ded Ene A TE Per
Eil Re ute rbe ja ELLE he See D. hate see 4 ters.
in anne Pair EN ae
rie i
Leu ac
ZE ut DS EUR +
pelati
il © ae 7
Pokey’
ee
ton
Fete + p ete pit rw tin
nn
ren ach
Repeat
DR fre te
= ~
MARNE
tea) a
trot ote a
PD DOTTY TIS I Or eta
od En Zn PSE PET ae ee =
Ge D dit i ted ES Bs
LE
ANIME LAN PE
AM Hi
i
ij
\
) \
\
{
|
7 t Ta
x
| DI
4
+
t \
*
ta
FA \
NN UT TA
Ù RN hat si
of LAN a
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
PG. TS NBELEEN
F. M. VAN DER WULP
EN
Jun: Dre Ep. Ji Ge EVERTS
ZES-EN-DERTIGSTE DEEL
JAARGANG 1892—93
*S GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1893
GEDRUKT BIJ GEBR. GIUNTA D'ALBANI.
InN HO: DD
VAN HET
ZES-EN-DERTIGSTE DEEL.
Verslag van de 47ste Zomervergadering der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, te Tilburg op 16 Juli 1892.
Lijst van de Leden der Nederlandsche Entomologische Ver-
eeniging op 16 Juli 1892 ee
Verslag van de 26ste Wintervergadering der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, te Leiden op 22 Januari 1893.
Dr. J. TH. OupeMANS, Nachtelijke excursies te Bussum.
Jhr. Dr. Ep. Everrs, Zwei neue Käfer-Varietäten
Mr A. J. E. Horren, “a Horvathi nov. spec. (PI. 1
fig. 1—3). ER
P. C. T. SNELLEN, TRI The Fauna of British
India, including Ceylon and Birmah. Moths, Vol. I, i
G. F. HAMPSON. à
J. R. H. NEERVOORT VAN DE a. ihe: der cee.
door den heer PLANTEN op de Kei-eilanden bijeengebracht
(Pl. 1, fig. 4 en 5)
ArpeNpix. Description de deux espèces du genre Dielysus,
par L. FAIRMAIRE.
W. Rorrors, Quelques nouvelles espèces et un nouveau
genre de Curculionides des îles Philippines
Dr. J. Tu. Ounemaxs, De inlandsche Bladwespen in hare
gedaanteverwisseling en leefwijze beschreven. N°. 1. Pam-
philius erythrocephalus L. (Pl. 2). . . .
Bladz.
XXXIII
XLI
15
16
41
P. C. T. SseLLen, Beschrijving en-afbeelding van eenige
nieuwe of weinig bekende Crambidae (Pl. 3).
J. R. H. Nerrvoorr van DE Port, Note str quelques
espèces d’Astraeus .
Mr. A. F. A. LeesBere, Eene kleine excursie in Limburg.
Jhr. Dr. Ep. Everts, Derde Supplement op de nieuwe
Naamlijst van Nederlandsche Schildvleugelige insecten.
Dr. A. W. M. van Hassett, Spinnen van Java, Sumatra
en Ceylon, voor den heer J. R. H. NEERVOORT VAN DE
Porz door den heer J. Z. KANNEGIETER aldaar verzameld,
F. M. van per Wutp, Eenige Javaansche Tachininen (PI.
4, 5 en 6)
P. C. T, SNELLEN, Aanteekeningen over Nederlandsche
Tiepulopfiera eur. CENTRE
Dr. H. Bos, Een nest van Lasius fuliginosus Latr. (Pl. 7).
Reen Nt ee
Bladz.
54
67
69
73
129
159
189
230
241
VERSLAG
VAN DE
TEVEN-EN-VEERTIGSTE ZONERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENGING,
GEHOUDEN TE TILBURG
op Zaterdag 16 Juli 1592,
des morgens ten 11 ure.
Voorzitter de heer F. J. M. Heylaerts.
Met den Voorzitter tegenwoordig de heeren A. van den Brandt,
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Mr. A. J. F. Fokker, H. W. Groll,
Dr. A. W. M. van Hasselt, Dr. F. W. O. Kallenbach, Mr. A. F.
A. Leesberg, J. C. H. de Meijere, H. F. Nierstrasz, Dr. J. Th.
Oudemans, G. Ritsema Cz., Dr. A. J. van Rossum, P. C. T.
Snellen, Dr. H. J. Veth, A. A. Vorsterman van Oijen, J. de
Vries en F. M. van der Wulp.
Van de heeren Mr. A. Brants, D. ter Haar, D. van der Hoop,
J. Jaspers jr., J. Z. Kannegieter, J. R. H, Neervoort van de Poll,
W. Roelofs, K. Bisschop van Tuinen Hz. en G. de Vries van
Doesburgh is bericht ingekomen dat zij verhinderd zijn.
De Voorzitter opent de vergadering met de volgende toespraak :
«Mijne Heeren,
Toen in de voorgaande zomervergadering mij uwe vereerende
opdracht te beurt viel, Voorzitter van deze vergadering te zijn,
meende ik, niettegenstaande mijne veelvuldige en dikwijls moeielijke
Tijdschr, v. Entom. XXX VI, 1
II VERSLAG.
bezigheden, aan die opdracht gevolg te moeten geven, niet alleen
omdat het presidium door Uw aller medewerking zoo gemak-
kelijk en aangenaam wordt gemaakt, maar vooral omdat ik, als
geboren Noordbrabanter, niet wilde weigeren, nu gij voor den
vierden keer, in betrekkelijk korten tijd, op onzen bodem vergadert.
Ik vind hierin het bewijs, dat de Noordbrabantsche fauna, in
entomologischen zin, U bijzonder belangrijk toeschijnt, en voor
mij is het een streelend genoegen U, door woord en daad, er
steeds op gewezen te hebben, dal onze provincie voor entomologen
eene der belangrijkste van ons vaderland is. Mogen ook ditmaal
Uwe onderzoekingen op morgen U daarvan de overtuiging schenken !
«Het zij mij vergund, met weinig woorden, er op te wijzen,
dat ons Genootschap, zoo klein begonnen, in den loop der jaren
eene hooge wetenschappelijke positie heeft ingenomen. Ons tijd-
schrift wordt door alle zustervereenigingen in het buitenland ten
zeerste gewaardeerd, en velen onzer leden worden, ver buiten onze
grenzen, als autoriteiten op het speciaal door hen beoefende onder-
deel der Entomologie gehuldigd. Mocht ik een wensch koesteren,
dan ware het deze, dat zij, die novae species te publiceeren hebben ,
maandelijks daartoe gelegenheid konden vinden in eigen tijdschrift,
Nu toch moet, ter wille van het prioriteits-recht, gastvrijheid
worden gevraagd bij onze buitenlandsche collega's, zooals ik U
straks zal toonen, door een aantal mijner beschrijvingen in de
Comptes-rendus de la Société entomologique de Belgique, enz. voor
onze bibliotheek af te staan. Intusschen schijnt het, dat de nervus
rerum de oorzaak is van het door mij bedoelde genus, en dat
aan de uitstekende en zorgzame Redactie van het Tijdschrift
hiervan geen verwijt mag worden gemaakt.
«In het afgeloopen jaar heeft de dood, ofschoon velen onzer
door de kwaadaardige influenza werden aangetast, slechts weinig
slachtoffers onder ons gemaakt. Minder gelukkig waren onze Duitsche
collega’s, die zich vele mannen van beteekenis zagen ontvallen ; ik
noem slechts Gustav Quedenfeldt, Professor Ernst Hofmann, Dr.
CG. A. Dohrn, de beroemde Professor Burmeister, wier dood als
een gevoelige slag voor de Entomologie is te beschouwen.
VERSLAG. III
«Moge ons genootschap nog lang voor dergelijke verliezen gespaard
blijven en wij allen vereenigd blijven samenwerken tot den bloei
en den vooruitgang der studiën, die ons zoo lief zijn. Met dezen
wensch heet ik U welkom in Tilburg, en beveel ik mij tevens,
bij mogelijke tekortkomingen in de leiding dezer bijeenkomst, in
Uwe toegeeflijkheid aan».
De President van het Bestuur, de heer P. C. T. Snellen,
brengt het volgende jaarverslag uit :
«Voor de derde maal met de vereerende taak belast om, als
Voorzitter van het Bestuur, U een verslag aan te bieden over den
staat der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, wensch ik,
alvorens daartoe over te gaan, den heer Heylaerts dank te zeggen,
dat hij, niettegenstaande zijne veel omvattende bezigheden — en
daaronder van zulk een bijzonderen aard! —- die hem zoo weinig
de beschikking laten over zijnen tijd, toch zijne benoeming als
Eerevoorzitter van deze vergadering heeft gelieven aan te nemen.
«Beginnen wij ons jaarlijksch overzicht met de wisselingen van
het ledental. Wij verloren door den dood ons Eerelid Dr. C. A.
Dohrn te Stettin, sinds 1873 aan onze Vereeniging verbonden.
Kort na de oprichting der Stettiner Entomologische Vereeniging als
haren President opgetreden, bekleedde hij die betrekking gedurende
eene lange reeks van jaren tot aan zijn overlijden. IJverig verza-
melaar van Coleoptera, vooral van exotische, heeft hij vele mede-
deelingen daarover het licht doen zien in het tijdschrift zijner
Vereeniging, dat hij bovendien verrijkte door tal van geestige
opstellen.
«Verder verloren wij door overlijden, van onze gewone leden,
ten eerste, Dr. W. A. J. van Geuns, vroeger te Utrecht, laat-
stelijk te ’s Gravenhage woonachtig. Ofschoon weinig bij ons bekend,
daar hij nimmer onze vergaderingen bezocht, heeft hij door zijn
40-jarig lidmaatschap blijk gegeven, dat hij het streven van onze
Vereeniging waardeerde, Ten tweede ontviel ons een onzer jeug-
digste medeleden, de heer M. E. d'Ailly, kleinzoon van den
mede-oprichter der Ned, Ent. Vereeniging, wijlen A. J. d'Ailly;
EN VERSLAG.
hij had zich al aanstonds doen kennen als een ijverig beoefenaar
der Entomologie, van wien wij recht hadden in de toekomst nog
veel te verwachten; na een kort verblijf in Suriname, waarheen
hij zich ten vorigen jare had begeven, is hij aldaar komen te
overlijden.
«Eindelijk moeten wij nog het afsterven betreuren van Mr. A.
H. Maurissen , waarvan ons heden ochtend de doodmare gewerd ,
en die gisteren, 15 Juli, dus juist een dag vóór onze vergadering,
is ontslapen. Niettegenstaande zijne wankelende gezondheid in de
laatste jaren, bleef hij tot aan zijnen dood met hart en ziel de
Entomologie toegedaan. In hem verliezen wij een der nuttigste
leden; hij mag een voorbeeld worden genoemd wegens de wijze
waarop hij met zijne medeleden samenwerkte. Zij, die hem per-
soonlijk gekend hebben, zullen ongetwijfeld den vriendelijken collega
in blijvende herinnering houden. Zich vooral het onderzoek der
insecten-fauna van Limburg ten doel gesteld hebbende, is hij sedert
zijne toetreding tot onze Vereeniging (in 1864) daarmede onver-
moeid voortgegaan. Geene orde der Insecten werd door hem ver-
waarloosd, en ten einde van eene nauwkeurige determinatie der
door hem gevonden voorwerpen verzekerd te zijn, verzuimde hij
niet, jaarlijks zijne vangsten aan de verschillende specialiteiten ter
revisie toe te zenden. Indien dan ook de Lepidoptera der provincie
Limburg op eene behoorlijke wijze in mijne beide werken over de
Vlinders van Nederland voorkomen, dan hebben wij dit , — zonder
de verdiensten van onzen collega van den Brandt te verkleinen , —
in de eerste plaats aan Mr. Maurissen te danken. Hopen wij, dat
over zijne collectie op zoodanige wijze beschikt worde, dat zij ook
verder dienstbaar blijve aan de studie der Nederlandsche insecten!
«Bedankt hebben voorts niet minder dan drie onzer begunstigers
en drie gewone leden; van de eersten de heeren Mr. J. Thiebout
te Zwolle, die reeds sedert 1869 onze Vereeniging steunde, C,
L. Roos Vlasman te Abcoude, die in 1882, en J. P. Goed-
koop te Amsterdam, die in 1887 zich aan haar verbond. Van de
gewone leden verlieten ons de heeren Mr. C. J. Sickesz te
Lochem, Prof. J. van Leeuwen jr. te Leiden en M. Merens
VERSLAG. Vv
te Amsterdam. Uit de lijst der leden is afgeschreven W. H.
Dreessens te Amsterdam, die voor geruimen tijd reeds van
daar is vertrokken zonder achterlating van adres.
«Tegenover al deze verliezen staat de toetreding van twee nieuwe
leden, de heeren W. G. Huet te Leiden en A. A. Vorsterman
van Oijen te 's Gravenhage. Intusschen kan ik tot mijn genoegen
nog vermelden, dat ons geacht medelid Mr. W. Albarda, die
voor eenige jaren zelfs als President aan het hoofd onzer Vereeni-
ging stond en hare belangen op zoo krachtdadige wijs bevorderde,
ons vaderland metterwoon verlatende en dientengevolge zijn gewoon
lidmaatschap hebbende opgezegd, daarentegen als begunstiger is
opgetreden en als zoodanig eene jaarlijksche bijdrage van f 25,—-
heeft toegezegd.
«Tot den toestand der geldmiddelen overgaande, zoo blijkt uit
het verslag van onzen Penningmeester, dat het saldo der algemeene
kas bedraagt / 732.28, ongeveer evenveel als dat van het vorige
vereenigingsjaar. Wat het fonds voor de bibliotheek Hartogh Heys
van de Lier aangaat, zoo bedroeg, volgens het voorgaand jaar-
verslag, het batig saldo daarvan in 1891 f 371.75, maar, zooals
toenmaals reeds werd opgemerkt , was dit saldo bestemd tot aan-
koop van verschillende boeken. Deze is dan ook geschied en die
bibliotheek o. a. verrijkt met de volgende belangrijke werken:
Felder, Lepidoptera der Novara-Reise; Butler, Lepidoptera exotica ;
Buckton, Monograph of the British Aphidae, 4 volumes; Finot,
Iuseetes Orthoptères de la France. De aankoop daarvan heeft zelfs
meer geëischt dan wij ons voorstelden, zoodat het saldo nu gedaald
is tot f 86.93, wat ons evenwel geene ongerustheid behoeft te
veroorzaken.
«Daarentegen levert het fonds der uitgave van het Tijdschrift
onzer Vereeniging ditmaal een minder voordeelig uitziend beeld op.
Niettegenstaande de bijdrage van f 300.— , die Mr. Herman Albarda
te Leeuwarden ons verleende, en dat de heer van de Poll ons de
plaat schonk bij zijn stuk over Australische Longicornia, kwamen
zoovele stukken ter plaatsing in, die de Redactie meende niet te
mogen afwijzen, dat er een nadeelig saldo ontstond van f 189,985.
2 2 D
VI VERSLAG.
Voor dezen keer heeft het Bestuur vrijheid gevonden, dit deficit
op de algemeene kas over te brengen; doch onze vooruitzichten
zijn van dien aard, dat wij verder tot groote omzichtigheid worden
aangemaand. Niet alleen is het batig saldo van het fonds voor het
Tijdschrift nu geheel opgeteerd, maar tot zijn leedwezen moet het
Bestuur mededeelen, dat aan de Vereeniging is ontvallen de sedert
zoo langen tijd van het Genootschap Natura Artis Magistra te Am-
sterdam genoten bijdrage ad f 250.— ’sjaars, die uitsluitend tot
ondersteuning der uitgave van ons Tijdschrift werd aangewend.
Uithoofde van redenen, die ons werden medegedeeld en die wij,
helaas! moeten billijken, gaf het Bestuur van genoemd genootschap
ons in het begin dezes jaars kennis dat het tot intrekking der bij-
drage moest overgaan. Ofschoon die slag ons zeer treft, kunnen
wij niet anders dan daarin berusten en gevoelen wi ons zelfs ver-
plicht om er onze erkentelijkheid voor te betuigen, dat ons de
vermelde ondersteuning zoo lang is geschonken.
«Wat de bibliotheken aangaat, valt mede te deelen, dat in het
afgeloopen jaar alleen boeken van de bibliotheek der Vereeniging
zijn ingebonden, maar dit voor de bibliotheek Hartogh Heys is
uitgesteld, omdat de aankoop van de hiervoren reeds genoemde,
zeer kostbare werken buitengewone uitgaven vereischte. Het ver-
dient vermelding, dat onder die aankoopen zich ook bevindt de
Lepidoptera der Novara-reis, met gekleurde platen, een werk dat
bij de studie der exotische Lepidoptera onmisbaar is, maar waarvan
tot dusver in geheel Nederland geen volledig exemplaar aanwezig
was. De bibliotheek der Vereeniging ontving weder talrijke ge-
schenken, en wel van het Ministerie van Waterstaat, Handel en
Nijverheid, van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen,
van Burgemeester en Wethouders van Leiden, van het United
States Department of Agriculture, en voorts van de heeren Dr.
C. Berg, A. Preudhomme de Borre, Dr. J. Ritzema Bos, Mr. A.
J. F. Fokker, Prof. R. Gasperini, F. Ducane Godman, Dr. A.
W. M. van Hasselt, F. J. M Heylaerts, Dr. J. G. de Man, Prof.
F. Plateau, J. R. H. Neervoort van de Poll, C. Ritsema Cz., J.
Röber, Cam. Schaufuss, S. Scudder, Baron E. de Selys Long-
VERSLAG. VII
champs, P. C. T. Snellen, Prof. T. Thorell, Prof. P. J. Veth en
E. Wasmann.
«Van ons Tijdschrift is deel XXXIV in handen van de inteeke-
naren. Niet alleen is deze jaargang de meest uitgebreide, tot dusver
door de Entomologische Vereeniging gepubliceerd (hij telt niet
minder dan 518 bladzijden druks en 19 platen), maar hij bevat
ook een aantal hoogst belangrijke stukken, waaronder m. i. wel
bovenal uitmunt de Révision des Rhaphidides door Mr, Herman
Albarda; terwijl ook wel mag gewezen worden op den door Mr.
A. J. F. Fokker geleverden Catalogus der in Nederland voorko-
mende Hemiptera Homoptera, waardoor opnieuw eene gaping in
de kennis der Nederlandsche insecten-fauna is aangevuld, Uw be-
stuur durft dan ook met een gepast gevoel van zelfvoldoening op
dat 34ste deel wijzen, en heeft het de voorhanden geldmiddelen
opgebruikt, zoo kan het verzekeren dat de fondsen goed besteed
zijn geworden. Dergelijke publicatiën als in ons 34ste deel doen de
wetenschap vorderingen maken en strekken der Vereeniging en
het vaderland tot eer, Dubbel treft het ons dus, nu wij, onze
hulpmiddelen ziende verminderen, genoodzaakt zijn, den omvang
van het Tijdschrift, dat langzamerhand op de hoogte der voor-
naamste Europeesche op ons gebied is gekomen, voorloopig in te
krimpen. Laat ons hopen nieuwe Maecenaten te vinden, die hart
hebben voor den bloei der wetenschappen in het algemeen en,
eigenlijk wel in de eerste plaats, dat de inteekenaren op het Tijd-
schrift onder de leden mogen toenemen.
«Het verschijnen der eerste aflevering van den 35sten jaargang
ondervindt eene ongewone vertraging, omdat de eerste plaat,
daarbij behoorende, nog altijd niet gereed is. Onze colorist B. van
Kralingen te Boskoop heeft ditmaal, ook door ziekte zijner oogen,
met de bewerking bijzonder lang gedraald. Er bestaat echter uit-
zicht, dat de bedoelde plaat nu spoedig zal gereed komen, en dan
de drie verdere afleveringen ras zullen kunnen volgen, In het
35ste deel zullen nog vier gekleurde platen voorkomen, die bij het
opstel van den heer J. Röber over Indo-australische Lepidoptera
in het voorgaande deel behooren en toen zijn toegezegd. Ook een
VIII VERSLAG
paar stukken van mij zelf vereischen ieder eene gekleurde plaat.
Behalve deze zal het loopende deel nog bevatten een tabellarisch
overzicht der in Nederland waargenomen Donaciina van Dr. Everts,
een opstel van den heer Kannegieter over het verzamelen en con-
serveeren van insecten in de tropen, en eene belangrijke studie
van Dr. van Hasselt over de Epigyne der vrouwelijke spinnen.
«Ruil van het Tijdschrift is van onzentwege voorgesteld tegen
de Proceedings of the Entomological Society at Washington.
«Op de laatste Wintervergadering te Leiden maakte ik melding
van het rapport, uitgebracht door Dr. J. Ritzema Bos, die de
goedheid heeft gehad onze Vereeniging te vertegenwoordigen op het
in September 1891 te ’s Gravenhage gehouden Internationaal Land-
bouw-congres. Uit de conclusiën van dat rapport, hetwelk als
bijlage achter het verslag dier vergadering is afgedrukt, is voort-
gevloeid de oprichting van het Phytopathologische genootschap hier
te lande. De aard van dat genootschap en het feit dat het ontstaan
daarvan hoofdzakelijk is uitgegaan van ons bovengemeld medelid,
zou medebrengen, dat onze Vereeniging het nieuwe genootschap
ook finantieel steunde; doch hoe gaarne het Bestuur dit ook zou
willen doen, is het, voor alsnog althans, daartoe niet overgegaan,
onder den indruk verkeerende van de vele geldelijke verliezen, die
wij in den laatsten tijd hebben ondervonden. Het rapport zelf ben
ik zoo vrij in de nauwgezette overweging mijner medeleden ernstig
aan te bevelen.
«Toen ons geëerd Eerelid Baron E. de Selys Longchamps te
Luik in de maand Mei van dit jaar zijn 80e levensjaar zou be-
reiken, meende de Belgische Entomologische Vereeniging, zeer van
pas, hierin eene aanleiding te vinden tot het aanbieden van een
huldeblijk aan den hooggeachten en beminden geleerde. Onze Zuster-
vereeniging had de goedheid, uw Bestuur van haar voornemen
kennis gevende, het uit te noodigen zich bij de beraamde betooging
aan te sluiten. Gereedelijk daarin toestemmende, heeft het Bestuur
zich gehaast een’ brief van gelukwensching op te stellen, en ons
medelid Mr. Herman Albarda heeft zich wel willen belasten met
de aanbieding van dien brief op den voor de plechtigheid bestemden
VERSLAG. IX
dag. Hopen wij, dat de waardige man nog vele jaren tot heil der
wetenschap zich in een gelukkig leven moge verheugen.
«Mijn hooggeachte voorganger op dezen zetel, Generaal van
Hasselt, heeft mij een voorbeeld gegeven, dat ik steeds met groot
genoegen navolg. Het is, om aan het eind van het jaarverslag
eenige vermelding te doen van werken op Zoologisch gebied, in
ons vaderland verschenen.
«Professor Dr. P. J. Veth zal de voldoening smaken, zijn be-
langrijk werk over de Sumatra-expeditie (Midden-Sumatra, reizen
en onderzoekingen der Sumatra-expeditie in 1877—79, Leiden,
E. J. Brill) eindelijk in dit jaar voltooid te zien binnen de nader
door hem gestelde grenzen. Van de schoone, door Mr. A. Brants
geteekende platen der Lepidoptera, bij den heer Trap te Leiden in
bewerking, zag ik reeds de uitmuntend geslaagde proeven. Ik voel
mij gedrongen, ons hooggeacht medelid met het door hem bereikte
doel geluk te wenschen en mijne bewondering uit te drukken,
dat hij zich niet heeft laten ontmoedigen door de velerlei bezwaren,
die hij op zijnen weg ontmoette (o. a. het onttrekken van den
steun van het Aardrijkskundig genootschap), en zelfs zich aan-
zienlijke geldelijke opofferingen heeft getroost, ten einde de eenmaal
begonnen onderneming tot een bevredigend einde te brengen.
«Ook maak ik met genoegen melding van de verschijning van
een hoogst belangrijk, uitgebreid werk van ons medelid Dr. J. G.
de Man, getiteld: Decapoden des Indischen Archipels, met 24
fraaie, door den ijverigen en kundigen schrijver zelven geteekende
platen. Het is een onderdeel van het door Professor Dr. Max C.
W. Weber te Amsterdam uitgegeven groote werk: Zoologische
Ergebnisse einer Reise in Nieder ländiseh Ostindien, Leiden, Brill, 1891.
«Met een enkel woord wensch ik nog den, zij het dan ook ten
deele zeer langzamen, voortgang der reeds in een voorgaand ver-
slag vermelde, periodieke werken aan te stippen.
«Eindelijk hoop ik, dat gij het mij zult veroorloven, om ten
slotte ons medelid Dr. J. Th. Oudemans geluk te wenschen met
de verschijning van zijn door de Hollandsche Maatschappij der
Wetenschappen met goud bekroonde werk: Die accessorische Ge-
x VERSLAG.
schlechtsdrüsen der Säugethiere, met 16 platen, Haarlem 1892, en
ook zijn verzoek, om hem in zijne studie onzer inlandsche Blad-
wespen te helpen, bij U aan te bevelen.»
De Voorzitter vraagt of iemand ook eenige bedenking heeft in
*t midden te brengen of inlichting wenscht te ontvangen omtrent
de punten, in het jaarverslag van den President van het Bestuur
behandeld.
Naar aanleiding van hetgeen in dat verslag voorkomt omtrent
de oprichting van het Phytopathologisch Genootschap en van moge-
lijke geldelijke deelneming daaraan door de Entomologische Veree-
niging , — wordt door sommige leden opgemerkt, dat dit nieuwe
genootschap, vooral wegens zijne practische strekking, alleszins
ondersteuning verdient, maar tevens, dat het vaak ook hulp en
inlichtingen noodig heeft van specialiteiten onder de leden onzer
Vereeniging, gelijk reeds bij herhaling is gebleken. De vraag komt
daarbij ter sprake, of de leden onzer Vereeniging wel verplicht
zouden zijn, zich te dien opzichte altijd beschikbaar te stellen. Bij
de gedachtenwisseling hierover komt de Vergadering tot het besluit,
dat gevraagde inlichtingen, in verband met den werkkring van
het Phytopathologische Genootschap, steeds met de meeste bereid-
willigheid dienen te worden gegeven, ook uit aanmerking van den
belangrijken geldelijken steun, dien de Entomologische Vereeniging
van de Regeering geniet voor de uitgave van haar Tijdschrift.
Niemand verder ten aanzien van het jaarverslag het woord ver-
langende, brengt de Voorzitter aan den heer Snellen den dank der
Vergadering.
De Penningmeester, de heer Groll, brengt zijne rekening over
het boekjaar 1891/92 ter tafel. Naar zijn oordeel behoeft de finan-
tieele toestand, ofschoon minder gunstig door de onderscheidene
verliezen, in het jaarverslag van den President vermeld, voor het
oogenblik geen ongerustheid te verwekken. Alleen zal het noodig
zijn voortaan den omvang van het Tijdschrift zoodanig in te
krimpen, dat telken jare een behoorlijk evenwicht tusschen inkom-
sten en uitgaven worde verkregen, ook in verband met de thans
VERSLAG, xI
ingetrokken subsidie van Natura Artis Magistra; het vroeger aan-
wezige batige saldo toch is opgeteerd en bijstand uit de algemeene
kas, waartoe men ditmaal is moeten overgaan, kan moeielijk ieder
jaar worden ingeroepen. Tegenover het thans geringe overschot van
het fonds voor de bibliotheek Hartogh Heys staat, gelijk reeds uit
het verslag van den President is gebleken, de verrijking der biblo-
theek met eenige kostbare werken; het zal voorzeker aan de be-
doelingen van onze hooggeachte Begunstigster beantwoorden , wan-
neer op die wijze de jaarlijksche toelage, die HaarEd. zoo welwillend
is te schenken, ook ten deele wordt aangewend, om die bibliotheek
meer en meer belangrijk te maken.
In verband met het door hem aangevoerde, levert de heer Groll
tevens eene schets van begrooting voor het nieuwe vereenigingsjaar
1892/93, welke onder de aanwezige leden ter inzage rondgaat.
De Voorzitter verzoekt de heeren Leesberg en Fokker, de rekening
te willen nazien; deze verklaren zich hiertoe bereid en houden
zich staande de vergadering daarmede bezig.
Alsnu wordt overgegaan tot de benoeming van twee leden in
het Bestuur. Aan de beurt van aftreding zijn dit jaar de heeren
Snellen en Ritsema. Met algemeene stemmen, op een na, worden
beiden herkozen. Tot groote voldoening der vergadering, verklaren
de heeren Snellen en Ritsema, onder dankbetuiging voor het in
hen gestelde vertrouwen, deze herbenoeming aan te nemen.
Als plaats voor het houden der zomervergadering in 1893,
worden Arnhem, Zutphen, Winterswijk en Paterswolde genoemd,
en bij hoofdelijke stemming Arnhem als zoodanig aangewezen , onder
voorbehoud, dat het aan het Bestuur blijft overgelaten, de verga-
dering in de stad zelve bijeen te roepen, of wel in hare onmid-
dellijke nabijheid, ten einde des te beter gelegenheid te vinden om
rustig samen te zijn.
Tot Voorzitter dier vergadering wordt met overgroote meerderheid
benoemd Dr. A. J. van Rossum, die onder dankzegging voor deze
onderscheiding, zich de keuze laat welgevallen.
De heeren Leesberg en Fokker zijn inmiddels gereed gekomen
met het onderzoek der rekening en brengen deswege rapport uit:
XII VERSLAG.
zij hebben al de daarin voorkomende cijfers van ontvang en uit-
gaaf accoord en behoorlijk gestaafd gevonden en geen aanleiding
, of de
jaarlijksche huur van f 300.— voor het lokaal waarin de biblio-
om eenige bedenking te maken. Alleen stellen zij de vraag
theken zijn geplaatst, niet vatbaar zou zijn voor eenige vermin-
dering en of niet de mogelijkheid zou bestaan van de bibliotheken
in een der academie-gebouwen te Leiden kosteloos te plaatsen. In
antwoord hierop zegt de heer Ritsema, dat er geen sprake kan
zijn, om aan het departement Leiden der Maatschappij tot nut
van ’talgemeen (de eigenaar van het gebouw) voorstellen te doen
tot vermindering van den huurprijs, omdat dit stellig tot opzegging
der huur zou leiden, wijl het Nutsdepartement zelf groote behoefte
heeft aan meerdere localiteit; eene andere gelegenheid , waarin onze
steeds toenemende bibliotheken gratis konden worden gehuisvest,
is te Leiden niet te vinden.
Na deze opheldering, zegt de Voorzitter den Penningmeester
dank voor zijne onvermoeide zorgen, dit jaar opnieuw aan het
finantieele beheer ten koste gelegd, en bedankt tevens de heeren
Leesberg en Fokker voor de moeite, door hen aan het nazien der
rekening besteed.
Alvorens tot de wetenschappelijke mededeelingen over te gaan ,
vraagt Dr. J. Th. Oudemans het woord en geeft te kennen, dat
hij niet minder dan vijf Begunstigers aan de vergadering heeft voor
te stellen, namelijk: Mevrouw A. Weber, geb. van Bosse, te Am
sterdam; Mejuffrouw S. CG. M. Schober te Putten; de heer W. P.
van Wickevoort Crommelin te Bloemendaal; Professor C. A. J. A.
Oudemans, te Amsterdam; en Mevrouw J. M. C. Oudemans, geb.
Schober, te Amsterdam; alsmede een nieuw lid, de heer J. Ver-
sluys jr., mede te Amsterdam.
Dat deze mededeeling met bijzonder veel genoegen door de ver-
gadering wordt vernomen, behoeft nauwelijks te worden gezegd.
Na eene korte pauze wordt overgegaan tot de wetenschappelijke
voordrachten en mededeelingen.
De heer van Hasselt vestigt de aandacht op het spinnengeslacht
VERSLAG. XIII
Marpissa. Voor twee jaren ving onze geachte Collega Fokker voor
hem één volwassen en een drietal jonge springspinnen in een
boschje van eiken hakhout bij Groesbeek. Terstond herkende Spreker
ze als te behooren tot het genus Marpissa, en meende eerst, dat
de soort nieuw was voor onze fauna. De benaming van het genus
heeft nog al gevarieerd: eerst als Marpissa, maar ook als Marpessa
en Marpissus beschreven, werd daaraan, — als zijnde die namen
gepreöccupeerd, — nog een vierde naam, die van Marptusa , door
Prof. Thorell toegevoegd. Het genus heeft tot type Marpissa muscosa
Clk., eene in Europa algemeen verbreide, grootere soort , waarvan
een exemplaar onder de aanwezigen ter bezichtiging rondgaat.
Onder enkele andere species zijn er twee meer algemeen bekend,
ofschoon beiden zeldzaam, t. w. MZ. pomatia Wik. en M, radiata
Grube (Ohlert). JZ. pomatia was reeds voorlang in ’Sprekers Cata-
logus van inlandsche spinnen opgenomen, op grond van twee
vrouwelijke exemplaren, het eene door hem, met zijn’ zoon, te
Loosduinen, tegen de duinhelling nabij het zeestrand, het andere
door ons medelid Leesberg op of nabij den Wageningschen berg
gevangen. Beide voorwerpen kwamen geheel overeen, en Sprekers
diagnose ervan werd door den heer Simon bevestigd, ofschoon
het & toen ontbrak.
Uit een der halfwassen specimina van Groesbeek is het Spreker
sedert gelukt, een mannelijk voorwerp te kweeken , zoodat hij thans
over de soortsbepaling beter kan oordeelen, in verband met de
vraag, of wellicht de laatstelijk verkregen voorwerpen tot de tweede
species, M. radiata, zouden behooren. Een vergelijkend onderzoek
der hem ten dienste staande schrijvers heeft, door het aantreffen
van onderscheidene punten van twijfel of onzekerheid, veel grooter
inspanning gekost dan aanvankelijk kon worden vermoed. Tusschen
de beide soorten toch bestaat, bij slechts weinige essentieele ver-
schilpunten, eene groote overeenkomst. Dit heeft tot velerlei ver-
warring aanleiding gegeven, die nog toenam door het veronderstelde
bestaan van eene zeer analoge derde species, de onvoliedig be-
schreven Atlus strigipes Westring. Hier kwam bij, dat Simon nog
twee met deze in hoofdzaak overeenstemmende soorten, Marpissus
XIV VERSLAG.
hamatus en monachus, had bekend gemaakt, die hem later bleken
slechts varieteiten te zijn. Dientengevolge menig misverstand. Zoo
is M. pomatia door Simon eerst gelijk gesteld met Attus strigipes
Westr., terwijl deze laatste door hem en anderen sedert tot M.
radiata is teruggebracht; zoo beschouwt Herman M. pomatia als
synoniem met den vroegeren monachus E. S., terwijl Thorell den
gewezen hamatus E. S. als gelijknamig met M. radiala (s. strigipes)
verklaart. De voornaamste oorzaak der confusie schijnt te moeten
worden gezocht in de verschillende waarde, die gehecht werd aan
de beteekenis der twee soortsnamen «strigipes» en «radiata». De
naam sérigipes toch wijst nadrukkelijk op de zwarte langsstrepen
(door sommigen ook als meer of minder ineenvloeiende zwarte
vlekken of stippen beschreven) over de verschillende leden der
pooten. Ofschoon Walckenaer dit belangrijk kenmerk in zijn oor-
spronkelijken type der pomatia, althans voor de wijfjes, niet heeft
aangegeven, en ook andere schrijvers na hem er minder aan hechten
dan Westring voor zijnen sZrigipes, is het echter uit de beschrij-
vingen en afbeeldingen duidelijk, dat het gestreept karakter der
pooten, vooral bij het d,aan de beide genoemde soorten evenzeer
eigen is. — De naam radiata zag blijkbaar op het voorkomen, in
meer of minder duidelijken graad, van zwarte, met geel afwisse-
lende en zijwaarts divergeerende straalstrepen benedenwaarts op
den thorax. Vorm en getal dezer stralen staan nu eens als onge-
regeld, dan weder als ten getale van 3 of 4 ter wederzijde, ver-
meld. Hoewel zij wederom door Walckenaer, in de korte beschrijving
van zijnen hoofd-type, niet zijn opgenomen, schijnt het niet twijfel-
achtig, dat ook dit criterium bij de beide genoemde soorten kan
worden waargenomen, die nu ter bezichtiging rondgaan.
Voor de groote bezwaren in het differentieeren der twee behan-
delde species spreken overigens nog de volgende, niet onbeteekenende
gronden: 10, De grondkleur. Voor de typische pomatia is die
door Walckenaer bepaaldelijk «vert» genoemd; doch ook voor de
tweede typische soort, radiata, bezigt Grube den gelijkaardigen
naam van «olivaceus». Daarentegen maken de overige schrijvers
juist van die kleur weinig of geen gewag, doch bepalen zij zich, —
VERSLAG. XV
met uitzondering van de «pattes testacés verdätres » der pomatia
(Simon), — tot geel, bruin of zwart, in verschillende tinten. —
2°. De rugteekening van het achterlijf. De hierop voor-
komende twee vrij breede langsbanden vindt men, bepaald voor
de wijfjes, vrij overeenstemmend voor beide soorten opgegeven,
wat den vorm betreft, doch met eenig verschil in kleur, waarbij
het zwart, begrensd door roode of oranje beharing, — die bij
pomatia een groenachtigen weerschijn heeft, — de hoofdrol speelt.
Nog sterker overeenkomst bestaat in de opgaven omtrent de veel-
tijds lichtgele tusschenruimte achterwaarts, tusschen de twee zwarte
middelbanden. Zoowel voor pomatia (Walckenaer, Simon) als voor
radiata (Ohlert, Thorell) wordt gewag gemaakt van de aanwezig-
heid daar ter plastse van enkele schuin tegenover elkander ge-
plaatste vlekjes, onder de namen van «accents», «chevrons»,
«un aspect barbelé », «angular marks» en «anguli geminati ». —
3°. De buik. Over een van de meestal belangrijke criteria, de
kleur of teekening van den buik, wordt door de schrijvers los
heengeloopen, of deze zelfs niet vermeld. Voor den type, de po-
matia, geeft Walckenaer uitdrukkelijk aan: «ventre noir«, terwijl
onder anderen door Simon en Becker voor deze zoowel als voor de
andere soort, de buikkleur «gris soyeux» wordt genoemd; alleen
Grube spreekt, voor de radiata, over het bestaan van twee «vittae
fuscae» op den buik. — 40. De pooten. Tusschen de « Besta-
chelung» bij beide soorten zou een gering verschil bestaan, waar-
over Spreker zegt, bij gemis van vergelijking, niet te kunnen
oordeelen. Trouwens Westring gaf die bij sérigipes aan voor een
jong en afgewreven voorwerp, en Thorell noemt dit kenmerk hier
« variabel». — 5°. De genitaal-deelen geven ook weinig
inlichting, Voor de mannelijke palpen zou het onderscheid in hoofd-
zaak worden gevonden in het iets breeder of langer zijn van de
«lamina bulbi», en in het iets korter of langer zijn van de penis,
bij de eene dan bij de andere soort. Ook is het aangegeven diffe-
rentieele kenmerk voor de «apophysis tibialis» bij het 4 der beide
soorten onbeduidend, Voor de epigyne wordt bij de eene soort eene
kleine, bij de andere eene grootere « fossette » opgegeven. — 6°. De
XVI VERSLAG.
afbeeldingen leveren weinig bijzonders op. Aan Spreker zijn
alleen bekend: eene gekleurde teekening van Saltieus Blackwallii
Clk., door Blackwall (Spiders of Gr. Britain, pl. III f. 34), die,
ofschoon door Cambridge synoniem genoemd met pomatia, blijkbaar
eene soort voorstelt, geheel van de beide thans behandelde species
verschillende; voorts twee ongekleurde van O. Herman (Ungarn’s
Spinnen-Fauna, Taf. X f. 211 en 212), voor radiata 3 en 9; in
beiden wijkt de teekening van het achterlijf, vooral die van het 9,
veel af van de beschrijvingen dezer soort door Ohlert en Grube,
inzonderheid door de aanwezigheid van slechts één roode langstreep
op het midden van den rug bij het 4; — eindelijk vier te donker
gekleurde van L. Becker (dranéides de Belgique, pl. I f. 4 en
pl. IV f. 7), waarvan noch die van pomalia 2 end, noch die van
radiata g en d, zoo in kleur als in teekening voldoende met onze
exemplaren overeenkomen; alleen vindt men bij hem voor het d de
meervoudige typische roode bestreping van het abdomen, door
Ohlert ook aan de wijfjes toegeschreven (0).
Als zijne conclusie op al het hier voorafgaande, meent Spreker
— niettegenstaande het raadselachtige, door de kopstralen, de
pootstrepen enz. veroorzaakt, — dat al zijne exemplaren behooren
tot M. pomatia Wlk., in geringe variatiën, en wel op de volgende
gronden: dat hij daarin, zoo voor g als ¢ heeft erkend de groenachtige
tint, aan deze soort alleen eigen, al moge die in spiritus grooten-
deels verdwijnen ; — verder wegens de accenten in de tusschenruimte
op het midden van den rug benedenwaarts, die op de af beeldingen
der radiata ontbreken; — vooral ook wegens de duidelijk zwarte
kleur van den buik; — insgelijks wegens den palpvorm, die geheel
beantwoordt aan dien van Simon’s afbeelding (Monographie de la
Famille des Attides, pl. I f. 1); — voorts wegens het negatief
bewijs, sedert de hiervoren vermelde kweeking van het mannelijk
exemplaar verkregen, dat dit niet kan worden bestemd als M.
radiata, omdat het hoogst essentieele kenmerk, van deze, de 3
à 5 roode rugstrepen (volgens Ohlert), aan dat exemplaar ten
eenenmale ontbreekt; — en ten slotte, — doch niet het minst, —
tengevolge der eensluidende opgaven omtrent het groot verschil in
of
VERSLAG. XVII
vindplaats van de beide soorten. M. pomatia toch wordt gezegd,
zooals bij onze specimina, voor te komen in bosschen , boomgaarden
(misschien vooral van appelboomen en dan van daar Walckenaer’s
soortsnaam) en andere droge gronden. M. radiata daarentegen zou
uitsluitend leven op of in riet («Rohr und Schilf») en op andere
waterplanten aan den kant van moerassen, rivieren, vijvers enz,
Het zal uitdienhoofde nu zaak zijn, te zoeken naar het d van
deze laatste: de vennen bij Oisterwijk , morgen af te jagen, kunnen
misschien reeds dadelijk daartoe eene geschikte gelegenheid aanbieden.
Men zal zich daarbij den wenk van Herman kunnen ten nutte
maken, waar hij schrijft: «Sie webt in die Quasten des Rohres
einen weiten feinen Sack; die so zusanımengesponnenen Quasten
erkennt man schon aus grosser Entfernung; hier wohnt das Thier
und legt seine Eier ab; sie jagt im Sonnenschein auf den Stengeln
und Blättern (l. c. S. 385) !).
De heer J. Th. Oudemans vestigt de aandacht op een opstel
van den heer Edouard Heckel te Marseille, handelend over Thomisus
inustus en voorkomend in het Bulletin scientifique de la France et
de la Belgique, publié par Alfred Giard, T. XXIII, 2de partie. De
schrijver deelt mede, dat in de omstreken van Marseille de boven-
1) De heer van Hasselt schreef later nog: Bij mijne voordracht heb ik de
Leden niet met nog meer bijzonderheden omtrent deze beide twijfelachtige species
willen vermoeien, doch ik wensch aan het gesprokene nog het volgende toe
te voegen: Behalve de vermelde straalstreepjes beneden aan den thorax, loopen
nog twee breedere geelachtige langsbanden over den geheelen cephalothorax, die
zoowel door Grube voor radiata, als door Walckenaer voor pomatia worden ver-
meld, en ook bij mijne exemplaren voorhanden zijn. Bovendien worden voor
radiata op het pars capitalis van den cephalothorax twee (door Ohlert drie?)
kleine geelachtige vlekjes aangegeven, die ik ook bij mijne pomatia-voorwerpen
(bij een paar met licht groenachtige tint) terugvind. Voorts zijn de zwarte,
ouregelmatig verspreide stippels op het bovendeel van de geelachtige tusschen-
ruimte van het abdomen, door Grube, als aan radiata eigen, beschreven, bij alle
mijne vrouwelijke pomafia-individuen duidelijk aanwezig. Bij radiata zijn vooral
de latera abdominis gekenmerkt door kleine schuine zwarte streepjes of vlekjes,
dergelijke tref ik ook bij mijne pomatia, inzonderheid de wijfjes, aan. Eindelijk
hebben beide soorten een geel sternum, met breeden zwarten zoom, juist zooals
bij alle mijne specimina. — Doch genoeg, om aan te toonen, dat in de twee
bedoelde soorten niet slechts onmiskenbare analogie, maar zelfs groote homologie
bestaat.
Tijdschr. v. Entom, XXXVI. 2
XVIII VERSLÁG.
genoemde spin zich ophoudt in of op de bloemen van Convolvulus
arvensis, om aldaar op buit te loeren. Nu komen deze bloemen
in drie kleurverscheidenheden voor: wit, rose en lichtrose met de
buitenzijde der bloem groenachtig. De spin vertoont steeds de kleur
der door haar bewoonde bloem. Verschillend gekleurde spinnen
werden nu door Heckel in het duister bewaard en werden dan
langzamerhand wit; daarna weder op bloemen geplaatst, vertoonden
zich van lieverlede opnieuw de overeenkomstige kleuren; ook werd
op die wijze de kleur aangenomen van eene paarse Dahlia en een
gele Authirrhinum. Een paar gekleurde platen versieren het opstel,
waarvan vooral belangrijk is, dat hier het bewijs geleverd wordt,
dat men bij Thomisus inustus niet met kleur-varieteiten te doen
heeft, doch met een vermogen tot kleurverandering, kleurnaboot-
sing, eene adaptie dus, nuttig omdat de spin daardoor minder
voor hare prooi in het oog loopt. Dat onder de Krabspinnen vele
soorten van het geslacht Zhomisus in verschillende kleuren voor-
komen, is genoeg bekend, doch de bovengemelde verklaring
is nieuw; vermoedelijk zal zij ook wel op andere soorten toepas-
selijk zijn.
Vervolgens deelt Spreker mede, dat hem gebleken is, dat van
Orrhodia Vaccinii L. zoowel de mannetjes als de wijfjes overwin-
teren. In Snellen’s Vlinders van Nederland vindt men daaromtrent
in eene noot op blz. 300 de volgende opmerking: « Lederer trof
onder de overwinterde exemplaren slechts wijfjes aan ; ik bezit echter
van Vaccini een overwinterd mannetje». Spreker heeft ten opzichte
dezer species de zekerheid verkregen, dat onder de overwinterde
exemplaren beide sexen ongeveer gelijkelijk vertegenwoordigd zijn;
het onderzoek strekte zich uit over een zestigtal exemplaren, in
April te Velzen gevangen.
De heer Oudemans vermeidt voorts eenige gevallen van vlinder-
poppen, die op onregelmatige tijdstippen uitkwamen. Van een
twintigtal in het begin van Mei verzamelde volwassen rupsen van
Agrotis xanthographa W.V. kwam één mannelijk exemplaar reeds
op den 17 derzelfde maand uit; de overigen bleven, zooals dit bij
deze soort regel is, geruimen tijd onverpopt liggen en leverden de
VERSLAG, ETE
vlinders in Augustus. — Eene partij rupsen van Pygaera pigra Hfn.
verpopten tusschen 15 en 29 Juli 1891; de vlinders verschenen
tusschen 1 en 11 Augustus van hetzelfde jaar en verder op 6 Maart
en tusschen 3 en 14 April 1892, Van eene andere partij, ver-
popt tusschen 15 en 19 Augustus 1891, kwamen de vlinders uit
op 20 December 1891, 27 Februari, 28 Maart en 4 tot 24 April
1892; gedurende den winter waren alle poppen bewaard in een
vertrek waar nooit gestookt wordt.
Ten vierde vermeldt Spreker de buitengewoon gunstige resultaten ,
door hem, in vereeniging met de heeren de Vries, Versluys en
van den Honert, verkregen op verschillende «strooptochten» te
Bussum. Binnen weinige weken werden aldaar 75 soorten van
Noetuïnen buitgemaakt, waarvan zelfs eens 50 soorten op éénen
avond; het «record» van den heer Lodeesen, 32 species (zie diens
opstel «a la Lanterne», Tijdschr. voor Entom. XXVII blz. 1—4),
is dus aanmerkelijk «verbeterd». Eenige der belangrijkste vangsten
gaan ter bezichtiging rond, waaronder vooral vermelding verdient
Mamestra splendens Hbn., van welke zeldzame soort tot dusver
slechts één inlandsch exemplaar bekend was (zie Tijdschr. voor
Entom. XXXII blz, cxxxvir) en nu verscheidene voorwerpen ge-
vangen werden. Spreker hoopt later eene tabel van de vangsten
der Bussumsche excursies, die regelmatig worden voortgezet, voor
het Tijdschrift aan te bieden, vooral met het oog op den duur
der vliegtijden, het vroeger of later verschijnen van verschillende
aanverwante species ten opzichte van elkander, het voorkomen van
ééne of meer generaties enz.
Ten slotte laat Spreker eene doos rondgaan met een 80-tal ge-
prepareerde rupsen, allen behandeld volgens de onlangs door hem
beschreven methode (zie Tijdsehr. voor Entom. XXXV blz. 27—30).
De uitstekende wijze van prepareeren, waarbij niet alleen de ge-
daante, maar veeltijds ook de oorspronkelijke kleur der dieren in
al hare frischheid behouden bleef, trok niet weinig de bewondering
der aanwezigen.
De heer Everts zegt, dat hij wederom materiaal bijeenverzamelt
NX VERSLAG.
voor een derde supplement op zijne Naamlijst der Nederlandsche
Coleoptera. Sedert het laatste door hem uitgegeven supplement zijn
onderscheidene interessante soorten ontdekt, o. a. een paar nieuwe
Hydroporus-soorten door den heer van de Poll bij Amsterdam , eene
tweede soort van het genus Teiratoma (T. fungorum K.) door den
heer Ritsema bij Oosterbeek, verder de zeldzame Pytho depressus
L. bij Apeldoorn door den heer de Vos tot Nederveen Cappel, en
nog vele anderen. In dat derde supplement zullen niet alleen de
voor onze fauna nieuwe soorten, maar ook nieuwe vindplaatsen
van de meer zeldzame species worden opgegeven; zoo mogelijk ,
denkt hij reeds tegen de eerstvolgende wintervergadering daarmede
gereed te komen.
Dezelfde Spreker vestigt nog de aandacht op eene mededeeling
in het Noord-Amerikaansche Tijdschrift Zusect Life, vol. IV p. 340,
betreffende de ontwikkeling eener vlieg (Sarcophaga carnaria L.)
in het menschelijk oor, waarbij wordt verwezen naar een opstel
deswege van Dr. Walter B. Johnson in het Ophthalmic Record.
Na verwijdering eener ziekelijke afscheiding in het linker uitwendig
oor, bleek, dat het trommelvlies gescheurd was en daarachter de
larve zich bevond. De vlieg werd door Rev. Samuel Lockwood als
de bovengenoemde soort herkend. Twee gevallen waren denkbaar,
hoe de patient daaraan gekomen was: òf de verscheuring van het
trommelvlies bestond reeds alvorens de moedervlieg in de purulente
oorstof een ei legde; òf de scheur in het trommelvlies was door
de larve veroorzaakt, maar dan zou deze, nog zeer jong zijnde,
met voedsel in den mond, wellicht door de Eustachiaansche buis
gekropen zijn Een nader onderzoek bracht aan het licht, dat
eerstgenoemde veronderstelling de ware was.
De heer Leesberg wijst er op, van hoeveel belang het is,
de buitenlandsche literatuur op entomologisch gebied nauwkeurig
te volgen, ook met het oog op onze inlandsche fauna. Reeds in
the Entomologists Annual van Westwood over het jaar 1868,
p. 78, werden de belangrijke resultaten vermeld, die het onderzoek
van mierennesten voor de vangst van Coleoptera opleverde, en
VERSLAG. XXI
waardoor Claviger testaceus en soorten van Myrmedonia, Dinarda,
Atemeles, Hetaeria, Lomechusa enz. waren verkregen. Toch heeft
het lang geduurd, eer men ook hier te lande zich met ernst op
een dergelijk onderzoek heeft toegelegd. Wel vindt men in de
laatste naamlijst van inlandsche Coleoptera, door Snellen van Vollen -
hoven, in 1870, dus twee jaren later, uitgegeven, sommige soorten
als mierengasten vermeld, dank zij de nasporingen van de heeren
Kinker en Heylaerts, die enkele nesten van Formica rufa en
Lasius fuliginosus onderzochten; doch oak in de Naamlijst van
Dr. Everts ontbraken nog vele soorten, en het was eerst door de
ijverige onderzoekingen van den heer Wasmann en enkele anderen
in 1887 en later, dat in het supplement op de laatstgenoemde
lijst een aantal voor onze fauna nieuwe soorten, in mierennesten
gevonden, konden worden opgenomen, waardoor wij nu op eene
volledige fauna van mierengasten kunnen bogen. Er is dus heel
wat tijd noodig geweest, eer de wenken, in het Engelsch tijd-
schrift gegeven, hier te lande toepassing vonden.
De heer Van Rossum doet nog eenige mededeelingen omtrent
Cimbices, ten vervolse op het door hem behandelde in de voor-
gaande zomervergadering te Enschede (zie Tijdsehr. voor Entom.
XXXV, verslag blz. xıx) !). Ten einde meer omtrent de daar
besprokene quaestie te weten te komen, heeft hij, na te vergeefs
meer licht in de entomologische literatuur gezocht te hebben, zich
tot den bekenden Hymenopteroloog Brischke te Langfuhr bij Dantzig
gewend. Deze hoogbejaarde natuuronderzoeker, — ofschoon hij,
wegens zijn’ leeftijd en gezondheidstoestand, zich niet veel meer
met entomologische studiën kan bezig houden, — had de welwil-
lendheid Spreker terstond te antwoorden op de vraag: «of er na
de uitgave van Brischke en Zaddach’s Beobachtungen über die Arten
der Blatt- und Holzwespen, wellicht nog wespen uit beukenlarven
gekweekt waren, en of deze wespen al dan niet specifiek onder-
scheicen zijn van Cimbex Betulae Ladd. ?» — Uit het antwoord
1) Op die bladzijde, regel 6 van onderen, staat: beuk; lees: berk.
XXII VERSLAG.
bleek, dat aan Brischke omtrent latere kweekingen van C. Fagi
niets bekend was geworden. Hij voegt er echter bij: «Ich halte
C. Betulae, der vielen Abänderungen wegen, für eine besondere
Art; aber C. Fagi, saliceti, lutea und Capreae für Varietäten;
C. connata ist wohl besondere Art».
Spreker herinnert er aan, dat C. Zutea L. de vrouwelijke wesp
van C. saliceti Zadd. is, en wijst er op dat Brischke dus niet
meer als vroeger (zie Beobachtungen p. 46) C, Fagi voor eene varieteit
van C. Betulae zou houden, maar thans C. Fagi Zadd. als varieteit
van C. saliceti beschouwt. Aangezien vroeger juist de viltige beharing
van den thorax bij de vrouwelijke wesp van de wilg als kenmerkend
onderscheid dezer soort aangegeven was, vroeg Spreker, op welke
gronden deze opvatting gewijzigd was. In een uitvoeriger schrijven,
waarin echter geen nadere beweegredenen voor deze veranderde
zienswijze worden medegedeeld, antwoordde Brischke o. a. : «Was
ich Ihnen früher über die Buchen-Blattwespe und die beiden an-
deren schrieb, dass diese drei Arten zu einander gehören, ob-
gleich die Futterpflanzen verschieden sind, so bleibe ich vorläufig
bei dieser Ansicht stehen»; en hij voegt er bij: «Was die C. Hum-
boldtii, wie sie Ratzeburg getauft hat, betrifft, so bezweifle ich,
dass diese Art zu C. connata Schrank gehört; ich halte Hum-
boldtw für d von C. Fagi. Wie Sie aus der Zusammenstellung der
Autoren ersehen, herrscht in Bezug auf Humboldtii und connata
verschiedene Auffassung, obgleich meiner Ansicht nach das d von
connala nie die Grösse des & von Fagi erreicht. Die Färbung der
Flügel bei C. lutea ist stets so wie bei Magi schwarzblau und
irisirend. Die Larven von C. Yagi haben einen dickeren Kopf als
die der übrigen Arten. Die echte ©. /utea hat die charakteristische
Behaarung ».
Spreker heeft hierop de door hem gekweekte vrouwelijke wesp
van C. fagi naar Langfuhr ter bezichtiging gezonden en ontving
die terug met het eenige exemplaar van (. dutea, dat Brischke
nog bezat en door dezen met groote bereidwilligheid ten geschenke
werd gegeven. Hierbij werd geschreven: «Bei dieser C. ¢utea
sehen Sie am Thorax die filzige Behaarung welche bei /agi fehlt.
RP ae Srl
VERSLAG, XXIII
Auch das blauschillernde an den Flügeln ist fast ganz bei /Zufea
verschwunden, während es bei Zagi sehr scharf hervortritt.
Aber trotz diesen Verschiedenheiten halte ich doch Fagi zu lutea
gehörend ».
Spreker laat na deze medeedeling zijne wesp uit de beuken-
larve ter vergelijking met de toegezonden wesp uit de wilgen-
larve bij de leden rondgaan, onder opmerking dat, naar zijne
meening, het verschil in kleur van de vleugels der beide exem-
plaren toch niet zeer in ’t oog vallend is. De tint der vleugels
bij agi is iets donkerder, en zij vertoonen meer glans, maar
hij kan niet zien, dat bij dit exemplaar het « blauschillernde
sehr scharf hervortritt». Ook overigens valt, afgezien van den
behaarden thorax, de overeenkomst tusschen de beide wespen in
het oog. De wilgenwesp is nog iets grooter dan de beukenwesp;
bij de laatste is het achterlijf intensiever geel en zijn over het
algemeen de kleuren eenigszins levendiger, misschien omdat zij
minder verbleekt is. Terecht schrijft Brischke, dat het noodig is
meer exemplaren van agi te kweeken, «da es sich dann ent-
scheiden würde, ob €, Fagi als eigene Art zu betrachten ist»;
en aangezien de quaestie nu in zoover veranderd is, dat agi
niet meer als eene varieteit van Betulae, maar van saliceti be-
schouwd wordt, zullen er ter vergelijking ook exemplaren van
deze gekweekt moeten worden. Spreker houdt zich dus bijzonder
aanbevolen bij zijne medeleden voor de toezending van deze wil-
genlarve, welke volgens Snellen van Vollenhoven (Tijdschr. voor
Entom. XII blz. 65, pl. 3) in ons land zeer schaars voorkomt
en wellicht op waardenhout langs onze groote rivieren zal zijn aan
te treffen,
In het afgeloopen najaar werd de beukenlarve op verschillende
plaatsen om Arnhem gevonden, b. v. aan den Bakenbergschen weg
en bij Velp, doch steeds in enkele exemplaren, totdat eindelijk in
het Klarenbeeksche bosch een paar beuken bij Monnikhuizen ont-
dekt werden, waarop een vijftiental larven voorkwamen. De heer
Brants had de welwillendheid er afbeeldingen van te maken en
heeft zijne hooggewaardeerde hulp hierbij ook verder toegezegd,
XXIV VERSLAG.
Spreker hoopt nu in Mei of Juni 1893 eenige wespen te zien ver-
schijnen. Wel zijn bij het inspinnen, zooals dikwils gebeurt, larven
bezweken, en uit een paar cocons kwamen reeds sluipwespen te
voorschijn, maar de overige cocons verkeeren in goeden toestand.
Merkwaardig is het, dat eene larve in October ll., zonder een
cocon te vormen, onder dorre bladeren ineengerimpeld is blijven
liggen en bij aanraking toont dat zij leeft, waarvan Spreker zich
nog gisteren (15 Juli) overtuigde. Mocht deze larve de kracht be-
zitten, ook zonder cocon in pop te veranderen, dan zou dit eene
gewenschte gelegenheid zijn om de pop dezer Curbex te kunnen
afbeelden. In het boven aangehaalde deel van het Zjdschrift voor
Entom. komt op blz. 66 een citaat van Goedaert voor, waarin
omtrent eene Cumbez-larve van de wilgen gezegd wordt: «elle vécut
deux ans et vingt-quatre jours sans manger ni agir». Hier schijnt
dus iets dergelijks voorgekomen te zijn.
De heer van Rossum laat verder eene Libelluline zien, die hy,
behoudens nadere determinatie van deskundigen, voor Cordulia
aenea L. houdt; ofschoon anders in Arnhem’s omstreken minder
bekend, vertoonden zich in Mei jl. gedurende een paar dagen
exemplaren in en om de stad.
Ten slotte geeft hij nog als nieuwe vindplaats voor Zndromis
versicolora L. Enschede op, alwaar een vrouwelijk exemplaar van
dezen zeldzamen vlinder gevangen werd.
De heer Snellen vertoont een fraai exemplaar van eene in Neder-
land zeer zeldzame vlindersoort, Deiopeia pulchella L., hetwelk den
7 Juni van dit jaar door ons medelid, Dr. T. Lyeklama à Nyeholt
nabij Rotterdam gevonden werd. Behalve dit, kent Spreker nog
slechts één inlandsch voorwerp, namelijk het door den heer Uijen
op 15 October 1876 bij Nijmegen gevangen exemplaar, in deel Il
blz. 1140 van de Vlinders van Nederland vermeld. De soort is
indertijd onder de inlandsche Lepidoptera opgenomen, op gezag
van de collectiën van Walchren en Havelaar (zie de noot van
Mr. H. W. de Graaf, Tijdschr. voor Entom. VI blz. 157, bij
n0. 119), wel is waar niet lichtvaardig, maar toch is de bevesti-
VERSLAG. XXV
ging van haar burgerrecht door de waarnemingen der beide eerst-
genoemde heeren van hooge waarde. — Deiopeia pulchella komt
overigens, volgens den zoo nauwkeurigen Catalogus van Staudinger
en Wocke, in Midden-Europa als « vreemdelinge » (advena) voor.
Uit Zuid-Engeland wordt hare aanwezigheid nog al eens opgegeven
in het Zntomologist’s Monthly Magazine. Niet ongewoon is zij in
Zuid-Europa, Noord-Afrika, Klein-Azië en Armenië; ook verder
in Afrika, op Madagascar en Ceylon, in Indië, onze Oost-Indische
bezittingen en Australië. Op Java, Celebes en in Nieuwholland is zij
niet zeldzaam. De heer Mac Lachlan vermeldt in genoemd Engelsch
Tijdschrift, dl. XXII (1885) p. 12, het ontmoeten van een grooten
zwerm vlinders van deze soort, midden in den Atlantischen oceaan,
ver ten zuiden der Kaap-Verdische eilanden. — In Amerika is
Deiopeia pulchella nog miet waargenomen en wordt aldaar vervangen
door de zeer varieerende D. ornatr&æ L. — Wat andere soorten
van het genus betreft, zoo zijn nog bekend D. venusta Hbn. van
Madagascar en Mauritius, de daaraan verwante D. cruentata Butl.
uit Indië, D. Semara Moore, van Java, en D. lactea Butl. van
de Macarenhas-eilanden. De laatste is Spreker alleen bij name be-
kend. Hij laat het door Dr. Lycklama gevangen voorwerp, zoomede
Indische van guichella en ook exemplaren van ornatrix, venusta
en Semara ter bezichtiging rondgaan.
In de Bouwstoffen voor cene Fauna van Nederland, dl. I blz. 122,
teekende Dr. J. A. Herklots het feit aan, dat Liparis chrysorrhoea
L. in 1852 zeer veelvuldig in Zuidholland voorkwam, en uitte den
wensch dat soortgelijke waarnemingen steeds door korte mededeeling
aan de vergetelheid mochten worden onttrokken en aan de geschie-
denis onzer inlandsche dieren dienstbaar gemaakt. Die mededeeling ,
eene zóó gemeene soort betreffende, heeft Spreker wel eens be-
vreemd, maar toch, Dr. Herklots had gelijk: duidelijke aanteeke-
ningen omtrent nauwkeurige waarnemingen zijn op het gebied der
Entomologie soms van groot belang. Zoo vermeldt Spreker dan nu
ook, dat hij in het voorgaande najaar een vijftiental rupsen van
Amphidasis betularia L. verzamelde en daaruit in dit jaar 6 exem-
plaren van den type, 4 zeer geprononceerde der zwarte varieteit
XXVI VERSLAG.
Doubledayaria en 2 overgangsvormen kweekte. Dr. Lycklama à
Nyeholt te Rotterdam verkreeg een exemplaar van den type en twee
van de varieteit. Ook de heer Heylaerts kweekte verscheidene voor-
werpen van Doubledayaria. De rupsen waren bij den Haag, Rot-
terdam, Breda en Maarsbergen op allerlei boomen gevonden. Nog
eenige vangsten der zwarte varieteit werden in dit jaar door anderen
gedaan. Uit dit alles wordt het hoe langer hoe duidelijker, dat de
zwarte varieteit van beiularia in toenemende mate optreedt, en
dat wel kan worden aangenomen, zooals een Engelsch Entomoloog
aan Spreker te kennen gaf, dat «the species is changing its type».
Inderdaad teekent ook de heer Barrett aan in het Ext. Mo. Mag.
XXVIII (1892) p. 48: «It is a matter of general knowledge,
I think, that this singular melanie form of our common pepper-
moth was almost unkwown 30 years ago and that the first speci-
mens caused quite a sensation in this country, also that in its
special home, the hill-districts of Derbyshire, Lancashire and
the adjoining counties, it has been increasing from year to year
in proportionate numbers until it is now in some districts the
predominant form». De heer Barrett maakte deze opmerking naar
aanleiding van eene mededeeling van den heer August Hoffmann
te Eutin, die, ook op onze opgaven over het voorkomen en toe-
nemen in Nederland van Doubledayaria wijzende, verscheidene voor-
beelden van haar optreden in Noordwest-Duitschland, tot zelfs in
Thüringen, vermeldt. Terecht zegt deze Entomoloog (in de Stettiner
Ent. Zeitung, 1888), dat het verschijnsel «die grösste Beachtung »
verdient. Inderdaad schijnen wij hier te doen ie hebben met een
voorbeeld, — misschien het eerste wel gestaafde, — van eene
natuurlijke verandering eener diersoort, zonder tusschenkomst van
menschelijke experimenten. — Het zou echter ook wel kunnen
zijn, dat Amphidasis betularia zich slechts eene buitensporigheid
veroorloofde en na zekeren tijd de zwarte varieteit weder zeldzamer
werd en verdween. Om dit uit te maken, zijn behoorlijke waar-
nemingen en hare mededeeling noodzakelijk. Onder uitnoodiging
aan zijne medeleden om hiertoe mede te werken, meent Spreker
hunne aandacht opnieuw (zie verslag der 45e zomervergadering,
VERSLAG. XXVII
Tijdschr. v. Entom. XXXIV, blz. xvi) te mogen vestigen op den
curieusen negervorm van den Torenkop-meter. Onnoodig is het
bijna om op te merken, dat de oorzaken van het optreden der
varieteit nog geheel in het duister liggen
De Voorzitter, — deheer Heylaerts, — deelt in de eerste plaats,
in aansluiting op hetgeen de heer Snellen omtrent het melanisme
van Amphidasis betularia gezegd heeft, mede, dat hij niet minder
dan acht exemplaren van de varieteit Doubledayarıa verkreeg, ge-
kweekt uit rupsen, door hem in het voorgaande jaar verzameld.
Als een voorbeeld dat melanisme zich ook somtijds reeds in den
larventoestand vertoont, brengt hij opgeblazen rupsen van Mamestra
Brassicae L. en M. oleracea L. ter tafel, welke rupsen door hare
bijna geheel zwarte kleur onkenbaar zouden geweest zijn, indien
niet de imagines waren uitgekomen. Naar zijne meening zou de
oorzaak van het melanisme, zoo niet geheel , dan toch voornamelijk
te zoeken zijn in vochtige weersgesteldheid.
In de tweede plaats vermeldt de heer Heylaerts, dat hij talrijke
rupsen van Acherontia Atropos L., in 1891 bij Breda gevonden,
heeft gekweekt; eenigen daarvan overwinterden als pop, en de
vlinders kwamen in Juni uit. Ten opzichte van het geluid, dat
deze vlinder voortbrengt, heeft hij, bij nauwkeurige waarneming,
bevonden dat de zuiger daarbij geen rol speelt; het komt hem
voor, dat het geluid veroorzaakt wordt door het snel uitstooten
van lucht uit de tracheën door de stigmata, evenals dit geschiedt bij
de larve van //ydrophilus piceus, die hij meermalen levend waarnam ,
en die dan een scherp sissend geluid maakt, dat zelfs op eenigen
afstand hoorbaar is. Het geluid van Afropos gelijkt op den roep
van vledermuizen en is soms even sterk; raakt men den vlinder
aan, dan worden slechts enkele piepende toonen uitgestooten;
erjpt men hem tusschen de vingers, dan wordt het geluid zeer
sterk en kan op grooten afstand worden gehoord; het uitstooten
geschiedt dan in een zeer snel tempo.
In de afgeloopen maand Juni vond Spreker in het Ulvenhoutsche
bosch de rups van Aventia flezularia W.V., en wel tusschen de
XXVIII VERSLAG,
jonge bladeren van Vaccinium myrtillus; een half opgerold blad
was blijkbaar door de rups tot voedsel gebruikt. Het ongewone
van het geval, — immers algemeen is aangenomen, dat dit dier
zich met lichen, vooral van Pinus sylvestris, voedt, — deed hem
besluiten de rups verder alleen met Vaccinium te voeren ; zij at met
smaak ervan, verpopte en leverde op 10 Juli daaraanvolgend een
fraaien vrouwelijken vlinder,
Nog vestigt de heer Heylaerts de aandacht op een tweetal bij
uitstek practische boekjes en raadt zijne medeleden aan, zich die
ook aan te schaffen, te meer daar de prijs daarvan zeer gering is.
Het eene is Handbuch für Sammler der Europäischen Grossschmet-
terlinge van Dr. Standfuss, waarin de Lepidopteroloog op uitste-
kende wijze beschreven vindt al wat hij bij kweeking, vangst en
prepareeren noodig heeft. Het is de vrucht eener vijftigjarige onder-
vinding van Dr. Standfuss en zijn’ zoon, Dr. Max Standfuss, den
tegenwoordigen Custos van het entomologisch Museum te Zürich.
Voor alle beginnende, maar ook voor de meest gevorderde Lepi-
dopterologen is in het boekje veel, zeer veel te leeren. — Het
andere is het Mutomologisches Jahrbuch, waarvan de eerste jaar-
gang verschenen is; het staat onder redactie van Dr. Oskar Krancher
te Leipzig; medewerkers zijn een aantal geleerde entomologen van
elke afdeeling, zoodat het «voor elk wat wils» bevat. De korte,
flink in elkaar gezette opstellen en de practische entomologische
kalender voor elke orde maken het boekske voor ieder onzer ge-
wenscht. Een fraai portret van Dr. L. W. Schaufuss versiert dezen
eersten jaargang.
Ten slotte biedt Spreker, — gelijk hij reeds in zijne openingsrede
had toegezegd, — ten behoeve der bibliotheek, een aantal over-
drukken aan van opstellen, door hem in buitenlandsche tijdschriften
geplaatst, meestal beschrijvingen bevattende van nieuwe vlinder-
soorten , voornamelijk uit de familie der Psychiden, en ten deele
met fraaie afbeeldingen versierd. Dit geschenk wordt met de meeste
erkentelijkheid door de vergadering aanvaard.
De wetenschappelijke mededeelingen hiermede afgeloopen zijnde,
VERSLAG. SEX
vraagt de heer Vorsterman van Oïen nog even het woord
en betuigt zijn dank, dat hij als lid der Vereeniging is aangenomen
en reeds dadeljk het voorrecht mocht genieten deze vergadering
bij te wonen, die hem de overtuiging heeft geschonken, dat in
onze Entomologische Vereeniging, bij een echt wetenschappelijken
geest, tevens een hoogst aangename en vriendschappeljke toon
heerscht,
Nadat de heer Snellen, ook uit naam der overige aanwezenden,
den Voorzitter een woord van dank heeft gebracht voor zijne uit-
muntende leiding, wordt de Vergadering gesloten.
De volgende dag was bestemd voor eene gezamenlijke excursie
in de bosschen en langs de vennen onder Oisterwijk, een terrein
door zijne ligging en weelderigen plantengroei een echt eldorado
voor entomologen. Al de ter vergadering opgekomen leden , waarbij
zich ook nog de heer P. J. M. Schuyt uit Rotterdam had gevoegd,
waren dan ook des morgens aanwezig aan het logement de Honds-
berg in de genoemde bosschen, om van daar uit den tocht aan
te vangen. Dien ochtend reeds was de lucht dicht bewolkt en de
vrees, dat dit weldra in regen zou overgaan, werd kort na de
aankomst der leden maar al te zeer bewaarheid. Tot aller teleur-
stelling bleef het bijna den ganschen dag regenen, zoodat ter nau-
wernood in korte tusschenpoozen eene kleine wandeling kon worden
gemaakt in de bosschen , waar bovendien alles nat was. De vangsten
waren dan ook dien dag zeer gering, uitgenomen voor sommigen
der Coleopterologen, die zich een nat pak hebben getroost, om
onder de vochtige afgevallen bladeren te zoeken, alwaar menig
kevertje eene schuilplaats had gevonden, en waardoor enkele be-
langrijke soorten werden buit gemaakt. Bovendien hadden sommigen
der onzen reeds een paar dagen te voren zich naar Oisterwijk
begeven en daar op eigen gelegenheid excursiën gemaakt, terwijl
anderen zich door het ongunstige weder niet hebben laten afschrikken
om er nog een dag aan te knoopen en nogmaals het terrein te
bezoeken. Een lijstje van de merkwaardigste vangsten onder Oister-
wijk moge hier volgen.
XXX
VERSLAG.
COLEOPTERA.
Pterostichus angustatus Dfts., onder dennenstronken.
» aterrimus Payk., langs eene ven.
Europhilus fuliginosus Panz., onder dorre bladeren.
Olisthopus rotundatus Payk. » » »
Bradycellus similis De. » » »
Acupalpus luteatus Dfts. (luridus Dej.) » » »
Hydroporus melanarius St., in kuilen onder vochtige bladeren.
Agabus affinis Payk., Fawn. nov. sp., in een kuil als voren.
» striolatus Gyll., Faun. nov. sp. » » » DD
Hydraena palustris Er., Faun. nov. sp. » » » » »
Ischnoglossa corticina Er., achter boomschors.
Myrmedonia collaris Payk., onder dorre bladeren.
» cognata Märk., >» » »
» humeralis Grav., » » »
Conurus immaculatus Steph., » » »
Megacronus analis F., » » »
Mycetoporus clavicornis Steph., » » »
Othius melanocephalus Grav. » » »
Lathrobium fovulum Steph., langs de vennen.
Stenus providus Er., onder dorre bladeren.
» foveicollis Kr. Haun. nov. sp. » » »
» nitidiusculus Steph. » » »
Lesteva Heeri Fauv. » » »
Bryaxis juncorum Leach, » » »
Tychus dichrous Schmidt, » » »
Euconnus rutilipennis Mill. , » » »
Amphicyllis globus F., type en
var. ferruginea St. » » »
Agathidium atrum Payk., » » »
Monotoma longicollis Gyll., uit een rieten dak geklopt.
Antherophagus nigricornis F., gesleept.
Cryptophagus setulosus St., Hawn. nov. sp. (leeft in hommel-
en wespennesten), uit een rieten dak
geklopt. |
VERSLAG. , XXL
Curimus murinus F., onder dorre bladeren.
Ebaeus thoracicus Fourer., in gras.
Apion brunnipes Boh. & en 2, onder dorre bladeren; het
dg voor het eerst gevonden.
Deporaüs megacephalus Germ., op populieren.
Strangalia attenuata L., op Spiraea filipendula.
Donacia Sparganii Ahr. , op Sparganium.
Cryptocephalus aureolus Suffr., gesleept.
» parvulus Müller, »
» Pini .L., op dennen.
LEPIDOPTERA.
Xylina Lamda Fabr., verscheidene rupsen op Myrica gale.
Aventia flexula W.V.
Fidonia limbaria Fabr.
Teras niveana Fabr.
Tortrix piceana L.
Lampros procerella W.V.
Opostega salaciella Tr,
DIPTERA.
Tipula Diana Meig.
» nigra L.
Pachyrhina lunulicornis Schumm.
Idioptera fasciata L., verscheidene exemplaren langs de
vennen.
Asindulum flavum Winn.
Dioctria Reinhardi Wied. 9.
Thereva oculata Egg.
Hydrophorus nebulosus Fall.
Syrphus excisus Zett,
Cordylura pudica Meig.
Tetanocera umbrarum L.
Ochthera mantis d,Geer,
XXXII \ VERSLAG.
ARANEIDEA.
De heer van Hasselt schreef deswege het volgende:
«Door de gure en regenachtige weersgesteldheid vermocht ik
voor mijne specialiteit in dit ware entomologische paradijs geen
meldenswaardige of nieuwe soorten te bemachtigen, niettegenstaande
de zeer welwillende pogingen door de meesten onzer aanwezige
leden voor mij in het werk gesteld. Van enkelen hunner verkreeg
ik jonge specimina van Dolomedes limbatus H., die hier, waar-
schijnlijk onder den invloed der vennen, in grootere hoeveelheid
voorkwam, zooals ik ook zelf ondervond, dan door mij nog ergens
anders was aangetroffen. Allen varieerden door eene sterk uitge-
drukte groene kleur der pooten. Jammer dat die zoo spoedig in
den spiritus verdwijnt.
«Onder de van elders, mede in vriendelijken dank, staande
de vergadering ontvangen voorwerpen van eenige Collegae , bevonden
zich verscheidene, ook cocons, die mij zeer welkom waren ter ge-
leidelijke verbetering mijner collectie, waartoe ik mij voortdurend,
hoe ouder ik word, ten sterkste houd aanbevolen. Zoo ontving ik
van den heer van den Brandt een waarlijk kolossaal exemplaar
der overigens gewone (zooals ook op den excursie-dag bleek) Agelena
labyrinthica Clk. 9; — van den heer Groll een buitengewoon groot
individu van den zeldzamen Salticus formicarius d.G.; — van den
heer Ritsema eene bijzonder fraaie, wil gevlekte Poecilochroa con-
spicua L. K. 9; — van Dr. J. Th. Oudemans eene Tarentula trabalis
Clk. g met hare talrijke pulli, die tijdens de vangst, zooals bij
Lycosiden meermalen wordt waargenomen, op haren rug waren
gezeteld; — en van Mr. Leesberg eene mooie ¢ van den bij ons
weinig voorkomenden Tiheridion pictum s. ornatum H., van welke
species alleen het d in mijne verzameling voorhanden was.»
bls SRN DE LE DEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
op 16 Juli 1892,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
RE
BEGUNSTIGERS.
Mevrouw de Wed. Hartogh Heys van de Lier, geb. Snoeck, Alexander-
straat 23, te ’s Gravenhage. 1868.
Dr. F. J. L. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
Het Koninklijk Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra te
Amsterdam. 1879.
Mr. J. Jochems, Korte Vijverberg 4, te ’s Gravenhage. 1883.
De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem. 1884.
Dr. J. G. M. Mastboom, Westeinde 140, te ’s Gravenhage. 1887.
Mevrouw de Wed. Mr. J. Kneppelhout, geb. van Braam, Hemelsche
Berg, te Oosterbeek. 1887.
Mevrouw M. Neervoort van de Poll, geb. Zubli, Heerengracht 476,
te Amsterdam. 1887.
Mr. W. Albarda, te Cannstatt (Würtemberg). 1892.
Mevrouw A. Weber, geb. van Bosse, Sarphatikade 3, te Amsterdam.
1892.
Mejuffrouw S. C. M. Schober, Huize Schovenhorst te Putten (Veluwe).
1892.
W.P. van Wickevoort Crommelin, Huize Wildhof te Bloemendaal. 1892.
Professor C. A. J. A. Oudemans, Sarphatistraat 78, te Amsterdam. 1892.
Mevrouw J. M. ©. Oudemans, geb. Schober, Plantage Middenlaan 78,
te Amsterdam. 1892.
EERELEDEN.
H. T. Stainton, F.R. S. ete., Mountsfield, Lewisham, S. E., te Londen,
1861.
Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwissen-
schaften en Burgemeester van Weenen , Operngasse 8, te Weenen. 1861.
Tijdschr, v. Entom. XXXVI. 3
XXXIV LIJST DER LEDEN ENZ.
Prof. J. O. Westwood, M. A., F. L. S., Directeur van het Hopean
Museum, te Oxford. 1862.
Jhr. Dr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, te Bergen-op-Zoom. 1864.
Dr. Gustav L. Mayr, Professor aan de Hoogere Burgerschool te Weenen ,
III Hauptstrasse 75, te Weenen. 1867.
Dr. H. D. J. Wallengrén, te Farhult, bij Höganás in Zweden. 1871.
R. Mac-Lachlan, F. R. S., Westview, Clarendon Road, Lewisham,
S. E., te Londen. 1871.
Dr. T. Thorell, voormalig Hoogleeraar in de Zoologie aan de Hoogeschool
te Upsala in Zweden, thans wonende villa Henri, ancien chemin
de Castelnau, à Montpellier (Frankrijk). 1872.
E. Baron de Selys Longchamps, Boulevard de la Sauveniere 34, te
Luik. 1874.
CORRESPONDEERENDE LEDEN.
Frederie Moore, Claremont House, Avenue Road, Penge (Surrey). 1864.
Jhr. J. W. May, Consul-Generaal der Nederlanden, Arundal House,
Percy Cross, Fulham Road, S. W., te Londen. 1865.
Dr. W. Marshall, Professor aan de Universiteit te Leipzig. 1872.
A. Fauvel, Rue d'Auge 16, te Caen. 1874.
Dr. O. Taschenberg, te Halle a. S. 1883.
A. W. Putman Cramer, Douglass Street 51, te Brooklyn, Staat
New-York, in Noord-Amerika. 1883.
Dr. F. Plateau, Professor der Zoologie aan de Hoogeschool te Gend. 1887.
A. Preudhomme de Borre, Rue Seutin 11, Schaerbeek, bij Brussel. 1887.
S. H. Seudder, te Cambridge (Mass.) in Noord-Amerika. 1887.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
Comte Henri de Bonvouloir, Avenue de Alma 10, te Parijs.
(1867—68). — Coleoptera.
René Oberthür, Faubourg de Paris 44, te Rennes (Ille-et-Vilaine)
Frankrijk. (1882—83). — Coleoptera, vooral Carabieiden.
GEWONE LEDEN.
1845—46.
F. M. van der Wulp, Trompstraat 154, te ’s Gravenhage. —. Diptera.
Dr. M. C. VerLoren van Themaat, Huize Schothorst, te Hoogland
bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
J. W. Lodeesen, Tulpstraat 6, te Amsterdam. — Lepidoptera indigena.
W. O. Kerkhoven, te Lochem.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXV
R. T. Maitland, Commelinstraat 17, te Amsterdam. — Algemeene
Entomologie.
P. C. T. Snellen, Wijnhaven (Noordzijde) 45, te Rotterdam. —
Lepidoptera.
Dr. M. Imans, te Utrecht.
1852-53.
Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde 123, te ’s Gravenhage. — Inl. Lepi-
doptera, bijzonder Microlepidoptera.
G. M. de Graaf, Heerengracht 55, te Leiden. — Lepidoptera.
G. A. Six, De. Ruiterstraat 65, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera.
A. A. van Bemmelen, Directeur van de Diergaarde te Rotterdam. —
Algemeene Entomologie.
Mr. B. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen, te Velp. —
Lepidoptera.
Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Neuroptera.
Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade 15, te ’s Graven-
hage. — Araneiden.
1857-58.
Dr. J. W. Schubärt, te Utrecht.
W. K. Grothe, te Zeist.
1858-59.
J.C.J. de Joncheere, Voorstraat, D 368, te Dordrecht. — Lepidoptera.
1860-61.
J. Kinker, Keizersgracht CC 580, te Amsterdam. — Lepidoptera en
Coleoptera indigena.
Dr. E. Piaget, aux Bayards, Neuenatel (Zwitserland). — Diptera en
Parasitica.
1863-64.
Mr. R. Th. Bijleveld, Voorhout 88, te ’s Gravenhage. — Algemeene
Entomologie.
D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F 3471, te Zwolle. — Lepidoptera.
XXXVI LIJST DER LEDEN ENZ.
1864—65.
Dr.H. J. Veth, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Boezemsingel 118,
te Rotterdam. — Algemeene Entomologie, vooral Coleoptera.
H. W. Groll, Spaarne 20, te Haarlem. — Coleoptera.
1865-686.
Mr, A. Brants, Eusebius-Buitensingel, te Arnhem. — Lepidoptera.
1366-67.
F. J. M. Heylaerts, Haagdijk, B 377, te Breda. — Lepidoptera enz.
Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar aan ’sRijks Universiteit
te Utrecht. — Algemeene Zoologie.
A. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
1367-68.
C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van natuurlijke
historie, Rapenburg 94, te Leiden. — Algemeene Entomologie.
1868-69.
Dr. J. G. de Man, te Middelburg. — Diptera en Crustacea.
Dr. F. W. O. Kallenbach, te Rotterdam. — Lepidoptera.
A. Cankrien, te Kralingen. — Lepidoptera.
1369-70.
M. Nijhoff, Nobelstraat 18, te ’s Gravenhage. — Bibliographie.
1870-71.
Jhr Dr. Ed. J. G. Everts, Leeraar aan de Hoogere Burgerschoul,
Stationsweg 79, te ’s Gravenhage. — Europeesche Coleoptera.
Mr. M. C. Piepers, Lid der rechterlijke macht in Nederlandsch Indie,
te Balavia. — Lepidoptera.
Dr. P. J. Veth, Oud-Hoogleeraar, Villa Maria, Utrechtsche weg 22,
te Arnhem.
1371-72.
Dr. J. Ritzema Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool te Waye-
ningen. — Oeconomische Entomologie.
J. B. van Stolk, Willemshade, te Rotterdam. — Lepidoptera.
Mr. A. F. A. Leesberg, Jan Hendrikstraat 9, te ’s Gravenhage. —
Coleoptera.
Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit te
Groningen. — Algemeene Zoologie.
M. M. Schepman , te Rhoon. — Neuroptera.
Dr. C. K. Hoffmann, Hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit, Morsch-
singel, te Leiden. — Vergelijkende ontleedkunde en Embryologie.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXVII
1872-73.
Dr. A. J. van Rossum, Eusebius-plein 25, te Arnhem. — Cimbices enz.
1871-75.
H. L. Gerth van Wijk, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te
Middelburg. — Hymenoptera aculeata.
J. van den Honert, Plantage Muidergracht 32, te Amsterdam. —
Lepidoptera.
1575-76.
H. Uijen, Priemstraat , te Nijmegen. — Lepidoptera.
A. J. Weytlandt, te Westzaan. — Coleoptera.
Dr. M. W. Beijerinck, te Delft. — Gallenmakende Insecten.
Vine. Mar. Aghina, Saer. Ord. Praed., te Schiedam. — Lepidoptera.
1876-77.
Dr. P. H. J. J. Ras, Velper weg 56a, te Arnhem.
Mr. A. J. F. Fokker, te Zierikzee. — Hemiptera.
Emile Seipgens, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Zoeterwoudsche
singel, te Leilen. — Coleoptera.
A. M. J. Bolsius, Praktizeerend Geneesheer te Soemanap (Madura).
1877-78.
Dr. C. Kerbert, Directeur van het Koninkl. Zoologisch Genootschap
Natura Artis Magistra, Plantage Middenlaan, hoek Badlaan 70,
te Amsterdam.
Dr. G. A. F. Molengraaff, Buitengewoon Hoogleeraar aan de Univer-
siteit, Pluntage Middenlaan 88, te Amsterdam. —- Lepidoptera.
1878-79.
Dr. A. U. Oudemans Jsz., Directeur van den Zoologisch-Botanischen
tuin, te ’s Gravenhage. Acarina.
Dr. Henri W. de Graaf, Heerenstraat 74a, bij Leiden. — Anatomie en
Physiologie der Insecten.
P. T. Sijthoff, Administrateur op de kina-plantage Tjilaki , nabij
Bandong, Preanger regentschappen, Java. — Coleoptera.
Dr. F. A. Jentink, Directeur van ’s Rijks Museum van natuurlijke
historie, Rembrandt-straat, te Leiden.
1379-50.
Dirk ter Haar, te Warga. — Lepidoptera en Orthoptera.
K. Bisschop van Tuinen Hz., Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
en het Gymnasium te Zwolle. — Lepidoptera.
XXXVIII LIJST DER LEDEN ENZ.
1880-81.
Dr. J. Th. Oudemans, Privaatdocent aan de Universiteit, Plantage
Middenlaan 78, te Am dam. — Macrolepidoptera , nenne,
Thysanura en Colette
J. Jaspers Jr., Plantage Lijnbaansgracht 11, te Amsterdam. — Inlandsche
Insecten.
1881 -82.
Dr. H. Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool te Wageningen. —
Formiciden.
1882-83.
Dr. R. H. Saltet, Binnen-Amstel bij de Keizersgracht 244, te Amsterdam.
D. van der Hoop, Zuidblaak 64, te Rotterdam. — Coleoptera.
Dr. J. Bosscha Jz., te Sambas op Borneo. — Coleoptera.
Dr. R. Horst, Conservator bij ’s Rijks Museum van natuurlijke
historie, Nieuwsteeg, te Leiden.
1883-84.
Johan P. Vink, te Nijmegen. — Lepidoptera.
J. R. H. Neervoort van de Poll, Heerengracht 476, te Amsterdam. —
Coleoptera.
Mr. Th. F. Lucassen, Kemanglen (Tagal) Java. — Coleoptera.
Otto Netscher, te Batavia. — Coleoptera.
J. Büttikofer, Conservator bij ’sRijks Museum van natuurlijke
historie, Breestraat, te Leiden.
Dr. Th W. van Lidth de Jeude, Conservator bij ’s Rijks Museum van
natuurlijke historie, Boommarkt, te Leiden. — Anatomie der Insecten.
1884-85.
Joh. de Vries, P. €. Hooftstraat 82, te Amsterdam. — Lepidoptera.
1886-37.
Dr. Max C. W. Weber, Hoogleeraar aan de Universiteit, Sarphati-
kade 3, te Amsterdam.
Dr. J. C. C. Loman, Leeraar aan ate Gymnasium, Leidsche Kade 96,
te Amsterdam.
Dr. J. van der Hoeven, Witte-de-Withstraat 53, te Rotterdam. —
Coleoptera.
N. A. de Joncheere, te Dordrecht. — Lepidoptera.
Erich Wasmann, 8. J., te Exaeten bij Roermond. — Coleoptera en
Formiciden.
1887-98.
H. F. Hartogh Heys, tijdelijk te Brussel.
W. Roelofs, Rijnstraat 20, te ’s Gravenhage. — Curculioniden.
L. W. Havelaar, te Namen (België). — Lepidoptera.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXIX
1388-89.
H. A. de Vos tot Nederveen Cappel, te Apeldoorn. — Lepidoptera.
Dr. T. Lycklama à Nyeholt, Westersingel 83, te Rotterdam. —
Lepidoptera.
J. C. H. de Meijere, Assistent aan het zoologisch Laboratorium,
Spinhuissteeg 5, te Amsterdam. — Diptera.
J. L. C. van Essen, Marktstraat 3, te Arnhem. — Coleoptera.
G. de Vries van Doesburgh, te Kralingen. — Lepidoptera.
1339-90.
J. Z. Kannegieter, Assistent bij den heer Neervoort van de Poll,
te Amsterdam.
Dr. C. L. Reuvens, Conservator bij ’s Rijks Museum van natuurlijke
historie te Leiden.
1390-91.
H. F. Nierstrasz, Geldersche kade 21, te Rotterdam. — Lepidoptera.
J. F. Heemskerk, Noordeinde 66, te ’s Gravenhage.
P. J. M. Schuyt, Schiedamsche singel 4, te Rotterdam. — Lepidoptera,
C. J. Dixon, Tandjong Poetoes Estate, Langkat, Sumatra.
1891-92.
W. G. Huet, Plantage 1, te Leiden. — Coleoptera.
1392-93.
A. A. Vorsterman van Oijen, Laan Copes van Cattenburch 84, te
’s Gravenhage.
J. Versluys jr., Plantage Middenlaan 80, te Amsterdam. — Coleoptera
en Macrolepidoptera.
BESTUUR.
President. P. C. T. Snellen.
Vice-President. Dr. A. W. M. van Hasselt.
Secretaris. F. M. van der Wulp.
Bibliothecaris. C. Ritsema Cz.
Penningmeester. H. W. Groll.
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
P. C. T. Snellen.
F. M. van der Wulp.
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts.
XL
BERICHT.
Daar eene nieuwe editie van den Catalogus der beide Biblio-
theken in bewerking is en naar het zich laat aanzien, binnen
weinige maanden aan de Leden zal kunnen worden toegezonden ,
is ook nu weder de Lijst der bijgekomen achterwege gelaten.
WERSLAG
VAN DE
ZES-EN-TWINTIGSTE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING ,
GEHOUDEN TE LEIDEN
op Zondag 22 Januari 1893,
des morgens ten 11 ure.
Voorzitter de heer P. C. T. Snellen.
Met den Voorzitter tegenwoordig de heeren Jhr. Dr. Ed. J. G.
Everts, H. W. Groll, D. ter Haar, Dr. A. W. M. van Hasselt,
J. F. Heemskerk, D. van der Hoop, W. G, Huet, J. Jaspers Jr.,
Dr. F. A. Jentink, Dr. F. W. O. Kallenbach, J. Kinker, Mr. A.
F. A. Leesberg, H. F. Nierstrasz, Dr. J. Th. Oudemans, A. A.
Vorsterman van Oijen, J. R. H. Neervoort van de Poll, C. Rit-
sema Cz., W. Roelofs, P. J. M. Schuyt, Em. Seipgens, J. Ver-
sluys Jr., Dr. H. J. Veth, J. de Vries en F. M. van der Wulp.
Van de heeren Mr. A. Brants, Mr. A. J. F. Fokker, J. C. H.
de Meijere, Dr. A. J. van Rossum en E. Wasmann is bericht
ingekomen, dat zij verhinderd zijn.
De Voorzitter opent de vergadering en heet de aanwezige leden
welkom; hij verheugt zich in de opkomst van zoo velen, waar-
onder er zijn, die niettegenstaande het gure winterweder, zich de
ongemakken van eene verre reis hebben getroost, en ziet daarin
het bewijs van voortdurende warme belangstelling in onze Ento-
Tijdschr. v. Entom. XXXVI. 3*
XLII VERSLAG.
mologische Vereeniging. Hij wenscht, dat deze bijeenkomst vrucht-
baar moge zijn ter bevordering der wetenschappelijke Entomologie.
Op verlangen van Dr. van Hasselt, door verscheidene andere
leden ondersteund, opent de Voorzitter de reeks der wetenschappelijke
voordrachten.
De heer Snellen zegt, dat hij reeds eenige malen het voor-
recht heeft gehad, op de wintervergaderingen de eene of andere
belangrijke mededeeling op het gebied der Nederlandsche Lepi-
doptera te kunnen doen, en dat hem heden op nieuw dit genoegen
te beurt valt. Hij heeft dit te danken aan ons medelid, den heer
H. A. de Vos tot Nederveen Cappel te Apeldoorn, van wien hij
eenige dagen geleden een aantal aldaar gevangen Lepidoptera ter
benoeming of revisie ontving, en die daarbij de aandacht vestigde
op eene Agrotis, op A. Baja W V. gelijkende, doch vooral af-
wijkende door het ontbreken der anders zeer in ’t oogloopende
zwarte vlekjes boven aan de golflijn der voorvleugels. Spreker
herkende in het aangewezen exemplaar een fraai mannelijk stuk
van Agrotis sobrina Boisd., die dus als nieuwe soort in onze fauna
moet worden opgenomen. Niet onvermeld mag echter blijven, dat
reeds voor vele jaren (op 13 Augustus 1867) door den heer J.
C. J. de Joncheere eene Agrotis te Nijmegen is gevangen, dien
Spreker toen voor niet anders kon houden dan dezelfde A, sobrina.
Dat voorwerp was echter zoo afgevlogen. dat hij aarzelde om
daarop alleen de soort als inlandsch op te nemen, maar hij is
nu overtuigd dat zijne toenmalige determinatie wel juist is geweest,
Spreker laat het door den heer de Vos gevangen exenplaar
rondgaan, te gelijk met een typisch gaaf mannetje van Agrotis
Baja. Men ziet, dat beide soorten inderdaad overeenkomst ver-
toonen, doch dit is in het groote heirleger der Agrotiden , — waarvan
nu 41 soorten in Nederland zijn ontdekt (ruim 230 in de Pa-
laearetische fauna en over de geheele wereld ruim 525), —- met
zoo vele soorten het geval, dat wij naar andere kenmerken moe-
ten zoeken. Onder de inlandsche soorten van Agrotis met grijs-
achtige of witte achtervleugels behooren Baja, sobrina en rubricosa
VERSLAG. XLIII
tot eene groep met ongedoornde voorschenen. Deze hebben name=
lijk bij de andere Agrotiden, hetzij aan beide zijden eene vol-
ledige rij krachtige doornen (A. segelum W. V.), of alleen
binnenwaarts zulk eene rij en buitenwaarts slechts aan het eind
der schenen (A. wanthographa W. V.) Bij de kleinere rubricosa
(waarvan Spreker geen inlandsch exemplaar bezit) zijn kop en
thorax eenkleurig donkerbruin; deze mist ook, even als sobrina ,
een zwart vlekje aan de golfliin. Sodrima onderscheidt zich van
Baja, behalve door het steeds ontbreken van dat zwarte vlekje !),
vooral door de geheel anders gevormde en gekleurde palpen en de
niet geelachtige, donker gezoomde, maar grijsachtige eenkleurige
achtervleugels. De overige verschilpunten, die men aantreft in de
kleur van den kop en in de grootte, zijn onbestendig. Het ver-
dient nog opmerking, dat von Heinemann zich vergist, door in
zijne Sehmetterlinge Deutschlands und der Schweiz aan A. sobrina
gedoornde voorschenen toe te schrijven. Sobrina is in Duitschland,
Zwitserland, Rusland, Lapland, Finland, Noord-Azië en Engeland
waargenomen , maar overal zeldzaam.
Eene tweede, door den heer de Vos bij Apeldoorn ontdekte
nieuwe soort voor de inlandsche fauna is Cidaria certata Hbn.,
verwant aan de mede inlandsche ©. dubitata L,
Vervolgens spreekt de heer Snellen over Huploea Midamus L.
(Claudia F., Mulciber Cr.) en hare varieteiten. Deze soort van
het groote genus Zuploeu, dat in onze Oost-Indische bezittingen
zoo rijk vertegenwoordigd is, komt in den typischen, door Lin-
naeus beschreven vorm voor in China, Indië, op Malacca en
Sumatra. Op Belitong en Borneo begint zij reeds iets te veran-
deren door spaarzamer witte vlekjes op de voorvleugels, — nog
wat meer op Java, maar hier door overvloediger witte vlekjes en
groenachtiger blauwen weerschijn; doch het zijn alleen de man-
nen die veranderen, niet of nauwelijks de wijfjes. Sterker afwij-
king openbaart zich bij exemplaren van de noordelijke Philip-
1) Er komen namelijk ook varieteiten van 4. Baja voor zonder dit vlekje;
zij zijn dan het eerst aan de palpen te herkennen.
XLIV VERSLAG.
pijnsche eilanden; bij de mannen van deze verdwijnen de witte
vlekken van het midden der voorvleugels en trekken zich als ’t
ware tot een witten band der vleugelpunt bijeen. Weder anders
zijn die van het ook nog tot de Philippijnen gerekende zuidelijke
eiland Mindanao, waar de witte vlekken van het midden der
voorvleugels ook verdwenen zijn, maar hier vervangen worden
door twee rijen lichtblauwe vlekken langs hunnen achterrand. Het
wijfje van het noord-Philippijnsche ras, dat nog voor eene afzon-
derlijke soort geldt onder den naam Diocletia Hbn., heeft ook een
witten dwarsband voor de vleugelpunt, terwijl het wijfje van het
Mindaneesche, door Staudinger ook als afzonderlijke soort onder
den naam Mindanensis verzonden, nauwelijks van de typische
wijfjes verschilt,
Wat intusschen met recht merkwaardig mag heeten, is, dat
westelijk van Malacca, Sumatra, Borneo en Java, op het eiland
Nias een vorm van Midamus voorkomt, die meer met den Philip-
pijnschen overeenstemt dan met een anderen. Deze is bekend als
Euploea Verhuelli Moore, maar omdat het wijfje ook al weder
niet noemenswaard van het typische ras verschilt, is hier slechts
eene lokale varieteit aan te nemen.
Euploea Gelderi, door Spreker naar drie mannen van Flores
beschreven (Tüjdsehr. v. Entom. XXXUI, blz. 28) verschilt wel
is waar in vleugelvorm een weinig van Zinnaei Moore, maar
herhaalt overigens zoo nauwkeurig de varieteit Mindanensıs, dat
Spreker, hoewel hem het wijfje onbekend is, toch begint te be-
twijfelen, of zij wel iets anders is dan eene mede sterk afwijkende
lokale varieteit.
Alle mannen der hier beschreven vormen komen geheel overeen
in de gedaante en grootte van het geelachtige viltvlekje in de
middencel der achtervleugels en in de grauwe beharing hunner
punthelft.
Meer zuidelijk dan Mindanao, Borneo en Flores is Midamus nog
niet waargenomen.
Ten slotte vermeldt Spreker, naar aanleiding eener vraag van
Dr. Jentink, op eene vroegere wintervergadering gedaan (zie
VERSLAG. XLV
Verslag in Tijdschr. v. Entom. XXXII, blz. cxxv), dat Mr. Pie-
pers in 1892 niet alleen weder een ditmaal zeer gaaf en frisch
exemplaar van Cathaemia Gabia Boisd., afkomstig van West-Java,
heeft gezonden, maar ook een man van JMycalesis Mucia Hewits.,
van Oost-Java, tot dusver alleen van Nieuw-Guinea en de Aroe-
eilanden bekend. Beide soorten zouden volgens Wallace eigenlijk
tot de Indo-Australische fauna behooren en niet op Java mogen (?)
voorkomen.
De heer van Hasselt bespreekt, bij wijze van vluchtig over-
zicht, het standpunt onzer kennis omtrent het verondersteld
gehoorzintuig bij de spinnen.
Ongeveer 60 jaren na de positieve uitspraak van den beroemden
araneoloog Walckenaer: «qu'il est certain, que le sens de l’ouie
existe chez les Aranéides», is evenwel het anatomisch bewijs voor
die stelling nog altijd niet met voldoende zekerheid geleverd.
Spreker wijst vooraf op de twee bestaande gronden, die voor
het bestaan van dit zintuig schijnen te pleiten.
Eerstens, op de gevoeligheid, die althans sommige soorten,
bepaald onder de zoogenaamde huisspinnen, voor muziek-
indrukken aan den dag leggen. Fenige reeds oude waarnemingen
dienaangaande, o. a. van Gretry, Hartmann, d’Isjonval, Pelisson
en vooral eene van Walckenaer zelven, worden door Spreker in
eenige bijzonderheden vermeld, Deze leerden, dat spinnen soms
blijkbare uitingen van reactie vertoonen op geluids-uitdrukkingen ,
door piano, harp, viool en zelfs door eene doedelzak te weeg ge-
bracht !). Persoonlijke ervaring hieromtrent heeft hij echter, in
de ruim 40 jaren die hij zich met de studie dezer Aptera heeft
onledig gehouden, niet opgedaan. Dat zij ontwijfelbaar eene hooge
mate van gevoeligheid voor geluidstrillingen (een fijn gehoor ?)
bezitten, wordt ten overvloede opgemaakt uit eene dikwijls ge-
constateerde proef met de zoogen. bromvlieg. Wanneer men deze,
1) Zie o. a. Walckenaer’s Apfères I. p. 110 en 196, Quatremère Disjonval’s
Aranéologie (Duitsche vertaling S. 35) en Landois’ Zhierstimmen, 8. 21,
XLVI VERSLAG.
aan de pooten vastgehouden, haar geluid laat maken in de on-
middellijke nabijheid der trechtervormige uitbreiding van het web,
vooral van verscheidene soorten uit de familie der Agelenoidae ,
gelukt het meermalen, de spinnen uit hare dieper gelegen schuil-
plaatsen naar voren te lokken.
Ten anderen is hier van eenige hoogere beteekenis het feit
der aanwezigheid van eigene geluid voortbrengende werktuigen ,
de zoogen. stridulatie-organen, bij de mares, ten minste van
sommige soorten, De, naar men wil, op het voetspoor van Darwin,
daarvan door Westring !) gedane ontdekking heeft bewezen , dat
zij daarmede zwakke, bij uitzondering zelfs sterkere wrijving s-
geluiden kunnen voortbrengen. Spreker zelf heeft deze niet
kunnen waarnemen, doch óns geacht medelid Kinker deelde hem
reeds vroeger mede, die eens duidelijk te hebben vernomen. Alle
twijfel nochtans, daaromtrent bij sommigen bestaande, is opge-
heven door Prof. J. Wood Mason in diens «Note on Mygale
stridulans » ?), en aan het bestaan dezer organen zelven valt nog
minder te twijfelen. Spreker heeft door eigen onderzoek volkomen
bevestigd gevonden wat daarover door genoemden geleerde, en voor
andere soorten, reeds vroeger door Dr. H, Landois in zijne klas-
sieke Thierstimmen *) is bekend gemaakt 4). De onderstelling nu,
dat de door deze organen veroorzaakte geluiden voornamelijk be-
stemd zijn, om door de wijfjes te worden waargenomen (gehoord ?),
komt Spreker alleszins gewettigd voor, even ais dit onder anderen
voor verscheidene Orthoptera en Hemiptera, met name de-Cicaden 5),
algemeen wordt aangenomen.
Voor een tiental jaren meende Dahl het werktuig of liever
de werktuigen, waardoor het gehoor der spinnen tot stand komt,
te hebben ontdekt 6), Deels aan de tibiae, deels aan de tarsen
1) Araneae Suecicae, 1861 p. 175.
2) Transactions o. th. Entomol. Soc, o. London, 1877, Part IV. p. 281.
3) 1874, S. 17 en volg.
4) Zie ook Tijdschr. v. Entomol. dl. XIX, verslag blz. cr.
5) Ibidem, v. Hasselt, Studiën over de klankorganen der Cicaden, dl. XXV,
biz #10;
6) Das Gehör- und Geruchs-Organ der Spinnen, in Archiv, mikrosk. Anatomie,
XXIV (1883).
VERSLAG. XLVII
en metatarsen, — welker meer stevige rechtopstaande haren de
gevoels- of « Tast-Haare» zouden voorstellen, — wees hij op het
voorkomen van fijnere, half liggende haartjes, aan welke hij de
beteekenis van «Hür-Haare » heeft gehecht. Deze laatsten zijn vol-
gens hem ingeplant in kleine bekervormige verdiepingen in de
ehitine-huid, onder welke zij met een zenuwtakje correspondeeren.
Niet alleen door er op te blazen, maar meer in het bijzonder
door het voortbrengen van diepe viooltoonen, wil hij, met behulp
van het microscoop, aan deze haartjes trillende beweging hebben
waargenomen.
Dahl’s vrij schoonschynende hypothese werd door W. Wagner !)
krachtig bestreden. Na een hoogst nauwkeurig histiologisch onder-
zoek der verschillende haren bij onderscheidene spinsoorten , onder
welke hij nog een derde type, in meer dan één variatie, be-
schrijft, beschouwt hij deze allen als meer of minder volmaakte,
doch analoge « poils tactils». Wel heeft hij bij sommigen den door
Dahl aangegeven samenhang van hare folliculi met zenuwtakjes
bevestigd gevonden, daarentegen nam hij met groote zorg vele
proeven, om die van Dahl aangaande het trillen van eene enkele
soort der haren te constateeren, doch deze vielen allen, bij het
verwekken van onderscheidene muzikale toonen van verschillend
timbre, negatief uit. _
Wat sedert omtrent dit vraagstuk werd medegedeeld, ontleent
Spreker aan den nieuwsten letterarbeid van den beroemden arach-
noloog Eugène Simon ?), onlangs van dezen ten geschenke ont-
1) Des poils nommés auditifs chez les Araignées , in Bulletin des Naturalistes
Moscou, 1888.
2) Histoire naturelle des Araignées, 2me édition, T. I, premier fascicule,
Paris, 1892.
xLviii VERSLAG,
vangen. Daarin trof hij eene beredeneerde opgaaf aan van de
latere onderzoekingen, in welke het gehoororgaan al wederom in
de pooten werd gezocht. Op blz, 27 worden daarvan onder den
vreemdluidenden naam van «organes lyriformes» de beschrijving
en afbeeldingen gegeven. Zij bestaan uit microscopisch kleine,
in verschillenden getale, nevens elkaar geplaatste, langwerpige
chitine-staafjes in de onmiddellijke nabijheid der verschillende
pootgewrichten, Deze staafjes zouden tot bedekking dienen van kleine
spleetjes in de chitine-huid, over welke een vliesje(?) zou
zijn uitgespannen. Een en ander wordt door Simon slechts in
groote trekken medegedeeld, onder aanhaling, dat tot de ont-
dekking daarvan Bertkau(?), Wagner, hier bovengenoemd, diens
landgenoot Schimkewitsch !), en laatstelijk de Fransche Dr. Gau-
bert ?) hebben bijgedragen. Door dezen zouden de bedoelde organen ,
met eenige wijziging, niet alleen bij alle Spinnen-familiën zijn waar-
genomen, maar ook bij de Phalangiden, de Scorpioniden en andere
Pedipalpi. Daar nu werd aangetoond (? of verondersteld), dat de
vermelde staafjes de geluidsindrukken op een eigen vliesje («la
membrane qui recouvre les fentes » Simon) overbrengen , zoo zouden
deze «liertjes» kunnen worden beschouwd als bij de Arachniden
«la propriété de percevoir des sons» te bezitten.
Tot zoover zou dit alles niet onwaarschijnlijk mogen worden
geacht, maar , . . . men stuit hier op eene voorzeker bevreem-
dende keerzijde. Er wordt namelijk beweerd, dat meer of minder
1) Tot mijn leedwezen heb ik het aandeel dezer drie geleerden aan deze
ontdekking nog niet uit de bronnen leeren kennen. (v. H.).
2) Recherches sur les organes des sens, etc. These à la faculté des Sciences
de Paris, 1892, en elders.
VERSLAG. XLIX
analoge orgaantjes, — behalve aan de ledematen , — niet slechts ins-
gelijks voorkomen aan de palpen en aan de mandibels, maar ook
aan den thorax (Schimkewitsch) en zelfs aan het sternum en het
abdomen (Bertkau?). Op het voetspoor van een der opgenoemde
schrijvers, — waarschijnlijk Gaubert, — maakt Simon des-
wegens bezwaar, de uiteengezette hypothese onvoorwaardelijk aan
te nemen, in de volgende woorden: «On aurait donc des ani-
maux ayant des organes auditifs, disséminés sur tout le
corps, ce qui est difficile à admettre ».
Spreker wil zich niet veroorloven, over de functie dezer liervormige
orgaantjes eenig oordeel uit te spreken, dewijl hij zelf voor alsnog
hunne structuur niet voldoende heeft nagespoord !) De gemaakte
objectie, ontleend aan de pluraliteit dier organen, acht hij echter
van geen overwegend gewicht; immers schijnt het voldoend ge-
bleken, dat er in elk geval bij de Araneiden geen sprake is van
een typisch binair gehoorwerktuig qua tale aan den cephalo-
thorax. Voor een deel zou overigens dergelijke tegenwerping kun-
nen worden gemaakt tegen de meer eenvoudige hypothese der
« Hör-Haare ».
Na hetgeen, sedert Dahl, over de haren der ledematen bij de
Spinnen, met name door Wagner, werd aangetoond, is het ver-
moeden bij Spreker gerezen, of het misschien bestaanbaar ware,
dat de Spinnen van een «bijzonder gehoororgaan als zoodanig »
verstoken zijn, doch dat bij haar het gehoor, — even als het
gezichtswerktuig bij de blinden, — door het algemeen gevoel
(door hare « poils tactils ») wordt vervangen ?
Wanneer men den arbeid der Spinnen, zoo bij het weven, als
bij het vernemen en het vangen van hare prooi, zoomede de
opmerkzame (als ’t ware luisterende) oprichting der voorpooten
bij naderend gevaar of ontmoetingen, aandachtig gadeslaat, dan
staat men in verbazing over de buitengewone mate niet alleen
van bewegelijkheid maar ook van gevoeligheid, die zij daarbij ten
toon spreiden. Voorzeker kan dan de medewerking der, hier zoo
1) Ook ons medelid Everts heeft de „liertjes” niet duidelijk kunnen waar-
nemen.
Tijdschr. v. Entom. XXX VI. +
L VERSLAG,
hoog geörganiseerde, pootharen in het spel zijn, en mag de hypo-
these worden gewaagd, dat zij däärdoor in staat worden gesteld,
onderscheidene geluidsindrukken, als eigene trillingen van
hare zoo uiterst fijne en veerkrachtige ragdraden, waar te nemen.
Het zoogenaamde hooren van muziek, alsook het reägeeren op de
vermelde bromvlieg-proef, zou hierdoor misschien eene eenvoudige
verklaring kunnen vinden.
De heer Groll deelt mede, dat hij onlangs van een zijner
vrienden een doosje ontving met, zooals de afzender hem meldde,
zingende kevertjes. Uit de stad zijnde, kreeg hij eerst bij zijne
terugkomst het doosje in handen, en waren de diertjes inmiddels
gestorven; hij heeft dus het zingen niet gehoord. Het bleek dat
de bezending bestond in een aantal voorwerpen van Crioceris Lilit
Scop. Hij vraagt nu of het bekend is, dat de genoemde soort ge-
luid voortbrengt. Die vraag wordt door de aanwezige Coleoptero-
logen bevestigend beantwoord; het geluid wordt op dezelfde wijze
voortgebracht als men dit bij vele Longicornen heeft waargenomen.
De heer Neervoort van de Poll stelt ter bezichtiging een
paartje van elk der beide bekende soorten van het boktorren-
geslacht Pascoea, te weten P. [dae White en P. Amaliae Gestro.
Het genus Pascoea vertoont een zeer opmerkelijk sexueel verschil ;
de mannetjes hebben namelijk een spatelvormig uitwas aan beide
zijden van den kop.
Voorts laat hij nog een paartje zien van een tot dusver onbe-
schreven aanverwant geslacht. Hier heeft het mannetje in het
midden der zijden van den thorax eene sterke spatelvormige uit-
groeiing; bij het wijfje ontbreekt deze echter niet geheel, maar
is zeer gereduceerd en vertoont zich meer als een doorn bij den
voorrand.
De heer de Vries vertoont eene Noctuine, door hem in Au-
gustus jl. te Bussum gevangen, maar die hij niet weet te bestem-
men, en omtrent welke ook geen der aanwezige Lepidopterologen
VERSLAG. LI
licht weet te verschaffen. Waarschijnlijk is zij eene varieteit, maar
van welke soort? De heer Snellen verklaart zich, als altijd, bereid
haar aan een nader nauwkeurig onderzoek te onderwerpen !).
In de tweede plaats vestigt de heer de Vries de aandacht der
aanwezigen op eene Cabera, die hem voorkomt eene varieteit te
zijn òf van C. exanthemata Scop., of van C. pusaria L. — Zij
wordt al spoedig herkend als eene niet zeldzame varieteit van
eerstgenoemde soort; zij heeft volkomen de kleur van pusuria,
en komt in het aantal dwarslijnen met de typische ewanthemata
overeen, maar die dwarslijnen zijn verder van elkander verwijderd,
De heer Jaspers bespreekt het eigenaardig standpunt, dat hij
als lid der Entomologische Vereeniging inneemt. Als hoofd eener
lagere school heeft hij de kennis der natuur in haren ganschen
omvang te onderrichten; als leider van een’ cursus voor de acte
van hoofdonderwijzer moet hij zijne aandacht wijden aan dier-,
plant- en delfstofkunde in den meest algemeenen zin; terwijl hij
bovendien voor een’ kring van belangstellenden, die geen vak-
mannen zijn, van tijd tot tijd eenige grepen op natuurhistorisch
gebied behandelt. Het laat zich begrijpen, dat voorbereiding voor
dit alles hem geen tijd overlaat voor eenige entomologische vak-
studie. Was ieder lid der Vereeniging gehouden als zoodanig eene
bepaalde werkzaamheid aan te geven, dan zou hij als het zijne
noemen: het populariseeren der natuurlijke historie. Bij
ervaring weet hij, dat ook daardoor de wetenschap wordt bevor-
derd, omdat het aan vakgeleerden materiaal doet toevloeien en
omdat het harten wint voor de studie der natuur.
Voor zijn bijzonder doel heeft hij verschillende zaken noodig.
Vooreerst systematische geschriften van specialiteiten op elk gebied,
zooals b. v. Snellen’s Vlinders van Nederland. Hij wenschte wel,
dat voor elke insectenorde een dergelijk werk bestond, dat hem
1) De heer Snellen heeft later opgegeven, dat het exemplaar was Agrotis
Tritici L. varieteit Vitta Hübn. De voorvleugels zijn veel smaller dan gewoonlijk,
hoewel overigens goed gevormd en regelmatig geteekend, maar het voorkomen
van het dier is hierdoor zeer vreemd geworden.
LII VERSLAG.
en anderen, die hetzelfde doel voor oogen hebben, tot grondslag
van hunne studie kan dienen en waaruit het bruikbare ook voor
leeken kon worden geput. Voorts heeft hij behoefte aan groote
massa’s van sommige insectensoorten (meikevers, hem reeds door
Dr. Bos toegezegd, — libellen, haften, bijen, sprinkhanen enz.).
Onder zijn toezicht zullen die zooveel noodig worden geprepareerd
en in grooten getale in den handel gebracht, opdat elk school-
kind bij de bespreking een voor zich kan krijgen. Hij verzoekt
daarom zijne medeleden, hem groote hoeveelheden te willen toe-
zenden van soorten, die belangrijk genoeg kunnen worden geacht
om bij het lager onderwijs in aanmerking te komen; kosten van
inzameling wil hij gaarne vergoeden. Voornamelijk echter wenscht
hij materiaal te ontvangen voor eene biologische collectie,
stellig het meest geschikt om leeken te gewennen, de natuur niet
met een onverschillig oog aan te zien.
Als een voorbeeld van zoodanige collectie, laat Spreker eene
doos rondgaan, een aantal voorwerpen bevattende, welke door
hem met dat doel zijn bijeengebracht, o. a. insecten met bij-
zondere werktuigen toegerust (legboor, adembuis, zuigschijfjes aan
de pooten enz.), gesteelde eieren van Chrysopa, larven en pop-
penhuiden, nesten, gallen, uitgevreten hout, kevers met para-
sieten, voorbeelden van oppervlakkige gelijkenis tusschen dieren
uit verschillende orden, alsmede van nabootsing van levenlooze
voorwerpen, zooals houtsplinters, verdorde bladeren, uitwerpselen
van vogels enz.
Daar ieder vakman op zijne excursies verschillende zaken van
dien aard aantreft, die hij persoonlijk niet noodig heeft, meent
Spreker dat niemand geheel buiten staat is, zijne plannen door
toezending van materiaal te begunstigen, te meer daar ook het
meest gewone welkom zal zijn. Hij beveelt een en ander in de
welwillende aandacht van allen, die iets gevoelen voor zijn denk-
beeld: het populariseeren der wetenschap.
De door den heer Jaspers ter bezichtiging gestelde collectie
wordt met de meeste belangstelling door de vergadering in oogen-
schouw genomen. De Voorzitter en verscheidene andere leden
VERSLAG, LIII
betuigen hunne instemming met het gesprokene en zeggen hunne
medewerking toe, om Spreker’s denkbeeld te helpen verwezen-
lijken.
De heer ter Haar voegt er bij, dat hij reeds in den door
den heer Jaspers aangegeven zin heeft gehandeld, door aan de
school te Warga eene collectie vlinders, met de daarbij behoorende
rupsen, ten geschenke te geven, waaronder verscheidene soorten,
die uitmunten door fraaie kleuren der vlinders of merkwaardig zijn
door den bijzonderen vorm der rupsen, zooals Argyunis Lathonia,
Vanessa Antiopa en Atalanta, Papilio Machaon, Slauropus Fagi,
Hybocampa Milhauseri, Saturnia Pavonia, enz.
De heer Everts vestigt de aandacht op onze inlandsche -
Trichius-soorten. In de Deutsche Entomol. Zeitschrift 1891 , p. 193
bespreekt Kraatz een drietal tot de Midden-Europeesche fauna
behoorende soorten van dat genus, naar aanleiding van een over-
zicht der Europeesche Trichius-soorten, door Reitter gegeven in
de Wiener Entomol. Zeitung 1890, p. 143. Zonder te treden in
de uitvoerige beschouwingen door genoemde schrijvers gegeven,
wenscht Spreker te wijzen op een merkwaardig resultaat, door
hem verkregen bij de studie van een vrij aanzienlijk materiaal.
Het is namelijk zoowel aan Kraatz als aan hemzelven gebleken ,
dat de in Nederland en in de Rijnstreek algemeen voorkomende
Trichius, tot dusver bekend onder den naam van Tr. abdominalis
Ménétr. (= gallieus Heer) eigenlijk eene miskende soort is, welke
reeds in 1793 door Voet beschreven en afgebeeld is als Scara-
baeus rosaceus, het «rozenkevertje». Ofschoon de afbeelding in
Voet’s werk even goed past op Tr. gallicus Heer, valt er niet
aan te twijfelen, of door Voet is onze algemeen bekende soort
bedoeld, daar hij uitdrukkelijk opgeeft: «in Nederland». Verschil-
lende schrijvers hebben steeds de Nederlandsch-Rijnlandsche soort
beschouwd als een eenigszins afwijkenden vorm van gallicus Heer ,
of wel als de echte zonatus Germ., welke laatste echter eene ge-
heel andere soort uit Zuid-Europa blijkt te zijn. — Tr. abdominalis
Ménétr., beschreven naar Russische exemplaren uit de omgeving
fy
LIV VERSLAG.
der Kaspische zee, blijkt volstrekt niet synoniem te zijn met gal-
licus Heer, en is dan ook door Reitter herkend als eene goede soort
uit Oost-Europa. De echte 77. gallicus Heer komt niet in Neder-
land voor en schijnt zeldzamer te zijn dan men vermoedde. Spreker
meende er velen in zijne collectie te hebben, doch bij nader
onderzoek bezit hij slechts 6 exemplaren, waaronder nog 2 voor
korten tijd van Reitter ontvangen.
De verschillen tusschen onze gemeene Tr. rosaceus Voet en Tr.
gallieus Heer zullen blijken uit de hierna volgende tabel.
Eindelijk doet zich de vraag voor: komt de oude 77. fasciatus
L. in Nederland voor? Die vraag kan bevestigend worden beant-
woord. Langen tijd werd daaraan getwijfeld, omdat wij geen scherp
onderscheid tusschen de verschillende soorten wisten te vinden,
en omdat fasciatus bij ons uiterst zeldzaam en alleen in Limburg
gevangen is: de twee eenig bekende inlandsche exemplaren (beiden
d) zijn uit Maastricht (St. Pieter) 6 (Maurissen) en uit Vlodrop
(Seipgens).
Ofschoon Spreker reeds een groot aantal exemplaren van 7richius-
soorten bezit, acht hij het toch van veel belang, om bij zoozeer
variabele insecten over een zeer uitgebreid materiaal te kunnen
beschikken. Hij houdt zich daarom bij zijne medeleden bijzonder
aanbevolen, om alle Prichius-voorwerpen, die hun mochten
voorkomen, te willen vangen en desnoods levend of onaange-
stoken A aan hem op te zenden. Vooral is het hem te doen, om
meer bekend te worden met den echten 7r. fasciatus L.; wellicht
zou dit ook aan het licht brengen, dat evenzeer de echte Tr.
gallicus Heer in ons land voorkomt. Bovendien zullen wij daardoor
ook meer te weten komen van de varieteiten, waarvan Reitter
en Kraatz het een en ander hebben medegedeeld.
Spreker merkt voorts nog op, dat bij de mannetjes der Triehius-
soorten het eerste lid der voortarsen grooter is dan bij de wijfjes
en eenigszins naar buiten verbreed. Hij geeft wijders de volgende
analytische tabel van de kenmerken van Tr. fasciatus L., rosaceus
Voet en gallicus Heer.
1. Middelschenen voorbij het midden met een min of meer
VERSLAG.
doornachtigen tand; dekschilden met een zwarten, zelden
naar het schildje toe afgebroken dwarsband; met gewone
stippelrijen. Het 2 heeft aan de zijden van het halsschild een
fijn geelachtig wit beschubd vlekje, dat echter soms ont-
breekt; bij het d is de buik zonder schubvlekken, de penis
naar het uiteinde eenigszins uitgebogen en met een smallen ,
iets neergebogen top, niet gekield . , . fasciatus L.
(schijnt bij ons alleen in
Limburg voor te komen).
Bij de var. sibirieus Reitt. heeft het
voorlaatste buik-segment van het d aan
weerszijden eene dwarsvlek van geelachtig
witte schubjes.
Bij de var. scutellaris Kraatz is de zwarte
basaal-band der dekschilden in het mid-
den (bij het scutellum), driehoekig uit-
getrokken; zelden stoot de achterhoek
van de scutellair-vlek met den voorhoek
van den zwarten middelband te zamen.
De binnensten der afzonderlijke , menig-
maal gedeeltelijk in elkaar vloeiende vlek-
jes, bij een onvolkomen zwarten basaal-
band, vormen het begin dezer varieteit.
Niet zelden ziet men bij den stamvorm
met zwarte schoudervlek eene roodbruin-
achtige vlek om het schildje; naar buiten
aan de basis van dit vlekje vertoont zich
voor het eerst de zwarte kleur als een
streepje, dat zich meer en meer uitbreidt
en waarbij de bruine kleur intensiever
wordt. Dikwijls houdt ook de bruine kleur
stand en vertoont zich slechts naar buiten
aan de basis een zwart streepje. Zelden
is de bruine vlek zoozeer naar achteren
verlengd, dat zij overeenstemt met de
LVI VERSLAG.
zwarte vlek van scutellaris, doch meestal
zoo ver, dat men van eene « fascia basi
interrupta» kan spreken, welke deels
bruinachtig is en een zwart streepje niet
ver van het scutellum vertoont.
1*. Middelschenen ver voorbij het midden met
de gewone onregelmatige dwarslijst der
Cetoniden, welke zich niet tot een scherpen
tand verbreedt; dekschilden zonder geheel
doorloopenden basaal-band ; stippelrijen
dubbel en uit onvolkomen oppervlakkige
elliptische krabbetjes bestaande. De wijfjes
hebben breede, geelachtig wit beschubde
zijvlekken aan het halsschild, de man-
netjes niet; de wijfjes hebben ook eene
kleine, uit witte schubjes bestaande vlek
aan de zijden van het metasternum.
a. Alleen het voorlaatste buik-segment van
het 4 in ’tmidden der basis met een
witachtig beschubden, in twee vlekken
gedeelden dwarsband 1); pygidium bij het
g met dorsaal-indruk; penis van het à
meer gestrekt dan bij fasciatus, versmald,
meer uitgelrokken en iets meer hakig
gekromd, niet gekield?) . . . . . . . . rosaceus Voet,
1793
(overal in Nederland
gemeen).
Bi de var. nudiventris Kraatz ont-
breken bij het d de beide dwarsvlekken
op het voorlaatste buik-segment.
1) Bij een Z uit Arnhem (Veth) bevinden zich kleine witachtig beschubde
vlekjes aan weerszijden op de drie voorlaatste buik-segmenten.
2) Bij den naverwanten Zuid-Europeeschen 7. zonatus Germ. is de penis
aan de zijden van een’ tand voorzien en van boven niet gekield.
VERSLAG, LVII
b. De vier voorlaatste buik-segmenten van
het d aan de basis met een breeden geel
beschubden dwarsband; pygidium bij het
2 gelijkmatig gewelfd; penis van het ¢
langgestrekt. niet uitgebogen, naar het
uiteinde gelijkmatig gekromd, de beide
kleppen in de lengte gekield ...... gallicus Heer !).
(abdominalis auct.,
non Ménétr.)
(komt niet in Ne-
derland voor).
Spreker bezit 7r. fasciatus, behalve uit Limburg, uit Ems,
Laach, Saksen, den Harz, Chamounix, Grindelwald, Croatië,
Nicolajefsk, Zell im Zillerthal, Salzburg, Frankrijk en Zwitserland ;
Tr. rosaceus, behalve uit Nederland (waar hij algemeen is), uit
Neuenahr en Tirol (Veth); 7%. gallicus uit St. Goar (Veth), Erlan-
gen, Moravië en Croatië; voorts een 3 van Tr. zonatus Germ. uit
Sicilië, een 9 van Tr. succinctus Pallas uit Siberië en een van
Tr. abdominalis Ménétr. uit den Caucasus.
Bij het bespreken van al het vorenstaande, laat de heer Everts
ter bezichtiging rondgaan een aantal exemplaren van beide sexen
van Tr. fasciatus L., deels type, deels varieteiten, waaronder 6
mannetjes der var. sibirieus Reitt. en een 2 der var. scutellaris
Kraatz; voorts verscheidene exemplaren (d en 9) van Tr. rosaceus
Voet, waaronder een van de var. nudiventris Kr. uit Arnhem
(Veth); en eenige exemplaren van 7r. gallicus Heer, waarbij de
var. bivittatus Muls. (een &) en de var. bipartitus von Heyd. (een 2).
De heer Veth vestigt de aandacht der Leden op een artikel in
het Deutsche Entom. Zeitschrift 1892 voorkomende, getiteld «Ueber
die Gesetzmässigkeit im Abändern der Zeichnung bei Insecten »
van K. Escherich. In aansluiting aan de onderzoekingen van Th.
Eimer, toont de schrijver in dat opstel aan, dat ook bij het
1) Bij den naverwanten Oost-Russischen 77. abdominalis Ménétr. is de penis
aan de zijden vóór het uiteinde van boven niet gekield en de buik bij het £
geheel onbeschubd.
LVIII VERSLAG.
kevergeslacht Zonabris dezelfde richting van varieeren in teekening
wordt aangetroffen, als door Eimer bij katten, muurhagedissen en
anderen werd aangenomen. Spreker hoopt later in de gelegenheid
te zijn, dit onderwerp nog wat uitvoeriger te behandelen.
De heer Jentink vertoont een voorwerp, dat hij, den vorigen
zomer te St. Petersburg zijnde, van onzen gezant aldaar Jhr. Mr.
Wttewaal ten geschenke ontving en hetwelk nu bewaard zal
blijven in het Rijks Museum van natuurlijke historie. Het is af-
komstig van Nieuw-Zeeland, waar het door de Maoris « Aweto »
wordt genoemd, en bestaat uit eene rups van Jlepialus virescens,
gedood door eene kernzwam, Sphaeria Robertsi. Het is een bui-
tengewoon groot en fraai exemplaar van dit zeldzame en moeielijk
te verkrijgen object. Zooals bekend is, leeft de rups in den
grond, wordt daar aangetast door de sporen der zwam, waar-
van het resultaat is, dat de zwam uit den grond groeit als
een stammetje. Versch wordt het door de Maoris gegeten, ge-
droogd wordt het door hen tot pulver gewreven en voor tatoueeren
gebruikt.
De heer Ritsema herinnert, dat vele jaren geleden op eene
vergadering door hem een dergelijk voorwerp uit ons land ter
tafel is gebracht (zie Tijdschr. v. Entomol., di. XIV, blz. 34).
De heer Oudemans deelt mede, dat hij in den vorigen zomer
van den heer Versluys eene rups ontving, die geheel geleek op
de rups van Calocampa vetusta Hbn., doch na de laatste vervel-
ling kastanjebruin werd, in plaats van groen te blijven, zooals
dit bij de rupsen dezer soort het geval is. In September ontwik-
kelde zich uit de pop toch eene vetusta, zoodat hieruit blijkt, dat
de rups in twee kleur-varieteiten voorkomt.
Vervolgens vermeldt Spreker, dat hij de strooptochten te Bus-
sum, waarvan hij reeds in de laatste zomervergadering melding
maakte, geregeld heeft voortgezet; eene lijst der gevangen soorten
zal weldra in het Tijdschrift het licht zien. De te Bussum ge-
vangen en verder gekweekte Mamestra splendens Hbn, is hij bezig
VERSLAG. LIX
voor Sepp te bewerken, Tweemaal werd een exemplaar van Ca-
losoma inquisitor L. op de stroop aangetroffen.
Ten derde wijst hij op eene nieuwe vang-methode voor Coleo-
ptera, welke hij in het Entomologische Zeitschrift vond aanbe-
volen en toen zelf heeft toegepast. Die methode bestaat daarin
dat men een steenen pot tot aan den rand op eene geschikte
plaats (b. v. tusschen kreupelhout) in den grond ingraaft, hem
half vult met krachtig bier en een weinig keukenstroop, en daarna
met het deksel toedekt, na een paar houtjes over den pot te heb-
ben gelegd. De kevers komen op de weldra gistende vloeistof af
en kruipen door de open ruimten naar binnen, vallen in het
mengsel en verdrinken. Na eene week giet men den inhoud door
eene zeef en laat er vervolgens water overheenloopen. De min of
meer alcoholische vloeistof doet zelfs de eerst ingevallenen voldoende
goed blijven. In 6 dagen werden te Putten op deze wijze 21
soorten in ruim 70 exemplaren buit gemaakt, voornamelijk Sta-
phyliniden. Eene soort was nieuw voor onze fauna, te weten
Hister succicola Thoms., die in niet minder dan 17 exemplaren
vertegenwoordigd was.
Hierna laat Spreker een exemplaar rondgaan van een zwarten
loopkever, hetwelk nog geheel wit is, daar het dier eerst kort
te voren de pophuid verliet; de conservatie geschiedde met war-
men alcohol, op welke methode reeds vroeger de aandacht der
vergadering werd gevestigd,
Verder vertoont hij twee mannelijke exemplaren van Boarmia
glabraria Hbn., van welken zeldzamen spanner nog slechts één
inlandsch voorwerp bekend is, te Apeldoorn gevonden (zie Tijdschr.
v. Entom., dl. XXXIV, blz. cvr). Beide dieren werden gevangen,
afkomende op het licht eener magnesium-lamp, door Spreker in
den afgeloopen zomer met goed gevolg tot het vangen van nacht-
vlinders gebezigd. Het eene exemplaar werd eveneenste Apeldoorn,
het andere te Putten op de Veluwe verkregen.
Ten slotte laat Spreker twee drukwerkjes rondgaan; het eene,
van P. Cameron, behandelt, in een paar bladzijden met eene plaat,
zeer beknopt de gallen, die te Cheshire op de eiken voorkomen;
LX VERSLAG.
het andere is de eerste aflevering van een groot werk over de
Europeesche vlinders, van F. Rühl, getiteld: Die palaearktischen
Grossschmetterlinge und ihre Naturgeschichte.
Hij eindigt met opnieuw de medewerking der Leden te ver-
zoeken voor het verzamelen van blad- en houtwespen; het is ge-
bleken, dat men deze insecten ook zeer goed in spiritus bewaren
kan; inzonderheid de heeren Coleopterologen worden hierop op-
merkzaam gemaakt, die vooral in het voorjaar menige bladwesp
in het sleepnet kunnen vinden.
De heer van der Wulp stelt ter bezichtiging eene doos met
een aantal soorten van Tachininen, herkomstig deels van Java,
deels uit Engelsch-Indië, en die bijna allen uit rupsen of vlinder-
poppen zijn gekweekt.
Opmerkelijk is hoe het uiterlijk aanzien dezer vliegen overeen-
komt met dat van onze Europeesche soorten; zij onderscheiden
zich noch door grootte, noch door bijzonderen vorm, teekening
of kleur, zoodat niemand, bij den eersten aanblik, ze als tropi-
sche insecten zal herkennen. Het laat zich daardoor ook verklaren,
dat dergelijke insecten uit de tropen, ofschoon zij er toch zeker
in grooten getale zullen aanwezig zijn, zoo weinig tot ons over-
komen; door hunne gelijkenis op onze meest gewone vliegen en
hunne eentoonig zwarte of grauwe kleur ontsnappen zij aan de
aandacht der verzamelaars.
Wij mogen dus wel zeer dankbaar zijn aan ons geacht medelid
Mr. Piepers, die bij het kweeken van Lepidoptera niet verzuimt
de parasitische Tachinen, door hem uit de rupsen of poppen ver-
kregen, te bewaren en aan ons op te zenden; even als aan de
Trustees van het Indische Museum te Calcutta, die er, vooral uit
een oeconomisch oogpunt, op uit zijn ook de parasieten der vlin-
ders te leeren kennen. Overal toch, waar de rupsen schadelijk
worden aan onze cultuur-planten, treden de Tachinen als de ergste
vijanden der rupsen op en verdelgen deze door haar aantal op
meer afdoende wijze dan door eenig ander middel, dat door den
mensch wordt aangewend, In dit opzicht zijn deze parasitische
VERSLAG. LXT
vliegen als hoogst nuttige insecten te beschouwen; doch omge-
keerd kunnen de Tachinen ook schadelijk zijn dáár waar rupsen
voor zijde-cultuur worden gekweekt, en inzonderheid waar die
kweeking, gelijk veelal in het Oosten, in de open lucht plaats heeft.
Behalve van den heer Piepers, heeft Spreker ook uit Britsch
Indië eenige Tachinen ter determinatie ontvangen. Als een scha-
delijk insect bevindt zich daaronder in de eerste plaats Crossocosmia
Sericariae Rond., welker larve in Japan ten koste van de Yamamai-
rupsen leeft. In Engelsch-Indié is zij verkregen uit Antheraea
Mylitta Moore, terwijl ik haar ook meer dan eens uit Java van
den heer Piepers ontving. — Eene andere Tachine, ook deels als
schadelijk voor de zijdeteelt, is Tricholyga Bombycis, door wijlen
Dr. Becher in de Notes of the Indian Museum at Calcutta be-
schreven en afgebeeld, en die uit Bombyx fortunatus Hatton,
Attacus Ricini Boisd., Dasychira Thwaitesi Moore en Olene Men-
dosa Hübn. is voortgekomen. — De meeste overige vliegen, die
hier ter bezichtiging rondgaan, zijn daarentegen als nuttige in-
secten aan te merken, wijl zij de rupsen verdelgen, waar deze
door hare massa’s schade veroorzaken. Zij behooren bijna allen tot
soorten, die nog niet beschreven zijn, en sommigen zullen zelfs
een nieuw geslacht moeten vormen. Spreker stelt zich voor , daarvan
beschrijvingen en zooveel mogelijk afbeeldingen te maken en deze
te publiceeren, voor de soorten van Britsch-Indië in de boven-
gemelde « Notes) en voor die uit Java in ons Tijdschrift. Hij wil
thans de Leden niet vermoeien met nadere aanduidingen van soort
tot soort. Alleen vestigt hij nog de aandacht op eene kleine Milto-
gramma, merkwaardig door een met twaalf zwartachtige stippen ver-
sierd achterlijf (en die hij daarom M. duodecimpunctata wil noemen) ;
zij heet voortgekomen te zijn uit eene schadelijke treksprinkhaan
(Aeridium peregrinum Oliv.), ofschoon dit, blijkens het etiquet,
door de entomologen van het Museum te Calcutta in twijfel wordt
getrokken, een twijfel waarin ook Spreker deelt, omdat de Eu-
ropeesche soorten van Miltogramma in de larven van Hymenoptera
leven en van geen enkele bekend is, dat zij ook Orthoptera aan-
vallen.
LXII VERSLAG.
De heer ter Haar deelt mede, dat hij in Augustus 1892,
gedurende zijn verblijf te Laag Soeren, talrijke rupsen van Cidaria
Juniperata L. in halfwassen toestand heeft gevonden. Zij verpopten
in de eerste dagen van September en van 7 tot 10 October
kwamen de vlinders uit. Daar de genoemde verschijntijden ver-
schillen van die, in het werk van den heer Snellen vermeld, acht
hij deze kleine bijzonderheid omtrent de leefwijze niet geheel van
belang ontbloot.
De heer Leesberg zegt, dat hij in den afgeloopen zomer ge-
legenheid heeft gehad eene bijzonder dankbare vang-methode,
vooral voor kevers, toe te passen. In de omstreken van het ons
bekende Ossendrecht rondwandelende, vond hij een terrein van
ongeveer À hectare gedeeltelijk bedekt met gevelde dennenstammen ,
welke in het voorjaar gekapt waren. Daar het dien dag zeer heet
was, waren vele dieren, om schaduw te zoeken, onder die stam-
men gekropen; door deze met behulp van een’ gids om te keeren,
werden in betrekkelijk korten tijd een zeer groot aantal Coleoptera
buitgemaakt, waaronder twee fraaie exemplaren van Carabus nitens
L., 6 der zeldzame Feronia angustata Dfts. en eveneens 6 der
nog zeldzamer Cymindis macularis Dej., om niet te spreken van
tallooze voorwerpen van Calathus, Byrrhus, Hylastes, enz. ; wel
een bewijs dat, hoezeer de methode vermoeiend is, de uitkomst
den arbeid loont.
Met dankzegging aan de verschillende Sprekers, wordt de ver-
gadering door den Voorzitter gesloten.
ae
KAT tet
= AN
War
aa
Kam a x
NACHTELIJKE EXCURSIES TE BUSSUM,
DOOR
Dr. J. Th. OUDEMANS.
De wijze, om door middel van zoogenaamde « gesmeerde »
boomen nachtvlinders te vangen, is algemeen bekend, en ook,
dat daarmede soms verrassende uitkomsten verkregen worden. Het
is dan ook niet zoozeer mijn doel, door het openbaar maken der
volgende lijst aan te toonen, dat men een zeer groot aantal soorten
op verschillende tijden op dezelfde plaats kan bemachtigen, als wel
om te wijzen op eenige gevolgtrekkingen, die zich uit de tabel
laten afleiden, nu het onderzoek binnen een half jaar dertien maal
op dezelfde boomen herhaald is.
Wat den invloed van het weder aangaat, zoo heeft het zich
bevestigd, dat groote warmte, bewolkte lucht, duisternis, elec-
trische dampkring en afwezigheid van wind en vooral van dauw
gunstig zijn en dat matige regen niet schaadt !).
Bij zeer warm weder en vooral bij maneschijn waren de vlinders
schuw, zaten zooals men dat noemt «los» en lieten zich bij de
nadering van het licht spoedig vallen of vlogen weg. Bij koel,
donker weder daarentegen kon men elk exemplaar bijna zonder
eenige moeite buitmaken.
Als lokaas werd steeds keukenstroop gebruikt, vermengd met
een weinig rum en enkele druppels appel-aether. Het aantaì ge-
smeerde boomen zal ongeveer honderd bedragen hebben.
1) Dit blijkt uit het groote aantal individus natuurlijk veel meer dan
uit het aantal soorten. Dat nog andere factoren dan de genoemde invloed
oefenen, blijkt o. a. uit de geringe vangst op 27 Augustus; alle voorwaarden
schenen gunstig en toch was de vangst klein; misschien ligt hier de oorzaak in
den langen duur der voorafgegane droogte,
Tijdschr, v. Entom, XXXVI, 1
2 NACHTELIJKE EXOURSIES
De excursies werden steeds «à deux» gemaakt; de heeren de
Vries, van den Honert en Versluys zijn mijne tochtgenooten ge-
weest en hebben er het hunne toe bijgedragen, om er mij de
aangenaamste herinneringen aan te doen bewaren.
De vangwijze was als volgt: terwijl de een bijlicht, werpt de
ander de gewenschte exemplaren in een glas met wijde opening
en sluit dit daarna onmiddellijk. De zeer groote kurk van dit
glas is doorboord, van onderen met dubbel flanel bekleed en de
opening van boven met eene kleine kurk gesloten. Door deze
laatste af te nemen en eenige druppels aether of chloroform in de
opening te gieten, krijgt men eene uiterst snelle verdamping in
de flesch, daar het vocht het flanel drenkt en aldus eene zeer
groote verdampingsoppervlakte heeft. Ik gebruik steeds chloroform,
omdat deze sneller werkt dan aether en wend haar aan voordat
de dieren in de flesch komen. Zij vallen dus in eene ruimte met
veel chloroform-damp en zijn snel bedwelmd. Meer dan een dozijn
Noctuinen van gemiddelde grootte behooren niet bijeen gedaan te
worden, daar anders beschadiging te vreezen is; dit getal kan
evenwel op avonden, wanneer er veel vliegt, gerust bereikt worden,
daar het dan van weinige, op elkander volgende boomen verkregen
wordt en dus het eene dier niet veel langer dan het andere in de
flesch vertoeft. Deze tijdruimte mag namelijk, indien chloroform
gebruikt wordt, slechts kort zijn; de dieren moeten bedwelmd
worden, doch niet in de flesch sterven; geschiedt dit laatste, dan
verstijven de vliegspieren en het uitzetten wordt zeer bemoeilijkt,
terwijl ook later de vleugels licht neiging tot dalen vertoonen.
Zijn de exemplaren in de flesch bedwelmd, dan worden zij uit-
gestort in de vangdoozen met weeken turfbodem en onmiddellijk
aangestoken met dunne spelden (die later door andere vervangen
worden), doch zoo, dat de dieren rusten, Komen zij later bij,
dan blijven zij bijna altijd stil zitten; ook kan men, om de be-
dwelming te doen voortduren, bij de tehuiskomst in elke doos een
weinig zwavel-aether werpen; het dooden deed ik met nicotine.
Ik heb deze methode aangewend, daar de gewone wijze, om
elken vlinder in een doosje te doen, ons in den steek liet, toen
TE BUSSUM. 3
de eerste vangsten reeds zoo aanzienlijk waren, Het is daarbij,
zoo zij wat schuw zijn, onmogelijk de gewenschte exemplaren uit
te zoeken; zitten er b. v. veertig stuks op een boom, wat geen
zeldzaamheid was, dan laten de meesten zich vallen, nadat er een
of twee in de doosjes gedaan zijn; met het glas is men in enkele
seconden met een boom gereed en zoodoende ontsnapt slechts
weinig. De vangwijze met de cyankalium-flesch is ongeveer dezelfde,
doeh deze kan bij onophoudelijk openen niet genoeg gas ontwik-
kelen om snel te bedwelmen.
De gevangen exemplaren kunnen, vochtig bewaard, zonder be-
zwaar tot den volgenden dag en zelfs nog langer blijven staan,
wat bij eene groote vangst van veel belang is.
De aanteekeningen omtrent het weder enz. waren de volgende:
28 Mei, bijzonder warm; dieren los.
29 Mei, bijzonder warm, donderlucht, weerlicht; dieren los.
20 Juni, zacht weder, zwaar bewolkt, twee regenbuien gedurende
den avond; dieren vrij vast.
25 Juni, zacht weder, bewolkt, fijne motregen; dieren vrij vast,
grootste vangst.
4 Juli, gematigd, ongeveer 65° F., heldere lucht , maneschijn;
aan de schaduwzijde der boomen gesmeerd; dieren zeer los.
43 Juli, overdag warm, ’s avonds koel en veel damp; dieren vast,
weinig exemplaren.
24 Juli, koel, 55° F., zwaar bewolkt; dieren vrij. vast.
27 Juli, koel, helder, vrij sterke N. O. wind; dieren vrij vast,
het aantal gering.
27 Augustus, warm, bewolkt, donker, Z.W. wind; dieren vast,
het aantal zeer klein.
12 September, geen aanteekeningen gemaakt.
21 September, overdag warm, na zonsondergang zware dauw;
dieren vast, aantal klein.
26 September, helder, Z.W. wind, dauw; dieren vast.
16 November, zeer zacht weder, 60° F., bewolkt, bladstil, Z.W.
wind; dieren zeer vast.
4 NACHTELIJKE EXCURSIES
98 29 20 25 A|
18923.
Mei. Mei. Juni. Juni. Juli.
Chicesphpravbicolovandey incl. it MERS Aloe STONE
marratipipal Hewayanase dora! lite, done lait, e wee
Selina miesomella eneen se |, 5, hp el nn
Laos USERS u. le ee ala ow A ENTRE s. |
EEE NN PEER LL A Al |
NP 4aarasarberew..d le null. Afro 5
Cymatophora duplaris ARR ae Van var BA ee Molo Pero |
-» Ur. à poser che OO ee |e OT aA el ES ree ae 5 (sles
» ocularis . . A TERN, ADD Bee ATOMEN IE
Acronycta leporina var. brady-
PONE TSS Erbe OA UN NU a er |
» bic e es el NE En N Lee
» Lridemsiy. Ian Os, HQ NU GST PLANEET AR CR, SLR
» BUTERA ar Res rr ERE He Ulak |. sla
» Foumicis 00, Se. Blache Treat Ae Mi a, La EE
» megacephala iui nl le ENO N
Calymnia pyralina. . . . …. silo |
Aporophyla lutulenta var. Lune- |
burgensis. . Se | Mel nu : ole! sn
Taeniocampa stabilis. . . .. . 4 |
» Ineertadhncning METEO 4 |
Orthosia ‘helypla PE cn cu Meli ee Alta, rar TL ANS
DORE À EUR mel. ae
D reicellanis, es eee ze et
Kanthia. icteribiay.. (ia ih IE Are ed
» togata
» ily ic gamete le
Oporina croceago. . . . .|
Orrhodia Vaccinii. wol:
Scopelosoma satellitia met de
Var..inaculissllavin co) pata Sen LUE Ie
Calocampa vetusta . „Manz Mama -
ARNG RAT Bias vente ee vs LEENE MENG ANO] ee ale ch
Dipterygia scabriuscula . . .|. -200 .|. 200 …J .20 |. . 5 |. . 4
drachea Atriplicis., ij, alseen OER de | 20 LAS) Se
1) De namen zijn gevolgd naar Snellen, De Vlinders van Nederland. De getallen van 1--5
geteld, de hoogere geschat; de getallen 10, 20, 30, 50, 100 en 200 had ik bij den aanvang , als eer
punten Van vergelijking, aangenomen; in enkele gevallen was het getal nog veel grooter dan 2
TE BUSSUM.
13 21 97 97 19
uli. Juli. Juli. Aug. Sept.
1:14
1
2 … À 9 4
: 54
1 ye i
1
) (goed) !. 30 (goed) IN 5 9
en . 5
. tte +04
1 . 2 BIA 9
: ie 5 Ns, 5
2 SRO . 2
ro
~ 16
re
1
en
- sp
A
. |
vb
1 1
21 26 16
Sept. Sept. Nov.
11
. 90 . 50
A 4
Zu
1
JA
3 200
A0
val 4
NACHTELIJKE EXCURSIES
28 29 20
1892.
Mei. Mei Juni
Hadena dentina 200 200 100
» Genistae . . 20 .20 AD
» thalassina. : 100 100 100
» suasa met de var. . 5 5 . 20
» oleracea 5) 5 . 20
» splendens. 2 5 4
» Pisi : 1
» Brassicae . 5 5 20
» Ghenopodii 1
» Persicariae È 20
» » var. ieder: | :
» Saponariae : N A
» Cucubali . dl di 5
>»? Stinefa - al
» advena 4
» nebulosa . i 1
Mamestra adusta . 1 5
Luperina lateritia. wos
» monoglypha . 90
» lithoxylea . : 1
» rurea met de var, alb
pecurus. le OO 100 20
» scolopacina “a. Leica ec HT - ae
» basilinea .. 200 200 - 20 il
» unanimis 100 100 D 1 |
» remissa met fen var. )
gemina . a 2 . 50 200 ‚50
» dia met var. 5)
» ophiogramma . 1
» furuncula . sa ;
» strigilis met var.. 50 100 .50
Helotropha nictitans . AE R . |
» leucostigma met Ee
var. fees x - a
Tapinostola Phragmitidis ay RARE te
Leucania impura . . 50 100 .
» straminea . at ae + 5
» pudorina stati
Al
TE BUSSUM. i
13 24 27 Dir a 21 26 16
uli. Juli. Juli. Aug Sept. Sept. Sept. Nov.
E |
|.
; 1
ae | 2
D na 2
Db: 20 Sa) 2
5 20 5
1
no 119
TN |
eo we 5
#5 . 50 220 4 NOR |
bijna onkenbaar
2
"5
1 20 5
| 1 |
ae È 5 |
LO . 30 No
ur 2 1
Gel iD
Bs MS
1 de |
8 NACHTELIJKE EXCURSIES
1892.
Mei. Mei. Juni. Juni. Juli.
Leucania obsoleta.
» Comma. . : : slike 3 ali eik la
» iitharegriazi ve al Ger CAC alb ON
Cerigo matura. sia, SOUS ee MEREN. alls; SERIES
Agrotis orbona. . . ce En ra Vla GP cael TO
» pronuba met de var. in-
nuba sli ee, die, LOO Zr LOON ENEN
bo
OO >
bo
DI
bo
©
©
>
(=)
(>)
r>
» janthina .
» xanthographa sa lesen Melo oek B
>, Rubi rene 200. 200, sie ut
» festiva met de var.
BORON fre Se S| Moe elle a Bde BAU ale ERE
DALE as Porn see rel. 0 Sk del CU le
Per BAE NE ae a Tele ed A CES ARMES
ETET EE EE Ee ed OE
yy Ditrapeziumi. eee a e A ORO ESS
per triangulum. Saks Sle TE al LOOR AEN
>. Auour Liane Kr) Shoe ala Ear ROTA
>> WAVE Len | asma ankh et Hee a al ENT Era le NO ES
pr PEEN m. ed oe) M DO. DO enten el est
>> Dopplnea, |. Vs! a Re ME ed OR Ale an
DU) SCE (ue he. EST vn let a Ale on ER Kies
Di Gortel: … Pon Li AIS eS ae Mae ale Netto TO
Di Mpsilom se» dic sore yale ONE al: ler fe e -
>», Seselum metde var. ij .-. 4). ss 2 2: Or de CS
0
0
5
De pYesuigialisy |. = 5 Asa van SAE he. i I NS
p A dixclamationis … dl an Dedi Ze LL 200) Gio) as
CHradrnagaismes.. an 22 1. Ale Tike cep en es. ‘gba fa
» inigcammica. Le dl. ste deme de BOT IO
Rusina tenebrogat. |. 0 = dl ur a Ulla ten de 0607 ite CO
Amphipyra er ne Bir a len Won
Naenia typica. . . EA |; e ll 2
SepliöpteryxvEibatax.. …… Je 0000020 da n
Phlosophbra Imefieulosaı. … Alor ant Alan ale ie VEE
Buplexia [luweipama ok, >. i .° va. .20 ee
Erasiria pygaganl. 40, Hls AAN |. DON
Pseudophia-Tananis!, in RO ie A
Gatocala INuplaams Harn nn Heer
TE BUSSUM.
9
43 21 27 27 12 24 26 16
uli. Juli. Juli. Aug. Sept. Sept. Sept. Nov
ni
Ei . 20
no
20 . 20 20 20 aka
bijna onkenbaar
1
. 20
5
‚50 . 20 5
100 a
Mi ses
25 A
25 u 1
2
: 3 ad
E 223
ei 1 3 2
DE . 20 3
1 ae
0 5
5
. 2
2
1 2 „8
SMI
5)
get . À 5 2
10 NACHTELIJKE EXCURSIES
28 29 20 | 25 4
1899.
Mei Mei Juni. Juni. | Juli.
Hypena tostralis . Jee . | | I: SI
Zanclognatha tarsipennalis . iva UE re. Un: LS ds
DÉMO PAS Re ne no LR E
J Wart IV Way sey EE ket. oc en MIE
Aonosomamporalan... ss Tal |e Sn A
BOATOAMEONSOMATIA ge. 2. ee et ee À OST
Abraxas marginata
Chimatobia brumata .
Cidaria dilutata
» didymata. ole reet eer ee IE ne QUE PRE
>, WOP ee ee Ele i DAA
Dr. (Cola We N AE a SN
Species; AA ree 227. 85 U, SON Or NEN
TE BUSSUM. del
13 21 27 27 12 21 26 16
uli. Juli. Juli. Aug. Sept. Sept. Sept Nov.
: 1 tr
1 1
1
30 1
= cia
; | 1
1
32 42 . 32 17 7 7 10 ms
|) Alleen gedurende de schemering.
12
20,
30,
4°.
NACHTELIJKE EXCURSIES
Uit de tabel laten zich verscheidene gevolgtrekkingen afleiden :
1°.
Zijn in slechts 13 avonden 95 soorten Noctuinen aange-
troffen, dat is een derde der als inlandsch bekenden.
Zeer duidelijk ziet men bij vele soorten, vooral bij de talrijk
voorkomende, een rijzen en daarna een dalen in het getal
individus ; soms herhaalt zich dit later nog eens, doch in
mindere. mate ; waar men met eene tweede generatie te doen
heeft, meen ik te mogen aannemen, dat deze door het koude,
natte weder in Juli veel geleden heeft.
Is bij vele zeer naverwante soorten van hetzelfde geslacht
de tijd waarop zij het menigvuldigst waren verschillend; zoo
waren Hadena dentina, Genistae, thalassina het talrijkst
in de laatste dagen van Mei, swasa en oleracea ruim half
Juni, Brassicae wat later en Persicariae, advena en nebu-
losa begin Juli. De meeste Agrotis-soorten bereiken haar
maximum einde Juni tot begin Juli, Baia eerst na half Juli;
duidelijk vroeger vertoont zich de als pop overwinterende
(bij Agrotis uitzondering) plecta; Rubi was mede zeer vroeg.
Onder de Luperina’s zijn rurea, basilinea en unanimis de
vroege soorten, didyma eene late.
Het is zeer waarschijnlijk, dat de tijd waarop het maximum
der individus vliegt, in andere jaren wat vroeger of later
valt, doch zeer waarschijnlijk zal de verhouding der vlieg-
tijden tusschen de soorten wel dezelfde blijven.
Over het algemeen schijnt van eene tweede generatie bij vele
soorten in den afgeloopen zomer niet veel terecht gekomen te
zijn. Wellicht is hieraan het minder gunstige Juli-weder
schuld. Het is echter ook niet onmogelijk, dat bij de Madena's
van de tweede generatie slechts een gedeelte uitkomt en dat
de rest tot het volgende jaar blijft liggen. Ik heb dit name-
lijk ondervonden bij de teelt van Madena splendens; van
eieren, gelegd op 23 Juni, verkreeg ik einde Juli en
begin Augustus een achttal poppen; van deze kwamen er
twee in Augustus uit, doch de overige bleven liggen.
TE BUSSUM. 13
Van de Luperina-soorten toont er eigenlijk geene enkele, van
de Agrotis-soorten slechts hier en daar eene, eene tweede generatie
hebben gemaakt.
Gaan wij de soorten nu nog eens in systematische volgorde
langs, dan komen mij de volgende zaken vermeldenswaard voor.
Sarrothripa Revayana. Dat op 16 November een zeer gaaf exem-
plaar wordt aangetroffen, pleit zeer voor het overwinteren
dezer soort als imago.
Cymatophora Or. Deze soort heeft òf eene tweede generatie,
òf vliegt minstens ruim drie maanden (28 Mei reeds maxi-
mum, dus vroeger begonnen), wat zeer lang zou zijn;
C. ocularis, die op kleinere schaal op gelijke wijze als
C. Or aanvangt, brengt het niet verder dan tot eene maand.
Aporophyla lutulenta. De bij ons met uitsluiting van den type
voorkomende var. was tot nog toe, en wel zeer zeldzaam,
alleen in Gelderland aangetroffen.
Luperina monoglypha. Ik geloof niet, dat hier sprake zou
kunnen zijn van eene tweede generatie; zeer sterke vlin-
ders, als Z. monoglypha en Agrotis pronuba hebben stellig
een vrij lang leven.
Luperina rurea, basilinea en unanımis. Van deze drie soorten,
welke einde Mei zeer overvloedig waren, werd geen enkel
exemplaar in Juli of Augustus waargenomen; ik betwijfel
daarom het voorkomen eener tweede generatie; L. remissa,
eene later vliegende soort, heeft er zeker geen.
Leucania. De drie. talrijkst vertegenwoordigde soorten schijnen
ook hier van eene tweede generatie niet veel te hebben
terecht gebracht. Z. pudorina is nog slechts een paar
malen in ons land gevonden.
Sommige anders zeldzame soorten zijn in den afgeloopen voor-
zomer buitengewoon talrijk geweest; dit blijkt te goed uit de
cijfers, dan dat de namen hier nog eens behoeven vermeld te worden.
Ten slotte wil ik er nog op wijzen, dat de zeer ongunstige
avond van 13 Juli door de geheele lijst merkbaar is; de getallen
vertoonen namelijk herhaaldelijk op dien datum een bijzonder klein
14 NACHTELIJKE EXCURSIES TE BUSSUM.
aantal individus; zie b. v. Hadena Brassicae, Persicariae, Lupe-
rina monoglypha, didyma, strigilis, Leucania lithargyria, Agrotis
Baia, Ditrapezium, corticea, vestigialis, Caradrina Alsines , Huplexia
lucipara en Erastria pygarga.
Ten slotte spreek ik den wensch uit, dat, indien ook andere
Lepidopterologen in ons land in de gelegenheid zijn gedurende een
seizoen dergelijke aanteekeningen te maken, zij deze eveneens
openbaar maken; alleen door veel waarneming kunnen verschil-
lende vermoedens, vooral wat betreft het al of niet regelmatig
voorkomen eener tweede generatie, tot zekerheid gebracht worden.
Zwei neue Käfer-Varietäten,
VON
Jhr. ED. EVERTS, Doct. Phil.
4. Molops piceus Panz. var. obscuripes m.
Diese Varietät wurde vor mehreren Jahren von einem meiner
Schüler bei Weimar gesammelt und befindet sich seitdem in
meiner Sammlung. Während der Typus eine pechbraune oder
pechschwarze Farbe hat, mit hell oder dunkel rotbraunen Fühlern
und Beinen, so ist diese Varietät gänzlich tief schwarz ge-
färbt und hat auch tief schwarze Fühler und Beine. Sie ver-
halt sich zu dem Typus wie die Var. concinnus St. des Piero-
stichus madidus F. sich zu dem Typus in der Farbung der
Extremitäten verhält.
2. Panagaeus bipustulatus F., aberr.
conjunctus m.
Diese schöne und wie es scheint bisjetzt noch unbekannt gebliebene
Variation oder besser Aberration wurde vor mehreren Jahren von
Herrn Emil Seipgens bei Goor in Gelderland gesammelt und ist
also auch für die niederländische Fauna interessant. Sie befindet
sich jetzt in meiner Sammlung. Dieselbe unterscheidet sich vom
Typus durch die vollständig zusammengeflossenen roten Makeln
auf jeder der Flügeldecken; dadurch sind die Flügeldecken fast
gänzlich rot und bleiben nur die Naht, die Hinterhälfte des Sei-
tenrandes und die Spitze schwarz.
Ich glaube es könnte seinen Nutzen haben, diese bisjetzt unbe-
schriebene Varietäten durch einen Namen zu deuten,
PODOPS HORVATH! moves
DOOR
Mr. A. J. F. FOKKER.
Pl. 4, fig. 4—3.
Fusco-testacea, capite jugis haud contiguis, tylo percurrente
nonnihilo brevioribus; tuberculis antenniferis crassis, satis longis ,
apice acute productis; antennis gracilibus,.articulo secundo tertio
plus quam duplo breviore, articulo quinto secundo et tertio simul
sumtis paullo breviore, elongato, quarto paullo crassiore, articulis
antennarum II, III, IV et V fuscis basi ima pallidis; rostro coxas
posticas attingente; thorace marginibus lateralibus anticis leviter
sinuatis, sulco intramarginali his parallelo, processu collari brevi,
dentiformi extrorsum vergente.
Long. 83 lat. 45 à 5 mm.
Lichaam ovaal, geelbruin, dicht en grof zwart bestippeld, hier
en daar, vooral op kop en thorax boven- en onderzijde kort geel-
grijs behaard.
Kop zwart; de zijlobben raken elkander van voren niet aan,
de middellob (epistome, Stirnschwiele) is vrij en iets langer dan
de zijlobben; de tuberkels waarop de sprieten staan (tubercules
antenniferes) zijn vrij lang en dik, met een klein tandje aan de
binnenzijde, spits en naar buiten gebogen. De zuiger is roodbruin
en reikt tot tusschen de achterheupen.
De sprieten zijn geel behaard, langer en slanker dan bij de
andere soorten, het eerste lid zwart, de anderen, ook het vijfde,
bruin, aan de basis zeer smal wit geringd; het eerste en tweede
lid zijn te zamen bijna zoo lang als het derde; het derde is iets
PODOPS HORVATHI NOV. spec. 17
langer dan het vierde; het vijfde langer dan het derde, een weinig
korter dan het tweede en derde te zamen, dikker dan de overigen,
doeh minder dik en slanker dan bij de overige soorten. De lengte
der sprietenleden is:
POS OT mm:
ZINSEN
3.0 10,907 19
& "OSB »
Ht ALi i»
Thorax met na het midden flauw naar binnen gebogen zij-
randen. De zijranden zijn geel, met zwart bestippeld en zeer fijn
bruin gezoomd. De voorhoeken (Halsfortsätze) zijn zeer klein,
tand- of doornvormig scheef naar buiten gericht, niet veel grooter
dan de tand der schouderhoeken.
Schild aan de basis met twee kleine gele knobbeltjes, de hoek
daarnaast zwart, veel langer dan het corium, zoo lang of iets
langer dan het abdomen, voor het midden naar binnen gebogen
en versmald, daarna weder iets verbreed. Schild en elytra zijn
minder gelijkmatig dicht bestippeld, meer in vlekken en banden,
waardoor midden over het schild in de lengte een bruine band,
aan weerszijden door twee gele gebogen banden begrensd, zicht-
baar is, en eveneens op het middenveld van het corium in de
lengte een gele band. De aderen van clavus en corium zijn geel,
gedeeltelijk met zwart bestippeld. De buitenrand van het corium
is geel en onbestippeld.
De onderzijde is zwart, de zijranden van den thorax geel, ge-
deeltelijk zwart bestippeld, de achterhelft der metapleurae bruin-
achtig geel, een weinig zwart bestippeld.
De zijden van het achterlijf zijn buiten de stigmata helder geel,
fijn gelijkkleurig bestippeld; aan de binnenzijde der stigmata is
een breede band geel met grove zwarte stippels. Het midden van
het achterlijf en de stigmata zijn zwart.
De pooten zijn zwart, de midden- en achterschenen en al de
tarsen geel, de voorschenen bruin, de midden- en achterschenen
aan de basis bruinzwart.
Tijdschr. v. Entom. XXXVI. 2
18 PODOPS HORVATHI NOV. spec.
Deze soort is door hare grootte, den kleinen tand aan de voor-
hoeken van den thorax, het epistome, langer dan de zijlobben
enz. zeer kennelijk van alle andere soorten van het geslacht Po-
dops onderscheiden en past in geen der subgenera door Dr. von
Horvath opgesteld. |
Ik wijd ze aan Dr. Geza von Horvath te Pest, den schrijver
der Monographie «die Europäischen Podoparien» (Wiener Entom.
Zeitung van 1883).
Het eenige exemplaar (een 9) in mijn bezit is gevangen in
September 1890 in de omstreken van Bozen (Tyrol) door Mr. A.
Brants, aan wiens bekwame teekenstift ook de bijgevoegde uit-
stekende afbeelding te danken is.
Augustus 1892.
BOEKAANKONDIGING,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
THE FAUNA or BRITISH INDIA, INCLUDING
CEYLON AND BIRMAH. Published under the
authority of the Secretary of State for India
in Council. Edited by W. T. BLANDFORD.
Moths, Vol. I, by G. F. HAMPSON. — London,
Taylor and Francis, 1892.
Onder bovenstaanden titel verscheen onlangs het eerste deel
van een werk in 8vo. (pag. xx en 527), dat ten doel heeft,
eene systematische beschrijving te leveren van de in Britsch-
Indië waargenomen Lepidoptera Heterocera, en waarop ik de
aandacht der Entomologen wensch te vestigen, daar het inder-
daad in eene groote behoefte voorziet. Den (Catalogus van de
heeren Swinhoe en Cotes (d Catalogue pf the Moths of India,
Calcutta, 1887—1889) geheel buiten bespreking latende, bezaten
wij over het bedoelde onderwerp geen ander zelfstandig weten-
schappelijk werk dan de Lepidoptera of Ceylon, door den heer
F. Moore, mede onlangs voltooid. Maar, behalve dat dit werk
slechts de Lepidoptera van een klein deel behandelt der uitge-
strekte landen, die wij onder den naam van Britsch-Indië be-
grijpen, schijnt het mij toe, dat er veel meer Heterocera dan de
heer Moore vermeldt, op Geylon voorkomen en is zijn werk, ook
om deze reden, weinig leerzaam.
Onwillekeurig wordt men door het werk van den heer Hampson
aan Stainton’s Manual of British Butterflies and Moths herinnerd.
Een grooter, maar toch even handig formaat, een nette druk,
20 BOEKAANKONDIGING.
uiterst fraaie afbeeldingen in houtsnede en de beknopte vorm der
beschrijvingen trekken dadelijk onze aandacht. Spoedig ziet men
echter een groot verschil. Niettegenstaande al het goede, dat wij
aan het vermelde boek van Stainton te roemen hebben, is het
inderdaad toch slechts een elementair werk in den vollen, al kun-
nen wij ook tevens zeggen in den goeden zin des woords, zooals
de geleerde schrijver dan ook bedoelde, dat den wetenschappelijken
Lepidopteroloog niet bevredigt. Wij mogen dus niet verder gaan
in onze vergelijkingen met het werk van den heer Hampson. Bij
alle beknoptheid, zijn in het laatstvermelde de beschrijvingen der
familiën, genera en soorten op wetenschappelijke kenmerken ge-
grond; wij vinden de synonymie en, overal waar zij noodig zijn,
analytische tabellen zoomede schoone afbeeldingen, ook van het
aderstelsel en van andere bijzonderheden. Eindelijk is in dit werk
het denkbeeld, dat in de bekende boekjes van Walker iets zou
te vinden zijn, wat, uit een systematisch oogpunt beschouwd,
bruikbaar ware, yoor goed verlaten. Intusschen gevoel ik, dat ik
thans een eenigszins moeielijk terrein ga betreden. De Schrijver
heeft namelijk de goedheid, in de voorrede met grooten lof te
gewagen van het nut, dat hij getrokken heeft uit de studie mijner
« Vlinders van Nederland». Ware ik nu inderdaad de stichter van
het, door mij gevolgde, beproefd bevonden systema der Lepido-
ptera, dan zou waarschijnlijk de bescheidenheid mij wel hebben
verboden, het werk van den heer Hampson aan te prijzen. Al te
veel ware men herinnerd aan het bekende « Passez moi la rhu-
barbe, je vous passerai le séné». Maar ik ben in de mij zeer
welkome gelegenheid, om het allergrootste gedeelte van den lof,
dien de heer Hampson schenkt aan het door mij gevolgde systeem,
over te brengen op anderen. Het zijn de grondige, scherpzinnige
onderzoekingen van wijlen Dr. Herrich-Schäffer, die de basis van
mijn werk hebben opgeleverd, en gaarne erken ik dit opnieuw.
Toch verwondert het mij niet, dat de studiën van den Regens-
burger Lepidopteroloog niet meer de aandacht hebben getrokken.
In een korten, onduidelijken, zonderlingen vorm vervat, niet
voldoende uitgewerkt, vermengd met hatelijke misplaatste uitvallen
BOEKAANKONDIGING. 21
op Lederer en anderen (die van hunne zijde het antwoord niet
schuldig bleven), zijn zij op onpractische wijze gepubliceerd in
een aanhangsel van het Vide deel zijner Systematische Bearbeitung
der Sehmetterlinge von Europa en in zijne Sammlung neuer oder
weniger bekannter aussereuropdischer Schmetterlinge. Later schreef
Dr. Herrich-Schäffer in een paar van de weinig verbreide tijd-
schriften, zooals er velen in Duitschland worden uitgegeven en
die, hoewel dikwijls zeer belangrijke opstellen bevattende, toch
gewoonlijk nauwelijks bekend raken buiten de grenzen der pro-
vincie-steden, waar zij verschijnen. Ik bedoel hiermede het «Cor-
respondenzblatt des Zoologisch-Mineralogisch (later: Naturwissen-
schaftlichen) Vereins zu Regensburg en het Correspondenzblatt fiir
Sammler von Insecten, thans beiden in den Heere ontslapen. Maar
niet alleen buiten Duitschland werd aan Dr. Herrich-Schäffer’s
geschriften de vereischte aandacht onthouden: ook in zijn eigen
vaderland lette men er klaarblijkelijk niet genoeg op. Hoewel von
Heinemann in zijn grondig werk: «Die Schmetterlinge Deutsch-
land’s und der Schweiz ten volle erkent wat hij aan Herrich-
Schäffer is verschuldigd, meende een, ook mede reeds ontslapen
landgenoot van laatstgenoemden, dat diens studiën zóózeer in ver-
getelheid waren geraakt, dat hij ze zich wel als onbeheerd goed
mocht toeëigenen. Eene minzame herinnering was echter voldoende
om een eind aan de verdere « desbetreffende » publicatiën te maken.
Hoewel ik nu gaarne wil erkennen dat ik, evenals von Heine-
mann in de voorrede van zijn gemeld werk zegt, «nichts auf-
genommen habe was ich nicht selbst geprüft », en dit onderzoek
mij, even als dezen, tot verbeteringen heeft geleid, zijn het toch
Herrich-Schäffer’s systeem en Lederer’s geschriften over systema-
tiek , die den grondslag leverden voor mijne werken. Geen gering
bewijs voor de juistheid mijner handelwijze acht ik het, dat ook
de heer Hampson die volgde, en stellig verwacht ik verder, dat
eene gezette studie van zijn werk weder nieuwe verbeteringen aan
den dag zal brengen, waarvan ik dankbaar gebruik hoop te maken
bij de bewerking der Heterocera van Java.
Het is overigens zeker, zooals de heer Hampson in zijne voor-
22 BOEKAANKONDIGING.
rede dan ook opmerkt, dat reeds meer Engelsche Lepidopterologen
van naam, 0. a. de heeren Elwes en Meyrick, het voordeel hebben
ingezien van hunne studiën op eene meer wetenschappelijke basis
te vestigen, en ik verwacht dat anderen hen zullen volgen.
Met genoegen zie ik ook, dat de heer Hampson zich voor het
aderstelsel aan de door Herrich-Schäffer ingevoerde nomenclatuur
heeft gehouden. Zeer groote geleerden hebben in den laatsten
tijd weder getracht eene meer philosophische in te voeren, die het
echter in duidelijkheid en bruikbaarheid niet van de oude wint en
dus spoedig wel weder zal worden verlaten.
Bij deze, voor eene voorloopige, misschien reeds te breedvoerige
aankondiging van het werk van den heer Hampson wensch ik
nu het te laten.
Eene grondige studie en in bijzonderheden tredende kritiek ver-
eischt veel tijd, Ik hoop die later het licht te doen zien, maar
wil mij thans haasten met te constateeren, dat ik de verschijning
van Hampson’s werk met ingenomenheid heb begroet. Verder hoop
ik dat het den Schrijver vergund moge zijn, ook spoedig de
beide volgende deelen te doen verschijnen.
LIJST DER COLEOPTERA,
DOOR DEN HEER PLANTEN
OP DE KEI-EILANDEN BIJEENGEBRACHT-
DOOR
J. R. H. NEERVOORT VAN DE POLL.
De verzameling kevers, door den Luitenant t. z., den heer
H. O. W. Planten, van de Kei-eilanden medegebracht, is, hoewel
klein, niet van belang ontbloot, en daar, voor zoover mij bekend,
nog geen lijsten van de op deze eilanden voorkomende Coleoptera
gepubliceerd zijn, houd ik het niet voor onnut eene volledige op-
somming van deze collectie te geven. Het aantal soorten bedraagt
nog geen vijftig en deze zijn elk door niet meer dan een of twee
exemplaren vertegenwoordigd. Een paar vermoedelijke noviteiten
zal ik dan ook slechts als zoodanig vermelden; aangezien het
lastige genera betreft, heb ik met zoo gering materiaal liever van
de beschrijving afgezien. Een tweetal nieuwe Tenebrioniden heeft de
heer L. Fairmaire te Parijs, specialiteit voor deze familie, de goed-
heid gehad nader te onderzoeken; de beschrijvingen volgen als
aanhangsel achter de lijst.
In hoofdzaak komen de kevers van de Kei-eilanden overeen met
ons reeds bekende vormen van het Nieuw-Guinea’sch gebied, er
is echter ook duidelijk eene bijmenging van Moluksche vormen
waar te nemen, terwijl bovendien een zeker aantal soorten tot
nog toe uitsluitend aan de Kei-eilanden eigen schijnen te zijn.
Evenwel is onze kennis, zoowel van de Coleoptera-fauna der Kei-
eilanden, als van die der omliggende eilanden, veel te onvolledig
om in verdere beschouwingen over de bestanddeelen der kever-
24 COLEOPTERA VAN
fauna van de Kei-eilanden te treden. Onvermijdelijk zou zulks
slechts tot onjuiste gevolgtrekkingen moeten leiden,
Ik besluit met de woorden van Wallace !) aan te halen, die ik ,
naar hetgeen mij, zoo door deze als uit andere bron bekend werd,
ten volle onderschrijf: «I believe they (i. e. the Kei-islands)
would well repay a thorough exploration by an entomologist, »
Hectarthrum brevifossum Newm.
Platysoma sp. ?
Metopodontus Bison F.
Eurythrachelus Ghilianii Gestro (Pl. 1, fig. 4 en 5).
Deze interessante soort, waarvan Slechts een enkel exem-
plaar door Beccari, insgelijks op de Kei-eilanden gevangen
werd, is in deze collectie, behalve door een groot d, ook
door een weinig ontwikkeld mannetje vertegenwoordigd, het-
geen voor de kennis der soort van veel belang is. De kaken
van deze «forma minor» zijn eenvoudig sikkelvormig ge-
bogen, aan den binnenkant ongeveer in het midden met een
vrij sterk ontwikkelden stompen, een weinig schuin naar
boven gerichten tand gewapend.
Figulus Mento Alb.
De putjes op de stippellijnen der dekschilden zijn naar de
basis toe iets grooter dan bij typische exemplaren van Fly-
River (N. Guinea).
Onthophagus Parryi Har.
Euchlora sp.?, eene misschien nieuwe soort, verwant aan #.
anoguttata Burm.
Parastasia pilea Noll.
Oryctes Rhinoceros L.
Xylotrupes sp.
Poecilopharis truncatipennis Rits.
Deze soort schijnt uitsluitend op de Kei-eilanden thuis
te zijn.
1) Zie zijne aanteekeningen over de door hem bezochte lokaliteiten in Pas-
coe’s Longicornia Malayana.
DE KEI-EILANDEN. 25
Ischiopsopha arouensis Thoms.
Hoewel de naam «arouensis» zou doen vermoeden, dat
deze soort eigenlijk op de Aroe-eilanden thuis hoort, werd
ze tot nog toe uitsluitend op de Kei-eilanden aangetroffen.
Maeronota regia F. var.
Protaetia taciturna Guér.
Cyphogastra ventricosa C. & G., nec Oliv.
Belionota aenea Deyr.
Chrysobothris arouensis Deyr.
Alaus obligwus Cand,
» cerastus Cand.
Lacon cinerascens Cand.
Omadius sp.?
Dietysus picipes Fairm. n. sp.
» subcostatus Fairm. n. sp.
Rhinoscapha striatopunctata Guér.
Eupholus Linnei Thoms.
Paepalosomus dealbatus Boisd.
Aclees porosus Pasc,
Orthorrhinus patruelis Pasc.
Mecopus tenuipes Pasc.
Lhynchophorus Pascha var. papuanus Kirsch.
Sipalus Burmeisteri Schönh.
Xenocerus equestris Pasc. var,
Niauthrus lunicollis Lansb.
Archetypus fulvipennis Pasc.
Eezemotes conferta Pasc.
Chloridolum n. sp.?
5 : Deze beide soorten schijnen uit-
Tmesisternus Schaumi Pasc. J
sluitend op de Kei-eilanden voor
» avarus Pasc.
te komen,
Arsysia flavopieta Pasc.
Batocera laena Thoms.
Gnoma agroides Thoms.
Diochares n. sp.?
26 COLEOPTERA VAN
Meton granulicollis Pasc.
Glenea venusta Guér.
Episcaphula australis Lac.
Coelophora pulehra Crotch.
APPENDIX.
Description de deux espèces nouvelles du genre Dirtysus
des iles Kei, par L. FAIRMAIRE.
Dietysus picipes n. sp.
Ovato-ellipticus, sat convexus, obscuro-aeneus nitidus, pedibus
rufo-piceis, tibiis basi brunneis; capite subtilissime punctulato ;
antennis fuscis, medium corporis attingentibus, articulo 79 sequenti
paulo longiore; prothorace sat brevi, subtilissime punctulato, late-
ribus a basi arcuatim angustato, margine postico utrinque late
leviter sinuato, angulis posticis obtuse rotundatis; elytris ovatis,
basi truncatis, striato-punctatis, striis modice profundis, punctis
sat grossis, postice valde minoribus, intervallis parum convexis,
brevibus; subtus fuscus, nitidus, prosterno sulcatulo, mesosterno
declivi, apice emarginato, abdomine basi leviter striolato; tibiis
levissime arcuatis. |
Long. 11 mm.
Forme de l’Amarygmus foveostriatus Fairm. (qui doit rentrer
dans le genre Dietysus), en diffère par la coloration bronzée du
dessus du corps, les pattes d’un rougeätre obscur, et les points
des stries beaucoup moins gros; en outre le metasternum est à
peine sillonné au milieu.
Dietysus subcostatus n. sp.
Oblongo-ellipticus , convexus, nigro-fuscus, haud metallicus,
nitidus; capite laevi, clypeo longiore, subquadrato, indistincte
punctulato; antennis gracilibus, medium corporis fere attingentibus,
articulo 7° sequenti valde longiore; prothorace laevi, elytris parum
DE KEI-EILANDEN. 27
angustiore, antice a basi arcuatim angustato, margine postico
utrinque vix sensim sinuato, angulis valde obtusis, dorso ante
scutellum obsoletissime impresso; elytris oblongo-ovatis, basi trun-
catis, fortiter punctato-striatis, punctis sat grossis, postice et
praecipue suturam versus obsolescentibus, intervallis laevibus, sat
convexis, postice angustioribus et magis convexis; subtus laevis,
abdomine basi subtiliter striolato, prosterno sulcato, mesosterno
parum declivi, apice latiore et sinuato, metasterno medio subti-
liter striato; tibiis omnibus sensim arcuatis.
Long. 10 mm.
Notablement plus petit et plus étroit que le précédent, entiere-
ment d’un brun noir brillant, sans teinte métallique, avec les
stries des élytres plus profondes, plus fortement ponctuées et les
intervalles plus convexes; les tibias sont plus arqués,
QUELQUES NOUVELLES ESPÈCES ET UN
NOUVEAU GENRE DE CURCULIONIDES
DES ILES PHILIPPINES,
PAR
WC BOE O ES:
Mr. R. Oberthür a bien voulu me communiquer un certain
nombre de Curculionides provenant des îles Philippines, parmi
lesquels se trouvent quelques especes et variétés nouvelles des
genres Hugilhopus et Alcides, et un genre nouveau, voisin de
Phacecorynes Schhr. du même pays. Jen donne ici les descriptions.
ho EG LT OP WS Cher,
Les espèces de ce genre ont une forme fort homogène et une
coloration distribuée d'une facon fort analogue, consistant en un
fond sombre, sur lequel une couleur plus claire dessine des lignes
longitudinales sur le prothorax et des lignes dans le même sens,
avec d’autres transversales, sur les élytres,
Eugithopus ochreatus Eyd. et Soul., Var.
La collection Oberthür contient une variété de cette espèce, chez
laquelle la couleur orangée est remplacée par un jaune d’ocre et
QUELQUES CURCULIONIDES DES ÎLES PHILIFPINES. 29
les taches brunes du type par des taches olivätres. Le dessous est
blanchâtre varié de taches de couleur olive. Les pattes grises.
L’individu unique (3) provient de la collection Schmidt.
Eugithopus plagiatus n. sp.
153 à 17 millim, (rostr. excl.).
Voisin de VE. ochreatus et lui ressemblant pour la distribution
des taches. Dessus d’un jaune-olivätre avec des taches et des bandes
d’un noir. fuligineux, occupant une grande partie de la surface;
dessous d’un blanc cendré avec des taches fuligineuses peu déter-
minées. Rostre aussi long que le prothorax, arqué un peu brus-
quement pas loin de sa base, plus gros et élargi de la base jusqu”
à insertion des antennes vers son quart postérieur, cette partie
garnie d'un enduit jaunätre, le reste noir dénudé, très finement
ponctué par dessus, très fortement ponctué et muni d’une rainure
sur les côtés; dessous du rostre (4) avec deux rangs de tubercules
et deux rangées de poils s’effaçant vers le bout. Scape des antennes
et l'extrémité des articles du funicule garnis d’enduit jaunätre;
massue à partie cornée plus grande et plus sécuriforme que chez
ochreatus, sa partie tomenteuse plus courte et ne formant qu’une
tranche étroite. Tête avec un point imprimé entre les yeux, son
devant et le pourtour des yeux couverts d’enduit jaunâtre, le reste
noir et ponctué.
Prothorax de la forme de celui de ochreatus, un peu plus long que
large à sa base, ses côtés arrondis, graduellement rétrécis en avant,
où il est courtement étranglé, sa base faiblement arrondie; il est
couvert d'un enduit noir-fuligineux velouté, deux bandes d’un
jaune-olivatre se dessinent sur son disque , une autre bande presque
blanche se trouve au dessus des hanches antérieures. Ecusson jau-
nâtre. Elytres environ de la moitié plus longues que larges à la
base, pas plus larges que la base du prothorax, s’élargissant fai-
blement aux épaules et graduellement rétrécies en arrière, leur
extrémité isolément arrondie; légèrement saillantes sur les côtés
de la base, garnies de fines stries; inponctuées ; plus de leur moitié
30 QUELQUES CURCULIONIDES
antérieure, sauf les côtés d’un jaune-fuligineux et entourant une
grande tache noire sur chaque élytre; la couleur jaune continue
au bout sur la suture et envoie une branche sur le cinquième
intervalle en arrière.
Dessous obsolètement ponctué, d’un blanc cendré, lavé de noir
fuligineux sur les côtés du métasternum et le milieu des segments
de l'abdomen. Pygidium avec une ponctuation fine, peu serrée,
jaunatre.
Pattes blanchatres, jambes avec de faibles rainures, ainsi que
les cuisses garnies de poils bruns, peu abondants, sur leur tranche
intérieure.
Collection R. Oberthür, deux individus mâles, marqués Ch.
Semper, l’un Philippines, l’autre N. O, Luzon.
Eugithopus ornatus n. sp.
15 a 18 millim. (rostr. excl.).
De la forme générale de ZX, elegans et de £. plagiatus, mais
un peu plus svelte, d’un noir-olive velouté, varié de blanc en
dessous, la dernière couleur formant un dessin, composé de bandes
étroites par dessus. Rostre comme chez les espèces voisines, finement
ponctué, avec une rainure peu profonde sur les côtés de sa partie
antérieure; sa partie basilaire, ainsi que les antennes, sauf la partie
cornée de leur massue, garni d'un enduit blanc-jaunätre. Tête avec
une ligne très faible entre les yeux, finement ponctuée et garnie
d’enduit jaunätre par devant et autour des yeux. Prothorax plus
étroit que chez l’espece précédente, couvert d’une ponctuation
obsolète, un peu plus marquée sur les côtés, d’un noir-olive velouté,
avec une ligne très étroite au milieu et une bande assez large sur
les côtés du disque; une ligne plus étroite se voit sur les côtés;
elle part de la base, mais n’atteint pas le bord antérieur; une
bande large et plus claire se trouve au dessus des hanches
antérieures.
Ecusson blanc-jaunätre. Elytres de la forme de celles de E. pla-
giatus, mais pas avancées sur les côtés de la base, comme chez
DES ÎLES PHILIPPINES. 31
ce dernier; elles sont très finement striées, d’un noir-olivätre
velouté, leur base est étroitement bordée de blanc-jaunâtre et cette
couleur s’etend un- peu sur leurs côtés; elle couvre la suture et
dessine un petit trait à la base du troisième intervalle; à la base
du cinquième intervalle un autre trait se courbe au dehors, jusque
sur le septième intervalle, et forme un arc rejoignant la suture un
peu au delà du milieu; un trait de la même couleur se voit enfin
sur l’extrémité du cinquième intervalle.
Dessous couvert d'une ponctuation fine, espacée; blanc, avec
quelques taches noirätres, dont une allant des hanches antérieures
vers le bord antérieur, une autre sur le côté du métasternum,
.quatre sur les côtés des derniers segments de l’abdomen, la
dernière occupant son extrémité, trois au milieu des segments
intermédiaires.
Pygidium triangulaire , tronqué à lextrémité , obsolétement ponctué,
noirätre, ses bords et la ligne médiane jaunâtres,
Pattes blanches; les cuisses finement ponctuées, lavées de noir;
jambes avec des lignes de petites côtes; munies de cils excessivement
courts.
Les deux individus de la collection R. Oberthùr, que j'ai sous
les yeux, ont un rostre entièrement lisse en dessous et me paraissent
des femelles. L’un est marqué: Luzon, Ch. Semper ; l’autre : Manille,
ex coll. Mniszech.
Eugithopus elegans Roel., Var.
La collection Oberthür contient, avec un individu typique, une
variété de petite taille (14 millim. rostr. excl.), de couleur vert-
olive jaunâtre; la couleur claire qui dans la forme typique s’étend
plus loin sur la suture, s’arréte ici derrière l’écusson ; la tache sur
la partie antérieure de l’elytre est faiblement indiquée, la bande
transversale postérieure est étroite.
Avec Vindication: Lamar, Jan., 63, Philipp., Semper.
32 QUELQUES CURCULIONIDES
Il. RELN OG RY P US. nov... genus.
Rostre et téte, pris ensemble, a peine aussi longs que le pro-
thorax, le premier brusquement arqué vers son tiers postérieur , carré
et gros dans sa partie postérieure jusqu’à l’insertion des antennes,
ou il est légèrement gibbeux, brusquement aminci de là jusqu’à
l'extrémité. Scape des antennes dépassant le bord antérieur du
prothorax , funicule aux deux premiers articles plus longs que les
suivants, turbinés, le premier un peu plus long et plus gros que
le second, les quatre suivants plus arrondis et graduellement plus
grands, plus courts et transversaux ; la massue comprimée, arrondie,
sa partie spongieuse tranchante. Yeux grands, trés rapprochés sur
le front et en dessous. Prothorax aussi long que large, ses côtés
graduellement rétrécis en avant, un peu sinués vers le milieu,
sa base un peu sinué, son lobe médian aigu. Ecusson allongé,
droit sur les côtés, pointu au bout. Elytres pas plus larges
que le prothorax, de la moitié environ plus longues que larges,
graduellement et faiblement rétrécies en arrière, leur extrémité
arrondie, Pattes longues, peu robustes; hanches antérieures
séparées; cuisses un peu comprimées, les postérieures courbées
en dedans; jambes plus fortement comprimées, mucronées au
bout; tarses longs, étroits, vileux en dessous, leur premier article
plus long que les deux suivants, le quatrième plus long que
les autres, les crochets robustes, distants à leur base. Pygidium
petit, triangulaire. Les deux premiers segments de l’abdomen
plus longs que les deux suivants; saillie intercoxale droite, très
large; episternums du métathorax larges.
Le genre est voisin de Phacecorynes Schh., surtout par la forme
peu différente de la massue antennaire; il s'en distingue abon-
damment par la forme du rostre, par la séparation des hanches
antérieures, par la forme des pattes et par la construction des
segments de l'abdomen. Le male diffère de la femelle par le mé-
tasternum déprimé au milieu.
DES ÎLES PHILIPPINES. 33
Rhinogrypus velutinus n, sp.
15 à 18 millim. (rostr. excl.).
Rappelant la forme de Phacecorynes Sommeri Schh., mais moins
resserré à la base du prothorax et des élytres, couvert d’un enduit
noir-velouté, varié de rouge pourpre foncé; dessous noir et dénudé.
Rostre obsolètement ponctué sauf vers le bout, couvert d’enduit
de la base jusqu'à l'insertion des antennes, lisse sur le reste,
avec une ligne imprimée allant du front jusqu’à l'insertion des
antennes, et une dépression latérale aussi longue. Tête finement
et irrégulièrement ponctuée. Prothorax couvert d’un enduit pourpre
noirâtre, avec un dessin de lignes plus claires et d’une ponctuation
ocelliforme, plus marquée sur les lignes; deux de ces dernières se
voient au milieu du disque allant du devant, à la base, en s’écar-
tant au milieu; une bande claire, paraissant sujette à se doubler,
se voit sur les côtés. Ecusson noirätre. Elytres aussi larges que
la base du prothorax, avec des stries fines, celles des côtés plus
sensiblement ponctuées; les intervalles des stries un peu arrondis;
les élytres sont d'un noir velouté, lavé de pourpre et varié de
rouge clair; cette dernière couleur s’étend un peu vers la base, elle
forme une bande transversale allant de l'épaule plus en arrière vers
la suture et dessinant vaguement un V; une seconde bande trans-
versale se voit derrière le milieu et se dirige de la suture oblique-
ment vers le côté en arrière, sur ces bandes se voient quelques
lignes grises formées par de petites lignes sur les intervalles des
stries. Dessous du corps noir, ainsi que les cuisses, couvert de
points serrés, remplis d’enduit grisâtre; jambes rougeätres, avec
des rangs de petites côtes, garnis de cils très courts, Les hanches
antérieures portent sur le côté postérieur de petits bouquets de
poils courts brunätres.
Trois individus de la collection de Mr. Oberthür, deux mâles et
une femelle, indiqués de Luzon et de Mindanao, provenant de
Semper et de la collection Mniszech; une femelle provenant de
Wallis, dans la collection de Mr. Neervoort van de Poll.
Tijdschr, v. Entom. XXXVI. : 3
34 : QUELQUES CURCULIONIDES
Di À ECT DES Dalim
Les nouvelles espéces, dont je donne ici la description, forment
un groupe bien caractérisé dans le genre Alcides, par leur ressem-
blance de coloration avec les Pachyrhynchides , également des Philip-
pines, consistant dans un fond métallique, sur lequel se détache
un dessin de taches ou de lignes blanches. La seule espéce decrite
qui en fait partie est A. Semperi Pasc. Toutes ont une grande
analogie de forme avec elle, la difference existant surtout dans la
forme plus ou moins parallele. Comme toujours chez des especes
marquées de taches ou de lignes, elles varient fortement et la couleur
du fond est même sujette à se modifier. Le dessin blanc est formé
d’écailles, mais dont la forme est différente selon les espèces;
les écailles sont ou longues et piliformes, ou plus courtes et
rondes.
Mr. R. Oberthür a bien voulu me confier les belles et rares
espèces de ce groupe, de sa riche collection; dans celle de Mr,
Neervoort van de Poll et du Musée de Leide se trouvent respecti-
vement une des espèces décrites ci-dessous.
Alcides Semperi Pasc., Var.
Dans la collection Oberthür se trouvent trois individus de cette
espèce, dont un seul appartient au type, décrit par Mr. Pascoe.
Tandis que celui-ci mesure environ 15 millim., les variétés n’en
ont que 12 et 13 à 14. Le plus petit est de couleur verte au
lieu de bleue, comme le type, le vert passe même au bronzé sur
le prothorax, et au violet sur le rostre; les anneaux blancs sont
situés comme ceux du type, sauf la tache sur le prothorax devant
l’écusson, qui est presque effacée; celle de la base des élytres est
réunie à celle qui suit sur le bord de l’élytre, tandis que cette
dernière est difformée. Les anneaux suivants, près de la suture,
sont normaux, mais les trois plus en arrière réunis de façon à
former une bande transversale; les deux anneaux vers le bout sont
DES ÎLES PHILIPPINES. 35
réunis et la petite tache sur l’extrémité est présente. Les taches
en dessous ne different pas sensiblement de’ celles du type. Les
pattes sont d’un vert métallique.
La seconde variété est plus aberrante: elle diffère du type en
ce que les taches ne sont pas annuliformes mais pleines, leur bord
étant un peu plus clair que l'intérieur; les trois taches derrière
le milieu de l’élytre sont réunies sur leurs côtés; le dessous est
pareil au type.
Au Musée de Leide se trouve un individu typique, de petite
taille.
Alcides ocellatus n. sp.
13 à 15 millim. (rostr. excl.).
D'une forme analogue à celle de Semperi Pasc., mais d'ordinaire
plus parallèle aux élytres, d’un rouge violacé métallique, à reflets
bleus, et devenant très foncé sur la tête et le rostre, décoré de
taches rondes d’un blanc bleuâtre, composées de poils. Rostre de
la longueur de la tête et du prothorax, pris ensemble, assez robuste,
ponctué sur les côtés de la base, avec une petite ligne imprimée
au dessus à la hauteur de l'insertion des antennes. Tête lisse avec
un point imprimé entre les yeux. Prothorax couvert d’une ponctua-
tion très fine, peu serrée, avec une tache ronde près du bord
antérieur, sur le côté du disque, une plus petite plus bas et une
troisième à la base, un peu plus bas que l’épaule de l’elytre; une
double tache au milieu de la base. Ecusson comme chez Semperi.
Elytres plus parallèles que chez celui-ci, avec des stries de points
fins, plus marquées. Sur chaque élytre se voient huit taches blanches
plus ou moins rondes, dont une à la base près de l’épaule, une
près de la suture, avant le milieu, une à la même hauteur, sur
le côté, une quatrième plus en arrière au milieu du disque, la
cinquième plus loin, contre la suture, la sixième au même niveau,
contre le bord, les septième et huitième, l’une à côté de l’autre,
sur l'extrémité de l’élytre. Sur le dessous les taches blanches se
trouvent sur le milieu du prosternum, une entre les hanches in-
36 QUELQUES CURCULIONIDES
termediaires, trois sur les côtés du metasternum, et des taches
sur les côtés des segments de l’abdomen, à l’exception du second.
Les pattes sont de la couleur du corps.
Unique dans la collection Oberthür, marqué Philippines, Ch.
Semper. Un plus petit individu dans la collection Neervoort van
de Poll.
La première collection renferme une variété de l’espéce, de taille
plus petite (14 millim. sans le rostre) et de couleur fort différente ;
d'un bleu-verdâtre foncé, métallique sur le prothorax et les pattes,
elle passe au noir sur les élytres, qui sont moins luisantes. Les
taches sont d’un bleu-verdätre pale; celles du côté du prothorax
confluentes, les trois antérieures des élytres normales, celles du
milieu confluentes et formant une ligne ondulée; les taches sur
l'extrémité restent séparées. Les taches du dessous sont situées
comme celles du type. L’individu est indiqué de Luzon, Semper.
Le Musée de Leide possède un individu de petite taille (10
millim.) d'un bleu d’acier, presque noir sur les pattes; les taches se
trouvent exactement à la même place que dans ce qui me parait
la forme typique de la collection Oberthür, mais elles sont rédui-
tes à des points blancs. L’individu porte l’indication: Parry, Ins.
Philipp.
Alcides septemdecimnotatus n. sp.
14 millim. (rostr. excl.).
De la forme et de la taille de l’espèce précédente, d’un rouge
carminé, vineux, médiocrement luisant, décoré de taches blanc-
verdätre. Rostre plus long que la tete et le prothorax pris ensemble,
assez robuste, couvert d'une ponctuation longitudinalement con-
‘fluente dans sa moitié basilaire !); la même partie est obsolétement
carénée par dessus. La tête finement ponctuée, avec un point assez
large entre les yeux. Prothorax finement et irrégulièrement ponctué,
1) L’individu de la collection Oberthür montre sur le côté de la base une
impression triangulaire, qui manque à l'individu ‘du Musée de Leide.
DES ÎLES PHILIPPINES. 37
un peu plus fortement sur les côtés. Une tache, formée de petites
écailles rondes, se trouve contre le rétrécissement antérieur sur le
côté du disque, une autre au dessus de la hanche, une troisième
à la base sur le côté du disque. Ecusson ponctiforme , assez saillant.
Elytres transversalement déprimées derrière leur base, qui est relevée ;
finement ponctué-striées; des taches blanches se trouvent 1°, une
contre l’écusson, partagée en deux par la suture; 2°. une, plus
grande, plus en arrière près de la suture; 3°, une tout près de
celle-ci, mais un peu plus en arrière, sur le côté de l’élytre; deux
taches pareilles et situées relativement l’une de l’autre comme les
précédentes, se trouvent plus en arrière, et sur l'extrémité de
l’élytre se voit une tache en forme de V. Dessous de la couleur
du dessus, assez densément garni d’écailles blanches. Cuisses forte-
ment en massue, ponctué-striolées, surtout à la base et vers le bout ;
jambes avec une rainure obsolète à l’extérieur, ponctué-striolées.
Unique dans la collection Oberthür , marqué: Camiguin de Luzon,
Philippines, Ch. Semper.
Un seul exemplaire se trouve au Musée de Leide, différant de celui
de la collection Oberthür par l’absence de la tache près de la suture,
sur la partie antérieure de l’elytre, et en ce que les deux taches
plus en arrière sont confluentes. Il provient de Parry.
Alcides decoratus n. sp.
10 a 12 millim. (rostr. excl.).
Plus parallèle que les autres espèces voisines, d’un rouge cuivreux
luisant, passant parfois au verdätre, décoré de taches et de bandes,
composées de petites écailles rondes blanc-verdätres. Rostre environ
de la longueur de la tête et du prothorax pris ensemble, finement
ponctué jusque vers la moitié postérieure, sa partie antérieure
noirätre. La tête finement ponctué avec une impression forte entre
les yeux. Prothorax convexe, couvert d'une ponctuation fine et
serrée, avec une tache allongée sur le côté en avant contre le
rétrécissement antérieur, une petite tache au dessus de la hanche
antérieure et une lroisième à côté de la base. Ecusson ponctiforme ,
38 QUELQUES CURCULIONIDES
fort deprime. Elytres fortement élevées à leur base et fortement,
transversalement, déprimées derrière elle, paralleles sur les côtés;
leurs stries finement ponctuées et assez marquées. Une linéole blanche
part à côté de l’écusson et se courbe de façon à former avec une
ligne sur le côté un are de cercle. Une bande transversale se voit
derrière le milieu de l’élytre; elle se courbe sur le côté en arrière,
de façon à rejoindre un trait qui se redresse vers le troisième
intervalle, et forme une espèce de V sur l'extrémité. Des écailles
blanches couvrent une assez grande partie du dessous, mais laissent
parfois de plus grands espaces denudes. Cuisses ponctué-striées
à leur base et vers le bout; jambes avec une rainure obsolète
en dehors, les antérieures faiblement élargies sur la tranche
intérieure,
La collection Oberthür renferme deux individus de cette espèce,
Yun d’un rouge cuivreux, l’autre verdâtre, presque bleu sur le
prothorax. Le premier est marqué Philippines, Ch. Semper, l’autre
Luzon, Ch. Semper. |
Alcides rutilans n. sp.
12 à 13 millim. (rostr. excl.).
D’une forme moins parallèle que l’espèce précédente , d'une couleur
rouge-laque à reflets verts, passant parfois au verdätre métallique,
très brillant, décoré de taches et de bandes blanches, composées
d’écailles piliformes. Rostre assez court, ponctué à la base, surtout
sur les côtés. Tête presque lisse, avec un point imprimé entre les
yeux. Prothorax finement ponctué, avec une tache antérieure contre
le rétrécissement, qui s'étend parfois davantage sur les côtés, et
une autre sur le côté de la base; une troisième plus petite devant
l’écusson. Ecusson déprimé, ponctiforme. Elytres finement striées-
ponctuées, leur base médiocrement relevée, avec une tache blanche,
un peu déprimée, parfois transversale, à leur base , une bande blanche
transversale avant et une autre analogue derrière leur milieu; sur
l'extrémité de l’elytre deux taches forment un V, plus ou moins
DES ÎLES PHILIPPINES. 39
arrêté, et sur la pointe extreme de l’élytre encore une petite
tache. Le dessous a des taches blanches sur le milieu du pro-
sternum, du mésosternum, sur les côtés du métasternum, le
premier segment de l’abdomen et les côtés des troisième et qua-
trième segments. Cuisses ponctuées à leur base; jambes avec
une rainure obsolète au dehors, les antérieures avec une dent bien
prononcée en dedans.
Deux individus dans la collection Oberthür. Chez l’un d’eux la
bande blanche derrière le milieu de l’élytre se resout en trois taches.
Avec Vindication: Philippines, Semper, l’un avec le nom ajouté
Palope.
Alcides smaragdinus n. sp.
14 millim. (rostr. excl.).
Se rapprochant pour la forme de A. Semperi Pasc. et se distinguant
de cette espèce et des autres voisines par ses élytres sans taches,
sauf une très petite sur l’extrémité, et par la forme des pattes.
D'un vert-bleuätre, luisant. Rostre assez robuste, aussi long
que la tête et le prothorax pris ensemble, un peu caréné
dans la moitié postérieure, qui est assez fortement ponctuée
et un peu aplatie par dessus, obsolètement carénée sur les
côtés, et offrant par devant une carène double, ponctuée; une
petite ligne imprimée se distingue vers l'insertion des antennes,
Antennes noir-violacées, massue grisätre. Tête vaguement ponc-
tuée, avec un point enfoncé entre les yeux. Prothorax assez
fortement ponctué, avec une tache blanche, apparente, vers le
rétrécissement antérieur, sur le côté du disque, et une autre plus
bas sur le côté; base du prothorax étroitement bordé de blanc sur
les côtés et offrant une petite tache devant l’écusson. Ecusson très
petit, ponctiforme. Elytres pas plus larges que le prothorax à leur
base, de la forme ovale-allongée de celles de A. Semperi ; leur base
peu relevée et faiblement transversalement impressionée, avec des
lignes de points formant des stries très fines. Pattes longues et
peu fortes, surtout les antérieures; les dernières un peu rugueuses
40 QUELQUES CURCULIONIDES DES ÎLES PHILIPPINES.
à la base et très fortement dentées. Dessous des cuisses antérieu-
res, milieu du posternum, côtés du métasternum et des segments
abdominaux, à l’exception du deuxième, avec des poils blancs.
Un seul individu dans la collection Oberthür, marqué: Philip-
pines, Semper, Pulolatu (?).
DE INLANDSCHE BLADWESPEN
IN HARE GEDAANTEVERWISSELING EN
LEEFWIJZE BESCHREVEN,
DOOR
Dr. J. Th. OUDEMANS.
NR
Pamphilius erythrocephalus L.
* 1) 1758 Tenthredo erythrocephala, Linnaeus, Syst. Nat. Ed. X, T. I, p. 558
*
* * ok ok
1761
1761
1767
1769
1775
1781
1787
1788
1789
1790
1791
1793
n
erytrocephala ,
No. 26.
Linnaeus, Fauna suecica, p. 394, N°. 1560.
Sulzer, J.H., Die Kenntz. der Ins. enz. Tab.
xvi, f. 113.
Linnaeus, Syst. Nat. Ed. XII, T. I, Prs. 11,
p. 926, No. 40.
Schaeffer, J. C., Icon. Ins. c. Ratisb. ind. Tab.
ED 1e Es
Fabricius, Syst. Ent., p. 223.
Fabricius, Spec. Ins., T. I, p. 416.
Fabricius, Mant. Ins. T. I, p. 256.
erythrocephala, Gmelin, J. F.,C. a Linné Syst. Nat. Ed. XIII,
mel Payor ps 2668.
de Villers, C., C. Linnaei Entomologia,
faunae suec. descr. aucta. T. III, p. 117.
Udmann, J., Nov. ins. spec. Diss. inaug.,
Ed. II (Panzer), p. 59, N°. 89.
Christ, J. L., Naturgesch. u. s. w. der Ins.
Dab: 517-120:
Panzer, G. W. F., Faunae Ins. Germ. In.
PS Vile) hale 9
1) Een * voor den titel duidt aan, dat ik mij van de juistheid der opgave
heb overtuigd,
42 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
1793 Tenthredo erythrocephala, Fabricius, Entom. Syst., T. II, p. 121, N°. 66.
* 1802 (An xr) Tenthredo erytrocephala, Walckenaer, C. A., Faune parisienne,
T. IL, p. 4.
na erythrocephala, Hentseh, G. F., Epitome Ent. Syst.
sec. Fabricium, p. 106, No. 66.
* 1304 Lyda erythrocephala, Fabricius, Syst. Piez., p. 43.
* 1805 (An xu) Pamphilius erytrocephalus, Latreille, P. A., Hist. nat. d.
Crust. et des Ins. T. XIII, p. 139.
1807 = af 1 Latreille, P. A., Genera Crust.
et Ins. T. III, p. 234.
1804
* 1807 Cephaleia erythrocephala, Jurine, L., Nouv. méth. de classer les Hym.
et les Dipt. p. 67.
1808 Lyda 5 Klug, F., Ges. naturf. Fr. zu Berlin, Jhrg.
II, p. 280.
È In den door Kriechbaumer bezorgden fac-
simile-herdruk, „Dr. F. Klug’s gesammelte
Aufsätze über Blattwespen”, 1884, vindt men
de soort op p. 20 (280).
2218237 a Le Peletier de St. Fargeau, A. L. M., Monogr.
Tenthred., p. 4, No. 7.
1824 , = Le Peletier de St. Fargeau, A. L. M., Faune
Française, Pl. xıv, f. 1.
1835 „ 5 Stephens, J. F., Ill. of Brit. Ent. Vol. VII,
DOS ANA IE pl Er TA
251835 Dahlbom, G., Conspect. Tenthred. p. 15.
” ”
* 1844 Tenthredo (Lyda) erythrocephala, Ratzeburg, J. T. C., Die Forstinsec-
ten} ya. UU vip: (Si mate AMP PILE,
2 K*, 2-LX (onzeker), 2 F 4 9.
x Nördlinger, H., Nachtr. zu Ratze-
burg’s Forstins., p. 67.
* 1856 Lyda
* 1860 (Ed., I 1839) Lyda 3 Hartig, Th., Die Fam. d. Blatt.-und
Holzwespen, p. 326.
1865 ; n € Brischke, C. G., und Zaddach, G.,
Beob. üb. d. Arten d. Blatt- und
Holzwespen, Schr. d. Phys.-Oek. Ges.
in Königsberg, T. VI, p. 119.
In het in 1884 onder denzelfden
naam verschenen werk, eene aan-
eenvoeging der separata, met eigen
paginatuur, komt de soort voor op
p. 132.
* 1866 = = Taschenberg, E. L., Die Hym. Deutsch-
lands, p. 26.
SAMI SOT 7 Kirchner, L., Catal. Hym. Eur. p. 19,
No. 11.
a Sal n Ar Thomson, C. G., Hymenopt. Scandin.
dt U5 jes S 00:
* 1874 2 5 Kaltenbach, J. H., Die Pflanzenfeinde
aus der Kl. der Ins., p. 699.
21876 ni DA Ratzeburg, J. T. C., Die Waldver-
derber und ihre Feinde, p. 128.
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 43
* 1876 Lyda erythrocephala, Snellen v. Vollenhoven, S. C., Bijvoegsel Naaml.
Hym., T. v. E. DI. XIX, p. 216, No. 209.
1876, 5 Cameron, P., The Fauna of Scotland, Hym.,
p. 48, No. 1.
BRS NS i André, Ed., Species des Hym. T. I, p. 490,
Cat. p. 61.
* 1882 Pamphilius erythrocephalus, Kirby, W. F., List of Hym. in the Brit.
Mus., p. 332.
= à Cameron, P., Monogr. of the Brit. phytoph.
Hym., Vol. III (Ray Soc. 1889) p. 93, Vol.
II (Ray Soc. 1884) Pl. vi, f. 3, 3a !).
* 1891 Lyda erythrocephala, Ritzema Bos, J., Tierische Schädl. und Nützl.,
p- 430.
* 1890
Over het algemeen is het geslacht Pamphilius beter bekend onder
den naam Zyda; evenwel heeft de eerste naam de prioriteit, daar
hij reeds voorkomt in Latreille’s Histoire naturelle des Crustacés
et des Insectes, Deel III van het jaar 1802 (An X) op blz. 303,
terwijl de naam Lyda in 1804 werd ingevoerd door Fabricius in
zijn Systema Piezatorum op blz. 43.
De soortsnaam erythrocephalus is afkomstig van Linnaeus en
heeft voor eene zoo lang bekende species het zeldzame voorrecht
genoten, de eenige te zijn gebleven, waaronder het dier beschreven
of vermeld is. ?)
Het was te Apeldoorn, in het laatst van Juni 1891, dat ik de
larve dezer bladwesp voor het eerst onder de oogen kreeg en wel
in den tuin van den heer de Vos tot Nederveen Cappel, alwaar
een ongeveer 3 M. hooge Weymouth-den, Pinus strobus, sterk
door haar geteisterd was. Ik vernam, dat de soort al verscheidene
jaren op genoemden boom, een alleenstaand exemplaar, was aan-
getroffen en er bepaald schade aan toebracht. Het volgend jaar is
de boom gestorven, waarbij ik er niet aan twijfel, of de Pamphilius
hecft dit voor een groot deel op zijn geweten.
1) Zoowel in den tekst als in de plaatverklaring staat Fig. 3 4; de figuur
stelt evenwel een 2 voor.
2) De namen populi L. en flaviceps Retz., die soms als synoniem worden ver-
meld, hebben op onze soort geen betrekking; flaviceps is eene afzonderlijke
species en bij populi vermeldt Linnaeus „habitat in Populo”; Syst. Nat. Ed. XII,
p. 927, Ne. 44,
44 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
Toen ik de larven verzamelde, waren deze reeds volwassen,
waarom ik ze dan ook onmiddellijk in een groot suikerglas plaatste,
dat ter halver hoogte met vochtig zand gevuld was. Na twee dagen
waren alle larven in den grond gekropen en wel, gelijk later bleek ,
vrij diep, namelijk 5 tot 8 cM. Enkele waren zoo welwillend,
zich juist tegen den binnenwand van het glas te plaatsen, zoodat
ik ze voortdurend in het oog kon houden.
Een cocon !) wordt door Pamphilius niet gesponnen; de larve
ligt vrij in eene eivormige ruimte in den grond.
Den geheelen winter hield ik het zand een weinig vochtig en
bekwam een zeer gunstigen uitslag, iets, wat bij het overwinteren
van bladwespen slechts zelden plaats vindt. In het voorjaar dage-
lijks naar de zichtbare larven omziende, bemerkte ik op den 5den
Maart, dat er één in eene lichtgroene, zeer beweeglijke pop ver-
anderd was; de andere volgden een of twee dagen later. Het ge-
noemde exemplaar begon op den 15den Maart van kleur te ver-
anderen, verg. Fig. 9; het groen kreeg op den rug een roseachtig-
bruine tint, welke zich vervolgens uitbreidde en voortdurend don-
kerder werd, totdat het volkomen insect den 21sten de pophuid
afwierp; den 23sten werden pogingen gedaan om zich uit te graven,
doch nog zonder gevolg; eerst den volgenden morgen was dit exem-
plaar daarin geslaagd. Dit uitgraven geschiedt uitsluitend met „de
kaken, die het zand, dat zich vóór den kop bevindt naar beneden,
onder den buik van het dier werken. De poptoestand duurde dus
slechts ongeveer 16 dagen, na een larvenrust van ruim acht
maanden, die in de natuur nog 1 à 2 maanden langer duurt,
daar de imagines bij ons meestal in Mei gevonden worden.
Enkele exemplaren waren reeds vroeger verschenen; in het
geheel kwamen er 16 uit, 5 mannetjes en 11 wijfjes, en wel
tusschen 17 en 27 Maart. Ik merkte op, dat de vroegst ver-
schenen individuen het grootst waren. Bij het doorzoeken van het
.
1) Cameron, 1. c. p. 94, regel 8 tot 10, schrijft: „Generally the larvae attach
their cocoons to the twigs of last year’s growth.” Het woord cocoon is hier
abusievelijk gebruikt, daar west bedoeld wordt; twee regels verder leest men
dan ook: „They..... pupate in the earth.”
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 45
zand vond ik geen overblijfselen meer van gestorven exemplaren,
waaruit ik afleid, dat alle larven, uitgezonderd twee, die ik als
pop had uitgegraven en die verdroogden, de volkomen insecten
leverden.
: Merkwaardig is de wijze waarop de afgestroopte larvenhuid aan
de pop bevestigd blijft; verg. Pl. 2, Fig. 9. Zij blijft namelijk met het
kopgedeelte vrij vast om de laatste segmenten der pop geklemd,
terwijl de rest los tegen den rug dezer laatste aanligt. De kleur
der larvenhuid is dan oranje en de onderdeelen van pooten , sprieten,
palpen enz. zijn er nog uitstekend aan te onderscheiden. De eigen-
aardige kleur ontstaat eerst na het afwerpen, want gedurende den
winter is de larve effen groen.
Op den 19den Maart plaatste ik twee mannetjes en vier wijfjes
gezamenlijk op een driejarig boompje van den Weymouth-den , dat
geheel door gaas omgeven was. Zoolang de zon het boompje niet
bescheen, gelijk dien geheelen dag het geval was, bleven de man-
netjes rustig zitten, terwijl de wijfjes daarentegen steeds heen en
weer liepen. Den volgenden dag echter was er gedurig zonneschijn
en toen waren de dieren zeer levendig en trachtten telkens te
vliegen. Voortdurend zag ik, hoe de mannetjes de wijfjes ver-
volgden, doch paring nam ik niet waar; dat deze echter plaats
gevonden heeft, daaraan twijfel ik niet 1). Te twaalf uur ontdekte
ik reeds eenige eieren, welker aantal dien dag en den volgenden
dag nog zeer vermeerderde.
Het eierleggen geschiedt als volgt: het wijfje plaatst zich op
eene naald, de kop naar de spits gekeerd en drukt het uiteinde
van het achterlijf er tegen aan; dan ziet men gedurende ongeveer
eene minuut eene beweging, welke veel overeenkomst heeft met
die eener versnelde ademhaling: dit is het zagen. De wespen van
het genus Pamphilius heeten hare eieren op, niet in de blade-
ren te leggen; dit is wel juist, doch dat zij, ten minste bij onze
tegenwoordige soort, vooraf zagen, heb ik duidelijk waargenomen.
1) Ik leid dit niet zoozeer af uit het feit, dat de eieren uitkwamen, daar
parthenogenesis zeer algemeen onder bladwespen voorkomt, doch hieruit, dat de
mannetjes zich zoo bronstig toonden en den volgenden dag reeds stierven,
46 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
Dat de zaag hier toch wel degelijk eene functie te vervullen heeft ,
blijkt, behalve uit haar vorm, waarover later, duidelijk uit de in-
snijding, die men waarneemt indien men een ei verwijdert; zie
Fig. 5. De naalden van Pinus strobus zijn namelijk driekantig en
twee dier kanten dragen over de geheele lengte, nabij het midden,
twee evenwijdige witte lijnen, die als uit aaneengeregen korreltjes
bestaan; dit zijn de huidmondjes der naald; verg. Fig. 2. In een
dezer lijnen nu wordt de zaagwond aangebracht, waarbij waar-
schijnlijk het uitvloeiend sap medehelpt om het ei te bevestigen.
Na het zagen kromt het dier het achterlijf nog wat meer naar
voren en daarop komt het langwerpige ei voor den dag, waarbij
niet het ei voortgeschoven , doch het achterlijf naar achteren terug-
getrokken wordt, De eipool die naar de bladspits wijst is dus het
eerst te voorschijn getreden. Om een tweede ei te leggen begeeft
de wesp zich iets meer naar den top der naald heen en herhaalt
de beschreven handelingen; zoo worden aan één naald 1 tot 5
eieren gelegd, waarvan dus datgene, hetwelk het naast aan de
bladbasis ligt, het oudste is. Verg. Fig. 14. Later heb ik nog eens
eieren ontvangen, die in de vrije natuur gelegd waren, doch meer
dan vijf waren er niet bijeen, alhoewel op één naald twee schooltjes
op verschillende zijden voorkwamen, een van vier en een van vijf,
die echter waarschijnlijk door twee verschillende dieren gelegd waren.
Nu eens raken de eieren elkander aan, dan weder is er wat ruimte
tusschen; legt het dier ze dadelijk na elkander, dan is gewoonlijk
het eerste het geval. Het aantal eieren, dat een wijfje legt, is klein,
hetgeen met de aanzienlijke grootte der eieren in overeenstemming
is. Bij het openen van een paar wijfjes na het eierleggen bleken
er nog slechts enkele rijpe eieren in de dieren aanwezig te zijn;
deze verschilden in voorkomen niet van de pas gelegde.
De vorm van het ei is rolrond met afgeronde polen en meestal
“iets gebogen; de holle zijde is in ’t midden iets aangezwollen en
rust met dit gedeelte op de gezaagde opening; verg. Fig. 3. De
bij het leggen vooraangaande pool is dikker dan de andere en in
de nabijheid daarvan komt de jonge larve te voorschijn. De lengte
van het ei bedraagt 2,2 tot 2.5 mM., de dikte 0.6 mM. De kleur
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 47
is aanvankelijk helder lichtgeel en de oppervlakte steeds eflen. Na
verscheidene dagen werd echter de kleur donkerder, vervolgens
grauwgeel (zie Fig. 3) en ten slotte bijna potloodkleurig. De om-
geving der dunnere pool blijft evenwel licht gekleurd, aangezien
zich het embryo van daar terugtrekt. De verkleuringen geschieden
hoofdzakelijk in de laatste week vóór het uitkomen, dat, gelijk
reeds gemeld werd, aan de bovenzijde, nabij de dikkere pool plaats
heeft en wel door eene spleetvormige, zich later niet meer sluitende
opening; verg. Fig. 4. De eierschaal blijft onaangeroerd en is
parelkleurig en half doorschijnend !).
De eieren kwamen op 14 en 15 April des ochtends uit en de
jonge larve begaf zich steeds onmiddellijk naar de basis der naald ,
waarop ze zich bevond. Zij doet dit geheel op de wijze, waarop
ze zich ook later voortbeweegt, indien ze buiten haar spinsel ge-
raakt, namelijk door, terwijl zij op den rug ligt, van links naar
rechts en omgekeerd draden te spinnen, die zij aan de naald be-
vestigt; zoo maakt zij een soort van tunnel over zich heen, waarin
ze door slangachtige bewegingen voortkruipt; zie Fig. 6.
De pas uitgekomen larve is 4 tot 5 mM. lang en komt in ge-
daante, met uitzondering van den grooteren kop, met de oudere
larve overeen. Het lichaam is bruingeel, de kop wat lichter met
den schedel fijn donkerbruin gestippeld. Sprieten en cerci (aan het
laatste segment) grauw, pooten en halsschild zwart; zeer fijn be-
haard. Enkele exemplaren waren wat donkerder dan het in Fig. 6
afgebeelde voorwerp.
Zoodra de basis van het blad bereikt is, gaat de larve meer
draden. spinnen en daarna weldra aan het eten. In den eersten
tijd worden de naalden slechts aan de kanten aangevreten, doch
spoedig bijt zij ze dicht bij de basis door en trekt, al etende, de
geheele naald in haar spinsel. Zitten er ledige eierschalen aan, dan
1) Ik moet nog mededeelen, dat ik aan één of aan beide polen van sommige
eieren een zwart puntje waarnam; daar het niet altijd aanwezig is, meen ik het
niet als iets dat inderdaad tot het ei behoort te mogen beschouwen. In Fig. 3
zijn de puntjes bijgevoegd,
48 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
blijven deze onaangeroerd. Spoedig krijgt nu de larve eene meer
groenachtige tint en daarna ziet men weldra de groene uitwerp-
selen, die evenals de afgevreten naaldspitsen voor een deel in het
spinsel blijven hangen en het later geheel ondoorzichtig maken.
Meermalen zag ik, dat twee of drie larven hare spinsels zoo in-
eensponnen, dat de grens niet te zien was; het blijven echter
steeds afzonderlijke buizen. Eenmaal zag ik, dat twee zoodanige
buren gezamenlijk, met de buikzijden naar elkander toegewend,
eene naald afvraten, doch deze gevallen zijn uitzondering en in de
natuur zal de verspreiding, vooral als de larven ouder worden,
allicht grooter zijn, daar zij er niet tegen opzien, zoo ’t voedsel
schaarsch wordt, naar een anderen tak te verhuizen.
Den vijfden Mei was mijn boompje nagenoeg kaal gevreten;
verscheidene larven kropen langs de takken en enkele hadden zich
op den grond neergelaten. Ik gaf haar toen eene nieuwe, vijfjarige
plant, waarop zij weldra tal van nieuwe woningen vervaardigden.
Vroeger deden ze dit meer aan den voet der naalden, nu, grooter
geworden, bepaaldelijk langs de takken; verg. Fig. 10. De meesten
schijnen op dien tijd driemaal verveld te zijn geweest, want ik
vond in de oude spinsels afgeworpen kophuiden van drie verschil-
lende grootten; de lengte bedroeg ongeveer 12 mM. De kop (zie
Fig. 7), is thans geelbruin met veel donkerbruin pigment getee-
kend, zoodat met het bloote oog de schedel daardoor geheel zwart-
ruin schijnt. Lichaam vuil groenachtig-grauwbruin tot aschgrauw ,
afhangend van den meerderen of minderen darminhoud. Elke ring
met ongeveer vijf plooien. Laatste segment op de bovenzijde geel-
achtig. Zes vuilpaarse langsstrepen over het lichaam , bij de grootere
exemplaren het duidelijkst; deze zijn aldus verdeeld: een over
het midden van den rug en een over het midden van den buik en
verder aan beide zijden een boven (waarin de luchtgaten) en een
onder de zijdeplooien. De laatstgenoemde lijnen zijn het zwakst.
Sprieten, pooten en cerci donker, bij zwart af, behalve in de licht
gekleurde geledingen. Halsschild zwart, de andere schildjes, boven
en tusschen de pooten , donkerbruin.
In den kop ontwikkelt het donkere pigment zich eerst eenigen
DF INLANDSCHE BLADWESPEN. 49
tijd na eene vervelling; tot zoolang is de kop telkenmale effen
licht geelbruin.
Wanneer ik thans een exemplaar, dat zich om te vreten bijna
of geheel uit zijn koker gewaagd heeft, krachtig aanraak, zoodat
het valt (bij zachter aanraken trekken ze zich onmiddellijk in hun
spinsel terug), dan spint het een draad en blijft daaraan hangen.
Hiertegen kan het dier zich weder naar boven werken, doch op
eene andere wijze dan rupsen dit doen en ook veel minder snel.
Terwijl toch eene rups onder deze omstandigheden den draad zoo
hoog mogelijk met de kaken aanvat en door zich te buigen het
daaraan grenzend draadgedeelte met de pooten vat, geschiedt het
hier op de volgende wijze. De larve begint met den draad aan
haar eigen lichaam te bevestigen en rekt dan den kop zoover
mogelijk naar voren, bevestigt aldaar een nieuwen draad en hecht
dezen weder aan haar lichaam vast; deze handeling wordt voort-
durend herhaald en heeft werkelijk het gevolg, dat de larve vordert,
doordien elke nieuwe verbindingsdraad strakker gespannen wordt dan
het overeenkomstig gedeelte waaraan het dier reeds hing; bij elke
beweging wordt dus slechts het verschil dezer stukjes draad
ingehaald.
Den 17den Mei waren de meeste larven volwassen (enkele reeds
vroeger), na nog eenmaal van huid verwisseld te zijn. De lengte
bedroeg thans 18 mM.; verg. Fig. 8. De kop was lichter dan vroeger,
sprieten en tasters bruin met donkerder spitsen. Drie zwarte vlekjes
op het voorhoofd. Lichaam als vroeger, laatste segment op de
bovenzijde geelgrijs, pooten en cerci geelachtig. Dan, terwijl zij nog
eten, verkleuren de larven, worden vuil grijsgroen, terwijl de over-
langsche strepen gedeeltelijk verdwijnen, gedeeltelijk flauw oranje
worden; tevens worden de dieren wat korter en dikker. De larven
lieten zich nu op den grond vallen en hadden het vermogen om
draden te spinnen verloren; zij bewegen zich dan ook op den buik
voort, waarbij de pooten evenwel geen dienst doen, doch het lichaam
golvende bewegingen volbracht.
Vervolgens kropen zij in den grond en op 21 Mei waren de
laatste verdwenen. Zij waren dus zes weken vroeger dan het vorige
Tijdschr. v. Entom. XXXVI. 4
50 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
jaar in de vrije natuur, hetgeen geheel gesteld moet worden op
rekening der eigenlijk te vroeg uitgekomen poppen.
Wat schadelijkheid betreft, zoo is deze onbeduidend ; de soort is
slechts hoogst zelden in aanzienlijk aantal aangetroffen en voor zoover
ik weet nog niet in ons land. Behalve Pinus strobus eet zij ook grove
den, Pinus sylvestris. Door haar vroeg verschijnen tast deze soort
alleen de naalden van vorige jaren aan.
De tijd van het uitkomen der imagines schijnt meer oostelijk
wel vroeger te zijn dan bij ons; ik zag alleen in Mei gevangen
voorwerpen en vind er vermeld van Mei en einde April. Ratzeburg
spreekt echter niet alleen van April, maar zelfs van Maart; mis-
schien is dit toe te schrijven aan zeer warme voorjaren; het is
mij namelijk wel meer gebleken, dat eene verhooging van tempe-
ratuur zoowel de verpopping als het uitkomen bevordert !) Hartig
noemt de eerste helft van Mei «die Hauptschwärmzeit».
De beschrijving der volkomen insecten is als volgt:
Wijfje (verg. Fig. 11). Lang gemiddeld 12 mM., vlucht 23
mM. Grootste maten van inlandsche exemplaren 13 en 27, kleinste
11 en 18 mM, De vergelijking van versche met oudere exem-
plaren doet zien, dat bij de laatsten het rood van den kop fletser
en het grauw der vleugels bepaald bruin wordt, een gewoon ver-
schijnsel bij vele bladwespen.
Grondkleur donker staalblauw, kop bruin-oranje, zoogenaamd
«steenrood ». Oogen in leven zwart, de drie ocellen in eene zwart-
blauwe vlek. Sprieten geheel zwart, uit 29—33 ?) leden samen-
1) Een aardig voorbeeld nam ik waar bij Zrichiosoma betuleti Kl. Ik verza-
melde in Maart cocons, die toen alle larven bevatten. In huis veranderden deze
binnen korten tijd in poppen, wat gelijktijdig in de natuur niet het geval was,
hetgeen later verzamelde cocons leerden. Toen de imagines naar mijne meening
rijp waren (een enkel was reeds uitgekomen) werd het uitkomen sterk bevorderd
door de cocons door de zon te doen beschijnen. Weldra hoorde men dan het
kuarsend geluid, door het afknippen van het dekseltje veroorzaakt. Plaatste ik
de cocons weder in de koelte, dan hield het geluid op en duurde het dikwijls
dagen lang eer dat er een uitkwam.
2) Dit is bij mijne exemplaren het geval; Cameron vermeldt 25— 32, André
30; deze laatste opgave is bepaald te absoluut,
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 51
gesteld; het eerste lid is vrij lang, dik en ietwat gekromd, het
tweede zeer kort, het derde zoo lang als beide eersten te zamen ;
de verdere regelmatig korter en dunner wordend. Palpen van dezelfde
kleur als de kop; mandibels met twee groote tanden en daar-
tusschen één kleine; de grootste distale helft donker gekleurd.
Een of meer kleine vierkante plaatjes aan de basis der onderlip
nabij de keel blauwzwart. Thorax mooi staalblauw. Vleugels grauw
getint, het donkerst aan den wortel; hier en daar enkele hoorn-
stippen en bij opvallend licht met blauwen of paarsen gloed. Voor-
pooten blauwzwart behalve het distale gedeelte van het femur en
de geheele tibia, welke (soms alleen aan de voorzijde) bruinrood
zijn. Tweede en derde pootpaar geheel blauwzwart. De voorste
tibia heeft drie doornen, de beide anderen elk vijf. De stand daar-
van is als volgt: bij de voorste tibia twee doornen aan het uit-
einde en één kort daarvóór, bij de middelste en achterste tibia
twee aan het uiteinde, twee kort daarvóór en één weder dáárvoor,
welke laatste dan even voor het midden der tibia geplaatst is. De
derde doorn aan de voorste tibia is een gewichtig kenmerk, daar
slechts weinige soorten van het geslacht Pamphilius dezen be-
zitten, onder de inlandsche alleen P. stellatus Chr. Abdomen staal-
blauw, de spleet in het eerste en de kleinere in het tweede rug-
schild geelwit, bij droge exemplaren weinig zichtbaar. Kop, thorax
en pooten zijn zacht, wollig, fijn, zwart behaard, meso- en meta-
thorax zeer spaarzaam. Het achterlijf is aan de buikzijde, vooral
aan de laatste segmenten eveneens een weinig behaard. De zaag
is zeer klein, ongeveer 0.25 mM, lang, doch met een zestal scherpe
tanden gewapend; verg. Fig. 15.
Mannetje (verg. Fig. 13 en 14). Lang 10—12 mM., vlucht
18—23 mM. Kleiner dan het wijfje en sterker behaard. Wijkt
verder alleen daarvan af in de volgende punten. Kop donker
blauwzwart behalve het mondgedeelte van beneden de antennen
af; dit is helder chroomgeel. Donkerbruin zijn allaen de tanden
der mandibels en blauwzwart de plaatjes bij de keel. Voorpooten
zwartblauw tot aan de knie, verder geelbruin, de tarsen het
donkerst. Het zittende mannetje, Fig. 12, maakt een donkerder
52 DE INLANDSCHE BLADWESPEN.
indruk dan het zittende wijfje; dit verschil wordt veroorzaakt door
de vleugels, die, hoewel ze bij het mannetje lichter getint zijn
dan bij het wijfje, bij opvallend licht een somberder, meer paars-
achtigen gloed bezitten.
Pamphilius erythrocephalus komt over geheel midden- en noord-
Europa voor; vermeld wordt hij van Zweden, Rusland, Duitsch-
land, Oostenrijk, Tyrol, Zwitserland, Frankrijk, Nederland en
Groot-Brittanje. Bij ons te lande schijnt de soort vrij zeldzaam te
zijn en is gevonden in:
Overijssel, Steenwijk (Jaspers),
Gelderland, Apeldoorn (de Vos, Oudemans),
Putten (Oudemans),
Arnhem (v. Medenbach de Rooy, zie
Tijdschr. v. Entom. XIX p. 216),
Limburg, Venlo (v. d. Brandt),
Maastricht (Maurissen).
Behalve die van Arnhem heb ik al deze exemplaren ter inzage
gehad, voor welke welwillendheid ik hierbij den verzamelaars
dank zeg.
Paniscus testaceus Grav. wordt als parasiet vermeld.
Figuurverklaring van Plaat 2.
1. Eenige naalden van den Weymouth-den met pas gelegde (a)
en reeds uitgekomen eieren (b\.
2. Een pas gelegd ei van boven gezien; het pijltje wijst naar
de spits der naald; vergroot.
3. Een ei kort voor het uitkomen van terzijde gezien ; vergroot.
4, Een ledige eischaal van boven gezien; vergroot.
5. Gedeelte eener naald, na het verwijderen van een ei;
vergroot.
6. De pas uitgekomen larve; hier wijst de pijl in de richting,
waarin de larve zich beweegt, d. w. z, naar: de basis der
naald; vergroot,
DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 53
Meer dan half volwassen larve, waarschijnlijk driemaal ver-
veld; vergroot.
Volwassen larve; vergroot.
Vrouwelijke pop; vergroot.
Nest eener halfvolwassen larve.
Vrouwelijke wesp; vergroot.
Mannelijke wesp; vergroot.
Kop eener mannelijke wesp; vergroot.
Laatste segmenten van eene mannelijke wesp van de rug-
zijde gezien; vergroot.
Zaag; 100 maal (lineair) vergroot.
BESCHRIJVING EN AFBEELDING VAN EENIGE NIEUWE
OF WEINIG BEKENDE CRAMBIDAE,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
(PL 3).
Hierbij de beschrijving gevende van een nieuw genus en van
eenige nieuwe exotische Crambidae, die ik in den laatsten tijd
ontving, — met afbeeldingen die Dr. Henri W. de Graaf zoo goed
was voor mij te vervaardigen, — maak ik van de gelegenheid ge-
bruik om er ook de afbeeldingen bij te voegen van twee soorten ,
tot dezelfde subfamilie der Pyralidina behoorende, welke door mij
in de Transactions of the Ent. Soc. of London van 1890 zijn ge-
publiceerd, doch alleen door middel van beschrijving.
ANGONIA nov. gen.
Lipvoelers (fig. 14) bijna sikkelvormig gebogen, smaller dan de
halve oogen, een derde langer dan de kop, glad beschubd, lid 3
weinig dunner dan 2, ongeveer even lang, spits. Onderkaaks-
voelers of bijpalpen zoo lang als het eindlid der lipvoelers, draad-
vormig, opgericht, zeer duidelijk. Zuiger dun, doch opgerold Bij-
oogen aanwezig. Oogen breeder dan het glad beschubde, vlakke
aangezicht. Schedel iets ruw beschubd. Sprieten zoo lang als drie
vijfden der voorvleugels, draadvormig, naakt, het wortellid even
dik als de schaft, langwerpig. Thorax ovaal, glad beschubd.
NIEUWE OF WEINIG BEKENDE CRAMBIDAR. 55
Voorvleugels naar achteren weinig verbreed, de voor- en binnen-
rand bijna parallel, weinig gebogen, de achterrand niet of nauwe-
lijks langer dan de halve voorrand, steil, zeer flauw en gelijk-
matig gebogen. Voor- en binnenrandshoek duidelijk. Achtervleugels
iets breeder dan de voorvleugels, kwart-elliptisch, de achterrand
in het midden iets buitenwaarts gebogen. Franje tegen den staart-
hoek een weinig verlengd.
Beschubbing der voorvleugels glad, glanzig; hunne teekening op
die van vele soorten van Crambus gelijkende en uit twee steile,
gebogen donkere dwarslijnen over de tweede helft bestaande, be-
nevens uit twee donkere vlekjes. De achtervleugels zijn fijner en
doffer beschubd, ongeteekend en de binnenrand hunner middencel
is behaard.
Voorvleugels met 12 aderen, onder den wortel van ader 1 een
sprankje naar den binnenrand gericht. Middencel zoo lang als drie
vijfden van den vleugel, naar achteren weinig verbreed. Ader 2
komt uit ruim twee derden van den binnenrand der cel, 3 ont-
springt daaruit even vóór-, 4 en 5 uit één punt uit den staart-
hoek. Tusschen ader 5 en 6 is de dwarsader uiterst flauw zoo al
niet geheel ophoudende, 6 ontspringt uit twee derden van den
achterrand der middencel, 7 even onder de spits der dwarsader
en loopt in den achterrand uit. De steel van 8—9 en ader 11
komen uit de spits der middencel, 10 ontbreekt.
In de achtervleugels (fig. 15) is de middencel even lang als die
der voorvleugels, de dwarsader zeer scherp wortelwaarts gebroken,
in het midden afgebroken. De aderen 2 en 3 ontspringen als in
de voorvleugels, 4 en 5 uit den zeer spitsen binnenrandshoek der
middeneel, 6 uit de dwarsader, on der den oorsprong van den steel
van 7 en 8, zooals bij Ancyloloma.
Pooten gewoon gevormd, glad beschubd; de achterschenen met
% duidelijke sporen van gelijke lengte, Achterlijf een derde langer
dan de achtervleugels, slank, gewelfd, met korte, bijeengestreken
staartpluim.
Hetgeen mij aanleiding geeft om, niettegenstaande de dunne,
spitse, sikkelvormig gebogen lipvoelers en de draadvormige bij-
56 NIEUWE OF WEINIG BEKENDE CRAMBIDAE.
palpen, dit genus tot de subfamilie der Crambidae te rekenen, is
de buitengewoon scherp gebroken, in het midden ophoudende
dwarsader der achtervleugels en hunne behaarde onderste midden-
ader, Vorm, kleur, teekening en de, van die der achtervleugels
verschillende, beschubbing der voorvleugels zijn mede geheel die
der Crambidae, en inderdaad herinnert de vlinder, behalve door
den kop, sterk aan een gewonen Crambus. Scherp gescheiden zijn
overigens de Crambidae niet van de Botydae, en men kan aan-
nemen dat het genus Angonia vrij wel in het midden tusschen
beiden staat.
1. Angonia Crambidalis nov. spec. — Pl. 3, fig. 1.
Een gave man van 10 mm. vlucht.
Palpen en bijpalpen lichtgrijs. Kop en sprieten bruingrijs. Thorax
met schouderdeksels en halskraag, benevens het achterlijf zilver-
grijs, iets onzuiver, het laatste tegen de punt witter. Voorvleugels
zilverwit, glanzig, het binnenrandsderde, vooral tegen den wortel,
onzuiver grijsachtig. Aderbeloop duidelijk. Op de helft van den
vleugel ziet men eene op de helft sterk maar stomp gebroken
fijne donkergrijze dwarslijn, die aan den binnenrand, tegenover
haar begin, in een driekant bruingrijs vlekje eindigt. Op drie
vierden van den voorrand begint eene tweede fijne donkergrijze
dwarslijn, die ook ongeveer op de helft, maar iets hooger dan de
eerste in cel 4 stomp gebroken is. Haar bovengedeelte is iets
schuiner, het ondergedeelte steiler dan de eerste lijn; zij eindigt ook
iets verdikt aan den binnenrand. Achter haar, tegen den achterrand,
tusschen de aderen 2—4, ziet men een rond:bruingrijs vlekje met
donkergrijs middenpunt. Franjelijn fijn , bruingrijs, bovenaan dikker,
zwart. Franje glanzig, wit, met potloodkleurig buitenderde.
Achtervleugels fijner beschubd dan de voorvleugels, wit, maar
slechts flauw glanzig, de punt grijsachtig. Franje wit.
Op de onderzijde zijn de voorvleugels lichterijs, het boveneind
der franjelijn ook hier zwart. Achtervleugels wit, zoomede pooten,
buik en borst; de laatste aan de voorzijde grijs bestoven.
Een man, door Mr. Th. F. Lucassen gevangen op Java, residentie
NIEUWE OF WEINIG BEKENDE CRAMBIDAE. 57
Tegal, Simpar, 3000 voet hoog. Een tweede, van Ceylon, bevindt
zich in de verzameling van den heer Neervoort van de Poll te
Amsterdam.
2. Chilo argentosus Zell., in litt. — Pl, 3, fig. 2.
Twee mannen en een wijfje van 27 en 28 mm. vlucht.
Deze soort behoort, zoowel volgens Zeller, Chilon. et Crambid.
gen. et species p. 6, als volgens von Heinemann , Schmett. Deutsch-
lands und der Schweiz, Zünsler p. 112, tot hun genus Chilo, ook
zooals dit door mij in de Vlinders van Nederland, Microlepidoptera
p. 86 is beschreven; weshalve ik voor de generieke kenmerken ,
die niet uit de afbeelding te zien zijn, naar de genoemde werken
verwijs. De aderen 3 en 4 der achtervleugels zijn kort gesteeld,
hunne aderen 6 en 7 ontspringen uit één punt, de binnenrand
der middencel is op de bovenzijde duidelijk behaard, en in de voor-
vleugels ader 7 ongesteeld, 10 vrij steil, 11 middelmatig schuin,
ongebogen.
Ch. argentosus {den naam heb ik aan wijlen Prof. Zeller te
danken) onderscheidt zich van al de mij in natura of uit beschrij-
vingen bekende soorten zeer door de zilverglanzige langsstrepen
der bleek okergele voorvleugels, welke laatsten bij het wijfje iets
smaller en spitser dan bij den man, doch overigens eveneens
gevormd zijn.
Lipvoelers ruim tweemaal zoo lang als de kop, spits, bruingrijs.
Bijpalpen driekant. Sprieten dun, draadvormig, grijsgeel. Kop bleek
okergeel, langs den boven-oogrand en om de sprietwortels wit ge-
teekend. Thorax bleek okergeel, met vier zilveren langsstreepjes ,
twee over het midden en twee langs den binnenrand der schouder-
deksels.
De voor- en binnenrand der voorvleugels zijn fijn zilverwit;
verder ziet men nog twee fijne zilverstrepen op ader 1 (met een
zijtakje bij den wortel, over het adersprankje bij de basis) en door
de vleugelvouw, eene naar achteren verbreede in de middencel,
die ongeveer even ver van den vleugelwortel als van den achter-
rand blijft en tegen den voorrand zwart gerand is, benevens eenige
58 NIEUWE OF WEINIG BEKENDE CRAMBIDAE.
korte langs den achterrand, van welke twee, onder de vleugel-
punt, door een zwart langsstreepje gescheiden zijn.
Franjelijn fijn zwart; de wortelhelft der franje zilverwit, de
tweede helft grijsgeel.
Achtervleugels bij den man lichtgrijs, bij het wijfje donker, bij
beiden met sneeuwwitte franje, verder onder en boven eveneens.
Voorvleugels op de onderzijde iets lichter dan de achtervleugels,
ongeteekend, met witte franje.
Achterlijf grijswit, de rug bij den wortel grijsgeel bestoven.
Pooten grijsgeel.
Zuid-Amerika: Argentijnsche Republiek ; Cordova. Ik heb de voor-
werpen aan de welwillendheid van wijlen Dr. Weyenbergh te danken.
3. Patissa tortualis nov. spec. — Pl. 3, fig. 3.
Vier exemplaren van beide sexen, 12—17 mm. vlucht.
In het werk over de Novara-reis is onder de Lepidoptera, pl. 137
fig. 38 door de heeren Felder en Rogenhofer eene Pyralide gepu-
bliceerd onder den nasm van Metasia? lactealis, van Ceylon. Dat
dit diertje geene Metasia is, ziet men dadelijk en de geleerde
auteurs zullen het ook wel hebben begrepen; zij hebben intusschen
nagelaten de zaak grondiger te onderzoeken en de juiste plaats
van /actealis in het systeem te bepalen. Moore heeft inmiddels in
zijne Lepidoptera of ‘Ceylon, p. 389 pl. 184 f. 11 de soort op
nieuw als lactealis Felder beschreven en afgebeeld , maar er, terecht ,
een nieuw genus, Patissa, voor gevormd.
Eene tweede soort, kennelijk tot hetzelfde genus behoorende,
zonden de heeren Lucassen en Piepers van Java. Zij is kleiner
dan lactealis, en onderscheidt zich van haar, naar afbeelding en
beschrijving te oordeelen, door kortere palpen en door de zeer
bochtige derde dwarslijn der voorvleugels.
Lipvoelers weinig langer dan de kop, snuitvormig, iets grof
behaard; de bijpalpen naar boven verbreed. Voorhoofd afgerond.
Sprieten iets korter dan de helft van den voorrand der voorvleugels,
bij den man fijn gekerfd; bewimperd (zoo lang als de breedte van
de schaft), bij het wijfje draadvormig. Oogen vrij groot, iets
NIEUWE OF WEINIG BEKENDE CRAMBIDAE. 59
breeder dan het aangezicht. Zuiger of bijoogen kan ik niet onder-
scheiden. De palpen zijn okergeel; de kop, zoomede de thorax,
de boven- en onderzijde der vleugels, benevens het achterlijf zijn
helderwit.
Voorvleugels met flauw gebogen voorrand, duidelijke punt, ge-
bogen achterrand en zeer afgeronden staarthoek. Ook de staarthoek
der achtervleugels is zeer afgerond. De teekening der voorvleugels
bestaat uit vier dof okergele dwarslijnen. Daarvan is de eerste
rechtstandig, gebogen; zij wordt op een zesde van den vleugel
gevonden. De tweede, op een derde, is in de middencel stomp
gebroken, daaronder iets schuiner dan de eerste. Derde lijn — on-
geveer op twee derden — met een zeer grillig verloop. Van den
voorrand tot ader 4 is zij ongebogen schuin, maakt dan een
scherpen hoek en beschrijft eene rond gegolfde, wortelwaartsche
bocht, die bijna den voorrand bereikt en daarna op ader 2 weder
tegenover den eersten scherpen hoek uitkomt, om met een onge-
bogen, schuin ondereinde in den binnenrand uit te loopen.
Binnen de bocht bevinden zich twee zwartbruine stippen, die
intusschen bij de voor mij staande exemplaren in duidelijkheid
zeer verschillen. De onderste is steeds de grootste. Langs den
achterrand loopt nog eene vierde okergele lijn, die echter den
staarthoek niet bereikt, en ook de wortel der overigens witte, vrij
lange franje is okergeel. Achtervleugels met sporen eener hoekige,
okergele booglijn, Onderzijde wit, de voorvleugels okergeel gewolkt
en ook de pooten eenigszins okergeel getint. Het, bij beide sexen
stomp gepunte achterlijf is bij den man ruim, bij het wijfje schraal
een derde langer dan de achtervleugels. De pooten zijn vrij lang,
de achterschenen viersporig, de middensporen veel langer.
In de voorvleugels komt ader 2 uit ruim drie vierden van den
binnenrand der middencel, 3—5 zijn gescheiden, 6 en 7 komen
uit de dwarsader, 8—10 zijn gesteeld en loopen in den voorrand
uit, 44 komt uit den voorrand der middencel, is steil en bereikt
den vleugelrand niet, daar zij op ader 12 stuit. In de achter-
vleugels is de binnenrand der middencel onbehaard, de aderen 2—5
ontspringen om den afgeronden staarthoek der cel, ongesteeld, de
60 NIEUWE OF WEINIG BEKENDE CRAMBIDAE.
dwarsader is in het midden zeer scherp gebroken en daar uiterst
flauw, misschien wel afgebroken; 6 ontspringt met den steel der
aderen 7 en 8 uit één punt.
Java: Tegal, Simpar, 3000 voet (Mr. Th. F. Lucassen); de
exemplaren door Mr. Piepers gezonden zijn waarschijnlijk van
Buitenzorg, boven Batavia.
4, Patissa semicostalis nov. spec.
Een man van 12 mm, vlucht.
Behalve de boven beschreven tortwalis, bezit ik nog een exem-
plaar eener vlindersoort, die wat vleugelvorm, kleur en teekening
betreft, zeer op de genoemde gelijkt, De vleugels zijn nog iets
smaller, het voorste paar aan punt en staarthoek nog iets meer
afgerond. Verder merk ik de volgende verschillen op: het voor-
hoofd steekt iets puntig uit, de palpen zijn iets langer dan de
kop, spits, maar ook snuitvormig, de even lange, fijn bewimperde
sprieten hebben afgeronde leden, de aderen 4 en 5 der voor-
vleugels komen uit één punt. In de achtervleugels komt ader 2
uit drie vierden van den binnenrand der middencel, 3 uit zeven
achtsten, 4 en 5 uit één punt uit den spitsen staarthoek der cel.
Het overige is eveneens en de zuiger ontbreekt ook.
Schedel en sprieten wit, voorhoofd op zijde, bijpalpen en lip-
voelers okerbruin, de laatsten met witten onderrand. Boven- en
onderzijde van lijf en vleugels helderwit; de voorrand der voor-
vleugels okerbruin tot twee vijfden, ophoudende bij eene gewoon
gebogen, okergele eerste dwarslijn; dwarsader met een okergeel
vlekje. De tweede dwarslijn bevindt zich op drie vierden, loopt
rechter dan de achterrand en is een klein weinig geslingerd; achter
haar, langs de bovenhelft van den achterrand, ziet men drie
okergele vlekjes. Achtervleugels met twee okergele dwarslijnen,
zich bij die der voorvleugels aansluitende, de tweede iets meer
geslingerd en wortelwaarts fijn okerbruin gezoomd; tusschen
beiden een okerbruin stipje en achter de tweede twee okergele
vlekjes langs de bovenhelft van den achterrand. Franjelijn fijn
okergeel; franje wit,
NIEUWE OF WEINIG BEKENDE CRAMBIDAE. 61
Onderzijde met eene flauwe grauwe booglijn op twee derden,
de punthelft der achtervleugels grauw bestoven, in mindere mate
ook de punt der achtervleugels. Pooten als bij tortwalis, wit, de
dijen, zoomede de borst, okergeel bestoven.
Zuid-Amerika; Columbia, door Baron von Nolcken van zijne
laatste reize medegebracht.
5. Diptychophora adspersella nov. spec. — Pl. 3,
fig. 4.
Een gave en frissche man van 9 mm. vlucht.
Het Crambinen-genus Diptychophora, door Zeller in de Stett.
Ent. Zeitung 1866 p. 153 voor eene Zuid-Amerikaansche soort
gevormd, is sedert verrijkt geworden met verschillende andere,
Twee, mede Zuid-Amerikaansche, werden door Zeller in de Horae
Soc. Ent. Ross. van 1877 gepubliceerd, eene van Gelebes, amoe-
nella, door mij in het Tijds. voor Entom. XXII (1879—80) en een
43-tal van Nieuw Holland en Nieuw Zeeland door Meyrick, in de
Proc. of the Linn. Soc. of New South Wales, II (1879) en in de
Trans. of the New Zealand Institute voor 1882, 1884 en 1887.
Ook Crambus interruptus Feld. en Rog., Novara pl. 135 f. 15
(gracilis Feld., 1. c. pl. 137 f. 26) en Hromene metallifera Butler,
Proe. Zool. Soc. 1877, p. 401, pl. 43, f. 11, beiden mede van
Nieuw-Zeeland, behooren tot Diptychophora, terwijl eindelijk
Christoph, in het Bulletin de Moscou 1881 p. 41 eene soort be-
schreef, die in het gebied der Palaearktische Fauna voorkomt
(eæsectella Christ). D. amoenella m. werd door Meyrick (Trans.
Ent. Soc. 1889 p. 521), als genus Péychopseustis s. afgescheiden !).
Eene soort, die ik voor onbeschreven houd, heb ik onlangs van
Ceylon leeren kennen. De heer J. R. H. Neervoort van de Poll
te Amsterdam ontving haar, inet andere Microlepidoptera , in 1892
van daar en veroorloofde mij, een exemplaar voor mijne collectie
te behouden.
1) Verg. Tijdschr. v. Entom. XXXV, blz. 177.
62 NIEUWE OF WEINIG BEKENDE CRAMBIDAE.
Bij deze soort is de achterrand der voorvleugels niet, zooals bij
de eerst door Zeller beschreven soort (Kuhlweinii), onder de punt
tweemaal ingetrokken, gelijk ook bij straminella en octavianella
Zeller, Horae 1877, en de meeste Australische soorten, maar
zooals bij praematurella Meyrick , ewsectella Christ. , epiphaea Meyr.,
ochracealis Meyr. en ook bij mijne amoenella, slechts’ eenmaal,
onder de vleugelpunt. Zij onderscheidt zich van hare genoemde
verwanten door de bleek geelwitte, vrij sterk zwartgrijs gespren-
kelde voorvleugels, van exsectella, die haar het meest nabij komt,
ook nog door de eenmaal rondgebogen (in plaats van tweemaal
gebroken) donkere middenlijn en door de geringe grootte.
Lipvoelers tweemaal zoo lang als de kop, snuitvormig, spits,
wit, als de bijpalpen. Sprieten vrij dik, draadvormig, naakt, geel-
achtig. Kop wit. Thorax grijswit, schouderdeksels bleekgeel. Voor-
vleugelgrond wit, flauw geelachtig gemengd, vooral tegen den voor-
rand; de vleugelpunt is bleek okergeel. Middenlijn met rondgebogen
bovenhelft, zwart, aan den voorrand roodgeel ; eene tweede, fijnere,
nabij den achterrand, is mede zwart en bovenaan rondgebogen
maar sterker. Aan hare wortelzijde is deze tweede lijn door eene
reeks roodgele langsstreepjes afgezet en tusschen hare buitenzijde
en den met eene fijne donkere franjelijn geteekenden achterrand
ziet men twee fijne zwarte stippen op vrij helderwitten grond,
onder de plaats waar de achterrand is ingetrokken (op ader 4).
Verder ziet men op den vleugel een aantal zwartgrijze langsstreepjes
in dwarsreeksen, waarvan eene in het midden tusschen de twee
zwarte dwarslijnen, vooral duidelijk is. Franje vrij breed , zijdeglanzig
grijswit, met donkergrijze spits. Achtervleugels lichtgrijs, met
donkergrijze, tegen de punt duidelijker franjelijn en grijswitte
franje. Achterlijf donkergrijs met bruinachtige staartpluim.
Onderzijde der voorvleugels donkergrijs met grijswitten voor- en
achterrand; de laatste, evenals hoven, in de cellen 15 en 2 met
eene zwarte stip. Achtervleugels , buik en pooten grijswit, de laatsten
iets geelachtig en de achterpooten zonder de bij amoenella aan de
inplanting der tarsen voorkomende fijne doorntjes.
Ceylon; collectie van den heer van de Poll en de mijne.
NIEUWE OF WEINIG BEKENDE CRAMBIDAE. 63
6. Argyria (Catharylla) bifasciella nov. spec. —
PIS fig: 5:
Een gave man van 14 mm. vlucht.
Deze soort wijkt van ‘de andere van het genus af in drie op-
zichten: ader 11 der voorvleugels doorsnijdt ader 12, terwijl zij
anders in den voorrand uitloopt; en ader 7 komt niet uit de
dwarsader, maar is met 8—10 gesteeld; ook zie ik geen zuiger,
Daar het overige overeenkomt, geloof ik evenwel niet, dat de
bovengenoemde verschilpunten verbieden om, althans voorloopig |
bifasciella in dit genus op te nemen. [
Palpen anderhalfmaal zoo lang als de kop, rechtuitstekende; de
bijpalpen, die aan het eind verbreed zijn, weinig korter. Kop af-
gerond. Sprieten draadvormig, ongeveer zoo lang als twee derden
van den voorrand der voorvleugels, naakt. Al de beschreven
lichaamsdeelen zijn bruingeel, ook de thorax ; schouderdeksels zilver-
wit. Voorvleugels naar achteren niet sterk verbreed, de punt dui-
delijk, de achterrand schuin, flauw en gelijkmatig gebogen, zoo
lang als drie vijfden van den voorrand Staarthoek mede duidelijk.
Grondkleur zilverwit, de voorrand haarfijn bruingeel. Als teekening
ziet men eerstens eene schuine, ongebogen dwarsstreep, die van
twee derden des voorrands naar twee vijfden van den binnenrand
loopt; zij is levendig licht okergeel met oranjebruine schubben aan
de binnenzijde. Langs den achterrand en zich tot aan de franjelijn
uitstrekkende, loopt eene tweede okergele streep, die iets breeder
maar tegen de vleugelpunt gespitst is. Zij is wortelwaarts iets
gegolfd en fijn oranjebruin gezoomd; van dezen zoom gaan
korte, fijne, oranjebruine langslijntjes uit, die echter den achter-
rand niet bereiken. Franjelijn zeer fijn, donker. Franje roodachtig
geelwit.
Achtervleugels met franje wit, minder zuiver en glanzig dan de
voorvleugels, ongeteekend. Achterlijf grijswit. Onderzijde wit, on-
geteekend, de voorvleugels en de punt der achtervleugels iets grijs-
achtig. Pooten bleekgeel,
Evenals bij de Amerikaansche soorten van het genus, zijn de
de aderen 4 en 5 der achtervleugels kort gesteeld,
64 NIEUWE OF WEINIG BEKENDE CRAMBIDAE.
Mocht iemand, om de bovengenoemde verschilpunten, tot eene
generieke afscheiding van bifasciella willen overgaan, dan sla ik
den naam //ycaria voor, ontleend aan dien eener oude stad op
Sicilië.
Celebes, door Mr. D. H. van Gelder voor onze collectie gezonden.
7. Crambus oculalis nov. spec. — PI. 3, fig. 6.
Een gave man van 21 mm. vlucht.
Deze soort wijkt eenigszins van de gewone Crambiden af, om-
dat de beharing van het eindlid der lipvoelers, in plaats van spits
toe te loopen, pluimvormig is uitgespreid (fig. 6a), Overigens zie
ik echter geen verschil, en ik geloof dan ook niet dat dit ver-
gankelijk kenmerk aanleiding mag geven om oculalıs ooit generiek
van Crambus af te scheiden. Onder de mij bekende soorten ken
ik geene bepaalde verwanten, wat den vleugelvorm en de teekening
aangaat. Misschien is, van de Europeesche, Crambus hortuellus Hübn.
nog de meest nabijkomende, hoewel ook daar de palpen niet van
den gewonen bouw afwijken en de voorvleugelpunt scherper is.
De eigenaardige teekening aan den voorrandshoek der voorvleugels,
die aan een oog «en profil» doet denken , maakt onze nieuwe soort
zeer kenbaar. Alleen Crambus Mandschuricus Christoph heeft iets
dergelijks, hoewel minder scherp uitgedrukt.
Lipvoelers twee en een halfmaal zoo lang als de kop, aan de
punt ruig, door uitgespreide haren, op zijde bruingeel, de boven-
kant grijswit, voor de punt een donkergrijze ring, de spits weder
wit. Bijpalpen mede vrij ruig, op zijde geel, van boven wit. Aan-
gezicht vlak. Schedel wit. Sprieten geheel draadvormig. Thorax in
het midden wit, de halskraag op zijde, evenals de schouder-
deksels, bruingeel. Achterlijf grijs.
De voorvleugels zijn naar achteren verbreed, breeder dan bij
hortuellus en culmellus, aan welke laatstgenoemde, gemeene soort
oculalis ook doet denken. Voorrand bijna vlak, vleugelpunt recht-
hoekig, niet zeer scherp, de achterrand steil, in cel 5 iets inge-
trokken, daarna met eene flauwe bocht tot den staarthoek. Grond
beenkleurig wit, langs den voorrand, in het midden het breedst
NIEUWE OF WEINIG BEKENDE CRAMBIDAE. 65
en naar binnen vervloeiend, onzuiver licht okerbruin. Vleugelpunt
helderwit, fijn bruin gerand, met een bijna driekant donker roest-
bruin vlekje aan de wortelzijde. Daarvoor is de voorrand nog met
een schuin fijn donkerbruin streepje geteekend, dat overgaat in
eene bovenaan stomp gebroken, verder schuine rij van fijne don-
kere stippen. Onder den wortel van ader 2 en op dien der aderen
4 en 5, ziet men nog twee fijne donkere stippen, aan het eind
van ader 2 eene duidelijker zwartbruine tegen de franjelijn. Deze
is fijn bruin, de geheele franje blinkend bleek goudkleurig.
Achtervleugels onzuiver grijswit, ongeteekend; franje wit, iets
glanzig.
Op de ongeteekende onderzijde zijn de voorvleugels onzuiver
geelwit, de achtervleugels witter dan boven. Franje hier geheel
zijdeglanzig. Buik wit. Pooten grijsachtig.
Ader 8 der achtervleugels is met 7 verbonden; 5 aanwezig,
met 4 uit één punt. In de voorvleugels komt ader 7 uit den steel
van 8 en 9; 10 ontspringt uit den voorrand der middencel, 11 is
vrij en niet bijzonder steil.
Het exemplaar heb ik te danken aan Mr. Th. F. Lucassen, die
het op Java, residentie Tegal, te Simpar, op eene hoogte van
3000 voet ving.
8. Crambus latellus Snellen, Trans. Ent. Soc. of London,
1890 p. 644. — Pl. 3, fig. 7.
Deze soort is door mij op de aangehaalde plaats beschreven,
doch het beperkte aantal platen, dat tot mijne beschikking stond,
liet destijds niet toe, eene toch zeer gewenschte afbeelding bij te
voegen. Ik neem de gelegenheid waar, haar hier het licht te
doen zien.
Meer exemplaren dan dat, waarnaar de soort beschreven is en
dat in mijne collectie bewaard wordt, heb ik niet gezien en aan
de beschrijving alleen toe te voegen, ‘dat het aangezicht vlak is en
de palpen spits zijn. Ader 11 der voorvleugels wordt door ader 12
doorsneden.
Tijdschr. v. Entom. XXXVI. 5
66 NIEUWE OF WEINIG BEKENDE CRAMBIDAE.
9. Crambus dividellus Snellen, Trans. Ent. Soc. of
London, 1890 p. 645. — PI. 3, fig. 8.
Ook van deze soort wensch ik hier eene afbeelding te geven.
Het op de plaat voorgestelde exemplaar heeft 27 mm. vlucht.
De palpen zijn bij dwidellus nog spitser dan bij /atellus en op
den bovenkant lichter dan op zijde. Ader 11 der voorvleugels is
vrij; 5 der achtervleugels aanwezig, kort gesteeld met 4,
NOTE SUR QUELQUES ESPÈCES D’ASTRAEUS
PAR
J.R. H. NEERVOORT VAN DE POLL.
Astraeus Mastersi Mac Leay.
Dans ma monographie des Astraeus (Tijdschr. v. Entom. T. XXXII
p. 79) j'ai taché de démontrer que cette espèce ne pouvait être
conservée que comme une variété insignifiante de la Samouelli
Saund. En même temps et indépendamment le Rev. Blackburn,
entomologiste en Australie, est venu au même résultat; il dit
(Proc. Linn. Soc. of New South Wales, 21 Ser., vol. IV p. 1256):
« There seems to be no doubt that this (c. à d. le Mastersi) is
identical with Samouellı Saund. The species is a very distinct one
and the descriptions are almost word for word the same ».
Malgr& tout cela M. Kerremans, dans son nouveau Catalogue
synonymique des Buprestides, maintient le Mastersi comme espèce
distincte; il serait intéressant d’apprendre pour quels motifs.
Astraeus Meyricki Blackb. = A. Badeni v. d. Poll.
Presque simultanément avec ma monographie, M. Blackburn a
décrit en Australie quelques espèces, La publication de Blackburn
n'a paru que le 15 Avril 1890, tandisque la mienne date de medio
Avril 1889.
Astraeus pygmaeus v. d. Poll.
Le catalogue de M. Kerremans place à tort cette espèce en syno-
nymie du Samouelli Saund. C’est probablement sur l'autorité de
M. Blackburn, qui avait émis des doutes sur sa validité (Proc.
Linn. Soc. of New South Wales, 214 Ser., vol. IV p. 1256).
68 NOTE SUR QUELQUES ESPÈCES D’ASTRAEUS.
Je puis donner maintenant l'information que M. Blackburn vient
de publier tout récemment (l. c. vol. VI p. 496): «seems to in-
dicate (c. à d. ma monographie) that A. pygmaeus Poll. is a good
species and not as I suggested to be possible, a variety of Sa-
mouelli ».
Astraeus Tepperi Blackb. = A. Jansoni v. d. Poll.
Comparez ce que je viens de dire à propos de Jeyrichi.
EENE KLEINE EXCURSIE IN LIMBURG,
DOOR
Mr. A. F. A. LEESBERG.
Na de dikwijls zoo weinig dankbare excursies, door Entomo-
logen in onze noordelijke provinciën ondernomen, is het werkelijk
eene verademing, eens in het Zuiden van ons land rond te wan-
delen, De Entomoloog toch behoeft, om met vrucht werkzaam te
zijn, zoo mogelijk een ¢errain vierge, en de uitbreiding der groote
steden, de afsluiting der oude buitenplaatsen hebben bijna alle
goede plekken doen verdwijnen of onbereikbaar gemaakt.
Hetzelfde is het geval met hoog opgaand hout, een zoo rijk veld
vooral voor den Coleopteroloog. Onmeedogend worden de oude zieke
of doode boomen dadelijk geveld en opgeruimd. Geen zwam of
fungus heeft den tijd daarop te woekeren en alzoo een bakermat
te bereiden voor eene fraaie kever-familie.
Hoe geheel anders in het heuvelachtig Limburg. Geen afsluiting
van goede plekken, geen uitroeien van oude boomen. Men laat de
natuur zelve zooveel mogelijk zorgen en grijpt niet dan noode in,
Einde Juli dezes jaars kon ik gelukkig tijd en gelegenheid vinden ,
met een entomologischen vriend eene wandeling te maken in de
omstreken van Gronsveld, nauwelijks 10 minuten sporens van
Maastricht, schilderachtig gelegen in de verrukkelijke Maasvallei,
Rechts de frissche rivier, die ondanks den tropischen zomer van
dit jaar koelte en verademing aanbracht. Links de breede vallei,
door een flink voetpad doorsneden en begrensd door de groene,
hier en daar met opgaand hout bedekte heuvelrjj.
70 EENE KLEINE EXCURSIE IN LIMBURG.
Het was nog vroeg in den morgen, toen wij den trein verlieten
en na het dorpje doorsneden te hebben, op de heuvelen aanwan-
delden. Reeds spoedig bereikten wij eene rij oude willigen, waaraan
nog enkele groene spruiten een schijn van leven gaven. De spleten
in de schors en hier en daar een zwamachtig uitwas lokten ons
dadelijk tot een nader onderzoek. Met mes en schepnet gewapend,
werden nu de zwammen onderzocht en niet weinig werd onze
moeite beloond. In de bruine zeer harde zwam ontdekte ik al
spoedig de larven en een uitgekomen exemplaar van Dorcatoma
chrysomelina St., eene zeer zeldzame ‘keversoort met interessant
gevormde sprieten. Bovendien viel eene geheele familie van Hele-
dona agaricola Hrbst., een nog weinig in ons land gevangen Tene-
brionide, ons ten buit. Een boom daarnaast leverde ons eene fraaie
witte zwam, op papier maché gelijkend, waarin wij een tiental
exemplaren van Diaperis Boleti L. met de larven ontdekten. Een
der exemplaren vertoonde alleen den bovensten gelen band op de
zwarte dekschilden en is onlangs als var. interruptus beschreven
(Berl. Ent. Zeitschr. 1890, p. 78). Ook een fraaie /ps met vier
gele vlekken mocht mijn tochtgenoot uit die zwam verzamelen.
Voor slepen was het te droog, ofschoon eenige braamstruiken
mij een paartje van Batophila Rubi Payk. en een bloeiende Clematis
Xylocleptes bispinus Dfts., een interessante Bostrichide, opleverden.
Onder steenen en aardkluiten vertoonden zich alleen de aldaar vrij
gemeene Zabrus gibbus F., Taphria vivalis IN, benevens Timarcha
coriaria F. en eenige Histers.
Dankbaarder was een doode ijp, midden op den elden ge-
legen, die ons talrijke Scolytus destructor Ol. en multistriatus
Marsh, verschafte.
Een klein poeltje, mirabile dictu nog niet uitgedroogd, gaf ons
aanleiding een oogenblik uit te rusten en te trachten eenige Bem-
bidiën en Staphylinen te bemachtigen. Veel bijzonders was daar
niet bij; alleen Xaxutholinus glaber Nordm. was mij welkom.
De zon werd intusschen al heeter en heeter, zoodat wij besloten
naar bet dorpje, voor ons gelegen, Keer en Cadier genaamd, te
wandelen, om den inwendigen mensch wat te versterken en de
EENE KLEINE EXCURSIE IN LIMBURG. 44
droge keel te verfrisschen. Het Limbursch bier liet zich goed
smaken en onder gezellige kout bespraken wij de gedane vangsten.
Met de stafkaart in de hand werd toen de volgende tocht be-
paald, namelijk om langs de heuvelrij op Bemelen te marcheeren
en van daar de Maasstad weer te bereiken.
Spoedig waren wij weder in het open veld en bespeurde ik een
dooden, nog rechtop staanden boom. De schors was nog niet ver-
wijderd en liet gemakkelijk los. De vochtige koelte daaronder was
eene welkome schuilplaats voor tal van kevers; o. a. Silvanus
unidentatus Ol. in massa, twee fraaie Litargus bifasciatus F.,
Cossonus planatus Bed., alsmede een paartje van Chrysomela ce-
realis L. kwamen in onze flesschen vallen. De boom zelf was bezaaid
met doode exemplaren van Siagonium quadricorne Kirb., een zeld-
zame Staphylinide, maar het bleek moeielijk een gaaf exemplaar
te bemachtigen, daar bijna allen bij het losmaken uit elkaar vielen,
Onder aan den boom in den molm vond ik nog een welkome Syl-
phide, nl. Catops alpinus Gyll., alleen uit Limburg bekend, ni
fallor.
De zon begon ons wel wat te hinderen, zoodat wij met blijd-
schap eene droge sloot vonden, die door de omringende boomen
eene welkome schaduw aanbood. In het natte saizoen waren hier
blijkbaar eenige boomen, die nu op het droge lagen, in het water
gebracht om het hout te doen besterven. Met veel moeite gelukte
het om er drie van om te keeren, en behalve eenige Rhizophagen
en Epuraea longula Er. ontdekten wij een tiental exemplaren van
den zeldzamen Plinthus caliginosus F., een zeer trage Curculionide,
die volgens de auteurs alleen ’s nachts voedsel zoekt. Mijn com-
pagnon ving nog Liodes orbieularıs Hıbst., nieuw voor onze fauna,
terwijl ik uit de bloemknoppen van een distel twee Mhuocyllus
conicus Fröh. klopte.
Al voortwandelende kwamen wij aan eenige mergelgroeven, die
ons weder tot een koel, misschien al te frisch zitplaatsje uitnoo-
digden. Ik lichtte eenige blokken mergel op, in de hoop Bembidium
nitidulum Mrsh. te vangen, die te Valkenburg door Everts en mij
werd ontdekt; maar de eenige bewoner dier grotten bleek mij te .
TO EENE KLEINE EXCURSIE IN LIMBURG.
zijn Pristonychus subcyancus Ill., die in talrijke exemplaren voorkwam
en waarschijnlijk het kleinere gedierte reeds lang vernietigd had.
De beste vangst van den dag was ontegenzeggelijk een 30-tal
exemplaren van Nosodendron fasciculare Ol., eene eigenaardige
Byrrhus-soort, die op de dekschilden vijf rijen van gele borstels
vertoont en zich in uitloopende sappen van kwijnende boomen
ophoudt. De vangst was niet zeer gemakkelijk, daar die dieren
zich in den natten molm of in het vocht zelf bevinden en, wil men
zich niet zeer smerig maken, met de punt van het mes moeten
worden opgenomen en zoo in den spiritus geworpen. De spiritus
wordt er niet fraaier op, maar, enfin, dat komt er minder op aan.
Deze soort was nog slechts in één exemplaar, gevangen te St, Pieter,
bekend, zoodat ik nu de overige collecties van deze zeldzaamheid
kan voorzien.
De dalende zon noopte ons den tocht te vervolgen, en weldra
zagen wij de torens van St. Servaas aan den horizon. De bekende
hooibeesten, Mhizotrogus solstilialis L. of aestwus Ol., — ik kon
ze in de lucht niet determineeren, — zwermden lustig om de
aangestoken gaslantaarns, toen wij, moede maar voldaan, de hoofd-
stad van Limburg weder betraden.
De geheele vangst bedroeg zoowat 400 stuks, waaronder nog
Ceutorrhynchus suturalis F., C. ltura F., Necrophorus interruptus
Steph. en Phyllotreta procera Redt.
DERDERSUÙUPPRLEMENT 0)
OP DE
NIEUWE NAAMLIJST
VAN
NEDERLANDSCHE SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN
OPGEMAAKT DOOR
Jhr. Dr. Ed. EVERTS.
I ADDENDA.
(SOORTEN, VARIETEITEN EN ABERRATIEN, NIEUW VOOR DE
NEDERLANDSCHE FAUNA).
Cicindela campestris L.
ab. coerulescens Schilsky. — Bij Zundert, 9 (Snellen).
» funebris St. — Oisterwijk, 7 (Veth); Winterswijk,
8 (J, Th. Oudemans).
« affinis Fisch, — Steenwijk (Jaspers).
» Aybrida L.
de vorm integra St. (monasteriensis Westh.). — Met
den type.
» » bipunctata Letzn. — Steenwijk (Jaspers).
» » palpalis Dokhtour. — Breda en den Haag.
Clivina collaris Hrbst.
de vorm discipennis Megerle. — Met den type.
» » sanguinea Leach. — Als voren.
Dyschirius globosus Hrbst.
var. ruficollis Kolenati. — Met den type.
1) Het eerste Supplement is gevoegd geweest achter het Verslag der Zomer.
vergadering te Apeldoorn van 23 Juni 1888 (Tijdschr. v. Entom. XXXII, blz.
XXxIII), het tweede achter het Verslag der Zomervergadering te Nijmegen van
26 Juli 1890 (Tijdschr. v. Entom. XXXIV, blz. xCVII).
74 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Leistus spinibarbis F.
var. rufipes Chaud. — Maastricht (Maurissen).
Carabus catenulatus Scop.
de vorm Hareyniae St. — Met den type.
» >» cyanescens St. -— Bergen-op-Zoom, 6 en
Breda (Leesberg).
» >» gallicus Gêhin. — Is dein ons land algemeen
verbreide vorm.
» clathratus L.
ab. cupreus Schilsky. — Diemerbrug, 5 (v. d. Poll).
» granulatus L.
ab. virescens Letzn. — Zeldzamer dan de type.
» arvensis Hrbst.
var. silvaticus De). — Zeldzamer dan de type.
» cancellatus Ml.
var. tuberculatus Dej. — Bij Smilde (v. Hasselt);
Odoorn, 8 (Sillevis).
» converus F.
ab. simplieipennis Dej. — Bij Valkenburg, met den
type.
Bembidium pygmaeum F. — Amsterdam, 7, op zeeklei (Versluys
en Bolten).
» tenellum Er. — Amsterdam, 7 (Bolten).
» Doris Gylh.
ab. aquaticum Panz. — Breda, 7 (Bosscha).
» Stephensi Crotch (affine Steph.) — Meerssen, 7 (Veth).
(vermoedelijk eene varieteit van B. nitidulum Mrsh.).
» brunnicorne Dej. var. Miller Duv. — Eenmaal by St. Pieter,
5 (Maurissen).
» Millerianum Heyd. (basale Mill.). — Houthem , 7 (Versluys).
» _femoratum St.
var. Bualei Duv. (anglicum Sharp). — Nijmegen
(ter Haar).
Tachys bistriatus Dfts.
var. rufulus Rey. — Zierikzee, 4 (Fokker).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 75
Tachys gregarius Chaud. (nigrifrons Fauv.) — Arnhem, 6 (Groll);
St. Pieter, 4 en Limmel, 7 (Maurissen).
var. luridus Rey. — Bij Zeeburg, 4 (Versluys).
Panagaeus Crux-major L.
ab. /rimaculatus De). — Een overgangsvorm bij Oud-
Vroenhoven, 7 (Everts).
Amara nitida St. — Maastricht, 7 (Everts); ook bij Oud-Vroen-
hoven en St. Pieter, 4 (Maurissen).
Pterostichus vulgarıs L. (melanarius Ill.).
de vorm pennatus Dej. — Loosduinen (v. Hasselt).
Poecilus coerulescens L.
ab. cupreoides Heer. — Met den type.
Badister bipustulatus F.
ab. lacertosus St. — Niet zeldzaam.
» binotatus Fisch. — Den Haag, 5 (Everts); Arnhem,
4 (v. Med. de Rooij).
» suturalis Steph. — Loosduinen, 4 (Roelofs).
» _ sodalis Dfts.
“ab. dorsiger Dfts. — Leiden, 10 (Perrin).
Calathus fuscipes Goeze (cisteloides Panz.).
ab. frigidus F. — Met den type.
» melanocephalus L.
ab. parisiensis Gaut. — Arnhem, 5 (v. M. de Rooij).
Harpalus aeneus F.
var. limbopunctatus Füss. — Steenwijk (Jaspers).
ab. 2 elegans Preller. — Heerenveen (Jaspers).
» rubripes Dfts.
ab. 2 fwlvipes Dits. — Bussum (Jaspers); Putten in
N. Brab. (Roell).
» fuliginosus Dfts. — Een d bij de Bilt, 7 (Dixon).
Hygrotus decoratus Gylh. — Amsterdam, 7 (Versluys en Bolten);
Kortenhoef bij ’s Graveland, 5 (v. d. Poll en Versluys).
Doroneetus latus Steph. (ovatus St.) — Bij Houthem, in aantal in
de Geul, 7 (Versluys).
Hydroporus Sanmarki Sahlb. — Bij Houthem, in aantal, met de
76 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
var. rivalis Gylh., in de Geul, 7 (Versluys).
Hydroporus granularis L.
ab. suturalis Müll. — Met den type.
» bilineatus St. — Amby in Limburg, 4 (Maurissen).
Volgens Seidlitz en Ganglbauer is dit eene goede soort.
» scalesianus Steph. (pygmaeus St.) — Amsterdam, 7, Zeeburg,
Oud-Diemen en Kortenhoef, 5 (Versluys en Bolten).
» palustris F.
ab. Zituratus Panz. — Met den type.
» erythrocephalus L.
var. 9 deplanatus Gylh. — Met den type.
» dorsalis F.
var. /iguratus Gylh. — Amby, 6, 8 (Maurissen).
Agabus affinis Payk. — Oisterwijk, 7, onder vochtige bladen in
een greppel (Everts).
» striolatus Gylh. — Oisterwijk, 7, met affinis (Leesberg
en Everts).
Rantus suturalis Lac.
9 var. virgulatus Ill. — Niet zeldzaam.
» _ latitans Sharp. — Laag Soeren, 6 (Versluys).
« exoletus Forst.
ab. insolatus Aube. — Laag Soeren, 6 (Versluys).
Graphoderes cinereus L.
var. inlermedius Westh. — Blijenbeek , 2 en Exaeten,
2 (Wasmann).
Aulonogyrus concinnus Klug.
var. opacinus Ragusa. — Heeze, 8 (v. d. Poll); Breda,
8 (Groll).
Anacaena globula Payk. (limbata Fairm.) — Zeer gemeen. Volgens
Kuwert steeds met ovala Reiche verward.
Philhydrus ferrugineus Küst. — Den Haag, 5 (Everts); Amster-
dam, 4, 7 (Jaspers en Bolten).
> quadripunctatus Hrbst. (melanocephalus F. (Oliv., Kuw.). —
Amsterdam, 7, op zeeklei (Bolten); Diemen, 5
(v. d. Poll).
SCHILDVLEUGELIGE INSEOTEN. 77
Helochares subcompressus Rey. — Amby, 4 (Maurissen).
Laccobius minutus L.
var. nanulus Rottbg. — Den Haag, 8 (Bolten).
» biguttatus Gerh. — Leiden, 5 (Jacobs).
Berosus spinosus Stev. — Amsterdam, 7 (Bolten); Zeeburg, 5, in
aantal (Versluys).
Helophorus porculus Bedel. — Met rufipes Bosc verward. Even
verbreid en minder zeldzaam.
» nubilus F.
var. costatus Goeze. — Breda, 12 (Heylaerts en Bosscha).
» fallax Kuw. — Breda (Heylaerts); Leiden, 3 en Wasse-
naar, 5 (Perrin).
> strigifrons Thoms. — Breda, 12 (Bosscha); Cuyk (ter Haar) ;
Winterswijk, 7 (Everts).
» asperatus Rey. — Sluyskill, 4 (v. d. Broek). 1)
» discrepans Rey. — Breda (Heylaerts); Zutphen, 4 (v. Essen);
Laag Soeren, 6 (Everts).
» granularis L.
var. affinis Mrsh. — Hoek v. Holland, 5 (Everts);
Breda (Heylaerts).
var. brevicollis Thoms. — Sleeuwijk, 4 (Everts); Breda
(Heylaerts).
» quadrisignatus Bach. — Bunde, 7 (Leesberg).
» obscurus Muls. — Volgens Kuwert niet synoniem met
aenipennis Thoms. — Niet zeldzaam; de var. ziger
Kuw. ?) Breda (Heylaerts).
Hydraena palustris Er. — Oisterwijk, 7 (Everts).
» atricapilla Waterh. — Houthem, 7 (Versluys).
Cercyon pygmaeus Ill.
var. merdarius St. — Breda (Heylaerts).
1) Ik zag dit exemplaar, door Kuwert gedetermineerd, in het Brusselsche
Museum, doch vind dat het niet geheel met de beschrijving overeenstemt. Boven-
dien is het bijna 44 mm. lang, terwijl Kuwert in zijne „Bestimmungstabelle ”
spreekt van 33—4 mm.
2) Ik weet niet waar Kuwert deze varieteit beschreef. De verschillende
uit Breda van den heer Heylaerts opgegeven Helopkorus-soorten bevinden zich
grootendeels in het Brusselsche Museum.
78 NIEUWE NAAMLIJST VAN NFDERLANDSCHE
Heterocerus (Phyrites Schiödte) aureolus Schiödte. — Door Kuwert
uit Holland opgegeven.
Potamophilus acuminatus F. — Rotterdam, 4, in eene sloot (d.
Vr. v. Doesburgh).
Dryops nivea Heer. — Den Haag, 6 (Everts).
Esolus angustatus Müll.. — Houthem, 7 (Versluys).
Falagria nigra Grav. — Maastricht, 7, in eene mergelgroef (Everts) ;
de Steeg, 6 (Everts).
Tachyusa balteata Er. — Houthem, 7 (Versluys).
Oxypoda induta Rey (neglecta Bris.). — Maastricht, 6 (Maurissen) ;
den Haag, 6 (Everts).
» parvula Bris. — Den Haag, 5 (Bolten).
» testacea Er. — Doorn, 7, bij Lasius fuliginosus (v. d.
Poll).
» annularis Sahlb. — Delden, 7 en de Steeg, 6 (Everts);
Katwijk a. zee (Seipgens en Huet).
Megacronus inclinans Grav. — Warnsveld, 9 (Groll).
Stenus foveicollis Kr. — Oisterwijk, 7 (Leesberg en Everts).
Platystethus capito Heer. — Valkenburg, 7, langs de Geul (Everts).
Anthophagus caraboides L. (testaceus Gray.) — Op Sonsbeek bij
Arnhem (Wartmann).
Lesteva pubescens Mnnh. — Rotterdam (d. Vr. v. Doesburgh).
» punctata Er. — Als voren.
Liodes orbieularis Hrbst. — Gronsveld, 6 (Leesberg).
Cyrtoplastus seriatopunctatus: Bris. — Lochem, 7 (v. d. Hoop).
Orthoperus picatus Mrsh. (atomus Gylh.) — Loosduinen, 8, uit
eene abeelzwam (Veth).
Hister succicola Thoms. — Putten (Gelderland), 6, in aantal in
een pot met bier, in den grond gegraven (J. Th.
Oudemans); ook bij Vorden, 9 (v. d. Poll).
Acritus rhenanus Fuss. — Kralingen, 5 (Dixon).
Carpophilus rubripennis Heer. — Door den heer Mc. Gillavry te
Leiden in eene dadelkist gevonden.
Laemophloeus bimaculatus Payk. — Delden, 7, achter schors van
een afgevallen tak (Veth).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 79
Lathridius Bergrothi Reitt. — Leiden, 3, in aantal op dood hout
en op eene oude dadelkist (Me. Gillavry).
Cryptophagus setulosus St. (leeft in hommel- en wespennesten), —-
Oisterwijk, 7 en de Steeg, 6, uit een rieten dak
geklopt (Leesberg, Veth en Everts).
Coccinella septempunclata L.
ab. externepunctata Weise. — Katwijk a. zee (Seipgens).
Dermestes cadaverinus F. — De type, met de var. domesticus Gebl.,
uit O. Ind. waren te Amsterdam (J. Th. Oudemans).
Trogoderma megatomoides Reitt. — Amsterdam, 3 (v. d. Poll). Deze
soort schijnt cosmopoliet te zijn.
Byrrhus pilula L.
var. auropunctatus Reitt. — Den Haag (Everts); Steen-
wijk, 7 (Jaspers).
» fasciatus F.
var. Fabriciù Reitt. — Heerenveen (Jaspers).
» pustulatus Forst.
var. ater F. — Zeldzamer dan de type.
Aphodius erraticus L. ab. fumigatus Muls. — Met den type.
» subterraneus L. ab. fuscipennis Muls. — Als voren.
» haemorrhoidalis L. ab. sanguinolentus Hrbst. — Als voren.
» scybalarius F. ab. conflagratus F. — Als voren.
» foetens F. ab. vaccinarius Hrbst. — Als voren.
» granarius L. ab. suturalis Fald. — Brummen (v. Essen).
» sordidus F. ab. limbatellus Muls. — Met den type.
» quadripunctatus Panz. — Als voren.
» rufus Moll. (rufescens F.).
ab. arcuatus Moll. — Als voren.
» melanotus Muls. — Als voren,
» plagiatus L. — De var. concolor Schilsky komt meer voor
dan de type.
» inquinatus F. ab. nubilus Panz. — Met den type.
» confluens Schilsky. — Als voren.
» pusillus Hrbst. ab. rufulus Muls. — Haaksbergen, 5
(v. d. Poll); Amsterdam (Bolten).
80 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Aphodius rufipes L. ab. juvenilis Muls. — Met den type.
Oxyomus testudinarius F. — In mest en rottend aardappelloof. Breda
(Kempers).
» sylvestris Scop. (porcatus F.).
ab. foveolatus Muls. — Vianen, 6 (Everts).
Geotrupes mutator Mrsh. — De varieteiten violaceus Westh., purpu-
rascens Westh. en chlorophanus Westh. met den type.
Trox cadaverinus Il. — Bemelen in Limburg, 7 (Versluys).
Melolontha Hippocastani F.
ab. zigricollis Muls. — Gilze-Rijen, 5 (Everts).
» vulgaris F.
ab. ruficollis Muls. — Breda (Bosscha).
Cetonia floricola Hrbst.
var. obscura And. — Op vele plaatser in Gelderland
met den type.
Trichius fasciatus L. — Uitsluitend in Limburg gevangen: St.
Pieter, Maastricht, 6 (Maurissen) ; Vlodrop (Seipgens).
» rosaceus Voet, var. nudiventris Kr. — Arnhem, 6 (Veth).
(Zie in de Delenda blz. 84 hierna).
Melanotus rufipes Hrbst.
var. bicolor F. — Rotterdam (Snellen); Katwijk (Perrin);
Leiden, 5 (Ritsema).
var. subrufus Schwarz, — Arnhem (v. d. Hoop).
Corymbites aeneus L,
ab. violaceus Schilsky. — Met den type.
Cantharis nigricans Müll.
var. immaculata Schilsky. — Enschede (Weytlandt);
Ginneken, 6 (Veth); Gilze-Rijen, 5 (Everts).
var. luteipes Schilsky. — Ginneken, 6 (Veth); Gilze-
Rijen, 5 en den Haag, 5 (Everts).
Dasytes obscurus Gylh. — Eenmaal bij Oldenzaal (d. Vr. v. Does-
burgh). |
» aerosus Kiesw. (plumbeus Muls.). — Steeds met plumbeus
Müll. verward. Op vele plaatsen aangetroffen, doch
minder algemeen.
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 81
Haploenemus impressus Mrsh. (Pini Redt.). — Vorden, 3 (v. d. Poll).
Dorcatoma chrysomelina St. — In het Haagsche bosch, 8, aan een
vermolmden eik (Kempers); Gronsveld, 6 (Leesberg).
Aspidiphorus orbiculatus Gylh.
ab. piceus Er. — Met den type.
Cis coluber Abeille, — Valkenburg, 7 (Leesberg).
Diaperis Boleti L.
var. interrupta Heyd. — Met den type bij Gronsveld,
6 (Leesberg).
Tetratoma fungorum F. — Op beukenzwammen, Oosterbeek, 8
(Ritsema).
» Desmaresti Latr. — In wilgenmolm en aan afgevallen takken,
den Haag, 9, 10 (Bolten en Kempers).
Anthicus bimaculatus Ul.
ab. pallens Schilsky. — Met den type.
Anaspis frontalis L. var. lateralis F. — Gilze-Rijen, 5 (Veth).
Nacerdes (Anoncodes) fulvicollis Scop. — Eenmaal een 3 bij Ol-
denzaal (d. Vr. v. Doesburgh).
Pytho depressus L. — Apeldoorn, tegen een peerenboom (de Vos
tot Nederveen Cappel); Arnhem, 4 (Veth).
Phyllobius glaucus Scop. (calcaratus F.).
var. densatus Schilsky. — Steenwijk (Jaspers); Arnhem,
5 (v. M. d. Rooij).
Hypera elongata Payk. — Op riet. Breda, 12, onder aanspoelsel
van de Mark (Bosscha).
Mecaspis (Cleonus) emarginatus F. — Deze zuidelijke soort werd
bij Wassenaar in Augustus op het strand tusschen
aanspoelsel loopende gevonden (Bolten).
Anoplus setulosus Kirsch. — Den Haag, 4, Assen, 7, Gilze-Rijen,
5 (Everts); Valkenburg, 7 (v. d. Poll).
Rhynchaenus (Orchestes) sentellaris F.
var. atratus Preller. — Oegstgeest (Jacobs); Leiden
(Seipgens).
» _ decoratus Germ. — Bij Dussen, 8, op wilgen (Everts).
Magdalis quercicola Weise, — Zierikzee, 7 (Fokker); den Haag,
Tijdschr, v. Entom. XXXVI. 6
82 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
6 (Everts); Leiden (Perrin); Brummen, 7 (Snell.
v. Vollenh.).
Gymnetron erinaceum Bedel. — Nootdorp, 10, uit beschimmeld
hooi gezeefd (Leesberg).
Miarus plantarum Germ. — Valkenburg, 7 (Leesberg).
Tychius Meliloti Steph. — Zierikzee, 7 (Fokker).
Ceutorrhynchus (Ceutorrhynchidius) nigrinus Mrsh. — Valkenburg,
7 (Everts).
» gnlosellus Gylh. — Door Bedel uit Holland opgegeven
(collectie Stierlin).
Apion subulatum Kirby. — Valkenburg, 7 (Veth en Everts).
» ochropus Germ. — Maastricht, 7, op Corylus (Leesberg
en Everts).
» lwescerum Gylh. — Bij Wylre, 7, op Onobrychus sativa
(Leesberg en Everts).
Apoderus Coryli L. — In Nederland komt slechts de vorm collaris
Scop. voor.
Byctiscus Betuleti F. var. violaceus Scop. — Met den type.
Choragus Sheppardi Kirby. — In dood hout en afgevallen takken.
Valkenburg, 7 (Everts).
Hylastes linearis Er. — Warnsveld, 7 (Groll).
Phloeophthorus Chapuisi Blandf. (rhododactylus Ratz.). — Op dennen.
; Brummen, 6 (Everts).
Oryphalus (Homoeoeryphalus) Hampei Ferrari. — Rotterdam, uit
Afrikaansche koffie (v. d. Hoop).
Leptura (Anoplodera Muls.) seaguttata F. — Putten (Veluwe), 6
(J. Th. Oudemans).
Hylotrupes bajulus L. var. Zividus Muls. — Met den type.
Phytoecia cylindrica L. — Bemelen, 6 (Maurissen).
Donacia thalassina Germ. ab. porphyrogenita Westh. — Met den type.
» simplex F. (linearis Hoppe).
ab. aeruginosa Westh. — Nuth, 6 (Maurissen).
Zeugophora flavicollis Mrsh. var. australis Weise. — Met den type.
Cryptocephalus flavipes F. — Scheveningen, 6 (Bolten); Valken-
burg, 6 (de Moffarts).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 83
Cryptocephalus fulvus Goeze (minutus F.).
ab. fulvicollis Suffr. — Den Haag, 6 (Everts).
Chrysomela Hyperici Forst. (fucata F.). — De varieteiten ambigua
Weise en previgna Weise, met den type.
» fastuosa L., ab. speciosa L. — Met den type.
Phytodecta quinquepunctata F. — De type bij Delden , 7 (Leesberg).
Melasoma collare L. — De varieteiten Salicis F. en geniculata Dfts.
met den type.
Gallerucella calmariensis L. var. Lythri Gylh. — Bij Goor, 8
(Haitink).
Deroerepis rufipes L. — Loosduinen, 7 (Bolten).
Epitrie pubescens Koch, var. ferruginea Weise. — Met den type.
Mantura rustica L. var. suturalis Weise. — Leiden, 5 (Bolten).
Chaetoenema arenacea All. — Maastricht, 7 (Everts).
Haltica (Graptodera) Erucae Oliv.
var. brevicollis Foudr. (Coryli Allard). — In de om-
streken van Maastricht, 7, en bij Roozendaal, 6
. (Everts).
» (Graptodera) fruticola Weise. — Loosduinen, 6 (Everts).
» » palustris Weise. — Op natte weilanden, vooral
in veenstreken. Cuyk (Everts).
Phyllotreta procera Redt. — Op Leseda-soorten. Maastricht, 4
(Maurissen) ; Gronsveld, 6 (Leesberg).
Mniophila muscorum Koch. — Houthem, 7 (Versluys).
II. DELENDA ET CORRIGENDA.
Blz.
18. Agonum atratum Dfts. moet heeten A. Dahli Pr. de Borre
(atratum Fairm, et Lab., pusillum Schaum).
22. Amsodactylus pseudoaeneus Dej. vervalt. Is alles A. poeciloides
Steph. — Volgens Ganglbauer komt eerstgenoemde
84
Blz.
26.
36.
94;
109.
112.
433.
136.
137.
161.
NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
soort in Zuid-Rusland voor. De door Schaum ten
onrechte als A. pseudoaeneus geduide exemplaren
vormen de var. confusus Ganglb. De var. coerwleus
Schilsky behoort tot poeevloides.
Acupalpus exiguus Dej. var. luridus Dej. is eene goede soort
onder den naam van A. luteatus Dfts.
Laccobius sinuatus Mots. is niet synoniem met wigriceps
Thoms., doch eene andere soort, die nog niet in
Nederland gevonden is. De in de naamlijst vermelde
soort moet dus heeten L. zigriceps Thoms.
(noot 2). Nemadus colonoides enz., ook in de nesten van
Formica cunicularia en rufa; moet zijn: van Lasius
brunneus en Formica rufa.
Tritoma decempunctata F. vervalt; dit voorwerp is eene varie-
teit van 7. picea F.
(noot 2). De opgave van Laemophloeus testaceus F. en ater
Oliv. moet vervallen, daar zij reeds in de eerste noot
vermeld was.
Triehius abdominalis Ménétr. moet heeten 7. rosaceus Voet.
Tot nu toe heerschte in de onderscheiding der 7ri-
chius-soorten groote verwarring. Reitter en Kraatz
hebben thans de zaak duidelijk uiteengezet. Zie ver-
slag der wintervergadering te Leiden van 22 Januari
1893 (Tijdschr. v. Entom. XXXVI, blz. Lin).
De hier opgegeven Cryptohypnus dermestoides Hrbst. moet
heeten C. guadriguttatus Lap. (tetragraphus Germ.).
Eerstgenoemde is eene goede soort, die nog niet in
Nederland is aangetroffen.
Melanotus castanipes Payk. is volgens Otto Schwarz synoniem
met 7ufipes Hrbst.
Melanotus erassicollis Er. vervalt: is alles rufipes Hrbst.
Bij Oedemera virescens L. staat «niet zeldzaam»; moet zijn
«zeldzaam». Arnhem (de Rooij); Rolde, 6 (Springer) ;
den Haag (Snellen en Everts); Gorinchem, 5, Overveen,
6, Valkenburg, 7 (Everts); Maastricht (Maurissen).
Blz.
165.
112.
224.
XCVIIT.
XCIX.
C
CIT
CIV
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 85
De noot onder aan de bladzijde moet vervallen, ingevolge de
opgave van Polydrosus chrysomela Ol. op blz. xxxvit
van het eerste supplement.
Bij Pseudostyphlus Pilumnus Gylh. staat « op waterplanten » ;
moet zijn op Matricaria chamomilla.
Ceutorrhynchus Schönherri Bris. vervalt. Is alles C. Cochleariae
Gylh.
Apion opeticum Bach. vervalt; is cerdo Gerst.
Donacia Sparganii Ahr. De hier vermelde blauwe varieteit
heet var. coelestis Weise.
Haltica ampelophaga Guér. vervalt; is alles Lythri Aubé.
Haltica Tamarieis Schrk. vervalt; is alles Lythri Aubé.
Haltica pusilla Dtts. vervalt; is alles o/eracea L.
Phyllotreta tetrastigma Com. Moet zijn de var. dilatata Thoms.
van deze soort. De type is nog niet in Nederland
aangetroffen.
Cicindela hybrida L. De hier opgegeven var. riparia De).
behoort tot den vorm transversalis De}.
Agonum serpunctatum L. De hier vermelde zwarte varieteit
is beschreven als aberr. montanum Heer.
Supplement II.
De hier opgegeven Cicindela campestris L. var. conjuncta
Dall. Torr. moet heeten: aberr. connata Heer.
Chlaenius nigricornis F. var. cupreomicans Letzn. is synoniem
met var. Wesmaeli de Borre. De naam van Letzner
heeft de prioriteit.
. Helophorus affinis Mrsh. moet heeten H. Erichsoni Bach.
(dorsalis Er.).
. De in het eerste supplement (blz. xxx) vermelde bruine
varieteit van Cieindela campestris L. is niet funebris
St., maar de aberr. rubens Friv. (Saweseni Endrul. ,
‚Farellensis Graëlls).
. Voor de hier vermelde Corticaria umbilicata Beck moet een *
geplaatst worden, als zijnde die soort toenmaals
nieuw voor de fauna.
86
NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
III. OPGAVE VAN NIEUWE VINDPLAATSEN.
Elaphrus uliginosus F. — Zeeburg, 8 (Versluys).
Dyschirius aeneus Dej. var. remotepunctatus Putzeys. — Een exem-
plaar, dat vrij wel aan de beschrijving beantwoordt ,
werd door den heer Dixon bij Kolhorn (Noordholl.) ,
5, gevangen. De type, door Putzeys bij den Moer-
dijk gevangen, is in diens collectie (thans in het
Brusselsche Museum) niet meer te vinden.
Leistus rufomarginatus Dfts. — Oldenzaal, 7 (Leesberg); Arnhem,
6 (Huet).
Nebria lwida L. — Type te Arnhem, 7 (Bolten).
Cychrus caraboides L. — Verbreid door het geheele land, doch
zeldzaam.
‘Carabus intricatus L. — De Steeg, 9 (v. d. Hoop).
»
»
»
glabratus Payk. — Apeldoorn, 8 (de Vos tot Nederveen
Cappel).
clathratus L. — Vrij gemeen bij Eemnes (H. Veen).
granulatus L. var. rufofemoratus Letzn. — Arnhem (Veth);
Heurne, 9 (v. d. Poll).
monilis F. — Zierikzee (Fokker).
convexus F. — Meermalen bij Valkenburg (Limburg), 7.
Tachypus pallipes Dfts. — Rotterdam (Veth); Valkenburg, 7 (Mau-
rissen); den Haag (Kempers); Buren, 8 en Enschede,
7 (Veth); Haarlem (H. Veen).
Cillenus lateralis Sam. — Sluyskill (Roels).
Bembidium striatum F. — Arnhem, 4, 6 (Veth en Bolten).
»
»
»
punctulatum Drap. — Scheveningen, 3, langs het strand
(Kempers).
obliquum St. — Assen, 7 (Everts); Zutphen, 4 (v. Essen);
Ossendrecht, 7 (Fokker); Brummen (Roelofs).
fumigatum Dfts. — Diemen, 3 (Swierstra); Driebergen,
8 (v. d. Poll); Amsterdam, 7 (Bolten).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 87
Bembidium nigricorne Gylh. — Apeldoorn, 6 (Everts); Maartensdijk , 4
(Foettinger); Ossendrecht, 7 (Fokker); Wageningen ,
8 (Versluys).
» Doris Panz. — Arnhem, 4, 6 (Veth en Huet); Loos-
duinen, 7 (Bolten); Naarden, 5 (Swierstra).
» _ modestum F. — Scheveningen, 3, langs het strand (Kempers).
» decorum Panz. — Tiel (Seipgens); Roermond en Thorn
(Wasmann).
» nitidulum Mrsh. — Oldenzaal (d. Vr. v. Doesburgh).
» tibiale Dfts. — Limmel, 7, 8 (Maurissen).
» atrocoeruleum Steph. — Thorn, langs de Maas, 5 (Was-
mann).
» lunatum Dftss — Driebergen, 7 (v. d. Poll); Meerssen
(de Heusch).
» Mannerheimi Sahlb. — Exaeten, 11 (Wasmann); Oud-
Valkeveen, 5 (v. d. Poll); Meerssen, 7 (Maurissen).
» iricolor Bedel. — Bergen-op-Zoom, 7 (Leesberg); Zierikzee,
4 (Fokker).
Tachys parvulus Dej, — Warnsveld, 8 (Groll).
» bistriatus Dfts. — Arnhem, 4, 6 (Veth en Groll); Zeeburg,
4 (Versluys).
Trechus discus F. — Doorn, 8 (v. d. Poll); Velsen (Jaspers).
» rubens F. ~ Monster, 6 (Bolten); Nootdorp, 6 (Lees-
berg); Amerongen, 7 (Roelofs).
» secalis Payk. — Bij Brummen, 7, zeer gemeen onder
bladeren in eene uitgedroogde sloot; Roermond
(Seipgens).
Patrobus excavatus Payk. — Brummen, 6 en Scheveningen, 4
(Kempers).
Amara trieuspidata Dej. — Oirschot, 6 en Bunde, 7 (Maurissen).
» montivaga St: — Grave, 5 (v. d. Poll); in de omstreken
van Maastricht vrij gemeen in mergelkuilen.
» convexior Steph. — St. Pieter, 4 (Maurissen); Limmel,
6 (Leesberg).
» famelica Zimm. -— St. Pieter, 4 (Maurissen).
88 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Amara fusca Dej. — Rotterdam, 9 (Veth).
» praetermissa Sahlb. — Doesburg, 7 (Versluys) ; Oosterbeek ,
(Roelants); Arnhem, 9 (v. Essen); Apeldoorn, 6
(Leesberg en Everts).
» convéxiuscula Mrsh. — Zierikzee, 10 (Fokker); Kralingen,
9 en Kolhorn, 7 (Dixon).
» equestris Dfts. (patricia Dfts.). — Steenwijk (Jaspers);
Apeldoorn, 6 (Everts); Bemelen, 5 (Maurissen);
Arnhem (Wartmann).
Molops piceus Panz. — Valkenburg, 7 (Huet).
Pterostichus angustatus Dfts. — Op onderscheidene plaatsen in
Noordbrabant; Heerenveen (Jaspers).
» _ aterrimus Payk. — Oisterwijk, 7, langs eene ven (Fokker).
» interstinctus St. — Roosteren, 4 (Verheggen).
» diligens St. — Zeer verbreid en op sommige plaatsen niet
zeldzaam
Adelosia macra Mrsh. — Scheveningen, 6, langs het strand (v.d Hoop).
Poecilus dimidiatus Oliv. — Op onderscheidene plaatsen in Limburg,
Badister peltatus Panz. — De Steeg, 6 (Leesberg).
Sphodrus leucophthalmus L. — Vorden, 4 (v. d. Poll); den Haag,
6, in een oud huis (Bolten).
Calathus micropterus Dfts. — Verbreid in de heidestreken.
Agonum impressum Panz. — Amsterdam (Bolten).
» gracilipes Dfts. — Hoek v. Holland, 5 (Leesberg).
» viridicupreum Goeze (modestum St.). — Bij Ruurlo door
een mijner leerlingen gevangen.
» dolens Sahlb. — Katwijk, 8 (Bolten).
» livens Gylh. — Bergen-op-Zoom, 7 (Groll); Maarsbergen ,
5 (Leesberg).
Europhilus gracilis Gylh. — Maarsbergen, 5 (Kempers); den Haag
(Bolten).
» fuliginosus Panz. — Oisterwijk, 7 en Maarsbergen, 5
(Leesberg); Arnhem, 4 (Huet).
» puellus Dej. — Zeer gemeen bij Hillegersberg, 4, onder
dood riet.
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 89
Olisthopus rotundatus Payk. — Zeer verbreid in de grensprovincién.
Lebia cyanocephala L. — Blijenbeek, 3 (Wasmann); St. Pieter, 5
(Maurissen).
» chlorocephala Hoffm. — Exaeten, 4, 5, gemeen aan den
voet van Sarothamnus vulgaris (Wasmann).
» crux-minor L. — St. Pieter, 6 (Maurissen); Bemelen, 7
(Versluys).
Cymindis humeralis Fourer. — Ede, 7 (Leesberg); Blijenbeek , op
de heide (Wasmann).
» macularis De}. — Enschede, 7, op straat loopende (Ritsema) ;
Ossendrecht onder gevelde boomen, 7 (Leesberg).
Demetrias imperialis Germ. — Hillegersberg, 4, gemeen in dood
riet.
Dromius longiceps Dej. — Hillegersberg, onder dood riet (Veth,
Kempers en Everts).
» angustus Brull. — Oldenzaal (d. Vr. v. Doesburgh).
» nigriventris Thoms. — Rotterdam (d. Vr. v. Doesburgh).
» sigma Rossi. — Zutphen (Seipgens).
Brachynus crepitans L. — St. Pietersberg (Miedel).
Zabrus tenebrioides Goeze (gibbus F.) — Arnhem, 8 (Veth); Steen-
wijk (Jaspers); Oldenzaal (d. Vr. v. Doesburgh).
Ophonus diffinis De). — Kolhorn, 6, 7, 8, niet zeldzaam (Dixon).
» _ azureus F. — Valkenburg, 7 (Dixon en Seipgens).
» puncticollis Payk. var. parallelus Dej. — Limmel, 8
(Maurissen).
» maculicornis Dfts. — Oldenzaal (d. Vr. v. Doesburgh).
Harpalus consentaneus Dej. (attenuatus Steph.). — Roosteren, 4
(Verheggen); Gorsel, 4 (v. Essen).
» melancholicus Dej. — IJmuiden, 6 (Jaspers).
» tardus Panz. (Froelichi St.). — Exaeten, 7 en Blijenbeek
(Wasmann); Oosterbeek (Roelants); Putten, 8 (J. Th.
Oudemans).
» dimidiatus Rossi (caspius Stev.) — Exaeten op zandgrond ,
5 (Wasmann).
Dichirotrichus obsoletus Dej. — Bergen-op-Zoom, 6 (Everts).
90 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Bradycellus similis Dej. — Zeer verbreid, o. a. in aantal by den
Haag, 4 (Bolten).
Stenolophus skrimshiranus Steph. — Oldenzaal (d. Vr. v. Doesburgh).
Haliplus confinis Steph. (lineatus Aubé). — Amsterdam en Leiden, 5
(Bolten); Arnhem, 9 (Groll); Exaeten, 9 (Wasmann).
» _ variegatus St. — Exaeten, 9 (Wasmann); Laag Soeren,
6 (Versluys). |
» _ cinereus Aubé. — Laag Soeren, 8 (Versluys).
» fulvicollis Er. — Blijenbeek, 2 (Wasmann); Utrecht
(A. C. Oudemans); Breda (v. d. Hoop).
Brychius elevatus Panz. — Gemeen in de Geul bij Houthem, 7
(Versluys).
Laccophilus variegatus Germ. — Blijenbeek en Exaeten (Wasmann).
Coclambus impressopunctatus Schll. — Zeer verbreid.
» _ confluens F. — Scheveningen, 4 (Lukwel); Warnsveld,
9 (Grol).
Deronectes elegans Panz. (depressus Fairm. et Lab.), — Arnhem,
8 (Bolten); Apeldoorn, 10 (Groll); Delft (Guicherit);
Maastricht (de Heusch).
Hydroporus melanarius St. — Oisterwijk, 7, onder vochtige bla-
deren (Leesberg, Veth en Everts); Maarsbergen, 5
(Kempers).
» _ obscurus St. — Door het geheele land verbreid.
>» _ tristis Payk. — Als voren.
>» umbrosus Gylh. — Exaeten (Wasmann); Amsterdam, 5 (Ver-
sluys); Brummen, 9 (v. Essen); den Haag, 6 (Bolten).
» vittula Er. — Laag Soeren, 6 (Groll en Everts); Breda
(Kempers); Kortenhoef, 4 (Versluys).
» encognitus Sharp. — Amby, 6 (Maurissen); Laag Soeren, 6
(Versluys).
» rufifrons Dfts. — Exaeten en Blijenbeek (Wasmann);
Oldenzaal (d. Vr. v. Doesburgh).
Agabus guttatus Payk. — Amsterdam, 7 (Bolten).
» paludosus F. — Blijenbeek en Wijnandsrade (Wasmann):
Zeeburg, 5 (Versluys).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 91
Agabus uliginosus L. — Blijenbeek (Wasmann); Breda (Kempers) ;
Maastricht (de Heusch).
» femoralis Payk. — Apeldoorn, 6 (Groll); Exaeten en Blijen-
beek, in heidepoelen gemeen, 9, 10 (Wasmann);
Oldenzaal, 7 (Leesberg).
Ilybius subaeneus Er. — Amsterdam, 7 (Bolten).
» guttiger Gylh. — Laag Soeren, 6 (Everts); Blijenbeek, 6
(Wasmann).
» _ aenescens Thoms. — Zeer verbreid in heidepoelen.
Rhantus bistriatus Bergstr. (adspersus F.) — Zutphen (Seipgens);
Voorst, 4 (v. Essen).
Dytieus marginalis L., de vrouwelijke var. conformis Kunze. —
Blijenbeek (Wasmann).
» circumcinclus Ahr. var. 9 dubius Gylh. — Laag Soeren,
6 (Versluys).
» latissimus L. — Blijenbeek, 4, verscheidene exemplaren
in plassen en vele doode exemplaren op de heide lig-
gend (Wasmann); ’sGraveland, 8, 9 (Barger); An-
keveen, 8 (Bolten).
Graphoderes zonatus Hoppe. — Exaeten en Blijenbeek, 2, 10 (Was-
mann); Laag Soeren, 8 (Versluys).
» _ bilineatus de Geer. — Gemeen bij Exaeten en Blijenbeek
(Wasmann); Apeldoorn, 10 (Groll); Heerenveen
‘ (Jaspers).
Gyrinus minutus F.— Warnsveld, 9 (Groll); Oud-Diemen, 4, in brak
water (v. d. Poll); Laag Soeren, 6 (Everts); Blijen-
beek (Wasmann); Watergraafsmeerpolder, 5 (Ver-
sluys).
Orectochilus villosus Müll. — Houthem, 7 (Versluys); Limmel, 7
(Maurissen).
Hydrobius fuscipes L. var. Jeottenbergı Gerh. — Den Haag, 3
(Kempers); Ede, 7 (Nierstrasz).
» » var. aeneus Solier. — Zutphen en Hoorn (Seipgens) ;
Amby, 4 (Maurissen),
Paracymus aeneus Germ. — Sluyskill (v. d. Broek),
92 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Anacaena bipustulata Mrsh. — Verbreid door het geheele land,
doch zeldzaam.
Philhydrus grisescens Gylh. — Zierikzee, 5 (Fokker); Sluyskill
(v. d. Broek).
» coarctatus Gredl. (suturalis Sharp.) — Winterswijk, 5 en
Doorn, 7 (v. d. Hoop); Laag Soeren, 6 (Kempers);
Baexem, 5 (v. d. Poll).
Laccobius nigriceps Thoms. — Amby, 4 (Maurissen); Baexen, 5
(verde Poll).
» _ bipunctatus F. — Doorn, 7, Vorden, 9 en Driebergen,
7 (v. d. Poll); Rotterdam, 6 (Veth); Muiderberg
(Swierstra); Breda (Heylaerts).
Berosus signaticollis Charp. — Warnsveld, 8 (Groll); Exaeten en
Blijenbeek, 2, 8 (Wasmann); Zeeburg, 5 (Versluys).
» luridus L. — Overal zeer verbreid.
Limmobius truncatulus Thoms. — Vorden, 9 (v. d. Poll); Laag
Soeren, 6 (Versluys).
» aluta Bedel (atomus Gerhdt.). — Vianen, 7 (Everts); Haarlem
(Groll); Winterswijk, 5 (v.d. Hoop); Vorden, 9 (v.d. Poll).
Helophorus dorsalis Mrsh. (Mulsanti Rye). — Breda, 12 (Bosscha).
Hydrochus brevis Hrbst. — Exaeten en Blijenbeek, 6 (Wasmann);
Breda (v. d. Hoop); den Haag, 7 (Everts).
Ochthebius marinus Payk. — Bergen-op-Zoom, 7, langs de Schelde
(Leesberg); Amsterdam, 7 (Bolten en Versluys);
Hoek van Holland, 5 (Veth).
» bicolon Germ. — Naarden, 5 (v. d. Poll).
» impressicollis Cast. — Watergraafsmeer, 4 (Versluys);
Hoek van Holland, 5 (Veth).
Cercyon marinus Thoms, (aquaticus Steph.). — Goereê en Bergen-
op-Zoom, 5 (Veth); Breda, 12 (Bosscha); Amsterdam,
7 (Bolten); Kolhorn, 8 en Kralingen, 5 (Dixon).
» lugubris Payk. — Zeer verbreid.
Oryptopleurum crenatum Panz. (Vaucher, Tourn.). — Arnhem, 7
(Veth); Scheveningen, 6 (Everts); Leiden (Me. Gil-
lavry).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 95
Heterocerus fossor Kiesw. — Bergen-op-Zoom, 6, langs de Schelde
(Leesberg).
» obsoletus Curt. — Kolhorn, 5 (Dixon).
» ‚fenestratus Thunb. — Capelle a. d. IJssel (Veth); Valken-
burg, 7, in aantal (Leesberg); de Steeg, 6 (Everts).
Dryops lutulenta Er. — Gilze-Rijen, 5 (v. d. Hoop).
» . nitidula Heer. — Valkenburg, 7 (Ritsema en Everts);
Houthem, 7 (Versluys).
Pomatinus substriatus Müll. — Houthem, 7 (Versluys).
Limnius Dargelasi Latr. — Houthem, 7 (Versluys).
Helmis Maugeti Latr. (aenea Müll.). — Houthem, 7 (Versluys).
Stenusa rubra Er. — Oirschot, 8 en St. Pieter, 9 (Maurissen).
Stichoglossa semirufa Er. — Exaeten, 1, onder bladeren (Wasmann).
Ischnoglossa cortieina Er. — Lochem, 7 en Bunde, 7 (Everts);
Oisterwijk, 7 (Leesberg en Everts); Exaeten, 6
(Wasmann).
Microglossa gentilis Lünem. — Doorn, 8 (v. d. Poll).
Aleochara ruficornis Grav. — Oldenzaal, 7 (v. d. Hoop).
» lateralis Heer (rufipennis Er.). — Exaeten en Blijenbeek,
langs de Maas, onder rotte visch, 6, 7 (Wasmann);
Valkenburg, 7 (Leesberg); Eysden, 7 (Everts).
» tristis Grav. — Zutphen (Seipgens) ; Exaeten, 4 (Wasmann).
» bisignata Er. — Haarlem, 6 (Groll); Blijenbeek, 7
(Wasmann).
» succicola Thoms. (latipalpis Rey). — Exaeten, 5, aan
eikensap (Wasmann); Scheveningen, 4 en den Haag,
6 (Everts); Amsterdam, 6 (Swierstra); Valken-
burg, 6, 7 (Veth en Everts); Ede en Groesbeek, 7
(Veth).
» verna Say (binotata Kr.) — Exaeten, 10 (Wasmann).
Dinarda Maerkeli Kiesw. — Exaeten, 10 (Wasmann); Baarn,
4 (Swierstra); Doorn, 7 (v. d. Poll).
Lomechusa strumosa F. — Doorn, 8, bij Formica sanguinea (v.d.
Poll).
Atemeles paradoxus Grav. — Renkum, 5 (Veth).
94 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Atemeles emarginatus Grav. — Verbreid door het geheele land.
Myrmedonia Haworthi Steph. — Houthem, 7 (Versluys).
» _ collaris Payk. — Oisterwijk, 7 (Leesberg en Everts);
Exaeten (Wasmann); Leiden (Mc. Gillavry); Gilze-
Rijen, 5 (Veth).
» humeralis Grav. — Verbreid en op vele plaatsen niet zeld-
zaam onder dorre bladeren, nabij de nesten van
Formica rufa en Lasius fuliginosus.
» cognata Mark. — Oisterwijk, 7 (Leesberg); Doorn, 8,
gemeen (v. d. Poll).
> lugens Grav. — Arnhem, 6 (Veth); Doorn, 8 (v. d. Poll);
Gilze-Rijen, 5 en Oisterwijk, 7 (Veth).
Ocalea decumana Er. — Scheveningen, 3 (Kempers).
» badia Er. — Doorn, 8, bij Lasius fuliginosus (v. d. Poll);
Groesbeek, 7 (Leesberg en Everts).
Ilyobatus nigricollis Payk. — Oldenzaal, 7 (d. Vr. v. Doesburgh);
Valkenburg (Seipgens); Houthem, 7 (Versluys).
Tachyusa constricta Er. — Eysden, 7, langs de Maas (Everts);
Exaeten en Blijenbeek, langs de Maas (Wasmann).
» coarctata Er. — Wijnandsrade, 6 (Wasmann).
» scitula Er. — Arnhem, 4 (Veth); Exaeten, 4, 5 (Wasmann).
» umbratica Er. — Langs de Maas bij Eysden, 7 (Veth en
Everts); idem bij Thorn en Blijenbeek, 5 (Was-
mana) ; de Steeg, 6, langs den IJssel (Veth en Everts).
» concolor Er. — Eysden, 7 (Everts); de Steeg, 6, langs
den IJssel (Veth en Everts); Kolhorn, 6 (Dixon).
Gnypeta velata Er. — De Steeg, 6, langs den IJssel (Leesberg
en Everts).
Dilacra luteipes Er. — Arnhem, 6 (Veth).
» fallax Kr. — Naarden, 7 (Veth); Exaeten, 5 (Wasmann).
Homalota languida Er. var. longicollis Rey. — Kralingen, 7
(v. Doesburgh); Exaeten, 4, 8 (Wasmann); Limmel
(Maurissen).
» planifrons Waterh. — Kralingen, 8 (Dixon); Cuyk (ter
Haar).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 95
Homalota marina Rey. — Bergen-op-Zoom, 7 (Everts).
»
»
gemina Er. — Blijenbeek, 4 (Wasmann).
melanocera Thoms. — Oisterwijk, 7 (Everts).
luridipennis Mannh. — Arensgenhout, 7 (Leesberg en
Wasmann); Oisterwijk, 7 (Everts).
vestila Grav. — Nootdorp, 7 (Everts).
oblongiuscula Sharp. — Brummen, 12 (v. Essen).
brunnea F. — Leiden (Seipgens).
hepatica Er. — Loosduinen, 5 (Everts); Wijnandsrade,
5 (Wasmann).
aquatica Thoms. — Kralingen, 4 (Dixon).
clanculi Er. (atrata Kr.) — Gilze-Rijen, 5 (Everts);
Ede, 7 (Veth).
oblita Er. — Winterswijk, 7 (Everts).
cadaverina Bris. — Kolhorn, 6 (Dixon).
laevana Rey. — Rijswijk, 10 (Everts).
divisa Märk. — Loosduinen, 5 (Veth); Scheveningen (Everts).
occulta Er. — Kralingen, 4 (Dixon); Arnhem, 12 (Veth);
Doorn, 8 (v. d. Poll).
Algae Hardy. — Scheveningen, 4 (Everts).
ravilla Er. — Maastricht, 7 (Maurissen); Rotterdam, 3
en Valkenburg, 7 (Veth).
canescens Sharp. — Den Haag, 3 en Nootdorp, 9 (Everts) ;
Arnhem, 5 (Veth).
indubia Sharp. — Maastricht, 7 en Valkenburg, 7 (Everts).
inquinula Er. — Exaeten, 7, onder steenen, bij Lasius
niger (Wasmann).
caesula Er. — Arnhem, 8 (Veth).
palleola Er. — Verbreid in Gelderland en Limburg.
talpa Heer. — Overal zeer gemeen bij Formica rufa en
pratensis.
soror Kr. — Exaeten, 3, aan eikensap (Wasmann);
Vorden, 9 en Doorn, 8 (v. d. Poll).
cavifrons Sharp. — Leiden (Seipgens); Arnhem, 6 (Veth) ;
Vorden, 9 (v. d. Poll).
96 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Homalota melanaria Mannh. — Exaeten, 10, bij Zasius fuliginosus
(Wasmann); Warnsveld, 8 (Groll); Maastricht, 5
(Maurissen).
» parens Rey — Doorn, 7 (v. d. Poll).
Placusa infima Er. — Arnhem, 6, 8 (Veth); Exaeten, 8, achter
eikenschors (Wasmann).
Thectura cuspidata Er. — Zeer verbreid.
» nigella Er. — Eveneens verbreid.
» linearis Grav. — Arnhem, 4 (Veth); Goor (Seipgens).
Hygronoma dimidiata Er. — Hillegersberg, 4 en Maarsbergen, 5
(Everts).
Diglossa mersa Halid. — Aan den Hoek van Holland op 14 Mei
1893 in groot aantal, met Phytosus balticus Kr.,
op stuifzand. Phytosus spinifer Curt. was zeldzamer.
Oxypoda exoleta Er. — Rotterdam, 4 (Veth).
» esigua Er. — Oisterwijk, 7 en Delden, 7 (Veth en
Everts); Exaeten, 5, bij Myrmica laevinodis (Was-
mann).
» brachyptera Steph. — Rotterdam, 4 (Veth).
» formiceticola Märk. — Doorn, 7, niet zeldzaam bij For-
mica rufa (v. d. Poll).
Ocyusa incrassata Rey. — Arnhem, 12 en Lochem, 7 (Veth);
Bergen-op-Zoom, 5 (Everts); Berg-en-Dal, 7 (Veth).
Leeft onder afgevallen bladeren.
Gyrophaena pulchella Heer. — Loosduinen, 9, gemeen (Everts);
Blijenbeek, 8, uit Agaricus muscarius (Wasmann).
» _ gentilis Er. — Blijenbeek, 8 (Wasmann); Apeldoorn, 6
(Groll); Loosduinen, 6 (Everts); Diemen, 6 en
den Haag, 7 (Leesberg).
» lucida Er. — Bodegraven, 6 (Dixon); Exaeten, 6 (Was-
mann).
Oligota atomaria Er. — Arnhem, 4 en Rotterdam, 4 (Veth).
» inflata Mannh. — Arnhem, 4 (Veth); Diemen, 5 (Swierstra).
Myllaena minuta Grav. — Gilze-Rijen, 5 (Everts); den Haag,
3, 4 (Lucassen en Everts).
© SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 97
Myllaena gracilis Matth. (forticornis Kr.) — Nootdorp, 6 (Everts).
Gymnusa brevicollis Payk. — Naarden, 5 (v. d. Poll).
Hypocyptus seminulum Er. — Wijlre, 7 (Everts).
» discoideus Er. — Kralingen, 6 (Dixon); Hillegersberg, 4
(Veth en Everts).
Habrocerus capillaricornis Grav. — Arnhem, 4 (Veth); Berg-en-
Dal, 7 (Everts); Loosduinen, gemeen onder vochtige
bladeren (Everts).
Tachinus pallipes Grav. — Baarn, 7 (Veth); Gronsveld, 7 en
Loosduinen, 4 (Everts).
» _ humeralis Grav. — Komt overal voor.
» _ elongatus Gylh. — Exaeten, 5 (Wasmann).
Tachyporus atripes Steph. — Oisterwijk, 7 (Veth).
» _ transversalis Grav. — Hillegersberg, 4 en Berg-en-Dal, 7
(Everts); Katwijk a. zee (Seipgens).
Conurus immaculatus Steph. (fusculus Er.). — Komt overal voor.
Bolitobius trinotatus Er. — Exaeten, 3, 6, 9 (Wasmann);
Maastricht, 7, 9 (Maurissen en Everts).
» pygmaeus St. var. biguttatus Steph. — Overal met den
type.
Megacronus cingutatus Mannh. — Loosduinen, 4 (Everts) ; Exaeten,
5 (Wasmann); Crailoo, 7 (H. Veen).
» analis F. — Overal verbreid.
Mycetoporus rufescens Steph. (/ueidus Er.) — Arnhem, 5 (Veth
en v. d. Hoop).
» nanus Er. — Leiden (Seipgens); Berg-en-Dal, 7 (Everts);
Dieren, 6 (Versluys).
» punctus Gylh. — Berg-en-Dal, 7 (Veth); Exaeten (Was-
mann).
» _ splendens Mrsh. — Exaeten, 4 (Wasmann).
» clavicornis Steph. (pronus Er.) — Verbreid in de heide-
streken onder vochtige bladeren.
Heterothops praevia Er. — Rotterdam, 5 (Veth); Exaeten, 2—7,
bij Lasius fuliginosus en Formica rufa (Wasmann).
Velleius dilatatus FT. — Exaeten, 5 (Wasmann).
Tijdschr. v. Entom. XXX VI. 7
98 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Quedius longicornis Kr. — Blijenbeek (Wasmann); Kralingen, 6
(Dixon).
» brevis Er. — Overal gemeen bij Formica rufa en Lasius
Fuliginosus.
» lateralis Grav. — Apeldoorn, 6 (Everts); Ede, 7 (Veth);
Berg-en-Dal, 7 (Leesberg); Amersfoort (v. d. Hoop).
» ochripennis Ménétr. — Oldenzaal (v. Doesburgh). — De
var. nigrocoeruleus Fauv. (concolor Eppelsh.). —
Lienden, 8 (Veth); Blijenbeek (Wasmann); Exaeten,
in een nest van Vespa germanica (Wasmann).
» fulgidus F. — Verbreid, doch overal vrij zeldzaam.
» cruentus Oliv. — Kolhorn, 6 (Dixon).
» scitus Grav. — Wolfhezen (Fokker).
» fumatus Steph. (peltatus Er.). — Blijenbeek, 8 (Wasmann);
Berg-en-Dal, 7 (Leesberg, Veth en Everts); Loos-
duinen, 9 en Brummen, 6 (Everts).
» maurorufus Grav. — Hillegersberg, 4, 5, onder dood
riet (Leesberg, Veth, v. d. Hoop, Kempers en Everts);
Kralingen, 3 (Dixon).
» _ rufipes Grav. — Kolhorn, 9 (Dixon); St. Pieter, 10
(Maurissen) ; Meerssen, 7 (Everts).
Staphylinus latebricola Grav. — Zutphen (Seipgens); Driebergen,
7 (A. C. Oudemans); Wijnandsrade (Wasmann).
» fulvipes Scop. — Breda, 5 (Leesberg); Zundert, 5 (Veth);
Valkenburg (Huet).
» fuscatus Grav. — Valkenburg, 7 (Huet) ; Breda (Kempers).
Actobius cinerascens Grav. — Hillegersberg, 4 (Veth, Kempers en
Everts).
» signaticornis Rey. — Hillegersberg, 4 (Kempers).
» prolixus Er. — Eysden, 7 (Veth); Roosteren, 4 (Verheggen).
Philonthus atratus Grav. — Tiel en Zutphen (Seipgens); Oister-
wijk (Roelofs); Beekbergen, 6 (Groll); Valkenburg
(de Heusch).
» addendus Sharp. — Blijenbeek, 7 (Wasmann).
» fuscis Grav. — Den Haag, 4 (Everts).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 99
Philonthus rotundicollis Ménétr. (scutatus Er.). — Exaeten, 2 (Was-
mann).
» astutus Er. — Den Haag, 5 (Everts).
» exiguus Nordm. — Houthem, 7 (Versluys).
» decorus Grav. — Brummen, 9 en Voorst, 5 (v. Essen);
Gronsveld, 8 (Leesberg); Arnhem, 8 (Veth).
» varius Gylh. var. bimaculatus Grav.— Doorn, 6 (v. d. Poll);
Kralingen, 5 (Dixon); Valkenburg (de Heusch).
» _ nigrita Grav. — Heerenveen (Jaspers); Bemelen, 7 (Mau-
rissen); Tiel (Seipgens).
Othius melanocephalus Grav. — Doorn, 8, bij Lasius fuliginosus
(v. d. Poll); Bergen-op-Zoom, 5 en Oisterwijk, 7
(Veth); Dieren, 6 (Leesberg). —
Baptolinus affinis Payk. — Apeldoorn, 6 en Valkenburg, 7
(Fokker).
Leptacinus formicelorum Märk. — Overal zeer gemeen in de nesten
van Formica rufa en pratensis.
Xantholinus glaber Nordm. — Loosduinen, 5 en Arnhem, 5 (Veth);
Roosteren, 4 (Verheggen); Blijenbeek, 4, 5 (Was-
mann); Gronsveld, 6 (Leesberg).
» atratus Heer, — Kralingen, 4 (Veth).
» fulgidus F. — Rotterdam (Veth).
Cryptobium fracticorne Payk. — Hillegersberg, 3 en Bergen-op-
Zoom, 7 (v. d. Hoop); Kolhorn, 6, 8 (Dixon);
Exaeten en Blijenbeek, 2, 12 (Wasmann).
Lathrobium castaneipenne Kolen. — Cuyk (ter Haar).
» filiforme Grav. — Rotterdam (Veth).
» longulum Grav. — Zeer verbreid.
» fovulum Steph. — Oisterwijk, 7 (Leesberg en Everts);
Maastricht, 7 (Everts); Hillegersberg, 4 en Maars-
bergen, 5 (Kempers en Everts).
» pallidum Nordm. — Kolhorn, 6, 9 (Dixon).
Medon castaneus Grav. — Nijmegen, 8 (Veth); Exaeten, 2, 3,
bij Formica rufa (Wasmann).
» _ piceus Kr. — Berg-en-Dal, 7 (Leesberg en Everts).
100 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Medon brunneus Er. — Berg-en-Dal, 7 (Leesberg en Everts);
Breda (Heylaerts); Bunde, 7 (Leesberg).
» fusculus Mannh. — Valkenburg, 7 (Dixon).
» ripicola Kr. — Bodegraven, 7 (v. Doesburgh).
» obsoletus Nordm. (obscurellus Er.). — Verbreid door het ge-
heele land,
» ochraceus Grav. — Bodegraven, 7 (Dixon).
Scopacus laevigatus Gylh. — Maastricht, 7 (v. d. Hoop); Exaeten
5, 9, bij Zasius niger (Wasmann).
» minimus Er. — Exaeten, 5, bij Zasius fuliginosus (Was-
mann).
» cognalus Rey. — Arnhem, 7 en Berkel (Veth); Valken-
burg, 7, bij Zasius niger (Wasmann).
Stilicus fragilis Grav. — Rotterdam, 5 (Veth); Charlois, 4 (Dixon);
Exaeten, 4 (Wasmann).
» subtilis Er. — Arnhem, 4 (Veth).
» similis Er. — Arnhem, 4, 5 (Veth); Valkenburg, 7
(Dixon); Exaeten, 2, 9, 42 (Wasmann).
» geniculatus Er. — Exaeten, 2, 3, 4 (Wasmann); Eysden,
7 (Veth).
» Erichsoni Fauv. (orbiculatus Er.). — Aalbeek, 8 (Was-
mann); Valkenburg, 7 (Everts).
Sunius filiformis Latr. — Door het geheele land verbreid.
Stenus aterrimus Er. — Overal zeer gemeen in de nesten van For-
mica rufa en pratensis.
» asphaltinus Er. — Apeldoorn, 6 (Leesberg).
» carbonarius Er. — Eysden, 7 en Valkenburg (Veth).
» providus Er. — Oisterwijk, 7 (Leesberg, Veth en Everts);
Loosduinen (Everts).
» lustrator Er. — Gilze-Rijen, 5 (Veth en Everts).
» gallicus Fauv. — Bij Oisterwijk, 7 (Veth en Everts)
twee wijfjes.
» calcaratus Scrib. — Kralingen, 4, 9 (Dixon).
» intricatus Er, — Exaeten, 12 en Blijenbeek, 4 (Was-
mann).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 101
Stenus melanarius Sleph. — Exaeten (Wasmann); Bergen-op-
»
»
>
»
Zoom, 5 (Everts).
morio Grav. — Groesbeek, 7 (Leesberg); Exaeten, 5,
langs de Maas (Wasmann).
nitens Steph. — Rotterdam (v. d. Hoop).
vafellus Er. — Valkeveen,:8 (Swierstra); Exaeten, 4, 7
en Blijenbeek (Wasmann).
argus Grav. — Exaeten, 5 (Wasmann).
nigritulus Gylh. — Gilze-Rijen, 5 (Everts).
solutus Er. — Dussen, 5 (Everts); Hillegersberg, 4 (Kem-
pers en Everts).
fornicatus Steph. — Warnsveld, 8 (Groll); Exaeten, 9
(Wasmann) ; Loosduinen, 6 (Everts).
pubescens Steph. — Hillegersberg , 3 en Eysden, 7 (Everts).
pallitarsis Steph. — Heerenveen (Jaspers); Loosduinen,
4 (Everts).
bifoveolatus Gylh. — Delden, 7 en Oisterwijk, 7 (Everts).
nitidiusculus Steph. (tempestivus Er.). — Oisterwijk, 7
(Leesberg); Laag Soeren, 6 (Everts).
flavipes Grav. — Laag Soeren, 6 (Veth).
pallipes Grav. — Arnhem, 4, 6 (Veth); Bergen-op-Zoom,
5 (Everts); Exaeten, 4 (Wasmann).
palustris Er. — Arnhem, 5 en Nijmegen (Veth); Tiel
(Seipgens).
Fuscicornis Er. — Den Haäg, 4 (Everts); Valkenburg,7 (Veth).
Erichsoni Rye. (flavipes Er.). — Valkenburg, 7 (Veth).
Evaesthetus ruficapillus Lac. — Rhoon, 8 (Schepman); Exaeten,
»
3, 12 (Wasmann); Amsterdam, 5 (J. Th, Oudemans) ;
Zeeburg, 2, 3 (Versluys).
laeviusculus Mannh. — Muiden, 4 (v. d. Poll); Zeeburg,
2, 3 (Versluys).
Bledius tricornis Hrbst. — Exaeten, 4, 6 (Wasmann); Berkel, 7
»
»
en Noordwijk, 4 (Veth) ; Hillegersberg, 4 (Kempers).
cribricollis Heer, — Houthem, 7 (Versluys).
dissimilis Er, — Exaeten, 4, 9, langs de Maas (Wasmann).
102 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Bledius pallipes Grav. — Bergen-op-Zoom, 5 (Everts); Breda
(Kempers).
Platysthetus cornutus Gylh., var. alutaceus Thoms, — Maastricht
(v. d. Hoop).
Oxytelus insecatus Grav. — Arnhem, 4 (Veth); Kolhorn, 8
(Dixon); Zeeburg, 5 (Versluys); Exaeten, 4, onder
aanspoelsel van de Maas (Wasmann).
» piceus L. — Warnsveld, 8 (Groll).
» clypeonitens Pand, — Amsterdam, 9 (Swierstra); Valken-
burg, 7 (Everts).
Trogophloeus arcuatus Steph. — Houthem, 7 (Versluys).
Syntomium aeneum Müll. — Kralingen, 6 (Dixon); Breda, in aan-
spoelsel (Heylaerts).
Anthophagus abbreviatus F. (caraboides Er.). — In Zuidelijk Limburg
gemeen op Corylus.
Lesteva Heeri Fauv. (punctata Kr.) — Amsterdam, 3 (v. d. Poll);
Kolhorn, 7 (Dixon); Gilze-Rijen, 4 (Leesberg,
Veth en Everts); Blijenbeek, 7 (Wasmann); Zee-
burg, 5 (Versluys).
Olophrum piceum Gylh. — Overal gemeen onder mos en dorre
bladeren , vooral in vochtige bosschen.
Acidota crenata F. — Gilze-Rijen, 5 (Veth en Everts); Oister-
wijk, 7 (Everts); Oud-Valkeveen, 5 (v. d. Poll);
de Steeg, 6 (Leesberg).
» cruentata Mannh. — Exaeten, 11 (Wasmann).
Coryphium angusticolle Steph. — Kralingen, 6 (Dixon).
Homalium riparium Thoms. — Bergen-op-Zoom, 5, 7, 8 (Veth
en Everts).
» Allardi Fairm, — Amsterdam, 9 (Swierstra); Exaeten
(Wasmann).
» Oxyacanthae Grav. — Gilze-Rijen, 5 (Everts); Putten
in Geld, (Huet).
» _ planum Payk. — Heerlen, 7 (Everts).
» deplanatum Gylh. — Breda, 6 (Veth).
» testaceum Er. — Berkel, 7 (Veth); Nootdorp, 10 (Everts).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 103
Homalium Salicis Gylh. — Blijenbeek, 11 (Wasmann).
» sulculum Steph. — Zutphen (Seipgens); Rotterdam, 9
(Veth).
» striatum Grav. — Arnhem, 4, 6 (Veth).
Anthobium abdominale Grav. — Houthem, 5 en Bunde, 5 (Mau-
rissen); Valkenburg, 7 (Everts).
Protinus limbatus Mark. — Berkel, 7 (Veth); Maastricht, 5
(Maurissen).
» ovalis Steph. — Houthem, 7 (Versluys).
» atomarius Er. — Doorn, 7 (v. d. Poll); St. Pieter, 7
(Maurissen); de Steeg, 6 (Everts); Warnsveld, 10
(Groll).
Megarthrus hemipterus Il. — Zeer verbreid in de grensprovinciën.
Stagonium quadricorne Kirby. —- Gronsveld, 6, in aantal dood
achter boomschors (Leesberg).
Bryaxis haematica Reichb. — Bunde, 7 (Groll).
» juncorum Leach. — Oisterwijk, 7 (Veth); Houthem, 7
(Versluys).
Rybaxis sanguinea L. — Lochem, 7 (Everts); Zeeburg, 4 (Versluys).
Bythinus bulbifer Reichb. — Exaeten, 3 (Wasmann); Hillegers-
berg, 4 (Leesberg); Breda, 1 (Bosscha).
» securiger Reichb, — Arnhem, 5 (Veth); Houthem, 7
(Versluys); Maastricht, 7 (Maurissen); Vorden, 9
(v. d. Poll). |
» puncticollis Denny. — Vorden, 9 (v. d. Poll).
Pselaphus dresdensis Hrbst. — Amsterdam (Zeeburg), 4 (Versluys).
Tychus dichrous Schmidt. — Arnhem, 4 en Oisterwijk, 7 (Veth).
Is slechts var. van 7. niger Payk.
Euplectus sanguineus Denny. — Groesbeek, 7 (Veth en Everts);
Delden, 7, achter boomschors (Everts); Stadskanaal,
3 (Versluys).
» signatus Reichb. — Loosduinen, 7, uit droge boomzwam-
men van een abeel (Everts); Groesbeek, 7 (Veth);
Exaeten, 10, bij Formica rufa in groot aantal
(Wasmann).
104 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCILE
Euplectus Karsteni Reichb, — Exaeten, 4, bij Lasius fuliginosus
(Wasmann).
» ambiguus Reichb. — Exaeten, 2, by Formica rufa (Was-
mann); Gilze-Rijen, 5 (Everts); Muiden, 4 (v. d.
Poll).
Trichonyx sulcicollis Reichb. — Arnhem, 5 (Veth); Valkenburg,
7 (Everts); Bemelen, 7 (Maurissen).
Cephennium thoracicum Müll. — Berg-en-Dal, 7 (Everts); Arnhem,
4 (Veth); Houthem, 7 (Versluys).
Neuraphes angulatus Müll. — Valkenburg, 7 (Everts); Berg-en-
Dal, 7 (Leesberg).
» rubicundus Schaum. — Arnhem, 7 (Veth).
» elongatulus Müll. — Gilze-Rijen, 5 (Veth en Everts),
» longicollis Mots. — Valkenburg, 7 (Veth en Everts).
Scydmaenus scutellaris Müll. — Overal verbreid,
» collaris Müll. — Als voren.
Eueonnus rutilipennis Müll. — Oisterwijk, 7 (Veth).
Choleva intermedia Kr. — Zeer verbreid door het geheele land.
» agilis Il. — Als voren.
» anisolomoides Spence. — Als voren.
Ptomaphagus picipes F. — Arnhem, 3, 5 (Veth).
» marginicollis Luc. — Wassenaar, 12 (Perrin) ; Gilze-Rijen,
5 (v. d. Hoop).
» aflinis Steph. (nigrita Er.) — Ede, 7 (Leesberg).
» tristis Panz. — Dieren, 6 (Leesberg).
» alpinus Gylh. — Gronsveld, 6 (Leesberg).
Agyrtes castaneus Payk. — Exaeten, 4 (Wasmann); Roosteren, 7
(Verheggen).
Hydnobius punctatissimus Steph. — Den Haag, 9 (Everts).
» punctatus St. — Valkenburg, 7 (Everts).
Anisotoma rugosa Steph. — Den Haag, 10 (Bolten).
» /urva Er. — Hoek v. Holland, 5 (Leesberg).
» ciliaris Schmidt. — Terzelfder plaatse.
Colenis immunda St. — Bodegraven, 6 (Dixon); Doorn, 7
(v. d. Poll); Valkenburg, 7 en Rijswijk, 5 (Veth).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 105
Liodes humeralis Kugel. — Lochem, 7 (Leesberg en Everts); Arnhem,
5 (v. d. Hoop en Veth); Oisterwijk, 7 (Veth).
» aæillaris Gylh. — Arnhem, 4, 5 (Veth); Apeldoorn, 6
(Leesberg) ; Zutphen (Seipgens).
Amphicyllis globus F. — Type en de var. ferruginea St. bij Gilze-Rijen,
5, Groesbeek, 7, Berg-en-Dal, 7 en Oisterwijk, 7
(Leesberg, Veth en Everts) ; Maarsbergen, 5 (Everts).
Agathidium nigripenne Kugel. — Arnhem, 4 (Veth) ; Loosduinen,
5, op een zwammigen boomstronk (Veth, Leesberg,
v. d. Hoop en Everts); den Haag, 3 (Kempers);
Houthem, 7 (Versluys).
» atrum Payk. — Oisterwijk, 7 (Leesberg en Veth); de
Steeg, 6 (Everts).
» seminulum L. — Berg-en-Dal, 7 (Leesberg); Doorn, 8
(v. d. Poll); Gilze-Rijen, 5 (Veth).
» laevigatum Er. — Overal gemeen.
» marginatum St. — Valkenburg, 7 (Everts); Hoek v. Hol-
land, 5 (Veth).
Cybocephalus politus Gylh. — Heerenveen, 7 (Everts).
Clambus pubescens Redt. — Arnhem, 3 (Veth).
» minutus St. — Arnhem, 4 (Veth).
Ptenidium punctatum Gylh. — Muiden, 4 (v. d. Poll).
Ptilium Kunzei Heer. — Zutphen (Seipgens); Warnsveld, 8 (Groll).
Trichopteryz lata Mots. (gigas Allib.). — Doorn, 6 (v. d. Poll).
» thoracica Waltl. — Arnhem, 7 (Veth).
Ptinella testacea Heer. — Exaeten, 1, onder mos (Wasmann).
Scaphidium quadrimaculatum Oliv. — Apeldoorn, 6 (Leesberg en
Everts); Valkenburg, 7, in een paddestoel (Everts).
Scaphosoma assimile Er. — Overal zeer verbreid,
Platysoma angustatum Hoffm. — Arnhem, 5 (Fokker).
Hister ruficornis Grimm. — Enschede, 7, in paddestoelen (Leesberg).
> purpurascens Hrbst. var. niger Er. — Nootdorp, 6 (Everts);
Breda (Kempers).
» corvinus Germ. — Roosteren, 5 (Verheggen); Dieren, 6
(Leesberg).
106 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Carcinops 14-striata Steph. — Rotterdam (Veth).
Hetaerius ferrugineus Ol. — Arnhem, 5 (Veth); Doorn, 7 (v. d. Poll).
Dendrophilus pygmaeus L. — Overal gemeen bij Formica rufa en
pratensis.
Saprinus immundus Gylh. — Zeist, 7 (d. Vr. v. Doesburgh); St.
Pieter, 7 (Maurissen).
» speculifer Latr. — Amsterdam, 7 (Bolten).
Gnathoncus punctulatus Thoms. — Overal in de duinstreken gevonden.
Myrmetes piceus Payk. — Loosduinen’, 4, 5, gemeen bij Formica
rufa (Everts); Doorn, 7 (v. d. Poll).
Plegaderus vulneratus Panz. — Arnhem, 4,5, achter boomschors
(Veth); Katwijk en Wassenaar, achter dennenschors
(Roelants en Mc. Gillavry).
Onthophilus globulosus Ol. (sulcatus F.). — Bergen-op-Zoom, 5 (Everts).
Omosiphora limbata F. — Arnhem, 4 en Berkel, 7, 8 (Veth);
Bemelen, 9 (Maurissen); Rijswijk, 6 (v. d. Hoop en
Everts).
Epuraea aestiva L. var. bisignata St. — Bunde, 5 en St. Pieter,
5 (Maurissen); Kolhorn, 7, 8 (Dixon); Valken-
burg 7 (Everts).
» longula Er. — Winterswijk, 7 (Fokker en Everts); Wa-
geningen, 7 (Everts); Nijmegen, 8 (Veth); Dieren,
6 (Leesberg).
» pusilla Il. — Komt overal voor.
Amphotis marginata F. — Doorn, 8 en Baexem, 5 (v. d. Poll);
Zutphen (Seipgens); Exaeten (Wasmann); Olden-
zaal (d. Vr. v. Doesburgh).
Meligethes hebes L. — Zeeburg, 8 (Bolten).
» lumbaris St. — Wijlré, op Rubus (Leesberg en Everts);
St. Pieter, 5 (Maurissen); Haaksbergen, 5 (v. d. Poll).
» rubripes Muls. (‚fulvipes Bris.). — Den Haag, 8 (A. C. Oude-
mans); Watergraafsmeer, 5 (v. d. Poll).
» pumilus Er. — Winterswijk, 7 (Everts).
» Brassicae Scop. (aeneus F.), var. coeruleus Mrsh. — Breda
(v. d. Hoop).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 107
Meligethes serripes Gylh. — Muiderberg (Swierstra); Gilze-Rijen , 5
en Oisterwijk, 7 (Everts); Baexem, 5 (v. d. Poll);
Arnhem, 5 (Veth); Putten in Geld. (Huet).
» _ bidens Bris. — Ossendrecht, 7 (Everts); Maastricht en
omstreken, 5, 7 (Maurissen en Everts); Houthem,
1 (Versluys).
» brunnicornis St. — Delden, 7 (Veth).
» _ haemorrhoidalis Forst. — Arnhem, 5 en Delden, 7 (Veth)
» difficilis Heer. — Haarlem, 5 en Arnhem, 6 (Veth) ;
Kralingen, 6 (Dixon); Bemelen, 6 (Maurissen).
» pedicularius Gylh. — Winterswijk, 7 (Everts).
» gagatinus Er. — Maastricht, 7 (Everts); Stadskanaal, 8
(v. d. Poll).
» exilis St. — Den Haag, 6 (Leesberg); Valkenburg, 7
(Everts).
Thalyera fervida Oliv. — Warnsveld, 8 (Groll); Oosterbeek (Roe-
lants); Ossendrecht, 7 en Putten in Geld, (v. d.
Hoop); den Haag, 4, bij Formica rufa (Everts).
Pocadius ferrugineus F. — Komt door het geheele land voor, op
sommige plaatsen niet zeldzaam.
Cychramus luteus F. — Delden, 7 en Oldenzaal, 7, in aantal op
bloeiende Spiraea filipendula (Leesberg, Veth, v. d.
Hoop en Everts).
Cryptarcha imperialis F. — Apeldoorn, 6 (Fokker); Arnhem, 6
(Leesberg).
Ips quadripunctatus Oliv. — Arnhem, 4 (Veth); Laag-Soeren, 6
(Fokker); Nieuwerkerk, 5 (Veth).
» quadripustulatus L. — Steenwijk (Jaspers).
Rhizophagus ferrugineus Payk. — Arnhem, 10 (Veth); Terborgh
(v. d. Poll); Diemen, 5 (Swierstra); Valkenburg,
7 (Leesberg).
» parallelocollis Gylh. — Den Haag (Kempers); Eik-en-duinen,
5, op schedels en doodsbeenderen (Bolten).
Litargus bifasciatus F. — De Steeg, 6, achter eikenschors (Everts);
Gronsveld, 6 (Leesberg).
108 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
%
Tritoma picea F. — Type en var. undulata Mrsh. — Bij Rijswijk ,
5, op plataanzwammen (Leesberg en Everts); Bode-
graven, 6 (Dixon).
Orthocerus (Sarrotrium) mulicus L. (clavicorne L.) — Doorn, 6,
bij Formiea rufa (v. d. Poll); Renkum, 5 (Veth).
Synchitodes crenata F. — Beek , 7 (Leesberg en Veth); Oldenzaal (v.
Doesburgh); Apeldoorn, 6 (Ritsema, Leesberg en Veth);
Vorden, 9 en Boxtel (v. d. Poll); Arnhem, 8 (Veth).
Aglenus brunneus Gylh. — Rotterdam, 6 (Veth); Berkel (Venker).
Cerylon deplanatum Gylh. — Exaeten (Wasmann).
Nausibius dentatus Mrsh. — In groot aantal met de larve in eene
. azijnfabriek te Rotterdam, op den rand der azijn-
kuipen rondloopende, Mei 1890 (Dr. Beijerinck).
Silvanus unidentatus Oliv. — Boxtel (v. d. Poll); Gronsveld, 7
(Veth en Leesberg); Oldenzaal (d. Vr. v. Doesburgh).
» bidentatus F. — Houthem, 7 (Versluys).
» similis Er. — Vorden, 9 (v. d. Poll).
Monotoma angusticollis Gylh. — Doorn, 7 {v. d. Poll); Exaeten,
10 (Wasmann).
» örevicollis Aubé. — Den Haag, 5, in eene broeikas tegen
de ruiten (Everts).
» picipes Hıbst. — Komt overal voor; was o. a. gemeen in
eene broeikas bij den Haag, 6 (Everts).
» longicollis Gylh. — Groesbeek, 7 (Veth); Doorn, 7 (v.d.
Poll); Valkeveen, 8 (Swierstra); Oisterwijk, 7 en
de Steeg, 6, uit rieten daken geklopt (Everts).
Holoparameeus Kunzei Aubé. — Zierikzee, 5, in een morielje
(Fokker).
Anommatus 12-striatus Müll. — Leiden (Me. Gillavry).
Eniemus rugosus Hıbst. — Laag-Soeren, 6 (Fokker); de Steeg,
6, uit een rieten dak geklopt (Everts); Maarsbergen,
5, in eene stofzwam (Kempers en Everts).
Cartodere elongata Curt. — Leiden, 3, 4, op dood hout en op
eene oude dadelmand (Me. Gillavry’.
» ruficollis Mrsh. — Zeer verbreid.
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 109
Cartodere filiformis Gylh. — Maastricht (Maurissen); Exaeten, 3,
in een nest van Vespa crabro (Wasmann) ; Rhoon
(Dixon); Leiden, 4, op dood hout (Me. Gillavry).
Corticaria serrata Payk. — Apeldoorn, 6 en Oisterwijk, 7 (Everts).
Melanophthalma similata Gylh. — Bergen-op-Zoom, 8 en Heerlen,
7 (Everts); Valkenburg, 7 (Veth en Everts).
Telmatophilus Sparganii Ahr. — Arnhem, 8 (Veth).
» Schünherri Gylh. — Den Haag, 5, 6 (Everts en Bolten) ;
Hillegersberg, 4 (Veth en Everts).
Emphylus glaber Gylh. — Doorn, 7, vrij gemeen bij Formica rufa
(v. d. Poll); Oud-Valkeveen, 8 (Swierstra).
Cryptophagus affinis St. — Ossendrecht, 7 (Swierstra); Kolhorn,
8 (Dixon); Hoek v. Holland, 5 (Veth).
> fumatus Mrsh. — Nootdorp, 6 (Everts); Arnhem, 6
(Veth); Laag-Soeren, 6 (Veth en Leesberg).
» badius St. — Roosteren, 6 (Verheggen); den Haag, 5
(Leesberg).
» lapponicus Gylh. — Oldenzaal, 7 (Veth); de Steeg, 6,
uit een rieten dak geklopt (Everts).
» _ villosus Heer. — Lochem en Oldenzaal, 7 (Veth en Everts);
Ede, 7 (Veth).
Atomaria umbrina Gylh. — Arnhem, 4 (Veth).
» elongatula Er. — Arnhem, 4 en Valkenburg, 7 (Veth);
Oisterwijk, 7 (Veth en Everts).
» nigriventris Steph. — Apeldoorn, 6 (Everts).
Triplax russica L. — Oldenzaal, 9 (d. Vr. v. Doesburgh).
Cyrtotriplax bipustulata F. — Arnhem, 4 en Oldenzaal, 7 (Veth);
Apeldoorn, 7 (Leesberg); Maarsbergen, 7 (Kempers
en Everts).
Myrmecoxenus subterraneus Chevr. — Vorden, 8 (v. d. Poll).
Alexia pilifera Müll. — St. Pieter, 4, 5 (Maurissen).
Coccinella distincta Fald. — Bergen-op-Zoom, 7 (Everts); Arnhem,
8 (Veth); Oisterwijk, 6 (Roelofs).
» decempunctata L. var. lutea Rossi. — Zeist (Cool).
Halyzia vigintiguttata L. — Renkum, 10 (Groll).
110 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Scymnus haemorrhoidalis Hrbst. — Dinxperlo (v. d. Poll); Kra-
lingen, 6 (Dixon).
» bipunctatus Kugel. — Doorn, 8, bij Lasius fuliginosus
(v. d. Poll); Delden, 7 (Everts).
» Redtenbacheri Muls. — Zierikzee, 6 (Fokker); Breda
(Heylaerts) ; Loosduinen, 6 (Everts).
Trogoderma versicolor Creutz. — Kralingen, 7 (v. Doesburgh);
Exaeten, 6, bij de nesten van Odynerus parietum
(Wasmann).
Anthrenus Scrophulariae L. — Oisterwijk, 7 (Fokker); Haarlem,
6 (Veth).
Nosodendron fasciculare Oliv. — In aantal aan uitvloeiende boom-
sappen bij Gronsveld, 6 (Leesberg).
Curimus murinus F. — Berg-en-Dal, 7 en Oisterwijk, 7 (Leesberg) ;
Ede, 7, Lienden, 7 en Renkum, 5 (Veth); Arnhem,
5 (Fokker en Veth); St. Pieter, 7 (Maurissen).
Cytilus auricomus Dfts. — Breda, 12 (Bosscha).
Limnichus sericeus Dfts. — Zierikzee, 6 (Fokker).
Aphodius pictus St. — Brummen, 3 (v. Essen).
» scrofa F. — Rotterdam, 5 (Veth).
> tristis Panz. — Zutphen (Seipgens); Apeldoorn, 7 (Everts);
den Haag, 7 (Bolten).
Ammoecius brevis Er. — Steenwijk en Heerenveen (Jaspers); Loos-
duinen, 5 (Veth); Valkeveen, 7 (Swierstra); IJmui-
den, 5 (Oudemans).
Lihyssemus germanus L. — Roermond (Seipgens); Cuyk (ter Haar);
Brummen, 5 (v. Essen); Arnhem, 6 (Veth); Maas-
tricht, 7 (Leesberg en Everts).
Aegialia rufa F. — Exaeten, 10, in een nest van Formica rufa
(Wasmann); Zeeburg, 3 (Versluys).
Odontaeus armiger Scop. — Apeldoorn, 7 (Roelofs en Oudemans);
Valkenburg, 7 (de Heusch).
Trox sabulosus L. — Zeist (v. d. Hoop); Breda (Bosscha); Lochem,
4 (Seipgens); Zutphen, 5 (v. Essen).
Serica holosericea Scop. — Roosteren, 5, in aantal (Verheggen).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. Kt
D
Melolontha Hippocastani F., var. nigripes Comolli, — Baexem,
(v. d. Poll). Op de 100 typische exemplaren komt
wellicht één der varieteit voor.
Anisoplia segetum Hrbst. — Arnhem, 8 (Bolten).
Osmoderma eremita Scop. — Een vertrapt exemplaar bij den Haag,
7 (Bolten).
Gnorimus nobilis L. — Oldenzaal, 7 (v. d. Hoop); Delft (Guicherit) ;
Bunde, 7 (Ritsema, Veth en Everts).
Valgus hemipterus L. — Scheveningen, 5, op het strand aan een
stuk hout (v. d. Hoop).
Anthaxia quadripunctata L. — Oldenzaal (d. Vr. v. Doesburgh).
Agrilus pannonicus Piller. — Arnhem, 7 (Veth); Groenlo, (Roe-
lants) ; Berg-en-Dal (Peters) ; Valkenburg (de Heusch).
» sinuatus Oliv. — Valkenburg, 7 (Veth); Scheveningen,
6 (Bolten).
» coeruleus Rossi. — Enschede, 7 (Everts); Valkenburg, 7
(v. d. Hoop); Hoog-Soeren, 6 (Ritsema, Veth en
Everts); Venlo (v. d. Brandt).
» laticornis I. — Valkenburg, 7 (v. d. Hoop); Venlo
(v. d. Brandt).
» olivicolor Kiesw. — Valkenburg, 7 (v. d. Hoop); Venlo
(v. d. Brandt).
Trixagus carinifrons Bonv. — Valkenburg, 7 (v. d. Hoop).
Elater sanguineus L. — Den Haag, 6 (Everts); Exaeten, 4 (Was-
mann); Putten, 6 (J. Th. Oudemans); Odoorn, 8
(Sillevis).
» sanguinolentus Schrk. — Gilze-Rijen, 5 (v. d. Hoop); Exaeten,
6 (Wasmann); Veessen, 8 (G. Backer). De var.
ephippium Oliv. Blijenbeek, 5, 6 (Wasmann).
» crocatus Lac. — Blijenbeek, 5 (Wasmann).
Cardiophorus ruficollis L. — Blijenbeek, 5 (Wasmann) ; Maastricht
(de Heusch).
» nigerrimus Er. — Brummen, 5 (v. Essen).
» Equiseti Hrbst. — Blijenbeek (Wasmann).
Limonius pilosus Leske. — Zutphen (Seipgens) ; Heerenveen (Jaspers).
112 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Limonius minutus L. — Warnsveld, 6 (Groll).
» parvulus Panz. — Arnhem, 8 (Bolten).
Athous rhombeus Oliv. — Roosteren, 7 (Verheggen); Bunde, 7
(Groll); Bemelen, 7, 8 (Maurissen).
» subfuseus Müll. — Eenmaal bij den Haag, 5 (Everts).
> quercus Gylh. — Arnhem, 5 (Veth) ; Gilze-Rijen, 5
(Leesberg).
Corymbites nigricornis Panz. — Roosteren, 6 (Verheggen); Maars-
bergen, 5 (Everts).
» cinctus Payk. — Arnhem, 6 (Veth); Exaeten, 5 (Was-
mann).
Agriotes sobrinus Kiesw. — Arnhem, 5 (Veth).
» pallidulus Ill. — Eenmaal bij den Haag (Everts); komt
overigens meer in de heidestreken voor.
Helodes minutus L. — Oldenzaal, 7 (Veth).
Microcara testacea L. var. obscura Steph. — Delden, 7 en Rotter-
dam (Veth); Heerenveen (Jaspers).
Cyphon coarctatus Payk. var. palustris Thoms. — Valkenburg en
Wijlré, 7 (Leesberg en Everts).
» Paykulli Guér. (nitidulus Thoms.). — Maarsbergen, 5
(Kempers); Brummen, 6 (Everts).
» pallidulus Bohem. — Zeer verbreid in de grensprovincién,
op Spiraea’s.
Prionocyphon serricornis Müll. — Kralingen, 8 (Dixon).
Lygistopterus sanguineus L. — Oldenzaal (v. Doesburgh en v. d. Hoop).
Silis ruficollis F. — Nijmegen, 7 (Nierstrasz).
Malthinus fusciatus Oliv. — Oldenzaal en Delden, 7 (Everts);
Maastricht en omstreken gemeen.
Malthodes guttifer Kiesw. — Oldenzaal, 7 (Roelofs); Enschede,
7 (Leesberg).
» _ mysticus Kiesw. — Arnhem, 7 (Veth); Maastricht en om-
streken (Veth en Everts).
» brevicollis Payk. — Maarsbergen, 5 (Everts).
Axinotarsus marginalis Lap. — Zeer verbreid in de grensprovincien.
Ebacus thoracicus Fourer. — Oisterwijk, 7 (Leesberg).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 113
Dolichosoma lineare Rossi. — Lochem, 7 (Leesberg); Driebergen (Sıx).
Cleroides quadrimaculatus Schall. — Bunde, 7 (Schols).
Neerobia ruficollis F. — In allerlei ingevoerde handelswaren.
» rufipes de Geer. — Als voren.
Anobium nitidum Hrbst. — Breda, 6 (Heylaerts); Berg-en-Dal, 7
(Everts).
» fulvicorne St. — Arnhem, 6 (Veth); in de omstreken
van Maastricht gemeen op Crataegus.
Xestobium plumbeum Ml. — Winterswijk, 5 (v. d. Poll),
Ernobius Abietis F. — Bergen-op-Zoom, 7 (Groll); Lochem, 7
(Everts); Laag-Soeren, 6 (Kempers).
» Pimi St. — Den Haag, 5 (Everts); Blijenbeek, 5, uit
harsgallen (Wasmann); St. Pieter, 6 (Maurissen).
» nigrinus St. — Gilze-Rijen, 5 (Snellen en Veth); Arnhem,
8 (Huet).
Ochina Hederae Müll. — Delden, 7 (v. d. Hoop).
Xyletinus laticollis Dfts. — Apeldoorn, 6 (Everts).
Coenocara Bovistae Hoffm. — Oldenzaal, 7 (Leesberg).
» affinis St. — Oldenzaal, 7 (Leesberg); Delden, 7 (v. d. Hoop);
Groesbeek, 7 (Fokker); Doetichem, 7 (Versluys).
Sphindus dubius Gylh. — Maarsbergen, 5 (Kempers en Everts).
Aspidiphorus orbieulatus Gylh. — Doorn, 7 (v. d. Poll); Apeldoorn,
6 (Leesberg); Arnhem, 5, 7 (Veth); Exaeten, 6
(Wasmann).
Cis villosulus Mrsh. — Arnhem, 4, 7, 12 (Veth); den Haag,
5, 6 (Bolten).
» micans F. — Oud-Valkeveen, 5 (v. d. Poll).
» castaneus Mellié. — Loosduinen, 5 (Veth).
» festivus Panz. — Lienden, 8 (Veth); Gronsveld, 8 (Leesberg).
Rhopalodontus ‚fronticornis Panz. — Door het geheele land verbreid,
Ennearthron cornutum Gylh. — Lienden, 7, 8 (Veth).
Heledona agaricicola Hrbst. — Roosteren , 6 (Verheggen) ; Meerssen, 7
(Everts); Maastricht, 7 (Schols); Gronsveld, 6 (Leesberg).
Diaperis Boleti L. — Roosteren, 5, 6 (Verheggen); Gronsveld, 6,
type en var. (Leesberg); Arnhem (A. C. Oudemans).
Tijdschr. v. Entom. XXXVI. 8
114 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Scaphidema metallicum F. — St. Pieter, 6 (Maurissen).
Gnathocerus cornutus F. — In een stuk brood (A. C. Oudemans).
Corticeus linearis F. — Ede, 7 (Leesberg); Maarsbergen, 7 (Lees-
berg en Kempers).
Alphitobius mauritanicus F. — Amsterdam (Seipgens).
Cistela ceramboides L. — Oldenzaal, 7 (Fokker); Apeldoorn, 6
(Leesberg); St. Pieter, 6 (Maurissen).
» _ rufipes F. — Amsterdam, 7 (Bolten).
» _ murina F. var. maura F. — Valkenburg, 7 (Dixon).
Lagria atripes Muls. — Velsen (Jaspers).
Orchesia picea Hrbst. — Loosduinen, 5—9, in groot aantal uit
boomzwammen van een dooden abeel (Veth en
Everts); Breda, 6 (Veth).
Hallomenus binotatus Quens. — Den Haag, 6 (Kempers).
Abdera triguttata Gylh. — Oldenzaal, Lochem en Delden, 7, achter
schors van oude dennenpalen (Leesberg, Veth, v. d.
Hoop en Everts); Bergen-op-Zoom, 5 en Laag-Soe-
ren, 6 (Everts); Arnhem, 6 (v. d. Hoop); Hoog-
Soeren, 6 (Fokker en Everts).
Conopalpus testaceus Oliv. — Den Haag, 5, uit eikenhout ge-
kweekt (Kempers).
Euglenus Boleti Mrsh. — Maastricht, 9 (Maurissen).
Anthicus flavipes Panz. — Loosduinen, 5 (Bolten).
Mordellistena abdominalis F. — Berkel, 7 (Veth); Warnsveld, 6
(Groll); Valkenburg (de Heusch).
» brunnea F. — Delden, 7 (Leesberg); Berkel, 6 (Dixon).
» lateralis Oliv. — Delden, 7 (Veth en Everts).
» parvula Gylh. — Gronsveld, 7 (Everts); Zierikzee, 6
(Fokker); Houthem, 7 (Versluys).
Anaspis varians Muls. — Breda, 7 (Bosscha).
Lytta vesicatoria L. — Meerssen, 7 (Maurissen).
Ischnomera coerulea L. — Arnhem, 4 (Veth).
Salpingus aeneus Steph. — Asselt, 6 (Leesberg).
Brachyrrhinus scabrosus Mrsh. — Breda, 8 (Bosscha); Arnhem
(Wartmann).
SCHILDVLEUGELIGE ÍNSECTEN. 115
Brachyrrhinus ligneus Oliv. — Cuyk (ter Haar).
» Jägustiei L. — Tiel (Guicherit); Hoek van Holland, 5
(Dixon).
Caenopsis fissirostris Walton. — De Steeg, 6 en Berg-en-Dal, 7
(Leesberg en Everts); Breda, 6 (Veth).
» Waltoni Boh. — Berg-en-Dal, 7, Groesbeek, 7, Gilze-
Rijen, 5, onder dorre beukenbladeren (Leesberg ,
Veth, v. d. Hoop en Everts); de Steeg, 6 (Everts);
Oisterwijk, 7 en Valkenburg, 7 (Veth).
Trachyphloeus spinimanus Germ. — Zierikzee, 8 (Fokker).
» scabriculus L. — Ook bij Formiea rufa gevonden.
» scaber L. — Apeldoorn, 6 (Groll); Enschedé, 7 (Leesberg) ;
Groesbeek, 7 (Veth); Guyk (ter Haar); Maastricht,
7, in leemkuilen (Maurissen en Everts).
» aristatus Gylh. — Oldenzaal, 7 (Leesberg); Maastricht,
7, in leemkuilen (Everts).
» Olivieri Bedel. — Maastricht en Valkenburg, 7, in leem-
kuilen (Leesberg en Everts).
Exomias pellucidus Boh. — Kralingen, 6, 7 (Dixon).
.» araneiformis Schrk. — Ede, 7 (Leesberg); Berg-en-Dal, 7
(Veth en Everts); den Haag (v. Essen); Rotterdam,
6 (Veth); Brummen en Laag-Soeren gemeen.
Brachysomus echinatus Bonsd. — Arnhem, 5 (Veth); Brummen,
6 (Everts).
Strophosomus capitatus de G. — Schadelijk aan jonge dennen.
» eurvipes Thoms. — Verbreid in Gelderland.
» retusus Mrsh. — Heerlen, 7 (Everts).
Barypithes tener Boh. — Gemeen onder dorre beukenbladeren bij
Berg-en-Dal en Groesbeek (Leesberg, Veth en Everts);
zeer gemeen bij Doorn, 6, 7, in de nesten van
Formica rufa en Lasius fuliginosus (v. d. Poll).
Polydrosus tereticollis de G. (undatus F.). — Winterswijk (v. d.
Poll); Heerlen, 7 (Everts).
» atomarius Oliv. — Oldenzaal, 7, Maarsbergen, 5, Laag-
Soeren, 6 (Veth en Everts); Apeldoorn, 6 (Everts),
116 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Phyllobius sinuatus F. — Gemeen bij Maastricht en omstreken.
Sitona longicollis Fährs. — Den Haag, 4 (Everts).
» suturalis Steph. — Dussen, 8 en Valkenburg, 7 (Everts).
» Waterhousei Walton. — Roosteren, 5 (Verheggen).
» cambricus Steph. — Warnsveld, 9, 10 (Groll); Heeren-
veen en Steenwijk (Jaspers).
» _ puncticollis Steph. — Niet zeldzaam, vooral op Trifolium
pratense.
» gemellatus Gylh. — Winterswijk (v. d. Poll); Heerlen, 7
(Everts); Valkenburg, 7, 8 (Veth, Leesberg, Dixon
en Everts).
» Ononidis Sharp. — Dussen, 5 en Valkenburg, 7 (Everts);
Breda, 6 (Leesberg).
Gronops lunatus F. — Heerenveen en Steenwijk (Jaspers).
Hypera meles F. — Arnhem, 4 (de Rooij); Echt, 5 (Verheggen).
» Pastinacae Rossi, var. tigrina Boh. — Katwijk (Roelants).
Limobius borealis Payk. — Valkenburg, 7 (Leesberg).
Mecaspis nebulosa L. — Heerenveen (Jaspers).
» turbata Fährs. — Steenwijk (Jaspers); Arnhem, 5 (Veth);
Enschedé (Seipgens).
reus sanguineus Rossi. — De larve in Leontodon autumnale,
Zandvoort, 5 (v. d. Poll).
» cylindrieus Hrbst. (Bardanae F.). — Vlijmen, op rabarber
(Ritzema Bos).
» bicolor Oliv. — Onder zoden van Zrodium cicutarium.
Rhinocyllus conicus Fröhl. — Gronsveld, 6 (Leesberg).
Lepyrus capucinus Schall. — Gemeen bij Heerenveen en Steenwijk
(Jaspers).
Curculio transversovittatus Goeze. — Brummen, 7 (v. Essen); Putten,
7 (Oudemans); Groenlo (Roelants).
Liparus coronatus Goeze. — Valkenburg, 7 (Huet).
Plinthus caliginosus F. — Gronsveld, 8 (Leesberg).
Liosoma deflecum Panz. — Bij Maastricht in leemkuilen, 7 (Everts).
Hydronomus (Bagous) elegans F. — Meermalen bij Leiden, 5, aan-
getroffen (Bolten en Me. Gillavry)); Watergraafs-
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 117
meerpolder, 6 (Versluys). — De kever verlaat in
Juli de voedingsplant, overwintert na de copulatie
in de modder en legt het volgende voorjaar eieren
in de onderste internodién van riet. Elke larve be-
woont een internodium voor zich zelve. Is het water
diep genoeg, dan leven drie of meer larven in een
halm, echter slechts in de onder water zich bevin-
dende internodiën. De quantiteit regelt zich dus naar
den waterrijkdom van het jaar, In droge zomers gaan
vele larven dood in de boven het water zijnde in-
ternodiën. De larve verpopt in den halm en levert
meestal in het midden van Juli den kever, die tegen
het einde der maand den halm doorvreet. Men vindt
dan den kever bij het uittrekken van den halm
onder water. Het best is den halm in het begin van
Juli te splijten.
Hydronomus binodulus Hrbst. — Dussen, 5 (Everts); Laag-Soeren ,
»
6 (Versluys).
nodulosus Gylh. — Leiderdorp, 6 (Jacobs).
» lutulosus Gylh. — Warnsveld, 8 (Groll); Berg-en-Dal,
7 (Everts).
» tempestivus Hrbst. — Hillegersberg, 3 (Leesberg); Dussen,
5 (Everts).
» limosus Gylh. — Rotterdam, 6 (Veth); Hillegersberg, 3
(v. d. Hoop); Bergen-op-Zoom, 7 (Leesberg).
» glabrirostris Hrbst. — Dussen, 5 (Everts). De var. xigri-
tarsis Thoms, Bergen-op-Zoom, 6 (Leesberg).
Smicronya politus Boh. — Leeft op Cuscuta europaea.
Orthochaetes insignis Aubé. — Katwijk (Me. Gillavry).
Pseudostyphlus Pilumnus Gylh. — Roosteren, 5 (Verheggen);
Leiden, 5 (Bolten).
Grypidius brunneirostris F. — Roosteren, 5 (Verheggen); Win-
terswijk, 5 (v. d. Poll); Steenwijk, 7 (Everts).
Thryogenes Nereis Payk. — Verbreid door de geheele provincie
Zuidholland,
118 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Thryogenes scirrhosus Gylh. — Zeer zeldzaam. Den Haag, 5 (Leesberg).
Dorytomus tortria L. — Zeer verbreid.
» Dejeani Faust. — Niet zeldzaam op wilgen en populieren.
» _ taeniatus F. (maculatus Mrsh., bituberculatus Zett., Silber-
manni Wenck,, costirostris Gylh. pars). — Verbreid
op Salix caprea.
» pecloralis Gylh. (non Panz.). — Haarlem, 7 (Veth);
Valkenburg, 7 en Gronsveld, 8 (Leesberg); Nuth,
7 (Maurissen).
Elleschus scanicus Payk. — Bij Valkenburg, 7, uit Crataegus ge
klopt (Veth en Everts).
Acalyptus Carpini F. — Putten, 4, in wilgenkatjes (J. Th. Oude-
mans); Exaeten (Wasmann).
Rhynchaenus (Orchestes) ferrugineus Mrsh. -— Velsen (Jaspers);
den Haag, 5, 6, 8 (Bolten).
» usci Hrbst. — Verbreid door het geheele land.
» Avellanae Donov. — Lochem, 7 (Leesberg); Groesbeek ,
7 (Fokker).
Anthonomus Pyri Boh. (cinctus Redt). — Rijswijk, 7 (Everts) ;
Scheveningen, 6 (Bolten); Dieren, 6 (Leesberg).
» Rosinae Des Gozis. — Valkenburg, 7 (Everts).
» Aumeralis Panz, — Arnhem (Wartmann); Venlo (v.d. Brandt).
Magdalis memnonia Fald. — Arnhem, 8 (Veth en Huet); Waals-
dorp, 5 (Kempers); Bennekom, 8 (Veth); Venlo
(v. d. Brandt).
» phlegmatica Hrbst. — Maarsbergen, 5 (Everts).
» duplicata Germ. — Zutphen (Seipgens); Gilze-Rijen, 5
(Leesberg); Oosterbeek, 6 (Snellen); St. Oedenrode,
7 (Veth); Laag-Soeren, 6 (Kempers en Everts);
Maarsbergen, 5 (Everts).
» .frontalis Gylh. — Gilze-Rijen, 5 (Everts); Doorn, 5 (Veth).
» _ violacea L. — Steenwijk (Jaspers); de Bilt, 7 (Dixon).
» carbonaria L. — Arnhem, 5 (Veth).
» barbicornis Latr. — Delden, 7 (Veth en Everts); Bode-
graven, 6 (Dixon); Venlo (v. d. Brandt); St. Pieter,
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 119
5 (Maurissen); Amersfoort, 5 (v. d. Hoop); Gilze-
Rijen, 5 (Veth).
Acalles ptinoides Mrsh. — Valkenburg, 7 (Veth).
Meeinus janthinus Germ. — Roosteren, 5, 6 (Verheggen).
Gymnetron villosulum Gylh. — Warnsveld, 9 (Groll); Arnhem,
5 (Veth).
» collinum Gylh. — St. Pieter, 5, 7 (Maurissen).
» Linariae Panz. — Wassenaar, 6 (Jacobs); Valkenburg,
6 en St. Pieter, 5 (Maurissen en Leesberg).
Tychius polylineatus Germ. — Katwijk, 7 (Groll, Roelants en
Me. Gillavry); Houthem, 7 (Versluys).
» junceus Reiche. — Zierikzee, 7 (Fokker); Valkenburg ,
7 (Veth, Leesberg, Fokker en Everts).
» haematopus Gylh. — Dussen, 5 (Everts).
Sibinia Viscariae Li. — Doesburg, 7 (v. d. Poll); Warnsveld, 7 (Groll).
Cionus Solani F. — St. Pieter, 5, 6 (Maurissen).
Mononychus punetum-album Hrbst. — Zutphen (Seipgens).
Ceutorrhynchus (Coeliodes) trifasciatus Bach. — Exaeten (Wasmann);
Oldenzaal, 7 (Roelofs en Everts); Apeldoorn, 6
(Everts); Arnhem, 6, 7 (Veth).
» (Cnemogenus) Epilobii Payk.—Heerlen, 7 (Leesberg enEverts).
» (Ceutorrhynchidius) frontalis Bris. — Dussen, 8 (Everts);
Valkenburg, 7 en Bunde, 7 (Veth en Everts).
» terminatus Hrbst. — Valkenburg, 7 (Everts); Katwijk
(Roelants).
» melanarius Steph. — Arnhem, 6 (Veth); Wijlré, 7 (Everts).
>» pyrrhorhynchus Mrsh. — Steenwijk (Everts); Kralingen,
6 (Dixon); Rotterdam (Veth).
» _ (Ceutorrhynchus i. sp.) suturalis F. — Leiden (Seipgens);
Gronsveld, 6 (Leesberg).
» Querceti Gylh. — Scheveningen, 6, gemeen op Nasturtium
palustre (Everts).
» syrites Germ. — Warnsveld, 6, 7, op Huttentut (Groll);
de Steeg, 6 (Everts).
» setosus Boh. — Arnhem, 5 (Veth); Stadskanaal, 8 (v. d, Poll).
120 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Ceutorrhynchus constrictus Mrsh. — Valkenburg, 7 (Leesberg);
Arnhem, 5 (Veth); Kralingen, 7 (Dixon); Maas-
tricht, 7 (Maurissen, Schols en Everts).
» _ rugulosus Hrbst. — St. Pieter, 6 en Bunde, 5 (Maurissen).
» melanostictus Mrsh. — Valkenburg, 7 (Leesberg); Warns-
veld, 8 (Groll).
» punctiger Gylh. — Maastricht, 7 en Wijlré, 7 (Everts).
» Alliariae Bris. — Nijmegen (ter Haar).
» hirtulus Germ. — Vogelenzang, 8 (Leesberg); Groesbeek,
7 (Everts); Rotterdam, 4 (Veth).
» (Tapinotus) sellatus F. — Doesburg, 7 (v. d. Poll) ; Maastricht
(de Heusch).
Amalus (Rhinoncus) albieinetus Gylh. — Brummen, 10 (v. Essen).
» (Amalus i. sp.) scortillum Hrbst. — Kolhorn, 5 (Dixon);
Diemen, 6 (v. d. Poll).
» (Pachyrrhinus) quadrinodosus Gylh. — Exaeten (Wasmann);
Doesburg, 7 (v. d. Poll).
» quadricornis Gylh. — Verbreid door het geheele land.
» (Litodactylus) leucogaster Mrsh. — Verbreid, doch overal
vrij zeldzaam.
» _ canaliculatus Schh. — Bunde, 7 (Maurissen) ; Utrecht
(Six); den Haag, 5 (Everts); Warnsveld, 7 (Groll).
- » Walloni Boh. — Breda (Heylaerts); Bunde, 7 (Groll).
» Comari Hrbst. — Verbreid door het geheele land.
» (Phytobius) velatus Beck. — Rotterdam (v. d. Hoop).
Baris chlorizans Germ. — Cuyk, 5 (v. d. Poll).
Orobitis cyaneus L. — Putten (Geld.), 7 (v. d. Hoop); Valken-
burg, 7 (Veth).
Balaninus pellitus Boh. — Cuyk (Everts).
» nucum L. — Tiel en Zutphen (Seipgens); Berg-en-Dal,
7 (Veth); gemeen bij Valkenburg, 7 (Everts).
» villosus F. — Ontwikkelt zich in de sappige gallen van
Teras terminalis, waaruit de kever in het begin van
Juli te voorschijn komt.
» rubidus Gylh. — Putten in Geld. (J. Th. Oudemans).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 121
Cossonus linearis F. (parallelopipedus Hrbst.). — Rotterdam, 7
(Veth en Dixon); Zutphen (Seipgens); Cuyk (ter
Haar); St. Pieter, 6 (Maurissen).
» cylindricus Sahlb. — Valkenburg (de Heusch).
Rhyncholus planirostris Panz. (elongatus Gylh.). — Berkel, 5 (Veth).
» truncorum Germ. — Arnhem (v. d. Hoop); Bemelen, 7
(Maurissen).
Codiosoma spadix Hrbst. — Zeist, 6 (v. d. Hoop); Zierikzee, 1—5,
gemeen in perkoenpalen (Fokker); zie Tijdschr. v.
Entom. XXXII, blz. 418.
Apion cerdo Gerst. — Verbreid door het geheele land.
» _ penetrans Germ. — Aalten (v. d. Poll).
» _ confluens Kirby. — Bunde, 7 (Everts).
» stolidum Germ. — Valkenburg, 7 en Bunde, 7 (Everts).
» brunnipes Boh. — Oisterwijk, 7, beide sexen (Veth en Everts).
» vicinum Kirby. — Arnhem, 9 (Veth).
» Hookeri Kirby. — Soest, 7 (Everts); Cuyk, 8, Arnhem,
7, 8 en Baarn, 7 (Veth); Valkenburg, 7 (Veth, Lees-
berg en Everts).
» difficile Hrbst. — Warnsveld, 7 (Groll).
» Genistae Kirby. — Hoog-Soeren, 6 (Roelofs).
» pallipes Kirby. — Valkenburg, 7 (Everts).
» dispar Germar. — Zeist, 7 en Nijmegen, 8 (Veth).
» diforme Ahr. — Valkenburg, 7 (Everts).
» filirostre Kirby. — Baarn, 7 (Everts).
» Zacvigatum Payk.—Berg-en-Dal, 7 en Groesbeek, 7 (Everts);
Valkenburg en Gronsveld, 7 (Leesberg, Veth en
Everts).
» Meliloti Kirby. — Langs de Maas bij Maastricht, 7, ge-
meen op Melilotus officinalis (Leesberg en Everts).
» frumentarium L. var. cruentatum Walton. — Scheveningen,
4, Apeldoorn, 6 en Breda, 8 (Everls); Giessendam,
(ter Haar); Valkenburg, 7 (Everts).
Byetiscus (Rhynchites pars) Populi L. — Zeer verbreid in Gelder-
land en Limburg.
122 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE :
Lthynchites auratus Scop. — Oldenzaal, 8 (d. Vr. v. Doesburgh) ;
Valkenburg, 7 (Everts).
» Bacchus L. — Putten in Geld., 8 (J. Th. Oudemans).
» paucillus Germ, — Leeft op Mespilus germanica.
» cupreus L. — Leeft ook op Sorbus en Pyrus malus.
» comicus Ill. -— Leeft ook op Pyrus communis. — Valken-
burg, 7 (de Heusch en Everts).
» tomentosus Gylh. — Warnsveld, 7 (Groll); Gilze-Rijen ,
5 (Veth); Bunde, 7 (Everts); St. Pieter, 6 (Maurissen).
» pubescens F. — Valkenburg, 7 (de Heusch); Putten in
Geld., 6 (J. Th. Oudemans).
Deporaüs (Rhynchites pars) megacephalus Germ. — Verbreid door
het geheele land.
Rhinomacer attelaboides F. — Overal gemeen op bloeiende dennen.
Doedycorrhynchus austriacus Oliv. — Loosduinen, 4, op een afge-
vallen dennentak (Everts).
Urodon rufipes Oliv. — Hoog-Keppel (Springer) ; den Haag (Peters).
Tropideres niveirostris F. — Op Prunus spinosa, Valkenburg ,
7 (Leesberg).
» sepicola F. — Breda (Kempers).
Hylastes cunicularis Er. — Oisterwijk, 7 (Everts).
» opacus Er. — Cuyk (ter Haar).
Hylesinus crenatus F. — Valkenburg en Gronsveld, 7 (Veth en Everts).
» oleiperda F. — Valkenburg, 7 (Everts).
Scolytus pygmaeus F. — Oud-Vroenhoven, 7 (Schols).
» Pruni Ratz. — Maastricht, 7 (Maurissen).
» wtricatus Ratz. — Apeldoorn, 6 (Leesberg en Everts);
Arnhem (v. d. Hoop).
» rugulosus Ratz. — Driebergen, 7 (v. d. Poll); Valken-
burg, 7 (Everts).
» multistriatus Mrsh. — Wijlré ,7 (Everts); Doetichem (Veth).
Crypturgus pusillus Gylh. --- Oldenzaal (d. Vr. v. Doesburgh);
Warnsveld, 9 (Groll); Hattem, 9 (Roelofs).
Glyptoderes asperatus Gylh. — Zierikzee, 5 (Fokker); Valkeveen,
8 (Swierstra); den Haag, 5 (Groll),
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 123
Cryphalus Abietis Ratz. — Loosduinen, 5, gemeen op dorre
dennentakken (Everts en Bolten).
Xylocleptes bispinus Dfts. — Leeft in dorre takken van Clematis
vitalba en andere soorten van dit geslacht; Grons-
veld, 8 (Leesberg).
Tomicus sexdentatus Boerner. — Rotterdam, in huis (Snellen);
Amersfooit (v. d. Hoop); Oldenzaal (d. Vr. v.
Doesburgh).
» suturalis Gylh. — Leiderdorp, 6 (Jacobs); Kralingen, 5
en Apeldoorn, 7 (Veth); Delden, 7 (Everts).
» curvidens Germ. — Leiden, 3, in heipalen (Me. Gillavry).
Dryocoetes autographus Ratz. — Enschedé, in aantal achter schors
van een gevelden Pinus abies (Leesberg en Everts).
» villosus F. — De Steeg, 6, achter eikenschors (Leesberg
en Everts).
Xyleborus dispar F. — Den Haag, 7 (Kempers en Bolten); Val-
kenburg (de Heusch); Heerenveen (Jaspers); Apel-
doorn (de Vos t. N. Cappel).
Bruchus Acaciae Gylh. — Uit Divi-divi.
» _ rufipes Hrbst. — Zutphen (Seipgens); de Steeg, 6 (Everts),
» atomarius L. — Lienden, 7 (Veth); Maastricht en om-
streken, 7 (Maurissen, Veth, Huet en Everts).
Stenocorus sycophanta Schrk. (mordax F.). — Hoog-Soeren, 7
(Ritsema, Veth en Everts).
» mordax de Geer (inquisitor F.). — Hoog-Soeren, 6 (Groll) ;
Assen (ter Haar); Steenwijk, 5 (Jaspers); Nijmegen ,
7 (Nierstrasz).
Acmacops collaris L. — Zutphen, 7 (v. Essen); Warnsveld, 7 (Groll);
Putten in Geld., 6 (J. Th. Oudemans) ; Voorst (Seip-
gens); Dieren, 8 en Laag-Soeren, 6 (v. d, Hoop).
Leptura (Alosterna) chrysomeloides Schrk. — Delden, 7, op
bloeiende Spiraea filipendula (Leesberg, v. d. Hoop
en Everts); Valkenburg, 6 (Leesberg).
» (Stenura) revestita L. — Wijck, 5 (Schals) ; Roermond
(Seipgens).
124 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Leptura nigra L. — Oldenzaal, 7 (Groll, v. Doesburgh en Everts).
» (Sérangalia) attenuata L. — Oisterwijk, 7, op Spiraea
filipendula (Neth, Leesberg en Everts); Roosteren ,
7 (Verheggen).
Molorchus minor L. — Rijswijk, 6 (Leesberg); Delden, 7 (Lees-
berg en Veth); Lisse (Mc. Gillavry).
» minimus Scop. (umbellatarum L.). — Valkenburg, 6
(Leesberg).
Criocephalus rusticus L. — Oldenzaal, 7 (Ritsema); Steenwijk
(Jaspers); Delft, 7 (Nierstrasz); den Haag (Gl.
Kamperdijk).
» epibata Schiödte. — Zutphen (Seipgens); Scheveningen
(Gevers Leuven); den Haag, 6 (Sillevis).
Callidium variabile L., var. fennicum L. — Venlo (v. d. Brandt).
» Zividum Rossi. — Rotterdam (Veth).
Rhopalopus elavipes F. — Zutphen (v. d. Hoop).
Clytus arvicola Oliv. — Cuyk, 7 (Snellen); St. Pieter, 7 (Schols);
Valkenburg, 8 (Dixon).
Anaglyptus mysticus L. — Rotterdam (v. d. Hoop).
Cerambyx cerdo L. (heros Scop.). — Venlo, 4, in een hout-
magazijn (v. d. Brandt).
» Scopoli Füss. (cerdo Scop.). — Oldenzaal (d. Vr. v.
Doesburgh).
Pogonochaerus fasciculatus de Geer. — Loosduinen, 3, 4, 5, niet
zeldzaam op afgevallen dennentakken (Everts); Gilze-
Rijen, 5 en Maarsbergen, 5 (Everts); Ede, 7 (Lees-
berg, Veth en Everts); Apeldoorn (de Vos t. N. Cappel).
» _ decoratus Fairm. — Arnhem, 5, 7 (Veth en Fokker);
Apeldoorn (de Vos t. N. Cappel).
Monochammus sutor F. — Wolfhezen, 3 (Nierstrasz); Scheve-
ningen, op de sport-lentoonstelling 1892, waar-
schijnlijk uit hout (v. Lokhorst).
Mesosa nebulosa F. (nubila Oliv.) — Aerdenhout, 6, op beuken (H. Veen),
Agapanthia lincatocollis Don. (angusticollis F.). — Vlissingen
(v. d. Hoop).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 125
Stenostola ‚ferrea Schrk. — Bemelen, 6 (Maurissen).
Phytoecia nigricornis F. — St. Pieter, 7 (Everts).
» _ virescens F. — Oud-Vroenhoven, 6 (Schols).
Haemonia appendieulata Panz. (Equiseti F.). — Utrecht , 8 (H.Veen).
» Zosterae F. — Zeeburg bij Amsterdam, 6, in aantal
(Drescher en Versluys).
Donacia obscura Gylh. — Dussen, 5 (Everts).
» thalassina Germ. —- Overveen, 6, gemeen (Groll, Veth, Lees-
berg en Everts); Exaeten en Blijenbeek, 5 (Wasmann).
» impressa Payk. — Dussen, 5 (Everts); Exaeten, 6
(Wasmann); Overveen, 6 (Veth).
» cinerea Hrbst. — Dussen, 5 (Everts).
» tomentosa Ahr. — Soeterwoude, 6 (Jacobs).
Plateumaris consimilis Schrk. — Apeldoorn, 6 (Leesberg, Veth,
Roelofs en Everts).
» rustica Kunze. — Dussen, 5 (Everts).
Zeugophora scutellaris Suffr. — Warnsveld, 10 (Groll).
Lema cyanella L. (puncticollis Curt.). — Arnhem, 5, 8 (Veth);
Haren in Gron., 7 (Swierstra); Valkenburg, 7 en
Bunde (Maurissen en Everts).
» septentrionis Weise. — Gilze-Rijen, 5 (Everts); den
Haag, 12 (Kempers).
Crioceris merdigera L. (brunnea F.). — Hilversum (v. Doesburgh);
Valkenburg, 7 (Groll).
Labidostomis longimana L. — Wijlré, 7, gemeen op gras (Veth en
Everts); Bunde, 7 (Snellen) ; Houthem, 7 (Versluys).
Clythra laeviuseula Ratz. — Arnhem (Oudemans).
Cryptocephalus octopunctatus Scop. — Roosteren, 6 (Verheggen) ;
Valkenburg, 7 (Everts).
» sexpunctatus L. — Gilze-Rijen, 5 (Leesberg); Maars-
bergen, 5 (Everts).
» biguttatus Scop. — Groesbeek, 7 (Fokker); Nuth, 6
(Maurissen) ; Limburg (Wasmann).
» aureolus Suffr. — Zeer verbreid in de grensprovinciën.
» _ parvulus Müll. — Als voren,
126 NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERLANDSCHE
Cryptocephalus decemmaculatus L., var. Barbareae L. — Oisterwijk
(Veth).
» bilineatus L. — Zierikzee, 7 (Fokker).
» rufipes F. — Overveen, 6 (Veth en v. d. Hoop).
Adoxus obscurus L. — Heerlen, 7 (Leesberg en Everts).
Colaphus Sophiae Schall. — Loosduinen, 5 (Bolten); Steenwijk (Jas-
pers); Brummen (v. Essen); Maastricht (de Heusch).
Chrysomela marginalis Dfts. — In zandige streken. St. Pieter,
8 (Maurissen).
» brunsvicensis Grav. — Exaeten (Wasmann); St. Pieter,
12 (Maurissen).
» geminata Payk. — Maastricht en omstreken, 6, 7, 9,
10 (Maurissen en Schols).
» cerealis L. — Valkenburg (Veth, Seipgens, v. d. Hoop
en Dixon); Gronsveld, 8 (Leesberg).
» coerulans Scriba. — Wageningen (Peters); Driel, 8 (Backer).
Phytodecta viminalis L. — Putten, 7 (J. Th. Oudemans); Maas-
tricht en omstreken (Maurissen , Leesberg en Everts).
Phyllodecta vulgatissima L., var. aestwa Weise. — Scheveningen,
7 (Barger).
» _ laticollis Suffr. — Berg-en-Dal, 7 (Veth); Valkenburg,
7 (Veth en Leesberg); Steenwijk, 7 (Everts).
» atrovirens Cornelius. — Oldenzaal, 7 (Everts); Valken-
burg, 7 (Veth).
Hydrothassa hannoverana F. — Valkenburg (de Heusch).
Phaedon pyritosus Rossi. — Exaeten, 4 (Wasmann); Roosteren,
6 (Verheggen).
» Cochleariae F. — Bij Purmerend, zeer schadelijk aan
mosterd, 9 (Ritzema Bos).
Melasoma aeneum L. — De type bij Ossendrecht, 7 (Leesberg);
Breda, 7 (Bosscha en Veth); Valkenburg, 7
(Dixon). De blauwe varieteit gemeen bij Ossen-
drecht en Roozendaal, 7 (Leesberg en Everts);
Valkenburg, 7 (Dixon).
» Tremulae F. — Berg-en-Dal, 7 (Leesberg en Veth).
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 127
Luperus nigrofasciatus Goeze. — Heerlen, 7 (Everts).
» pinicola Dfts. — Oldenzaal, 7, op dennen (v, d. Hoop
en Fokker).
Lochmaea suturalis Thoms. — Asselt en Apeldoorn, 6, gemeen
op Calluna vulgaris (Leesberg en Everts); Ame-
rongen (Roelofs); Oldenzaal (v. Doesburgh).
» Cralaegi Forst. var. pallida Joann. — Valkenburg, 7
(Everts).
Galerucella Viburni Payk. — Amsterdam, schadelijk aan Vibur-
num opulus (J. Th. Oudemans); Valkenburg, 7
(Veth).
» æanthomelaena Schrk. — Meerssen, 8 (Maurissen).
Chalcoides aurata Mrsh., var. pulchella Weise. — Middelburg, 6
en Oud-Vroenhoven, 7 (Everts) ; Rhoon, 9 (Dixon).
Chaetocnema Mannerheimi Gylh. — Arnhem, 5 (Veth).
Psylliodes cuprea Koch. — Valkenburg, 7, gemeen op Corylus en
Crataegus (Leesberg, Veth en Everts) ; Hillegersberg,
4 (Everts); Ellekom, 6 (Haitink); Arnhem, 5,
10 (de Rooij en Veth); Fijenoord, 7 (Veth); den
Haag, 5 en Bunde, 7 (Leesberg).
» attenuata Koch. —- Maastricht, 7 (Everts).
» nucea Il. — Roosteren, 7 (Verheggen).
» Dulcamarae Koch. — Arnhem, 8 (v. Essen); Maastricht
en Valkenburg, 7 (Everts).
» luteola Müll. — Delden, 7 (Veth).
Batophila Rubi Payk. — Gronsveld, 8 (Leesberg).
Phyllotreta flecuosa I. — Op Nasturtium langs oevers. Den Haag,
4, Oisterwijk, 7 en Valkenburg, 7 (Everts).
» vittula Redt. — Op allerlei Cruciferen.
» punctulata Foudr. — Nijmegen, 5 (v. d. Hoop); Cuyk
(ter Haar); Valkenburg, 6, 7 (Leesberg en Everts).
» melaena Il. — Den Haag, 6 (Everts).
» nodicornis Mrsh. — Brummen, 8 (v. Essen); Valken-
burg en St. Pieter, 6, 7 (Leesberg en Everts).
Aphthona Cyparissiae Koch, — Valkenburg, 7 (Groll).
128 NEDERL. SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN.
Longitarsus ater F. — Zeer gemeen op bloeiend vlas.
» castaneus Dfts. — Oegstgeest, 7 en Leiden, 8 (Jacobs);
den Haag, 4 en Dordrecht, 8 (Everts).
» suturalis Mrsh. — Zutphen (Seipgens)
» piciceps Steph. — Wijlré, 7 (Everts).
» Lycopi Foudr. — Haren in Gron., 7 (Swierstra).
» Ballotae Mrsh. — Reigersbosch bij Lisse, 9 (Jacobs).
» Medicaginis All. — Dussen, 8 (Everts).
» exoletus L. — Gemeen in de omstreken van Maastricht, 7.
» ochroleucus Mrsh. — Leiden, 7 en Katwijk, 7 (Jacobs);
Hoog-Soeren, 6 (Roelofs).
Dibolia Cynoglossi Koch. — Heerenveen en Steenwijk (Jaspers) ;
Arnhem, 5 (Veth).
Cassida liriophora Kirby. — Valkenburg, 7 (Everts); Arnhem,
8 (Veth); Houthem, 7 (Versluys).
» stigmatica Suffr. — Valkenburg, 7 (Everts).
» subferruginea Schr. — Maastricht, 7 (Everts).
Onder het afdrukken van dit Supplement ontving ik nog de
volgende bijdragen :
Cicindela hybrida L., eene uiterst zeldzame varieteit uit Olden-
zaal (d. Vr. v. Doesburgh), bij welke de midden-
band der dekschilden volkomen gedeeld is.
Amara brunnea Gylh., Faun. nov. sp. — Oldenzaal (d. Vr. v.
Doesburgh).
Gyrinus Suffriani Scriba, Faun. nov. sp. — Breda, 7 (Bosscha).
De op blz. 216 mijner Naamlijst vermelde Chaetocnema confusa
Boh. vervalt, is Ch. aridula Gylh.
SPINNEN
VAN
JAVA, SUMATRA en CEYLON,
voor den Heer J. R. H. NEERVOORT VAN DE PoLL door den
Heer J. Z. KANNEGIETER aldaar verzameld;
BEWERKT DOOR
Dr. A. W. M. VAN HASSELT.
De rijke verzameling van Araneiden, door den heer Kannegieter
op Java, Sumatra en Ceylon bijeengebracht, evenaart, ja overtreft
zelfs die der vermaarde Expeditie in Midden-Sumatra, waarvan de
resultaten door de even talentvolle als onvermoeide zorgen van den
Hoogleeraar Veth zijn gepubliceerd (zie voor de Araneae: Nat.
Hist. 11e afd. A). Een woord van waardeering daarvan moge alzoo
voorafgaan aan ons geacht medelid, trouwens reeds op ons terrein
zoo gunstig bekend, wegens zijn voortreffelijken arbeid over het
collectioneeren in de heete gewesten (Tijdschr. v. Entomol. XXXV,
1892, blz. 59). Ten gevolge der groote moeielijkheid in het vangen
en vooral het conserveeren van spinnen in de Tropen, verkrijgt
men veeltijds tal van beschadigde, verweekte en afgewreven voor-
werpen. Hierop maakten de zijnen in het algemeen eene loffelijke
uitzondering. Evenzoo ontvangt men niet zelden een mengelmoes
van de meest heterogene soorten bij elkander; ook dit werd door
hem vermeden, zijnde in den regel de voornaamste voorwerpen,
dikwijls zelfs met mij verrassende onderscheiding der soorten,
afzonderlijk gehouden. Van verscheidenen werden de individuën in
Tijdschr. v. Entom. XXXVI. 9
130 SPINNEN VAN JAVA,
groot aantal aangetroffen, waardoor men te beter voorkomende
varieteiten leert opmerken en voor eene collectie de fraaiste speci-
mina kan uitkiezen. De vindplaatsen waren met buitengewone
nauwkeurigheid op in de flesschen en buisjes aanwezige etiquetten
aangegeven, zelfs met de + berg-hoogte er bij. In mijne hieronder
volgende lijst heb ik eehter de bijzondere landstreken niet aan-
gegeven, maar slechts de eilanden genoemd. Het is alzoo niet on-
dienstig, te dezer plaatse te vermelden, dat de spinnen van Java
gevonden waren te Buitenzorg (1000 v.), Tji Salimar (3000 v.),
Pengalengan (4000 v.) en Papandajan (6000 v.), de drie laatsten
in Zuid Preanger. Voor Sumatra werden als vindplaatsen op-
gegeven, op de Oostkust, Bedagei (600 v.), ‘en verder, in het
Palembangsche, Batoe Radja (200 v.), Muara Doea (400 v.),
Bandar (1000 v.), Tandjong Djati (2000 v.), Pangeralam (3000 v.)
en Mana Riang (3000 v.) !). Voor Ceylon wordt uitsluitend
melding gemaakt van Belihul Oya.
Dat bij de vangsten van den heer Kannegieter, — waaronder
wellicht een duizendtal duplicaten, zij het echter voor een groot
deel van immaturae, voorkwamen, — niet alleen het « multa»,
maar ook het « multum» is bereikt, moge uit den cataloog zelven
blijken. Tal van rarae en rarissimae, zelfs extraordinariae, even
als enkele novae (?) staan daarin vermeld. Met uitzondering der
Dysderoidae, der Drassoidae, Agalenoidae en enkele andere excep-
tioneele, waren ten minste alle hcofd-familién vertegenwoordigd.
Onder dezen namen de Epeiroidae, als naar gewoonte, de eerste
plaats in wat getalsterkte betreft, waarbij de Gasteracanthiden zoo
door talrykheid als verscheidenheid en gedeeltelijk ook door zeld-
zaamheid uitblonken. In de Familie der Lycosoidae was het be-
trekkelijk groot cijfer van soorten uit de subfamilie der Cteninae
opmerkelijk, Buitengewoon belangrijk waren de meeste voorwerpen
uit Ceylon verkregen, van welk eiland mij te voren nimmer speci-
mina onder de oogen waren gekomen (zie n°. 2, 6, 32, 34, 42,
1) Voor Sumatra zijn ook de vindplaatsen der bijgekomen, in het Na-
schrift vermelde, soorten hier nog kunnen worden opgenomen,
SUMATRA EN CEYLON. 131
43, 46, 47, 48, 51, 60, 70, 74, 78, 79, 82, 83, 88, 89,
95, 96, 101 en 102). Doch ook op Java en Sumatra werden vele
merkwaardige vangsten gedaan (zie daarvoor n°. 1, 3, 17, 26, 27,
52, 53, 55, 57, 62, 63, 64, 68, 71, 81, 92, 95 en 100). Als
«would be» novae in deze verzameling !) heb ik voorgesteld
Meta quadripenicillata 2, — Ctenus Pollü 3 et 9 (9), — Ctenus
argentipes 3, — Maevia roseo-limbata 2, — en een bijzonder
fraaien Hyllus (9) 4 (zie daarover n°. 33, 84, 85, 86, 91 en 99).
Aan den eerstgenoemden Cteuus onder dezen heb ik gemeend den
naam te mogen verbinden van den even begaafden beoefenaar als
vrijgevigen voorstander der entomologie, den heer Neervoort van
de Poll, aan wien deze collectie haar ontstaan verschuldigd is,
Bij mijn onderzoek heb ik op twee punten tegenspoed onder-
vonden. Vooreerst dat mij, in de zoo specifieke Ceyloneesche
groep, geen enkel exemplaar, tot de op dat eiland vooral inheemsche,
zoo afwijkende onder-familie der Miagrammopinae van Cambridge,
zoogenaamd «met vier oogen» (later zijn er vier andere, micros-
“eopisch klein, door Bertkau en Simon ontdekt) behoorende, is
voorgekomen. — En ten tweede, dat het niet is mogen gelukken,
onder de zoo menigvuldige individuën der, vroeger zoo zeldzame,
door Kannegieter buitgemaakte Calommata sundaica Dol. , zooals
ik gehoopt had, een mannelijk voorwerp, ware het ook in on-
rijpen toestand, aan te treffen (zie vooral over deze merkwaardige
soort het in n°, 57 medegedeelde).
Trouwens in deze verzameling vond ik op nieuw bevestigd de
betrekkelijk geringe hoeveelheid der vangsten van mares, althans
van talrijke tropische species. Bij de hier in zoo grooten getale
aanwezige Gasteracanthiden bevond zich weder geen enkel mas.
Hetzelfde negatief resultaat verkreeg ik verder voor de overigens
talrijk vertegenwoordigde geslachten Argiope, Nephila, Nephilengys
en Atypus.
Dat, niet op dit punt, maar zeker bij sommige naamsbepa-
1) Zie daarover nog 3 à 4 andere soorten, onder n°, 110, 115, 116 en 117 in
het Naschrift vermeld,
132 SPINNEN VAN JAVA,
lingen, onjuistheden door mij zijn begaan, zou mij volstrekt niet
verwonderen. Ter verontschuldiging moge dienen de ontzaglijke
uitbreiding der literatuur over de tropische Araneïden, bij het
gemis, voor zeer vele soorten, van gekleurde platen.
Voor de als altijd onschatbare inlichtingen en raadgevingen,
van mijne hoogvereerde leermeesters Simon en Thorell ontvangen,
omtrent enkele zeldzame voorwerpen, zij hun, bij vernieuwing,
ook te dezer plaatse mijn hartelijke dank aangeboden.
EPEIROIDAE sive EUETRIOIDAE Th.
4. Plectana arcuata Fabr. (Dol) g = curvicauda Vauth.
(WIk.). — Java.
2. Plectana remifera Butl. 9. — Ceylon.
Perrara, huic insulae propria. Indolem «specificam »
hujus Plectanae Karsch, perverse, negat. Conf. de illâ Butler,
Monographie List of Gasteracantha, Pl. ıv, f. 5.
3. Plectana globulata Wik. 9. — Sumatra.
Huic clavatrix Wlk. in multis convenit; quoque analoga
claveata Chr., sed haec plus ab iis discrepat.
Valde rara. In duobus exemplaribus adest.
4. Plectana praetextata Dol. (typica Dol., non WIk.) 9. —
Java, Sumatra,
Uti tres praecedentes cono ventrali caret. Non sat certus
sum de ejus synonymis; Thorellio, ultimo tempore, pro
Plectand Hasseltii C. K. habetur (Studi, IV, 1, p. 70).
Sat communis. Multa adsunt exemplaria.
5. Gasteracantha Mengei Keys. 9. = Malayensis E. S. —
Sumatra.
Valde illae analoga mihi videtur quadrispinosa Cbr.
Sine spinis posticis. Confer ejus figuram in Simonis ist.
Nat. d. Ar., 1864, p. 285, f. 130.
Perrara. In duobus magnis exemplaribus,
SUMATRA EN CEYLON. 133
6. Gasteracantha geminata Fabr. (C. K.) 2. — Ceylon.
Sed parum diversa a connatd Butl., hac forsan modo
variante colore profundiore vittarum transversarum.
Spinis lateralibus, apice excepto, concretis; inde ad
subgenus Collacantha ducta. Confer pro figura C. K.
Arachniden, Bd. IV, f. 260, ut et Simonis opus citatum ,
f. 128.
Valde rara; quoque fere specifice Ceylonica.
7. Gasteracantha Sturii Dol, 9. — Sumatra.
Fere = pseudoflava E. S. ut et forsan Sumatrana Butl.
Spinis lateralibus intermediis solito . crassioribus, fere
cylindraceis, magis obtusis et pilosis.
Minus communis.
8. Gasteracantha fornicata Fabr. 9. — Java.
Affinis Zransversae C. K.
Sat communis.
9. Gasteracantha vittata Thor. 9. — Java.
Taeniatue W1k. analoga. Quia plures Gasteracanthae
vittis transversis ornatae sint, haec denominatio facile in
errorem ducere potuit.
Quoque minus rara, saltem insula dicta.
10. Gasteracantha milvoides Butl. (Cbr.) 9. — Java.
Plus minusve analoga G. Westringw L. K., non huic
secundum Keyserlingii figuram. Spinis longis lateralibus
directionis et curvaturae variantis; interdum his in @.
unguicorni Butl. accedunt.
Minus rara.
11. Gasteracantha dicallina Butl. 9. — Java.
Respice spinas posticas longas et insolito modo rectas
et parallelas.
Valde rara.
12. Gasteracantha flavomaculata Keys. 2. — Sumatra.
Non sine analogia cum G. sylvestri E. S. Confer Keys.
Beiträge 2. K. d. Orbitelae, Tab. xix, fig. 8.
(Juoque rarior.
134 SPINNEN VAN JAVA,
13. Gasteracantha, an Wealii Cbr. 9. — Java. (?).
Minus quoad habitum generalem, sed pro picturà, sub-
similaris @. Zugubri L. K.
De Wealii spinis (omnibus parum longis et aequalibus
ut in /sacanthis) Cambridge recte monet: «Ending in a
sharp point, but are not of the distinctly inverted nail-
form», — uti in tribu mammosd s. Thylacantha. Hanc
ob rem, illam, si nondum denominata fuerit, @. pseu-
do-thylacantham dixissem. Confer Cambr. «On the genus
Gasteracantha» in Proceed. o. t. Zool. Soc. o. London,
1879 ,:p: 290.
Exemplar unicum.
14. Gasteracantha brevispina Dol. 9. — Java.
Anne quidem = suminata L. K.?
Ceteroquin multopere variat; inde diversa ejus cogno-
mina. De hisce confer Thorell, Studi, IV, 1, p. 63.
Communis. In permultis exemplaribus.
15. Gasteracantha mediofusca (typica) Dol. g. — Java.
An quidem summo jure quoque pro « varietate» prae-
cedentis habita ?
Multo minus communis.
16. Gasteracantha, an cuspidata C. K. 9. — Java. (?).
Uti n°. 14 et 15 absque dubio itidem ad subgenus
Stanneoclavis (Butl.) s. Thylacantha (mihi) pertinet.
Scuto abdominali fere sine pictura.
Perrara.
17. Cyrtarachne coccinella Thor, 2. — Sumatra.
Hucusque numquam a me visa, Primo adspectu novam
eredidi et C. coccinelloides nominare volui. Dein eam jam
descriptam vidi Thorellio, in ejus Aracnidi di Nias etc.,
1890, p. 32.
Nostrum exemplar, tote flavescens, in dorso abdominis
insignitur 16 maculis nigris, rotundatis, quarum anticae
et posticae geminatae.
Extraordinaria !
SUMATRA EN CEYLON. 135
18. Argiope catenulata Dol. 9. — Java.
= opulenta Thor. Confer Eugen. Res. Arachn. I, p. 28.
lis quoque valde affinis, — si non similis, — mihi vi-
detur A. Pelewensis L. K., dr. Australiens, Tab. x1, fig. 2.
19. Argiope Doleschallii Thor. 2. — Java.
= trifasciata Dol. et verosimiliter = KReinwardti Dol.
Permagna exemplaria, pedibus vero laete rufis, late
nigro annulatis.
20. Argiope pulchella Thor. 9. — Java, Sumatra.
Pedibus totis e fusco nigricantibus.
21. Argiope 2 jun. An praecedentis var. ? — Java, Sumatra,
Ceylon.
Pedibus laete fuscis, ad basin pilorum quasi nigro-
punctatis.
22. Argiope versicolor Dol. 9. — Sumatra.
An = « Nephila» ornata Blw.
NB. Sat difficilis mihi videtur diagnosis differentialis
inter hance et praecedentem speciem, ut et Anasıjam Thor.
(E. S.), — taprobanicam Thor. (Gbr.), — et ornatam Blw.
Confer de illis i a. Thorell, Ragui Birmanı, 1887, p. 160.
23. Argiope pumila Thor. g. — Sumatra.
A praecedentibus Arg. speciebus, in habitu generali,
toto coelo diversa. Ejus dorsi abdominis color viridis alco-
hole fere deletus,
Quam rarissima. Exemplar unicum.
NB. De speciebus, sub 19, 20, 21 et 22 notatis, per-
multa aderant exemplaria, plerumque vero immatura et
partim mutilata.
24. Herennia multipuncta Dol. 2. — Java.
= ejus ornalissima.
Sat communis. In paucis autem exemplaribus.
25. Epeira anseripes Wlk. 9. — Sumatra.
= Cyclosa (Cyrtophora) melanura È. S., insulana Costa
(Th.) et ut mihi videtur = ¢rituberculata Luc.
In duobus exemplaribus, partim mutilatis,
136 | SPINNEN VAN JAVA,
26. Epeira thomisoides Dol. (non Dufour) 9. — Java.
= Laglaezei E. S. et thelura Thor.
Color dorsi abdominis flavesceris in alcohole fere tote
evanuit.
Perrara.
27. Epeira nox E. S. 2. — Sumatra.
= pilula Thor.
Valde rara; ut et n°. 26 mihi antea nunquam provenit.
28. Epeira Sydneica L. K. 2 (?). — Java.
Confer Aran. Austral. II H., Tab. xm, fig. 1.
Inter alia autem differt pedum annulis latis atque ven-
trali picturà nigrä speciali (spathaeformi).
Quoque rara.
29. Epeira 9 immatura. — Sumatra (?).
Medium tenet inter nostram patagiatam Clk. et cor-
nutam Clk.
Inter alia vero diversa sterno, in medio, longitudina-
liter, late sed non distincte, flavo fasciato.
30. Epeira 3 junior. — Ceylon (?).
E. Isabellae Vinson subanaloga.
31. Meta (Argyroepeira) Celebesiana WIk. 2. — Sumatra.
Sed parum differt a wigro-trivittat& Dol.
Exemplaria multa et pulchra.
Sat communis.
32. Meta fastigata E. S. 9. — Ceylon, Sumatra.
M. fastuosa Thor. affinis.
In tribus exemplaribus, quorum duo minus bene con-
servatis.
Basi abdominis conicà, alte supra thoracem proemi-
nente. Pedibus fimbriatis, sed solummodo ad tibias paris IV.
Sat rara.
33. Meta quadripenicillata g nov. sp. — Sumatra.
Formae, praesertim quoad conum praeabdominalem ,
praecedenti similaris. Itidem, magisque adhuc, affinis
videtur Metae (Epeirae) coccineae Dol. (L. K.). In nostris
34.
SUMATRA EN CEYLON. 137
autem exemplaribus tibiae non solum IV paris, sed et I
paris, dense et sat longe, in earum parte metatarsali,
sunt fimbriatae aut penicillatae, non sine magnä
analogià morphologicà cum his in vera Nephila plumipede
C. K. Porro scutum abdominis insignitur, ad basin et ad
latera, colore albo argenteo, — ad apicem, nigro, striis
paucis albis comitato, — in medio (pro maximä parte)
aurantiaco rubro; ventre nigricante, praeter parvas
maculas singulas laterales flavescentes, in medio fere,
striä transversä, häc vero evanidä, quoque aurantiacà,
notato.
In quatuor exemplaribus aderat.
Tetragnatha geniculata Karsch, 9. — Ceylon.
«Arachn. v. Ceylon» in Berl. Ent. Zeits. XXXVI
(1891), p. 286.
Etsi quoque ex hacce insulä, 7. Ceylonica Chr. a nosträ
nimis differt,
Pro geniculat& i. a. respice duas singularum macularum
nigrarum series in dorso abdominis, praesertim versus apicem
perspicuas.
Valde rara.
Nephila maculata Fabr. 9. — Java, Sumatra.
» ® » >» — Ceylon.
» » » 92 juniores. — Java, etc.
Omnibus in numerosis exemplaribus diversae aetatis et
conservalionis.
Nephilengys Malabarensis Wlk. 9. — Sumatra.
» » » » — Ceylon.
» » » » — Sumatra.
Valde nigra, Eam varietatem «mauram» dicere vellem.
» » » gg juniores. — Su-
matra, Ceylon.
Quoque omnibus in permultis speciminibus plus minusve
maturis.
138
42.
43.
SPINNEN VAN JAVA,
Cryptothele verrucosa L. K. Anne 2? — Ceylon.
Tam pro Kochii figura, quam pro ejus descriptione,
quoad oculationem, tibias nodosas, colorem etc, huic
nostrum exemplar sat convenit. Confer Ar. Austral. I,
p. 240, Tab. xx, fig. 2. Oculis duobus seriei mediae
ceteris parumper majoribus; tibiis inflatis; colore fusco-
rubro. Certe non multum differre videtur de Ceylonica Cbr.
(Proceed. 0. t. Zool. Soc. o. London, 1877, p. 563; ejus
figura autem PI. LvI, fig. 4, multo minus quadrat cum
hac verrucosae), ut et de Sundaica Thor. (Araen. d. Pi-
nang, 4890, p. 41). Quarta quae descripta est congenera
nostrae valde singularis araneae, nomen accepit C. cristata
E. S. (utr. d. comptes-rendus d. 1. Soc. Entom. d. Belgique,
d. 4 Oct. 1884, p. 6). Hujus vero «crista» cephalotho-
racica in nostro exemplari deést. Confiteor, in casu, signa
characteristica differentialia hic minus facile indagari posse,
quia hocce genus, ut de novo patet ex nostro specimine ,
saepe obtectum esse potest limo (nobis «leemaarde »)
fusco-rubro, toto ejus corpori adhaerente. Idem mecum
observaverunt Cambridge, Thorell et Simon: « This example
was much disfigured by dirt and dust accumulated and
retained by its curved bristly armature» (Cambr.); —
«Ut abdomen, sternum et pedes, materià terreà, cinereo-
fuscà quadam (luto?) tectus est cephalothorax » (Thor.); —
«Elles s’enfoncent parfois dans la boue, comme les par-
ticules terreuses, qui recouvrent toujours leurs téguments,
semblent l’indiquer » (E. Sim. Mist. Nat. d. Ar. 2 edit.
p. 422. Ibi quintam figurat speciem, C. Marchei).
Unicum exemplar, palpis carens.
Extraordinarie rara!
THERIDIOIDAE.
Phoroncidia Thwaitesii Cbr. 2. — Ceylon.
Primo adspectu pulcherrimam hanc araneam habebam
SUMATRA EN CEYLON. 139
pro specie nova, analogà meae P. acrosomoïdes (Midden-
Sumatra-Expeditie) cum sex spinis. Hancce (cum novem)
ideo P. «novem-aculeatam » nominare volui. Posthac mihi
patuit, ejus descriptionem et figuram jam perfecte Cam-
bridgeo datas fuisse in Proceed. o. t. Linnean Soc., Zoology ,
Vol. X, 1869-70, p.270; Tab. 9, fig. 17.
Ejus colore laete rubro in alcohole non deleto.
Extraordinaria !
PHOLCOIDAE.
44. Pholcus elongatus Vins. 9. — Java.
Specimen defectum, abdomine exsiccato, hujus vero
pictura foliiformis adhuc satis dignoscenda.
45. Pholcus (Artema) sisyphoides Dol. 9. — Ceylon.
= Borbonicus Vins.
Ambo minus rari.
ZODARIOIDAE.
46. Storena (Habronestes) Bradleyi Cbr. g jun. — Cey-
lon (?).
Confer Cambridge «Description of new species» in
Ann. a. Mag. o. Nat. Hist., vol. III, 4. Ser. (1869),
p. 56. Anne ejus maculata? (ibidem). Quoque in dubio
versor de Thorellii 8. rufescente (Studi etc. II, p. 188).
HERSILIOIDAE.
47. Hersilia Sumatrana. Thor. 9 var. — Ceylon.
Minime plane certus sum de differentià inter hanc et Cele-
bensem Thor., quäcum specimen nostrum in multis quoque
convenit, ut et cum figura Z. Savignyi Luc. (E.S. l.c. p. 440).
140 SPINNEN VAN JAVA,
Confer autem Thorell, Xagni Birmani, p. 80.
In nostro individuo unico pedes sunt sed parum dis
tincte annulati; femoribus par I et II, antice, partim
nigro-lineatis.
Rara.
PALPIMANOIDAE.
48. Pachypus (Steriphopus E.S.) MacLeayi Chr. 49. —
Ceylon.
Aranea parva sed pulchra, eximie conservata, in sexu
utroque. Genus peculiare, ad hoc Ofkiotops MacL. accedens.
Specimina nostra ex omni parte descriptioni et figuris
Cambridgei respondent; confer illius «On some new genera,
etc.» in Proceed. o. t. Zool. Soc. o. London, 1873,
p. 116, PI. xm, fig. 2. Attendas ad oculationem; duobus
ocults anticis nigris relative permagnis, reliquis minimis;
ad pedum structuram, praesertim in pare I; ad mamil-
larum exiguarum numerum, modo duarum, etc.
Ne commutes cum, nomine Familiae et colore rubro
analogo, Palmimano haematino G. K., hac Graeciae incola,
Extraordinarie rarus.
THERAPHOSOIDAE.
49. Selenoscomia Javanensis Wilk. (Dol.) 9. — Java.
Parvum exemplar, partim abrasum. Ejus lunula thora-
cica minus distincta.
50. » » » 9 Junior. — Ibidem.
An sit revera = Mygale javanensis, « femina junior »
Dol. (Tab. mr, fig. 5), affirmare non audeo. Forsan ad
aliam Theraphosam duci debet.
De hacce ac praecedente plura aderant exemplaria,
omnibus adhuc immaturis. Hisce nullus 7 interfuit.
SUMATRA EN CEYLON. 141
51. Scurria (Poecilotheria) fasciata Latr. (WIk.) 9. —
Ceylon.
Hujus Theraphosoidae, — pro insulä dietä specificae, —
criteria nostrae araneae exacte respondent. Primo adspectu
tamen in dubio versatus sum, quum in ejus descrip-
tionibus mihi obviis mentio non facta sit de 4 lineis
nigricantibus in lateribus abdominis, inde a fasciä dorsali
typicà ad ventrem in nostro specimine decurrentibus.
Deinde e contra has lineas, quasi zebraneas, etsi parum |
expressas, dignoscere potui in duabus ejus figuris, scil.
apud Hahn, Monogr. d. Spinnen in 4to (1820), Pl. 1,
fig. 1, et apud C. Koch, Die Arachniden, Bd. IL, fig. 157.
Exemplar pulchrum, respice i, a. pedum latam annu-
lationem niveo-albam, inprimis subtus.
Extraordinaria.
52. Cyrtauchenius g. — An montanus Thor. (?). — Sumatra.
Habitu generali sat similaris mihi quoque videtur At-
metochilo fossori E. S.
Rarus.
53. Ischnocolus inermis Auss. (E. S.) 4. — Java.
Rarus.
DA, » dg, praecedenti non aequus, sed valde affinis.
Attamen i.a. bulbus genitalis tantillum variat, ac mandi-
bularum unci laetius rubescunt.
55. Atypus javanus Thor. g. — Java.
Sed perparum mihi a typico piceo Sulz. differe videtur.
56. » » pulli. N
Ambo in numerosis exemplaribus, diversae aetatis, absque
maribus.
57. Calommata sundaica Dol. 9. — Java (solummodo Buiten-
zorg).
58. » » » » pull.
Hujus speciei, a Doleschallii tempore inde usque ad
annos ultimos «rarissimae », permulta aderant exemplaria
matura (26)!
142
SPINNEN VAN JAVA,
Confer quae de hac Theraphosoidä singulari scripsi, tarn
quoad diagnosin, — inter alia in «Araneae Archi
pelago Malayano» (Zool. Ergebnisse in Niederl. Ost-Indien,
von Prof. Max Weber, 1890, p 200), — quam quoad
ejus domicilium et vivendi methodum, secundum
observationes accuratas et momenti plenas collegarum nos-
trorum J. Z. Kannegieter et Dr. J, C. C.° Loman, qui eam
quoque in multis speciminibus (20), dictà insulà (Zuid
Preanger) cepit (Tijdsehr. v. Entomol. XXXIV, 1891;
verslag blz. cıx).
NB. Valde dolendum, inter tot individua (46) nullum
interfuisse marem! Igitur nunc temporis solummodo pro
hoc sexu «species rara» dici potest.
HETEROPODOIDAE.
59. Heteropoda venatoria L. ¢, cum sacco ovorum. —
Java, Sumatra, Ceylon.
In plus quam 50 exemplaribus, plerumque immaturis,
variae aelatis; nullus e contra aderat mas maturus!
60. Heteropoda thoracica C. K. d — Ceylon.
61.
62.
= Olios lunula Dol.
Abdominis pedumque descriptio, tam Doleschallio quam
Thorellio data, non in omnibus exacte huic et sequenti
exemplari respondet.
N.B. Ut cephalothoracis pulchram picturam melius ob-
serves, prudenter siccanda est.
» » $ var. — Sumatra.
Cephalothoracis pictura ac conformatio cum his praece-
dentis magis conveniunt, quam quidem abdominis. Ambae
pulchre conservatae inter plura exemplaria immatura et
defecta.
Heteropoda (Sparassus) Boiei Dol. 4. — Sumatra.
= H. flavimana E. S. (Thor.).
SUMATRA EN CEYLON. 143
In magno et optime conservato exemplari. Confer i. a
pro illä Thorell, Studi, IV, 1, p. 31. Secundum Simonis
opinionem ad genus Pandercetes appropinquaret.
Perrara.
63. Olios (Palystes) pinnotherus Wik. (L. K.) 9, — Su-
matra.
Sat similis Ocypeti nobili C. K. (non Saroti nobili L. K.).
Praeter ejus picturam, inprimis subtus, respice man-
dibulas, supra, eleganter ad longitudinem albo-lineatas,
In unico pulchro exemplari.
64. Olios (Panaretus) ignichelis E. S. 9 cum sacco ovu-
lorum. — Java.
Attendas ad mandibularum nigrarum indumentum
characteristicum; iis pro dimidiä parte (basali) pulchre et
dense ex aurantiaco-flavo pilosis.
In pluribus exemplaribus.
69. » » dg. — Ibidem.
Fere 1 a 3 minoris longitudinis.
Conformatione ac picturà sat aequalis his in feminà.
Insuper notatur stria mediana albo-flava in medio ad
partem abdominis basalem, et maculis sat latis nigro-
fuscis, supra, ad partem femorum coxalem.
Palpi, ut credo nondum descripti, processum nigrum
tibialem externum habent cum forti mucrone transverso,
leviter sursum curvato, ita ut late bifidus aut bidentatus
appareat. Ejus bulbo, ordinario, aliquantulum validiore, infra,
versus basin, dente semipellucido rubescente insignitur.
Saltem hucusque, rarus.
66. Sarotes procerus L. K. d (?) nondum plene maturus. —
Sumatra.
Confer Ar. Austral, Tab. Liv, fig. 4 et Lv, fig. 1.
Minus rarus videtur; plura aderant exemplaria juniora,
ut et sequentis, sed pro majore parte defecta.
67. » » 2 quoque immatura, — Ibidem,
Ambo vero, habitu generali, mihi magis ad genus He-
144 SPINNEN VAN JAVA,
teropoda accedere videntur, non sine analogia cum H.
submaculat& Thor.
68. Sarotes impudicus Thor. ¢. — Sumatra,
Conf. Thorell , Xagni Birmani, p. 241.
Palporum bulbo, subtus, insolite complicato, fusco-nigro
piloso, permagno.
Rarus. Modo in uno specimine.
69. Olios Lamarckii Latr. (E. S.) 2 var. — Sumatra.
Anne quidem = 0. captiosus Wik. (Vinson)?
Solito multo minus laete pictus.
In uno magno exemplari.
70. Olios senilis E. S. d. — Ceylon.
Respice metatarsos nigros longe luteo-pilosos, scopulasque
nigras valde densas et longas. Ceteroquin nostri speci-
minis unici pietura (e. g. pro colore cephalothoracis et
sterni ut et pro pedum annulis) non parum differt a
descriptione, solummodo pro feminä, quoque Ceylonica,
data (E. Simon, Aévision des Sparassidae, p. 83).
71. Delena (Tychicus E. S., Zatapina Karsch) plumipes
Dol. 9 jun. — Java.
Planities corporis extraordinaria perfecte distincta, color
vero viridescens evanidus.
| Mihi minime elucet ratio, cur Karsch hanc areneam ad
Fam. Clubionidae refert !
Unicum specimen, pedibus partim mutilatis. Genitale
indistinctum.
THOMISOIDAE.
72. Platythomisus octomaculatus C. K. 9. — Java.
= phryniformis Dol.
Duo exemplaria quam optime conservata.
Nec rarus, nec communis,
SUMATRA EN CEYLON. 145
73. Pistius (Daradius) spectabilis Dol. 9 jun. — Sumatra,
Anne annulipes Thor? Pedibus in nostro quoque luteo-
albis, late non crebro rubro-fusco annulatis,
Minus rarus,
LYGOSOIDAE,
74. Dolomedes albocinctus Dol. 2 jun. — Geylon.
Valde ei affinis mihi videtur D. albicomus L. K.
75 » » d immat. — Java.
Exemplar magis abrasum. Ad nostrum D. riparium H.
accedens.
76. Lycosa serrata L. K. 2. — Sumatra.
Bi: » » » &, — Ibidem.
Conf. Ar. Austral. 1, Tab. 80, fig. 5 et 6.
78. Lycosa Simonis Thor. d fere maturus. — Ceylon.
Plus minusve analoga Hippasae Greenalliae Blw., hujus
insulae.
Respice sternum testaceum cum lineä sive fascià longi-
tudinali media valde distinctà, nigerrimä. Conf., sub
Diapontia, Thor., Ragni Birmani, p. 301.
79. Lycosa lanca Karsch, 2 var. — Ceylon (?).
Cum indumento magis cinereo.
Nostrae pictae, inprimis pro abdomine, subsimilaris,
sed haec minor et tenerior.
80. Lycosa species 2. — Java (?).
Quoad cephalothoracem saltem nostra nigriceps Thor.
illae analoga, Pedum vero abdominisque colore huic multo
laetiore,
81. Leptoctenus agalenoides L. K. ¢ var. (?). — Sumatra.
Confer, pro mare (solum descripto), Ar. Austral., II
H. S. 994, Tab. 87, fig. 1. Hic autem nostro exem-
plari minor est, picturà quoque abdominali aliquantulum
diversà.
Tijdschr, v. Entom. XXXVI. 10
146 SPINNEN VAN JAVA,
82. Ctenus, an trabifer Thor. 2 jun. — Ceylon. (?).
Cephalothoracis vittà medianà lata in parte superiore
valde constrictà et ibi nigro marginatà, in parte inferiore,
ad thoracem triangulo nigro imposità. Ventre, cum sterno
coxisque, nigerrimo.
83. Ctenus 9. — Ceylon (?).
C. valvulari (mihi) subsimilis. Genitalis « valvulà »
quantopere variante. Confer van Hasselt, in Zixpeditie
Midden-Sumatra.
NB. De hisce Lycosoidis, — etsi forsan non raris, —
tamen, n°. 76 et 77 exceptis, modo singula adsunt exem-
plaria.
84. Ctenus (an Phoneutria?) Pollii 4, nov. spec. — Su-
matra. |
Longitudo 22 mm. (cephal. 12, abd. 10).
Pedes 4, 1, 2, 3. i
Cephalothorace oblongo-ovato, supra plano, lato,
longiore autem quam latiore, thorace ad basin abrupte
declivi, breve-piloso, fusco-nigro, cum vitta medianà
longitudinali, sat latà et fere aequali, pilis brevibus
albo-argenteis (capite excepto, pro magnà parte abra-
sis), ornata. — Oculi 2 antici sat magni; 2 intermedii
iis tamen paulisper majores; hisce 4 in fere perfecto qua-
drato; series intermedia non plane recta, sed tantillum pro-
curva, ejus lateralibus flavescentibus, omnium minimis;
2 postici, inter sese longe remoti, lateralibus seriei mediae
proximi, lis sed non multo majores. — Clypeo minimo. —
Mandibulis fortibus, longioribus quam latioribus, mo-
dice convexis, perpendicularibus, nigris e purpureo submi-
cantibus, nigro-pilosis, sed parum et modo ad apicem,
breve rubro-barbatis; earum unci validi, modice longi,
nigri. — Maxillis semilunaribus, fuscis; labio piceo,
nitido, ad apicem rotundato et ibi breve albo-piloso. —
Sterno rotundato-ovato, fusco, quoque sed breve nigro-
piloso. — Abdomine oblongo-ovato, cephalothorace
SUMATRA EN CEYLON. 147
multo minus lato, fusco-nigro, piloso, cum vitta me-
dianä latä, ad basin et ad apicem flavescente; parte hac
basali flavä, utrinque duobus punctis nigricantibus notatà ;
vittae pars media consistit e maculis 4 transversis, ad
latera incisis seu sinuatis, et ad longitudinem secum con-
nexis, ita foliorum ramulum simulantibus; pilis
tomentosis griseo-albis subargenteis (in exemplare sic-
cato) ornata est; primum aut basale horum foliorum seriei
utrinque uno puncto nigricante, ut supra dietum, insig-
nitur. — Ventre in medio nigro, cum duabus seriebus
longitudinalibus punctorum parvorum luteorum , in centro
saturatius impressorum (quasi pupillatis); versus basin
observantur duo puncta majora albo-argentea et supra
illa, inter scuta pulmonalia, adhuc singulae maculae
flavescentes, minus distinctae. — Mamillae exiguae,
breves, nigro-fuscae, parum visibiles. — Pedes longi et
sat fortes, nigro-fusci; subtus, ad articulos quasi semi-
annulo albo praediti, modice pilosi, longe sed non crebro
aculeati; tarsi longi, biunguiculati. — Palpi longi magis
pilosi, nigro-fusci, ut pedes subtus ad articulos albes-
centes; pars tibialis extus cum forti processu transverso ,
parumper sursum curvato, obtuso, sed ut videtur apice
bifido; bulbi lamina oblongo-ovatä, tam supra, ad basin,
processui tibiali vicinam, quam subtus ipso bulbo, in medio,
dente conico provisa, hoc illo multo validiore.
Exemplar unicum. (Confer pro denominatione « Prolo-
gum » in fine).
85. An praecedentis 9 jun.? — Sumatra.
Longitudo 16 mm. (cephal. 8, abd. 8).
Pedes 4, 1, 2, 3.
In toto laetioris fusci coloris, ceterum tam conforma-
tione generali, quam picturà (ejus indumento argenteo
excepto) mari similaris,
Differt, inter alia:
Oculis mediis seriei medianae anticis adhuc majoribus. —
148
86.
SPINNEN VAN JAVA,
Vittä cephalothoracicà (plus minusve abrasa) minus aequa-
lis latitudinis et non albo-argenteä sed lutescente. —
Mandibulis et illorum uncis minus nigris et hisce ad
basin rubris. — Labio non piceo sed, uti maxillae,
fusco. -- Sterno magis rotundato quam ovato. — Ab-
dominis vittä dorsali totidem ejusdem picturae fo-
liatae, vero non griseo-albi argentei, sed tote auran-
tiaco-flavi coloris — Ventris descriptio huic pro
mare datae exacte respondens, solummodo duo puncta
majora versus basin quidem alba, sed non argentea. —
Mamillae quoque breves. melius visibiles, coloris tes-
tacei; omnibus aeque longis, inferioribus crassioribus. —
Pedes minus elongati, sat fortes — Palpi quoque
longi, normales, cum unguiculo tarsali distincto. — Ge-
nitale nondum evolutum.
In pluribus exemplaribus, cum mare, ex eodem dictae
insulae loco; fere omnibus adhuc minus maturis et plus
minus abrasis aut mutilatis.
Ctenus argentipes d spec. nov. — Sumatra.
Longitudo 16 mm. (cephal. 8, abd. 8).
Pedes, 4,45 9,43.
Habitu generali mari C. Polli similis, sed multo
tenerior. — Gephalothorax, cum clypeo brevi, sa-
turate fusci coloris; ejus vitta medianà non aequali, sed
in medio constrictä, laete fusca, hic illic cum vestigiis
pilorum alborum argenteorum. — Oculi differunt in eo,
quod medii seriei medianae duobus anticis adhue sunt
majores, illisque non in quadrato, sed in trapezio, postice
latiore , positis. — Mandibulae minus fortes, intus ad
margines magis rubro-barbatae; uncis aeque validis, sed
rufescentibus; maxillae conformes; labium non piceum
sed fuscum, apice non rotundato, sed magis triquetro et
antice non albo-piloso. — Sternum laetius fuscum et
brevius nigro-pilosum. — Abdomen conforme, sed in
medio dorsi aliter pictum; etsi ibi quoque figura ramuli-
SUMATRA EN CEYLON. 149
formis, ast multo minus distincte, dignosci possit, haec,
in toto, magis est coloris albo-grisei, subargentei, atque
ad foliorum interstitia ita e fusco nigricat, ut zona haec
mediana, primo adspectu, ad latera, utrinque, 4 parvis
striis transversis ornata videatur. — Venter picturae
analogae, sed intra series albo-punctatas, duae aliae, mi-
nus expressae, iis inclusae adsunt. — Mamillae, hic
luteae, minus breves, posticis aeque longis ac antici, sed
paululum crassioribus, ante eas, in parte ventrali, nigri-
cante, utrinque parva stria transversa lutescente, prope
apicem, notatur. — Pedes, relative quoque longi, multo
sunt teneriores, supra obscure fusci, subtus, praesertim
ad coxas, et cum hisce, laete fusci, femoribus III et IV
paris, itidem subtus, saturatius fusci, late semi-annulati
vel maculati; tibiis, praesertim supra, pulchre et dense,
sed non longe, argenteo-albo pilosis (pare III, ut
videtur, excepto). — Palpi paulo minus longi et pilosi, _
horum processus tibialis est similaris, sed magis denti-
formis et ut videtur non bifidus; processus ad bulbi
laminam basalis multo longior et magis incurvatus,
quasi calcaratus, calcare hoc postrorsum versus dentem
tibialem inclinato.
Unicum tale exemplar; singula alia, quoque masculina,
aderant immatura et valde abrasa.
NB. Ut bene pedum indumentum argenteum
characteristicum distinguere valeas, aranea, prudenter ex
alcohole sumta, in statu sicco observanda,
OXYOPOIDAE.
87. Oxyopes (Sphasus) striatus s. strio/atus Dol. 9. — Java.
Communis.
88. Oxyopes (Sphasus) macilentus L. K. g var. — Ceylon,
Confer Ar. Austral., Tab. 87, fig. 4.
Abdominis dorso aureo-flavo, cum quatuor lineis ad
150
89.
90.
91.
SPINNEN VAN JAVA,
longitudinem fuscis et sine striis obliquis in lateribus.
Ventre nigricante.
Oxyopes (Sphasus) thalassinus C. K. 2. — Ceylon (?).
Confer Die Arachniden, Bd. 15, fig. 1456.
Statim autem animadvertere debeo, Kochium ibi dedisse
figuram cum descriptione novae Áphast speciei aliae ori-
ginis, non orientalis, sed ex India occidentali (St. Domingo).
Nemo tamen, comparatione factä, negabit, tam hujus ha-
bitum generalem, quam pieturam et colorem, — viridem
pro abdomine, roseo partim quoque pro pedibus inter-
mixtum (hoc alcohole valde deleto, sed ad femora plus
minusve persistente), —- cum specimine nostro magnopere
convenire! In hocce vero desiderantur «die gelbliche Schief-
strichchen» ad latera abdominis. Loco «zwei schwarze
Punkte» ad cephalothoracem, nobis horum plura adsunt.
Mamillae, nobis totae virides, Kochio describuntur «rost-
gelb mit grünlichem Anstriche ». Quum ejus figuram cum
suà descriptione, — non huic ex omni parte respondente, —
strenue comparaverim, rationem non videbam, pro dictis
differentiis minus essentialibus, ac diversä Patria, nostram
araneam ad «novam » ducere speciem.
Unicum pulchrum exemplar. Rarissimum.
ATTOIDEAE.
Marptusa (leius?) convergens Dol. 9. — Java.
Quoad abdominis pieturam Menemero foliato L. K. si-
milaris.
Maevia roseo-limbata 9 jun. — nov. sp. — Ceylon.
Ne commutes cum Saltico roseo-fasciato Dol., hujus
thorace solo, et quidem transversim, rubro vittato.
Longitudo 8 mm.
Clypeo niveo. — Oculorum quadrangulo griseo. — Ce-
phalothorace, cum partibus oris, palpis, sterno, ventre, pe-
dibus et maxillis albo-luteis, thorace insignito duabus
93.
94.
95.
96.
97.
98.
99.
SUMATRA EN CEYLON. 151: :
vittis longitudinalibus, ab oculis posticis, basin versus,
aliquantulum convergentibus, parum distincte rubescen-
tibus. Abdomine subargenteo-albo, in dorso cum duobus
limbis subsinuatis, longitudinalibus, ad latera versus
apicem nigro-stictis, pulchri rosei coloris.
Menemerus (Plexippus) Paykullii Aud. d. — Sumatra.
= Plexippus ligo G. K. et Atlus africanus Vinson;
quaque distincte depictus in Ar. Austral. L. K.
Pulchrum et unicum exemplar, attamen sat communis
dieitur.
Plexippus janthinus C. K. d, fere maturus. — Java.
Valde quoque ejus guttato accedens.
Exemplar optime conservatum.
Minus rarus.
Idem. — Ibidem.
Varietas magis cupreo-metallice micans.
Plexippus viduus s. albo-limbatus C. K. 2 — Ceylon.
Phidippus 9 jun. — Ceylon (?).
An purpurifer CG. K.? Si non, P. erythrognatham dicere
vellem ob rubrum mandibularum colorem.
Hyllus giganteus GC. K. 2. — Java.
= Attus cornutus Dol.
Specimina pulchre conservata. Ceteroquin hujus speciei,
minus rarae, plura aderant exemplaria.
Idem 2 jun.
Hyllus d. — Ceylon (?).
Medium mihi tenere videtur inter Plexippum tricolorem
GC. K. et P. orichalceum C. K.
Dorso abdominis vittis longitudinalibus rubris et viri-
dibus alternantibus. Notandum vero, dictas Kochii ara-
neas aliam habere Patriam, scil. Mexico,
Maximam differentiam observo in mandibulis et
pedibus. — Illis subtus prope maxillas dente valido in-
structis, et, ut in /Zyllorum maribus, — Koch solummodo de
feminis agit! — fortiter divaricantibus, uncis nigricantibus
152
100.
101.
102.
103.
SPINNEN VAN JAVA,
perlongis armatis. — His multo minus vel non annulatis
et I pare magis distincte et longe nigro-fimbriato, non solum
subtus ad tibias, sed quoque ad patellas et metatarsos.
Adspectu superficiali nostro specimini plus minusve
similaris videtur meus Altus Croesus (Tijdschr. v. Entom.
XXXI, p. 196), hujus autem cephalothorace non alto, sed
«plano», et denuo « Patria» alia (Guyana Hollandiae).
NB. In luce solari observari debet, ut ejus color me-
tallicus, aureo-viridis, tam ad cephalothoracem quam ad
abdominis dorsum, melius eluceat. Kochio pro suis
Plexippis describitur ut « prachtvoll metallisch glänzend
grün-golden » et, adhuc proprius, ut « Entenhalsig grün».
Perpulchrum exemplar. Sin novae sit speciei, Hyllus
splendidissimus dici meretur.
Homalattus (sub Salticus) bufo Dol. 3. — Java.
In exemplari unico, quamvis partim mutilato, tamen
perfecte dignoscendo.
Rarus.
Acompse concinnus L. K. 2. — Ceylon.
Conf. Ar. Austral., Tab. 112, fig. 7.
Thorace flavo, valde eleganter, radiatim fusco-nigro
striolato.
Valde rarus et perpulcher.
Attus d. — Ceylon (?).
E longinquo non sine analogià cum Acompse valıdo L. K.,
Ar. Austral., Tab. 116, fig. 4, fronte et oculis ex auran-
tiaco-rubro pilosis, tibiis et metatarsis I paris, solito
crassioribus, perlonge fimbriatis.
Valde rarus.
Attus 9. — Java (?).
Euophrys ancillae G. K. ei subsimilaris, — ast aliam
habet Patriam! (Brasilia).
SUMATRA EN CEYLON. 153
NASCHRIFT.
Nadat vorenstaande lijst reeds voor de pers in gereedheid was,
bracht onze reiziger mij nog verscheidene andere, reeds aanwezige
exemplaren, allen uit Sumatra, die bij de eerste toezending, door
eene vergissing, waren achtergebleven.
Daaronder vond ik nog de volgende soorten :
104.
105.
106,
107.
108.
109.
EPEI OIDAE
Plectana Hasseltii C. K. 9 jun. — Sumatra.
= helva Blw. et pietospina mihi.
Certe praetextatae Dol. (vid. n°. 4) analoga.
Epeira caput lupi Dol. g. — Sumatra.
Pulchrum exemplar, solito magis nigricans,
Epeira g nondum matura. — Sumatra.
Aperte ad Æpeiras minores « caudatas » pertinet. Pro
ea dubitavi, an esset Thorellii macrurae varietas, sed ab
hac nimis discrepat. Anne forsan caligatae Thor. (Studi
IV, 1, p. 176) varietas? Pictura dorsi abdominis pulchre
albo-subargenteo striolata, sat complicata.
Meta (Argyroepeira) nigrotrivittata Dol. (Thor.).
(Conf. n°. 34). — Sumatra.
Minus communis quam celebesiana; modo in duobus
exemplaribus, pedibus partim mutilatis.
Nephila Kuhlii Dol. 9 (Thor.). — Sumatra,
Sine maculis striisque numerosis, in valde affini ma-
culaté obviis.
In uno exemplari solito minore, nondam plane evoluto.
Rarior.
HETEROPODOIDAE.
Palystes melanichnys Thor. 9. — Sumatra.
Valde affinis Thorellio dicitur P. Kochs E. S. Confer
Thorell, Aracnidi di Nias, p. 53 et Simon, Kevision
des Sparassidae, p. 45. Hic, de specie sua, — nostro
exemplari convenienter, — animadvertit: « Espèce re-
154 SPINNEN VAN JAVA,
marquable par son cephalothorax fortement convexe
dans le milieu». Thorell in sua diagnosi, — itidem
nostro exemplari convenienter, — mentionem facit «de
cephalothoracis lined medianä longitudinali nigri-
cante». In nostro quoque metatarsi et tarsi «subter
totis nigris » (Thor.).
Rarus.
THOMISOIDAE.
110. Phrynarachne Kannegieterii nov. sp. g (9). — Su-
matra.
Longitudo 41 mm. — Pedes 1, 2, 3, 4.
Statim quum singularissimam hancce inspiciebam ara-
neam, mihi piane incognitam, aperte ad sclerodermes
rugosas pertinentem, Walckenaerii familia «des Crusta-
ceides» mihi in mentem venit. Inter figuras quas com-
parare potui, solum haec Thomisi foka Vinson, ut et
hujus auctoris diagnosis, adhuc plurime nostro exemplari
respondet (conf. Aranéides de la Réunion, etc. 1863,
pl. xıv, fig. 4). Hujus vero rugae et tubercula, inter
alia, nimis ab his in nostro differunt. In hac Botryo-
gastri coerulescentis Dol. (2de Bijdrage) quoque procursus
abdominales nimis breves sunt. E contra in figura Cla-
donoti Jobiensis Thor. (« Duo ragni esotici » etc. in Annal.
d. Mus ew. di Genova, vol. IX, 1877) comparative, hi
processus, nostro multo longiores, aliam formam et di-
rectionem habent. Hisce tamen figuris duabus et praecipue
Thorellii monito (Studi, IV, 2, p. 92), tandem cognovi,
individuum nostrum ad suum genus Phrynarachne duci
debere. Praeter dictum TAomisum fokam , quem huic spe-
ciei adscribit, modo tres alias, ei plus minusve compa-
rabiles, inveni, scilicet P. Ceylonica Cbr. (Studi citati
p. 91), P. cucullata E. Sim. («Espèces et genres nou-
veaux d. I. Fam. d. Thomisidae», in Zxtr. d. Actes d. 1.
soe. Linneenne d. Bordeaux, vol. XL, p. 14, 1886) et
SUMATRA EN CEYLON. 155
P. papulata Thor. (Spindler f. Nikobarerna etc. p.95, 1891).
Pro harum primä et secundà, — ambabus nostrae mi-
noribus, — inter alia, mentio fit de « tuberculis sat altis
angularibus in fronte», nostrae alienis. Tertia vero,
papulata, Sumatrae incola, nostrae, e Palembang, quoque
in hac insulä, aliquomodo magis congruere mihi videtur,
saltem quoad longitudinem corporis, femorumque sca-
britiem, tibiarum peculiarem, aperte sursum et foras
curvatam, structuram, etc. Nihilominus plures adhuc
observavi differentias. Sic pro descriptione ejus procur-
suum ad cephalothoracem et abdomen ubique terminis
« pustularum », «tuberculorum », «granorum » et «gra-
nulorum » utitur. Iisdem quidem, in minimo gaudet
superficies cutanea nostrae araneae, ast praeterea, tam
ad totum corpus, quam ad pedes, praesertim anteriores
(ibi minus altae), plures aliae observantur eminentiae
longiores, conico-acuminatae, pilo singulo, brevi
et tenui ad apicem instructae, melius cum dentibus,
quam cum «papulis», «pustulisve rotundatis» compa-
randae. Horum dentium, diversae magnitudinis, dispersio
porro non «inaequalis» est, sed saltem partim , utrinque
valde regularis. Sic ad cephalothoracem, in medio, ad
longitudinem profunde insectum, 5 ad 6 variae altitu-
dinis duas constituunt series ad latera sectionis longitu-
dinales, et quoque ad abdomen, inter plures minores,
in medio 2 vieini adsunt, ceteris altiores et fortiores. Ad
marginem abdominis basalem dentes sunt minores, quam
ad latera et inprimis quam ad apicem. Hie, quidem
truncatus, ceteroquin ad angulos consistit ex duobus lobis,
sat elevatis, rugoso-rotundatis, vallo separatis, et den-
tibus sat fortibus regulariter superstructis. Color dein
quoque differt, non «niger» sed laete fuscus, — pro
pedibus imo subflavescens, — et absque picturà quadam
«maculata». Coxae non solum «anteriores» sed omnes
e fusco nigrescunt, Tibiae apice non «latissime» ni-
156 | SPINNEN VAN JAVA,
grae. Pedes postici non «toti nigri», sed solum, ut
et ceteri, ad tarsos et metatarsos, e fusco nigri. Aculei
tarso-metatarsales non sunt «nec longi nec fortes», sed
sat validi et, pro pedibus anterioribus, pulchre pectinati.
Sin ob has aliasque differentias hic habeamus speciem
alienam, inter fokam et papulatam (et forsan cucullatam)
locandam, pro illä nomen Kannegieterii, in laudem pe-
ritissimi nostri peregrinatoris citati, proponere vellem.
Extraordinaria. In uno modo exemplari.
LYCOSOIDAE.
111. Ctenus fimbriatus Wlk. e. — Sumatra.
Rectissime de illo observat hie auctor: « Cette espece
ressemble tellement au Dolomède bordé (fimbriatus), qu’au
premier coup d'oeil on peut le confondre avec cette
aranéide ».
In uno pulchro exemplari.
Rarus.
ATTOIDAE.
112. Phidippus (?) keratodes mihi, e. — Sumatra.
Magnum individuum (plenum), 12 mm. longitudinis.
Abdominis dorsi pictura aliquantulum variat. « Cornua »
distincta. (Confer Exped. Midden-Sumatra, p. 49, Tab. ur,
fig. 9).
Rarus.
113. Plexippus succinclus C. K. d. — Sumatra.
Variat femoribus I paris et partim quoque laminä bulbi
solito magis rubescentibus.
Rarus.
114. Marptusa (sub Salticus) sexpunctata Dol. (Thor.)
d var. (?). — Sumatra.
Cum Thorellio facio, huic Acompse dulemervis L. K.
in multis congruere. Confer praeter Studi, Ar. Austral.,
SUMATRA EN CEYLON. 157
Tab. C, fig. 1. Nostrum exemplar antem unicum nullae
horum trium auctorum diagnosi exacte respondet.
115. Attus (Amycus?) praemandibularis nov. sp. d. —
Sumatra.
Longitudo fere 10 mm.
Habitu generali huic in dmyco aut Cocalo C. K. similaris.
Oculis lateralibus seriei primae non ad latera me-
diorum maximorum, sed magis valde oblique pone hos
positis. Oculis secundae seriei, minimis, prope laterales
anticos sitis. Oculis posticis lateralibus primae seriei duplo
majoribus. Omnibus, — minimis exceptis, — breve ex
aurantiaco ciliatis. Cephalothorace, cum mandibulis
(vide infra NB.) et unguibus, e rubro-fusco, nitido,
plagà oculari ex aureo submicante. Sterno oblongo,
luteo. Palpis extraordinarie longis, tenuibus, cum
clavä, valde simplici, albescentibus. Maxillis et labio
luteis, solito multo longioribus quam latioribus. Pedibus
sat longis; pare I ceteris longiore et fortiore, cum II,
ad tibias et metatarsos longe sed minus crebro aculeato ;
pare I et II fuscis, III et IV albo-luteis. Abdomen
multo longius quam latius, quasi anguste lanceolatum ;
ejus dorso in medio ex viridi cupreo nigricante, ad latera
inde a basi usque ad apicem, e sanguineo rubro zonato;
ventre concolore, nigro-griseo. Mamillis longis paral-
lelis, nigricantibus.
NB. In relatione ad meam denominationem, de man-
dibulis hujus Aff mentionem facere debeo specialem.
Non solum sunt longae, porrectae et divaricantes, sed
singulari modo, prolongationem habent sat latam,
triquetram, antrorsum et extrorsum versus, subdenti-
formem et ad apicem breve mucronatam, prae aut
ante locum, ubi, interne, ungues oriuntur,
Ut videtur extraordinarius. |
116. Attus (Hasarius?) bistriatus nov. sp. ?. — Sumatra.
Longitudo 7,5 mm,
158 SPINNEN VAN JAVA, SUMATRA EN CEYLON.
Habitu generali huic generis Zuophrys, aut magis adhuc
Hasarius G. K., sat similaris.
Cephalothorace, cum mandibulis, flavo, nitido,
plagà oculari nigerrimà; palpis, sterno et pedibus magis
e flavo !uteis, concoloribus. Abdomine, cum ventre
concolore, e griseo-luteo, ejus dorso, in medio albescente,
fere a basi usque ad mamillarum latera, duabus striis,
in medio aliquantulum crassioribus, rectis et paral-
lelis, fusco-nigris ornato. Mamillis aequalibus, sat lon-
gis, fuscis. Genitale simplex. Receptacula seminis
ordinaria fusca, apice obiter nigro tincta ; antice annexa
sunt excavationi parum profundae, longitudinali, indis-
tincte bipartitae, luteae.
NB. Quoad picturam dorsalem bistriatam haec mi-
nime convenit illae L. Kochio pro suo Masario lineato
datae (dr. Austral.), sed multopere cum hac in sua
Ergane scutulatd (Ibid. Tab. cv, fig. 6), ambobus autem
a nostro exemplari pro ceteris nimis diversis.
147. Attus (Maevia) margaritaceus nov. sp. 9. — Sumatra.
Longitudo 7 mm.
Habitu generali huic Maeviae sulphureae L. K. similaris.
Oculatio vero fere uti pro Atto praemandibulart
descripta. Oculis autem solummodo anticis ex aurantiaco
ciliatis et ceteris maculis magnis nigris impositis. Plagä
oculari ex margaritaceo argenteo micante. Clypeo
niveo. Fere toto (thorace, magis e flavo luteo, excepto),
cum mandibulis, palpis, sterno, pedibus et mamillis, e
luteo-albo, concolore, parum piloso. Abdomine (an
plus minus abraso?) ex margaritaceo submicante.
Genitale simplex. In plagà quadrangulari, leviter bi-
partità, subelevatà, flavescente, ad angulos anticos,
adsunt spermathecae ordinariae, exiguae, fuscae.
NB. In luce solari haec aranea observari debet.
EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN,
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
Herhaalde malen mocht ik in den laatsten tijd van den heer
Mr. M. C. Piepers te Batavia kleine bezendingen ontvangen van
parasitische vliegen, welke door hem bij het kweeken van vlinders
uit de rupsen en poppen of op andere wijze waren verkregen.
Ik kan hem daarvoor niet genoeg erkentelijk zijn, te meer omdat
dergelijke insecten in tropische landen gewoonlijk geheel worden
veronachtzaamd en daardoor zelden tot ons overkomen. De reden
hiervan is niet ver te zoeken. Deze vliegen hebben over ’t alge-
meen niets opvallends en gelijken zoo veel op onze meest gewone
Europeesche soorten, dat eene collectie uit de tropen, uitsluitend
uit deze groep bestaande, op het eerste gezicht bijna niet van eene
dergelijke inlandsche te onderscheiden is. Geen wonder dus, dat
onze kennis betreffende de fauna van Java, voor zooveel de afdeeling
der Tachininen aangaat, zich nog op een lagen trap bevindt en
dat het aantal beschreven soorten op verre na in geen verhouding
staat tot de velen, die er ongetwijfeld zullen voorkomen. Volgens
mijne aanteekeningen zijn er uit geheel zuidelijk Azië, na aftrek
der bekende synoniemen, nog geen 150 soorten van Tachininen
beschreven, en daaronder niet meer dan 24, waarvan Java als
vaderland wordt vermeld.
In dit opstel worden 16 soorten behandeld; drie er van zijn
reeds vroeger beschreven, ofschoon het van twee van deze niet
bekend was, dat zij ook op Java voorkomen; de overigen zijn
novae species en een daarvan heeft mij zelfs aanleiding gegeven
tot het oprichten van een nieuw geslacht. Door uitvoerige beschrij-
160 EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN.
vingen en door van elke soort tevens afbeeldingen te geven, heb
ik getracht ook anderen in de gelegenheid te stellen zich eene
duidelijke voorstelling van de hier behandelde vormen te maken;
wat in deze groep van insecten te meer noodig is, omdat de ken-
merken, waardoor geslachten en soorten zich van elkander onder-
scheiden, in den regel zeer vaag zijn, waarvan reeds vele ver-
warringen en onzekerheden in de systematiek het gevolg zijn geweest.
4. Nemoraea tropidobothra Br. B.
Brauer en von Bergenstamm, Denkschr. K. Akad. der Wissensch.
in Wien, LVIII, p. 361.
Reeds eenige jaren geleden werd mij door Mr. Piepers een
mannelijk exemplaar gezonden van eene groote en ongemeen fraaie
Javaansche Tachinine, zeer kenbaar door het roodgele achterlijf,
waarover een breede, aan de kanten iets hoekige, zwarte rugband
loopt, en door de vleugels, die aan de wortelhelft roodgeel, aan
de spitshelft, vooral langs de aderen, donkerbruin zijn. Bij geen
der schrijvers, die over uitlandsche Diptera handelen, kon ik eenig
spoor van dit dier ontdekken, en het bleef dus ongedetermineerd
in mijne collectie, totdat in 1891 het tweede gedeelte van het
werk van Professor Brauer en von Bergenstamm verscheen en ik
daarin al spoedig de soort onder bovengemelden naam duidelijk
beschreven vond.
Ik acht het niet onnuttig van deze prachtige soort hier eene
afbeelding, alsmede eene schetsteekening van den kop in profiel,
te geven (pl. 4, fig. 1 en 1a).
Waarschijnlijk is het exemplaar door den heer Piepers ge-
vangen, althans ik heb het gekregen zonder eenige aanduiding,
dat het gekweekt zou zijn.
Het wijfje, dat door het geheel zwarte achterlijf zeer van het
mannetje verschilt, maar in de kleur en teekening der vleugels
daarmede overeenkomt, bevindt zich in het Leidsche Museum,
onder den naam van Nemoraea bicolor Macq., in exemplaren,
indertijd door Blume van Java overgezonden. Werkelijk laten de
EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN. 161
beschrijving en de vleugelafbeelding, door Macquart gegeven, geen
twijfel over, dat hij het g van N. tropidobothra voor oogen heeft
gehad. Hij geeft ook Java als vaderland aan !) en ontving de soort
van Bigot; zij zal derhalve waarschijnlijk in de collectie van dezen
laatste voorkomen ?). Evenmin valt het te betwijfelen , of Walker’s
beschrijving van Tackina (Nemoraea) grandis en de daarbij door
Westwood gegeven afbeelding betreffen mede het 9 van ¢ropidobothra.
Toch schijnt het mij verkieslijk den nieuwen naam, door Brauer
en von Bergenstamm aan het dier gegeven, te behouden, omdat
daaronder beide sexen zijn beschreven, terwijl zoowel Macquart als
Walker alleen het 9 kenden en bovendien de beide namen (bicolor
en grandis) reeds voor een aantal andere Tachinen-soorten ge-
bezigd zijn.
Als synoniemen voor Nemoraea tropidobothra Br. B. zijn dus bij
te voegen:
Nemoraea bicolor Macq. Dipt exot. supp. 4 p. 182, pl. 16,
f. 6 (vleugel).
Tachina (Nemoraea) grandis Walk. Ins. Saundersiana, Dipt.
Pr 218,.pL.7,4.4.
2. Crossocosmia Sericariae Rond.
Van deze soort ontving ik van Mr. Piepers meer dan eens exem-
plaren van Java, en daaronder een paar, die uit eene groote
beerrups (de naam werd mij niet medegedeeld) werden gekweekt.
Ik twijfel er niet aan, of Tachina cilipes Macq. moet als dezelfde
soort worden beschouwd. Macquart’s beschrijving toch kan zonder
eenigen dwang worden toegepast; wel noemt hij de palpen zwart,
maar dit schijnt mij toe geen overwegend bezwaar op te leveren,
als men in aanmerking neemt, dat bij sommige exemplaren de
kleur der palpen zeer donker is. Zeker is het althans, dat Masicera
1) In zijnen index (Dipt. ex. supp. 4 p. 356) noemt Macquart ten onrechte
als vaderland : Nouvelle Hollande.
2) Deze collectie is na Bigot’s dood door aankoop het eigendom geworden
van den heer G. H. Verrall, Sussex Lodge, Newmarket, in Engeland.
Tijdschr. v. Entom. XXX VI. 11
162 EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN.
cilipes, door mij in het werk der Sumatra-expeditie beschreven,
met afbeelding van het 9, niet anders is dan Crossocosmia Seri-
cariae. Om soortgelijke redenen als hiervoren door mij voor Nemoraea
tropidobothra zijn aangegeven, zou ik ook hier den naam, door
Macquart gegeven, al is deze ouder, voor dien van Sericariae Rond.
willen doen wijken.
Ten einde de soort des te meer kenbaar te maken, voeg ik
hierbij nog eene afbeelding van het d (pl. 4, fig. 2), alsmede
schetsteekeningen van den kop in beide sexen (fig. 2 a—d).
Behalve in Japan, komt de soort dus voor op Javä en Sumatra,
alsmede in Britsch Indië. Dit laatste is mij gebleken uit een
typisch exemplaar, parasitisch uit Anzheraea Mylitta Drury ver-
kregen en door wijlen Bigot ten onrechte als Masicera grandis
Walk. gedetermineerd.
De synonymie der soort moet derhalve worden vastgesteld als volgt:
Ugimyia Sericariae Rond., Bull. Soc. ent. Ital. II, p. 137
en p. 223.
Tachina cilipes Macq. Dipt. exot. II, 3, p. 62, pl. 6, f. 6.
Masicera cilipes v. d. Wulp, Sumatra exped. Dipt. p. 36,
planten:
Masicera grandis Bigot, India Museum Notes, 1, p- 211
(nec Walker).
Crossocosmia Sericariae Mik, Wien. Ent. Zeitschr. IX, p. 309,
Tat. "m, Ten 8.
3. Crossocosmia curvipalpis n. sp. (&?).
Pl. 4. 603;
Ovato-elliptica, cinerea; epistomate albo; thorace lineis quatuor
nigris; abdomine segmento primo toto, segmentorum reliquorum
margine apicali lineaque dorsali nigris; palpis rubro-fuscis, curvatis ;
antennis pedibusque nigris; antennarum articulo tertio secundo
triplo longiore, tibiis posticis extrorsim breviter ciliatis; unguibus
et pulvillis haud elongatis.
Long. 9,5 mm.
EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN. 163
Voorloopig breng ik deze soort tot het genus Crossocosmia,
waarmede zij in de meeste kenmerken overeenstemt, o. a. in het
gemis van duidelijke macrochaeten op‘de beide eerste segmenten
van het achterlijf en in de wimperachtige beborsteling der achter-
schenen. Ik moet echter opmerken, dat zij in sommige opzichten
daarvan afwijkt. Zoo dalen de oogen lager af dan bij Cr. Sericariae
en zijn de haken en voetballen merkelijk korter, ofschoon mijne
voorwerpen mannetjes schijnen te zijn, daar zij geene orbitaal-
borstels hebben en het voorhoofd vrij smal is.
Voorhoofd niet vooruitstekend, geelachtig aschgrauw, op den
schedel smaller dan de oogen; voorhoofdsband zwart, smaller dan
de zijden, voorhoofdsborstels zwak, in eene gebogen rij afdalende
tot aan het einde van het tweede sprietenlid; buitenwaarts van de
voorhoofdsborstels nog vele haren, weinig van die borstels ver-
schillende; geen orbitaal-borstels; drie paren schedelborstels. Aan-
gezicht, wangen en achterste oogranden wit; het aangezicht bijna
rechtstandig; gezichtslijsten boven den mondrand slechts weinig tot
elkander gebogen en aldaar met vele borstels bezet, die echter niet
hooger reiken dan het eind der sprieten; te midden dezer borstels,
een weinig boven den mondrand, steken de langere vibrissen uit.
Oogen naakt, vrij laag afdalende, zoodat het onderste gedeelte niet
meer dan een vierde van de lengte der oogen inneemt. Sprieten
boven de middenlijn der oogen ingewricht en niet tot het onder-
einde der oogen reikende; het derde lid ongeveer driemaal zoo lang
als het tweede; sprietborstel onduidelijk geleed, tot iets voorbij het
midden verdikt; de sprieten zijn zwart, het uiteinde van het tweede
en de wortel van het derde lid dragen nochtans sporen van eene
lichtere, rosachtige kleur. Zuiger zwart; palpen uitstekend, naar
boven gebogen, donker roodachtig, vooral naar het uiteinde. —
Thorax. van boven geelachtig aschgrauw, met vier smalle, aan den
dwarsnaad afgebroken, zwarte strepen; borstzijden grijs; schildje
geelachtig grauw, aan den wortel zwartbruin, aan het einde rood-
achtig en door de beharing okergeel. — Achterlijf eivormig , de eerste
drie ringen zijn ongeveer van gelijke lengte, de anaal-ring korter ;
erste ring zwart; de tweede en derde ringen grijs, met breeden
164 EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN.
zwarten achterrand, in de zijden met bruinrooden gloed; anaal-
ring glanzig zwart, van voren met grijzen zoom; over de middenste
ringen loopt eene zwarte rugstreep, nevens welke zich de zwarte
kleur, naarmate van het opvallend licht, naar voren uitbreidt;
aan den achterrand van den tweeden ring zijn een paar zeer korte
macrochaeten; die van den derden ring zijn langer en vormen eene
reeks langs den achterrand; op den anaal-ring zijn zij over de
geheele oppervlakte verspreid, doch vallen weinig in bet oog tusschen
de dichte beharing. — Pooten zwart; de voordijen van boven en van
achteren met kamachtig geplaatste borstels; achterschenen aan de
buitenzijde wimperachtig met borstels, die echter korter zijn dan
bij Sericariae; tarsen slank, ongeveer zoo lang als de schenen;
haken en voetballen weinig langer dan het laatste lid, de voet-
ballen geelachtig. — Vleugelschubben geelachtig wit. Vleugels met
nauwelijks iets grauwe tint, een weinig langer dan het achterlijf,
zonder randdoorn; spitscel vrij kort vóór de vleugelspits geopend;
ombuiging der discoidaal-ader (vierde langsader) met iets stompen
hoek en zonder aanhangend adertje ; middendwarsader op het midden
der schijfeel; spitsdwarsader zeer weinig gebogen, soms bijna
recht; achterdwarsader iets meer gebogen.
Drie exemplaren van Java (Piepers), waarvan een gekweekt uit
Hypaetra remosa Hbn. Bij een der voorwerpen is de kleur van den
thorax meer zuiver grijs en zijn de beide zwarte middenstrepen
iets breeder; bovendien is het schildje meer zwartachtig met rood-
bruinen achterrand; daar het overigens met de beide anderen
overeenkomt, kan ik er niet anders dan eene varieteit in zien.
4 Crossocosmia discreta n. sp. d 2.
Pl. 4, fig. 4.
Ovata, cinerea; epistomate albo; thorace lineis quatuor nigris;
abdomine nigro, segmentis secundo et sequentibus margine anteriori
cinereo; antennis pedibusque nigris; antennarum articulo tertio
secundo triplo longiori; tibiis posticis extrorsim breviter ciliatis;
unzuibus el pulvillis elongatis in 4; palpis rubro-fuscis.
Long. 8 mm.
EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN. 165
Ook deze soort, ofschoon nog kleiner, vertoont over ’t algemeen
de kenmerken van het geslacht Crossocosmia, doch heeft, even als
de voorgaande, de oogen lager afdalende dan bij Cr. Sericariae;
bij het d zijn de haken en voetballen verlengd.
Kop en oogen ongeveer als bij eurvipalpis gevormd ;- voorhoofd
licht geelachtig grauw, bij het d smaller dan de oogen, bij het
9 iets breeder, doch minder breed dan bij Sericariae 9; voorhoofds-
band zwart, zoo breed als de zijden; voorhoofdsborstels in eene
gebogen rij tot het eind van het tweede sprietenlid afdalende, bij
het d zwak, bij het 9 steviger; buitenwaarts van deze borstels
bevindt zich op het voorhoofd eene zeer fijne beharing, welke alleen
met eene sterke loupe zichtbaar wordt; bij het 9 zijn ter weder-
zijde twee naar voren gerichte orbitaal-borstels, die bij het ¢ ont-
breken; schedelborstels als bij curvipalpis. Aangezicht, wangen en
achterste oogrand witachtig (d) of zilverwit (?). Sprieten zwart,
boven de middenlijn der oogen ingeplant, het derde lid driemaal
zoo lang als het tweede; sprietborstel tot iets voorbij het midden
verdikt. Zuiger zwart; palpen donker roodbruin, eylindrisch, naar
het uiteinde verdikt en iets opgebogen, doch niet zoo sterk als bij
de voorgaande soort. — Thorax aschgrauw , met vier smalle, aan den
dwarsnaad afgebroken, zwarte strepen; schildje geelachtig grauw ,
bijna okergeel , aan den wortel zwartbruin. — Achterlijf eivormig, de
eerste drie ringen van gelijke lengte, de anaal-ring korter; eerste
ring zwart; de volgende ringen zwart, eenigszins glanzig, aan den
voorrand met een lichten zoom, die bij het d breeder en geel-
grauw, bij het 2 smaller en witachtig is; in sommige richtingen
vertoont zich ook eene zwarte rugstreep, en bij het d hebben de
zijden van het achterlijf iets roodachtigs; macrochaeten als bij
eurvipalpis. Ook de pooten zijn als bij die soort gevormd en be-
borsteld; de haken en voetballen zijn bij het d echter een weinig
meer verlengd en langer dan het laatste tarsenlid; de voortarsen
van het 2 zijn niet verbreed. — Vleugelschubben geelachtig (4) of
wit (2). Vleugels met flauwe grijsachtige tint; spitscel dicht bij de
vleugelspits geopend; ombuiging der discoidaal-ader rechthoekig,
zonder aanhangend adertje; middeldsvarsader op het midden der
166 EENIGE JAVAANSCILE TACHININEN.
schijfeel; de beide buitenste dwarsaderen een weinig gebogen.
Een & en een g van Java (Piepers), het eerste gekweekt uit
Godara comalis Guen., het wijfje uit een nog ongedetermineerd
Microlepidopteron.
5. Masicera linearifrons n. sp. d 2.
PI. 4, fig. 5.
Ovato-elliptica, cinerea; capite albescente; stria frontali, thoracis
lineis quatuor, abdominis segmento primo toto et segmentorum
reliquorum margine apicali lineaque dorsali, antennis pedibusque,
nigris; palpis rufis; antennarum articulo ultimo secundo quintuplo
longiori.
Long. 7 mm.
Voorhoofd niet vooruitstekend, ongeveer een derde ter breedte
van den kop, lichtgrijs; voorhoofdsband duidelijk, zwart, iets
smaller dan de zijden; voorhoofdsborstels kort, tot aan het eind
van het tweede sprietenlid afdalende ; drie paren iets langere schedel-
borstels; bij het g bovendien ter wederzijde een paar stevige, naar
voren gebogen orbitaal-borstels. Aangezicht bijna rechtstandig , wit;
mondrand niet vooruitstekend; gezichtslijsten naar onderen diver-
geerend, doch boven de mondopening weder flauw ingebogen;
vibrissen dicht boven den mondrand ingeplant en daarboven nog
eenige zwakkere borstels. Oogen naakt, tot vrij dicht aan den
onderkant van den kop afdalende. Sprieten zwart, boven de midden-
lijn der oogen ingewricht; de beide wortelleden kort; het derde lid
vijfmaal zoo lang als het tweede, tot dicht aan den mondrand
reikende; sprietborstel naakt, aan de wortelhe'ft verdikt, doch
langzaam dunner wordend en aan het einde haarfijn, Zuiger zwart;
palpen bleek roestkleurig, cylindrisch, — Thorax en schildje asch-
grauw; op den rug van den thorax vier zwartachtige langslijnen ,
de beide middenste achter den dwarsnaad onduidelijk; aan het
eind van den thorax en aan den achterzoom van het schildje lange
macrochaeten, — Achterlijf eivormig (bij het 9 naar het einde spits
toeloopend), grauw; de eerste ring en de achterrand der volgende
EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN. 167
ringen zwart en min of meer glanzig; voorts eene zwarte rug-
streep, die naarmate het licht er op valt, soms door een zwart-
achtigen weerschijn wordt begrensd; aan den achterrand van den
tweeden en derden ring platliggende en daardoor weinig in het oog
vallende macrochaeten. — Pooten zwart ; middenschenen met een paar
lange, naar beneden gerichte borstels even onder het midden;
achterschenen aan de buitenzijde met eene reeks kamachtig gestelde
borstels; tarsen korter dan de schenen; haken en voetballen in
beide sexen kort. — Vleugelschubben witachtig. Vleugels met flauwe
grijsachtige tint; spitscel kort voor de vleugelspits geopend ; middel-
dwarsader op het midden der schijfcel; ombuiging der discoidaal-
ader rechthoekig; spitsdwarsader en achterdwarsader zacht gebogen.
Drie exemplaren (twee mannetjes en een wijfje), Java (Piepers);
onbekend uit welke vlindersoort zij zijn voortgekomen.
Genus PAREXORISTA Br. en B.
Dit geslacht werd door Professor Brauer en von Bergenstamm
(Denkschr. K. Akad. Wiss. Wien, LVI, p. 87 en LVIII p. 318)
van het genus Zxorista Meig. afgescheiden , om er de talrijke soorten
in op te nemen, welke smalle kinbakken hebben, en waarvan
onze gewone Æxorista lucorum Meig. als een der typen kan worden
beschouwd. Een zevental nieuwe soorten van Java, die ik meen
hiertoe te moeten brengen, wensch ik hieronder te beschrijven.
Zij behooren allen tot die, bij welke aan het achterlijf alleen mar-
ginale macrochaeten aanwezig zijn, de sprietborstel geen aanduiding
van geledingen vertoont en de palpen roodachtig of geel zijn.
Overigens zijn die zeven soorten op de volgende wijze te onder-
scheiden :
1. Dijen en schenen roodgeel, alleen de tarsen zwart. rubeola.
Pooten zwart, somtijds de schenen geelachtig . . 2
2. Achterlijf roodgeel, met breeden, zwartachtigen
BRR heetste velie doren gs Hebbes Gad der
Achterlijf zwart, meestal met aschgrauwen voor-
Tandı dem TINBEnE. gie) he ere Beh Bt ete ;
168 EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN.
33 schenen Gebopen. ". IME nt Ne. a METTRE
Schenen WEL we =. rn MAM SI conan Se eee
4. Schildje geheel zwart (achterlijf glanzig zwart,
met grijze plekken op den tweeden ring). . laevwentris.
Schildje roodgeel of grauwachtig geel, althans aan
den achterrand (achterlijf met grauwen voor-
zoom aan de tweede en volgende ringen). . 5
5. Voorhoofd van boven plat, aan de inwrichting
der sprieten een weinig hoekig uitstekend; die
inwrichting merkelijk boven de middenlijn der
OOBEN vat Eee ee ik MOEDER:
Voorhoofd meer zuiver afgerond en niet uitstekend;
inwrichting der sprieten op de middenlijn der
oogen of nauwelijks iets daarboven . . . . 6
6. Schedel (in d) bijna zoo breed als de oogen ;
tweede lijfsring (in 4) met een paar groote,
steil opstaande macrochaeten . . +. +. . . Gridipennis.
Schedel (in d) half zoo breed als de oogen; ma-
crochaelen van den tweeden lijfsring (in 8)
kort en weinig tusschen de beharing uitkomende. #odicella.
De drie laatstgenoemde soorten behooren in de verwantschap
van onze inlandsche P. Zucorum Meig.
6. Parexorista rubeola n. sp. 9.
PI. 5, fig. 1.
Ovata, cinerea; capite albo; thorace lineis obsoletis fuscis; ab-
domine flavido-rufo, stria dorsali et segmento tertio margine apicali
nigris; antennis nigris, articulis basalibus rufis, articulo tertio
secundo quadruplo longiori; palpis pedibusque rufis, tarsis nigris.
Long. 7.5 mm,
Kop halfrond, wit; voorhoofd gebogen; schedel zoo breed als de
oogen; voorhoofdsband zwart, smaller dan de zijden; voorhoofds-
borstels weinig talrijk maar stevig, de onderste ter hoogte van het
tweede sprietlid;- drie paar schedelborstels achter elkander, als een
EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN. 169
vervolg van de voorhoofdsborstels; een paar naar voren gerichte
ocellaar-borstels, en ter wederzijde een paar, mede naar voren
gerichte orbitaal-borstels, Oogen tot dicht aan den onderkant van
den kop afdalende, met zeer korte, weinig zichtbare beharing.
Aangezicht bijna rechtstandig; mondrand niet vooruitstekend; ge-
zichtslijsten naar onderen iets uit elkander wijkende en daar
nauwelijks weder ingebogen; vibrissen juist aan den mondrand,
zonder korte borsteltjes er boven; wangen smal, naakt; kinbakken
van onderen met eenige borstels; kinbaard wit. Sprieten op het
midden der ooglengte ingewricht; de beide wortelleden kort , roest-
kleurig; het derde lid zwart, viermaal zoo lang als het tweede;
sprietborstel aan de wortelhelft slechts weinig verdikt. Zuiger aan
den wortel zwartachtig, de lippen bleek roodgeel, evenals de
cylindrische palpen. — Thorax aschgrauw, met vier donkere, weinig
in ’toog vallende langslijnen; schildje geelachtig aschgrauw, aan
den wortel zwartachtig, in de zijden en aan den achterrand met
eenige lange macrochaeten. — Achterlijf eivormig , de beide middenste
ringen het langst; de grondkleur is roodgeel, doch wijzigt zich door
een lichtgrijzen of witachtigen, vlekkigen weerschijn, die in de
zijden tot het zilverwitte overgaat; op den eersten ring vertoont
zich eene zwarte rugvlek, op den tweeden ring een zwarte rug-
band, die naar achteren breeder wordt, zich op den derden ring
voortzet en daar in een glanzig zwarten achterzoom overgaat; de
anaal-ring is aan de voorste helft grauwachtig, aan het einde zwart;
de buik is roodgeel met witten weerschijn en eene smalle zwarte
middenstreep; aan den achterrand van den eersten ring zijn een
paar korte macrochaeten, aan dien van den tweeden ring een paar,
die langer en steviger zijn, aan den achterrand van den derden
ring eene reeks van verscheidene lange en krachtige macrochaeten ;
de anaal-ring is, zoowel op het midden als aan het einde, met
een aantal macrochaeten bezet. — Pooten roodgeel , met zwarte tarsen ;
middenschenen onder het midden met enkele stevige borstels en
met krachtige eindsporen ; achterschenen buitenwaarts met eene rij
borstels, waarvan er een onder het midden langer is; voor- en
achtertarsen zoo lang als de schenen, de middentarsen iets korter ;
170 EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN.
haken en voetballen kort. — Vleugelschubben geelachtig wit. Vleugels
zonder randdoorn, met grijze tint, aan den wortel geelachtig;
spitscel dicht voor de vleugelspits geopend; middeldwarsader op
het midden der schijfcel; ombuiging der discoidaal-ader rechthoekig ,
zonder eenige aanduiding van een aanhangend adertje; spitsdwars-
ader ingebogen ; achterdwarsader flauw geslingerd.
Een Q van Java (Piepers); uit de daaraan gehechte nummer-
etiquette blijkt, dat het is gekweekt, doch de vlindersoort , waaruit
het is voortgekomen, is mij niet opgegeven.
7. Parexorista corvinoides n. sp. d 9,
Pl. 3, fig: 9,
Ovata; capite albo; thorace cinereo; scutello ochraceo; abdomine
flavido-rufo, stria dorsali lata nigricante; antennis pedibusque nigris;
tibiis testaceis; palpis rufis.
Long. 5.5—7 mm.
Voorhoofd afgerond, niet vooruitstekend, grauw met witachtigen
weerschijn; schedel in d ter halve breedte der oogen, in 9 een
weinig smaller dan de oogen; voorhoofdsband zwart, smaller dan
de zijden; voorhoofdsborstels tot het eind van het tweede sprieten-
lid afdalende; bij het $ zijn de voorhoofdsborstels minder talrijk,
maar steviger; voorts heeft het drie paar naar achteren gerichte
schedelborstels, benevens een paar naar voren gerichte ocellaar-
borstels en ter wederzijde twee stevige orbitaal- borstels , mede voor-
waarts gebogen (bij het mannelijk exemplaar, dat voor mij staat,
zijn de schedelborstels en de ocellaar-borstels afgebroken). Oogen
tot dicht aan het ondereind van den kop afdalende, met korte,
bleekgele beharing. Aangezicht en wangen wit; gezichtslijsten
scherpkantig, van onderen een weinig ingebogen ; vibrissen juist
aan den mondrand, met enkele kortere borstels er boven; de zeer
smalle kinbakken wit, even als de achterste oogrand; achterhoofd
lichtgrijs; kinbaard wit. Sprieten zwart, boven het midden der
oogen ingewricht; de beide wortelleden kort; het derde lid niet
wel driemaal zoo lang als het tweede, naar onderen iets verbreed
en afgerond; spriethorstel nauwelijks tot het midden verdikt, Zuiger
EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN. del
bruinzwart; palpen roodgeel, naar het einde dikker. — Thorax asch-
grauw, van voren lichter, met vijf zwartachtige langslijnen, die
bij het d niet altijd duidelijk zijn, omdat daar de grondkleur
donkerder is; berstzijden lichtgrijs; schildje bruinachtig geel, eenigs-
zins okerkleurig, met eenige lange macrochaeten , waarvan twee
‘aan den achterrand gekruist, — Achterlijf eivormig, roodgeel (3) of
roodbruin (2); de eerste ring in ’t midden zwart; de beide volgenden
met een breeden donkeren rugband; bij het ¢ is deze rugband donker-
bruin en verdeelt zich soms, naarmate van het daarop vallend licht,
in drie zwarte strepen, met witachtig weerschijnende tusschen-
ruimten, terwijl zich aan den voorkant der ringen een smalle geel-
achtig witte zoom vertoont; bij het £ is de rugband zwart, met on-
regelmatige witachtige weerschijnvlekken; de anaal-ring is in beide
sexen nagenoeg geheel zwart , terwijl de lichte kleur alleen in een klein
hoekje ter wederzijde overblijft; aan den tweeden ring zijn een paar
marginale macrochaeten, aan den derden ring eene reeks van der-
gelijke macrochaeten. — Pooten zwart, de schenen bruingeel;
voor- en achtertarsen zoo lang als de schenen; de middentarsen
korter; onder aan de voordijen eene rij kamachtig gestelde borstel-
haren; aan de middenschenen omstreeks het midden een paar
borstels en voorts krachtige eindsporen; achterschenen buitenwaarts
wimperachtig met borstels, waarvan een paar onder het midden
langer zijn; haken en voetballen hij het d verlengd, het meest
aan de voortarsen; de voetballen geelachtig. — Vleugelschubben
geelachtig wit. Vleugels met grijsachtige tint, bij het & langs den
voorrand flauw bruingeel; spitscel kort vóór de vleugelspits ge-
opend; middendwarsader op het midden der schijfcel; ombuiging
der discoidaal-ader rechthoekig zonder aanhangend adertje; spits-
dwarsader een weinig ingebogen; schijfdwarsader bij het d flauw
geslingerd, bij het 2 bijna recht.
Een mannetje en een wijfje van Java (Piepers), beiden uit
Liparis corticea Sn. gekweekt.
Bij oppervlakkige beschouwing gelijkt de soort op het d van de
gewone Musca corvina Fabr., doch laat zich daarvan gemakkelijk
onderscheiden door de naakte sprieten enz,
172 EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN.
8. Parexorista curvipes n. sp. d.
Pl. 5, fig. 3.
Ovata, nigra, epistomate albicante; thorace antice grisescente,
lineis nigris obsoletis; abdomine macrochaetis parvis marginalibus;
antennis pedibusque nigris; antennarum articulo ultimo secundo
quadruplo longiori; tibiis curvatis: palpis rufis,
Long. 6.5 mm.
Voorhoofd aschgrauw, plat, iets vooruitstekend; schedel smaller
dan de oogen; voorhoofdsborstels ter wederzijde in eene gebogen rij
tot beneden het tweede sprietlid afdalende ; twee paren naar achteren
gerichte schedelborstels en een paar naar voren wijzende ocellaar-
borstels; orbitaal-borstels ontbreken. Oogen tot dicht aan het onder-
eind van den kop afdalende, met dichte geelachtige beharing.
Aangezicht wit, bijna rechtstandig ; mondrand niet vooruitstekend;
gezichtslijsten scherpkantig, van onderen iets naar binnen omge-
bogen; vibrissen juist aan den mondrand, met eenige kortere
borsteltjes er boven; onderkant van den kop met eene rij vrij
stevige borstels; achterste oogrand wit. Sprieten zwart, iets boven
de middenlijn der oogen ingewricht; het derde lid viermaal zoo
lang als het tweede; sprietborstel aan de wortelhelft verdikt en
verder langzamerhand dunner wordende. Zuiger zwartbruin; palpen
roodgeel, cylindrisch, naar het eind verdikt, — Thorax en schildje
zwart, min of meer met aschgrauwe bestuiving; op den rug van
den thorax eene flauwe aanduiding van zwarte langslijnen; achter-
rand van het schildje roestkleurig. — Achterlijf breed eivormig, zwart
met eenigen glans; macrochaeten klein en alleen aan den achter-
rand der ringen. — Pooten zwart; al de schenen sterk gebogen ;
achterschenen buitenwaarts wimperachtig met borstels, waarvan er
een of twee, beneden het midden, langer en steviger zijn; voor-
en achtertarsen langer dan de schenen, de middentarsen korter;
haken en voetballen verlengd, die van de beide voorste paren het
meest, de voetballen geelachtig. — Vleugelschubben bleekgeel,
vleugels zonder randdoorn, met grijze tint; spitscel dicht voor de
EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN. 173
vleugelspits geopend; ombuiging der discoidaal-ader rechthoekig,
zonder aanhangend adertje; middeldwarsader iets vóór het midden
der schijfcel; spitsdwarsader recht; schijfdwarsader flauw gebogen.
Een 3, Java (Piepers), onzeker uit welke vlindersoort gekweekt.
9. Parexorista laeviventris n. sp. d.
Pl. 5, fig. 4.
Ovata, nigra; epislomate albo; thorace antice cinereo, nigro-
striato; abdomine nitido, segmento secundo fascia late interrupta
grisea, segmento tertio antice limbo angusto albescente; antennis
elongatis pedibusque nigris; antennarum articulo ultimo secundo
quintuplo longiori; palpis rubro-fuscis.
Long. 5—6 mm.
_ Schedel smaller dan de oogen; voorhoofd aschgrauw; voorhoofds-
band zwart, ingedrukt, den schedel niet bereikende ; voorhoofds-
borstels tot beneden het tweede sprietlid afdalende; drie paren
schedelborstels en een paar naar voren gerichte ocellaar-borstels;
orbitaal-borstels niet aanwezig. Oogen tot bijna aan het ondereind
van den kop reikende, met korte, dichte, geelachtige beharing.
Aangezicht, wangen en achterste oogrand wit; gezichtslijsten naar
onderen divergeerend, boven de mondopening nauwelijks iets in-
gebogen; vibrissen aan den mondrand geplaatst, met eenige kortere
borsteltjes er boven; wangen smal, van onderen met eene rij bor-
stels; kinbaard wit. Sprieten zwart, boven het midden der oogen
ingewricht; de wortelleden kort; het derde lid ongeveer vijfmaal
zoo lang als het tweede, van voren met witten weerschijn ; spriet-
borstel aan de wortelhelft verdikt en van daar vrij plotseling
haarvormig. Zuiger zwartachtig; palpen donker roodbruin, klein en
dun. — Thorax met aschgrauwe bestuiving, die vóór den dwars-
naad het helderste is en aldaar het begin van zwarte langslijnen
vertoont, waarvan er drie op den rug het duidelijkst zijn; borst-
zijden met lichtgrijze weerschijnvlekken; schildje zwartachtig, aan
den achterrand met lange macrochaeten. — Achterlijf langwerpig
eivormig, glanzig zwart; de derde ring het langst, de anaal-ring
174 EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN.
het kortst; tweede ring met een breeden, in ’t midden afgebroken ,
lichtgrijzen voorzoom; derde ring met een dergelijken, doch veel
smalleren zoom; het achterlijf is met eene korte en dichte beharing
bezet; aan den achterrand van den tweeden ring zijn een paar
stevige macrochaeten, aan dien van den derden ring eene rij van
dergelijken; anaal-ring mede met verscheidene macrochaeten en
lange haren. — Pooten zwart; voordijen van onderen met kamachtig
gestelde borstels; middenschenen onder het midden met enkele
stevige borstels en met krachtige eindsporen ; achterschenen buiten-
waarts met eene rij borstels, waarvan een beneden het midden
langer is dan de overigen; voor- en achtertarsen zoo lang als de
schenen, de middentarsen iets korter; haken en voetballen ver-
lengd , de voetballen geelachtig. — Vleugelschubben bleekgeel. Vleugels
met flauwe grijze tint; spilscel een eind voor de vleugelspits smal
geopend ; ombuiging der discoidaal-ader bijna rechthoekig, en schijn-
baar met een kleinen aderaanhang, die echter niets meer is dan
eene vleugelplooi; middeldwarsader voor het midden der schijfcel ;
spitsdwarsader bij haren oorsprong uit de discoidaal-ader ingebogen ,
doch verder recht; schijfdwarsader flauw gebogen.
Twee mannelijke exemplaren van Java (Piepers), uit rupsen of
poppen gekweekt, doch zonder dat de naam der aangetaste vlinder-
soort mij is medegedeeld.
10. Parexorista gentilis n. sp. 4 9.
5
Pl jb, fiera,
Ovata, cinerea, fronte plana, subprominente; antennis nigris,
elongatis, articulo tertio secundo quadruplo longiori; palpis pallide
rufis; thorace lineis quatuor nigris; scutello apice ochraceo; abdo-
mine nigro, segmentis secundo et tertio antice cinereis, macrochaetis
marginalibus distinctis; pedibus nigris.
Long. 9 mm.
Voorhoofd aschgrauw, plat, aan de inwrichting der sprieten een
weinig hoekig uitstekend; schedel in 2 zoo breed als de oogen,
in 3 iets smaller; voorhoofdsband zwart, smaller dan de zijkanten ;
BENIGE JAVAANSCHE TACHININEN. 175
voorhoofdsborstels tot iets beneden het tweede sprietenlid afdalende ;
drie paren naar achteren gerichte schedelborstels, alsmede een paar
naar voren gerichte ocellaar-borstels; bovendien, bij het 2, ter
wederzijde een paar orbitaal-borstels. Aangezicht bij het ¢ zwart-
achtig met witten weerschijn, bij het Q meer zuiver wit; wangen
smal; gezichtslijsten van onderen een weinig ingebogen; vibrissen
aan den mondrand geplaatst en daarboven eenige kortere haren;
aan de kinbakken, die wegens de zeer laag reikende oogen , slechts
lineair zijn, bevinden zich langere borstels; de kinbaard is wit.
Oogen met dichte grauwgele beharing. Sprieten zwart, merkelijk
boven de middenlijn der oogen ingewricht; de beide wortelleden
kort; het derde lid ten minste viermaal zoo lang als het tweede;
sprietborstel aan de wortelhelft een weinig verdikt. Zuiger zwart-
achtig, met vrij lange eindlippen; palpen bleek roodgeel, naar het
uiteinde sterk verbreed. — Thorax van boven geelachtig aschgrauw ,
met vier zwarte fijne langsstrepen, de beide middensten aan den
voorkant beginnende en tot even over den dwarsnaad doorge-
trokken, de beide uitersten aan den dwarsnaad afgebroken en slechts
uit langwerpige vlekjes bestaande; borstzijden grijs; schildje aan
den wortel zwartachlig, naar achteren eenigszins okergeel, over
de geheele oppervlakte met eene dichte en vrij lange, zwarte
beharing bezet, aan den achterrand met 6 lange macrochaeten. —
Achterlijf eirond, de eerste drie ringen ongeveer even lang, de
anaal-ring korter; bij het d is het achterlijf zwart met grauwe
weerschijnvlekken, die het meest aan den voorkant van den tweeden
en derden ring voorkomen, terwijl in de zijden zich eene rood-
gele vlek vertoont; bij het 9 is de grauwe kleur meer uitgebreid,
zoodat het achterlijf zich voordoet als aschgrauw met zwarten achter-
zoom der ringen; bij het d is het achterlijf met eene dichte zwarte
beharing bekleed, die ook bij het Q aanwezig, doch minder dicht
is; in beide sexen zijn aan het eind van den eersten ring een
paar korte macrochaeten, aan het eind van den tweeden ring een
paar lange opstaande, en aan het eind van den derden ring eene
geheele reeks van lange macrochaeten; anaal-ring met vele derge-
lijken (zie fig. 5e). — Pooten zwart; dijen met kamachtig gestelde
176 EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN.
borstelharen; middenschenen in ’t midden met een paar borstels
aan de binnenzijde en een langere aan de buitenzijde, voorts met
stevige eindsporen; achterschenen buitenwaarts wimperachtig met
borstels, waarvan er een langer is dan de overigen; haken en
voetballen bij het & verlengd, de voetballen grauwachtig geel. —
Vleugelschubben geelachtig. Vleugels zonder randdoorn, met nauwe-
lijks iets grijsachtige tint; spitscel vrij dicht bij de vleugelspits
geopend; middeldwarsader op of zelfs nog iets vóór het midden
der schijfcel; ombuiging der discoidaal-ader met eenigszins stompen
hoek ; spitsdwarsader en schijfdwarsader zacht gebogen.
Twee mannetjes en twee wijfjes, Java (Piepers), drie dezer
exemplaren verkregen uit Macroglossa Belia Cr., een der beide
mannetjes uit Beara singularis L.
11. Parexorista iridipennis n. sp. d.
PL 6, figs.
Ovata, cinerea; fronte arcuata; epistomate albo; antennis nigris,
articulo ultimo secundo triplo longiori; thorace lineis quatuor
nigris; scutelli apice ochraceo-rufo; abdominis segmento primo
toto, reliquorum margine apicali nigris; macrochaetis marginalibus
distinctis; pedibus nigris; palpis rufis.
Long. 10 mm.
Kop halfrond; voorhoofd zuiver afgerond, niet vooruitstekend,
aschgrauw; schedel smaller dan de oogen; voorhoofdsband zwart,
smal; voorhoofdsborstels tot beneden het tweede sprietenlid afda-
lende, drie paar schedelborstels achter elkander en een paar naar
voren gebogen ocellaar-borstels; geen orbitaal-borstels. Oogen tot
bijna aan het ondereind van den kop reikende, met dichte geel-
achtige beharing. Aangezicht, wangen en achterste oogrand wit;
mondrand niet vooruitstekend; gezichtslijsten naar onderen een weinig
ingebogen; vibrissen aan den mondrand geplaatst, met eenige korte
borsteltjes er boven; onderrand van den kop afgerond en met eene
rij borstels bezet; kinbaard wit. Sprieten zwart, nauwelijks iets
boven de middenlijn der oogen ingewricht; de beide wortelleden
EENIGE JAVAANSCHE TAOHININEN, | 177
kort, het derde lid ruim driemaal zoo lang als het tweede; spriet-
borstel aan de wortelhelft verdikt en verder langzamerhand dunner
wordende. Zuiger zwartachtig; palpen roodgeel, naar het einde
verdikt. — Thorax geelachtig aschgrauw, met vier zwarte langs-
streepjes, de beide middensten aan den voorrand beginnende, naar
achteren divergeerende en een eind weegs over den dwarsnaad
voortgezet; de beide uitersten aan den dwarsnaad afgebroken en
voor noch achter tot het eind doorgetrokken; borstzijden lichtgrijs;
schildje aan den wortel zwartachtig, aan den achterrand okergeel,
de beharing en de borstels als bij de voorgaande soort. — Achterlijf
eivormig, de eerste drie ringen ongeveer van gelijke lengte, de
anaal-ring korter; eerste ring zwart, de volgenden aschgrauw met
witachtigen weerschijn en een zwarten, eenigszins glanzigen achter-
rand, die nagenoeg een derde der lengte inneemt, voorts met eene
zwarte rugstreep, nevens welke zich zwartbruine weerschijnvlekken
vertoonen; bij een der exemplaren is in de zijden van den tweeden
ring eene roodgele kleur te zien; aan het eind van den tweeden
ring zijn een paar vrij lange en steile macrochaeten; aan het eind
van den derden ring eene geheele reeks van dergelijke macrochaeten ;
anaal-ring als gewoonlijk met vele borstels. — Pooten zwart ; achter-
schenen buitenwaarts wimperachtig met borstels, waarvan er een
beneden het midden langer is; haken en voetballen verlengd, de
voetballen vuilgeel. — Vleugelschubben geelachtig wit. Vleugels grijs-
achtig, sterk iridiseerend !), zonder randdoorn; spitscel dicht bij
de vleugelspits geopend; middeldwarsader op het midden der schijf-
cel; ombuiging der discoidaal-ader met bijna rechten, iets afge-
ronden hoek; spilsdwarsader zacht ingebogen ; schijfdwarsader flauw
geslingerd.
Drie mannetjes, Java (Piepers), voortgekomen uit Macroglossa
Belia Cr.
1) Ook bij P. gentilis en modicella zijn de vleugels iridiseerend, ofschoon
minder in “toog vallend dan bij éridipennis; trouwens men vindt dit in meerdere
of mindere mate bij vele vliegen en andere insecten met naakte vliezige
vleugels.
Tijdschr, v. Enlom. XXXVI. 12
178 HENIGE JAVAANSCHE TACHININEN.
5 Parexorista modiceila n. sp. d Q.
PI nie, a:
Ovata, cinerea; capite albescente; fronte arcuata ; antennis nigris,
articulo ultimo secundo triplo longiori; thorace lineis nigris; scutello
toto vel in apice rufescente; abdominis segmento primo toto et
seomentorum reliquorum margine apicali nigris, macrochaetis mar-
ginalibus (in d parvis); pedibus nigris, tibiis subtestaceis; palpis
pallide rufis.
Long. 6.5---9 mm.
Kop halfrond, witachtig; voorhoofd gebogen , niet vooruilstekend;
schedel bij het ¢ veel smaller (ongeveer 1/3) dan de oogen, bij het
Q bijna zoo breed als de oogen; voorhoofdsband zwart, smal;
voorhoofdsborstels tot aan het eind van het tweede sprietlid reikende,
bij het & zwak; voorts drie paar schedelborstels achter elkander
en een paar naar voren gerichte ocellaar-borstels; bij het 2 boven-
dien ter wederzijde een paar orbitaal-borstels. Oogen tot bijna aan
het ondereind van den kop afdalende, dicht maar kort behaard.
Aangezicht bijna rechtstandig, bij het & zeer smal; gezichtslijsten
van onderen dicht tot de oogen naderende en daar nauwelijks iets
ingebogen ; mondrand niet uitstekend; vibrissen bijna op den mond-
rand geplaatst, met enkele korte borsteltjes er boven; aan den
onderrand van den kop eene rij borstels; kinbaard witachtig.
Sprieten zwart, op of even boven de middenlijn der oogen inge-
wricht; het derde lid driemaal zoo lang als het tweede; spriet-
borstel aan de wortelhelft verdikt. Zuiger zwart, met breede,
meestal geelbruine eindlippen; palpen bleek roestkleurig, soms aan
den wortel zwartachtig. — Thorax grijsachtig aschgrauw, van boven
met zwarte langsstreepjes als bij de voorgaande soort, doch dikwijls
minder duidelijk; schildje grauwachtig roodgeel, althans aan den
achterrand, met beharing en beborsteling als bij de twee voor-
gaande soorten. — Achterlijf eivormig, de beide middenste ringen
het langst; eerste ring zwart, de volgende ringen aschgrauw, met
een zwarten achterzoom, somtijds ineenvloeiende met bruinzwarte
weerschijnvlekken, die zich terzijde van eene zwarte ruglijn ver-
EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN. 179
toonen; dit laatste is meer het geval bij het d, waar ook de zijden
der drie voorste ringen veelal min of meer eene bruinroode tint
hebben; aan den achterrand der beide eerste ringen zijn een paar
macrochaeten, die bij het d echter veel korter zijn dan bij de
twee voorgaande soorten, en door hare richting, schuin naar
achteren, weinig in ’t oog vallen tusschen de dichte beharing,
waarmede het achterlijf bedekt is (zie fig. 20); bij het 2 zijn deze
macrochaeten langer en duidelijker; aan den achterrand van den
derden ring is eene reeks van macrochaeten, en de anaal-ring is
over de geheele oppervlakte borstelig. — Pooten zwart, de schenen
bruingeel; achterschenen buitenwaarts dicht gewimperd, met een
langeren borstel beneden het midden; tarsen en voetballen bij het
d verlengd, de voetballen geelachtig, — Vleugelschubben wit, met
iets gele tint, Vleugels zonder randdoorn, een weinig grijsachtig ;
spitscel kort voor de vleugelspits geopend; middeldwarsader op of
nog iets voor het midden der schijfcel; ombuiging der discoidaal-
ader met rechten, eenigszins afgeronden hoek; de beide buitenste
dwarsaderen flauw gebogen.
Een aantal exemplaren van beide sexen, Java (Piepers) , gekweekt
uit Macroglossa Bela Cr., Ophideres (Fullonica ?), de meesten uit
eene Dasychira-soort (D. grossa Snellen in litt.).
13. Phorocera degeerioides n. sp. J.
Pl. 6, fig. 3.
Oblongo-ovata, grisea; thorace strigis quatuor, abdominis seg-
mentorum marginis posticis, antennis pedibusque nigris; antennis
elongatis, articulo ultimo secundo quintuplo longiori; palpis rufis.
Long. 7,5 mm.
Schedel nauwelijks zoo breed als de oogen ; voorhoofd aschgrauw
met witten weerschijn ; voorhoofdsband zwart, naar boven versmald ;
voorhoofdsborstels tot beneden het tweede sprietlid afdalende; drie
paar schedelborstels achter elkander. Oogen met korte, geelachtige
beharing. Aangezicht wit, van boven eenigszins hoekig van het
voorhoofd omgebogen, aan de onderste helft bogig ingetrokken,
180 EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN,
aan den mondrand niet vooruitstekend ; gezichtslijsten naar onderen
divergeerende en aan de mondopening flauw ingebogen; de spriet-
groef breed, satijnachtig wit; vibrissen juist aan den mondrand
geplaatst, en daarboven op de gezichtslijsten eene rij van 5 of 6
vrij stevige borstels, waarvan de hoogste ongeveer ter halve spriet-
lengte staat; wangen naakt; kinbakken fijn behaard, ongeveer ter
hoogte van een vierde van de lengte-doorsnede der oogen, van
onderen met eene rij borstels. Sprieten zwart, merkelijk boven de
middenlijn der oogen ingewricht; de beide wortelleden zeer kort;
het derde lid vijfmaal zoo lang als het tweede, bijna tot den
mondrand reikende; sprietborstel dicht aan de basis van het derde
lid ingeplant, aan de wortelhelft verdikt. Zuiger roodbruin, met
fijne, uitstaande, geelachtige borsteltjes; palpen roodgeel, naar het
einde iets verbreed. — Thorax heldergrijs, met vier duidelijke zwarte
langsstrepen , de beide middensten nog even achter den dwarsnaad
voortgezet, de beide uitersten aan den dwarsnaad afgebroken;
schildje als de thorax gekleurd, aan den wortel zwart, aan den
achterrand met lange macrochaeten. — Achterlijf langwerpig eivormig;
eerste ring zwart, de volgende ringen lichtgrijs met zwarten achter-
zoom en eene zwarte rugstreep; tweede ring met een paar kleine
marginale macrochaeten, derde en vierde ringen met een paar
kleine discale- en eene reeks van steviger marginale macrochaeten. —
Pooten zwart; voordijen van boven en van onderen met kamachtig
gestelde borstels; middenschenen onder het midden met enkele
stevige borstels, voorts met krachtige eindsporen ; achterschenen
buitenwaarts met borstels van verschillende lengte; voor- en midden-
tarsen zoo lang als de schenen, de achtertarsen korter; haken en
voetballen verlengd, de voetballen geelachtig. — Vleugelschubben
wit. Vleugels zonder randdoorn, met flauwe grijze tint ; spitscel dicht
bij de vleugelspits geopend; cubitaal-ader vóór het einde een weinig
opgebogen ; ombuiging der discoidaal-ader met stompen hoek en zonder
aanhangend adertje; middeldwarsader op het midden der schijfcel;
spitsdwarsader zoo goed als recht ; schijfdwarsader zeer flauw gebogen.
Een d, Buitenzorg, Java (Piepers), gekweekt uit eene rups of
pop, doch zonder dat mij de naam des vlinders is medegedeeld,
EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN. 181
14. Argyrophylax Zetterstedtii Br. B.
Brauer en von Bergenstamm, Denksehr. K. Akad. der Wiss.
Wien, LVII, p. 343.
PR 0, fic, 4
Een d, Java; het is door den heer Piepers gekweekt, doch de
naam van de vlindersoort, waaruit het is voortgekomen, is mij
niet opgegeven.
Mijne determinatie is gegrond op de uitspraak van Professor
Brauer, die zoo goed is geweest mijn exemplaar te vergelijken met
de typische voorwerpen in het Weener Museum, en bevonden
heeft, dat het tot dezelfde soort behoort, ofschoon de herkomst
dier voorwerpen (nl, van Guinea) eene geheel andere is. Ik geloof
geen onnut werk te doen, wanneer ik hier eene afbeelding van
het insect geef. Aan de bovenaangehaalde beschrijving moge nog
het volgende, naar mijn exemplaar, worden toegevoegd: het is
4.5 mm. lang; de grondkleur van het lichaam is een zeer glanzig
zwart, op den thorax met iets metaalachtigen gloed, en overal
bedekt met eene dichte, korte, zwarte beharing, waartusschen de
vrij stevige macrochaeten nochtans duidelijk uitkomen; aan het
achterlijf zijn de zijden van den tweeden en derden ring eenigszins
geelrood ; de derde ring is bijna geheel door eene zilverachtig witte
bestuiving ingenomen, zoodat alleen de achterrand (in ’t midden
iets breeder) zwart blijft; op den vierden ring, waar dergelijke
bestuiving ook zou moeten voorkomen, is zij bij mijn exemplaar
niet aanwezig, maar het kan zijn, dat zij er is afgewischt, daar
het achterlijf bij het prepareeren schijnt geleden te hebben.
15. Gymnostylia javana n. sp. d.
BON fone
Cinerea; capite albido; thorace striis quatuor nigris; abdomine
coniformi, nigro, segmentorum 2, 3 et 4 marginis anticis late
182 EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN.
cinereis, in latere albis; stria frontali, antennis pedibusque nigris;
palpis rufis.
Long 6.5 mm.
Kop minstens zoo breed als de thorax; voorhoofd plat, iets voor-
uitstekend, aschgrauw, aan de kanten met witten weerschijn ;
schedel smaller dan de oogen; voorhoofdsband zwart, breeder dan
de zijden; voorhoofdsborstels tot het einde van het tweede sprieten-
lid afdalende; drie paar schedelborstels; een paar naar voren ge-
bogen ocellaar-borstels; geen orbitaal- borstels, Oogen naakt Aange-
zicht en wangen zilverachtig wit; gezichtslijsten naar onderen zeer
flauw ingebogen; wangen smal, naakt; mondopening breed;
vibrissen lang en stevig, juist aan den mondrand ingeplant, en
daarboven enkele fijne borstelhaartjes op de gezichtslijsten ; kin-
bakken smal, nauwelijks een vijfde van de lengte-doorsnede der
oogen; kinbaard wit; achterhoofd aschgrauw, de achterste oog-
randen witachtig. Sprieten zwart, lang, iets boven de middenlijn
der oogen ingewricht en bijna tot den onderrand der oogen reikende ;
de beide wortelleden kort; het tweede lid met verscheidene kleine
borsteltjes; het derde lid ruim viermaal zoo lang als het tweede;
sprietborstel naakt, niet zichtbaar geleed, nauwelijks tot het midden
verdikt. Zuiger zwart, de eindlippen bruin, met gele borsteltjes;
palpen cylindrisch, vuil roodgeel. — Thorax van boven aschgrauw ,
met vier zwarte langsstrepen, die ook achter den dwarsnaad zicht-
baar blijven; borstzijden witachtig; schildje donkergrauw, aan den
achterrand met enkele lange macrochaeten. — Achterlijf kegel-
vormig, de ringen nagenoeg van gelijke lengte; eerste ring zwart,
de overigen aan den voorkant voor ongeveer twee derden grijs, van
achteren zwart; op den tweeden en derden ring treedt de zwarte
kleur in ’t midden naar voren en vormt daardoor eenigszins een
rugband; in de zijden heeft de grijze kleur een zilverachtig witten
weerschijn , die zich ook op den buik vertoont; lange macrochaeten
zijn zoowel op het midden als aan den achterrand der ringen. —
Pooten slank en lang; de voor- en middenheupen, alsmede de voor-
dijen aan de buitenzijde en de middendijen hebben de witachtige
kleur der borstzijden; overigens zijn de pooten zwart; voordijen
EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN. 183
van boven en van onderen met eene rij lange borstels; midden-
dijen met enkele lange borstels van onderen aan de wortelhelft ;
achterdijen met eene rij borstels aan de buitenzijde en eenige
langere van onderen; middenschenen met een paar stevige borstels
in ’t midden; achterschenen buitenwaarts met eene reeks borstels,
waarvan een langere onder het midden; al de schenen bovendien
met krachtige eindsporen; tarsen langer dan de schenen; haken en
voetballen verlengd, de voetballen geelachtig. — Vleugelschubben
grauwgeel. Vleugels met flauwe grijze tint; spitscel even voor de
vleugelspits geopend; discoidaal-ader met afgeronde ombuiging, en
daarna als spitsdwarsader recht; middeldwarsader op het midden
der schijfeel; schijfdwarsader duidelijk geslingerd.
Een d, Java (Piepers). Onbekend uit welke vlindersoort het is
voortgekomen.
Deze Tachinine is door mij gebracht tot het geslacht @ymnostylia,
zooals dit in de geschriften van Brauer en von Bergenstamm is
opgevat. Oorspronkelijk werd het door Macquart opgericht (Swit. à
Buffon, 1, p. 216), ten einde daarin drie Zuid-Amerikaansche
soorten op te nemen, door Robineau-Desvoidy onder even zoovele
generieke namen beschreven, te weten: Jlacromyia depressa,
Harrisia seutellaris en Leschenaultia cilipes. Kennelijk had Macquart
het doel, om daardoor het groote aantal geslachten , door zijn land-
genoot in ’tleven geroepen, eenigszins te beperken. Later voegde
Macquart aan zijn genus Gymnostylia nog vier andere soorten toe:
G. setosa van de Kaap, analis uit Guyana, fasciata uit Brazilië
en quadrimaculata van Triton-baai (Dipt. exot. IL, 3, p. 88, id.
supp. 3, p. 52 en supp. 4, p. 227).
Het mag betwijfeld worden, of al de genoemde soorten wel
inderdaad generiek aan elkander verwant zijn, en evenzeer zelfs
of zij, naar de zeer korte en vage beschrijvingen van Robineau
Desvoidy en Macquart, wel ooit weder zullen worden herkend. Bij
de instelling van het genus wordt het door Macquart slechts in
een paar regels aldus gekarakteriseerd: «Corps large. Epistome
saillant, Antennes un peu allongées, style nu ou tomenteux, Ab-
domen déprimé», Zeker geheel onvoldoende om zich eene
184 EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN,
eenigszins juiste voorstelling te maken van hetgeen de auteur be-
doelt. Dat er overigens zeer uiteenloopende vormen in zijn opge-
nomen, blijkt als men let op de woorden: «corps large» en deze
vergelijkt met de eenige afbeelding, die van een der soorten, @.
fasciata Macq., is gegeven (Dipt. exot. suppl. 3, pl. 6, fig. 3),
alwaar eene zeer langwerpige vlieg met kegelvormig en spits toe-
loopend achterlijf wordt voorgesteld.
Waarschijnlijk is het deze afbeelding geweest, welke het ge-
slacht Gymnostylia 1), — dat sinds 1835 door niemand is herkend,
althans zooveel ik kan nagaan, door niemand werd besproken, —
weder, ten minste wat den naam betreft, in eere heeft gebracht.
Het wordt namelijk weder vermeld in den hoogst belangrijken
arbeid van de heeren Brauer en von Bergenstamm over de Muscaria
schizometopa (Denkschr. K. Acad. Wiss. Wien). In deel LVI,
p. 128, dezer « Denkschriften » wordt het door genoemde schrijvers
als Gymnostylia Macq. in hunne groep der Pseudodexidae gesteld
en worden meer uitvoerig de kenmerken aangegeven, waardoor het
zich van aanverwante genera onderscheidt, terwijl als type wordt
vermeld G. ornata Schiner uit Zuid-Amerika ?), eene toenmaals
nog onbeschreven soort, maar die later in deel LVIII, p. 374 is
beschreven. Ter laatstgemelde plaatse wordt het geslacht niet meer
Gymnostylia Macq., maar Gymnostylia n. g. (non Macquart) ge-
noemd. Dit wordt zeer begrijpelijk, als men in aanmerking neemt ,
dat aldaar (p. 405) de soorten worden opgegeven, die er toe be-
hooren, maar dat daaronder geen enkele van de hierboven genoemde
soorten van Macquart of van Robineau Desvoidy voorkomt, welke
dan ook zeker wel allen aan de heeren Brauer en von Bergenstamm
onbekend zijn gebleven *).
1) Wel te onderscheiden van Gymnos/ylina Macq., een even raadselachtig
geslacht, dat tot de groep der eigenlijke Muscinen schijnt te behooren, maar
waarvan de eenige beschreven soort (uit Europa) tot dusver niet weergevonden is.
2) In Denkschr. dl LVI wordt als vaderland dezer soort Columbië, in dl. LVIII
Venezuela aangegeven.
3) Het heet immers daar een „Verzeichniss” alleen van de door de schrij vers
zelven onderzochte en vergeleken soorten.
EENIGE JAVAANSOHE TACHININEN. 185
In hoever het nu onder deze omstandigheden geoorloofd was,
den door Macquart gegeven naam te behouden, en of het niet
beter ware geweest hier een geheel nieuwen naam in te voeren, —
gelijk trouwens de schrijvers elders in hun voortreffelijk werk
gedaan hebben, zoo vaak zij onzekere of heterogene bestand-
deelen in vroegere geslachten bespeurden, — laat ik voor het
oogenblik daar. Van nu af zal ten minste aan den generieken naam
Gymnostylia eene meer vaststaande beteekenis kunnen worden ge-
hecht, en op dien grond heb ik ook niet geaarzeld, de door mij
beschreven Javaansche soort in bedoeld geslacht eene plaats te geven.
Onder de kenmerken der Pseudodexidae, waartoe het geslacht
Gymmostylia Br. B. behoort, wordt vermeld: «Vibrisse ganz am
Mundrande neben den Ende des Clypeus»; terwijl onder de soorten
van het geslacht onder meer ook wordt aangegeven @. (Meigenia)
cingulata Schiner (Dipt. Nov. Reise, p. 327). Of dit laatste terecht
is geschied, kan ik niet beoordeelen, doch het komt mij voor, dat
Schiner, toen hij zijne voorwerpen als Meigenia beschreef, wel
zal gelet hebben op de vibrissen, die bij dit laatste genus steeds
duidelijk een eind boven den mondrand zijn ingeplant.
Nog moet ik opmerken, dat onder de Gymnostylia-soorten, door
Brauer en von Bergenstamm opgegeven, ook wordt aangetroffen
G. (Tachina) famelica Wied, (Auss. Zweifl. IL, p. 331), welke
soort nogmaals in hunne « Verzeichniss » op p. 406, als tot het
genus Stomatodexia behoorende, wordt genoemd.
LEIOSIA nov. gen.
heios (glad).
Vrij kleine Tachininen, sexueel in kleur verschillend. Kop in
profiel langwerpig, zoo breed als de thorax; voorhoofd eenigszins
vooruitstekend, in Z smaller dan de oogen, in 2 ongeveer even
breed als de oogen; voorhoofdsborstels stevig, tot iets beneden het
tweede sprietlid afdalende; voorts drie paar schedelborstels achter
elkander en een paar naar voren gerichte ocellaar-borstels; bij het
g bovendien ter wederzijde een paar naar voren gebogen orbitaal-
186 ERNIGE JAVAANSCHE TACHININEN.
borstels, die bij het 4 ontbreken, Oogen behaard, Aangezicht een
weinig teruggetrokken, aan den mondrand niet vooruitstekend;
wangen matig breed, naakt; gezichtslijsten naar onderen divergee-
rend en dan iets ingebogen naar de mondhoeken loopende; vibrissen
aan den mondrand ingewricht; kinbakken smal, nauwelijks een
vijfde van de lengte-doorsnede der oogen. Zuiger en palpen kort.
Sprieten daarentegen lang; het derde lid lintvormig, vijf- of zesmaal
zoo lang als het tweede; sprietborstel naakt, zonder zichtbare ge-
leding, tot bijna aan het midden duidelijk verdikt, verder haarfijn.
Thorax ongeveer even lang als breed; schildje stompdriehoekig ,
bijna halfrond; achterlijf eivormig; macrochaeten alleen aan den
rand der ringen. Pooten matig lang; achterschenen buitenwaarts
met verspreide borstels van ongelijke lengte; haken en voetballen
in d verlengd, in 9 kort. Vleugelschubben groot. Vleugels zonder
randdoorn ; spitscel op kleinen afstand van de vleugelspits geopend;
schijfdwarsader dichter bij de ombuiging der discoidaal-ader dan bij
de middeldwarsader.
16. Leiosia flavisquama n. sp. d 2.
Pl. 6, fig. 6.
Tota nigra, abdomine nitido (9); thorace scutelloque cinereis ;
abdomine nigro, annulo et maculis duabus lateralibus flavis (2);
tegulis flavis.
Long. 5 mm.
Voorhoofd geelachtig; aangezicht en wangen wit, eenigszins
zilverachtig; sprieten, zuiger en palpen zwart. Thorax en schildje
bij het d zwart, aan den voorkant van den thorax nauwelijks iets
grijsachtigs en met eene flauwe aanduiding van zwarte strepen;
bij het e de thorax en het schildje geelachtig aschgrauw; de tee-
kening op den rug van den thorax iets duidelijker en bestaande
uit een paar divergeerende dunne langsstrepen vóór den dwarsnaad
en een paar, op den dwarsnaad afgebroken zijstrepen. Achterlijf
bij het d geheel zwart en zeer glanzig, met eene dichte borstelige
beharing; bij het 2 is het achterlijf mede glanzig zwart, doch
EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN. 187
aan den voorrand van den derden ring is een okergele zoom, en
op den vierden ring zijn een paar driehoekige vlekken van dezelfde
kleur. Aan den achterrand van den thorax en aan dien van het
schildje zijn lange macrochaeten; aan den achterrand van den
tweeden lijfsring een paar-, en aan dien van den derden en
vierden ring verscheidene macrochaeten. Pooten glanzig zwart, over
’t geheel met verspreide borstels. Vleugelschubben in beide sexen
levendig okergeel. Vleugels glasachtig, aan den wortel met geel-
achtige tint; middeldwarsader vóór het midden der schijfcel; om-
buiging der discoidaal-ader rechthoekig; spitsdwarsader ingebogen ;
schijfdwarsader bijna recht.
Twee mannetjes en een wijfje, Java (Piepers), allen gekweekt,
een der mannetjes uit de rups van /ycaena Plinius Fabr.
VERKLARING DER AFBEELDINGEN.
NDL
Pl. 4, fig. 1. Nemoraea tropidobothra Br. B. 4.
» da. » » (kop in profiel).
» 2. Crossocosmia Sericariae Rond. d,
3.020, » » (kop 4 in profiel).
». 26. » » (kop van voren gezien).
Wine. » » (kop 2 in profiel),
» 2d. » » (kop 9 van voren gezien).
» 3. Crossocosmia curvipalpis n. sp. 2.
De 94 » » (kop in profiel).
> 4. Crossocosmia discreta n, sp. d.
» Aa. » » (kop in profiel).
» 5. Masicera linearifrons n. sp. ¢.
» 5a, » » (kop in profiel).
6d.
EENIGE JAVAANSCHE TACHININEN.
Parexorista rubeola n. sp. 9.
» » (kop in profiel).
» » (kop van voren gezien).
Parexorista corvinoides n. sp. 4.
Parexorista curvipes n. sp. d.
» » (kop in profiel).
Parexorista laeviventris n. sp. d.
» » (kop in profiel).
Parexorista gentilis n. sp. d.
» » (kop in profiel).
» » (kop van voren gezien).
» » (achterlijf van terzijde).
Parexorista iridipennis n. sp. ¢.
» » (kop in profiel).
Parexorista modicella n. sp. dé.
» » (kop van voren).
» » (achterlijf van terzijde).
Phorocera degeerioides n. sp. d.
» » (kop in profiel).
Argyrophylax Zetterstedtii Br. B. 4.
» » (kop in profiel).
Gymnostylia javana n. sp. d.
» » (kop in profiel).
Leiosia flavisquama n. sp. ?.
» » (kop 4 in profiel).
» » (kop ? in profiel).
» » (kop 4 van voren gezien).
» » (kop g van voren gezien).
AANTEEKENINGEN
OVER
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
I, MACROLERPIDOPTER A.
eee
Hierbij wensch ik een vervolg te leveren op mijne Aanteeke-
ningen in deel XXX en XXXII van het Tijdschrift voor Entomo-
logie. Verscheidene voor onze Fauna nieuwe soorten van Lepido-
ptera zijn namelijk sedert ontdekt, en ik heb allerlei opgeteekend
over eerste toestanden, nieuwe vindplaatsen enz. Het een en ander
dient, bijeenverzameld, te worden bekend gemaakt, om te ver-
hoeden dat het verloren ga.
Een woord tot aanbeveling aan mijne vakgenooten moge hier
voorafgaan. Vooreerst , om mij de mededeeling hunner waarnemingen,
zoo zij die zelf niet in ons Tijdschrift willen publiceeren, niet te
onthouden, maar ook, om meer in het bijzonder te letten op na-
sporing der eerste toestanden onzer Lepidoptera. Van vele soorten
zijn die nog onbekend, en het trof mij dat wij, wat in de laatste
jaren dienaangaande is ontdekt, vooral verschuldigd zijn aan onze
Engelsche naburen. Waarom wedijveren wij niet met hen? Tal
van beschrijvingen van eerste toestanden, aan oudere schrijvers
ontleend, vereischen herziening en verbetering (men zie b. v. bij
Cidaria chenopodiata L. (limitata Scop.) de aanteekening door
190 AANTEEKENINGEN OVER
Mr. H. W. de Graaf), en dit is eene dankbare taak , vooral nuttig
wanneer men, zooals de Engelsche entomologen geregeld verzuimen ,
de litteratuur vergelijkt. Ten slotte dezer inleiding wensch ik nog
de aandacht te vestigen op de Lijst der planten, waarop de in
Nederland voorkomende Microlepidoptera te vinden zijn, door den
heer Dirk de Haar bekend gemaakt in het Tdschrift voor Ento-
mologie, deel XXX, p. 245 enz., en die ik als zeer nuttig be-
schouw; alsmede op de Liste supplémentaire n°. 9 des Macrolépi-
doptères de Breda et de ses environs door den heer F. J. M.
Heylaerts, zie Tijds. v. Ent. XXXII, p. xxxv enz. (1890), waarin ook
verschillende afwijkingen van bij Breda voorkomende Lepidoptera
worden beschreven.
Wat de voor de Nederlandsche Fauna nieuwe soorten aangaat,
zoo zijn sedert mijne laatste opgave de volgende Macrolepidoptera
ontdekt:
Argynnis Ino v. Rottb.
Platypteryx Sicula W. V.
Orthosia nitida Fabr.
Xylina Socia Hufn.
Hadena splendens Hübn.
Luperina porphyrea Esp.
Agrotis Sobrina Guenée.
» Dahlu Hübn.
Hypenodes albistrigatis Haw.
Boarmia glabraria Hübn.
» abietaria W. V.
Cidaria certata Hübn.
Eupithecia isogrammaria H. S.
Te zamen 13 soorten.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 191
I MACROLEPIDOPTERA.
di
Melitaea Aurinia v. Rottb. — Snellen, I
II, 1122. — Zijds. XXX, p. 202.
p. 24;
2
De heer de Vos tot Nederveen Cappel vertoonde op de zomer-
vergadering der Ned, Ent. Vereen. van 1891, te Enschedé, een
exemplaar dezer soort, den 13 Juni 1891 te Apeldoorn ge-
vangen, dat op de onderzijde der achtervleugels verscheidene zwarte
vlekken in den lichten middenband heeft. Dergelijke zijn mij tot
dusverre niet voorgekomen.
Melitaea Dietynna Esp, — Snellen, I, p. 26; I,
p. 1122. — Tijds. XXX, p. 202.
Eene zeer fraaie varieteit van deze soort vermeldt de heer Heylaerts,
Verslag zomervergadering der Ned, Ent. Vereen. 1890, te Nijmegen,
Tijds. XXXIV, p. xxıx. Zij is op de bovenzijde zwart met zuiver
witte teekening en het exemplaar, dat bij Breda gevangen werd,
zeer frisch. Een nieuw voorbeeld van melanismus, zooals de om-
streken der laatstgenoemde stad er reeds zoovele hebben opgeleverd.
Verder moet ik hier vermelden, dat ik den 19 Juni 1887, bij
Rijen in Noord-Brabant, onder talrijke gave en frissche typische
exemplaren van Dictynna, ook een 3 ving, die op de onderzijde
der achtervleugels de zwerte stippen binnen de zwarte halve nıanen
in den band der grondkleur naast den lichten middenband mist.
Overigens komt het exemplaar in grootte, kleur en teekening der
bovenzijde met de andere die ik bezit, overeen, maar daar de aan-
wezigheid der vermelde zwarte stippen eigenlijk het hoofdkenmerk
is, waardoor Dictynna zich van Athalia onderscheidt, zoo begin ik
te gelooven, dat Frey’s gevoelen (zie Tijds. 1. c.) aangenomen zal
moeten worden en Diclynna als eene op moerassige plaatsen voor-
komende, lokale varieteit van dthalia beschouwd kan worden,
193 AANTEEKENINGEN OVER
Melitaea Athalia Esp. — Snellen, I, p. 26.
De varieteit Navarina Selys-Longchamps, Enxumération des In-
sectes Lepidopteres de la Belgique, 184%, p. 31, is door den heer
de Vos tot Nederveen Cappel bij Apeldoorn gevangen, den 28 Juni
1891. Zij onderscheidt zich door eene zeer donkere bovenzijde. De
heer Selys beschrijft haar als volgt: «Supra tota nigra, fascia
antemarginali maculis fulvis composita ».
Argynnis Ino v. Rotib., Naturforscher, VI Stück,
p. 19, n°. 5, Tab. I, fig. 3, 4. — Esper, Schmett. v. Eur.
I Theil, p. 125, Tab. 76, fig. 1, a, è. — Ochs. en Tr.,
L,.4:, p.09: AV oep. >15, 4105. 1p: 14. = Snellen,
I, p. 28 (Aanm.). — Pap. Dictynna Hübn., Pap. Tab. 8,
fig. 40, 41 8, p. 10. — id., Zarv. Lep. INymph. B, d.,
fed; a; 0,
Eene nieuwe soort voor onze Fauna, waardoor het getal der
Nederlandsche Rhopalocera tot 78 klimt. Hare kenteekenen zijn
door mij, |. c., kortelijk vermeld. Intusschen moet ik opmerken,
dat het kenmerk, waarnaar ik de soorten van Argynnis in twee
groepen verdeelde (I, de aderen 7—10 der voorvleugels gesteeld
en II, de aderen 7—9 gesteeld) gebleken is, eenigszins onzeker
te zijn. Daarentegen behoort 720 zeer duidelijk tot de soorten, die
op de onderzijde der achtervleugels een onafgebroken, donker ge-
zoomden en door de donkere vleugeladeren doorsneden lichten
middenband hebben. Verder is de onderzijde der (aan de punt afge-
ronde) achtervleugels geheel zonder paarlemoer en hun achterrand
niet, zooals bij Selene, Euphrosine en Dia, met driekante vlekjes
geteekend, maar met eene lichtbruine lijn, welke evenwijdig met
de zwartbruine franjelijn loopt en bij die soorten ontbreekt. De
bovenzijde der vleugels is overigens geteekend als bij Zwphrosine en
Selene, tegen den wortel sterk donker bestoven, doch van de ronde
zwarte vlekken der zoogenaamde tweede rij op de voorvleugels (zie
mijne beschrijving van het genus), zijn die in de cellen 15 en 4
zeer klein. Op de onderzijde der achtervleugels vindt men geene
zwarte stip in het wortelveld; de lichte middenband is breed,
NEDERLANDSCHR LEPIDOPTERA. 193
duidelijk vóór het midden van den vleugel gelegen, de gewolkte
band paarsbruin bestoven, met ééne rij donkere, ten deele licht
gekernde stippen geteekend; wortelwaarts van de bruine lijn, die
evenwijdig met de franjelijn loopt, ziet men eene rij, ten deele
eenigszins driekante bleekbruine streepjes, maar tusschen deze en
de franjelijn is de achterrand zoo min boven als onder ader 5,
gelijk bij de verwante, grootere (niet inlandsche) Arg. Daphne
W. V., paars bestoven. De vlucht van 7x0 is van 36—40 mm.;
zij behoort dus tot de kleinere soorten van het genus, maar komt
anders in vleugelvorm vrij wel met 4glaja, Niobe en Adippe overeen.
Juli.
De rups is, volgens de aangehaalde schrijvers, bleekgeel, met
bruine langslijnen, streepjes en doornen, de laatsten zwart behaard. Kop
bruin, bleekgeel geteekend. Als voedsel wordt brandnetel opgegeven.
Van deze soort ving Dr. T. Lycklama à Nyeholt, in het laatst
van Juli 1891, een wijfje, bij Meerssen in Limburg; zie Tijds. v.
Ent. XXXV, pi xLm.
Argynnis Paphia L. — Snellen, I, p. 33; II, p. 1122.
De door mij in eene noot beschreven varieteit Valesina Esper
werd in 1889 aan de Steeg bij Arnhem gevangen door den heer
J. van den Honert. De heer Heylaerts vermeldt haar ook uit de
omstreken van Breda, zie Tijds. v. Ent. XIII, p. 145.
Genus Vanessa Fabr., Snellen I, p. 34.
Hier moet ik melding maken van een opstel van den heer Stainton,
in het Metomologist's Monthly Magazine, deel XXV (1889), p. 225,
betreffende het voortbrengen van geluid door verschillende soorten
van het genus, te weten Antiopa, Lo, Urticae. Zelf heb ik dit
verschijnsel nog niet waargenomen.
Vanessa Antiopa L. — Snellen, I, p. 37.
Deze, ik mag wel zeggen in Nederland zeer zeldzame soort,
was in de jaren 1888 en 1889, althans in de oostelijke helft des
lands, niet ongewoon, en door vele vakgenooten werden mij be-
richten omtrent haar voorkomen medegedeeld, Ik zelf zag in 1888
Tijdschr, v. Entom, XXXVI. 13
194 AANTEEKENINGEN OVER
verscheidene exemplaren tusschen Nijmegen en Ubbergen vliegen,
en in April 1889 bij ’s Gravenhage, aan den duinkant, een voor-
werp, waarbij de lichte rand der vleugels, zooals bij alle over-
winterde exemplaren, wit was geworden.
Vanessa Levana L. — Snellen, I, p. 40.
Overijssel: Hengelo, 12 Juni 1890 (d’Ailly).
Levana wordt, om de ongesloten middencel der achtervleugels
en andere kenmerken (zie mijne beschrijving), tegenwoordig wel
terecht generiek van Vanessa afgescheiden onder den naam Araschnia
Húbn., Doubleday, Herrich-Schäffer.
Genus Limenitis Fabr. — Snellen, I, p. 41.
Als een zeer goed kenmerk, waardoor Limenitis zich gemak-
kelijk van de overige inlandsche Nymphaliden-genera onderscheidt ,
wil ik hier vermelden, dat de praecostaal-ader juist tegenover de
plaats ontspringt, waar ader 8 der achtervleugels en de voorrand
der middencel zich van elkander scheiden. Bij de andere genera
heeft die scheiding plaats vóór den oorsprong der praecostaal-ader,
Apatura Iris L. — Snellen, I, p. 42; Tijds. XXX,
p. 203.
Gevangen in Gelderland, aan de Steeg bij Arnhem en bij Lochem
(J. van den Honert) Een exemplaar vloog gedurende geruimen
tijd om mij heen, bij Delden in Overijssel, in Juli 1891. Ik deed
vruchtelooze pogingen om het zeer vlugge dier te bemachtigen.
Melanagria Galathea L. — Snellen, I, p. 50; II,
p. 1123; eds. XXX, p 203.
Overijssel: Hengelo, 6 Juli 1890 (d'Ailly); Gelderland: Apel-
doorn, 28 Juli (de Vos tot Nederveen Cappel); Laag-Soeren, 3
Augustus 1892 (ter Haar); idem, 18 Juni 1893, op de excursie
der Ned. Ent. Vereeniging gevangen.
Coenonympha Arcania L. — Snellen, I, p. 53;
II, p. 1124; Tijds. XXX, p. 203. i
Gelderland: Apeldoorn, Soerensche bosch (Brants en de Vos);
Leuvenum bij Harderwijk (P. H. Bondam).
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 195
Lyeaena Optilete Fabr. — Snellen, I, p. 60.
Van deze soort kon ik in mijn werk slechts ééne vindplaats ver-
melden, namelijk de omstreken van Varsseveld in Gelderland.
Buitendien wordt door den heer Heylaerts, Zyds. v. Ent. XIII
(1870), p. 145, de Galdersche heide bij Breda opgegeven. Eene
derde vindplaats is Leuvenum bij Harderwijk, waar de heer P. H.
Bondam den 15 Juli 1892 een voorwerp ving. Ik heb dit gezien.
Lycaena Aegon W. V. — Snellen, I, p. 61; Zijds.
XXX, p. 204.
Van tijd tot tijd ontvang ik nog wel eens voorwerpen dezer
Lycaena ter revisie, met de vraag of zij soms tot Zyc. Argus L.
behooren; maar daar ik steeds het doorntje aan de voorschenen
duidelijk kon zien, moest ik altijd een ontkennend antwoord geven.
Niet te loochenen is het echter dat, zooals reeds uit mijne be-
schrijving blijkt, er ook bij onze inlandsche voorwerpen vrij wat
variatie bij dezen vlinder is waar te nemen, in grootte, breedte
van den zwarten rand der bovenzijde, de tint van het blauw, dat
bij sommige exemplaren veel paarser is dan bij anderen, en in de
grondkleur der onderzijde, die van blauwachtig grijswit tot donker
bruingrijs verschilt. Ik heb exemplaren, waar de zwarte rand der
bovenzijde wel 23 millim. breed is, bij anderen nauwelijks één.
Bij zulke exemplaren komen dan ook de zwart beschubde ader-
einden meer uit. Ik moet bekennen, aan deze variatiën tot nog
toe weinig aandacht te hebben geschonken, maar ik vermoed toch
dat de grootste, smalst zwart gerande, meer grijsblauwe exemplaren
op de weilanden vliegen en het kleine, donker gerande paarsere
ras op droge heidegronden. Aegon komt in Zuid-Holland alleen,
en wel spaarzaam, in de duinen voor; daarom noodig ik mijne in
andere provinciën wonende collega’s uit, aan dit punt hunne aan-
dacht te wijden. Nog wil ik hier vermelden dat, blijkens eene
aanteekening van Dr. Staudinger in de Horae Soc. Ent. Ross. XIV
(1879), p. 58, het doorntje aan de voorschenen van Aegon soms
zeer klein kan zijn en dat Schöyen, #ntom. Tidskrift I (1882),
p. 33, aanneemt, dat Aegon auct. de Pap. Argus van Linnaeus
196 AANTEEKENINGEN OVER
is, wat trouwens Wallengrèn, ook een Zweedsch entomoloog,
reeds vroeger heeft gezegd.
Polyommatus Euridice v. Rottb. — Snellen, I,
p, Oo; TIE p 1126.
Ook voor deze, in Nederland zeldzame soort, heb ik eene nieuwe
vindplaats te vermelden, namelijk de omstreken van Laag-Soeren
bij Dieren in Gelderland, waar, den 18 Juni 1893, op de excursie
der Nederl. Ent. Vereeniging door de heeren M. Caland en de Vos
tot Nederveen Cappel eenige exemplaren werden gevangen. De
vliegtijd was toen, wat uit de hoedanigheid der voorwerpen bleek ,
bijna voorbij.
Vermeld moet hier worden, dat de naam der verwante soort,
waarvan ik t. a. p. spreek, niet is Mipponoë, maar Hippothoe.
Lang werd algemeen aangenomen, dat Linnaeus onder laatstver-
melden naam dezelfde soort heeft beschreven als de Mippothoë van
Hübn., Ochs. en Treits., Godart en Freyer (zie Catal. Staudinger
en Wocke, p. 9), waarvan dispar Haworth, Wood eene door de
Engelschen uitgeroeide, Britsche lokale varieteit uitmaakt, welke
zich vooral door hare grootte onderscheidt. Bijna even groote voor-
werpen heb ik echter ook uit Frankrijk ontvangen, maar de
lokaliteit werd verborgen gehouden, waarschijnlijk om mercantiëele
redenen. Wallengren’s mededeeling, Entom. Monthly Mag. XXII
(1885), p. 90, maakt het intusschen zeer waarschijnlijk, dat
Hippothoë L., dezelfde is als Furidice v. Rottb., Snellen (Chryseis
Hübn., Ochs. en Treits.), zoodat onze inlandsche soort Mippothoë
L. zal moeten heeten.
De oudste naam voor de aanverwante soort is dan dispar Haw.,
Lep. Brit. p. 40, n°. 54. — Boisd., cones p. 44, pl. 10, f. 1-3. —
Wood, fig. 59 a, b (82). — Hippothoë Hübn., f. 352-354 (8 2). —
Ochs; en Fretten 132 ip183 5 ive 7.227; x, 4, p. 74. In de
meest voorkomende midden- en oost-Europeesche varieteit is zij
ongeveer even groot als Hippothoée L. (Euridice v. Rottb., Snellen),
op de bovenzijde bij den d glanzig zuiver goudkleurig, de zwarte
voorrand der voorvleugels, bij Mippothoë in het midden verbreed,
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 197
is gelijkmatig fijn en evenals de geheele zwarte achterrand, scherp
begrensd; op de achtervleugels is deze in de cellen met scherpe
zwarte vlekjes geteekend, maar niet, zooals bij //ippothoë ( Euridice)
tegen den staarthoek vervloeid en door eene roodgele streep gedeeld.
De onderzijde is bij dispar op de voorvleugels roodgeel, alleen
langs den achterrand smal maar duidelijk begrensd blauwgrijs;
op de achtervleugels is zij blauwgrijs, met eene breedere en veel
duidelijker uitkomende, aan beide zijden door zwarte vlekjes ge-
zoomde roodgele streep langs den achterrand, van ader 5 tot den
staarthoek. Het 2 onderscheidt zich vooral van de andere sexe van
Hippothoë (Euridice), door de onderzijde, welke gelijk is aan die
van den 4.
Eene afbeelding van dispar (type) is ook te vinden bij Rösel, II,
pl. 37, fig. 6, 7, maar de zwarte voorrand der voorvleugels is te
breed, de middenvlek te hoog geplaatst, de zwarte achterrand der
achtervleugels niet juist afgebeeld en op de onderzijde de blauwe
bestuiving te hard en te donker.
Hipponoë Esper, waarvan de oudste naam is Aleiphron v. Rottb ,
is eene derde soort van Polyommatus, welker ontdekking in Neder-
land niet verwacht kan worden.
Pieris Rapae L. — Snellen, I, p. 73; IL, p. 1127.
Eene zeer fraaie, sterk zwart bestoven afwijking van deze soort
is naar eene afbeelding van Swierstra door hem en mij beschreven
in het Tijdschrift voor Entomologie, XXXIV, p. 337, en aldaar
afgebeeld pl. 17, f. 1, 2. De bij het versche exemplaar vrij leven -
dige groenachtige tint is langzamerhand geheel verdwenen. Het
voorwerp, dat bij Naarden in Noord-Holland werd gevangen, heeft
de eigenaar, de heer J. R. H. Neervoort van de Poll, aan mi
geschonken. Het berust in mijne collectie.
Pieris Daplidice L. — Snellen, I, p. 74; II, p. 1127;
Tijds. XXX, p. 206.
Zuid-Holland: ’sGravenhage, den 10 Juli 1889, een exemplaar
in de duinen (G. C. Bolten),
198 AANTEEKENINGEN OVER
Leucophasia Sinapis L. — Snellen, I, p. 75;
IT ;-p. 4128.
In de duinen bij ’s Gravenhage gevangen door de heeren Dr. Ed.
Everts en G, C. Bolten.
Carterocephalus Paniscus Sulzer, — Snellen,
LP so Alain 1429:
Voortgezet onderzoek heeft ook bij deze soort aan den dag ge-
bracht, dat zij op meer plaatsen in Nederland voorkomt dan aan-
vankelijk bekend was. In Noord-Brabant vingen Dr. F. W. 0.
Kallenbach en ik haar bij Rijen, in Gelderland, de heer de Vos
bij Apeldoorn en in Overijssel de heer d’Ailly bij Hengelo.
Deilephila Celerio L. — Snellen, I, p. 94; Tijds.
XX, p. 2007
Hier moet nog worden gewezen op de mededeeling van Mr. A. J.
F.. Fokker in het Tijds. v. Ent. XXIX, p. xcvr, waaruit blijkt,
dat in den zomer van 1885 ook bij Zierikzee, in Zeeland, vijf
exemplaren werden gevonden. Een kweekte de heer Fokker uit de
rups; de vlinder kwam medio September uit,
Deilephila Euphorbiae L. — Snellen, I, p. 96;
iL, p..4130,
Niet van belang ontbloot is eene mededeeling van den heer Ber-
thelin, Ann. Soc. Ent. de France, 1888, Bulletin p. cLvi1, waaruit
blijkt dat de rups, bij gebrek aan wolfsmelk , zich ook , zooals Sepp
zou gezegd hebben, de bladeren en onrijpe vruchten van den wijn-
stok wel laat smaken.
Acherontia Atropos L. — Snellen, I, p. 99; II,
p. 1130.
In het verslag der zomervergaderiug van de Ned. Ent. Vereeni-
ging, den 16 Juli 1892 te Tilburg gehouden (Tijds. XXXVI,
p. XXVII), vindt men eene mededeeling van den heer Heylaerts over
het voortbrengen van geluid door den vlinder, De heer Heylaerts
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 199
is van gevoelen, dat dit wordt veroorzaakt door eene snelle uit-
stooting van lucht door de tracheën.
Pater R. Bouman S. J. te Oudenbosch deelde mij mede, dat de
rups ook de bladeren van den treuresch eet.
Eindelijk wil ik nog vermelden, dat mij in het begin van Mei
1893 een vrij sterk afgevlogen vrouwelijk exemplaar van den
vlinder werd gebracht, bij Rotterdam gevangen. Het na den dood
geopende achterlijf bevatte geen eieren meer,
Sesia spheeiformis Esp. — Snellen, I, p. 109.
Is sedert 1867 op verschillende plaatsen in de provinciën Noord-
Brabant, Gelderland en Utrecht gevangen, zoodat men wel kan
aannemen, dat het voorkomen dezer soort hier te lande niet van
toevalligen aard is.
Sesia eulieiformis L. — Snellen, I, p. 111; IT,
p. 1132.
Eene dergelijke mededeeling als bij de voorgaande soort kan ik
ook omtrent deze doen.
Sesia empiformis Esp. — Snellen, II, p. 1132.
Middelaar bij Cuyk a/d. Maas den 8 Juli (D. ter Haar).
Cossus Cossus L. — Snellen, I, p. 113.
Het ook in de Entomologie binnengeslopen, maar spoedig ge-
keerde misbruik , om specifieke namen als generieke te bezigen en
dan de soorten te verdoopen, zooals bij voorbeeld Fabricius deed,
toen hij den naam van Bombyx Cossus Linn. veranderde in Cossus
ligniperda Fabr., is de aanleiding geweest, dat onze gewone
wilgenhoutrups-vlinder aan bovenvermelde zonderlinge benaming,
die mij altijd heeft tegengestaan, is gekomen. Het doet mij dus
genoegen te kunnen vermelden, dat wijlen Dr. Rambur in zijn
van grondige studie der vlinders getuigend werk: Catalogue syste-
matique des Iepidopteres de U Andalousie, Paris 1858—1866, op
p. 326 een nieuwen generieken naam voor onze soort heeft ge-
vormd, t. w. Trypanus Rambur. Door den onlangs verschenen
Catalogue of the Lepidoptera Heterocera, deel I, van den heer
200 AANTEEKENINGEN OVER
W. F. Kirby, werd ik op dezen naam opmerkzaam gemaakt. Ik
geloof dat wij hem kunnen aannemen.
Limacodes Asella W.V. — Snellen, II, p. 1134.
Gelderland: Apeldoorn, de Vos tot Nederveen Cappel.
Psyche unicolor Hufn. — Snellen, I, p. 122; II,
p. 1135.
Gelderland: Laag-Soeren bij Dieren, den 18 Juni 1893, een
ledige mannelijke zak door mij gevonden.
Chloeophora bicolorana Fuessly. — Snellen, I,
p. 133; II, p. 1437. |
Hier moet ik de aandacht vestigen op eene waarneming van
Mr. A. Brants, op de zomervergadering der Ned. Ent. Vereeniging
van 26 Juli 1890 te Nijmegen medegedeeld (Tijds. XXXIV, p.xxxvin),
waaruit blijkt, dat de eieren van dezen vlinder, in schooltjes ge-
legd, bedekt zijn met een glanzig, kleurloos vlies. Terecht wijst
Mr. Brants op het merkwaardige der overeenkomst in dit geval
met de Tortricina.
Deiopeia pulchella L. — Snellen, I, p. 156; I,
p. 1140.
Behalve de zekere vindplaats Nijmegen, kan ik nu nog van deze
soort vermelden, dat een gaaf en frisch exemplaar van den vlinder
den 2 (niet 7) Juni 1892 in de onmiddellijke nabijheid van
Rotterdam werd gevangen, en in de collectie van Dr. Lycklama à
Nyeholt berust. Zie verslag zomervergadering 1892 (Tijds. XXXVI,
p. XXIV), waar deze waarneming is vermeld.
Spilosoma mendiea Clerck. — Snellen, I, p. 164;
Top: 4147:
Gelderland: Apeldoorn, H. A. de Vos tot Nederveen Cappel. Zeer
goed, in alle toestanden, is deze soort ook behandeld in Sepp,
2de Serie, IV, p. 242, pl. 43, door Mr. Brantsen Dr. van Leeuwen.
Spilosoma lubricipeda L. — Snellen, I, p.165.
Hier moet ik de aandacht vestigen op eene proefneming door
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 201
Dr. Kallenbach, ten doel hebbende om de werking na tegaan van
het besproeien van het voedsel der rupsen met eene zwakke op-
lossing van keukenzout. Min of meer zwart bestoven vlinders waren
het resultaat. Zie Tds. v. Ent. XXXIII, p. cxxiv. In verband
met die proefneming wilde ik nog aanbevelen om, wanneer iemand
op de duinen, vooral op de zoogenaamde strandreep, rupsen van
lubricipeda mocht vinden, deze vooral mede te nemen. Exemplaren
der varieteit Zatima Cramer, Uitl. kap. IV, p. 182, pl. 381 F,
zouden zijne moeite kunnen beloonen. Ik moet echter opmerken,
dat ik al sedert lang te vergeefs naar onze Spilosoma op de aan-
geduide vangplaats heb gezocht.
Leucoma Salicis L. — Snellen, I, p. 172.
De heer Heylaerts teekent aan, dat deze soort in 1889 zeer
gemeen en schadelijk in Noord-Brabant was. Inderdaad zag men
toen aldaar geheele rijen van populieren, die door de rups waren
kaal gegeten. Zie Tijds. v. Ent. XXXIII, p. xxıv. Later is Sadicis
weder van zelf zeldzaam geworden.
Endromis versicolora L. — Snellen I, p. 192;
II, p. 1148.
Van deze soort werden in 1888 bij Apeldoorn vele exemplaren
der rups gevonden door den heer H. A. de Vos tot Nederveen
Cappel. Zij is ook in Overijssel bij Enschede waargenomen door
Dr. A. J. van Rossum en in Noord-Brabant, behalve bij Breda door
den heer Heylaerts, zie Tijdschrift XIII (1870), p. 149, door
. de heeren Bouman en van den Heuvel S. J. bij Oudenbosch.
Men zie ook de waarneming van Mr. Brants, Zijds. v. Ent,
ARXIV, p. XXXVI.
Platypteryx Sicula W. V. p. 64, Fam. T, nl. 1. —
Habn. Bomb., f. 44, p. 114, n°. 3 en Zarv. Zep, Il»
Bomb. I, Sphingoïdes F. c. fig. 1 en 1a, 6. — Ochs, en
Tr., V. 3, p. 403. — Wood, fig. 1741. — Snellen, I,
p. 199 (Aanm.). — Buckler, Hui. Mo. Mag. XIV (1877—
78), p. 14; id., XVII (1880—81), p. 122. — Bomb. Harpagula
202 AANTEEKENINGEN OVER
Esp., Zur. Schmett. III, p. 373, Tab. 73, f, 1, 2 en
Tab. 74, f. 3 (rups).
Zooals werd medegedeeld in eene noot, Tijds. XXXII, p. 29,
is deze in eene aanmerking door mij beschreven soort in Noord-
Brabant bij Breda door den heer Heylaerts ontdekt. De vlinder
onderscheidt zich zeer gemakkelijk van de andere soorten door den
vleugelvorm, want de overigens effen achterrand der voorvleugels
maakt eene zeer scherpe bocht, die op ader 3 bijna een tand vormt,
en de vleugelpunt steekt even sterk uit als bij Curvatula en Fal-
cataria. In kleur gelijkt Sieula zeer op Curvatula, maar wijkt af
door het ontbreken van de tweede dwarslijn der voorvleugels en
door eene groote, niervormige bleekbruin en bruingeel gemengde
vlek op de dwarsader. Verder mist men ook de bij Curvatula en
Falcatarıa zoo in het oogloopend gebogene ongegolfde donkerbruine
lijn, die uit de vleugelpunt naar twee derden van den binnenrand
loopt, is de golflijn getand, zwart en de achterrand tusschen haar
en de franjelijn donker paarsgrijs.
Achterpooten met twee paar sporen. Sprieten van het g aan de
onderzijde flauw gekerfd.
Volgens de aangehaalde schrijvers wordt de rups op elzen , berken,
eiken en linden (Zilia parvifolia) gevonden. Zij is, met hare leef-
wijze, vooral zeer uitvoerig door Buckler beschreven en gelijkt,
volgens hem en Treitschke, in bouw op de rups van Binaria.
Hare kleur is op den rug bruin, geel geteekend, op den buik geel-
achtig of roodachtig, bruin gevlekt. Leefwijze als bij de andere
soorten. 4
De toepassing van den naam van het Wiener Verzeichniss schijnt
niet boven bedenking verheven, zoodat Staudinger in zijnen Cala-
logus aan Esper’s naam Harpagula de voorkeur geeft.
9 9
Acronycta Aceris L. — Snellen I, p. 261; Zijds.
ROO 00.210.
Op de laatstvermelde plaats teekende ik aan, dat een overgang
tusschen den type der soort en de donkere varieteit candelisequa
Esp. door den heer Uijen bij Nijmegen was gevonden, en thans kan
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 203
ik de vangst van twee typische exemplaren der genoemde varieteit
berichten. Zij werden in Mei en Juni 1893 bij ’s Hertogenbosch
gevonden door den heer M. Caland. Ook de heer Heylaerts ver-
meldt, 7%jds. v. Ent. XXXIIL (1890) p. xxxvir, het voorkomen
der varieteit candelisegua bij Breda.
Vermeld moet hier tevens worden, dat bij deze donkere varieteit
de anders ontbrekende of zeer flauwe getakte zwarte langslijn uit
den voorvleugelwortel, die o. a. bij Aer. Psı en Tridens zoo dik
is en in het oog loopt, vrij duidelijk is. Aceris onderscheidt zich
echter van al de inlandsche soorten van Acronycta, behalve door
de grootte, de kleur, de goed ontwikkelde ronde- en niervlek en
de duidelijk dubbele dwarslijnen, vooral door de regelmatigheid der
ronde bocht, die de tweede lijn achter de niervlek maakt, Die
bocht is bij de andere soorten in het midden vlak.
Calymnia paleacea Esp. — Snellen I, p. 272.
Deze tot dusverre alleen uit Limburg vermelde soort werd in
Noord-Brabant bij Breda door den heer Heylaerts gevonden en in
Noord-Holland (Gooiland), bij Nederhorst-den-Berg, den 30 Juli
1887 door den heer J. de Vries.
De heer Heylaerts geeft, Tijds. v. Ent. XXXII, p. xxxvI, eene
beschrijving der rups naar eenige door hem gevonden exemplaren.
Zij bevestigt die, welke ik naar Treitschke mededeelde.
Calymnia trapezina L. — Snellen I, p. 262.
Bijzonderheden omtrent de leefwijze dezer erge moordrups zijn
te vinden in eene mededeeling van Dr. J. Th, Oudemans, Tijds.
v. Ent. XXXV, p. xv.
Dyschorista suspecta Hübn. — Snellen I, p. 277;
WE ps 11437 Lode. XXX, p 210.
Noord-Brabant: Cuyk, D. ter Haar.
Ammoconia eaeeimacula W. V. — Snellen I,
Par 295011, py 1148.
De rups is uitvoerig beschreven door den heer Heylaerts, Tyds.
v, Ent. XXXIII, p. xxxvI.
204 AANTEEKENINGEN OVER
De voorvleugelpunt is ook wel bij den & vrij duidelijk, bij het 2
niet altijd scherp. Onnoodig is het dus, in de beschrijving hier-
omtrent onderscheid te maken. Merkwaardig zijn echter bij deze
soort de groote ongeteekende, bleeker dan de grond gekleurde en
door de omringende donkere bestuiving uitkomende ronde- en niervlek.
Aporophyla lutulenta W. V.— Snellen I, p. 280;
IE %p:4129,
In de zeer interessante mededeelingen van Dr. J. Th. Oudemans,
getiteld: Nachtelijke excursies te Bussum (Zijds. v. Ent. XXXVI,
p. 1) wordt ook het voorkomen dezer soort bij Bussum in Noord-
Holland (Gooiland) aangeteekend.
Aporophyla nigra Haw. — Snellen, II, p. 1149.
Limburg: Venlo, in September door den heer A. van den Brandt
de vlinder gevangen.
Taeniocampa opima Hübn. — Snellen II, p. 1150;
Tijds, XXX, p. 210.
Deze tot dusverre alleen in Noord-Brabant waargenomen Zuenio-
campa is ook in Gelderland bij Apeldoorn door den heer H. A. de
Vos tot Nederveen Cappel gevangen, den 9 Mei 1893.
Orthosia helvola L. — Snellen I, p. 201.
Aan den duinkant, bij ’s Gravenhage, heb ik de rups nog zeer
klein, in het laatst van April in dorre bladeren onder beuken-
struiken gevonden en met beukenloof gevoed. Vóór het eind van
Mei was zij reeds volwassen. De vlinder kwam 18 September
1892 uit.
Orthosia nitida W. V., Fam. R. n°. 4 — Hübn.,
Noct. fig. 180, 2 en Larv. Lep. IV, fig. 3a. — Ochs. en
Treits; Vi, 2/p." 23%, 9 Vig ME dp 407; 0X. 02k 18 —
Guen.,„..Nozi.ıL, P..266,02.5610:
Bij het herzien der verzameling inlandsche vlinders van het
genootschap Natura Artis Magistra, vond Dr. J. Th. Oudemans
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 205
onder de uit de collectie van van Medenbach de Rooij afkomstige exem -
plaren van Orthosia pistacina, ook een voorwerp van O. nitida;
blijkens het oorspronkelijke etiket was het te Nijkerk gevangen.
Orth. nitida heeft eene eenigszins geslingerde , wortelwaarts in alle
cellen door donkere grauwbruine vlekjes afgezette, lichte golflijn ,
een ongevlekten voorrand der voorvleugels en eene even breede
nier- en ronde vlek als O, cörcellaris en helvola. Kop, thorax en voor-
vleugels zijn grauwbruin, het aderbeloop, de omtrek der vlekken
(de tapvlek ontbreekt) en de gewone dwarslijnen zijn fijn en scherp
grauwgeel, over de niervlek gaat eene breede schaduwlijn, don-
kerder dan de grond, de franje is iets roodachtig en de achter-
vleugels zijn in beide sexen eenkleurig donker bruingrijs.
Vlucht 31—34 mm.
Door velerlei kenmerken dus gemakkelijk van O. circellaris en
helvola onderscheiden, valt het niet te ontkennen dat xitida eene
zekere overeenkomst heeft met de var. IV van pistacina, maar
ook bij deze varieteit leveren de donker gevlekte voorrand der
voorvleugels en hunne smalle ronde- en niervlek duidelijke ver-
schilpunten op. De vlinder variëert overigens eenigszins door don-
kerder of lichter grondkleur.
Rups, volgens de aangehaalde schrijvers, in het voorjaar op Vero-
nica en Plantago, grauwbruin, roodachtig gemengd, of groen met
donkere rugstreepjes en witte zijdestreep; kop bleekbruin, hals-
schild zwart met twee witte lijnen.
Volgens Treitschke verschijnt de vlinder reeds in Juli en Augustus,
maar Guenée geeft, waarschijnlijk juister, September als vliegtijd
op. In die maand was ook het exemplaar door van Medenbach de
Rooij gevangen.
Orthosia macilenta Hübn. — Snellen, I, p. 293;
Tijdschr. XXX, p. 212.
Zuid-Holland: ’s Gravenhage, 25 November 1893 (Mr. H. W.
de Graaf.
Orrhodia rubiginea W. V. — Snellen, I, p. 301;
Il: pa diode: Zijde, XXX, po 212.
De heer Wasmann vermeldt in het Zijds. v. Ent. XXXII,
306 AANTEEKENINGEN OVER
p. 29, dat hij rupsen en poppen dezer Noctuine in de nesten eener
mier, Lasius fuliginosus, vond.
Orrhodia Vaccinii L. — Snellen, I, p. 301.
Uit eene mededeeling van Dr. J. Th. Oudemans, zie Tijds. v.
Ent. XXXVI, p. xvi, blijkt dat beide sexen van dezen vlinder
onder de overwinterde exemplaren gelijk vertegenwoordigd zijn.
Orrhodia spadicea W. V. — Snellen, II, p. 1151.
(Noct. ligula Esper).
Eene zeer opmerkelijke varieteit, door hem awronigra genoemd,
beschrijft de heer Heylaerts, Zijds. v. Ent. XXXII, p. xxxvmMI,
aldus: Voorvleugels zwart, eene stip aan den wortel, de ronde en
niervlek, de golflijn en de franje goudgeel. Bij Breda gevangen.
Xylina ornithopus Hfn. — Snellen, I, p. 312; II,
p. 1152; Tijds. XXX, p. 212.
Op nieuw in Zuid-Holland gevonden en wel bij Rotterdam, door
den heer P. J. M. Schuyt.
Xylina Socia Hfn., Berl. Mag. TI, p. 418, n°. 101. —
v. Hein., Schmett. Deutschl. u. der Schweiz, 1, p. 379, —
Snellen I, p. 312 (Aanm.). — Petrificosa Hübn., Noct.
f. 239. — Petrificata Ochs. en Treits. V: 3, p. 23. —
Wood, fig. 222.
Deze door mij t. a. pl. in eene aanteekening beschreven soort is
nu ook in Nederland ontdekt. Zij is na verwant aan Xyl. semi-
brunnea Haw., even groot en onderscheidt zich daarvan door de
opgegeven kenınerken, die evenwel bij minder gave exemplaren
van beide soorten wel wat onduidelijk worden. De achtervleugels
zijn echter bij beide sexen bruingrijs, vrij eenkleurig, met weinig
donkerder aderbeloop, bijna donkerder dan de voorvleugels, terwijl
zij bij semibrunnea duidelijk lichter zijn, met donker bestoven
achterrand en aderbeloop, en dit is ook een goed kenmerk.
Rups, volgens Treitschke, in Meien Juni op eiken, linden, ijpen
en pruimenboomen, appelgroen gekleurd, met breede witte rug-
streep en witte zijdelijnen. Rug wit gestippeld; luchtgaten eveneens
wit, maar zwart gerand. Kop glanzig groen,
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 307
Verandering in den grond. Pop bruin.
De vlinder vliegt in het najaar.
Van deze soort ving de heer H. A. de Vos tot Nederveen Cappel
den 10 Sept. 1889 een exemplaar bij Apeldoorn in Gelderland
(zie Tijds. v. Ent, XXXV, p. xv).
Calocampa vetusta Hübn. — Snellen, I, p. 315.
Dr. J. Th. Oudemans te Amsterdam beschrijft, in het verslag
van de wintervergadering 1893 der Ned. Ent. Vereen. (Tijds. v.
Ent. XXXVI, p. Lym) eene varieteit der rups met kastanjebruine ,
in plaats van groene grondkleur, Deze varieteit is ook tweemaal
bij Rotterdam gevonden, zonder dat wij er den vlinder uit ver-
kregen, zoodat zij ons een raadsel bleef. Zij werd, voor zoover
ik weet, nog door niemand vermeld.
Xylocampa lithorhiza Borkh. — Snellen, I, p.
17; Ir, p. 1192,
Utrecht: Maarsbergen, 10 April 1892 een zeer gaaf en frisch 2
(Snellen).
Cucullia Absynthii L. — Snellen, I, p. 324; II,
pi 1192
Noord-Brabant: Cuyk, den 15 Juli (D. ter Haar).
Hadena splendens Hübn. Noct. fig. 400, p. 194. —
Ochs. en Treits., V, 2, p. 131. — Herr.-Sch. , Syst. Beard.
II, p. 255. — Moet. fig. 396. — Guen., Noct. II, p. 103
no, 819. — v. Hein., Schmett. Deutschl. u. d. Schweiz,
Es: pool.
De ontdekking hier te lande dezer vrij zeldzame soort door den
heer de Vos tot Nederveen Cappel is vermeld Tijdschr. v. Ent.
XXXII, p. cxxxvi; sedert is zij ook door Dr. J. Th. Oudemans
waargenomen. Had. splendens is na verwant aan de welbekende,
gemeene Had. oleracea en even groot, maar de kleur van kop,
thorax en voorvleugels is een iets naar het vleeschkleurige of
steenroode trekkend licht roodbruin, dus veel lichter dan bij de
208 AANTEEKENINGEN OVER
zeer bestendige oleracea. De teekening heeft mede veel overeen-
komstigs, maar de niervlek is langwerpig, niet kort en breed,
met een duidelijken, grijswitten omtrek; in het midden is zij niet
roestgeel, zooals bij oleracea, maar slechts een weinig grijsgeel.
Golflijn zeer veel fijner dan bij oleracea, grijswit, niet helderwit,
overigens eveneens gevormd, aan de wortelzijde donker roodbruin
afgezet.
Zeer duidelijk is ook de donker roodbruine schaduwlijn die,
eenigszins vervloeid, de ruimte tusschen de ronde- en niervlek in
de middencel geheel roodbruin kleurt.
Achtervleugels grauwgeel, donkergrijs bestoven, vooral tegen den
achterrand en ook het aderbeloop donkergrijs; de franje is rood-
achtig geelwit, wat ik bij geen mijner gekweekte exemplaren van
oleracea opmerk.
De vliegtijd van den vlinder is gelijk aan dien van oleracea.
Hoe deze eenvoudig gekleurde vlinder aan den weidschen naam
van «splendens» komt, begrijp ik niet. Guenée merkt van Hübner’s
afbeelding op, dat zij is «trop brillante » , die van Herrich-Schäffer
roemt hij «trop terne». Eene goede afbeelding bestaat dus nog
. niet, en is zeer gewenscht.
Wat de rups aangaat, zij is door Dr. Oudemans uit eieren vän
door hem gevangen vlinders gekweekt, en werd door hem met
Plantago lanceolata gevoed. De eieren kwamen einde Juni uit en
de rupsen verpopten tegen het laatst van Juli of in het begin vau
Augustus. In hetzelfde najaar verschenen twee vlinders, de overigen
in Mei 1893. Dr. Oudemans houdt het er voor, dat deze soort in
den regel slechts ééne generatie heeft. Volgens zijne beschrijving,
die hij zoo goed was mij mede te deelen, is de jonge rups groen
met lichteren buik en zeer bleek witgroene zijdelijn ; voorts met drie
zeer fijne lichte ruglijnen. Kop lichtbruin. Later wordt de zijdelijn
zeer duidelijk, zwavelgeel, van boven zwart afgezet. Na de laatste
vervelling wisselt de kleur der rups af van bruinachtig groen tot
kastanjebruin, met eene helder zwavelgele, aan de bovenzijde donker
afgezette zijdelijn. Verder ziet men drie flauwe donkere ruglijnen
en op elken ring eene flauwe V-vormige teekening. De geheele
o D ©
NÉDERI ANDSCHE LEPIDOPTERA. 209
rug is fijn wit gestippeld, de. stigmata zijn wit, zwart afgezet,
Voorpooten en kop lichtbruin.
Het eerste exemplaar van splendens is door den heer de Vos,
bij Alphen, in Zuid-Holland, gevonden; later ving Dr. Oudemans
verscheidene voorwerpen in Noord-Holland, bij Bussum.
Hadena Persicariae L. — Snellen, I, p. 343.
De varieteit dezer soort met geheel donkere niervlek, zonder
wit, is ook door de heeren D, ter Haar en H. A. de Vos tot
Nederveen Cappel bij Cuyk en Apeldoorn gevangen. Zij was lang
onder den naam accipitrina Esper bekend, maar Dr. Staudinger
zegt in zijnen Catalogus (1871, p. 91), dat de afbeelding van ac-
cipitrina bij Esper op pl. 129, f. 4, eene andere soort, misschien
Noctua Saportae Dup. uit Zuid-Frankrijk, voorstelt en geeft daarom
aan de varieteit van Persicariae den naam van unicolor. Persicariae
blijft altijd door de zwarte kleur der voorvleugels zeer kenbaar.
Mamestra adusta Esp. — Snellen, I, p. 355; II,
p. 1155; Zijds. XXX, p. 213.
Met de rups afgebeeld en beschreven in Sepp, 2€ Serie, IV,
p. 211—18, pl. 38, door Mr. de Roo van Westmaas.
Luperina porphyrea Esp., IV, p. 465, Tab. 145,
f. 4. — Borkh., IV, p. 471, n°. 188. — Satura Hübn.,
Noct. f. 75 en Larv. Lep. IV, Noct, F, f. da. — O. en
Tr. V, 1, p. 333. — Freyer, Neue Beitr. III, p. 71, Tab. 244,
Geheel gave exemplaren van deze, voor de Nederlandsche Fauna
nieuwe Noctuine onderscheiden zich van al de. overige soorten
van het genus zeer door de spits getande franje der voorvleugels,
doeh dit kenmerk wordt door afvliegen ras onduidelijk, maar de
punten van de W der golflijn, die overigens vrij duidelijk is,
blijven ver van den achterrand en de niervlek is geheel zonder
wit. Van Zup. remissa, die zich mede door de beide laatstgenoemde
kenmerken onderscheidt, verschilt porphyrea echter zeer door de
veel aanzienlijker grootte (40—44 mm. vlucht), de koperkleurig
bruine, donker zwartgrijs, bijna vaalzwart gemengde voorvleugels
Tijdschr. v. Entom. XXXVI. 14
210 AANTEEKENINGEN OVER
en de zeer dikke, vervloeide zwarte langsstreep tusschen de eerste
en tweede dwarslijn.
Kop en halskraag grauwbruin; schouderdeksels zwartbruin. Voor-
vleugelpunt duidelijk, de koperkleurig bruine grondkleur is vooral
in het middenveld sterk met paarsachtig vaalzwart gemengd, ook
aan den wortel en in het franjeveld (achter de golflijn); zij ver-
toont zich het duidelijkst als langsstreepjes van het wortelveld, in
cel 14, en dan nog in cel 15 van den gewaterden band. Dwars-
lijnen, ronde en niervlek licht, als de grondkleur, fijn donker
afgezet, de laatsten in het midden grauwbruin. Golflijn afgebroken,
bruingeel. Franje zwartgrijs, met bruingele streepjes. Achtervleu-
gels bruingrijs met flauwe donkere booglijn, de franje iets rood-
achtig, met bruingele stippen op de adereinden.
Porphyrea is zeer bestendig; varieteiten zijn mij niet bekend.
De vlinder vliegt in Mei en Augustus en de rups is, volgens de
aangehaalde schrijvers, op den rug roodbruin, geelachtig geteekend ,
op den buik groen. Zij leeft op Lonicera, Corylus en waarschijnlijk
nog wel meer struikgewassen, van het loof.
De vlinder, die ook bij Kleef door Lewe van Middelstum en
van Medenbach de Rooij gevangen is, werd in Nederland gevonden
bij Cuyk, in Noord-Brabant, door den heer D. ter Haar, en in
Gelderland bij Apeldoorn, door den heer de Vos. Deze ving een
exemplaar den 19 Augustus 1889 en trof de soort weder aldaar
aan in 1889.
Luperina ophiogramma Esp. — Snellen, I, p. 375.
L. ophiogramma gold tot dusver bij mij voor eene zeer stand-
vastige soort en ook de heer Tutt, die in zijn onlangs ver-
schenen werk: The British Noctuae and their varieties, London
1891 —1892, zeer zorgvuldig alle grootere en kleinere varieteiten
der Britsche Noctuinen bespreekt, vermeldt er van ophiogramma geene.
Ik werd dus zeer aangenaam verrast, toen op 7 Juni 1893 bij mij
een exemplaar uitkwam, dat zich door de donker leigrijze grondkleur
der voorvleugels, waarop de bruine teekening slechts weinig uitkomt,
van mijne en andere gekweekte exemplaren sterk onderscheidt.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 211
Nonagria (Coenobia) rufa Haw, -— Snellen, II,
p. 1156.
In het veentje, onder aan den St. Jansberg, bij Cuyk, gevangen
(ter Haar en Snellen).
Meliana flammea Gurt. — Snellen, II, p. 1157.
Op de aangehaalde plaats deelde ik, naar Boie, mede, dat de
rups overwinterend in rietstoppels werd gevonden, maar wijlen de
heer W. Buckler, de bekende nauwkeurige waarnemer van de
eerste toestanden van vele Britsche Lepidoptera, geeft in het Ent.
Montht. Mag. XX (1883), p. 63, een geheel ander bericht. Vol-
gens hem leeft de rups in den herfst op het gewone riet, voedt
zich met de bladeren, maar verpopt nog in het najaar. Hij be-
schrijft de rups als op die eener Leucania gelijkende, in het bij-
zonder op die van Z. straminea. Wellicht waren de door Boie
gevonden rupsen die van Leucania obsoleta, welke ik menigmaal
overwinterd heb gevonden in rietstoppels, waarin ook zij verpopt,
evenals die van flammea.
Leucania littoralis Curt. — Snellen, I, p. 402;
11.911583: Tijds. XXX pr 214.
In alle toestanden afgebeeld en beschreven door Mr. A. Brants,
in Sepp, 2° Serie, IV, p. 233—40, pl. 41. In het bijzonder
moet hier gewezen worden op eene ontdekking van den heer Brants,
waaruit blijkt, dat de punthelft der mannelijke sprieten op eene
andere wijze is behaard dan de wortelhelft, evenals, maar in
meerdere mate, het geval is bij de Indische Zeucania pulchra
Snellen, Peize in Midd. Sumatra, Lepid. p. 41, pl. 4, f. 4.
L. littoralis is ook waargenomen in Noord-Holland, bij Schoorl-
dam, door den heer J. Jaspers Jr.
Leucania albipuneta W. V. — Snellen, I, p. 404.
Men zie over deze soort de aanteekening van den heer Heylaerts,
Tijds.v. Ent. XXIX, p. xxvI, waarin deze wel terecht betwijfelt, dat zij
geregeld twee generatiën zou hebben. Vergelijk ook over dubbele gene-
ratiën bij de Noctuinen Dr. J. Th Oudemans, 7%/4s, XXXVI, p. 12 en 13,
Oi AANTEEKENINGEN OVER
Leucania Turca L. — Snellen, I, p. 406; IL p.1159;
Tijds. XXX, p. 216.
Afgebeeld en beschreven in Sepp, 2e Serie, IV, p. 258—64,
pl. 44, door Dr. J. van Leeuwen Jr. en door dezen ook in Gelder-
land, bij Vorden, waargenomen.
Agrotis xanthographa W.V.— Snellen, I, p. 416.
Dr. J. Th. Oudemans vermeldt, Zijds. v. Ent. XXXVI, p. xvur,
dat eene rups van zauthographa, afwijkende van de gewone leef-
wijze, reeds ongeveer veertien dagen na het inspinnen den vlinder
opleverde,
Agrotis castanea Esper. — Snellen, II, p. 1159.
Limburg: Venlo, A. van den Brandt. — Gelderland: Apeldoorn,
H. A. de Vos tot Nederveen Cappel. De vlinder steeds in Augustus.
Agrotis umbrosa Hübn. — Snellen, I, p. 417.
Gelderland: Vorden, J. W. Lodeesen en Dr. J. van Leeuwen Jr.,
vele exemplaren; Apeldoorn, H. A. de Vos tot Nederveen Cappel.
Steeds de vlinders in Augustus.
Agrotis Dahlii Hübn. Noct, fig. 465, 466 en Larv.
Lep. IV, Noct. G, d. fig. 2a-d. — O. en Tr, V.1. 222. —
Guenée, Noct. I, p. 332, n°. 553.
Deze soort behoort in mijne afdeeling B van het genus Agrotis,
de achtervleugels zijn namelijk niet geel met zwarten rand en de
voorschenen langer dan het eerste lid der tarsen, aan de binnen-
zijde met eene rij doornen bezet, buitenwaarts alleen aan het eind.
Verder is de halskraag eenkleurig met den thorax, de golflijn aan
den voorrand niet zwart gevlekt, de eerste dwarslijn gegolfd, ook
de tweede, waarachter men geene zwarte stippen op de aderen
ziet, zooals bij zaxthographa, en de achtervleugels zijn bij beide
sexen grijs, iets geelachtig, met donker bestoven achterrand. Tot
zoover levert de onderscheiding van de soorten van B, I geene
bezwaren op, maar daar de niervlek bij Dahli zooveel lichter dan
de grond of eenkleurig daarmede voorkomt, is de analytische tabel,
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA, ; 213
gelijk zij nu is ingericht, verder niet voldoende. De voorvleugels
zijn bij Dahlii donker leem- tot roestgeel of licht paarsbruin, met
eenkleurig aderbeloop en dubbele dwarslijnen, — waardoor Augur,
umbrosa en porphyrea worden uitgesloten; verder heeft Dahli eene
vlucht van 33 —35 mm., wat tot onderscheid strekt van de veel
grootere brunnea. Er blijven dus ter vergelijking over festwa en
Rubi. Inderdaad staat Dah/ii tusschen die beiden in. Van de eerste
onderscheiden haar de nooit zwarte, hoogstens bruine randstippen
der voorvleugels, van de tweede de in de onderhelft verdonkerde
niervlek, van beiden het bovenaan puntig verlengde middenlid der
palpen. À
Dahli is overigens slanker gebouwd dan de iets plompe en op
den thorax nog al dik behaarde festwa; lid 2 der palpen is buiten-
waarts donkerbruin, aan de voorzijde bovenaan duidelijk verlengd ;
de bovenrand is bleek roodgrijs, als het korte, stompe eindlid.
Sprieten kort bewimperd. Schedel iets lichter dan de halskraag en
rug, die in dezelfde tint zijn als de voorvleugels, soms iets bleeker.
Deze zijn in beide sexen breeder dan bij Aubi, maar toch duide-
lijk minder naar achteren verbreed en ook stomper dan bij festiva,
vooral minder dan bij den 4 dier soort, waar de vleugelpunt vrij
duidelijk en de achterrand zelfs op ader 4 een zweem hoekig is.
Grondkleur van kop, thorax en voorvleugels als boven beschreven ,
de dwarslijnen donkergrijs, de halve afgebroken, ook de eerste,
die dubbel is. Tapvlek, evenals bij fwd en festiva, meest slechts
door eene donkere stip aan het eind aangeduid. Ronde vlek cirkel-
rond, meestal gesloten, evenals de niervlek fijn roodbruin gerand,
met de grondkleur gevuld, min of meer vuil grijswit geteekend,
de onderhelft der niervlek verdonkerd door de vrij dikke schaduw-
lijn, die daarin gebroken is. Voor of achter de vlekken geen zwart.
Tweede dwarslijn mede dubbel en getand, achter de niervlek met
eene iets vlakke bocht, langs hare buitenzijde ook wel met eenige
donkere stippen. Gewaterde band eenkleurig, niet donkerder, soms
eer iets lichter dan het franjeveld, in kleur weinig daarvan ver-
schillende. Golflijn bruingeel, weinig afstekende, van ader 3—7,
evenals bij ubi en festiva, vlak. Franjelijn met bruine stippen,
DA. AANTEEKENINGEN OVER
franje als de vleugel. Achtervleugels grijs, naar achteren weinig
donkerder, zonder duidelijke donkere booglijn. Franje donker
grauwgeel, iets roodachtig.
Vliegt in Juli en begin Augustus.
Volgens de aangehaalde schrijvers is de rups bruinrood; over
den rug loopen eenige gele, donker afgezette, min of meer duidelijke
langsstrepen, en het geheele lichaam is met bruine en gele stippen
bestrooid. Kop lichtbruin. Voedsel en leefwijze als bij de verwante
soorten.
Van deze soort ving de heer H. A. de Vos tot Nederveen Cappel
den 7 Augustus 1893 bij Apeldoorn twee exemplaren; een gaven
en frisschen man zond hij mij ter revisie. Agrotis Dahlii is overigens
even verbreid als festiva, maar veel zeldzamer.
Agrotis Rubi View. — Snellen, I, p. 418.
Deze soort, die bij Rotterdam niet zeldzaam is, heeft geregeld
twee overvloedige generatiën, misschien soms ook wel drie, want
Dr. Lycklama à Nyeholt ving den 1 October 1893 een gaven en
frisschen man. De exemplaren der tweede generatie, welke in
Augustus verschijnen, zijn in den regel merkbaar kleiner dan die
der eerste.
Agrotis Baja W. V. — Snellen, I, p. 491.
Het bij deze soort gewoonlijk zoo duidelijke zwarte vlekje, boven
aan de golflijn der voorvleugels, kan wel eens ontbreken, doch
dan is Baja altijd nog zeer kenbaar door de grootte, de tegen den
wortel geelachtige achtervleugels en de palpen (zie de volgende,
Agr. Sobrina).
Agrotis Sobrina Boisd. (in litt). — Guenée, Aun.
Soc, Ent. de France, 1841, p. 239; id., Noct. I, p. 335,
n°. 563. — Dup., Suppl. IV, p. 224, p. 69, fig. 5 ab. —
Herr. Sch., Syst. Bearb. IL, p. 360, Noct. fig. 127—129. —
Hein., Schmett. Deutschl. u. d. Schweiz, 1, p. 498. —
‘Tutt, Brit. Noct. and their var. II, p. 106. — Noet. Mista
Freyer, Neuere Beitr. V, p. 102, Tab. 444, fig. 3.
NEDERLANDSCHR LEPIDOPTERA. 215
Een voorloopig bericht over de ontdekking dezer soort is gegeven
in het verslag der 26e wintervergadering der Ned. Ent. Vereeni-
ging, Tijdschr. v. Ent. XXXVI, p. xu. Het eerste exemplaar
werd door den heer J. C. J. de Joncheere reeds den 13 Augustus
1867 te Nijmegen gevangen; het was echter afgevlogen en daarom
liet ik de opneming van Sobrina achterwege, maar een zeer goeden
d ving de heer de Vos tot Nederveen Cappel den 20 Augustus
1892 bij Apeldoorn, en verscheidene andere exemplaren werden,
mede bij Apeldoorn, in het begin van Augustus 1893, door hem
en Dr. J. Th. Oudemans bemachtigd.
Sobrina behoort met Baja en rubricosa tot de kleine groep van
Agrotis, afdeeling B (zie Vlinders van Nederland, I, p. 408),
die breede, ongedoornde voorschenen heeft. Zij heeft eene vlucht
van 33—36 mm. en staat dus in grootte juist tusschen de beide
andere soorten in. De onderscheiding van Baja, waarop zij het
meest gelijkt, zou zeer gemakkelijk vallen, ware het niet dat het
bij de genoemde soort meestal zeer duidelijke zwarte vlekje boven
aan de golflijn soms (zie boven) ontbrak, of niet scherp ware uit-
gedrukt. Intusschen levert de vorm der palpen een goed kenmerk op.
Zij zijn bij Baja aan de buitenzijde van lid 2 zeer donker zwart-
bruin, lid 2 is verder naar boven verbreed, met bleek roodgrijzen
bovenrand, en ook het korte, stompe eindlid heeft die kleur,
evenals de schedel en de halskraag. Bij Sobrina is lid 2 der palpen
naar boven slechts weinig verbreed en de kleur der buitenzijde,
ook van den bovenrand en van het eindlid, is bruinrood, dus
geheel anders. Maar dezelfde, geene lichtere, kleur hebben ook,
zelfs bij de grijze varieteit, de kop en de halskraag, die dus, in
tegenstelling van Baja en rubricosa, donkerder dan de rug en
voorvleugels zijn. De sprieten en de bouw van het lyf zijn als bij
Baja, de vleugels in verhouding iets korter en breeder. Verder
neemt men ten opzichte van de kleur bij Sobrina twee varieteiten
waar. Bij de eene (type) zijn de rug en de voorvleugels helder
bruinrood; bij de tweede (var. Gräneri Guen.) licht, paarsachtig
bruingrijs; zij worden door overgangen, waarbij eerst het aderbeloop
grijs gekleurd is, zeer geleidelijk verbonden.
216 AANTEEKENINGEN OVER
De dwarslijnen zijn niet zeer duidelijk dubbel gegolfd; de
golflijn, even als bij Baja, onder den voorrand gebroken en aan
haar begin wortelwaarts donkergrijs beschaduwd; verder flauw
geslingerd, bruingeel, weinig lichter dan de grond. Van de tapvlek
ziet men gewoonlijk niets; de ronde vlek is bovenaan open, bruin
gerand, ook de niervlek, die regelmatig gevormd is en evenals bij
Baja eene groote ronde zwartgrijze stip heeft, die de onderhelft
bijna vult. Schaduwlijn duidelijk, vooral onder de niervlek. Achter
de tweede dwarslijn ziet men donkere stippen op de aderen, Ge-
waterde band en franjeveld eenkleurig. Franjeliin met flauwe
donkere stippen; franje roodachtig of paarsgrijs. Achtervleugels
grijs, naar achteren weinig donkerder, zonder de kopergele tint
van Baja; franje roodachtig geel, lichter dan die der voorvleugels.
Achterlijf grijs, in de zijden en tegen het eind roodachtig.
A. rubricosa is veel kleiner, vliegt in Maart en April en heeft
geene in het oogloopende donkere stip onder in de niervlek. Met
haar zal men dus Sobrina niet licht verwarren.
Guenée, die als vliegtijd opgeeft Juni (evenals von Heinemann)
beschrijft de rups als paarsachtig grijs of roodachtig, fijn geelwit
gemarmerd, met duidelijke, vlekkige, onzuiver okergele ruglijnen
en iets lichtere, tegen den rug duidelijk begrensde zijdelijn. De
luchtgaten zeer duidelijk, zwart geringd. Kop als het lijf gekleurd.
Zij komt in het najaar uit het ei. Voedsel: bramen en lage planten.
Agrotis rubricosa W. V. — Snellen, I, p. 421;
11, p. 4160.
Van deze soort heb ik in 1893 een exemplaar uit de rups ge-
kweekt, die bij Rösel, IV, p. 113, pl. 21, f. 1, is voorgesteld;
zij geleek volkomen op die afbeelding. Ik vond haar in Juni 1892
bij Scheveningen op Galium. De afbeelding van den vlinder bij
Rösel (fig. 3) is zeer gebrekkig en daarom had ik hem niet aan-
gehaald bij mijne beschrijving, maar die van de rups vind ik
zeer goed.
A. rubricosa is ook door den heer D. ter Haar, bij Cuyk in
Noord-Brabant, gevangen.
NEDERLANDSCHS LEPIDOPTERA. 217
Agrotis Lidia Cramer. — Snellen, Tijds. XXX, p. 217.
Een exemplaar dezer nog altijd zeer zeldzame soort werd ook
door den heer H. A. de Vos tot Nederveen Cappel bij Veenhuizen
in Drenthe gevangen (zie Tijds. XXXII, p. xx).
Agrotis Segetum W. V. — Snellen, I, p. 437; IL,
p. 1160,
De vlinder is sedert mijne laatste opgave niet alleen meermalen
in Augustus gevangen door de heeren Dr. Kallenbach en de Vos,
maar Dr. Lycklama à Nyeholt ving ook een gaaf en frisch exem-
plaar den 6 October.
De heer Heylaerts (zie Tijds. v. Ent. XIII, p. 150) is zelfs
van gevoelen, dat deze najaars-generatie (Augustus— October) tal-
rijker is dan de eerste, waarvan de vlinders in Juni vliegen.
Plusia Concha F. (C-aureum Knoch). — Snellen,
I, p. 463.
Bij mine beschrijving kon ik slechts ééne vindplaats voor deze
soort opgeven (Loosdrecht in Utrecht); de heer Heylaerts vermeldt
buitendien Breda (Trjds. XIII, p. 153), en eene derde is Warns-
veld, bij Zutphen, waar de heer H. W. Groll, in Juli 1888, eene
rups op Thalictrum vond en mij toezond. De vlinder kwam den
28 Juli uit.
Ik herinner mij nog, dat wijlen A. J. van Eyndhoven mij in
der tijd een exemplaar van Concha liet zien, door hem verkregen
uit eene kleine collectie te Zutphen, welker eigenaar hem mede-
deelde, dat het voorwerp bij Zutphen was gevangen, wat hij be-
twijfelde, maar dat mij thans zeer waarschijnlijk voorkomt.
Ik vind aangeteekend, dat men alleen op Z4alictrum-planten ,
die op beschaduwde plaatsen wassen, kans heeft de rups van Concha
aan te treffen.
Plusia moneta F. —- Snellen, II, p. 1162. — Tijds.
XXX, p. 218.
Verbreidt zich blijkbaar nog altijd verder, In Nederland is zij,
218 AANTEEKENINGEN OVER
behalve bij Arnhem (Brants) en Breda (Heylaerts), gevangen in
Zeeland, bij Middelburg, door Dr. J. G. de Man, in Limburg, bij
Venlo, door den heer A. van den Brandt, in Gelderland, bij Apel-
doorn, door den heer de Vos, en op verschillende plaatsen in
Noord- en Zuid-Holland, ook bij Rotterdam.
Men zie ook mededeelingen over deze soort van Mr. A. Brants
(Tijds. XXX, p. xxvir en XXXI, p. xxiv). De heer Brants heeft
sedert de rups ook op andere planten gevonden dan Aconitum ,
zoodat het vermoeden van den heer de Vos (zie Tijds. XXXII,
p. xx), dat niet alleen het genoemde gewas tot voedsel aan de
rupsen strekt, bevestigd wordt.
Pl. moneta is nu ook in Engeland verschenen, zooals ik wel ver-
wachtte , maar ik mag niet verzuimen hier aan te teekenen, dat Guenée
reeds mededeelt, dat zijn medewerker (Dr. Boisduval) den vlinder
in aantal in Normandië kweekte. Overigens geeft hij als landen,
waar de soort voorkomt, op: Hongarije, Oostenrijk, Stiermarken
en Zuid-Frankrijk. |
Plusia Jota L. — Snellen, I, p. 464. — Tijds. XXX,
p. 218.
Nog altijd wordt door verschillende entomologen beweerd, dat
de kleinere, bontere, sterker geteekende Plusia V-aureum Guenée
(Jota var. pulchrina Haw. p. 256) specifiek zou verschillen van
de echte Jota L. Om deze quaestie voor goed uit te maken beveel
ik zeer aan om, wanneer de gelegenheid zich aanbiedt, te trachten
eieren van beide vormen te verkrijgen, daaruit de rupsen te kweeken
en voor goede beschrijvingen en afbeeldingen te zorgen. Dr, Kal-
lenbach kweekte in 1893 een zeer geprononceerd exemplaar van
V-aureum, ik zelf io 1885 een groot, typisch van Jota. De
rupsen waren beiden bij ’s Gravenhage gevonden. Ik heb echter
nog geen der door: Guenée opgegeven kenmerken bestendig ge-
vonden, behalve het verschil in grootte.
Haworth beschrijft zijne pulchrina als eene varieteit van Jota.
Het gaat dus niet aan, om, zooals Staudinger in zijn Catalogus
(Editie van 1871) doet, den naam door Guenée gegeven, op zijde
te zeiten.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 219
Aventia flexula W. V. — Snellen, I, p. 489.
Tot dusver was algemeen aangenomen, dat de rups uitsluitend
van boommos leefde, maar de heer Heylaerts deelt mede (verslag
zomerv. der Ned. Ent. V. 1892, Tijds. XXXVI, p. xxvir), dat hy
de rups ook kweekte en wel met goed gevolg, met de bladeren
van Vaccinium Myrtillus.
In het Mut. Monthly Mag. X (1873—74), p. 42, komt eene
uitvoerige beschrijving der rups voor, door den heer W. Buckler.
Daarin wordt echter stellig gezegd, dat de rups van Lichenes leeft.
Beide zaken kunnen waar zijn.
In Noord-Brabant is flevu/a, behalve bij Breda, door den heer
Heylaerts, ook gevangen bij Rijen (Snellen) en Oisterwijk (Schuyt).
Hypenodes costaestrigalis Steph. — Snellen,
I, p. 494.
Men vergelijke voor deze soort mijne aanteekening, Tijdschr.
voor Ent. XXXII, p. xvren de uitvoerige behandeling, id. XXXIII,
p. 165 enz., pl. 7, fig. 1, 2. Op die plaats is ook de synonymie
gegeven.
De door den heer J. Hellins, in het Hut. Monthly Mag. NI,
p. 216, beschreven rups is 12-pootig, karmozijn- of purperbruin,
in den zomer volwassen en werd, bij onbekendheid van het ware
voedsel, met bloemen van Thymus Serpyllum gevoed.
Gave en frissche, donker gekleurde exemplaren van costaestri-
galis ving de heer de Vos tot Nederveen Cappel bij Apeldoorn,
van 4 tot 17 Augustus. Waarschijnlijk behoorden zij tot eene
tweede generatie.
Hypenodes taenialis Hübn., Pyral. fig. 151. —
Snellen, Zijds. v. Ent. XXXIII, p. 167, pl. 7, fig. 3—8 en 12.
Op de aangehaalde plaats heb ik de kenmerken en de door Prof.
van Leeuwen ontdekte en afgebeelde rups van deze voor onze
Fauna nieuwe Noctuine omstandig beschreven en ben, om niet
in herhalingen te vallen, zoo vrij daarnaar te verwijzen.
Nieuwe vindplaatsen, behalve de aldaar op p. 177 opgegevene,
zijn mij sedert niet bekend geworden,
220 AANTERKENINGEN OVER
Herminia cribralis Hübn. -- Snellen, I, p. 497; II,
p. 1165.
= Noord-Brabant: Breda (Heylaerts); Zuid-Holland: Rotterdam
(Dr. Lycklama à Nyeholt). Op laatstvermelde plaats werd den 22
Juni 1893 een wijfje gevangen, dat eieren legde. De opkweeking
der door den heer de Joncheere ontdekte rups (zie in Sepp, t. a.
pl.) slaagt aanvankelijk goed.
Zanclognatha tarsiplumalis Hübn. — Snellen,
Lap: 5004115 1106.
Bij Rotterdam werd deze soort in de laatste jaren herhaaldelijk
gevangen in Juni en Juli. Eieren, door de wijfjes gelegd, waren
vuilwit, paars gevlekt en kwamen spoedig uit. De rupsen werden
zonder veel moeite grootgebracht met bladeren van salade, elzen,
wilgen, zuring en bramen, versche en verwelkte. Zij hielden zich
steeds op den grond op en vertoonden zich meestal des nachts.
Sommige rupsen groeiden snel door en leverden reeds in de tweede
helft van Augustus de vlinders, maar de meesten overwinterden,
bereikten in het voorjaar haren vollen wasdom , maakten tusschen de
dorre bladeren, waarvan zij ook gedurende den winter bij zacht weder
hadden gegeten, haar spinsel en veranderden spoedig in slanke,
bruine, gewoon gevormde poppen, die in de tweede helft van Mei
uitkwamen.
De rups is bruin, met flauwe donkere en lichte teekeningen.
Mijne bevindingen komen dus geheel en al overeen met de mede-
deeling, die Dr. Rössler, Schuppenflügler von Wiesbaden (1881),
p. 120, over deze soort doet.
Nemoria vernaria L. — Snellen, I, p. 544.
Volgens Wackerzapp’s medeelingen, Stelt. Ent. Zeit. L (1889),
p. 282, leeft de rups alleen op Clematis vitalba. Het ei wordt
in Juni of Juli gelegd, is lichtgroen, rolrond, onder en boven glad
afgesneden, komt na veertien dagen uit, en de jonge rups is aan-
_ vankelijk groen. Tegen de overwintering wordt zij bruin, laat zich
op den grond zakken, brengt daar den winter door en gaat in het
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 331
voorjaar- weder eten. Zij wordt: dan opnieuw groen, met flauwe
witte lijnen geteekend. De kop heeft twee spitsen, die groen, niet
rood gekleurd zijn, Verpopping einde Mei of begin Juni, De vlinder
komt na 14 dagen uit.
Deze soort heeft slechts ééne generatie. — Wilde’s beschrijving
der eerste toestanden is onjuist.
Pellonia vibiearia L. — Snellen, I, p. 550.
In alle toestanden afgebeeld en beschreven door Mr. H. W. de
Graaf, in Sepp, 2e Serie, IV, p. 197—-202, pl. 35 en 36.
Acidalia imitaria H. — Snellen, I, p. 566.
De heer D. ter Haar ving bij Cuyk, in Noord-Brabant, in het
laatst van Juli 1885, eenige exemplaren dezer nog maar alleen uit
Zeeland vermelde soort.
Zonosoma annulata Schulze. — Snellen, I, p. 570.
Gelderland: Laag-Soeren, bij Dieren, in Augustus 1892 (D. ter
Haar). Daar de heer Heylaerts haar ook bij Breda vond, is deze
soort nu in vier provinciën waargenomen.
Phigalia pilosaria W. V. — Snellen, I, p. 580.
Dr. Lycklama à Nyeholt kreeg in 1891 reeds op 20 December
een man uit de pop en de vlinder werd ook in het begin van
Januari buiten gevonden. Zeer gave en frissche exemplaren, blijk-
baar juist uitgekomen, trof ik den 4 Maart 1893 aan tegen boomen
in het Haagsche bosch.
Nyssia zonaria W. V. — Snellen, I, p. 1172. —
Tijds. XXX, p. 224.
Op nieuw in Limburg gevonden door de heeren A. van den Brandt
te Venlo en F. Schols te St. Pieter.
Amphidasis betularia L. — Snellen, I, p. 585;
II, p. 1173. — Tijds. XXX, p. 224.
Men zie mijne aanteekeningen over het in toenemend aantal
optreden der zwarte varieteit Doubledayaria, Tijds. v. Ent. XXXIV,
999 AANTEEKENINGEN OVER
p. xvi en XXXVI, p. xxv. Ook in 1893 werden weder vele exem-
plaren verkregen; ik zelf kweekte een exemplaar van den type,
drie der varieteit; de heer de Vos te Apeldoorn verkreeg van
ieder vijf voorwerpen.
Overgangs-exemplaren worden veel minder gevonden dan zwarte.
Boarmia glabraria H., Geom. fig. 162 0, fig. 339 8,
fig. 3489. 0. en Tr VL, 4, p 229; VID p. 21277
2, p. 185. — Zeller, Dresi. Ent. Zeits. 1850, p. 32. —
Guenée, Uran. et Phalen. 1, p. 233, n°. 349. — Buckler,
Ent. Monthly Mag. XII (1875—76), p. 84. — Teneraria ,
Wood fig. 501.
Deze voor onze Fauna nieuw ontdekte soort heeft eene vlucht
van 26—29 mm. Zij behoort overigens tot afdeeling B van het
genus en, evenals bij vidwata, hare naaste verwante, zijn de
voorvleugels wit, is de achterrand der achtervleugels flauw ge-
golfd, en de bovenhelft der tweede dwarslijn is gebogen, op de
aderen vlekkig verdikt. Zij onderscheidt zich echter van de genoemde
soort door minder krijt- dan wel grijswitte kleur, doordat de
zwarte besprenkeling der voorvleugels zeer fijn, niet vlekkig is,
door hunne zeer dikke zwarte, met eene vlek aan den voorrand
ineengevloeide middenvlek, door eene langs den zwartgrijs ge-
wolkten achterrand zeer duidelijke, lichte, getande golflijn, terwijl
daarentegen de schaduwlijn van widuata, die «onder de smalle
middenvlek zoo dik en vlekkig is, ontbreekt. De weinig grijzere
achtervleugels hebben eene duidelijke zwartgrijze middenlijn, maar
geene zwarte vlekjes aan den binnenrand,
De vlinder vliegt in Juli.
Zeller vond de rups op dennenstammen in Juni en het begin
van Juli. Zij voedt zich met boommos (Usnea barbata) en is geel-
groen, met eene zwarte vlek op iedere insnijding van den rug,
maar gelijkt niet op die van Zichenaria, zooals Treitschke beweert,
iets wat daarentegen wel aan Buckler toescheen.
B. glabraria is in Gelderland, bij Putten en bij Apeldoorn ge-
vangen door Dr, J. Th. Oudemans en den heer H. A. de Vos tot
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 993
Nederveen Cappel, zie Tijds. v. Ent. XXXIV, p. cvi en XXXVI,
p. LIX.
Boarmia abietaria H., Geom, fig. 160 3 en Zar.
Lep. — O. en Tr. VI, 1, 204, X, 2, 183. — Freyer, Neu.
Beitr. III, p. 98, pl. 264. — Stainton, Man. 2, p. 26. —
Buckler, Ent. Monthl. Mag. XIV (1877) p. 219. —
Sericearia, Wood fig. 508. — £u0eata (Clerck). — Snellen ,
I, p. 588, Aanm. 2.
Deze is de tweede voor de Nederlandsche Fauna nieuw ontdekte
soort van Boarmia. Zij is door mij op de aangehaalde plaats reeds
kortelijk beschreven onder den naam van ribeata Clerck, maar
het is mij later gebleken, dat er bezwaren bestaan tegen de toe-
passing van dezen naam en het dus veiliger is dien van Hübner
aan te nemen,
Naar den bouw der mannelijke sprieten behoort abietaria tot
afdeeling B van Boarmia, maar «door de kleur en de vrij dikke
donkere besprenkeling der bovenzijde herinnert zij sterk aan de
kleinere, tot afdeeling CG behoorende eztersaria. De dwarslijnen
zijn dik, maar soms vrij flauw, en de franjelijn met dikke zwarte
streepjes geteekend.
Treitschke teekent aan, dat de vlinder nog al in tint variëert en
sommige exemplaren zeer donker van kleur zijn, waardoor de tee-
kening onduidelijk wordt. Zulke voorwerpen vormen de varieteit
sericearia Wood.
De rups leeft niet alleen op Pinus, maar volgens Buckler’s
waarnemingen ook op een aantal andere gewassen (berken, eiken,
Abies, Taxus), en hij is zelfs van gevoelen dat laatstgenoemde
boom het ware voedsel mag heeten. Zij komt in den zomer uit
het ei en wordt afgeschilderd als ongeveer rolrond, met eenigszins
rimpelige huid, overigens gewoon gevormd, bruin gekleurd , lichter
of donkerder, met zwarte of bruine, licht afgezette teekening. Ver-
popping in den grond.
De heer H. A. de Vos tot Nederveen Cappel ving den 5 Juli
1893 een exemplaar van den vlinder bij Apeldoorn in Gelderland,
294 AANTEEKENINGEN OVER
Selidosema strigillaria H, — Snellen, I, p. 600.
Een, althans naar het uitwendige, vrij duidelijke hermaphrodiet
werd in Juni 1890 te Driebergen gevangen en is naar eene tee-
kening van wijlen den heer K. N. Swierstra afgebeeld, Tijds. v.
Ent. XXXIV, pl. 17, f. 3, met eene korte aanteekening van mij
op p. 338. De heer van de Poll had de goedheid mij dit merk-
waardige voorwerp te schenken en het berust thans in mijne ver-
zameling.
Fidonia limbaria F. — Snellen, I, p. 604.
Noord-Brabant: Oisterwijk, 17 Juli 1892 (Snellen). — Gelder-
land: Winterswijk, 12 en 13 Augustus (de Vos). Dr. Kallenbach
ving den vlinder den 16 Mei bij Breda.
Fidonia brunneata Thunb. — Snellen, I, p. 605;
Tijds. XXX, p. 224.
Ook bij Breda door den heer. Heylaerts gevangen, zoomede aldaar
door mij, op Vaccinium, den 22 Juni. Verder in Limburg, bij
Bunde, door den heer F. Schols te. St. Pieter.
Onze inlandsche, zoomede in het Kleefsche woud door wijlen
van Medenbach de Rooij gevangen exemplaren „ zijn donkerder en
grauwer van tint dan voorwerpen uit Midden-Duitschland,
Thamnonoma Wavaria L. — Snellen I, p. 606.
Eene merkwaardige afwijking in teekening is door den heer Joh.
de Vries afgebeeld en beschreven in het Tijds. v. Ent. XXXV, p. 24
(met houtsnede). Daarbij gaat de zoogenaamde schaduwlijn der
voorvleugels niet over het middenteeken heen, maar is meer wortel-
waarts verschoven. Ik heb een dergelijk, maar niet zoo gepronon-
ceerd voorwerp, dat bij Rotterdam werd gekweekt.
Bapta bimaculata Fabr. — Snellen I, p. 609; II,
p. 1176.
De rups is door den heer Heylaerts beschreven Zijds. v. Ent.
XXXIII, p. xxtv. Zij varieert sterk.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 225
Mesotype virgata Hfn. — Snellen, Dis py GA 4
In alle toestanden afgebeeld in Sepp, 2e Serie, IV, p. 206—10,
pl. 37, door Prof. Dr. J. van Leeuwen Jr.
In het warme en droge voorjaar van 1893 ving ik den vlinder
reeds op 21 April bij den Haag en in 1885 ook nog gave en
frissche exemplaren op 15 Augustus.
Cidaria certata H., Geom. fig. 573 en Larv. Lep. —
O. en Tr. VI, 2, p. 72. — Cervinata H., Geom. fig. 266. —
Wood fig. 621. — Certaria Freyer, Neuere Beitr. V, p. 23,
Tab. 396.
Eene voor de Nederlandsche Fauna nieuwe soort, die tot mijne
afdeeling B van het genus Cidaria behoort, daar de op ader 4
niet hoekige achtervleugels een sterk gegolfden of getanden achter-
rand hebben. Hun aderbeloop is ook gelijk aan dat der overige
inlandsche soorten der afdeeling. Verder zijn, evenals bij dubitata,
de achtervleugels minder geteekend dan de voorvleugels, waarop
men de door mij beschreven typische teekening van Cidaria dui-
delijk onderscheiden kan.
Vlucht 35—39 mm.
Palpen tweemaal zoo lang als de oogen, snuitvormig. Sprieten
draadvormig, bij den d bewimperd. Voorvleugels met vrij duidelijke
punt en ongegolfden achterrand. Achtervleugels met ongelijk en
puntig gegolfden, bijna getanden achterrand, de tand op ader 6
is merkbaar langer, die op ader 5 merkbaar korter dan de andere.
Kleur van kop, thorax en voorvleugels schorskleurig bruingrijs,
met donkerder wortel- en middenveld, de voorrand boven aan de
eerste lichte streep, in het midden van het middenveld en boven
aan de tweede lichte dwarsstreep lichter, geelachtig. Het midden-
veld is smaller dan een derde van den vleugel, zoowel onder als
boven, de buitenrand heeft boven het midden twee stompe, even
ver uitstekende tanden en is van den voorrand tot aan den eersten
tand recht, niet schuin als bij dubitata, overigens door donkere,
gegolfde lijnen begrensd en gedeeld, tusschen welke het bandvormig
donkerder is. Zoowel de eerste als de tweede lichte streep zijn
Tijdschr. v. Entom XXXVI. 15
996 AANTEEKENINGEN OVER
ongeveer even breed als het middenveld. Middenvlek zwartgrijs,
maar klein en onduidelijk. Golflijn in cel 15 dikker, als een
rechtopstaand, flauw gebogen streepje. Franjelijn zwart, in de
cellen dikker, iets afgebroken. Achtervleugels grijs met gegolfde
donkere lijnen, die op de tweede helft en vooral tegen den binnen-
rand duidelijker worden. Franjelijn met scherpe zwarte streepjes,
evenals bij dubitata en transversata, bij welke laatste echter de
achtervleugels even sterk zijn geteekend als de voorvleugels. Onder-
zijde grijs, met flauwe donkere lijnen; twee stippen aan den voor-
rand der voorvleugels bij den wortel, vrij groote middenvlekken en
eene duidelijke booglijn zwart of zwartgrijs. Staartkleppen van den
d langer dan de pluim en de binnenrand zijner achtervleugels op
de onderzijde, in het midden met eene kleine, dik behaarde ver-
breeding, even als bij wudulata à.
Vliegt einde April en begin Mei en weder in Juni en Juli.
Rups volgens de aangehaalde schrijvers op Berberis levende, met
bruinen kop, op den rug blauwgrijs met twee donkere lijnen,
waarop eene lichtgrijze onderzijde met oranjegele vlekken volgt. Zij
is in Juni te vinden, wellicht ook wel weder in het najaar.
Van de grootere dubitata (36—45 mm. vlucht, niet 30—45,
zooals door eene drukfout in mijn werk staat) onderscheiden door
de duidelijke, bijna spitse punt der voorvleugels, hun ongegolfden
achterrand en het smalle, anders gevormde middenveld.
Twee voor mij staande inlandsche exemplaren dezer soort, die
door den heer H. A. de Vos tot Nederveen Cappel, bij Apeldoorn
in Gelderland, is ontdekt, zijn donkerder van tint dan Duitsche
in mijne collectie.
Cidaria vitalbata W. V. — Snellen, I, p. 640; I,
p. 1180.
Noord-Brabant: Cuyk, 29 Juli 1887, een d (D. ter Haar).
Cidaria luridata Hfn. — Snellen, I, p. 644.
Zuid-Holland: ’s Gravenhage, in de binnenduinen tusschen die
stad en Loosduinen, op eene met heide begroeide plaats.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 297
Cidaria chenopodiata L. — Snellen, I, p. 645.
Onder den naam van Ortholitha limitata Scop. geeft Mr. H. W.
de Graaf in het Tijds. v. Ent. XXIX (1886), p. 233, pl. 9,
f. 1, 2, eene uitvoerige beschrijving, met afbeelding, van de rups
en hare leefwijze. Daaruit blijkt dat het voedsel niet uit grassen
bestaat, maar uit klaver, wikken, ZatAyrus en Lotus en dat zij ook
niet groen is, zooals Treitschke naar Borkhausen opgeeft, maar op
den rug grijs met donkere lijnen en houtgele onderhelft van het lijf.
Cidaria derivata W. V. — Snellen, I, p. 648.
Noord-Brabant : Cuyk, 10 Mei 1890 (D. ter Haar).
Cidaria juniperata L. — Snellen, I, p. 660; II,
pe 4182.
De heer D. ter Haar vond de rups bij Laag-Soeren in Gelder-
land ook in Augustus; zij verpopte in September en de vlinders
kwamen van 7—10 October uit.
Cidaria.procellata W. V. — Snellen, I, p. 665;
Hp. 1183.
In dit Tijdschrift, deel XXXII (1889), p. 207, heb ik een tot
dusverre onvermeld kenmerk dezer soort beschreven, bestaande in
het breede, sterk uitpuilende aangezicht.
Cidaria bifaseiata Haw. — Snellen, II, p. 1184.
Limburg: Houthem bij Valkenburg (Dr. Lycklama à Nyeholt).
De rups leeft ook op andere planten dan op Euphrasia, namelijk
op Alsine en Bartsia odontites (peulen). Zie Hellins, Ent. Monthly
Mag. VI, p. 186 en Gross, Stett. Ent, Zeit. XLVI (1886), p. 375,
Eupitheeia irriguata H. — Snellen, I, p. 690;
Il, p. 1186.
Zuid-Holland: bij ’s Gravenhage (Snellen).
Eupithecia innotata Hfn. — Snellen, I, p. 695;
WE pa 1182,
Zeer donkere exemplaren vond de heer Joh. de Vries in April
228 AANTEEKENINGEN OVER
bij Amsterdam, Zij zijn even donker als die welke wijlen Dr.
Rössler mij zond en die in Zwitserland op Tamarix waren gevangen.
Eupithecia insigniata H. — Snellen, IL, p. 1187.
Noord-Holland: Bloemendaal bij Haarlem, 5 Mei 1889 (D.
ter Haar).
Eupithecia satyrata H. — Snellen, II, p. 1188.
In alle toestanden beschreven en afgebeeld in Sepp, 2e Serie,
IV, p. 181 enz. pl. 33, door Prof. Dr. J. van Leeuwen Jr.
Eupithecia pygmaeata H. — Snellen, I, p. 702.
Zuid-Holland: Rotterdam, een exemplaar in Augustus (Snellen).
Noord-Holland: Amsterdam, den 15 Mei 1890 (Joh. de Vries).
Eupithecia isogrammaria Herr.-Sch., Syst. Beard.
III, p. 122 en 135, fig. 188.
Isogrammata Rössler, Jahrb. des Vereins für Naturkunde in
Nassau, XVI, p. 262. — Breyer, Ann. Soc. Ent. Belge, VII,
p. 289, pl. v, fig. 1. — Snellen, Zds, v. Ent.,IX, p. 108; id.,
Vlind. v. Ned. I, p. 686.
Haworthiata Crewe, Entom. Annual for 1861, p. 102.
Deze aan pygmacata en plumbeolata verwante soort is ook in
Nederland ontdekt, Zij is t. a. pl. door mij kort beschreven. De
vlinder is even breed- en kortvleugelig als de beide genoemde
soorten en even groot als plumbeolata. Hij heeft eene duidelijke
golflijn, is bijna even donker van kleur als pygmaeata, maar vrij
scherp lichtergrijs geteekend en op den rug der eerste ringen van
het achterlijf oranjegeel, echter zelfs bij geheel versche exemplaren
slechts onzuiver.
Rups in het laatst van Juli en begin van Augustus in de nog
ongeopende bloemen van Clematis vitalba, kort, dik, groenwit,
met drie flauwe donkere ruglijnen, dus geheel.anders dan de
rups van pygmaeata, naar Crewe’s beschrijving.
De vlinder vliegt in Mei en Juni.
Limburg: Valkenburg den 24 Juli 1887, de rupsen gevonden
door Mr. A. Brants en Dr. F, W. O. Kallenbach.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 229
In 1883 vond ik ook vele rupsen bij Londen en merkte op,
dat een deel der poppen tweemaal overwinterde en eerst in Mei
1885 uitkwam.
Larentia isogrammata Treitschke VI, 2, p. 100, is Z. plum-
beolata Haw., niet de isogrammaria van Herrich Schäffer.
Eupitheeia strobilata Borkh. — Snellen, I, p. 705.
Gelderland: Apeldoorn, einde Mei en begin Juni (de Vos tot
Nederveen Cappel).
Eupithecia togata H.—Snellen, I, p. 705; II, p. 1191.
Noord-Brabant: Oosterhout, 3 Juli 1883 (de Vos tot Nederveen
Cappel).
EEN NEST VAN LASIUS FULIGINOSUS Latr.,
DOOR
Dr. H. BOS.
(Plaat 7).
De glanzende boschmier (Lasius fuliginosus Latr.) is de
eenige der inlandsche mierensoorten, die een nest maakt, dat voor
verreweg het grootste deel althans, bestaat uit eene door de mier
zelf bereide stof. Andere mierensoorten hollen wel in minder of
meer stevige stoffen haar nest uit, zooals bv. de hout-centra, ge-
woonlijk in de nesten van de roode boschmier (Formica rufa L.)
aanwezig, bewijzen, maar eene stof bereiden, zooals de wespen,
uit de combinatie van eene fijngekauwde vezelstof en een lijmig
speeksel-secreet, doen zij niet.
De glanzende boschmier maakt hare nesten, in de buurt van
mijne woonplaats, voornamelijk in de bosschen, en wel geheel of
bijna geheel onder den grond. Enkele malen komt zij ook in tuinen
voor; in één geval hadden de gewoonlijk onderaardsch levende
dieren zich van uit een’ tuin den toegang tot een op de vloer van
eene kamer staand kastje weten te verschaffen en een nest daarin
gebouwd, met de aanwezige papiermassa als vezelige grondstof.
Dit nest was zeer slap en vochtig, het materiaal was blijkbaar
niet hard genoeg.
De nesten, die ik in mijne buurt ken, zijn zeer standvastig;
sommige er van ken ik reeds meer dan twaalf of dertien jaren.
Het laat zich hooren, dat Zasius fuliginosus ook niet zoo ge-
makkelijk als wel andere mierensoorten het nest verlegt, omdat
EEN NEST VAN LASIUS FULIGINOSUS LATR. 231
zij haar nest-materiaal daarbij totaal zou verliezen en een product,
waaraan vroegere geslachten sinds jaren gewerkt hebben , ongebruikt
zou moeten laten liggen. Maar niet alleen de plaats van het nest
is zeer constant, ook de onmiddellijke omgeving blijft gewoonlijk
jaren achtereen dezelfde; de plaatsen voor in-en uitgang dienende,
ja zelfs de wegen, die van het nest loopen naar de velden en
boomen, waarvan het voedsel wordt gehaald, zij zijn jaar op jaar
dezelfde, zoodat deze wegen in het mos zich als uitgesneden groeven
vertoonen, ja soms zelfs als buizen, daar het mos met zijne blaadjes
en stengeltjes er weer overheen woekert. Gaarne maken de mieren
de wegen aan den rand van een pad in het verticale kantje van
de afgestoken graszode, en daar zij achter elkaar door deze groeve
marcheeren, is, van boven gezien, de weg dikwijls min of meer
verscholen. De wegen zijn veel smaller, veel scherper begrensd en
veel standvastiger dan die van Formica rufa.
In het voorjaar van 1893 (7 Maart) liet ik eene eikenstomp uit-
graven, waarin ik sedert ongeveer dertien jaren een nest van
L. fuliginosus kende, dat echter stellig reeds veel ouder is. Het
was gelegen op de helling van den Wageningschen Berg, op een
terrein, behoorende aan den heer Baron de Constant Rebecque »
die mij welwillend vergunning gaf, het op te graven.
De bedoelde eikenstomp was vroeger een boom geweest, maar
sinds een jaar of vier op ongeveer een halven Meter boven den
grond afgezaagd. Deze boom was echter blijkbaar vroeger uit eene
toen nog kleine hakhoutstomp opgeschoten, zoodat hij van onderen
sterk verdikt was. De holte in deze verdikking mondde door een
paar met wondkurk gevoerde openingen naar buiten , waarschijnlijk
ontstaan door het inwateren en verrotten van een der resten van
afgehouwen takken. Bij het afzagen van den boom was de holte
aan de bovenzijde blootgelegd en, daar de regen nu van boven
vrijen toegang had, hadden de mieren zich beijverd, die opening
met allerlei kleine voorwerpen, als zaagsel, steentjes, takjes en
blaadjes, eenigszins af te sluiten. Dit was evenwel slechts ten deele
gelukt, daar deze voorwerpjes het regenwater natuurlijk op den
duur niet konden tegenhouden,
232 EEN NEST VAN LASIUS FULIGINOSUS LATR.
Ik liet de stomp, nadat zij uit de aarde was gegraven, waarin
zij + één Meter verborgen was, ten behoeve van het transport
in vijf horizontale schijven zagen, van 2 à 4 dM. dikte. Hierdoor
kreeg ik tevens een overzicht over den bouw van het nest, dat
ik in pl. 7 heb afgebeeld, op eene wijze, die in de plaat verklaring
nader is aangegeven. De ruimte in de holle stomp is voor een
groot gedeelte met het nest aangevuld, dat zich ringvormig daarin
uitstrekt. De binnenwanden van de holte zijn uitgevreten, zoodat
zij een samenstel van in elkaar loopende ruimten vertoonen (geene
scheiding in gangen en kamers, wat trouwens ook bij de meeste
andere mierennesten niet het geval is), welke door dunnere of
dikkere houtplaten of onregelmatige brokken gescheiden zijn. De
uit deze ruimten weggenomen stof is nu echter gebruikt, om met
eene geringe hoeveelheid lijmige substantie uit de speekselklieren
een afzonderlijk bouw-materiaal te vormen. Hiermede is nu in vol-
komen hetzelfde karakter als het uitgevreten gedeelte, een ring-
vormig nest tegen dat hout aangebouwd, zóó, dat men niet kan
zien, waar het eene gedeelte ophoudt en het andere begint !).
Bij indrogen breekt het binnenste gedeelte echter door een’ schok
gemakkelijk van het buitenste, echt houtige af. De wanden der
zijruimten van de middenholte, die voor een deel als onregelmatige
gangen door den wand van de stomp heenloopen, zijn ook uitge-
kauwd en in het midden door kleineren binnenbouw in het gegeven
karakter verdeeld, zoodat het nest alle mogelijke ruimten in de
stomp in beslag neemt en geheel door het hout is heengetrokken.
Of vroeger, toen de boom nog niet was gekapt, het thans ring-
vormig gedeelte aaneengesloten was en als eene prop de geheele
stomp vulde, durf ik niet beslissen. Wel vond ik in het midden
1) Forel zegt (Die Nester der Ameisen, Newahrsblatt der Naturforschenden
Gesellschaft in Zurich, 1893): „Eine bekannte europäische Art, der Zasius fuli-
inosus Latr., baut eigenthümliche Kartonnester, die Huber irrthümlich für im
Holz miniert hielt, während Meinert, Mayr n. A. sowie ichselbst ihre wahre Natur
unzweifelhaft dargethan haben. Dieselben bestehen aus feinsten Partikelen von
Holzstaub oder auch von Erde und Steinchen, welche durch eine von den Ameisen
abgesonderte Kittsubstanz zu einem relativ so festen Karton verarbeitet werden.”
In hoofdzaak heeft Forel gelijk, maar ook Huber, blijkens het bovenstaande,
niet geheel ongelijk, daar het nest ook in-hout uitgevreten gedeelten bevat.
EEN NEST VAN LASIUS FULIGINOSUS LATR. 233
eene massa zwarte aarde, die zeer goed afkomstig kon zijn van
een door regen en andere invloeden verweerd gedeelte van het
brokkelige nest-materiaal, dat zijne beschutting verloren had. Door
deze massa heen bestaat communicatie van de binnenruimte van
het nest met de onderzijde van de stomp, waar de wortels ont-
springen. Aan deze onderzijde bevinden zich ook op een paar
plaatsen klompen van nestruimten, uit eigen materiaal gebouwd,
ongeveer eene vuist groot. Deze gaan niet zoo onmerkbaar in de
ondervlakte over, maar zijn er duidelijk van te onderscheiden, ja,
zij zouden er licht afvallen, indien zij niet om worteltjes heen-
gebouwd waren, die ze dus vasthouden. Deze klompen (zooals ik
ze ook reeds vroeger bij andere nesten van L. fwliginosus vond)
zijn, naar de frischheid van het materiaal te oordeelen, van jonger
datum dan het binnenste nest, en wellicht eerst bijgevoegd , nadat
door het afzagen van den boom het groote nest iets van zijne be-
woonbaarheid verloren had. Het materiaal voor de samenstelling
van deze laatste nestdeelen was stellig verkregen, door hier en daar
van de ondervlakte der stomp de buitenste weekere vezels af te
knagen; er zijn aldaar ten minste plekken aanwezig, die geheel
van alle mogelijke weekere aanhangsels of lagen ontdaan zijn en
er hard en rimpelig uitzien. Daar zij bovendien dikwijls eenigszins
zwart zijn (zie beneden), denk ik aan een herhaald bezoek der
mieren.
In den omtrek van het nest bevinden zich nog verschillende
vormingen. Vooreerst zitten hier en daar, aan draadvormige wortels
verbonden, kleine lapjes van de door de mieren gemaakte stof,
alsof zij op die plaats een nieuw gedeelte van het nest hadden
willen maken. Men vindt aan deze lapjes gewoonlijk ook eenige
mieren zitten.
Eene tweede soort van vormingen zijn uithollingen in den grond
in den omtrek van de stomp. Daar zij niet aan die stomp ver-
bonden en gewoonlijk geene afzonderlijke lichamen zijn, heb ik ze
op de plaat niet voorgesteld. Deze holten zijn wel door oneffene,
hier en daar zelfs omgekrulde wanden begrensd, die ook wel naar
binnen uitstekende horenvormige aanhangels dragen, maar de
234 EEN NEST VAN LASIUS FULIGINOSUS LATR.
bouwstof — het losse zand — liet natuurlijk de verdeeling in
ruimten door bladvormige lamellen, niet toe. Dat de holten niet
invallen is toe te schrijven aan het lijmige afscheidings-product der
mieren, dat de wanden bekleedt en, er eenigszins indringende,
deze wat stevigheid verleent, In deze holten bevonden zich, be-
halve eene menigte slapende en half verstijfde mieren (nagenoeg
1 M. beneden de oppervlakte) een groot getal larven van verschil-
lende grootte; naast vrij kleine kon men ook bijna volwassene op-
merken. Eenige van deze holten werden aan de eene zijde gesteund
door een deel van de buitenvlakte eens wortels. Tusschen de wortel-
vlakte en het omgevende zand was dan eene nauwe ruimte, die
op gelijke wijze als de vorige ruimten door mieren en larven waren
bewoond. Soms stonden deze ruimten wel, soms niet met het overige
van het nest in verbinding. Niettegenstaande het mij bleek, dat
ook in het eigenlijke nest wel larven aanwezig waren, houd ik
toch deze afzonderlijke holten of in het zand, of tegen de wortels
meer bijzonder voor winternesten, waarin mieren en larven over-
winteren; misschien zijn zij ook wijkplaatsen bij ongunstig weer
in den zomer.
Nog moet ik vermelden, dat een groot deel der mieren, die
vrij plotseling uit haren winterslaap opgewekt, uit de koele diepte
van 1 M. naar boven gebracht en aan de vrij sterke zonnestralen
werden blootgesteld, deze verandering binnen een heel korten tijd
met den dood moesten bekoopen.
Het speeksel, met behulp waarvan de nestdeelen worden ver-
vaardigd, schijnt zwart te zijn, of ten minste de eigenschap te
hebben, van zwart te worden. Niet alleen, dat de stoffen, die met
behulp van speeksel zijn opgebouwd, eene zwarte tint hebben,
zoowel de kartonachlige massa als de met speeksel doortrokken
binnenwanden van de « winternesten», ook alle deelen, waar de
mieren aan geknaagd hebben, worden zwart. Zoo is het met al
het uitgevreten hout, en evenzeer met de worteloppervlakken , die
eene bewoonbare ruimte op de bovenvermelde wijze steunen. Aan
deze laatste is zelfs niet eens gekauwd, de zwarte tint ligt geheel
over alle kleinere en grootere oneffenheden en vezeltjes heen. Het
EEN NEST VAN LASIUS FULIGINOSUS LATR. 235
maakt den indruk, alsof de wortel een oogenblik in den walm van
eene vlam was gehouden.
Meinert vermeldt van het nest-materiaal, dat het niet oplost in
water, of althans langeren tijd daarin kan liggen zonder op te
lossen. Dit ligt natuurlijk daaraan, dat de lijmstof in het speeksel
in water onoplosbaar is. Ik beproefde de oplosbaarheid in verschil-
lende stoffen.
In zuren bleek mij de stof niet op te lossen. Stukjes van het
nest-materiaal gaven , na meer dan twee maanden in zuren te hebben
gestaan, daaraan nog geene, of hoogstens eene lichtgele tint.
Benzine, alkohol en aether waren eveneens onwerkzaam.
Bijtende kali werd reeds spoedig donkerbruin gekleurd. Deze bruine
vloeistof, met azijnzuur geneutraliseerd en daarna met een overmaat
van azijnzuur voorzien, gaf met eene looizuur-oplossing een bruin-
achtigen neerslag, die verspreid ontstond maar zich later tot wit-
achtige vlokken vereenigde, Denzelfden neerslag verkreeg ik door de
vloeistof, wannneer ze, op bovengenoemde wijze, aangezuurd met
(normaal) lood-acetaat werd behandeld. Ik vermoed in dezen neerslag
de lijmstof, die de fijne houtpartikeltjes samenhoudt.
Ammoniak kleurde zich ook bruin, echter langzamer en minder
intensief dan kali, In de ammoniak-oplossing ontstond na de boven-
genoemde behandeling slechts een geringe neerslag.
Water bleef in ’t begin kleurloos, na een paar maanden had
het echter eene bruine kleur aangenomen. Met looizuur behandeld
gaf het echter geen’ neerslag. De lange tijd, dien het water noodig
had om zich te kleuren, bevestigt de straks aangehaalde meening
van Meinert omtrent de oplosbaarheid van het nest-materiaal.
Microscopisch onderzoek van het nest-materiaal gaf het volgende:
De in kali uitgetrokken stukjes waren zoo week, dat men kleine
hoeveelheden onder een dekglaasje kon samendrukken, waarbij zij
in stofjes uiteenspatten. Deze stofjes hebben afmetingen van hoogstens
0.1 à 0.15 mm. en bestonden uit cellen en vaten. Merkwaardig
is echter, dat de massa geheel met draden van eene bepaalde
schimmelsoort doorweven was, en stellig reeds sedert langen tijd
door deze plantjes was overvallen, daar de partikeltjes meer den
236 EEN NEST VAN LASIUS FULIGINOSUS LATR.
indruk maakten van detritus, dus van half vergane plantendeelen ,
dan van scherp afgebeten houtstukjes. Toch was het karton oor-
spronkelijk vrij hard; de lijmstof zal daarvan de oorzaak zijn (het
in water uitgetrokken stuk was veel harder gebleven dan het met
kali behandelde!).
Te midden van de gewone uit cellenrijen bestaande, dunne
schimmeldraden bevonden zich andere, die wel drie of viermaal
zoo breed waren, en waarvan de cellen naar evenredigheid veel ge-
ringere lengte (b.v. anderhalfmaal zoo lang als breed) en veel dikkere
wanden hadden. Vele van deze cellen waren ledig, enkele bevatten
een viertal bruine, dikwandige sporen. Dit zijn dus de fertile
takken van de schimmel. Verder was bet geheele gezichtsveld,
nu eens dichter, dan eens minder dicht, met sporen bezaaid, die
gewoonlijk bij groepjes, zeer dikwijls bij vieren of bij tweeën,
maar vooral aan de houtstukjes soms wel bij tientallen bij elkaar
lagen. In grootte kwamen zij, hoewel nog al uiteenloopend , meestal
met een wit bloedlichaampje van den mensch overeen.
De onderzoekingen van Möller !) hebben kort geleden aange-
toond, dat in de nesten der bladsnijders (4/4) schimmels worden
gekweekt, welker conidiën hun als voedsel dienen. Een oogenblik
kwam bij mij de gedachte op, of de door mij bij Zas. fuliginosus
gevonden sporen dezelfde beteekenis zouden hebben. Daarvoor zou
echter eerst moeten worden vastgesteld, of de schimmels een vrij
standvastig bestanddeel in het nest uitmaken. Bovendien is de
grootte der sporen te gering, dan dat zij een voor een zouden kunnen
worden aangepakt, door de kaken fijn gemaakt , om door onderlip en
tong (in vloeibaren vorm) te worden opgenomen. Alleen zou men
dit zich kunnen voorstellen, dat een geheele, met sporen gevulde
draad door de mieren werd verorberd. Het is zeer wel mogelijk,
dat de aanwezigheid van deze schimmeldraden eene bloot toevallige
omstandigheid is, zij is echter te karakteristiek, dan dat ik niet
met een enkel woord er gewag van meende te moeten maken.
1) A. Möller, Die Pilzgärten einiger südamerikanischen Ameisen (Bot. Mitthei-
lungen aus den Tropen, herausgeg. v. Schimper. Heft 6).
EEN NEST VAN LASIUS FULIGINOSUS LATR. 237
‘Forel vermoedt, in aansluiting met Meinert, dat de bovenkaaks-
klier de afscheidster is van de lijmstof en deze klier komt er stellig
het eerst voor in aanmerking. De achterborstklieren, die boven de
inplanting der achterpooten uitmonden, zijn echter bij Las. fuligi-
nosus ook buitengewoon sterk ontwikkeld, en hierdoor kwam ik op
de gedachte, of misschien ook zij de bron voor de lijmstof konden
zijn. Het ligt voor de hand, te gelooven, dat de lijmstof en de
zwarte kleurstof òf dezelfde zijn, òf althans door dezelfde klier
worden afgescheiden. Daartoe verdeelde ik een groot aantal mieren
onmiddellijk na haren dood in kop, thorax en abdomen, en liet de
gelijke deelen gezamenlijk met bijtende kali uittrekken, eerst koud
en daarna kokend. In alle drie gevallen kleurde zich hierbij de
vloeistof een weinig bruin; het verschil was echter niet zoo groot,
om er eenige conclusie uit te trekken omtrent de plaats, waar de
kleurstof gevormd werd, De bruinkleuring scheen ook voornamelijk
toe te schrijven te zijn.aan het uittrekken van de chitinehuid,
die, vooral bij den thorax en het abdomen der voorwerpen eene
veel lichtere kleur aannam.
VERKLARING DER PLAAT,
Nest van Zasius fuliginosus Latr,, het bovenaardsche gedeelte
in lengte-doorsnede, het onderaardsche perspectivisch.
In het bovenaardsche gedeelte: de doorsnede van het ringvormig
neststuk en van de volgebouwde zijgangen , die daarmede in ver-
binding staan.
In het onderaardsche deel beteekent:
a. de aan de wortelstomp bevestigde nieuwe nestdeelen.
b. de kleine, lapvormige aanhangsels aan de dunne worteltjes.
ec. plekken, waar de wortels door het voortdurend verblijf der
mieren zwart zijn geworden.
d. afgeknaagde plekken met rimpelig oppervlak,
Daar de plaat in de eerste plaats dient, om de onderlinge ligging
der nestdeelen aan te geven, is van het juist weergeven der figuren
238 EEN NEST VAN LASIUS FULIGINOSUS LATR.
in de doorsnede der kamers van het ringvormige nestgedeelte
niel al te veel werk gemaakt; bij de geringe afmetingen der figuur
was dit niet wel mogelijk; andere, op grooter schaal geteekende
platen in andere werken zijn in dit opzicht juister.
NASCHRIFT.
Toen ik bovenstaand artikel ter perse zond, had ik het bekende
werk van Dr. Forel, Les Fourmis de la Suisse, niet tot mijne
beschikking. Nu ik dit werk nog eens, op p. 181 en volg., over
de nesten van Zasius fuliginosus nazie, meen ik aan het boven-
staande nog een paar woorden te moeten toevoegen.
Wanneer Forel opmerkt, dat «ni l’eau chaude, ni l’eau froide,
ni ..... la potasse caustique . . . . . ne purent dégager ce
carton, quoique je l’eusse séjourner pendant plusieurs heures dans
ces divers liquides», — dan moet ik, verwijzende naar mijne be-
handeling, hierboven blz, 235 vermeld, constateeren, dat ik niet
gedurende eenige uren, maar eenige weken de nestschilfers
in de vloeistof heb laten staan, en dat na afloop daarvan de met
sterke bijtende kali behandelde nestdeelen geheel week en papachtig
waren geworden.
Verder zie ik, dat ook Forel de door mij genoemde schimmel-
draden heeft gevonden, wat mij het vermoeden doet uitspreken,
dat deze een meer dan toevallig bestanddeel van het nest-materiaal
uitmaken. Het zou voor de mieren m. i. geene moeite zijn, de
ontwikkeling van deze schimmeldraden tegen te gaan, indien zij
het wilden. Of het nest-materiaal dus, behalve voor woning, ook
nog voor cultuur van deze planten zou dienen ? Onder de gissingen ,
die Forel maakt, om te verklaren, waarom zijne mieren in ge-
vangenschap niet bouwden, ja zelfs nauwelijks knaagden, spreekt
hij ook de volgende uit: «ou bien il manquait à mes L. fuliginosus
élevés en captivité quelque aliment particulier servant à produire
dans leurs glandes la matière collante, sans laquelle le carton ne
EEN NEST VAN LASIUS FULIGINOSUS LATR. 239
peut se faire». Kan het verorberen van de genoemde schimmel-
draden ook die spijs zijn ? — Of nog eene andere veronderstelling :
Forel zegt: «Ce qui est certain, c’est que sans un ramollissement
naturel ou artificiel du bois, ces fourmis ne peuvent le percer
comme le font les Camponotus, leurs mandibules sont beaucoup
trop faibles pour cela.» Kan de groei van de schimmel, over-
grijpende op het hout zelf, dit ook zoo ver week maken, dat het
wel tot de bewerking door de zwakke kaken geschikt wordt?
Vooral word ik tot deze onderstelling gebracht, omdat feitelijk
een deel, zij het dan ook een gering deel van het nest uit in
hout gemineerde ruimten bestaat.
RN
DE EL AT
2% EU PO PANNE
D +. RENS CRE hah
ae oe LU
(LA, Th
A i Be, L 1 | ST
he ita ee
spend eh or Eg
if ah
deet rj berg Hin
#4
at en rede
a Tow
> L
1 ©
REGISTER.
COLEOPTERA.
Abdera triguttata Gylh. 114.
Acalles ptinoides Mrsh. 119.
Acalyptus Carpini F. 118.
Acidota crenata F. 102.
n eruentata Mannh. 102.
Aclees porosus Pasc. 25.
Acmaeops collaris L. 123.
Acritus rhenanus Forst. 78.
Actobius cinerascens Grav. 98.
= prolixus Er. 98.
E signaticornis Rey. 98.
Acupalpus exiguus Dej. var. luridus
Dej. xxx, 84.
si luteatus Dits. xxx, 84.
Aegialia rufa F. 110.
Adelosia macra Mrsh. 88.
Adoxus obscurus L. 126.
Agabus affinis Payk. xxx, 76.
= femoralis Payk. 91.
guttatus Payk. 90.
5 paludosus F. 90,
ñ striolatus Gylh. xxx, 76.
= uliginosus L. 91.
Agapanthia angusticollis F. 124.
lineatocollis Don. 124.
n
Agathidium atrum Payk. xxx, 105.
laevigatum Er. 105.
marginatum St. 105.
nigripenne Kugel. 105.
En seminulum L. 105.
Aglenus brunneus Gylh. 108.
Agonum atratum Dfts. 83.
Dahli d. Borre. 83.
dolens Sahlb. 88.
gracilipes Dfts. 88.
m impressum Panz. 88.
A livens Gylh. 88.
7 modestum St. 88.
à pusillum Schaum. 83.
n
A sexpunctatum L.var.montanum
Heer. 85.
viridicupreum Goeze. 88.
Agrilus coeruleus Rossi. III.
5 laticornis 111. ur.
= olivicolor Kiesw. II.
~ pannonicus Pill. 11.
= sinuatus Ol. III.
Tijdschr, v. Entom. XXXVI.
Agriotes pallidulus Ill. 112.
5 sobrinus Kiesw. 112.
Agyrtes castaneus Payk. 104.
Alaus cerastus Cand. 25.
obliquus Cand. 25.
Alcides decoratus Roel. 37.
5 ocellatus Roel. 35.
5 rutilans Roel. 38.
È Semperi Pasc. 34.
5 septemdecimnotatus Roel. 36.
È smaragdinus Roel. 39.
Aleochara binotata Kr. 93.
5; bisignata Er. 93.
4 lateralis Heer. 93.
a latipalpis Rey. 93.
ÿ ruficornis Grav. 93.
si rufipennis Er. 93
N suceicola Thoms. 93.
n tristis Grav. 93.
a verna Say. 93.
Alexia pilifera Müll. 109.
Alosterna chrysomeloides Schrk. 123.
Alphitobius mauritanicus F. 114.
Amalus albicinetus Gylh. 120.
3 canaliculatus Schh. 120.
ñ Comari Hrbst. 120.
5 leucogaster Mrsh. 120.
quadricornis Gylh. 120.
= quadrinodosus Gylh. 120.
È scortillum Hrbst. 120.
velatus Beck. 120.
Waltoni Boh. 120.
Amara brunnea Gylh. 128.
4 convexior Steph. 87.
" convexiuscula Mrsh. 88.
er equestris Dfts. 88.
n famelica Zimm. 87.
7 fusca Dej. 88.
ni montivaga St. 87.
5 nitida St. 75.
= patricia Dfts. 88.
= praetermissa Sahlb. 88.
tricuspidata Dej. 87.
Amarygmus foveostriatus Fairm. 26.
Ammoecius brevis Er. 110.
Amphicyllis globus F. 105.
id. var. ferruginea St. xxx.
Amphotis marginata F. 106.
Anacaena bipustulata Mrsh. 92.
n globula Payk. 76.
16
242
Anacaena limbata Fauv. 76.
Anaglyptus mysterus L. 124.
Anaspis frontalis L. var. lateralis F. 81.
Da varians Muls. 114.
Anisodactylus poeciloides Steph. 83.
n id. var. coeruleus Schilsk. 84.
5 id. var. confusus Ganglb. 84.
> pseudoaeneus Dej. 83.
$ pseudoaeneus Schm. 84.
Anisoplia segetum Hrbst. 111.
Anisotoma ciliaris Schmidt. 104.
5 furva Er. 104.
5 rugosa Steph. 104.
Anobium fulvicorne St. 113.
= nitidum Hrbst. 113.
Anomatus 12-striatus Miill. 108.
Anoncodes fulvicornis Scop. 81.
Anoplodera sexguttata F. 82.
Anoplus setulosus Kirsch. 81.
Anthaxia quadripunctata L. 111.
Antherophagus nigricornis F. xxx.
Anthicus bimaculatus Ill. ab. pallens
Schilsk. 81.
n flavipes Panz. 114.
Anthobium abdominale Grav. 103.
Anthonomus cinctus Redt. 118.
n humeralis Panz. 118.
5 Pyri Boh. 118.
Rosinae Des Goz. 118.
Anthophagus abbreviatus F. 102.
= caraboides L. 78, 102.
A testaceus Grav. 78.
Anthrenus Scrophulariae L. 110.
Aphodius erraticus L. ab. fumigatus
Muls. 79.
5 foetens F. ab. vaccinarius
Hrbst. 79.
, granarius L. ab. suturalis
Fald. 79.
5 haemorrhoidalisL.ab. sangui-
nolentus Hrbst. 79.
RI inquinatus F.
Schilsk. 79.
5 id, ab. nubilus Panz. 79.
= pietus St. 110.
= plagiatus L.
Schiödte. 79.
var.
a pusillus Hrbst. ab. rufulus
Muls. 79.
“ rufescens F. 79.
= rufipes L.ab.juvenilis Muls.80.
> rufus Moll.ab.arcuatus Moll. 79.
x id. ab. melanotus Muls. 79.
5 scrofa F. 110.
S scybalarius F. ab. conflagratus
F. 79.
= sordidus F. ab. limbatellus
Muls. 79.
È id. ab. quadripunctatus Panz.
29:
re subterraneus L. ab. fuscipennis
Muls. 79.
ab confluens
|
concolor
| Aulonogyr us
Ra GRIS UR:
Aphodius tristis Panz. 110.
Aphthona Cyparissiae Koch. 127.
Apion brunnipes Boh. xxxI, 121.
È cerdo Gerst. 85, 121.
5 confluens Kirb. 121.
x difficile Hrbst. 121
si difforme Ahr. 121.
- dispar Germ. 121.
ca filirostre Kirb. 121.
> frumentarium L. var. cruen-
tatum Walt. 121.
® Genistae Kirb. 121.
5 Hookeri Kirb. 121.
2 laevigatum Payk. 121.
- livescerum Gylh. 82.
. Meliloti Kirb. 121.
= ochropus Germ. 82.
> opeticum Bach. 85.
5 pallipes Kirb. 121.
= penetrans Germ. 121.
5 stolidum Germ. 121.
$ subulatum Kirb. 82.
vicinum Kirb. 121.
Apoderus Coryli L.,vorm collaris Scop 82.
Archetypus fulvipennis Pasc. 25.
Arsysia flavopicta Pasc. 25.
Aspidiphorus orbiculatus Gylh. 113.
id. ab. piceus Er. 81.
Astraeus Badeni v. d. Poll. 67.
x Jansoni v. d. Poll. 68.
> Mastersi Me. L. 67.
E Meyricki Blackb. 67.
n pygmaeus v. d. Poll. 67.
5 Samouelli Saund. 67.
= Tepperi Blackb. 68.
Atemeles emarginatus Gray. 94.
7 paradoxus Gray. 93.
Athous quercus Gylh. 112.
5 rhombeus Ol. 112.
n subfuscus Müll. 112.
Atomaria elongatula Er. 109.
nigriventris Steph. 109.
umbrina Gylh. 109.
concinnus Klug,
opacinus Ragusa. 76.
Axinotarsus marginalis Lap. 112.
Badister bipustulatus F. ab. binotatus
Fisch. 75.
2 id. ab. lacertosus St. 75.
5 id. ab. suturalis Steph. 75.
à peltatus Panz. 88.
sodalis Dfts. ab.
Dfts. 75.
Bagous elegans F. 116.
Balaninus nucum L. 120.
= pellitus Boh. 120.
x rubidus Gylh. 120.
7 villosus F. 120.
Baptolinus affinis Payk. 99.
Baris chlorizans Germ. 120.
Barypithes tener Boh. 115.
Batocera laena Thoms. 25.
var.
dorsiger
He Rie Gy Le Si.) Hi B:
Batophila Rubi Payk. 70, 127.
Belionota aenea Degr. 25.
Bembidium affine Steph. 74.
n atrocoeruleum Steph. 87.
is basale Mill. 74.
brunnicorne Dej. var. Milleri
Duv. 74.
A decorum Panz. 87.
4 Doris Panz. 87.
à id. ab. aquaticum Panz. 74.
s femoratum St. var. anglicus
Sharp. 74.
Ee id. var. Bualei Duv. 74.
È fumigatum Dfts. 86.
x iricolor Bed. 87.
= lunatum Dfts. 87.
ñ Mannerheimi Sahlb. 87.
5 Millerianum Heyd. 74.
n modestum F. 87.
i nigricorne Gylh. 87.
5 nitidulum Mrsh. 71, 74, 87.
obliquum St. 86.
5 punctulatum Drap. 86.
= pygmaeum F. 74.
5 Stephensi Crotch. 74.
# striatum F. oe)
5 tenellum Er.
tibiale Dfts. ST.
Berosus luridus L. 92.
> signaticollis Charp. 92.
spinosus Stev. 77.
Bledius cribricollis Heer. 101.
$ dissimilis Er. 101.
= pallipes Grav. 102.
+ tricornis Hrbst. 101.
Bolitobius pygmaeus St. var. biguttatus
Steph. 97.
E trinotatus Er. 97.
Brachynus crepitans L. 89.
Brachyrrhinus ligneus Ol. 115.
5 Ligustiei L. 115.
> scabrosus Mrsh. 114.
Brachysomus echinatus Bonsd. 115.
Bradycellus similis Dej. xxx, 90.
Bruchus Acaciae-Gylh. 123.
7 atomarius L. 123.
5 rufipes Hrbst. 123.
Bryaxis haematica Reichb. 103.
SI juncorum Leach. xxx, 103.
Brychius elevatus Panz. 90.
Byrrhus fasciatus F. var. Fabricii Reitt.
79
= pilula L. var. auropunctatus
Reitt. 79.
5 postulatus Forst. var. ater
3029
Bythinus bulbifer Reichb. 103.
3 puncticollis Denny. 103.
si securiger Reichb. 103.
Bytiscus Betuleti F. var. violaceus
Scop. 82.
= Populi L. 121.
243
Caenopsis fissirostris Walt. 115.
Waltoni Boh. 115.
Calathus cisteloides Panz. 75.
ee fuscipes Goeze, ab. frigidus
F. 65.
so melanocephalus L. ab. pari-
siensis Gaut. 75.
En micropterus Dfts. 88.
Callidium lividum Rossi. 124.
= variabile L. var. fennicum L.
124.
Calosoma inquisitor L. LIx.
Cantharis nigricans Müll. var. imma-
culata Schilsk. 80.
id. var. luteipes Schilsk. 80.
Carabus arvensis Hrbst. var. silvaticus
Dej. 74.
5 cancellatus Ill. var. tubercu-
latus Dej. 74.
= catenulatus Scop. var. cyanes-
cens St. 74.
= id. var. gallicus Géh. 74.
5 id. var. Harcyniae St. 74.
oy clathratus L. 86.
id. ab. cupreus Schilsk. 74.
È convexus F. 86.
= id. var. simplicipennis Dej. 74.
5 glabratus Payk. 86.
> granulatus L. var. rufofemo-
ratus Letzn. 86.
en granulatus ab. virescens Letzn.
74.
5 intricatus L. 86.
monilis F. 86.
nitens L. LXII.
Carcinops 14-striata Steph. 106.
Cardiophorus Equiseti Hrbst. 111.
» nigerrimus Er. 111.
5 ruficollis L. 111.
Carpophilus rubripennis Heer. 78.
Cartodere elongata Curt. 108.
5 filiformis Gylh. 109.
ruficollis Mrsh. 108.
Cassida liriophora Kirb. 128.
= stigmatica Suffr. 128.
E subferruginea Schrk. 128.
Catops alpinus Gylh. 71.
Cephennium thoracicum Müll. 104.
Cerambyx cerdo L. 124.
= cerdo Scop. 124.
n heros Scop. 124.
a) Scopolii Fiiss. 124.
Cercyon aquaticus Steph. 92.
pe lugubris Payk. 92.
= marinus Thoms. 92.
4 pygmaeus Ill. var. merdarius
Ste ite
Cerylon deplanatum Gylh. 108.
Cetonia floricola Hrbst. var. obscura
And. 80.
Ceutorrhynchidius frontalis Bris. 119,
+ nigrinus Mrsh. 82,
244
Ceutorrhynchus Alliariae Bris. 120.
5 Cochleariae Gylh. 85.
nà constrictus Mrsh. 120.
à Epilobii Payk. 119.
5 frontalis Bris. 119.
a hirtulus Germ. 120.
5 litura F. 72.
= melanarius Steph. 119.
5 melanostictus Mrsh. 120.
si nigrinus Mrsh. 82.
5 pilosellus Gylh. 82.
È punctiger Gylh. 120.
n pyrrhorhynchus Mrsh. 119.
à Querceti Gylh. 119.
= rugulosus Hrbst. 120.
a3 Schönherri bris. 85.
5 sellatus F. 120.
n setosus Boh. 119.
5 sprites Germ. 119.
on suturalis F. 72, 119
A terminatus Hrbst. 119.
trifasciatus Bach. 119.
Chaetocnema arenacea All. 85.
5 aridula Gylh. 128.
= confusa Boh. 128.
hi Mannerheimi Gylh. 127.
Chalcoides aurata Mrsh. var. pulchella
Weise. 127.
Charagus Sheppardi Kirb. 82.
Chlaenius nigricornis F. var. cupreomi-
cans Letzn. 85.
id. var. Wesmaeli d. Borr. 85.
Chloridolum n. Si ak
Choleva agilis Ill. 104.
5 anisotomoides Spence. 104.
intermedia Kr. 104.
Chrysobothris aruensis Deyr. 25.
Chrysomela brunsvicensis Grav. 126.
A cerealis L. 71, 126.
5 coerulans Scriba. 126.
a fastuosa L. ab. speciosa L. 83.
a fucata F. 83.
n geminata Payk. 126.
5 Hyperici Forst. var. ambigua
Weise. 83.
À id. var. previgna Weise. 83.
marginalis Dfts. 126.
Cieindela campestris L. ab. affinis Fisch.
73.
a id.ab. coerulescens Schilsk. 73.
is id. ab. connata Heer. 85.
5 id. ab. farellensis Graëlls. 85.
à id. ab. funebris St. 73, 85.
E id. ab. rubens Friv. 85.
4 id. ab. Saxeseni Endrul. 85.
6 hybrida L., vorm bipunctata
Letzn. 73.
vorm integra St. 73.
» palpalis Dokht. 73.
„transversalis Dej. 85.
n n var, 128,
„monasteriensis Westh. 73.
RDS Gees TERS
Cionus Solani F. 119.
Cis castaneus Mellie. 113.
+ coluber Abeille. 81.
» festivus Panz. 113.
p mileanrse ka:
» villosulus Mrsh. 113.
Cistela ceramboides L. 114.
i; murina F. var. maura F. 114.
5 rufipes F. 114.
Clambus minutus St. 105.
| pubescens Redt. 105.
Claviger testaceus Preysl. xxI.
Cleonus emarginatus F. 81.
Cleroides quadrimaculatus Schall. 113.
Clivina collaris Hrbst., vorm discipen-
nis Meg. 73.
N vorm sanguinea Leach.
id.
13.
Clythra laeviuscula Ratz. 125.
Clytus arvicola Ol. 124.
Cnemogenus Epilobii Payk. 119.
Coccinella decempunctata L. var lutea
Rossi. 109.
à distincta Fall. 109.
3 septempunctataL.ab. externe-
punctata Weise. 79.
Codiosoma spadix Hrbst. 121.
Coelambus confluens F. 90.
n impressopunctatus Schll. 90.
Coeliodes trifasciatus Bach. 119.
Coelophora pulchra Crotch. 26.
Coenocara affinis St. 113.
5 Bovistae Hoffm. 113.
Colaphus Sophiae Schall. 126.
Colenis immunda St. 104.
Conopalpus testaceus Ol. 114.
Conurus fusculus Er. 97.
5 immaculatus Steph. xxx, 97.
Corticaria serrata Payk. 109.
umbilicata Beck. 85.
Corticeus linearis F. 114.
Corymbites aeneus L. ab.
Schilsk. 80.
hs cinctus Payk. 112.
e nigricornis Panz. 112.
Coryphium angusticolle Steph. 102
Cossonus cylindricus Sahlb. 121.
n linearis F. 121.
5 parallelopipedus Hrbst. 121.
n planatus Bed. 71.
Criocephalus epibata Schiödte. 124.
5 rusticus L. 124.
Crioceris brunnea F. 125.
S Lilii Scop. L.
5 merdigera L. 125.
Cryphalus Abietis Ratz. 123.
5 Hampei Ferr. 82.
Cryptarcha imperialis F. 107.
| Cryptobium fracticorne Payk. 99.
| Cryptocephalus aureolus Suffr. xxI, 125.
n biguttatus Scop. 125.
a bilineatus L. 126.
violaceus
RG de St Te Er Rs
Cryptocephalus decemmaculatus L. var.
Barbareae L. 126.
7 flavipes F. 82.
5 fulvus Goeze, ab. fulvicollis
Suffr. 83.
5 minutus F. 83.
3 octopunctatus Scop. 125.
à parvulus Müll. xxı, 125.
se Pinel Ext.
rufipes F. 125.
sexpunctatus L. 125.
Cryptohypnus dermestoides Hrbst. 84.
È quadriguttatus Germ. 84.
s tetragraphus Germ. 84.
Cryptophagus affinis St. 109.
È badius St. 109.
à fumatus Mrsh. 109.
en lapponicus Gylh. 109.
setulosus St. xxx, 79.
” villosus Heer. 109.
Cryptopleurum crenatum Panz. 92.
> Vaucheri Tourn. 92.
Crypturgus pusillus Gylh. 122.
Curculio transversovittatus Goeze. 116.
Curimus murinus F. xxI, 110.
Cybocephalus politus Gylh. 105.
Cychramus luteus F. 107.
Cychrus caraboides L. 86.
Cymindis humeralis Fourcr. 89.
E macularis Dej. Lxu, 89.
Cyphogastra ventricosa C. et G. 25.
Cyphon coarctatus Payk. var. palustris
Thoms. 112.
È nitidulus Thoms. 112.
Ee pallidulus Boh. 112.
= Paykulli Guér. 112.
Cyrtoplastus seriatopunctatus Bris. 78.
Cyrtotriplax bipustulata F. 109.
Cytilus auricomus Dfts. 110.
Dasytes aerosus Kiesw. 80.
5 obscurus Gylh. 80.
A plumbeus Muls. 80.
Demetrias imperialis Germ. 89.
Dendrophilus pygmaeus L. 106.
Deporaüs megacephalus Germ. xx1,122.
Dermestes cadaverinus F. 79.
5 id. var.
Derocrepis rufipes L. 83.
Deronectes depressus Fairm. 90.
SI elegans Panz. 90.
Diaperis Boleti L. 70, 113.
id. var. interrapta Heyd. 81.
Dibolia Cynoglossi Koch. 128.
Dichirotrichus obsoletus Dej. 89.
Dictysus picipes Fairm. 25, 26.
i subcostatus Fairm. 25, 26.
Diglossa mersa Hal. 96.
Dilacra fallax Kr. 94
5 luteipes Er. 94.
Dinarda Maerkeli Kiesw. 95.
Diochares n. sp. ? 25.
Doedycorrhynchus austriacus Ol. 122.
domesticus Gebl. 79.
| Ernobius Abietis F.
245
Dolichosoma lineare Rossi. 113.
Donacia cinerea Hrbst. 125.
a impressa Payk. 125.
pe linearis Hoppe. 82.
= obscura Gylh. 125.
ï simplex F. ab. aeruginosa
Westh. 82.
= Sparganii Ahr. xxI.
5 id. var coelestis Weise. 85.
thalassina Germ. 125.
5 id. ab. porphyrogenita Westh.
82.
tomentosa Ahr. 125.
Dorcatoma chrysomelina St. 70, 81.
Doronectus latus Steph. 75.
En ovatus St. 75.
Dorytomus bituberculatus Zett. 118.
È costirostris Gylh. 118.
à Dejeani Faust. 118.
5 maculatus Mrsh. 118.
di pectoralis Gylh. 118.
È Silbermanni Wenck.
na taeniatus F. 118.
È tortrix L. 118.
Dromius angustus Brull. 89.
5 longiceps Dej. 89.
> nigriventris Thoms. 89.
sigma Rossi. 89.
Dryocoetes “autographus Ratz. 123.
5 villosus F. 123.
Dryops lutulenta Er. 93.
118.
po nitidula Heer. 93.
n nivea Heer. 78.
Dyschirius aeneus Dej. var. remote-
punctatus Putz. 86.
n globosus Hrbst. var. ruficollis
Kol. 73.
Dyticus circumcinctus Ahr. var, dubius
hs) 9%
sn latissimus L. 91.
5 marginalis L. var. conformis
Kunze. 91.
Ebaeus thoracicus Fourer. xxI, 112.
Eezemotes conferta Pasc. 25.
Elaphrus uliginosus F. 86.
Elater crocatus Lac. 111.
5 sanguineus L. 111.
5 sanguinolentus Schrnk. 111.
Elleschus scanicus Payk. 118.
Empylus glaber Gylh. 109.
Enicmus rugosus Hrbst. 108.
Ennearthron cornutum Gylh. 118.
Episcaphula australis Lac. 26.
Epitrix pubescens Koch, var. ferrugi-
nea Weise. 83.
Epuraea aestiva L. var. bisignata St. 106.
= longula Er. 71, 106.
A pusilla Ill. 106.
113.
> nigrinus St. 113.
n Pisi St. 113.
Esolus angustatus Müll. 78.
246
Euchlora anoguttata Burm. 24.
n Sp. 24 5
Euconnus rutilipennis Müll. xxx, 104.
Eugithopus elegans Roel. 31.
si ochreatus Eyd. et Soul. 28.
n ornatus Roel. 30.
n plagiatus Roel. 29.
Euglanus Boleti Mrsh. 114.
Eupholus Linnei Thoms. 25.
Euplectus ambiguus Reichb. 104.
4 Karsteni Reichb. 104.
2a sanguineus Denny. 103.
5 signatus Reichb. 103.
Europhilus fuliginosus Panz. xxx, 88.
je gracilis Gylh. 88.
A puellus Dej. 88.
Eurytrachelus Ghiliani Gestro. 24.
Evaesthetus laeviusculus Mannh. 101.
> ruficapillus Lac. 101.
Exomias araneiformis Schrnk. 115.
i pellucidus Boh. 115.
Falagria nigra Grav. 78.
Feronia angustata Dfts. LXII.
Figulus Mento Alb. 24.
Galerucella calmariensis L. var. Lythri
Gylh. 83.
2 Viburni Payk. 127.
5 xanthomelaena Schrnk. 127.
Geotrupes mutator Mrsh. var. chloro-
phanus Westh. 80.
» id.var. purpurascens Westh. 80.
id. var. violaceus Westh. 80.
Gillenus lateralis Sam. 86.
Glenea venusta Guer. 26.
Glyptoderes asperatus Gylh. 122
Gnathocerus cornutus F. 114.
Gnathoncus punctulatus Thoms. 106.
Gnoma agroides Thoms. 25.
Gnorimus nobilis L. 111.
Gnypeta velata Er. 94.
Graphoderes bilineatus d. Geer. 91.
> cinereus L. var. intermedius
Westh. 76.
5 zonatus Hoppe. 91.
Graptodera Erucae Ol. 83.
E fruticola Weise. 83.
E palustris Weise. 83.
Gronops lunatus F. 116.
Grypidius brunneirostris F. 117.
Gymnetron collinum Gylh. 119.
= erinaceum Bed. 82.
E Linariae Panz. 119.
si villosulum Gylh. 119.
Gymnusa brevicollis Payk. 97.
Gyrinus minutus F. 91.
r Suffriani Scriba. 128.
Gyrophaena gentilis Er. 96.
= lucida Er. 96
> pulchella Heer. 96.
Habrocerus capillaricornis Grav. 97.
Haemonia appendiculata Panz. 125.
5 Equiseti F. 125.
| Haemonia Zosterae F.
| Hallomenus binotatus Quens.
| Haltica ampelophaga Guer. 85.
| Harpalus aeneus F
Rr ERGZTASENEHRER}
125.
Haliplus einereus Aube. 90.
n confinis Steph. 90.
3 fulvicollis Er. 90.
à lineatus Aubé. 90.
= variegatus St. 90.
114.
= Erucae Ol. var. brevicollis
Foudr. 83.
+9 id. var. Coryli All. 83.
È fruticola Weise. 83.
. Lythri Aube. 85.
= oleracea L. 85.
5 palustris Weise. 83.
+s pusilla Dfts. 85.
Tamaricis Schr. 85.
Halyzia vigintiguttata L. 109.
Haplocnemus impressus Mrsh. 81.
5 Pini Redt. 81.
F.ab. elegans Prell. 75.
5 id. ab. fulvipes Dfts. 75.
< id. var. limbopunctatus Fiiss.
75.
ñ attenuatus Steph. 89.
= caspius Stev. 89.
È consentaneus Dej. 89.
Lo dimidiatus Rossi. 89.
5 Froelichi St. 89.
n fuliginosus Dfts. 75.
= melancholicus Dej. 89.
tardus Panz. 89.
Hectarthrum brevifossum Newm. 24.
Heledona agaricicola Hrbst. 70, 113.
Helmis aenea Müll. 93.
> Maugeti Latr. 93.
Helochares subcompressus Rey. 77.
Helodes minutus L. var. obscura Steph.
112.
Helephorus aenipennis Thoms. 77.
n affinis Mrsh. 85.
Li asperatus Rey. 77.
E discrepans Rey. 77.
5 dorsalis Er. 85, 92.
À Erichsoni Bach. 85.
5 fallax Kuw. 77.
N granularis L. var. affinis Mrsh.
Bie
È id. var. brevicollis Thoms. 77.
= Mulsanti Rye. 92.
x nubilus F. var. costatus Goeze.
de
E obscurus Muls. 77
à id. var. niger Kiesw. 77.
o porculus Bed. 77.
È quadrisignatus Bach. 77.
strigifrons Thoms. 77.
| Hetaerius ferrugineus OI. 106.
| Heterocerus aureolus Schiödte. 78.
5 fenestratus Thunb. 93.
si fossor Kiesw. 93.
5 obsoletus Curt. 93.
RER GT STER:
Heterothops praevia Er. 97.
Hister corvinus Germ. 105.
n
Fr. 105.
ruficornis Grimm. 105.
n succicola Thoms. LIX, 78.
Holoparamecus Kunzei Aubé. 108.
Homalium Allardi Fairm. 102.
deplanatum Gylh. 102.
Oxyacanthae Grav. 102.
3 planum Payk. 102.
riparium Thoms. 102.
Salicis Gylh. 103.
striatum Gray. 103.
n sulculum Steph. 103.
testaceum Gylh. 102
Homalota Algae Hardy. 95.
aquatica Thoms. 95.
È atrata Kr. 95
brunnea F. 95.
cadaverina Bris. 95.
caesula Er. 95
canescens Sharp. 95.
cavifrons Sharp. 95.
clancula Er. 95.
divisa Märk. 95.
gemina Er. 95.
haepatica Er. 95.
indubia Sharp. 95.
inquinula Er. 95.
laevana Rey. 95.
languida Er. var. longicollis
Rey. 94.
luridipennis Mannh. 95.
marina Rey. 95.
melanaria Mannh. 96.
melanocera Thoms. 95.
oblita Er. 95.
oblongiuscula Sharp. 95.
È occulta Er. 65.
5 palleola Er. 92.
parens Rey. 96.
> planifrons Waterh. 94.
n ravilla Er. 95.
= soror Kr. 95.
n talpa Heer. 95.
vestita Grav. 95.
Homoeocryphalus Hampei Ferr. 82.
Hydnobius punctatissimus Steph. 104.
; punctatus St. 104.
Hydraena atricapilla Watcrh. 77.
5 palustris Er. xxx, 77.
Hydrobius fuscipes L. var. Rottenbergi |
Gerh. 91.
id. var. aeneus Sol. 91.
Hydrochus brevis Hrbst. 92.
Hydronomus binodulus Hrbst. 117.
È elegans F. 116.
eh glabriventris Hrbst. 117.
x id. var. nigritarsis Thoms. 117.
5 limosus Gylh. 117.
À lutulosus Gylh. 117.
|
. |
purpurascens Hrbst. var. niger |
247
Hydronomus nodulosus Gylh. 117.
È tempestivus Hrbst. 117.
Hydrophilus piceus L. xxv1.
Hydroporus bilineatus St. 76.
si dorsalis F. var. figuratus Gylh.
76.
5 erythrocephalus L. var. depla-
natus Gylh. 76.
à granularis L.ab. suturalis Müll.
76.
n incognitus Sharp. 90.
= melanarius St. xxx, 90.
à obscurus St. 90.
à palustris F ab. lituratus Panz.
US
È pygmaeus St. 76.
5 rufifrons Dfts. 90.
5 Sanmarki Sahlb. 75.
3 id. var. rivalis Gylh. 76.
= tristis Payk. 90.
N umbrosus a 90.
vittula Er.
Hydrothassa a Bs 126:
Hygronoma dimidiata Er. 96.
Hygrotus decoratus Gylh. 75.
Hylastes canicularis Er. 122.
a linearis Er. 82.
à opacus Er. 122.
Hylesinus crenatus F. 122.
n oleiperda F. 122.
| Hylotrupes oor L. var. lividus Muls.
Hypera ante Payk. 81.
= meles F. 116.
5 Pastinacae Rossi, var.
Boh. 116.
Hypocyptus discoideus Er. 97.
= seminulum Er. 97.
Ilybius aenescens Thoms. 91.
à guttiger Gylh. 91.
# subaeneus Er. 91.
Ilyobatus nigricollis Payk. 94.
Ips quadripunctatus Ol. 107.
Ischiopsopha arouensis Thoms. 25.
Ischnoglossa corticina Er. xxx, 98.
Ischnomera coerulea L. 114.
tigrina
| Labidostomis longimana L. 125.
Laccobius biguttatus Gerh. 77.
si bipunctatus F. 92.
N minutus L. var. nanulus Rottb.
tie
5 nigriceps Thoms. 84, 92.
s sinuatus Mots. 84.
Laccophilus variegatus Germ. 90.
Lacon cinerascens Cand. 25.
Laemophloeus ater Ol. 84.
È bimaculatus Payk. 78.
È testaceus F. 84.
Lagria atripes Muls. 114.
Lathridius Bergrothi Reitt. 79.
Lathrobium castaneipenne Kol. 99.
5 filiforme Grav. 99,
248
Lathrobium fovulum Steph. xxx, 99.
n longulum Grav. 99.
à pallidum Nordm. 99.
Lebia chlorocephala L. 89.
2 crux-minor L. 89.
do cyanocephala L. 89.
Legistopterus sanguineus L. 112.
Leistus rufomarginatus Dfts. 87.
= spinibarbis F. var. rufipes
Chaud. 74.
Lema cyanella L. 125.
n puncticollis Curt. 125.
5 septemtrionis Weise. 125.
Leptacinus formicetorum Märk. 99.
Leptura attenuata L. 124.
à chrysomeloides Schr. 123.
= nigra L. 124.
7 revestita L. 123.
= sexguttata F 82.
Lepyrus capucinus Schall. 116.
Lesteva Heeri Fauv. xxx, 102.
5 pubescens Mnnh. 78.
= punctata Er. 78, 102.
Limnichus sericeus Dfts. 110.
Limnius Dargelasi Latr. 93.
Limnobius aluta Bed. 92.
= atomus Gerhdt. 92.
= borealis Payk. 116.
ES truncatulus Thoms. 92.
Limonius minutus L. 112.
= parvulus Panz. 112.
à pilosus Leske. 111.
Liodes axillaris Gylh. 105.
| humeralis Kugel. 105.
> orbicularis Hrbst. 71, 78.
Liosoma deflexum Panz. 116.
Liparus coronatus Goeze. 116.
Litargus bifasciatus F. 71, 107.
Litodactylus leucogaster Mrsh. 120.
Lixus Bardanae F. 116.
5 bicolor Ol. 116.
A cylindricus Hrbst. 116.
5 sanguineus Rossi. 116.
Lochmaea Crataegi Forst. var. pallida
Joann. 127.
3 suturalis Thoms. 127.
Lomechusa strumosa F. 93.
Longitarsus ater F. 128.
4 Ballotae Mrsh. 128.
5 castaneus Dfts. 128.
Fy exoletns L. 128.
5 Lycopi Foudr. 128.
= Medicaginis All. 128.
È ochroleucus Mrsh. 128.
= piciceps Steph. 128.
suturalis Mrsh. 128.
nigrofasciatus Goeze. 127.
pinicola Dfts. 127.
Lytta vesicatoria L. 114,
Macronota regia F. 25.
Magdalis barbicornis Latr. 118.
= carbonaria L. 118.
Luperus
REGIS NUR RB
Magdalis duplicata Germ. 118.
5 frontalis Gylh. 118.
F memnonia Fald. 118.
È phlegmatica Hrbst. 118.
5 quercicola Weise. 81.
violacea L. 118.
Malthinus fasciatus Ol. 112.
Malthodes brevicollis Payk. 112.
n guttifer Kiesw. 112.
, mysticus Kiesw. 112.
Mantura rustica L. var. suturalis Weise.
83.
Mecaspis emarginata F. 81.
È nebulosa L. 116.
5 turbata Fährs. 116.
Mecimus janthinus Germ. 119.
Mecopus tenuipes Pasc. 25.
Medon brunneus Er. 100.
È castaneus Grav. 99.
= fusculus Mannh. 100.
obscurellus Er. 100.
ni obsoletus Nordm. 100.
> ochraceus Grav. 100.
È piceus Kr. 99.
ripicola Kr. 100.
Megacronus analis F. xxx, 97.
È cingulatus Mannh. She
inclinans Grav. 78.
Megarthrus hemipterus Ill. 103.
Melanophthalma similata Gylh. 109.
Melanotus castanipes Payk. 84.
fs crassicollis Er. 84.
co rufipes Hrbst. 84.
- id. var. bicolor F. 80.
9 id. var. subrufus Schwarz. 80.
Melasoma aeneum L. 126.
> collare L. var. geniculata Dfts.
88.
id. var Salicis F. 88.
Meligethes aeneus F. 106.
5 bidens Bris. 107.
ti Brassicae Scop. 106.
brunnicornis St. 107.
È difficilis Heer. 107.
exilis St. 107.
5 fulvipes Bris. 106.
gagatinus Er. 107.
haemorrhoidalis Forst. 107.
5 hebes L. 106.
a lumbaris St. 106.
= pedicularius Gylh. 107.
= pumilus Er. 106.
- rubripes Muls. 106.
serripes Gylh. 107.
Melolontha Hippocastani F. ab. nigri-
collis Muls. 80.
7 id. var. nigripes Com. 111.
= vulgaris F. ab. ruficollis Muls.
80.
| Mesosa nebulosa F. 124.
nubila Ol. 124.
Meton granulicornis Pasc. 26.
IMG Te Ss Te He Re
Metopodontus Bison F. 24.
Miarus plantarum Germ. 82,
Microglossa gentilis Lünem. 93.
Mniophila muscorum Koch. 83.
Molops piceus Panz. 88.
= id. var. obseuripes Ev. 15.
Molorchus minimus Scop. 124.
minor L. 124.
ñ umbellatarum L. 124.
Monohammus sutor F. 124.
Monotoma angusticollis Gylh. 108.
5 brevicollis Aubé. 108.
a longicollis Gylh. xxx, 108.
picipes Hrbst. 108.
Mordellistena abdominalis F. 114.
à brunnea F. 114.
à lateralis Ol. 114.
5 parvula Gylh. 114.
Mycetoporus clavicornisSteph. xxx, 97.
= lucidus Er. 97.
e nanus Er. 97
à pronus Er. 97.
n punctus Gylh. 97.
È rufescens Steph. 97.
splendens Mrsh. 97.
Myllaena forticornis Kr. 97.
5 gracilis Matth. 97.
5 minuta Grav. 96.
Myrmecoxenus subterraneus Chevr. 109.
Myrmedonia cognata Märk. xxx, 94.
5 collaris Payk. xxx, 94.
# Haworthi Steph. 94.
4 humeralis Grav. 94.
ss lugens Grav. 94.
Myrmetes piceus Payk. 106.
Nacerdes fulvicollis Scop. 81.
Nausibius dentatus Mrsh. 108.
Nebria livida L. 86.
Necrobia ruficollis F. 113.
i rufipes d. Geer. 113.
Necrophorus interruptus Steph. 72.
Nemadus colonoides. 84.
Neuraphes angulatus Miill. 104.
= elongatus Miill. 104.
” longicollis Mots. 104.
rubicundus Schaum. 104.
Nosodendron fasciculare Ol. 72, 110.
Ocalea badia Er. 94.
n decumana Er. 94
Ochina Hederae Müll. 113.
Octhebius bicolor Germ. 92.
4 impressicollis Cast. 92.
sa marinus Payk. 92.
Ocyusa incrassata Rey. 96.
Odontaeus armiger Scop. 110.
Oedemera virescens L. 84
Oligota atomaria Er. 96.
È inflata Mannh. 96.
Olisthopus rotundatus Payk. xxx, 89.
Olophrum piceum Gylh. 102.
Omadius sp.? 25.
Omosiphora limbata F. 106.
Tijdschr. v. Entom. XXXVI
249
Onthophagus Parryi Har. 24.
Onthophilus globulosus Ol. 106.
È sulcatus F. 106.
Ophonus azureus F. 89.
5 diffinis Dej. 89.
4 maculicornis Dfts. 89.
En puncticollis Payk. var. paral-
lelus Dej. 89.
Orches'a picea Hrbst. 114.
Orchestes ferrugineus Mrsh. 1:8.
si scutellaris F. 81.
Orectochilus villosus Miill. 91.
Orobitis cyaneus L. 120.
Orthocerus muticus L. 108.
Orthochaetes insignis Aubé. 117.
Orthoperus atomus Gylh. 78.
5 picatus Mrsh. 78.
Oryetes Rhinoceros L. 24.
Osmoderma eremita Scop. 111.
Othius melanocephalus Grav..xxx, 99.
Othorrhinus patruelis Pasc. 25.
Oxiomus porcatus F. 80.
sylvestris Scop. ab. foveolatus
Muls. 80.
È testudinarius F. 80.
Oxypoda annularis Sahlb. 78.
à brachyptera Steph. 96.
i exigua Er. 96.
n exoleta Er. 96.
a formiceticola Mark. 96.
induta Rey. 78.
= neglecta Bris. 78.
5 parvula Bris. 78.
testacea Er. 78,
Oxytelus clypeonitens Pand. 102.
n insecatus Gylh. 102.
4 piceus L. 102.
Pachyrrhinus quadrinodosus Gylh. 120.
Paepalosomus dealbatus Boisd. 25.
Panagaeus bipustulatus F. ab. conjunc-
tus Ev. 15.
n erux-major L. ab. trimaculatus
Dej. 75.
Paracymus aeneus Germ. 91.
Parastasia pilea Voll. 24.
Pascoea Amaliae Gestro. L.
7 Idae Whitz. L.
Patrobus excavatus Payk. 87.
Phaedon Cochleariae F. 126.
5; pyritosus Rossi. 126.
Philhydrus coarctatus Gredl. 92.
E. ferrugineus Kiist. 76.
pi grisescens Gylh. 92.
melanocephalus F. 76.
5 quadripunctatus Hrbst. 76,
suturalis Sharp. 92.
Philonthus addendus Are: 98.
5 astutes Er.
= atratus aa 98.
5 decorus Grav. 99.
Fe exiguus Nordm. 99.
as fuscus Gray. 98.
16%
250
Philonthus nigrita Grav. 99.
= rotundicollis Ménétr. 99.
5 scutatus Er. 99.
5 varius Gylh. var. bimaculatus
Grav. 99.
Phloeophthorus Chapuisi Blandt. 82.
Le rhododactylus Ratz. 82.
Phyllobius calcaratus F. 81.
= glaucus Scop. var. densatus
Schilsk. 81.
7 sinuatus F. 116.
Phyllodecta atrovirens Corm. 126.
à laticollis Suffr. 126.
n vulgatissima L. var. aestiva
Weise. 126.
Phyllotreta flexuosa Ill. 127.
È melaena Ill. 127.
= nodicornis Mrsh. 127.
A procera Redt. 72, 83.
n punctulata Foudr. 127.
5 tetrastigma Com. var. dilatata
Thoms. 35.
3 vittula Redt. 127.
Phyrites aureolus Schiödte. 78.
Phytobius velatus Beck. 120.
Phytodecta quinquepunctata F. 83.
2 viminalis L. 126.
Phytoecia cylindrica L. 82.
= nigricornis F. 125.
5 virescens F. 125.
Phytosus balticus Kr. 96.
h spinifer Curt. 96.
Placusa infima Er. 96.
Plateumaris consimilis Schrk. 125.
> rustica Kunze. 125.
Platysoma sp. 24.
Platystethus capito Heer. 78.
a cornutus Gylh. var. alutaceus
Thoms. 102.
Plegalerus vulneratus Panz. 106.
Plinthus caliginosus F. 71, 116.
Pocadius ferrugineus F. 107.
Poecilopharis truncatipennis Rits. 24.
Poecilus coerulescens L. ab. cupreoides
Heer. 75.
n dimidiatus Ol. 88.
Pogonochaerus decoratus Fairm. 124.
à fasciculatus d. Geer. 124.
Polydrosus atomarius Ol. 115.
È chrysomela Ol. 85.
5 tereticollis d. Geer. 115.
4 undatus F. 116.
Potaminus substriatus Müll. 93.
Potamophilus acuminatus F. 78.
Prionocyphon serricornis Müll. 112.
Pristonychus subcyaneus Ill. 72.
Protaetia taciturna Guér. 25.
Protinus atomarius Gr. 103.
* limbatus Mirk. 103.
"I ovalis Steph. 103.
Pselaphus dresdensis Hrbst. 103.
Pseudostyphlus Pilumnus Gylh 85, 117.
REGISTER
Psylliodes attenuata Koch. 127.
A cuprea Koch. 127.
DI Dulcamarae Koch. 127.
È luteola Müll. 127.
= nucea Ill. 127.
Ptenidium punctatum Gylh. 105.
Pterostichus angustatus Dfts. xxx,
8
aterrimus Payk. xxx, 88.
diligens St. 88.
interstinctus St. 88.
melanarius Ill. 75.
vulgaris L., vorm pennatus
Dej. 75.
Ptilium Kunzei Heer. 105.
Ptinella testacea Heer. 105.
Ptomaphagus affinis Steph. 104.
alpinus Gylh. 104.
marginicollis Luc. 104.
2 nigrita Er. 104.
Di picipes F. 104.
7 tristis Panz. 104.
Pytho depressus L. xx, 81.
Quedius brevis Er. 98.
cruentus Ol. 98.
3 3 3 3 3
n
” fulgidus F. 98.
n fumatus Steph. 98.
3 lateralis Grav. 98.
= longicornis Kr. 98.
7 maurorufus Grav. 98.
ochripennis Menetr. 98.
È peltatus Er. 98.
4 rufipes Grav. 98.
5 scitus Grav. 98.
Rhantus adspersus F. 91.
= bistriatus Bergstr. 91.
5 exoletus Forst. ab. insolatus
Aubé. 76.
È latitans Snarp. 76.
suturalis Lac. var. virgulatus
Ill. 76.
Rhinocyllus conicus Fröhl. 71, 116.
Rhinogrypus Roel. nov. gen. 32.
a velutinus Roel. 33.
Rhinomacer attelaboides F. 122.
Rhinoncus albieinetus Gylh. 120.
Rhinoscapha striatopunctata Guér. 25.
Rhizophagus ferrugineus Payk. 107.
5 parallelicollis Gylh. 107.
Rhizotrogus aestivus Ol. 72.
si solstitialis L. 72.
Rhopalodontus fronticollis Panz. 113.
Rhopalopus clavipes F. 124.
Rhynchaenus Avellanae Don. 118.
decoratus Germ. 81.
5 ferrugineus Mrsh. 118.
5 Rusci Hrbst. 118.
- scutellaris F, var. atratus
Prell. 81.
Rhyncholus elongatus Gylh. 121.
5 planirostris Panz. 121.
= truncorum Germ. 121.
BEGESTER.
Rhynchophorus Pascha, var. papuanus
Kirsch. 25.
Rhynchites auratus Scop. 122.
n Bacchus L. 122.
P cupreus Ill. 122.
3 megacephalus Germ. 122.
2 pauxillus Germ. 122.
n Populi L. 122.
à pubescens F. 122.
tomentosus Gylh. 122.
Rhyssemus germauus L. 110.
Rybaxis sanguinea L. 103.
Salpingus aeneus Steph. 114.
Saprinus immundus Gylh. 106.
* speculifer Latr. 106.
Sarrotrium clavicorne L. 108.
Scaphidema metallicum F. 114.
Scaphidium qHadrimaculatum Ol. 105.
Scaphosoma angustatum Hoffm. 105.
Scolytus destructor Ol. 70.
n intricatus Ratz. 122.
= multistriatus Mrsh. 70, 122.
ñ Pruni Ratz. 122.
5 pygmaeus F. 122.
rugulosus Ratz. 122.
Scopaeus cognatus Rey. 100.
3, laevigatus Gylh. 100.
ee minimus Er. 100.
Scydmaenus collaris Müll. 104.
A seutellaris Müll. 104.
Scymnus bipunctatus Kugel. 110.
à haemorrhoidalis Hrbst. 110.
n Redtenbacheri Muls. 110.
Serica holosericea Scop. 110.
Siagonium quadricorne Kirb. 71,103.
Sibinia Viscariae L. 119.
Silis ruficollis F. 112.
Silvanus bidentatus F. 108.
A similis Er. 108.
E unidentatus Ol. 71, 108.
Sipalus Burmeisteri Schnh. 25.
Sitona cambricus Steph. 116.
E gemellatus Gylh. 116.
= longicollis Fährs. 116.
5 Ononidis Sharp. 116.
È suturalis Steph. 116.
= Waterhousei Walt. 116.
Smicronyx politus Boh. 117.
Sphindus dubius Gylh. 113.
Sphodrus leucophthalmus L. 88.
Staphylinus fulvipes Scop. 98.
= fuscatus Grav. 98.
= latebricola Grav. 98.
Stenocorus inquisitor F. 123.
5 mordax d. Geer. 123.
7 mordax F. 123.
î sycophanta Schr. 123.
Stenolophus skrimshiranus Steph. 90.
Stenostola ferrea Schr. 125.
Stenura revestita L. 123,
Stenus argus Gray. 101.
yn asphaltinus Er. 1C0.
251
Stenus aterrimus Er. 100.
bifoveolatus Gylh. 101.
- calcaratus Scrib. 100.
7 carbonarius Er. 100.
+ Erichsoni Rye. 101.
5 flavipes Er. 101.
co flavipes Grav. 101.
~ fornicatus Steph. 101.
foveicollis Kr. xxx, 78,
= fuscicornis Er. 101.
pi gallicus Fauv. 100.
co intricatus Er. 100.
= lustrator Er. 100.
5 melanarius Steph. 101.
N morio Grav. 101.
5 nigritulus Gylh. 101.
n nitens Steph. 101.
È nitidiusculus Steph. xxx, 101.
n pallipes Grav. 101.
. pallitarsis Steph. 101.
palustris Er. 101.
pe providus Er. xxx, 100.
4 pubescens Steph. 101.
È solutus Er. 101.
7 tempestivus Er. 101.
vafellus oe 101.
Stenusa rubra Er.
Stichoglossa semir a Er. 93.
Stilicus Erichsoni Fauv. 100.
5 fragilis Grav. 100.
n geniculatus Er. 100.
5 orbiculatus Er. 100.
a similis Er. 100.
> subtilis Er. 100.
Strangalia attenuata L. xxI, 124.
Strophosomus capitatus d. Geer. 115.
a curvipes Thoms. 115.
NI retusus Mrsh. 115.
Sunius filiformis Latr. 100.
Synchitodes crenata F. 108.
Syntomium aeneum Müll. 102.
Tachinus elongatus Gylh. 97.
humeralis Grav. 97.
A pallipes Grav. 97.
Tachyporus atripes Steph. 97.
transversalis Grav. 97.
Tachypus pallipes Dfts. 86.
Tachys bistriatus Dfts. 87.
id. var. rufulus Rey. 74.
gregarius Chaud. 75.
id. var. luridus Rey. 75.
nigrifrons Fauv. 75.
parvulus Dej. 87.
Tachyusa balteata Er. 78.
coarctata Er. 94.
concolor Er. 94.
ee constricta Er. 94,
scitula Er. I
umbratica Er.
Taphria vivalis Ill. 10.
Tapinotus sellatus F. 120.
Telmatophilus Schönherri Gylh, 109,
n
252
Telmatophilus Sparganii Ahr. 109.
Tetratoma Desmaresti Latr. 81.
5 fungorum F. xx, 81.
Thalycra fervida Ol. 107.
Thectura cuspidata Er. 96.
x linearis Grav. 96.
; nigella Er. 96
Thryogenes Nereis Payk. 117.
i scirrhosus Gylh. 118.
Tmesisternus avarus Pasc. 25.
= Schaumi Pase. 25.
Tomicus curvidens Germ. 123.
sexdentatus Boern. 123.
suturalis Gylh. 123.
Trachyphloeus aristatus Gylh. 115.
Olivieri Bed. 115.
scaber L. 115.
scabriculus L. 115.
= spinimanus Germ. 115.
Trechus discus F. 87.
à rubens F. 87.
5 secalis Payk. 87.
Trichius abdominalis Ménétr. LIII, 84.
n
5 fasciatus L. Lv, 80.
5 id. var. scutellaris Kr. LVII.
5 id. var. sibiricus Reitt. LV, LVII.
= gallicus Heer. LVII.
n id. var. bipartitus Heyd. LVII.
= id. var. bivittatus Muls. LVII.
rosaceus Voet. LIII, LVI, 84.
= id. var. nudiventris Kr. LVI, 80.
= succinctus Pall. LVII.
zonatus Germ. LVI.
Trichonyx sulcicollis Reichb. 104,
Trichopteryx gigas Allib. 105.
4 lata Mots. 105.
5 thoracica Waltl. 105.
Triplax russica L. 109.
Tritoma decempunctata F. 84.
= picea F. 84, 108.
24 id. var. undulata Mrsh. 108.
Trixagus carinifrons Bony. 111.
Trogoderma megatomoides Reitt. 79.
5 versicolor Creutz. 110.
Trogophloeus arcuatus Steph. 102.
Tropiderus niveirostris F. 122.
n sepicola F. 122.
Trox cadaverinus Ill. 80.
a sabulosus L. 110.
Tychius haematopus Gylh. 119.
» junceus Reiche. 119.
È polylineatus Germ. 119.
Tychus dichrous Schmidt. xxx, 103.
Urodon rufipes Ol. 122.
Valgus hemipterus L. 111.
Velleius dilatatus F. 97.
Xantholinus atratus Heer. 99.
= fulgidus F. 99.
È glaber Nordm. 99.
Xenocerus equestris Pasc. 25.
Xestobium plumbeum Ill. 113.
Xixuthrus lunicollis Lansb. 25.
RE GE SP HE
Xyleborus dispar F. 123.
Xyletinus laticollis Dfts. 113.
Xylocleptes bispinosus Dfts. 123.
Xylotrupes sp. 24.
Zabrus gibbus F. 70, 89.
7 tenebrioides Goeze. 89.
Zeugophora flavicollis Mrsh. var. austra-
lis Weise. 82.
5 scutellaris Suffr. 125.
Zonabris (genus), variatie in teekening.
LVII.
HEMIPTERA.
Podops Horvathi Fokk. 16.
HYMENOPTERA.
Cephaleia erythrocephalus L. 42.
Cimbex Betulae Zadd. xxr.
za Capreae. XXII.
5 connata Schrk. xxi.
= Fagi Zadd. xxII.
x Humboldtii Ratz. xxII.
7 lutea L. xxii.
= saliceti Zadd. xxrr.
Lasius fuliginosus Latr. (Nest van)
230.
Lyda erythrocephalus L. 42.
Pamphilius erythrocephalus L. 41.
Tenthredo erythrocephalus L. 42.
LEPIDOPTERA.
Abraxas marginata L. 10.
Acherontia Atropos L. xxvir, 198.
Acidalia emarginata L. 10.
È imitaria Hbn. 221.
Acronycta Aceris L. 202.
co auricoma W. V. 4.
n leporina L. var. bradyporina
rai
n megacephala W. V. 4.
si Psi L. 4.
È Rumicis L. 7
tridens W.
Agrotis Augur F. 8, por
= Baja W. Vv. XLII, 8, 214.
= brunnea W. V. 8.
= castanea Esp. 212.
en C-nigrum L. 8.
- corticea W. V. 8.
n Dahlii Hbn. 212.
n Ditrapezium Bkh. 8.
= Exclamationis L. 8.
5 festiva W. V. 8, 213.
3 id. var. subrufa Haw. 8.
5 janthina W. V. 8.
È Lidia Cr. 217.
5 orbona Hfn. 8
2 plecta L. 8.
n porphyrea W. V. 8.
Rew GES ve He
Agrotis pronuba L. 8.
5 id. var. innuba Tr. 8.
5 ravida W. V. 8.
= Rubi View. 8, 213, 214.
aes rubricosa WMV EDIT, 216.
en saucia Hbn. 8.
= segetam W. V. xLU, 8. 217.
n id. var. vestigialis. 8.
= sobrina Boisd. xLII, 214.
= Triangulum Hfn. 8
2 Tritiei L. var. Vitta Hbn. LI.
= umbrosa Hbn. 212.
È xauthographa W.
XLIII, 8, 212.
Ypsilon Hfn. 8.
Ammoconia caesimacula W. V. 203.
Amphidasis betularia L. xxv, XXVII,
221.
= id. var. Doubledayaria. xxvr,
221.
Amphipyra Tragopogonis Clerck. 8.
Angonia Sn. nov. gen. 54.
È crambidalis Sn. 56.
Apatura Iris L. 194.
Aporophyla lutulenta W. V. 204.
5 id. var. Luneburgensis H. S. 4.
= nigra Haw. 204.
Argynnis Ino Rottb. 192.
ñ Paphia L. 198.
Argyria bifasciella Sn. 63.
Aventia flexula W. V. xxxI, 219.
i) flexularia W. V. xxVII.
Axylia putris L. 4.
Bapta bimaculata F. 224.
VERSSVITIA
Boarmia abietaria W. V. 223.
= consortaria F. 10.
a extersaria. 223.
5 glabraria Hbn. LIX, 222.
% ribeata Cl. 223.
= sericearia Wood. 223.
E teneraria Wood. 222.
1 viduata W. V. 222.
Cabaera exanthemata Scop. LI.
O pusaria Sl. EI:
Calocampa vetusta Hbn. 4, 207.
= id. (variatie in de kleur der
rups van) LVIII.
Calymnia paleacea Esp. 203.
eb pyralina W. V. 4.
trapezina L. 203.
Caradrina Alsines Brahm. 8.
trigrammica Hfn. 8.
Carterocephalus Paniscus Sulz. 198.
Cathaemia Gabia Boisd. xLv.
Catharylla bifasciella Sn. 63.
Catocala Nupta L. 8.
Cerigo matura Hfn. 8.
Chilo argentosus Zell. 57.
Chimatobia brumata L. 10.
Chloeophora bicolorana Füssl. 4, 200.
Cidaria bifasciata Haw. 227.
7 certaria Freyer. 225,
253
Cidaria certata Hbn. XLIII, 225.
È cervinata Hbn. 225.
5 chenopodiata L. 227.
Ee corylata Thb. 10.
5 derivata W. V. 227.
È didymata L. 10.
5 dilutata W. V. 10.
n dubitata L. xLIII, 225.
s impluviata W. V. 10.
È juniperata L. Lxir, 227.
5 luridata Hfn. 226.
N procellata W. V. 227.
vitalbata W. V. 226.
Coenobia rufa Haw. 211.
Coenonympha Arcania L. 194.
Cossus cossus L. 199.
Crambus culmellus. 64.
n dividellus Sn. 66.
i; hortuellus Hbn. 64.
4 interruptus Feld. 61.
È latellus Sn. 65.
n Mandschuricus Christ. 64.
oculalis Sn. 64.
Cucullia Absynthii L. 207.
Cymatophora duplaris L. 4.
, ocularis “8 da
Oe
Deilephila oelcrie: 1. 198.
3 Euphorbiae L. 198.
Deiopeia cruentata Butl. xxv.
n lactea Butl. xxv.
5 ornatrix L. xxv.
3 pulchella L. xxıv, 200.
: Semara Moore. xxv.
5 venusta Hbn. xxv.
Dipterygia scabriuscula Clerck. 4.
Diptychophora adspersella Sn. 61.
amoenella Meyr. 61.
= epiphaea Meyr. 60.
Fe exsectella Christ. 61, 62.
co Kuhlweinii Zell. 62.
5 ochracealis Meyr. 62.
È octavianella Zell. 62.
E praematurella Meyr. 62.
straminella Zell. SA
Dyschorista suspecta Hbn.
Endromis versicolora L. cay
Erastria pyrarga Hfn. 8
Eromene metallifera Butl. 61.
Eupithecia Haworthiata Crewe. 228.
P innotata Hfn. 227.
7 insigniata Hfn. 228.
x irriguata Hbn. 227.
+ isogrammaria H. S. 228.
A plumbeolata Haw. 228,
= pygmaeata Hbn. 228.
satyrata Hbn. 228.
5 strobilata Bkh. 229.
togata Hbn. 229.
Euplexia lucipara L. 8.
Euploea Claudia F. xLIII.
n Diocletia Hbn. xLIv.
254
Euploea Gelderi Sn. xLIv.
È Linnaei Moore. xLIv.
jn Midamus L. XLim.
5 Mindanensis. xLIV.
> Mulciber Cr. xL1II.
Verhuelli Moore. xLIV.
Fidonia brunneata Thunb. 224.
5 limbaria F. xxxI, 224.
Hadena accipitrina Esp. 209.
à advena W. V. 6.
= Brassicae L. 6.
5 Chenopodii W. V. 6.
= Cucubali W. V. 6.
5 dentina W. V. 6.
= Genistae Bkh. 6.
È nebulosa Hfn. 6
5 oleracea L. 6, 207.
= Persicariae L. 6, 209.
id. var. unicolor. 6, 209.
5 Pisi L. 6.
> Saponariae Esp. 6.
h splendens Hbn. 6, 207.
A suasa W. V. 6.
5 thalassina Hfn. 6.
tincta Bkh, 6.
Helotropha leucostigma Hbn. 6.
x id. var. fibrosa Hbn. 6.
= nictitans L. 6.
Hepialus virescens (Rups van) gedood
door eene kernzwam. LVII.
Herminia cribralis Hbn. 220.
Hypena rostralis L. 10.
Hypenodes albistrigatis Haw. 190.
= costaestrigalis Steph. 129.
x taenialis Hbn. 219.
Lampros procerella W. V. xxxI.
Leucania albipuncta W. V. 211.
+ Comma L. 8.
= impura Hfn. 6.
È lithargyria Esp. 8.
A littoralis Curt. 211.
DI obsoleta Hbn. 8, 211.
= pudorina W. V. 6.
È pulchra Sn. 211.
5 straminea Tr. 6, 211.
Turca L. 212.
Leucoma Salicis L. 201.
Leucophasia Sinapis L. 198.
Limacodes Asella W. V. 200.
Limenitis (Gen.) 194.
Liparis chrysorrhoea L. xxv.
Lithosia muscerda Hfn. 4.
Luperiva basilinea W. V. 6.
x didyma: Esp. 6.
à furuncula W. V. 6,
lateritia Hfn. 6.
5 lithoxylea W. V. 6.
5 monoglypha Hfn. 6.
> ophiogramma Esp. 6, 210.
a porphyrea Esp. 209.
a remissa Hbn. 6, 209.
5 id. var. gemina Hbn. 6.
RP EPG hrs) ier he
Luperiua rurea F. 6,
5 id. var. alopecurus Esp. 6.
satura Hbn. 209,
a scolopacina Esp. 6.
5 strigilis L. 6.
= unanimis Tr. 6.
Lycaena Aegon W. V. 195.
5; Optilete F. 195.
Mamestra adusta Esp. 6, 209.
5 splendens Hbn. xix, LVIII.
Melanagria Galathea L. 194.
Meliana flammea Curt. 211.
Melitaea Athalia Esp. 192.
È Aurinia Rottb. 191.
5 Dictynna Esp. 191.
Mesotype virgata Hfn. 225.
Metasia? lactealis Feld. 58.
Mycalesis Mucia Hew. xLv.
Naenia typica L. 10.
Nemoria putata L. 10.
4 vernaria L. 220.
Noctua ligula Esp. 206.
= mista Freyer. 214.
n Saportae Dup. 209.
Nonagria rufa Haw. 211.
Nyssia zonaria W. V. 221.
Oporina croceago W. V. 4.
Opostega salaciella Tr. xxxI.
Orrhodia rubiginea W. V. 205.
È spadicea W. V. 206.
È Vaccinii L. xviit, 4, 206.
Ortholitha limitata Scop. 227.
Orthosia circellaris Hfn. 4, 205.
2 helvola L. 4, 204.
js lota Clerck. 4
È macilenta Hbn. 205.
5 nitida F. 204.
pistacina W. V. 205.
Patissa semicostalis Sn. 60.
A tortualis Sn. 58.
Pellonia vibicaria L. 221.
Phigalia pilosaria W. V. 221.
Phlogophora meticulosa L. 8.
Pieris Daplidice L. 197.
Rapae L. 197.
Platypteryx Harpagula Esp. 202.
5 Sicula W. V. 201.
Plusia C-aureum Kncch. 217.
5 Concha F. 217.
A Jota L. 218.
4 moneta F. 217.
2 pulchrina Haw. 218.
V-aureum Guen. 218.
Polyommatus chryseis Hbn. 196. +
5 dispar Haw. 196.
à Euridice Rottb. 196.
5 Hipponoé L. 196.
à Hippothoë Hbn. 196.
Pseudophia Lunaris W. V. 8.
Psyche unicolor Hfn. 200.
Ptychopseustis amoenella Meyr. 61.
Pygaera pigra Hfn. xıx.
hy EG. TE SIT RR:
Rusina tenebrosa Hbn. 8.
Sarrothripa Revayana W. V. 4.
Scoliopteryx Libatrix L. 8.
Scopelosoma Satellitia L. 4.
Selidosema strigillaria Hbn. 224.
Sesia culiciformis L. 199.
n empiformis Esp. 199.
È spheciformis L. 199.
Setina mesomella L. 4.
Spilosoma lubricipeda L. 200.
2 mendica Clerck. 200.
Taeniocampa incerta Hfn. 4
ni Opima Hbn. 204.
5 stabilis W. V. 4.
Tapinostola Phragmitidis Hbn. 6.
Teras niveana F. xXxI.
Thamnonoma Wavaria L. 224.
Thyatira Batis L. 4
2 derasa L. 4.
Tortrix piceana L. XXXL
Trachea Atriplicis L. 4.
Trypanus Ramb. (Genus) 199.
Vanessa Antiopa L. 193.
5 Io L. 293.
5 Levana L. 194,
= Urticae L. 193.
Xanthia citrago L. 4.
a icteritia Hfn.
È togata Esp. x
Xylina Lamda F. xxxI.
3 ornithopus Hfn. 206.
5 petrificata O. en Tr. 206.
È petrificosa Hbn. 206.
= semibrunnea Haw. 206.
È Socia Hfn. 206.
Xylocampa lithorhina Bkh. 207.
Zanclognatha tarsipennalis Tr. 10.
a tarsiplumalis Hbn. 220.
Zonosoma annulata Schulze. 221.
È porata L. 10.
DIPTERA.
Argyrophylax Zetterstedtii Br. et B. 181
Asindulum flavum Winn. XXXI.
Cordylura pudica Meig. xxxl.
Crossocosmia curvipalpis v.d. W. 162,
Le discreta v. d. W. 164.
= Sericariae Rond. Lxr, 161.
Dioctria Reinhardi Wied. xxxI.
Gymnostylia analis Macq. 183.
a cilipes Rob. D. 183.
5 cingulata Schin. 185.
a. depressa Rob. D. 183.
È famelica Wied, 185.
À fasciata Macq. 183.
el javana v. d. W. 181,
= ornata Schin. 184.
= quadrimaculata Macq. 183.
ss scutellaris Rob. D. 183.
setosa Macq. 183.
Harrisia scutellaris Rob. D. 183.
255.
L
Hydrophorus nebulosus Fall. xxx.
Idioptera fasciata L. xxxI.
Leiosia v. d. W. nov. gen. 185.
de flavisquama v. d. W. 186.
Leschenaultia cilipes Rob. D 183.
Macromyia depressa Rob. D. 183.
Masicera cilipes Macq. 162.
à grandis Big. (non Walk.) 162.
= linearifrons v. d. W. 166.
Meigenia cingulata Schin. 185.
Miltogramma duodeeimpunctata v. d.
W. LEI.
Nemoraea bicolor Macq. 160.
n grandis Walk. 161.
5 tropidobothra Br. et B. 160.
Ochthera mantis de Geer. xxxI.
Pachyrhina lunulicornis Schumm, xxxI.
Parexorista corvinoides v. d. W. 170.
: curvipes v. d. W. 172.
gentilis v. d. W. 174.
iridipennis v. d. W. 176.
laeviventris v. d. W. 173.
modicella v. d. W. 178.
rubeola v. d. W. 168.
Phorocera degeerioides v. d. W. 179.
Sarcophaga carnaria L. ontwikkeld in
een menschelijk oor, Xx.
Syrphus excisus Zett. XXXL
Tachina eilipes Macq. 161.
i famelica Wied. 185.
= grandis Walk. 161.
Tetanocera umbrarum L. XXXL.
Thereva oculata Egg. xxxI.
Tipula Diana Meig. XXXL
nigra L. XXXL
Tricholyga Bombycis Bech. LxI.
Ugimyia Sericariae Rond. 162.
ARANEIDA.
Acompse concinnus L. K. 152.
> duleinervis L. K. 156.
ai validus L. K. 152.
Agelena labyrinthica Clk. xxx.
Amycus ? praemandularis v. Hass. 157.
Argiope anasuja Thor. 135.
5 catenulata Dol. 135.
$ Doleschalli Thor. 135.
5 opulenta Thor. 135.
n ornata Blw. 135.
3 Pelewensis L. K. 135.
ns pulchella Thor. 135.
5 Reinwardti Dol. 135.
E taprobanica Thor. 135.
en trifasciata Dol, 135.
versicolor Dol. 135.
Argyroepeira celebesiana Wlk. 136.
nigrotrivittata Dol. 136, 153.
Artema sisyphoides Dol. 139.
Atmetochilus fossor E. S. 141.
Atypus javanus Thor. 141.
~ piceus Sulz. 141.
256
Attus africanus Vins. 151.
» bistriatus v. Hass. 157.
a, cornutus Dol. 151.
en croesus v. Hass. 152.
n margaritaceus v. Hass. 158.
= praemandibularis v. Hass. 157.
strigipes Westr. xIII.
Botryogastra coerulescens Dol. 154.
Calommata sundaica Dol. 141.
Cladonotus jobiensis Thor. 154.
Cryptothele ceylonica Cbr. 168.
= cristata E. S. 138.
= Marchei E. S. 138.
a sundaica Thor. 138.
ir verrucosa L. K. 138,
Ctenus argentipes v. Hass. 148.
to fimbriatus Wlk, 156.
= Pollii v. Hass. 146.
n trabifer Thor. 146.
Bs valvularis v. Hass. 146,
Cyclosa melanura E. S. 135.
Cyrtarachne coccinella Thor. 134.
Cyrtauchenius montanus Thor. 141.
Cyrtophora melanura E. S. 135,
Daradius spectabilis Dol. 145.
Delena plumipes Dol. 144.
Dolomedes albicomus L. K. 145.
- albocinctus Dol. 145.
3 fimbriatus Wlk. 156.
à limbatus H. xxx11.
5 riparius H. 145.
Epeira anseripes Wlk. 135.
È, caligata Thor. 153.
5 caput lupi Dol. 153.
fi coccinea Dol. 136.
5 cornuta Clk. 136.
+ insulana Costa. 135.
+ Isabellae Vins. 136.
> Laglaezii E. S. 136.
si macrura Thor. 153.
5 nox E. S. 136.
5 patagiata CIk. 136.
3 pilula Thor. 136.
5 sydneica L. K. 136.
$ thelura Thor. 166.
+5 thomisioides Dol. 136.
trituberculata Luc. 135.
Ergane scutulata L. K. 158
Euophrys ancilla C. K. 152.
Gasteracantha brevispina Dol. 134.
= connata Butl. 133.
si cuspidata C. K. 134.
à dicallina Butl. 133.
È flavomaculata Keys. 133.
È fornicata F. 133.
n geminata F. 133.
= lugubris L. K. 134.
5 malayensis E. S. 132.
DI mediofusca Dol. 134.
> Mengei Keys. 132.
nn milvoides Butl. 133.
5 pseudoflava E. S. 133.
Rr 177.67 is TEM:
Gasteracantha quadrispinosa Cbr. 132.
= Sturii Dol. 133.
sumatrana Butl. 133.
= suminata L. K. 134.
= sylvestris E. S. 133.
taeniata WIk. 133.
5 transversa U. K. 133.
n unguicornis Butl. 133.
5 vittata Thor. 133.
= Wealii Cbr. 134.
Westringii L. K. 133.
Habronestes Bradleyi Chr. 139.
Hasarius ? bistriatus v. Hass. 157.
Hasarius lineatus L. K. 158.
Herennia multipuncta Dol. 135.
ornatissima Dol. 135.
Hersilia celebensis Thor. 139.
5 Savignyi Luc. 139.
5 sumatrana Thor. 139.
Heteropoda Boiei Dol. 142.
= flavimana E. S. 142.
DE thoracica C. K. 142.
5 venatoria L. 142.
Hippasa greenalli Blw. 145.
Homalathus bufo Dol. 152.
Hyllus giganteus C. K. 151.
Icius ? convergens Dol. 150.
Ischnocolus inermis Auss. 141.
Leptoctenus agalenoides C. K. 145.
Lycosa lanca Karsch. 145.
= picta v. Hass. 145.
7 serrata L. K. 145.
È Simonis Thor. 145.
Maevia margaritacea v. Hass. 158.
5 roseo-limbata v. Hass. 150.
= sulphurea L. K. 158.
Marpissa (gen.). XIII.
a monachus E. S. XIV.
= pomatia Wlk. XIII.
Di radiata Grube. xIII.
Marptusa convergens Dol. 150.
È sexpunctata Dol. 156.
Menemerus foliatus L. K. 150.
LI Paykullii Auss. 151.
Meta celebesiana Wlk. 136, 153.
5 coccinea Dol. 136.
È fastigata E. S. 136.
3 fastuosa Thor. 136.
> nigrotrivittata Dol. 136, 153.
quadripenicillata v. Hass. 136.
Mygale javanensis Dol. 140.
È stridulans. xLVI.
Nephila Kuhlii Dol. 153.
7 maculata F. 137.
È ornata Blw. 135.
A plumipes C. K. 137.
Nephilengys malabarensis WIk. 137.
Ocypete nobilis ©. K. 143.
Olios captiosus Wlk. 144.
3 ignichelis E. S. 143.
È Lamarckii Latr. 144.
A lunula Dol. 142.
Bu GLS mE
Olios pinotherus WIk. 143.
= senilis E. S. 144,
Oxyopes macilentus L. K. 149,
à striatus Dol. 149.
5 striolatus Dol. 149.
È thalassinus C. K. 150.
Pachypus Mac Leayi Cbr. 140.
Palpimanus haematinus C. K. 140.
Palystes Kochi E. S. 153.
È melanichnys Thor. 153.
N pinnotherus WIk. 143.
Panaretus ignichelis E. S. 143.
Phidippus ? keratodes v. Hass. 156.
a purpurifer C. K. 151.
Pholeus borbonieus Vins. 139.
= elongatus Vins. 139.
n sisyphoides Dol. 139
Phomeutria? Pollii v. Hass. 146.
Phorocridia acrosomoides v. Hass. 139.
i Thwaitesii Cbr. 138.
Phrynarachne ceylonica Cbr. 154.
E cucullata E. S. 154.
NI Kannegieterii v. Hass. 154.
n papulata Thor. 155.
Pistius annulipes Thor. 145.
= spectabilis Dol. 145.
Platythomisus octomaculatus C.K. 144.
A phryniformis Dol. 144.
Plectana arcuata F. 132.
clavatrix Wlk. 132.
~ claveata Cbr. 132.
È curvicauda Vauth. 132.
A globulata Wlk. 132.
5 Hasseltii C. K. 132, 153.
si helva Blw. 153.
= pictospina v. Hass. 153.
= praetextata Dol. 132.
remifera Butl. 132.
Plexippus albo-limbatus C. K. 151.
r guttatus ©. K. 151.
= janthinus C. K. 151.
È ligo C. K. 151.
È orichalceus C. K. 151.
~ Paykullii Aud. 151.
n purpurifer C. K. 151.
n suceinetus ©. K. 156.
rs tricolor C. K. 151.
viduus C. K. 151.
Poecilochroa conspicua ©. K. xxxII.
Poecilotheria fasciata Latr. 141.
Salticus bufo Dol. 152.
= formicarius d. Geer, xxXII.
n roseo-fasciatus Dol. 150.
n sexpunctatus Dol. 156.
Sarotes impudicus Thor. 144.
= nobilis L. K. 143.
5 procerus L. K. 145.
Scurria fasciata Latr. 141.
Selenoscomia javanensis Wlk. 140.
Sparassus Boiei Dol. 142.
Sphasus macilentus L. K. 149.
5 striatus Dol. 149.
257
Sphasus striolatus Dol. 149.
5 thalassinus C. K. 150.
Spinnen (Gehoorzintuig der). xLV.
Steriphopus Mac Leayi Cbr. 140.
Storena Bradleyi Cbr. 139.
2 maculata Cbr. 139.
È rufescens Thor. 139.
Tarentula trabalis Clk. xxxrr.
Tetragnatha ceylonica Cbr. 137.
È geniculata Karsch. 137.
Theridium ornatum H. xxxII.
> pictum. XXxII.
Thomisus foka Vins. 154.
en inustus. XVII.
Thychicus plumipes Dol. 144.
Zatapina plumipes Dol. 144.
ALGEMEENE ZAKEN.
Ailly (M. E. d’) overleden. n.
Albarda (Mr. W.) begunstiger. v.
Arnhem (Volgende Zomervergadering
te). XI.
Blandford (W. T.), Fauna of British
India. 19.
Bos (Rapport van Dr. J. Ritzema)
vertegenwoordiger op het
internationaal Landbouw-
congres. VIII.
Cameron (P.), Eikengallen in Ches-
hire Din.
Crommelin (W. P. van Wickevoort)
begunstiger. XII.
Decapoden des Ind. Archipels. ıx.
Dohrn (Dr. C. A), Eerelid, overleden. rr.
Dreessens (W. H.) afgeschreven als lid.
V.
Geschlechtsdrüsen (Accessorische) der
Säugthiere. IX.
Geuns (Dr. W. A.J. pa overleden. III.
Hampson (G. F.), Fauna of British
India, Moths, vol. I, 19.
Huet (W. G.) nieuw lid. v.
Jaspers (J), Biologische insecten-col-
lectie. LI.
Landbouw-congres (Internationaal). vit.
Leeuwen jr. (Prof. J. van) bedankt
als lid. ıv.
J. G. de), Decapoden des
Ind. Archipels. ıx.
Maurissen (Mr. A. H.) overleden. ıv.
Merens (M.) bedankt als lid. ıv.
Oijen (A. A. Vorsterman van), nieuw
ols a
Oudemans (Prof. C. A. J. A.) begun-
stiger. XII.
Oudemans (Mevr.), Schober,
> stigster. XII.
Oudemans (Dr. J. Th.), Accessorische
Geschlechtsdrüsen der
Säugthiere. 1x.
Phytopathologisch genootschap. x.
Man (Dr.
begun-
258
Ritsema Cz. (C.) als bestuurslid her-
kozen. XL.
Rossum (Dr. A. J. van) tot voorzitter
der vergad. te Arnhem be-
noemd. XI.
Rühl (F.), Die palaearktische Gross-
schmetterlinge. Lx.
Schober (Mej. S. C. M.) begunstig-
ster. XII.
Selys Longchamps (Baron E. de),
80-jarig feest. VIII.
Sickesz (Mr. ©. J.) bedankt als lid. rv.
Snellen (P.C. T.) als bestuurslid her-
kozen. XI.
Sumatra-expeditie (Voltooiing van het
werk over de). IX.
RE GES i HOR:
Thiebout (Mr. J.) als begunstiger be-
dankt. Iv.
Versluys jr. (J.) nieuw lid. xrr.
Veth (Prof. P. J.), Werk over de
Sumatra-expeditie. 1x.
Vlasman (C. L. Roos) als begunstiger
bedankt. Iv.
Weber (Prof. Max), Werk over zijne
reis naar Indie. 1x.
Weber (Mevr.), van Bosse, begun-
stigster. XII.
Zomervergadering (Arnhem gekozen
voor de volgende). xr.
Zoologische Ergebnisse einer Reise in
Niederl. Ost-Indien. ıx.
TvE. XXXVI. PI.
/
“ji
AJW hth. , PWM Trap impr
1-3 Podops Horvathi, Fokk.
4-5Eutrachelus Ghilianu, Gestro.
PLZ
T.v.E. XXXVI.
AJW. lith
PWM Trap impr.
*JTh.0. del
Pamphilius erythrocephalus,L.
RIS:
TvE XXXVI.
AJW. sculps.
PWM Trap impr.
Ir HW d.Gr del.
Exotische Crambidae.
TvE XXXVI. PL4.
LW. del. PWM Tirape AJW. heh
Javaansche Tachininen
T.v:E XXXVI.
-d.W. dei.
Javaansche Tachininen.
AJW. ith
BIS
P1.6.
T.vE XXXVI.
AJ.W th.
v.d.W. del
PWMT impr.
Javaansche Tachininen.
og.
E17
T. v BE. XXXVI.
1
-
1
'
'
'
0
Ù
'
r
A.J.W. lith
Nest van Lasius fuliginosus Latr.
P W.M.T.impr.
Dr. K.B. del
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
Po m SNELLEN.
F. M. VAN DER WULP
EN
jun: Da Eb. € EVENTS
ZES-EN-BERTIGSTE DEEL
tone 1900. 0
RRRAP ROL AAA AAD
S-GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1893
TUDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
a
er
.
‘ONDER REDACTIE VAN
rec to ON Zo ON |
F. M. VAN DER WULP
EN
Jur. Dr. Ep. J. G. EVERTS
ZES-EN-DERTIGSTE DEEL
JAARGANG 1892—93
Derde Aflevering,
ee
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1893
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Pose NELE EN
F. M. VAN DER WULP
| EN
IHR. DR, ED: J Ge EVERTS
GARY OF ( CONS
est 6 En i; l LL
> RS
ZES-EN-DERTIGSTE MER OMAN DEES é
JAARGANG 1892—93
Vierde Aflevering
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1893
i
mu RUI
Ian
Mo
Men
NAT
AU
Da DALE hr
Mut AN NAA Alt
et AGRON ay
BAR ah Ut)
ON LE eg
1 {
de
He AAT kerl
Tea
‚An,
PE PE ES ENT a __ È tnt
ECHO
TL PL ee ST TUE DREI Ke rn #
e IVe a ELDER,
LATE ots
Be ey
ter EL PCR