consobrina Dfts. 147.
” consobrina Thoms. 147.
a consobrina Foudr. 148.
” consobrina All. 149.
” Epilobii All. 149.
” Erucae F. 147.
. Erucae Ol. 146.
” Helianthemi All. 147.
7 Helxines Fourer. 147.
” Hippophaés Aubé. 147.
” Lythri Aubé. 149.
” montana Foudr. 147.
” cleracea L. 147.
” “var. c. Gyll. 147.
» Potentillae All. 147.
7 pusilla Dfts. 147.
” Quercetorum Foudr. 146.
” sicula All. 147.
” Tamarieis Schr. 147.
Halyzia 10-guttata L. oxıv.
” 12-guttata Poda. cxıv.
Harpalus caspius Stev. cxır.
” obseurus F. exır.
Helodes minutus L. xxn.
Helophorus avernicus Muls. ext.
Hermaeophaga Mercurialis F. 145.
Hispa atra L. xxıv.
Hister stercorarius Hoffm. xxıt.
Homalisus suturalis Vill. xxr.
Homalium excavatum Steph. xxır.
Horia sp. (Liberia). xm.
Hydroeyphon deflexicollis Müll. xx11, exıız.
Hydroporus bilineatus St. exır.
Hydrous caraboides L. (Monstreus exempl.
van). XVIII.
Hypocyptus longicornis Payk. cxxxuI.
Laccobius alutaceus Thoms. xvi,
REGISTER 237
Laccobius minutus L. xviit. Longitarsus melanocephalus Foudr. 167.
” nigriceps ‘Thoms. XVII. ” membranaceus Foudr. 176.
Laccophilus variegatus St. exır. Nasturtii F. 167.
Lamprorhiza splendidula L. xxur. ” » Gyll. 168.
Lathrimaeum. cXxxxIIt. n niger Koch. 161.
Lebia chlorocephala Hoffm. xxr. ” nigricans Steph. 164.
Leistus ferrugineus L. xxt. ” nigricollis Foudr. 168.
Leptinus. cxxxur. ” obliteratus Roseuh. 161.
Leucoparyphus silphoides L. Xxx. ” ochroleucus Marsh. xxiv, 173.
Liodes humeralis Kug. xxi. ” parvulus Payk. 162.
Liophloeus Herbstii Gyll. oxrtt. 7 patruelis All. 169.
Liparus coronatus Goeze. OXI. 7 pellucidus Foudr. 174.
Longitarsus abdominalis All. 170. piciceps Steph. 166.
” analis Dfts. 163. ” picipes All. 166.
” Anchusae Payk. 162. ” Poweri All. 166.
” apicalis Beck. 163. 7 pratensis Foudr. 173.
” ater F. 162. ” CALO
” atricapillus All. 166. ” ” var. e. Koch. 167, 176.
” ” Dfts. 171. ” patricola Sahlb. 163.
” atriceps Kuts, 171. ” Pulex Schr. 161.
” atricillus Ol. 173. pulicarius L. 162.
” » var. Y Payk. 167. ” pumila Ill. 162.
2 » Foudr. 171. ” pusillus Gyll. 172.
” Ballotae Marsh. 172. ” quadriguttatus Pont. 163.
” Boppardiensis Bach. 173. ” quadrinotatus Dfts. 163.
” borealis Zett. 169. ” quadripustulatus Koch. 163.
» brunneus Dfts. 165. ” rubiginosus Foudr. 175.
” candidulus Foudr. 177. ” Senecionis Bach. 167.
” canescens Foudr. 175. ” substriatus huts. 169.
” castaneus Dfts. 165. ” succineus Foudr. 176.
” eircumseriptus Bach. 167. ” suturalis Marsh. 168.
” consociatus Först. 161. ” suturellus Dfts. 167.
” convexus Steph. 164. tabidus F. xxıv, 168.
” curtus All. 171. u » Ol. 174.
” Cynoglossi Marsh. 163. ” tantalus Foudr. 170.
” dorsalis F. 166. ” testaceus All. 174.
7 ” Rossi. 169. ” Teuerii All. 176.
7 exoletus L. xxıv, 173. ” Thapsi Marsh. 169.
” ” Fourer. 174. ” thoracicus Kuts. 167.
” femoralis Marsh. 173. 7 Verbasci Panz. 168.
" ferrugineus Foudr. 175. 7 viduus All. 176.
” Fischeri Zett. 163. Macratria bicineta Mars. (Philipp.) 56.
” flavicornis Steph. 175. ” lineella Mars. (Java). 55.
n Foudrasi Crotch. 166. ” soricina Mars. (Aroe). 56.
” fulgens Foudr. 164. Malthinus fasciatus Fall. oxi.
” fuscescens Steph. 164. Malthodes dispar Germ. xx.
” fuscicollis Steph. 167. Mantura rustica L. xxiv.
” ” Foudr. 168. Mecynotarsus bisetiger Mars. (Sumatra). 58.
” gagatinus Dfts. 162. 7 obliquemaculatus Laferte (O.
” gracilis Kuts. 174. Ind.) 59.
” helvolus Kuts. 175. Melasoma longicolle Suffr. xxiv, CxIv.
” holsaticus L. 162. Meligethes Czwalinai Reitt. oxi.
” Jacobaeae Wat. 174. ” moestus Bris. OXII.
” juncicola Foudr. 169. ” solidus St. CXII.
” laevis Dfts. 176. ” subrugosus Gyll. xxIL.
7 lateralis All. 170. ” tristis St. CXIT.
” latifrons All. 177. ” villosus Bris. CXIT,
” luridus Scop. 164, Micropeplus porcatus PF. Xxil, CXXXIIL.
” » Gyll. 165. Mniophila muscorum Koch. 154.
” Lycopi Foudr. 170. Mordellistena brunnea F. Xx.
” Medicaginis All. 172. Mycetochares bipustulata Ill. cx.
” melanocephalus de G. 171. Myrmedonia collaris Payk. xxi.
” “ Gyll. 171. ” limbata Payk. xx1,
938 RME NC
Notiophilus aquaticus L. xvi
” biguttatus F. xvir.
” palustris Dfts. xvur.
7 punctulatus Wesm. xvır.
” rufipes Curt. xvi.
Obrium cantharinum L. cxıv.
Odacantha. CXXXIIT.
Oedemera flavipes F. xxut, CxI.
” nobilis Scop. XXIII,
” podagrica L. ext.
Olophrus. CXXXIIT.
Onthophagus ovatus L. xxtt.
” taurus Poda. cxut.
Onthophilus. cxxxir.
” striatus Forst. xx{t.
Orthochaetes rubrieatus Fairm. cxım.
Otiorhynchus ligneus Ol. xxtrr.
“ tenebricosus Hrbst. cx:.
Oxythyrea funesta Poda. xxtr. .
Pachybrachys hieroglyphicus Leach. xxIv.
Panaphantes squamiceps Schauf. (Java). 66.
Paramecosoma melanocephalum Müll. cxrr.
Peritelus hirticornis Hrbst. xxIIr, CXTII.
Philonthus decorus Grav. cxIr.
Phosphuga polita Sulz. cxu.
Phyllobius sinuatus F. xx.
Phytoecia nigricornis F. cxIv.
Platynaspis luteorubra Goeze. xxIv.
Platynus austriacus F. var. -modestus St.
CXII.
Podagrica bicolor Goeze 150.
” coeruleostriata de G. 150.
” Cyparissiae Koch. xxiv.
” fulvipes F. 150.
" fuscicornis L. 150.
” fuscipes F. cxıv, 150.
” Malvae Fourer. 150.
” nitidula Laich. 150.
” rufipes F. 150.
” sinuata Steph. xxıv.
Pogonochaerus hispidus Schr. xxtv.
Polydrosus tereticollis de G. Xxrrr.
Potaminus substriatus Müll. exır.
Proteinus. CXXXIII.
Psylliodes herbaceus Foudr. xxrv.
7 Hyoscyami L. cxiv.
Ptinus rufipes F. xxur.
Pyrochroa coccinea L. CXIII.
Quedius einetus Payk. xXIL.
7 eruentus Ol. XXII.
Ragonycha fuscicornis Ol. cxtt.
Rhinoncus perpendieularis Reich. xxii.
Rhizotrogus aestivus Ol. cxi.
Riolus nitens Müll. oxn.
Scraptia fuscula Müll. exrr.
Scydmaenus pyriformis Nietn. (Ceylon,
Java). 75.
Siagonium quadricorne Kirb. xxII, CxII.
Silaria varians L. XXIII, CXIII.
Sitones discoideus Gyll. xx.
Sphaeroderma Cardui Gyll. 153.
” orbiculata Bach. 153.
" testacea F. 153.
STER
Sphodrus inaeynalis Panz. xx1.
Staphylinidae. cxxxIr.
Staphylinus aeneocephalus de G. xxtl,
” pedator Gray. oxır.
Stenostola fera Schr. cxıv.
Stenus fossulatus Er. xxıt.
Strangalia bifasciata Müll. xxıv, cxtv.
Stomis pumicatus Panz. xxI.
Syntomium aeneum Müll. xx.
Tachyporus. CXXXII
” abdominalis Er. xxtr.
Tachys parvulus Dej. XXI, CXIL
Tachyusa atra Grav. xxI.
7 cyanea Kr. xxI.
Taphria nivalis Panz. xxt.
‘Tomoderus fuscicornis Mars. (Sumatra). 57.
Trichius fasciatus L. ext.
Tropiphorus elevatus Hrbst. cxIt.
Urodon conformis Suffr. cxtv.
” rufipes Ol. xxrv.
7 suturalis F. cxIv.
Xantholinus glaber Nordm. cxır.
Xyleborus eryptophagus Ratz. cxIv.
Xylophilus fasciolatus Mars. (Java). 54.
Zabrus gibbus F. xxr.
Zethus batavianus Schauf. (Java). 67.
Zeugophora flavicollis Müll. xxıv.
HEMIPTERA.
Acanthia columbaria Jen. xvVII.
” lectularia L. xvm.
” Pipistrellae Kol. x vr.
Calocoris marginellus F. cxx.
Cicaden (Geluid-organen der). 179.
Cimex juniperina L. cxx.
Corixa praeusta Fieb. cxx.
Dietionota strichnocera Fieb. cxx.
Eupteryx Curtisii Flor. cxx.
Eusacoris melanocephala F. cxx.
Lygaeus saxatilis Scop. Cxx.
Miris longicornis Fall. cxx.
Pediopsis nana H. Sch. cxx.
Peritrechus arenarius Hahn. CXX,
Typhlocyba Curtisii Flor. cxx.
NEUROPTERA.
Baetis phaeops Latr. cxx.
Chimaera marginata L. cxx.
Crunoecia inornata M. Lachl. cxx.
Ephemera lineata Eat. cxıx.
Ephemerella ignita Poda. cxrx.
Heptagenia flavipennis Duf. cxx.
7 insignis Eat. cxx.
” semicolorata Curt. cxx.
Hydropsyche pellucidula Curt. cxx.
Lasiocephala basalis Kol. cxx.
Leucorrhinia caudalis Charp. cxIx.
Libellula quadrimaculata L. (Zwerm van).
XVI.
Limnophilus luridas Curt. cxx.
Odontocerum albicorne Sc. cxx.
REGISTER 239
Onychogomphus forcipatus L. cxix.
Panorpa alpina Bran. cxx.
Perla abdominalis Brau. cxx.
” cephalotes Curt. cxx.
” Selysii Pict. cxx.
Stenophylax picicornis Pict. xiv, cxx.
” stellatus Curt. cxx.
Taeniopteryx trifasciata Pict. cxx.
HYMENOPTERA.
Acoenites arator Rossi. CXVI.
Aerotomus lucidulus Gray. cxvi.
Agathilla fulvopicta Westw. (Mexico). 24.
Agathirsia fulvocastanea Westw. (Mexico).
22.
” proxima Westw. (Mexico). 22.
” rufiventris Westw. (Mexico). 21.
, rufula Westw. (Mexico). 21.
Agathis nigra N. ab Es. cxvr.
Agathona sericans Westw. (Mexico). 23.
Agathophiona fulvicornis Westw. (Mexico).
20
Allantus bifasciatus Klug. cxv.
” marginellus F. cxxxvil.
” zonatus Klug. CXXXVII.
Amblytelus castigator F. cxxxvir.
” elegans Gravy. CXXXVII.
” elegantulus Schr. oxy.
” fulviventris Klug. cxv.
” signator Grav. cxv.
” subsericans Gray. CXXXvII.
Andrena bimaculata Kirb. cxvrr.
” chrysopyga Schenck. cxvir.
Flessae Panz. CXVII.
Gwynana Kirb. xxv.
Hattorfiana F. xxv, CXVII.
lucens Imh. xxv.
Moravitzi Thoms. cxvrt.
nana Kirb. xxv, CXVII.
nitidiuscula Schenck. xxv.
propinqua Schenck. xxv.
” shawella Kirb. xxv.
Anisosterion alacre Grav. cxv.
Anomalon fibulator Gray. cxvi.
a è ya ya x
” sellatum Voll. cxvr.
” septentrionale Hlmgr. cxvi.
” tenuicorne Grav. CXXXVIN.
Anthidium strigatum Latr. xxv.
Anthophora furcata Pauz. XXvr.
” quadrimaculata F. xxvr.
Aporus bicolor Schenck. cxxxIx.
Athalia annulata F. cxxxvil.
Aucalotes nigriventris Cress. (Cuba). 41.
Bassus albosignatus Grav. CXXXVIII.
” areolatus Hlmgr. CXXXvIII.
” flavolineatus Grav. CXXXVIII.
” laetatorius F. CXXXVIIL.
” suleator Grav. CXXXVIIL.
Bombus agrorum ? F. var. mniorum F. xxvi.
” confusus Schenck. XXVI, CXViI.
” distinguendus Mor. XXVI.
” soroénsis F. CXVII.
Bombus sylvarum L. xxvr.
” ? variabilis Schmied. xxvr.
Bracon armator F. (Java). 26.
” Roberti Wesm. Cxvr.
” spinator Guér. (Bengale). 28.
Capitonius bifasciatus Brullé (exot.). 39.
Cataglyptus flaveolator Hlmgr. cxv.
Cenocoelius amazonicus Westw. (Amaz.). 36.
” bifasciatus Brullé (Para). 39.
cephalotes Smith (Macassar). 35.
columbianus Westw. (Columb.).
38.
” gerasinorum
Geraes). 37.
” insidiator Smith. (Mysole). 36.
nigritus Westw. (Brazil.). 38.
" nigriventris Cress. (Cuba). 41.
7 sexnotatus Westw. (Amazon.) 39.
Centeterus confector Grav. CXXXVIl.
Ceratina cyanea Kirb. xxv, cxvII.
Cerceris interrupta Panz. Cxvr.
Westw. (Minas
” labiata F. cxxxvult.
” nasuta Dahlb. cxxxvitt.
” quadrieineta Panz. cxvI.
” quinquefasciata Rossi. cxxxvut.
Ceropales maculata F. cxxxix.
Chrysis ignita L. cxxxvut.
Cilissa haemorrhoidalis F. xxv.
” melanura Nyl. exvrr.
Coelioxys alata Först. xxvi, cxvir.
” aurolimbata Först. xxvr, exvrr.
” recurva Schenck. xxVI, CXVII.
Ù rufescens Lep. XXVI.
Coelocentrus caligatus Gray. CXXXvIII.
Colletes Daviesana Kirb. xxv.
Colpognathus celerator Grav. cxxxvir.
Cryptocampus nigricornis Klug. cxrv.
Cryptus arrogans Grav. CXXXVII.
” confector Gray. CXv.
7 erythropus Grav. cxv.
7 hortulanus Grav. cxv.
” hostilis Grav. CXXxvII.
” ? melanoleucus Gray. CXXXVII.
” nigripes Gray. CXXXVII.
„ opacus Gray. CXv.
7 spiralis Gray. CXXXVII.
” stomaticns Gray. CXv.
” titillator L. cxxxvirt.
Dicaelotus pumilus Grav. CXXXvIL.
Diodontus pallipes Panz. cxxxvu.
Dolerus anticus Klug. cxxxvu.
7 saxatilis Hart. CXIV, CKXXVII
7 tristis F. cxxxvit.
” uliginosus Klug. cxrv.
Elampus Panzeri F. cxxxvu.
Emphytus calceatus Klug. cxrv.
” einetus L. CXXXVII.
Eristicus elerieus Grav. CXXXvII.
Erromenus brunnicans Gray. cxxxvuI.
Euryproctus annulatus Gray. cxxxvill.
” atomator Grav. CXXXVIIL.
” chrysostomus Grav. CXXXVIII.
Euscelinus sarawacus Westw. (Borneo). 26.
240 fi Exe
Exenterus laticeps Grav. cxvi.
Exetastes illusor Grav. CXXXVIII.
Exoches flavomarginatus Hlmgr. cxxxvill.
” tibialis Hali. cxvr.
Exotylus laevigatus Först. exxxvlır.
Glypta bifoveolata Grav. cxxxvnr.
” ceratites Grav. CXXXVIII.
” haesitator Grav. CXXXVIII.
” scalaris Grav. CXVL.
Halictoides dentiventris Nyl. xxv.
Halictus laevigatus Kirb. cxvir.
” longulus Smith. cxvil.
” maculatus Smith. xxv.
” morio F. xxv.
” quadrieinetus i. XXV, CXVII.
” quadristrigatus Latr. xxv, CXVII.
Haplocampa brevis Klug. cxıv.
Hediyehrum lucidulum “Dahlb, cxxxvo.
Hemiteles areolatus Panz. cxv.
” contormis Grav. CXV.
” niger Tasch. CXXXVIL.
” tenuicornis Gray. Cxv.
” varitarsus Gray. CXXXVIII.
Heterospilus tubidulus Hal. cxvi.
Hoplisus quinquecinctus F. cxxXvill.
Hylotoma atrata Klug. cxxxvil.
” II FP. CXXXVII.
” femoralis Klug. cxıv, CXXXVII.
” pullata L. cxxxvul.
u ustulata L. cxxxvit.
Ichneumon defensorius Vill. cxv.
” discrepator Wesm. Cxy.
” fabricator Grav. CXXXVII.
” illuminatorius Wesm. CXXXVII
u molitorius Schr. cxv.
» sugillatorius I. cxxxvit.
umbraculosus Grav. CXv.
” vestigator Wesm. CXXXVII.
Limueria difformis Grav. cxxxvnr.
” dumeticola Hlmgr. CxxxvVIl.
” errans Hlmgr. CXVI.
” geniculata Grav. CXXXVUI.
” mutabilis Hlmgr. cxxxvI.
” notata Gray. CXVL.
” obseurella Hlmgr. CXXXV UL.
” vivida Hlmgr. cx xxvii.
Lissonota bellator Grav. CXxxVIu.
” bicornis Grav. CXVI.
” carbonaria Hlmgr. CxvI.
” cylindrator Grav. cxxxvnI.
” fracta Grav. CXXXVIIL.
” insignita Grav. CXVI.
” versicolor Hlmgr. cxvI.
Loxotropa nigriclavis N. ab Es. cxvr.
Macrophya erythrocnema Costa. cxv.
” haemantopus Klug. OXXXVIL.
Megachile ericetorum Lep. xxv.
” lagopoda L. xxv, CXVIL.
” Willoughbiella Kirb. xxv.
Mellina arvensis var. 1.
Mesochorus dorsalis Hlmgr. oxxxvIu.
” gemellus Hlmgr. cxxxviu.
w pectoralis Ratz. CXXXVIII.
Toe DEREK.
Mesochorus vitticollis Hlmgr. cxvr.
Mesoleptus cingulatus Grav. CxxxVIII.
” subcompressus Gray. CxxxXVII.
7 sulphuratus Gray. cxv.
7 testaceus F. cxxxvin.
7 Typhae Fourer. cXXXVIII.
” vulneratus Dft. cxv.
Mesostenus obnoxius Gray. cxv.
Mierodus compeditus Voll. cxvr.
7 rugulosus N. ab Es. cxvI.
” thoracicus Cress. (Mexico). 21.
Microgaster glomeratus F. cxvr.
Mimesa atra Panz. CXXXVIIL.
" bicolor Schenck. cxxxvu.
” equestris F. cxvi, CXxXVIII.
Myosoma fasciatum Brullé (Guiana). 25.
Dahlb. cXx XVIII.
” fuscipenne Brullé (Brazil.) 24.
7 hirtipes Brullé (Z. Amer.) 24.
” mutator F. (Nw. Holl.) 24.
” pennipes Westw. (Amazon.) 25.
” rubriventre Brullé (Brazil.) 24.
” rubrum Brullé (Guiana). 25.
Myrmosa melanocephala F. cxxxIx.
Nematus coeruleocarpus Hart. CXXXVIL.
” luteus Panz. CXXXVII.
” monticola Thoms. CxIV.
” ventricosus Klug. CXXXVIL.
Nomada armata H. Sch. cxvu.
” Fabriciana L. var. germanica
Panz. XXVI.
” fucata Panz. xxv.
” fuscicornis Nyl. xxvI.
” rheuana Mor. CxVII.
” Roberjeotiana Panz. xxv.
Nysson omissus Dahlb. CxxxVvII.
Ophion luteus L. cxxxvim.
Osmia adunca Latr. xxv.
” bicolor Schr. CxvII.
Passaloecus gracilis Dahlb. cxxxvI.
” turionum Dahlb. oxxxvit.
Perilissus grisescens Grav. CXXXVIII.
» © lutescens Hlmgr. CXXXVIII.
" pallidus Gray. CXXXVIII.
Perineura ocutellaris F. cxv.
Phaeogenes trepidus Wesm. Cxv.
| Phygadeuon abdominator Grav. CXXXVIIL.
” abdominator Tasch. CXXXVII.
” bitinctus Grav. CXXXVIII.
” cretatus Grav. CXX XVIII.
” diaphanus Gray. cxv.
” fumator Grav. CXV, CXXXVII.
” jejunator Grav. CxxX VIII.
” labralis Tasch. cxxxvur.
” obscuripes Tasch. CXXXVUI.
” procerus Gray. CXXXVIII.
D profligator Grav. CXXXVIII.
” tenuipes Grav. CXXXVUI.
” tenuiventris Grav. CXXXVIl.
” vagabundus Grav. CXXXvul.
variabilis Gray. CXXXVIII.
Phyllotoma Aceris Kalt. (metamorph.). 7.
Phytodietes segmentator Gray. CXXXVIII.
Pimpla caudata Ratz. cXxvr.
REG AS DER
Pimpla roborator Gray. cxvi.
. scanica Vill. cxxxvull.
D sculatoria F. cxvr.
. stercorator Grav. CXXXVIII.
” viduata Grav. CXXXVIII.
Pompilus concinnus Dahlb. cxxxIx.
” dispar Dahlb. cxxxIx.
melanarius Dahlb. cxxxıx.
” pectinipes L. CxxxIx.
” rufipes L. cxxxIx.
” sericeus Schenck. CxxxIX.
” spissus Schenck. cxxxIx.
D viaticus Dahlb cxxxIx.
Porizon harpurus Schr. cxxxvIr.
” minator Grav. CXvI.
Prioenemis aftinis v.d.Lind. CxxxIx.
” exaltatus Panz. CXXXIx.
” hyalinatus Dahlb. cxxxrx.
” notatus Wesm. CxxxIx.
» obtusiventris Schenck. cxxxIx.
” pusillus Schenck. CXxxvurr.
” simulans Thoms cxvı.
” variegatus F. CxxxIx.
Prionopoda stictica Hlmgr. cxv.
Pristomerus vulnerator Panz. cxxxvIII.
Probolus fossorius Grav. cxxxvil.
Proctotrnpes viator Hall. cxvr.
Prosopis brevipennis Nyl. xxv.
” obscurata Schenck. cxvit.
” pictipes Nyl. xxv.
Psen atratus Panz. CXXXVIII.
” concolor Dahlb. cxvr.
Rhopalum tibiale F. oxxxvin.
Selandria aethiops F. cxxxvir.
” aperta Hart. cxv, CXXxXVII.
” ephippium: Panz. cxxxvit.
” flavens Klug. cxv.
” morio F. CxxxvII.
Snellenius Vollenhovii Westw.(N.Guin.).19.
Spinaria armator F. (Java, Sumatra). 26
” attenuata Westw. (Borneo). 30.
D dimidiata Westw. (Ceram). 31.
” fuscipennis Brullé (China, Java).
spinator Guér. (Bengale). 28.
sulcator Smith (Gilolo). 27.
gr ESS Ha |
Stelis aterrima Panz. xxvi.
” phaeoptera Kirb. xxvr.
Stenophasmus apicalis Westw. (Borneo). 43.
” femoralis Westw. (Mysole) 43.
” ruficeps Smith (Aru). 42.
Streblocera fulviceps Westw. (Engeland). 45.
” longiscapha Westw. (id.). 45,
Strongylogaster cingulatus F. oxv.
Tachytes obsoleta Rond. cxvi.
” pompiliformis Panz. cxxxvut.
Tenthredo ambigua Klug. cxv.
” longicornis Thoms. cxv.
» nitida Klug. oxxxvit,
” obtusa Klug. cxv.
” zonata Panz. cxv.
leacomelaena Westw. (Siam). 31.
suliana Westw. (eil. Sula). 32.
241
Tiphia femorata F. cxxxix.
” morio F. CXvI.
Torymus Danei Curt. cxvI.
Trachusa Serratulae Panz. xxv.
Trigonalys Hahnii Spin. cxv.
Trypetes truncorum L xxv.
Tryphon brachyacanthus Gmel. cxxxvIm.
” consobrinus Hlmgr. cxv,
CXXXVIII.
elongator F. CXXxvrrr.
ephippium Himgr. CXXxvirr.
incertus Hlmgr. CXXxvrrr.
mesoscanthus Grav. cxv.
notatus Grav. cxv.
rutilator Grav. CXxXVIII.
segmentorius Gray. CXXXVIII.
varicornis Grav. CXXXVIn.
ni Qi ah a) Le aa
LEPIDOPTERA.
Acidalia corrivallaria Kretsch. cxr.
Aciptilia spilodactyla Curt. cxr.
Acontia gibbosa Snell. (Afrika). 232.
Acraea Acara Hew. (Afrika). 216, 218.
” Admatha Hew (Afrika). 217.
Acrita Hew. (Afrika). 217.
Egina Cr. (Afrika). 216.
Epaea Cr. (Afrika). 218.
Éponina Cr. (Afrika). 216, 217.
Esebrina Ilew. (Afrika). 218.
Gea F. (Afrika). 218.
Lycia F. (Afrika). 217.
Manjaca Boisd. (Afrika). 216.
Menippe Drury (Afrika). 218.
Orestia Hew. (Afrika). 217.
Orestina Plötz (Afrika). 217.
Protea Trimen (Afrika). 218.
Pseudegina Westw. (Afrika).216,
Serena F. (Afrika). 216.
Vinidia Hew (Afrika) 218.
.Zetes L. (Afrika). 218.
A ete mendax Snell. (Afrika). 233.
Agrophila gibbosa Snell. (Afrika). 232.
Agrotera nemoralis Scop. CXxVI, CXXVII.
Apamea Crataegi L. xıx.
Apatura Iris L. cx.
Asphalia diluta W. V. cx.
Aspilates formosaria Ev. cxt.
Axylia putris L. CXXvr, CXXVII.
Bembecia hylaeiformis Lasp. cx.
Blalophanes monachella Hbn. cxxvr,
CXXVII.
Boarmia crepuscularia W.V.cxxvr, CXXVIL.
Botys Aegrotalis Snell. (Afrika). 233.
” flavalis Schiff. cxr.
» fulvalis Hbn. xxv, cxr.
” mutualis Zell. (Afrika). 233.
. tridentalis Snell. (Afrika). 233.
Callimorpha Dominula L. cx.
” Hera L. cx.
Callosune Antigone Boisd. (Afrika). 229,
” Evippe L. (Afrika). 229,
16
RE: PA VR EEE U ER a
242
Callosune Theogone Boisd. (Afrika). 229.
Caradrina Alsines Brahm. cxxxIII.
” Taraxaci Hbn. exxxim.
Catuna duodecimpunetata Snell. (Afrika).
223.
Cerostoma scabrella L. oxr.
Ceryx Thyretiformis Wallengr. (Afrika).
231
Chinopteryx alucitaria Snell. (Afrika). 233.
Chytoriza Tecta Grote (Afrika). 232.
Cidaria anangulata Haw. ext.
” aquata bn. cxI.
” ferrugata L. CXXVI, CXXVII.
» . fluviator Hbn. ext.
” galiata Hbn. cxI.
” olivata WE XV ext.
” procellata F. oxt.
” silaceata Hbn. cxt.
” tersata Hbn. cxr.
” testaceata Don. ext.
” tristata L. cxI.
Cnaphalocrocis rectistrigosa Snell. (Afrika).
234.
Coenonympha Hero L. cx.
Coleophora ornatipennella Hbn. xxv, CxI.
” vibicella Hbn. oxt.
Crambus conchellus W. V. cxxvI.
È myellus Hbn. xxv, OXI, CXXVI.
Danais Chrysippus L. (Afrika). 218.
” Limniace Cr. (Afrika). 219.
” Petiverana |)bl. et Hew. (Afrika).
210)
Diadema Bolina Cr. (Afrika). 223.
” Diocippus Cr. (Afrika). 223.
” Inaria Cr. (Afrika). 223.
” Micippus L. (Afrika). 223.
Dryas Buqueti Boisd. (Afrika). 230.
" Leda Doubled. (Afrika). 230.
” Wahlbergi Wallengr. (Afrika).
230.
Farias fuscociliana Snell. (Afrika). 231.
Ephestia guttella Snell. (Java). 213.
Epione vespertaria L. CXL.
Erastria stigmatula Snell. (Afrika). 232.
Eronia Argolis (Afrika). 230.
7 Boebera (Afrika). 230.
” Jobaca (Afrika). 230.
" Tritaea (Afrika). 230.
” Valeria (Atrika). 230.
Geometra vernaria Hbn. cx.
Gluphisia eressata Esp. ox.
Glyptoteles leucacrinella Zinck. ext.
Gnophos furvata W. V. ext.
Godartia Ansellica Butl. (Afrika). 224.
” Eurinonia Cr. (Afrika). 224.
Goniloba eretacea Snell. (Afrika). 231.
Grapholitha improbana Snell.
234.
” perlepidana Haw. cxI.
” pupillana Cl. oxt.
Harpella Geoffrella L. ext.
Hesperia Actaeon Esp. cx.
" Gonessa Hew. (Afrika), 231.
(Afrika).
RB GTST:
Hypanis Anva’ara Boisd. (Afrika). 221.
” Cora Feisth. (Afrika). 221.
” Ilythia Drury (Afrika). 220.
” Polinice Cr. (Afrika). 221.
Hypena elegantalis Fitch (Afrika). 232.
Idmais Chrysonome Dbld. (Afrika). 229.
7 Doubledayi Hopff (Afrika). 229.
” Dynamone Klug (Afrika). 229.
” Vesta Trimen (Afrika). 229.
Jaera Crithea Drury (Afrika). 221.
” duodecimpunctata Snell.(Afrika).
223.
” Opis Drury (Afrika). 221.
Laelia subrufa Snell. (Afrika). 231.
Leucania conigera F. cx.
” L-album L. cx.
Libythea Labdaca Westw. (Afrika). 224.
7 Laius Trimen (Afrika’. 224.
Lycaena Asteris Snell. (Afrika). 224.
” Boeticus L. (Afrika). 224.
” minima Fuessl. cx.
” Parsimon F. (Afrika). 224.
” Telicanus Lang. (Afrika). 224.
Macaria an:olaria Snell. (Afrika). 233.
" sufflata Guen. (Afrika). 283.
Mamestra Leiueri Freyer. 49.
Marasmia rectistrigosa Snell. (Afrika). 234.
Marmorinia Epionoides Guen. (Afrika). 232.
” Geometroides Guen. (Afrika).
232.
Mesotrosta stigmatula Snell. (Afrika). 232.
Miera orthogramma Snell. (Afrika). 232.
Mim venophilus phaeodactylus Hbn. cxr.
Mycalesis Eliasis Hew. (Afrika). 219.
Nemeophila Plantaginis L. cx.
Nephopteryx similella Zinck. cxt.
Neptis Nemetes Hew. (Afrika). 221.
Notocyma pruinosa Snell. (Afrika). 232.
Notodonta Tritophus F. ox.
Oleophora lunaris Haw. cxI.
Olindia albulana F. ext.
Orobena limbata J). cxr.
Ortholitha bipunctaria Schiff. oxr.
Pamphilus leucosoma Mab. (Afrika). 231.
Pangrapta decoralis Hbn. (Afrika), 232.
” selenialis Snell. (Afrika). 232.
Pempelia ornatella W. V. ext.
Phakellura capensis Zell. (Afrika). 234.
” Garorialis Guen. (Afrika). 234.
” indica Saund. (Afrika). 234.
Pieris Agathina Cr. (Afrika). 228.
” capricornus Wood (Afrika). 225.
” Crataegi L. xix.
” Epaphia Cr. (Afrika). 226.
” Eudoxia Cr. (Afrika). 227.
” Larima Boisd. (Afrika). 225.
” Mesentina Cr. (Afrika). 226.
” Phileris Boisd. (Afrika). 227.
” Poppea Cr. (Afrika). 227.
” Rhodope F. (Afrika). 227.
” Saba F. (Afrika). 226.
D Severina Cr. (Afrika). 226.
" Sylvia F. (Afrika). 227,
WECISTER
Platydia gilvagalis Snell. (Afrika). 232.
” selenialis Snell. (Afrika). 232.
Plesioneura Galenus F. (Afrika). 221.
Pontia Alcesta Cr. (Afrika). 225.
” Sylvicola Boisd. (Afrika). 225.
” Xyphia F. (Afrika). 225.
Prodenia littoralis Bois. 50.
” retina IT. Sch. 50.
” testacevides Guen. 51.
Psecadia decemguttata Hbn. cxI.
Pseudoneptis Snell. (n. g.) 221.
” Coenobita F. (Afrika). 223.
Pseudopontia calabarica Plötz (Afrika) 225.
” paradoxa Feld, (Afrika). 225.
Pyrameis Cardui L. (Afrika). 223.
Rhinosia formosella Hbn. cxt.
Rivula terrosa Snell. (Afrika), 232.
Sericoris improbana Suell. (Afrika). 234.
Sesia ichneumoniformis W. V. xxIv, Cx.
Steganoptycha granitana H. Sch. ext.
Syntomis Thyretiformis Wallgr. (Afrika).
231.
Syrichthus Sao Hbn. cx.
Terias Blanda Boisd. (Afrika). 228.
” Brigitta Cr. (Afrika). 228.
” Drona Hopff (Afrika). 228.
” Hecabe L. (Afrika). 228.
” Rachel Snell. (Afrika). 228.
” senegalensis Hbn. (Afrika). 228.
Thalpochares orthogramma Snell. (Afrika).
232.
Thecla W-album Knoch. cx.
Thyris fenestrella Scop. ex.
Timandra amata L. cxxvi, CXXVII.
Vanessa Cardui L. (Afrika). 223.
Vlindersoorten (Kuropesche) ook op Java.
CXXVIT.
Xanthia ocellaris Brkh. cxr.
Yphthima Asterope Snell. (Afrika). 219.
” Doleta Kirb. (Afrika). 219.
Ypsolophus ustulellus F. cxr.
DIPTERA.
Actina tibialis Meig. cxxxIx.
Andrenosoma erythropyga Wied. (Braz.)
104
” xanthocnema Wied. (Braz.). 104.
Anthomyia brevicornis Zett. cxvit.
” humerella Zett. cx.
Anthrax Amasia Wied. (Argentina). 84.
” celer Wied. (N. Amer.) 83
” ditaenia Wied. (Argent.) 81.
” festiva Phil. (Chile). 83.
” Halcyon Say (N. Amer.). 79.
” hypomelas Macq. (N.Amer.) 84.
” hypoxantha Macq. (Argent.). 81.
” irrorata Say (N.Amer.). 85.
leucocephala v.d.W. (Argent.).
81.
” melasoma v.d.W. (N.Amer.). 80.
” Minas Macq. (Z.Amer.) 80.
243
Anthrax Oedipus F. (N.Amer.) 85.
” Perimele Wied. (S. Barthelemy).
83.
” Pluto Wied. (N.Amer.) 85.
” semitristis Phil. (Chile). 81.
” vicina Macq. (Z.Amer.). 84.
Argyra albicans Löw (Quebec). 121.
Argyramoeba imitans Schin. (Argent.). 86..
“ Oedipus F. (Argent) 85.
” Pluto Wied. (N.Amer.) 85.
Asilus albospinosus Bell. (Mexico), 117.
” auribarbis Wied. (Brazil.). 113.
» barbatus F. (Brazil.) 112.
“ brevipennis Wied. (exot.). 108.
flavofasciatus Wied. (Brazil.).
113.
” foreipula Zell. cxv.It.
” geniculatus Meig. CXXXIx.
” gilvus L. 104.
” grossus F. (N.Amer.) 103.
” Heros Wied. (N.Amer.) 108.
” infernalis Wied. (Z.Amer ). 106.
7 labidophorus Wied. (Brazil).
DES
” macrolabis Wied. (N.Amer.) 113.
” macularis Wied (Z.Amer.). 112.
” Minos Wied. (Z.Amer.) 106.
” nigritarsis F. (Brazil.) 107.
” niveibarbis Bell. (Mexico). 117.
” Pluto Wied. (Z.Amer.) 106.
” Pogonias Wied. (N.Amer.) 114.
” punctipennis Meig. cxvur.
” robustus Wied. (Z.Amer.). 106.
” ruficauda Wied. (Z Amer.). 106.
” rufinus Wied. (Braz.). 113.
” rufipes F. (N.Amer.?) 107.
” rufus de G. 104.
” rusticus Meig. CxvVuI.
“ senilis Wied. (Z.Amer.) 115.
” setulosus Zett. CXXXIX.
” striola Wied. (Braz.). 113.
” stylatus F. (Amer.). 112.
” trichonotus Wied. (Braz.). 108.
” Truquii Bell. (Mexico). 117.
Asindulum, femoratum Meig. cxvit.
Atherix Ibis F. cxvurr.
Atomosia geniculata Wied. (Argent.). 105.
” pilipes Thoms. (Argent.). 105.
” pilosipes E. Lyach (Argent.).
105.
” tibialis Macq. (Columb.). 105.
” venustula E. Lyuch (Argent.)
105. i
” xanthopus Wied. (Mexico). 105.
Aulacigaster rufitarsis Meig. CxvIm.
Bacha elongata F. cxxx:x.
Beris chalybeata Först. cxvitr.
” vallata Forst. cxxxIx.
Blepharepium coarctatuin Perty (Argent.)
88
» luridum Rond. (Z.Amer.). 89
Bombylius fugax Wied. cxvur.
Brachypalpus Meigenii Schin. cxIx.
244
Cacodaemon Lucifer Schin. (Argent.). 97.
” Satanas Schin. (Argent.). 97.
Camarota flavitarsis Meig. cxvitt.
Catabomba melanostoma Macq. (Chile). 134.
. pyrastri L. (N.Amer.) 134,
Ceria barbipes Lòw (Argent.). 122.
Chilosia canicularis Pauz. CXIX.
Chironomus dorsalis M.ig. cxxxIx.
” hilarellus Zett. cxvi.
” laetus Meiz. cx vit.
. riparius Meig. CxxxIx.
” vernus Meig. CXVII.
Chlorops cereris Fall. cxt.
D glabra Meig. cxL.
” gracilis Meig. CxL.
" rufina Zett. CXVIIL.
Chrysogaster chalybeata Meig. cxıx.
” coemeteriorum Js. xxvr.
” metallina W. cxxxIx.
” splendens Meig. CXIX.
Chrysomyia formosa Scop. CXXXIX.
7 polita L. cxxxIx.
pee americana Schin. (Amer.) 119.
apicalis v.d.W. (Guadeloupe).
119.
” atrata F.
” aurea Meig. cxxxix.
P dispar v.d.W. (N.Amer.). 118.
" flaveola Meig. CxvIII.
” nigrita F. cxxxIx.
” quadrata Say (Quebec) 118.
Chrysotoxuin arcuatum L. cxix.
CXXXIX.
” festivum L. CxxxIXx.
” iutermedium Meig. cxIx.
” vernale Löw. cxIx.
Chyliza atriseta Meig. cxu.
Clavator punctipeunis Phil. (Chile). 103.
. sabulonum O. Sack. (N.Amer.)
103.
Clytia helvola Meig. cxvitt.
” tephra Meig. cxL.
Coeuosia mouilis Meig. CXvirr.
” verna i" CXVIII.
Comptosia bifasciata Macq (Chile). 86.
” consobrina Phil. (Chile). 86.
” Landbecki Phil. (Argent.). 86
° moutana Phil. (Chile). 86.
” vulgaris Phil. (Chile). 86.
Conops aeneus Scop. 131.
” vulgaris Scop. 129.
Cordylura albilabris F. cx.
Criorhina berberina F. exıx.
” id. var. Oxyacanthae Meig. CXIX.
’ ruficauda de G. cxIx.
Cylindrotoma glabrata Meig. cxxxIx.
Cyrtoneura curvipes Macq CXL.
” pabulorum Fall. cxL.
Cyrtopogon chrysopogon Löw. 100.
Dasyllis grossa I’. (Quebec). 103.
Dasypogon bonarieusis Macq. (Argent.). 89.
” coarctatus Walk. (Brazil.). 88.
” fulvicornis Macq (exot.). 103.
D longiungulatus Macq. (Braz.). 98,
RE Gi Ss TIER
Dasypogen Lucifer Wied. (Argent.). 97.
nigritarsis F. (Brazil.). 107.
” quadrimaculatus Bell (Argent.).
96.
rufescens Macq. (N.Amer.) 91.
rufipes F. (N.Amer.?) 107.
rutilus Wied. (Braz.). 98.
Satanas Wiel. (Argeut.). 97.
secabilis Walk. (Mexico). 89.
semirufus Wied. (Argent.). 96.
striola F. (Braz). 113.
subcontractus Walk. (Z.Amer.)
= az tre ta.
” teutonus L. CXVII.
” tristis Walk. (Argent.). 96.
" Winthemi Wied. (Z.Amer.). 93.
Dasythrix leucophaea E. Lynch (Argent.).
105.
Demoticus spretus Meig. XXVI, CxIx.
a placida v.d.W. (Argent.). 94.
rufescens Macq. (N.Amer.) 91.
” Weyenberghi v.d.W. (Arg.). 93.
” Winthemi Wied. (Z. Amer.). 93.
Dexia carinifrons Fall. cxvIt.
Dicranota bimaculata Schumm. CXXXIX.
Dicranus Tucma E. Lynch (Argent). 98.
Didea fuscipes Löw (Quebec). 133.
Dioctria Baumhaueri Meig. CxxxIx.
” Reinhardi Wied. caxxıx.
Diogmites discolor Löw (N.Amer.). 93.
” rufesceus v.d.W. (N.Amer.). 91.
Diptera van Argentina. CXXXV.
Discomyza ineurva Fall. ext.
Dizonias bicinctus Löw (Argeut.). 96.
Dolichogyna fasciata Macq. (Chile). 133.
Dolichopus equestris F. (Z.Amer.) 120.
” trivialis Hal. cxxxIx
Dryomyza fliveola Fall. cxL.
Eccritosia barbata F. (Brazil.). 112.
Echinomyia ferox Panz. cxxxIx.
” ursina Meig. CXIX.
Einpheria striata Meig. exvit.
Kinpis lutea Meig. cxxxix.
Ephippium thoracicum Latr. exvitt.
Kpithriptus albisetosus v.d.W. (Argent).
116.
Erax Rore Wied. (Bahia). 113.
bilineatus v.d W. (Argent). 115.
flavidus Macq. (Z.Amer.). 116.
flavofasciatus Wied. (Braz.). 113.
labidophorus Wied. (Braz.). 113.
macrolabis Wied. (N.Aıner.) 113.
macularis Wied (Z.Amer.). 112.
maculatus Macq. (Braz). 113.
Pogonias Wied. (N.Amer.). 114.
rufinus Wied. (Braz.). 113.
senilis Wied. (Argeut.). 115.
speciosus Phil. (Chile). 108.
striola F. (Braz.). 113.
stylatas F. (Amer.). 112.
” unicolor Bell. (Mexico). 114.
Erioptera propinqua Egg. CAXXIX.
Eriphia Bilbergi Zett. Cxviit,
BIER RER ANA ie è a HM
REGISTER. 245
Eristalis aeneus F. (Quebec). 131.
” agrorum F. (Z.Amer.). 130.
alpinus Panz. CXIX.
” Bastardi Macq. (Quebec). 128.
” bogotensis Macq. (Argent.). 129.
» chalybeus Macq. (N.Amer.). 129.
” cryptarum F. CXIX
” cupreivittatus Wied. (N.Amer.).
131.
” dimidiatus Wied. (Quebec). 129.
v furcatus Wied. (Argent). 131.
” l’Herminieri Macq. (N Amer.).
129.
hirtus Löw (N.Amer.). 128.
nemorum? L. (Quebec). 128.
niger Macq. (N.Amer.) 129.
RO RI
130.
tenax L. cxxxIx, 129.
ee
130.
” trifasciatus Say (N.Amer.). 130.
” unieolor v.d.W. (Guadeloupe).
131.
D uvarum Walk. (N.Amer.). 130.
” vinetorum F. (Amer.). 150.
Eumerus lunulatus Meig. CXxxIx.
Exorista Heraclei Meig. cxIx.
Geomyza combinata L. cxL.
Graphomyia maculata Scop. CXL.
Gymnosoma rotundata L. CXXXIX.
Helomyza similis Meig. CXL.
Helophilus similis Macq. (Quebec). 132.
” trivittatus I’. CKXXix.
Hilara maura F. CxxxIx.
Holopogon bullatus v.d.W. (Argent ). 100.
Homalomyia lepida Wied. cxL.
” scalaris F. Xvi.
Ilormomyia producta Meig. CXXXIX.
Hyalomyia aurulans Meig. cxIx.
” muscaria Fall cxıx.
” umbripennis Meig. CXIX.
Hybos grossipes Ls. CXxx'x.
” femoratus Müll. xxvr.
Hydatostega poliogastra Phil. (Chile). 121.
Hydrellia griseola Fall. cxx.
Hylemyia linogrisea Meig. cxL.
” variata Meig. CXL.
Ilypenetes asiliformis v.d. W. (Argent ). 101.
Lampria bieolor Wied. (N.Amer.). 105.
” clavipes F. (Brazil.). 104.
” mexicana Macq. (Mexico) 105.
Laparus argeutinus v.d.W. (Argent.). 9.
Laphria analis Macq. (N.Amer ). 103.
" bicolor Wied. (N.Amer.).
elavipes F. (Z.Amer.). 104
eoarctata Perty. (Brazil). 88.
* a sa =
gilva L. cxxxix, 104.
ineisuralis Macq. (N.Amer.).129.
inflexus Walk. N.Amer.). 129.
pygolampus Wied. (Braz.). 129.
quadraticornis Macq. (Z.Amer.).
testaceiscutellatus Macq.(Z.Am.).
105.
erythropyga Wied. (Braz.). 104.
geniculata Wied. (Argent.). 105.
=
Laphria labiata F. (Brazil.). 103.
" megacera Macq (N.Amer.). 105.
” tergissa Say (N. Amer.\. 103.
” xanthocnema Wied. (Brazil.).
104.
” xanthopus Wied. (Z. Amer.). 105.
Lauxania aenea Fall. cxL.
” eylindricornis F. cxL.
Leptis fumipeanis Say (N. Amer.). 118.
” griseola v. d. W.(N. Amer.). 118.
” hirta Löw (N. Amer.). 118.
” mystacea Macq. (N. Amer.). 118.
” plumbea Say (N. Amer.). 118.
” quadrata Say (N. Amer.). 118.
” reflexa Walk. (N. Amer.). 118.
” tringaria L. CXXXIX.
Leptogaster cylindricus de G. XXvI.
” guttiventris Zett. CXXXIX.
Leria caesia Meig. cxvuI.
” serrata L. CXVII.
Limnia marginata I’. cxr.
” obliterata F. cxL.
” unguicornis Scop. CXL.
Limnobia modesta Meig. CXXXIX.
Limnophila ferruginea Meig. CXXXIX.
” lucorum Meig. CXVIIL
Limnophora varians Zett. CXL.
Limosina pumilio Meig. XIV, XVI.
Lispe consanguinea Löw. XXVI.
” tentaculata de G. XXVI.
Lonchoea fumosa Egg. CXVIIL.
Loxocera elongata Meig. CXL.
Lucilia macellaria F. xv.
Macquartia tenebricosa Meig. CXVIII.
Mellophora fasciata Walk. (Brazil.). 107.
” fascipennis Macq (Brazil.). 107.
7 inferualis Wied. (Brazil.). 106.
Minos Wied. (Brazil.). 106.
nigritarsis F. (Brazil.). 107.
Pluto Wied. (Argent.). 106.
rubusta Wied. (Brazil.). 106.
ruficauda Wied. (Argent.). 106.
” tibialis Macq. (Brazil.). 107.
Megapoda cyauea Macq. (Brazil.). 103.
” labiata F. (Brazil.). 103. .
Melanostoma mellina L. CXX<Ix.
Melithreptus nitidicollis Zett. OXXxXiX.
RER et)
” scriptus L. CXXXIX.
Meromyza laeta Meig. CXL.
” saltatrix L. CXL.
” variegata Meig. CXL.
Mesembrina meridiana’ 1. cxt.
Metopia leucocephala Rossi. CXXXIX.
Microdon devius L. cxIx.
Micropeza corrigiolata L. cxL.
Miltogramma murina Meig. CXIX.
Mochtherus Truquii Bell. (Mexico. 116.
Morinia nana Meig. CXL.
Musca equestris K. (Z.Amer.). 120.
” lappona L. (Quebec). 126.
” porcina de G. 129.
” pyrastri L. 134.
» Rosae de G. 134.
246 REG
Musca tenax L. 129.
Myopina reflexa Rob. D. xxvr.
Nemopoda cylindrica F. cxt.
Norellia spinimana Meig. cxr.
Notiphila annulipes Stenh. cxr.
” nigricoruis Stenh. cxL.
Nyctia halterata Panz. CXVIIL.
Occemyia atra F. cxxxIx.
Ogcodes zonatus Er. cxvII.
Opomyza florum F. cxL.
Oruidia obesa Ene. (Z.Amer.). 122.
Orthoneura elegans Meig. cxIx.
Oscinis maura Fall. cxL.
Oxycera formosa Meig. CxVuI.
Oxyphora miliaria Schr. cxL.
Pachygaster ater Panz. CXXXIX
Pachyrhina annulicornis Meig. CXxxIx.
” Histrio F. cxxxIx.
Panops aeneus Phil. (Argent.). 88.
Paragus lacerus Löw. CXXXIX.
” tibialis Fall. var. cxxxix.
Parydra aquila Fall. xxvi, cxvu.
Phania vittata Meig. cxIx.
Phonicoleptus Busiris E. Lynch (Argent).
Ip:
Phora ciliata Zett. cxvu.
. distincta Egg. CxVIII.
” iridipennis L. Duf. cxL.
Phyllomyza securicornis Fall. cxL.
Physocephala rufipes F. cxxxIx.
Phyto lepida Meig. cxt.
Pipiza carbonaria Meig. cxxxIx.
Pipizella annulata Meig. cxxxIx.
” virens F. CxxxIx.
Pipunculus pratorum Fall. cxxxix.
” ruralis Meig. cxxxIx.
Planetolestes coarctatus E. Lynch (Argent).
Platychirus clypeatus Meig. CxxxIx.
Platypalpus rufipes Meig. cxvıu.
” unguiculatus Zett. CXVIII.
Platyparea discoidea F. CXvrir.
Platystoma seminationis F. cxL.
Plesiomma semirufa Wied. (Argent.). 96.
Pollenia rudis F. cxL.
” varia Meig. CXL.
Porphyrops praerosus Löw. CXXXIX.
Proctacanthus brevipennis Wied. (Argeut.).
108.
” brevistylatus v.d.W. (Argent.).
Joke
” Heros Wied. (N.Amer.). 108.
” rubriventris Macq. (Argent.).
108.
” senectus v.d.W. (Argent.). 110.
” virginianus v.d.W. (Virgin).
109.
Prolepsis furiflamma Walk. (Argent.). 97.
” Lucifer Wied. 97.
Promachus rufipes F. (N.Amer.?) 107.
” trichonotus Wied. (Braz.). 108.
Psarus abdominalis F. cxxxIx.
Psila fimetaria L. CXL,
VS, MEER,
Psila nigra Fall. ext.
Psilocephala nigra Say (Mexico). 118.
Psilopus eqnestris F. (Argent.). 120.
" grisoprasius Walk.(Guadeloupe).
120.
” longisetosus
120.
Pteropexus bicolor Macq. (Bogota). 88.
Pyrellia cadaverina L. cxt.
Rhinophora melania Meig. xxvI.
Sapromyza longipennis F. cxL.
v.d.W. (Brazil.).
” lupulina F. cxL.
” praeusta Fall. cxL.
” rorida Fall. cxL.
Sarcophaga carnaria L. cxL.
” dissimilis Meig. CXL.
Scaeva pyrastri F. 134.
Scellus poliogaster Phil. (Chile). 121.
Scenopinus fenestralis L. cxxxıx.
Sciara conspicua Winn. CXVIT.
” placida Winn. CxVII.
” Thomae L. CXXXIX.
Sciomyza ciuerella Fall. cxr.
” griseola Fall. xxvI, CXL.
Sciophila alacris Winn. cxvIt.
” hyalinata Meig. cxvit.
Scleropogon ochraceus v.d.W. (N.Amer.).
96
Scyphella flava L. exr.
Senobasis annulata Big. (Cuba). 89.
“ auricineta Schin. (Z.Amer.). 89.
Sericomyia lappona L. (Quebec). 126.
Sieus ferrugineus L. CXXXIX.
Simulia nana Zett. CXVIL.
Siphona flavifrons Staeg. CXXXIX.
Spilographa Meigenii Löw. cxvur.
Spilomyia vespiformis L. CXIX.
Stenopogon ochraceus v.d W.(N.Amer.). 96.
Sterphus antennalis Phil. (Chile). 133.
Syneches punctipennis v.d.W. (N.Amer.).
119.
” simplex Walk. (N.Amer.). 119.
Syntomogaster delicata Meig. cxIx.
Syritta pipiens L. cxxxIx.
Syrphus aeneus F. 131.
” aftinis Say (N.Amer.). 134.
agrorum À. (Z Amer.). 130.
” calceolatus Macq. (Chile). 136.
” excisus Zett. CXXXIX.
” hortensis Phil. (Chile). 135.
” lapponum F. 126.
” laternarius Mill. cxIx.
” latifacies Macq. (Chile). 134.
„ melanostomus Macq. Chile). 134.
” obesus F. (Z.Amer.). 122.
” ochrostoma Zett. (Quebec). 134.
” pyrastri F. 134.
sexguttatus v.d.W. (Argent.).
135.
” sexmaculatus Macq. (Z.Amer.).
135.
” sexnotatus Meig. CxIx.
” tenax F. 129.
BERT SI RL
Syrphus transfugus F. 134.
” vinetorum F. (Z.Amer.). 130.
Tabanus fulvus Meig. cxxxıx.
” pilosus Löw. cxviit.
» sudeticus Zett. cxvIII.
Tachina larvarum L. cxxxIx.
» rustica Meig. cxxxIx.
Temnocera recta v.d.W. (Argent.). 124.
” setigera O.Sack.(N.Amer.). 126.
” spinigera Wied. (Argent.). 123.
” violacea Ene. (China). 123.
Temnostoma alternans Löw (Quebec). 133.
Tephritis dioscurea Löw. cxL.
” Leontodontis de G. cxvuI.
” pantherina Fall. cxr.
» ruralis Low. cxvui.
" tessellata Löw. xxvI.
Tetanocera elata F. cxL.
” laevifrons Löw. cxL.
Themira gracilis Zett. cxu.
Thereva nigra Say (N.Amer.). 118.
Thryptocera crassicornis Meig. CXXXIX.
Tipula hortensis Meig. cxxxIx.
” truncorum Meig. CxxxIx.
Trypeta Colon Meig. cx.
” Onotrophes Löw. cxL.
Urophora quadrifasciata Meig. exvıt.
Volucella bombylans L. cxxxIx.
” inanis L. cxIx.
” inflata L. cxIx.
” notata Big. (Argent.). 122
” obesa F. (Z.Amer.). 122.
” scutellata Macq. (Chile). 122.
spinigera Wied. (Z.Amer.) 123.
Rsc tenellus Wied. cxxxIx.
Xanthogramma citrofasciata de G. cxIx.
” ornata Meig. CxxxIx.
Xylota abiens Meig. cxIx.
” femorata L. cxIx.
Zodion notatum Meig. cxxxIx.
Zygomyia valida Winn. cxvir.
ARACHNOIDEA, ACARINA, enz.
Acarina (Plaats der) in het systeem. cxxIx.
x (Gehoor-organen bij). Cxxx.
Amaurobius terrestris C. Koch. xxvir.
Analges bidentatus Gieb. cxxxt.
” Halleri Oudem. cxxxr.
247
Attus falcatus Cl. xxvir.
Clubiona neglecta Cambr. xxvir.
Diaea dorsata F. xxviI.
Ero saxatilis C. Koch. xxvir.
Euophrys falcatus Cl. xxvir.
Gasteracantha curvicauda Vauth. (Sumatra).
CXXIV.
” globulata Walck. (id.). cxxIv.
” malayensis Sim. (id.). cxxIv.
” mammosa C. Koch. (id.). CxxIv.
Liphistius desultor Schiödte (id). cxxurr.
Marpissa brevipes ©. Koch. xxvır.
Melanophora petrennis C. Koch. xxvir.
Meta Merianae C. Koch. xxvır.
Oxyopes variegatus Hahn. xxvit.
Schorpioen (Levende). cxxIl.
Spinnen der Sumatra-expeditie. exxır.
Thomisus dorsatus F. xxvır.
ALGEMEENE ZAKEN.
Destrée Jr. (Ch.) bedankt als lid der Ver-
eeniging. IV.
Diptera (J. Mik, Over het prepareren van).
XCI.
Electrische schokken door insecten ver-
oorzaakt. CxxxvI.
Geographische verspreiding van planten en
dieren. CXXVIII.
Insecten-collectie der Vereeniging (Ver-
koop van de). v.
Jaspers Jr. (J.), nieuw lid der Vereeni-
ging. IV.
Kruimel (J. Gerard), idem. rv.
Limburg (Inlandsche insecten alleen uit)
bekend. cx.
Microlepidoptera (Over het vangen en be-
handelen van). xr.
Noordpool-expeditie (Insecten
CXXXV.
Oudemans (J. F.), nieuw lid der Ver-
eeniging. Iv.
Sumatra-expeditie (Stand van het werk
over de). VIII, CXXV.
Voorschriften zamen te stellen voor het
verzamelen enz. van insecten.
OXXXVI.
Zuchold (Bibliotheca hist. nat. van). cxxIx.
van de).
Pet:
DA
AR
J.&. de Man del. A.J.Wendel sculps.
Araeosternus Wieneckn, de Man.
pren
Ni (MARA «
. A" >
=
ae
i
»
Piz.
J.G. de Man del.
Araeosternus Wieneckii, de Man.
Ritz. Bos del
Phyllotoma Aceris Kalt.
PI.
A.J.W. sculps
1-4 Snellenius Vollenhovii Westw. 5-13 Agathophiona fulvicornis Westw.
%
ue | : ASW. sculps.
1-4 Agathirsia rufula; 5-8 A. rufiventris; 9,10 A castanea; 11-15 Agathona sericans.
PISE:
j x A.J.W. sculps
1-7 Agathilla fulvo-picta; 8 Myosoma pennipes; 9 Euscelinus sarawacus .
1 Spinaria attenuata; 2 Sp. leucomelaena; 3,4 Sp. dimidiata.
5. Cenocoelius cephalotes; 6 C. notatus; 7-10 C. bifasciatus.
am d
S |
Al À
ES \ \
Ee
x À
AK 1
N keg
J
i
OS el
m
® A.J.W. sculps.
1-5 Stenophasmus ruficeps; 6-8 Streblocera fulviceps ;
9 Str longiscapha.
SERA
1 Ji ha vedi
TAN
TALI +
er f
in
A sula n È
So l'a us
Delle ’ By,
. | sa, ’
Cd
AJ.W scuïps.
Amerikaansche Diptera.
v:d.W. del.
PI. 10.
v.d.W. del. A.J.W. sculps
Amerikaansche Diptera.
Halticiden.
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
se Lea benen id
8
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
Da. A WM VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
Jun. Dr. En. J. G. EVERTS-
sp VISE EN TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1881—82
RP PL LT PPT
5 f= Ailovering — gt)
’SGRAVENIIAGE
MARTINUS NIJUOFF
1882
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDS CHE ENTOMOLOGIS CHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
De A: WM VAN HASSELT
| F. M. VAN DER WULP
EN
Jur. Dr. En. J. G. EVERTS
VISE EN TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1881—82
JS Aflevering
'SGRAVENHAGE
1: MARTINUS NUUOFE:.
4882.
SIAE Rd
WE
SES
=
7
N
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
DE NEDERLANDSCHE ENTONOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
Jar. Dr: En: J; G: EVERTS
_ VIJF EN TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1881—82
RP RTL PP Te
Ye Aflevering KG, LS
’SGRAVENHAGE |
.MARTINUS NIJUOFF
1882
ER FESTER oe a RO
GEDRUKT BIJ GEBR. GIUNTA D'ALBANI.
n hea SE
x si Fa
ASE och
AR N
ION
a
i #
XL)
} sale
4
ÿ
N
he
ne = del ze
me >= em u 3
pi
core
res
anti D mm