RNCS
torren opel Mat rt EE
RS pa
x PAR et RT.
ya me
rare
RES RTS
ET er
PEN
ve A nr Me
nn RER
on sede
nan ed
ee LT
Sen IT"
per
CT MIN
ant ehe TA
ER tet
es! =
spate A
rende
Pd à
TUDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
Jun. DR Ep. J. Go EVERTS
ACHT EN TWINTIGSETE DEEL
JAARGANG 1884—85
’°SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1885
IN EOD D
VAN HET
ACHT-EN-TWENTIGSTE DEEL.
Bladz.
Verslag van de 39° Zomervergadering der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, gehouden te Breda op 23
AUTOS SSA Pee so overeind ende ken ie I
Lijst van de Leden der Nederl. Entomologische Vereeniging
op 23 Augustus 1884. XXX
Bibliotheken der Nederl. Entomologische Vereeniging. Bijge-
komen boeken van 10 Augustus 1883 tot 1 November 1884. xxxVII
Entomologische inhoud van ontvangen Tijdschriften LIL
Verslag van de 18° Wintervergadering der Nederl. Entomo-
logische Vereeniging, gehouden te Leiden op 25 Januari
1885 XI
P. C. T. SneLLEN, Beschrijving van vier nieuwe soorten
van Oost-Indische Heterocera, met afbeeldingen door Dr.
J. van Leeuwen jr. (Pl. 1, fig. 1—4) 1
Dezelfde, Lagoptera bivirgata nov. sp. (PI. 1, fig. 5) 11
P. C. T. SNnELLEN (Lepidoptera van Celebes, verzameld door
Mr. M. C. Piepers, met aanteekeningen en beschrijving
der nieuwe soorten door). VI. Tineïna (PI. 2 en 3) 15
Dezelfde, Nadere aanteekeningen omtrent de Lepidoptera
van Celebes * : i, IS MERE 37
Dezelfde, Alphabetisch Register der in het Tijdschrift be-
handelde Lepidoptera van Celebes 44
Dezelfde, Drie synonymische aanteekeningen 50
Mr. A. J. F. Fokker, Catalogus der in Nederland voor-
komende Hemiptera. Eerste gedeelte, Hemiptera Hetero-
ptera. (Vervolg van deel XXVII, blz. 113) . . .
F. M. van per Wure, Eenige uitlandsche Nemocera (PI. 4).
Dr. A. W. M. van Hassett, Pelecodon of Calommata ? (PI. 5).
C. Rrrsema Cz., Aanteekeningen op SNELLEN VAN VOLLEN-
HOVEN’S opstel „Les Batocérides du Musée de Leide”
(Tijdschr. v. Entom. XIV, blz. 211)
P. ©. T. SwneLLEN, lets over de Europeesche soorten van
het genus Catocala Ochs., Led. . . .
Dezelfde, Over Noctua moldavicola H.S. . . . . +
A. W. M. van HasseLr, Catalogus Aranearum, hucusque
in Hollandià inventarum. . . . . . ©
F. M. van DER Wurp, Langwerpige Dexinen-vormen (PI. 6).
P. C. T. SneLLEN, Synonymische aanteekeningen .
Dezelfde, Determinatie der exotische Lepidoptera, afgebeeld
in Kösen, Insectenbelustigung en KLEEMANN’S vervolg .
Dezelfde, De entomologische inhoud van de Bijdragen tot de
natuurkundige wetenschappen , verzameld door H. C. van
Hatt, W. Vrorik en G. J. Murper, 7 din. (1826—32).
F. M. van pur Wuzr; Over eenige uitlandsche Ortalinen
CE ae AT
Mr. A. J. F. FOKKER, lets over het geslacht Pilophorus Hahn.
P. C. T. SneLLEN, Aanteekeningen over Ephestia Kühniella
Zell. en eenige verwante soorten, met afbeeldingen door
Prof. Dr. J. van Leeuwen jr. (Pl. 8).
Dezelfde, Twee Oost-Indische Sphingiden, met afbeeldingen
door Prof. Dr. J. van Leeuwen jr. (PI. 9) .
Répister al ss
Bladz..
252
255
VE 50 LG
VAN DE
NEGEN-EN-DERTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
| GEHOUDEN TE BREDA,
op Zaterdag 23 Augustus 1884,
des morgens ten 10 ure.
Voorzitter: Mr. W. Albarda.
Verder tegenwoordig de heeren Leden: Dr. J. Bosscha Jz.,
dhr. Dr. Ed. J. G, Everts, Mr. A. I F.-Fokker, H.: W. Groll,
Dirk ter Haar, Dr. A. W. M. van Hasselt, F. J. M. Heylaerts,
Dr. F. W. O. Kallenbach, J. Kinker, Mr. A. F. A. Leesberg,
J. W. Lodeesen, Mr. Th. F. Lucassen, Dr. J. G. de Man,
O. Netscher, C. Ritsema Cz., M. M. Schepman, P. C. T. Snellen
en K. Bisschop van Tuinen Hz.; als gast de heer F. Dietz uit
Antwerpen.
Van de heeren Mr. A. Brants, H. Bos, J. Jaspers jr., Henri
W. de Graaf, Mr. A. H. Maurissen, Dr. A. J. van Rossum en
F. M. van der Wulp is bericht ingekomen, dat zij verhinderd
mjn de vergadering bij te wonen.
De Voorzitter, Mr. W. Albarda, opent de vergadering. Hij
heet de aanwezigen hartelijk welkom, inzonderheid ook de nieuwe
Leden, de heeren Bosscha, Lucassen en Netscher, die voor het
1
it VERSLAG.
eerst in den kring der Nederlandsche entomologen hebben plaats
genomen, en den heer Dietz, die door zijne tegenwoordigheid een
zeer gewaardeerd blijk van belangstelling in onze Vereeniging
heeft gegeven. Hij herinnert, dat hij nu voor de derde maal de
vereerende taak zal vervullen, om de Zomervergadering als Voor-
zitter te leiden, en drukt den wensch uit dat deze vergadering
even rijk aan wetenschappelijke waarde moge zijn als de vorigen.
De Voorzitter verzoekt den heer Leesberg, om bij afwezigheid
van den Secretaris diens functien waar te nemen. De heer Lees-
berg verklaart zich daartoe bereid.
De Voorzitter vraagt, of iemand der aanwezigen ook eenige
aanmerking heeft op de notulen der beide voorgaande vergaderingen,
te Assen op 28 Juli 1883 en te Leiden op 13 Januari 1884,
zooals die notulen vervat zijn in de gedrukte verslagen, -welke
aan de Leden zijn toegezonden. Daar niemand deswege het woord
verlangt, worden die notulen geacht te zijn goedgekeurd 1).
De Voorzitter van het Bestuur, Dr. A. W. M. van Hasselt,
brengt, overeenkomstig art. 17 der wet, het volgende Jaar-
verslag uit:
«Mijne Heeren, waarde Medeleden!
«Op den veen-bodem van Drenthe en in de schaduw van het
heerlijke bosch te Assen is ten vorigen jare besloten, dat wij
ditmaal ons zouden vereenigen in de geschiedkundig beroemde stad
van het «turf-schip» en daarna gaan ronddolen in een van hare
niet minder prachtige wouden, het Liesbosch , hetgeen den vurigen
insectenjager bij voorkeur schijnt uit te lokken.
«Het is dan ook niet te loochenen, dat zeer veel zeldzaams
1) In het Verslag der vergadering te Assen is verzuimd melding te ma-
ken van eene merkwaardige varieteit van Zurrypara urticata L. (hortulata L.),
door den heer Bisschop van Tuinen ter tafel gebracht. Het exemplaar was ge-
vangen.te Jelsum in Friesland door Mr. J. H. Albarda en uit diens collectie
afkomstig; de grondkleur der vleugels is, in plaats van wit, zwartgrijs; de
zwartgrijze teekeningen zijn iets donkerder en duidelijk zichtbaar; evenzeer zijn
kop, thorax en achterlijf zwartgrijs, het laatste donkerder dan het overige.
VERSLAG. Ili
van daar en uit het Mastbosch reeds verzameld werd, zoo door
onderscheidenen Uwer als door de geleerde «inboorlingen » dezer
rijke omstreken. Vroeger vooral kwamen ook 7%) van daar meer-
malen uiterst belangrijke Araneiden in handen, zoo door ons geacht
medelid Heylaerts als door onzen « Eerevoorzitter» van heden.
Wordt hun beiden mijnerzijds hiervoor nogmaals dank gebracht, —
voor laatstgenoemden voeg ik daarbij ook dien der vergadering,
dat hij deze onze 39ste Zomerbijeenkomst, op eenparig verlangen,
wel als zoodanig heeft willen leiden.
«Is alzoo de leiding in het algemeen aan uitmuntende zorgen
toevertrouwd, — op mij rust niettemin de bijzondere verplichting,
het gewoon jaarlijksch verslag omtrent den «staaf der Vereeni-
ging» uit te brengen.
« Daar deze Vereeniging misschien wel eene unica is te noemen,
wat hare eensgezindheid en hare verbinding van het utile met
het dulce betreft, vervul ik die taak wederom con amore.
«Doch ter zake.
«Onder de «zaken» treedt wel de zeissen-man in de eerste
plaats op, als wiens werkdadigheid nimmer geheel ontbreekt. In den
afgeloopen jaarkring heeft hij echter, gelukkig, onder ons «geene
groote zaken» gemaakt. Niettemin hebben wij , — bleef al ons eigen
personeel volkomen gespaard, — een enkelen zeisslag op een onzer
medewerkers uit het buitenland te betreuren. Der Vereeniging
ontviel namelijk een van hare oudste Correspondeerende leden, de
heer W. Mink, Professor aan de Hoogere Burgerschool te Crefeld.
Sedert het jaar 1867, waarvan zijne benoeming dagteekent, heeft
hij sommige leden meermalen met de meeste welwillendheid ten
dienste gestaan. Zijne specialiteit was de leer der Coleoptera. Vooral
wegens zijne bijdragen tot de kever-fauna der Rijn-provincie zal
zijn naam in eere blijven. In deel XI van ons Tijdschrift schreef
hij een opstel: Ueber springende Hymenopteren-Puppen.
« De twee jongste Correspondeerende leden, ten vorigen jare ver-
kozen, de heeren Dr. O. Taschenberg te Halle en A. W. Putman
Cramer te Brooklyn in Noord-Amerika, hebben hunne benoeming,
onder dankbetuiging, aangenomen.
TV YERS DA G
«Het getal onzer Gewone leden, ofschoon met vijf verminderd, —
wegens het bedanken door de heeren Mr. C. J. Sickesz te Lochem,
N. M. La Fontijn te Bergen op Zoom, J. G. van Renthergem
ibidem, J. B. Snellen te Winterswijk en L. C. Dudok de Wit te
Amsterdam, — is evenwel met vier toegenomen. Niet minder
toch dan negen nieuwe leden zijn tot ons toegetreden, te weten de
heeren A. E Kerkhoven te Bandong (Java), Marius Koch mede
aldaar, Johan P. Vink te Nijmegen, J. R. H. Neervoort van de
Poll te Amsterdam, Mr. Th. F. Lucassen te ’s Gravenhage, Otto
Netscher ibidem, Mr. W. J. C. Putman Cramer te Velp, J. Büt-
tikofer te Leiden en Dr. Th. W. van Lidth de Jeude mede aldaar.
cMoeten wij tot ons leedgevoel berusten in het vaarwel der
eerstgenoemde groep, — onder welke de heer La Fontijn zich
voor de fauna van Noordbrabant en Zeeland verdienstelijk heeft
gemaakt, — met des te meer warmte roepen wi de volgende
phalanx, — zoo presente als absente novitii, — een hartelijk
welkom toe, als versche werkkrachten, als kameraden van ons
entomologisch regiment! Mogen zij het vaandel daarvan steeds ge-
trouw blijven.
«Ook voor de sinds den laatsten tijd vermeerderde reeks onzer
hooggeëerde Begunstigers heb ik het genoegen wederom op eene
aanzienlijke toeneming te mogen wijzen. De heeren Mr. C. W.
Hubrecht, — een goede bekende of oud vriend van verscheidenen
onder ons, — en Mr. J. Jochems, — mede een edel voorstander
van kunst en wetenschap, — beiden te ’s Gravenhage, verschaften
ons het voorrecht, zich als zoodanig te doen inschrijven, even als
het Bestuur van Teyler’s Stichting te Haarlem. Dit heeft de bijzonder
te waardeeren welwillendheid gehad, den vroeger tijdelijk afgebroken
band !) dit jaar, in een gewijzigden vorm en met milde hand,
weder met onze Vereeniging aan te knoopen. Desgelijks hebben
heeren Bestuurderen van de Hollandsche Maatschappij der Weten-
schappen, mede daar ter stede gevestigd, op nieuw getoond, elk
1) Zie daarover het Verslag der Zomervergadering van 30 Augustus 1879 blz. 1v
en dat der Wintervergadering van 13 Januari 1884 blz. LXXVII,
VERSLAG Vv,
wetenschappelijk streven in hunne richting, hoe ondergeschikt ook ,
krachtig te willen schragen. In de plaats eener jaarlijksche bijdrage
werd onze Vereeniging door hen, met eene hiermede overeenkom-
stige kapitale som in eens, rijk begiftigd.
Niet alleen de belangrijke financieele bijstand, maar ook de
zedelijke steun, ons door een en ander geschonken, mag ons bij
deze gelegenheid wel een erkentelijken hulde-groet, zoo aan hen
als aan alle onze belangstellende Fautores doen uitbrengen!
« Uit het afzonderlijk verslag omtrent den toestand onzer Biblio-
theken, ingevolge art. 32 der wet, door onzen altijd even ijverigen
als hulpvaardigen Bibliothecaris overgelegd, blijken deze in den
besten staat te verkeeren, doch is daarvan overigens weinig bij-
zonders mede te deelen. Kon dit jaar voor Bibliotheek B alleen
vooruitgang plaats vinden door aanschaffing van vele vervolgwerken,
voor Bibliotheek A zijn wij bovendien door aankoop in het gewenscht
bezit gekomen van de Cistula entomologica, een Tijdschrift dat ons
reeds te lang ontbrak, en van de Butterflies of India, Burmah
and Ceylon, door Marshall en de Nicéville.
« Nieuwe ruil van ons Tijdschrift werd aangegaan met de Revue
d’Entomologie Française van de eerst onlangs opgerichte Société
Francaise d’Entomologie. Geschenken ontving de Bibliotheek onzer
Vereeniging van de Engelsche Regeering, van den Minister van
Waterstaat, Handel en Nijverheid, van het Zeeuwsch Genootschap
der Wetenschappen, van de heeren C. Berg, A. Preudhomme de
Borre, Mr. A. J. F. Fokker, F. J. M. Heylaerts, D. van der Hoop,
R. Mac Lachlan, .F. Moore, J. T. Oudemans, F. Plateau, CG.
Ritsema Cz., Dr. J. Ritzema Bos, H. Bos, Dr. J. G. H. Rombouts,
S. H. Scudder, Baron E. de Selys Longchamps, Prof. J. ©. West-
wood en Prof. H. Weyenbergh.
« Ten opzichte van de Financiën onzer Vereeniging is het mij
aangenaam, als vervolg op de voorloopige aankondiging in de
laatste Winterbijeenkomst, thans officieel te mogen herhalen,
dat de poging, ten vorigen jare door het Bestuur aangewend, om
langs den buitengewonen weg van (vrijwillige bijdragen»
der Leden, den toevloed van geldmiddelen in de algemeene kas
VAE VERSLAG.
te versterken !), met den gewenschten uitslag is bekroond. Zelfs
mochten wij van zeven Leden de zeer welwillende toezegging ont-
vangen, dat zij hunne extra-gift jaarlijks zullen vernieuwen.
Lof en prijs zij, ook namens mijne Medebestuurders, voor de schier
algemeen betoonde medewerking ten deze betuigd.
«Dat, niettegenstaande deze en de hiervoren reeds gemelde
geldelijke verbetering, het saldo van deze kas U aanstonds zal
blijken lager te zijn dan in het afgeloopen jaar, moge vreemd
klinken, maar heeft geene onrustbarende beteekenis. Immers zulks
is, onder anderen, het natuurlijk gevolg hiervan, dat onze waarde
Penningmeester, op het verlangen van vele Leden en van zijne
medebestuurders, er toe is willen overgaan om de bewuste op-
brengst der collectie 2) te beleggen in een certificaat onzer Nat.
schuld, zooals insgelijks is geschied met het don gratuit der Hol-
landsche Maatschappij. Nog heeft tot dezen lageren stand bijge-
dragen het besluit van het Bestuur, om de lokaalhuur voor de
bibliotheek Hartogh Heys, — die gebleken was het fonds daarvoor
te zeer te bezwaren, — voorloopig althans, geheel ten laste van
de algemeene kas te brengen.
«Met het Fonds voor de uitgave van het Tijdschrift, — dat zijn
beter standpunt hoofdzakelijk te danken heeft aan de hoog te waar-
deeren subsidiën van het Rijk en van het, ook voor ons eenig
Kon. Zoolog. Genootschap Natura Artis Magistra, — is het nage-
noeg even gunstig gesteld als in 1883, ongeacht de hoogere kosten
van de twee platen meer van deel XXVI, het noodzakelijk ge-
worden Repertorium op deel XVI—XXIV, enz.
cHet debiet van het Tijdschrift zelf is daarenboven ook eenigszins
toegenomen , vooral omdat van de jongst aangekomen Leden de
meesten daarop hebben ingeteekend.
« De bijzondere kas van Bibliotheek B, voortdurend gestijfd door
de mildheid van onze algemeen vereerde Begunstigster, Mevr. de
Wed. Hartogh Heys van de Lier, is, ten gevolge der reeds boven
1) Zie Verslag der vergadering van 28 Juli 1883, blz. x,
2) Zie Verslag als voren, blz, x11.
VERSLAG. VII
gemelde ontheffing van lokaalhuur, in zooverre verbeterd, dat er
binnen kort ook voor die afdeeling onzer financién, weder als
vroeger eenig batig saldo te vermelden zal zijn.
«De bijzonderheden aangaande de drie besproken rubrieken van
onze klinkende levensbron, — die ondanks de verachting van
sommige oude wijsgeeren, toch in onze eeuw zulk eene veelbe-
teekenende macht blijft uitoefenen, — zullen U door onzen ge-
trouwen schatbewaarder, bij het afleggen zijner rekening en
verantwoording, nader worden uiteengezet.
«Over het Tijdschrift der Vereeniging meen ik, zonder vrees
van tegenspraak, te mogen getuigen, dat het, — onder de duur-
zame, even onvermoeide als kundige zorgen van onzen «openbaren
geheimschrijver», — zijn goeden naam in de entomologische
journalistiek, sinds lang verkregen, blijft handhaven.
«Van het 27ste deel zal weldra de öde aflevering het licht
zien, bevattende opstellen van: Fokker, vervolg van zijn’ Catalogus
der inl. Hemiptera; Ter Haar, over eene varieteit van Lycaena
Medon, met bijschrift van Snellen; De Man, variatie in het
aderbeloop eener Mycetophilide (met afbeelding), Van der Wulp,
Ommatius Schlegelii (met afb.); dezelfde, over de Tsetse-vlieg;
Snellen, Microlepidoptera van Noord-Azie (vervolg en slot, met 3
platen), en van mij zelven, over het onbetamelijk gedrag van som-
mige spinnen-mares.
«Voor de de aflevering zijn nog slechts eenige kleinere
mededeelingen ingekomen van Snellen, over Lepidoptera, met
eene plaat.
« Wat, mijns inziens, aan den totaal-inhoud van het Tijdschrift
ontbreekt, is, dat daarin zoo uiterst zelden referaten en kritieken
voorkomen. Korte aankondigingen van nieuwe werken iz en door
elke «specialiteit » zouden zeker welkom zijn. Desgelijks kritische
opmerkingen over eventueele dwalingen in opgenomen waarne-
mingen, — zelfs van ons zelven en onze geachte medewerkers, —
konden zeer gevoegelijk, — in het laatste geval zelfs welvoegelijk, —
in ons eigen Tijdschrift een bescheiden plaatsje vinden.
«Van de reeds verschenen Repertoria op het Tijdschrift is
VIII VOERS TL À G.
vewis velen Uwer het groote nut voor het opzoeken van bepaalde
onderwerpen praktisch gebleken. Te dien opzichte bestond altijd
nog eene kleine leemte, waarop door een onzer Leden , met eenigen
nadruk, is gewezen. De allereerste «Handelingen » der Nederl.
Entomol. Vereeniging, namelijk, waren daarin nog niet opge-
nomen, en de wetenswaardige bijzonderheden, er in opgeteekend,
dreigden der vergetelheid te worden prijs gegeven. Ook daarvoor
is besloten, een Register samen te stellen, dat weldra, dank zij
weder den ijver van onzen van der Wulp, zal kunnen verschijnen,
«Door een paar andere Leden is, in het belang der steeds
wenschelijke zuinigheid in het beheer onzer zaken, aanmerking
gemaakt op de tot gewoonte geworden afzonderlijke toezending
van de, in den laatsten tijd nog al lijvige Verslagen, ook aan die
Leden, welke ze kort daarna, ten tweeden male in het Tijdschrift
zelf ontvangen. Ofschoon de hieruit voortvloeiende onkosten be-
trekkelijk niet groot waren, heeft ons Bestuur het besluit genomen ,
deze noodelooze uitgaven te vermijden. Voor den vervolge worden
daarom de losse verslagen niet meer gezonden aan de inteekenaren
op het Tijdschrift, tenzij dit door dezen of genen hunner uit-
drukkelijk mocht zijn verlangd.
«Zoover mij bekend, zijn dit jaar bij ons te lande geene bij-
zondere werken over Entomologie uitgegeven. Alleen neemt in het
zoo fraai geillustreerde Zoologisch Leerboek van de gebroeders Bos !)
het beknopt algemeen overzicht der insecten en verwante zoogen.
lagere dieren eene ondergeschikte plaats in, die echter aan het
veel omvattend doel der Schrijvers voldoende schijnt te beantwoorden.
Ik wensch onze geachte medeleden geluk met het volbrengen van
dezen hunnen, naar het mij voorkomt, voortreffelijk geslaagden
letter-arbeid, die zich door degelijkheid en plasticiteit, alsmede in
geschiktheid voor het onderwijs zoo gunstig onderscheidt.
«Ten slotte zij nog medegedeeld, dat door de uitgevers van het
1) Leerboek der Dierkunde, door Dr. J. Ritzema Bos en H. Bos, Leeraren
aan de Rijks Landbouwschool te Wageningen. Groningen (J. B. Wolters) 1884,
Prijs f 2.50,
VERSLAG. EX
tweede gedeelte van Snellen’s Vlinders van Nederland 1) is ge-
klaagd over het geringe debiet, aan dit zoo doorwrocht (door
Stainton ?) als « magnificent » gestempeld) werk van onzen waar-
digen Vice-president te beurt gevallen. Zij hebben zich daarvoor ,
inzonderheid voor de platen, belangrijke onkosten getroost, in
de verwachting, dat het niet alleen door hen, die eene speciale
studie van de Microlepidoptera maken, maar ook door andere
beoefenaren en voorstanders der Entomologie, zou worden aan-
geschaft. Tot heden werd die hoop weinig of niet vervuld , weshalve
het Bestuur zich de vrijheid meent te mogen veroorloven, de
bijzondere aandacht nogmaals te vestigen op dezen klassieken
arbeid van ons medelid.
«En hiermede het einde genaderd zijnde van zijn verslag, mag
uw Rapporteur, als Voorzitter van het Bestuur, niet besluiten ,
zonder een woord van innige erkentelijkheid aan zijne geachte
medebestuurders, mede-redacteurs en medeleden, voor hun aller
steeds bereidvolle medewerking, zoo in wetenschappelijken als
zedelijken en stoffelijken zin.
« Samenwerking, wezenlijke «entente cordiale», — onder ons
ook dit jaar gelukkigerwijze weder door geen den minsten wan-
klank verstoord, — zij en blijve steeds de leus van de ons zoo
na aan het hart liggende Entomologische Vereeniging
van Nederland!»
De Voorzitter zegt, namens de Vergadering, den heer van Has-
selt dank voor het verslag, door hem uitgebracht, dat voorzeker
door al de aanwezigen met genoegen is aangehoord.
De Penningmeester, de heer Lodeesen, brengt zijne rekening
en verantwoording over het jaar 1883/84 ter tafel. De Voorzitter
verzoekt de heeren Kinker en Bosscha, de rekening te willen nazien
1) De Vlinders van Nederland door P.C. T. Snellen. Tweede gedeelte, Micro-
lepidoptera. 2 deelen gr. 8vo, met 14 platen. Leiden (E. J. Brill) 1882. Prijs f 15.
2) Zie Verslag der vergadering van 1 Juli 1882 blz. vr.
x VERSLAG.
en van hunne bevinding rapport uit te brengen. Deze heeren ver-
klaren zich hiertoe bereid en zetten zich onmiddellijk aan het werk.
Voorts geeft de Penningmeester eene schets van de begrooting
voor het volgende jaar. Hij deelt tevens een aantal bijzonderheden
mede betreffende de kassen onder zijn beheer. In algemeenen zin
acht hij den geldelijken toestand niet ongunstig, vooral in verge-
lijking met dien van het vorige jaar. Nochtans wijst de begrooting
voor 1884/85 bij de algemeene kas wederom een vermoedelijk
tekort aan, hoofdzakelijk veroorzaakt doordien de lokaalhuur der
bibliotheek thans geheel ten laste van die kas wordt gebracht.
Inmiddels zijn de heeren Kinker en Bosscha gereed ge-
komen met het onderzoek der rekening, en verklaren die, na
vergelijking met de bewijsstukken, in volkomen orde te hebben
bevonden, zoodat zij zonder eenige bedenking de rekening en ver-
antwoording hebben goedgekeurd en met hunne handteekening be-
krachtigd. Zij wenschen echter eenige opheldering te ontvangen
omtrent een post op eene der rekeningen wegens drukloonen en
levering van papier, welke post hun bijzonder hoog voorkwam.
Aangezien de Penningmeester niet in het bezit is van de noodige
gegevens, om de gevraagde inlichting te geven, neemt hij op zich
de vraag ter nadere beantwoording in handen te stellen van de
Redactie van het Tijdschrift 1).
De Voorzitter zegt de Commissie dank voor de door haar ge-
nomen moeite, en brengt tevens welverdiende hulde aan den
Penningmeester, van wiens ijver en uitstekend beheer de reke-
ning op elke bladzijde de sporen draagt. De Vergadering stemt
blijkbaar met dien lof volkomen in.
Aan de orde wordt gesteld de verkiezing van twee Bestuurs-
leden, zijnde dit jaar aan de beurt van aftreding de heeren Dr.
A. W. M. van Hasselt en J. W. Lodeesen Beiden worden met
overgroote meerderheid van stemmen herkozen en verklaren zich,
1) De bewuste rekening is dientengevolge later nogmaals in al hare détails
door de Redactie nagegaan, waarbij het gebleken is, dat de post, waarop aan-
merking is gemaakt, inderdaad niet te hoog stond genoteerd,
VERSLAG, XI
onder toejuiching der Vergadering, bereid om hunne taak voort
te zetten.
Als plaats voor de Zomervergadering in het volgende jaar wordt,
na eenige discussie, Amsterdam aangewezen, met het oog op het
alsdan te vieren veertigjarig bestaan der Vereeniging, wier eerste
bijeenkomst ook in de hoofdstad gehouden werd.
Met eenparige stemmen wordt daarop het Eerelid, Dr. G. F.
Westerman, Directeur van het Kon. Zoologisch Genootschap Natura
Artis Magistra, benoemd om als Eerevoorzitter die vergadering te
leiden. Aan het Bestuur wordt opgedragen hem van deze benoe-
ming kennis te geven !).
Nog wordt door den heer Heylaerts de wenschelijkheid betoogd ,
dat in het Tijdschrift ook stukken in eene andere dan de Neder-
landsche taal worden opgenomen. De Voorzitter meent dit punt
gerust aan de Redactie te kunnen overlaten, doch wijst er tevens
op, dat reeds niet zelden opstellen in eene vreemde taal in het
Tijdschrift verschenen zijn.
De huishoudelijke werkzaamheden hiermede afgeloopen zijnde,
wordt, na eene kleine pauze, tot de wetenschappelijke mededee-
lingen overgegaan.
De heer van Hasselt opent de reeks der voordrachten met
de aanwijzing eener uiterst zeldzame Theraphosoïde (of Mygalide)
van Java, een geschenk van ons medelid H. Bos te Wageningen.
Ofschoon het abdomen ontbrak, was het voorwerp zeer goed te
bestemmen , inzonderheid wat den hier kenmerkenden oogenstand
betreft, waarop Spreker de Leden verzoekt, ook hunne bijzondere
aandacht te vestigen. Verscheidenen hunner getuigden, daaraan slechts
6 oogen te kunnen onderscheiden , zooals in den beginne ook met hem-
zelven het geval was geweest. Hij dacht eerst den (senoculinen) Pe/e-
codon Sundaicus Dol. voor zich te bebben. Nader onderzoek in-
tusschen had hem de aanwezigheid van 8 oogen bij deze spin met
1) De heer Westerman heeft zich met zijne bekende bereidvaardigheid de
benoeming laten welgevallen,
XII VERSA G.
zekérheid doen vaststellen en haar laten herkennen als de insgelijks
zeer zeldzame (octoculine) Calommata fulvipes Lucas.
Spreker, — die zijne beschouwingen ten deze, meer in het
breede, voor een afzonderlijk opstel in het Tijdschrift bestemt, —
oppert de veronderstelling, dat Doleschall zich, door die groote
onduidelijkheid van het kleinste paar, in het getal der oogen heeft
vergist. Hij komt tot de conclusie van de waarschijnlijke identiteit
der beide genoemde Theraphosoiden-soorten, die echter door Aus-
serer, de specialiteit in deze onderorde, tot hiertoe als tot twee
afzonderlijke geslachten behoorende, zijn gecatalogiseerd.
Dezelfde brengt nog ter sprake het buitengewone zwermen van
Libellula quadrimaculata L., door hem te ’s Gravenhage, in de
richting van het N. W. naar het Z. O., op 10 Juli IL, zes uren
lang in den voormiddag, waargenomen |).
De heer Lodeesen deelt mede, met betrekking tot de vroeger
door hem aangeprezen vang-methode ?), dat hij ook dit jaar, in
het laatst van Juli en het begin van Augustus, met Dr. van
Leeuwen, bij Vorden, op dezelfde wijze weder een groot aantal
Lepidoptera heeft gevangen. Behalve de vroeger vermelde 52 soorten,
die meerendeels ook nu weder voorkwamen, ving hij nog 56 andere
species, waaronder Dyschorista suspecta Hbn. 3, Leucania Turca
L. &, Mania Maura L., Tapinostola Helmanni Ev.¢, en Lampetia
arcuosa Haw. 2. Een exemplaar der beide laatstgenoemde, zeer
zeldzaam voorkomende soorten wordt ter bezichtiging gesteld.
De heer Fokker vermeldt in de eerste plaats, als vervolg op
hetgeen door hem in de laatste wintervergadering werd medege-
deeld 3), omtrent het vermoedelijk voorkomen van dxthophora
parietina F. bij Zierikzee, dat van de in den vorigen zomer mede-
genomen cocons in Juli verscheidene zijn uitgekomen. De bij, die
1) Zie ook wat daaromtrent door den heer Ritsema werd medegedeeld.
2) Tijdschr. v. Entom. dl. XXVII blz. 1.
3) Verslag vergadering 13 Januari 1884 blz, LXXxvII,
VERSLAG, XIII
daaruit te voorschijn kwam, was werkelijk de genoemde soort.
Onmiddellijk na het uitkomen der cocons was Spreker naar de
plek gegaan, waar de nesten gevonden waren, doch het gelukte
hem niet er een levend exemplaar aan te treffen. Het schijnt dus,
dat zij in de vrije natuur vroeger verschijnen, misschien reeds in
het voorjaar. Evenmin kon hij dit jaar exemplaren van Sitaris
muralis Först. bemachtigen, ofschoon deze toch in. Augustus des
vorigen jaars voorkwamen. Een d en 2 der Anthophora gaan ter
bezichtiging rond.
Ten tweede bespreekt de heer Fokker het. voorkomen van ver-
scheidene Hemiptera-soorten in brachypteren en macropteren toe-
stand; dit wil zeggen met volkomen ontwikkelden membraan of met
een membraan, die ’tzij geheel ontbreekt en het laatste gedeelte
van het abdomen onbedekt laat, of wel aanwezig is en het abdomen
bedekt, doch waarvan dan de cellen minder ontwikkeld zijn, zoodat
de membraan zeer kenbaar smaller is en meer spits uitloopt. Dit
laatste is o. a het geval bij de soorten van het geslacht Berytus.
Bij de brachyptere voorwerpen ontbreken dan tevens de vleugels.
Zelden gebeurt het, dat eene soort in beide vormen even talrijk
voorkomt; gewoonlijk is de eene vorm de gewone, de andere meer
of minder, soms zeer zeldzaam.
Eerst sinds betrekkelijk korten tijd heeft men hierop de aandacht
gevestigd, en zijn daardoor vele soorten, vroeger als onderscheiden
beschouwd, gebleken slechts twee vormen van dezelfde soort te
zijn. Het genoemde geslacht Berytus levert hiervan talrijke voor-
beelden op.
Tevens is in den laatsten tijd gebleken, dat zelfs van die soorten ,
van welke alleen de brachyptere vorm bekend was, macroptere
voorwerpen, zij het dan ook hoogst zelden, worden aangetroffen.
Zoo vond Prof. Sajo in Hongarije den macropteren vorm van Plin-
thisius converus Fieb en van Blissus Doriae Kerr. op plaatsen
waar deze soorten brachypter in aantal plegen voor te komen.
Welke de omstandigheden zijn, die deze meer of minder volkomen
ontwikkeling veroorzaken, is bezwaarlijk aan te geven, maar veilig
kan worden gezegd, dat elke tot dusver slechts brachypter bekende
XIV VERSLAG.
soort ook in macropteren vorm voorkomt, indien men slechts weet
waar die te vinden.
Van dit pterygodimorphisme nu laat Spreker aan de vergade-
ring eenige merkwaardige voorbeelden zien uit de familien der
Lygaeiden en Reduviden.
Tot de eerste familie behoort Styguus rusticus Fall., die hier en
daar in ons land voorkomt; de gewone vorm is brachypter, doch
zeer zelden treft men, volgens Dr. Puton, in Engeland en Finland
macroptere voorwerpen aan. Zulk een macropter exemplaar ving
Spreker met verscheidene brachypteren te Zierikzee. Tot dezelfde
familie behoort Trapezonotus agrestis Fall., eene tamelijk gemeene
soort, die meestal macropter is; de brachyptere vorm komt vooral
voor onder exemplaren van de Alpen en Pyreneën, doch was niet
als inlandsch bekend, totdat in den verleden zomer door onzen
hooggeschatten President, Generaal van Hasselt, zulk een voorwerp
(een 2) te Rolde werd gevondeu.
In de tweede, hierboven genoemde familie komen alle soorten
van het geslacht Nabis in beide vormen voor. leder entomoloog
kent de gewone Nabis latwentris Boh. , die overal in brachypteren
staat te vinden is. Dr. Puton zegt in zijn Synopsis, dat de ma-
croptere vorm alleen in het Zuiden voorkomt en daar niet zeldzaam
is; toch is een dergelijke door wijlen den heer van Medenbach
de Rooij te Arnhem gevangen !). — Eene andere soort van het-
zelfde geslacht, N. major Costa, komt daarentegen in macropteren
vorm voor; alleen uit Denemarken was tot nog toe een brachyptere
vorm bekend; doch wij bezitten nu ook deze varieteit inlandsch
en wel uit Vorden, waar de heer Groll haar ving. — Eene derde
soort, N. rugosus L., is hier te lande ook niet zeldzaam, en wel
in brachypteren vorm; bij haar is het brachypterisme van dien
aard, dat de elytra het abdomen zoo goed als bedekken, daar de
membraan, hoewel verkort en versmald, aanwezig is, dus even
1) Staande de vergadering ontving Spreker van Generaal van Hasselt een
fleschje met eenige door dezen onder Loosduinen gevangen Hemiptera, waaronder
bij nader onderzoek een volkomen gaaf en macropter paartje van deze soort bleek
aanwezig te zijn.
VERSLAG. XV
als bij de Beryti. Ook hiervan is de macroptere vorm zeer zeldzaam
en o. a. in Frankrijk nog niet aangetroffen; hij is evenwel als
inlandsch bekend door een voorwerp, dat Spreker te Steenwijk
ving.
Verder vertoont Spreker nog een paar andere soorten van
hetzelfde geslacht, N. Zimbatus Dahlb. en flavomarginatus Scholtz,
beiden nog slechts in brachypteren vorm als inlandsch bekend en
zeker dikwijls voor larven gehouden , doch waarvan elders macroptere
voorwerpen enkele malen gevangen zijn.
Nog laat de heer Fokker ter bezichtiging rondgaan een zeer
klein, doch uiterst merkwaardig en zeldzaam wantsje, Microphysa
bipunctata Perr., tot de familie der Anthocoridae behoorende; dit
eenige exemplaar werd mede door Generaal van Hasselt bij Loos-
duinen gevangen, en het voorkomen hier te lande is zeer opmer-
kelijk, daar de soort, volgens den Catalogus van Dr. Puton, alleen
nog slechts uit het zuiden van Frankrijk bekend is.
Ten slotte laat Spreker het derde deel zien van het werk van
Dr. Reuter, Hemiptera Gymnocerata Europae, dat dezen winter
is verschenen met even uitmuntenden inhoud en voortreffelijk
uitgevoerde platen als de beide vorige afleveringen.
De heer Everts spreekt over Cicindela maritima Dej. Onze
Belgische naburen hebben onlangs de aandacht gevestigd op het
voorkomen van deze soort in de omstreken van Calmpthout bij
Antwerpen, alwaar het terrein zeer overeenkomt met onze duin-
streken; zij wordt daar te gelijk met C. Aybrida L. aangetroffen.
Volgens de heeren Weyers en Preudhomme de Borre zou deze
maritima o. a. in grootte afwijken van de maritima, die op de
laatste duinenrij voorkomt. De vraag werd nu gesteld, of er niet
wellicht twee verschillende vormen onder dien naam door onder-
scheidene auteurs beschreven waren; en of niet deze in het binnen-
land wonende vorm de echte C. maritima van Dejean zou zijn,
terwijl de vorm van de zeekust slechts de varieteit maritima (auct.
Ross.) van C. Aybrida L. zou wezen.
Door de welwillendheid van den heer Frangois Dietz te Ant-
Xvi VERSLAG
werpen ontving Spreker een aantal voorwerpen van de bedoelde
maritima uit Calmpthout, die hij ter vergadering heeft medege-
bracht. Vergelijkt men de mannetjes met die, afkomstig van Sche-
veningen, Katwijk , Monster en Domburg, dan zijn er twee bijzonder
klein, doch even donker gekleurd als de Scheveningsche; het derde
4 komt geheel overeen met een van Katwijk. Ook de wijfjes wijken
niet af van die, welke te Scheveningen, Katwijk en Noordwijk of
op Texel gevangen zijn. Dat hier verschil van grootte bestaat, be-
teekent niets, daar ook de exemplaren van Aybrida in dat opzicht
zeer ongelijk zijn; ook de kleur zou verschillen, maar de kust-
exemplaren van maritima varieeren evenzeer in kleur. Spreker
beschouwt zoowel de voorwerpen uit het binnenland als die van
de kust als maritima van Dejean, die toch wel (blijkens den naam
aan de soort gegeven) eer den kustvorm zal gekend hebben dan
een zeer lokalen vorm, die nu bij Calmpthout ontdekt is. Doch
nu blijft de vraag over: is C. maritima Dej. werkelijk eene goede
soort? Spreker meent die vraag ontkennend te moeten beantwoorden ;
wij hebben hier slechts te doen met eene lokale varieteit, die door
een ander verblijf en ander voedsel is ontstaan. Ten bewijze van
zijne stelling, vertoont hij exemplaren, die duidelijk overgangen
zijn van de typische Aybrida tot de typische maritima. Vooreerst
is de vlek op het midden der’ dekschilden bij maritima veel meer
uitgezakt dan bij Aybrida; doch in een voorwerp van deze laatste,
door Dr. Veth te Assen gevangen, is die uitzakking bijna even
sterk als bij maritima; trouwens bij exemplaren, die als maritima
kunnen bestemd worden, is de uitzakking ook niet altijd even
typisch. Een ander kenmerk van maritima zou zijn de aanwezig-
heid van eene rij witte haren tusschen de oogen, welke haren
bij Aybrida ontbreken; maar sommige voorwerpen van Scheve-
ningen en Texel neigen in dat opzicht blijkbaar tot Aybrida. Dat
bij maritima het voorhoofd gewoonlijk bultiger is en de randen
van het halsschild sterker wit behaard zijn, moge als regel worden
aangenomen, maar het is ook hier geen regel zonder uitzondering.
De meer groenachtige dan blauwe kleur aan het einde der dijen
en schenen is van te weinig beteekenis, om hier eenig gewicht
VERSLAG. XVII
in de schaal te leggen. Eindelijk het verschil in den penis; volgens
Kraatz is het uiteinde van den penis bij maritima te vergelijken
met den vorm eener gewone schrijfpen; terwijl deze bij Aybrida veel
langer is en spits uitgetrokken. Toevallig laten een paar manne-
lijke exemplaren dit orgaan duidelijk in ’toog vallen; er is wel
eenig verschil, doch niet zóó groot, om op grond daarvan, met
Kraatz, stellig eene afzonderlijke soort aan te nemen. Spreker ge-
looft, dat onze Belgische vrienden later ook weder tot de over-
tuiging zullen komen, dat de maritima van de zandwoestijn bij
Calmpthout zich daar gevormd of gevestigd moet hebben onder
nagenoeg gelijke voorwaarden als die aan de zeekust, en dat C.
hybrida L. onder sommige omstandigheden eene zeer variabele soort
is, waarvan C. maritima Dej. slechts als eene meer in ’t oog
vallende verscheidenheid is aan te merken.
Voorts laat Spreker nog een paar bijzondere afwijkingen van
C. hybrida zien: de eene, uit Utrecht van den heer Oudemans
ontvangen, heeft het eene dekschild bruin, het andere groen-
achtig; het andere exemplaar, te Dieren gevangen, heeft een
der dekschilden en ook dientengevolge de vlekken er van mis-
vormd.
Overigens zegt de heer Everts zeer gelukkig te zijn geweest in
het verzamelen van zeldzame of nieuwe Coleoptera voor onze
inlandsche fauna; o. a. laat hij zien Nebria livida L. var. lateralis F.,
bij den Haag langs het duinwater-kanaal gevangen; hij vond
verscheidene exemplaren verscholen in het natte zand tusschen
plantendeelen ; verder Omophron limbatum F., in grooten getale
gevonden aan een’ duinplas, welke eene week later voor een
afvoerkanaal van de Waalsdorpsche vlakte weggegraven werd.
Eindelijk vermeldt Spreker nog, dat hij, dezen zomer op reis
zijnde, langs de Elbe bij Dresden in massa gevangen heeft Stenelmis
consobrinus Duf., en wel onder steenen, welke tamelijk vast in
de klei verzonken waren; de insecten zaten daar met hunne
larven: en poppen in kleine gaatjes. Deze soort werd het eerst in
het zuiden van Frankrijk door Léon Dufour ontdekt en later
door von Kiesenwetter en Redtenbacher vermeld, als aan de oevers
9
“
XVIII VERSTAG.
van de Elbe voorkomende, alwaar Spreker haar nu ook vond en
een paar dagen later zag zwermen, in gezelschap van drie Klmis-
soorten. Het genus Stenelmis is nauw verwant aan Parnus.
De heer Leesberg komt nog eens terug op Ccindela maritima
en Aybrida, die hij, in tegenstelling met den vorigen Spreker;
wel degelijk als twee afzonderlijke soorten beschouwt. Indien de
eerste eenvoudig eene locale varieteit is, ten gevolge van eene
andere woonplaats of ander voedsel, dan zou men haar aan onze
stranden uitsluitend moeten vinden, en niet vermengd met de
echte C. hybrida, die er minstens even talrijk voorkomt. Om met
zekerheid te kunnen uitmaken, of men hier met eene soort
en eene varieteit dan wel met twee soorten te doen heeft, zou
men beiden uit vroegere toestanden moeten kweeken. Zoolang
dit niet is geschied, meent Spreker twee soorten te moeten aan-
nemen.
Ook de heer F. Dietz is van hetzelfde gevoelen, en wat de
overeenstemming betreft van de voorwerpen van Calmpthout met
sommigen uit onze zeeduinen, dit zou z. i. slechts bewijzen, dat
ook aan onze kusten de echte C. maritima Dej. voorkomt.
De heer Heylaerts laat ter bezichtiging rondgaan drie pracht-
werken, hem door de respective Schrijvers ten geschenke gezonden ,
nl. twee van den heer Milliere, den beroemden Schrijver der /cono-
graphie et description de Chenilles et Lépidoptères inédits. Deze geniale
man is, op ruim 70-jarigen leeftijd, nog met jeugdig vuur en verba-
zenden ijver bezield en gaat steeds voort met onderzoekingen en
het publiek maken van de resullaten daarvan. — Het derde is
het kostbare werk Mémoires sur les Lépidoptères van Z. Keizerl.
H. den Grootvorst Nicolaas Michaelovitch. Spreker wijst er op,
hoe veelzijdig de wetenschappelijke kennis van dezen Keizerlijken
entomoloog is, welke groote diensten hij aan de entomologische
wetenschap bewijst en met welke toenaderende, in elk opzicht
bewonderenswaardige beleefdheid hij andere beoefenaren der entomo-
logie bejegent.
VERSLAG. XIX
Verder bespreekt de heer Heylaerts de rupsen van Psyche albida
Esp. en hare var. Millierella Boisd. en var. (?) Wockei Stdf.,
waarbij hij de door den heer Millière uitstekend geprepareerde en
hem toegezonden dieren laat rondgaan.
Vervolgens vertoont en beschrijft hij de rupsen van Agdistis
Staticis Mill. en Lerinsis Mill, omtrent wier aanneming als twee
afzonderlijke soorten nu wel geen twijfel meer kan bestaan, al
hebben de imagines oppervlakkig eene sterke overeenkomst; ook
vertoont hij een exemplaar van Agdistis Satanas Mill., ten blijke
dat ook deze eene goede soort is, welke in vleugelvorm, kleur en
teekening van alle anderen verschilt.
Voorts laat hij de rupsen en hare kokers zien van Coleophora
vacciniella H. S., door hem ab ovo gekweekt uit moedervlinders,
in Mei in het Mastbosch gevangen, alwaar de soort vrij gewoon is.
Nog deelt Spreker mede, dat de eerst kort geleden door den
heer Brants te Arnhem en door hemzelven te Breda gevangen
Plusia moneta F. vrij gewoon wordt in zijnen tuin en elders te
Breda; dit jaar van Juni tot Augustus vond hij er niet minder
dan 23 exemplaren; de rupsen komen het meest voor op dretium
lappa, zeer enkelen op Aconitum napellus.
Overigens kan hij weder enkele Macrolepidoptera, nieuw voor
de Bredasche fauna opgeven, o. a. Poarmia angularia Thunb.
(viduaria Brkh.) op den Hondsdonk in Juni, en Scotosia badiata
Hbn., waarvan hij de rupsen in Juli in het Mastbosch vond.
Later zal hij eene volledige lijst van de bekomen aanwinsten
opmaken.
De heer Heylaerts noodigt ten slotte de aanwezige leden uit,
om op den dag na de excursie zijne belangrijke verzamelingen en
0. a. zijne eenige Psychiden-collectie ten zijnent te komen be-
zichtigen !).
De heer Ritsema spreekt in de eerste plaats over onze in-
landsche Gyriniden, naar aanleiding der monographie van deze
1) Verscheidene Leden hebben van deze uitnoodiging gebruik gemaakt,
XX VERSLAG
familie, door Dr. M. Regimbart in de jaargangen 1882 en 1883
van de Annales de la Soc. Ent. de France uitgegeven.
In de Zijst der in Nederland voorkomende Coleoptera van ons
medelid Dr. Everts (in 1875 verschenen) worden de volgende 5
soorten genoemd: Gyrinus natator L., mergus Ahr., minutus F.,
marinus Gyll. (met de var. dorsalis Gyll.) en concinnus Klug. In
het eerste supplement op deze lijst (in 1877 uitgegeven) worden
aan dit vijftal nog 3 soorten toegevoegd, nl. @. bicolor F., opacus
Sahlb. en Orectochilus villosus Müll.; in het tweede supplement
(verschenen in 1881) echter geen enkele; zoodat het aantal der
als inlandsch bekende Gyriniden-soorten 8 zou bedragen.
In de «Lijst der Nederl. Coleoptera, mede geschikt ter ruiling » ,
door Dr. Everts in 1879 uitgegeven, worden slechts 7 soorten
vermeld: Gyrinus mergus toch is daar weggelaten, waarschijnlijk
met opzet, omdat deze algemeen als varieteit van natator L. wordt
beschouwd.
De monographie van Dr. Régimbart brengt in dit lijstje eene
kleine wijziging. 1°. Deze Schrijver heeft eenige soorten van het
geslacht Gyrinus in een bijzonder genus afgezonderd, en wel die,
waarvan ieder dekschild 10 min of meer duidelijke langsgroeven
vertoont en waarbij het propygidium duidelijk drielobbig is; hij
noemt dit genus dulonogyrus, en daartoe behoort o. a. G. concinnus,
die bij ons nog slechts in Noordbrabant en Gelderland is aange-
troffen. — 2°. Na nauwkeurig onderzoek komt hij tot de over-
tuiging, dat G. opacus Sahlb. slechts eene varieteit is van G.
marinus Gyli. — 3°. Gyrinus elongatus Aubé wordt door hem weder
van G. bicolor F. afgezonderd, en beide soorten o. a. door de
volgende kenmerken onderscheiden: G. bicolor heeft het eind der
dekschilden afgerond, elongatus vecht afgesneden met stompen buiten-
hoek; bij bicolor is voorts het mesosternum en het anaal-segment
zwart, dikwijls met eene donker roestbruine tint; bij elongatus
zijn deze deelen helder roestrood. G. bicolor wordt door hem als
zeldzaam en zeer lokaal aangegeven, elongatus als vooral aan de
zeekusten en daar zeer talrijk voorkomende. Waarschijnlijk be-
hooren dus de exemplaren, door Dr. Everts als bicolor bestemd en
VERSLAG. XXI
allen uit Zeeland afkomstig, tot elongatus, hoewel bicolor toch ook
bij Middelburg voorkomt, want in eene bezending Gyriniden, door
Dr. J. G. de Man aldaar gevangen, waren, bij verscheidene exem-
plaren van elongatus ook 2 van bicolor.
Als inlandsch zijn dus bekend:
1. Aulonogyrus concinnus Klug, in Noordbrabant en Gelderland.
2. Gyrinus minutus F., in Utrecht, Noordbrabant en Zuid-
holland.
» natator L., gemeen, met de var. mergus Ahr.
» bicolor F., in Zeeland.
» elongatus Aubé, in Zeeland.
SP Sb ten GD
» marimus Gyll., gemeen, met de var. dorsalis Gyll. in
Zuidholland en de var. opacus Sahlb.
in Noordbrabant.
7. Orectochilus villosus Müll., in Noordbrabant.
Van laatstgemelde soort heeft Régimbart de levenswijze waarge-
nomen, en hij houdt haar, wat er van gezegd moge worden, voor
een nachtdier. Zij bewoont uitsluitend stroomend water en zwemt
gaarne op het sterk bewogen water achter het rad van watermolens;
zij verschijnt in April of Mei en verdwijnt in September en
October; zij gaat tegen het vallen van den nacht op roof uit en
als men haar bij toeval over dag ziet, dan is zij verschrikt of
opgejaagd en begeeft zich weder snel naar den oever; gedurende
den dag verbergt zij zich (5—920 centimeters boven de opper-
vlakte van het water) tusschen mos of in reten van muren, wier
voet door het water bespoeld wordt, of zij zet zich op de muren
of gladde steenen, maar altijd in de schaduw; als ze de zonne-
stralen niet kan ontwijken, sterft ze spoedig. Zij zwemt zeer snel,
bijna altijd tegen den stroom in, en verwijdert zich niet ver van
den oever; zij duikt weinig en komt dadelijk weder boven. —
Daar de levenswijze van Orectochilus villosus reeds vroeger in
onze vergaderingen ter sprake is gebracht, achtte Spreker deze
mededeelingen niel van belang ontbloot.
In de tweede plaats maakt de heer Ritsema melding van eene
waarneming omtrent het trekken van Libellula quadrimaculata L.
XXII VERSLAG.
In den morgen van 10 Juli jl. werd zijne aandacht door den
heer F. A. Verster gevestigd op het trekken van eene menigte
dezer dieren over Leiden. De zwerm was zeer verspreid en kwam
uit het westen, dus van de zeekust, terwijl de wind zuid was.
De Directeur van het museum van natuurl. historie, Dr. F. A.
Jentink, die den vorigen avond reeds het trekken tusschen Leiden
en Katwijk had opgemerkt (en wel in dezelfde richting), droeg
Spreker op, te gaan onderzoeken of de insecten van over zee
kwamen dan wel of zij zich in menigte in de duinen ophielden
en van daar hunnen tocht begonnen. Aan deze opdracht gevolg
gevende, begaf Spreker zich naar Katwijk aan zee; op zijn’ tocht
derwaarts nam hij overal de zwerm waar. Over ’t geheel vlogen
de Zibellula’s buiten lager dan in de stad, ofschoon zij over de
Breestraat en het Galgewater, in de richting welke zij volgden
gelegen, ook vrij laag vlogen; boven de slooten langs den straatweg
naar Oegstgeest zweefden zij in grooten getale. Te Katwijk komende,
vond hij het aantal wel zeer verminderd; toch vlogen er nog veel.
Aan het strand genaderd, bleek het, dat zij niet van over zee
kwamen; de weinige exemplaren, die zich daar nog bevonden,
volgden eenigen tijd de richting van het strand van zuid naar
noord en trokken dan landwaarts. Volgens den sluiswachter aan
de buitensluis, waren zij den vorigen dag daar zoo talrijk geweest,
dat een binnenplaatsje van zijne woning en de muren onder een
afdakje er geheel mede bedekt waren; de sluiswachter verzekerde
ten stelligste, dat de dieren niet van over zee waren gekomen,
maar wist niet aan te duiden van waar dan. Tegen half 2 kwam
eene donderbui opzetten; de wind draaide door het zuidwesten
naar het westen, en er viel een weinig regen; tevens daalde de
temperatuur merkbaar; en op den terugtocht naar Leiden was
van de geheele zwerm niets meer te bespeuren. De vraag blijft
dus: van waar kwamen deze tallooze individuen en waar zijn ze
gebleven? Het antwoord op de eerste vraag vindt men misschien
in een bericht, dat eenige dagen vóór het waarnemen der zwerm
te Leiden, in het Nieuws van den Dag te lezen stond, dat
nl. in den namiddag van 5 Juli verbazend groote zwermen van
VERSLA Ge XXIII
Libellula’s over Venendaal zijn getrokken, en wel in de richting
van het zuiden naar het noorden; hun aantal was daar zoo groot,
dat de lucht er nu en dan door verduisterd werd.
Ten slotte doet de heer Ritsema nog eene mededeeling over
Horia senegalensis Casteln. Im 1840 beschreef Castelnau deze
Cantharide volgens een exemplaar, dat hij voor een d hield,
doch te oordeelen naar de beschrijving der bovenkaken (mandibules
très petites) moet het stellig een £ geweest zijn. Als het 9 voegde
hij daaraan toe een insect, dat grooter en niet van Cissites tes-
taceus F. te onderscheiden was. Om deze reden bracht Lacordaire
Horia senegalensis Casteln. in het geslacht Cissites Latr. over en
is daarin door de schrijvers van den Munchener « Catalogus Cole-
opterorum» nagevolgd. De heer Preudhomme de Borre heeft ten
vorigen jare de onjuistheid van deze handelwijze aangetoond (Compt.
rend. Soc. ent. Belge, séance du 6 Octobre 1883). Het Leidsch
museum is onlangs toevallig in het bezit geraakt van een fraai
mannelijk exemplaar der bedoelde soort, van de Goudkust af-
komstig, dat ter bezichtiging wordt gesteld te gelijk met een
paartje van de verwante Moria cephalotes Oliv. en een van Cis-
sites testaceus F., beiden uit Oost-Indie. Daar het exemplaar van
den heer de Borre de pooten mist, wordt hier nog aangeteekend,
dat de achterdijen van Horia senegalensis niet in het minst ver-
dikt zijn.
De heer Leesberg vestigt een oogenblik de aandacht op
den nieuwen Catalogus Coleopterorum Europae ete. van Dr. L. von
Heyden, E. Reitter en J. Weise, Berlijn 1883. Zonder eenigen
twijfel verdienen de samenstellers onzen dank en hulde voor dien
uitstekenden arbeid, maar bij al den lof hun reeds van verschil-
lende zijden toegezwaaid, mag ook een enkel woord van kritiek
niet ontbreken.
Reeds Fabricius in zijn Systema Entomologiae heeft op het gevaar
gewezen, om bekende namen te veranderen op grond dat misschien
een later auteur de soort, het genus of de familie duidelijker en
kennelijker had beschreven, toen hij zeide: «Mutata nomina
XXIV VERSLAG.
nunguam usum, saepius confusionem praebent. Verba enim valent
uti numeri, pretio distincto determinato.» Dit voorschrift (zoo kan
men het toch noemen) van den beroemden Entomoloog is door
onze auteurs in menig opzicht verwaarloosd. Enkele voorbeelden
mogen dit ophelderen.
Het genus Pfinus van Linnaeus wordt veranderd in Bruchus
Geoffroy, ofschoon de naam van Linnaeus ouder is en innig is
verbonden aan de soort fur, die niemand als Bruchus fur zal her-
kennen. De familie Ptinidae wordt nu in eens Bruchidae genoemd
en het geslacht Bruchus L., ook zeer bekend door Br. granarius
en anderen, wordt nu verdoopt in Mylabris Geoffr., ofschoon ook
deze generieke naam reeds aan andere bekende soorten was ge-
geven; en voor die soorten van het oude geslacht Mylabris wordt
de naam Zonabris Harold, vroeger voor een subgenus gebezigd,
aangenomen.
Byrrhus, ook een geslacht van Linnaeus, blijft als genus bestaan ,
maar de familie wordt in plaats van Byrrhidae nu genoemd Ciste-
lidae, omdat het geslacht Cytilus Er. in Cistela Geoffr. verandert
en het oude geslacht Cistela F. herdoopt wordt als Pseudocistela
van Crotch. De Byrrhidae zijn echter als familie niet verdwenen ,
maar prijken boven de algemeen bekende soorten van Anobiidae,
hoewel men den naam Anobium als genus behoudt, terwijl ook
Geoffroy daaraan den naam Byrrhus had gegeven.
Welke eindelooze en doellooze verwarring spruit uit dit alles
voort! Zou het ook kunnen zijn, om de prijs-catalogi met tal van
vreemde namen te verrijken en zoodoende den onnoozelen liefhebber
een zeer gewoon insect als onbekend te doen koopen, omdat de naam
zoo vreemd klinkt: Bruchus fur, Mylabris Pisi, Cistela varia?
Wat er ook van zij, argumenten voor die veranderingen worden
niet in den Catalogus aangevoerd, en zoolang het nut (?) van
dergelijke chassez-croisez niet is bewezen , gelooft Spreker, dat men
wel zal doen, even als onze Belgische naburen reeds hun plan hebben
geopenbaard, «d’opposer une résistance énergique en restant ob-
stiniément attaché aux noms consacrés par l'usage de trois quarts
de siècle. »
VERSLAG, XXV
De heer Snellen laat ter bezichtiging rondgaan vier inlandsche
exemplaren van Lycaena Arion L. Twee daarvan zijn uit de rijke
collectie van den heer Heylaerts en door dezen in Noordbrabant
bij Rijen gevangen; het derde trof Spreker bij hetzelfde dorp aan,
en het vierde is door den heer Henri W. de Graaf bij Lisse in
Zuidholland gevonden. Een der door den heer Heylaerts gevangen
exemplaren is merkwaardig, omdat de zwarte stippen op de boven-
zijde der voorvleugels bijzonder klein zijn; het door den heer de
Graaf gevangen voorwerp (een 9) is daarentegen vrij wel gelijk aan
sterk geteekende Duitsche exemplaren.
Vervolgens stelt hij ter bezichtiging eene Lycaena, door hem van
Dr. Staudinger onder den naam Artonides ontvangen. Deze vlinder,
uit het Amoerland afkomstig, is eene zeer groote varieteit van
Arion (vlucht 44 mm.), die zich bovendien onderscheidt door zeer
licht blauwe grondkleur der bovenzijde, met smallen, vrij scherp be-
grensden zwarten achterrand der voorvleugels, terwijl op de achter-
vleugels alleen de franjelijn , de adereinden (in de franjelijn verdikt)
en ongeveer ronde vlekjes in de cellen vóór die lijn zwart zijn.
Ook de onderzijde verschilt van die der typische exemplaren door
veel lichtere en helderder grondkleur, die op de achtervleugels,
tegen den wortel, vrij sterk blauw bestoven is.
Nog deelt Spreker mede, dat door hem in eene gedeeltelijk met
heide begroeide duinstreek , iets bezuiden ’s Gravenhage, in Juli van
dit jaar gevangen is een paartje van Lycaena Aegon W. NV. —
Hoe algemeen deze soort ook in de heidestreken van het midden en
oosten des lands wordt aangetroffen, zoo was aan Spreker toch nog
maar ééne vindplaats in Holland bekend, namelijk de plek bij
Katwijk, die Mr. H. W. de Graaf in de Bouwstoffen voor eene
Fauna van Nederland, dl. II blz. 71 vermeldt. Op zijne veelvul-
dige excursien in verschillende deelen der Noord- en Zuidhollandsche
duinen had hi tot dusver nooit eenig spoor van Aegon ontdekt.
Het nu bij den Haag gevangen paartje komt overeen met het vrij
kleine ras van onze heidestreken.
Eindelijk vestigt Spreker nog de aandacht op eene merkwaardige
Tineine, die een nieuw genus voor de Europeesche fauna uitmaakt ,
POL VERSLAG.
hier te lande ontdekt werd en wier specifieke naam aan een der
verdienstelijkste Lepidopterologen onzer Vereeniging herinnert, nl.
Dactylota Kinkerella Snellen. Van deze soort was langen tijd alleen
het eenige exemplaar bekend, waarnaar Spreker haar beschreef.
Daarna vond Dr. Wocke de soort ook aan de zeekust van Pommeren
en ontdekte zelfs de rups, doch al wat Spreker daarvan kon te
weten komen, was dat deze op Psamma baltica leeft; hij vernam
dit, bij wijze van gerucht, van Prof. Zeller. Het overige bleef een
geheim, tot Spreker door eene welwillende inlichting van ons be-
roemd Eerelid, den heer Stainton, meer te weten kwam. Deze
had vernomen hoe de rups er uit zag, en voorts dat zij mineerde
in de bladeren van Psamma baltica, op de wijze der Klachista-
rupsen, in het begin van September volwassen is, binnen de mijn
een spinsel maakt en daarin onveranderd den winter doorbrengt.
Geholpen door deze aan hem verstrekte aanwijzigingen, gelukte
het ons medelid D. ter Haar, toen hij in het begin van September
1883 eenigen tijd te Domburg in Zeeland doorbracht , in de bladeren
van eene Psamma-soort (baltica of arenaria), het helmgras onzer
duinen, rupsen te vinden, die op de beschreven wijze daarin mi-
neerden. Zij waren oranje-geel met zwarten kop en halsschild en
in het geheel niet zeldzaam. De heer ter Haar verzamelde er een
tamelijk aantal van en had de goedheid eenigen aan Spreker te
zenden en ook aan Dr. J. van Leeuwen jr. te Amsterdam, die er
dadelijk eene fraaie afbeelding van vervaardigde. Het kweeken dezer
soort schijnt echter moeielijk, want hoewel alle voorzorgen werden
inachtgenomen , zijn toch de rupsen, zoowel bij den heer ter Haar
als bij Spreker zelven, — die ze ook nog in September op de
Scheveningsche zeeduinen vond, — verdroogd of beschimmeld,
terwijl zij bovendien talrijk met sluipwespen bezet waren. Spreker
hoopt, dat de ongunstige uitslag dezer eerste pogingen niet moge
afschrikken, maar integendeel tot nieuwe inspanning aansporen,
opdat de Nederlandsche entomologen, die het eerst Dactylota Kinke-
rella ontdekten en beschreven, ook de eersten mogen zijn, die hare
vroegere toestanden volledig bekend maken.
Ten slotte verwijst Spreker nog naar een opstel van den heer
VERSLAG. XXVII
Stainton in de beide jongste nummers van the Entomologist’s
Monthly Magazine, waarin hij uitvoerig mededeelt al wat hem over
Dactylota Kinkerella is bekend geworden en eene vertaling geeft
der beschrijving van genus en soort, welke in het Tijdschr. voor
Entom. dl. XIX (1875/76) blz. 23 het licht heeft gezien.
De Voorzitter, Mr. W. Albarda, sluit de reeks der weten-
schappelijke mededeelingen met de vermelding van het volgende feit.
Hij had eenige dagen geleden in eene serre in zijnen tuin een
nest van Vespa erahro ontdekt, dat wegens de plaats waar het
zich bevond dáár niet kon blijven en niet op de gewone wijze
kon worden vernietigd. Hij besloot toen, des avonds in het nest
eene groote hoeveelheid kokend water te gieten en de toegangen
te sluiten. Den volgenden morgen bleek het, dat de meeste wespen
en larven dood waren. In den loop van den dag evenwel kwamen
er een aantal wespen op het nest toevliegen; het waren waar-
schijnlijk individuen, die den vorigen avond te laat elders vertoefd
hadden, om toen nog te huis te kunnen komen. Het scheen in
*t eerst alsof zij onderling beraadslaagden wat te doen; maar
weldra begonnen zij al de gedoode wespen en larven uit het nest
te halen en wierpen die op eenigen afstand neder; vervolgens
werd het nest weder zoo goed mogelijk opgemaakt en op nieuw
door haar betrokken. Zooveel Spreker heeft kunnen nagaan, is
een dergelijk geval wel bij bijen, maar nog nimmer bij wespen
waargenomen.
Onder dankbetuiging aan de verschillende Sprekers, sluit de
Voorzitter hierop deze vergadering.
Den volgenden dag werd, zooals bepaald was, eene gezamenlijke
excursie gehouden in het niet ver van Breda gelegen prachtige
Liesbosch, dat onder de entomologen zekere vermaardheid heeft
wegens de zeldzame vangsten, die er van tijd tot tijd gedaan
worden. Al de ter vergadering opgekomen Leden, behalve de
heeren Heylaerts, de Man en Snellen, namen daaraan deel; ook
XXVIII VERSLAG.
de heer Dietz uit Antwerpen en de heeren van der Hoop en van
der Wulp, de beide laatsten daartoe nog opzettelijk overgekomen.
Ofschoon de tocht door uitnemend fraai weder werd begunstigd,
leverde zij niettemin voor niemand de uitkomsten op, welke men
zich daarvan had voorgesteld. Algemeen werd dit toegeschreven
deels aan het reeds vrij late tijdstip in den zomer, maar inzon-
derheid ook aan de langdurige droogte, die was voorafgegaan en
waardoor de insectenwereld voor een groot deel als uitgestorven
scheen.
Van de meeste deelnemers aan den tocht ontving de steller van
dit verslag de mededeeling, dat de vangsten te onbeduidend waren
om er melding van te maken. Van Lepidoptera was een enkel
exemplaar van Z%ecla Betulae L. nog het minst alledaagsch. De
Coleopterologen legden zich voornamelijk toe op het vangen van
waterinsecten en slaagden er in, deels ook op afzonderlijke uit-
stapjes vóór en na de vergadering, bij Ginneken enz., al de als
inlandsch bekende Gyriniden-soorten !) meester te worden. De heer
Fokker deed, behalve een paar Hemiptera, nieuw voor de Neder-
landsche fauna en die hij in het eerstvolgende gedeelte zijner « Lijst »
zal opnemen, niets op, dat eene afzonderlijke vermelding waardig is.
Een dezer voor de fauna nieuwe soorten, eene Pentatomide, had
hij te danken aan den heer Ritsema, die haar in beide sexen op
eene schermbloem aantrof. Onder de Hymenoptera, door dezen
laatsten opgedaan , waren nog het merkwaardigst: Macropis labiata
Panz., Osmia Solskyi Mor., Nomada fuscicornis Nyl. en Trypoxylon
attenuatum Smith. Onder de Diptera, door den heer van der Wulp
gevangen, bevonden zich een paartje van Occemyia atra F. en
een vrouwelijk exemplaar van Theria muscaria Meig., doch het
overige bestond in eenige algemeen voorkomende soorten. Wat
de Araneïden betreft, daaromtrent schreef de heer van Hasselt het
volgende:
« Ondanks de erkentelijk aanvaarde medewerking o. a. van de
heeren Groll, Fokker, Everts en Leesberg, heb ik geen nieuws
1) Zie blz. xxI hiervoren.
VERSLAG. XXIX
voor onze spinnen-fauna opgedaan. Slechts over een paar micro’s
verkeer ik nog in eenigen twijfel. Bij de overigens vrij talrijke
vangsten van meer gewone soorten, in het Liesbosch opgedaan,
heb ik, als minder algemeene alleen te vermelden: Dictyna varia-
bilis C. Koch, Coelotes atropos Walck., Neriene rubens Blackw. ,
Linyphia frenata Wid., Cercidia prominens Westr., Diaea globosa
Fabr. en Ozyptila true Blackw. — Door den heer Leesberg ver-
kreeg ik nog eene mij zeer welkom zijnde cocon van Agroeca
proæima Cambr.; jammer dat deze, als reeds uitgekomen, niet
meer voor kweeking geschikt was. Tot mijne bevreemding vond
ik op dit voor Agroeca’s overigens zoo geschikt terrein noch de
genoemde soort zelve, noch de haar verwante en veel meer
voorkomende Agroeca brunnea Blackw. »
LIJST DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
op 23 Augustus 1884,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
— 04 Pre
BEGUNSTIGERS.
Mr. J. Kneppelhout, Hemelsche Berg te Oosterbeek 1867.
Dr. François P. L. Pollen, te Scheveningen. 1867.
Mevrouw de Wed. Hartogh Heys van de Lier, geb. Snoeck, Alexander-
straat 23, te ’s Gravenhage. 1868.
Dr. F. J. L. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
Mr. J. Thiebout, te Zwolle. 1869.
Het Koninklijk Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra te
Amsterdam. 1879.
J. Groll te Leiden. 1882.
Mr. J. W.. van Lansberge, oud Gouverneur-Generaal van Ned. Indie,
Huize de Rees te Brummen. 1882.
Jhr. F. G. E. Merkes van Gendt, Lid van de 1ste Kamer der Staten-
Generaal, Koninginnegracht 36, te ’s Gravenhage. 1882.
Dr. C. Sepp, Emeritus Predikant, Keizersgracht bij de Leidsche straat,
469, te Amsterdam. 1882.
C. L. Roos Vlasman, te Hilversum. 1882.
Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil. nat. Dr., te Assen. 1882.
Mr. J. van Kuyk, Commissaris des Konings in de provincie Drenthe,
te Assen. 1883.
Teyler’s Stichting te Haarlem. 1883.
Mr. J. Jochems, Korte Vijverberg 4, te ’s Gravenhage. 1883.
Mr. C. W. Hubrecht, Lid van Gedeputeerde Staten van Zuidholland,
Voorhout 66, te ’s Gravenhage. 1884.
De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem. 1884.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXI
EERELEDEN.
Dr. G. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch Ge-
nootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
H. T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861.
Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwissenschaften
en Burgemeester van Weenen, Operngasse 8, te Weenen. 1861.
Prof. J. O. Westwood, M. A., F. L. S., Directeur van het Hopean
Museum, te Oxford. 1862.
Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, te Bergen op Zoom. 1864.
Dr. Gustav L. Mayr, Professor aan de Hoogere Burgerschool te Weenen,
III Hauptstrasse 75, te Weenen. 1867.
Dr. H. D. J.Wallengren, te Farhult, bij Höganäs in Zweden. 1871.
R. Mac Lachlan, F. L. S., Westview, Clarendon-road, Lewisham ,
S. E. te Londen. 1871.
Dr. T. Thorell, voormalig Hoogleeraar in de Zoologie aan de Hooge -
school te Upsala in Zweden, thans wonende Casa Buzone, Nervi
(Italie). 1872.
Dr. C. A. Dohrn, President der Entomologische Vereeniging te
Stettin. 1873.
M. E. Baron de Selys Longehamps, Boulevard de la Sauveniere 34,
te Luik. 1874.
Dr. V.Signoret, Avenue de Chevreuse, 5, te Clamart (Seine) Frankrijk. 1874
CORRESPONDEERENDE LEDEN.
Prof. Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te
Aken. 1853.
Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
Frederic Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige Oost-
Indische Compagnie, Five House, Whitehall, te Londen. 1864.
Jhr. J. W. May, Consul-Generaal der Nederlanden, Arundal House ,
Percy Cross, Fulham road, 8. W., te Londen. 1865.
Dr. H. Weyenbergh, voormalig Hoogleeraar aan de Hoogeschool te
Cordova in de Argentijnsche Republiek, thans te Haarlem. 1872.
Dr. W. Marshall, Privaat-docent te Leipzig. 1872.
A. Fauvel, Rue d’Auge 16, te Caen. 1874.
Dr. O. Taschenberg, te Halle a. S. 1883.
A. W. Putman Cramer, Douglass street 51, te Brooklyn, Staat
New-York, in Noord-Amerika. 1883.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
Vicomte Henri de Bonvouloir, Rue de l'Université 15, te Parijs.
(1867—68).
H. Jekel van Westing, lid der K. Acad. van natuuronderzoekers te
Moscou en van verscheidene entomol. genootschappen, Rue de Dun-
kerque 62, te Parijs. (1868—69).
XXXIT LIJST DER LEDEN ENZ.
J. Lichtenstein, villa la Lironde bij Montpellier. (1878—79).
René Oberthür te Rennes (Ille-et-Vilaine) Frankrijk. (1882—83).
GEWONE LEDEN.
1845-46.
Dr. J. G. H. Rombouts, te Groesbeek.
F. M. van der Wulp, Prinses Marie-straat 14, te ’s Gravenhage. —
Diptera.
Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, Huize Schothorst, te Hoogland
bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
J. W. Lodeesen, Tulpstraat 6, te Amsterdam. — Lepidoptera indigena.
Mr. H. Ver Loren van Themaat, te Utrecht. — Lepidoptera.
W. O. Kerkhoven, te Lochem.
1851-52.
R. T. Maitland, Commelinstraat, 17, te Amsterdam. — Algemeene
Entomologie.
P. C. T. Snellen, Wijnhaven (Noordzijde) 45, te Rotterdam. —
Lepidoptera.
Dr. M. Imans, te Utrecht.
Dr. W. A. J. van Geuns, Bezuidenhout 14 k, te ’s Gravenhage.
1852-53.
Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde 123, te ’s Gravenhage. — Inl. Lepi-
doptera, bijzonder Microlepidoptera.
G. M. de Graaf, Heerengracht 55, te Leiden. — Lepidoptera.
G. A. Six, De Ruiterstraat 65, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera.
Dr. W. Berlin, Oud-Hoogleeraar, Westeinde 2, te Amsterdam.
1355-56.
A. A. van Bemmelen, Directeur van de Diergaarde te Rotterdam. —
Algemeene Entomologie.
Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen, te Velp. —
Lepidoptera.
1856-57.
Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Neuroptera.
Mr. W. Albarda, te Ginneken. — Lepidoptera en Neuroptera.
Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade 15, te ’s Graven
hage. — Araneiden.
1857-58.
Dr. J. W. Schubärt, te Utrecht.
W. K. Grothe, te Zeist.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXIII
1358-359.
J.C. J. de Joncheere, Voorstraat, D 368, te Dordrecht. — Lepidoptera.
1860-61.
J. Kinker, Oudezijds-Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort, 223, te
Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
Dr. E. Piaget, aux Bayards, Neuchätel, Zwitserland. — Diptera en
Parasitica.
1861--62.
Mevrouw de Weduwe Hartogh Heys van de Lier, te ’s Gravenhage,
voor wijlen haren Echtgenoot.
1363-64.
Mr. R. Th. Bijleveld, Voorhout 88, te ’s Gravenhage. — Algemeene
Entomologie.
D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F 3471, te Zwolle. — Lepidoptera.
1864-65.
Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Europeesche insecten.
Dr. H. J. Veth, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te Rotterdam. —
Algemeene Entomologie, vooral Coleoptera.
H. W. Groll, te Haarlem. — Coleoptera.
1365-66.
Mr. A. Brants, Buitensingel, te Arnhem. — Lepidoptera.
1366-67.
F. J. M. Heylaerts, St.-Jansstraat, te Breda. — Lepidoptera enz.
Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar te Utrecht. — Algemeene
Zoologie.
A. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
1367-68.
C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van natuurlijke
historie, Rapenburg 94, te Leiden. — Algemeene Entomologie.
1868-69.
Dr. J. G. de Man, te Middelburg. — Algemeene Entomologie.
Dr. F. W. O. Kallenbach, te Rotterdam. — Lepidoptera.
A. Cankrien, te Kralingen. — Lepidoptera.
1869-70.
M. Nijhoff, Nobelstraat 18, te ’s Gravenhage. — Bibliographie.
XXXIV LIJST DER LEDEN ENZ.
1870-71.
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool,
Stationsweg 79, te ’s Gravenhage. — Coleoptera.
Mr. M. C. Piepers, Lid der rechterlijke macht in Nederlandsch Indie. —
Lepidoptera.
Dr. P. J. Veth, Hoogleeraar te Leiden.
1871-72.
Dr. J. Ritzema Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool te Wage-
ningen. — Oeconomische Entomologie.
J.F. G. W. Erbrink, N. Z. Voorburgwal over de Kolk 62, te Amster-
dam. — Algemeene Entomologie.
J. B. van Stolk, Schie 23, te Rotterdam. — Lepidoptera.
Mr. A. F. A. Leesberg, Gedempte Burgwal 33, te ’s Gravenhage. —
Coleoptera.
Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit te
Groningen.
M. M. Schepman , te Rhoon. — Neuroptera.
Dr. C. K. Hoffmann, Hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit te Leiden. —
Vergelijkende ontleedkunde en Embryologie.
1872-73.
Dr. A. J. van Rossum, Kastanjelaan, te Arnhem.
1373-74.
Dr. J. van Leeuwen Jr., Hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit (Noord-
einde 55) te Leiden. — Lepidoptera.
Mr. M. ’s Gravesande Guicherit, te Delft. — Coleoptera.
1874.—75.
H. L. Gerth van Wijk, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te
Middelburg. — Hymenoptera aculeata.
J. van den Honert, Plantage Muidergracht 32, te Amsterdam.
K. N. Swierstra, Koninkl. Zool. Genootschap Natura Artis Magistra
te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
1875-76.
H. Uijen, Priemstraat, te Nijmegen. — Lepidoptera.
J. G. Wurfbain, Villa Claerhout bij Arnhem.
A. J. Weytlandt, te Westzaan.
Dr. M. W. Beijerinck, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool te Wage-
ningen.
Vine. Mar. Aghina, Sacr. Ord. Praed., te Schiedam.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXV
1876-77.
Mr. P. H. J. J. Ras, Huize Rijnstein, te Arnhem.
L. de Bruyn, Officier der Artillerie, te Brielle.
W. H. Dreessens, Oudebrugsteeg 5, te Amsterdam.
Mr. A. J. F. Fokker, te Zierikzee. — Hemiptera.
Emile Seipgens, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, 'Rapenburg,
te Leiden. — Coleoptera.
A. M. J. Bolsius, Geneesheer der Billiton-maatschappij, op Billiton
(Nederl. Indie).
1877-78.
Dr. C. Kerbert, Directeur vau het Aquarium, Reguliersgracht 78, te
Amsterdam.
G. A. F. Molengraaff, Adsistent bij het Botanisch Laboratorium te
Utrecht. — Lepidoptera.
1878—79.
A. C. Oudemans Jsz., Phil. nat. Cand., Lange Nieuwstraat A 638, te
Utrecht. — Acarina.
Henri W. de Graaf, Phil. nat. Cand., Hoogewoerd n°. 123, te Leiden.
P. T. Sijthoff, Administrateur op de kina-plantage Tyilaki, nabij
Bandong, Preanger regentschappen, Java.
Dr. F. A. Jentink, Directeur van ’s Rijks Museum van natuurlijke
historie, Morschsingel, te Leiden.
1379-80.
Dirk ter Haar, te Giessendam. — Lepidoptera.
K. Bisschop van Tuinen Hz., Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
en het Gymnasium te Zwolle. — Lepidoptera.
1880-31.
J. T. Oudemans, Sarphatistraat 78, te Amsterdam. — Macrolepidoptera
en Hymenoptera.
J. Gerard Kruimel, op de koffie-onderneming Kalimanis (adres: den
heer van Haften te Malang), Java.
J. Jaspers Jr., Kerkstraat bij de Spiegelstraat 167, te Amsterdam.
1381-82.
H. Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool te Wageningen.
1882-83.
Dr. R. H. Saltet, Singel 318, te Amsterdam.
D. van der Hoop, Zuidblaak 64, te Rotterdam.
Dr. J. Bosscha Jz., Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te Breda.
XXXVI LIJST DER LEDEN ENZ.
Dr. Max Fürbringer, Hoogleeraar aan de Universiteit , Stadhouderskade
73, te Amsterdam.
H. M. Bruna, Predikant te Wijchen, bij Nijmegen.
Dr. R. Horst, Conservator bij ’s Rijks Museum van natuurlijke
historie, Nieuwsteeg, te Leiden.
1883-84.
A. E. Kerkhoven, theeplanter op Ardja Sari bij Bandong (Java).
Johan P. Vink (adres: in firma H. Duys) te Nijmegen. — Lepidoptera.
Marius Koch, Administrateur op het kinaland Tjikembang bij Bandong
(Java).
J. R. H. Neervoort van de Poll, Keizersgracht bij de Leliegracht 163,
te Amsterdam.
Mr. Th. F. Lucassen, Javastraat 54, te ’s Gravenhage. — Coleoptera,
Mr. W. J. C. Putman Cramer, te Velp.
Otto Netscher, Celebesstraat 22, te ’s Gravenhage. — Coleoptera.
J. Büttikofer, Conservator bij ’sRijks Museum van natuurlijke
historie, Breestraat, te Leiden.
Dr. Th. W. van Lidth de Jeude, Conservator bij ’s Rijks Museum
van natuurlijke historie, Boommarkt, te Leiden.
BESTUUR.
President. Dr. A. W. M. van Hasselt.
Vice-President. P. C. T. Snellen.
Secretaris. F. M. van der Wulp.
Bibliotheearis. C. Ritsema Cz.
Penningmeester. J. W. Lodeesen.
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
Dr. A. W. M. van Hasselt.
F. M. van der Wulp.
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts.
BELIOTHEKREN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGINCHE VEREENIGING.
BIJGEKOMEN BOEKEN VAN 10 OCTOBER 1883
TOT 1 NOVEMBER 1884.
BIBLIOTHEEK A.
Natunrlijke Historie in het algemeen.
Niets bijgekomen.
Algemeene Dierkunde.
1. Bos (Dr. J. Ritzema) en H. Bos, Leerboek der Dierkunde. Gro-
ningen, 1884. 8vo. (Geschenk van de Schrijvers).
2. List of the Vertebrated Animals now or lately living in the
Gardens of the Zoological Society of London. 8th Edition. 1883.
London, 8vo (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Algemeene Entomologie.
3. Berg (C), Notas sinonimicas acerca de algunos Coleopteros y
Lepidopteros. Buenos Ayres, 1883. 8vo. (Geschenk van den
Schrijver).
3a. Westwood (J. O.), Matabele Land and the Victoria Falls, from
the letters and journals of the late F. Oates. Appendix IV.
Entomology. London, 1882. With 4 plates and a map. &vo.
(Geschenk van Prof. Westwood).
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
4. Borre (A. Preud’homme de), Matériaux pour la faune entomo-
logique de la province de Limbourg. Coléoptéres. Deuxiéme centurie.
Tongres, 1882. 8vo. (Met de zes volgende nommers ten geschenke
van den Schrijver).
XXXVIII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
5. Borre (A. Preud’homme de), Matériaux pour la faune entomo-
logique de la province du Luxembourg Belge. Coléoptères.
Deuxième centurie. Luxembourg et Bruxelles, 1582. 8vo.
6. —— Matériaux pour la faune entomologique de la province du
Brabant. Coléoptères. Troisième centurie. Bruxelles, 1883. 8vo.
7. —— Matériaux pour la faune entomologique de la province de
Namur. Coléoptères. Deuxième centurie. Bruxelles, 1883. 8vo.
8. —— Note sur l’Horia Senegalensis Casteln. Bruxelles, 1883. 8vo.
9. —— De la validité spécifique des Gyrinus colymbus Er., dis-
tinctus Aubé, caspius Ménétr., libanus Aubé et Suffriani Scriba.
Bruxelles, 1884. 8vo.
10. —— Les Méloides de l’Europe centrale d’après Redtenbacher et
Guttfleisch. Bruxelles, 1884. 8vo.
11. Ritsema Cz. (C.), Four new species of Malayan Cetoniidae.
Leyden, 1883. 8vo. (Met de twee volgende nommers ten geschenke
van den Schrijver).
12. —— Synonymical Remarks on Coleoptera. 2 Parts. Leyden,
1884. 8vo.
13. —— A new species of the Longicorn genus Demonax Thoms.
Leyden, 1884. 8vo.
14. Weyers (J. L.) et A. Preud’homme de Borre, Sur la Cicindela
maritima Dejean et la variété Maritima de la Cicindela hybrida.
Bruxelles, 1884. 8vo. (Geschenk van den heer A. de Borre).
B. Lepidoptera.
15. Borre (A. Preud’homme de), Types et espèces rares de la
collection de Papilionides du Musée Royal de Belgique. Bruxelles,
1884. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
16. Heylaerts (F. J. M.), Note sur les métamorphoses de l’Acidalia
herbariata F. Bruxelles, 1878. 8vo. (Met de elf ore nommers
ten geschenke van den Schrijver).
17. —— Nouveaux genres et espèces de Psychides. Bruxelles,
1879. 8vo.
18. —— Observations relatives à des Psychides. Bruxelles, 1880. 8vo.
19. —— Essai d'une Monographie des Psychides de la faune euro-
péenne, précédé de considérations générales sur la famille des
Psychides. ire partie. Bruxelles, 1881. Svo.
20.
21.
22.
23.
26.
27.
2%.
30.
31.
32.
93.
34,
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XXXIX
Heylaerts (F. J. M.), Descriptions de deux nouvelles espèces de
Psychides. Bruxelles, 1882. 8vo.
—-— Descriptions de deux Lépidoptères asiatiques nouveaux.
Bruxelles, 1883. 8vo.
—— Deux nouvelles espèces du genre Chauliodus Tr. Bruxelles,
1883. 8vo.
—— Description d’une espèce nouvelle de Psychide. Bruxelles,
1883. 8vo.
. —— Observations synonymiques et autres relatives à dès Psy-
chides, avec descriptions de novae species. Bruxelles, 1884. 8vo.
—— Les Macrolépidoptères de Bréda et de ses environs. Liste
supplémentaire n°. 8. Captures de 1877—1882. la Haye, 1883. 8vo.
—— Neuf notes Lépidoptérologiques. Bruxelles, 1884. 8vo.
—— Deux notes Lépidoptérologiques. Bruxelles, 1884. 8vo.
Marshall (G. F. L.) and L. de Nicéville, The Butterflies of
India, Burmah and Ceylon. With numerous illustrations. Cal-
cutta, 1882. Part I and II. 8vo.
Moore (F.), The Lepidoptera of Ceylon. Part VIII and IX.
With coloured plates. London, 1883/84. 4to. (Geschenk van de
Engelsche Regeering).
—— A Monograph of Limnaina and Euploeina, two Groups of
Diurnal Lepidoptera belonging to the subfamily Euploeinae;
with Descriptions of new Genera and Species. With four coloured
plates. London, 1883. Svo. (Met het volgende nommer ten ge-
schenke van den Schrijver).
—— Descriptions of new Asiatic Diurnal Lepidoptera. With
two coloured plates. London, 1883. 8vo.
Oudemans (J. T.), Het prepareeren van rupsen. ’s Gravenhage,
1884. Svo. (Geschenk van den Schrijver).
Vollenhoven (Dr. S. C. Snellen van), Beschrijvingen en afbeel-
dingen van Nederlandsche Vlinders (Vervolg op Sepp, Be-
schouwing der Wonderen Gods, enz.). ’s Gravenhage, 1883/84.
DI. IV, n°. 23—26. Met 4 gekleurde platen. 4to.
Weyenbergh (H.), Mimallo Schulzii m. et sa métamorphose.
Avec une planche coloriée. St. Pétersbourg, 1883. 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
XL
3de
37.
38,
39.
40.
41.
43.
44.
45.
46.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
C. Hymenoptera.
André (Ed.), Species des Hyménoptères d'Europe et d'Algérie.
Fase. XVIII-XX. Beaune, 1883/84. Avec planches. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschrift v. Entom.).
Ankum (H. J. van), Inlandsche Sociale Wespen. Met twee
platen. Groningen, 1870. 4to. (Geschenk van den heer D. van
der Hoop).
Ritsema Cz. (C.), A new genus and species of the Hymeno-
pterous family Larridae. Leyden, 1884. Svo. (Met het volgende
nommer ten geschenke van den Schrijver).
—— Synonymical Remarks about certain Hymenoptera Acuieata.
Leyden, 1884. 8vo.
Westwood (J. O.), On the supposed abnormal habits of certain
species of Eurytomides, a group of the Hymenopterous family
Chalcididae. With two plates. London, 1882. 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
Weyenbergh (H.), Die Weibchen der Gattung Tachypterus
Guer. Berlin, 1883. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
D. Hemiptera.
Berg (C.), Addenda et emendanda ad Hemiptera Argentina.
Bonariae et Hamburgo, 1884, 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
. Fokker (A. J. F.), Catalogus der in Nederland voorkomende
Hemiptera. 1ste gedeelte: Hemiptera Heteroptera. n°. 1 en 2.
’s Gravenhage, 1883/84. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
E. Neuroptera.
Lachlan (R. Mac), Neuroptera of the Hawaiian Islands. Part I.
Pseudo-Neuroptera. London, 1883. 8vo. (Mel de beide volgende
nommers ten geschenke van den Schrijver).
—— Two new species of Anar, with Notes on other Dragon-
flies of the same genus. London, 1883. 8vo.
—— À Monographie Revision and Synopsis of the Trichoptera
of the European Fauna. First additional Supplement. With seven
plates. London and Berlin, 1884. 8vo.
Sélys Longchamps (E. de), Révision des Diplax paléaretiques.
Bruxelles, 1884. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
47.
48.
49.
51.
93.
54.
55.
56.
56a.
57.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLI
F. Orthoptera.
Borre (A. Preud’homme de), La feuille qui se transforme en
insecte. Bruxelles, 1883. 8vo. (Met het volgende nommer ten
geschenke van den Schrijver).
—— Liste des Mantides du Musée Royal d’histoire naturelle de
Belgique. Bruxelles, 1883. 8vo.
Finot (A.), Les Orthoptéres de la France. Paris, 1883. 8vo.
G. Diptera.
. Bos (Dr. J. Ritzema), Mededeelingen omtrent de Narcisvlieg
(Merodon equestris). Haarlem, 1884. 8vo. (Geschenk van den
Schrijver).
Brauer (Prof. Dr. Fr.), Offenes Schreiben als Antwort auf Herrn
Baron Osten-Sacken’s „Critical Review” meiner Arbeit über die
Notacanthen. Wien, 1883. 8vo.
. Man (Dr. J. G. de), Eene variatie in het aderbeloop der vleugels
eener Mycetophilide. ’s Gravenhage, 1884. 8vo. (Geschenk van den
Schrijver).
Rombouts (Dr. J. E.), De la faculté qu'ont les mouches de se
mouvoir sur le verre et sur les autres corps polis. Haarlem,
1885. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Borre (A. Preud'homme de), Notes sur les Glomérides de la
Belgique. Bruxelles, 1884. 8vo. (Met de drie volgende nommers
ten geschenke van den Schrijver). i
—— Tentamen Catalogi Glomeridarum hucusque descriptarum.
Bruxelles, 1834. &vo.
—— Notes sur les Julides de la Belgique, suivie de la descrip-
tion d’une espéce nouvelle par M. le Dr. Latzel. Bruxelles,
1884. 8vo.
—— Tentamen Catalogi Lysiopetalidarum, Julidarum, Archiu-
lidarum, Polyzonidarum atque Siphonophoridarum hucusque des-
criptarum. Bruxelles, 1884. 8vo.
Palaeontologie.
Scudder (S. H.), A contribution to our knowledge of Paleozoic
Arachnida. 8vo. (Met de beide volgende nommers ten geschenke
van den Schrijver).
XLII
58.
59.
60.
61.
62.
63.
64.
65.
66.
67.
68.
69.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Scudder (8. H.), The fossil White Ants of Colorado. 8vo.
—— Two new and diverse types of Carboniferous Myriapods.
The species of Mylacris, a Carboniferous genus of Cockroaches.
Boston, 1884. 4to.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Plateau (F.), Recherches sur la force absolue des muscles des
invertébrés. 1re partie. Bruxelles, 1883. 8vo. (Met het volgende
nommer ten geschenke van den Schrijver).
—— Recherches expérimentales sur les mouvements respiratoires
des insectes. Bruxelles, 1884. 4to.
Weyenbergh (Dr. H.), Principios Histologicos. Compendio para
los estudiantes compilado sobre las obras de Frey, Kölliker,
Leydig, i. 0. Cordoba, 1883. 8vo. (Met het volgende nommer ten
geschenke van den Schrijver).
—— Catalogo del laboratorio y gabinete de histologia de la
facultad de ciencias medicas de la Universidad Nacional en
Cordoba. Cordoba, 1883. 8vo.
Tijdschriften.
Actas de la Academia Nacional de Ciencias en Cordoba. Tom. IV,
entr. 1; tom. V, entr. 1. Buenos Ayres, 1882/84. 4to. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Anales de la Sociedad cientifica Argentina. Buenos Ayres,
1883/84. Tom. XVI, entr. 3—6; tom. XVII; tom. XVIII,
entr. 1 y 2. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Annali del Museo Civico di Storia Naturale di Genova. Vol.
XVUI—XX. Genova, 1882—84. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
Annuaire de l’Académie Royale des Sciences, des Lettres et
des Beaux-Arts de Belgique. Années 1882 et 1883. Bruxelles,
1882/83. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Annuaire Statistique de la Province de Buenos-Ayres. Deuxiéme
Année: 1882. Buenos-Ayres, 1883. 8vo. (Geschenk van de Argen-
lijnsche Regeering).
Anuario Bibliografico de la Republica Arjentina. Ano IV: 1882.
Buenos-Ayres, 1883. 8vo. (Geschenk van Prof. H. Weyenbergh).
dt
74.
75.
78.
19.
80.
81.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLIII
Archief. Vroegere en latere Mededeelingen, voornamelijk in be-
trekking tot Zeeland, uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap
der Wetenschappen. Deel V, 3de stuk. Middelburg, 1883. 8vo.
(Geschenk van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te
Middelburg).
Archivos do Museu Nacional do Rio de Janeiro. Vol. IV y V.
Rio de Janeiro, 1881. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
. Boletin de la Academia Nacional de Ciencias en Cordoba (Repu-
blica Argentina). Tom. IV, entr. 2—4; tom. V, entr. 1, 2, 4;
tom. VI, entr. 1. Buenos Ayres, 1882—84. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Boletin del Instituto Geografico Argentino, publicado bajo la
direecion de su Presidente Dr. D. Estanislao s. Zeballos. Tom.
IV, euad. 7—11; tom. V, cuad. 1—7. Buenos Ayres, 1883/84.
8vo. (Geschenk van het Argentijnsch Geographisch Instituut).
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. 3me ser. vol. V
et VI. Caen, 1881/82. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France.
Paris, 1883, n°. 18—24; 1884, n°. 1, 2, 4—8, 12—17. 8vo.
(In ruil tegen de Verslagen der Ned. Ent. Vereen.).
. Bulletin of the Buffalo Society of Natural Seiences. Vol. IV,
n°. 4. Buffalo, 1883. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Bulletin of the Essex Institute. Vol XIV. Salem, 1882. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bullettino della Societa Entomologica Italiana. Anno XV, trim. 4;
anno XVI, trim. 1 e 2. Firenze, 1884. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
Bijdragen tot de Dierkunde, uitgegeven door het Genootschap
„Natura Artis Magistra” te Amsterdam. 10de Aflev. Iste ge-
deelte. Amsterdam, 1884. in fol. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Cistula Entomologiea. Vol. I; II; III, pars 26 and 27. London,
1869—1883. With plates. 8vo.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de
Belgique. Série III, n°. 37—49. Bruxelles, 1883/84. 8vo. (In
ruil tegen de Verslagen der Ned. Ent. Vereen.).
XLIV BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
82.
84.
85.
86.
87.
88.
89,
I.
92.
93.
Entomologisk Tidskrift, pa föranstaltante af Entomologiska
Föreningen i Stockholm. Utgifven af J. Spängberg. Arg. IV.
Stockholm, 1883. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Entomologist (The), An Illustrated Journal of British Entomo-
logy. Edited by J. T. Carrington. Vol. XVI, n°. 246—247;
vol. XVII, n°. 248—257. London, 1883/84. 8vo.
Inseeten-Börse. Central-Organ zur Vermittelung von Angebot,
Nachfrage und Tausch. n°. 2—8. Leipzig, 1884. 4to. (Geschenk
van den witgever E. Wartig te Leipzig).
Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde. Jahrg.
XXXVI. Wiesbaden, 1883, 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Jahresbericht (2ter) der Gesellsschaft für Mikroskopie in Han-
nover für die Geschäftsjahre 1881—1882. Hannover, 1883. 8vo.
(Geschenk van het Genootschap).
Jahres-Berichte des naturwissenschaftlichen Vereins in Elberfeld.
Heft VI. Mit 2 Tafin. Elberfeld, 1884. 8vo. (Geschenk der
Vereeniging).
Jahresheft des naturwissenschaftlichen Vereines des Trenesiner
Komitates. Redigirt von A. Pfeiffer. Jahrg. VI. Trenesin ,
1884. 8vo.
Meddelanden af Societas pro Fauna et Flora Fennica. Häftet
9—10. Helsingfors, 1883. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Vol. III,
n°. 6 and 7. Boston, 1883, 4to. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Naturhistorische Hefte, nebst deutsch redigirter Revue, heraus-
gegeben vom Ungarischen National-Museum in Budapest. Redi-
girt von O. Herman. Bd. VII. Budapest, 1883. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, uitgegeven
door de Kon. Nat. Vereen. in Nederlandsch-Indié. DI. XLII en
XLIII. Batavia en ’s Gravenhage, 1883/84. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Papilio. Devoted to Lepidoptera exclusively. Organ of the New-
York Entomological Club. Vol. HI, n°. 1, 7—10; vol. IV,
n°. 1--3, 5 and 6. New-York and Philadelphia, 1883/84. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
94,
95.
96.
97.
98.
99.
100.
101.
102.
.103.
104.
105.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLV
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Vol. XXI,
Prt. 4; vol. XXII, Prt. 1. Boston, 1882. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Proceedings of the Davenport Academy of Natural Sciences.
Vol. III, n°. 3. Davenport, 1883. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
Proceedings of the Linnean Society of New South Wales. Vol. III,
Prt. 3; vol. VII, Prt. 4; vol. VIII, Prt. 1—4. Sydney, 1879
tot 1884. Svo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Proceedings of the Natural History Society of Glasgow. Vol. V ,
Prt. 2. Glasgow, 1883. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society
of London for the year 1882, part 4; for the year 1883; and
for the year 1884, part 1 and 2. London, 1883/84. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Report (Annual) of the Board of Regents of the Smithsonian
Institution for the years 1881 and 1882. Washington, 1883/84.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Report (Annual) of the Commissioner of Agriculture for the
years 1881 and 1882. Washington, 1882. 8vo. (Geschenk van
het U. S. Departement of Agriculture).
Report (Second Annual) of the U. S. Geological Survey to the
Secretary of the Interior. 1880—81, by J. W. Powell. Was-
hington, 1882. 8vo. (Geschenk van de U. S. Geological Survey).
Revue d’Entomologie, publiée par la Société Française d’En-
tomologie. Rédacteur: A. Fauvel. Tome I, IT et III, n°. 1 et 2.
Caen, 1882—84. 8vo. (In ruil iegen het Tijdschr. v. Entom.).
Schriften der physikalisch-ökonomischen Gesellschaft zu Königs-
berg. Jahrg. 24. Königsberg, 1883. 4to. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
Transactions of the American Entomological Society, and Pro-
ceedings of the Entomological Section of the Academy of Na-
tural Sciences. Vol. X, n°. 2—4. Philadelphia, 1883. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap gevestigd te
Amsterdam. Deel VIII, n°. 4 en 5. 4to. 2de serie: Afd. Ver-
slagen en Aardrijkskundige Mededeelingen DI. I, n°. 1—8;
Afd. Meer uitgebreide artikelen. DI. I, n°. 1. 8vo. Benevens
het Bijblad n°. 12. 4to. Amsterdam en Utrecht, 1883/84. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
XLVI
106.
107.
108,
109.
110.
111.
112.
113.
114.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. DI. XXVI, aflev. 3 en 4; dl. XXVII,
aflev. 1—3. Met gek!. platen. ’s Gravenhage, 1883/84. 8vo.
Benevens: Repertorium betreffende Deel XVII tot en met XXIV
(1874—1881), bewerkt door F. M. van der Wulp. ’s Gravenhage ,
1882. 8vo.
Tijdschrift (Nederlandsch) voor de Dierkunde, uitgegeven door
het Kon. Zool. Genootschap , Natura Artis Magistra” te Am-
sterdam. Jaargang V, aflev. 1 Amsterdam, 1884. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Verhandlungen der kaiserlich-königlichen zoologisch-botanischen
Gesellschaft in Wien. Jahrg. 1882 und 1885 (Bd. XXXII und
XXXIII). Wien, 1883/84. 8vo, (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Verhandlungen des naturforschenden Vereines in Brünn. Bd.
XXI (1882). Brünn, 1883. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr v.
Entom.).
Verslag over den Landbouw in Nederland gedurende 1882.
’s Gravenhage, 1884. 8vo. (Geschenk van den Minister van
Waterstaat, Handel en Nijverheid).
Verslag van de 38ste Zomervergadering en van de 17de Win-
tervergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging,
gehouden te Assen op 28 Juli 1883 en te Leiden op 13
Januari 1884. ’s Gravenhage, 1884. 8vo.
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Academie van
Wetenschappen. Afd. Natuurkunde. 2de Reeks, 19de deel,
2de en 3de stuk en 20ste deel, iste en 2de stuk. Amsterdam,
1883/84. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Zeitschrift für Naturwissenschaften. Herausgegeben vom natur-
wissenschaftl Verein für Sachsen und Thüringen in Halle.
Bd. LVI, Heft 3—4; Bd. LVII, Heft 1—3. Halle a. ®.
1883/84. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Reizen.
Bove (G.), Informes preliminares de la Expedicion Austral
Argentina. Buenos Ayres, 1883. 8vo. (Geschenk van het Argen-
tijnsch Geographisch Instituut).
115.
116.
117.
118.
119.
120.
124,
125.
126.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLVII
Informe oficial de la Comision cientifica agregada al estado
Mayor General de la Expedicion al Rio Negro (Patagonia).
Entrega II, Botanica y III, Geologia. Buenos Aires, 1881. Ato.
(Geschenk van de Academia Nacional de Ciencias de la Repu-
blica Argentina).
Censo General de la Provincia de Buenos Aires demografico ,
agricola, industrial, commercial ete. verificado el 9 de Octubre
de 1881. Buenos Aires, 1883. Ato.
Varia.
Catalogue of the Library of the Zoological Society of London.
Additions to August 30, 1883. London, 1883. 8vo. (Geschenk
van de Zoological Society).
Catalogus der Bibliotheek van de Nederlandsche Dierkundige
Vereeniging. 3de uitgave. Leiden, 1884. 8vo. (Geschenk van de
Dierkundige Vereeniging).
Catalogus der Bibliotheek van het Zeeuwsch Genootschap der
Wetenschappen. 2de druk, 2de stuk. Middelburg, 1883. 8vo.
(Geschenk van het Zeeuwsch Genootschap).
Ferro-Carril central del norte. Ramal 4 la Rioja y Catamarca.
Seccion Primera. De la estacion Recreo à Chumbicha. Buenos
Ayres, 1883. 8vo.
. Heylaerts (F. J. M.), Note Bibliographique. Bruxelles, 1884.
8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Latzina (F.), La Republique Argentine, relativement à l’émi-
gration européenne. Buenos Aires, 1883. 8vo. (Geschenk van de
Sociedad Cientifica Argentina).
. List of the Fellows and honorary , foreign and corresponding
members and medallists of the Zoological Society of London.
Corrected to May 1883 and June 1884. London, 8vo. (Geschenk
van de Zoological Society).
North Shore of Massachusetts Bay. 6th Ed, Salem, 1883. 8vo.
(Met de beide volgende nommers ten geschenke van het Essex
Institute).
Plummer Hall; its Libraries, its Collections, its Historical
Associations. Salem, 1882. 8vo.
Pocket Guide to Salem. Mass. Salem, 1883. 12mo.
XLVIII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
127. Programma van de Rijkslandbouwschool te Wageningen voor
het leerjaar 1884—85. Wageningen, 1884. 8vo. (Geschenk van
den Heer C. J. M. Jongkindt Coninck).
128. Westwood (Prof. J. O.), Address read at the Entomological
Society of London, June 6th 1883. London, 1883. 8vo. (Ge-
schenk van Prof. Westwood).
BIBLIOTHEEK B.
Natuurlijke Historie in het algemeen.
Niets bijgekomen.
Algemeene Dierkunde.
Niets bijgekomen.
Algemeene Entomologie.
1. Waterhouse (C. 0.), Aid to the identification of insects. With
Lithographs by Edwin Wilson. Part. 19 and 20. London, 1883. 8vo.
Bijzondere Entomologie,
A. Coleoptera.
Niets bijgekomen.
B. Lepidoptera.
2. Moore (F.), The Lepidoptera of Ceylon. Part VIII and IX. With
coloured plates. London, 1883/84. 4to.
Vollenhoven (S. C. Snellen van), Beschrijvingen en afbeeldingen
van Nederlandsche vlinders (Vervolg op Sepp, Beschouwing der
wonderen Gods, enz.) ’s Gravenhage, 1883. DI. IV, n°. 23—26.
Met vier gekleurde platen. 4to.
DI
C. Hymenoptera.
Niets bijgekomen.
D. Hemiptera.
Niets bijgekomen.
E. Neuroptera.
Niets bijgekomen.
F. Orthoptera.
Niets bijgekomen.
10.
I
12.
13.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLIX
G. Diptera.
Niets bijgekomen.
H. Arachnoidea en Myriapoda.
. Latzel (Dr. R.), Die Myriopoden der österreichisch-ungarischen
Monarchie. 2te Hiilfte. Wien, 1884. 8vo.
Palaeontologie.
Niets bijgekomen.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Niets bijgekomen.
Tijdschriften.
. Abeille (1’), Mémoires d’Entomologie, par M. S. A. de Marseul.
N°. 251-286. Paris, 1882—84. pet. in-8vo.
Album der Natuur. Tijdschrift ter verspreiding van natuurkennis
onder beschaafde lezers van allerlei stand. Jaarg. 1884. Haarlem,
1883/84. 8vo.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Tome XXVI
et XXVII. Bruxelles, 1882/83. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
Annales de la Société Entomologique de France. 6me sér. Tom.
IT. Paris, 1882/83. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Annales des Sciences naturelles. Zoologie et Paléontologie, 6me
ser. Tom. XV, n°. 5 et 6; tom. XVI; tom. XVII, n°. 1 et 2.
Paris, 1883/84. 8vo.
Annals and Magazine of Natural History. Conducted by Giinther,
Dallas, Carruthers and Francis. 5th. ser. vol. XII, n°. 5 and 6;
vol. XIII; vol. XIV, n°. 1—4. London, 1883/84. 8vo.
Archiv fiir Naturgeschichte. Gegriindet von Wiegmann und
fortgesetzt von Erichson, Troschel und von Martens. Jahrg. 42,
Heft 4; Jahrg. 49, Heft 5; Jahrg. 50, Heft 1 und 2. Berlin,
1876—1884. 8vo.
Archives (Nouvelles) du Muséum d’Histoire Naturelle de Paris.
2me sér. Tome VI. Paris, 1883/84. 4to.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben von dem
Entomologischen Verein in Berlin. Redacteur: Dr. H. Dewitz
und H. J. Kolbe. Jahrg. XXVII, 2tes Heft; Jahrg. XXVIII,
Istes Heft. Mit Tafeln. Berlin, 1883/84. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
L
14.
16.
17.
19.
20.
24
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscon,
publié sous la direction du Dr. Renard. Année 1882, n°. 2-4;
Année 1885, n°. 1—3. Moscou, 1882—84. Svo. (In ruil legen
het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletins de l’Académie Royale des Sciences, des Lettres et des
Beaux-Arts du Belgique. 3me ser. Tom. I—V. Bruxelles, 1881 - 83
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Correspondenz-Blatt des zoolog. miner. Vereines in Regensburg.
Jahrg. 36, 37 und 38, n°. 1, 2, 5—8. Regensburg, 1882—84. Svo.
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben von der
Deutschen Entomologischen Gesellschaft. Redacteur: Dr. G. Kraatz.
Jahrg. XXVII, 2tes Heft; Jahrg. XXVIII, 1stes Heft. Mit Tafln.
Berlin, 1883/84. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Entomologische Zeitung. Herausgegeben von den Entomologischen
Vereine zu Stettin. Jahrg. XLIV. Stettin, 1883. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Conducted by Douglas,
Barrett, Mc. Lachlan. a. o. Vol. XX, n°. 6—12; vol. XXI,
n°. 1—5. London, 1883/84. 8vo.
Journal (The) of the Linnean Society of London. Zoology. Vol.
XVI, n°. 95 and 96; vol. XVII, n°. 97—102. London, 1882/84.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. voor Entom.).
. Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft.
Redigirt von Dr. G. Stierlin. Vol. VI, Heft 8 und 9; vol. VII,
Heft 1. Schaffhausen, 1883/84. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
. Notes from the Leyden Museum. Founded by the late Prof. H.
Schlegel, continued by Dr. F. A. Jentink, Director of the
Museum. Vol. VI. Leyden, 1884. 8vo.
. Transactions of the Entomological Society of London for the year
1883. London, 1883, With Plates. 8vo. (In ruil tegen het Tijd-
schr. voor Entom.).
Tijdschrift voor Entomologie , uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. Dl. XXVI, afl.3 en 4; dl. XXVII,
afl. 1—3. Met gekl. platen. ’s Gravenhage , 1883/84. 8vo.
Benevens: Repertorium betreffende deel XVII tot en met XXIV
(1874—1881), bewerkt door F. M. van der Wulp. ’s Graven-
hage, 1882. 8vo.
26.
27.
30.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LI
. Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der preussischen
Rheinlande und Westfalens. Herausgegeben von Dr. C. J. Andrä.
Jahrg. XXXIX, 2te Hälfte; XL; XLI, ite Hälfte. Bonn,
1882—84. Svo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Verslag van de 38ste Zomervergadering en van de 17de Winter-
vergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging , ge-
houden te Assen op 28 Juli 1883 en te Leiden op 13 Januari
1884. ’s Gravenhage, 1884. 8vo.
Wiener Entomologische Zeitung. Herausgegeben und redigirt von
S. Ganglbauer u. A. Jahrg. II, Heft 10—12; Jahrg. II, Heft
1—8. Mit Tafln. Wien, 1883/84. 8vo.
. Zoological Record for 1882. London, 1883. 8vo,
29.
Zoologist (The), a Monthly Journal of Natural History, edited
by J. Harting. 3rd. ser. vol. VII, n°. 83 and 84; vol. VIII,
n°. 85—94. London, 1885/84. 8vo.
Reizen.
Niets bijgekomen.
Varia.
Handleiding voor het verzamelen, bewaren en verzenden van
uitlandsche insecten, uitgegeven door de Nederlandsche Ento-
mologische Vereeniging. ’s Gravenhage, 1882. Svo.
ENTOMOLOGISCHE INHOUD
DER
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
October 1883 (vervolg).
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegev. door de Nederl. Entom.
Vereen. DI. XXVI, aflev. 3 (a en b). 1)
Verslag van de 16de Wintervergadering. — Les Macrolépidoptéres
de Bréda et de ses environs. Liste supplémentaire n°. 8. Captures
de 1877—1882, par F. J. M. Heylaerts. — Mydaea (Spilogaster)
angelicae Scop. en urbana Meig., door F. M. van der Wulp. —
Lepidoptera van Celebes verzameld door Mr. M. C. Piepers, met
aanteekeningen en beschrijving der nieuwe soorten door P. C.'T.
Snellen (vervolg). — QO. Taschenberg, die Mallophagen mit be-
sonderer Beriicksichtigung der von Dr. Meyer gesammelten Arten
systematisch bearbeitet. Mit 7 Tafeln. Halle 1882, par E.
Piaget. — Quelques Pédiculines nouvelles ou peu connues, par
E. Piaget. — Bijdrage tot de kennis der Zuid-Amerikaansche
Ephemeriden, door Prof. H. Weyenbergh. — Opmerkingen be-
treffende Tipuliden, door F. M. van der Wulp.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XVI, entr. 3 y 4 (a).
Addenda et emendanda ad Hemiptera Argentina, por el Doct. C. Berg.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. II, Heft 10 (October 1883) (0).
Beiträge zu einem Verzeichnisse der Dipteren Bühmens, III, von
F. Kowarz. — Beschreibung der Raupe und Puppe von Eupi-
thecia scriptaria H. S., von O. Habich. — Beobachtungen über
1) (a) duidt aan dat het werk tot de oorspronkelijke Bibliotheek der Ned. Ent.
Vereeniging, (6) dat het tot de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier behoort.
ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER ONTV. TIJDSCHRIFTEN. LIII
Vorkommen und Lebensweise verschiedener, ‘besonders Gebirge
und Alpen bewohnender Schmetterlings-Arten (Fortsetzung), von
G. Höfner. — Neue Staphylinen der oesterreichisch-ungarischen
Monarchie und der angrenzenden Länder, von Eppelsheim. —
Tabelle zur Bestimmung der Tanythrix-Arten , von Edm. Reit-
ter. — Literatur. —- Notizen.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgiqne.
Ser. Dinar (a):
Note sur l’Horia senegalensis Casteln., par A. Preudhomme de Borre.
Boletin de la Academia Nacional de Ciencias en Cordoba. Tomo IV,
entr. 2—4 (a).
Catälogo de los Dipteros hasta ahora descritos que se encuentran
en las Republicas del Rio de la Plata, por E. Lynch Arribal-
zaga. — Observations à propos du sous-ordre des Araignées
territelaires (Territelariae), spécialement du genre Nord-Américain
Caladysas Hentz et de la nouvelle famille Mecicobothrioidae
Holmb., par E. L. Holmberg (avec 1 planche).
Id. Tomo V, entr. 1 y 2 (a).
Neothereutes Darwini (Holmb.) representante de una nueva familia
de Citigradas, por E. L. Holmberg.
November 1883.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVI, n°. 246
(November 1883) (a).
Notes from Gibraltar, by E. F. Becher. — Tortrices and Tineina
bred and captured in 1883, by G. Elisha. — A Month at Morthoe,
North Devon, by W. S. Riding. — Notes from Wottonunder-
Edge, by V. R. Perkins. — Pimpla spuria (Gr.?), by J. B.
Bridgman. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XX, n°. 234 (November
1883) (b).
Notes on Eutheia clavata Reitter and Plenidium Gressneri Erichs. ,
two species of Coleoptera new to Britain, by W. G. Blatch. —
On the synonymy of certain Micro-Lepidoptera, by E. Meyrick. —
Catocala Fraxini near Culross, N. B., by A. Beaumont. — Mey-
rick’s Australian Tortrieids, by Prof. C. H. Fernald. — Two new
species of Anax, with notes on other dragon-flies of the same
genus, by R. Me. Lachlan. — The butterflies of Cambridge, by
A. H, Waters. — Notes on British Tortrices (continued), by C.
G. Barrett. — Descriptions of two new British Aculeate Hyme-
noptera, by E. Saunders. — On Hyponomeuta rorellus , a gregarious
LIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
» ermine” which frequents the common willow, by H. T. Stainton. —
A new Phyllodes from Ceylon, by A. G. Butler. — On three
new species of Japan Erotylidae, and notes of others, by G.
Lewis. — Entomological Notes, Captures, ete. — Obituary:
Professor Oswald Heer.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. XII, n°. 71
(November 1883) (b).
Neuroptera of the Hawaiian Islands. II, Planipennia, with general
summary, by R. Me. Lachlan. —- Descriptions of two new speciés
of the genus Megalops (Coleoptera, Stenini), by Ch. O. Water-
house. — On the Morphology of the Myriapoda, by Dr. A. 5.
Packard. — Contributions to a knowledge of Malayan Entomology ,
Part II, by W. L. Distant. — Lucilia macellaria infesting Man,
by F. Humbert.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. II, Heft 11 (November 1883) (b).
Ueber Euaesthetus fulvus Motsch., von Dr. Eppelsheim. Eine neue
Fichten-Schildlaus, von Dr. F. Löw. — Neue Staphylinen der
österreichisch-ungarischen Monarchie und der angrenzenden Länder
(Fortsetzung), von Dr. Eppelsheim. — Ueber die Gattung Brachyr-
rhopala Macq., von V. von Röder. — Phytoeeia volgensis n. sp. ,
von Dr. G. Kraatz. — Beobachtungen über Vorkommen und
Lebensweise verschiedener, besonders Gebirge und Alpen bewoh-
nender Schmetterlings-Arten (Schluss), von G. Höfner. — Kleinere
coleopterologische Mittheilungen, von K. M. Heller. — Literatur. —
Notizen.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgique.
Serie III, n°. 38 (a).
Note sur l’Ascalaphus ustulatus Eversm., par R. Me. Lachlan. —
La feuille qui se transforme en insecte, par A. Preudhomme de
Borre.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Redacteur: Dr, H. Dewitz. Band
XXVII, Heft 2 (b).
Ueber die geographische Verbreitung der Macro-Lepidopteren auf
der Erde, von B. Gerhard. — Ein neues Genus der Coleopteren-
Familie Brenthidae aus Madagascar, von H. J. Kolbe. — Neue
Siidamerikanische Käfer, van Th. Kirsch (1stes Stück). — Eine
Aufgabe für Lepidopterologen, von Fr. Müller. — Beitrag zur
Systematik der Lepidopteren, von H. J. Kolbe. — Ueber die
geographischen Verhältnisse der nordafrikanischen Fauna der
Coleoptera Carabidae, von H. J. Kolbe. — Ueber Mesopsocus aphi-
dioides Schrank und Elipsocus laticeps Kolbe, von H. J. Kolbe. —
Einige interessante Schmetterlings-Varietäten, von C. Fromholz, —
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LV
Verzeichniss der von Herrn Major a. D. von Mechow in Angola
und am Quango-Strom gesammelten Cicindeliden und Carabiden ,
von G. Quedenfeldt. — Bemerkungen zur Unterscheidung der
älteren Tefflus-Arten nebst Beschreibung einer neuen Species von
Ost-Afrika, von G. Quedenfeldt. — Zwei neue Anthiciden (Cole-
optera) von Chinchoxo in West-Afrika, von H. J. Kolbe. — Die
Weibchen der Gattung Tachypterus Guér., von H. Weyenbergh. —
Ueber Acmastes Schaum, von G. Quedenfeldt. — Anomala vitis
var. cupreonitens, beschrieben von A. Bau. — On the genus
Apiocera, by C. R. Osten Sacken. — Synonymica concerning
exotie dipterology. n°. II, by C. R. Osten Sacken. — A singular
north-american fly (Opsebius plerodontinus, n. sp.), by ©. R. Osten
Sacken. — Vertilgung der Bettwanze, von Dr. F. Hilgendorf. —
Berichtigung, von Th. Kirsch. — Neuere Literatur.
Album der Natuur. Jaargang 1884, aflev. 2 (b).
Over het klimmen der vliegen tegen gladde oppervlakken , door
Dr. J. B. Rombouts. — Drinkende vlinders, door Hg.
Bulletin de la Soc. Imp. des Naturalistes de Moscou. Ann. 1882,
n°. 2—4 (b).
Die europäischen und asiatischen Arten der Gattungen Erirhinus,
Nolaris, Icaris und Dorylomus, revidirt von J. Faust. — Tomicus
lypographus und Agaricus melleus als verbiindete im Kampfe mit
der Fichte, von K. Lindeman.
Id. Ann. 1883, n°. 1 (b).
Tapinostola frumentalis, ein neues schädliches Insekt Russlands, von
Dr. K. Lindeman. — Zwei wenig gekannte schädliche Insekten
Süd-Russlands (Dorcadion carinatum und Schizoneura sp.), von
Dr. K. Lindeman. -— Sur quelques espèces russes appartenant
au genre Bombus, par le Général Radoszkowsky.
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society of
London for 1882, part IV (a).
Report on the insects bred in the Insect-house in the Society’s
Gardens. — Notes on a Species of Stick Insect reared in the
Insect-house in the Society’s Gardens, by A. Thomson. — On
some Rhopalocera from New Ireland, by F. D. Godman and
O. Salvin. — Notes on Asiatic Butterflies, with Descriptions
of some new Species, by Major Marshall. — On some new or
little-known Spiders from Madagascar, by A. G. Butler. —
Descriptions of a new Genus and some new Species of Hetero-
cera, by H. Druce.
Id. for 1883, part I and II (a).
Descriptions of new Genera and Species of Asiatic Lepidoptera
LVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Heterocera, by F. Moore. -- Exhibition of a supposed herma-
phrodite specimen of Lycaena Icarus, by Mr. J. J. Weir. —
Descriptions of new Species of Beetles belonging to the family
Erotylidae, by H. S. Gorham. — On a collection of Indian
Lepidoptera received from L. C. C. Swinhoe with numerous Notes
by the Collector, by A. G. Butler. — Contributions to a pro-
posed Monograph of the Homopterous Family Cicadidae , by W.
L. Distant (Part I). — A Monograph of Limnaina and Euploeina,
two Groups of Diurnal Lepidoptera belonging to the subfamily
Euploeinae, with Descriptions of new Genera and Species, by
F. Moore. (Part I, Limnaina).
Mittheilungen der Schweizer. Entomologischen Gesellschaft. Bd. VI,
Heft n°. 8 und 9 (U).
Bestimmungstabellen europäischer Coleopteren. IX. Curculionidae ,
bearbeitet von Dr. G. Stierlin.
Annali del Museo Civico di Storia Naturale di Genova. Vol. XVIII (a).
Enumeration of the Diptera of the Malay Archipelago collected by
Prof. O. Beccari ete. Supplement, by C. R. Osten Sacken. —
Descrizione di aleuni Aracnidi inferiori dell’ Arcipelago Malese ,
per T. Thorell. — Gyrinides nouveaux de la collection du Musée
Civique de Gênes, par M. Régimbart. — Cicadaria agri Ligustici
hucusque lecta P. M. Ferrari enumerat. — Pselaphinorum spu-
riorum monographia, auctore Dr. L. W. Schaufuss. — Pselaphi-
darum monographiae , von Dr. L. W. Schaufuss. — Etude sur
les Arachnides de l’Yemen méridional, par E. Simon. — Alcune
nuove specie e nuovo genere di Imenotteri aculeati descritti da
G. Gribodo. — Sul genere Xenoglossa Smith. Nota di G. Gribodo.
— Cucuyides nouveaux du Musée Civique de Gênes, par A.
Grouvelle. — R. Gestro, Sopra alcuni Coleotteri di Birmania
raccolti dal Capitano G. B. Comotto. — Faune Orthoptérologique
des iles Hawai ou Sandwich, par A. de Bormans. — Neue
Pselaphiden im Museo Civico di Storia Naturale zu Genua, von
Dr. L. W. Schaufuss. — Essai sur la famille des Erotylidae, par
Louis Bedel. — Trois nouvelles espéces de Coléoptéres apparte-
nant au Musée Civique de Génes, par L. Fairmaire. — Formiche
dello Seioa, di ©. Emery. — Di alcune Collembola e Thysanura
raccolte dal Professore P. M. Ferrari ete., per Prof. C. Parona. —
Descriptions of Malacodermata in the Civic Museum of Natural
History at Genoa, by the Rev. H. S. Gorham. — Lycides nou-
veaux ou peu connus du Musée Civique de Génes, par J. Bour-
geois. — L. Lethierry, Insecta Hemiptera in Birmania (Minhla)
a D. Comotto leeta. — Imenotteri dello Scioa, per G. Gribodo. —
Ortotteri dello Scioa, per A. de Bormans. — Lepidotteri dello
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LVII
Scioa, per C. Oberthür. — Emitteri dello Scioa , per L. Lethierry.
— Descriptions de trois nouvelles espèces du genre Amaurorhinus ,
par Léon Fairmaire. — Coleotteri del Corsaro, di L. Fea.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Tome XXVI (b).
Catalogue des Lépidoptères de Belgiqne, par M. Ch. Donckier de
Donceel. — Liste des Cérambycides décrits postérieurement au
Catalogue de Munich, par M. Aug. Lameere. — Essai Mono-
graphique du genre Peridinetus de Schönherr, par M. Aug.
Chevrolat. — Notes sur le travail de M. Chevrolat concernant
les Peridinetus, par M. H. Jekel. — Notice sur quelques Hémi-
ptères de la Grèce, par M. le Dr. César Chicote del Riego.
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Redacteur Dr. G. Kraatz. Band
XXVII, Heft 2 (0).
Ueber blinde Bembidien, von W. Ehlers. — Ueber die Verwandten
der japanischen Cetonia submarmorea Burm., von Dr. G. Kraatz. —
Catalogs-Verbesserungen, von G. Kraatz. — Allocolocerus nov.
gen. Hydrophilidarum, von Dr. G. Kraatz. — Für Deutsch-
land neue oder seltene Käfer, von J. Weise. — Ueber die
Arten der Gattung Amtsoplia, von Dr. G. Kraatz. — Neue
asiatische Rüsselkäfer, von J. Faust. — Ueber Plateumaris sericea
L. und discolor Panz., von Dr. von Heyden. — Bemerkun-
gen über die im Glatzer-Gebirge lebenden Orina-Arten und ihre
Larven, von J. Weise. — Psylliodes Napi var. flavicornis , von
J. Weise. — Coeliodes Hoffmanni n. sp., von J. Weise. — Bei-
träge zur Kenntniss exotischer Lucaniden, von G. Albers. —
Ueber die Gattung Sphenophorus Schönh., von E. Reitter. —
Revision der Alexia-Arten, von E. Reitter. — Die Orina-Arten
der Schweiz, von J. Weise. — Bestimmungs-Tabelle der Orina-
Arten, von J. Weise. — Bemerkungen über Chrysomelinen , von
J. Weise. — Notizen über Rüsselkäfer, von J. Weise. — Beitrag
zur Metamorphose der Käferfamilie der Elateriden, von Th.
Beling. — Fünf neue Zabrus, beschrieben von Dr. L. von Heyden.
— Neue südost-europäische und klein-asiatische Käfer, beschrie-
ben von L. v. Heyden und J. Weise. — Ueber die mit Galeruca
Geoffr. verwandten Gattungen , von J. Weise. — Synonymische
Bemerkungen über Cetoniden, von Dr. G. Kraatz. — Bestim-
mungstabelle der blauen oder metallischen Ceutorrhynchus-Arten,
von J. Weise. — Bemerkungen zum Catalogus Coleopterorum
Europae et Caucasi, von J. Weise. — Fünf neue Syagrus, be-
schrieben von J. Weise. — Käfer aus Osch (in Turkestan), von
Dr. L. von Heyden und Dr. G. Kraatz. — Käfer aus Tekke-
Turemenien, von Dr. L. v. Heyden und Dr. G. Kraatz. — Goniogna-
thus nov. gen. Carabinorum, von Dr. G. Kraatz. — Relazione di
LVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
un viaggio nelle Calabrie fatto 1876 pel A. Costa, besprochen
von Dr. L. von Heyden. — Ueber Dorcadion atrum Ilig., von
Dr. L. von Heyden. — Zwei neue Käfer von Creta, von Dr. L.
von Heyden. — Ueber die Trichiiden-Gattung Incala Thoms. ,
von Dr. G. Kraatz. — Zwei neue afrikanische Myoderma-Arten,
von Dr. G. Kraatz. — Ueber die Gattung Vaigus und eine Anzahl
neuer Arten derselben, von Dr. G. Kraatz. — Neue exotische
Cetoniden, beschrieben von Dr. G. Kraatz. — Ptychodesthes,
nov. genus Cetonidarum, von Dr. G. Kraatz. — Weitere Mit-
theilungen über Alexia, von E. Reitter. — Aubeonymus grani-
collis n. sp., von E. Reitter. — Zwei neue Nalassus-(Helops-)Arten,
von Dr. G. Kraatz. — Necrologe: Friedländer, Mäklin, Zeller. —
Bücher-Anzeigen.
Verhandlungen der k. k. zoolog. botan. Gesellschaft in Wien. Jahrg.
1882. (a).
Zur Charakteristik der Psylloden-Genera Aphalara und Rhinocola,
von Dr. Franz Low. — Sympyena paedisca m. Zur Richtig-
stellung dieser neuen Art, von Prof. Dr. F. Brauer. — Neue
Spinnen aus Amerika, von E. Graf Keyserling. — Revision der
paläarktischen Psylloden in Hinsicht auf Systematik und Syno-
nymie, von Dr. Fr. Löw. — Eine neue Cocciden-Art (Xylo-
coccus filiferus von Dr. F. Löw. — Eudemis Kreithneriana n. sp.,
ein neuer Kleinschmetterling aus der Familie der Tortrieiden ,
von J. v. Hornig. — Beitrag zur Myriopoden-Kenntniss Oester-
reich-Ungarns und Serbiens, von Dr. R. Latzel. — Beitrag zur
Pselaphiden- und Scydmaeniden-Fauna von Java und Borneo,
von Edm. Reitter. — Beiträge zur Schmetterlings-Fauna von
Surinam, von H. B. Möschler. — Trypeta (Icaria) Scudderi n. sp.,
und ihre eigenthümliche Lebensweise, von Prof. Dr. H. Weyen-
bergh. — Bemerkungen zu Prof. Weyenbergh’s Arbeit, von C.
R. Osten-Sacken. — Neue Pselaphiden und Scydmaeniden aus
Central- und Südamerika, beschrieben von Edm. Reitter. —
Analges minor, eine neue Milbe im Innern der Federspulen der
Hühner, von Dr. Nörner. — Beitrag zur Biologie einiger Käfer
aus den Familien Dascyllidae und Parnidae, von Th. Beling. —
Ueber die Tagschmetterlings-Gattung Colias F., von A. Kefer-
stein. — Zur näheren Kenntniss der Hautdrüsen bei den Raupen
und bei Malachius, von Dr. S. Klemensiewicz. — Neue Hy-
menopteren in den Sammlungen des k. k. zoolog. Hof-Cabinetes
zu Wien, beschrieben von F. F. Kohl. — Der Schild der Dias-
piden, von Dr. F. Löw.
Annales de la Société Entomologique de France. 6me ser. tome II. (b).
Dipteres nouveaux on peu connus, par M. J. M. F. Bigot. —
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LIX
Groupe des Cydnides, par M. V. Signoret. — Descriptions de
Coléoptères nouveaux, par le Dr. L. W. Schaufuss. — Des-
criptions de genres nouveaux et d'espèces nouvelles de Coléo-
ptères (Curculionites et Longicornes), par M. A. Chevrolat. —
Notes sur quelques Coléoptères du Soudan et de l’Inde boréale,
recueillis par M.M. Stanislaus et Constantin Rembilinski, par
M. L. Fairmaire. — Histoire des Guépes solitaires (Euméniens)
de l’Archipel Indien et de la Nouvelle-Guinée, par M. M. Main-
dron. — Essai de classification des Blapsides de |’ Ancien Monde,
par M. E. Allard. — Diagnoses de Lycides nouveaux on peu
connus, par M. J. Bourgeois. — Groupe des Cydnides, par M.
V. Signoret. — Histoire des Guépes solitaires (Euméniens) de
VArchipel Indien et de la Nouvelle-Guinée, par M. M. Main-
dron. — Note sur quelques Arachnides recueillis en Bretagne,
particulièrement aux environs de Préfailles, par M. H. Lucas. —
Etudes arachnologiques, par M. E. Simon. — Groupe des Cyd-
nides, par M. V. Signoret. — Histoire des Guépes solitaires
(Euméniens) de l’Archipel Indien et de la Nouvelle Guinée, par
M. M. Maindron. — Observations sur l’organisation et les moeurs
du Nematus Ribesii Scop., par M. G. Raymond. — Note sur
le Subula citripes Léon Dufour, qui doit être réuni au Subula
varia Meigen, par M. le Dr. A. Laboulbène. — Note sur le
Ver luisant (Lampyris noctiluca), par M. le Dr. A. Laboulbéne. —
Monographie des Oodides (ire partie). Ouvrage posthume de M.
le Baron M. de Chaudoir. — Essai monographique de la famille
des Gyrinidae, par M. le Dr. M. Régimbart. — Descriptions
d’Orthoptéres et Observations synonymiques diverses, par M. J.
Bolivar. — Groupe des Cydnides, par M. V. Signoret. — Mono-
graphie des Oodides (2e partie), par M. le Baron de Chaudoir. —
Calandrides. Nouveaux genres et nouvelles espèces, observations,
synonymies, doubles emplois de noms de genres et d’espèces
(ire partie), par M. A. Chevrolat. — Notice nécrologique sur
le Dr. Cartereau, par. M. L. Fairmaire.
Proceedings of the Linnean Society of New South Wales. Vol. III,
Part the 3rd. (a).
Descriptions of Australian Microlepidoptera, by E. Meyrick.
Id. Vol. VII., Part the 4th (a).
Descriptions of Australian Microlepidoptera, by E. Meyrick.
Zeitschrift fiir Naturwissenschaften. Bd. LVI, Heft 3 und 4 (a).
Der Heerwurm, die Heerwurmsmiicke und die Thomas-Trauermücke,
von Th. Beling. — Die Geschlechtsverhältnisse der Onisciden ,
von H. Friedrich.
LX ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der preuss. Rheinlande
und Westfalens. Jahrg. 59, 2te Hälfte (b).
Die Käfer der Umgegend von Neviges, von G. de Rossi.
Id. Jahrg. 40, iste Hälfte (6).
Beiträge zur Kenntniss der Spinnenfauna der Rheinprovinz, von
Prof. A. Foerster und Ph. Bertkau.
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. 4me ser. vol. 5
et 6 (a).
Notice sur M. ie Doct. Bois-Duval, par M. Lecoeur. — Premiere
note sur les Crustacés de l’oxfordien trouvés dans le Calvados,
par M. Morière.
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France. Ann.
1883, n°. 18—21 (a).
Note sur le genre Noliophilus, par M. G. C. Thomson. — Nou-
velles espèces de la famille des Clytrides, décrites par M. E.
Lefèvre. — Description d’un nouveau genre de Coléoptéres de la
famille des Eumolpides, par M. E. Lefèvre. — Notes Entomo-
logiques, par le Dr. L. W, Schaufuss. — Note relative à des
Névroptères, par M. H. Lucas. — Note sur divers Microlépido-
ptères, par M. E. L. Ragonot. — Note sur le genre Harpalus,
par M. C. G. Thomson. — Quatre espèces nouvelles de la
famille des Clytrides, par M. Ed. Lefèvre. — Descriptions de
deux Coléoptéres nouveaux de Tunisie, par M. L. Fairmaire. —
Note sur l’Affacus Cynthia et la Callimorpha Hera var. lutea,
par M. P. Mabille. — Espèce nouvelle de Limenitis, par M. Ch.
Oberthür. — Note sur un genre de Diptères, par M. J. M.
F. Bigot.
December 1883.
Entomologist (The). Edited by J. ‘I. Carrington. Vol. XVI, n°. 247
(December 1883) (a).
Notes and Observations on the past Season, by R. South. —
Further Notes on the Season, with Captures in West Norfolk,
by Edw. A. Atmore. — Note on a new form of the genus
Zygaena, by W. Prest. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XX, n°. 235 (December
1883) (0).
Some further observations on Parthenogenesis of Zaraea fasciala,
by J. A. Osborne. — A proposed arrangement of the British
Jassidae, by J. Edwards. — Natural History of Zygaena exulans,
by W. Buckler. — Description of the larva of Crambus inquina-
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXI
tellus, by G. T. Porritt. — Descriptions of new species of Hete-
rocera, by H. Druce.— On the species of European Crambi more
or less allied to C. margaritellus, by C. T. Baker. — The
distinctive and sexual characters of Chrysopa flava Scop. and
Ch. vittata Wesm., by R. Me. Lachlan. — Notes on Diptera,
by J. E. Flectcher. — Entomological Notes, Captures, etc.
Annals and Magazine of Natural History. 5th. ser. Vol. XII, n°. 72
(December 1883) (b).
Mochlonyx (Tipula) culiciformis de Geer, by F. Meinert. — Notice
of a new genus and species of Lucanoid Coleoptera, by C. O.
Waterhouse. — Descriptions of new Lepidoptera from the Viti
Islands, by A. G. Butler. — Additions to the Australian Cur-
culionidae. Part X, by F. P. Pascoe.
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France. Ann.
1883, n°. 22 (a).
Troisième suite aux petites notices entomologiques de M. C. G.
Thomson. — Note sur l’Agrius fallaciosus Chevr., par M. H.
Lucas. — Descriptions de deux espèces nouvelles de Coléoptères
africains, par M. L. Fairmaire. — Notes entomologiques (moeurs
de la Saperda scalaris et du Sitaris muralis) , par M. J. Fallou.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XVI, entr. 5 (a).
Addenda et emendanda ad Hemiptera Argentina, por el Doct. C. Berg.
Proceedings of the Linnean Society of New South Wales. Vol. VIII,
part 1 and 2 (a).
On some Habits of Pelopoeus laetus and a species of Larrada, by
Mr. H. R. Whittell — On the voracity of a species of Hete-
rosioma , by Mr. H. R. Whittell.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederl. Entom.
Vereen. DI. XXVI. aflev. 4 (a en J).
Opmerkingen betreffende Tipuliden, door F. M. van der Wulp
(vervolg). — Nieuwe of weinig bekende Microlepidoptera van
Noord-Azie, beschreven door P. T. C. Snellen, met afbeel-
dingen door Dr. J. van Leeuwen Jr. — Kleine entomologische
mededeelingen , door Dr. A. W. M. van Hasselt. n°. VIII. Bij-
drage over de nesten der zoogenaamde metselspinnen. — Catalogus
der in Nederland voorkomende Hemiptera. Eerste gedeelte.
Hemiptera Heteroptera. , door Mr. A. J. F. Fokker.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. II, Heft 12 (December 1883) (b).
Zur Kenntniss der Myrmelioniden-Larven, van J. Redtenbacher. —
Kine neue Wanzengattung aus dem Himalaya, von Dr. G. v.
LXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Horvath. — Ueber einige Bockkifer, von L. Ganglbauer. —
Neue Staphylinen der üsterreichisch ungarischen Monarchie und
der angrenzenden Länder, von Dr. Eppelsheim (Schluss). —
Zwei neue Heteromeren-Genera aus Europa, von Edm. Reitter. —
Literatur. — Notizen.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XVI, entrega 6 (a).
Notas sinonimieas acerca de algunos Coleopteros y Lepidopteros ,
por el Doctor C. Berg. — Addenda et emendanda ad Hemiptera
Argentina, por el Doctor C. Berg.
Januari 1884.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVII, n°. 248
(January 1884) (a).
The Macro-Lepidoptera of Unst (with coloured plate), by J. Jenner
Weir. — Notes from Witherslack, by E. Shuttleworth. — Lepi-
doptera at Nottingham, by W. T. Wright. — Avoice from the
Minehead Valley, by T. Seymour St. John. — Epunda lutulenta
and its varieties, by W. F. de V. Kane. — Entomological Notes ,
Captures , etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XX, n°. 236 (January 1884) (b).
Anax longipes, by Prof. H. A. Hagen. — Worker Wasps in
December, by A. E. Eatom. — Tropical collecting, by G. C.
Champion. — Description of the larva of Apamea fibrosa, by
W. Buckler. — Confirmation of the migration of Aphides, by J.
Lichtenstein. — Acanthaclisis occitanica and A. baetica ; a diffe-
rential essay, by R. Mc. Lachlan. — Entomological Notes,
Captures, ete. — Obituary: Dr. John L. Le Conte, by D.
Sharp. — Proceedings of the Entomological Society.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. XIII, n°. 75
(January 1884) (b).
On the Mantis metallica of Westwood, by J. Wood-Mason. —
Lepidoptera from the Island of Nias, by A. G. Butler. — The
Pelagic and Deep Faunas of the two Lakes of Savoy (the Lac
du Bourget and Lac d’Annecy), by Dr. O. E. Imhoff. — An
Instance of Sexual colour-variation in Crustacea , by H. W. Conn.
Notes from the Leyden Museum. Vol. VI, n°. 1 (January 1884) (b).
Four new species of Malayan Cetoniidae, described by C. Ritsema
Cz. — Two new species of Malayan Phytophagous Coleoptera ,
described by Martin Jacoby. — Descriptions of new genera and
species of Phytophagous Coleoptera from Sumatra, by Martin
Jacoby. — A new species of the Phytophagous genus Haplosonyx ,
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXIIT
described by Martin Jacoby. — On Haplosonyx sexplagiatus Baly,
by Martin Jacoby. — Notices of new species of Nitidulidae and
Trogositidae from the Eastern Archipelago, in the collection of
the Leyden Museum, by A. Sidney Olliff.
Comptes Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgique.
Ser. III, noo (am).
Les Galles utiles par le Dr. G. E. Ch. Beauvisage. Analyse par
E. van Segvelt. — Descriptions de Coléoptères recueillis par le
Baron Bonnaire en Algérie, par M. L. Fairmaire. — Description
de deux espèces nouvelles du genre Oides Weber (Galerucinae) ,
par Ant. Duvivier. — Note sur le genre Pytheus Pasc., par M.
Lameere.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. III, Heft 1 (Januar 1884) (0).
Genera nova Hemipterorum descripsit Dr. O. M. Reuter, III. —
Notes sur quelques Chrysomélides , par Léon Fairmaire. — Eine
neue Dipteren-Art aus Niederösterreich, von Jos. Mik. — Neue,
europäische , durch Zucht erlangte Torymiden , von A. F. Wachtl. —
Coleopterologisches , von Edm. Reitter. — Drei neue europäische
Histeriden , von J. Schmidt. — Ein Beitrag zur Kenntniss der
Orthezia Urticae Linn., von Dr. F. Löw. — On a new species
of Copris from Japan, by G. Lewis. — Ueber die ersten Stände
einiger Microlepidopteren, von E. Kreithner. — Platypsylla Castoris
Rits. als Vertreter einer neuen europäischen Coleopteren-Familie,
von Edm. Reitter. — Literatur. — Notizen.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederl. Entom.
Vereen. Dl. XXVII, afl. 1 (a en b).
Verslag van de 38ste Zomervergadering der Nederl. Entom. Vereen.
gehouden te Assen op Zaterdag 28 Juli 1883. — A la lanterne,
door J. W. Lodeesen. — Het prepareeren van rupsen, door J.
T. Oudemans. — Biologische en systematische beschrijving van
vier nieuwe Argentijnsche Psychiden , door Prof. Weyenbergh. —
Studiën over de Galeodiden of Solpugiden en hunne pootaanhang-
sels, door Dr. A. W. M. van Hasselt.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgique.
Ser. III, n0. 41 (a).
Description de deux espèces nouvelles de Gomphines orientales,
par M. R. Mac Lachlan. — Diagnose d’un nouveau Macrogom-
phus, par M. E. de Sélys Longchamps. — Note sur les Glo-
mérides de la Belgiqne, par M. A. Preudhomme de Borre. —
Tenthrédines, Céphides et Siricides des environs de Bruxelles
dénommées par feu le Prof. Wesmael, par M. le Dr. Jacobs. —
Observations synonymiques et autres relatives à des Psychides
LXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
avec descriptions de novae species, par F. J. M. Heylaerts. —
Descriptions de deux Bombycides exotiques nouvelles, par F. J.
M. Heylaerts.
Annales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XVII, entr. 1 (a).
Addenda et emendanda ad Hemiptera Argentina, por el Doct.
C. Berg.
Februari 1884.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVII, n°. 249
(February 1884) (a).
Influence of Meteorological conditions upon Lepidoptera, by W. F.
de V. Kane. — Notes on Exotic Lepidoptera reared in 1883,
by A. Wailly. — Notes on the Past Season; with Captures in
West Norfolk, by E. A. Atmore. — Lepidoptera at Abbot’s
Wood and Eastbourne in 1883, by the Rev. Ch. F. Thorne-
will. — Birds in relation to Lepidoptera, by F. W. Frohawk. —
Entomological Notes, Captures, ete. — Obituary: William
Buckler.
Entomologist's Monthly Magazine. Vol. XX, n°. 237. (February
1884) (b).
Natural History of Aglossa pinguinalis, by (the late) William
Buckler. — Tropical collecting, by Geo. C. Champion. — On
the male of Zaraea fasciata, by J. A. Osborne. — British
Homoptera; additional species, by J. Edwards. — A Memoir of
Ant-life, by (the late) Rev. H. S. R. Matthews. — The Aculeate
Hymenoptera of the neighbourhood of Colchester, by W. H.
Harwood. — Entomological Notes, Captures, ete. — Obituary:
William Buckler.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. XIII, n°. 74
(February 1884) (0).
Description of a new Genus and Species of Longicorn Coleoptera
from the Philippine Islands, by Ch. O. Waterhouse. — On
some Histeridae new to the Japanese Fauna, and Notes of
others, by G. Lewis. — Evidence of a Protozoëa Stage in Crab
Development, by H. W. Conn.
Zoologist (The). Edited by J. E. Harting. 3rd ser. Vol. VIII, n°. 86
(February 1884) (0).
Memoir of the late Professor Schlegel, by J. E. Harting.
Correspondenz-Blatt des zool. miner. Vereines in Regensburg. Jahrg.
36 (0).
Systematische Uebersicht der Kiifer Bayerns, von G. Kittel.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXV
Correspondenz-Blatt des zool. miner. Vereines in Regensburg. Jahrg,
37, n°. 1—8 (0).
Systematische Uebersicht der Kifer Bayerns, von G. Kittel. —
Ophioniden-Studien, von Dr. Kriechbaumer.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgique.
Série III, n°. 42 (a).
Descriptions de Coléoptéres recueillis par le Baron Bonnaire en
Algérie, par M. L. Fairmaire. — Diagnoses de Coléoptéres de
Afrique orientale, par L. Fairmaire. — Notes on the Nomen-
clature of New Zealand Lucanidae, by D. Sharp. — Note
supplémentaire sur l'identité de l’Erionispa Badeni Chap. et du
Pytheus pulcherrimus Pase., par M. Lameere.
Cistula entomologica. Vol. IH. Pars XXVI et XXVII (a).
Descriptions of new species of Heterocerous Lepidoptera from Ma-
dagasear, by A. G. Butler. — Description of a new species of
the genus Zephronia, from Borneo, by A. Sidney Olliff. — On
a new species of Propalticus from New Guinea, by D. Sharp. —
Descriptions of six new species of Elateridae, collected by Mr.
C. Buckley during his second expedition to Ecuador, by E. W.
Janson. — Descriptions of three new species of Trichopterygia ,
found by the Rev. T. Blackburn in the Sandwich Islands, by
the Rev. A. Matthews. — Descriptions of some new species of
Phytophagous Coleoptera, by Martin Jacoby. — Essay on the
genus Myllaena, by the Rev. A. Matthews. — Note on Thros-
eidium invisibile, by the Rev. A. Matthews. — Notes on the
genus Actidium, by the Rev. A. Matthews. — Descriptions of
two larvae and new genera and species of Clavicorn Coleoptera,
and a synopsis of the genus Helota MacLeay, by A. Sidney
Olliff. — Notices of new or little known Cetoniidae, by O. E.
Janson. n°. 8.
Entomologische Zeitung. Herausgegeben v. d. Entom. Vereine zu
Stettin. Jahrg. 34 (6).
Eine hermaphroditische Boarmia repandala, von Dr. A. Speyer. —
Die Hesperiinen-Gattung Hesperia Aut. und ihre Arten, von C,
Plötz. — Neue Psociden des Königl. zoologischen Museum zu
Berlin, von H. J. Kolbe. — Die Cleoniden-Gattung Chromonotus
(Motsch.) Chevrolat, von J. Faust. — Exotisches, von C. A.
Dohrn. — Die Gattung MDidymophleps m., von Prof. Weyen-
bergh. — Beiträge zur Schmetterlings-Fauna von Labrador,
von H. B. Möschler. — Zur Kenntniss der Gattung Macrolema
Baly, von Martin Jacoby. — Ueber Carabus cavernosus Friv. ,
Schaum und Dytiscus laiissimus Linn., von C. A. Dohrn. —
Vv
LXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Referat über Sharp’s Monographie der Dytisciden, von E. Berg-
roth — Ueber die Zusätze, Bemerkungen und Berichtigungen
zur Bibliotheca Entomologica, von Dr. H. A. Hagen. — Penta-
meria bromeliarum, eine pentamere Halticide, von C. W.
Friedenreich. — Check List of the Macrolepidoptera of America ,
North of Mexico, von H. B. Möschler. — Exotisches, von G. A.
Dohrn. — Matériaux pour servir à une Monographie des On-
thophagus, par J. W. van Lansberge. — Lepidopterologische
Beitriige, von C. A. Teich. — Ueber Harpalus semipunctatus
Dej. = limbopunctatus Fuss, von Hübner. — Einige neue Lepi-
dopteren Europa’s, besprochen von Dr. O. Staudinger. — Neue
Beiträge zur Kenntniss der Psociden der Bernstein-Fauna, von
H. J. Kolbe. — Die Flügelschuppen der Geometriden, von C.
von Gumppenberg. — A word of explanation, by D. Sharp. —
Die Hesperiden-Gattung Hesperia Aut. und ihre Arten, von C.
Plötz. — Ueber die von H. Major von Mechow auf seiner
Forschungsreise am Cuango gesammelten Brenthiden, von H. J.
Kolbe. — Schlechtendalia, ein neues Aphiden-Genus, von J.
Lichtenstein. — Welches ist das beste System der Lepidopteren,
von Dr. Rössler. — Macrolepidopteren des unteren Rheingaues,
von A. Fuchs. — Cidaria incursata Hb., von A. Hoffmann. —
Exotisches, von C. A. Dohrn. — Beiträge zur Monographie der
Psociden (Familie Atropina) Atropos, von Dr. H. A. Hagen. —
Bemerkungen über den Einfluss des Nahrungswechsels auf mor-
phologische Veränderungen, insbesondere bei den Arten der
Gattung Eupithecia, von Dr. A. Speyer. — Exotisches, von
Dr. ©. A. Dohrn. - Hemiopinus n. g. (Elateridae), par Leon
Fairmaire. — A Synonymical Catalogue of the described Tor-
tricidae of North America, North of Mexico, by C. H. Fernald,
besprochen von H. B. Möschler. — Nomenclatorisches , von E.
von Harold. — Nomenclatorisches, von C. A. Dohrn. — Ein
Hermaphrodit von Erebia Euryale-Adyte, von Prof. H. Frey. —
Pilzbewohnende Käfer in der Provinz Santa Catharina (Südbra-
silien), von C. W. Friedenreich. — Zur Kenntniss der Bren-
thiden-Gattung Centrophorus Chevr. Madagascars, von H. J.
Kolbe. — Rosenberg, von C. A. Dohrn. — Zur Pampa-Fauna,
von Prof. C. Berg. — Exotisches, von C. A. Dohrn. — Sub
rosa. Ein brief Karlehen Miessnick’s an Herrn Prof. Glaser,
mitgetheilt von Wilh. Petersen. — Verpuppung im Freien von
Palustra Burmeisteri Berg, von ©. Berg. — Philipp Christoph
Zeller, von ©. A. Dohrn. — Prof. P. C. Zeller. Ein Necrolog
von Prof. H. Frey. — Die Raupe von Acronycta alni. Ein biolo-
gischer Räthsel, von Dr. A. Speyer. — Bemerkungen über Dolicho-
gaster brevicornis Wied. und Nemestrina albofasciata Wied., von
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. TEA AVIOL
V. v. Röder. — Exotisches, von Dr. C. A. Dohrn. — Einige
neue Coprophagen, beschrieben von E. von Harold. — Ueber
die Stellung der Gattung Pleocoma Lee. im System der Lamelli-
cornier, von Prof. Dr. Gerstaecker. — Die Hesperiinen-Gattung
Phareas Westw. und ihre Arten, von Carl Plötz. — Die Hespe-
riinen-Gattung Entheus Hübn. und ihre Arten, von ©. Plötz. —
Coléoptères de Tripoli, par Léon Fairmaire. — Neue exotische
Apoderus- und Altelabus-Arten, von J. Faust. — Die Gruppe
der Coryssomerides Lac., von J. Faust. — Ueber die Gattung
Colias F., Entgegnung von S. Alpheraky. — Exotisches, von
C. A. Dohrn.
Jahrbiicher des Nassauischen Vereins fiir Naturkunde. Jahrg. 36 (a).
Beitrage zur Kenntniss der Kifer von Nassau und Frankfurt (3ter
Nachtrag), von Dr. L. von Heyden. — Beobachtungen über
Lebensweise und Entwickelungsgeschichte einiger nassanischer
Käfer (met 2 Tafeln), von Dr. Buddeberg.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. III, Heft 2 (a).
Coleopterologische Notizen, von Edm. Reitter. — Beitrag zur
Kenntniss der Lebensweise des Megastigmus collaris Boh., von
F. A. Wachtl. — Dipteren von der Insel Sardinien, von V. v.
Röder. — Paederus Pelikani, eine neue Art von den Jonischen
Inseln, von Edm. Reitter. — Beiträge zu einem Verzeichnisse
der Dipteren Böhmens, von F. Kowarz. Litteratur. — Notiz.
Correspondenz-Blatt des naturwissenschaftlichen Vereines in Regens-
burg. Jahrg. 37, n°. 9—12 (0).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel.
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie. 6me ser. Tome XV, n°5
et 6 (b).
Crustacés rares ou nouveaux des côtes de France, par M. Hesse.
Maart 1884.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVII, n°. 250
(March 1884) (a).
Sleeping position of Thanaos tages (with illustration), by F. W.
Frohawk. — Further Notes on the Lepidoptera-Rhopalocera of
Hudson’s Bay, by J. Jenner Weir. — The Story of Oecophora
Woodiella, by J. Sidebotham. — The genus Cercyon, by the Rev.
W. W. Fowler. — Notes on the Past Season in Cos. Derry and
Donegal, by W. H. Campbell. — Description of a Pieris new to
LXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Science, Pieris Spilleri, bij A. J. Spiller. — Entomological Notes,
Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XX, n°. 238 (March 1884) (b).
On some genera of the sub-family Anchomenini from the Hawaiian
Islands, by D. Sharp. — On the Europaean Lepidoptera with
apterous or sub-apterous females, by R. C. R. Jordan. — Ento-
mological Notes, Captures, etc. — Notes on British Tortrices,
by C. G. Barrett.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. XIII, n°. 75
(March 1584) (0).
On a new genus of Butterfly from New Zealand, by A. G. Butler. —
The Lepidoptera collected during the recent Expedition of H. M.
S. , Challenger”, Part II, by A. G. Butler. — New Aphidological
Discoveries, by M. Lichtenstein. — Note on two new Californian
Spiders and their Nests, by the Kev. Dr. Me Cook.
Archiv für Naturgeschichte. Jahrg. 50, Heft 1 (0).
Longipedina Paguri n. s. Eine Copepode aus den Wohnungen von
Pagurus Bernhardus, von Dr. W. Müller. — Ueber die Mund-
werkzeuge der Schmetterlinge, von P. Kirbach.
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie. 6me sér. tom. XVI, n°. 1—
3 (b).
Recherches anatomiques sur l’estomac des Crustacés podophthal-
maires, par M. Mocquard.
Entomologisk Tidskrift, utgifven af J. Spangberg. Arg. IV (a).
Annotations sur quelques espèces de Lépidoptères Scandinaves, par
Chr. Aurivillius. — Un parasite de Saturnia Pavonia L., par A.
E. Holmgren. Pour les éleveurs de larves, par S. Lampa. —
Notes sur des Lépidoptères Suédois d’une certaine rareté, par S.
Lampa. — Une application de l’entomologie à la médecine légale,
par Mégnin. — Contributions à la faune hyménoptérologique de
la Suède, par G. F. Müller. — Notes sur les Hémiptères, par
S. Nordin. — Deux nouvelles espèces de Piezostethus de la Suède
et de la Finlande, par O. M. Reuter. — Bulletin des Séances de
la Soc. Ent. de Stockholm, — Nécrologie de F. W. Mäklin. —
Petites communications entomologiques. — Nécrologie de N. E.
Forsell. — Observations sur les métamorphoses des Lépidoptères
aretiques, par G. Sandberg. — Sur une variété d’Argynnis Pales
S. V., par G. Sandberg. — Sur un Rhopalocère nouveau pour
la Norvège et la région :
ultérieures à la connaissance de la Faune Lépidoptère du Syd-
Varanger, par J. Sparre-Schneider. — Species novas generis
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXIX
Gyponae ete., auctore J. Spangberg. — Géométre nouveau pour
là Suède, par K. Fr. Thedenius. — Espèces Scandinaves du
groupe Lithocollétides de la famille des Tinéides, par H. D, J.
Wallengren. — Microptérygides de la Scandinavie, par H. D.J.
Wallengren.
Zweiter Jahresbericht der Gesellschaft für Microscopie zu Hannover
für 1881/82 (a).
Aus dem Leben der Spinne, von Dr. E. Voges
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. III, Heft 3 (a).
Biologische Fragmente, von Jos. Mik. — Zwei Hermaphroditen von
Lasiocampa Pint Linn., von F. A. Wachtl. — Bestimmungs-
Tabelle der europäischen Acupalpus-Arten , von Edm. Reitter. —
Einfaches Mittel, um langbehaarte, in Spiritus verdorbene Insecten,
besonders Coleopteren, wieder in ihrer ursprünglichen Schönheit
herzustellen, von Edm. Reitter. — Vier neue Dipteren aus Nieder-
Oesterreich, von Jos. Mik. — Coleopterologische Notizen, VI,
von Edm. Reitter. — Einige Berichtigungen zu der Abtheilung
„Hymenoptera” des von der zoologischen Station zu Neapel
herausgegebenen Jahresberichtes für 1882, von A. F. Wachtl. —
Eine neue Oxybelus-Art aus Central-Ungarn, von Karl Sajó. —
Literatur. — Notizen.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgique.
Ser. III, n°. 43 (a).
Les Psychides de la Hollande et de la Belgique, par F. J. M.
Heylaerts. — Description d’un genre nouveau et d’une espèce
nouvelle appartenant aux Cossina B.S., par F.J. M. Heylaerts. —
Notes synonymiques relatives à des Psychides, par F.J. M.
Heylaerts. — Labedera Staudingeri n. sp, par F. J. M. Heylaerts. —
Le fourreau , la chrysalide du mâle et la femelle de l’Animula dichroa
H. $., par F. J. M. Heylaerts. -— Fourreau inédit et chenille de
Psychide de l'Afrique méridionale Eumela? Zelleri m., par F.
J. M. Heylaerts. — Danais Chrysippus L. var. Vigelii m., par
F. J. M. Heylaerts. — Quatre espèces nouvelles de Psychides
de la République Argentine décrites par le Prof. Weyenbergh,
par F. J. M. Heylaerts. — Psychide nouvelle de l'Amérique
septentrionale, par F. J. M. Heylaerts. — Observations sur les
Orthoptéres d’Europe et du bassin de la Méditerranée, par M.
Bolivar. — Some Observations on Hypocephalus armatus, by
D. Sharp. — Premier supplément aux Tenthrédines, Céphides
et Siricides des environs de Bruxelles, par le Dr. J. C. Jacobs. —
Anomalies dans la nervulation des ailes chez deux Hyménoptéres,
par le Dr. J. C. Jacobs. — Note sur les Hémiptères du Haut-
LXX ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Balcan et de la Dobroudja, par le Dr. de Horvath. — Des-
criptions de Coléoptéres nouveaux du Maroc, par M. L. Fair-
maire. — Diagnoses de Coléoptéres de l’Afrique orientale (suite),
par M. L. Fairmaire. — Note sur quelques Papilionides du
Musée Royal de Belgique, par M. A. Preud’homme de Borre. —
Hémiptères nouveaux pour la Faune Belge, par M. Lethierry.
Proceedings of the Linnean Society of New South Wales. Vol. VIII,
Part 3 (a).
Descriptions of Australian Micro-Lepidoptera, by E. Meyrick.
Part IX, Oecophoridae (continued). — Notes on some undes-
cribed Coleoptera in the Brisbane Museum, by W. Macleay.
April 1884.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVII, n°. 251
(April 1884) (a).
Saturnia Carpini, by F. W. Frohawk. — Rhopalocera of Carlsbad,
by the Rev. W. Becher. — On the Methodic Habits of Insects
when visiting Flowers, by R. M. Christy. — Two new Species
of the genus Coleophora added to the British Fauna, by W.
Machin. — Sale of the late Dr. Harper’s Lepidoptera. — Ento-
mological Notes, Captures etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XX, n°. 239 (April 1884) (6).
Notes on british Tortrices (continued), by C. G. Barrett. — The
larva of Hedia Servillana and its habits, by John H. Wood. —
A new species of Scydmaenus, by W. W. Fowler. — Tropical
Collecting (concluded), by G. C. Champion. — Two new But-
terflies allied to Aphnaeus natalensis, by A. G. Butler. — The
British Dragon-flies annotated, by R. Mac-Lachlan. — Ento-
mological Notes, Captures, ete. — Review. — Proc. Entom.
Society of London.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. XIIT, n°. 76
(April 1884) (b).
Descriptions of five new Species of Heterocerous Lepidoptera from
Yesso, by A. G. Butler. — Coleoptera collected during the
Expedition of H. M. S. ,Challenger”, by Ch. O. Waterhouse. —
On the Sexual Differences of Coraebus bifasciatus, and on its
supposed Ova, by M. A. Laboulbéne.
Notes from the Leyden Museum. Founded by the late Prof. H.
Schlezel. Vol. VI, n°. 2 (April 1884) (6).
A new genus and species of the Hymenopterous family Larridae,
described by C. Ritsema Cz. — Description of a remarkable new
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXI
Asilid, by F. M. van der Wulp. — Description d’une espèce
nouvelle du genre Potamophora Guen., par P. ©. T, Snellen. —
Trois espèces nouvelles de Coléoptères Longicornes de Sumatra,
décrites par M. J. W. van Lansberge. — Description de quatre
espèces nouvelles du genre Paropsis Oliv. (Coléoptères Phyto-
phages), par Ant. Duvivier. — Description of a new species of
Prostomis (Cucujidae) from Ceylon, and a short account of its
larva, by A. Sidney Olliff. — Description d’une nouvelle Pédi-
culine, par E. Piaget. — Description de trois espèces nouvelles
du genre Oides Weber (Coléoptères Fhytophages), par Ant.
Duvivier. — Cinq espèces nouvelles du genre Aulacophora Chevr.
(Coléoptères Phytophages), par Ant. Duvivier. — Three new
species of Scymnus from Sumatra, described by the Rev. H. 8.
Gorham. — On the exotic Psychids in the Leyden Museum,
by F. J. M. Heylaerts. — Synonymical Remarks on Coleoptera,
communicated by C. Ritsema Cz.
Naturhistorische Hefte. Redigirt von O. Herman. Bd. VII. (a).
Coleoptera nova ex Hungaria a J. Frivaldsky descripta. — Tha-
lassomya congregata, species Dipterorum nova e familia Chiro-
nomidarum ab auctore Dr. E. Tömösväry descripta. — Hetero-
ptera Anatolica in regione Brussae collecta. Enumeravit Dr. G.
Horvath. — Species generis Smynthurus faunae Hungaricae,
von Dr. E. Tömösväry. — Eine neue Art der Heterognathen in
Ungarn, von Dr. E. Tömösväry. — Daten zur Kenntniss der
Crustaceen-Fauna der Seen am Retyezät, von Dr. E. Daday.
Transactions of the Entomologieal Society of London for the year
1883 (b).
Descriptions of three new genera and species of fig-insects allied
to Blastophaga, by S. S. Saunders. — Further descriptions of
insects infesting figs, by J. O. Westwood. — Heterocerous Lepi-
doptera collected in Chili by Thomas Edmonds, by A. G.
Butler. — Revision of the species included in the genus Tro-
pisternus (fam. Hydrophilidae), by D. Sharp. — On the Classi-
fication of some families of the Tineina, by E. Meyrick. — Notes
on three Paussi, by L. Péringuey. — Further additions to
Mr. Marshall’s Catalogue of British Ichneumonidae, by J. B.
Bridgman. — Remarks on a small collection of Clavicorn Coleo-
ptera from Borneo, with descriptions of new species, by A.
Sidney Olliff. — Descriptions of new genera and species of
Hymenoptera, by P. Cameron. — Notes on new or little-known
species of Hymenoptera, chiefly from New Zealand, by W. F.
Kirby. — Supplement to the Geodephagous Coleoptera of Japan,
LXXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
chiefly from the collection of Mr. G. Lewis, by H. W. Bates. —
Revision of the Pselaphidae of Japan, by D. Sharp. — On
the Lucanidae of Japan, by G. Lewis. — On Ogyris Genoveva
Hew. and its life-history, by W. H. Miskin. — Descriptions of
twelve new species of South African Lepidoptera-Rhopalocera,
by R. Trimen. — Descriptions of sixteen new species of para-
sitic Cynipidae, chiefly from Scotland, by P. Cameron.— Further
notice concerning the fig-insects of Ceylon, by J. O. Westwood. —
On the Cynips caricae of Hasselquist and other fig-insects allied
thereto, with description of a new species from Australia, by
S. S. Saunders. — Revision of the genera and species of Mala-
coderm Coleoptera of the Japanese fauna, by the Rev. H. S.
Gorham. — First Report on the Rhynchota collected in Japan
by Mr. G. Lewis, by W.L. Distant. — Aegognathus Waterhousei,
a new genus and species of Dorcidae from Peru, by Dr. F.
Leuthner. — Description of a new species of Eurytrachelus
(Coleoptera: Dorcidae), by Ch. O. Waterhouse.
Mei 1884.
Entomologist (The). Conducted by J. T. Carrington. Vol. XVII,
n°. 252 (May 1884) (a).
Variation of European Lepidoptera, by W. F. de Vismes Kane. —
Notes on exotic Lepidoptera reared in 1883, by A. Wailly. —
Entomological Notes, Captures, ete. — Reviews. — Obituary:
S. S. Saunders and W. Kent.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XX, n°. 240 (May 1884) (0).
Notes on Tenthredinidae (continued), by P. Cameron. — Notes
on British Tortrices (continued), by ©. G. Barrett. — Little-
known British Aculeate Hymenoptera, by E. Saunders. — Descrip-
tion of a variety of Philopotamus montanus Donov. from Scot-
land, by K. J. Morton. — Entomological Notes, Captures, ete. —
Review. — Obituary: S. S. Saunders. — Proc. Ent. Society.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. XIII, n°. 77
(May 1884) (b).
A Collection of Butterflies from the Fiji Islands, by A. G. Butler. —
New Coleoptera in the British Museum, by Ch. ©. Waterhouse. —
On the Hymenoptera coilected during the recent Expedition of
H. M. S. „ Challenger”, by W. F. Kirby. — How a Carpenter-
Ant Queen founds a Formicary, by Dr. Me Cook.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. III, Heft 4 (a).
Zwei neue europäische Staphylinearten aus Portugal, von Dr. Carl
Skalitzky. — Ueber Andricus vanthopsis m., Neuroterus aprilinus
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXII
Gir. und Neuroterus Schlechtendali Mayr, von Dr. D. v. Schlechten-
dal. — Beiträge zu einem Verzeichnisse der Dipteren Böhmens,
von F. Kowarz. — Ueber Centrocoris variegatus Kolen. und seine
Verwandten, von Dr. G. v. Horváth. — Bestimmungs-Tabelle
der mit Tachys verwandten Coleopteren, von Edm. Reitter. —
Literatur. — Notizen.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgique.
Série III, n°. 44 (a).
Descriptions de quelques Phytophages nouveaux, par M. A. Duvi-
vier. — Descriptions de quelques Arachnides des genres Miltia
E. 8. et Limiris E. S., par E. Simon. — Diagnoses de Coléoptères
de l'Afrique orientale (suite), par M. L. Fairmaire. — Note
synonymique, par M. F. J. M. Heylaerts. — Nouveaux cas de
larves d’Oestrides d'Amérique dans le corps de l’homme, observés
en Europe, par le Dr. Jacobs. — Liste des Coléoptères Phyto-
phages rapportés du Brésil et de la Plata par le Dr. E. Fromont,
par MM. H. Donckier de Donceel, E. Lefèvre et A. Duvivier. —
Description d’un Eumolpide de Bahia, par M. E. Lefèvre.
Correspondenz-Blatt des naturwissensch. Vereines in Regensburg. Jahrg.
1884, n°. 1 und 2 (b).
Ueber die Blattwespengattungen Perineura, Tenthredopsis und Ebolia
von Dr. Kriechbaumer. — Systematische Uebersicht der Kifer,
welche in Baiern und der nächsten Umgebung vorkommen , Fortset-
zung, von G. Kittel.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Anno XV, trim. 4 (a).
Raccolte Imenotterologiche nell’Africa orientale. Relazione preven-
tiva, dell. Dott. P. Magretti — Fauna e Flora degli Afidi di
Calabria, di L. Macchiati. — N. Passerini, Contribuzioni allo
studio dell’istologia dei Miriapodi. — A. Curd, Notizie lepidottero-
logiche. -- F. Fanzago, Nota sul nido del Geophilus flavus. —
P. Bargagli, Kassegna biologica di Rincofori europei. — C. Emery ,
Studi intorno alla Luciola italica L. — G. Pasquali, Un curioso
fenomeno relativo agli incrociamenti. — Prof. A. Costa, Diagnosi
di nuovi Artropodi trovati in Sardegna. — Letteratura entomo-
logica italiana.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XVII, entr. 3 y 4 (a).
Addenda et emendanda ad Hemiptera Argentina, Auctore C. Berg.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Tome XXVII (b).
Mélanges entomologiqnes, par E. Allard. — Métamorphoses du Lyctus
planicollis Lec., par le Dr. E. Dugés. — Liste der Mantides du
Musée Royal d’hist. nat. de Belgique, par A. Preud’homme de
LXXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Borre. — Les Odonates du Japon, par M. de Sélys Longehamps. —
Métamorphoses de la Chrysomela (Leptinotarsa) modesta Jacoby ,
par le Dr. E. Dugès. — Essai sur les Coléoptéres de l’Archipel
de la Nouvelle-Brétagne , par L. Fairmaire. — Etude sur quelques
Forficulaires nouveaux ou peu connus, précédée d’un tableau
synoptique des genres de cette famille, par A. de Bormans. —
Énumération des Staphylinides décrits depuis la publication du
Catalogue de M.M. Gemminger & de Harold, par Ant. Duvivier.
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Redact. Dr. G. Kraatz. Bd.
XXVIII, Heft 1 (b).
Neuer Beitrag zur Käferfauna Griechenlands, von E. Brenske und
E. Reitter, unter Mitwirkung der Herren Dr. Eppelsheim und
Ganglbauer. — Resultate einer coleopterologischen Sammel-Cam-
pagne wäbrend den Monaten Februar bis April 1883 auf den
Jonischen Inseln, von Edm. Reitter. — Antidarwinistische Skizzen ,
von Joannes Schilde. — Synonymische Bemerkungen, von J.
Weise und Dr. G. Kraatz. — Beitrag zur Chrysomeliden-Fauna
von Amasia, mittgetheilt von J. Weise. — Einige neue Chrysome-
liden und Coceinelliden , beschrieben von dems. — Ueber die
bekannten Clavigeriden-Gattungen, von Edm. Reitter. — Neue
deutsche Staphyliniden, beschrieben von Dr. Eppelsheim. — Akıs
Kobelti Heyden nov. spec. — Ueber Eurytrachelus purpurascens
Voll. var. capito und Eur. Ghilianii Gestro, von G. Albers. —
Sitaris rufiventris nov. spec., von Dr. G. Kraatz. — Philonthus
addendus Sharp und Polyphylla Ragusae, von H. Fuss. — Beitrag
zur Metamorphose der Käferfamilie der Elateriden, von Th.
Beling. — Neue Käfer-Arten aus Osch (Turkestan), von Dr. L.
von Heyden und Dr. G. Kraatz. — Neue Käfer-Arten von
Margellan (Turkestan), von Dr. G. Kraatz. — Neue Käfer-Arten
aus Malatia in südlichen Kleinasien, von dems. — Ueber Tetrodon-
lophora gigas Reuter, von Dr. Ph. Bertkau. — Einige Bemer-
kungen über Histeriden, von J. Schmidt. — Necrologe von Rolph ,
Wehncke und Le Conte.
Verhandlungen des naturforschenden Vereines in Brünn. Bd. XXI («).
Ueber das männliche Begattungsglied der sogenannten Goliathiden
und der Gattung Pachnoda, von Dr. G. Kraatz.
Bulletin of the Essex Institute. Vol. XIV (a).
Carcinological Notes; n°. 5, by J. S. Kingsley.
Proceedings of the Davenport Academy of Natural Sciences. Vol. Il!
Prt. 3 (a).
The Solpugidae of America, by the late J. Duncan Putnam.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXV
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Vol. XXI,
Prt. IV and Vol. XXII, Prt. 1 (a).
A new and unusually perfeet Carboniferous Cockroach from Mazon
Creek, IL, by Mr. S. H. Scudder. — Occurrence of southern
Butterflies in Maine, by Mr. S. H. Scudder. — Notes on Tertiary
Neuroptera from Florissant and Green River, by Mr. S. H.
Scudder. — Older Fossil Insects west of the Mississipi, by Mr.
S. H. Scudder. — Remarks on Scolopendrella and Polyxenus , by
Mr. S. H. Scudder. — Description of two interesting houses made
by Caddis-fly larvae, by Miss Cora H. Clarcke. — Papilio machaon ,
by H. A. Hagen.
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Vol. III, n°. 4 (a).
The Carboniferous Hexapod Insects of Great Britain, by 8. H.
Scudder.
Juni 1884.
Entomologist (The). Edited by John T. Carrington. Vol. XVII, n°. 253
(June 1884) (a).
Introductory Papers on Ichneumonidae, by J. B. Bridgman and
E. A. Fitch. — The Story of Valeria oleagina, by the Rev. J.
Greene. — On setting Lepidoptera unpinned, by G. Coverdale. —
A fortnight’s Collecting in Sicily, by J. H. Leech. — Contributions
to a List of the Lepidoptera of the South-East Coast, by A.H.
Shepherd. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXI, n°. 241 (June 1884) (b).
On an extraordinary heliciform Lepidopterous larva-case from East-
Africa, by R. Me Lachlan. — Description of the larva of Depres-
saria badiella , by the late W. Buckler. — Notes on Depressaria
badiella, by W.H. B. Fletcher. — Notes on the discovery, by Mr.
Fletcher of the larva of Depressaria badiella, by H. T. Stainton. —
Notes on Lepidoptera observed during an alpine tour in 1883, by
G. T. Baker. — New Longicorn Coleoptera of the Monohamminae
group from Tropical West-Africa, by H. W. Bates. — Entomo-
logical Notes, Captures, etc. — Obituary: Edwin Birchall. —
Proceedings of the Entomological Society of London.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. XIII, n°. 78
(June 1884) (b).
On the Neuroptera collected during the recent Expedition of H. M.
S. Challenger, by W. F. Kirby. — On the Diptera collected
during the recent Expedition of H. M. S. Challenger, by W.F.
Kirby. — On the Orthoptera collected during the recent Expedition
of H. M. S. Challenger, by W. F. Kirby. — Description of an
LXXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
African Species of the Coleopterous Genus Helota Me Leay, by
A. Sidney Olliff.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. III, Heft 5 (a).
Ad cognitionem Aradidarum palaearcticarum seripsit O. M. Reuter. —
Bemerkungen zu den . Berichtigungen ” etc. F. A. Wachtl’s, von
Prof. C. W. von Dalla Torre. — Chrysops geminatus Wied. und
Macq., von F. M. van der Wulp. — Coleopterologische Notizen ,
VII, von E. Reitter. — Trechus rhilensis, ein neuer Käfer aus Süd-
Bulgarien, von Dr. E. Kaufmann. — Otiorhynchus strumosus, von
K. Helier, — Die Galle und Wespe der Cynips superfetationis
Gir., von J. Paszlavszky. — Literatur. — Notizen.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgique.
Ser. HIT, n°. 450).
Description d’un Coléoptère nouveau du Chili, par le R. P. M. J.
Belon. — A propos de la lettre de M. Puton, par M. Kerremans. —
De ia validité spécifique des Gyrinus colymbus Er., distinetus
Aubé, caspius Menétr., libanus Aubé et Suffriani Seriba, par M.
de Borre. — Note sur l’élevage des larves de Longicornes et autres
Xylophages, par le Dr. Fromont. — Note sur les Orthoptères
recueillis par M. Weyers à Aguilas , province de Murcie (Espagne),
par M. de Bormans.
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Vol.
VII, Eleft 11(b):
Ueber das Nest von Crematogaster und über die Geruchsorgane der
Gliederthiere, von Prof. Forel. —- Ueber Ameisen, von Dr. G.
L. Mayr. — Ueber Bienenzucht in Guatemala, von Dr. Stoll. —
Ueber Insectenfangende Pflanzen, von Herrn Wolfenberger. —
Ueber Varietäten des Chlorophanus graminicola, von Dr. Stierlin. —
Ueber den Bau des Kopfes bei gewissen Onia-Arten, von Prof.
Mayr. — Dritter Nachtrag zur Lepidopteren-Fauna der Schweiz,
von Prof. Frey. — Die Syrichthi der Alveus-Gruppe, von Dr.
Christ. — Ueber homonym benannte Arthropoden Gattungen, von
Dr. Haller. — Ueber Aberrationen, Varietäten und Arten einiger
exotischen Cetonien, von Dr. Haller. — Ueber die Gruppirung
der Insecten-Ordnungen, von Dr. Schoch. — Beschreibungen einiger
neuer Rüsselkäfer, von Dr. Stierlin. — Ueber eine seltene Varietät
des Corymbiies melancholieus F., von Dr. Stierlin. — Variationen
von Arctia Cervini Fallou ex larva, Juli 1882, von Dr. Christ.
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie. 6me ser. Tom. XVI,
n°. 4—6 (b).
Recherches anatomiques sur l'estomac des Crustacés podophthal-
maires, par M. Mocquard. — Recherches pour servir à l’histoire
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXVII
du noyau dans l’épithélium auditif des Crustacés, par M. J.
Chatin. — Crustacés rares ou nouveaux des côtes de France,
par M. Hesse.
Jahres-Berichte des natnrwissensch. Vereins in Elberfeld. Heft 6 (a).
Verzeichniss der Käfer von Elberfeld und dessen Nachbarschaft,
von ©. Cornelius. — Einige Abänderungen von Lepidoptera,
beschrieben von Gustav Weymer. — Zwei Lepidopteren-Herma-
phroditen, beschrieben von Gustav Weymer.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Redact. H. J. Kolbe. Bd. XXVIII,
Heft 1 (b).
Beiträge zur Naturgeschichte der Milben, von L. Karpelles. — Der
Entwickelungsgang der Psociden im Individuum und in der Zeit,
von H. J. Kolbe. -— Zur Frage über die Quintessenz des Characters
im Habitus einer zoologischen Species, von demselben. — Neue Süd-
amerikanische Käfer, von Th. Kirsch (2tes Stück). — Ueber die
Farben- und Behaarungs-Varietäten der Melolontha vulgaris Fabr. ,
und Hippocastanı Fabr., von Dr. Fr. Westhoff. — Kurze Be-
merkungen über Farbenvarietäten einiger Melolontha- und Anoxia-
Species, von H. J. Kolbe. — Ueber neue Goliathiden aus Central-
Afrika, nebst Studien über einige dieselben betreffenden Probleme
aus dem Gebiete der Philogenie und Speciesbildung, von dems. —
Beiträge zur Kenntniss der Staphylinen-Fauna von Süd-Spanien ,
_ Portugal und Marokko, von M. Quedenfeldt. I. Reisebericht. —
Kleine Studien über das Wahrnehmungs- und Gefühlsvermögen
der Insecten, von ©. Fromholz. — Bemerkungen zur neuesten
Ausgabe des Catalogus Coleopterorum Europae, von E. von
Harold. — Neuroptera aus Marocco, gesammelt von Herrn Prem.-
Lieut. M. Quedenfeldt, bearbeitet von H. J. Kolbe. — Ueber
einige für die Mark Brandenburg neue oder bisher in derselben
selten beobachtete Käfer, von M. Quedenfeldt. — Aus die
Arachniden-Familie der Sironoiden und über einen neuen Siro
aus Asturien, von Dr. F. Karsch. — Nachträge und Berichti-
gungen zum Catalogus Coleopterorum von M. Gemminger und
E. von’ Harold, betreffend die Histeridae, von Joh. Schmidt. —
Ueber eine interessante Aberration von Apatura Iris, von H.
Thiele. — Eine neue Athyrtis (Lepidoptera : Fam. Heliconiidae) ,
von A. Srnka. — Neue Stammesgenossen der Gattung Valgus
(Coleoptera) aus Centralafrika, von H. J. Kolbe. — Die Vor-
läufer (Prototypen) der höheren Insectenordnungen im paläozoischen
Zeitalter. Eine kurze Betrachtung von dems. — Dipterologische
Aphorismen, von Dr. F. Karsch. — Neue Milben in Bernstein,
von dems. — Das Tracheensystem des Kopfes der Bücherlaus
(Atropos pulsatorius L.), von H. J. Kolbe. — Einige seltnere
LXXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Käferarten aus den Dessauischen Forsten a. d. Elbe und aus
der Wittenberger Gegend, von M. Quedenfeldt. — Ein Massen-
grab der Schizoneura corni F., von Dr. F. Karsch. — Descrip-
tion de nouvelles espèces du genre Ischnotrachelus de Schönherr
et énumération de celles aujourd’hui connues, par A. Chevrolat. —
Vorläufige Mittheilung über ein neues dem Gange der Naturschüp-
fung entlehntes System der Trichoptera, u. s. w., von H. J.
Kolbe. — Drei neue westafrikanische Schmetterlinge, beschrieben
von Dr. H. Dewitz. — Nyctobates Mechowi, eine neue Species aus
Westafrika, von H. J. Kolbe. — Fragmentarisches über Analo-
gieen im Habitus zwischen Coleopteren-Species verschiedener
Gattungen und Familien, von Dr. O. Thieme. — Neue Rhopalocera ,
von E. G. Honrath. — Necrologe: P. Pogge, O. Heer, E.
Wehncke, J. Leconte. — Literatur.
Tijdschrift voor Entomologie. DI. XXVII, afl. 2 (a en b).
Verslag der 17de Wintervergadering. — Lepidoptera van Celebes
verzameld door Mr. M. ©. Piepers, met aanteekeningen en be-
schrijving der nieuwe soorten, door P. C. T. Snellen (vervolg). —
Bijdrage tot de kennis der Lathridiidae, door Jhr. Dr. Everts. —
Aanteekening over Hazis Malayanus Guérin, door P. C. T.
Snellen. — Studiën over de Galeodiden of Solpugiden, enz., door
Dr. A. W. M. van Hasselt. II. De poot-aanhangsels.
Proceedings of the Linnean Society of New South Wales. Vol. VIII,
Prt. 4. (a).
Descriptions of Australian Micro-Lepidoptera. Part X, by Meyrick.
Juli 1884.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVII, n°. 254
(July 1884) (a).
Rannoch (with Map), by J. T. Carrington. — Notes on Boletobia
fuliginaria, with a description of its larva, by W. H. Tugwell. —
The genera Hydrochus, Octhebius and Hydraena, by the Rev.
W. W. Fowler. — Entomological Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXI, n°. 242 (July 1884) (0).
Notes on some Hawaiian Carabidae, by the Rev. T. Blackburn. —
Notes on Tenthredinidae (continued), by P. Cameron. — Onan
extraordinary heliciform Lepidopterous larva-case from East
Africa: Supplementary, by R. Me. Lachlan. — On the larva
etc. of Beraeodes minuta Linné, by K. J. Morton. — Migration
of moths, by J. Cardeaux. — Description of the larva of Her-
bula cespitalis, by G. T. Porritt. — List of the Diptera of the
Island of Madeira, by Baron C. R. Osten-Sacken. — Entomo-
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXIX
logical Notes, Captures, etc. — Notes on British Tortrices
(continued), by C. G. Barrett. — Notes on the Entomology of
Portugal. VIII, Trichoptera, by R. Me. Lachlan.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. XIV, n°. 79
(July 1884) (b).
On the Cryptoniscidae, by Prof. R. Kossmann. -- Descriptions of
three new Moths from the Island of Nias, by A. G. Butler. —
On the Systematie Position of the Pulieidae, by Dr. K. Kräpe-
lin. — New Investigations on the Development of the viviparous
Aphides, by Dr. O. Zacharias. — On the Synonymy of some
Heterocerous Lepidoptera, by R. Rosenstock. — On a Species
of Tachina occuring on the Tracheal System of Carabus, by M.
N. Cholodkowsky.
Notes from the Leyden Museum. Vol. VI, n°. 3 (July 1884) (0).
Catalogue des Prionides de l’Archipel Indo-Néerlandais, avec des-
criptions des espèces nouvelles, par J. W. van Lansberge. —
Descriptions de deux espèces nouvelles de Histérides et d’An-
thicides de Sumatra, par S. de Marseul. — Description d’une
nouvelle espèce de Gyrinide du Musée de Leyde, par M. Régim-
bart. — A new species of the Longicorn genus Demonax Thomson,
described by C. Ritsema Cz. — Six Forficulaires nouveaux de
Sumatra, décrits par A. de Bormans. — Descriptions des deux
sexes de la Labia gravidula Gerst., par A. de Bormans. —
Description de deux variétés nouvelles du Chelisoches Ludekingi
Dohrn, par A. de Bormans. — Synonymical Remarks about certain
Hymenoptera Aculeata, by C. Ritsema Cz.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. III, Heft 6 (a).
Eine neue und eine verkannte Cecidomyide, von F. A. Wachtl. —
Zur Metamorphose der Dipteren-Gattung Diva Meig., von G.
Gercke. — Beiträge zur Kenntniss der Microlepidopteren-Fauna
der Erzherzogthiimer Oesterreich ob und unter der Enns und
Salzburg, von J. Mann. — Berichtigungen und Zusätze zum
„Catalogus Coleopterorum Europae et Caucasi”, von L. von
Heyden, E. Reitter und J. Weise. — Eine merkwiirdige neue
Syrphiden-Gattung, von Dr. S. W. Williston. — Literatur. —
Notizen. — Correspondenz.
Comptes-Rendus de la Société Entomologique de Belgique. Ser. III,
n°. 46 (a).
Descriptions de Lépidoptères exotiques, par M. P. Mabille. — Note
sur quelques espèces du genre Cartodere Thoms., par le R. P.
Fr. M. J. Belon. — Description de quatre genres nouveaux et
de plusieurs espèces nouvelles de Coléoptères de la famille des
LXXX ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Eumolpides, par Ed. Lefèvre. — Liste des Buprestides, Lon-
gicornes et Chrysomélides recueillis en Espagne par M. Weyers,
par M.M. Kerremans, Lameere et Donckier de Donceel. —
Remarques Psychidologiques, par M. F. J. M. Heylaerts.
Augustus 1884.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVIT, n°. 255
(August 1884) (a).
Notes on a New Zealand Aphis, by G. Vernon Hudson. — Cap-
tures of Coleoptera, by G. A. Lewcock. — Introductory Papers
on Ichneumonidae, by J. B. Bridgman and E. A. Fitch. —
Description of a new species of Chararas from the Malay
Peninsula, by W. L. Distant. — Entomological Notes, Cap-
tures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXI, n°. 243 (August
1884) (b).
Notes on the Entomology of Portugal. VIII, Trichoptera (con-
cluded), by R. Me. Lachlan. — The Nitidulidae of Great Britain,
by the Rev. W. W. Fowler. — On the Coleophora of Statice
Limonium, hitherto erroneously recorded as Goniodoma auro-
guttella F. v. R., by H. T. Stainton. — Notes on British
Tortrices (continued), by ©. G. Barrett. — Description of the
larva of Crambus pratellus, by G. T. Porritt. — Entomological
Notes, Captures, ete. — On the very interesting but long-
overlooked Dactylota Kinkerella, by H. T. Stainton.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. XIV, n°. 80
(August 1884) (b).
Descriptions of two new species of Walckenaëra Blackw., by the
Rev. O. P. Cambridge. — Description of a new Species of
Pseudacraea from Natal, by A. G. Butler. — On the Submaxil-
lary in Masticating Insects, by M. J. Chatin. — On a new
Type of Elastic Tissue observed in the Larva of Eristalis, by
M. H. Viallanes.
Comptes-Rendus de la Société Entomologique de Belgique. Ser. III,
n°. 47 (a).
Sur un petit groupe de Corticaria propres à la Nouvelle Zélande,
par M. Belon. — Notes synonymiques sur quelques Lathri-
diidae de la Nouvelle Zélande, par le même. — Sur un
Metophthalmus de la Nouvelle Zélande, par le même. — Note
sur le groupe des Diolenii (fam. des Attidae) et descriptions
d’especes nouvelles, par E. Simon. — Note sur les Arachnides
recueillis par M. Weyers 4 Aguilas, province de Murcie, par
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXI
le même. — Anomalie chez un Syrphus Ribesii 9, par le
Dr. Jacobs.
Archiv für Naturgeschichte. Jahrg. L, Heft 2 (b).
Beiträge zur Kenntniss des Baues und der Funktionen der Insecten-
beine, von Dr. Fr. Dahl. — Ueber einige im Wasser lebende
Schmetterlingsraupen Brasiliens, von Dr. Wilh. Miiller. — Nach-
trag über die Funktion der Antennendriise der Cytheriden.
Annali del Museo Civico di Storia Naturale di Genova. Vol. XX (a).
Aracnidi del Regno di Scioa, per il Prof. P. Pavesi. — Le Crociere
dell’yacht Corsaro.” VI. Ortotteri, di A. de Bormans. — Des-
cription d’un genre nouveau d’Arachnides et remarques sur la
famille des Archaeidae, par E. Simon. — Descriptions of new
genera and species of Phytophagous Coleoptera from the Indo-
Malayan and Austro-Malayan subregions, contained in the Genoa
Civic Museum. First part, by Martin Jacoby. — Appunti sino-
nimici, di R. Gestro. — Arachnides recueillis en Birmanie par
M. le chev. Comotto et appartenant au Musée Civique de Gènes,
par E. Simon. — Note complémentaire sur la famille des
Archaeidae, par E. Simon. — Viaggio ad Assab nel Mar Rosso,
dei signori G. Doria ed O. Beccari con il R. Avviso , Esplora-
tore” dal 16 Novembre 1879 al 26 Febbraio 1880; — III.
Imenotteri, per G. Gribodo. — Materiali per lo studio della
Fauna Tunisina raccolti da G. e I. Doria; — II. Aracnidi, per
P. Pavesi.
Schriften der physikalisch-oekonomischen Gesellschaft zu Königsberg.
Jahrg. XXIV (a).
Beobachtungen über die Arten der Blatt- und Holzwespen, von C.
G. A. Brischke und Dr. G. Zaddach (Schluss).
September 1884.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVII, n°. 256
(September 1884) (a).
Lycaena - Argiolus compared with the American Lycaena Pseudar-
giolus, by J. Jenner Weir. — A Week’s Collecting in Unst,
by C. A. Briggs. — Notes on some Micro-Lepidoptera reared in
Captivity, by G. Elisha. — The action of Ammonia upon some
Lepidopterous Pigments, by G. Coverdale. — Description of a
new species of Junonia, by H. C. Lang. — Entomological Notes,
Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXI. n°. 244 (September
1884) (b).
LXXXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
On the very interesting but long-overlooked Dactylota Kinkerella
(concluded), by H. T. Stainton. — Occurrence of the larvae of
Dactylota Kinkerella in Holland, by H. T. Stainton. -- Life-
History of Aglossa cuprealis, by the late W. Buckler. — A new
species of Nematus from England, by P. Cameron. — On an
undescribed butterfly of the genus Teracolus from Arabia, by
A. G. Butler. — Note on the action of potassium cyanide on
organic colouring matter, by G. B. Buckton. — On a new
species of Hetaerius, by G. Lewis. — Note on Hydrobius fus-
cipes, by D. Sharp. — Note on the British species of Laccobius,
by D. Sharp. — Description of the larva of Crambus cerussellns ,
by G. T'. Porrit. — Entomological Notes, Captures, ete. — The
Nitidulidae of Great Britain (continued), by the Rev. W. W.
Fowler.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. XIV, n°. 81
(September 1884) (0).
Crustacea of the , Albatros” Dredgings in 1883, by S. J. Smith. —
Contributions to a Knowdledge of Malayan Entomology. Part 3,
by W. L. Distant. — On the Rate of Development of the
Common Shore-Crab (Carcinus moenas), by G. Brook. — Ana-
tomy of Epeira, by M. V. Schimkewitsch.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. III, Heft 7 (a).
Beiträge zur Kenntniss der Microlepidopteren-Fauna der Erzher-
zogthiimer Oesterreich ob und unter der Enns und Salzburg
(1. Fortsetzung). — Ueber einige Syrphiden (Beitrag zur
Dipterenfauna Thüringens), von E. Girschner. — Nachträge zu
Schiner’s „Fauna Austriaca” (Diptera), von J. Mik. — Be-
richtigungen und Zusätze zum , Catalogus Coleopterorum Europae
et Caucasi” (Schluss), von Dr. L. von Heyden, E. Reitter und
J. Weise. — Ueber Megastigmus pietus Först. und seine Lebens-
weise, von F. A. Wachtl. — Zur Synonymie von Cecidomyia
onobrychidis Bremi, von J. Mik. — Note sur le genre Eucera-
lomyia Willist., par J. M. F. Bigot. — Genera nova Hemipte-
rorum, descripsit Dr. O. M. Reuter. — Apion arragonicum n. sp.,
von Dr, Ed. Everts. — Eine neue Xiphydrinengattung, von S.
Brauns. — Literatur. — Notizen.
Comptes-Rendus de la Société Entomologique de Belgique. Ser. III,
n°, 48 (a).
Note sur les Julides de Belgique, par M. A. de Borre. — Descrip-
tion d’une espèce nouvelle du genre Julus, par M. le Dr. R.
Latzel. — Notice zur VHypocephalus armatus, par D. Sharp
(traduite par A. Lameere). — Oedémérides recueillis en Portugal
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXIII
et au Maroc par feu C. van Volxem, déterminés par M. FI.
Baudi. — Cryptocéphalides recueillis au Brésil et à la Plata
par C. van Volxem, déterminés par M. G. Tappes. — Descrip-
tion d’un Cryptocéphale nouveau d’Arabie, par M. G. Tappes. —
Liste des Hémiptères trouvés à Aguilas (Espagne) par M. Weyers,
par M. Lethierry. — Hémiptères nouveaux pour la Faune Belge
ou dont la localité n’a pas encore été précisée , par M. Lethierry. —
Note sur des Crustacés et des Myriapodes recueillis par M.
Weyers aux environs d’Aguilas (Espagne), par M. F. Plateau.
Bullettino della Societa Entomologica Italiana. Anno XVI, trim.
1 e 2 (a).
P. Bargagli, Rassegna biologica di Rincofori Europei (continuaz.).
Id., Note intorno alla biologia di alcuni Coleotteri. — A. Lee
Bolles, Osservazioni sulla struttura intima degli organi cordo-
tonali. — Id., Osservazioni intorno ad una recente Nota del
Socio N. Passerini, sull’integumento dei Miriapodi. — L. Camerano,
Note intorno agli Idrofilini italiani. — C. E. Della Torre, Sui
tegumenti delle crisalidi di Pieris Brassicae L. — A. Dei,
Insetti raccolti in una escursione al Monte Argentario ed all’Isola
del Giglio. — P. Magretti, Nota d’Imenotteri raccolti dal sig.
F. Piccioli. — N. Passerini, Risposta ad alcune osservazioni
fatte dal sig. A. Bolles Lee ad una Nota sull’integumento dei
Miriapodi. — P. Pavesi, Aracnidi critici di Bremi-Wolff. —
G. Turati, Note Lepidotterologiche sulla Fauna Italiana. —
Letteratura Entomologica Italiana. — Rassegna e Bibliographia
Entomologica. — Notizie di Entomologia applicata.
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie. 6me sér. Tom. XVII,
n% 1 et 2: (6).
Etude sur l’anatomie de l’Epeire, par M. W. Schimkewitz.
October 1884.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVII, n°. 257
(October 1884) (a).
Random Notes on New Zealand Lepidoptera, by G. F. Mathew. —
Coleoptera at Shiere, by E. Capron. — Introductory Papers
on Ichneumonidae, by J. B. Bridgman and E. A. Fitch. —
Rannoch in June, by A. H. Jones. — Description of an Eupi-
thecia new to Science, by C. S. Gregson. — Entomological
Notes, Captures , etc.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXI, n°. 245 (October
1884) (b).
The Nitidulidae of Great Britain (continued), by the Rev. W. W.
LXXXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Fowler. — Life-history of Botys hyalinalis, by the Rev. J. Hel-
lins and W. R. Jeffrey. — Description of the larva of Scoparia
crataegalis, by G. T. Porritt. — Note on a new Nepticula bred
from rose in Lancashire by Mr. Hodgkinson, by H. T. Stain-
ton. -- On Parthenogenesis in the Tenthredinidae, by P.
Cameron. — A Synopsis of the Central American species of
Joppa, with diagnoses of new species, by P. Cameron. — On
the probable extinction of Lycaena Arion in Britain, by H.
Goss. — Entomological Notes, Captures, etc. — Entomological
collecting on a voyage in the Pacific (concluded), by J. J.
Walker.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. XIV, n°. 82
(October 1884) (6).
Triassic Insects from the Rocky Mountains, by S. H. Scudder. —
On a new species of the Theclid genus Theritas from Colombia,
by A. G. Butler. — How Lycosa fabricates her round Cocoon,
by Dr. H. C. Me. Cook.
Notes from the Leyden Museum. Edited by Dr. F. A. Jentink.
Vol. VI, n°. 4 (October 1884) (b).
Descriptions of new genera and species of Phytophagous Coleoptera ,
collected by Dr. B. Hagen at Serdang (East Sumatra), by
Martin Jacoby. — Description of two new species of the Phy-
tophagous genus Pachytoma, by Martin Jacoby. — Description
of a new genus and three new species of Malayan Galerucinae ,
by Martin Jacoby. — Sur quelques espéces du genre Oides
Weber (Galerucinae) du Musée de Leyde, par Ant. Duvivier. —
Description of a new species of the Coleopterous Family Staphy -
linidae, by A. Fauvel. — Description of a new species of the
genus Deulerocopus (Pterophoridae) from Java, by Lord Walsing-
ham. — Descriptions of two new species of Nitidulidae from
Sumatra, by A. Sidney Olliff. — On exotic Diptera, by F. M.
van der Wulp. Part I (to be continued).
Comptes-Rendus de la Société Entomologique de Belgique. Ser. III,
n°, 49 (a).
Note sur VHypocephalus armatus, par A. Lameere. — Note sur
la Cicindela maritima Dej., par M. Dietz. — Notes sur quelques
Odonates, par M. de Bormans. — Description de quelques Phy-
tophages, par M. E. Lefévre. — Catalogue des Arachnides de
Belgique, par L. Becker (5me partie).
Tijdschrift voor Entomologie. Dl. XXVII, aflev. 3 (a en b).
Catalogus der in Nederland voorkomende Hemiptera. 1ste gedeelte.
Hemiptera Heteroptera, door Mr. A. J. F. Fokker. — Aan-
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXV
teekening over eene varieteit van Lycaena Medon v. Rottb.
(Astrarche Bergstr.), door Dirk ter Haar. — Bijschrift tot
bovenstaande aanteekening, door P. ©. T. Snellen. — Eene
variatie in het aderbeloop der vleugels eener Mycetophilide , door
Dr. J. G. de Man. — Ommatius Schlegelii nov. spec., door F. M.
van der Wulp. — Iets over de Tsetsevlieg (Glossina), door
F. M. van der Wulp. — Nieuwe of weinig bekende Microlepi-
doptera von Noord-Azie, beschreven door P. C. T. Snellen, met
afbeeldingen door Dr. J. van Leeuwen. — Waarnemingen omtrent
anomalién van de geslachtsdrift bij Spinnen-Mares, door Dr. A.
W. M. van Hasselt. — Nalezing over Amerikaansche Diptera,
door F. M. van der Wulp.
Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der Preuss. Rheinlande
und Westfalens. Jahrg. XL, 2te Hälfte (0).
Beiträge zur Kenntniss der Spinnenfauna der Rheinprovinz, von
A. Förster und Ph. Bertkau. — Ueber die Lebensweise des Drilus
flavescens, von Ph. Bertkau. — Ueber das Auftreten der Reblaus
im Ahrthal, von Ph. Bertkau.
Id. Jahrg. XLI, iste Häfte (b).
Ein Beitrag zur Lebensgeschichte der Dasypoda hirtipes, von H.
Müller. — Ueber den Verdauungsapparat der Spinnen, von Ph.
Bertkau.
Meddelanden af Societas pro Fauna et Flora Fennica. Häft. 9 (a).
O. M. Reuter, Entomologiska Exkursioner under Januari 1882 i
södra Finland. — J. Sahlberg, Hapalus bimaculatus L. och Clytus
pantherinus Sav. äterfunna i Finland. — O. M. Reuter, Nagra
ord om de europeiska arterna af slägtet Anthocoris Fall. , Fieb. —
J. Sahlberg, Om laverna af slägtet Lomechusa. — Id., En ny
finsk art af Capsidslägtet Atractotomus. — Id. Neurap hes coronatus,
en ny finsk Scydmaenid. — Id., Negastrius algidus, en ny högnor-
disk Elaterid.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou. Ann.
1883, n°. 3 (b).
Erwiderung auf die Kritik des Herrn Generals Radoszkowsky rus-
sische Bombus-Arten betreffend, von Dr. F. Morawitz.
Verhandlungen der k. k. zool. botan. Gesellschaft in Wien. Bd.
XXXII (a).
Beitrag zur Kenntniss der Milbenfamilie der Dermaleichiden, von
Dr. C. Nörner. — Die Pauropoden Oesterreichs, von Prof. Dr.
R. Latzel. — Ein Beitrag zur Kenntniss der Milbengallen (Phy-
topto-Cecidien), von Dr. F. Löw. — Dipterologische Bemerkungen ,
LXXXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
von J. Mik. — Neuer Beitrag zur Orthopteren-Fauna Tirols mit
Beschreibung zweier neuer Pezolettix-Arten , von Dr. H. Krauss. —
Beiträge zur Biologie der Dipteren, von A. Handlirsch. — Ueber
hypertelische Nachahmungen bei den Orthopteren, von C. Brunner
von Wattenwyl. — Funf neue österreichische Dipteren , beschrieben
von J. Mik. — Neue Coleopteren aus Griechenland, gesammelt
von E. von Oertzen, beschrieben von L. Miller. — Beiträge zur
Schmetterlings-Fauna des Kaffernlandes, von H. B. Méschler. —
Neue Hymenopteren in den Sammlungen des k. k. zoolog. Hof-
Cabinetes zu Wien, beschrieben von F. F. Kohl. — Beitrag zur
Pselaphiden- und Scydmaeniden-Fauna von Java und Borneo, von
E. Reitter. — Bestimmungs-Tabellen der europäischen Coleopteren.
VIII, Cerambycidae, bearbeitet von L. Ganglbauer. — Einiges
über Cheyletiden, von Dr. C. Nörner. — Neue Spinnen aus
Amerika, von E. Graf Keyserling.
Journal of the Linnean Society of London. Zoology. Vol. XVI, n°. 95
and 96 (b).
On a probable case of Parthenogenesis in the House-Spider
(Tegenaria Guyonü), by F. Maule Campbell. — On a new Genus
of Collembola (Sinella) allied to Degeeria Nicolet, by G. Brook.
Id. Vol. XVII, n°. 97—102 (b).
Notes on some little-known Collembola, and on the British Species
of the Genus Tomocerus, by G. Brook. — Observations on Ants,
Bees and Wasps. Part X, with a Description of a new Genus
of Honey Ant, by Sir John Lubbock. — Remarks on the Genera
of the Subfamily Chalcidinae , with synonymic Notes and Descrip-
tions of new Species of Leucospidinae and Chalcidinae, by W.
F. Kirby. — Remarks on the , Manna” or Lerp Insect of South
Australia, by J. G. O. Tepper. — On the pairing of Tegenaria
Guyonii Guér., with a description of certain organs in the ab-
dominal sexual region of the male, by F. Maule Campbell. —
On the constancy of insects in their visits to flowers, by A. W.
Bennett. — On the Methodic habits of insects when visiting
flowers, by R. M. Christy. — On the Moths of the family
Urapterygidae in the collection of the British Museum, by A.
G. Butler. — On the sense of color among some of the Lower
Animals. Part IL, by Sir John Lubbock. — A revision of the
genus Entomobrya Rond. (Degeeria Nic.), by G. Brook. — On
Japan Brenthidae, and Notes of their Habits, by G. Lewis. —
Japanese Languriidae, with Notes on their Habits and external
sexual structure, by G. Lewis. — The Hypopus-question , or the
life-history of certain Acarina, by A. D, Michael,
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXVII
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society of
London for the year 1883. Prt. 3 and 4 (a).
A Monograph of Limnaina and Euploeina, two groups of Diurnal
Lepidoptera belonging to the subfamily Euploeinae , with descrip-
tions of new genera and species, by F. Moore. — Report on a
small collection of Hymenoptera and Diptera from the Timor
Laut Islands formed by Mr. H. O. Forbes, by W. F. Kirby. — On
some new genera and species of Spiders, by the Rev. O. P.
Cambridge. — List of Lepidoptera collected by Mr. H. O. Forbes
in the Islands of Timor Laut, by A. G. Butler. — Descriptions
of new species of Zygaenidae and Arctiidae, by H. Druce. —
Note on the Variation of certain species of Agrias, by F. D.
Godman and QO. Salvin. — Description of some new species of
beetles of the family Galerucidae, by Martin Jacoby. — Descrip-
tions of new Asiatic Diurnal Lepidoptera, by F. Moore. — On
the habits of Thomisus decipiens, by H. O. Forbes. — ‘A con-
tribution to our knowledge of the Embiidae, by J. Wood Mason.
Id. for the year 1884. Prt. 1 and 2 (a).
On some Crustaceans from Mauritius, by E. J. Miers. — Descrip-
tion of an Asiatic species of the Neuropterous genus Corydalis ,
by J. Wood Mason. — On two new genera of Spiders, by O.
P. Cambridge. — On the Coleopterous insects collected by Mr.
H. O. Forbes in the Timor-Laut Islands, by Ch. O. Water-
house. — On the Lepidoptera collected by the late W. A. Forbes
on the banks of the Lower Niger. Rhopalocera, by F. D. Godman
and O. Salvin; Heterocera, by H. Druce.
Nederlandsch Tijdschrift voor de Dierkunde, uitgegev. door het K. Zool.
Genootschap Natura Artis Magistra. Jaarg. V, afl. 1 (a).
Beiträge zur Kenntniss der Niederlindischen Fauna. 1ster Beitrag,
von Dr. C. Kerbert.
Bijdragen tot de Dierkunde, uitgegev. door het K. Zool. Genootschap
Natura Artis Magistra. 10de aflev. (a).
Die Isopoden gesammelt während der Fahrten des , Willem
Barents” in das nordliche Eismeer in den Jahren 1880 und
1881, von Prof. Max Weber.
Transactions of the American Entomological Society. Vol. X, n°. 2,
3 and 4 (a).
Revision of the species of some genera of Buprestidae, by G. H.
Horn. — Notes on some little known Genera and Species of
Coleoptera, by G. H. Horn. — Synopsis of the species of the
tribe Lebiini, by G. H. Horn. — Notes on Tineidae of North-
America, by Lord Walsingham. — Synopsis of the North-American
LXXXVIII ENTOMOLOG. INHOUD DER ONTY. TIJDSCHRIFTEN.
Heliothinae , by John B. Smith. — Remarks upon the North-
American Heliothinae and their recent literature, by A. R. Grote. —
Miscellaneous notes and short studies of North-American Coleoptera,
by G. H. Horn.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. III, Heft 8 (a).
Beiträge zur Kenntniss der Microlepidopteren-Fauna der Erzher-
zogthiimer Oesterreich ob und unter der Enns und Salzburg,
von J. Mann. — Beleuchtung einiger Arten aus der Familie der
Tipuliden, von Th. Beling. — Bemerkungen zur neuesten Aus-
gabe des „Catalogus Coleopterorum Europae et Caucasi,” von
Edm. Reitter. — Lepidopterologisches, von O. Habich. — Dia-
gnoses de quatre nouveaux Coléoptéres, par E. Allard. — Coleo-
pterologische Notizen, von Edm. Reitter. — Literatur.
Correspondenz-Blatt des naturwissenschaftlichen Vereines in Regensburg.
“Jahrg. 38, n°. 5—8 (0).
Systematische Uebersicht der Kifer welche in Baiern und der
nichsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel. — Blattwespen-
studien, von Dr. Kriechbaumer.
MER Emo AG
VAN DE
ACHTTIENDE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE LEIDEN
op 25 Januari 1885,
des morgens ten 103 ure.
Voorzitter Dr. A..W. M. van Hasselt.
Met den Voorzitter tegenwoordig de heeren Mr. W. Albarda ,
Mr A. Grants, Ihr. Dr. Ed. J: Gs Everts, Mr. H.W. de Graaf,
G. M. de Graaf, H. W. Groll, J. Jaspers jr., Mr. A. F. A. Leesberg,
J. W. Lodeesen, C. Ritsema Cz., Emile Seipgens, P. C. T. Snellen,
Dr. H. J. Veth, J. de Vries en F. M. van der Wulp.
Van de heeren Dr. H. Bos, Dr. J. Bosscha Jz., Mr. A. J, F.
Fokker, Henri W. de Graaf, Dirk ter Haar, F. J. M. Heylaerts,
Mr. C. W. Hubrecht, J. Kinker, Dr. P. H. J. J. Ras, Dr. J. G.
H. Rombouts en K. Bisschop van Tuinen is bericht ontvangen,
dat zij verhinderd zijn deze bijeenkomst bij te wonen.
De Voorzitter opent de vergadering met eene korte toespraak,
waarbij hij de aanwezigen welkom heet en bepaaldelijk ook den
heer J. de Vries, die zich onlangs als nieuw lid aan de Ver-
eeniging heeft aangesloten.
De wetenschappelijke mededeelingen worden geopend door den
Voorzitter, Dr. van Hasselt, die een overzicht geeft van de
Micryphantidae of Erigonini,
XC VERSTAG.
Even als alle specialiteiten op het gebied der Entomologie, heb-
ben ook de Araneologen hunne «micro’s». Bijna in alle familien
komen kleine, zelfs zeer kleine spin-vormen voor; zoo bij voorbeeld
in die der Dysderoidae de Oonops puleher Templ., — in die der Dras-
soidae de Micaria pulicaria Sund., — in die der Dictynoïdae de
Lethia humilis BL, — in die der Agelenoidae de Hahnia nava Bl. , —
in die der Epeiroidae de Singa pygmaea Sund., — in die der Tho-
misoidae de Oxyplilu praticola C. Koch, — in die der Lycosoidae
de Aulonia albimana Walck., — in die der Attoïdae de Euo-
phrys frontalis Walck en anderen.
Intusschen maken in deze groepen de micro’s eene uitzondering ;
daarentegen zijn zij in de familie der Theridionidae den regel. Is
deze klein wat de vormen betreft, zij is groot in uitgebreidheid.
« This family», zegt Cambridge, «includes the greater number of
British spiders». Daarin ligt zeker de oorzaak, dat men groote
moeite heeft ondervonden in de stelselmatige indeeling der kleinere
geslachten vooral, die deze familie vormen. In den beginne werden
deze, naar Wider en zijne eerste volgelingen, behalve in het genus
Linyphia, grootendeels samengevat in het ééne geslacht Theridion (of
Theridium). In dat genus plaatste Walckenaer, op voetspoor van La-
treille, de grootere soorten en scheidde de kleinsten daarvan af in het
geslacht Argus; aan eene der groepen van dit genus gaf hij den naam
van «les Erigones», aan eene andere dien van «les Mieryphantes».
Met verwerping van den hoofdnaam Argus, verkozen C. Koch
en Westring ieder eene andere dier bij-benamingen voor den
type hunner micro's. De eerste vereenigde deze in het genus
Micryphantes; de tweede nam, als collectief-naam, dien van Erigone
aan. De laatste naam werd sedert als de beste beschouwd, onder
anderen omdat die het vroegst (reeds door Savigny) voor vers
scheidene micro-Theridioniden was gebezigd. Nochtans weken, met
Blackwall, ook Thorell en Cambridge hiervan weder in zooverre
af, dat zij nevens het geslacht Erigone een tweede genus, Wale-
kenaera, onderscheidden, terwijl Blackwall, — en met hem Cam-
bridge, — de oude benaming van Zrigone ten deele door die van
Neriéne vervingen.
VERSLAG. xci
De wegens de Grieksche afleiding « mikros (klein) » beteekenis
hebbende familienaam der Mieryphantidae bezat dus nog steeds
eene eenvoudige samenstelling uit twee geslachten: Walckenaera
en Erigone, of Walckenaera en Neriëne, aan de onderscheiding
van welker soorten, — behalve door Westring in zijne draneae
Suecicae, — door de drie laatstgenoemde schrijvers hooge aandacht
werd geschonken !).
Tot afwijking van dien oorspronkelijken eenvoud gaf Menge
den eersten stoot. Deze verdeelde de hier bedoelde micro’s, groo=
tendeels op microscopisch-anatomische gronden, in een 20-tal
genera. Wel behield hij voor twee van deze de vroegere namen
van Zrigone en Micryphantes, maar hij voegde daaraan 18 andere
geslachten toe, als: Cornicularia, Dicyphus, Euryopis, Gonatium ,
Lophocarenum, Microneta, Pachydactylus, Tmeticus enz. enz.
Emerton alsmede Bertkau volgden, met eenige wijzigingen,
het samengestelde voetspoor van Menge. Laatstgenoemde deed
daarbij eene poging tot vorming van eenige typische groepen, als:
Oedothorax (de cephalothorax achter de oogen bochelvormig); Sty=
lothorax (idem idem met een stijlvormig uitsteeksel); Z/4yomma
(een kleiner uitsteeksel, met de vooroogen, door eene dwarse
inbuiging, van den kop gescheiden); Diplocephalus (de schedel-
oogen op eene steelvormige verhevenheid achter de overige oogen
geplaatst).
In het voorgaande jaar (1884) eindelijk heeft de beroemde
Fransche araneoloog Eugène Simon in zijn groot werk « 4rach=
nides de France» den wensch vervuld, kort te voren door Cam-
bridge voor deze Araneïden uitgesproken: « The time approaches
when a revision of the whole group will be a necessity». — Hij is
in de splitsing der geslachten en soorten nog veel verder gegaan
dan Menge. In de familie der Theridioniden wordt door hem,
voor de hier bedoelde micro’s eene groote sectie gevormd. die der
{>} D 2
1) Vergelijk daarover de ook ten deze zoo voortreffelijk bewerkte en leer-
same Remarks on Synonyms van Thorell,
XCIÎ VERSLAG.
Erigonini. In deze vat hij niet alleen de Neriene’sen de Walcke-
naera’s, alsmede een deel van het oudere genus Theridion, te
zamen, maar neemt hij ook de voorheen bepaald afgescheiden
gehouden Linyphiden op. Behalve de Walckenaerini en de Liny-
phini worden in gezegde sectie, die uit 6 groepen bestaat, nog
vier anderen opgenomen, te weten de Enoplognathini, de Lopho-
carenini, de Cinetini en de Masonini.
Gezamenlijk onderscheidt hij daarin, voor Frankrijk , niet minder
dan 71 geslachten, met ruim 350 soorten, een aantal bijna even
groot als dat van al de Nederlandsche Spinnen , macro’s en micro’s
te zamen, in de collectie van Spreker. Trouwens zijn niet minder
beroemde evenknie in de speciale kennis der micro-araneae, de
Revd. O. P. Cambridge, had van de genera Linyphia, Neriëne en
Walckenaera ook reeds, voor Engeland, in zijne « Spiders of Dorset» ,
ruim 250 species beschreven. Slechts een vierde ongeveer van dit
getal werd tot hiertoe in ons vaderland aangetroffen.
Simon’s beschrijving zijner Erigonini, die twee deelen com-
pressen druk heeft vereischt, wordt overal voor de meervoudige
soorten van analytische tabellen voorafgegaan, en bij schier elke
species komen, voor de kenmerken van den kop, de palpen en
de pooten, houtsneé-figuren voor, ter differentieele herkenning
van zeer hooge waarde.
In hoever zijne samenvoeging der Linyphini, — ook der macro’s
in die groep, — met de Neriene’s, de Walckenaera’s en hunne
talrijke subgenera volgens Menge, alleszins juist gezien is?
Of de verdeeling in een zoo groot aantal geslachten volkomen
gewettigd is?
Of de zes groepen der Erigonini op bepaald doorgaande
kenmerken gegrond zijn?
Of de geleerde Schrijver in zijne groepeering ten volle recht heeft
doen wedervaren aan de ontwikkelingswijze, het verband en den
overgang der menigvuldige, hier voorkomende zonderlinge wijzigin-
gen in den bouw van den cephalothorax ?
gene of andere dier vragen waagt Spreker niet te beantwoorden,
als gaande dit boven zijne kracht. Hij wenscht dit aan de meesters
VERSLAG. XCIII
in het vak, zooals Cambridge en Thorell, over te laten, en merkt
alleen op, dat het ontbreken van eene etymologische toelichting
van vele nieuwe, uit het Grieksch afgeleide, generieke benamingen,
— zooals die te voren door Menge en laatstelijk door Bertkau
werd gegeven, — het verkrijgen van een juist begrip der ge-
slachtskenmerken hier en daar bemoeielijkt. Overigens komt het
hem voor, dat de heer Simon, door dezen zoo hoogst moeielijken
en omvangrijken arbeid over de diagnostiek der micro-araneïden,
zich opnieuw voor de wetenschappelijke beoefening der spinnen-
systematiek uiterst verdienstelijk heeft gemaakt.
De onderscheiding van het 350-tal der besprokene, min of meer
analoge, zeer kleine spin-soorten geschiedt hoofdzakelijk naar aan-
leiding van hare kopvormen, — den oogenstand , — den bouw van de
maxillen, het labium, de mandibels en de mandibulair-haken , —
de gedaante van het sternum, — de uitsteeksels, aanhangsels en
beharing van de palpen en de pooten, — zelfs de soort van buik-
tracheén (al of niet « Büschel »-vormig, volgens Bertkau) enz.
Ten einde den Leden een blik te doen slaan op het reuzenwerk ,
in die onderscheiding bevat, laat Spreker voor enkelen der genoemde
kenmerken, vooral die welke aan het cephalon zijn ontleend, ver-
scheidene schetsteekeningen rondgaan. Hij merkt daarbij op, dat
de meest karakteristieke wijzigingen in de kopvorming alleen voor
de mares gelden; slechts met enkele zeldzame uitzonderingen ook
voor de feminae, o. a. voor Walckenaera acuminata Blackw. 2. In
den regel is eene juiste determinatie der fe minae dan ook niet
mogelijk tenzij door observatie of vangst in coitu, wegens hare veel
grootere of meer algemeene gelijkvormigheid. Daarenboven wordt
het onderzoek van het voorname kenmerk voor deze, in de epigyne-
of vulva-vormen gelegen, hier door de kleinheid en de donkere kleur
der voorwerpen ten uiterste bemoeielijkt, alhoewel o. a. de groep
der Linyphini daarin minder bezwaar oplevert. Intusschen heeft
Simon ook voor verscheidene soorten in de overige groepen een
begin gemaakt, met dit gewichtig element in zijne beschrijvingen
en onder zijne afbeeldingen op te nemen.
Door het vertoonen van een twaalftal dezer merk waardige micro-
XCIV VERSLAG,
soorten !), daartoe in kleine glasbuisjes op gewone kurken, ter
gemakkelijke bezichtiging met de loupe, geschikt gemaakt , werd
‘Sprekers voordracht zooveel mogelijk toegelicht.
Spreker eindigt, — ook met het oog op goedgunstige medewerking
zijner medeleden , — met een woord over de vindplaats dezer
merkwaardige araneolae. Zij komen steeds buiten in de vrije natuur
voor; het zijn geen huisspinnen. Men treft haar aan op den bodem
of dicht boven den grond, onder of op lage planten of grassoorten,
onder mos, onder steenen, op hekken en leuningen van bruggen,
in ’t najaar op herfstdraden; voor Engeland vermeldt Cambridge
ook voor verscheidene soorten «on iron rails»! Een rijke bron
spruit voort uit het «zeven», in ’t najaar, van afgevallen dorre
bladeren. Ons geacht medelid Everts bezorgde aan Spreker daardoor
meermalen belangrijke, zeldzame of nieuwe exemplaren. Evenzoo
het onderzoek van opgezamelden afval, zoogen. quisquiliae op lage
vochtige gronden. Onlangs ontving hij daardoor uit de omstreken
van Breda, van ons geacht medelid Bosscha, behalve de Erigone
quisquiliarum Westr., een drietal zeldzame en twee nieuwe soorten
uit de geslachten Zinyphia en Walckenuera.
Met betrekking tot den vangtiyd en de levenswijze der
Erigonini valt nog op te merken, dat zij, — met uitzondering der
Linyphini en eenige anderen, — geen beminnaren van de warmte
zijn, zooals de meeste spinnen; zij worden integendeel voornamelijk
gevonden in het vroege voorjaar en het late najaar. Hiermede in
rechtstreeksch verband staat de waarneming, dat zij in onze Oost-
Indiën niet schijnen voor te komen. In het groote werk van Thorell
« Studi sui Ragni Malesi» wordt er geen melding van gemaakt.
Daarentegen brachten de meeste Poolreizigers, die er werk van
maakten, juist van deze micro’s eenige soorten , vooral door Thorell
1) Neriéne (Erigone) longipalpis Sund., Neriëne (Erigonoplus E. S.) globipes
L. Koch, Neriéne (Gonatium Menge) bituberculata Wid., Neriéne (Gongylidium
Menge) apicata Blackw., Walckenaera (Peponocranium E. S.) ludicra Cambr. ,
Walckenaera (Prosoponcus E. 8.) frontata Blackw., Walckenaera (Diplocephalus
Bertk.) cristata Blackw., Walckenaera (Tigellinus E. 8.) furcillata Menge, Wale
kenaera (Phalops Menge) acuminata Blackw. en anderen,
VERSLAG XCV
en Cambridge gedetermineerd , uit het Noorden mede. Onlangs bleek
zulks ook aan Spreker, uit de vangst in Noord-Lapland van onzen
wetenschappelijken reiziger Dr. H. ten Kate Jr. (zie Tijdschr. v. Ent.
XXVII. bl. 251).
De heer Groll maakt, ten opzichte van het vinden dezer
kleine spinnen op de rails van spoorwegen, de opmerking, dat zij
deze wellicht minder opzettelijk als woonplaats zullen verkiezen,
maar als zij er toevallig op voorkomen, daar beter gezien en dus
gemakkelijker gevangen kunnen worden.
De heer Everts zegt, dat op de rails ook menige zeldzame
keversoort gevonden wordt; bij den Haag werd b.v. eens up die
wijze een exemplaar van Dorcus parallelopipidus L. gevangen. Hij ge-
looft dat de dieren, als zij door den wind of op andere wijze in
de diepe rails zijn geraakt, moeielijk daaruit weten te komen en
dus als ’t ware in eene val zitten, waar zij des te eer een’ buit
voor den insectenjager kunnen worden.
De heer van Hasselt wijst er op, dat Cambridge een aantal
soorten vermeldt als enkel op rails gevonden, Hij betwijfelt, of
de spinnen, waarvan hij gesproken heeft en die meest allen donker
gekleurd zijn, als zij op het ijzer loopen, wel zoo in ’t oog zullen
vallen. Intusschen heeft het zoeken op rails hem hier nimmer veel
opgeleverd; wellicht zal dit in Engeland anders zijn, althans op
plaatsen, waar de spoorwegen dicht langs bosschen loopen.
De heer Snellen zegt, dat hij voor eenigen tijd van ons
medelid Ritsema eenige kurken ontving, bewoond door larven,
welke als die van Lepidoptera werden herkend. Het is Spreker
gelukt, daaruit de volkomen insecten te kweeken; hij verkreeg
namelijk drie vlinders en twee sluipwespen. De vlinders behooren
tot het Pyraliden-genus Ephestia en komen overeen met voorwerpen
van £. wanthotricha Staud in ’Sprekers collectie. Een nader onder-
zoek heeft het echter zeer waarschijnlijk gemaakt, dat deze soort
XCVI VERSLAG.
nog een ouderen naam heeft, te weten #. ficella Staint. Is dit
werkelijk zoo, dan zal althans eene verbetering der synonymie de
vrucht van deze waarneming zijn. Daar Spreker slechts vijf van
deze bewoonde kurken tot zijne beschikking had, durfde hij er
geene aan een nader onderzoek omtrent de rups wagen. Die van
E. ficella is in Engeland in vijgen, amandelen en kurken ge-
vonden. Een der sluipwespjes is weggevlogen; het andere stelt
Spreker aan den heer Ritsema ter hand '). Hij laat voorts de ge-
kweekte vlinders ter bezichtiging rondgaan, met bijvoeging van
eenige andere soorten van hetzelfde geslacht, t. w. Z. Kühniella
Zell., waarvan de larven in meel leven en die reeds in eene
vroegere vergadering ter sprake werd gebracht ?); #. passulella
Barrett, waarvan Spreker tweemaal een gaven d'in zijne woning
ving, doch die hij, even als Aühniella en met nog meer grond,
voor eene oorspronkelijk exotische soort houdt, daar zij meermalen
door Mr. Piepers van Celebes en Java werd overgezonden; eindelijk
de bij ons meest gewone £. elutella Hbn. Spreker doet opmerken,
hoe sterk deze vier soorten op elkander gelijken en daardoor ver-
warring kan ontstaan tusschen de oorspronkelijk inlandsche soort
en hare drie geïmporteerde verwanten. Hij geeft tevens zijn voor-
nemen te kennen, om over £. Kühntella en aanverwante soorten
een stukje te schrijven, opgeluisterd door teekeningen, die Prof,
van Leeuwen zoo goed is geweest te vervaardigen.
Verder stelt de heer Snellen ter bezichtiging een paar der laatste
afleveringen van het werk over de Nederlandsche insecten van
Sepp, dat altijd nog voortgezet wordt, en wel, sedert den dood
van onzen betreurden Snellen van Vollenhoven, onder redactie van
Mr. Brants en van Spreker. De uitgever, ons medelid Nijhoff, is
bereid bevonden tot het nemen van maatregelen, om het gehalte
der platen te verbeteren, iets waarnaar de redactie met ernst en
1) Uit de omstandigheid, dat er 2 sluipwespen tegen 3 vlinders zijn uitge-
komen, blijkt al weder hoe de natuur zelve. werkzaam is om de vermenigvul-
diging der Ephestia te beperken. Eene sterke uitdrooging der aangetaste kurken
zou overigens een uitmuntend middel zijn tot bestrijding van dit schadelijk
insect.
2) Verslag Zomervergadering te Zutphen op 24 Juli 1880, bl. xx en XXI,
VERSLAG. XCVII
volharding blijft streven, en waarvan de 10 laatste nummers dan
ook wel de duidelijke bewijzen vertoonen. Maar nu roepen uitgever
en redactie ook opnieuw de medewerking in van hunne land-
genooten, om dit werk, eenig in zijne soort en nu reeds sedert
meer dan 125 jaren onafgebroken en met roem voortgezet, verder
te ondersteunen en nader tot zijne voltooiing te brengen. Daartoe
zijn inteekenaars noodig niet alleen, maar ook medewerkers, want
van de ruim 1650 in Nederland waargenomen soorten van Lepi-
doptera, zijn nog slechts 600 in Sepp’s werk opgenomen. Spreker
legt eene lijst en inhoudsopgave over van de afleveringen, nu
reeds onder de redactie Brants en Snellen uitgegeven, en stelt
zich voor die jaarlijks te vervolgen 1).
Nog deelt de heer Snellen mede, dat ons geacht medelid, Pater
Aghina, vroeger te Huissen, thans te Schiedam werkzaam, van
een’ collega, Pater Jansen, die naar Curacao is vertrokken, op
zijn verzoek eene collectie Lepidoptera van dat eiland ontving. Die
collectie zou de eerste zijn van verdere bezendingen, welke Pater
Aghina zich voorstelde wetenschappelijk te bewerken; doch zijne
overplaatsing naar Schiedam, waar hij een zeer uitgebreiden en
drukken werkkring heeft, zonder hulpmiddelen tot studie, ver-
hinderde hem zijn plan ten uitvoer te brengen en deed ook voor-
loopig verdere toezendingen ophouden, zoodat hij eindelijk aan
Spreker voorstelde, zich met die taak te belasten.
Curacao is niet groot en heett niet ten onrechte den naam van
een dor en droog eiland te zijn. Toch kan de vlinder-fauna daar
niet arm genoemd worden, want reeds deze eene bezending bevat
1) Lijst der in het werk van Sepp behandelde Lepidoptera, onder redactie
van de heeren Brants en Snellen.
Tweede serie, deel IV (xm).
No. 19. Cucullia Asteris W..V.... door Mr. A. Brants.
» 20. Lithosia muscerda Hufn. . . , Dr. J. van Leeuwen.
n 21. Cidaria ocellata L...... È denzelfden.
a 22 viridaria Habre. ho «iy denzelfden.
„ 23en24. Boarmiaroboraria W.V. , Mr. E. A. de Roo van Westmaas.
n 25. Nola centonalis Hbn. . . .. » Dr. J. van Leeuwen.
7026: HadenaysadvenaW.. Vin denzelfden.
» 27. Psoricoptera gibbosella Zell. , Mr. E. A. de Roo van Westmaas.
» 28, Gelechia proximella Hbn. . „ denzelfden.
XCVIII VERSLAG,
ruim 50 soorten van Rhopalocera, en zeer waarschijnlijk zou
een voortgezet onderzoek nog heel wat meer kunnen opleveren.
Vergelijkt men hiermede de dagvlinder-fauna van het zooveel
grootere Nederland, waar, na een 50-jarig onderzoek op vele
punten door ijverige waarnemers, niet meer dan 77 soorten van
Rhopalocera konden worden gevonden, dan is Curacao stellig veel
rijker aan vlinders dan men dit zou hebben verwacht. Spreker
houdt zich bezig met de determinatie, die althans bij de dag-
vlinders nog geen nieuwe soorten heeft aan het licht gebracht,
maar wel eenige merkwaardige locale afwijkingen. Over ’t geheel
komt er de dagvlinder-fauna overeen met die van het tegenover
Curacao liggende Venezuela. Hij stelt zich voor, over deze Lepi-
doptera een stukje in het Tijdschrift te schrijven, ten einde
zooveel mogelijk voor de wetenschap partij te trekken van de
werkzaamheid der beide genoemde Entomologen. Tevens laat hij
een gedeelte der reeds door hem behandelde vlinders rondgaan en
wijst daarbij op verschillende bijzonderheden, onder anderen hoe
dezelfde type van kleur en teekening zich soms bij in bouw en
generieke kenmerken ver uiteenloopende : soorten herhaalt, iets
wat men heeft pogen te verklaren door zoogenaamde « mimicry»,
doch, naar zijne meening, ten eenenmale onvoldoende. Ook
vestigt hij de aandacht op het buitengemeen groote aantal soor-
ten, waardoor sommige, in de oude wereld niet of nauwelijks
vertegenwoordigde familien van dagvlinders in tropisch Amerika
zich onderscheiden, b. v. de Heliconina, meer dan 700 soorten ;
de Erycina ruim 700 (in de overige gedeelten der aarde nog geen
60); het genus 7hecla ruim 625 soorten, enz. Hij uit te dezer
gelegenheid den wensch, dat de wetenschappelijke expeditie,
onlangs van Leiden uit naar Curacao en Suriname vertrokken,
ook op entomologisch gebied rijke vruchten moge afwerpen.
Ten slotte laat de heer Snellen rondgaan eene verhandeling van
Dr. Arnold Pagenstecher te Wiesbaden, getiteld: « Beiträge zur
Lepidopteren-Fauna von Amboina», die het licht heeft gezien in
de Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde, Jahre.
XXXVII (1884). Hij ontving daarvan een exemplaar ten geschenke
VERSTLAG XCIX
van den Schrijver, en heeft de verschijning dezer «Beiträge» met
groote voldoening begroet, niet alleen omdat zij de fauna betreflen
van een eiland, dat tot de Nederlandsche bezittingen behoort,
maar vooral om de degelijke wijze van bewerking. In dat opzicht
toch zijn zij, die zich met de studie yan exotische Lepidoptera
bezig houden, niet verwend. Oppervlakkigheid, dorheid, de meest
onkritische jachtmakerij op «mihi’s» zijn in de laatste 20 jaren
de hoofdgebreken van de zeer vele opstellen, die over dit studievak
het licht zagen. Instede van zulk eene onwetenschappelijke wijze
van behandeling te volgen, tracht Dr. Pagenstecher ons door eene
vrij uitvoerige beschrijving van het eiland Amboina eerst eene
duidelijke voorstelling te geven van de plaats waar verzameld werd,
Vervolgens somt hij de literatuur op, voor de kennis van het
eiland van belang, waarbij de Nederlandsche volstrekt niet ver-
geten is, en deelt Wallace’s beschouwingen mede over den aard
der fauna, zoowel van Amboina als van de omliggende landen.
Wij mogen hier niet uit het oog verliezen, dat genoemde Engel-
sche reiziger, volgens het oordeel van wetenschappelijke mannen,
die lang in Nederlandsch Indie hebben vertoefd, menigmaal zijne
verbeeldingskracht te veel den teugel heeft gevierd en te vlug is
geweest in het maken van gevolgtrekkingen. Eene strenge afschei-
ding van een Indisch, een Indo-Maleisch en een Maleisch-Australisch
gebied kan althans niet meer volgehouden worden; gedurig komen
feiten aan het licht, die de overgangen geleidelijker maken. Als
eene kleine bijdrage daartoe kan alweder dienen, dat ook het
Pieriden-genus Thestias op Celebes, — waar het eigenlijk niet
mocht voorkomen, — is ontdekt, en dat de tot dusver alleen van
Nieuw Guinea bekende Cathaemia Gabia Boisd., — ook al ten
onrechte, — op Java blijkt te wonen; een en ander blijkens
waarnemingen, welke wij aan Mr. Piepers te danken hebben.
Om terug te keeren tot het werk van Dr. Pagenstecher, deze
geeft, na de vermelde inleiding, uitvoerig de bronnen aan voor de
kennis der Moluksche Lepidoptera, en vervolgens de lijst van door
hem en anderen van Amboina ontvangen vlinders. Volgens eene
latere mededeeling van den Schrijver kan die lijst nog worden
Cc VERSLAG.
aangevuld met de volgende Pyraliden: Botys dissipatalis Led. ,
adipalis Led., gratalis Led. en abnegatalis Led., Polythlipta
macralis Led. en ossealis Led.
De soortsnamen zijn van de noodige citaten voorzien en van
vergelijkende opmerkingen over de Amboineesche exemplaren, wat
hoogelijk te prijzen is. Alleen op deze wijze kan langzamerhand
onze kennis der soorten volkomen worden, niet door het zooveel
mogelijk fabriceeren van novae species, waarbij de verschillen
overdreven voorgesteld en de punten van overeenkomst met andere
soorten verzwegen worden. Jammer dat niet van alle door Dr. Pagen-
stecher beschreven nieuwe soorten eene afbeelding is gegeven; voor
exotische insecten is dit volstrekt noodig.
Aan het slot komt eene zeer uitgewerkte tabel tot vergelijking
van de vlinder-fauna van Amboina met die der omliggende grootere
en kleinere eilanden; zelfs strekt zij zich uit over de vlinder-fauna
der geheele aarde. Wij mogen het geschrift van Dr. Pagenstecher
als eene belangrijke aanwinst voor de Lepidopterologische literatuur
beschouwen.
De hierboven vermelde mededeeling over het genus Zphestia lokte
eene vraag uit van den heer Lodeesen, of de heer Snellen de
vroeger in dat geslacht geplaatste /nterpunetella Hbn. nog altijd
als generiek verschillend bleef aanmerken. Hierop gaf de laatste
een bevestigend antwoord.
Naar aanleiding van hetgeen de heer Snellen gezegd heeft over
het werk van Sepp, merkt Dr. Veth op, dat er enkele Entomo-
logen zijn, die weinig waarde hechten aan gekweekte Lepidoptera,
omdat eene kweeking in huis, steeds min of meer kunstmatig
zijnde, de soorten doet ontaarden en dus tot verkeerde gevolgtrek-
kingen aanleiding kan geven. Als een voorbeeld van deze opvatting
haalt hij den heer A. von Homeyer aan, die eene collectie bezit
van wel 50.000 Lepidoptera, enkel tot de Europeesche fauna be-
hoorende en uitsluitend uit in de vrije natuur gevangen exemplaren
bestaande. Het hoofddoel van deze uitgebreide verzameling , waarin
VERSLAG. CI
van sommige soorten een groot aantal exemplaren maar uit onder-
scheidene streken voorkomen, is om de verschillende locale en
andere varieteiten te bestudeeren. Om dat doel te bereiken, ver-
werpt de heer von Homeyer alle exemplaren, die uit de rups ge-
kweekt zijn.
Mr. Brants kan niet toegeven, dat gekweekte exemplaren voor
de wetenschap minder waarde zouden hebben, daar toch de eerste
zorg van een degelijk kweeker moet zijn, — ook om zijne kwee-
kerij niet te zien mislukken, — dat hij zooveel mogelijk aan de
natuurlijke voorwaarden voor het leven der insecten voldoet; en
mocht nu al het een of ander gewijzigd worden, b. v. de tijd van
het verschijnen der volkomen insecten, dan zal toch zeker een
getrouw relaas der waarnemingen zulke afwijkingen in het licht
stellen.
De heer Ritsema deelt in de eerste plaats mede, dat de larve,
in 1831 door M. Perty in zijne Observationes nonnullae in Coleo-
plera Indiae orientalis beschreven en afgebeeld (p. 43; fig. 8 en 9),
volgens mondelinge verzekering van den heer A. Sidney Olliff,
de larve van eene Episcapha-soort (fam. Erotylidae) zou zijn.
Exemplaren van deze larve en van twee Episcapha-soorten (E. qua-
drimaculata Wied. en glabra Wied.) uit het Leidsch Museum wor-
den ter bezichtiging gegeven, en tevens op de wenschelijkheid ge-
wezen van meerdere bevestiging van deze bijeenvoeging. Hoewel
de genoemde larve in vele bezendingen van Java en Sumatra voor-
komt, ontbreekt tot dusver alle aanwijzing omtrent de plaats van
oponthoud, metamorphose enz.
In de tweede plaats laat de heer Ritsema ter bezichtiging rond-
gaan de tot heden bekende soorten (drie in getal) van het prach-
tige Buprestiden-genus Calodema, en wel C. regalis Casteln. (=
Kirbyi Hope) van Nieuwholland, C. Wallacei H. Deyr. (= Johannae
Voll.) van Nieuw Guinea, Waigeoe en Salawatti, en de eerst on-
langs door Ribbe op de Aru-eilanden ontdekte ©. Zeibbei v. d. Poll
(Notes Leyd. Mus. VII p. 31, pl. 3 fig. 5). Omtrent de tweede
CII VERSLAG.
der genoemde soorten doet hij opmerken, dat het zeer wel mogelijk
is, dat de beschrijving van Snellen van Vollenhoven vóór die van
Deyrolle het licht heeft gezien, doch de inrichting van het 7d-
schrift voor Entomologie, waarbij de dagteekening van het ver-
schijnen der afleveringen niet wordt vermeld, maakt het onderzoek
naar deze prioriteit moeielijk 1).
In de derde plaats wijst dezelfde Spreker er op, hoe onnauw-
keurig soms door Entomologen voor hunne collega’s wordt ge-
determineerd. In deel XIV der Annali del Museo civico di storia
naturale di Genova (p. 566) gaf ons buitenlandsch lid, de heer
René Oberthür, aanteekeningen over een 10-tal Coleoptera-soorten
van de Sangir-eilanden. Van al deze soorten bezit het Leidsche
Museum een of meer voorwerpen, hetzij van de reis van von
Rosenberg, hetzij van de heeren van Lansberge en Oberthir
afkomstig. Daaronder bevinden zich drie boktorren, die door James
Thomson gedetermineerd waren, doch verre van juist:
1°. De als Batocera Fabrieii Thoms. aangeduide soort is B.
Bruynii Lansb., hetgeen gebleken is uit exemplaren, van de
heeren van Lansberge en Oberthür ontvangen. B. Fabrieu Thoms.
is eene soort, die op Java en Sumatra thuis behoort en die,
gelijk Spreker in de Notes from the Leyd. Mus. (vol. II p. 10)
heeft aangetoond, 5. guttata Voll. moet heeten.
2°. De als Abatocera leonina Thoms. gedetermineerde soort is
Batocera vrregularis Voll., blijkens een exemplaar, van den heer
1) Calodema Johannae werd door Snellen van Vollenhoven beschreven in het
Tijdschrift voor Entom. dl. VIII (jaarg. 1864/65) blz. 61; die beschrijving
kwam voor in de gecombineerde le en 2e aflevering van gemelden jaargang,
en werd, als bevattende ook het verslag der zomervergadering van 30 Juli
1864, stellig nog in den loop van het jaar 1864 uitgegeven. Deyrolle beschreef
C. Wallacei in deel VIJL van de Annales de la Soc. Ent. de Belgique, en ofschoon
dat deel der Annales den jaargang 1864 omvat, heeft het eerst in 1865 het
licht gezien. Dit laatste blijkt o. a. daaruit, dat ook deel IX (jaarg. 1865) der
Annales eerst in het daarop volgende jaar 1866 verscheen: zie b. v. aldaar
p. 49 het medegedeelde omtrent Lederer’s reis, die blijkens brieven van dezen
aan den heer Snellen, in 1865 plaats had en waarvan de resultaten dus eerst
later konden worden openbaar. gemaakt; zie ook aldaar p. 37 het stuk van
Lallemant, dat gedagteekend is , April 1866” en een naschrift heeft van
9 Juli 1866,
VERSLAG. CIII
Oberthür afkomstig en de typen in het Leidsch Museum. Beide
soorten komen in Noord Celebes en op de Sangir-eilanden voor.
3°. De als Apriona punctatissima Kaup aangeduide soort behoort
stellig daartoe, maar is volstrekt niet dezelfde als die, welke door
Thomson als Apriona tigris beschreven is en die op Java en
Sumatra gevonden wordt.
Tot staving van het aangevoerde worden authentieke exemplaren
ter bezichtiging gesteld.
—
De heer van der Wulp deelt in de eerste plaats aan de
aanwezigen eenige exemplaren rond van de belangrijke verhande-
ling over nuttige en schadelijke vogels en insecten, door ons
geacht medelid, Dr. M. C. VerLoren in den afgeloopen zomer op
het Landhuishoudkundig Congres te Amersfoort voorgedragen. Die
exemplaren waren hem door den Schrijver met dat doel toege-
zonden, en onder anderen een er van bestemd voor de boekerij
der Vereeniging. Met veel erkentelijkheid jegens den gever wordt
dit geschenk door allen aanvaard.
Verder komt de heer van der Wulp nog eens terug op de
Tsetse-vlieg, waarover hij ook in de vorige wintervergadering
heeft gesproken en later iets meer uitvoerig in een stukje in het
Tijdschrift heeft gehandeld !). Hij opperde toen reeds twijfel, of
er in de verhalen der reizigers in Afrika omtrent de doodende
eigenschappen van deze vlieg niet eenige overdrijving zou kunnen
heerschen. Vooral stuitte hij op het bezwaar, dat het steken der
Tsetse op sommige dieren, als paarden en runderen, eene doode-
lijke uitwerking zou hebben, en daarentegen bij anderen en ook
bij den mensch niet meer te vreezen zou zijn dan het steken
van onze Culex- en Tabanus-soorten.
Bij nader onderzoek, vooral ook na een gesprek over dit onder-
werp met den Baron Osten Sacken, bij gelegenheid dat Spreker
van dezen een zeer gewaardeerd bezoek ontving, is meer en meer
1) Zie Verslag Wintervergadering 13 Januari 1884, blz. xct en Tijdschr. v,
Lntom. XXVII. blz. 143,
CIV VERSLAG.
de gegrondheid van dien twijfel aan het licht gekomen. Dat ook
anderen met reden niet aan de vergiftige eigenschap der beruchte
vlieg gelooven, blijkt o. a. uit het volgende:
1°. Reeds in deel V van Newman's Entomologist (1870/71) is
op p. 217 een uittreksel gegeven uit een Zuid-Afrikaansch nieuws-
blad «Natal Mercury» van 31 Mei 1870, waarin het verslag
voorkomt van eene zitting der «Nat. History Association of Natal ».
In die vergadering hield de heer S. Vincent Enskine eene voor-
dracht over de Tsetse, waarin hij de algemeen verspreide verhalen
omtrent de schadelijkheid dezer vlieg, als louter op een vooroordeel
gegrond, bestrijdt en Livingstone’s beweringen scherp kritiseert.
Den dood van diens vee schrijft hij toe aan verandering van
voedsel en aan het klimaat (change of grass and climate). — In
hetzelfde deel van den Mutomologist wordt wel is waar door E. C.
Burton de gewone meening omtrent de schadelijkheid der Tsetse
volgehouden, doch op p. 289 aangetoond, dat hiermede niets
bewezen wordt, wijl Burton’s wederlegging slechts eene bloote
herhaling bevat van vroeger geuite meeningen.
2°. In de Sitzungsberichte der Gesellschaft von naturforschenden
Freunde in Berlin, XIX (1877) p. 205 en 206, beweert de heer
Hartman ten stelligste, dat in den omtrek van den Victoria-val
der Zambesi en in Loango de Tsetse-vlieg wel voorkomt , zonder
dat een enkel geval bekend is, dat huisdieren door haren steek
zijn gedood.
3°. De bekende Afrika-reiziger Marno bespreekt insgelijks deze
zaak (volgens Petermann’s Mittheilungen 1873, XIX, Heft VIT,
p. 246). Door de inlanders, zegt hij, wordt de groote sterfte van
het vee gedurende den zomer gewoonlijk toegeschreven aan eene
vlieg, die zij «surreta» noemen, en waarmede wel de Tsetse zal
worden bedoeld. Op zijn verlangen, om hem de vlieg te toonen,
werden hem de meest verschillende soorten en o. a. Tabanus
gebracht. Hij houdt het er daarom voor, dat de genoemde
«surreta» ’tzij onschadelijk is of wel hoogstens de nadeelige
invloeden vermeerdert, welke in Afrika in sommige jaargetijden
verderfelijk voor het vee kunnen worden.
VERSLAG. CV
4°. Eindelijk is in het Journal de Genève van 3 December 1883
een opstel geplaatst over de Tsetse, berichten bevattende van zeke-
ren heer H. F. Gros, die vele jaren in Zuid-Afrika heeft gewoond.
Ook deze houdt vol, dat het geloof aan de schadelijkheid der Tsetse
niets dan een vooroordeel is. Hij zelf verloor, in eene ongezonde
streek beoosten Transvaal, een span van 12 ossen. Zijne negers
beweerden aanstonds, dat de Tsetse den dood dezer dieren had
veroorzaakt, maar waren geheel verstomd, toen hun werd aange-
toond, dat de vlieg daar in den geheelen omtrek niet voorkomt.
De heer Gros schrijft zeer bepaald de sterfte toe aan klima-
tische invloeden of aan uit den grond opstijgende miasmen,
waarvan de mensch, bij zijne opgerichte houding, minder te
lijden heeft.
Alles te zamen genomen, is Spreker het met den heer Osten
Sacken eens, dat, al is ook de oorzaak van de sterfte onder het
vee in Afrika niet volkomen duidelijk, die oorzaak toch zeker niet
en althans niet uitsluitend kan gelegen zijn in het steken der
Tsetse-vliegen. Deze zijn hoogstwaarschijnlijk niet giftiger dan onze
Europeesche bloedzuigende muggen en vliegen.
De heer Veth zal niet beweren, dat de Tsetse op zich zelve
zoo vergiftig is, maar toch acht hij het niet onmogelijk, dat wel
eens door haar, even als door andere stekende en bloedzuigende
insecten, hoogst vergiftige smetstoffen in het bloed worden over-
gebracht; hij meent dat daarvan in ons gematigd klimaat wel voor-
beelden zijn, en dat onder anderen in de Alpen, door het steken eener
vlieg, het miltvuur van het eene rund op het andere werd over-
geplant.
De heer van der Wulp geeft toe, dat zulk eene overplanting
van smetstoffen zeer tot de mogelijkheden behoort, en zelfs door
bijkomende omstandigheden doodelijk zou kunnen worden; maar
dan staat hiermede de Tsetse in Afrika nog slechts gelijk met onze
Tabaniden en dergelijken, door wier steken hetzelfde kan gebeuren,
met dit onderscheid wellicht, dat het tropische klimaat de daardoor
ontstane schadelijke invloeden nog gevaarlijker maakt.
CVI VERSLAG.
De heer van Hasselt zegt, dat hij bij het lezen der verhalen
van de doodende eigenschappen der Tsetse, steeds aan overdrijving
heeft gedacht. Niet zonder voldoening verneemt hij nu, dat zijne
meening ook door anderen gedeeld wordt, en er eigenlijk alle reden
is voor de veronderstelling, dat de zoo gevreesde Tsetse inderdaad
niet veel gevaarlijker is te achten dan onze gewone bloedzuigende
insecten.
De heer Everts deelt een en ander mede over de inlandsche
Necrophorus-soorten. Alle midden-Europeesche soorten komen ook
in Nederland voor. Het geslacht Necrophorus wordt verdeeld in ge-
heel zwarte en in rood gevlekte soorten. Van de eerstgenoemden
zijn er slechts twee: 1° N. Germanicus L., met eene geheel zwarte
sprietknots, de achterschenen met een sterk gedoornd gedeelte
aan het uiteinde en den omgeslagen randzoom der dekschilden
rood; zij komt op groote zoogdierkrengen voor; en 2°. N. humator
Goeze, met de sprietknots, behalve het eerste lid rood; de achter-
schenen zonder sterk gedoornd gedeelte en de dekschilden geheel
zwart; gemeen op vogelkrengen. — Van de gevlekte soorten kan
in de eerste plaats worden afgezonderd N. Vespillo L., wier achter-
schenen gekromd en de trochanters der achterpooten in een langen
priemvormigen doorn uitgetrokken zijn; gemeen op zoogdierkrengen.
Van de overige soorten, allen met rechte achterschenen , heeft men
vooreerst N. mortuorum F. (vespilloides Hrbst), met geheel zwarte
sprietknots; gemeen op vogelkrengen. Al de anderen hebben de
sprietknots, met uitzondering van het eerste lid, roodgeel. Daartoe
behoort: N. vestigator Herschel, waarvan het halsschild aan de
voorzijde aanmerkelijk breeder is dan aan de basis en tevens langs
den geheelen omtrek behaard; bij de verdere soorten is het hals-
schild aan de voorzijde slechts iets breeder dan aan de basis. Het
pygidium zoowel als het propygidium is geel behaard bij N. inter-
ruptus Steph. (= fossor Er.), met de varieteit gallicus Duval, bij
welke de trochanters der achterpooten sterk gekromd zijn. Daaren-
tegen is alleen het pygidium geel behaard en het propygidium
zwart behaard bij N. ruspator Er. (investigator Zett.), bij welke
VERSLAG. CVIL
bovendien de voorste zwarte dwarsband der dekschilden niet over
den omgeslagen randzoom grijpt. Mannetjes van deze soort met
bijzonder kleinen kop werden door Thomson beschreven als N.
microcephalus. — Eindelijk komt nog in Nederland voor: N. sepultor
Charp. (abrutor Er.), bij welke ook het pygidium zwart behaard is
en de voorste zwarte dwarsband zich ook over den omgeslagen
randzoom der dekschilden voortzet. Deze laatste soort schijnt de
zeldzaamste te zijn; zij werd tot dusver alleen bij Tiel gevangen
door den heer Seipgens en bij Vlissingen door den heer Veth.
Voorwerpen van al deze Necrophorus-soorten worden ter bezich-
tiging rondgegeven.
Voorts laat de heer Everts zien een brokstuk (alleen het abdo-
men met de elytra) van Chlaenius tristis Schall. (holosericeus Fabr.),
door hem tusschen plantenafval bij Loosduinen gevonden. Dit is
het eenige wat van deze soort uit Nederland bekend is; hare aan-
wezigheid in ons land is daardoor geconstateerd, en wellicht zullen
bij ijverig zoeken nog wel betere exemplaren te vinden zijn. Een
gaaf voorwerp uit Herenthals (Belgie), afkomstig van wijlen den
heer Putzeys, is ter vergelijking nevens het brokstuk opgestoken.
Ten vervolge op hetgeen door hem bij eene vroegere gelegenheid
werd medegedeeld 1), laat de heer Everts nog ter inzage rondgaan
de laatst verschenen «Bestimmungstabelle » van den heer Reitter,
waarin de Neerophaga worden behandeld, en waaruit de Leden
zich opnieuw kunnen overtuigen van de verbazende werkkracht
van dezen hoogst verdienstelijken Entomoloog.
Ter voldoening aan het verzoek van den heer Seipgens, die
reeds vroeger de vergadering heeft moeten verlaten, is diens me-
dedeeling door den heer Everts overgenomen. Als zoodanig laat
deze zien een drietal Coleoptera, in koffieboonen voorkomende, en
wel: Araeocerus Coffeae F., welke daarin schromelijke verwoestingen
aanricht; Thaneroclerus Buqueti Spinola, eene Cleride, die waar-
schijnlijk op eerstgenoemde jacht maakt; en Alphitobius maurita-
1) Verslag Wintervergad. te Leiden 14 Januari 1883, blz. CXLvI.
CVIII VERSLAG.
nieus F., wier levenswijze met die van Tenebrio inolitor L. moet
overeenstemmen.
De wetenschappelijke mededeelingen hiermede afgeloopen zijnde,
betuigt de Voorzitter den dank der vergadering aan de verschillende
Sprekers en sluit daarop deze bijeenkomst.
BAS ROLLER LRO SEN.
VAN
VIER NIEUWE SOORTEN
VAN
OOST-INDISCHE HETEROCERA
DOOR
P. C. T. SNELLEN,
met afbeeldingen
DOOR
Dr. J. VAN LEEUWEN Jr.
Pl. 4, fig. 1—4.
Teinopyga haemacta nov. spec. (Pl. 1, fig. 1).
Door Felder is in de Lepidoptera der Novara-keise II, 2. pl. 106,
fig. 18, een vlinder afgebeeld onder den naam van Teinopyga
reticularis, welken men op het eerste gezicht voor eene Noctuine
uit de verwantschap van Aanthodes zou houden, doch die, volgens
den Index op genoemd werk, door Rogenhofer vervaardigd, aan
de Haliadea is verwant. Ik had gelegenheid in het vorige jaar een
exemplaar te onderzoeken en de juistheid van deze opgave be-
vestigd te zien. Het geheel der kenmerken verwijst reticularis tot
de genoemde subfamilie der Lithosina. Een synoniem dezer soort
is Sinna Fentoni Butler, Trans. of the London Entom. Society
A904, 8.
bo
BESCHRIJVING VAN VIER NIEUWE SOORTEN
Eene tweede soort van hetzelfde genus heb ik van Java en
Sumatra leeren kennen, en wel in beide sexen. Zij is geheel
gebouwd als reticularis en onderscheidt zich door de levendig
roode teekening der goudgeel en wit gemengde voorvleugels op het
eerste gezicht.
Kop vrij klein, als bij Chloéophora bicolorana, maar minder
ingetrokken; hij is glad beschubd, afgerond, wit gekleurd. Palpen
smal, glad beschubd, lid 2 voor den kop heen gebogen,
tot aan den schedel reikende; lid 3 een derde korter dan 2,
verticaal, stomp gepunt; zij zijn wit gekleurd. Zuiger opgerold.
Oogen groot, naakt. Bijoogen aanwezig. Sprieten zoo lang als drie
vijfden der voorvleugels, dun, draadvormig, bij beide sexen
onbehaard; wortellid kort, wit, de schaft bruin. Thorax met zeer
glad gestreken haren en schubben bekleed, wit; twee vlekjes op
den halskraag, twee streepjes op de wortelhelft der schouderdeksels,
eene lijn over het midden van den rug en eene met de spits op
het schildje staande V zijn karmijnrood.
Voorvleugels even als bij Chl. bicolorana door den vorm aan
die der Tortricina herinnerende. Reeds spoedig voorbij den wortel
wijken de voor- en binnenrand sterk uiteen, de eerste is vooral
wat zijne wortelhelft betreft, belangrijk gebogen, verder minder;
de tweede loopt na een schuin wortelvierde, geheel horizontaal.
Achterrand vrij steil, flauw en regelmatig gebogen, zoo lang als
twee derden van den binnen- en als drie vijfden van den voorrand.
Achtervleugels, ook als bij bicolorana, nauwelijks zoo breed als
de voorvleugels, bij het wijfje iets smaller. De beschubbing is
dicht, de franje kort, ongegolfd, de staarthoek der achtervleugels
afgerond, de overige vleugelhoeken zijn duidelijk, de punt der
voorvleugels stomp-rechthoekig.
Voorvleugelgrond een zeer levendig maar dof citroen- (d) of
goud(g)kleurig chromaatgeel dat, vooral’ bij het 9, tot twee derden en
aan de vleugelpunt, sterk met witte plekken is gemengd. Verder
ziet men op den vleugel eene zonderling gevormde, aan turksche
of arabische letters herinnerende roode teekening , die geheel van
de gewone afwijkt en nog bovendien bij de beide sexen verschilt,
VAN OOST-INDISCHE HETEROCERA. 3
ook in kleur (bloedrood bij den 4, meer purperrood bij het 9).
Ik geloof dus beter te doen haar niet te beschrijven, maar naar
de afbeeldingen te verwijzen. Zij bereikt bij het 9 met drie schuine
armen den voorrand en eindigt daar koolzwart. Vleugelpunt met
vier koolzwarte vlekken, waarvan de beide wortelwaartsche bij den
$ tot eene comma-vormige teekening ineenvloeien. Staarthoek met
een zwart streepje langs den achterrand geteekend en daarachter,
zoomede achter de zwarte vlekjes op ader 5 en 8 de overigens
grijswitte franje zwartgrijs.
Achtervleugels met franje iets zijdeglanzig, bij den & bleek
grauwgeel, bij het 9 wit.
Achterlijf grauwwit; bij het 9 de rug geheel, bij den & van
de vier laatste ringen de rugzijde der eerste twee grijs gevlekt,
die der beide laatsten geheel grijs; de buik bij beide sexen aan
het uiteinde zwart. Pooten wit.
Onderzijde der vleugels witgeel (4) of wit (2), het voorste paar
met eene bij het 2 met den voorrand verbonden zwartbruine
middenvlek en vier koolzwarte, kleinere aan de punt even als op
de bovenzijde.
Wat nu het genus betreft, waartoe deze nieuwe soort behoort,
zoo verschillen reticularis en onze haemacta van het genus Marias
door de aanwezigheid van ader 5 der achtervleugels, van alias
door de gladde thoraxbekleeding en den Tortricinen-achtigen vleu-
gelvorm, van Chloéophora door de aanwezige bijoogen en door
het lange, overeindstaande eindlid der palpen, van Kuwestis Led.
door dezelfde kenmerken, buitendien door den vorm der voor=
vleugels, het ontbreken van den schubbentand aan hunnen binnen-
rand en door de teekening. Van Ariola Felder (Ransoneti Felder
van Ceylon, Java, Celebes) verschillen zij mede door de palpen
(bij Lansoneti naar boven verbreed met zeer kort eindlid) en door
de ongesteelde, niet met 5 uit één punt komende aderen 3 en 4
der achtervleugels.
Bij haemacta ontspringt ader 8 der achtervleugels uit een vierde
van den voorrand der middencel en is, evenals bij Ariola Ran-
soneti, de aanhangeel der voorvleugels aanwezig.
4 BESCHRIJVING VAN VIER NIEUWE SOORTEN
Een eigen genus voor deze beide soorten is dus alleszins billijk
en wat den naam daarvoor betreft, zoo heeft wel is waar Walker
er reeds een gevormd (Sirna), doch daar diens meerendeels onzinnig
benoemde en geconstrueerde (Guenée zou zeggen «gecreéerde»)
genera niemand verplichten, evenmin als eeden die men niet bij de
wateren van den Styx, maar bij die der Garonne doet, zoo geef
ik aan Felder’s naam Teinopyga de voorkeur.
Ik merk hier nog op, dat Butler in de Transactions of the
Entom. Society of London 1881 p. 8 eene derde soort van Teino-
pyga heeft beschreven uit Japan, onder den naam clara, die hij
aldus karakteriseert: Voorvleugels geel, met geel netwerk op de
wortelhelft, zonder zwarte vlekken op het puntvierde; achter-
vleugels en achterlijf geheel wit.
West-Java (Mega-Mendoeng), Piepers (d). — Sumatra (Deli)
Hagen (9). Laatstgenoemd exemplaar op ’s Rijks Museum te
Leiden.
Potamophora Schlegelii Snell. (Notes from the Leyden
Museum vol. VI p. 87—89). — (Pl. 1 fig. 2).
Op de aangehaalde plaats is door mij eene nieuwe soort van
Potamophora beschreven en wel zoo uitvoerig mogelijk. Indien ik
op die beschrijving reeds thans weder terugkom, dan is dit
eerstens, omdat ik mijne nieuwe soort ook door eene afbeelding
bekend wensch te maken, waartoe ik in de Notes geene ge-
legenheid had. Het is namelijk mijn gevoelen, dat de bekendmaking
van nieuwe soorten van Lepidoptera, en vooral van exotische, niet
volledig mag worden genoemd zonder eene zoo goed mogelijke,
gekleurde afbeelding. Dit was ook het gevoelen van mannen als
wijlen Zeller, Lederer en Herrich-Schäffer (zie van dien laatsten
de voorrede zijner Sammlung aussereurop. Schmett. ter Band)
en in den laatsten tijd is de heer Oberthür in zijne Htudes Ento-
mologiques Nie Livy. p. 99—102 met nadruk op die noodzakelijkheid
teruggekomen. Ik ben het te dien opzichte geheel met hem eens.
Potamophora Schlegel, op pl. 1 fig. 2 voorgesteld , onderscheidt
VAN OOST-INDISCHE HETEROCERA. 5
zich van de door Cramer vrij ruw afgebeelde, door Guenée goed
beschrevene Manlia en van Amboinensis Felder door de tot twee
derden blauwwitte onderzijde der achtervleugels, van eerstge-
noemde soort bovendien door de smalheid der licht paarsblauwe
achtervleugelstreep, door de hoefijzervormige donkere teekening
op den binnenrand der voorvleugels, gevolgd door eene even breede,
onzuiver gele, bruinzwart beschubde plek verder naar den staart-
hoek en door de vogelkopvormige, niet halvemaanvormige, buiten-
waarts in het midden getande niervlek, die onderaan in de vermelde
gele plek vervloeit. Verder ontbreekt bij den 4 de dikke zwarte
langsstreep in cel 14 der voorvleugels van Marla d en de min
of meer duidelijke donkere dwarslijn over het midden der voor-
vleugels, welke bij de beide sexen dier soort voorkomt. Kop,
palpen, sprieten en thorax, zoomede de naar achteren ver-
donkerde voorvleugels zijn bij Schlegelit vaal, bruinachtig grauw;
uit de punt der laatsten komt eene zigzagvormige roestkleurige
streep, die tegen den achterrand zwart is gezoomd, bij den d bijna
den binnenrand bereikt, maar bij het 9 reeds op de hoogte van
ader 6 verdwijnt. De omtrek der vuil leemgeel gekleurde gewone
vlekken is zwart, onder en boven open, en vóór de ronde ziet
men aan den voorrand het tweemaal getande zwarte , wortelwaarts
geel afgezette begin der eerste dwarslijn.
De achtervleugels zijn tot over de helft bruingrijs, op de aderen
streperig donkerder, vervolgens zwartbruin met eene smalle , wortel-
waarts ingesnedene, franjewaarts onduidelijk getande, bij beide
sexen eveneens gebogene licht paarsblauwe dwarsstreep , die van
den voorrand tot ongeveer de helft van den vleugel loopt. Aan
den binnenrand, bij de afscheiding der lichtere wortelhelft , ziet
men een bruingeel gedeeld zwart vlekje, en cel de is tegen den
achterrand bruingeel, zwart gestreept, met eenige aschgrauwe
bestuiving aan beide zijden. Franjelijn of aderbeloop nergens
donkerder.
Onderzijde bruingrijs; de voorvleugels op twee derden met eene
hamvormige blauwwitte teekening, die met het dunne eind aan
den voorrand hangt en tot ader 2 reikt; de donkerder achter-
6 BESCHRIJVING VAN VIER NIEUWE SOORTEN
vleugels bijna tot drie vierden blauwwit, eenigszins bruingrijs be-
stoven, vooral bij het 9, en meest langs den voorrand ; de dwarsader,
die de zeer korte middencel sluit, met een bruingrijs streepje ge-
teekend. Langs het blauwwitte wortelgedeelte loopt eene getande
blauwwitte dwarslijn.
De tweede reden waarom ik op Pot. Schlegel terugkom , is
dat ik nog eene nieuwe soort van hetzelfde genus wenschte te
beschrijven en wel de volgende:
Potamaphora Hagenii nov. sp. (Pl. 1 fig. 3.)
Een zeer gave en frissche d van 78 mm. vlucht.
Palpen, kop en thorax grauwbruin, bruiner dan bij Schlegel,
lichter dan bij Manlia. Schedel met een zwart vlekje, dat ook bij
Schlegelii & voorkomt, bij Manlia ontbreekt. Sprieten zwartbruin,
eenkleurig, aan den wortel niet ros zooals bij Manlia. Vleugelvorm
als bij de twee genoemde soorten, de voorvleugels met licht grijs-
bruine wortel- en donkerder tweede helft, beide kleuren zeer
scherp gescheiden door eene vrij dikke, ongebogen, bruinzwarte
dwarslijn, die van twee derden des voorrands naar de helft van den
binnenrand loopt en dus veel schuiner en ongelijk veel duidelijker
is dan bij Marlia. Wortelwaarts van deze lijn ziet men een eenigszins
peervormigen zwartbruinen omtrek op den binnenrand, het breede
gedeelte tegen den voorrand gekeerd, en boven die figuur de be-
ginselen der halve en der eerste gewone dwarslijn, beiden zwart-
bruin, ongetand, het stuk der eerste dwarslijn uitloopende op den
fijnen, bijna cirkelronden zwartbruinen omtrek der ronde vlek.
Daarnaast bevindt zich de omtrek der niervlek, die onder open,
bovenaan puntig is en aan den vorm eener phrygische muts her-
innert; al deze zwartbruine omtrekken zijn roodgeel afgezet.
Voorbij de dikke bruinzwarte dwarslijn is de grond geelbruin
gemengd, met zwarte lijnen op de aderen, eene zwarte franjelijn
en sporen van eene roodgele, wortelwaarts zwartbruin afgezette,
geslingerde dwarslijn nabij de dikke rechte, benevens bruine, gegolfde
dwarsschrapjes in de cellen, Franje bruingrijs.
PJ 5
VAN OOST-INDISCHE HETEROCERA. ue
Achtervleugels gekleurd en geteekend als bij Manlia en Schlegelü ,
maar de achterrand lichter en de paarsblauwe dwarsband geheel
anders, veel grooter, twee derden van de tweede vleugelhelft in-
nemende, ongebogen, wortelwaarts niet ingesneden, franjewaarts
ongetand, dus bijna vierkant van vorm, met stompe hoeken. Ook
is hij scherper begrensd en reikt bijna tot in cel de. Ken roodgeel ,
aan beide zijden dik zwart afgezet vlekje op twee derden van den
binnenrand is klein maar duidelijk, cel 1e echter slechts onbe-
duidend geelbruin getint en zwart gestreept. Franjelijn ook hier
zwart en de franje bruingrijs.
Onderzijde der voorvleugels bruingrijs met de hamvormige ,
blauwwitte, maar iets langer, onder ader 5 smallere en over het
geheel ook veel minder scherp begrensde teekening der beide meer
genoemde soorten. Achtervleugels tot over vier vijfden blauwwit,
het overige bruingrijs maar niet scherp begrensd. Eene onduidelijke
stippenrij en enkele langslijnen op de aderen der tweede vleugel-
helft zijn bruingrijs. Diezelfde kleur hebben ook het lijf en de
pooten.
De generieke kenmerken zijn bij Schlegelii en Hageni zooals bij
Manlia. Zij zijn door Guenée goed beschreven; alleen merk ik nog
op, dat de mannen der drie mij in natura bekende, genoemde
soorten op de onderzijde der achtervleugels, nabij den binnenrand
een grijs haarbosje hebben en dat de pooten ongedoornd zijn.
Sumatra (Deli), Dr. Hagen. Leidsch Museum.
Pinacia pupillalis nov. sp. (Pl. 1, fig. 4 en 44).
In zijne « Zuträge zur Sammlung exotischer Schmetterlinge »
is door Hübner onder den naam Pinacia Molybdaenalis eene vlin-
dersoort op p. 12 beschreven en bij fig. 435, 436 afgebeeld,
welke duidelijk tot de groep van Noctuinen-genera behoort, die
Guenée als afzonderlijke familie Deltoïdes vereenigde, doch die niet
van de overige genera der eerstgenoemde familie kunnen worden
afgescheiden, daar zij gezamenlijk geen enkel kenmerk bezitten,
dat de andere genera missen. Hoewel nu de bedoelde afbeelding
8 BESCHRIJVING VAN VIER NIEUWE SOORTEN
zeer goed kan worden genoemd en de Zuträge een werk van
Hübner is, dat door geen wetenschappelijk Lepidopteroloog, vooral
wanneer hij zich als monograaf eener familie opwerpt, mag
worden geignoreerd, zoo min geheel als ten deele, zoo moeten
wij toch tot onze bevreemding ondervinden dat Guenée deze
Pinacia Molybdaenalis ten eenenmale met stilzwijgen is voorbij
gegaan.
Ik heb haar in het Tédschrift voor Entomologie, deel XX
(1876—77) p. 39 vermeld, bij de opgave der door Mr. Piepers in de
omstreken van Batavia op Java verzamelde Heterocera. Sedert heeft
de heer Piepers Molybdaenalis meermalen overgezonden en heb ik
in « Midden-Sumatra» Lepidoptera p. 49 eene tweede soort van
het genus beschreven onder den naam albolineata. De plaatsing
van laatstgemelde soort in het geslacht Pinacia is echter slechts
voorloopig, want albolineata wijkt door de mannelijke sprieten,
de palpen, de dikkere en lager ontspringende ader 5 der ach-
tervleugels af. In het vorige jaar leerde ik echter eene soort
van Sumatra en Nias kennen, die stellig met Molybdaenalis
in één genus behoort en onbeschreven is. Ik heb van haar drie
mannen en drie wijfjes voor mij, toereikend gaaf om tot de be-
kendmaking te kunnen overgaan.
Viucht: 3 mannen van 34, 37 en 44 mm., 3 wijfjes van 44
en 45 mm.
Oogen naakt, onbewimperd. Bijoogen aanwezig. Voorhoofd vlak,
met eene korte kuif. Zuiger kort, opgerold. Palpen ruim driemaal
zoo lang als de kop, sikkelvormig, plat, kort, fijn en glad behaard ;
lid 2 in het midden zoo breed als de oogen, naar boven smaller,
ook naar onderen, daar het aan de binnenzijde bovenaan iets is
uitgesneden als tot aansluiting bij de voorhoofdskuif. Lid 3 is
korter dan 2, ook smaller, mesvormig, kort gepunt. De kleur der
palpen is op lid 4 en aan de voorzijde van lid 2, naar boven
versmallend, okergeel, verder loodkleurig grijs, lid 3 met oker-
gele spits. Kop kort behaard, ook de thorax en deze zonder
kammen of pluimpjes.
Sprieten bij den ¢ zoo lang als vijf zesden van den voorrand
VAN OOST-INDISCHE HETEROCERA. 9
der voorvleugels, het wortellid zeer klein, de eerste leden van de
schaft, ter lengte van ruim 4 millimeter, ongewapend, vervolgens
met zeer spoedig in lengte toenemende baarden. Deze baarden
zijn ruim 3 millimeter lang en blijven aldus tot zeer nabij de
spits, alwaar zij snel korter worden. De schaft is grauwbruin,
de baarden licht geelbruin. Bij het 9 zijn de sprieten korter,
ongeveer twee derden zoo lang als de voorvleugels, grauwbruin,
haarvormig, bijna naakt.
Vleugels gevormd als bij Molybdaenalis, de achtervleugels van
het 9 aan de punt niet zoo afgerond als bij den d en bij de beide
sexen der verwante soort. Achterrand, ook die der korte franje,
ongegolfd. De voorvleugels zijn eenkleurig loodgrijs, iets glanzig ,
met eene helderwitte, zwart gerande stip even voor de helft der
middencel en twee helderwitte stippen boven elkander op de
dwarsader, die ook zwart gerand zijn; de onderste, grootste, aan
de buitenzijde het breedst. De wortelhelft der franje is iets donkerder
en bruiner dan de vleugel, de tweede helft, zonder scherpe be-
grenzing, iets lichter en geler.
Achtervleugels lichter, helderder en doffer dan de voorvleugels,
vooral bij het 2; zij zijn ongeteekend. Franje gelijk aan die der
voorvleugels.
Onderzijde eenkleurig loodgrijs, ongeteekend, iets bruinachtig
van tint.
Achterlijf langer dan de achtervleugels, bij het wijfje een zesde
en stomp gepunt, bij den d ruim een derde en ook slanker. De
rughelft, ook der staartpluim, is loodgrijs, de buikhelft en de be-
haarde borst bleek grijsgeel.
Pooten dun, met ongedoornde, kort (aan de binnenzijde iets
langer) behaarde schenen, de sporen vrij lang, de middensporen
op de helft. Zij zijn grijsgeel als de tarsen en de binnenzijde der
dijen en schenen, wier buitenzijde loodgrijs is.
Aderstelsels het gewone der Noctuinen, de voorvleugels met
aanhangcel; ader 5 der achtervleugels even dik als de andere
aderen, op een vierde der dwarsader.
Molybdaenalis is kleiner (31—33 mm.), donkerder, meer een-
10 NIEUWE SOORTEN VAN O.-IND. HETEROCERA.
kleurig; de voorvleugels zijn op dezelfde plaats als bij pupillalis |
met drie, maar geheel zwarte stippen geteekend; de geheele franje
is ook donkerder, de staartpluim en buik benevens het midden
der borst en de binnenzijde der dijen okergeel. Verder zijn de spriet-
baarden bij den ¢ bruiner, tegen de spits smaller in lengte af-
nemende.
Sumatra (Deli, Serdang), Hagen; — Nias, Ribbe. — In ’s Rijks
Museum van Natuurlijke historie en in mijne verzameling.
LAGOPTERA BIVIRGATA nov. spec.
DOOR
PONT CSN TL RE EN:
Pl.4, fig. 5 en 5a (d).
Bij het overlezen van Guenée’s nadere beschrijving der algemeen
kenmerken van het genus Lagoptera, stuit men op een paar
onduidelijkheden. In de eerste paragraaf zegt hij: «Enfin, chez la
majeure partie des espèces, on remarque encore sur la nervure
abdominale un rang serré et fort régulier d’autres poils plus longs
et plus fins». Uit de noot onderaan de pagina kan men nu wel
opmaken, dat de onderzijde der achtervleugels bedoeld wordt, doch
Guenée zegt het niet uitdrukkelijk. Ik merk nog op, dat hij hier
met « nervure abdominale» ader 15 der achtervleugels op het oog
heeft, en wat de hem in natura onbekende elegans van der
Hoeven (multicolor Guenée) betreft, waarvan hij in de bovenver-
melde noot zegt: «chez Velegans que je n'ai pas vue en nature,
ces poils seraient encore plus longs et placés sur la surface supé-
rieure de Vaile», zoo heb ik van deze soort een d voor mij, die
door wijlen Mr. Heyligers op Java is gevangen. Bij dit voorwerp
is de beharing der onderzijde van ader 14 ook aanwezig, hoewel
niet zoo in het oogloopend als bij Aonesta en magica, en de
langere beharing van de bovenzijde der achtervleugels bestaat uit
de buitengewoon lange binnenrandsfranje, evenals die bij
Cocytodes caerulea Guen. voorkomt. Dat het overigens geheel
onnoodig is, om ter wille van Cosmodes elegans Donovan van
der Hoeven’s naam te veranderen — er is buitendien ook nog
eene Agrotis elegans Eversmann van 1837, die niet verdoopt
behoeft te worden — behoeft wel geen nader betoog meer,
12 LAGOPTERA BIVIRGATA NOV. SPEC.
De tweede onduidelijkheid, of liever onjuistheid, wordt in de
derde paragraaf gevonden, waar Guenée zegt, dat de mannelijke
vlinders zich in dit genus van de wijfjes onderscheiden door het
verschil in lengte van het eindlid der palpen. Dit geldt nu wel
voor Lag. honesta en dotata, maar niet voor magica, want bij
deze soort is het eindlid der palpen in beide sexen even lang.
Eindelijk moet ik nog opmerken, dat bij versche exemplaren
van dotata Fabr. de lichte dwarsband der achtervleugels inderdaad
lichtblauw is en de beschrijving van Fabricius in de Put. Syst.
HI, 2 p. 55, n°. 153, dus juist mag heeten. Ook is het niet
waar — ten minste niet altijd — dat «les deux sexes sont sem-
blables». Een wijfje in mijne collectie heeft donkere, ongeveer
kastanjebruine, langs den voorrand, vooral in het midden lichtere,
bijna ongeteekende voorvleugels, terwijl op twee mannen de be-
schrijving van Fabricius past. Zij hebben dus bruingrijze voor-
vleugels met, vooral boven de helft, lichter middenveld.
Eene nieuwe soort van het genus is, behalve miniacea Felder,
die aan Aonesta verwant schijnt, de aan het hoofd dezes vermelde
bivirgata, waarvan ik een gave en frissche ¢ van 68 mm. vlucht
voor mij heb. Zij behoort tot Guenée’s tweede groep en mist dus
de langere beharing aan de onderzijde van ader 15. Even als dotata
vertoont zij een lichtblauwen dwarsband der achtervleugels, maar
onderscheidt zich door de twee evenwijdig en beiden zeer schuin
loopende donkerbruine dwarslijnen en het ontbreken van ieder
spoor eener niervlek op de voorvleugels, benevens door de ten
deele sneeuwwitte achtervleugelfranje (zie Pl. 1, fig. 5). Verder is
de beharing van borst en dijen ten deele menierood (bij dotata
grauwgeel). Lid 1 en 2 der palpen (PI. 1, fig. 5a) zijn donker
menierood; lid 3 is bruin met gele spits. een vierde zoo lang als
lid 2. By dotata zijn de palpen geheel geelbruin met gele spits
van lid 3 en dit de helft korter dan bij bivörgata. Sprieten
donkerbruin, draadvormig, fijn bewimperd, ieder lid aan beide
zijden met een langer haar. Schedel donkerbruin met eenige roode
haren. De, evenals bij dotata zeer groote halskraag mede donker-
bruin, de schouderdeksels en rug meer paarsbruin.
LAGOPTERA BIVIRGATA NOV. SPEC. 13
Vleugelvorm als bij dotata, doch de achterrand der voorvleugels
ongegolfd. Grond van deze paarsbruin, iets bleek ; donker koffiebruin
is eenige bestuiving aan den voorrandswortel en eene vrij over-
vloedige tusschen de tweede dwarslijn, den voorrand en eene
donkerbruine, wortelwaarts vervloeide, geheel rechte lijn, die in
het midden (in cel 4) op een’ afstand van 2 millimeter, langs den
achterrand loopt. Achter die lijn is de grond vrij zuiver paars,
iets zwart bestoven achter eene rechte zwartgrijze lijn vóór de
evenzoo gekleurde franjelijn. Franje zwartgrijs, ook langs den
binnenrand, waar zij, van even voor de helft tot aan den staarthoek ,
even lang is als langs den achterrand.
Over het midden van den vleugel loopen twee zwartbruine,
zeer schuine maar ongebogene en geheel evenwijdige dwarslijnen.
De eerste begint bij een vijfde van den voorrand en eindigt bij twee
derden van den binnenrand; de tweede begint bij twee vijfden van
den voorrand, terwijl zij ophoudt bij ader 1, iets boven den staart-
hoek; zij zijn door eene donkerbruine lijn op den binnenrand
verbonden. Bij den vleugelwortel ziet men nog eene halve bruine
dwarslijn, mede schuin en ongebogen. Middenpunt zwartbruin ,
evenals het aderbeloop in meerdere of mindere mate.
Achtervleugels zwartgrijs, met eene smalle, rechte, onderaan
iets omgebogen lichtblauwe middenstreep, die de vleugelranden
echter niet bereikt. Franje zwartgrijs; in cel 4c, de bovenhelft van
4 en in 5—6 sneeuwwit, daartusschen met zwarte deelingslijn.
Onderzijde der vleugels bruingrijs, ongeteekend. Franje ongeveer
als boven. Borst en dijen bruingrijs en menierood behaard, de
schenen en tarsen grauwbruin, de sporen donker grauwgeel. De
schenen zijn ongedoornd, die der achterpooten vrij dik behaard.
Achterlijf als de achtervleugels gekleurd, met flauw paarsen
weerschijn.
Bij dotata loopt de tweede dwarslijn der voorvleugels minder
schuin dan de eerste en is iets gegolfd. Verder bevindt zich op de
plaats der ronde vlek eene grauwbruine stip en is de middenvlek
dubbel. De paarse achterrand is ook breeder, de donkere lijn voor
de franjelijn spits gegolfd, de achterrand van den vleugel mede,
14 LAGOPTERA BIVIRGATA NOV. SPEC.
maar flauwer. Franje langs den binnenrand der voorvleugels veel
korter, die der achtervleugels bleek okergeel, de lichtblauwe mid-
denstreep op de helft gebogen, bij het 9 flauwer.
De bijoogen zijn aanwezig, de oogen naakt en onbewimperd.
Philippijnsche eilanden. Collectie van den heer J. B. Möschler
‘ Kronförstchen bij Bautzen.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES
VERZAMELD DOOR
Mr. M. C. PIEPERS,
met aanteekeningen en beschrijving der nieuwe soorten
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
TWEEDE AFDEELING: HETEROCERA.
Ni
TOR TR EGT NA:
Twaalf soorten dezer familie werden door Mr. Piepers overge-
zonden, van de meesten slechts een enkel exemplaar en geene zoo
gaaf, dat ik de beschrijving — zij zijn allen nieuw — durf wagen.
Vier behooren tot het genus Tortrix Lederer, acht tot Grapholitha;
dit is alles wat ik er voorloopig van kan zeggen.
NL
TINEIN A.
(Pl. 2 en 3).
Genus CHOREGIA Zeller.
(Horae Soc. Ent. Ross. 1877 p. 189).
(Badera Feld. en Rog., Nov. II 2 pl. 139, zonder beschrijving).
Prof. Zeller heeft, 1. c., dit tot de verwantschap van Simaethis
Leach behoorende genus beschreven, waartoe, — behalve vzolacea
Feld. en Rog. (fulgens F. en R., Zell.), iynita Zell. en mijne
Simaethis aurofasciana, Tijds. voor Ent. XVIII (1874—75) p. 74
pl. 6 fig. 7, — ook eenige Oost-Indische soorten behooren. De gene-
rieke kenmerken zijn door Zeller, 1. c. goed opgegeven; alleen
16 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
merk ik nog op, dat de aderen 3 en 4 der achtervleugels kort
gesteeld zijn en dat ik zoo min bijoogen als bijpalpen zie; de
palpen zijn glad beschubd, nog niet ten volle zoo lang als de kop.
Eene der bedoelde Oost-Indische soorten is mijne Simmethis
Pronubana Tijds, XX (1876—77) p. 48 pl. 3 fig. 25, waarmede
misschien synoniem is de in ieder geval tot hetzelfde genus be-
hoorende Badera nobilis Feld. en Rog., Novara II 2 pl. 139
fig. 9. Ik zeg misschien, want de afbeelding toont belangrijke
verschillen, o. a. is de grond der voorvleugels bij »obilis tot twee
derden geheel zwart. vervolgens bruingeel, en vertoont het zwarte
wortelgedeelte eenige lichtblauwe teekeningen en daarachter twee
gebogene, bruingele en lichtblauwe dwarslijnen. Deze laatste twee
lijnen nu ontbreken bij Pronubana;, op hare plaats ziet men slechts
ééne zeer flauwe rechte, iets lichter dan de grond gekleurde lijn,
terwijl de wortelteekeningen, hoewel ongeveer eveneens gevormd,
veel korter zijn en eene goudgroene kleur hebben, eindelijk de
geheele vleugelgrond donker bruingoud is, met een donkerder,
evenals het laatste gedeelte van den vleugel, purper goud bestoven
middenband. Eene beschrijving van Felder’s soort ontbreekt even-
wel, en dus zou het alleen door onderzoek van het origineel der
afbeelding uit te maken zijn, welke waarde aan de opgegeven
verschilpunten moet worden gehecht.
Ik zeide in mijne beschrijving, dat ik van Pronubana vijf exem-
plaren van Java en Gelebes voor mij had. Van deze was alleen
het afgebeelde, Javaansche, gaaf, de andere, allen van Celebes,
waren dit in veel mindere mate, bij één exemplaar ontbreken
zelfs de uiteinden der voorvleugels. Deze minder gunstige toestand
deed mij de, trouwens niet onvermeld geblevene (zie mijne be-
schrijving) verschilpunten, die ik opmerkte, als geene specifieke
beschouwen. Later ontvangene, goede voorwerpen, zoowel van
Celebes als van Java, brachten mij tot het inzicht, dat ik nog
twee verschillende soorten met mijne Pronubana verwarde. Bij de
soort, die dezen naam moet behouden en waartoe het afgebeelde
exemplaar behoort, is de geheele voorvleugel goudbruin, met drie
korte, goudgroene langslijnen aan den wortel — waarvan de
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 17
middenste haakvormig omgebogen is — terwijl de tweede vleugel-
helft donker purpergoud is bestoven zonder zwarte langslijnen.
Verder is de voorrand der achtervleugels, behalve aan de punt,
geel gekleurd.
De beide andere soorten onderscheiden zich door dikkere, meer
vervloeide groene wortellijnen, in alle cellen zwartbruin gestreepte
tweede voorvleugelhelft, benevens zwarten voorrand der achter-
vleugels (Sériana), — of door geheel goudgroenen voorvleugelwortel ,
waarachter men twee geheel loodrechte dwarslijnen, eene groene
en eene dunnere zwarte, ziet, door nauwelijks zwart gestreepte
tweede vleugelhelft en mede door zwarten achtervleugelvoorrand
(Basalis).
1. Striana nov. spec.
Drie exemplaren, twee goede (aan den voorvleugelwortel iets
ontschubde) van 19 mm. en een met stukken van de voorvleugels.
Palpen als bij Pronubana, dun, spits, gebogen, niet langer
dan de kop, goudgroen gekleurd als de schedel. Sprieten als bij
de genoemde soort, maar langer, vier vijfden zoo lang als de
voorrand der voorvleugels; hun vierde vijfde-deel is wit, het
overige zwart (bij Pronubana is slechts het tweede achtste der
laatste spriethelft wit). Thorax grootendeels ontschubd, de schou-
derdeksels goudgroen.
Voorvleugels gevormd als bij Pronubana, maar met iets duide-
lijker punt en schuiner achterrand. Hunne grondkleur is zeer
donker dof turfbruin, op de kleinere, eerste helft met drie, zeer
vervloeide goudgroene langsstrepen en dan met twee dergelijke,
geheel rechte dwarsstrepen, eene op den binnenrand, eene tweede,
spitsere, iets meer achterwaarts, van den voorrand uitgaande;
zij komen beiden slechts tot het midden van den vleugel. Hierop
volgt eene ongeveer een millimeter breede streep der grondkleur;
het overige van den vleugel, door eene donker gouden, rechte,
fijne dwarslijn wortelwaarts zeer scherp begrensd, is in de cellen
zwartbruin, terwijl het aderbeloop met fijne, bruingouden langs-
2
18 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
lijnen is geteekend. Franjelijn zwart, de korte franje grauwbruin.
Achtervleugels den driekanten vorm naderende zooals bij Pro-
nubana, met stompe hoeken en op ader 1e iets ingedrukten
achterrand. Zij zijn okergeel, met smal zwarten voorrand, die aan
de binnenzijde in het midden met een fijnen tand uitsteekt, en
een breed roetzwarten achter- en binnenrand, beiden tweemaal zoo
breed als bij Pronubana, de binnenrand in cel 15 met een kort,
okergeel veegje.
Franje donkergrijs, aan den staarthoek, vooral bij den d', iets
langer.
Onderzijde der voorvleugels eenkleurig zwartbruin, die der
achtervleugels als boven.
Achterlijf bruin, met goudglans. Borst goudgroen. Pooten gewoon
gevormd en gespoord, vrij stevig, glad beschubd, zwart, met
witte ringen om de schenen en tarsen.
Saleijer (Piepers); — Bantimoerong (Ribbe).
2. Basalis nov. spec.
Zes exemplaren van beide sexen, waarbij een paar geheel gave;
16-18 mm. vlucht.
Palpen iets stomper dan bij de andere soorten, wit met zwart
bovenderde. Kop goudgroen. Sprieten violetzwart, glanzig. Van
het laatste vierde is de spits bruingeel, dan volgt een tweemaal
zoo breed zwart gedeelte en een wit wortelvierde. Thorax brons-
goud met groene schubben, de schouderdeksels geheel groen.
Vleugels gevormd als bij Pronubana, dus het voorpaar met meer
rechthoekige punt en steiler achterrand dan bij Sériana. Hun grond
is tot twee vijfden dof, donker grauwbruin met geheel dicht goud-
groen bestoven wortelderde, welke bestuiving franjewaarts recht
en scherp is begrensd. Dan volgt eene geheel rechte, scherpe,
goudgroene dwarslijn, vervolgens eene zwarte, smallere, wortel-
waarts fijn lichtviolet afgezette, terwijl het overige van den vleuge]
donker purpergoud is als bij Pronubana, maar paarser van tint
en tegen den achterrand met enkele fijne zwarte langslijnen in de
cellen. Franjelijn zwart, franje grijs.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 19
Achtervleugels als bij Sériana, maar het okergeel onzuiverder ,
de zwarte voorrand zonder tand en de donkere achter- en binnen-
rand valer. Franje grijs, boven ader 3 vuil bleek okergeel.
Onderzijde, lijf en pooten als bij Sériana.
Bij eene varieteit, waarvan ik twee, juist niet bijzonder frissche
exemplaren voor mij heb (een van Celebes, een van Java), is de
groene voorvleugelwortel meer geelachtig, de tweede helft paarser 3
met vele goudgroene schubben.
Java 4 exemplaren (Batavia, Rembang, Toeban) — Celebes
één (Makassar) — Piepers.
Genus SIMAETHIS Leach.
3. Inscriptana Snell., Zijds. van Ent. XVII (1875) p.
76 pl. 6 fig. 6.
Op den afgebeelden voorvleugel van het 2 is de oranjegele streep
tusschen den grijzen dwarsband en de geslingerde grijze lijn door
den kleurder vergeten. Simaethis Taprobanes Zeller (Horae 1877,
Sep. p. 176 pl. 2 fig. 65) is eene verwante soort van Ceylon, die
zich onderscheidt doordat de dwarsband op een derde der voor-
vleugels oranje en niet grijs is, terwijl ook de donkere lijn op
twee derden gegolfd en niet gebroken is. Ook heeft zij aan beide
zijden eene oranjegele afzetting.
Sedert ving Mr. Piepers op Java eene derde soort, die zich
van /nscriptana onderscheidt doordat de bovenhelft der donkere
lijn op twee derden der voorvleugels slechts rond gebogen, niet
gebroken is en wortelwaarts grijs, maar franjewaarts breeder en
iets onregelmatig oranjegeel is afgezet. Voor den breed oranjegelen
achterrand loopt eene tweemaal gebogene, aan den voorrand ver-
breede dikke zwarte lijn. Ik noem haar Piepersiana.
Bonthain.
4. Albimaculana Snell, 7%jds. van Ent. XVII (1875)
fied? pl...6 he:
Komt ook op Java voor. De witte teekeningen zijn bij den 4
20 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
veel smaller dan bij het 9, vooral op de voorvleugels, welke boven-
dien bij eerstgenoemden eenen dwarsband van lichtgrijze bestuiving
over het midden hebben, die bij het g ontbreekt.
Makassar, een 2.
Genus BURSADELLA Snellen.
(Reize door Midden-Sumatra, Lepidoptera p. 83)
5. Cleis Feld en Rog., Novara II, 2 pl. 130 fig. 22 (Bur-
sada?) — Snell., L c.
De heer Piepers ving op Celebes een’ gaven 4, bij wien de oranje-
gele dwarsband der voorvleugels bijna tweemaal zoo breed is als
die op de aangehaalde afbeelding, daarentegen is de dwarsband
der achtervleugels een weinig smaller.
Op plaat 2 fig. 8—11 vindt men eene afbeelding van het ader-
stelsel, van den kop en van een paar sprietleden.
Makassar.
Genus HAPSIFERA Zeller.
6. Rugosella nov. spec. — PI. 2 fig. 1—4.
Vier vrouwelijke exemplaren van 20—22 mm. vlucht, waarbij
gave.
Naar Herrich-Schäffer’s beschrijving te oordeelen, is deze soort
het naast aan Hapsifera luridella verwant; de vlinder heeft op-
| staande schubben op de voorvleugels, maar ader 7 en 8 van deze
zijn gesteeld, wat dus meer met het genus Huplocamus overeen-
. stemt,
Sprieten een derde zoo lang als de voorvleugels, dun, met drie-
kante leden, naakt, met vrij groot, plat grondstuk. Geen zuiger
of bijoogen. Palpen twee en een half maal zoo lang als de kop,
met lange, uitstaande, ten deele aan het uiteinde schubvormig
verbreede haren ruig bekleed en dus aan die van het genus Och-
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 21
‚enheimeria herinnerende. Ook de kop is bijna als bij dat genus
gevormd, echter niet zoo plat; ook steken de palpen meer snuit-
vormig vooruit. Schedel breed, ruig behaard. Voorvleugels met
duidelijke doch stompe punt en iets schuinen, weinig of niet ge-
bogen achterrand. Aan hunnen wortel bevindt zich eene groote
schubbenkam, op een derde een groepje van eenige kleinere, ter-
wijl van twee derden des voorrands naar den binnenrandshoek eene
iets schuine dwarsrij van vier of vijf stuks loopt en tusschen de
vermelde, ook langs den achterrand, nog verschillende zeer kleine
worden gevonden (fig. 2). Franje uit lange, spatelvormige, aan het
eind zwartbruine schubben bestaande, aan den binnenrandshoek
anderhalfmaal zoo lang als aan de vleugelpunt. Grondkleur van den
vleugel overigens licht schorskleurig bruin; een vlekje aan den
voorrandswortel, een bijna tot de vouw doorloopende schuine
dwarsband op een derde, eene voorrandsstip op twee derden , bene-
vens verstrooide stippen en langsstreepjes tegen den achterrand,
zijn zwartbruin; een met de voorrandsstreep convergeerend bin-
nenrandsstreepje op een vierde lichtbruin. Franje met twee ondui-
delijke donkere deelingslijnen.
Achtervleugels bruingrijs met sterk paarsrooden gloed, glanzig en
met grijze franje, die aan den binnenrandshoek wel een weinig
langer is dan op ader 2, doch nog korter blijft dan de halve vleu-
gelbreedte.
Onderzijde der vleugels in kleur gelijk aan den bovenkant der
achtervleugels, ongeteekend, de franje als boven, die der voorvleu-
gels ongeteekend. Voor de nervuur zie men de afbeelding in fig. 3.
Pooten gewoon gevormd en gespoord, grijsbruin, de achter-
schenen lang behaard.
De man is mij onbekend.
Makassar, Maros. Komt ook op Java voor.
Genus BLABOPHANES Zeller.
7. Trimaculella nov. spec. Pl. 2, fig. 5—7.
Twee mannen van 20 mm. vlucht, de eene bijna geheel gaaf.
Eene echte Blabophanes, met ongesteelde aderen 5 en 6 der
22 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
achtervleugels en de glasvlek der voorvleugels in het midden. Zij
onderscheidt zich zeer van de mij bekende Europeesche en exotische
soorten, door de drie groote witte vlekken, waarmede de donker
roetbruine voorvleugels zijn geteekend; hierdoor herinnert zij aan
Tinea fulvimitrella Sodoffsky.
Sprieten donkerbruin, dik, naakt. Palpen zwart , de spits evenals
de beharing van den kop, sneeuwwit (zie fig. 6). Thorax roetbruin.
Voorvleugels glanzig, de vlekken iets geelachtig wit, de eerste op den
binnenrand, den voorrand niet bereikende, bovenaan afgerond,
onderaan breeder; tweede op de helft van den voorrand, aan dezen
met eenige bruine schubben en, evenals de derde in den binnen-
randshoek, stomp driekant; de buitenrand der voorrandsvlek is
een weinig langer dan de wortelrand en hol. Vleugelpunt met
geelwitte schubben, die geene scherp begrensde vlek maar slechts
een licht wolkje vormen. Franje roetbruin, met eene lichte deelings-
lijn. De glasvlek staat in de spits der voorrandsvlek en is alleen
zichtbaar, wanneer men den vlinder tegen het licht houdt. Achter-
vleugels breed, met afgeronde punt, licht bruingrijs, met paarsen
gloed, tegen den wortel vuil geelwit en daar min of meer door-
schijnend. Franje geelwit.
Onderzijde met flauwen, vetachtigen glans, de grond der
voorvleugels grijsbruin, de vlekken als boven gevormd, doch bijna
okergeel van kleur. Achtervleugels bruinachtig grijs met geelwitte
franje. Pooten bruinwit.
De aderen 3—4 en 9—10 der voorvleugels zijn kort gesteeld ;
ader 7 loopt iets boven de vleugelpunt in den voorrand uit.
Aderen der achtervleugels allen ongesteeld (zie fig. 7).
Bonthain, Makassar.
Genus TINEA L., Zeller.
8. Tapetzella L.
Vier gave exemplaren.
Hoewel de donkere wortelhelft der voorvleugels eene bruine
tint heeft en franjewaarts recht afgesneden is, zonder merkbare
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 23
vervloeiing aan den voorrand, — zoodat de vraag in aanmerking
kon komen of deze voorwerpen niet tot Zinea abruptella Wollaston,
Annals and Mag. of Nat. Hist. Ser. III, 1 p. 120 (1858) van
Madera, behoorden, — zoo is de donkere vlek in de vleugelpunt , die
bij Abruptella moet ontbreken, bij alle 4 de exemplaren duidelijk
aanwezig. De vlinders werden overigens uit eene van Nederland
aangebrachte wollen deken gekweekt.
Makassar.
Genus NEMOTOIS Hübn., Zell.
9. Xanthobasella nov. spec.
Een & van 16 mm. vlucht.
Tot dusverre is mij geene andere exotische soort van dit genus
bekend dan Aurifera Butler (Fasciella Motsch., Bull. de Moscou
4866, p. 39 (non Fabr.). De heer Piepers ontdekte op Celebes
eene tweede, in een exemplaar, dat wel niet gaaf genoeg ter
afbeelding is, doch zeer goed beschreven kan worden, dank zij
eene afwijking in het aderstelsel, die haar zeer kenbaar maakt.
In de voorvleugels ontbreekt namelijk de aanhangcel en de mid-
dencel is overlangs dichtgeknepen, zoodat de aderen 4—7 uit een
langen steel schijnen te komen; daarbij zijn ader 8—9 gesteeld.
Bij de Europeesche soorten hebben hoogstens 7 en 8 een kort steeltje.
Het overige, de bouw van lijf en sprieten benevens de nervuur
der achtervleugels is als bij de Europeesche soorten. Wellicht is ook
het 2 normaal gebouwd.
Sprieten vuilwit, aan den wortel met eenige donkere stippen,
de wortels okergeel als de fijne, korte palpen. Aangezicht blinkend
staalkleurig. Thorax ontschubd. Vleugelvorm zooals bij Faseiella ,
de voorrand der voorvleugels sterker gebogen, de achtervleugels
stomper.
Voorvleugels met franje blinkend donker goud met rooden gloed,
de recht afgesneden wortel en een voorrandsvlekje op twee vijfden
dof, donker okergeel. Achtervleugels en onderzijde bruingrijs met
24 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
goudglans, de franje grijs. Pooten koperkleurig geel, zwartbruin
gevlekt, de achterschenen lang bruingrijs behaard, de sporen lang
en, als de tarsen, dun.
Bonthain.
Genus SETOMORPHA Zeller.
10. Corticinella nov. spec. — Pl. 2 fig. 12—15.
Vijf meerendeels gave exemplaren, 4 mannen van 10—12 mm.,
een wijfje van 16 mm. vlucht.
Ik geloof niet te dwalen, wanneer ik, bij vergelijking met Zeller’s
uitvoerige karakteristiek van het genus Setomorpha in de Miero-
ptera Caffraria p. 93, deze soort tot dit genus reken. Corticinella
onderscheidt zich van Rutella Zell. — naar de beschrijving de
naast verwante — door de donker bruingele grondkleur der voor-
vleugels, die sterk met uit eenigszins ruwe beschubbing bestaande
donker grauwbruine vlekken en stippen bestrooid zijn.
Sprieten geheel draadvormig en naakt, bij den ¢ slechts een
weinig dikker dan bij het 2, bruingeel, zeer flauw donker geringd.
Kop (fig. 13) groot, kogelvormig , weinig kleiner dan de thorax , de sche-
del en het voorhoofd met dikke, afgeronde beschubbing. Oogen groot.
Geene bijoogen of bijpalpen. Zuiger rudimentair. Palpen (fig. 14) rond
gebogen, zoo lang als de kop, met plat middenlid, dat nog smaller
is dan de halve oogen en het mede platgedrukt , weinig smaller doch
iets korter, stomp eindlid. Lid 2 is op zijde en aan het eind met
4—5 stijve zwarte borstelharen gewimperd, overigens vrij glad
beschubd. Beschubbing van kop en palpen donker bruingrijs met
grijsbruine stippen, zoodat het schijnt of elk schubje die kleur
heeft; achter de oogen staan de schubben waaiervormig uit. Thorax
donker bruingeel. Voorvleugels smal, met gebogen voorrand. De,
bij den ¢ iets helderder gekleurde, doch meer door grauwbruine
vlekken en stippen verduisterde, bruingele vleugelgrond vertoont
zich bij deze sexe het zuiverst op de voorrandshelft en wel een
weinig voorbij den wortel, terwijl de donkere teekening aldaar uit
LEPIDOPTERA VAN CELEBES, 25
eene vrij gelijkmatige fijne bestippeling bestaat. De binnenrandshelft
is meer met gewolkte, grootere grijsbruine vlekken bezet en bui-
tendien eenigszins berookt. Franje donkerder en grijzer dan de
vleugel, met enkele zwarte schubben, ook bij het 9, welks licht
leembruine voorvleugels spaarzamer donker zijn geteekend. Ach-
tervleugels geelachtig grijs, de franje een weinig lichter. Op de
onderzijde zijn de voorvleugels donkergrijs, ongeteekend; de ach-
tervleugels als boven, doch iets donkerder. Bij het ? hebben de
voorvleugels 12 aderen, 3 en 4 komen uit één punt, 7—9 loopen
gesteeld in den voorrand uit; achtervleugels met 8 aderen, 3 en
4 afzonderlijk, 5 en 6 gesteeld (zie fig. 15). Bij den d ontbreekt
ader 4 in voor- en achtervleugels.
Pooten vrij lang, gewoon gevormd en gespoord, geelgrijs gekleurd,
de voor- en middenpooten donkerbruin gevlekt, de achterschenen
op den rug lang behaard.
Saleijer, Makassar, Maros.
Genus ATTEVA Moore.
(Oeta Grote, Bull. Buffalo Soc. 1813 p. 93).
(Scintilla Guenée, Ann. Soc. Ent. de France 1879 p. 287).
11. Brucea Moore, Cat. of the Lep. of the East India Comp.
Ip >00 pl, vinnen fies Oy. ple; zur fie, dd. 44a.
Impariguttella (Oeta) Zeller, Horae Soc. Ent. Ross. 1877 p.
222 pl. 3 fig. 77. |
Een zeer gaaf wijfje, dat op de voorvleugels nog eenige vlekjes
minder heeft dan /mpariguttella Zeller en dus veel minder teeke-
ning bezit dan de op Java voorkomende type. Bij het exemplaar
van Celebes vindt men slechts 20 vlekjes, bij de Javanen 32—35.
Men zou ook nog kunnen zeggen, dat de grondkleur der voorvleu-
gels iets donkerder is. Andere verschilpunten vind ik niet; ook
is de plaatsing der witte vlekjes volkomen dezelfde. Zmpariguttella
26 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
Zeller is dus stellig geene andere soort dan Brucea. Zeller maakt
van laatstgenoemde geen gewag; dit wordt waarschijnlijk hierdoor
veroorzaakt, dat Moore deze ontwijfelbare Tineine onder de Litho-
sina had geplaatst en zij dus aan Zeller’s aandacht is ontsnapt.
Het genus is na verwant aan Hyponomeuta. Bij den d zijn de
achtertarsen veel korter en vooral veel dunner dan die der andere
pooten, de achterschenen lang en zijdeachtig wit behaard, onge-
spoord, terwijl de vrouwelijke achterpooten grauw gekleurd en
regelmatig gevormd zijn. Achtervleugels aan den wortel iets dunner
beschubd, doch niet met zulk een scherp begrensd doorschijnend
plekje als bij Hyponomeuta. Verder hebben zij 8 ongesteelde aderen ,
de voorvleugels bezitten er 12 en eene aanhangcel. Ader 2 ont-
springt verder naar achteren dan bij Yyponomeuta. Geene bijoogen.
De genera Scintilla en Syblis Guenée, die hij in zijne boven
aangehaalde zoogenaamde « Etude sur les Yponomeutides» (men kan
moeielijk iets oppervlakkigers bedenken) vormt, zijn synoniem met
Atteva Moore.
Alloe.
Genus TORTRICOMORPHA Felder.
(Sitz. Berichte der Wiener Akad.) XLUI. 1 p. 43 (1861).
In deel XXI (1877—78) van het Tijdschrift voor Entomologie
heb ik eene Tineine onder den specifieken naam 7ransversella
beschreven, die ik tot het genus Cryptophasa bracht. Later is mij
gebleken, dat zij in het genus Tortricomorpha Felder moet worden
geplaatst, dat echter een echt Tineinen-genus is, en niet tot de
Chelonariae of Noctuina behoort, zooals Felder achtereenvolgens
meende. Wellicht verschilt het ook niet genoegzaam van Crypto-
phasa ‘Zeller, doch dit moet ik voorloopig in het midden laten.
Felder beeldt in de «Novara» vier soorten van dit genus af, op
plaat 108. Daarvan heeft Atrosignata fig. 3 een plomperen bouw
en spitsere voorvleugels dan de anderen (d/bofascia fig. 2, Fla-
viceps fig. 4 en Costipuncta fig. 5. Zijne Affinis (Sitz. Berichte)
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 27
beeldt hij niet af en laat ik dus liever buiten beschouwing. Mijne
Transversella benevens nog twee andere nieuwe soorten, die de
heer Piepers op Celebes vond, hebben den slankeren bouw en de
breedere voorvleugels van de drie laatstgenoemde Felder’sche soor-
ten der Novara-reis.
12. Transversella Snellen (Cryptophasa), Tijds. v. Ent.
XXI (1877—78) p. 136, pl. 7, fig. 12—16.
Een gave man, tusschen den type en de varieteit a (I. c.)
in staande. De voorvleugels zijn okergeel, aan den binnenrands-
wortel grijsachtig en even voorbij de helft met eene schuine,
potloodkleurige, franjewaarts vervloeiend breed leemkleurig be-
schaduwde dwarsstreep geteekend.
Balangnipa.
13. Bilineella nov. spec. — Pl. 2, fig. 16, 17.
Vier gave exemplaren (3 mannen, 1 wijfje) van 21—23 mm.
vlucht.
Wat de generieke kenmerken betreft zeer na aan de voorgaande
soort verwant, alleen zijn de palpen een weinig langer , de sprieten
(fig. 17) iets korter behaard en de achterschenen hebben geene
dikke beharing. Het overige is geheel eveneens, ook de nervuur.
Wortel en binnenzijde der palpen, benevens het aangezicht
onderaan, leemgeel, de buitenzijde met het overige van den kop,
de sprieten, thorax en voorvleugels leemkleurig grauwbruin, de
laatsten met twee, iets schuine, okergele dwarslijnen geteekend ,
waarvan de tweede, meer rechtstandige, zeer nabij den achter-
rand staande en iets boven den binnenrandshoek uitloopende,
bovenaan kort gevorkt is. Tusschen deze tweede lijn en de zeer
fijne gele franjelijn is de vleugelgrond donker grijsbruin en langs
de franjelijn met zwarte stippen geteekend. De achtervleugels, de
geheele franje en de bovenzijde des achterlijfs vrij donker grijs.
Onderzijde der vleugels iets lichter en meer bruinachtig dan de
28 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
bovenzijde der achtervleugels, het voorste paar langs den voorrand
en aan de punt, zoomede borst, buik en pooten zeer bleek,
grijsachtig okergeel; de staartspits iets bruinachtig, vooral bij het
wijfje. De twee gele dwarsstrepen van de bovenzijde der voor-
vleugels schijnen flauw door.
Makassar, Bonthain.
14. Niveiciliella nov. spec. — Pl. 2, fig. 18.
Een gaaf mannetje van 18 mm. vlucht.
Eveneens niet generiek van de beide voorgaande soorten te
scheiden , want ofschoon de voorvleugels zichtbaar breeder en
korter zijn dan bij deze en de achtervleugels iets kleiner, bestaat
er overigens in bouw en nervuur geen verschil; de palpen zijn
als bij Transversella , de sprieten gelijk die van Bilineella. Ach-
terschenen met dikke beharing.
Wortel en binnenzijde der palpen, benevens het aangezicht
onderaan geelachtig grijswit, hunne buitenzijde, het overige van
den kop, de sprieten, thorax en voorvleugels bruingrijs, naar het
muisgrauwe trekkende. De snede van den voorrand is onzuiver
wit; een kort, schuin voorrandsstreepje zeer nabij de vleugel-
punt. De geheele franje onder de grijze vleugelpunt helderwit ,
behalve in den staarthoek, waar de franje weder de kleur van
den vleugelgrond heeft.
Achtervleugels donkergrijs. tegen den binnenrand bleeker, diens
franje vuilwit; de achterrandsfranje, van de vleugelpunt uitgaande
eerst donkergrijs, dan witgrijs, aanvankelijk aan de spits, verder
naar den binnenrandshoek bijna geheel. Achterlijf donkergrijs.
Onderzijde der vleugels donkergrijs, tegen den achterrand het
donkerst doch ongeteekend; de binnenrand der voorvleugels wit,
in de donkere grondkleur vervloeiende. Franje als boven. Pooten,
borst en buik onzuiver, bruinachtig geelwit; de staartspits lood-
kleurig grijs. Buitenzijde der pooten grijs bestoven, de dikke
beharing der achterschenen vrij zuiver wit.
Makassar.
LEPIDOPTERA VAN CELÈBES. 29
Genus CERATOPHORA v. Hein.
45. Tricolor Feld. en Rog. (Ypsolophus?), Novara II, 2,
pl. 439, fig. 48. — PL 3, fig. 9, 10, 44.
Felder en Rogenhofer maakten deze soort bekend naar een
palpenloos ? van Batavia; toevallig mist ook het door Mr. Piepers
op Celebes gevonden ¢ die deelen, doch in 1880 ontving ik van
hem een zeer gaven Javaanschen 4, welke mij in staat stelt, het
genus nader te bepalen. Tricolor is volstrekt geen Ypsolophus , want
de palpen (zie fig. 10) zijn sikkelvormig, lid 2 is sterk gebogen,
plat, een weinig smaller dan de oogen, aan de voorzijde niet gegleufd
maar toch niet scherpkantig, eer iets ruw, overigens ruim een
derde langer dan de kop. Lid 3 is een derde korter dan lid 2,
iets smaller, gebogen, plat, spits, aan de voorzijde ook iets ruw,
meer nog aan de achterzijde, herinnerende aan de palpen van
Psoricoptera. Verder ziet men bovenaan lid 2, achter de basis
van lid 3, een dun, lang, rechtopstaand pluimpje dat, evenals
de geheele palpen, zwart is. Bijpalpen ontbreken. Zuiger opge-
rold. Bijoogen aanwezig. Kop glad beschubd, op den schedel iets
dik. Sprietwortel omgekeerd kegelvormig, de schaft dun, gekerfd,
ook bij het @, overigens bij den 4 aan de binnenzijde kort en fijn
behaard (zie fig. 11). Voorvleugels met 12 aderen, zonder aan-
hangcel, ader 2 en 3 gesteeld en gebogen uit den staarthoek ,
4, 5, 6 uit den rechtstandigen achterrand der middencel in dien
des vleugels; 7—8 (lang gesteeld) omvatten de vleugelpunt,
9-11 komen even ver van elkander uit den iets buitenwaarts
gebogen voorrand der middencel. Middencel der achtervleugels iets
breeder en korter dan die der voorvleugels, gesloten en hunne
dwarsader even steil als de andere, ader 5 uit haar midden,
3
binnenrand. Pooten lang, stevig, gewoon en lang gespoord, de
4 evenals 6—7 uit één punt, 2 uit drie vierden van haren
binnensporen langer dan de buitenste; achterschenen bij beide
sexen op den rug iets dik, kort en grof behaard.
Het dier is dus verwant aan de genera Epicortylis en Malaco-
30 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
trichia van Zeller, doch onderscheidt zich van beiden door langer
eind- en korter middenlid der palpen, de scherpere voorvleugel-
punt en nog andere verschilpunten. Veel nader is de verwantschap
met Ceratophora v. Hein., afd. B mihi, zoodat eene plaatsing in
dit genus niet gedwongen gaat.
Het Gelebaansche voorwerp verschilt van den hier afgebeelden
Javaan en van Felder’s 9, door bruin achterlijf en roetzwart punt-
derde der ook overigens vurig oranjegele achtervleugels, terwijl
het achterlijf, bij den 4, ook bij het Feldersche, eveneens van
Java afkomstige stuk, op den rug meer bruinachtig okergeel is.
De pooten zijn zwart, de achterschenen op den rug bleek
okergeel.
In de « Novara» is de afbeelding niet zorgvuldig gemaakt , o. a,
is de vorm der achtervleugels geheel verkeerd. Ik heb dus mijn
geachten viend Brants verzocht eene nieuwe te vervaardigen.
Bonthain.
Genus YPSOLOPHUS Fabr.
16. Bisignellus nov. spec. — Pl. 3, fig. 12 en 13.
Een volkomen gaaf 9 van 20 mm. vlucht.
Ader 2 en 3 der spitsgepunte voorvleugels zijn gesteeld, 6 en
7 der achtervleugels ongesteeld en de baard van lid 2 der palpen
spits, zoodat ik deze soort in het genus FYpsolophus en niet in
Nothris plaats. Zij onderscheidt zich daarin van de bekende Euro-
peesche soorten zeer duidelijk door de twee zwarte vlekken aan
den voorrand der geelachtig grauwe voorvleugels en ook door
hetzelfde van den Afrikaanschen Furvellus Zeller. Van de Ameri-
kaansche soorten zijn de beschrijvingen niet allen voor mij toe-
gankelijk , doch voor zoover ik die kan raadplegen, merk ik geene
bijzondere overeenkomst tusschen haar en Bisignellus op.
Sprieten draadvormig, geelbruin, fijn zwart geringd. Palpen (zie
fig. 13) zeer groot, lid 2 wel twee en een halfmaal zoo lang als de kop ,
buitenwaarts zwartbruin met geelgrijzen bovenrand en binnenzijde.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. an!
Het spits priemvormig gebogen eindlid is nog iets langer dan lid
2, fijn, vuilwit met zwarte spits. Kop geelgrijs, glad beschubd.
Thorax en voorvleugels vuil geelgrijs, de laatsten voorbij den
wortel iets bruinachtig met enkele zwarte schubben; tegen den
voorrand bleeker, op zijne snede iets roodachtig okergeel en aldaar
even voor het midden met eene driekante, op drie vierden met
eene kleinere, binnenwaarts afgeronde zwartbruine vlek geteekend.
Franje, ook die van den voorrand, leemgeel, aan den binnen-
randshoek donkergrijs. Op de franjelijn staan eenige fijne zwarte
stippen, eene grootere aan de vleugelpunt, en aan het eind van
den binnenrand ziet men een flauw , zwartgrijs vlekje.
Achtervleugels zeer donker grijs, de wortelhelft van den voor-
rand glanzig wit, de franje iets lichter grijs. Achterlijf als de
achtervleugels gekleurd met geelgrijze staartpluim.
Onderzijde der vleugels, borst, buik en pooten muisgrauw, de
franje der voorvleugels iets bruinachtig en de wortelhelft van
hunnen binnenrand aan deze zijde wit. De rug, de binnenzijde
en de beharing der achterschenen bleek okergeel, de buitenzijde
zeer donkergrijs.
Bonthain.
Genus ADELOMORPHA nov. gen.
Bij eene oppervlakkige beschouwing der soort, die ik in dit
nieuwe genus plaats, zou men meenen dat zij tot Zecithocera
Zeller behoort en zoo was dan ook inderdaad mijne aanvankelijke
meening. Een nader onderzoek echter bracht zoovele en zoo be-
langrijke punten van verschil aan het licht, dat mij de vorming
van een nieuw genus, hij de onmogelijkheid om het dier in een
der reeds bestaande te huisvesten, alleszins gewettigd voorkomt.
De vorm der voorvleugels herinnert met de lange sprieten en
sikkelvormige palpen wel is waar aan het genus Lecithocera doch
de franje der achtervleugels is veel korter en heeft nauwelijks
een vijfde der vleugelbreedte; die vleugels hebben ook eene geheel
andere gedaante. Zij zijn breeder, onder de punt vrij duidelijk
32 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
uitgesneden en bijna zooals bij het genus Nothris gevormd. Verder
zijn de palpen langer, dunner en spitser, meer zooals bij de
genera Harpella, Dasycera en Lampros, terwijl de sprieten tegen
het midden eene aanduiding van verdikking bezitten. In de voor-
vleugels vindt men slechts 14 aderen, daar ader 9 ontbreekt;
ader 2—4 zijn gesteeld en haar eenigszins gebogen stam komt
met ader 5 uit den binnenrandshoek der middencel; ader 6
ontspringt even onder de spits der middencel, ver van 5; aan
den achterrand naderen beiden elkander; ader 7 en 8 zijn mede
gesteeld en loopen in den voorrand uit, 10 en 11 komen uit
dien der middencel en loopen zeer schuin. In de achtervleugels
ontspringt ader 2 uit de helft van den binnenrand der middencel ,
3 en 4 uit haren staarthoek, de ongebogene ader 5 uit het mid-
den der fijne dwarsader, 6 en 7 uit één punt aan hare spits,
8 komt uit den vleugelwortel en loopt bij drie vierden des voor-
rands uit. Vleugelhaakje duidelijk. Verder is de zuiger klein; _
bijpalpen en bijoogen ontbreken; de kleine, halfronde, iets platte
kop is glad beschubd, evenzoo de thorax. Pooten lang, stevig,
gewoon gevormd en gespoord, met kort, dik en vrij grof behaarde
achterschenen; lid 1 der achtertarsen is op den rug mede kort
en grof behaard. Alles, ook de aanleg en kleur der bonte teekening,
toont dus aan, dat de ware verwantschap bij de bovengenoemde
drie genera moet worden gezocht. Cyme? orbicularis Felder en
Rogenhofer, Novara II, 2, pl. 140, fig. 27 9 schijnt eene ver-
wante soort, doch kan ook wel eene Lithosine zijn.
17. Ritsemae nov. spec. — PI. 3, fig. 1—3 (2).
Vier exemplaren van 24—26 mm. vlucht, zijnde 3 wijfjes en
één man. De voorwerpen zijn frisch, twee bijna geheel gaaf.
Sprieten (fig. 3) bij d en 2 een klein weinig langer dan de voor-
vleugels, uit een 90tal leedjes bestaande, hunne kleinere punthelft
(ruim 40 leedjes) sneeuwwit, de tegen den wortel dunnere onderhelft
pekbruin, het lange, omgekeerd kegelvormige wortellid geelbruin.
Zij zijn bij het 9 naakt, bij den & kort bewimperd. Palpen vier
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 33:
malen zoo lang als de kop, dun, plat, glad beschubd; lid 2 en 3
even lang, het eerste ongegleufd, oranjegeel, het laatste zeer fijn
en spits, donkerbruin. Kop glanzig, paarsachtig zwart, de onder-
helft van het aangezicht geelwit, de zuiger oranjegeel. Thorax
bijna staalblauw, twee vlekjes aan den wortel der schouderdeksels ,
en een aan het eind van den rug bleekgeel. Bovenzijde der vleugels
dof roetzwart; op de voorvleugels eene stip aan den voorrands-
wortel, een sterk gebogen (bij één exemplaar in het midden afge-
broken) dwarsband van een vijfde des voorrands tot nabij den
binnenrandswortel, en eenige van even voor het middenpunt des
vleugels naar de randen uitstralende, spitse langsstrepen goudgeel.
Van deze stralen zijn de onderste en bovenste kort, breed, bijna
wigvormig, de middenste (door cel 5) lang, mesvormig en aan
den wortel breeder dan de daartusschen liggende fijne en ook iets
donkerder lijnen. Twee met den gebogen dwarsband bij den wortel
parallele, afgebroken strepen voor en voorbij hem, twee langs-
stralen bij den voor- en binnenrand tusschen de gele en eene zich
bij haar aansluitende, afgebroken streep langs den achterrand zijn
blinkend paarszilver; de franje is donkerbruin.
Op de achtervleugels zijn de wortel, eene half ovale vlek in
den staarthoek, de binnenrand (smal) en eene onregelmatig C-
vormige teekening in het midden goudgeel, de franje in het
midden okergeel, aan vleugelpunt en staarthoek eenkleurig met
den vleugel, de achterrand tusschen de aderen 2—6 met eene
aan beide uiteinden verbreede blinkend paarszilveren streep ge-
teekend. Achterlijf roetzwart met staalblauwen gloed, de achter-
randen der ringen, de zijden en de stompe staartspits goudgeel.
Onderzijde bijna gelijk aan de bovenzijde, doch de gele teeke-
ningen breeder, iets donkerder en meer gelijkmatig gekleurd, de
paarse langsstralen der voorvleugels ontbrekende, maar de achter-
rand vrij gelijkmatig paars. Buik en pooten goudgeel, de laatsten
zwart geteekend. Borst potloodkleurig.
Bij twee voorwerpen hebben de voorvleugels een duidelijk geel
middenpunt op de bovenzijde.
Deze soort is benoemd naar den heer C, Ritsema Cz., Conser-
3
34 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
vator van het insecten-kabinet des Leidschen Museums, aan
wiens voorkomendheid en welwillendheid ik bij deze eene dank-
bare hulde breng.
Bonthain.
Genus BLASTOBASIS Zell.
18. Concretella nov. spec. — Pl. 3, fig. 4—6.
Een gaaf mannetje van 10 mm. vlucht.
Ofschoon meer gedrongen van bouw en stompvleugeliger dan
Blastobasis Phycidella Zeller, waarvan eenige exemplaren voor mij
staan, die ik aan de welwillendheid van den auteur te danken
heb, stemt deze vlinder, wat de generieke kenmerken aangaat, ge-
noeg met de genoemde soort overeen, om in hetzelfde genus te
worden toegelaten.
Sprieten draadvormig, iets langer dan bij Phycided/a (daar hunne
lengte vier vijfden van die der voorvleugels bedraagt), lichtgrijs,
de schaft uit kleine, driekante leden bestaande en dus fijn gekerfd
schijnende. De wortel is vrij groot en heeft een tandje aan de
achterzijde. Een zuiger zie ik niet, doch deze kan afgestooten zijn ,
daar de vlinder niet gelukkig gestoken is. Kop groot, horizontaal
platgedrukt, glad beschubd; het aangezicht zeer breed, veel breeder
dan de oogen; geene bijoogen. Palpen anderhalfmaal zoo lang als
de kop, gebogen, lid 2 naar boven verdikt, 3 zoo lang als 2 en
even breed als dit bovenaan, verder plat, langwerpig, ongeveer
duimvormig. Het aangezicht en de binnenzijde der palpen zijn wit,
hunne buitenzijde alsmede de schedel, de kop, de thorax en de boven-
zijde der voorvleugels met franje witgrijs met fijne lichtbruine stippen.
Beschubbing der voorvleugels vrij grof en iets ruw; zij zijn naar ach-
teren niet verbreed, smal, stomp, op de voorrandshelft en tegen den
achterrand met eenige zwarte, op de wortelhelft van de binnen-
randshelft met enkele bleekbruine stippen en streepjes geteekend.
Achterlijf en achtervleugels lichtgrijs, het eerste met grijswitte staart-
pluim, de laatsten in het midden helderder en hunne meer geelach-
tige franje, vooral tegen de vleugelpunt, met grijswitte spitsen.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 35
Onderzijde der voorvleugels ongeteekend, donkergrijs, met bruin-
gelen gloed, de achtervleugels met franje als boven, de voor- en
achterrandsfranje der voorvleugels grijswit; de buik en de korte,
dikke, gewoon gevormde, lang gespoorde pooten lichtgrijs. Achter-
schenen met vrij lange en dikke, grove beharing. Ader 7 en 8
der voorvleugels zijn zeer kort gesteeld en loopen in den voorrand
uit bij de vleugelpunt ; 2, 3 en 4 zijn zeer kort; geene aanhangcel. In
de achtervleugels komt ader 2 uit drie vierden van den op die plaats
iets gebroken binnenrand der middencel, 3 uit haren staarthoek, 4
ontspringt daar boven, 5 en 6 zijn gesteeld, 7 komt uit de spits
der schuin loopende dwarsader. Bij PAyeidella komen ader 3 en
4 uit één punt, 5 ontbreekt; 6 en 7 ontspringen afzonderlijk.
Makassar.
Genus BATRACHEDRA Steph.
19. Dimidiella nov. spec. — Pl. 3, fig. 7—8.
Een gaaf mannetje van 12 mm. vlucht.
Palpen iets langer dan bij Praeangusta en Piniariella; de sprie-
ten een weinig korter dan bij eerstgenoemde soort, dus ongeveer
zoo lang als bij de tweede, hun wortellid lang, naar boven nau-
welijks breeder. Van beide soorten wijkt Dimidiel/a af door aan
den wortel breedere, naar achteren zeer versmalde en puntige
voorvleugels.
Sprieten donkerbruin; thorax, kop en palpen bruinachtig leem-
geel, het eindlid der laatsten met een onafgebroken zwarten ring
onder de spits en een onvolkomen boven den wortel. Voorvleugels
vuil leemgeel, met donkergrijze, grofbeschubde voorrandshelft en
deze aan haren onderrand met twee zwarte langsstreepjes geteekend,
boven den binnenrandshoek met een zwarten tand. Achtervleu-
gels en geheele franje licht geelachtig grijs.
Achterlijf, onderzijde en pooten donker geelgrijs, de wortel van
den rug, de bovenzijde der staartpluim en eene lange, dikke be-
haring op den rug der achterschenen donker okergeel; de tarsen-
leden met grijswitte randen.
Saleyer.
36 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
Behalve deze 19 soorten van Tineina zijn door den heer Piepers
nog 10 andere, allen nieuwe, op Celebes gevonden, doch niet in
voldoend goede exemplaren, namelijk 1 Simaethis, A Blabophanes ,
À Ypsolophus (zeer smalvleugelig), 2 Lecithocera, 1 Euteles en
3 van Gelechia of daaraan zeer na verwant.
VII. PTEROPHORINA.
Elf soorten van vlinders, tot deze familie behoorende, werden
verzameld; daarvan behoort eene tot Platyptilus, eene tot Oxy-
ptilus, 4 tot Pterophorus en 5 tot Aciptilus. Zij zijn waarschijnlijk
allen nieuw, doch niet door goede exemplaren vertegenwoordigd.
Ik kan dus alleen zeggen, dat zij allen van kleine gestalte zijn,
behalve de Oxyptilus, die ook het best is geconserveerd en de
grootte heeft van Tristis Zeller, dus toch nog tot de kleine soorten
van het genus behoort. Overigens behoort zij tot de verwantschap
van Distans, wat de kleur aangaat en de plaatsing van het schubben-
bosje der derde achtervleugelveder.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 37
NADERE AANTEEKENINGEN
OMTRENT DE
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
Tijdschr. v. Ent. XXI (1877—1878).
p. 6, n°. 10. De Celebaansche exemplaren van Danais Juventa Gramer
» 11
» 13
»14
»
» 59.
»
40.
60.
behooren tot Jshma Butler, die stellig slechts eene
varieteit is, daar zij zich van de typische Juventa alleen
door iets puntiger voorvleugels en meer beperkte lichte
teekening onderscheidt.
De naam is Thyonneus (niet Thyoneus) Gram. De
door Cramer afgebeelde voorwerpen waren van Am-
boina, die van Celebes zijn donkerder, zwaarder ge-
teekend en grooter, terwijl een Javaansch voorwerp
door Mr. Piepers overgezonden, weder kleiner en
lichter is dan Cramer’s afbeelding.
Is niet Zuripus Halitherses L., maar Robustus Wal-
lace. Hoewel de meeste op Celebes voorkomende
Rhopalocera zich van exemplaren der meer westelijke
eilanden onderscheiden door meerdere grootte en eenig
kleurverschil, zoo zijn echter de door Wallace opge-
geven verschilpunten zeer constant, gelijk mij bij later
onderzoek is gebleken, en moet ik dus hier specifiek
verschil aannemen.
Toen ik de opgave der Rhopalocera van Celebes schreef ,
kende ik van Apatura Parisatis alleen den man. Sedert
zond de heer Piepers het wijfje van Java en vond
38
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
ik op het Leidsch Museum ook een wijfje van Celebes.
Bij vergelijking van beiden werd het mij duidelijk,
dat die Apatura van Celebes niet is Parisatis Westw. ,
maar Macar Wallace, welke ik voor eene goede soort
moet houden. Aan de lichtgekleurde wijfjes zijn de
verschilpunten beter te zien dan aan de zoo donkere
mannen. Vergelijk Wallace, Trans. Ent. Soc. of London ,
1869, p. 349.
p.45,n°. 71—3. Lees Allotinus, niet Allatinus zooals daar door
»41 »174.
eene drukfout staat.
Ik merkte hier op, dat mijne determinatie van Pam-
phila Marnas niet geheel zeker was. Later in aantal
van Java ontvangen gave exemplaren derzelfde soort
hebben mij doen zien, dat zij is: Swaias Felder,
Sitz. Ber. der Wiener Akademie XL, p. 462, n°. 54
(1860).
Tijdschr. v. Ent. XXII (1878—1879).
p.62.
DO sus,
bo
8.
Hier staat dat Castniina niet door den heer Piepers
op Celebes zijn gevonden, terwijl op p. 67 drie
soorten als tot die familie behoorende worden opge-
geven, wat in tegenspraak met de eerste bewering
is. Dit komt doordat op laatstgenoemde plaats eene
noot is weggelaten, waarin ik opmerkte, dat Walker
in zijnen door mij gevolgden Catalogus de genera
Damias (Cleosiris Boisd.), Agonis Feld. en Husemia
Dalm. wel tot de Castniina rekent, maar dat zij er
eigenlijk niets mede te maken hebben.
Nyctemera Latistriga Walker. — De heer Butler merkt
op (Trans. Ent. Soc. of London 1880, p. 56), dat
de door mij afgebeelde soort niet de Latistriga van
Walker is. Naar diens beschrijving hielden Dr. Snellen
van Vollenhoven en ik het er wel voor, doch daar
de heer Butler Walker’s origineelen voor zich had,
kon hij dit beter beslissen. Dit is weder eene der
p.72, n°. 29.
DAT
» 79
» 89
»
»
»
94.
40.
DI.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 39
vele voorbeelden van het onvoldoende van Walker’s
beschrijvingen en hoe gevaarlijk het is, van hem
eenige notitie te nemen, Sedert heeft de heer Butler
de ware Zatistriga Walker afgebeeld en beschreven
in de /Mustrations of Typical Specimens etc. V, p.
44, pl. 88, f. 1, en blijkt het dat die soort is de
Inconstans Snell. van Voll. (Bijdrage tot de kennis
van Leptosoma p. 8). Daar ik geen gezag aan
Walker’s geschrijf mag toekennen, citeer ik Latistriga
Butler als een synoniem van /nconstans.
Nyctemera Inconstans. — Als varieteit citeerde ik Lept.
Consobrina Hopffer. Eene nadere vergelijking heeft
mij echter doen zien , dat de verschilpunten te belangrijk
zijn, om hier eene varieteit aan te nemen. Bij /xcon-
stans S. v. V. (Latistriga Butler), hebben de voor-
vleugels eene stomprechthoekige punt en steilen achter-
rand, terwijl de witte dwarsband schuin loopt en het
achterlijf ongeteekend is. Consobrina onderscheidt zich
door verlengde punt en schuinen achterrand der voor-
vleugels, wier dwarsband bijna rechtstandig , een zweem
gebogen is, terwijl het achterlijf op den rug grijze
dwarsstrepen, op den buik twee rijen stippen heeft.
Aganais Membliaria Cr.? — Is Inconspieua Butler,
Trans. Ent. Soc. of London 1875, p. 328.
Aganais Albifera Feld. — Hierbij behoort als een syno-
niem: Lacteata Butler, /llustr. V, p. 43, pl. 87,
f. 1954384);
Hypocrita Flavicollis Snell. — De heer Butler vermoedt
(Trans. Ent. Soc. of London 1880, p. 56), dat deze
vlinder tot de Chalcosiden kon behooren. De voor-
vleugels hebben echter slechts ééne binnenrandsader
en de achtervleugels twee. Dit past niet op Chalcosia,
welk genus tot de Zygaenina behoort en waar twee
binnenrandsaderen in de voor- en drie in de achter-
vleugels voorkomen.
40
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
p. 96, n°. 59. Harias Anthophilana Snell. — Als een synoniem be-
» 102
» 405
» 406
DAS
» 114
hoort hierbij: Earias Tristrigosa Butler, Proc. Zool.
Soc. 1881, p. 614.
» (7)4. Amerila Piepersii Snell. — Is Ph. Arthus-Ber-
» 10
trand(!!) Guérin, Voyage de la Coquille, Ins. pl.
19, f 5, en moet dus zoo heeten.
. Leucoma Impressa Snell. — Als synoniem behoort
hierbij: Caviria Cygna Moore, Proc. Zool. Soc.
1877, p. 604.
. Euproctis Incomta Snell. — Is de man van Euproctis
Flavata Cram., zooals door kweeking uit de rups
werd bewezen.
Hier wordt in de aanteekening over het genus Oike-
ticus verwezen naar pl. 9, fig. 64, die niet is over-
gebracht op de plaat.
» 89. Oiketicus Variegatus Snell. — Is; Crameri Westwood,
Proc. Zool. Soc. of London 1854, p. 236, pl. 37,
f. 4, en de oudste naam voor deze soort volgens
eene aanteekening van Heylaerts, Bulletin des Séances
de la Société Ent. Belge XXIII, p. 30, die ik juist
heb bevonden. De door Westwood afgebeelde zak is
echter niet de ware, maar wel behoort die van zijne
Lewin (1. ec.) bij Oramerü.
Tijds. v. Ent. XXIII (1879—1880).
p.41,n°. 2. Leucania Yu Guen. — Hierbij behooren als synoniemen:
» 43
» 45
»
Leucania Costalis Moore, Proc. Zool. Soc. of London
1877, p. 603, pl. 59, f 11, en Leuc. Nareda
{o
Felder, Novara- Reise II, 2, pl. 109 f. 9.
Staat: /neana, lees: Incana.
» 11. Prodenia Littoralis Boisd.
»
12.
» Testaceoïdes Guen.
Zijn de beide sexen van ééne soort. Zie Snellen, Tyds.
v. Ent. XXV (1882), p. 50. Zij moet Zittoralis
Boisduval heeten.
p.60.
DOS, Da 32,
» 85
» 86
» 89.
» 95
»100 .
»214
DIA
» 74.
Peo:
» 106.
DTS
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 41
Genus Xanthoptera. — Hier staat, regel 17 van boven:
achtertarsen, lees: achterdijen.
Thalpochares Pudica Snell. — Hierbij behoort als een
synoniem: Mestleta Acontioides Moore, New Indian
Lepidoptera II, p. 179, pl. V, fig. 15 (1882).
Staat: Ligella, lees: Ligilla.
Anophia Olivescens Guenée. — Ken nader onderzoek en
de ontvangst van een vijftal exemplaren derzelfde
soort heeft mij doen zien, dat het bedoelde bescha-
digde wijfje tot Axophia Leucomelas Clerck behoort.
Het is echter eene varieteit, die van Hiibner’s Fig.
792, 793, en van Milliére’s afbeeldingen, Jcones
Ge Livr. pl. 2, f. 6 verschilt door licht schors-
bruine voorvleugels. De vermelde Javaansche voor-
werpen vormen overgangen op den type.
Genus Ariola Walker. — Vroeger (Tijds. v. Ent. XII,
p. 96) vermeldde ik nog een ander genus Ariola
Felder en Rogenhofer, tot de Lithosina behoorende.
Bij nader inzien komt het mij ongepast voor, denzelfden
generieken naam in de natuurlijke historie tweemaal
te gebruiken. Voor het onderhavige Noctuinen-genus
zou dus een andere moeten worden gekozen, maar
bij den tegenwoordigen toestand van de systematiek
der Noctuinen, vind ik het beter dit nog na te
laten en Ariola Bryophilina Felder en Rog. benevens
mijne Corticea voorloopig in het genus Lophoptera .
Guen. te huisvesten.
Nyetipao Nyctaculis Snell. — Sedert ik deze soort be-
schreef, heb ik ook den man leeren kennen. Deze is
gebouwd als Patula Macrops L. mas en dus moet
Nyctaculis naar laatstgenoemd genus worden verplaatst.
Nasxia Lageos Guen. — Is niet deze soort, maar Varia
Onelia Guen., I. c. n°. 1679.
Botys Defloralis Snell. — Regel 14 van boven staat:
ctint», lees: rand.
42
Tijds. v. Ent.
pi79; nt, 15:
Tijds. v. Ent.
p.200 1.9;
Tijds. v. Ent.
piss nn 92
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
XXIV (1880—1881).
Hier zeg ik dat het mij onbekend is, waarom Herrich-
Schäffer Jardine’s naam ÆZwmelea niet aanneemt , terwijl
hij voor het Geometrinen-genus, waartoe Aureliata
Guen. behoort, een nieuwen vormt. Dit komt, omdat
Hübner in zijne Zuträge dien generieken naam reeds
bezigt voor eene Pyralide en wel voor Venustalis
Cramer IV, 161, pl. 371, f. I (Testula Hübn., Zutr.
f. 817, 818; — ? Dwulsalis Zeller , Mieroptera caffraria
p. 47), die door Lederer in zijn klassiek werk over
de Pyraliden niet wordt vermeld.
XXV (1881—1889).
Eretria Obsistalis Snellen. — Is Sceliodes Mucidalis
Guen., Delt. et Pyr. p. 400, en ook Margaritia Cordalis
Doubleday, in Dieffenbach, Travels in New-Zealand
IT, p. 288. De laatste specifieke naam is de oudste,
doch voor deze soort moest een nieuw genus worden
gevormd, daar zij niet de kenmerken bezit van
Sceliodes, zoodat mijn Eretria blijft bestaan.
XXVII (1883—1884).
Diasemia Spilonotalis Snellen. — Is Diasemia Gram-
malis Doubleday, in Dieffenbach, Travels in New-
Zealand I, p. 287. De heer E. Meyrick, bekend
door zijne zorgvuldige beschrijvingen van Australische
Microlepidoptera, maakte mij opmerkzaam op de
prioriteit van Doubleday’s namen bij deze en bij de
voorgaande soort en had tevens de goedheid, mij
van beiden een Nieuw-Zeelandsch exemplaar te zenden,
dat niet van de Celebaansche verschilt.
Eindelijk moeten nog de volgende soorten, door den heer Piepers
op Celebes verzameld, worden vermeld. De eerste en derde heb
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 43
ik eerst later kunnen determineeren, de tweede had ik over het
hoofd gezien.
150.
1112.
7b.
Nocrurna (zie Tijds. XXIII, p. 41 enz.).
Amyna Selenampha Guen., Noct. 1, p. 406, n 3184.
Een 4 tot Guenée’s varieteit a behoorende.
De plaats van het genus is niet bij Caradrina, maar bij
Hrastria en Mesotroste.
Takalara.
Ophiusa Algira L. Guen., Noct. IN, p. 270, n°. 1705.
Een 2. De lichte middenband der voorvleugels is witter,
de daarop volgende bruine buitenwaarts sterker getand dan
bij Europeesche exemplaren. Ook ziet men eene vrij duide-
lijke golflijn.
Balangnipa.
GEOMETRINA (zie Tijds. XXIV, p. 64 enz.).
Boarmia Crepuscularia L.
Twee mannen.
De slechte toestand der exemplaren deed mij in mijne
determinatie aarzelen. Later ontving ik betere voorwerpen
door den heer Piepers van Java, en leerde deze soort ook
uit Noord-Amerika (New-York, Putman Cramer) kennen.
Zij heeft dus voor eene Geometrine eene zeer groote ver-
breiding.
Ten slotte geef ik nog een alphabetisch register der nieuw be-
schreven en besproken, niet alleen faunistisch vermelde soorten.
44
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
ALPHABETISCH REGISTER.
Abietina Boisd., Sphinx. XXII. 64.
Abjectella Snell., Calamotropha. XX VII.
51.
Abnegatalis Led., Botys. XXVI. 132.
Abortivata Guen., Remodes. XXIV. 94.
Abraxata Snell., Nyctemera. XXII. 73.
Abyssa Snell., Mesotrosta. XXIII. 56.
Aceris Lep., Neptis. XXI. 10.
Acteus Cram., Chaerocampa. XXII. 67.
Acuminatalis Snell., Nymphicula. XXIII.
246; XXVII. 51.
Adala Moore, Limacodes. XXII. 121.
Adamanthius Feld., Papilio. XXI. 39.
Adelomorpha Snell. (Genus). XXVIII. 31.
Aerifrons Snell., Lepidomys. XXIII. 51.
Aeripalpis Snell., Heterogramma. XXIII.
137; XXIV. 68.
Agamemnon L., Papilio. XXI. 38.
Agathodes Guen. (Genus). XXVII, 38.
Agramma Guen., Plusia. XXIII. 71.
Agrotoides Snell., Amphipyra. XXIII. 77.
Alamis Guen. (Genus). XXIII. 80.
Albata Hopf., Pieris. XXI. 29.
Albicaudalis Snell., Polythlipta. XXIII.
221; XXVE.. 137.
Albiciliata Snell., Sesamia. XXIII. 44.
AJbifera Feld., Aganais. XXIII. 79;
XXVIII. 39.
Albiguttatus Snell. , Limacodes. XXII. 118.
Albimacalana Snell., Simaethis. XVIII.
77; XXVIII. 19.
Albipuncta Snell., Anomis. XXIII. 76;
XX1V. 66.
Albofimbrialis Snell., Botys. XXVI. 128.
Albomacularia Snell., Hyposidra. XXIV.
89.
Alcippe Cram., Atella. XXI. 12.
Algira L., Ophiusa. XXI.12; XXVIII. 43.
Alope Cram., Lacera. XXIII. 108.
Alphenor Cram., Papilio. XXI. 39.
Ambidens Feld. en Rog., Achaea. XXIII.
100.
Amoenella Snell., Diptychophora. X XIII.
247; XXVII. 52.
Analis Guen., Ophiusa. XXIII. 103.
» Snell., Omiodes. XXIII, 227;
XXVII. 37.
Anastomosalis Guen., Botys. XXVI, 126.
Ancyra Feld., Cupido. XXI. 19.
Anisoptera Snell., Stictoptera. XXIII. 88.
Annulata Feld., Amblypodia XXI. 28.
Anthophilana Snell., Earias. XXII. 96;
XXVIII. 40.
Anthracina Snell., Erastria. XXIII. 59.
Antiqualis Hübn., Hypena. XXIII. 116.
Apicalis Snell., Leocima. XXIII. 54;
XXIV. 65.
Appendiculata Snell., Chalcosia. XXII.
75.
Appensalis Snell., Entephria. XXVII. 41.
Arabescalis Snell., Capnodes. XXIII. 111.
Aratus Cram., Cupido. XXI. 19.
Arete Cram., Debis. XXI. 8.
Arga Moore, Dasychira. XXII. 111.
Argenteola Moore, Drepana. XXII. 122.
Argialis Snell., Hypena. XXIII. 118;
XBW Gey
Ariola Feld. en Rog. (Genus). XXVIII. 41.
Arsinoe Cram., Cynthia XXI. 13.
Arthus-Bertrand Guer., Amerila. XXVIII.
40.
Ascalaphus Boisd., Papilio. XXI. 40.
Aspersa Snell., Leucania. XXIII. 42;
XXIV. 65.
Astrea Drury, Argina. XXII, 99.
Atlas L., Attacus. XXII. 122.
Auragoides Guen., Cosmophila. XXIII. 75.
Aureliata Guen., Eumelea. XXIV. 79.
Aventiaria Guen., Timandra. XXIV. 82.
Babtalis Snell., Conchylodes. XXIII. 238;
XXVII. 44.
Basalis Snell., Choregia. XXVIIL 18.
Bheroba Moore, Odonestis. XXII. 124.
Bifurcalis Snell., Cnaphalocrocis. XXIII.
219; XXTV. 136.
Bilineella Snell,, Tortricomorpha. XXVIII.
27.
Bimaeulalis Snell., Margarosticha. XXIII.
245; XXVII. 50.
Bimaculata Snell , Herminodes. XXIII. 78.
Bipartita Snell., Plusia. XXIII. 71;
XXIV. 66.
Bisaltide Cram , Doleschallia. XXI. 14.
Bisignellus Snell., Ypsolophas. XX VIII. 30.
Bisinuata Snell., Grammodes. XXIII. 104.
Bivitralis Guen., Glyphodes. XXVI. 142.
Blanchardii March., Hestia. XXI. 5.
LEPIDOPTERA
Boarmiata Snell., Collix. XXIV. 93.
Bolina L.. Diadema. XXI. 11.
Bombycina (Familie). XXII. 122.
Botyodes Guen. (Genus). XXVI. 139.
Brassolis Westw., Liphyra. XXI, 28.
Brucea Moore, Atteva. XXVIIJ. 25.
Brunnescens Snell., Alamis, XXIII. 83;
XXIV. 66.
Bryophilina Feld. en Rog., Ariola. XXIII.
89; XXVIII. 41.
Bubo Hübn., Athyrma. XXIII. 102.
Bursada Feld. en Rog. (Genus). XXIV. 90.
Cagaya Feld., Cupido. XXI. 23.
Calligenioides Snell., Setina. XXII. 87.
Calligrapha Snell., Schrankia. XXIII.
122; XXIV. 67.
Caradrinoides Snell., Sarrothripa. XX11. 94.
Carauea Cram., Hulodes. XXIII. 98.
Caricae Wabr., Aganais. XXII. 79.
Castniina (Familie). XX1II.67; XX VIII. 38.
Catamitae Hubn., Cleosiris. XXII. 67.
Catenatus Snell., Limacodes. XXII. 121.
Catocalaria Snell., Eupithecia. XXIV. 92.
Celebensis Hopf., Aganais. XXII. 79.
Celebensis Hopf., Argiva. XXIII. 94.
Celeno Cram., Cupido. XXI. 19.
Cervinaria Snell., Fascellina. XXIV. 71.
Chalsytoides Guen., Plusiodonta. X XIII. 73.
Chlorostigma Snell., Limacodes. XXIII. 117.
Choregia Zell. (Genus). XXVIII. 15.
Choreutalis Snell., Pseudochoreutes. XXIII.
202; XXVI. 124.
Chryseola Snell., Lithosia. XXII. 83.
Chrysippus L., Danais. XXI. 6.
Clavalis Snell., Heterogramma. XXIII.
136; XXIV. 68.
Cleis Feld en Rog., Bursadella. XXVIII. 20.
Cleona Cram., Danais. XXI. 5.
Clupeosoma Snell. (Genus). XXIII. 203.
Clytia Cram., Oxyodes. XXIII. 93.
Circinatus Snell., Limacodes. XXII. 119.
Coenosa Snell., Leucania. XXIII. 42.
Coerulea Guen., Cocytodes. XXIII. 85.
an Feld. en Kog., Hypena. XXIII.
16.
Columalis Snell., Phalangiodes. XXIII.
239; XXVII. 46.
Comalis Guen., Godara. XXVI. 134.
Conchylodes Guen. (Genus). XXIII. 236.
Concretella Snell, Blastobasis. X X VITI. 34,
Constellata Snell., Xanthoptera. XXIII. 62.
Convolvuli L., Sphinx. XXII. 64.
Cordalis Doubd., Eretria. XXVIII. 42.
Cornucopiae Snell., Plusia. XXIII. 72.
Corticea Snell, Ariola. XXIII. 89;
XXVIII. 41.
Sera Snell., Setomorpha. XXVIII.
Corvina Snell., Phlegetonia. XXIII. 68,
Corycialis Snell., Conchylodes. XXIII.
237; XXVII. 44.
VAN CELEBES. 45
Cossina (Familie). XXII. 125.
Crameralis Sn., Glyphodes. XXVI. 143.
Cramerii Westw., Oiketicus. XXVIII. 40.
Creatina Snell., Paidia. XXII. 85.
Crepuscularia L., Boarmia. XXVIII. 43,
Crepuscularis L., Nyctipao. XXIII, 94.
Crinipes Snell., Selenis. XXIII. 109;
XXIV. 67.
Cristatrix Guen., Ingura. XXIII. 70.
Crocale Cr., Callidryas. XXI. 35.
Crocopterata Koll., Uropteryx. XXIV. 69.
Cucullioïdes Guen., Stictoptera. XXIII. 86.
Cuneolalis Snell., Parapoynx. XXIII.
243; XXVII. 48.
Curvilinea Snell., Sarrothripa. XXII. 93.
Cymoriza Guen. (Genus). XXIII. 243.
Cyrillus Hew., Jolaus. XXI. 25.
Decelia Snell. (Genus). XXIII. 231.
Decticogaster Snell. (Genus). XXIII. 230.
Defloralis Snell., Botys. XXIII. 214;
XXVI. 130; XXVIII. 41.
Delatrix Guen., Penicillaria. XXIII. 70.
Dentilinealis Snell., Hymenoptychis.
XXVII. 40.
Didyma Snell, Heterogramma. XXIII.
134; XXIV. 68.
Diffusa Srell., Xanthoptera. XXIII. 53.
Dimidiata Snell., Xenares. XXII. 69.
Dimidiella Snell., Batrachedra. XXVIII. 35.
Diminutalis Snell., Parapoynx. XXIII.
242; XXVII. 48.
Dimorphata Snell., Acidalia. XXIV. 81.
Dioetas Hew., Deudoryx. XXI. 26.
Discophora Snell., Euproctis. XXII. 108.
Diurnalis Guen., Glyphodes. XXVI. 142.
Divitalis Guen., Stericta. XXVI. 121.
| Drepanulina (Familie). XXII. 123.
Editrix Guen., Gonitis. XXIII. 77.
| Egens Walk., Snell., Aganais. XXII. 78.
Elongaria Snell., Macaria. XXIV. 86.
Endoleuca Guérin, Agonista. XXIII. 92.
Eogenalis Snell., Paredra. XXVI. 120.
Eogenaria Snell., Phorodesma. XXIV. 78.
Eperia Boisd., Pieris. XXI. 29.
Ephesperis Hübn., Nyctipao. XXIII. 95.
Erebia Snell., Bletogona. XXI. 7.
Eretria Snell. (Genus). XXIII.206; XXVIII.
42.
Erilus God., Hypolycaena. XXI. 23.
Eromenalis Snell., Coenostola. XXIII.
226; XXVII. 36.
Erotus Cram., Chaerocampa. XXII. 66.
Euclidiata Snell., Cidaria. XXIV 95.
Eugenia Cram , Aganais. XXII. 78.
Eumelea Jardine (Genus). XXVIII. 41.
Eupator Hew., Euploea. XXI. 4.
Eupitheeiata Snell., Remodes. XXIV. 94.
Eurhyparodes Snell. (Genus). XXIII. 215.
Exotica Guen., Eriopus. XXIII. 68.
Extenuata Guen., Leucania. XXIII. 42.
46 LEPIDOPTERA
Extranea Guen., Leucania. XXIII. 41.
Falcata Feld. en Rog., Hypoetra. XXITI.101.
Fastidialis Snell., Rhimphalea. XXIII.
228; XXVII. 38.
Fatime, Snell. v. Voll., Pieris. XXI. 30.
Feducia Stoll, Speiredonia. XXIII. 93.
Fenisecalis Snell., Sitophora. XXIJI. 131 ;
XXIV. 68.
Festiva Donov., Calogramma. XXIII. 46.
Fidoniaria Snell., Boarmia. XXIV. 75.
Filalis Guen., Botys. XXVI. 131.
Flavata Cram., Huproctis, XXVIII. 40.
Flavicollis Snell., Hypocrita. XXII. 89;
XXVIII. 39.
Flavicostata Snell., Pitane. XXII. 92.
Flavipennis Snell., Euproctis. XXII. 107.
Fontinalis Snell., Hypena. XXIII. 119;
XXIV. 67.
Foraminata Guen., Collix. XXIV. 93.
Fracturalis Snell., Nodaria. XXIII. 125;
XXIV. 68.
Fregonalis Snell., Parapoynx. XXIII. 241;
XXVII. 48.
Frugalis Fabr., Remigia. XXIII. 106.
Fuliginalis Snell., Lampridia. XXIII.
235; XXVII. 43.
Fulvida Guen., Anomis. XXIII, 75.
Fulvidorsalis Hübn., Filodes. XX VI. 137;
XXVII. 46.
Fulvobasalis Snell.,
244; XXVII. 49.
Fulvosignalis Snell., Scoparia. XXIII. 204 ;
XXVI. 124.
Fuscescens Snell., Oiketicus. XXII. 117.
Fuscibasalis Snell., Stericta. XXIII 199;
XXVI. 121.
Fuscicollis Snell , Heterogramma. X XIII.
135; XXIV. 68.
Fuscicostalis Snell., Asopia. XXILI. 199;
XXVI. 122.
Fuscicostella Snell., Calamotropha. XXIII.
247, XXVII. 52.
Fuscula Snell., Tagiades. XXI. 42.
Cymoriza. XXIII.
Gannata Guen., Micronia. XXIV. 84.
Geometrina (Familie). XXIV. 69.
Geometricalis Led., Lepyrodes. XXVII. 45.
Gerontesalis Walk., Asopia. XXVI. 123.
Gibbosalis Guen., Oligostigma. XXVII. 49.
Gigon Feld., Papilio. XXI. 39.
Gilvagalis Snell., Pangrapta. XXIII. 112;
XXIV. 67.
Gonialis Snell., Gyptitia. XXVI. 139.
Grammalis Doubd. , Diasemia. XXVIII. 42.
Gratalis Led., Botys. XXVI. 133.
Griseomaculata Snell., Hypoetra. XXIII.
102.
Guenei Snell.,
XXIV, 67.
Gyptitia Snell. (Genus). XXVI. 138.
Ophiusa. XXIII. 103;
VAN CELEBES.
Haliphron Boisd., Papilio. XXI. 37.
Hebraica Snell., Hamodes. XXIII. 96.
Hebraicalis Snell, Parapoynx. XXIII.
240; XXVII. 48.
Hecabe L., Terias. XXI. 36.
Hepatizans Guen., Amphigonia. XXIII.
108.
Hylax Fabr., Cupido. XXI. 16.
Ida Cram., Precis. XXI. 14.
Ilissus Feld., Cupido. XXI. 17.
Impressa Snell., Leucoma. XXII. 104;
XXVIII. 40.
Incana Snell.,
XXIV. 65.
Incisalis Snell., Botys. XXIII. 215; XX VI.
132.
Incomta Snell., Euproctis. XXII. 106;
XXVIII. 40.
Inconspicua Butl., Aganais. XXVIII. 39.
Inconspicua Snell., Hypena. XXIII. 118;
XXIV. 67.
Inconstans Snell. v. Voll.,
XXII. 72; XXVIII. 39.
Indica Saund., Phakellura. XX VI. 141.
Indrasari Snell., Deudoryx. XXI. 26.
Inductalis Snell., Epizeuxis XXIII. 130;
XXIV. 68.
Infantularia Guen., Pigia. XXIV. 84.
Inflexaria Snell., Boarmia. XXIV. 72.
Infuscatalis Snell., Nymphicula. XXIII.
246; XXVII. 51.
Insanalis Snell., Tabidia. XXIII. 220;
XXVI. 136.
Inseriptana Snell. , Simaethis. XX VIII. 19.
Interrupta Snell., Phisama. XXII. 101.
Leucania. XXIII. 43;
Nyctemera.
Jaguaralis Guen., Pyenarmon. XXVII. 44.
Janiaria Guen., Hyposidra. XXIV. 88.
Japetus Cram., Tagiades. XXI. 42.
Jocosatrix Guen., Penicillaria. XXIII. 70.
Jovialis Feld. en Rog., Glyphodes. XXVI.
141.
Jucundalis Snell. , Hypenodes. XXIII. 121;
XXIV. 67.
Jucundalis Led., Botys. XXVI. 125.
Julianus Fabr., Pamphila. XXI. 41.
Juventa Cram., Danais. XXI.6; XXVIII.
37.
Kalitura Feld. en Rog., Plusia. XXIII. 73.
Kandarpa Horsf., Cupido. XXI. 18.
Lactinea Cram., Aloa. XXII. 101.
Lageos Guen., Naxia. XXIII. 100.
Lampridia Snell. (Genus). XXIII. 234.
Latifascialis Snell, Oligostigma. XXVII. 48.
Latimargus Snell., Cupido. XXI. 19.
Latisquamalis Snell., Nicaria. XXIII. 230;
XXVII, 39.
Latistriga Snell., Nyctemera. XXII. 72;
XXVIII. 38.
LEPIDOPTERA
Leda L., Cyllo. XXI. 6.
Lentalis Guen., Hydrillodes. XXIII. 127;
XXIV. 68.
Leucoglene Feld., Danais. XXI, 6.
Leucographa Snell., Heterogramma. XXII.
49.
Leucomelas Clerck, Anophia. XXVIII. 41.
Leucotaenia Snell., Hypena. XXIII. 114;
XXIV. 67.
Ligilla Guen., Pericyma. XXIII. 85;
XXVII. 41.
Lilliputalis Snell., Metasia. XXIII. 229;
XXVII. 38.
Limacodina (Familie). XXII. 117.
Limbana Snell., Earias. XXII. 97.
Lineata Westw., Leucophlebia. XXII. 64.
Liparidina (Familie). XXIT. 104.
Lithosina ( Ne OGL:
Littoralis Boisd., Prodenia. XXIII. 45;
XXV. 50; XXVIII. 40.
Loesa Moore, Limacodes. XXII. 120.
Lomaspilalis Snell., Glyphodes. XXIII.
223; XXVI. 144.
Lorquinii Feld., Arctioneura. XXII. 99.
Loryma Hew., Yphtima. XXI. 8.
Lucasii Boisd., Chaerocampa. XXII. 66.
Ludekingii Snell., Orgyia. XXII. 104.
Lunata Cram., Limantria. XXII. 111.
Lurida Snell, Lithosia. XXII. 84.
Lutea Cram., Hyperythra. XXIV. 70.
Lutulenta Snell., Coenochromia. XXII. 11.
Lybnites Hew., Limenitis. XXI. 10.
Lycaenaria Koll., Agathia. XXIV. 79.
Lycaenoïdes Feld., Agonis. XXII. 68.
Lyncida Cram., Pieris. XXI. 29.
Lyneides Hew., Limenites. XXI. 10.
“
Macar Wall., Apatura. XXVIII. 38.
Macrocera Snell., Macrodes. XXIII. 90;
XXIV. 66.
Macrocera Snell., Capnodes. XXIII. 110.
Macromma Snell., Stictoptera. XXII. 87;
XXIV. 66.
Macroptera Snell., Galleria. XXIII. 249;
XXVII. 53.
Macrostigma Snell., Apamea. XXIII. 46.
Maculifascia Moore , Spilosoma. XXII. 100.
Maculatus Snell., Cossus. XXII. 125.
Major Feld., Allotinus. XXI. 15.
Manlia Cram., Potamophora. XXIII. 92.
Marginata Guérin, Pompelon. XXII. 74.
Martina Feld. en Rog., Sypna. XXIII. 93.
Mauritia Boisd., Spodoptera. XXIII. 45.
Mauritialis Boisd., Asopia. XXVI. 122.
Maxima Guen., Trigonodes. XXIII. 105. |
Meander Snell., Hypocrita. XXII. 88 |
Medardaria H.S., Petelia. XXIV. 88
Melanthus Cram., Amerila. XXII. 102.
Melicerta Drury, Achaea. XXIII. 100.
Membliaria Cram., Aganais. XXII. 77.
Mendax Snell., Acropteris. XXIII. 138.
Mendosa Hiibn., Olene. XXII. 111.
VAN CELEBES. 47
Mercatoria Fabr., Achaea. XXIII. 100.
Minoralis Snell. , Auxomitia. XXIII. 222;
XXVI. 137.
Misana Moore. Dasychira. XXII. 110.
Mitaria Guen., Drapetodes. XXIII. 67.
Monetalis Snell., Uymoriza. XXIII. 244;
XX VII, 49.
Moorei Snell , Euproctis. XXII. 106.
Mutualis Zell., Botys. XXVI. 129.
Mylitta Fabr , Antheraea. XXII. 122.
Nereidaria Snell., Iodis. XXIV. 76.
Nicaria Snell. (Genus). XXIII. 229.
Nigricans Snell., Heterogramma. XXIII.
136; XXIV, 68.
Nigroeineta Snell., Setina. XXII. 86.
Nigrocuprea Moore, Mamestra. XXIII.
45; XXIV. 65.
Nigrofimbrialis Snell., Botys. XX VI. 128.
Niveicilialis Snell., Botys. XX VI. 128.
Niveiciliella Snell., Tortricomorpha.
XXVIII. 28.
Noctuina (Familie). XXIII. 41; XXIV.
64.
Nodosalis H.S., Nodaria. XXIII. 195.
Nora Feld., Cupido. XXI. 23.
Nugalis Snell., Scoparia. XXIII. 205;
XXVI. 125.
Nyctaculis Snell., Nyctipao. XXXIII. 95;
XXXIV. 67; XXVIII. 41.
Obscura Feld., Ergolis. XXI. 9.
Obscura Cram., Speiredonia. XXIII. 94.
Obsistalis Snell., Eretria. XXIII. 206;
XXVI. 125; XXVII. 42:
Oculata Guen., Grammodes. XXIII. 103.
Olivescens Guen., Anophia. XXVIII. 41.
Omma Van der Hoeven, Cyclodes. XXIII.
‘85.
Ommatalis Snell., Spilomela. XXIII. 235;
XXVII. 44.
Onelia Guen., Naxia. XXVIII. 42.
Oppositata Snell., Micronia. XXIV. 84.
Orientalis Snell., Aediodes. XXIII. 233;
XXVII. 43.
Orithyia L., Junonia. XXI. 14.
Orobenalis Snell., Botys. XXIII. 211;
XXVI. 130.
Orsolina Hew., Sithon. XXI. 25.
Orthogramma Snell., Thalpochares. XXIIT.
65.
Oxygrapha Snell., Heterogramma. XXIII.
49; XXIV. 65.
Pallicostalis Snell., Coenostola. XXIII.
226; XXVII. 36.
Pallipes Snell., Enproctis. XXII. 108.
Palliventralis Snell , Coenostola. XXIII.
225; XXVII. 36.
Panda Godt., Pieris. XXI, 29.
Pardale Moore, Estigena. XXII. 124.
Parrhasius Fab., Cupido. XXI. 19,
Ì
48 LEPIDOPTERA
Passulella Barrett, Ephestia. XXVII. 54.
Paucilinealis Snell., Botys. XXIII. 212;
XXVI. 130.
Paulina Fab., Pieris. XXI. 29.
Paupellalis Led., Botys. XXVI. 127.
Pecten Guen., Spodoptera. XXIII. 45.
Pellueidalis Snell., Clupeosoma. XXIII.
204; XXVI. 124.
Peropaca Hiibn., Ophiusa. XXIII. 99.
Perspectalis Hübn., Zinckenia. XXVII. 43.
Perusia Feld., Cupido. XXI. 23.
Phaenicialis Hübn., Botys. XX VI. 125.
Phalangiodes Guen. (Genus). XXIII. 238;
XXVII. 45
Phidippus L., Amathusia. XXI. 11.
Philatus Snell., Cupido. XXI. 21.
Phranga Hew., Deadoryx. XXI. 26.
Pictalis Curt., Asopia. XXVI. 122.
Piepersialis Snell., Glyphodes. XX VI. 143.
Piepersiana Snell., Digama. XXII. 80.
Piepersiata Snell., Bursada. XXIV. 91.
Piepersii Snell., Cupido. XXI, 16.
Piepersii Snell., Thestias. LOG, Gulp
Piepersii Snell., Amerila. XXII.
XXVIII. 40.
Placodoides Guen., Eriopus. XXIII. 68.
Plicalis Moore, Echana. XXIII. 127;
XXIV. 68.
Pollutalis Snell, Physomatia. XXIII.
240; XXVII. 47.
Polymena Cram., Glaucopis. XXII. 71.
Polyphontes Boisd., Papilio. XXI. 40.
Princeps Feld. en Rog., Cyme. XXII. 90.
Pruinosa Snell., Notocyma. XXIII. 74.
Pseudochoreutes Snell. (Genus). XXIII.
202.
Pseudopsodos Snell., Heterogramma.
XXIII. 133; XXIV. 68.
Psychina (Familie). XXII. 113.
Pterophorina (Familie). XXVIII. 36.
Pudica Snell., Thalpochares. XXIII. 68;
XXIV. 66; XXVIII. 41
Puera Cram., Hyblaea. XXIII. 74.
Pupillalis Snell., Epizeuxis. XXIII. 128;
XXIV. 68.
Pygospila Snell., Pseudophia. XXIII. 98;
XXIV. 67.
Pyralidina (Familie). XXIII. 198; XXVI.
119.
Quenavadi Guen., Pandesma. XXIII. 79.
Ransoneti Feld., Ariola. XXII. 96.
Rectilinea Snell., Pitane. XXII. 91.
Rectistrigosa Snell., Cnaphalocrocis.
XXVI. 135.
Redtenbacheri Feld., Euploea. XXI. 4.
Retorta L., Spirama. XXIII. 96.
Rhode Hopf., Cupido. XXI. 17.
Rhopalocera. XXI. 3.
Rhynchalis Snell., Hypena. XXIII. 117;
XXIV. 67.
VAN CELEBES.
Salebrialis
102; :
Ritsemae Snell., Erastria. XXIII. 57
XXIV. 65.
Ritsemae Snell., Adelomorpha. XX VIIT. 32.
Robustalis Snell., Hypena. XXIII. 120;
XXIV. 67.
Robustus Wallace, Euripus. XXVÎIT. 37.
Rosenbergii Snell. v. Voll., Cathaemia.
XXI.:31.
Rosimon Fabr., Cupido. XXI. 17.
Rotundata Snell., Pitane. XXII. 90.
Rubricans Boisd., Thermesia. XXIII. 109.
Rubricosa Snell., Thalpochares. XXIII.
64; XXIV. 66.
Rubricetalis Snell., Botys. XXIII. 209;
XXVI. 128.
Ruficinetaria Snell., Nemoria. XXIV. 75.
Rufovenalis Snell , Melissoblaptes. XXIII.
248; XXVII. 53.
Rugosella Snell., Hapsifera. XXVIII. 20.
Ruricolalis Snell., Botys. XXIII. 213;
XXVI. 130.
Snell., Phycidicera. XXIII.
228; XXVII. 37.
Salentialis Snell., Botys. XXIII. 207;
DA bs 127
Sameodes Snell. (Genus). XXIII. 217.
Sanguinalis Moore, Spilosoma. XXII. 100.
Sanitalis Snell., Cnaphalocrocis. XXVI.
136.
Sarpedon L., Papilio. XXI. 38.
Satanas Boisd., Acherontia. XXII. 63.
Saturata Snell., Thalassodes. XXIV. 77.
Saturnina (Familie). XXII. 122. -
Saturnioides Spell., Laelia. XXII. 105.
Scapularis Snell., Rivula. XXIII. 123;
XXIV. 67.
Schistacea Snell., Erastria. XXIII. 59.
Schlegelii Feld., Euploea. XXI. 4.
Seylla L., Callidryas. XXI. 35.
Selenampha Guen., Amyna. XXVIII. 43.
Selenicula Snell., Xanthoptera. XXIII. 62.
Semara Moore, Deiopeia. XXI1. 99.
Semifascialis Snell., Hypena. XXIII. 117;
XXIV. 67.
Semifascialis Snell., Botys. XXIIT. 214;
XXVI. 131.
Semifusca Snell., Xanthoptera. XXIIT. 61.
XXIV. 65.
Semifuscalis Snell., Hypena. XXIII. 114;
XXIV. 67.
Semirufa Snell., Xanthoptera. XXIIT. 62.
Serenalis Snell., Glyphodes. XXIII. 223;
XXVI. 142.
Sericea Snell., Scirpophaga. XXVII. 51.
Sexpuuctalis Moore, Glyphodes. XXVI.
144.
Signata Fabr., Plusia. XXIII. 72.
Silhetensis Boisd., Chaerocampa. XXII.
65.
Simialalis Snell,, Siriocauta. XXVII. 39.
Simplex Snell., Calesia. XXIII. 101.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES,
Sipylus Feld., Hypolycaena. XXI. 23.
Sita Feld. en Rog., Focilla. XXIII. 107. |
Sondaicalis Snell., Endotricha. XXIII. |
200; XXVI. 123.
Soricina Snell., Emydia. XXII. 82.
Sparsa Guen., Pantidia. XXIII. 79.
Sperchius Men., Smerinthus. XXII. 63.
Sphingina (Familie). XXII. 63.
Spilonotalis Snell., Diasemia. XXVIII. 42.
Spilotaria Snell , Boarmia. XXIV. 74.
Spissa Guen., Felinia. XXIII. 107.
Spurialis Snell., Simplieia. XXIII. 124;
XXIV. 67.
Staintonii Led., Meroctena. XXVI. 138.
Sterieta Led. (Genus). XXVI. 120.
Stibialis Snell., Eurrhyparodes. XXIII.
218; XXVI. 134.
Stigmatula Snell., Mesotrosta. XXIII. 55.
Stipalis Snell., Nymphieula. XXVII. 50.
Stolalis Guen., Glyphodes. XXVI. 143.
Strabo Fabr., Cupido. XXI. 18.
Strabonalis Snell., Spilomela. XXIII. 235.
Strangulalis Snell., Heterocnephes. XXIII.
224; XXVII. 35.
Striana Snell., Choregia. XXVIII. 17.
Strictaria Snell., Anisodes. XXIV. 81.
Strix L., Cossus. XXII. 125.
Styx Westw., Acherontia. XXII. 63.
Subcaudata Feld., Ismene. XXI. 40.
Subcinerea Snell., Thalpochares. XXIII.65.
Subcinerea Snell., Alamis. XXIII. 82.
Subcrocealis Snell., Botys. XXIII. 208;
XXVI. 127.
Sublividalis Snell., Hypena. XXIII, 115;
XXIV. 67.
Subrufa Snell., Laelia. XXII. 105.
Substrigata Snell., Lucia. XXI. 15.
Subterebrella Snell., Euzophera. XXIII.
250; XXVII. 54.
Subtilis Snell., Anomis. XXIII. 76.
Sufflata Guen., Macaria. XXIV. 87.
Sunias Feld., Pamphila. XXVIII. 38.
Suspicaria Snell., Anisodes. XXIV. 80.
Sylvia Cram., Minetra. XXI. 13.
Symethus Cram., Miletus. XXI. 15.
Syntomina (Familie). XXII. 70.
Tabidia Snell. (Genus). XXIII. 219.
Taenialis Snell., Botys. XXIII. 209;
XXVI. 127.
Taeniata Snell., Nola. XXII. 100.
Tapetzella L., Tinea. XXVIII. 22.
Tardalis Snell. , Botys. XXIII 210; XXVI.
130. |
Tenuipalpis Suell., Epizeuxis. XXIII. 130; |
XXIV. 68.
Tenuis Walk., Syntomis. XXII. 70.
Terrosa Snell., Rivula. XXIII. 123.
Terrosalis Snell., Decelia. XXIII. 232;
XXVII. 42.
Testaceoides Guen., Prodenia. XXVIII. 40.
49
Thermesiodes Snell., Homodes. XXIII. 67.
Thetys Fabr., Curetis. XXI. 28.
Thyelia L., Chaerocampa. XXIL 65.
Thyonneus Cram., Cyrestis. XXVIII. 37.
Tineina (Familie). XXVIII. 15.
Tortrieina. (Familie). XXVIII. 15.
Tortrieoides Guen., Hyblaea. XXIII. 74.
Tortricomorpha Feld. (Genus). XX VIII. 26.
Transversa Guer , Xanthodes. XXIII. 52.
Transversella Snell., Tortricomorpha.
XXVIII. 27.
Tricolor Feld. en Rog., Ceratophora.
XXE DE
Tridentalis Snell., Botys. XXVI. 133.
Trimaculalis Snell., Aediodes. XXIII. 232;
XXVI. 42.
Trimaculella Snell., Blabophanes. XXVIII.
21.
Trithyralis Snell., Sameodes. XXIII. 218;
XXVI. 134.
Troglodytellus Snell., Crambus. XXVII. 52.
Umbricola Boisd., Polydesma. XXIII. 80.
Umbrina Guen., Alamis. XXIII. 81.
Ustalis Snell , Endotricha. XXIII. 201;
XXVI. 123.
Ustalis Led., Hedylepta. XXVII. 37.
Vacillans Moore, Phissama. XXII. 101.
Vampyraria Snell. , Hyposidra. XXIV. 90.
Variegatus Snell., Oiketicus. XXII. 114;
XXVIII. 40.
Vermiculata Snell., Erastria. XXIII. 58;
XXIV. 65.
Vespertilio Fabr., Hypopyra. XXIII. 96.
Vestae Guen., Leocyma. XXIII. 54.
Vestigiata Snell., Bursada. XXIV. 91.
Villosa Snell., Pseudodipsas. XXI. 24.
Viola Butl., Euploea. XXI. 4.
Viridis Zell., Doloëssa. XXVII. 53.
Vishnou Lef., Gastropacha. XXII. 122.
Vitessoïdes Snell., Aganais. XXII. 78.
Vitrea Butl., Hestia. XXI. 5.
Vivida Guen., Homodes. XXIII. 66.
Wallengreni Snell., Thalpochares. XXIII.
64; XXIV. 66.
Xantobasella Snell., Nemotois. XX VIII. 23.
Xantholoma Snell , Lithosia. XXIII. 84.
Xanthoptera Guen. (Genus). XXIII. 60
Xylomiges Snell., Remigia. XXIII. 106.
Yu Guen., Leucania. XXVIII. 40.
| Zarinda Boisd., Pieris: XXI. 30.
Zincaria Guen., Zanclopteryx. XXIV. 83.
Zonulalis Snell., Decticogaster. XXIII.
231; XXVII. 40.
Zygaenina (Familie). XXII. 69,
DRIE SYNONYMISCHE AANTEEKENINGEN
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
4. Agrotis Pseudoplecta Snell.
In het Boletin de la Academia Nacional de Ciencias en Cordoba
(Republica Argentina) II p. 97 (1879) heb ik eene nieuwe soort
van Agrotis onder den naam Pseudoplecta beschreven, die door
Prof. Berg voor Agrotis Gypaetina Guen., Noct. V. p. 290 n°. 473
is verklaard (zie Anales de la Sociedad Cientifica Argentina XIV
(1882) p. 281). Indien ik tot dusverre naliet mij hierover uit te
laten, is dit niet omdat ik verzuimde de zaak te onderzoeken. In-
tegendeel, ik heb Guenée’s beschrijving dadelijk vergeleken en
Professor Berg's aanmerking juist bevonden. Ik trek dus hierbij
mijne soort openlijk in. Guenée plaatst Gypaetina tusschen Tritici
en Recussa. Met deze soorten heeft zij geene overeenkomst, daar-
entegen eene zeer sterke met Plecta en Leucogaster.
2. Rhopalodes Lobophoraria Oberth.
Deze soort, door den heer Oberthür beschreven en zeer goed
afgebeeld in de Etudes Entomologiques VI p. 37 pl. 10 fig. 10
(1881), is dezelfde als Rhopalodes Patrata Snellen, Tyds. v. Ent.
XVII (1873—74) p. 77 pl. 6 fig. 2.
3. Heterusia Dividata Snell.
Beschreven en afgebeeld Zijds. v. Ent. XXI (1877—78) p. 148
pl. 8 fig. 11—16, is een synoniem van Scordylia Sulvini Butler en
Druce, Annals and Magazine of Natural History 4 Ser. XV p. 344
(1875), Butler, L//. of typical Specimens I p. 69 pl. 20 fig. 10
(1877).
ENPABLOGUS
DER
IN NEDERLAND VOORKOMENDE HEMIPTERA.
EERSTE GEDEELTE
HEMIPTERN HETEROPTERA.
DOOR
Mr. A. J. F. FOKKER.
N°. 3, (Vervolg van deel XXVI, blz. 234 en deel XXVII, blz. 113).
Addenda et Corrigenda tot n°. 1 en 2.
Eurygaster maura L., var picta F. — Oirschot, Maurissen.
Strachia festiva L. — Fn, nov. sp. — Op onze zomer-excursie
in Augustus 1884 ontving ik 2 exemplaren, d en 9, van
den heer Ritsema, door hem toen in het Liesbosch bij
Breda op eene schermbloem gevangen.
Berytus montivagus Fieb. — Van de forma macroptera, die
nog niet in ons land waargenomen was, ving ik een voor-
werp te Zierikzee 4,
Berytus clavipes F. — Fn. nov. sp. — Een voorwerp in een
fleschje Hemiptera Neomagensia van den heer ter Haar.
Plinthisus brevipennis Latr. — Naar mededeeling van den
heer Six is de macroptere vorm, met geheel ontwikkelde
membraan, door hem op de Scheveningsche duinen in
Juni aangetroffen,
52 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
Trapezonotus agrestis Fall. — Bij deze soort staat, naar
aanleiding van een door generaal van Hasselt gevangen
exemplaar, verkeerdelijk opgegeven, dat de brachyptere vorm
uitsluitend voorkomt onder exemplaren van de Alpen
en Pyreneën. Dit moet zijn vooral, eene verkorte men-
braan treft men ook soms, schoon zelden, bij voorwerpen
van andere localiteiten aan.
Orthostira parvula Fall. var. Minor Put. faunae nova. —
Een voorwerp, gevangen te Breda 8, door Jhr. Dr. Everts,
dat ik tot deze varieteit breng, ofschoon het niet geheel
beantwoordt aan Dr. Puton’s beschrijving. De rand van
het pronotum heeft geen zes maar vijf cellen en de espace
latéral geen drie maar vier.
Salda cincta H. S. — Den Haag 1, Everts, 2 stuks.
Fam. XII CAPSIDAE.
Ziet hier dan nu de verreweg lastigste familie der Heteroptera,
waarbij vooral de kenmerken der geslachten uiterst moeilijk te
onderscheiden zijn, Nergens komen de zwakke zijden van Snellen
van Vollenhoven’s arbeid dan ook meer en duidelijker uit, dan in
zijne behandeling van deze familie. Zijne systematische indeeling
der Capsiden berust op geen redelijken grondslag; hij plaatst op
eenige, en laat ik er terstond bijvoegen, meerendeels ongemoti-
veerde uitzonderingen na, alle soorten in het geslacht Lygus, doch
er is geen enkele goede reden aan te voeren, waarom b. v. Monalo-
coris Filicis en Pilophorus clavatus wel, maar Agalliastes salti-
lans en Pyenoplerna striata niet twee verschillende geslachten
zouden uitmaken. Bij het verschijnen zijner artikelen in het
Tijdschrift, was deze generieke indeeling reeds lang door elkeen
verlaten.
Bovendien is zijne determinatie van de soorten zelve hoogst
onvertrouwbaar. Eens voor al zij dus hier gezegd, dat in deze
familie, en in de volgende der Anthocoriden, waarop hetzelfde van
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 53
toepassing is, ik slechts die vindplaatsen opgeef, waarvan ik zelf
voorwerpen zag.
Lang ben ik het met mij zelven oneens geweest over de rang-
schikking, welke ik voor deze familie zou moeten volgen. Die van
Dr. Puton’s Catalogue ‘is door de latere onderzoekingen, vooral
van Dr. Reuter, te zeer verouderd, om onveranderd aangenomen
te kunnen worden; daarentegen is het voortreffelijk werk van
Dr. Reuter, Hemiptera Gymnocerata Europae, dat, eenmaal vol-
tooid, het standdaard-werk voor de Europeesche Heteroptera belooft
te worden, nu, dat er nog slechts vijf groepen der Capsiden afge-
handeld zijn, niet ver genoeg gevorderd, ‘om het systeem, daar
uiteengezet, met vrucht te kunnen volgen. Uit het overzicht, in
het 3de deel op blz. 564 en volg. te vinden, blijkt dat Jaatstge-
noemde de Capsiden in 16, ten deele geheel nieuwe, groepen ver-
deelt, en dat ook de plaatsing der geslachten en soorten aanmer-
kelijke wijzigingen ondergaat. Aangezien het evenwel denkelijk nog
eenige jaren duren zal, eer al die 16 groepen door hem behandeld
zijn, en intusschen de indeeling van Dr. Puton algemeen gebrui-
kelijk is, kwam het mij minder dienstig voor en in het gebruik
tamelijk bezwaarlijk tevens, om reeds in deze lijst met dit geheel
nieuwe systeem van Dr. Reuter, dat nog weinig bekend is en
niet gevolgd wordt, voor den dag te komen.
Ik acht het daarom het best en het meest practisch ook, voor
de weinigen, die van deze lijsten gebruik maken, om mij te houden
aan Dr, Puton’s Catalogue !) wat de eerste groepen betreft, doch
ik heb aangenomen de divisiones en de generieke indeeling daarvan,
die in het werk van Dr. Reuter reeds zijn behandeld, dus voor
de Plagiognatharia, Oncotylaria, Nasocoraria, Cyllocoraria en
Dicypharia.
Ten slotte is het mij aangenaam hier mijn hartelijken dank te
brengen aan Dr. Reuter te Helsingfors, voor de groote bereid-
willigheid, waarmede hij mij zijne niet genoeg te waardeeren hulp
1) Met enkele veranderingen, die ik overnam uit de Revisio critica etc. van
Dr. Reuter.
54 CALALOGUS DER IN NEDERLAND
verleende tot het determineeren van de moeilijkste geslachten van
bovengenoemde groepen, en van eenige andere soorten in deze
familie en de volgende.
Subfam. CAPSIDAE.
Div. TERATODELLARIA.
De soorten, tot deze groep behoorende, worden slechts in
Afrika gevonden.
Div. MIRARIA.
Acetropis Fieb.
Gimmerthali Flor. — Fn. nov. spec. — Een enkel exemplaar , door
S. v. V. gevangen op Staalduin, in de collectie der Veree-
niging, aldaar staande onder en door S. v. V. in zijn
werk beschreven als Airis holsatus! 1)
Miris F.
calcaratus Fall. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 152.
var. grisescens Fieb. Tamelijk gemeen tusschen gras.
var. virescens Fieb. Als de vorige.
virens L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 150. — Ofschoon v. V.
deze soort zeer gemeen noemt, meende ik de juistheid van
die opmerking te mogen betwijfelen. Alle voorwerpen, die
ik onder de oogen kreeg en door hem als virens gedeter-
mineerd waren, behoorden tot /aevigatus. Ik houd ze voor
zeldzaam en zag alleen eenige inlandsche ex. van de var.
fulvus, geene van de varieteiten virescens Fieb. en testaceus
Reut.
var. fulvus Fieb. Arnhem 10, v. M. de Rooij; Velp 7, Rit-
sema; Ruurlo 7, Fokker.
Nog bezit ik eene zeer merkwaardige var. nigro-fusca! (ge-
heel bruin bij zwart af) in 4 stuk, door mij te Leiden ge-
vangen.
1) In Belgie A. carinata H,S$,
YOORKOMENDE HEMIPTERA. 55
laevigatus L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 149,
var. pallescens Fall. Gemeen tusschen gras.
var. grisescens Fall. Hier en daar gevangen; zal wel overal
schoon in minder aantal voorkomen.
var. virescens Fall. Als de vorige.
holsatusF. — Eod. nom bij S. v. V. p. 151. — Het eenige voorwerp,
dat ik door hem zoo bestemd zag, was bovengenoemde
Acetropis Gimmerthali, zoodat ik als inlandsche vindplaats
alleen kan opgeven Assen 7, Fokker.
De soort is zeer zeldzaam hier te lande,
Megaloceraea Fieb.
erratica L. — Moris erraticus L. bij S.v.V. p. 153. — De gemeenste
Miris-soort.
De type is tusschen gras overal zeer gemeen.
var. virescens Fieb. Even gemeen; de wijfjes van deze var.
schijnen intusschen zeldzaam te zijn: ik bezit er maar een
uit ons land.
var. ochracea Fieb. Vrij gemeen. De opmerking door Dr.
Reuter in zijne Aevisio critica etc. gemaakt, dat deze varie-
teit, praesertim antumno occurrit, kan ik nog hiermede aan-
vullen, dat ik ze nooit anders ving dan in Augustus, Sep-
tember en volgende maanden en wederom in het vroege
voorjaar , Maart en begin April, nimmer tusschen April en
Augustus. Zou deze var. dus de wintervorm zijn ?
ruficornis Fall. — Maris ruficornis bij S. v. V. p. 154. — Komt in
alle provincien voor ’).
Teratocoris Fieb.
antennatus Boh. — Fn. nov. sp. — Eene zeer merkwaardige soort,
die door geheel Europa verspreid, doch overal uiterst zeld-
zaam is. Ik ving op riet in een poldertje onder Zierikzee,
September 1879, een 2, dat behoort tot de var. a bij
1) In Belgie nog M, longicornis Fall.
56 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
Reuter _Levisio etc. beschreven, en in Augustus van het
volgend jaar terzelfder plaatse nog een 9, behoorende tot
zijne var. 6; beiden zijn brachypter, doch de eerste veel
minder dan de tweede.
Leptoterna Fieb.
ferrugata Fall. — By S. v. V. p. 155 als var. van 4. dolabrata.
De forma macroptera niet zelden op duinen en drooge gronden.
De forma brachyptera (alleen 9) te Renesse 8 en Steenwijk
7, Fokker.
dolabrata L. — Eod. nom. by S. v. V. p. 155.
De forma macroptera Assen 7 en Wageningen 7, Fokker.
De forma brachyptera Vorden 6, Groll.
Pantilius Curt.
tunicatus F. — Lopus tunicatus bij S. v. V. p. 160. — Den
Haag, Leiden en Heemstede op hazelaren 9, v. Voll;
Arnhem 9, 10, v. M. de Rooij; Hollandsche duinen 6,
Piaget; Breda 7, Hevlaerts; Baarn 10 en Vor'en 10, Groll.
Div. MIRIDIARIA.
Miridius Fieb.
quadrivirgatus Costa. — Fn. nov. sp. — Eveneens eene zeld-
zame soort, waarvan het voorkomen hier te lande merk-
waardig is. In September 1879 trof ik haar aan in
grooten getale in hetzelfde poldertje als de Zeratocoris; op
eene bepaalde plek was zij tusschen het gras zoo gemeen,
als anders Miris laevigatus is: niettegenstaande jaarlijksche
herhaalde bezoeken vond ik er na dien tijd op precies
dezelfde plaats nooit een enkel meer.
Div. LOPARIA.
Lopus Hahn.
+ gothicus L. — Lygus gothicus bij S. v. V. p. 186. — Een
voorwerp op ’s Rijks museum te Leiden, gevangen in Hol-
land door Dr. de Haan !).
1) In Belgie nog L. albomarginatus Hahn, mat Rossi en Zineolatus Brullé,
YOORKOMENDE HEMIPTERA. 57
Div. DIONCARIA.
Van deze groep zullen vermoedelijk hier geene soorten voorkomen.
Div. PHYTOCORARIA.
Phytocoris Fall.
Populi L. — Eod. nom. bij S..v. V. p. 179, doch hij verwart
met deze soort andere, 0. a. dimidiatus Kb. en longipennis
Flor. — Ik ken slechts twee inlandsche ex., een ? ge-
vangen in Holland door Fransen en een te Rotterdam 9,
door Snellen.
Tiliae F. — Eod. nom. bij S. v. V. p. 180. — De gemeenste
soort. Komt overal voor op boomen; ik ving ze te Zierikzee
dikwijls op pereboomen.
longipennis Flor. — Fn. nov. sp. — Een stuk Rolde 7, Fokker.
Misschien behoort ook hiertoe een voorwerp te Noordwijker-
hout door den heer Ritsema gevonden.
dimidiatus Kb. — Fn. nov. sp. — Eenstuk, Aerenhout 7, Ritsema.
Reuteri Saund. — Fn. nov. sp. — 4 ex. te Zierikzee 8, door mij
gevangen, die volgens Dr. Reuter waarschijnlijk tot deze
zeer zeldzame soort behooren.
Pini Kb. — Fn. nov. sp. — Een zeer oud ex., gevangen door
den heer Six te Driebergen, en een te Rolde 7, door mij.
Ulmi L. — S. v. V. p. 177 beschrijft PA. Ulmi L. en p. 178
Ph. divergens Mey. — Deze soorten zijn echter synoniem,
doch Udmi F. is eene andere soort en = varipes Boh. De
meeste Ulmi L. S. v. V., die ik zag, waren niet UlmiL.,
maar Ulmi F. = varipes Boh., terwijl zijne divergens Mey.
is = Ulm L.
Komt in alle provincien voor.
varipes Boh. — Fn. nov. sp. — Gevangen in Holland, Lim-
burg en Gelderland.
Calocoris Fieb.
striatellus F. — Lygus striatellus F. bij S. v. V. p. 185. —
58 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
In Groningen, Gelderland, Utrecht, Brabant, Holland en
Zeeland, doch overal schaarsch.
fulvomaculatus de Geer. — Fn. nov. sp. — Alleen gevangen
te Vorden 7 in verscheidene exemplaren en te Arnhem 6
door den heer Groll; te Assen 7 door mij.
bipunctatus F. — Lygus bipunctatus bij S. v. V. p. 188. —
Zeer gemeen.
Chenopodii Fall. — Lygus Chenopod bij S v. V. p. 189. —
Verspreid , doch meer locaal dan de vorige, soms even gemeen.
ticinensis Mey. — Fn. nov. sp. — Een voorwerp dezer in
Europa zeldzame soort, door S. v. V. als Lopus infusus
H. S. bestemd, gevangen door Dr. de Gavere bij Paters-
wolde 8,
seticornis F. — Lygus seticornis bij S. v. V. p. 187. — Noord-
wijk 7, Mr. H. W. de Graaf; Breda 7, Heylaerts; Wageningen
7, Groll; Valkenburg 7, verscheidene ex. Maurissen en
Fokker.
roseomaculatus de Geer. — Lygus ferrugatus F. bij S. v.
V. p. 190. — Nijmegen 6, Vorden 7, Groll; Bunde 7,
Maurissen; de Bildt en Driebergen, Six; Arnhem, v. M.
de Rooij; Ruurlo 7, Wolfhezen 7, Wageningen 7, en
niet ongemeen te Renesse 8, Fokker.
marginellus F. — Fn. nov. sp. — Een voorwerp met etiquet
Maurissen Limburg, in de collectie der Vereeniging.
infusus H. S. — Lopus infusus bij S. v. V. p. 161. —- Drie-
bergen Six; Breda, Heylaerts; Arnhem 8, 9 en 10, en
Nijkerk, v. M. de Rooij; Maarsbergen 10, Piaget; Doetichem
7, en Maastricht 7, Groll ').
Pycnopterna Fieb.
striata L. — Lygus striatus bij S. v. V. p. 184. — Brummen
5, S. v. V.; Velp 6, Ritsema. Zeer zeldzaam.
1) In Belgie nog C. bifasciatus Hahn en quadripunctatus F.
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 59
Oncognatus Fieb.
binotatus F.— Eod. nom. bij'S. vs \V: p. 457. = Gevangen
hier en daar in Utrecht en Gelderland, verder te Breda
8, Heylaerts; Nuth 7, Maurissen; Valkenburg 7, Fokker ;
en den Haag 8, v. d. Wulp.
Dichrooscytus Fieb.
rufipennis Fall. — Zygus rufipennis bij 8. v. Vip. 240. —
Den Haag, Dr. van Hasselt; Vorden 7, Groll; Zeist 7, de
Graaf; Velzen 6, Piaget; Bunde 7, Maurissen; Wageningen
7, Fokker.
Plesiocoris Fieb.
rugicollis Fall. — Zygus rugicollis bij 8. v. V. p. 218. —
Terschelling 6, Bloemendaal 6 en Leiden 8, Ritsema; den
Haag 7, S. v. V.; Rotterdam 6, Piaget; Haarlem 6, Groll;
en Nijmegen, ter Haar.
Div. CAPSARIA.
Lygus Hahn.
pratensis L. — Eod. nom. bij S. v. V. p. 193. — In alle
provincien gevangen.
var. campestris L. Gemeen.
rubricatus Fall. — Eod..nom. bij S. v. V. pe 244. — Drie-
bergen 7, S. v. V.; Amersfoort 7 en Utrecht, Six; Steen-
wijk 7, Rolde 7 (aldaar niet ongemeen), Assen 7 en
Wolfhezen 7, Fokker.
contaminatus Fall. — Eod. nom. bij S. v. V. p. 220. —
Ik ken slechts een inlandsch ex., door Generaal van Has-
selt in Utrecht gevangen.
lucorum Mey. — Fn. nov. sp. — Een enkel voorwerp Rotter-
dam 9, Snellen. Het is zeer beschadigd, doch door Dr.
Reuter als deze soort bestemd.
pabulinus L. — Eod. nom. bij S. v. V. p. 220. — Utrecht
6, Six; Arnhem 8, v. M de Rooij; Zierikzee 6 en 9,
60 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
zeer locaal, maar dan in aantal; Rolde 7, Steenwijk 7,
Fokker; en Amby, Maurissen.
Pastinacae Fall, — Eod. nom. bij S. v. V. p. 198. — Utrecht
5, Six; Staalduin 7, v. d. Wulp; Rotterdam, Dr. Piaget;
den Haag 4, van Hasselt en Leesberg; Zierikzee 3, Fokker.
cervinus H. S. — Eod. nom. bij S. v. V. p. 203. — Den
Haag 11, Six; Rolde 7 en Baarn 7, Fokker.
Kalmii L. — Eod. nom. bij S. v. V. p. 197. — Groningen 4,
de Gavere; den Haag, v. d. Wulp; Zierikzee 3, Fokker.
var. flavovarius F. Nijkerk, v. M. de Rooij; Utrecht 5, Six;
Leiden 7 in lijsternest, Ritsema; St. Pieter 9, Maurissen ;
Valkenburg 7 en Zierikzee 1 en 9, Fokker.
Nog eene andere var. ving de heer v.d. Wulp bij den Haag 5.
Type en varieteit zijn volgens S. v. V. gemeen op scherm-
bloemen, vooral Meracleum sphondylium. Ik heb ze daar
nooit op aangetroffen, wel meermalen in den winter
achter boomschors.
Hadrodema Fieb.
pinastri Fall. — Zygus pinastri Fall. bij S. v. V. p. 202. —
Scheveningen 7, S. v. V.; Ruurlo 7, Wageningen 7,
Wolfhezen 7, Rolde 7, Assen 7, Steenwijk 7, geklopt
van dennen te Wageningen in aantal, Fokker; Nuth,
Maurissen.
Cyphodema Fieb.
rubicundum Fall. — Zygus rubieundus Fall. bij S. v. V. p.
195. — Utrecht 5, Six en A. C. Oudemans.
Poeciloscytus Fieb.
Gyllenhalii Fall. — Lygus Gyllenhalii bij S. v. V. p. 201. —
Scheveningen 7, S. v. V.; Loosduinen, Dr. van Hasselt;
Haarlem 8 en 9, en Vorden 9, Groll; Zierikzee 9, Fokker.
unifasciatus F. — Lygus unifasciatus bij S. v. V. p. 199. —
In Holland, Zeeland, Utrecht en Limburg,
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 61
var. lateralis Hahn. Amersfoort 7, Six; Zierikzee 6, 7
Fokker.
2
vulneratus Wolff. — Lygus vulneratus bij S. v. V. p. 200. —
Is volgens Dr. Sn. v. Vollenhoven gemeen op de duinen
(van Holland) 6, 7, 8; Ameland, Dr. Ritzema Bos.
Camptobrochis Fieb.
lutescens Schill. — S. v. V. beschrijft p. 191 en 192 Zygus
punctulatus Fall. en Z. Fallenii Hahn, doch deze soorten
zijn synoniem. Er is echter nog eene C. punctulata Mey. =
lutescens Schill., en blijkens de aanhaling van het werk
van Meyer en v. Vollenhoven’s determinaties bedoelt hij
met Z. punctulatus Fall. L. punctulatus Mey. = lutescens
Schill., dus deze soort. De andere soort, Fallenii Hahn
door hem genoemd, behoort te heeten C. punctulata Fall.
en deze beschrijft hij naar een exemplaar, door Dr. Piaget
in Holland gevangen. Intusschen schijnt dit voorwerp zoek
geraakt te zijn: het is ten minste niet in de collectie der
Vereeniging, noch in die van S. v. V. op ’s Rijks museum
te vinden, zoodat deze soort voorloopig als inlandsch moet
vervallen.
Lutescens Schill. is gevangen te Arnhem 4, 10, 11, v.
M. de Rooij; Oirschot 8 en Maastricht 9, Maurissen ;
Zierikzee 3, Fokker. ')
ake
Liocoris Fieb.
tripustulatus F. — Lygus tripustulatus bij S. v. V. p. 196. —
In Groningen, Holland, Utrecht, Brabant, Limburg en
Zeeland (te Zierikzee eenmaal in menigte in Juli op Urtica
dioica).
Capsus F.
cordiger Hahn. — Lygus cordiger bij S. v. V. p. 191. — Breda
7, Heylaerts; Arnhem 7, v. M. de Rooij; Oosterbeek 7,
1) In Belgie ook C. punctulata Fall,
62 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
van Hasselt; Nijmegen 6, Groll; Renesse 8 niet ongemeen,
Wageningen, aldaar gemeen in een weg op den Wagening-
schen berg, Fokker.
trifasciatus L. — Fn. nov. sp. — Een voorwerp dezer
fraaie en zeldzame soort stond in de vroegere collectie der
Vereeniging met etiquet «Holland, van Vollenhoven». !)
laniarius L. — Capsus capillaris F. bij S. v. V. p. 164. —
In Gelderland op verscheidene plaatsen; Valkenburg 7, Fok-
ker en Breda, Heylaerts.
var. danicus F. In Gelderland hier en daar; Valkenburg 7,
Fokker.
var. tricolor F. Velp 7, Ritsema en Ruurlo 7, Fokker.
Alloeotomus Fieb.
gothicus Fall. — All. marginepunctatus H. S. bij 8. v. V.
p. 158. — Is zeer zeldzaam. De heer van der Wulp ving
ze in de Haagsche duinen 8, de heer Groll te Haarlem 10
en ik te Ruurlo 7, allen in een exemplaar.
Rhopalotomus Fieb.
ater L. — Capsus ater bij S. v. V. p. 163. — Vrij gemeen op
drooge gronden.
var. tyrannus F. Als de type.
var. 2 semiflavus L. Zeldzamer.
Div. BRYOCORARIA.
Monalocoris Dahlb.
Filicis L. — Eod. nom. bi S. v. V. p. 146. — In Gelderland
op verscheidene plaalsen; in Utrecht Six; te Zierikzee 7
en Assen 7, Fokker; op Terschelling, Jhr. Dr. Everts;
Hollandsche duinen, Piaget. Werd wel gevonden op Polypo-
dium filix mas. 2)
1) In Belgie nog C. olivaceus F.
2) In Belgie ook Bryocoris pteridis Fall.
VOORKOMENDE HEMIPTERA, 63
Divisiones EXAERETARIA Reut., LABOPARIA Reut., DIPLACARIA Reut.
et PıropHoRARIA Reut. (Div. CYLLOCORARIA auctorum partim).
Pilophorus Hahn.
connamopterus Kb. — Camaronotus cinnamopterus Kb. bij S.
v. V. p. 174. — Komt in alle provincien voor. Ik vond
ze jaarlijks te Zierikzee op lage appel- en perzikboomen,
jacht makende op Aphiden.
clavatus L. — Camaronotus clavatus bij S. v. V. p. 175. —
Arnhem 8, v. M. de Rooij; Velp 7, Ritsema; Vorden 7 en
Doetichem 8, Groll; Steenwijk 7, Fokker.
Stiphrosoma Fieb.
leucocephalum L. — AHaltieus leucocephalus bij S. v. V.,
p. 174. — Eenmaal in aantal te Breda 5, Heylaerts;
Wolfhezen 6 en Oosterbeek 7, Ritsema; Vorden 7, Groll;
Wageningen 7 en Ede 7, Fokker.
obscurum Ramb. — Fn. nov. sp. — Ede 7, Fokker, 4 ex.;
aldus gedetermineerd door Dr. Reuter.
luridum Fall. — Haltieus luridus bij S. v. V. p. 172. — Is
inlandsch volgens S. v. V. 1. c., waar eenige vindplaatsen
opgegeven worden, die echter niet vertrouwbaar zijn, daar
ik verscheidene voorwerpen door hem als Zuridum gedeter-
mineerd zag, doch die allen niet Zwridum waren, maar
behoorden tot Dicyphus globulifer Fall. (!)
Ik ken alleen een ex. uit Terschelling 7, Ritsema, doch
ben van deze determinatie niet geheel zeker.
Halticus Burm.
apterus L. — Fn. nov. sp. — Wel geeft S. v. V. p. 172,
deze soort als inlandsch op, onder den naam van H. pal-
bicornis F. (= apterus L.), naar een voorwerp door den
heer Six bij Nijmegen gevangen, doch dit exemplaar, dat
in mijne collectie is, is een Orthocephalus parallelus Mey.,
var. tibialis Reut. Apterus is echter inlandsch door een
64 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
ex. dat Mr, Leesberg op onze excursie in Juli 1882 te
Wageningen voor mij ving.
Orthocephalus Fieb.
saltator Hahn. — Op p. 204 beschrijft S. v. V. Zygus
mutabilis Fall. en haalt bij de literatuur aan Flor, en als
synoniemen sa/tator Hahn en Airtus Curtis. Doch de muta-
bilis van Fallen en die van Flor zijn gebleken twee
afzonderlijke soorten te wezen. De mutabilis Fall. is wiet
synoniem met saltator en hirtus, maar met coriaceus F.
en pilosus Hahn, en wordt dus genoemd coriaceus F. De
mutabilis Flor is daarentegen wel synoniem met saltator
en Artus en behoort te heeten sa/tator Hahn. S. v. V.
bedoelt, blijkens zijne aanhalingen, met mutabilis Fall.
mutabilis Flor, dus deze soort. De Bildt 7, Everts;
Renesse 8, 2 2 en Ruurlo 7, 1 d, Fokker; Vorden 6,
Groll.
coriaceus F. (= mutabilis Fall... — Fn. nov. sp. — Een der
synoniemen van deze soort is, gelijk ik boven zeide,
pilosus Hahn. Nu vindt men in van Vollenhoven’s werk,
p- 215, een Lygus pilosus Hahn behandeld, die dus deze
soort zou wezen, en op de volgende bladzijde Lygus
tibialis Hahn, die hij zeer gelijkend noemt op en weinig
verschillend van Z. pilosus. Men kan nu beseffen hoe
grenzeloos soms de verwarring in zijn werk is, als men
weet dat bij al de voorwerpen, die ik zag als L. pilosus
Hahn door hem bestemd, geen enkele ware pilosus =
coriaceus F. was; twee er van behoorden tot Orthoce-
phalus saltator, de anderen allen tot Heterocordylus lepto-
cerus Kb. en dit klopt met zijn gezegde op p. 216, dat
L. tibialis Hahn zoo gelijkt op Z. pilosus. Immers zijne
I. tibialis is Heterocordylus tibialis Hahn. — Coriaceus is
slechts gevangen te Arnhem 7, een d en door den heer
Maurissen te St. Pieter 7, een 9.
parallelus Mey. — Fn. nov. sp. — Beek 6, Driebergen, Six;
Arnhem 9, van M. de Rooij; Vorden 7, Groll; Wolfhezen 7
VOORKOMENDE -HEMIPTERA. 65
en Wageningen 7, Fokker. De 9 alleen te Vorden 7,
Groll, en Wolfhezen 7, Fokker.
var. tibialis Reut. (de Haltieus pallicornis van S. v. V.).
Een stuk te Beek 6, door den heer Six.
Pithanus Fieb.
Maerkelii H. S. — Eod. nom, bij-8. v. V. pi 447. — De
forma brachyptera, op de duinen door verschillenden;
voorts te Steenwijk 7, Rolde 7, Wageningen 7 en op
drooge, warme gronden te Zierikzee 6—9, niet zelden,
door mij. Van de forma macroptera, tot nog toe in ons
land niet waargenomen, ving ik een ex. te Wolfhezen 7,
onder de Wodanseiken.
Systellonotus Fieb.
triguttatus L. — Fn. nov. sp. — Een stuk, Zierikzee 6,
Fokker.
Div, DicvyPHARIA Reuter.
Campyloneura Fieb.
virgula H. S. — Lygus virgula bij S. v. Vi p. 205, — In
Gelderland, Utrecht, Holland, Zeeland (Middelburg) en
Limburg, doch nergens gemeen.
Dicyphus Fieb.
pallidus H. S. — Eod. nom. bij S. v. V. p. 237. — Deze en
de beide volgende soorten zijn door Dr. Reuter gedetermineerd
Een stuk Utrecht 6, Six; een 2, Voorst 7, Wttewaall.
Epilobii Reut. — Fn. nov. sp. — Zierikzee 9, verscheidene
exemplaren; Renesse 8 en Valkenburg 7, Fokker.
errans Wolff. — Kod. nom. bij S. v. V. p. 236. — Wasse-
naar 10, S. v. V.; Vogelzang 7, Ritsema (beiden stonden
echter in de collectie der Vereeniging als Die. annulatus
Wolff!).
globulifer Fall, — Zygus globulifer bij S. v. V. p. 208. —
In Holland op verscheidene plaatsen; Arnhem 7, Groll.
annulatus Wolff. — Fn. nov. sp. — Een ex. in de collectie
der Vereeniging, Walcheren, La Fontijn.
66 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
Macrolophus Fieb.
nubilus H. S. — Lygus nubilus H. S. bij S. v. V. p. 226. —
Utrecht 5, Six.
Div. CYLLOCORARIA Reuter.
Malacocoris Fieb.
chlorizans Fall. — Lygus chlorizans Fall. by S. v. V.p. 222. —
Volgens hem gevangen te Middelburg door Gerth van Wijk.
Ik ving ze te Zierikzee 9 en te Rolde 7.
Heterocordylus Fieb.
leptocerus Kb. — Fn. nov. sp. — Is de Lygus pilosus Hahn
van S. v. V. (zie boven onder het geslacht Orthocephalus).
Beek 6, Six; Arnhem 7, Snellen; Wageningen 7 , Fokker.
tibialis Hahn. — Lygus tibialis bij S. v. V. p. 216. — Mook 6,
S. v. V.; Ulvenhoutsche bosch 6, Ritsema; Wageningen 7,
Fokker.
Heterotoma Latr.
merioptera Scop. — Heterotoma spissicornis bij S. v. V. p. 167. —
In alle provincien, op lage boomen en struiken.
Loxops Fieb.
coccinea Westw. — Lygus coccineus Mey. Dir, S. v. V. Tyd-
schrift voor Ent., di. XXII, p. 229. — Twee stuks
ving ik in Augustus 1877 te Zierikzee; zij vlogen af van
een Acer pseudo-platanus. De heer Maurissen ving een 9 te
St. Pieter 8.
Orthotylus Fieb.
Van dit lastige geslacht zijn de meeste soorten door
Dr. Reuter geverifieerd.
marginalis Reut. — Lygus nassatus S. v. V. p. 224. —
Volgens Reuter is de »assatus F. auctorum niet de eigen-
lijke nassatus van Fabricius, maar is deze laatste synoniem
met striicornis Kb.; hij noemt nu de zassatus F.auctorum
marginalis, en striicornis Kb. wordt de eigenlijke nassatus F.
Driebergen Six; Wageningen 7, en Zierikzee 7, Fokker.
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 67
nussatus F. (= strucornis Kb.). — Fn. nov. sp. — Arnhem
7, 8, v. M. de Rooij; Wassenaar 6, S. v. V.
viridinervis Kb. — Fn. nov. sp. — Een voorwerp gevangen
bij den Haag 8, door S. v. V.
diaphanus Kb. — Fn. nov. sp. — Eens gemeen op linden
(in tilia) 7, 8, te Zierikzee, Steenwijk 7, Fokker.
flavosparsus Sahlb. — Lygus flavosparsus bij S. v. V. p. 222. —
Te Bussum verscheidene ex. door den heer Jaspers;
Zierikzee 8, Fokker.
virescens Dgl. & Sc. (= chloropterus Kb. nec Fieb.). — Fn.
nov. sp. — Wageningen 7, niet ongemeen, Fokker en
Leesberg; Wolfhezen 7, Ruurlo 7, Rolde 7, Steenwijk 7,
Fokker.
concolor Kb. — Fn. nov. sp. — 1 te Steenwijk 7, Fokker.
Adenocarpi Perr. — Fn. nov. sp. — Wolfhezen 7 en Rolde
7, Fokker.
rubidus Fieb. et Put. — Fn. nov. sp.
var. a. rubidus Fieb. et Put. Ik vond deze soort in aantal
in Salicornia radicante aan de oevers van een plas te Zie-
rikzee 7—9.
var. 6. Moncreaffi Dgl. et Sc. Te Zierikzee met de type.
ericetorum Fall. — Misschien de 2. ericetorum Fall. van S. v.
V. p. 226. — Driebergen, Six; Ruurlo 7 en Rolde 7,
Fokker; voorts te Redersteeg 8, door S.v. V., welk laatste
het voorwerp is dat hij p. 224 als Lygus Tanaceti Fall. ?
beschrijft. 1)
Cyrtorrhinus Fieb,
pygmaeus Zett. — Fn. nov. sp. — Renesse 8, Fokker.
Globiceps Latr.
sphegiformis Rossi. — Fn. nov. sp. — Ken stuk, Valkenburg
7, Fokker.
1) In Belgie nog O. prasinus Fall,
68 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
cruciatus Reut. — Fn. nov. sp. — Een 2 te Wassenaar 8, S.
v. V. Ik vond te Zierikzee 8, beide sexen (het 9 bra-
chypter) en te Ruurlo 7, een macropter 9.
flavomaculatus F. (= seleetus Fieb.). — Is de wants door
S. v. V. p. 166, onder den geheel verkeerden naam van
Capsus distinguendus H. S., die niet inlandsch is, beschreven,
gelijk uit de afbeelding die hij geeft, reeds vroeger door
Dr. Puton en Reuter opgemerkt is.
Slechts 4 4, mij bekend, gevangen te Utrecht door den
heer Six; ç te Vorden 7 en Doetichem 7, Groll; Ruurlo
7 en Valkenburg 7, Fokker.
Aetorhinus Fieb.
angulatus Fall. — Lygus angulatus by S. v. V. p. 219. —
Gemeen.
Cyllocoris Hahn.
flavo-quadrimaculatus de Geer. (= flavonotatus Boh.) —
Deze soort is door S. v. V. p. 211 verkeerdelijk genoemd
Lygus flavomaculatus F.; doch deze vergissing is zeer verklaar-
baar, want de synonymie van de soorten van Cyllocoris en
Globiceps is zoo uiterst verward en ingewikkeld, dat men er
haast niet wijs uit kan worden, Iedere schrijver bijna heeft
eene soort, die hij flavomaculatus F. noemt, maar de flavo-
maculatus F. van Wolff en Hahn is een andere dan die
van Fallen en Flor, en beiden zijn weer verschillend van
de flavomaculatus F. van Fieber: men vergelijke de uiteen-
warring door Dr. Reuter in zijne Hemiptera Gymnocerata
Europae, onder de aangehaalde geslachten, deel III, p. 393
en volg.
C. flavo-quadrimaculatus de G. is gevangen in Holland,
Utrecht, Gelderland, Brabant en Limburg.
histrionicus L. — Lygus histrionicus bij S. v. V. p. 206. —
Niet zeldzaam op de duinen van Holland, voorts in Utrecht,
Gelderland, Brabant en Limburg.
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 69
Div. NAsocoRARIA Reut,
Deze groep is nog slechts vertegenwoordigd in Rusland en Turkestan.
Div. ONCOTYLARIA Reut.
Macrotylus Fieb.
Paykullii Fall. — Lygus Paykulli by S. v. V. p. 227. —
Strand van Scheveningen op Ononis repens gemeen, 6, 7,
S. v. V.; Vogelzang 7, Piaget; Scheveningen, Six; Haarlem
8 in aantal, Groll.
Amblytylus Fieb.
albidus Hahn. — Lygus albidus bij S. v. V. p. 225. — Den
Haag en Driebergen 7, S. v. V.
affinis Fieb. — Fn. nov. sp. — Wageningen 7, 2 ex., Fokker.
? brevicollis Fieb. — Fn. nov. sp. — Een stuk door mij
gevangen bij Wageningen 7 en door Dr. Reuter als waar-
schijnlijk deze soort bestemd. *)
Macrocoleus Fieb.
Tanaceti Fall. — Misschien de Lygus Tanaceti van S. v. V.,
p. 224; ik zag evenwel onder de door hem als deze
soort gedetermineerde Hemiptera geen enkele ware Tanaceti,
doch een voorwerp gevangen te Gennep door S. v. V. en
door hem benoemd Z. molliculus Fall, was een Tanaceti.
Verder ving ik de soort in eenige ex. te Steenwijk 7 en
in grooten getale op een stuk land dicht bij de Hunne-
bedden te Rolde 7.
mollieulus Fall. — Fn. nov. sp. ofschoon S. v. V. ze als in-
landsch opgeeft p. 223, doch zijne voorwerpen, voor zoover
ik ze zag, behoorden, op bovengenoemde Tanaceti na, allen
tot Plagiognathus Chrysanthemi Wolff. Alleen door den heer
Groll bij Haarlem 8 gevangen.
1) In Belgie ook À. nasutus Kb,
70 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
Hoplomachus Fieb.
Thunbergii Fall. — Lygus Thunbergu bij S. v. V. p. 216. —
Driebergen gemeen op Hieracium pilosella, Six; Breda,
Heylaerts; Renkum 6 in aantal, S. v. V.; Bunde 6, Mau-
rissen; Wolfhezen 7, Fokker.
Conostethus Fieb.
salinus J. Sahlb. — Fn. nov. sp. — S. v. V. beschrijft p. 162
van zijn werk een Zopus nieuw voor de fauna en noemt
dien Z. subpatellatus Voll. Dat dit geen Lopus was, was dui-
delijk en er werd reeds spoedig gegist, dat het eene Cono-
stethus-soort zou zijn. Zoo zegt Dr. Reuter in de Berlin.
Entom. Zeitung Bd. XXV, in zijne Analecta Hemipterologica
p. 182, dat hij vermoedt dat Z. subpatellatus Voll. het
wijfje is van Conostethus salinus J. Sahlb. Tot nader on-
derzoek zond ik hem nu de drie eenige bekende exemplaren ,
het eene groote uit Terschelling (niet uit Texel zooals S.
v. V. bij vergissing opgeeft), naar hetwelk hij zijne beschrij ving
maakte, en de twee «kleinere en grijzere» uit Velp, allen
indertijd door den heer Ritsema gevangen; het eerste berust
in mijne collectie, en tot het zenden der twee anderen uit
de collectie van S. v. V. op ’s Rijks museum had de heer
Ritsempa met zijne gewone hulpvaardigheid mij in staat gesteld.
Uit dat onderzoek is gebleken dat de eerste is eene Co-
nostethus salinus 3, de twee anderen uit Velp, Conostethus
roseus Fall. d en g forma brachyptera.
Behalve te Terschelling 6 door den heer Ritsema, is deze
soort den vorigen zomer in Juni door mij in aantal (¢ en 2)
gevonden aan de oevers van een plas, dicht bij den zee-
dijk onder Zierikzee op Sa/icornia radicans.
C. salinus is in Europa zeer zeldzaam en in zeer weinig
landen aangetroffen (Engeland, Finland, Hongarije en
Spanje).
roseus Fall. — Fn. nov. spec. — 2 stuks d en 9, te Velp
6, Ritsema; een te Ede 7, Fokker,
VOORKOMENDE HEMIPTERA. al
Onychumenus Reut:
decolor Fall. — S. v. V. p. 224 geeft deze soort als inlandsch
op, doch zijne exemplaren zijn nergens te vinden. Ruurlo 7,
Groll; Assen 7, Fokker.
Div. PLAGIOGNATHARIA Reut.
Sthenarus Fieb.
Roseri H. S. — Lygus Roseri bij S. v. V. p. 203. — Utrecht,
Six; Rotterdam 9, Snellen.
Eene var. te Amersfoort 7, Six; en Groningen (Omland)
8, de Gavere.
Rotermundi Scholtz. — Fn. nov. sp. — Een stuk te Zierikzee
9, Fokker.
Campylomma Reut.
Verbasci H. S. — Fn. nov. sp. — Nijmegen 6, Groll.
Neocoris Del. & Sc.
nigritulus Zett. — Fn. nov. sp. — Terschelling 7, (Ritsema ?) ;
den Haag, Dr. van Hasselt; Renesse 8, Fokker.
Bohemanni Fall. — Zygus Bohemanni bij S. v. V. p. 217. —
In de duinen van Holland 6 — 7, op Salix repens gemeen
volgens S. v. V.; op die van Schouwen, Fokker; te Loos-
duinen, Dr. van Hasselt; Middelburg 6, de Man.
Agalliastes Fieb.
pulicarius Fall. — Zygus pulicarius bij S. V. Va PAL
Den Haag 6, Six; Scheveningen 6, Steenwijk 7, Wolf-
hezen 7, Wageningen 7, Fokker; Haarlem 8, Doetichem
7, Groll.
+ saltitans Fall. — Lygus saltitans bij Sea Ve AND 2834.
3 ex. op Vlieland 5, Ritsema, in de collectie van Voll. 2).
Plagiognathus Fieb.
alpinus Reut. — Fn. nov. sp. — Een zevental te Valkenburg
7, Fokker.
fulvipennis Kb. — Fn. nov. sp. — Ruurlo 7, Fokker; Arn-
hem 7 en Vorden 7, Groll.
1) In Belgie nog A. evanescens Boh. en pullus Reut.
rei CATALOGUS DER IN NEDERLAND
Chrysanthemi Wolff (= viridulus Fall). — Lygus viridulus
bij S. v. V. p. 235. — Staalduin 6, S. v. V.; Utrecht
6, Six; Haarlem 8, Groll; Steenwijk 7, Assen 7, ge-
meen te Ruurlo 7, Fokker.
arbustorum F. — Lygus arbustorum bij S. v. V. p. 230. —
. Haarlem 7, Groll; Nuth, Maurissen; Steenwijk 7, Rolde 7,
Valkenburg 7, Wageningen 7, Wolfhezen 7, Fokker.
var. drunnipennis Mey. (S. v. V. p. 231). — Den Haag 8,
Six; Steenwijk, Wolfhezen en Valkenburg, allen 7, Fokker.
Atractotomus Fieb. !).
Mali Mey. — Zeterotona Mali M. D. bij S. v. V. p. 169. —
Utrecht 5, Six; Vorden 7, Wageningen 7, Groll; Nuth,
Maurissen; te Zierikzee gemeen op lage appelboomen,
jagende op Aphiden, 6, 7, 8, 9, Fokker.
magnicornis Fall. — Heterotoma magnicornis Fall. bij S. v. V.
p. 168. — Assen 7 en Vorden 7, Groll. Ik klopte ze te
Rolde 7 en Steenwijk 7, in aantal van dennen en ving
er ook te Wageningen 7.
Observ. — Wat Heterotoma unicolor Hahn, S. v. V. 169, moet
zijn is mij een raadsel. Heterotoma (Heterocordylus) unicolor
Hahn (Genistae Scop.) is het zeker niet. Misschien is het
Orthocephalus parallelus Mey., ten minste de 2 of 3 voor-
werpen van van Vollenhoven, die ik zag, behoorden hiertoe,
maar hoe is dat dan te rijmen met zijne afbeelding, plaat 22
fig. 7, die eer doet denken aan ZH. tumidicornis H. S., niet
als inlandsch bekend. Ik acht het waarschijnlijk dat deze
figuur misteekend is en de verdikking van het tweede sprie-
1) M. Lethierry geeft p. CLxxvI dl. XXII der Annales de la Soc. Entom. de
Belgique onder Hémiptères nouvelles pour la Belgique Criocoris crassicornis Hahn
op, als in Holland te Nuth door den heer Maurissen gevangen. Op mijne infor-
matie antwoordde de heer Maurissen, dat hij die soort niet had, zich ook niet
bewust was ze gehad te hebben of ooit die vangst gedaan te hebben, en
niet begreep hoe M. Lethierry aan deze mededeeling gekomen was. Om een
en ander acht ik het minder geraden Cr. crassicornis als inlandsche soort op te
nemen,
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 73
tenlid overdreven; dan kan het wezen Orth. parallelus , bij
het d waarvan dat sprietenlid eenigszins verdikt is.
Psallus Fieb.
ambiguus Fall. — Fn. nov. sp. — Driebergen, Six; Holland,
Fransen.
variabilis Fall. — Lygus variabilis bij S. v. V. p. 232; doch
ik vond allerlei soorten van Psallus door hem als variabilis
bestemd. Amby 6, 7, Maurissen; den Haag 6, S. v. -V.
en 8, Fokker; Beekhuizen 8, S. v. V.; Rotterdam,
Dr. Piaget; Vorden 7, Haarlem 6, Assen 7, Groll;
Rolde 7, Wageningen 7, Fokker.
? simillimus Kb. — Fn. nov. sp. — Ik bezit een ex. uit Wage-
ningen 7, dat volgens Dr. Reuter vermoedelijk deze soort is.
Quercus Kb. — Fn. nov sp. — Ruurlo 7, Groll; Ede 7, Wolf-
hezen 7, Fokker.
Scholtzii Fieb. — Fn. nov sp. — Vorden 7, Groll.
Lepidus Fieb. — Fn. nov. sp. — Haarlem 6, Ritsema; Holland,
Fransen.
Fallenii Reut. (= roseus F. auctorum, zie hieronder de aan-
teekening bij roseus). — Fn. nov. sp. — Ik ken slechts één
inlandsch ex. met etiquet «Holland» van Vollenhoven.
vitellinus Scholtz. — Fn. nov. sp. — 1 te Assen 7, Fokker.
varians H. S. — Lygus varians Mey. bij S. v. V., p. 232. —
In Holland, Fransen; Utrecht en Beek, Six; Wageningen
7, en Vorden 7, Groll.
diminutus Kb. — Fn. nov. sp. — De Bildt 7 (Six?); Vorden 7,
Groll; Wageningen 7, Leesberg; aldaar en te Wolfhezen 7,
Fokker.
roseus F. (= Alm F. auctorum) — Fn. nov. sp. — In het
ge deel, p. 463, van zijn groot werk, toont Dr. Reuter
aan, dat de Psallus roseus F. der schrijvers niet is de
soort door Fabricius onder dien naam in zijne Genera
Insectorum beschreven, ofschoon misschien wel die aldus
74 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
genoemd in zijn Systema Rhynch. Reuter geeft nu aan de
soort, die vroeger onder dien naam bekend was, den nieuwen
naam Fallen Reut. De soort, die Fabricius in zijne Genera
Insect. roseus noemt, is dezelfde als de Alni F: auctorum
en behoudt den naam roseus F. Beide soorten zijn nieuw
voor onze fauna, want hoewel S. v. V., p. 243, een
Lygus roseus F. beschrijft, behoorde geen der vele voor-
werpen, die ik van zijne roseus in handen kreeg, tot
Ps. roseus F. of Fallen Reut.; de meesten waren Ps.
variabilis, eenigen zelfs Lygus rubricatus Fall. !
Vorden 7, Groll; Rolde 7, Fokker.
salicellus Mey. — Fn. nov. sp. — Een ex, door Dr. Piaget
in Gelderland of Limburg 8 gevangen |).
Plesiodema Reut.
pinetellum Zett. — Fn. nov. sp. — In Holland, Fokker,
1 stuk.
Phylus Hahn.
palliceps Fieb. — Fn. nov. sp. — Lygus aurantiacus Voll,
(pag. 214) is volgens Dr. Reuter (Analecta Hemipterologica
in Berl. Entom. Zeit. van 1881, blz. 184), die het
typische ex. van S. v. V. van mij ter bezichtiging ont-
ving, hiermede synoniem, en alleen eene donkerder varieteit.
Holland, S. v. V.; Vorden 7, Groll.
melanocephalus L. — Lygus melanocephalus bij S. v. V.
p. 213. — In Gelderland, Holland en Utrecht op ver-
schillende plaatsen; Breda, Heylaerts.
Avellanae Mey. — Fn. nov. sp. — Vorden 7, Groll; Oud
Vroenhoven 7, Maurissen; Wikk(-evoort?) 7, Wttewaall.
Coryli L. — Lygus Coryl bij S. v. V. p. 214 — Haagsche
Bosch 6, v. d. Wulp; Breda 8, Heylaerts; Walcheren,
Gerth van Wijk; Huisen 6, v. M. de Rooij; in Holland,
Fransen; Vorden 7, Assen 7, Groll; Valkenburg 7, Bunde 6,
Maurissen.
1) In Belgie ook Ps. albicinctus Scholtz.
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 75
Byrsoptera Spin.
rufifrons Fall. — Zygus Caricis Hahn bij S. v. V. p. 228. —
Hollandsche duinen 7, v. d. Wulp, en Renesse 8, Fokker,
beiden 2.
Harpocera Curt.
thoracica Fall. — Zygus thoracicus bij S. v. V. p. 209. —
In Holland op verscheidene plaatsen; in Utrecht en Gel-
derland.
Subfam. 2. ISOMETOPIDAE.
Van deze afdeeling zijn nog geene soorten uit Nederland
bekend.
Fam. XIII. ANTHOCORIDAE.
Subt. 1. ANTHOCORIDAE.
Temnostethus Fieb.
pusillus H. S. -- Eod. nom. bij S. v. V. p. 242. — Leiden 6,
S. v. V.; Wageningen 7. Is volgens S. v. V. ook ge-
vangen te Utrecht door den heer Six; Breda, Heylaerts
en Arnhem, S. v. V.
Acompocoris Reut.
alpinus Reut. — Fn. nov. sp. — Op p. 247 geeft S. v. V.
als inlandsch op Anthocoris vittatus Fieb. (= Tetraphleps
vittata) naar drie exemplaren, het eene gevangen bij
Driebergen door den heer Six; het tweede door den heer
Ritsema te Velp, en het derde door hem zelven bij
Leiden 10. Het eerste dezer drie was Acompocoris alpinus;
het derde Anthocoris confusus Reut. Ofschoon ik het tweede
niet ken, acht ik mij toch gerechtigd 7. vittata tot nadere
ontdekking als inlandsche soort te doen vervallen. Het is
immers niet aan te nemen, dat alle drie de voorwerpen,
door S. v. V. zoo benoemd, tot drie verschillende soorten
zouden behooren.
Behalve te Driebergen door den heer Six, is a/pinus ge-
vangen te Vorden 7, door den heer Groll.
76 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
pygmaeus Fall. (= Zucorum Fall). — Fn. nov. sp. — Ik bezit
een stuk uit Haarlem 8 en drie, die ik ving te Assen 7,
waarvan er een eene varieteit is,
Anthocoris Fall.
sylvestris L. (= nemorum L. auct.). — Anthocoris nemorum
L. bij S. v. V. p. 244. — Gemeen.
var. nigrieornis Fall. — Daarvan bezit ik een stuk uit Vorden 7.
limbatus Fieb. — Eodem nom. bij S. v. V. p. 246. — Wal-
cheren, La Fontijn en Fokker; Valkenburg 6, Drechsler;
Arnhem 4, v. M. de Roojj.
nemoralis F. — Eodem nom. bij S. v. V. p. 244. — Gemeen.
gallarum-Ulmi de Geer (= pratensis Hahn nec Fabr.). — Fn.
nov. sp. — Utrecht, A. C. Oudemans; Vorden 7, Groll.
confusus Reut., Monographia Anthocoridarum orbis terrestris,
in de werken van het Finsch Genootschap van Weten-
schappen, Helsingfors, 1884, p. 74. — Fn. nov. sp. —
Noordwijk 7, Ritsema; Leiden 10, S. v. V.; Amsterdam
9, door den heer Jaspers, allen 1 ex. !).
Lyctocoris Hahn.
campestris F. — Lyetocoris domestica Schill. bij S. v. V.
p. 252. — Komt in alle provincien voor.
Piezostethus Fieb.
galactinus Fieb. — Eod. nom. bij S. v. V. p. 248. — 2 ex.
te Leiden 8, S. v. V.; 1 te Rijzenburg 6, Six. ?)
Xylocoris Duf.
ater Duf. — Eod. nom. bij S. v. V. p. 251. — Breda 3,
Heylaerts; den Haag 4 door den heer Carriére; Zierikzee
8, Fokker.
1) In Belgie nog A. Sarothamni Dgl. & Sc.
2) In Belgie nog P. cursitans Fall. en formicetorum Bohe
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 11
Triphleps Fieb.
minutus L. (= latus Fieb.). — Triphleps minuta bij S. v. V.
p. 249 partim. — Komt in alle provincien voor, doch uit
Zeeland heb ik geen ex.
majusculus Reut., Monographia Anthocoridarum etc. p. 104. —
Fn. nov. sp. — Al mijne exemplaren uit Zierikzee behooren
volgens Dr. Reuter tot deze soort; ik ving daar nooit minutus ;
majusculus is er gemeen. Overigens 1 uit Arnhem 7 en 4
Utrecht, van Hasselt.
niger Wolff. — Fn. nov. sp. — 2 d, het eene uit Driebergen,
Six; het andere Haarlem 8, Groll. 1)
Myrmedobia Baer.
coleoptrata Fall. — Microphysa coleoptrata Fall. bij S. v. V.
p. 254. — Utrecht en den Haag, Six.
Microphysa Westw.
pselaphiformis Curt. — Microphysa pselaphoides Westw. bij
S. v. V. p. 254, — Holland (Leiden ?) S, v. V. 1 ex. ; Scheve-
ningen, van Hasselt; Utrecht, op mierennesten, Six; allen 9.
bipunctata Perris. — Fn. nov. sp. — Zeer merkwaardig is de
vangst van een 2 dezer fraaie, en nog slechts uit Zuid=
Frankrijk (Landes) en Dalmatie (Ragusa) bekende soort
door Generaal van Hasselt te Loosduinen.
elegantula Baer. — Eod. nom. bij S. v. V. p. 256 — 1 4
te Utrecht, Six; en 1 9 aan de Vuursche 7, door S. v. V.
Beide sexen vond ik sommige jaren in aantal in de spleten
van de schors van een ouden pereboom te Zierikzee 7,
8. Vooral de d zijn zeer moeilijk te ontdekken. Het beste
is ze er uit te rooken.
Subfam. 2. CIMICIDAE.
Cimex L.
lectularius L. — Acanthia lectularia bys. ve V. p. 258; ==
Te gemeen.
1) In Belgie ook Tyiphieps luteola Fieb, en Brachysteles foveolatus Leth,
78 CATALOGUS DER IN NEDERL. VOORK. HEMIPTERA.
Hirundinis Jenyns. — Fn. nov. sp. — Eenige voorwerpen in
verschillende stadia van ontwikkeling ontving ik van den
heer van den Brandt, die ze vond te Venlo in het nest
van eene gierzwaluw.
columbaria Jenyns. — Fn. nov. sp. — Wttewaall in een dui-
ventoren (waar ?); Giessendam, ter Haar, in een duivenhok.
Pipistrellae Kol. — Fn. nov. sp. — De heer J. Oudemans
schonk mij twee voorwerpen, door hem bij Driebergen 8,
op de kleine vleermuis gevonden. Deze soort is niet alleen
uiterst zeldzaam, maar ook zijn er slechts eenige weinige
exemplaren van bekend; zoo zelfs dat Dr. Reuter, wien
ik deze vangst meldde, mij antwoordde nimmer er zelfs
een gezien te hebben. Een van de twee, dat ik hem ten
geschenke gaf, is nu in zijne collectie te Helsingfors, het
andere in de mijne.
Een paar jaren geleden ving ik nog met het sleepnet
in een poldertje bij Zierikzee in April, eene larve van eene
Cimex , die ik houd voor die van deze soort, welke meening
Dr. Reuter, die het voorwerp zag, deelt, ofschoon het niet
geheel overeenkomt met de afbeelding van Jenyns.
Subfam. 3. CERATOCOMBIDAE.
Nog geen representanten van deze afdeeling zijn in ons
land aangetroffen , ofschoon Ceratocombus coleoptratus Zett. en
Cryptostemma alienum MH. S., die door geheel Europa ver-
breid zijn, ook hier vermoedelijk niet zullen ontbreken.
(De eerste is in Luxemburg dicht bij de Belgische grenzen
gevonden).
(Wordt vervolgd).
EENIGE UITLANDSCHE NEMOCERA,
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
(Hierbij Pl. 4).
In de Notes from the Leyden Museum, dl. VI, blz. 248 en
dl. VII, blz. 1, gaf ik eenige beschrijvingen van nieuwe exotische
Diptera uit de afdeeling der Nemocera, tegelijk met opmerkingen
omtrent enkele reeds beschreven soorten, alles naar aanleiding
van voorwerpen, in ’s Rijks Museum van natuurlijke historie
berustende en meerendeels uit onze Oost-Indische bezittingen
afkomstig. Met betrekking tot dezen arbeid had ik tevens eenige
weinige teekeningen vervaardigd, doch in de Notes, die destijds
nog zonder platen werden uitgegeven, vond ik geen gelegenheid
die afbeeldingen er bij te voegen. Daar het evenwel zijn nut kan
hebben, ook deze het licht te doen zien, meen ik niet beter te
kunnen doen dan daarvoor eene plaat in het Tijdschrift voor
Entomologie te baat te nemen.
Voor zoover de daarop afgebeelde soorten betreft, zal ik hieronder
mijne beschrijvingen en opmerkingen herhalen, terwijl ik op een
paar plaatsen daaraan nog iets wensch toe te voegen.
4. Anopheles barbirostris v. d. W.
Notes fr. the Leyd. Mus. VI. 248.
Fuscus; thorax sublineato; haustello palpisque hirsutis; pedibus
testaceis; halteribus fuscis; alarum costa fusca, punctis duobus
niveis. — 2 Long. 5 mm.
Donkerbruin. Zuigsnuit en palpen langer dan kop en thorax
80 EENIGE UITLANDSCHE NEMOCERA.
te zamen, zoowel de een als de anderen dicht met donkerbruine
schubachtige haren bekleed; de geledingen der palpen daardoor
moeilijk te onderscheiden. Thorax lang en smal, iets lichter van
kleur dan kop en achterlijf, van voren vierkant afgeknot, van
boven met onduidelijke langsstrepen. Achterlijf met lichtere insnij-
dingen. Pooten zeer lang en dun, bruingeel; dijen aan het einde
iets verdikt, aan de uiterste spits in sommige richtingen witachtig.
Kolfjes pekbruin. Vleugels op de aderen met donkerbruine be-
schubbing, die tegen den voorrand meer opeengehoopt is; op twee
derden van den voorrand eene stip van sneeuwwitte schubjes en
even vóór de vleugelspits een tweede dergelijke stip; de beide
vorkcellen van gelijke lengte.
Een 2 van Ardjoeno: Oost Java (Hekmeijer).
Door de recht vooruitstekende, dicht behaarde palpen en zuig-
snuit (Pl. 4, fig. 1), heeft deze soort een eigenaardig voorkomen,
afwijkende van onze inlandsche Anopheles-soorten.
2. Anopheles annularis v. d W.
Notes fr. the Leyd. Mus. VI. 249.
Fuscus; thorace lineato; haustello nudo, nigro; palpis brunneis,
albo-annulatis; pedibus testaceis, tarsis albo-annulatis; alarum
costa niveo-maculata. — 9. Long. 4,5 mm.
Zwartachtig; thorax met donker blauwgrijze bestuiving en vijf
zwartbruine langslijnen; borstzijden lichtgrijs, met zwarte, op
langsrijen geplaatste vlekken. Sprieten met blonde beharing; zuig-
snuit zwart; palpen zwartbruin, zoo lang als de snuit; eerste en
tweede lid aan de basis, eindlid geheel wit; de beide eerste leden
met dichte, korte, donkere beharing. Pooten lang en dun, bruin-
geel; voorste tarsen met witte ringen aan de geledingen; de lange
achtertarsen in ’t midden donkerbruin met een witten ring, aan
t einde geheel wit. Vleugels op de aderen met donkerbruine en
witte schubben; de voorrand afwisselend donkerbruin en wit
gevlekt.
Een £ Ardjoeno, Oost Java (Hekmeijer).
HENIGE UITLANDSCHE NEMOCERA, si
Wellicht is deze soort dezelfde als A. sinensis Wied. (Aussereur.
Zweifl. 1 547).
(Zie kop met sprieten, snuit en palpen fig. 2):
3. Genus Ctenophora.
In de Notes dl. VI blz. 252 gaf ik een tabellarisch overzicht
van de 16 soorten van dit geslacht, die uit zuidelijk Azie be-
schreven zijn. Daaronder bevinden er zich vijf, welke enkel naar
de beschrijvingen van F. Walker daarin zijn opgenomen, en onder
deze ook Ct. melanura Walk. (List Dipt. Brit. Mus. I. 78). Ten
opzichte van deze laatste meldt mij mijn hooggeachte vriend,
Baron Osten Sacken, — die de typische exemplaren in het Britsch
museum heeft nagezien en daarbij ook bijzonder zijne aandacht
aan het genus Ctenophora heeft gewijd, — dat van Ct. melanura
twee typische exemplaren voorhanden zijn, beiden zonder kop en
beiden volstrekt geen Ctenophora, maar eene groote Sargus-soort,
die in kleur en teekening (roodgeel met een zwart uiteinde des
achterlijfs) eenige gelijkenis met sommige Oost-Indische Ctenophora=
soorten vertoont!
Uit dit voorbeeld blijkt opnieuw, hoe weinig Walker’s beschrij-
vingen te vertrouwen zijn, zóó weinig dat men bijna genoodzaakt
wordt ze geheel ter zijde te stellen. Men neme dus mijne analy-
tische tabel der Zuid-Aziatische soorten voor hetgeen zij is. Cf,
melanura Walk. moet er stellig uit wegvallen, en wat de vier
overige soorten van Walker betreft, zij de meeste behoedzaamheid
aanbevolen.
4. Genus Prionota.
V. d. Wulp, Notes fr. the Leyd. Mus. VII. 4.
Dit geslacht is verwant aan Ctenophora, waarmede het overeen-
komt in den krachtigen bouw, den vorm van den kop, het slanke
slappe eindlid der palpen en het aderbeloop der vleugels; het is
echter onderscheiden door de sprieten, die in beide sexen nagenoeg
gelijk zijn (bij het 2 echter korter), en welker geledingen aan
eene zijde sterk verbreed zijn,
82 EENIGE UITLANDSCHE NEMOCERA.
Aangezicht naar onderen kegelvormig verlengd, van voren tot
eene punt uitgerekt; oogen rond, een weinig uitpuilend. Sprieten
(fig. 4) stevig, 13-ledig, met uitstaande borstelharen; de beide
wortelleden als bij Ctenophora; de schaftleden aan de basis dun,
doch vervolgens naar onderen tot een breeden knop uitgebreid,
waardoor de sprieten een zaagvormig voorkomen krijgen; het eind-
lid priemvormig. Palpen vierledig; het vierde lid zoo lang als de
voorgaande leden te zamen. Thorax gewelfd; pronotum duidelijk
afgescheiden. Achterlijf lang werpig , achtringig ; mannelijke genitalien
slechts weinig gezwollen. Pooten stevig; schenen, althans de ach-
terschenen, met korte eindsporen. Vleugels zoo lang als het ach-
terlijf; aderbeloop als bij Ctenophora; de tweede achtercel (vorkcel)
ongesteeld.
Prionota nigriceps v. d. W. — Fig. 3.
Notes from the Leyd. Mus. VII. 2. 12.
Ferruginea opaca; capite, antennarum nodulis, palpis , abdominis
segmentis ultimis (in 4), femorum tibiarumque apice nigris; tarsis
fuscis; alis infuscatis. — d Long. 16 mm.; g mare major.
Kop met de palpen zwart of zwartbruin. Sprieten in d ten
minste zoo lang als de kop en thorax te zamen, in g nauwelijks
half zoo lang; de beide wortelleden en de korte steel der schaft-
leden roodgeel; de breede knop der laatsten zwart; de uitstaande
haren geel. Thorax en schildje helder roestkleurig, glansloos, met
korte beharing van dezelfde kleur; de borstzijden donkerder , vooral
bij het 4. Achterlijf van het d aan de drie eerste ringen roodgeel ;
de volgende ringen met inbegrip der genitalien zwart; de eerste
ring kort; de tweede zeer lang, met fijne zwarte zijstreep; de
volgende ringen langzamerhand in lengte afnemende; (achterlijf
ontbreekt). Pooten roodgeel; dijen met zwarte spits; schenen naar
het eind verdonkerd; tarsen zwartbruin. Kolfjes roodgeel met brui-
nen knop. Vleugels met bruine tint en nog donkerder randvlek ;
de kernen der meeste cellen lichter.
Een d en 2 van Java (Kuhl).
EENIGE UITLANDSCHE NEMOCERÀ. 83
5. Megistocera fuscana Wied.
Nematocera fuscana, Wied. Dipt. ex. I. 29; — Megistocera fus-
cana, Wied. duss. Zweifl. I. 55. 1; Macq. Suit. à Buffon, Dipt,
1112 Wp 20645 jd Dipiz cri supp. 4. 18: 2. pl. 2 f 4;
v. d. Wulp, Notes fr. the Leyd. Mus. NII. 3. 12.
In het Leidsch Museum bevinden zich twee voorwerpen, een
van Java (Macklot) en een van Halmaheira (Bernstein), die ik
meen tot deze soort te kunnen rekenen, ofschoon Wiedemann’s
beschrijving niet in alle opzichten past. De kleur, door hem « gems-
leder-bräunlich » genoemd, is bij deze exemplaren meer een bleek
roestrood, en van de bruine langsstrepen op den thorax, die hij
vermeldt, is nauwelijks eenige aanduiding.
Macquart heeft reeds opgemerkt, dat Wiedemann ten onrechte
zijn exemplaar, dat buitengewoon lange sprieten had, voor een 2
hield; want dit is in het geslacht Megistocera uitsluitend een ken-
merk van het 4, Ook de bovenbedoelde voorwerpen zijn beiden
mannetjes; aan het Javaansche zijn de sprieten nog volkomen aan-
wezig, doch het achterlijf is afgebroken; in dat van Halmaheira
is dit juist omgekeerd het geval. Het kan niet bevreemden, dat
insecten van zoo teedere structuur niet anders dan met afgebroken
lichaamsdeelen tot ons overkomen.
Het eerste sprietenlid is cylindrisch, zeer dik en zoo lang als
het aangezicht; het tweede lid is kort en knobbelachtig; dan
volgt eene uitermate lange, haarvormige schaft, waarvan alleen
de drie of vier eerste leden te herkennen zijn aan eene iets
of wat knootvormige verdikking bij de geleding. Kop en thorax
hebben eene dichte en vrij lange beharing. Het achterlijf is naar
evenredigheid bijzonder kort. De vleugels (zie fig. 5) zijn zuiver
glasachtig, zelfs langs den voorrand, en meer dan dubbel zoo
lang als het achterlijf; de aderen en de duidelijk begrensde
randvlek zijn bruingeel. Het aderbeloop komt in de hoofdzaak
overeen met dat van Tipula en Ctenophora; de bovenste wortelcel
is langer dan de beide volgende; de middelste bereikt namelijk
niet volkomen de schijfcel, maar is door een klein steeltje daarvan
84 ÉENIGE UITLANDSCHE NEMOCERA.
gescheiden; de beide subcostaal-cellen zijn groot, de binnenste
eenigszins driehoekig; de cubitaal-cel is mede breed, vooral aan
hare basis; de schijfcel daarentegen is zeer klein, trapezium-
vormig; de eerste achtercel is door den bochtigen loop der haar
begrenzende langsaderen, in ’t midden zeer vernauwd; de axillaar>
ader is bijzonder kort 1).
Nadat ik het bovenstaande in de Notes had vermeld, ontving
ik van den heer Piepers te Batavia een aldaar gevangen , volkomen
gaaf, mannelijk exemplaar. Het ontneemt mij allen verderen
twijfel omtrent de juistheid mijner determinatie. De bruine strepen
op den thorax, waarvan Wiedemann spreekt, zijn aan dit voorwerp
duidelijk te zien; ook de lengteverhouding der sprieten, zooals zij
door hem wordt opgegeven, vindt zich daaraan bevestigd. Bij eene
lengte van 14 mm., van den kop tot het eind des achterlijfs
gemeten, zijn de sprieten bijna 8 centimeters lang en daarbij,
met uitzondering der beide wortelleden, haarfijn; ook de pooten
zijn zeer dun, aan de middel- en achterpooten de tarsen vooral
zeer verlengd en ten minste driemaal zoo lang als de schenen.
6. Tipula leucopyga v. d. W.
Notes from the Leyd. Mus. VII. 6.
Dilute testacea; thorace dorso vittis latis subcohaerentibus fuscis ;
abdomine vitta laterali segmentisque 5, 6 et 7 supra nigricantibus;
segmento ultimo pallido; antennis subsimplicibus, articulis duobus
primis subrufis, reliquis cinereis basi nigra; alis laete cinereis,
cellula costali et stigmate testaceis. — Long. 11,5 mm. (d),
13 mm. (9).
Deze soort gelijkt op onze 7. oleracea L., maar is veel kleiner;
de. voorrand der vleugels is minder donker en daaronder is geen
lichte zoom.
Kop bruingeel; op den schedel eene donkere plek; aangezicht
1) Zie voor de nomenclatuur van het aderbeloop Zijdschr, v. Entomol. XIV,
blz. 97.
EENIGE UITLANDSCHE NEMOCERA. 85
slechts weinig verlengd. Sprieten iets langer dan de kop; de beide
wortelleden roodachtig; de schaftleden aschgrauw, langwerpig, aan
’t begin en ’t eind nauwelijks iets verdikt, aan de basis zwart,
met een paar lange uitstaande borstelharen. Palpen bruingeel, aan
het einde donkerbruin. Thorax bleek geelbruin, op den rug met
drie breede, bijna geheel aaneengesloten, donkere langsbanden ;
de beide uitersten van voren afgeknot; de middelste door eene
nog donkerder langslijn gedeeld. Achterlijf van het & bleek geel-
bruin; een bandje ter wederzijde, alsmede de 5e, 6e en 7e ringen
van boven zwartachtig; de laatste ring bijzonder bleek, van boven
met een paar zwarte haakjes geeindigd; bij het 2 het achterlijf
over ’t geheel iets donkerder geelbruin; de laatste ring bleek
roodgeel; de eierbuis glanzig roestkleurig. Pooten lichtbruin; spits
der dijen en schenen, benevens de tarsen, zwartbruin. Kolfjes
donkerbruin; wortel van den steel bleekgeel. Vleugels (fig. 6)
langer dan het achterlijf, aschgrauw; de voorrandcel alsmede de
randvlek geelbruin; schijfcel vijfhoekig; vorkcel ongeveer driemaal
zoo lang als haar steel; de derde achtercel aan de uitmonding ver-
nauwd, de vierde daarentegen verbreed.
Een enkel gaaf paartje van Ambarawa op Java (Ludeking).
7. Tipula tenuis v. d. W.
Notes from the Leyd. Mus. VII. 7.
Cinerea; abdomine utrinque vitta laterali interrupta nigra; pleuris
et ventre pallidis; antennis gracilibus, articulis duobus primis luteis,
reliquis nigris; palpis fuscis; pedibus tenuibus testaceis; alis sub-
hyalinis, stigmate testaceo. — 2 Long. 13,5 mm.
Sprieten dun; de beide eerste leden bleekgeel, het derde en de
volgenden zwart, cylindrisch, naakt (de laatste leden ontbreken
in beide exemplaren). Kop bruingeel; oogkanten met witten zoom;
palpen zwartbruin. Thorax van boven aschgrauw, met nauwelijks
eenige aanduiding van langsstrepen; borstzijden lichtgrijs. Achterlijf
bruingeel, met zwarte, afgebroken, bleekgeel gezoomde zijstreep ;
buik en eierbuis geelachtig, uiterste spits der laatste glanzig kastanje -
86 EENIGE UITLANDSCHE NEMOCERA.
bruin. Pooten zeer lang en dun, eenkleurig bruingeel, alleen de
tarsen donkerder. Kolfjes zwartbruin. Vleugels (fig. 7) langer dan
het achterlijf, glasachtig met nauwelijks iets grauwe tint en vrij
scherp begrensde, bruingele randvlek, die echter den voorrand
niet volkomen bereikt; het aderbeloop herinnert eenigszins dat van
het genus Megistocera; de beide submarginaal-cellen zijn groot en
breed, de binnenste driehoekig; schijfcel vierhoekig 1); vorkcel
kort gesteeld; axillaar-ader buitengewoon kort.
Twee vrouwelijke -exemplaren van Suriname (Dr. Horst).
8. Poecilostola pallens v.d. W.
Notes from the Leyd. Mus. VII. 13.
Pallide ochracea; capite cinereo; thorace rufescente, vittis tribus
fuscis; alis flavescentibus, crebre fusco-punctulatis. — ¢ Long.
42 mm.
Kop aschgrauw; over het voorhoofd eene donkere langslijn ;
sprieten dubbel zoo lang als de kop; de beide wortelleden rood-
geel, de schaft zwartachtig, uit bolvormige, gelijkmatig in grootte
afnemende leden samengesteld, Thorax, schildje en achterrug bleek
roestrood; op den thorax drie wijd uiteenstaande, zwartbruine
langsbanden; de middelste smal, wat het gedeelte vóór den dwars-
naad betreft; de buitenste breeder en vlekkig afgebroken. Achterlijf
platgedrukt, bleek okergeel; de zijnaad donkerbruin; genitalien
klein. Pooten (zooveel uit de overblijfsels te zien is), alsmede de
kolfjes okergeel. Vleugels (fig. 8) geelachtig aschgrauw, aan wortel
en voorrand roodgeel; in al de cellen met tallooze donkergrauwe
stippen, die in de cubitaal-cel, de beide bovenste wortelcellen en
in de eerste achtercel tot grauwe strepen samenvloeien; in de
voorrandcel zijn de stippen donkerder en scherper begrensd.
Een d van Java (Kuhl).
In de Notes merkte ik op, dat Zimnobia substituta Walk. (Last
Dipt. Brit. Mus. 1. 39) zeer verwant zou zijn met bovenstaande
1) In de Notes wordt deze cel ten onrechte , pentagonal” genoemd,
BENIGE UITLANDSCHE NEMOCERA. 87
nieuwe soort en ook tot het geslacht Poecilostola zou behooren.
Volgens bekomen inlichtingen evenwel van Baron Osten Sacken,
die de typische exemplaren in het Britsche museum heeft verge-
leken, zou Z, substituta synoniem zijn met Conosia irrorata Wied.
9. Rhyphus maculipennis v.d.W.
Notes from the Leyd. Mus. VII. 14.
Thorace flavo, vittis tribus nigris; antennis flavis, fusco-annu-
latis; pedibus flavis, tibiarum apice et tarsis, praeter basin, nigro-
fuscis; femoribus posterioribus annulo medio et apice nigris; alis
nebulosis, fusco-maculatis. — ¢ Long. 8 mm.
Oogen van boven dicht aaneengesloten, met fijne facetten; het
kleine driehoekige voorhoofd en het aangezicht aschgrauw. Sprieten
geel, het derde, vierde en vijfde lid met zwartbruinen top (de
overige leden ontbreken). Palpen zwartachtig. Thorax geel, van
boven met drie breede zwarte langsbanden, de beide buitenste
van voren afgeknot en iets versmald; borstzijden met twee schuine
zwartbruine banden; schildje bruinrood; achterrug glanzig grauw-
geel. Achterlijf te gebrekkig om beschreven te worden. Pooten
roodgeel: de spits der schenen en der beide eerste tarsenleden,
alsmede de drie laatste tarsenleden geheel bruinzwart ; achterpooten
langer en steviger dan de overige, de zwarte teekening meer uit-
gebreid en krachtiger; de dijen bovendien in ’t midden met een
breeden zwartbruinen ring en ook aan het einde zwart; de schenen
en het eerste tarsenlid aan de buitenzijde fijn gewimperd. Vleugels
(fig. 9) korter en breeder dan bij onze Europeesche soorten, aan
den wortel, den voor- en achterrand, alsmede langs de posticaal-
ader bruinachtig gewolkt, voorts met vier donkerbruine vlekken:
een kleine vierkante aan den oorsprong der radiaal-ader en drie
grootere tegen den voorrand; de eerste aan de uitmonding der
hulpader, eene tweede tusschen de uitmonding der subcostaal-ader
en die der radiaal-ader; de derde, die het grootste is, aan de
vleugelspits.
Een d van Ardjoeno op Java (Hekmeijer).
88 EENIGE UITLANDSCHE NEMOCERA.
Ofschoon dit eenige exemplaar gebrekkig en daardoor de beschrij-
ving vrij onvolledig is, heb ik toch geen bezwaar gemaakt die het
licht te doen zien, omdat tot dusver, zooveel ik kan nagaan,
geen Lhyphus uit de Sunda-eilanden bekend is en overigens de
soort vooral aan de vleugelteekening gemakkelijk zal worden
herkend.
PELECODON or CALOMMAT A?
DOOR
Dr. A. W. M. VAN HASSELT.
(Zie Plaat 5).
Voor eenigen tijd had ik het voorrecht, van ons geacht medelid
Dr. H. Bos te Wageningen eene kleine verzameling tropische spinnen ,
naar opgaaf afkomstig van Java, deels ter determinatie, deels ten
geschenke te ontvangen. Nogmaals betuig ik hem mine groote
erkentelijkheid voor dit geschenk, waarvan de belangrijkheid ook
uit deze mededeeling moge blijken.
Bij het eerste onderzoek meende ik weinig of niets bijzonders
op te merken, zijnde verscheidene exemplaren, — gelijk zoo dik-
werf bij spiritus-collectiën uit Oost-Indië, — òf verweekt òf ge-
mutileerd.
Als een nieuw bewijs, dat men bij zulke gelegenheden niet te
voorbarig moet zijn met het verwerpen der laatstgenoemde fragmen-
tarische overblijfselen, diene, dat mij in casu, bij nadere bezich-
tiging, hieronder eene ware pracht-vondst in handen viel.
Deze had betrekking op een buitengewoon zeldzaam vrouwelijk
‘individu der Territelariae, uit de familie der Theraphosoidae, meer
populair bekend onder den ouden naam van Mygalidae, die als op
of grootendeels in den grond verblijf houdende, deswege, vooral
voor onze kolonién, nog weinig of minder bekend zijn.
Het bleek mij aanstonds te behooren tot de daarin voorkomende
reeks der zoogenaamde « metselspinnen » 1), uit de, in één geslacht
ook bij ons voorkomende, groep der Atypinae, tot welke de mede
1) Zie daarover eene korte mededeeling in dit Tijdschrift, dl. XXVI, blz, 229,
90 PELECODON OF CALOMMATA ?
zoo hoogst zeldzame Ziphistius van Schiödte 1) insgelijks in nauwe
verwantschap schijnt te staan.
Bedoeld fragment bestond uit een gaven cephalothorax, met de
monddeelen en pooten nog uitstekend herkenbaar. Wel ontbraken
één palp en één poot, doch deze deelen te zamen waren toevallig
aan de eene af andere lichaamshelft, allen behoorlijk vertegen-
woordigd (zie Pl. 5, fig. 4).
Geheel verloren gegaan echter was het abdomen. Hoezeer zulks
wel jammer is, — omdat nu niet kan worden nagegaan de nog
geheel onbeschreven vulva, noch de lengte, de geledingen en het
getal der spintepels (hier naar vermoeden zes in plaats der meest
gewone vier), — zoo heeft het voor ons vraagstuk geene over-
wegende beteekenis, bepalende dit zich in de hoofdzaak tot de
essentieele kenmerken der ko p-organen.
Reeds op het eerste gezicht ontstond bij mij het denkbeeld, dat
deze Theraphosoïde wel eens een exemplaar kon zijn van den als
het ware eenigen» Pelecodon sundaicus van Doleschall ?).
Zoover ik weet, is deze aardspin, als zoodanig, alleen aan hem,
en wel uitsluitend op Java (Buitenzorg) voorgekomen. Zij schijnt
later dáár of elders in den Maleischen archipel nooit wedergevonden te
zijn. Ausserer althans, de erkende specialiteit in deze onderorde *),
neemt voor haar slechts letterlijk over datgene wat Doleschall er
van vermeld heeft; en in het nieuwste werk van mijn hoogge-
leerden vriend Thorell, over de « Ragni Malesi e Papuam >», waar-
van bereids drie lijvige deelen het licht zagen, wordt van haar
geen gewag gemaakt, evenmin als van het, in elk geval zeer over-
eenkomstige, tropische geslacht Calommata. Wel eene bevestiging,
dat het thans in mijn bezit geraakte voorwerp tot de «rarissima »
mag worden gerekend.
1) Behandeld in mijne bijdrage ad hoc in de Verslagen en mededeelingen der
Kon. Akademie van Wetenschappen, afd. Natuurkunde, 2de reeks, dl. XV blz. 186
en voortreffelijk door Everts afgebeeld in mijne Araneae der Sumatra-expeditie
van het Aardrijkskundig Genootschap.
2) Zie zijne Tweede bijdr. t. d. kennis'der Arachniden v. d. Indischen Archipel, 1857.
3) Beiträge zur Kenntniss der Arachniden-Familie der Territelariae (Verhand!,
der Zool. bot. Gesellsch. in Wien, XXI (1871) 117 en XXV (1875) 125).
PELECODON OF CALOMMATA ? 91
Ongelukkigerwijze schijnt de typische Pelecodon verloren te zijn
geraakt, en schijnen later geene nieuwe exemplaren in de Weener
of andere buitenlandsche verzamelingen aangebracht. Ausserer zou
zich anders niet beperkt hebben tot het woordelijk naschrijven
der korte diagnose en der onvolledige beschrijving van den ont-
dekker. In diens kleine collectie, eigendom van het Leidsch Museum,
vroeger door mij nagezien !), was er insgeliiks geen aanwezig.
Het genoemde geslacht nu, dat geheel eigenaardige afwijkingen
vertoont, zou, volgens Doleschall en de latere schrijvers, een
novum genus, met slechts één species, vormen en inzonder-
heid uiterst merkwaardig zijn door het bezit van «sex ocelli»
(Dol.), in plaats der gewone «acht» bij de Mygalidae.
Wanneer wij de problematische Cteniza hexops White, van
Nieuw-Zeeland, uitzonderen, voor welke door Ausserer zeer be-
twijfeld wordt, of die wel « überhaupt in dieser Familie gehört ?),
zou het geslacht Pelecodon, onder de overige, bereids een 60-tal,
acht-oogige Theraphosoiden-genera, het eenige zijn, dat zich door
zijne zes oogen onderscheidt.
Verder vestigde Doleschall, in de diagnose daarvan, nog de bij-
zondere opmerkzaamheid op de kleur, die hij, in tegenoverstel-
ling van de meer algemeene donkerbruine of zwarte bij deze familie ,
als «pallide ferrugineus» beschreef, — op de beharing, als
zijnde Pelecodon niet, zooals het meerendeel, langharig, maar
«parce pilosus», — en vooral op de lange, pikzwarte kaak-
haken, naar welke laatsten hij zijn nieuw geslacht den naam
gaf, afgeleid van het Grieksche «pelos» (zwart) en «odous» (tand)
(zie fig. 2, 5 en 6).
Deze en al de overige hoofdkenmerken, die in zijne beschrijving
voorkomen, pasten zoo volkomen op die van mijn individu, dat
ik, in den aanvang, een oogenblik in den waan verkeerde, hier
1) Araneae exoticae, quas quondam in India Orientali collegit cel. Dr. C. L.
Doleschall, ac, pro Museo Lugdunensi, determinavit Dr. A. W. M. van Hasselt
(Tijdschr. v. Entomologie XX, blz. 51).
2) Vergelijk in de Eerste zijner aangehaalde Beiträge S, 155, zijne korte
aanteekening over deze zes-oogige „Mygale”, voor welke hij, als zij onder de
Mygalidae mocht worden opgenomen, de benaming van Herops Whitei voorslaat.
92 PELECODON OF CALOMMATA ?
desgelijks het afwijkende niet alleen in den stand, maar ook in
het getal der oogen te herkennen, volgenderwijze door hem om-
schreven: «Ocelli sex, parvi, non cumulati, sed per paria
dispositi, elevationi thoracis impositi» ').
Nader Ausserer over dit onderwerp raadplegende, bespeurde ik ,
dat mijn exemplaar geen minder groote overeenkomst aanbood met
het, reeds 20 jaren te voren, door Lucas gevormde genus Ca/om-
mata. Trouwens Doleschall zelf had daarop reeds gewezen. « Genus
« Pelecodon, » schreef hij, « propter numerum oculorum nulli Myga-
«lidarum generi affine; ob structuram maxillarum inter Acanthodon
«et Calommata locandum ». (Loc. cit.)
Daar nu ook Ausserer op het laatste geslacht wees, en bij het
«nieuwe» van Doleschall opmerkte: «In den wesentlichen Merk-
«malen mit Calommata Luc. übereinstimmend, und hauptsächlich
« (sic) durch den Bezitz von nur sechs Augen ausgezeichnet»,
werd thans mijne aandacht meer bepaald op de laatstgenoemde afwij-
king gevestigd.
Bij goede verlichting en vooral bij bezichtiging ter zijde, lieten
zich duidelijk aan mijn voorwerp acht oogen onderscheiden. Dit
was dus geen Pelecodon, maar waarschijnlijk eene Calommata.
Door het naslaan der oorspronkelijke opgaven hierover bij Walc-
kenaer ?) en vooral bij Lucas 3) zelven, verkreeg ik daarvan de
volle overtuiging.
Even als voor Pelecodon Dol., vond ik destijds voor Calommata
Luc. slechts één, en wel eene Amerikaansche, soort beschreven,
de ©. fulvipes Luc.
Intusschen bemerkte ik weldra, dat mijn fragment beider hoofd-
kenmerken vertoonde, zoo in grootte, kleur en beharing, als in
den vorm van den lang-vierhoekigen cephalothorax, de lengte en
de verhouding der aan het uiteinde afgeplatte palpen (zie fig. 2)
1) Dol. 1. c. blz. 5.
2) Aptères II, p. 432, met eene vrij goede, doch niet geheel juiste schets
der oculatie.
3) Hist. nat. des Crustacés ete., 2 P. p. 346, met voor dien tijd zeer vol-
doende gekleurde afbeeldingen; doch deze zijn, zooals terecht ook door Walc-
kenaer werd aangemerkt, iets te donker uitgevallen,
PELBCODON OF CALOMMATA ? 93
en der korte dikke pooten, en vooral ook in de machtigheid van
de mandibels en van hare ungues en in de eigenaardige structuur
der maxillae. De laatsten hebben hier een hoogst afwijkenden
bouw. Volgens genoemde schrijvers en mijne waarneming, zijn deze
zeer lang en smal, en verloopen niet, zooals gewoonlijk, horizon-
taal aan de benedenvlakte der monddeelen, maar buigen zich boven-
en iets buitenwaarts om, zoodat hare uiteinden ter zijde van de
mandibulae uitsteken, min of meer op de wijze der slagtanden bij
het varken (zie fig. 1 en 2).
Dat Lucas echter niet hierin, doch in den, bij tegenoverstel-
ling met de Mygaliden in het algemeen, van elkäar verwijderden,
vreemden oogenstand het hoofdkenmerk van zijn ongelijksoortig
genus scheen te vinden, moge blijken uit zijne bij verschillende
gelegenheden gewijzigde nomenclatuur er van voor hetzelfde dier,
Eerst (1835) bezigde hij den geslachtsnaam Pachyloscelis, afge-
leid van het Grieksche «pachylos » (dik) en « chely» (kaak). Inder-
daad springen dan ook hier de hoogte en breedte der mandibels
sterk in het oog (zie fig. 6).
Daarop (1837) veranderde hij dien in Actinopus, naar het Griek-
sche «aktin» (stekel) en «pous» (poot). Hier namelijk komen op
den rug der achterste extremiteiten, bij mijn voorwerp het sterkst
aan het derde paar, korte, doch vrij dikke, rosachtige, baardvor-
vormige setae voor, mij aan de analoge stekeltjes bij Ziphistuus
en sommige Ctenizae herinnerende. Hunne tarsen hebben drie
klauwtjes (zie fig. 4).
Laatstelijk (1842) bepaalde hij zich tot de sedert gebruikelijke
benaming van Calommata, volgens de Grieksche woorden « kalos »
(fraai) en «oops» (oog).
Waarom hij de oogen «schooner» vond dan anders, en vooral
om welke reden hij aan zijne spin den naam van ‚fulvipes heeft
toegelegd, is mij minder duidelijk, zijnde het geheele dier « fulvus »
of «pallide ferrugineus» (Dol.), en niet alleen de pooten.
Deze soort was, ten tijde van Lucas, uitsluitend aangetroffen
in Zuid-Amerika (Bahia in Brazilië); sedert echter, — en ik druk
i oe
hierop met het oog op mijn vraagstuk, — werd eene tweede
>
94 PELECODON OF CALOMMATA ?
species ook uit onze Oost-Indién verkregen, t. w. de van haar,
in de hoofdzaak, niet veel verschillende Calommata sumatrana van
Ausserer. Deze noemt dan ook de beide Calommata-species « ziem-
lich übereinstimmend ».
De nieuwe vindplaats van het genus Calommata, — ook in Azie
(Sumatra), — versterkte mij in mijn meer en meer ontstaan vermoeden
omtrent de mogelijke identiteit daarvan met Pelecodon. Immers de
van nabij verwante Atypus wordt insgelijks zoowel in de nieuwe
als in de oude wereld gevonden.
Het voorname onderscheid tusschen de twee Calommata-soorten
der beide werelddeelen zoekt Ausserer in eene geringe wijziging
van de grootte en den onderlingen afstand bij hare oogen-groepen ,
en in die van den hoek, door het bovendak van den kop met
den clypeus gevormd (zie fig. 6), wordende deze door hem voor
de ‚fulvipes op 90°, voor de sumatrana op 45° geschat !). Insge-
lijks wijst hij nog, voor de laatste, op het voorkomen van twee
kleine knobbeltjes (Höckerchen) ?) van voren op het ster-
num, als bij haar eigenaardig.
Deze verhevenheden worden op ons individu niet aangetroffen,
Het vertoont daarentegen op dit lichaamsdeel, doch van achteren,
twee kleine oppervlakkige groefjes van eene iets donkerder kleur
(zie fig. 2).
Over de aanwezigheid, zoowel bij Calommata fulvipes Lucas,
als bij mijne Calommata, van een halvemaansgewijs, donkerbruin,
glinsterend, chitine-schildje op den voorrand van den clypeus
(zie fig. 1, 3 en 6) spreekt Ausserer bij zijne C. sumatrana niet.
Zonder mij te verdiepen in de vraag, of dergelijke kleine wijzi-
gingen in de bijzaken, en nog wel slechts aan enkele hoogst
zeldzame exemplaren waargenomen, niet meer varieteits- dan soort-
verschillen zijn, wensch ik bepaald te constateeren, dat er in elk
geval, voor de meest essentieele hoofdzaken, eene sterk spre-
kende similariteit bestaat tusschen Pelecodon sundaieus Dol. en ons
1) Hij teekent dien hoek in zijne Eerste bijdrage Tafel I fig. 2 voor de
laatste echter meer = 90° dan = 45°, even als bij mijn voorwerp en bij fulvipes.
2) Door hem in dezelfde Bijdrage fig. 1 afgebeeld,
PELECODON OF CALOMMATA ? 95
Javaansch voorwerp eenerzijds, en Calommata fulvipes Luc. en C.
sumatrana Auss. anderzijds. Voor den eerstgenoemden blijft alleen
nog de kapitale quaestie over, niet omtrent den stand, — want
die is bij allen analoog, — maar omtrent het getal der oogen.
In den stand «beschrijft» Ausserer wel is waar eene onbe-
duidende afwijking voor zijne C. sumatrana , doch zijne « teekening »
daarvan !) verschilt m. i. niet van dien van (. fulvipes en van
Pelecodon sundaicus. Bij deze allen toch komt het hierop neder,
dat de oogen geplaatst zijn niet op één hoopje (non «cumulati »
Dol.), — zooals in den regel bij de Mygalidae, — maar integendeel in
eene betrekkelijk groote verwijdering van elkander, in drie groepjes,
op den top en aan de basis der ribben eener driehoekige ver-
hevenheid van het kopstuk (zie fig. 3 en 6). Walckenaer, loc.
cit. , beschreef dit in het «Genre» Calommata Luc. zeer duidelijk :
« Yeux au nombre de huit, groupés par deux et par trois, de
«manière à former un triangle, dont langle antérieur, dirigé
«vers le bandeau, présente deux yeux rapprochés, égaux, placés
«a une assez grande distance des deux autres groupes, qui
«sont composés de trois yeux rapprochés» (zie fig. 3).
Alleen wat het oogen-tal betreft, maakt de Pelecodon eene uit-
zondering, doordien het zich ter zijde en benedenwaarts bevindende
achtergroepje niet uit drie, maar uit twee ocelli zou zijn samen-
gesteld.
Noch Ausserer, noch Thorell ?) schijnen, op hun standpunt
terecht, eenig bezwaar te hebben gemaakt, dezen deswegens, als
een bijzonder geslacht van de Calommata af te scheiden.
Dewijl ik meen, dat het aan deze beroemde arancologen niet
gegeven is geweest, den « zesoogigen » Pelecodon van Doleschall,
uit Java, door eigen aanschouwing te leeren kennen, vertrouw ik,
dat ze mij ten goede zullen houden, wanneer ik niet hunne ge-
1) Eerste bijdrage, Taf.I fig. 2. (Zijne vergroote afbeelding van de , Augen-
stellung” daarentegen, ibid fig. 3, is, zonder tegenspraak, vermoedelijk bij ver-
gissing, ten eenenmale misteekend, als de meer gewone oculi cumulati
voorstellende !
2) On European Spiders, Note 1, p. 29: „Also, among the Theraphosoidae ,
forms occur with only 6 eyes, e. gr. the genus Pelecodon Doleschall,
96 PELECODON OF CALOMMATA ?
volgtrekkingen, maar de gegevens daarvoor van hunnen zegsman,
aan bedenking onderhevig acht.
Daartoe geraakte ik toevallig door de gunstige gelegenheid, mij
door den heer Bos geschonken, van, misschien voor het eerst,
eene Javaansche aardspin, tot deze kleine groep behoorende,
te kunnen onderzoeken.
Hierbij rees al meer en meer het vermoeden bij mij op van de
mogelijkheid eener «vergissing». Heeft Doleschall wellicht, in de
zijdelingsche groepjes, één der kleinere oogen over het hoofd gezien ?
Zoodanige vergissingen zijn meer voorgekomen, ook aan andere
voorname araneologen. Ten voorbeelde mag gewezen worden op
het genus Oecobius. Door Lucas en zijne eerste volgers werd dit
langen tijd tot de Senoculinae gerekend, totdat Thorell, voor eenige
jaren, aanwees, dat bij dit spinnetje, — hetgeen sedert onder de
Octoculinae is opgenomen, — een der ocelli was voorbijgezien.
Mijne eerste aanleiding tot den geopperden twijfel ontsproot uit
de omstandigheid, dat ik zelf in den beginne «dupe» was van
zoodanige dwaling, en dat verscheidene Leden onzer Entomologische
Vereeniging, aan wie ik, op de jongste Zomervergadering, deze
Mygalide vertoonde, met verzoek om wel zeer op het oogental te
willen letten, mij de verzekering gaven, slechts zes oogen te
kunnen onderscheiden !
De schijn daarvan, — op onze plaat voorgesteld bij fig. 1, —
doet zich dan ook niet zelden voor, wanneer men het oogenveld
horizontaal, van voren naar achteren of omgekeerd, en niet met
zorg van alle kanten, vooral ter zijde, bezichtigt. In het eerste
geval treedt meermalen slechts een der twee kleinsten van de
zijdelingsche oogengroep in het gezicht, als zijnde deze te zamen
op eene gemeenschappelijke basis ingeplant 1).
Het bedriegelijk voorkomen, hierdoor ontstaande, is voortreffelijk
wedergeven door mijn talentvollen vriend, ons geacht medelid Ed.
Everts, wien ik, ook hier, mijn hartelijken dank betuig voor de
1) Voor Calommata fulvipes schrijft Lucas dan ook, ter aangehaalde plaatse:
„Les yeux semblent être réunis ensemble”.
PELECODON OF CALOMMATA ? 97
groote zorg en moeite, door hem aan deze en de overige afbeel-
dingen, wederom voor mij met de meeste toewijding besteed.
Behalve dit gezichtsbedrog, bestaat er hier nog eene tweede bron
van mogelijke dwaling. De aardspinnen namelijk schijnen bij het
vangen meermalen met aanhangend leem of klei, in mindere of
meerdere mate, bedeeld te zijn en. deze verontreiniging ook
in den spiritus te behouden. Te dier oorzake ondervond ik
vroeger, bij mijne nasporingen omtrent de ontkende spintepels van
Liphistius desultor Sch., bezwaar in het bevestigen van hare aan-
wezigheid 1). Ook de thans besproken Mygalide droeg overal,
zoowel aan de boven- als aan de ondervlakte van het kopborststuk,
daarvan duidelijke sporen; een vrij dik laagje aanklevende aarde,
aan de monddeelen gehecht, kon van deze niet dan door herhaalde
penseeling worden verwijderd. Hierdoor zou eveneens bij den type
van Doleschall, naar het schijnt een unicum, het oogenveld niet
goed zichtbaar kunnen geweest zijn.
Hoe dit zij, er valt, in casu, nog iets anders en meer positiefs
op te merken, zonder hetwelk ik sterker geaarzeld zou hebben in
het publiceeren van mijne veronderstelling.
Wijlen mijn persoonlijk hooggeachte en algemeen beroemde oud-
kameraad, — die in zijn voor de wetenschap te vroeg afgesneden
leven, zich daarvoor zoo buitengewoon verdienstelijk heeft gemaakt,
voornamelijk wat onze Oost-Indische fauna, op het gebied der Ento-
mologie, betreft, — was, toen hij zijne « Bijdragen over de Arach-
niden» schreef, nog minder goed te huis op het zoo uitgestrekt
terrein der Territelariae. Van de ruim 250, thans door Ausserer
bestemde, soorten schijnen hem destijds niet meer dan 3 of 4 be-
kend te zijn geworden.
Bij de vorming van zijn alleen staand «novum genus» onder
deze, blijkt het dat hij, alhoewel met nadruk wijzende op het
abnormale «oogen-tal», toch meer gewicht heeft gehecht aan den
bouw der mandibels en vooral der ongemeen lange en zwarte
| 1) Zie de hiervoren op blz, 90 aangehaalde Verslagen en mededeelingen der
Kon, Akad. van Weténs:
7
98 PELECODON OF CALOMMATA ?
kaakhaken, — trouwens reeds lang vóór hem voor Calommata
beschreven, — naar welke laatste hij nochtans meende, zijn
«nieuw» geslacht te mogen benoemen.
Voeg hierbij, dat in Doleschall’s beschrijving en afbeeldingen
van den Pelecodon niet geringe onvolkomenheden en vele onnauw-
keurige détails in het oog vallen 1).
In de eerste plaats zijn de oogen zelven te noemen. Zijne,
l. c. Tab. XIII fig. 2 gegeven, levensgroote afbeelding klopt vol-
strekt niet met den voor zijn genus, meer naar de natuur, getee-
kenden bijzonderen oogenstand op de ongenommerde slotplaat.
Ten tweede, het sternum. Dit beschrijft hij als «rond» en
beeldt het werkelijk sub fig. 25 ook als zoodanig af, doch, blijk-
baar minder juist, in den varm van een’ met den passer getrokken
cirkel, zonder eenige aanduiding van den meer polygonalen omtrek,
door de heup-aanhechtingen gevormd.
Ten derde. Voor de maxillae bestaat insgelijks eene waar-
schijnlijke fout. Zouden die in waarheid «denticulatae » zijn? Bij
de twee beschreven Calommata-soorten en bij mijn specimen doen
zij zich oogenschijnlijk ?) niet getand voor, — zooals de man-
dibels, — maar eenvoudig als « fimbriatae ».
Als eene vierde omissie is te beschouwen, dat de schrijver, die
den geslachtsnaam naar de ungues mandibulares vormde,
juist van deze niets anders geeft dan de onbeduidende zinsnede :
«de haak zoo lang als de kaak zelve». Hunne langwerpig ge-
ribde bovenvlakte en hunne fraai gezaagde onderrand, — zoo
juist door de auteurs van Calommata aangegeven, — worden niet
eens vermeld. Zelfs de pikzwarte kleur er van moet men alleen
opmaken uit de Grieksche afleiding van den naam Pelecodon (zie
hiervoren blz. 91). Zeer onjuist wordt ook de, mede niet beschreven ,
doch wel in fig. 24 afgebeelde, eigenaardige (hoek- of knievormige)
1) Het is verre van mij, hem daarvan eenig verwijt te maken, maar toch
mocht niet verzwegen worden, dat ook op hem het „Interdum bonus dormitat
Homerus” toepasselijk is.
2) Uit vrees van mijn exemplaar té zullen schenden, heb ik de maxillen niet
afzonderlijk onder sterkere vergrooting durven onderzoeken. Met de loupe lieten
sich dááraan geene tanden onderscheiden.
PELECODON OF CALOMMATA ? 99
verdikking of uitpuiling der basis van deze haken (zie fig. 5 en 6)
voorgesteld in de gedaante van een cirkelrond knopje!
Eene vijfde opmerking, waarvoor mij evenwel eigen aanschou-
wing ontbreekt, betreft de spintepels. Doleschall’s beschrijving
dezer gewichtige organen is veel te karig. De onduidelijke figuur
der scherp-driehoekige (!) mamillae, ter laatstvermelde plaatse, komt
mij voor geheel misteekend te zijn.
In de zesde plaats eindelijk, begaat hij nog eene onnauwkeu-
righeid bij de sexe-bepaling van zijn’ type. Wordt voor de
palpen in de beschrijving niets anders opgenomen, dan dat zij
(zooals voor Calommata insgelijks geldig is) «pediformes» zijn,
zoo is dit, wel is waar, veel te laconisch, maar vergeeflijker dan
de volgende lapsus calami. Hij kondigt namelijk in den tekst
bij zijne «nova species» bepaald den mas aan, terwijl de beide
figuren der palpen den onmiskenbaren vorm van vrouwelijke
dragen , zonder spoor van eenig, voor de «mares » zoo kenmerkend,
aanhangsel.
In verband met de aangetoonde luchthartigheid, waarmede onze
brave Doleschall dit zijn «novum genus» heeft behandeld, en met
de door mij opgemerkte mindere duidelijkheid van de zijdeling-
sche oogengroep bij een in elk geval ten nauwste verwant geslacht,
vertrouw ik, dat men mijn’ twijfel aan het door hem opgegeven
aantal der ocelli niet geheel ongewettigd zal achten.
CONCLUSIEN.
4°. Tot nader licht ten deze wordt ontstoken, en zonder het
positief bewijs te kunnen leveren, komt mij het werkelijk bestaan
van een exceptioneel zes-oogig Mygaliden-geslacht Pelecodon
hoogst verdacht voor.
2°. De eigenaardige oculatie, bij het acht-oogig genus Calom-
mata voorkomende, verklaart de mogelijkheid eener foutieve
aanneming van een, overigens gelijkvormig, zes-oogig geslacht.
3°. Met andere woorden: Pelecodon sundaicus Dol. van Java
schijnt identisch te zijn met Calommata fulvipes Luc. van
Amerika.
100 PELECODON OF CALOMMATA ?
4°. Deze veronderstelling vindt steun in de, reeds vroeger door
Ausserer gedane, ontdekking, dat het geslacht Calommata ook in
onze Oost-Indién, op Sumatra, is vertegenwoordigd.
Verklaring der afbeeldingen op Plaat 5.
Fig. 1. Cephalothorax van eene, gedeeltelijk verminkte, Calommata
fulvipes Luc. uit Java.
Rugzijde. Natuurlijke grootte. Inzonderheid te letten op
de schijnbare aanwezigheid van zes oogen.
» 2. Idem.
Buikzijde. Vergroot. Vooral ter aanwijzing van de mond-
deelen, de palp en het sternum.
» 3. Idem. De stand en het ware getal der oogen. Vergroot.
Vergelijk fig. 6.
» 4. Idem. Een der achterpooten, vergroot.
» 5. Idem. Een der kaakhaken, veel vergroot.
» 6. Idem. Zijdelingsch aanzien van het kopborststuk.
Meer bepaald tot het aanwijzen van den bouw der man-
dibels en hunner tanden, alsmede van den clypeus-hoek.
eae a He RR NEN OG. EN
OP
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN'S OPSTEL
«LES BATOCÉRIDES DU MUSÉE DE LEIDE»
(Tijdschrift voor Entomologie. Deel XIV (1871) p. 211—220)
DOOR
CRETS HMA’ Cz:
De volgende aanteekeningen moeten dienen om in het Leidsch
Museum, ook na eene verschikking van bovengenoemde groep,
het terugvinden der door mijn’ voorganger onderzochte en in
bovenbedoeld opstel besproken voorwerpen gemakkelijk te maken,
Geslacht BATOCER A.
1. WALLACEI Thoms.
De exemplaren van de Aroe-eilanden (von Rosenberg, twee
mannetjes en twee wijfjes) behooren tot de typische Wallacei Thoms.,
die van Salawatti (Bernstein, een mannetje en een wijfje), van
Doreh (Hoedt, twee mannetjes en een wijfje) en van Andai (von
Rosenberg, een mannetje en een wijfje) tot de varieteit Proserpina
Thoms. (Syst. Ceramb. p. 551), welke zich door minder wit op
de dekschilden onderscheidt. De beide exemplaren van Nieuw
Guinea, van de reis van Dr. S. Müller afkomstig, waarvan S. v. V.
spreekt, waren waarschijnlijk in een’ te slechten toestand om be-
waard te worden; zij komen ten minste in de collectie van het
Museum niet voor.
2. ARMATA Oliv.
Het exemplaar van Reinwardt (het grootste mannetje) zou
volgens het etiquet van Java stammen. Voorts een mannetje van
102 AANTEEKENINGEN OP SN. V. VOLLENHOVEN’S OPSTEL
Noord Celebes: Gorontalo (von Rosenberg), een mannetje en twee
wijfjes van Amboina (Hoedt) en een weinig ontwikkeld mannetje
van Ceram (Ludeking), bij welk voorwerp de doorn van het eerste
lid der voortarsen ontbreekt. Tot deze soort behooren echter ook
de exemplaren van Amboina (vier wijfjes, Ludeking), door S. v. V.
bij Zeonina Thoms. (zie n°. 10) vermeld; drie van deze exem-
plaren hebben enkele onregelmatige vuilwitte vlekjes op de dek-
schilden.
3. LAENA Thoms.
Een mannetje en twee wijfjes van Nieuw Guinea (Macklot) en
twee mannetjes van Mefoor (von Rosenberg), doch geen enkel
voorwerp van de Aroe-eilanden. Ik vermoed dus dat S. v. V.
deze localiteitsopgave van Thomson heeft overgenomen.
4, AENEONIGRA Thoms.
Behalve de drie door S. v. V. genoemde voorwerpen (een
mannetje van Zuid-Halmaheira en een paartje van Morotai), be-
hooren tot deze soort ook de exemplaren van Waigeoe (een zeer
klein mannetje, dat de doorn aan het eerste lid der voortarsen
volkomen mist) en van Ternate (een paartje), die door S. v. V.
bij Orpheus Pasc. (zie n°. 5) vermeld worden.
5. ORPHEUS Pasc.
Tot deze soort, voor welke de oudere naam Plutonica Thoms.
(Syst. Ceramb. p. 551) moet worden aangenomen, behooren slechts
de voorwerpen van Morotai (twee mannetjes). De door S. v. V.
vermelde voorwerpen van Waigeoe en van Ternate behooren tot
Aeneonigra Thoms. (zie n°. 4).
6. PULVEROSA Pasc.
Twee mannetjes en twee wijfjes van Timor (Macklot en Wienecke).
7. Gicas Drap.
Een groot mannetje van Java (ter Bruggen), een paartje van
hetzelfde eiland (Kapt. Meijer), een mannetje, dat witter van
kleur is, van Banka (Buddingh) en twee mannetjes van Noord
Celebes: Gorontalo (von Rosenberg). Ook behoort tot deze soort
een der beide wijfjes van Java (dat van Müller), die door S, v. V.
tot Hector Thoms. (zie n°. 11) zijn gebracht.
„LES BATOCERIDES DU MUSÉE DE LEIDE,” 103
Mijns inziens moet B. Whiter Kaup van Celebes tot deze soort
en niet (zooals Pascoe en S. v. V. doen) tot Zeomina Thoms. (zie
n0. 10) teruggebracht worden. Of het echter werkelijk de Gigas
van Drapiez is kan ik niet beslissen. Volgens den heer van
Lansberge zou het wel Ajax Dej., doch deze nie t=Gigas Drap. zijn.
8. HERCULES Boisd.
Het door S. v. V. vermelde mannetje van Celebes is van von
Rosenberg, en dus van Noord Celebes afkomstig.
9. VicrorRIANA Thoms.
De beide als varieteit van deze soort aangeduide mannetjes van
Sumatra (Müller) behooren tot Javanica Thoms. (Monogr. in Are.
nat. p. 83), welke echter naar mijne meening niet van Ferru-
ginea Thoms. (Arch. entom. I. p. 456) kan afgescheiden worden.
Ook behoort nog tot dezelfde soort (als wijfje) het voorwerp van
Sumatra (Ludeking), dat door S. v. V. als grootere varieteit van
Rubus F. (zie n°. 13) wordt vermeld.
10. Leonına Thoms.
Tot deze soort, waarmede ik B. Whiter Kaup niet synoniem
reken: (zie het onder n°. 7 gezegde), behooren slechts de voor-
werpen van Celebes (Gorontalo, von Rosenberg) en dat van de
Sangir-eilanden (von Rosenberg). De door S. v. V. vermelde voor-
werpen van Amboina behooren tot Armata Oliv. (zie n°. 2). Daar-
entegen behoort nog tot deze soort het door S. v. V. onder n°. 25
als Apriona nov. sp.? vermelde en op de plaat als fig. 5 afge-
beelde voorwerp van Celebes: Tondano (von Rosenberg), dat
bovendien geen mannetje maar een wijfje is.
NB. Door Thomson is in 1878 (Revue et Mag. de Zool. 3me sér.,
tom. VI, p. 55) op deze soort een nieuw geslacht, Abatocera,
gegrond, waartoe ook B. wregularis Voll. (zie n°. 21) behoort.
11. Hector Thoms.
Slechts een der beide door S. v. V. vermelde wijfjes behoort
tot deze soort. Het is geétiquetteerd: v. d. Hoeven, Java. Het
andere voorwerp (Müller, Java) behoort tot Ajaa Dej. (zie onder
n°. 7). Daarentegen behooren tot deze soort twee wijfjes van
104 AANTEEKENINGEN OP SN. V. VOLLENHOVEN’S OPSTEL
Java (Müller), door 8. v. V. in de collectie als Attila var. aan-
geduid (zie n°. 12).
42. ATTILA Pasc.
Behalve de Sumatraansche exemplaren (Müller, Wienecke en
Ludeking), bevinden zich ook twee wijfjes van Java (Miller) in
het Museum, die daar door S. v. V. als Aitıla var. zijn aangeduid,
Zij behooren echter niet tot deze soort, maar tot Hector Thoms.
(zie n°. 11).
13. Rusus F.
Slechts de beide exemplaren van Mauritius (Dupont) behooren
tot deze soort. Het zijn echter mannetjes, geen wijfjes. Het door
S. v. V. vermelde wijfje van Java behoort tot eene andere soort,
en wel volgens den heer van Lansberge tot de echte Gzgas Drap.
Het vierde, grootere voorwerp, van Sumatra (Ludeking) is een
wijfje van eene derde soort en wel van Zerruginea Thoms.=
Javanica Thoms. (zie onder n°. 9). Tot Rubus F. schijnen daar-
entegen gebracht te moeten worden de drie exemplaren door S. v. V.
als Roylii Hope aangeduid (zie n® 14).
44. RovyLu Hope.
De drie vermelde voorwerpen (twee mannetjes en een wijfje)
van Nieuw-Holland (Hope) hebben met de echte Aoylır Hope niets
te maken, ook niet met de Nieuw-Hollandsche Boisduvalıı Hope,
waarvoor ik ze vroeger meende te kunnen houden (Notes Leyd.
Mus. IN (4881) p. 10). Het schijnen mij toe oude, verbleekte
voorwerpen van Rubus F. (zie n°. 13) te zijn, die dan bovendien
eene vermoedelijk onjuiste vindplaatsopgave dragen. Tot Loylúü
Hope behoort daarentegen het voorwerp van Nepaul (Franck),
door S. v. V. als Megacriodes ebenina Voll. beschreven (zie n°. 27).
15. Tromsonm Javet.
De drie genoemde Sumatraansche voorwerpen zijn van de reis
van Dr. S. Müller afkomstig. Een mannetje van Banka (van den
Bossche) schijnt over het hoofd gezien te zijn.
16. CATENATA de Haan.
Dit is stellig Zineolata Chevrl. = Chinensis Thoms. Het haakje
aan het eind der negende sprietgeleding van het mannetje is wel
„LES BATOCÉRIDES DU MUSÉE DE LEIDE”, 105
zeer klein, maar toch te zien. Het wijfje waarvan de witte
vlekken geelachtig zijn, is een vervuild voorwerp.
17. OsLiqua Voll.
Twee mannetjes en een wijfje (Hoedt). Een vluchtig zien heeft
S. v. V. op het etiquet van een der beide mannetjes Banca in
plaats van Boano (een eilandje ten westen van Ceram en dat
eigenlijk Bonoa heet) doen lezen. Deze soort is ten nauwste
verwant aan Celebiana Thoms. en wellicht slechts als locale
varieteit van deze te beschouwen. S. v. V., hier van Octomaculata F.
sprekende, kent aan deze bij vergissing een haakje toe aan de
tiende sprietgeleding van het mannetje; dit moet de negende zijn,
zooals bij de behandeling dezer soort onder n°. 20 wordt aan-
gegeven.
18. CELEBENSIS Thoms.
Vier mannetjes en drie wijfjes van Gorontalo (von Rosenberg).
De naam Celebiana, door Thomson aan deze soort gegeven, moet
gehandhaafd worden.
19. RosenBERGII Kaup.
Een mannetje van Flores (Ludeking).
20. OCTOMACULATA EF,
In 1878 heeft Thomson erkend (Revue et Mag. de Zool, 3me ser.
tom. “VL. p. 54), dat de Octomaculata van zijne Monographie niet
de gelijknamige soort van Fabricius is, en stelt daarom voor haar
Fabric Thoms. te noemen. Deze naamsverandering was echter
overbodig, daar de soort in 1871 door Snellen van Vollenhoven
als Megacriodes guttata (zie n°. 28) beschreven was. Octomaculata F.,
waarmede Sarawakensis Thoms. samenvalt, heet tegenwoordig Albo-
fasciata de Geer. Het is stellig de meest algemeene soort van
het geslacht.
21. IRREGULARIS Voll.
Twee mannetjes, een van Menado (Hoedt), het andere van de
Sangir-eilanden (von Rosenberg). Eene zeer kenbare soort, die tot
Thomson’s in 1878 gegronde genus Abatocera behoort (zie ook
mijne aanteekening bij n°. 10).
106 AANTEEKENINGEN OP SN. V. VOLLENHOVEN’S OPSTEL
22. (APRIONA) FLAVESCENS Kaup.
Het voorwerp van Banka (Buddingh) behoort stellig niet tot
dezelfde soort als dat van Borneo (Schwaner), maar komt meer
overeen met voorwerpen uit Japan (von Siebold), door S. v. V.
niet vermeld. Daar Buddingh ook insecten van Amoy (Noord-
China) heeft overgezonden, vermoed ik dat hier eene verwisseling
van vindplaatsopgave heeft plaats gehad, te meer daar bedoeld
voorwerp zeer goed aan de beschrijving der Noord-Chineesche 4.
rugicollis Chevrl. (Revue et Mag. de Zool. 2me ser. Tom. TV (1852)
p. 418) beantwoordt.
23. (APRIONA) HUMERALIS Kaup.
Het voorwerp door S. v. V. vermeld (Bernstein, Boeroe) is
een mannetje, geen wijfje.
24. (APRIONA) Spec. ?
Het hier vermelde voorwerp van Doreh (von Rosenberg) be-
hoorde niet tot het geslacht Apriona, maar tot een nieuw geslacht,
dat door mij Rosenbergia is genoemd. De soort heb ik als Aosen-
bergia mandibularis beschreven (Notes Leyd. Mus. III (1881) p. 11).
Het exemplaar is een mannetje, geen wijfje.
25. (APRIONA) nov. sp. ?
Even zoo min als het voorgaande nommer eene Apriona en ook
geen mannetje, maar een wijfje. Het voorwerp behoort tot Dasocera
(Abatocera) leonina Thoms. (zie n°. 10).
26. (MEGACRIODES) SAUNDERSII Pasc.
Het exemplaar, van de reis van Dr. S. Müller afkomstig, be-
hoort stellig tot deze soort.
27. (MEGACRIODES) EBENINA Voll.
Dit is een wijfje van Batocera Roylii Hope (zie onder n°. 14).
28. (MEGACRIODES) GUTTATA Voll.
Beide wijfjes (Müller, Sumatra) behooren tot het geslacht
Batocera en wel tot B. octomaculata Thoms. nec. Fabr., welke
naam in 1878 (Revue et Mag. de Zool. 3me sér., tom. VI. p. 54)
door Thomson in Fabrieii is veranderd. De naam Guttata Voll.
dateert echter reeds van 1871.
„LES BATOCÉRIDES DU MUSÉE DE LEIDE, ” 107
Geslacht PROTEMNEMUS.
29. ScaBrosus Oliv.
Hoewel S. v. V. van Zwee exemplaren van Wahaai op Ceram
spreekt, komt er slechts één (Moens) in de collectie van het
Museum voor. Voorts is er één van Zuid-Halmaheira (Bernstein) ,
één van de Aroe-eilanden (von Rosenberg) en twee van Doreh
(von Rosenberg), doch ik ben niet overtuigd dat allen tot
dezelfde soort behooren.
30. ROSENBERGIT Voll.
Een exemplaar van Doreh (von Rosenberg).
Geslacht PERIAPTODES.
31. Licror Pasc.
Een exemplaar van Doreh (von Rosenberg).
Geslacht PLECTRODERA.
32. SCALATOR F.
Eén exemplaar van Louisiana (Calkoen).
Geslacht FRENETICA.
33. LACRYMANS Thoms,
Een exemplaar van Malakka (A. Deyrolle).
IETS OVER DE EUROPEESCHE SOORTEN VAN HET GENUS
CATOCALA Ochsh. Led.
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
Het bericht, dat de heer H. B. Möschler in de Stettiner Ento-
mologische Zeitung, A6ste Jaargang, 1885, p. 115 enz. geeft over
de belangrijke verhandeling van G. D. Hulst, betreffende de
N. Amerikaansche soorten van Catocala, gaf mij aanleiding, om
ook de Europeesche soorten van dat genus op nieuw aan een
onderzoek te onderwerpen. Ik volg daarbij het uittreksel, dat
de heer Möschler over de bedoelde verhandeling geeft. Zij zelve is
verschenen in «the Bulletin of the Brooklyn Entomological Society» ,
dat ik alleen bij name ken. De Entomologische litteratuur van
Noord-Amerika is rijk aan — doorgaans zeer ephemere — tijd-
schriften, wier ontstaan en vergaan men nauwelijks kan bijhouden.
De verhandeling geeft intusschen van grondige studie blijk, zooals
duidelijk uit het verslag doorstraalt, en zal geen ephemeer bestaan
hebben.
De heer Hulst bespreekt de systematische plaats van Catocala
en de generieke kenmerken. Hij vindt dat ader 5 der voorvleugels
nader bij het midden der middencel staat dan bij de typische
Noctuinen, terwijl ook die middencel korter zou zijn en niet
meer dan een derde der vleugellengte zou hebben. Het eerste nu
is bij de Europeesche soorten (ik onderzocht er 22 van) niet het
geval en wat de kortheid der middencel aangaat, zoo is dit juist,
maar zij heeft toch nog bij de in mijn bezit zijnde soorten 3 der
vleugellengte; bij Zowocampa en Pseudophia is zij half zoo lang
DE EUROPEESCHE SOORTEN VAN CATOCALA. 109
als de vleugel, bij Agrotis (Pronuba), bereikt zij 4 van die lengte.
Lederer stelt dit in zijne beschrijving van het genus Catocala
(Noctuinen Europa’s p. 202) niet op den voorgrond. Buitendien
heb ik bevonden, dat ader 6 der voorvleugels wel zoo duidelijk
uit de spits der middencel, niet uit den achterrand der aan-
hangcel ontspringt als b. v. bij Agrotis; doch dit is een kenmerk
van zeer ondergeschikten aard.
Belangrijker is, wat de heer Hulst omtrent de specifieke ken-
merken vermeldt, en het bewijst tevens, hoeveel er nog voor een
opmerkzaam onderzoeker in dit opzicht te leeren valt. Hij heeft
namelijk — en dit komt mij vooral gewichtig voor — verschillen
geconstateerd in de bedoorning der achterschenen bij de onder-
scheidene soorten. Dat die, ook bij de Europeesche soorten, be-
staan, duidt reeds Lederer t. a. p. aan, maar deze heeft er geene
waarde genoeg aan gehecht, om op te geven hoe het met die ver-
schillen in het bijzonder gelegen was bij de Europeesche Catocalen.
De heer Hulst vindt onder de Noord-Amerikaansche species de
volgende groepen:
I. Alleen de middenschenen bedoornd.
II. Midden- en achterschenen bedoornd.
III. Ook buitendien de voorschenen kedoornd.
Van de derde groep heb ik onder de Europeesche soorten in
mijn bezit geene vertegenwoordigers gevonden, wel van de van
de beide andere. Tot de eerste behooren:
A. Met roode achtervleugels:
Nupta.
Dula.
Promissa.
B. Met gele achtervleugels:
Nymphaea.
Paranympha.
Diversa.
Eutychea.
Nymphagoga.
C. Met zwarte, aan den voorrandshoek witte achtervleugels:
Dissimihs.
110
DE EUROPEESCHE SOORTEN VAN CATOCALA,
Wat de tweede groep van Hulst aangaat, bij welke behalve de
middenschenen ook de achterschenen bedoornd zijn, zoo vind ik
als behoorende tot de eerste sectie:
A. Achterschenen slechts tusschen de sporen met enkele doornen :
4.
2.
Achtervleugels zwart met blauwen middenband:
Fraxini.
Achtervleugels rood met zwarten middenband :
Hlocata.
Conjuncta.
Lupina.
Pacta.
Optata.
Electa.
Puerpera.
. Achtervleugels geel met zwarten middenband :
Conversa.
Hymenaea.
en van de tweede sectie:
B. Achterschenen ook boven de sporen met doornen:
1. Achtervleugels rood :
2
Dilecta.
Sponsa.
. Achtervleugels geel:
Neonympha.
Verder heeft de heer Hulst zich ook het — reeds door Lederer
bij de Europeesche soorten opgemerkte — verschil in de lengte
van het eindlid der palpen, tot onderscheiding der soorten ten
nutte gemaakt, en zou ik mede kunnen wijzen op een bestaand
verschil in de lengte der achterschenen — half zoolang als de
achterdijen b. v. Paranympha, Eutychea of langer, Conversa.
Het doel van deze aanteekening is eerstens eene contrôle mijner
bevindingen uit te lokken en ten tweede een onderzoek der n'et door
mij vermelde, in mijne verzameling ontbrekende soorten.
OVER NOCTUA MOLDAVICOLA H.S.
DOOR
P. Cyt, SNELLEN.
Voor eenigen tijd van Dr. Staudinger een exemplaar ontvangende
van de bovengenoemde Noctuine, die mij nog maar alleen door
afbeelding en beschrijving bekend was, trof het mij, dat zy
mij zoo weinig vreemd voorkwam. Bij het doorzien mijner ver-
zameling werd dit raadsel spoedig opgelost. Mo/davicola Herrich-
Schaffer gelijkt zoo zeer op Lascivalis Lederer, dat de laatste bijna
er uitziet als eene kleine varieteit van de eerste.
Volgens mijne gewoonte, onderwierp ik nu mijne nieuwe aan-
winst aan een onderzoek ten opzichte harer generieke kenmerken.
Alvorens ik den uitslag van dat onderzoek mededeel, wil ik eerst
nog aanteekenen, dat mijn voorwerp nauwkeurig genoeg met Herrich-
Schaffer’s afbeelding en beschrijving overeenkomt, om allen twijfel
aan de juistheid der determinatie uit te sluiten. Milliére’s afbeel-
ding, trouwens die eener donkere varieteit (zie zijne /cones III,
p. 437, pl. 154, f. 1), is niet zoo kennelijk.
De uitslag van mijn onderzoek bevreemdde mij eenigszins, want
terwijl Lederer in zijne Noetwinen Europa’s p. 184 van Moldavicola
en van de hem (ook mij nog) mede in natura onbekende Acontia
vuridisquama aanteekent, dat zij «Den Abbildungen nach kaum
hieher » (tot Acontia) behooren, zijn beide soorten in Staudinger
en Wocke’s uitmuntenden Catalogus van 1871 zonder reserve in
Acontia geplaatst. Intusschen bevond ik, dat bij Moldavicola de
aanhangcel der voorvleugels ontbreekt en hunne aderen 8—10
gesteeld zijn. Dit verschil met Acontia — die eene aanhangcel
112 OVER NOCTUA MOLDAVICOLA H.-8.
bezit, waaruit ader 7, de steel van 8 + 9 en, afgescheiden daar-
van, ader 10 ontspringen — verbiedt ten eenenmale om Molda-
vicola als tot het genoemde genus behoorende te beschouwen, al
valt het niet te ontkennen, dat vleugelvorm en aanleg van
teekening anders vrij sterk aan die van Acontia lucida Hufn.
herinneren. De palpen en pooten zijn buitendien ook grover en
minder glad beschubd dan bij laatstgenoemde soort.
Moldavicola nu komt, niet alleen wat kleur, vorm en teekening
aangaat, maar ook, — en dit zegt meer, — wat het aderstelsel
betreft, ten volle overeen met JLascwalis Lederer. Deze soort,
door den auteur als eene Choreutis (vr. Choreutes Tr.) beschreven
en in Staudinger en Wocke’s Catalogus in het verwante genus
Simaethis, dus altijd als eene Tineine fungeerende, is, volgens de
ontdekking van den heer Ragonot (Annales de la Soc. Ent. de
France 1875, Bulletin p. 42), inderdaad geene Tineine, maar
eene Noctuine, die tot het genus Thalpochares Lederer moet
worden gerekend. Ik ben het met den Franschen Lepidopteroloog
eens en plaats dan ook Lascivalis met Moldavicola in het geslacht
Thalpochares, hoewel eenigszins van het gros der soorten ver-
wijderd, om de stompere, naar achteren minder verbreede voor-
vleugels, hunne grovere, ongelijk bont gevlekte franje, de bijna
naakte mannelijke sprieten en de bontere onderzijde. Zeer
geïsoleerd staan de beide genoemde soorten echter niet, Thaln.
Dardouini, Velox en Suava bij voorbeeld, vullen vrij wel de gaping
aan tusschen haar en de meer typische soorten.
Eene andere, mede als eene Acontia beschrevene soort, Hueberi
Erschoff, is onlangs ook terecht door Staudinger afgescheiden en
in zijn nieuw genus Armada geplaatst, zie Mémoires sur les
Lepidopteres I p. 143 (bij Armada Dentata Staud.).
ENT AO GUS
Am ASN HB A RUM,
hucusque in HOLLANDIA inventarum.
AUCTORE
A. W. M VAN HASSELT, M p.
PROLOGUS.
Quamvis Araneae Hollandicae (seu Neerlandicae) magna pro parte
jam cognitae sint e scriptis eruditis virorum amicorum Sixii 1),
Thorellii 2) et Beckerii ?), harum tamen collectio mea, anno 1857
inchoata, ultimis praesertim annis tantopere accrevit, ut nunc
hujus enumerationem, quantum fieri potest magis completam ,
elaborare, ulterius protrahere aetas mea valde provecta prohibebat.
1) G. A. Six. Zijst van Spinnen uit Utrecht, in Herklots, Bouwstoffen voor
eene Fauna van Nederland, IT. Leiden, 1858, et Nieuwe Bijdrage tot de kennis
der inlandsche Spinnen, in Tijdschrift voor Entomologie, Deel VI, 1863. (Illo 140
species numerantur).
2) T. Thorell. Diagnoses Aranearum Europaearum aliquot novarum, in Tijdschrift
voor Entomologie, Deel XVIII, 1875. (Pro nostrâ patriâ de 7 speciebus novis
agitur).
3) Léon Becker. Aranéides de Neerlande, in Comptes rendus de la Société
entomologique de Belgique, Séance du 1 Mars 1879, et in Araneides nouveaux pour
la Faune Neerlandaise, in eodem, Séances du 6 Septembre 1879, du 5 Février
1881, etc. (Simul cum his Sixii, in toto 176 species, quarum ceterae plurimae
mihi indicatae, pro Neerlandia notavit).
8
114 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Ex laudandis praecursorum meorum indagationibus concludi
posse videretur, solum natale, quoad Aranearum diversitatem ,
relative valde pauperum esse.
Ulteriore tamen studio liquet, specierum numerum hucdum
commemoratum, 183 (scil. 176 Sx. et L.B. + 7 Th.), nunc
temporis multopere augeri, imo fere duplicari, debere.
Etsi fatendum, ipsam ultimam quantitatem multum superari
hac in Regionibus nostrae maxime vicinis obvià , — secundum scrip-
tores recentiores in Prussiä, Belgiä et Angliä !), — nihilominus
mutua harum Faunarum Araneinarum affinitas qualitativa, compa-
ratione plurimarum et quidem praecipuarum specierum , iis omnibus
propriarum, jam nunc satis elucet.
Hoe visu geographico, dolendum, Provincias nostras Boreales,
Groningen et Friesland, adhucdum parum vel non perscrutatas
fuisse. (Confer autem notam pag. 116, in fine).
De hujus Catalogi perficiendi methodo, inprimis de classifi-
catione assumendà, diu in dubio versatus sum.
Pro simplici meo proposito, optimam, saltem facillimam, viam
duxi, ex tribus exemplis praecitatis, nuper , pro Terris nobis pro-
ximis, in lucem editis, unum alterumve eligere.
Absque ullo judicio ferendo, viribus meis longe inferiore, de horum
aliorumque ?) laborum, egregio certe valore, tandem valde mihi
1) Ph. Bertkau. Verzeichniss der bisher bei Bonn beobachteten Spinnen, in
Verh, d. Naturf. Ver. f. Pr. RAI. u. Westf. 1880; et ejus ac A. Foersterii Bed
träge zur Kenntniss der Spinnenfauna der Rheinprovinz, ibidem 1883.
Léon Becker. Catalogue des Arachnides de Belgique, in Annal. d.!. Soc. entom.
d. Belg. 1878; et Les Arachnides de Belgique, in Annal. du Mus. R. d'hist. nat.
d. Belg. Bruxelles, 1882; avec des planches, in grand folio (1e partie).
O. P. Cambridge. The Spiders of Dorset. Sherborne, 1879—1881.
2) Confer cetera systhemata diversa et methodos varios aut variantes in
Operibus sequentibus de Araneis (Europaeis praesertim): C. J. Sundevall, Con-
spectus Arachnidum, 1833. — Walckenaer. Histoire naturelle des insectes. Apteres:
1837. — C. L. Koch. Die Arachniden. 1837 ete. — J. Blackwall. A History of
the Spiders of Great Britain and Ireland. 1859 etc. — Westring. Araneae Suecicae.
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 115
arrisit Cambridgei Opus praeclarum, The Spiders of Dorset, ut
jam completum , concinne scriptum, ac scopo meo quam plurime
congruum, — hoc in arbitrio Workmanii et Campbellii !) vestigia
sequens.
Huic Operi eo magis me adductum sentiebam, quia ejus auctor,
Angliae araneologus hodie princeps, per multos jam annos,
magister mihi benevolentissimus esse voluit, juvamine consiliisque
eximiis, in determinando numerosas species dubias aut mihi
incognitas, inprimis e generibus Neriene, Walckenaera et Linyphia
difficillimis.
Ad ejus igitur Synopsin et diagnoses in toto me referam pro
Familiarum, Generum Specierumque characteribus, licet dijudicare
non audeam nec possim, an revera sua ordinatio ac concatenatio
his a Thorellio, Simonio, Bertkauo, aliisque assumtis, in omnibus,
praevalent.
Avide e contra hanc arripio occasionem, ei denuo gratias meas
sinceras offerendi, quas etiam, pro auxiliis analogis et multifariis,
antea a mentore meo primo, T horellio, et recentius, a meo fautore,
Simonio, acceptis, hic renovare, pectus et animus imperant.
Quoad collectionem meam, — in patrià unicam et pro Museo
Lugdunensi designatam, — locupletes debeo capturas multis amicis
1861. — A. Menge. Preussische Spinnen. 1866. — T. Thorell. On European Spiders,
1869, etc. — P. Pavesi. Catalogo sistematico dei Ragni del cantone Ticino, etc.
1873, etc. — Eugène Simon. Les Arachnides de France. 1874 etc. — L. Koch.
Beiträge zur Kenntniss der Arachniden-Fauna Galiciens. 1870. — Ejusdem. Ver-
zeichniss der Arachniden bei Nürnberg etc. 1877. — Otto Herman. Ungarns Spinnen-
Fauna. 1876 etc. — H. Lebert. Die Spinnen der Schweiz. 1877. — Ph. Bertkau.
Versuch einer natürlichen Anordnung der Spinnen. 1878. — F. Dahl. Spinnen Nord»
Deutschlands. 1883. — Etc.
De veterioribus Descriptionibus Clerckii, Linnaei et de Geerii, in Recensione
criticé Aranearum Suecicarum, scripsit Thorell, 1856. — Latreillei ceterorumque
Auctorum in Catalogo citatorum Opera mihi, in originali, incognita.
1) T. Workman. Irish Spiders, in Belfast Nat. hist. a. Phil. Society, April
1880. — F. M. Campbell. Spiders of Hoddesdon, in Transactions 0. t. Hertfordshire
Nat. hist. Soc. December 1883.
116 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
et familiaribus benevolis 1). Illis omnibus, quatenus vitam degunt ,
denuo ex animo gratulor. Pro nonnullis, horum cooperatione acqui-
sitis, araneis domicilia aut habitacula specialia interdum non comme-
morata fuerunt. Pro ceteris, de quibus certus sum, illa plerumque
in Catalogo adnotavi.
Etiamsi ipse in colligendo per 28 annos strenue occupatus
fuerim, nemo me magis convictus esse potest de hujus laboris
imperfecta adhuc constructione.
Ad rite meliusque tractandum meos «thesauros», nimis diu
occasio aut tempus necessarium mihi defuerunt.
De defectubus atque omissis, tam in rebus quam in personis , —
ultimis absque ullä laedendi voluntate, — sine dubio irreptis,
veniam rogo Lectoribus.
Notae et commentationes qualescumque, hic illic passim
adjectae, ne habeantur, precor, pro eruditionis ostentatione. Praeter
earum usum proprium, ad facilius distinguendum exemplaria diversa
meae collectionis, solummodo spectant desiderium, inserviendi pau-
lisper incipientibus araneologis inter nostrates, qui forsan in posterum
huic studio vires intendere cupiant.
Auctorum nomina propria in Nominativo, euphoniae causa,
non interpretatus sum, sed scripsi, sine additione: Cambridge,
Simon, Thorell, etc.
1) Praeter filium dilectissimum Theodorum aliaque meae familiae membra et
socios diversos, praecipue ad nostrarum Aranearum cognitionem plusminusve
collaborare voluerunt: W. Albarda (Alb.), — L. Becker (L. B.), — J. Bierens
de Haan (B. d. H.), — H. Bos (Bs.), — J. Bosscha (Bsc.), — A. Brants
(Brs.), — J. C. Duburg (Dbg.), — E. J. G. Everts (Ev.), — A. J. F. Fokker
(Fk.), — H.L. Gerth van Wijk (G. v. W.), — H. W. Groll (Gr.), — D. ter Haar
(t. H.), — H. Hartogh Heys (H. H.), — F. J. M. Heylaerts (Hls.), — F. W.
O. Kallenbach (Kb.), — A. Klinkenberg (Klg.), — A. F. A. Leesberg (Lbg.), —
J. van Leeuwen (v. L.), — R. T. Maitland (Mtl.), — J. G. de Man (d. M.), —
A. H. Maurissen (Mrs.), — A. B. van Medenbach de Rooij (M. d. R.), — C.
Ritsema (Rts.), — G. A. Six (Sx.), — P. C. T. Snellen (Snl.), — S.C. Snellen
van Vollenhoven (S. v. V.), — K. N. Swierstra (Sw.), — M. C. Verloren (Vrl.).
Nuper Dr. W. K. J. Schoor pro , Friesland” suam mihi promisit opem,
_IN HOLLANDIÂ INVENTARUM. MT
Latino sermone haec variis modis declinantur , in genere, absque
regula universali. Pro me, in formatione Genitivi, etc., hanc normam
secutus sum:
Sin nomina exeant in vocalem, eis addidi «i», e. g. Cambridgei,
Bertkaui, Pavesi, — sin in consonantem, ci», e.g. Kochi,
Simoni, Thorellii, et sic porro pro Dativo, etc.
Tandem, in Familiarum denominatione, praetuli exitum in
«oïdae» huic in «ides» aut «idae», propter ejus significationem ,
vi vocis Graecae, «similaris». Insuper, Thorellii hocce aliisque
argumentis ductus, in scriptis meis anterioribus eo exitu semper
uti solebam.
Terminationem in «ae», loco hujus ceteroquin non minus rectae,
in «es», hanc ob causam assumsi, quia nomina Subordinum aut
Sectionum, — ut ad verbum «aranea», in plurali feminino, spec-
tantia, — omnium consensu, in «ae» desinunt. Quoque, ni fallor,
plerique zoölogi, nunc temporis, illä terminatione utuntur.
Hagis Comitum ,
die nono mensis Augusti anni MDCCCLXXXV.
118 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
ABBREVIATIONES
nominum Auctorum.
Ausserer . Ass. | Linnaeus L.
Becker (Léon) . L.B. | Lucas Le.
Bertkau . Btk. | Menge M.
Blackwall. Blw. | Moggridge . Mgg
Cambridge Cb. | Ohlert Ohl.
Campbell. Cpb. | Olivier Olv.
Clerck. CIk. | Pallas Pls.
Dahl . Dhl. | Panzer . „PZ.
Dufour Df. | Pavesi Pvs
Dugés. Dgs. | Reuss Ress
Eichwaldt Ecw. | Rossi Ross
Emerton . Emt. | Savigny. Svg
Fabricius. Fbr. | Schrank. Srk.
Fickert Fet. | Scopoli . Sep.
Fourcroy . Fre. | Simon (Eugène) . E.S
Fuesslin . Esl. | Six Sx.
Geer (de). d.G. | Ström Stm
Gmelin Gm. | Sulzer Siz.
Grube. Grb. | Sundevall Snd.
Guérin Grn. | Templeton . pte
Hahn . H. | Thorell . Th.
Hentz . i Htz. | Villers Vis.
Herman (Otto) . O.H. | Walckenaer Wik
Keyserling Ksg. | Westring Wst.
Koch (C. L.) C.K. | Wider ed:
Koch (L.) L.K. | Workman . . Wkm
Latreille . Ltr. | Young Nes
Lebert. Lbt
IN HOLLANDIA INVENTARUM, 119
ARANEAE.
SECTIO TERRITELARIAE.
Nidos incolunt subterraneos, cylindraceos, diversimodo, saepe
valde artificialiter , clausos.
Familia THERAPHOSOÏDAE.
(Avicularidae E.S.).
Sic dictae «Würg-spinnen» (C. K.), — «Aard- of Grond-spinnen» ,
partim « Metsel-spinnen » (Nobis), — « Trapdoor-Spiders» (Mgg.,
Cb. aliis), — «Maçonnes» et «Mineuses», « Minir-spinnen » (Df.,
WIk., O.H. aliis).
Genus ATYPUS Ltr.
(Oletera Wlk.)
Singulare illud genus in patria nostra, ut et in Regionibus
vicinis unicum est, quod ibi repraesentat magnam hanc Familiam ,
antea Mygalidarum Snd. sub nomine universe cognitam.
Inter alia, unguibus vel uncis mandibularum perlongis et per-
pendiculariter porrectis, ab omnibus ceteris Araneis nostris
facile dignoscendum.
A. affinis Ecw. (Fct., Btk.).
Utrecht (Amersfoort, Soest, Zeist), Gelderland (Nijmegen),
Noordbrabant (Breda, in Mastbosch et Ulvenhoutsche bosch).
t.H. — Snl. — Vil. 1). — mihi.
Rarus.
1) Pro inventorum nominibus, hisce ac sequentibus abbreviationibus indi»
catis, confer Prologum, p. 116.
120 CATALOGUS ARANFARUM, HUCUSQUE
Femina in nidis aut sacculis subterraneis longitudinis 20 cm.
et ultra; ad parietes fossarum siccarum in silvis, praecipue Pinorum.
Mas ad aut infra folia decidua obambulans. Nobis numquam
simul cum feminà captus.
Prius, diu pro vero piceo Slz., seu Sulzer Ltr. (H. et C.K.),
habui; postea vero Bertkau, comparatione receptaculorum seminis,
mihi, de visu, demonstravit, nostrum Atypum (pro feminä saltem)
ad affinem Ecw. (Fct.) referri debere, cui Thorell, antea, quoque
mares meos (anachoretae Ass. sub synonymiä) duxerat.
An forsan etiam A. Blackwallii Ass. (E.S.), — Cambridgeo,
ut species diversa, passim pro Anglia notatum, — possideamus ,
affirmare non audeo. In und autem mearum feminarum, non plane
adultä, conformatio mandibularum, interius excavatarum, a
Simonio pro hac specie depicta, — in Ann. d. l. Soc. Entom. d.
Fr. T. III, 1873, Pl. 4 Fig. 6, — satis bene apparet.
Ceteroquin negari nequit, in diagnosi differentiali harum et cete-
rarum <Atypi specierum, confusionem, sat magnam, adhuc inter
Auctorum denominationes existere. Suspicor, pro hoc genere, cum
Thorellio: «It is very possible, that intermediate forms may
exist» (Rem. o. Syn. p. 418).
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 121
SECTIO TUBITELARIAE.
In genere cellulas construunt tubulares vel sacciformes.
Familia DYSDEROÏDAE.
Sic dictae « Cel-spinnen ». — Hujus Familiae infra notatae Araneae
ad senoculinas pertinent, oculorum paribus scilicet tribus
contiguis.
Genus DYSDERA Ltr.
D. Cambridgii Th. = erythrina H. (C.K., Blw.).
D. crocota C.K. = rubicunda Blw.
Ambae: Utrecht, Noord- et Zuid-Holland, Zeeland, Limburg.
Fk. — Lbg. — d.M. — Mrs. — G.v.W. — mihi, aliisque.
Parum communes, sed non rarae. Nobis saepius in domibus,
ad pavimenta; quoque extus in rimis murorum et sub lapidibus.
Maxima mea exemplaria, secundae speciei, ex Zeeland proveniunt.
Feminas prioris speciei plus semel in captivitate observavi. Saccu-
lum ovorum («cocon») sub arena abscondebant.
An Dysderae «hostes formicarum »? Walckenaer perhibet. Has
illis primo effugi, posthoc commedi vidi. Confer Tijdschrift voor
Entomologie, Deel XXII, Verslag, blz. xıv.
Antea, dictas species pro eädem habui, sub nomine collectivo
erythrinae Wik. et C.K.
Nisi priorem semel in coitu captavissem, ejus feminam valde
difficulter ab hac secundae discernere potuissem. Ambarum mares
autem multo melius palporum bulbi variatione dignoscendi. Confer ,
pro erocotd, Plate II, Fig. 6, Cambridge, Sp. o. D.
Ceteroquin illarum oculorum dispositio in nostris speciebus
minus differt, quam C. Kochio indicatur.
122 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Genus SEGESTRIA Ltr.
Segestriarum indigenarum habitus et pictura multopere conve-
niunt. — Pedum paria tria anteriora saepius antrorsum porrigunt.
In hoc genere, ut et in praecedentibus (Atypus ac Dysdera) organa
generationis masculina, simplicioris structurae, horum studio
anatomico valde apta esse, propria quoque me docuit observatio. Confer
pro his organis, ut et femininis, egregiam Bertkaui commenta-
tionem: Ueber den Generations-Apparat der Araneïden, in Tröschel’s
Archiv, 1876 et ejus « Versuch» sup. (p.115) cit. ibidem, 1878.
S. senoculata L.
Utrecht, Noord- et Zuid-Holland, Gelderland , Noord-Brabant , etc.
Sat communis, sed non frequens, et ut videtur in Zuid-Holland
rarior.
Vulgo sub arborum cortice, inprimis Pinorum, hieme quoque
in murorum rimis et sub lapidibus.
Sequentibus speciebus minor.
S. Bavarica C.K.
Gelderland (Berg en dal, St. Jansberg) , Noord-Brabant (Ginneken)
Limburg (Maastricht).
Alb. — L.B. — Mrs. — mihi.
Multo rarior.
Ad domuum muros, tam intra quam extus.
Praecedenti simillima, sed major.
S. Florentina Ross.
Zeeland (Walcheren).
d.M. — G.v.W.
Rarissima.
Sed bis capta; in angulo externo stabuleti et apud cisternam
(regen-bak).
Ceteris multo longior, fortior et obscurius picta. Praeterea ab
illis mandibulis viridi-aeneo micantibus facillime dignoscenda.
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 123
« Perfidae» sub nomine jam Walckenaerio suspectae, hujus
morsum evitari debere, censeo. Infantibus lethalem esse posse,
saltem in Regionibus tropicis, H. Weyenbergh auctor est. Confer
ejus observationem « Lethaal geval door spinnenbeet », in Tijdschrift
voor Entomologie, 1879, Deel XXI, Verslag, blz. Lxxm, et « Het
Spinnenvergift», in Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde
(Bundel), 1882, blz. 57, ambo manu mea scripta.
Genus OONOPS Tpt.
0. pulcher Tpt. (Blw.).
Utrecht , Noord- et. Zuid-Holland, Overijssel, Drenthe.
Db. — Ev. — B.d.H. — Lbg. -. Mtl — Rts. — Sx. —
mihi meisque familiaribus.
Rarus, mas praecique. Hujus unum modo exemplar, non plane
adultum, possideo.
Nobis vulgo in domibus, contra regulam, Cambridgeo pro Anglia
ordinariam dictam («among lichens, on trees»). Solummodo bis
extus, in rima murarià, cepi. Bertkau quoque semel extus invenit ,
sub cortice Pomi.
Ejus spiracula 4 (Bertkau), ipso sub microscopio, distincte
cognoscere mihi nondum contigit.
Hujus valde exiguae araneolae, in genere miniacei coloris, femina
immatura sequenti modo varians, semel mihi provenit:
Cephalothorace fusco-marginato; abdomine pilosiore ac
obscurioris coloris.
Familia DRASSOÏDAE.
Sic dictae « Zak-spinnen». — Fere omnes sese in sacculis
albescentibus, plus minusve densis, abscondere solent.
Genus MICARIA Wst.
(Macaria C.K.).
Nitore metallico, viridi-aeneo aut purpureo-aureo, notabilis,
124 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
M. pulicaria Snd.
s. formosa C.K., = Drassus nitens Blw.
Utrecht, Zuid-Holland, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg.
Hls. — Mrs. — Sx. — G.v.W. — mihi.
Nec communis, nec rara.
In viis arenosis et lapidosis, saepe prope silvas.
Pulchre albo-striata.
C. Kochii cognomen « formosa» huic Sundevallii, — a « pulice »
derivato, — praeferrem.
Quod interdum proveniret: «massenhaft in einem gemeinschaft-
lichen Zellengewebe » (0. H. Ung. Sp. F. B. III. S. 359), mihi
non nisi pro pullis valere videtur.
M. scintillans Cb.
Utrecht, Zuid-Holland, Limburg.
Mrs. — Sx. — mihi.
Rarior.
Ad aut prope Ericarum campos (heide-grond).
Praecedenti paulisper major, minus laete picta et abdomine
in medio constricto.
Valde affinis M. aurulentae C.K. (= formicaria Snd.) mihi
videtur. Cum hac et, minore jure, quoque cum ‚fulgente Wlk.
(= fastuosa C.K.) antea confudimus.
M. splendidissima L.K.
= armata Cb. et Drassus fastuosus aut Dr. dives Le. (E.S.).
Zuid-Holland (Loosduinen, Scheveningen, Wassenaar).
Ev. — Lbg. — mihi et filio.
Non communis, sed locis dictis sat frequens.
In solo sabuletorum maritimorum (duin-grond).
Nostrarum Micariarum minima, sed maximi splendoris in luce solari.
Ejus «cocon», mense Augusti, in captivitate constructum, 3
modo ovula, sed relative magna, continebat.
Haec species Simonio « Chrysothrix » postea « Micariolepis » sub
nomine, a genere Micaria separata fuit. Dein Pavesi genus illud,
ob dubia litteraria, « Bona» nominavit (Fauna Tunisina, p. 21).
IN HOLLANDIÂ INVENTARUM. 125
Genus GNAPHOSA Ltr.
(Pythonissa C.K.).
G. lugubris C.K. (Cb.)
Utrecht (Amersfoortsche berg), Zuid-Holland (Haagsche bosch).
Mihi.
Rara. In tribus modo exemplaribus, non plane maturis.
Sub lapidibus.
Figura triangularis nigricans in dorso cephalothoracis valde
distincta.
* G. lucifuga Wlk.
An = Anglica Blw. (Cb.)? — Th. affirmat; E.S. negat.
Limburg (Valkenburg).
Ev.
Unicum exemplar femininum mutilatum.
Dubia.
= G nocturna L.
= maculata Wd. (C.K.).
Utrecht (Driebergen), Limburg (Maastricht).
L.B. — Sx.
Perrara.
Ipse non vidi. Adhuc abest in mea collectione.
Genus POECILOCHROA Wst.
P. conspicua L.K. (E.S.).
Utrecht, Gelderland, Noord-Holland, Overijssel.
B.d.H. — Gr. — Lbg. — Sx. — mihi.
Non communis, sed hic illic sat frequens.
Inprimis in silvis Quercuum juniorum (eiken hakhout).
Feminae saepe, Clubionarum more, sese in folio convoluto
abscondunt.
Num meis exemplaribus junioribus P. picta E.S. intersit ,-dubito.
Invità Minerva denominationem recentiorem «conspicuu» assumsi.
126 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Hane solummodo secutus sum, ne cum Gwaphosd «noeturnd» L.
commutaretur.
Longe ante L. Kochium, — qui, sub Melanophord, « conspi-
cuam», perverse, novam dixit speciem, — lucide jam descripta
fuit, prius Walckenaerio, sub Drasso nocturno, et dein Ohlertio,
sub Pythonissi comatd.
Genus PROSTHESIMA L.K.
(Melanophora C.K.).
Hujus species plurimae, nigro-picei coloris, primo intuitu, valde
similares.
P. Petiverii Scp.
= subterranea C.K. et Drassus ater Blw.
Utrecht, Gelderland, Noord- et Zuid-Holland, Limburg, etc.
Sat communis, sed, ut ceterae, difficilius captu.
Sub foliis deciduis, lapidibus, corticibus, etc.
P. petrensis C.K.
Ut pro Petwerm, valde analogà , dictum.
Hae ambae et singulae aliae species subsimilares praesertim
genitalibus, — in hoc genere quoque femininis, uti Simon
benevolentissime mihi demonstravit , — inter se optime dignoscuntur.
Pro illarum diagnosi differentiali quoque attendi oportet ad absentiam
vel praesentiam striae semipellucidae in femore pedum paris primi.
P. Latreillii E.S.
Zuid-Holland.
Mihi.
Rara.
In fossà humidä.
P. longipes L.K.
Gelderland, Zuid-Holland.
Mihi,
Minus rara.
ÍN HOLLANDIÂ INVENTARUM. 127
Sub foliis deciduis humidis.
Cognomen inprimis pro maribus valet.
P. serotina L.K.
Ut pro longipede, sed rarior.
Epigyne multopere cum hac praecedentis speciei convenit.
Po fatitans EK.
Ut supra, sed sub lapide.
P. pedestris C.K.
Zeeland (prope Middelburg), Limburg (Maastricht).
L.B. — Mrs. — G.v.W. — mihi.
Quoque rara.
Sub quisquiliis et foliis deciduis.
P. lutetiana L.K.
Gelderland (St.Jansberg).
Filio Theodoro.
Rarissima.
Sub quisquiliis.
P. nigrita Fbr. (Th.).
= pusilla C.K. (Wst., Blw.).
Zuid-Holland (Loosduinen, Wassenaar, Katwijk).
Ev. — Lbg. — mihi et filio.
Tempore vernali ibi minus rara.
In sabuletis, sub quisquiliis siccis.
Praecedentibus multo minor.
P. electa C.K.
= bicolor L.K. (non H.) et Drassus pumilus Blw.
In omnibus ut supra pro wigritd notatum.
Colore laetiore, flavo-rufo, cephalothoracis femorumque facile
ab aliis minoribus Prosthesimis dignoscenda.
128 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
* P.-rustre a LER) :
Overijssel.
B.d.H.
Tota lutea.
Dubia.
Hujus speciei modo duo possideo exemplaria immatura feminina.
De his Simon mihi scripsit: «Peutétre P. rusticae L.K. pulli (?)».
Genus DRASSUS WIk.
Drassorum species, fere omnes fuscescentis coloris, in genere,
primo visu, non facile inter se dignoscendae.
Epigynes figuras L. Kochii (Die Familie der Drassiden) in pluribus
meis exemplaribus haud manifeste recognoscere potui.
D. scutulatus L.K.
Fere ubique, sed non frequens.
In domibus, praesertim tempore nocturno.
« Seutulati» cognomen idcirco minus mihi placet, quia sequentis
speciei, — aliarumque? — mares saepe quoque tali « scuto »
abdominali instructi sint.
D. Blackwallii Th.
= sericeus Blw. (non C.K.).
Ut supra.
In genere paululum minor, etsi mares utriusque magnitudine
valde discrepare soleant.
Cum priore multopere conveniens; utriusque sexus vero genitalia
sat diversa,
Diu, cum Sixio, hunc et praecedentem pro guadripunctato L. seu
sericeo C.K, habui. Inter alia autem hujus stigmata dorsalia
profunda quatuor in ambabus praedictis speciebus semper deficiunt.
* D. Gottandicus Th.
Unicam antea habui hujus speciei, antecedentibus valde affinis,
feminam, Thorellio ipso qua talem designatam.
Exsiccatione, eheu, mihi deperdita fuit.
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 129
* D, cognatus West.
= fuscus C.K. (L.K.).
Noord-Brabant (Oirschot), Limburg (Maastricht).
L.B. — Mrs.
Rarissimus.
In mea collectione etiam adhuc deést.
Sub corticibus plurime inveniretur.
D. lapidicolens Wik.
Alis auctoribus quoque « lapidicolus » , — « lapidosus » , —
« dapidarius » dicitur.
Fere undique.
Minus rarus.
Non semper sub lapidibus. Mihi etiam in nostris collibus mari-
timis (« duinen»), sub quisquiliis siccis provenit, sed tantillum
varians.
Nostrorum Drassorum maximus.
D. villosus Th. (Wst.).
Non = severus C.K. (secundum Th. et E.S.).
Ut praecedens, sed multo rarior et minor.
De hac specie, praesertim de feminis, ob epigynes cum hac
lapidicolentis magnam analogiam, minus certus sum.
D. troglodytes C.K.
= clavator Cb.
Quoque ex omnibus fere nostris Provinciis.
Saepius ad vias lapidosas et arenarias, prope silvas.
Abdominis dorsi pictura taeniata in senioribus saepe evanida.
Processus spatulae-formis ad bulbi genitalis basin pro mare valde
characteristicus.
D. umbratilis L.K.
Drenthe.
Dbg.
Rarissimus. In uno exemplari feminino.
Pictura dorsi abdominis cum hac in praecedente plus minus
9
130 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
convenit. — Cephalothoracis adspectus huic (/ubionarum mihi
quodammodo accedere videtur.
D. infuscatus Wst. (Cb.).
Noord- et Zuid-Holland.
Lbg. — mihi.
Nobis rarus.
Sub foliis deciduis.
D. minusculus L.K.
= pictus Th. (secundum E.S.).
Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Brabant.
Ev. — Lbg. — t.H. — His — mihi et filio.
Multo magis communis.
Praesertim in sabuletis.
Singula specimina forsan ad delinguens Cb. duci debent, quamvis
differentia mihi incerta.
Dorsi pulchra pictura huic troglodytis, — qui major est, —
similaris.
D. (Drassodes) pubescens Th. (Wst., Ch.).
Gelderland (St. Jansberg).
Filio Theodoro.
Rarissimus. In uno solum exemplari feminino , cum ejus «cocony.
Sub lapide, in silva.
Cinereo C.K. mihi valde affinis videtur.
Genus CLUBIONA Ltr.
Harum feminae saepe intra folia secum neta aut convoluta se
abscondere et ibi ovula deponere solent.
Nec color, — in genere griseus, — neque magnitudo , inprimis
pro maribus, cum typis L. Kochii (Die Fam. d. Drassiden) semper
sat bene convenire mihi videntur.
C. pallidula Clk.
= amarantha H., incomta C.K. et epimelas Blw.
Communis.
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 131
Ad arbores, frutices et sub cortice.
Nostrarum Clubionarum maxima.
Cephalothoracis margine nigro. Abdominis color griseus in
spiritu vini fuscescit.
C. holosericea d.G. (non Blw.).
= phragmitis L. (E.S., non C.K.) et deinognatha Cb.
Etiam vulgaris; domicilia ut supra. Saepius quoque ad juncos,
tam vivos, quam mortuos (riet-matten).
Uti comparatione mihi patuit, — inter nostra specimina et singula,
quae, e Scotia, mihi benevole dono dedit collega Henri C. Young, —
horum mandibulae saepe nostris multo sunt validiores.
C. grisea L.K.
= holosericea Blw. (non d.G.).
Utrecht, Zuid-Holland,
Sx. — mihi.
Rarior,
In pratis humidis.
C. terrestris Wst.
= amarantha Blw. (non H.).
Limburg.
L.B. — Mrs.
Rara.
Duabus praecedentibus analoga. Harum thorace sine margine nigro.
C. neglecta Cb.
= bifurca M.
Utrecht, Zuid-Holland (Scheveningen, Loosduinen), Limburg.
Ev. — Lbg. — Mrs. — mihi.
Non vulgaris. Interdum frequens ad Arundinem arenariam (duin-
helm).
Valde pallida specimina (albino’s) antea habui pro « ped/ucidd»
C.K., quae tamen hodiernis araneologis minime pro specie vera haberi
videtur.
132 CATALOGUS ARANE\RUM, HUCUSQUE
C. reclusa Cb.
= tridens M.
Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland.
L.B. — mihi.
Minus rara.
In dumetis (kreupelhout) et pratis humidis.
Mengei cognomen characteristicum, — ut illud speciei praece-
dentis, — apophyses palpi masculini spectat.
Cephalothorace plus minus venoso, cur et habui pro «¢rivialiy C. K.
C. frutetorum L.K.
Zuid-Holland, sed rarior.
Nescio domicilium et quà occasione capta.
C. lutescens West.
= assimilata Ch.
Ut praecedens et in multis cum illä conveniens. Apophyses tibiales
palpi masculini, tam superior quam inferior, inter se differunt;
superiore, in hac, tenuiore, longiore, magis flexà et minus obtusa.
Conf. E.S., Ar. d. Fr.
C. coerulescens L.K.
= voluta Cb.
Zuid-Holland (Loosduinen, Scheveningen).
Mihi.
Rara.
In sabuletis prope mare. Bis sub frustulo ligneo veteri.
De ejus colore «coeruleo » perparum mihi patuit.
Tam maris palpà permagnà et insolite complicatà, quam
feminae epigyné proéminente, facile ab aliis distinguenda.
C. brevipes Blw.
= fuscula Wst.
Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland , Zeeland.
Fk. — t.H. — Kb. — Sx. — mihi.
Sat communis,
Ad arbores humiles, prope ripas aquarum.
IN HOLLANDIÂ INVENTARUM. 133
Cephalothorace rubro-fusco, saepe, ut in rec/usà, subvenoso.
Marum palpi, quamvis non tam enormes quam in specie antecedente,
tamen quoque valde evoluti et singularis structurae.
Cum Thorellio facio, hanc Clubionam de «paradoxd» L.K. parum
differre.
C. compta CK.
Illo perverse «corta» dicta.
Utrecht, Noord- et Zuid-Holland, Noord-Brabant, Limburg.
Fk. — Hls. — Mrs. — mihi.
Minus rara.
In silvis obscuris.
Abdomine pulchre angulatim striato.
C. corticalis WIk.
Non C. (Liocranum) domestica Wd. (WIk.).
Gelderland (Nijmegen), Overijssel (Almelo), Limburg.
B.d.H. — Mrs. — mihi.
Multo rarior.
Ad Quercum humilem et sub aliorum corticibus.
Praecedenti similaris sed multo major. Ejus juniores interdum,
ob picturam analogam, cum hac commutavi.
C. trivialis C.K. (E.S.).
Utrecht.
IX,
Mas unicus.
Sequenti affinis.
C. pallens L.K. (non Blw.).
= diversa Ch. (E.S.).
Utrecht (de Bildt), Zuid-Holland (Loosduinen).
SX. — mihi.
Rara.
In sabuletis, locis humidioribus.
134 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
C. subtilis L.K.
= pallens Blw. (non L.K.).
Utrecht (Amersfoort), Zuid-Holland (Loosduinen).
Ey. — Lbg. — mihi et filio.
Quoque rara, sed loco ultimo interdum frequens.
Etiam in sabuletis, sed sub quisquiliis siccis.
Cum antecedente ac sequente ad CZubionas minimas pertinet.
C. stigmatica E.S.
Zuid-Holland (Scheveningen et Loosduinen).
Mihi et filio Theodoro.
Rarissima. Sed bis capta.
In gramine, sub quisquiliis siccis.
Nomen, huic a Simonio datum, valde characteristicum. Ceterum
suspicor, illam perparum differre a « parvuld » Le. (ex Africa), cum
cujus figurä et descriptione valde convenire mihi videtur.
Genus CHIRACANTHIUM C.K.
(s. Cheiracanthium).
Hujus characteres «generici » magis essentiales mihi videntur,
quam diagnosis differentialis « specierum». Inde harum synonymia
plus minus dubia. Compara: Thorell, em. o. Syn. et Simon,
Ar. d. Fr.
C. nutrix Wik.
= punctorium Vis. (E.S.).
Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Brabant, Limburg.
Hls. — Mrs. — Sx. — mihi.
Ad Araneas communes pertinet, sed nobis non frequens.
Ad Gramina aliasque plantas humiles, in pratis solitariis, praeser-
tim prope silvas vel dumeta (kreupelhout).
« Nutrie» sub nomine tres vel plures Chiracanthii species indi-
cantur. Pro med non toto certus sum, Quoque ad oncognathum Th.
(« nutriz» C.K.; ES.) appropinquat, certe magis quam ad
lapidicolens ES. («nutriv» Wst.; Cb.), oeconomiae diversae.
Confer etiam erroneum Ch,
IN HOLLANDIA INVENTARUM, 135
C. carnifex Fbr. (C.K.).
= erraticum WIk. (Wst.).
Utrecht, Overijssel.
B.d.H. — Sx.
Nobis rarius.
In locis pro praecedente dictis.
Cephalothorace e fusco nigro-trifasciato,
C. Pennyi Ch.
Zuid-Holland (Loosduinen).
Mihi.
Perrarum.
Mas mihi adhuc deficit.
Sub quisquiliis siccis in sabuletis, prope mare.
Abdominis colore pulchro, laete flavo.
C. erroneum Cb. (ES).
= «nutrie» Blw. et elegans Th.
Nescio ubi et unde.
Praecedenti valde affine credo.
Genus ANYPHAENA Snd.
(Clubiona Wik).
A. accentuata WIk.
= punctata H.
Utrecht, Gelderland, Noord- et Zuid-Holland, Zeeland, Limburg;
Mrs. — Sx. — G.v.W. — mihi.
Nec vulgaris, nec rara.
Ad Quercum humilem, Rhamnum, etc,, quoque in Ericaceis et
sub corticibus.
Duo possideo exemplaria varietatis obscurae Lbt., Bertkauo, hoc
sub nomine, pro specie verà habitae. Confer ejus Verzeichniss
supra cit., S, 253 et Beiträge s. c., S, 210,
136 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Genus AGROECA West.
(Agelena Blw.).
A. brunnea Blw.
= linotina CK.
Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Brabant, Drenthe.
Pro aranea: t.H. — mihi et filio.
Pro ejus «cocon»: Alb. — Gr. — H. W. de Graaf. —
Hls. — Lbg. — Rts. — Sw. — S.v.V. et alli.
Non vulgaris, sed locis nonnullis frequens.
Inprimis in Ericarum campis; quoque ad arborum Lichenes.
Speciei sequenti major.
Inter exemplaria mea maxima suspicor, quoque provenire À.
Haglundii Th., brunneae valde analogam.
Pullos et juniores in initio saepius commutavi cum illis Trochosae
ruricolae d.G.
Semel mihi contigit, ex chrunneae» ovulorum nidulo, educare illud
Hymenopteron parasiticum, Blackwallio prius pro illà indicatum,
scil. Hemiteles fasciatus.
Confer pro hac araneà et praesertim ejus nidulis, longe ac late
petiolatis, pulcherrimae structurae lagenae-formis et coloris nivei,
licet hie non raro, variis lutis superpositis, infuscatus invenitur:
Geschiedenis van een spinnen-cocon, manu mea scripta in Tijdschrift
voor Entomologie, Deel XIX, blz. 28.
Unicum modo nidulum possideo, variantem secundum Cambridgei
descriptionem et figuram (Plate IT, fig. 74), paululum latiorem
quam longiorem, ceteroquin typo nostro communi similarem. Hic
illo habetur pro nidulo drunneae, et typus noster pro hoc prowimae.
An recte? (Confer notam meam de hacce). Nonne forsan ad
Haglundii pertineret?
A. proxima Cb.
Zuid-Holland (Scheveningen, Loosduinen), Gelderland (Oosterbeek),
Noord-Brabant (Liesbosch, prope Breda).
Lbg. — Rts, — mihi,
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 197
Multo rarior.
In locis analogis et in sabuletis.
Obscurioris, magis nigricantis, coloris et praecedenti minor.
In captivitate observavi nidulos ovulorum («cocons») in co m-
pletos hujus araneae, ad formam craterae (beker-vormig), cui
ovula flava imposita erant. Noctu sequenti hos perficiebat et cum
arenulis obtegebat. In hoc statu perfecto hi niduli, quoque longe
et late petiolati, primo visu quidem analogi erant cum hisce brun-
neae, scilicet luto obtectis, sed satis differebant: primo, volumine
multo minore; secundo, — arenulis remotis, — structurà minus
pulchre lagenae-formis; et tertio, ovulis flavis, non supra, ad
basin petioli, ut in brunned, sed infra, ad nidi extremitatem, inclusis.
De tali nidulo incompleto, antea acquisito, confer Tijdschrift voor
Entomologie, Deel XXI, Verslag blz. Lxxu. (Ejus araneà autem ibi
perverse sub «Agelena celans» mihi notatà).
A. chrysea L.K. (E.S.).
Gelderland (Wageningen), Zuid-Holland (Loosduinen).
Fk. — mihi.
Locis arenosis, sub quisquiliis.
Ibi minus rara.
Cum specie sequente ad minimas dgroecas pertinet.
Pedibus, praesertim femoribus, e fusco-nigro late annulatis. Uti
cognomine indicatur, aliquomodo metallice micat.
Nidulus («cocon ») praecedente adhuc minor, coloris albescentis
et quoque arenulis obtectus, quem bis mihi, in captivitate, construit,
ab hoc brunneae magis adhuc differt. Hujus forma, perfecte ovato-
globosa, ad hanc in genere Kro accedit; stipite vel stylo multo
tenuiore ac breviore, quam in Agroecis praedictis, ac ovulis non
«supra» nec «infra», sed in medio positis.
A. gracilipes Blw.
= praelongipes Ch.
Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland.
Gr — Sx. == mik
138 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Perrara.
Sub Muscis et Lichenibus.
Pedibus longioribus, uti Cambridgei cognomine indicatur.
Ejus «cocon» mihi incognitus.
Genus SAGANA Th.
(Lioeranum L.K. (E.S.).
S. rutilans Th.
an = Liocranum squamosum L.K. (E.S.) et Drapeta aeneus M.
(Btk.)?
Noord-Holland (prope Naarden), Noord-Brabant (Breda).
Hls. — mihi.
Rarissima.
In silvis, sub foliis deciduis.
Cephalothorace et praesertim abdomine squamulis, ex rubro
cupreo micantibus, vestitis.
Confer Thorell, Diagnoses Aranearum Europaearum aliquot novarum ,
in Tijdschrift voor Entomologie, Deel XVIII, blz. 96.
Simon hocce genus cum affini Zioerano conjunxit (Arachnides de
France). Pavesi illud, cum Thorellio, ab hoc separavit (Aracnidi
Africani).
Genus HECAËRGE Blw.
(Zora C.K.).
Antea inter Lycosoidas numeratum fuit hoc genus.
H. maculata Blw.
= spinimana Snd. (C.K.).
Fere ubique communis ac frequens.
In Ericetis (heide-grond) et in silvis humidis, sub foliis deciduis.
Recte O. Herman: «besonders dort häufig, wo reichlich Poduren
vorhanden sind» (Ungarns Spinnen-Fauna, Band Ill, S. 354.).
Attendas ad tibiarum anteriorum spinas longas, sessiles, in serie
duplici.
Species valde affinis «nemoralis » Blw. nobis hucdum non provenit.
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 139
Genus PHRUROLITHUS C.K.
(Micariosoma E.S.).
P. festivus C.K,
= Drassus propinquus Blw.
Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Brabant.
Ev. — Hls. — Sx. — mihi.
Sat vulgaris.
Sub Muscis, quisquiliis et lapidibus.
Sixio saepius occurrit ad Formicarum tumulos in silvis Pinorum.
* P. pallipes C.K.
Zuid-Holland (bij de waterleiding in de Scheveningsche duinen).
Filio Theodoro.
Rarissimus. Modo in uno exemplari feminino, non plane maturo.
Mense Maji. Sub Musco humido.
N.B. Ab omni parte convenit cum descriptione C. Kochii et ejus
figura 1026. De illo quoque notavit: « Ich kenne nur das Weibchen ,
dass ich im Monate März mehrmals unter Moos in Feldhölzern ge-
funden habe».
Diu mirabar, hanc speciem, Bavaria exceptä, ceteroquin fere
nullibi Araneologis pro suis Faunis citari, et ipso Thorellio, in
ejus Remarks on Synonyms, non nominari.
Quum species plus minusve affinis, P. minimus C.K., — quae
nobis adhuc deficit, — fere ubique provenire videatur, per multos
annos suspicari ausus sum, has duas species forsan commutari
auctoribus? Tandem Simon, in ejus Opere magno Arachn. de Fr.
(T. V, p. 173) dubia mea sustulit. Illo saltem hicce, sic dictus,
« Phrurolithus» pro dsagend phaleratá Pz. juniore habetur.
(Haec vero, in statu maturo, domicilium eligit non sub Muscis,
sed sub lapidibus).
140 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
SECTIO RETITELARIAE
Inaequitelae Ltr., propter retia irregularia («labyrinthi-formia »
OH):
Familia Eresoïipar Btk. (Cb.).
Sic dictae « Grootkop-spinnen ».
Genus ERESUS WIk.
Ob habitum generalem genus illud diu A ttoidis adscriptum fuit,
a quibus nunc temporis plurimis auctoribus, diverso loco, in illorum
systematibus, longe separatur. Oculatione, inter alia, ab his valde
differt. Oculis lateralibus seriei primae a medianis hujus seriei longis-
sime remotis.
Quoque vivendi modus subterraneus ab hoc Attoidarum diversus.
Contra L. Kochium, Bertkau ejus affinitatem cum Amaurobio vindicat.
«Es bleibt wohl kein Zweifel übrig, dass £7esus und die Attiden
nichts mit einander gemein haben» (Versuch einer natürl. Anord-
nung der Spinnen, S. 389). Cambridge itidem Mresum plus minus
affinem statuit cum analogo genere Dictyna.
E. cinnabarinus Olv. (WIk.).
Quoque «cinnaberinus» et « cinnaberrinus » scribitur.
Var. purpuratus Pz., = annulatus H. (C.K.).
Gelderland (Bennekom, prope Wageningen, et Velp, prope
Arnhem).
Bs. — M.d.R.
Rarissimus.
Mas solus illis captus. (Feminam, — totam nigram, — e Bonn,
dono mihi dedit v. am. Bertkau).
Ad Ericaceas.
IN HOLLANDIA INVENTARUM, 141
N.B. Pedes in meis exemplaribus nigerrimi, absque ullà picturà
rubra; abdominis maculae absque ullo cingulo albo, — uti in
einnabarino typico adesse dicuntur. Confer: « Over den Eresus annu-
latus» annotationes meas in Tijdschrift voor Entomologie , Deel XV,
blz. 113 et Deel XXII, Verslag, blz. xm.
Familia DIGTYNOÏDAE.
(Amaurobiinae Th.).
Hujus Familiae, — ut et praecedentis, — Araneae cribello
(s. organo inframamillari) et calamistro instructae sunt.
Genus DICTYNA Snd.
(Ergatis Blw.).
D. arundinacea L.
= benigna Wik.
Ubique vulgaris.
Ad frutices, etiam in hortis; saepe ad Syringam.
Interdum, cum flavo colore, variat.
D. uncinata Th. (Wst.).
= arborea Ch.
Quoque sat communis.
Ad Quercum humilem, Sambucum, ete.
Attendas ad maris palpum cum «unco» aut calcare permagno.
D. latens Fbr. (Blw.).
Utrecht.
Mihi.
Nobis perrara.
In Graminibus sed bis capta.
D. lugubris Ch.
Uti praecedens.
Cum hac, ceteris magis nigricat.
142 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
D. viridissima Wlk. (sub. Drassus).
Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Brabant, Limburg.
Mrs. — Sx. — mihi.
Minus rara.
Ad Querci, Vitis viniferae, etc. folia, quorum color cum ilo
hujus araneolae plane congruit.
Quotannis, — ad ultimam, — in horto meo (Hagis Comitum) ,
provenit, tempore praesertim autumnali.
D. variabilis C.K.
= flavescens Wlk. (E.S.) et pallens Blw.
Utrecht (de Bildt, Soest), Gelderland (Nijmegen, Wageningen)
Noord-Holland (Valkeveen), Noord-Brabant (Breda, Liesbosch).
Brs. — Ev. — t.H. — Lbg. — mihi.
Non rara, sed minus frequens.
In silvis.
Antecedente specie aliquantulum minor.
In vivo saepe pulchre flavo et roseo picta. In alcohole ejus, ut
et praecedentis, color plerumque evanescit.
* D. civica Le.
Nescio unde.
Rarissima.
Modo duo specimina feminina possideo, de quibus non prorsus
certus sum.
Nota. Ad dignoscendum nonnullas Dictynas inter se analogas
inprimis attendi debetur ad longitudinem et positionem spinae (vel
calcaris) supra articulum radialem (tibialem) in palpis masculinis.
Haec, inter alia, est longissima pro uucinatd , — brevissima ac parum
conspicua pro latente, — mediocris pro arundinaced, — posterius
sita et parva pro /ugubri.
Genus LETHIA M.
L. humilis Blw.
= varia M.
Gelderland (Nijmegen, Wageningen), Zuid-Holland (Haagsche
bosch), Noord-Brabant (Liesbosch).
IN HOLLANDIÂ INVENTARUM, 143
BEN tt
Non communis.
Saepius mihi sub Lichene ad Quercum.
Cave, ne feminas, laetius pictas, commutes cum pullis 7heridion
pulchelli Blw.
L. albispiraculis Cb.
Zuid-Holland (Loosduinen), Overijssel (prope Zwolle).
B.d.H. — Lbg. — mihi.
Rara.
Spiraculorum color pulchre niveus in meis exemplaribus solum-
modo feminis proprius.
Genus TITANOECA Th.
(Theridion H.).
T. quadriguttata H; (Th.).
Zuid-Holland (Loosduinen), Limburg (Nuth).
Mrs. — mihi.
Perrara.
Sub lapide.
«Guttaè » dorsales quatuor, valde pulchre, niveo albescunt.
Genus AMAUROBIUS C.K.
(Ciniflo Blw.).
A. ferox Wik.
Ubique, in cellariis aliisque locis obscuris; frequentior vernali
tempore.
Sequentibus major.
Colore obscuriore vellaetiore, praesertim mares, variant. Horum
palporum bulbus genitalis notabilis lobo prominente, globoso,
lacteo-albo.
Multis aliis magis avide mordere solent. Inde cognomen «ferox » ,
ut et « mordax» Blw. Est ancillarum horror!
144 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
A. fenestralis Stm.
= atrox d.G. (Blw.).
Quoque communis, sed magis extra domum, in rimis, angulisque
murorum et parietum, quoque sub corticibus et lapidibus.
A. similis Blw. 1
Zeeland, Noord-Brabant, Limburg.
L.B. — Hls. — Mrs. — G.v.W.
Rarior. Magis in Provinciis meridionalibus provenire videtur.
Praecedenti speciei similaris. sed major, et obscurioris picturae
dorsi abdominalis. Palpi apophysi radiali (tibiali) breviori, pallidiori,
ac minus acute spinosa.
A. claustrarius H.
Noord-Brabant (Oirschot), Limburg (Maastricht).
Mrs.
Rarissimus. Modo par unicum in collectione adest.
Familia AGELENOIDAE.
(Agaleninae Th.).
Saepissime in tubis infundibuliformibus vitam degunt; inde
denominatio « Trichter-Spinnen » C.K.
Mamillis superioribus, Argyronetd exceptà, reliquis longioribus.
Genus ARGYRONETA Ltr.
A. aquatica Clk.
Fere ubique, in aquis dulcibus, inprimis stagnantibus
Saepius ad Stratiotem aloidem, aliasque Hydrocharidaceas.
Contra regulam, hujus mares feminis majores.
De illarum oeconomiä confer observationes meas in Tüdschrift
voor Entomologie, Deel IT, blz. 26.
IN HOLLANDIÂ INVENTARUM. 145
Genus COELOTES Blw.
(Amaurobius C.K.)
C. atropos WIk.
= terrestris Wd. (C.K.) et sawatilis Blw.
Gelderland (Nijmegen), Noord-Brabant (Breda, in Ulvenhoutsche
bosch et Liesbosch)), Limburg (Valkenburg).
Ev. — Fk. — Hls. — Lbg. — Mrs. — mihi.
Non vulgaris.
In silvis, ad basin arborum, sed nobis non sub lapidibus.
N.B. Heylaerts ejus rete tubulosum observavit, divisum in duabis
cellulis, secum communicantibus, und matre, alterà pullis inhabi-
tata. Confer Tijdschrift voor Entomologie, Deel XV, Verslag
blz. LxIV. Compara quoque O. Herman, Ungarns Spinnen-Fauna,
Band I, S. 71.
Genus TEGENARIA Ltr.
(inclusà Philoied C.K.)
Saepius retia magna construunt, plus minusve ad formam flabelli
(« waaier ») cum infundibulo («trechter »).
T. atrica C.K.
Nobis communis.
Saepe ad basin murorum et septorum, inprimis //ederd helice
obtectorum, in hortis et pratis.
Cum pedibus, nostrarum Tegenariarum maxima, saltem longissima.
Atricae feminas saepius et diu in captivitate habui. Harum
una, post coitum, inde a mense Martii usque ad mensem Juli,
diversis temporibus, non minus quam 10 sacculos ovulorum («cocons»)
confecit. Confer Tijdschrift voor Entomologie, Deel XIV, Verslag
blz. 36.
* Inter mares meos, ceteroquin magnitudine inter se sat variantes ,
unum possideo (Zuid-Holland, prope Scheveningen captum), ceteris
multo minorem et laetioris, magis fusco flavescentis, coloris, quem
similem credo cum 7. advend C.K., quam tamen Simon ut speciem
singularem minime agnovit.
10
146 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
T. Guyonii Grn.
= domestica Wk. (Blw.), intricata C.K. (Th.) et parietina
Ere: (1.5).
Fere undique.
Quoque sat frequens.
Nobis autem minus in « domibus », quam extus, ad angulos
murorum, stabularum, fossarum siccarum, etc.
Praecedenti magnitudine fere aequalis, sed pulchrius, flavo-auran-
tiaco, picta.
Ab affini «domestica» Clk. = ferruginea Pz. (Th., E. S.),
inter alia, minore longitudine, praesertim pedum, differret. Mihi
videtur, hanc araneam pro Regionibus plus minus variare.
* T. campestris GK,
Suspicor , inter Tegenarias meas juniores et pullos singulos pertinere
ad hane speciem.
Overijssel (Hattem).
Mihi.
In silva.
Dubia.
T. Derhamii Scp.
= domestica L. (Clk) et civilis WIk. (C.K., Blw.).
Ubique communis.
in domibus, stabulis, etc., inprimis non inhabitatis vel neglectis.
Minus aut non ad solum aut fundum, sed ad parietes superiores.
Praecedentibus multo minor.
Pro aetate, individua utriusque sexus, mirum in modum, vel
colore laetiore, ipso «albino», vel obscuriore, ut et pilorum densi-
tate, variant.
Feminam singulam extus cepi (in fossà siccà, Zuid-Holland,
Loosduinen), magis adhuc variantem: « pedibus, palpisque nigro-
striatis et mamillis nigro-maculatis ». (Differentia analoga ac inter
Agelenam labyrinthicam et similem).
T. urbana E. S.
Zeeland (Oost-Kappelle).
tN HOLLANDIÂ INVENTARUM. 147
G.v.W. — mihi.
Rarissima. — Duas modo feminas cepimus.
Inter alia, nigrore ad basin mamillarum superiorum notabilis.
Diu pro 7. pagand C.K. habui.
Genus TEXTRIX Snd.
Mamillarum superiorum articulo terminali multo tenuiore ac
longiore.
T. denticulata Olv.
= lycosina Snd. (C.K., Blw. etc.).
Utrecht, Noord- et Zuid-Holland, Limburg, ete.
t.H. — Mrs. — Sx. — mihi.
Nec rara, nec frequens,
Saepius in rimis murorum et arborum.
T. torpida CK.
Zuid-Holland, Drenthe.
Dbg. — mihi.
Perrara.
Ad terram, prope arboris basin, in silva.
N.B. Thorellio haec Texirix ad proprium genus « Histopona » ,
Simonio ad Zegenarias refertur. In dubio, ac propter habitum
praecedenti similarem, C. Kochii denominationem retinui.
Genus AGELENA WIk.
Quoque « Agalena» scribitur.
A. labyrinthica Clk.
Communis in nostris sabuletis, ericetis etc.
Rete, intra herbas, prope solum, late dispersum, in medio profunde
infundibuliforme.
A. similis Ksg.
An = gracilis C.K. (Th.)?
148 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Gelderland (Nijmegen), Zuid-Holland (Loosduinen).
Mihi et filio.
Locis analogis.
Priori multo rarior et, saltem femina, minor.
Nobis non magis in «autumno» (O.H.), quam in aestate capta.
Pedibus nigro-lineatis («mit Muskel-Liniën» M.); ventre cum
plagà quadratä, magis fuscescente.
Genus HAHNIA C.K.
(Agelena Blw.).
Mamillis longis et, quasi in unä serie transversä, a se divergentibus.
H. nava Blw.
= subfusca Cb.
Valde affinis pusillae C.K.
Utrecht (Driebergen), Zuid-Holland (Loosduinen), Noord-Brabant
(Breda), etc.
Hls. — Lbg. — Mrs. — Sx. — mihi.
Minus communis, sed interdum dictis locis sat frequens.
In sabuletis, sub quisquiliis siccis.
N.B. Sub «pusillae» nomine duae adhuc alia e descriptae sunt
Hahniae similares. Confer Thorell, Remarks on Syn. p. 164.
H. elegans Blw.
= pratensis C.K. (M.; non Wst.).
Utrecht (Zeister bosch).
Mihi.
Perrara. — Mas mihi incognitus,
Ad fluminis ripam.
Inter ejus picturae characteres attendas ad duas abdominis
maculas anticas, — licet minus facile perspiciendas, — sic Blackwallio
descriptas: «On each side of the anterior part, near its union
with the cephalothorax, there is a blackish spot of an oval
form». Libr. supra cit. p. 155.
N.B. « Pratensis» Wst. Thorellio Cryphoeca arietina nominatur.
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 149
H. helveola E.S.
Gelderland (St. Jansberg, bij den Plasmolen).
Filio Theodoro.
Sub foliis deciduis.
Rarissima. — Femina mihi adhuc deficit.
Affinis H. montanae Blw., — qua major est et pilosior.
N.B. Nonne Hahniae specierum denominatio varia revidenda
esset? Confer Simon, Arachn. de France.
Familia OECOBIOÏDAE.
(Urocteoidae).
Genus OECOBIUS Le.
(Clotho Dgs.).
Diu inter araneas senoculinas numerabatur, donec Thorell
Oecobium ad octoculinas pertinere docuit. (On European Spiders ,
p. 112).
0. cellariorum Dgs.
= domesticus Le.
Utrecht, Noord-Holland.
Mihi.
Rarissima.
In domibus.
Sed bis, in vivo, captus (Utrecht 1866, Amsterdam 1870).
Feminae; una adulta, altera immatura.
An forsan hospes aut advena?
Tune temporis saepius naturalia librosque, tam ex Indià Orientali,
quam ex diversis Europae Regionibus accipere solebam. Saltem nescio,
an minima haec araneola, ceteroquin Terrarum calidarum incola,
aliis araneologis, in nostra longitudine et latitudine, inventa sit.
150 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
N.B. Gephalothoracis, inverse subcordati, pictura, specimen
meum adultum quoque accedit ad hanc, Simonio pro 0. annulipede
Le. notatam: «marqué d’une ligne marginale noire et de petites
lignes obliques, suivant les stries rayonnantes». Pedibus vero
minime distincte annulatis, atque abdomine, — uti in 0.
domestico Lc., — cretaceo-punctato: «ponctué de gros points
blancs ». (Lucas).
Familia SCYTODOIDAE.
Ad araneas senoculinas pertinent.
Genus SCYTODES Ltr.
(« Buckel-Spinne» O. H.).
S. thoracica Ltr.
= tigrma C.K.
Utrecht, Gelderland, Noord- et Zuid-Holland.
Brs. — t.H. — Lbg. — mihi meisque familiaribus.
Sat saepe nobis provenire videtur.
In domuum, praesertim veterum, locis siccis et obscuris, in
thecis, scriniis («kisten en kasten»), etc.
Per exceptionem a regulà Walckenaerii: «jamais en plein air»,
ter, diebus calidis, extus, in hortis, cepi ad rimas murorum.
Pictura « tigrina» hujus, solito tardioris, parvae araneae flavae,
cum capite globoso, valde characteristica.
Marum palpis, ad bulbum, longo stylo filiformi accessorio
instructis.
Feminam semel, fere per annum, captivam, in vitam
conservavi, absque ullo alimento sumto!
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 151
Familia PHOLGOIDAE.
Sie dictae « Beef- Tril- of Sidder-spinnen », propter horum pedum
motus tremulos, his nonnullarum Tipularum analogos.
Rationem non video, cur Otto Herman illas « Schiel-Spinnen »
vocavit. Oculorum immobilitas, nostrae Ordini propria, idaeam
medieam «strabismi» excludit.
Genus PHOLCUS WIk.
Pedibus omnium longissimis et tenuibus, his Opilionum similaribus.
P. phalangioïdes Fsl. (WIk., Blw., Th.).
Utrecht, Noord- et Zuid-Holland (Amsterdam, Delft, Dordrecht,
Leiden, Rotterdam).
Filia mei Anna, amici van Vloten, Mr. de Monchy, amicis
Hartogh Heys, Herklots, Snellen et mihi.
Nobis valde rarus, etsi inde ab anno 1868 ad 1883, septem
occasionibus diversis, in vivo captus.
In cubiculis, in cellariis, in granario et in officina.
Marum palpis bulbo enormi, tumido et quam complica-
tissimo notabilibus. Quamvis hi Bertkauo (Versuch etc.) et Lebertio
(Spinnen der Schweiz), tam pro hac specie, quam pro affini, P.
opilionides Srk., accuratissime, — sed vario modo, — depicti
sint, mihi illorum anatome nondum ab omni parte liquet.
Confer ceteroquin de hac araneà singulari «Studia» mea in
Tijdschrift voor Entomologie, Deel XII, blz. 159, ubi perverse,
uti Thorell me docuit, « opilionides » sub nomine, commemorata fuit.
* P, (Holocnemus ES.) rivulatus Forskäl (Svg.).
Utrecht (Hortus botanicus). — Van den Brink, hortulanus.
Rarissimus. — Mas unicus, in vivo captus, 1863.
N.B. Ratione habita originis specialis, hune minime ad Faunam
nostram duci posse credo, sed pro advenà Occidentali haberi debere.
(In toto habitu et pulchrà picturà abdominis multopere convenire
videtur cum P. elongato Vinson (Ar. d. I. d. I Réunion, etc.).
152 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Familia THERIDIOIDAE.
Improprie sic dictae « Weef-spinnen ».
In genere pedibus anticis longis, ac mamillis brevibus.
Genus EPISINUS WIk.
E. truncatus Wik.
= Theridion angulatum Blw.
Utrecht (Driebergen), Zuid-Holland (Loosduinen), Limburg
(Valkenburg).
Lbg. — Sx. — mihi et filio.
Rarissimus. — Ad Gramineas in silvis et locis arenosis.
Forma abdominis longitudinali-triquetrà ab omnibus aliis statim
dignoscendus.
Genus THERIDION WIk.
(Theridium, secundum alios Auctores).
(Partim sub Zro C.K., HuryopisM., Lasaeola E.S., Neottiura M.,
Steatoda Th.)
T. formosum Clk.
s. lunatum = sisyphum Blw.
Nobis ubique vulgare.
In angulis murorum et septorum (extus), in silvis ad arborum
truncos, etc., ubi saepius sub rete vasto, irregulari, interdum
plus minus umbellaeformi, sese condere solet.
Pulchre nigro et rubro pietum, cum lineis semilunaribus albis
ad abdominis dorsum.
Mas interdum variat abdomine toto nigro.
T. tepidariorum C.K.
Ut praecedens, sed nobis exclusive in hortorum tepidariis
(« broeikassen ») proveniens.
Formoso major et similare, picturà autem minus laeta et pulchrä.
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 153
T. riparium Blw.
= Ero saxatilis C.K.
Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Brabant, Limburg.
L.B. — Brs. — Ev. — Lbg. — Mrs. — Rts. — Sx. — mihi
et filio.
Nec rarum, nec frequens.
Ad Gramineas et in fruticibus. Nobis numquam « in domibus »
(Dhl.).
Nidulos construit singulares, his PAryganidum et Psychidarum
analogos. Hos bis observavi formicis necatis repletos.
Ne, juniores praesertim, cum illis specierum antecedentium com-
mutes, respice ad femorum majorem albedinem, pedesque
latius et pulchre flavo annulatos.
Cur Blackwall hoc T. «riparium » dixit? Mea exemplaria saltem
inveni procul a fluminum «ripis»; Cambridge multa specimina in
montibus, C. Koch, in genere, in saxis aut rupibus ceperunt.
T. pictum WIk. (C.K.).
= ornatum H.
Utrecht (Zeist), Noord- et Zuid-Holland (Warmond et Vondelspark
prope Amsterdam).
v.L. — Sx. — mihi.
Rarum.
Ad frutices. Nobis numquam in domibus.
Interdum nidulum construit huic pro ripario dicto similarem,
sed sine formicis inclusis.
T. sisyphium Clk. (non Blw.).
= nervosum Wik. (Blw.).
Utrecht, Gelderland, Noord- et Zuid-Holland, etc.
Sx. — mihi multisque aliis.
Sat frequens. :
Saepius ad Querci ramusculos.
Ovulorum saccus («cocon ») globosus, profunde coeruleo-viridis
coloris.
154 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Hic bis nobis proveniebat in nidulis, itidem cum his rar
et pieti valde convenientibus.
T. familiare Cb.
Overijssel, Zuid-Holland.
B.d.H. — mihi.
Valde rarum.
In domibus veteribus.
Femina mihi adhuc deficit,
T. denticulatum WIk.
= melanurum H.
Utrecht, Zuid-Holland, Drenthe.
Dbg. — t.H. — Sx. — mihi.
Quoque perrarum.
Extus, ad frutices humiles.
T. varians H. (C.K.).
Nobis omnium hujus generis communissimum.
Saepe in angulis murorum, septorum, truncorum, etc., tam in
hortis quam pratis.
Maxima et pulcherrime picta exemplaria, ex Drenthe, am. Duburg
mihi dono dedit. — Nomen variationes picturae indicat.
T. tinctum WIk.
= wroratum C.K,
Species praecedenti valde analoga et saepe simul cum hac
capienda.
Minus frequens.
Quoque extus, nonnisi fortuite in domibus.
Unum alterumque ejus cognominum aeque characteristica.
T. simile C.K. (WIk.).
Utrecht, Zuid-Holland (Monster), Noord-Brabant (Liesbosch).
Sx. — mihi.
Perrarum.
In silvis, ad Ericam.
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 155
N.B. Quare « simile» dictum? C. Koch non explicat; Walckenaer
illum cum pulchello comparat; Westring dentieulato affinem habet;
Cambridge post tinetum suo Catalogo inseruit. Huic speciei revera,
ut et singulis variationibus variantis, quam plurime proximum
quoque mihi videtur.
Insuper adnotari meretur, similem non minus variare, quam
ipsum «varians». Simon saltem pro eo, in Gallià communi, 14
varietates enumerat!
T. pulchellum Wik. (Blw.).
= vittatum C.K.
Quamvis minus commune quam varians, tamen longe lateque in
patria dispersum.
Ad frutices et Querci humilis folia.
« Vittati» cognomen « pulchello» magis characteristicum.
Simon opinatur, pulchellum Wlk., — ut propria species meridio-
nalis, — a vittato C.K. separari debere.
T. bimaculatum L.
= dorsiger H. et Carolinum Wlk. (Blw.).
Utrecht, Gelderland, Noord- et Zuid-Holland, etc.
Sat communis.
Ad arbores humiliores et frutices, saepe quoque ad terram, sub
Rubo caesio etc. Varietates teneriores et laetiores, Simonio, sub
gamma et delta indicatae, praesertim in sabuletis nostris prope mare,
Scheveningen, Loosduinen, Wassenaar, Zandvoort, proveniunt.
Linyphiarum more, resupine sedere solent.
N.B. De harum varietatum diagnosi diu in dubio versatus
sum. Confer meas observationes in Tijdschrift voor Entomologie
Deel XXVII, Verslag, blz. LXxvnI.
T. triste H. (C.K.).
Utrecht, Gelderland.
Sx. — mihi.
Valde rarum.
Ad Ericam et sub arborum Lichenibus.
156 CATALCGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Facile dignoscendum colore toto nigro, exceptis pedibus poste-
rioribus, partim rubescentibus, omnibusque tarsis lutescentibus.
T. pallens Blw.
= minimum WA. 1).
Utrecht.
Mihi et filio Theodoro.
Nobis rarissimum.
Ad folia Syringae, Philadelphi (Jasmijn) et Querci junioris, in
hortis, inprimis ad Maliebaan, prope Utrecht.
«Cocon», niveo-albi coloris, propter suos processus tuberculoso-
conicos, valde singularis.
Parvissimae hujus araneae mares solum cognosco ex duobus
speciminibus, mihi ex ovulis educatis. Pro illis (abdomine nigrore
tincto) «pallentis» nomen minus valet, quam pro feminis.
T. Hasseltii Th.
= Blackwallü Ch. (E.S.) et hortensis L.K. (?).
Utrecht (Zeist).
Mihi.
Rarissimum.
In silva, ad frutices.
Posthac nullibi detegere mihi contigit.
N.B. Primo visu, subsimilare variationi nigrae variantis H.,
sed «parte cephalicä lineis nigricantibus inclusä et nigro-maculatä ».
Confer Thorellii Diagnoses Aranearum Europaearum novarum , in
Tijdschrift voor Entomologie, Deel XVIII, blz. 92. Unica femina
matura et mas unicus adultus, inter plures quos possideo pullos,
totidem Thorellii diagnosi respondent, sed minus conveniunt cum
ulteriori descriptione et figura, pro Blackwallio seu hortensi, L. Kochio
datis in Abhandlungen der Naturhist. Gesellsch. zu Nürnberg, VI
Band, S. 183.
1) Loco , Wd.” (Wider) multis auctoribus scribitur Reuss, quod minus rectum
censeo. Ipse Reuss, in suis Zoologische Miscellen, ubique Widerium ut auctorem
intellectualem citat pro araneis Widerii, sed sibi (Reussio) melius descriptis.
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 157
* T. venustum WIk.
s. lepidum Id.
Multis annis praeteritis singula hujus speciei exemplaria, Thorellio
visa et eo huic speciei adscripta, meae collectioni interfuerunt.
Abhinc mihi deperdita sunt!
Non memini, unde originaria. Suspicor Utrecht.
Genus DIPOENA Th.
(Atea C.K.).
D. melanogaster C.K.
= congener Cb.
Zuid-Holland (Scheveningsche boschjes).
Mihi et filio.
Rarissima. — Sed bis ibi capta.
Ad Querci ramulos (eiken-hakhout). Quoque in silvis Pinorum
inveniri perhibetur.
Cognomine valde proprio; ventre ac lateribus atris.
Genus NESTICUS Th.
(Meta C.K.).
N. cellulanus Clk.
= Linyphia crypticolens Wik. (Blw.).
Utrecht, Zuid-Holland, Zeeland.
G.v.W. — mihi.
Rarus.
In genere in cellariis.
Per exceptionem, marem perpulchrum et pedibus fortius annu-
latis, extus cepi, nempe ad aperturam cavi Leporis cuniculi, in
sabuletis prope Loosduinen.
Genus PHYLLONETHIS Th.
(Theridion Blw. (E.S.).
P. lineata Clk.
s. ovata = Theridion redimitum Wlk., C.K. alii.
Ubique vulgaris.
158 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Ad frutices et flores, nobis praesertim in hortis.
Abdomen colore pulchre roseo, albo et flavo variat.
Itidem «cocon» nunc album, tune coerulescentem construit.
N.B. Hujus araneae, propter mandibularum longitudinis ac formae
differentias, Simon duas formas distinguit, brachygnatham et leptogna-
tham. Td forsan nidulorum ovorum varietates explicat. Mares magnitu-
dine quoque valde discrepant.
Genus STEATODA Snd. (Th.).
(Partim sub Theridion Wik., Eucharia C.K., Crustulina M.).
S. bipunctafa L.
= quadripunctata Fbr. (WIk., Blw.).
Communissima, ubique ad et in domiciliorum rimis, angulisque
abscondita, tam intra quam extus.
Uti castanea Clk., quoque talis est coloris. Haec species autem
nobis non provenire videtur.
Ejus maris organon stridulatorium, Westringio detectum, mihi
constitit. Confer Tijdschrift voor Entomologie, Deel XIX, Verslag
blz. ct.
S. guttata Wd. (Blw ).
Utrecht (Driebergen, Zeist, Amersfoort), Gelderland (Nijmegen ,
St. Jansberg, prope de Plasmolen).
Sx. — mihi et filio Theodoro.
Nobis valde rara. — Sub lapidibus.
In hac specie, multo minore, praedictum « Westringii organon »
minus luculenter mihi patuit.
Genus EURYOPIS M.
(Partim sub Theridium Wst., Micryphantes C.K. et Lasaeola E.S.).
E. flavomaculata C.K. (Blw.).
Utrecht (Driebergen), Zuid-Holland (Loosduinen, Wassenaar),
Gelderland (Nijmegen, Wageningen).
t.H. — Sx. — mihi et filio,
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 159
Minus vulgaris.
Sub Muscis, Lichenibus et quisquiliis,
N.B. Licet meis exemplaribus minime interesse credam speciem
affinem argenteo-maeulata E.S., tamen in nonnullis maculae abdomi-
nales plus minus metallice fulgent.
E. inornata Cb. (Blw.).
Zuid-Holland (Loosduinen).
Mihi.
Rarissima.
Modo in uno specimine masculino.
Genus LASAEOLA E.S.
L. erythropus E.S.
Drenthe.
Dbg.
Rarissima,
Quoque mas unicus.
Capite oblique proéminente et clypeo alto, inter alia, notabilis.
Genus ASAGENA Snd.
(Partim sub Theridion WIk.).
A. phalerata Pz.
= signata Wlk. (Blw.), — quadrisignata H., — serratipes Srk.
(C.K.), — et forsan quoque spinipes Le.
Utrecht (de Bildt, Driebergen, Amersfoort), Gelderland (Nijmegen),
Zuid-Holland (Wassenaar, Loosduinen).
Gr. — Lbg. — Sx. — mihi.
Minus vulgaris.
In genere sub lapidibus.
Cognomina « serratipes » et « spinipes » hoc Panzeri et ceteris magis
characteristica.
Etiam haec aranea organo stridulatorio instructa est, ut
mihi optime licuit,
160 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Confer pro hac specie Notam supra-adjectam pro Phrurolitho
pallipede.
Genus LITHYPHANTES Th.
(Partim sub Zheridion WIk., Steatoda Snd., Eucharia M.
et Phrurolithus C.K.).
L. corollatus L. (Th., E.S.).
= albo-maculatus, albo-lunulatus et albo-cinctus d.G., Le., Pz., etc.
Utrecht (Zeist), Gelderland (Nijmegen), Zuid-Holland (Scheve-
ningsche duinen), Limburg (Nuth).
Mrs. — mihi.
Rarus.
In viis arenosis, inprimis sub lapidibus. (Quoque sub his in
rivulis siccis («droge beekjes») frequenter provenire dicitur. O.H.).
Cognomina picturam aliquomode variantem indicant.
Itidem gaudet organo Westringii stridulatorio. — Praeter
in hac et praedictis speciebus, tale adhuc in aliis detexit 7#eridus,
uti in suis 7. (Steatoda) hamato et castaneo, mihi nondum cognitis.
Landois perhibet, horum feminas nonnullas etiam tali instrumento,
etsi multo debiliori, provisas esse. Id mihi hucdum non constitit.
Genus DREPANODUS M.
(Partim sub Theridium H., Neriene Ch. , Enoplognatha Pvs. (E.S.).
D. (Neriene) albipunctatus Cb.
= Theridium thoracicum H. (E.S.).
Zuid-Holland (Scheveningen, Wassenaar), Noord-Brabant.
Hls. — Mrs. — mihi.
Non communis.
Sub lapidibus et ad arborum bases, praecipue tempore vernali.
Mandibulis et falcibus, illis forti, his exiguo dente armatis.
Hujus speciei cognomen parvas maculas albescentes in ab-
dominis dorso spectat. Non semper sunt aeque conspicuae.
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 161
D. obscurus M.
Gelderland (Wageningen), Drenthe (prope Assen).
Dbg. — mihi.
Rarissimus, in tribus modo exemplaribus, minus bene conservatis.
N.B. Simon hunc cum praecedenti specie , (secundum suas observa-
tiones, interdum quoque albo-maculatd), conjungit, Bertkau illos ut
species diversas considerat; Hahnii cognomen « ¢horacicum» non
albipunctato sed obseuro adscribit.
Genus NERIENE Blw.
(Partim sub « Hrigone» variorum Auctorum).
Hoc genus ac sequens Walckenaera diu in uno genere juncta
fuerunt, « Argus» Wlk., « Hrigone» Svg., « Mieryphantes» C.K.
sub nominibus. — « Neriene » et « Walckenaera » Blw. inclusis, haec,
sensu latiori, Sub-familiam «Micryphantides» seu « Micry-
phantidae » constituebant.
Menge primus fuit, qui simplicem hanc viam pro studio micro-
araneidarum reliquit. Genere Neriene rejecto, genera Mrigone et
Micryphantes retinuit, sed his 18 genera nova adjecit. Ultimis
annis Simon multo adhuc ulterius progressus est. In suä Sectione
«Erigonini», quà singula Theridionis et omnia Linyphiae genera
includuntur, praeter velera genera Zrigone et Walckenaera ac
plurima genera Mengei aliorumque, 52 nova genera distinxit, in
toto non 71, sed 72 1). (Les Arachnides de France, Tome V,
pag. 181 ad 877) ?).
1) ,Genre” 59 Simonio bis notatur.
2) Ejus Erigonini sequentia genera includunt: Enoplognatha Pvs.— Pedano-
stethus E.S. — Tapinopa Wst. — Frontina B.S. — Bolyphantes C.K. — Drape-
tisca M. — Linyphia Ltr. — Taranucnus B.S. — Labulla ES. — Leptyphantes
M. — Bathyphantes M. — Cryptocleptes ES. — Porrhomma E.S. -- Opistoxys
E.S. — Hilaira ES. — Tmeticus M. — Microneta M. — Sintula ES. — Syedra
ES. — Donacochara ES, — Hylyphantes ES — Trichoncus ES. — Gongylidium
M. — Scotinotylus E.S. — Tiso E.S. — Stajus E.S. — Erigone Aud. — Lophomma
M. — Dicymbium M. — Gonatium M. — Dismodicus E.S. — Prosoponcus E.S. (=
Diplocephalus Btk.). — Trachelocamptus E.S.— Thaumatoncus B.S. — Typhochrestus
ES. — Caracladus ES. — Dactylopisthes ES. — Grammonota Emt. — Gongylidt-
ellum ES. — Nematogmus ES. — Entelacara ES. — Araeconcus E.S. — Notio-
11
162 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Pro Catalogi mei scopo, praetuli, duo a Cambridgeo assumta
genera primitiva conservare. Horum synonyma Mengei ac Simonii
generica, simplicitatis ergo, non nisi per exceptionem citabo.
Huic Sectioni aut Sub-familiae Theridioidarum, — exclusis non-
nullis Theridionis et Linyphiae speciebus majoribus, — parvissimae
araneolae pertinent, in genere obscurioris coloris et parum pictae.
Harum signa characteristica differentialia, — pro quibus inprimis
Cambridgei, Thorellii et Simonii Opera, ac ultimi scriptoris Figurae
(in Arachn. de France), consuli debent , — praesertim de maribus
desumuntur. Quoque pro feminis, Bertkau, pro ejus Fam. Micry-
phantidae, magnum adscribit valorem differentiis in systhemate
trachearum (Beiträge cit. S. 226). Nisi in coitu captae, feminae
ceteroquin valde difficile inter se distinguendae.
Plurime tempore vernali et autumnali inveniuntur, ad terram,
in herbis, sub muscis, foliis deciduis, quisquiliis, lapidibus, etc.
Confer revisionem meam qualemcunque in Tijdschrift voor
Entomologie, Deel XXVIII, Verslag blz. xc.
De Provinciis ac locis, ubi sequentes nostrae species captae
sunt, mihi non nisi de singulis constat. Multarum quoque cap-
tores, — inter quos filius meus magnum locum occupat, —
hic non notavi, quum diu, tempore mihi tunc deficiente, diversas
capturas rite secernere non potuerim.
Genus Neriene Blw. a sequenti ( Walckenaera), sec. Cambridgei
indicia, inter alia, oculorum dispositione differt. «In Neriene »
dicit « the eyes are allways external to any eminence of the caput ;
they are in no case placed upon or around the eminence; and,
excepting in few instances, there is no eminence at all upon
the caput» (Dorset Spiders, p.p. 105 et 141).
scopus ES. — Troxochrus B.S. — Abacoproeces ES. — Lophocarenum M. —
Peponocranium ES. — Exechophysis ES. — Baryphma B.S. — Delorrhipis ES, —
Cnephalocotes ES. — Hybocoptus B.S. — Pocadienemis ES. — Metopobractus ES. —
Erigonoplus B.S. — Styloctetor ES. — Acartauchenius B.S. — Thyreosthenius
ES. — Plaesiocraerus ES, — Tapinocyba ES. — Minyriolus E.S. — Panamomops
ES. — Wideria ES. — Walckenaera Blw. — Prosopotheca ES. — Tigellinus B.S. —
Cornicularia M. — Ceratinella Emt, — Cineta ES. — Maso ES. — Minicia Th. —
Tuberta ES,
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 163
N. atra Blw.
= Erigone vagabunda Wst. (Th.).
In autumno, inter alias, saepe supra sic dictos « fils de vierge »
(nobis herfst-draden).
N. longipalpis Snd. (Cb., non Blw.).
N. dentipalpis Wd. (Cb.).
Mares trium harum specierum, — nobis, inprimis prima,
ubique communium, — primo jam visu, magno palporum calcare
cubitali (s. patellari), inferius sito, facile cognoscendi, difficilius
autem inter se dignoscendi.
Palpi secundae speciei, ut nomen indicat, revera his duarum
aliarum longiores; in generé quoque haec species illis major.
N.B. In hisce speciebus , architecturà generali maximopere
similaribus, sed in minutiis differentibus, Thorell novum suspicatur
exemplum pro « specierum transitu » militans (On Synonyms , p. 100).
N. graminicola Snd. (Blw.).
= Micryphantes rubripes H. et C.K. (non Blw.).
Vulgaris.
In vivo praesertim, pedes revera pulchre rubent.
N. nigra Blw.
= Erigone scabristernis Wst. et Dicymbium gracilipes M.
Sat communis.
Ne, propter palporum longitudinem, cum sequenti specie con-
fundas.
Palpi partim albescunt, partim in triangulo flexi, uti in Zinyphid
angulipalpi Wst. (non Cb.).
Sterni «scabrities » (Wst.) aegre observanda.
N. longimana C.K.
= vagans Blw. et Tmetieus (Tiso ES.) hamipalpis M.
Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland.
Ev. — Sx. — mihi et filio.
Rara.
164 CATALOGUS ARANEARUM, HUOUSQUE
A longipalpi et hujus congeneribus, haec et praecedens species
facile dignoscuntur calcaris dicti absentià.
Palpi processu radiali (s. tibiali) uncinato aut «hamato» (M.),
superius et anterius sito, inter alia, a zigrd differt.
N. rufipes L. (Snd.).
= Micryphantes crassipalpus C.K. (non M.), Neriene munda Blw.
et Gongylidium nigricans M.
Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland.
t.H. — Ev. — Sx. — mihi.
Minus rara.
Ad Gramineas et Ericaceas.
Intumescentià crassà aut nodosà palporum partis cubitalis (s.
patellaris) notabilis.
N. rubens Blw.
= Theridion cheliferum Wd. (Wst.).
Utrecht (Driebergen), Gelderland (Wageningen), Zuid-Holland
(Loosduinen, Wassenaar).
Ev. — Lbg. — Sx. — mihi et filio.
Nec vulgaris, nec rara.
Sub quisquiliis, in locis arenosis.
Ambo sexus pulchre rubent. Mas insignis palpi bulbo antice
mucronato, Cancri «chelis» subsimilari, et spinulis humeralibus.
Cave ne, feminas inprimis, commutes cum specie sequenti et
cum Walckenaerd sanguinolentd.
N. isabellina C.K.
= rubella Blw.
In locis praecedentibus atque Noord-Brabant (Liesbosch).
lisdem, ibidem.
Rarior.
C. Kochi figura perparum naturalis mihi videtur.
Ejus mas, inter alia, distinguendus parte humerali (s. femorali)
non «spinulis» brevibus, uti in rwbente, praedità. — Feminarum
abdomine interdum, in spiritu saltem, adspectu quasi marmoreo.
IN HOLLANDIÂ INVENTARUM. 165
N. herbigrada Blw.
Zuid-Holland (Loosduinen).
Mihi.
Valde rara.
Sub foliis deciduis.
Maris palpi clavä anterius bi-uncinata.
N. pygmaea Blw.
= Brigone barbata Th.
Noord-Brabant (Breda).
Bse.
Rarissima.
Sub quisquiliis.
Maris palpi clavà, externe (ut et fronte), setoso-pilosà. De illà
confer Thorell, Diagnoses ete. in Tijdschrift voor Entomologie ,
Deel XVIII, blz. 89.
N. dentata Wd.
Utrecht, Overijssel, Zuid-Holland.
B.d.H. — Lbg. — Sx. — mihi.
Nobis sat rara.
Ad herbas, in pratis paludosis.
Cum Sixio, juniores, cum dorso abdominali 4- et 6-maculato,
diu habui, perverse, ut Cambridge me docuit, pro 4790 quaterno WIk.
Dens mandibularis, a quo suum fert, cognomen, quoque
provenit, etsi diversimodo constructus, in dentiferd Wst., gramini-
cold Snd. et affini Cb.
N. fusca Blw.
= Erigone simplex Wst.
Undique, sed minime frequens.
Palpi diagnosis microscopio eget.
N. agrestis Blw.
Nobis rarissima.
Sed marem unicum possideo.
166 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Nescio unde.
Praecedenti valde analoga, sed aliquantulum major, obscurioris
coloris et pedibus magis rufescentibus. De differentiis confer Cam-
bridge, Dorset Spiders, p. 487.
N. retusa Wst.
= elevata Cb. (non C.K.) et Tmeticus foveolatus M.
Zuid-Holland (Haagsche bosch).
Ev. |
Valde rara.
Sub foliis, ad ripas piscinarum («vijvers »).
Sinciput in gibbo elevatum. Ceteroquin agresti subsimilis, sed
paullulum validior.
N. (Erigone) tarsalis Th.
Utrecht.
Mihi.
Mas unicus.
« Tarsis 4 anterioribus leviter incrassatis» (Thorell, Diagnoses
etc., in Tijdschr. v. Entomol., Deel XVIII, blz. 90).
A retusd, — quâcum Simonio affinis dicitur, — inter alia,
oculatione diversa.
De duabus feminis, longe postea, mihi Zuid-Holland captis, non
tote certus sum, an huc pertineant.
N. apicata Blw.
= Krigone gibbicollis West.
Zuid-Holland (Monster, Loosduinen).
Mihi et filo.
Perrara.
Sub quisquiliis in sabuletis.
Parva eminentiä subcylindricà ad sinciput notabilis. Haec
apice pilis nonnullis instructa est, non erectis (uti in W. frontatd
Blw.), sed «adpressis» (Wst.), et, in exemplaribus meis, lateraliter
aliquomodo deorsum flexis.
N.B. Pro micro-araneis talibus eminentiis provisis Bertkau nomen
genericum Stylothorax proposuit.
IN HOLLANDIÂ INVENTARUM. 167
N. cornuta Blw. (non Wd.).
= Erigone bieuspidata Wst. (an et C.K.? cum Thorellio affirmare
non audeo).
Ubique sat vulgaris.
Multis amicis, mihi et filio.
Mihi ad herbas in silvis.
Cur non «bi-cornuta» nominata, uti bi-euspidata et bi-tuberculata?
Pro Widerii «cornutd», vide sub Walchenaerá acuminata.
N. bituberculata Wd. (Blw.).
= Dicyphus tumidus M.
Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland.
t.H. — Sx. — mihi et filio.
Praecedenti rarior.
In pratis paludosis aut humidis.
Duae capitis protuberantiae his in praecedente specie multo
majores, magis «tumidae» (M.).
N. Clarkii Cb.
Drenthe (prope Assen).
Mihi.
Mas unicus.
Sub quisquiliis.
Palpi brevis et tenuis clavà permagna bulbosà et pilosa.
Cambridge affinem dicit Zividae Blw., Simon aequalem arundi-
neti Cb.
N. viva Cb.
Noord-Brabant (Breda).
Bsc.
Rarissima.
Sub quisquiliis humidis.
Maris palpi parte radiali (s. tibiali), supra et antice, forti apophysi
conica instructa.
N. viaria Blw.
= Erigone quisquiliarum Wst.
168 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Sat vulgaris.
Sub foliis deciduis et quisquiliis.
Praeter alia, femoribus infuscatis («infumatis » Wst.) a con-
generibus dignoscenda.
N. livida Blw. (Cb.).
= Erigone pinguis Wst.
Nobis nec vulgaris, nec rara.
In genere quoque sub quisquiliis.
Recte Westring feminae abdomen describit ut « nitidissimum ,
quasi oleo obductum ». — Attendas ad mandibularum structuram.
N. rufa Wd. (Th.).
= Micryphantes erythrocephalus C.K. (Wst.) et Neriene rubripes
Blw. (non H. et C.K.).
Utrecht, Zuid-Holland, etc.
Ev. — Lbg. — Sx. — mihi et filio.
Sat vulgaris et saepe frequens tempore vernali,
In herbis et Muscis.
Ad majores hujus generis species pertinet. Feminae nonnullae
non statim ab his Linyphiae bicoloris distinguendae.
N. saxatilis Blw.
Nescio ubi et unde.
Rarissima,
Propter pedes pilosiores Thorellio ad Linyphias ducitur. Haec
vero anomalia generica in sequente et singulis aliis Nerzenes speciebus
quoque occurrit.
N. Sundevallii West. (Cb.).
Ut pro praecedente notatur.
Tibiis et metatarsis pedum I et II setoso-pilosis.
N. innotabilis Ch.
= Microneta ochropus M. (non C.K.) Th.
t.H. — porro ut supra.
In feminis regio mamillaris albescit. Epigyne valde evoluta.
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 169
N. fuscipalpis C.K.
s. Mieryphantes rurestris C.K. = Neriene flavipes et gracilis Blw.
et Micryphantes tenuipalpus M. (Th.).
Communis.
G. Kochii cognomen, pro feminis saltem, valde characteristicum.
Palpi illarum «tenues», articulis basalibus exceptis, saepius non
solum «fuscescunt » sed nigricant. — In maribus apophysis radialis
(s. tibialis) interdum solito magis evoluta mihi provenit.
N. penicillata Wst.
= corticea Ch. et Micryphantes cristatopalpus Ohl.
Gelderland (Wageningen).
Mihi.
Rarissima.
Ad truncum arboris decidui.
Palpi maris « penicillum » (aut « crista »), ipso sub lente, exiguitate
minus facile distinguendum.
N. speciosa (s. leptocarpa) Th.
= Neriene Keyserlingw Cb. (E.S.).
Utrecht.
Mihi.
Nescio ubi.
Rarissima. Femina et mas unici (Typus).
Femina cum c«plagà magnà nigricante supraänali». Mas
cum «clavä parva, tibiis anticis vix crassiore», et palpi parte
. patellari insolite longiore». Confer Thorell, Diagnoses , in Tijdschrift
voor Entomologie, Deel XVIII, blz. 87 et 88.
N.B. Simonio Erigone leptocarpa Th. 3 et Erigone speciosa Th. 2
ad eamdem speciem ducuntur, sub suo genere novo Donacochard.
Genus WALCKENAERA Blw.
(Partim sub « Zrigone » variorum Auctorum).
Pro generali differentia Wa/ekenaerae a Neriene, in maribus
saltem , Cambridge (Spiders of Dorset, p. 141) sequentia characteris-
170 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
tica indicat: «The fore part of the caput is, excepting in a
few instances, more or less elevated, protuberant or prominent,
and the eyes are grouped, more or less closely, upon or round
the elevation». (Compara ejus diagnosin pro Neriene).
W. brevipes West. (Cb).
= Ceratina rotunda (sic) M.
Utrecht (Driebergen), Zuid-Holland (Scheveningen), Noord-
Brabant (Breda).
Bsc. — Sx. — mihi.
Perrara nobis,
Sub lapidibus et quisquiliis.
Valde affinis mihi videtur cum Theridio brevi Wd. (seu Miery-
phanti phaeopo C.K. seu Walckenaeri depressá Blw.), quà cum
antea, cum Sixio, confudi.
W. scabrosa Cb.
Anteriori analoga, sed paullo major.
Aeque rara.
Nescio unde.
W. nudipalpis Wst. (Cb.).
Noord-Brabant (Breda).
Bsc.
Rarissima.
Sub quisquiliis humidis,
Maris palpi parte radiali (s. tibiali) pulchre et fortiter multi-
mucronata: «being very like a bird’s foot, with strong spreading
toes or claws» (Cambridge, lib. cit. p. 446).
W. Hardii Blw.
= Leptothria clavipes M.
Zuid-Holland (Loosduinen).
Mihi et filio.
Rara, sed loco praedicto, praesertim pro junioribus, frequens.
Sub herbis humilibus et quisquiliis siccis, in nostris sabuletis.
Ad majores hujus generis pertinet. — Tam exiguä protuberantiä
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 171
capitis cristato-pilosâ, quam femoribus ac tibiis pedum I et II
incrassatis, in mare, notabilis.
N.B. De genere dubitant Auctores. Praeter Mengei denomina-
tionem, a Simonio ad genus « Tmetieus» ducitur, et a Bertkauo
« Phaulothrix » dicitur. Analogia quaedam quoque cum Zinyphid mihi
habere videtur. Cave, ne pullos cum Linyphid concinné Th. commutes.
W. unicornis Cb. (Blw.).
= Micryphantes stylifer Ohl. et Cornicularia monoceros M. (non
Wd. nec Blw.).
Gelderland (Wageningen), Zuid-Holland (Wassenaar).
Mihi et filio.
Perrara.
Attendas ad parvi styli (aut cornu) verticalis, in fronte,
fissuram levem ad apicem.
W. monoceros Wd. (Blw.).
= Lophomma cristatum M.
Zuid-Holland (Loosduinen).
Mihi.
Rarissima. In uno modo exemplari masculino.
Uti praecedens, sub quisquiliis siccis, in sabuletis.
Praeter «cornu», respice palpi articulum radialem (tibialem),
subtus cum lata apophysi bifida.
W. prominula Cb.
Zuid-Holland (Loosduinen).
Ev. — Lbg. — mihi et filio.
Ibi sat frequens. Ceteroquin rara.
Itidem sub quisquiliis, in sabuletis.
Abdomen, inprimis in feminis, non semper nigricat, sed saepius
laete fuscescit.
W. humilis Blw.
= Lophocarenum globiceps (sic) M.
Drenthe (prope Assen).
172 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Mihi.
Etiam valde rara.
Sub Muscis.
Palpis in mare uncinato-spinosis.
Affinem credo cum «affinitati » Ch. = crassiceps Wst.
W. cristata Blw. (non Wd. nec M.).
= Theridion bicorne Wd. (Wlk., Wst., M.) et Mieryphantes
caespitum C.K.
Utrecht, Zuid-Holland, etc.
Sat communis.
In pratis.
N.B. Inter alia nomina generica, ut Lophomma M. et Prosoponcus
E.S., hoc a Bertkauo propositum, scilicet Diplocephalus, — propter
capitis, a latere conspecti, fissuram longitudinalem, — quam
maxime significans.
W. scabricula Wst.
= aggeris Cb.
Gelderland (Wageningen), Zuid-Holland (Scheveningen, Loos-
duinen, Wassenaar).
Ev. — Lbg. — mihi et filio.
Frequens.
Sub quisquiliis, in «aggeribus » arenosis.
Oculatio, — per paria quatuor, — valde characteristica. —
Thoracis scabrities, s. adspectus «coriaceus» , mihi non nisi
sub microscopio satis patens.
W. cirrifrons Cb.
Zuid-Holland (Loosduinen).
Mihi.
Rarior.
Praecedenti affinis; a Simonio pro hujus « varietate» habetur.
Occipite sub-bigibboso, plus minusve huic in Neriene cornutd Blw.
similari, sed insuper antice «cirris», aut pilis nigris, instructo
Ut hos clare distinguas, microscopii auxilium adhibe.
IN HOLLANDIA INVENTARUM, 173
W. parallela Wd. (Blw.).
= Lophocarenum elongatum M. (non Wd.).
Noord-Holland (Naarden) et Zuid-Holland (Scheveningsche boschjes). -
Lbg. —- mihi et filio.
Sat rara.
Sub foliis deciduis, tam in aestate, quam in autumno.
Gephalothorace et praesertim abdomine, nitidis, coriaceis,
reticulato-punctatis.
N.B. Ne commutes cum puzctatá Blw., abdomine non, thorace
evidentius punctis impresso seu sticto.
W. cucullata C.K.
= Lophocarenum crassipalpe M.
Nescio ubi et unde.
Rarissima.
Respice caput antice, quasi transverse, profunde fissum. Palpi
non solum «crassi», sed et fortiter spinoso-mucronati aut hamati.
N.B. Praeter nomina generica praedicta, Simonio illi nomen
Wideria, Bertkauo /thyomma adscriptum est.
W. antica Wd. (Blw.).
= Micryphantes tibialis C.K. (non Th.).
Utrecht (Zeist), Zuid-Holland (Wassenaar, Loosduinen).
Mihi.
Perrara.
Sub Muscis et quisquiliis.
Facilius dignoscenda, non solum processu frontali , angulatim-bifido
(non verticali, ut in wxicorni Cb.), in maribus, sed et tibiis
I et II paris pulchre infuscatis, quoque in feminis.
W. obscura Blw.
= Erigone impolita West.
Gelderland (Wageningen).
Mihi.
Valde rara.
Westringii cognomen cephalothoracem opaco-rugosum spectat,
174 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Maris palpi, ob embolum longum, semicircularem, huic Zinyphiae
pusillae Snd. similarem, notabiles.
W. trifrons Cb.
Zuid-Holland (Scheveningen, Loosduinen).
Ev. — Lbg. — mihi.
Minus rara.
Palpi maris complicati medium tenent inter hos praecedentis
speciel et W. cucullatae C.K.
W. Hasseltii Cb. (sp. nov).
affinis Mrigont sordidatae Th.
Zuid-Holland (Loosduinen).
Mihi.
Rarissima.
Tempore autumnali, sub quisquiliis siccis.
«Capite parum elevato, sed cum lamina peculiari, ovata, fovea
circumseripta, huie Beekii Cb. analogà. Palpi bulbo magno, rotun-
dato, subtus spina flagelliformi, longi, instructo ».
Confer Cambridge, Descriptions of two new species of Walcke-
naera, in Ann. a. Mag. of Nat. Hist. Aug. 1884.
Exemplar unicum, — eheu mihi mutilatum , — pro sua collec-
tione, cessi Cambridgeo. Plura nondum detegere potui.
W. latifrons Cb.
= Lophocarenum bihamatum M.
Zuid-Holland (Scheveningen, Loosduinen, Haagsche bosch),
Gelderland (Wageningsche berg).
Bs. — Ev. — mihi et filio.
Sub foliis deciduis non infrequens.
Mengei palporum character minus facile patet.
Color capitis maris, in spiritu saltem, e rubro lutescit.
W. pusilla Wd. (non M.).
= minima Cb., Micryphantes ochropus C.K. et Lophocarenum
apiculatum M.
IN HOLLANDIÂ INVENTARUM, 175
Utrecht, Zuid-Holland (Loosduinen),
Lbg. — Sx.
Perrara. — Pedibus flavescentibus. Palpi bulbus subtus et antice
singularem habet adspectum quasi annularem. Rectissime Cam-
bridge hunc describit: «appears to have had a large, somewhat
circular, piece taken out of it» (Spiders of Dorset, p. 165).
W. insecta L.K.
Zuid-Holland (Loosduinen).
Mihi.
Rarissima.
Ejus signa characteristica difficilius eruenda. Insuper horum
praecipuum: «eine tief eingeschnittene Furche der Cephalo-
thorax » pluribus aliis Erigoninis proprium est.
Confer de hac specie: L. Koch, Beitrag zur Kenntniss der
Arachniden-Fauna Tirol’8, in Zool. Mittheil. a. Tirol’s Zeits.
« Ferdinand», 1869, S. 39.
W. picina Blw.
affinis Erigoni semiglobosae West.
Nescio unde.
Nobis perrara.
Capitis conformatio ac oculatio parum a praecedente et sequente
specie differunt.
W. erythropus West.
= borealis Ch.
Drenthe (Veenhuizen, Rolde).
Dbg. — mihi.
Rarissima.
Uti cognomine indicatur pedes rufescunt, sed id quoque in
praecedente specie observatur; huic vero major est, et palpi clava
fortius mucronata.
W. Blackwallii Cb. (ES. sub Lophocarenum).
Nescio ubi et quo capta.
Unica.
Mihi multopere cum »emorali Blw. congruere videtur.
176 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
W. nemoralioïdes Cb. (sp. nov.).
Zuid-Holland (Loosduinen).
Mihi.
Perrara. Sed semel cepi singula exemplaria tempore autumnali,
jam frigido, sub quisquiliis, in sabuleto prope mare.
Ipse habui pro xemorali Blw., quacum, primo visu, valde convenit.
Ab hac autem, inter alia, diversa palpi partis radialis (s. tibialis)
apophysi externa «longiore, majore ac recurvata ».
Pro illius diagnosi confer Cambridge, Descriptions etc. jam sub
W. Hasselt citatas.
W. ludicra Cb. (Blw.).
an = orbiculata Cb.? (Btk.).
Zuid-Holland (Monster, Loosduinen).
Lbg. — mihi,
Quoque valde rara.
In sabuletis, sub quisquiliis.
Colore cephalothoracis laetiore, cum larva faciali nigricante,
facilius dignoscenda.
Simon illam ad suum genus « Peponocranium » duxit.
W. sanguinolenta Wilk. (E.S. sub Nematogmus).
= Simoni Cb.
Utrecht, Zuid-Holland.
Sx. — mihi.
Rara.
In gramine, prope silvas.
Cave, ne cum pullis Nerienes rubentis et isabellinae commutes.
Hisce speciebus minor est.
W. altifrons Cb. (Th.).
= Erigone acuminata Wd. (Wst.), non Micryphantes hujus
nominis C.K., cui tamen affinem credo,
Utrecht (Zeist), Zuid-Holland (Wassenaar).
Filio Theodoro.
IN HOLLANDIA INVENTARUM, 177
Ultimo loco sat frequens,
Capite valde elevato, ad apicem aliquantulum latiore, quam
ad basin.
W. frontata Blw.
= Brigone conica Wst. et Mieryphantes conifer Onl.
Utrecht, Noord-Holland, Overijssel, Drenthe, Noord-Brabant.
B.d.H. — Bsc. — Dbg. — Sx. (sub « monoceros » Wd.). — mihi.
Minus rara, sed non vulgaris.
In Graminibus et herbis humilibus.
Capite quoque alte elevato, sed perfecte «conico», cum apice
acuto et cristato-piloso.
N.B. Multis haec species nominibus genericis indicatur. Praeter
tria dicta, sub Savignia Blw., — Phalops M., — Prosoponcus
E.S., — Diplocephalus Btk., descripta fuit!
W. acuminata Blw. (non Wd.).
= Theridion cornutum Wd. (non Blw.) et Mieryphantes came-
linus C.K.
Utrecht (de Bildt), Zuid-Holland (Haagsche bosch).
Ev. — mihi.
Feminae non valde rarae, sed mas mihi nondum captus.
(Hujus pulcherrimum exemplar dono mihi dedit Scotiae araneologus
H. C. Young).
Sub Muscis humidis.
Capite maris cum stylo verticali, tenuiore, omnium longissimo,
oculos ferente, singularissimo !
N.B. Kochii cognomen mihi ideo praeferendum videtur, quia aliae
species Nerienes et Walckenaerae quoque « cornuta» et «acuminata »
dicuntur.
Appendix.
Six, in suo Catalogo citato, — sub Mieryphantes, — pro
« Utrecht », adhuc species sequentes, mihi nondum obvias, notavit:
Mier. inaequalis C.K. = Ther. elongatum Wd. (non M.).
» (Ther) suleifrons Wa. affinis Ner. bieuspis Ch.
» ( » ) Zchenis Wd. (WIk.) = Mier, olivaceus C.K.
12
178 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUB
Ultimae speciei descriptionem, in ipsius C. Kochii Opere magno,
invenire non potui. Secundum Westringii et Thorellii opinionem ,
affinis esset Mier. tessellato C.K. ut et Er. parasiticae Wst.
Sub arborum « Lichenibus » saepe alios Zrigoninos inveni, plurime
autem nondum maturos.
Genus PACHYGNATHA Snd.
P. Clerckii Snd. (Blw.).
Fere undique.
Sequentibus major.
P. Listeri Snd. (Blw.).
Quoque communis.
Ceteris pulchrior.
P. de Geeri Snd. (Blw.).
Frequentissima.
Omnium minor.
Insuper varietatem perpulchre pictam possideo, inter Listers
et Clerckit ponendam.
Noord-Brabant (Breda).
Hls.
N.B. Pachygnathae tam in herbis, sub foliis deciduis et quis-
quiliis, proveniunt, in magna saepe quantitate, quam, in autumno,
ad sic dicta «herfst-draden », in aére volitantia.
Genus TAPINOPA Wst.
(Aliis ad « Linyphias» refertur).
T. longidens Wd. (Blw.).
Utrecht, Gelderland (Nijmegen), Overijssel, Noord-Brabant
(Bergen-op-Zoom).
B.d.H. — Ev. — t.H. — mihi.
Sat rara.
In Graminibus, prope frutices et arbores.
Praeter fascias marginales thoracicas, mandibulis validis, oculisque
magnis, — femina quoque epigyné enormi, — notabilis.
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 179
Genus LINYPHIA Ltr.
Menge et Simon a hocce typico nonnulla nova genera separaverunt.
(Confer conspectum generalem pro Neriené).
Linyphiae sedem resupinam sub retibus assumere solent.
L. frenata Wd. (Blw., Th.).
= albomaculata Ohl. et Theridium pallidum C.K.
Zuid-Holland (’s Gravesande, Loosduinen), Noord-Brabant (Lies-
bosch, prope Breda).
Mihi.
Rara.
In herbis.
Minus recte albis « maculis» in dorso abdominis notata dicenda
2
quam quidem punctis cretaceis.
L. zebrina M. (Th.).
Nescio quo et unde.
Valde rara.
Affinis Zeprosae. Compara palpum et epigynem.
L. leprosa Ohl.
= confusa Ch.
Ex diversis Provinciis.
Sat vulgaris.
In genere extra domos, ad herbas, prope terram.
Palpi maris seta longa characteristicä gracili et tenuiore.
Pedibus vix annulatis.
L. minuta Blw.
= domestica Wd.
Ut supra.
Adhuc magis communis.
In genere non extus, sed in cellariis, aliisque locis obscuris.
Palpi maris seta longa characteristicä praecedenti fortiore
et crassiore. Pedibus magis annulatis.
180 CATALOGUS ARANHARUM, HUOUSQUE
Secundum Thorellii opinionem, priori arctissime affinis est.
Westring ambas, domesticae sub nomine, conjunxit.
L. tenebricola Wd.
Fere ubique provenit.
Non in domibus, sed ad terram, in angulis absconditis.
Omnium consensu (Cb., E.S., Th., Wst.), maximopere variat,
sub nominibus tenuis et pusilla Blw. (non Snd.), — terricola C.K. , —
pygmaea Wst., — ac (Theridium) Henricae Sx.
In collectione med exemplaria majora sub « Zenebricolae », media
sub «pygmaeae»y, minima sub « Henricae» nominibus separavi.
* N.B. De Linyphid (Theridii) Henricae, — quae, quoque mihi
non solum propter minutiem , sed etiam propter habitum generalem, a
typicà « ¢enebricold» satis differre videtur, — confer Sixii diagnosin
brevem, in Herklots, Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland,
II, blz. 294: « Thorace pedibusque flavis, abdomine superne rubro,
«lineis transversis nigris, lined interruptà alba cincto; maculis
«binis majoribus lateralibus albis; ventre nigro ».
Pauca modo specimina, minus bene conservata, possideo. Post
horum capturam, Sixio, — « Utrecht (de Bildt), ad Ericam», —
nunquam haec «varietas» (?) mihi apparuit.
L. obscura Blw.
Zuid-Holland (Wassenaar), Drenthe (Veenhuizen).
Dbg. — mihi.
Rarissima.
Varietas, solito magis nigricans.
Inter alia, praeter setam longam (ut in ¢enebricold et aliis), maris
palpus notabilis propter calcar aut cornu, ad laminae basin
superius et interne.
L. variégata Blw.
= gracilis Wst. (non Blw.).
Gelderland (Nijmegen), Zuid-Holland (Scheveningen, Loosduinen ,
Katwijk).
Ev. — Lbg. — mihi et filio.
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 181
Ultimis locis sat frequens.
Sub foliis deciduis et quisquiliis, in sabuletis.
Ad Linyphias pulchrius pictas pertinet et facile ab aliis dignoscitur.
L. socialis Snd. (Blw.).
= Linyphia (Meta) tigrina WA. (C.K.).
Communis ubique.
In silvis, nobis praecipue ad truncos Fagi.
Quoque laetius picta araneola, valde alacris.
L. (Bathyphantes) cristata M. (Th., Cb.).
= decolor, ut et explicata Cb.
Utrecht (de Bildt).
Mihi et filio.
Rara.
Lutei coloris. Maris palpi conferte se toso-pilosi.
L. Mughi Fet. (Cb.).
Gelderland (Wageningsche berg).
Mihi.
Modo in unico specimine feminino.
Secundum Cambridgei opininionem, inter hanc et praecedentem
speciem variat. «Ventre» autem, saltem subtus, non «toto
nigro» (Fickert).
L. luteola Blw.
= alticeps Blw. (non Snd.) et affinis Wst.
Zuid-Holland (inprimis Loosduinen).
Ev. — Lbg. — mihi.
Ibi frequens.
Sub herbis, in sabuletis.
Diu, — ut et etiam monet Cambridge, — mihi pro pullo
bucculentae Clk. habita. Ambarum pictura valde similaris, sed
luteola revera magis «lutescit»; quoque minor est.
L. dorsalis Wd.
= Argus guaternus Wilk. (Th.) et Claytoniae Blw.
182 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Utrecht (Driebergen), Noord-Holland (Valkeveen), Gelderland
(Nijmegen), Drenthe (Veenhuizen).
Dbg. — t.H. — Sx. — mihi.
Rarior.
Pedibus auriantiacis. Abdominis pictura, (saepe quadri-) maculata,
multopere variat. Interdum fere nigricat (var. anthracina Blw.). —
Ne commutes cum pullis Ver. dentatae.
L. nigrina Wst. (non E.S. sub Zusacola).
= pulla Blw.
Zuid-Holland (Haagsche bosch, Wassenaar).
Ev. — mihi et filio.
Non vulgaris.
Processus incurvatus ad partem palpi digitalem (s. tarsalem) ,
superius, Thorellio (Rem. o. Syn.) circumscribitur ut « fishhook-like ».
L. approximata Cb.
Drenthe (Veenhuizen).
Dbg.
Rarissima.
In multis cum praecedente conveniens, Cambridgeo distinguitur:
«by the much larger size of the digital joint and palpal organs ».
L. circumspecta Blw.
= gracilis Blw. (E.S., non Wst.).
Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Brabant.
Bsc. — t.H. — Lbg. — mihi.
Minus rara.
Ad agminum septa et arborum basin, quoque sub quisquiliis.
N.B. Antea habui pro Zerrieold C.K., cum cujus picturà sua
multum convenit.
L. vilis Th.
Utrecht (Zeist).
Mihi et filio.
Rarissima. Duas modo feminas in collectione habeo
IN HOLLANDIA INVENTARUM. 183
Cambridge et Simon dubitant de ejus diversitate a specie
praecedenti.
Confer de illä: Thorell, Diagnoses etc., in Tijdschrift voor
Entomologie, Deel XVIII, blz. 87.
Comparare nequeo, mare, — cujus palpi structura ab hac cireum-
spectae differret, — mihi deficiente.
L. experta Ch.
Zuid-Holland (Gouda), Drenthe (Veenhuizen).
t.H. — Dbg.
Quoque rarissima.
Signa characteristica, — in maris unici (abdomine privati), palpi
bulbo, inferius, — non nisi microscopii usu mihi visibilia.
L. bicolor Blw.
= comata Wd. (Wst.).
Zuid-Holland (Loosduinen, Wassenaar).
Ev. — Lbg. — mihi.
Rara.
In herbis.
Pro mare Widerii cognomen magis significans, propter palpi
fasciculum setarum longarum. Femina, illo major et fortior,
in habitu generali, huic Nerienes rufae Wd. accedere mihi videtur. —
Abdomine, laetiore vel profundiore colore variante, in spiritu
interdum quasi punctato, more Mieryphantis pantherini C.K.
L. concinna Th. (Cb.).
Drenthe.
Dbg.
Rarissima.
Praecedenti multo minor ac magis nigricans. Palpis, setarum serie
quoque comatis. — Pulli his Walek. Hardi subsimilares.
Confer Thorell, Diagnoses etc. citatas, blz. 86.
L. prudens Cb.
Zuid-Holland (Monster, Loosduinen).
Mihi.
184 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
Sed bis capta.
In quisquiliis.
Cephalothorace pulchre flavo; bulbo genitali rufo.
L. parvula Wst.
= Bathyphantes longipes M. (Cb.).
Nescio unde.
Valde rara.
Pedibus solito longioribus. Mas huic eireumspectae non sine ana-
logià, sed absque picturà abdominali.
L. pallida Cb.
Gelderland (Nijmegen).
Fisk
In unico specimine masculino.
Etiam hujus speciei pedes valde longi. Palpi autem multo
pilosiores.
L. decens Cb. (non Th.).
Zuid-Holland (prope Delft).
Lbg.
Rarissima. Sed feminam unicam possideo, aliquantulum mutilatam.
Cambridge solummodo marem, Simon solam feminam describit.
In meo exemplare oculi revera valde parvi. Mediani, tam postici
quam antici, solito magis contigui.
N.B. Simonio inter suos «Erigoninos» citatur, sub Gongylidium ,
alia species ex « Hollandià », sed mihi incognita, Thorellio itidem
«decens» dicta, et Nerieni graminicolae Snd. affinis.
L. concolor Wd.
= Theridium filipes Blw. et Micryphantes grandimanus Ohl.
Gelderland (Nijmegen), Zuid-Holland (Delft, Scheveningen).
t.H. — Lbg. — mihi et filio.
Nec rara, nec vulgaris.
In herbis et sub quisquiliis.
Non solum, ob maris palpos solito majores ac valde complicatos ,
rectissime «grandimanus» vocata est, sed femina quoque valde
IN HOLLANDIÂ INVENTARUM. 185
notabilis propter ejus epigynem perlongam, filiformem et albescen-
tem, — «Epeirae-formem » secundum Bertkauum.
« Maculae dorsales albae», de quibus Menge et Simon, uti excep-
tionales, loquuntur, meis exemplaribus desunt.
N.B. Ad diversa genera, — Stylophora M., — Bathyphantes
E.S., — Diplostylus Emt., — ducta.
L. bucculenta Clk. (Blw.).
= Bolyphantes (C.K.), — Stemonyphantes (M.), — Neriene (Blw.) —
trilineatus (ta) C.K. et lineata L. (E.S.).
Ubique sat communis.
In Graminibus et Ericetaceis.
Cave, ne juniores et pullos ejus habeas pro /wteold, et ne com-
mutes hanc speciem cum frezatá Wd., quae Simonio, — sub nomine
generico Frontina, — pro vera «bvceulentá» Glerckii habetur.
L. clathrata Snd.
= multiguttata Wd. (C.K.) et Neriene marginata Blw.
Vulgaris.
In herbis, prope silvas.
Ventre characteristice guttulis albis picto, nobis non
«duabus» (E.S.), sed pluribus.
L. montana Clk. (non L.).
= resupina d.G. (Wd., C.K.) et Linyphia marginata Blw.
(non C.K.).
Ubique frequens.
Praecedenti valde analoga, sed major et pedibus annulatioribus.
Cur «montana» dicta? Nobis saltem in planis vitam deget, et
quidem quoque prope domos (resupina domestica d.G.), sed extus,
non in illis.
N.B. Hanc speciem, ut et sequentem et praecedentem, cum
nonnullis ex aliis generibus, partim adhuc in vivo, vulneratas, aut
pedibus mutilatis, semel inveni in tubulo arundinaceo (een rietje
eener oude riet-mat), ibi, uti cognitum est, reconditas Sphegidibus
(Trypoxylon, etc.), ad earum pullorum futurorum alimentum!
186 CATALOGUS ARANEARUM, HUCUSQUE
L. triangularis Clk.
= montana L. (WIk., Blw., C.K.), sed diversa a Z. marginatd
C.K. (Wst.), Clerckio etiam sub «triangularis» nomine descriptà.
Fere ubique communis, attamen in Noord- et Zuid-Holland multo
rarior.
In Pinorum, aliorumque silvis, ad frutices et plantas humiles
et in Ericaceteis. |
Cum praecedente ad majores et, haec species, ad pulchrius pictas,
inter nostras Zinyphias, pertinet. Pro maribus, propter illorum
mandibularum magnam differentiam, quoad vigorem, Menge hanc
speciem in duas separavit, scil. macrognatham et micrognatham.
Quoque haec aranea, ut et antecedens, nobis magis silvicolae
(resupina silvestris d.G.), quam «montanae» nomen meretur.
L. pusilla Snd. (non Blw.).
= fuliginea Blw. et pratensis Wd. (Wlk., C.K.).
Fere undique.
Neque rara, nec frequens.
Prope terram, praecipue in silvarum locis humidis.
Contra Sundevallii cognomen, permultae Linyphiae hac specie
«minores » sunt.
Dorsi abdominis pictura pro aetate multum variat.
Maris palpi embolo filiformi, circulari, longissimo notabiles.
L. hortensis Snd.
= pratensis Blw. (non Wd. etc.).
Gelderland (Wageningen), Zuid-Holland (Scheveningsche boschjes
et Haagsche bosch).
Ev. — mihi.
Rarior, sed interdum ultimis locis sat frequens, inprimis tempore
vernali, ad Vaccinw speciem.
Praecedenti, in habitu et picturâ, analoga, sed major, ac, inter
alia, mare hujus embolo characteristico carente.
Marem juniorem cepi abdominis picturam varietatis albieinetae
Cb. prae se ferentem.
IN HOLLANDIÂ INVENTARUM. 187
Nobis nunquam in «hortis» inveni, sed in pratis silvarum.
N.B. Diu, cum Sixio, habui pro Lim. frutetorum C.K., de qua
tamen differt secundum auctores. Confer pro harum praecisa diagnosi
differentiali, Thorell, in Rem. o. Syn. p. 49.
* L. oblonga Cb.
= incerta Cb. et errans Blw., secundum opinionem Campbellii,
in citato Spiders of Hertfordshire p. 264.
Pro mea collectione, Thorell, multis annis praeteritis, hanc
speciem mihi indicavit.
Specimina singula, exsiccatione, deinde totidem deperdita sunt.
N.B. Mirandum, hance speciem, ut videtur in Anglia boreali
frequentem, nobis ceteroquin fere non provenire.
Appendix.
Six, sub Z. eireumflexae nomine, in Catalogo suo, adhuc men-
tionem fecit L. nebulosae Snd. (« Utrecht, non rara»). Suspicor,
hanc suam Linyphiam fuisse leprosam vel minutam. Vera nebulosa, —
(quam, inter alias, benevolentissime mihi dono dedit Henri C.
Young, e Scotià), — mihi saltem nunquam in patrià obvenit.
Genus ERO C.K.
Ovulorum nidulus («cocon ») in hoc genere longe petiolatus
et saepe pulchre, e fusco-rubro, reticulatus.
E. tuberculata d.G. (C.K.).
Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland.
t.H. — Sx. — mihi.
Rara.
Mihi inprimis ad muros, in hortis, capta.
Cum quatuor tuberculis abdominalibus, duobus anterioribus
multo fortioribus.
Corporis longitudo non minor quam in sequentibus (ut pro Gallia
valet.E.S.), sed in nostris exemplaribus, e contra, aliquantulum
major.
188 CATAL. ARANEARUM, HUCUSQUE IN HOLL. INVENTARUM.
E. atomaria C.K.
= Theridium aphane Wik.
Overijssel, Drenthe.
Dbg. — B.d.H.
Etiam rara. |
Quoque cum quatuor tuberculis, sed inter se fere aequalibus.
Nobis praecedenti minor.
N.B. Pro differentià inter hanc et ¢uberculatam confer L. Koch,
in Arachniden von Nürnberg, S. 185.
E. thoracica Wd.
= furcata Vis. et variégata C.K. (Blw.).
Zuid-Holland (Loosduinen, Scheveningen).
Ev. — Lbg. — mihi.
Ibi sat frequens.
Semper prope terram, sub plantis humilibus et in quisquiliis.
Cum duobus tuberculis, minoribus, parum conspicuis, interdum
fere evanidis, uti in #. fammeolä ES.
(Wordt vervolgd).
LANGWERPIGE DEXINEN-VORMEN ,
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
(Hiertoe Plaat 6.)
Onder de vele exotische Dexinen komen eenige vormen voor,
die, althans in de mannelijke sexe, door het bijzonder verlengde
achterlijf in ’t oogvallend afwijken van hetgeen wij bij de Euro-
peesche geslachten van deze Musciden-groep gewoon zijn. Somtijds
is het geheele achterlijf slank en alleen naar het uiteinde iets
smaller (Dexia dives Wied. en gracilis Wied.) of wel het is aan
den wortel ingeknepen (D. petiolata Wied.) ; somtijds ook is de
laatste ring plotseling sterk verdund en tot een staart uitgerekt ,
waardoor men zou wanen eene vrouwelijke vlieg met lange eier-
buis voor zich te hebben (D. anceps Fabr.).
In Wiedemann’s beschrijvingen is die buitengewone gedaante
van het achterlijf meestal omstandig vermeld. Bij de beschrijving
zijner D. petiolata was hij er zelfs zoo door getroffen, dat hij er
aan dacht, of daarin niet eene aanleiding gelegen kon zijn, om
deze soort tot een afzonderlijk geslacht te brengen; doch hij kwam
toen tot het besluit, dat zulks niet noodig was, omdat ook in
andere vliegengeslachten zeer uiteenloopende vormen waren opge-
nomen. Bij den voortgang der wetenschap, — die het aantal be-
kende soorten sterk deed toenemen en de vroegere geslachten tot
groepen en familien verhief, — kon evenwel eene generieke af-
190 LANGWERPIGE DEXINEN-VORMEN,
scheiding niet lang uitblijven. Terecht heeft daarom Macquart be-
grepen, voor D. petiolata een nieuw genus te moeten oprichten ,
dat hij Cordyligaster noemde (Dipt. ex. Il. 3. p. 90). Evenzoo
maakte hij voor Dexia anceps F. een afzonderlijk geslacht onder
den naam van Trichodura (1. c. p. 91). Een derde geslacht, mede
met zeer langwerpig achterlyf, werd zeer onlangs door den heer
Bigot onder den naam van Owydewia beschreven (Bull. Soc. ent.
de France, 1885 p. xxx), met eene nieuwe soort, O. conta-
minata 1). Dexia dives Wied., zoowel als D. gracilis Wied,
waaraan D. diadema Wied. zeer verwant is, — al is van deze
soorten het achterlijf niet zóó sterk verlengd als bij de drie genoemde
genera, — verdienen evenzeer tot afzonderlijke geslachten te worden
gebracht. Voor eerstgenoemde stel ik den naam van Æuantha, voor
de beide laatsten dien van Zeptoda voor.
Al deze Dexinen zijn afkomstig uit Amerika. Cordyligaster
petiolata, Trichodura anceps en Oxydexia acuminata behooren tot
de fauna van Brazilie; de beide eersten komen ook in Suriname
voor. Van Dexia dives, gracilis en diadema (de eerste uit Noord-
Amerika, de tweede zonder vaderland, de laatste uit Brazilie
vermeld) heb ik exemplaren uit Mexico gezien.
Er zijn intusschen nog eenige andere, daaraan min of meer
verwante soorten in de tropische gewesten der oude wereld, die
echter weder zoodanige afwijkingen vertoonen, dat zij niet wel
onder een der bovengenoemde geslachten kunnen worden gerang-
schikt. Een van deze is de merkwaardige Urodexia penicillum ,
door den heer Osten Sacken zeer kenbaar beschreven en afgebeeld
in deel XVIII p. 11—15 der Annali del mus. civ. di stor. nat. di
Genova. Van een paar anderen wensch ik hieronder de beschrijving
en tevens eene afbeelding te geven.
Een beknopt overzicht van de kenmerken, waardoor al deze
langwerpige Dexinen-vormen zich van elkander onderscheiden , moge
voorafgaan.
1) Daar de heer Bigot mij sedert heeft geschreven, genoodzaakt te zijn dit
geslacht weder in te trekken, zal ik het hier verder met stilzwijgen voorbijgaan,
LANGWERPIGE DEXINEN-VORMEN. 191
Achterlijf aan den wortel versmald; (spriet-
borstel kort gevederd ; wangen smal).
Achterlijf niet aan den wortel versmald,
cylindrisch, kegelvormig of naar het
einde smaller wordende, soms over
t geheel dunner dan de thorax . 5
Laatste lijfsring in & staartvormig ver-
lengdy is NRE ae
Laatste lijfsring niet staartvormig ver-
lengd , ofschoon soms dunner dan de
voorgaande ringen. . 2. 2.0 d
Sprietborstel lang gevederd; wangen breed;
middelpooten niet langer dan het voorste
en achterste paar . 3
Sprietborstel naakt; wangen zeer smal;
middelpooten sterk verlengd
Discoidaal-ader aan de ombuiging zonder
aanhangend adertje . . . . . ee
Discoidaal-ader aan de ombuiging met
een aanhangend adertje. . . . #
Achterlijf kegelvormig; laatste ring mer-
kelijk korter dan de voorlaatste ; anus
met gewone borstels. :
Achterlijf naar het eind zeer spits toe-
loopend ; laatste ring ten minste zoo
lang als de voorgaande ; anus penseel-
vormig met borstels bezet .
Vleugels bont geteekend ; spitscel breed
Cordyligaster Macq.
. Trichodura Macq.
. Urodexia O. Sack.
. Leptoda n. g.
Graphia n. g.
Scopa ee - « + Buantha n. g.
Vleugels niet bont geteekend; spitscel
smal geopend; voorhoofd sterk vooruit-
stekend; achterlijf buitengewoon lang
ent RU AMEN? cu . Rhaphis n. g.
192 LANGWERPIGE DEXINEN-VORMEN,
1. Cordyligaster petiolata Wied.
Dexia petiolata, Wied. Auss. Zweifl. II. 374. 10; — Cordyli-
gaster petiolatus, Macq. Dipt. ex. IL. 3. 90. 4. pl. 10 f. 6; —
Megistogaster fuscipennis, Macq. Dipt. ex. suppl. 4. 213. 1. pl. 19
f. 7. — Pl. 6, fig. 1 (d) en 2 (9).
Wiedemann beschreef deze soort naar Braziliaansche exemplaren
uit het Frankforter museum. Toen Macquart voor haar het geslacht
Cordyligaster instelde, voegde hij daarbij eene vrij kennelijke af-
beelding , die naar den vorm des achterlijfs blijkbaar het 9 voor-
stelt, ofschoon de lange klauwen en voetballen aan het & doen
denken. Later heeft Macquart de soort nog eens ontmoet onder
exotische vliegen, die hij van Bigot onder de oogen kreeg, maar,
gelijk hem wel meer gebeurde, haar niet herkend en op nieuw
als Megistogaster fuscipennis beschreven en afgebeeld (Dipt. ex.
supp. 4); zijne afbeelding aldaar (pl. 19 f. 7) toch stelt duidelijk
het d voor van Cordyligaster petiolata. Dat hij daar Java als vaderland
aangeeft , moet op een misverstand berusten , want Schiner ont-
ving indertijd van den heer Bigot typische exemplaren van Megisto-
gaster fuscipennis Macq., wier herkomst van Amazonie op het
etiquet stond aangeduid (zie Schiner, Diptera Novara Reise p. 322,
de noot).
Macquart, die Cordyligaster onder de Dexinen had geplaatst
rangschikte daarentegen Megistogaster ten onrechte onder de Tachi-
ninen. Tot deze onjuiste opvatting werd hij verleid, omdat hij
meende , dat in zijn laatstgenoemd geslacht ook thuis behoorden
eenige exotische Zachina-soorten van Wiedemann, met 7. Beelsebub
aan het hoofd, die door dezen als eene afzonderlijke groep zijn
bijeengevoegd en zich ook door slanke gestalte onderscheiden. Indien
Macquart die Zachina-soorten in natura gekend had, zou hij nim-
mer tot die samenvoeging zijn gekomen, want zij zijn inderdaad
geheel andere vliegen, die wel in vergelijking van de Zchinomyia’s
en dergelijke Tachinen-soorten zeer slank kunnen heeten, maar
LANGWERPIGE DEXINEN-VORMEN. 193
hemelsbreed verschillen van het geslacht Cordyligaster met zijn
uitgerekt en aan den wortel ingeknepen achterlijf 1).
Van Cordyligaster petiolata Wied. bezit ik drie exemplaren (2
mannen en een g) van Suriname, De verlengde pooten, het ader-
beloop der vleugels, de macrocheten des achterlijfs en de gevederde
sprietborstel doen haar aanstonds als eene Dexine kennen; doch
van alle mij bekende geslachten wijkt zij af door het lange en als
’t ware gesteelde achterlijf, dat haar, — gelijk Wiedemann het
uitdrukte, — een ichneumoniden-achtig voorkomen geeft. Het
voorhoofd (zie fig. 3) steekt niet vooruit en is in beide sexen vrij
smal, bij het & echter smaller en vooral naar boven vernauwd;
over de geheele lengte is het, ter wederzijde van den zwarten
middenband, met stevige macrocheten bezet; de wangen en kin-
bakken zijn smal; de naakte oogen daarentegen zijn groot en dalen
tot vrij dicht bij het benedeneinde van den kop af. De sprieten
zijn laag ingewricht, zoodat zij, vooral bij het d, verder van de
kruin dan van den mondrand zijn verwijderd; het tweede lid draagt
van boven een langen borstel; het derde lid is nauwelijks driemaal
zoo lang als het tweede; de sprietborstel is slechts kort gevederd,
aan het verdunde einde niet meer dan behaard. De palpen zijn
zwart en dik. Het achterlijf is zwart behaard , en stevige macrocheten
bevinden zich niet alleen aan het einde van al de ringen, maar
ook op het midden van den tweeden en derden ring; de genitaal-
opening van het d bevindt zich onder aan den laatsten buikring,
een weinig vóór het einde (zie fig. 4). De middeldijen zijn niet
langer dan de achterdijen; de achterschenen zijn aan de basis dun,
maar worden reeds vóór het midden breeder , inzonderheid bij
het d. De vleugels zijn korter dan het achterlijf; de discoidaal-ader
1) De bovenstaande bijzonderheden heb ik reeds voor verscheidene jaren op
eene der vergaderingen van de Entomologische Vereeniging kortelijk behandeld
(zie Tijdschr. v. Ent. XV. Lvir). Voor Tachina Beelsebub en Diabolus werd sedert
door mij het geslacht Orectocera opgericht (Dipt. Sumatra exp. p. 39). Van de
overige soorten, door Wiedemann in deze groep geplaatst, behooren 7. spinipennis
en Iris volgens Schiner tot het genus Mintho, en 7. macilenta tot Phorocera
(zie Schiner 1, c.).
13
194 LANGWERPIGE DEXINEN-VORMEN.
heeft aan de rechthoekige ombuiging een zeer klein aanhangend
adertje 1); de spitsdwarsader is aan hare onderste helft zacht gebogen,
de spitscel een weinig vöör de vleugelspits geopend; de middeldwars-
ader is vóór het midden der schijfeel geplaatst ?); de schijfdwars-
ader is flauw gebogen en op ten minste drie vierden van de lengte
der schijfcel ingewricht.
2. Trichodura anceps Fabr.
Musca anceps, Fabr. Syst. Antl. 296. 62; — Dexia anceps,
Wied. Auss. Zweifl. IL 372. 7; — Trichodura anceps, Macq.
Dip: ex. II: 32.94. pl. dant. A" PISO I)
(kop van het 3) en 8 (einde van het mannelijk achterlijf van onderen).
Van deze soort bezit ik beide sexen uit Suriname. Wiedemann
beschrijft haar zeer duidelijk. Of Macquart haar echter wel gekend
heeft, toen hij voor haar het geslacht Trichodura oprichtte, laat
zich betwijfelen, omdat hij in zijne diagnose, zoowel van het genus
als van de soort, geen enkele bijzonderheid vermeldt, die hij niet
uit de beschrijvingen van Fabricius en Wiedemann heeft kunnen
putten. Dat hij eene afbeelding er bijvoegt (pl. 11 f. 1), is volstrekt
geen bewijs van het tegendeel, want die afbeelding is zoo gebrekkig,
dat niemand de soort er in herkennen zal, en zij draagt de sporen,
van gemaakt te zijn niet naar het dier zelf, maar alleen naar de
voorstelling, die Macquart er zich van maakte bij het lezen van
Wiedemann’s vrij uitvoerige beschrijving.
Zoowel Wiedemann als Fabricius hebben zich in de sexe vergist.
De lange griffelachtige staartspits, waarin het achterlijf van sommige
exemplaren eindigde, maar die aan anderen ontbrak, heeft hen
verleid, de eerstgenoemden ten onrechte voor wijfjes te houden ;
zij verzuimden daarbij te letten op het naar achteren sterk ver-
smalde voorhoofd en op de verlengde klauwen en voetballen , die,
1) In mijne afbeeldingen fig. 1 en 2 is verzuimd dit aan te duiden.
2) In fig. 2 is deze ader door eene fout van den graveur tusschen de radiaal:
en cubitaal-ader, in plaats van tusschen deze en de discoidaal-ader geplaatst.
LANGWERPIGE DEXINEN-VORMEN, 195
in overeenstemming met bijna alle andere Dexinen, duidelijk aan-
toonen, dat men hier met het d te doen heeft. Dat Macquart in
dezelfde fout vervallen is, kan, na hetgeen hierboven is gezegd,
geen verwondering baren; hy gaat echter verder, en wat door
Fabricius «stylus exsertus foeminae» en door Wiedemann «der
lange Griffei der Hinterleibsspitze » genoemd werd, duidt hij stoutweg
als de eierbuis (« oviducte ») van het 9. Eene eierbuis evenwel
zou eene opening aan het einde moeten hebben, en hier is — als
men het achterlijf van onderen beziet, — aan het begin der
staartvormige verlenging eene spleet waar te nemen, waaruit
de mannelijke geslachtsdeelen min of meer te voorschijn treden
(zie fig. 8).
Bij Zr. anceps zijn de oogen naakt en eindigen van onderen
merkelijk boven den onderkant van den kop, zoodat er plaats blijft
voor breede wangen. De sprietborstel is dicht en vrij lang gevederd
(zie fig. 7). Op het achterlijf zijn lange en stevige macrocheten
ingeplant; dergelijke bevinden zich ook op den staart. van het d!
De middelpooten zijn niet buitengewoon verlengd, de achterschenen
van het d aan den wortel bijzonder dun.
3. Urodexia penicillum O. Sack.
Osten Sacken, Ann. del mus. cw. di stor. nat. di Genova, XVII. 11.
Deze soort, van Celebes, heb ik tot dusver nimmer gezien. Ik
ken haar alleen uit de boven aangehaalde, uitvoerige beschrijving,
die met de daaraan toegevoegde houtsnede, een 200 duidelijk denk-
beeld van haar geeft, dat zij voorzeker onmiddellijk herkend zal
worden, als te eeniger tijd een exemplaar onder onze cogen zal
komen. Het beschreven voorwerp was zonder twijfel een d', gelijk
ook door Osten Sacken wordt vermoed; de genitaal-opening onder
aan den staart schijnt overeen te komen met hetgeen ik deswege
hierboven van Zrichodura heb vermeld.
Het onderscheid tusschen de beide, overigens vrij verwante genera
Urodexia en Trichodura heb ik reeds in mijn hier voorafgaand
overzicht, blá. 191, aangegeven.
196 LANGWERPIGE DEXINEN-VORMEN.
4. LEPTODA nov. gen.
van lentos (dun).
Dit geslacht is bestemd, om daarin op te nemen Dexia gracilis
Wied. (Auss. Zweifl. IL 373. 8) en diadema Wied. (1. c. 382. 24),
die ik uit Mexicaansche exemplaren heb leeren kennen, en die
zich van de gewone Deria’s onderscheiden door langwerpiger ge-
stalte, langere sprieten en het gemis der kielvormige verhooging
van het aangezicht. Het is mijn voornemen, later daarop uitvoeriger
terug te komen in het belangrijke werk, dat door de heeren Ducane
Godman en Salvin onder den titel van Biologia Centrali Americana
wordt uitgegeven. Hier moge alleen de volgende diagnose van het
nieuwe genus eene plaats vinden:
Corpus oblongum. Epistoma perpendiculare, in medio inter
fossulas antennales non carinatum; oculi nudi; genae latae;
frons (in 4) postice angustata; macrochetae frontales parvulae,
Antennae elongatae, arista plus minusve plumata; rostrum paullo
exsertum; palpi cylindrici Abdomen conicum; macrochetae in
margine postico sed non in medio segmentorum, in segmentis primis
saepe carentes. Pedes tenues; femora intermedia ceteris longioria.
Calypterae magnae. Curvatura nervi discoidalis absque nervulum
adjacentem; cellula apicalis aperta; nervus transversus discoidalis
nervo transverso apicali propior quam nervo transverso medio.
5. GRAPHIA nov. gen.
van yoagpsiov (penseel).
Dit geslacht is noodig voor eene Dexine van Halmaheira, in
’sRijks Museum te Leiden. Ofschoon slechts een enkel en nog
wel maar tamelijk gaaf voorwerp aanwezig is, kunnen de kenmerken
m. i, voldoende aangegeven worden, als volgt:
Corpus oblongum, subcylindricum. Frons versus verticem angus-
tata (4), serie setarum utrinque simplici; epistoma perpendiculare,
in medio non carinatum; oculi ovali, nudi; genae latae. Antennae
elongatae, tenues; arista dense plumata. Rostrum subporrectum,
apice labiis pilosulis; palpi filiformes. Abdomen conicum, elonga-
tum, segmento 4 brevi, 2 et 3 aeque longis; 4 longiori, in apice
LANGWERPIGE DEXINEN-VORMEN. 197
setis pluribus penicillatis munito, Pedes elongati, simplices; inter-
medii posticis non longiores; ungues et pulvilli breviusculi. Calypterae
magnae. Alae longitudine abdominis; curvatura nervi discoidalis
absque nervulum adjacentem; cellula apicalis paullo ante apicem alae
aperta; nervus transversus discoidalis obliquus, in parte inferiori
valde flexus.
Graphia strigosa nov. spec.
PI. 6, fig. 9, 10 (kop in profiel) en 11 (einde des achterlijfs
van onderen).
Cinerea; thorace fascia media nigra; abdominis segmentis primis
flavis; margine postico nigro, in segmento secundo triangulariter
extendo; antennis, palpis pedibusque nigris; alis fuscescentibus. —
$ long. 16 mm.
Aangezicht en kanten van het voorhoofd zijdeachtig lichtgeel,
de wangen en kinbakken meer zuiver wit, alles met donkergrauwen
of zelfs zwartachtigen weerschijn, aan den mondrand zwart; voor-
hoofd niet vooruitstekend (zie fig. 10); voorhoofdsband zwart, ter
wederzijde over de geheele lengte met eene rij vrij stevige borstels.
Sprieten en palpen zwart; de sprieten bijna tot den mondrand
reikende; het tweede lid van boven met een vrij langen borstel;
het derde lid driemaal zoo lang als het voorgaande; sprietborstel
aan den wortel verdikt , over de geheele lengte lang en fijn ge-
vederd. Thorax lichtgrijs, op den rug geelachtig aschgrauw; van
boven gezien, vertoont zich van voren eene zwarte teekening, die
de witte schoudervlekken omsluit en in ’t midden in een paar
langsstreepjes overgaat, terwijl meer naar achteren een breede zwarte
dwarsband ligt; schildje afgerond driehoekig, zwart, aan het einde
licht aschgrauw. Achterlijf ledergeel, eenigszins doorschijnend; eerste
ring met smallen zwarten achterzoom; tweede en derde ringen met
een dergelijken, maar breederen zoom, die zich op den rug
driehoekig uitbreidt; derde ring aan de basis wit bestoven, even als
de smalle vierde ring, die verder glanzig zwart is en aan het
eind een bundel stevige en lange borstelharen draagt; overigens
198 LANGWERPIGE DEXINEN-VORMEN,
slechts eenige macrocheten ter zijde aan den achterrand der ringen;
aan de onderzijde van den vierden ring, niet ver van den wortel,
vertoont zich de genitaal-opening (zie fig. 11). — Pooten zwart;
middenpaar niet langer dan het achterpaar; borstels der pooten
zwak en onbeduidend; klauwen en voetballen niet verlengd. —
Vleugelschubben groot, vuilwit. Vleugels met eenige bruine
tint en vooral de langsaderen bruinachtig gezoomd; ombuiging
der discoidaal-ader dicht bij den achterrand, met stompen, iets
afgeronden hoek en zonder aanhangend adertje 1); spitsdwarsader
aan het einde zacht gebogen; middeldwarsader een weinig voorbij
het midden der schijfeel; schijfdwarsader voorbij het midden der
spitscel, zeer scheef en van onderen sterk gebogen.
Een enkel exemplaar van Zuid-Halmaheira (Bernstein) in het
Leidsche Museum. Wegens het smalle voorhoofd en de spleet onder
aan den vierden lijfsring, houd ik het voor een &, niettegenstaande
de korte klauwen en voetballen aan de tarsen.
6. EUANTHA nov. gen.
van svar9ys (bontkleurig).
Voor Dexia dives Wied. (Auss. Zweifl. II. 377. 15), waarmede
Sericocera pictipennis Macq. (Dipt. exot. II. 3. 67. 1. pl. 7 f. 5)
synoniem is, wordt dit geslacht voorgesteld. Het onderscheidt zich
door de volgende kenmerken:
Corpus elongatum cylindricum. Frons (in d) postice angustata,
serie setarum utrinque simplici; epistoma perpendiculare, in medio
subcarinatum; oculi nudi; genae latae. Antennae epistomate breviores,
arista dense plumata. Rostrum paullo exsertum, labiis apicalibus
hamiformibus; palpi tenues, cylindrici. Thorax macrochetis pluribus.
Abdomen cylindricum, macrochetis in segmentorum medio et
margine postico. Pedes elongati sed non graciles; tarsorum ungues
et pulvilli breves (3). Calypterae magnae, rotundatae. Alae abdomine
longiores, versicolores; cellula apicalis valde aperta; curvatura nervi
discoidalis nervulo parvo adjacente munita.
1) In mijne afbeelding Pl. 6 fig. 9 is die ombuiging geheel ten onrechte
voorgesteld met een scherpen hoek en met een aanhangend adertje.
LANGWERPIGE DEXINEN-VORMEN. 199
Daar zich van bovengemelde, uitnemend fraaie soort een exem-
plaar bevindt onder de Mexicaansche vliegen, mij door de heeren
Godman en Salvin ter bearbeiding toevertrouwd, zal ik mij hier
tot deze diagnose bepalen, om later uitvoeriger op haar terug te
komen.
7. RHAPHIS nov. gen.
van oapis (naald).
Corpus cylindricum, valde elongatum. Frons prominens, versus
verticem angustata, serie setarum utrinque simplici; epistoma
retractum, in medio non carinatum. Oculi ovales, nudi; genae
latae. Antennae tenues; arista plumata. Rostrum parvum; palpi
filiformes. Abdomen pilosulum, gracile, thorace quadruplo longiore;
macrochetae vix perspicuae. Pedes nudiusculi, elongati; intermedii
ceteris longiores; ungues et pulvilli breves. Alae abdomine multo
breviores; curvatura nervi discoidalis nervulo adjacente parvo munita;
cellula apicalis prope alarum apicem aperta.
Van buitengewoon langwerpige en slanke gestalte. Voorhoofd
vooruitstekend (fig. 13), naar achteren versmald ; voorhoofdsborstels
niet zeer stevig, op eene rij ter wederzijde van den middelband;
aangezicht terugwijkend, naakt, in 't midden zonder kielvormige
verhooging; mondrand met slechts twee zwakke borstels. Oogen
naakt, ovaal; wangen en kinbakken breed. Sprieten dun; het
derde lid ongeveer driemaal zoo lang als het tweede; sprietborstel
lang gevederd. Zuiger klein, bijna niet uitstekend; palpen draad-
vormig. Thorax in de zijden en schildje aan den achterrand met
macrocheten. Achterlijf kort behaard, zeer lang gerekt, meer dan
viermaal ter lengte van den thorax, cylindrisch, naar het eind
dunner; de eerste ringen ongeveer even lang, de vierde langer;
maerocheten zeer kort en zwak, alleen aan het eind der middelste
ringen; genitaal-opening onder aan den wortel van den vierden ring
(fig. 14). — Pooten en vooral de tarsen lang; middelpooten langer dan
de overige; borstels der pooten zeer onbeduidend; klauwen en voet-
ballen kort. — Onderste vleugelschubben groot, bijna cirkelrond;
de bovenste merkelijk kleiner. — Vleugels kort, niet langer dan
200 LANGWERPIGE DEXINEN-VORMEN.
de beide eerste lijfsringen; ombuiging der discoidaal-ader scherp-
hoekig, met een klein aanhangend adertje, dicht aan den achter-
rand; spitscel even vöör de vleugelspits met nauwe opening,
Rhaphis elongata nov. spec.
Pl. 6, fig. 12, 13 (kop in profiel) en 14 (einde des achterlijfs
van onderen).
Cinerea; capite albo-sericeo; vitta frontali, antennis palpisque
nigris; thorace vittis quatuor fuscis; abdomine testaceo, segmento-
rum margine postico nigro; pedibus rufis, tarsis nigris; alis dilute
fuscis, costa obscuriori. — 4? long. 26 mm.
Kop zijdeachtig wit met donkergrauwen weerschijn; voorhoofds-
band zwart, naar achteren spits toeloopend. Sprieten korter dan
het aangezicht, zwart, aan de binnenzijde lichter; tweede lid een
weinig opgehoogd, van boven met een vrij stevigen borstel; derde
lid slank; sprietborstel aan de wortelhelft verdikt, over de geheele
lengte lang en dicht gevederd. Palpen zwart. — Thorax aschgrauw,
vóór den dwarsnaad vier zwartachtige strepen, de beide middelsten
dun en ver van elkander; in de zijden eenige stevige borstels;
schildje aschgrauw, aan den achterrand met borstels. Achterlijt
bruingeel, met flauwen glans en zwarte beharing; eerste ring met
smallen zwarten achterzoom en min of meer een zwarten rugband;
de tweede en derde ringen met zwarten achterzoom, die ongeveer
een derde der lengte inneemt; de tweede en volgende ringen aan
de basis met witte bestuiving. — Pooten kaneelkleurig; de heupen
aschgrauw, de tarsen zwart. — Vleugelschubben en vleugels met
bruinachtige tint; de voorrand der vleugels donker geelbruin;
middeldwarsader op het midden der schijfcel; spitsdwarsader boog-
vormig; schijfdwarsader op drie vijfden der spitscel, dubbel gebogen.
Een exemplaar van Ceylon in mijne collectie. Wegens het naar
achteren zeer smalle voorhoofd en de genitaal-opening onder aan
den wortel van den vierden lijfsring (fig. 14), houd ik dit voorwerp
voor een d, ofschoon de korte klauwen en voetballen dit schijnen
te weers preken.
SYNONYMISCHE AANTEEKENINGEN,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
4 2
Eene vlindersoort van het Amoer-gebied, welke Dr. Staudinger
verzuimd heeft in zijn laatsten Catalogus der Lepidopteren des
europäischen Faunengebiets op te nemen, is Chalcosia caudata Bremer,
Lepidopteren Ost-Sibiriens p. 97, pl. vum, £ 8 (1864). Ik heb
hierop dan ook in mijne aanteekeningen op dien Catalogus ge-
wezen, zie Tijdschrift voor Entomologie, XVI (1873), p. 46.
Later is het mij intusschen gebleken, dat deze soort reeds vroeger
onder een anderen naam was bekend gemaakt. Zij is de Ayalope
Westwoodii van Snellen van Vollenhoven, Tijdschrift voor Ento-
mologie, VI, p. 136, pl. x, f. 3 (1863). Deze naam is een jaar
ouder dan die van Bremer en heeft dus de prioriteit. De West-
woodii van Snellen van Vollenhoven was uit Japan.
Nog een synoniem voor deze soort is Hleysma translucida Butler
(Trans. Ent. Soe. of London 1881, p. 4), mede uit Japan. Butler’s
generieke naam kan voor deze soort te pas komen, want eene echte
Chalcosia is zij niet. Dit blijkt duidelijk uit den vorm der achter-
vleugels, die bij Chalcosia afgerond zijn. Ook behoort zij niet tot
het genus Agalope, door Walker gevormd voor zijne Basalis, af-
gebeeld bij Moore, Cat. of the Lep. of the E. LG, II, pl. 8a, f. 5.
202 SYNONYMISCHE AANTEEKENINGEN.
2.
In de verschillende werken over Lepidoptera dwalen eenige soorten
rond, welke, door de oudere schrijvers gepubliceerd, later niet
meer gevonden werden, en daar de familie, waartoe zij behooren,
uit de beschrijving of afbeelding niet wel op te maken is, nu eens
in de eene en dan eens in de andere werden geplaatst. Ik ben
zoo gelukkig, althans wat eene dier soorten betreft, iets tot op-
heldering te kunnen bijdragen. Het is de door Cramer, Uvti.
Kapellen, II, p. 26, pl. 113 F, bekend gemaakte Phalaena Hilaria,
volgens hem uit Suriname, en eene Geometride, waaraan de af-
beelding dan ook dadelijk doet denken.
Guenée kende het dier niet, doch zegt, Uranides et Phalénites 1,
p. 391, dat het waarschijnlijk tot zijn genus Ophthalmophora behoort.
Ik ontving voor eenige weken een mannelijk voorwerp ter deter-
minatie, dat van Amboina afkomstig was, dus niet uit Suriname,
zooals Cramer opgeeft. Dit mag ons niet verwonderen, want het
is bekend, dat de oudere schrijvers in de opgave van het vaderland
hunner soorten dikwijls fouten maakten. Oost-Indie is dus wel
het echte vaderland van Milaria. Verder behoort de vlinder tot de
Noctuina en is na verwant aan mijne Mpizeuwis? tenupalpis,
Tijdschrift voor Entomologie, XXIII (1879-80), p. 130; XXIV
(1880-81), pl. 7, f. 1, van Gelebes. Beiden moeten later van
Epizeuxis worden afgescheiden en in één genus worden geplaatst.
Zij verschillen specifiek door de kleur der achtervleugels en door
den, bij Zenwipalpis ontbrekenden, gebogen witten dwarsband der
voorvleugels van Hilaria. Voor de generieke kenmerken, die hier
in aanmerking kunnen komen, zie men mijne beschrijving van
eerstgenoemde soort.
Deze Hilaria Cramer is overigens dezelfde soort als Phalaena
punctigera Linn., Syst. Nat. Ed. X, p. 599; id. Mus. Lud. Utr.
p. 380; id. Syst. Nat. Ed. XII, p. 812. — Clerck, Zcones Ins. II,
p. 50, fig. 3. — Linné’s exemplaar, waarschijnlijk ook het door
Clerck afgebeelde, was uit Indie. Hij noemt de achtervleugels wit,
doch dit kwam wellicht door verkleuring. Zie ook Aurivillius,
Recensio critica Lep. Muser Lud. Ulr., p. 155.
SYNONYMISCHE AANTEEKENINGEN. 203
Hübner plaatst in zijn « Verzeichniss” Punctigera L. (Hilaria
Cram.) in zijn genus Ophthalmis te zamen met Lincea Cram., III,
pl. 228 B (Eene Agaristide!) en met Phedonia Cram., IV, pl. 347 C,
die wellicht aan Arctia verwant is. Fraaie bijeenvoeging!
3.
Tortria subrufana Snellen, Tijdschrift voor Entomologie, XXVI
(1883), p. 187 pl. 11, fig. 3, 3a, is Tortrie ingentana Christoph,
Bulletin de la Soc. imp. des natur. de Moscou 1881, p. 64.
4.
Grapholitha (Semasia) lignana Snellen, Tijdschrift voor Ento-
mologie, XXVI (1883), p. 205, pl. 12, fig. 5, 5a, is Grapholitha
Messingiana Fisch. von Rössl. (Staud. en Wocke, Catalogus, p. 256,
n°. 1111), en dus van Noord-Duitschland tot in Siberie (Irkutsk)
verbreid. Mijne Siberische voorwerpen zijn kleiner en grauwer,
ook scherper geteekend dan Hongaarsche, doch verschillen stellig
niet specifiek.
5.
Lithocolletis caudiferella Ragonot, Ann. Soc. Ent. de France 1875,
Bulletin, p. 74; id. p. 445, pl. 6, f. 11, is Lith. scitulella
Zeller (Staud. en Wocke, Catalogus, p. 331 nl. 2872).
: DETERMINATIE
DER
EXOTISCHE LEPIDOPTERA,
afgebeeld in ROSEL, Insectenbelustigung
EN
KLEEMANN’S vervolg,
DOOR
P. C. T. SNELLEN,
De Europeesche Lepidoptera in dit bekende werk over de in-
secten zijn meermalen besproken en gedetermineerd, o. a. door
Metzner, Stett. Ent. Zeit. 1843, door de Graaf en Herklots,
Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland, 1, p. 112 en in
Werneburg, Beiträge zur Schmetterlingskunde; doch de vlinders
uit andere werelddeelen, door Rösel en Kleemann afgebeeld, heeft
niemand ooit opzettelijk besproken, hoewel de figuren zeer goed
zijn en Linnaeus ze gedeeltelijk aanhaalt. Ik geloof dus geen over-
bodig werk te verrichten door mijne determinatie hier mede te
deelen, vooral daar Rösel en Kleemann in Kirby’s Catalogus der
Dagvlinders niet geciteerd worden.
Deel III.
p. 49 enz. Tab. VII—IX. De Zijdeworm. Bombyx Mori L.
Deel IV.
p. 18, Tab. II, fig. 1. — Colaenis Phaerusa L.
» 19, » II, » 2 — Papilio Aeneas L.
EXOTISCHE LEPIDOPTERA IN RÖSEL EN KLEEMANN. 205
De achterrand der achtervleugels is in de cellen, tusschen de
aderen, niet wit afgebeeld. Dit is waarschijnlijk een verzuim, ot
de vlinder was niet gaaf.
p. 20, Tab. II, fig. 3. — Thyridia Psidü L.
De vlinder is aan de onderzijde afgebeeld. Ik merk hier nog
op, dat Papilio Psidii Cram., III, pl. 257 F, niet de Linné’sche
soort is, maar Methona confusa Butler.
p. 20, Tab. III, fig. 4. — Tertas Elathea Cram.
Het is de varieteit, waarbij de zwarte binnenrandsstreep der
voorvleugels den zwarten achterrand niet bereikt.
p. 21, Tab. III, fig. 5. — Callidryas Philea L.
» 21, » HI, » 6. — Heliconia Melpomene L.
De achtervleugels zijn hoekig afgebeeld; misschien waren zij bij
het origineel wel met de schaar aldus besneden.
.p- 22, Tab. III, fig. 7. — Helicopis Cupido L.
» 34, » V, » 1. — Helconia Ricini L.
» 35, » V, » 2 — Mechanitis Polymnia L.
Dat het vaderland van dezen vlinder niet China is, zooals Kleemann
in eene aanteekening op de beschrijving zegt, behoeft wel nauwelijks
meer opgemerkt te worden.
p. 39, Tab. VI, fig. 1. — Papilio Sarpedon L.
Dit is niet de Javaansche varieteit, die veel kleiner is. Van
waar het voorwerp afkomstig is, zegt Rôsel niet.
p. 40, Tab. VI, fig. 2. — Junonia Orithya L. mas.
Résel beeldt de varieteit af, waar, evenals op Cramer, IV
9
pl. 290 A, de lichte teekening der voorvleugelpunt roodachtig wit is.
p. 41, Tab. VI, fig, 3. — Hazis Militaris L.
De achtervleugels zijn bijna zoo sterk geteekend als bij H. Bello-
naria Guen. (Subrepleta Butler, Illust. 1, p. 57, pl. 14, f. 4).
Kleemann’s vervolg op Résel.
1, Tab, I, fig. 4. — Danais Eresimus Cram.
5, » I, » 2,3 — Papilio Erithonius Cram,
206 EXOTISCHE LEPIDOPTERA IN RUSEL EN KLEEMANN,
Het geel der vlekken is vrij donker van tint.
p. 9, Tab. II, fig. 4. — Cydimon Leilus L.
» 13, » II, » 2, 3. — Papiho Polytes L.
Deze afbeelding stelt het Chineesche ras voor.
p. 15, Tab. III, fig. 1, 2. — Junonia Oenone L.
» 19, » II, » 3 —-Preris Monuste L.
Het wit van dezen vlinder is onjuist van tint en moest, zooals
het ook in den tekst is beschreven, eenigszins geelachtig zijn.
Pieris Monuste komt in Noord- en Zuid-Amerika voor.
p. 20, Tab. IV, fig. 1, 2. — Brassolis Sophorae L.
De hier voorgestelde vlinder verschilt van Cramer’s afbeelding
van Sophorae, III, pl. 253 A, C, door de aanwezigheid van witte
vlekjes in de voorvleugelpunt. Ook heeft de onderzijde op de achter-
vleugels, trouwens even als die bij Cramer, slechts twee oogvlekken.
Linnaeus (Syst. Nat. Ed. XII, I, 2, p. 767) vermeldt in zijne
diagnose evenmin de witte vlekjes, maar geeft drie oogvlekken
voor de achtervleugels op.
p. 22, Tab. IV, fig. 3. — Callidryas Eubule L. 8.
» 25, » V, » 1, 2. — Thecla Marsyas L.
» 27, » V, » 3,4 — Junonia Asterie L.
» 33, D» VI mA 2,340. Beers Piana ali
De grondkleur der vleugels is te bruin. Fig. 4 stelt een ge-
deelte van een’ ontschubden vleugel van Vanessa Io voor; fig. 5
een stuk van een’ libellen-vleugel, beiden vergroot.
p. 41, Tab. VII, fig. 1, 2. — Papilio Androgeos Cram.
Stelt den & voor (Pylocaon Cram., HI, Tab. 203 A, B).
p. 43, Tab. VII, fig. 3, 4. — Theela Echion L.
Deze afbeelding stelt het wijfje voor. Voor die van den 4, zie
men Crolus Cram., IV, Tab. 333, G.H.
p. 44, Tab. VII, fig. 1, 2 — Papilio Androgeos Cram. g.
Stelt eene varieteit voor, zonder gelen dwarsband der voorvleugels.
DE ENTOMOLOGISCHE INHOUD
VAN DE
BIJDRAGEN TOT DE NATUURKUNDIGE WETENSCHAPPEN,
VERZAMELD DOOR
H. C. VAN HALL, W. VROLIK EN G. J. MULDER,
7 Deelen.
(1826— 1832.)
Amsterdam, ERVEN H. GARTMAN.
Eenigen tijd geleden in de bovengenoemde « Bijdragen » bladerende,
kwam het mij voor, dat het voor de lezers van ons Tijdschrift
eenig nut kan hebben, wanneer ik hier kortelijk vermeld, wat er
over Entomologie in voorkomt. Dit kan hun de moeite besparen , om
de 7 deelen waaruit de Bijdragen bestaan zelf na te zien, en tevens tot
een bewijs strekken, hoe weinig in die dagen onze wetenschap in
Nederland beoefend werd; want het is niet veel wat wij over
insecten in de gemelde verzameling der drie beroemde geleerden
aantreffen, en toch mag het niet over het hoofd worden gezien.
Ik begin met:
Deel I (1826).
p. 333—352.
» 431—449 (vervolg en slot).
J. van der Hoeven, (Professor), Systematische Beschrijving van
eenige Insecten van Noord-Nederland.
Hier heeft de Hoogleeraar ten doel, ons eene beschrijving te
geven van eenige insecten-(soorten), die niet voorkomen in de
208 ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER BIJDRAGEN
naamlijst, welke in 4825 door Bennet en van Olivier was uitge-
geven. Die insecten behooren tot de allergemeenste soorten ; niettemin
worden de, deels door den heer Gijsberti Hodenpijl te Rotterdam
geleverde, bijdragen tot de kennis der entomologische fauna van
ons land met den naam van crijke» bestempeld; wel een bewijs,
hoe ras men toen tevreden was. Wat de beschrijvingen aangaat,
zoo wil ik alleen een oordeel vellen over die der Lepidoptera.
In het eerste gedeelte worden vermeld:
1 Chelifer, 1 Lepisma, 33 Coleoptera en 2 Orthoptera, terwijl
in het tweede gedeelte voorkomen:
5 Neuroptera, 20 Hymenoptera, 5 Lepidoptera en 5 Diptera.
De Lepidoptera zijn de volgende:
A Nymphalis Euphrosine (L). De Nimfkapel-Euphrosine.
Deze soort zou bij Wassenaar gevangen zijn. Hoe kort de zoo-
genaamde systematische beschrijving ook zij (14 regel in het Latijn
met de letterlijke vertaling in het Nederlandsch), slaat zij onder
de kleine soorten van Argynnis alleen op Euphrosyne Linn. (zoo
schrijft Linnaeus den naam in het Syst. Nat. Ed. X en XII).
Zij is trouwens woordelijk van hem overgenomen, hoewel — vreemd
genoeg — Fabricius vóór Linnaeus als auteur genoemd wordt. Ik
geloof echter dat de soort, die Gijsberti Hodenpijl had gevangen,
Selene Wien. Verz. was, want wel deze, maar niet Huphrosyne
kennen wij uit de Hollandsche duinstreken, die sedert 1826 door
ijverige verzamelaars zóó doorsnuffeld zijn, dat wij gerust kunnen
aannemen, dat Huphrosyne daar niet voorkomt.
2 Botys farinalis (L.) De Meel-Botys.
Hier is de diagnose van Fabricius, welke inderdaad veel juister
is dan die van Linnaeus, als systematische beschrijving gebezigd.
Die systematische beschrijvingen zullen den hoogleeraar wel niet
veel hoofdbrekens hebben gekost, en toch is de naam «schimmel-
grauw» voor de kleur van grondstuk en punt der voorvleugels
van onze Asopia farinalis niet zeer juist. Zij had paarsbruin
moeten heeten.
TOT DE NATUURKUNDIGE WETENSCHAPPEN, 209
3. Botys verticalis (L.). De loodrechte Botys.
Deze soort, wier Nederlandsche naam, door het streven om bij -
de vertaling zoo na mogelijk bij de beteekenis van den Latijnschen
te blijven, al zeer vermakelijk luidt, is niet Verticalis L., maar
fturalis Scop., wat uit het citaat van Rösel I, 4de CL, Tab. 4
blijkt, alsook uit de mededeeling dat hare rups op brandnetel leeft
en dat zij bij Rotterdam niet zeldzaam is. Die van /ertiealis L. is
op distels gevonden en in Nederland zeer ongewoon.
Euryereon verticalis en Botys ruralis werden vroeger dikwijls
verward, doch zooals o. a. Guenée, Deltoides et Pyralites p. 386,
opmerkt, passen de beschrijvingen van Verticalis Linnaeus niet
op de gemeene Botys van de brandnetels, maar op de veel zeld-
zamere Kurycreon.
Prof. van der Hoeven heeft de diagnose van Linnaeus onver-
anderd overgenomen en vertaalt die als volgt: Botys met onbe-
haarde(!), bleekkleurige(!), flauw gebandeerde, van boven (voor
«subtus ») zwartbruin gegolfde vleugels.
Bij Ruralis zijn de vleugels op de onderzijde niet met zwart-
bruine maar met grijze dwarsstrepen geteekend.
4. Noctua Typice (= Typiea) L. Letterstreep-Nachtuil (!).
Wel onze Naenia Typica, hoewel de kleur der achtervleugels ten
onrechte blauwachtig grijs wordt genoemd.
Deze zeldzaamheid was bij Rotterdam slechts éénmaal gevonden.
5. Pterophorus hexadactylus (Fabr.) (hewadactyla L.). Zesvin-
gerige Spleetvleugel.
Wel Alueita hexadactyla Linn., hoewel de beschrijving zoowat
op al de Europeesche soorten van het genus Alueita past.
Deze systematische beschrijvingen zijn niet voortgezet, hoewel
Prof. van der Hoeven zeide er het voornemen toe te hebben.
Verder treft men in dit deel de volgende Boekbeschouwingen aan:
Boekbeschouwing (afzonderlijk gepagineerd).
p. 43, door W. de Haan, van: J. J. Hagenbach, Mormolyce ,
novum Coleopterorum genus, Nörimbergae apud J. Sturm.
1825, 8vo, cum tabula.
14
310 ANTOMOLOGISOHE INHOUD DER BIJDRAGEN
Dit werkje bevat de beschrijving der merkwaardige Mormolyce
Phyllodes, eene Carabicine. De heer de Haan slaat voor, om voor
dezen kever eene nieuwe subfamilie onder de Carabicinen te vormen ,
die hij Mormolycida noemt en wel om de zeer lange sprieten en
dekschilden.
Men vindt in deze aankondiging ook eene korte mededeeling
omtrent J. J. Hagenbach.
p. 45, door denzelfden, van: P. L. van der Linden, Monogra-
phiae Libellulinarum Europaearum Specimen. Bruxellis,
apud J. Frank. 1825.
In deze boekbeschouwing wordt door den heer de Haan ook nog
een nieuw genus voorgeslagen en gekarakteriseerd (Lindenia) voor
alle Aeschnae met van elkander verwijderde oogen en een breed lijf.
Verder een tweede onder den naam Macrosoma voor de soorten
van Agrion met een lijf dat anderhalf of tweemaal zoo lang is als
de vleugels. Ik weet niet of op deze genera van de Haan wel
genoeg acht is geslagen. In de Bouwstoffen voor eene Fauna van
Nederland wordt er ten ninste niet van gerept en ook het werk
van van der Linden niet genoemd.
Intusschen moet ik opmerken dat Hübner den naam Macrosoma
reeds vroeger (1818) voor een vlinder-genus heeft gebezigd.
p. 92, door denzelfden, van: W. S. Macleay, Annulosa Ja-
vanica, ete. London, Kingsbury, 1825.
Dit werk handelt over de Javaansche insecten door Dr. Horsfield
verzameld, en wel over een gedeelte der Coleoptera.
p. 102, door denzelfden, van: Dejean, Species général des
Coléoptères de la collection de Mr. le Comte Dejean. 1.
Paris, Chevrot, 1825.
Deel IT (1827).
p. 125—149, W. de Haan, Vergelijking tusschen de tast-
kauw- en bewegingsorganen der Gelede dieren.
p. 273—284, J. van der Hoeven, Over het vleugelhaakje bij
de avond- en nachtvlinders. (Lepidoptera crepuscularia et
nocturna). Hierbij Plaat IIL |
TOT DE NATUURKUNDIGE WETENSCHAPPEN, 211
Prof. van der Hoeven bespreekt de literatuur over dit orgaan,
zijn bouw en de waarde er van voor de systematiek, en merkt
op, dat hem niet één kenmerk bekend is, waardoor men de
dagvlinders van de avond- en nachtvlinders kan scheiden. Zulk
een uitsluitend kenmerk is ook sedert de Hoogleeraar dit schreef,
niet bekend geworden, en daarom is het beter den naam « Dag-
vlinders» als wetenschappelijke benaming te laten vallen en door
dien van Rhopalocera te vervangen met de vereenigde kenmerken:
«de sprieten geknopt; geen vleugelhaakje of bijoogen. » Het
genus Zuschemon verban ik dus naar de Heterocera, evenzoo de
Uranidae.
Deel III (1828).
p. 335—339, J. van der Hoeven, Over een nieuw kenmerk
om het geslacht Libellula van Aeshna te onderscheiden.
(met Plaat III).
Ook hier spreekt de Hoogleeraar van de genera Macrosoma en
Lindenia de Haan.
En in de Boekbeschouwing :
p. 220, J. van der Hoeven, over: Considérations générales
sur Vanatomie comparée des animaux articulés par H.
Strauss-Dürckheim. Paris et Strasbourg. 1828.
Deel IV (1829).
Bevat alleen de volgende Boekbeschouwingen:
p. 182, W. Vrolik, over: Æssai sur les insectes de Java et
des les voisines, par P. L. van der Linden. Bruxelles,
1829. Ato.
Dit werk bevat de beschrijvingen van eenige nieuwe soorten van
Oost-Indische Coleoptera.
p. 183, H. C. van Hall, over: Natuurlijke Historie van
Surinaamsche vlinders, Xe en Ile aflevering. Amsterdam,
bij J. GC. Sepp en zoon. 1829. Ato.
Wij zien uit deze aankondiging, dat de uitgave van dit werk
reeds in 1829 begon. Ik wil hierop nog uitdrukkelijk wijzen,
212 ENT. INHOUD DER BIJDR. TOT DE NAT. WETENSCH,
omdat zoowel Kirby, in zijn uitmuntenden Synonymic Catalogue
of Diurnal Lepidoptera, als Möschler, die eene beschouwing over
Sepp’s werk geeft in de Stettiner Ent. Zeitung, 1878, p. 424,
beiden als jaar der uitgave 1848—1852 noemen, terwijl zij inder-
daad reeds 19 jaren vroeger begon. Niet alleen Prof. van Hall,
maar, wat van meer belang mag heeten, omdat hij een zeer kundig
Lepidopteroloog is, ook Möschler, spreekt met lof van dit werk.
Deel V (1830).
p. 94102, J. van der Hoeven, Aanteekeningen over het in-
wendige maaksel des Veenmols.
p. 114—119, A. J. d'Ailly. De haren der Processie-rupsen
niet altijd even gevaarlijk.
Waarschijnlijk zijn dikwijls de berichten over de schadelijkheid
van de haren dezer rupsen zeer overdreven. De heer d’Ailly had
Bombyx Processionea bij Nijmegen gevonden, en in eene noot van
Prof. van Hall lezen wij dat hij haar ook bij Vianen had aange-
troffen.
Boekbeschouwing :
p. 448—119, H. CG. van Hall, over: Natuurlijke Historie
van Surinaamsche vlinders, Ule en IVe aflevering. 1830.
Zie boven.
Deel VII (1832).
p. 194, H. C. van Hall. Korte aankondiging der Ve aflevering
van Sepp’s Surinaamsche vlinders. Aflevering 1—5 be-
vatten volgens deze opgaven 20 platen.
P. C. T. SNELLEN.
OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN,
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
(Hiertoe Plaat 7).
I. CAMPYLOCERA Macq.
In het Tijdschrift voor Entomologie, dl. XXIII, bl. 189 en 190,
heb ik, onder den naam van Campylocera myopina en robusta,
een paar Javaansche soorten beschreven, die mij voorkwamen in
de generieke kenmerken wel overeen te komen met de Afrikaansche
C. ferruginea, door Macquart (Dipt. ex. II. 3. 220. pl. 30 f. 1)
beschreven en afgebeeld. Sedert heb ik nog een viertal andere
soorten leeren kennen, en wel twee van Java en twee uit Afrika.
Onder deze laatste soorten bevindt zich een, die ik meen voor de
bovengenoemde C. ferruginea te moeten houden.
Macquart heeft het genus Campylocera ten onrechte onder de
Trypetinen geplaatst. Door het niet met borstels bezette voorhoofd
en de schuin in den voorrand uitloopende, tot het einde duidelijke
hulpader, behoort het tot de Ortalinen. Het ontbreken der bij-
oogen, de schuin vooruitstekende sprieten, het naar beneden om-
gebogen achterlijf en de groote, meestal gewelfde eierbuis geven
het daar eene plaats in: de ondergroep der Pyrgotinen. De ver-
schillende soorten, die ik ken, — waarschijnlijk zullen er later
nog wel meer ontdekt worden, — komen in de volgende ken-
merken overeen.
214 OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN.
Voorhoofd zonder borstels, dikwijls echter met korte beharing ,
in beide sexen breed, van voren een weinig vooruitstekend ; op
den schedel meestal ter wederzijde een paar lange borstels; aan-
gezicht naakt, terugwijkend, in ’t midden met eene breede groef,
die ter wederzijde door eene kielvormige langsrib wordt begrensd ;
mondrand zonder borstels; mondopening zoowel als de zuigsnuit
matig groot; clypeus weinig ontwikkeld; palpen bij sommige soorten
dik; oogen ovaal, kinbakken niet zeer breed. Sprieten schuin
vooruitstekend; het tweede lid langer dan het eerste; het derde
ovaal of langwerpig, met naakten of bijna naakten rugborstel. —
Thorax met enkele borstels in de zijden; schildje aan den achter-
rand gewoonlijk met eenige borstels; achterrug goed ontwikkeld, —
Achterlijf in den regel naar onderen omgebogen, bij het d met
vier ringen, de eerste verlengd, de volgende iets korter; bij het
g met vijf ringen, de eerste zeer lang, de volgende veel korter
en ineengeschoven; eierbuis meestal bijzonder groot en min of meer
gewelfd. — Pooten stevig; de voorste schenen met kleine eind-
sporen. — Vleugelschubben klein. — Vleugels langer dan het
achterlijf; hulpader schuin in den voorrand uitloopende ; mediastinaal-
cel langwerpig; radiaal-ader ongevorkt; discoidaal-ader ter plaatse
waar de schijfdwarsader is ingewricht, opgebogen; onderste wortelcel
in eene korte punt uitgerekt.
Löw (Monographs of the Dipt. of N. Amer. NI. p. 35) rekent
de volgende geslachten tot de Pyrgotinen: Pyrgota Wied. , Ada-
psilia Waga, Toœura Macq., Hypotyphla Löw, Toxotrypana Gerst. ,
Sphenoprosopa Löw (= Heterogaster Macq.), Dichromyia Rob. D.
(type: Tetanops sanguiniceps Wied.) en Bromophila Löw (type:
Dichromyia caffra Macq.). Van Pyrgota, Adapsilia en Hypotyphla
onderscheidt Campylocera zich door minder scherp vooruitstekend
voorhoofd, waardoor de kop in profiel niet driehoekig is; van
Dichromyia en Bromophila door een meer verlengd eindlid der
sprieten en door grootere, langwerpiger, lager afdalende oogen;
van Torura ook door laatstgemeld kenmerk; van Sphenoprosopa
door minder dicht bijeengeplaatste dwarsaderen; van Toxotrypana
eindelijk door de niet gevorkte radiaal-ader.
OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN. 215
De mij thans bekende soorten van het geslacht Campylocera laten
zich op de volgende wijze onderscheiden.
a. Radiaal-ader recht of nauwelijks iets
gebogen; laatste gedeelte der discoi-
daal-ader nagenoeg in eene lijn met
het voorlaatste loopende, naar be-
neden gebogen. . . . . . JO.
Radiaal-ader golvend; laatste gedeelte
der discoidaal-ader eerst opgebogen
en daarna weder naar beneden loo-
PERTE A alc Termin ler Oe
6. Pooten pekbruin met bruingele tarsen ;
middeldwarsader op het midden of
nauwelijks even voorbij het midden
der schijfcel; thorax zonder macro-
cheten; die op den schedel en aan
het schildje niet meer dan fijne geel-
achtige haren iu c.c del Use MD. Sp:
Pooten meestal geheel roodgeel; middel-
dwarsader merkelijk voorbij het mid-
den der schijfcel; de schedel, de
zijden van den thorax en de achter-
rand van het schildje met zwarte
macraecheteni 4 inne sar th Ge lat.
e. Achterschenen recht; voorhoofd meer
dan de halve kopbreedte innemende. 2. ferruginea Macq.
Achterschenen gebogen; voorhoofd niet
meer dan een derde der kopbreedte
terende 0 Geer à Je robusta vd. W.
d. Derde sprietenlid ruim dubbel zoo lang
als het tweede . . . . . . . 4. longicornis n. sp.
Derde sprietenlid hoogstens zoo lang als
LEARN TE NE PL
216 OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN.
e. Vleugels met bruinen halfband over de
middeldwarsader en het laatste derde
gedeelte verdonkerd, waarvan de
grens als een band over de schijf-
dwarsader is aangeduid; de overige
vleugelvlakte ongeteekend. . . . 5. myopina v. d. W.
Vleugels zonder donkere dwarsbanden,
wolkig met lichte vlekken . . . 6. nudilipennis n. sp.
1. Campylocera fuscipes nov. sp.
Testacea ; epistomate, abdomine, femoribus tibiisque piceis; fronte
subprominente; antennis brevibus, articulo tertio ovato secundi vix
longiori; thorace pilosulo, macrochetis nullis; alarum costa flaves-
cente, apice infuscato; nervo radiali subrecto; nervi discoidalis
parte ultima non recurvata; nervo transverso medio in cellulae dis-
coidalis medio vel paullo ultra. — 4 long. 12 mm. — PI. 7. fig. À en 2.
De grootste der mij bekende soorten van het genus, grooter nog
dan robusta en gemakkelijk te herkennen aan het zwartbruine
achterlijf en de eveneens gekleurde dijen en schenen, alsmede aan
het gemis van macrocheten ter wederzijde van den thorax.
Voorhoofd roestkleurig, iets vooruitstekend, met korte beha-
ring; aangezicht glanzig pekbruin, sterk teruggetrokken; achter-
hoofd bruingeel, van boven plat, alleen van onderen iets gezwollen ;
macrocheten op den schedel uiterst zwak en even als de beharing
van het achterhoofd bruingeel. Sprieten steenrood, kort; het derde
lid eirond en nauwelijks iets langer dan het tweede; sprietborstel
haarfijn en geel. Zuiger zwartbruin; palpen roodgeel. Thorax sterk
gewelfd en even als het schildje en de achterrug bruingeel; eene
dichte, niet zeer lange beharing van dezelfde kleur bevindt zich
op den rug van den thorax en op het schildje; daarentegen zijn
geene macrocheten aanwezig; een paar langere haren aan den
achterrand verdienen althans dien naam niet. Achterlijf glanzig
zwartbruin; eerste ring langer dan de volgende en in ’t midden
versmald; vierde ring naar beneden omgebogen; beharing van het
OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN. DA LT
achterlijf kort en vrij dicht, donker. Pooten stevig, pekzwart;
knieën en tarsen bruingeel; voethaakjes zwart; achterschenen een
weinig gebogen. Kolfjes roodgeel. Vleugels (fig. 2) met geelgrauwe
tint, langs den voorrand roodgeel ; middeldwarsader bruin gevlekt ; een
bruine band gaat van den voorrand uit, loopt over de schijfdwars-
ader, doch bereikt den achterrand niet geheel, buitenwaarts smelt
die band weg in de iets verdonkerde vleugelspits; op de donkere
plekken zijn de aderen zwartbruin, overigens meer bruingeel;
radiaal-ader nauwelijks iets gebogen; laatste gedeelte der discoidaal-
ader niet opgewipt, maar alleen aan het einde naar beneden ge-
bogen; middeldwarsader nauwelijks iets voorbij het midden der
schijfcel; schijfdwarsader een weinig schuin en zwak gebogen.
Een d van West-Java (Mr. Piepers) in mijne collectie.
2. Campylocera ferruginea Macq.
Macq. Dipt. ex. II. 3. 220. pl. 30. f. 1.
Een mannelijk exemplaar van Condé in West-Afrika (L. Petit),
in het Brusselsche museum aanwezig, meen ik tot deze soort te
moeten brengen. Het is echter zoo slecht bewaard, dat ik niet in
staat ben de uiterst korte beschrijving van Macquart, die boven-
dien alleen het e betreft, voldoende aan te vullen, of er eene
nadere afbeelding aan toe te voegen. Zooveel kan ik intusschen
zien, dat het voorhoofd (door Macquart «saillant» genoemd) bij
bedoeld exemplaar bijna niet vooruitsteekt, terwijl ook het aan-
gezicht (volgens Macquart «un peu inclinée») eigenlijk niet terug-
getrokken is, maar rechtstandig naar beneden loopt en zich daarin
zelfs van de overige door mij hier behandelde soorten onderscheidt.
Ook is het voorwerp 8 mm. lang en dus grooter dan de opgave
van Macquart (2!/, 1.). Het aderbeloop der vleugels is vrij wel
in overeenstemming met de afbeelding van Macquart; alleen vind
ik de mediastinaal-cel hier even smal en langwerpig als bij de
overige soorten, wat niet in de afbeelding is aangeduid; en is de
opbuiging van het laatste gedeelte der discoidaal-ader uiterst gering,
minder ook dan in de afbeelding; van daar dat ik in de hier vooraf-
218 OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN.
gaande synopsis de soort heb gerangschikt onder degenen, bij welke
die ader niet is opgebogen..
3. Campylocera robusta v. d Wulp.
Tijdschr. v. Entom. XXIII. 190. 48.
Het voorhoofd steekt slechts weinig vooruit en het aangezicht
is onbeduidend teruggetrokken. Het door mij |. c. beschreven
exemplaar hield ik ten onrechte voor een d; het naar beneden
omgebogen gedeelte van het achterlijf is niet anders dan de
groote, breede eierbuis van het 2; deze is zeer glanzig bruin
en, behalve aan het einde, dicht bezet met uitstaande donkere
beharing.
De soort komt ook op Sumatra voor, want in het Leidsch museum
bevindt zich een g van Benkoelen (Leembrugge). Aan dit exemplaar
zijn de pooten donkerder, de schenen, althans de beide achterste
paren, zelfs pekbruin.
4. Campylocera longicornis nov. sp.
Testacea; thoracis dorso, maculis pleuralibus , metanoto , fasciisque
abdominalibus fuscis; antennis elongatis, articulo secundo oblique-
truncato, articulo tertio secundi duplo et ultra longiori; vertice,
pleuris scutelloque macrochetis munitis; ovipositore magno, ab-
dominis longitudine, nigro nitido; alarum apice dilute infuscato;
nervo radiali subundulato; nervi discoidalis parte ultima distincte
recurvata. — 9 long. 8 mm. praeter ovipositor. — PI. 7. fig. 3 en 4.
Van alle andere soorten door de bijzonder lange sprieten onder-
scheiden.
Kop (fig. 3) roestkleurig; voorhoofd slechts weinig vooruitstekend,
zoo goed als naakt, in ’t midden met eene bruine V-vormige vlek; de
kielvormige ribben van het aangezicht, alsmede de mondrand zwart-
bruin en glanzig; achterhoofd van onderen iets gezwollen en donker
behaard; op den schedel eenige macrocheten. Sprieten zoo lang als
de kop in profiel; het tweede lid weinig langer dan het eerste,
aan het einde scheef afgeknot; het derde ruim dubbel zoo lang als
OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN. 219
het tweede; de sprietborstel lang, haarfijn, zwartachtig. Palpen
breed, roodgeel, met borstelige beharing. — Grondkleur van den
thorax glanzig roodgeel; de rug, een vlekje vóór de schouders,
een band van den vleugelwortel naar de schouders (die zich
van daar naar beneden buigt tot over de middelheupen en in
?t midden der borstzijden eene streep uitstoot), een paar vlekken
achter in de borstzijden, en voorts de geheele achterrug donker-
bruin; de thorax heeft op den rug eene zwartachtige beharing;
in de zijden zijn enkele en aan den achterrand van het schildje
vier vrij lange macrocheten. — Achterlijf cylindrisch, bruingeel;
de eerste ring ruim zoo lang als de vier volgende zeer korte
ringen te zamen, dicht bij de basis met eene zwartbruine dubbel-
vlek , verder met eene evenzoo gekleurde teekening, min of
meer eene omgekeerde M voorstellende; de volgende ringen met
zwartbruinen voorrand; beharing van het achterlijf zwartachtig,
in de zijden langer; eierbuis zoo breed en ten minste zoo lang als
het achterlijf, glanzig zwart, naar beneden omgebogen, aan ’t eind
met vrij stevige zwarte borstels. — Pooten bruingeel; dijen aan
de onderzijde met eene donkerbruine veeg; heupen van onderen
met zwarte borstelige beharing, die aan de middelheupen vooral
dicht opeengehoopt is. Kolfjes bruingeel. Vleugels (fig. 4) langs den
voorrand met gele, overigens met grauwe tint; deze laatste aan de
vleugelspits krachtiger ; radiaal-ader golvend ; middeldwarsader voorbij
het midden der schijfcel en even als de schijfdwarsader zeer steil;
laatste gedeelte der discoidaal-ader opgewipt en vervolgens naar
beneden gebogen, anderhalfmaal zoo lang als het voorlaatste.
Een tweetal wijfjes van Java (Piepers).
5. Campylocera myopina v. d. Wulp.
Tijdschr. v. Entom. XXIII. 189. 47. pl. 11. f. 12.
Sedert ik deze soort beschreef, heb ik nog een paartje leeren
kennen van Ardjoeno op Java (Hekmeijer) in het Leidsch museum ,
zoodat ik nu ook de kenmerken van het 9 kan aangeven.
Bij deze soort treedt het voorhoofd bijna in ’t geheel niet vooruit
220 OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN.
en wijkt ook het aangezicht slechts weinig terug; de sprieten zijn
korter dan de kop in profiel; het derde lid is eirond, de spriet-
borstel lichtbruin. De radiaal-ader is in de beide exemplaren van
het Leidsch museum duidelijk gegolfd; bij mijn exemplaar is die
golving minder sterk; van daar dat ik in mijne beschrijving hiervan
niet gesproken heb, terwijl ook in mijne afbeelding de golving in
% geheel niet is aangeduid. Het achterlijf heeft in de zijden eene
zwartachtige beharing; dat van het 2 is niet geheel zwartbruin
zooals bij het 4, maar bruingeel, met zwartbruinen , in ’t midden
afgebroken zoom der ringen; de eerste ring is langer dan de vol-
gende, dicht ineengedrongen ringen te zamen; eierbuis groot,
kegelvormig, glanzig bruingeel, aan *t einde met eene iets naar
beneden gebogen punt; beharing der eierbuis zwart, in de zijden
langer. Bij het vrouwelijk exemplaar zijn ook de pooten lichter
en is de donkere teekening der vleugels merkelijk flauwer.
6. Campylocera nubilipennis nov. sp.
Testacea; frontis parte antica, thoracis dorso, maculis nonnullis
in pleuris, et pedum posteriorum femoribus tibiisque fuscis; alis
brunneo-nebulosis, maculis pluribus irregularibus hyalinis; nervo
radiali subundulato; nervi discoidalis parte ultima recurvata. — d
long. 7 mm.
Bruingeel. Kop naar evenredigheid groot; voorhoofd een weinig
vooruitstekend, kort behaard, boven den sprietwortel met eene
groote vierkante donkerbruine vlek; aangezicht gewelfd, onder de
sprieten ingedrukt; de langsribben en de mondrand zwartbruin;
achterhoofd slechts weinig gezwollen; op den schedel eenige macro-
cheten. Sprieten merkelijk korter dan de kop in profiel; het eerste
Mid aan het einde en het tweede aan de buitenzijde verdonkerd;
het tweede lid langer dan het eerste, aan het einde schuin af-
gesneden ; het derde nauwelijks zoo lang als het tweede, eivormig,
vrij spits geëindigd; sprietborstel geel, aan het wortelderde iets
verdikt. Zuiger en palpen met uitstaande borstelharen. — Rug van
den thorax, alsmede eenige vlekken in de borstzijden donkerbruin.
?
OVER BHENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN. 221
de donkere kleur van den rug doet zich somtijds voor als vier langs-
banden, waarvan de beide uitersten breeder en vlekkig afgebroken
zijn; in de zijden en van achteren aan den thorax enkele zwarte
macrocheten; vier dergelijke aan den achterrand van het schildje. —
Achterlyf korter dan de thorax, eivormig, weinig of niet naar
beneden omgebogen, vlekkig donkerbruin, met zwarte, in de zijden
langere beharing. — Pooten stevig; achterste dijen en schenen
pekbruin; voorheupen van voren met zwarte borstels; middelheupen
van onderen met korte, dicht opeengehoopte, zwarte beharing.
Kolfjes bleekbruin. Vleugels (fig. 5) grauwbruin gewolkt, met een
aantal onregelmatige, grootere en kleinere, lichte vlekken; de voor-
rand vlekachtig donkerder; de aderen op de donkere plekken dikker
en zwartachtig; radiaal-ader een weinig golvend; middeldwarsader
voorbij het midden der schijfcel; laatste gedeelte der discoidaal-ader
opgebogen, bijna dubbel zoo lang als het voorlaatste.
Vier mannelijke exemplaren van Condé in West-Afrika (L. Petit)
in het museum te Brussel.
N RUPP YA. novi gen.
van siguys (slank).
Doleschall heeft onder den naam van Zetanocera tripunctata een
vliegje van het eiland Amboina beschreven, dat echter volstrekt
geen Tetanocera is, maar in de groep der Ortalinen en wel in de
onderafdeeling der Pyrgotinen thuis behoort, gelijk mij gebleken
is uit een voorwerp van Java, dat ik aan de goedheid van Mr.
Piepers te danken heb. Noodwendig moet het in die groep een
nieuw geslacht vormen, dat ik wegens den slanken vorm Huphya
genoemd heb en dat zich op de volgende wijze laat kenmerken.
Corpus minoris magnitudinis, nudum, glabrum; statura gracilis.
Frons paullo producta; facies subretracta; antennae capite lon-
giores, articulis 2do et 3do elongatis, incumbentibus; arista nuda.
Scutelli margo postico setulis duabus parvis. Segmenta abdominalia
quinque; primum elongatum, sequentia breves; ovipositor cylin-
222 OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN.
dricus, abdominis longitudine. Femora subtus spinulis parvis munita.
Alae immaculatae; nervus radialis ante apicem ramulum emittens;
nervus transversus discoidalis valde curvatus; cellula analis acute
terminata.
Van zeer slanke gestalte. Kop breeder dan de thorax; voorhoofd
iets vooruitstekend; schedel zonder borstels; bijoogen slechts door
eene donkere stip aangeduid; aangezicht een weinig terugwijkend,
in ’t midden ingedrukt en ter wederzijde met eene kielvormige
langsrib; mondrand zonder borstels; palpen kort en dik. Sprieten
langer dan dekop, geknakt; eerste lid cylindrisch, omhoog gericht;
tweede en derde lid omgebogen; het tweede anderhalfmaal zoo lang
als het eerste, naar het einde verbreed; het derde elliptisch, zoo
lang als het tweede, met naakten, haarvormigen, op het midden
geplaatsten rugborstel. — Thorax naakt; alleen vóór den vleugel-
wortel een zwak borsteltje. Schildje stomp driehoekig, gezwollen,
aan het eind met een paar borstels; achterrug sterk ontwikkeld.
Achterlijf lang en dun, vijfringig; de eerste ring het langst,
de drie laatsten zeer kort; eierbuis zoo lang als het achterlijf»
eylindrisch. — Dijen van onderen aan de spitshelft met korte
borsteltjes ; overigens de pooten geheel naakt. — Vleugels (fig. 7)
groot, aan den voorrand fijn bewimperd; mediastinaal-cel lang en
smal; uitmonding der radiaal-ader merkelijk vóór de vleugelspits,
kort voor de uitmonding met een aanhangend adertje; cubitaal-ader
in de vleugelspits uitloopende; discoidaal-ader zacht gebogen ; middel-
dwarsader iets voorbij het midden der zeer langwerpige schijfcel:
schijfdwarsader zeer scheef achterover geplaatst en tevens sterk
S-vormig gebogen, zoodat haar ondereinde dicht bij den vleugel-
rand uitkomt; de tweede achtercel daardoor aan hare basis spits
toeloopende; onderste wortelcel (anaal-cel) met puntig uiteinde.
Euphya tripunctata Dol.
Tetanocera tripunetata, Doleschall, Natuurk. Tijdschr. voor Ned.
Indie, XIV. 445. pl. vim. f. 5. — PI. 7. fig. 6.
Ferruginea nitida; antennarum apice, strigis duabus frontalibus
OVER HENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN. 223
antice convergentibus, puncto in vertice, punctis nonnullis in
thorace, maculisque lateralibus in abdomine fuscis; alis hyalinis. —
g Long. 7 mm.
Glanzig roodgeel; voorhoofd met twee langsgroeven , in ’t midden
met eene bruine V-vormige vlek; ocellenstip bruin; boven den
mondrand een zwartbruin vlekje en onderaan de wangen eene
bruine stip. Het tweede sprietenlid kort behaard, het derde aan
de uiterste spits bruin. Op den rug van den thorax vier bruine
vlekjes, de beide achtersten langwerpig; een dergelijk vlekje achter
de schouderknubbels, alsmede een vé6r en een onder aan den
vleugelwortel; eerste achterlijfsring aan de wortelhelft bruin; de
volgende ringen ter wederzijde met eene groote vlek van dezelfde
kleur; de lange eierbuis in ’t midden iets versmald, aan het einde
een weinig breeder. Kolfjes groot en even als de pooten roodgeel.
Vleugels (fig. 7) glasachtig; de aderen zwart, alleen die aan den
wortel bruingeel; randcel met geelachtige tint; radiaal-ader aan de
uitmonding met eene donkere schaduw, even vóór de uitmonding
hoekig uitgebogen en met eene lange aanhangende ader, die echter
de cubitaal-ader niet bereikt.
Een g van Java (Piepers).
II. LAMPROGASTER Macq.
Het geslacht Zamprogaster (de naam ziet op de metaalkleur van
het achterlijf) werd door Macquart (Dipt. ex. IL. 3. 211) opgericht voor
eene Ortaline van de Zuidzee-eilanden. Later zijn een aantal soorten
daaraan toegevoegd, ofschoon het te betwijfelen valt, of er niet
enkele vreemde elementen zijn ingeslopen. Zij zijn van eenigszins
forsche gestalte, met een vrij kort en ineengedrongen achterlijf.
Het voorhoofd eindigt boven de sprieten in een boogvormigen zoom ,
die zich ter wederzijde in eene kielvormige verhevenheid langs het
aangezicht voortzet; de sprietgroeven van het aangezicht liggen diep
en zijn ook aan de binnenzijde gekield. De sprieten zijn aan hare
inplanting ver uiteen geplaatst; de sprietborstel is naakt of slechts
224 OVER EENIGE U:TLANDSCIIE ORTALINEN,
een weinig behaard. Bij de meeste soorten zijn lichaam en pooten
geheel naakt; anderen hebben op den thorax, op het achterlijf en
ook aan de pooten eene korte beharing ; dorso-centraal-borstels ont-
breken. De borstels op den kop bepalen zich tot twee paar post-
verticaal-borstels, die niet eens bij alle soorten duidelijk zijn;
fronto-orbitaal-borstels en ocellaar-borstels vind ik bij geen der mij
bekende soorten. De stevige pooten en de sterk ontwikkelde
vleugelschubben wijzen duidelijk op verwantschap met Plalystoma ;
het derde sprietenlid is evenwel langer; het achterhoofd is niet
gezwollen; en de teekening der vleugels bepaalt zich tot enkele
donkere vlekken, die zich soms tot een halfband uitbreiden, maar
bij sommige soorten ook zeer nietig worden of zelfs ontbreken.
Het geslacht Chromatomyia Walk. (list Dipt. Brit. Mus. IV.
801) is synoniem met Zamprogaster, gelijk Walker zelf erkend
heeft 1. c. p. 1162.
Al de soorten behooren tot de fauna van zuidelijk Azie, Australie
en de Zuidzee-eilanden. Onze Oost-Indische bezittingen en vooral
Nieuw-Guinea bevatten er verscheidene, en waarschijnlijk zullen
er later nog wel meer ontdekt worden. In het westelijk halfrond
schijnt het genus niet vertegenwoordigd te zijn. Wel zijn door
Walker een paar soorten uit Zuid-Amerika beschreven onder de
namen van Chromatomyia bicolor en distincta, maar hoogstwaar-
schijnlijk zullen deze wel niet in het genus kunnen blijven, want
de eerste heeft een langwerpigen vorm (« body narrow»), en de
laatste is grauwzwart met zwarte vleugels, zoodat zij van al de
andere soorten afwijken.
Lamprogaster transversa, marginifera en seavittata Walk. zijn
allen synoniem met Platystoma cincta Guér., waarvoor Löw (Monogr.
Dipt. N. Amer. UI. 38) het geslacht Scholastes heeft ingesteld.
Waarschijnlijk behooren in datzelfde geslacht ook Lamprogaster
guttata Walk. (Proc. Linn. Soc. I. 31. 105) en divisa Walk. (1.
c. 131. 146).
Lamprogaster (Chromatomyia) jucunda Walk. (List Dipt. Brit.
Mus. IV. 802) schijnt te passen in de verwante groep, waartoe
Tephritis coerulea en strigipennis Macq behooren , en waarvoor Löw
2
het
PE.
OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN. 225
geslacht Celetor heeft voorgeslagen (Monogr. Dipt. N. Amer.
AA). Lamprogaster ochromyioides Walk. schijnt ook niet goed
in het g. Lamprogaster te kunnen blijven, gelijk Walker zelf op-
merkt. Ditzelfde is het geval met Z. punctata Walk. (Proc. Linn.
Soc.
I. 132. 148) en Z. guttata Walk. (1. c. 149). Laatstgemelde
naam kan niet blijven, omdat er reeds een andere 2. guttata Walk.
bestond (1. c. I. 31. 105), hierboven reeds vermeld.
Na aftrek van de verschillende hierboven genoemde soorten,
blijft er, zooveel ik nagaan, nog een getal van niet minder dan
29 species over, en wel:
van de Zuidzee-eilanden.
Lamprogaster flavipennis Macq. Dipt. ex. II. 3. 211.
A
Ed
DA
Ÿ
L.
»
»
»
L.
dr
van Australie.
. maculipennis Macq. Dipt. ex. supp. 2. 89.
bicolor Macq. 1. c. |
formosa Walk. List Dept. Brit. Mus. IV. 801 (Chromatomyia).
placida Walk. 1. c. 802 (Chromatomyia) (volgens Osten Sacken
ook op de Philippijnen).
vella Walk. 1. c. 803 (Chromatomyia).
hilarıs Walk. 1. c. 804 (Chromatomyia), met twijfel wat het
vaderland betreft.
apicalis Walk. 1. c. 804 (Chromatomyia).
laeta Walk. 1. c. 805 (Chromatomyia).
van Singapore.
zonata Walk. Proc. Linn. Soc. 1. 30. 101.
glabra Walk. 1. c. 102 (even als de voorgaande ook op Borneo).
vittata Walk. 1. c. 31. 104,
truncatula Walk. 1. c. 106.
van Borneo.
basilutea Walk. Proc. Linn. Soc. I. 134. 146.
van Java.
Frauenfeldi Schin. Dipt. Nov. Reise, 285 161.
226 OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN.
van Celebes.
L. luteipennis Walk. Proc. Linn. Soe. V. 261. 14.
» lepida Walk. Trans. Ent. Soc. Lond. new. ser. IV. 226; zie
ook Ost. Sack. An. mus. Gen. XVI. 472.
van Gilolo.
L. superna Walk. Proc. Linn. Soc. VI. 12. 42.
van Mysol.
L. sepsoides Walk. Proc. Linn. Soc. NII. 220. 87.
van Nieuw-Guinea.
L. patula Walk. Proc. Linn. Soc. V. 247 61, waarbij 2.
bispinosa Walk. (l. c. VIII. 118. 95) wel als synoniem behoort.
» costalis Walk. Proc. Linn. Soc. V. 247. 62.
» basalis Walk. |. c. 248. 63.
» ventralis Walk. 1. c. 248. 64 (nomen bis lectum, zie hieronder).
van Aroe.
L. quadrilinea Walk. 1. c. III. 1414, 121.
» delectans Walk. 1. c. 111. 123.
» scutellaris Walk. 1. c. 112. 124.
» celyphoides Walk. 1. c. 112. 125.
tetyroides Walk. 1, c. 112. 126.
Ed
van Key.
I. ventralis Walk. 1. c. III. 131. 14.
Van al deze soorten zijn mij slechts twee bekend, te weten Z.
patula en quadrilinea Walk. , maar bovendien nog een vijftal anderen,
die ik tot geen der bestaande beschrijvingen kan terugbrengen.
Deze zeven soorten laten zich onderscheiden als volgt:
a. Schildje van boven ter wederzijde met
een klein tandje . … « + . = ...patula Walk.
Schildje zonder tandjes. . . . . db.
6. Vleugels zonder donkere vlekken; hoog-
stens de middeldwarsader bruin ge-
zoomen Sint std TR MER | Re CRP Ker
OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN. 227
Vleugels gevlekt . 2... . . . &
c. Vleugels aan wortel en voorrand krachtig
geel; middeldwarsader niet donker. . elongata n. sp.
Vleugels aan wortel en voorrand bruin;
middeldwarsader donker gezoomd . . limbata n. sp.
d. Kop zwart . . . . « . + + . . quadrilinea Walk,
Kor voodgeel'. + PL, Gs
e. Achterlijf aan den wortel bruingeel; thorax
van dezelfde kleur, met donkerblauwen
middelband . . 2 . . « « . . faemata n. sp.
Achterlijf en thorax geheel glanzig zwart
of mietaalachtie ann Pu stan eur,
f. De vlek over de middeldwarsader van
boven bij den voorrand zeer breed
uitloopend; ook de volgende voorrands-
vlek vrij breed. . . . . + . . pumicala n. sp.
De beide genoemde vlekken slechts een
paar smalle streepjes vormende. . . ¢risignata n. Sp.
Lamprogaster patula Walk.
2. patula Walk. Proc. Linn. Soc. V. 247. 61; — L. bispinosa
Walk. 1. c. VIII. 118. 45.
Een 9 van Salawatti (Bernstein) in ’s Rijks museum te Leiden.
De soort onderscheidt zich van alle anderen door de beide korte
tandjes aan het schildje; deze tandjes zijn niet aan den achterrand ,
maar van boven ter wederzijde; de achterrand is in ’t midden
groefachtig ingedrukt en aan iedere zijde van die groeve ontspruit
een zwarte, bijna doornachtige borstel; ook de verdere borstels van
het schildje zijn vrij stevig en staan op uitpuilende zwarte wratjes.
De thorax is kort en dicht behaard, aan de zijden en van achteren
bevinden zich stevige borstels. De vleugels hebben eene krachtige
bruingele tint.
2. bispinosa Walk. zal wel het d zijn van deze soort; het voor+
228 OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN.
naamste verschil in de beide beschrijvingen betreft den sprietborstel ,
die bij patula zeer kort gevederd, bij bispinosa naakt wordt ge-
noemd. Aan het exemplaar, dat ik voor mij heb, liggen de sprieten
in de diepe gleuven van het aangezicht en zijn daardoor niet duidelijk
te zien; de sprietborstel komt mij voor naakt te zijn.
Lamprogaster elongata nov. sp.
Cyaneo-nigra; capite testaceo; antennis, palpis pedibusque rufis ;
alis immaculatis flavescentibus. — ¢ 2 long. 12 mm.
Slanker dan de andere mij bekende soorten. Glanzig blauwzwart ;
achterlijf meer metaalachtig en tot het purper neigende; eierbuis
kort en van dezelfde kleur als het achterlijf, alleen aan de uiterste
tip roodgeel. Kop bruingeel, op het voorhoofd en aan den mond-
rand donkerder; sprieten en palpen roodgeel; sprietborstel aan den
wortel verdikt en langzamerhand dunner wordende, aan de wortel-
helft kort behaard. Borstzijden met groenen metaalglans; schildje
aan den achterrand met vier vrij lange borstels. Pooten roodgeel ;
de achterste heupen zwart. Kolfjes roodgeel. Vleugels geelachtig,
ongevlekt; de gele tint aan den wortel en den voorrand krachtiger ;
middeldwarsader voorbij het midden der schijfcel; laatste gedeelte
der discoidaal-ader duidelijk opgebogen , waardoor de eerste achtercel,
voorbij de schijfdwarsader, vernauwd is; de hulpader loopt zeer
dicht langs de subcostaal-ader en is daardoor niet altijd goed te
onderscheiden, behalve aan hare uitmonding; er zijn zelfs exem-
plaren, waarbij ook die uitmonding nauwelijks is aangeduid.
Een mannetje en twee wijfjes van Morotai (Bernstein) in het
Leidsche museum.
Lamprogaster limbata nov. sp.
Purpureo-chalybea; capite, ano pedibusque testaceis; antennis
et palpis rufis; alis hyalinis, costa flava, basi nervoque transverso
medio infuscatis. — Long. 2 8,5 mm.
Kop bruingeel; aangezicht lichter en glanzig; voorhoofd in ’t
midden bruin; achterhoofd vrij sterk gezwollen. Sprieten roodgeel ;
OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN. 229
het derde lid van boven een weinig uitgesneden; sprietborstel bruin ,
aan de wortelhelft verdikt en kort behaard. Thorax en schildje
purperachtig staalblauw; de rug van den thorax met korte zwarte
beharing. Achterlijf korter en breeder dan de thorax, staalblauw;
de laatste ring bruingeel; de vrij lange en smalle eierbuis licht-
geel; de eerste lijfsring met zwarte beharing. Pooten bruingeel,
kort en fijn behaard; achterste heupen bruin met metaalachtigen
gloed; de achterdijen een weinig gebruind. Vleugelschubben bruin;
kolfjes geel. Vleugels (fig. 8) glasachtig, aan den wortel en het begin
van den voorrand roodbruin, de voorrand verder levendig geel tot aan
de radiaal-ader; middeldwarsader bruin gezoomd, voorbij het midden
der schijfcel geplaatst; laatste gedeelte der discoidaal-ader opwaarts
gericht en boogvormig, naar het einde weder evenwijdig met de
radiaal-ader; schijfdwarsader een weinig schuin achterover geplaatst.
Een enkel 9 van Waigeoe (Bernstein) in het Leidsche museum.
Lamprogaster quadrilinea Walk.
Proc. Linn. Soc. II. 144. 1921.
Twee mannelijke exemplaren van Waigeoe (Bernstein) in het
Leidsche museum geloof ik als deze soort te kunnen beschouwen.
De oogkanten aan het voorhoofd en het aangezicht, alsmede de
vrij breede kinbakken hebben denzelfden witten haarglans als de
beide zijstrepen van den thorax. Het schildje heeft aan den achter-
rand slechts eenige korte en zwakke borsteltjes. De pooten zijn
niet zwart, maar pekbruin en neigen zelfs tot het roodbruine; de
achterschenen zijn gebogen. Voor de teekening der vleugels zie men
PL fis. 9.
Lamprogaster taeniata nov. sp.
Testacea; thorace vitta lata scutelloque coeruleo-nigris; abdomine ,
praeter basin, chalybeo; alis flavescentibus, maculis subquatuor
fuscis. — Long. d2 9,5 mm. — Pl. 7. fig. 10.
Kop met sprieten en monddeelen steenrood; voorhoofd donkerder ;
een smalle zoom om de oogen witachtig; sprieten kort; de spriet-
230 OVER EENIGE UITLANDSOHE ORTALINEN.
borstel nauwelijks iets behaard. Thorax steenrood, op den rug
met een breeden zwartblauwen langsband; schildje zwartblauw ,
aan den achterrand met korte en zwakke borsteltjes. Achterlijf
korter dan de thorax, zeer glanzig staalblauw, met purperen gloed ;
eierbuis kort, roodgeel. Pooten roodgeel; de beide laatste tarsen-
leden donkergrauw, de klauwen zwart; achterschenen iets gebogen.
Vleugelschubben roodgeel. Vleugels (fig. 11) geelachtig, aan den
wortel en voorrand levendiger gekleurd; voorts met vier donkerbruine
vlekjes; het eerste is niet veel meer dan eene verdonkering van de
basis der schijfcel; het tweede omzoomt de middeldwarsader en loopt
streepvormig opwaarts, zonder echter den voorrand te bereiken;
het derde bevindt zich op korten afstand van het einde der radiaal-
ader; het laatste vlekje eindelijk vormt een smallen zoom om de
vleugelspits, van de uitmonding der radiaal-ader tot aan die der
discoidaal-ader ; middeldwarsader ongeveer op het midden der schij f-
cel; schijfdwarsader eenigszins scheef achterover liggend en iets of
wat bruin gezoomd.
Een paartje van Morotai (Bernstein) in het Leidsch museum.
Lamprogaster pumicata nov. sp.
Chalybea; capite, antennis, palpis pedibusque rufis; alis cineras-
centibus, basi costaque fuscis, maculis quatuor nigris. — d Long.
44° mm.
Kop vuil roestkleurig; het voorhoofd en eene driehoekige vlek
op de wangen zwart; de zoom langs de oogen grijsachtig rood.
Sprieten en palpen bruinrood; de sprieten slank, nauwelijks tot
halverwege het aangezicht reikende; het derde lid smal; sprietborstel
aan de wortelhelft iets verdikt, naar het einde haarfijn ; onder eene
krachtige vergrooting vertoont zich eenige beharing. Thorax blauw-
zwart, met aschgrauwe bestuiving en van boven eenig spoor van
zwarte langsbanden. Schildje en achterlijf staalblauw; het schildje
met 6 borstels; achterlijf korter dan de thorax; eerste ring met
vaalgele beharing; anus met zwarte borsteltjes; hypopygium zwart ,
met geelachtige beharing, aan het eind met een paar kleine uit-
OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN. 231
steeksels. Pooten roodgeel; de laatste tarsenleden gebruind. Vleugels
(fig. 12) veel langer dan het achterlijf, vrij spits toeloopend, grauw,
aan den wortel en het begin van den voorrand bruinachtig; voorts
met vier zwartbruine vlekken; de eerste op ongeveer een vierde van
de vleugellengte, een bandje vormende van de subcostaal-ader tot
over het eind van de middelste wortelcel; de tweede en grootste
tegen den voorrand, aan de uitmonding der hulpader en van onderen
de middeldwarsader bedekkende; de derde, kleinere, mede aan den
voorrand, tusschen de uitmonding der subcostaal-ader en die der
radiaal-ader; de vierde zeer klein, aan het eind der cubitaal-ader
en in eene bruine schaduw aan de vleugelspits uitloopende; middel-
dwarsader op het midden der schijfcel; schijfdwarsader steil, op
twee vijfden der spitscel.
Een d van Nieuw-Caledonie (Hanckar) in het museum te Brussel.
Lamprogaster trisignata nov. sp.
Nigra; abdomine submetallico; capite, antennis , palpis pedibusque
testaceis; alis flavescentibus, lineolis tribus fuscis. — 4 Long. 7 mm.
Van kort ineengedrongen gestalte. Kop met sprieten en mond-
deelen bruingeel; sprieten vrij lang; de sprietborstel naakt. Thorax
en schildje zwart, met eenigen glans; thorax met twee bestippelde
langsgroeven, aan den achterkant, ter wederzijde vöör het schildje
in een paar riggeltjes eindigende; achterrand van het schildje met
enkele vrij lange borstels. Achterlijf korter dan de thorax, glanzig
metaalachtig groenzwart ; de buik bruin. Pooten eenkleurig bruingeel,
ook de heupen; alleen de beide laatste leden der voortarsen verdon-
kerd. Vleugelschubben donkerbruin. Vleugels (fig. 13) met grauwgele
tint en bruingele aderen; een donkerbruin streepje ter plaatse waar
de cubitaal-ader uit de radiaal-ader ontspruit; een tweede dergelijk
streepje , loopende van de mediastinaal-cel over de middeldwarsader ;
en een derde dicht bij het eind der radiaal-ader; middeldwarsader
op het midden der schijfcel.
Een ¢ van Andai (von Rosenberg) in het Leidsche museum.
232 OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN.
IV. SCHOLASTES Löw.
Dit geslacht werd door Löw (Mon. Dipt. N. Am. IN. p. 38)
opgericht voor Platystoma cincta Guér. Het staat in nauwe ver-
wantschap met Lamprogaster, waarmede het in vele opzichten
overeenstemt, 0. a. in de sprieten, die aan de inplanting ver uiteen
staan. De sprietgroeven op het aangezicht zijn echter veel minder
diep en aan de binnenzijde zonder de scherpe kielvormige lijst,
die zich bij de soorten van Lamprogaster vertoont. De sprietborstel
is lang en aan de wortelhelft of zelfs nog verder fijn en lang ge-
vederd. Behalve de post-verticaal-borstels, staan ook nog een paar
fronto-orbitaal-borstels ter wederzijde hoog op het voorhoofd. Ocellaar-
borstels ontbreken, wat ook bij Zamprogaster en in ’t algemeen
bij alle Platystominen het geval is. — Op den thorax zijn de beide
buitenste rijen van dorso-centraal-borstels volledig aanwezig. Onder
aan de voordijen bevindt zich eene rij van kamachtig geplaatste
borstels.
Scholaster cinctus Guer.
Platystoma cincta, Guér. Voyage de la Coquille, Zool. p. 299.
pl. 21. fig. 9; — Scholastes cinctus, Ost. Sack. Annali museo
Genova, XVI. 479; — Acinia faciestriata, Dol. Nat. Tijdschr. v.
Ned. Ind. XIV. 446. 40. pl. 10. f. 7; — Lamprogaster faciestriata ,
Schin. Dipt. Nov. Reise, 284. 160; — Lamprogaster transversa,
Walk. Proc. Linn. Soc. I. 30. 103; — L. marginifera, Wk. 1. c.
III 414. 122; — Z. sewvittata, Wik. Le. V. 261. 15.
Van deze soort werden mij meer dan eens exemplaren van Java
door Mr. Piepers overgezonden; in het museum te Leiden bevinden
zich voorwerpen van Batjan, Gebeh en Morotai (Bernstein) en van
Aroe (von Rosenberg).
De soort schijnt niet zeldzaam en bovendien ver verspreid te
zijn. Zij is uit de hierboven aangehaalde beschrijvingen wel te her-
kennen, terwijl ik ten overvloede nog op pl. 7. fig. 14 eene af-
beelding van haar geef. Wat door geen der vroegere schrijvers
schijnt opgemerkt te zijn, is dat het d aan het einde van den
OVER EENIGE UITLANDSCHE ORTALINEN. 233
aldaar haarfijnen sprietborstel eene zeer kleine, eenigszins drie-
hoekige verbreeding heeft (zie fig. 15); bij het 2 is de sprietborstel
eenvoudig.
V. ANGITULA Walk.
Dit geslacht bevat slechts eene enkele soort:
Angitula cyanea Guér.
Nerius eyaneus, Guer. Voyage de la Coquille, Zool. 301. pl. 21.
f. 44; — Anguitula cyanea, Ost. Sacken Ann. mus. Gen. XVI.
481; — Elaphomyia polita, Saund. Trans. Entom. Soc. Lond. new
ser. V. 416. pl. 12. f. 6 en pl. 13. f. 1; — Angitula longicollis,
Walk. Proc. Linn. Soc. III. 123. 151.
’s Rijks museum te Leiden bezit eene geheele reeks van exem-
plaren, afkomstig van Noord-Halmaheira, Gebeh, Obi en Morotai
(Bernstein), en van Aroe (von Rosenberg).
De kenmerken zijn in de aangehaalde beschrijvingen en vooral
in die van Osten Sacken duidelijk aangegeven. Ik voeg er alleen
aan toe, dat de beide doornen van het schildje aan de spits een
fijn borstelhaartje dragen, dat echter zeer licht schijnt af te breken,
aangezien het niet bij al de voorhanden exemplaren aanwezig is.
IETS OVER HET GESLACHT PILOPHORUS HAHN,
DOOR
Mr. A. J. F. FOKKER.
In het derde gedeelte van mijnen Catalogus der in Nederland
voorkomende Hemiptera Heteroptera (blz. 63 hiervoren) worden
als inlandsch opgegeven twee soorten van het geslacht Pilophorus,
namelijk ceinnamopterus Kb. en clavatus L.
Na het afdrukken maakte ik kennis met een artikel van Douglas
en Scott in the Entomologis®s Monthly Magazine, vol. XII, p. 100,
waar door hen eene nieuwe soort, perplexus, beschreven wordt,
met de bijvoeging, dat zij in hunne British Hemiptera deze met
de andere soorten hadden verward en dat deze nieuwe soort juist
de gemeenste is van alle drie in Engeland.
Toen ik daarna de exemplaren van Prlophorus in mijne collectie
onderzocht, bleek het mij dat ook ik deze perplexus verward had
(met cinnamopterus) en dat perplexus ook in ons land de gewone
soort is, die op allerlei boomen voorkomt. De ware cinnamopterus
Kb, daarentegen leeft alleen op dennen; ik bezit slechts twee in-
landsche exemplaren, een uit Nijmegen, door den heer ter Haar
gevangen, en een dat ik te Baarn in Juli van een’ den klopte.
Daar zij allen zeer op elkander gelijken en uiterst lastig te
onderscheiden zijn, achtte ik het niet ondienstig, onderstaande
synoptische tabel van de in Europa voorkomende soorten op te
maken, waardoor zij zonder bezwaar zullen kunnen worden herkend.
P. confusus Kb. is nog niet in ons land waargenomen; de voor-
werpen, waarnaar ik de beschrijving nam, waren afkomstig uit
Zwitserland en van wijlen Meyer-Dür.
1 (2).
2 (A).
3 (4).
4 (3).
5 (6).
IETS OVER HET GESLACHT PILOPHORUS HAHN.
Bovenzijde bezet met lange witte
opstaande haren; elytra naar
achteren zeer verbreed. (Geen
zilveren vlekje aan den binnen-
hoek van den cuneus, doch met
een zilveren bandje, loopende
van den achter-binnenhoek van
het corium, gebogen langs de
membraan tot den binnenhoek
van den cuneus; de onderste
zilveren streep van het corium
doorloopende over den clavus ;
van de antennen het tweede lid
roodachtig bruin, aan de punt
zwartachtig; het derde lid aan
de basis geelwit, overigens zwart-
achtig; het vierde zwartachtig,
aan de basis smal wit. Grootte
Sans), ham):
Bovenzijde niet bezet met lange
witte opstaande haartjes; elytra
naar achteren niet zeer verbreed.
De onderste zilverstreep van het
corium niet doorloopend op den
clavus, doch het zilveren streepje
op den clavus iets hooger. Cuneus
zonder zilveren vlekje.
Deze zilverstreep wel doorloopend
over den clavus; cuneus met
zilveren vlek aan den binnenhoek.
Clavus en corium tot aan de tweede
zilverstreep helder bruinrood,
daarachter donkerbruin. Tweede
lid der antennen zwart, aan de
. confusus Kb.
. clavatus L.
5
236
IETS OVER HET GESLACHT PILOPHORUS HAHN.
basis roodachtig bruin (gewoon-
lijk slechts een smalle ring; een
enkele maal verspreidt zich de
roode kleur verder, echter nim-
mer over de helft); het derde
lid zwart, alleen aan de basis
smal rood; het vierde lid wit
of geelachtig wit, de punt
zwart
6 (5). Clavus en corium voor de tweede
Confusus Kb. is de kleinste soort, zeer kenbaar aan de witte
haartjes, waarmede pronotum, kop en elytra dicht zijn bedekt,
en aan de verbreede elytra.
zilverstreep eveneens gekleurd als
daarachter, donker olijfbruin met
lichtere tinten en strepen. Tweede
lid der antennen bruin, eerst
over de helft tegen het einde
zwartachtig, derde lid roodachtig,
het laatste gedeelte (!/, of !/,)
donkerder ; vierde lid zwart,
alleen aan de basis wit . perplexus Del. en Sc.
. cinnamoplerus Kb.
Zij is ook lichter bruin gekleurd dan
de anderen. Waarschijnlijk zal zij ook hier te lande voorkomen.
Ook clavatus is door de bovengenoemde kenmerken van allen
licht te onderscheiden; terwijl de fraaie roode kleur van het grootste
gedeelte der elytra en de kleur der sprieten cinnamopterus ge-
makkelijk doen herkennen van perplexus , welke laatste veel donkerder
is en, naar mijne voorwerpen althans, ook iets kleiner.
A ANT EE KEN INGEN
OVER
EPHESTIA KUANIELLA ZELL. EN ERNIGE VERWANTE SOORTEN,
DOOR
P. C. T. SNELLEN,
met afbeeldingen (Pl. 8) door
Prof. Dr. J. VAN LEEUWEN Jr.
Deze eerst sedert eenige jaren in ons vaderland waargenomen
Phycide is door mij niet in het tweede gedeelte van mijn werk
over de Vlinders van Nederland opgenomen. Haar plotseling en in
groot aantal verschijnen, — terwijl zij vroeger, ook elders in Europa,
nimmer opgemerkt was, — gevoegd bij den aard van hare levenswijze
als rups, namelijk in korenmolens of in fabrieken waar tarwe- of
maïsmeel bewerkt wordt, doen duidelijk zien, dat zij tot die ge-
importeerde soorten van insecten behoort, wier getal gaande weg
vermeerdert, en die schijnen te moeten dienen om het toch al zoo
aanzienlijk getal kwellingen des menschdoms nog te vermeerderen 1).
Vreemd is het, dat het eigenlijke vaderland dezer vlindersoort nog
niet bekend is geworden.
Hoe kort het dier ook bekend is, het heeft toch reeds een
meesterlijken beschrijver gevonden, en wel in den beroemden
Lepidopteroloog, wijlen Prof. P. C. Zeller, zie Stettiner Entomolo-
gische Zeitung 1879. p. 466, enz. Die beschrijving, waaraan slechts
1) Zie over dit onderwerp ook de geestige voorrede van het klassieke werk
van ons medelid Dr. E. Piaget, , Les Pediculines.”
238 AANTEEKENINGEN OVER EPHESTIA KÜHNIELLA ZELL,
weinig kan worden toegevoegd, zou des noods toereikend mogen
worden geacht voor de bekendmaking der soort; alleen mocht men
nog eenige afbeeldingen van het dier in zijne verschilllende toe-
standen wenschen te bezitten, en daar nu Prof. van Leeuwen zoo
goed is geweest, deze afbeeldingen op mijn verzoek te vervaardigen,
meen ik wel te doen, die hier in het licht te geven, als aan-
vulling tot de natuurlijke historie der soort. Ik voeg er eenige
opmerkingen en aanteekeningen, ook over verwante soorten, aan
toe. Voor eene opname in Sepp's Nederlandsche Insecten houd ik
namelijk deze verhandeling minder geschikt, omdat zij geene zuiver
inlandsche soort tot onderwerp heeft.
Het materiaal voor de bijgaande afbeeldingen heb ik weder,
evenals de in dit Tijdschrift, deel XXIV (1881), pag. xx, ver-
melde voorwerpen, te danken aan ons, steeds welwillend met zijne
collega’s samenwerkend medelid, Mr. Maurissen te Maastricht. Hij
zond mij op mijn verzoek in Maart 1884 eene doos met rupsen,
mij tevens meldende, dat hij er, zoo noodig, nog aanzienlijk meer
kon leveren, daar Mphestia Kühniella nog altijd in grooten getale
in de vermicelli-fabriek huisde, waar zij het eerst als schadelijk
was waargenomen.
De rupsen zond ik aan den heer van Leeuwen, die van haar,
van de poppen, de levende en opgezette vlinders, benevens van
hunne ligchaamsdeelen een aantal zeer juiste afbeeldingen ver-
vaardigde.
Gedurende haren levensloop veranderen de rupsen weinig van
uitzicht. Eene volwassene, doch nog voedsel gebruikende rups is
ongeveer 16 millimeter lang; zij is in het midden een weinig
dikker dan aan de uiteinden, over het geheel slank, eenigszins
vetachtig glanzig, bleek vleeschkleurig rood of beengeel met roode
tint over den rug, met een fijn donker ruggevat en met eenige
korte haartjes bezet. De gewone, meest allen zeer kleine stippen
zijn licht- of donkerbruin, ook de kop, het halsschild en het in
verschillende plaatjes verdeelde schild op den laatsten ring of staart-
schild. Zeller noemt een en ander «dunkel honiggelb », maar mij
schijnt de benaming bruin meer geschikt toe. Evenals de heer van
EN EENIGE VERWANTE SOORTEN. 239
Leeuwen en ik, nam ook Zeller waar, dat aan beide zijden van
den eersten ring achter het halsschild en van den elfden ring zich
eene veel grootere bruine stip bevindt. De luchtgaten zijn klein ,
fijn donker gerand. Voorpooten bruin; buikpooten als het lichaam
gekleurd en met een volledigen kring van haakjes. Zie de af-
beelding eener volwassene rups bij figuur 6.
De rups vervaardigt in het door haar bewoonde meel kokers van
zijde, waardoor heen zij zich beweegt, en zij maakt dus deze stof
spoedig, ook door hare uitwerpselen, geheel voor ons onbruikbaar.
Wanneer zij volwassen is, wordt zij korter, dikker, verliest hare
roode tint en krijgt eene geelwitte kleur (zie fig. 7). Zij maakt
alsdan van dicht wit spinsel, meel en hare uitwerpselen eene woning
voor de pop. Dit verblijf is langwerpig en, in het meel aangelegd,
steeds van een langen hals tot uitgang voor den vlinder voorzien,
evenals men dit ook aan het spinsel van Hwrycreon palealis op-
merkt (zie fig. 12). Rupsen die in doosjes bij mij een spinsel
aanlegden, vervaardigden dit meestal, doch niet altijd, zonder
hals tot uitgang.
De pop (zie fig. 11) is slank, bruingeel, gewoon gevormd
en levert in den zomer, na eene kleine drie weken, den vlinder
op. In het najaar en voorjaar duurt de poppenrust langer, tot
twee maanden toe. Ik heb opgemerkt, dat het boveneind en de
oogen aan de pop spoedig eene donkere kleur beginnen te krijgen.
Men ziet den vlinder vliegende afgebeeld bij figuur 1, zittende bij
figuur 2 en by figuur 3 een rustend wijfje, in de houding waarin
het haar mannetje verwacht met opgericht achterlijfseinde. Zooals
Zeller terecht opmerkt, is de vlinder bij dag traag, trouwens over
het geheel; hij houdt er blijkbaar niet van om zich ver van zijne
geboorteplaats te verwijderen , en daar de paring en het eierleggen , —
het laatste door middel van eene fijne legboor aan het uiteinde
van het vrouwelijke achterlijf, — spoedig volgen, gaat de vermenig-
vuldiging dezer soort, tot groote schade van ieder, in wiens ge-
bouwen en koopwaren zij eenmaal haren intrek heeft genomen,
snel en eigenlijk onophoudelijk door. Stellig levert deze soort drie,
zoo niet vier generatien in het jaar. Zeller nam waar, dat de
240 AANTEEKENINGEN OVER EPHESTIA KÜHNIELLA ZELL.
meeste vlinders in Mei en Juni en dan weder in Augustus uit-
kwamen, maar ik verkreeg ook reeds een paar exemplaren in
Februari en verscheidene in den loop van April.
Het ei is langwerpig, bleekgeel. Ik kreeg het slechts een paar
malen te zien, van opgestoken vrouwelijke vlinders, die er een
hadden gelegd. De heer van Leeuwen nam het niet waar en
hierdoor kon er geene teekening van worden geleverd. Deze vlinder-
soort behoort dus onder die, welke niet ras tot eierleggen overgaan.
Wat nu de kenmerken van den vlinder betreft, zoo behoort hij
tot de subfamilie der Pyraliden, die men de Phycidae noemt en
wel tot het genus Mphestia, zooals ik dit in mijne Vlinders van
Nederland, Microlepidoptera, p. 122—125 en p. 162 heb ge-
kenmerkt. Ik ben zoo vrij, voor de generieke kenteekenen naar
die beschrijving te verwijzen. Alleen merk ik op, dat, wat den
benedenwaartschen omslag aan den voorrandswortel der mannelijke
voorvleugels betreft, dien ik op p. 125 t. a. pl. bij Lphestia
«groot» noem en die dien naam ook bij #. elutella Hübn. verdient,
die omslag bij Aühniella & eer onbeduidend moet heeten. Dr. van
Leeuwen moest ik er opmerkzaam op maken, zoo weinig loopt hij
in het oog. Het aderstelsel der vlinders blijkt dus ook weder bij
de Phyciden een’ beteren grondslag voor generieke verdeeling op
te leveren, dan de — wel is waar gemakkelijker op te sporen —
bijzonderheden, die men bij deze vlinders aan de mannen opmerkt
in den bouw hunner sprieten, bijpalpen, enz. Eindelijk zijn ook
de achtervleugels merkbaar breeder dan bij #lutella en aan den
staarthoek bijna tweemaal zoo breed als de breedste plaats van den
voorvleugel.
De voorvleugels hebben overigens een, bij versche vlinders vrij
helder blauwachtig grijs, — later wordt het meer bruinachtig, —
tot grondkleur. Twee dwarslijnen, eene schaduwlijn tusschen beiden
en een middenteeken zijn zwartgrijs; de randstippen zijn zwart,
en zoodoende heeft deze vlinder het gewone voorkomen eener
Ephestia.
Levert de generieke determinatie geene zwarigheden op, met de
specifieke is het anders gelegen. De rups buiten beschouwing
EN EENIGE VERWANTE SOORTEN. 241
latende, omdat de rupsen der Ephestién over het geheel nog slecht
bekend zijn, wil ik daarover alleen opmerken, dat zij veel op die
van Ephestia elutella en Plodia interpunctella gelijkt (zie de Roo
van Westmaas en Heylaerts over die soorten in Sepp). De vlinder
vertoont mede zoo veel overeenkomst met de overige soorten van
het genus, dat de verschilpunten wel vrij nauwkeurig moeten worden
nagegaan en aangeduid.
Terecht merkt Zeller op, dat de vlinder een der grootsten in
het genus is, doch hij gaf de vlucht nog te gering op. Mine
exemplaren halen van 20—26 mm. Het grootste voorwerp der
naastbijkomende soort , namelijk Xanthotricha Staud. , dat ik bezit —
een g — heeft niet meer dan 23 mm. vlucht. De sprieten hebben
een wortellid, dat zoo lang is als 3—4 schaftleden, maar iets dikker
dan deze en op den rug meer afgerond. Sprietschaft bij den &
aan den ‘wortel, evenals bij de andere Ephestiën, een zweem dikker
en gebogen, overigens geheel regelmatig gevormd, kort en fijn
bewimperd en de leden aan de inplanting nauwelijks dunner dan
bovenaan; dit is nog het meest tegen de spits te zien (zie fig. 4).
Bij het g zijn de sprieten weinig dunner dan bij den d, doch
meer haarvormig, en zij hebben aan beide zijden van ieder lid slechts
een kort haartje. Kleur der sprieten grijs, onduidelijk geringd,
Palpen zoo lang als de kop, opgericht, gebogen , smaller dan de
helft der oogen; lid 3 is een weinig korter dan 2, stompgepunt-
rolrond; zij zijn iets grof beschubd, aan de binnenzijde witgrijs,
aan den buitenkant zwart, doch lid 1, de bovenrand van 2 en
de spits van het eindlid zijn grijswit, waardoor de verdeeling in
leden duidelijker gezien wordt. Bijpalpen dun. Voorhoofd met een
kort kuifje, donkerder dan de schedel. Oogen groot, iets breeder
dan het aangezicht. Zuiger opgerold (zie fig. 5). Bij Mlutella zijn
de palpen over het geheel eveneens gevormd, doch iets langer dan
de kop, het eindlid dunner en spitser dan bij Köhniella en duidelijk
korter dan lid 2. Even lang als bij M/utella, maar nog iets spitser ,
zijn de palpen bij Passulella Barrett, terwijl zij bij Xanthotricha
Staudinger weder de lengte van die van Kühniella hebben, maar
met naar boven eenigszins verdikt eindlid.
16
249 AANTEEKENINGEN OVER EPHESTIA KÜHNIELLA ZELL.
Thorax grijs. De voorvleugels komen in vorm overeen met die
van Elutella en Passulella; de punt is stomp, doch niet afgerond.
Bij Xanthotricha verschillen de voorvleugels door sterker en reeds
van den wortel af gebogen voorrand, terwijl bij Kühmella en
Elutella de bocht eigenlijk eerst voorbij het midden van den voor-
rand duidelijk wordt. Binnenrandshoek der voorvleugels, evenals
bij Hlutella, stomp doch duidelijk, bij Xanthotricha vrij sterk af-
gerond. De teekening der blauwgrijze voorvleugels is die, welke
bij de Phyciden het meest wordt gevonden, namelijk twee iets
lichtere, aan de toegewende zijden zwart afgezette dwarslijnen |
eene donkere midden- of schaduwlijn en een mede donker midden-
teeken op de dwarsader. De eerste dwarslijn bevindt zich op twee
zevenden der vleugellengte; zij loopt van den voorrand schuin,
maar ongebogen, met twee kleine tandjes, die zoowel wortelwaarts
als franjewaarts zichtbaar zijn, tot in de vleugelvouw, treedt dan
met een vrij grooten tand op ader 1 naar binnen, en loopt, iets
meer buitenwaarts dan aan haar begin, in den binnenrand uit.
Het middenteeken bestaat uit twee zwarte vlekjes onder- en bovenaan
de dwarsader, die fijn verbonden zijn, en van de schaduwlijn be-
merkt men meestal slechts het ondereinde aan den binnenrand,
ongeveer op de helft, als een vrij groot maar vervloeid zwart
vlekje; zelden is dit vlekje naar boven verlengd in de richting
van het begin der tweede dwarslijn, die ongeveer op vijf zesden
van den voorrand aanvangt, schuin binnenwaarts loopt tot ader 6,
dan op eens franjewaarts uitspringt, iets verder dan haar begin
aan den voorrand en. fijn getand, vrij rechtstandig naar den
binnenrand gaat. Langs de franjelijn vindt men korte, dikke
zwarte streepjes. Verder is een gedeelte van het aderbeloop, vooral
op het midden van den vleugel, in mindere mate achter de tweede
dwarslijn, fijn zwart beschubd en neemt men buitendien nog eene
fijne, zwarte bestuiving over den geheelen vleugel waar. Franje
iets lichter dan de vleugel, met twee vervloeiende donkere deelings-
lijnen geteekend.
Bi Elutella wordt de eerste dwarslijn iets verder naar achteren
gevonden; zij is duidelijker, lichter dan de grond, onafgebroken
EN EENIGE VERWANTE SOORTEN. 243
zwartgrijs afgezet, schuin, ongebogen en hoogstens onder den
voorrand met een spoor van eenen tand; het middenteeken is een
wolkig zwart streepje op de dwarsader; van de zwartgrijze schaduw-
lijn is wel het schuine, van den aanvang der tweede dwarslijn
uitgaande, bovengedeelte, maar niet, zooals bij Aühniella, het
ondereinde duidelijk; de tweede dwarslijn is ongeveer in vorm
gelijk aan de eerste, zelden is zij flauw geslingerd, maar steeds
zonder den scherpen wortelwaartschen tand onder den voorrand,
die bij Kühniella wordt opgemerkt. Vooral cel 15 der voorvleugels
is bij Mlutella soms vrij sterk geelachtig of roodachtig getint
varieteit I en II). Zoo iets komt bij Kühniella nooit voor.
Bij Passulella staat de eerste dwarslijn, die vrij breed is, nog
verder naar achteren dan bij #lutella, duidelijk voorbij een derde.
Zij is bij die soort geheel ongebogen, bijna rechtstandig, en hare
vrij dikke donkere afzetting franjewaarts geheel vervloeid. Midden-
teeken onduidelijk ; nog flauwer is de tweede dwarslijn , die nauwelijks
te bespeuren is aan eene flauwe afbreking der zwarte langslijntjes
op de aderen 2 tot 6. De grond der voorvleugels is bij Passu/ella
donker, bruinachtig stofgrijs.
Wat Æph. wvanthotricha aangaat, die in grootte Kühniella het
meest nabijkomt, zoo staat ook bij deze de eerste dwarslijn even
ver naar achteren als bij Passulella, en is ook zeer breed; hare
zwarte afzetting is franjewaarts mede sterk vervloeid, maar deze
lijn is in het midden gebogen, met twee stompe tanden tegen den
achterrand en haar uiteinde is aan den binnenrand nauwelijks
verder van den wortel dan haar begin aan den voorrand verwijderd.
Het middenteeken bestaat uit twee kleine, flauw verbonden zwarte
vlekjes. Van de schaduwlijn zie ik bij geen mijner 10 exemplaren
eenig spoor, wel bij de meesten eene zwarte beschubbing aan den
binnenrand van cel 14 en bij een eene vrij sterke roodachtig gele
lijn door cel 15 van het middenveld. Het begin der tweede dwars-
lijn aan den voorrand is bij Xaxthotricha even schuin als bij
Kühniella en zij springt ook op ader 6 even ver franjewaarts
terug, doch is vervolgens minder hoekig gebroken, en loopt merk-
baar schuiner dan bij Kühniella, zoodat zij, hoewel de binnenrands-
244 AANTEEKENINGEN OVER EPHESTIA KÜHNIELLA ZELL.
hoek van den vleugel veel meer afgerond is, toch even ver daarvan
af in den binnenrand uitloopt als bij Aühniella. Op de aderen
2, 3, 4 en 6 vindt men zwarte langslijntjes, door de tweede
dwarslijn afgebroken en even daarvoor iets dikker.
De achtervleugels zijn bij AvAniella vrij helder wit en iets door-
schijnend, het aderbeloop is gewoonlijk alleen boven den binnen-
rand der middencel en ader 2 grijs beschubd, meest ook de
uiteinden der aderen 4a—1e en die der cellen tusschen haar,
terwijl alleen de vrij duidelijke vleugelpunt een weinig grijs be-
stoven is. Franjelijn grijs; franje wit met eene fijne grijze lijn
over den geelachtigen wortel. Xaxthotricha heeft even witte achter-
vleugels, ook Passulella, maar bij beiden zijn zij zichtbaar smaller ,
terwijl zij bij M/utella witgrijs met donkerder (grijs) aderbeloop
kunnen worden genoemd. De vrij duidelijke geelachtige beharing,
die men bij Mlutella 4 op de bovenzijde van den achtervleugel-
wortel opmerkt, ontbreekt bij Aühniella 3, maar daarentegen
heeft de binnenrandsfranje eene onzuiver geelachtige tint.
Op de onderzijde zijn de voorvleugels grijs en de achtervleugels
wit, Zeer valt in het oog, bij eene beschouwing der mannelijke
voorvleugels, hoe klein de omslag aan den voorrandswortel is,
terwijl deze bij ÆZutella, Xanthotricha en Passulella vrij duidelijk
mag heeten.
Zooals ik reeds in dit Tijdschrift, op de bovenaangehaalde plaats
opmerkte, is ader 2 der voorvleugels bij Aühniella langer dan bij
Elutella en verder van ader 3 en 4 geplaatst; die ader is bij
Xanthotricha even lang als bij Aühniella. Nog vind ik, dat de
verst uitstekende plaats van de middencel der achtervleugels bij
Kühniella, Xanthotricha en Passulella nauwelijks tot twee vijfden
der vleugellengte reikt, terwijl zij bij Æ/utella genoegzaam op de
helft van den vleugel is gelegen.
Pooten en borst zijn grijs, ook het achterlijf dat bij den man
eene korte, geelachtige staartpluim heeft, terwijl bij de meesten
mijner vrouwelijke exemplaren de eierlegger uitsteekt. Deze is op
zijde en aan het eind fijn behaard (zie fig. 17).
Behalve bij Maastricht, is de vlinder bij Utrecht gevonden en
EN EENIGE VERWANTE SOORTEN. 245
laatstelijk bij Nijmegen, van waar de heer Dirk ter Haar mij een
exemplaar zond.
Deze is dus de beschrijving onzer vlindersoort in hare ver-
schillende toestanden, zoo uitvoerig mogelijk. Moge hierdoor de
entomoloog misschien bevredigd zijn, hij die door Æphestia Kiihniella
wordt geplaagd, verlangt meer en wel eene aanduiding van middelen
om haar uit te roeien, doch dergelijke middelen zijn niet ge-
makkelijk op te geven. Evenals in meer gevallen, wanneer het
de bestrijding onzer kleine vijanden uit de insectenwereld geldt,
staan wij hier voor een moeielijk vraagstuk. Men kan het meel
niet met stoffen vermengen, die vergiftig voor de rupsen zijn, en
het opzoeken der poppen, rupsen en vlinders is een onbegonnen
werk. Alleen zou het zorgvuldig en aanhoudend reinigen door vegen
en uitschrappen der reten en hoeken van alle bewaarplaatsen van
het meel aan te bevelen zijn; het, vooral in het na- en voorjaar
(December— April), overbuilen van het aangetaste meel en on-
middellijk verbranden van het verzamelde vuil en van den staart
(overblijfsel bij het builen) is mede ook zeer goed, en eindelijk
wellicht ook de invoering van kleine insecten-etende dieren , zooals
egels. Het is echter te vreezen. dat men lang en onverpoosd deze
maatregelen moet blijven toepassen, daar de voortteling van onze
Ephestia snel en bijna onophoudelijk voortgaat.
In mijne bovenstaande beschrijving heb ik Avhniella vergeleken
met Elutella, Passulella en Xanthotricha , zijnde de eenige Ephestién
die ik in natura ken. De eerste soort is genoeg bekend en vooral
door Zeller goed beschreven; zij is echter waarschijnlijk nog nooit
zoo nauwkeurig bezien als in den laatsten tijd. Wat Passulella
aangaat, zoo is deze Æphestia nog niet lang geleden beschreven,
namelijk eerst in 1875 door Barrett, in het Hxtomologist’s Monthly
Magazine, XI, p. 271.
De benaming van de kleur der voorvleugels « fuscous with a
yellowish tinge», is niet gelukkig. Verder staat er: «d with one
ochreous tuft at the base» doch aan welke basis wordt niet op-
gegeven. In het XIXe deel van hetzelfde tijdschrift, p. 104 (1882)
beschrijft de heer Buckler verder de rups, met opgaven omtrent
246 AANTEEKENINGEN OVER EPHESTIA KÜHNIELLA ZELL.
haar voedsel (gedroogde peulvruchten) en hare leefwijze, uit welke
beschrijving blijkt dat deze Ephestia, evenals hare verwanten, tot de
schadelijke huisdieren behoort. Ik heb van haar tweemaal een zeer gaaf
mannetje in mijne woning gevangen, op 17 Mei 1878 en op 14
Augustus 1880, doch houd haar evenmin als Aühniella voor eene
zuiver Europeesche soort. Ik veronderstel dat haar eigenlijk vaderland
in tropisch Azië moet worden gezocht, daar Mr. Piepers mij ver-
scheidene exemplaren van Java en Celebes zond. In mijne collectie
bezit ik een, van Barrett afkomstig 9, dat ik aan Prof. Zeller
heb te danken. De identiteit van onze Passulella staat dus vast,
Van Xanthotricha Staudinger kocht ik eenige jaren geleden van
den insecten-handelaar Heine een paartje, zonder opgave van
vaderland, dat goed met Staudinger’s korte beschrijving overeen-
stemt (Stett. Entom. Zeitung, 1859. p. 226. n°. 38): Ephestia
vanthotricha: Alis anterioribus & subtus in basi fulvo-pilosis,
supra pulvereo-cinereis, squamis nigricantibus mixtis, strigis duabus
dilutioribus , nigro-umbratis. dg 19—23 mm. Vorderflügel schwarz-
grau, von den beiden Querlinien die erste mit starkem, schwarzem
Schatten nach aussen, die äussere mit scharfen Zacken am Vorder-
rande. Palpen dünn, nach vorne stehend , etwas nach oben gebogen.
Der Haarbusch des 4 unten an der Basis der Vorderflügel ist gelb.
Nur 3 Exemplaren in unserer Stube in Chiclana (Andalusiën) ge-
fangen, wahrscheinlich aus getrockneten Feigen erzogen. Staudinger
geeft ons later (Horae Soc. Ent. Ross., XV, p. 69 (1880) nog
eene aanteekening over Æphestia wanthotricha , waarin hij haar
uitvoerig met eene generiek verschillende Phycide, — Myelois
Ceratoniae, — vergelijkt.
Later geraakte ik door Baron von Nolcken in het bezit van
eenige verdere exemplaren van Aanthotricha, gekweekt uit rupsen ,
die in zoogenaamde Carobben, d. i. de vruchten van den St. Jans-
boom (Ceratonia siliqua) hadden geleefd. Men zie hierover de
uitvoerige mededeelingen van den genoemden Entomoloog in de
Stettiner Entom. Zeitung, 1882, p. 517, enz. Eindelijk kwamen
nu laatstelijk in October 1884 eenige exemplaren van den vlinder
uit kurken, die door de rups waren doorknaagd. Zij verschillen
EN EENIGE VERWANTE SOORTEN. 247
niet van mijne overige voorwerpen. De aard van het laatstgenoemde
voedsel bracht mij, in verband met eene aanteekening van Zeller
bij Aühniella (zie Stett. Ent. Zeit. t. a. p.) op het denkbeeld of
deze kurken-Æphestia, die ik als Xanthotricha bezat, ook soms
dezelfde kon zijn als Æphestia ficella. Als auteur wordt bij laatst-
genoemde soort in Staudinger en Wocke’s Catalogus (Anno 1871)
opgegeven Douglas, Proceed. Ent. Soc. of London, 1851, p. 114,
doch op die plaats is geene beschrijving te vinden, alleen eene
korte aanteekening van Douglas, betrekking hebbende op eene nog
onbeschrevene Æphestia, uit vijgen gekweekt, die hij daarom Zrcella
wilde noemen. Hij kan dus niet als auteur gelden, maar wel
Stainton, die eenige jaren later (in 1859) in zijn Manual of
British Butterflies and Moths, Il, p. 169, eene als volgt luidende
beschrijving gaf.
Ephestia ficella, &"—A0”’ (Elutella =T"—8"). F(ore) w(ings)
grey with the costa much rounded; f(irst) I(ine) dark grey; s(econd)
l(ine) dark grey, sinuous, followed by a pale band. Larva whitish, a
pale reddish stripe on each side of the back , head and second segment
brown. On figs. — Hoe kort deze beschrijving ook wezen moge,
zoo geeft zij, met die van Zlutella vergeleken, toch goede ken-
merken aan, namelijk 1°. in het verschil van grootte; 2°. in de
sterke buiging van den voorrand; 3°. in den vorm der dwarslijnen,
die juist op de verschilpunten wijzen, welke men ook tusschen
Elutella en Xanthotricha waarneemt. Alleen moet ik opmerken,
dat het beter zou zijn te zeggen, dat de buiging van den voor-
vleugelvoorrand reeds aan den vleugelwortel begint en dat de
dwarslijnen licht zijn, de eerste met eene breede donkere be-
schaduwing.
Deze korte beschrijving vulde Stainton in het Zntomologist's
Annual for 1865 p. 102 aan, door eene meer uitvoerige schildering.
Hij ontwikkelde de kenmerken der soort nader en gaf ook op, dat
de vlinder, behalve uit vijgen, ook uit kurken en amandelen was
gekweekt.
Eene beknopte beschrijving gaf ook Barrett, in het Zutom.
Monthly Magazine, XI (1875), p. 270, met de mededeeling dat
248 AANTEEKENINGEN OVER EPHESTIA KÜHNIELLA ZELL.
de rups in kurken was gevonden. Vijgen of amandelen vermeldt
hij niet als voedsel. Eindelijk somt Zeller, Stett. Ent. Zeitung,
1879, p. 468, de verschilpunten op tusschen Kühmella en Ficella.
Alles wat de Engelsche schrijvers en Zeller van hunne Ficed/a zeggen,
komt vrij wel neer op de kenmerken, die ook Xanthotricha onder-
scheiden, en dus wordt het voor mij zeer waarschijnlijk, dat deze
twee bijeen behooren. De synonymie zou dus aldus worden.
1859. Stainton, Manual etc., II. p. 169. Ephestia Ficella.
1859. Staudinger, Stelt, Ent. Zeitung, 1859,
p. 226. n Xanthotricha.
1865. Stainton Zmtomologist’s Annual for 1865.
p. 102 „ cella.
1875. Barrett, Entom. Monthly Magazine, XI,
p. 270. Di n
1879. Zeller, Stett. Ent. Zeitung, XL, p. 468.
(bij Kühniella).
1880. Staudinger, Horae Soc. Ent. Ross., XV,
p- 69. » Xanthotricha.
1882. von Nolcken, Stett. Ent. Zeitung, XLII,
p. 517. 5
n ”
”
Misschien moeten nog wel meer Phyciden-beschrijvingen uit de
laatste 30 jaren met /ice//a worden vereenigd. Vrij waarschijnlijk
is dit het geval met Myelois afflatella Mann, Verhand. d. Zool.-
Bot. Gesellschaft, V, p. 559 (zie ook Staudinger, Horae, t. a. pl.).
Wat nu de overige, in Staudinger’s Catalogus der Europeesche
Lepidoptera (1871) genoemde soorten van Kphestia aangaat, zoo
scheid ik /nterpunetella af als genus Plodia Guenée (zie Vlind.
van Nederl. Microlepid., p. 124, enz.), terwijl ik de andere soorten
van Staudinger niet in natura ken. Tenebrosa Zeller onderscheidt
zich volgens dezen van de overigen door langer eindlid der palpen,
de nader bijeenstaande dwarslijnen der zeer donker gekleurde voor-
vleugels, hun bijna vlakken voorrand en de zeer lichte, bijna
witte achtervleugels. Medwetella Mann zou zich kenmerken door
blauwachtig witgrijze, zeer flauw geteekende voorvleugels, gepaard
aan aschgrauwe achtervleugels, en behoort wellicht niet eens tot
dit genus. Semirufa wordt thans, wel terecht, voor eene donkere
varieteit van Z/utella gehouden. Gnidiella Milliére is misschien
eene Cryptoblabes. Van den heer von Nolcken ontving ik een
EN EENIGE VERWANTE SOORTEN, 249
exemplaar eener Phycide onder dien naam; hij was echter niet
geheel zeker van de identiteit zijner soort met die van Milliére
(zie Stett. Ent. Zeitung, 1882, p. 182). Mijn voorwerp komt in
grootte, kleur en vorm der tweede dwarslijn met Milliére’s af-
beelding overeen, doch verschilt door eene tweemaal sterk getande
witte, niet donkere, eerste dwarslijn. De Gxidiella van von
Nolcken behoort stellig tot het genus Cryptoblabes. Abstersella Zeller,
eene aan Mlutella verwante soort, verschilt volgens hem van deze
door eene éénmaal getande eerste dwarslijn en gescheiden midden-
stippen der aschgrauwe voorvleugels en door het ontbreken van
gele haarbosjes aan den wortel der mannelijke achtervleugels, die
overigens ook grijs zijn gekleurd. /ncanella Eversmann ken ik
alleen bij naam.
Vergeten is in Staudinger’s Catalogus:
Ephestia vapidella Mann, Wien. Ent. Monats, 1, p. 171 (1857).
Naar twee wijfjes beschreven (!). «Diese sind etwas kleiner als
Elutella und gleichen dieser Art in der Zeichnungsanlage, die aber
so matt und verloschen (ist) dass sie kaum zu erkennen ist. Die
Grundfarbe der Vorderfltigel ist von £/utella ganz verschieden ,
differirt aber auch in meinen zwei Exemplaren, indem sie bei dem
einen staubig rothbraun, bei dem anderen braungrau ist. Hinter-
flügel und Körpertheile wie bei Klutella.» De beschrijving is on-
voldoende en de beide exemplaren verschilden wellicht specifiek.
Vergelijk ook Staudinger, Morae Soc. Ent. Ross., XV (1850),
possi.
Later zijn nog bekend gemaakt:
Ephestia Lugduniella Millière, Revue et Magasin de Zoologie,
1874. p. 350. — (Voorvleugels wijnkleurig bruin met twee
helder witte dwarslijnen). Mij onbekend.
Ephestia egregiella Milliere, Jcones, INI. p. 328. pl. 141. f. 4, 5.
Is bijna zeker Huzophera bigella Teller.
Ephestia polyxenella Millière, Revue de Zoologie, ASTA. p. 63;
Icones, IN. p. 285. pl. 135. f. 2. — Ragonot (Entom. Monthly
Mag., XVII (1880). p. 234) heeft aangetoond, dat zij tot
250 AANTEEKENINGEN OVER EPHESTIA KÜHNIELLA ZELL.
Buzophera behoort. Dit is juist en de soort is ook in Neder-
land ontdekt.
Ephestia Ragonotella Millière, Lépidopterologie, VII. p. 4. pl. 10.
f. 6. Naar de afbeelding te oordeelen misschien wel Adster-
sella Zeller, doch de afbeelding stemt niet overeen met de
beschrijving en deze is niet uitvoerig genoeg.
Ephestia Astericella Berce, Lépidoptères de France, NI. p. 317.
Hiervan kan ik niets zeggen, daar ik de beschrijving niet
kan raadplegen. Op den naam afgaande, vermoed ik dat
Astericella in de bloemen van Asters leeft, eene Homoeosoma
kan zijn en wellicht synoniem is met Nimbella Zeller.
Ephestia inductella Staud., Horae Soc. Ent. Ross., XV (1880).
p. 171. Zij herinnert naar de beschrijving sterk aan de
varieteit van Ficella (Xanthotricha) met eene roode streep
door cel 15 der voorvleugels.
Ephestia unicolorella Staud., Horae Soc. Ent. Ross., XV (1880)
p. 70 en XVI (1881). p. 25. — Hlutella var.? Ik merk
hier op, dat Æ/utella volstrekt niet altijd een roodachtig
grauwen of gelen binnenrand der voorvleugels heeft en dus
deze Unicolorella zeer wel eene eenkleurig grijze varieteit
van Ælutella zijn kan.
De exotische soorten van het genus laat ik onbesproken.
SS So AIM ER OMS ER" CR ko
eee Ee E RAR
SID ENEN GO DE
EN EENIGE VERWANTE SOORTEN,
VERKLARING DER FIGUREN.
De vrouwelijke vlinder, vliegende, vergroot.
Een zittende vlinder, vergroot.
Dezelfde, in volkomen rust (9).
Boveneind van eenen spriet, sterk vergroot.
Kop van den vlinder, sterk vergroot.
Volwassen rups, vergroot.
Dezelfde, op het punt van inspinnen.
Kop en 3 eerste ringen der rups, sterk vergroot.
Vier laatste ringen der rups, idem.
Een wratje of donkere stip der rups, idem.
De pop.
Dezelfde, in het spinsel.
a, b. Staarteinde der pop, zeer sterk vergroot.
Voorvleugel, met schets der teekening.
Aderstelsel van den voorvleugel.
Hetzelfde van den achtervleugel.
Uiteinde der vrouwelijke legboor.
251
TWEE 00ST-INDISCHE SPHINGIDEN ,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
met afbeeldingen (Plaat 9)
DOOR
Prof. Dr. J. VAN LEEUWEN Jr.
1.
In het jaar 1879 zond Mr. Piepers mij van Java voor onze
gemeenschappelijke collectie eene zeer gekarakteriseerde Sphingide,
in een gaaf en frisch, vrouwelijk exemplaar, dat ik echter niet
kon determineeren. De heer van Leeuwen maakte van het voor-
werp eene afbeelding, die ik in 1883 naar Londen medenam,
waar de heer A. G. Butler, Conservator aan het Britsch Museum,
mij liet zien, dat mijne Sphingide de eerst in 1882 door hem
beschreven Panacra insignis was, tot dusverre alleen van de
Andaman-eilanden bekend. Het kwam mij doelmatig voor, om bij
de bekendmaking van eene nieuwe woonplaats der soort, ook
partij te trekken van de inderdaad schoone afbeelding, die onze
collega zoo goed was voor mij te vervaardigen, door haar in het
licht te geven.
De vertaling der beschrijving, door den heer Butler gepubliceerd
in de Annals and Magazine of Natural History for December 1882 ,
p. 432, luidt als volet:
Panacra insignis nov. sp.
Verwant aan P. Vigil: voorvleugels grijsachtig van kleur met
TWEE OOST-INDISCHE SPHINGIDEN. 253
scherpere en zwartere teekening (dan bij Vigil); de lichte band
die op de drie schuine zwarte lijnen volgt, welke den midden-
band vormen, is wit, hoekig geslingerd, niet door zwarte lijnen
gedeeld zooals bij P. Vigil, maar buitenwaarts begrensd door eene
gegolfde, zwarte streep met witten buitenrand; deze wordt opge-
volgd door een onafgebroken bruinen band, die tegen de vleugel-
punt smaller wordt; buitenrand zilverig wit, aan de binnenzijde
door eene zwart gestippelde olijfbruine lijn gedeeld; franje zwart-
achtig olijfgroen: achtervleugels grauwbruin, met vervloeiden rood-
achtigen dwarsband, die eene afgebroken lijn der grondkleur insluit;
franje wit gestippeld; lyf ongeveer als bij P. Vigil, maar de
middenlijn over den rug meer zilverwit. Onderzijde geheel anders
dan by P. Vigil, de vleugels rooskleurig rood, met grijsachtig
witten buitenrand, die binnenwaarts door eene grijze lijn wordt
afgezet; eene middenlijn van zwarte stippen op de aderen, even-
wijdig met den buitenrand; middencel der voorvleugels grijsachtig.
Achterlijf witachtig, de buik met eene zijlijn van zwarte stippen.
Vlucht 63 millimeter.
Panacra Vigil, waarmede Zusignis wordt vergeleken, is door
Guérin-Ménéville beschreven en afgebeeld in Voyage de Delessert,
p. 80. pl. 23. f. 1. (1843). — Sph. Phoenyx Herr. Schäff.,
Aussereurop. Schmett., f. 478; Boisduval, Suit. à Buffon, Sphin-
gides, p. 246, is dezelfde en een synoniem. Wat nu de beschrijving
door den heer Butler aangaat, zoo kan men de grondkleur der
‘voorvleugels bij mijn Javaansch exemplaar eer bruin dan grijs
noemen, de lichte dwarsstreep heeft eene roodachtige tint, de
buitenrand is paarsachtig wit, niet zilverwit; de middenband der
achtervleugels is nauwelijks aangeduid, de zwarte stippenlijn der
onderzijde en die aan de buikzijden ontbreken. Eindelijk is de
grondkleur der onderzijde niet rooskleurig maar onzuiver grijsachtig
rood en de buitenrand licht stofgrijs. Dit zijn echter kleine ver-
schillen waaraan men niet veel gewicht kan hechten.
De vraag omtrent het genus waartoe de soort behoort, laat ik
vooreerst rusten.
Mr. Piepers vond zijn voorwerp in Toeban op Java.
254 TWEE OOST-INDISCHE SPHINGIDEN.
2.
De tweede hierbij afgebeelde Sphingide draagt den naam van
Chaerocampa suffusa Boisd. Zij is door dezen beschreven in: Species
général des Lépidoptères, Hétérocères, Sphingides, etc., p. 230 (1874)
en afgebeeld door Butler, in zijne /llustrations of typical specimens,
etc, III. p. 4. pl. 44. f. 1 (1879). Lang — en waarschijnlijk nog
wel — stond deze soort op ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie
te Leiden onder den M.S.-naam « Botteri Snell. v. Voll. ». Zij
wordt daar door Javaansche exemplaren vertegenwoordigd; Boisduval
vermeldt voorwerpen uit China (Hong-Kong) en uit Assam; boven-
dien komt zij op Sumatra voor.
De beschrijving van den Franschen entomoloog werd naar de zeer
frissche Chineesche voorwerpen gemaakt van het Britsch Museum;
hij noemt de lichte middenstreep der voorvleugels schitterend wit.
Deze streep is bij mijne voorwerpen — evenals bij de Leidsche, van
Java afkomstig, — roodachtig wit en zonder glans. Overigens merk
ik geene verschilpunten van belang op. Butler’s afbeelding komt
met mijne voorwerpen overeen, doch is wat ruw.
Suffusa is verwant aan Alecto L. en Capensis L., doch door een
aantal kenmerken — ik noem slechts de lichte middenstreep der
voorvleugels — goed onderscheiden.
De omstandigheid dat van deze soort nog slechts ééne afbeelding
is gepubliceerd en de door Dr. van Leeuwen vervaardigde zeer
getrouw is, moge de bekendmaking van de tegenwoordige wettigen.
REGISTER.
COLEOPTERA.
Abatocera irregularis Voll. 105.
” Leonina Thoms. cir, 103, 106.
Alphitobius mauritanicus F. cvn.
Apriona flavescens Kaup. 106.
” humeralis Kaup. 106.
” punctatissima Kaup. citt.
” tigris Thoms. ci.
Araeocerus Coffeae F. cvir.
Aulonogyrus concinnus Klug. xx, XXI.
Batocera aeneo-nigra Thoms. 102.
” albofasciata de G. 105.
armata Ol. 101.
attila Pasc. 104.
Boisduvalii Hope. 104.
Bruynii Lansb. cil.
catenata Chevr. 104.
celebensis Thoms. 105.
celebiana Thoms. 105.
chinensis Thoms. 104.
Fabricii Thoms. cir.
ferruginea Thoms. 103.
flavescens Kaup. 106.
gigas Drap. 102.
guttata Voll. cir.
Hector Thoms. 103.
” Hercules Boisd. 103.
D humeralis Kaup. 106.
” irregularis Voll. cir, 105.
” javanica Thoms. 103.
Laena Thoms. 102.
” Leonina Thoms. 103.
” obliqua Voll. 105.
” octomaculata F. 105.
Orpheus Pasc. 102.
pulverosa Pasc. 102.
Rosenbergii Kaup. 105.
Roylii Hope. 104.
Rubus F. 104.
Sarawakensis Thoms. 105.
Saundersii Pasc. 106.
Thomsonii Javet. 104.
Victoriana Thoms. 103.
Wallacei Thoms. 101.
» Whitei Kaup. 103.
Bruchus fur L. xxiv.
” granarius. XXIV.
Calodema Johannae Voll. cı.
Re SEEN VG at Jet SE RR RER
NUE NTR Veet Yat ar EL
Calodema Kirbyi Hope. ct.
” regalis Casteln. cr.
” Ribbei v. d. Poll. ct.
” Wallacei H. Deyr. cr.
Chlaenius holosericeus F. cv.
” tristis Schall. cv.
Cicindela hybrida L. xv, xvutt.
” maritima Dej. xv, XVIII.
Cissites testaceus F. xxuII.
Cistela Geoffr. (gen.) voor Cytilus Er. xxIv.
” varia. XXIV.
Doreus parallelopipidus L. xcv.
Episcapha glabra Wied. ct.
” quadrimaculata Wied. ct.
Frenetica lacrymans Thoms. 107.
Gyrinus bicolor F. xx, xx1.
» concinnus Klug. xx.
” dorsalis Gyll. xx.
7 elongatus Aubé. xx, XXI.
” marinus Gyll. xx, xx.
7 mergus Ahr. xx.
" minutus F. xx, xxI.
” natator L. xx, XXI.
opacus Sahlb. xx,
Horn cephalotes Ol. xxılı.
” senegalensis Casteln. xxI1.
Megacriodes ebenina Voll. 104, 106.
” guttata Voll. 105.
» Saundersii Pasc. 106.
Mormolyce phyllodes Hag. 210.
Mylabris granarius. xxıv.
” Pisi. XXIV.
Nebria livida L. var. lateralis F. xvit.
Necrophorus abrutor Er. cv.
” fossor Er. crv.
gallicus Duy. crv.
germanicus L. civ.
humator Goeze. CIv.
interruptus Steph. crv.
investigator Zett. crv.
microcephalus Thoms. cv.
mortuorum F. civ.
ruspator Er. civ.
sepultor Charp. cv.
vespillo L. ctv.
vespilloides Hrbst. civ.
vestigator Hersch. ctv.
Ones limbatum F. xvi.
Orectochilus villosus Müll. xx, XXI.
Periaptodes Lictor Pasc. 107,
ER ER ae Ss) 18 8
I
256 REGISTER.
Plectrodera scalator F. 107. Camptobrochis punctulata Fall. 61.
Protemnemus Rosenbergii Voll. 107. Campylomma Verbasci H.S 71.
” scabrosus Ol. 107. Campyloneura virgula H.S. 65.
Pseudocistela (g.) voor Cistela. xxiv. Capsus ater L. 62.
Ptinus for L. xxiv. ” capillaris F. 62.
Rosenbergia mandibularis Rits. 106. ” cordiger Hahn. 61.
Stenelmis consobrinus Duf. xvIr. ” leniarius L. 62.
Thaneroclerus Buqueti Spin. cvit. ” olivaceus F. 62.
Zonabris (g.) voor Mylabris. xxIv. ” trifasciatus L. 62.
Ceratocombus coleoptratus Zett. 78.
HEMIPTERA. Cimex Columbaria Jenyns. 78.
» Hirundinis Jenyns. 78.
Acanthia lectularia L. 77. ” lectularius L. 77.
Acetropis carinata H.S. 54. ” Pipistrellae Kol. 78.
” Gimmerthali Flor. 54. Conostethus roseus Fall. 70.
Acompocoris alpinus Reut. 75. " salinus J. Sahlb. 70.
” lucorum Fall. 76. Criocoris crassicornis Hahn. 72.
” pygmaeus Fall. 76. Cryptostemma alienum H.S. 78.
Aetorhinus angulatus. 68. Cyllocoris flavo-quadrimaculatus de G.68.
Agalliastes evanescens Boh. 71. ” histrionicus L. 68.
” pulicarius Fall. 71. Cyphodema rubicundum Fall. 60.
” pullus Reut. 71. Cytorhinus pygmaeus Zett. 67.
” saltitans Fall. 52, 71. Dichrooscytus rufipennis Fall. 59,
Alloeotomus gothicus Fall. 62. Dicyphus annulatus Wolf. 65.
” marginepunctatus H.S. 62. ” Epilobii Reut. 65.
Amblytylus affinis Fieb. 69. ” errans Wolff. 65.
” albidus Hahn. 69. ” globulifer Fall. 63, 65.
» ? brevicollis Fieb. 69. ” pallidus H.S. 65.
” nasutus Kb. 69. Eurygaster maura L. var. picta F. 51.
Anthocoris confusus Reut. 76. Globiceps eruciatus Reut. 68.
” gallarum-Ulmi de G. 76. ” flavomaculatus F. 68.
” limbatus Fieb. 76. ” selectus Fieb. 68.
nemoralis F. 76. ” sphegiformis Rossi. 67.
” nemorum L. 76. Hadrodema pinastri Fall. 60.
” nigricornis Fall. 76. Halticus apterus L. 63.
” pratensis Hahn. 76. 7 leucocephalus L. 63.
” Sarothamni Dgl. et Sc. 76. ” luridus Fall. 63.
” sylvestris L. 76. ” pallicornis F. 63, 65.
” vittatus Fieb. 75. Harpocera thoracica Fall. 75.
Atractotomus magnicornis. 72. Heterocordylus leptocerus Kb. 64, 66.
” Mali Mey. 72. ” tibialis Hahn. 64, 66.
Berytus-soorten (macroptere en brachyptere | Heterotoma Genistae Scop. 72.
vorm van). XIII. ” magnicornis Fall. 72.
Berytus clavipes F. 51. ” Mali Mey. 72.
” montivagus Fieb. 51. ” merioptera Scop. 66.
Blissus Doriae Ferr. xII. ” spissicornis Voll. 66.
Brachysteles foveolatus Leth. 77. ” tumidicornis H.S. 72.
Bryocoris pteridis Fall. 62. unicolor Hahn. 72.
Byrsoptera rufifrons Fall. 75. upon Thunbergii Fall. 70.
Calocoris bifasciatus Hahn. 58. Leptoterna dolabrata L. 56.
” bipunctatus F. 58. 7 ferrugata Fall. 56.
” Chenopodii Fall. 58. Liocoris tripustulatus F. 61.
” fulvomaculatus de G. 58. Lopus albomarginatus Hahn. 56.
” infusus H.S. 58. ” gothicus L. 56.
” marginellus F. 58. 7 infuscus H.S. 58.
” quadripunctatus F. 58. ” lineolatus Brull. 56
” roseomaculatus de G. 58. ” mat Rossi. 56.
” seticornis F. 58. ” subpatellatus Voll. 70.
” striatellus F. 57. ” tunicatus F. 56.
” ticinensis Mey. 58. Loxops coccinea Westw. 66.
Camaronotus cinnamopterus Kb. 63. Lyctocoris campestris F. 76.
” clavatus L. 63. ” domesticus Schill. 76.
Camptobrochis lutescens Schill. 61. Lygus albidus Hahn. 69.
REGISTER. 257
Lygus Alni F. 73.
angulatus F. 68.
arbustorum F. 72.
aurantiacus Voll. 74.
bipunctatus F. 58.
Bohemanni Fall. 71.
Caricis Hahn. 75.
cervinus H.S. 60.
Chenopodii Fall. 58.
chlorizans Fall. 66.
coccineus Mey. 66.
contaminatus Fall. 59.
cordiger Hahn. 61.
Coryli L. 74.
ericetorum Fall. 67.
Fallenii Hahn. 61.
ferrugatus F. 58.
flavomaculatus F. 68.
flavonotatus Boh. 68.
flavosparsus Sahlb. 67.
flavovarius F. 60.
globulifer Fall. 65.
Gyllenhalii Fall. 60.
hirtus Curt. 64.
histrionieus L. 68.
Kalmii L. 60.
lucorum Mey. 59.
melanocephalus Voll. 74.
mutabilis Fall. 64.
nassatus F. 66.
nubilus H.S. 66.
pabulinus L. 59.
Pastinacae Fall.i 60.
Paykullii Fall. 66.
pilosus Hahn. 64, 66.
pinastri Fall. 60.
pratensis L. 59.
pulicarius Fall. 71.
punctulatus Fall. 61.
Roseri H.S. 71.
roseus F. 73.
rubicundus Fall. 60.
rubricatus Fall. 59, 74.
rufipennis Fall. 59.
rugicollis Fall. 59.
saltator Hahn. 64.
saltitans Fall. 71.
seticornis F. 58.
striatellus F. 57.
striatus L. 58.
Tanaceti Fall. 69.
thoracieus Fall. 75.
Thunbergii Fall. 69.
tibialis Hahn. 64, 66.
tripustulatus F. 61.
unifasciatus F. 60.
variabilis Fall. 73.
varians Mey. 73.
virgula H.S. 68.
viridulus Fall. 72.
vulneratus Wolff. 61.
EEE SEC DE OO SCT ONE ECO CC EEE EL Le EU VEE JE ISSN SIRO EEE ES UE
Macrocoleus mollieulus Fall. 69.
» Tanaceti Fall. 69.
Macrolophus nubilus H.S. 66.
Macrotylus Paykullii Fall. 69.
Malacocoris chlorizans Fall. 66.
Megaloceraea erratica L. 55.
” id. var. ochracea Fieb. 55.
” id. var. virescens Fieb. 55.
» longieornis Fall. 55.
" ruficornis Fall. 55.
Microphysa bipunctata Perr. xv, 77.
D coleoptrata Fall. 77.
” elegantula Baer. 77.
” pselaphiformis Curt. 77.
7 pselaphoides Westw. 77.
Miridius quadrivirgatus Costa. 56.
Miris calcaratus Fall. 54.
” erraticus L. 55.
fulvus Fieb. 54.
” grisescens Fall. 55.
” grisescens Fieb. 54.
” holsatus F. 54, 55.
” laevigatus L. 55.
” pallescens Fall. 55.
” ruficornis Fall. 55.
” testaceus Reut. 54.
» virens L. 54.
” virescens Fieb. 54.
Monalocoris Filicis L. 52, 62.
Myrmedobia coleoptrata Fall. 77.
Nabis flavomarginatus Scholtz. xv.
” lativentris Boh. XIV.
” limbatus Dahlb. xv.
” major Costa. XIV.
” rugosus L. XIV.
Neocoris Bohemanni Fall. 71.
” nigritulus Zett. 71.
Oncognathus binotatus F. 59.
Onychumenus decolor Fall. 71.
Orthocephalus coriaceus F. 64.
” parallelus Mey. 64, 72.
” id. var. tibialis Reut. 63.
” saltator Hahn. 64.
Orthostira parvula Fall. var. minor Put.
52.
Orthotylus Adenocarpi Perr. 67.
” chloropterus Kb. 67.
concolor Kb. 67.
” diaphanus Kb. 67.
” ericetorum Fall. 67.
” flavosparsus Sahlb. 67.
” marginalis Reut. 66.
” Moncreaffi Dgl. et Se. 67.
” nassatus F. 67.
” prasinus Fall. 67.
” rubidus Fieb. 67.
D striicornis Kb. 67.
” virescens Dgl. et Sc. 67.
” viridinervis Kb. 67.
Pantilius tunicatus F. 56.
Phylus Avellanae Mey. 74.
” Coryli L. 74.
” melanocephalus L. 74.
” palliceps Fieb. 74.
Phytocoris dimidiatus Kb. 57.
17
258 REGISTER.
Phytocoris divergens Mey. 57. NEUROPTERA.
” longipennis Flor. 57.
Pini Kb. 57. Libellula quadrimaculata L. (Zwermen
” Populi L. 57. van). XII, XXI.
” Reuteri Saund. 57. Lindenia (g.) de Haan. 210.
” Tiliae F. 57. Macrosoma (g.) de Haan. 210.
” Ulmi L. 57.
” varipes Boh. 57. HYMENOPTERA.
Piezostethus cursitans Fall. 76.
" formicetorum Boh. 76.
” galactinus Fieb. 76.
Pilophorus cinnamopterus Kb. 63, 236.
” clavatus L. 52, 63, 235.
” confusus Kb. 235.
” perplexus Dgl. et Sc. 236.
Anthophora parietina F. xt.
Macropis labiata Panz. xxvItt.
Nomada fuscicornis Nyl. xxXVIll.
Osmia Solskyi Mor. xxvuit.
Trypoxylon attenuatnm Smith. xxvuI,
Vespa crabro L. xxvii.
Pithanus Maerkelii H.S. 65.
Plagiognathus alpinus Reut. 71.
” arbustorum F. 72.
” id. var. brunnipennis Mey. 72.
» Chrysanthemi Wolff. 72.
” fulvipennis Kb. 71.
Plesiocoris rugicollis Fall. 59.
Plesiodema pinetellum Zett. 74.
Plinthisus brevipennis Latr. 51.
” convexus Fieb. xII.
Poeciloseytus Gyllenhalii Fall. 60.
» unifasciatus F. 60.
” vulneratus Wolff. 61.
Psallus albicinctus Scholtz. 74.
” Alni F. 73.
7 ambiguus Fall. 73.
” diminutus Kb. 73.
Fallenii Reut. 73.
lepidus Fieb. 73.
quercus Kb. 73.
roseus F. 73.
salicellus Mey. 74.
Scholtzii Fieb. 73.
simillimus Kb. 73.
variabilis Fall. 73.
varians H.S. 73.
” vitellinus Scholtz. 73.
Pycnopterna striata L. 52, 58.
Rhopalotomus ater L. 62.
Salda cincta H.S. 52.
Sthenarus Roseri H.S. 71.
” Rotermundi Scholtz. 71.
Stiphrosoma leucocephalum L. 63.
” luridum Fall. 63.
” obscurum Ramb. 63.
Strachia festiva L. 51.
Stygnus rusticus Fall. xıv.
Systellonotus triguttatus L. 65.
Temnostethus pusillus H.S. 75.
Teratocoris antennatus Boh. 55.
Tetraphleps vittata Fieb. 75.
Trapezonotus agrestis Fall. xiv, 52.
Triphleps latus Fieb. 77.
” luteola Fieb. 77.
” majusculus Reut. 77.
” minutus L. 77.
” niger Wolff. 77.
Xylocoris ater Duf. 76.
N
~~
RTR UE UV LEN
LEPIDOPTERA.
Acontia Huebneri Ersch. 112.
” lucida Hufn. 112.
Adelomorpha Sn. nov. gen. 31.
” Ritsemae Sn. 32.
Agalope Westwoodii Voll. 201.
Aganais albifera Feld. 32.
” inconspicua Butl. 39.
” lacteata Butl. 39.
” Membliaria? Cr. 39.
Agdistis Cerinsis Mill. xıx.
” Satanas Mill. xıx.
” Staticis Mill. xıx.
Agonis (gen.). 38.
Agrotis gypaetina Guen. 50.
” pseudoplecta Sn. 50.
Alucita hexadactyla L. 209.
Amboina (Vlinders van). xcIx.
Amerila Arthus-Bertrand Guér. 40.
” Piepersii Sn. 40,
Amyna selenampha Guen. 43.
Anophia leucomelas Clerck. 41.
” olivescens Guen. 41.
Apatura Allatinus. 38.
” Allotinus. 38.
” Macar Wall. 38.
” Parisatis Westw. 37.
Ariola Bryophilina Feld. 41.
” corticea Sn. 41.
Argynnis Euphrosyne L. 208.
” Selene W.V. 208.
Armada dentata Staud. 112.
” Huebneri Ersch. 112.
Asopia farinalis L. 208.
Atteva Brucea Moore. 25.
Batrachedra dimidiella Sn. 35.
Blabophanes trimaculella Sn. 21.
Blastobasis concretella Sn. 34.
Boarmia angularia Thunb. xıx.
” crepuscularia L. 43.
Bombyx Mori L. 204.
Botys abnegatalis Led. c.
” adipalis Led. c.
” dissipatalis Led. c.
” farinalis L. 208.
” gratalis Led. c.
REGISTER
Botys ruralis Scop. 209.
” verticalis L. 209.
Brassolis Sophorae L. 206.
Bursadella Cleis Feld. 20.
Callidryas Eubule L. 206.
” Philea L. 205.
Cathaemia Gabia Boisd. xcıx.
Catocala conjuncta. 110.
7 conversa. 110.
n dileeta. 110.
” dissimilis. 109.
” diversa. 109.
” Dula. 109.
” electa. 110.
” elocata. 110.
s
Eutychea. 109.
Fraxini. 110.
Hymenaea. 110.
lupina. 110.
Neonympha. 110.
Nupta. 109.
Nymphaea. 109.
Nymphagoga. 109.
optata. 110.
pacta. 110.
paranympha. 109.
promissa. 109.
puerpera. 110.
sponsa. 110.
Civica Cygne Moore. 40.
Ceratophora tricolor Feld. 29.
Chaerocampa suffusa Boisd. 254.
Chalcosia caudata Brem. 201.
Choregia basalis Sn. 18.
Choreutes lascivalis Led. 112.
Cleosiris (gen.). 38.
Colaenis Phaerusa L. 204.
Coleophora vacciniella H.S. xix.
Cryptophasa transversella Sn. 27.
Curacao (Vlinders van). xCVII.
Cydimon Leilus L. 206.
Cyrestis Thyonneus Cr. 37.
Dactylota Kinkerella Sn. xxvr.
Damias (gen.). 38.
Danais Eresimus Cr. 205.
» ‘ Ishma Butl. 37.
” Juventa Cr. 37.
Diasemia grammalis Dbld. 42.
” spilonotalis Sn. 42.
Dyschorista suspecta Hbn. xır.
Earias anthophilina Sn. 40.
” tristrigosa Butl. 40.
Eleysma translucida Butl. 201.
Ephestia absternella Zell. 249.
" astericella Berce. 250.
” egregiella Mill. 249.
” elutella Hbn. xcvr, 241.
” ficella Staint. xcvr,
” Gnidiella Mill. 248.
LA
TRE TEST PORC TE EX VE RR RER
incarnella Eversm. 249.
inductella Staud. 250.
” interpunctella Hbn. c.
” Kühniella Zell. xcvr, 237.
247, enz.
259
Anbei Lugduniella Mill. 249.
passalella Barr. xcvr, 241, enz.
” polyxenella Mill. 249.
” Ragonotella Mill. 250.
n yeductella Mann. 248.
» semirufa. 248.
a tenebrosa Zell. 248.
” unicolorella Staud. 250.
” vapidella Mann. 249.
” xanthotricha Staud. xcv, 241,
enz.
Eretria obsistalis Guen. 42.
Euproctis flavata Cr. 40.
” incomta Sn. 40.
Euripus Halitherses L. 37.
” robustus Woll. 37.
Eurycreon verticalis L. 209.
Eusemia (gen.), 38.
Grapholitha lignana Sn. 208.
” Messingiana F. v. R. 203.
Haetera Piera L. 206.
Hapsifera rugosella Sn. 20.
Hazis militaris L. 205.
Heliconia Melpomene L. 205.
7 Ricini L. 205.
Helicopis Cupido L. 205.
Heterusia dividata Sn. 50.
Hypocrita flavicollis Sn. 39.
Junonia Asterie L. 206.
” Oenone L. 206.
7 Orithya L. 205.
Lagoptera bivirgata Sn. 11.
Lampetia arcuosa Haw. XII.
Lepidoptera (Gekweekte) niet geschikt om
varieteiten te leeren kennen. c.
Leptosoma consobrina Hopf. 39.
u inconstans Voll. 39.
Leucania costalis Moore. 40.
a incana Sn. 40.
” Nareda Feld. 40.
“ Turca L. xu.
7 Yu Guen. 40.
Leucoma impressa Sn. 40.
Lithocolletis caudiferella Rag. 203.
” scitulella Zell. 203.
Lophoptera Bryophilina Feld. 41.
” corticea Sn. 41.
Lycaena Aegon W. V. xxv.
” Arion L. xxv.
2 Arionides. XXV.
Mania Maura L. xm.
Margaritia cordalis Dbld. 42.
Mechanitis Polymnia L. 205.
Mestleta acontioides Moore. 41.
Methona confusa Butl. 205.
Myelois afflatella Mann. 248.
Naenia typica L. 209.
Naxia Lageos Guen. 41.
” Onelia Guen. 41.
Nemetois xanthobasella Sn. 23.
Noctua moldavicola H. S. 111.
» typica L. 209.
Nyctemera inconstans Voll 39.
260
Nyctemera latistriga But]. 38.
Nyctipao Nyctaculis Sn. 41.
Nymphalis Euphrosyne L. 208.
Oeta impariguttella Zell. 25.
‘Oiketicus Cramerii Westw. 40.
» variegatus Sn. 40.
Ophiusa Algira L. 43.
Pamphila Marnas. 38.
” Sunias Feld. 38.
Panacra insignis Butl. 252.
" Vigil Guér. 252.
Papilio Aeneas L. 204.
” Androgeos Cr.
” Erithonius Cr. 205.
” Polycaon Cr. 206.
. Polytus L. 206.
” Psidii Cr. 205.
” Sarpedon L. 205.
Patula macrops L. 41.
Pericyma Ligilla Guen. 41.
Phalaena hilaria Cr. 201.
” punctigera L. 201.
Pieris Monuste L. 206.
Pinacia pupillalis Sn. 7.
Plodia interpunctella Hbn. 241.
Plusia moneta F. xix.
Polythlipta macralis Led. c.
” ossealis Led. c.
Potamophora Hageni Sn. 6.
” Schlegelii Sn. 4.
Prodemia littoralis Boisd. 40.
” testaceoides Guen. 40.
Psyche albida Esp., met de var. Millierella
en Wockei. xix.
Pterophorus hexadactylus. L. 209,
Rhopalodes Lobophoraria Oberth. 50.
” patrata Sn. 50.
Sceliodes mucidalis Guen. 42.
Scordylia Salvini But]. 50.
Scotosia badiata Hbn. xix.
Semasia lignana Sn. 203.
Setomorpha corticinella Sn. 24.
Simaethis albimaculana Sn. 19.
” inscriptana Sn. 19.
Sinna Feutoni Butl. 1.
Sphinx Phoenyx H.S. 253.
Tapinostola Helmanni Ev. xIL.
Teinopyga haemacta Sn. 1.
” reticularis Feld. 1.
Terias Elathea Cr. 205.
Thalpochares Dardouini. 112.
” lascivalis Led. 112.
” moldavicola H.S. 112.
” pudica Sn. 41.
“” suava. 112.
” velox. 112.
Thecla Betulae L. xxviul.
” Crolus Cr. 206.
” Echion L. 206.
” Marsyas L. 206.
Thyridia Psidii L. 205.
Tinea tapetzella L. 22.
Tortricomorpha bilineella Sn, 27.
206.
REGISTER.
Tortricomorpha niveiciliella Sn. 28.
” transversella Sn. 27.
Tortrix ingentana Christ. 203.
“ subrufana Sn. 203.
Vlinders van Amboina. xcıx.
” » Curacao. XOVII.
Ypsolophus bisignellus Sn. 30.
DIPTERA.
Acinia faciestriata Dol. 232.
Angitula cyanea Guér. 233.
. longicollis Walk. 233.
Anopheles annularis v. d. W. 80.
” barbirostris v. d. W. 79.
” sinensis Wied. 81.
CAMPI lovers ferruginea Macq. 215, 217.
fuscipes v. d. W. 215, 216.
” longicornis v. d. W. 215, 218.
” myopina v. d. W. 216, ‘219.
” nubilipennis v.d. W. 216, 220.
robusta v. d. W. 215, 218.
ortie petiolata Wied. 192.
Ctenophora melanura Walk. 81.
Dexia anceps F. 194.
” diadema Wied. 196.
” dives Wied. 198.
” gracilis Wied. 196.
” petiolata Wied. 192.
Elaphomyia polita Saund. 233.
Euantha v. d. W. nov. gen. 198.
Euphya v. d. W. nov. gen. 221.
7 tripunctata Dol. 222,
Graphia v. d. W. nov. gen. 196.
7 strigosa v. d. W. 197.
Lamprogaster elongata v. d. W. 227, 228.
” faciestriata Dol. 232.
” limbata v. d. W. 227, 228.
” marginifera Walk. 232.
v patula Walk. 226, 227.
” pumicata v. d. W. 227, 230.
” quadrilinea Walk. 227, 229.
” sexvittata Walk. 232.
” taeniata v. d. W. 227, 229.
” transversa Walk. 232.
trisignata v. d. W. 227, 231.
Dn v.d. W. nov. gen. 196.
Megistocera fuscana W ied. 83.
Megistogaster fuscipennis Macq. 192.
Musca anceps F. 194.
Nematocera fuscana Wied. 83.
Nerius cyaneus Guér. 233.
Occemyia atra F. XXVII.
Orectocera Beelsebub Wied. 193.
” Diabolus Wied. 193.
Oxydexia contaminata Big. 190.
Platystoma cincta Guér. 232.
Poecilostola pallens v. d. W. 86.
Prionota nigriceps v. d. W. 82.
Rhaphis v. d. W. nov. gen. 199.
” elongata v. d. W. 200.
Rhyphus maculipennis v. d. W. 87.
Scholastes cinctus Guér. 232.
REGISTER. 261
Sericocera pietipennis Macq. 198.
Tachina Beelsebub Wied. 193.
” Diabolus Wied. 193.
„ „Iris Wied. 193.
” macilenta Wied. 193.
” spinipennis Wied. 193.
Tetanocera tripunctata Dol. 222.
Theria muscaria Meig. xxvii.
Tipula leucopyga v. d. W. 84.
” tenuis v. d. W. 85.
Trichodura anceps F. 194.
Tsetse-vlieg. CIL.
Urodexia penicillum O. Sack. 195.
ARANEINA.
A grana brunnea Blackw. 136.
celans. 137.
chrysea C. Koch. 137.
elegans Blackw. 148.
gracilipes Blackw. 137.
gracilis C. Koch. 147.
Haglundii Thor. 136.
labyrinthica Clerck. 147.
linotina C. Koch. 136.
nava Blackw. 148.
praelongipes Cambr. 137.
proxima Cambr. 136.
” similis Keys. 147.
” subfusca Cambr. 148.
Agroeca brunnea Blackw. 136.
” chrysea L. Koch. 137.
fe Ve Jet VERS MR RU Re.
3
” gracilipes Blackw. 137.
” Haglundii Thor. 136.
” linotina C. Koch. 136.
” praelongipes Cambr. 137.
7 proxima Cambr. xxıx, 136.
Amaurobius atropos Walck. 145.
” atrox de G. 144.
claustarins Hahn. 144.
fenestralis Ström. 144.
ferox Walck. 148.
mordax Blackw. 148.
saxatilis Blackw. 145.
similis Blackw 144.
terrestris Wid. 145.
aena accentuata Walck. 135.
obscura Leb. 135.
” punctata Hahn. 135.
Argus Claytoniae Blackw. 181.
>
=
=
es
a f= a &® e aa
” quaternus Walck. 165, 181.
Argyroneta aquatica Clerck. 144.
Asagena phalerata Panz. 139, 159.
” quadrisignata Hahn. 159.
” serratipes Schr. 159.
” signata Walck. 159.
” spinipes Lue. 159.
Atea congener Cambr. 157.
” melanogaster C. Koch. 157.
Atypus affinis Hichw. 119.
” Blackwallii Auss. 120.
” piceus Sulz. 120.
” Sulzeri Latr. 120
Aulonia albimana Walck. xc.
Bathyphantes concolor Wid. 185.
” cristata Menge. 181.
” longipes Menge. 184.
Bolyphantes lineatus L. 185.
7 trilineatus C. Koch. 185.
Bona splendidissima L. Koch. 124.
Calommata fulvipes Luc. x11, 88.
” sumatrana Auss. 94.
Ceratina rotunda Menge. 170.
Cereidia prominens Westr. xxIx.
Chiracanthium carnifex F. 135.
” elegans Thor. 135.
” erraticum Walck. 135.
2 erroneum Cambr. 135.
” lapidicolens Sim. 134.
” nutrix Walck. 134.
” nutrix Blackw. 135.
” oncognathum Thor. 134.
” Pennyi Cambr. 135.
punetorium Vill. 134.
Chase splendidissima L. Koch. 124.
Ciniflo atrox de G. 144.
w claustarius Hahn. 144.
” fenestralis Strom. 144.
” ferox Walck. 143.
” mordax Blackw. 143.
” similis Blackw. 144.
Clotho cellariorum Dugés. 149.
” domesticus Luc. 149.
Clubiona accentuata Walck. 135.
” amarantha Hahn. 130.
” amarantha Blackw. 131.
” assimilata Cambr. 132.
” bifurca Menge. 131.
” brevipes Blackw. 132.
coerulescens L. Koch. 132.
compta C. Koch. 133.
corticalis Walck. 133.
deinognatha Cambr. 131.
diversa Cambr. 133.
domestica Wid. 133.
epimelas Blackw. 130.
frutetorum L. Koch. 132.
fuscula Westr. 132.
grisea L. Koch. 131.
holosericea de G. 131.
holosericea Blackw. 131.
incomta C. Koch. 130.
lutescens Westr. 132.
neglecta Cambr. 131.
obseura Leb. 135.
pallens Blackw. 134.
pallens L. Koch. 133.
pallidula Clerck. 130.
paradoxa L. Koch. 133.
pellucida C. Koch. 131.
phragmitis L. 131.
punctata Hahn. 135.
reclusa Cambr. 132.
stigmatica Sim. 134.
subtilis L. Koch. 134
terrestris Westr. 131.
AMEL Wet LOL TOUR LEA Jet A I Se RR
COP Yet EL EN RAT CH
=
®
262
Clubiona tridens Menge. 132.
” trivialis C. Koch. 133.
” voluta Cambr. 132.
Coelotes atropos Walck. xxix, 145.
” saxatilis Blackw. 145.
” terrestris Wid. 145.
Cornicularia monoceros Menge. 171.
Cryphoeca arietina Thor. 148.
Cteniza hexops White. 91.
Diaea globosa F. xxix.
Dictyna arborea Cambr. 141.
” arundinacea L. 141.
” benigna Walck. 141.
” civica Luc. 142.
” flavescens Walck. 142.
” latens F. 141.
” lugubris Cambr. 141.
” pallens Blackw. 142.
” uneinata Thor. 141.
7 variabilis C. Koch. xxıx, 142.
” viridissima Walck. 142.
Dicymbium gracilipes Menge. 163.
Dicyphus tumidus Menge. 167.
Diplocephalus cristatus Blackw. xcıv, 172.
” frontatus Blackw. 177.
Diplostylus concolor Wd. 185.
Dipoena congener Cambr. 157.
7 melanogaster C. Koch. 157.
Donacochara leptocarpa Thor. 169.
” speciosa Thor. 169.
Drapeta aenea Menge. 138.
Drassodes pubescens Thor. 130.
Drassus ater Blackw. 126.
» Blackwallii Thor. 128.
» clavator Cambr. 129.
” cognatus Westr. 129.
” delinquens Cambr. 130.
” dives Luc. 124.
” fastuosus Luc. 124.
” fuscus ©. Koch. 129.
” gothlandicus Thor. 128.
n infuscatus Westr. 130.
” lapidarius. 129.
" lapidicolens Walck, 129.
v lapidosus. 129.
” minusculus L. Koch. 130.
7 nitens Blackw. 124.
” nocturnus Walck. 126.
” pictus Thor. 130.
” propinquus Blackw. 139.
” pubescens Thor. 130.
Pr pumilus Blackw. 127.
” scutulatus L. Koch. 128.
” severus C. Koch. 129.
” troglodytes C. Koch. 129.
v umbratilis L. Koch. 129,
villosus Thor. 129.
” viridissimus Walck. 142.
Drepanodus albipunctatus Cambr. 160.
» obseurus Menge. 161.
Dysdera Cambridgii Thor. 121.
” erocota ©. Koch. 121.
” erythrina Hahn. 121.
REGIS TER
Dysdera rubicunda Blackw. 121.
Episinus truncatus Walck. 152.
Eresus annulatus Hahn. 140.
7 cinnabarinus Ol. 140.
” purpuratus Panz. 140.
Ergatis arborea Cambr. 141.
” arundinacea L. 141.
” benigna Walck. 141.
” civica Luc. 142.
” flavescens Walck. 142.
” latens F. 141.
” lagubris Cambr. 141.
” pallens Blackw. 142.
7 uncinata Thor. 141.
” variabilis C. Koch. 142,
7 viridissima Walck. 142.
Erigone acuminata Wid. 176.
” barbata Thor. 165.
” bicuspidata Westr. 167.
” conica Westr. 177.
” gibbicollis West. 166.
# impolita Westr. 173.
” leptocarpa Thor. 169.
7 longipalpis Sund. xxtv.
” parasitica Westr. 178.
” pinguis Westr. 168.
” quisquiliarum Westr. 167.
” seabristernis Westr. 163.
” semiglobosa Westr. 175.
” simplex Westr. 165.
” sordidata Thor. 174.
” speciosa Thor. 169.
” tarsalis Thor. 166.
” vagabunda Westr. 163.
Erigonoplus globipes L. Koch. xxIv.
Ero atomaria C. Koch. 188.
” flammeola Sim. 188.
” fureata Vill. 188.
” saxatilis C. Koch. 153.
” thoracica Wid. 188.
” tuberculata C. Koch. 187.
” variegata C. Koch. 188.
Euophrys frontalis Walck. xc.
Euryopis argenteo-maculata Sim. 159.
” flavomaculata C. Koch. 158.
” inornata Cambr. 159.
Frontina frenata Wid. 185.
Gnaphosa lucifuga Walck. 125.
” lugubris C. Koch. 125.
” maculata Wid. 125.
7 nocturna L. 125.
Gonatium bituberculatum Wid. xctv.
Gongylidium apicatum Blackw. xCIv.
Hahnia elegans Blackw. 148.
” helveola Sim. 149.
” montana Blackw. 149.
” nava Blackw. xc, 148.
” pratensis C. Koch. 148.
” pusilla C. Koch. 148.
subfusca Cambr. 148.
Hecnörge maculata Blackw. 138.
nemoralis Blackw. 138.
” spinimana Sund. 138.
REGISTER. 263
Holocnemus rivulatus Forsk. 151.
Lasaeola erythropus Sim. 159.
” nigrina Sim. 182.
Leptothrix clavipes Menge. 170.
Lethia albispiraculis Cambr. 143.
” humilis Blackw. xc, 142.
” varia Menge. 142.
Livyphia affinis Westr. 181.
” albicincta Cambr. 186.
7 albomacalata Ohl. 179.
7 alticeps Blackw. 181.
” angulipalpis Westr. 163.
» anthracina Blackw. 182.
” approximata Cambr. 180.
” bicolor Blackw. 168, 183.
” bucculenta Clerck. 181, 185.
” circumflexa. 187.
” circumspecta Blackw. 182.
” clathrata Sund 185.
5 comata Wid. 183.
” concinna Thor. 171, 183.
5 concolor Cambr. 184.
” confusa Cambr. 179.
” cristata Menge. 181.
” erypticolens Walck. 157.
” decens Cambr. 184.
” decolor Cambr. 181.
” domestica Wid. 179.
” dorsalis Wid. 181.
” errans Blackw. 187.
” experta Cambr. 183.
” explicata Cambr. 181.
” frenata Wid. xxıx, 179.
” fuliginea Blackw. 186.
” gracilis Blackw. 182.
” gracilis Westr. 180.
” Henricae Six. 180.
» horteusis Sund. 186.
5 incerta Cambr. 187.
” leprosa Ohl. 179, 187.
” luteola Blackw. 181.
” marginata C. Koch. 186
” marginata Blackw. 185.
” minuta Blackw. 177, 187.
montana Clerck. 185.
” montana L. 186.
” Mughi Fick. 181.
” multiguttata Wid. 185.
» nebulosa Sund. 187.
” nigrina Westr. 182.
” oblonga Cambr. 187.
r obscura Blackw. 180.
7 pallida Cambr. 184.
” parvula Westr. 184.
” pratensis Blackw. 186.
” pratensis Wid. 186.
7 prudens Cambr. 183.
” pulla Blackw. 182.
7 pusilla Sund. 174, 186.
7 pusilla Blackw. 180.
” pygmaea Westr. 180.
” resupina de Gr. 185.
” socialis Sund. 181.
Linyphia tenebricola Wid. 180.
” tenuis Blackw. 180.
” terricola C. Koch. 180, 182.
” tigrina Wid. 181.
” triangularis Clerck. 186.
” variegata Blackw. 180.
” vilis Thor. 182.
” zebrina Menge. 179.
Liocranum domesticum Wid. 133.
” squamosum L. Koch. 138.
Lithyphantes corollatus L. 160.
Lophocarenum apiculatum Menge. 174.
” bihamatum Menge. 174.
” Blackwallii Sim. 175.
” crassipalpis Menge. 173.
” elongatum Menge. 173.
” globiceps Menge. 171.
Lophomma cristatum Menge. 171, 172.
Melanophora bicolor C. Koch. 127.
” conspicua L. Koch. 126.
Ù electa C. Koch. 127.
” latitans L. Koch. 127.
” Latreillii Sim. 126.
” longipes L. Koch. 126.
“ lutetiana L. Koch. 127.
7 nigrita F. 127.
” pedestris C. Koch. 127.
” petrensis C. Koch. 126.
„ pusilla C. Koch. 127.
7 rustica L. Koch. 128.
” serotina L. Koch. 127.
Meta cellunana Clerck. 157.
n tigrina Wid. 181.
Micaria armata Cambr. 124.
7 aurulenta C. Koch. 124.
” fastuosa C. Koch. 124.
» formicaria Sund. 124.
” formosa C. Koch. 124.
7 fulgens Walck. 124.
» pulicaria Sund. xc, 124.
” scintillans Cambr. 124.
” splendidissima L. Koch. 139.
Micariolepis splendidissima L. Koch. 124.
Micariosoma festiva C. Koch. 139.
” pallipes C. Koch. 139.
Microneta ochropus Menge. 168.
Micryphantes caespitum C. Koch. 172.
” camelinus C. Koch. 177.
” conifer Ohl. 177.
” crassipalpus C. Koch. 164.
” cristatopalpus Ohl. 169.
” erythrocephalus C. Koch. 168.
” grandimanus Ohl. 184.
” inaequalis C. Koch. 177.
” lichenis Wid. 177.
” monoceros Wid. 177.
” ochropus C. Koch. 174.
” olivaceus C. Koch. 177.
" pantherinus ©. Koch. 183.
7 phaeops C. Koch. 170.
7 rubripes Hahn. 163.
” rurestris C. Koch. 169.
7 stylifer Ohl. 171.
264
Micryphantes sulcifrons Wid. 177.
” tenaipalpus Menge. 169.
” tessellatus C. Koch. 178.
” tibialis ©. Koch. 173.
Nematogmus sanguinolentus Walck. 176.
Neriene affinis Cambr. 165.
” agrestis Blackw. 165.
” albipunctata Cambr. 160.
v apicata Blackw. xcıv, 166.
e arundineti Cambr. 167.
” atra Blackw. 163.
” bicuspis Cambr. 177.
bituberculata Wid. xcıv, 167.
” Clarkii Cambr. 167.
” cornuta Blackw. 167, 172.
” corticea Cambr. 169.
” dentata Wid. 165, 182.
” dentifera Westr. 165.
” dentipalpis Wid. 163.
” elevata Cambr. 166.
” flavipes Blackw. 169.
” fusca Blackw. 165.
” fuscipalpis C. Koch. 169.
” globipes L. Koch. xcıv.
7 gracilis Blackw. 169.
7 graminicola Sund. 163.
” herbigrada Blackw. 165.
” innotabilis Cambr. 168.
” isabellina C. Koch. 164.
” Keyserlingii Cambr. 169.
” leptocarpa Thor. 169.
” lineata L. 185.
” livida Blackw. 168.
” longimana C. Koch. 163.
” longipalpus Sund. xcıv, 163.
” marginata Walck. 185.
” munda Blackw. 164.
” nigra Blackw. 163.
” penicillata Westr. 169.
” pygmaea Blackw. 165.
” retusa Westr. 166.
” rubella Blackw. 164.
” rubens Blackw. xxıx, 164.
” rubripes Blackw. 168.
” rufa Wid. 168, 183.
” rufipes L. 164.
” saxatilis Blackw. 168.
” speciosa Thor. 169.
” Sundevallii Westr. 168.
” tarsalis Thor. 166-
” trilineata C. Koch. 185.
” vagans Blackw. 163.
” viaria Blackw. 167.
” viva Cambr. 167.
Nesticus cellulanus Clerck. 157.
Oecobius cellariorum Dugés. 149.
” domesticus Luc. 149.
Oonops pulcher Templ. xc, 123.
Oxyptila praticola C. Koch. xc.
” trux Blackw. xxIx.
Pachygnatha Clerckii Sund. 178.
” de Geerii Sund. 178.
7 Listeri Sund. 178.
RANGE SA
‘
E R.
Pelecodon sundaieus Dol. xr, 88.
Peponocranium ludicrum Cambr. xcıv,
176.
Phalops acuminata Blackw. xcıv.
7 frontata Blackw. 177.
Phaulothrix Hardii Blackw. 171.
Pholcus phalangioides Fuessl. 151.
” rivulatus Forsk. 151.
Phrurolithus festivus C. Koch. 139.
” minimus C. Koch. 139.
” pallipes C. Koch. 139.
Phyllomethis lineata Clerck. 157.
Poecilochroa conspicua L. Koch. 125.
” picta Sim. 125.
Prosoponcus cristatus Blackw. 172.
” frontatus Blackw. xctv, 177.
Prosthesima bicolor L. Koch. 127.
” electa C. Koch. 127.
” latitans L. Koch. 127.
. Latreillii Sim. 126.
” longipes L. Koch. 126.
” lutetiana L. Koch. 124.
” nigrita F. 127.
” pedestris C. Koch. 127.
” petrensis C. Koch. 126.
” Petiverii Scop. 126.
” pusilla C. Koch. 127.
” rastica L. Koch. 128.
” serotina L. Koch. 127.
” subterranea C. Koch. 126.
Pythonissa comata Ohl. 126.
” lucifuga Walck. 125.
” lugubris C. Koch. 125,
” maculata Wid. 125.
” nocturna L. 125.
Sagana rutilans Thor. 138.
Savignia frontata Blackw. 177.
Scytodes thoracica Latr. 150.
” tigrina C. Koch. 150.
Segestria bavarica C. Koch. 122.
" . florentina Rossi. 122.
u perfida. 123.
7 senoculata L. 122.
Singa pygmaea Sund. xc.
Steatoda bipunctata L. 158.
” guttata Wid. 158.
” quadripunctata F. 158.
Stemonyphantes lineatus L. 185.
” trilineatus C. Koch. 185.
Stylophora concolor Wid. 185.
Tapinopa longidens Wid. 168.
Tegenaria advena C. Koch. 145.
” atrica C. Koch. 145.
” campestris C Koch. 146.
7 civilis Walck. 146.
” Derhamii Scop. 146.
” domestica L. 146.
” domestica Walck. 146.
” ferruginea Panz. 146.
” Guyonii Grube. 146.
” intricata C. Koch. 146.
” pagana C. Koch. 147.
” parietina Fourer. 146.
REGISTER. 265
Tegenaria urbana Sim. 146.
Textrix denticulata Ol. 147.
7 lycosina Sund. 147.
torpida C. Koch. 147.
Theridion angulatum Blackw. 152.
aphane Walck. 188.
bicorne Wid. 172.
bimaculatum L. 155.
Blackwallii Cambr. 156.
brevum Wid. 170.
carolinum Walck. 155.
cheliferum Wid. 164.
cornutum Wid. 177.
denticulatum Walck. 154.
dorsiger Hahn. 155.
elongatum Wid. 177.
familiare Cambr. 154.
filipes Blackw. 184.
formosum Clerck. 152.
Hasseltii Thor. 156.
Henricae Six. 180.
hortensis L. Koch. 156.
irroratum C. Koch. 154.
lepidum Walck. 157.
lichenis Wid. 177.
lineatum Clerck. 157.
lunatum Blackw. 152.
melanurum Hahn. 154.
minimum Wid. 156.
nervosum Walck. 153.
ovatum Walck. 157.
pallens Blackw. 156.
pallidum C. Koch. 179.
pietum Walck. 153.
pulchellum Walck. 155.
quadriguttatum Hahn. 143.
redimitum Walck. 157.
riparium Blackw. 153.
simile ©. Koch. 154.
sisyphium Clerck. 153.
sisyphum Blackw. 152.
sulcifrons Wid. 177.
tepidariorum C. Koch. 152.
thoracicum Hahn. 160.
tinctum Walck. 154.
triste Hahn. 155.
varians Hahn. 154.
venustum Walck. 157.
vittatum C. Koch. 155.
Tigellinus fureillatus Menge. xcıv.
Tiso hamipalpis Menge. 163.
Titanoeca quadriguttata Hahn. 143.
Tmeticus foveolatus Menge. 166.
» hamipalpis Menge. 163.
” Hardii Blackw. 171.
SNS eel OUR er SOU ROR’ TATTO IR m RER LE ZENTREN Zn Zi
Walckenaera acuminata Blackw. XCII,
rine, UNE
” aggeris Cambr. 172.
” altifrons Cambr. 176.
” antica Wid. 173.
” Beckii Cambr. 174.
° Blackwallii Cambr. 175.
” borealis Cambr. 175.
| Walckenaera brevipes Westr. 170.
” cirrifrons Cambr. 172.
” cristata Blackw. xcıv, 171.
” cucullata C. Koch. 173.
” depressa Blackw. 170.
” erythropus Westr. 175.
” frontata Blackw. xciv, 166,
177.
” fureillata Menge. xcıv.
” Hardü Blackw. 170, 183.
” Hasseltii Cambr. 174.
” humilis Blackw. 171.
” insecta L. Koch. 175.
” latifrons Cambr. 174.
” ludicra Cambr. xcıv, 176.
» minima Cambr. 174.
” monoceros Wid. 171.
” nemoralis Blackw. 175.
” nemoralioides Cambr. 176.
Z nudipalpis Westr. 170.
” obscura Blackw. 173.
” orbiculata Cambr. 176.
D parallela Wid. 173.
” picina Blackw. 175.
7 prominula Cambr. 171.
7 punctata Blackw. 173.
a pusilla Wid. 174.
” sanguinolenta Walck. 176.
’ scabricula Westr. 172.
” scabrosa Cambr. 170.
” trifrons Cambr. 174.
unicornis Cambr. 171.
Zora RE Blackw. 138.
" nemoralis Blackw. 138.
” spinimana Sund. 138.
ALGEMEENE ZAKEN.
Büttikofer (J.) toegetreden als Lid. 1v.
Cramer (Mr. W. J. C. Putman) id. Iv.
Fontyn (N. M. la) bedankt als Lid. tv.
Hasselt (Dr. A. W. M.van) als Bestuurslid
herkozen. x.
Hollandsche Maatschappij van Weten-
schappen (Ondersteuning door
de). IV.
Hubrecht (Mr. C. W.) op nieuw toege-
treden als Begunstiger. Iv.
Jochems (Mr. J.) toegetreden als Be-
gunstiger. IV.
Kerkhoven (A. B.) toegetreden als Lid. rv.
Koch (Marius) id. tv.
Kweeking van Lepidoptera niet geschikt
om locale en andere varieteiten
te bestudeeren. c.
Lidth de Jeude (Dr. Th. W. van) toe-
getreden als Lid. rv.
Lodeesen (J. W.) als Bestuurslid her-
kozen. X.
Lucassen (Mr. Th. F.) toegetreden als
Lid. ıv.
Mink (W.), Correspondeerend Lid, over-
leden. ILL,
266
Netscher (O.) toegetreden als Lid. v.
Pagenstecher (Werk van Dr. A.) over
de Lepidoptera van Amboina.
XOVIIL.
Poll (J. R. H. Neervoort van de) toe-
getreden als Lid. Iv.
Renthergem (J. G. van) bedankt als Lid. rv.
Sepp’s werk over de Surinaamsche vlinders.
211.
Siekesz (Mr. C. J.) bedankt als Lid. rv.
REGISTER.
Snellen (J. B.) bedankt als Lid. ıv.
Surinaamsche vlinders (zie Sepp).
Teyler’s stichting te Haarlem (Onder-
steuning door). IV.
| VerLoren (Dr. M.C.), Verhandeling over
nuttige en schadelijke vogels en
insecten. CHI.
Vink (Johan P.) toegetreden als Lid. 1v.
Wit (L. C. Dudok de) bedankt als Lid. 1v.
Zwermen van Libelluliden. Xu, XXI.
EE
A.J.W. ith.
Oost-Indische Heterocera.
Jv.L.J fig. +4 del.
Pl
AJ.W. sculps.
Tineina van Celebes.
Tinema van Celebes.
EI:
©
AJW. sculps
Pl. 4.
v. d.W. del. A.J.W. sculps.
Exotische Diptera.
Coi
u
Pre cal
4
%
vi
=
bi
Blaby
Ed. Everts del. ASW. lith.
Pelecodon of Calommata ?
Dexinae.
v.d.W. del A.J.W. sculps.
Exotische Ortalinen.
“een an
JvL.JE feo.
Ephestia Kühmella Zeller
ae
oui]
“
4
PLO:
1 Panacra Insignis Butler.
2 Chaerocampa Suffusa Boisd.
A. JW. sculps
-W. sculps.
_TEDSCHRIET VOOR ENTOMOLOGIE
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLO @ISCHE VEREENIGING
OND ER REDACTIE VAN
Ir AW: M:VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
Jur. Dr. Ep. JG. EVERTS
ACHE EN TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1884—85 _
5 7 A pi
RCE
Eerste Aflevering
’S GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1885
PAS
ie DD
VAM
% Ba SC
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Dr. A. W. M VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
JHR. Dr. Ep. J. G. EVERTS
ACHT EN TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1884—85
Rennie
’°SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1885
TIIDSCHRIFT VOOR ENTONOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
DR A: Wo M VAN HASSELT
© F. M. VAN DER WULP :
; OR
Jur. Dr. Ep. J. G. EVERTS
ACHT EN TWINTIGSTE DEEL
| JAARGANG 1884—85
Derde Aflevering
CSP
’°SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1885
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Dr. A. W. M VAN HASSELT
. M. VAN DER WULP
EN
Jur. Dr. Ep. J. G. EVERTS
ACHT EN TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1884— 85
EIER
Vierde AMlevering
PTS
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1885
N
A
Ru
SEEN
Ars NOT
N 7
aia
4,
te ial si
VERO
I n
D
si
MM
MARSA
| pu MI }
MAL
N
anne
re
ue mg
= water. “fe
ea 017
a -
ee x
percing
wensen
are nist ths:
ha N we bre
Ca 3 wegen Nik eb
nn an Kern
Lg RRA TE
Grants
pa POD ENE
ME yet