a ae Ne it
yaa à
alia;
RAA > I ‘
ira
hea ach
IHN abe AA ayia ZI
UK
N) N CALO]
} RINGE
APE HAUTS IAE TE EU
i EAN FON an
uy DL een
VOLS Runt DEL ND
CT EEE TE
{
bie he pd
a
i
N)
VAREND
MIMO
in in i Ki
4
0 pà
n) È
i Len
AMEL
LIAN
UME vin de \
Hye
FAUNE
a
NUL
ma Mi
a |
NR
NEHERRU RE
M, (LE }
: shat EN Ha
Ts me |
vi
NARA Pan
M 7 ie,
ARR
IPL AY, D
EEE dre AU JA
, OIL
te
EAN
a! vi
Old yeh ad
APTA. AW
A
Na
AY
KEE aes
LAS
tour ted,
#
: pce
Ù
ul
ety,
EEE eed
4 lung
rane ii
si
AA AN
Ten
te Gig TE
pk è Hi i
TIA
REC IM
divi
AM
De
MUR
NN |
AR), ETES
RES
RIRE
À
wish ds
Sieh Sa
Mr
det
qu
i
Ea wi
EEEN
KEERN
ean
step
IT
REM
DT
TAMPONS
fey
i 4
sé #
ER aie
VOLA
MELO
DENT
DRAC
ten N
ter
i ond Wa Yi Ein Ark da
CL OKE : oll 8 DE
i 4 (i
i MO.
1 iL
A AL }
’ Le
ei CA
Ba Ù
» A J
Cs È
\ vi i
i]
fj L
a KM
A ’ n
}
NI
be RIA I TH
k at
N »
1]
à
(eta
j è
{ LA
ti A
i
I
,
MEL dà À a
* |
f ty 4
di \ | |
Ù 17 u }
| ,
wiry u m | |
om A ARS *
un di hi ULI j
ar, AUS
vu EN Lr | VAR
Di PRE OEREN BAT A AAR
ND RES 7 |
MODERATI Lak RPO N VLOG Ie NE Fee
pi RITIRI VERRA wr end ws 6 t
LAN
Cr |
ie
WSNP
j
kr
TIIDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
P. C. T. SNELLEN
Jur. Dr. Ep. J. G. EVERTS
EN
Mr. A. F. A. LEESBERG
DRIE-EN-VEERTIGSTE DEEL
JAARGANG 1900
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1901.
Voor den inhoud van de in dit Tidschrift geplaatste
stukken, zijn de schrijvers alleen verantwoordelijk. De
Redactie is dit in geenen deele.
Aflevering I en II (pag. 1—222) uitgegeven 5 Sept. 1900,
» II en IV ( » 223—312) » 5 Aprıl 19017
DE ’sGRAVENHAAGSCHE BOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ
VOORHEEN GEBR. GIUNTA D’ALBANI
INHOUD VAN HET DRIE-EN-VEERTIGSTE DEEL.
Bladz.
Verslag van de 33ste Wintervergadering der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, te Rotterdam, op 21 Januari
OOR er rn: Ca View i
Verslag van de 55ste Zomervergadering der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, te Oosterbeek, op 9 Juni
1000 RESSE 22)
Lijst van de leden der Nederlandsche Entomologische Ver-
eeniging op 1 Juni 1900 yy ae
P. C. T. SNELLEN, Ter herinnering aan F. M. van der Wulp. 4
Mr. M. C. Prepers en P. C. T. SNELLEN, Enumération
des Lépidoptéres Hétérocères de Java”. Plaat 1—4 , 12
Dr. A. C. OupeMans, Further notes on Acari, Plaat 5 en 6. 109
Dezelfde, Bemerkungen über Sanremeser Acari, Plaat 7 en 8. 129
Dezelfde, Remarks on the denomination of the genera and
higher groups in «Das Tierreich, Oribatidae» . . . . 440
Dezelfde, New list of Dutch Acari. First Part. Plaat 9. 150
K. J. W. Kempers, Het adersysteem der Kevervleugels. II.
Plaat 10—12 172
Dr. A. W. M. van HassELT, De beteekenis der spinnen 200
Dr. J. GC. H. pe MEYERE, Ueber die Metamorphose von
.Callomyia Amoena Meig. Plaat 13. . . 223
Jhr. Dr. Ep. Everts, Boekaankondiging, — Manuel de la
Faune de Belgique. > 232
Bladz.
D. rer Haar, Twee variëteiten van Polyommatus Dorilis
Hine Platz ne ao pen... O eS
Dezelfde, Eenige merkwaardige aberratién en eene nieuwe
variëteit Pat le ner ed. . ee ee
P. CG. T. SNELLEN, Boekaankondiging. — Die Lepidopteren
des ABismarckS ATChIPel En osteo eeen ne
Dezelfde, Lycaena Doninu, nov. spee . . . .... 262
Dezeltde, Aanteekeningen over Pyraliden. Plaat 15—17 . 265
Dro J.) Vern, Twee aanteekeningen.. ı «sa wur STE
VERSLAG
VAN DE
DRIE-EN-DERTIGSTE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE ROTTERDAM
op Zondag 21 Januari 1900,
des morgens ten 11 ure.
Voorzitter de heer P, GC. T, Snellen.
Tegenwoordig de heeren: E. M. Beukers, Dr. J. Büttikofer,
J. B. Corporaal, C. J. Dixon, Jhr. Dr Ed. J. G. Everts, F. J.
Hendrichs, D, van der Hoop, Dr. F. W. O. Kallenbach, K. J.
W. Kempers, Mr. A. F. A. Leesberg, Dr. T. Lycklama à Nyeholt,
H. J. Lycklama à Nyeholt, Dr. D. Mac Gillavry, Dr. J. C. H.
de Meïjere, Dr. A. G. Oudemans Jsz., Dr. J. Th. Oudemans,
Mr. M. C. Piepers, R, A. Polak, Dr. C, L. Reuvens, C. Ritsema Czn.,
Gian oon, Dr. A. Je van Rossum, Br J. M. Schuyt, Dr. H.
J. Veth, J. A. J. M. van Waterschoot van der Gracht en H. W.
van der Weele.
Van de hecren G, Annes, K. Bisschop van Tuinen Hzn., A.
van den Brandt, M. Caland, P. Caland, D. ter Haar, Dr. A. W.
M. van Hasselt, F. J. M. Heylaerts, J. Jaspers Jr., A. A. van
Pelt Lechner en H. A. de Vos tot Nederveen Cappel is bericht
ontvangen, dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen.
Tijdschr. voor Entom. XLIII. 1
2 VERSLAG.
De Voorzitter opent de vergadering, heet de aanwezigen
hartelijk welkom en richt vervolgens het woord tot Dr. Büttikofer.
Hij verzoekt dezen aan het Bestuur der Rotterdamsche Diergaarde
den dank der Vereeniging over te brengen voor het beschikbaar
stellen der bibliotheekzaal tot het houden van deze vergadering.
De heer Büttikofer betuigt zijn dank voor de door den Voor-
zitter gesproken woorden en kan met voldoening constateeren, dat
hij bij het Bestuur der Diergaarde de meeste medewerking heeft
gevonden, waar het gold de Ned. Ent. Vereeniging van dienst
te zijn.
Daarna vraagt Dr. Kallenbach voor eenige oogenblikken de
aandacht der vergadering en zegt het volgende:
Mijne heeren, in dezen kring het oudste lid van onze Ver-
eeniging zijnde, wensch ik, voordat met de wetenschappelijke mede-
deelingen een aanvang gemaakt wordt, eerst nog eenige woorden
in het midden te brengen, ten einde uwe aandacht op de nage-
dachtenis van een man te vestigen, die ons tot algemeen diep
leedwezen onlangs door den dood ontnomen werd. Hoe zeer wij
ook allen weten, dat wij slechts op aarde komen om na een kort
verblijf weder te moeten gaan, zoo is het toch voor onze speciale
wetenschap, voor ons menschelijk gevoel gansch niet onverschillig,
wie de man geweest is, in wiens heengaan wij nu al weder
moeten berusten en als die man den op ons gebied heinde en
verre zoo goed klinkenden naam «van der Wulp» draagt,
dan, mijne heeren, beteekent zijn heengaan ontegenzeggelijk een
zwaar, een schier onoverkomelijk verlies voor de entomologie en
voor ons. Zij, die 20, 30 en meer jaren, zooals ook ik, het genoegen
mochten smaken, om zoowel op de algemeene vergaderingen als in
meer beperkte kringen van confraters met dezen man in nadere
aanraking te zijn geweest, zullen, dunkt mij, den indruk moeten
ontvangen, als of de geheele physionomie van onzen kring eene
nu hij er aan ontbreekt, en wel ontbreekt,
andere geworden is,
omdat hij niet meer tot de levenden behoort, hij, die geleefd
VERSLAG. 3
heeft met en vóór den bloei van onze vereeniging, hij, die van
hare eerste geboorte in 1845 af steeds en altijd met voorbeelde-
loozen ijver voor haar werkzaam en met onkreukbare trouw bij
hare zittingen tegenwoordig geweest is. Zijn bedaard en degelijk
voorkomen, zijn vriendelijk gelaat met de er ingegroefde uit-
drukking van welwillendheid, zijne geheele eenvoudige persoon-
lijkheid waren, om zoo te zeggen, een constitueerend element
van iedere entomologische bijeenkomst. Het is wel een bedroevend
samentreffen, dat juist die dag, waarop de Nederl, Entomol.
Vereeniging hare eerste vergadering binnen Rotterdam houdt,
tevens ook die zijn moet, van waar af zij dien man nooit meer
in haar midden zien zal, van waar af zij een medelid moet derven,
dat een van hare beste geweest is, dat als Koryphee op zijn
gebied algemeen bekend staat, en dat daarenboven om zijne voor-
treffelijke persoonlijke eigenschappen alom geacht en gewaardeerd
was. Mijne heeren, ik noodig U uit, eenige oogenblikken van
herdenken te wijden aan ons ontslapen medelid van der Wulp,
wiens naam in de annalen der Entomologie als uitstekend dipteroloog
onsterfelijk, in onze herinnering als die van een goed en sympathiek
mensch tot het laatst toe geboekstaafd zal zijn en blijven.
Sit ei terra laevis!
Alle aanwezigen betuigen hunne instemming met deze hartelijke
woorden.
De heer Snellen, nu tot de wetenschappelijke mededeelingen
overgaande, vertoont de variëteiten Lydius Felder en Urvillianus
Guérin van Papilio Priamus L. Daarbij doet hij eenige mede-
deelingen over tusschenvormen, die deze zeer afwijkende variëteiten
(de bij den hoofdvorm lichtgroene teekening is namelijk bij Lydius
matgoud en bij Urvillianus donkerblauw), met den type verbinden,
zoomede over de geographische verbreiding dezer soort.
De heer Everts wenscht, evenals hij op de laatste winterver-
gadering te Amsterdam eene verzameling «vreetstukken» van
4 VERSLAG.
verscheidene Scolytiden, Cerambyciden en andere liet zien, thans
eene collectie cosmopolitische Coleoptera ter bezichtiging te stellen,
welke door handelswaren over de geheele aarde verspreid zijn en
hier en daar het burgerrecht hebben verkregen. Dergelijke soorten
dient men dus wel bij de bewerking eener fauna als de onze te
bestudeeren , aangezien van uit onze havenplaatsen, pakhuizen,
graanmagazijnen zich vele dergelijke schadelijke kevers over het
land verspreiden. Merkwaardig is, dat ook enkele hunner vijanden,
die eveneens elders thuis behooren, zich soms te midden van de
geïmporteerde vertoonen.
In de nu rondgaande doos bevinden zich de volgende soorten
welke allen inheemsch zijn:
NITIDULIDAE.
4. Carpophilus dimidiatus F.; in Arachiden-noten, dadelkisten ,
cacao, zelfs in rijst, schijnt uit de West afkomstig.
2. Carpophilus hemipterus L.; op vijgenmanden, schijnt bij Berlijn
op bloeiende boekweit te zijn waargenomen,
PELTIDAE.
3. Peltis (Lophocateres) pusilla Klug. (= Yvanii Allib.); in rijst,
zaden, kruiden en gedroogde wortelen.
COLYDIIDAE.
4. Murmidius ovalis Beck; in rijst, gedroogde appelen, ver-
schillende Oost-Indische plantenstoffen; ook in galnoten, pak-
hooi en volgens Rye zelfs in dorre bladeren.
LATHRIDIIDAE.
5 Lathridius Bergrothii Reitt.; in oude dadelkisten en onder
dood hout in een stadstuin te Leiden; verspreidt zich over
geheel Europa; was beschreven naar exemplaren uit Finland,
6. Cartodere Beloni Reitt.; in sigaren.
CUCUJIDAE.
7. Laemophloeus ferrugineus Steph., in rijst, grutterswaren, vergane
zemelen, sigaren en naar het schijnt ook achter boomschors.
10.
del.
12.
13.
14.
16.
Are
18.
19.
VERSLAG. 5
Laemophloeus pusillus Schönh.; ter zelfder plaatse als boven-
staande soort.
Nausibius dentatus Mrsh.; in gedroogde appelen , gemberwortel,
campéchehout, in de peulen van cassia en in een azijnfabriek
te Rotterdam in groot aantal met de larven op den rand der
azijnkuipen.
Silvanus surinamensis L.; in rijst, granen, meel, peper,
gedroogde vruchten, zemelen, boekweitdoppen, tabak, ook
wel in slecht geconserveerde insecten verzamelingen.
Cathartus advena Waltl; in rijst, gedroogde appelen, aard-
noten , enz,
Cathartus excisus Reitt.; in gedroogde appelen.
LYCTIDAE.
Lyctus brunneus Steph.; uit wormstekige wandelstokken (z.g:
Cubarebe) en in zoethout,
Lyetopholis foveicollis Reitt.; in drogerijen en in de schors
van Butea frondosa uit O.-Indie.
DERMESTIDAE.
Trogoderma granarium Everts; in Amerikaansche, Poolsche en
Odessa-tarwe.
PTINIDAE.
Niptus hololeucus Fald.; verspreidt zich meer en meer in
allerlei waren als leder, drogerijen, oude boeken, rhabarber ,
wollen stoffen, tapijten, papier enz. Het eerst in Engeland
met borstels uit Rusland ingevoerd,
APATIDAE.
Rhizopertha bifoveolata Woll.; in drogerijen, rijst, bamboe enz.
Rhizopertha pusilla F.; in allerlei waren, als: rijst, Ameri-
kaansche tarwe en ook in herbarién.
ANOBIIDAE.
Lasioderma laeve Ml; in tabak en sigaren; de larve vreet
gangen. Uitvoerig is daarover geschreven door Prof. Ritzema
Bos. Tijdschr. v. Ent. Dl, XXIV. pag. 115.
20.
21
23,
25.
27.
30.
31.
33.
34.
39.
36.
VERSLAG.
TENEBRIONIDAE.
Lathetieus oryzae Waterh.; in Amerikaansche tarwe.
Tribolium ferrugineus F.; in grutterswaren, als: rijst, Ame-
rikaansche tarwe, oud brood en meel.
Tribolium confusum Duv.; in granen, meel, erwten, boonen,
zelfs in Spaansche peper en snuif; ook wel in verwaarloosde
insectenverzamelingen.
Palorus Ratzeburgii Wissm. (ambiguus Woll. , floricola Mars.) .
in oud brood, meel, rijst, grutterswaren en in bakkerijen.
Ook naar het schijnt achter boomschors.
Palorus subdepressus Woll. (bifoveolatus Baudi nec Dfts.); in
graan, brood en Arachiden-noten.
Gnathocerus cornutus F.; in brood,
Gnathocerus maxillosus F., in arrowroot en in brood.
Alphitophagus bifasciatus Say (4-pustulatus Steph.); in meel,
doch ook in rottende plantenstoffen , boommolm en achter schors.
Alphitobius diaperinus Panz,; in rijst; zou ook achter schors
leven.
Alphitobius mauritanicus F.; in grutterswaren,
CURCULIONIDAE.
Calandra granaria L.; zeer gemeen op korenzolders en bij
bakkers.
Calandra oryzae L.; in rijst.
PLATYRRHINIDAE.
draeocerus fasciculatus De G. (coffeae F.); somtijds schadelijk
aan koffieboonen; ook in cacao en gember.
BRUCHIDAE.
Bruchus acaciae Gylh.; uit divi-divi.
Bruchus chinensis L.; uit geimporteerde Leguminosen-zaden.
Bruchus incarnatus Boh.; uit algerijnsche boonen.
Bruchus irresectus Fahr.; uit Barcelona boonen.
VERSLAG. 7
SCOLYTIDAE.
37. Coccotrypes dactyliperda ¥.; wit O. Indische kina, dadels,
amandelen en Areca-zaden.
Bovendien nog twee Coleoptera, die, in waren gevonden, klaar-
blijkelijk jacht maakten op enkele der bovengenoemde schadelijke
soorten, Zoo o. a. een Carabide: Plocionus pallens F., tusschen
Arachiden-noten en een Cleride: Thanateroclerus Buqueti Lefebr.,
in Java koffie, welke door Araeocerus fasciculatus was aangetast.
Nog laat Spr. zien eene Anobide, bij Rotterdam indertijd ge-
vangen. Het bleek hem thans, dat deze soort kort geleden be-
schreven is als Xylotheca Meiers Reitt,. naar exemplaren bij Hamburg
gevangen. Na vergelijking met een exemplaar uit Hamburg van
den heer Veth, bleek het Spr., dat het deze soort was,
De heer de Meijere vestigt vooreerst, naar aanleiding van de
door hem onlangs beschreven Cecidomyide Monardia van der Wulpi
er de aandacht op, dat ongeveer gelijktijdig daarmede door Rüb-
saamen weder een Cecidomyide beschreven werd, waarbij onge-
vleugelde wijfjes voorkomen.
Met Wasmanniella aptera Kieff., gepubliceerd in 1898, zijn er
dit dus reeds drie; allen behooren tot de onderafdeeling der Cam-
pylomyzinen. Bij de nieuwe soort van Rübsaamen (Campylomyza
dimorphogyna Ribs.) !) zijn de mannetjes steeds gevleugeld; bij de
wijfjes ontbreken de vleugels geheel of zij zijn rudimentair.
Terwijl dus bij Monardıa van der Wulpi beide sexen dimor-
phisme vertoonden, is dit bij Campylomyza dimorphogyna alleen
bij de wijfjes, en in veel mindere mate dan bij eerstgenoemde
soort, het geval. Bij deze zijn nl. de wijfjes òf bijna ongevleu-
geld òf van volkomen ontwikkelde vleugels voorzien.
Spreker’s meening, dat de verschillende vormen, die hij als
M. van der Wulpi heeft samengevat, werkelijk tot een zelfde soort
behooren, wordt door Rübsaamen’s vondst zeer gesteund.
1) Biolog. Centralblatt. Bd. XIX No. 16. p. 543.
8 VERSLAG.
Voorts vertoont Spreker eene afwijking van een onzer meest
gewone Syrphiden (Catabomba pyrastri L. var. wnicolor Curt.),
welke in ons land en ook elders zeer zeldzaam is Bij deze exem-
plaren ontbreken geheel de drie paren van halve manen op het
achterlijf. Het ter tafel gebracht voorwerp werd in Augustus ll. te
Nieuw-Vennep (Haarlemmermeer) aangetroffen. De heer v.d. Wulp
bezat een dergelijk exemplaar van Hillegom (Augustus) en een van
’s Gravenhage (Juni). Beide zijn wijfjes, evenals het medegebrachte.
Ook Curtis kende slechts een wijfje.
Vervolgens vermeldt Spreker, dat hij in Juli van het vorige
jaar van den heer Boon te Amsterdam een paar Syrphidenlarven
ontving, welke bezig waren zich te voeden met rupsen van Harpyia
vinula L. De larven boorden hiertoe met hun beide krachtige
mondhaken in de onderzijde van de rups een opening, waarin
hunne voorste ringen dan langzamerhand verdwenen. Het slacht-
offer reageerde op deze ruwe behandeling betrekkelijk weinig; wel
vloeide er de bekende waterheldere vloeistof uit de klier van den
prothorax en werden de staartdraden eenige malen te voorschijn
gebracht, maar van plaats veranderen deed het dier niet. Eenige
uren later bleek de rups half leeggezogen, terwijl de zichtbaar ge-
zwollen larve er naast uitrustte van zijn rijkelijken maaltijd.
Dit restant van de rups vond men later verdroogd terug. Ook een
bijna volwassen rups dezer soort werd op dezelfde wijze door de
veel kleinere vliegenlarf aangetast en gedood. Bij gebrek aan rupsen
bleken bladluizen, welke men in dit geval als normaal voedsel
verwachten zou, en zelfs bladwesplarven, niet versmaad te worden,
Uit deze gulzige vliegenlarven ontwikkelde zich de bij ons vrij
zeldzame Melanostomum hyalinatum Fall,
Uit de mededeelingen van verschillende leden blijkt, dat ook zij nooit
eenig vocht aan de staartdraden van Harpyıa vinula hebben waar-
genomen, hetgeen bevestigd wordt door den heer J. Th. Oudemans,
die deze draden anatomisch heeft onderzocht en bevonden , dat
daarin geen klieren aanwezig zijn. Bij aanraking met lakmoes-
papier bleek het ook aan den heer van Rossum, dat deze draden
geen mierenzuur afscheiden.
VERSLAG. 9
Daarentegen heeft de heer Piepers herhaaldelijk in Indie drop-
pels vocht aan de staartdraden van aanverwante soorten waar-
genomen, hetgeen er voor pleiten zou, dat deze draden bij /larpyia
vinula rudimentaire organen zijn.
De heer Piepers deelt het volgende mede:
Naar ik mag aannemen is het ten minste aan een groot deel
der hier aanwezigen wel bekend, hoe in de laatste jaren in
Duitschland en Engeland allerlei proefnemingen worden gedaan
door poppen van vlinders en bepaaldelijk ook hunne rupsen kort
vóór en gedurende het tijdperk der popwording aan abnormale en
dikwijls excessieve temperaturen van warmte of koude te onder-
werpen, en hoe op die wijze allerlei variëteiten of aberratiën van
gewone vlinders worden verkregen. De zucht om op die wijze
curiositeiten voor verzamelingen te verkrijgen speelt daarbij eene
niet te miskennen rol; de wetenschappelijke strekking is echter
om langs dien weg het ontstaan en de verbreiding der kleurteekening
op de vleugels der vlinders na te sporen. Onder de beweringen,
die daarbij op den voorgrond worden gesteld en waarvan sommigen
gelooven in die proefnemingen zekere bevestiging te vinden, is
toch de voornaamste dat ten gevolge van de temperatuur de ver-
donkering dier kleuren door eene toename van zwart pigment zou
plaats grijpen. Nu is het wel waar dat die proefnemingen te dien
opzichte alles behalve afdoende zijn daar somtijds door abnormale
koude juist hetzelfde wordt te weeg gebracht wat een andermaal
door abnormale hitte het geval is; maar daarvan worden dan weder
gezochte uitleggingen gegeven, waarover ik elders reeds uitvoerig
heb gesproken en waarop ik nu niet zal terugkomen.
Een feit is het evenwel zonder twijfel dat in de vrije natuur
de temperatuur niet als de reden eener meerdere toename of eener
vermindering van het zwarte pigment kan worden aangenomen.
Er zijn Indische vlinders, die hetzij op Celebes donkerder zijn dan
op Java, hetzij zelfs in Oost-Java donkerder dan in West-Java;
zekere Lycaenide, /lerda Epieles Godt., die in het lage gebergte
op Java en ook in het Noorden van Britsch-Indië leeft, wijst te
10 VERSLAG.
dezen opzichte op die verschillende plaatsen juist zulke verschillen
aan als die, welke de in kleurteekening zeer veel op haar gelijkende
Polyommatus Phlacas L. in Zuid- en Noord-Europa kenmerken;
in alle die gevallen is echter de temperatuur waaronder die insecten
leven nagenoeg dezelfde en geenszins zoo verschillend als die van
Zuid- en Noord-Europa. De vlinders der uit overwinterde poppen
voortgekomen wintergeneratie van Papilio Machaon L. zijn in
midden-Europa iets donkerder dan die der zomergeneratie, in
Japan is het juist omgekeerd.
Hoewel die beweringen dan ook door mij worden verworpen
en ik meen dit alles door mijne theorie der kleurevolutie op eene
betere wijze te hebben opgehelderd, blijft het toch altijd nog van
belang te dien opzichte zulke volledige waarnemingen te doen, als
waaruit niet te weerspreken gevolgtrekkingen kunnen worden
afgeleid. In dien geest heb ik dan ook vroeger al het een en ander
gepubliceerd nopens twee in Europa, ook in Nederland zeer gewone
vlinders: Polyommatus Phlaeas L. en Vanessa urticae L.; ook thans
kan ik u te dien opzichte weder het een en ander mededeelen,
Polyommatus Phlaeas L. is in den regel hoe zuidelijker hij in
Europa gevonden wordt des te donkerder, in Zuid-Europa is de
zeer donkere vorm, de var. Zeus F., de meest algemeene. Het heet
daarom dat die donkerder tint door de hoogere temperatuur van
de meer zuidelijke streken wordt veroorzaakt. Echter komen enkele
zulke donkere voorwerpen, ook nu en dan in noordelijker streken ,
ook in ons vaderland voor, terwijl daarentegen de exemplaren van
de Canarische eilanden niet donker zijn, maar met die uit Noord-
Europa overeenkomen, En er bestaat dan ook nog, wel zeldzaam
maar toch constant, eene veel lichtere varieteit, de var. Schmidt,
waarbij het rood der bovenzijde in wit is veranderd, Deze vlinder-
soort nu overwintert niet als pop, maar heeft in Nederland drie
generatiën in Mei, Juli en September, reeds in het in 1867 ver-
schenen standaardwerk van onzen president over de Nederlandsche
vlinders vindt men daarover aangeteekend, dat de in Juli vliegende
donkerder zijn dan die der beide andere generatiën. Later heeft
men ook waargenomen dat bij die Juligeneratie de zoogenaamde
Ven Rast AG. 11
staartjes veel meer algemeen dan bij de beide andere generatién
voorkomen.
Ik bied u nu hier ter bevestiging hiervan eenige exemplaren
van dezen vlinder aan, ten deele uit de verzameling van onzen
president en die van den heer Schuyt herkomstig en voor het
overige gedeelte in het afgeloopen jaar door ons medelid, den heer
van der Weele, nabij ’s Gravenhage gevangen. Bij den eersten
aanblik valt daarbij voorzeker al in het oog dat die in Juli ge-
vangen aanmerkelijk donkerder zijn dan die der beide andere
generatiön. En zeer opmerkelijk zijn vooral daarbij de 17 stuks
op denzelfden dag, op 19 September 1899, gevangen. Want ieder,
die zich herinnert, hoe in dat afgeloopen jaar juist de laatste helft
van Augustus en de eerste van September zich door buitengewone
warmte, veel sterker dan die van Juli, heeft gekenmerkt, zal dus
inzien dat deze vlinders het grootste deel van hun larven en
nymphenleven, zeer bepaaldelijk het laatste en het tijdperk der
popwording , in dien tijd van groote warmte moeten hebbben door-
gebracht. Toch zijn zij zonder uitzondering aanmerkelijk minder
donker dan de in Juli gevangene.
Van Vanessa urticae L. daarentegen heet het dat zij naar het
Noorden toe steeds verdonkert, en dat dus de meerdere koude
daarbij eene toename van het zwarte pigment te weeg brengt.
De gronden waarop dit beweren berust zijn namelijk deze dat in
Corsica de var. Zehuusa Bon. en in Zuid Oostelijk Europa de var.
Turcica Stdgr. leven, bij welke beide eene vermindering der zwarte
vlekken valt waar te nemen, die aan de Midden-Europeesche type
eigen zijn, en welker rood of oranje ook lichter zoude zijn, d. i.
met minder zwart pigment houdende schubben vermengd dan bij
die type het geval is. En dat verder in Lapland die type door eene
variëteit, de var. polaris Stdgr, zou worden vervangen, welke zich
daarvan daarentegen door eene aanmerkelijke verdonkering zou
onderscheiden.
Reeds vroeger heb ik te dien opzichte medegedeeld dat eene
beschouwing van Nederlandsche exemplaren dezer vlindersoort mij
12 VERSLAG.
er toe had geleid die zienswijze niet voor juist te houden, Ik bevond
toch in de collectie Snellen dat die vlinders in Nederland niet steeds
dezelfde tint bezitten maar nu eens donkerder zijn, dan weder
lichter, en zoo ineenloopende; ik vond er één exemplaar wat het
verdwijnen der zwarte vlekken betreft nog maar zeer weinig van
de var. uit Corsica verschillende, en ook meerdere wier rood of
oranje niet donkerder was dan dat van die variéteit of van de
var. Turcica Stdgr.; terwijl de meer donkere met een van den
ontdekker of liever gezegd uitvinder dier variéteit zelven ontvangen
exemplaar der var. polaris Stdgr. vergeleken, al mocht deze laatste
misschien in het algemeen nog een weinig donkerder wezen, toch
geen noemenswaardig onderscheid deden opmerken. En ziet, nu
berichtten in eene vergadering van de Londensche Entomologische
Vereeniging in 1898 gehouden, twee Engelschen, dat zij in Noor-
wegen, zoowel in de meer Zuidelijke streken als bepaaldelijk
op 69° 50° N., vele Vanessa’s urticae L. hadden gevangen en
ook gekweekt; en dat alle die vlinders hoogstens in het gemid-
delde een weinig donkerder blijken te zijn dan de in Engeland
levende dier soort, maar in het algemeen van deze overigens niet
verschillen, en dat bepaaldelijk eene var. polaris daaronder niet
voorkomt.
Dat is dus juist hetgeen mij ook in Nederland was gebleken, en
hiermede is alzoo ook die var. polaris Stdgr. en de beweerde
invloed der koudere luchtstreek op de kleur van Vanessa urticae L.
wel weder naar het rijk der entomologische fabelen verwezen.
Nog meerdere onderzoekingen over een groot materiaal zijn echter
hier nog zeer wenschelyk.
Naar mijne zienswijze is Polyommatus Phlaeas L. een vlinder in
dat tijdperk der kleurevolutie waarop de eerst opgekomen verdon-
kering weder gaat afnemen en de verbleeking van het rood steeds
toeneemt. Dat toch de meer donkere vorm in dit geval de minst
geavanceerde in evolutioneele ontwikkeling is, meen ik te mogen
afleiden uit het feit dat bij dezen vorm de zoogenaamde staartjes
nog het meest constant voorkomen. Deze zijn toch zonder twijfel
relicten, de vorm, die daarvan de minste overblijfselen heeft of
VERSLAG. 13
waarbij die al geheel zijn verdwenen, mag dus als de verst ont-
wikkelde gelden. Alsdan is de oudere kleurtoestand van deze soort
in het Zuiden van Europa nog de algemeene doch komt die behalve
bij enkele atavistische individuen in Nederland niet dan al zeer ver-
zwakt voor, doch nog het meest bij de tweede generatie; en zulks
om redenen, die mij nog duister zijn en over welke ik mij derhalve
thans niet in gissingen zal begeven. Terwijl onder de beide andere
generatién meerendeels lichter gekleurde en dikwijls zelfs veel
lichtere en dus veel meer geevolutioneerde individuen voorkomen
en enkele zelfs bij wie de evolutioneele verbleeking zoo ver is
gevorderd dat het rood al geheel in wit is veranderd (de var.
Schmidt) en zoo het kleurstandpunt is bereikt, hetwelk ook reeds
bij andere Lycaenidea zooals bij Lycaena Celeno Cram, wordt aan-
getroffen.
Wat Vanessa urtieae L. betreft valt de vraag of deze zich in
een toestand van vermindering of van toename van het zwart
bevindt mocielijker te beantwoorden. Waar evenwel Standfuss bij
zijne temperatuurproeven kunstmatig variëteiten van Vanessa Lo L,
kweekte, die veel meer tot Vanessa urticae L. naderen dan de type
dit nu doet en die dus zeker wel een atavistische vorm representeeren
uit het tijdperk waarin de differentiéering van beide soorten nog
veel minder dan tegenwoordig gevorderd was, valt daarbij eene
vermindering van het zwart waar te nemen en alsdan dan ook
eene overeenkomst met een lichte vorm van V, urticae L. zooals
de var. Zehuusa Bon. Zoowel hij Vanessa lo L. als bij Vanessa
urticae L. schijnt derhalve sedert die differentiéering het zwarte
pigment te zijn toegenomen, en er bestaat geen grond om aan te
nemen dat die periode thans alreeds heeft opgehouden. Maar zeker
is dit geenzins.
Zooals ik zeide is hier dus nog meer onderzoek noodig. En
daarvoor rijkelijk materiaal, want alleen door de vergelijking van
vele vlinders kan men tot iets komen. Beide de genoemde vlinders
zijn nu in Nederland zeer gewoon, maar met dat al voor mij,
daar mijn jachttijd zoo goed als voorbij is, niet gemakkelijk te
14 VERSLAG.
verkrijgen. Alle vlinderjagers onder U zullen ze echter in den
aanstaanden zomer genoeg ontmoeten. Vergun mij dan er bij U
beleefd op aan te dringen ze dan voor mij te vangen en mij toe
te zenden, Ze uit te spannen is daartoe niet noodig, ook de louter
opgeprikte of in papier verpakte zijn mij welkom; alleen twee
vereischten zijn daarbij in acht te nemen, de juiste opgave der
localiteit en van den vangdatum, Laat ik U daarom mogen ver-
zoeken op deze wijze ook tot die meer nauwkeurige kennis dezer
inheemsche vlinders wat te willen bijdragen.”
De heer van Rossum deelt het volgende mede:
1°. Den 31sten Juli ontving hij van Dr. Reuvens eene menigte
bladwesplarven welke door dezen en door den heer Ritsema op
een Spiraea-plant in een tuin te Oosterbeek gevonden waren.
Hoewel de bloeitijd reeds voorbij was, meende Spreker de plant
voor eene Spiraea aruncus L. of aanverwante soort te moeten
houden, hetgeen door bloemkweekers bevestigd werd. De larven
aten er met graagte van; daarentegen wilden zij van de bladeren
van Spiraca ulmaria L. hoegenaamd geen gebruik maken, zoodat
eenige die hier op geplaatst waren, bezweken. Tegen 10 Augustus
hadden alle overige cocons gemaakt; 15 Aug. verschenen reeds
twee wespen en 16 Aug. nog een twaalftal, a//e van het vrouwelijk
geslacht. Spreker meent ze voor exemplaren van Nematus spiraeae
te moeten houden, welke door Zaddach en Brischke beschreven is
in « Beobachtungen über die Arten der Blatt-und Holzwespen , Erste
Abtheilung p. 345; n. 85. Ook Dr. J. Th. Oudemans, aan wien
exemplaren toegezonden waren, deelde deze meening. Larven noch
wespen zijn tot nog toe in Nederland gevonden. In Engeland en
Frankrijk zijn zij evenmin vermeld; de larven zijn tot nu toe alleen
bij Munchen in 1876 aangetroffen door Kriechbaumer op Spiraea
aruncus, welke aldaar in het wild groeit aan de steile oevers der
Isar (Correspondenzblatt des naturwissenschaftl. Vereines in Regens-
burg 1884 p. 106). Kriechbaumer zond manlijke en vrouwelijke
wespen, welke gedurende zijne afwezigheid uit de cocons te voor-
schijn gekomen waren, ter determineering aan Zaddach. Slechts
VERSLAG. 15
eenmaal later heeft hij « trotz eifrigen und beschwerlichen Suchens »
nog een paar larven gevonden. Verder is er in de hymenopterolo-
gische literatuur niets naders omtrent de wesp te vinden; Konow
vermeldt haar onder den naam Pleronus spiraeae Zadd. in zijnen
«Catalogus Tenthredinidarum Europae», voorkomende in de Deut-
sche Entomol. Zeitschr. Jahrg. 1890, p. 246. 1)
De wespen hebben parthenogenetisch eieren gelegd op bladeren
van Spiraea aruncus; het gelukte hier larven uit groot te brengen
welke cocons vervaardigden, Wespen zijn hieruit in het najaar nog
niet verschenen; daarentegen kwamen uit eene latere generatie
van larven, welke tegen het einde van Augustus weder in Ooster-
beek gevonden werden, omstreeks 22 Sept. nog eenige wespen te
voorschijn.
Onder dankbetuiging aan de heeren Reuvens en Ritsema voor
de verstrekking hunner interessante vondst — hoogstwaarschijnlijk
nieuw voor de fauna van Nederland — laat Spreker eenige exem-
plaren van Pteronus spiraeae Zadd. ¢ ter bezichtiging rondgaan,
benevens vergroote afbeeldingen van eieren, larve en vrouwelijke
wesp, door Mej. Fischer vervaardigd. Na deze voorloopige mede-
deeling hoopt Spreker later in het Tijdschrift voor Entomologie een
uitvoeriger opstel te kunnen plaatsen over de ontwikkeling van dit
hymenopteron uit ei tot imago.
20, De larve van Cimbea femorata L. syn. C. betulae Zadd., die
Spreker 22 Juli op Montferland van den heer de Vos tot Nederveen
Cappel mocht ontvangen, bleek aangestoken te zijn. Zij begon
langzamerhand rimpelig te worden, en lag 28 Juli bruin verkleurd,
slap en grootendeels uitgedroogd op den bodem van het glas; achter
den kop was eene verdikking waar te nemen. Den 34sten Juli
kroop eene kaas-kleurige made uit de doode larve; zij was tegen den
middag in een eivormig wit tonnetje veranderd, dat des avonds
donkerbruin werd. Dienzelfden dag verscheen nog eene tweede
parasitische made welke 1 Aug. ook in een dergelijk bruin tonnetje
veranderde, De parasieten tot nu toe door Spreker uit Cimbex,
1) Zie ook: de Dalla Torre Cat. Hymenopterorum Vol, I. p. 264.
16 VERSLAG.
larven gekweekt, waren uitsluitend sluipwespen; in dit geval was
de larve echter het slachtoffer van sluipvliegen geworden. Eene
tweede larve van C. femorata, welke 27 Juli door de heeren Reuvens
en Ritsema op den Schelmschen weg bij Oosterbeek gevonden was,
scheen ook ziek te zijn. Zij trachtte zich in te spinnen, maar dit
gelukte niet en in de eerste dagen van Augustus was zij bezweken;
infectie van sluipwespen of vliegen kon hierbij niet waargenomen
worden.
3% De parthenogenetische larven van Cimbex connata Schr.
waarover Spreker berichtte op de Zomervergadering te Doetinchem ,
zijn ingesponnen; de eerste reeds den 14den, de laatste den 30sten
Juli. Zij waren 3—6 Juni uit het ei verschenen; de ontwikke-
lingsperiode bedraagt dus gemiddeld bij deze larven 6 à 7 weken.
Deze parthenogenetische larven stamden uit twee wespen, welke
als larven in 1897 in Westervoort gevonden waren. In den afge-
loopen herfst werden door Spreker zelf eindelijk weer eens connata-
larven op els waargenomen . . . wat hem na 1872 in Enschede
niet gelukt was! In de nabijheid der Dullertstraat te Arnhem
bevindt zich een landwegje dat naar het Broek voert; hier werden
op els (Alnus glutinosa) van 17 Sept. tot 15 Oct. negentien con-
nata-larven aangetroffen, waarvan er zeventien cocons maakten.
Voor het inspinnen werden de larven over het geheel geelgroener,
en waren bij sommige de duidelijk begrensde geele streepen langs
de donkere ruggelijn toen niet meer te herkennen.
Spreker had op dezelfde plek 22 Sept. 1897 eene larve op wilg
gevonden welke de voor elzen-larven kenmerkende stippen boven
de luchtgaten bezat, en overigens in menig opzicht als het ware
een overgang tusschen de larven van els en wilg scheen te vormen.
(Zie beschrijving: Tijdschr. v. Entom. XLI, Versl. p. 11). Deze
larve had zonder verder voedsel van wilg noch els te gebruiken
zich ingesponnen, en toen er tot Sprekers leedwezen in den afge-
loopen voorzomer nog niets uit den cocon was te voorschijn ge-
komen, werd er 21 Juli 1899 eene opening in gemaakt. In den
cocon werd toen een sluipwespen-cocon gevonden, en deze bleek
bij opening, na tweejarige overwintering eene levende lichtgeel-
VERSLAG. 7
achtige larve te bevatten. Deze cocon werd toen weder in den
Cimbex-cocon geplaatst; den 28sten Juli was de larve nog onver-
anderd, maar toen Spreker haar 3 Aug. weder beschouwde begon
zij bruinig te worden en te verdroogen. De sluipwespen-cocon had
de grootte van een Pamseus-cocon : reeds meermalen zijn bij Spreker
exemplaren van Paniscus glaucopterus L. na tweejarige overwin-
tering verschenen o. a. twee vrouwelijke op 30 Juli 1893 uit
Cimbex-cocons die in Sept. 1891 waren ingesponnen (Tijdschr. v.
Entom. XXXVII, p. LVII).
4%. De kweek der larven van (mb. lulea L. syn. saliceti Zadd.
op Populus pyramidalis is in alle opzichten geslaagd, (Zie Tijdschr.
v. Entom. XLII. Versl. p. 64). Alle achttien omstreeks 16 Juni
uit ei verschenen larven zijn volwassen geworden en hebben van
24 Juli tot 3 Aug, dus gemiddeld na een groeitijd van zes
weken, hare cocons vervaardigd,
In aansluiting aan zijne mededeeling op de laatste Zomerver-
gadering omtrent de kweek van /utea-larven op wolwilg kan Spreker
thans berichten, dat het hem na veel moeite en teleurstelling toch
eindelijk gelukt is... . éene dergelijke larve groot te brengen !
Omstreeks 21 Juli uit een der bevruchte eitjes voortgekomen, welke
door eene ingebonden wesp op Salix caprea gelegd waren, groeide
zij betrekkelijk langzaam en kroop na ruim zeven weken, 9 Sept.
in den grond, waar zij een flinken cocon rnaakte. De kleur dezer
larve was dofgroen; zij bezat een vreemd geteekende ruggestreep
welke ongeveer in het midden der lengte eene plotselinge ver-
dikking bij wijze van een vrij breeden vlek vertoonde. — Vele
andere exemplaren zijn op verschillende leeftijden te gronde gegaan ;
de meeste bezweken echter reeds binnen de eerste week na ver-
schijning uit het ei; slechts enkele zijn drie of ruim vier weken
in leven gebleven, De ontlasting dezer wolwilg-larven was opvallend
droog en draderig; eene geringe bestuiving der blaadjes met water
om het voedsel eenigszins vochtiger te maken, bekwam de larven
meestal slecht. Het blijkt, zooals ook reeds de Geer en later Brischke
aangegeven heeft, werkelijk zeer moeilijk te zijn wolwilg-larven
groot te brengen. Daarentegen heeft Spreker herhaaldelijk op waar-
Tijdschr. v. Entom. XLIII. 2
18 VERSLAG.
denhout gevonden òf op gladbladerige wilg gekweekte /utea-larven
met wolwilg gevoed, zonder dat zulks dàn een nadeeligen invloed
had. Sommige der larven waren zeer licht groen; andere bezaten
hier en daar een roodachtig of okerachtig schijntje, eenigszins ge-
lijkend op de kleinste door Brischke afgebeelde larve in Fig. 46
op Tafel II, Schriften d. Physik. Oek Gesellsch. zu Königsberg,
Jahrg. III. Juist deze schenen de teerste te zijn; aan de larve,
welke 9 Sept. ter coconvorming in den grond kroop, en dus de
sterkste bleek te zijn, was hoegenaamd geen roodachtig tintje waar
te nemen. Wanneer het gelukt de wesp hieruit te voorschijn te
zien komen, zou zij vergeleken kunnen worden met de eventueel
te verwachten wesp uit den cocon eener insgelijks groene larve,
in het begin van Augustus 1898 op wolwilg gevonden. (Lie Tijdschr.
v. Ent. XLII, Versl. p. 12). Zooals bekend is, wordt de uit wol-
wilglarve verschijnende wesp door Konow voor eene bijzondere
soort gehouden Cb. capreae Kon.
Den 4den Augustus eenige glazen naziende, waarin /utea-larven
gekweekt waren, in 1897 op waardenhout aan den Rijn gevonden,
bemerkte Spreker twee cocons welke nog niet uitgekomen waren.
Na behoedzame opening bleken beide weder levende larven te be-
vatten, welke thans 21 Jan. 1900 nog in zeer goeden toestand
verkeeren. Bijzonder zeldzaam schijnt het dus niet te zijn dat
Cimbex-larven eene driejarige 1) overwintering in de cocons door-
staan, alvorens (al dan niet) in imago te veranderen. Van de 21
lutea-larven welke in ’97 gevonden waren, hadden er 19 cocons
gemaakt; hieruit verschenen na éénjarige overwintering 3 d en
6 2 wespen (5 Juni tot 8 Juli), verder 6 ex. Paniscus glaucopterus
L., en uit een cocon ongeveer 35 kleine sluipwespen. Na twee-
jarige overwintering kwam nog een Paniscus-sluipwesp te voor-
schijn. Deze 21 larven leverden dus 9 wespen, bijna 43 pct.,
maar uit de twee cocons kunnen zich na driejarige overwintering
nog wespen ontwikkelen; alle andere wespen van deze kweek ver-
schenen reeds na éénjarige overwintering.
1) Zie Tijdschr, v. Entom. XLII. Versl. p. 8.
VERSLAG. 19
De /utea-larve was in de omstreken van Arnhem in den afge-
loopen zomer schaarsch; in het wilgenwaardje bij de kolenloods aan
den Westervoortschen dijk werden er in het begin van Aug. echter
twee gevonden, welke 14 en 31 Aug. zich insponnen.
Van een bloemist in Arnhem ontving Spreker 13 cocons afkom-
stig uit wilgenmolm van Renkum en Heteren; zij waren over het
algemeen zeer groot en taai, min of meer lederachtig. Elf dezer
cocons bevatten reeds eene opening waaruit sluipwespen ontweken
waren! Slechts twee cocons verkeerden nog in goeden toestand en
uit een kwam een bijzonder groot wtea- wijfje; zooals Spreker meer
waargenomen heeft bij andere groote vrouwelijke exemplaren , ver-
zette ook deze zich lang tegen copulatie . . . totdat dit eindelijk
aan het kleinste Zwfea-mannetje gelukte! Spreker bemerkte ook
dat paring dezer wespen in het donker plaats kan hebben. Hij
bracht een d en ® in een doosje van zijne woning naar den ste-
delijken Hortus om ze daar op Populus nigra in le binden, De
afstand bedraagt ongeveer 5 minuten; de doos openende bevond
hij dat er een huwelijk gesloten was. Den 18den Aug. verschenen,
na éénjarige overwintering twee vrouwelijke Zutea-wespen, uit
larven door Spreker uit bevruchte eieren gekweekt. Zoo laat in
den zomer was dit nog nooit bij hem voorgekomen. Waarschijnlijk
zal dit echter in de natuur meer plaats hebben, daar men dikwijls
in Sept. en tot half Oct. Cimbex-larven aantreft, welke dan uit
eieren voortgekomen zullen zijn, in het laatst van Aug. gelegd.
Van den heer F. Fuchs, Forstpraktikant te Passau, welke zich
ook met onderzoekingen omtrent parthenogenesis bij Cimb. lutea
bezig houdt, vernam Spreker dat er uit de naar Munchen gezon-
dene 19 Arnhemsche cocons 7 4 en 32 wespen verschenen waren.
Van deze laatste had hij 108 zeer goed ontwikkelde parthenoge-
netische larven verkregen op Salix daphnoides en purpurea in
den botanischen tuin aldaar. Bij zijne verplaatsing naar Passau,
waar de jonge larven weer op wilgen ingebonden werden, zijn
echter zes van de zeven tulen-omhulsels waarin zij zich bevonden
«durch böswillige Hände abgerissen », zoodat slechts drie larven
tot coconvorming overgingen. De heer Fuchs vermeldt tevens, dat
20 VERSLAG.
uit een der Arnhemsche cocons een Anomalon circumflexnum 9
voortkwam, eene sluipwesp welke Spreker nog niet uit Cimbex-
cocons zag verschijnen.
50, Larven van Cimb. fagi werden ook dit jaar slechts in gering
aantal aangetroffen. Door den heer Ritsema werd er, 9 Sept., voor
het eerst eene in het beukenbosch van Sonsbeek gevonden, (waar
Spreker er jarenlang te vergeefs naar gezocht had); 18 Sept. aldaar
een tweede exemplaar; 10 Sept. eene larve in de Middachterlaan ,
en 29 Sept. eene ziekelijke op den Raapopschenweg. Alle vier zijn
bezweken; de larven worden òf slap, vallen op den bodem en zijn
weldra bruin verkleurd, òf zij blijven zitten tegen het blad, vreten
echter niet meer, zonderen uit den mond eene witte, slijmerige,
zwak alkalische vloeistof af, en zitten eindelijk, eenigszins ver-
schrompeld , dood in gewone opgerolde rustende houding tegen een
blad gekleefd De larve van den heer Ritsema, die flink gevreten
had en zeer groot geworden was, zat op dergelijke wijze, 29 Sept.
tegen een blad. Beuken-larven met elzen-larven vergelijkende werd
opgemerkt, dat deze laatste, behalve door het bezit der donkere
stippen boven de luchtgaten, zich onderscheidden door een gladder
lichaam. Bij fagi-larven zijn veel meer kleine pukkeltjes over het
lichaam verspreid. De wratachtige uitsteekseltjes in kringetjes boven
de pooten vereenigd, zijn echter bij connata sterker ontwikkeld en
puntiger. Het onderlijf was bij deze beukenlarven ook intensiever
blauwgroen dan bij de elzenlarven.
6°. Ter bezichtiging laat Spreker rondgaan een fraaie witte cocon
van Clavellaria amerinae L., welke zich tegen den binnenrand eener
jaszak ingesponnen had. Dr. J. Th. Oudemans meent, dat de cocon
wel degelijk open mazen bezit. (Tijdschr. v. Ent. XLI, Versl. p. 73).
7°. Omtrent het onderzoek der insecten-eieren kan meegedeeld
worden, dat ook in de eieren van Ocneria monacha L. phosphor-
zuur, calcium en ijzer aangetoond werd. Spreker houdt zich zeer
aanbevolen voor groote bezendingen van eieren om tot quantitatief
onderzoek te kunnen overgaan. (Tiydschr. v. Ent. XLII, Versl. pag. 67.)
&°. Tenslotte vraagt Spreker of ook op andere plaatsen in de
Septembermaand even als bij Arnhem vele rupsen van. Pap.
VERSLAG. a!
Machaon L. en Acronycta aceris L. werden ‘aangetroffen. De heer
Polak bevestigt dit wat Aer. aceris betreft.
De heer Leesberg brengt aan de Vergadering over de groete
van onzen geachten Generaal Dr, A. W. M. van Hasselt die hij
juist een paar dagen geleden bezocht naar aanleiding van een
stukje over spinnenindustrie door S. in een tijdschrift gevonden.
De generaal had nooit iets dergelijks gehoord ofschoon het hem
“bekend was dat onder de webmakende Epeiridae er diurnae en
nocturnae zijn.
De waarneming was de volgende:
Zekere heer Goeldi, directeur van het Museum te Para (Zuid-
Amerika) deelt mede omtrent de levenswijze van Zpeiroides bahiensis
Kaiserling (N. B. Mpedroides is synoniem aan ons genus Zpeira) ,
die veelvuldig in zijn tuin voorkwam, dat hij nimmer een web of
nest van deze spin zag.
Hij gaf toen aan zijn zoontje last om eens ’s nachts toe te zien
of hij er iets van vond, en deze was zeer gelukkig te bemerken
dat in de duisternis de spin haar net maakte en er rustig bij
bleef zitten wachten, terwijl tegen den morgen de spin het web
losmaakte, oprolde als een plaid en er mede naar haar nest toog
om aldaar de gevangen buit te verslinden. ledere avond werd zulk
een net gemaakt en door deze nieuwe Penelope ook iederen dag
vernietigd.
S. deelt verder iets mede over het kweeken van coleoptera larven,
dat gewoonlijk nog al met moeite gepaard gaat.
Met een tweetal soorten gelukte dit bij S. In Juli 1899 werden
door hem te Winterswijk waar deze soort talrijk scheen een vijftal
volwassen larven van Pytho depressus L. medegenomen en thuis
met wat schors in een kartonnen doos gedaan. De inhoud werd
een paar maal ’s weeks met wat water besprenkeld. De dieren
bleven in leven en 1 October verpopte een der larven, de
pop was geheel kaaswit en toen op 22 October de kever uitkwam
was zijn kleur eveneens geheel wit-geel, Na een paar dagen echter
was het insect volkomen normaal uitgekleurd. Een der larven is
22 VERSLAG.
daarna nog verveld en leeft in harmonie met den kever die heden
nog springlevend is. ’t Is waarschijnlijk dus een soort die in het
vroege voorjaar vliegt.
De andere kweeking van de larven van Diaperis boleti was nog
gemakkelijker. Een stuk zwam op wilg, gelijkend op papier maché,
in Juli 1897 bij Maastricht gevonden, leverde reeds in 20 dagen
een paar fraai uitgekleurde kevers, die S. het genoegen had aan
Dr. Everts als in den Haag geboren levend aan te bieden, Ook hier
was een kleine besprenkeling voldoende.
Eindelijk de pop van Aulonium trisulcatum in Juli 1898 bij
Gronsveld gevonden, leverde na 8 dagen het volwassen insect.
De heer Ritsema laat ter bezichtiging rondgaan een Hymenop-
teren-nestje van eene cylindervormige gedaante en vervaardigd uit
eene witte wollige stof (vermoedelijk de beharing van Salvia- of
Verbascum-bladeren), welk nestje door Dr. R. Horst in Augustus Il.
te Angerlo bij Doesburg gevonden was in een plooi van een sarong ,
die als gordijn in eene serre dienst deed. Het nestje werd wegge-
nomen toen de bij het niet meer bezocht. Wellicht had het toen
eene voldoende grootte bereikt (het bestaat uit 5 boven elkander
geplaatste afdeelingen, waarvan elk eene larve of cocon bevat);
maar het kan ook zijn, dat de bij op de eene of andere wijze den
dood gevonden had. Dr. J. Th. Oudemans hield het voor niet
onwaarschijnlijk, dat het een nestje zou zijn van Anthidium mani-
catum L., waarvan bekend is, dat hij de bladeren van wollige
planten afscheert om van deze stof zijn nest te vervaardigen
In de tweede plaats vertoonde Spreker een fleschje met spiritus,
waarin zich eene zonderlinge keverlarve bevond. Bij deze larve is
n.l. de kop zóó geplaatst, dat de monddeelen naar boven gekeerd
zijn. Deze larve werd door hem aangetroffen in een flesch met
insecten afkomstig van Kedah (= Queda), eene plaats op het
schiereiland Malakka ten noorden van Perah gelegen. In dezelfde
flesch bevonden zich ook een termieten-wijfje of koningin en een
paar termieten-soldaten benevens een viertal kevers tot het Cara-
biciden-genus Orthogonius behoorende (waarschijnlijk O. femoratus
VERSLAG. 23
Dej.). Daar het bekend is, dat de larven van Orthogonius (en ook
die van het verwante geslacht G/yplus) in termieten-nesten leven,
ligt de veronderstelling voor de hand, dat de zonderlinge keverlarve
met de bovengenoemde kevers in het termieten-nest zijn gevonden
en dus bij elkander behooren, Tot nader onderzoek zal Spr. een
en ander aan ons medelid, den heer Wasmann toezenden.
De heer A. C. Oudemans brengt der Vergadering de groeten
over van den heer H. W. Groll te Haarlem, dien Spreker in den
afgeloopen Kerstvacantie bezocht.
Naar aanleiding van een berichtje in de «Illustrirte Zeitschrift
für Entomologie» van Dr, Chr, Schröder en Udo Lehmann,
band 3, p. 4 en 5, waarin Dr. Prehm, handelende over «Volks-
tümliche Anschauungen über Insekten», mededeelt, dat het tikken
der meubelen (das Totenuhr) veroorzaakt wordt door Blaps mor-
tisaga, — zegt Spreker: «dat dit onjuist is, is bekend, doch»,
vraagt hij, waarom heet deze kever «mortisaga» , «doodvoorspeller».
De heer Everts antwoordt Spreker, dat laps ook klopt, doch
natuurlijk niet in meubels.
Spreker beveelt thans aan als onmisbaar voor de Bibliotheek
onzer Vereeniging, alle afleveringen van «Das Tierreich », han-
delende over Myriapoda, Hexapoda en Arachnoidea.
De heer Polak laat ter bezichtiging rondgaan een vlinder van
Bombyx rubi L., die zich in zijn poppenhuid geheel had omge-
draaid en nog in dezen toestand verkeerde. Geen der aanwezige
leden is een dergelijk geval bekend.
De heer J. Th. Oudemans laat namens den heer D. ter Haar
rondgaan eene doos, waarin eenige exemplaren van Polyommatus
Dorilis Hfn., en wel:
1°. een zuiver albinistisch exemplaar, door hem naar den ont-
dekker Uyenii te doopen;
2°. twee exemplaren van de in « Onze Vlinders» onder var. II
beschreven afwijking, waaraan de naam Brantsii zal gegeven
24 VERSLAG.
worden. Deze variéteit is voor het eerst door den heer Brants in
Sepp vermeld. Een der exemplaren heeft daarenboven de bijzonder-
heid, dat het op de voorvleugels een duidelijken overgang vormt
tot de var. Uyenu.
3°, een exemplaar van de var. subalpina (montana) Speyer ,
tot nu toe alleen bij Bergen op Zoom door den heer Snellen
gevangen.
Alle exemplaren behooren tot de verzameling van den heer
Uyen te Nijmegen, die ze bij Groesbeek in lage weilanden aan
den zoom van het Reichswald op Nederlandsch grondgebied ving.
Mej. Fischer maakte van de eerste beide variëteiten afbeeldingen,
die bestemd zijn, om met een meer uitvoerig stukje in het Tijd-
schrift voor Entomologie te worden opgenomen en met de origi-
neelen ter bezichtiging worden rondgegeven.
Ter illustratie zijn in de doos gestoken:
10, eenige typische 99 van Pol. Dorilis Hfn. ter vergelijking en
20, naast de variëteit Uyenii de daarmede als het ware cor-
respondeerende variëteit van Po/, Phlacas L. n. 1. de var. Schmidtu
Gerh. Dit exemplaar is in Mei 1897 door den heer Latiers bij
Roermond gevangen.
De heer J. Th. Oudemans laat vervolgens ter bezichtiging
rondgaan.
10, Een aantal met stuifmeel beladen Hymenoptera, om op de
verschillende daarbij in gebruik gesteld wordende lichaamsdeelen
de aandacht te vestigen. De zaak zelf is bekend genoeg, doch de
voor dit doel expres verzamelde voorwerpen geven er een duidelijk
beeld van; de meeste zijn te dien einde ook te onderst boven aan-
gestoken. Opvallend is bovendien de verschillende kleur, welke
het stuifmeel bij verschillende voorwerpen, ook van dezelfde soort,
vertoont; de reden daarvan is, dat de dieren op verschillende
bloemen zamelend werden aangetroffen, sommige op gele lupine,
andere op reseda enz. Ook is eene wesp, met tal van Orchis-
polliniën op den kop beladen, in de doos aanwezig.
2°. Een asymmetrisch geteekend, vrouwelijk exemplaar van
VERSLAG. 25
Smerinthus tiliae L. De rechtervoorvleugel vertoont twee groote
middenvlekken , zooals gewoonlijk, de linker slechts één zeer klein
vlekje. Deze vleugel is iets, doch slechts weinig minder ontwikkeld
dan de rechter. Vooral omdat men het wegblijven der vlekken,
zooals dit bij enkele voorwerpen, doch dan op beide voorvleugels
voorkomt, weleens op onvoldoende voeding der rupsen heeft willen
schuiven, is dit voorwerp zeer de aandacht waard. Aan den eenen
kant vindt men thans beide teekeningen in eenzelfde dier vereenigd ,
dus zal de voeding in het rupsentijdperk niet als oorzaak aan-
gevoerd kunnen worden. Aan den anderen kant is de met de
kleine vlek geteekende voorvleugel bepaald een weinig achterlijk
in zijne ontwikkeling en zou dus wellicht een minder volledige
toevoer van voedingsstoffen naar dit deel gedurende zijne ontwik-
keling de oorzaak geweest kunnen zijn.
30, Een vrouwelijk voorwerp van Pericallia syringaria L.,
dat niet de normale, bleekere vrouwelijke kleuren draagt, doch
de krachtige, warme kleuren, welke aan het mannetje toekomen.
Het werd met vele normale voorwerpen uit eieren gekweekt,
afkomstig van een te Noordbroek (Groningen) gevangen wijfje.
Spreker dankt het bezit van dit gynandromorphe dier aan de
welwillendheid van den heer ter Haar. Evenals het sub 2 genoemde
voorwerp , zal ook dit weldra worden afgebeeld en nader beschreven.
4°. Vier vlinders, welke met slechts één achtervleugel uit de
pop kwamen en behooren tot de volgende soorten: Notodonta
tremula CL, Dryobota protea Bkh., Miselia oxyacanthae L. en
Nonagria arundineta Schm. Van het eerstgenoemde voorwerp heeft
Spreker de pophuid kunnen onderzoeken en duidelijk kunnen
bewijzen, dat de eene achtervleugel in het geheel niet was aange-
legd. Ware de vleugel aanwezig geweest, doch bij het verlaten der
pophuid afgescheurd, dan ware dit veel minder merkwaardig dan
nu het geval is, nu de aanleg van een zoo voornaam orgaan als
een vleugel geheel achterwege bleef. Spreker houdt zich voor toe-
zending van dergelijke voorwerpen, vooral als de pophuid daarbij
aanwezig is, ten zeerste aanbevolen Voorwerpen met slechts één
voorvleugel trof hij nog niet aan.
26 VERSLAG.
5%, Eenige merkwaardige cocons van Trichiosoma lucorum L.,
waarover eerlang uitvoerig gehandeld zal worden in een reeds ter
perse gelegd opstel, bestemd voor het Tijdschrift voor Entomologie.
Een afdruk van de er bij behoorende plaat, naar photographiën
vervaardigd, gaat mede rond.
6°. Photographiën van een reeds vroeger besproken, uit turf
opgebouwd nest van Lasius fuliginosus Latr. en van een reusachtig
nest van Vespa vulgaris L. Dit laatste dankt Spreker aan de
vriendelijkheid van den heer Mr. A. Brants; het werd te Arnhem
binnenshuis aangetroffen. Beide nesten zullen eerlang beschreven
worden.
De heer Corporaal laat ter bezichtiging rondgaan een exemplaar
van Myodites subdipterus Bose., door hem uit Zuid-Frankrijk ont-
vangen en welke soort vermoedelijk parasitisch in bijen- en wespen-
nesten leeft, Naar aanleiding hiervan verzoekt de heer Everts de
leden, zoo deze nesten van Vespa crabro en andere soorten mochten
aantreffen, deze aan een grondig onderzoek te onderwerpen. De
in ons land slechts een enkele maal waargenomene Velleius dila-
tatus zal men op deze manier ook kunnen vangen.
De heer Sehuyt laat ter bezichtiging rondgaan een door hem
op 16 Juli 1899 te Doetinchem gevangen exemplaar van J//eine-
mannia (Laverna) festivella Schiff., waarvan slechts een inlandsch
exemplaar, gevangen door den heer Heylaerts bij Breda (Tijdschr,
v. Entom. dl. XIV. pag. 236) bekend was. Verder een bij Apel-
doorn in Juli 1898 gevangen 2 van Crambus ericellus Hbn., welke
soort alleen bij Oldeberkoop (Fr.) door den heer J. H. Albarda
was aangetroffen (Tijdschr. v. Entom. dl. XI pag. 49); en ten
laatste een 2 van Scardia boleti Fab., gevangen 10 Juni 1898 bij
Venlo, In het werk van den heer Snellen werd deze soort alleen
van Ruurlo vermeld, doch was het Spr. gebleken, dat zij daarna
reeds eenige malen in ons land was waargenomen.
De heer van der Weele laat ter bezichtiging rondgaan een
VERSLAG. 27
paartje eener HHeteropteryx-soort, afkomstig van het eiland Banka.
Het genus Meteropterye behoort tot de Phasmiden, eene exotische
familie der Orthoptera. Spr. heeft niet kunnen bepalen welke soort
het is, doch is hem gebleken bij vergelijking met de collectie van
het Leidsch museum, dat deze exemplaren het dichtst bij de daar
aanwezige Meteropterye De Haani Müll. komen. Het 4 heeft de
beide achterpooten verloren en de holte aan den rechterkant door
deze verminking ontstaan, was reeds geheel door een nieuw weefsel,
dat een duidelijk zichtbaar afgerond vlak vormde, aangevuld. Aan
de linkerzijde was reeds een duidelijk geleede poot nieuw aange-
groeid, doch geen spoor van de rijke sculptuur, welke het geheele
dier versiert, is hieraan te bespeuren. De nieuw gevormde tars
heeft een lid minder dan bij de normale, hetgeen in zulke gevallen
bijna altijd voorkomt. Het ontbrekende lid is het voorlaatste. Spr.
laat eem nummer van «de Natuur» rondgaan, waarin Dr. Sinia
gevallen van denzelfden aard behandeld.
Met een woord van dank tot de verschillende sprekers, sluit
daarop de Voorzitter de vergadering.
de
=
>
be
I
È è
LE
n i
i
A el À RE Fy
ie È ‘ i
N à rang -
= A £ | =
n + > a
- i -
3
n =
C2 u Pye 4
D | Le
‘ I
i n =
> à} =
5 F x È
29
VERSEAG
VAN DE
VIJF-EN-VIJFTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENXTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE OOSTERBEEK
Op Zaterdae I Juni 7900,
des morgens ten 11 ure.
Eere-Voorzitter de heer Dr. A. G. Oudemans Jsz.
Met hem zijn tegenwoordig de heeren: K. Bisschop van Tuinen Hz. ,
A. van den Brandt, P. Caland, Jhr. Dr. Ed, J. G. Everts,
D. ter Haar, D. van der Hoop, Dr. F. W. O. Kallenbach,
K. J. W. Kempers, H. J. H. Latiers, A. A. van Pelt Lechner,
Mr. A. F. A. Leesberg, Dr. T. Lycklama à Nyeholt, H. J. Lycklama
a Nyeholt, Dr. J. C. H. de Meyere, Dr. H. FE, Nierstrasz, Mr. M.
C. Piepers, Dr. C. L. Reuvens, G. Ritsema Czn., Dr. A. J. van
Rossum. JM Schuyt, «PCs TE. Snellen. “Mr; Dael:
Uyttenboogaart, Dr. H. J. Veth. Mr. L. H. D. der Vos. tot
Nederveen Cappel en H. A. de Vos tot Nederveen Cappel.
Van de heeren: Dr. J. Ritzema Bos, Mr. A. Brants, M. Caland,
J. B. Corporaal, Mr. A. J. F. Fokker, Dr. A. W. M. van Hasselt,
F. J. Hendrichs, J. Jaspers Jr. en H. W. van der Weele is
bericht ontvangen , dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen.
Tijdschr, voor Entom. XLIII. 1
30 VERSLAG.
De Eere-Voorzitter opent ten 11 ure de vergadering met de
volgende toespraak :
Mijne Heeren!
Niet dan met aarzeling aanvaardde ik de taak, die thans op
mij rust, de 55e Zomervergadering te presideeren. Ik reken echter
op de hulp van het Bestuur en op uw aller welwillendheid,
Welkom dan hier ter plaatse, gij allen, die saamgekomen zijt
om met elkander van gedachten te wisselen, en elkander uwe
nieuwe ondervindingen, onderzoekingen en vondsten mede te deelen,
Welkom vooral gi, die voor het eerst de vergaderingen onzer
Vereeniging bijwoont.
Dat Oosterbeek uitgekozen werd voor deze Zomervergadering
kan u niet bevreemden, daar deze plaats vooreerst bedeeld is met
een allerschoonst stukje natuur en ten tweede thans de zetel is
van onze Bibliotheek.
Moge deze vergadering strekken tot vermeerdering van onze
kennis der Gelede dieren, moge de excursie voor u allen rijke
vruchten dragen, en moge onze vrienschapsband in deze dagen
nauwer aangehaald worden.
Ik verklaar de vergadering geopend.
Op verzoek van den Eere-Voorzitter, brengt thans de President
van het Bestuur het volgende verslag uit:
Mijne Heeren !
Op onze laatste Zomervergadering , te Doetinchem gehouden , werd
als Eerevoorzitter voor deze Vergadering benoemd Mr. A. Brants. Tot
ons leedwezen zag echter ons medelid zich verhinderd, die be-
noeming aan te nemen, Veel genoegen deed het ons toen, dat
Dr. A. C. Oudemans zich bereid verklaarde, in plaats van Mr.
Brants op te treden. Mochten wij Dr. Oudemans reeds op de Winter-
vergadering te Rotterdam gelukwenschen met het herstel van de
gevolgen van het ongeval hem ongeveer een jaar geleden over-
VIER)S D ANG: 31
komen, thans zij onze eerste zorg hem hartelijk te danken voor
de welwillendheid waarmede hij de taak van heden op zich heeft
genomen. Ik heb de stellige overtuiging dat zij, zoo al aan even
goede, zeker aan geene betere handen kon worden toevertrouwd.
Onze Vereeniging heeft in het afgeloopen jaar weder verliezen
van beteekenis geleden. Niet minder dan vijf der oudere leden
werden haar door den dood ontroofd, namelijk de heeren:
F. M. van der Wulp te ’s Gravenhage,
Dr. M. G. Ver Loren van Themaat te Amersfoort,
Dr. M. Imans te Utrecht,
J. Kinker te Amsterdam en
H. W. Groll te Haarlem.
Van der Wulp, eerst gewoon, sedert 1894 eerelid der Ver-
eeniging, was een der sieraden, ja, een der steunpilaren van ons
genootschap, Wanneer ik hier in het licht wilde stellen wat hij
bijna 55 jaren lang voor ons is geweest, niet alleen als gewoon
lid, maar ook als bestuurder, als redacteur van en medearbeider
aan het Tijdschrift, als bewerker van een deel onzer Insekten-
Fauna, dan zou er te veel van uwe aandacht, van onzen tijd
worden geeischt. Ik ben dus zoo vrij te verwijzen naar eene levens-
schets van onzen ontslapen vriend, die weldra in het Tijdschrift
voor Entomologie zal verschijnen. Hij overleed op 27 November 1899.
Dr. M. Imans te Utrecht, lid der Vereeniging sedert 1852 en
op 21 Januari 1900 overleden, was, geloof ik, geen eigenlijk
entomoloog en alleen belangstelling in het streven der Vereeniging
verbond hem aan haar, Zulke leden achten wij echter hoog; zij
toonen mannen van algemeene ontwikkeling te zijn.
Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, evenals van der Wulp,
een der oprichters der Nederlandsche Entomologische Vereeniging
en met hem de laatst overlevende van hen aan wie het vergund
was, het feest van haar 50-jarig bestaan op 6 Juli 1895 te
*s Gravenhage te helpen vieren, overleed op 20 Maart 1900. In
den eersten tijd van zijn lidmaatschap beoefende hij de Entomologie
met grooten ijver en zelfs scheen het later, toen hij in 1861 een
gedeelte der door wijlen A. J. van Eijndhoven bijeenvergaderde
32 VERSLAG.
verzamelingen aankocht, dat hij zich met kracht op de studie der
exotische insekten zou gaan toeleggen. Toen hij echter na zijn
huwelijk een buitenverblijf bij Amersfoort betrok, hielden zijne
studiën zoo goed als op en kon alleen de voortduring van het
lidmaatschap der Vereeniging als een — natuurlijk altijd gewaar-
deerd — bewijs van Ver Loren’s belangstelling gelden. Ik betreur
die stagnatie zijner studiën zeer want door eenige geschriften en
mededeelingen had hij zich in den beginne als iemand van veel
bekwaamheid doen kennen.
De vierde, die ons op 17 Mei, 77 jaren oud, ontviel, Johannes
Kinker te Amsterdam, was lid sedert 1861. Als auteur is hij,
geloof ik, nooit opgetreden maar vergenoegde er zich mede, een
verzamelaar te zijn. Als zoodanig was hij echter een der ijverigste
en nauwkeurigste onder ons. Wat hij op de veelvuldige excursiën
die hij, toen hi nog in de kracht zijns levens was, meest met
zijne vrienden Grebner en Lodeesen hield, bijeenbracht, is
werkelijk van belang. Hoofdzakelijk verzamelde hij Lepidoptera en
Coleoptera, maar ook, zooals de door van der Wulp en de Meijere
uitgegeven lyst getuigt, Diptera en lette evenzoo op insekten van
andere orden. Zonder zulke leden als Kinker, waarvan onze Ver-
eeniging er echter gelukkig steeds velen heeft geteld, ijverig, nauw-
gezet en tevreden, zonder streven naar voldoening van ijdelheid,
wanneer zij slechts tot bereiking van het groote doel — de kennis
der Nederlandsche Insekten-Fauna — mochten medewerken , zouden
nooit die uitnemende Bouwstoffen door Mr. H. W. de Graaf en
anderen bijeengebracht hebben kunnen worden welke later tot
stichting van systematische werken hebben gediend. Ik geloof niet
dat Kinker ooit iets bijzonders heeft gevangen, dat niet zoo spoedig
mogelijk aan het oordeel van de bewerkers der verschillende orden
werd onderworpen. In zijne verzameling, die steeds keurig in orde
werd gehouden — Kinker was ook een uitstekend preparateur —
js dus stellig weinig of geen nieuws meer te vinden. Eene door
Kinker het eerst gevonden , nog onbeschreven Gelechide, die tevens
een nieuw genus vormt, Didactylota Kinkerella Snellen , bewaart de
herinnering aan ons verdienstelijk medelid.
VERSLAG. 33
Eindelijk verloren wij op 5 Juni, enkele dagen voor deze Vergade-
ring, nog onzen Oud-Penningmeester, den heer H. W. Groll, die te
Haarlem op 81-jarigen leeftijd overleed. Groll was iemand geheel van
denzelfden stempel als Kinker en verzamelde hoofdzakelijk Coleoptera:
Ook hij behoorde tot hen aan wie wij voor de kennis onzer Fauna
veel verschuldigd zijn, maar bovendien heeft hij aan onze Vereeniging
groote diensten bewezen door een nauwgezet beheer harer geld-
middelen van Juli 1890 tot Juli 1899. Hij had onder ons vele
vrienden. Zijne collectie Coleoptera schonk hij nog bij zijn leven aan
de heeren Evertsen Veth. Aan de Vereeniging vermaakte hij eene som
van f 200 tot stijving van het Fonds van Eijndhoven en liet aan
het Bestuur de keuze uit zijne boeken ten behoeve der Bibliotheek.
Verder bedankten voor hun lidmaatschap, als begunstiger :
de heer P. van Wickevoort Crommelin te Amsterdam ,
zoomede de heeren:
Tiddo Folmer te Utrecht,
M. A. Koekkoek te Amsterdam,
P. Tesch te ’s Gravenhage ,
. Uyen te Nijmegen,
. A. Vorsterman van Oyen te Rijswijk en
NQ > XE
. de Vries van Doesburgh te ’s Gravenhage,
als gewone leden, terwijl het Bestuur zich verplicht acht aan te
nemen, wegens het niet voldoen der contributie over verscheidene
jaren, dat de heer P. J. Lukwel Jr. te ’s Gravenhage van zijn
lidmaatschap afzag.
Tot correspondeerend lid werd benoemd:
Dr. G. Vorderman te Batavia,
die door zijn aan het Bestuur gericht schrijven bericht gaf, die
benoeming gaarne aan te nemen. Als begunstigers traden verder
toe de heer:
Dr. G. G. Sepp te Amsterdam en
Mej. C. E. Sepp te Amsterdam,
zoomede als gewone leden de heeren:
P. Caland te Wageningen,
J. B, Corporaal te Wageningen ,
34 VERSLAG.
H. W. van der Weele te ’s Gravenhage,
Dr. C. Ph. Sluiter te Amsterdam,
en staande deze Vergadering:
de heer Mr. L. H. D. de Vos tot Nederveen Cappel te Velp,
Onze Vereeniging telt aldus:
19 Begunstigers,
8 Eereleden,
11 Correspondeerende leden ,
4 Buitenlandsche leden en
101 Gewone leden.
143
Na de Vergadering ontving het Bestuur, door den heer Johannes
Kinker te Amsterdam, zoon van ons overleden medelid, eene som
van f 1000, als geschenk aan de Vereeniging ter voldoening aan
een wensch van wijlen zijnen vader.
Het 42ste deel van het Tijdschrift voor Entomologie werd sedert
mijn laatste verslag voltooid, van deel 43 zijn de afleveringen 1
en 2 op de pers om spoedig door aflevering 3 en 4 te worden
gevolgd,
Van het werk van Dr. J. Th. Oudemans over de Nederlandsche
Insekten is de laatste aflevering ter perse.
Met belangstelling zal men vernemen dat waarschijnlijk reeds in
„het aanstaande najaar een begin kan worden gemaakt met den
druk van het tweede gedeelte van Dr. Everts Coleoptera Neerlandica.
Tot de boekerijen overgaande, waarover u straks door onzen
Bibliothekaris uitvoerig verslag zal worden gedaan, heeft het Bestuur
de voldoening mede te deelen, dat deze, van wier overbrenging
naar Oosterbeek het voorgaande verslag gewaagde, thans behoorlijk
geplaatst zijn in een steenen gebouw, opzettelijk door Dr, Reuvens
daarvoor op zijne kosten gesticht en dat, ingevolge Artikel 19 der
Wet, maar ditmaal door het geheele Bestuur, inspectie der
boekerijen is gehouden waarbij alles in orde is bevonden. Daar de
Catalogi thans mede gereed zijn en zelfs reeds tweemaal de jaar-
lijksche vervolgen het licht zagen, kan men zeggen dat deze voor
onze Vereeniging belangrijke zaak, die ons zooveel zorg heeft ver-
VERSLAG. 35
oorzaakt, thans weder geheel in orde is. Ik stel u voor om aan
Dr. Reuvens, onzen Bibliothekaris, uitdrukkelijk onzen hartelijken
dank toe te brengen, zoowel voor den spoed waarmede hij deze
aangelegenheid heeft helpen regelen als ook voor de onbaatzuchtige,
ja edelmoedige wijze waarop hij de Vereeniging is te gemoet ge-
komen. (Applaus.) Aldus naar het speciaal verslag van Dr. Reuvens
verwijzende, wenschte ik echter de leden te verzoeken, nu de
Catalogi in ieders bezit zijn, in de eerste plaats alle aanmerkingen
die zij daarop mochten hebben en die tot verbetering kunnen
strekken, aan onzen Bibliothekaris te willen mededeelen , ten behoeve
eener volgende uitgaaf en fen tweede, om ieder wat zijn speciaal
studievak aangaat, lijsten van desiderata voor de boekerijen op te
maken. Zij zullen daardoor het Bestuur zeer verplichten en kunnen
medewerken om onze hulpmiddelen voor de studie op eene stelsel-
matige wijze aan te vullen, Ik zelf ben, wat werken die meer in
het bijzonder de Lepidoptera betreffen, reeds daarmede bezig.
Dr. Reuvens kan dan, bij voorkomende gelegenheid van die op-
gaven gebruik maken, zoodra namelijk, de omstandigheden het
zullen veroorloven, iets, waarover Dr, Veth, onze Penningmeester,
het een en ander zal mededeelen.
Aan het eind van mijn verslag gekomen, kan ik met genoegen
constateeren dat de toestand onzer Vereeniging, aan het begin van
haar 56-jarig bestaan, gunstig mag heeten. Dat zij verder moge
bloeien, is mijn hartewensch en tot bereiking van dit doel roep
ik uw aller medewerking met aandrang in.
De Eere-Voorzitter dankt den President voor het uitbrengen
van het jaarverslag, dat een juist beeld geeft van de toestand,
waarin de Vereeniging zich bevindt.
Hierop geeft de Eere-Voorzitter. het woord aan den heer ter
Haar, die naar aanleiding van het jaarverslag eenige opmerkingen
wenscht in het midden te brengen. Deze spreekt als volgt:
Het jaarverslag dat onze geachte Voorzitter ons juist heeft doen
hooren , geeft mij aanleiding een ernstige vraag tot de vergadering
te richten.
36 VERSLAG,
« Voldoet onze Vereeniging aan de eischen die haar in den tegen-
woordigen tijd mogen en moeten gesteld worden?»
Het feit, dat ik de vraag stel is een bewijs, dat ik haar niet
bevestigend zou willen beantwoorden, maar laat ik er dadelijk
bijvoegen, dat mijn antwoord niet beslist ontkennend is.
Ik laat de beantwoording gaarne aan u over. Ik beschouw het-
geen ik zeggen zal, meer als een inleiding, die misschien aan-
leiding kan geven om een volgend jaar een regelmatig voorstel
te doen.
Tot nu toe heeft onze Vereeniging alle leven op Entomologisch
gebied in ons land beheerscht en zij heeft dit gedaan op eene alles-
zins voortreffelijke wijze, dank zij de eminente mannen, die tot
haar leden hebben behoord of gelukkig nog behooren; bij het
publiceeren van voor onze fauna nieuwe soorten werd steeds eerst
de meening gevraagd van die voorlieden,
Ons Tijdschrift was het eenige orgaan, waarin zulke publicatiën
gedaan werden. Daardoor was contrôle gemakkelijk,
In de laatste jaren openbaart zich op onverwachte wijze een
bijzondere lust tot studie der natuur in alle onderdeelen, dienten-
gevolge verschijnen niet alleen periodieke tijdschriften maar worden
ook vereenigingen opgericht. Wij kunnen dit niet anders dan een
verblijdend verschijnsel noemen, wanneer wij de wetenschap die
wij liefhebben, zien toenemen in de liefde van het groote publiek.
Maar nu komt het mij voor, dat hierin een kiem van een
gevaar schuilt, dat nl. te groote populariteit tot oppervlakkigheid
zal leiden, dat wij ontdekkingen van nieuwe soorten zullen zien
gepubliceerd, waarvan de juistheid niet hoven twijfel verheven is,
tengevolge waarvan verwarring zal ontstaan.
Dit te voorkomen ligt, dunkt mij, op den weg van onze Ver-
eeniging. Zij heeft het hecht nog in handen, maar moet ook
zorgen dat haar dit niet ontnomen wordt, Vraagt men mij hoe ik
dan denk, dat dit zal kunnen geschieden, dan komt het mij voor,
dat een der middelen zou kunnen zijn, te zorgen voeling te
krijgen met de groote schare; daartoe zou dan een der wegen
kunnen zijn het verbinden aan het lidmaatschap van onze Ver-
VERSLAG. 37
.
eeniging van een tastbaar voordeel. Dit voordeel zou dan moeten be-
staan in kosteloos verkrijgen van een Vereenigingsorgaan, zooals de
Algemeene Nederlandsche Wielrijdersbond zijn « Kampioen » heeft.
Zonder nu een bepaald tijdschrift te willen aanprijzen, wil ik u
alleen als een idée aangeven «de Levende Natuur», dat geregeld
verschijnt en waarvan de abonpementsprijs niet zóó hoog is, of
daarover zouden met den uitgever Versluys onderhandelingen
gevoerd kunnen worden.
Er is mij ep mijne bedenkingen, dat onze Vereeniging door
haar hooge contributie zonder tastbaar voordeel te exclusief was
en daardoor minder leden telde dan zij zou kunnen doen, geant-
woord, dat dit een voordeel was, omdat zij nu als streng welen-
schappelijk bekend, ik mag wel zeggen beroemd geworden is. Maar
mijne meening is, dat onze wetenschappelijke naam geen schade
behoeft te lijden als wij onzen wetenschappelijken zin bewaren.
Voor iemand, die geen speciale studiën maakt en dus geene
boeken uit de bibliotheek leent, is de contributie van f 6 werkelijk
wel wat hoog, waar het eenige tastbaar voordeel er tegenover staat
dat men voor eigen rekening de vergaderingen mag bezoeken.
Niet dat ik dit bezoek gering acht, integendeel! Maar, wanneer
men de contributie verhoogt met de reis- en verblijfkosten , vormt
dit een bedrag, dat velen moet weerhouden lid onzer Vereeniging
te worden en daaronder velen, die als leden een goed figuur zouden
maken,
Ik heb er daar straks op gezinspeeld, dat er vereenigingen
werden opgericht. Uit hetgeen er op volgde zou men misschien
de gevolgtrekking kunnen maken, dat ik over de meest bekende
«de Amsterdamsche», minder gunstig dacht, Het tegendeel is waar.
De voorzittershamer is daar aan zoo uitstekende handen toever-
trouwd, dat het gevaar voor oppervlakkigheid geheel buitengesloten
is, Maar de menschen wisselen en daardoor is de mogelijkheid zeer
goed denkbaar dat de voorzitterszetel door een meer ijdel dan knap
persoon wordt ingenomen of dat er minder ernstige redacteuren
van «de Levende Natuur» optreden. Ook kunnen er nieuwe ver-
eenigingen worden opgericht en niet op alle plaatsen zijn zulke
38 VERSLAG.
ernstige, knappe mannen klaar, om de leiding op zich te nemen,
En juist voor zulke vereenigingen acht ik het hoogst noodzakelijk
dat zij voeling houden met de onze. Nu zie ik daartoe geen beter
en ander middel dan een populair tijdschrift.
Mijn bedoeling met zulk een tijdschrift zou dus in grove trekken
als volet zijn: met den uitgever van een of ander orgaan (ik noem
gemakshalve maar weer «de Levende Natuur») zou een contract
kunnen gesloten worden, waarbij een zeker percentage der blad-
zijden voor onze Vereeniging gereserveerd blijven; de leden onzer
Vereeniging zouden het gratis ontvangen, terwijl de uitgever het
recht zou hebben het ook voor het publiek verkrijgbaar te stellen.
Als zoodanig zou dat orgaan dan tevens onze Vereeniging beter
bekend maken bij het groote publiek en zou ons ledental ook weer
daardoor stellig stijgen.
Maar er is nog een naar mijne meening niet te gering te schatten
voordeel verbonden aan het bezit van een periodiek tijdschrift. Er
zullen met mij wel meerdere leden eenigszins geïsoleerd wonen, Wil ik
iemand over de entomologie spreken, dan moet dit meestal op reis
gebeuren of op onze Vergaderingen. Wanneer men niet in de ge-
legenheid is geweest eene Vergadering bij te wonen, heeft het
Verslag dubbele waarde, terwijl er toch vaak mededeelingen worden
gedaan, die men met belangstelling in druk afwacht. Wat is nu de
orde der dingen bij ons? Van de Zomervergadering krijgen wij
het Verslag begin December en van de Wintervergadering in Mei.
Deze vervelende toestand houdt terstond op wanneer in ons
periodiek orgaan de Verslagen geplaatst worden, wat met het oog
op het prioriteitsrecht van de gedane mededeelingen toch steeds
zoo spoedig mogelijk moet geschieden. De mogelijkheid is niet
ondenkbaar, dat door dat vertraagde verschijnen aan de rechten
van een of andere mededeeling afbreuk wordt gedaan.
Misschien zou dit euvel met enkele guldens port te overwinnen
zijn, maar wat minder gemakkelijk te overwinnen is en waarin
dus op eene andere wijze moet voorzien worden is de te beperkte
ruimte in ons Tijdschrift. Het geval is lang niet denkbeeldig, dat
men een jaar ınoet wachten eer eene bijdrage geplaatst wordt en
VERSLAG. 39
naar ik tot mijn leedwezen verneem zijn de financiën van het
Tijdschrift-fonds van dien aard, dat de redactie voor een «non
possumus» gesteld wordt. Dat in die vertraagde plaatsing een ge-
vaar schuilt met het oog op het prioriteitsrecht is, dunkt mij,
onbetwistbaar en kan al weer door een periodiek Tijdschrift onder-
vangen worden, door daarin een kort resumé van het te plaatsen stuk
op te nemen met verwijzing naar het in het Tijdschrift te plaatsen
artikel.
Tot nu toe is slechts één lid onzer Vereeniging er toe overgegaan
Zijne mededeelingen geregeld in een buitenlandsch Tijdschrift te
plaatsen, maar zal dit in onze eeuw van stoom zoo blijven, waar
er goede periodieken zelfs tweemaal per maand verschijnen ?
Ik heb u de bezwaren medegedeeld, die ik òf zelf in mijn iso-
lement heb ondervonden òf die in gesprekken met andere geopperd
zijn. Ik geloof wel dat ik het recht heb de vraag te doen:
(Voldoet onze Vereeniging aan de eischen, die haar in den tegen-
woordigen tijd mogen en moeten gesteld worden».
Het is in het geheel mijne bedoeling niet daarop in deze Ver-
gadering een antwoord uit te lokken. Ik zou meer wenschen,
indien de Vergadering in beginsel mijne denkbeelden niet geheel
en al verwerpelijk acht, dat aan ons bestuur of aan eene commissie
zou worden opgedragen — om b.v, in den as. winter rapport uit
te brengen — te onderzoeken in hoeverre het getij verloopen
is en de bakens moeten worden verzet».
Na eenige discussie over dit onderwerp stelt de Eere- Voorzitter
voor aan het bestuur op te dragen na te gaan in hoeverre aan
het verlangen van den heer ter Haar kan gevolg worden gegeven
en dan in eene volgende Vergadering dienaangaande voorstellen
te doen.
Hiertoe wordt aldus besloten.
De Penningmeester brengt hierop het volgende verslag uit:
Het is niet aangenaam, wanneer men voor de eerste maal als
penningmeester rekening en verantwoording moet aflessen, van
40 VERSLAG.
een tekort te moeten melding maken. Dit is echter, helaas, het
geval en wel op alle drie de rekeningen, ten gezamenlijke bedrage
van f 390.30. Zij die zich herinneren, dat van de nieuwe in-
richting onzer bibliotheken, eene aanzienlyke bezuiniging is voor-
gespiegeld, zullen zich zeker verbazen. Zij zullen zich er echter
van kunnen overtuigen, dat de oorzaken der tekorten aan een
samenloop van ongunstige omstandigheden te wijten zijn. By een
zuinig beheer zullen deze in den loop van het volgende dienstjaar
zeker aanmerkelijk slinken, ja, bij eenigen voorspoed, zelfs geheel
verdrijven. Ouder gewoonte geef ik hier een overzicht van den
stand der drie Kassen en voeg ik er eenige toelichtingen bij,
waaruit zal blijken, dat er nog geene aanleiding is om ons aan
wanhoop over te geven. Mocht onverhoopt een volgende rekening
weder met een eenigszins aanzienlijk tekort sluiten, dan zou het
wenschelyk kunnen zijn dit uit de wereld te helpen door verkoop
van kapitaal; thans meen ik dit nog te moeten afraden.
Algemeene Kas.
ONVANGST.
Saldo vorig SIENS jar CN ee N
Fente* van (effecten 0 me 120.39
Rente van Kasgeld. . Me ONE UE De 28.62
Contributie van leden Ir S59.) 648.—
» van besunstigens EN 145.—
Jaarlijkschenbijdragen u EN sn meee 11.—
Verkochtesseschriflen = 6 2 neuer 0 75
f 1,231.48
UITGAAF.
Bijgepast tekort aan de Kas van de Bibliotheek
H. H. v. d. Lier over 1898/1899. . . . f 160.47
Onkosten van vergaderingen. . . . . . . 23.40
Bewaring fonds Tijdschrift . . . . . . . ie
Assurantie van de Bibliotheek À . . . . . 10.90
Jaarlijksche bijdrage aan de Phytopathologische
Vereenieme PE D,—
Transporteeren f 259.77
VERSLAG.
Transport
Aankoop van boeken
Inbinden van boeken .
Drukken van verslagen rt
Drukken van de catalogi der beide Bibliotheken.
Circulaires, adressen enz.
Lokaalhuur 5
Verschotten der leden van het Bestuur
Krans bij het overlijden van den Heer van der
f 259.77
141.48
143.—
154.50
354.—
35.20
242.45
135.05
10.—
41
Wulp
De uitgaven bedroegen . . f 1,475.45
Dezontvanesten.. a „1.2. 1,231.48
dus tekort. f 243.97
F 147545
Al dadelijk vallen voor het volgende dienstjaar weg de onkosten
van het drukken der beide catalogi ten bedrage van f 354,—,
dan wordt de post lokaalhuur verminderd van f 242,45 tot f 30.—,
terwijl de post «inbinden van boeken» aanzienlijk lager kan
worden geraamd, daar de Bibliothecaris thans met het inbinden
bij is. Ook is het tekort bij te passen op de rekening van de
Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier voor het volgende jaar veel
kleiner. Hiertegenover staat echter dat het afgeloopen dienstjaar
begon met een saldo van f 277.72, terwijl dit jaar begint met
een tekort van f 243.97.
Fonds voor de uitgaaf van het Tijdschrift.
ONTVANGST.
Saldo van vorige rekening
Rijkssubsidie . - Se 5
Verkochte exemplaren aan den boekhandel
> » » » de leden .
» vroegere jaargangen ,
Bijdragen van begunstigers .
f 160.68!
500.—
230.64
294. —
110.45
jn
f 1,380.471
42 | VERSLAG.
UITGAAF.
DA IOON ES we A en er
Wervaardicing van pale en 2 ee 966.47
Verschotten, waaronder kosten van verzending. 50.065
Assurantie van het fonds Tijdschrift . . . . 3.40
Zegel en leges op de rijkssubsidie . . . +. + 1.86
f 1,450.304
De uitgaven bedroegen . . f 1,450.304
De ontvangsten bedroegen . 1,380.473
dus tekort. f 69,83
Op deze rekening valt op te merken, dat, onder den post
«vervaardiging van platen» niet minder dan f 389 voorkomt, die
tot een vorig deel (deel 41) betrekking hebben, terwijl daarentegen
deel 42 geheel is afbetaald. Eigenlijk had dus de vorige rekening
moeten sluiten met een tekort van /228.31 3 (f 389, — min f160.683)
en is dus de toestand in dit jaar verbeterd, Toch kan ik niet
ontkennen dat dit tekort, al is het van de drie het kleinste, mij
de meeste zorg baart. Niettemin zou ik willen voorstellen het op
rekening van het volgende jaar over te brengen, in de hoop dat
dat er onder de talrijke leden onzer Vereeniging, die nog niet op
het Tijdschrift zijn geabonneerd, velen mogen zijn, die zouden
willen helpen om dit tekort te doen verdwijnen en zorgen dat wij
er niet weder voor komen te staan. Jammer dat de bijdragen van
begunstigers steeds achteruitgaan,
Fonds der Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier.
ONTVANGST.
Rente inschrijving Grootboek . . . . . +. f 302.54
( UITGAAF.
Inbinden van boeken SE Rs
Aankoop van boeken maen =. na er 221.89
Assurantien,» nee CCC CR RE 13.80
f 379.04
De uitgaven bedroegen . . . f 379.04
De ontvangsten bedroegen . . 302.54
dus ea f 76.50
VER SLAG. 43
Om dezelfde reden als op de begrooting van de Algemeene Kas
kan de post «inbinden van boeken» voor het volgende jaar aan-
zienlijk worden verminderd, zoodat bij niet te hoog opgedreven
aankoop van boeken de rekening niet meer met een tekort behoeft
te sluiten. Thans wordt nog voorgesteld hel tekort weder uit de
Algemeene Kas aan te zuiveren, even als het vorige jaar.
Nadat tot dit laatste besloten is, verzocht de Eere-Voorzitter
de heeren Leesberg en H. A. de Vos tot Nederveen Cappel zich
wel te willen belasten met den taak, de rekeningen van den
Penningmeester na te zien, waaraan deze gevolg geven.
Terwijl deze heeren zich hiermede bezig houden, brengt de
Bibliothecaris het volgende verslag uit:
Mine heeren !
Met een «Welkom hier in Oosterbeek» begin ik ditmaal mijn
verslag, Hoe kan ’t ook anders, waar uw bibliothecaris eindelijk ,
na de veelbewogen jaren die uwe boekenverzameling heeft doorge-
maakt, in Oosterbeek zelf zijn jaarlijksch overzicht aan u mag
voorleggen. Als straks door u allen een bezoek aan het bibliotheek-
lokaal gebracht wordt, en gij daar uwe boekenschatten op ento-
mologisch gebied gerangschikt ziet, dan wil ik hopen, dat geen
uwer spijt zal hebben van de overbrenging naar hier.
Heeft de verzameling een jaar lang in een houten gebouwtje
gehuisd, ’t deed haar gelukkig geen kwaad. Tot mijn groote vol-
doening was het er zeer droog; ten bewijze hiervan diene dat in
den afgeloopen winter er nooit ijsbloemen aan de binnerzijde, wel
aan de buitenzijde der ramen gekomen zijn.
Niet minder druk als vorige jaren werd er door de leden van
de boeken gebruik gemaakt. Een enkel nieuw werk kon aange-
schaft worden. Zooals u uit het verslag van onzen Penningmeester
gehoord hebt, is er veel geld voor inbinden besteed; waarlijk ’t
is geen luxe, ’t inbinden, ik kan dat niet genoeg zeggen, Echter
zijn wij door de erootste massa heen, en zullen de volgende jaren
D >) D
44 VERSLAG.
minder hooge bedragen aanwijzen; toch mag er niet vergeten
worden, dat ’t aantal tijdschriften vermeerderd, en daardoor ook
de hoeveelheid deelen, die geregeld bijgebonden moeten worden,
telkens wat grooter wordt.
Vele geschenken kwamen onze collectie weder verrijken; de
gevers, aan wie bij deze dank gebracht wordt, zijn:
Ministerie van Waterstaat, Proefstation Oost-Java en de heeren
C.. Berg, E. Everts, T.. Folmer, A. J. E° Fokker, ZA, W.2M.
van Hasselt, V. L. Kellogg, J. G. de Man, L. C. Mall, M. C.
Piepers, C. L. Reuvens, S. H. Scudder, P. J. M. Schuyt, J. D.
Smith, H. J Veth, en E. Wasmann. Den heeren Schuijt en
Veth een speciale dankbetuiging, de eerste wegens het completeeren
van een werk, waarvan wi] slechts één deel bezaten, de tweede
wegens zijn zeer belangrijk geschenk, waarschijnlijk een gevolg
van mijn aansporing in een vorig verslag, wat ik dan zeer op
prijs stel.
Catalogus A, 2de uitgave, heeft in ’t afgeloopen jaar ’t licht
gezien. Uit Supplement ILL op beide catalogi zult gij zien dat weder
nieuwe ruilingen aangegaan zijn.
Meerdere bezoeken van leden mocht de Bibliotheek ontvangen, te
meer verheugend, daar zoodoende bewezen is, dat Oosterbeek nog
al gemakkelijk te bereiken is.
Mijn verslag wensch ik te besluiten met den wensch, dat
Oosterbeek een trekpleister voor de leden onzer Vereeniging moge
blijven en zij aangespoord zullen worden een steeds ruimer gebruik
der Bibliotheek te maken».
Hierop heeft de verkiezing van een lid van het Bestuur plaats,
zijnde de heer Van der Hoop aan de beurt van aftreding. Deze
wordt als zoodanig herkozen en verklaart zich bereid de thans
door hem waargenomen functie te blijven waarnemen, de ver-
gadering dank zeggende voor het in hem gestelde vertrouwen,
De Eere-Voorzitter verzoekt thans over te gaan tot verkiezing
van twee leden in de Commissie van Redactie van het Tijdschrift
VERSLAG. 45
voor Entomologie waarvoor bij namens het Bestuur de volgende
tweetallen voorstelt, nam:
de heeren Everts en ter Haar, en
de heeren Leesberg en J. Th. Oudemans.
Uit de gehouden stemming blijkt, dat de aftredende leden, de
heeren Everts en Leesberg, worden herkozen, Beiden verklaren zich ,
onder toejuiching van de vergadering, bereid de benoeming te
aanvaarden.
De heeren Leesberg en H. A. de Vos tot Nederveen Cappel zijn
intusschen gereed gekomen met het nazien der rekening van den
Penningmeester en stellen aan de vergadering voor deze, onder
dankzegging aan den heer Veth, goed te keuren. Hiertoe wordt
aldus besloten en den Penningmeester décharge verleend voor het
door hem gehouden beheer,
Alsnu komt in behandeling het voorstel van het Bestuur tot
benoeming van de heeren:
A. S Packard, Professor in de Zoölogie aan de Brown University
te Providence, U. S. A.;
Dr. Fr. M. Brauer, Professor in de Zoölogie aan de Universiteit
te Weenen; en
Edm, Reitter te Paskau in Moravië, tot Eereleden der Vereeniging.
Nadat de heer Snellen de beide eersten warm heeft aanbevolen
en de heer Everts vooral in het licht heeft gesteld, hoe de heer
Reitter zich door zijne studie van de micro-coleoptera en de uit-
gave van zijne bij alle coleopterologen bekende «Bestimmungs-
tabellen» verdienstelijk heeft gemaakt, wordt bij acclamatie besloten
aan genoemde heeren het Eerelidmaatschap aan te bieden. De
Secretaris zal hun van deze benoeming kennis geven |).
Aan de orde is thans de keuze van de plaats voor de volgende Zomer-
vergadering in 1901. Door den heer Leesberg wordt: Zuid-Limburg ,
b.v. Heerlen en door den heer ter Haar: Groningen met eene excursie
naar Paterswolde voorgesteld. Bij de daarop gehouden stemming
1) Sedert werd bericht ontvangen, dat deze benoeming door alle drie werd
aanvaard.
Tijdschr, v.Entom. XLIII. 2
46 VERSLAG.
valt de keuze op Groningen. De heer ter Haar wordt bij meerder-
heid van stemmen tot Eere-Voorzitter gekozen en wordt hem
overgelaten te besluiten, waar de Vergadering hetzij te Groningen ,
hetzij te Paterswolde zal gehouden worden,
Nadat nog een aantal duplicaten uit de bibliotheken bij opbod
verkocht werden, welke verkoop / 22.35 opbracht, ging de Ver-
gadering tot de gebruikelijke pauze over.
Ten 2 ure heropent de Kere-Voorzitter de Vergadering en
verzoekt de leden over te gaan tot het houden der wetenschappe-
lijke mededeelingen.
De heer Snellen vertoont een exemplaaar van Plusia Festucae L.
waarbij de twee zilveren middenvlekken der voorvleugels links van
onderen geheel zijn ineengevloeid; rechts zijn zij alleen door een fijn
donker lijntje gescheiden. Verder zijn de vleugels duidelijk smaller dan
bij de typische exemplaren waar ook de beide vermelde zilvervlekken
zeer duidelijk gescheiden zijn. Het werd met eenige andere, geheel
normale voorwerpen uit bij Rotterdam gevonden rupsen gekweekt.
Dit afwijkende voorwerp vertoont dus de kenmerken op welke
Grote, in het Bulletin of the Buffalo Society I p. 146 en p. 192,
pl. IV fig. 2 (1875) zijne Noord-Amerikaansche Plusia Contexta
(waarvan Pl. Pulnam Grote |. c. p. 193 slechts eene kleine
variëteit is), grondde,
Toch houdt Spreker zoo min het hierbijgaande Nederlandsche
exemplaar als Couterta, waarvan hij door Dr. Speijer te Rhoden
een Amerikaansch paar ontving, voor iets anders dan eene variëteit
van Festucae. Hij herhaalt namelijk, dat hij het met typische voor-
werpen uit dezelfde rupsen kweekte. Dezelfde variëteit is ook enkele
malen in Engeland waargencmen, zie Arkle, Entomologist 1897
p. 113 en 195. Talrijker werd zij gevonden in het Amoerland ,
van waar zij zelfs door Graeser, in de Berliner Entom. Zeitschrift
33 p. 262 (1889) weder als eene nieuwe soort (Plusia Festata)
werd beschreven. Staudinger, de identiteit van deze Zestata met
VERSLAG. 47
Putnami aantoonende, komt echter (Mém. sur les Lépid. VI p.
543 (1892) en Iris X p. 340 (1897) tot de geheel verkeerde
gevolgtrekking dat Putnami specifiek van Festucae verschilt. Zij is
slechts eene variëteit van Contexta die ook slechts eene variëteit
van de Linneaansche soort kan heeten.
Wellicht komt var. Contexta, die in Noord-Amerika haar hoofd-
kwartier heeft, in Oost-Siberië zeldzamer is en sporadisch optreedt
in Noordwest-Europa, in West-Siberië en in Noordoost- en Midden-
Europa niet voor.
Voorts vertoont Spreker drie exemplaren van Agrotis C. nigrum
L., als, een uit Noord-Amerika, van Long-Island, door ons cor-
respondeerend medelid, de heer Putman Cramer gevangen en aan
Spreker gezonden, een tweede door den heer P. T. Sythoff op
West-Java (Preanger, 1600 meter hoog) gevangen en een derde,
door den heer de Vos tot Nederveen Cappel bij Apeldoorn ver-
zameld. Deze voorwerpen verschillen niet, evenmin als drie van
Agrotis Segetum, Z.-Afrika, Kafferland, Java, (Preanger, 1600
meter) en een inlandsch.
De heer Snellen besluit zijne mededeeling met een verzoek aan
de Lepidopterologen onder de leden, om toch zorgvuldig te letten
op afwijkende exemplaren en die op de Vergaderingen te vertoonen,
Zij kunnen van groot belang zijn, hetzij in kwestiën over soorts-
rechten of voor leden die zich, zooals Mr. Piepers, met studiën
van bijzonderen aard, b.v. over kleurontwikkeling bezighouden.
De heer van Rossum zegt naar aanleiding van het gesprokene
door den heer Snellen, dat bij hem 7 Mei jl, een Papilio Machaon L.
te voorschijn kwam, welke hem eenigszins anders geteekend scheen
dan gewoonlijk.
De heer Brants, wien hij het exemplaar wees, deelde deze
meening en had de goedheid den vlinder, welke ter bezichtiging
rondgaat, voor hem uit te zetten.
Het zwart op de voorvleugels is, vooral tegen de vleugelpunt,
minder geel bestoven dan dit gewoonlijk het geval is; dit komt
echter meer voor. Maar buitendien is de dwarsader der achter-
48 VERSLAG.
vleugels, anders dik zwart, hier dunner bestoven, en sluit, in
verbinding met een zwart streepje op ongeveer een millimeter
daarvoor, een geel eenigszins maanvormig vlekje der grondkleur
in. Bij normale exemplaren is dit vlekje zwart.
De heer H, A. de Vos tot Nederveen Cappel vermeldt, dat hij
in zijne verzameling eene Pap. Machaon L. bezit , met een geel stipje
in dit zwarte vlekje op den achtervleugel, maar dat hij nog geen
exemplaar heeft gezien, waarbij zooals hier het zwart op die plaats
door geel vervangen is.
Een tweede Pap. Machaon welke 6 Juni verscheen, was geheel
normaal geteekend.
De heer Everts vertoont eenige sluipwespen verkregen uit larven
en poppen van Scolytus destrucior. Deze worden door den heer
Ritsema herkend als behoorende tot het geslacht Bracon. Nog ver-
toont Spreker eenige kevers, die hij kort geleden van het Koloniaal
museum te Haarlem mocht ontvangen. Deze werden aangetroffen
in de daar bijeengebrachte voorwerpen en bleken te zijn eene
Anobium sp. uit Chineesch zoethout; Lastoderma laeve uit Cassave
van Suriname en eenige Calandra oryzae en Anobium paniceum ,
welke dikwijls in gedroogde vruchten en specerijen worden aan-
getroffen.
De heer Piepers deelt het volgende mede:
Ik wensch in de eerste plaats de aandacht te vestigen op zeer
belangrijke uitkomsten door ons medelid Dr. H. W. de Graaf te Leiden
voor korten tijd door het onderzoek der geslachtsdeelen van eenige
hem daartoe door mij verstrekte Papilioniden tot de Indo-Maleische
fauna behoorende verkregen. Blijkens die onderzoekingen toch zijn
niet alleen de Pup. Memnon L., die op de Maleische eilanden voor-
komt, met zijne verschillende variëteiten, en de Pap. dgenor L.
die op het vaste land van Indië en China leeft, dezelfde soort,
maar behooren daartoe ook Pap. Ascalaphus Bsd. van Celebes,
Pap. Polymnestor Gram. van Indië (= Pap. Parinda Moore van
VERSLAG. 49
Ceylon) en Pap. Lowii Druce van Palawan en Sambakan, terwijl
Pap. Deiphobus L., die ook in verschillende vormen in de Molukken
gevonden wordt, wel eene andere maar toch ook eene zeer na
verwante soort blijkt te zijn.
Deze uitkomsten nu bevestigen in hooge mate hetgeen mijne
studiën mij reeds zonder die te kennen op het Zoölogisch Congres
te Leiden hebben doen uitspreken, komen dan ook overeen met
mijne opvatting omtrent de kleurevolutie, en geven een vasten
grond aan mijne inzichten omtrent het wezen van de zoogenaamde
variëteiten, in dier voege dat, hoewel ook locale invloeden daartoe
medewerken, echter de ongelijke voortgang derzelfde evolutiën,
waar die tengevolge van locale scheiding niet door panmixie worden
gecorrigeerd, er de voornaamste oorzaak van is. Ik zal daarover
nu hier echter niet verder uitweiden.
Zeer opmerkelijk is ook het door Dr. de Graaf gevonden feit dat
na Pap. Deiphobus L. de het naast aan Pap. Memnon L verwante
soort is Pap. Polites L. Inderdaad komt dit volkomen overeen met
de omstandigheid dat de rupsen en poppen van deze in dezelfde
streken en ten deele zelfs op dezelfde voedingsplant levende soort,
ook in hare ontogenetische ontwikkeling van die van Pap. Memnon L,
alleen verschillen door de meerdere grootte der laatste, wat echter
slechts, wanneer die al eene zekere grootte bereikt hebben, zicht-
baar is. Maar daarentegen verschilt Pap. Polites L. wat zijn kleur-
systeem betreft aanmerkelijk van dat der andere soort, en werd
daarom dan ook reeds door Wallace tot eene andere groep van Papi-
lioniden gebracht. Eigenlijk is haar kleursysteem, zooals dat hare
polymorphe Qvormen nog doen zien, hetzelfde als dat van Pap.
Hector L., Pap. Aristolochiae F. en Pap. Antiphus F. Hieruit volgt
dus dat de eerste toestanden voor de kennis der verwantschap van
twee soorten van veel meer beteekenis zijn dan haar kleursysteem,
alsmede dat de richting der ontwikkeling van dit laatste ook bij
zeer verwante species niet alleen sterk uit elkander kan loopen,
maar soms eene veel grootere overeenkomst kan hebben met die
van andere veel minder dicht verwante soorten en zoo tot die
gelijkenis kan leiden, welke voor mimiery wordt aangezien.
50 VERSLAG.
De wetenschap mag Dr. de Graaf voor deze onderzoekingen zeer
dankbaar wezen; ik hoop dat zijne drukke bezigheden hem mogen
veroorloven daarmede ook nog verder voort te gaan en ook op
deze wijze nog meerdere twijfelachtige punten te helpen ophelderen,
Verder wensch ik, al valt dit buiten mijne specialiteit, ook iets
over Coleoptera te vertellen, Het trok toch mijne aandacht in een
opstel in Globus LXXVII van 10 Maart 1900, getiteld «Am Nord-
rande der Sahara» ‘door Dr. W. Behrens vermeld te vinden dat in
het Noordelijkste gedeelte dier woestijn overal waar op vroegere
halteplaatsen van karavanen mest van kameelen of ezels wordt
gevonden ook een groot aantal mestkevers, namelijk Gymnopleurus
mopsus Pall, Onitis Belial F. en Onitis humerosus Pall., aanwezig
is; maar dat deze insecten daar de traagheid hunner Europeesche
verwanten hebben afgelegd en evenals zwermen vliegen met de
vleugels brommende zich in de lucht verheffen zoodra nieuwe be-
zoekers op de plek komen.
Juist datzelfde heb ik toch vroeger al eens als eene mijner Indische
bevindingen medegedeeld, hoe het ook mij in Oost-Indië is opge-
vallen dat men daar de Coleoptera zooveel meer ziet vliegen dan
dit in Nederland het geval is.
Nu keer ik echter weder tot mijne Lepidoptera terug. In Natural
Science van October 1899 las ik een verslag van een werk van
A. Radeliffe-Grote, The Parnassi— Papilionidae en daarin de
meening van dien schrijver dat de Parnassius-vorm de meest en
de Ornithoptera-vorm de minst geavanceerde onder de Papilioniden
zoude wezen, tot steun van welke meening hij het feit aanhaalt
dat door Dr. H. Rebel onlangs een fossile vlinder uit het mioceen
van Gabbro in Italië is bekend gemaakt, door hem Doritis bosni-
_askiù gedoopt, die een aderstelsel vertoont zooals nu voorkomt in het-
geen hij de «Zerynthian stage» noemt, duidelijk gelijkende op die
van (Archon) Doritis Apollinus, maar toch in het uiterlijk en de
vlekken een Parnassus.
Daargelaten evenwel dat de eerste toestanden der Parnassius-
soorten, wier poppen nog van een spinsel omgeven zijn, aan dit
VERSLAG. 51
geslacht eerder een oud nog dicht bij dat der Heterocera staande
dan een zeer geavanceerd karakter doen toekennen, en dat Doritis
bosniaskir juist die oogvlekken niet vertoont, welke voor de teekening
van Parnassius 200 kenmerkend zijn, zoo moet ik er te dezen opzichte
met het oog op het daar straks omtrent Pap. Memnon L. en Pap.
Polites L. gezegde up wijzen dat de evolutie van het aderstelsel en die
van de kleurteekening in hoofdzaak van elkander onaf hankelijk zijn
en dus eene echte Doritis zeer goed de kleurteekening van Parnassius
zou kunnen bezitten, zonder daaruit gevolgtrekkingen te wettigen
als die de genoemde schrijver daaruit meent te mogen trekken.
Wat de Ornithoptera betreft ben ik echter op grond hunner
eerste toestanden mede van oordeel dat die inderdaad een zeer
oude vorm der Papilioniden vertegenwoordigen. Zoowel de boven-
genoemde als nog vele andere Oost-Indische Papilio’s stammen ,
naar ik op grond hunner rupsen en poppen meen, af van voor-
ouders, die tot de Ornithoptera behoorden en aan de nog bestaande
nauw verwant waren,
Ik bied hierbij tevens de afbeelding ter bezichtiging aan, die
Dr. Rebel van de genoemde miocene Papilioniden-soort heeft
gegeven. Zij is ook merkwaardig om den buitengewonen toestand
van conservatie waarin deze toch al eene respectabele bejaardheid
bezittende vlinder zich bevindt. Geen fossiel Lepidopteron is dan
ook nog in zoo goeden toestand tot ons gekomen.
De heer van Rossum laat ter bezichtiging rondgaan:
1°. Een parthenogenetische manlijke wesp van Cumber femorata
L , syn. ©. betulae Zadd., welke na tweejarige overwintering reeds
29 Maart te voorschijn kwam. Evenals de in het vorige jaar ver-
schenen wespen behoort ook deze tot de Silvarum-type. (Zie Tijdschr.
v. Entom. XLI Versl, p. 50). De zes parthenogenetische larven
afkomstig van de moederwesp gekweekt uit eene berkenlarve in
Juli 1897 te Putte (N. B.) gevonden, leverden alle manlijke exem-
plaren. De wesp kon tot 14 April in leven gehouden worden. Ook
in 1898 en ’99 verschenen de imagines van Cb. femorata in
April dus vroeger dan de overige Cimbex-soorten welke in den
52 VERS DL AG.
regel niet voor Mei, dikwijls eerst in Juni de cocons verlaten.
20, Parthenogenetische wespen en larven van Clavellaria Amerinae
L.; de wespen zijn parthenogenetisch in tweede generatie ; de daaruit
voortgekomen larven parthenogenetisch in derde generatie.
Hierbij wordt het volgende vermeld:
Den 13den April verscheen na tweejarige overwintering een manlijke
Clav. Amerinae uit de eerste parthenogenesis van 1898. Tot dus
ver schijnt dat niet waargenomen te zijn en vindt men aangegeven
dat de Clavellaria-wespen na éénjarige overwintering te voorschijn
komen. In het laatst van Mei werd ook een drietal cocons van
deze kweek geopend en daarin nog levende larven gevonden welke
oogenschijnlijk zeer welvarend waren. De larven waren vuilgroen
verkleurd en niet zóo in een geschrompeld als Cimbex-larven, die
twee jaren in de cocons vertoefd hebben; ook waren zij nog veel
bewegelijker dan Cimbex-larven in deze periode. Wellicht is het
mogelijk dat soms ook hier, evenals bij Cimbices, de imagines
nog na drie jaren voor den dag komen.
Van 9 tot 19 April verschenen uit de tweede parthenogenetische
generatie van 1899 vijftien Clavellaria-wespen. Wat het geslacht
betreft is de verhouding tusschen het aantal manlijke en vrouwelijke
wespen hier anders dan bij de eerste parthenogenesis (Tijdschrift
v. Entom. XLII, Versl. p. 60). Toen verschenen 3 Z en 8 9;
thans in tweede parthenogenesis 13 / en 2 8. In het eerste
geval bedroeg het aantal wijfjes dus ongeveer 73 °/,, thans slechts
13 °/,. Een der wijfjes den 17den April te voorschijn gekomen
overleed reeds 18 April; het andere dat 13 April verschenen was
en niet met manlijke wespen in aanraking geweest kan zijn,
heeft tot 28 April geleefd, en op afgesneden in vochtige aarde
geplaatste wilgentakjes eieren gelegd, Uit een twintigtal eierzakjes
op de bladeren begonnen den 8sten Mei, dus na verloop van ongeveer
18 dagen de larfjes te kruipen, welke dus geen vader noch
grootvader noch overgrootvader bezaten! In het geheel kwamen
52 larfjes in derde parthenogenetische generatie te voorschijn.
Volgens Brischke worden er in de eierzakjes gewoonlijk drie eieren
gelegd, de meesten zijn dus uitgekomen. Deze wesp heeft veel
VERSLAG. 53
gelegd, in het vorige jaar legden zes vrouwelijke Clavellaria-wespen
te samen een honderdtal parthenogenetische eieren; en de moeder-
wesp waaruit de drie generaties stammen, heeft er in 1897
ongeveer 35 gelegd.
Van de uitgekomen larfjes zijn er tot nu toe ongeveer 40 in
leven gebleven, welke voorspoedig opgroeien, zoodat zij waar-
schijnlijk ook wespen in derde parthenogenetische generatie zullen
everen.
De manlijke wespen der tweede generatie waren hoegenaamd niet
zwakker dan die der eerste parthenogenesis. Zij waren integendeel
zeer levendig, en beten herhaaldelijk door het gaas van het verblijf,
waarin zij vertoefden. Een manlijke Clavellaria Amerinae door
Dr. Veth ter vergadering meegebracht was kleiner dan deze
parthenogenetische mannen,
Het aantal der uit de cocons te voorschijn gekomen wespen
was naar evenredigheid veel geringer bij de parthenogenesis in
tweede generatie dan bij de eerste. Bij de eerste toch verschenen
na éenjarige overwintering uit 18 volwassen larven (waarvan 2
geen cocons bleken gemaakt te hebben, maar bij het inspinnen
bezweken waren) 11 wespen; bij de tweede daarentegen uit
55 larven (waarvan 13 geen cocon vervaardigden) slechts 15
wespen. Na 19 April zijn er thans geene meer uitgekomen;
wellicht kan het gure weder in het laatst der maand hierbij van
eenigen invloed geweest zijn. In het vorige jaar verschenen de
imagines tot 14 Mei.
De manlijke Clavellaria-wespen der tweede parthenogenetische
generatie konden even lang in leven gehouden worden, als die
der eerste, gemiddeld 17 dagen.
Door Dr. J. Th. Oudemans werd waargenomen, dat beide seksen
der wespen van ZTrichiosoma lucorum L. een eigenaardige geur
afgeven, wanneer zij aangevat worden. (Tijdschr, v. Entom. XLII
p. 239). Dit is ook het geval bij de wespen van Clavellaria
Amerinae L. welke eene dergelijke eenigszins aan de bekende
«pear-drups» herinnerende geur verspreiden; bij de wijfjes der Clavel-
laria’s was zij gemakkelijker waar te nemen dan bij de mannetjes.
54 VERSLAG.
3°. Parthenogenetische larven van Trichiosoma lucorum L.
Uit 45 Trichiosoma-cocons welke Spreker ontvangen had van de
heeren Polak en J. Th. Oudemans, en die te Odoorn en Schoonoord
in Drenthe verzameld waren, besonnen zich reeds 26 Maart de
imagines te ontwikkelen. Aangezien er toen nog geen blad aan
berken te bespeuren was, werd getracht het uitkomen der wespen
te beletten door de cocons koeler, in den kelder of des nachts
buiten te plaatsen, Veel uitwerking had dit niet; zelfs na flinke
nachtvorsten verschenen des morgens exemplaren; bij uitzondering
kwamen er ook een paar wespen tegen den avond uit de cocons.
In het geheel verschenen 11 4 en 30 @ van einde Maart tot
28 April '); de geelbruine of groenachtige vloeistof welke zij na
het uitkomen loozen, reageert zuur. De kleur van de schenen
dezer wespen welke licht bruinrood zijn, komt meer overeen met
Zaddach’s beschrijving (Beobacht. über die Arten der Blatt- und Holz-
wespen p. 56) en met de afbeelding van Snellen van Vollenhoven
in Deel 3 van het Tijdschr. v. Entom. pl. 8, dan met Konow’s
opgaaf in de Wiener Entom. Zeitung, XVI Jahrg. p. 137; aldaar
worden de schenen geel genoemd.
De wespen werden in afzonderlijke verblijven voor mannen en
vrouwen met suikerwater gemiddeld 12 dagen in leven gehouden.
Nu: en dan werd er flink gevochten vooral tusschen de mannetjes,
waarbij zij elkander lang vasthielden en met de stevige kaken
duchtig toetakelden, sprieten of pooten verminkend,
Den 24sten April werden 4 maagdelijke wespen, welke gelukkig
veel later dan de andere verschenen, naar den Stadstuin gebracht
en aldaar in twee gazen omhulsels op berk ingebonden, Wegens
de late ontwikkeling van het blad had dit niet vroeger kunnen
geschieden. De laatst verschenen Trichiosoma 9 werd er den 28sten
April nog bijgevoegd. Een paar dezer wespen gingen terstond
leggen ; vier waren 5 Mei overleden; de andere leefde tot 8 Mei,
Het duurde lang voor de larfjes zich ontwikkelden; bij eene
1) Uit een der 4 overgebleven cocons verscheen 10 Juni eene sluipwesp; bij
opening bleken de drie andere te bevatten: een doode sluipwesp, een ver-
droogde larve, en een doode wesp 4 in een ten tweede maal gebruikten cocon.
VERSLAG. 55
kweek binnenshuis op afgesneden berkentakjes in het vorige jaar
waren zij na 13 dagen uit het ei verschenen (Tijdschr. v. Entom.
XLII Versl, p. 66). De hoop werd reeds opgegeven, toen eindelijk
21 Mei, dus eerst na 26 à 27 dagen, de aanwezigheid der larfjes
door gevreet ontdekt werd en zij ook weldra waargenomen werden.
Tegen 6 Juni moesten zij wegens gebrek aan voedsel naar andere tak-
ken verhuisd worden. Bij telling bleek toen dat het eene omhulsel 57 ;
het andere 66 larven bevatte, een totaal dus van 125 exemplaren.
De meeste, ongeveer veertien dagen oud, waren verveld, geheel
wit bepoederd en met zwarten kop. Hoewel de teelt der Trichiosoma’s
lastiger schijnt te zijn dan die der Cimbices zal het bij dit groote
aantal vermoedelijk wel gelukken er ook parthenogenetische wespen
uit te kweeken.
4%, Parthenogenetische vrouwelijke wespen van Pferonus spiracae
Zadd. (Tijdschr, v. Ent. Deel XLII Versl. p. 15).
In het begin van April verschenen uit cocons van Spiraea-larven
in het laatst van Aug. 1899 van Dr. Reuvens ontvangen, weder-
om uitsluitend wijfjes. Eenige hiervan werden 6 April op een
plant van Spiraea aruncus ingebonden, welke in een pot gepoot
en vervroegd was. Den 19den April, dus na 13 dagen verschenen
larfjes uit de eieren. Een veertigtal was na 19 dagen volwassen
en kroop in den grond. Van 29 Mei tot 6 Juni kwamen hieruit
acht vrouwelijke wespen te voorschijn. Deze parthenogenetische
wespen zijn grooter dan de moeder- wespen.
Ook bij een andere Pteronus-soort werd door Spreker partheno-
genesis waargenomen. Hij had wilgenmolm uit Groesen in de
Lijmers ontvangen waarin zich tusschen Cimbex-cocons en vlinder-
poppen (Smer. populi) ook een dubbel cocon van een kleinere blad-
wesp bevond. Hieruit ontwikkelde zich 2 Mei eene Pleronus
melanocephalus Hig. Q *). Van 2 tot 18 Mei heeft zij geleefd en op
afgesneden wilgentakjes gelegd. In één blad waren tegen den
onderkant 40 eieren verspreid; in een ander blad 20 stuks enz.,
zoodat de wesp minstens tachtig eitjes gelegd heeft. Het grootste
1) Ook synoniem met Pferonus dimidiatus Lep.
56 VERSLAG.
blad verdorde; uit andere eitjes kwamen na dertien dagen zwarte
larfjes, waarvan 21 volwassen werden, welke omstreeks 6 Juni
ter coconvorming in den grond of onder blad kropen. De larven
vraten met evenveel graagte zoowel van berken- als wilgenblad,
en bij gebrek hieraan versmaadden zij iepenblad niet 1). Zij
worden voornamelijk op wilgen en berken gevonden en zijn vroeger
als twee soorten beschreven: Nematus betulae Htg. en Nematus
perspicillaris Klug. , welke thans voor identisch gehouden worden.
Door Snellen van Vollenhoven zijn beide in het Tydschr. v. Entom.
Deel VII, Kerste Serie pl. 8 en Deel XXIII pl. 3 ook afgebeeld.
Aan het einde van zijne mededeelingen over parthenogenesis
gekomen wijst Spreker er op dat door Dominique in Frankrijk,
en Stadelmann in Duitschland weder waarnemingen over partheno-
genesis bij Orthoptera zijn gedaan o. a. omtrent Bacillus gallicus
Charp., en Bacillus rossius F. Tevens vestigt hij de aandacht op
eene verhandeling van F. Dickel, Redacteur van de Nördlinger
Bienenzeitung, waarin de meening wordt uitgesproken, dat het
speeksel der werkbijen eene « Geslechts-bestimmende» werking op
de eitjes der bijen in de cellen uitoefent, Spreker heeft dat slechts
uit eene zeer verkorte inhoudsopgave van het opstel vernomen; het
gelukte hem nog niet het oorspronkelijke stuk ter lezing te verkrijgen.
De heer Piepers deelt mede dat de theorie van Dickel reeds
tegenspraak ondervonden heeft.
Door den heer van Pelt Lechner worden daarop de volgende
bijzonderheden hieromtrent medegedeeld, die hij ontleent aan een
referaat, door hem geplaatst in het Maandblad van oud-leerlingen
der Rijks-Landbouwschool te Wageningen:
In een verhandeling, getiteld: « Die vermeintliche Parthenoge-
nesis bei der Honigbiene », voorkomende in « Naturwissenschaftliche
1) Van 17—21 Juni verschenen de wespen reeds. Alle een-en-twintig zijn
manlijke exemplaren van fer. melanocephalus Zij zijn veel kleiner en rossiger
dan de wijfjes. Door Cameron wordt vermeld dat uit de naverwante Pier. salicis L.
parthenogenetisch ook uitsluitend mannetjes verkregen worden.
VERSLAG. 57
Wochenschrift» van 8 April 1900, N°. 14, spreekt Schiller—
Tietz als zijn overtuiging uit, dat men ten onrechte tot nu toe
heeft aangenomen, dat bij de werkbij van geenerlei sexueele levens-
uiting sprake kan zijn. Zoo stelt hij den bouw der verschillende
broedcellen o. a. op één lijn met den nestbouw der vogels en
moet die, evenals deze, beschouwd worden als een uiting van
sexueelen drang.
S. verwerpt de algemeen geldende leer, dat in den bijenstaat,
naast ontwikkeling uit bevruchte eitjes, parthenogenesis wordt aan-
getroffen, op grond o. m. hiervan, dat Leuckart hoegenaamd geen
verschil heeft kunnen vinden tusschen eitjes in koninginnen-, darren-
en werkbijenbroedeellen afgezet; bij alle vond hij de mikropyle
(toegangsopening voor de spermatozoiden) aanwezig, terwijl hij
aan de wanden van het receptaculum seminis (orgaan, waarin het
gedurende de copulatie opgenomen sperma wordt bewaard) geen
spieren heeft aangetroffen, die een druk zouden kunnen uitoefenen
ter uitstooting van spermatozoiden, waardoor de moederbij het in
haar macht zou hebben de langs bedoeld receptaculum glijdende
eitjes al of niet te doen bevruchten.
S. neemt dan ook aan, dat alle eitjes, door een koningin afge-
zet, gelijkelijk zijn bevrucht en wijst er op hoe Dzierzon, die het
er nog steeds voor houdt, dat darren zich uit onbevruchte eitjes
ontwikkelen, zelf zijn standpunt doet wankelen door mededeeling
van het navolgende feit: na copulatie van Apis ligustica JX
Apis mellifica g verschenen (Dzierzon) ook eenige gele darren,
nakomelingen dus met uiterlijke kenmerken, aan den vader ontleend !
Dickel, Redacteur der « Nördlinger Bienenzeitung», ontzegt allen
invloed aan qualiteit, zoowel als aan quantiteit van het voedsel,
door de werkbijen aan de larven verstrekt, op het geslacht der
toekomstige imagines, aangezien de larve vóór het einde van het
embryonale stadium reeds geslachtelijk gedifferentiëerd is, althans
bij darrenlarven, evenals bij die van vele andere insecten, is dat
gebleken.
Het overbrengen van eitjes uit darrenbroedeellen in die voor
werkbijen of koninginnen bestemd, heeft nimmer het gewenschte
58 VERSLAG.
gevolg, wanneer zij reeds door werkbijen met speeksel zijn bevochtigd
geworden, of, zooals Dickel zegt, de « Bespeichelung » heeft plaats
gehad; die « Bespeichelung » nu zou het doel zijn van het oponthoud
van jonge werkbijen in die cellen, waarin eitjes zijn afgezet en
daaraan dient de « Geschlechts-bestimmende » werking te worden toe-
geschreven. Van twee paar klieren, die o. m. bij de werkbij worden
aangetroffen , zou het secreet uit het eene, de kiem in mannelijke,
uit het andere, in vrouwelijke, uit beiden gelijkelijk toegevoerd,
die in neutrale richting (werkbij) doen ontwikkelen.
De heer van Rossum deelt verder nog mede:
I. Van 28 Mei tot heden 9 Juni verschenen uit cocons van
Cimber lutea-larven, welke uit ei op Populus pyramidalis gekweekt
waren, 9 $en4 d. (Zie Tijdschr. v. Entom. XLUI Versl. p. 17).
Voor zoover Spreker bekend, werden in de natuur nog geene
Cimbex-larven op populier gevonden. De wijfjes zijn groot en
zeer bewegelijk, zij onderscheiden zich niet van de gewone op
wilg gekweekte exemplaren. Drie der tot nog toe verschenen
mannetjes zijn betrekkelijk klein; de tint van het abdomen is
over het geheel niet zoo zwart, maar meer bruinzwart dan bij
manlijke wilgenwespen welke ook dezer dagen verschenen waren.
Op de vleugels dezer manlijke populier-wespen was duidelijk een
blauwe gloed waar te nemen.
Merkwaardig is het dat deze wespen eieren wilden leggen in
bladeren van berk en meidoorn, welke aan takjes in haar verblijf
geplaatst waren; zij legden niet in beuke- noch elzeblad. Het blijkt
dus dat deze wilgenwespen na den overgang op populier zich
anders gedroegen dan gewoonlijk, en door deze « verpeppeling »
minder kieschkeurig geworden waren ten opzichte van het voedsel
voor het toekomstige kroost. In verband toch met de soort-quaestie
had Spreker vroeger reeds herhaaldelijk proeven genomen of Zutea-
wespen wilden leggen op berk, beuk of els, maar tot nog toe
steeds met negatief resultaat. Met meidoorn waren nog geene
proeven genomen omdat het hem onwaarschijnlijk voorkwam dat
de hierop levende Cimber quadrimaculata Müll. (syn. ©. humeralis
VERSLAG. 59
Geoffr. en C. awillaris Panz.) tot dezelfde soort zou behooren,
wanneer men al met Judeich en Nitsche zou willen aannemen dat
de overige Gimbices van berk, beuk, els en wilg nur « eine sehr
veränderliche europäische Art bilden. » (Forstinsektenkunde, Band I
S. 632 en 662).
Het verwonderde hem dus dat deze op populier gekweekte
wilgenwespen op meidoorn wilden leggen, en hieraan zelfs de
voorkeur gaven boven berk. Zoowel op berk als op meidoorn
worden daarop gepaarde wespen ingebonden, Voor den meidoorn
werd hiertoe een struik van de roode variëteit van Crataegus
oxyacanthus in den tuin genomen, In bladeren op afgesneden takken
hiervan hadden zij ook reeds gelegd, maar dat scheen haar lastiger
te vallen dan op doornhaagbladeren van den Westervoortschen dijk ,
welke kleiner en steviger waren. De grootere en slappe bladen der
roode variëteit bogen dikwijls door de betrekkelijke zwaarte der
dieren naar beneden, zoodat zij na eenige vergeefsche moeite de
zaagpogingen staakten.
De beide ingebonden wijfjes waren echter den volgenden dag
van berk èn meidoorn ontsnapt! Zij hadden gaten in het gaas
gebeten; dat werd thans voor het eerst bij vrouwelijke Cimbices
waargenomen. Vroeger hadden mannetjes zich wel eens op deze
wijze verwijderd, maar deze waren nu kalm terug gebleven , terwijl
de krachtige, zeer wierige wijfjes, zeker ook onder den invloed
van het warme zonnige weder, de vlucht naar buiten genomen
hadden.
Hierop zijn nu twee gepaarde wijfjes op afgesneden takjes van
Crataegus monogyna binnenshuis geplaatst; zij hebben er reeds een
veertigtal eitjes gelegd van 1—3 in een blad, Wanneer de bladeren
lang genoeg frisch blijven, zal het dus wellicht gelukken larven
hieruit te kweeken.
IL. Den 7den Juni verscheen na éenjarige overwintering een manlijke
wesp uit den eenigen cocon, afkomstig uit eieren welke door eene
lutea-wesp op Salix caprea gelegd waren (Tijdschr. v. Entom. XLUI
Versl, p. 17). Het exemplaar vertoont groote overeenkomst met
door Spreker meegebrachte mannetjes van Cod. lutea L. syn
60 VERSLAG.
saliceti Zadd., maar is kleiner terwijl de tint van het abdomen
iets bruinachtiger zwart is 1).
De levende wesp gaat ter vergelijking rond met op populier
gekweekte èn met wespen van gladde wilg. In een der glazen had
weldra copulatie plaats. waarna de wesp eieren ging leggen; tegen
den avond werden er 54 geteld, op één groot blad (bij gebrek
aan wilgenloof) zelfs 23! Ook de eigenaardige lucht welke Cimbex-
wespen bij het aanvatten afgeven, werd ter vergadering waarge-
nomen, thans eenigszins sterker bij de manlijke dan bij de
vrouwelijke exemplaren,
Tevens gaan ter bezichtiging rond drie doorgesneden Cimbex-
cocons geheel gevuld met een dicht aangesloten wit spinsel waar
binnen een groot aantal sluipwesplarf jes zich verpopt hadden. Den
2den Mei verschenen uit een dezer cocons van C, connata 52 sluip-
wespen, vermoedelijk van eene Cryptiden-soort (behoudens nadere
determinatie); zij waren alle van het vrouwelijk geslacht. Den
28sten Mei kwam uit een /utea-cocon uit Groesen een andere zwarte
sluipwesp voor den dag ten getale van 48 en op dien zelfden
datum uit een Arnhemschen connata-cocon zelfs 66 exemplaren
van deze soort!
III. Ten opzichte van het scheikundig onderzoek der insecten-
eieren (Tijdschr. v. Entom. XLII Versl. p. 20) deelt Spreker
mede dat hij in het voorjaar in het bezit was gekomen van eene
groote hoeveelheid eieren van Ocneria dispar L., en hoopte hier-
mede een quantitatief onderzoek te kunnen volbrengen. Intusschen
1) Deze wesp werd later aan Pastor Konow te Teschendorf opgezonden,
welke er een exemplaar van Cb. capreae Kon. in herkende. Ook de bijgevoegde
manlijke en vrouwelijke wespen op populier gekweekt, worden door hem voor
C. capreae gehouden. Toch zijn deze, zoowel als de wesp op wolwilg, gekweekt
uit eieren van wespen welke uit larven van gladbladerige wilg verschenen waren.
Daar Konow echter vermoedde dat al deze wespen gekweekt waren uit larven
van C. capreae, werden hem eenige Arnhemsche larven uit wilgenwaard aan den
Rijn toegezonden; het blijkt dat deze geheel overeenkomen met de beschrijving
welke hij geeft van de larve van C. lutea L. in zijne analitische tabel voor het
determineeren van bladwesplarven. De daarin door hem beschrevene larve van
C. capreae Kon. is hier nog niet gevonden; Brischke en Zaddach houden haar
voor eene variëteit van O. Zufea L., syn. saliceti Zadd.
VERSLAG. 61
bleek, dat het zeer moeilijk is de eierhoopjes te zuiveren van het
dons, waarmede zij omgeven zijn. Zij werden hiertoe o. a. geschud
met chloroform om te zien of door verschil in gewicht wellicht
eene afzondering van de eitjes zou gelukken. Zij bleken wel lichter
te zijn en dreven gedeeltelijk naar de oppervlakte, maar het was
zeer bezwaarlijk en tijdroovend de eitjes op deze wijze van alle
aanhangende pluizen te bevrijden. De chloroform nam hierbij een
geelbruine kleur aan; de plakstof waarmede de vlinder (terecht
«Plakker» genoemd) de eitjes tegen stammen enz. bevestigt, lost in
chloroform op. Na verdamping bleef er een bruin laagje terug; bij
onderzoek bleek dat deze lijmachtige zelfstandigheid stikstof houdend is.
Voor quantitatief onderzoek zal het dus toch beter zijn eieren
te gebruiken van B. mori of van groote exotische spinners.
Spreker heeft onlangs ook eenige radiografiën door middel van
Röntgen-stralen laten vervaardigen van vlinders en poppen, hem
welwillend door Dr, J. Th. Oudemans verstrekt. Hij laat deze bij
de leden rondgaan en merkt daarbij voorloopig op dat er geen
onderscheid valt waar te nemen tusschen de radiografiën van
manlijke en vrouwelijke poppen van bijv. Sphinx ligusiri en Smerinthus
ocellatus. Het verbaasde hem dat er van beide zulke donkere
schaduwbeelden bij g èn 2 ontstaan waren; de poppenhuid dezer
vlinders moet dus niet uitsluitend uit chitine bestaan maar ook
anorganische bestanddeelen bevatten. Bij een scheikundig onder-
zoek was dan ook in de asch van twee Ocellatus-poppen zeer
gemakkelijk phosphorzuur en kalk aan te toonen. Spreker stelt
zich voor deze onderzoekingen met poppen van andere vlinder-
soorten voort te zetten. In poppen van Bomb. mori kon volgens
Levrat en Testenoire door middel van Röntgen-stralen onderscheid
tusschen Z en 9 waargenomen worden. (7%jdschr. v. Ent. XLII
Versl. p. 45)
Ten slotte deelt de heer van Rossum mede dat 28 Aug. 1898
op Ampsen bij Lochem door hem eene groene rups met lichtgele
zijstrepen gevonden werd, welke toen terstond in den grond kroop,
en waaruit 30 April 1900, dus na twee-jarige overwintering, een
Notodonta dodonea W. V. ontwikkelde.
Tijdschr. voor Entom. XLIII. 3
62 VERSLAG.
De heer Leesberg wenscht het een en ander mede te deelen
over parthenogenesis bij Orthoptera, dat hij aantrof in de Actas de la
Sociedad Espaliola de Historia natural van December 1897. Na
lezing van dit stuk achtte hij het van belang het te vertalen op
verzoek van Dr. van Rossum.
DE PARTHENOGENESIS BIJ DE ORTHOPTERA.
De parthenogenesis van de Bacillus (genus van de Phasmiden),
die met de Leptynia in Europa de geheele familie der Orthoptera
vertegenwoordigen , was reeds vermoed door de natuurkundigen
wegens de zeldzaamheid van de mannetjes der verschillende soorten ;
hoewel zij echter nog niet bevestigd was, totdat de Fransche
pater J. Dominique haar heeft bewezen met medewerking van eenige
zijner collega’s van de Société des Sciences naturelles de Ouest
de la France, door dat hij dit jaar een tweede generatie partheno-
genetisch verkregen heeft.
De gegevens die deze zekerheid aantoonen, welke M. Dominique
mededeelt in het Bulletin van genoemde Maatschappij volgen hier.
1°. Zeer jonge wijfjes van Bacillus gallieus Charp. gevangen
op Prunus spinosa, hadden hunne geheele gedaanteverwisseling in
gevangen staat door te maken, en zonder dat zij bevrucht werden door
de mannetjes brachten zij een groot aantal eieren voort;
2°. in de volgende lente kwamen uit die eieren, bijna uit alle,
volkomen ontwikkelde insecten ;
3°, die insecten op hunne beurt altijd gevangen gehouden en
zonder gemeenschap met de mannetjes brachten opnieuw ieder
een normaal aantal eieren voort;
40, in April van het volgend jaar werden eenige larven ver-
kregen uit die eieren en werd opgemerkt dat de meeste daarvan
niets opleverden, zoodat uit 2500 eieren slechts 6 larven verkregen
werden en van die 6 bleven er slechts 3 in leven op den datum
der mededeeling. Pater Dominique deelt mede dat die laatste larven
duidelijke sporen droegen van geringe levenskracht. Dr. Krauss te
Tübingen is er op zijne beurt toe gekomen bij zijn onderzoekingen over
VAER SS AG 63
Bacillus Rossii uit Dalmatie te vermoeden dat bij die soort ook
parthenogenesis moest bestaan en dat dit verschijnsel vermoedelijk
zich zou voordoen bij Saga serrata Fabr, een locustide van aan-
zienlijke grootte uit het zuiden van Europa waarvan de wijfjes
gewoon zijn en daarentegen de mannetjes veel zeldzamer gevonden
worden,
Bij deze opmerkingen die ik kortelings geleden ontving, kon ik
er nog eenige onuitgegevene bijvoegen met machtiging van onzen
collega R. P. Pantel aan wien wij ze danken; zij betreffen een
andere Phasmide, zeer gewoon in de omstreken van Madrid, de
Leptynia hispanica Bol., die onze geleerde collega heeft gevonden
en bestudeerd in Uclés.
Bezig met een studie over die zaak in verband met zijn inte-
ressante bijdrage over de larve van Thrixion die hij mededeelde
in de Comptes rendus de l’Académie des Sciences de Paris, be-
proefde hij de observatie van pater Dominique op de Bacillus
hierboven genoemd.
Hij stuitte in ’t begin op de moeilijkheid om de Leptynia in
gevangen staat te voeden, en beproefde daarom ze op te sluiten
met versche takken van Doryenium suffruticosum, en hij schreef
mij 28 Juni Il. dat van de 10 individuen die hij als larven in de
maand Mei had gevangen en behoorlijk afgezonderd, twee of drie
begonnen een opgezet achterlijf te vertoonen, aankondigende een
spoedige eierlegging.
Dit had werkelijk plaats, maar veel later, daar onze collega ver-
plicht was zijne onderzoekingen te staken. Omdat hij naar Frankrijk,
zijn geboorteland, terugkeerde, had hij verschillende loten van eieren
uitgedeeld, die hij verkregen had, en van die welke hij mij zond
heb ik er een zorgvuldig bewaard om te zien of het in het vol-
gende voorjaar nieuwe zal voortbrengen, gelijk ik zonder twijfel
denk.
Het verschijnsel van de parthenogenesis van de Bacillus verklaart
genoegzaam de zeldzaamheid der mannetjes die anders onverklaar-
baar zou zijn, daar ik bijvoorbeeld dit jaar verscheidene excursies
gemaakt heb in de onmiddellijke nabijheid van Montarca, en op
64 VERSLAG
al deze tochten van de helft van Mei af, vond ik de Leptynia his-
panica in ongelooflijk aantal, maar alleen wijfjes meer of minder
ontwikkeld, hetgeen ik kon volgen van de eene excursie op de
andere, ik heb duizenden individuen herkend, maar zelfs niet bij
toeval hebben wij een enkel mannetje gevonden, terwijl wij in een
vorig jaar er ook slechts enkele op dezelfde plaats vonden.
Nadat dit geschreven was, ontving ik een brief van den heer
Fr. A. Chaves, Directeur van het Museum te Ponta Delgada op
de Azoren, van wien ik in vorige jaren exemplaren ontving van
Bacillus gallicus Charp., behoorende tot de variëteit die hij noemde
occidentalis, die mij mededeelde dat hij er eindelijk in ge-
slaagd is in dit jaar 2 individuen uit eieren van het vorig jaar
groot te brengen die in volkomen afsluiting van af hunne geboorte
hadden geleefd, ten einde de eierlegging te onderzoeken die hij
hoopte. dat vruchtbaar zou zijn.
De Eere-Voorzitter dankt den heer Leesberg voor de groote
moeite, die hij zich heeft getroost om de leden in de gelegenheid
te stellen van dit opstel kennis te nemen.
De heer Veth zegt dat dezer dagen toevallig zijne opmerkzaam-
heid werd gevestigd op een ex. van Otiorrhynchus singularis L.
met zeer sterk verlengde kaken. Dit gaf aanleiding om in zijne
verzameling eens na te zien of zich daar ook dergelijke ex. in be-
vonden, en het gevolg daarvan was dat hij er onder een dertigtal
ex. drie vond. Bij eene gedachtenwisseling omtrent de oorzaken
van dit verschijnsel opperde de heer Leesberg de meening, dat het
wel de nog niet afgevallen kaken van de larve konden zijn. Op
verschillende gronden twijfelt spreker geen oogenblik aan de waar-
heid van deze gissing, maar vreemd is het dat hij onder honderden
andere ex. van het geslacht O. geen andere voorwerpen heeft kunnen
vinden, die het verschijnsel vertoonden, uitgenomen een ex. van
O. armatus Boh., die nog één verlengde kaak bezat. Is dit nu
toeval, of kan er een reden zijn, dat juist bij O. singularıs L.
deze kaken zoolang blijven bestaan ?
VERSLAG. 65
De heer de Meijere deelt vooreerst mede, dat hij van de
familie van wijlen den heer F. M. van der Wulp machtiging
verkregen heeft om een aantal afbeeldingen, waarnaar de platen
van diens publicaties vervaardigd zijn, aan de Vereeniging ten
geschenke aan te bieden. Daaronder bevinden zich die, welke
betrekking hebben op deel I der «Diptera Neerlandica, verder
ook meerdere, welke in het Tijdschrift voor Entomologie zijn af-
gedrukt. Spreker’s meening
g, dat deze voortreffelijke afbeeldingen ,
welke getuigen van de kunstvaardigheid en nauwgezetheid van ons
betreurd eerelid, nergens beter op hunne plaats zouden zijn, dan
in de Bibliotheek van die Vereeniging, welke de overledene steeds
zulk een warm hart toedroeg, vindt bij de aanwezige leden alge-
meene instemming. Nadat de Voorzitter een woord van dank aan
de familie van der Wulp heeft uitgesproken, worden de ter tafel
gebrachte afbeeldingen met groote belangstelling bezichtigd.
In de tweede plaats vermeldt Spreker, dat door hem ten vorigen
jare, ter gelegenheid van de Zomervergadering werden buit gemaakt
eenige larven, waaruit zich Callomyia amoena Meig. ontwikkelde,
Van dit tot de Platypezinen behoorende geslacht was tot dusverre
de metamorphose nog onbekend, De larven, welke achter boom-
schors gevonden werden, zijn merkwaardig sterk afgeplat, en doen
bovendien door het voorkomen van een aantal randuitsteeksels aan
de bekende Cassida-larven denken, Door het bezit van twee mond-
haken komen zij met de Musciden-larven overeen, wat vooral daar-
om van gewicht is, omdat volgens verschillende auteurs deze bij
Platypeza zouden ontbreken.
Voorts werden eenige mededeelingen gedaan omtrent het open-
springen van de puparia der Diptera. Terwijl dit bij de weinige
Orthorhapha, waar het tot de vorming van een puparium komt, door
een T-vormige spleet geschiedt, wordt voor de Cyclorhapha ge-
woonlijk aangenomen, dat hier een halfbolvormig kapje afgeworpen
wordt, hetwelk gewoonlijk nog door een horizontalen naad in tweëen
verdeeld wordt Bij nader onderzoek is echter aan Spreker gebleken,
dat de zaak niet zoo eenvoudig is. Het genoemde schema moge
voor de «Schizophora» geldig zijn, bij de kleine groepen der «Aschiza»
66 VERSLAG.
komen allerlei andere verhoudingen voor. Zoo vindt men reeds
dadelijk bij zeer vele Syrphiden wel twee dergelijke kapjes als bij
de Musciden, maar deze zijn ten opzichte der lichaamssegmenten
geheel anders geplaatst De achterrand van het afgeworpen kapje
ligt bij de Musciden in den eersten abdominalen ring, bij de Syr-
phiden ligt het geheel scheef, nl. aan de dorsale zijde in den
derden ring van het abdomen, aan de ventrale zijde in den prothorax.
Geheel afwijkend is ook de toestand bij Ateleneura, eene Pipunculide,
waar een uit vijf stukken bestaand kapje wordt afgestooten. Weder
anders is het bij de Phoridae; hier is het kapje, dat van het
vooreind van het puparium afvalt en de drie thorakale ringen der
larvenhuid omvat, te klein, om het ontwijken der vlieg toe te laten ;
daarvoor vindt hier achter dit kapje nog een overlangsche splijting
plaats, welke zich van het begin van den eersten tot het einde
van den derden ring van het abdomen uitstrekt en waardoor dorsaal
twee naast elkaar liggende trapeziumvormige kleppen worden af-
geworpen, Uit een en ander blijkt genoegzaam, dat de wijze van
openspringen ook bij de Cyclorhapha zeer verschillend zijn kan.
De heer H. de Vos tot Nederveen Cappel laat rondgaan eene
doos waarin zich bevinden:
19, een paartje van de donkergrijze variëteit van Saperda car-
charias L. door hem in 1899 bi) het zoeken naar rupsen van
Harpyia bifida Hb., uit struiken van Populus tremula, onder Apel-
doorn geklopt;
20, verscheidene exemplaren van dgrotis festiva Hb. en zan-
thographa F., onder Apeldoorn gevangen, ten einde te laten zien
hoe sterk deze soorten variëeren kunnen;
39. de type van Acronycla leporina L., door den heer H. J. H.
Latiers den 17den Juni 1899 onder Kerkrade gevangen en aan
spreker ten geschenke gegeven. Daarbij was gevoegd een exemplaar
van de var bradyporina Tr., gevangen onder Apeldoorn, waarbij
zich in den rechtervoorvleugel eene streep vertoonde, loopende van
de niervlek tot in de vleugelpunt.
Daarna deelt Spreker mede, dat het hem gelukt is, de anders
VERSLAG. 67
zoo moeielijk te overwinteren rupsen van Bombyx rubi L. in
grooten getale den winter door te brengen.
Genoemde rupsen leverden in ’t voorjaar 25 schijnbaar gezonde
poppen op. Spoedig ontwikkelde zich uit eenige, de door hem
meermalen ook in de vrije natuur aangetroffen schimmelplant,
met dat noodlottig gevolg, dat ten slotte uit de 25 poppen slechts
twee goed ontwikkelde vlinders te voorschijn kwamen, De heer
de Vos is van meening, dat aan deze ziekte voor een groot deel
is toe te schrijven, dat hoewel men in ’t najaar de rupsen bij
honderden op de heide kan vinden, in ’t voorjaar aldaar slechts een
enkele vlinder wordt aangetroffen.
In den zomer van 1898 ontving Spreker van den heer Latiers
een nest met rupsen van Cnethocampa processionea L., af komstig
uit Roermond. Deze rupsen leverden in dat jaar slechts een paar
vlinders op; het meerendeel der poppen overwinterde en leverde
de vlinders in Augustus 1899 Hierbij deed zich het eigenaardige
geval voor, dat de meeste 29 kreupel uit de poppen kwamen en
verscheidene slechts drie goed ontwikkelde vleugels bezaten en van
den vierden (steeds een achtervleugel) oppervlakkig niets te zien was.
Rupsen van Cucullia scrophulariae in 1898 onder Apeldoorn
gevonden en behoorlijk verpopt, leverden in ’t voorjaar 1899, van
15 poppen, slechts 5 vlinders op; de overige poppen overwinterden
voor de tweede maal en leverden de vlinders in ’t voorjaar 1900.
Merkwaardig genoeg waren geen dezer rupsen met sluipwespen of
vliegen bezet.
Ten slotte wenscht Spreker nog iets mede te deelen over Scodiona
Belgiaria H., van welke vlindersoort door hem twee dd op de
heide bij Loenen, den 28sten Mei 1899 en den 26sten Mei 1900,
gevangen zijn. Beide exemplaren waren zeer sterk afgevlogen en
beschadigd.
Van deze soort vindt hij den vliegtijd opgegeven bij:
P. C. T. Snellen «de Macrolepidoptera van Nederland» op pag.
602, Juni;
H. von Heinemann «Die Schmetterlinge Deutschlands und der
Schweiz». Pag. 653, Juni;
68 VERSLAG.
Sepp. 2e Serie III, pag. 31, de tijd van het uitkomen der
poppen 29 Mei en 1 Juni;
O. u Tr. VI, 1. pag. 299, einde Juni en Juli;
dezelfde X, 2, pag. 190. Begin van het uitkomen der poppen
16 Mei;
Dr. E. Hofmann «Die Gross-Schmetterlinge Europa’s. Pap. 191, Juli;
Dr. E. Hofmann «Die Raupen der Gross-Schmetterlinge Europa’s.
Pag. 218, einde April en Mei. |
Uit het medegedeelde blijkt, dat de vliegtijd nog al verschillend
wordt opgegeven; allen echter geven op, dat de rups overwintert
en vroeg in ’t voorjaar verpopt.
Nu komt het Spreker vreemd voor, dat indien de vlinder in het
einde van April, begin Mei (wat hij als den waren vliegtijd aan-
neemt) uit de pop komt, de rups van einde Mei of begin Juni tot
April van het volgende jaar, tot ontwikkeling noodig zoude hebben.
Eerder neemt hij aan, dat er eene tweede ontwikkeling plaats
heeft en spreekt het vermoeden uit, dat de vlinder der tweede
generatie einde Juli, Augustus of begin September vliegt, De rupsen
dezer generatie zouden dan overwinteren.
De heer ter Haar laat ter bezichtiging rondgaan eene plant van
Arnica montana L. met mijnen van Acrolepia arnicella von
Heijden door Spreker in 1893 bij Laag Soeren als inlandsch ont-
dekt en later door hem daar ter plaatse in aantal als pop gevonden,
waaruit echter slechts 2 vlindertjes en niet minder dan 17 sluip-
wespen kwamen.
Den vorigen dag was Spreker weder naar de vindplaats gegaan
en had de voldoening gesmaakt een groot aantal mijnen te vinden.
Hij vindt het van belang die mijn in natura aan de vergadering
te laten zien, omdat zij door haar breedte en het er zoo ongelijk-
matig in verspreid liggen der uitwerpselen sprekend op die van
een Dipteron gelijkt, Gelijk Spreker in zijn stukje over het genus
Aerolepia (T. v. E. Dl. XXXIX pag. 73) reeds heeft beschreven,
verlaat de rups de mijn en maakt op een geheel andere plaats,
meestal in een tegenovergesteld liggend blad een nieuwe mijn die
VERSLAG. 69
langwerpig ovaal is en op de bovenzijde bijna niet te zien is, om-
dat daar ter plaatse alleen een klein bultje ontstaat.
Spreker werd door stortregens verhinderd een grondig onder-
zoek in te stellen naar het bewonen door Acro/epia-rupsen van
Gnaphalicum sylvatieum L. Het komt hem echter voor dat de
blaadjes van de daar ter plaatse groeiende planten te klein waren
voor de rupsen van een Acrolepia-soort. 1)
Door den heer A. A. van Pelt Lechner wordt ter sprake gebracht
de vervolging door vogels, waaraan dagvlinders in de vlucht zijn
blootgesteld, Spreker heeft daaraan in de laatste jaren zijn aan-
dacht gewijd en is voor zich tot de overtuiging gekomen, dat
dagvlinders, in de vlucht gevangen, geen noemenswaard gedeelte
uitmaken van het voedsel van omnivore of insectivore vogels en
dat in verreweg de meeste gevallen van vervolging in hoofdzaak
aan « Spielerei» moet gedacht worden, in verband waarmede dan
ook juist die dagvlinders gevaar loopen, welke in de vlieglijn van
den vogel, op korten afstand vóór dezen komen.
Bij de vrij breedvoerige discussie, die dit onderwerp uitlokte,
bleken de heeren Snellen en Piepers, deze laatste o. a. steunende
op zijne gedurende vele jaren op Java gedane biologische waar-
nemingen, aan de zijde van spreker te staan, meerdere Leden
daarentegen een ander gevoelen te zijn toegedaan.
De heer Reuvens laat ter bezichtiging rondgaan een werk van
Charles W. Andrews getiteld « A Monograph of Christmas Island»,
dat hij aan de bibliotheek der Vereeniging met andere kleinere
werken wenscht te schenken, waarvoor hem door den President
dank wordt betuigd,
De heer A. C. Oudemans deelt het volgende mede:
1) Spreker kreeg 12 vlinders, waarvan de laatste den 5den Juli uitkwamen ,
wat 14 dagen later is dan in 1893 en 1896. Deze serie kan misschien mede-
werken tot opheffing van den twijfel omtrent het soort-recht van <Acrolepia
cariosella Fr. (Zie T. v. E. t. a. p.)
70 VERSLAG.
Van den heer C. Fischer, Bankdirektor in Mülhausen ontving
ik eenige Acari ter determineering
g, door hem bij Macognaga aan
de zuidelijke helling van den Monte Rosa onder steenen en in dorre
bladeren gevonden. Daaronder bevond zich eene nieuwe Oribatide,
die ik naar den vinder Camisia Fischeri genoemd heb, Teekening
en beschrijving zullen in ons Tijdschrift verschijnen.
Van den heer A. R. Spoof, in Abo ontving ik eveneens eenige
Acari ter bestemming. Daaronder bevonden zich eene nymph en
een volwassen exemplaar van een nog onbeschreven Oribatide, die
ik als Seutovertex Spoofi in ons Tijdschrift zal beschrijven en af-
beelden. Spoof vond deze dieren altijd in de glibberige eiersnoeren
van Limnaca, en wel in subsaline water. Zijne meening, dat
Scutovertex van deze eieren of van de gelei leeft, moet verworpen
worpen. Oribatiden zijn vegetariërs.
Drie nieuwe Trichotarsus ontving ik van den heer J. D. Alfken,
in Bremen. Deze op Aylocopa eircumvolans Smith, eene bij uit
Japan, gevonden parasieten, zullen eveneens eerlang beschreven
en afgebeeld worden, Twee ervan kenmerken zich door lancet-
vormige, bladachtige aanhaugsels aan de tarsen der 3 voorste poot-
paren. Ik heb ze genoemd Trichotarsus Alfkeni, Trichotarsus japo-
nicus en Trichotarsus ornatus.
Wat een buisje Acari, die men koopt, voor bizonders kan op-
leveren, leert het volgende geval. Prof. Berlese in Padua verkocht
in 1883 Acari in buisjes, door bemiddeling van André te Beaune.
In eene van die buisjes bevond zich behalve Serrarius fusifer
C. L. Koch een exemplaar van Serrarius microcephalus (Nie ), eene
mijt, die tot dusverre nog niet in Italié gevonden werd, Deze Acarus
werd toch door Prof. Berlese zelf in het buisje gebracht!
Hoe men soms een Acarus in handen kan krijgen, die in geen
90 jaren gezien is! De heer S. A. Poppe, in Vegesack bestudeert
de Myobia’s, parasieten van Insectivora, Rodentia en Chiroptera;
al wat hem van andere parasieten in handen komt, zendt hij mij
ter determineering. In een der buisjes bevonden zich 5 exemplaren
van Dermacarus arcicolae, eene mijt, die sedert 1849 (zij werd
toen door Dujardin gebrekkig beschreven en afgebeeld) niet weder-
VERSLAG. (Ol
gevonden is. Eene nauwkeurige beschrijving met af beeldingen zal
binnen kort in ons Tijdschrift opgenomen worden.
Twee nieuwe Oribatiden, door mij Zremaeus Schneideri en Ere-
maeus sanremensis genoemd, bevonden zich in eene collectie Acari,
door Prof. Schneider te Dresden bij San Remo verzameld. Ik heb
ze beschreven en afgebeeld voor ons Tijdschrift.
Van de inlandsche Oribatiden heb ik eene nieuwe lijst samen-
gesteld, waarop ik laat volgen opmerkingen over bekende, en be-
schrijvingen en afbeeldingen van nieuwe soorten. Een en ander
ligt ter perse. Notaspis subglobulus is eene nieuwe soort, door mij
gevonden te Warnsveld. Onder den naam van Notaspis alatus
(Herm.), Notaspis elimatus (G. L. Koch) en Notaspis dorsalis (GC.
L. Koch) zijn drie soorten door elkaar gehaspeld. Ik heb getracht
daarin schoon schip te maken en heb ze kort beschreven onder
de namen Notaspis alatus (Herm.), Notaspis elimatus (C. L. Koch)
en Notaspis lanceatus Oudms, Liacarus lativentris (Nic.) is sedert
1855 niet teruggevonden; ik vond haar bij den Haag (Haagsche
Bosch). De soort, door mij in ons Tijdschrift onder den naam
van Notaspis (lees Kremaeus)confervae Schrank beschreven , wordt
door Michael in «Das Tierreich, Oribatidae» aangetast. Ik heb
haar nu verdedigd onder speciale vermelding der verschillen tusschen
confervae en Æremaeus lacustris Michael. Ik hoop daarmede de
zaak tot een goed einde gebracht te hebben.
Eremaeus subtrigonus Oudms., Eremaeus subpectinatus Oudms.,
Eremaeus ornatus Oudms., Æremaeus frisiae Oudms. zijn door mij
als nieuw beschreven en afgebeeld. — Oribata vertieillipes (Nic.),
sedert 1855 niet meer waargenomen, heb ik gevonden te Delden ,
Lochem en De Steeg, en Generaal van Hasseit bezorgde haar mi
uit Loosduinen. Bovendien zag ik exemplaren van de Monte Rosa,
aldaar gevonden door den heer C. Fischer van Mülhausen. Michael’s
Damaeus verticillipes is een geheel andere soort, die ik nu Oribata
Michaeli genoemd heb.
Ik kan bij deze gelegenheid niet nalaten om de leden, die in
afval, dorre bladeren, enz. naar mikro-insecten zoeken, te wijzen
op de massa Acarinen, die steeds daarin te vinden zijn; even-
72 VERSLAG.
eens komen allerlei Acari parasitisch voor op allerlei Insekten.
Ik verzoek beleefd, die te verzamelen, op spiritus; menige soort
krijg ik op die wijze in handen, die mij nog niet als inlandsch
bekend is, zoo bijv. Seutoverter maculatus Michael, werd door
Prof, Ritzema Bos gevonden in cichorei-wortels uit Oude Pekela;
Notaspis parmeliue Michael kreeg ik van den heer K. J. W. Kem-
pers uit Nijkerk; deze zonderlinge Notaspis heeft 1 klauw in plaats
van 3, en vormt met eenige andere soorten een ondergeslacht;
Orsbata genienlata L. vond de heer Everts te Valkenburg.
Ik ben thans bezig aan eene nieuwe lijst van Parasitiden (Gama-
siden). Ook hier moet ik melding maken van een paar belangrijke vond-
sten. Van Parasitus coleoptratorum (L.) had ik nog nooit volwassen
exemplaren gezien. Zes 2 ontving ik van den heer Everts, door
hem in Loosduinen gevonden, De heer Jaspers zond mij, jaren
geleden, eenige Acari, door hem in Amsterdam gevangen. Daar-
onder bevindt zich een Acarus, die stellig uit tropische gewesten
in Amsterdam verzeild geraakte. Het is een Acarus met tropische
vormen; hij behoort waarschijnlijk tot een nieuw geslacht, daar
hij alle kenmerken bezit van Zaelaps, behalve dat hij geen klauwen
en geen ambulacra aan de voorpooten heeft. Ik heb het dier voor-
loopig Laelaps jaspersi gedoopt.
In 1760 maakte Lyonet melding van eene mijt, door hem bij
massa’s gevonden op de rups van Trypanus cossus L. Ionderd-
veertig jaren zijn verloopen. En nu bezorgt de heer van Pelt Lechner
mij een exemplaar, door hem gevonden op de genoemde rups, en
vind ik verleden maand zelf een tweede op Lacerta agilis. Het
dier zat, even als een teek, met zijn kop onder den vrijen rand
van een schub verscholen, achter een der voorpooten van de
hagedis !
Gij ziet, mijne heeren, ik ben wel gerechtigd om een beroep
te doen op Uw welwillendheid. Zoek, waar ge ook kunt, naar
Acari, en zend ze mij toe, Enorm veel valt er nog te doen in
deze in ons land zoo verwaarloosde groep.
Ik laat thans eenige figuren rondgaan die mijn stukje over
Nederlandsche Parasitiden (Gamasiden) zullen begeleiden. De bizon-
VERSLAG. is
derheden zijn in het kort naast de figuren vermeld. Ken en ander
zal weldra in ons Tijdschrift verschijnen.
Verder heb ik nog een paar bizonderheden. Ieder kent de ge-
lukspinnetjes (Trombidium) en de vlugge bolvormige watermijten
(Hydrachnellae). Ik heb hier in een fleschje eenige van de laatste,
en in een ander fleschje eenige Limnochares aquaticus L., die
men moddermijten zoude kunnen noemen. Zij vormen een over-
gang van Trombidides naar Hydrachnellae Ze zijn niet zoo heel
gewoon, en daarom laat ik ze eens zien.
Van de bekende hondenteek (/xodes reduvius (L.)) is het 4 be-
trekkelijk klein en niet bloedzuigend; toch heeft het met groote
weerhaken voorziene maxillae. Deze dienen hem voornamelijk bij
de paring Daarbij introduceert hij zijn rostrum met weerhaken in
de vulva van het ? en zit op die wijze dus goed vast. Daar zijn
genitaalopening zich vlak achter het rostrum bevindt, zoo is die
opening tevens vlak voor die van het 2, Ik laat hier een paartje
in copula rondgaan.
De heer Uyttenboogaart deelt mede, dat de invasie van
Monomorium pharaonis. L. nog steeds te Amsterdam voortduurt,
hoewel verschillende middelen werden aangewend om deze te
stuiten, doch alles tevergeefs,
De heer Snellen wenscht thans een woord van dank te richten
tot den heer A. G. Oudemans Jszn. voor de uitstekende wijze,
waarop hij deze vergadering heeft geleid.
Met een woord van dank tot de verschillende sprekers voor
hunne mededeelingen sluit de Kere- Voorzitter daarop de vergadering,
Na afloop der vergadering werd het nieuwe bibliotheekslokaal
bezichtigd, waar thans de beide bibliotheken volgens de nieuwe
catalogi gerangschikt staan; op zulk eene wijze, dat voor de ver-
schillende tijdschriften ruimte is vrijgelaten voor de eerste vijf en
twintig jaren, zoodat het op nieuw verplaatsen van de verschil-
lende seriëen in dien tijd niet noodig zal zijn. De geheele inrich-
ting van het gebouw werd ten zeerste geroemd.
74 VERSLAG.
Den volgenden dag werd als gewoonlijk besteed aan het maken
van eene excursie in de omstreken van Oosterbeek, Men ving deze
aan met eene wandeling langs den Hemelschen Berg en de Wester-
bouwing naar het landgoed van den heer Scheffer «de Duno», dat
door den eigenaar voor de leden onzer vereeniging welwillend was
opengesteld. Men bewonderde daar den schoonen aanleg met de
prachtige gezichten over den Rijn en de Betuwe, en wandelde
onderlangs naar de uitspanning «de Zalmen» te Doorwerth, waar
eenige rust werd genoten Het doel van den verderen tocht was
het Kurhuis te Heelsum, waar men zich ten 5 uur aan een ge-
meenschappelijken maaltijd vereenigde, zeer voldaan over de schoone
streek, waarmede men kennis had gemaakt en over het prachtige
weer, dat deze excursie had begunstigd.
Wat de vangsten betreft, kan medegedeeld worden, dat onder
de verzamelde Lepidoptera niets bijzonders werd aangetroffen. Deze
behoorden alle tot de in Gelderland veelvuldig waargenomen soorten.
Van Coleoptera werden gevangen o. a.:
Carabus monilis F.
Pterostichus angustatus Dfts.
Trichophya pilicornis Gylh.
Philonthus atratus Grav.
Eulissus fulgidus F.
Oxytelus insecatus Grav.
Liodes glaber Kugel.
Rhizobius subdepressus Seidl.
Valgus hemipterus L.
Elater elongatus F.
Drilus concolor Ahr. £
Tillus elongatus L. (4 ambulans F.),
Microzoum tibiale F.
Anaspis flava L.
Bruchus atomarius IL.
Barynotus obscurus F.
Hypera murina F.
Ceutorrhynchus litura F
VERSLAG. UD
Ceutorrhynchus campestris Gylh.
Scolytus intricatus Ratzeb.
Onder de op de excursie gevangen Diptera zijn vermeldenswaard :
Bibio hortulanus L.
Chironomus flexilis L.
» trinotatus v. d. W.
Cricotopus bicinctus Meig.
Tanypus ornatus Meig.
Tipula fascipennis Meig.
Limnobia dumetorum Meig.
Rhamphidia longirostris Meig.
Ephelia marmorata Meig.
Amalopis immaculata Meig.
Beris clavipes L.
Coenomyia ferruginea Scop.
Laphria gilva L.
Empis vernalis Meig.
» decora Meig. Fn. nov. sp.
Rhamphomyia pennata Macq.
Chrysotoxum octomaculatum Curt.
Eumerus ornatus Meig.
Sarcophaga dissimilis Meig.
Platystoma seminationis L,
Minettia notata Fall.
Siphonella pumilionis Bjerk.
Limosina ochripes Meig.
Ochthiphila polystigma Meig.
De heer van Rossum deelt over de resultaten der excursie het
volgende mede :
Op eik werden larven van Emphytus- en Periclista- en op
biezen verschillende Doleruslarven gevangen. Door kweeking zal
moeten blijken met welke soorten men hier te doen heeft.
76 VERSLAG.
,
Op eene excursie, den dag voor de vergadering door de heeren
Everts, Leesberg en Veth in de omstreken van Winterswijk ge-
maakt, werden de volgende Coleoptera aangetroffen.
Notiophilus rufipes Gurt
Dromius angustus Brull.
Staphylinus fossor Scop.
Philonthus splendidulus Grav. Zaun. nov. sp.
Nudobius lentus Grav.
Lathrobium laevipenne Heer.
Stenus fossulatus Er.
» foveicollis Kr.
Liodes glaber Kugel.
Epuraea neglecta Heer.
Enicmus rugosus Herbst.
Cryptophagus villosus Heer.
Sphindus dubius Gylh.
Corymbites impressus F. Faun. nov. sp.
Thelephorus violaceus Payk.
Ernobius nigrinus St.
Acmaeops collaris L.
Phytodecta 5-punctata F,
Crepidodera splendens Weise.
Brachysomus echinatus Bonsd.
Polydrosus confluens Steph.
Sitones tibialis Herbst
Gronops lunatus F,
Rhynchites aequatus L.
Crypturgus pusillus Gylh.
17
LIJST VAN DE LEDEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VERERNIGING.
op 1 Juli 1900,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
(De leden, die het Tijdschrift voor Entomologie ontvangen,
zijn met een * aangeduid.)
OR CE Cit en
BEGUNSTIGERS.
Dr. F. J. L. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
Het Koninklijk Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra te
Amsterdam. 1879.
Mr. J. Jochems, Korte Vijverberg 4, te ’s Gravenhage. 1883.
De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem. 1884,
Mevrouw de Wed. Mr. J. Kneppelhout, geb. van Braam, Hemelsche
berg, te Oosterbeek. 1887.
Mevrouw M. Neervoort van de Poll, geb. Zubli, te Rijsenburg.
(prov. Utrecht) 1887.
Mevrouw A. Weber, geb. van Bosse, te Amsterdam. 1892.
Mejuffrouw 8. C. M. Schober, Catharijnesingel 36, te Utrecht. 1892,
Mevrouw J. M. C. Oudemans, geb. Schober, Oosterpark 52, te
Amsterdam. 1892.
M. J. W. ’sGravesande Guicherit, Laan Copes van Cattenburg 17, te
’s Gravenhage. 1892.
Mevrouw M. Ooster, geb. de Perrot, Vondelstraat 4, te Amsterdam. 1893,
Mr. L. E. van Petersom Ramring, te Wijk bij Duurstede. 1894.
Mevr. de Vries, geb. de Vries, van Eeghenstraat 101, te Amsterdam. 1895
Jhr. A. F. Meyer, Parkstraat 79, te Arnhem. 1897.
Mevrouw J. P. Veth, geb. van Vlaanderen, Sweelmekplein 83, te
’s Gravenhage. 1899.
Mevrouw C. W. Reuvens, geb. van Bemmelen, te Oosterbeek. 1899.
J. W. Frowein, Eusebius buitensingel 55, te Arnhem. 1899.
Dr. C. C. Sepp, Leidsche gracht 3, te Amsterdam. 1900,
Mej. C. E. Sepp, Weteringschans 22«, te Amsterdam. 1900.
Tijdschr. voor Entom. XLIII. di
78 LIJST DER LEDEN ENZ.
EERELEDEN.
* Dr. Gustav L. Mayr, Professor aan de Hoogere Burgerschool te
Weenen, III Hauptstrasse 75, te Weenen. 1867.
R. Mac-Lachlan, F. R. S., Westview, Clarendon Road, Lewisham,
S. E., te Londen. 1871.
* Dr. T. Thorell, voormalig Hoogleeraar in de Zoologie aan de Hooge-
school te Upsala in Zweden, thans wonende te Helsingborg,
(Zweden). 1872.
E. Baron de Selys Longchamps, Boulevard de la Sauvenière 34,
te Luik. 1874.
Frederic Du Cane Godman, F. R. S., 10 Chandos-street, Cavendish-
square, London W. 1893.
# A. S. Packard, Hoogleeraar in de Zoologie aan de Brown University
te Providence, in Noord Amerika. 1900.
Dr. Fr. M. Brauer, Hoogleeraar in de Zoologie aan de Universiteit
te Weenen. 1900.
* Edmund Reitter, te Paskau, Moravie. 1900.
*
*
*
x
CORRESPONDEERENDE LEDEN.
*
Frederie Moore, Maple road, 17, Penge (Surrey). 1864.
* Jhr. J. W. May, Consul-Generaal der Nederlanden, Blenheim House,
Parson’s green Lane, Fulham 8. W., te Londen. 1865.
Dr. W. Marshall, Professor aan de Universiteit te Leipzig. 1872.
A. Fauvel, Rue d’Auge 16, te Caen. 1874.
Dr. O. Taschenberg, te Halle a. S. 1883.
A. W. Putman Cramer, 142 West-streel 87, te New-York. 1883.
Dr. F. Plateau, Professor der Zoologie aan de Hoogeschool te Gend. 1887.
A. Preudhomme de Borre, Villa la Fauvette, Petit Saconnex, te Genève.
1887.
S. H. Scudder, te Cambridge (Mass.) in Noord-Amerika. 1887.
* Dr. L. Zehntner, Proefstation West-Java, te Kagok-Tegal (Java). 1897.
A. G. Vorderman, Inspecteur van den civiel geneeskundigen dienst ,
te Batavia. 1899.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
Comte Henri de Bonvouloir, Avenue de l’Alma 10, te Parijs.
(1867—68). — Coleoptera.
* René Oberthiir, Faubourg de Paris 44, te Rennes (Ille-et-Vilaine).
Frankrijk. (1882—83). — Coleoptera, vooral Carabiciden.
* The Right Hon. Lord Th. Walsingham, M. A., F. R. S., Eaton
House 66a, Katon-square, London 8. W. (1892—93). — Lepidoptera.
* Julius Weiss, te Deidesheim (Rheinpfalz). (1896—97).
LIJST DER LEDEN ENZ. 79
GEWONE LEDEN,
Vine. Mar. Aghina, Saer. Ord. Praed., te Huissen (Geld.) — Alge-
meene Entomologie. (1875— 76).
Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit te
Groningen. — Algemeene Zoologie. (1871—72).
G. Annes, 3de Helmersstraat C, te Amsterdam. (1893—94),
Dr. J. F. van Bemmelen, Regentesseluan 96, te ’s Gravenhage. (1894—95).
* E. M. Beukers, Emmastraat, te Schiedam. — Lepidoptera.
(1898—99).
K. Bisschop van Tuinen Hz., Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
en het Gymnasium te Zwolle. — Lepidoptera. (1879—80).
P. A. M. Boele van Hensbroek, Gevers Deynootweg 12, te ’s Graven-
hage. — Bibliographie. 1894--95).
A. M. J. Bolsius, Praktizeerend Geneesheer op Billiton. (1876—77).
Dr. H. Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool te Wageningen. —
Formiciden. (1881—82).
Dr. J. Ritzema Bos, Buitengewoon hoogleeraar aan de Universiteit,
Roemer Visscherstraat 3, te Amsterdam. — Oeconomische Ento-
mologie (1871—72).
Dr. J. Bosscha Jz., te Sambas op Borneo. — Coleoptera. (1882—83).
A. van den Brandt, te Venlo. — Inlandsche insecten. (1866—67).
* Mr. A. Brants, Westervoortsche dijk 1, te Arnhem. — Lepidoptera
(1865—66).
* L. P. de Bussy, Phil. nat. stud., Singel 458, te Amsterdam. (1898—99).
* Dr. J. Biittikofer, Directeur van de Diergaarde te Rotterdam.
(1883—84).
Mr. R. Th. Bijleveld, Sophia-laan 11, te ’s Gravenhage. — Algemeene
Entomologie. (1863 - 64).
* M. Caland, Ingenieur van den Waterstaat, te Alkmaar. — Le-
pidoptera. (1892 —93).
* P. Caland, Bergstraat, te Wageningen. (1899— 1900).
* A. Cankrien, Huize Fairhill te Soest nabij Soestdijk. — Lepidoptera.
1868—69).
J. B. Corporaal, stud. Rijks Landbouwschool te Wageningen. — Euro-
peesche Coleoptera. (1899 —1900).
H. Crommelin, Heerengracht 256, te Amsterdam. (1898—99).
* E. D. van Dissel, Nieuwe gracht 28, te Utrecht. (1898—99).
C. J. Dixon, Tandjong Poetoes Estate, Langkat, Sumatra. (1890—91).
* Jhr Dr. Ed. J. G. Everts, Leeraar aan de Hocgere Burgerschool,
Stationsweg 79, te ’s Gravenhage. — Europeesche Coleoptera.
(1870—71).
Jhr. J. B. Humalda van Eysinga, te Pekalongan (Suikerfabriek Sragie)
Java. (1896—97).
80 LIJST DER LEDEN ENZ.
* Mr. A. J. F. Fokker, te Zierikzee. — Hemiptera. (1876 — 77).
N. H. la Fontijn, te Bergen op Zoom. — Hymenoptera aculeata
_(1894—95).
* Dr. Henri W. de Graaf, Vreewijk a. d. Vliet, Leiden. — Anatomie
en Physiologie der Insecten. (1878—79).
Mr. H. W. de Graaf, Daendelsstraat 37, te ’s Gravenhage. — Iml.
Lepidoptera, bijzonder Microlepidoptera. (1847 —48).
W. K. Grothe, te Zeist. (1857—58).
* Dirk ter Haar, te Kollum. — Lepidoptera en Orthoptera,
(1879 —80).
©. J. J. van Hall, Phil. Stud., Vondelstraat 11, te Amsterdam.
(1897 —98.)
* H. F. Hartogh Heys, Huize Randsbroek, te Amersfoort. (1887--88).
* Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade 15, te ’s Gra-
venhage. — Araneiden. (1856— 57).
L. W. Havelaar, Zülsingel 2, te Haarlem. — Lepidoptera (1887--88).
* F. J. Hendrichs, S. J., te Oudenbosch. (1898—99).
* F.J. M. Heylaerts, Haagdijk, B 377, te Breda. — Lepidoptera enz.
(1866—67).
* Dr. J. van der Hoeven, Mauritsweg 62, te Rotterdam. — Coleoptera
(1886— 87).
J. van den Honert, Stadhouderskade 126, te Amsterdam. — Lepi-
doptera. (1874—75).
* D. van der Hoop, Scheepstimmermanslaan 7, te Rotterdam. —
Coleoptera. (1882—83).
J. Jaspers Jr., Plantage Lijnbaansgracht 11, te Amsterdam. — Inlandsche
Insecten. (1880— 81).
Dr. F. A. Jentink, Directeur van 's Rijks Museum van natuurlijke
historie, Remdrandt-straat, te Leiden. (1878— 79).
* J.C. J. de Joncheere, Voorstraat, D 368, te Dordrecht. — Lepi-
doptera. (1858—59).
. A. de Joncheere, te Dordrecht. — Lepidoptera. (1886 —87).
à J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F 3471, te Zwolle. — Lepidoptera.
(1863— 64).
* Dr. F. W. O. Kallenbach, Wilhelminapark, te Apeldoorn. — Lepi-
doptera. (1868 -69).
* K. J. W. Kempers, te Meerssen (Limburg). — Coleoptera.
(1892—93).
Dr. C. Kerbert, Directeur van het Koninkl. Zoölogisch Genootschap
Natura Artis Magistra, Plantage Middenlaan, hoek Badlaan 70,
te Amsterdam. (1877—78).
J. D. Kobus, te Pasoerocan, (Java) (1892—93).
* Dr. J. C. Koningsberger, Landbouw Zoöloog aan ’s Lands Planten-
tuin, te Buitenzorg. (1895—96).
LIJST DER LEDEN ENZ sl
H. J. H. Latiers, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te Rolduc
Kerkrade. — Coleoptera en Lepidoptera. (1893— 94).
* A. A. van Pelt Lechner, Bowlespark 334, te Wageningen. — Lepi-
doptera. (1892—93).
* Mr. A. I. A. Leesberg, Jan Hendrikstraat 9, te ’s Gravenhage. —
Coleoptera. (1871- -72).
Dr. Th. W. van Lidth de Jeude, Conservator bij ’s Rijks Museum van
natuurlijke historie, Boommarkt, te Leiden. — Anatomie der Insecten.
(1883—84).
Dr. J. ©. C. Loman, Leeraar aan het Gymnasium, Vondelkade 79,
te Amsterdam. — Opilionidae. (1886— 57).
* Dr. T. Lycklama à Nyeholt, Westersingel 83, te Rotterdam. —
Lepidoptera (1888-89).
H. J. Lycklama à Nyeholt, Westersingel 83, te Rotterdam. (1896— 97).
* Dr. D. Mac Gillavry, Keizersgracht 304, te Amsterdam. — Inland-
sche Coleoptera en Lepidoptera. (1898 — 99).
* Dr. J. G. de Man, te Yerseke. — Diptera en Crustacea.
(1868—69).
J. ter Meulen Jrz., Keizersgracht 686, te Amsterdam (1893—94).
Dr. J. C. H. de Meijere, Conservator der entomologische en ethno-
graphische Musea van het Kon. Zoöl. Genootschap “Natura Artis
Magistra” Oosterpark 5, te Amsterdam. — Diptera. (1888— 89).
Dr. G. A. F. Molengraaff, te Pretoria, Zuid- Afrik. rep. — Lepidoptera.
(1877— 78).
* Dr. H. F. Nierstrasz, Nobelstraat 33, te Utrecht. — Lepidoptera.
(1890— 91).
Dr. A. C. Oudemans Jsz., Leeraar aan de Hoogere Burgerschool,
Boulevard, te Arnhem — Acarina (1878—79).
* Dr. J. Th. Oudemans, Conservator der Zoölogische Musea van de
Universiteit, Oosterpark 52, te Amsterdam. — Macrolepidoptera ,
Hymenoptera, Thysanura en Collembola (1880—81).
J. D. Pasteur, Inspecteur der Telegrafie, te Batavia, Java (1894—95).
* Dr. E. Piaget, aux Bayards, Neuchatel (Zwitserland). — Diptera
en Parasitica (1860 —61).
* Mr. M. C. Piepers, Oud-Vicepresident van het Hoog Gerechtshof
van Ned. Indië, Noordeinde 10a, te ’s Gravenhage. — Lepidoptera
(1870— 71).
R. A. Polak, Plantage Badlaan 21, te Amsterdam. (1898—99).
* J, R. H. Neervoort van de Poll, Huize Beukenstein, te Rijsenburg
(prov. Utrecht). — Coleoptera (1883—84).
* Dr. P. H. J. J. Ras, Velperweg 56a, te Arnhem. (1876—77).
Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Oud-hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit
te Utrecht. — Algemeene Zoologie (1566—67).
Dr. H. ©. Redeke, Assistent van den Wetenschappelijken
82 LIJST DER LEDEN ENZ
Adviseur in Visscherij-zaken, Zoölogisch Station, te Helder. — Cecidiën
(1893—94).
* Dr. C. L. Reuvens, te Oosterbeek. (1889—90).
L. J. van Rhijn, te Bergen op Zoom. — Macrolepidoptera (1894—95).
C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van natuurlijke
historie, Rapenburg 94, te Leiden. — Algemeene Entomologie
(1867— 68).
* Mr. E. A. de Roo van Westmaas Huize Daalhuizen, te Velp. —
Lepidoptera (1855—50).
* G. van Roon, 2e Pijnackerstraat 18, te Rotterdam. — Coleoptera
(1895 — 96).
* Dr. A. J. van Rossum, Eusebius-plein 25, te Arnhem. — Cimbiciden
enz. (1872—73).
Dr. R. H. Saltet, Hoogleeraar aan de Universiteit, Nicolaas Wilsen-
kade 48, te Amsterdam (1882—83).
M. M. Schepman, te Rhoon. — Neuroptera (1871—72).
* P. J. M. Schuyt, Eendrachtsweg 62, te Rotterdam. — Lepidoptera
(1890—91).
Dr. C. Ph. Sluiter, Hoogleeraar aan de Universiteit, 2de Ooster-
parkstraat 239, te Amsterdam. (1899-—1900).
* P. C. T. Snellen Wijnhaven (Noordzijde) 45, te Rotterdam. —
Lepidoptera (1851—52).
J. B. van Stolk, villa Jarpa, Hoogeweg te Scheveningen — Lepidoptera
(1871—72).
* P. F. Sijthoff Jzn., Administrateur op de kina-plantage Kertamanah, in
de afdeeling Bandoeng, Preanger regentschappen, Java. — Cole-
optera (1878— 79).
J. J. Tesch, Phil. nat. stud., Molenstraat 53, te ’s Gravenhage,
(1898—99).
* Mr. D. L. Uyttenboogaart, Utrechtsche straat 19, te Amsterdam. —
Coleoptera (1894—95).
Dr. J. Versluys jr., Assistent aan het Zoölogisch Laboratorium, Plantage
Middenlaan 80, te Amsterdam. — Coleoptera en Macrolepidoptera.
(1892—93).
* Dr. H. J. Veth, Sweelinckplein 83, te ’s Gravenhage. — Algemeene
Entomologie, vooral Coleoptera. (1864—-65).
Johan P. Vink, te Nijmegen. — Lepidoptera. (1883—84).
* H.A. de Vos tot Nederveen Cappel, te Apeldoorn. — Lepidoptera.
(1888—89).
* Mr. L. H. D. de Vos tot Nederveen Cappel, te Velp.
(1899—1900).
* Joh. de Vries, P. C. Hooftstraat 82, te Amsterdam. — Lepidoptera.
(1884—85).
# W. Warnsinek, Rünkade 92, te Arnhem. (1898— 99).
LIJST DER LEDEN ENZ. 83
* J. A. J. M. van Waterschoot van der Gracht, Heerengracht 280,
te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera. (1898—99).
Erich Wasmann, S. J., Bellevue te Luxemburg. — Myrmekophilen
en Termitophilen. (1886—87).
H. W. van der Weele, Koningin Emmakade 5, te ’s Gravenhage.
(1899—1900).
H. L. Gerth van Wijk, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te
Middelburg. — Hymenoptera aculeata. (1874—75).
Dr. Max C. W. Weber, Hoogleeraar aan de Universiteit, te Am-
sterdam. (1886 —87).
W. A. F. Zack, te Apeldoorn. — Macrolepidoptera. (1894—95).
BESTUUR.
President. P. C. T. Snellen.
Vice-President. Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts.
Secretaris. D. van der Hoop.
Bibliothecaris. Dr. C. L. Reuvens.
Penningmeester. Dr. H. J. Veth.
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
P. C. T. Snellen.
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts.
Mr. A. F. A. Leesberg.
=i
fr
PER.
a
ou hae Pe
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
P. C. T. SNELLEN
Jur. Dr. En. J.G. EVERTS
EN
Mr. A. F. A. LEESBERG
DEŸE-EN-VEERTIGSTE DEEL
JAARGANG 1900
Eerste en Tweede Aflevering
met 12 platen
(5 September 1900)
an
’S GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1900.
“I ‘>
À ATTI
RENE LT
CS Na AT
TER HERINNERING
AAN
Vie VAIN DEE, RW UI,
DOOR
BoC. Te SNE TL EN:
Wanneer uit eenen kring van beoefenaars van een of ander vak
van wetenschap of kunst, mannen van beteekenis heengaan, dan
gevoelen hunne overblijvende vrienden, dat het hun pligt is, ja
in hun belang, om zulke menschen opzettelijk te herdenken. Men
zou misschien de opmerking kunnen maken, dat eenig gevoel van
zelfzucht, ontstaan uit het besef van hetgeen zij verloren hebben,
zich in dien aandrang mengt. Het zij zoo; geheel ontkennen wil
ik zulks niet, maar het is toch zeker dat waardeering , hoogachting,
den boventoon moeten en ook zullen voeren.
Zoo is het nu ook, nu van der Wulp op den 27sten November
1899 aan zijne betrekkingen, aan de Nederlandsche Entomologische
Vereeniging, ja, ik mag zeggen aan het vaderland, dat hij tot
eere strekte, is ontvallen. Het is noodig en met ingenomenheid
wil ik, daartoe aangezocht, aan deze taak mijne zwakke krachten
wijden om althans hier, in het Tijdschrift der Nederlandsche Ento-
mologen, waarvan hij zoovele deelen met zijne bijdragen verrijkte,
een bescheiden gedenkteeken te stichten, dat aan tijdgenoot en
nageslacht verkondigt, wat die man is geweest.
Door de welwillendheid zijner nagelaten betrekkingen hiertoe in
staat gesteld, zal ik eerstens eenige mededeelingen over van der
Wulps levensloop doen.
Frederik Maurits van der Wulp werd geboren te ’s-Gravenhage ,
Tijdschr. v. Entom. XLIII, 1
2 (P. ©. T. SNELLEN.) TER HERINNERING AAN
den 13 December 4818, en ontving onderwijs op eene gewone
school, die van den heer Andriessen Senr., in zijne geboorteplaats ;
daarbij bepaalde zich het door hem genoten onderrigt. Zijn vader,
de heer Johannes van der Wulp, was ambtenaar in Staatsdienst
(Commies bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken), en wel-
liet was dit de aanleiding dat ook de zoon besloot , dezelfde loopbaan
te kiezen. Zoo werd hij dan den 1 September 1843 aangesteld als
surnumerair geëmployeerde bij de Algemeene Rekenkamer. Daarop
volgden zijne benoeming tot tweeden klerk, den 1 Juni 1846,
tot eersten den 1 Januari 1848, tot adjunct-commies den 1 April
1854, tot commies den 1 Juli 1869, tot hoofd-commies den
4 Januari 1879 en tot referendaris op 1 Januari 1880. Men ziet,
geregeld maar zeker volgden die benoemingen elkander op. Van
der Wulp was dan ook een uitstekend, ijverig en naauwgezet
ambtenaar, in den vollen zin des woords en deze is stellig de
reden geweest dat, toen hij in het begin van 1892, na bijna 50
jaren dienst, door een hevigen aanval van influenza werd aange-
tast, die zijne gezondheid inderdaad zeer schokte, het bestuur der
Rekenkamer gaarne zag dat hij na zijn herstel zijne functiën weder
hervatte en zeker betreurde dat van der Wulp, in het begin van
1893, toch besloot zijn ontslag aan te vragen. Dit ontslag werd
hem, onder verleening van pensioen, met ingang van 4 April
eervol verleend, tevens met benoeming, als waardeering van de
diensten, aan den staat bewezen, tot ridder in de orde van
Oranje-Nassau.
Toen van der Wulp, na zijne pensioneering, den 11 Augustus
1895 zijne gade, Jeanne Louise Cornelia Brederhuysen, met wie
hij sedert 26 Mei 1848, dus ruim 47 jaar gehuwd was geweest,
door den dood verloor, nam hij zijn intrek bij zijne, met den heer
H. Kühlman te ’s Gravenhage gehuwde dochter, in wier woning
hij een rustigen en aangenamen levensavond — wij hadden alleen
gewenscht dat hij er nog langer van hadde genoten! — sleet en
zich ongehinderd aan zijne studiën kon wijden. Twee zijner vier
kinderen overleefden hem, namelijk zijne bovenvermelde dochter en
de heer L. J. van der Wulp, gemeente-ambtenaar te ’s Gravenhage.
F. M. VAN DER WULP. 5
Men ziet, rijk aan lotgevallen was van der Wulp’s leven niet.
Duidelijk afgebakend lag, van 1 September 1843 af, zijne loopbaan
voor hem. Hij heeft die met ijver en vlijt gevolgd, zocht in naauw-
gezette pligtsvervulling voldoening en bereikte dan ook wat te
bereiken viel, maar nooit heb ik eenig spoor van bejag naar eer
of rijkdom bij hem bespeurd of heeft hij luchtkasteelen gebouwd
en naar het onbereikbare getracht. Een wijs voorbeeld ter navolging!
Van der Wulp was uiterst matig en genoot eene goede gezond-
heid; ik weet van geene ernstige ongesteldheden dan van den
bovenvermelden aanval van influenza of griep en van zijne laatste
ziekte, Een krachtig voorkomen had hij echter niet; zij die hem
gekend hebben, zullen zich hem herinneren als een vrij lang, wat
mager en bleek, blond, stil, stemmig gekleed man die hen steeds
met een ietwat ter zijde gebogen hoofd en een goedigen glimlach
op zijn gelaat te gemoet trad, daarbij duidelijk, op eenigszins
ambtelijken toon sprak. Toch was hij niet precies zoo goedig als
hij er wel uitzag, veeleer mogt hij streng en stipt heeten, maar
was niettemin aangenaam în den omgang, conflicten vermijdend,
vergoelijkend, niet vitterig, hulpvaardig in hooge mate, steeds in
alles naar een geregelden, gestadigen gang van zaken strevende,
eene ware ambtenaarsnatuur, in den goeden, gezonden zin des
woords. Inderdaad was onze vriend dan ook op zijne plaats en
begreep zijne, door hem zelf en zeker niet dan na rijp overleg,
gekozen positie. Nooit hoorde ik van hem klagten over te lage
bezoldiging, trage bevordering of te zwaren arbeid. Het laatste
vooral niet! Het is waar, dat zijne ongemeene werkkracht hem
daarbij zeer te stade kwam,
Uit zijne jeugd verhaalde van der Wulp niet veel; alleen weet
ik dat bij mij mededeelde, dat vóór 1830, toen er nog van geen
Noord- of Zuid-Nederland sprake was en het hof, met de regeering,
beurtelings een semester te ’s-Gravenhage en te Brussel was ge-
vestigd, hij ook met zijne ouders telkens een half jaar in laatst-
genoemde stad woonde.
Liefde tot de natuur was hem reeds vroeg eigen en mag als een
bewijs van een’ edelen aanleg worden beschouwd. Hi vertelde mij
1] €
4 (P. C. T. SNELLEN.) TER HERINNERING AAN
eens dat hij al in zijne schooljaren voorwerpen van natuurlijke
historie verzamelde van allerlei aard; opgezette vogels, insekten,
schelpen en mineralen bragt hij bijeen en deze werden gaandeweg
overal in het huis zijner ouders geplaatst, zoodat zijn vader hem
dan ook eindelijk onder het oog moest brengen dat een dergelijk
streven tot niets goeds kon leiden. De zoon zag het in, de vogels
enz. werden weggedaan en hij bepaalde zich tot de insekten. Een
tijd lang wijdde hij zijne aandacht aan de geheele klasse, doch
na dat hij in 1848 met eenige andere vrienden der insektenkunde
te Amsterdam, de Nederlandsche Entomologische Vereeniging had
opgericht, vormde hij een merkwaardig, verstandig besluit. Ziende
dat ook in ons land de meerderheid der Entomologen hare aan-
dacht wijdde aan Coleoptera en Lepidoptera, nam hij zich voor,
eene der andere, minder beoefende orden tot voorwerp zijner
studiën te stellen. Hij koos daartoe de Diptera en bleef — ook
hoogst aanbevelenswaardig! (van half werk te doen had hij trou-
wens een afschuw) — aan dat besluit zijn geheele leven lang getrouw.
De Diptera bleven dus van dien tijd af het uitsluitend onder-
werp der studiën van van der Wulp, zonder dat hij daarom de
overige insektenorden geheel uit het oog verloor. Aan zijn lieve-
lingsvak wijdde hij het grootste gedeelte van zijn beschikbaren
tijd en krachten. Vooral van den tijd ging geen uur verloren,
waar hij ook was.
Een natuurlijk gevolg van deze onafgebroken en vooral stelsel-
matige toewijding aan de studie der Diptera was, dat hij het onder-
werp geheel in zijne magt kreeg en niet alleen uitstekend goed te
huis geraakte in de kennis der europesche vliegen en hare littera-
tuur maar ook weldra in die der exotische. Van der Wulp verhief
zich als Dipteroloog op eene hoogte, die hem gelijk stelde met de
uitnemendsten zijner vakgenooten. Daar het hem voorts, teregt !
niet genoeg was om voor zich zelf voorwerpen en kundigheden te
vergaderen maar hij (als alle werkelijk degelijke menschen) behoefte
gevoelde om ook anderen van de vruchten van zijn onderzoek te
doen genieten, (wat hij ook altijd zoodra mogelijk deed; ontving
hij het een of ander merkwaardigs dan liet hij het niet onder
F. M. VAN DER WULP. 5
zijne handen bederven), begon hij spoedig zijne waarnemingen te
publiceeren in het Tijdschrift voor Entomologie, door Snellen van
Vollenhoven met zulk een juist inzigt in 1858 in het leven ge-
roepen. Op te geven wat hij in dat Tijdschrift al publiceerde ware
iets, dat te veel plaats zou vereischen. Reeds voor het eerste deel
leverde hij twee opstellen en zoo ging het voort, steeds belang-
lijker werden zijne bijdragen, tot den 42sten jaargang toe als
wanneer hij in de, op 18 Augustus 1899 verschenen eerste en
tweede aflevering, zijnen arbeid voor het orgaan der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging op eene waardige wijze besloot. Van
der Wulp genoot ook het voorregt, dat hij goed teekenen kon en
dus in staat was, zijne bijdragen toelichtend op te luisteren door
afbeeldingen Ook dit deed hij op eene wijze die weder blijken
gaf van zijn gezond verstand. Begrijpende wat het eigenlijke doel
van die afbeeldingen is, namelijk den tekst te verklaren, aan te
vullen en doordrongen van de waarheid van het fransche spreek-
woord: «Il ne faut pas courrir deux lièvres à la fois» streefde
hij er steeds naar, zijne teekeningen duidelijk en volledig te maken
zonder artistieke nevenbedoelingen die slechts hoogst zelden — men
kan hen, aan wie onder de Nederlandsche Entomologen zoo iets
gelukt is, wel op de vingers van ééne hand tellen — slagen.
Het door Herklots uitgegeven werk, de Bouwstoffen voor eene
Fauna van Nederland, telde ook van der Wulp onder zijne mede-
werkers wat de Diptera betrof.
Niet missen kon het of van der Wulp’s talrijke geschriften die
zich zoowel door bondigheid als degelijkheid kenmerkten, moesten ,
hoewel hij, geloof ik in de eerste 10 of 15 jaren van zijn werken
nooit iets in eenig buitenlandsch tijdschrift publiceerde en zich
steeds van de Nederlandsche taal bleef bedienen , — slechts bij uit-
zondering schreef hij iets in eene andere — noodzakelijk de aan-
dackt zijner buitenlandsche vakgenooten op hem vestigen. Een
mirakel is dit volstrekt niet! Overal toch vindt men verstandige,
verlichte menschen, vrij van vooroordeelen en praktisch van aard
die gretig alles aanvatten en dankbaar waardeeren wat te hunner
stichting dient. Slechts onbeduidende zaken , hoe groot die misschien
6 (P. ©. T. SNELLEN.) TER HERINNERING AAN
in het oog harer voortbrengers mogen zijn, laten zij links liggen,
op welke wijze het hun ook aangeboden wordt 1).
De auteurs van het inderdaad belangrijke werk: The Biologia
America Centralis, de heeren Godman en Salvin te Londen, be-
sloten dan ook om van der Wulp uit te noodigen, een gedeelte
der in Midden-Amerika verzamelde Diptera voor hen te bewerken.
Met ingenomenheid wijdde hij zich aan die taak, beschreef de
nieuwe soorten, maakte eene menigte afbeeldingen en verleende
ook op andere wijzen zijne medewerking. Dit alles werd dankbaar
en edelmoedig door bovengenoemde heeren, die hem in alles wat
zijn’ arbeid betrof de vrije hand lieten, erkend,
Wat de Nederlandsche Fauna betreft, zoo publiceerde hij eerstens ,
gelijk ik reeds boven vermeldde, in de Bouwstoffen voor eene
Fauna van Nederland, met Snellen van Vollenhoven, in deel I,
p. 138 en p. 188 en deel II, p. 89, later alleen in deel III,
p. 1, 101 en 255. Naamlijsten van Inlandsche Diptera. Hierop
volgde in 1877 het begin eener Systematische beschrijving der als
inlandsch erkende soorten door de uitgave van het eerste deel der
«Diptera Neerlandica» de Tweevleugelige insecten van Nederland,
p. I—XVIII en p. 1—497, met 14 platen, groot 8vo. uitgegeven
bij Martinus Nijhoff te ’s-Gravenhage. Die uitgave, door de milde
ondersteuning van wijlen Z. K. H. Prins Hendrik der Nederlanden
— de verlichte bevorderaar van zoovele andere nuttige onderne-
mingen! — mogelijk geworden, is, tot mijn leedwezen niet door
die van verdere deelen gevolgd. Ik betreur dit zeer, vooral omdat
ik niet kan instemmen met de reden die, zooals van der Wulp
beweerde, hem weerhield om het tweede deel te bewerken, name-
lijk dat het hem niet had mogen gelukken om, voor de familiën
der Diptera die na de Goenomyidae aan de beurt lagen en den in-
houd van dat tweede deel moesten uitmaken, eene classificatie te
bedenken welke hem geheel voldeed, Overtuigd ben ik, dat wan-
neer van der Wulp slechts had kunnen besluiten om eene bewer-
1) Wel is waar zijn er ook oppervlakkige, gemakzuchtige menschen die maar
al te gaauw zeggen wat wij lezen Spreuken XXII vs. 13, maar wie zal zich om
dergelijke lieden bekommeren ?
F. M. VAN DER WULP. id
king te geven, zoo goed als hem mogelijk was, hij daarmede toch,
vooral met zijne voortreffelijke soortsbeschrijvingen en afbeeldingen ,
aan de wetenschap eene groote dienst had bewezen,
Ik weet namelijk zeker dat de uitnemende wijze, waarop het
eerste deel was bewerkt, algemeen waardeering vond en o. a, een
Australisch Dipteroloog aan van der Wulp verlof vroeg om zijne
Analytische tabellen te mogen vertalen en over te nemen in een
werk dat hij over de Diptera van het vijfde werelddeel wenschte
uit te geven, wat dan ook geschied is. Nu is van der Wulp’s
werk onvoltooid gebleven en rest mij slechts de hoop, dat een
opvolger de taak zal opvatten waar hij die liet steken en het overige
gedeelte der Diptera Neerlandica op dezelfde wijze bewerken.
Ik kan intusschen nog vermelden dat van der Wulp met Dr. J.
CG. H. de Meijere, in 1898 eene laatste lijst der hem als inlandsch
bekende Diptera zamenstelde (Nieuwe Naamlijst der Nederlandsche
Diptera). Die lijst, 2133 soorten vermeldende, werd door de Ne-
derlandsche Entomologische Vereeniging uitgegeven als bijvoegsel
tot deel 41 van het Tijdschrift voor Entomologie.
Een uitstekend en betrouwbaar Repertorium voor de studie der
Diptera van Zuid-Azie is ook de door van der Wulp zamengestelde
en in 1896, mede door de Ned. Ent. Vereeniging uitgegeven
Catalogue of the Diptera from (zegge: «of») South-Asia, 8vo,
p. 1—220, ’s-Gravenhage, Martinus Nijhoff. Hierop publiceerde
hij nog in 1899 een bijvoegsel in deel 42 van het Tijdschrift
voor Entomologie p. 41—57. Dit was, geloof ik, zijn laatste ge-
schrift over Diptera, maar nog weinige dagen voor zijnen dood
heeft hij afbeeldingen voor de Biologia gecorrigeerd.
Gelijk ik hierboven zeide, leverde hij aanhoudend bijdragen voor
het Tijdschrift voor Entomologie; men kan naauwelijks een deel
daarvan opslaan waarin geene grootere of kleinere stukken, allen
van voortreffelijk gehalte en veelal toegelicht door uitstekende af-
beeldingen, voorkomen. Als iets van niet speciaal dipterologisch
karakter en voor mij bijzonder aantrekkelijks, vermeld ik de
levensschets van Snellen van Vollenhoven, die in deel 24, Verslag
p. 89—108 het licht zag. Ook vervaardigde van der Wulp, aan-
8 (P. C. T. SNELLEN.) TER HERINNERING AAN
sluitende bij het Repertorium op de 8 eerste jaargangen van het
Tijdschrift voor Entomologie, door Mr, E. A de Roo van West-
maas zamengesteld, er een op de jaargangen 9—16,
In buitenlandsche tijdschriften publiceerde hij ook van tijd tot
tijd bijdragen, doch over het geheel weinig.
Kan men uit het bovenstaande opmaken welke beteekenis van
der Wulp als Dipteroloog had, ook als haar medelid mag de
Nederlandsche Entomologische Vereeniging buitendien roem op hem
dragen. Een harer oprigters en met Dr. M. C. Ver Loren van
Themaat de eenige van deze aan wie het vergund was in 1895
het feest van haar 50-jarig bestaan mede te vieren, bleef hij onze
Vereeniging, in den waren zin des woords, steeds getrouw. Haren
bloei, haar belang zocht hij steeds te bevorderen; 25 jaren lang
bekleedde hij op uitstekende wijze den post van Secretaris en was
ook even lang lid van de Redactie van het Tijdschrift. Wij mogen
het gerustelijk zeggen en erkennen het met dankbaarheid dat, zoo
de Nederlandsche Entomologische Vereeniging bloeit, zulks mede
en wel voor een niet gering deel, van der Wulp’s werk is.
Een voornaam bewijs zijner belangstelling is ook het uitvoerige
en door hem met zorg bewerkte « Geschiedkundig overzicht der
Ned. Ent. Vereeniging van 1845 tot 1895, ’s Gravenhage 1895,
bij Martinus Nijhoff» door de Vereeniging, met het portret van
den schrijver, uitgegeven,
In 1894 trad van der Wulp als Secretaris af en werd, op
voorstel van den heer Heylaerts, op de Zomervergadering te Venlo,
tot eerelid der Entomologische Vereeniging benoemd.
Niet verzuimen mag ik, met een enkel woord aan te stippen
welk een trouw en belangstellend bezoeker der gezellige winter-
bijeenkomsten, door de Haagsche Entomologen in het leven ge-
roepen, van der Wulp was, Zelden ging een avond voorbij waarop
hij niet de eene of andere bijdrage had en geregeld vertoonde hij
de voor de Biologia Amer, Centr. door hem vervaardigde afbeel-
dingen.
Is het te verwonderen, na al het hierboven gemelde, dat een
man, wiens degelijkheid slechts door zijne bescheidenheid werd
F. M. VAN DER WULP. 9
geëvenaard, de vriend was van alle leden onzer Vereeniging die
met hem in aanraking kwamen en zijn heengaan, al erkennen
wij dankbaar dat het hem vergund was, zóó lang en zóó nuttig
werkzaam te zijn, inderdaad eene ledige plaats in ons midden
laat, zoodat hij wel verdient, steeds in herinnering te blijven ?
Ook in andere opzigten dan in zijne ambtelijke betrekking en
als entomoloog onderscheidde van der Wulp zich. Van 1853 tot
1868 heeft hij voor een groot deel de hoofdleiding gehad van en
persoonlijk medegewerkt aan het Woordenboek van Kunsten en
Wetenschappen door Sijthoff uitgegeven. Buitendien is hij 25 jaren
lang Secretaris geweest van de Bijbelvereeniging en verscheidene
jaren Bestuurslid van het Zoölogisch Botanisch Genootschap , beiden
te ’s Gravenhage.
Zijne verdiensten werden, behalve in onze Vereeniging ook in
andere kringen erkend. Zijne benoeming tot ridder in de orde
van Oranje-Nassau vermeldde ik reeds. Buitendien was hij eerelid
van het Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra te Amster-
dam, van de Belgische Entomologische Vereeniging, de Zoölogisch-
Botanische Gesellschaft te Weenen en van de Amsterdamsche
natuurhistorische Vereeniging Natura et Amicitia, lid van ver-
dienste van het Zoölogisch Botanisch Genootschap te ’s Gravenhage
en correspondeerend lid van de Natuurkundige Vereeniging in
Nederlandsch Indië, te Batavia.
Schriftelijke bewijzen van deelneming kwamen na zijn overlijden
in menigte in, Van wege zijne landgenooten was zulks niets anders
dan zoo natuurlijk, dat ik die daarom maar niet wil vermelden
en alleen, door de welwillendheid zijner betrekkingen hiertoe in
staat gesteld, eenige aanhalingen zal laten volgen uit brieven van
buitenlandsche vrienden en vereerders.
Baron C. R. Osten-Sacken te Heidelberg schrijft:
«Vor beinahe einem halben Jahrhundert habe ich zuerst seine
« Bekanntschaft gemacht und habe seitdem mit Ihm eine lehrreiche
«und interessante wissenschaftliche Correspondenz geführt »
«Sein Andenken werde ich immer in Ehren halten ».
«Schulrath Dr. Josef Mik, te Weenen »:
10 (P. C. T SNELLEN.) TER HERINNERING AAN
«Sendet den Ausdruck seiner innigsten Theilnahme und Betrüb-
«niss über das Hinscheiden seines hochverehrten , verdienstvollen
«Freundes und Gönners. Er bleibt ihm unvergesslich ».
De Société Entomologique de Belgique, meldt door haren
Secretaris:
«La science fait une perte irréparable; nous le sentons d’autant
plus vivement, que le defunt, par son exquise urbanite s’etait
fait parmi nous de nombreux amis qu'il a toujours aidés dans
leurs travaux entomologiques »,
En Dr. K. von Kertesz, van het Hongaarsche Museum van
Natuurlijke historie:
«Das Ableben des Herrn van der Wulp berührt uns sehr tief
«und traurig, da wir einen lieben und tüchtigen Bearbeiter unserer
«Sammlungen in Ihm verloren haben».
Een waardeerend levensberigt over van der Wulp, zag ook
reeds in het Januarij-nummer 1900 van het Entomologist’s Monthly
Magazine door den heer Verrall het licht.
Op ééne zaak moet ik eindelijk nog nadrukkelijk wijzen. Zoo
van der Wulp kan roemen op het welslagen van zijn streven, dan
werd die uitkomst in het geheel niet gemakkelijk bereikt. Hoewel
stellig het bestaan der ook door hem opgerigte Nederlandsche
Entomologische Vereeniging hoogst bevorderlijk voor zijne studiën
was en hij gretig en vlijtig gebruik maakte van de hulpmiddelen
die daardoor te zijner beschikking kwamen , waren toch velerlei
omstandigheden ongunstig voor hem. Ik durf zeggen dat slechts
zijne taaije volharding, groote werkzaamheid en degelijkheid het
hem mogelijk maakten, om het zoo ver te brengen als hij deed.
Een karakter van gewonen stempel ware ontmoedigd geworden en
had zich met wat liefhebberen en knutselen vergenoegd. Gelukkig
echter was het anders en zoo werd dan de Entomologie ook voor
hem, gelijk wijlen Hewitson het zoo treffend uitdrukte: « The
blessing of his life. »
Eene collectie van beteekenis heeft hij niet mogen nalaten; hij
schonk haar aan Natura Artis Magistra. Zijne Bibliotheek en hand-
schriften verwierf de firma Martinus Nijhoff te ’s Gravenhage.
F. M. VAN DER WULP. 11
En zoo verliep dan het welbestede, bijna Sljarige leven van
onzen vriend, wiens stoffelijk overschot door zijne treurende be-
trekkingen, waarbij zich het Bestuur der Nederlandsche Entomo-
logische Vereeniging met eenige leden , ook van elders, eene deputatie
uit de Bijbelvereeniging te ’s Gravenhage, van de Algemeene Re-
kenkamer en van het Departement van Financiën met vrienden
en vriendinnen van den overledene hadden aangesloten, op den
kalmen, stillen morgen van 1 December 1899 op het schoone
Oud-Eikenduinen ter aarde werd besteld,
Hij strekke ons ten voorbeeld van pligtsbetrachting , van werk-
zaamheid, van nederigheid, van onbaatzuchtig streven naar be-
vordering der wetenschap — die blijft, terwijl wij na eene korte
spanne tijds verdwijnen — van praktischen degelijken zin; allen
eigenschappen die hem ook hier doen leven, al heeft hij deze
aarde verlaten, in de herinnering van hen die hem hebben gekend
en doen herleven, zoo ik hoop, voor het oog van onze opvolgers
die deze woorden later zullen lezen.
13 Februarij 1900.
12
ENUMERATION
DES
LEPIDOPTERES HETEROCERES
FOBICUNE PE TS AS TEA WA
PAR
Mr. M. C. PIEPERS,
avec des notes par
Mr. P. C. T. SNELLEN.
(Planches 1—4).
Avant-propos.
Nous offrons aujourdhui aux Lépidoptérologistes le premier d’une
serie d'articles que nous nous proposons de publier sur le sujet
indiqué en titre, Ces articles ne contiendront pas seulement la
simple énumération des noms spécifiques, mais nous donnerons
aussi de courtes descriptions des espèces observées, parceque nous
sommes convaincus que ceci non seulement augmentera la valeur
de nos communications, mais est même absolument nécessaire pour
bien établir la certitude que les notes de Mr. Piepers s'appliquent
réellement aux espèces mentionnées. Nous voulons ainsi suivre
l'exemple donné par Mr. le Dr. Karsch, dans ses publications sur
les Lepidopteres d’Afrique, dans la Berliner Entomologische Zeit-
schrift et les Entomologische Nachrichten.
Monsieur Piepers se propose aussi de publier avec ses notes,
les figures de chenilles et de leurs cocons, qu’il a fait éxéeuter
(PIEPERS ET SNELLEN, HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 13
durant son séjour à Java. Ces figures de premiers états sont d’une
haute importance. D'abord, elles sont très souvent complètement
nouvelles et ensuite, comme elles ont été faites sous sa direction
et soigneusement corrigées par la comparaison avec les objets vivants,
on peut les accepter de confiance. Les figures de premiers états
des Lépidoptères exotiques, spécialement celles des espèces de l’Asie
méridionale que nous possédons déjà , ne sont pas encore nombreuses.
À vrai dire, ce que nous en avons, se réduit presque entièrement
à celles qu’on trouve dans les ouvrages bien connus de M. Horsfield,
«A descriptive Catalogue of the Lepidopterous insects in the Collection
of the East India Company, 4to, 1828 —1829» et, du même auteur
avec Mr. Moore, «Catalogue of the Lepidopterous insects in the Coll.
of the E. Ind. Comp., 8v0, 1858—1859». Ce quia paru depuis sur
ce sujet, dans les ouvrages de Boisduval et Guenée, Spécies général
des Lépidoptères, n’ajoute pas beaucoup à nos connaissances, non
plus que les publications de Mr. Moore dans les Lepidoptera of
Ceylon et les Lepidoptera Indica,
Quant aux notes systématiques et synonymiques, elles auront
en premier lieu en vue l’ouvrage de Mr. Hampson, The Fauna of
British India, Moths, Vol. I--IV, London, Calcutta, Bombay and
Berlin, 1892—1896. Cette oeuvre remarquable, qui résume une
foule de publications sur les Hétérocères de l’Inde et de descriptions
isolées d'espèces, disséminées partout, sera dorénavant la base de
toute étude sérieuse sur le sujet indiqué.
Nous profiterons de cette occasion pour donner aussi la description
d'espèces de Hétérocères de Java, non observées par Mr. Piepers,
qui existeraient dans la collection du Musée de Leide ou qui nous
auraient été parvenues d'autre part de source certaine. Nous pu-
blierons en même temps des figures d’espèces dont il n’en existe
pas du tout jusqu'ici ou pas de suffisamment bonnes, mais seulement
dans le cas où nous aurions à notre disposition de bons exemplaires
bien frais. Autrement, nos figures ne ser \iraient qu'à augmenter
la confusion déjà existante sur plusieurs points et qu’à causer de
nouveaux ennuis aux entomologistes qui viendront après nous.
Notre intention n’est pas de nous étendre sur le caractère de la
14 (PIEPERS ET SNELLEN,
partie spéciale de la Faune Lépidoptérologique de Java que nous
traiterons. L’étude des Hétérocères de Java n’est qu’à peine entamée,
tandisque au contraire les Diurnes de cette ile sont assez bien connus.
Afin de prévenir toute incertitude qui pourrait naître quant à
la part qui revient à nous deux dans cette étude, nous voulons
établir que toutes les notes biologiques sont de la main de Mr. Piepers
et que celles qui se rapportent à la synonymie etc. sont de Mr. Snellen.
INSTERZO SD ZU CT ION:
Afin de me conformer au plan énoncé plus haut, je donne d’abord
une table analytique des familles de Lépidoptères que j’admets. Sans
doute je ne prétends pas que cette table soit parfaite, ni que
les familles admises soient définitives !), mais je me flatte cepen-
dant qu’elle sera de quelque utilité On s’apercevra que ma table
des familles est disposée autrement que celle que donne Mr. Hampson
dans son ouvrage cité plus haut. En effet, il me semble que son
auteur ait été dirigé plutôt par le désir, d’ailleurs fort louable, de
rendre l’emploi de sa table commode à ceux qui voudront s’en servir,
que par l'intention de faire bien ressortir les caractères essentiels
sur lesquels doit être basée une bonne classification des Lépidoptères.
Cependant, cette tendance a pour résultat fächeux d’embarrasser
l'étudiant, d’où il résulte que le but que Mr. Hampson se propose
n’est pas atteint. La position de la nervure 5 des premières ailes,
que Mr. Hampson met en premier lieu en avant, n’est en effet qu’un
caractère d'importance secondaire et, comme il arrive que cette
nervure manque dans plusieurs cas, il peut qu’on se trouve arrêté
dès le début. Chez la famille des Hépialides par exemple il est
clair que la position de la nervure 5 est de peu de valeur, car,
1) Et sans perdre de vue la remarque de Mr. Alpheraky, dans le tome IX
des Mémoires sur les Lépidoptères p. 124 au sujet de la valeur des caractères,
soit génériques que spécifiques. Une autre observation fort juste, ayant rapport
au changement des noms, est aussi emise par cet auteur, Op. cit. p. 128 (Nikaea
Longipennis
HETEROCERES DE JAVA). 15
si chez Mep. Lupulinus elle se trouve à égale distance des nervures
4 et 6, on trouve que chez Zep. Humuli et chez les genres Phassus
et Gorgopis elle est visiblement plus pres de 6, aussi chez le genre
Palpifer, (Voir la figure que Mr. Hampson lui-même donne de la
nervulation du Palpifer Sexnotatus, Moths of India I p. 317). Une
table analytique ne doit jamais être un pons asinorum, mais une
exposition rigoureuse, claire et succincte des caractères essentiels
du groupe et de l’espèce.
Je pourrais citer d’autres exemples de la même nature, mais je
crois que ce que j'en dis est suffisant et j’observerai seulement encore
que je suis heureux de trouver que les caractères sur lesquels je fonde
mes familles, s'accordent en général assez bien avec ceux que donne
Mr. Hampson. L’ordre dans lequel se suivent les familles que
Jadopte est quelque peu différent de celui de Mr. Hampson, mais
je donne la préférence à celui que j'ai indiqué dans la deuxième
partie de mon ouvrage sur les Lépidoptères des Pays-Bas, p. 2 etc.
Il va sans dire que, pour la nomenclature des nervures, je me
tiens à celle de Herrich-Schäfler.
Les noms des familles dont on ne connaît pas encore des repré-
sentants dans la faune Javanaise sont imprimés en petits caractères
et sans numéros.
I. Antennes à bouton. Point de frein, ni de stem- I
mates ou yeux lisses! . „=... 2°... . RHOPALOCERES.
A. Au moins deux nervures tigées aux premières
ailes ou ces ailes avec moins de 12 nervures.
Pas plus de 2 épérons aux tibias postérieurs.
Point de touffe de poils à l’implantation des
antennes; celles-ci rapprochées à leur base et
le bouton jamais à crochet en hamecon . . 1 Papilionidae.
B. Premiéres ailes avec 12 nervures libres, non
tigées; généralement 4 épérons aux tibias pos-
térieurs et une touffe de poils à l’implanta-
tion des antennes; celles-ci écartées à leur
base et le bouton souvent à crochet en hamecon. 2 Hesperidae.
16 (PIEPERS ET SNELLEN,
IT. Antennes sétacées, en massue ou fusiformes ; secon-
des ailes généralement à frein, au moins chez 11.
les espèces à antennes en massue . . . . . HÉTÉROCÈRES.
A. Plus de 8 nervures aux secondes ailes DI
4. Antennes pas plus longues que le tiers du
bord antérieur des premières ailes; point
de palpes maxillaires; structure robuste . 1 Hepialidae.
2. Antennes au moins de la longueur du tiers
du bord antérieur des premières ailes; palpes
maxillaires présents, minces, repliés, à
plusieurs articles ?); papillons petits, de
taille faible (6—15 mm. d'envergure). . 31 Microptery-
gidae.
B. Pas plus de 8 nervures aux secondes ailes.
1. Antennes en massue, à pointe amincie et
terminée par une pelite houppe. Stemmates
et frein présents. Premières ailes à 2 ner-
vures anales, 14 bouclée à la base et une
nervule rudimentaire au bout de la boucle
se dirigeant vers le bord intérieur; la ner-
vure 5 éloignée de 6, près de 4. Aux se-
condes ailes la nervure 8 éloignée de 7
et celle-ci naissant d’un point avec 6. . Castniidae.
2. Antennes sétacées, rarement fusiformes ou
en massue, mais alors à bout obtus ou
1) En ne comptant les nervures anales que pour une seule (la, 15, ie). Les
Hépialidae et les Micropterygidae ont 9 ou 10 nervures partant de la cellule
discoïdale des secondes ailes. Chez les autres familles (aussi chez les Rhopalo-
cères), il n’y en a pas plus de 6. Les petites nervures qui, chez les Lasiocam-
pidae naissent d'une petite aréole ou cellule accessoire se trouvant près de la
base du bord antérieur de la cellule discoïdale, ne sont pas portées en compte.
2) Que les palpes maxillaires chez les Micropterygidae et aussi chez plusieurs
genres de Tinéides sont à plusieurs articles, n’est pas une découverte de Mr.
Walter, comme le pourrait faire supposer une note de Mr. Hampson, Moths of
India I p. 2, mais de feu Zeller et cette découverte date certainement déjà de
1550, voyez Linnaea Entomologica V p. 301, VII p. 83.
HETEROCERES DE JAVA). vi
seulement une nervure anale aux premières
ailes.
a. Premières ailes sans nervure anale com-
plete libre (celle-ci formant le bord in-
térieur lui même), Secondes ailes sans
nervure costale libre, celle-ci formant le
bord antérieur. Stemmates présents, Pa-
pillons ressemblant à des hyménoptères;
les nervures 2—11 des premières ailes,
qui sont étroites, partant à distance pres-
que égale des bords de la cellule discoi-
dale (7 et 8 généralement tigees).
Secondes ailes à 3 nervures anales. . 2 Sesiidae.
b. Premières ailes à 2 nervures anales
complètes simples et libres, partant de la
base de Vaile 1),
* Secondes ailes sans nervure costale ,
le dernier rameau de la cellule dis-
coidale partant de son sommet.
Premières ailes à nervure costale dis-
tincte, aboutissant à la première
nervure qui part du bord costal de
la cellule discoidale (nervure sous-
costale) Sr ss ee) Pyromerphidae:
## Secondes ailes à nervure costale
distincte,
a. Point de stemmates, Tige ou
hampe des antennes toujours sé-
1) Chez plusieurs Tinéides on aperçoit un rudiment, souvent assez distinct,
d'une deuxième nervure anale au bord extérieur de la cellule 15 des premières
ailes, mais ce rudiment se dissout et disparait bientôt vers la base. En outre,
chez les Tineides, les ailes ont généralement une forme particulière qu’on ne
retrouve pas chez les autres familles, c'est à dire qu'elles sont presque toujours
à frange longue et souvent lancéolées.
2) Pour cette famille, je suis Herrich-Schäffer. Elle manque chez Mr. Hampson ,
mais je dois avouer qu'elle me semble peu naturelle. C’est en Amérique (où les
Zygenides font défaut) qu'elle se trouve principalement.
Tijdschr. v. Entom. XLIII, 2
18 (PIEPERS ET SNELLEN,
tacée, s’amineissant réguliére-
ment de la base au sommet.
o Premières ou secondes ailes
à cellule accessoire ou aréole;
les nervures 7 et 8 des premiè-
res ailes tigées. Point de
trompe. Palpes petits. . . 3 Cossidae.
oo Point de cellules accessoires
ou aréoles; les nervures 8 et
9 des premières ailes tigées !). 4 Limacodidae.
ooo Point de cellules accessoires
ou aréoles ni de nervures tigées
aux premières ailes (4). La
femelle aptère et son corps
sans écailles ou poils. Chez le
male la nervure 8 des secondes
ailes libre : entre le bord costal
de la cellule discoïdale des pre-
mières ailes et la sous-costale
une nervure transversale. Pas
de trompe ni de palpes; frein
long nu Ss aw e MH oterogynidae:
b. Stemmates présents, Nervures des
premières ailes tigées en partie;
costale des secondes ailes (ner-
vure 8), reliée au bord antérieur
de la cellule discoïdale, quelque-
fois par une nervure transver-
sale dn GZygaeniqae
c. Premières ailes avec une seule nervure
anale et celle-ci fourchue extérieurement
vers la moitié de sa longueur, ou avec
1) Aux Limacodidae, je réunis les Mégalopygidae Herr.-Sch.; les caractères
distinctifs que donne cet auteur pour les séparer n'étant pas suflisants et je n’en
puis pas trouver d’autres.
d.
HETEROCERES DE JAVA.)
deux nervures anales, dont la premiere
(1a), se recourbe en arrière et envoie
quelques rameaux au bord intérieur ou
qui se réunissent vers la moitié de Vaile
(3). Femelle aptère, ne sortant pas du
fourreau formé par la chenille . .
Premières ailes avec une seule nervure
anale simple, non fourchue extérieure-
ment ni envoyant des rameaux au bord
intérieur.
* Pas plus de deux nervures anales aux
secondes ailes, Ailes entières , jamais
lancéolees à frange très longue, ni
la cellule discoïdale des premières ailes
située au milieu de l’aile, mais tou-
jours plus près du bord antérieur ;
les rameaux de la nervure médiane
inférieure séparés distinctement des
rameaux rapprochés de la nervure
médiane supérieure. Palpes maxil-
laires toujours rudimentaires, les
tibias postérieurs au plus deux fois
de la longueur des cuisses.
a. La nervure 5 des premières ailes
plus pres de 4 que de 6.
o La nervure 8 (costale) des se-
condes ailes s’eloignant des son
origine de 7, ne la touchant
ni s’en rapprochant jamais au
delà de la cellule discoidale.
« La deux sexes sans frein aux
secondes ailes.
* Secondes ailes avec une
seule nervure anale. Ner-
vure anale des prémières
NS)
5 Psychidae.
tour de l’angle anal.
(PIEPERS ET SNELLEN,
ailes pas bouclée vers la
ase. Ailes larges, corps
assez mince, les secondes
r
très longuement frangées
au bord intérieur et à l’en-
## Secondes ailes avec 2 ner-
vures anales.
+ Nervure anale des pre-
mières ailes pas bouclée
vers la base; 1a des
secondes ailes aboutis-
sant à l’angle anal; pas
de nervure transversale
entre leur nervure 8
et le bord antérieur de
la cellule discoidale.
Tige des antennes revé-
tue d'écailles Coen
Nervure anale des pre-
mièresailes bouclée vers
la base; 14 des secondes
ailes aboutissant au
bord intérieur; entre
leur nervure 8 et le
bord antérieur de la
cellule discoïdale une
petite nervure transver-
sale. Tige des antennes
nue: . . c ö .
Les deux sexes à frein dis-
tinct.
* Secondes ailes sans ner-
vure costale et n'ayant
. Pterothysanidae.
12 Lasiocam-
pidae.
Endromidae.
HÉTÉROCEEES DE JAVA.) 21
pas plus de 6 nervures !). 7 Syntomidae.
#* Secondes ailes possédant
une nervure costale.
. La nervure 8 (costale)
des secondes ailes nais-
sant du bord antérieur
de la cellule discoida-
le 2). . . . . . 8 Lithosidae.
. La nervure 8 (costale)
des secondes ailes par-
tant de la base de l’aile.
v La nervure 8 des
secondes ailes non
soudée à sa base au
bord antérieur de
la cellule discoïdale
mais formant en cet
endroit une petite
aréole par une cour-
be ou une nervure
transversale,
$ Article 3 des palpes
lisse et générale-
ment très long;
trompe bien déve-
loppée; stemmates
présents; pattes
postérieures plus
1) Les Syntomidae se distinguent spécialement par le nombre réduit des nervures
des secondes ailes et par l'absence de leur nervure costale. Chez le male de
Gnophria Quadra on trouve aussi seulement 6 nervures aux secondes ailes mais
celles-ci possèdent une costale bien distincte.
2) Ce n’est qu'en général que ce caractère sépare les Lithosidae des Noctuidae,
car, chez une Noctuide (Stilbia Anomala Haw.), la nervure 8 des secondes ailes
naît du bord costal de la cellule discoïdale et chez une espèce qu'on ne peut pas
séparer des Lithosidae (Halias Prasinana L.), elle part presque de la base de l’aile.
22 (PIEPERS ET SNELLEN,
longues que les
médianes . . . 9 Aganaidae.
SS Palpes pas plus
longs que la tête;
trompe absente ou
trés petite, Deuxiè-
me et troisième
paire de pattes ne
différant pas en
longueur. Pas de
stemmates, Tige
des antennes sé-
tacée . . . . 41 Liparidae.
SSS Palpes très petits;
trompe bien dévé-
loppee. Antennes
épaissies au mi-
lieu. Pas de stem-
mates. . . . 15 Thyrididae.
vv La nervure 8 des se-
condes ailes soudée
à sa base au bord
antérieur de la cel-
lule discoïdale, ne
formant pas d’aréole
en cet endroit.
$ Antennes fusifor-
mes ou en mas-
sue, épaissies au
milieu ou vers le
sommet. 1) 10 Agaristidae.
SS Antennes séta-
cées, leur tige
3) Voir sur les Agaristidae les remarques trés-judicieuses du Dr. K. Jordan»
Novitates Zoologocae Ill p. 24 etc. (1896).
b.
HÉTÉROCÈRES DE JAVA).
s’amineissant de
la base au som-
met.
oo La nervure 8 (costale) des
secondes ailes se rapprochant
de 7 au delä de la cellule dis-
coidale, la touchant , ou même
se soudant à elle.
[04
La nervure 8 des secondes
ailes émettant une précostale
à sa base; cellule discoïdale
de ces ailes ouverte, Anten-
nes un peu épaissies vers
WEDDE mn 22,
Pas de précostale à la base
de la nervure 8 des secondes
ailes; leur cellule discoidale
fermée.
* Nervure 14 des secondes
ailes très courte ou man-
quant tout-à-fait .
** Nervure 14 des secondes
ailes bien développée,
aboutissant vers ou dans
lanole anal % Siva
La nervure 5 des premières ailes
naissant à moitié chemin de 4
et 6 ou plus près de 6.
o La nervure 8 (costale) des
secondes ailes ne se rappro-
chant pas de 7 au delà de la
eellule discoidale.
(24
Pas de trompe; frein jamuis
21 Noctuidae.
16 Callidulidae.
.18 Drepanulidae.
29 Siculidae.
24 (PIEPERS ET SNELLEN,
bien développé dans les deux
sexes 1)... « 2... . diesatunnidae.
8 Trompe bien développée ?),
* Secondes ailes sans frein
ou celui-ci rudimentaire, 23 Uranidae.
## Frein bien développé *).
+ Les tarses courts et
velus comme les tibias.
Papillons robustes, à -
ailes petites (en raison
du corps); les secondes
ailes à 2 nervures ana-
les leur nervure 8
2
naissant de la base de
l'aile; généralement
une touffe d’écailles à
l'implantation des an-
tennes 4) . . . .19Notodontidae.
.. Tarses longs et glabres.
v Yeux allongés. Pre-
mières ailes triangu-
laires; palpes petits
et très vélus . . Brephidae.
1) Mr. Hampson distingue ses Eupterotidae et Bombycidae des Saturnidae
par la présence ou l'absence du frein, mais je dois observer que ce caractère est
insuffisant. Bombyx Mori & a un frein bien distinct, aussi Andraca Trilochoïdes
Moore 4 (Bombycidae Hamps.); chez les Eupterotidae il est bien développé chez
les mâles, rudimentaire ou absent chez les femelles. J’observe aussi que chez la
famille entièrement américaine des Ceratocampidae Hamps. la trompe manque
aussi. Je la réunis aux Saturnidae.
2) Elle manque chez le genre Cnéthocampa (des Notodontidae) mais dans ce
genre les deux sexes ont le frein bien développé.
3) Selon Mr. Hampson, le frein manque chez deux genres de Géométrides
indiens (Genusa Hps. et Hypulia Hps.) et chez le genre européen Dyspteris Hbn.
(Sparta Staud) il me semble bien rudimentaire. J'avoue que la limite entre les
Uranidae et les Geométridae ne me semble pas encore bien tracée.
4) Les Notodontidae et les Géometridae ont beaucoup de caractères en commun;
cependant, on restera rarement en doute à quelle famille une espèce appartient.
Les stemmates font défaut chez toutes les Géometridae.
HÉTÉROCÈRES DE JAVA).
vv Yeux circulaires.
§
SS
La nervure 8 des
secondes ailes ,
soit soudée entiè-
rement au bord
costal de la cellule
discoïdale ou le
suivant plus ou
moins longtemps ;
la nervure anale
des premières ai-
les (1a) bouclée à
sa base; 5 des pre-
mières ailes jamais
d’un point avec 6,
7 et 8; la nervure
8 toujours auprès
de 7 ou tigée avec
25
elle !). . . .25 Geometridae.
La nervure 8 des
secondes ailes s’&-
loignant des sa
naissance du bord
costal de la cellule
discoidale; 14 des
premières _ ailes
bouclée à sa base;
5 des premières
ailes généralement
d’un point avec 6
1) Chez quelques genres de cette famille (Vithora Moore, Hamps. (Cistidia
Hübn., Verz.), Rhopalodes Guen., Remodes Guen.), les antennes sont en massue
ou fusiformes. Chez le genre Mesotype Led., les nervures 6 et 7 des premières
ailes sont tigées.
(PIEPERS KT SNELLEN,
et 7; 8 toujours
éloignée de 7. . 24 Epiplemidae.
SSS La nervure 8 des
secondes ailes s’é-
loignant dès sa base
du bord costal de la
cellule discoidale
ou 5 et 6 des pre-
mières ailes tigées;
8 de ces mêmes
ailes tigée avec 7
ou naissant près
delle . .
oo La nervure 8 des secondes ailes
se rapprochant de 7 ou la touchant
au delà de la cellule discoïdale,
« Antennes sétacées. Premières
ailes triangulaires.
* Sans frein ou stemmates ;
les nervures 6 et 7 des se-
condes ailes d’un point. Pa-
Josiidae.
pillons de structure robuste.13 Crateronidae.
EE Frein et stemmates présents.
Les nervures 6 et 7 des se-
condes ailes bien séparées à
leur origine. Habitus des
Noctuidae
8 Antennes fusiformes ou en
massue. Papillons de structure
robuste, le corps long et fort,
Wes elles Grones, 4 5 56 o
EO ey 20 2 ars 2
Secondes ailes à trois nervures anales
ou ces ailes, soit très-étroites, fendues
. 20 Cymatopho-
ridae.
14 Sphingidae.
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 27
et les tibias postérieurs deux fois et
demi de la longueur des coxae ou
les quatres ailes lancéolées, à frange
très-longue et à nervures anales rudi-
mentaires et indistinctes.
a. La nervure 8 (costale) des secondes
ailes, qui sont en quart d’ellipse
et à frange courte, se rappro-
chant de 7 au delà de la cellule
discoïdale, la touchant en cet
endroit ou même complètement
réunie à elle. Ailes entières, les
rameaux des deux nervures médi-
anes distinclement séparés, la
cellule discoidale plus prés du
bord antérieur que du bord in-
térieur. Palpes maxillaires géné-
ralement présents . . . + . 26 Pyralidae.
b. La nervure 8 (costale) des secondes
ailes libre ou faisant défaut, ne
se rapprochant jamais de 7. Se-
condes ailes à deux nervures ana-
les. Palpes maxillaires jamais
présents.
o Premières ailes fendues au plus
deux fois, secondes trois fois.
Tibias postérieurs deux fois et
demi de la longueur des coxae.29 Pterophoridae.
00 Premières et secondes ailes
fendues en six plumes. Tibias
postérieurs une fois et demi
de la longueur des coxae. . 30 Alucitidae.
c. La nervure 8 (costale) des secondes
ailes ne se rapprochant jamais
28
(PIEPERS ET SNELLEN,
de 7 au delà de la cellule dis-
coïdale ni la touchant en cet
endroit; ailes entières; la cellule
discoïdale des premières située
au milieu de l’aile et les nervu-
rer 3—10 naissant à distance à
peu près égale.
O
Secondes ailes larges, bien
développées, en quart d’el-
lipse ou sub-quadrangulaires ,
à frange courte et à système
nervulaire complet; aux pre-
mières ailes au plus 7 en 8
tigees; troisième article des
palpes labiaux , qui sont géné-
ralement larges, toujours court
et obtus; jamais de palpes
maxillaires ; tête lisse, jamais
laineuse. Dessin des premières
ailes ne consistant jamais en
simples lignes transversales
mais en bandes ou manquant
OU BL SEE me
00 Secondes ailes en quart d’el-
En comparant celte
lipse, lancéolées ou linéaires
à frange très-longue. Système
nervulaire souvent rudimen-
taire. Palpes labiaux souvent
minces, fléchis ou en faucille
et leur troisième article géné-
ralement très développé . .
table avec celle que donne Mr.
27 Tortricidae.
28 Tineidae.
Hampson , on
verra que dans la mienne les familles suivantes ne se trouvent pas:
27 Epicopidae,
. + Ceratocampidae ,
réunie par moi aux Uranidae.
» » » » Saturnidae.
HETEROCERES DE JAVA). 29
2 Brahmaeidae, réunie par moi aux Crateronidae.
4 Eupterotidae , » » » » Saturnidae.
14 Arbelidae , » » >» » Tineidae.
9 Tinaegeridae , » >» MD) id.
On trouvera la raison de ces changements dans la description
des familles.
HETEROCERES Boisd.
Fam. 1. HEPIALIDAE H. S., m.
Monsieur Hampson dit, Moths of India I p. 317 dans sa de-
scription des généralités de cette famille. « Antennae very short
and filiform, » Ceci n’est pas tout à fait exact, D’abord elle comprend
des genres où la longueur des antennes dépasse le quart et atteint
même le tiers de celle du bord antérieur des premières ailes (Aepy-
tus Herr Sch. (Perissectus Meyr.), Gorgopis Hübn. V., Abantia-
des Herr, Sch., Leto Hübn. V. (espèce: Venus Cram.), Trictena
Meyr.), ensuite, chez tous ces genres les antennes sont pectinées,
ou, là où la longueur des antennes ne dépasse pas un sixième du
bord antérieur des premières ailes, elles sont brièvement dentelées
chez le genre Alphus Wallengr. (Sylvira L.) et même chez le genre
indien Palpifer Hamps., |. c. p. 316. En outre, chez un autre
genre (Oncoptera Meyr.) , l’auteur décrit même les antennes comme
« subclavatae », |
Je note encore que, chez quelques espèces, la nervure 1b des
premières ailes n’atteint pas le bord postérieur de Vaile et que
chez plusieurs genres, les palpes sont distinets.
Lorsqu'on entreprendra la classification générale de cette famille,
on ne devra pas négliger de consulter l’étude des genres Australiens,
par Mr. Meyrick, Proc. Linn. Soc. of New South Wales 2 Ser.
IV p. 1118 e. k., (1889).
Trois genres ont été observés à Java; chez tous trois les antennes
sont courtes ({ ou 4 de la longueur des premières ailes). Ensuite,
6
ils se distinguent ainsi:
30 (PIEPERS ET SNELLEN,
I. Bord antérieur des premières ailes uni. Tête rétirée ;
yeux petits et cachés.
A. Antennes brièvement dentelées. Palpes distincts.
Nervures 7 - 8 et 9—10 des premières ailes tigées 1 Palpifer.
B. Antennes sélacées ou à articles triangulaires,
Palpes très courts. Nervures 8—10 des pre-
mières ailes tigées . . . . . . . . . 2 Hepialiscus.
Il. Bord antérieur des premières ailes ondulé avec un
élargissement vers le deuxième tiers. Tête et yeux
sallants ANR ERIN Bhassus:
Genre 1. Palpifer Hamps.
Hampson, Moths of India I p. 316 (1899).
Je répète ici que, dans ce genre, les antennes, même chez les
femelles, ne sont pas sétacées. Elles sont garnies de dents courtes
et obtuses. Les palpes sont obtus, un peu relevés,
Une espèce a été observée par Mr. Piepers. Je la crois inédite:
1 Palpifer Sordida m. nov. spec.
Plusieurs exemplaires des deux sexes. { 15—21 2 22—31 mm.
Tête et thorax d’un brun d’écorce grisätre foncé, les ailes pre-
mières ou antérieures un peu plus claires. Elles présentent quelques
traces de rangées transversales de points plus foncés ; chez quelques
exemplaires on voit un point triangulaire d’un blanc jaunätre vers
la base de la cellule discoïdale, chez tous le bord postérieur est
marqué de points bruns devenant plus distincts et plus foncés à
mesure qu’on approche du bord intérieur; en cet endroit, les
deux ou trois derniers sont presque noirs. Frange plus ciaire,
ochracée. Ailes postérieures ou secondes d’un gris brunätre foncé
uniforme, sans dessins ; la frange ochracée.
Abdomen de la couleur des ailes postérieures.
Se distingue de Sexnotatus Moore, de Tavoyanus Hamps. et de
Coerulescens Swinh. par les ailes postérieures, de Minutus Hamps.
par la couleur des ailes antérieures et par l’absence de rangées de
points blancs,
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 31
Mr. Piepers captura plusieurs exemplaires dans la province de
Rembang et à Batavia. Un seul, pris à Ambarawa, par feu Lu-
deking, se trouve aussi au Musée de Leide. S.
Des femelles de cette espèce prises à Batavia (14 mètres d'altitude)
pondaient une quantité de petits oeufs noirs, pas cohérents, ressem-
blant à des grains de sable. P.
Genre 2 Hepialiscus Hamps.
Hampson, Moths of India I p. 317 (1892).
Chez ce genre on peut presque dire que les antennes sont sélacées.
En effet, elles sont à articles un peu triangulaires. Il se distingue
d'ailleurs du genre Hepialus Fabr., m., par les nervures 8—10
des premières ailes, qui sont tigées, tandisque chez Hepialus,
seulement 9—10 sont dans ce cas.
Une espèce a été observée à Java:
1 Hepialiscus Marcidus (Hepialus) Butler, Ann. and Mag. of N.
EL, 528. ep. 69 (4880); id Mlustz. VE pr 29 pl. 108 fig. 4) 5
(1886).
Hepialus Pauperatus Butl, Hlust. VI p. 30 pl. 108 fig. 6,
7 (1880).
Heptaliscus Nepalensis Hamps. , Moths of India I p. 317 (1892).
Un seul exemplaire a été envoyé par Mr. Sijthoff qui Pa pris dans
les montagnes du Preanger ou Prajangan (Java occ.), à une hauteur
de 4600—1800 mètres. Chez cet exemplaire, les ailes antérieures sont
d’un brun d’ocre, avec une rangée longitudinale de quatre petits
points blancs au millieu et un semis de points noirs vers le bord
postérieur, où l’on voit aussi deux bandes transversales pales, peu
apparentes. Ailes postérieures d’un gris noiràtre, Il est assez bien
conforme à Marcidus Butler, |. c. fig. 4.
Genre 3. Phassus Moore, Hamps.
e
Moore, Cat. Lep. E. I. C. II p. 437 (1858—59).
Hampson, Moths of India I p. 318 (1892).
Ce genre se distingue à la première vue par le bord antérieur
32 (PIEPERS ET SNELLEN,
ondulé des premières ailes et par les yeux gros et saillants. Les
antennes sont setacées.
Deux espèces ont été observées a Java:
1 Phassus Damor Moore, Cat. Lep. East Ind. Comp. IT p. 437
(1858—59). — Butler, Ill. VI p. 31 pl. 109, fig. 3 (1886). —
Hampson, Moths of India I p. 319 (1892).
f°. 70—94 mm.
Tête, thorax et premières ailes d'un gris brunàtre, les ptérygodes
ou épaulettes un peu plus foncées. Bord antérieur des premières
ailes avec des taches un peu plus foncées; vers le milieu, deux
bandes plus foncées partent du bord antérieur, elles sont obliques,
convergent et se rejoignent vers le milieu de l’aile ou elles cessent.
Souvent elles sont marquées de quelques points d’un blanc jaunätre
et quelquefois elles sont peu distinctes.
Secondes ailes plus foncées, leur apex quelque peu brunâtre,
avec. quelques hachures plus foncées.
Mr. Hampson cite ici 2’ Endoclyta Similis Felder, Novara pl. 81
fig. 3; il me semble à tort. Nos exemplaires ne s’accordent nulle-
ment avec cette figure. Mais Phassus Ilerzi Fixsen, de la Corée,
Mém. sur les Lép. III p. 335 pl. 15 f. 3 me semble appartenir
à Damor. La description et la figure sont faites d’après un exemplaire
mal conservé. Dans la figure de Mr. Butler les ailes antérieures
sont trop obtuses.
Notre collection contient plusieurs exemplaires des deux sexes.
Ils sont sous de la partie occidentale de Java et pris à Buitenzorg,
Batavia, (Piepers), dans le Tegal (Lucassen) et dans le Preanger
ou Prajangan (Sijthoff). Aucun n'est complètement frais,
2 Phassus Signifer Butler, Illustr. VI p. 30 pl. 109 fig. 2
(1886) — Hampson. Moths of India I p. 320 fig. 219 (1892).
LQ 150—180 mm.
Chez cette”grande espèce, la couleur et le dessin des premières
ailes ne diffèrent pas sensiblement de Damor, seulement les deux
bandes foncées des premières ailes sont plus vagues. Les secondes
ailes sont aussi d’un gris noir un peu brunätre vers le sommet.
HETEROCERES DE JAVA). 33
Mr. Piepers captura un exemplaire mäle au Preanger ou Prajangan
(Java occidental) et Mr. Sijthoff envoya une femelle, de la même loca-
lite (46—1800 mètres). Aucun des deux n’est bien frais. S.
Je me souviens d’avoir lu quelque part que la chenille de cette
espèce vit dans les racines des grandes fougères arborescentes. Je
ne la connais pas, mais la contrée où je pris la phaléne est bien
celle où croissent ces fougères. Bi
Fam. 2. SESIIDAE H. S., m.
Je ne connais que quatre espèces Javanaises de cette famille,
Assurément, il en existe plus, mais les Sesiides se rencontrent
en général rarement et on les confond facilement avec les Hyme-
nopteres, ce qui fait que ceux qui s’occupent de l’étude de cet ordre
prennent souvent des Sésies qui auraient échappé aux Lépidoptero-
logistes.
Les quatre espèces Javanaises appartiennent à deux genres, qui
se distinguent ainsi:
I Secondes ailes sans nervure 5; 6 et 7 non
tigées. La nervure 2 des secondes ailes du bord
intérieur de la cellule discoidale, 3 et 4 d’un
point ou tigées de son angle anal; bord posté-
rieur de la cellule ou nervure transversale
oblique. Trompe présente . . . . . . . 1 Sesia.
II Nervure 5 des secondes ailes présente; 6 et 7
tigées; 2 et 3 séparées, du bord intérieur de
la cellule. Trompe présente. Tibias postérieurs
garnis de gros bouquets de poils . . . . . 2 Melittia.
Genre 1, Sesia Lasp.
Laspeyres, Sesiae Europeae (1801) (pars).
Boisduval, Suites à Buffon, Lép. Hétéroc 1 p. 384 (pars). (1874).
Hampson, Moths of India I p. 196. (1892).
Plusieurs Lépidoptérologistes donnent Fabrieius (Syst. Ent. p. 547
(1775), comme auteur de ce genre, mais, comme l’observe encore
Boisduval (Op. cit.), il confond, dans tous ses ouvrages publiés,
Tijdschr. v.Entom. XLIII. 3
34 (PIEPERS ET SNELLEN,
un grand nombre de Sphingides vrais avec les Sésiides. Ii vaut donc
mieux de citer Laspeyres comme auteur. Chez le genre Sesia,
restreint dans le sens des auteurs modernes, les antennes sont
en massue, pointues, non ciliées, les tibias postérieurs ne sont
pas garnis de bouquets de poils et la nervure 5 des premières
ailes est présente.
Une seule espèce Javanaise a été observée. Elle me semble inédite.
1 Sesia Uniformis m. nov. spec.
Un mäle de 14 mm.
La tête avec les antennes et les palpes, le thorax et l’abdomen
sont entièrement d’un vert métallique très-foncé et luisant, sans
dessins; la brosse anale est noire. Premières ailes opaques, d’un
bleu d’acier luisant, uniforme, Secondes ailes d’un bleu pourpre,
légèrement transparentes au milieu. Frange noirätre. Dessous des
premières ailes avec un reflet cuivré jusqu’au deux tiers. Pattes
d’un bleu d’acier, les tarses d’un jaune d'argile foncé,
Pris par feu Mr. Lucassen, à Kemanglen, dans le Tegal. Dans
notre collection.
Genre 2. Melittia Hübn. V.
Hübner, Verzeichniss p. 128. (1816—1825).
Boisduval, Suites à Buffon, Lép. Hétéroc. I p. 468 (1874).
Hampson. Moths of India I p. 202 (1892).
Ce genre, ainsi que Lenyra Hampson, se distingue par la gros-
seur insolite des bouquets de poils garnissant les longues pattes
postérieures. De plus la nervure 5 des secondes ailes est présente,
Les antennes sont en massue et pointues.
Du genre Melittia, qui est aussi representé en Amérique et en
Afrique, trois espèces ont été trouvées à Java. Elles se distinguent
ainsi :
I. Secondes ailes sans tache d’un bleu d’acier au
milieu du bord antérieur. Les premières ailes
avec un espace cunéiforme transparent avant
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 39
et un autre, arrondi, après la nervure trans-
versale.
A. Second espace transparent des premières
ailes circulaire; seulement la ligne margi-
nale et l’apex étroitement opaques. . . 1.Chalciformis.
B. Second espace transparent des premières
ailes semilunaire ou triangulaire, beaucoup
plus restreint que leur bord postérieur
ODAQUE DCR en | ee. 2, Eurylion.
II. Secondes ailes avec une tache d’un bleu d’acier
luisant vers le milieu du bord antérieur. Pre-
mieres ailes entierement opaques, d’un noir
DIEU ALE ee nern eo. Ambigua:
4. Melittia Chalciformis Fab., Ent. Syst. III, 1 p. 382 N, 14.
(1793) — Hampson, Moths of India I p. 204 (1892).
Melittia Phorcus Westwood, Cab. of Orient Ent. p. 62, (1848),
Melittia Bombylipennis Boisd., Suit. à Buff. I p. 473 (1874).
dg 32—36 mm.
C’est la plus grande des trois espèces Javanaises. Les antennes
sont d’un brun noirätre, la tête et la partie dorsale du thorax
aussi, mêlé de brun plus clair, L’abdomen est noir, avec des
bandes jaunes étroites, la base d’un brun fauve clair. Contour des
ailes antérieures, (elles sont du reste hyalines) , leurs nervures et
une bande sur la nervure transversale d’un brun noirâtre, l’apex
aussi, ce qui échancre un peu le second espace transparent qui est
presque circulaire. Aux secondes ailes, les nervures sont finement
foncées, le bord intérieur d'un brun fauve clair. Frange d’un
gris foncé,
Pattes postérieures noires, les tibias, quelque peu aussi les
tarses, avec des poils d’un jaune foncé.
Je ne puis pas adopter pour cette espèce le nom de Bombili-
formis Cramer, IV p.241, pl. 400 C; la figure est trop grossière
et laisse trop de doutes.
36 (PIEPERS ET SNELLEN,
Preanger ou Prajangan: un individu (Piepers) — Buitenzorg
(Boie, Musée de Leide); ibid, sans localité (Mulié).
2. Melittia Eurytion Westw., Cab. of Orient. Ent. p. 62 pl. 30
fig. 5 (1848) — Boisd., Suit. à Buff. I p. 474, (1874). —
Hampson, Moths of India I p. 203 fig. 131. (1892).
dg 24—30 mm.
Antennes d’un brun noirâtre; thorax olivàtre; abdomen d’un
brun olivâtre à la base, le reste noir, avec des anneaux blancs
étroits; dessous du corps blanchätre. Le bord antérieur des pre-
mières ailes est d’un brun noirâtre, le bord intérieur, une bande
sur la nervure transversale, les nervures et le bord postérieur
largement d'un brun mordoré; second espace transparent bien plus
restreint que chez Chalciformis. Secondes ailes comme dans cette
espèce, mais le bord intérieur olivàtre.
Pattes postérieures noires, avec des poils bruns à l’extérieur de
la première moitié.
Soerabaia: Mr. J. M. Kobus, un exemplaire. Tegal: Lucassen ;
trois. — Java, Mulié, Musée de Leide.
3. Melittia Ambigua m. nov. spec.
Un mäle de 26 mm.
Les antennes sont d’un jaune d’argile foncé. La tête et le thorax,
qui sont en partie dépouillés, me semblent avoir été noirs. Abdomen
d’un noir bleuätre, sans dessins.
Ailes premières entièrement opaques, comme dans le genre
Sciapteron, d'un noir un peu bleuâtre. Les secondes ailes sont
transparentes, mais avec une grande tache d’un bleu d’acier à
reflet violet, qui occupe le second et le troisième quart de la
moitié antérieure. Les nervures sont de la même couleur, assez
fortement indiquées. La frange est noire.
Pattes postérieures d'un noir bleuätre, sans poils clairs.
L’unique exemplaire de celte espèce, qui me semble inédite,
n’est que médiocrement frais, ce qui m’empéche d’en donner une
figure, mais comme elle est très particulière, j’espéce que ma
description la fera aisément reconnaitre, L’exemplaire que j'ai
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 37
décrit appartient au Musée de Leide; il a été pris à Java par
Blume et est sans indication de localité.
Fam. 3. COSSIDAE H.S. (pars), m.
Comme il est assez difficile de classer toujours avec précision
les insectes parfaits, Mr. Herrich-Schäffer se crut autorisé à réunir
les Limacodides aux Cossides. Ayant trouvé au moins quelques carac-
tères qui me paraissent suflisants, je veux maintenir la séparation,
toutefois sans invoquer comme raison les premiers états; seuls les
caractères fournis par les papillons me semblent valables,
Neuf espèces de la famille présente me sont connues de Java.
Elle appartiennent à quatre genres qui se distinguent ainsi :
I Les nervures 6 et 7 des secondes ailes rappro-
chées à leur origine ; point de nervure transversale
entre le bord antérieur de leur cellule discoïdale
et la nervure 8. Antennes des mâles à dents
courtes et regulières, Quatre épérons aux tibias
POStEGICUCS PR nn LITPYPanus:
If Les nervures 6 et 7 des secondes ailes distincte-
ment séparées à leur origine. Deux épérons aux
tibias postérieurs. Aux antennes des males , environ
la moitié basale longuement pectinée, le reste à
dents de scie.
A Aux secondes ailes, point de nervure trans-
versale entre le bord antérieur de la cellule
discoïdale et la nervure 8.
4 Aux secondes ailes, les nervures 4 et 5
séparées à leur origine . . . . . . . 2 Endoxyla.
2 Aux secondes ailes, les nervures 4 et 5
naissant d’un point. Pas de palpes visibles, 4 Phragmatoecia.
B Aux secondes ailes, une nervure transversale
entre le bord antérieur de la cellule discoïdale
et la nervure 8. La nervure 6 des premières
ailes de la nervure transversale . . . . „3 Zeuzera.
38 (PIEPERS ET SNELLEN,
Genre 1. Trypanus Ramb.
Rambur, Catal des Lépid. de l’Andalousie II p. 326 (1866).
(Cossus Fabr., auct.)
C'est je crois, Mr. Kirby, dans son Catalogue of Lepid. Heter. I.
p. 860, (1892) qui a le premier mis en lumière que le genre
qui, par une usurpation de Fabricius, admise d’une manière irré-
fléchie par les auteurs, avait porté jusqu'ici le nom de Cossus Fabr. ,
avait été depuis longtemps rebaptisé par Rambur.
Chez ce genre, les palpes sont courts, mais distincts et les tibias
postérieurs ont deux paires d’épérons.
Une espèce a été observée à Java:
4. Trypanus Subfuscus Snellen, Iris VIII p. 134 (1895).
Deux mäles de 27, 28 mm.
La couleur de la tête et du thorax est mêlée de blanchätre et
de brun-grisàtre. Première ailes d’un brun grisätre jusqu’au deux
tiers, le reste, après une ligne noire qui est un peu oblique chez
un des exemplaires, très-indistincte chez l’autre, d’un blanchâtre
impur et toute la surface marquée de petites stries foncées. Bord
antérieur vers l’apex avec quelques taches noirätres. Secondes ailes
d’un gris foncé uni.
Nos exemplaires javanais sont d’une conservation médiocre et
comme je ne puis pas les comparer aux originaux, je m’abstiens
d’une description plus détaillée, en renvoyant à celle dans l’Iris.
Mr. Piepers a capturé l’espèce à Buitenzorg.
Genre 2. Endoxyla H. S.
Herrich-Schäffer, Aussereur. Schmett. p. 7. (1850 —58).
Duomitus Butl., Ann. and Mag. of Nat. Hist. Ser. 5, vol. VI
p. 68 (1880).
— Hampson, Moths of India I p. 307 (1892).
C’est à tort que Mr. Hampson dit que chez ce genre les tibias
postérieurs sont sans épérons; ils en possèdent deux.
Trois espèces ont été trouvées à Java. Elles se distinguent ainsi :
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 39
I Premières ailes d'un blanc impur, à stries et
taches noires,
A Tête et thorax unicolores. Abdomen noirätre.
100-185 EME ES
B Tête et ptérygodes noirs, le reste du thorax
d’un blanc jaunâtre, ainsique l’abdomen.
Olga (ics, e a, 2 2 Äncepe.
II Premières ailes d’un jaune d’or cuivreux, à
taches d’un bleu métallique . . . . . . . 3 Mineus.
1. Endoxyla Strix L., Syst. Nat. Ed. 10 p. 508. N. 59 (1758).
— Cram., II p. 77 pl. 145 A (1779) — Hampson, Moths of
India I p. 307 (1892).
Cossus Persona Le Guillou, Revue Zoologique 1842 p. 257.
d 100—111 9 138—185 mm.
Chez cette grande espèce, la tête et le thorax sont tantôt noi-
ràtres, comme la plus grande partie de abdomen dont la base
est toujours blanchätre, tantôt d’un blanc un peu grisätre, sans
que cela offre un indice de différence spécifique. Les ailes sont d’un
blanc grisätre, réticulées de noir, avec des taches noirätres, dont
une à la base, trois le long du bord antérieur et une au bord
intérieur des prémières ailes, tandisque le milieu des secondes ailes
est largement mélé de gris brunätre qui les envahit même entiére-
ment dans les mâles.
Cette espèce n’est pas rare à Java ; Mr. Piepers en obtint plusieurs
exemplaires. Au Musée de Leide, il y en a aussi des environs
de Semarang (Raye). S.
Jai trouvé la chenille de cette espèce à Macassar (Célébes) dans
le bois du Jour (Agati grandiflora D. C.). Elle était blanche et
grasse, de la longueur et de la grosseur d’un gros doigt d'homme ;
la chrysalide grande, d’un brun rougeätre, enfermé dans un cocon
dont la soie très épaisse était très mélangée de petits fragments
de bois. P.
40 (PIEPERS ET SNELLEN,
2. Endoxyla Anceps m. nov. spec.
Une 2, 62 mm.
La tête et les épaulettes sont noires, le collier aussi; le milieu
du thorax est d’un blanc jaunâtre impur, comme toute la moitié
dorsale de l’abdomen. Le dessous du corps est entièrement d’un
noir grisàtre. Fond des ailes antérieures d’un blanc brunatre avec
des stries noires; la moitié antérieure du tiers basal, une tache
arrondie vers la moitié de la partie intérieure et une tache allongée,
irrégulière avant le bord postérieur, ainsique des points costaux,
sont aussi noirs. Les trois grandes taches noires sont un peu
confluentes. Secondes ailes de la même couleur des premières,
aussi avec des stries noires et en outre, au milieu, avec une
bande étroite noire longitudinale, un peu ondulée.
De la partie occidentale de Pile (Preanger on Prajangan). Mr. Piepers,
3. Endoxyla Mineus Cram., II p. 52 pl. 131 D — Hampson,
Moths of India I p. 309 (1892).
Bomb. Hyphinoe Cram., II p. 90 pl. 154 B. (1779).
Zeuzera Viridicans Eschsch., in Kotzebue’s Reise p. 219 pl. 11
f, 29 (1821).
J? 80 mm.
Tête et corps d’un bleu métallique foncé. Premières ailes d’un
jaune d’or cuivreux un peu mat (quelquefois avec un faible reflet
pourpré) et marqué de taches arrondies, grandes et petites, variant
chez chaque individu, d’un bleu d’acier un peu luisant. Les secondes
ailes sont tantôt d’un jaune de cuivre avec deux ou trois taches
bleues confluentes au milieu (Jlineus Cram., Viridieans Eschsch ),
tantöt d’un bleu d’acier qui ne laisse de jaune qu’une bordure plus
ou moins étroite (/iphinoe Cram.). Des points marginaux bleus
plus ou moins distincts.
Je ne crois pas que les deux figures citées de Cramer représentent
deux espèces,
Java occidental: Preanger ou Prajangan (Piepers).
Le Musée de Leide possède aussi cette espèce de Java (Tjikao :
Botter). Elle est d’ailleurs très-répandue et a été trouvée de l'Inde
aux îles Philippines et à la Nouvelle-Guinée (Musée de Leide).
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 41
Genre 3. Zeuzera Latr.
Latreille, Nouveau Dict. d’Histoire naturelle, XXIV p. 168
(1804).
Hampson, Moths of India I p. 310 (1892).
Chez ce genre, il y a aussi deux épérons aux tibias postérieurs.
Il est vrai qu’ils sont fort courts,
Je dois observer que le caractére dont Mr. Hampson s’est servi
pour diviser le genre en trois sections (l’origine de la nervure 6
des premières ailes, soit de l’angle anal ou bien du bord postérieur
de l’aréole), me semble variable et par conséquent sans utilité
pratique.
Deux espèces ont été observées à Java. Je les distingue ainsi:
I Ailes d’un blanc de soie écrue impur, avec des
points d’un vert bronzé. 80—90 mm. . . . 1 Postexcisa.
II Ailes d’un blanc pur, avec des points noirs (4)
ou d’un bleu métallique (2). 37—42 mm. . . 2 Coffeae.
1. Zeuzera Postexcisa Hamps., Moths of India I p. 311 (1892);
id., Illustr, IX p. 68 pl. 159 fig. 18 (1893). — PI. 4 fig. 1. (2).
JS? 80—90 mm,
J'ai vu de cette espèce deux exemplaires Javanais, l’un (9)
appartenant au Musée de Leide et pris par MM. Kuhl et van Hasselt,
l’autre de la collection de Mr. le Dr. Staudinger à Blasewitz. Ils
ne different pas et je donne une figure de la femelle, qui est plus
belle et plus fraiche que le mâle, déjà vétuste. J’observe que la
couleur des fond des ailes est d’un blanc plus impur que celle de
la figure que donne Mr. Hampson et que la plupart des points
sont plutôt d'un vert bronzé que d’un bleu métallique L’incision
du bord postérieur des secondes ailes est bien plus faible chez la
femelle que chez le mâle; ce caractère, que possèdent aussi la
Zeuzera Pyrina L. et la Z. Coffeae Nietn., me semble de peu d’im-
portance.
Je ne sais pas la localité où les deux exemplaires ont été pris.
42 (PIEPERS ET SNELLEN,
2. Zeuzera Coffeae Nietn., Ennem. of the Coffee-tree p. 21 (1861) —
— Moore, Lep. of Ceylon II p. 154 pl. 143 fig. 1, 1a, 15
(Z et chenille) (1883). — Hampson. Moths of India I
p. 312 (1892). — PI. 4 fig. 1 (chenille).
Zeuzera Oblita Swinhoe, Trans. Ent. Soc. of Lond. 1890
pP. 19S pl. 67129}
dd 2 37—42 mm.
Espèce bien plus petite que Postercisa et ressemblant à une
Zeuzera Pyrina diminuée. La chenille cependant diffère beaucoup
de celle de Vespéce européenne. Mr. Piepers obtint quelques
exemplaires. S.
Se trouve aussi bien à Batavia (14 mètres d’altitude) *) dans les
terres basses de Java que dans la montagne; je l’ai trouvé au
Prajangan ?) même à 1600 mètres. C’est là surtout dans les plan-
tations de café et de quinquina que la chenille — connue selon le
Dr. Koningsberger sous le nom indigène de ono! — fait beaucoup
de dégâts. Moore l’a décrit de Ceylon: le Dr. Koningsberger de
Java; je l’ai aussi pris plusieurs fois dans le bois ou dans la tige
du caféier d'Arabie (Coffea arabica L.) ou de Liberia (Coffea liberiae),
de différentes espèces de quinquina, (Cinchona spec.), d’Acalypha
marginata Spreng., de Durantha spec. et de l'arbre fruitier nommé
par les Hollandais des Indes Zuurzak et dans la langue Malaise
Nangka blanda (Anona muricata Dun.), on m’en a apporté aussi
une qui aurait vécu dans un rosier (osa Tourn.) Elle est rouge,
ou d’un rouge jaunätre, ayant des plaques noires ou d’un brun
très foncé sur la tête, le thorax et le dernier segment, et des poils
blancs, courts et clairsemés, On en trouve aussi qui sont tout-à-fait
noires. Selon le docteur mentionné ci-dessus la femelle de cette espèce
(1) Je désigne par le terme ,,a/titude”, la même chose que Mr. Snellen
nomme „Aauteur”, c'est-à-dire l'élévation d'un lieu au dessus du niveau de la mer:
(2) Prajan ou Prajangan (c'est-à-dire le Prajangais) est le nom indigène d'une
province de Java, composée de districts (régences) administrés par des fonction-
naires indigènes portant le titre hollandais de régent, et nommée à cause de
cela en hollandais „de Preanger regentschappen ” (c'est-à-dire les régences
Prajangaises) ou bien par abbreviation „de Preanger”. L’a de Prajang est
corrompu en Hollandais en é, er est un affixe hollandais pour former l’adjectif.
Il vaut mieux d'employer en français le nom indigène.
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 43
pondrait un oeuf sous l’écorce de branches très minces ; la chenille
sortant de l’oeuf percerait alors un trou pour se faire un passage dans
l’intérieur de la branche; j’ai toutefois trouvé des chenilles non
seulement dans les branches mais aussi dans le tronc de l'arbre,
Elle mange alors le bois au-dessus et au-dessous de l’orifice qu’elle
a faite pour y entrer; selon le Dr. K. d’abord au-dessus et puis au-
dessous; j'ai remarqué qu’elle mangeait encore avec appétit de ce bois
lorsqu'il était déjà devenu bien sec, la branche étant déjà coupée
depuis quelque temps; j’ai remarqué aussi qu’elle prend bien soin
de rejeter tous ses excréments, qui sont secs et d’un brun jaunätre,
par le susdit trou. Avant de se changer en chrysalide elle fait
encore un autre trou situé plus haut que le premier et destiné à
faire sortir le papillon; selon le Dr. K elle fermerait alors d’abord
ce trou avec des fragments de bois et des excréments, matériaux
faciles à enlever. La chrysalide, selon Moore rouge et portant des
pointes ou épines, se trouve dans la partie supérieure de la
cavité faite par la chenille, dans l’intérieur de la branche ou de la
tige; sa caparace longue et d’un brun jaunâtre reste dans le susdit
trou quand le papillon en est sorti.
Ma figure de la chenille me semble meilleure que celle de Moore, qui
est certainement trop grosse, Celle du Dr. K. n’est pas du tout
réussie, P.
Genre 4. Phragmatoecia Newm.
Newman, Zoologist VIII p. 2931 (1850).
Hampson, Moths of India I p. 312 (1892).
Chez ce genre aussi, ilya deux épérons aux tibias postérieurs.
Trois espèces ont été observées à Java. Chez toutes, le tiers costal
des premières ailes est plus ou moins obscurci; ensuite, elles se
distinguent ainsi :
I Secondes ailes d’un blanc impur, sans réticula-
tions. Ailes premières d’un gris Jaunätre pâle, une
rangée presque horizontale de points foncés à
moitié chemin de la cellule discoïdale et du
bordminterieur = 4 44. 6 se cee NA SUMAIrensis.
44 (PIEPERS ET SNELLEN,
II Secondes ailes d’un gris jaunätre impur, sans
réticulations. Ailes premières d’un gris jaunatre
sale; une rangée de points obscurs justement au
dessous du bord intérieur de la cellule discoïdale. 2 Sordida.
III Secondes ailes d’un gris sale, avec des réticulations
plus foncées. Premières ailes aussi très obscurcies
le long du bord intérieur. Une rangée de traits
foncés dans les cellules , le long du bord postérieur. 3 Impura.
1. Phragmatoecia Sumatrensis Snell., Midd. Sumatra. Lepid. p. 29
pl. 3 fig. 3 (1880).
Phragm. Minima Hampson, Illust. VIII p. 66 pl. 144 fig. 14
(1831):
d'$ 25—36 mm.
Ma figure citée est assez bonne, mais un peu dure et la ner-
vulation trop accusée, Par contre, la rangée presque horizontale
de points foncés sur les ailes antérieures n’est pas assez distincte.
Dans ma description sont indiquées les différences qui séparent
cette espèce de sa congénère européenne Castaneae.
Mr. Piepers a pris plusieurs exemplaires de cette espèce, tous
dans les environs de Batavia.
2 Phragmatoecia Sordida nov. spec.
Un male de 37 mm.
Chez cette espéce, les premiéres ailes sont d’un ton plus foncé
que chez la Sumatrensis, la rangée de points foncés cotoie imme-
diatement — chez Sumatrensis elle en est éloignée — la cellule
discoïdale et le bord intérieur est aussi obscurci, mais pas jusqu’à
l'angle anal. Les ailes inférieures — sans dessin comme chez la
Sumatrensis, sont bien plus foncées, aussi en dessous.
La localité précise où Mr. Piepers à pris unique exemplaire de
notre collection, n’est pas indiquée.
3. Phragmatoecia Impura Hamps., Illustr. VIII p. 66 pl. 144
fig. 7 (1891) — id., Moths of India I. p. 313. (1892).
Phragm. Gummata Swinhoe, Cat. Lep. Oxf. I p. 285 pl. 8 fig.
14 (1892).
d 26—35 mm.
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 45
Cette espèce varie un peu. Chez un de nos trois exemplaires,
les premières ailes sont d’un noir de suie à peu près uniforme et
les réticulations des secondes ailes assez faibles, mais chez les deux
autres, les ailes antérieures ont une éclaircie jaunätre, pointillee
de noir, au millieu, qui s'étend de la base presque jusqu’au bord
postérieur, Dessous des ailes d’un gris de poussière à réticulations
faibles plus foncées.
Mr. Piepers a pris ses exemplaires à Pouspa (Java oriental), à
une hauteur d’environ 700 mètres. Le Musée de Leide possède
aussi un exemplaire Javanais pris sur le mont Ardjouno.
Fam. 4. LIMACODIDAE Latr.
Cette famille, considérée par Herrich-Schaeffer comme une section
de la précédente mais à mon avis parfaitement distincte, est
trés-bien représentée à Java; 44 espèces, que je rapporte à 19
genres, y ont été observées,
Mr. Piepers communique au sujet des chenilles la note suivante :
« Plusieurs chenilles des Zimacodidae ont des couleurs très voyantes
et sont en outre armées de piquants vénéneux dont la piqûre
occasionne des démangeaisons très fortes et même quelquefois de
vives douleurs; elles sont à cause de cela fort redoutées des indigènes.
Des essais avec la Miresa nitens Walker et la Latova lepida Cram.
m'ont prouvé que cette crainte n’est nullement imaginaire. Or cela
ne s'accorde pas bien avec la théorie des couleurs dites menaçantes
(warning colours); pourquoi encore cette menace quand l’animal
possède des armes aussi efficaces pour se défendre? Ilest vrai que
parmi les chenilles qui ne sont pas armées de la sorte il y en a
comme celle d’Altha castaneipars Moore qui est aussi d’une couleur
très voyante, tandis que celle d’une autre espèce, de la Nemeta
laleana Moore, l'est au contraire si peu que sa couleur se confond
tout à fait avec celle de la feuille verte sur laquelle elle se pose,
ce qui la protège au moins aussi bien, Un autre fait curieux est
celui que quelques unes de ces chenilles laissent en rampant sur
les feuilles une trainée visqueuse, tout à fait comme le font ces
limaces avec lesquelles elles ont d’ailleurs, ainsi que l'indique leur
46 (PIEPERS ET SNELLEN,
nom scientifique, souvent beaucoup de ressemblance. Il faudrait
être cependant sans doute un partisan bien fanatique de la doctrine
du mimétisme pour oser reconnaître là un phénomène de ce genre ;
il me semble tout au contraire pouvoir y constater un exemple
bien marquant de ce fait que des circonstances vitales identiques
peuvent occasionner à elles seules une grande similarité entre deux
êtres, sans que cette theorie n’ait rien à y voir.
Le manque de fausses pattes qui caractérise ces chenilles, fait
très rare parmi les lépidoptères quoique se trouvant aussi chez
quelques autres chenilles, chez celle du genre Xenares H.-Sch.
par exemple, peut être un fait d’atrophie; des recherches anato-
miques ou bien ontogéniques à ce sujet seraient toutefois fort à
désirer. Car le contraire ne semble pas impossible, D'après la
nervure de leurs ailes qui les rapproche des Hepialidae, les Lima-
codidae représentent une forme très ancienne de lépidoptéres; et
sans doute ces insectes ont dü sortir d’autres à larves n’ayant
comme celles des Neuroptera actuels, que six pattes ; il se pourrait
donc aussi que cette famille eût conservé encore quant aux pattes
l’organisation primitive. Or mes études ontogéniques m'ont appris
que le thorax des chenilles de quelques Papilionides, du type de
Papilio Agamemnon L., aura été garni dans des periodes ontogéniques
antérieures de proéminences ou épines charnues a piquants placés
en brosse, dont la forme rappelle beaucoup celle dont actuellement
plusieurs des Limacodidae sont armées ; la corne des chenilles des
Sphingidae, à présent atrophiée, était aussi anciennement un organe,
probablement une arme, de la même forme. Si le susdit manque
de fausses pattes devrait donc être reconnu comme un reste de
la forme primitive des chenilles de lepidoptères, il en serait ainsi
bien de même de ces épines en brosse vénéneuses qui caractérisent
encore celles des Zimacodidae ; les espèces sans épines comme la
Nemeta laleana Moore devraient alors être regardées comme leurs
formes phylogéniques les plus jeunes.
Les chenilles de cette famille ont des formes très différentes suivant
plusieurs types qui ne s'accordent pas avec la division systématique
en genres, mais qui se retrouvent aussi bien en Amérique qu’aux
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 47
Indes Orientales. Ayant à subir leur métamorphose elles s’enferment
dans un cocon en forme de boule plus ou moins parfaitement
arrondie, fait d’une substance assez dure ressemblant à du carton ;
ce cocon est quelquefois simplement collé sur une feuille ou sur
une tige, mais souvent enveloppé encore d'une soie fine.
Pour sortir du cocon le papillon en détache un petit morceau
rond, qu’on croirait coupé par des ciseaux.
Ouvrages consultés :
Dr. J. CG. Koningsberger. De dierlijke vijanden der koffiecultuur
op Java (Mededeelingen uit ’s lands plantentuin. XX Batavia—’s Gra-
venhage 1879.)
Dr. J. C. Koningsberger. Eerste overzicht der schadelijke en
nuttige insecten van Java. (Mededeelingen uit ’s lands plantentuin.
XXII. Batavia—’s Gravenhage 1898.)
Thomas Horsfield and Frederic Moore. A catalogue of the lepi-
dopterous insects in the museum of natural history at the East-
India house. London 1858—59.
F. Moore. The Lepidoptera of Ceylon. London 1882—83.
Quant à la désignation scientifique des plantes nourricières des
chenilles, j'en suis pour une grande partie redevable à Mr. le dr. Treub,
directeur du jardin botanique gouvernemental à Buitenzorg; et
puis encore à quelques autres botanistes qui ont aussi bien voulu
me prêter le secours de leurs connaissances spéciales, J’ai consulté
aussi l’oeuvre de M. l’ingénieur-forestier S. H. Koorders, intitulé :
« Plantkundig woordenboek voor de boomen van Java enz. (Mede-
deelingen uit ’s lands plantentuin XII Batavia—’s Gravenhage 1894.)
Dans les cas ott je devais me contenter du nom indigéne j’ai fait
usage aussi de l’ouvrage de M. Filet, Plantkundig woordenboek
voor Ned.-Indié, Leiden 1876; ouvrage toutefois peu exact et
qu’à cause de cela je n’ai consulté que quand tout autre moyen
me manquait,
P;
48 (PIEPERS ET SNELLEN,
Voici la table analytique des genres Javanais: !)
I. Troisième article des palpes deux fois aussi
long que le second et en forme de plumeau,
La nervure 7 des premières ailes tigée avec
8 et 9; 10 de la cellule ou de la base de
7—9; Antennes du male pectinées jusqu’au
sommet, mais à partir de la moitié plus briè-
vement. Les deux sexes semblables. . . . 1 Scopelodes.
II. Troisième article des palpes relevé, recourbé,
presque deux fois de la longueur du second,
mais un peu pointu, nullement en forme de
plumeau. La nervure 7 des premières ailes
tigée avec 8 et 9; 10 d’un point avec la tige
de 7—9; 6 et 7 des secondes ailes tigées.
Antennes du mâle pectinées jusqu’aux trois
cinquièmes, le reste denté en scie. Les deux
sexes semblables Sn sss Sn eee a Monemas
III. Troisième article des palpes égalant au plus le
deuxiéme en longueur, généralement beaucoup
plus court et peu apparent, jamais en forme
de plumeau.
A, Les deux sexes très différents; chez le male
les premières ailes très étroites, noirätres,
mélées de brun, les secondes transparentes
au milieu et à bord postérieur échancré;
chez la femelle les ailes plus larges, les
premières Wun gris clair, à base brune
et marquées au sommet d’une tache noire.
La nervure 7 des premières ailes tigée avec
8 et 9, 10 d’un point avec la tige de 7—9;
6 et 7 des secondes ailes tigées, Antennes
1) Les espèces Africaines de cette famille ont été traitées par Mr. le Dr. Karsch
Entom. Nachrichten 22 (1896) p. 261-285 (Die Aethiopischen Limacodiden des
Berliner Museums).
HÉTEROCÈRES DE JAVA). 49
du male pectinées au premier tiers, le
reste presque filiforme . . . . +. . . 3 Nemeta.
B. Les deux sexes semblables et ne repondant
pas à la description précédente,
4 La nervure 7 des premières ailes d’un
point avec la tige de 8—9 (ou 8—10),
ou tigée avec elles.
a La nervure 10 des premières ailes de
la cellule, souvent d’un point avec la
lige de 8-9 (ou de 7—9).
b Les nervures 6 et 7 des secondes
ailes tigées ou d’un point.
ce La nervure 7 des premières ailes
d’un point avec la tige de 8—9
ou de la base de cette tige.
d La neryure 11 des premières
ailes droite. Palpes horizontaux.
Chez la femelle, le troisième
article des palpes presque aussi
long que le second; chez le mâle
les antennes longuement pecti-
nées jusqu’à 5/6, le reste dentelé 4 Hyphorma.
dd La nervure 11 des premières
ailes courbe; palpes relevés, An-
tennes du mâle longuement pec-
tinées jusqu’au trois cinquièmes. 9 Cania.
cc La nervure 7 des premières ailes
distinctement tigée avec 8 et 9.
d Troisième article des palpes court
etobtus. Antennes des mâles pec-
tinées en partie ou entièrement.
e Palpes recourbés, mais très
courts et ne dépassant pas le
toupet frontal. Antennes des
mâles longuement pectinées
Tijdschr. v. Entom. XLIII. 4
50
(PIEPERS ET SNELLEN,
jusqu’au deux cinquiemes.
Premières ailes sans vert .7 Miresa.
ee Palpes depassant un peu le
toupet frontal.
f Premières ailes vertes ou à
bandes ou taches vertes ;
leur nervure 11 droite,
Antennes des mäles lon-
guement pectinées jusqu’au
deux cinquiémes . . .8 Latoia.
ff Premières ailes sans vert;
leur nervure 11 courbe.
Palpes recourbés, minces.
Premières ailes avec une
tache brune sur la moitié
basale smste seer tes 10/Altha:
fff Premières ailes sans vert;
leur nervure 11 droite.
Antennes des mâles pecti-
nées jusqu’au trois cinquiè-
mes, le reste dentele.
Palpes horizontaux , élargis
ensayantı 2.) bet 6 Ihosea:
dd Troisième article des palpes, qui
sont recourbés et étroits, pointu.
Antennes des mâles glabres .12 Atosia.
bb Les nervures 6 et 7 des secondes ailes
distinctement séparées à leur origine.
Palpes relevés et recourbés, très min-
ces, à peine plus longs que le toupet
frontal. Antennes des mâles longue-
ment pectinées jusqu’au trois cinquiè-
DES. CN NE CREER EC REEL N ATO Sa
aa La nervure 10 des premières ailes tigée
avec 8 et 9 (ou 7—9).
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 51
b Palpes élargis en avant, leur troisième
article très indistinct; 6 et 7 des se-
condes ailes tigées, Antennes des mâles
longuement pectinées jusqu’au deux
cinquièmes, le reste dentelé. . .5 Setora.
bb Palpes relevés, non élargis en avant,
à troisième article distinct; la nervure
7 des premières ailes d’un point avec
la tige de 8—10 ; 6 et 7 des secondes
non tigées. Antennes des mâles sé-
taeeen, nles. 2 en. en do Euphlyeta.
2 La nervure 7 des premières ailes éloignée à
son origine de la tige de 8—9 ou (8—10).
a Sommet des premières ailes rectangu-
laire, aigu ou obtus, jamais recourbé.
b La nervure 10 des premières ailes de
la cellule.
e Les nervures 6 et 7 des secondes
ailes tigées; 3 et 4 séparées.
d Premières ailes à sommet aigu,
marquées d’une ligne claire
oblique, partant du sommet .14 Oxyplax.
dd Premières ailes à sommet obtus;
les dessins parallèles au bord
postérieur . . . . . . 15 Orthocraspeda
cc Les nervures 6 et 7 des secondes
ailes séparées à leur origine; 3 et 4
gees relie eee 0 Olona:
bb La nervure 10 des premiéres ailes
tigée avec 8 et 9; 3 et 4 des secondes
ailes tigées,
c Les nervures 6 et 7 des secondes
Mesh figeese e 72 5 e Heterogenea.
ce Les nervures 6 et 7 des secondes
ailes séparées à leur origine . . 18 Trichogyia.
52 (PIEPERS ET SNELLEN,
aa Sommet des premières ailes recourbé et
arrondi ; leur nervure 10 de la cellule;
6 et 7 des secondes ailes tigées 3 et 4
Séparées A, 0a a CE ae 9 PIONCTA
Genre 1. Scopelodes Westw.
Westwood, in Duncan’s Natur. Libr., Exot. Moths p. 222 (1841).
Hampson, Moths of India I p. 373 (1892).
Les espèces de ce genre sont de grande taille pour des Lima-
codidae, leurs pattes sont velues, la nervure 11 des premières
ailes droite, C’est aussi ici qu’on trouve de fines nervures partant
de la nervure 14 des premières ailes et de la nervure 8 des
secondes, se dirigeant vers le bord des ailes, mais comme celles-ci
ont une épaisse vestiture d’écailles, on ne peut les voir qu’en
dénudant Vaile, de sorte que ce caractère, que Mr. Herrich-Schäffer
donne comme distinctif pour les Megalopygidae, a peu de valeur
pour la systématique.
Il me semble que Mr. Hampson ne distingue pas bien les espèces
dans ce genre, ainsi je m’a»stiens de le citer.
Trois espèces ont été trouvées à Java !). Elles se distinguent
ainsi :
I. Premières ailes presque unicolores, sans bande transverse pâle.
A. Premières ailes larges, d’un brun grisätre
soyeux, les secondes chez le mâle d’un brun
grisätre avec le bord intérieur jaune, chez la
femelle presque entièrement jaunes . . +. .4 Unicolor.
B. Première ailes oblongues, roussätres, les se-
condes d’un jaune roussätre dans les deux sexes. 2 Palpigera.
II. Premières ailes larges, d'un gris brunâtre clair
soyeux avec une bande transverse pâle, les secondes
d’un jaune un peu grisâtre (4). . . . . .3 Pallivittata.
1) Cramer figure une PA. Promula (I pl. 72 D, p. 114), de Batavia qui appartient
peut-être aussi au genre Scopelodes, mais cette figure est trop imparfaite pour
pouvoir la prendre en considération.
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 53
4 Scopelodes Unicolor Westw., in Duncan’s Nat. Libr., Exot.
Moths, p. 222 pl. 28 fig. 2. (1841)
3 38—40, 2 58 mm.
Les palpes ont le sommet noir et sont du reste à peu près de
la couleur des premières ailes. Celles-ci ont une petite tache plus
foncée un peu au delà du milieu et la seconde moitié de la frange
d’un gris clair, aussi aux secondes ailes qui sont nettement bico-
lores chez le male, presque unicolores chez la femelle.
Abdomen jaune, à traits dorsaux transverses et à bout noirs
dans les deux sexes. Pattes d’un brun grisätre foncé.
Les nervures 6 et 7 des secondes ailes d’un point ou briè-
vement tigées. Ce caractère me semble donc un peu variable dans
le genre Scopelodes.
Mr. Piepers obtint plusieurs exemplaires de cette espèce du Java
occidental, capturés dans les montagnes du Preanger ou Prajangan
(12—1500 mètres), Si
Selon le dr. Koningsberger les chenilles de cette espèce se trouvent
ordinairement 4 of 5 ensemble sur les feuilles du Dyarak, Ricinus
communis L.), Horsfield et Moore disent qu’elle se nourrit des
feuilles @ Ochna squarrosa L. Ils publient des figures de la chenille
et du cocon, que je ne puis juger. B.
2 Scopeledes Palpigera Herr—Sch. (Dalcera P.), Aussereurop.
Schm. fig. 509 (1850—58), — Pl. 1 fig. 2, 3 (chen), fig. 4 (cocon).
d 35— 37, 9 40-43 mm.
Les palpes sont roussätres, à sommet plus clair. Premières ailes
oblongues, à angle anal bien plus arrondi que dans les autyes
espèces. Elles sont presque unicolores chez la femelle et ont une
faible ombre longitudinale plus foncée au dessous du bord antérieur
chez le mâle. Les secondes ailes sont aussi d’un jaune roussätre
plus uniforme et un peu plus pals chez la femelle que chez le
male. Frange presque entièrement d’un gris clair,
Abdomen jaune à traits dorsaux transverses et à bout noirs
dans les deux sexes. Pattes grises à bout noir.
Nervures 6 et 7 des secondes ailes comme dans l'espèce précédente,
54 (PIEPERS ET SNELLEN,
Mr. Piepers captura plusieurs exemplaires de cette espèce dans
les environs de Batavia. S.
Les insectes parfaits font le mort lorsqu’on les touche, ne restant
suspendus qu'à une seule patte, tout comme on voit quelquefois
pendre des cadavres de phalènes tuées par des araignées sautantes.
Je trouvai la chenille à Batavia (14 mètres) sur les feuilles du
Katjang mas ou Katjang arab (Phaseolus lunatus L.), du Kedong-
dong (Spondias acida Bl) du djamblang (Eugenia jambolana a, C),
du djambou ajer (Eugenia L. spec.), et du ramboutan (Nephelium
lappaceum L ). Selon Horsfield elle mange aussi celles du djambou
bol (Eugenia domestica Rmph.). Sa couleur est un bleu métallique
foncé; cette couleur bleue n’est cependant visible qu’en quelques
endroits où elle perce le vert des épines dont le corps est hérissé,
Ainsi le bleu forme une petite raie horizontale entre les deux
épines subdorsales de chaque segment, et s'y voit comme une petite
ligne oblique entre l’épine subdorsale et celle de la rangée supra-
stigmatale; là où entre le 6me et le 7me segment une raie orangée
traverse le dos, le long de celle-ci se dessine aussi du côté de
derriére une ligne mince d’un bleu pale. Ghaque segment , excepté
le dernier qui n’en a que deux, porte quatre proéminences charn ues
à épines formant ensemble quatre rangées parallèles longitudinales
dont deux subdorsales et deux suprastigmatales; chez l'adulte ces
épines sont d'un beau vert, chez les jeunes chenilles d'un vert
plus pâle et souvent noires dans leur partie supérieure. Aussitôt
que la chenille a peur de quelque chose elle fait rentrer sa petite
tête d’un brun foncé dans le premier segment thoracal; ordinaire-
ment elle tient le corps ramassé et les épines rapprochées l’une de
l’autre, mais lorsqu'on la touche elle s’étire en faisant dresser ses
épines et piquant ce qui les touche; manoeuvre de défense très
curieuse parce quelle se rapproche beaucoup de ce que fait aussi
le hérisson dans un tel cas avec le même dessein. Ici encore la
possession d’une arme spéciale, identique, a eu pour effet que ces
animaux, si différents qu’ils sont au reste l’un de l’autre, ont
appris s'en servir à peu près de la même manière.
Le cocon en boule est d’abord blanc, devient cependant bientôt
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 55
d’un brun très foncé. De quelques cocons faits le 4 et le 5 mai
un papillon sortit le 5 juin, mais un autre le 17 novembre,
c’est-à-dire pas avant que la saison aride était passée. D’après
quelques observations il me semble que dans ces cas les chenilles
restent longtemps dans le cocon sans se changer en chrysalides;
peut-être qu’elles tombent alors dans un état léthargique comme
celui que subissent plusieurs chenilles d'Europe pendant l'hiver,
Cependant à la mi-octobre la saison sèche n’a ordinairement pas
„encore pris fin à Batavia.
La figure du cocon donné par Horsfield est passable; celle de
la chenille mauvaise. Mes figures de celle-ci sont de beaucoup
meilleures; il faut remarquer cependant que l’animal adulte devient
plus grand que celui que j’ai fait réprésenter. BD
3. Scope'odes Pallivittata Snellen, Tijds. v. Ent, 29 p. 38 pl.1
fig. 4, Aa, 4b (4886); — id,, Iris VII p. 136 (1895).
d 38—46 mm.
Chez cette espece, dont la femelle m’est encore inconnue, les
palpes sont d’un brun d’ocre, à sommet noir, la tete et la pre-
miére moitié du thorax d’un gris clair, la seconde moitié et les
premières ailes d’un gris brunâtre clair. Celles-ci ont une bande
médiane transverse oblique, n’atteignant pas le bord antérieur,
d'un gris pâle clair, (comme la tâte) et la frange brunatre.
Secondes ailes d’un jaune d’ocre clair un peu grisätre et un peu
plus foncé vers le bord intérieur, la frange brunâtre. Abdomen
comme dans les deux autres espèces; pattes d’un gris-jaunatre.
La forme des ailes est comme chez Unicolor, les nervures 6 et 7
des secondes ailes séparées à leur origine.
Dans la figure du Tijdschrift, la couleur des premières ailes est
trop foncée.
De cette espèce, décrite par moi d'après des exemplaires de
Sumatra, Mr. Piepers a élevé quelques individus des environs de
Buitenzorg. S.
Là (267 mètres d’altitude), et dans les montagnes de ce district,
sur le Gounoung Bounder (780 mètres) et le Gounoung Pantjar je
56 (PIEPERS ET SNELLEN,
pris la chenille sur le pösang ou bananier, (Musa L, spec.). Sa
forme est du type Miresa nitens J. Walker, sa hauteur plus grande
que sa largeur, elle est d'un vert tendre avec de petites taches d’un
bleu foncé sur le milieu du dos mais surtout sur les deux côtés.
Les deux derniers segments ont une tache noire de chaque côté
sur la limite du ventre, Elle porte deux rangées longitudinales de
proéminences subdorsales droites: sur chaque côté il en a encore
une rangée qui sont plus longues s’étendant horizontalement ; toutes
sont hérissées d’épines. Le cocon en boule est assez grand et d’un
brun foncé, P.
Genre 2. Monema Hamps.
Hampson, Moths of India IV p. 486 (1896).
Chez ce genre aussi, le troisième article des palpes, qui sont
relevés, a une longueur inusitée, mais il n’est pas en forme de
plumeau, plutôt en pointe obtuse. De même que chez Scopelodes,
on trouve ici quelques petites nervures partant de la nervure 1a des
premières ailes et se dirigeant vers le bord intérieur. Aux pattes,
les tarses sont lisses et le reste n’est pas si velu que dans le
genre Scopelodes.
Chez espèce Javanaise que je rapporte à ce genre et qui me
semble inédite, les antennes males ne sont pas setacées comme
Pexige la description des caractères génériques par Mr, Hampson,
mais pectinées jusqu’au trois cinquiémes et du reste dentées en
scie. Pour ne pas trop multiplier les genres et comme la femelle
ne diffère pas, j’en fais une section B de Monema.
1. Monema Capucina m. nov. spec. Pl. 4 fig. 2 (JS).
Trois mâles et une femelle, 25—27 mm.
Antennes d’un brun jaunâtre clair. Palpes, tête, thorax et
premières ailes (avec la frange), d’un brun capucin, un peu soyeux,
plus clair à partir du premier tiers des ailes; ceux-ci sans dessins
Secondes ailes d’un gris-brunâtre clair, uniforme et sans dessins.
Abdomen d’un brun un peu plus clair et plus roussätre que le
thorax. Dessous des ailes d’un brun grisätre uniforme, sans dessins,
oO ’
IIÉTÉROCÈRES DE JAVA). 57
Corps et pattes d’un brun foncé, les tarses plus clairs et plus
jaunatres.
Premiers états inconnus.
Mr. Piepers captura quelques exemplaires dans les montagnes
du Preanger ou Prajangan, ou Mr. Sythoff prit aussi cette espèce,
a une hauteur de 15—1800 mètres.
Genre 3. Nemeta Moore. Heylaerts.
Moore, Cat. Lep. East Ind. Comp. II p. 430 (1858—59).
Heylaerts, Compt. rend. Séance. Soc. Ent. Belge 1884 p. 9.
— , Notes Leyden Museum VI. 133 (1884).
Snellen, Tijds. v. Ent. 35 (1892) p. 257.
Cheiromettia Moore, Lep. of Ceylon IT p. 133 (1883).
Belippa Hampson, Moths of India I p. 399 (1892).
Dans le genre present, les sexes different beaucoup; aussi, chez
l'espèce Javanaise, on les a considérés jusqu’ ici comme deux espèces.
C'est Mr. Piepers qui, ayant élevé la chenille, a découvert qu’on
doit les réunir. Je ne sais pas, si les deux autres espèces que
Mr. Hampson rapporte en outre à ce genre (Thoracica Moore et
Apicata Moore), sont en effet congénériques avec Zokor; la figure
que donne Mr. Moore des antennes de 7koracica est en contra-
diction avec les caractères du genre Belippa Hampson et le bord
terminal des secondes ailes est, au moins chez le male de Lodor ,
assez profondément échancré, mais nullement droit (straight).
Quant au nom générique, je donne la préférence à Nemeta,
parce qu’il s'applique au mâle.
Une espèce a été observée à Java:
1. Nemeta Lohor Moore, Cat. Lep. East Ind. Comp. II p. 430
pl. 134 fig. 3 (4) (1858-59) — Hampson, 1. c. p. 400 (4). —
Pl. 1 fig. 5, 6. (Chenilles).
Parasa Laleana Moore, Le. II p. 417 (2) — Belippa Laleana
Hampson, Moths of India I p. 399 (2, avec de fausses an-
tennes). (1892).
58 (PIEPERS ET SNELLEN,
Belippa Ferruginea Moore, Ann. and Mag. of Nat Hist. 4 Ser.
XX pp. 342 (2) (1877).
Cheiromettia Ferruginea Moore, Lep. of Ceylon II p. 134
pl. 1320. dd DAL) (1883).
d 22—27, 2 31—36 mm.
A la description sommaire de cette espèce dans la table analytique
des genres, je veux encore ajouter que chez le mâle, la tete et le
corps sont aussi noirs, mélés de brun ferrugineux. L’angle anal
des premières ailes, qui a une petite dent, leur base et le bord
antérieur sont bruns; au milieu de l'aile on voit deux lignes
transversales et une tache centrale noires. Les secondes ailes sont
noires, au milieu avec un espace triangulaire transparent dont le.
sommet est tourné vers la base. Chez la femelle, le corps et
environ la moitié basale des premières ailes, dont le fond est du
reste d’un gris très clair, sont d’un brun ferrugineux; première
ligne transversale plus foncée, point central noir; on voit en
outre des traces d’une deuxième ligne, Sommet de l'aile noir,
divisé par une petite ligne claire. Secondes ailes d’un brun d’ocre
clair, plus ou moins grisätre. Frange un peu plus jaunätre que
le fond des ailes.
Mr. Piepers trouva cette espèce dans les environs de Batavia;
au Musée de Leide, il y a aussi une femelle trouvée par le Dr.
Ludeking à Ambarawa (partie centrale de Java) et nous possé-
dons une femelle de Célébes, ne différant pas des exemplaires
Javanais. L’espéce existe aussi dans l’Inde et à Ceylan.
S.
Je pris les chenilles à Batavia (14 mètres) sur les feuilles du
Djarak (Ricinus communis L.), du pisang ou bananier (Musa L. spec.),
du Santen ou Sokka (Pavetta L,(?) ou peut-être Psychatria syl-
vatica Bl.), du mangga (Mangifera L. spec.), du dadap (Erythrina
L. spec., du Katjang mas (Phaseolus lunatus L.), du ramboutan
(Nephelium lappaceum L.); selon Horsfield et Moore elles se nour-
rissent aussi de celles de 2’ Amona rohitulla (9), de l’Ixora Longi-
Hora Poir. et du Mussaenda frondosa L. Le dr. Koningsberger dit
qu’elle est commune et quelquefois nuisible dans les contrées mon-
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 59
tagneuses sur celles du cafeier (Coffea arabica L.). Ces chenilles
dont le corps tout à fait lisse, c'est-à-dire sans poils, épines ou
excroissances quelconques, réprésente un ovale oblong et bombé,
font penser à des limaces, et comme ces animaux, laissent derrière
elles la trainée visqueuse sur les feuilles dont il a été question
ci-dessus ; elles sont d’une couleur vert-bleuätre uniforme, marquée
seulement de quelques rangées de petites pointes jaunes d’or ou
d'un jaune blanchâtre; j'ai compté tout au plus neuf de ces rangées,
Le plus grand individu que j'ai eu avait 0,021 mètre de longueur
et 0,015 mètre de largeur. La chrysalide d’un brun jaunätre se
trouve dans un cocon ayant la forme d’une boule un peu aplatie,
noire en dedans mais blanche en dehors, enveloppée d’une soie
blanche. D’une chenille enfermée dans son cocon le 11 août un
papillon g' sortit le 10 novembre. D’une autre enfermée le 5 avril
une @ fit éclosion le 4 mai.
Mes figures sont trés bien reussies, beaucoup mieux que celles
qui sont données par Moore réprésentant ces insectes de Ceylon.
Celle de Horsfield et Moore est mauvaise. P,
Genre 4. Hyphorma Hamps.
Hampson, Moths of India I p. 375 (1890).
Dans ce genre-ci, les palpes, chez la femelle, ont environ deux
fois et demi la longueur de la tête, chez le mâle, pas tout à fait
deux fois et leur troisième article est court et peu apparent. Par
contre, les antennes màles sont plus longues que celles de la femelle.
Ailes larges, les premières à dessins peu distincts, leur nervure 7
d'un point avec la tige de 8, 9; nervure 10 naissant avant le
sommet de la cellule. Pattes velues,
Une espèce a élé observée à Java, Elle est inédite:
4. Hyphorma Pannosa m. nov. spec. — Pl. 4 fig, 3 (d*, PI 1
fig. 7 (chenille).
Plusieurs exemplaires des deux sexes. 25—31 mm.
Palpes d’un brun foncé. Tête et thorax plus clairs, d’un jaune
brunâtie, la première avec une raie foncée au milieu. Premières
60 (PIEPERS ET SNELLEN,
ailes d’un brun d’argile soyeux, plus clair le long du bord interne.
Comme chez la deuxième espèce publiée du genre (Minax Hamps.,
I. c. fig. 254 (2), elles sont marquées de deux lignes foncées,
mais la première, au lieu de partir d’un point avec la deuxième,
du sommet de l’aile et de se diriger obliquement vers le tiers du
bord intérieur, se trouve au milieu de l'aile et est parallèle à la
deuxième, De plus, elle n’est pas droite mais a, comme la deuxième ;
une courbe au milieu. Elle n’est d’ailleurs distincte qu’au milieu
de Vaile, aboutit à un gros point central et est souvent très
indistincte,
Secondes ailes sans dessins, d’un jaune grisâtre pâle, comme
l’abdomen.
Mr. Piepers a trouvé cette espèce aussi bien dans la partie
occidentale de l'ile (Preanger ou Prajangan, Buitenzorg), que
dans la partie orientale (Pouspa, 600 —700 mètres). Au Musée de
Leide, il y a aussi un exemplaire Javanais pris par Botter, à
Tjikao (Java occidental). S.
Je pris la chenille à Batavia (14 mètres) sur une feuille du
pisang ou bananier (Musa L. spec.) et sur un arbre qu’on me
nommait bouni outan (Antidesma ls, spec.®). Sa forme est du type
Setora nitens J. Walker; sa couleur d’un vert tendre avec une
raie dorsale assez large d'un vert plus foncé ou bleuâtre et se
prolongeant à chacune de ses extrémités par des taches rondes,
cerclées en partie par des lignes minces orangées ; elle montre en
outre sur chaque côté une raie longitudinale mi-noire et mi-orangée.
Elle porte des proéminences à épines, pour la plupart vertes,
excepté quelques-unes sur la partie postérieure du corps qui sont
d’un bleu azuré à épines noires. Au reste tout le corps est luisant,
pour ainsi dire, poli. Les chenilles jeunes sont aussi d’un vert
tendre, mais avec une raie dorsale assez large qui est noire, bordée
de chaque côté d’une ligne mince d’un blanc verdàtre; au reste
elles ne different pas des adultes, seulement parmi les épines vertes
les plus longues il y en quelques-unes qui sont noires à leur
extrémiæ supérieure. Une de mes chenilles fit son cocon brun en
boule dans une feuille de bananier pliée ensemble, une autre dans
HETEROOERES DE JAVA). 61
de la terre. D’un cocon fait le 1 juillet le papillon ne sortit qu'après
sept mois.
La figure est bien réussie, seulement le luisant du corps n’a
pu être reproduit, B:
Genre 5. Setora Walk.
Walker, Cat. Lep. Brit. Mus. V p. 1069 (1855).
Chez la première des deux espèces Javanaises que je rapporte
au genre présent, la nervure 7 des premières ailes est tigée avec
8—10, chez la seconde, elle naît d’un point avec la tige de ces
nervures. Il y a en outre une petite différence dans les palpes,
qui dépassent d’ailleurs le front chez les deux, mais j'ai préféré
de faire deux sections, plutôt que de former deux genres,
Les deux espèces se distinguent ainsi:
I. Nervure 7 des premières ailes figée avec 8—
10; troisième article des palpes invisible. Origine
de la ligne transverse oblique des premières ailes
peu au delà de la moitié du bord antérieur ;
entre elle et le bord postérieur une bande foncée A
CURSE RR tee OE I NILENS:
IL. Nervure 7 des premières ailes naissant d’un
point avec la tige de 8—10; troisième article
des palpes court, mais distinct. Origine de la
ligne transverse oblique des premières ailes
située au delà des trois quarts du bord anté- B.
rieur; l’espace terminal un peu blanchâtre. . 2. Simplex
A.
1. Setora Nitens Walk., Cat. V p. 1069 (1855). — Pl. 1
fig. 8—11 (chenilles).
Miresa Nitens Snell., Tijds. v. Ent. 20 p. 16 pl. 1 fig. 8
8a, b (1877).
dg 30—36 mm.
La couleur de la tête avec les palpes et les antennes, celle du
2
thorax et du fond des premières ailes est un brun un peu pâle
62 (PIEPERS ET SNELLEN,
et terne comme dans la figure du Tijdschrift; chez d’autres indi-
vidus elle est plus foncée, même un peu noiratre, Ligne transverse
foncée généralement peu apparente, concave vers la base (dans la
figure citée elle est trop droite), souvent avec des traces de deux
dents et aboutissant au premier quart du bord intérieur. La bande
luisante converge avec l’angle anal, qu’elle atteint. Secondes ailes
et dessous d’un brun plus pale ou grisätres, sans dessins.
Cette espèce ne paraît pas être rare à Java; Mr. Piepers l'a
obtenue aussi bien de la partie orientale de Vile (sur le Smerou
à 600 mètres), que de l’ouest (Buitenzorg, Gounoung Bounder).
Mr. Hampson ne la mentionne pas de l’Inde S.
M. le dr. Koningsberger a déjà donné la biographie de cette
espèce très commune à Java, aussi bien dans les basses terres que
dans la portie montagneuse de Vile. Selon ce naturaliste les oeufs
ont une forme aplatie, ils sont pondus sur la surface supérieure
des feuilles et couverts d’une mince couche d’une matière cérumi-
neuse et transparente. Les jeunes chenilles sortent de l’oeuf le
Sieme jour, elles vivent d’abord en petits groupes de 5 à 10 indi-
vidus, étant plus âgées elle se dispersent. Il les trouva sur les
feuilles du pisang ou bananier (Musa L spec.), du caféier (Coffea
arabica L), du cacaotier (Theobroma cacao L), du thé (Thea viridis
L.), du tabac (Nicotiana tabacum L.); je les pris aussi sur le
caféier de Liberia (Coffea liberica Hiern.), sur la pamplemouse
(Citrus decumana L.), sur le ramboutan (Nephelium lappaceum UL.)
et sur une plante connue à Buitenzorg sous le nom Soundanais
de hondjek (Pittosporum Barts (?) Elettaria Matou), La hauteur de
leur corps surpasse sa largeur, le dos est plat, les côtes montent
presque verticalement ; il ya une quantité de proéminences charnues
les unes plus longues que les autres, mais toutes armées d’épines.
A l’état de repos ces proéminences ressemblent quelquefois à des
pinceaux, mais l’animal peut les ériger en brosses comme je l’ai vu
faire lorsqu'on le touchait ; selon le susdit docteur il releverait quand
on le touche au milieu du dos la partie antérieure vers la partie
postérieure de son corps afin de piquer celui qui le touche avec
ses épines des deux côtés à la fois. Les quatre proéminences les
HÉTÉROCERES DE JAVA). 63
plus grandes se trouvent de chaque côté aux deux extrémités du
corps, deux plus petites sont placées de chaque côté dia dos. Une
rangée de brosses plus petites infrastigmatales est autour du bas
du corps, selon le dr. K. leur nombre augmenterait avec l’âge de
la chenille mais ne surpasserait pas 20; j'en ai trouvé avec 20
mais aussi avec 22 et avec 24 de ces brosses. La chenille est très
joliment coloriée; la couleur des individus varie cependant tellement
que ce sera bien le procès d’une évolution en train de la changer
qui s'y manifeste, Les jeunes chenilles observées par le dr. K.
étaient d’un jaune tirant sur le brun avec une raie plus sombre
dorsale entre deux lignes minces claires; cette raie devint dans
quelques jours bleuätre flanquée sur chaque segment de deux points
d’un jaune clair, tandis qu’à chaque côté du corps huit taches
ovales, obliquement placées, d'un brun rougeätre, firent alors leur
apparition. Mes jeunes chenilles étaient d’un jaune très clair à raie
dorsale d’un beau lilas ou quelquefois azurée, coupée en travers
par plusieurs petites lignes brunes, Après les mues la couleur devint
d’un jaune plus rougeätre ou brunätre, quelquefois d'un rouge
foncé à taches jaunes, ou bien tout a fait verte. La raie dorsale
tout en devenant plus large restait souvent de la même couleur
que chez les jeunes individus mais d’une nuance plus claire, J’en
ai eu cependant aussi à raie brune avec une pointe bleue dans
chaque segment flanquée d’une petite tache jaune; d’autres encore
dont cette pointe bleue était placée entre deux petites lignes noires,
accompagnées elles-mêmes encore d’une petite ligne ou d’un petit
croissant d’un orange clair. Les côtés du corps montrent des taches
obliques, presque verticales, de couleur lilas ou bleue, cerclées de
jaune ou d'orange. Les proéminences et les épines sont ordinaire-
ment de la couleur générale, celles-ci cependant souvent en partie
ou bien tout à fait noires,
Le cocon est quelquefois collé sur une feuille, quelquefois formé
dans de la terre; il est brun foncé; il n’y a pas de soie. Après
48 à 20 jours le papillon en sort; en se mettant contre une tige
il prend une position singulière, la tête en bas, qui le fait distinguer
difficilement de cette tige.
64 (PIEPERS ET SNELLEN,
Sur la planche 8 du tome XXXI du Tijdschrift voor Entomologie
j'ai déjà donné la figure d'une de ces chenilles, vue d'en haut,
et à brosses étendues. J’y ajoute ici plusieurs pour faire connaître
leur différence de couleur ; toutes ont les épines en état de repos ;
il y en a une reproduite sur un morceau de feuille fanée du
bananier, qui réprésente très bien la forme curieuse de l'animal,
à ce qu'il semble, assez difficile à réproduire. Les figures données
par Horsfield et Moore sont trop grossières et pas exactes d’exécution ;
celle du dr. K., qui d’ailleurs n’est pas coloriée, n’est non plus
réussie; ses proéminences sont notamment dessinées trop longues.
bi
B.
2. Setora Simplex m., nov. spec, — Pl. 4 fig. 4 (df).
d 23—25 mm.
De cette espèce, qui me semble inédite, je ne connais que le
mâle. Il est plus petit que celui de Nitens La tete avec les
palpes et les antennes sont d’un brun pale un peu rougeatre ;
dessus du thorax plus foncé. Fond des premières ailes du même
brun que la tête, obscurei à la base, blanchätre le long du bord
antérieur mais surtout dans la partie qui avoisine extérieurement
la ligne transverse. Celle-ci est distincte, presque droite et aboutit
un peu au delà du premier tiers du bord intérieur. Frange d’un
brun foncé. Secondes ailes avec la frange d’un brun plus pale que
les premières. Dessous de même, sans dessins, le sommet des
premières ailes obscurci.
Mr, Piepers prit les trois exemplaires de notre collection dans
les montagnes du Preanger ou Prajangan (ouest de Vile), à environ
1300 mètres.
Genre 6. Thosea Hamps.
Hampson, Moths of India, I p. 377 (1892).
Les espèces de ce genre ont beaucoup de ressemblance avec
celles du genre précédent, mais la nervure 10 des premières ailes
n’est pas tigée avec 8 et 9. Les pattes sont médiocrement velues
et les tarses lisses.
HETEROCERES DE JAVA). 65
Huit espèces ont été trouvées à Java. Il y en a une qui diffère
des autres dans la structure des antennes mâles, ce qui donne
lieu à faire deux divisions Du reste, les espèces se distinguent
ainsi :
I. Premières ailes d’un rouge brique avec deux
IT.
lignes foncées et divergentes, naissant d’un point
au bord antérieur. Antennes du mäle pectinées A.
jusqu’à la moitié, la reste dentelé. . . . . 1 Divergens.
Premières ailes avec une seule ligne foncée non
dentelée, très distincte. Antennes du mäle pectinées B.
jusqu'au sommet.
A. La ligne foncée des premières ailes très oblique,
naissant au bord antérieur près du sommet
et aboutissant avant le milieu du bord intérieur.
1. La partie basale des premières ailes aussi
foncée que le bord postérieur derrière la
ligne ; celle-ci un peu convexe vers la base;
le point central petit (7) . . . . . 2 Vetusta.
La partie basale des premières ailes à peine
ho
obscurcie; la ligne foncée presque droite,
ombrée en arrière de brun foncé; point
central CLOSED), om Fte ie Rara.
B, La ligne foncée des premières ailes environ
parallèle au bord postérieur, aboutissant après
le milieu du bord intérieur.
1. Ligne foncée avec une faible courbe dans
sa partie supérieure; derrière elle, un groupe
d’atomes noirs sur les nervures 3—5. . 4 Fluxa.
2. Ligne foncée droite; pas de tache noire
9
derrière elle,
a. Ligne foncée fine, sans bordure blan-
châtre distincte vers la base . . . . 5 Loesa.
b. Ligne foncée grosse, distinctement bordée
de blanchätre vers la base . . . . 6 Sythoffi.
Tijdschr. v. Entom. XLIII 5
66 (PIEPERS ET SNELLEN,
Ill. Premières ailes avec la base et une ligne dentelée
le long du bord postérieur foncées ou avec une
grande tache costale noire. Antennes du mâle
pectinées jusqu'au sommet.
A. Premières ailes avec une petite ligne foncée
droite sous le point central, n’atteignant
pas le bord intérieur . . . . . … . 7 Mixta.
B. Premières ailes avec une ligne foncée en
zigzag aboutissant au milieu du bord in-
térieur ou avec une grande tache costale
MOIMC Gee te ot I Mee OMBISUrd:
A.
1. Thosea Divergens (Setora) Moore, New Ind. Lep. I p. 75
pl. 3 fig. 23 (1879). — Hampson, Moths of India I p. 380
(1892).
Aphendala Divaricata Moore, Journ. As. Soc, of Beng, 53
p. 235 (1884). — id., Trans. Ent. Soc. of Lond. 1884
p. 376.
J? 24-26 mm.
La couleur rouge-brique du corps et des ailes est un peu terne,
les deux lignes foncées en compas des premières ailes sont droites,
la seconde est éclairée de blanchatre en arrière ; ligne marginale
el frange aussi foncées que les lignes.
Secondes ailes et dessous un peu plus pales, sans dessins.
Cette espèce vient pres de Circinatus Snell. (Tijdschr. 22 p. 119
pl. 10 fig. 2 (1878—79), de Celebes, mais est bien distincte.
Trouvée par Mr. Piepers dans la partie occidentale de Vile (Ba-
tavia, Buitenzorg), aussi dans l’Inde et à Bornéo. S.
Je trouvai la chenille de cette espèce à Batavia (14 mètres) sur
une feuille, déjà desséchée mais encore tenant à arbre, du kelappan
(Terminalia catappa L.), et une autre fois sur le mangga kwini
(Mangifera foetida Lour.). Ces deux chenilles allerent toutefois
aussitôt construire leur cocon sans prendre plus aucune nourriture.
ar
HETEROCERES DE JAVA). 67
Mais une troisième prise sur le Gounoung Bounder (780 mètres)
dans le distriet de Buitenzorg, mangeait avec appetit de la feuille
du djambou ajer mawar (Bugenia vulgaris De.) sur laquelle elle
avait été trouvée. Sa forme est celle de la Cania bilinea Moore.
Elle est d’un beau vert tendre; la jeune ayant une tache d’un
rouge orangé sur la partie antérieure et encore une sur la partie
postérieure du dos, l’adulte avec une raie dorsale jaune dans laquelle
se trouvent trois taches blanchätres melangées plus ou moins de
rouge. Elle est environnée d’une rangée de brosses à épines, elle
porte en outre deux rangées subdorsales de ces brosses, Avant sa
métamorphose sa couleur devint rouge, la raie dorsale d'un rouge
plus clair; les épines devinrent d’un jaune très pâle, ou à peu
près décolorées. Le cocon en boule est brun, il n’est pas enveloppé
de soie. Un cocon du 15 juillet donna le papillon le 4 d'août ;
un autre du 1 mars le 18 de ce mois. P.
B.
2. Thosea Vetusta Swinhoe, Cat. Lep. Oxf. I p. 237 pl. 8
fig. 15 (1892),
J 30—31 mm.
Palpes d’un brun d’argile, tête et thorax aussi, mais plus päles.
Premières ailes avec la base, plus loin au bord antérieur qu’au
bord intérieur, d’un brun d'argile, bordé d’une ombre noiràtre
mal définie. Ensuite vient une bande d’un blanc brunätre avec le
point central, qui est noir, au milieu et puis, longeant la bande,
la ligne oblique foncée décrite dans la table analytique. Le reste
de Vaile est du même brun d'argile que la base, avec un espace
d'un blanc brunätre le long du bord postérieur, de l’apex jusqu’à
la nervure 2. Frange coloriée comme l'aile avoisinante.
Secondes ailes et dessous d’un gris foncé, sans dessins.
Je ne connais pas la femelle.
Chenille inconnue.
Mr. Piepers obtint un male du mont Gedeh (Java occidental).
L'espèce se trouve aussi dans l’île de Borneo (Swinhoe) et à Su-
matra (notre collection).
(PIEPERS ET SNELLEN,
Où
le è)
3. Thosea Rara Swinhoe, Proc Zool. Soc. of Lond. 1889 p. 408
pl. 43 fig 9. — Hampson, Moths of India I p. 380 (1892).
Q 31—35 mm.
Palpes d'un brun grisâtre foncé; tête et thorax, ainsi que les
premières ailes jusqu’à la ligne foncée d'un blanc brunätre impur,
la base de Vaile faiblement obscurcie, semée de quelques écailles
noires. Point central gros et d’un noir profond, Ligne foncée
quelquefois avec une faible courbe dans sa partie supérieure ; elle
est bien définie du côté de la base, mais se fond en arrière dans
une ombre dun brun capucin foncé; le reste de Vaile (avec la
frange), et un peu plus large que l’ombre foncée, de la même
couleur que la base.
Secondes ailes et dessous d’un gris clair; celui-ci avec un point
central foncé sur les premières ailes.
Abdomen de la même couleur que le thorax, son extrémité noire.
Le mäle m’est inconnu.
Trouvée dans l’ouest de Vile (Buitenzorg, Piepers; Tjandiroto,
Oudemans). [espèce a été découverte dans le Birma. S.
J'ai recu deux fois la jolie chenille de cette espèce des contrées
montagneuses du Prajangan, où elle aurait vécu sur le pisang ou
bananier (Musa spec.). Elle est du type d’Aphendala loesa Moore.
Elle se retira chaque fois dans un cocon en boule d’un brun foncé,
avant que je pusse la décrire. Ds
A. Thosea Fluxa m. nov. spec. — Pl. 4 fig. 5 (9).
6 30, 2733 mm:
Chez cette espèce, les palpes sont d'un brun grisätre foncé. Le
mâle a la tête, le thorax et le fond entier des premières ailes d’un
brun ferrugineux foncé, obscurci, avant le point central qui est
noir, par une ombre noirâtre. Chez la femelle, la tête, le thorax
et le fond des premières ailes jusqu’à la ligne, sont d’une couleur
d'argile, grisätre et pâle, avec quelques écailles noires et un peu
plus clair autour du point central. Ligne foncée brune avec un
faible liseré blanchätre du côté de la base chez le mâle. Le reste
de laile est chez la femelle aussi foncé que chez le mâle, mais
HETEROCERES DE JAVA.) 69
d’un brun plus argileux, dans les deux sexes avec la tache noiratre ,
mal définie, mentionnée dans la table.
Secondes ailes et dessous d'un gris foncé chez le mâle, bien
plus päles chez la femelle.
Par les caractères mentionnés dans la table, cette espèce, que
je tiens pour inédite, diffère de la suivante. Notre collection en
possède un couple, pris dans les montagnes du Prajangan, à une
hauteur de 16—1800 metres, par Mr. P. T. Sijthoff,
5. Thosea Loesa (Parasa) Moore, Cat. Lep. East Ind. Comp. II
p. 417 pl. Xla fig. 12 2 (4858—59) — PI. 2 fig. 1, 2 (chenilles).
Thosea Sinensis Hampson, Moths of India II p. 379 (1892).
49 32—39 mm.
Palpes d'un gris brunâtre, un peu plus foncés que la tête, le
corps et le dessus des premières ailes, Celles-ci sont parfois un peu
obscurcies à la base, semées de quelques écailles noires et ont, chez
les males, quelquefois une ombre étroite noiràtre oblique au dessous
du point central qui est petit, noir et manque parfois. Ligne foncée
fine, très distincte, brune, rarement éclairée de blanchâtre vers
la base, nullement ombrée en arrière. Secondes ailes un peu plus
grises, sans dessins, leur dessous plus clair, avec des écailles noires.
Mr, Piepers obtint cette espèce des environs de Batavia et de
Buitenzorg. Au Musée de Leide il y a un male de l’Ardjouno
(Hekmeyer) et suivant Mr. Hampson, l’espèce se trouve aussi en
Chine, à Formose et dans le Pegu et le Cachar. S.
La chenille à Batavia (3 et 14 mètres) , Buitenzorg (267 mètres)
et à Kertamanah (1545 mètres) dans les montagnes du Prajangan
sur les feuilles du dadap tis (Erythrina lithosperma Bl), du pisang
ou bananier (Musa L. spec), du djambou bidii (Psidium gua-
java L.), du quinquina (Chinchona succirubra Pav.), du batjang
(Mangifera foetida Lour.) et du katjang mas (Phaseolus lunatus L).
Selon Horsfield et Moore aussi sur celles du grenadier ou dalima
(Punica granatum L), des citronniers (Citrus L. spec), de Cordia
L, de Phoenix L et de Shorea robusta Gaertn; d’après Mr. le dr.
Koningsberger, qui désigne l’espéce sous le nom de 7%osea sinensis I,
70 (PIEPERS ET SNELLEN,
Walker, aussi sur le thé (Thea viridis L.). Sa forme est un ovale
oblong et concave, La couleur générale du dessus est d’un vert
grisätre clair, à raie dorsale jaune ou blanche pas toujours très
distincte; dans cette raie on voit quelquefois deux petites taches
jaunes cerclées d’un brun rougeätre. Parfois aussi la raie dorsale
est d’un rouge ou d’un lilas pale; il arrive aussi que ses deux
extrémités sont d’un bleu clair. Il y a encore deux rangées de
point subdorsals, rouges ou lilas. La chenille est toute enveloppée
de brosses épineuses, ordinairement vertes mais parfois, tout à fait
ou en partie, d'un beau rouge ou bien d’un rouge brunätre à
petits points noirs et verts. Au deux extrémités ou bien seulement
à la partie postérieure il y a deux de ces brosses plus grandes que
les autres. J'ai observé encore que quelquefois mais pas toujours
les rangées de points subdorsals rouges sont accompagnées de brosses
épineuses très petites de couleur d’or.
Le cocon en boule sans soie est d’un brun foncé et se trouve
dans une feuille pliée en rouleau. D’un cocon du 26 mai le papillon
sortit le 12 juin. D’un autre du 2 juin le 10 juillet. Horsfield et
Moore mentionnent un papillon sorti le 15 septembre d’un cocon
formé le 10 août. Jai annoté aussi qu’un de mes papillons ne sortit
de son cocon qu'après plusieurs mois,
Mes figures, l’une (a) d’après une chenille de Batavia, l’autre
d'après un individu (b) de Kertamanah, sont bien reussies. Celle
donnée par Horsfield et Moore, pl. XXI, 114, quoique grossiére-
ment exécutée peut toutefois servir à faire reconnaitre l’animal,
ce qui n’est plus le cas quant aux figures 11 et 11%.
B:
6. Thosea Sythoffi m. nov. spec.
Un male, 27 mm.
Palpes un peu plus foncés que la tête, le corps et les premières
ailes qui sont d’un gris clair, un peu blanchätre. Sur celles-ci,
ont voit, avant le milieu, deux taches mal définies, un peu con-
fluentes, d’un gris brunâtre, Pas de point central, Ligne foncée
grosse, large d’un mm., bien définie des deux côtés, distinctement
éclairée d'une ligne blanche du côté de la base. Bord postérieur
D
HÉTÉROCÉRES DE JAVA.) 71
mn peu blanchatre, Secondes ailes d'un gris clair, un peu plus
foncées au milieu. Dessous gris, sans dessins,
Mr. G. J. Oudemans captura un exemplaire à Tjandiroto, Java
occidental.
7. Thosea Mixta m. nov. spec,
3 22—24 mm.
Chez cette espèce, dont je ne connais pas la femelle, les palpes
et la tête sont d’un gris brunätre, le collier, qui est marqué d’une
ligne noire, le thorax et le fond des premières ailes, sont d’un
gris clair. Tiers basal de celles-ci brun, limité par une ligne
presque noire un peu ondalée. Point central noir, au dessous de
lui la petite ligne foncée mentionnée dans la table; elle est pas
bien définie. Espace postérieur plus clair, de l’apex jusqu’à la
nervure 2, limité vers la base d’une ligne un peu ondulée ncirätre,
Frange avec des taches d’un gris foncé. Secondes ailes un peu plus
claires que les premières, sans dessins, ainsique le dessous.
Premiers états inconnus.
Cette espèce vient près de Nubeeulosa Snell., Midd. Sumatra,
Lepidoptera p. 30 (1880); elle s’en distingue par la direction des
lignes des premières ailes, qui n’est pas oblique.
Mr. P. T. Sijthoff prit quelques exemplaires dans les montagnes
du Prajangan (Java occidental), à une hauteur de 16—1800 mötres.
8. Thosea Bisura (Parasa) Moore, Cat. Lep. East Ind. Comp. IT
p. 415 pl. XI a fig. 11 (1858 —59).
82 23—27 mm.
Cette espèce se montre en deux formes. Chez les mâles et la
plupart des femelles de notre collection, la tête, le corps et les
premieres ailes sont d’un brun terreux, plus clair chez celles-ci,
avec la base obscurcie, un point central plus ou moins distinct et,
au dessous de celui-ci, une ligne en zigzag, parfois interrompue,
noires; avant le bord postérieur, on voit une autre ligne foncée
un peu en zigzag, peu distincte. Chez d’autres femelles, une très
grande tache noire occupe la plus grande partie de Vaile, presque
Jusqu'à la seconde ligne foncée en zigzag, ne laissant à la couleur
72 (PIEPERS ET SNELLEN,
du fond que le bord intérieur et l’espace terminal. La première
forme est celle décrite et figurée par Mr. Moore et par conséquent
le type, la seconde pourrait porter le nom de variété Nigriplaga.
Elle se relie par des transitions suffisantes à la première, Secondes
ailes d’un gris foncé uni; dessous de même,
Mr. Piepers obtint plusieurs exemplaires de l’ouest de Vile et en
prit aussi un sur le Smerou (Java oriental), à environ 700 mètres.
Mr. Hampson ne mentionne pas cette espèce de l'Inde. S.
La chenille a Patjet à plus de 1000 mètres d’altitude dans les
montagnes du Prajangan et à Buitenzorg (267 mètres) sur le
cafeier (Coffea arabica L.), sur le ramboutan (Nephelium lappa-
ceum L), sur le boungour (Lagerstroemia reginae Rxb,), sur le kırav
(Metroxylon sagus Rottb.) et selon Horsfield sur le djarak (licinus
communis L.). Elle est d’un joli vert jaunâtre à raie dorsale d’un
brun clair ou lilas; à chaque côté de cette raie se trouve sur
chaque segment une petite tache jaune; quelquefois ces taches sont
unies ensemble en formant ainsi deux lignes jaunes, Environ sur
la moitié de sa longueur cette raie passe encore entre deux petites
taches rondes ou bien deux petits cercles bleu foncés ou bien mi-
bleus, mi-blancs. Tout à l’entour de la chenille se trouve une rangée
de brosses épineuses vertes: il y a en outre une rangée subdorsale,
dont quelques-unes des brosses sont très petites, quelques-unes plus
grandes. Cette chenille ressemble évidemment tant à celle de Tosea
Loesa Moore que je n’ose pas nier la possibilité de lavoir confondue
quelquefois avec celle-ci et que ma description s’en ressent, Le cocon
en boule d'un brun foncé n’est pas enveloppé de soie, Les figures
données par Horsfield et Moore me semblent être peu exactes.
Pe
Genre 7. Miresa Hamps.
Hampson, Moths of India I p. 385 (1890).
Ce genre se distingue du précédent et des deux suivants par le
peu de développement des palpes, qui ne dépassent pas le toupet
frontal et ne sont pas élargis en avant. Chez le male, la seconde
moitié des antennes est dentelée. Les pattes sont velues jusqu’au
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 75
bout. Tige des nervures 6 et 7 des secondes ailes quelquefois assez
courte.
Une espèce a été trouvée à Java:
1. Miresa Argentifera. Moore, Lep. of Ceylon II p. 128 pl, 129
fig. 1, 1a (chen.) (1883). — Hampson, Moths of India I p. 386
(1892). — PI. 2 fig. 3 (chenille).
de 26—23 mm.
Tête et thorax d'un jaune d’ocre clair, mêlé de brun; antennes
brunes, Abdomen d’un jaune un peu plus päle que le thorax.
Premières ailes d’un brun clair, un peu orangé, qui est mêlé de
jaunätre à la base, vers le bord intérieur et aussi un peu le long
du bord postérieur; il est en outre luisant le long du bord antérieur ,
principalement vers la base. Sur le milieu de Vaile on voit, à la
base des cellules 3 et 4, une tache triangulaire d’un blanc d'argent
luisant et plus loin une ligne transverse argentée peu distincte,
plus large à la côte où elle naît près de l’apex, devenant ensuite
dentelée et très fine, rentrant à la nervure 5, touchant la tache
triangulaire et descendant de là, en redevenant plus distincte, au
bord intérieur où elle arrive au deuxième tiers. Bout des nervures
un peu strié d'argent; ligne marginale aussi argentée, fine.
Secondes ailes sans dessins, d’un jaune d’ocre pâle un peu luisant
sur les nervures. Frange teinte quelque peu de gris.
Dessous des ailes d'un jaune d’ocre un peu brunatre , sans dessins.
Cette espèce à été observée dans la partie occidentale de Java,
au Prajangan, par Mr. Piepers, aussi par Mr. Sythoff, à 16—1800
mètres. Au Musée de Leide il ya des exemplaires capturés par le
Dr. Ludeking, à Ambarawa, Java central. Mr. Hampson ne la
mentionne que de Ceylan mais sa Wiresa Bracteata Bull. n'est
peut-être pas distincte d’ Argentifera. 5.
Je pris la chenille à Kertamanah à 1545 mètres d’altitude
dans les montagnes du Prajangan, sur une feuille du quinquina
(Cinchona succirubra Pav.). Sa forme, dépassant en hauteur sa
largeur, est celle qu'on retrouve pas exemple, selon la figure de
Sepp. Surin. Vlind, pl, 6, chez la Streblota vidua Sepp. du Surinam.
74 (PIEPERS ET SNELLEN,
Sa couleur générale est d’un vert foncé, les deux côtés du corps
et les segments postérieurs sont cependant d’une nuance plus claire;
sur la limite du ventre se dessine une ligne blanche, On observe
sur son corps un dessin de trois parallélogrammes incorrects, lun
enfermant l’autre, formés par des lignes noires chacune placée entre
deux lignes blanches. Au devant et à l'arrière de ce dessin il
s'y trouve encore une ligne noire placée en travers. Des deux côtés
du premier et du dernier segment et aussi aux quatre coins du
dos se trouve une proéminence charnue garnie d’épines en brosse ,
sa partie inférieure étant orangée et le reste lilas, les épines noires
ou d’un violet foncé, Le 25 juin la chenille fit un cocon en boule,
d’un brun foncé mélangé de blanc en dehors mais d’un brun
rougeätre en dedans, d’où le papillon sortit le 15 octobre.
La figure que je donne est bien réussie. Celle que Moore donne
d'un individu de Ceylan se rapporte sans doute à une autre espèce.
Il me semble que celle publiée par M. le dr. Koningsberger de
la Miresa albipuncta Herr.-S. vivant selon lui à Java sur le caféier
(Coffea arabica L) désigne bien cette espèce, P.
Genre 8. Latoia Guérin.
Guérin, Icones du Règne animal p. 508 (1846).
Sibine Herr.-Schäff. , Samml, aussereur. Schmett I p. 7 (1858).
Parasa Moore, Cat. Lep. East Ind. Comp. II p. 413 (1859).
— Sect. I, Hampson, Moths of India I p 387 (1892).
Les caracleres du genre Latoia ont beaucoup de conformité avec
ceux du genre Thosea, mais les palpes sont plus courts et surtout
plus obtus. Les tarses sont généralement velus jusqu’au bout.
Premières ailes d’un vert de pomme ou à dessins de cette couleur,
Ce genre est représenté dans une grande partie du monde. Neuf
espèces ont été observées à Java. Elles se distinguent ainsi:
I. Premières ailes d’un brun de feuille morte à dessin
d’un vert de pomme.
A. Le fond des premières ailes d’un brun pâle,
une bande verte, occupant le milieu de Vaile,
allant du bord antérieur au bord intérieur ,
HÉTÉROUÈRES DE JAVA). 75
limité en arrière par une ligne brune; la partie
supérieure de la base brune.
4, Ligne brune limitant la bande verte en
arrière faiblement ondulée, ne s’éloignant
pas sensiblement en bas du bord postérieur.
a, Milieu du dos brun; secondes ailes jau-
nätres, brunies vers le bord postérieur.
26 SNN ee 1,0 Lepida.
b. Dos entièrement vert; secondes ales d’un
blane un peu jaunâtre. 16—19 mm. . 2 Gentilis.
2, Ligne brune limitant la bande verte en ar-
rière avec deux dents obtuses en haut, oblique
en bas et s’éloignant sensiblement du bord
posterieune sr ua ken ere o Lata:
3. Ligne brune limitant la bande verte dentelée,
rentrant fortement en bas; derrière elle, les
nervures brunes . © . . + . . . . 4 Pastoralis.
B. Premières ailes d’un brun foncé avec une bande
verte presque longitudinale, courbe N nettement
limitée de blanc argenté et n’atteignant pas
]es bord sie ed Darma:
G. Premières ailes d’un brun pàle avec un grand
espace triangulaire vert,n’atteignant pas les bords
et limité en arrière par une ligne argentée droite 6 Argentilinea.
D, Ailes d’un brun rougeätre foncé, les premières
à deux taches vertes avant le milieu . . . 7 Bimaculata.
II. Premières ailes entièrement vertes; la frange teinte
de brun.
A, 32-34 mm. Premières ailes avec plusieurs
points ou petites taches rondes d’un brun pale.
Dessous; dunt bruns palen MER 7 & cy.) «8 Bicolor
B.23 mm. Premières ailes avec une petite tache
brune au bord intérieur et quelques points très
fins le long du bord postérieur. Dessous des pre-
mières ailes d’un vert pale, des secondes jaunes. 9 Viridis.
76 (PIEPERS ET SNELLEN,
1. Latoia Lepida Cram, II, p. 50 pl. 130 E (2) (1779) — Moore,
Cat. Lep. East Ind. Comp. IT p. 413 pl. XXI fig. 3, 3a—c (chen.
chrys., cocon), (1859) — Piepers, Tijds. v. Ent. XX p.18 (chen.)
(1876—77) — Hamps., Moths of India I p. 388 fig. 264 (1892) ;
id., IMustr. IX pl. 72 pl. 175 fig. 4, 4a (chen.) (1893). —
PI. 2 fig. 4,5 (chenille et cocon).
Limacodes Graciosa Westwood, Cab. Or. ent. p. 50 pl. 24
fig. 4 (1848).
LP 26-37 mm.
Palpes bruns, les antennes aussi, Front vert, marqué de brun.
Tache basale brune des premières ailes coupée obliquement en
arrière. Ligne brune limitant la bande verte en arrière avec deux
ondulations, souvent assez faibles ; Vespace brun le long du bord
postérieur moins large que la bande verte, sa partie basale un peu
plus pale avec les nervures plus foncées, Secondes ailes d’un jaune
pale ochracé, plus ou moins brunies en arrière, de même en dessous.
Dessous des premières ailes presque comme en dessus, mais à dessin
moins arrêté,
Abdomen d’un jaunatre pale, marqué de brun sur le dos. En dessous,
le corps est presque entièrement d’un brun foncé, ainsi que les pattes.
Cette espèce n’est pas rare à Java et se trouve aussi dans l’Inde
et à Ceylan. S.
Vu que la chenille de cette espèce paraissant quelquefois en
grande quantit& devient alors nuisible, M. le dr. Koningsberger
en a déjà publié une biographie. On la lui avait envoyée des pro-
vinces de Kediri et de Probolinggo et des environs montagneuses
de Malang dans la province de Pasourouan, sous les noms indi-
gènes d’oular seret, d’oular lintang et de sangenit; je la pris aussi
à Kediri et souvent à Batavia (14 mètres), où toutes les chenilles
des Limacodidae sont, pour la même raison qui leur a procuré ce
nom scientifiqne, souvent nommées par les indigènes oelar lintang
c'est-à-dire «chenille sangsue ». Elle vit done aussi bien dans les
basses terres que dans la montagne. Le susdit docteur les observa
sur la caféier, (Coffea arabica L.), sur le thé (Thea viridis L.), sur le
cacaotier (Theobroma cacao L.), sur le dadap (Erythrina L. spes.) ,
HÉTÉROCERES DE JAVA.) CA
je les ai trouvées aussi sur le caféier de Liberia (Coffea Liberica
Hiern.), sur le cocotier (Cocos nucifera L.), sur le djouar, nommé
à Batavia bilalang (Cassia florida Vahl.), sur le warou (Hibiscus
L. spec.) et sur les rosiers (Aosa centifolia L ou damascena Mill);
M. Forsayeth (Transactions of the Entom. Soc. of London 1884
p. 399) la prit dans l'Inde centrale sur le mangga (Mangifera L.
spec). Elle mange donc surtout les feuilles d’arbes fruitiers ou de
culture, c’est à cause de cela qu’elle est quelquefois nuisible,
De la susdite biographie comparée avec mes observations on
constate les faits suivants. Les oeufs sont pondus à la surface in-
férieure des feuilles, beaucoup ensemble, les uns sur les autres,
et le tout couvert d’une couche membraneuse. Les chenilles sont
d'un vert jaunätre avec un ruban longitudinal au milieu du dos
et une raie à chaque côté. Selon M. le dr. K. comme aussi selon
M. Forsayeth, ce ruban et ces raies seraient bleus, le premier d'une
nuance plus foncée; j’ai toujours vu.le ruban d’un lilas très beau
et les raies des deux côtés d’un vert sale; la couleur verte générale
est en outre plus claire sur le dos à côté du ruban dorsal qu'ailleurs,
Le docteur K. observa sur le deuxième segment deux taches
noires, oblongues, l’une à côté de l’autre, et sur la partie posté-
rieure du corps une grande tache noire, triangulaire au milieu et
deux petites taches noires à côté; toutes ces taches noires com-
posées de petits poils noirs très fins. La forme et la grandeur de
ces taches noires me semblent cependant varier beaucoup; je n'ai
jamais vu que quelques taches très petites aux deux extrémités
du corps; M. Forsayeth n’a non plus constaté une grande tache.
Le long de chaque côté du dos et des côtes elles ont une rangée
de brosses courtes — selon de dr. K. chaque rangée contient 10
brosses —, celles-ci sont vertes, quelques-unes dans les rangées
subdorsales un peu plus grandes que les autres ; les extrémités des
épines ordinairement d'un brun foncé; cependant selon mes obser-
vations confirmées aussi par celles de M. Forsayeth celles sur les
gième et 1Qième segment à pointes rouges, Le dr, K. constate que ces
épines causent une douleur violente quand on les touche et que
les indigènes travaillant dans les plantations de café les craignent
78 (PIEPERS ET SNELLEN,
beaucoup à cause de cela; Horsfield et Moore font aussi mention de
cette douleur occasionnée par des chenilles sur le continent de l’Inde.
Les cocons se trouvent quelquefois en quantité ensemble sur les
tiges ou sur les troncs des végétaux dont les chenilles se nourrissent.
Ils sont ovivormes, durs, d’un brun rougeätre, à l’une de leurs
extrémités on distingue les poils noirs qui formaient des taches de
cette couleur chez la chenille. Ils sont enveloppés d’un peu de
soie très blanche. Un cocon du 1% mars donna le papillon le 9
avril; un autre du 15 mars déjà le 6 avril.
Des figures données par Horsfield et Moore sur la planche XXI
du Qiéme tome de leur Catalogue le numéro 3 et peut être aussi le
numéro 4 peuvent désigner cette chenille ; le numéro 3a a certai-
nement rapport à une autre espèce. Ces dessins sont executés trop
grossièrement. La figure de Moore réprésentant un individu du Ceylan
est mauvaise, Celle du dr. K., pas coloriée au reste, ne fait recon-
naître la chenille que difficilement. La mienne est certainement de
beaucoup meilleure et la fait reconnaitre sans aucun doute; ce-
pendant elle n’est non plus tout à fait exacte; la nuance du vert
par exemple doit être plus jaunâtre. La figure du cocon est bien
réussie, P.
2. Latoia Gentilis m. nov. spec. Pl. 4 fig. 7 (2).
dg 16—19 mm.
Chez cette Latoia, la plus petite des espèces Javanaises connues,
les palpes et les antennes sont d’un brun päle, la face est verte,
bordée de brun, le vertex et la partie dorsale du thorax sont d’un
vert de pomme clair, comme la bande médiane des premières ailes
qui est large et occupe le second et le troisième quart de Vaile.
La tache basale brune s’arréte à la nervure 14. Ligne bordant la
bande médiane d’un brun plus foncé que le bord postérieur , ainsi que
les nervures, la ligne marginale et une autre divisant la frange.
Secondes ailes presque blanches des deux côtés, sans dessins,
la frange faiblement brunatre. Dessous des premières ailes d’un
jaune pale, verdätre au milieu.
Mr. Piepers obtint quelques exemplaires des environs de Batavia,
S.
HETEROCERES DE JAVA.) 19
Une seule fois je pris la chenille de cette espèce à Batavia (14
mètres) sur Pherbe nommée là roumpout pahit (Paspalum conjugatum
Berg.) ; elle forma cependant son cocon avant que je pusse la décrire.
Ce cocon enveloppé d’un peu de soie était oviforme, dun brun
jaunatre et huileux, ressemblant à du papier huilé.
De
3. Latoia Laeta Westw., Cab. of Orient. Ent. p. 50 (1848). —
Moore, Lep. of Ceylon II p. 127 pl. 130 fig. 1 (1883).
dg 22—26 mm.
Palpes, tête et antennes d’un brun de feuille morte plus foncé
que chez les deux espèces précédentes, ainsi que le collier, le milieu
du thorax, Ja partie basale des premières ailes, (qui est obliquement
arrondie en arrière) et leur bord postérieur. Ptérygodes verts, de
la couleur de la bande médiane des premières ailes dont la partie
inférieure est très oblique; ligne brune qui la borde en arrière
plus foncée que le bord postérieur, qui est semé de quelques écailles
plus foncées et est presque aussi large que la bande médiane.
Frange avec des taches plus foncées.
Secondes ailes d’un brun de feuille morte, sans dessins mais
avec la base plus pale. Abdomen, dessous du corps et des ailes
brun, les pattes aussi mais les tibias et les tarses plus pales.
Mr. Piepers obtint quelques exemplaires des environs de Batavia.
L’espece a aussi été trouvée à Ceylan et à Sumatra,
S.
J'ai recu le cocon trouvé dans les montagnes du Prajangan sur
le quinquina (Cinchona L. spec.), il était rond, un peu aplati,
d'un brun foncé et enveloppé d’un peu de soie de cette même
couleur, E°
4. Latoia Pastoralis Butler, Ann. and Mag. of Nat. Hist., Ser. 5,
vol. VI p. 63 (1885) — id., Illustr. VI p. 6 pl. 102 fig. 7
(1886) — Hampson, Moths of India I p. 389 (1892).
d 2 32—55 mm,
Palpes bruns, les antennes aussi. Tête verte, bordée de brun
80 (PIEPERS ET SNELLEN,
en bas. Thorax vert. Base brune des premières ailes mal définie,
derrière elle une ombre foncée. Ligne brune foncée bordant la
bande médiane assez près du bord postérieur en haut, concave
de la nervure 5 à 1a et assez fortement dentée, la moitié basale
des nervures de l’espace terminal plus foncée. Secondes ailes presque
blanches, leur base plus jaunätre. Frange avec des taches brunes,
Abdomen de la couleur des secondes ailes, avec une bande plus
foncée au milieu du dos.
Dessous des ailes et du corps avec les pattes d’un blanc brunätre,
le milieu des premières ailes verdâtre.
Chenille inconnue,
Le Musée de Leide possède un mâle, pris par Mr. Neeb, sur
le mont Ardjouno; un autre de la même localité se trouve dans
notre collection. Il a été pris par M. Scheepmaker, et nous le
devons à la libéralité de la Société Natura Artis Magistra, à Am-
sterdam. L’espéce ce trouve en outre dans l’Inde.
5. Latoia Darma (Parasa) Moore, Cat. Lep. East Ind. Comp. II
p. 444 pl. Xla fig. 7 (1859).
Parasa Dharma, Hampson, Moths of India I p. 388 (1892).
de 20—26 mm.
Palpes, antennes, téte et thorax du méme brun foncé que le
fond des premiéres ailes, les ptérygodes marquées de deux taches
vertes. Les premières ailes sont un peu blanchatres le long de la
partie inférieure du bord postérieur, mais la frange est aussi foncée
que le fond de Vaile. Bande verte échancrée à la moitié basale
de son bord costal; le bord postérieur assez régulièrement arrondi.
Secondes ailes d’un blanc jaunätre, teintes de brun sur le tiers
postérieur, leur frange brune. Abdomen jaunätre, la partie dorsale
avec une bande longitudinale brune. Pattes et poitrine d’un brun
foncé. Dessous des ailes d’un brun pâle, les premières verdatres
au milieu, les secondes jaunätres.
Premiers états inconnus.
Mr. Moore décrit cette espèce de Java, où elle a été prise par
Horsfield et rencontrée à Malang (Java oriental), par Hillebrand
HETEROCERES DE JAVA ) 81
(Musée de Leide) mais Mr. Piepers ne l'a pas trouvée. Elle se
trouve aussi dans les environs de Rangoon, nous la possédons de
Sumatra, le Musée de Leide de Bornéo,
6. Latoia Argentilinea. Hampson, Moths of India I p. 389 (1892).
Une femelle de 30 mm.
Les palpes, la tête et les antennes sont d’un brun pâle, Thorax
dénué; il parait avoir éte vert, bordé de brun pale. Les premières
ailes sont, chez cette espèce, plus larges et plus distinctement
triangulaires que chez les autres, leur sommet est aussi plus aigu
et le bord postérieur plus droit. Fond d’un brun de feuille morte
assez pâle et grisätre; l’espace triangulaire vert qui occupe le milieu
a le côté postérieur un peu plus long que les autres, son bord
intérieur est plus oblique que le bord correspondant de Vaile. Il
n’est bien défini qu’en arrière, par la ligne argentée qui est un
peu ombrée de brun. Frange comme le fond de Paile,
Secondes ailes et leur frange un peu plus jaunâtres que les
premières, sans dessins. Dessous de même, le milieu des premières
ailes un peu verdâtre.
Un seul exemplaire de cette espèce, dont les premiers états sont
inconnus, se trouve au Musée de Leide avec le nom manuscrit
d’Elegantula de feu Snellen van Vollenhoven. Il est de Tjikao (Java
occidental) où il a été pris par feu Mr. Botter,
L’exemplaire n’est plus frais, ce qui m’empäche d’en donner
une figure.
7. Latoia Bimaculata Snell., Tijdschr. v. Ent. XL p. 150 Pl. 6
fig. 6, a, b. (1897) — PI. 2 fig. 6 (Chenille).
Deux mäles de 30 mm.
Cc
9°
Les palpes, la tête et les antennes sont du même brun foncé,
un peu rougeñtre, que le thorax, l’abdomen et les ailes avec la
frange ; la base des antennes est entourée de vert. Des deux taches
vertes des premières ailes la supérieure, qui est plus petite et un
peu triangulaire et qui se trouve sur le bord antérieur, est située
plus en arrière que l’autre, qui est allongée, droite et touche le
bord intérieur. Secondes ailes presque aussi foncées que les premières,
Tijdschr. v. Entom. XLIII. 6
82 (PIEPERS ET SNELLEN,
Dessous du corps et des ailes presque aussi foncé que le dessus;
la moitié intérieure des premières blanchàtre jusqu'aux deux tiers.
Si l’individu femelle dont je parle dans le Tijdschrift est en effet
l’autre sexe de cette espèce, celui-ci diffère du mâle par une bande
verte complète sur la première moitié des premières ailes dont le
bord postérieur est aussi plus pale que la base.
Les deux mâles de notre collection sont, ainsi que individu
mâle de la collection Staudinger, qui a une envergure de 32 mm.
du Java occidental. S.
J’eus la chenille à Buitenzorg (267 mètres) des feuilles du
batjang (Mangifera foetida Lour.) et du ramboutan (Nephelium
lappaceum L.). Sa couleur est d'un vert sombre à quatre bandes
larges longitudinales à relief, dont deux subdorsales et une à chaque
côté, croisées par d’autres bandes placées en travers, le tout formant
un filet de bandes en relief, vertes aussi mais d’une nuance plus
claire, Sur le dos et à chaque côté du dernier segment se voit
une tache noire comme veloutée, quelquefois il ya encore deux de
ces taches sur le premier segment thoracal. Partout où les susdites
bandes se croisent une brosse à épines se trouve implantée. Le
cocon est ovivorme, aplati, d'un brun jaunâtre, enveloppé d’une
soie épaisse jaune. De quelques cocons formés en janvier les papillons
sortirent en juin La figure que je donne de la chenille, est bien
réussie. P.
8. Latoia Bicolor Walker, Cat. V p. 1142 (Neaera) (1855) —
3utler (Parasa) Illustr. VI p. 7 pl. 102 fig. 11 (1886) —
Hampson, Moths of India I p. 390 (1892).
$9 32—34 mm.
Les palpes, le front et les antennes sont d'un brun un peu
pàle ; le vertex est vert comme le dessus du thorax et les premières
ailes qui ont le bord postérieur un peu plus droit que les espèces
1—5, Elles sont entièrement vertes avec une petite tache brune
sur la base des nervures 4 et 5, un point brun sur le milieu de
la nervure 3, un autre un peu au delà de la moitié de la nervure
laet quelques uns, très petits, le long de la partie supérieure du
HETEROCERES DE JAVA.) 83
bord postérieur. Frange verte, la seconde moitié d’un brun grisâtre
pâle. Secondes ailes avec la frange d’un brun pâle uniforme comme
le dessus de l’abdomen. Dessous d’un brun pâle, celui des premières
plus on moins verdätre.
La femelle ne diffère du mâle que par les antennes.
Deux individus ont été pris par Mr. Piepers dans la partie oc-
cidentale de Pile, S.
La chenille et le cocon de cette espèce sont figures par Horsfield
et Mocre sur la planche XXI du 2° tome de leur «Catalogue »
figures 5 et 54. ie
9. Latoia Viridis (Parasa) Hampson, Moths of India I p. 390
(1892); id., Illustr. IX p. 72 pl. 160 fig. 9 (1893).
Un male de 23 mm.
Cette espèce ressemble beaucoup à Picolor, mais elle est plus
petite; les palpes, la tête et les antennes ne different pas; le dessus
du thorax et celui des premières ailes est aussi entièrement vert
avec la frange d’un brun grisâtre pâle mais la tache brune sur
la nervure 14 est sémilunaire, plus près de l’angle anal et les
points foncés fins sur la nervures sont aussi plus près du bord
postérieur.
Secondes ailes avec la frange d’un brun pâle comme le dessus
de l'abdomen.
Dessous des ailes entièrement différent de celui de Bicolor, décrit
dans ja table analytique des espèces, celui du corps brunatre.
Premiers états inconnus.
L’exemplaire a été pris par Mr, Piepers dans les environs de
Batavia.
Genre 9. Cania Walk.
Walker, Catal. V p. 1177 (1855).
‘ania, Sect. I, Hampson, Moths of India I p. 395 (1892).
Chez ce genre, les palpes sont assez minces, ils atteignent a
peine le toupet frontal. Tibias postérieurs velus chez toutes les
espèces, Les nervures 8 et 9 des premières ailes aboutissent à
84 (PIEPERS ET SNELLEN,
Papex qui est assez obtus; 6 et 7 des secondes ailes d’un point.
Abdomen ne dépassant guère le bord intérieur des secondes ailes.
Trois espèces ont été trouvées à Java. Elles se distinguent ainsi:
I. Premières ailes d’un brun bronzé lustré; la
base , le bord antérieur et la ligne marginale
d'un blanc mat, un peu brunätre . . . . 1 Bandura.
II. Premières ailes d’un jaune argileux, avec deux
lignes obliques brunes.
A. Fond des premières ailes un peu grisâtre,
les deux lignes brunes parallèles et bien
separées dès le bord antérieur; derrière la
seconde les nervures brunes . . . . . 2 Bilinea.
B. Fond des premières ailes un peu rougeätre,
les deux lignes brunes très rapprochées au
bord antérieur; les nervures derrière la
Seconde Concolores sf 0 RS SERICEA:
4. Cania Bandura Moore (Parasa), Cat. Lep. East Ind. Comp. II
p. 417 pl. XIa fig. 9 (1858—59) — Hampson, Moths of India II
p. 396 (1892).
d 27—30 mm.
Antennes d'un brun pâle, Palpes, tête et collier d’un gris brunätre.
Ptérygodes et dessus du thorax d’un blanc brunâtre comme la base
des premières ailes qui occupe le premier cinquième et est un peu
arrondi en arrière. Le bord antérieur clair n’a pas tout-à-fait un
millimètre de largeur. Frange un peu plus brunâtre que la ligne
marginale et de la couleur des secondes ailes, qui sont sans dessins
et un peu jaunâtres le long du bord intérieur. Abdomen comme
les secondes ailes.
Dessous des premières ailes d’un gris foncé, les nervures et la
frange d’un blanc jaunätre. Secondes ailes et abdomen comme en
dessus, les pattes un peu plus brunätres.
Cette description ne s’applique qu’au mâle. La femelle paraît
encore inconnue ainsique les premiers états.
HETÉROCÈRES DE JAVA). 85
L'espèce parait être rare; Mr. Piepers n’obtint que deux mâles
des environs de Buitenzorg. Au Musée de Leide il ya un mâle
de Tjikao (Botter), aussi du Java occidental. Bandura a été trouvée
en outre au Pegou (Rangoon), à Malacca et à Sumatra.
2. Cania Bilinea Moore (Parasa), Cat. Lep. East Ind. Comp. II
p. 416 pl. Xla fig. 8 (2); pl. XXI fig. 10, 10a (chen. et cocon).
(1858—59). — Pl. 2 fig. 7 (chenille).
Cania Bilinea Hampson, Moths of India I p. 395 fig. 272
d (pars). (1892).
d 19—921, 9 22—27 mm.
Tête, palpes, antennes et collier d’un brun ferrugineux clair,
Ptérygodes et thorax concolores avec les premières ailes dont les
deux lignes foncées prennent leur origine aux trois quarts du bord
antérieur et près du sommet de Vaile. Elles sont un peu courbes,
aboutissent au premier et au deuxième tiers du bord intérieur,
d'un brun ferrugineux clair et liserées de pâle extérieurement chez
les deux sexes. Nervures marquées de lignes foncées dès le milieu
de Vaile, qui sont interrompues par la seconde ligne, Frange un
peu plus claire que le fond de l’aile. Secondes ailes avec la frange
et le dessous des ailes, l'abdomen, la poitrine et les pattes d’un
jaune brunâtre pâle.
Les exemplaires que Mr. Piepers obtint sont tous des environs
de Batavia. Au Musée de Leide il y en a deux de la partie centrale
de l’île (Ambarawa, Ardjouno) pris par Mr. Ludeking. En outre,
l'espèce a été trouvée en Chine, dans l’Inde et à Malacca,
S.
Je trouvai la chenille à Batavia (14 mètres) sur les feuilles du
pisang ou bananier (Musa L. spec.) dont les jeunes ne mangeaient
que la surface; Horsfield et Moore disent qu’elle se nourrit
aussi des feuilles de la melati costa, plante déterminée par eux
comme Cadamba jasminiflora Sonner, par Filet comme Guettarda
speciosa L. Sa forme est ovale environnée tout à fait d’une serie
de 22 brosses à épines. Sa couleur est ordinairement d’un vert
foncé, quelquefois d’une nuance plus claire. Une quantité de petites
taches noires, dont quelques-unes sont cerclées d’un rouge-sang,
86 (PIEPERS ET SNELLEN ,
ou qui sont tout à fait d’un rouge foncé ou bien d’une couleur
de cuir, quelquefois encore de petites lignes d'un jaune verdâtre
se trouvent sur ou à côté d’une raie dorsale jaune, parfois en partie
noire. Le cocon en boule est brun, enveloppé d’une soie grossière
très blanche. D’un cocon du 30 août le papillon sortit le 13 sep-
tembre, d'un autre du 6 septembre, le 19 janvier. La figure que
je donne de cette chenille est bien réussie. Celle de la chenille et
celle du cocon données par Horsfield et Moore ne s’accordent pas
avec mes observations. Pi
3. Cania Sericea Butler, Illustr. VI p 8 pl. 102 fig. 7 (2)
(1886).
Cania Bilinea Hamps., Moths of India I p. 395 (pars) (1892).
o 31— 37 mm.
Palpes, téte, antennes et collier d’un brun ferrugineux clair.
Dessus du thorax d'un gris brunâtre. L'origine des deux lignes
obliques foncées des premières ailes est très rapprochée, elles naissent
toutes deux un peu au dessous du bord antérieur près de l’apex,
la première est droite, la seconde un peu courbe. Elles sont un
peu luisantes, n’ont qu’un liséré pâle très faible et là où elles
aboutissent au bord intérieur ‘au premier et au deuxiéme tiers) ,
le fond de Vaile est d’un brun foncé et un peu luisant. Frange
brunätre, plus foncée que le fond de Vaile.
Secondes ailes sans dessins; elles sont, ainsique le dessous , d’un
jaune sensiblement plus ochracé que dans l’espece précédente Leur
frange, l’abdomen, la poitrine et les pattes sont un peu plus
foncées.
Mr. Hampson considère Sericea comme un synonyme de Belinea
mais, quoique je ne connais pas le mâle et que la figure que donne
Mr. Butler est peu soignée, je la tiens pour bien distincte.
Les exemplaires que Mr. Piepers obtint sont tous des environs
de Batavia et de Buitenzorg. Mr. Butler la décrit du nord de I’ Inde.
S.
Une seule fois j’ai trouvée une chenille qui donna cette espèce
à Buitenzorg (267 mètres) sur le mangga (Mangifera L. spec.)
HETEROCERES DE JAVA). =
mais je la confondis avec celle de la Caria bilinea Moore. — Elle
aura donc probablement beaucoup de ressemblance avec celle-ci.
|D
Genre 10. Altha Walk.
Walker, Journ. Linn. Soc. VI p. 173 (1862).
Altha, sect. I, Hampson, Moths of India I p. 397 (1892).
L’abdomen chez le genre Altha, est plus long que le bord in-
térieur des secondes ailes, Les pattes sont velues jusqu’au bout, même
sur le dernier article des tarses. Nervures 8 et 9 des premières ailes
aboutissant à l’apex, 6 et 7 des secondes d’un point, de l’apex de
la cellule. Aux premières ailes, on observe une tache brune, à
contours irréguliers, sur la moitié basale, près du bord intérieur,
Deux espéces ont été trouvées à Java. Elle se distinguent
ainsi :
I. Antennes du mâle pectinées jusqu’au bout, celles
de la femelle distinctement dentelées. Premières
ailes d’un blanc grisâtre ou brunätre dans les
deux sexes, la tache brune sans point blanc du A
eöterde la base … 4 4 ade. « 4 Castaneipars:
II. Antennes du mâle pectinées jusqu’au deux
cinquièmes, celles de la femelle presque sétacées,
Premières ailes d'un gris foncé brunätre chez
le mâle, d'un jaune brunâtre impur chez la
femelle ; la tache brune avec un point blanc du B
Colen dla these EU Ce en va tert 2 Albiguttala.
A.
1. Altha Castaneipars (Miresa) Moore, Proc. Zool. Soc. 1865
p. 819. — Hamps., Moths of India I p. 396 (1892). — Pl. 2
fig. 8 (chenille).
gg 27—35 mm.
Palpes blancs, extérieurement d’un gris foncé. Tête et thorax
comme les premières ailes, avec une bande brune transversale, La
88 (PIEPERS ET SNELLEN,
couleur des premières ailes est variable, presque blanche ou d’un
gris clair ou brunätre. La base est mêlée de gris noirâtre jusqu'à la
tache brune dont les contours sont assez distincts ; vers la base elle
est teinte de gris violâtre. On voit, vers le bord postérieur, des
traces de deux lignes ondulées foncées. Ligne marginale fine, noire,
aussi sur les secondes ailes qui sont d’un blanc jaunâtre un peu
soveux dans les deux sexes et sans dessins. Frange un peu plus
grisâtre que le fond des ailes.
Dessous des ailes d’un blanc jaunâtre. Chez le mâle, le bord
antérieur des premières ailes est d’un gris foncé et chez les deux
sexes on voit une raie grise le long du bord intérieur de la cellule
discoidale. Pattes et corps un peu plus brunätres que les secondes
ailes ; bouquet anal mêlé de poils noirs.
Mr. Piepers a obtenu quelques exemplaires des environs de
Buitenzorg. L’espece se trouve aussi dans I’ Inde. S.
Je trouvai la chenille à Buitenzorg (267 mètres) sur les feuilles
du kedongdong (Spondias acida Bl.) et sur deux plantes nommées
en Soundanais selatri et gambangan (Trevesia sundiaca Miq.). Elle
est aussi du type Nemeta laleana Moore, mais devient encore plus
grande que celle-ci; tout à fait d’un blanc de craie excepté la
tête brune, Le cocon en boule est brun, enveloppé d'une soie
blanche, D’un cocon formé en août ou en septembre le papillon
sortit le 3 février, La figure prise de côté est bien réussie.
Fe
B.
2, Altha Albiguttata (us; Limacodes) Snellen, Tijds. v. Ent, XXII
p. 118 pl. 10 fig. 1 (2) (1878—79).
d 23—24, 2 27—30 mm.
Les deux sexes different sensiblement, Chez le mâle, les palpes
sont jaunätres, extérieurement d’un gris foncé, La tête, les antennes
et le thorax ont la couleur des premières ailes — un gris brunätre
foncé, Sur celles-ci, la tache brune est assez indistincte; sous le
point blanc de son côté basal on voit une petite tache orangée et
vers le bord postérieur des traces de lignes plus claires. Secondes
HETEROCERES DE JAVA). 89
ailes d'un gris plus noirätre, sans dessins, Ligne marginale et points
de la frange, qui a la couleur des ailes, d’un jaune argileux.
Dessous sans dessins, d’un gris bruâtre.
Chez la femelle, qui est bien figurée dans le Tijdschrift, les
palpes, la tête et le thorax ont presque la couleur des premières
ailes, les premiers sont extérieurement d'un gris foncé, le thorax
est mêlé de brun. Les fond des premières ailes est semé de quelques
écailles noires, surtout vers la base du bord antérieur et derrière
la tache brune; celle-ci est distincte, plus claire que chez le mâle
et que chez Castancipars; au dessus d’elle, on voit deux points
noirs et le point blanc de son bord basal est un peu argenté. Vers
le bord postérieur, on voit une ligne foncée ondulée se dirigeant
vers la moitié inférieure de la ligne marginale. Secondes ailes d’un
jaunatre un peu ochracé, sans dessins, la frange plus grisâtre,
Dessous des ailes commes le dessus des secondes, Partie dorsale
de l’abdomen grisâtre, le ventre, les patles et la poitrine comme
les ailes,
Mr. Piepers n’a point observé à Java cette espèce qu'il avait
découverte à Célébes, mais Mr. le Dr, Koningsberger en a reçu
la chenille de la partie orientale de Vile, Selon lui, elle vit sur les
feuilles du caféier (Coffea Arabica L.) et du Dadap(Zrythrina L., spec.).
Peut-être Miresa Fumifera Swinhoe, Trans. Ent. Soc. of London
1890 p. 195 pl. VI fig. 13 d — Chalcocelis Fumifera Hampson,
Moths of India I p. 392 est la même que l’espèce que je viens
de décrire.
Genre 11. Narosa Moore.
Moore, Lep. of Ceylon II p. 132 (1883).
Altha Hampson, Moths of India p. 397, Sect. II, A. (1892).
Chez les espèces du genre Narosa, l’abdomen des mâles est un
peu plus long que les secondes ailes; les pattes sont velues jusqu’au
bout. Le fond des ailes, qui sont assez arrondies, est d’une couleur
claire, les premières sont marquées, dans les cellules, de taches
plus foncées, ce qui les fait paraitre réticulées et les secondes sont
sans dessins.
90 (PIEPERS ET SNELLEN ,
C'est à tort que Mr, Hampson dit que la nervure 7 des pre-
mières ailes vient de la cellule discoïdale, elle est tigée avec 8 et 9.
Les nervures 6 et 7 des secondes ailes sont bien séparées à leur
origine.
Trois espèces ont été observées à Java. Elles se distinguent
ainsi :
I. Fond des ailes blanc, les premières à taches
d'un gris plus ou moins brunâtre.
A. 20—23 mm. Taches nombreuses, presque
brunes; un ou deux petits points foncés
sous l’apex des premières ailes, sur la ligne
marginale. Fond des ailes d'un blanc soyeux. 1 Adala.
B. 27—33 mm. Taches rares, d’un gris foncé ;
un point noir bien marqué sous l’apex des
premières ailes, sur la ligne marginale, Fond
des ailes d’un blanc nacré . . . . . .2 Pura.
II. Fond des ailes d'un rouge pâle, les premières
avec des taches plus foncées et des lignes d’un
blanc un peu brunâtre . . . . . . . .3Rufotessellata.
1. Narosa Adala Moore, Cat. Lep. East Ind, Comp. Il p. 418
pl. XIa fig. 14; pl. XXI fig. 13, 13a (chen. et cocon.) (1856—39)
— id., Lep. of Ceylon II p. 132 pl. 132 fig. 3, 3a.
Altha Adala Hamps., Moths of Ind. I p. 397 (1892)
39 20-23 mm
Palpes extérieurement d'un brun pâle, tête et corps d’un blanc
un peu brunâtre. Le blanc du fond des premières ailes n’est non
plus d'un blanc très-pur ; il a, surtout chez le mâle, une teinte
un peu brunâtre. Taches du milieu des ailes plus foncées que les
autres et souvent quelques écailles noires au dessus du milieu du
bord intérieur. A la base de la cellule 3 on voit un point noir
et sur la seconde moitié de l’aile deux ou trois lignes ondulées,
brunâtres, un peu obliques. Secondes ailes d’un blanc plus pur,
avec un point noir sous l’apex, sur la ligne marginale. Dessous
des ailes et du corps blanc; les pattes aussi.
HETEROCERES DE JAVA). 91
Mr. Piepers a observé cette espéce dans les environs de Buiten-
zorg, près de Batavia et au Musée de Leide il y a un exemplaire
de l’Ardjouno (partie centrale de Java), pris par Mr. Hekmeyer.
S.
Je ne connais pas la chenille. Selon le dr. Koningsberger elle
vit sur les feuilles d’Anona L. spec.; Horsfield et Moore, qui en
ont donné la figure comme aussi celle du cocon, nomment spéci-
alement la sirikaja (Anona squamosa L.). Selon l'ouvrage de Moore
sur les Lepidoptéres de Ceylan où ils sont figures encore, elle se
nourrit là des feuilles de Bankinia L. spec. D’après ces figures la
chenille est du type Nemeta Lohor Moore, d’un vert pâle à lignes
et taches d’un vert bleuâtre et avec une rangée longitudinale de
petites taches noires à chaque côté, le cocon est oviforme et
blanchâtre. B
2. Narosa Pura m. nov. spec. — Pl. 4 fig. 6 (d).
89 27—33 mm.
Cette espèce a beaucoup de rapports avec la précédente mais elle
est bien plus grande, la couleur des ailes est d’un blanc plus pur
et nacré, les taches foncées des premières sont plus rares, plus
päles et d’une couleur grisâtre, les lignes foncées de la seconde
moitié aussi, mais par contre elles sont plus fines et le point
noir sous l’apex est bien plus distinct que chez Adala. Sous l’apex
des secondes ailes, dont la couleur ne diffère point de celle des
premières, on voit un point noir au bout de la nervure 6. Dessous
blanc, sans dessins, les pattes de même,
Je ne crois pas que cette espèce, dont les premiers états sont
inconnus, soit la Candiba Punctata Moore, Lep. of Ceylon IT p. 133
pl 132 fig. 4. — Hampson, Moths of India II p. 397 fig. 273 ({).
Entre autres différences que j’observe, la côte des premières ailes
n’est pas noire en dessous.
Mr. Piepers a trouvé cette espèce dans les montagnes du Pra-
jangan (partie occidentale de Java) à une hauteur de 45 —1800
mètres. Mr. Sythoff nous en envoya aussi plusieurs exemplaires, très
bien conservés, des mêmes localités,
92 (PIEPERS ET SNELLEN ,
3. Narosa Rufotessellata Moore, New Indian Lep. I p. 73 pl. 3
fis 24 (9) (1879).
Altha Rufotessellata Hampson, Moths of India I p. 398 (1892).
32—34 mm. (8).
Chez cette espèce, dont le mâle est encore inconnu, les palpes
sont d'un blanc brunätre, extérieurement rouges, la tête et le thorax
sont marqués de lignes transverses alternativement rouges et blan-
châtres, Vabdomen est d’une couleur rougeâlre uniforme. Fond
des ailes d’un rouge carné un peu orangé, les taches des premières
plus rouges, surtout la centrale et deux à langle anal. Lignes
transverses pâles courbes, surtout deux vers le bord postérieur.
Bord antérieur de l’aile aussi d’un blanc brunâtre
Dessous des ailes de la même couleur que les secondes ailes en
dessus et aussi sans dessins; celui du corps et les pattes blan-
chätre.
Premiers états inconnus
Je ne connais qu’un seul exemplaire Javanais de cette espèce,
une belle femelle qui fut capturée par feu Mr. Lucassen à Tegal.
Il est dans notre collection.
Genre 12. Atosia m. nov. gen.
Narosa Hamps., Moths of India I p. 398 (1892). pars.
Je place la Doenia Moore, qui se distingue de toutes les espèces
précédentes par sa structure plus faible, ses palpes longs bien déve-
loppés, recourbés, à troisième article long et pointu et ses antennes
sétacées, dans un genre separé. Le deuxième article des palpes
est aussi long que la tête. La nervure 11 des premières ailes qui
ont le sommet arrondi, est courbe et touche presque la nervure 12.
La seconde espèce que Mr. Hampson met dans son genre Narosa
à lui, (Conspersa Nietn., Moore) ne m'est connue que par les
descriptions et les figures. Elle paraît être de structure plus forte
et a le dernier article des palpes bien plus court que Doenia.
1. Atosia Doenia Moore (Parasa), Cat. Lep. East Ind, Comp. I
p. 416 pl. XIa fig. 10 (1858— 59).
HETFROCERES DE JAVA). 93
Narosa Doenia Hampson, Moths of India I p. 398 (1892).
18—20 mm.
Palpes et antennes d'un brun clair. Tête et thorax plus päles
et plus grisâtres. Premières ailes d’un brun pâle clair, aspergées
d’ecailles plus foncées, et avec trois bandes plus foncées, la pre-
mière un peu avant la moitie de l’aile, droite, oblique, n’atteignant
pas la côte, la seconde, au deuxième tiers, est recourbée, la
troisième limite obliquement la partie apicale et est aussi droite.
Sur la figure de Mr. Moore on voit deux taches noires au milieu
de Vaile et une au sommet. Mr. Hampson ne parle pas des pre-
mières et je ne les vois non plus chez notre exemplaire qui est
d’ailleurs un peu effacé. Secondes ailes sans dessins, plus pâles et
plus jaunâtres ; dessous de même, le sommet des premières ailes noir.
L’unique exemplaire de notre collection vient des environs de
Batavia. Mr. Moore décrit Doenva aussi de Java et Mr. Hampson
de l’Inde, S.
La chenille dans la province de Batavia sur le Gounoung Bounder
(780 metres), vivait sur le dadap tis (Erythrina Lithosperma BL).
Elle est du type de Nemeta Lohor Moore, mais très petite, et d’un
vert clair, Le cocon est en forme de boule. P.
Genre 13. Euphlyeta m. nov. gen.
La seule espèce que je place dans ce genre et qui me parait
être inédite, a un peu l'aspect d’une Noctuelle du genre Erastria
mais elle appartient bien à la famille présente. Elle est de la même
taille un peu faible que l’espece précédente, les palpes sont un peu
plus forts, aussi lisses et recourbés mais le troisème article est
court et obtus chez le mâle, plus long et assez pointu chez la
femelle. Antennes du mâle sétacées, sans ciliation, son abdomen
‘atteint l’angle anal des secondes ailes; chez la femelle il est plus
court, plus gros et obtus. La nervure 11 des premières ailes droite,
Tibias postérieurs à deux paires d’ergots.
1. Euphlycta Erastria m. nov. spec. spec. — PI. 4 fig. 8 (4).
Trois mâles et une femelle de 22—24 mm,
94 (PIEPERS ET SNELLEN,
Tête, palpes et thorax chez le mâle d'un brun noirätre ; pre-
mières ailes un peu roussâtres à la base, ensuite de la couleur du
thorax ou un peu plus foncées jusqu’au milieu, avec des traces
d’une première ligne transversale noirâtre; puis vient une bande
transversale d'un brun ferrugineux clair avec une tache médiane
noirâtre et éclairée du côté de la base dans sa partie inférieure
de blanc grisâtre clair. Seconde ligne transversale d’un blanc
grisâtre, largement ombrée de noirâtre des deux côtés ; espace
terminal d’un blanc grisâtre clair avec des points noirätres sur la
ligne marginale; frange d’un jaune d'argile, divisée par des points
foncés.
Chez la femelle, la tête et le thorax sont d’un brun clair,
ainsi que la base des premières ailes dont le reste est d’un brun
foncé jusqu’à la ligne transversale. Celle-ci est comme chez le
male, mais la couleur de l’espace terminal est d’un jaune argileux
comme la frange,
Secondes ailes d’un gris foncé uni, la frange jaunâtre, divisée
par une ligne foncée. Dessous d’un gris foncé uni, sans dessins.
Les exemplaires de notre collection sont du Prajangan, Java
occidental où Mr. P. T. Sythoff les prit à une hauteur de 16 —1800
mètres, Je ne connais l’espèce que de Java. S.
La chenille à Kertamanah (1545 mètres) dans les montagnes
du Prajangan sur une jeune feuille du caféier (Coffea arabica L.),
Elle est du type de l’Orthocraspeda trima Moore, joliment coloriée,
le dessus d’un vert clair, les côtés d’un gris très clair ; les deux
proéminences et la tête d’un orange foncé. Sur le dos comme sur
les côtés se voient plusieurs rangees de petits cercles dont l’intérieur
semble être enfoncé quelque peu. Il y a sur le dos quelques poils
épineux courts, de couleur noire, Du cocon en boule d’un brun
clair formé le 13 juillet le papillon sortit le 5. iB
Genre 14, Oxyplax Hamps.
Hampson, Moths of India I p. 876 (1892).
Chez ce genre et les suivants, on trouve avec les genres pré-
HETEROCERES DE JAVA). 95
cédents une différence notable dans le point d’origine de la nervure 7
des premières ailes. Celle-ci ne nait plus au sommet de la cellule
discoïdale, d’un point avee la tige de 8 et 9, non plus elle est
tigée avec elles mais son origine est éloignée de 8—9 ou 8—10
et se trouve plus bas, dans la nervure discoidale. Ce caractère
me semble important,
Chez Oxyplux, les antennes sont pectinées jusqu’au bout chez
le mâle, sétacées chez la femelle, les palpes presque horizontaux,
un peu plus longs que la tête, faiblement élargis en avant, assez
obtus, le troisième article étant indistinct, surtout chez le mâle.
Toupet frontal distinct. Les nervures 8 et 9 des premières ailes
aboutissent distinctement sous Vapex, 10 nait d'un point avec la
tige de 8—9 et la nervure 11 est droite. Tarses assez lisses, les
tibias postérieurs à quatre épérons et non pas sans épérons comme
le dit Mr. Hampson. Abdomen un peu plus court que le bord
intérieur des secondes ailes,
Une seule espèce, qui a été aussi observée à Java.
1. Oxyplax Ochracea Moore (Aphendala), Lep. of Ceylon IT p. 129
pl. 129 fig. 3, 3a (1883). — Hamps., Moths of Ind. I p. 376
fig. 256 d (1892).
84517 01929 nm.
La couleur des palpes, des antennes, de la tête, du thorax et
des premières ailes est un brun ochracé, souvent un peu grisâtre,
plus foncé vers le bord antérieur de celles-ci. Le dessin consiste
dans une ligne assez droite qui part du sommet de Vaile et se
dirige obliquement vers le milieu du bord intérieur, Elle est d’un
blanc sale, ombrée de gris en arrière. Ligne marginale claire, sans
points foncés, Frange un peu plus claire que les ailes, divisée
par une ligne foncée,
Secondes ailes sans dessins, d’un gris un peu brunâtre, la frange
comme aux premières ailes. Dessous d’un ochracé brunâtre pâle,
sans dessins,
Cette espèce a été rencontrée par Mr. Piepers dans les environs
de Batavia et à Buitenzorg
g, aussi à Tjikao (Java occidental), par
96 (PIEPERS ET SNELLEN,
feu Botter (Musée de Leide). Mr. Moore la décrit de Ceylan.
Mr. Hampson du continent. Elle ne parait pas tres-rare.
S.
A Batavia (14 mètres) à Bidara tjina (20 métres) et à Buiten-
zorg (267 mètres) j’eus la chenille du bebandottan ou jottan kebo
(Adenostemma viscosum Forst) du gambiran (Breynia rhamnoides
Moell. Ary), du pinang ou aréquier (Areca catechu L.), de l’ampelas
(Fieus L. spec.) et d’une plante nommée pantjingan.
Elle a deux rangées de brosses épineuses assez longues, qui tout
comme le corps sont marmorées de noir et de blanc on degris clair.
Il y a une raie dorsale blanche et quelquefois à côté du premier
et du deuxiéme segment quelques petites taches jaunes ou d'un
orange clair. Parfois aussi une partie des épines est d’un vert clair
ou bien blanche. La tête est jaunâtre, les mandibules noires.
Cette chenille laisse aussi une traînée visqueuse sur les feuilles, -
Selon la description de Moore, la chenille adulte serait d’un vert
pâle ayant le dos blanchâtre à deux raies subdorsales de taches
noires et montrant une tache noire sur le deuxième segment et
sur le dernier, Elle porterait deux rangées de brosses épineuses
dont celles de devant et derrière sont plus longues que les autres
et rougeätres.
Le cocon est d’un brun très clair ou lilas, enveloppé de soie
(effiloche) couleur de cuir ou lilas clair, D'un cocon du 27 mars
le papillon sortit le 13 avril; d’un autre du 29 février le 17 mars;
d’un autre encore du 16 mars, le 3 avril. Le papillon se met
et se suspend tout comme celui du Setora nitens J. Walker. _
Je possède quelques figures de cette chenille mais elles me
semblent trop confuses pour les publier ; elle est évidemment difficile
à représenter. La figure que donne Moore n’est non plus assez
distincte. B:
Genre 15. Orthoeraspeda Hamps.
Hampson, Moths of India I p. 393 (1892).
Les antennes mâles sont brièvement et regulièrement pectinées
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 97
jusqu’au bout, les palpes un peu plus longs que la tête, presque
horizontaux , à troisième article court et obtus. Toupet frontal court.
Abdomen environ de la longueur du bord intérieur des secondes
ailes. La nervure 10 des premières ailes nait d’un point avec la
tige de 8 et 9 et la nervure 11 est droite. Tarses un peu velus.
Trois espèces ont été trouvées à Java. Elles se distinguent ainsi :
I. Nervure 9 des premiéres ailes aboutissant au
sommet, 8 au dessous. Ventre des mâles avec
un faisceau de poils très longs, Une paire d’ergots
aux tibias postérieurs.
A. Premières ailes d’un brun d’écorce, avec
plusieurs lignes noires un peu convergentes A.
Ene ids RENE NN EC Arima:
B. Premières ailes d’un brun clair un peu
grisätre, avec deux ou trois points noirs au
milieu et une ligne de points très faibles le
long du bord posterieur. . . . . . . 2 Serdida.
II. Les nervures 8 et 9 des premières ailes abou-
tissant toutes deux sous le sommet. Abdomen
du mâle lisse en dessous.
Premières ailes d'un brun très pâle à base et
bord intérieur blancs. Deux paires d’ergots aux B
tiblas postérieurs . . … . 2 + . + … . 3 Metaleuca.
À.
4. Orthocraspeda Trima Moore (Parasa), Cat. Lep. East Ind,
Comp Ip. 4116 pl. Xa Ge 13 Si, fic, 1528, pl. XXI fie. 9,
94 (chen. et cocon). (1858—59) — Hamps., Moths of Ind. I
p. 393 fig. 269 2 (non d) (1892). — PI. 3 fig. 1 (chenille).
do 18— 22 mm.
Tête et thorax de la couleur des premières ailes. Sur celles-ci,
on voit d’abord trois lignes noires, un peu obliques, puis une
bande plus pâle traversée par une ligne grise, Ensuite, après une
ligne noire et droite, l’espace terminal est plus foncé et plus brun,
Tijdschr. v. Entom. XLIII, 7
98 (PIEPERS ET SNELLEN,
avec une ligne marginale noire. Frange grise. Secondes ailes d’un
gris foncé uni; frange de même, Dessous gris, sans dessins.
Cette espèce ne paraît pas être rare dans les environs de Batavia,
où Mr. Piepers obtint plusieurs exemplaires de la chenille. Au
Musée de Leide il y a aussi un mâle du centre de Vile, pris par
Mr. Hekmeyer, sur l’Ardjouno. Mr. Hampson mentionne Trima
du Pegou. S.
La chenille sur le Gounoung Bounder (780 mètres) dans la
province de Batavia et aussi dans la capitale de cette province
portant le même nom (4 mètres), sur le tasbeh (Canna L. spec.),
sur le pisung ou bananier (Musa L. spec.), sur le caféier (Coffea
arabica L.), sur le cocotier (Cocos nucifera L.), sur le njamploung
(Calophyllicum L. spec.), sur le kirai (Metrowylon sagus Rottb.),
sur le djambou ajer (Eugenia L. spec.), sur le djambou bidji (Psidium
guajava L.), et sur Vallang-allang (Imperata arundinacea Cyrill).
Elle est d’une forme particuliere rappelant en petit quelque peu
celle des poissons du genre Ostracton L., forme qui se retrouve
aussi en Amérique chez la chenille de la Limacodes gibbosa Sepp.
selon la figure qu’en donne cet auteur sur la planche 129 de son
ouvrage sur les papillons du Surinam. La couleur générale du
dos et des côtes est ordinairement un brun rougeätre, quelquefois
un brun clair marmoré de blanc sur le dos ; le ventre est rougeätre.
La partie inférieure du dernier segment est d’un vert clair; sur
chaque côté de la chenille il y a aussi une tache triangulaire de
cette couleur dont le sommet, se trouvant sur le dos, touche presque
celui de cette tache de l’autre côté, Elle porte de petites brosses
épineuses dont la couleur s’accorde avec celle de la partie du corps
où elles sont implantées.
Cocon en boule brun enveloppé de soie (effiloche) blanche ; il se
trouve sur une feuille. Le papillon en sort dans + 13 jours. La
figure que je donne vaut beaucoup mieux que celle de Horsfield
et Moore.
Pi
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 99
2. Orthocraspeda Sordida m. nov. spec. — Pl. 3 fig. 2, 3, 4
(chenilles).
Cod 1-22 mm.
Cette espèce, que je tiens pour inédite, est parfaitement con-
génère avec la précédente. Chez le mäle, la tête, le thorax et les
premières ailes avec la frange sont d’un brun un peu plus clair
que souvent chez la femelle. Les ailes sont d’ailleurs semées de
plus ou moins d’écailles foncées et les points noirs au milieu sont
quelquefois assez indistincts; souvent on voit aussi un point noir
plus gros près du sommet, au commencement de la ligne de points
le long du bord postérieur et qui en suit le contour.
Secondes ailes avec la frange d'un gris clair un peu roussätre
chez le mâle, plus foncé chez la femelle, sans dessins. Dessous
de même,
Celte espèce ne parait pas être rare dans les environs de Batavia ,
mais Mr. Piepers ne la rencontra pas ailleurs. S.
La chenille à Batavia (14 mètres) et à Bidara Tjina (20 mètres)
sur les feuilles du dadap wangi (Erythrina spathacea DC.) de
Vaugsana (Pterocarpus L. spec.), du rosier (fosa Tourn. spec.) ,
du caféier (Coffea arabica L.), du kapok (Hriodendron an fractuo-
sum DC.), du dadap bilindoung (Erythrina L. spec.), du kedoungdoung
(Spondea acida Bl), du ramboutan (Nephelium lappaceum L.), et
du kembang sepatoe (Hibiscus rosa sinensis L.) ; de ce dernier arbuste
elle mange aussi les fleurs, Elle est aussi du type de l’Orthocraspeda
trima Moore; derrière la tête le dos s’eleve doucement en pente
jusqu’à peu près le milieu du corps, et descend alors de la même
manière jusqu'à la partie postérieure du corps; au point le plus
élevé, sur les premiers segments abdominals, se dressent deux
proéminences charnues. Sa couleur générale varie beaucoup étant
ochracé, brun grisätre, brun rougeätre, brun foncé, ou bien un
mélange de ces nuances, il arrive que le dos est tout à fait noir
exceptés ses segments du milieu qui sont blanchätres, mais que les côtés
sont bruns; il arrive aussi que les dos est gris avec trois lignes
longitudinales blanches, dont une dorsale et deux subdorsales, Chez
des individus d’une coloration très claire on peut distinguer encore
100 (PIEPERS ET SNELLEN,
quelquefois des rangées parallèles de points noirs. Si le dos est
d’un brun clair, il s’y trouve parfois une ligne dorsale sombre
tandis que les lignes subdorsales sont blanches ; quelquefois aussi
la partie posterieure du dos a une tache d’un gris blanchätre.
Sur la limite entre les côtés et le ventre qui est ordinairement
d’un blanc sale, il se trouve souvent une ligne jaune ou blanche,
claire surtout sur la partie postérieure ; les côtés de cette partie
montrent aussi une ou deux taches blanches ou jaunes de grandeur
variable. Les bords du dos sont munis de petites brosses épineuses
courtes, rouges, rousses ou blanches. Les proéminences charnues
sont aussi pourvues d’épines: la partie postérieure du corps se
prolonge en deux épines plus longues, rouges, brunes, ou d’un
blanc jaunätre. Cette chenille en est aussi une qui laisse derrière
elle une trainée visqueuse. Le cocon en boule est petit, blanc ou
brun et enveloppé d’une soie (effiloche) blanche ou grise. D’un
cocon du 26 mars le papillon sortit le 10 avril. D’un autre du
16 avril le 4 mai. D’un autre du 3 mai le 18 mai. D’un autre
du 24 mai le 3 juin. D’un autre du 28 juin le 1 juillet. D’un
autre du 12 juillet le 27 de ce mois. D’un autre du 18 Septembre
le 2 octobre. D’un autre du 15 octobre le 29 octobre. D’un autre
enfin du 3 novembre le 17 novembre.
Les figures sont assez bien réussies,
B.
3. Orthocraspeda Metaleuca Swinhoe (Darna), Cat. Lep. Oxford
I p. 238 pl. 7 fig. 14 (1892). — PI. 3 fig. 5 (chenille).
g 14—19 mm.
Tête et thorax presque aussi claires que la base des premières
ailes : palpes un peu plus foncés, La couleur blanche des premières
ailes occupe environ le premiers’ tiers et s’étend le long du bord
intérieur, presque jusqu’à langle anal. Elle se fond dans la couleur
du reste de Vaile qui est d’un brun très pale, avec un ou deux
points foncés au milieu et un autre, peu distinct, pres du sommet,
HÉTÉROCÈRES DE JAVA). 101
qui commence quelquefois une rangée de points foncés très faibles
le long du bord postérieur.
Secondes ailes sans dessins, presque blanches; frange un peu
jaunätre. Abdomen blanchätre. Dessous d’un blanc brunätre presque
uni.
Mr. Piepers a obtenu quelques exemplaires de cette espèce des
environs de Batavia; nous avons aussi un mäle de Deli (Sumatra)
et Mr. Swinhoe la décrit de Borneo. 5.
Je trouvai la chenille à Buitenzorg (267 mètres) sur les feuilles
du kapok (Eriodendrum anfractuosum DG). Sa hauteur surpasse
sa largeur, le dos est très étroit. Elle est verte, claire ou sombre,
à raies subdorsales d'un blanc de craie. Ses brosses épineuses sont
aussi vertes, toutefois sur le premier segment il y en a deux qui
sont très courtes et d'un brun rougeätre. Le cocon en boule est
d’un brun clair enveloppé d’un peu de soie. B:
Genre 16, Olona m. nov. gen.
Palpes relévés, droits, aussi larges que le diamètre des yeux,
excédant la tête en longueur, le troisième article court et obtus.
Antennes sétacées, sans ciliation, assez épaisses chez le mâle,
beaucoup plus minces chez la femelle. Corps de grosseur médiocre,
lisse, l'abdomen à peine de la longueur des secondes ailes. La
nervure 8 des premières ailes aboutit un peu au dessous, 9 un
peu au dessus de l’apex. Pattes assez lisses, les postérieures à
quatre épérons.
Une espèce a été observée à Java.
1. Olona Albistrigella m. nov. spec. — Pl. 3 fig. 6. (chenille).
Cinq exemplaires, deux mäles de 15, 16, trois femelles de
17—20 mm.
Palpes d’un brun noirätre, Tête, antennes et thorax plus clairs,
de la couleur des premières ailes qui sont d’un brun grisätre foncé
un peu luisant et n’ont d’autre dessin qu’une fine ligne blanche
un peu oblique au milieu qui part de la nervure 14 et finit environ
102 (PIEPERS ET SNELLEN,
A la nervure 6. Secondes ailes presqu’aussi foncées, mais d’un ton
plus gris, unies et sans dessins. Ligne marginale fine et continue,
presque blanche; frange d'un gris foncé, divisée par une ligne
plus claire, Dessous des ailes d'un gris uni, sans dessins, celui
du corps ainsi que les pattes, sauf les tarses, qui sont noirätres,
d'un blanc sale.
Mr, Piepers trouva cette espèce aux environs de Batavia mais
pas ailleurs.
5.
Les chenilles à Batavia (14 mètres) sur les feuilles du cocotier
(Cocos nucifera L.). Elles sont tout à fait couvertes de proéminences
pointues à peu près diaphanes, ressemblant à du verre d’un jaune
sombre ou à de l’ambre jaune, placées en demi-cercles transversaux
sur les segments; par ci par là il en manque cependant une. Le
Cocon brun en boule n’est pas enveloppé de soie. D'un cocon du
21 février le papillon sortit le 7 mars. D’un autre du 27 février
le 14 mars. D’un troisième du 29 février le 14 mars aussi. D’un
quatrième du 27 mars le 9 avril.
La figure que je publie, quoique ne pouvant reproduire la nature
vitreuse des proéminences, fera très bien reconnaitre cette chenille.
DP:
Genre 17. Heterogenea Knoch.
Knoch, Beiträge zur Insecten Geschichte IH p. 60 (1783). !)
Ne connaissant pas le male de l’espèce que je vais décrire et
ne voulant cependant pas la passer sous silence, je la mets pro-
visoirement dans le même genre que l’Asella W. V., dont elle
a la forme d'ailes, en observant toutefois que, chez cette dernière,
les nervures 2—7 des secondes ailes naissant de la cellule tandis que
3—4 et 6—7 sont tigées chez mon espèce Javanaise. Les tibias
postérieurs ont aussi quatre épèrons, les palpes sont plus forts,
mais de la même forme chez les deux espèces. Antennes aussi
minces et sétacées,
1) Pas 1793 comme le dit Mr. Kirby.
HÉTÉROCERES DE JAVA). 103
1. Heterogenea Foliola m. nov. spec.
Une femelle très-fraiche de 23 mm.
Palpes lisses, relevés, plus longs que la tête, le troisième article
distinct, aussi long que la moitié du second, assez pointu. Couleur
des palpes, des antennes, de la tête, du thorax et du fond des
premières ailes avec la frange d’un jaune d'argile clair et mat.
Sur les ailes on voit, devenant plus nombreuses à partir de la base,
des stries longitudinales brunes dans les cellules et elles occupent
même, en se fondant, tout le tiers postérieur sauf l’angle anal.
On voit en outre deux lignes presque blanches, partant de l’apex,
l’une oblique et droite qui aboutit à la moitié du bord intérieur,
l’autre presque parallèle au bord postérieur dont elle est distante
d'un millimètre environ. Frange divisée par une ligne foncée.
Abdomen et secondes ailes d'un gris foncé uniforme, aussi en
dessous, la frange plus claire, divisée par une ligne foncée. Dessous
des premières ailes d'un jaune d’argile, nuagé de gris. Cette espèce
rappelle la Proneca ola Swinhoe, Trans. Ent. Soc. of London
1890 p. 194 pl. 6 fig. 8, que l’auteur décrit comme une Lima-
codide mais qui appartient aux Lithosides.
L’exemplaire que je viens de décrire nous fut envoyé par Mr.
P. T. Sythoff, qui l'avait capturé dans les montagnes du Preanger
ou Prajangan (Java occidental), à environ 1600 mètres.
SÌ
Genre 18. Trichogyia Hamps.
Hampson, Moths of India II p. 103 (1894) ; IV p. 500 (1896).
Antennes sétacées et inermes dans les deux sexes. Palpes relevés,
recourbés, le second article dépassant le vertex, troisième un peu
plus long que le tiers du second, obtus. Thorax arrondi; bout
de l’abdomen n’atteignant pas langle anal des secondes ailes. Pre-
mières ailes à bord antérieur droit, l’apex distinct, le bord postérieur
et langle anal arrondi. La nervure 8 des premières ailes aboutit
sous l’apex, 9 au bord antérieur, 11 est droite,
Les pattes sont assez fortes, les tibias velus, les postérieurs à
quatre épérons ; tarses assez lisses.
104 (PIEPERS ET SNELLEN,
L’espece unique de ce genre ressemble beaucoup à une Noctuelle
mais elle appartient bien à la famille présente.
1. Trichogyia Semifascia Hampson, Moths of India IL p. 103
fig. 68 & (1894). — Snellen, Iris VIII p. 136 (1895).
gg 18—20 mm.
Palpes, antennes, tête et thorax d’un brun d’écorce, plus clair
chez la femelle qui a aussi la face blanche. Moitié basale des
premières ailes de la même couleur que le thorax, limitée par une
ligne blanche courbe qui s’eleve du bord intérieur mais s'arrête
environ à moitié chemin de la côte. Sa partie supérieure est bordée
en arrière par une ombre presque noire qui est large, un peu
maculaire et se continue un peu obliquement jusqu’à l’apex. Du
reste, la seconde moitié de l’aile est un peu plus foncée que la
première. Secondes ailes d'un gris brunätre foncé uni. Frange un
peu jaunätre, divisée par une fine ligne foncée.
Abdomen et dessous des ailes de la couleur du dessus des se-
condes ailes; le bord des premières, les pattes et la poitrine plus
clairs.
Mr. Piepers obtint les deux exemplaires de notre collection des
environs de Batavia. SE
La chenille à Buitenzorg (267 mètres) sur le bowngour (Lager-
stroemia reginae Rub.) et sur le caféier (Coffea arabica L.). Elle
est très petite, de la forme d’Orthocraspeda trima Moore. Le dos
est d’un gris verdätre ou jaunätre, les côtés d’une nuance un peu
plus claire; on voit quelquefois le long des bords du dos quelques
pointes noires; il y a aussi une ligne d’un blanc de craie sur la
limite du ventre. Sur les bords du dos il y a des brosses épineuses
courtes; le derrière du corps se prolonge en deux épines dont la
pointe est un peu courbée en haut. Le cocon en boule d’un
brun clair est enveloppé d’un peu de soie (effiloche) de la même
couleur.
Fe
HÉTÉROCÈRES DE JAVA.) 105
Genre 19. Ploneta m. nov. gen.
Quoique l'espèce que je vais décrire maintenant ressemble beaucoup,
quant à la coupe d’ailes, à la Mahanta Quadrilinea Moore , Hampson
I p. 401, je ne puis pas la ranger dans ce genre puisque Mr.
Hampson, qui en donne une description précise, dit positivement
que les nervures 6 à 10 des premières ailes sont tigées, ce qui
n’est pas du tout le cas chez mon espèce, J’en fais donc un genre
séparé. Antennes du mâle (la femelle m'est inconnue), pectinées
jusqu’au bout. Palpes relevés, recourbés, un peu plus longs que la
tête, le troisième article un peu velu. Thorax assez velu ; abdomen
plus long que les secondes ailes, le bouquet anal distinct,
La cole des premières ailes est droite, l’apex recourhé, mais
obtus, le bord postérieur et l’angle anal sont arrondis. Secondes
ailes de forme régulière. Les nervures 8 et 9 des premières ailes
embrassent l’apex.
Palpes assez longs, velus; les tarses aussi. Tibias postérieurs à
quatre épérons, les postérieurs courts.
1. Diducta Ploneta m. nov. spec. — PI. 4 fig. 9 (8). PL 3
fig. 7, 8 (chenilles).
3 20—23 mm,
Tête, antennes, palpes, thorax et premières ailes d’un brun
grisätre foncé, celles-ci un peu plus pales à la base, lisses, avec
une ligne d’un blanc grisätre, qui est droite, oblique, part de
Papex et aboutit au bord intérieur, un peu au delà de la moitié.
Ligne marginale claire; frange de la couleur de l’aile,
Secondes ailes et abdomen d’un gris foncé, le dessous des ailes
et les pattes un peu plus claires.
Mr. Piepers a trouvé cette espèce dans les environs de Batavia,
mais pas ailleurs. S.
Je trouvai la chenille a Batavia (14 mètres) et à Buitenzorg
(267 mètres) sur le /jempaka (Michelia Champaca L.), sur le pisang
ou bananier (Musa L. spec.), sur le ramboutan (Nephelium lap-
paceum L.) sur le djambou ajer, et sur le djambou Semarang
106 (PIEPERS ET SNELLEN,
(Eugenia L. spec.), sur le djamblang (Eugenia jambolana DC) et
sur le cocotier (Cocos nucifera L.).
Sa couleur générale est d'un gris clair ou vert mêlé de brun
ou bien d’un brun rougeätre; sur le dos se voit un dessin en
filet de lignes jaunes et noires, traversé dans son milieu par une
ligne dorsale jaune pale, Il y a trois paires de taches subdorsales
jaunes; dans la paire placée au milieu, ayant les taches les plus
grandes, le jaune est mélangé de beaucoup d'orange; il arrive
que ces taches se réunissent plus ou moins, jusqu’à former même
deux raies subdorsales. La chenille est hérissée de pinceaux épineux
d'un brun rougedtre, quelquefois à peu prés décolorés ; ces pinceaux
se dirigent dans toutes les directions; sur la partie antérieure du
corps il y a trois de ces paires qui sont beaucoup plus longues
que les autres; le même se voit sur sa partie postérieure.
Le cocon en boule est d’un brun rougeätre foncé ou d’un jaune
brunätre sombre, enveloppé d’une soie (efliloche) très fine, orangée,
et placé dans une feuille pliée ensemble, D’un cocon du 24 mars
le papillon sortit le 5 avril; d’un autre du 20 mars, le 3 avril;
d’un cocon du 28 février, le 15 mars; dun autre encore du
2 avril, le 16 de ce mois.
La figure est assez exacte, surtout quant à la couleur et quant
aux taches subdorsales particulières à cette espèce; le dessin du
dos ne se laisse cependant pas distinguer suffisamment, les pinceaux
épineux laissent aussi à désirer.
P:
EAP NI CPAMRIONPDIES B LEANN GES:
HETEROCEEES DE JAVA.)
Zeuzera Coffeae Nietn.
Scopelodes Palpigera Herr.-Sch.
id.
Nemeta Lohor Moore.
Hyphorma Pannosa Snell.
‚Setora Nitens Walk.
Thosea Loesa Moore.
Miresa Argentifera Moore.
Latoia Lepida Cram.
id,
Latoia Bimaculata Snell.
Cania Bilinea Moore.
Altha Castaneipars Moore.
Orthocraspeda Trima Moore. (chen.)
id. Sordida Snell. (ib)
id. Metaleuca Swinh. ( id. )
Olona Albistrigella Snell. ( id. )
Ploneta Diducta Snell. (id. )
107
(chen.)
(ide)
(cocon)
(chen.)
(id=)
(ge)
( id. )
(0)
(id)
(cocon)
‘chen.)
( id. )
(Cid)
(PIEPERS ET SNELLEN,
Zeuzera Postexcisa Hamps. 2.
Monema Capucina Snell. 4.
Hyphorma Pannosa Snell, 4,
Setora Simplex Snell, ¢.
Thosea Fluxa Snell, 2.
Narosa Pura Snell. é,
Latoia Gentilis Snell. 2.
Euphlycta Erastria Snell. ¢
Ploneta Diducta Snell. ¢.
109
FURTHER NOTES ON ACARI ©
BY
Dr. A. C OUDEMANS.
with Plates 5 and 6.
1. List of Acari, collected by Mr. C. FiscHER near Macognaga.
By the courtesy of Mr. S. A. Poppe, of Vegesack, I was
enabled to examine a few Acari, collected by his brother-in-law
Mr. C, Fischer, of Mülhausen, in 1893, under stones and decaying
leaves near Macognaga, on the southern (Italian) slope of the
Monte Rosa, at about 1200 meters above the level of the sea.
These Acari are:
Oribata verticillipes (Nic.) (non Michael!) 3 ex. ,
Camisia Fischeri, nov. sp., 1 ex.,
Parasitus crassipes (L.), 1 ex., tritonympha ,
Cyrtolaelaps cornutus Berl., 1 ex.,
Hologamasus calcaratus (C. L. Koch.), 1 ex.,
Erythraeus phalangoides (de Geer), 5 ex.,
IE ET SE os
Coeculus echinipes Duf., 5 ex.
2. Camisia Fischeri nov. sp.
This species should be intercalated into the dichotomical table
of Camisia (Nothrus Das Tierreich, Oribatidae) as follows:
Central projection with tubercles at corners each bearing
one hair — 16a.
16.
Central projection with tubercles at corners each bearing
two hairs — 164.
1) Why I use other names than those of Das Tierreich will be explained in
one of my following papers. 0.
110 (DR. A. C. OUDEMANS)
162 = 16 of the table.
A subelliptical raised ridge on dorsum of abdomen
without transverse ridge within — 16c,
160. ( A subelliptical raised ridge on dorsum of abdomen with
one transverse ridge within — (Camisia horrida of
i BERLESE) Camisia Berlesei Oups.
Apophyses of central projection curved outward —
(Camisia horrida of NicoLET) Camisia Nicoleti
16c. Oups.
Apophyses of central projection straight, quadrangular
— Camisia Fischeri Oups.
This new species (Plate fig. 1—5) is closely allied to Camisia
horrida of NicoLet and Camisia horrida of BERLESE, for I consider
these two being different one from another, different from the true
horrida of HERMANN, and different too from beverrweata of KocH.
Length 1,16 millimeters.
It agrees with horrida of NicoLET, by having two hairs on the
central abdominal apophyses, and the central longitudinal depressed
area not divided by any transverse elevation or fold. It differs from
NrcoLer's species by the shape of the ridges on the cephalothorax
and by the shape of the central abdominal apophyses.
It agrees with Aorrida of BERLESE by having two hairs on the
central abdominal apophyses, and by the shape of these apophyses.
It differs from BERLESE’S species by the shape of the ridges on the
cephalothorax and by the central longitudinal depressed area not
being divided by any transversal elevation or fold,
The apophyses on the sides of the rostrum are cylindrical at their
distal, flattened at their proximal end,
The cephalothorax shows two ridges, running from the pseudo-
stigmata forward, converging , but not touching one another. Behind
the rostrum the cephalothorax suddenly widens and rises, forming
a strong transverse edge, slightly bowed forward; the edge being
inconspicuous in the centre. The pseudostigmata are tubular and
slightly projecting. The pseudostigmatic-organ (see fig, 2) is torch-
shaped, ils distal third shows a configuration as if it were somewhat
FURTHER NOTES ON ACARI. 111
longitudinally carved Interlamellar hairs near the base of the
pseudostigmatical-organs , very small, feathered.
The abdomen’s dorsal surface is flat, but divided into three
depressions by the lateral margins being somewhat bent upwards
and by two longitudinal folds of the skin, or ridges; these two
ridges become inconspicuous forward and gradually pass one into
the other hindward by bowing towards the median live. Three
pairs of transversal ridges segmentally arranged divide the two
lateral depressions into smaller parts, imperfectly, for they neither
attain the longitudinal ridges nor the lateral margins, except probably
the hindmost pair of ridges, From the hindmost part of the longi-
tudinal ridges towards the outer corners of the abdomen two
other ridges run. In my specimen there is still another ridge,
viz. (see my fig. 1.) in the right depression, which we do not
observe in the left depression.
I believe that these ridges are of no great value, and that they
will disappear the more the animal is fed. But I have no material
to settle this question.
I have carefully examined the dorsal surface on hairs, The lateral
margins bear 4 hairs. The fore-margin 4 smaller hairs, or 6 if you
include the two foremost marginal hairs. The distance between
these 6 hairs is different, as our figure clearly shows. The place
of the hairs is exact in my figure, for I have used the camera
lucida. On the outside of the two longitudinal ridges we observe
3 pairs of smaller hairs, and near the two fourth marginal hairs
a very small hair is scarcely perceptable and directed forward.
The hinder edge of the abdomen bears two apophyses with a strong
hair, the proximal end of which is smooth, the distal and greater
part is provided with protuberances, which give to the hairs a
feathered aspect. The ventral part of the animal projects behind
the hinder edge of its dorsal surface, and shows two quadrangular
apophyses bearing two hairs each, of which the outer are smaller
than the inner ones. All the hairs are feathered.
The ventral surface of the animal (see fig, 3) shows us the
epimera, touching one another on one side, the epimera of both
112 (DR. A. ©. OUDEMANS)
sides leaving, however, between them a free space. The genital
plates perfectly pentagonal, show 7 pairs of minute smooth hairs
near the border of the aperture, and one pair of minute smooth
hairs close to the hind corners of the pentagon. Anal plates nearly
touching the pentagon of the genital plates, provided with 4 pairs
of minute smooth hairs. On the sides of the anal plates the ventral
plate bears two pairs of minute feathered hairs, The dorsal plate
or notogaster is considerably sufflexed on to the ventral side, and
bears on this side two pairs of feathered hairs, as shown in our
figure.
The legs bear feathered hairs, except a few hairs on the tarsus
The claws are tridactyle (fig. 4).
The surface of the cephalothorax, epimera, genital, anal and
ventral plate is smooth, that of the notogaster and of its ventral
sufilexed part is sculptured, as is shown in fig. 5.
3. List of Acari, collected by Mr. A. R. Spoof near
Astrachan and near or in °Abo (Finland),
Mr. A. R. Spoof, of °Abo, was kind enough to send me some
Acari for determination.
These are.
1. Scutovertea spoofi nov. sp. — adult and nympha. —
2. Macrocheles (Holostaspis) marginatus HeRM., trito-nympha 2
(= Gamasus badius Koch); it was attached to a fly, Musca do-
mestica L., in °Abo, Finland, 1895. — 1 ex.
3. Argas reflecus FABR., found by him ina farm in the Russian
village Ssamjäni, near Astrachan, 1879. — 1 ex.
4. Scutovertex spoofi, nov. sp.
The dichotomical tabula of Seutovertex (Das Tierreich, Oriba-
tidae) should be altered as follows :
Psstg. org. with short peduncles and small globular
4 head; Ung. trid. — 5.
No Psstg. org. visible. — 4a.
| Ung. mond. — L. 620 u. S. bilineatus.
4
ne | Ung. tridactyle. — L. 760 #. SS. spoofi Oudms,
FURTHER NOTES ON ACARI. 113
This species was found by Mr. A. R. Spoof in spawn of Lymnaea
in subsaline water, 26 July 1896. (fig. 6—16).
Length 0,760 millimeters.
The dorsal surface of the cephalothorax shows dark-coloured ridges,
which are better figured (fig. 6) than described. There are two
lamellar hairs or bristles and two rostral hairs. The skin is smooth.
No pseudosticmatic organs nor pseudostigmata are discernible.
The dorsal surface of the abdomen is convex, sculptured as
shows us fig. 7. As far as the opake animal permitted to discern,
the short bristles, in toto 48 in number, stood in longitudinal and
curved transversal rows, as fig. 6 shows us. The colour of the
cephalothorax and a quadrangular area of the abdomen is brown,
the abdomen itself darker brown, and its margins nearly black.
The claws (fig. 9 and 10) are tridactyle and very heterodactyle,
the central claw being almost twice thicker than the lateral ones.
Moreover the tarsus bears four thick hairs hooked at their end, so
that each tarsus actually ends into seven hooks, which may be very
useful to the animal in crawling on the slippery submerged stems
of aquatic plants, for else I cannot explain the presence of these claws
and crooked hairs. I believe that the occurrence of these mites in
the spawn of Lymnaea is accidental; they feed on vegetables.
The ventral surface (fig. 8) scarcely shows demarcations of the
epimera, or a division of the sternum by apodemata, The genital
covers form together a square; and each of them bears on its free
margin four minute hairs. The anal covers form together a tra-
pezium ; each of them bears, as for as i could discern, only one
minute hair near the free border, or anal split. The ventral surface
is smooth and dark brown coloured, the margins being almost black.
The legs have only a few bristles, except their tarsus, which is
described above.
The »ymph. Length 0,795 millimeters.
The nymph has a leathery skin like the species of the genus
Camisia. The dorsal surface (fig. 44) shows us a cephalothorax
with representatives of the lamellae, being here only tickened ridges
of the skin. There are two short curved lamellar hairs and two
Tijdschr. v. Entom. XLIII, 8
114 (DR. A. C. OUDEMANS)
short curved rostral hairs. The pseudostigmala are circular, do
not project, and bear short, scarcely club-like pseudostigmatic
organs,
The dorsal surface of the abdomen is wrinkled on the sides,
shows a thickened ridge at the boundary of the cephalothorax
and two transversal and two longitudinal ridges, as delineated in
fig. 11. Six hairs on the fore-margin, and four transversal rows
of four hairs each adorn the dorsal surface of the abdomen,
the four rows being bowed backward; the hairs are long-spatulate
(fig. 14). The surface of the cephalothorax is scaled as it were
(fig. 12); that of the abdomen minutely wrinkled (fig. 13).
The ventral surface (fig. 16) of the cephalothorax distinctly shows
divisions for the legs (epimera). The epimera of each side are
contiguous, leaving a free median space. The genital covers form
an oval, each bearing seven minute hairs near their free border,
and two longer hairs or bristles. The anal aperture is very oblong-
oval; its covers do not show any hair, but on the sides of the
aperture we observe one little hair. The posterior margin of the
abdomen bears two spatulate hairs, curved towards the centre.
The legs (fig. 11) are quite Camisia-like, and bear thick, almost
club-like hairs, all curved towards the distal end of the leg. These
hairs show very minute notches (fig. 15). Only the tarsus has
several small, and the tibia one long smooth hair,
5. List of Acari collected by Mr. J.D. Alfken, of Bremen.
Mr. J. D. Alfken, of Bremen, kindly sent me the following
Acari.
1. Poectlochirus fucorum DE GEER, nympha coleoptrata speciei
quaedam, on Carabus monilis, Bremen, 27, 8, 1899, 1 ex. , and
on Curabus cancellatus, Bremen, 11, 9, 1899, 11 ex.
2. Jolostaspis marginatus HerM., feminae tritonympha, on
Musca domestica, Bremen, 18, 9, 1899, 1 ex., 7, 10, 1899,
4 ex., and 12,410, 4800 Aen
3, Polyaspis patavinus G. and R. CAN, nympha homeomorpha
FURTHER NOTES ON ACART. 115
pedunculata, on Criocephalus ferus Kr. (epibata ScHiöpte), Bremen,
312,8, 1899, 14) ex.
4. Uropoda ovalis (CG. L. KocH), nympha pedunculata, on Crio-
cephalus ferus Kr. (epibata ScHiòDTE), Bremen, 31, 8, 1899, 6 ex.
5. Trichotarsus alfkeni nov. sp., hypopus, on Xylocopa cir-
cumvolans SMITH, Kobe, Japan, 21, 8, 1891, 25 ex.
6. Trichotarsus japonicus nov. sp., hypopus, on Aylocopa cir-
cumvolans SMITH, Kobe, Japan, 21, 8, 1891, 1 ex.
7. - Trichotarsus ornatus, nov. sp., hypopus, on Xylocopa cir-
cumvolans, SMITH, Kobe, Japan, 21, 8, 1891, 1 ex.
6. Uropoda ovalis (C. L. Kocx).
I give here a more detailed description and a better figure than
are hitherto published.
Length 0,485 mm.
Nympha homeomorpha pedunculata. Shape oval; dorsum convex,
smooth, with markings like those on the ventral plate (fig. 17)
and numerous minute hairs; only the border is flat, provided with
regularly placed minute hairs, like so many other Uropoda. The
most striking specific character is the strange peritrema. The stigma
is situated in the foremost part of the pit for the saving of the
third leg. The peritrema extends on both sides of it: firstly straight
hindward within the said pit, ond secondly forward till near to
the head. This end first bends towards the border, then runs
along it, till the pit of the second leg. Here it bends inward,
running with a bow with the concavity turned towards the border,
on the bottom of the said pit; when it has again reached te border,
it follows this up to the spot where the border suddenly becomes
very narrow.
Six specimens hung on the body of Criocephalus ferus Kr.
(epibata Scmöpre). Found in Bremen, 31, 8, 1899.
7. Trichotarsus alfkeni, nov. sp.
Only the hypopus known to me. Fig. 18—20.
Length varying between 0,238 and 0,325 millimeters,
Breadth varying between 0,202 and 0,261 millimeters,
116 (DR. A. C. OUDEMANS)
Measured on 25 specimens, all found on Xylocopa circumvolans
SMITH, of Japan.
The species (fig. 18) resembles Trichotarsus xylocopae DONNADIEU.
The dst, 2d and 3d legs have 2 claws, of which one is enormous,
much stronger than that of Trich. æyl., and one small, forming
together pincers. The 4th leg ends into two hairs, of which one
is very long, 0,543 millimeter (in a specimen of 0,325 mm. length)
and one smaller, 0,108 mm , consequently one fifth of the longer
one. The hairs of the dorsal surface are much stronger, stiffer and
blunter than those of Trieh. wyl. The dorsal shield is sufflexed to
the ventral surface with one median fluted border (fig. 19); this
border lies wader the oval suckerplate (between this plate and the
body). The chitinous hind-margin projects as a strong chitinous
bar forward, which lies on the inner surface of the dorsal shield,
and is much longer than that in Trick. xylocopae.
The dorsal surface is exactly wrinkled in the same manner as
in Trich. xylocopae. Purposely I have therefore omitted these
markings in my figure of Ayl. alfkeni.
Further the dorsal surface shows several symmetrically and
segmentally placed spots, without any indication of minute hairs;
perhaps they are pores.
The ventral surface (fig. 19) shows the chitinous frames, nearly
exactly a copy of those of Zrich. xyl., but stronger; moreover the
pieces marked with aa and bb are absent in rich. ayl. (at least
in my two specimens, bought from Mr. Bourgogne in Paris). The
arrangement of the anal suckers is different too, In Trick. ayl. the
four greater suckers form nearly a straight transversal row. Here,
in Trich. alfkeni they are placed so, that the two outer form with
the hindmost ones a nearly straight row with a slight concavity
forward, Before the two largest suckers we observe two minute
ones. The hairs of the ventral surface, arranged somewhat different
from those of Zrich. wyl. are flat, lanceolated, with a filiform distal
end, except two on the animal’s flank, of which one is long and
stiff, like those of the dorsum, and one short poniard-shaped.
Fig. 20 shows us 6 different aspects of the two claws.
FURTHER NOTES ON ACARI. sf
The so called second claw of 7rich. osmiae is quite another organ,
viz. a prolongation of the distal end of the tarsus, not comparable
with the second claw of Trich. alfkem!
We observe, that occasionally the second claw may become
invisible, and this is especially the case when the animal has
retracted its legs; we must therefore be very careful in deciding
whether the animal is mono- of didactyle.
8. Trichotarsus japonicus nov. sp.
Only the hypopus is known to me. Fig, 21.
Length 0,217, breadth 0,198 millimeter.
One single specimen, found on Aylocopa cireumvolans SMITH,
of Japan.
The animal resembles Zrichotarsus alfkeni, but differs from it by
the following peculiarities It has only ove claw, like all the known
species of Trichotarsus. This claw is much smaller than that of 7ricA.
æylocopae or of Trich. alfkeni. The tarsus of the first three pairs of legs
shows, exactly as in Triehotarsus osmiae DONNADIEU, a strong chitinous
projection, This projection is called a second claw by Kramer and
CANESTRINI (Das Tierreich , Sarcoptidae). They are wrong, for
this projection is immovable, whilst a claw is movable. The projection
is in my figure 21 visible on the 1st, 2d and 3d left and on the
3d right legs.
The tarsus of the first three pairs of legs bears two beautifully
curved, lanceolated hairs, like those of Tyroglyphus mycophagus
Mécnin. The proximal end of these lanceolated hairs is cylindrical,
the distal one very flat.
Dorsal and ventral surface are exactly those of rick. alfkent.
The tarsus of the 4th pair of legs ends into two hairs, of which
one is very long, 0,400 mm., and the other 0,050 mm., conse-
quently one eighth of the longer one.
9. Trichotarsus ornatus, nov. sp.
Only the hypopus known to me (Fig. 22 and 23) in one specimen,
found on Xylocopa cireumvolans SMITH, of Japan.
Length 0,334, breath 0,210 millimeters.
118 (DR. A. C. OUDEMANS)
This Triehotarsus is quite different in shape from Trick. xylocopue,
osmiae, bifilis, alfkeni, and japonicus, and perhaps resembling
Trichotarsus trifilis, for the description given by GANESTRINI in
Termeszetrajzi Füzetek, vol. 20, p. 473, fitts exactly on my
specimen. Yet, I believe that my species is a new one, as CA-
NESTRINI has not mentioned the most striking characters. They are
4. there is a transverse furrow between the 2d and 3d pairs of
legs, 2. There are two dorsal shields, one cephalothoracical and
triangular, and one abdominal and nearly half an oval in shape.
3. The sculpture of the dorsal surface widely differs from that of
all the other Trichotarsus, as may be seen in my fig. 22. 4. The
tarsus of the first three pairs of legs bear four leaf-like hairs each.
5. the disk with suckers projects beyond the animal’s hind margin
(fig. 22 and 23). 6. The chitinous frames on the ventral surface
of the animal show an arrangement as I have not yet seen in
Acari (fig. 23).
Moreover we observe the following other peculiarities, There are
two minute hairs on the cephalothorax and two ditto on the ventral
surface between the epimera of the 2d and 3d pairs of legs and
close to the left and right border of the abdomen. Hind margin
of abdomen with three pairs of hairs of which the median ones
are the longest. Between the two epimera of the first leg. between
those of the third and fourth legs, and between the epimeron of the
fourth leg and the sucker-disk, the ventral surface shows minute
circular spots, which probably are pores. The tarsus of the 4th leg
bears 5 hairs besides the minute unguis, with which all the legs
are provided. The lengths of these hairs are 0,326, 0,253, 0,145,
0,056 and 0,032 millimeters.
I propose the following change in the dichotomical table of Das
Tierreich, Demodicidae and Sarcoptidae, p. 148:
a) Uebersicht der Arten auf Grund der Wanderlarven:
An allen B. eine sehr schwache Kralle; Umriss
| des Tieres oval; Rücken ohne Borsten — 2.
An den 3 vorderen B. starke Krallen; Umriss des
| Tieres fast rund; Rücken mit Borsten — 3.
FURTHER NOTES ON ACARI. 119
An den 3 vorderen B. je 4 blattförmige Haare. 1. T. ornatus.
2 Er
An den 3 vorderen B, keine solche . . .2. 7 trifilis.
Zwei Rückenschilden, von denen das vordere
dreieckig ist en EOSTA:
Nur ein Rückenschild auf den hinteren Fläche
des Rückens. — 4.
An den 3 vorderen B. je 2 Krallen . . .4. 7. alfkem.
An den 3 vorderen B. je 1 Kralle. — 5.
Am Endglied des 2, HB nur eine Endborste. 5. T. wylocopae.
Am Endglied des 2. HB. zwei Endborsten.—6.
An den 3 vorderen B. je 2 lancettförmigen Haare. 6. 7. japonicus.
An den 3 vorderen B. keine solche . . .7.T. bifilis.
4
or
CO
40. On some Italian Acari.
In 1883 I bought from Mr. André in Beaune (France) some
Acari, collected by Prof. Berlese, and preserved in glycerine.
In one of the tubes two Zrythraeus were enclosed, under
the name of Zhyncholophus cardinalis. They are, however Zry-
thraeus miniatus (Herm.) They were found by Prof. Berlese
in Sicilia.
In another tube there were two Acari, with the name Levosoma
fusifer. One of these two is really Serrarius fusifer (G. L. Kocn) ,
the other, however, Serrarius mierocephalus (Nic.). Hitherto this species
is not known from Italy. The tube was ticketed « Padova ».
In a third tube were two Acari, marked with the label: « Ce-
pheus minutus, Padova.» BERLESE describes in his Acari, Myria-
poda et Scorpioni, fasc, 35 n°, 7, Hremaeus ovalis Koch, with the
synonym Cepheus minutus KocH. In comparing my two specimens
with this description and figure, I saw some differences, viz. the
pseudostigmatic organs were shorter and ended more globular , and
the diagonal ridges or folds of the skin on the hind part of the
abdomen’s dorsum were absent. In preparing these Acari for my
collection, I accidentally crushed them. I have however found in
August several specimens of exactly the same species in decaying
leaves, near Haarlem, Notwithstanding the above mentioned little
120 (DR. A. C. OUDEMANS)
differences, I consider the two Acari bought from Mr. André and
my specimens of Haarlem really to be Scutovertea ovalis (BERL.)
I doubt of the existence of the diagonal folds in this species and
suppose, that the animal, delineated by Prof. BERLESE, has got
these strange wrinkles as it was just hatched from its last ecdysis,
when it was thrown in spirits, MICHAEL too considers Scutovertex
ovalis (BERL.) as a doubtful species (Das Tierreich , Oribatidae). For
this reason I think it useful to present to my readers new figures
of this species (fig. 24—-31).
Length from 0,540—0,620 mm. Breadth 0,360 mm.
Fig. 24 shows the animal’s dorsal face, The prolonged anterior
portion of the abdomen gradually passes into the cephalothorax.
The nearly quadrangular spot on it is yellow. Before this spot
the prolongation of the abdomen still sends a little chitinous bar
into the skin of the cephalothorax. This median bar is delineated
by Prof. BERLESE in his #remaeus ovalis var. siculus (fasc. 35, n°. 8).
The abdomen isconvex, rough, marked with numerous irregular
granules (fig. 27), even on the radially striated peripheral band
(fig. 24 and 26). The dorsum shows 4 longitudinal rows of 4
hairs each. These hairs also stand in transversal (segmental) rows
(fig. 24). Four hairs on hindmargin of abdomen.
Fig. 25 shows the ventral surface. My figure, exactly delineated
with camera lucida, differs somewhat from that of BERLESE. The
whole ventral surface is marked with the same spots or granules,
as the dorsal one. The genital covers. bear one hair each, the
anal covers two hairs each. The ventral plate shows wrikles and
seams to be leathery.
Fig. 26 is a side-view, which demonstrates the peripheral band
to be convex with the arched central portion of the abdomen , not
flat, as in Seutovertex maculatus Mich.
Fig. 28 is a side-view of the lamella with the lamellar hair and
a very small lamellar cusp.
Fig. 29 is a side-view of the first leg; the tibia is provided
with the singular prolongation, delineated also by Prof. BERLESE.
Fig. 30 is a drawing of one of the hairs of the abdomen, and
FURTUER NOTES ON ACARI. 121
Fig. 31 represents a pseudostigmatic organ; as will be seen it
resembles more that of Seutovertex ovalis var, siculus, than that
of the type (conf. BERLESE, A.M.S. 35, 7 and 8).
I propose to change the «key» on page 29 of Das Tierreich,
Oribatidae , as follows :
| Ung. monod. — 2.
n ( Une. trid, — 8.
+ (Nor Psste, nor Psstes org. … sn. tn : 1. So boloneafusr
A | Psstg. and Psstg. org. present . . . . . 2.8. caelatus.
5 | Now Resta; mor Psstgr 018... zu. ee BS
Psstg. and Psstg. org. present — 4,
Lam. and Trlam. thickened bars, or ridges,
4 | or scarcely visible. — 5.
‚ Lam. blade-like. — 7.
2 indentations in post. margin of Abd. , a spine
5 | IDWeaCh er te Pe A eenn en or moe SAT LOL
No indentations in post. margin of Abd, — 6.
Dors. of Abd. slightly arched . . . . .5.6.corrugatus.
6 | Dors. of Abd. with arched centre and broad,
flat, peripheral band . . . . . . .6.S8. maculatus.
( C. lam. long., blunt, curved . . . . .7.8. sculptus.
a | C. lam, very short, hardly existing . . .8. 8, ovalis.
11. List of Acari collected by Mr. S. A. Poppe.
Mr. S. A. Poppe, the well-known author of Myobia-studies ,
gently procured me the following Acari.
1. Dermanyssus gallinae (DE GEER). — On Gallina gallus L. ,
Varel, 6 ex.
2. Letognathus arcuatus (G. L. KocH) — On Vesperugo pipistrellus,
Lemforde, and on Vespertilio murinus, Vegesack, 11 ex.
3, Celeripes vespertilionis (L.). — On Vesperugo serolinus,
Vegesack , and on Vespertilio murinus, Vegesack, 11 ex.
4. Laclaps agilis (C.L. Koch), nympha generans. — On Arvicola
arvalis, Vegesack, 24 ex.
5. Parasitus coleoptratorum (L.), nympha coleoptrata. — On
Arvicola glareolus, Fuchsberg , June, 1 ex.
122 (DR. A. C. OUDEMANS)
6. Syringophilus bipectinatus HELLER. — On Anas boschas L.,
Vegesack, 40 ex.
7. Notoedres notoedres (MiGN.). — On Mus decumanus, Vegesack,
3 ex.
8. Prosopodectes poppei (Oupus.) — On Vespertilio murinus, 5 ex.
9. Listrophorus pagenstecheri HALLER. — On Sciurus vulgaris,
Vegesack , numerous ex.
10. Listrophorus leuckarti Pac. — On Arvicola amphibius ,
Vegesack , numerous ex.
11. Myozoptes museulinus (G. L. Koen). — On Mus musculus,
Vegesack , 20 ex.
12. Proctophyllodes stylifer Bucan. — On?
13. Aleurobius farinae (L.). — In a box with turf and meal,
in which meal-worms were bred, and in yolk-powder, Vegesack ,
numerous ex.
14. Tyroglyphus longior GERV. — On a ham, Vegesack, nu-
merous ex.
15. Curpoglyphus passularum Merino. — On calabash-jam.
Vegesack , numerous ex.
16. Glyeyphagus domesticus (DE GEER). — On furniture, Vege-
sack, numerous ex,
17. Dermacarus arvicolae DUJARDIN, Aypopus. — On Arvicola
glareolus, Fuchsberg, June, 7 ex.
12. Celeripes vespertilionis (L.) tritonympha.
Synon.: Pteroptus acuminatus Koch. Deu. Crust, Myr. Ar. 4, 21.
Pteroptus abominabilis Kocu, Deu. Cr. Myr. Ar. 4, 22,
Diplostaspis Nattererii KoLENATI in Sitz. ber. d. math,
naturw. Classe der Kais. Akad. d. Wiss. (Wien)
Bd. XXXV, p. 156, pl. 1, fig. 1.
There are only two so-called good species of Celeripes; viz.:
Celeripes vespertilionis (L.), described and figured by BERLESE in
his Acar. Myr. e Scorp. Ital., LIV, n°. 2 and
FURTHER NOTES ON ACARI. 123
Celeripes euryalis (G. CAN.), described and figured by BERLESE
mous Acar Myr..e Scorp. Italo, LIV, n°, 3:
Pteroptus pilifer Neum., described by NEUMAN in his Om Hy-
drachnider, p. 11 in my opinion is synonym to Celeripes vesper-
tilionis (L.)
LINNE's Acarus vespertilionis includes certainly two species, viz.
an dearus and a Nycteribia. He placed it under Pediculus in his
Fauna Suecica n°. 1951, and in his Syst. Nat. Ed. X, and says
of it in his Systema Naturae, Ed. XII, n°.9: «insolitae figurae,
Phalangio simile». Two proofs, that he saw an animal with 6
very long legs. Moreover he cites FriscH and Scopott.
Now Frisch, VII, VII, tab, VII. really saw a Celeripes (1728).
ScopoLI too, for, though he cites LINNAEUS, he adds: « pedum
numerus imprimis Acarum indicat». (Acarus vespertilionis, Ento-
mologia carniolica n°. 1058, 1763).
The ancient writers on Celeripes vespertilionis most probably saw
different animals or forms of animals, for some describe the
body as rhombeous, others as round, one describes the fe-
male’s abdomen with 4 or 6 hairs, another as with numerous
hairs.
BERLESE (loc. cit.) figures the dorsal shield of the 4 of Celeripes
vespertilionis (L.) on plate 2 different from that on plate 4, (Cha-
racteres generis Pteroptus), Consequently one of the two drawings
is wrong, — or BERLESE figured males of two different forms, —
or the dorsal shield of the 4 of Celeripes vespertilionis (L.) does
not show always the same distribution and number of the round
spots, But if so, BERLESE should have mentioned this fact,
I make the same remarks as to the drawings of the dorsal shield
of the 2 (BERLESE Ac. Myr Scorp. Ital. LIV, n°, 2 and 4).
BELESE’S drawings are sometimes inaccurate as to the repren-
tations of the form and distribution of the hairs in Acari. So I
don’t know whether the two species of Celeripes are delineated
accurately by BERLESE, but I doubt of it.
Neuman describes in his essay «Om hydrachnider», p. 11.
Pteroptus pilifer, but whether this description is based on a male
124 (DR. A. C. OUDEMANS)
or on a female or on a nymph is not mentioned. I should say
partly on a male (e, g. area genitalis pyriformis), partly on a female
(e. g. margo posterior pilis densis instructus). At all events the
description is too vague, and a figure is wanting. Yet, I think
the species is synonym to Celeripes vespertilionis (L.).
If we compare the descriptions and figures of Celeripes vesper-
tilionis (L.) of old writers, we observe that they differ in some
details, and yet me must be prudent to assert that they saw different
species.
If you compare my figures with Kocu’s and KoLENATrS figures
and descriptions, you will observe that I am right in considering
Pleroptus acuminatus and abominabilis of Koch, (not abdominalis as
BERLESE writes!) and Diplostaspis Nattererii of KOLENATI as being
synonyms to Celeripes vespertilionis (L.) tritonympha.
Nympha (tritonympha ?) d, certe generans! On its do,sal face
(fig. 32) we observe a dorsal shield marked with one median round
spot and 28 smaller ones in four longitudinal rows, further sym-
metrically placed pores. What these round spots are I am unable
to decide KoLENATI calls them Erosionsgruben, BERLESE foveolae,
They disappear when the animal is treated with caustic kali. The
Shield is nearly rhombeous. Ten bristles surround the two fore-
margins of the shield; six smaller ones stand near the hind-corner
of the shield, and two between the stigmata and the shield. The
stigmata are dorsal, the peritremata run forward along the sides of
the shield and bent themselves towards the ventral surface exactly
between the 2d and 3d pairs of legs. — The palpi are slender,
they reach the middle of the third joint of the first pair of legs.
The legs are thick, as long as the body; the first three joints of
the legs bear long, stiff, somewhat curved bristless. The 4th and
Sth joints smaller ones. These bristles stand exactly in two longitudinal
rows on the dorsal surface of each leg. In my figure this is not
immediately perceptible, for the legs are bent sideways, and so the
dorsal face of the first two pairs of legs is turned forward, whilst
the same face of the last two pairs of legs is directed hindward.
Veutral face (fig. 33). The ventral shield shows a scaly marking ,
FURTHER NOTES ON ACART. 125
is broad pyriform, with its top directed towards te mouth. At its
top is the genital aperture. Six small bristles on the shield, behind
the shield 7 rows of small bristles, two of four, and five of 2 bristles ;
one post-anal bristle. First, second an third coxae with two small
bristles each, fourth coxa with one bristle. Between the 2d and 3d
coxae we observe, quite on the side of the body, the end of the
peritrema.
Nympha (tritonympha?) 9, certe generans ! Dorsal face, (fig. 34.)
The shape of the dorsal shield is more oval but shows exactly the
same distribution and number of round spots and pores! It is sur-
rounded by bristles, placed exactly as in the male. Compare fig 32
with 34. Only the hindmost two bristles are longer, and the six
hindmost bristles are more remote one from another than in the
male. The peritremata don’t run so near the shield, as in the male,
Ventral face (fig. 35). The ventral shield is nearly rhombeous,
with an acute angle forward and a blunt one hindward, with a
scaly marking, and with 8 bristles Further the ventral surface
shows 10 pairs of bristles symmetrically arranged ; one small post-
anal bristle. The two hindmost bristles are longer than in the
male. The abdomen is larger than in the male, swollen, and
contained a large egg. The bristles on the coxae are the same as
in the male. Between the 2d and 3d coxae the peritremata are
visible, running a very little inward.
The airs, both of the d and ¢ nymphae are as if built from
superposed small cylinders (fig. 36).
Why do I call these ¢ and 9 nymphae generantes ? Because in
one of my so called males I saw another (eleripes! Consequently
this male was just changing its skin! The hairs of the dorsal face
of this mature male (fig. 37) were exactly corresponding in number
and place those of the nympha, and all turned over the dorsum,
towards the centre. The hairs of the legs however were all directed
towards the claws. The most striking fact, however, is, that the
ten hairs which surround the two foremargins of the dorsal shield
in the adult are shaped quite otherwise than in the nympha ! They
are short, flat, lanceolated, and their margin denticulated (fig. 38).
126 (DR. A. C. OUDEMANS)
I have not observed any dorsal shield in this adult male, therefore
I am unable to tell anything about number and distribution of the
round spots and pores. The bristles between the stigmata and the
shield are much longer than in the nympha, and four of the hairs,
which stand near the hind-angle of the shield, too. It seems to
me that the adult animal is not frequent, being not necessary to the
preservation of the species, the nymphae being generantes, an
observation which is frequently made in Gamasids.
13. Dermacarus arvicolae Du).
DusarpIn (Annales des Sciences naturelles, 3° Série, Zoologie,
T. XII, p. 249 and p. 264, tab, 11, fig. 15, 16) badly describes
and figures a hypopus under the name of Hypopus arvicolae. Since
that date, 1849, it seems that this animal is not found again,
at least not described and figured again and better. Mr. Poppe
procured me seven specimens of this species.
In Das Tierreich, Sarcoptidae, this animal is placed in the genus
Dermacarus Hatter, and I think rightly, for it has like the
hypopus of Dermacarus sciurinus (C. L.KocH) petioled suckers under
the valvae of the fixing-apparatus.
The animal’s outline is oval, somewhat pointed in front, blunt
posteriosly. Its length is 0,325 mm.
The dorsal surface (fig. 39) shows a distinct line between ce-
phalothorax and abdomen. The cephalothorax bears 6, the abdomen
10 very minute hairs,
The ventral surface (fig. 40) shows two very small hairs near
the foremost margin, two palpiform tubercules at the spot where
the animal’s mouth must be, the epimera of the first pair of legs,
forming an Y, the epimera between the first and the second pairs
of legs, directed inward and hindward, but having between them
a space of their own length, the epimera before the third pair of
legs, bifurcated at both their ends, the anus, with two valves,
each of them having two oblong suckers, three suckers behind
the anus, of which the middle one is oval and larger than the
FURTHER NOTES ON ACARI. 127
others , and behind these three again four small suckers, forming a
trapezium with its larger base directed towards the anus, Between
the two suckers on the left and between those of the right side of
this trapezium there is a very light-refracting and striated chitinous
disk, which at first may be taken for a sucker. Further we observe
the two valves of the fixing-apparatus. Underneath these two valves
there is, as in the hypopus of Dermacarus sciurinus (GL. Kocx)
a petioled sucker; the base of the sucker is circumvallated ; the
sucker itself is striated, refracting and apparently longitudinally
split. On each side of the valvae there is a larger high refracting
chitinous disk, which Dusarnın took for a large sucker.
All the legs bear a strong claw; the claws of the fourth
pair of legs, however, is smaller than the others. The forelegs
bear a few feathered hairs on their proximal, and smooth hairs
on their distal joints. The tarsi of the 4st, 2d and 3d legs bear
moreover one long and four beautifull, curved lanceolated hairs,
resembling those of 7yroglyphus mycophagus , Trichotarsus japonicus
and Trick. ornatus. The tarsus of the 4th leg ends in a long hair,
as long as the length of the cephalothorax.
44. Acari, collected by Dr. F. Herm.
Dr. F. Heim, of Paris, has sent me several Acari with the
request to determinate them. As I consider the publication of my
determinations useful to the knowledge of geographical distribution,
I do so, with the approbation of the proprietor.
The Acari are:
1. Seius vepallidus (G. L. KocH), nympha generans. — On Persica
vulgaris, Cucumis melo, feeding on Tetranychus, Buré, Meurthe
et Moselle, 20 Sept. 1898. — 6 ex.
2. Laelaps aculeifer G. Can., nympha d. — Feeding on
Rhizoglyphus echinopus Fum. et Ros. in a decaying Crocus-bulb. —
1 ex., Beaune-la-Rolande, Loiret, Septembre.
3. Lxodes reduvius (L.) — 2 4, 2 2, 4 nympha. — On Homo
sapiens, Canis familiaris, Lepus timidus, Buré, Meurthe et Mo-
selle, 1897.
128 (DR. A. ©. OUDEMANS)
A. Trombidium gymnopterorum (L.), larvae. — On Phalangium
opilio, Buré, Meurthe et Moselle, August 1897.
5. Trombidium holosericeum L., larvae. — On Homo sapiens,
Canis familiaris, Gallina gallus, Buré, Meurthe et Moselle, August
1896 and July 1897. — 15 ex.
6. Bryobia praetiosa Kocn, — 18 ex — On Arum maculatum,
Sanguisorba, Lychnis, Bois-de-Vincennes, Seine, 20 April 1894.
7. Lthizoglyphus echinopus Fum. et Ros. — 4ex. — On Crocus
vernus, Beaune-la-Rolande, Loiret, September.
15. On a strange feed of Tyroglyphus longior Gerv.
In Januari 1897 Prof. Sorauer of Berlin sent me a champignon
which was pierced by burrows of an Acarus. In 1896 a gardener
near Berlin suffered of immense loss of champignons bij these Acari.
They proved to be Tyroglyphus longior GERVAIS.
Arnhem, 1 December 1899.
129
BEMERKUNGEN
über
RNC me SC À CAT
VON
Dr. A. C. OUDEMANS--Arnhem,
Mit Taf, 7 und 8.
Prof. Dr. Oskar Schneiler hat mir gütigst die Bestimmung seiner
Ausbeute an Acari, in Februar und März 1899 in der Nähe von
San Remo gesammelt, überlassen. Die Namenliste dieser Sammlung
wird von Prof Schneider selber in einem Nachtrage zu seinem
bekannten Aufsatze «San Remo und seine Thierwelt im Winter »
veröffentlicht.
Ich lasse hier einige Bemerkungen über einige dieser Acari folgen,
nebst Beschreibungen zweier neuen Species.
Rhipicephalus sanguineus (LATR.)
Ein Weibchen, das dadurch merkwürdig ist, dass an seiner
linken Seite das 4te Bein fehlt, ohne dass davon eine Spur zu
entdecken ıst Also ein Monstrum.
Parasitus crassipes (L.)
Die tritonymphae masculinae massen durchschnittlich 1,275, die
tritonymphae femininae 1,460 mm. Berrese gibt nur 1,1 mm.
Länge an. Die meisten sind stark chitinisirt.
Macrocheles marginatus (Heru.)
Da BERLESE diese Art schlecht abgebildet hat, so gebe ich neue
Abbildungen und Bemerkungen.
Tijdschr, v. Entom. XLIII. 9
130 (DR. A. C. OUDEMANS) BEMERKUNGEN
Protonympha. Fig. 1 ist ein 2 von oben gesehen. An jeder Seite
sieht man 1 Schulterhaar und am Hinterleibsrande je 3 Haare oder
Borsten «clavatulae apice plumulosae ». Die Palpen enden in einem
steifen Haare, — Fig. 2 ist das Epistom des 2. — Fig. 3 sind
die Scheeren des 9, Fig. 4 die des d. — Fig. 5 ist das 2. Glied
des 2. Beines der linken Seite, und Fig. 6 das 2. Glied des 4.
Beines der linken Seite des d. Das d ist also unmittelbar kennt-
lich an diesen 6 stark lichtbrechenden , chitinisirten Spornen. Fig. 7
ist die Unterseite sowohl des ¢ als des 2. Es gibt ein Sternigenital,
und ein Anal-, aber kein Ventralschild.
Deutonympha. Ich sah diese nicht. BERLESE bildet sie ab mit
einem langen Ventrianalschilde.
Tritonympha 9. Es gibt zwei Formen. Die eine Form ist voll-
kommen wie das erwachsene 9 gestaltet; das Epistom ist aber an
den Vorderrändern nicht gezähnelt, siehe Fig. 8. Ich nenne diese
Form: tritonympha homoiomorpha. — Die zweite Form ist Gamasus
badius Kocu. Ich gebe in Fig. 9 eine bessere Abbildung dieser
tritonympha heteromorpha. Der Leib ist gedrungener, die Beine
alle kürzer, das Epistom vollkommen wie das der tritonympha
homoiomorpha geformt. Die Palpen enden wieder in einem steifen
Haare. Am 2. Gliede des 2. Beines sieht man ein oder zwei kurze,
breite, am Ende gekammten Haare (Fig. 10); am 2. Gliede des
3. Beines ein skalpellförmiges Haar (Fig. 11 u. 12) Die zwei
Vertikalhaare stehen sehr dicht bei einander und sind distal ge-
fiedert (Fig. 13). Alle anderen Leibeshaare sind glatt. An den Hin-
terbeinen gibt es ganz vereinzelte gefiederte Haare (Fig. 14). —
Die Bauchseite (Fig. 15) ist fast wie die des erwachsenen 2; das
ventrianale Schild hat nicht immer dieselbe fünfeckige Form,
sondern variirt mit spitzer, abgerundeter, oder abgestutzter hinterer
Ecke (Fig. 16 u. 17).
Imago. Das erwachsene 2, wovon ich eine genaue Abbildung ,
Fig. 18, gebe, hat nur 12 ungefiederte Rückenhaare, Die Hinter-
und Seitenränder sind gezähnelt. Das Epistom scheint an in
Alcohol getöteten Thieren wie Fig. 19 geformt, wie auch BERLESE
abgebildet hat; wenn man jedoch das Thier stark aufhellt, wird
UEBER SANREMESER ACARI. 131
erst seine wahre Gestalt deutlich: Fig. 20 bis. — Macrocheles mar-
ginatus (HERM.) gehört also zu der Gruppe mit dreiarmigem , tiefge-
spaltenem Epistome, — Am 2. Gliede des 3. Beines sieht man wieder
das sonderbar geformte Haar; es ist jedoch anders geformt als das der
tritonympha heteromorpha (Fig. 20 u. 21) — Der digitus fixus
der Scheere trägt ein skalpellförmiges Haar mit gezähnelter Schneide
(Fig. 22). — Das ventrianale Schild zeigt dieselben Variationen
als bei den tritonymphae.
Uropoda obscura (Koch).
Sowohl unter den d als unter den 2 gibt es gestreckte wie
breite Individuen. BERLESE hat das für die Systematik so wichtige
Peritrema nicht abgebildet. Beim 4 und beim % ist das Peritrema
gleich gebaut, weshalb ich nur die Unterseite eines (sehr breiten) 9
abgebildet habe (Fig. 23). Da wo das Peritrema sich am Rande
des Leibes umbiegt, hat der letztere einen kurzen aber deutlichen
Einschnitt.
Das Peritrema der nympha secunda ist in seinem ersten Verlaufe
ziemlich dem der Eltern gleichgebaut; es ist jedoch länger als
dieses, und endet weit voran, aın Rande des Tieres, wo der Rand
selber eine kleine vorspringende Lamelle besitzt (Fig. 24). Die
Umbiegung des Peritrema findet eine kleine Strecke vom Rande
entfernt statt.
Bertese’s Zeichnung der typischen steifen Borsten dieser Species
ist falsch ; er bildet Haare ab.
Ich glaube, dass der Namen Uropoda obscura falsch ist. Kocu’s
Uropoda obscura ist fast ganz unbehaart, dagegen seine Uropoda
marginala mit steifen Borsten besetzt. Hier herrscht noch eine
grosse Verwirrung in der Nomenclatur.
Cillibano vegetans Duc.
Es ist bekannt, dass DE GEER einen Acarus vegelans abbildete
und beschrieb. Aus seiner Abbildung geht hervor, dass er eine
Art Uropoda vor sich hatte, deren Nympha eine länglich-ovale
132 (DR. A. C. OUDEMANS) BEMERKUNGEN
Form hatte; die Spitze war nach vorne gerichtet und ganz scharf,
Solche deutonymphae habe ich auch gefunden. Ich weiss nicht
ob sie schon beschrieben ist. Sie hat jedenfalls Krallen am 1.
Beinpaare ; ist also eine echte Uropoda.
Anders ist es gestellt mit der Uropoda vegelans, die Ducks,
1834, beschreibt und abbildet (Ann. des Sc. Nat. (2), I, p. 19,
und (2), II, p. 20, Tab. 8, Fig. 33—36). Obwohl Ducës am
1. Beinpaare sehr kleine Krallen abbildet, sagt er, p.31, ausdrück-
lich «a griffes peu ou point visibles. » Wir müssen wohl annehmen,
dass das Tier keine Krallen besass. Ducts meint jedoch bisweilen
Krallen gesehen zu haben. Wie dies zu erklären ? Meine Beschrei-
bung unten, und eine Figur, werden dies hoffentlich genug erläutern.
Ducts’ Uropoda vegetans muss darum Cillibano vegetans Ducks
(non DE GEER) genannt werden,
Synonyme sind:
4841. Uropoda vegetans Kocu, Deu. Crust., Myr., Ar. 38, 19.
Schon ANDERSEN bemerkt (Oefv. Kong. Vet. Akad. Förh., 1863,
p. 189) dass DE GEER’S längliche Art eine ganz andere ist als
Kocn’s rund-ovale Art. Obwohl Kocn’s Uropoda vegetans mehr
oval ist als die des Ducks, so meine ich doch, dass die Art die-
selbe ist; ich habe verschiedene Exemplare (in Niederland gefunden),
deren einzelne mehr rund, andere mehr oval sind; man sehe
meine Abbildungen.
1842. Uropoda vegetans Koch, Ueb. d. Ar. Syst. III, p 129,
Tab. 13, Fig. 73.
1844. Uropoda vegetans, Gervais, Hist. Nat. Ins. Apt. IL,
p. 220, Tab. 34, Fig. 6, (von Ducks kopirt).
1876. Uropoda vegetans MiGniN, (in Journ. Anat. Phys. XII,
p. 289, p. 327, Tab. 7, Fig. 1—2, 4—8 (nicht Fig. 3, denn
diese zeigt Krallen am 4. Beinpaare, ist also eine echte Uropoda).
Mécnin’s Fig. 2 stellt ein & vor, die einzige Abbildung eines
«Imago» die überhaupt existirt, und entschieden zeigt, dass diese
Art eine ganz andere ist als Cvdlibano romana oder Cillibano
cassidea, mit der BERLESE die Uropoda veyetans von Ducks und
von MÉGNIN identificirt. MÉGNIN’S Zeichnung der deutonympha ist
UEBER SANREMESER ACARI. 133
wieder anders als die von Koch und von Ducts; auch diese Ab-
weichung wird aus meinen Abbildungen erklärt.
1877. Uropoda vegetans Murray, Econ. Entom, Apt. p. 162,
mit Figur. Diese Figur ist gut, sie ist keine Kopie von Ducs oder
von GERvAIS, denn sie zeigt keine Krallen am 1 Beinpaare.
1881. Notaspis vegetans BERLESE in Att. R. Ist. Ven. Sc. Lett.
Art, (5), VIII, p. 33, ninfa. — Die Forma adulta hier beschrieben
hat Krallen am 4 Beinpaar, ist also wieder eine echte Uropoda.
1881. Uropoda vegetans, R. CANESTRIN! in Bull. Soc. Ven. Trent.
SE Nat Ir Ne pi 160:
1881. Uropoda vegetans, Hatter in Arch. f. Naturg., 47,
p. 183, 187.
1882. Uropoda vegetans, HALLER in Jahresb. Verein. vaterl,
Naturk. Würt. p. 302.
Beschreibung. Die deutonympha (pedunculata) ist oberseits (Fig. 25)
spiegelglatt, und zeigt das grosse dorsale Schild und das dieses
umgebende marginiposteriore Randschild. Beide sind mit regel-
mässig und symmetrisch gestellten winzig kleinen Härchen besetzt,
die alle von einem Pore begleitet sind. Der Umriss des Körpers
ist sehr verschieden. Man sehe nur die Abbildungen (Fig. 26—34),
wovon fig. 26 und 31 der von Ducks, Fig. 27 und 29 der von
Kocu, Fig. 34 der von Mücnın gleich kommt. Fig. 28, 30 und
32 haben einen sich verjüngenden Hinterrand, Fig. 32 und 33 sind
vorn abgestumpft. Auch die Grösse variirt sehr. Die Figuren sind
alle mittelst der Camera lucida bei gleicher Vergrösserung gezeichnet.
Wie nun 34 zu erklären? Individuen die in Alcohol getötet sind,
haben meistens den nach vorne springenden halbkreisförmigen
Lappen am Vorderrande des dorsalen Schildes nach unten gerichtet,
und zwar fast senkrecht, so dass der Vorderrand rund oder selbst
abgestumpft (wohl Mücnın’s Uropoda truncata’) erscheint.
Die Unterseite (Fig. 35) zeigt das grosse sternigenitiventrale und
das grosse anale Schild. Beide zeigen einige symmetrisch gestellten
Poren, keine Haaren, Der Rand ist verzieret mit winzig kleinen
Haaren, so winzig, dass ich von einer Zeichnung davon abgesehen,
und sie nur mit Punkten angegeben habe.
134 (DR. A. C. OUDEMANS) BEMERKUNGEN
Typisch war für alle Exempläre ein sonderbar geformtes Haar ,
das in einen kleinen Dreiecke endet, am Ende des Tarsus des
4. Beines (Fig. 36). Dieses Haar ist schon bei kleiner Vergrös-
serung gut sichtbar, und ist vermutlich Ursache, dass DUGES
zweifelte ob er Krallen sah oder nicht.
Das Männchen scheint, wie man aus MÉGNIN’S Fig. 2 zu schliessen
geneigt ist, ausser den echt männlichen Characteren, vollkommen
die Dentonympha zu ähneln.
Das Weibchen ist mir unbekannt.
Poecilochirus spinipes (C. L. Koch.)
Ich gebe von dieser von BERLESE (Ac., Myr., Scorp, Ital. 69, 4)
beschriebenen und abgebildeten nympha coleoptrata eine genauere
Beschreibung und Abbildung. Ich vermuthe dass sie bei Cyréolaelaps
spiricornis G. et R. Can, gehört. 5 à, 1 9.
Länge 0.650 mm. :
Männchen. Oberseite, Es giebt ein vorderes und ein hinteres
Rückenschild, welche scharf geschieden sind. Das vordere ist fast
heptagonal, trägt 36 symmetrisch gestellte, kurze, borstenförmige,
glatte Haare, wie die Figur 37 angiebt, und zwei stabförmige
distal gefiederte Schulterborsten. Das hintere ist abgerundet drei-
eckig, trägt 24 kurze, borstenförmige, glatte Haare, symmetrisch
geordnet, wie die Figur 37 angiebt, und zwei stabförmige, distal
gefiederte Hinterrandborsten. Das Epistom trägt 3 Spitzen, wovon
die mittlere die längste ist. Das 2. Beinpaar hat Fernur, Genu
und Tibia stark verdickt, und fast gleichlang. Jeder dieser Glieder
trägt einen einwärts gerichteten, stark chitinisirten und stark
lichtbrechenden Dorn ; die Dorne sehen wie Messer aus. Der Tarsus
besteht aus 2 Gliedern, einem kürzeren und einen längeren. Das
lange Endglied trägt einen einwärts und einen distalwärts gerichteten,
langen, sehr spitzen Dorn. Das 4. Beinpaar trägt am Femur und
am Tarsus eine stabförmige, distal gefiederte Borste.
Unterseite. (Fig. 38). Es giebt nur ein sternigenitales und ein
anales Schild. Das erste ist gestreckt, wappenschildformig, das
letzte abgerundet pentagonal und klein. Das erste trägt 8, das letzte
UEBER SANREMESER ACARI. 135
3 kurzen Härchen. Der Bauch ist symmetrisch mit Haaren besetzt.
Weibehen. Oberseite, Das vordere Rückenschild (Fig. 39) hat
hinten eine abgerundete Verlängerung, welche in eine Ausbuchtnng
des hinteren Rückenschildes passt. Uebrigens gilt alles was von den
¢ Rückenschildern gesagt ist, auch für die des Weibchens. Die
Behaarung ist vollkommen dieselbe. Das Epistom zeigt einen
Mitteldorn , distal ausgebuchtet, und zwei kleinen, seitlichen Zähn-
chen. (Fig. 40). Das 2. Beinpaar ist normal geförmt, hat keine
geschwollenen Glieder und keine Dornen. Das 4. Beinpaar ist jedoch
vollkommen dem des d gleich, hat auch am Femur und am Tarsus
die eigentümlichen Borsten.
Unterseite. Vollkommen der des 3 ähnlich, nur die cornicula
hypostomatis sind zweimal so lang als die des 4.
Notaspis lucasi (Nic.).
Ein Exemplar mass nur 0,413 mm. MicHAEL gibt 0,600 mm,
als Lange an.
Notaspis elimata (C. L. Kocn).
Alle 47 Exemplare hatten die pseudostigmatischen Organe voll-
kommen gleich gebaut, nämlich lang, seitwärts und sanft hinter-
warts gebogen, haarförmig, und deren distale Hälfte bei genügender
Vergrösserung deutlich gefiedert. Ich betrachte diese Form als eine
gute Species, da ich keine Uebergänge kenne zwischen diese Form
und alata HERM, (mit keulenförmigen pseud. Organen), und zwischen
diese Form und die von MrcHaeL (Brit. Orib. I Tab. X Fig. 7.)
‘ abgebildete, welche MıcHAEL dorsalis nennt, welche aber keine
dorsalis ist, denn Kocn’s dorsalis hat ebenfalls keulenförmige pseudo-
stigmatische Organe. Die meisten Exemplare messen zwischen 0,549
und 0.688 mm.; zwei massen 0,754, eine selbst 0.833 mm.,
sind also wahre Riesen unter ihren Genossen.
Kochia tegeocrana (Hern.).
Die Exemplare variirten zwischen 0.800 und 1.170 mm.
136 (DR. A. C. OUDEMANS) BEMERKUNGEN
Liacarus coracinus (C. L. Kocn).
Der Dorn zwischen den Vorderenden der Lamellen ist sehr klein,
viel kürzer als die Lamellarspitzen.
Eremaeus schneideri Oupws. (nov. sp.)
Vordere Ecken des Rückens des Hinterleibes nicht geflügelt ;
Krallen tridactyl; die Lamellen sind nur durch Chitinstäbe an-
gedeutet; der Rücken des Hinterleibes trägt Haare; diese Haare
sind glatt; die pseudostigmatischen Organe sind kolbenförmig, oder
mit birnförmigem Knopfe auf dünnem Stiele; sie sind glatt; die
Interlamellarhaare sind vorwärts gerichtet; sie sind länger als
die pseudostigmatischen Organe; die Krallen sind fast homodactyl;
es gibt ein kurzes, steifes, spitzes Haar an jeder anterolaterale
Ecke des Hinterleibes; die Lamellen entspringen von den Pseudo-
stigmata und convergiren nach vorne.
Durch diese Kennzeichen ist diese Species mit Premaeus lucorum
(C. L. Koch) und Zremaeus pilosus (G. L. Kocn) verwandt.
Weitere Kennzeichen sind: Der Cephalothorax (Fig. 41) ist glatt;
die Lamellen strecken sich von den Pseudostigmata bis an die
Lamellarhaare. Die Rostralhaare sind dick, sehr fein gefiedert,
ebenso die Lamellarhaare und die Interlamellarhaare : diese stehen
an ihren gewöhnlichen Platze, ungefähr zwischen den Pseudostig-
mata und den Lamellarhaaren. Die Pseudostigmata sind ganz
kurze Röhre, die fast am Hinterrande des Cephalothorax und
ganz an seinen Seiten stehen. Die pseudostigmatischen Organe sind
sehr kurz, birnförmig, auf kurzen, dünnen Stielen,
Der Hinterleib ist länglich rund, glatt, nicht punktirt, hinten
gerunzelt, so dass der Hinterleibsrand bei nicht genügender Ein-
stellung des Mikroskops gewellt {crenulatus) erscheint. Es gibt zwei
Aussenreihen von je 7 Borsten und zwei Innenreihen von je 3
Borsten. Diese Borsten sind ungefähr 4 so lang als die Breite des
Hinterleibes, glatt. Der Hinterleibsrand trägt an jeder Seite 3 nach
innen und nach unten gebogene Borsten. — Zwischen den Borsten
jeder Aussenreihe befinden sich sechs mondkraterförmige Gebilde.
UEBER SANREMESER ACARI. 137
Wahrscheinlich sind es umwallte Siebplatten mit Mündungen ein-
zelliger Drüsen (siehe die folgende Art.).
An der Unterseite (Fig. 42) ist bemerkenswerth, dass die
Epimeren zwischen den 2. und 3. Beinparen im Mitten des Tieres
die Genitalöffnung berühren. Diese ist kreisrund. Die Analöffnung
is fast viereckig, jedoch mit runder Vorder- und runder Hinterseite.
Die Länge des einzigen Exemplares war 0,760 mm.
Das Genu des 1. Beinpaares trägt ein sehr langes Tasthaar, das
des 2. Paares ein kleineres. Weiter tragen die Tibiae aller Beine
ein langes, am Ende gekrümmtes Tasthaar. Die anderen Haare
habe ich nicht abgebildet.
Eremaeus sanremensis Oupwns. (nov. sp.)
Auch diese Species ist wegen der eben angeführten Kennzeigen
der Hremaeus pilosus (G. L. Koch), Zucorum (G. L. Koch), und schneideri
Oups. verwandt.
Der Cephalothorax (Fig. 43) ist glatt, am Rande ausgebuchtet,
im Mittelfelde erhaben, die Seitenfelder tiefer ; das Mittelfeld hat
einen bienenkorbförmigen Umriss. Die Tectopodia des 2. und 3.
Beinpaares sind deutlich. Die Pseudostigmata sind weit von einander
entfernt, am Rande des Mittelfeldes des Cephalothorax und am
Vorderrande des Hinterleibes gestellt; sie sind ganz kurze Röhre.
Die pseudomatische Organe (Fig. 44) sind schlank, ungefähr halb
so lang als die Entfernung zwischen den beiden Pseudostigmata ,
die proximalen zwei Drittel fadenförmig, das distale Drittel ange-
schwollen, etwas spulförmig. Von den Pseudostigmata verlaufen
die fast stabförmigen Lamellae convergirend nach vorne, wo sie an
ihrem Ende von einer Translamella vereinigt sind und je ein La-
mellarhaar tragen. Die Interlamellarhaare stehen an ihrem gewöhn-
lichen Platze, etwas hinter der Mitte des Abstandes zwischen
Pseudostigma und Lamellarhaare, der Larnella genähert. Die Rostral-,
Lamellar- und Interlamellarhaare sind sehr schwach gefiedert Hinter
den Pseudostigmata steht noch ein nach vorne gerichtetes Haar.
Es ist mir nicht gelungen zu constaliren ob dieses dem Cephalo-
thorax oder dem Abdomen angehört,
138 (DR. A. C. OUDEMANS) BEMERKUNGEN
Der Hinterleib ist glatt, unpunktirt, länglich rund, hinten ge-
runzelt. Es trägt vier Reihen von je 5. Borsten und am Hinter-
rande 6 Borsten. Alle Borsten sind ungefähr so lang als 1 der
Breite des Hinterleibes, glatt und nur schwach gebogen. An beiden
Seiten des Hinterleibes werden wir wieder vier mondkraterförmige
Gebilde gewahr, die in einem zerquetschten Exemplare, und mit
stärkeren Vergrösserungen betrachtet, sich als ein stark chitinisirter
Ring erwiesen, in dessen Mittelfelde zahlreiche einzellige Drüsen
mündeten (Fig. 45). Bei 2000facher Vergrösserung waren die Poren
dieser Siebplatte deutlich sichtbar (Fig. 46).
Die Unterseite (Fig. 47) zeigt die länglich runde Genitalöffnung
und die fast viereckige Analöffnung. Dieses Viereck ist wieder
vorn und hinten abgerundet. Bei stärker Vergrösserung zeigte auch
die Genitalöffnung diese Form (Fig. 48). In Fig. 48 und 49 habe
ich die Behaarung der Genital- und Analklappen angegeben.
Die Beine tragen dieselben Tasthaare am Genu des 1. und 2.
Paares und an den Tibiae des 1., 2. und 3. Paares. Die Tasthaare
sind jedoch schwächer als bei der vorhergehenden Species.
Die Länge beträgt 0,725 mm,
Man verändere den Schlüssel auf S. 46 in «Das Tierreich,
Oribatidae » wie folgt:
16 Psstg. org. very short — 164.
Psstg. org. rather long — 16%.
164 Lam. very short. — £. lucorum.
© | Lam. long. — £. schneideri.
165 Without Trlam. — £. pilosus.
‘| With Trlam. — E. sanremensis.
Bryobia praetiosa Kocn.
Die Bryobia-Exemplare veranlassten mich eine genauere Unter-
suchung aller meiner Bryobia-praeparaten zu unternehmen. Ich
kam zu den Schlusse, dass wir die Art Bryobia speciosa KocH
müssen fallen lassen.
BERLESE gibt nämlich als Unterschiede zwischen dieser Art und
UEBER SANREMESER ACARI. 139
Bryobia praetiosa Kocu an, dass die erste Art viel breitere Blättchen
am vorderen Schmucke des Cephalothorax hat, und das die Femora
des 1. Beinpaares mit fünf starken Haaren versehen ist.
Da ich jedoch Exemplare besitze mit schmalen Blättchen und
zugleich mit starken Haaren am Femur des 1. Beinpaares, und
ebenfalls Exemplare mit breiten Blättchen und zugleich fast un-
bewaffnetem Femur, so betrachte ich diese Uunterschiede als ganz
ungültig.
Wenn man dabei meine Figuren 50 bis 58 betrachtet, die den
Cephalothoracalschmuck wiedergeben, und zwar von 3 Exemplaren
des Bois de Vincennes, von 3 von San Remo und von 3 aus
Friesland, so muss man wohl schliessen, dass dieses so varlirende
Organ ganz unbrauchbar ist um eine Species zu charactirisiren.
Ich kenne also nur zwei Species:
1. Bryobia praetiosa Kocu 1836 (= gloriosa Koch 1836) (= speciosa
KocH 1838) (= nobilis Koch 1838) (= ribis Tromas 1894).
2. Bryobia serrata (CAMBR.) 1876 (Torinophorus serrata CAMBR.),
welche sich von ersterer Art unterscheidet durch Leibesform, ver.
schiedene Länge des 2, Beinpaares und verschiedene Länge der
Glieder des 1. Beinpaares.
Arnhem, 20 Dec. 1899.
140
ley Oh eee: IK Gs
ON THE
denomination of the genera and higher groups
IN
« Das Tierreich, Oribatidae »
BY
Dr. A. C. OUDEMANS.
Following rigorously the recent rules of Nomenclature, we are
obliged to make the following changes in the names of genera and
higher groups, adopted in «Das Tierreich, Oribatidae », (author
A. D. Michael).
p. 1. The name Orzbatidae may remain, as the family-name is
formed from the genus Oribata of Latreille; and though Oribata
Latreille is, in my opinion, quite another genus as the genus
Oribata of « Das Tierreich », there is no valuable reason to change
the name Oribatidae, Oribata Latr. being the type-genus of the family.
p. 5. The name Oribatinae must be changed into Notaspidinae,
as the type-genus Oribata of «Das Tierreich» must be changed
into Notaspis.
p- 9. The name Oribata Latr must be changed into Notaspis
Herm. for the following reason: It is true that Latreille created,
in 1802, the genus QOridata, but in all his works Latreille tells
us, that the type of his genus is Acarus geniculatus of Linné
(a Damaeus of Das Tierreich). Then Hermann created, in 1804,
the genus Notaspis, and he especially mentions: «j'ai cru devoir
rapporter à un genre particulier les mites que Linné et d’autres
(DR. A. C. OUDEMANS). REMARKS ON ETC. 141
auteurs ont comprises sous le nom d’acarus coleoptratus » . . . ..
Now I think this is the same as «I consider acarus coleoptratus
of Linné as type of my genus Notaspis.» And as Linné’s description
of his Acarus coleoptratus fits perfectly on Oribates ovalis Koch
(punctata Nic.) (xicoletii Berl.), one of the species of the genus
in question, I consider Notaspis Herm. as the oldest name of this
genus, Type of this genus is Acarus coleoptratus Linné.
p. 26. Most probably the name Serrariinae will soon be changed
into Gustaviinae, as the type-genus Serrarius most probably will
be changed into Gustavia.
p. 26. The name Serrarius Michael, 1883, most probably will
soon be changed into Gustavia Kram., 1879, for in my opinion
Gustavia sol Kram is the nymph of a Serrarius, but this must
still be proved by breeding one of the species of Serrarius.
p. 28. The name Notaspidinae must be changed into Kremaeinae,
as the name of the type-genus Motaspis must be changed into
Eremaeus.
p. 31. The name Cepheus G. L. Koch must be changed into
Kochia Oudms. for the following reasons: Koch, it is true, created
a genus Cepheus, in 1836, (Deu. Cr. Myr. Ar. 3. 11.), but with
Cepheus latus Koch as type, and this animal does not belong to the
genus in question!!! Nicolet, in 1855, again created a genus
Cepheus, but with Notaspis tegeocranus Herm. as type, an animal
which belongs to the genus in question, but as the name Cepheus
is preoccupied by Koch, Cepheus Nie. must fall, — Grube created
a genus Pelonia, in 1859, (Arch. Nat. Liv.- Esthl.- und
Kurl. ser. 2, v. 1, p. 464) with Pelonia ‚foliosa Grube as type,
but as we hitherto don’t know whether this animal is a nymph
of a « Juacarus», or of a « Cepheus» or of a « Tegeoeranus >, this
name remains out of consideration, — Therefore I propose the
name Kochia to replace Cepheus G. L. Koch, or better said to
replace Cepheus Nic. — The type of the genus Aochia consequently
is Notaspis tegeocranus Herm.
p. 33. The name Tegeoeranus Nic. must be changed into Cepheus
C. L. Koch, for the following reason: Koch created, in 1836, the
142 (DR. A. C. OUDEMANS). REMARKS ON
genus Cepheus (Deu. Cr. Myr. Ar. 3. 11.) with Cepheus latus Koch
as lype, and this species belongs to the genus in question, is
synonym to Tegeocranus latus (C. L. Koch) (Das Tierreich p. 35).
Consequently the genus in question must be called Cepheus C. L. Koch.
— There is still another reason why this genus cannot be named
Tegeoeranus Nie. , viz. Nicolet created the genus 7egeocranus, in
1855, with Zegeocranus femoralis Nic. as type, and this species
does not belong to the genus in question!!! — The type of the
genus Cepheus G. L. Koch is Cepheus latus G. L. Koch.
p. 43. The name Notaspis Herm. must be changed into Hremaeus
C. L. Koch for the following reason: it is true that Hermann
created, in 1804, the genus Notaspis, but with Acarus coleoptratus
Linné as type, and this species does not belong to the present
genus, as I have shown hereabove, — Dugés (in Ann. Sc. Nat.
ser. 2, v. 1, p. 21, 1834) created a genus Oribates with Notaspis
castaneus Herm. as type, but Oribata is preoccupied by Latreille,
in 1802. — Then G. L. Koch created the genus Zremaeus (Deu.
Cr. Myr. Ar. 3. 23.), 1836, with Zremaeus hepaticus as type,
which animal belongs to the genus in question,
p. 52. The name Damaeinae must be changed into Oribatinae,
as the type-genus Damaeus must be changed into Oribata.
p. 93. The name Damaeus CG. L. Koch must be changed into
Oribata Latr. for the following reason: Latreille created in 1797
(Lat., Préc. caract. génériques Ins. p. 184) a genus Acarus with
Acarus geniculatus Linné as type, but as Acarus is already pre-
occupied by Linné, with Acarus siro L. as type, Acurus Latreille
must fall. Latreille himself has been aware of this fact, for, in 1802,
he created the genus Oribata for the same animal, Acarus genicu-
latus Linné, as type, and he changed his genus 7'yrog/yphus (Latr.
Préc. caract. génériques Ins. 1797), with Acarus siro Linné as type,
into Acarus Linné, with Acarus siro Linné as type (Latr. Hist.
Nat. Crust. Ins. III, p. 64, 1802). — Type of the genus Oribata
Latr. is Acarus geniculatus Linné.
p. 61. The name Nothrinae must be changed into Camisiinae ,
as the type genus Nothrus must be changed into Camisia.
THE DENOMINATION OF GENERA OF ORIBATIDAE. 143
p. 68. The name Nothrus C. L. Koch (1836) must be changed
into Camisia von Heyden, as this genus is created in 1826, with
Notaspis segnis Herm. as type, an animal which belongs to the
genus in question.
Further it deserves consideration to mention in such works as
«Das Tierreich» next to the name of every genus and next to
its synonym or synonyms the type-animals, as follows:
p. 6. Pelops C. L. Koch, January 1836, type Pelops occultus
G. L. Koch. — Synonyms: Celaeno CG. L. Koch, May 1836, type
Celaeno spinosa CG. L. Koch (non Celaeno Leach 1822). Pelops
C. L. Koch, 1842, type Pelops hirsutus C. L. Koch (non Pelops
C. L. Koch, 1836). Pelops Nic., 1855, type Notaspis acromios
Herm. (non Pelops Koch, 1836, non Pelops Koch, 1842).
p. 9. Notaspis Herm., 1804, type Acarus coleoptratus L. —
Synonyms: (alumna Heyd., 1826, type Notaspis alatus Herm.
Oribates G. L. Koch, 1836, type Oribates calcaratus G. L. Koch
(non Oribata Latr., 1802). Zetes GC. L. Koch, 1836, type Zetes
dorsalis G. L. Koch. Murcia GC. L. Koch, 1836, type Murcia tri-
maculata CG. L. Koch. Oribates G. L. Koch, 1842, type Oribates
aterrimus GC. L. Koch (non Oribata Latr., 1802, non Oribates
Dugès, 1834, non Oribates G.L. Koch, 1836). Murcia G. L. Koch,
1842, type Murcia fumigata G L. Koch (non Murcia C, L. Koch,
1836.) Zetes G. L. Koch, 1842, type Zetes elimatus G. L. Koch
(non Zetes C. L. Koch, 1836). Orybates Laboulb., 1854 pro Ori-
bates. Oribata Nic., 1855, divided into three groups: 4st group,
type Notaspis alatus Herm.; 2d. group, type Oribata nitens Nic. ;
3d group, type Oribata globula Nic. (non Oribata Latr., 1802 etc.).
Oribata Michael, 1884, type Oribata pyriformis Nic. (non Oribata
Latr., 1802, non Oribates Dugès, 1834, non Oribates C. L. Koch,
1836, non Oribates G. L. Koch, 1842, non Oribata Nic., 1855),
Claviceps Can. Fanz , 1877, type Claviceps hirtus Can. Fanz.
Oribates Berl. 1855, type Notaspis alatus Herm., (non Oribata
Latr., 1802, etc.) Archipteria Berl., 1885, type Oribates nicoleti!
Berl. Sphaerozetes Berl., 1885, type Oribates orbicularis C. L. Koch.
144 (DR. A. C. OUDEMANS). REMARKS ON
p. 16. Gustavia? Kram. 1879, type Gustavia sol Kram.
p. 16. Serrarius Michael, 1883, type Leiosoma microcephala
Nic. — Synonym: Neozetes Berl., 1885, type Oribates fusifer C.
L. Koch.
p. 27. Zetorchestes Berl., 1888, type Carabodes mieronychus Berl.
et Can. — Synonym Leptorehistis (corr. Leptorchestes) Can., 1885,
type Carabodes micronychus Berl. en Can. (non Leptorchestes Thorell
1869).
p. 28. Scutovertex Michael, 1879, type Scutovertex sculptus Michael.
Tectocepheus Berl., 1895, type Tegeocranus velatus Michael,
p. 31. Kochia Oudms., 1900, type Notaspis tegeocranus Herm. —
Synonym: Cepheus Nic., 1855, type Notapis tegeocranus Herm.
(non Cepheus C. L. Koch, 1836).
p. 33. Cepheus C. L. Koch, 1836, type Cepheus latus C. L. Koch.
— Synonyms: Pelonia? Grube, 1859, type Pelonia foliosa Grube.
p. 36. Carabodes CG. L. Koch, 1836, type Carabodes coriaceus
CG. L. Koch. — Synonyms: Zegeocranus Nic , 1855, type Tegeo-
cranus femoralis Nic. Tegeocranus Michael, 1884, type Carabodes
coriaceus CG. L. Koch (non Tegeocranus Nic., 1855).
p. 40. Ziacarus Michael, 1898, type Oribates nitens Gervais. —
Synonyms: Leiosoma (corr. Liosoma) Nic., 1855, type Oribates
nitens Gerv. (non Leiosoma Steph. 1831). Zeiosoma Michael, 1884,
type Leiosoma similis Nic. (non Leiosoma Steph., 1831, non
Leiosoma Nic. 1855 .
p. 43. Eremaeus G. L. Koch, 1836, type Eremaeus hepaticus C. L.
Koch. — Synonyms: Oribates Duges, 1834, type Notaspis castaneus
Herm. (non Oribata Latr., 1802). Æumaeus, errore, pro Kremaeus
C. L. Koch, 1842, in tabula. Xenillus Rob. Desv., 1839, type
Xenillus clypeator Rob. Desv. Notaspis Nic, 1855, type Notaspis
bipilis Herm. (non Notaspis Herm. 1804). Mremaeus Nie., 1855,
type Eremaeus oblongus Koch (non Eremaeus G. L. Koch, 1836.)
Oppia Grube, 1859, type Oribates badius CG. L. Koch (non Oppia
CG L. Koch, 1836.) Hremeus Walck., 1847, errore, pro Eremaeus.
Notaspis Michael, 1888, type Zetes lucorum C. L. Koch (non
Notaspis Herm., 1804, non Notaspis Nic., 1855).
THE DENOMINATION OF GENERA OF ORIBATIDAE. 145
p. 53. Amerus Berl., 1883, type Belba trois Berl.
p. 53. Oribata Latr., 1802, type Acarus geniculatus L. —
Synonyms: Acarus Latr., 1797, type Acarus genieulatus L. (non
Acarus L., 1758). Belba von Heyden, 1826, type Notaspis cory-
nopus Herm, !). Damaeus G. L. Koch, 1836, type Damaeus auritus
CG. L. Koch. Oppia G. L. Koch, 1836, type Oppia glaucina G. L.
Koch. Damaeus Nic., 1855, type Acarus geniculatus L. (non
Damaeus C. L. Koch, 1836). Damaeosoma Berl., 1887, type
Damaeus concolor CG. L. Koch.
p. 62. Hermannia Nic., 1855, type Hermannia crassipes Nic.
p. 65. Neoliodes Berl , 1888, type Notaspis theleproctus Herm. —
Synonym: Liodes von Heyden, 1826, type Notaspis theleproctus
Herm, (non Ziodes Latr., 1796).
p. 66. Cymbaeremaeus Berl., 1896, type Hremaeus cymba Nic. —
Synonym: Zremaeus Michael, 1884, type Eremaeus cymba Nic.
(non Mremaeus CG. L. Koch, 1836, non Zremaeus Nic., 1855).
p. 68. Camisia von Heyden, 1826, type Notaspis sequis Herm. —
Synonyms: Nothrus G. L. Koch, 1836, type Nothrus echinatus
CG. L. Koch. Nothrus CG. L. Koch, 1842, type Nothrus palustris
CG. L. Koch (non Nothrus C. L. Koch, 1836). Nothrus Nic. , 1855,
type Nothrus spiniger CG. L. Koch. (non Nothrus CG. L. Koch,
1836, non WNothrus C. L. Koch, 1842). Angelia Berl., 1885,
type Nothrus anauniensis Can et Fanz,
pP. 75. Lohmannia Michael, 1898, type Michaelia paradoxa
Haller. — Synonym: Michaela Haller, 18 Dec. 1884, type
Michaela paradoxa (non Michaelia Trouess., Nov. 1884).
p. 76. Hypochthonius G. L. Koch, 1836, type Hypochtonius
rufulus C. L. Koch, — Synonym: Mypocthonius Berl., 1882.
p. 77. Hoploderna Michael, 1898, type Hoplophora decumana
G. L. Koch, — Synonyms: Moplophora C. L. Koch, 1836,
type Moplophora decumana C. L. Koch (non Hoplophora Perty,
1830). Hoplophora C. L. Koch, 1842, type Hoplophora laevigata
1) Notaspis coryuopus Herm. = Damaeus suflexus Michael, badly drawn, and
probably with some dirt on the legs, or at least a species closely allied to it
0.
Tijdschr. v. Entom. XLIII. 10
146 (DR. A. C. OUDEMANS). REMARKS ON
CG. L. Koch. (non Hoplophora Perty, 1830, non Hoplophora CG. L.
Koch 1836). Hoplophora Nic., 1855, type Hoplophora magna Nic.
(non Hoplophora Perty, 1830, non Hoplophora C. L. Koch, 1836,
non Hoplophora G. L. Koch, 1842),
p. 78. Phthiracarus Perty, 1841, type Phthiracarus contractilis
Perty. — Synonym Tritia Berl., 1883, type Tretia decumana Berl.
Again, it deserves consideration to mention in such works as
«Das Tierreich », next to each type-species, of what genus they are
the type. This is necessary to know, when a genus is broken up
into two or more subgenera or new genera. E. g.
p. 6. Notaspis acromios Herm., type of Pelops Nic , 1855, non
Pelops C. L. Koch, 1836, non Pelops C. L. Koch, 1842.
Celaeno spinosa G. L. Koch, type of Celaeno G. L. Koch,
1836, non Celaeno Leach, 1842,
p. 7. Pelops hirsutus CG, L, Koch, type of Pelops G. L. Koch,
1842, non Pelops G. L. Koch, 1836,
p- 8. Pelops occultus C. L. Koch, type of Pelops C. L. Koch, 1836.
p. 14. Oribata globula Nic., type of Orebata Nic., 3d. group,
4855, non Oribata Latr., 1802, non Oribates Dug., 1834, non
Oribates G. L. Koch, 1836, non Oribates G. L. Koch, 1842.
p. 15. Oribates orbieularis G. L. Koch, type of Sphaerozetes
Berl,, 1885.
p. 16. Oribata piriformis Nic., type of Oribata Michael, 1884,
non Oribata Latr., 1802, non Oribates Dug., 1834, non Oribates
G. L. Koch, 1836, non Oribates G. L. Koch, 1842, non Oribata
Nicr 1859.
p. 17. Murcia trimaculata CG, L. Koch, type of Murcia C. L.
Koch, 1836.
p. 19. Acarus coleoptratus L. (N. B. synonym of Oribata ovalis),
type of Notaspis Herm., 1804,
Oribata nitens Nic., type of Oribata Nic., 2d. group,
1855, non Oribata Latr., 1802, non Oribates Dug., 1834, non
Oribates G. L. Koch, 1836, non Oribates G. L. Koch, 1842.
Oribates nicoletii Berl., type of Archipteria Berl., 1885
THE DENOMINATION OF GENERA OF ORIBATIDAE. 147
p. 20. Notaspis alatus Herm,, type of Galumna Heyd., 1826;
type of Oribata Nic., Ast group, non Oribata Latr., 1802, non
Oribates Dug., 1834, non Oribates G. L. Koch, 1836, non Oribates
C. L. Koch 1842; type of Oribates Berl., 1885, non Oribata
Mates (S025 non 2 etc.
p. 21. Zetes dorsalis G. L. Koch, type of Zetes C. L. Koch, 1836.
Zetes elimatus C. L. Koch, type of Zetes GC. L. Koch,
1842, non Zetes C. L. Koch, 1836.
p. 24. Oribates calcaratus GC. L. Koch, type of Oribates G. L.
Koch, 1836, non Oribata Latr. 1802, non Oribates Dug., 1834.
p. 27. Oribates fusifer G. L. Koch, type of Neozetes Berl., 1885.
Leiosoma mierocephalum Nic., type of Serrarius Michael, 1883.
p. 28. Carabodes micronychus Can., type of Zetorchestes Berl. ,
1888; type of Leptorchestes Can., 1885, non Leptorchestes Tho-
rell, 1869.
p. 30. Scutovertex sculptus Michael, type of Scutovertex Michael,
1879.
p. 32. Notaspis tegeocranus Herm., type of Kochia Oudms., 1900;
type of Cepheus Nic., 1855, non Cepheus G. L. Koch, 1836.
p. 35. Cepheus latus C. L. Koch, type of Cepheus C. L. Koch, 1836.
Tegeocranus velatus Michael, type of Tectocepheus Berl., 1895.
p. 37. Carabodes coriaceus C. L. Koch, type of Carabodes G.L.
Koch, 1836; type of Tegeocranus Michael 1884, non Zegeocranus
Nic., 1855.
p. 38. Zegeocranus femoralis Nic., type of Tegeocranus Nic., 1855.
p. 40. Leiosoma similis Nic., type of Leiosoma Michael, 1884,
non Leiosoma Steph., 1831, non Leiosoma Nic., 1855.
p. 41. Oribata nitens Gervais, type of Liacarus Michael, 1898;
type of Leiosoma Nic., 1855, non Levosoma Steph. , 1831.
p. 46. Notaspis bipilis Herm., type of Notaspis Nie. , 1855, non
Notaspis Herm., 1804.
Oribates badius G. L. Koch, type of Oppia Grube, 1859,
non Oppia G. L. Koch, 1836.
p. 47. Eremaeus hepaticus G. L. Koch, type of Hremaeus.C. L.
Koch, 1836.
148 (DR. A. C. OUDEMANS). REMARKS ON
Zetes lucorum CG. L. Koch, type of Notaspis Michael,
1884, non Notaspis Herm., 1804, non Notaspis Nic., 1855. |
p. 48. Eremaeus oblongus G. L. Koch, type of ee Nic,
1855, non Mremaeus C. L. Koch, 1836.
p. 53. Belba trois Berl., type of Amerus Berl. 1883.
p. 55. Damaeus auritus C. L. Koch, 1836 , type of Damaeus
C. L. Koch, 1856. |
Oppia glaucina G. L. Koch, 1836, type of Oppia G. L.
Koch, 1836.
p. 56. Damaeus concolor CG. L. Koch, type of Damaeosoma ,
Berl... 1887.
Acarus geniculatus L , type of Oribata Latr., 1802;
type of Acarus, Latr., 1797, non Sea , 1758; type ee
Nic., 1855, non a Gi L.2::Koch, 1836.
p. 64. Hermannia crassipes Nic., type of Hermannia Nic. , 1855.
p. 66. Notaspis theleproctus Herm., type of. Neoliodes Berl.,
1888; type of Liodes Heyd., 1826, non Ziodes Latr., 1797.
p. 67. Eremaeus cymba Nie. , type of Cymbaeremaeus Berl. , 1896 ;
type of Mremaeus Michael, 1884, non Zremaeus CG. L. Koch, 1836,
non Mremaeus Nie. , 1855.
p. 70. Nothrus anauniensis Can. & Fanz , type of Angelia Bee
1885.
p. 71. Nothrus echinatus C. L. Koch, type of NotArus C. L.
Koch, 1836.
p. 72. Nothrus palustris CG. L. Koch, type of Nothrus C. L,
Koch, 1842, non Nothrus G. L. Koch, 1836.
p. 73. Notaspis segnis Herm., type of Camisia Heyd. 1826.
Nothrus spinifer G. L. Koch, type of Nothrus Nic. ,
1855, non Nothrus G. L. Koch, 1836, non Nothrus G. L. Koch, 1842.
p. 75. Michaelia paradoxa Hall., type of Lohmannia Michael,
1898; type of Michaelia Haller, 18 Dec., 1884, non Michaela
. Troues. , Nov. 1884.
. 77. Hypochthonius rufulus G. L. Koch, type of Hy AMO
0. iL Koch, 1836.
p. 79. Hoplophora decumana G. L. Koch, type of Hoploderaia
THE DENOMINATION OF GENERA OF ORIBATIDAE. 149
Michael, 1898; type of Hoplophora C. L. Koch, 1836, non Hyplo-
phora Perty, 1830.
Hoplophora magna Nic., type of Hoplophora Nic., 1855,
non Hoplophora Perty, 1830, non Hoplophora G. L. Koch, 1836,
non Hoplophora G, L. Koch, 1842,
p. 81. Tritia decumana Berl., type of Tritia Berl., 1883,
Phthiracarus conctractilis Perty, type of Phthiracarus
Perty, 1841.
p. 82. Hoplophora laevigata G. L. Koch, type of Hoplophora
C. L. Koch, 1842, non Hoplophora Perty, 1830, non Hoplophora
CCL. Koch, 1856,
p. 83. Claviceps hirtus Can. & Fanz., type of Claviceps Can. &
Fanz. 1877.
p. 84. (Intercalate:) Gustavia sol Kram., 1879, type of Gustavia
Kram., 1879.
Murcia fumigata G. L. Koch, type of Murcia G. L. Koch,
1842, non Murcia G. L. Koch, 1836.
Notaspis castaneus Herm., type of Oribates Dug., 1834,
non Oribata Lat., 1802.
Notaspis corynopus Herm., type of Belba Heyd., 1826.
p. 85. Oribates aterrimus G. L. Koch, type of Oribates GC. L.
Koch, 1842, non Oribata Latr., 1802, non Oribates Dug., 1834,
non Oribates G. L. Koch, 1836.
Pelonia foliosa Grube, type of Pelonia Grube, 1859.
(Intercalate:) Xenillus clypeator Rob. Desv., type of
Xenillus Rob Desv., 1839.
Arnhem, 12 Febr. 1900.
159
NEW LIST OF DUTCH ACARI
BY
Dr, A, C. OU DE M A NS.
Ist Part.
With Plate 9,
The following names of Acarı of my first List must be changed,
partly because the species were wrongly determinated, partly be-
cause the names do not correspond with those adopted in « Das
Tierreich », partly on other reasons.
In Vol. XXXIX, p. 53 sqq. of the Tijdschrift voor Entomologie :
1. (Hoplophora) globosa Koen = Hoploderma dasypus (Ant. Duc.).
2. (Hoplophora) ferruginea Koch (straminea Kocn) = Hoploderma
dasypus (ANT. DuG.).
3. (Hoplophora) lucida Koen = Hoploderma dasypus (ANT. Duc.).
4. (Hoplophora) laevigata Koen = Hoploderma dasypus (ANT. Duc.).
5. (Hoplophora) nitens Nic. (dasypus CLAP. non Duc.) = Ho-
ploderma dasypus (ANT. Duc.).
6. (Hoplophora) magna Nic. = Hoploderma magnum (Nic.).
7. (Hoplophora) sp.
A a di = Hoploderma dasypus (Ant. Duc.).
10. (Hoplophora) sp.
11. Phthiracarus sp. = Phthiracarus arduus (C. L. Koch).
12. Oppia bipilis Herm. (badia Koen) = Eremaeus bipilis (HERM.).
13. Oppia exilis Nic, = Eremaeus lucorum (G. L. Koch).
14. Oppia sp. = Eremaeus tibialis Nic.
(DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I. 151
15. (Leiosoma) flavipes Koen = Liacarus ovatus (G. L. Koch).
16. (Leiosoma) fuscus Koen = Liacarus coracinus (G. L. Koch).
17. (Leiosoma) ovatus Koch = Liacarus ovatus (CG. L. Koch).
18. (Leiosoma) subterraneus Koen = Liacarus lativentris (Nic.).
19. (Leiosoma) nitens GEOFFR. = Liacarus coracinus (C. L.
Kocn).
20. (Leiosoma) sp. = Liacarus ovatus (G. L. Koch),
21. (Leiosoma) sp. = Liacarus ovatus (G. L. Koch).
22. Cepheus latus Koen (Tegeocranus cepheiformis Nic.) = Cepheus
. cepheiformis Nic.
23. Cepheus minutus Kocu = Carabodes marginatus (MICHAEL).
24. Cepheus (Carabodes) coriaceus Kocu = Eremaeus con, fervae
(SCHRANK).
25. Cepheus sp. = Seutovertex velatus (MICHAEL).
26. Cepheus sp. = Carabodes labyrinthicus (MICHAEL).
27. Cepheus sp. = Cepheus cepheiformis (Nic.).
28. (Cepheus) tegeocranus Herm. (vulgaris Nic.). = Kochia tegeo-
crana (HERM.).
29. (Cepheus) latus Nic. = Kochia lata (Nıc.).
30. (Cepheus) sp. = Kochia tegeocrana (HERM.).
31. Belba geniculata Linn. (clavipes Herm.) (nodipes Koch) =
Oribata clavipes (HERM.).
32. Belba sp. = Oribata verticillipes (Nic.) (non MICHAEL),
33. Hermannia gibba Koca = Hermannia convexa (CG. L. Koch).
34, Hermannia sp. = Hermannia bistriata (Nic.).
35. Hermannia sp. = Hermannia convexa (C. L. Koch).
36. Hermannia sp. = Hermannia bistriata (Nic.).
37. Eremaeus eymba Nic. = Cymbaeremaeus cymba (Nic.).
38. Nothrus pallens Koch (non Can. Fanz.) = Camisia palustris
(G. L. Koch).
39. Nothrus sp. = Hermannia bistriata (Nic.).
40. Nothrus sp. = Camisia anauniensis (Can. et Fanz.) and
Camisia sylvestris (Nic).
41. Nothrus sp. = Camisia bicarinata (G. L. Koch).
42. Nothrus sp. = Hermannia bistriata (Nic).
152 (DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I.
43. Hypochthonius pallidulus Kocn = Hypochthonius rufulus (C.
L. Koch).
44, Pelops acromios Herm. non Koch = Pelops acromius (HERM.).
45. Pelops fuligineus Koch (laevigatus Nic.) = Pelops plicatus
(C.-L. Koch).
46. Oribates coleoptrata Linn. (alatus Herm.) (dorsalis Koch)
= Notaspis lanceatus Oups. (nov. sp.).
47. Oribates flammula Koen (quadricuspis GRUBE) = Notaspis
quadricornutus (MICHAEL).
48, Oribates humeralis Herm. = Notaspis lapidarius (H. Luc.).
49, Oribates seminulum Panz. (lapidarius Luc.) = Notaspis glo-
bulus (Nic.).
50. Oribata ovalis Koen (punctata Nic.) = Notaspis coleop-
tratus (L.).
51. Oribates ephippiata Koen = Notaspis depauperatus (BERL.).
52. Oribates facula Koch = Notaspis lapidarius (H. Luc).
53. Oribates setosus Kocn = Notaspis trimaculatus (G. L. Koch).
54. Oribates punetum Kocu = Notaspis cuspidatus (MICHAEL).
55. Oribates climatus Kocu = Notaspis elimatus (G. L. Koch).
56. Oribates pallidula Koen = Eremaeus similis (MICHAEL).
57. Oribates rubens Kocu = Notaspis cuspidatus (MICHAEL).
58. Oribates fuscomaculata Kocn = Notaspis lucasi (Nic.).
59. Oribates nitens Nic. = Notaspis coleoptratus (L.).
60. Oribates semirufa Koch. = Notaspis cuspidatus (MICHAEL),
61. Oribates sp. = Eremaeus tibialis (Nic.).
62. Oribates sp. = Notaspis cuspidatus (MICHAEL).
63. Oribates sp. = Notaspis lapidarius (H. Luc.).
64. Oribates sp. = Notaspis coleoptratus (L.).
65. Oribates sp. = Notaspis quadricornutus (MICHAEL).
66. Gen.? sp.? = Eremaeus subtrigonus OUDMS. (nov. sp.).
67. Gen.? sp.? = Eremaeus lanceolatus (MICHAEL).
68. Gen.? sp.? = Eremaeus subpectinatus OUDMS. (nov. sp.).
Consequently 42 species, instead of 68.
Since the publication of my first List, I have found several of
the above mentioned Acari in other localities, and several species
(DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I. 153
new to our Fauna. Therefore I give here a new List of Oribatidae
neerlandicae.
ORIBATIDAE.
Notaspidinae.
A. Pelops plicatus (G. L. Koch). — In decaying leaves, in
moss. — Delden, Ruurloo, Warnsveld, Zutphen, De Steeg,
Overveen, Bloemendaal, Bergen op Zoom. — 4, 7, 8.
2. Pelops acromius (HERM.). — In moss, — Sneek, Nijkerk.
— 5. — Mr. Kempers.
3. Notaspis orbicularis G. L. Kocu. — In moss. — Overveen. — 8.
4. Notaspis trimaculatus (C. L. Koch). — In moss, in Lichen,
on Lemna major L. — Sneek, Nijkerk, Utrecht, The Hague. —
1, 4, 9. — Dr. Everts, Mr. Kempers.
5. Notaspis depauperatus (BERL.). — In a roof-gutter , in decaying
leaves, on Campanella edulis, — Lochem, Utrecht, Plasmolen. —
Gas ees
6. Notaspis gracilis (MicHAEL). — In decaying leaves. — Haarlem.
— 7, 8.
7. Notaspis lapidarius (H. Luc). — In decaying leaves, in moss,
on Calluna vulgaris, a nest of 20 specimens in a rolled leaf of
Crataegus oxyacantha. — Warnsveld, Zutphen, De Steeg, Nijkerk ,
Haarlem, Overveen, Bloemendaal, Leiden, The Hague, Bergen op
Zoom. — 4, 6, 8 — Dr. Everts, Mr. Snellen, Mr. Kempers.
8. Notaspis subglobulus (OupMs.). — In decaying leaves. — Warns-
veld. — 4.
9. Notaspis globulus (Nic). — In decaying leaves, in moss, —
-Ruurloo, Haarlem, The Hague, Loosduinen. — 5, 8. — Dr. Everts.
10. Notaspis quadricornutus (MicHAEL). — In decaying leaves, in
moss. — Sneek, Delden, De Steeg, Haarlem, Bloemendaal, The
Hague, Bergen op Zoom. — 4, 5, 7, 8. — Dr. Everts.
11. Notaspis coleoptratus (L.). — In decaying leaves, in moss.
— Sneek, Langweer, Lochem, Ruurloo, Warnsveld, Zutphen,
De Steeg, Haarlem, Overveen, Bloemendaal, The Hague. — 4,
SiO, 75 8:
154 (DR. A. C. OUDEMANS.) NEW LIST OF DUTCH ACARI, I.
12. Notaspis elimatus (CG. L. KocH). — In decaying leaves, in
moss. — Sneek, Zutphen, De Steeg, Haarlem, Overveen: — 5, 8.
13. Notaspis lanceatus Oupms. — In decaying leaves. — De
Steeg. — 8.
14, Notaspis cuspidatus (MICHAEL). — In decaying leaves, in moss.
— Langweer, Delden, Lochem, Ruurloo, Zutphen, Brummen,
De Steeg. — 4, 6, 8.
15. Notaspis lucasi (Nic.). — In moss. —- Sneek. — 5.
16. Notaspis parmeliae (MicHAEL). — Nijkerk. — Mr. Kempers.
Serrariinae.
Not found hitherto.
Zetorchestinae.
Not found hitherto.
Eremaeinae.
17. Scutovertea velatus (MicnarL). — in decaying leaves, in
moss. — Sneek, Lochem, Zutphen, Brummen. — 5, 8.
18. Scutovertex ovalis Bert. — In decaying leaves — Bloe-
mendaal. — 8.
19. Scutovertex maculatus MicHAEL. — In dried Cichory-roots —
Oude Pekela. — Prof. Dr. Ritzema Bos.
20. Kochia bifidata (Nic.) — In decaying leaves. — Delden. — 4.
21. Kochia tegeoerana (HERM.). — In decaying leaves, in moss.
— Warnsveld, De Steeg, Haarlem, Bloemendaal, Overveen, The
Hague, Bergen op Zoom. — 4, 5, 7, 8.
22. Kochia lata (Nic.). — In decaying leaves, in moss, —
Nijkerk, Haarlem, Bloemendaal, The Hague, Loosduinen. — 8,
— Dr. Everts.
23. Cepheus cepheiformis Nic. — In decaying leaves. — Lang-
weer, Lochem, Zutphen, Warnsveld. — 4, 6, 8.
24. Carabodes marginatus (MicHAEL). — In decaying leaves, in
moss, — Langweer, Lochem, Zutphen, Brummen. — 6, 8.
25. Carabodes labyrinthicus (MicHAEL), — In decaying leaves. —
De Steeg.
(DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ARACI, I. 155
26. Liacarus coracinus (CG, L. Koch). — In decaying leaves, in
moss, — Langweer, Brummen, De Steeg, The Hague. — 6, 8.
— Dr. Everts.
7. Liacarus ovatus (CG. L. Kocx). — In decaying leaves, in
moss. — Delden, Lochem, Brummen, Haarlem, Zutphen. —
CO LS:
28. Liacarus lativentris (Nic.). — In decaying leaves, in moss.
— The Hague. — Dr. Everts.
29. Eremaeus similis (MICHAEL). — In decaying leaves. —
Lochem. — 8. |
30. Mremaeus exilis (Nic... — In decaying leaves, in moss. —
De Steeg, Haarlem, Bergen op Zoom. — 7, 8.
31. Eremaeus tibialis (Nic.). — In decaying leaves, in moss,
on Boletus. — Langweer, Lochem, Ruurloo, Warnsveld, Zutphen,
Haarlem, Overveen, Bloemendaal. — 4, 6, 7, 8.
32. Mremaeus bipilis (HERM.). — In decaying leaves. — De
Steeg, Bergen op Zoom. — 7, 8.
33. Eremaeus frisiae Oupus. — In moss, — Sneek. — 4.
34. Eremaeus lucorum (CG. L. Koch). — In lichen, in moss, in
a roof-gutter, in houses, on the head of a gardener in several spe-
cimens causing a troublesome itch. — Sneek, Nijkerk, Utrecht,
The Hague. — 1, 4. — Dr. Everts, Mr. Kempers.
39. Eremaeus confervae (SCHRANK). — On the roots of Lemma,
in Confervaceae. — Sneek, Utrecht. — 3, 4, 5, 6.
36. Mremaeus lanceolatus (MICHAEL). — In decaying leaves, in
moss. — Delden, Zutphen, Haarlem. — 4, 8.
37. Eremaeus subtrigonus Oupms. — In moss, — Zutphen. — 8.
38. Eremaeus pectinatus (MicHAEL). — In decaying leaves. —
Haarlem. — 5, 8.
39. Eremaeus subpectinatus Oupms. — In decaying leaves. —
Delden, Ruurloo, Warnsveld. — 4, 8.
40. Eremaeus ornatus Oupms. — In decaying leaves. — Warns-
veld, Bergen op Zoom, — 4, 7.
4A. Eremaeus longilamellatus (MICHAEL) var, neerlandica Oupxs.
— In decaying leaves. — Delden. — 4.
156 (DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I.
42. Eremaeus splendens (CG. L. KocH). — In decaying leaves, —
Delden. — 4.
Oribatinae.
43. Oribata michaeli Oupms. — In decaying leaves. — Haar-
lem, — 7, 8.
44, Oribata aurita (CG. L. Koch.) — In decaying leaves. —
Haarlem. — 7.
45. Oribata geniculata (L.) — Valkenburg. — 7. — Dr. Everts.
46. Oribata verticillipes Nic. — In decaying leaves, — Delden,
Lochem, De Steeg, Loosduinen. — 4, 8. — Dr. Van Hasselt.
47. Oribata clavipes (HERM.). — In decaying leaves, in moss.
— Sneek, Lochem, Maarsbergen, Haarlem, The Hague. — 5, 8.
— Dr. Everts.
Camisiinae.
48. Hermannia reticulata Tuor. — In moss, — Warnsveld. — 8.
49, Hermannia nanus (Nic.). — In decaying leaves. — Haar-
lem. — 8.
50. Hermannia convexa (CG. L. Kocm). — In decaying leaves,
in moss. — Delden, Ruurloo. — 4, 8.
51. Hermannia bistriata (Nic.). — In decaying leaves, in moss,
on Campanella edulis. — Langweer, Delden, Lochem, Ruurloo,
Zutphen, Brummen, De Steeg, Haarlem, The Hague, Bergen op
Zooms ND 10 Tian:
52. Cymbaeremaeus cymba (Nic.). — In decaying leaves, in moss.
— Zutphen, Brummen, Haarlem. — 8.
53. Camisia sylvestris (Nic.). — In decaying leaves, in moss, —
Langweer, Lochem, Ruurloo, Zutphen, Haarlem. — 6, 8.
54. Camisia palustris (GQ, L, Koch). — In decaying leaves. —
Lochem, Haarlem, The Hague. — 7, 8.
55, Camisia anauniensis (CAN. & Fanz.). — In decaying leaves,
in moss. — Langweer, Ruurloo, Zutphen, Haarlem. — 6, 8.
56. Camisia biearinata (G. L. Koch). — On Pleris aquilina,
Or Boletus sp. — Ruurloo, Plasmolen. — 7.
(DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I. 157
57. Hypochthonius rufulus (C. L. Kocw). — In decaying leaves,
in moss. — Ruurloo, Haarlem, The Hague. — 5, 7, 8.
Phthiracarinae.
58. Hoploderma magnum (Nic.). — In decaying leaves, in moss.
— Delden, Ruurloo, Zutphen, De Steeg, Haarlem, The Hague. —
AD 8,
59. Hoploderma dasypus (ANT. Duc.), — In decaying leaves,
in moss, — Sneek, Delden, Lochem, Ruurloo, Warnsveld, Zut-
phen, Brummen, De Steeg, Haarlem, Overveen, Bloemendaal ,
The Hague, Bergen op Zoom, — 4, 5, 6, 7, 8.
60. Phthiracarus arduus (G. L. Koch). — In decaying leaves
in moss, — Langweer, Lochem, Zutphen, De Steeg, Haarlem,
Overveen, Bloemendaal, — 5, 6, 7, 8,
REMARKS
and descriptions of new species.
Notaspis trimaculatus (GC. L. Koch)
The specimens found by me are of the form delineated by
BERLESE and KRAMER, for I consider Kramer’s Oribata incisella
identic to Kocu’s setosa, The hairs on the abdomen are short and
stiff, not curved and flexible, as delineated by MICHAEL.
Notaspis depauperatus Berl.
I think MicHAEL is right in considering Oribata pusillus BERL.
(A. M. S. fase. 77, nr. 3) synonym to Oribata depauperata BERL,
(A. M S. fase. 35, nr. 6,) for my specimen resembles exactly both
forms; it has, however, on tibia and genu 4 and 2 only a
stiff bristle instead of a strong spine, or of a feathered spine,
Further the lamellar cusps are small and the tectopedia 1 don ’t
have a free point. I consider these characters too insignificant to
form a new species.
158 (DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I.
Notaspis subglobulus Oudms.
This new species is closely allied to Notaspis globulus (Nic.)
It is very black, highly polished and nearly globular, measures
0,680 mm, in length and 0,558 mm. in breadth.
Cephalothorax dark brown; rostrum blunt; no rostral hairs
(fig. 1.); lamellae on the edges of the cephalothorax, posteriorly
as broad as anteriorly, with distinct pointed cusps; lamellar hairs
as long as or longer than the cephalothorax, setiform, planted on
the base of the lamellar cusp; translamella a thick line, but very
distinct; interlamellar hairs longer than cephalothorax, setiform ,
directed forward and slightly upward, Pteromorpha truncated ante-
riorly, well developed.
Abdomen black with a yellowish patch on its anterior margin,
destitute of any hairs.
Tectopedia 1 (fig. 2) blade-like with sharp cusp and with a hair
on its base; this hair is directed forward, curved inward, and
distinctly pectinated on its distal half. Genital aperture a trapezium
with its base turned forward. Anal aperture ditto, but its base is
turned hindward; moreover the top of the trapezium springs with
a point inward, and the base is rounded.
The pseudostigmatic-organ (fig. 3) is. of moderate length, with
thin and curved peduncle and a rod-like head, filled as it were
with fat-globules, and turned forward, The organ may be called
long-clavate.
The «key» on page 10 of «Das Tierreich, Oribatidae » should
be changed as follows:
Rost. slender; C. lam, long; legs long; no
Tu lightipateh on Dors. of SLA RIONI gracilis.
| Rost. wbtuse; C. lam. short; legs moderate;
light patch or patches on Dors of Abd. —16a.
Psstg. org. very small, almost globular on
short peduncles. 02 ace ia . N. lapidarius.
Psstg. org. moderately long, gradually thick- i
164,
ened toward distal end . . . . . . N. subglobulus.
(DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I. 159
Notaspis globulus (Nic.
My specimens are of about 1,25 millimeter and have a distinct
yellow or yellowish-brown patch on the abdomen near the anterior
margin. I think this is Acarus seminulum O. F. MüLLER = Acarus
seminulum PANZER.
Notaspis gracilis (Michael)
My specimens have long, slender, finely feathered, pointed
pseudostigmatic organs instead of moderately clavate ones. So that
we may change the «key» on page 10 of «Das Tierreich, Ori-
batidae» as follows:
Psstg. org. clavate—13.
12. ( Psstg. org. setiform, rod-like, or otherwise
—17.
( Abd. globular . . . . . . . . . N. globulus
Lt | Abd. oval or otherwise—1 7a.
17 i Abd. oval, rounded posteriosly. . . . . N. gracilis.
a.| Abd. hexagonal, truncated posteriorly . . N. clypeatus.
Notaspis alatus Herm., elimatus (C. L. Koch) and
lanceatus Oudms.
There are three distinct forms, which may be called species,
as there are, so far as I know, not found transitory forms.
The first is with c/avate pseudostigmatic organs:
1778. Acarus marginatus De Greer, Mém. VII, p. 152, t. 11,
f. 1. The pseudostigmatic organs are not delineated, they
may have been short and clavate. The name marginatus is
preoccupied by DE GEER himself, p. 133, t. 8, f. 6.
1804, Notaspis alatus Herm. Mém. Apt. p. 92, t. 4, f. 6. The
pseudostigmatic organs are not drawn, they may have been
short and clavate.
1836. Zetes dorsalis Kocu, Deu. Cr. Myr. Ar. 2, 14. Pseudostig-
matic organs distinctly clavate.
160
1841.
1841.
1855.
1877.
1885.
1896.
The
(DR. ASC: OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I.
Zetes alatus Koch, Deu. Cr. Myr. Ar. 31,6. Psstg. org.
distinely clavate, shorter than those of dorsalis,
Zetes satellitius Koen, Deu. Cr. Myr. Ar. 31,13, nympha.
Oribata alata Herm, Nic. in Arch. Mus. VII, p. 431, t.
teed sala.
Oribates alatus HERM. Can en Fanz. in Att. R. Ist. Ven, Sc.
Lett. Art. ()elW, ap ets
Idem. Can. Prosp. Acarofauna Ital I. p. 12
Idem, Berlese, A. M. S., fasc. 78, nr. 9.
second species has jiliform pseudostigmatic organs; they
may be perfectly of the same thickness throughout and smooth,
or provided on their distal half with extremely minute and only
with high powers visible hairs, and in this case the distal half is
twice
1841.
1877.
1883.
1884.
1885.
The
organs
1884.
1886.
thicker than the proximal half:
Oribata climatus Koch. Deu. Cr. Myr. A. 31,5.
Idem. Can Fanz. in Att. R, Ist. Ven. Sc. Lett. Art. (5)
Vip.
Idem. Berl. in Bull. Soc. Ent. It. XV. p. 218.
Oribata alata (Herw.) Michael Brit. Orib. p. 257. (partim).
Oribates climatus Kocu, Can. Prosp. Acarofauna Ital. I, p. 13.
third species has long, very slender, smooth pseudostigmatic
with a /anceolate head; I will call it Notaspis lanceatus.
Oribata alata Her. Mich, Brit. Orib. I, p. 257 (partim)
and Tab, X, fig. 1.
Oribates elimatus BERLESE,. A. M. S. fasc. 30, nr. 1.
Change therefore the «key» on page 11 of «Das Tierreich,
Oribatidae», as follows:
32. |
32a.
33.
Psste lors shorts: clavate) a ar, ea Neal aus:
| Psstg. org, otherwise — 32a.
Psstg. org. long, slender, almost filiform . N. elimatus.
Psstg. org. long, slender, with fusiform or
lanceolate head—33.
Dors. of Abd. plain . . . + … . .- + N. lanceatus.
Dors. of Abd. with fine longitudinal wrinkles N. rugifrons. .
(DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I. 161
Notaspis cuspidatus (Michael.)
The shape varies from oval to broad-oval, and my specimens
have unvariably a pectinated hair, standing upon the distal end of
the tectopedia 1 This hair is curved toward the top of the rostrum.
Scutovertex velatus (Michael).
MICHAEL calls this species Tegeocranus velatus. I consider it,
however, as a true Seutovertex, Astly because the « cephalothorax
and abdomen are joined by a central projection of the former, or
otherwise», 2dly because the animals habitus is not at all that
of a Tegeocranus, but of a Scutovertea, or, at least, of a Curabodes,
3dly because the lamellae and their cusps have perfectly the same
shape as those of Scutoverter caclatus BERL. and Seutovertex sculptus
MICHAEL. This is so striking, that we may make a group of them
within the genus Seutoverter.
I therefore propose to change the «key» of Sewtovertex on p. 29
of «Das Tierreich, Oribatidae » as follows:
Lam. broad, horizontal; C. lam, long, large,
with rounded distal ends—2,
Lam. narrow, or only thickened bars, or
ridges, or scarcely visible—4
| Ung. CRM I I CS ESCUIpIUS:
|
\
|
|
\
|
2.
Ung. monod.—3,
3 Abd. with wing-like margin on shoulder . S. velatus.
‘ { Abd. without wing-like margin. . . . . S. caelatus.
Une Monod en ben, SAI foo: KDilineatus:
4, .
Ung. trid.—5.
5 NogPsstc4WfnorePsste: Org, ane 94 Spoof:
Psstg. and Psstg. org. present—6. |
(@lamebladevonredge 2 ‘NC i 9 OVALS:
6. | Lam. and Trlam. thickened bars, or ridges,
—_ —
or scarcely visible—7.
Two indentations in post. margin of Abd.,
ihe ansbmerinweachen.. Ua. epee: aie cot Oc ALOË
No indentations in post. margin of Abd.— 8.
Tijdschr. v. Entom. XLIII 11
162 (DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I.
Dors. of Abd. slightly curved . . . . .S. corrugatus.
8. / Dors. of Abd. with arched centre and broad,
flat, peripheral band . - . . +. S. maculatus.
In the «key» of Tegeoeranus on page 33 of «Das Tierreich,
Oribatidae », we have only to cross the first three lines.
Carabodes marginatus (Michael).
My specimen has the pseudostigmatie organs not so curved and
not so sharply pointed as MICHAEL describes and figures, and the
hairs on the abdomen and on its margin are somewhat feathered
distally. Yet I don’t believe it a new species, but a simple variety.
Liacarus lativentris (Nic.).
NricoLer's figure is quite exact. I have only one remark: the
pseudostigmatic organs end in a hair; this is in my specimen
shorter than in NicoLrr’s figure,
Eremaeus exilis Nic.
On the dorsum of the abdomen there are 10 marginal moon-
crater-shaped organs, as I described in Mremaeus schneideri Oups.
and other species, arranged as follows: two stand near the anterior
corners and are large, each side one, and the eight others, smaller
in size, stand close to the posterior margin. Only one of my specimens
has distinct cusps, the other have no cusps and the pseudostig-
matic organs vary from short-clavate with rounded top to moderate-
long-clavate with distal point.
Therefore the «key» on page 43 of « Das Tierreich, Oribatidae »
is lo be changed as follows:
| With SCs Slam u o en. cate ae TES:
( Without C. lam. - 4a.
| Lam. broader at distal than proximal ends. E. exilis.
“ | Lam. narrower at distal than proximal ends. E. tibialis.
Eremaeus tibialis Nic.
My numerous specimens form an unbroken range between the
(DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I. 163
forms drawn by MicHAEL (Brit. Orib. II. tab. 28, f. 6) and BERLESE
(Ac. Myr. Scorp. Ital. fasc. 77, nr. 5). The hairs on the abdomen
are scarcely visible. I don’t observe any mooncratershaped organs
on the abdomen. The blades at the anterior corners of the abdomen
gradually run into the lamellae, and’ under these blades the pseu-
dostigmata are hidden The pseudostigmatic organs are shorter than
delineated by BERLESE,
Eremaeus frisiae Oudms.
A species very like Mremaeus burrowsi MICHAEL, but instead of
thick hairs it bears thin hairs on the dorsum of the abdomen.
Further the femora 1, 2 and 3 are not so swollen as in burrowsi;
the hears on the legs are not pectinated but smooth, and the tibiae
of all the legs bear on their distal end a tactile hair which is as
long as or longer than the tarsus. Lamellae above 4 of the length
of the cephalothorax. Length 0,450 mm.
Therefore we should change the «key» on page 43 of «Das
Tierreich, Oribatidae » as follows:
| Lam. much broader anteriorly than posteriorly E. glaber.
‘ | Lam. aequal width throughout—9a.
i Lam. about 1 of Cephth.; Trlam, rather
more than a mere line; legs with pectin-
Beh ee ee Ea DurrowWsi.
Lam. above 3 of Cephth.; Trlam. a blade
about as wide as Lam.; legs with smooth
DAS bnn a). ee „ES frisiao
9a.
Eremaeus lucorum (C. L. Koch).
On each side of the obdomen there are three to five moon-
crater-shaped organs. — Amongst my specimens there are with
an almost round abdomen, resembling perfectly that of Zremaeus
pilosus (G. L. Koch). My specimens vary from 0.594 to 0.906 mm.
in length.
Eremaeus confervae (Schrank).
My drawing of the pseudostigmatic organs on Plate 10, fig. 2
164 (DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I.
and 8 of Vol. XXXIX of the Tijdschrift voor Entomologie is wrong
This organ is very short and clavate with almost globular head.
In fig. 2 the position of these organs is wrong too. The spectacle-
shaped figure on the cephalothorax is nothing else but the distinctly
visible pseudostigmata and the lamellae; these being two bars,
running from the pseudostigmata forward, converging considerably.
Eremaeus confervae (SCHRANK), contrary to my supposition pro-
nounced on p. 170 of the above-named Tijdschrift is very distinct
from Mremaeus lacustris (Mrcmarr). Of the lamellae, the pseudo-
stigmata and the pseudostigmatic organs MICHAEL says (Brit. Orib. II.
p. 400): «No true lamellae nor translamella, but there are two
pairs of rather irregular ridges, one of which probably represents
the lamellae The inner pair of these ridges are less than half the
length of the cephalothorax, the outer, which are less constant , are
at least three-quarters of its length; both spring from the base of the
cephalothorax, where the two ridges of each pair are furthest apart,
approaching more closely at their distal ends. As the creature is
found, usually neither the pseudo-stigmata nor the pseudo-stigmatic
organs project at all from the cephalothorax ; the former are exceed-
ingly minute roundish holes, near the base of the cephalothorax,
leading into short somewhat S-shaped passages closed by membranes
at the inner ends, and containing what appear to be the extremely
small, filiform, preudo-stigmatic organs which follow the shape of the
tubes and do not project beyond. This, however, is really a broken
condition of the pseudo-stigmatic organ, which has a short, very
thin peduncle projecting some little distance outside the pseudo-
stigma, and a shortly-pyriform head; this peduncle, unlike those
of the pseudo-stigmatic organs of all other species in the family
which I know, is very brittle and usually breaks off short just
outside the pseudo-stigma; so generally is this the case that when
Pl. XXXII was printed I had not ever seen a specimen with its
pseudo-stigmatic organs perfect, and was not aware of the existence
of the club; but about Christmas, 1886, I asked Mr. E. Bostock
to send me a few specimens for duplicates: he kindly did so, not
having examined what he sent further than to see that they were
(DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I. 165
N. lacustris. On looking at them I was surprised to see the exterior
clubs of the pseudo-stigmatic organs, and I have drawn one in a
perfect condition in Pl. XXX, which had not then gone to press,
I think the organs must be looked on as becoming abortive; pos-
sibly the time of year may affect the condition, specimens obtained
from the same pond in May were without the organs, »
That I did at first not see the pseudostigmatic organ is, because
these animals are generally covered with detritus, All my specimens
bear their pseudo-stigmatic organs, contrary to those of MICHAEL,
Further the tibiae of all the legs bear at their distal ends an
enormous tactile hair, much longer than the tarsi with their
enormous claws. MICHAEL does not mention nor draws such tactile
hairs in his Zremaeus lacustris.
I maintain my supposition that my Acarus is identic to Acarus
confervae SCHRANK. When the dark coloured animal, wholly covered
with detritus is seen with low powers, the demarcation between
cephalothorax and abdomen cannot be perceived and the enormously
developed tactile hairs at the 8 tibiae immediately strike us, and
have evidently struck SCHRANK 100.
The «key» on p. 44 of «Das Tierreich , Oribatidae » , is there-
fore to be changed as follows:
17 Aquatic—17a.
* ( Terrestrial—18.
Psstg, very indistinct; no true Lam. , but there
17a. are two pairs of rather irregular ridges . E. lacustris.
Psstg. distinct; Lam. present . . . . . E. confervae.
Eremaeus lanceolatus (Michael).
Some of my specimens have lamellae running beyond the lamellar
hairs, curving at the same time inward. Some of them even have
lamellae which reach one another in the median line, forming a
translamella, bowed forward, Therefore change the « key» on page
44 of «Das Tierreich , Oribatidae » as follows:
166 (DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I.
C. lam. present; Tibia 1—2 almost globular ;
Dors. of Abd. arched in centre with a
19. flattened: margin... E Mmonilines:
No G lam.; Tibia 1—2 not globular; no
flattened margin to Dors. of Abd.—19a.
{ Four longitudinal ridges on Dors. of Abd, E. quadricarinatus.
192.) No ridges on Dors. of Abd. . . . . + E. lanceolatus.
Eremaeus subtrigonus Oudms.
Length 0,300 m.m.
This species is intermediate to Mremaeus clavipectinatus (MICHAEL)
and Mremaeus trigonus (MICHAEL).
Its pseudostigmatic organ has a fusiform head on a straight,
thin, smooth peduncle; the fusiform head has a lateral pectinated
membrane (fig. 7). The markings on the cephalo thorax resemble
however strongly those of Zremaeus trigonus (MicHAEL). The legs
have the common pyriform femora and pyriform tibiae and nearly
fusiform tarsi, like Eremaeus longilamellatus (MICHAEL), Kremaeus
lanceolatus (MicHAEL) and Mremaeus splendens (C. L. Kock). The
abdomen is smooth, its circumference eggshaped, with the point
directed backward; it bears 4 rows of 5 smooth fine hairs each,
of about + of the abdomen’s breadth.
Change of the «key» on page 44 of « Das Tierreich, Oribatidae » :
Psstg. org. not clavate neither fusiform , with
a setiform distal- end M. = 2.0. En pectinatus:
24, Psstg. org. clavate or fusiform with a smooth
peduncle—21 a
Head of Psstg. org. a pectinated club . .E.clavipectinatus.
21a.{ Head of Psstg, org. fusiform with pectinated
membranen... nos. eee E subirigonus:
Eremaeus subpectinatus Oudms.
Stature (Fig. 5) like that of Æremaeus lanceolatus (MICHAEL),
but somewhat stouter, being /anceolatus 0,297 mm., and subpectinatus
0,313 mm. (both dutch specimens). Abdomen and cephalothorax
(DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I. 167
however relatively longer. Pseudostigmatic organs long, not clavate
neither fusiform, with only three or four spines on their setiform
distal end. Lamellae running nearly parallel forward, somewhat
undulated. Two other chitinous bars stand between the lamellae,
running from the abdomen straight forward, These bear the inter-
lamellar hairs, which are turned backward. Two little lamellar
hairs; moreover some very low chitinous ridges mark the cephalo-
thorax. The abdomen is oval, bears in its foremost part three very
low chitinous ridges, running from its margin backward. Four
longitudinal rows of nearly inconspicuous fine hairs; four hairs on
hind-margin. The legs (I have not delineated the hairs on the
legs) remember those of Eremaeus longilamellatus (MICHAEL), pec-
tinatus (MICHAEL), Janceolatus (MICHAEL), etc., having pyriform
femora and tibiae, and nearly fusiform tarsi.
Change the «key» on page 44 of «Das Tierreich, Oribatidae »
as follows:
Psstg. org. clavate or fusiform, with a smooth
94 | peduncle--21a.
Psstg. org. not clavate nor fusiform, with a
setiform distal end— 210.
Head of Psstg. org. a pectinated club . .E.clavipectinatus.
21a.! Head of Psstg. org. fusiform, with pectin-
ated membrane. . - . . . +. +. +. E. subtrigonus.
Psstg. org. very long, slightly thickened in
the middle, with a few pectinations upon
212. thermiddle« Se T.E. pectinatus:
Psstg. org. long, not thickened, with 3 or
\ 4 pectinations quite distal . . . . .E.subpectinatus.
Eremaeus ornatus Oudms.
This species (Fig. 6) is closely allied to Mremaeus trigon us
(MICHAEL) and Zremaeus subtrigonus Oups. Like these two it has
a truncated rostrum with three points.
Cephalothorax triangular in shape; rostrum with a median and
two lateral points; rostral hairs minute; lamellae divided into two
168 (DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I.
curved bars; one of them does not start from the pseudostigma,
but from a little distance in front of it, then bending inward and
forward; the other forming a bow with its convexity outward,
just as in the two above mentioned species, with this difference,
however, that they reach in the present species nearly the tip of
the rostrum. No lamellar hair nor interlamellar hair present,
Between the pseudostigmata, or, as MICHAEL expresses himself,
between the lamellae, there are two short bars, springing from
the anterior margin of the abdomen; these bars are not joined by
a transverse bar, and are directed obliquely outward. |
The abdomen is smooth, finely punctured, and bears as far as
I could observe, two transversal rows of four hairs each, and
eight on, or quite near the posterior margin. All the hairs are
exceedingly fine.
The legs are of the common type; the femora and tibia clavate,
the tarsi pyriform, the claws monodactyle.
I propose to change the «key» on page 44 of «Das Tierreich,
Oribatidae » as follows:
Rost. truncated, three-pointedl— 23a. »
“© | Rost. not truncated—24,
DO | Bars joined anteriorly by a transverse bar. E. trigonus.
dl Ue \
| Bars not joined by a transverse bar. . . E. ornatus,
Efemaeus longilamellatus (Michael)
var. neerlandica Oudms.
This variety (fig. 4) differs from its type by having no long
lamellae, but short ones. The long lamellae viz. are broken up
into three pieces, and these three pieces together don’t reach
farther than the middle of the cephalothorax. Moreover outward of
the concavity of the lamellae there are three chitinous eminences
placed in a triangle, The cephalothorax is broader than in the
type, and posterior to the pseudostigmata there are two T-shaped
chitinous bars, running from the anterior margin of the abdomen
toward the pseudostigma, as in Zremaeus splendens (G. L. Kocn).
(DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I. 169
Indeed the present: variety seems to be intermediate between the
two mentioned species.
Change the «key» on page 44 of «Das Tierreich, Oribatidae »
as follows: é
a Lam. very long, almost reaching tip of Rost. E.longilamellatus.
4. i i :
Lam, short, not reaching middle of Gepth.— 24a,
Psstg. org. long, lanceolate, smooth . . E. longilamellatus
dia, var. neerlandica.
Psstg. org. moderate, clavate, hairy . . E. splendens.
Oribata verticillipes (Nic.) (non Michael).
Michael in «Das Tierreich, Oribatidae » p. 59 describes under
the name Damaeus verticillipes Nic. his own species. He is
wrong in doing so. The species of NICOLET is quite another one,
at least two times longer, broader, higher. NıcoLET has figured
his species pretty well, oniy the legs are drawn too slender, and
the hairs on the legs too fine, both are thicker. The two species
are immediately distinguished by the following characters:
Oribata verticillipes (Nic.) is about 0,7 to 0,75 mm. in length.
Its pseudostigmatic organs are rod-like, straight, long. Its inter-
lamellar hairs are rod-like, longer than the pseudostigmatic organs,
they stand upward and somewhat curved backward. Its nympha
= Damaeus torvus CG. L. Kocu, C. M. A. fasc. 3, f. 14 and Tijd-
schrift voor Entomologie v. 39, tab. 10, f. 20, has enormous long
curved hairs on its abdomen, Whilst :
Oribata michaeli Oudms.
which name I give to Oribata verticillipes (MicHAEL) (non Nic.),
is about 0,360 mm. long; its pseudostigmatic organs are very
tong, setiform, with undulated distal end; its interlamellar hairs
are setiform, curved, much shorter than the pseudostigmatic organs,
Its nympha, probably = Noihrus pollinosus C. L. Koch, CG. M. A.
fasc, 29, nr. 12, has short, curled hairs on its abdomen.
7
170 (Dr. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I.
The «key» on p. 54 of «Das Tierreich, Oribatidae » therefore
should be changed as follows:
6. for verticillipes read . . . . . . . . 0. michaeli.
i Femora gradually clavate, projection between
| legs 1 and 2 blunt anteriorly . . . . 0. geniculata.
15. ( Femora with thin proximal part, distal sud-
| denly enlarged; projection between legs À
and 2 pointed anteriorly—1 54.
Legs scarcely longer than body; Intlam. hairs
longer than Psst. org.. . . . . . . 0. verticillipes.
154. :
Legs much longer than body; Intlam. hairs
short, setiform, sharply curved. . . . 0 clavipes.
Hoploderma dasypus (Ant. Dug) and italicum Oudms.
MicHAEL, Das Tierreich, Oribatidae, p. 79, diagnosing Hoplo-
derma globosum (G. L. Koch), asks: «? if really distinct from
H. dasypus». I am of the opinion of zo. I have examined some
hundreds of specimens, varying in length from 0,435 to 1,33 mm. ,
and have observed that the pseudostigmatic organs are long-fusiform
and distinctly visible in small, and of the same size, consequently
relatively much shorter-fusiform in big specimens, Between these
two there are many transitions, All my specimens have the so-
called « depression » on the cephalothorax.
In a side-view the height of animals of the same length may
vary greatly, also the breadth, so that some have a nearly glo-
bular abdomen — globosus Kocu, The hairs much differ, varying
from nearly invisible thin and short to well developed and curved
backward — crinita KocH.
I believe Hoploderma dasypus BERLESE (non Duc) to be quite
another species, for I cannot suppose that BERLESE and CANESTINI
should have described and delineated a long setiform psstg. org., instead
of a short fusiform one, if the latter was present. I propose to
call it Hoploderma italicum Oups. The «key» on p. 78 of
«Das Tierreich, Oribatidae » is to be changed as follows:
Psstg. org. shorter, fusiform . . +. . + H. dasypus.
"I Psstg. org..long, setiform . . . . … . Hi ‘italicum.
(DR. A. C. OUDEMANS). NEW LIST OF DUTCH ACARI, I. 171
Phthiracarus arduus (C. L. Koch).
have observed many specimens; they have not smooth, but
somewhat feathered bristles. The pseudostigmatic organs too are
somewhat feathered, especially distally. I think MıcHAEL has over-
looked this — or the Dutch specimens differ from the British.
I believe PAthiracarus canestrinii MicHAEL to be the same species.
I have arduus with pseudostigmatic organs standing between a
common rod-like and one «with thin peduncle and _ flattened
expanded head». The length of this organ is varying too, the
shorter ones are nearly straight, the longer ones curved. These
varieties are local ones.
Arnhem, 12 Febr, 1900,
HET ADERSYSTEEN DER KEVERVLEUGELS,
DOOR
K, J. W. KEMPERS.
(Vervolg van Tijdschr. voor Entom. Deel 42, pag. 208.)
Sub-Orde III. Clavicornia.
Toen Prof. Dr. H, Burmeister in 1855 zijn «Untersuchungen
über die Fligeltypen der Coleopteren I abth. Clavicornia Latr. »
openbaar maakte, beoogde hij de waarde van den achtervleugel
als systematisch moment te bewijzen, door van het aderbeloop van
den vleugel gebruik te maken als leiddraad in de nog al onnatuur-
lijke onder-orde der Clavicornia van Latreille. Hij kwam daardoor
tot het resultaat dat in de Clavicornia volgens Latreille drie geheel
heterogene vleugelvormen voorkomen, welke even natuurlijke groe-
pen aanwijzen als de Lamellicornia, Capricornia en Rhynchophora.
De eerste groep, waaraan hij den naam Clavicornia laten wilde,
bevatte Histeroidea, Necrophoridae, Scaphidiina, Anisotomidae,
srachyptera, Pselaphidae, Scydmaenidae, welke groep thans uit-
maakt de 2e sub-orde Staphylinoidea. De tweede groep aan welke hij
den naam wilde geven van Pilicornia, bevatte: Dermestodea, Byr-
rhodea, Peltodea, Trogositidae, Engyidae, Erotylidae, Mycetopha-
gidae, Colydiidae en Corticidae, welke thans tot de Clavicornia-
groep behooren, uitgenomen de Dermestodea en Byrrhodea. De
derde groep eindelijk bevatte Palpicornia, Macrodactyli en Acan-
thopoda, die tot een afzonderlijke onder-orde verheven zijn.
Wanneer men echter thans de onder-orde der Clavicornia, zooals
deze in het werk van Jhr. Dr Everts behandeld wordt, vergelijkt
met hetgeen volgens Bürmeister’s 2e groep er toe zou behooren,
(K. J. W. KEMPERS) HET ADERSYSTEEM, ENZ. 173
komt men tot het resultaat, dat daarbij thans gevoegd zijn: de
Sphindidae en Lyctidae — vroeger gerekend tot de Bostrychidae — en
de Cioidae (allen voorheen gerekend tot de sub-orde Malacodermata).
By de beschrijving van de vleugels zal blijken, of ook volgens het
aderbeloop, deze familién te recht van de Malacordermata zijn
afgescheiden en bij de Clavicornia gevoegd.
Konden van de reeds behandelde, evenals van eenige later te
behandelen onder-orden, gemakkelijk vleugeltypen gegeven worden,
waarvan alle vleugels der tot die onder-orden behoorende kevers
gemakkelijk af te leiden waren, met deze onder-orde gaat dat niet.
We zullen zien, dat hier vleugelvormen voorkomen, die veel
verwantschap aantoonen met de 2e sub-orde, met de Anobiidae
(Malacodermata) en met de Tenebrionidae (Heteromera) terwijl ook
vormen voorkomen, waar de aanwijzing van verwantschap met
andere onder-orden moeilijker is, Een poging om een vleugeltype
te ontdekken wordt daarom niet beproefd.
XXste Familie. Phalacridae. (Everts p. 463).
Phalacrus corruscus Payk. Roger p. 25.
Vleugel lang elliptisch, gewricht ongeveer op het midden ; top-
gedeelte iets grooter dan het bazaalgedeelte. Binnenrand bewimperd ,
het bazaallapje niet. V. scapularis loopt licht gegolfd naar het ge-
wricht. Van de plaats waar ader IT deze ader ontmoet loopt tot
het gewricht een pigmentzoom langs deze ader. (Volgens Roger
evenals bij de Staphylinen). In het topgedeelte zijn twee straal-
aderen zichtbaar waarvan de bovenste naar den bovenrand, de
onderste naar den binnenrand loopt. De V. externo-media loopt
zacht gebogen tot op de hoogte van het gewricht en verdeelt zich
daar in twee deelen, waarvan de bovenste terugloopt en zich richt
op den vleugelwortel, de benedenste nagenoeg in het verlengde van
de hoofdader naar den binnenrand loopt. V. interno-media loopt
nagenoeg recht naar den binnenrand. Anaalader rudimentair.
Dwarsaderen ontbreken. Zie fig. 1.
Olibrus bicolor F. Roger pag. 25.
174 (K. J. W. KEMPERS) HET ADERSYSTEEM
Al de bovenbeschreven aderen geheel conform. Bovendien zijn
duidelijk zichtbaar resten van een verbindingsader tusschen V.
Scapularis en V. externo-media. Ook de cubitus is zichtbaar. Aders
V en IX worden door haar met elkander in verbinding gebracht
en wel door twee dwarsaderen, die te zamen een hoek van ongeveer
120° vormen. De cubitus zelf is gevorkt. De vleugel is aan den
bovenrand bewimperd van wortel tot gewricht.
Stilbus testaceus Panz. De vleugel herinnert op het eerste gezicht
sterk aan Phalacrus. Het eenige verschil is het zichtbaar zijn van
een deel van den cubitus, namelijk de onderste tak met de dwars-
ader, die hem met de V. internomedia verbindt. In het topge-
deelte echter treft men aan — volkomen kleurloos — de twee
straaladeren evenals bij Phalacrus; bovendien nog een straalader
boven en evenwijdig aan de bovenste. Tegen de V. scapularis is,
ter hoogte van het gewricht, een vierkante cel zichtbaar, inge-
sloten door V. scapularis en een kleurlooze nevenader, welke
verbonden is met V. externomedia (bovenste tak). De onderste
straalader is eveneens verbonden met dien bovensten tak der V.
externo-media, doch ook met den kleurloozen rand der vierkante
cel, zoodat tusschen deze cel en de vena externo-media een drie-
hoekige cel gevormd wordt. Resten van deze verbindingen zijn
duidelijk zichtbaar bij Olibrus, doch daar niet kleurloos.
Volgens J. Redtenbacher hebben deze vleugels meer van de
Trogositidae dan van de Nitidulidae, Het waarom is mij niet
duidelijk.
XXIste Familie. Nitidulidae. (Everts p. 467).
Brachypterus.
Brachypterus glaber. Newm.
Vleugel lang elliptisch, binnenrand bewimperd. Bazaallapje groot,
diep ingesneden, niet bewimperd. Gewricht op ongeveer 1 van de
vleugellengte, V. scapularis zacht gebogen. Evenals bij Phalacrus
loopt langs haar een vrij breede pigmentzoom. Langs den boven-
rand loopt een eenigszins donkerder gekleurde zoom, begrensd door
een straalader. Tusschen den bovenrand en die straalader loopt, aan
de laatste evenwijdig, een korte straalader, eindigende in een pig-
‘ DER KEVERVLEUGELS. 175
mentvlek 1). V. externo-media loopt recht door tot de hoogte van
het gewricht én verdeelt zich daar in twee takken (dichotomisch),
welke beide naar den binnenrand loopen, evenals bij de Histeridae
en andere Staphylinoidea. Cubitus ontbreekt. V. interno-media
enkelvoudig, zacht gebogen naar den binnenrand loopend. Anaal-
ader niet zichtbaar.
Nitidulini.
Epuraea aestiva L. Roger p. 25.
De vleugel herinnert sterk aan den vorigen, doch onderscheidt
zich in de bewimpering van den bovenrand van wortel tot ge-
wricht. De pigmentvlek aan ader III is korter en begint meer op
een terugloopende ader te gelijken. De bovenste tak van ader V
is nu slechts zichtbaar als straalader. De langs den bovenrand
loopende straalader eindigt aan beide zijden in een pigmentvlek.
De cubitus is enkelvoudig, door dwarsaderen verbonden met v.
interno-media en v. externo-media, V. interno-media knievormig
gebogen. Anaalader niet aanwezig, Bazallapje ontbreekt. De vleugel
is echter toch, — doch zeer ondiep — ingesneden,
Nitidula bipustulata L.
Bovenrand bewimperd, zoover ader II langs den rand loopt.
Binnenrand zeer kort bewimperd, van de plaats waar ader V
den rand ontmoet tot den top. Gewricht vóór het midden. Ader III
loopt bij het gewricht terug met een scherpen hoek tot op het
midden tusschen aders III en V, Ader V loopt ongeveer rechtlijnig
tot de hoogte van het gewricht en verdeelt zich daar in twee
deelen, waarvan de bovenste tak terugloopt tot zij de terugloopende
ader III ontmoet en de benedenste tak, met den hollen kant naar
boven, naar den rand loopt. Cubitus als bij Epuraea, Anaaladeren
rudimentair, V. interno-media zwak gegolfd. Een straalader loopt
van het midden naar den binnenrand. Binnenrand ondiep inge-
sneden bij ader V; bazaallapje klein. De pigmentvlekken aan de
bovenste straalader niet aanwezig.
1) Deze pigmentvlek wordt door Roger beschouwd als een reminescens van
het 2de gewricht der Staphylinen,
176 (K. J. W. KEMPERS) HET ADERSYSTEEM
Amphotis marginata F Roger p. 26, afgebeeld door Burmeister.
De vleugel verschilt nagenoeg niet van Soronia. Slechts één pig-
mentvlek zichtbaar, evenals bij Brachypterus.
Soronia grisea L. Als boven. De beide pigmentvlekken aan de
bovenste straalader wel zichtbaar.
Anaalader niet zichtbaar,
Omosita colon L. Als de vorige. De beide pigmentvlekken ont-
breken. De binnenrand ingesneden bij ader V en bij de straalader.
Bazaallapje klein.
Meligethini.
Meligethes aeneus F. Roger pag. 26.
Meligethes Brassicae Scop. Vleugels als van Brachypterus.
Alle dwarsaderen ontbreken.
Biorc.ardıa na.
Pocadius ferrugineus. F. De vleugel wordt uitvoerig beschreven
door Roger p. 26. Er is nagenoeg geen verschil met Soronia. Alleen
het bazaallapje iets dieper ingesneden, welk lapje ook bewimperd
is. Van de straalader langs den bovenrand zijn drie pigmentvlekken
zichbaar. (Zie fig. 2).
Cylladini.
Cychramus 4—punctatus Herbst. afgebeeld door Redtenbacher.
De teekening geeft weinig verschil met Pocadius,
penn:
Cryptarcha strigata, F. Vleugel nagenoeg als Meligethes, Ader III
in gegolfden vorm. Gewicht vóór het midden. Hier geeft ader III
een korte terugloopende ader af. Langs den bovenrand is de vleugel
iets donkerder dan de rest. Aan de bovenste straalader geen pig-
mentvlekken zichtbaar. De benedenste straalader en aderen V en
IX als bij Meligethes. Op ongeveer 3 der lengte geeft ader IX
een dwarsaderreste naar ader V af, Anaalader drieledig. Binnen-
rand bewimperd, het vrij groote bazaallapje uitgezonderd.
Ips. A— guttatus F. De vleugel stemt geheel overeen met Poca-
dius. De verbinding tusschen aderen III en V wordt niet te weeg
gebracht door de twee terugloopende aderen direct, maar door een
tusschen haar loopende dwarsader,
DER KEVERVLEUGELS. IL gfe
Pityophagus ferrugineus L. Als de vorige.
Rhisophagini.
Lhisophagus depressus. F. Roger p. 26.
Lehizophagus bipustulatus F. Het aderstelsel is in hoofdzaak gelijk
aan dat van Pityophagus. De vleugel langer gestrekt. In het top-
gedeelte ontbreekt de staalader. Het onderste gedeelte van den
cubitus eindigt in een pigmentvlek. Voor het eerst is ader XI
duidelijk aanwezig. Deze loopt evenwijdig aan ader IX en is met
haar door een dwarsader verbonden. Anaallapje niet groot, onbe-
wimperd. Verbinding tusschen aderen III en V geheel als bij
Ips en Pityophagus. Zie fig. 3.
Volgens Redtenbacher schijnen de Nitidulidae het meest verwant
aan de Silphidae, (zie bijv. Catops.) Histeridae enz.
XXIIsfe Familie. Cryptophagidae. Everts. p. 496.
Trellimmaltto pha dim
Telmatophilus caricis Oliv. Vleugel langgestrekt met het gewricht
iets vóór het midden. De V. scapularis loopt tot het gewricht en
buigt zich daar terug, De Vena externo media verloopt zacht
gebogen van wortel tot de hoogte van het gewicht, wordt daar
onderbroken en zet zich dan tot den binnenrand voort. Ter hoogte
van het gewricht geeft deze ader een dwarsader af, die haar ver-
bindt met de resten van ader IV, die zich als kleurlooze straal-
ader tot den top voortzet. De terugloopende aderen van III en V
zijn door een dwarsader verbonden, waarop in het midden nog
weder een restant langsader loodrecht staat. In het verlengde van
de terugloopende ader III is in het topgedeelte nog een duidelijk
zichtbare straalader. Het komt mij voor dat de terugloopende aderen
restanten van een concave ader IV zijn.
De cubitus is gevorkt, door een dwarsader verbonden met ader
V en met twee dwarsaderen verbonden met Vena internomedia,
waardoor dus een vierkante cel gevormd wordt. De Vena interno-
media verloopt van wortel tot binnenrand licht gegolfd, Onmiddellijk
naast deze loopt een bijna onzichtbare concave ader, vermoedelijk
ader X. Evenwijdig aan V. interno media loopt een anale ader IX,
Bazaallapje groot, onbewimperd. Binnenrand bewimperd; boven-
Tijdschr. v. Entom. XLIII. 12
178 (K. J. W. KEMPERS) HET ADERSYSTEEM
rand bewimperd zoo ver V. Scapularis langs den bovenrand loopt.
Zie fig. 4.
Cryptophagini.
Cryptophagus acutangulus Gyll.
Als de vorige. De straaladeren ontbreken. De Cubitus heeft drie
verbindingen met den rand, waarvan de bovenste niet geheel zicht-
baar is. Hij is door slechts een dwarsader verbonden met V.
interno-media.
Anterophagus silaceus. Herbst. Afgebeeld door Burmeister fig. 9
besproken door Roger p. 29. Cubitus met slechts 2 takken.
Antherophagus nigricornis F. afgebeeld door Redtenbacher, Cubitus
met 3 takken.
Atomarini.
Atomaria fuscipes Gyll. Vleugel lang gestrekt. Gewricht op
ongeveer 1 van de vleugellengte. Vena sapularis en v. externo-
media recht verloopend tot het gewricht. De laatste is niet tot
“den binnenrand zichtbaar. In het anaal gedeelte loopen twee
evenwijdige aderen, waarvan de beteekenis moeilijk te vinden is.
Vermoedelijk zijn het cubitus en V. interno-media, Topgedeelte
volkomen aderloos. De bovenrand bevat, zoover de ader er langs
loopt, 15 wimperharen. De binnenrand is geheel bewimperd. Ba-
zaallapje ontbreekt. Zie fig. 5.
De vleugels dezer familie doen sterk aan de Nitidulidae denken.
XXIIIste Familie. Sphindidae Everts p. 515.
Sphindus hispidus Payk. Vleugel langgestrekt, binnenrand ge-
golfd en kort bewimperd. Bazaallapje diep ingesneden , onbewim-
perd. De aders I en II vereenigen zich spoedig en loopen geza-
menlijk langs den rand. V. scapularis loopt van den wortel tot
het gewricht in rechte lijn, onmiddellijk langs de beide voorgaande
aderen. Het gewricht ligt iets voorbij het midden. Een korte
terugloopende ader wordt even voor het gewricht afgegeven. V.
externo-media loopt eenigszins gebogen tot ter hoogte van het
gewricht en verdeelt zich daar in tweeën. De bovenste tak loopt
in een boog naar den wortel terug, de benedenste is op den bin-
nenrand gericht. Tusschen de beide terugloopende aderen van
DER KEVERVLEUGELS. 179
V. scapularis en externo-media is een onduidelijke dwarsverbinding
zichtbaar. In het topgedeeite loopen twee elkander evenwijdige
straaladeren naar den bovenrand, een derde straalader loopt
naar den binnenrand, Cubitus niet aanwezig, ader VI daarentegen
zichtbaar, V. Interno-media enkelvoudig, met ader XI door een
korte dwarsaders verbonden. Zie fig. 6.
De vleugel doet eenigszins aan de Phalacridae denken, doch
veel sterker aan de Anobiidae en Bostrychidae zooals Priobium,
Hedobia, Ochina, Dorcatoma, Rhisopertha en aan Cis.
XXIVste Familie Cioidea. Everts. p. 516.
Cisini.
Cis boleti. F. Gewricht iets vóór het midden. Binnenrand bewim-
perd. De V. Scapularis buigt zich bij het gewricht terug naar binnen.
Langs den bovenrand is een breede, zwakgekleurde pigment-
zoom zichtbaar begrensd door een straalader. Een tweede straal-
ader begeeft zich naar den binnenrand. V externo-media loopt van
wortel tot gewricht als een zwak gebogen lijn, verdeelt zich daar
in een tak, die in het verlengde van haar naar den binnenrand
loopt en in een zeer kort en haakvormig takje. Voorts is zichtbaar
ader VI van wortel tot aan den binnenrand, waar zij uitloopt in
een donkere pigmentvlek. De binnenrand, zacht ingesneden bij
V. externo-media, is bewimperd. Bazaallapje ontbreekt. Zie fig. 7
Volgens Roger pag. 61, overgenomen door Everts p. 517 is de
ader, die ik als ader VI beschouw de V. intermo-media. Door
vergelijking met dezelfde ader en vlek bij de volgende familien
waar het aderstelsel meer ingewikkeld is zal men tot het besluit
moeten komen dat de opvatting van Roger niet juist is.
Ennearthron cornutum Gylh nagenoeg geheel als de vorige. De
benedenste straalader niet zichtbaar. Ader VI in het midden niet
zichtbaar.
De vleugel herinnert zeer sterk aan die der Lathridiidae.
XXVste Familie Erotylidae. Everts p. 523.
Engin
Engis vipustulata Tunb, Zie Roger p. 29.
Vleugel breeder, dan bij de vorige familiën het geval was. Bin-
180 (K. J. W. KEMPERS) HET ADERSYSTEEM
nenrand bewimperd, uitgezonderd het niet zeer diep ingesneden
bazaallobje. Gewricht voorbij het midden. V. Scapularis geeft bij het
gewricht een terugloopende ader af, die door een dwarsader ver-
bonden wordt met de ader zelf. Een cel wordt dus ingesloten,
die vermoedelijk gelijk te stellen is met de voorste ruit der Carni-
vora groep. V. externo-media is hol gebogen, met den hollen kant
naar den bovenrand, verdeelt zich iets verder dan ter hoogte van
het gewricht in twee deelen. De bovenste tak loopt hoekig gebogen
terug en is door een dwarsader verbonden met de cel van V.
Scapularis. De benedenste tak loopt in het verlengde van de bovenste
naar den binnenrand. Tusschen deze tak en den cubitus bevindt
zich een pigmentvlek, waarin een lichter gekleurd streepje zicht-
baar is. Deze vlek moet beschouwd worden als een restant van ader
VI. Cubitus gevorkt, door een dwarsader verbonden met een groot
wigvormig veld, nagenoeg op dezelfde wijze, als bij vele Carnivoren
het geval is. V. interno-media heeft een uitgerekten S-vorm. Ader
XI door een korte dwarsader met V. interno-media verbonden.
De opvatting van Roger over het adersysteem, na V. externo-
media wijkt van de bovenstaande af.
rip lac ra
Cyrtotriplax bipustulata F. De vleugel wijkt van dien van Engis
bipustulata nagenoeg niet af. De cel tegen V. scapularis is naar
rato iets grooter. De terugloopende ader van V. externo-media loopt
tot den wortel terug, en is golvend gebogen in plaats van hoekig.
Het bazaallobje is nog minder diep ingesneden. In het topgedeelte
zijn twee donkerder gekleurde vlekken zichtbaar. Zie fig, 8:
De vleugel doet denken aan Colydiidae (nl. Orthocerus, Alindria ,
Endophloeus, Ditoma) en aan Tenebrionidae.
XXVIste Familie Trogositidae.
Nemosomini.
Nemosoma elongata \.. Afgebeeld door Burmeister fig. 7. Vleugel
langgestrekt; gewricht op het midden. V. scapularis met terugloo-
pende ader. V. externo-media verdeelt zich in twee takken, waarvan
de bovenste terugloopt, de benedenste in de richting van de hoofd-
DER KEVERVLEUGELS. 181
ader den binnenrand bereikt. Voor zooveel uit de teekening is na
te gaan, schijnt de cubitus gewoon, dus gevorkt te zijn, door een
rondgebogen dwarsarder verbonden met V. interno-media.
De anaal-aderen ontbreken. Bazaallobje klein.
I no/g/oisitinli.
Trogosita mauritanica L. Vleugelvorm eenigszins als dien van Gyr-
totriplax. Binnenrand en bazaallobje bewimperd. Ook het bovenge-
deelte van den vleugel bij den wortel voor een klein gedeelte met
enkele haartjes bezet. V. scapularis loopt in zacht gebogen lijn naar
het gewricht, dat op 2 van de vleugellengte ligt. Deze ader gaat
daar in een breed uitloopende pigmentvlek over. Bij het gewricht
wordt een rerugloopende ader afgegeven. V. externo-media verdeelt
zich ter hoogte van het gewicht evenals bij Nemosoma. De terug-
loopende aderen van V, scapularis en V. externo-media zijn door
een dwarsader verbonden, welke laatste middendoor gedeeld wordt
door een V-vormig overblijfsel van ader IV. Twee pigment-
vlekken in het topgedeelte worden door een straal-ader gescheiden.
Cubitus en V. interno-media als bij Nemosoma. Anaalader bestaat
uit twee takken, ongeveer als bij de Carnivora. Zie fig. 9.
Trogosita pini. Afgebeeld door Burmeister als fig. 6. en daarnaar
besproken door Roger pag. 27.
Pelt in 1.
Peltis ferruginea L. Afgebeeld door Burmeister als fig. 5, be-
schreven door Roger p. 27.
Volgens de teekening van Burmeister ontbreekt de verbinding
tusschen de terugloopende ader van V. externo-media en de cel
tegen V, scapularis, Tegen de V. interno-media nam ik een cel waar,
die als wigvormig veld te beschouwen is en welke door een dwars-
ader op dezelfde wijze, als bij de Carnivora het geval is, ver-
bonden is met den cubitus.
Het adersysteem is het volledigst bij Zrogosita pini volgens de
afbeelding van Burmeister en naar die afbeelding schijnt de meeste
overeenkomst te bestaan met Orthocerus, Tritoma, doch ook met
Tenebrioniden.
182 (K. J. W. KEMPERS) HET ADERSYSTEEM
XXVIlste Familie Colydiidea. Everts p. 531.
Col ydımna,
Aglenus brunneus. Gylh. Ongevleugeld.
Synchitini.
Ditoma crenata F. Zie Roger p. 28. Vleugelvorm bijna als bij
Trogosita mauritanica L. Bazaallobje niet diep ingesneden , ongeveer
als de insnijding bij V. externo-media. De geheele binnenrand is
bewimperd. Het gewricht ligt iets voorbij het midden. Langs den
bovenrand loopt de V. mediastina als een donker gekleurde ader,
zich langzamerhand eenigszins knodsvormig verbreedend. Onmiddellijk
daarlangs loopt de V scapularis, aan den wortel van de eerste
duidelijk gescheiden, als een lichter gekleurde ader, die zich bij
het gewricht binnenwaarts buigt. Bij het gewricht is een kleine
doorschijnende cel, evenals op de afbeelding van Bürmeister van
Trogosila pini, waaraan de vleugel overigens sterk denken doet.
De V. externo-media verdeelt zich ter hoogte van het gewricht.
De bovenste tak verbindt zich onmiddellijk met de terugloopende
tak van V. scapularis. Van uit het ontmoetingspunt is een straal-
ader naar den binnenrand zichtbaar, De benedenste tak loopt in
het verlengde van de bovenste tak der V. externo-media naar den
binnenrand. Tusschen deze tak en den cubitus is een ovale pig-
mentvlek zichtbaar, Cubitus gevorkt, in directe verbinding met
V. externo-media, en door een dwarsader met de enkelvoudige
V. interno-media. Anaalader als bij Trogosita.
Endophloeus spinulosus. Nagenoeg als de vorige. Er wordt geen
bazaallobje afgesneden; de binnenrand is niet bewimperd. V. sca-
pularis en externo-media door een dwarsader verbonden , zoodanig ,
dat met de korte terugloopende ader Ill, een driehoekige cel,
(voorste ruit) gevormd wordt. Tegen V. interno-media wordt een
ronde cel (wigvormig veld) gevormd, door een dwarsader met den
cubitus verbonden.
Orthocerini.
Orthocerus mutieus L. Zie Roger p. 27. Vleugelvorm meer trape-
ziumvormig. De boven- en benedenrand nagenoeg evenwijdig. Bazaal-
gedeelte spaarzaam, kort behaard. Gewricht op + der lengte. De
DER KEVERVLEUGELS. 183
eerste drie aderen loopen, als het ware ééne ader vormend,
langs den bovenrand. De verschillende kleur doet echter duidelijk
zien, dat men met drie aderen te doen heeft. Ader I is van fijne
dwarsribjes voorzien. Bij het gewricht verbreeden de aderen zich
tot een driehoekige, kleine pigmentvlek, die door een dwarsader
verbonden is met de terugloopende ader V. De Vena externo-media
loopt met holle zijde naar boven tot ter hoogte van het gewricht
en verdeelt zich daar op gewone wijze. Tusschen cubitus en de
benedentak van V. externo-media een ovaal ronde pigmentvlek,
Gubitus door een dwarsader met het groote wigvormige veld vere
bonden. Anaalader als bij Ditoma. Zie fig. 10,
Gerylonini.
Cerylon histeroides F. Zie Roger p. 28, Vleugel langgestrekt$
lancetvormig, aan de basis smaller, aan den top afgerond, Binnen-
rand ingesneden, waar V. externo-media den rand ontmoet, Het
topgedeelte aan den binnenrand bewimperd. Aderen zeer bleek,
V. scapularis verbreedt zich knodsvormig tot het gewricht, dat op
de helft van de vleugellengte gevonden wordt. Vena externo-media
zwak gebogen, met de holle zijde naar beneden, tot den rand
loopend. Ter hoogte van het gewricht vertoont zich een zeer kort
restje van een terugloopende ader. Tusschen V. scapularis en externo-
media twee resten van aders zichtbaar; de bovenste schijnt van een
dwarsader, de onderste van een straal-ader afkomstig. Ook nog
aanwezig een kort stompje van V. interno- media. Cubitus en analis
ontbreken, evenals de pigmentvlek. Zie fig. 11.
De vleugelvorm is als die van Lathridüdae.
XX VIllste Familie. Lathridiidae. Everts p. 540,
Lathridiini.
Lathridius minutus L. Zie Roger p. 30.
Coninomus nodifer Westw. Voldoet geheel aan de beschrijving
van de vorige.
Eniemus minulus L. Geheel als de vorige. Vleugelvorm iets
meer gestrekt, lancetvormig. V. scapularis knodsvormig verbreed
bij het gewricht. Zie fig. 12.
Cio.nt wearin:
184 (K. J. W. KEMPERS) HET ADERSYSTEEM
Corticaria serrata Payk. Vleugel rudimentair ovaal. Zichtbaar is
v. scapularis, geheel langs den bovenrand loopend. V. externo-
media loopt met de holle zijde naar beneden tot nabij den top.
De pigmentvlek is door een concave ader met den wortel ver-
bonden. Van andere aderen geen spoor aanwezig.
Melanophthalma gibbosa Herbst. Roger p. 30.
M. fuscula Humm. Als Enicmus. De binnenrand langer bewimperd.
De vleugel doet zeer sterk denken aan Cis boleti.
XXIXste Familie. Cucujidae. Everts p. 551.
Cucujini.
Cucujus imperialis Lew. Naar de afbeelding van J. Redtenbacher
is het gewricht gelegen op ongeveer ? van de vleugellengte. Bij
dat gewricht keert de v. scapularis terug en vormt daar een vrij
groote cel (voorste ruit.) die door een dwarsader verbonden is met
de terugloopende v. externo-media. Deze geeft behalve die terug-
loopende tak nog een, in haar verlengde loopende tak af, die naar
den rand gaat. Van den cubitus zijn drie, niet met elkaar verbonden,
evenwijdig loopende takken zichtbaar. De middelste en de voorste
zijn door een afgebroken dwarsader verbonden; de voorste eveneens
met V. interno-media. V. analis (XI) door een korte dwarsader
verbonden met V. interno-media. In het topgedeelte eenige pig-
mentvlekken aanwezig.
De afbeelding doet denken aan de vleugels van Buprestiden,
Elateriden en Thelephoriden,
Laemophloeus ferrugineum Steph. Vleugel langgestrekt, lancet-
vormig, rechthoekig aan de basis. Binnenrand , behalve het bazaal-
gedeelte, vrij lang bewimperd. Gewricht op het midden, V. scapularis
knodsvormig zich verbreedend. V. externo-media tot ter hoogte van
het gewricht recht loopend. Daar wordt een zijtak naar den bin-
nenrand afgegeven onder een kleinen stompen hoek. Een dwarsader
verbindt V. scapularis met externo-media. V. interno-media loopt
dichtbij, nagenoeg evenwijdig aan den achterrand.
P sam moeechint.
Psammoechus bipunctatus F. Vleugel langgestrekt, elliptisch.
Bazaallapje diep ingesneden; binnenrand gegolfd ter hoogte van het
DER KEVERVLEUGELS. 185
gewricht, Geheele binnenrand bewimperd; bovenrand tot aan het
gewricht, zoolang V. scapularis langs dien rand loopt. In het
apicaal gedeelte drie straaladeren zichtbaar. V. scapularis verbreed
zich bij het gewricht driehoekig, en gaat in den benedenhoek over
in een dwarsader, die haar verbindt met v. externo-media. Deze
loopt in zacht gebogen lijn naar den binnenrand. Cubitus gevorkt
zonder verbinding met V. interno-media. V. interno-media recht-
lijnig. Anaaladeren ontbreken. Zie fig. 15.
Silvanini.
Silvanus unidentatus F. Vieugel als van Psammoechus. Binnen-
en bovenrand niet bewimperd. De verbinding tusschen V. scapu-
laris en V. externo-media nagenoeg onzichtbaar. Van cubitus alleen
doorschijnende takken aanwezig. Een straalader in het topgedeelte
zichtbaar.
XXXste Familie. Monotomidae.
Monotoma angusticollis Gylh. Vleugel langgestrekt elliptisch.
Binnenrand vrij lang bewimperd; bovenrand van basis tot gewricht,
Gewricht op ongeveer 4 van de vleugellengte. V. marginalis en
scapularis ontmoeten elkander bij het gewricht, waar de laatste,
zich eenigszins verbreedend, terugloopt. De terugloopende ader is
door een dwarsader verbonden met v. externo-media. Deze loopt
in nagenoeg rechte richting van wortel tot binnenrand. V. interno
media enkelvoudig. V. analis en cubitalis ontbreken volkomen.
Topgedeelte aderloos. Zie fig, 14.
De vleugel doet denken meer aan Ochtebius dan aan Lathridius,
XXXIste Familie. Lyctidae. Everts p. 564.
Lyetus unipunctatus, Herbst. Vleugel tamelijk breed, elliptisch.
Binnenrand vrij diep ingesneden; bazaallapje groot. De binnenrand
is zeer kort bewimperd. Gewricht op 2 der lengte. V. scapularis
loopt van de bazis tot het gewricht in rechte richting, doch
buigt „zich *bij het gewricht langzaam naar binnen, waar zij
overgaat in een S-vormige verbindingsader met V. externo-
media. Tegen het gewricht zet V. marginalis zich uit tot een
bijlvormige pigmentvlek. De V. externo-media loopt met de
holle zijde naar boven tot het gewricht en geeft daar een terug-
186 (K. J. W. KEMPERS) HET ADERSYSTEEM
loopende ader af, De andere {ak loopt in het verlengde van dien tak
naar den binnenrand. Een straalader vereenigt de verbindingsader
tusschen V. exierno-media en scapularis met den binnenrand.
Tegen den bovenrand is een zwak gekleurde pigmentvlek zichtbaar.
Cubitus ontbreekt, V. interno-media vormt met V. analis een cel;
beide loopen dan, tot één ader vereenigd, tot nabij den rand.
Zie fig. 15.
Het aderbeloop verschilt in niets met Rhizopertha, die op haar
beurt een vereenvoudigde Apate capucina schijnt,
XXXIIste Familie. Byturidae. Everts p. 567.
Byturus tomentosus F. afgebeeld door Burmeister als fig. 8. Zie
Roger p. 31. Vleugel tamelijk breed elliptisch, tamelijk diep inge-
sneden bij het bazaallobje. Binnenrand bewimperd, bovenrand van
halfweg het gewricht tot aan het gewricht. Bazaallobje onbewimperd.
In het topgedeelte een drietal straaladeren. Tegen V. scapularis
nabij het gewricht een cel, in het bovengedeelte door een pigment-
vlek gevuld. De terugloopende ader van V. externo-media vormt
een halve cirkel en is door een accolade-vormige dwarsader ver-
bonden mei. de cel tegen V. scapularis. Het onderste gedeelte van
deze dwarsader gaat door een vrij groote, driehoekige pigmentvlek ,
die als reste van ader IV moet aangemerkt worden, !) De andere
tak van V. externo-media loopt onder nagenoeg rechten hoek naar
den binnenrand. Cubitus gevorkt, De bovenste tak eindigt in een
ei-vormige pigmentvlek, V. interno-media vormt tegen de V, analis
(Redtenb. XI) twee langwerpige cellen, waarvan de onderste wig-
vormig veld analoog zou zijn (Roger p. 31). V. analis gewoon.
De opvatting der aderen wijkt af van die van Roger, die bij
dezen vleugel telkens van bijaderen spreekt.
XXXIIIste familie. Tritomidae. Everts p. 568.
Tritoma A—pustulata L. Afgebeeld door Burmeister als fig. 16,
en naar die afbeelding beschreven door Roger p. 30.
Tritoma picea F. Vleugel breed, lancet-vormig. Gewicht iets
1) Dergelijke vlek wordt ook aangetroffen bij Nosodendron, Lamprorhiza, bij
de Cleridae, Cerambycidae en Chrysomelidae.
DER KEVERVLEUGELS. 187
voorbij het midden. Binnenrand bewimperd, bovenrand van halfweg
het gewricht tot aan het gewricht. V. mediastina (II) ontspringt
nabij den bovenrand, neemt een S-vorm aan, om daarna, halverwege
het gewricht langs dien rand te loopen. Bij het gewricht loopt zij
terug; de terugloopende ader wordt door een korte dwarsader met
de hoofdader verbonden” De V. scapularis (III) schijnt over V.
mediastina te loopen, en deze in twee deelen te verdeelen. De
kleur der cel doet vermoeden, dat zij bij ader II en niet bij ader
III behoort, V. externo-media verdeelt zich, ter hoogte van het
gewricht in twee takken, waarvan de bovenste zich binnenwaarts
richt en niet volkomen door een dwarsader verbonden is met ader
II; de onderste tak loopt in haar verlengde naar den binnenrand,
die daar ter plaatse ondiep ingesneden is. Gubitus gevorkt. Een
stomp van een dwarsader wijst op eene verbinding met V. interno-
media, Tusschen Cubitus en V. inerno-media is een pigmentvlek
zichtbaar. V. interno-media verdeelt zich op ongeveer een derde
deel der lengte in twee deelen, die zich op twee derde deel der
lengte weer vereenigen en dus een langwerpig, ovale cel insluiten.
V. analis gewoon, niet met V. interno-media verbonden. In het
topgedeelte eenige pigmentvlekken. Zie fig. 16.
Typhaca fumata. L. Vleugel meer smal lancetvormig, Aderen I
tot en met V geheel als de vorige, Cubitus gevorkt, zonder dwars-
verbinding met V. interno-media. V, interno-media sluit geen cel
in. Van V. analis slechts een tak aanwezig.
De vleugel van Tritoma doet het meest denken aan de Colydiidae.
XXXIVste Familie. Endomychidae. Everts p. 572.
Volgens J. Redtenbacher vertoonen de vleugels der Endomychidae
een eigenaardigen bouw, die ten gevolge van de reductie van het
adernet zich bezwaarlijk met de vleugels der andere familiën laat
vergelijken. Naar zijne afbeelding van een Endomychus (sp. ?) zou
m. i. verwantschap aan te wijzen zijn met de Coccinellidae. Zie fig. 17.
XXX Vste Familie. Mycetaeidae.
Mycetaea hirla Marsh. Ik zag slechts ongevleugelde exemplaren.
Alexia volgens Everts p. 575, ongevleugeld.
XXXVIste Familie. Coccinellidae. Everts p. 578.
188 (K. J. W. KEMPERS) HET ADERSYSTEEM
Chilocorini.
Chilocorus renipustulatus Scriba. Roger p. 84, Vleugel lancet-
vormig, breed. Binnenrand bewimperd, bovenrand alleen nabij het
gewricht. Het gewricht ligt ongeveer op het midden. V. scapularis
buigt zich bij het gewricht rechthvekig naar binnen, om zich kort
daarna nogmaals rechthoekig naar den wortel te buigen, De laatste
terugloopende ader is kort en door een dwarsader met de hoofdader
nagenoeg verbonden. De cel is voor het grootste gedeelte met pig-
ment gevuld. V. externo-media golvend gebogen naar den rand
loopend, in het midden met de holle zijde naar den bovenrand,
Ter hoogte van het gewricht is een met de bolle zijde naar boven
gerichte zijader zichtbaar, welke echter met de hoofdader, in den
regel niet volkomen, verbonden is en daarmede een elliptische cel
zou insluiten. In het topgedeelte 4 of 5 straaladeren. Tusschen ‘
V. scapularis en externo-media een drietal pigmentvlekjes. Cubitus
niet anders aangeduid dan door een kort stompje als dwarsader
van V interno-media. V. interno-media langgerekt S-vormig, door
een dwarsader verbonden met de gewoon gevormden V. analis (XI).
Het bazaallobje is onbewimperd; de binnenrand is tamelijk diep
ingesneden bij ader XI en V.
Exochomus 4—pustulatus L. In niets van de vorige onderschei-
den. Roger pag. 84.
Epilachnini.
Epilachna globosa Schneid. Zie Roger p. 84.
Sub-coccinella 24—punctata L. Vleugel iets meer gestrekt dan
Chilocorus. Binnenrand niet ingesneden bij ader V, In het topge-
deelte slechts drie straaladeren Geen cel gevormd tegen V. scapu-
laris. Eén pigmentvlek tusschen ader III en V, Zie fig. 18,
GKocernellint.
Hippodamia 13—punctata L. Roger p. 83.
Coccinella T—punctata L. Roger p. 84. Aderen I—III en het
wortelgedeelte van ader V lakrood. De vleugel zeer donker gepig-
menteerd in het topgedeelte en tegen den binnenrand,
Coccinella oblongoguttata L. Vorm langer gestrekt, Aderen I-II
en het wortelgedeelte van V geel, Overigens als de vorige.
DER KEVERVLEUGELS. 189
Coccinella ocellata L. Roger p. 84.
Rhizobiini.
Rhizobius litura F. Als Coccinella oblongoguttata 1..
Coccidula rufa Herbst. Roger p. 84, V. scapularis nabij het
gewricht knodsvormig verbreed, Ader IV zichtbaar van wortel tot
gewricht. Ader VI loopt evenwijdig aan V, externo-media (V).
Tusschen V. externo- en interno-media een ader VII (cubitus) als .
enkelvoudige ader zichtbaar. (Roger beschouwt V. interno-medio als
uit twee wortelen te zijn ontstaan.) Anaal-ader niet zichtbaar.
Seymnini.
Scymnus frontalis F. Roger. p. 84.
Scymnus nigrinus Kugel. als Chilocorus,
De vleugel der Coccinellidae doet meer aan die der Scarabaeidae
denken dan aan die der Chrysomelidae, anders echter J. Redten-
bacher. Zie Everts t. a. p.
Sub-Orde IV. Brachymera.
Als type voor deze orde meen ik Attagenus pellio L. te kunnen
nemen, daar het aderstelsel bij dezen het meest ontwikkeld is.
De vleugel is breed langwerpig. Binnenrand, ondiep ingesneden
nabij V. analis en externo-media, geheel bewimperd; de boven-
rand zoover V. mediastina langs dien rand loopt. Gewricht op 2
van de vleugellengte, V. mediastina loopt golvend, — S-vormig
— van den wortel naar den rand en blijft daar langs loopen tot
het gewricht. V. scapularis loopt in rechte lijn van de basis naar
het gewricht. Daar ter plaatse wordt tegen haar een trapezium-
vormige cel gevormd, waarvan de dwarsverbindingen de evenwij-
dige zijden vormen. V, externo-media heeft den gewonen vorm,
verdeelt zich dus ter hoogte van het gewricht. De bovenrand der
cel tegen V. scapularis is door een dwarsader verbonden met den
terugloopenden tak van V. externo-media welke dwarsader in de
nabijheid van den terugloopenden tak door een straalader (IV) even
onderbroken wordt. De cubitus begint midden in de area interno-
190 (K. J. W. KEMPERS) HET ADERSYSTEEM
media en verdeelt zich dan zeer spoedig in twee takken, waarvan
de bovenste recht, de onderste knievormig gebroken is. Beide takken
verdeelen zich kort daarna wederom in twee takken en loopen om
den ander, evenwijdig naar den binnenrand. De onderste tak,
zoolang deze nog onverdeeld is, is, hetzij door een, hetzij door twee
dwarsaderen met V. interno-media verbonden. In het laatste geval
ontstaat een cel, met het wigvormig veld der Caraboidea analoog,
V. interno-media zacht golvend door een dwarsader met de normaal
gevormde v. analis (XI) verbonden. Zie fig, 19.
- XXXVIIste Familie. Dermestidae. Everts p. 603.
Dermestes undulatus Brahm. conf D. lardarius. L. Afgebeeld door
Everts p. 603 naar de teekening van Burmeister; beschreven door
Roger p. 31. Het verschil met Attagenus is voornamelijk gelegen
in de zeer ver terugloopende v. externo-media, het zich kruissen
van twee straaladeren in het topgedeelte en het zich niet vertakken
van den ondersten cubitaaltak.
Attagenus pellio L. Zie de beschrijving aan het hoofd dezer
onder-orde. Roger p. 52 en fig. 19.
Megatoma undata L. Als de vorige. De cel tegen V. scapularis
driehoekig. Geen straaladeren in het topgedeelte.
Tiresias serra F. Als Attagenus. De onderste cubitaaltak ontbreekt;
de bovenste verdeelt zich nog eens in twee takken. Binnenrand
niet bewimperd.
Anthrenus museorum L. Van den cubitus alleen drie takken
zichtbaar tegen den binnenrand. V. interno-media en V. analis
beiden enkelvoudig.
Anthrenus Scrophulariae L. Roger p, 32.
XXXVIIIste Familie. Byrrhidae. Everts. p. 614.
Nosodendrini,
Nosodendron fasciculare Oliv. Binnenrand aan het topgedeelte
spaarzaam, kort behaard, Tegen v. scapularis een zeer groote
driehoekige cel, met rechten tophoek. De terugloopende ader cir-
kelvormig gebogen. V. externo-media als gewoonlijk. De terug-
loopende ader tamelijk kort, door een dwarsader verbonden met
de cel van v. scapularis. Midden over deze dwarsader loopt een
DER KEVERVLEUGELS. 191
driehoekige pigmentvlek, aan den onderkant uitloopende in een
straalader. Cubitus door een dwarsader verbonden met V. externo-
media. Hij vertakt zich in drie takken onderling door dwarsaderen
verbonden. De benedenste tak door een dwarsader verbonden met
een vierkante cel (wigvormig veld) tegen V. internomedia. Deze
laatste ader verbonden door een dwarsader met V. analis, waarvan
de achterste tak in een pigmentvlek veranderd is, Bazaallobje
breed. Zie fig. 20.
Byrrhini.
Byrrhus pilula. L. Agebeeld door Burmeister; beschreven door
Roger p. 32.
Het verschil is gelegen in het langer terugloopen der V. III en
V. De cel tegen V. III niet zoo groot. Cubitus met twee takken.
Wigvormig veld ontbreekt.
Simplocarıa semistriata F. Roger p. 33. Ik trof slechts rudimen-
taire vleugels aan bij Texelsche exemplaren.
Pedilophorus aeneus F. Binnenrand zeer kort behaard. Cel tegen
V. scapularis groot driehoekig, doch niet zoo groot als bij Nosoden-
dron. Tusschen V. externo-media en de terugloopende tak een
korte dwarsader, zoodat een klein driehoekig cel gevormd wordt.
(analoog met het «oblongum» ?) Cubitus niet vertakt, door een
dwarsader met V, interno-media verbonden, Het midden van den
cubitus is uitgewischt. V. interno-media enkelvoudig, door een
groote dwarsader verbonden met V. analis, die drieledig is.
Cytelus sericeus Forster. Roger p. 33%
Geen cel tegen V. scapularis. In het topgedeelte boven de terug-
loopende ader (V. sc.) een parallelogramvormige pigmentvlek. Dwars-
ader tusschen de terugloopende aderen weinig zichtbaar. Een straal-
ader in het topgedeelte. Cubitus gevorkt, schijnbaar ontspringend
uit V. externo-media, door een dwarsader verbonden met de enkel-
voudige V, interno-media. V, analis als bij Pedilophorus,
Sub-orde V. Hygrophili.
Al is het onmiskenbaar, dat zeer groote overeenkomst bestaat
tusschen de familien dezer onder-orde, toch valt het moeilijk een
192 (K. J. W. KEMPERS) HET ADERSYSTEEM
der vleugels als type der geheele onder-orde te stellen. Eerder zou
men de onder-orde naar den vleugel in een paar groepen kunnen
verdeelen. De Hydrophilidae, Parnidae en Heteroceridae met een
rijk aderstelsel staan tegenover de Sphaeridiidae, die zeer arın aan
dwarsaderen zijn en daardoor meer doen denken aan Scarabaeidae.
XXXIXste Familie Georyssidae Everts p 622.
Georyssus crenulatus Rossi. Vleugel rudimentair, langwerpig
smal. V. marginalis kort V. scapularis even vöör het gewicht tot
een pigmentvlek verbreed. Bij het gewricht — dat zeer nabij de
spits van den vleugel gelegen is — wordt een terugloopende ader
afgegeven, die door een dwarsader verbonden is met de terug-
loopende tak van V. externo-media, Deze loopt van den vleugel-
wortel tot den binnenrand in nagenoeg rechte lijn. Gubitus ont-
breekt. V. interno-media enkelvoudig, door een korte dwarsader
verbonden met de normaal gevormde V. analis. De binnenrand
bewimperd, Zie fig. 21a.
. De afgebeelde vleugel van Redtenbacher schijnt niet rudimentair
te zijn. Daar ligt het gewricht op de helft van de lengte, De terug-
loopende aderen zijn niet door een dwarsader verbonden. Een stompje
van een ader wordt door hem als Cubitus aangemerkt, Zie fig. 21b.
XLste Familie Parnidae. Everts p. 623.
Parrnınn.
Potamophilus acuminatus F. Afgebeeld door Burmeister en naar
diens afbeelding besproken door Roger p. 34. Volgens dezen zou de
vleugel nagenoeg overeenstemmen met een Byrrhusvleugel. Het komt
mij voor, dat die overeenkomst vrij wel denkbeeldig is, Zoodra het
adersyteem van vlengels ingewikkeld ıs, bestaat er veel overeen-
komst tusschen die vleugels. Dit gaf Roger zelf aanleiding tot het
maken van een oertype. De overeenkomst lijkt mij grooter met
Hydrophilidae bijv. met Cymbiodyta.
Parnus luridus Er, Gewricht voorbij het midden, op ongeveer
2 der lengte, Binnenrand zeer kort bewimperd, zacht golvend,
geen eigenlijk bazaallobje vormend. V. marginalis loopt van wortel
tot gewricht zich allengskens knodsvormig verbreedend; nabij het
gewricht eenigszins gezaagd. V. scapularis loopt eveneens tot het
DER KEVERVLEUGELS. 193
gewricht en vereenigt zich ter halverlengte met v. marginalis. Bij
het gewricht wordt een terugloopende ader afgegeven. De ruimte
tusschen ader en terugloopende ader een weinig gepigmenteerd,
V. externo-media verdeelt zich ter hoogte van het gewricht op
normale wijze. De terugloopende ader van V. externo-media door
een dwarsader met de terugloopende V. scapularis verbonden. In
het topgedeelte eenige pigmentvlekken aanwezig die een gedeelte
insluiten, dat met de middelste ruit der Caraboidea schijnt overeen
te komen. Cubitus drietakkig, op dezelfde manier als Nosodendron ,
verbonden met een groot wigvormig veld, V. interno-media lang-
gestrekt S-vormig, door een dwarsader verbonden met de normaal
gevormde V. analis. Op de cel tegen V. scapularis en een straal-
ader in het topgedeelte na, bestaat zeer groote overeenstemming
met Nosodendron fasciculare. Zie fig. 22.
Parnus prolifericornis F. afgebeeld door Redtenbacher. Er zou
volgens diens teekening verschil bestaan in den vorm van den
Cubitus en V. interno-media welke laatste op ongewone wijze in
den vleugel eindigt.
XLIste Familie. Heteroceridae. Everts p. 632.
Heterocerus obsoletus Curtis. Vorm van den vleugel nagenoeg
geheel dezelfde als van Parnus, iets langer gestrekt. Aders I— V onge-
veer als bij de Parnidae. Tusschen V. scapularis en haar terugloopende
ader een vierkante tamelijk donkere pigmentvlek. In het topgedeelte
twee straaladeren en een pigmentvlek. V, interno-media enkelvoudig,
met V, interno-media door een dwarsader verbonden, tegen wier
midden een stompje ader zichtbaar is, in het verlengde van den
cubitus waarvan alleen het randgedeelte zichtbaar is, en die uit
slechts één tak’ bestaat. V. analis (XI) gewoon gevormd, door een
dwarsader met V. interno-media verbonden. De aderen VII en XI
nagenoeg kleurloos. Zie fig. 23.
XLIIste Familie. Hydrophilidae. Zie Everts p. 636.
Hydrophilini.
Hydrophilus piceus L. Zie afbeelding in Everts p. 636. Uitvoerig
beschreven door Roger, p. 17, die den vleugel vergelijkt met een
Adephagenvleugel. Zoo er overeenkomst bestaat, zou ik denken,
Tijdschr. v. Entom. XLIII 13
194 (K. J. W. KEMPERS) HET ADERSYSTEEM
dat de benamingen der ruiten niet voor de juiste gedeelten aange-
wezen zijn. De cel tegen V. scapularis is m.i. de voorste ruit; de
binnenste ruit wordt gevormd door de terugloopende aderen met
de dwarsverbinding daartusschen en de pigmenteering tegen de
spits. Het verschil met de binnenste ruit der Caraboidea is dan
nagenoeg nihil, aangezien dan wel een hoek naar de vleugelspits
gekeerd is. Liet Roger de Hydrophilini niet volgen op de Carni-
voragroep, hij zou denkelijk met deze onder-orde minder vergelij-
kingen gemaakt hebben, Redtenbacher neemt de gelykvormigheid
met de Caraboidea niet aan.
Het gewricht ligt op 3 der vleugellengte. Aderen I-II van den
wortel af versmolten. Tegen V. scapularis, nabij het gewricht een
trapeziumvormige cel, in den benedenhoek door een dwarsader
verbonden met de terugloopende ader van V. externo-media. Deze
loopt vrij wel in rechte lijn door den vleugel tot dicht bij den
binnenrand, ter hoogte van het gewricht, en verdeelt zich daar
in de reeds genoemde terugloopende ader en een korte tak naar
den binnenrand. De V. interno-media sluit een zeer groote cel in,
welke weder met het wigvormig veld te vergelijken is. Deze cel
wordt door een dwarsader verbonden met V.externo-media. Waar
deze dwarsader de V. interno-media verlaat, wordt een ader naar
den binnenrand afgegeven. lets meer naar dien rand loopt nog
zoon ader aan haar evenwijdig. Beide aderen zullen als takken
van den cubitus aangemerkt moeten worden. Anaalader (XI) van
den wortel af tweeledig; de eerste tak door een dwarsader ver-
bonden met V. interno-media, de andere tak een open lus vormend ,
met pigmentvlek tegen den binnenrand.
IH. pistaceus afgebeeld door Redtenbacher. De pigmenteering in
het topgedeelte is daarop niet overgenomen.
ITydrocharis caraboides L. Roger p. 18. Het gewricht is iets meer
naar het midden. V. externo-media daardoor iets verder van den
binnenrand. Cel tegen V. scapularis vijf hoekig. In het gepigmen-
teerde topgedeelte een menigte straaladeren zichtbaar. Zie fig. 24,
Hydrous laevis afgebeeld door Bürmeister.
Hydrobiini.
DER KEVERVLEUGELS. B 195
Hydrobius fuscipes L. Roger p. 18. Het gewricht nog meer naar
het midden. Bovenrand en binnenrand bewimperd, doch zeer kort.
De verbindingsader tusschen V. externo en interno-media en de
beide cubibitaaltakken ontspringen nagenoeg uit één punt, De cel
tegen ader IIL bijna geheel met pigment gevuld. De pigmenteering
tegen den bovenrand in het topgedeelte iets donkerder, de overige
pigmenteering in het topgedeelte lichter dan bij de vorige soorten.
In het topgedeelte tegen den rand een zevental straaladeren. Bazaal-
lobje in wording,
Philhydrus testaceus F. Gewricht nabij het midden. Gel tegen V.
scapularis vierhoekig, bijna geheel met pigment gevuld V. externo-
media verdeelt zich ter hoogte van het gewricht op de gewone
wijze. De bovenste tak geeft een straalader naar den binnenrand
af; de benedenste tak bereikt den binnenrand niet. De pigment-
vlekken in het topgedeelte verdwenen; aanwezig een viertal straal-
aderen. Cubitus gevorkt, door een dwarsader verbonden met het
wigvormig veld, evenals bij de Tenebrioniden. Binnenrand en
bovenrand, tot het gewricht, kort bewimperd. Bazaallobje duidelijk.
Philhydrus marginellus F. Roger p. 19.
Cymbiodyta marginella F. Vleugel lancetvormig. Gewricht op het
midden; de bovenrand is daar iets ingesneden en aan beide zijden
bewimperd. Binnenrand golvend, kort bewimperd. Bazaallobje
niet diep ingesneden. V. mediastina tot het gewricht loopend in
een knodsvormige verbreeding. De V. scapularis loopt in rechte
lijn naar het gewricht en deelt de V. mediastina in de lengte
middendoor. De vijfhoekige cel (voorste ruit) is daardoor bijna
geheel gepigmenteerd V. externo-media met straalader evenals bij
Philhydrus. Een mediale straalader geeft twee takken af naar de
cel en de terugloopende V. externo-media en sluit dan een vijf-
hoekige cel in, die overeenkomt met de middelste ruit. In het
topgedeelte in het geheel elf straaladeren. Aderen VIT tot XI als
de vorige. Fig. 25.
Anacaena globulus Payk. Nagenoeg als de vorige, Het gewricht
echter meer naar den top. Alle straaladeren ontbreken. Bazaallobje
tamelijk groot,
196 - (kK. J. W. KEMPERS) HET ADERSYSTEEM
Laccobius minutus L. Roger p. 19. De cel tegen V. scapularis
niet geheel gesloten. Alle straaladeren ontbreken. De cubitus even-
min zichtbaar. Bazaallobje klein; binnenrand geheel bewimperd.
Limnebiini.
Limnebius truncatellus. Thunb. Zie Roger p. 19.
Chaetarth riimt.
Chaetharthria seminulum Payk Vleugel breedlancetvormig, rudi-
mentair. Binnenrand bijna cirkelvormig, duidelijk bewimperd. Ge-
wricht op # der lengte V. scapularis bij het gewricht bijlvormig
verbreed, V. externo-media ter hoogte van het gewricht twee
takken afgevend in elkaärs verlengde, beiden zeer kort. Cubitus
ontbreekt. V. interno-media knievormig gebogen. Anaaladeren ont-
breken. Zie fig. 26.
Berosini.
Berosus signaticollis Charp. Zie Roger p. 19.
Berosus luridus TL. De vleugel heeft het adersysteem van Phil-
hydrus, wat aderen I—V, en van Hydrobius, wat betreft aderen
VII—XI. In het topgedeelte twee gewone straaladeren en een haak-
vormige, waardoor met de cel tegen V. III, de verbindingsader
met V en een pigmentvlekje aan den bovenrand, een zeshoekige
ruimte ingesloten wordt, vermoedelijk de binnenste ruit.
Sphaeridiini.
Cereyon haemorrhoidalis F. Vleugel lang en smal, aan de basis
nagenoeg rechthoekig. Binnenrand bewimperd, bovenrand aan beide
zijden van het gewricht zeer kort bewimperd. V. marginalis loopt
evenwijdig met V. scapularis naar het gewricht. De laatste heeft
daar een breede pigmentvlek, V. externo-media loopt in gebogen lijn,
met holle zijde naar den binnenrand gekeerd, naar dien rand,
Nagenoeg ter hoogte van het gewricht geeft deze ader twee korte
takken af, waarvan de bovenste terugloopt en door een dwarsader
met de pigmentvlek verbonden is, terwijl de benedenste naar den
rand wijst. V. interno-media enkelvoudig, met holle zijde naar den
binnenrand gebogen. Anaalader rudimentair. V. interno-media met
de V. externo-media door een dwarsader verbonden. Uit het ontmoe-
tingspunt van deze dwarsader met V. interno-media ontspringt de
DER KEVERVLEUGELS. 197
cubitus. Tegen den bovenrand is de vleugel in het topgedeelte
gepigmenteerd. In het topgedeelte ongeveer drie straal-aderen,
Cercyon unipunctatus L. Zie Roger p. 20,
Megasternum boletophagum Marsh. Geheel als Cereyon haemorr-
hoidalis. De cubitus ontbreekt echter, Zie fig. 27.
Sphaeridium scarabaeoides L. Zie Roger p. 20 en de afbeelding
van Burmeister fig. 14.
Aderen I—V geheel als bij Cercyon, In het topgedeelte een
zestal straaladeren, Cubitus gevorkt, geheel vrij in de area interno-
media, V. interno-media door een dwarsader verbonden met de
V. analis XI, welke laatste beneden die dwarsader zich knievormig
buigt. De vleugel zou wijzen op verwantschap met de bladsprietigen,
Coelostoma orbieulare F. Gewricht ongeveer op het midden. Binnen-
rand kort bewimperd, bovenrand tusschen basis en gewricht, V.
marginalis van dwarsribjes voorzien. V. scapularis buigt zich bij
het gewricht naar binnen en is door een dwarsader verbonden
met de terugloopende V. externo-media. De hoek gevormd tusschen
V, scapularis en haar terugloopende ader is door een driehoekige
lichtgekleurde pigmentvlek gevuld. In het topgedeelte een zestal
rudimenten van straaladeren. Cubitus gevormd door twee elkander
ontmoetende takken. V. interno-media door een dwarsader ver-
bonden met de V. analis XI, waardoor een langgerekte cel gevormd
wordt.
Spercheini.
Spercheus emarginatus Schaller. Gewricht voorbij het midden.
Binnenrand zeer kort bewimperd. V, scapularis loopt in gebogen
lijn, met den bollen kant naar boven gekeerd, tot iets voorbij het
gewricht, in den vleugel naar binnen. Tegen haar loopt een zich
verbreedende, knodsvormige pigmentvlek, die bij het gewricht
verbroken wordt. De V, scapularis is door een dwarsader , uit-
gaande bij het gewricht, verbonden met de terugloopende V.
externo-media. In het topgedeelte een zestal straaladeren in het
midden van den vleugel door een smalle pigmentvlek verbonden,
waardoor met de verbindingsader tusschen V. scapularis en externo
media een ruit gevormd wordt. V. interno media op de helft der
198 (kK. J. W. KEMPERS) UET ADERSYSTEEM
lengte door een dwarsader verbonden met V. externo-media, In de
area interno-media twee resten van den cubitus. De V. analis XI
is door een lange dwarsader, die den binnenrand nagenoeg be-
reikt, verbonden met de V. interno-media. De cel tusschen beide
aderen is daardoor buitengewoon lang
Helophorini.
Helophorus aquaticus L. Roger p. 20. Nagenoeg geheel gelijk
aan Philhydrus testaceus.
Hydrochus carinatus Gem. Gewricht op het midden; binnenrand
en bazaallobje bewimperd. V. scapularis buigt zich bij het gewricht
om en vormt er een kleine cel. Tegen haar loopt een smalle zich
verbreedende pigmentzoom. V. externo-media buigt zich ter hoogte
van het gewricht naar binnen; de terugloopende ader is door een
dwarsader verbonden met de cel van ader III. Cubitus, waarvan
de onderste tak slechts aanwezig is, door een dwarsader verbonden
met V, internomedia De ader vormt met een dwarsaderverbinding
van V. analis XI een dergelijke cel als bij Spercheus, met dit
onderscheid, dat deze door een dwarsader in twee deelen verdeeld
wordt, Men kan beweren, dat het onderste deel dezer cel het
wigvormig veld vormt. Zie fig. 28,
Hydraenini
Ochthebius marius Payk. Gewricht op een derde der lengte.
Binnenrand lang, bovenrand tusschen basis en gewricht zeer
kort bewimperd. Vena scapularis boogvormig, met breeden pig-
mentzoom. V. externo-media ter hoogte van het gewricht in den
vleugel eindigend. V. interno media rechtlijnig. In het topgedeelte
slechts een korte straalader nabij het gewricht en een aanwijzing
van een dwarsader tusschen V. scapularis en externo-media.
Zie fig. 29.
DER KEVERVLEUGELS. 199
VERKLARING DER AFBEELDINGEN.
Plaat 40,
1. Phalacrus coruscus Payk.
2. Pocadius ferrugineus F,
3. Rhizophagus bipustulatus I.
4, Telmatophilus caricis Oliv,
5, Atomaria fuscipes Gyll.
6. Sphindus hispidus Payk.
7, Cis boleti F.
8. Cyrtotriplax bipustulata F,
9. Trogosita mauritanica L.
10. Orthocerus muticus L.
Plaat 11.
11. Cerylon histeroides F.
12. Enicmus minutus L.
13. Psammoechus bipunctatus L.
14. Monotoma angusticollis Gylh.
15. Lyetus unipunctatus Herbst.
16. Tritoma picea F.
17. Endomychus sp., naar Redtenbacher.
18. Subcoccinella 24-punctata L.
19 Attagenus pellio L.
20. Nosodendron fasciculare Oliv.
Plaats
21a. Georyssus crenulatus Rossi,
21%. Dezelfde, naar Redtenbacher.
22. Parnus luridus Er,
Lì
b
23. Heterocerus obsoletus Curtis,
24. Hydrocharis caraboides L.
25, Cymbiodyta marginella F.
26. Chaetarthria seminulum Payk.
27. Megasternum boletophagum Marsh.
28. Hydrochus carinatus Gem.
29. Ochthebius marinus Payk,
DE BETEEKENIS DER SPINNEN.
DOOR
A. W. M. VAN HASSELT.
Aan het bestaan en de geaardheid dezer Orde, zoo ten goede
als ten kwade, vooral in oeconomischen zin, is minder aandacht
geschonken dan aan de verhouding ten dezen bij de Coleoptera, de
Diptera, de Hemiptera, de Hymenoptera, de Lepidoptera, zelfs de
Mollusca (resp. de Teredo navalis), enz. Meermalen zelfs scheen
mij eene zekere geringschatting van de studie der Araneiden door
te stralen in de ironische vraag: cuz bono?’
Schoon het niet te ontkennen valt, dat deze in belangrijkheid
voor de menschelijke samenleving, in bovenbedoeld opzicht, ten
achterstaan bij de insecten-wereld, wil het mij toch voorkomen,
dat de twijfel dier vragers, bij nadere kennismaking, wel eeniger-
mate zoude kunnen worden opgehelderd,
En zoo besloot ik, — hoewel voor vele jaren reeds eene Natuur-
historische schets der spinnen, in het Album der Natuur voor 1857,
hebbende geschreven, — een algemeen overzicht samentestellen
van ’t geen mij sedert, in den loop mijner studiën, veel of weinig,
oud of nieuw, ter zake bekend is geworden.
Een woord vooraf over het karakter dezer Aptera. Zij wor-
den door het groote publiek in den regel miskend, althans niet
malsch beoordeeld. Vrij algemeen heerscht een sterk vooroordeel
of meer nog een groote afkeer tegen hen, ’tzij als uitvloeisel van
idiosynerasie, -- analoog aan die tegen muizen, enz. —, ’t zij van
overdreven vrees voor hunne beten, in beide gevallen al even on-
(A W. M VAN HASSELT). DE BETEEKENIS DER SPINNEN. 201
gemotiveerd, als doende de spinnen, evenmin als de muizen, uit
eigen beweging, bijna nimmer «kind noch kraai» kwaad.
Algemeen noemt men de spinnen, leelijk, hatelijk en kwaad-
aardig, — zoo als dit ook doorstraalt in het spreekwoordelijk ge-
zegde: «hij of zij maakt zich zoo nijdig als eene spin», — epitheta,
die zelfs door summige zoölogen werden onderschreven. Zoo bijv.
leest men bij ons geacht medetid, de kundige /ormiciden-specialiteit,
Dr. H. Bos, in zijn met talent geschreven Leerboek over het
leven der dieren, 1889, onder anderen op blz. 463 «dat de echte
spinnen door haar griezelig voorkomen, hare kromme krauwel-
pooten, haar dikwijls walgelijk dik achterlijf, haren roofzuchtigen
aard en hare meermalen verraderlijke wijze van aanvallen, verbon-
den met eene aangeboren nijdigheid, den afschuw van een groot
gedeelte der menscheid hebben op zich geladen» enz.
Nog veel krasser toornt GIEBEL, in zijne Naturgeschichte des
Thierreichs, 1863, s. 359 (1) op de «verhasste und gefürchtete»
Spinnen. «Alle leben im Dunkeln (?) oder an versteckten Orten,
und zeigen sie sich im Sonnenlicht, so hat Raub und Mord sie
dahin geführt. Sie gehören zu den tückischen boshaften Raub-
thieren welche ihr Schlachtopfer aus der Hinterhalt überfallen, im
Netze fangen und mit giftigem Biss tödten. Sie sind wahre SINN-
BILDER der Zänkerei, Unverträglichkeit und bittern Feindseligkeit»,
Ook Gosse vaart nog iets heviger uit, in zijn Life in its forms
1857, p. 184, tegen de Arachnida in ’t algemeen en tegen de
«Spiders» in het bijzonder. «The common consent of mankind
regards most of these creatures with repulsion and abhorrence. It
must be confessed, that the closer examination of them has resul-
ted in more firmly fixiog upon them the stigma of a decidedly,
undeniable bad character. Bloodthirsty and vindicative, trea-
cherous and cruel, — even to their own kind, — full of stratagem
and artifice, highly venomous, lurking in darkness, the spiders do
(1) Niettegenstaande zijne zwarte beschouwing noemt G. de spinnen op eene
andere plaats (S. 370): „bewunderungswerth”, en zegt zelfs, in flagrante
tegenspraak met het voorgaande: „Ihr Betragen rechtfertigt keineswegs die all-
gemeine Verachtung und Scheu”. (Sic) /
202 (A. W. M. VAN HASSELT).
not move our esteem». Hij voegt daar nog bi, dat zijn landgenoot
KirBi, in zijn Bridgewater Treatise, — mij niet bekend, —
sprekende over spinnen, schorpioenen, enz. «views in these crea-
tures the types of the evil spirits»!!
Al moge aan deze of gene dier beschuldigingen een zweem van
waarheid ten gronde liggen, zij veroordeelen zich zelve door hare
overdrijving, of steunen in de hoofdzaak op eenzijdig inzicht, of
verkeerde uitlegging aan vele handelingen der spinnen gegeven,
zoo als dit uit enkele ophelderingen zal blijken.
«Afschuwelijk?» — Al zoude dit epitheton voor meerdere,
grootere, zwarte of bruine, harige soorten kunnen gelden, kan ik
verzekeren, dat men bij eene omvattende beschouwing van nabij,
en bij bekendheid met de geheele, fijne organisatie der spinnen —
in het bijzonder der generatie-organen bij beide seksen, — van
lieverlede, gelijk ik zelf ondervond, — een minder donker begrip
over haar zal verkrijgen. In alle hare bewegingen, bijv. bij het
ontvluchten uit gevangenschap (1), bij het reinigen van monddee-
len en pooten, bij de voorloopers van het minne-spel, enz., maar
vooral bij de vervaardiging van hare webben en cocons (?) ver-
toonen zij een hoogen graad van kunstdrift en elegantie,
waardoor zij veeleer onze bewondering dan onzen afschuw verdienen.
«Leelyk»? — Die qualiteit is volstrekt zóó algemeen niet,
als veelal wordt verondersteld; zij is in het minst niet toepasselijk
op eene groote menigte van Zuid-Europeesche en Tropische spinnen.
Daaronder komen meerdere soorten voor met sneeuwwitte, roode,
groene, gele, zelfs blauwe kleurteekening of uitmonstering, terwijl
bij eenigen een fraai metallische weerschijn van zilver, koper,
zelfs goud, niet zoo geheel zeldzaam is, inzonderheid onder de
Salticiden.
Ten overvloede zal men omtrent de waarheid van dit getuigenis
(1) Men moet soms bepaald ,krijgertje” met haar spelen om haar weder in
een voorgehouden doosje te laten loopen.
(2) Over deze producten van haren talentvollen arbeid moet ik op nieuw de
aandacht der belangstellenden vestigen op de Recherches de Mr. WOLDEMAR
WAGNER, gepubliceerd in zijn prachtwerk Sur l'industrie des Araneina, St. Peters-
burg 1894, en het supplement daarop van 1895.
DE BETEEKENIS DER SPINNEN. 203
zich zelven kunnen overtuigen door inzage der Plaatwerken in
kleurendruk, onder anderen van C. L. Koch, voor alle werelddee-
len, van Lucas, voor Algiers, van WORKMAN, voor zijne Malatjsian
spiders, van CAMBRIDGE, voor Mexico, enz.
Vele jaren geleden, in Utrecht, heb ik eene kleine overwinning
behaald op het bestaande vooroordeel ten dezen. Eenige mijner
jonge Dames-kennissen konden maar niet begrijpen: «dat ik mij
met zulke monsters kon bezighouden». Een dag of wat later
noodigde ik haar ten mijnent, waar ik eene uitgezochte expositie
had gereed gemaakt van meerdere fraaigekleurde of geteekende,
met zorg opgezette exemplaren. Als uit één mond bekende men
thans, verbaasd te staan, «dat er zich zulke mooije beestjes»
onder de spinnen bevonden,»
«Kwaadaardig en strijdlustig? — ’t Is waar, zij hebben
daarvan menigmalen het air en zij kunnen allerverwoedst vechten,
maar zij doen zulks op verre na niet altijd uit pleizier. Ze komen
daartoe veelal in bijzondere gevallen, bijv. uit honger en gebrek,
of wanneer hare verblijven door vreemde indringers worden aan-
gerand, maar voornamelijk wanneer menschenhanden zelve, opzet-
telijk, meerderen van haar, — juist om ze te doen vechten, —
bij elkanderen in eene kleine ruimte opsluiten !
«Nijdig»? — Dezen meest algemeenen bijnaam ontleent men
deels aan de laatst genoemde z.g. proefneming, doch in de hoofd-
zaak aan den indruk van de snel schuddende bewegingen , der /peirae
vooral, van hare webben. Maar deze zijn, hoezeer ’t zoo ook schij-
nen moge, altijd nog geen teeken van boosaardigheid. Zij dienen
veellijds tot waarschuwing van ongenoode gasten, met name lastige
mannetjes, of ook om vreemde voorwerpen, in het web geraakt,
daaruit te verwijderen.
«In ’tduister loerend?» — Is voor vele dag-spinnen on-
juist en de zocturnae zijn er wel toe verplicht wegens de organisatie
van haar gezichtswerktuig. Dit, één harer z.g. «bad characters»,
hebben ze trouwens met katten en uilen én tal van andere roof-
dieren gemeen. Voorts moet men, voor deze eigenschap, niet voor-
bijzien, dat de spinnen zwakke dieren zijn, van een teederen zelfs
204 (A. W. M. VAN HASSELT).
weeken bouw, met een zacht algemeen omkleedsel, waardoor zij
wel genoodzaakt worden zich tegen de op haar beluste sterkere
vijanden, bijzonder vogels en sluipwespen, te verschuilen.
«Verraderlijk»? — Dit verwijt slaat onder anderen, vooral
op hare schijnbaar valsche bejegening tegenover de mares. Ter op-
heldering bedenke men, dat de 2 dezen veeltijds niet vermoordt
zonder reden, doch alleen wanneer zij reeds bevrucht is en daarna,
soms op ongeloofelijk tergende wijze, bij herhaling door het d wordt
aangezocht, analoog aan wat dagelijks bij drachtige teefhonden kan
worden waargenomen.
«Bloeddorstig en vraatzuchtig?» — Zóó zelfs dat ze
elkander en hare jongen verslinden. Men vergete echter niet, dat
ze zulks niet plegen te doen, als ze gewoon voedsel genoeg hebben,
of als ze niet worden aangevallen op eigen terrein. Koloniën zoo
van Tegenaria atrica K. als van Coelotes atropos Wlk. van beiderlei
sekse en soms zelfs van twee generaties, met hare pulli, heb ik
in groote suikerfleschen maanden lang gekweekt, zonder dat ze
elkander aanvielen, — althans zoolang ik zorg droeg, haar voldoende
van vliegen, muggen, meelwormen of gehakt rauw vleesch, —
evenals van water — te voorzien. Dit verwijt, dat weder even goed
tot verschillende roofdieren kan worden gericht, wordt door Cam-
BRIDGE in zijne Dorset Spiders niet onaardig terecht gewezen, waar
hij in het Hoofdstuk Prejudices against Spiders, Introduction, p 2,
aan hen, die de aanmerking over vraatzucht enz. maken, zegt, dat
zij uit het oog verliezen zelven tot de «mutton and beef-eating
creatures») te behooren. —
Doch genoeg, ik houd mij overtuigd, dat eenige meerdere ken-
nis van de geaardheid der spinnen, — die met mij, door vele
araneologen, onder anderen ook door mijn studievriend LEON BECKER,
in een minder ongunstig daglicht wordt gesteld (1), — de groote
antipathie tegen haar spoedig zoude doen afnemen.
(1) Zie zijne interessante verhandelingen sur les travaux de U Araignée, — la
lutte pour la vie, — en vooral l'amour maternel chez U Araignée, in extr. d. C.
rendu d. I. Soc. Entomol. d. Belgique, 1878, 1879. Wat het laatste onderwerp be-
treft, is het andoenlijk, de spinnen te zien in de verdediging van hare cocons,
200 zelfs dat zij, na indompeling in alcohol, die dikwerf in den doodstrijd niet loslaten
DE BETEEKENIS DER SPINNEN. 205
Dit zal echter wel niet ligt zoo verre gaan om te vervallen in
een ander, sentimenteel uiterste van lofspraak, als die van den
bekenden Franschen spinnen-bewonderaar QUATREMÈRE D’ISIONVAL (!)
over wien nog nader. Uit diens waarnemingen van de gedragingen
en de verrichtingen der spinnen, gedaan in zijne langdurige ge-
vangenschap, distilleert hij de dweepzieke vergoding, met welke ik
dit gedeelte van mijn overzicht besluit :
«Anfangs sah ich in ihnen bloss Spinnen, — bald darauf
äusserst geschickte Arbeiter, — dann trefliche Parteigänger, —
dann gute Seemänner,— dann Vernünftbegabte Menschen, -—
dann Halbgötter, — dan endlich Gott, der Schöpfer aller
dieser bewünderungswürdige Dinge! !» —
Behalve vooroordeel en verschil in gevoelen heeft er ook nog,
vooral in vroegere eeuwen, eigenlijk zonder positieve basis, een
destijds niet zeldzaam, populair bijgeloof omtrent het wezen en
drijven der spinnen bestaan. In onze dagen is daarvan weinig
meer overgebleven, alleen herinnert men zich zeker nog het aan
haar toegeschreven vermogen, om «goed of kwaad» te voorspellen,
naarmate van hare ontmoeting op verschillende tijden van den dag,
aangeduid in het Fransch rijmpje: «le matin, du chagrin; — le
midi, du plaisir; — le soir, de l'espoir».
Enkele andere dergelijke bijgeloovige begrippen, uit de werken
van CERVINUS, PARE, SCALIGER e. a. aangeteekend, mogen hier nog
een plaatsje vinden,
Zoo verkeerden sommige «geleerden» (?) in de meening, dat de
spinnen alle schadelijke dampen uit de atmosfeer in zich kunnen
opnemen of aantrekken, weshalven zij wel eens met den naam
van «luchtmagneten» werden bestempeld.
Indien men, in den herfst, uit eene opening in de galnoot
(1) Zie de Duitsche Vertaling van zijne Araneologie, 1798, S. 22 — Men zal
in casu opmerken, dat het oordeel der schrijvers omtrent het pro ef contra hemels-
breed uiteenloopt zóó, dat de èén „in deze schepselen” de hand Gods, de andere
(zie blz, 202 mihi) het werk vande Booze Geesten meent te herkennen !
206 (A. W. M VAN HASSEL).
van een eikenblad eene «spin» ziet uitkomen, zoo beteekent dit
het weldra uitbreken van de eene of andere Volksziekte.
De goudgravers in Mexico verkeerden van ouds in het denk-
beeld, dat daar waar ze vele aard-spinnen (Zycosiden) ontmoeten,
ook veel goud onder de aardschors verborgen lag.
Men geloofde, dat haar «venijn», van eene zóó bijtende natuur
was, dat het loopen eener spin over de bloote huid het verschijnen
van blaren te voorschijn roept; ook, dat spiegels, waarover eene
spin kruipt, daardoor veeltijds breken.
Nog vond ik in een oud Duitsch Tijdschrift, dat spinnen door
het z. g. «wand-klopfen» onheil voorspellen. Dit zal eene vergissing
zijn en moeten worden terug gebracht tot het bekende omtrent
het Coleopteren-geslacht Anobium, waartoe de z.g. «Klopfkäfer»
behoort, zijnde deze vroeger als «Todtenuhr» bij het volk berucht,
daar het kloppen een sterfgeval in hunne nabijheid zoude aan-
kondigen.
Nog las ik een sterk sprekend voorbeeld van het bestaan hebben
der besproken bijgeloovigheid, in de Duitsche bewerking van
Listers Natural history of Spiders, 1778, blz. IX door Dr. Gorze.
«Mir ist ein Exempel von Aberglauben bekannt, dass eine alte
Matrone, nach dem Verhalten einer Hausspinne, ihre ganze Oeko-
nomie einrichtete. Diese Spinne war allezeit das Orakel welches
befragt wurde, ehe man etwas vornahm. War die Spinne lustig,
lief sie in ihrem Netze herum, so war das ein gutes Zeichen;
so wurde Malz bereitet, Gesellschaft angenommen, Besuche gegeben,
u. s. w. War die Spinne aber still, schien sie in ihrer Höhle
traurig zu sitzen, so war es ein böses Zeichen; dann wurde kein
Handel geschlossen, keine Stube ausgefegt, kein Besuch abgestattet, —
sondern ein Busslied gesungen. Kam etwa die Sonne hervor, und
regte die Spinne sich, so wurde das Gesangbuch bei Seite gelegt
und das Haus empfing neues Leben»,
Welke, z00 wordt meermalen gevraagd, — is wel de rol, die
door de spinnen in de huishouding der Natuur wordt ver-
vuld ?
DE BETEEKENIS DER SPINNEN. 207
Alhoewel noch voor deze noch voor andere dieren een absoluut
passend antwoord kan worden gegeven, neemt men vrij algemeen
aan, dat zij eene nuttige schakel vormen in den grooten ketting,
dienstig tot bewaring van het evenwicht in de Dierenwereld.
Daartoe werken zij zeer krachtig mede door het verdelgen of liever
beperken der legioenen vliegende insecten, die anders aan mensch
en dier te grooten last of nadeel zouden veroorzaken. Dit nut kan
men meer in het breede uiteengezet vinden door OTTO HERMAN
in Ungarn’s Spinnen-fauna, S. 91. Deze beroemde spinnen-kenner
koos daartoe ten voorbeelde eenige der groote Hongaarsche moe-
rassen, wier geheele omgeving weldra onbewoonbaar zoude gewor-
den zijn zonder het intermediair der spinnen-soorten in menigte,
die het heirleger van Musciden, Tipuliden, Phryganiden, enz,
welke in al hare ontwikkelings-stadia deze stagneerende wa-
teren bevolken, even krachtig als voortdurend bestrijden. De
spinnen, zegt deze geleerde, oefenen in die streken inderdaad
den arbeid der gezondheids-politie uit, Als hare voor-
naamste agenten worden door hem aangeduid Zpeira cornuta
Clk. = arundinacea G.K., — drgyroneta aquatica Clk. , — Dolo-
medes-soorten en andere Lycosiden (onder welken ik vooral de
verschillende Piratae met name wensch te noemen), sommige
Singa-soorten, alsmede voor de oeverranden de Marpissae, (van
dezen zal wel meer speciaal de J/, radiata Grube die in het riet
huist, zijn bedoeld)
De beroemde araneoloog Prof. LEBERT (zie Spinnen der Schweiz,
S. 53) deelt met HERMAN en mij bovenstaande beschouwing. Dat
er evenwel in dit «evenwichts-probleem» nog plaats overblijft voor
een tegengesteld gevoelen dit leerde mij GIEBEL (Joc. cit. S.
370). Wel telt hij ook de spinnen in dit vraagstuk mede, doch
laat haar, tegenover de besproken actieve functie, bovendien eene
passieve rol spelen. Na over onze opvatting, — als van luttele
beteekenis, — met een enkel woord te zijn heengegleden, zegt hij :
«Die Spinnen haben für die «menschliche Oekonomie» keinen anderen
Nutzen, — ein ungleich grössern (?) dagegen im Haushalt der
Natur. Zahlreiche Insekten fangen Spinnen zum Unterhalt ihrer
208 (A. W. M. VAN HASSELT).
Brut, Schlüpfwespen (1) und Raupen-tödter legen Eier in Spin-
nen und ihre Cocons, Tausendfüsse, Skorpionen, Kröte (?),
Eidechsen, viele Vögel und Affen fressen die Spinnen begierig und
vertilgen ungeheure Mengen derselben».
Deze beschrijving door G. van het feit, dat, even als andere
dieren, ook de spinnen velé vjjanden bezitten, neemt m. i. niets
weg van de juistheid onzer opvatting; toch vult zij haar voor het
«aequilibrium-problema» in zoo verre aan, dat de werkkring der
spinnen, — als «agenten» van de gezondheids-politie —, op zijne
beurt, door hare vijanden zoodanig wordt gewijzigd, dat haar con-
signe niet, — gelijk in de Maatschappij meermalen pleegt te ge-
schieden, — te buiten worde gegaan.
Onmiddelijk verband houdende met het voordeel voor den
mensch, in het algemeen, gelegen in de oorlogs-voering der spin-
nen tegen de insectenwereld, valt verder op te merken wat däär-
door aan landbouwers, veehoeders, stalhouders, hove-
niers, wiingaardeniers enz. in het bijzonder ten goede komt.
In boom- en wijngaarden en tuinen worden de peren, perzikken,
druiven en andere fijne vruchten eenigermate tegen de wespen als
anderszins, door hare webben, beveiligd. Groote diensten, zegt men,
bewijzen zij insgelijks in koe- en paarden-stallen, door haar
jacht op vliegen en muggen, die het vee in zijne rust storen.
Zoo trof ik bij eene excursie in Nootdorp, nabij Delft, een stalletje
aan, waarin kalveren, om te worden vetgemest. Het wemelde daar-
binnen, in hoeken en gaten, en aan den zolder, van Tegenariae
met hare groote webben. Bij navraag vernam ik, dat deze aldaar
(1) In het voorbijgaan wensch ik over dit aandeel der ZcAneumoniden aan
de evenwichts-kwestie de lezing zeer aan te bevelen van het nieuwe, hoogst
interessante en fraaije Plaatwerk over „/he solitarij wasps’’ van den Hr. GEORGE
PECKHAM en zijne echtgenoote ELISABETH. Milwaukee (Wisconsin) U. S. A.
1898. Zij maakten eene berekening waaruit bleek, dat 20 Tripoxylon-exemplaren,
in 6 weken, op eene omschreven plaats van hun onderzoek, zeker wel 6000 spin-
nen. — vermoedelijk zelfs dubbel zooveel — hadden verslagen (p. 87).
(2) Reeds in het jaar 1735 besprak Dr. WEGNER de vijandschap der padden tegen
de spinnen (zie LISTER, /oco cit. p. xxvuit); zeer onlangs leerde ons W. WAGNER
een vernieuwd bewijs daarvan kennen; zie „Een buitengewoon spinnenverblijf,”
mihi, Züjdseh. v. Entomol. Dl. xLH, in fine.
DE BETEEKENIS DER SPINNEN. 209
niet worden verstoord, maar integendeel door den veeboer met
opzet werden aangehouden, om dezelfde reden als boven, het
tegengaan van rust- en slaap-verstoring der kalveren, waardoor
anders het mestings-proces, naar het schijnt, min of meer zou
worden benadeeld.
Niet minder wordt het voordeel geprezen, dat vele Meteropodoidae,
— als type waarvan M. venatoria L. = Olios leucosius Wik. bekend
staat, — den mensch opleveren. In de Tropen, namelijk, worden
deze spinnen niet alleen geduld, doch naar beweerd wordt, desge-
lijks opzettelijk, toegelaten als een krachtig huis-middel tegen den
overlast van kakkerlakken, en gelijk ik ergens heb gehoord
of gelezen, mede van wandluizen en ander ongedierte. Binnen
de woonhuizen in Oost en West Indië en op de schepen in de
groote vaart oefenen deze vlugge en krachtige spinnen eene soort
kamer-politie uit, door velen op hoogen prijs gesteld Wat
meer is, sommige inlanders beweeren wel eens, dat er een ongeluk
over het hoofd hangt, als men ze verdrijft.
Hiermede alleen reeds wordt de uitspraak van GIEBEL, dat de
geheele klasse der Arachnoidea kein einziges nützliches
Thier bietet» (loc. supra cet.) voldoende wederlegd. Het is waar,
heel veel zaaks is er verder in het crediet-boek voor het nut der
spinnen niet op te teekenen.
Toch was er, bij herhaling in de twee vorige eeuwen, ernstig
sprake van, dat zij wellicht voor de industrie der zjde-fabrie-
kaadje met groot voordeel zouden te bezigen zijn.
Gelijk ook door onzen G. J. MULDER was geconstateerd, bezit
het rag der webben en cocons van de spinnen in het algemeen de
schei- en natuurkundige eigenschappen, welke die van het product
der Bombyx Mori L. evenaren. Verscheidene malen bleek dan ook
in den loop der jaren proefondervindelijk, dat de spinnen-zijde
werkelijk geschikt is voor de vervaardiging van kleedingstukken.
Zoo was de Hr. p'ORBIGNY in het bezit van een zijden pantalon,
dien hij op eene reis naar Amerika, er uit had laten weven, —
Zoo kreeg Louis XIV een fraai vest uit deze zijde bestaande ten
geschenke. — Aan Koning Karen III bood een Spaansch indus-
Tijdschr. v. Entom. XLIII. 14
210 7 (A. W. M. VAN HASSBLT).
trieel er een paar kousen van aan. — Laatstelijk deelde Vinson
een vierde authentiek staaltje over het aanwezen dezer rariteiten
mede: «A l'Ile Maurice, zegt hij, les Créoles tisserent de leurs
mains une splendide paire de gants, qu’elles envoyèrent à l’Im-
pératrice des Français». De laatste geleerde vestigt, met het oog
op het casu quo ondernemen van nieuwe pogingen voor deze
industrie (!), vooral in de Tropische gewesten, de opmerkzaamheid
op de bijzonder groote cocons van sommige MNephila-soorten
aldaar. Onder deze kunnen die van N. zigra Vinson, inaurata
WIk., Madagascariensis Vins., alsmede de Zpeira Opuntiae Duf.,
ongeveer den omvang van een duiven-ei bereiken (?).
Het behoeft dus niet te bevreemden, dat telkenmale na het be-
reiken van bovengenoemde industrieele resultaten, hooge verwach-
tingen in de handelswereld werden opgewekt. Deze zijn evenwel
tot heden nimmer in voldoende mate verwezenlijkt, zoo als dan
ook reeds in 1710 door RÉAUMUR in zijn Rapport aan de Fransche
Akademie, — «Examen de la soie des Araignées » — was voorspeld,
Veel later, in 1865, werd diens zienswijze op nieuw gedeeld door
Dr. WiLpER uit Ithaca, volgens beide deskundigen, wegens de
vele «bezwaren» die het winnen en bewerken dezer grondstot
aankleven.
Nopens deze bezwaren is algemeen gewezen op de buiten-
gewone fijnheid van den spinragsdraad (*), waardoor het af-
(1) Dat de lust tot-het exploiteeren van de spinnen-zijde-industrie nog niet
geheel is uitgedoofd bleek mij, onder het afdrukken dezes, uit de toevallige in-
zage van het Familieblad van s-Gravenhage van 17 Juni 1900. Daarin is sprake
van eene „Nieuwigheid” op de tegenwoordige Fransche Tentoonstelling, namelijk
de expositie van een stel be d-gordijnen uit spinnenzijde, verkregen door den
Hr. Nocve, Directeur der Technische school te Antanarivo op Madagascar, na
het op mechanischen weg afhaspelen daarvan (gelijk zulks reeds door anderen
en mij zelven bij kruisspinnen als mogelijk is geconstateerd), in stede van de cocons,
rechtstreeks van de fijnere ragdraden uit de spintepels zelve eener enorme spin-
soort daar te lande (waarschijnlijk de Nephila Madagascariensis Vins).
(2) Aranéides de Madagascar, etc. 1863, p. xxIV. — Zie verder over de spinnen-
zijde en de vele personen, die er zich mede hebben bezig gehouden o. a. WAL-
CKENAER, Aptères, T. I, p. 135.
(3) Na LEEUWENHOEK heeft men zich meermalen onledig gehouden met een
vergelijkend mikroskopisch onderzoek naar de fijnheid of de dunte van het
spinsel. De mij bekende opgaven daarvoor loopen uiteen, deels uit hoofde van
DE BETEEKENIS DER SPINNEN. 211
haspelen en het weven te zeer bemoeijelijkt, alsmede te veel tijd-
roovend, werd bevonden.
Niet minder gewichtig is de verzwarende omstandigheid, dat
deze industrie in het groot een zoo enorm aantal cocons zoude
vereischen, als voor het kunstmatig aankweeken daarvan door spinnen
noodzakelijk zoude zijn (*).
De hiertoe aanteleggen kweekplaatsen zouden een te uitgestrekt
en veeltijds moeïelijk te verkrijgen, of te duur, terrein vorderen
voor het bijeenbrengen en aanhouden van duizenden geschikte
spinnen van beiderlei sekse, in wier levensonderhoud ook niet door
voldoenden toevoer van voedsel (vliegende insecten) zoude zijn te
voorzien (?).
Dàarenboven zou het blijvend bestaan van dergelijke Koloniën
ook een beletsel vinden in de, uit gebrek ontstaande, onderlinge
oorlogen dezer Kolonisten, alsmede in de jacht, die op hen
door vogels, sluipwespen als anderszins kon worden gemaakt.
Al is dan ook voorts over het rechtstreeksch nut der spinnen
weinig belangrijks geboekstaafd, toch mag volledigheidshalve niet
vergeten worden, op rekening van haar in zoo slechten reuk
staand Kasboek het verschillend gebruik te noteeren, dat van haar
of hare producten hier of daar werd of zelfs nog wordt gemaakt.
Zoo is het, — om nog even stil te staan bij de spinnenzijde, —
overbekend, dat juist wegens de besproken buitengewone {fijn heid
het verschil bij volwassen en bij jonge voorwerpen. Ik kende tot nu toe slechts
de schatting dat de dikte niet grooter zou zijn, dan 2555 tot yy 7ste „Zoll”. Sedert
vond ik eene berekening van Mr. BAKKER, dat 10.000 ragdraden, bij „volwassen’
spinnen, slechts de dikte bezitten van een baardhaar! Dezelfde rekenmeester
schijnt mij echter niet vrij van overdrijving, inzonderheid omdat hij verder be-
weert: Dass 4 Millionen „Junger” Spinnenfaden nicht zoo gross sind als ein
Bart-haar (?). (Zie Lister, loc cit S. 74).
(1) Volgens eene becijfering van RÉAUMUR (loc. supre cit.) zouden ruim 50.000
cocons van onze gewone Epeira diademata Clk. benoodigd zijn tot het verkrijgen
van slechts één oud pond spinnen-zijde.
(2) CAMBRIDGE zocht het hoof dbezwaar tegen de spinnenzijde-fabriekaadge
hierin, dat de spinnen niet, gelijk de zijdewormen, plantaardig, maar dierlijk
voedsel voor haar onderhoud, behoeven. Hij drukt dit uit in de volgende kern-
achtige bewoordingen: „The carnivorous propensities of the Spiders are the
great hindrance to their being reared for the purpose of obtaining the Silk”.
(Dorset Spiders, p. XXV.)
212 (A. W. M. VAN HASSELT).
der ragdraden, deze nog altijd(?) aanwending vinden om te dienen
als mikrometer, vooral in telescopen.
Van veel grooteren omvang, — hoezeer naar ik meen, tegen-
woordig obsoleet, — was in den ouden tijd het gebruik van spinnen
en spinrag in de genees- en heelkunde dier dagen. Het is
niet, om dit kostje voor te schrijven of aan te bevelen, dewijl ik
er geene de minste personeele ervaring van heb opgedaan, maar
om een historisch overzicht te geven over de uitgebreidheid van
het volksgeloof aan deze en dergelijke remediën.
Daarvoor werd de spin zelve eerst goed gedroogd en tot poeder
gestampt, of ook afgetrokken op brandewijn of op olie. Hetspin-
rag der webben of der cocons werd veelal toegediend in pil-
lenvorm.
Tot inwendig gebruik dienden deze of nog andere bereidingen
tegen veelvuldige ziekte-vormen, zooals constipatie, krampen,
podagra, miltvergrooting, enz. enz., doch, met name in Noord-
Amerika, vooral tegen tusschenpozende koorts en andere
malaria-ziekten. Daartegen werden veelal Zegenaria-soorten aange-
prezen, alsmede eene Cluliona-species, aan welke kelderspin zelfs
deswegens den naam van «medicinalis» werd toegelegd. De bittere
smaak die, naar beweerd wordt, aan het spinrag eigen zoude zijn,
heeft misschien aanleiding tot de genoemde medische toepassing
gegeven. — De £pewa diademata Clk en eene Tarantel-soort hadden
wijders in Mexico en elders de roep van sterk zweetdrijvende
krachten te bezitten, — In Oostersche Landen, in Kamschatka en
elders, zegt men wijders, dat spinnen of hare praeparaten door de
inlandsche vrouwen worden gegeten of ingenomen als middel tegen
steriliteit, waarschijnlijk uit overweging van den grooten
rijkdom aan eijeren in vele spinnen-cocons. Desgelijks werden zij
door uitgeleefde mannen beproefd als aphrodisiaca, vermoedelijk op
grond der bekendheid met de werkelijk onvermoeide teeldrift der
spinnen-mares bij de paring, alsmede der beweerde analogie in de
werking van sommige spinnen-bereidingen met die der Cantharides.
Voor uitwendig gebruik stond van ouds het bloedstelpend
vermogen van spin-rag, vooral dat der Tegenariae (domestica WIk.
DE BETEEKENIS DER SPINNEN. 213
en civilis WIk.) op den voorgrond, bij verwondingen en zware
neusbloeding, Deze en vele andere soorten dienden ook om er
bovengenoemde pharmaceutische praeparaten van te maken, zoo
met reuzel in zalfvorm, als soms in pleistervorm als vesicatorium,
tegen zweeren, vooral bloedzweeren, huiduitslagen, oorpijn, kiespijn,
traan-oog, enz. Tegen spinnenbeet werden ook, uit een Aomoiopa-
thisch gezichtspunt, omslagen van spiritueuse of olieachtige aftreksels
van levende Lycosiden e. a. aangeprezen. Tegen vlekken op het
hoornvlies gebruikte men, vermoedelijk wegens den vreemden oogen-
stand, olie uit een PAoleus-soort. — Volgens eene mededeeling van
mijn waarden oud kameraad Dr, VAN DER Bure, worden voorts op
Java de dikharige Mygales gebezigd insgelijks tot vervaardiging van
eene olie, die bij den mensch den haargroei bevorderen en de
ziekten van het hoofdhaar genezen zoude. — Van dezelfde spin-
soorten waren op de Antilles de bijzonder groote en krachtige
kaakhaken in gebruik als tanden-stokers, ter voorbehoeding
van of als geneesmiddel tegen tand-bederf,
Zoo voor in- als uit-wendig gebruik eindelijk vond ik bij
ALBIN, in zijn Natural History of Spiders, London, 1736 p. 3 en 4,
uitvoerige recepten van spinnen-praeparaten, omtrent welke hij
verzekert, het nut daarvan, in ’t bijzonder tegen koorts en neus-
bloeding, persoonlijk te hebben geconstateerd.
Over deze vreemdsoortige en voor een goed deel aan de leer
van Hahnemann en aan die der Signatoren ontleende, the-
rapeutiek kan men verder bij OzANaM, in zijne Brochure: Etude
sur le venin des Arachnides, 1856, nog meerdere gegevens aan-
treffen uit de geschriften van ALVARADO, JAHR, HENTZ, RÉCAMIER
LESSER, GALENUS, PLINIUS en vele anderen overgenomen.
Behalve tot z.g. medische doeleinden is het van meer algemeene
bekendheid, dat spinnen, hoewel betrekkelijk zeldzaam, ook gegeten
worden als lekkernij. Ter loops herinner ik slechts aan de ver-
halen in omloop omtrent onze ANNA MARIA SCHUURMAN en den
Franschen astronoom LALANDE (1). Zij werden nu en dan door
(1) Minder bekend is, dat deze fijn-proever ook gaarne rupsen at. (Zie
D'ISJONVAL, Joc. cit. S. 100).
214 (A. W. M. VAN HASSELT).
vrienden of bekenden getrakteerd op een fijn schoteltje met 20 à
30 achterlijven van kruisspinnen, die den smaak zouden hebben
van hazelnoten». Ik zelf proefde ze niet, maar wijlen onze onver-
getelijke collega SNELLEN VAN VOLLENHOVEN schreef, in zijne
Natuurlijke Historie van Nederland «dat hij ze wel geproefd had,
doch aan de hazelnoot de voorkeur gaf». — Toch schijnen er in
vroegeren tijd meer andere dusdanige lekkerbekken te hebben ge-
leefd, althans zag ik, bij Lister (Zibr. cit. Register, S. xn—xm),
op drie verschillende plaatsen en tijden, van af den jare 1725
ongeveer, over «Spinnen-fressern gewag gemaakt.
Voorzeker hebben daartoe insgelijks behoord zij, die toen en
later, — waarschijnlijk ook nu nog, — spinnen ook als voedsel
tot zich namen. Zoo werd, volgens den reiziger LABILLARDIÈRE
in Nieuw-Caledonië, eene Nephila-soort, deswegens de edulis ge-
naamd, bij honderden door de Inlanders gebraden en verorberd.
In Siam, zoude, voor hare ovula, hetzelfde geldig zijn (LISTER,
loc. cit S. XXIV). Desgelijks teekent Vinson, voor Madagascar,
er hetzelfde over aan: «L’usage alimentaire des Araignées
n’est pas étranger aux naturels de cette ile. Surtout la belle
Epeira de ce pays, E. Madagascariensis Vins., est recherchée des
indigènes, qui la font frire à la graisse». (Libr. cit. p. XXVI).
Van meer beteekenis, — als voor landbouw, handel, scheepvaart,
geneeskunde, oorlogs-tijd enz. belangrijk, is de beweering, dat de
spinnen het talent zouden bezitten van weérs-voorspelling.
Het sterkst van allen getuigde zulks de bovengenoemde spinnen-
vereerder D’IsJoNvar. Als staatsgevangene was hij, — die naar het
schijnt zich reeds vroeger met de biologie der spinnen had bezig
gehouden, — gedurende ruim 7 jaren, in de gelegenheid, om in
zijn kerker te Utrecht, zoo daarbinnen als buiten, in zijne onmid-
dellijke nabijheid, bij soms openstaande ramen, hare levenswijze
over dag en des nachts grondig te leeren kennen. Hij gaf daarover
eene met warmte geschrevene, doch niet altijd even duidelijke en
meest overal met overdrijving toegelichte verhandeling in het licht.
Ter plaatse fokte hy velerlei spinsoorten in grooten getale aan
en onderhield ze door dikwijls zijne vensters open te zetten, om
DE BETEEKENIS DER SPINNEN. 215
zoodoende zoowel haar, als vliegen en muggen naar binnen te
lokken, en wel met dit gevolg, dat hij in zijne brochure berichten
kon: «dass vielleicht viertausend Spinnen-gewebe seine Woh-
nung verzierten»! (?).
Uit zijne waarnemingen over hare meer of minder rustige ver-
houding, of daarentegen grootere of geringere beweeglijkheid, —
over het verlaten van hare oude webben en het in bezit nemen
daarvan soms door anderen, — over het weven van meerdere of
enkele nieuwe webben, doch op andere meer geschikte plaatsen, —
in verband met vergelijking der maan-phasen, der luchtelectriciteit
en andere veranderingen in den toestand der atmosfeer, meende hij
de vaste overtuiging te hebben verkregen, dat de spinnen, of althans
sommigen van haar, het weder kunnen voorzeggen, zelfs één
of twee weken /of meer) te voren, met grootere zekerheid dan
barometer, thermometer en hygrometer te zamen,
Zijne destijds wijd verspreide vermaardheid ten dezen verkreeg
D’ISJONVAL door zijne geheime correspondentie, in de jaren 1795
1796, met Fransche Generaals, die op het punt stonden, ons Land
binnen te vallen, — over de al of niet te verwachten harde
winterkoude, in ’t belang van het casu quo overtrekken der
vijandelijke Armée van onze groote rivieren (1).
Als persoonlijk van dit onderwerp geene speciale studie heb-
bende gemaakt, mag ik eigenlijk geen beslist oordeel uitspreken
over de waarde der onderzoekingen door D’ISIONVAL, op zóó groote
schaal, en gedurende een zóó langen tijd gedaan, evenmin als over
de beteekenis van zijne geciteerde profetiën.
Voor deze schijnt het mij echter toe, dat hij die toenmalige
(1) Zibro citato, S. 113 leest men in ’t kort däärover: „Nach dem was die
Spinnen, bei dem Monde, in November machen, kann man ersehen, ob und wenn
der FROST eintreten werde. Aus ihrem Benehmen in November 1795, konnte ich
schon am 10ten dieser Monats. den General PICHEGRU, in einen Schreiben aus
der Haag, voraus sagen, dass der winter äusserst gelind sein würde. —
Durch ihr Benehmen seit der 10ten November des Jahres 1796 hingegen, konnte
ich voraus sagen: der winter würde sich sehr bald einstellen.” — De Schrij-
ver zond destijds zelfs „einzelne sehr bestimmt” sprechende „Spinnen an die
Französische Generale”, vermoedelijk met bijschrift, hoe zij daarmede moesten
handelen tot eigene observatie en zelf-overtuiging !
216 (A. W. M. VAN HASSELT).
weersveranderingen op goed geluk geraden heeft, zoodat daarbij
evenzeer bloot toeval in het spel kan zijn geweest.
Er is toch geen twijfel aan, dat spinnen uiterst gevoelig zijn
voor wind en weêr zoodat zij haren dagelijkschen arbeid
ten deele regelen naar den bestaanden toestand der atmosfeer,
edoch vermag ik als nog geene zekerheid toe te kennen aan hare
voorzeggingen, evenmin als die van Prof, FALB, op 1, 2 à 3 weken
en meer vooruit! Een halve eeuw heb ik mijne beide huis-
barometers trouw nagezien en geraadpleegd, zonder een enkele maal
zóó lang te voren eenig voldoend licht over het te wachten
weder van dezen te hebben verkregen.
Alle dergelijke waa”neningen over het weêr, aan spinnen of
andere dieren — misschien voor sommigen van de laatsten uit-
gezonderd, — te maken, mogen voor den huidigen dag of één
of meer volgende dagen gelden, maar niet voor groote weers-
kenteringen, die pas na weken of maanden zullen intreden, Of
zou men meenen, dat de gevoelszenuwen der spinnen eene taak
kunnen vervullen, die tot nog toe buiten het bereik van de vele
fijne wetenschappelijke hulpmiddelen der Metereologischen Instituten
blijkt te zijn gelegen ?
Positiever dan de weersprofetie gua talis door intermediair der
spinnen zelf, kan haar rag, hierboven reeds besproken (blz. 209,
enz.), wegens zijne buitengemeene fijnheid en lichtheid, — hoe
zelden dan ook, — den mensch eenigen dienst bewijzen, zoo bij-
voorbeeld bij het juist herkennen der richting van den wind,
zelfs bij schijnbaar stil weder. Onder anderen deelde TENNENT
hierover mede, dat de Olifant-jagers op Geijlon spinwebdraden
laten uitwaajjen, om als windwijzers te dienen. Daardoor in-
gelicht zouden zij de olifanten, bekend wegens hun scherpen reuk,
tegen den wind in, dichter kunnen naderen. (Geijlon, Vol. II,
p. 337).
Van minder algemeene bekendheid is eene vierde practische aan-
wending van het spinrag, die door onzen beroemden ichthyoloog
Dr. BLEEKER is opgeteekend. Op Ternate, Tidore en andere eilanden
in de Molukken, — en waarschijnlijk ook wel elders, — vindt
DE BETEEKENIS DER SPINNEN. 217
het veelvuldige toepassing bij de vischvangst. Men bezigt er,
bij het visschen in de riviermondingen en in zee, bij gebrek van
beter, simmen zonder vischhaak. In stede daarvan worden de
lijnen aan het vrije uiteinde voorzien, van een stevig bevestigd
samengeperst balletje of klompje rag. Belone-soorten en andere
visschen met lange tanden, daarin bijtende, blijven bij het ophalen
van de lijn of de hengelroede, meestal daaraan hangen. (Leis door
de Minahassa, enz.” Deel I, blz, 173).
Op dit punt genaderd tot het einde over het would be «nut»
der spinnen, vind men daarbij nog rekening gehouden van eene
dubieuse aanwending, die ik slechts pro memoria aanstip. Deze
heeft betrekking op het Jachtbedrüf der Bosjesmans van
Zuid-Afrika. De pijlen daarvoor gebezigd zouden hunne kracht
ontleenen aan het bestrijken met een pjlvergift, door de be-
reiding er van uit spinnen, vermoedelijk J/ygale-soorten, ver-
kregen (1). (Extract uit een Tijdschrift, dat ik verzuimde op te
teekenen, doch waarin de Engelsche reiziger BARROw hierover
handelde).
Ten slotte overgaande tot een resumé over de keerzijde in de
«beteekenis der spinnen», dat is over het berokkenen van nadeel
aan mensch en dier, komt in de voornaamste en eerste plaats
haar vergiftigings-vermogen in aanmerking.
In dit onderwerp zal ik mij, voor de lezers van ons Tijdschrift,
niet behoeven te verdiepen, als kunnende volstaan met verwijzing
naar mijne vroegere en de eerst onlangs gepubliceerde studiën over
het spinnen-vergift (*). Volledigheidshalve mocht echter hier
een beknopt overzicht daarvan niet ontbreken.
(1) Als ingrediënten voor de tropische pijlvergiften worden niet alleen
spinnen, maar ook padden, mieren, duizendpoten, Gecko’s, gift-
slangen enz. opgesomd. Deze leveren echter daartoe slechts ondergeschikte,
onbestendige en althans zeer twijfelachtige bijmengsels, terwijl hevig werkende
plantaardige vergiften, zooals strychnine, curare, antiarine, strophantine, de
wezenlijke hoofdbestanddeelen er van uitmaken.
(2) Zie le venin des araignées in Ned. Tijdsch. v. d. Entomologie, Deel xxxIX
en XLI (1896 en 1898).
218 (A. W. M. VAN HASSELT).
Waar de vele spinnenhaters volkomen in hun recht zijn, is het
dan, wanneer zij ze als «venijnig» uitschelden. Allen toch, — hoezeer
dit voor de mikro’s alsnog niet algemeen anatomisch is aangewezen, —
zijn, zoo ter verdediging als tot den aanval, in hare kaakhaken
en soms ten deele in haar kop, voorzien van een vergift-toestel,
dat zij, wegens hare teedere organisatie, in den strijd des levens,
zoo zeer behoeven. Dit eenvoudig apparaat nadert evenwel in con-
structie zelfs tot dat der vergiftige slangen, edoch wat het volumen
der giftklier en de intensiteit van het virus aangaat, bij verge-
lijking op eene veel kleinere schaal.
Over dit vergift zijn van af de oudste tijden tot op heden, in
de populaire niet alleen maar ook in de medische overleveringen,
verdichting en waarheid als om strijd loopende gebleven.
De kolossale blunders over de geruchtmakende geschiedenis van het
Tarentisme en den Tarantel-dans hebben wel het sterkst
sprekend voorbeeld voor bovenstaande stelling opgeleverd, Kan men
intusschen, uit de historie, aan de eene zijde onmogelijk alles
aannemen, wat over «de beten van spinnen» geschreven staat, men
mag toch anderszijds hier niet alles wegredeneren.
Een wel bewezen feit is, — zoo voor de Tarentulae, als voor
verscheiden anderen onder de middelmatige of grootere soorten, —
het ontstaan van lichtere of zwaardere plaatselijke verschijn-
selen na sommige spinnenbeten, vooral in de heete gewesten, en
in den warmen zomertijd, — alsmede het bij hooge uitzondering
op die verwonding volgende intreden van min of meer belangrijke
algemeene ziekte-symptomen, inzonderheid uitgaande van het
zenuwstelsel.
Over het levens-gevaar er van voor den mensch daaren-
tegen bezit men slechts weinige en dan nog grootendeels onbe-
trouwbare gegevens. Toch zou men te dien opzichte te ver gaan,
door alle verhalen of waarnemingen van vroegeren of lateren tijd
over dood door deze beten als zoodanig te verwerpen, gelijk dit
door sommige Auteurs geschiedt. Zeer waarschijnlijk bevinden zich
daaronder eenige die geloof verdienen, met name over beten aan
kinderen, zwakke, ziekelijke of zenuwachtige personen toegebracht.
DE BETEEKENIS DER SPINNEN. 219
In de groote meerderheid der gevallen echter schijnt het mij buiten
kijf, dat de geneesheeren te dikwerf zijn afgegaan òf op overdreven
uiting der volks-paniek tegen dit vergift, (of liever tegen enkele
spinsoorten, die slechts voor bijzonder gevaarlijk worden gehouden»),
òf wel op onjuiste diagnose te dezen. Immers het corpus delict,
«de ware spinsoort», kon slechts hoogst exceptioneel worden over-
gelegd. Ik acht het voor gewis, dat ook meermalen de eigen-
lijke doodsoorzaak in verwonding door giftslangen of andere
schadelijke dieren kan hebben gelegen, of ook in complicatie
met duistere snelverloopende ziektevormen bij de gebeten lijders.
Een krachtige voorstander in den nieuwen tijd van het «levens-
gevaar» in casu, Professor FUGA Borne, heeft in eene doorwrochte
verhandeling over de vergiftspinnen in het algemeen en over den
Latrodectus formidabilis van Chili in het bijzonder, de hierboven
genoemde klippen van onderscheid m.i. niet met goed gevolg
ontzeild. Zijne geciteerde eigene ziektegeschiedenissen hebben insge-
lijks naar mijn oordeel, — in zooverre als ik die goed heb verstaan, — (1)
weinig of geen nieuw licht ontstoken, althans wat de lethale in wer-
king van het vergift der genoemde spin op den mensch betreft.
Daarentegen heeft zijn moeitevolle arbeid deze verdienste, dat
door hem de doodelijke kracht van bet venenum araneinum voor
kleinere en grootere dieren, in tallooze oorspronkelijke exper i-
menteele onderzoekingen zonder verdere tegenspraak is bewezen.
Toch zelfs ook däärover mag ik ééne bemerking niet weérhouden,
Men mag namelijk dááraan, voor het brandende vraagstuk over
het levensgevaar voor den mensch, nog altijd geene voldoende
bewijskracht ontleenen. Des schrijvers proefnemingen toch hielden
geen verband met de hooge beteekenis der dosis towica in de ver-
giftleer. De bezweken paarden, bijvoorbeeld, liet hij door 5 à
10 (!) Zatrodecti in het slijmvlies van mond en neus bijten,
terwijl voor den mensch gemeenlijk slechts sprake is van 1 à 2
beten in de huid!
(1) Het is zeer wel mogelijk, dat ik in mijne kritiek, althans ten deele, heb
gefaald uit hoofde van ongenoegzame kennis der Spaansche taal, waarin dit
werk is geschreven, zoodat ik voor dit geval beleefdelijk verschooning inroep.
220 (A. W. M. VAN HASSELT).
Hiermede de hoofdbeschuldiging over het schadelijk vermogen
der spinnen, zoo neutraal mogelijk, toegelicht zijnde, kon door
belangstellenden wellicht verder worden gevraagd, « maar veroor-
zaken zij niet nog meer andere nadeelen, dan door hare beten ? »
Schrijver dezes heeft hierover, in de eerste plaats, de geleerde
entomologen KirBy en SPENCE geraadpleegd, dewijl deze eenige
Hoofdstukken van hun bekend werk gewijd hebben aan The
injuries caused by Insects, etc. Het bleek mij echter, dat zij,
speciaal van de spinnen, verder niets anders op haar zonden-register
wisten te stellen dan het volgende: « Spiders, by their webs, which
they suspend in every angle, interfere with the comfort in our
apartments, and add much to the business of our servants
(Introduction to Entomology, 1857, p. 136)!
Ongerekend deze flauwe äardigheid, heb ik voor mij, sedert
KirBy’s boek, toch enkele andere, meer degelijke nadeelen, —
al zijn het geene hals-misdaden , — doch ook grootendeels aan de
webben der spinnen ontleend, opgeteekend.
Volgens eene oude, te beknopte, mededeeling, zonder eenige
toelichting, van Dr. SCHREBER, over het «nadeel» der spinnen,
zoude: «Ihr Gewebe den Schaafen schädlich sein ». Afgaande op
overeenkomstige courant-artikelen, voor andere herkauwende dieren,
zal daarmede hoogst vermoedelijk bedoeld zijn, dat het grazen van
kudden schapen bemoeielijkt of zelfs benadeeld kan worden, wanneer
in den herfst de voedselplanten op de weide-plaatsen somtijds op
breede schaal, door menigvuldige spinragdraden worden overtogen.
Wellicht gaat de maag-functie lijden onder de dagelijksche inwer-
king van het zamentrekkend (of zelfs caustische”?) spinrag (blz.
212) op het slijmvlies van mond en tong? Zie LISTER, S. 25.
De Lezer zal zich misschien herinneren de ontzettend overdreven,
bijna ongeloofelijke berichten van MorscHouLsky en andere Russische
schrijvers over het groote, zelfs dikwijls doodelijke gevaar, dat
hoornvee, paarden, enz., in den heeten zomertijd, blijken te
kunnen ondervinden van het grazen in de Kirgisen-steppen, als
wanneer, in sommige jaren, eene Latrodectus-soort zich aldaar op
eene ongemeen talrijke wijze in die weide-plaatsen kan vermenig-
DE BETEEKENIS DER SPINNEN. 221
vuldigen. Men weet, dat zulks uitsluitend, ofschoon onder protest ,
werd toegeschreven aan de vergiftige beten der genoemde spin. (1)
Niet onmogelijk echter acht ik het, dat hier eene dergelijke
oplossing, als hier boven, mag worden verondersteld, aangezien
deze spin-soorten hare sterke en groote webben op of dicht bij den
grond plegen aan te leggen.
Niet alleen voor dieren, maar ook voor de planten-wereld
zelve kan meer of minder groote schade aan den landbouw worden
toegebracht, door eene uitgebreide omgeving van kruiden, heesters ,
zelfs boomen met talrijke spinnenwebben, waarvan ik een paar
voorbeelden heb opgeteekend.
Zoo schreef Don FELICE DA CUENTA, dat vele streken in Anda-
lusiën, voornamelijk het Distrikt Vica, in den zomer van 1865,
tijdelijk bezocht werden door eene ware overstrooming der
landerijen met zóó tallooze spinnen-zwermen eener vrij groote,
doch ongenoemde soort, dat de verdere ontwikkeling van den
plantengroei aldaar er in hooge mate door hare webben benadeeld
of totaal gestuit is geworden. (Uit een Spaansch Journaal, in
Utrechtsch Dagblad van 13 Febr. 1866).
Eene analoge beschadiging van het plantenrijk schijnt mij toe,
ook te kunnen worden veroorzaakt door sommige der zg. «sociale»
spinnen. Onder dezen heb ik meer bepaald het oog op den Anelo-
simus socialis E. Simon. Deze beroemde natuuronderzoeker namelijk ,
heeft op zijne reize naar Venezuela die spin aldaar tot meerdere
duizendtallen in koffy-plantaadjes aangetroffen. Hij zag sommige
boomen nagenoeg in hun geheel, door de webben dezer spin als
met een netwerk omgeven, zooals op één zijner platen zeer fraai
is afgebeeld, — evenwel zonder dat de schrijver casu op de
door mij ook hier veronderstelde mogelijkheid van een’ nadeeligen
invloed op de cultuur schijnt bedacht te zijn geweest. (Zie Araig-
nées sociables in Ann. d. I Soc. Ent. d. France, 11 Mémoire,
Fevrier, 1894).
Veel ouder is de, mede interessante, analoge waarneming van
(1) Zie mijn Venin des araignées, in N. Tijds. v. Entomologie, Jg. 1896,
p. 6 et 32.
222 (A. W. M. VAN HASSELT). DE BETEEKENIS DER SPINNEN.
onzen DOLESCHALL over de schade aan de indigo-cultuur in
Oost-Indië, somtijds door eene overeenkomstige oorzaak toegebracht.
Een tweetal kleine soorten van het geslacht Zeridion omkleeden
soms, bij langdurige droogte, de jonge takken van den indigo-boom
zóó dik met spinrag, dat de groei der bladeren, — in verband
met het stof, dat alsdan in de webben wordt opgenomen, — door
verschrompeling grootendeels wordt belet, Hij voegt nog hierbij:
«Daar dit voornamelijk aan de bovenste takken plaats heeft, kan
bevloeing der indigo-velden er niet tegen helpen (Natuurk. Tijds.
v. Ned. Ind. D. XII, 1856—57).
Omtrent een ander nadeel door spinnen aangebracht trok nog eene
mededeeling van den araneoloog ZIMMERMANN mijne bijzondere aan-
dacht. Deze verzekert, dat Linyphia triangularis Clk. = montana L.,
in Silezié nu en dan een vrij belangrijken hinderpaal tegen het
verzamelen van honig door de bijen oplevert, door de uitgestrekte
lagen spinsel, waarmede deze spinnen op sommige tijden de Hrica-
bloempjes en stengels plegen te bekleeden (Zie deze waarneming
vermeld bij LEBERT, Schweitzer Spinnen, S. 151).
Eindelijk las ik, in een gelijksoortig, doch oorzakelijk heterogeen
opstel van den Franschen entomoloog LANCELEVÉE, eene booze streek
van eene andere spin-soort, Misumena vatia Clk, s. Thomisus citreus
d. G. Deze namelijk, berokkent daar te lande dikwerf groot nadeel
aan de bijenhouders. «Cette araignée, — zegt hij, — fait
beaucoup de tort à Z’apieulture, en détruisant un grand nombre
d’abeillesy. (Hatr. d. Bullet. d. 1. Soc. d. Se. nat. d’Elbeuf, 2
Sem. 1884).
’s Gravenhage , 1900.
T.vE.XLM. al
\S ;
1E IJN SE TE Ala
ge
AJW. lith PWM.Trap imp
Javaansche Heterocera.
TvyE.XLII.
Javaansche Heterocera.
TvE. XLIII. Als.
Javaansche Heterocera.
TvE XLII. PIS
tw)
Im A.W. DEN
Ur. ur en fr cel trap Imp
Javaansche Heterocera
PWM Trap li h.
D'AC Oudemans del.
Foreign Acari.
__DrAC Oudemans del.
Foreign Acari.
TvE. XLII.
PW.M.Traplith.
D'AC.Uudemans del.
Sanremeser Acari.
- vo. Br. 88
e cati u
| = :
= Fa
i de SI
LA
7
= pn
cs 7
sE _
5 L er
ia Le È 7
È
D :
At ,
2 u a
u ni di
7 u
| x
ua: | |
ME a
u i =
E f.
= a = D
Lt |
. >
A en
| |
- SO Li = i > m
7 7 a 1 Ne = N: a > i. a \
7 n Fee a 7 u se u “ur . 7 FL
| : u x CAT 7 mn RO D 6
= x u nn 4 |
7 = 5 u u . x Li € se u
7 si SA 7 u [> Pres: u
| E si 7 ui Ù Vs u a I
u 7 ua u 8
> Ni : Je | u u
7 i 7 7 u -
=
=
in = i
sE u =
os 5
LE =a : u iz
x : 7
5
4 =
u 7
= ri <
n i
a an
E 4
. = mn
7 i 5
- Sa
En »
LA
5 i
i u 5
4 M
=
De:
tr
i ans
= & .
+
a ì i a
u Zw
: Lo
S
= .
u F
| x
\ Pa Nay le).
Qui
Wp -
a, Cp
DTA COudemans del. PWM.Trap lith.
Sanremeser Acari.
TvE:XLI.
PWMTrap lth.
Dutch Acari.
RKempers del PWM.Trap impr. AJ Wendel sculps.
Achtervleugels van Coleoptera.
16.
=" ge TTI Ul
PWM.Trap impr. AJWendel sculps.
Achtervleugels van Coleoptera.
T.vE. XLII.
ENT
WII
PWMLILap impr
Achtervleugels van Coleoptera
AJ Wendel senlps
E MIA né LS DE N
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
| NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
P>G TSSNELEEN
Jur. Dr. Ep. J. G. EVERTS
EN |
Mr. A. F. A. LEESBERG
DRIE-EN-VEERTIGSTE DEEL
JAARGANG 1200
Derde en Vierde Aflevering
met 5 platen .
(5 April 1901)
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1901.
ane
Da
a
223
Ueber die Metamorphose
VON
CALLOMYIA AMOENA Meig.
VON
Dr. J. C. H. DE MEIJERE.
in
AMSTERDAM.
Mit Tafel 13.
Im Juli 1899 traf ich in Ruurlo (Provinz Gelderland) an einem
zu Boden liegenden Stamm einige sehr eigenthümliche Fliegenlarven,
welche, wie die Zucht auswies, zu Callomyia amoena Meig. ge-
hörten. Die Seltenheit dieser Larven veranlasst mich, dieselben
schon jetzt näher zu beschreiben, obgleich das dürftige Material
eine eingehendere Untersuchung , namentlich in anatomischer Hin-
sicht , nicht erlaubte.
Die Thiere fanden sich an der mit Pilzen bewachsenen Rinde
der Unterseite des Stammes. Sie fielen durch ihren sehr stark
abgeplatteten Körper, welcher am Rande eine Anzahl langer Fort-
sätze trägt, sehr auf, und erinnern zunächst an die bekannten
Larven der Coleopterengattung Cassida, Die nähere Betrachtung
des Kopfes wies aber sogleich auf eine eyclorrhaphe Fliegenlarve hin.
Der platt-ovale Körper (Fig. 1) der erwachsenen Larve ist 43
mm, lang, und 3 mm. breit. Die Farbe ist gelblich weiss. Oberseits
sind nur neun Ringe sichtbar, indem der Kopf und der Prothorax
auch im vorgestreckten Zustande ganz von den folgenden Segmenten
verdeckt werden. Die bei oberer Ansicht erkennbare Körperfläche
Tijdschr. v. Entom. XLIII. 15
224 (DR. J.C. H. DE MEIJERE). UEBER DIE METAMORPHOSE
wird von einer Reihe von Fortsätzen umsiumt, deren Basalhälfte
jederseits gefiedert ist.
Am Vorderrande des ganz vorn liegenden Mesothorax finden
sich deren acht; der Metathorax hat jederseits vier eben solche
Fortsätze, während die sechs folgenden Ringe deren jederseits zwei
besitzen. Das Analsegment zeigt deren wieder acht. Im ganzen
kommen also 48 Randfortsätze vor. Es wechseln längere und
kürzere fast regelmässig mit einander ab; an den mittleren
Abdominalsegmenten ist je der vordere Fortsatz der kürzere,
Am Mesothorax gehören die beiden äusseren Fortsätze zu den
längeren, dann folgt jederseits ein kurzer, während die vier
mittleren von mittlerer Länge sind. Am Analsegment ist jederseits
der vordere Fortsatz kurz, dann folgt ein längerer, dann jedoch
wieder zwei kurze. Die Fortsätze (Fig. 2a) zeigen an der Basal-
hälfte jederseits 5 bis 6 schief nach vorne gerichtete Zähne mit
scharfer Spitze, deren Lumen mit demjenigen der Fortsätze in oflener
Communication steht. Die correspondirenden Zähne der beiden Seiten
stehen bald in gleicher Höhe, in anderen Fällen wechseln sie
mit einander ab. An der nackten Endhälfte sind namentlich an
den längeren Fortsätzen noch einige sehr kleine Zähnchen vorhanden.
Ueberdies beobachtete ich hier je eine eigenthümliche Stelle, welche
ungefähr in der Mitte dieser Hälfte liegt; das genauere Verhalten
dieser Stelle zeigt Fig. 2b. Es wird sich ergeben, dass unsere
Larve an anderen Körpertheilen noch eine Anzahl eben solcher Gebilde
aufzuweisen hat, welche ich alle als Endapparate von Sinnesorganen
aufzufassen geneigt bin.
Tracheen habe ich in den Randfortsätzen nicht beobachtet.
Die ganze Oberseite ist mit zerstreuten halbkugeligen dunklen
Warzen übersaet. In dem Medianfelde stehen dieselben dichter
gedrängt als an den Seiten.
Ferner sind als Anhänge der Oberseite eine Anzahl borsten-
ähnlicher Gebilde zu erwähnen (Dorsalpapillen). Der Metathorax besitzt
deren vorn und hinten je eine Reihe von sechs; an den fünf ersten Ab-
dominalsegmenten kommt nur die hintere Reihe vor. Der sechste
Abdominalring zeigt deren nur vier, während sie am Mesothorax
VON CALLOMYIA AMOENA. 925
und dem Analsegmente ganz fehlen. Alle diese Anhänge, von
welchen ich in Fig. 3 und 4 einen abgebildet habe, zeigen ein
eben solches Gebilde, wie ich sie von den Randfortsätzen erwähnt
habe.
Am Anfang des Analsegmentes liegen die zwei hinteren
Stigmen (Fig. 5). Dieselben springen sehr wenig vor. Am hinteren
Rande des vorhergehenden Segmentes befindet sich vor diesen
Stigmen eine Reihe kleiner Wärzchen, von welchen einige am
Ende zweitheilig erscheinen. Was den Bau dieser Stigmen betrifft,
so zweifle ich nicht daran, dass auch hier, wie bei den übrigen
cyclorrhaphen Dipterenlarven, die Trachee am Ende in eine Filz-
kammer übergeht, welche Knospen trägt, aber während sonst diese
Knospen oft auf langen Stielen aufsitzen , sind dieselben hier sitzend,
was ihre Untersuchung bedeutend erschwert. Es sind deren vier
vorhanden ; medianwärts von denselben befindet sich ein etwas
dunklerer Flecken, welcher mir die Stigmennarbe zu sein scheint.
Die Stigmen sind 50 x 40 w gross; ihr kürzerer Durchmesser
liegt der Längsachse der Larve parallel.
An der Unterfläche sind die Segmentgrenzen fast nicht erkennbar.
Dieselbe ist dicht besetzt mit kurzen farblosen Härchen mit breiter
Basis und scharfer Spitze. Zwischen denselben kommt dicht beim
Hinterrande jedes Segmentes je eine Querreihe von ovalen Gebilden
vor (Fig. 6). Sie sind ca. 90 « lang und 60u breit und fast ganz
mit eben solchen Härchen besetzt, wie sie an der ganzen Unter-
fläche vorhanden sind. In der Mitte aber zeigen sie ein sehr kleines,
stark lichtbrechendes Knöpfchen , welches von einem äusserst zarten
aus eben solchen Härchen gebildeten Stern, von 12—15 u Diameter,
umgeben wird. Diese Gebilde, welche sich wohl als Sinnespapillen
deuten lassen, habe ich an ähnlicher Stelle bei der Larve von
Lonchoptera angetroffen. Dort ist der Stern aber weniger deutlich
and im ganzen ovalen Flecke fehlen die Härchen. Zu jeder Quer-
reihe gehören etwa acht eben solche ventrale Papillen.
Während die eigentliche Unterfläche des Thieres die schon er-
wähnten dreieckigen Härchen trägt, kommen an den Seiten des
Körpers , unter den Randtortsätzen , dieselben runden Wärzchen vor,
226 (DR. J. C. H. DE MEIJERE). UEBER DIE METAMORPHOSE
wie an der Oberseite. An dieser Stelle befindet sich wieder jeder-
seits eine Längsreihe borstenartiger Anhänge. Die sechs ersten
Abdominalsegmente zeigen deren je ein Paar. Sie liegen dicht beim
Hinterrande der Ringe. Der Metathorax hat deren jederseits zwei,
von welchen der vordere schon mehr medianwärts gerückt ist.
An Mesothorax kommen deren jederseits zwei vor, je eine am
Seitenrand und eine mehr medianwärts, während der Prothorax
vorn vier eben solche Gebilde besitzt , welche eine Querreihe bilden.
Alle diese Anhänge zeigen denselben Bau, wie die Dorsalpapillen ;
sie sind aber weicher und blasser, Auch an ihnen ist an gleicher
Stelle das eigenthümliche Organ erkennbar , welches ich an letzteren
erwähnt habe. Gerade diese Seitenpapillen machen es mir wahr-
scheinlich, dass wir es hier mit Endapparaten von Chordotonal-
Organen zu thun haben, indem ich bei der verwandten Larve von
Lonchoptera an dieser Stelle Organe letzterer Natur habe be-
obachten können. Die betreffenden Papillen sind hier aber etwas
anders gebildet; sie sind viel kürzer und von mehreren länglich
dreieckigen , farblosen Härchen umgeben. Der gleiche Bau der
Dorsalpapillen und der Gebilde an den Randfortsätzen macht es
wahrscheinlich, dass auch diese mit Chordotonal-Organen in Ver-
bindung stehen, was dann wieder zu der Annahme hinneigen lässt,
dass auch den allerdings unter einander mehr abweichenden Papillen
von Louchoptera die gleiche Bedeutung zukommt, wie es vielleicht
auch bei den mit diesen Gebilden wohl homologen Papillen der
Cecidomyidenlarven zum Theil der Fall ist.
Kopf und Prothorax sind nur wenig von einander gesondert.
Aus der Mundspalte (Fig. 7) ragen zwei plumpe Mundhaken (Fig. 10b)
hervor, welche mehrere stumpfe Zähne tragen. Es finden sich hinter
dem die Spitze einnehmenden Zahn zunächst zwei kürzere, dann
ein grosser, auf letzteren folgt ein ganz kleines Zàhnchen, und dann
ein etwas stärkeres. Die Mundhaken sind 120 « lang und 60 u breit.
An der Basis derselben findet sich ventral eine quere Chitinbrücke.
Nach hinten zu folgen dann die zwei Chitingräten, welche wie
bei allen cyclorrhaphen Larven, das Schlundgerüst bilden. Dieselben
sind in Fig. 10a von oben, in Fig, 10b von der Seite abgebildet.
VON CALLOMYIA AMOENA. 227
Sie sind verhältnissmässig kurz und plump, und wie gewöhnlich ,
hinten gefurcht,
Vor der Mundöffnung stehen die sehr wenig entwickelten Fühler
und Maxillartaster. An den Fühlern (Fig. 9) ist ein breites,
weiches Grundglied, und ein kegelförmiges, bräunliches Endglied
nachweisbar. Von den sehr wenig vorspringenden Tastern lässt
sich nur die kreisförmige etwas punktirte Endfläche deutlicher
erkennen,
Der Prothorax trägt jederseits auf einem conischen Vorsprung ,
welcher von der Basis des 2ten Randfortsatzes jeder Seite überdeckt
wird, das Vorderstigma (Fig. 7 u. 11). Dasselbe ist 30 w breit.
Wie beim Hinterstigma trägt hier die Filzkamıner einige sitzende
Knospen. Auch hier hielt es wegen des dürftigen Materials schwer,
ihre genaue Anzahl zu beobachten; es mögen deren 4 oder 5
vorhanden sein.
Das Analsegment zeigt in der Mitte seiner unteren Fläche die
Analöffnung.
Der Pharynx scheint wenig entwickelt. Seine Länge beträgt
höchstens 250 «, während er bei der noch etwas kleineren Larve
von Lonchoptera eine Länge von 600 u erreicht.
Die vier Malpighischen Gefässe liessen sich ohne Mühe beob-
achten. Sie sind grünlich gefärbt und zeigen nirgends eine Erwei-
terung wie ich eine bei Zonchoptera angetroffen habe, Es lassen
sich wie bei letzterer Larve zwei hintere und zwei vordere unter-
scheiden. Die hinteren liegen ganz in der hinteren Partie des
Thieres ; ihr blindes Ende liegt in der Nähe der Analöffnung ; die
vorderen erstrecken sich bis in den hinteren Theil des Metathorax.
Die Verpuppung findet innerhalb der erhärteten Larvenhaut statt,
Letztere wird dabei auch oben, aber besonders unten mehr gewölbt
und alle Randfortsätze biegen sich nach oben um. Auch verdunkelt
sich die Farbe, namentlich an der zuletzt fast glänzend schwarz-
braunen Oberseite; die Unterseite bleibt lichter und matt. Das
Puparium ist 4 mm, lang und 25 mm. breit.
Die Puppe zeigt das bei den Cyclorrhaphen gewöhnliche Ver-
228 (DR. J.C. H. DE MEIJERE). UEBER DIE METAMORPITOSE
halten. Ihre Chitinhaut ist sehr zart, farblos und ganz glatt, also
ohne Zähnchen oder Wärzchen.
An dieser Puppe ist besonders das Verhalten der Prothoracal-
stigmen (Fig. 12) interessant. Dieselben finden sich auf wenig
vorspringenuen, runden Scheibchen. Die Trachee theilt sich, sobald
sie in dieses Scheibchen eingetreten ist, in zwei Aeste, welche
zunächst an der Oberseite des letzteren verlaufen, an dessen Rande
sich aber nach unten umbiegen. An der Oberseite zeigen diese
Röhren, so wie auch schon das Ende der Trachee selber, zwei
Reihen dünner Stellen von ovaler Form, durch welche wohl der
Gasaustausch von statten geht. Näheres über dieses eigenthümliche
Verhalten werde ich in einer Abhandlung über die Prothorakalstigmen
der Dipterenpuppen bringen.
Beim Ausschlüpfen der Fliege löst sich das Vorderende vom
Puparium los (Fig. 13 und 14). Die Trennungslinie liegt an der
Oberseite zwischen Metathorax und dem ersten Ring des Abdomens,
läuft dann unterhalb der Randfortsätze nach vorne, bis an die Grenze
zwischen Mesothorax und Metathorax und wird daselbst durch eine
Quernaht ergänzt. Für das Auskriechen der Fliege ist eine voll-
kommene Trennung dieses Deckels nicht nôthig: es kann derselbe
an der einen Seite festsitzen bleiben.
Ueber die Metamorphose von Callomyia habe ich in der Literatur
nichts auffinden können. Von den Platypeziden überhaupt ist in
dieser Hinsicht nur erst sehr wenig bekannt. Es finden sich bloss
einige Angaben über die Larven von ein Paar Platypeza-Arten.
Diese sind meistens in Pilzen angetroffen und weichen von der
Callomyia-Larve in mehreren Hinsichten bedeutend ab. Sie sind
zunächst nicht so stark abgeplattet; dann ist die Zahl der auch
hier vorkommenden Randfortsätze bedeutend geringer, indem nach
von Bergenstamm ') bei P/atypeza holosericea Meig. deren im Ganzen
1) Ueber die Metamorphose von Platypeza holosericea Meig. Verh. zool. bot,
Ges. Wien. XX. 1870. p- 37,
VON CALLOMYIA AMOENA. 229
28, nach von Frauenfeld !) bei Platypeza fasciata Fabr. deren 26
vorhanden sind. Diese verschiedene Zahl wird wohl dadurch ver-
anlasst, dass letzterer die zwei Anhänge des Prothorax nicht be-
obachteie. Letztere Larve zeigte bei oberer Ansicht 10 Ringe. Wenn
von Frauenfeld also Recht hat, wenn er den vordersten derselben
als Mesothorax anführt, so giebt es hier einen Abdominalring mehr
als bei Callomyia. Kopf und Prothorax bilden einen vorn an der
Bauchfläche vorspringenden Zapfen
Die Randfortsätze, von denen hier die meisten Segmente nur
jederseits einen aufweisen, haben auch eine andere Form, indem sie
fast ganz nackt, und nur an der Spitze mit mehreren kurzen zahn-
ähnlichen Vorsprüngen besetzt sind. Besonders abweichend sollen
sich aber die Mundtheile verhalten: «Mundhaken fehlen, dagegen
sieht man am Oberrande des Mundes jederseits c. 12 Querreihen
von hakenartigen Chitinzähnen, wie an einer Schneckenzunge.
Oben sind beide Reibflächen vereinigt und treffen auf eine unpaare
Gräte vom Schlundgerüst, vielleicht die vereinten Mundhaken. Diese
Gräte theilt sich nach hinten in zwei Aeste, die in die gewöhn-
lichen chitinösen Platten des Schlundgerüstes auslaufen. Unten
sind beide Platten durch eine siebartig durchbohrte Chitinbrücke
verbunden » ?). Bei diesem eigenthümlichen Verhalten scheint es
mir besonders wichtig, dass Callomyia sich so nahe an das ge-
wöhnliche Schema der Cyclorrhaphen anschliesst.
Beim Auskriechen soll die Tonne um den vorderen Pol seitlich
bis zum fünften Ringe (d. h. dem ersten Abdominalring) reissen.
Auch hierin verhält sich also Callomyia anders.
Wenn also aus dem Befund bei Callomyia erhellt, dass das Fehlen
der Mundhaken keine Eigenthümlichkeit aller Platypeziden-Larven
ist, so thut sich die Frage auf, wodurch dieselben sich denn von
den übrigen Cyclorrhaphen unterscheiden. Darüber lässt sich aber
1) Entomologische Fragmente. Verh. zool. bot. Ges. Wien. XIV. 1864. p. 68.
2) Brauer. Systematische Studien auf Grundlage der Dipterenlarven. Denkschr.
Math. naturw. Cl. K. Akad. Wiss. Wien. Bd. XLVII. p. 32.
230 (DR. J.C. H. DE MEIJERE). UEBER DIE METAMORPHOSE
zur Zeit wenig sagen. Das eigenthümliche Aussehen infolge der
Randfortsätze findet sich bekanntlich auch bei anderen wieder, so
bei Volucella und Homalomyia. Vielleicht liesse sich das allen
gemeinsame Merkmal darin finden, dass der Prothorax hier bei
oberer Ansicht ganz unter den folgenden Segmenten versteckt
erscheint und mit weicher Haut bedeckt ist. Dagegen besitzen der
Meso- und Metathorax , sowie auch die Abdominalringe, oberseits
eine starke Chitinschicht. Wei Homalomyia wenigstens ist der Pro-
thorax ebenso starr wie die folgenden Ringe und wird gar nicht
von letzteren bedeckt.
Besonders erwünscht erscheint mir zunächst dıe genaue Unter-
suchung der Larven von Plalypeza, zumal wieder Léon Dufour 1)
bei Platypeza holosericea Meig. zwei lange, spitze Mundhaken
(« mandibules ») abbildet. Doch scheinen mir auch die anderen
Angaben dieses Forschers über die bezüglichen Larven nicht ganz
zuverlässig. Es ist mir wenigstens nicht möglich zu verstehen wie
die Larve (die dorsalen Fortsätze mitgerechnet) 42, das Puparium
aber 46 Fortsätze aufweisen kann , wie es in seinen Figuren 24
bez. 26 der Fall ist.
Keine Platypeza-Larve scheint, so weit es sich der Literatur
entnehmen lässt, einen so grossen und durch doppelte Anzahl von
Randfortsätzen ausgezeichneten Metathorax zu besitzen, wie Oallomyia.
Es thut sich hier die Frage auf, ob wir es vielleicht bei letzterer
mit einer Verschmelzung zweier Segmente (Metathorax und eigentlichem
erstem Abdominalsegment) zu thun haben. Dafür habe ich aber
keine entscheidende Gründe auffinden können und so lässt sich
einstweilen dieser Abschnitt wohl nur als einheitliches Segment
auffassen. Vielleicht wird sich, wenn einmal die verwandten Formen
in dieser Hinsicht besser bekannt sind, die doppelte Reihe von
Dorsalpapillen als ein solches Argument für die Verschmelzung
ergeben. In dem Fall würde auch die Zahl der Abdominalsegmente
mit der bei Platypeza fasciata Fabr. aufgefundenen übereinstimmen.
1) Sur les métamorphoses des Dipteres. Ann. Sc. nat. (2) XIII. 1840. p. 160
Taf. III. Fig. 24—26,
Fig.
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
VON CALLOMYIA AMOENA. 231
Tafelerklärung.
Alle Figuren beziehen sich auf Callomyia amoena Meig.
de
oo
Obere Ansicht der Larve. Es sind der Mesothorax , der
Metathorax und die sieben Abdominalsegmente erkennbar.
Im Mesothorax ist das darunter liegende Schlundgerüst
angegeben. Am Anfany des letzten Abdominalsegmentes
liegen die beiden hinteren Stigmen.
a. Einer der Randfortsätze. b. Das Gebilde an der nackten
Endhälfte desselben.
Dorsalpapille, von einigen Wärzchen umgeben.
Dieselbe , bei stärkerer Vergrösserung.
Hinterstigma und Umgebung.
Ventralpapille.
Untere Ansicht von Kopf und Prothorax.
F. Fühler; T. Taster; Mh. Mundhaken. St. Vorderstigmen.
Der die Vorderstigmen tragende Theil des Prothorax im
vorgestreckten Zustande, untere Ansicht.
Fühler.
a. Schlundgerüst von oben; b. von der Seite.
Vorderstigma.
Prothorakalstigma der Puppe.
Puparium von der Seite, mit dem Deckel.
Vordere Ansicht des geöffneten Pupariums,
232
BOEKAANKONDIGING
DOOR
Jhr. Dr. ED. EVERTS.
MANUEL DE LA FAUNE DE BELGIQUE
par Aug. LAMEERE. Tome II. Insectes inférieurs,
avec 721 figures. — Corrodants, Dermaptères,
Orthoptères, Plécoptères, Agnathes, Odonates,
Thysanoptères, Hemiptères, Planipennes, Panor-
pates, Trichopteres, Coleoptéres. — Bruxelles
H. LAMERTIN, Libraire-Éditeur 20, Rue du Marché
au Bois, 1900.
Onder hovengenoemden titel verscheen onlangs het tweede deel
van een zeer praktisch handboek, dat niet alleen voor de Belgische
beoefenaars der beschrijvende dierkunde een aanwinst mag genoemd
worden, doch ongetwijfeld ook zeer welkom zal zijn buiten de
grenzen van België,
Het schrijven van een dergelijk werk is zeer zeker geene ge-
makkelijke taak, daar het ontzaggelijk groot materiaal in een zoo
klein mogelijk bestek, duidelijk en zakelijk bijeengebracht moet
worden, opdat men op de minst omslachtige wijze, d. i. zonder
het raadplegen van meer uitvoerige werken, spoedig eenige soort
kan determineeren. Dit doel, om een werk te hebben, dat op de
wijze der bekende zakflora’s dienst doet, is, voor zoover mogelijk ,
door den schrijver volkomen bereikt,
Een dergelijk werk werd ook reeds voor de fransche fauna on-
dernomen door A. Acloque, waarvoor Prof, Edmond Perrier een
aanbevelend woord als inleiding schreef. Ook werd in den boezem
der Nederlandsche Dierkundige vereeniging de wensch uitgesproken
BOEKAANKON DIGING. 233
om eveneens voor de Nederlandsche fauna een dergelijk beknopt, maar
volledig werk te ondernemen, waarvoor verschillende beoefenaars der
onderdeelen hunne medehulp hebben toegezegd. De toekomst zal
leeren, in hoeverre aan eene behoefte zal te gemoet gekomen
worden ; vooralsnog zijn echter de bouwstoffen voor vele groepen
nog te weinig volledig
Hoe practisch intusschen een dergelijke « Manuel» mag genoemd
worden, zoo is de schaduwzijde toch niet geheel weg te cijferen ,
daar in zeer vele gevallen het gebruik niet ten volle aan het doel
beantwoordt. Immers voor tal van grootere groepen, met vele
genera en tal van soorten, kan men ook niet verwachten steeds
groote zekerheid bij de determinatie te verkrijgen, te meer daar
de beschrijvingen veelal te kort zijn en ook wel niet eens alle
inheemsche soorten kunnen opgenomen worden. Meer uitvoerige
beschrijvingen, vooral bij zoovele kleinere soorten zijn alsdan hoog
noodzakelijk, om eenigszins de soort-verschillen duidelijk aan te
geven. Meer uitgebreide werken zullen dan ook voortdurend ge-
raadpleegd moeten worden, wil men tot zekere uitkomsten geraken.
Het werk van Lameere verdient allen lof en laat m. i. dat van
den franschen auteur Acloque verre ten achter staan. Ook zijn de
omtreks-figuren flink geteekend en goed herkenbaar, iets wat de
waarde van het boek zeer verhoogt.
Van groote beteekenis is het streven van den schrijver om eene
meer rationeele, natuurlijke rangschikking te geven. Dat de in-
deeling daardoor aanmerkelijk afwijkt van hetgeen de traditioneele
volgorde ons tot nu toe te leeren gaf, valt spoedig in ’t oog en
kan niet anders dan verrassend genoemd worden; menig entomoloog
zal zelfs verbaasd zijn. Toch acht ik het een verblijdend teeken ,
dat de systematische indeeling nogmaals aan de allernieuwste on-
derzoekingen getoetst wordt, want dat er steeds veel ongerijmds
in de systematiek overblijft valt niet te ontkennen. Of alle ver-
anderingen echter verbeteringen zijn, zal later moeten blijken.
Ofschoon ik nog geen gelegenheid had om sommige ingrijpende
zaken, na eigen studie te overwegen, zoo acht ik het niettemin
van belang, dat de plaatsing der Stylopines (de orde der Strepsiptera
234 BOEKAANKONDIGING.
of Ahipiplera) in de nabijheid der Rhipiphoridae nog voortdurend
aanhangers vindt. Ongewoon mag zeer zeker genoemd worden dat
de Pulieiden (orde der Siphonaptera of Aphaniptera , ook wel Suctoria)
door den schrijver tot de Coleoptera gerekend worden; de vloo
een kever! ziedaar de allernieuwste uitspraak over onzen « bruin
geharnasten voltigeur » wiens talent in het springen zich ook zelfs
meermalen in het systeem openbaarde, daar zij, behalve in eene
afzonderlijke orde, reeds terecht kwam tusschen de vliegen en
muggen (Diptera) om, voor wie weet hoe lang, bij de Coleoptera
een onderkomen te vinden.
Het werk van Lameere getuigt van veel ijver in de studie der
ware systematiek, d.i. om, na grondig onderzoek van den in- en
uitwendigen bouw en der ontwikkeling, het phylogenetisch verband
op te sporen en zoodoende te geraken tot een zuiver wetenschap-
pelijk doel, nl. het vinden der natuurlijke verwantschap.
Leer wordt dit werk, ter kennismaking, aan alle beoefenaars der
dierkunde aanbevolen.
235
Twee variéteiten van
POLYOMMATUS DORILIS Hin.
DOOR
D. TER HAAR.
Hierbij plaat 14, fig. 1, 2, 3 en 4.
Jaren geleden ving de heer Uyen bij Groesbeek eenige afwij-
kende exemplaren van Polyommatus Dorilis Hin., die, daar er
tot nu toe nog nergens melding van gemaakt is, eene nadere
omschrijving overwaard zijn.
Zooals men bemerken zal, heb ik de beide nog niet benoemde
variëteiten elk een naam gegeven. In tegenstelling met anderer
meening, dat dit overdaad is, ben ik van gevoelen, dat het doopen
van de verschillende variëteiten het bestudeeren zeer vergemakkelijkt.
Het blijkt hoe langer hoe meer, welke waarde de juiste kennis
van het variëeren der vlinders en de verspreiding over de aarde
van elke variëteit heeft voor de studie van de verschillende theoriën,
die opgebouwd worden. Het kweeken (zelfs kunstmatig) en het
vangen van variëteiten is niet langer een liefhebberij, maar ver-
dient werkelijk den naam van wetenschappelijken arbeid. Daarom
is het naar mijn bescheiden meening hoogst noodzakelijk om de
min of meer geregeld voorkomende of zeer in het oog springende
variëteiten namen te geven, ten einde orde en regelmaat te kunnen
houden in den steeds aangroeienden voorraad. Ook zal men niet
kunnen ontkennen, dat het bij het ordenen van eene verzameling
en bij het systematisch rangschikken van elke vlindersoort een
236 (D. TER HAAR). TWEE VARIETEITEN
groot practisch gemak oplevert, als aan elke variëteit haar plaats
wordt aangewezen, terwil het het vermelden van eene reeds be-
schreven variéteit aanmerkelijk vereenvoudigt. Ter verduidelijking
van hetgeen ik hiermede bedoel, kan ik aanhalen de variéteit
Suellus Stdg. van Deilephila Porcellus L. Im 1870 werd deze in
dit Tijdschrift vermeld door den heer Heylaerts en afgebeeld op
plaat 6 fig 1, Kerst in 1879 werd aan die variëteit den naam
gegeven van Suellus door Dr. Staudinger in de Hora Soc. Ent. Ross.
Wanneer men vóór 1879 dus deze variëteit moest bespreken of er
op de eene of andere wijze melding van moest maken, kon men
moeielijk anders spreken dan van de variëteit door den heer Heylaerts
in het Tijdschrift, of door Milliere in zijn Icones enz. beschreven,
waarbij misverstand lang niet buitengesloten is. Dr. Staudinger
heeft door den naam Swellus aan alle moeielijkheden een eind
gemaakt.
In mijn boek « Onze Vlinders» heb ik de door mij te beschrijven
variëteiten reeds vermeld. Onder variëteit I heb ik opgenomen
Subalpina Speyer (Montana Meyer-Dür), voor zooverre mij bij het
schrijven over deze soort bekend was, alleen nog gevangen bij
Bergen op Zoom door den heer Snellen.
De heer Uyen zond mij bij de andere variëteiten ook een
exemplaar van deze toe. Alle de in dit stukje te beschrijven van
den heer Uyen afkomstige exemplaren zijn door hem gevangen bij
Groesbeek en wel in een reeks lage weilanden, die zich langs den
zoom van het «Deutsche Reichswald» op Nederlandsch grondgebied
uitstrekken en omringd zijn, vroeger althans, door dikke popu-
lieren Men bereikt dit prachtige jachtterrein, waar o.a. Lycaena
Alcon Hbn. gevangen is, door bij de Roomsche kerk dadelijk het
pad dimks in te slaan en den breeden, niet verharden rijweg te
volgen.
Daar in de Nederlandsche literatuur van de var. Subalpina geene
andere beschrijving of vermelding bestaat dan de korte aanteekening
van den heer Snellen in deel II pag. 1126 van diens werk, was
eene afbeelding in dit Tijdschrift naar mijne meening geen over-
tollige weelde (fig. 1). Evenals voor de andere variëteiten zorgde
VAN POLYOMMATIS DORILIS. 2301
Mej. Fischer, onder toezicht van Dr. J. Th. Oudemans voor de
afbeelding, waarin zij bijzonder gelukkig geslaagd is.
Var. Brantsi m. (fig. 2).
Var. II is de variéteit door Mr. A. Brants in Sepp, 2° Serie,
Deel IT, pag. 104 voor het eerst beschreven en gekenmerkt door
de aanwezigheid van paarsblauwe stippen vöör de roode randvlekken
op de bovenzijde der achtervleugels. Deze variëteit komt klaar-
blijkelijk vrij veelvuldig voor, maar is tot nu toe waarschijnlijk
veel over het hoofd gezien.
Onder de exemplaren van den heer Uyen ontvangen waren er
twee aanwezig, beide 22, en wel één, dat behoort tot den type,
terwijl het tweede een overgangsexemplaar vormt tot de aanstonds
te beschrijven var. Ugent. Toen de heer Oudemans deze exemplaren
zag en vergeleek met stukken in zijn eigen collectie, bleek hem,
dat hij in het bezit was van een 9, den 25° Mei 1896 bij Oister-
wijk gevangen, dat de vermelde blauwe stippen veel helderder
vertoonde dan de vlinders van den heer Uyen, terwijl zij bovendien
aanwezig waren in cellen 2 tol en met 6. Naar dit exemplaar
is de afbeelding vervaardigd. De paarsblauwe stippen zijn aan wezig
in cellen 2 tot en met 5, bij sterk geprononceerde exemplaren
ook in cel 6. Zij staan op de zwarte kapjes van de achterrands-
vlekjes, en reiken soms tot de zwarte stippenry. Zij staan geheel
op dezelfde plaats en hebben dezelfde kleur als de bij Pol. Phlueas L,
vaak aanwezige stippen, alleen zijn zij doffer en vallen daardoor
minder in het oog. Aangezien deze variëteit meer blijkt voor te
komen en nog, voor zooverre mij bekend, nergens anders dan in
Sepp beschreven is, noem ik haar naar den eersten beschrijver ,
tevens onzen kundigen bioloog en beroemden vlinderschilder :
var. Brantsi.
Var. Uyeni m. (fig. 3).
Een exemplaar van den heer Uyen is eene variëteit, die parallel
is aan de var. Sehmidti van Pol. Phlaeas L, In «Onze Vlinders »
moest ik met eene zeer korte aanduiding onder var. III volstaan,
238 (D. TER HAAR). TWEE VARIETEITEN VAN POLYOMMATIS DORILIS.
omdat ik het origineele exemplaar niet te mijner beschikking had.
Bovendien is dit tijdschrift meer de eigenaardige plaats voor uit-
voerige beschrijvingen, dan het boek, dat meer als eene hand-
leiding te beschouwen is. Bij het sterkst geprononceerde exemplaar
(fig 2) is de roodbruine grondkleur op de bovenzijde der voorvleugels
vervangen door een bleekgeel, waartegen de vlekkenrijen duidelijk
afsteken , terwijl de bronsgroene bestuiving aan den vleugelwortel
ook helder uitkomt. De roodbruine band langs den achterrand der
achtervleugels, die de zwarte stippen omsluit, is eveneens bleekgeel.
Een tweede exemplaar vormt een duidelijken overgang (fig. 4).
De bovenzijde der voorvleugels is in het wortelveld en langs den
voorrand lichter van tint dan bij den tvpe, terwijl het gedeelte,
dat aan den binnenrandshoek grenst langzamerhand in bleekgeel
overgaat, zoodat langs den achterrand deze laatste kleur aan wezig
is. Alle tinten gaan bijna onmerkbaar in elkander over. De bo-
venzijde der achtervleugels is volkomen gelijk aan den type.
Bij het eerst beschreven exemplaar (fig 3) is de onderzijde der
voorvleugels eveneens bleekgeel met e/s bruinachtigen tint, terwijl
de oranjegele vlekjes langs den achterrand geheel verdwenen zijn.
De achtervleugels zijn grijsachtig met groenachtige bestuiving aan
den wortel, De band langs den achtterrand steekt duidelijk daar-
tegen af en heeft dezelfde bleekgele kleur als de voorvleugels.
Bij het tweede exemplaar (fig. 4) hebben de voorvleugels op de
onderzijde langs den voor- en den achterrand een bleekgele kleur,
waarin de oranjegele vlekjes minder scherp uitkomen, terwijl het
overige gedeelte van den vleugel licht oranjegeel is. De achtervleugels
zijn typisch gekleurd maar iets lichter van tint.
Deze variëteit wordt door mij genoemd naar den ontdekker en
ijverigen onderzoeker van de omstreken van Nijmegen: var. Ugent.
Kollum, 12 Februari 1900.
239
Eenige merkwaardige Aberratiën
EN EEN NIEUWE VARIETEIT
afkomstig van een dankbaar vangterrein
DOOR
D. TER HAAR.
(Hierbij plaat 14, fig. 4—11).
In vroeger jaren was het «Onland» bij Groningen een zeer
bekend vangterrein. In de Bouwstoffen komt in de lijst, die in
het tweede deel geplaatst is, de naam herhaaldelijk voor, Dit was
te danken aan de nasporingen van ons gewezen medelid Dr. C.
de Gavere te Groningen, die ook in deel X van dit Tijdschrift een
lang opstel heeft geplaatst, getiteld : Notices sur quelques macrolépi-
doptères indigènes » en dat grootendeels over de fauna van Groningen
en omstreken handelt.
Het is stellig zeer te betreuren, dat de collectie van den heer
de Gavere door slecht étiquetteeren (terwijl hij veel bij buiten-
landsche handelaren kocht) niet vertrouwbaar was en dat daardoor
zijne opgaven van vindplaatsen geen geloof verdienden, Dat dit
menigmaal terecht is geschied, bewijst het vermelden van: Ar-
gynnis Arsilache Esp., Zygaena Minos WY. enz.
Het «Onland » begint bij de Witte brug, ongeveer 20 minuten
buiten de stad aan den weg naar Paterswolde en vormt een groote,
onafzienbare vlakte, bestaande uit lage veengronden, Het grasgewas
wordt, voor zoover het land nog niet in cultuur gebracht en aus
voor den entomoloog bedorven is, eenmaal per jaar, en wel in
Tijdschr. voor Entom. XLIII 16
240 (DR. D. TER HAAR). EENIGE MERKWAARDIGE ABERRATIEN
het laatst van de maand Juni of het begin van Juli gemaaid. Tot
dien tijd prijkt het land in den prachtigen dos van de veenflora.
Hier en daar staan wilde boschjes van waterwilgen, elzen, ber-
ken enz, en groeit de veenbes (Vaccinium oxycoccus L.) over groote
oppervlakten, in gezelschap van Ore/is-soorten enz.
Voor den entomoloog een Dorado! Maar de ligging, zoo nabij
een groote stad levert ook een groot gevaar op. Het vangen, vooral
van de zelazame dagvlinders zal met eenig overleg moeten geschieden.
Het voorbeeld van het buitenland is daar om te bewijzen, dat er
niet zoo heel veel toe noodig is om in betrekkelijk zeer korten
tijd een diersoort uit te roeien. In Meyrick, a handbook of British
Lepidoptera leest men herhaaldelijk « extinct now », «nearly extinct
now», enz.; bij Polyommatus Dispar Haw. (Hippothoë Lewin) staat
zelfs «wholly extinct since about 1860 », geheel uitgeroeid sedert
ongeveer 1860! Een schip op strand een baken in zee! Om niet
in dezelfde fout te vervallen zal het noodig zijn, dat de Neder-
landsche entomologen van de na te noemen, in ons land zeer
zeldzame soort, die echter daar ter plaatse een korten tijd algemeen
is, niet meer vangen dan strikt noodig is voor hun verzamelingen
en om vooral de beschadigde exemplaren te laten vliegen.
Ik wijd over dat «Onland» eenigszins uit, omdat het in 1901
het doel zal zijn van de excursie onzer vereeniging en vele leden
zich misschien opgewekt zullen gevoelen om daarom naar Groningen
te komen.
In dat Onland heeft de heer R. J. de Boer te Groningen eenige
aberratiën gevangen, die eene nadere omschrijving verdienen, Ik
maak van de gelegenheid gebruik om tevens eene variëteit te be-
schrijven, door mij daar ter plaatse buitgemaakt.
Polyommatus Hippothoë L. ab.
PIAZZE Kies, 5.
Bij deze soort heb ik in «Onze Vlinders» pag. 9 vermeld, dat
de inlandsche exemplaren die ik gezien had, een sterken overgang
vertoonden tot de var. Kurybia Ochs.
De 44 die ik naderhand zag en bij Groningen door de heeren
EN BEN NIEUWE VARIËTEIT. 241
de Boer en Kooi gevangen waren, behoorden alle echter duidelijk
tot den type.
Ook met de gg was dit het geval. Maar in Juni 1900 ving
de heer de Boer een 9, dat zóó donker is, dat ik het der moeite
waard achtte er eene nadere omschrijving van te geven, vergezeld
van afbeeldingen van deze aberratie (fig. 5en6) en van de echte
var. Zurybia (fig. 7), waarvan ik een exemplaar uit Zwitserland
van Staudinger ontving.
Is de grondkleur van het g van den type donkerbruin, op de
voorvleugels komt, vooral in de middencel, franjewaarts van de
zwarte stip op de dwarsader en in de cellen franjewaarts van de
stippenrij roodbruine bestuiving voor, die zich vaak over een zeer
groot deel van het vleugelvlak verbreidt. Standvastig is bij alle
exemplaren een roodbruine band in het franjeveld der voorvleugels,
die door een smallen, donkeren band van de witte franje geschei-
den is. De achtervleugels zijn zwartbruin, met breeden, rood-
bruinen band langs den achterrand, waarin franjewaarts breede
zwarte stippen in de cellen staan.
Var. Hurylia Ochs. £ heeft eenkleurige donkerbruine voorvleugels,
en mist bijna geheel de roodbruine banden langs den achterrand
der voor- en achtervleugels, die bij den type op de onderzijde der
achtervleugels, om zoo te zeggen, doorgedrukt zijn; volgens de
beschrijving van Ochsenheimer staan in de staarthoek der achter-
vleugels eenige roodbruine, zwart gekernde vlekjes. De onderzijde
der voorvleugels, die bij den type geheel oranje bestoven is, heeft
bij de variëteit deze bestuiving alleen in het midden, De rood-
bruine band langs den achterrand der achtervleugels is geheel of
bijna geheel verdwenen.
De aberratie door den heer de Boer gevangen, vormt een
duidelijken overgang van den type tot de evengenoemde variëteit.
De grondkleur is zeer sterk geprononceerd zwartbruin en de mid-
denstip op de dwarsader is evenals de stippenrij voorbij het midden
der voorvleugels donker, zwart. De middencel is wortelwaarts van
de stip roodbruin gevuld, terwijl franjewaarts daarvan een klein
roodbruin veegje staat. De roodbruine band langs den achterrand
242 (DR. D. TER HAAR). EENIGE MERKWAARDIGE ABERRATIEN
is even als die op de achtervleugels geheel gelijk aan die van den
type. De grondkleur der achtervleugels is zeer donker zwartbruin.
De onderzijde van voor- en achtervleugels is geheel als van den
type.
Daar Pol. Hippothoë L. zoo zeldzaam in Nederland is, meende
ik den leden geen ondienst te doen met de afbeelding van boven-
en onderzijde te doen vervaardigen. De heer Dr. Henri W, de Graaf
heeft zich hier wel mede willen belasten en verdient een woord
van grooten lof voor de onovertrefbare wijze waarop hij dit gedaan
heeft.
Polyommatus Hippothoë L., var. Groningana. m.
Ik wil van deze gelegenheid gebruik maken om een variëteit
te beschrijven door mij dezen zomer in meerdere exemplaren op
dezelfde plaats gevangen.
Ik heb in mijn vorenstaande bijdrage (pag. 239) beschreven Pol.
Dorilis Hin. var, Brantsi m. Deze onderscheidt zich door de aan-
wezigheid van paarsblauwe streepjes in de cellen vóór den achter-
randsband, even als Pol. Phlaeas L. dit vrij geregeld heeft.
Bij de exemplaren door mij bij Groningen gevangen is de blauwe
weerschijn als het ware in de cellen opgehoopt tot paarsblauwe
stippen of streepjes ; zij rusten op de zwarte kapjes die wortel waarts
den roodbruinen band begrenzen. Ik heb zoowel dé als 92 van
deze variëteit. Het komt mij voor, geheel overbodig te zijn een
afbeelding van deze variëteit te laten maken. Ik geef haar den
naam Groningana, daar het terrein, waar zij voorkomt, als het
ware nog onder de rook van de stad Groningen ligt, al behoort
het aardrijkskundig tot de provincie Drente en het gehucht Eelder-
wolde.
Argynnis Selene W. V. ab.
(Fig. 8, 9.)
In het dertiende deel van dit Tijdschrift is eene aberralie af-
gebeeld door den heer Heylaerts bij Breda gevangen. Zij wordt
EN EEN NIEUWE VARIETEIT. 243
daar niet beschreven. Dit is wel jammer, omdat nu onbekend
is of de onderzijde in een of ander opzicht ook afwijkt van
den type.
Het komt mij voor, dat het aanbeveling verdient om geen ge-
noegen er mede te nemen met eenvoudig naar eene afbeelding te
verwijzen. Een afbeelding, hoe goed ook, is en blijft een copie.
Fouten, groot of klein, blijven niet uitgesloten. Ik ben overtuigd,
dat menige afbeelding in de latere deelen der eerste Serie van
Sepp minder ongelukkig zou zijn uitgevallen, indien de schrijvers
en teekenaars gedwongen waren geweest zich volkomen rekenschap
te geven van hetgeen zij zagen.
De door den heer Heylaerts gevangen aberratie heeft zwart be-
stoven achtervleugels, terwijl de voorvleugels geheel typisch gekleurd
en geteekend zijn; alleen zijn de zwarte teekeningen wat smal,
waardoor het geheel een lichter aanzien heeft,
Het hier afgebeelde exemplaar is een d en door den heer de Boer
in Mei 1891 gevangen. Het vertoont sterke melanistische neigingen,
vooral op de achtervleugels.
a. Bovenzijde,
Op de voorvleugels zijn de zwarte teekeningen die tusschen de
middenader en den voorrand liggen geheel als bij den type. De
wortel is weinig donker bestoven, de rijen vlekken, die bij den
type over de geheele vleugelbreedte loopen, zijn slechts duidelijk
op de bovenste helft, zoodat het wortelgedeelte van de benedenhelft
bijna eenkleurig is. De plaats der typische vlekken is daar namelijk
zeer flauw aangegeven. De stippenrij voor den achterrand vloeit
ineen met den zwarten achterrandsband, waarin de gewone licht-
bruine ronde vlekjes zijn uitgespaard.
De achtervleugels zijn geheel donker bestoven met uitzondering
van een onregelmatigen band langs den binnenrand (in cellen 1 c
en 1b), ovale vlekken op de aderen langs den achterrand en eenige
onregelmatige vlekken en bestuiving op het midden van den vleugel
en langs den voorrand.
244 (D. TER HAAR.) EENIGE MERKWAARDIGE ABERRATIEN
be Onderzy.de.
De onderzijde biedt nog meer verschilpunten aan dan de boven-
zijde. De zwarte cijferachtige streepjes op de voorvleugels zijn
flauwer van tint en de laatste stippenrij ontbreekt, even als de
zwarte kapjes vóór den achterrand Op de plaats van de stippen
staan zeer smal gerande, licht gevulde, lange driehoekjes of vlekjes,
die franjewaarts begrensd worden door eene lichtgele bestuiving in
de cellen, welke tot aan de franjelijn doorloopt. De donkere aderen
steken duidelijk tegen deze bestuiving af en ader 5 en 6 zijn bo-
vendien bruin bestoven. Van den donkerbruinen band in de voor-
vleugelpunt is alleen een vlekje om de bovenste stippen over.
De achtervleugels zijn het best te beschrijven als één groenachtig
geelwit veld, waartegen: de donkerbruine aderen helder afsteken.
Van de zwarte stippen is vooral duidelijk zichtbaar die in het
wortelveld, welke zeer groot en kommavormig is. Het duidelijkste
is misschien de omschrijving, dat het schijnt alsof de zwarte kapjes,
die bij den type langs den achterrand loopen, zijn opgeschoven tot
op de plaats der zwarte stippen in den gewolkten band, zoodat in
cellen 5, 6 en 7 dergelijke kapjes staan en zwarte, onduidelijk
begrensde stippen op ader 2 en 3. De kapjes in cellen 5 en 6
zijn wortelwaarts bruin begrensd, terwijl langs die aderen eene
bruine bestuiving loopt, evenals langs de aderen 2 en 3. Een
iets donkerder, flauwe schaduw wijst de plaats aan, waar de
gewolkte band wortelwaarts zou eindigen, evenals er zulk een
schaduw loopt op de plaats van den middenband. De plaatsen die
bij den type geel zijn, hebben bij deze aberratie dezelfde kleur,
terwijl overigens alle ruimte in de cellen, die niet bruin bestoven
is, paarlemoerkleurig is of met deze kleur bestoven,
De aberratie Æinaldus Hbst. wordt als volgt beschreven : « Bo-
venzijde zonder middenvlekken, gedeeltelijk zwartbruin. De onder-
zijde der achtervleugels met onduidelijken gewolkten band en met
smalle, in de lengte loopende paarlemoervlekken bij den achterrand ;
de gewolkte band kan ook ontbreken. Deze aberratie komt in
Helsingland (Zweden) en Finland voor. Zij is mij in natura onbekend,
EN EEN NIEUWE VARIETEAT. 245
maar naar deze wel wat korte beschrijving te oordeelen, doet het
Groningsche exemplaar daar sterk aan denken.
Argynnis Aglaja L. ab.
(His TO AE)
Dr. de Gavere deelt in het bovenaangehaalde stukje mede, dat
bij Groningen «herhaaldelijk » exemplaren worden gevangen eener
schoone aberratie van het 9, De geheele bovenzijde is dan zwart
bestoven, met uitzondering van een lichte ring om de zwarte
vlekken,
Het afgebeelde exemplaar is door den heer de Boer in Juli 1895
gevangen en vertoont wel eenige melanistische neigingen, doch is
vooral merkwaardig om de onderzijde.
a Bovenzijde,
De wortel der voorvleugels is zeer weinig donker bestoven en de
bestuiving is niet met zwarte vlekjes afgezet, zooals bij den type.
Van de drie cijferachtige teekens, die het naast aan den wortel,
onder den voorrand staan, is het middelste slechts door een uiterst
flauwe bestuiving aangegeven, De zwarte kapjes, die de rij bruine
achterrandsvlekken begrenzen, staan meer wortelwaarts. Daardoor
vloeien zij bij den voorrand met de stippenrij ineen, terwijl de
kapjes wortelwaarts meer gerekt van vorm zijn en in de bovenste
cellen de stippen met hun punt even raken.
De achtervleugels hebben de gewone smalle, bruine achterrands-
lijntjes in de cellen. Staan echter bij den type wortelwaarts daarvan
en door een smaile, zwarte lijn gescheiden, smalle, ovale vlekjes,
die wortelwaarts door zwarte kapjes zijn afgezet, bij deze aberratie
zijn die kapjes als het ware teruggedrongen tot de plaats, waar
bij den type de zwarte stippen staan. Die lichtbruine vlekken zijn
rond van vorm, terwijl de drie vlekken, die het dichtst bij de
staarthoek staan donker, en de overigen, die ook franjewaarts spits
zijn, grijs zijn afgezet, De middenband is aanwezig en wortelwaarts
geheel typisch van vorm; franjewaarts is hij in de middelste cellen
langs de aderen zwart bestoven tot aan de donkere afzetting der
246 (D. TER HAAR.) EENIGE MERKWAARDIGE ABERRATIEN
ronde vlekken langs den achterrand. Hierdoor blijven tusschen den
middenband en de afzetting lichtbruine, halve maantjes staan. Het
wortelgedeelte van den voorrand is ook donker bestoven.
b. Onderzijde.
De onderzijde wijkt nog sterker van den type af.
De grondkleur der voorvleugels is dezelfde, maar de type heeft
voor den achterrand een rij paarlemoervlekjes, die met groene en
van het midden af met zwarte kapjes zijn afgezet ; de buitenste
stippenrij bestaat uit groene of zwarte stippen, die bij den voorrand
vaak franjewaarts paarlemoervlekjes hebben. Bi de aberratie zijn
de kapjes in correspondentie met die op de bovenzijde, uitgerekt
tot lange driehoeken, die met hun top staan op de plaats der
stippenrij en in mindere of meerdere mate met paarlemoer zijn
gevuld, De overige vlekken correspondeeren met die der bovenzijde
en zijn dus minder in aantal en dunner dan bij den type.
De grondkleur der achtervleugels is als bij den type, en wel
okergeel met sterke groene bestuiving tot voorbij de buitenste rij
paarlemoervlekken. Is bij den type de band tusschen deze rij en
de randvlekken okergeel, ook bij dit exemplaar is dit het geval,
voor zoover hij zichtbaar is. De randvlekken zijn nl. niet lang en
sınal, maar zeer groot en bij den staarthoek rond en tot den
voorrand vrij regelmatig in lengte toenemend. Zij hebben den-
zelfden vorm als de vlekken op de bovenzijde. Het paarlemoer
loopt over de groene kapjes heen, waardoor een blaauwachtige
plaats ontstaat en de kapjes loopen spits uit tot aan de vlekken
van de buitenste vlekkenrij. Deze vlekken staan op de gewone
plaatsen en hebben de gewone gedaante. Echter zijn de middelste
alleen paarlemoerkleurig, die bij den voorrand en in de staarthoek
zijn lichtgeel. Aan den vleugelwortel staan groote vlekken, die de
kleinere vereenigen, welke daar gewoonlijk staan. De vlekken
komen bijna onmiddellijk uit den wortel en staan in cellen 7, de
middencel en 1c. De middencel is er geheel mede gevuld.
Kollum, 22 October 1900,
247
BOEKAANKONDIGING
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
DIE LEPIDOPTEREN DES BISMARCK-
ARCHIPELS, von Dr. ARNOLD PAGENSTECHER,
mit color. Tafeln. — (Zoologica, Heft 27
en 29). — Stuttgart, Verlag von Erwin
Nägele, 1899, 1900.
Dr. Arnold Pagenstecher te Wiesbaden, bekend door ver-
schillende belangrijke bijdragen over de Lepidoptera van den Oost-
Indischen Archipel, meestal gepubliceerd in de Jahrbücher des
Nassauischen Vereins für Naturkunde, van af deel 37 (1884), heeft
onder bovenvermelden titel nu ook een overzigt gegeven van de
vlinderfauna der genoemde eilanden, ditmaal in het Tijdschrift
Zoologica. Ik wenschte daarop hier de aandacht te vestigen, aan-
gezien het werk mij, om verschillende redenen, zeer aantrekt.
Kenige woorden over de landstreken, waarover het geschrift
van Dr. Pagenstecher handelt, mogen voorafgaan. De Duitschers
betitelen tegenwoordig, nu zij in 1882 eenige door Engelsche
zeevaarders ontdekte Australische eilanden, waaraan door de land-
genooten der ontdekkers, misschien te onregte, weinig waarde
werd gehecht, in bezit hebben genomen, met den naam Bismarck-
Archipel, voornamelijk wat wij altijd Nieuw-Brittanje, Nieuw-
lerland en Duke-of-York-eiland, hebben leeren noemen en welke
eilanden door Dampier, op zijne reizen (4690—1710) zijn ont-
dekt en benoemd. Het eerstgenoemde eiland noemen zij verder:
Nieuw-Pommeren, het tweede Nieuw-Mecklenburg, het derde Nieuw-
218 BOEKAANKONDIGING.
lerland. Ik weel niet of soms de aard der bewoners van deze
Autralische eilanden aanleiding heeft gegeven om juist die Duitsche
namen te kiezen, ?# geloof het niet maar de naamsverandering
komt mij in het algemeen voor van bedenkelijken aard te zijn
evenals alle dergelijke en niet gewettigd, tot verwarring aanleiding
gevende. De Franschen, die ook een door Engelsche zeevaarders
ontdekt Australisch eiland in bezit hebben genomen (Nieuw-
Caledonië), lieten het wijselijk, zijn ouden naam behouden. Ik
geloof trouwens niet, dat de vermelde naamsverandering buiten
Duitschland veel ingang heeft gevonden. Als collectief-naam voor
de bovengenoemde eilanden zou echter « Bismarck-Archipel » welligt
aanbeveling verdienen.
De eerste berigten over Insekten der genoemde eilanden ontvingen
wij door fransche entomologen , namelijk door Guérin-Ménéville, in
de Voyage de la Coquille (1828—32) en Boisduval, in de Voyage
de l’Astrolabe (et de la Coquille) 1832—35; later door Blanchard,
in de Insectes du Voyage de Dumont d’Urville 1853—55 en
Montrouzier, in de Annales de la Société d’ Agriculture de Lyon,
deel 7, 8 (1855); het laatste berigt betreft intusschen eigenlijk
meer het bij Nieuw-Brittanje liggende eiland Woodlark. Volgende
mededeelingen werden, meest door engelsche, in den allerlaatsten
tijd ook door duitsche entomologen gedaan. Bij al deze mededee-
lingen, vooral bij die uit lateren tijd, stond blijkbaar het streven
op den voorgrond, zooveel mogelijk nieuwe soorten te beschrijven,
echter zonder veel te zeggen over hare verwantschap met reeds
bekende; deze werden verder slechts opgenoemd , maar de voorwerpen
niet met die uit andere streken vergeleken, ook vroegere geschriften
over hetzelfde onderwerp werden niet of slechts ter loops vermeld,
Zoodoende kreeg men eigenlijk slechts eene verwarde voorstelling
van de vlinderfauna van Nieuw-Brittanje enz. en haast het denk-
beeld, dat zij een zeer bijzonder karakter droeg, rijk zijnde aan vele,
elders niet voorkomende soorten, iets wat echter volstrekt het geval
niet is. Eene dergelijke wijze van handelen is intusschen ook bij
het bespreken der faunae van andere landen, vooral wanneer het
de exotische faunae geldt, zóó gewoon, dat wij er ons niet over
BOEKAANKON DIGING. 249
behoeven te verwonderen, noch deswege op iemand in het bijzonder
een’ blaam te leggen, hoewel zij alles behalve wetenschappelijk is.
Eene geheel andere manier is door Dr. Pagenstecher gevolgd.
Vooreerst bepaalt hij er zich niet toe, om de bekende soorten
alleen op te noemen, maar geeft van alles beschrijvingen, ook der
genera, gewoonlijk (niet altijd) copieën der oorspronkelijke en tevens
zijne aanmerkingen daarop: Hierdoor vervalt het drooge en onbe-
langrijke, eigenlijk waardelooze van een gewonen catalogus. Inderdaad,
wat beduidt een bloote naam, al wordt hij door nog zoo vele citaten
vergezeld ? Niemand behoeft aan te nemen, jä is er zelfs niet eens
toe geregtigd het te doen, dat de schrijver zijne dieren goed heeft
gedetermineerd. Gelukkig begint men dit in te zien en geven
schrijvers die naar degelijkheid streven, ten minste Analytische
tabellen der soorten. Ook wanneer berigten over eerste toestanden
of leefwijze worden gepubliceerd, is, althans bij exotische insekten,
waaronder nog zoovele slecht bekende soorten schuilen , eene af-
beelding of beschrijving der volkomen dieren haast onmisbaar.
De door Dr. Pagenstecher gevolgde methode, waarin hij trouwens
reeds in Dr. Karsch, bij zijne mededeelingen over Afrikaansche
Lepidoptera, in de Ent, Nachrichten en het Berl. Ent, Zeitschrift
een voorganger had, ontheft ons ook van de moeite, een groot aantal,
niet altijd ter hand zijnde werken en tijdschriften na te slaan.
Eene zucht, om vele nieuwe soorten te beschrijven, blijkt uit
Dr. Pagenstecher’s werk volstrekt niet, ja meer een streven, om
synonymen op te ruimen en in alles tot eene zuivere en juiste
beoordeeling der vlinderfauna van de bedoelde streken te komen.
Ook komt het mij voor, dat de litteratuur over het onderwerp
vrij volledig is benut. Men heeft hier dus inderdaad een leerrijk
geschrift verkregen, wel geschikt om als grondslag voor latere over
hetzelfde onderwerp te dienen.
De bruikbaarheid van Dr. Pagenstecher’s werk heb ik overigens
zelf kunen waardeeren bij het determineeren van een aantal Lepi-
doptera door Pater V. M. Aghina te Huissen, van Nieuw-Brittanje
(of zoo men wil, Nieuw-Pommeren) ontvangen en waarschijnlijk
verzameld in de omstreken van den katholieken zendingspost Ki-
250 BOEKAANKONDIGING.
nigunang, door Dr. Pagenstecher vermeld. Ik heb hierdoor een
eigen oordeel over de vlinderfauna van den archipel kunnen vormen,
Zooals de schrijver zegt, maakt de vlinderfauna van de besproken
eilanden-groep eigenlijk een onderdeel uit van die, waarvan het
hoofdkwartier op de Molukken en Nieuw-Guinea moet worden
gezocht en die zoowel van de fauna van Celebes als van die der
groote Sunda-eilanden Java, Borneo en Sumatra als van de fauna
der Philippijnen, althans over het geheel genomen, verschilt. Verder
komt het mij voor, dat wij zeer duidelijk kunnen zien dat die
fauna, waartoe ook die der Salomons-eilanden moet gerekend worden,
(zie G. Ribbe, Beiträge zur Lepidopteren-fauna des Bismarcks- und
Salomons-Archipel , Iris XI p. 35 —133 (1898), hier hare oost-
grens al zeer is genaderd. Eene verarming in het getal der soorten,
eene vermindering in de grootte der voorwerpen valt duidelijk in
het oog, weinig eigendommelijke soorten treden op, ik geloof, nog
veel minder dan men aanneemt. Intusschen komen sommige soorten
in bijzondere lokale variëteiten voor en is de juiste kennis daarvan
van groot belang. Veel leeren wij dienaangaande uit Dr, Pagen-
stecher’s werk, enkele opmerkingen kan ik nog uit eigen bevinding
toevoegen.
Ik zal van de gelegenheid gebruik maken, die opmerkingen hier
te laten volgen :
1.2 EEDE
p. 16. Ornithoptera Priamus L. — Bij een’ man van Nieuw-Brittanje ,
dien ik zag, (coll. Huissen), ontbreekt aan den voorrand der
achtervleugels het gewone goudgele vlekje, zoowel onder als
boven, ook bij een man van het Fergusson-eiland. Dit
vlekje schijnt ook bij de mannen der blaauw geteekende
variëteit Urvilliana te ontbreken; zeker hiervan ben ik
echter niet. Bij alle mannen van Priamus die ik van Nieuw-
Guinea en meer westelijk gelegen eilanden zag, is hel
intusschen aan wezig.
Ik houd het voor een vergeefsch pogen, om het specifiek
verschil van Urvilliana en Priamus te betoogen, hoezeer
p.
p.
p-
p.
bo
he
30.
BOEKAANKONDIGING. 251
ook het kleurverschil bij de mannen er aanleiding toe geeft.
Wanneer men op eene bijzondere wijze het licht laat vallen
op Urvilliana, worden de blaauwe strepen donker , onzuiver
bronsgroen en eenig ander doorgaand verschil is er niet.
De heer Rothschild heeft groot gelijk wanneer hi al die in-
gebeelde soorten en variëteiten bij en van Priamus door
de ijdelheid, haarkloverij of onkunde der auteurs voort-
gebragt in de Novitates Zoologiae II p. 183, op enkele
variëteiten na, onmeedoogend neersabelt.
Papilio Cilix Godman en Salvin. Duidelijk slechts eene sub-
variëteit van P. Severus var. Albinus Wallace, Men behoeft
er niets anders achter te zoeken.
Ik wil hier nog aanteekenen dat Pap. Schmeltzi H. S.
Stett. Ent. Zeit. 1860 p. 78. ıd., Aussereur. Schmett. II.
p. 3 f. 106 ook wel eene variëteit (kleine) van Severus is.
is. De lichte dwarsband der achtervleugels is wel verkeer-
delijk appelgroen gekleurd. (verg. de beschrijving):
. Papilio Websteri Grose-Smith. Zeker slechts eene variëteit
van Ormenus Guérin, die zelf ten slotte onder Amphitrion
Cramer ressorteert.
. Papilio Segonax Godman en Salvin. — PI, IL. fig. 1.
Is eene lokale variëteit van Codrus Cram.
. Papilio Macfarlanei Butl. var. Seminiger Butl.
De heer Butler spelt den naam: Seminigra.
Macfarlanet is overigens de soort , door Cramer als degistus
afgebeeld (III p. 81 pl. 241 C, D). Men zie hierover de
« Novitates » II pag. 446.
Papilio Browni Godman en Salvin.
Stellig slechts eene en wel niet eens belangrijke variéteit
van Wallacei Felder. Als synonym behoort bij Browni ook
nog (mede naar een exemplaar van den auteur), Pap.
Hicetaon Grose-Smith.
. Pieris Quadricolor Godman en Salvin,
In de Huissensche collectie, Is niet aan Affinis Snell. v. Voll.
verwant maar wel eene locale variéteit van Rachel Boisduval,
252
BOEKAANKONDIGING.
p. 40. Tachyris Eumelis Boisd.
p-
Pp.
P:
p.
p-
p-
40,
42.
46.
4
En |
bo
ilk
Niet de «grond» is zwart zooals hier door eene schrijf-
fout staat maar volgens Boisduval de basis der voorvleugels.
Ik ken deze soort alleen uit beschrijvingen. Is zij misschien
dezelfde als de, door Dr. Pagenstecher niet vermelde Tachyris
Maculata, door Grose Smith, Ann. en Mag. of Nat. Hist.
6 Ser. XVII p. 374 (1896) van Nieuw-Brittanje beschreven ?
Tachyris Ada Cramer.
Sedert mijne aanteekening over Pieris Lyncida Cram.,
Tijds. v. Ent. 34 p. 247, heb ik ook Ada Cramer in beide
seksen in natura kunnen onderzoeken en vergelijken Ik
geloof stellig, dat ook dda als lokale variëteit tot Lyncida
moet worden gerekend.
Eurema Xanthomelaena Godm. en Salv.
Deze is zóó duidelijk Candida Cramer dat het mij ver-
wondert dat Dr. Pagenstecher haar niet kortaf heeft inge-
trokken.
Danais Sobrina Boisd. (= Meganira Godart).
Is
eene lokale variëteit van /uventa Cram. Evenzoo zijn [shma
, evenals Pwrpurata Butler, Æotundata Grose-Smith,
Butler, Sobrinoïdes Butl. en Manillana Moore niets anders,
Danais Clinias Grose-Smith = Schenkii Koch, Indo-Aust.-
Lep. Fauna p. 45, 107 (1865) ((loriola Butl.), door
Koch van Nieuw-Georgié beschreven en moet zoo heeten.
Komt echter ziet in Voor-Indië voor, zooals hij zegt.
Danais Australis Blanchard. Is geene variëteit van Lémuiace
maar eene goede soort. Choaspes Butler is een synonym.
Euploea Cerberus Butler.
Zeker eene donkere variëteit van Climena Cramer.
. Euploea Unibrunnea Godman en Salvin.
Is Phaenareta Schall. var., evenals Browui Godm. en
Salv.; Majuma Ribbe ook, zooals Dr. Pagenstecher teregt
opmerkt; zij verbindt eigenlijk Unibrunnea en Brown.
Precis Zelima Fabr.
Of Precis Zelima inderdaad dezelfde is als /phita Cramer ,
p. 105.
p. 105.
BOEKAANKONDIGING. 253
durf ik niet beslissen maar houd het daarentegen voor
zeker, dat Jda Cramer, naar de waarnemingen van
Mr. Piepers over de eerste toestanden, specifiek van /phita
verschilt.
Rhinopalpa Algina Boisduval.
Slechts eene variëteit van Sabina Cramer. Deze soort
behoort niet tot het genus Rhinopalpa Felder, maar moet in
het genus Salamis Boisd., Herr.-Sch. komen. Men zie
hierover Semper, in de Schmetterlinge der Philippinen. In
Rhinopalpa Feld. komt alleen Po/ynice Cramer (met Eudora
Guér., Fulva Feld. en Callonice Fruhst. als lokale varië-
teiten). Misschien is Parva Butler eene tweede soort. Ik
ken haar niet in natura,
Doleschallia Rickardi Grose Smith.
Verschil wel niet specifiek van Dascon Godm. en Salv.
Doleschallia Browni Godm. en Salv.
Is eene variëteit van Bisaltide Cramer.
Wanneer ik eene reeks exemplaren van Busaltide, van
allerlei vindplaatsen, beginnende met Indië en eindigende
met Nieuw-Guinea vergelijk, valt mij in het oog dat de
uitsnijding van den achterrand der voorvleugels, onder de
vleugelpunt, die bij de Indische voorwerpen zeer duidelijk
is, naarmate men oost- en zuidoostwaarts gaat, hoe langer
hoe flaauwer wordt om eindelijk geheel te verdwijnen.
Charaxes Latona Bull. (Breunus Felder).
Wel eene variëteit der wijdverbreide en veranderlijke
Polixena Cram.
Mycalesis Shiva Boisd.
Beter ware te zeggen, dat Lorna Grose-Smith «eine
verschiedene Generation von Shiva ist» dan omgekeerd,
want de naam der soort moet dan toch Shiva luiden.
Sithon Isabella Feld.
Ik merk hier op dat deze volgens Dr. Staudinger, eene
variëteit van Phocides Fab. is.
Hypochrysops Rex Boisd,
254 BOEKAANKONDIGING.
Is eene lokale variéteit van Polycletus L.
p. 110. Plebejus Strongyle Feld.
Is dezelfde als Malaya Horsfield.
p. 115. Plebejus Labradus Godart.
Hier citeert Dr. Pagenstecher vele namen, maar zeker
Lycaena Alsulus Herr.-Sch. te onregte. Ik heb eene soort
van Celebes voor mij waarop Herrich-Schäffer’s beschrijving
zeer goed past maar die in ieder geval niets met P7gmaea
Snell. te maken heeft. De beschrijving van Zabradus Godart,
zonder afbeelding, is eene van die oppervlakkige waarmede
eigenlijk niets aan te vangen is en die alleen goed voor
de prullemand zijn.
p. 116. Plebejus Otis Fabr.
Dr. Aurivillius zegt van deze Ofis Fabricius, in het En-
tomologisch Tidskrift 1897 p. 148 Sub N.58. «Der Typus
ist leider verloren gegangen. Ofis ist ohne Zweifel eine Zizera
(Lycaena Fabr., Plebejus auct.) und muss eine von den
vier letzten Arten in de Nicéville’s Arbeit sein (Butterfl.
of India III) (?). Da es aber nach der Beschreibung allein
unmöglich ist, zu entscheiden, welche von diesen die wahre
Otis ist, scheint es mir am besten, Butler zu folgen und
Olis Fabr. für Zysizone Snellen zu brauchen». Ik moet
zeggen, dat ik de kracht van deze redeneering niet vat en
zou denken, dat wanneer eene beschrijving dan zóó slecht
of onzeker is en het origineel verloren gegaan, men haar
voor onbruikbaar dient te verklaren.
Otis Fabricius is overigens ook reeds door den heer Elwes
bij Maha Kollar (met twijfel) geciteerd (Trans. Ent. Soc.
of Lond. 1888 p. 380).
p.116. Plebejus Cagaya Felder.
Is Puspa Horsfield.
p. 123. Lycaenesthes Emolus Godart.
L. Bengalensis Moore en Zycaenvides Felder zijn, ook
naar orgineele exemplaren, van beide auteurs afkomstig,
stellig twee verschillende soorten. Op de afbeelding van
p.133.
p.
p.
408
14.
BOEKAANKONDIGING. 255
Lycænoïdes Feld. is het beloop der witte teekening goed
maar te fijn en de grond te donker. Dit is de oorzaak
der dwaling. Bengalensis Moore is wel dezelfde als Emolus
Godart.
Notocrypta Feisthamelii Boisd.
Restrieta Moore (dezelfde als Chimaera Plötz), is iets
geheel anders dan /eisthamelii (Alysos Moore) en kan stellig
daarmede niet kortaf vereenigd worden. Misschien is Zestricta
eene bergvariéteit maar het zou toch voorzigtiger zijn om
beiden gescheiden te houden, ook Curvifascia Feld. en
wanneer Alhifascia Watson de gelijknamige van Moore is,
heeft zij niets met Feisthameliù te maken maar behoort bij
Asmara Butler.
i TEE,
Chaerocampa Theylia L. — Hampson, Moths of India I p.
85 fig. 53 d.
Op gezag van den heer Hampson vereenigt Dr. Pagen-
stecher met deze soort Chaerocampa Rafflesi Butler, ik
geloof ten onregte. Bij al de 10 Javaansche exemplaren -
onzer collectie is de wortel der achtervleugels donkergrijs,
op dezelfde wijze als bij Wekeelus zwart, terwijl hij bij
Theylia rood is. De grootere en donkerder Kafflesi is buiten-
dien uit de bergstreken van Java (W. Java 16—1800 meter,
O. Java 6—700) terwijl Theylia uit de omstreken van
Batavia is, dus uit de lagere streken,
Chaerocampa Lucasii Walker (Zucasi Boisd.).
Dr. Pagenstecher zegt: «Chaerocampa Rhesus Boisd. p.
254 gehört nach Semper nicht hieher, wenn auch Hampson
und Snellen ihn für synonym halten». Hij heeft gelijk; ik
deed het vroeger, maar sedert Mr. Piepers Ahesus op Java
uit de rups kweekte, niet meer. Zij is eene goede soort,
evenals Punctivenata Butler, ook door Mr, Piepers
ge-
kweekt, van C/otho verschilt.
Tijdschr. v. Entom, XLIII 17
256
p-
p-
p.
p.
81.
83.
88.
Ide
BOEKAANKONDIGING.
Velox Fabr., zooals Zucası ook wel genoemd wordt, is
eene waardelooze beschrijving.
. Eugoa Bipunctata Walk., Hamps. (7rifasciata Moore, Snellen)
Hier is Padenia Biplaga Felder te onregte geciteerd.
. Scaptesyle Tricolor Walk., Moore, Hamps.
Hypoerıta Flavicollis Snellen is eene andere soort, bij
welke meer dan de tweede helft, benevens de binnenrand
der achtervleugels zwart zijn, ook is bij #/avicollis niet
meer dan de wortelhelft der voorvleugels geel en zijn de
schouderdeksels geheel zwart (bij Tricolor hebben zij eene
gele wortelhelft).
. Heliothis Albistrlata Pagenst. Pl. I fig. 20.
Is eene soort van het genus sola Moore, evenals Cy-
matophora Vicina Guenée, die niet dezelfde is als Batis ,
gelijk Hampson citeert. Het verwondert mij, dat Dr. Pa-
genstecher Guenée bij de Noctuinen niet overal aanhaalt.
De werken van den franschen Lepidopteroloog zijn en blijven
standaard-boeken voor de Noetuiden en Geometriden.
Swinhoea Vegeta Swinhoe,
Het genus Swinhoea is van Hampson. Swinhoe noemt
de soort Spadin Vegetus.
. Rivula Subrosea Pagenst.
Moet anders heeten, om /twula Subrosea Butler, Trans.
Ent. Soc. of London 1881 p. 580, uit Japan.
Eublemma Hemirhoda Walk., Hamps.
Houd ik voor Secta Guen., VI p.249 N.1042. Volgens
Dr. Aurivillius, Entom. Tidskr. 1897 p. 168 is deze soort
de Phal. Dimidiata Fabr., Entom. Syst. III, 2 p. 224
(179%), welke dan de oudste naam zoude zijn.
Clettharra Curvilinea Snell.
Het genus Clettharra, door Hampson van Sarrothripa
gescheiden, reken ik evenals dit laatste, tot de Lithosidae,
niet tot de Noctuidae.
Risoba Obstructa Moore.
Hier citeert Dr. Pagenstecher, waarschijnlijk op gezag
p- 120.
DAT
BOEKAANKONDIGING. 257
van den heer Hampson, soda Vialis Moore als synonym.
Zij is echter eene verschillende soort, die zich onderscheidt
door meerdere grootte, den donkeren achterlyfsrug met
witten wortel en de duidelijk begrensde donkere vlek aan
de onderzijde der voorvleugelpunt.
De bovenvermelde Meliothis Albistriata Pagenst. is ook
eene Risoba.
Polydesma Jnungulata Guen (zegge Unangulata Guen.).
Deze soort moet Mriophora Guen. heeten, welke naam
een nummer vroeger komt (N. 1611, Unangulata 1612).
Arcte Coerulea Guenée.
De naam is Coerula Guenée. Het is Moore meen ik, die
in de Lepidoptera of Ceylon de spelling in Coerulea ver-
andert.
Genus Dahlia A. Pagenst.
Is er in de Botanie niet reeds een genus Dahlia ?
Micronia Notabilis Pagenst. nov. spec.
Niet alleen geloof ik nog dat zij niet specifiek van Titania
Kirsch verschilt, maar ook, dat zij, evenals deze, tot
Pieridaria Guenée behoort en Notabilis zelfs een typisch
exemplaar daarvan voorstelt.
Bij Pieridaria behooren nog een aantal door Meyrick en
Warren beschreven soorten (Sphaeristis en Puellaria Meyr.,
Nivea, Obsolescens, Bipunctata, Quadripunctata, Quadri-
strigata en Apicipuncta Warren.
Ik wil hier nog opmerken, wat betreft het genus dero-
pteris, dat deze naam in Hübner’s Zuträge IV p. 36 (1832)
gebezigd wordt voor een aldaar, fig. 867 afgebeelden vlinder
uit Zuid-Amerika, die ik voor eene Noctuide houd en die
dus niet verwant is aan de soorten van Micronia Guenée,
welke teregt tot de Uranidae worden gerekend. Ik geloof
dus niet, dat de heer Hampson het regt heeft, om in zijne
Moths of India Lil p. 114 als «type» van een Uraniden-
genus Acropteris Hübn. de Phal. Striataria van Clerck aan
te nemen. In Hübner’s Verzeichniss komt de naam Acro-
258
p. 133.
p. 136.
p. 316.
BOEKAANKONDIGING.
pteris niet voor en ook wordt Sériataria Clerck er niet
eens in vermeld.
Genus Dilinia Hübner, met Medardaria Herr-Sch. als soort.
Hier doet Dr. Pagenstecher toch wel verkeerd met den
heer Hampson geheel te volgen. In de eerste plaats is de
naam in Hübner’s Verzeichniss niet Dilinia maar Deilinia
gespeld en worden als daartoe behoorende, opgegeven Pu-
saria L. en Striaria Hübn,, die waarschijnlijk by Exanthe-
mala Scop. komt, opgegeven. Van deze soorten verschilt
Medardaria H. S. reeds door lange palpen en uit één punt
ontspringende, bij de beide genoemde gescheiden, aderen
3 en 4 der achtervleugels wier achterrand buitendien gegolfd
is, bij Pusaria en Exanthemata niet. Ook zijn de vleugels bij
Medardaria niet, gelijk Hübner voorschrijft, «Im Grunde
weiss» — (trouwens, bij geene der soorten van Hübner’s
Familia B, bij die van «Coitus» Deilinia ook niet, zijn de
Flügel nur mit blassen Linien bezeichnet). Hoogstens kon
de naam «Deilinia» dus te pas komen voor Pusaria en
Exanthemata, welke Treitschke in zijn genus Cabera heeft
en moet Medardaria in een genus Petelia H. S. komen.
De generieke naam Cabera wordt overigens reeds in
Treitschke’s deel V, p 437 (van 1825) vermeld terwijl
Deilinia Hübner niet van 1818 kan zijn, want op p 309
van zijn Verzeichniss citeert hij Cércuitaria Hübn. Geom.
199. als welker jaar van publicatie ik 1827 vind opgegeven.
Uit het bovenstaande ziet men op nieuw, dat het hoog
tijd wordt, dat men Hübner’s «Childish work », zooals
Doherty zich teregt ergens uildrukte alleen als een magazijn
van namen. zooals Zeller wil, gebruikt.
Boarmia Crepuscularia L.
Komt ook in Noord-Amerika voor, in China en Japan
en op Nieuw-Guinea,
Ephestia Cahiritrella Zeller.
De naam is Cahiritella. De soort is nu uit alle vijf
werelddeelen bekend.
p. 178.
p. 182.
p. 188.
p. 188.
p. 191.
BOEKAANKONDIGING. 259
Orphnophanes Strigatalis Pagenst.
Is Tabidia Flexulalis Snell., Tijdschr. v. Ent. 42 p. 62
(1899).
Piletocera Aegimusalis Walker-Hamps, IV p. 236 f. 142.
Deze soort is zeker verschillende van Strepsimela (Cera-
toclasis) Barbicornis Felder, Novara pl. 136, fig. 4.
Pycnarmon Caberalis Guen.
De kwestie thans onbesproken latende of mijne Conchylodes
Corycialis inderdaad specifiek van Caberalis verschilt, wilde
ik er hier alleen aan herinneren, dat volgens Dr, Aurivillius,
Entom. Tidskr. 1897 p. 168, Caberalis dezelfde is als
Phal. Cribrata Fabr., Ent. Syst. III 2 p. 217 (1794).
Cribrata zoude dan de oudste naam zijn.
Zinckenia Fascialis Cram. IV, p. 237, pl. 398 O. (1782).
De oudste naam voor deze soort is toch wel zeker
Recurvalis Fabr. Syst. Ent 407 (1775).
Auxomitia Minoralis Snell.
Ik verwijs hier naar eene aanteekening over deze soort,
welke in dit deel van het Tijdschr. v. Ent. zal verschijnen.
Het genus Auxomitia Lederer moet geheel vervallen, zie
Snellen, Trans Ent. Soc. of London 1890 p. 602,
p. 192. Heterocnephes Scapulalis Led.
p. 193.
p. 202.
Indien Dr. Pagenstecher’s afbeelding pl. 1, fig. 10 juist
is, mag Scapulalis Pag. niet dezelfde heeten als die van
Lederer, want bij de laatste is naar de afbeelding, waar-
mede een exemplaar van Borneo dat ik voor mij heb vol-
komen overeenstemt, de witte dwarsstreep der achtervleugels
bovenaan driemaal zoo breed als bij den staarthoek , terwijl
zij bij Scapulalis Pagenstecher eene dunne lijn is die overal
dezelfde breedte heeft.
Pagyda Salvalis Walk., Moore.
Botys Arbiter Butl., hoewel ook tot het genus Pagyda
behoorende, is eene geheel andere soort als Salvalıs.
Nacoleia Poeonalis Walk.
Hier vermengt Dr. Pagenstecher in de synonymie ver-
260
BOEKAANKONDIGING.
scheidene soorten, de heer Hampson trouwens ook. De naar
den laatsten aangehaalde beschrijving past op de soort die
ik op het Britsch Museum als Deeisalis Walker gedeter-
mineerd vond.
p. 203. Sylepta Multilinealis Guen.
Is, volgens Aurivillius, Entom. Tidskrift 1897 p. 168,
Phalaena Derogata Fabr. Syst. Ent. p. 644 (1775); Ent.
Syst. III 2 p. 218 (1794) en zou dus zoo moeten heeten.
p. 205. Sylepta lopasalis Moore.
p. 206.
Pp.
p. 2
Hier zijn in de Synonymie niet minder dan vier soorten
vermengd: (Zopasalis Moore, Orobenalis Snell., Tardalıs
Snell, en Zeopardalis Moore). De door Dr, Pagenstecher
overgenomen beschrijving past echter het best op Zopasalis
Komt deze soort nu op N. Brittanje voor of eene der drie
andere?
Lygropia Quaternalis Zell.
Ook hier zijn weder verscheidene soorten vermengd. De
beschrijving van @xaternalis Zeller, Micropt. Caffr. p. 44
N. 15, past het beste op die, welke Hampson in de Illustr.
VII pl. 156 fig. 3 als Obrinusalis afbeeldt. Faustalis Led.
(Delicatalis Hamps., Illust. VII pl. 155 fig. 5, is eene
geheel andere, welligt Temeratalis Zell. Op. cit. p. 45 N.
16. Zeller noemt echter de grondkleur dea vleugels «pallide
vitellina» terwijl zij bij Zaustalis glanzig zilverwit is.
. Agathodes Ostensalis Guen.
Beter ware het geweest, hier Guenée’s, dan Hampson’s
beschrijving te geven.
. Glyphodes Marginata Hamps.
Is Hnehocnemidia Phryneusalis Moore.
. Het Genus Pessocosma Meyrick. Trans. Ent. Soc. of Lond.
1884. p. 300, op Jolealis Meyrick, Walk. gegrond, is een
geheel ander dan Sameodes Snellen.
.Isocentris Filalis Guen. — Snellen, Tijds. v. Ent. XXVI
PAS edad or de da.
Deze soort is volstrekt niet dezelfde als Auradis Snell.
BOEKAANKONDIGING, 261
Tijds. vi Ent. XV p. 99 pl. 7 fig. 9710. De laatste is
later door Mabille beschreven als Botys Holoxanthalis ,
Compt. Rend. Séanc. Soc. Ent. Belge, 1881 p. 63.
. Brenthia Quadriflorella Zell.
De naam is Quadriforella Zeller.
. 239. Trichoptilus Ralumensis Pag.
Is wel dezelfde als Siceliola Zeller. Ik heb deze soort
voor mij, en door Mr. Piepers gekweekte exemplaren die
ik niet van Zuid-Europesche kan onderscheiden.
Genus novum. Hofmannia A. Pagenst.
Er is reeds een genus Hofmannia Wocke, in: von
Heinemann, Schmett. Deutschl. und der Schweiz 2 te Abth.
Band If, Heft 2, p 644 (1877) en dus moet dat van
Dr. Pagenstecher nieuw benoemd worden.
Daphnis Dohertyi Rothschild, Novit, Zool. IV p. 307 (1897).
De bier door Dr. Pagenstecher afgebeelde vlinder is zeer
stellig niet anders dan een klein exemplaar van /Hypothous
Cramer. Of hij dezelfde is als Doherty: Roths. kan ik
echter nu niet nazien maar ik geloof het wel.
September 1900,
262
LYCAENA DONINA nov. spec.
BESCHREVEN DOOR
P. C. T. SNELLEN.
Deze onbeschreven Oost-fndische Lycaena, waarvan ik twee gave
en frissche exemplaren voor mij heb, de man van 22 mm. vlugt,
het wijfje van 24 mm., behoort tot de groep soorten die op de
bovenzijde meerendeels donkerblaauw, op de onderzijde grijs of bruin-
achtig zijn, met de gewone, echter onduidelijk uitgedrukte Lycae-
nidenteekening en eene grootere of kleinere ronde zwarte vlek aan
het eind van cel 2 der achtervleugels. Onder de europesche soorten
heeft zij geene vertegenwoordigers, maar onder de Oost-[ndische
ken ik, als daartoe behoorende: Nora Feld., Datarica Snell.,
Glauca Snell., Dana de Nic. en Hampsoni de Nic. Daarvan heeft
de eerste in beide seksen een duidelijk, lang, dun staartje , Datarica
een klein, niet buiten de franje uitstekend terwijl bij Glauca ,
Dana en Hampsoni geen spoor van een staartje te zien is. Hetzelfde
is ook het geval bij Donina Ik wil hier nog opmerken dat de
Lycaena Ardates, waarmede ik, Tijds. v. Ent. 35 p. 140 mijne
Lyc. Datarica vergeleek, niet de gelijknamige soort van Moore is,
maar eene onbeschrevene, Javaansche die later gepubliceerd zal
worden,
Donina onderscheidt zich van Glauca en Hampsoni door de kleur
der onderzijde, die bij deze helder grijs is en bij de nieuwe soort
leemgeel. Bij Dana mas is zij bruinachtig grijs maar de bovenzijde
lichter, grijsachtig blaauw, bijna zooals bij de (nog iets donkerder)
europesche Semiargus v. Rottb. (Acis W. V., Fabr.)
(P. C. T. SNELLEN.) LYCAENA DONINA. 263
De oogen zijn vrij lang behaard, evenals bij al de genoemde
verwanten, de achtervleugels vooral bij den man aan den staarthoek
iets verlengd, met eene langere beharing, die ook bij al de ver-
wanten wordt gevonden. Verder is de man op de bovenzijde donker
paarsblaauw, zeer flaauw glanzig, als Datarica mas, met eene niet
zeer duidelijke, dikke, zwart-bruingrijze franjelijn en een spoor
van eene donkere vlek aan het eind van cel 2 der achtervleugels.
Het wijfje heeft eene donker graauwbruine bovenzijde met een
weinig blaauwe bestuiving op de wortelhelft der vleugels, de donkere
vlek aan het eind van cel 2 der achtervleugels is duidelijker dan
bij den man, hun staarthoek iets stomper , maar even lang behaard,
Onderzijde, als boven gezegd, leemgeel, bij den man iets graauw-
achtig, vooral op de achtervleugels, ook is bij die sekse de wortel
der voorvleugels sterk zwartgrijs bestoven, De teekening is de
gewone van Lycaena; zij bestaat namelijk uit wortelvlekken op
voor- en achtervleugels, middenvlekken op de dwarsaders, eene
boogrij daarachter en randvlekken, alles graauwbruin maar flaauw
uitgedrukt, grijswit gerand, de randvlekken zonder rood of zilver.
Alleen eene ronde vlek aan het eind van cel 2 der achtervleugels
is sterk uitgedrukt en zwart,
Voor de vlek op de dwarsader der voorvleugels ziet men nog
eene flaauwere in de middencel, de boogrij is vrij regt, behoudt
die rigting ongeveer tot ader 1 en bestaat uit vrij duidelijk ge-
scheiden vlekken; langs den achterrand loopt eene dubbele rij
graauwe vlekken. Op de achtervleugels zijn de vlekken minder
duidelijk gescheiden, de vlekken langs den achterrand zijn wortel-
waarts met ronde boogjes afgezet, de ronde koolzwarte vlek aan
het eind van cel 2 heeft wortelwaarts een donker, okergeel boogje
en bij het wijfje is de achterrand van ader 2 tot den staarthoek
voor de, overigens bij beide seksen fijn zwarte franjelijn, wit
afgezet; bij den staarthoek ziet men nog een klein zwart vlekje.
De franje is zwartbruin, vooral bij den ınan op de bovenzijde niet
veel verschillende van de kleur der franjelijn. Borst, buik en pooten
lichtgrijs behaard.
Ik houd het niet voor onmogelijk dat mijne Lycaena Donina ,
264 (P. C. T. SNELLEN.) LYCAENA DONINA.
de «tailless form of Nacaduba Ardates» door den heer de Nicéville
bij die soort, Butterflies of India III p. 153 besproken en op
pl. 27 fig. 185 4 afgebeeld kan zijn. drdates Moore is welligt
synoniem met Nora Felder.
Den naam mijner boven besproken Lyc. Glauca wensch ik te
veranderen in Glauconia, om eene vroeger door Trimen, Butterflies
of South-Africa onder denzelfden naam beschreven soort en wil
hier ook nog aanteekenen dat mijne Lycaena Bathinia, Tijds. v.
Ent. 42 p. 212 een synonym is van Lye. Tesms L. Zij is ook
niet van Java, zooals verkeerdelijk op het etiket der exemplaren
van het Leidsch Museum stond aangeteekend, maar van Zuid-Afrika.
De man van Lycaena Donina is van West-Java (Wijnkoopsbaai),
het wijfje door Mr. Piepers op Celebes (Bonthain) gevangen.
265
AANTEEKENINGEN
OVER
Ein Enten AL Dr N
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
(Hierbij pl: 15, 16 en 17)
Aansluitende bij mijne laatste aanteekeningen over Pyraliden,
(zie Tds. voor Ent. 42. p. 95 (1899), geef ik hierbij weder
eenige nieuwe, met beschrijvingen van nieuwe soorten.
Paredra Rigidalis Snell. nov. spec. Pl. 15 fig. 1. 4.
m
Verscheidene exemplaren ; 33—37 mm.
Deze soort behoort tot mijn genus Paredra, Midd. Sumatra.
Lepidoptera p. 60, dat van 1880, niet van 1892 is zooals in het
werk van den heer Hampson, Moths of India IV p. 175 staat
(zie Tijdsch. v. Ent. 26 p. 119, 120 (1883). Dit genus is het-
zelfde als Bostra Hampson, p. 175 Walk, Ik noem Hampson hier
eerst als auteur van Bostra, omdat men bij Walker te vergeels
naar eene voldoende beschrijving der kenmerken zal zoeken.
Rigidalis behoort overigens in Hampson’s genus Bostra tot af-
deeling II (Antennae of male with the serrations minute) d. i. stomp,
iets smaller dan de breedte van den sprieftschaft) ; B (Wings broad);
a (Patagia in male not extending beyond metathorax); a’ (frons
with a sharp tuft). Verder is zij, naar grootte, kleur en teekening
het naast verwant aan Aufescens Butl. (Assamica Moore, Marginata
Hamps.) en verschilt 4° door bijna ongebogen dwarslijnen der voor-
vleugels, 2° door gelijkmätig rondgebogen, bij den binnenrand
266 (C. P. T. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
niet met scherpen tand uitstekende tweede lichte dwarslijn der
achtervleugels, De mannelijke sprieten zijn op Moore’s afbeelding
van Assamica. New Ind. Lep. II pl. VII fig. 5 misschien te sterk
gebaard voorgesteld, anders is hierin een derde verschilpunt ge-
legen.
Palpen aan de buitenzijde donker, graauwachtig leembruin ;
kop en sprietschaft lichter, bij den man zijn de tanden van deze
donker en hebben eene bewimpering die tweemaal zoo lang is als
de breedte van den schaft; bij het wijfje zijn de sprieten dun,
draadvormig. Thorax en grond der voorvleugels ook leemkleurig,
maar eenigszins verschillend in tint, donkerder of lichter, geler of
iets roodachtig en het eerste en derde veld steeds donkerder. Het
wortelveld der voorvleugels is tegen de eerste dwarslijn die iets
lichter en geler is dan de vleugelgrond, verder bijna regt en op
een vierde gelegen, sterk donker bestoven, vooral bovenaan even-
zoo het derde veld achter de tweede, ook bijna regte dwarslijn, die
iets voor het laatste vierde wordt gevonden. Lichtere middenveld
siechts een klein weinig donker bestoven en op de dwarsader met
een duidelijk, bijna rond, zwart middenpunt geteekend.
Langs de lichtere, maar zeer onduidelijke franjelijn ziet men
flaauwer donkere streepjes of stippen in de cellen. De franje heeft
de kleur van het middenveld.
Achtervleugels in kleur overeenkomende met de voorvleugels,
naar achteren in toenemende mate met graauwbruine schubben
bestoven zoodat het derde, en tevens breedste der door de twee
lichtere dwarslijnen gevormden velden het donkerste is. Deze lijnen
zijn gebogen, vooral de tweede gelijkmatig; maar de eerste is steeds
flaauwer en ontbreekt ook wel eens, onder anderen bij het afge-
beelde exemplaar. Franjelijn en franje als op de voorvleugels.
Op de onderzijde zijn de voorvleugels langs den voorrand donker
bestoven en bemerkt men ook aldaar op de bovenzijde naauwelijks
zigtbare fijn gele stippen. Overigens zijn zij bijna als boven. Achter-
vleugels wat lichter dan boven, slechts met ééne duidelijke dwarslijn
maar met een donker middenpunt.
Pooten gewoon gevormd en gespoord, overigens, als het achter-
OVEE PYRALIDEN. 267
lijf, dat slechts weinig langer is dan de achtervleugels, gekleurd
als deze.
Van eene in kleur en teekening der voorvleugels na aan Aufes-
cens Butl. verwante en even groote soort van Paredra uit Zuid-
Afrika bezit ik ook een, wat afgevlogen man; de achtervleugels
zijn echter wit, bijna ongeteekend.
West-Java: Preanger, 15—1800 meter. Van de heeren Sythoff
en Anthony ontvangen.
Botys (A, a, a) Triphaenalis m. nov. spec. Pl. 15 fig. 2 9.
da
Een paar, d 19, 9 20 mm.
Deze soort behoort tot de verwantschap van Bot. Aerealis Hübn. ,
Semirubralis Pack., Mavidalis DbA en Chilialis Feld. Zij heeft
denzelfden vleugelvorm, de vrij spitse voorvleugels zijn bij den
man wat breeder dan bij het wijfje, evenals bij Aerealis en ook
zijn, zooals daar, hunne aderen 10 en 11 wat steiler dan in den
regel bij Botys. het geval is.
Palpen ruim anderhalf maal zoo lang als de kop, snuitvormig,
maar niet zeer spits, onderaan vuilwit, overigens graauwbruin,
als de bijpalpen en de sprieten, deze draadvormig, bij het wijfje
geheel, bij den man voorbij de helft duidelijker geleed, verder
kort bewimperd. Aangezigt iets rond uitpuilend. Kop en thorax
licht grijsachtig leembruin, als de grond der voorvleugels. Op deze
is de voorrandswortel donkerder, graauwbruin, evenals eene stip
op de dwarsader, eene ongelijkmatige, iets boven de helft en
onderaan verbreede dwarsband voorbij de helft van den vleugel, eene
in het midden bijna afgebroken streep langs den achterrand, de
franjelijn en de vrij breede, fijn donker gedeelde franje. Deze teeke-
ningen zijn bij den man veel flaauwer dan bij het afgebeelde wijfje.
Achtervleugels bij beide seksen levendig en vrij donker okergeel ;
eene fijne dwarslijn iets voorbij het midden, van den voorrand tot
ader 4, eene bij de vleugelpunt breed beginnende maar spoedig
versmalde en op ader 2 afgebroken dwarsstreep nabij den achter-
rand en eene dikke lijn tegen de franjelijn zijn zwart. Franje
zwartgrijs, okergeel gemengd, vooral tegen den staarthoek,
268 (P. C. T. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
Onderzijde der vleugels levendig okergeel; op de voorvleugels
zijn bij beide seksen een dik middenpunt en eene langwerpige vlek
daarachter zwart, eene streep voor den achterrand is bij het wijfje
zwart, bij den man graauwbruin evenals bij beide seksen de
franjelijn en franje. Verder is bij beide seksen de punt der voor-
vleugels donker roodbruin, evenals op de achtervleugels eene dwars-
lijn der voorrandshelft voorbij het midden en eene bovenaan sterk
vlekkig verbreede liju langs den achterrand. Franje graauwbruin,
naar onderen in toenemende mate okergeel gemengd, Achterlijfsrug
okergeel, borst, buik en pooten licht bruingrijs, de laatsten ge-
woon gevormd, glad beschubd, de scheenen bij den man niet
verdikt. Sporen duidelijk, van gelijke lengte,
Chili; Quillota; Paulson.
Botys (A, b, «) Vagalis m. nov. spec. Pl. 15 fig. 3 (2).
Een gaaf en frisch paar, de man 25 mm., het wijfje 28 mm.
Deze Botys behoort zuiver tot bovenvermelde afdeeling van het
genus, de palpen zijn geheel zooals Lederer die daarvoor afbeeldt
en beschrijft, overigens zijn zij graauwgeel, met lichter eerste lid
terwijl het derde bij het wijfje een weinig duidelijker is dan bij
den man De sprieten zijn draadvormig, bij den man kort en ge-
lijkmatig bewimperd.
Kleur van kop, thorax en achterlijfsrug zuiver bleek leemkleurig
geel, een weinig glanzig, ook de grondkleur der vleugels aldus.
Deze hebben geene dwarslijnen, de voorvleugels zijn aan het midden
van den voorrand , binnen waarts versmallend , tot in cel 14 donkerder ,
bruinachtig graauw, niet scherp begrensd. Verder is de geheele
achterrand van voor- en achtervleugels, wortelwaarts duidelijk be-
grensd, bij den man 83, bij het wijfje 43 mm. breed, evenzoo
donker bruingraauw, als het midden van den voorrand der voor-
vleugels, wier dwarsader bij den man — niet by het wijfje —
met een donker streepje is geteekend. Een flaauwer ziet men ook
op de dwarsader der mannelijke achtervleugels. Franjelijn leemgeel:
franje geelwit, met eene grijze lijn over den wortel.
Op de onderzijde zijn de vleugels geelachtig grijswit, eveneens
OVER PYRALIDEN. 269
geteekend als boven. Borst, buik en pooten als de aangrenzende
vleugelgrond.
, Buitenzorg, een wijfje: . J. Oudemans), Borneo, bei
Java, Buit u jfje; (G. J. Oud ), Borneo, beide
seksen (De, Buttikofer (Leidsch Museum).
Botys Chalybaealis Snell., Tijdschr. v. Ent. 35, p. 160,
pl. 10, fig. 5, 6, (1899).
By de beschrijving dezer soort, wees ik op de gelijkenis met
Nistra Caelatalis Moore, Lep. of Ceylon III, p. 295, pl. 182,
fig. 10, (1885), doch daar ik die niet bezat en de afbeelding
blijkbaar niet met zorg is uitgevoerd, wilde ik toen Cuelatalis
niet nader bespreken, Later, na de verschijning van Hampson’s
vierde deel zijner Fauna of British India waarin de Pyraliden zijn
behandeld, hield ik Chalybaealis en Caelatalis des te eer voor
specifiek, ja generiek verschillende, omdat die auteur Caelatalis
in het genus Agrotera plaatst, dat een driekant eindlid der lip-
voelers heeft, terwijl dit bij mijn exemplaar van Chalybaealis, gelijk
het ook werd afgebeeld, rolrond is. Toen echter Dr. Koningeberger,
van Batavia, bij zijn jongste bezoek aan Nederland, mij twee
exemplaren mijner Chalybaealis toonde, door hem bij Batavia
gevangen, zag ik dadelijk naar de palpen en bemerkte dat deze
duidelijk een driekant eindlid hadden. Kleur en teekening der
vleugels kwamen geheel met mijn origineel van Chalybacalis overeen.
Ik geloof nu dat de beschubbing, die aan het eindlid der lip-
voelers zijnen eigenaardigen driekanten vorm geeft, bij mijn voor-
werp van Chalybaealis, dat overigens frisch en gaaf is, verloren
ging en het zich daardoor rolrond vertoont. De soort moet derhalve
vervallen, als een synonym van Caelatalis Moore.
Wat nu de plaats in het systeem aangaat, zoo brengt Hampson
Caelatalis lot Agrotera Schrank, Lederer, Wanneer ik haar echter
met de beschrijving van Lederer, den eigenlijken gronder van het
genus, vergelijk, dan merk ik verschillen op in den vleugelvorm,
de breedte der franje en den aanleg der teekening; want de
achterrand der vleugels is bij Cae/latalis in het midden niet naar
buiten gebogen en de franje zeer breed, zooals bij Nemoralis
270 (P. C. T. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
W. V., Effertalis Moore en Discinotata Swinhoe, maar de vleugel-
vorm is de gewone van Botys en de franje smal. Bijpalpen, hoe-
wel kort, zijn bij Agrotera ook aanwezig; hieromtrent heeft Lederer
misgezien. Tot eene generieke afscheiding, onder den voor de hand
liggenden naam Nistra Moore, wil ik echter niet overgaan, maar
in ieder geval de reeds door Hampson gevormde sectie IT, B, van
- Agrotera, onder den naam van Nistra, handhaven. Daartoe be-
hooren dan ook Opalina (Leucinodes) Moore (Barcealis) Hampson
en volgens hem nog Scissalis Walk. en Leucostola nov. sp.
Dr. Koningsberger had de goedheid mij een der twee, door
hem medegebragte exemplaren van Caelatalis (Chalybaealis) te
schenken, waarover ik hem zeer verpligt ben, omdat dit mij in
staat stelde, de bovenvermelde rectificatie aan te brengen.
Eurycreon Eversmanni Staud., Iris V, pl. 3, fig. 21 (1892),
VI p. 80 (1893).
Hierbij behoort als een Synonym: Spilodes Bicoloralis, Warren,
Ann. and Mag. of Nat. Hist., 6 Ser. IX, p. 178 (1892).
Auxomitia Minoralis Snell. Tijdschr. v. Ent. 23, p. 222 (1879 —
80); id. Tijdschr. 26, p. 137, pl. 8, fig. 8, 8a (1883).
Op de bovenvermelde plaatsen is door mi eene Pyralide be-
schreven en afgebeeld, die ik in het genus Auxomitia Lederer
plaatste — voorloopig — ook, omdat mij het wijfje onbekend was.
Wat het genus Auxomitia aangaat, zoo is mij later gebleken, zie
Snellen, Trans of the Ent. Soc. of London 1890 p. 602, dat
het geheel moet vervallen, zijnde Auw. Mirificalis Lederer eene
variëteit van Mulodes Fulvidorsalis Hübn. Mijne Minoralis, welker
afbeelding middelmatig goed geslaagd is, zijnde de kleur te bruin
en de tweede dwarslijn der voorvleugels in het midden te onregte
vlak voorgesteld, (zij springt aldaar sterk rond uit), werd later
op nieuw beschreven door Meyrick, Trans Ent. Soc. of London
1894, p. 469, als Symmoracma Spodinopa. Hampson, die haar
aanvankelijk beschreef en afbeeldde als Stenia Profanalis., lust.
IX, p. 175 pl. 174 fig. 22 (1892) maar later, omdat zij niet
ÖVER PYRALIDEN. 271
de gelijknamige Botys van Walker was, waar voor hij haar
hield, voor een synonym verklaarde van Spodinopa Meyrick, trekt
het genus Symmoracma in en plaatst Spodinopa, met Punctalis
W. V., in Stenia, zie Moths of India IV p. 224, fig. 140 (1896).
Ik geloof echter dat het genus Symmoracma regt van bestaan
heeft, Er is wel eene zekere overeenkomst met Stenia, het voor-
hoofd puilt ook een weinig uit, de sprieten zijn eveneens gevormd.
met driekante leden en zelfs nog iets langer, de vorm der palpen
is ook eveneens en de aderen 8—10 der voorvleugels gesteeld,
maar ader 8 der achtervleugels ontbreekt — weet bij Stenia —,
4 en 5 dier vleugels zijn iets gesteeld — gescheiden bij Stenia —
de achtertarsen zijn slechts weinig langer dan de scheenen, daaren-
tegen ruim anderhalfmaal zoo lang bij Stenia en deze kenmerken
schijnen mij voor generieke afscheiding ruim voldoende toe. Ik hand-
haaf derhalve het genus Symmoracma Meyriek, dat mij in vleugel-
vorm aan Piletocera Lederer verwant schijnt te zijn.
De synonymie wordt aldus:
Symmoracma Minoralis (Auxomitia) Snellen, 1. c. (1879, 1885),
— Pagenstecher Lep. Bismarck-Arch. II. p. 191 (1900),
Stenia Profanalis Hampson, 1, c. (1892).
Symmoracma Spodinopa Meyrick |. c. (1894).
Stema Spodinopa Hampson. |. c. (1896).
De soort is nu bekend van Ceylon, Baram (?), Borneo, Java,
Sumbawa, (door Hampson « Sambawa» genoemd), Celebes, Bis-
marck-Achipel,
Genus Eusabena m. nov. gen.
De hieronder te beschrijven soort, waarvoor ik mij genoodzaakt
zie tevens een nieuw genus te vormen, onderscheidt zich door
ongewoon plomp gebouwden thorax en achterlijf |), waartegen de
middelmatig grooten kop en de vrij kleine vleugels nog al afsteken ,
zeer. Verder merkt men op, dat de eerste helft van den binnen-
1) Het ligchaam is inderdaad nog plomper gebouwd dan hier afgebeeld is.
Tijdschr. v, Entom. XLIII, 18
272 (P C. T. SNELLEN) AANTEEKENINGEN
rand der voorvleugels sterk gebogen is en die geheele binnenrand
vrij lang behaard. Dan zijn de middenscheenen lang en grof
behaard en is de teekening afwijkend, zij herinnert aan die van
het Lithosinen-genus Calligenia (b. v. Miniata Forster en andere
Indische soorten), even als bij Barsine Flabelligera Saalmüller. (Bene
Pyralide, hoewel de auteur haar tot de Lithosinen rekent).
De sprieten zijn van gewone lengte, draadvormig, kort be-
wimperd. Bijpalpen en bijoogen aanwezig; voorhoofd vlak. Lip-
voelers iets opgerigt en gebogen, maar niet sterk, niet boven den
kop uitstekende, een weinig smaller dan de oogen, plat, glad
beschubd. Zuiger opgerold. Thorax zeer dik en plomp, evenals
het achterlijf dat weinig langer is dan de achtervleugels en in eene
vrij spitse, opgewipte punt uitloopt. De vleugels zijn, behalve wat
den binnenrand der voorvleugels aangaat, gewoon gevormd, de
punt der voorvleugels duidelijk, regthoekig, de achtervleugels nog
al afgerond. Kleur der bovenzijde okergeel met donkergrijze, als
boven vermeld, eenigszins afwijkende teekening.
Aderstelsel geheel als van Botys. Pooten stevig, de midden-
scheenen dik behaard, de sporen lang, allen van gelijke lengte.
Het genus wensch ik te doen volgen op Pachynoa Lederer,
Eusabena Setinialis m. nov. spec. Pl. 15 fig. 4 (4) en fig. 5.
(voorvleugel),
Zes mannen van 25—28 mm. vlugt.
Kop met palpen en sprieten, thorax en achterlijf, zoomede de
grondkleur van de bovenzijde der vleugels en de franje, okergeel.
Teekening donkergrijs. Zij bestaat op de voorvleugels uit eene
sterk rond gebogen eerste dwarslijn op een vierde; tusschen haar
en den met eene zwarte stip geteekenden wortel ziet men grijze
langsstreepjes op de aderen. Van de tweede dwarslijn ziet men
alleen een streepje aan den voorrand en het wortelwaarts convexe
ondergedeelte tusschen ader 4 en den binnenrand; achter haar,
tot aan eene sterker dan de achterrand gebogen rij stippen, be-
vinden zich grijze streepjes op de aderen. Dwarsader met een grijs
streepje. Franjelijn haarfijn donker. Achtervleugels met grijze
OVER PYRALIDEN. 273
streepjes op de aderen der tweede helft en, bij een paar exem-
plaren, eene min of meer duidelijke rij stippen langs den achterrand.
Onderzijde mede okergeel; voor- en achtervleugels met eene
gebogen rij donkergrijze langsstreepjes voorbij het midden.
Borst, buik en pooten als de aangrenzende vleugels, de voor-
pooten op de knieën en aan het eind der scheenen met een zwart-
grijs vlekje.
Bij eene variëteit is de geheele bovenzijde der vleugels, behalve
langs den achterrand, bruingrijs verduisterd. (variëteit /nfuscata m.
Het vaderland dezer soort, waarvan mij het wijfje onbekend
bleef, is Borneo. Een slecht exemplaar ving een door Mr. Piepers
daarheen uitgezonden verzamelaar, betere, die zich op het Leidsch
Museum bevinden, werden in Junij 1894 door Dr, Buttikofer
verkregen.
Plectrona Orientalis m. nov. spec. Pl. 15 fig. 6 (4) en 7,
(achterlijf ).
Twee mannen. 36— 37 mm.
In deel 38 van dit Tijdschrift, heb ik op p. 141 een nieuw
genus der Pyraliden (Plectrona) beschreven, met eene Zuid-Ame-
rikaansche soort (Dohrni m.) en enkele bijzonderheden van den
vlinder op pl. 6 fig. 6—8 afgebeeld. Van datzelfde genus heb ik
nu ook eene Aziatische soort leeren kennen, die zich zeer goed
bij hare Amerikaansche zuster aansluit.
Grootte en algemeene kleur zijn ongeveer gelijk , ook de vleugel-
vorm, palpen, sprieten en het aderstelsel zijn als daar, Aan de
achterpooten gelijken echter beide binnensporen op korte, gebaarde
vlindersprieten en de onderkant van het achterlijf heeft aan beide
zijden eene langere, gladgestreken beharing, die bij Dohrni geheel
ontbreekt (zie fig. 7). Daarentegen zijn de achtervleugels tegen
den binnenrand niel zoo fijn wollig behaard. Ook kan ik geene
dikkere beharing der voordijen en geen knopje aan de basis der
achterscheenen onderscheidon.
Palpen half okergeel en zwartgrijs. Kop okergeel, ook de thorax,
diens voorzijde donkergrijs (dit laatste is ook zoo bij gave exem-
274 (P. ©. T. SNELLEN) AANTEEKENINGEN
plaren van Dokrni). Grondkleur der vleugels stroogeel, bleeker
dan bij Dohrni, ook iets glanzig, maar tegen de vleugelwortels
niet donkerder. Voorrand der voorvleugels zwartgrijs, van af twee
vijfden smaller. Evenzoo zijn ook de onderaan dunnere eerste
dwarslijn, eene stipvormige eerste en niervormige tweede midden-
vlek en de tweede dwarslijn. Het beloop van deze laatste is echter
niet geheel duidelijk, want zij is in het midden met den breed
donkergrijzen achterrand ineengevloeid en langs ader 3 bijna uit-
gewischt. Op de achtervleugels zijn eene kleine middenvlek en
eene onduidelijke booglijn zoomede de aan de vleugelpunt breede,
naar onderen spits toeloopende en ongeveer bij ader 2 ophoudende
achterrand mede zeer donkergrijs. Al dit donkergrijs is iets bruin-
achtig en glanzig maar zonder paarsen gloed, zooals men dien bij
Dohrni ziet.
Onderzijde der vleugels stroogeel , bleeker dan boven, de teekening
als daar aangelegd, maar minder scherp. Achterlijf bleek okergeel,
ook de pooten, de voor- en middenscheenen aan de buitenzijde
ten deele donkergrijs.
Een verzamelaar, in der tijd door Mr. Piepers naar Borneo ge-
zonden, bragt van deze soort een niet gaaf voorwerp mede, Ik
zag een beter tweede, dat zich in het Pommersche Museum te
Stettin bevindt en van een der Philippijnsche eilanden komt.
Heterocnephes Rotundalis m. nov. spec. Pl. 15 fig. 8 4.
Een man van 23 mm,
Deze soort, die in vleugelvorm, aderbeloop en in bouw van
palpen, sprieten en pooten overeenkomt met Met, Strangulalis Snell.
(Tijds. v. Ent. 23 en 27), Het. Reniferalis Snell. (Trans. Ent.
Soc. of Lond. 1890 p. 616) en Met. (Margaronia) Sphenocosma
Meyrick, (Tr. E. S. of Lond. 1894 p. 456), verschilt van alle
drie door den vorm van de groote witte vlek voorbij het midden
der voorvleugels. Deze is niet driekant, aan den voorrand hangende
zooals bij Sphenocosma, noch niervormig, aan de buitenzijde inge-
sneden, zooals bij Strangulalis en Reniferalis (en ook bij Vieinalis
Snell. (Midd. Sum. p. 70 (Uncinalis Pagenst), maar afgerond,
OVER PYRALIDEN. 215
zonder insnijding, onderaan iets puntig. Palpen bruingrijs, wit
geteekend, schedel evenzoo, ook de thorax bruingrijs, met twee
witte strepen. Voorvleugels bruingrijs, flaauw paarsachtig, iets
glanzig, de vleugelwortel met eene witte lijn, waarop een onderaan
verbreed wit streepje volgt dat den voorrand niet bereikt en dan
weder eene schuine witte dwarslijn Middenveld met eene bovenaan
iets verbreede en afgeronde, in cel 14 iets ingenepen witte streep
die den voorrand niet bereikt en dan, na een fijn, in het midden
afgebroken wit lijntje, met de boven beschreven witte vlek waarop
eene fijne, regelmatig gebogen witte lijn volgt, Franjeveld in het
midden iets bleeker gemengd , maar zonder teekening. Achtervleugels
langs den binnenrand bruingrijs, dan tot de helft wit, met eene
boonvormige middenvlek. Tweede vleugelhelft bruingrijs, op ader
2 met een grooten tand tegen den wortel die de middenvlek bijna
bereikt. Zij is verder geteekend met eene in den staarthoek uit-
loopende witte lijn en eene langwerpige, niet scherp begrensde
witie vlek van ader 2 tot 4. Franje wit met eene bruingrijze lijn
over den wortel.
Onderzijde der vleugels bijna gekleurd en geteekend als boven,
maar bleeker en flaauwer. Borst, buik en pooten wit.
let exemplaar werd met eenige andere vlinders in 1896 van
Borneo ontvangen, doch zonder nadere aanduiding van vangplaats.
Heortia Vitessoides (Tyspana) Moore, Lep. of Ceylon III p.
256 pl. 178 fig. 3, 3 a (1885) — Hampson, Moths of
India IV p. 363 fig. 193 (1896).
Van deze soort, het eerst op Geylon waargenomen , later in China,
Sikkim (Hampson) en ook in Assam ontving ik van Dr. Konings-
berger twee Javaansche wijfjes. Zij verschillen niet van vastelands-
voorwerpen uit Assam,
Hampson heeft het genus Tyspana Moore met Heortia Lederer
vereenigd, wel te regt. Lederer’s beschrijving der kenmerken past
geheel op Watessoïdes, ook is de vleugelteekening eigenlijk op dezelfde
wijze aangelegd,
276 (P. C. 1. SNELLEN) AANTEEKENINGEN
Wel zegt hij «Ocellen fehlend », maar maar dit is onjuist. Zi
zijn bij Dominalıs aanwezig, evenals bij Vitessoides.
Naar het mij voorkomt heeft Moore de verwantschap zijner soort
met Dominalis Lederer niet vermoed eu alleen gelet op de opper-
vlakkige overeenkomst met de soorten van het genus Vitessa Moore ,
Lederer waarvan de hoofdkenmerken Vitessoides echter zeer onder-
scheiden.
Nevrina Guen, Lederer, is ook een genus dat na aan Heortia
verwant is.
Ceratarcha Umbrosa Swinhoe, Ann. and Mag. of Nat. Hist.
Ser. 6, XIV p. 200 (1894). — Hampson; Moths of India
IV p. 324, 325 fig. 185 ¢ (1896). — PI. 15 fig. 9 en
10 (9).
Deze soort is door den heer Swinhoe wel beschreven, maar niet
afgebeeld en daar de afbeelding door den heer Hampson niet zeer
goed is uitgevallen, wil ik hier eene nieuwe, gekleurde, geven,
hopende dat zij de soort beter kenbaar zal maken.
Hampson’s beschrijving van het genus (die van Swinhoe, den
auteur, kan ik nu niet raadplegen) is goed. Alleen merk ik op
dat het eindlid der lipvoelers wel wat duidelijker is dan hij af-
beeldt, dat de mannelijke sprieten tot de helft draadvormig zijn en
dan driekante leden hebben, dat ader 2 der voorvleugels uit twee
derden van den binnenrand der middencel komt en ader 9 in den
voorrand uitloopt,
Ook de specifieke beschrijving is goed, alleen zou ik de grond-
kleur liever okerkleurig bruingraauw noemen. Op de afbeelding
zijn de zeer duidelijke zwarte dwarsschrapjes der vleugels niet of
naauwelijks aangeduid en de tweede dwarslijn onjuist, te hoekig;
zij maakt eene korte, ronde bogt in het midden.
In deel IV der Novitates Zoologicae (1897) heeft de heer Warren
op p. 197 eene Banisa’ Dohertyi beschreven en op pl. V fig. 28
(4) afgebeeld, welke ik vermoed dat niet tot de Siculidae behoort
maar eene Pyralide is, van het genus Ceratarcha Swinhoe. Zij is
van Bali, naar de afbeelding kleiner dan Umbrosa (28 mm.),
OVER PYRALIDEN. DIN
bijna eveneens gekleurd maar met vijf donkere dwarsstrepen op
de voorvleugels waarvan de derde breed is en boven de helft ge-
broken, terwijl ook de vierde eene verbreede bovenhelft heeft en
dan gebroken is. Onderzijde zonder de zwarte middenvlek der
voorvleugels van Umbrosa.
Agathodes ? Excisalis m. nov. sp. Pl. 15 fig. 11 (2) en fig. 12
(kop met palpen).
Een man en twee wijfjes, 26—30 mm.
Deze vlinder wijkt in enkele opzigten van de overige soorten
van Agathodes Guen. (Stenurges Lederer) af. Vooreerst puilt het
voorhoofd eenigszins rond uit terwijl het bij de andere vlak is.
Dan, en dit is belangrijker, is de vorm der palpen anders, namelijk
in plaats van zeer breed en aan de voorzijde algerond, zijn zij
smal terwijl zoowel het (sterk ontwikkelde) lid 1 als 2 met eene
punt vooruitsteken. Het is dus evenals of er aan de voorzijde der
palpen een driekant stuk was uitgesneden (zie fig 12).
Fig. 13 stelt kop en palpen van Agathodes Ostensalis Hübn. voor.
Eindelijk ontspringt bij Mwcusalis ader 6 der voorvleugels wat
lager uit de dwarsader dan bij Ostensalis en is ader 7 aan den
wortel bijna regt, miet gebogen, een eind weegs langs den steel
van 8 + 9 loopende, zooals bij de andere soorten van Agathodes.
Verder stemt het overige, ook habitus en teekening, overeen
en kan men dus wel volstaan met het vormen van twee sectiën
in het genus die op den vorm der palpen gegrond zijn. Mogt men
een nieuw genus noodig vinden, dan sla ik daarvoor den naam
van Leaena voor.
Sprieten draadvormig, gewoon gevormd, bijna naakt, grijswit
als kop, palpen en thorax; beide laatstgenoemde deelen eenigszins
bruin getint. De grond der vleugels is bruinwit, aan den wortel
zijn zij bruin getint, dan komt eene onder de helft afgebroken
schuine donkergrijze dwarsstreep, eene olijfgraauwe veeg op het
midden van den binnenrand en daarboven, aan den voorrand
hangende, eene driekante bruinroode vlek die eene lange, naar
den binnenrandshoek gerigte spits heeft, Dwarsader met een donker-
278 (P. C. T. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
grijs streepje, Overigens is nog de vleugelpunt eenigszins bruin-
rood bestoven, Franje donkergrijs.
Achtervleugels glanzig geelwit, eenigszins doorschijnend, met
een roestkleurig achterrandsvlekje aan het eind van ader 2 en
fijne zwarte stippen op de franjelijn. Franje geelwit.
Achterlijf geelwit, in de zijden oranjebruin bestoven, de rug-
wortel met eene donkergrijze vlek. Staartpluim van den man kort,
grijswit. Onderzijde geelwit, de voorvleugels olijfbruin bestoven
en met een donkergrijs vlekje op de dwarsader, Pooten wit.
Verwanten van deze soort ken ik niet; misschien is Agathodes ?
Dubitalis Maassen, Lepid. voor Columbien p. 170. Tab. IX fig. 21
er eene,
Zuid-Amerika; Cordova (Argentijnsche republiek). Van Prof.
Dr. Weyenbergh ontvangen.
Carthade Caecalis Snell., Tijds. v. Ent. 42 (1899) p. 91. —
Pld Dates:
Ook van deze soort vindt men hierbij de afbeelding waarop ik
alleen aan te merken heb dat de sprieten een klein weinig te ver
gebaard zijn afgebeeld.
Crossophora Microthyralis Snell, Tijds. v. Ent. 42 (1899) p.
89. — Pl. 15 fig. 15 (¢) en fig. 16 (kop).
Men ontvangt hierbij de afbeelding dezer in jaargang 42 be-
schreven soort. Bijvoegsels tot de beschrijving of opmerkingen bij
de afbeelding heb ik niet te maken. Alleen wenschte ik op te
merken dat de laatste mij volstrekt noodig voorkomt. Honderden
nieuwe soorten van Lepidoptera bekend te maken zonder goede
afbeeldingen, zooals alweder in de laatste jaren geschiedt, is iets
wat mij verkeerd toeschijnt.
Diplotyla Javanalis m. nov. spec. — Pl. 15 fig. 17 (d).
Twee mannen en een wijfje. 21—22 mm.
In deel 23 (1879—80) van dit Tijdschrift heb ik op p. 233
eene door Mr. Piepers op Celebes ontdekte Pyralide onder den
OVER PYRALIDEN. 279
naam van Aediodes Orientalis beschreven’, die in deel 27 (1883—
84) pl. 4 fig. 3, 3a, 35 (slordig gekleurd), is afgebeeld. Zij is
door den heer Meyrick in zijn nieuwe genus Diplotyla geplaatst
(Trans. Ent, Soc. of London 1886 p. 246) en wel teregt, de ge-
nerieke kenmerken passen ten volle. Ik merk hier op, dat mijne
plaatsing in Aediodes slechts onder reserve geschiedde, maar ik
heb er steeds tegen gehad om het toch al zoo groote getal Pyra-
liden-genera, op kenmerken slechts aan ééne sekse eigen, dus op
eene slechte basis, berustende, buiten hooge noodzakelijkheid te
vermeerderen.
Geheel dezelfde generieke kenmerken bezittende als Orientalis,
is eene aan haar verwante nieuwe Javaansche soort. De grootte is
dezelfde, de sprieten van den man zijn op den rug tot de tweede
verdikking zwart, het puntderde en de geheele onderzijde grijs,
die van het wijfje zwart, met grijswitte punthelft. Palpen onderaan,
(nog niet tot de helft) vuilwit, de rest zwart. Kop, thorax en
bovenzijde der vleugels zijn roetkleurig zwartbruin, minder zwart
dan bij Orientalis, op de voorvleugels kan men twee flaauwe,
zwarte dwarslijnen bespeuren, de eerste, op een vierde, is regt,
de tweede, op drie vijfden, heeft bovenaan eene in het midden
vlakke bogt, loopt in cel 2 terug en heeft een iets schuin onder-
gedeelte. Aan den voorrand heeft zij buitenwaarts eene iets onzuiver
witte afzetting. Middenveld met twee witte vlekjes, een rond,
dubbel zoo groot als bij Orzentalis en een boonvormig, slechts
half zoo groot als bij die soort. Bij het wijfje zijn de aderen langs
den voorrand een weinig bruinwit beschubd. Achtervleugels op een
derde met eene smalle, nergens verdikte, den voorrand niet berei-
kende bruinwitte lijn. Franje roetzwart, iets voor den staarthoek
der vleugels wit. Onderzijde zwartgrijs, bij beide seksen ongeveer
als boven geteekend, iets duidelijker, maar het wit nog onzuiverder.
Aan de pooten zijn bij den man de dijen en scheenen buiten-
waarts zwartgrijs, hunne binnenzijde, evenals de sporen en de
geheele tarsen bruinwit; vrouwelijke pooten geheel bruinwit.
Achterlijfsrug roetzwart, het uiteinde bij den man op den rug
en aan de spits bruinwit geteekend. Buik bruinwit.
280 (P. C. T. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
Oost-Java: Poespa, 700 meter. West-Java: Mega-Mendoeng.
Mr, Piepers.
Diplotyla Quadralis m., nov. spec. !).
Drie mannen, van 16—17 mm.
Deze soort vertoont de kenmerken van het genus Diplotyla
Meyrick, Trans. Ent. Soc. of Lond. 1887 p. 246, maar is veel
slanker gebouwd en kleiner dan de door den auteur daartoe ge-
rekende (Ochrosema Meyr. (30 mm.). Cyclospila Meyr. (30 mm.)
en Argopis Meyr. (20 mm.). Ook mijne Aediodes? Orientalis, die
mede tot Diplotyla moet worden gebragt en de hierboven be-
schreven Javanalıs zijn grooter en daarbij krachtiger gebouwd.
Daar ik echter geen ander verschil kan vindon, komt het mij
voor dat eene generieke afscheiding onnoodig is. Danaga Pulla-
-talıs Swinhoe. Proc. Zool. Soc. of Lond. 1889 p. 420 behoort mede
tot dezelfde groep van Diplotyla. Volgens Hampson, IV p. 236, zou
zij dezelfde zijn als Aegimiusalıs Walker, wat ik niet wil beoor-
deelen, maar het is zeker dat Pullatalis Swinhoe, die ik ook door
wijlen Ragonot ontving, uitstekend overeenkomt met Hampson’s
beschrijving en afbeelding fig. 142, I. c. Alleen zie ik geene
behaarde voortarsen.
Naar Hampson zou de bovenvermelde Aegimiusalis (Pullatalis)
tot Lederer’s genus Piletocera behooren. Dit komt mij echter niet
zoo voor. Kerstens om het ontbreken der behaarde voortarsen, ten
tweede omdat Lederer stellig zegt, Beitrag p. 139 (sep.) «Fühler
mit.... einem filzig behaarten Knoten bei der Mitte, dahinter
aber keine Krümmung». Jegimiusalis (Pullatalis) mas. nu heeft
sprieten die althans dwidelijk eenmaal gekromd zijn achter de ver-
dikking, zooal niet tweemaal, gelijk Meyrick’s beschrijving eischt
en ook Orientalis Snell. vertoont. Hampson’s genus Piletocera is
dus niet het Lederersche en moet met Diplotyla worden vereenigd.
Bij Quadralis m. zijn de sprieten twee derden zoo lang als de
voorrand der voorvleugels, tot twee derden zwart, dan op den rug
‘) De afbeelding van de vlinders wordt bij een volgend stukje geleverd
OVER PYRALIDEN. 281
witachtig. Zij zijn verder tot twee derden zeer stomp gekerfd, dan
sterker, hebben eene bogt op een derde en eene tweede, met
een wit haarbosje, op twee derden; overigens zijn zij fijn be-
wimperd. Palpen zoo lang als de kop, opgerigt en gebogen , lid 1
langer behaard en daardoor breeder dan lid 2; lid 3 dun, rolrond;
zij zijn onderaan wit, verder zwart. Bijpalpen klein. Bijoogen
duidelijk, Bovenzijde van lif en vleugels roetkleurig zwart, dof,
de laatsten tegen den achterrand donkerder. Voorvleugels met
eene regtstandige, eerst op de helft duidelijke, buitenwaarts zwart
afgezette dwarslijn op een derde, een bijna vierkant wit vlekje in
de middencel vóór een bruingeel lijntje op de dwarsader, juist
daarachter met een bleek okergeel vlekje aan den voorrand en dan
met eene sterk bogtige, den staarthoek bijna rakende bruingele
tweede lijn. Achtervleugels met eene hoekige bruingele middenlijn.
Franjelijn zeer fijn bruingeel. Franje grijs met eene dikke roet-
zwarte deelingslijn.
Onderzijde der vleugels zwartgrijs, met dezelfde teekening als
boven, iets vlekkiger.
Borst. buik en pooten zijn bleek okergeel, de laatsten (even-
eens gevormd als bij Pul/atalis), aan de buitenzijde, het minst op
de tarsen, zwart bestoven. Achterlijfsrug met een fijn geel dwars-
lijntje bij den wortel.
West-Java, Preanger, 5000 voet (16—1700 meter). Van de
heeren Sythoff en Anthony ontuangen.
2
Goniorhynchus Flaviguttalis. Warren, Ann. and Mag. of Nat.
Hist., Ser. VI, 17 p. 140 (1896)— Hampson, Moths of
India IV, p. 323 (1896.
Dr. Koningsberger nam deze soort ook op Java waar. Zij zal
wel in een nieuw genus moeten worden geplaatst, even als Plum-
beizonalis Hampson, want de voorvleugels hebben een indruksel
op het midden, de mannelijke sprieten zijn gewoon gevormd en
het achterlijf heeft op den rug geen kammetje voor de staartpluim.
Een en ander levert een wel wat te groot verschil op met (sratalis
©
Lederer, waar de mannelijke sprieten een tandje op den rug
282 (P. C. T. SNELLEN) AANTEEKENINGEN
hebben bij de helft en dan plotseling gebogen en verdund zijn,
terwijl het achterlijf vóór het uiteinde een kammetje op den rug
bezit en geen indruksel op de voorvleugels wordt gevonden. Ik
heb dit aangeteekend en afgebeeld, Tijds. v. Ent. 26, p. 133,
pl 8, fig. 2, 2a (1883), maar de heer Hampson heeft het niet
opgemerkt want hij zegt van Gratalis, Op cit. p. 322 «Antennae
of male with the shaft smooth and ciliated», en spreekt van het
achterlijfskammetje niet. Gratalis Led. is eigenlijk nader verwant
aan het genus Semioceros Meyrick, Trans Ent. Soc. of London
1884 p. 318 maar toch nog anders, en dus kan het genus
Goniorhynchus, met verbeterde karakteristiek, zeer goed blijven,
althans voor Gratalis Lederer, want misschien is Gratalis Hamps.
niet dezelfde en zou deze Minualis Walker moeten heeten.
Wat Plumbeizonalis en Flaviguttalis aangaat, waarvan Hampson
eene sectie II van Goniorhynchus vormt, zoo zou ik bij eene
generieke afscheiding den naam Lapethia voorslaan. Warren schrijft
wel: Gonioryneus doch dit verschil is te onbeduidend en zou aan-
leiding tot verwarring geven.
Dat Lederer zijne Gratalis als eene twijfelachtige Botys beschouwde,
heb ik reeds aangewezen. Zoo mijn vermoeden ten opzigte van
Gratalis Hamps. juist is, kon die soort (Minualis Walker), wel in
Botys A, a. a. Lederer komen. Ik heb haar van Ragonot ook wel
onder den naam Putyrosa Swinhoe ontvangen, doch dit is denkelijk
een naam in litteris. Indien men voor Gratalis Led. den naam
Goniorchynchus niet wenscht aan te nemen, sla ik Asciodella m, voor.
Conchylodes Privalis m. nov. spec. — PI. 16 fig. 1 (d).
Vijf exemplaren van beide seksen 24—26 mm.
Deze soort, met Diaphana Cram., Snell., Tijds. v. Ent. 15
(1872) p. 95 pl. 7 fig. 13, de grootste mij bekende van het genus,
onderscheidt zich van al de andere, eerstens door de zeer helder-
witte kleur der bovenzijde en dan door het ontbreken van zwarte,
hetzij geheel gevulde, of in het midden lichte, zwarte middenvlek-
ken der vleugels. In plaats daarvan ziet men op de dwarsaders
slechts flaauwe vlekjes, die bleekbruin zijn gelijk de dwarslijnen,
OVER PYRALIDEH. 283
Daar mijne exemplaren zeer gaaf en frisch zijn kan dit gemis van
zwarte middenvlekken niet veroorzaakt zijn door afvliegen. De mede
vrij helderwitte Paucipunctalis Snell., Trans. Ent. Soe of London
1890 p. 633 pl. 19 fig. 2, heeft vrij groote, gevulde zwarte
middenvlekken, maar mist de zwarte schrapjes en stippen langs
den voorrand der voorvleugels.
Sprieten en palpen wit, de laatsten aan de achterzijde smal
zwart. Kop, thorax en achterlijf even wit als de bovenzijde der
vleugels; twee stippen aan den wortel der schouderdeksels en twee
bij dien van het achterlijf, dat op den rug een weinig bleekbruin
is gevlekt, zijn zwart. Twee vlekjes aan den wortel van den
voorrand der voorvleugels, zoomede gaandeweg in grootte en aantal
afnemende schrapjes en stipjes verder langs dien rand en twee
halve kringen ongeveer op drie en vier vijfden daarvan zijn ook
zwart, benevens twee stippen in en onder de vleugelpunt, maar
van eene zwarte stip bij den binnenrandswortel zie ik bij geen
mijner voorwerpen eenig spoor. De dwarslijnen, uit eene regt-
standige halve op een vierde van den binnenrand der voorvleugels,
eene tweede voorbij de helft, die scherphoekig is gebroken en langs
ader 2 uitgewischt benevens eene middenlijn der achtervleugels,
die in vorm gelijk is aan de tweede der voorvleugels, zijn breed,
niet scherp, even bleek bruingraauw als de kleine middenvlekken.
Ader 2 der voor- en 3 der achtervleugels zijn bij den achterrand
met een zwart vlekje geteekend, een kleiner ziet men aan de
punt der laatsten en nog een aan het eind hunner middenlijn, op
den binnenrand,
Franjelijn fijn, graauwbruin. Franje minder wit dan de vleugels,
ten gevolge van eene iets vervloeide, bleekbruine lijn over hunne
wortelhelft. Onderzijde der vleugels wit, met stofgrijs bestoven
voorrandshelft der voor- en punt der achtervleugels en verder met
eene flaauwe herhaling van de teekening der bovenzijde. Borst ,
buik en de- gladbeschubde pooten zijn wit.
West-Java, Preanger, ruim 5000 vt. (16—1800 meter). —
Van de heeren P, T. Sijthoff en B. J. B Anthony ontvangen.
284 (P. C. T. SNELLEN) AANTEBKENINGEN
Genus Stenicula m. nov. gen,
De eenige soort die ik tot dit nieuwe genus breng, herinnert
door haar uiterlijk eenigszins aan Duponchelia Fovealis Zeller, maar
de man heeft op de voorvleugels in en onder de middencel geene
kale indruksels, zijn aderbeloop is geheel normaal en de palpen
zijn anders terwijl de tweede dwarslijn der voorvleugels ongeveer
op de helft geene buitenwaartsche bogt maakt maar wel eene tegen
den wortel.
Grooter is de overeenstemming met de genera Stenia Guen.,
Led, en Blepharomastix Led.
Van het eerste onderscheiden haar de kortere, dikkere sprieten,
van het tweede de uit één punt met den steel van 8—10, niet
zooals bij dat genus, ver daarvan verwijderd, ontspringende ader 11
der voorvleugels en de driekante, ver van de lipvoelers ingeplante
niet dunne en draadvormige bijpalpen. Het laatste kenmerk duidt
inderdaad eene verwantschap aan met Parapoynx Hübn., Led, en
daarom wensch ik Stenicula op dat genus te laten volgen.
De bouw van den vlinder is slank, het voorhoofd een klein
weinig uitpuilend. Zuiger en bijoogen aanwezig. Lipvoelers anderhalt
maal zoo lang als de kop, iets smaller dan de ooge» , schuin op-
gerigt, lid 2 aan de voorzijde iets grof en ruig behaard, 3 rolrond,
dun, glad beschubd, korter dan de helft van 2. Bijpalpen ver
van de lipvoelers, iets kwastvormig. Sprieten twee derden zoo lang
als de voorrand der voorvleugels, draadvormig, bij den man wat
dikker dan gewoonlijk , naakt. Thorax en achterlijf gewoon gevormd ;
dit langer dan de achtervleugels en wel bij beide seksen.
Voorvleugels langwerpig, met vlakken voorrand, duidelijke doch
stompe punt en iets gezwaaiden achterrand. Achtervleugels iets
breeder, Pooten dun, gewoon gevormd en gespoord, vrij glad
beschubd.
Voorvleugels met 12 aderen, 2—5 uit de middencel, 4 en 5
nabij elkander ontspringende, 6 uit twee derden, 7 uit de spits
der dwarsader, aan den wortel ongebogen, 44 uit één punt met
den steel van 8—10. In de achtervleugels 2—5 als in de voor-
vleugels, 6 uit één punt met den steel: van 7—8,
OVER PYRALIDEN. 285
Stenicula Flavicaput m. nov. spec. Pl. 16 fig 2 (4), fig. 3.
(kop met palpen enz.).
Twee mannen van 19,20, een wijfje van 23 mm.
Lipvoelers aan den wortel geelwit, verder graauwbruin. Bijpal-
pen geelwit, met donkere schubben. Sprieten bruingeel. Kop oker-
geel. Thorax leemkleurig bruin.
De grondkleur der voorvleugels is bij den man bleek leemgeel,
met eene dunne graauwbruine bestuiving waartusschen drie dwars-
lijnen zijn uitgespaard; eene eerste, onder den voorrand gebrokene
op een zesde, eene tweede, bijna evenzoo gevormde op een derde
van den vleugel en eene derde, die niet ver van de vleugelpunt
begint, bijna regt doorloopt tot ader 2, dan daarlangs terug gaat
tot haren wortel en eindelijk, niet regt, zooals gewoonlijk bij
de Pyraliden, maar met eene kleine bogt, naar den binnenrand.
‘Deze dwarslijnen hebben, de eerste aan de wortelzijde, de tweede
buitenwaarts, eene breede, graauwbruine schaduw en op de dwars-
ader ziet men eene vrij groote ronde graauwbruine midden vlek
met een donker streepje langs den voorrand daarboven. Achter-
rand vrij helder bleek leemgeel.
De voorvleugels van het vrouwelijke exemplaar zijn vrij een-
kleurig graauwbruin met de dwarslijnen en hare beschaduwing ,
zoo mede de middenvlek als bij den man maar alles op den
donkeren grond weinig uitkomende, de lijnen zeer fijn en de
achterrand niet lichter, echter met eene fijne gele golflijn. Franje
als de aangrenzende vleugel gekleurd,
Achtervleugels vuilwit, tot vijf zesden met grijze bestuiving
waarin eere hoekige lichte dwarslijn op drie vierden is uitgespaard,
Dwarsader met eene donkere middenvlek Franje grijs.
Onderzijde met eene flaauwe schets van de teekening der boven-
zijde.
West-Java: Gedeh 1), 4506 voet; Oost-Java: Tengger gebergte:
2100 voet.
1) Niet ,Gede” (verg. Tijds. v. Ent. 41 p. 205); dit is eene Duitsche spelling,
evenals ,Sukabumi”, voor Soekaboemi zooals de heer van der Wulp, uit onkunde,
schreef,
286 (P. C. T. SNELLEN) AANTEEKENINGEN
Hydrocampa Distinctalis Ragonot, Ann. Soc. Ent. de France
1894 p. 174.
Is dezelfde als Oligostigma Corculina Butler, Mustr. III p. 75
pl. 59 fig. 7 (1879) en buitendien niet meer dan eene variéteit
van Hydrocampa Stagnata Donovan, zich in hoofdzaak onderschei-
dende door tot twee derden donker graauwbruinen voorrand der
voorvleugels en iets dikkere donkere teekening. Deze is geheel aan-
gelegd als bij Staguata.
Ook Dr. Staudinger houdt, zooals ik later zie, die Destinctalis
slechts voor eene variëteit van Stagrata (Iris X 2 p. 343 (moot)
(1897).
Hydrocampa (A) Lipocosmalis m. nov. Spec. Pl. 16 fig. 4 (4)
en fig. 5 (kop) 13—15 mm.
Vijf gave en frissche exemplaren van beide seksen, 13—15 mm,
Ik plaats deze soort in Hydrocampa, afdeeling A, Lederer,
hoewel ik niet over het hoofd zie, dat ader 10 der voorvleugels
niet gesteeld is met 8 en 9 maar naast den steel van die aderen,
uit de spits der middencel ontspringt.
Men zou ook, om de teekening der vleugels aan Pterygysus
Butl. (Isopteryx Guen., Led.) kunnen denken, maar ook bij dit
genus moeten de aderen 8—10 gesteeld zijn en de vorm der
palpen komt toch meer met dien van Hydrocampa overeen. Voor
eene Botys A, b. «. Lederer, zijn de lipvoelers te smal, het eind-
lid te spits en de bijpalpen te veel ontwikkeld.
In de achtervleugels zijn, bij den man, de aderen 3 en 4 een
weinig verdikt en gebogen.
Palpen geheel krijtwit, hoogstens lid 2 buitenwaarts een weinig
bruinachtig. Sprieten haarvormig, ook bij den man naakt, op den
rug wit, op de onderzijde bruinachtig. Kop en thorax krijtwit,
de laatste met twee okergele langslijnen. Grondkleur der vleugels
krijtwit. Aan den wortel der voorvleugels ziet men twee okergele
stippen, dan volgen twee zulke dwarslijnen; zij zijn ongegolfd ,
loopen evenwijdig en achter de tweede ziet men een okergeel
OVER PYRALIDEN. 287
vlekje in de middencel. Voorrand vervolgens met twee of drie
okergele stippen. Het midden van den vleugel wordt ingenomen
door een’ breeden, okergelen, donker en lichtgemengden band,
waarin zijn uitgespaard een tweemaal getand, wit middenstreepje
en eene tweemaal hoekig gebroken ongegolfde witte dwarslijn wier
boveneind flaauw buitenwaarts is gebogen en fijn zwart gezoomd
terwijl het ondereind zeer schuin is. Achtervleugels met een oker-
geel dwarsstreepje aan den wortel, het midden eveneens breed,
donker en lieht gemengd okergeel , ook met een driekant wit midden-
vlekje en eene hoekige witte dwarslijn , maar wier boven- en onder-
eind buitenwaarts fijn wit zijn gezoomd. Franjelijn met zeer fijne
bruine streepjes; franje geelwit, Achterlijfsrug geelwit.
Onderzijde der vleugels wit, met eene flaauwe schets van de
teekening der bovenzijde, Borst, buik en pooten wit, de laatste
aan de buitenzijde een weinig okergeel gevlekt.
Deze soort heeft eene schijnbaar groote, maar slechts opper-
vlakkige gelijkenis met Agrotera (Nistra) Opalina Moore (Barcealis
Hamps.), maar de palpen zijn daar geheel anders, met driekant
eindlid, verder wit, bruin gebandeerd (zie pl. 16 fig. 6). Ook is
de tweede dwarslijn bij Opalina fijn gegolfd en de gele bijmenging
citroen- niet okergeel. Stellig worden beide soorten dikwijls ver-
ward. Poritialis Moore , Hampson heeft daarentegen in bouw zeer
veel overeenkomst met Lipocosmalis, daar is ader 10 der voorvleugels
mede ongesteeld en vertoonen de achtervleugels bij den man in
de cellen 2--4 iets dergelijks als bij de thans beschreven soort.
Ook dit kenmerk ontbreekt bij Opalina mas.
West-Java, Buitenzorg. Door Mr. Piepers ontdekt.
Oligostigma Falcatalis m. nov. spec. Pl. 16 fig. 7 (4) en fig.
8 (kop).
Zes exemplaren van beide seksen, 16—19 mm.
Deze soort behoort tot de kleinere van het genus; zij doet denken
aan de grootere Adjunctalis Snell, Tijds, v. Ent. 38 p. 158 pl. 6
fig. 17, 18 (1895), maar eerstens zijn de strepen der voorvleugels
wier punt eenigszins is omgebogen, ten deele meer leemkleurig ,
Tijdschr, v, Entom. XLIII 19
288 (P. C. T. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
dan ontbreekt bij den man de omslag aan hunnen voorrand, de
palpen zijn geheel anders, het wortellid der sprieten niet zoo ver-
dikt, daarentegen is de schaft op ongeveer een vijfde stomp geknakt,
aan de achterzijde dikker beschubd en kort en grof behaard en
de achterdijen hebben bij Fadcatalis aan de binnenzijde eene dikke
zwarte beharing welke bij Adjunetalis mas ontbreekt, Bij het wijfje
mist men de vermelde bijzondere mannelijke kenmerken , de palpen
zijn wel eveneens als bij den man, maar de (veel dunnere), draad-
vormige sprieten normaal gevormd en men vindt geene dikke be-
haring aan de achterdijen. Het aderstelsel is zoo als bij Adjunctalis,
de aderen 4 en 5 der voor- en achtervleugels zijn gesteeld; 7
ontspringt uit den wortel van den steel van 8—11.
Palpen niet langer dan de kop, half zoo breed als de oogen,
grof behaard aan de voorzijde, vuilwit, lid 2en 3 op zijde bruin-
grijs. Sprieten en kop bleek grijsgeel, ook de thorax, Voorvleugels,
als boven gezegd, aan de punt kort omgebogen, de voorrand bijna
vlak, de achterrand vrij schuin, de staarthoek wat vlak, de bin-
nenrand met eene lange flaauwe bogt bij den wortel en deze bij
den man met eene langere beharing.
Grondkleur der voorvleugels glanzig wit, hun voorrand tot de
helft smal leemkleurig, evenzoo eene duidelijk begrensde driekante
vlek en eene onderaan daarmede ineenvloeijende streep daarachter.
Eene wat ongelijke streep op den binnenrand en eene aan beide
zijden fijn zwart gezoomde langs den achterrand zijn helder bleek
okergeel. Achtervleugels mede glanzig wit, eene naar achteren ver-
breede en daar met eene streep op den achterrand ineenvloeijende
middenlangsstreep zijn bleek okergeel. De laatste is wat afgebroken
zwart afgezet en heeft onder de uitsnijding ééne helderwitte, fijn
zwart gekernde stip. Franje grijs, aan de voorvleugelpunt donkerder.
Onderzijde der vleugels vuilwit, met flaauwe sporen van de teekening
der bovenzijde ; onder de uitsnijding der achtervleugels twee fijne
zwarte stippen.
Achterlijfsrug bleek graauwgeel; de buik, borst en pooten vuilwit,
West-Java: Buitenzorg, van den heer G. J. Oudemans ontvangen
en Sumatra, in de collectie van het Pommersche Museum te Stettin.
OVER PYRALIDEN. 289
Oligostigma Excisalis m. nov. spec. Pl. 16 fig. 9 (2).
Twee paren; 18—19 mm.
Deze soort, van dezelfde grootte als de voorgaande, onderscheidt
zich, onder de mij bekende, door de bleeke kleur van de gele
teekeningen „door de donkere stip aan den voorrand der voorvleugels
en door de vlakke uitsnijding van den achterrand der achtervleugels
tusschen de aderen 1c en 5.
Lipvoelers opgerigt, dun, iets langer dan de kop, aan de voor-
zijde bij het wijfje iets ruig behaard, Geene bijoogen. Sprieten
draadvormig, normaal gevormd, iets onzuiver wit evenals kop,
thorax en achterlijf.
Voorvleugels met flaauw gebogen voorrand, vrij scherpe punt,
schuinen, ongebogen achterrand en tegen den wortel flaauw ge-
bogen binnenrand. Aan de achtervleugels is de binnenrand wel
iets korter dan gewoonlijk, de achterrand, als boven beschreven ,
vlak uitgesneden. Grondkleur der vleugels wit, flaauw glanzig ,
met bleek okergele teekening.
Langs den voorrand der voorvleugels loopt eene flaauwe gele
streep tot aan de zwarte stip op drie vijfden, vervolgens gaat de
streep schuin naar binnen tot den wortel der aderen 3—5. Bin-
nenrand met eene even flaauwe streep, bijna tot den staarthoek.
Achter de middencel ziet men nog een geel vlekje aan den voorrand,
dat zich in eene zeer flaauwe, gegolfde donkere lijn voortzet, dan
volgt eene naar onderen versmalde gele streep, en op den achter-
rand eene aan beide zijden fijn zwart afgezette. Ook gaat er nog
eene fijne grijze lijn van het eind der middencel naar den staarthoek.
Achtervleugels met eene smal toeloopende gele streep langs den
voorrand, (dus niet voorbij het midden van den vleugel, zooals bij
de meeste andere soorten) die binnenwaarts fijn zwart is gezoomd
en eene tweede langs den geheelen achterrand. Deze laatste verbreedt
zich tot aan de vleugelpunt, is van den staarthoek tot ader 4 aan
beide zijden zwart afgezet, dan komen aan de buitenzijde drie korte
zwarte streepjes en eene witte stip juist onder de uitsnijding. Franje
lichtgrijs, aan de voorvleugelpunt met eene donkergrijze vlek,
290 (P. ©. T. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
Onderzijde wit met eene flaauwe schets van de teekening der
bovenzijde en grijsbestoven voorvleugels.
Wat het aderstelsel aangaat, zoo zijn de aderen 4—5 der voor-
vleugels gesteeld, 7 ontspringt uit één punt met den steel van
8—10, ader 11 komt uit vier vijfden van den voorrand der mid-
dencel en heeft eene korte bogt vóór de helft. In de achtervleugels
zijn de aderen 4—5 ook gesteeld en is de steel van 7—8 (die
met ader 6 uit één punt ontspringt), iets gekromd.
Pooten wit, de sporen vrij lang, de achterscheenen bij den man
met eene dikke pluim van witte en zwarte haren die soms waaijer-
vormig uitstaan.
West-Java. Buitenzorg. G. J. Oudemans.
Genus Eugauria m. nov. gen.
De nu te beschrijven soort is wel door de vleugeladeren het
naast aan de afdeeling A van Parapoynx Lederer verwant maar
wijkt daarvan toch zoo zeer af in andere opzigten dat ik, bij de
onmogelijkheid om haar behoorlijk in een ander genus te huisvesten ,
wel moet overgaan tot de vorming van een nieuw. De teekening
van den vlinder herinnert het meest aan die van Cataclysta.
Zuiger en bijoogen zijn aanwezig, de lipvoelers dun, gebogen,
iets langer dan de kop, met lang, spits eindlid. Bijpalpen duidelijk ,
ver van de lipvoelers ingeplant. Sprieten weinig langer dan de
helft van den voorrand der voorvleugels, draadvormig. Voorhoofd
vlak.
De bouw van den vlinder is eenigszins gedrongen, de vleugels
wat kort en breed, het achterlijf niet langer dan de achtervleugels.
Voorvleugels met duidelijke punt en flaauw gebogen achterrand,
die der achtervleugels in het midden vlak. Teekening der donker
gekleurde vleugels, als boven gezegd, aan die van Cataclysta herin-
nerende. in de voorvleugels zijn de aderen 2—5 ongesteeld , 6 ont-
springt uit drie vijfden, 7 bovenaan de dwarsader en is aan den
wortel ongebogen; 8—10 zijn zeer lang gesteeld, 11 ontspringt
nabij den wortel van den steel van 8—10,
OVER PYRALIDEN. 291
In de achtervleugels is de middencel weinig langer dan een derde
van den vleugel, de aderen 3—5 ongesteeld, 8 zeer lang.
Pooten vrij lang, gewoon gevormd, glad beschubd; de sporen
zeer lang.
Eugauria Compactalis m. nov. spec. Pl. 16 fig. 10 (2).
Les exemplaren van beide seksen; 13—15 mm,
Kop en sprieten aardbruin; palpen iets lichter. De bovenzijde
van het lif en der vleugels is ook aardbruin, donker, dof, Voor-
vleugels vrij wel eenkleurig; nabij het eind van hunnen voorrand
ziet men eene witte en eene iets onzuiver oranjegele streep die,
ongeveer evenwijdig met den achterrand en min of meer spits
eindigende, tot de aderen 5 en 4 doorloopen en door eene fijne
lijn der grondkleur zijn gescheiden. Achter de oranje streep ziet
men nog eene witte stip in de vleugelpunt. Franje als de vleugel ,
met eene zwarte lijn over den wortel.
De achtervleugels vertoonen sporen van twee dikke, convergee-
rende, gegolfde donkere dwarsstrepen en hebben vóór den achter-
rand eene in het midden iets breedere koolzwarte streep met vijf
fijne witte stippen. Bij den staarthoek ziet men nog eene zesde
witte stip. Franje iets grijzer dan de vleugel.
De onderzijde der vleugels is bijna gelijk aan de bovenzijde,
de grondkleur iets valer, de teekening wat scherper en in het
bijzonder de zwarte band langs den achterrand der achtervleugels
fijn oranjeokergeel afgezet aan de wortelzijde.
West-Java: Preanger: 14—1800 meter. P. T. Sijthoff,
Parapoynx Hartoghialis Snell., Tijds. v. Ent. 15 p. 97 pl. 7
fig. 6, 7 (1872).
Deze soort is later beschreven en afgebeeld door Moore, in de
Lepidoptera of Ceylon [IL p. 314 pl. 182 fig. 3 (1885) als Cangelta
(nov. gen.) Mectilinea en verder als Parapoyna Griseolalis door
Hampson, Hlustr. IX p. 176 pl. 174 fig. 12 (1886). Daarna heeft
echter de heer Hampson ontdekt, dat ader 7 der voorvleugels met
8 en 9 is gesteeld, wat inderdaad eene belangrijke afwijking van
292 (P. C. I. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
Parapoynx vormt en te gelijk, dat zijne Griseolalis dezelfde is als
Cangetta Rectilinea Moore. Hij heeft haar dus generiek afgescheiden
en voor het genus den naam van Moore aangenomen, zoodat zij
in de Moths of India IV p. 137 fig 76 (1896) en Trans. Ent.
Soc. of Lond. 1896 p. 488 cum fig. als Cangetta Rectilinea Moore
voorkomt. Heeft nu wat den specifieken naam aangaat de mijne
(Hartoghialis) de voorkeur, zoo is het zeker, dat Hampson’s gene-
rieke afscheiding dient te worden aangenomen en het dier voortaan
Cangetta (Moore, Hps) Hartoghialis Snell. moet heeten.
De afbeelding in het Tijdschrift maakt de soort goed kenbaar.
Of intusschen het genus Cangetta toch niet nader aan Parapoynx
dan aan Endotricha, in welks buurt Hampson het plaatst, verwant
is, is eene vraag, die ik later zal bespreken. Zeker is het dat het
gesteeld zijn van ader 7 der voorvleugels hier, m. i, evenmin eene
nadere verwantschap met Endotricha te kennen geeft als bij mijn
genus Nymphicula (zie Midden-Sumatra, Lepidoptera p. 78 (1880)
waar die ader ook met 8, 9 (en 10) gesteeld is, terwijl al het
overige, o. a. kleur en teekening, de soorten toch duidelijk als
verwanten van Cataclysta, Parapoynx en Hydrocampa doet kennen.
Hartoghialis ken ik, behalve van Afrika, ook van Assam (Hamilton)
en Java (Piepers).
Behalve /artoghialis Snell. en dlbocarnea Warren, heb ik nog
eene derde, onbeschreven soort van Cangetta. Ik nvem haar:
Cangetta Murinalis m. nov. sp.
Een man en twee wijfjes; 8—9 mm.
Wat de generieke kenmerken aangaat komt deze soort, die
nog kleiner is dan de beide andere (artoghialis Snell. 14—16 mm. ,
Albocarnea Warr, volgen Hampson 12 mm.), geheel en al met
de generieke beschrijving van den heer Hampson overeen, Zij onder-
scheidt zich van eerstgenoemde soort — in kleur hare naaste ver-
wante — vooral door de mindere grootte en dan door het ontbreken
van de dikke zwarte, bovenaan verbreede en wortelwaarts getande
zwarte franjeliin en de breede sneeuwwitte franje.
Palpen grijs, met wit eindlid. Sprieten voorbij een derde met
OVER PYRALIDEN. 293
driekante leden, grijs, flaauw donker geringd. Kop grijs, witge-
rand. Thorax, achterlijfsrug en bovenzijde der vleugels helder,
zuiver lichtgrijs, eentooniger dan bij Martoghialis;, de grond is
echter fijn en gelijkmatig donker bestoven. Men ziet op de voor-
vleugels twee flaauwe, donkerder dwarslijnen; de eerste is boven,
de tweede onder de helft stomp gebroken en deze heeft aan den
voorrand, wortelwaarts, eene kleine driekante witte vlek, Midden-
veld met twee uiterst flaauwe donkere middenteekens. Achtervleu-
gels met eene donkere, tweemaal stompgebroken middenlijn.
Franjelijn donkergrijs, dik, maar niet scherp, wortelwaarts iets
vervloeid, bovenaan een weinig verbreed en aldaar met een zeer
klein wit vlekje. De franje is breed, sneeuwwit, met eene iets
gegolfde donkere lijn over den wortel.
Onderzijde der vleugels bijna als boven, alleen de dwarslijnen
zeer flaauw. Borst en pooten grijswit, de buik grijs.
Java, Buitenzorg en Batavia. — Mr. Piepers,
Cataclysta? (Stenia) Praestrictalis Led. — Pl. 17 fig. 13 (kop
met palpen).
Door Lederer is in het Wien. Ent. Monatschr, deel VIII op
pl. 18 fig. 12 eene Pyralide als Stenia Praestrictalis afgebeeld, die
in zijn tekst niet meer wordt vermeld en van welke ook verder,
voor zoover mij bekend is, niemand heeft gewaagd, Drie exem-
plaren dezer soort bezittende, komt het mij niet ongepast voor,
daarvan iets te zeggen.
Met het aderstelsel beginnende, bevind ik dat ader 8 der achter-
vleugels met 7 is verbonden en de steel van beiden met ader 6
uit de spits der middencel komt. De aderen 3—5 der voorvleugels
zijn ongesteeld (hunne ader 2 ontspringt uit drie vierden van den
binnenrand der middencel, 3 iets nader bij de uit één punt
komende 4 en 5 dan bij 2): ader 6 komt uit 2 der dwarsader,
de aan den wortel ongebogen ader 7 uit hare spits, 8—9 zijn
gesteeld; 10 komt uit de middencel. Het voorhoofd is vlak, ader
5 der achtervleugels aanwezig, de vleugels zijn niet uitgesneden
294 (P. C. T. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
(de punt der voorvleugels vrij scherp), de bijpalpen aanwezig,
opgerigt, draadvormig,
De bijoogen kan ik, ook bij bevochtiging yan den kop met
terpentijn, als wanneer zij anders duidelijk zigtbaar worden, niet
ontdekken. Verder is de binnenrand van de middencel der achter-
vleugels op de bovenzijde onbehaard en de zuiger aanwezig Van
de lipvoelers steken de leden 1 en 2 regtuit, 3 is opgerigt en
ongebogen (zie afbeelding), de sprieten zijn zoo lang als twee
derden der voorvleugels, ader 11 van deze is schuin (onderaan
lets gebogen). Pooten gewoon gevormd en gespoord , glad beschubd,
Ten slotte hebben wij dus de keus tusschen de venera Paracymoriza
Warren, Ann. and Mag. of Nat. Hist. Ser, 6, VI p. 479 (1890) ( =
Cymoriza Led., nec Guenée) en Cataclysta. Van het eerste wijkt,
naar de beschrijving, Praestrictalis door de palpen af maar ook
Cataclysta verschilt door de palpen, den vleugelvorm en door de
gesteelde ader 10 der voorvleugels.
Ken nieuw genus ware dus niet overbodig doch daar ik Prae-
strictalis niet voldoende vergelijken kan met verwante vormen,
wil ik dit aan anderen overlaten en voorloopig de soort in het
genus Catalysta plaatsen Alleen wensch ik op te merken, dat ik
als zulk een verwante vorm beschouw Parapoynx? Obnubilalis
Christoph, Bull. de Moscou 1881 p. 32
genus Alpherakia vormde (Ann. Soc. Ent. de France, 1890 Bul-
‚ waarvoor Ragonot het
letin p. 92, 1891 p. 520, die echter geene Crambide is, zooals
Kagonot teregt opmerkt, Ik doe dit, hoewel bij Alpherakia ader 7
der voorvleugels uit den steel der aderen 8—9 komt terwijl zij bij
Praestrictalis uit de spits der dwarsader ontspringt. Dit duidt nog
geene verwantschap aan met Endotricha, want ader 6 der voor-
vleugels ontspringt niet uit één punt met den steel van 7—9
zooals daar, maar, zooals hierboven gezegd, uit drie vijfden der
dwarsader. Het laatste houd ik voor belangrijker dan de oorsprong
van ader 7.
Bij Alpherakia zijn overigens de bijoogen ook niet aanwezig en
de sprietleden tegen het eind driekant, zooals bij Praestrictalis,
maar de bijpalpen zijn driekant en het eindlid der lipvoelers steekt
OVER PYRALIDEN. 295
regtuit (zie Pl. 17 fig. 14; de beschrijving der palpen bij Ragonot
is niet zeer scherp), Binnenrand van de middencel der achtervleugels
ook onbehaard
De drie exemplaren van Praestrictalis die ik bezit, zijn door Baron
von Noleken op zijne tweede reis in Columbie gevangen. Een daar-
van (een man), komt met Lederer’s goede afbeelding overeen , een
tweede verschilt door eene okergele donker gelijnde vlek achter
het halve maantje op de dwarsader der voorvleugels en eene zwart-
grijze daaronder, terwijl het derde, ook een wijfje, met den man
overeenkomt maar het aderbeloop grijs is.
Twee eenigszins aan Praestrictalis verwante soorten wil ik verder
beschrijven :
Cataclysta? Phoxopteralis m. nov. spec. Pl. 17 fig. 11 en 12.
Een man van 17 mm.
De vleugelvorm is bij deze soort niet zonder overeenkomst met
dien van de voorgaande Praestrictalis, de punt der voorvleugels
echter wel zoo scherp, de achterrand der achtervleugels in cel 4
uitgesneden, hunne punt stomp. Ader 2 der voorvleugels is zooals
bij Praestrictalis, 3—5 ontspringen na bij elkander, 6 en 7 als
bij de voorgaande soort, 8—10 echter zijn gesteeld. In de achter-
vleugels ontbreekt ader 5; 6—8 zijn als bij Praestrictalis. Lip-
voelers als bij Cataclysta, gebogen, dun, spits; bijpalpen vrij lang,
aan het eind wat verbreed. Zuiger aanwezig , bijoogen ontbrekende,
sprieten aan het eind met driekante leden, voorhoofd vlak, Pooten
gewoon gevormd.
Kop, palpen, sprieten en thorax zijn bleek okergeel, eenigszins
wit gemengd, de buitenzijde der lipvoelers grootendeels zwart.
Ook de bovenzijde der vleugels is wit en okergeel gemengd , laatst-
genoemde kleur heeft echter de overhand langs de buitenzijde der
voor- en aan de punt der achtervleugels. Op de eersten is de
voorrand een weinig zwart bestoven tot eene dubbele, onder den
voorrand zeer kort gebroken, verder eenigszins schuine witte, aan
beide zijden zwartgerande dwarslijn op een derde, Dwarsader fijn
donker geteekend. Tweede dwarslijn mede wit, het bovenste derde
296 (P. C. T. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
aan beide zijden zwart gerand. Golflijn twee maal rond gebogen,
wit, buitenwaarts zwart afgezet.
Achtervleugels op een vierde met eene voortzetting van de eerste
dwarslijn der voorvleugels, op drie vierden en voor den achterrand
met eene van de tweede lijn en de golflijn.
Franjelijn fijn zwart, wat afgebroken, Franje wit en geel, een
weinig donker gevlekt.
Onderzijde der vleugels wit, langs den voor- en achterrand der
voor- en aan de punt der achtervleugels zwartgrijs bestoven , verder
met sporen van de teekening der bovenzijde. Borst, buik en pooten
wit, geel gemengd.
Brazilië; nadere lokaliteit onbekend, In mijne collectie.
Cataclysta? Harpalis m. nov. spec. Pl. 17 fig. 1 (8).
Een paar; de man 12, het wijfje 17 mm.
Ook deze soort houd ik voor eene verwante der beide voorgaande ;
de vleugelvorm heeft veel overeenkomstigs, de punt der voorvleugels
is echter scherper, hun achterrand meer gebogen; daarentegen is
de achterrand der achtervleugels onder de stompe punt slechts
uiterst flaauw uitgesneden Sprieten bij den man met eenigszins
driekante leden, bij het wijfje dun, geheel draadvormig. Lipvoelers
als bij Phowopteralis, even lang, nog een weinig dunner. De bij-
palpen schijnen mij toe beschadigd te zijn, zoo dit niet het geval
is, dan zijn zij zeer klein en spits. Zuiger aanwezig. Bijoogen kan
ik niet ontdekken. Voorhoofd vlak,
In de voorvleugels komt ader 2 uit ruim drie vierden van den
binnenrand der middencel, Zij is aan den wortel, evenals de na
bij elkander ontspringende aderen 3—5, ongebogen. Ader 6 uit
ruim twee derden der dwarsader, 7 uit hare spits, beiden aan den
wortel ongebogen, 8—10 gesteeld, 11 vrij in den voorrand, aan
den wortel regt. In de achtervleugels komt ader 2 uit drie vijfden
van den binnenrand der middencel, 5 en 8 ontbreken. Pooten
vrij lang en dun, gewoon gespoord.
Kop en palpen zijn wit, de sprieten iets geelachtig. Thorax en
grondkleur der vleugels mede wit, de voorvleugels met twee zwarte
OVER PYRALIDEN. 297
stippen bij den wortel, aan voor- en binnenrand, de bovenste
meer buitenwaarts. Verder zijn zij op een derde met eene schuine,
iets gebogen donkere dwarslijn geteekend, op drie vierden met
eene sterk bogtige tweede die onderaan onduidelijk dubbel is. Ach-
tervleugels met twee evenwijdige, een weinig bogtige bruine dwars-
lijnen op een derde en drie vierden. Deze lijnen zijn allen bij het
wijfje fijn, iets afgebroken, bij den man evenzoo op de achter-
vleugels maar op de voorvleugels onregelmatig breed donker afgezet.
Voorts is ook de voorrand der voorvleugels okergeel, bij den man
duidelijker en daaronder ziet men een horizontaal, iets gebogen
zwart lijntje dat eene ovale vlek der grondkleur begrenst; hunne
franjelijn en eene in de vleugelpunt uitloopende lijn zijn donker,
de grond daartusschen okergeel, bij den man tot den staarthoek ,
bij het wijfje alleen boven ader 5, Onderzijde der vleugels wit ,
met eenige flaauwe sporen van de teekening der bovenzijde.
Midden-Amerika: Chiriqui, 4 (Ribbe) — Zuid-Amerika, nadere
lokaliteit onbekend: 9.
Thysanoidma Eromenalis Snell.
Ik heb in deel 23 van het Tijdschrift voor Entomologie (1879 —80)
op p. 226 eene Coenostola Eromenalis, door Mr. Piepers op Celebes
gevangen, beschreven waarvan in deel 27 (1883—84) op pl. 3
fig. 4, 4a eene middelmatig goed weergegeven afbeelding het licht
zag. Deze soort is geene Coenostola, ook geene regte Gonocausta.
De heer Meyrick plaatst haar voorloopig in Parapoynx (Trans, Ent.
Soc. of London 1887 p. 206). Met het werk van heer Hampson
(Fauna of British India, Moths, deel IV) vergeleken, behoort zij
tot zijne subfamilie Hydrocampinae en daarin is het genus Thysa-
noidma Hamps., l. c. p. 202 het best geschikt ter opname, Vleugel-
vorm en teekening zijn wel zooals bij Musotima en de franje der
achtervleugels is niet van ongelijke lengte met «spatulate ends »
maar de steel van de aderen 7 en 8 achtervleugels ontspringt,
niet vóór het eind van den bovenrand der middencel, doch uit
één punt met ader 6 en dit beschouw ik als het voornaamste
verschil. De palpen (lipvoelers), zijn in het Tijdschrift deel 27
298 (P. C. T. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
goed afgebeeld, alleen is het eindlid wat te spits, het is echter
langer dan Hampson het afbeeldt (le. fig. 120); lid 2 is even
sterk gebaard,
Overigens zijn de bijoogen aanwezig, het voorhoofd afgerond,
de sporen der pooten van gelijke lengte en de aderen 3—5 der
voorvleugels ongesteeld.
Een nieuw genus, ter wille van de vermelde kleine verschillen
schijnt mij onnoodig en dus kan Mromenalis wel in het genus
Thysanoidma Hampson worden geplaatst.
Een wijfje, ook van Gelebes, ontving Mr Piepers later nog
van den heer van Gelder, Het is grooter dan de beide andere
exemplaren (18 mm), maar verschilt anders niet).
Musotima Fuscalis m. nov. spec. Pl. 17 fig. 2 (d) en fig. 3.
(kop met palpen).
Twee mannen, 104 en 12 mm. vlugt.
Ik reken deze soort tot het genus Musotima Meyrick, Trans,
Ent. Soc. of London 1884 p. 289; Hampson, Moths of India IV
p. 199 omdat de steel van de aderen 7 en 8 der achtervleugels
vóór het eind der middencel ontspringt, hoewel niet zoo duidelijk
als bij Aduncalis Felder en Suffusalis Hamps. Ook de vleugelvorm
en het verdere aderbeloop stemmen overeen maar het eindlid der
palpen is naar boven niet verdikt, doch stomp gepunt, de bij-
palpen daarentegen naar boven wel. Hetzelfde is echter het geval
bij Musotima Ochropteralis Guen., Timaralis Felder en Inerustalis
Snellen.
Palpen bruingrijs, lid 2 tot boven aan den schedel komende,
naar boven iets verbreed, 3 korter, stomp gepunt. Sprieten met
tegen de punt driekante leden, bruingrijs. Kop. thorax , achter-
lijfsrug en de bovenzijde der vleugels donker bruingrijs, dof, De
voorvleugels hebben een vlakken voorrand, eene duidelijke punt
en een in het midden rond naar buiten gebogen achterrand,
Evenzoo is ook de punt der achtervleugels duidelijk ; de achterrand
daaronder ingesneden, verder viermaal rond gegolfd, de staarthoek
duidelijk. Aan den wortel der voorvleugels ziet men drie zwarte
OVER PYRALIDEN. 299
stippen, verder, op een derde en twee derden, twee zwarte dwars-
lijnen bij het begin van welke de voorrand een weinig wit is en
langs den vuil donker okergelen achterrand loopt eene helder witte,
boven en onder het midden verdikte lijn. Achtervleugels met eene
voortzetting van de eerste dwarslijn der voorvleugels bij den wortel
en eene zwarte booghjn voorbij het midden ; langs den achterrand ,
die ook wel eenigszins bruingeel is maar wortelwaarts niet scherp
begrensd, ziet men in alle cellen zwarte, aan de binnenzijde
eenigszins wit beschubde stippen. Franjelijn zwart, franje onzuiver
wit, hier en daar zwartgrijs gevlekt,
Borst, buik en onderzijde der vleugels grijs, de laatsten met
sporen van de teekening dor bovenzijde. Pooten grijswit.
Fuscalis doet aan eene Choreutis of Simaethis denken, doch
behoort duidelijk tot de Pyraliden.
Java, Tegal, Kemanglen, in Augustus (Lucassen). Assam (Ha-
milton).
Musotima Decoralis m, nov. spec. Pl. 17 fig. 4 (4) en fig, 5.
(kop met palpen).
Een man van 12 mm. vlugt.
Ook bij deze soort ontspringt de steel der aderen 7—8 van de
achtervleugels uit den voorrand der middencel, iets vóór diens
einde, op dezelfde wijze als bij luscalis. De lipvoelers zijn gebogen,
smaller dan bij die soort en met iets langer, spitser eindlid, bij-
palpen bovenaan niet zoo duidelijk verdikt. Zuiger aanwezig.
Voorhoofd afgerond. Sprieten met driekante leden.
Vleugelvorm ongeveer die van Aduncalis Felder, de achterrand
der voorvleugels niet zoo sterk gebogen, die der achtervleugels bij
den staarthoek vlak uitgesneden, met een flaauw tandje op ader 1c.
Palpen grijswit, aan de buitenzijde donkergrijs, evenzoo de
bijpalpen. Sprieten bleekgeel, tegen de helft grijsachtig wordende.
Schedel okergeel, ook de bovenzijde van den thorax, van het
; halskraag een weinig rood geteekend,
achterlijf en der vleugels;
Op de voorvleugels is de voorrand fijn wit, op vijf zesden ziet
ziet eene vrij scherpe zwarte dwarslijn, die iets minder gebogen
300 (P. C. T. SNELLEN.) AANTEEKENINGEN
is dan de achterrand; zij is buitenwaarts van den voorrand tot
ongeveer ader 2 breed helderwit afgezet. Dan komt eene iets verder
naar onderen reikende, met den achterrand evenwijdige vermiljoen-
roode streep die tegen den, met eenige donkere stippen geteekenden
achterrand eerst smal wit, dan fijn zwartgrijs is gezoomd Buiten-
dien is vóór de eerstvermelde donkere dwarslijn het aderbeloop
boven de middencel en ader 3 fijn zwart en ziet men, in de
middencel en daarachter, in cel 5, een fijn helderwit langslijntje.
Achtervleugels voorbij drie vierden met eene zwartgrijze dwarslijn
die de voortzetting is van de zwarte lijn der voorvleugels en op
ader 5 is gebroken; hun achterrand is van de punt tot ader 4
roodachtig, wortelwaarts flaauw donker gezoomd, met vier zwarte,
wortelwaarts helderwit afgezette stippen in de cellen 3, 4 en 6, 7,
verder wit, wortelwaarts zwartgrijs afgezet van ader de tot bij den
binnenrand en de franjelijn ook zoo ver duidelijk donker. Franje
grijswit.
Onderzijde der vleugels ongeveer gelijk aan de bovenzijde. Borst,
buik en pooten wit.
West-Java; Buitenzorg. Door Mr. Piepers gevangen.
Musotima Instrumentalis Swinhoe, Ann. and Mag. of Nat, Hist.
6 Ser..XIV p. 209 (1894) — Pl. 17 fig. 6 (4).
Ambia Instrumentalis Hamps. Moths of India IV p. 204 (1896).
Een man van 14 mm. vlugt,
Aderbeloop, kop, sprieten en palpen zijn bij deze soort zooals
bij Decoralis, de lipvoelers echter wat korter, Wat den vleugel-
vorm betreft, zoo is de achterrand der voorvleugels van de punt
tot ader 2 geheel regtstandig, zonder uitsnijding, met afgeronden
staarthoek ; de punt der achtervleugels steekt sterk uit, de achter-
rand is daaronder duidelijk, tegen den staarthoek vlak uitgesneden.
Sprieten en palpen grijswit; kop wit. Bovenzijde van het lijf
grijswit, die van de vleugels helderwit. De voorvleugels hebben
aan den voorrandswortel eene grijze vlek en op een derde eene
naar onderen sterk verbreede grijze dwarsstreep ; op deze streep
volgen drie, aan het eind omgebogen, zeer duidelijke donkere
OVER PYRALIDEN. 301
langslijnen. Daarvan is de bovenste, ongeveer een millimeter onder
den voorrand blijvende en anderhalven mm van de punt kort
omgebogen daarin uitloopende, geheel roodbruin. De tweede loopt
door cel 14, buigt zich, één mm. van den achterrand naar boven
om en loopt regt, aan het eind zeer kort gevorkt, bij en in de
vleugelpunt uit; zij is aanvankelijk ook roodbruin maar wordt op
de helft van cel 14 zwartgrijs. De derde volgt ongeveer het beloop
van ader À, is tegen de franjelijn onder de bogt van de tweede
lijn ook omgebogen en tot zoover roodbruin, wordt dan zwartgrijs
en eindigt reeds tegen ader 2, bij een grijs vlekje der overigens
sneeuwwitte franje. Achtervleugels in het midden met eene groote
grijze, met zwartgrijze vlekken en lijnen geteekende wolk en eene
bruine, aan het eind zwarterijze lijn op den voorrand die bijna
zoo lang als ader 8 is.
De onderzijde is gelijk aan de bovenzijde maar de teekening
minder scherp. Borst, buik en pooten wit, de laatsten donker
grijs gevlekt.
Assam, van den heer Hamilton ontvangen.
Ik hield deze soort aanvankelijk voor onbeschreven en vond den
naam eerst toen mijne beschrijving en afbeelding reeds gereed waren,
Ik meen echter wel te doen, beiden niet achterwege te laten.
Diptychophora Fuseobasella m. nov. spec. Pl, 17 fig. 7 (2).
Zes exemplaren van beide seksen 10—11 mm.
De achterrand der voorvleugels is bij deze soort tweemaal inge-
sneden, namelijk onder de afgeronde vleugelpunt in cel 6 en,
bijna evens sterk, in cel 4, De palpen zijn zooals de heer Hamp-
son die, Moths of India IV p. 19, van mijne Adspersella af beeldt.
Verder onderscheidt de vlinder zich van de mij bekende door
het donkere wortelveld der bleek bruingrijze voorvleugels, iets
wat vooral bij den man uitkomt, minder bij het wijfje. Het
middenveld dier vleugels is met ééne, flaauwe, okergele, nier-
vormige middenvlek geteekend.
Het komt mij voor dat /uscobasella het naast verwant is aan
Albilinealis Hamps., Op. cit. p. 19, waar de grondkleur der voor-
302 (P. C. T. SNELLEN.) AANTEEKENINGEN
vleugels als roodachtig bruin wordt beschreven , aan den wortel
met zwarte verduistering, verder met twee witte dwarslijnen en
en twee gele middenvlekken
Sprieten witgrijs, donker geringd, Palpen zwartgrijs, met lichten
rand en spits. Kop grijs, ook de thorax, bij het wijfje donkerder
dan bij den man. Bij dezen is de voorvleugelgrond onzuiver bruin-
geel, met uiterst fijne donkere, iets gegolfde dwarsschrapjes. Hun
eerste veld wordt verduisterd door eene zwartgrijze vlek aan den
voorrandswortel en eene wortelwaarts vervloeide, franjewaarts
duidelijk begrensde zwartgrijze lijn op een derde, die flaauw rond-
gebogen is, met dubbele, lichter gevulde benedenhelft. Die lijn
wordt bij den man nog duidelijker doordat eene streep aan hare
buitenzijde de grondkleur zuiver vertoont, zonder donkere dwars-
schrapjes die verder het middenveld, vooral in het midden, be-
dekken en de, buitendien niet donkerder afgezette, midden vlek
verduisteren. Tweede dwarslijn op twee derden van den voorrand
beginnende en, met eene sterke bogt iets boven het midden,
onderaan een weinig gegolfd, iets voorbij drie vierden van den
binnenrand uitloopende. Zij is fijn, zwartgrijs, van af ader 4
benedenwaarts dubbel. Het smalle derde- of franjeveld der voor-
vleugels is aan de vleugelpunt, boven de eerste insnijding, bruin-
achtig met een loodkleurig langslijntje en eene lichtere afzetting
der zwartgrijze franjelijn, die tweemaal afgebroken is, Langs haar
ziet men eenige bruine beschubbing en onderaan drie zwarte stip-
pen. Franje donkergrijs. tweemaal wit ingesneden en ook boven
den staarthoek wit. Achtervleugels wit, langs de grijze franjelijn
een weinig donker bestoven, Franje wit.
Bij het wijfje is de teekening dezelfde maar het middenveld
even donker als het eerste derde, de middenvlek donker gerand
en ook de onderhelft van het derde veld verduisterd, als berookt.
Achtervleugels lichtgrijs, met sporen eener donkere booglijn voorbij
de helft.
Onderzijde der vleugels vuilwit, met sporen van de teekening
der bovenzijde op de voorvleugels; twee randstippen in cel 2 en
3 zijn koolzwart.
OVER PYRALIDEN. 303
De heer Hampson beeldt ook de vleugeladeren van mijne Ads-
persella af, maar niet geheel juist, want ader 3 der voor- en
achtervleugels ontspringt inderdaad halfweegs 2 en 4, evenzoo bij
de thans beschreven soort.
Achterlijfsrug grijs, bij het wijfje donkerder. Borst, buik en
pooten grijswit, de tarsen met donkere stippen.
West-Java; Preanger, 5000 voet (1600 meter). Van den heer
P. T. Sythoff ontvangen,
Genus Culladia Moore, Hamps.
Het genus Culladia Moore is door Hampson, Moths of India IV
p. 11 (1896), tot zijne Crambinae gerekend, Daarmede stem ik
volkomen in; het geheele uiterlijk der, tot dusverre eenige soort
van het genus duidt dit reeds aan en een nader onderzoek der
kenmerken bevestigt het. Maar onjuist is de voorstelling dat ader
7 der voorvleugels ontbreekt, Daar, waar bij de Pyraliden za ader
6 dier vleugels, die uit of bovon het midden, soms uit de spits
der dwarsader ontspringt, eene ader wordt gevonden die, mede
uit de dwarsader of uit den steel der volgende komende, nog in
den achterrand des vleugels uitloopt, is dit ader 7, wiet 8 of 9,
Deze laatste aderen loopen bij de Pyraliden altijd in den voorrand
uit. Bij Culladia nu eindigt de op ader 6 volgende in den achter-
rand, evenals bij het genus Crambus en is dus ader 7, Het is
derhalve „ader 8 (beter 9) die men als ontbrekende moet aan-
merken en Culladia Admigratella Walk., Hamps. mag alzoo eene
normale Crambide heeten. Ik merk nog op, dat op Hampson’s
afbeelding 1. c. fig. 10, het beloop van ader 11 niet juist is voor-
gesteld, Zij is niet zeer schuin en vrij, maar kort, regtstandig en
stuit tegen ader 12, zooals bij het genus Ancylolomia (zie o. a. bij
Hampson, Op. cit. p. 33 fig. 21).
Bij de Phyciden, door den heer Hampson naar het aanwezig zijn
of ontbreken van den zuiger in twee familién verdeeld (Anerastiinae
en Phyeitinae) ontbreekt ader 7 der voorvleugels inderdaad en door
dit kenmerk, door de op de bovenzijde behaarde onderste midden-
ader der achtervleugels en door den oorsprong en de betrekkelijke
Tijdschr, v. Entom. XLIII. 20
304 (P. C. T. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
kortheid van ader 2 der voorvleugels wordt deze subfamilie geka-
rakteriseerd,
(Zie von Heinemann, Schmett. Deutschl. u. d. Schweiz, 2te
Abth I, 2 p. 145 (1865).en Snellen, Vlind, v. Ned II p. 9 en
121 (1882).
Ik wil hier ook nog aanteekenen hoe onvoldoende de karakte-
ristiek der Phycilen door Ragonot, in de Annales de la Société
Entomologique de France 1891, is. De kenmerken der Phyciden
zamenvattende, zooals die vermeld zijn in de Analytische tabel der
subfamilién, komt men tot het volgende:
1. Nervure dorsale des ailes superieures aboutissant directement
au bord externe !).
2, Nervure 6 aux ailes inférieures naissant de langle supérieur
de la cellule ?).
3. Frein simple chez la femelle 3); stemmates presque toujours
distincts; palpes labiaux semblables dans les deux sexes, palpes
maxillaires du mâle souvent en aigrette, Ailes supérieures avec
41 nervures, parfois moins
Hieruit blijkt dat de heer Ragonot toenmaals nog geen klaar
begrip had van hetgeen hij onder Phyciden moest verstaan en men
zal dus wel doen met geene acht te slaan op de bovenvermelde
tabel (waar ook, als kenmerken van de Pyraustinae en Scopariinae
wordt vermeld: «Ailes ordinairement (!) étalées en repos» en: Ailes
en toit en repos, les inférieures plissées» en alleen te letten op
die, welke gegeven wordt in deel VII van de Mémoires sur les
Lépidoptères, welke veel beter is, hoewel niet geheel volledig.
De heer Hampson heeft dan ook op de bovenvermelde Analytische
tabel van wijlen Ragonot, waarop nog vele andere aanmerkingen
konden worden gemaakt, teregt geen acht geslagen; men kan haar
© 2 D © = D 2
1) Tot afscheiding van het genus Acentropus, als Acentropidinae. Onnoodig.
2) Tot afscheiding van het genus Ancylolomia, als Ancylolominae. Evenzoo
overbodig.
3) Hier wordt op nieuw de gebrekkige methode gehuldigd om een kenmerk
cen welk een!) slechts aan ééne sekse eigen, te doen dienen tot karakteristiek »
N. B. in dit geval zelfs van eene sub-familie.
OVER PYRALIDEN. 305
wel als «non avenue» beschouwen, Hampson’s verdeeling der Py-
raliden in subfamilién zal ik nu niet bespreken en alleen aantee-
kenen, dat het afscheiden van de Schoenobiinae als subfamilie mij
voorkomt, eene verbetering te zijn maar dat de karakteristiek der
Scopariinae correctie vereischt.
Ancylolomia Westwoodi Zeller, Chilon. et Crambid, Gen. et
spec. p. 11 (1863) — PI. 17 fig. 8 (2).
Aanvankelijk had ik deze soort voor onbeschreven gehouden,
maar verder onderzoek heeft mij geleerd, dat zij Zeller’s Westwoodi
moet zijn; ik wil echter de, naar een gaaf en zeer frisch wijfje
vervaardigde afbeelding , niet terughouden maar haar met eenige
aanmerkingen, hier publiceeren.
Westwoodi is door Zeller, |. c., op zijne gewone zorgvuldige
wijze beschreven en ik geloof de kleine afwijkingen die ik opmerk
tusschen zijne schildering en de, van den heer P. T. Sythoff ont-
vangen Javaansche exemplaren die ik voor mij heb, niet in den
zin van specifiek verschil te moeten uitleggen. De heer Hampson
vereenigt MWestwoodi als een synonym met Chrysographella Kollar ,
Zeller, niettegenstaande Zeller de grondkleur der voorvleugels bij
eerstvermelde soort in de beschrijving «pallidissime osseae » (zeer
bleek beenkleurig) en de achtervleugels « utrimque albidae » noemt,
terwijl hij van Chrysographella zegt « Alae ant. ex fusco lutescentes,
adspectu ‘sordido et vetusto, parto dorsali obscuriore», en de
achtervleugels beschrijft als: «griseae, in basi dilutiores» wat
m. i. te veel verschilt, om van andere zaken niet te gewagen. By
beide soorten zijn overigens de palpen (lipvoelers) korter dan kop
en thorax te zamen, zooals volgens Zeller (zie zijne aanteekening
Horae Soc. Ent. Ross. 1877 p 20) bij alle exotische soorten het
geval is, terwijl zij bij de europesche duidelijk langer zijn dan
kop en thorax. In het voorbijgaan wil ik nog aanleekenen dat
Ancylolomia Pulcherrima Staud., Berl. Ent. Zeits. 1870 p. 194,
ofschoon in hoofdzaak wat de vleugeladeren aangaat, met Ancylo-
lomia overeenkomende, beter in het genus Hednota Meyrick (Ara-
xates Ragonot) wordt geplaatst. Dat verschil in lengte der palpen
306 (P. C. T. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
wordt b. v. door Meyrick en Hampson, naar het schijnt, wel wat
uit het oog verloren, anders zou de eerste, bij de vermelding der
generieke kenmerken van Ancylolomia (Proc. Linn. Soc. of New
South Wales VIL p. 154 (1882) niet alleen gezegd hebben « Labial
palpi very long, attenuated» en de laatste, Moths of India IV
p. 33 «Palpi extending about 3 times the length of the head»,
wat voor de europesche soorten. b. v. Tentaculella, Palpella, waar
zij, het wortellid inbegrepen, goed 33 maal zoo lang als de kop
zijn, te kort is en voor de exotische (Capensis, Taprobanensis ,
Westwoodi) te lang. Daar zijn zij evenzoo gemeten, hoogstens 2
(4) of 24 (2) maal zoo lang als de kop, ook duidelijk breeder en
stomper dan bij de europesche soorten.
De sprieten zijn bij Westwoodi mas, zooals Zeller zegt, « breviter
pectinatis». Dit beeldt Hampson, 1. c. fig. 21, goed af. De man
is verder kleiner dan het wijfje (20—24 mm, tegen 33—35 mm.)
en heeft wat kortere palpen dan het laatste.
De verschilpunten die ik bij mijne exemplaren met Zeller’s be-
schrijving opmerk. liggen in de 3 lijnen voor den achterrand, de
derde is namelijk geheel in duidelijk gescheiden donkere stippen
opgelost, met eene grootere aan de vleugelpunt en de achtervleugels
kan ik niet «albidae» (witachtig) noemen, tegen den voorrand
grijsachtig, maar zij zijn vrij zuiver wit, bij enkele voorwerpen
tegen den achterrand wat grijsachtig. Van overwegend belang zijn
deze verschillen echter ten slotte wel niet.
Welligt is Ancylolomia Indica Felder en Rog. Novara IL, 2
pl. 137 fig. 19 ¢ (187%), dezelfde als Westwood, maar de af-
beelding schijnt mij toe, met weinig zorg vervaardigd te zijn; ik
houd de effen groengrijze grondkleur der voorvleugels ten minste
voor onnatuurlijk, onjuist en blijkbaar is van hunne achterrands-
teekening maar wat gemaakt.
De bovenvermelde Javaansche exemplaren werden in de berg-
streken der Preanger Regentschappen op eene hoogte van 15—
4600 meters gevangen. Taprobanensis Zeller, waarvan ik een door
Zeller benoemd exemplaar bezit, ving Mr. Piepers bij Batavia en
Buitenzorg, ook op Celebes. Tuprobanensis Zell. en Capensis Zell.
OVER PYRALIDEN. 307
vereenigt de heer Hampson ook met Chrysographella. Ik geloof,
zeer te onregte. Capensis heeft nog kortere palpen dan West-
woodi en eene andere randteekening der voorvleugels, terwijl Za-
probanensis veel donkerder gekleurd is,
Melissoblaptes Rufovenalis Snellen, 77//s. v. Entom. 23 p. 248
(1879—80); id, 27 p. 53 pl. 5 fig. 10 (1883—84) —
Pagenstecher, Jahrb. des Nassauis. Vereins 37 p. 139
(1884).
Bovengemelde soort heb in het genus Melissoblaptes gehuisvest
met de opmerking, dat zij van Bipwnetanus Curt. afwijkt, doordat
ader 8 der achtervleugels vrij is en ader 7 der voorvleugels vóór
9 uit den gemeenschappelijken steel ontspringt. Wat het eerste
kenmerk aangaat, zoo raakt, bij een later ontvangen Javaansch
wijfje ader 8 ader 7 op èén punt duidlelijk, maar het tweede
komt mij van meer gewigt voor. Als sexueele kenmerken van den
man, dus van ondergeschikte waarde, merk ik ook nog op dat
de binnenrand van de middencel der voorvleugels, die bij Aipune-
tanus regt is, by Rufovenalis eene sterke bogt naar buiten maakt
en die cel op de onderzijde vrij lang hehaard is, evenzoo is de
voorrand der achtervleugels behaard.
Een en ander geeft mij aanleiding om Awfovenalis uit Melisso-
blaptes te verwijderen en te plaatsen in het genus Mucialla Hamp-
son, Moths of India IV p. 5. Sedert heb ik namelijk ook de soort
waarmede de auteur dat genus opent, Æwfivena Hamps., Le. fig. 4,
leeren kennen in exemplaren door Mr. Piepers op Java verzameld
en bevonden dat Aufovenalis daarmede in bouw volkomen overeen-
stemt; alleen is de middencel der voorvleugels bij den man op
de onderzijde slechts spaarzaam behaard.
Rufivena onderscheidt zich van Ru fovenalis door twee zeer duide-
lijke langwerpige, donkere, in het midden lichte middenvlekken
der voorvleugels. Zij is ook kleiner, lichter gekleurd en kort-
vleugeliger.
Een derde, eenigszins verwante Galleride heb in ook sedert
leeren kennen en wil haar hier bekend te maken. Ik noem haar:
308 (P. C. T. SNELLEN). AANTEEKENINGEN
Melissoblaptes Eucheliellus 22, nov, spec. Pl. 17 fig. 9 à.
Een man van 26 mm.
Deze soort stemt vrij wel in bouw met de europesche Mel.
Bipunctanus overeen, echter met de volgende af wijkingen: Voor-
eerst komt ader 10 der voorvleugels niet uit den voorrand der
middencel, maar uit den steel van 7—9, nabij de basis (ader 7
ontspringt na ader 9 uit dien steel). Dan zijn de aderen 3 —4
der achter- en 4—5 der voorvleugels veel korter gesteeld dan bij
Bipunetanus. Eindelijk ziet men (doch dit zal wel een sexueel
kenmerk zijn), aan den wortel der achtervlengels een in het oog-
loopend zwart pluimpje, op de bovenzijde,
De kop en de groote halskraag zijn bijna wit, de palpen iets
roodachtig. Thoraxrug bleek olijfgroen en roodachtig gemengd.
Voorvleugels evenzoo aan den wortel bleek olijfgroen , verder aan
den voor- en binnenrand bijna wit, in het midden roodbruin , ook
langs den achterrand maar alle kleuren gewolkt, niet scherp be-
grensd. Dwarsader met eene donkere stip, ook de franjelijn donker
en de franje olijfgroen.
Achtervleugels bleek purperrood, met het boven beschreven
zwarte pluimpje aan den wortel. Franje graauwgeel.
Onderzijde der vleugels bleek purperrood, een breede omslag
aan den voorvleugelvoorrand, borst, buik en pooten meer graauwgeel.
De binnenrand van de middencel der voorvlougels is regt.
Java, Tegal; Mr, Th. Lucassen.
Mucialla? Fuscolimbalis m. — PI. 17 fig. 10 4. en fig. 11.
Twee mannen van 26 en 27 mm.
Ik plaats deze soort in het genus Mucialla, hoewel ik eenige
afwijkingen niet over het hoofd zie, Ader 5 der voorvleugels, die
bij de andere soorten regt is (zij ontspringt uit één punt met 4,
niet daarvan gescheiden zooals op Hampson’s afbeelding), maakt
bij Fuscolimbalis eene vrij sterke bogt naar boven (zie Fig. 11)
en de aderen 7—10 zijn min of meer gekronkeld en onduidelijk
omdat de vleugel aan de punt een weinig overdwars is geplooid
OVER PYRALIDEN. 309
en de beschubbing aldaar tevens ruw; ook zijn zij vrij kort. Ove-
rigens is de binnenrand van de middencel der voorvleugels ook
gebogen en verschilt het aderbeloop verder niet.
De kop met palpen en sprieten, de thoraxrug en de grond der
voorvleugels zijn licht grijs, iets paarsachtig, de laatsten met eenige
donkergrijze schubben bestrooid, zonder middenvlekken, met een-
kleurig aderbeloop. De achterrand is, wortelwaarts regt en scherp
begrensd, tot aan de franjelijn zeer donkergrijs, de franje weder
grijsgeel, met eene afgebroken fijne donkergrijze lijn over den
wortel. Achtervleugels met franje eenkleurig helder licht okergeel,
onder en boven, de franjelijn op de bovenzijde fijn donker ge-
kleurd. Onderzijde der voorvlevgels bleek grijsgeel, tegen voor- en
achterrand iets donkerder. Achterlijf , borst en pooten grijsgeel.
Daar ik het wijfje niet ken en dus niet weet of de boven ver-
melde atwijking in het aderbeloop ook daar voorkomt, onthoud ik
mij van eene generieke afscheiding van Mucialla.
Java, Batavia en Buitenzorg; Mr. M. C. Piepers,
310
(P. C. T. SNELLEN) AANTEEKENINGEN OVER PYRALIDEN.
VERKLARING DER AFBEELDINGEN,
Praat 15,
Paredra Rigidalis Snell.
Botys Triphaenalis Snell.
Botys Vagalis Snell.
Eusabena Setinialis. Snell.
Plectrona Orientalis Snell,
Heterocnephes Rotundalis Snell.
Ceratarcha Umbrosa Swinh.
Agathodes ? Excisalis Snell.
— Ostensalis Hübn.
Carthade Caecalis Snell.
Crossophora Microthyralis Snell.
Diplotyla Javanalis Snell.
PLAAT 16,
Conchylodes Privalis Snell.
Stenicula Flavicaput Snell.
Hydrocampa Lipocosmalis Snell.
Agrotera Opalina Moore.
Oligostigma Falcatalis Snell.
— Excisalis Snell.
Eugauria Compactalis Snell,
Cataclysta? Phoxopteralis Snell.
PrAAT sie
Cataclysta Harpalis Snell.
Musotima Fuscalis Snell.
— Decoralis Snell.
— Instrumentalis Swinh.
Diptychophora Fuscobasella Snell.
Ancylolomia Westwoodi Zell
Melissoblaptes Eucheliellus Snell.
Mucialla Fuscolimbalis Snell.
Diplotyla Quadralis Snell.
Cataclysta ? Praestrictalis Led.
Alpherakia Obnubilalis Christ.
311
Twee aanteekeningen
DOOR
Dr. H. J. VETH.
In eene verzameling kevers van Catumbella in Angola, behoo-
rende aan Dr. J. van der Hoeven te Rotterdam, vond ik een
tweetal ex. van Chlorida festiva Linn., eene gewone boktor uit
Brazilië, Nu herinnerde ik mij ook reeds vroeger een ex, dezer
soort uit W.-Afrika in handen te hebben gehad, maar daar ik
van dat ex. niet zoo geheel zeker van de herkomst was, heb ik
toen aan eene vergissing gedacht. In het eerst genoemde geval is
echter vergissing onmogelijk, Nu trof het mij in den Catalogus
Coleopterorum van Gemm. en Harold als synoniem bij Chlorida
festwa te vinden: africana Voet met Brazilië als vaderland. De
zeer kennelijk bij Voet als africana afgebeelde soort wordt echter
wel degelijk vermeld als uit Afrika afkomstig te zijn, en met het
oog op den naam is het althans wel aan te nemen, dat Voet
meende dat zijne soort in Afrika tehuis behoorde, Waarschijnlijk
hebben Gemm. en Har, gemeend dat Voet zich vergist had en
hebben zij dienovereenkomstig het vaderland der africana ver-
anderd. Het blijkt nu dat Voet echter wel degelijk gelijk heeft
gehad. Waarschijnlijk is deze opmerking ook wel reeds door anderen
gemaakt en is het voorkomen van C#lorida festiva L. in Afrika
al eens hier of daar in de literatuur medegedeeld.
In het tijdschrift «l’Apiculteur» wordt de aandacht gevestigd op
het groote nut voor den ijmker, om in de nabijheid zijner korven,
roodborstjes te hebben. De Heer Morand, aan wien deze mede-
312 (pr. H. J. VETH.) TWEE AANTEEKENINGEN.
deeling is te danken, nam namelijk waar, dat de roodborstjes ,
die zich bij den ingang der korven ophouden, uitsluitend mannetjes
vangen. Om geheel zeker van zijne zaak te zijn, doodde hij een
twaalftal darren en zes arbeidsters, en plaatste deze op een plank
voor de korf. Na eenigen tid waren al de darren verdwenen en
alleen de arbeidsters waren ongedeerd, Daar de darren na de paring
van geen nut meer zijn en slechts den voorraad honig doen ver-
minderen, is hunne spoedige opruiming dus zeer nuttig,
ag-
=
4
ma
Vi
313
REGISTER. ”
ACARIDAE.
Aleurobius farinae L. p. 122.
Argas reflexus Fabr. p. 113.
Bryobia praetiosa Koch. p. 128, 138.
Camisia fischeri Oudms. p. 109.
Carabodes marginatus Mich. p. 162.
Carpoglyphus passularum Her. p. 122.
Celeripes vespertilionis L. p. 122.
Cillibano vegetans Dug. p. 131.
Caeculus echinipes Duf. p. 109.
Cyrtolaelaps cornutus Berl. 109.
Dermacarus arvicolae Dujard. p. 126.
Dermanyssus gallinae de Geer. 121.
Eremaeus confervae Schrank. p. 163.
5 exilis Nic. p. 162.
È frisiae Oudms. p. 163.
5 lanceolatus Mich. p. 165.
5 longilamellatusMich.var neer-
landica Oudms. p. 168.
= lucorum Koch. p. 163.
5 ornatus Oudms. p. 167.
$ sanremensis Oudms. p. 137.
5 schneideri Oudms. p. 136.
n subpectinatus Oudms. p. 152,
166.
> subtrigonus Oudms. p. 152,
. 166.
tibialis Nic. p. 162.
Erythraeus miniatus Herm. p. 119.
5 phalangiodes de Geer. p. 109.
Glycyphagus domesticus de Geer. p. 122.
Hologamasus calcaratus Koch. p. 109.
Holostaspis marginatus Herm. p. 114.
Hoploderma dasypus Ant. Dug. p. 170.
à italicum Oudms. p. 170.
Ixodes reduvius L. p. 127.
Kochia tegeocrana Herm. p. 155.
> Oudms. (genus) p. 141, 144.
Laelaps aculeifer G. Can. p. 127.
N agilis Koch. p. 121.
Leiognathus arcuatus Koch. p. 121.
Liacarus coracinus Koch. p. 136.
5 lativentrus Nic. p. 162.
+
|
il
Listrophorus leuckarti Pag. p. 122.
a pagenstecheri Haller. p. 122.
Macrocheles marginatus Herm. p. 113,
129.
Myocoptes musculinus Koch. p. 122.
Notaspis alatus Herm. p. 159, 160.
n cuspidatus Michael. p. 161.
= depauperatus Berl. p. 157.
È elimatus Koch.p.135, 159, 160.
5 globulus Nic. p. 159.
À gracilis Mich. p. 159.
5 lanceatus Oudms. p. 152, 159,
160.
> lucasi Nic. p. 135.
= subglobulus Oudms. p. 158.
à trimaculatus Koch. p. 157.
= velatus Michael. p. 161.
Nctoedres notroedres Megn. 122.
Oribata michaeli Oudms. p. 169.
: verticillipes Nic. p. 109, 169.
Parasitus crassipes L. p. 109, 129.
5 coleoptratorum L. p. 121.
Phthiracarus arduus Koch. p. 171.
Poecilochirus fucorum de Geer. p. 114.
5 spinipes Koch. p. 134.
Polyaspis patavinus G. et R. Can. 114.
Proctophyllodes stylifer Buchh. p. 122.
Prosopodectes poppei Oudms. p. 122.
Rhipicephalus sanguineus Latr. p. 129.
Rhizoglyphus echinopus Fum. et Rob.
p. 128.
Scutovertex ovalis Berl. p. 120.
5 spoofi Oudms. p. 113.
Seius vepallidus Koch. p. 127.
Serrarius fusifer Koch. p. 119.
5 microcephalus Nic. p. 119.
Syringophilus bipectinatus Heller. p.122.
Trichotarsus alf keni Oudms. p. 115.
a japonicus Oudms. p. 117.
5 ornatus Oudms. p. 117.
Trombidium gymnopterorum L. p. 128.
5 holosericeum L. p. 128.
Tyroglyphus longior Gerv. p.122, 128.
Uropoda obscura Koch. p. 131.
1) Waar voor het cijfer der bladzijde eene V geplaatst is, wordt de paginatuur
der Verslagen bedoeld.
314 REGISTER.
Uropoda ovalis Koch. p. 115.
ARANEIDAE..
Epeiroides bahiensis Kais. V. p. 21.
COLEOPTERA.
Aglenus brunneus Gyll. p. 182.
Amphotis marginata Fabr. p. 176.
Anacaena globulus Payk. p. 195.
Antherophagus nigricornis. Fabr p.178.
+ silaceus Herbst. p. 178.
Anthrenus musaeorum L. p. 190
n serophulariae L. p. 190.
Atomaria fuscipes Gyll. p. 178.
Attagenus pellio L. p. 189, 190.
Aulonium trisulcatum. V. p. 22.
Berosus luridus L. p. 196.
n signaticollis Charp. p. 196.
Brachypterus glaber Newm. p. 174.
Byrrhus pilula L. p. 191.
Byturus tomentosus Fabr. p. 186.
Cercyon haemorrhoïdalis Fabr. p. 196.
65 unipunctatus L. p. 197.
Cerylon histeroides Fabr. p. 183.
Chaetarthria seminulum Payk. p. 196.
Chilocorus renipustulatus Scriba p. 188.
Chlorida festiva L. p. 311.
È africana Voet. p. 311.
Cis boleti Fabr. p. 179.
Coccidula rufa Herbst. p. 189.
Coccinella septempunctata L. p. 188.
5 oblongoguttata L. p. 188.
à ocellata L. p. 189.
Coelostoma orbiculare Fabr. p. 197.
Coninomus nodifer Westw. p. 153.
Corticaria serrata Payk. p. 184.
Cryptarcha strigata Fabr. p. 176.
Cryptophagus acntangulus Gyll. p. 178.
Cucujus imperialis Lew. p. 184.
Cychramus quadripunctatus Herbst. p.
176.
Cymbiodyta marginella Fabr. p. 195.
Cyrtotriplax bipustulata Fabr. p. 180.
Cytelus sericeus Forst. p. 191.
Dermestes lardarius L. p. 190.
n undulatus Brahm p. 190.
Diaperis boleti L. V. p. 22
Ditoma crenata Fabr. p. 182.
Enlophloeus spinulosus p. 182.
Enicmus minutus L. p. 183.
Engis bipustulata Thb. p. 179.
Ennearthron cornutum Gyll. p. 179.
Epilachna globosa Schneid. p. 188.
Epuraea aestiva L. p- 175.
Exochomus quadripustulatus L. p. 188.
Georyssus crenulatus Rossi p. 192.
Helephorus aquaticus L. p. 198.
Heterocerus obsoletus Curtis. p. 193.
Hippodamia tredecempunctata L. p. 188.
Hydrobius fuscipes L. p. 195.
Hydrochoris caraboïdes L. p. 195.
Hydrochus carinatus Germ. p. 798.
Hydrophilus piceus L. p. 193.
po pistaceus p. 194.
Hydrous levis p. 194.
Laccobius minutus L. p. 196.
Lamophloeus ferrugineum Steph. p. 184.
Lathridius minutus L. p. 183.
Limnebius truncatellus Thb. p. 196.
Lyctus unipunctatus Herbst. p. 185.
Megasternum boletophagum Marsh. p
LATE
Megatoma undata L. p. 190.
Melanophthalma fuscula Humm. p. 184.
gibbosa Herbst. p. 184,
Meligethes aeneus Fabr. p. 176.
ta brassicae Scop. p. 176.
Monotoma angusticollis Gyli. p. 185.
Mycetaea hirta Marsh. p. 187.
Myoditus subdipterus Bosc. V. p. 26.
Nemosoma elongata L. p. 180.
Nitidula bipustulata L. p. 175.
Nosodendron fasciculare Oliv. p. 190.
Ochthebius marinus Payk. p. 198.
Omosita colon L. p. 176.
Orthocerus muticus L. p. 182.
Parnus luridus Er. p. 192.
A prolifericornus Fabr. p. 192.
Pedilophorus aeneus Fabr. p. 192.
Peltis ferruginea L. p. 181.
Phalacrus corruscus Payk p. 173.
Philhydrus marginellus Fabr. p. 195.
A testaceus Fabr. p. 195.
Pityophagus ferrugineus L. p. 177.
Pocadius ferrugineus Fabr. p. 176.
Potamophilus acuminatus Fabr. p. 192.
Psammoechus bipunctatus Fabr. p. 184.
Pytho depressus L. V. p. 21.
Rhizobius litura Fabr. p. 189.
Rhizophagus bipustulatus Fabr. p. 177.
5 depressus Fabr. p. 177.
Scymnus frontalis Fabr. p. 189.
A nigrinus Kugel. p. 189.
Silvanus unidentatus Fabr. p. 185.
Simplocaria semistriata Fabr. p. 191.
Soronia grisea L. p. 176.
Spercheus emarginatus Schaller. p. 197.
Sphaeridium scarabeoides L. p 197.
Sphindus hispidus Payk. p. 178.
Subcoccinella vigintiquadropunctata L.
p. 188
Telmatophilus carieis Ol. p. 177.
Tiresias serra Fabr. p. 190.
Tritoma picea Fabr. p. 186.
5 quadripustulata L. p. 186.
Trogosita mauretanica L. p. 181.
5 pini. p. 181.
Typhaea fumata L. p. 187.
DIPTERA.
Callomyia amoena Meig. p. 225.
REGISTER.
Campylomyza dimorphogyna Rübs. V.
16 Ua
Catabomba pyrastri L. var. unicolor
Curt Vin ps 3:
Melanostomum hyalynatum Fall. V. p. 8.
Monardia Van der Wulpi de Meyere
Wo 5 Ue
HYMENOPTERA:
Anthidium manicatum L. V. p. 22.
Cimbex connata Schr. V. p. 16.
: fagi V. p. 20.
È femorata L. V. p. 15
5 lutea L. V. p. 17.
Clavellaria amerinae L. V. p. 20.
Nematus spiraeae Zadd. en Br. V. p. 14.
LEPIDOPTERA.
Agathodes Excisalis Snell. p. 279.
Altha Albiguttatus Snell. p. 88.
a Castaneipars Moore. p. 87.
Ancylolomia Westwoodi Zell. p. 307.
Argynnis Aglaja L. p. 247.
Selene W. V. p. 244.
Atosia Doenia Moore. p. 92.
Auxomitia Minoralis Snell. p. 272.
Bombyx Rubi L. V. p. È
Botys Chalybaealis Snell. p. 271.
5 Triphaenalis Snell. p. 269.
Vagalis Snell. p. 270.
Cangetta Hartoghialis Snell. p. 293.
a Murinalis Snell. p. 293.
Cania Bandura Moore. p. 84.
= Bilinea Moore. p. 85.
Sericea Butl. p. 86.
Carthade Caecalis Snell. p. 280.
Cataclysta ? Harpalis Snell. p. 298.
= ? Phoxopteralis Snell. p. 297.
? Praestrictalis Led. p. 295.
Ceratarcha Umbrosa Swinh. p. 278.
Chaerocanipa Lucasii Walk. p. 257.
= Theylia L. p. 257.
Conchylodes Privalis Snell. p. 284
Crossophora Microthyralis Snell. p. 280.
Crambus Ericellus Hübn. V. p. 26.
Culladia Admigratella Wlk., Hps. p.
305.
Dilinia Medardaria H. S. p. 260.
Diplotyla Javanalis Snell. p. 280.
n Quadralis Snell. p. 282.
Diptychophora Fuscobasella Snell. p.
303.
Doleschallia Browni Godm en Salv. p.
255.
Dryobota Protea Borkh. V. p. 25.
Endoxyla Anceps Snell. p. 40.
5 Mineus Cram. p. 40.
5 Strix L. p. 39.
Eugauria Compactalis Snell. p. 293.
Euphlyeta Erastria Snell. p. 93.
315
Eurycreon Eversmanni Staud. p. 272.
Eusabena Setinialis Snell. p. 274.
Goniorhynchus Flaviguttalis Warr. p.
283.
Heinemannia Festivella W. V.V. p. 26.
Heortia Vitessoides Moore. p. 277.
Hepialiscus Marcidus Butl. p. 31.
Heterocnephes Rotundalis Snell. p. 276.
5 Scapulalis Led. p. 261.
Heterogenea Foliola Snell. p. 103.
Hydrocampa Distinctalis Rag. p. 288.
" Lipocosmalis Snell. p. 288.
Hyphorma Pannosa Snell. p. 59
llerda Epicles Godt. V. p. 9.
Latoia Argentilinea Hamps. p. 81.
= Bicolor Walk. p. 82.
5 Bimaculata Snell. p. 81.
ta Darma Moore. p. 80.
h Gentilis Snell. p. 78.
5 Laeta Westw. p. 79.
È Lepida Cram. p. 76.
5 Pastoralis Butl. p. 79.
Viridis Hamps. p. 83.
Lycaena Donina Snell. p. 264.
Lygropia Quaternalis Zell. p. 262.
Melissoblaptes Eucheliellus Snell. p.
310.
Rufovenalis Snell. p. 309.
Melittia Ambigua Snell. p. 38,
A Chaleiformis Fabr. p. 35.
M Eurytion Westw. p. 26.
Micronia Notabilis Pag. p. 259.
Miresa Argentifera Moore. p. 73.
Miselia Oxyacanthae L. V. p. 25.
Monema Capucina Snell. p. 56.
Mucialla? Fuscolimbalis Snell. p. 310.
Musotima Decoralis Snell p. 301.
E Fuscalis Snell. p. 300.
È Instrumentalis Swinh. p. 302.
Narosa Adala Moore. p. 90.
sa Pura Snell. 91.
5 Rufotessellata Moore p. 92.
Nemeta Lohor Moore. p. 57.
Nonagria Arundineti Schm. V. p. 25.
Notodonta Tremula Clerck. V. p. 25.
Ocneria Monacha L. V. p. 20.
Oligostigma Excisalis Snell. p. 291.
Falcatalis Snell. p. 289.
Olona Albistrigella Snell. p. 101.
Ornithoptera Priamus L. p. 252.
Orthocraspeda Metaleuca Swinh. p. 100.
n Sordida Snell. p. 99.
n Trima Moore. p. 97.
Oxyplax Ochracea Moore. p. 95.
Palpifer Sordida Snell. p. 30.
Papilio Cilix Godm. en Salv. p. 253.
Parapoynx Hartoghialis Snell. p. 293.
Paredra Rigidalis Snell. p. 267.
Pericallia Syringaria L. V. p. 25.
Phassus Damor Moore. p. 32.
5 Signifer Butl. p. 32.
Phragmatoecia Impura Hamps. p. 44.
316
Phragmatoecia Sordida Snell. p. 44.
4 Sumatrensis Snell. p. 44.
Plebejus Labradus Godt. p. 256.
Otis Fabr. p. 256.
Plectrona Orientalis Snell. p. 275.
Ploneta Diducta Snell. p. 105.
Polyommatus Dorilis Hfn. p. 237; V.
p. 23.
si Hippothoé L. p. 243
à Phlaeas L. p. 256.
Risoba Obstructa Moore. p. 259.
Scaptesyle Tricolor Walk. p. 258.
Scardia Boleti Fabr. V. p. 26.
Scopelodes Pallivittata Snell. p. 55.
Palpigera Herr. Sch. p. 53.
Unicolor Westw. p. 53.
Sesia Uniformis Snell. p. 34.
Setora Nitens Walk. p. 61.
5 Simplex Snell. p. 64.
Smerinthus Tiliae L. V. p. 25.
Stenicula Flavicaput Suell p. 287.
Sylepta Jopasalis Moore. p. 262.
Tachyris Eumelis Boisd. p. 254.
Thosea Bisura Moore. p. 71.
5 Divergens Moore. p. 66.
E Fluxa Snell. p. 68.
Loesa Moore. p. 69.
A Mixta Suell. p. 71.
= Rara Swinh. p. 68.
A Sythoffi Snell. p. 70.
4 Vetusta Swinh. p 67.
Thysanoidma Eromenalis Snell. p. 299.
ti
REGISTER.
Trypanus Subfuscus Snell. p. 38.
Trichogyia Semifascia Hamps. p. 104.
Vanessa Urticae L. V. p. 10, 13.
Zeuzera Coffeae Nietn. p. 42.
x Postexcisa Hamps. p. 41.
ORTHOPTERA.
Heteropteryx de Haani Müll. V. p. 26.
ALGEMEENE ZAKEN.
Gewone leden, bedankt V. p. 33.
Gewoon lid, geschrapt Visps 33.
| Groll, H. W. oud-penning-
meester, overleden . V. p. 33
Imans, Dr. M., gewoon lid,
overleden ee Ns is ale
Interpellatie D. ter Haar. . V. p. 35.
Kinker, J., gewoon lid over-
leden . sad Damen
Legaat van wijlen J. Kinker V. p. 34
Nieuwe begunstigers toege-
treden een:
Nieuwe leden toegetreden . V. p. 33.
| Ver Loren van Themaat, ge-
woon lid en oprigter der
Vereeniging, overleden . V. p. 31.
Wulp, F. M. van der, eerelid
en oprigter der Vereeni-
ging overledeny. "CNT DOI
BOR BR ASTA.
p. 4 regel 9 van boven, staat: 1848, lees: 1845.
p. 105 staat G. 19 Diducta Ploneta, lees: Ploneta Diducta.
SO
ROUTE
AN
e
PWM Trap imp.
de Meijere del
i
x
Pl.í4.
T.v.E. XLI.
AJW ith.
pr
PWM.T. im
W.F. &Dr.d.G.del
TvE. XLII. PL 16.
N
WF. del PW.MIT. impr. AJW. heh
T.v.E. XLII. P1.16.
WF &Drd 0. da. P.W.M.T. impr. AJW.lith. |
PAST
Tv. E. XLI.
WF & Dr.d.G. del PWMT impr AJW. th.
ace
re]
An
Tous les journaux et ouvrages, destinés à la Société entomolo-
gique des Pays-Bas, doivent être adressés, autant que possible
par la poste, au Secrétaire:
Monsieur D. vAN DER Hoop,
Scheepstimmermanslaan 7
Rotterdam.
L’expédition du « Tijdschrift voor Entomologie» est faite par lui.
Si l’on n’aurait pas recu le numéro précédent, on est prié de
lui adresser sa réclamation sans aucun retard, parce qu'il ne
lui serait pas possible de faire droit à des réclamations tardives.
ENVIR PA AO,
Rare LU
Nv
FAN Burn.
te CIA TA
N
I
HI AN
AN
Sala,
we
Dal
are q
Wheat
ah fine 4
hide at ini
Lr afit pinne ziet
a Xs
ie DAN
ern ra
MELLE
MARTIN leg pept
notes"
Gui sab
gft
TA
OA
AMER
EN
4
ean ae
oes avenge
bap baie bette
bees
Pare pig
he Bin
AA
HEU dI
ok
iy i
EINEN
gi har un
a
i Ju | Hi IR
IP N ik
ita Age A
qi Hi Inkl
à st
Kit ne
N nh
KE
oe
Su
DIRE
AU iy A N Kulisse
N REN bend ti B i
tn eee A,
Ha
ik
St
DI
N Fi} \
LT iit ny que Hi
un
_
un
HA
COS
que
(Au Ehe
ANT
ou
at hi nt
î NA
A
3 MUR
iD i HAN N hi st \
RU ANF Ue eu
war
LINA,
AA
AMONT
MENT EE
ì
LUN
00908 8659
wait po di