TE
HARVARD UNIVERSITY
LIBRARY |
OF THE
MUSEUM OF COMPARATIVE ZOOLOGY
GIS
Bouglt
N February LI.
Lidi IR IE | gE
etek
i»
“ €
EN
de
ce
Ba
>
=A
A ‘
seme
wur, 4
#1 oe ee
Men Nn
M
|
NE
_ TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE-—
UITGEGEVEN DOOR RLS a
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Mr. W. ALBARDA
Mr. S. G. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
Vondel Fag
ZEVENTIENDE DEEL | |. | Val
| SS GRAVENHAGE
4 MARTINUS NIJHOFF
1874.
5/5]
Kae
FEB 6 1943"
PT ae L
ee ww EG is \
AN ate SEEN
Laman
INHOUD
VAN HET
ZEVENTIENDE DEEL.
Verslag van de 28“ Zomervergadering .
Lijst der Leden . :
» » bijgekomen boeken.
Verslag van de 7° Wintervergadering
P. C. T. SneLLEN, Opgave der Geometrina en Pyralidina
in Nieuw-Granada enz., verzameld door W. Baron von
NOLCKEN er Patni at en
F.M. van per Wurp, iele aanteekeningen n°. 4.
Dr. H. WevensBeren, Varia entomologica . :
F.J. M. HeyLAERTS, fils, Les Macrolépidoptères de Breda
et de ses environs. Fin supplémentaire, n°. 4 .
C. Ritsema, Cz., Aanteekeningen betreffende Hymeno-
ptera van he Guinea DIE È
F.J. M. HryLAERTS, Jr., Grapholitha ui nov. sp.
J. van LEEUWEN, Jr., Over de haren der rupsen van
BASE DMAE
Prof. Dr. H. Wevensercn, Mamillo Curtisea Weyenb.
De GRAAF en SNELLEN, nieuw voor de
fauna van Nederland
H. ALBARDA, Deux nouvelles espèces de Trichopteres
d’Europe.
Bladz.
I.
XXVII.
- XXXIII.
LXIII.
VAER BEEN LN TR
hake
HERE
CE Wea /
>
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING —
Dr. S. €. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
Da. A. W. M. VAN HASSELT
| EN
F. M. VAN DER WULP
ZEVENTIENDE DEEL
Jaargang 1873-74
2 2. Allevering
8 GRAVENHAGE |
MARTINUS NIJHOFF
1908-14:
VERSLAG:
ACHT -EN-TWINTIGSTE ZOMERVERGADERING
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE BREDA
den 7 Junij 1873.
Voorzitter : Mr. W. Albarda.
Met den Voorzitter zijn tegenwoordig de heeren Mr. J. Herman
Albarda, Gordon, Heylaerts, Baron Lewe van Middelstum,
Lodeesen, Maitland, C. Ritsema Cz., Dr. van Rossum, P. C.
T. Snellen, Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, Mr. Snellen
van Vollenhoven en van der Wulp. |
De heeren Dr. van Hasselt, M. M. Schepman, Ivangh Schepman,
Ritzema Bos, Brants en Erbrink hebben schriftelijk medege-
deeld, dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen.
De Voorzitter opent de vergadering en heet de tegenwoordig
zijnde leden welkom. Hij vraagt of iemand der leden ook
eenige bedenking wenscht in ’t midden te brengen ten aanzien
van de notulen der beide vorige vergaderingen (die van 15
Junij 1872 te Haarlem en die van 28 December 1872 te Leiden),
zoo als deze gedrukt aan de leden zijn rondgezonden en opge-
nomen zijn in deel VIII (2de serie) van het Tijdschrift. Wijl
niemand daarover het woord verlangt, worden die notulen
alzoo geacht bij deze te zijn goedgekeurd.
li VERSLAG.
De Voorzitter brengt het volgende jaarverslag uit :
„Mijne heeren!
„Art. 17 onzer wet legt mij den pligt op jaarlijks in de
zomervergadering verslag uit te brengen over den toestand der
Vereeniging. Mij van die verpligting kwijtende, heb ik de eer
dit te doen over hetgeen is geschied sedert onze laatste zomer-
bijeenkomst te Haarlem.
„Ik open de rij mijner mededeelingen, helaas! weder met
de vermelding van verliezen, die onze Vereeniging geleden
heeft. Op 21 October 1872 ontviel ons in den ouderdom van
82 jaren de Nestor onzer Vereeniging en een harer oprigters,
de heer J. Backer Sr. te Oosterbeek. Diegenen onder U, die
hem persoonlijk gekend hebben, zullen het mij nazeggen, dat
hij, hoe oud in jaren, nog steeds met jeugdigen ijver voor de
beoefening onzer lievelingsstudie bezield was. Hij was een der-
genen, die zich aan de spits stelden, toen voor eenige jaren
proeven werden genomen, om de aankweeking der zijderups
Yama-Maju hier te lande mogelijk te maken, en hij heeft zich
bovendien in vele opzigten jegens onze Vereeniging verdienstelijk
gemaakt. Wij betreuren zeer zijn afsterven, en hoewel hij sints
eenige jaren onze vergaderingen niet meer kon bijwonen, meen
ik te mogen zeggen, dat hij nog lang bij ons niet zal worden
vergeten.
» Eenige dagen later, op 25 October 1872, stierf ons ge-
acht corresponderend lid Professor Wesmael te Brussel. Con-
stantijn Wesmael was te Brussel geboren den 4 October 1798.
Hij was leeraar (professeur) eerst aan het lyceum te Charleroi,
later aan het athenaeum te Brussel en aan ’s Rijks veeartsenij-
school aldaar, president van de commissie van bestuur over
’s Rijks Museum van natuurlijke historie, lid van de konink-
lijke academie van wetenschappen in België en voorzitter van
de Belgische Entomologische Vereeniging. Hij heeft zich jegens
de Entomologie zeer verdienstelijk gemaakt door tal van op-
stellen, meest in de Annalen der Belgische academie van
wetenschappen opgenomen en over alle orden van insecten
VEN RAT stp A a! ut
loopende. Zijne voornaamste studie had echter betrekking op
de Hymenoptera en hierover schreef hij, behalve eene menigte
kleinere, twee zeer belangrijke werken, namelijk: Tentamen
dispositions methodicae Ichneumonum Belgiae en Monographie
des Braconides de la Belgique. Wesmael was corresponderend
lid onzer Vereeniging sedert 1853.
„Behalve door den dood, verloor onze Vereeniging nog
twee leden. De heeren R. Sinia, leeraar aan de hoogere
burgerschool te Enkhuizen, en Dr. M. Salverda, inspecteur
van het middelbaar onderwijs, hebben voor hun lidmaatschap
bedankt; de eerste geeft als reden daarvoor aan, dat hij tot
zijn leedwezen nimmer onze vergaderingen kan bijwonen, doch
wenscht, wanneer hij eene minder afgelegen standplaats zal
hebben bekomen, weder lid te worden. Daartegenover staat
dat de heer W. J. Boogaard, die in den vorigen zomer zijn
lidmaatschap had opgezegd, van dat besluit is teruggekomen,
en dat wij ons mogen verheugen in de toetreding van twee
nieuwe leden, de heeren Dr. A. J. van Rossum, leeraar aan
de hoogere burgerschool te Enschedé, en A. Schmier de
Poorter, zoodat de geleden verliezen zijn hersteld.
„Professor Thorell te Upsala in Zweden, op de vorige
zomervergadering door U tot Eerelid onzer Vereeniging be-
noemd, heeft die onderscheiding met erkentelijkheid aangenomen.
„Ik acht mij verpligt hier te vermelden, dat het Bestuur
onzer Vereeniging eene uitnoodiging heeft ontvangen om deel
te nemen aan eene feestviering op 2 April jl., ter gelegenheid
dat de heer G. ridder von Frauenfeld gedurende meer dan 20
jaren als eerste Secretaris van het K. K. Zoologisch-Botanisch
Verein te Weenen is werkzaam geweest. Gelijk U bekend zal
zijn, is de heer von Frauenfeld niet alleen een zeer ijverig Secre-
taris dier met roem bekende wetenschappelijke inrigting, maar
tevens een uitstekend entomoloog, terwijl daarenboven onze
leden, die Weenen hebben bezocht, eenparig zijne heuschheid
roemen. Wij hadden dus gaarne aan de gedane uitnoodiging
gevolg gegeven, doch zij is tot ons leedwezen zoo laat in onze
handen gekomen, dat daartoe de mogelijkheid niet meer bestond,
IV VERSLAG.
si Het zij mij vergund U hier nog in herinnering te brengen,
dat het Bestuur onzer Vereeniging in het afgeloopen jaar eene
belangrijke wijziging heeft ondergaan. in de buitengewone
vergadering, te Leiden den 28” December 1872 gehouden, is
onze waardige leidsman, Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven,
die jaren lang onze Vereeniging met vaste hand heeft bestuurd,
als Voorzitter afgetreden en ik ben door Ulieden in zijne plaats
benoemd. Het Bestuur erkent met dankbaarheid de vele
diensten, door den heer Snellen van Vollenhoven in zijne hoe-
danigheid van Voorzitter aan onze Vereeniging bewezen, en
het troost zich over zijn gemis alleen daardoor, dat hij althans
als Conservator zijne plaats in het Bestuur bleef behouden,
nadat door U van de bevoegdheid, in art. 13 der wet ver-
leend, is gebruik gemaakt om een zesde lid van het Bestuur
te benoemen.
„Met het buitenland staat onze Vereeniging op den besten
voet. Voortdurend worden nog door het Bestuur nieuwe be-
trekkingen aangeknoopt en van ons Tijdschrift worden niet
minder dan 35 exemplaren aan buitenlandsche zustervereeni-
gingen en geleerden, in ruil van hunne werken, verstrekt. Het
centraal-bureau voor wetenschappelijke verzendingen, onder
het beheer van Professor E. H. von Baumhauer, blijft ons daarbij
goede diensten bewijzen.
» Het 8ste deel der 2de serie van het Tijdschrift zal weldra
voltooid zijn. Van de platen aan het Yde deel ontbrekende,
zijn de laatsten nog in bewerking wat het kleuren betreft;
doch het laat zich aanzien dat zij bij de eerstvolgende aflevering
van het 8ste deel kunnen gevoegd worden.
„De insectenverzameling onzer Vereeniging heeft in het
afgeloopen maatschappelijk jaar vrij groote verbeteringen onder-
gaan ten gevolge van de welwillende toezendingen van vele
inlandsehe voorwerpen door de heeren Snellen, J. H. Albarda,
Ritsema, Heylaerts, Everts, Piaget, Leesberg, de Man en
anderen, wien daarvoor groote dank wordt toegebragt. Vol-
ledige lijsten over te leggen van het ingekomene is door toe-
vallige omstandigheden zeer moeijelijk geworden en kan ook,
VERSLAG. VI
bij de veelvuldige inzendingen, niet wel van den Conservator
worden gevergd, ofschoon niet kan worden ontkend, dat zoo-
danige opgave voor de toekomst zeer wenschelijk zou zijn en
dan ook zoo mogelijk op de volgende zomervergadering zal
worden gedaan.
Is nu de collectie in aantal soorten en voorwerpen vooruit-
gegaan, zij heeft niet gewonnen wat den toestand van zeer
. vele kleinere insecten betreft; integendeel zij is door vochtig-
heid en schimmel achterwitgegaan. Inderdaad het is zeer te be-
jammeren, dat de plaatsing der verzameling op ’s Rijks Museum
niet geheel aan de verwachting voldoet. Wel is de collectie
aldaar gevrijwaard tegen grove beschadigingen, en staat er
onder het bereik en onmiddellijk opzigt van den persoon, aan-
gesteld om haar behoorlijk te verzorgen, doch het verlies dat
zij aan kleine en tedere voorwerpen lijdt door toetreding van
vochtigen luchtstroom is niet gering te schatten; waarom het
van dringend belang moet worden geacht maatregelen te be-
ramen, ten einde de algeheele bewaring der verzameling voor
de toekomst te verzekeren.
„Sedert het laatste verslag is er ten opzigte der bibliotheken
veel geschied. De catalogi, zoowel van de bibliotheek Har-
togh Heys van de Lier als van die der Vereeniging zijn afge-
drukt en in uwe handen. De Bibliothecaris heeft zich door dit
werk jegens ons bijzonder verdienstelijk gemaakt. Het was niet
wel mogelijk, om in de catalogi den korten inhoud der ver-
schillende tijdschriften op te nemen; daar evenwel voor het
gebruik der bibliotheek dit een zeer gewenschte maatregel is,
zal de Bibliothecaris jaarlijks voortaan eene lijst van den entomo-
logischen inhoud der ingekomen vervolgen van de tijdschriften
opmaken, die met het verslag zal worden gedrukt en rondge-
zonden. Wij hopen door dezen maatregel aan velen genoegen
te doen en een grond voor klagten weg te nemen.
„Zoo als zal blijken uit de lijsten der bijgekomen boeken na
het opmaken der catalogi, zijn de beide bibliotheken dit jaar
weder belangrijk in omvang toegenomen, zoodat nu niet alleen
door vocht, maar ook door gebrek aan ruimte, het lokaal
VI VERSLAG.
waarin dusverre de boeken zijn geplaatst, daarvoor minder ge-
schikt moet worden geacht. Ik heb mij persoonlijk overtuigd,
dat de deswege reeds vroeger door den Bibliothecaris geopperde ©
grieven ten volle gegrond zijn, en gij hebt onder de punten
van behandeling voor deze vergadering kunnen opmerken, dat
het Bestuur er met ernst op bedacht is om aan dezen toestand
een einde te maken.
„De vermeerdering onzer bibliotheken ontstaat vooreerst uit
de werken in ruil tegen ons Tijdschrift verkregen, en in de
tweede plaats door aankoop onder anderen van dat gedeelte van
de reis der Novara, waarin de insecten behandeld worden (Co-
leoptera, Hymenoptera, Hemiptera, Neuroptera en Diptera), — de
Lepidoptera zijn ons door den bewerker, ons Eerelid Dr. Felder
te Weenen toegezegd; — voorts het eerste deel der Observa-
tions de zoologie et d'anatomie comparée van de reis van Hum-
boldt en Bonpland, waarin de insecten door Latreille beschreven
zijn. Verder heeft de Vereeniging ingeteekend op een pracht-
werk van Prof. Westwood, getiteld: Thesaurus entomologicus or
Illustrations of new, rare and interesting Insects, waarvan vol-
gens het prospectus de eerste aflevering vóór 1 Juli} e. k. zal
verschijnen.
„Geschenken ontvingen wij van de Koninklijke universiteit
van Noorwegen en van de heeren G. L. Mayr, A. Quetelet,
H. T. Stainton en H. D. J. Wallengrèn; terwijl de heer Snel-
len van Vollenhoven onze bibliotheek onder anderen verrijkte
met een groot gedeelte van Panzer's Faunae insectorum Germa-
nice intia en Küster's Kaefer Europa’s.
„In het binden der boeken is geregeld voorzien, en de tijd-
schriften in ruil tegen het onze komen regelmatig in, met uit-
zondering van dat der Russische Vereeniging, hetwelk zich nog
steeds laat wachten.
„En nu, mijne Heeren, ben ik genaderd tot een voor onze
Vereeniging zeker niet onbelangrijk punt, den toestand onzer
financiën. Dank zij de goede zorg van onzen naauwkeurigen en
ijverigen Penningmeester, sluit de rekening der algemeene kas,
die met een batig saldo van /506.025 het jaar begon (met
VERSLAG. VII
inbegrip van het restant-legaat van wijlen van Eyndhoven),
thans met een batig slot van f 602.24 en een pandbrief groot
f100 à 4 percent Nat. Hypotheekbank. Het ondersteuningsfonds
voor de uitgave van het Tijdschrift bestaat thans, behalve uit
een saldo in kas van / 61.285, uit een pandbrief groot f 500 en
een groot f 100, beiden à 5 percent Nat. Hypotheekbank. De
kas van de bibliotheek Hartogh Heys van de Lier, die met de
meeste naauwgezetheid door onze hooggeachte Donatrice wordt
gevoed, sluit met een batig saldo van f 310.68.
„De verslagen der beide wetenschappelijke vergaderingen en
de inhoud van het Tijdschrift hebben ook diegenen uwer, die
verhinderd zijn geweest aan de werkzaamheden deel te nemen,
de overtuiging kunnen schenken, dat onze Vereeniging in het
afgeloopen jaar niet onvruchtbaar heeft gearbeid, en ik meen
hieruit het gevolg te mogen trekken, dat zoowel wat hare huis-
houding aangaat als op het standpunt van haren werkkring,
onze Vereeniging vooruitgaat. Het is voor het eerst, mijne
Heeren, dat ik in Uwe vergadering een verslag uitbreng, steun
mij in mijne pogingen, om in volgende jaren naar waarheid
van verderen vooruitgang te mogen spreken.”
Nadat het bovenstaande jaarverslag is voorgelezen, stelt de
Voorzitter voor, om alsnog aan den heer G. ridder von Frauen-
feld te Weenen een schrijven te rigten, waarin het leedwezen
der Entomologische Vereeniging wordt uitgedrukt, dat zij niet
in de gelegenheid is geweest, om van hare deelneming in de
feestviering op 2 April jl. te duen blijken. Dat voorstel wordt
bij acclamatie aangenomen.
De Penningmeester brengt zijne rekening en verantwoording
over het jaar 1872/73 ter tafel, en de Voorzitter noodigt de
heeren Mr. J. Herman Albarda en Baron Lewe van Middelstum
uit, om die rekening op te nemen. Deze verklaren zich daartoe
bereid en houden zich onmiddellijk met hunne taak bezig.
Evenzeer wordt door den Penningmeester, ingevolge het 2de
lid van art. 27 der wet, ingediend de volgende schets eener
begrooting voor het jaar 1873/74.
VIN VERSLAG,
Inkomsten:
Contributiën van begunstigers . . . . . . . . f 295.—
i si gle deni. sic polo . +. « - 460.—
Verkoop van exemplaren van het Tijdschrift, deel
WII (2densenie) ey acy eee za Peele i EE OR
Rentensranspandbriefsen kassen 2 Annen e nd
f 1000.—
Uitgaven :
Onkosten der zomervergadering. . . . . . . . f 25—
. Söwinterveraaderne » .... ace ay ee 00;
Conserveren der collectie. . . . .. 02... ......29
Onkosten 5 Mie
Diverse kleine onkosten, porto’s enz. . . : - T5.—
Aandeel in de kosten van het wetenschappelijk centr a
beun Gin 6 2090.
Rekening ei à van het Tijdschrift, oc a van
boeken GUZEL
Inbinden van hoeken 2 va. 0. 00.0.0 200020020 hapa rn Occ
Omyoorziene ulisayen N
f 1000.—
Het voorstel van het Bestuur, om Dr. C. A. Dohrn, President
der Entomologische Vereeniging te Stettin, tot Eerelid te be-
noemen, wordt met algemeene stemmen aangenomen. Aan den
Secretaris wordt opgedragen den benoemde hiervan kennis te
geven.
De Voorzitter stelt alsnu aan de orde, maatregelen te be-
ramen tot het verkrijgen van eene betere plaatsing voor de
bibliotheek en de collectie. Hij herinnert, dat de bibliotheek
der Vereeniging zoowel als die van wijlen den heer Hartogh
Heys van de Lier zich bevinden in een lokaal te Leiden, door
de welwillendheid van den heer J. Kneppelhout aan de Ver-
eeniging ten gebruike afgestaan. Daaraan is intusschen het
bezwaar verbonden, dat er niet gestookt kan worden, hetgeen
voor hen die de bibliotheek bezoeken en niet het minst voor
den bibliothecaris, die er bijna dagelijks te arbeiden heeft,
VERSLAG. IX
des winters een groot ongerief veroorzaakt, en wat erger is,
de boeken, bij vochtig weder, door schimmel enz. doet lijden;
maar bovendien, bij het aantal boeken, die er jaarlijks aan
worden toegevoegd, zal weldra het vertrek te klein worden,
zoodat de Vereeniging, ware ’t ook alleen om die reden, nood-
wendig naar eene andere en ruimere gelegenheid zal moeten
omzien.
Wat de collectie van inlandsche insecten betreft, ook deze
heeft, gelijk reeds in het verslag van den Voorzitter werd
opgemerkt, van vochtigheid te lijden, een gevolg van hare
plaatsing in een lokaal van ’s Rijks Museum, waarin niet ge-
stookt kan worden. Het zou daarom zeer wenschelijk zijn,
indien zij mede naar elders kon worden overgebragt.
Het Bestuur zou het meest doelmatig achten, indien voor
rekening der Vereeniging een geschikt lokaal kon worden
gehuurd, dat bibliotheek en collectie beiden kon bevatten en
behoorlijk van eene stookplaats is voorzien. Het laat zich echter
verwachten, dat niet voor 1 Mei des volgenden jaars aan deze
plannen eenig gevolg kan worden gegeven, en daar de zaak,
wegens de vochtigheid der thans gebruikte lokalen, dringt,
stelt het Bestuur voor, om, zij het ook alleen voor den
eerstvolgenden winter, in het lokaal der bibliotheek den aldaar
bestaanden schoorsteen op te trekken, een kagchel aan te
schaffen en daarin te stoken, waartoe de heer Kneppelhout,
als eigenaar van het gebouw, bereids vroeger vergunning heeft
gegeven; terwijl voor de collectie (door gunstige beschikking
van den Directeur des Museums, Prof. Schlegel) tijdelijk eene
plaats zal worden ingeruimd (op de insectengalerij van het
Museum), alwaar des winters gestookt wordt.
De Voorzitter wenscht het gevoelen der Vergadering te ver-
nemen omtrent de bovengemelde plannen. Nadat deswege uit-
voerige beraadslagingen hebben plaats gehad, waarbij de heer
Heylaerts het gebruik van Acidum phenicum aanprijst als een
afdoend middel tegen vocht en schimmel '), wordt aan het
1) Zie hetgeen de heer Heylaarts deswege nog heeft vermeld, onder de weten-
schappelijke mededeelingen , hierna.
x VERSLAG.
Bestuur de verlangde magtiging verleend, om tegen 1 Mei des
volgenden jaars een lokaal te huren, ten einde daarin zoowel
de bibliotheek als de collectie over te brengen; om voorts de
noodige maatregelen te nemen, dat daarin des winters kan
worden gestookt; en eindelijk om al dadelijk in het bezwaar
der vochtigheid op de bovenomschreven wijze voorloopig te
voorzien.
Wordt overgegaan tot de definitieve benoeming van een zesde
lid in het Bestuur, en wordt daartoe met algemeene stemmen
op een na gekozen Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, die
verklaart zich die benoeming te laten welgevallen, en — daar
het Bestuur hem op nieuw de betrekking van Conservator op-
draagt — gaarne te blijven voortgaan met de zorg over de
“inseetenverzameling op zich te nemen. De Voorzitter maakt
zich tot tolk der Vergadering, door te zeggen dat de Vereeni-
ging zich gelukkig mag rekenen met dezen uitslag, waardoor
de heer Snellen van Vollenhoven bij voortduring in het Bestuur
zitting blijft houden. De heer Snellen van Vollenhoven voegt
evenwel hierbij de opmerking, dat, nu hij niet meer te Leiden
is gevestigd, de waarneming van zijne betrekking als Conser-
vator voor de Vereeniging eenige geringe kosten zal na zich
slepen, wegens de reizen naar Leiden, waartoe hij zich van
tijd tot tijd verpligt zal zien. Hij neemt tevens deze gelegenheid
te baat, om aan allen, die voorwerpen voor de collectie inzen-
den, te verzoeken deze niet alleen behoorlijk gedetermineerd
te zenden, maar ook ieder van een etiquet voorzien, waarop
plaats en tijd, alsmede de naam van den vinder vermeld staan.
Aan de orde wordt gesteld de benoeming van twee leden,
die met den Voorzitter de redactie van het Tijdschrift zullen
uitmaken, waarioe door het Bestuur de beide volgende dubbel-
tallen worden voorgedragen:
Eerste dubbeltal: de heeren Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven en
E07 oe Snellen:
Tweede „ nn. De NW. van” Hasseltzen
F. M. van der Wulp.
VERSLAG. XI
Bij de opening der stembriefjes blijkt, dat op den heer
Snellen van Vollenhoven 12, op den heer van der Wulp 8,
op Dr. van Hasselt 5 en op den heer Snellen 1 stem zijn uit-
gebragt, zoodat de heeren Snellen van Vollenhoven en van der
Wulp zijn gekozen. Beiden verklaren zich bereid om de hun
opgedragen taak te vervullen. De Voorzitter zegt, dat, nu hij
uit den aard zijner betrekking gehouden is deel te nemen aan
de redactie van het Tijdschrift, het voor hem dubbel aangenaam
is, dat de heer Snellen van Vollenhoven, die zoo geruimen
tijd als President der Vereeniging aan het hoofd der redactie
heeft gestaan, ook nu wil blijven voortgaan daaraan zijne
krachten te wijden. Hij verzoekt hem dan ook, om, indien
daartegen van zijn kant geene bedenkingen zijn, op den thans
bestaanden voet het meest werkzame aandeel in de redactie te
blijven nemen, zoodanig dat de opstellen, die ter plaatsing wor-
den aangeboden, aan hem worden toegezonden, en de regeling
der plaatsing van de op te nemen stukken alsmede de correctie
hoofdzakelijk aan hem worden overgelaten. De heer Snellen van
Vollenhoven neemt hierin genoegen, doch acht het wenschelijk
bij deze gelegenheid op nieuw in herinnering te brengen eene
circulaire, die voor weinige jaren is rondgezonden en waarin
onderscheidene punten worden aangegeven, door de schrijvers
en inzenders van stukken voor het Tijdschrift in acht te nemen ‘).
Bij meerderheid van stemmen wordt Arnhem aangewezen als de
plaats, waar de volgende zomervergadering zal worden gehouden.
Overgaande tot de keuze van een Voorzitter voor die verga-
dering, blijkt het dat zich 8 stemmen vereenigen op Dr. M.
C. Ver Loren van Themaat en 3 op den heer Lodeesen, terwijl
Mr. H. Ver Loren van Themaat en Baron Lewe van Middelstum
ieder ééne stem erlangen. De heer M. C. Ver Loren, alzoo ge-
kozen zijnde, verklaart zich bereid deze taak op zich te nemen.
De Commissie voor de opneming der rekening en verantwoor-
ding haren arbeid voleindigd hebbende, brengt, bij monde van
1) Deze circulaire is andermaal opgenomen aan het slot van deel VIII (2de serie)
van het Tijdschrift voor Entomologie.
XII VERSLAG
Mr. J. H. Albarda, verslag uit. Zij heeft de rekening met de
daarbij behoorende bewijsstukken in volkomen orde bevonden
en geeft der Vergadering in overweging die goed te keuren. De
Vergadering vereenigt zich hiermede en de Voorzitter zegt den
Penningmeester dank voor zijn naauwkeurig en ordelijk beheer,
zoomede de Commissie voor het volbrengen van haren arbeid.
De huishoudelijke werkzaamheden hiermede afgeloopen zijnde,
neemt de Voorzitter nogmaals het woord en herinnert hoe
reeds op de laatste wintervergadering kortelijk is besproken,
welke groote verpligting de Vereeniging heeft aan Mr S. C.
Snellen van Vollenhoven, die gedurende 20 achtereenvolgende
jaren als President haar heeft geleid en zooveel heeft toege-
bragt om haar het eervolle standpunt te doen innemen, waar-
op zij zich thans beweegt. De Voorzitter komt nogmaals met
eenige kernachtige woorden hierop terug en zegt dat alle
leden zonder onderscheid doordrongen zijn van een gevoel van
erkentelijkheid jegens den man, die zoo langen tijd met even
grooten ijver als beleid het zuiver wetenschappelijk streven en
den bloei onzer Vereeniging heeft bevorderd. Om die erken-
telijkheid niet alleen in woorden te doen bestaan, hebben
sommigen hunner het plan gevormd om hunnen afgetreden
Voorzitter een blijk van waardeering zijner verdiensten aan te
bieden. Door ruime medewerking van den kant der leden
en begunstigers is dat voornemen thans tot uitvoering gekomen
en is een gedenkpenning ter eere van den heer Snellen van
Vollenhoven geslagen, waarvan hem bij deze een zilveren en
een bronzen exemplaar worden overhandigd !).
1) De medaille ter grootte van 6 em. middellijn, stelt aan de eene zijde het
borstbeeld voor van den heer Snellen van Vollenhoven en bevat aau de keerzijde in
eenen bladerkrans het volgende opschrift:
PER. XXII. ANN. SODALIS
PER. XX. PRAESES
COLLEGII. STUDIA. EXEMPLO
PRAEIVIT. AUCTORITATE. REXIT
INGENiO. ORNAVIT. NOMINE
EXTERIS. COMMENDAVIT
VII. JUNIL
MDCCCLXXIII.
V ERSLAG. XIII
De heer Snellen van Vollenhoven, blijkbaar verrast door deze
demonstratie, betuigt in gevoelvolle taal zijn dank voor het
ontvangen bewijs van hulde; hij zegt dat de band, die hem
steeds aan de Entomologische Vereeniging heeft verbonden, zoo
'tkon, door dit blijk van achting en toegenegenheid nog hechter
is geworden: hij verzoekt de tegenwoordig zijnde leden deze
zijne gevoelens ook aan de afwezigen over te brengen, en zoo er
iets hem zeer ter harte gaat, dan is het voorzeker dit, dat de
Nederlandsche Entomologische Vereeniging moge voortgaan op
den ingeslagen weg en al verder en verder moge streven naar
wetenschappelijke volmaking.
Dat al de aanwezigen hartelijk deel namen in deze eenvou-
dige, maar niettemin treffende plegtigheid en zulks met een
vriendschappelijken handdruk aan hun vroegeren President be-
vestigden, behoeft naauwelijks te worden gezegd.
De Voorzitter meent, dat de waarde van het geschonken
_huldebliijk zal verhoogd worden, wanneer van de medaille nog
enkele exemplaren in brons wierden vervaardigd en aan de
buitenlandsche Entomologische genootschappen, waarmede onze
Vereeniging in betrekking staat, alsmede aan het Koninklijk
Penningkabinet te ’s Gravenhage wierden gezonden. Bij accla-
matie wordt daartoe besloten en tevens bepaald dat de daaraan
verbonden onkosten uit de kas der Vereeniging zullen worden
gekweten.
Na eene korte tusschenpozing wordt overgegaan tot het doen
van wetenschappelijke mededeelingen.
De heer Snellen van Vollenhoven berigt, dat de
laatste (14°) tabel van zijne „Schetsen ten gebruike bij de
studie der Hymenoptera” in steen is gegraveerd en dus wel
Om den krans heen staat:
VIRO. DOCTISSIMO. S. C. SNELLEN. VAN. VOLLENHOVEN. 5. U. D.
COLL ENTOMOLOG. NEERLAND. HUNC. NUM. FAC. CUR.
De medaille is vervaardigd door de bekwame hand van den heer J. Ph. van der
Kellen, graveur aan ’s Rijks munt te Utrecht.
XIV VERS L À 6.
spoedig zal worden afgedrukt, waarna de familie der Procto-
trupiden het licht zal zien in drie platen, waarbij tevens de
laatste plaat der Pteromalinen zal worden uitgegeven. Hij ver-
meldt daarbij de moeite die het hem gekost heeft om een
exemplaar van de uiterst zeldzame soort Dryinus formicarius
Latr. in handen te krijgen; er zijn slechts drie voorwerpen van
deze soort tot dusver bekend geworden, het eerste dat van
Latreille, een tweede in Engeland, waarschijnlijk in het Mu-
seum van Hope te Oxford, en het derde bij Prof. Förster te
Aken. Dit laatste heeft Spr. voor een korten tijd op beziens
of liever ter afteekening gehad, waarvoor hij niet alleen Prof.
F., maar ook ons medelid Dr. Hartogh Heys van Zouteveen
dank moet weten, want aan diens bemiddeling is het eindelijk
gelukt dit zeldzame dier naar Holland over te brengen. Spr.
had eerst voor de tabel eene vergroote copie vervaardigd van
de afbeelding in Latreille’s Genera, doch hoe slecht gelijkend.
die was, zouden de leden kunnen zien bij vergelijking daarvan
met de teekening naar de natuur vervaardigd. Deze laatste
wordt daarop aan de leden vertoond en tevens daarbij de copie
eener afbeelding van Dryinus Tarraconensis Marsh. , eene nieuwe
soort uit Spanje afkomstig, door den weleerwaarden heer T. A.
Marshall in het Entomological Monthly Magazine voor een of
twee jaren beschreven en waarvan de diagnose luidt: D. niger,
segmento /°, ore, antennarum articulis 2 basalibus , totidemque
apicalibus rufis, alis fusco bifasciatis, terwijl uit de afbeelding
en beschrijving blijkt dat de vleugels slechts zeer kort waren
en de spits van het achterlijf in lange niet bereikten.
Spr. toont vervolgens de plaats aan, welke deze beide soor-
ten in het systeem moeten innemen; hij wijst op de kenmerken
die de Proctotrupiden van de Pteromalinen afzonderen, vervol-
gens op het eigenaardige kenmerk van de groep der Dryinoïden
en geeft eindelijk de nieuwste indeeling dezer groep in genera
aan, waarbij hij voornamelijk ook uitwijdt over de zonderlinge
vangtarsen bij de wijfjes en de vraag of de bewegelijke klauw
dier tarsen wel met regt eene klauw mogt genoemd wor-
den. I
VERSLAG, XV
Ten tweede deelt de heer van Vollenhoven de zonderlinge
ontwikkeling mede van eene bladwesplarve, die den winter in de
holte van een afgebroken rietstengel doorbrengt. In de tweede ,
of derde maand van dit jaar met den heer Ritsema wandelende
langs den Morschweg bij Leiden, hadden zij op zekere plek
aldaar rietstengels afgebroken en den inhoud daarvan onder-
zocht; in eenigen vonden zij larven van bladwespen, die er
uitzagen of zij eenigszins korter en dikker waren geworden
dan toen zij nog voedsel nuttigden, en waarvan de soortsnaam
toen niet te bepalen was. Spr. had de door hem gevonden
larven weder weggeworpen, in de meening dat zij verdroogen
zouden en geene wespen leveren; doch de heer Ritsema had een
voorwerp bewaard, liggende in een rietstengel, en had het
genoegen gehad daaruit eene wesp te zien te voorschijn ko-
men, welke aan Spr. was ter hand gesteld en die ongetwijfeld,
gelijk ook de heer R. reeds had opgemerkt, een mannetje was
van Tenihredo agilis Klug. Het zonderlinge der ontwikkeling
bestond nu hierin, dat de larve niet op de gewone wijze in
pop was veranderd, maar hare larvenhuid had behouden, zoo-
dat de wesp door eene spleet over den kop en de 3 voorste
ringen der larvenhuid naar buiten was gekropen. Binnen in
die larvenhuid, welke niet in elkander was gefrommeld, doch
min of meer pergamentachtig was blijven uitstaan, had het
naauwkeurigste onderzoek geen spoor van eenig poppenhuidje
aangewezen, zoodat het nog een raadsel bleef waar dit heen-
gekomen was. Dat de pop in de larvenhuid had gezeten, was
zonder bezwaar aan te nemen, doch dat de wesp hare poppen-
huid daaruit getrokken en opgegeten zou hebben scheen min-
der gemakkelijk aan te nemen. In allen gevalle dient de
waarneming te worden herhaald en wel, zoo mogelijk, op tamelijk
groote schaal. Daartoe is Spr. zelf bereid en roept hij de hulp
in der aanwezige leden, wien hij verzoekt hem in den volgen-
den winter larven in rietstengels te doen toekomen.
De heer Mr. J. Herman Albarda vestiet de aandacht
der leden op Psectra diptera Burm., een zeer zeldzaam en
XVI VAR RSA GE
tevens hoogst merkwaardig, ook tot onze Nederlandsche Fauna
behoorend Neuropteron.
Burmeister heeft in 1839 dit insect voor het eerst beschreven,
onder den naam van Hemerobius dipterus (Hdb. II. p. 973) en wel
naar een enkel exemplaar, door Prof. Schwägrichen bij Leipzig
gevangen; terwijl hij nog melding maakt van een tweede, het-
welk Prof. Künze had gevangen, doch dat in diens verzameling
was te gronde gegaan. Hij geeft op, dat het diertje in de
bovenvleugels vier dwarsadertjes tusschen de subcosta en den
radius heeft, dat beiden daarenboven aan hunne uiteinden door
eene korte dwarsader zijn verbonden, dat uit den radius drie
sectoren ontspringen en dat de zeer kleine, rudimentaire, ronde
ondervleugeltjes ook aderen vertoonen. Over de sexe van het
door hem beschreven diertje laat hij zich niet uit.
Dr. Hagen vermeldt in 1858 (Stett. Ent. Zeit. XIX, p. 130)
hetzelfde dier, onder den naam van Micromus dipterus Burm.,
als in Rusland voorkomende, en voegt daarbij de woorden:
„Overigens heeft het mannetje alleen onontwikkelde ondervleu-
, gels.” Men moet dus aannemen, dat die schrijver een of meer
individuen met ontwikkelde ondervleugels heeft gezien, en die
voor wijfjes heeft gehouden, hoewel hij daarvan nergens eene
beschrijving heeft gegeven.
MacLachlan berigtte in 1866 (Ent. Monthl. Mag. II, p. 269),
dat in 1843, door den bekenden entomoloog Dale ook een
exemplaar van dit insect bij Langport in Somersetshire was
gevangen. Hij zegt daarvan, dat het met den eersten oogop-
slag kan worden herkend, doordien de ondervleugels bijna ge-
heel ontbreken en slechts uit twee zeer kleine lobben bestaan.
Ook hij vermeldt niet van welke sexe dat exemplaar is.
In datzelfde jaar verscheen de Hemerobidarum Synopsis syno-
nymica van Dr. Hagen (Stett. Ent. Zeit. v. 1866 p. 376),
waarin de schrijver dit diertje van het geslacht Hemerobius af-
scheidt en daarvoor een afzonderlijk geslacht Psectra vormt, op
grond dat in de bovenvleugels de eerste sector parallel aan den
radius loopt en de andere sectoren daaruit ontspringen, terwijl
bij Hemerobius alle sectoren regtstreeks uit den radius voort-
VOR RUS ML NAG: XVII
komen. Van de andere geslachten (Ithone, Becotha, Dilar en
Sartena), die ditzelfde kenmerk hebben en met Psectra ééne
groep vormen, onderscheidt dit geslacht zich doordien het
tusschen de subcosta en den radius, in het midden twee
dwarsaders heeft en „de ondervleugels van het mannetje zeer
klein zijn.”
In 1868 gaf MacLachlan zijne Monograph of the British
Neuroptera planipennia. in het licht (Trans. ent. Soc. of Lond.
1868 p. II. p. 145), beschreef daarin uitvoerig hetzelfde exem-
plaar van Dale (p. 170) en gaf daarvan ook eene afbeelding
(pl. X, fig. 5). In zijne generieke beschrijving bespreekt hij
alleen het mannetje en voegt daarbij: „ Men zegt dat het wijfje
met ontwikkelde ondervleugels op het Museum te Berlijn is”
en verder: „Dit insect, ofschoon zeer verspreid in Europa,
is buitengewoon zeldzaam en ik geloof dat er niet meer dan
vier of vijf exemplaren van bekend zijn.” Hij neemt dus
even als Hagen aan, dat de individuen met onontwikkelde onder-
vleugels mannetjes zijn, zonder dat hij evenwel de geslachts-
deelen daarvan beschrijft.
In 1871 eindelijk heeft Wallengrèn (Skandinaviens Neuropterd
planipennia, p. 51) dit geslacht behandeld. Hij is de eerste
die ook van het zoogenaamde wijfje met ontwikkelde onder-
vleugels eene beschrijving geeft. Hij had in het geheel drie
exemplaren ter zijner beschikking. Een daarvan had hij zelf
gevangen, de beide anderen waren door Prof. Boheman bij
Stokholm gevonden. Ook hij neemt aan dat de individuen
met rudimentaire ondervleugels mannetjes zijn, doch slechts
voorloopig, want hij twijfelt en zegt dat dit alleen kan worden
uitgemaakt door een onderzoek van de geslachtsdeelen, hetwelk
hij niet kon doen omdat hij zijn eenig exemplaar niet wilde
opofferen en de beide anderen aan het Rijks Museum behoorden.
Dit is, zoo ver Spr. bekend is, alles wat over dit insect
geschreven is. Hij is zoo gelukkig geweest vier exemplaren
van dit zeldzaam insect in handen te krijgen. Twee daarvan
met rudimentaire ondervleugels zijn door den heer Six te Drie-
bergen gevangen en worden op ’s Rijks Museum te Leiden
2
XVIII VERSE AG.
bewaard !. Zij komen in alle opzigten met de beschrijving
van MacLachlan overeen, behalve een klein verschil in het
beloop der aderen, wat echter bij de insecten van deze orde
niet zeldzaam voorkomt. Een derde exemplaar, eveneens met
rudimentaire ondervleugels, werd Spr. door Jhr. Everts ge-
schonken, die het, op reis zijnde, te Salzburg had gevangen.
Het onderscheidt zich van de beide eersten, doordien de boven-
vleugels veel donkerder gevlekt zijn. Eindelijk ontving Spr.
in het vorig jaar van den heer Snellen van Vollenhoven een
doosje met eenige Neuroptera en vond daarin een zoogenaamd
wijfje met volkomen ontwikkelde ondervleugels, hetwelk blijkens
de etiquette, door Dr. van Hasselt te Utrecht was gevangen.
Dit exemplaar komt geheel met Wallengrèn’s beschrijving overeen.
De beide laatstgenoemde exemplaren, die zich in Spreker’s
collectie bevinden, zond hij onlangs ter bezigtiging aan den
heer MacLachlan, die hem antwoordde, dat het eene het
eerste was met vier ontwikkelde vleugels, hetwelk hij onder de
oogen kreeg; dat hij de soort niet bezat en slechts één exem-
plaar in Engeland kende en dat hij ook nog onzeker was
omtrent de sexen, daar hij geen onderscheid kon zien tus-
schen de achterlijven van beide exemplaren.
Men ziet hieruit, dat de stelling van Dr. Hagen, dat de
„exemplaren met rudimentaire ondervleugels mannetjes en die
met ontwikkelde ondervleugels wijfjes zijn van ééne en de-
zelfde soort, alleszins nadere bevestiging behoeft.
Het komt Spr. het meest waarschijnlijk voor, dat men hier
met twee soorten te doen heeft en dat de vier exemplaren,
welke hij onderzocht heeft, allen wijfjes zijn. Hij vertoont sterk
vergroote afbeeldingen, zoo van het zoogenaamde mannetje
als van het wijfje en wijst er op, dat het laatste veel langere,
meer gestrekte bovenvleugels heeft en dat er ook nog vrij wat
verschil in de plaatsing der dwarsaders bestaat. Daarenboven
pleit, naar zijne meening, de analogie voor zijn beweren.
1) Het zijn de exemplaren, die vermeld worden in dit Tijdschrift, di. I, bl. 12
en 39 en in Snellen van Vollenhoven, Gelede dieren van Nederland, bl. 311.
MERS U A G. XIX
Bij de andere orden van insecten vinden wij wel, dat er
tusschen beide sexen verschil bestaat, wat de ontwikkeling der
vleugels betreft, zoo als onder de Coleoptera bij Lampyris, onder
de Lepidoptera bij Psyche, Anisopteryx enz., maar altijd is het
mannetje de meest ontwikkelde. Hij is het, die vóór de paring
het wijfje opzoekt en daarvoor de meest ontwikkelde voortbe-
wegingsorganen bezit. Een voorbeeld van het omgekeerde is
Spr. niet bekend.
In de tweede plaats is dit insect zeer na verwant aan het
geslacht Hemerobius, waarvan de mannetjes allen zeer in het
oog loopende appendices anales bezitten, die voor de onder-
scheiding der soorten van veel dienst zijn. Het is dus niet te
verwachten dat bij Psectra volstrekt geene uitwendige geslachts-
deelen aanwezig zullen zijn.
De zaak is echter niet uit te maken zonder nader onderzoek.
Hij die zoo gelukkig mogt zijn een paar in copula te vinden,
kan de vraag dadelijk oplossen. Gelukt dit echter niet, dan
blijft het eenige middel, gevangen voorwerpen in verschen toe-
stand te onderzoeken.
Spreker’s doel is de leden daarop opmerkzaam te maken en
hen dringend uit te noodigen, om, zoo zij exemplaren van
dit insect mogten vangen, die zoo mogelijk levend of anders
in spiritus of in met water verdunde glycerine aan hem te wil-
len zenden.
De heer van der Wulp merkt op, dat er onder de Di-
ptera een geslacht is (Penthetria Meig.), waarvan bij het man-
netje de vleugels minder ontwikkeld zijn dan bij het wijfje.
De heer Ritsema vraagt in welken tijd van het jaar Psectra
diptera vliegt, waarop door den heer Albarda wordt geantwoord,
dat het exemplaar van Dale op 26 Junij, dat van Wallengrèn
in Julij en die van Six in Augustus zijn gevangen.
Dezelfde Spreker Mr. H. Albarda vraagt verlof om eene
oude geschiedenis weêr op te halen.
In 1871, zoo hij meent in Augustus, werd in de Haarlemmer
courant berigt, dat zich in Roermond eene zoo groote menigte
XX VERSLAG,
witte vlinders vertoond hadden, dat de gaslantaarns er des avonds
geheel mede bedekt waren. Hiervan werd mededeeling gedaan
in de wintervergadering van den 23° December. Door eene ver-
gissing gaf men echter Venlo op in plaats van Roermond en
de Secretaris nam op zich, ons medelid den heer A. van den Brandt
aldaar over de zaak te schrijven. Het antwoord, hetwelk in het
verslag in eene noot is opgenomen, houdt in, dat van 31 Augustus
tot 3 en 4 September in de omstreken van Venlo ontzaggelijke
massa’s van kriebelmugjes en wel Simulia argyreata Meig. zijn
voorgekomen. Natuurlijk paste dit antwoord, hoe belangrijk
ook, volstrekt niet op het genoemd berigt uit Roermond. Spr.,
wien dit dadelijk bij het lezen opviel, heeft de gelegenheid
niet gehad de zaak ter sprake te brengen en zou haar
waarschijnlijk vergeten hebben, ware het niet dat hij er aan
herinnerd was geworden door een soortgelijk berigt, voor-
komende in het Engelsche tijdschrift Nature van October 1872,
waarin gemeld wordt, dat eenigen tijd te voren te Florence
des avonds eene zoo groote menigte witte vlinders waren
voorgekomen, dat de gaslantaarns er geheel mede bedekt waren,
zoodat men eindelijk, op last van de overheid vuren op de
straten had moeten aanleggen, ten gevolge waarvan deze in
korten tijd met eene laag doode vlinders van eenige duimen
dikte bedekt waren geworden.
| Volgens Spr. is het duidelijk, dat men hier niet aan
Lepidoptera, maar aan Ephemeriden te denken heeft en wel
aan Polymitarcys Virgo L., eene soort, die in Augustus in den
laten avond soms in zoo ontelbare massa’s uit de rivieren te
voorschijn komt, dat het volgens ooggetuigen het voorkomen
heeft als of er eene sneeuwbui valt. Réaumur heeft dit zeer
fraai beschreven in het 6° deel zijner Mémoires. Ook bij het
geval te Roermond heeft men aan hetzelfde insect te denken,
hetwelk niet zelden ook hier te lande voorkomt. De heer
Heylaerts heeft Spr. een exemplaar gezonden, op de etiquette
waarvan stond „eene wolk boven Breda” en ook te Arnhem
en Huissen is het door den heer van Medenbach de Rooy Jr.
gevangen.
VERSLAG, XXI
Eindelijk deelt dezelfde Spreker een paar feiten mede betrek-
kelijk het in massa voorkomen van Libelluliden.
Op den 12 Augustus 1871 vernam hij, dat te Harlingen zich
de zoogenaamde paardenbijters in ongeloofelijke massa vertoon-
den, vooral aan de zijde van den zeedijk, waar alles er
letterlijk mede bedekt was. Hij was voornemens zich den vol-
genden dag daarheen te begeven, ten einde te onderzoeken
tot welke soort die insecten behoorden. Toen hij echter op-
stond, bemerkte hij dat het volstrekt niet noodig was, want dat
in dit geval de berg naar Mohammed was gekomen. Overal
toch, in de straten, in de tuinen en vooral op de door de
zon beschenen zijden der daken zag men Libellulae. Een
onderzoek leerde Spr., dat er vier soorten bijeen waren, te
weten: Sympetrum striolatum Charp. S. vulgatum L. S. sanguineum
Miill. en S. scoticum Don. Omstreeks den middag was hun getal
zeer verminderd en tegen den avond waren allen verdwenen.
De wind was geruimen tijd achtereen Noord-Oost geweest, liep
in den nacht van den 12” op den 13” door het Noorden naar het
Noord-Westen en werd des avonds Noord. Hierin ligt waarschijnlijk
de oorzaak van het verschijnsel. De Libellulae hebben zich,
voortgedreven door den oostelijken wind, opgehoopt langs de
zeekust. Toen de wind draaide, kwamen zij terug en toen
deze nog gunstiger werd, vertrokken zij in zuidelijke rigting.
Het tweede feit is door den heer H. W. de Graaf te Sche-
veningen waargenomen. Hij schreef daaromtrent het volgende:
„Op 25 Julij 1872 moest ik te Scheveningen dineren. Toen
wij de eetzaal van het badhuis binnenkwamen, trok het al
dadelijk mijne aandacht dat er Aeschna’s in rondvlogen en zag
ik dat de ornamenten van de zolderlijsten, de lichtkroonen,
gordijnen enz. met eene menigte dezer dieren bezet waren.
Hun aantal was verbazend groot en onder het diner voltigeer-
den de sparrebouten door de zaal, deels tot amusement, deels
tot schrik van de aanzittende gasten. Het was een van de
warmste dagen; de ramen stonden open en men zag de dieren
naar binnen vliegen. ’s Avonds vlogen zij heen en weder over
het terras; ook den volgenden avond zag ik ze daar. Zoo als
XXII \ VERS L ANG:
mij later verteld werd, hadden de bewoners van de villa’s
langs den weg naar het badhuis ook ontzaglijk veel van deze
dieren in bunne woningen gehad.”
„Aan een trek over zee zal men wel niet te denken hebben,
want de wind woei in die dagen Oost. Ik acht het waarschijn-
lijk dat de oostenwind ze uit het land tot aan het strand heeft
voortgedreven. Het is, meen ik, A. mixta Latr. ”
Uit het overgezonden exemplaar is Spr. gebleken, dat de
determinatie juist was. |
De heer Baron Lewe van Middelstum laat ter bezig-
tiging rondgaan een doosje met eenige vlinders, als:
1°. Vanessa Antiopa L. met witten rand, door hem gevangen
in het Cleefsche woud. Hij heeft dit voorwerp medegebragt
naar aanleiding van het besprokene op de jongste winterver-
gadering !); hij beschouwt dit en andere exemplaren met een
witten zoom niet als te zijn afgevlogen of verkleurd, maar
als eene afzonderlijke varieteit, ook op grond dat zulke ge-
vangen exemplaren toch niet zelden zeer gaaf en frisch van
kleur zijn; en zegt voorts dat hij drie jaren geleden een vijf-
tigtal poppen uit Leipzig heeft gekregen, die allen vlinders
met een’ gelen rand opleverden.
2°. Aghia Tau L., mede uit het Reichswald bij Cleve. Het exem-
plaar is zeer gaaf, ofschoon het in de vlugt is gevangen en
wel in de tweede helft van Mei, dus laat, want de vliegtijd
is het laatst van April. Ten einde dergelijke groote en krach-
tige vlinders bij het vangen voor beschadiging te bewaren,
geeft Spr. den raad om hen onmiddellijk een korten, vrij sterken,
als ’t ware elastieken druk op de borst te geven, waardoor
zij worden bedwelmd.
3°. Lobophora viretata Hbn., door Spr. gevangen in de tweede
helft van Mei; het voorwerp zat tegen de deur van zijne werk-
kamer. De rups leeft, zoo als hem bij ondervinding is gebleken,
op de bloesem van Rhamnus frangula, die te Beek overvloedig
in het wild groeit.
1) Tijdschr, voor Entom. dl. VIII (2de serie), blz. uxxm.
Y ER S L A 6G. XXIII
4°. Metrocampa honoraria W. V., door hem in drie exem-
plaren des avonds laat in de Watermeerwijk onder Groesbeek
gevangen op den 12° Junij 1872, bij gelegenheid van een
hoogst welkom bezoek van zijnen vriend P. C. T. Snellen. Deze
zeldzame voorwerpen waren te danken aan het smeren, een
middel dat Spr. zeer aanbeveelt en waarvoor hij steeds met
goed gevolg honig met rum gebruikt.
5°. Mamestra satura Wd., gevangen in het Cleefsche woud.
Tot heden is deze Noctuine nog niet in ons land waargenomen,
doch Spr. houdt het er voor dat zij ook wel moet voorkomen
in het bosch van den St. Jansberg onder de gemeente Mook
(Limburg), wijl dit bosch slechts door eenen weg, den Zwarten
of Neutralen weg, van het Cleefsche woud gescheiden is. Hij
meent dat eene excursie, die zeer geschikt daar ter plaatse
kan gehouden worden, behalve deze Mamestra, nog menig
ander nieuw inseet voor de Nederlandsche Fauna zou doen
ontdekken, en grondt daarop den wensch om b. v. in het
volgende jaar na de vergadering te Arnhem onze schreden
daarheen te rigten.
De heer Heylaerts zegt ongeveer het volgende:
Hoewel reeds zeer vele soorten van Lepidoptera bij Breda
door hem gevonden zijn (getuige de lijsten der Bredasche Ma-
crolepidoptera, door hem in het Tijdschrift v. Ent. opgegeven),
schijnt toch het getal nog veel grooter te zijn, daar jaarlijks
zeer interessante en zeldzame species daar ter plaatse worden
ontdekt, zoodat nu voor 1873 weêr eene vierde liste supplé-
mentaire wordt gereed gemaakt. Ook de Microlepidoptera zijn
dáár talrijk in genera en species vertegenwoordigd, zoo als blij-
ken zal uit eene lijst weldra door hem op te geven. Jaarlijks
worden de nieuwe soorten voor de Fauna in het genoemde
Tijdschrift gepubliceerd en niet weinigen worden daar opgegeven
als bij Breda gevonden. Hij laat ter visie rondgaan een paar
Faunæ novæ species (Grapholithæ) voor als nog niet te determi-
neren.
Als merkwaardigheid toont hij eene Psilura Monacha L., die
XXIV NUE RS mA.
zeer gaaf uitgekomen was, behalve dat steeds nog het dier
den rupsenkop in plaats van dien eens vlinders droeg. De pop
droeg ook in stede van het kopschild het onveranderd caput
larvæ. Eene dergelijke pop was ook eenmaal door hem bij den
Haag, in het bijzijn van den heer van der Wulp gevonden.
Daarvan is evenwel de vlinder niet uitgekomen,
Als tweede bijzonderheid toont hij een hermaphrodiet van
Demas Coryli L. Ofschoon nu hier van eigenlijk hermaphroditisme
geen sprake zijn kan, wordt toch door de meeste entomologische
schrijvers dien term gebruikt, om exemplaren aan te duiden,
die én mannelijke én vrouwelijke kenmerken in zich vereenigen.
Hoe oneigenaardig ook, geeft toch zulke aanduiding een helder
denkbeeld van de zaak. Het hier vertoonde dier had een sterk
uitgedrukten mannelijken habitus en dito geslachtsdeelen, doch
vrouwelijke sprieten: men zou het dus een androgyne kunnen
noemen. Tusschen verschillende leden geeft dit laatste aanlei-
ding tot eene interessante discussie, omtrent hermaphroditisme
enz., en wordt in het algemeen aanbevolen de geslachtsdeelen
van zulke exemplaren aan een naauwkeurig microscopisch onder-
zoek te onderwerpen.
Spr. herinnert dat hij op de zomervergadering, gehouden
aan het Warmonderhek den 18 Junij 1870, de zakken mede-
bragt eener voor de Fauna nieuwe Psyche *), die ook sedert
in het werk van Sepp is beschreven en afgebeeld. Daar
slechts een niet uitgegroeide mannelijke vlinder werd geteeld
(met nog eenige zeer kreupele mannetjes), kon geene juiste
determinatie geleverd worden. Bij eene volgende kweeking is
hij gelukkiger geweest en heeft hij drie gave mannelijke vlinders
verkregen. De bestemming leverde nu geen bezwaar meer op.
De naam der soort is Psyche Graslnella Bdv. = atra Frr.
Hij laat een zeer zuiver en frisch exemplaar ter bezigtiging
rondgaan.
Ter sprake gebragt zijnde het spoedig beschimmelen en
daardoor onkenbaar worden van kleine insecten, en zelfs van
1) Zie het verslag dl. VI (2de serie) van het Tijdschrift, blz. 39.
VERSLAG. XXV
zeer groote, wanneer zij in eenigszins vochtige vertrekken be-
waard worden, geeft Spr. als uitstekend en proefhoudend
middel daartegen het gebruik aan van carbolzuur (Acidum phe-
nicum). Het wordt volgender wijze gebruikt. In zuiveren alcohol
van 25° losse men zooveel carbolzuur op, dat men eene ver-
zadigde solutie verkrijgt; men doope nu een wattenbolletje in
deze oplossing en steke dat aan eene speld, brenge nu deze
in een hoek van het insectenkastje of lade zoodanig aan, dat
het papier niet door de vochtige watten kan geraakt worden,
om vlekken te voorkomen. Wanneer men nu tweemaal ’s jaars
de watten drenkt, dan kan men zeker wezen dat noch schimmel,
noch parasiten de bewaarde insecten zullen bederven. De lucht
van carbolzuur is niet schadelijk, terwijl evenmin het metaal
der spelden er door wordt aangetast. Opzettelijk genomen
proeven hebben hem van een en ander het bewijs geleverd.
Voor den Lepidopteroloog is het mengen van enkele drop-
pelen der bovengenoemde oplossing met het vochtige zand in
den weektoestel van onberekenbaar nut, aangezien het daar-
door mogelijk wordt, dagen, ja weken het product der jagten
opzetbaar te houden, terwijl bij gewone behandeling, d. i. het
gebruik van vochtig zand zonder meer, reeds na twee dagen
alles beschimmeld en bedorven is. In het begin van November
werden eenige Microstaphylinen op aldus gemengd zand ge-
legd en nu, 7 Junij, zijn de diertjes nog zeer goed te determi-
neren, terwijl gewone vertinde inseetenspelden daarin gestoken
in al dien tijd niets geleden hebben.
Geen der leden meer het woord verlangende, werd de Ver-
gadering door den president gesloten.
Na afloop der vergadering vereenigden zich de aanwezige
leden aan een’ gezelligen maaltijd, terwijl de volgende dag
(8 Junij) werd besteed aan eene excursie in het Ulvenhoutsche
bosch, die behalve door de ter vergadering opgekomen leden
(met uitzondering van de heeren Lodeesen en Maitland) nog
XXVI VERSLAG,
werd bijgewoond door de heeren Dr. Aronstein, Dr. Kallenbach,
de Man, Mr. Maurissen, Dr. Piaget en Pollen.
De leden bragten den geheelen dag in en om het Ulven-
houtsche bosch door en konden zich geheel aan het vangen
van insecten wijden, dewijl ook de bij andere excursién dik-
wijls zoo groote tijdruimte voor eten enz. verre van het
terrein bestemd, nu zeer gering was, daar door den heer
Rentmeester der Domeinen van Z. K. H. Prins Frederik
der Nederlanden, Jhr. Six, met de meeste heuschheid een
in het bosch ledig staand gebouw voor dien dag aan de
leden der Vereeniging was afgestaan en men zich daar van
het noodige kon voorzien.
Deze excursie, door fraai weder begunstigd, leverde aan velen
merkwaardige voorwerpen en allen een’ genoegelijken dag op.
Van onderscheidene kanten kwamen bij het Bestuur lijsten in
van de bij die gelegenheid gevangen insecten, waaronder
menige zeer belangrijke soort. Die lijsten hier, even als vroeger
wel eens geschiedde, in haar geheel mede te deelen zou echter
te veel plaatsruimte vorderen, in evenredigheid tot het wel
eenigszins twijfelachtige nut dat daaraan verbonden is. Alleen
zij vermeld, dat de heer Ritsema eenige met larven bezette
rietstengels heeft medegenomen, waaruit later, onder meer, ook
exemplaren van Lipara lucens Meig. zijn uitgekomen, welk
vliegengeslacht tot dusverre niet als inlandsch stond aange-
teekend. Ook werden door sommigen eenige zakken met
Atypus Sulzeri, waarvan enkelen met de levende spin, uit den
grond gehaald en ook een aantal andere spinnen verzameld,
ten einde aan Dr. van Hasselt te worden gezonden, die zoo
gaarne van de partij zou geweest zijn maar tot zijn groot
leedwezen verhinderd was geworden.
LIJST DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
op 7 Junij 1873,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
= ace
BEGUNSTIGERS.
Teyler’s Stichting te Haarlem. 1860.
De heer Mr. C. W. Hubrecht, te Leiden. 1859.
n__n J. Kneppelhout, Hemelsche Berg te Oosterbeek. 1861.
uv» Francois P. L. Pollen, te Scheveningen. 1867.
Mevrouw Hartogh Heys van de Lier, geb. Snoeck, te ’s Gravenhage. 1868.
De heer Dr. F. J. I. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
» n Mr. J. Thiebout, te Zwolle. 1869.
"n uw Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van Ellemeet, te Oost-Capelle
bij Middelburg. 1870.
» wu Jhr, F. van den Santheuvel, te Dordrecht. 1870.
EERELEDEN.
De heer C. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch
Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
” n H. T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861.
uv» Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis-
senschaften en Burgemeester van Weenen. 1861.
”» w Prof. Dr. H. Löw, te Guben. 1862.
n__n Prof. J. O. Westwood, F. L. S., Directeur van het Hopean
Museum te Oxford. 1862.
7» A. E. W. Ludeking, Officier van gezondheid bij het Nederl.
Indische leger. 1862.
XXVII
LIJST DER LEDEN ENZ.
De heer Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, oud-Officier van gezond-
”
”.
u
De heer
#
heid, practiserend geneesheer te ’s Gravenhage. 1864.
Prof. J. J. P. Hoffmann, te Leiden. 1865.
Dr. Gustav L. Mayr, te Weenen. 1861.
Dr. H. D. J. Wallengrèn, te Farkutt, bij Höganäs in Zweden.
1871.
R. MacLachlan, F. L. S., Secretaris van de Entomological
Society te Londen. 1871.
Dr. T. Thorell, Hoogleeraar in de Zoologie aan de Hoogeschool
te Upsala in Zweden. 1812.
Dr. C. A. Dohrn, President der Entomologische Vereeniging
te Stettin. 1873.
CORRESPONDERENDE LEDEN.
Prot. Arn. Forster, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Aken. 1853.
Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
Dr. C. Stäl, Professor aan het Kon. Zoologisch Museum te
Stockholm. 1864.
Frederic Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige
Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864.
J. W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te Londen. 1865.
Mr. J. W. van Lansberge, Buitengewoon Gezant en gevol-
magtigd Minister der Nederlanden te Brussel. 1865.
Prof. P. C. Zeller, Grünhof bij Stettin. 1867.
W. Mink, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te Cre-
feld. 1861.
Dr. H. Weyenbergh, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te
Cordova in de Argentijnsche republiek. 1812.
Dr. W. Marshall te Weimar. 1812.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
Henri Vicomte de Bonvouloir, Archiviste-adjoint de la société
entomologique de France, te Parijs, Rue de U Université, 15.
H. Jekel van Westing, lid der K. Acad. der natuuronderzoe-
kers te Moscou en van verscheidene entomol. genootschappen,
te Parÿs, Rue Letort, 2.
GEWONE LEDEN.
1845-46.
De heer Dr. J. G. H. Rombouts, te Amsterdam.
» F. M. van der Wulp, Spui, n°. 60, te 's Gravenhage. —
v
Diptera.
De heer
“ A
” u
w “
wv #
vu a
“ 4
1/2 uw
De heer
u u
“ u
u #
De heer
uv A
u u
A #
u #
# 4
De heer
u A
u a
De heer
# #
a a
LIJST DER LEDEN ENZ. XXIX
Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, huize Schothorst, te
Hoogland bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
J. W. Lodeesen, Prinsengracht bij de Reestraat, KK, 561,
te Amsterdam. — Lepidoptera indigena.
Dr. J. R. E. van Laer, te Utrecht.
Th. J. van Campen, te Amsterdam.
Dr. P. H. J. Wellenbergh te Oiséerwÿk.
Mr. H. Ver Loren van Themaat, te Utrecht. — Lepidoptera.
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Phil. nat. Dr., 2de Van
den Boschstraat, 34, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera en
Hemiptera.
W. O. Kerkhoven, te Zwello.
1851-52.
R. T. Maitland, Directeur van den Kon. Zoologisch-botani-
schen Tuin te ’s Gravenhage. — Algemeene -Entomologie.
P. C. T. Snellen, Zuidblaak, wijk 2 n°. 12, te Rotterdam. —
Lepidoptera.
Dr. M. Imans, te Ufrecht.
Dr. W. A. J. van Geuns, Oude Gracht, te Utrecht.
1852-53.
N. H. de Graaf, Haarlemmerstraat, te Leiden. — Lepidoptera.
Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde, 123, te ’s Gravenhage. —
Inl. Lepidoptera, bijzonder Microlepidoptera.
G. M. de Graaf, Heerengracht, te Leiden. — Lepidoptera.
Dr. L. A. J. Burgersdijk, Hoogleeraar aan het Athenaeum te
Deventer. — Algem. Entomologie.
G. A. Six, De Ruiterstraat, 11, te ’s Gravenhage. — Hy-
menoptera.
Prof. W. Berlin, te Amsterdam.
1855-56.
A. A. van Bemmelen, Directeur van de Diergaarde te Æot-
terdam. — Algemeene Entomologie.
Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalkuizen, te
Velp. — Lepidoptera.
M. Breukelman, te Delfshaven. — Lepidoptera,
1856-57;
Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Inlandsche Lepi-
doptera (bijzonder Microlepidoptera) en Neuroptera.
Mr. W. Albarda, Ginneken bij Breda, Lepidoptera en Neuroptera.
A. P. H. Kuipers, te Leeuwarden.
Di. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade, 15, te
’s Gravenhage. — Arachniden.
XXX
De
De
u
De
2 heer
u
heer
heer
u
heer
heer
heer
LIJST DER LEDEN ENZ.
1957-58.
Dr. J. W. Schubärt, te Utrecht.
W. K. Grothe, te Zeist.
1858-59.
J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht. —
Lepidoptera.
J. Backer Jr., te Oosterbeek. — Lepidoptera.
1860-61.
J. Kinker, Oudezijds- Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort,
B. 261, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
Dr. E. Piaget, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Korte-
naerstraat, 416, te Rotterdam. — Diptera en Parasitica.
1862-63.
H. Baron Lewe van Middelstum, te Beek bij Nymegen. —
Lepidoptera,
1863 -64.
Mr. R. Th. Bijleveld, Rapenburg te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F, 3411, te Zwolle. —
Lepidoptera.
1864-65.
Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Lepidoptera.
H. J. Veth, Phil. nat. cand., Leeraar aan de Hoogere Bur-
gerschool te Rotterdam. — Algemeene Entomologie.
H. W. Groll, te Haarlem. — Coleoptera.
1865-686.
Dr. H. C. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat, te
Arnhem. — Lepidoptera.
W. J. Boogaard, Kleine Houtstraat, te Haarlem. — Micro-
lepidoptera en Hymenoptera.
A. Brants, Candidaat in de regten, Buitensingel te Arnhem. —
Lepidoptera. |
1866-67,
F. J. M. Heylaerts Jr., Sé. Jansstraat te Breda. — Lepi-
doptera enz.
Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar te Utrecht. — Alge-
meene Zoologie.
À. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
1867-68.
C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuurlijke
historie, Hoogewoerd W. 3, n°. 446 te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXI
De heer Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil. nat. Doctor, aan de
Rijbrug, te Smilde.
1868-69,
De heer J. J. M. Gordon, te Amersfoort.
n__n J, G. de Man, Adsistent bij ’s Rijks Museum van Natuurlijke
historie, te Leiden. — Algemeene Entomologie,
”» uw Dr. T. W. O. Kallenbach, te Rotterdam.
v « A. Cankrien, te Rotterdam. — Lepidoptera.
vw » Mr. C. J. Sickesz, Burgemeester van Laren, Huize de Cloese
bij Lochem.
» a (©. J. M. Jongkindt Coninck, Directeur der Maatschappij van
Weldadigheid, te Frederiksoord,
1869—70.
De heer Prof. E. Selenka, Stelle Rijn te Leiden. — Algemeene Zoologie.
uv Dr. H. W. Waalewijn, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Leiden.
" » M. Nijhoff, Raamstraat 49, te ’s Gravenhage. — Bibliographie.
1870-71.
De heer Dr. L. L. Aronstein, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, te
Breda.
» Jhr. Ed. J. G. Everts, Æuigensstraat 15, te’s Gravenhage. —
Coleopteras
uv # Mr. M. Piepers, Lid der regterlijke magt in Nederlandsch
Indië, te Macassur.
» uw M. L. Ritsema, Officier van gezondheid bij het leger in Neder-
landsch Indië, te Padang.
» Dr. P. J. Veth, Hoogleeraar aan de Rijksinstelling van onderwijs
in de taal-, land- en volkenkunde van Ned. Indië, te Leiden.
1871-72.
De heer W. A. Ivangh Schepman, te Rhoon. — Lepidoptera.
» » D. Burger, Phil. nat. stud., te Leiden. — Hemiptera.
» » J. Ritzema Bos, Phil. nat. cand., te Warffum.
o » J, F. G. W. Erbrink, N. Z. Voorburgwal over de Kolk, G,
206, te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
”» u J. B. van Stolk, Zeemansstraat, te Rotterdam. — Lepidoptera.
„ A. F. A. Leesberg, Jur. cand., Jan-Hendrikstraat, 9, te
’s Gravenhage.
» » Prof. H. J. van Ankum, te Groningen.
» w M. M. Schepman te Rhoon. — Neuroptera.
w w# Dr. C. Ks Hoffmann, Conservator aan ’s Rijks Museum voor
Nat. hist. te Leiden, — Vergelijkende ontleedkunde,
XXXII LIJST DER LEDEN ENZ.
| 1872-73,
De heer A. Schmier de Poorter, Donkersteeg, te Leiden.
“n Dr, A. J. van Rossum, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool,
te Enschede,
BESTUUR.
President. Mr. W. Albarda.
Vice-President. P. C. T. Snellen.
Secretaris. F. M. van der Wulp.
Conservator. Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.
Bibliothecaris. C. Ritsema Cz.
Penningmeester, J. W. Lodeesen.
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
De President van het Bestuur.
Mr. Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven. >
F. M. van der Wulp.
BIBLIOTHEKEN
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
Bijgekomen boeken na het drukken der Catalogi
tot ultimum Junij 1873.
BIBLIOTHEEK A.
Natuurlijke Historie in het Algemeen.
Niets bijgekomen.
Algemeene Dierkunde.
Boeck (A.), Bidrag til Calilgyniens Amphipodefauna. Christiania,
1871, M. 1 Tavl., 8vo. (bis, zonder de plaat).
————— De Skandinaviske og Arktiske Amphipoder. Förste
Hefte. M. 7 Tavlr. Christiania, 1872. 4to.
Brogger (W. C.), Bidrag til Kristianiafjordens Molluskfauna. Ind-
beretning om en i Sommeren 1870 foretagen Reise i Kristiania og
Krsands Stift forat undersöge Land- og Ferskvands-Molluskerne
samt Iglerne, af O. S. Jensen. Christiania, 1872, M. 1 coll.
Tavl. 8vo. (bis).
Collett (R.), Lycodes Sarsii, n. sp. ex ordine Anacanthinorum
Gadoideorum. C. tab. Christiania, 1871, 8vo.
_—— —— Supplement til „Norges Fugle og deres geographiske
Udbredelse i Landet.” (1868—-70). Christiania, 1871, 8vo. (met
de vier vorige ten geschenke ontvangen van de Koninklijke Uni-
versiteit van Noorwegen.)
Finsch (O.), Description of a new Species of Penguin. Lond.
1870, W. a col. plate, 8vo.
On a Collection of Birds from the Island of Trinidad.
Lond. 1870, 8vo.
XXXIV BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.
8.
10.
IE
12.
14.
15.
16.
IM
18.
19.
20.
21.
Kolenati (F. A.), Die Parasiten der Chiroptern. Dresd. 1857, M.
4 Tfin. 8vo. (met de beide vorige ten geschenke ontvangen van
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.)
List (Revised) of the Vertebrated Animals now or lately living in
the gardens of the Zoological Society of London. Lond., 1872, 8vo.
(van de Zoological Society in ruil tegen het Tijdschr. van Entom.)
Plateau (F.), Matériaux pour la Faune Belge. Crustacés Isopodes
terrestres. Brux., 1870, 8vo.
Recherches Physico-Chimiques sur les Articulés aqua-
tiques. Prem. partie. Brux. 1870, 4to. (met het vorige ten ge-
schenke ontvangen van Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.)
Sars (G. O.), Nye Dybvandscrustaceer fra Lofoten. Christiania,
1869. 8vo.
————— Carcinologiske Bidrag til Norges Fauna. I. Monographi
over de ved Norges Kyster forekommende Mysider. Christiania,
1870, Förste Hefte. M. 5 pl.; 1872. Andet Hefte. M. 3 pl. 4to.
(van het 2de gedeelte een bis.)
——-——— Undersögelser over Hardangerfjordens Fauna. I. Crus-
tacea. Christiana, 1871, 8vo.
1871, 8vo.
—_— —— Diagnoser af nye Annelider fra Christianiafjorden,
efter Prof. M. Sars’s efterladte Manuskripter. Christiania, 187L, 8vo.
Nye Echinodermer fra den Norske Kyst. Christiania,
— On some remarkable Forms of Animal life from the
great Deeps off the Norwegian Coast. I. Partly from posthumous
manuscrips of the late Prof. M. Sars. Christiania, 1872, W. 6
copp. pl. 4to. (bis) (met de vijf vorige ten geschenke ontvangen
van de Koninklijke Universiteit van Noorwegen.)
Algemeene Entomologie.
Moore (F.), F. Walker and F. Smith, Descriptions of some new
Insects collected by Dr. Anderson during the Expedition to Yunan.
London, 1871, W. a Col. pl. 8vo. (geschenk van den heer Moore.)
Siebke (H.), Bidrag til Norges Insektfauna. Beretning om en i
Osterdalen foretagen Reise i 1870. Christiania, 1872. 8vo. (bis)
(geschenk van de Koninklijke Universiteit van Noorwegen.)
Tigny (F. M. G. T. de), Histoire naturelle des Insectes. 3e édition
par M. F. E. Guérin. Paris, 1828, 10 vol. Av. pl. col. 12mo.
Vollenhoven (S. C. Snellen van), Een snuitkever en een sluipwespje.
Amst., 1873, kl. 8vo.
22.
23.
24.
25.
26.
21.
28.
29.
30.
sl.
32.
33.
34.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. XxXV
Vollenhoven (S. C. Snellen van), Eene indringster en hare ge-
vechten. Amst. 1873, kl. 8vo. (met het vorige van den schrijver
ten geschenke ontvangen.)
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
Jekel (H.), Note sur les Genres Peribleptus Sch., Paipalesomus
Sch. et Paipalephorus Jekel. Paris, 1872, 8vo.
————— Notice sur le Genre Caccobius, (C. G. Thomson).
Paris, 1872, 8vo. (met het vorige van den Schrijver ten geschenke
ontvangen.)
Parry (F. J. Sidney), A few Remarks upon Mr. James Thomson’s
Catalogue of Lucanidae, published in the Annales de la Société
Entomologique de France, 1862. Lond. 1863, 8vo. (geschenk van
den heer S. C. Snellen van Vollenhoven.)
B. Lepidoptera.
Moore (F.), Descriptions of New Species of Bombyces from North
Eastern India. Lond. 1865. W. a col. pl. 8vo.
Descriptions of New Indian Lepidoptera. Lond., 1872.
W. 3 col. pl. 8vo. (met het vorige van den Schrijver ten geschenke
ontvangen.)
Scudder (S. H.), Notice of some North American species of Pieris.
Boston, 1861, 8vo.
Vollenhoven (S. C. Snellen van), Beschrijvingen en afbeeldingen
van Nederlandsche vlinders (vervolg op Sepp, Beschouwing der
Wonderen Gods, enz.).’s Gravenhage, 1873. DI. IIT, N°. 21—24, 4to.
Wallace (A. R.), and F. Moore, List of Lepidopterous Insects
collected at Takow, Formosa, bij Mr. Robert Swinhoe. Lond., 1866,
8vo. (geschenk van den heer Msore.)
Wallengrèn (H. D. J.), Skandinaviens Pyralider och Choreutider
beskrifne. Stockholm, 1871, 8vo. (geschenk van den Schrijver.)
€. Hymenoptera.
Mayr (G.), Formicidae Borneerses collectae a J. Doria et O. Beccari
in territorio Sarawak annis 1865— 1867. Genova 1872, 8vo.
————— Die Einmiethler der mitteleuropäischen Eichengallen.
Wien, 1872, 8vo. (met het vorige van den schrijver ten ge-
schenke ontvangen).
Rossum (A. J. van), Sur le liquide des larves de Cimbex. Harlem,
1872, 8vo. (geschenk van den schrijver.)
XXXVI
35.
36.
31.
38.
43,
45,
46.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING,
D. Hemiptera.
Niets bijgekomen.
E. Neuroptera.
Ritsema Cz. (C.), Enoicyla pusilla Burm., ihre Lebensweise und
Fundorten. Regensburg, 1813, 8vo. (Geschenk van den schrijver).
Scudder (S. H.), Additional Remarks upon the Odonata of the
Isle of Pines and of the White Mountains of New Hampshire.
Boston, 1867, 8vo.
EF. Orthoptera.
Niets bijgekomen.
G. Diptera.
Niets bijgekomen.
EE. Arachnoidea en Myriapoda.
Brandt (J. F.), Recueil de Mémoires rélatifs à l’ordre des Insectes
Myriapodes. St. Pétersbourg, 1841, 8vo. (geschenk van Mr. 8. C.
Snellen van Vollenhoven).
Hentz (N. M.), Supplement to the Descriptions and Figures of
the Araneides of the United States. Edited by S. H. Scudder.
Boston, 1868, W. 2 pl. 8vo.
Hoogenstraaten (F. W. M.), Over de Scabies. Utrecht, 1858,
met 1 plaat, 8vo.
Humbert (A.) et H. de Saussure, Myriapoda nova americana.
Paris, 1869, 8vo.
Koch (C. L.), System der Myriapoden, mit den Verzeichnissen
und Berichtigungen zu Deutschlands Crustaceen, Myriapoden und
Arachniden. Heft 1—40. Regenburg, 1847, Mit 10 Tiln. kl. 8vo.
Koch (L.), Die Myriapodengattung Lithobius. Mit 2 Tfin. Niirn-
berg, 1862, 8vo.
Peters (W.), Uebersicht der im königl. zoologischen Museum
befindlichen Myriopoden aus der Familie der Polydesmi, so wie
Bescheibungen einer neuen Gattung Trachyjulus, der Juli und
neuer Arten der Gattung Siphonophora. Berlin, 1864, 8vo.
————— Nachtrag zu der Uebersicht der Polydesmi des königl.
zoologischen Muscums. Berlin, 1864, 8vo.
Plateau (F.), Matériaux pour la Faune Belge. Deuxiéme note,
Myriapodes. Brux., 1872, Av. 2 pl. 8vo.
41.
48.
49,
50.
51.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. XXXVII
Sundevall (C. J.), Conspectus Arachnidum. Londini Gothorum,
1833, 8vo. (Met de zeven vorigen ten geschenke ontvangen van
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven).
Thorell (T.), Remarks on Synonyms of European Spiders. Up-
sala, London, Berlin, 1873. Part 4, 8vo. (geschenk van den
schrijver).
Palaeontologie.
Niets bijgekomen.
Ontwikkelingsgeschiedenis en ontleedkunde.
Niets bijgekomen.
Tijdschriften.
Annuaire de l’Académie royale des sciences, des lettres et des
beaux arts de Belgique. Brux. 1872/73, Ann. 38 et 39, Av.
portr. kl. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr, v. Entom.).
Archives of Science and Transactions of the Orleans County. So-
ciety of Natural Sciences. Newport, Orleans Co., Vermont. 1871/12,
vol. I, n°. 4 and 5, 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. voor Entom.).
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. Caen, 1871,
2de ser. 5e vol. (ann. 1869—70) 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.)
Bulletin des Scéances de la Société Entomologique de France.
Paris, 1873, n°. 1, 8vo.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Buffalo 1873,
vol, I, n°. 1, 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Firenze, 1872/73,
an IV, trim. 4; an V, trim. 1, 8vo. (im ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
Compte-Rendu des Scéances de la Société Entomologique de
Belgique. Brux. 1872/73, n°. 80—88, 8vo.
Fauvel (A.), Annuaire Entomologique pour 1873. Caen et Paris,
1873, kl. 8vo. (geschenk van den schrijver).
Jaarboek der Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot aan-
moediging van den Tuinbouw. Rotterdam, 1864, M. 1 pl. 8vo.
Jahresbericht (Zweiter) des Vereines der Aerzte in Steiermark.
Gräz, 1866, 8vo.
Mémoires de la Société Linnéenne de Normandie. Caen et Paris,
1869—72, T. XV et XVI. Av. pl. 4to. (in ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
XXXVIII BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.
10.
71.
72.
13.
74.
15.
16.
11.
18.
19.
ROUE
81.
82.
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Boston,
1869—72, vol. II, part I, part. 1I, n°. 1. With plates. 4to.
(in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië, uigegeven
door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch
Indië. Batavia en ’s Gravenhage, 1866, dl. 29, aflev. 2—4, 8vo.
Newman (E.), The Entomologist. London, 1873, vol. VI,
n° 112—117, 8vo.
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Boston,
1871—72, vol. XIII, vol. XIV p. 1—224, 8vo. (in ruil tegen
het Tijdschr. v. Entem.).
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society
of London for the year 1872, part I. London, 1872. With plates,
8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Schriften der königlichen physikalisch-ökonomischen Gesellschaft
zu Königsberg. Königsberg, 1872, 13de Jahrg., Iste Abth.,
4to. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Transactions of the New York State Agricultural Society for the
years 1869 and 1870, Albany, 1170—71. With plates, 8vo.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. ’s Gravenhage 1872—73, 2de ser.
8ste deel, afl. 1—5. Met pl. 8vo.
Verhandelungen der kaiserlich-königlichen zoologisch-botanischen
Gesellschaft in Wien. Wien, 1872. Bd. XXII. Mit 7 Tfln. 8vo.
(ix ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Verslag van de zesde Winter-Vergadering der Nederlandsche Ento-
mologische Vereeniging, gehouden te Leiden, den 28sten December,
1872. ‘s Gravenhage 1873, 8vo.
Verslag (72ste) van het Natuurkundig Genootschap te Groningen,
over het jaar 1872, 8vo.
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Weten-
schappen. Afdeeling Natuurkunde. Amst. 1873, 2de reeks, 1de deel,
eerste stuk. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Reizen.
Niets bijgekomen.
Varia.
Anniversaire (Centième) de Fondation de l'Académie Royale de
Belgique, 1772—1872. Brux. 1872, 2 vol. 8vo. (geschenk van de
Belgische Academie van Wetenschappen.)
83.
84.
85.
86.
81.
88.
89.
90.
Site
92.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. XXXIX
Cantate ved det Kongelige Norske Frederiks Universitets Mindefest
for Hans Majestæt Kong Carl, den 19de November 1872. Christi-
ania, 1872, 4to, (geschenk van de Koninklijke Universiteit van
EAT:
Noorwegen.) a
Catalogue of the library of the Zoological Society of London. London,
1872, 8vo. (geschenk van the London Zoological Society).
Chapuis (F.), Le Pigeon voyageur Belge. Verviers, 1865, kl. 8vo.
————— Le Pigeon voyageur Belge. De son Instinct d’orien-
tation et des moyens de le perfectionner. Verviers, 1868, kl. 8vo.
—— Conseils pratiques sur l’utilité de la Vaccine. Verviers,
1870, 8vo.
————— et E. Lambotte. Les Bains. Conseils pratiques. Ver-
viers, 1869, 8vo. (met de drie vorigen ten geschenke ontvangen van
den heer S. C. Snellen van Vollenhoven.
Müller ‘(A.), Coutributions to Entomological Bibliograghy up to
1862, N°. 1. London, 1873, 8vo. (geschenk van den Schrijver.)
Quetelet (A.), Notices extraites de l’annuaire de l’observatoire
royal de Bruxelles pour 1873, kl. 8vo.
——— _- Observations des Phénomènes périodiques pendant
l’année 1870. Bruxelles, 4to. (met het vorige van den Schrijver ten
geschenke ontvangen.)
Weyenbergh (H.), De taak der Dierkunde. Redevoering ter aan-
vaarding van het hoogleeraarsambt in de philosophische faculteit
(leerstoel der Dierkunde) aan de Universiteit te Cordova (Argentina)
in Juli 1873 in de Spaansche taal uitgesproken. Haarl. 1873, 8vo.
(geschenk van den Redenaar).
BIBLIOTHEEK 5%.
Natuurlijke Historie in het Algemeen.
Cotta (B.), Briefe über A. von Humboldt’s Kosmos. Leipzig, 1860.
Bd. IV. Bearb. von W. C. Wittwer und H. Girard. 8vo.
Algemeene Dierkunde.
Niets bijgekomen.
Algemeene Entomologie.
Thomson (C. G.), Opuscula Entomologica. Lund, 1869—71. Fasc.
I—IV, 8vo.
XL
10.
11.
12.
13.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
Niets bijgekomens
BB. Lepidoptera.
Berce (E.), Faune entomologique francaise (Lépidoptères). Des-
cription de tous les Papillons qui se trouvent en France. Paris,
1870. Vol. III et IV (Noctuae). Av. pl. col. 8vo.
Hewitson (W. C.), Exotic Butterflies, being Illustrations of new
Species. London, 1870—73. Part 73—87. W. many col. pl. 4to.
———--— Illustrations of Diurnal Lepidoptera, (Lycaenidae).
London, 1873. Part. V. With 6 col. pl. 4to.
Millière (P.,) Iconographie et Description de Chenilles et Lépi-
doptères inédits. Paris, 1872—73. Livr. 28—31. Av. pl. col.
gr. in 8vo.
Vollenhoven (S. C. Snellen van) Beschrijvingen en Afbeeldingen
van Nederlandsche Vlinders. ’s Gravenhage, 1872—73. DI. III,
N°, 1—24. Met gekl. pl. 4to. (Vervolg op J. C. Sepp, Beschouwing
der wonderen Gods.)
€. Hymenoptera.
Thomson (C. G.), Skandinaviens Hymenoptera. Tom II. (Apis,
Linn.) Lundae, 1812, 8vo.
ED. Hemiptera.
Stal (C.), Hemiptera Fabriciana. Stockh. 1868, 69. 2 tom. 4to.
E. Neuroptera.
Clutius (A.), Opuscula duo singularia. I. De nuce medica. IT. De
Hemerobio sive Ephemero Insecto, et Majali Verme. Amstelodami,
1834, 4to.
Wallengrèn (H. D. J.), Skandinaviens Neuroptera. Stockh. 1871.
Första Afdeln. Neuroptera Planipennia, 4to.
EF. Orthoptera.
Saussure (H. de), Mélanges orthoptérologiques. Genève, Bale et
Lyon, 1872. Tom. II. Av. 3 pl. 4to.
G. Diptera.
Jaennicke (F.), Neue exotische Dipteren aus den Museen zu
Frankfurt a. M. und Darmstadt. Frankf. a. M. 1868. M. 2 Tfin. 4to.
14.
15.
16.
Wi
18.
: #9!
20.
21.
22.
23.
24.
25.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING, XLI
Schiner (R. J.), Catalogus systematicus Dipterorum Europae.
Vindobonae, 1864. 8vo.
HI. Arachnoidea en Myriapoda.
Thorell (F.), Araneae nonnullae Novae Hollandiae. Stockh. 1870.
8vo. 4
Palaeontologie,
Niets bijgekomen.
Ontwikkelingsgeschiedenis en ontleedkunde.
Graber (V.), Vorläufiger Bericht über den propulsatorischen Ap-
parat der Insekten. Wien, 1872. M. 1 Taf. 8vo.
Tijdschriften.
Album der Natuur. Tijdschrift ter verspreiding van natuurkennis
onder de beschaafde lezers van allerlei stand, Haarlem, 1872.
Met pl. 8vo.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Brux. 1871—72.
T. 15. Av. 3 pl. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr, v. Entom.)
Annales de la Société Entomologique de France. Paris, 1871,
5de série. T. I. Av. 7 pl. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.)
Annales des Sciences naturelles. Zoologie et Palaeontologie. Paris,
1870—73, 5° Serie. t. 13—17, t. 18 n°. 1. Av. pl. 8vo.
Annals and Magazine of Natural History; conducted by CAC.
Babington, J. E. Gray, W. S. Dallas and W. Francis. Lond.
1872—73. 4th. Series, vol. 9—11. With pl. 8vo.
Archives (Nouvelles) du Muséum d'histoire naturelle. Paris,
187015. T. 7, 8 et 9, live ‘I. Av. pl. 4to.
Berliner entomologische Zeitschrift; herausgegeben von dem Ento-
mologischen Vereine in Berlin. Redact. Dr. G. Kraatz. Berlin,
1872, lôter Jahrg. M. 7 Tfln. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
Bulletins de l’Académie royale des Sciences et belles-lettres de
Bruxelles. Brux. 1871—72 2de Série, t. 31—34. 8vo. (in ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou, publié
sous la direction du Dr. Renard. Moscou, 1872. Ann. 1872,
n°, 1—3, Av. 4 pl. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
XLII
26.
27.
29.
30.
32.
33.
34.
35.
36.
37.
38.
39.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.
Bijdragen tot de Natuurkundige Wetenschappen, verzameld door
H. C. van Hall, W. Vrolik en G. J. Mulder. Amsterd. 1826—-32.
7 din. Met pl. 8vo.
Entomologische Zeitune. Herausgegeben von dem Entomologischen
Vereine in Stettin. Stettin, 1872. Jahrg. 33. M. 2 Tfin. 8vo.
(in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Entomologist’s (The) monthly Magazine; conducted bij H. G.
Knaggs, R. McLachlan, E. C. Rye and H. T. Stainton. Lond.
1872— 73. vol. IX et X, n° 1. 8vo.
Guérin-Méneville (F. E.), Revue et Magasin de Zoologie pure et
appliquée. Paris, 1871—73. 2de Série t. 23, 24 n° 1—6. Av.
pl. 8vo.
Jaarboekje van het Kon. Zoologisch Genootschap » Natura Artis
Magistra ». Amsterd. 1872—73. 8vo.
Journal of the Proceedings of the Linnean Society of London.
(Zoology). Lond. 1871, vol. XI, n° 53 and 54. 8vo. (in ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Korrespondenz-Blatt des Zoologisch-mineralogischen Vereines in
Regensburg. Regensburg, 1872—73. Jahrg. 26, 27, n° 1—4.
8vo.
Mittheilangen des Schweizerischen entomologischen Gesellschaft ;
redigirt von Gust. Stierlin, Schaffhausen, 1873. vol. IV. Heft
n° 1. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Stainton (H. T.), The Entomologist’s Annual. Lond. 1873. W.
1 pl. 8vo. (geschenk van den heer Stainton.)
Transactions of the Entomological Society of London. London,
1837. Vol. I. prt. 1 and 2. With 8 col. pl. 8vo.
Transactions of the Entomological Society of London, for 1871
and 72. London, 1871—72. With pl. 8vo. (in ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederl. Entom.
Vereen. onder redactie van S, C. Snellen van Vollenhoven,
A. W. M. van Hasselt en F. M. van der Wulp. ’s Gravenhage,
1872—73, 2de serie, dl. 8, aflev. 1—4. M. 8 gekl. pl. 8vo.
Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der preussischen
Rheinlande und Westphalens. Bonn, 1871. Jahrg. 28. Mit 9
Tafin. 8vo.
Verslagen der beide in 1872 door de Nederl, Ent. Vereen. ge-
houden Vergaderingen.
40.
41.
42.
43.
44,
45.
46.
41.
48.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT VEREENIGING. XLIII
Wiegman (A. F. A.), Archiv für Naturgeschichte, herausgegeb.
von Dr. F. H. Troschel. Berlin, 1871—73. Jahrg. 37 n° 1-4;
38 n° 1-4; 39 n° 1. Mit Tafln. 8vo.
Zoologist (The), A monthly Journal of Natural History conduct.
by E. Newman. Lond. 1872—73. Sec. series, n° 76—93. 8vo.
Reizen.
Alpinus (P.), Historia Aesypti naturalis. Lugd. Bat. 1735.
Paris I et II, C. tabb. 102. 4to.
Brükmann (F. E.), Notae et animadv. in G. Pisonis et J. Bontii
libros de Indiae re naturali et medica. Wolffenb. 1738. 4to.
Ginanni (F.), Istoria civile e naturale delle pinete Ravenate.
Roma, 1774. C. tabb. 18. 4to.
Pallas (P. S.), Voyages dans plusieurs provinces de l’empire de
Russie et dans l’Asie septentrionale. Traduits de l'allemand par
Gauthier de la Peyronie. Nouv. édition revue et enrichie de notes
par M. M. Lamarck et Langlès. Paris, an Il. 8 vol. 8vo et un
Atlas de beaucoup de planches et de cartes. 4to. A dé
Piso (W.), Historia naturalis Brasiliae. Lugd. Bat. et Amstelod.
1648. C. fige. fol,
Reise der österreichischen Fregatte Novara um die Erde in den
Jahren 1857, 58 und 59 unter den Befehlen des Commodore
B. von Wüllerstorf-Urbair. Zoologischer Theil. Zweiter Band.
Wien, 1865—67. 4to.
Coleoptera, bearb. von L. Redtenbacher. Wien, 1867. Mit
5 Tafin.
Hymenoptera, bearb. von H. de Saussure. Wien, 1867. Mit
4 Tafln. und einem Supplement von J. Sichel.
Formicidae, bearb. von G. L. Mayr. Wien, 1865. M. 4 Tafln.
Hemiptera, bearb. von G. L. Mayr. Wien, 1866. M. 5 Tafln.
Neuroptera, bearb. von F. Brauer. Wien, 1866. M. 2 Tafln.
Diptera, bearb. von R. J. Schiner. Wien, 1868. M. 4 Tafln.
Voyage de Humboldt et Bonpland. 2de Partie. Observations de
Zoologie et d’Anatomie comparée. Paris, 1811. Vol. I. Av. 30
pl. col. 4to.
Varia.
Niets bijgekomen.
ENTOMOLOGISCHE INHOUD
VAN
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
September 1872.
Newman’s Entomologist, N° 108 (Sept. 1872) (4) 1).
Korte aanteekeningen over insekten van verschillende orden, doch
voornamelijk over Lepidoptera.
The Entomologist’s Monthly Magazine, N° 100 (Sept. 1872) (B).
A List of British Dolichopodidae, by G. H. Verrall. — Descriptions
of a new genus and five new species of exotic Psocidae (with a
wood-cut), by R. Mac Lachlan. — Mimiery in the colors of insects,
by Dr. H. A. Hagen. — Descriptions of seven new exotic Rho-
palocera, by W. C. Hewitson. — Change of Nomenclature, by
E. C. Rye. — Notes on Coleoptera in the New Forest, by G. C.
Champion en andere kleine mededeelingen.
Newman’s Zoologist, sec. series N° 84 (Sept. 1872) (B).
Slechts de mededeeling van Edward Newman dat gedurende Augustus
voornamelijk in het Zuiden van Engeland een ongewoon aantal
exemplaren van Vanessa Antiopa gevangen is.
Annals and Magazine of Natural History, 4th series N° 57 (Sept.
1872) (B).
A Monograph of the Genus Thelyphonus, by A. G. Butler. —
New Names for a long-known Lepidopteron, by C. Ritsema. —
Eggs and newly hatched Young of Ixodes Dugesii and Argas
reflexus, by G. Gulliver,
Revue et Magasin de Zoologie, 1871—1872 N° 7 et 8 (B).
Descriptions d’espèces nouvelles de Carabiques de la tribu des Zron-
catipennes, et remarques synonymiques, par M. le baron de Chaudoir
(Suite). — Nouveaux Coléoptères d'Europe, par H. Tournier. —
Catalogue des Longicornes récoltés par M. Théophile Deyrolle, en
Imerétie, Mingrélie et Géorgie, et description des espèces nouvelles,
1) 4 duidt aan dat het werk tot de oorspronkelijke Bibliotheek der Ned. Ent.
Vereeniging, B dat het tot de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier behoort,
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. XLV
par H. Tonrnier. — De l'influence de la lumière sur les larves
de diptères privées d’organes extérieurs de la vision, par M. G.
Pouchet. (Suite et Fin.) — Etudes sur les Lépidoptéres du genre
Pavonia, par E. Deyrolle (Suite). — Hyménoptères nouveaux du
bassin méditerranéen, par M. le Dr. Dours.
Transactions of the Entomological Society of London for 1871. (B).
A Monograph on the Ephemeridae, by E. Eaton. — New Species
of Diurnal Lepidoptera from South and Central America, by W.
C. Hewitson. — Descriptions of a new genus and six new species
of Pierinae, by A.G. Butler. — On the dispersal of non-migratory
Insects by atmospheric agencies, by A. Müller. — Notes on some
British species of Oxypoda with descriptions of new species, by
D. Sharp. — Observations on Immature Sexuality and Alternate
Generation in Insects, by T. Lowne. — On Additions to the
Atlantic Coleoptera, by Vernon Wollaston. — On a new genus
and species of Coleoptera belonging to the family Lucanidae, from
the Sandwich Islands, by C. O. Waterhouse. — An Examination
of the arrangement of Macro-Lepidoptera introduced in England
by Mr. Doubleday, and a suggestion as to its origin; with some
strictures upon synonymic lists, by W. Arnold Lewis. — Descrip-
tions of some new exotic species of Lucanidae, by J. O. Westwood. —
Descriptions of a new genus, and of two new species of Longicorn
Coleoptera, by H. W. Bates. — Descriptions of three new species
of Cicindelidae, by H. W. Bates. — Descriptions of new genera,
and of some recently discovered species of Australian Phytophaga,
by J. S. Baly. — Descriptions of five new species, and a new
genus of Diurnal Lepidoptera, from Shanghai, by A. G. Butler. —
On some black species of Cantharis with red heads and filiform
antennae, by C. O. Waterhouse. — Aperçu statistique sur les
Névroptéres Odonates, par le baron E. de Selys-Longchamps. —
On the forms of Zygaena Trifolii, with some remarks on the
question of specific difference, as opposed to local or phytophagic
variation, in that genus, by T. H. Briggs. — Remarks concerning the
identification of Myrmeleon formicaleo, formicarium, and formicalyna
of Linné, by R. Mac Lachlan.
Idem, for 1872 part 1, 2 and 3,
Stylopidarum, ordinem Strepsipterorum Kirbii constituentium, mihi
tamen potius Coleopterorum Familiae , Rhipiphoridis Meloïdisque pro-
pinquae, Monographia ; auctore S. S. Saunders. — On certain species
of Pericopides in the Collection of Mr. W. Wilson Saunders: with
a List of the described Species pertaining to that Group, by A. G.
Butler. — Descriptions of some Species of Cassididae new to
science, by J. S. Baly. — Descriptions of new Species of Luca-
noid Coleoptera; with remarks on the genus Cantharolethrus, and
supplementary List, by Major Parry (including descriptions by M.
XLVi BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. :
Snellen van Vollenhoven and Prof. Westwood). — Descriptions of
some new Papilionidae, by J. O. Westwood. -- Note on the Diurnal
Lepidoptera described by Jablonsky and Herbst, in their ,, Natur-
system aller bekannten Insekten,” by W. F. Kirby. — On the
genus Acentropus, by J. W. Dunning. — On the external sexual
apparatus of the males of the genus Acentropus, by R. Mc. Lachlan. —
On the Longicorn Coleoptera of Chontales, Nicaragua, by H. W.
Bates. — Descriptions of twenty new species of Buprestidae, by E.
Saunders. — Notes on certain species of Pericopides, omitted in
a list of species recently read before the Society, by A. G. Butler.
Nouvelles Archives du Museum d’bistoire naturelle de Paris, tome 8°,
fasc. I: (B).
Journal d’un voyage dans le centre de la Chine et dans le Thibet
oriental, par M. l’ablé Armand David, waarin enkele kleine aan-
teekeningen over Insekten,
October 1872.
Newman’s Entomologist, N° 109. (Oct. 1872) (4).
Economy of Chalcidiae, by Fr. Walker. — Entomological Notes
from South-Australia, by H. Ramsay Cox. — On some Amurland
Insècts, by Fr. Walker. — Korte aanteekeningen over insecten
van verschillende orden, doeh voornamelijk over Lepidoptera.
The Entomologist’s Montly Magazine, N° 101. (Oct. 1872) (2).
Notes on Heteromera and Descriptions of New Genera and Species
(N°. 1), by F. Bates. — Instructions for the Collection and Preser-
vation of Neuropterous Insects, by R. Mac Lachlan. — The recent
Invasion of Great Britain by Vanessa Antiopa, by H. T.
Stainton. — Voorts vele kleine aanteekeningen.
Newman’s Zoologist, sec. series N° 85 (Oct. 1872) (2).
Larva of Eupithecia togata, by H. Harpur Crewe.
Annals and Magazine of Natural History, 4th series N° 58 (Oct. 1872) (2).
Remarks on Crinodes Sommeri and Tarsolepis remicauda, by A. G.
Butler. — On the Habits of some Madeiran Spiders, by Fr.
Pollock. — On the Habits of Galeodes pallipes, by Prof. Cope.
Bullettino della Società Entomologica Italiana, anno quarto, trim. III
(Luglio, Agosto, Settembre 1872) (4).
Degli Insetti parassiti e delle loro Vittime enumerazione con note del
Prof. Camillo Rondani (continuazione.) — Catalogo sinonimico e
topografico dei Coleotteri della Toscana (continuazione), ordinato
da Ferd, Piccioli. — Diagnosi di una-nuova specie di Pelopoeus, del
Prof. Antonio Carruccio. — Ancora della Partenogenesi del Bombyx
mori, dell’ Ing. Antonio Curò. — Materiali per la Fauna entomo-
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. XLvii
logica dell’isola di Sardegna. Coleotteri (Continuazione) da Piero Bar-
gagli. — Allevamento dei bachi da seta in Italia nella primavera
del 1872, del Prof. A. Targioni-Tozzetti. — Un momento di
cattivo umore. — Sulla natura delle ali degli Insetti. — Parteno-
genesi delle Farfalle. — Partenogenesi delle Api. — Diagnosi di nuove
specie italiane. — Di un insetto poco noto che danneggia l’ulivo. —
Sulla Phylloxera vastatrix.
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Année
1872. N°. 1 (B).
Supplément indispensable à l’article publié par M. Gerstaecker, en
1869, sur quelques genres d’Hyménoptères, par O. de Bourmeister
Radoszkowsky. Av. une pl.
Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der preussischen Rhein-
lande und Westphalens. 28ster Jahrg. 1871. (B).
Uebersicht der Gattungen und Arten der Familie der Plectiscoiden,
von A. Forster. — Lebende Maden von Anobium paniceum in
einem Glase mit spanischem Pfeffer, von Troschel. — Ueber die
Cetoniden der Sunda-Inseln und Molukken, von Mohnike. —
Ueber eine entomologische Mittheilung von Hern G. Fries in Breslau
Plusia Cheiranthi (Eugenia Er.) betreffend, von Andrà. — Ueber die
Nahrung der Gryllotalpa vulgaris, und über die Züchtung von
Saturnia Yama-mai, von Landois.
November, 1872,
Newman’s Entomologist, N° 110. (Nov. 1872) (4).
Economy of Chalcidiae, by Fr. Walker. — Notes on some Insects
of Italy and of South France, observed between the middle of
May and the middle of July, 1872, bv the same. — Korte aan-
teekeningen over insekten van verschillende orden, doch voorna-
melijk over Lepidoptera. — Extracts from the Proceedings of the
Entomological Society, February 5 to March 18, 1872.
The Entomologist’s Monthly Magazine, N° 102 (Nov. 1872) (B).
Description of a new genus and two new exotic species of the family
Larridae (Hymenoptera) (with a wood-cut), by C. Ritsema. —
Description of a new species of Aphidius from Britain, by T. A.
Marshall. — Notes on British Tortrices, with descriptions of two
new species, by C. G. Barrett. — Note on our recent invasion
by Vanessa Antiopa, by F. Buchanan White. — The recent
invasion by Vanessa Antiopa, by D. Sharp. — Description of a
new species of Damaster from Japan, by E. C. Rye. — Notes on
Heteromera and descriptions of new genera and species (N°, 2),
by F. Bates. — Verder vele kleine aanteekeningen.
Newman’s Zoologist, sec. series. N° 86 (Nov. 1872) (B).
Are the Channel Islands British? by E. Birchall,
XLVII BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.
Annals and Magazine of Natural History, 4th series, N° 59 (Nov.
1812) (B.)
Notes on Coleoptera, with Descriptions of New Genera and Species,
Part II, by Fr. P. Pascoe. — Notes on a Deep-sea Dredging-
Expedition round the Island of Anticosti, in the Gulf of St. Lawrence,
by J. F. Whiteaves. — Descriptions of new Myriopoda of the
Family Glomeridae, by A. G. Butler. — On Branchipus and
Artemia, by C. Vogt.
Troschel’s Archiv fur Naturgeschichte. 38er Jahrg. 2tes Heft. (B).
Ueber Cubanische Crustaceen nach den Sammlungen Dr. J. Gundlach’s.
Von E. von Martens. (Schluss.) — Verzeichniss der von Dr.
J. Gundlach auf der Insel Cuba gesammelten Rüsselkäfer. Von
Dr. E. Suffrian in Münster. (Fortsetzung). — Ueber die Respirations-
organe der Araneen. Von Dr. Ph. Bertkau in Köln (met 1 Taf.).
Mittheilungen der Schweizerischer Entomologischen Gesellschaft. Redigirt
von G. Stierlin. Vol. III. Heft N° 10 (4.)
Hyménoptères divers du Bassin du Léman, par Fr. Chevrier. — Ein
Beitrag zur Kenntniss des Genus Deilephila O., von Dr. Huguenin. —
Materiaux complémentaires pour la Faune des Lepidopteres de la
Suisse, par H. de Peyerimhoff. — XIIe Recueil. Descriptions d’un
genre nouveau et de plusieurs espèces de Coléoptères propres à la
Russie méridionale et remarques synonymiques, par Gautier des
Gottes. — Ueber Entwickelung und Lebensweise von Serropalpus
strictus Hellen. Von J. Erné. — Etudes sur les Myriapodes, par
Alois Humbert I. Note sur l’accouplement et la ponte des Glomeris.
Revue et Magasin de Zoologie. 1871—1872. N° 10. (2.)
Hyménoptères nouveaux du bassin méditerranéen, par M. le Dr.
Dours. (Suite.)
December 1872.
Newman’s Entomologist, N° 111. (Dec. 1872) (4).
Economy of Chalcidiae, by Fr. Walker. — Observations on Diptera,
by R. H. Meade. — On some Amurland Insects (Part. 2), by Fr.
Walker. — Korte aanteekeningen over Lepidoptera. — Extracts
from the Proceedings of the Entom. Soc. 18 March 1872, waarin
o. a. Ravages of Locusts in South Australia by C. A. Wilson. —
Haegerstone Entomological Society. — Death of Mr. Edleston,
by E. Newman.
The Entomologist's Monthly Magazine, N° 103 (Dec. 1872) (B).
Notes on two new genera of Psocidae (with an illustration), by Baron
E. de Selys Longchamps. — Descriptions of a new species of
Papilio from Lagos, by W. C. Hewitson. — Descriptions of new
species of African Diurnal Lepidoptera, by C. Ward. — Extraor-
dinary migration of Pyrameis Cardui, by F. Buchanan White. —
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. XLIX
Notes on Heteromera, and descriptions of new genera and species
(n° 3), by F. Bates. — Description of a new genus and species
of Hydrophilidae from New Zealand, and of a new species of Phil-
hydrus from Great Britain, by D. Sharp. —- Observations on
some Britisch species of Dascillidae, with description of a new
species of Cyphon, by D. Sharp. — Additions to the list of
British Coleoptera, etc., including description of a new species of
Thyamis, by E. C. Rye. — Note on a recent capture of Lymexylon
navale in Cheshire, by J. Chappell en andere kleine mededeelingen. —
Instructions for the collections and preservation of Neuropterous
Insects (continued), by R. Mc. Lachlan.
Annals and Magazine of Natural History. 4th series. N°. 60 (Dec,
1872) (B.)
On a new Family and Genus and two new Species of Thelyphonidea
by O. P. Cambridge (with a Plate.) — On Crinodes Sommeri and
Tarsolepis remicauda, in answer to Mr. Butlers’s Remarks, by
C. Ritsema. — On the Habits and Distribution of Lycosa ingens
BI., by O. P. Cambridge, —
Nouvelles Archives du Museum d’Histoire naturelle de Paris, tome 8,
fasc. II (3).
Journal d’un voyage dans le centre de la Chine et dans le Thibet
oriental, par M. l’abbé Armand David. (Suite).
Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde, Jahrg, 25 und
26. 1871—72 (4).
A. Rössler, Beobachtungen über einige in Gärten vorkommende
Kleinschmetterlinge. — id. Zur Naturgeschichte von Agrotis Tri-
tici L. = fumosa L. und obelisca S. V. — A. Fuchs, Beobach-
tungen über einige Lepidopteren. — C. L. Kirschbaum, Ueber
das Nest von Anthidium strigatum Latr.
Revue et Magasin de Zoologie 1871—72. n°. 9 (B).
Catalogue des Longicornes récoltés par M. Théophile Deyrolle, en
Imirétie, Mingrélie et Géorgie, et descriptions des espèees nouvelles
par H. Tournier. (Suite.) — Hyménoptères nouveaux du bassin
méditerrannéen, par M. le Dr. Dours. (Suite.) —
Januarij, 1873.
Newman’s Entomologist, nö 112 (Jan. 1878) (4).
Economy of Chalcidiae, by Fr. Walker. — Pseudobalani, or False
Acorns, by E. Newman. — Notes on some Insects of Italy and
of South France, observed between the middle of May and the
middle of July, 1872, by Fr. Walker, — Korte aanteekeningen
vooral over Lepidoptera. — Extracts from the Proceedings of the
Entomological Society, waarin o. a. het vervolg van Wilson's
4
L BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.
» Ravages of Locusts in South Australia. # — South London En-
tomological Society. — Death of Mr. J. K. Lord, by E. Newman. -
The Entomologist’s Monthly Magazine, n° 104 (Jan. 1873) (B).
Instructions for the collection and preservation of Neuropterous In-
sects (continued), by R. Me. Lachlan. — Remarks on Mr. Bar-
retts Notes on British Tortrices, » by C. S. Gregson. — Notes
on Trichopterygia with descriptions of two new species, by A. Mat-
thews. — Notes on Heteromera, and descriptions of new genera
and species (n° 4), by F. Bates. — A descriptive List of Erotylidae
collected by G. Lewis in Japan, by G. R. Crotch (with Addenda
to the genus Languria bij E. W. Janson and C. O. Waterhouse). —
Verder vele kleinere mededeelingen.
Annals and Magazine of Natural History, 4th series n° 61 (Jan. 1873) (B).
Notes on the Longicorn Coleoptera of Tropical America, by H. W.
Bates. — Physico-chemical Investigations upon the Aquatic Arti-
culata, Part II by F. Plateau. — Answer to Herr Ritsema’s
v Note on Crinodes Sommeri ete.‚n by A. G. Butler. — On a
Mite in the Har of the Ox. Proc. Acad. Nat. Sci. Philad. 1872.
Februarij, 1878.
Newman’s Entomologist, n° 113 (Febr. 1873) (4).
Variety of Chelonia villica, by Edw. Newman. — Economy of Chal-
cidiae, by Fr. Walker. — Notes on Swiss Lepidoptera, by H. Ch.
Lang. — Notes on some Insects of Italy and of South France,
observed between the middle of May and the middle of July,
1872, by Fr. Walker. — Supplementary Note on the Genus
Acentropus, by J. W. Dunning. — Korte aanteekeningen vooral
over Lepidoptera. — Description of a Lepidopterous Insect (Kphestia
Rozburghii) new to Science, by C. S. Gregson.
The Entomologist’s Monthly Magazine, n° 105 (Febr, 1873) (4).
Notes on Meteromera, and Descriptions of New Genera and Species
(n° 5), by F. Bates. — A list of Endomychidae collected in
Japan by G. Lewis, with descriptions of new genera and species,
by H. S. Gorham. — Descriptions of new species of Coleoptera
from Chili, by E. C. Reed. — Descriptions of new species of
African Lepidoptera, by C. Ward. — British Hemiptera: new
species (Homoptera), by J. W. Douglas and John Scott. — Notes
on Britisch Tortrices, by G. G. Barrett. — Note on the occur-
rence in England of Clytus erythrocephalus F., by E. C. Rye en
verder vele kleinere mededeelingen. — Entomological Society of
London, 6th January, 1873. — Review: z Catalogue of British
Hymenoptera, Part 2, compiled by T. A. Marshall,» by J. W.
Dunning. — Instructions for the collection and preservation of
Neuropterous Insects (continued), by R. Mc. Lachlan,
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING LI
Annals and Magazine of Natural History, 4th series, n° 62 (Febr.
1873) (B).
A monographic List. of the Species of the Genus Gonyleptes, with
Descriptions of three remarkable new Species, by A. G, Butler. —
Notes on the Longicorn Coleoptera of Tropical America, by H.
W. Bates. — Anatomical Investigations on the Zimuli, by A.
Milne-Edwards. — Descriptions of three new Species of Crustacea
parasitie on the Cetacea of the N. W. coast of America, by W.
H. Dall.
Revue et Magasin de Zoologie. 1871—1872, n° 11 et 12. (B).
Notice sur le genre Caccodius Thoms. par H. Jekel. — Hyméno-
| pières nouveaux du bassin méditerranéen, par M. le Dr. Dours
(Suite). — Catalogue des Cicindélides et des Carabides recueillis
par K. Th. Deyrolle en Asie Mineure, par M. H. Gilnicki, —
Catalogue raisonné des Lépidoptères rapportés par M. Th. Dey-
rolle de son exploration scientifique en Asie Mineure, par M. Ch.
Oberthür. — Tables alphabétiques pour l'année 1871—1872.
Bulletino della Società Entomologica Italiana, anno quarto, trim. IV
(Ottobre, Novembre, Decembre 1872) (4).
Degli insetti parassiti e delle loro vittime (continuazione e fine),
del Prof. C. Rondani. — Sui rapporti delle Formiche colle Tetti-
gometre e sulla genealogia degli Afidi e dei Coccidi, del Prof.
: F. Delpino. — Note relative alla Zhalessa clavata, da G. C.
Vittore. — Sopra un nuoyo metodo per preservare le collezioni
entomologiche dai danni degli Antreni, del Dott. C. Emery. —
Di alcune escursioni fatte in Italia nel 1872, da P. Bargagli. —
Sull’ allevamento dei bachi della quercia (Saturnia Yama-mai),
del Nob. C. Tacchetti. — Intorno alla partenogenesi riconosciuta
nelle farfalle da antichi italiani, da C. de Siebold. — Catalogo di
Crostacei podottalmi brachiuri e anomuri, raccolti nel viaggio di
cireumnavigazione della fregata italiana Magenta e riportati dal
Prof. E. Giglioli.
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie, t. XV, n° 4 à 6. (B).
Mémoire sur le vol des Insectes et des Oiseaux, par M. Marey. —
Note sur les Crabes d’eau douce de Madagascar, par M. A. Milne
Edwards. — Description de quelques Lépidoptères appartenant
aux genres Charaxes et Cyligramma, et provenant du voyage de
M. A. Grandidier à Madagascar, par M. H. Lucas.
id. tome XVI (2).
Mémoire sur le développement des Phalangides, par M. Balbiani. —
Etudes d’anatomie comparée sur les organes du toucher chez divers
Mammifères, Oiseaux, Poissons et Insectes, par M. Jobert. —
_ Etude sur le prétendu Crustacé au sujet duquel Latreille a créé le
nt peg
Lil BIBLIOTHEEK DER NED, ENT. VEREENIGING.
genre Prosopistome et qui n’est autre chose qu’un véritable Insecté
hexapode, par M. M. Joly. —
Id. tome XVII nos 1 et 2 (B).
Mémoire sur des Crustacés rares ou nouveaux des côtes de France,
par M. Hesse. — Recherches sur l’anatomie des Limules, par
M. A. Milne Edwards.
Maart, 1873.
Newman’s Entomologist, n° 114 {March 1873) (4).
Variety of Arctia mendica and of Callimorpha dominula, by Edw.
Newman. — Economy of Chalcidiae, by Fr. Walker (continued). —
A List of the Butterflies inhabiting Guernsey and Sark, with
Notes of their Occurrence, by W. A. Luff. — Central African
Blood-sucking Flies, by Fr. Walker. — On some Amurland
Insects (part III) by Fr. Walker. — Korte aanteekeningen over
insecten van verschillende orden.
The Entomologist’s Monthly Magazine, n° 106 (March, 1873) (B).
Instructions for the collection and preservation of Neuropterous In-
sects (concluded) by R. Mc. Lachlan. — Descriptions of two new
Butterflies from the West-Coast of Africa, by W. C. Hewitson. —
Notes on Heteromera, and Descriptions of new genera and species
(n° 6), by F. Bates. — On certain British Hemiptera-Homoptera
by J. Scott (continued). — Descriptions of two new species of
Ichneumonidae (Anomalon and Mesostenus) from Great-Britain,
by T. A. Marshall. — Vervolgens vele kleine mededeelingen voor-
namelijk op de fauna van Engeland betrekking hebbende. Daarna:
Additions and Corrections to the List of British Syrphidae, by
G. H. Verrall.
Annals and Magazine of Natural History, 4th series n° 63 (March,
1873) (B).
Additions to the Australian Curculionidae. Part IV by P. Pascoe, —
On the Parasites of the Cetaceans of the N. W. Coast of America,
with Descriptions of New Forms, by W. H. Dall.
Revue et Magasin de Zoologie, 1873, n° 1 (2).
Descriptions de huit Lépidoptères inédits d'Europe, par P. Millière, —
Description et figure de cinq espèces de Coléoptéres Mexicains,
par A. Sallé. — Description de Morphonides Brésiliens, par
H. Burmeister.
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie, 2de série vol. 5
(1869—70) (4).
Diagnoses de Coléoptères nouveaux, par A. Fauvel. — Mémoire sur
les Stapliylinides formant la suite de la Faune gallo-rénane, par
A. Fauvel, — Compte-rendu d’une communication faite aux réu-
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING, Lill
nions des Sociétés savantes à la Sorbonne, par M. Leprieur, sur
les moeurs singulières de Coléoptères du genre Haemonia, par
A. Fauvel. — Résultats entomologiques de l’excursion à St.-Vaast,
par A. Fauvel. — Application de l’acide sulphureux à la destruc-
tion des chenilles, par M. Fayel père.
Mémoires de la Société Linnéenne de Normandie, vol. XV (1865—69) (4).
Catalogue des Colèoptères de l’Algérie et contrées voisines, avec
descriptions d’espèces nouvelles, par M. M. Reiche et Lallemant.
Correspondenz-Blatt des zoologisch-mineralogischen Vereines in Regens-
burg. 27ter Jahrg., n° 1 (B).
Eine neue Phryganide für die bayerische Neuropteren-Fauna, von
Otto Walser.
April, 1873.
Newman's Entomologist, n° 115 (April, 1873) (4).
Varity of Pyrameis Cardui, by Edw. Newman. — Economy of Chal-
cidiae, by Fr. Walker (continued). — The Origin and Distribution
of the Insects of the British Isles, by E. Birchall. — A List
of the Nocturnal Macro-Lepidoptera inhabiting Guernsey and
Sark, with Notes of their Occurrence, by W. A. Luff. — Ento-
mological Notes from South Australia, by H. Ramsay Cox (con-
tinued), — On some Amurland Insects (Part IV) by Fr. Walker. —
Verder vele kleine aanteekeningen.
The Entomologist’s Monthly Magazine, n° 107 (April, 1873) (B).
Additions and corrections of the List of British Syrphidae, by G.
H. Verrall (continued). — Desciptions of a new genus and two
new species of Coleoptera from Japan, by H. S. Gorham. —
Notes on Heteromera and Descriptions of new genera and species
(n° 7), by F. Bates. — Descriptions of Lycaena Arthurus, a
new European Butterfly, by J. Cosmo Melvill. — Description of
a new Butterfly from Java, by Th. Chapman. — On certain
British Hemiptera-Homoptera, by John Scott. — Notes on Bri-
tish Tortrices, by C. G. Barrett (continued). — Verder vele kleine
aanteekeningen en het verslag van de Vergaderingen van de Lond.
Ent. Soc. van 17 Febr. en 3 en 17 Maart 1873.
Annals and Magazine of Natural History, 4th series n° 64 (April,
1813) (B).
On a Crustacean of the Genus Zia, by Th. R. R. Stebbing. —
On Hypermetamorphosis in Palingenia Virgo, and on the Analogies
of its Larva with the Crustacea, by N. Joly.
Revue et Magasin de Zoologie, 1873, n° 3 et 4 (B).
Monographie des espèces de Coléoptères du genre Erodius, Fab., par
E. Allard,
LIV BIBLIOTHEEK DER NED, ENT. VEREENIGING,
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie, t. XVII, n° 3 et 4 (B).
Mémoire sur des Crustacés rares ou nouveaux des Côtes de France,
par M. Hesse.
Nouvelles Archives du Muséum d'histoire naturelle de Paris. t. 8,
4e fasc. (B).
Recherches sur la Faune Carcinologique de la Nouvelle-Calédonie ,
par M. A. Milne Edwards.
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Vol XIII (1869—71)
p. 369 till the end (4).
Catalogue of the Phalaenidae of California, by A. S. Packard Jr. —
New or rare American Neuroptera, Thysanura and Myriapoda,
by A. S. Packard Jr.
Id. vol. XIV, p. 1—224.
Embryology of Isotoma, a Genus of Poduridae, by A. S. Packard Jr. —
Notes on the Flight of N. E. Butterflies, by Ch. 5. Minot. —
Notices of some Heteroptera in the Collection of Dr. T. W. Harris,
by P. R. Uhler.
Memoirs of the Boston Society of Natural History, vol. II, part II,
numb. I (4).
On the Development of Limulus Polyphemus, by A. S. Packard Jr.
Transactions of the New York State Agricultural Society, vol. XXIX,
1869 (4).
Thirteenth Report on the noxious, beneficial and other Insects of the
State of New York, by Asa Fitch.
Id. vol. XXX, 1870.
Fourteenth Report on the noxious etc. by the Same.
Archives of Science and Transactions of the Orleans County Society of
Nat. Sciences, vol. I, n° IV, V. (4).
Doryphora decem-lineata. — List of Lepidoptera collected in Troy
Vt., by James C. Kennedy.
Jaarboekje van het Koninklijk Zoologisch Genootschap Natura Artis
Magistra voor 1813 (B).
Een Snuitkever en een Sluipwespje, door S. v. V. — Bene indring-
ster en hare gevechten, door S. v. V.
The Entomologist’s Annnal for 1873 (B).
New British Species of Coleoptera, Corrections of Nomenclature etc.,
noticed since the publication of the Entomologist’s Annual for
1872, by B. C. Rye. — Notes on new and rare British Lepidop-
tera (excepting Tineina) in 1872, by H. Guard Knaggs. — New
British Tineina, by H. T. Stainton. — Investigations on Sciaphila
Wahlbomiana L. and the allied Species, by Dr. O. Hoffmann. —
A Critical Notice of the Lepidoptera of Perthshire, by Dr. F.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. LV
Buchanan White, being Part I of the Fauna Perthensis, by R. C.
R. Jordan. — One-Sidedness, by H. T. Stainton.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Tome 15 (1871—
1872) (B).
Essai monographique sur les Drimostomides et les Cratocérides et
Description d’un genre nouveau de Morionides, par le Baron M. de
Chaudoir. — Matériaux pour une Faune Névroptérologique de
l’Asie septentrionale, par M. M. de Sélys-Longchamps et Mac-
Lachlan. — Note sur la tribu des Adélocéphalides, par le Dr.
Boisduval. — Monographie des Callidides, par le Baron M. de
Chaudoir. — Un mot sur le mode d’adhérence des mâles des
Dytiscides aux femelles pendant l'acte de l'accouplement, par Félix
Plateau. — Communication de quatre rapports scientifiques inédits
de feu M. le Professeur Wesmael, par J. Sauveur.
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society of
London for the year 1872, part I (4).
A synonymie List of the Species formerly included in the Genus
Pieris ; with all others described since the Subdivision of the Group
by recent Authors, by A. G. Butler. — General List of the
Spiders of Palestine and Syria with Descriptions of numerous new
Species and Characters of two new Genera, by O. P. Cambridge,
The Journal of the Linnean Society, Zoology, vol. XI, n° 53 et 54 (B).
A Catalogue of the Aculeate Hymenoptera and Ichneumonidae of
India and the Eastern Archipelago, by F. Smith, with Introduc-
tory Remarks by A. R. Wallace. — Observations on a Light-giving
Coleopterous Larva, by Dr. H. Burmeister. — On the Origin of
Insects, by J. Lubbock.
Berliner Entomologische Zeitschrift. 16° Jahrg. (1872). Heft 2—4 (B).
Bericht über die Naturforscher-Versammlung zu Leipzig vom Jahre
1872, von von Kiesenwetter. — Neue Käferarten von Oran, von
E. Reitter. — Ueber die Gattung Pseudocolaspis Lap., von Dr. G.
Kraatz. — Verzeichniss andalusischer Diptera, bei Granada von
Hernn Ribbe gesammelt, von Victor v. Röder. — Nachtrag zu
der Aufzählung der Noctuae des nördlichen Harzgebirges, von
W. Heuäcker. — Bemerkungen über europäische Clythriden, von
Dr. G. Kraatz. — Ueber die Noctuae des nördlichen Harzgebirges,
von W. Heuäcker. — Zwei seltene schlesische Schmetterlinge im
nordwestlichen Deutschland aufgefunden, von W. Heuäcker —
Die südafrikanischen Arten der Nitidulinen-Gattung Meligethes,
nach dem Materiale der Herren Chevrolat, Dr. Fritsch und Anderer
bearbeitet von E. Reitter. — Zweiter Nachtrag zur Revision der
europäischen Meligethes-Arten, von E. Reitter. — Nachtrag zu
den südafrikanischen ‘Arten der Nitidulinen-Gattung Meligethes,
von E. Reitter. — Synonymische Bermerkungen. Ueber einige
LVI BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.
Sahlberg’sche Käfer-Arten, von G. Kraatz. — Monographie der
Cryptochiliden von Dr. G. Haag-Rutenberg. — Revision der Gat-
tung Cerallus, von H. von Kiesenwetter, — Ueber Criocephalus
epibata Schiödte, von Dr. G. Kraatz. — Dritter Nachtrag zur
Revision der europäischen Otiorhynchus-Arten, von Dr. G. Stierlin.
— Revision der europäischen Arten der Gattung Malthodes, von
H. von Kiesenwetter.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou. Ann. 1872,
n° 2 et 3 (B).
Observations sur quelques genres de Carabiques, avec la description
d'espèces nouvelles, par le Baron de Chaudoir. — Enumération
des nouvelles espèces de Coléoptères rapportés de ses voyages par
feu Victor Motschoulsky. Onzième article. — Reise nach den
Salzseen Baskuntschatskoje und Elton, nach Schilling, Anton,
Astrachan nebst Mittheilungen über das Vorkommen mehrerer Käfer
und Fliegen in jenen Gegenden, von A. Becker. — Notes sur
quelques espèses de Phryganides et sur une Chrysopa, par M. R.
McLachlan. — Enumeration der in den russischen Gouvernements
Kiew und Volhynien bisher aufgefundenen Käfer, von J. H. Hochhuth.
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Vol. IV,
Elett may CP):
Orthopterologisches, von E. Frey-Gessner. — Hemipterologisches ,
von E. Frey-Gessner. — Aphorismen über die entomologische
Systematik, von G. Schoch. —- Ein Beitrag zur Kenntniss des
Genus Lasiocampa Latr., von Dr. Huguenin. — Noctuinen-Fauna
der Schweiz, von J. Wullschlegel.
Bulletins de l’Académie Royale des Sciences, des Lettres etc. de Bel-
gique. 2° sér. t. 31 (1871) (B).
Synopsis des Cordulines, par M. E. de Sélys-Longchamps.
Id 2° seri 331812) (2):
Materiaux pour la faune belge: deuxieme note, Myriapodes, par
Felix Plateau.
Id. 2° ser. t. 34 (1872) (B).
Recherches physico-chimiques sur les articulés aquatiques (2me partie)
par Félix Plateau.
Mei 1873.
Newman’s Entomologist, n° 116 (May, 1873) (4).
Variety of Argynnis Aglaia, with figure, by Edw. Newman —
Economy of Chalcidiae, by Francis Walker (continued). — Con-
trolling Sex in Butterflies, by Mrs. Ab. Treat. — A List of the
Nocturnal Macro-Lepidoptera inhabiting Guernsey and Sark, with
Notes of their Occurrence, by W. A. Luff (continued). — A List
of the Macro-Lepidoptera taken at Buckingham or in its immidiate
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING, LVII
Neighbourhood , with Notes of their Occurrence, bij W. Slade. —
Description of the Larva of Tephrosia biundularia, by G. T. Por-
ritt. — Entomological Notes, Captures, etc.
The Entomologist’s Monthly Magazine, n° 108 (May, 1873) (B).
On the Pectinicorn Coleoptera of Japan, with Descriptions of three
new Species, by C. O. Waterhouse. — On a new Coleopterous
Genus from Japan, by T. Vernon Wollaston. -- Additions and
Corrections to the List of British Syrphidae (concluded) by G. H.
Verrall. — On the Larva of Sphinx Convolvuli and its Habits, by
W. Buckler. — Note on Xylotrupes dichotomus L., by G. Lewis.
— Note on Trachyphloeus alternans, by W. Tylden. — Note on
Otiorhynchus monticola Germ., by D. Sharp. — On the supposed
new Species of European Butterfly (Lycaena Arthurus Melvill) by
O. Staudinger. — Natural History of Polia Chi, by W. Buckler. —
Note on the capture of Pentatoma juniperina, bij J. Scott.
Newman’s Zoologist, sec. series, n° 92 (May, 1873) (2).
Proceedings of the London Entomological Society: March 17 and
April 7.
Annals and Magazine of Natural History, 4th series, n° 65 (May,
1873) (B).
On a new Genus of Amphipod Crustaceans, by R. von Willemöes-Suhm.
Troschel’s Archiv für Naturgeschichte. 39% Jahrg. Erstes Heft (B).
Die Cetoniden der Philippinischen Inseln, beschrieben von Dr. O.
Mohnike.
Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg. 27° Jahrg.
n° 2 und 3 (B).
Ueber 3 in Bayern vorkommenden Cryptiden, von Dr. Kriechbaumer. —
Ueber Chrysis Stoudera Panz., von demselben.
Verhandlungen der k.k. zool.-bot. Gesellschaft in Wien. Jahrg.
1872 (4).
Beiträge zur Lebensgeschichte der Käfer, von A. Rupertsberger. —
Berichtigungen zu Dr. Kirschbaum’s Cicadinen der Gegend von
Wiesbaden, Frankfurt a. M. und anderer Gegenden, und Aus-
schlüsse über einige Cicadinen in der vorm. Germar’schen Samm-
lung, von Dr. F. X. Fieber. — Beschreibung sieben neuer Arten
Microlepidopteren, von J. Mann. — Rudolf Felder. Fin Nachruf,
von Dr. J. R. Schiner. — Drei neue Arten der Gattung Sciara,
von Th. Beling. — Miscellin, von Dr. J. R. Schiner. — Ueber
Vitus Graber’s: Mittheilung der Aehnlichkeit der Geschlechtsorgane
bei Orthopteren. Entgegnung, von Prof. L. H. Fischer. — Zwei
neue Asiliden, beschrieben von C. Koch. — Ueber einige Cryp-
toiden, meist aus der österreichischen Fauna, von C. Tschek. —
Ueber Diaspis Visci Schrank, eine auf der Mistel lebende Schild-
LVII BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.
laus, von Dr. F. Löw. — Ein Beitrag zur Bienenfauna Deutsch-
lands, von Dr. F. Morawitz. — Zoologische Miscellen, von G. Ritter
von Frauenfeld. — Beiträge zur Kenntniss der nordamerikanischen
Nachtfalter, besonders der Microlepidopteren, von Prof. P. C. Zeller.
Erste Abtheilung. — Phylloxera vastatrix, von G. Ritter von
Frauenfeld, — Zwei neue Carabiden-Larven, von M. Rupertsberger.
— Aus der Frühlings-Flora und Fauna Illyriens, von Pater G.
Strobl, — Beitrag zur Naturgeschichte der Zweiflügler-Gattungen
Bibio und Dilophus. Ferner: ein dem Getreide schädliches Insekt,
von Th. Beling. — Ueber das Vorkommen von Scorpionen im
Erzherzogthume Oesterreich, von Grafen Ferrari. — Die Einmiethler
der mitteleuropäischen Eichengallen, von Dr. G. Mayr. — Beschrei-
bung einiger Zwitterbildungen bei Lepidopteren, von Dr. O. Nickerl.
— Drei neue österreichische Lepidopteren, von Dr. O. Staudinger.
Revue et Magasin de Zoologie, 1873, n° 5 (B).
Monographie des espèces de Coléoptères du genre Erodius, Fab., par
E. Allard. — Description de nouveaux genres et de nouvelles
espèces de Coléoptères Lamellicornes, par M. le Dr. D. Sharp.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Anno quinto (1873).
Trim. I (4).
Degli Insetti. nocivi e dei loro parassiti, del Prof. C. Rondani. —
Notizie sulla Fauna lepidotterologica della Sicilia, da E. Ragusa. —
Materiali per la Fauna entomologica dell’isola di Sardegna, Coleotteri
(continuazione), da P. Bargagli. — Rhodocera Cleopatra L. erma-
frodita, da E. Ragusa. — Lepidotteri nuovi per la Sicilia o per
l'Europa, da A. Kalchberg. — Microcoleotteri dei dintorno di
Firenze, da F. Piccioli. — Notozie intorno alla conservazione delle
collezioni entomologiche, da P. Stefanelli.
Stettiner Entomologische Zeitung. Jahrg. 33 (1872) (B).
Atractouaster, nov. gen. Pimplidarum, aufgestellt von Dr. Kriech-
baumer. — Ueber Sphaetes crassicrus, von Dr. Kriechbaumer. —
Synonymische Miscellaneen, von Dr. Suffrian. — Neue Micro-
Lepidopteren, von C. T. Glitz. — Bemerkungen über einige Grau-
bündner Lepidoptern, von P. C. Zeller. — Beschreibung einer neuen
Paussus-Art aus Ost-Indien, Paussus Ludekingü, von Dr. S. C.
Snellen van Vollenhoven. — Revision der Tenthredo-Untergattung
Allantus im Hartig’schen Sinne, von Dr. F. Rudow. — Antheraca
Gueinzii, eine neue Saturnide von Port Natal, beschrieben von
Dr. O. Staudinger. — Reisebriefe des Herrn Baron von Nolcken
IV. — Exotisches von C. A. Dobrn. — Additions è la Mono-
graphie des Trechus, par J. Putzeys. — Lepidopterologische No-
tizen von Dr. A. Speyer. — Literarisches von G. Weymer: A
synonymic catalogue of Diurnal Lepidoptera by W. F. Kirby. —
Beiträge zur Kenntniss der Arten des Genus Eupithecia Curt.,
BIBLIOTHEEK DER NED, ENT. VEREENIGING. LIX
von C. Dietze. — Bericht über meine persische Reise vom Jahre
1871, von H. T. Christoph. — Zwei neue Blattwespen, von Dr.
F. Rudow. — Asperula von C. A. Dohrn (Reminiscere IV). —
Insectenregen, von H. Burmeister. — Ueher die Pompiliden und
Sphegiden des La Plata-Gebietes, von H. Burmeister. — Synony-
mische uud systematische Bemerkungen von F. W. Mäklin. —
Hymenopterologische Beiträge von Dr. A. Gerstäcker. — Lepido-
pterologisches von Dr. Rössler. — Beiträge zur Lepidopteren-Fauna
Siciliens, von A. von Kalchberg. — Lepidopterologische Notizen,
von W. Heuacker. — Ueber Heerwurms-Erscheinungen, von Th.
Beling. — Beschreibung eines Hermaphroditen von Aglia Tau L.,
von C. Dietze. — Aus Napoli von C. A. Dohrn. — Neue exo-
tische Schmetterlinge, beschrieben von H. B. Möschler. — Lepi-
dopterologische Notiz, von Keferstein, — Erebus Marquesi Plilippi,
von C. A. Dohrn. — Buprestidae Argentini, Uebersicht der
Prachtkäfer des La Plata-Gebietes, von H. Burmeister. — Schmet-
terlinge mit Raupenkopf und ähnliche Missbildungen, von Dr. H.
Hagen. — Zur Entwickelung der Schmetterlinge nach dem Ver-
lassen der Puppe von A. Kuwert. — Die Hymenoptera Anthophila
(Blumenwespen) des Unterharzes von Dr. F. Rudow. — Gnophos
pullata, var. nubilata, bestimmt und beschrieben von A. Fuchs. —
Untersuchungen über Sciaphila Wahlbomiana L. und verwandte
Arten, von Dr. O. Hofmann. — Linnaeana von C. A. Dohrn. —
Columbianer Arten der Gattungen Chilo, Crambus und Scoparia,
beschrieben von P. C. Zeller. — Europäisches von C. A. Dohrn.
Junij 1873.
Newman’s Entomologist, n° 117 (June 1873) (4).
Variety of Argynnis Lathonia (male), by E. Newman. — Economy
of Chalcidiae, and Characters of a few undescribed Species, by
Fr. Walker. — A List of the Butterflies inhabiting Jersey, with
Notes of their Occurrence, by F. G. Piquet. — Entomological
Notes from South Australia, by H. Ramsay Cox. — Notes on
some Insects of Italy and of South France observed between the
middle of May and the middle of July 1872, by Fr. Walker. —
Mountain Collecting in March, by C. S. Gregson. — Description
of the Larva of Ennomos angularia, by B. Lockeyer. — Description
of the Larva of Fidonia atomaria, by B. Lockeyer. — Description
of the Larva of Eudorea lineolalis, by C. S. Gregson. — Descrip-
tion of a Psychideous Larva, by C. S. Gregson. — Description of
the Larva of Grapholitha nisana L., by C. S. Gregson. — Entomo-
logical Notes, Captures, etc. — Extracts from the Proceedings of
the Entomological Society, February 17, 1873.
The Entomologist's Monthly Magazine, n° 109 (June 1873) (B).
Description of a new genus and species of blind Coleoptera from Italy ,
LX BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING,
by D. Sharp. — Notes on British Tortrices, by C. G. Barrett. —
On two new genera of Colydiidae from New Zealand, by T. Vernon
Wollaston. — Description of a new species of Charaxes from Africa,
by Herbert Druce. — Notes on Heteromera, and Descriptions of
new genera and species (n° 8), by F. Bates. — Note on the
Carabideous genus Maraga Walker, ty Ch. O. Waterhouse. —
Notes on certain British Curculionidae, by E. C. Rye en andere
kleine mededeelingen, — On certain British Hemiptera-Homoptera ,
by John Scott.
Newman’s Zoologist, sec. series n° 93 (June, 1873) (B).
A Visit to Corsica, by F. A. Walker.
Annals and Magazine of Natural History, 4th series n° 66 (June,
1873) (B).
Note on the Appearance in Australia of the Danais Archippus, by
F. M Coy. — Descriptions of New Species of Fossorial Hyme-
noptera in the Collection of the British Museum, by F. Smith.
Revue et Magasin de Zoologie, 1873, n° 6 (B).
Monographie des espèces de Coléoptères du genre Erodius, Fabr.
par E. Allard.
Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereines in Regensburg, 27ter Jahrg.
n° 4 (B).
Ueber entomologische Tagebücher von Dr. Kriechbaumer.
Annales des Sciences Naturelles, Zoologie, tome XVIT, n° 5 et 6;
t. XVIII, n° 1 et 2 (B).
Memoire sur des Crustacés rares ou nouveaux des côtes de France,
par M. Hesse (22° article). — Mémoire sur le développement des
Aranéides, par M. Balbiani.
Album der Natuur voor 1872. (B).
Over de ziekte van den wijnstok in Frankrijk en de Phylloxera vas-
tatrix, door S. C. Snellen van Vollenhoven. — Iets over de na-
tuurlijke geschiedenis van de Vloo, door C. Ritsema Cz. — Een
inval van houtluisjes, door C. Ritsema Cz.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Vol. I, n° 1 (A).
Description of New North American Moths, by A. R. Grote. —
Catalogue of the Sphingidae of North America, by A. R. Grote. —
Catalogue of the Zygaenidae of North America, by A. R. Grote. —
Conclusions drawn from a study of the Genera Hypena and Her-
minia, by A. R. Grote.
Transactions of the Entomological Society of London for 1872, part
4 and 5 (B).
Notes on Part III of the Catalogue of British Insects published by
the Entomological Society of London; Hymenoptera (Chrysididae ,
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. Lxi
Ichneumonidae, Braconidae, and Evaniidae), by T. A. Marshall. —
Descriptions of new genera and species of Tenebrionidae, by
F. Bates. — Supplementary Note on the genus Acentropus, by
J. W. Dunning. — On the manner in which the ravages of the
larvae of a Nematus, on Salix cinerea, are checked by Picromerus
bidens L., by A. Miiller. — Addenda, Delenda and Corrigenda
in Mr. S. S. Saunders’ Monograph of the Stylopidae, with expla-
nation of Plate VII illustrating that Article.
hunk veeel. Sabah Oe
ie Bale
sue Le
VERSLAG
ZEVENDE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE LEIDEN
den 6 December 1873.
Voorzitter Mr. W. Albarda.
Met den Voorzitter zijn tegenwoordig de heeren Dr. Everts,
N. H. de Graaf, Mr. Leesberg, Lodeesen, Dr. M. C. VerLoren,
Maitland, Schmier de Poorter, Ritsema, Snellen, Mr. Snellen
van Vollenhoven en van der Wulp.
De heeren Brants, Erbrink, Gordon, G. M. de Graaf,
Heylaerts, Dr. van Hasselt, Baron Lewe van Middelstum, Dr. de
Man, Ritzema Bos en Dr. van Rossum hebben zich om verschil-
lende redenen wegens hunne afwezigheid verontschuldigd.
De Voorzitter opent de bijeenkomst met eene korte toespraak
en geeft daarbij onder amderen eenige toelichtingen betreffende
eene lijst, die door het Bestuur ter tafel is gebragt, en waarop
inschrijving van vrijwillige bijdragen wordt verzocht, ten einde
de kosten te dekken, verbonden aan eene betere plaatsing van
de bibliotheek en de insectenverzameling der Vereeniging. Door
al de tegenwoordig zijnde leden wordt met de meeste bereid-
willigheid aan dit verzoek voldaan, zoodat aanvankelijk reeds
voor f 95 ’sjaars en bovendien voor f 20 in eens is ingeschreven.
Hierna geeft de Voorzitter achtervolgens het woord aan de
5
LXIV VE RS L AG.
nagenoemde heeren, die eenige wetenschappelijke mededeeling
wenschten te doen.
De heer Mr. A. F. A. Leesberg zegt, dat hij in Januarij
van dit jaar bij den Haag onder de schors van een’ gevelden
elzeboom een voor de inlandsche Fauna nieuw Coleopteron heeft
gevonden, dat tot de Bostrichiden behoorde en geheel aan
de beschrijving van Hylesinus vittatus F. scheen te beantwoorden.
Op twee na, waren echter alle gevonden exemplaren dood.
Onlangs ontving hij uit Breda een doosje, waarin zich een
stukje Acacia-hout en verscheidene dozijnen levende Bostrichiden
bevonden. Het bleek dezelfde soort te zijn als door hem vroeger
was ontdekt, en omtrent de determinatie verviel alle twijfel,
hoewel het sterk variëren in kleur (van lichtgeel tot donker-
bruin) en bij sommige voorwerpen de volkomen gelijke beharing,
zónder eenige teekening, aanvankelijk meer dan ééne soort
zouden doen vermoeden, gelijk uit de vertoonde exemplaren
blijkt. Spreker acht het merkwaardig, dat het harde Acacia-hout
door zulk een klein insect wordt doorboord.
Dr. Ed. Everts vertoont een werkje over de Keverfauna
van de kusten van Oost-Friesland en de eilanden Norderney en
Juist, door Dr. Metzger te Norden in 1867 uitgegeven. Spreker
merkt daarbij op, hoe van lieverlede al de echte duinbewoners,
welke op die eilanden bekend zijn, ook bij ons worden aan-
getroffen. Hij herinnert hoe in de laatste jaren als zoodanige
vormen aangetroffen zijn Cillenum laterale Curt., Agabus con-
spersus Marsh. , Anthicus bimaculatus Ill. en anderen, onder welke
sommigen in niet gering aantal. Hij rekent het dus niet van
belang ontbloot. de aandacht te vestigen op de werkelijk rijke
duinfauna en vertrouwt dat het niet onwaarschijnlijk is, dat
wij ook spoedig in onze Fauna dieren zullen kunnen aanwijzen
als b.v. Hacmonia Curtisii Lac., welke reeds in genoemde Duit-
sche streken is waargenomen. Opmerkelijk is het hoe Dr. Metzger
reeds in 1867 meldt, dat Anthicus bimaculatus bekend is als
bewoner van de Hollandsche kusten, dus twee jaar vóór dat
Va BA RI Se LA AVG! LXV
deze soort door Spreker, zoo hij meende voor het eerst, in ons
land en later in aantal door den heer C. Ritsema Cz. op de
Noordzee-eilanden werd aangetroffen.
De heer Snellen van Vollenhoven herinnert de leden
dat hij bij zijne behandeling van de inlandsche Netwantsen in
het 16° deel van het-Tijdschrift der Vereeniging twee larven
heeft afgebeeld en beschreven, die hij meende dat tot die familie
moesten geteld worden, ofschoon het hem onbekend was tot
welke soort zij behoorden. Van eene daarvan had hij onlangs
verscheidene individuen van den heer Snellen ontvangen, die
op eene plant aangetroffen waren in gezelschap van hunne nymphen
en imagines. Het volkomen insect nu, waartoe deze larve wel
zonder twijfel behoort, is eene nieuwe soort voor onze Fauna
en wel Monanthia vesiculifera Fieber. Voorwerpen van de soort
met larven en nymphen worden door Spreker vertoond.
Ook deelt hij mede, dat hij dezen zomer van den heer
C. Fransen Hz. te Rotterdam aangekocht heeft eene tamelijk
groote verzameling van blad- en sluipwespen, meest uit de
omstreken van Rotterdam, en dat hij bij aanvankelijke determinatie
daarvan een vrij aanzienlijk aantal nieuwe soorten voor onze Fauna
heeft gevonden ; ook hebben de vangsten van de heeren Six, Ritsema
en Everts weder eenige nieuwe bijvoegselen tot de naamlijst der
Ichneumoniden sensu Linnaeano geleverd. De voornaamsten dier
nieuwe ontdekkingen vindt men in de hieronder volgende opgaaf:
Emphytus succinctus Klug. — Fransen, Rott. 2 ex.
Phyllotoma amaura Klug. — Ritsema, Duifhuislaan 1 ex.
Selandria brevicornis Klug. — Fransen, Rott. 5 ex.
Macrophya n. sp. verwant aan Crassula. — id. 1 ex.
Tenthredo procera Klug. — id. 18.
5 conspieua Klug. — v. V., Ginneken.
Ichneumon lineator Vill. — Fransen , Rott.
pa bucculentus Wesm. — Everts, den Haag 99.
Hemiteles n. sp. rood met zwarten kop. — Six, den Haag 2.
Otenopelma n. sp. — 2 ex. door Spreker ee uit Cimbex
Sorbi van Enschede.
LXVI VERSLAG.
Perilissus n. sp. — Fransen, Rott.
Polyblastus cephalotes Grav. — Binnen ’s huis te ’s Gravenhage,
een 2 v. V.
Polyblastus mutabilis Hlmgr. — Bij Leiden, Rits.
5 senilis Hlmgr. — Op Walcheren, Wit.
Bassus cinctus Grav. —
„ biguttatus Grav. —
» __ pallipes. — Bij Vianen, Everts.
Pimpla variegata Ratz. — 2 22 uit harsbuilen van Oosterbeek,
25 Mei, de Graaf.
Polysphincta Drewsenii of discolor?
Clistopyga rufator Hlmgr.
Glypta consimilis Hlmgr. Fransen, Rott.
» fronticornis Gray.
Schizopyga analis Gray.
Bi Rott., Fransen.
Meniscus murinus Gray. — Ulvenhoutsche bosch, Piaget.
Anomalon biguttatum Gravy. — Fransen, Rott.
Microgaster dimidiatus Wesm. — id. ibid.
Homolobus discolor Wesm. — Een 2 bij Rott. uit Alniaria op-
gekweekt, Frans.
Agathis breviseta N. ab Es. — Duin bij den Haag, Six.
n Syngenesiae id. — In Aug. aldaar, v. V.
Polemon Liparae Gir. — Ulvenhoutsche bosch gevangen, v. V. —
Uit een rietstengel, daar gevonden, Rits.
Aglyptus Lindus Walk. — Een gevleugeld ex. in Julij in het
duin, Six.
Megastigmus Bohemanii Ratz. — In de Scheveningsche boschjes,
Junij, Six.
Dryinus Spectrum n. sp. — Een ongevl. ex. 5 Julij aan de
Vogelenzang, Rits.
Chelogynus infeetus Hal. — Ulvenhoutsche bosch, Rits.
” brachycerus Dalm. — Een 3 bij Utr., Six.
-Goniozus claripennis Först. — Een g bij den Haag, Six.
Xenotoma autumnalis n. sp. — Bij Driebergen in Oct., Six.
Pachymerus calcitrator Grav. staat in de lijst als gevangen
door den heer Six bij Utr, — Dit voorwerp is gevangen bij
V) Ey Re Sì Ly Ay Ge LXVII
Alf aan de Moezel; doch 2 wijfjes dier soort werden bij Rott.
aangetroffen door Fransen.
Onder de bladwespen had Spreker weder eenige voorwerpen aan-
“getroffen met afwijkend aderbeloop in een of meer der vleugelen.
Hij laat de twee belangrijksten dier curiosa rondgaan, namelijk
eene Selandria serva met eene ader te veel in den regter voor-
vleugel, zijnde een scheef dwarsadertje in de lancetvormige cel
(Area lanceolata), waardoor dit voorwerp naar aanleiding van
het aderbeloop aan de regterzijde zou moeten gebragt worden
tot eene andere groep in het geslacht Selandria of tot het genus
Eriocampa der nieuweren. Het andere voorwerp is een Tenthredo
instabilis Kl. & met onverdeelde radiaalcel in beide voorvleugels,
ten gevolge waarvan dit individu, naar het beloop der vleugel-
aderen gedetermineerd in het geheel niet tot het geslacht Tenthredo
maar tot de afdeeling van Hylotoma, Lophyrus, Cladius en
Nematus zou moeten gebragt worden, waartegen alle overige
ligchaamskenmerken strijden.
Voorts laat Spreker rondgaan een exemplaar der Dipterologische
Bijdragen van wijlen den heer Doleschall, hem dezer dage uit
Darmstadt ten geschenke toegezonden door den heer Baron von
Rosenberg. De waarde van dit exemplaar wordt bijzonder ver-
hoogd doordien bij de derde Bijdrage gevoegd zijn de oor-
spronkelijke teekeningen van den schrijver; men weet dat wel
bij de beide eersten, maar niet bij de laatste Bijdrage lithogra-
phische platen naar zijne teekeningen behooren. Deze teekeningen
bezitten veel meer kunstwaarde en de insecten zijn er veel
kenbaarder op voorgesteld dan het geval is met de steendruk-
platen der beide eerste Bijdragen.
Ten slotte deelt Spreker mede, dat de heer J. van Leeuwen Jr.
uit Amsterdam hem in de laatste week eenige vrij belangrijke
waarnemingen omtrent inlandsehe Lepidoptera had medegedeeld,
waarvan hij er een nader vermeldt, als geschikt ter opname in
het Tijdschrift. Zij heeft betrekking tot het verschil der haren
op de wratjes van den rug der rupsen van Lithosia (Calligenia)
rosea, waarvan de meesten lang, gevederd, sierlijk krom ge-
LXVIII VERS LI At G
4
bogen en geknopt zijn, terwijl er enkelen tusschen gevonden
worden stijf, stekelig en doornig als die der meeste Bombyz-
rupsen. Spreker laat ook de nette teekeningen van den heer
van Leeuwen, die dit onderscheid ophelderen, ter bezigtiging
rondgaan.
De heer Snellen brengt ter tafel een Coleopteron, in de
maand Augustus laatstleden bij Rotterdam, aan het Kraling-
sche veer gevangen door den heer Fransen. Dit insect, door
den heer Ritsema gedetermineerd als Poecilaspis angulata Germ.
zat daar op eene bloem van Heracleum sphondyleum. De soort
behoort in Brazilië en Guyana te huis en hoe het voorwerp
levend in Nederland kon voorkomen, blijft voor Spreker raad-
selachtig, vooral daar de Schildkevers (Cassiden) waartoe het
behoort, bladetende larven hebben en slechts korten tijd in den
poppenstaat doorbrengen, terwijl het hem niet bekend is dat de
volmaakte insecten lang leven ; ook is de vindplaats, bijna een
uur gaans van de stad, ver verwijderd van de losplaatsen der zee-
schepen. Het voorwerp dat iets kleiner en minder levendig gekleurd
is dan de exemplaren op ’s Rijks Museum aanwezig, wordt thans
aldaar bewaard met een etiquet, de vindplaats aanwijzende.
Indien het voorkomen van een exotisch insect op eene van
Rotterdam eenigszins verwijderde plaats bevreemdend genoemd
mag worden, zoo is het vinden in de stad zelve van insecten,
die in andere werelddeelen te huis behooren, niet zulk eene
geheel ongewone zaak. Spreker trof eens in zijne woning een
gaaf voorwerp der Oost-Indische Asopia pictalis Curtis en het is
hem ook bekend dat een exemplaar van de fraaïje boktor, af-
gebeeld bij Rösel, Deel II Scarab. class. 2, pl. 1f.a, bla. 112,
bij Rotterdam levend op een stapel Amerikaansch werkhout
werd aangetroffen.
De heer Ritsema deelt in de eerste plaats eene waarneming
mede, door hem gedaan omtrent de levenswijze van het geslacht
Zodion Latr.
Onder de insecten namelijk, door hem op de excursie van
VERSLAG LXIX
8 Junij dezes jaars in het Ulvenhoutsche bosch bij Breda ge-
vangen, bevonden zich ook Hymenoptera aculeata, die bij het
sorteren van de vangst in eene afzonderlijke doos werden ge-
plaatst. In het begin van November deze doos weder ter hand
nemende, viel zijn oog op een vliegje dat dood op den bodem
lag, en dat zich niet in die doos bevond toen hij de Hyme-
noptera daarin stak. Met behulp van Schiner’s Diptera van de
Fauna Austriaca werd het door hem als Zodion cinereum Germ.
bestemd. De verwantschap met de geslachten Conops, Physocephala
en Myopa, welker larven, zoo als reeds lang bekend is, parasitisch in
het achterlijf van geangelde Vliesvleugelige insecten (Bombus,
Osmia, Chalicodoma, Andrena, Vespa, Odynerus, Pompilus, Sphex)
leven, deed eene gelijksoortige levenswijze vermoeden, waarom
hij de Hymenoptera uit genoemde doos een voor een naauwkeurig
begon te onderzoeken. Weldra kreeg hij een vrouwelijk exem-
plaar van Hylaeus quadristrigatus Latr. in handen, waarvan het
achterlijf aan de regterzijde tusschen het eerste en tweede segment
opengespleten was; voorzigtig maakte hij nu de vier laatste
segmenten van het eerste los, waardoor een ledig tonnetje
zigtbaar werd , dat het achterlijf geheel opvulde en zonder twijfel de
bakermat geweest was van het vliegje, dat daaruit te voorschijn
was gekomen na den dood van de bij. Daar tot dusver nog
niets omtrent de levenswijze van het geslacht Zodion bekend
schijnt te zijn, zal de mededeeling van deze waarneming welligt
niet van belang ontbloot zijn.
Omtrent de levensperiode waarin het slagtoffer met het ei
dezer vliegen bezet wordt, heerschen tweederlei meeningen;
volgens de eene legt de vlieg haar ei in of op het volkomen
insect; volgens de andere dringt de vlieg in de nesten harer
slagtoffers (voor zoo ver bekend is steeds geangelde Vliesvleugelige
insecten), om hier, hetzij larf hetzij pop, met haar ei te voor-
zien. Voor de eerste meening pleit bv., dat een exemplaar van
Conops auripes allerlei pogingen in het werk stelde om een hommel
te beangstigen of bezig te houden, hetgeen, niettegenstaande
dit niet scheen te gelukken, geschied kon zijn met het doel om
daardoor gelegenheid te vinden den hommel een ei toe te ver-
LXX VERSLA G.
trouwen (zie Robineau Desvoidy in Comptes rendus de l’Académie
de Paris, Année 1836, 2"° Sémestre p. 688), terwijl Léon Dufour
mededeelt (Annales des Sciences naturelles, Janvier, 1837) dikwijls
getuige te zijn geweest van den ijver waarmede Conops-exemplaren
hommels vervolgden. De tweede meening verdient volgens Spreker
evenwel de voorkeur, niet zoozeer omdat Lepeletier de Saint-
Fargeau Conops-exemplaren in het nest van zekere wesp-(Vespa-)
soorten heeft zien binnendringen (Encyclopédie méthodique, tom.
X, p. 819), daar dit zeer goed om de in het nest aanwezige
imagines kon plaats hebben, maar omdat Sichel eene Myopa
heeft zien te voorschijn komen uit exemplaren van Vespa vulgaris
L., die uit een nest waren opgekweekt, en dus niet als vol-
komen insect maar wel als larf of pop met de moedervlieg in
aanraking konden geweest zijn (Annales de la Société entomologique
de France, 1856. Bulletin p. 63). Eene in 1865 door Spreker
zelven gedane waarneming heeft hem in deze meening zeer
versterkt. In den zomer van genoemd jaar had zich in zijnen
tuin te Haarlem, achter een hoop bloempotten eene kolonie van
Bombus lapidarius L. gevestigd. Van het midden van Augustus
tot het begin van September lagen van tijd tot tijd in de onmid-
dellijke nabijheid van het nest doode individuen, wier achterlijf
geheel opgevuld was door een vliegenpopje. Deze popjes werden
zorgvuldig door Spreker bewaard, doch hij verkreeg daaruit in
Junij van het volgend jaar slechts een enkele en dan nog wel
onvolkomen ontwikkelde Conops, die volgens den heer van der
Wulp waarschijnlijk tot Physocephala pusilla Meig. behoorde.
Indien nu de volkomen insecten door de Conopidae werden
aangevallen, dan zou het zeer toevallig zijn dat juist de hommels
van dit nest zoo veel van deze toch altijd zeldzame vliegen
hebben te lijden gehad; veel aannemelijker is daarom de ver-
onderstelling dat eene vlieg het nest is binnengedrongen en daar
in verschillende cellen bare eijeren heeft gelegd.
In de tweede plaats deelt Spreker mede, dat hij zich genood-
zaakt heeft gezien een afzonderlijk genus op te rigten voor twee
soorten van Vliesvleugelige insecten, die tot dusver in het
geslacht Stelis Panz, eene plaats gevonden hadden, n. 1. Selis
VERSLAG. LXXI
carbonaria Smith (Cat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus. prt II (1854)
p. 275 n°9. 8 2) van Oost-Indië, Noordelijk Bengalen en Ceylon,
en Stelis abdominalis Smith (Journ. Proceed. Linn. Soc. Zool. vol. III
(1858) p. 7, n° 1. & 1) van Celebes. Waarschijnlijk behoort tot deze
laatste soort het insect, dat door Lepeletier de Saint-Fargeau
bedoeld wordt in de noot achter het geslacht Stelis op blz. 481
van het 10° deel (1825) van de Encyclopédie méthodique, alwaar
genoemde schrijver zegt: „Nous possédons une espèce de l’île
de Java, très-voisine de la Stélide rufiventre ,” en vermeldt Sichel
haar in het supplement op de Saussure’s Verhandeling over de
Hymenoptera der Novara-reis (p. 148) verkeerdelijk onder den
naam van Anthidium rufiventre Latr. (Annales du Muséum d’ hist.
nat. tom. 13 (1809) p. 234 n° 26 pl. 1 fig. 7. 9), eene bij (door
de St. Fargeau Stelis rufiventris genoemd), die zonder twijfel syno-
niem is met Thynnus abdominalis F. (Ent. Syst. tom. II (1793)
p- 245. n° 3. 2) uit Afrika afkomstig, waarvoor door Gerstaecker
(Monatsberichte der Königl. Akad. der Wissensch. zu Berlin. Octbr.
1857) het geslacht Euaspis is opgerigt, en die ongeveer een jaar
later door Fairmaire (Thomson, Archives entom. tom. II (1858)
p- 266 pl. 10 fig. 5. 2) onder den naam van Dilobopeltis fuscipennis
op nieuw beschreven en afgebeeld werd.
Naar aanleiding van de werkelijk treffende overeenkomst
tusschen de soorten (vooral de wijfjes) van het geslacht Euaspis
en die van het nieuw op te rigten geslacht, stelt Spreker voor
dit laatste Parevaspis te noemen. Het geslacht Parevaspis ver-
schilt van het geslacht Stelis, doordien de eerste geleding van
de labiaalpalpen ongeveer driemaal zoo lang is als de tweede,
terwijl bij Stelis het eerste lid een derde korter is dan het
tweede; ook is bij de mannetjes van het geslacht Parevaspis
de achterrand van het anaalsegment met 3 tandjes gewapend,
bij Stelis echter niet getand maar afgerond. — Van het geslacht
Euaspis (in welks onmiddellijke nabijheid het evenwel geplaatst
moet worden) onderscheidt het zich door den groveren bouw
1) Dit moet waarschijnlijk 9 zijn, daar er in de beschrijving niet gesproken wordt
van de 3 tandjes die bij den 4 aan den achterrand van het anaalsegment voorkomen.
LXXII VE IS S t AG.
der monddeelen, doordien de tong (ligula) bijna geheel behaard
en veel langer is dan de labiaalpalpen, terwijl zij ook de lens-
vormige verdikking aan het eind mist, als ook door den vorm
van het scutellum, die bovendien bij het nieuwe genus voor
beide sexen dezelfde is. — Van het geslacht Anthidium onder-
scheidt het zich vooreerst door het gemis van de tot het
meêvoeren van het stuifmeel dienende borstels aan de buik-
zijde van het achterlijf, waarmede waarschijnlijk eene parasi-
tische levenswijze in verband staat, en ten andere doordien
de eerste geleding der labiaalpalpen ongeveer drie maal zoo lang
is als de tweede, terwijl bij Anthidium de eerste een weinig
korter is dan de tweede. In het beloop der vleugeladeren bieden
deze geslachten geene standvastige verschillen aan.
Behalve de beide sexen van Parevaspis abdominalis Smith ,
afkomstig van de eilanden Java, Engano en Banca, bezit
’s Rijks Museum (P. carbonaria Smith is er niet vertegenwoor-
digd) een wijfje van eene derde soort, uit Japan, die door
Spreker Parevaspis basalis wordt genoemd en waarvan hij de
volgende beschrijving geeft :
Wijfje. — Lengte 14, vleugelspanning 27 mm. — Kop en
thorax zwart, zeer digt met grove puntjes bedekt; de voorrand
van het kopschild en de zijden van het aangezigt wit behaard;
tusschen de basis van de sprieten, die zwart zijn, een fijne kiel
in den vorm van eene overeind staande stemvork. Het eenigszins
over het eerste achterlijfs-segment uitstekende schildje bedekt
met puntjes grover dan die van kop en thorax, de achterrand
ter wederzijde gebruind, op het midden flaauw ingesneden; de
tegulae zwart, langs de randen een weinig gebruind, digt met
fijne puntjes bedekt. De vleugels gebruind, aan den wortel
bijna helder, met min of meer violetachtigen goudglans voorzien;
de vleugeladeren zwart. De pooten zwart of donkerbruin; de
tarsen aan de onderzijde met korte roestbruine haartjes bedekt;
de scheensporen lichtbruin; de klaauwtjes der tarsen aan den
wortel licht, aan het eind donkerbruin, en op het midden van
een tandje voorzien. Het achterlijf bijna onbehaard, steenrood
van kleur met uitzondering van de eerste helft van het eerste
Vere RST AT Ga LXXII
segment die zwart is; de segmenten met grove puntjes bedekt
(met uitzondering van een’ smallen gladden zoom langs den
achterrand der vijf eerste segmenten), welke bestippeling aan
de zijden digter is dan op het midden en naar het eind van
het achterlijf digter wordt, zoodat het laatste segment het digtst
daarmede bedekt is. Het laatste segment is voorts breed afge-
rond, aan de zijden onregelmatig getand, de achterrand een
weinig opgebogen en op het midden zeer flaauw ingesneden,
welke insnijding zich over het midden van de rugvlakte als een
bijna onmerkbare langskiel voortzet. De een weinig uitgeholde
buikvlakte van het laatste segment is eenigszins toegespitst, met
afgeronde zijden, aan wier basis een fijn tandje voorkomt; op
het midden van de basis neemt men een naar achteren uit-
gebogen dwarskiel waar.
Eindelijk, ten derde, vermeldt dezelfde Spreker (de heer
Ritsema) nog het volgende, als eene bijdrage tot de kennis der
synonymie van Pulex Talpae Curt. In the Zoological Record for
1870 zag hij op blz. 443, dat de heer Bold in the Natural History
Transactions of Northumberland and Durham had medegedeeld,
dat Pulex Talpae Curt. door hem te Cheviot (zuidelijke grens
van Schotland) op eene veldmuis (Arvicola arvalis Pall.) gevangen
was. Daar Spreker tot dusver deze vloosoort niet gezien
had en zij volgens de beschrijving en afbeelding van Curtis
(British Entomology, vol. III (1826) n° 114) na verwant moest zijn
aan de door hem beschreven Pulex obtusiceps (Tijdschr. v. Entom.
2° ser. dl. III. (1868) blz. 173 pl. 7) verzocht hij den heer Bold hem
een of twee van zijne exemplaren te willen zenden, aan welk
verzoek op de meest welwillende wijze werd voldaan. Bij onderzoek
bleek echter dat de gezonden exemplaren volkomen beantwoordden
aan de beschrijving van Pulex obtusiceps. Hij deelde zijne be-
vinding aan den heer Bold mede, en verzocht kort daarop aan
den heer Frederick Smith, Adsistent aan het Britsch Museum,
om het typische exemplaar van Pulex Talpae, dat zich volgens
Curtis in het Britsch Museum moest bevinden, ter onderzoek
te mogen hebben. Eerst ontving hij hierop een brief van den
heer Bold, waarin deze schreef dat de exemplaren, die hij ter
LXXIV VERS L AG.
vergelijking met de type naar Londen had opgezonden, en die
geheel overeenkwamen met die welke hij aan Spreker had af-
gestaan, terug waren gekomen met een schrijven van den heer
C. O. Waterhouse, eveneens adsistent aan genoemd Museum,
dat zij volkomen gelijk waren aan het door Curtis als Pulex Talpae
beschreven exemplaar, hetgeen nog steeds het met de hand van
Dr. Leach geschreven etiquet „Capt. in agris Battersea” droeg.
Eenige dagen later ontving Spreker een brief van den heer Smith,
waaruit bleek dat het Britsch Museum geene voorwerpen ter
onderzoek verzendt, doch dat bevoegde beoordeelaars reeds hadden
uitgemaakt (door middel van de exemplaren van den heer Bold)
dat Spreker’s Pulex obtusiceps identisch is met Pulex Talpae Curt.
Tot zijne verontschuldiging in zake dezer vermeerdering der
synonymie, meent Spreker echter met grond te kunnen beweren,
dat niemand uit Curtis’ beschrijving en afbeelding zijn Pulex
obtusiceps zou hebben herkend, daar Curtis zegt: „Abdomen
compressed, composed of several joints, the margins of which
on the back and sides are ciliated with strong hairs”, terwijl
dit slechts met het geheele eerste, en met de zijden van het
2% en 3° segment het geval is. Deze vloosoort schijnt voornamelijk
op de veldmuis (Arvicola arvalis Pall.), doch ook wel op de mol
(Talpa europaea L.) te leven, en komt zoo ver Spreker bekend is
voor in Engeland (eiland Sheppy, Battersea en Cheviot), in Neder-
land (Haarlem, den Haag, Rhoon en Wassenaar), in Belgie
(Forest en Brussel, volgens den heer Bouillon in de Annales de la So-
ciété Entomologique Belge (1859) t. ILI. p. 187), in Pruissen (Berlijn,
in de collectie van Dr. Fr. Stein aldaar) en in Fransch Zwitserland
volgens dezelfde collectie. Waarschijnlijk zal later blijken dat
Pulex Talpae Curt. behalve met Pulex obtusiceps Rits., ook synoniem
is met Pulex terrestris Macq. (Annales des Sciences naturelles (1831)
t. 22, p. 465) ja zelfs met Pulex gigas Kirby (Fauna Boreali-
Americana, vol. IV (1837) p. 318. pl. VI fig. 9).
Als een voorbeeld hoe sommige dieren met zoogenaamd onge-
dierte bezet kunnen zijn, vermeldt Spreker ten slotte nog, dat
hij op den 5° November Il. in de omstreken van Wassenaar eene
veldmuis vond, die hem niet minder opleverde dan 9 exemplaren
VERS L AG. LXXV
van Pulex Talpae Curt., (waarvan het grootste wijfje 5,5 mm. lang
was), 27 exemplaren van eene kleinere vloosoort, waarschijnlijk
Ctenophthalmus bisseptemdentatus Kol., en 7 (waaronder 4 groote)
exemplaren van eene /xodes-soort.
Eindelijk deelt de Voorzitter, Mr. W. Albarda, in substantie
het volgende mede :
1°. In de te Haarlem gehouden zomervergadering bragt hij
eenige harsbuilen uit Pinus sylvestris ter tafel, met larven van
Tortrix resinella of resinana; het bleek hem toen dat hoewel
deze Tortrix niet onder de zeldzaamheden behoort, hare ver-
breiding hier te lande toch niet algemeen is; ook kwam zij toen in
de bosschen in zijne nabuurschap zoo weinig voor, dat hij in
een geheelen dag niet meer dan een zestal harsbuilen kon vinden en
toch, zoowel bij Ratzeburg in zijne Forstinsecten als bij Harris
Insects noxious to vegetation, komt zij als schadelijk voor. De
ondervinding heeft nu doen zien dat zij ook bij ons werkelijk
nu en dan als zoodanig optreedt. In dezelfde bosschen in de
Baronie van Breda, waar een paar jaren geleden slechts enkele
harsbuilen werden gevonden, zou het nu niet moeijelijk zijn op
een dag eenige honderden te verzamelen, en hij meent hierop
de aandacht te moeten vestigen, omdat de rups, hoe klein ook,
twee jaren leeft en dus twee jaren den groei der boomen op
eene ernstige wijze belemmert. De eïjeren toch worden gelegd
aan den voet van de jonge spruit; de rups tast die aan en
dringt tot op het merg door: van daar de harsuitstorting, die
haar tevens tot beschutting dient, maar zeer ten nadeele van
den groei der Pinus sylvestris is. Hoewel de rups in het tweede
jaar zich in April verpopt, schijnt zij toch tegen dien tijd nog
te vreten, daar er veel harsbuilen worden gevonden waarbij
jongere harslagen de eerstgevormden bedekken.
2°. In die zelfde vergadering is door Dr. Snellen van Vollen-
hoven ter sprake gebragt de sedert eenige jaren op Java heer-
schende ziekte in de theeheesters, waarvan destijds insecten
werden beschuldigd, die hem ter determinatie waren toegezonden ,
doch in zoodanig gepulverden toestand dat aan determineren
LXXVI VvE RS L.A G
. niet te denken viel. Spreker heeft toen op zich genomen nadere
berigten hieromtrent in te winnen, doeh tot vóór eenigen tijd
hoorde hij van de zaak niets meer. In dit najaar evenwel werd
hem door een belanghebbende een opstel toegezonden dat over
de theeziekte handelt en geteekend is door den heer C. Meyboom
te Tjoemboelout op Java, 25 Maart 1873. Daaruit blijkt dat
de ziekte op Java niet alleen voortduurt. maar in hevigheid
toeneemt, zoodat onder anderen eene plantage, die ongeveer
200.000 pd. thee jaarlijks opbragt, nu niet meer dan 40.000
levert; het blijkt tevens dat men langs alle kanten proeven
heeft genomen om de oorzaak der kwaal te vinden, en als het
ware ex absurdo contrario tot de meening is teruggekomen dat
de oorzaak der ziekte aan insecten moet worden toegeschreven,
maar aan welke? De beschrijving van die insecten is zoo onbepaald
dat daaruit niet eens is op te maken tot welke orde zij behooren.
Ook schijnt de schrijver nog altijd bij het toeschrijven der oorzaak
aan een insect, tevens van oordeel te zijn dat een zekere roest
of fungus bij deze ziekte in het spel is.
Toen men Spreker dus vroeg zich met een onderzoek der ziekte
te belasten, was zijn eerste beding geweest om door overzending
van gezonde en aangetaste takken en bladeren der theeheesters,
alsmede van de verdachte insecten, hunne larven en eijeren,
alles op spiritus, in staat te worden gesteld den toestand zelven
te leeren kennen, en hij heeft voor eenige dagen berigt ontvangen
dat deze voorwerpen eerstdaags zullen worden afgezonden; hij
hoopt dus in eene volgende vergadering meer omtrent de voor
Java zoo noodlottige ziekte te kunnen mededeelen.
Daar niemand verder het woord verlangt, wordt de vergade-
ring door den Voorzitter met een woord van dankbetuiging aan
de verschillende sprekers gesloten,
Den volgenden dag bragten de aanwezige leden nog eenige
aangename en leerzame oogenblikken door in de insecten-galerij
van ’s Rijks Museum en in de bibliotheek der Vereeniging.
OPGAVE
DER
GEOMETRINA ex PYRALIDINA,
IN
NIEUW GRANADA en op St. THOMAS en JAMAICA,
VERZAMELD DOOR
W. Baron VON NOLCKEN,
met beschrijving en afbeelding der nieuwe soorten
DOOP
P. C. T. SNELLEN.
Eerste Afdeeling: GEOMETRINA.
De door den heer van Nolcken in 1870 en 1871 naar Zuid-
Amerika ondernomen entomologische reis, al moge zij ook
door verhinderende omstandigheden en hare ontijdige afbre-
king niet die resultaten gehad hebben, welke hij en anderen
daarvan verwachtten, kan daarom nog geenszins eene mislukte
reis genoemd worden. Wanneer ik toeh bij de door mij be-
werkte familiën der Geometrina en Pyralidina onder 101 soorten
der eersten 73 nieuwe vind en onder 83 Pyraliden 42 onbe-
schreven, benevens een aantal nieuwe genera, dan, dunkt
mij, is er, de korte tijd waarin verzameld werd in aanmerking
genomen, integendeel wel eenige reden tot tevredenheid, en
getuigt het ontdekken van zoovele onbekende soorten voor het
welbesteden van den tijd,
De Geometrina zijn naar Guenée gerangschikt zonder eenige
noemenswaardige verandering. Ik heb in deze familie geene
nieuwe genera gevormd, doch getracht om door zoo naauw-
1
9 OPGAVE DER GEOMETRINA EN PYRALIDINA.
keurig mogelijke beschrijving mijner nieuwe soorten het eenen
lateren bewerker der Spanners doenlijk te maken om haar in
zijn systeem de juiste plaats aan te wijzen. Met hetzelfde
doel heb ik ook van reeds bekende soorten, waar dit noodig
was, de nervuur beschreven of opgegeven tot welke der door
Herrich-Schäffer in zijne Ææotische Schmetterlinge gekarakteri-
seerde Geometrinen-genera zij behooren.
Wat de Pyraliden betreft, zoo heb ik mij geheel en strikt aan
Lederer gehouden en overal nieuwe genera gevormd waar dit
naar zijne analytische tabel noodig was, terwijl ik het noodige
vermeld om die nieuwe genera in de tabel te kunnen invoegen.
Ik heb dit gedaan, hoewel mij de gebreken in Lederers ove-
rigens meesterlijke behandeling (op eenige van welke ook nog
Herrich-Schäffer wijst, zie Corr. Bl. des Zool. Min. Vereins,
1871, p 15) niet ontgaan waren, maar eene betere classificatie der
familie wist ik niet te’ maken, en ik houd het in het belang
der wetenschap voor raadzaam om, zoo men voor eene familie
een bruikbaar systeem bezit, er niet aan te veranderen; hier
wat afbrekende, daar zonder vast plan bijbouwende, in één
woord, het misvormende, waardoor tevens ons eigen werk voor
anderen moeijelijk te gebruiken wordt. Het is integendeel ver-
kieslijk, wanneer men een over het geheel doelmatig gebouw
bezit, het aan te nemen en te bezigen zoo als het is en,
zoo het vergroot moet worden, naar het plan van den stichter
te werken dan, dikwijls uit eigenliefde, het te bederven. Ge-
makkelijker is het toch ook hier om, even als de heer Dohrn
van Schönherr's Classificatie der Curculioniden zegt !) het ge-
brekkige „hie und da in frappanten Beispielen nachzuweisen,
dann um für die ungeheure Armee eine neue Kaserne zu
bauen.”
Het genus Scoparia zal men bij de Pyralidina missen; dit is
reeds door Professor Zeller in de Stettiner Ent. Zeitung, 1872
p. 463—481, behandeld.
1) Stett. Eut. Zeitung, 1866 p: 168, bij de aankondiging van Lacordaire’s
VII° deel der Genera des Coleoptères.
VAN NIEUW GRANADA ENZ. 5
Al de nieuwe soorten zijn afgebeeld, de Geometrinen door
den heer A. J. Wendel te Leiden, de Pyraliden naar teeke-
ningen, die de heer Brants de goedheid had voor mij te ver-
vaardigen. Om de kostbaarheid en het tijdroovende van het
kleuren geef ik de afbeeldingen in het Tijdschrift ongekleurd,
doch zal een zeker aantal gekleurde exemplaren laten vervaar-
digen, die ik bij den heer Nijhoff, uitgever van het Tijdschrift
voor Entomologie, met afdrukken van den tekst verkrijgbaar
zal stellen. .
Eene verklaring van de verschillende nummers en opgaven,
die op de vangplaatsen betrekking hebben, laat ik voorafgaan.
Ik geef deze zoo als ik haar van den heer von Nolcken ont-
ving en verwijs overigens naar zijne Reisebriefe, die in de
Stettiner Entomologische Zeitung van 1871 het licht zagen. Typen
der nieuwe soorten bewaar ik in mijne collectie.
Onder het determineeren der vlinders is het mij gebleken,
dat de merkwaardigste en schoonste Pyraliden gevangen zijn
op de beide Westindische eilanden St. Thomas en Jamaica en
gedurende de reis langs de Rio Magdalena en dus in de warme
streken. De omstreken van Bogatà hebben er minder opge-
leverd, en daaronder zijn er verscheidene die, even als de
rondom die hooggelegene stad gevangen Geometrinen, aan de
europesche fauna herinneren.
Merkwaardig komt het mij voor, dat onder al de Geometrinen
niet eene enkele is, die ik ook uit Azie, Afrika of Europa ken;
slechts een paar (Hyperythra versaliharia en Acidalia subnictata)
hebben naauwe verwanten in Azie. Daarentegen komen van
de Pyraliden de volgende soorten ook in de drie genoemde
werelddeelen voor : |
Stenopleryx hybridalis, Siriocauta testulalis ,
Hedylepla vulgalis, Zinckema recurvalis ,
Omiodes leporalis, » perspectalis ,
Terastia meticulosalis , Synclera traductalis.
Rotterdam, 1 Februarij 1873. i |
| N P. C. T. SNELLEN.
> ©” m
© CO IJ GO xl À
10
11
12
15
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
GEOMETRIN A.
Fam. I. URAPTERYGIDAE.
Urapteryx Politia Cr.
” Saturniaria H.S.
N histrionaria H.S.
Ripula Mahometaria H.S.
Sabulodes arenularia m.
" glaucularia m.
Oxydia vulpecularia H.S.
” Hypenariata m.
„ Hypopyrata m.
Fam. IT. ENNOMIDAF.
Apicia prostypata m.
» Phibalaria m.
w plebejata m.
Epione Bogotaia m.
Hyperythra versatiliaria Gn.
Heterolocha Rumiaria Go.
4 apricaria H.S.
Perusia sulphurata m.
v tenerata 7.
” citrinata m.
Leucula flavilinguaria ».
» ablinearia Gn.
Tetracis Brantsiata m.
Azelina Nolckeniata m.
7 caninata Gn.
Odontopera Bistonaria m.
Crocallis tropicaria m,
|
|
Fam. V. BOARMIDAE.
27 Boarmia muscinaria m.
28 7 fuscolimbaria m.
29 ” elongaria m.
30 u Odysiata m.
31 » agnataria m.
Fam. VII. GEOMETRIDAE.
32 Geometra Iridaria Gn.
33 Dyspteris legitimaria Gn.
34 Racheospila leucoceraria m.
35 7
rufidorsaria m.
Fam. VIII. MEcocERIDAE.
36 Mecoceras Nitocris Cram.
Fam. IX. PALYADAE.
81 Palyas fimbriaria Cram.
38 w
39 Ophthalmophora Formosanta
prospectata =.
Cram.
40 Ophthalmophora Lyonetaria m.
Fam. X. EPHYRIDAK.
41 Zonosoma (Ephyra Gn.) conspi-
cillaria m.
42 Zonosoma (Ephyra Gn.) oliva-
ria m.
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA, ENZ. 5
Fam. XI. AcIDALIDAE, Fam. XX. LARENTIDAE.
43 Cambogia heliadaria Gn. 10 Eupithecia rubigata =.
44 7 adimaria m. 11 " indefinata m.
45 u sagittaria m. 12 ” vermiculata m.
46 " Hyriata m. 13 Rhopalodes patrata m.
41 ” apyraria Gn. 74 Scordylia Atalantata Gn.
48 Asthena subcrocearia m. 75 v Hippomenata m.
49 " relaxata m. 16 7 gratulata Gn.
50 Acidalia thalassinata m. 11 a fluminata m.
ala computaria m. 18 Z dıspilata m.
52 » chlorosata m. 19 ” monospilata #2.
53 ow convictorata 7. 80 a ambiguata m.
54 » collustrata m. 81 ” chrysopterata #.
55 ow leuculata m. 82 Phibalapteryx lutulentata m.
56 » perlimbata m. 83 Z effluata m.
Die subnictata m. 84 Scotosia cunctata m.
85 ” pallivittata m.
Fam. XII. Micronipas. 86 VT afirmata Cn
58 Falcinodes Gonodontaria m. 87 Cidaria combustaria H. S.
59 la suggillaria m. 88 » subguttaria H.S.
60 Erosia Ochodontaria m. 89 ” eircumeidata m.
61 » nigrocapitata m. 20 » Emmelesiata m.
62 » pauxillata m. ou 7 morbosata m.
92 Psaliodes flavagata Gn.
Fam. XIII. CABERIDAE. 93 » paleata Gn.
94 ".. oereata m.
PA DEIR si 95 Opisogonia Herrichiata #.
46 7 circumvallaria 7.
Fam. XXI. EUBOLIDAE.
Fam. XIV. MACARIDAE.
96 Eubolia Momaria m.
65 Macaria rigidata Gn. 97 » fulgnrata m.
> Ne Fam. XXII. SIONIDAE,
67 ” adrasata m.
98 Terenodes puncticulata Gn. _
Fam. XV. FIDONIDAE.
Fam. XXIV. ERATEINIDAE.
ee Con etste im: 99 Melanoptilon H. S. (Trochiodes
Fam. XVII. ZERENIDAE. Gn.) Emplociaria #.
100 Melanoptilon timidaria H.S,
69 Pantherodes colubraria Gn. 101 ” suavaria m.
VERKLARING VAN DE NUMMERS EN AANTEEKENINGEN
WELKE DE VINDPLAATSEN AANDUIDEN.
N°, 20. Von einem Indier gekauft der sie nach seiner (wenig
zuverlässigen) Angabe bei seiner Wohnung bei Barro
Blanco (7750 Eng. Fuss über dem Meere) gefangen hat.
Diese so wie andere Höhenangaben habe ich selbst mit
einem Höhenmesser, Aneroïd-Barometer van R. J. Becke,
Cornhill 31 London, vom 13—18 Mai 1871, gemessen
und sie sind bis auf etwa 100’ richtig. Die Wohnung
des Indiers liegt auf einer kleinen Lichtung der mit
Urwald bedeckten bergigen Gegend. Barro Blanco liegt
. am Wege zwischen Bogotà und Tusagasuga.
N°. 22. Diese N°. bezieht sich in meinen Notizen auf Säcke
einer Tinee die ich in Tusagasuga an den Wänden meines
Absteige-Quartiers am 16 April 1871 fand; ich vermuthe
daher hier ein Versehen, doch ist es möglich dass ich
(um nicht zu viele N.N. zu haben) auch noch andere
gleichzeitig dort gefangene Thiere mit derselben N°.
versehen habe.
N°. 24. Alle mit dieser N°. bezeichneten Thiere sind am
17 April 1871 bei Hato gefangen. Der Ort liegt circa
5000 Eng. Fuss hoch.
N°. 27. Sind am 19 April 1871 bei Pandi (3650 hoch) und
auf dem Wege zur berühmten Naturbrücke (3000)
gefangen. Die Gegend ist bergig, dirr, nur in der
Nähe der Brücke ist die Vegetation üppiger.
N°.
NE
NS
N°.
N°.
N°.
N°:
NO.
NT
N°.
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA, ENZ. 7
30. Am 21 April 1871 bei Jopal (Hütte am wegezwischen
Pandi und Cundai 3500’) wo ich Nachtquartier gehalten
hatte und früh am Morgen in und zwischen dem lich-
ten Gebüsche sammelte.
31. Am 21 April, kurz vor der Ankunft in Cundai im
Laubgebusch am Wege gefangen.
32. Am 22 April 1871 auf einem Tanque (Etablissement
zur Production von Indigo) etwa eine Stunde Weges
von Cundai (2100) und in dem angrenzenden Hochwalde
gefangen; das meiste aber auf den für die Indigopflanzung
gehauenen Lichtungen.
34. Wie N°. 32, aber vom 23 bis 28 April gefangen,
meistens durch Johann und meinen Indischen Jäger.
39. Angeblich zwischen Barro Blanco und Tusagasuga
gefangen.
41. Wurden von Johann am Abend des 23 März 1871
gefangen bei dem früheren Convento de San Diego (dicht
bei Bogotà) und ungefähr in gleicher Höhe mit demselben
(8850) am Fusse der Cordiellera del Oriente; es sind
dort viele einzelne Häuser, Gärtchen und auch leere
dürre Plätze.
49. Auf derselben Stelle, fast wie 41, bei Las Nieves,
nur etwas höher wo es noch dürrer war von 5—7 Uhr
Abends durch Johann gefangen.
52. Am Fusse der Bogotà umgebenden Berge, etwa
100— 200’ höher als die Stadt bei schönem Wetter um
die Mittagszeit gesammelt.
54. Am 7 Juni 1871 bei Soachà (8803’) auf der Llanero
(Ebene) von Bogotà, am Abend nach Untergang der
Sonne; flogen auf einem sandigen, dürren Weideplätze.
55. Am 8 Juni 1871 auf dem Almuerzadero. (Frühstücks-
8 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
platz) 8350’, am Salto del Tequendama bei Tage ge-
fangen; bei Chipo (8800) auf einer Viehweide mit
niedrigem Rasen.
N°. 56. Am 8 Juni bei Chipo 8900 Fuss hoch gefangen. Der
Ort ist eine Rancho auf einer Lichtung im Urwalde.
N°. 62. Flogen am Abend des 6 Juni in Bogotà zum Licht.
N°. 63. Sind von einem Indier von Mitte Mai bis Anfang
Juni in der Gegend von Anolaima (Höhe mir unbekannt)
gesammelt worden, nach seiner unzuverlässigen Angabe.
N°. 64. Angeblich zwischen dem 4'* und 11'* Juni bei Barro
Blanco.
N°. 65. Am 16 Juni Abends in Bogotà zum Lichte.
N°. 77. Hier vermuthe ich abermals ein Versehen. Meine
Notiz lautet: Noch immer zahlreich aber meist verflogen
bei Bogotà 22 März 1871.
Auf St. Thomas sammelte ich auf den diirren Hiigeln am
Hafen am 17 December 1870.
Kingston bezieht sich nicht blos auf die nächste Umgegend
der Stadt, ich sammelte auch in etwa 2 wegstunden Entfernung
im Innern auf Mono Estate.
Von 18 bis 28 Januar bezeichnen die Notizen die am Mag-
dalena-Fluss gelegenen Orte an denen der Dampfer anhielt und
die meisten Thiere kamen in der Dunkelheit zum Licht auf
dem Dampfer und viele fand ich des Morgens friih in ver-
schiedenen Winkeln sitzen.
Honda liegt 653’ über dem Meere; also fast ebenso viel
(oder genauer etwa 30’ weniger) beträgt der Fall des Rio
Magdelena von dort bis zum Meere, die dazwischen liegenden
Orte die auf den Etiquets verzeichnet sind heissen, von unten
zu Berg: Calamàr, Sambrano, Bocca del Rosario, Puerto de
Ocana, Yondo, La Dorada, Mochila, Conejo und zuletzt Honda
von wo die Landreise nach Bogotà beginnt,
ST. THOMAS EN JAMAICA. 9
Cucqueta, eine Hacienda 7200’ hoch; doch sammelte ich in
der Umgegend bis zur Höhe von 8300’.
Muro; ein Ort in der Nahe der Smaragd-Gruben, soll 3000’
hoch liegen und die Gegend ein feuchtwarmes Clima haben.
Selbst bin ich nicht da gewesen; ich habe die mit diesem
Namen bezeichneten Thiere von einem Indier gekauft der be-
hauptete sie dort gesammelt zu haben.
Ubaque, kleiner Ort 6400’ durch den Paramo de Cruz verde
(11600’) von Bogotà getrennt. Paramos heissen die Bergre-
gionen van 3500 Meter bis zur Schneeregion hinauf.
De exemplaren zonder aanduiding van vangplaats zijn
meerendeels van Indianen gekocht en waarschijnlijk in de bosch-
rijke streek tusschen Barro Blanco (7750 voet) en Tusagasuga
(6230 voet) gevangen.
GEOMETRIN A.
(PHALENIDAE GUENEE.)
FAMILIA I, URAPTERYGIDAE GUENEE.
Genus UrAPTERYX Leach.
IT.
1 Politia. Cramer, pl. 139, fig. E. — Politiata, Guenée, IX p. 30.
Een gaaf mannetje met N°. 63 gemerkt en een zonder
aanduiding van vangplaats.
Ook volgens Herrich-Schäffer is deze soort eene Urapterya,
doch de sprieten zijn niet naakt, zoo als bij Sambucaria,
maar kort behaard. Van onze Europeesche soort wijkt deze
vlinder nog verder af, door dat alleen ader 11 der voor-
vleugels door 12 doorsneden wordt en 3 en 4 der achter-
vleugels uit een punt komen; ook is de voorvleugelpunt
stomper.
Guenée zegt dat de achterpooten aan de zeer dikke
scheenen eene aanzienlijke pluim van zwarte haren hebben;
dit is waar, doch deze pluim is bij doode exemplaren van
Politia gewoonlijk zorgvuldig in den poot verborgen; o. a.
bij mijn Columbiaansch exemplaar waar slechts twee of drie
haren er van zigtbaar zijn. Zoo iets heeft dikwijls plaats
en zoo kan de aanwezigheid van zulk eene pluim aan de
achterscheenen die door den eenen geconstateerd is, door
een’ ander geloochend worden; bij vlinders met verdikte
achterscheenen waar dergelijke sieraden beschreven worden,
zal men dus wel doen met zeer naauwkeurig te onderzoeken.
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA, ENZ. 11
VI.
2 Saturniaria Herr. Sch., Exot., fig. 414. — Guenée, IX,
p. 31, (door hem naar H. Sch. beschreven.)
Een afgevlogen wijfje, dat ik naar de schoone afbeelding
“kan determineeren ; naar Herrich-Schiffer’s anal. tabel der
Geometrinen-genera was mij dit niet mogelijk geweest, daar
ik het mannetje niet bezit. De achtervleugels zijn bij deze
soort niet gestaart, maar alleen hoekig op ader 4. In de
voorvleugels zijn ader 7—10 gesteeld, 11 wordt niet door
12 doorsneden en is zeer lang; ader 3 en 4 der achter-
vleugels komen uit één punt.
De vangplaats is niet opgegeven.
3 Histrionaria Herr. Sch., Exot., f. 71, 72.
. Twee beschadigde exemplaren, mannetje en wijfje, gemerkt
»Cucqueta.”
Deze soort, welke in natura aan Guenée onbekend bleef,
doch die hij naar de schoone afbeeldingen van Herrich-
Schiffer wel had kunnen invoegen en beschrijven, is naar
den laatsten eene Urapteryx. Zij heeft naakte sprieten, de
achtervleugels hebben aan den afgeronden achterrand op
ader 4 slechts eenen korten tand, in de voorvleugels is
ader 11 lang en geheel vrij, 7—-10 zijn gesteeld, ader 3
en 4 der achtervleugels ver van elkander verwijderd.
Genus Rieuta Guenée.
4 Mahometaria Herr, Sch.
Een gaaf mannetje, zonder aanduiding van vangplaats.
Het genus Sericoptera van Herrich-Schäffer is hetzelfde
als Ripula van Guenée. Het onderscheid tusschen Urapteryx
en Sericoptera is gering en bepaalt zich bij de sprieten van
. het mannetje, die bij Mahometaria gekamd zijn met draad-
vormig puntderde en bij eene kleine bogt in den achtterrand
der voorvleugels welke bij Urapteryx ontbreekt.
12 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
Genus SARULODES Guenée.
5 Arenularia m. — nov. spec,
Als angulatis, non dentatis ; palpis capite via longioribus.
Dilute ochracea, parce grisescenti-fusco adspersa; alae
anteriores duabus seriebus punctarum ferruginosarum
et tribus lineis grises, posteriores una punctarum
serie et lineis duabus 4.
Drie gave mannetjes, 35—40 mm. — PI. 1 f. 1.
Onder de slecht gekarakteriseerde genera die vooral de
eerste en tweede familie van Guenée’s Phalenidae kenmer-
ken, is het genus Sabulodes nog het best geschikt tot op-
name dezer onbeschreven soort. Naar Herrich-Schäffer is zij
eene zuivere Microgoma, verwant aan zijne Rhodaria, fig. 348.
Arenularia behoort door de hoekige, ongetande vleugels tot
de tweede groep van Guenée en onderscheidt zich van de
beide daarin geplaatste soorten door de palpen welke slechts
zeer weinig voor den kop uitsteken en door de grijsgele
zandkleur. In teekening komt zij overigens vrij wel met
Exhonorata Guenée overeen.
Palpen weinig langer dan de doorsnede der oogen, regt
uitstekend, smal; het korte, duidelijke eindlid iets hangend.
Zuiger lang. Voorhoofd met afgeronde beharing, grijsgeel.
Sprieten lang, vrij dik, uiterst kort behaard, bruingrijs,
de rug van den schaft aan den wortel geelwit. Thorax vrij
dik fijn wollig behaard, grijsgeel even als de bovenzijde der
vleugels die met fijne bruingrijze schubben zeer gelijkmatig
bestrooid zijn; tegen den achterrand zijn deze een weinig
digter. Op de voorvleugels ziet men drie flaauwe donker
grijze dwarsstrepen; eene flaauw gebogen op een derde,
eene ongebogene in het midden en eene fijne flaauw getande
derde, die bij de vleugelpunt begint en aan den binnenrand
zich met de tweede vereenigt; dwarsader met een flaauw
donker streepje. De achtervleugels hebben eene voortzetting
van de tweede en derde streep der voorvleugels; ook hier
loopen zij aan den binnenrand in een punt uit. De derde
ST. THOMAS EN JAMAICA, 13
dwarsstreep heeft op al de aderen fijne roestbruine stippen;
de eerste streep der voorvleugels vertoont er twee, op de
midden- en binnenrandsader. Franje eenkleurig met den
achterrand. Achterlijf geelgrijs, tegen de punt en in de
zijden gaat de kleur over in het roomkleurige of iets
roodachtige wit der onderzijde. Hier is de donkere bestui-
ving op de achtervleugels dunner; op de voorvleugels heeft
zij zich opgehoopt op de voorrandshelft en vooral aan de
punt tegen eene rij van donkerbruine stippen, die op £ van
den voorrand begint en het beloop van den achtterrand
volgt, doch regelmatig gebogen is. Middenvlek der voor-
vleugels duidelijk. Franje met donkerbruine stippen op de
adereinden. Dijen behaard, scheenen en tarsen glad be-
schubd, de dikkere achterscheenen met 4 sporen. De voor-
pooten zijn aan de voorzijde donker bruin, de overigen fijn
bruin gestippeld. Ader 3 en 4 der voor- en achter- en 6
en 7 der achtervleugels zijn van elkander verwijderd; in
de voorvleugels zijn 7—10 gesteeld, 10 en 11 worden door
de voorrandsader (ader 12) doorsneden.
Een der exemplaren is den 12” Mei 1871 te Bogotà ge:
vangen, de anderen zijn met 62 en 65 gemerkt.
6 Glaucularia m. — nov. spec.
Alis angulatis, non dentatis ; palpis capite via longioribus ;
facie e fusco grisea. Supra dilute grisea, fusco adspersa,
alis serie punctarum fuscarum variae magmtudinis.
Een iets afgevlogen mannetje van 40 mm., — PI. 1, f. 2,
Eveneens gebouwd en geaderd als de voorgaande soort
en zich dus mede door de kortere palpen van £xhonorata
en Caberata Guenée onderscheidende. Voorhoofd en onder-
zijde der sprieten grijsbruin, hunne rugzijde vuil paars-
achtig licht grijs, als de geheele bovenkant van den vlinder.
Deze is aan den wortel en langs den voorrand der voor-
vleugels, aan den binnenrand der achtervleugels en langs
het beloop van eene donkerbruine stippenrij op drie vierden
donkergrijs gewolkt. Deze rij stippen is iets geslingerd en
14 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
sommigen harer zijn grooter dan de anderen; vooral eene
op de binnenrandsader der voorvleugels. Op een derde der
voorvleugels ziet men eene donkere stip op de middenader
en eene op de binnenrandsader; ook de dwarsader der
voorvleugels draagt eene donkere stip. Eene middenstreep,
zoo als bij de voorgaande soort, is hier niet aanwezig. De
onderzijde der vleugels is paarsachtig grijswit, geheel en
al geteekend als bij Arenularia. Franje onder en boven met
donkere stippen op de adereinden. Achterlijf bijzonder slank
en tot aan den binnenrandshoek der achtervleugels komende.
Pooten als bij Arenularia.
Het exemplaar heeft geene aanduiding van vangplaats.
Genus Oxypra Guenée.
Hoewel de sprieten bij de beide onbeschreven soorten die ik
tot dit genus breng gebaard zijn en Guenée in zijne opgave der
hoofdkenmerken zegt: „antennes sans ciliation”, vind ik toch
onder de verwante genera er geen, dat beter tot de opname
geschikt is. Beiden behooren naar teekening en vleugelvorm
tot de eerste groep Naar Herrich-Schäffer is de eerste soort
eene Microsemia, doeh de sprieten zijn niet tot aan de spits
gebaard. Ook de tweede behoort wel tot dat genus, maar daar
van de sprieten slechts één rudiment is overgebleven, ben ik
dienaangaande meer in het onzekere. Kleur en teekening van
beide soorten herinneren aan het Noctuinen-genus Hypenaria.
7 Vulyecularia Herr. Sch., Guenée.
Een gaaf mannetje; op het laatst der reis gevangen. Komt
goed met Herrich-Schäffer en Guenée overeen.
8 Hypenariata m. — nov. spec.
Antennis barbatis; supra lutea, fusco adspersa, vitia
obliqua subincurvata fusca, extus flavomarginata,
punctis discoidalibus mgris, in alis posticis dilutioribus ;
subtus cerea limbo infuscato.
Twee gave mannetjes van 32 en 37 mm. — PI. 1, £ 3,
ST. THOMAS EN JAMAICA. 15
Palpen weinig langer dan de kop, half zoo breed als
de oogen, plat, met kort stomp eindlid. Zuiger lang. Voor-
hoofd zonder kuif. Sprieten iets meer dan half zoo lang als
de. voorvleugels, tot drie vierden gebaard, aan de spits
gekerfd. Voorrand der voorvleugels zeer vlak, hun achter-
rand met eene ronde bogt. Achterrand der achtervleugels
op ader 4 iets hoekig. Bovenzijde leemkleurig bruingrijs,
aan het begin van de franjehelft der vleugels iets tot het
okergele overgaande en met fijne bruine schrapjes en stofjes
vooral tegen den voorrand der voorvleugels. Aderbeloop
fijn geel, duidelijk. Voor- en achtervleugels met eene fijne
zwarte stip op de dwarsader. De teekening bestaat uit eene
op de middenader en in cel 1° gebrokene fijne donkerbruine
dwarslijn op een derde der voorvleugels en eene zeer
scherpe donkerbruine, franjewaarts bleekgeel afgezette
booglijn, die even onder de voorvleugelpunt begint, in cel 7
der achtervleugels afgebroken is en op het midden van
hunnen binnenrand uitloopt. Bij het kleinere, ook iets meer
geelachtige exemplaar, ziet men in cel 3 en 5 der voor-
vleugels twee zwartgrijze vlekjes. Achterlijf slank, met
gewelfden rug, iets korter dan de achtervleugels.
Onderzijde bleek wasgeel, grof donker gesprenkeld, voor
den achterrand eerst grijsbruin, dan smaller helder licht
groenachtig grijs. Middenpunten als boven en de voorvleugels
met eene onder den voorrand omgebogen donkerbruine
dwarslijn, die zich tegen den binnenrand verliest. Achter-
scheenen verdikt met 4 sporen. Ader 6 en 7 der achter-
vleugels en 3 en 4 van voor- en achtervleugels niet uit
een punt; 7—10 der voorvleugels EL 10 en 11 or
“de voorrandsader doorsneden.
De exemplaren zijn met n°. 63 gemerkt.
9 Hypopyrata m. — nov. spec.
Een mannetje, gaaf en onbeschadigd van vleugels, doch
zonder pooten en slechts met een kort stompje der sprieten ;
dit is duidelijk gebaard. 32 mm. — Pl. 1, f. 4.
16
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
Antennis barbatis; alae supra luteae fusco adspersae
praesertim costam versus flavescentem, linea obliqua
fulva, punctis discoidalibus migris, in alis posters
majoribus et macula migra prope apicem; subtus ex
aurantiaco ochraceae.
De voorrand der voorvleugels is wat gebogen en de hoek
der achtervleugels op ader 4 uiterst flaauw; overigens zijn
bouw en aderstelsel zoo als bij de voorgaande soort.
Grondkleur der bovenzijde lichtgrijs, fijn zwart gespren-
keld, langs den geelachtigen voorrand der voorvleugels
het meest. Middenpunten zeer dik zwart, vooral op de achter-
vleugels; ook aan de voorvleugelpunt ziet men eene groote
zwarte stip bij eene kleine donkerbruine, fijngeel gedeelde
bestuiving. Op een derde der voorvleugels bevindt zich eene
in de middencel stomp gebroken en daaronder zeer schuine,
geslingerde eerste dwarslijn, die wortelwaarts iets lichter
grijs dan de grondkleur, franjewaarts bruinachtig is. Tweede
dwarslijn of booglijn onder de voorvleugelpunt beginnende,
op de voorvleugels geheel ongebogen, op de achtervleugels
een weinig gebogen als om het middenpunt te vermijden.
Deze lijn is niet getand maar bij iedere ader een weinig
ongelijk, als of zij daar bij het trekken tegengehouden
was. Hare kleur is oranjebruin en zij is franjewaarts scherp
licht okergeel afgezet. Franje wat geeler dan de vleugel
met donkere wortelhelft. Onderzijde warm okergeel, grof
zwart gesprenkeld, met dikke middenpunten en op de
voorvleugels met eene donkerbruine lijn van ader 1 tot 7.
Franjelijn dik donkergrijs; voorvleugelpunt lichtgrijs be-
stoven. Het achterlijf schijnt aangezet, ik beschrijf het
dus niet.
Het voorwerp is met n°. 63 gemerkt.
st THOMAS EN JAMAICA. 17
FAMILIA II, ENNOMIDAE GUENEE.
Genus Apicia Guenée.
10 Prostypata m. — nov. sp.
Antennae crassae, nudae; frons tumida. Alae anteriores
in apice et ad venam 4° acute dentatae, posteriores
incurvalae et in angulo anali acutae, omnes violascenti-
griseae, flavo tinctae, linea transversa prima ad costam
nigra, secunda albescente prope apicem bis dentata,
punchs tribus nigris Juxla illus dentes.
Een gaaf mannetje van 30 mm. vlugt. — PI. 1, f. 5.
Ofschoon vleugelvorm en teekening deze soort tot Apicia
verwijzen, is het weder voornamelijk door de dikke, draad-
vormige sprieten zonder zigtbare beharing, dat zij tegen
de overige kenmerken zondigt. Ook puilt het voorhoofd
vrij sterk rond uit. Palpen tweemaal zoo lang als de kop,
een derde smaller dan de oogen, schuins opgerigt, met
kort, duidelijk eindlid, grijsgeel, zwart gesprenkeld. Zuiger
lang. Vleugelvorm tusschen dien van Trifilaria H. S. Exot.
f. 337 en Jaspidaria Guenée in; de achtervleugels met vrij
duidelijken staarthoek ; grondkleur der bovenzijde paarsachtig
grijs, de wortelhelft der vleugels, vooral tegen den voorrand
der voorvleugels met okergeel gemengd; voorts is de ge-
heele grond met oagelijke koolzwarte stippen besprenkeld,
langs de wortelhelft van den voorvleugelvoorrand met
bruingrijze schrapjes. Middenstippen der voorvleugels bruin,
die der achtervleugels zwart. Eerste dwarslijn der voor-
vleugels op een derde rond gebogen, op de aderen wortel-
waarts getand, grijs, het gedeelte onder den voorrand zwart,
en gevormd op de wijze waarop men eenen vliegenden
vogel voorstelt. Tweede dwarslijn zeer fijn, even voor de
voorvleugelpunt beginnende, daaronder met twee tandjes;
in deze en aan den oorsprong der lijn drie bruin bescha-
duwde zwarte stippen. Deze dwarslijn is op de voorvleugels
ongebogen en aan de aderen wat verdikt, op de achter-
2
18
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
vleugels flaauw gebogen, fijn getand en hare kleur is wit,
beiderzijds donkergrijs afgezet. Franje donkerbruin met
vuilwitte spits. Onder is de kleur meer bruin, op achter-
vleugels en aan voorvleugelpunt met witgrijs gemengd, de
dwarslijnen donker, die der achtervleugels tegen den bin-
nenrand duidelijker. Franje met zwarte stippen op de ader-
einden. Grof en zwart gespikkeld zijn ook de pooten, vooral
de iets verdikte achterpooten, zelfs op hunne 4 sporen.
Aderstelsel als bij de beide boven beschreven Oxydia-soorten.
Naar Herrich-Sehäffer is deze soort eene zuivere Microgoma.
Het exemplaar is met n°. 63 gemerkt.
11 Phibalaria m. nov. sp. Pl. 1, fig. 6.
Frons plana. Alae anteriores apice aculae, postervores
angulo anali expanso, omnes ex rufo furfuraceae,
fascüs rectis parallelis et lineis infuscatis, uti Phi-
balapteryx. 2
Een vrij gaaf wijfje van 24 mm. vlugt. Door den
vleugelvorm het naast aan Trifilaria H.S. Exot. f. 337
verwant; de teekening herinnert mede daaraan en nog
meer aan de soorten van Guenée’s genus Phibalapteryx.
Ook doet de vlinder denken aan het Noetuinen-genus
Acropteris Hbn. (zie Tijdschr. v. Ent. 2° Serie VII p. 69).
Voorhoofd vlak. Sprieten dun, draadvormig. Palpen als
bij de voorgaande soort. Zuiger opgerold. Schedel witgrijs.
Grond der bovenzijde eene iets roodachtige zemelkleur die
tegen den achterrand bruinachtig, aan de vleugelwortels
dun zwart besprenkeld is.. De teekening der voorvleugels
bestaat uit eene fijne donkere eerste dwarslijn, eene breedere
middenschaduw en eene fijne witte, wortelwaarts donker-
bruin, franjewaarts donkergrijs afgezette tweede dwarslijn.
De dwarslijnen zijn parallel, de middenschaduw staat iets
digter bij de tweede dan bij de eerste en convergeert er
tegen den binnenrand mede; allen zijn zij eerst onder
den voorrand duidelijk. Middenpunt fijn, op de spits der
eerste dwarslijn staande.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 19
Achtervleugels met eene parallelle middenschaduw en
tweede dwarslijn; de eerste over eene zwarte middenstip
loopende. Voor den achterrand ziet men nog eene fijne
bleekere lijn in de donkere bestuiving.
Onderzijde sterk fijn zwart bestoven, voor de franjelijn
grijs, op de adereinden met zwarte stippen. Booglijn dik,
bruingrijs. Achterpooten met vier sporen.
Naar Herrich-Schäffer is deze soort waarschijnlijk eene
Microsemia, doeh bij gebrek aan een mannetje is dit niet
stellig uit te maken. Het aderstelsel is als bij de voor-
gaande drie soorten en het voorwerp den 1** April 1871
bij Cuequeta gevangen.
12 Plebejata In. Roy. sp, EL ont.
Frons plana. Alae anteriores apice acutae, posteriores
omnino rolundalae, omnes fusco-cinerascentes; in ante-
moribus duae lineae transversales ochraceae, fusco
limbatae, in posterioribus una; in apice punctae tres
albae, nigrolimbatae. $
Een vrij gaaf mannetje van 24 mm. vlugt.
Bij de slechte karakteristiek van Guenée’s Geometrinen-
genera en ook bij de vlugtigheid van Herrich-Schäffer’s
behandeling zijner tabel is het niet gemakkelijk mijne
nieuwe soorten behoorlijk te plaatsen. Naar Herrich-
Schäffer is de tegenwoordige soort eene zuivere Acrosemia.
na verwant aan zijne Vilaria, f. 336. Hij zet echter
laatstgenoemde in zijn genus Cratoptera, hoewel de vleu-
gelpunt volstrekt niet omgebogen is. Daarentegen zien
wij in zijn genus Acrosemia soorten met zeer duidelijk
sikkelvormige voorvleugelspits.
Ik zal trachten om door zorgvuldige beschrijving en
door de afbeelding van den vlinder het aan eenen lateren
bearbeider der Geometrina mogelijk te maken mijne Ple-
bejata op de regte plaats in het systeem te brengen.
Sprieten draadvormig, uiterst kort behaard. Palpen een
weinig korter dan de kop, smaller dan de helft der oogen,
20
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
spits, duidelijk opgerigt, glad beschubd. Voorhoofd een
klein weinig uitpuilende. Voorvleugels met gebogen voor-
rand en steilen achterrand; achtervleugels geheel afgerond,
het slanke achterlijf een weinig langer dan de laatsten.
Grondkleur bruingrijs met fijne lichtere kerfjes. Eerste
dwarslijn der voorvleugels steil, flaauw gebogen; tweede
bij ader 6 der voorvleugels beginnende en zeer scherp en
ongebogen naar het midden van den binnenrand der ach-
tervleugels loopende; kleur van beiden okergeel, de tweede
wortelwaarts fijn lichtbruin afgezet. Franje okergeel , franje-
lijn bruin. In de voorvleugelpunt drie fijne witte, zwart
afgezette stippen.
Onderzijde bleek okergeel, tegen den achterrand bruin-
grijs bestoven, aan de punt der achtervleugels het sterkst.
Aderbeloop geheel als bij de voorgaande vier soorten.
Achterscheenen iets verdikt, met vier sporen.
Het voorwerp draagt geene aanduiding van vangplaats.
Genus Erıone Dup.
15 Bogotata m. — nov. Sp.
Thorax et ulae anteriores aurato-flavae rufobrunneo
adspersae, liners duabus transversalibus atris, poste-
riores silaceae, omnes subtus infuscatae. à
Een gaaf mannetje van 29 mm. vlugt. Pl. 1, fig. 8.
Naar den habitus kan deze soort zeer geschikt in Guenée’s
genus Epione komen, doch naar Herrich-Schiffer’s tabel is
zij eene Microgoma, evenwel zeer afwijkende van de overige
soorten door den overal iets getanden achterrand der vleu-
gels. Eigenlijk vormt zij een nieuw genus bij Perusia
Herr.-Sch.
Palpen niet langer dan de kop, regtuitstekend, stomp
gepunt; lid 1 met grove haren, de overigen glad beschubd.
Glad beschubd is ook het gezigt, de bekleeding van thorax
een weinig grover. Zuiger duidelijk. Sprieten korter dan
de halve voorrand der voorvleugels, draadvormig, bijna
naakt. Voorvleugel-voorrand aan den wortel sterk gebogen,
ST. THOMAS EN JAMAICA. 21
naar de scherpe punt iets gezwaaid, de achterrand op
ader 4 met uitstekenden tand. Achtervleugels met gelijk-
matig afgeronde punt en achterrand. Aderbeloop op voor-
en achtervleugels zeer fijn en scherp, donker aangeduid.
Kop, thorax en voorvleugels hebben een goudgelen
grond, die echter geheel, en wel zeer digt, met fijne licht-
bruine dwarsschrapjes bedekt is, terwijl het laatste derde,
achter de hoekige scherpe zwartbruine tweede dwarslijn,
als met een bruin vernis is overtogen, zoodat de goudgele
grond alleen aan de vleugelpunt boven komt. Eerste
dwarslijn, op één derde, geheel ongebogen, iets schuin,
mede zeer scherp zwartbruin, wortelwaarts iets vervloeijend.
Dwarsader met een bruin streepje, eene bruine stip ziet
men ook aan den wortel van cel 1°, witte schubben aan
den voorrand achter de tweede lijn en fijne blaauwwitte
stippen op de aderen aan de afgewende zijden der dwars-
lijnen. Franjelijn fijn bruin; franje geelbruin. Achtervleugels
grijsgeel, bleekpaars bestoven; van deze kleur zijn ook
eene fijne middenmaan; eene geslingerde booglijn, de franje
lijn en de franje. Het slanke achterlijf grijsgeel. Onderzijde
geheel als boven, maar zwaar bruin berookt. Pooten glad-
beschubd, gewoon gespoord; de achterscheenen iets dikker.
Ader 7—10 der voorvleugels gesteeld, 10 en 11 door
12 doorsneden, 3 en 4 in de achtervleugels, buitendien
ook 6 en 7, van elkander verwijderd.
Het exemplaar is met n°. 20 gemerkt.
Genus HyperyvTHRA Guenée.
14 Versatiliaria Guenée.
Een wijfje, den 28°" Januarij 1871 bij Honda aan de
Rio Magdalena gevangen.
De kenmerken van het genus (dat overigens hetzelfde
is als Herrich-Schäffer’s genus Acroleuca) zijn door Guenée
zeer goed beschreven, behalve, als altijd, het aderstelsel,
waarvoor hij een schrik schijnt te hebben, zoodat hij er
zich steeds met een paar woorden afmaakt.
22 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
Ader 3 met 4 en 6 met 7 komen in de achtervleugels uit
één punt; 3 en 4 der voorvleugels ontspringen afzonderlijk,
1—10 zijn gesteeld, 10 en 11 worden met door 12 door-
sneden. Dit is ook zoo bij de Oostindische Hyperythra
lutea Cramer (Limbolaria Guenée).
Genus HerERoLocHA Lederer, Guenée.
Dit goed gekarakteriseerde Genus neemt Herrich-Schäffer in
zijne tabel niet op. De vlinders naar die tabel bestemmende,
komt men op het genus Melrocampa, waarvan zij zich echter
door velerlei onderscheiden. Heterolocha is na aan Ruma ver-
want, zoo als Lederer reeds opmerkte. Van de vleugeladeren
zegt hij: „so weit sich ohne Abschupping ausnehmen lassen,
wie bei Rumia’. Zij verschillen echter daarvan doordat Ruma —
eigenlijk maar 11 aderen in de voorvleugels heeft, 11 zou als
een kort takje uit 10 komen, ik zie het echter bij geen mijner
exemplaren. Bij Heterolocha zijn er 12, en men kan aannemen
dat 10 en 11 door 12 worden doorsneden. Bij Rumia raakt
ader 12 de voorgaande ader (11) niet. Verder is de voorrand
der voorvleugels bij Rumia vlak, bij Heterolocha sterk gebogen.
Ik ontving twee soorten:
15 Bumiaria Guenée.
Vier gave mannetjes, gemerkt met n°. 62 en 65.
Mijne voorwerpen wijken in verschillende kleinigheden
van Guenée’s beschrijving af. Zoo komt de tweede dwarslijn
der voorvleugels niet uit eene bruine voorrandsvlek, maar
die lijn is tegen den voorrand gevorkt; een der twee
takken (de buitenste) ontbreekt zelfs bij een stuk bijna
geheel. Bij hetzelfde stuk ontbreekt ook de roestkleurige
vlek op den binnenrand onder aan die lin. Verder is bij
mijne exemplaren de snede van den voorvleugelvoorrand
wit, de dwarslijn der achtervleugels op ader 4 gebroken,
het aderbeloop der voorvleugels min of meer roestkleurig,
vooral bij de dwarslijnen, waardoor de tweede duidelijk
op de aderen getand wordt, en ziet men nog eene flaauwe,
ST. THOMAS EN JAMAICA. 23
getande, grijze golflijn voor den achtterrand. De palpen,
een dwarsstreepje over het gezigt, een dergelijk over den
halskraag en bestuiving onder aan de sprietschaft zijn
donkerbruin. Onder zijn de voorvleugels langs den voor-
rand bruingrijs bestoven. Ik geloof niet dat deze verschillen
een specifiek onderscheid aanduiden, hoogstens is dit een
sexueel; Guenée toch had slechts één wijfje van zijne
Rumiaria.
16 Apricaria Herr.-Sch., f. 363.
Een wijfje, dat iets grooter is dan Herrich-Schäffer’s
figuur, zonder aanduiding van vangplaats. De teekening is
meer zoo als Guenée die bij zijne Aumiarıa beschrijft,
maar de randstippen zijn even duidelijk als op de aange-
haalde afbeelding.
Genus Perusia Herr. Sch.
Dit door Herrich-Schäffer zeer goed gekaraktariseerde genus,
hetwelk Guenée vergeten heeft, staat ongetwijfeld het best
tusschen Heterolocha en Rumia en is aan beiden na verwant.
Met Heterolocha heeft Perusia den gebogen voorrand der voor-
vleugels gemeen, doch onderscheidt zich van beide genoemden
1° door den tengeren bouw, 2° door de verschillende (geel en
wit) gekleurde voor- en achtervleugels, 3° door dat, bij 11
aderen. der voorvleugels (10 ontbreekt) 11 door 12 wordt door-
sneden. 3 en 4, en 6 en 7 der achtervleugels en 3 en 4 der
voorvleugels staan ver uiteen. De sprieten zijn genoegzaam naakt,
draadvormig, de palpen kort, de zuiger opgerold, de pooten
gewoon gevormd en gespoord, glad beschubd.
Van dit genus heeft Baron van Nolcken drie soorten ver-
zameld, die ik allen voor nieuw en verschillend van Praecisaria
moet houden, De vier species onderscheiden zich als volgt :
I. De okergele voorvleugels tot aan de
eerste, in cel 1b wortelwaarts gebogen
zwarte dwarslijn donkerbruin; tweede
24 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
dwarslijn, geslingerd, dik, donkerbruin,
20 tam Cy E Et Prnecisama Er Sch.
II. Wortel- en middenveld der voorvleugels
eenkleurig; tweede dwarslijn of stip-
penrij met ééne, regelmatige wortel
waartsche bogt.
A. Eerste dwarslijn der bleek zwavelgele
voorvleugels zeer schuin, franjewaarts
gebogen, op een vierde van den voor-
rand beginnende, voorbij de helft van
den binnenrand uitkomende; tweede op
drie vierden van den voorrand begin-
nende; beiden flaauw, bruingrijs, zon-
der zwarte stippen; onder alleen de
wortel van den voorvleugelvoorrand
grijs bestoven, 23 mm. (8). . . . . Su/phurata n. sp.
B. Eerste dwarslijn of stippenrij der voor-
vleugels ongebogen, aan den voorrand
op een derde beginnende, aan den
binnenrand vóór de helft uitkomende,
tweede op vier vijfden ; onder de geheele
voorrand der voorvleugels grijs bestoven.
1. Voorvleugels bleek zwavelgeel, 19—21
mim: (ds) ah IE tite Of Beasstlienerotain.ısp:
2. Voorvleugels citroengeel, 22—24 mm.
COL REN OLIE EES RSR Cilrinata n. sp.
17 Sulphurata m. — Pl. 1, f. 9.
Alae anteriores dilute sulphureae costa flava, linea trans-
versali prima oblique incurvala, altera a margine
posteriori remota.
Kop, thorax en voorvleugels eenkleurig, gezigt echter
iets witter; geene donkere schrapjes op den voorrand, noch
roestkleur bij het begin der tweede lijn.
Een gaaf wijfje, den 19° Maart 1871 te Bogotà gevangen.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 25
18 Tenerata m. — Pl. 1, f. 10.
Alae anteriores dilute sulphureae, serie prima punetarum
ferruginosarum recta , secunda incurvata , prope accedente
ad marginem posteriorem.
Vijf exemplaren waarbij een gaaf paar.
De geheele kop bleeker dan thorax en voorvleugels, deze
bij de mannetjes met in het midden fijn witten, vrij sterk
douker gestippelden voorrand; eerste dwarslijn uiterst
flaauw, bij de mannetjes met stippen op de hoofdaderen ;
tweede bij dezelfde sekse aan den voorrand roestkleurig
en met nog zulk een takje in de vleugelpunt benevens
met donkerbruine stippen op al de aderen.
Een wijfje den 11° Februarij, een den 22°" Maart en een
man den 6” Junij bij Bogotà, de andere exemplaren onge-
teekend.
19 Citrinata m. — Pl. 2, f. 1.
Alae anteriores citrinae, serie prima punctarum ferrugino-
sarum recta, altera incurvata ad marginem posleriorem
adpropinquante.
Een gaaf paar.
Het levendigst gekleurd van de vier, het mannetje zelf
naar het goudgele overhellende. Kop, halskraag en wortels
der schouderdeksels wit. Voorrand der voorvleugels bij
beide seksen op de snede wit, aldaar donker gestippeld
en ook bij beiden op de plaats der eerste dwarslijn drie,
op die der tweede 7—8 zwarte stippen. Bij het mannetje
is de eerste dwarslijn nog door drie vlekjes van helder
roodbruine en witte schubben aangeduid, de tweede geheel
helder roodbruin en de zwarte stippen met wit afgezet,
aan den voorrand is die lijn gevorkt, de wortelwaartsche
tak rond gebogen, wit afgezet, de grond tusschen beide
takken roodbruin. Bij het wijfje ziet men slechts enkele
roodbruine schubben aan de vleugelpunt. |
Het mannetje den 14” Februarij 1871 bij Bogotà gevan-
gen, het wijfje met n°. 20 gemerkt.
26 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
Genus Leucuta Guenée.
Dit genus is bij Herrich-Schäffer niet in zijne tabel opge-
nomen, waarschijnlijk omdat hij geene exemplaren ter onder-
zoeking had. Het zoude bij hem tusschen zijne genera Cabira
en Fidonia komen. Van beiden is het door de aan den wortel
gebogene en verdikte binnenrandsader der voorvleugels onder-
scheiden; voorts hebben die zelfde vleugels een onbeschubd
groefje aan den wortel van cel 1° en is ook de binnenrand
der middencel aldaar iets gebogen.
De ligchaamsdeelen zijn bij Guenée goed beschreven; ik zou
er echter nog bijvoegen, dat de zuiger duidelijk spiraalvormig
is, de achterpooten, bij de anderen vergeleken, vrij dik zijn,
en alles glad beschubd is. Wat de vleugeladeren aangaat zoo
heeft eene van de twee soorten die ik ontving (Mlavilinguaria) 12
aderen in de voorvleugels, 10 en 11 komen beiden uit de
middelcel en worden door 12 doorsneden. Om al te omslag-
tige beschrijvingen te vermijden noem ik dit zoo. Naauw-
keurig beschouwd is echter de toestand anders. 10 en 11
komen wel uit de middencel, maar stwten eigenlijk op 12,
waaruit een weinig voor of voorbij 10 en 11 dan twee
sprankjes komen, die in den voorrand uitloopen. 12 is
verder door een horizontaal sprankje met 9 verbonden. De
toestand dezer aderen is bij alle Dendrometrina HS. met
dunnere ader 5 der achtervleugels, waar ader 12 eenige aderen
snijdt, alzoo. De andere soort (Ablinearia) heeft 11 aderen en
alleen ader 11 wordt doorsneden; 7—9 zijn bij beiden gesteeld,
3 en 4 (ook in de achtervleugels) bijna half zoo ver van elkander
verwijderd als 2 van 3; 6 en 7 der achtervleugels komen bijna
uit een punt, 5 is verdwenen, 8 zeer duidelijk vrij. Het genus
kon overigens wel in tweeën worden verdeeld. Het opgegeven
verschil in de vleugeladeren, waarbij nog een in den vorm der
achtervleugels en een in de mannelijke sprieten komt, zoude
daartoe wel wettigen. Tiresiaria Guenée is waarschijnlijk eene
verwante van Flavilinguaria; Cillenaria van Ablinearia.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 27
20 Flavilinguaria m.
Twee mannetjes, waarvan een zeer gaaf.
Ik hield deze soort eerst voor Empusaria Guenee, doch
ook de voorhelft van den thorax is okergeel, de eerste dwars-
lijn der voorvleugels staat op een derde, de tweede op drie
vierden, die der op ader 4 iets hoekige achtervleugels zich
juist daarbij aansluitende. Zuiger even geel als de kop.
Sprieten tot aan de punt gebaard, de schaft wit, de baar-
den met roestgele punten. Wanneer men Guenée’s beschrij-
ving en mijne aanvulling met zijne afbeelding vergelijkt,
zal men moeten bekennen dat deze laatste verregaand
onnaauwkeurig is of dat wij hier met eene naverwante,
onderscheidene soort te doen hebben, die Mlavilinguaria kon
heeten.
De exemplaren zijn zonder aanduiding van plaats of tijd.
21 Ablinearia Guenée.
Zeven mannetjes, meest gaaf.
Even als bij Flavilinguaria is ook de voorhelft van den
thorax geel, verder is de geheele voorrand der voorvleugels
zwartgrijs, aan den wortel haarfijn, verder tot bijna 1 mm.
verbreed, aan de vleugelpunt nog weinig smaller. Van de
aderen is eigenlijk alleen de binnenrandsader der voor-
vleugels in het midden-gedeelte grijs. Achterrand der
achtervleugels geheel afgerond. Sprieten met ongebaarde
spits, de schaft alleen aan den wortel wit, overigens zwart
als de baarden. Borst en heupstukken van alle pooten
okergeel, de voorpooten buitenwaarts geheel zwart, van
de middenpooten de scheenen en tarsen zwart, de dijen
wit; achterpooten wit met zwartgrijze voetzolen.
De voorwerpen variëeren niet en zijn op 24 en 25 Januarij
1871 bij La Dorada en Conejo aan de Rio Magdalena
gevangen.
Genus Terracis Guenée.
Het is alleen tot behulp dat ik de volgende soort in dit
genus van Guenée huisvest, want in vleugelvorm wijkt zij niet
28 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
onbelangrijk van de door hem beschrevene soorten af. Met Azelina
heeft zij ook eenige verwantschap, doch de achtterrand der voor-
vleugels is van den punt tot den grooten tand in het midden
geheel effen, zonder de twee kleinere tandjes, die een vereischte
zijn van Azelina. Naar Herrich-Schäffer’s tabel zoude de vlinder
een nieuw genus moeten vormen bij Pero (Azelina Gn).
22 Brantsiata m. — nov. sp. Pl. 2, f. 2.
Alae e rufogriseo, dilute fusco ct glauco marmoratae,
anteriores ecphora nasiformi in vena 4°, posteriores
mamillaeform in eadem vena, primae subtus coeruleo-
griseae versus marginem posticum.
Een gaaf mannetje van 36 mm. vlugt.
Sprieten en palpen als bij de voorgaande soort, het voor-
hoofd zonder kuif. Lijf slank, kort behaard Voorrand der
voorvleugels gebogen, hun achterrand op ader 4 met een
tand, de achterand in cel 2 en 3 flaauw uitgesneden , binnen-
randshoek duidelijk. Achtervleugels met duidelijke punt en
staarthoek, de achterrand op ader 4 hoekig, aldaar met
lange, afgeronde punt, overigens op alle aderen fijn getand.
Bovenzijde bleek roodgrijs, het donkerst op de voorrands-
helft der voorvleugels, deze met twee flaauwe, hoekig
geslingerde, bleek blaauwachtig groene dwarslijnen, eene
flaauwe bruine schaduwlijn, die zich in cel i en 2 tot de
tweede dwarslijn verbreidt en bleek groen en bruingrijs
gewolkt franjeveld. Achtervleugels slechts met eene flaauwe
groengrijze dwarsstreep. Bovenzijde overigens fijn donker ge-
sprenkeld. Franje donkerbruin met grijze punt. Onder zijn de
kleuren als boven aangelegd, doch het groenachtige werd
blaauwgrijs; men ziet eene stomp kegelvormige lichte vlek
aan den binnenrandshoek der voorvleugels en deze hebben
eene op ader 7 scherp gebroken, schuine donkerbruine
dwarslijn. Ader 3 en 4, en 6 en 7 der achtervleugels ge-
noegzaam uit een punt, 3 en 4 der voorvleugels verder
uit een, 6—9 gesteeld en de dwarsader boven ader 5
ongebogen; 12 doorsnijdt 10 en 11. ij
ST. THOMAS EN JAMAICA. 29
Achterpooten ontbreken; de overigen gewoon gevormd,
glad beschubd.
Het exemplaar heeft geene aanduiding van vangplaats
of tijd.
Genus AzeLINA Guenée.
23 Nolckeniata m. — nov. sp. Pl. 2, f. 3.
Corticeo-fusea, viridi adspersa, alis anterioribus post venam
tertiam ter incisis, thorace et alarum basi lanuginosis,
libiis anterioribus cretaceo-maculatis.
Een zeer gaaf mannetje van 45 mm. vlugt.
Sprieten genoegzaam naakt, draadvormig, roodachtig wit.
Zuiger lang, palpen anderhalfmaal zoo lang als de oogen,
schuin opgerigt, glad beschubd, met zeer kort, horizontaal
eindlid, zich bij eene kegelvormige voorhoofdskuif aanslui-
tende. Kop en vooral de thorax dik en fijn wollig behaard;
ook de rug van het achterlijf en de vleugelwortels zijn
met ongewoon vele fijne lange haren bezet. Vleugels met
eene neusvormige punt op ader 3, de achterrand in cel 2
uitgesneden, voorrand der voorvleugels vlak. Grondkleur
der bovenzijde schorskleurig bruin, op thorax en vleugel-
wortels en ook langs den fijn roodachtig wit gevlekten
voorrand der voorvleugels fijn mosgroen bestoven, de laatsten
met 2 fijne, geslingerde, mosgroene dwarslijnen, eene zwarte
stip op de middenader en een schuin donkerbruin schaduw-
streepje daarboven aan den voorrand. Achtervleugels met
eene donkerbruine op ader 2 gebroken dwarslijn. Onder-
zijde helderder, meer roodbruin, ook mosgroen bestoven,
met overal op ader 2 gebroken franjewaarts vervloeijende,
roodachtig, witte boogstreep, donkere middenpunten, op
de voorvleugels met een donker, geslingerd streepje er
onder in eel 2, op achtervleugels met eene regte donkere
lijn er voor. Voorvleugels met eene witte schimmelvlek,
bij den rand van cel 2 een fijn wit lijntje bij de punt cel
30 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
1° bleeker, vuilwit. Franje roodbruin. Borst en dijen der
overigens glad beschubde, gewoon gevormde en gespoorde
pocten fijn wollig behaard; voor- en middenscheenen met
3 helderwitte vlekken.
Ader 3 en 4 en 6 en 7 der achtervleugels verwijderd,
3 en 4 der voorvleugels mede ver uit een, 7—10 gesteeld,
11 door 12 doorsneden.
Het exemplaar is op 7 Mei 1871 te Bogota gevangen.
Deze soort is blijkbaar verwant aan Azelina latrata Guenée,
doch ik vind op verschillende punten onderscheid; zoo ont-
breekt b. v. op de bovenzijde der voorvleugels de lichte vlek,
waarop de middenstip staat, op hunne onderzijde de groote,
bijna zwarte, vlek bij den binnenrand, en zegt Guenée niets
van de zoo in het vog loopende witte vlekken op de pooten.
24 Caninata Guenée. — PI. 2, fig. 4.
Een gaaf mannetje van 42 mm. vlugt, en dus iets
kleiner dan de voorwerpen van Guenée. Zijne beschrijving
past overigens goed; ik merk nog op dat de voorrand der
voorvleugels lichter is en hunne punt stomp; de achter-
randshelft der achtervleugels is donkerder dan de wortel-
helft, doch zonder groene inmenging. Overal hebben de
dwarsaders eene zwarte middenstip. Onder ziet men meer
groen, zijn de voorvleugels in cel 1 en 2 bleek paarsgrijs,
de witte vlek op den achterrand is wortelwaarts zwart
afgezet en de achtervleugels hebben sporen van eene don-
kerbruine middenstreep, benevens verstrooide bruine stippen
op den bleek paarsgrijzen binnenrand. Franje donkerbruin
geteekend. Sprieten draadvormig. Ader 6 en 7 der ach-
tervleugels en 3 en 4 van beiden verwijderd van elkander,
doch digter bijeen dan bij Nolckeniata, 7—12 als daar.
Pooten grijs, bruin en zwart gevlekt, gewoon gevormd en
gespoord.
Geene aanduiding van vindplaats.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 31
Genus Ononrorera Steph.
25 Bistomaria m. — nov. sp., Pl. 2, fig. 5.
Frons tumida, abdomen cristatum: alae anteriores flavescenti-
brunneae, areis basali, media et posteriori nigrofuscis,
macula apicali alba, posteriores canae, fusco variegatae;
omnes sublus albo, fusco mgroque marmoratae.
Een gaaf wijfje van 46 mm. vlugt.
Deze merkwaardige vlinder verschilt van Bidentata door
de vleugeladeren (7—10 der voorvleugels komen uit eene
gesteelde aanhangcel) door de gelijkmatiger getande smal-
lere voorvleugels, door het uitpuilende voorhoofd en door
de meer schubachtige bekleeding van den thorax; overigens
is zij aan de genoemde europeesche soort generiek verwant.
Door kleur en teekening herinnert de vlinder overigens
aan Biston stralaria en hirtaria en de bouw van het lijf
toont mede verwantschap met beide soorten. Van Herrich-
Schäffer’s genera is er geen tot de opname geschikt.
Voorhoofd sterk uitpuilend, afgerond. Palpen horizontaal,
smal, grof behaard, met lang, dun, duidelijk eindlid,
Zuiger lang. Sprieten draadvormig, langer dan gewoonlijk,
tot 2/3 van den voorrand der voorvleugels komende. Thorax-
bekleeding dik en grof, de haren aan het eind schub-
vormig verbreed. Achterlijf langer dan de achtervleugels,
kegelvormig, spits, met uitstekenden eijerlegger; de rug
met eene dikke pluim aan den wortel en nog eenige
kleinere. Pooten lang en dun, gewoon gevormd en ge-
spoord, glad beschubd, de dijen met eenige wollige be-
haring. De schedel is vuilwit, de thorax zwartgrijs met
wit gepunte haren, de punt van het achterlijf bijna zwart,
doch overigens zijn de tot hiertoe beschreven ligchaams-
deelen geelbruin, grof zwart gespikkeld.
Voorvleugels met vlakken voorrand, scherpe hoeken en
gelijkmatig gebogen achterrand; deze op ader 3 en 6 iets
sterker getand. Grondkleur geelbruin met donkere schrapjes;
32 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA.
het midden van het wortelveld, het door twee stomp ge-
tande fijne witte lijnen ingesloten middenveld (beiden
van de subcostaalader en tot aan den binnenrand) be-
nevens het franjeveld, zijn zoo digt bestoven, dat de
grondkleur geheel bedekt wordt, behalve op de aderen.
Het franjeveld is in de onderhelft van cel 3 mosgroen,
aan de punt krijtwit en wordt wortelwaarts door dikke
witte stippen afgezet. Midden achter de zwarte bestuiving
van het wortelveld ziet men eene langwerpige blaauwgrijze
vlek, eene dikke zwarte op de dwarsader en zulke halve
maantjes op de franjelijn.
Achtervleugels wit, eene grove besprenkeling, cene mid-
denvlek en twee booglijnen daarachter zijn zwartgrijs; de
franjelijn van ader 6 tot den staarthoek verdikkend zwart.
Onderzijde wit, zeer grof en digt zwartgrijs gesprenkeld
en geteekend. De kleuren als boven aangelegd.
Ader 11 der voorvleugels is vrij, 3 en 4 (in de achter-
vleugels ook 6 en 7) komen uit één punt; 5 der laatsten
zeer flaauw; 8 duidelijk vrij.
Het exemplaar is in het begin van Mei bij Barro blanco
gevangene
Genus Crocazzis Treitschke.
26 Tropicaria m. — nov. sp., Pl. 2, fig. 6.
Cervina, alis hic illic griseo adspersis, punctis discoi-
dalibus nigris, macula cinerea in apice anteriorum.
Vier exemplaren, waarvan drie gaaf, 35—36 mm.
In geen van Guenée’s of Herrich-Schäffer's genera juist
passende, is deze soort nog het naast aan Crocallis ver-
want, waarvan zi) zich echter onderscheidt door geheel
ongetanden achterrand der voorvleugels en langen zuiger.
Kloek gebouwd; de palpen als bij Crocallis en de helft
langer dan de kop, met breed, ruigbehaard, iets opgerigt
middenlid en vrij lang, dun, bijna horizontaal eindlid; zij
zijn overigens bij het mannetje niet grooter dan bij het
ST. THOMAS EN JAMAICA. 33
wijfje. Kop ruigbehaard. Sprieten bij den man gebaard,
bij het wijfje gekerfd. Thorax dik wollig; achterlijf kort,
dik, stomp kegelvormig.
Bij het wijfje zijn thorax, achterlijf en voorvleugels
eenkleurig reebruin, de laatsten fijn bruin gesprenkeld,
aan den achterrand en op de franje iets donkerder, met
zwart, blaauwgrijs gerand middenpunt en eene ongebogen,
getande bruine lijn op drie vierden, die uit een blaauw-
grijs donkergerand vlekje bij de vleugelpunt voortkomt.
Het eene mannetje is iets bleeker, meer okerkleurig ,
doch de voorvleugels tot aan de dwarslijn sterk en grof
donkergrijs besprenkeld en wel naar achteren in toenemende
mate, zoodat de besprenkeling voor de dwarslijn bijna tot
een’ band ineenvloeit. Achter de lin is zij over het geheel
fijner, doch vormt voor den achterrand nog eene stippenrij.
Het tweede (afgebeelde) mannetje is in grondkleur iets don-
kerder dan het wijfje en zijne voorvleugels zijn voor het
grootste gedeelte door een’ bruingrijzen band bedekt, waarop
het middenpunt duidelijk uitkomt. Het vlekje onder de
vleugelpunt is ook bij dit exemplaar grooter en bijna wit.
Achtervleugels en onderzijde grijsgeel met zwarte midden-
punten en grove, bandvormig ineenvloeijende besprenkeling.
Met N° 63 gemerkt.
FAMILIA V, BOARMIDAE GUENEE.
Genus Boarmra Treits.
I.
tt
27 Muscinaria m. — nov. sp. PI 2, f. 7.
Antennis maris barbatis; alae supra cinnamomeo-fuscae ,
albo mgroque variegatae, maculis albis basalibus ,
apice dilutiores.
Een mannetje van 45 mm. vlugt.
Het exemplaar is hier en daar wat beschadigd, doch,
l 3
34
GEUMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
blijkbaar onafgevlogen en daardoor de teekening geheel
herkenbaar.
Sprieten kort gebaard, aan het laatste derde gekerfd,
bruin, zwart gevlekt. Palpen zwartbruin met twee lichte
stippen. Achterrand der voorvleugels vlak gegolfd, die der
achtervleugels zeer diep, bijna getand. Grondkleur van lijf
en voorvleugels licht chocolaadbruin, met bleekere plekken,
vooral in het midden. Voorvleugels met flaauwe, gebogen
donkere dwarslijn aan den wortel; eene driekante vlek op
een derde van den binnenrand is krijtwit ‚ met donkere
schrapjes; juist daaronder ziet men een breede, fijn donker
gestippelde band die bijna den geheelen wortel der achter-
vleugels beslaat. Eene geslingerde, ongelijke middellijn
volgt dan op de voorvleugels; op de achtervleugels is zij
zeer onduidelijk, driedubbel, in zwarte langsstreepjes op
de aderen verbreid. Tweede dwarslijn getand, onafgebroken
op de achtervleugels doorloopende, eigenlijk zwart doch
naar onderen bijna geheel wit beschubd, op de achter-
vleugels wortelwaarts met zwarte streepjes op ader 2, 3
en 4, de tanden in cel 4 der voor- en achtervleugels zwart
gevuld, die in cel 5 der voorvleugels wit. Franjeveld in
cel 5 der achtervleugels donkerder bruin, in cel 6 der voor-
vleugels met een dik zwart dwarsstreepje. Onderzijde vuil
geelwit, met dikke zwarte middenvlekken, de voorrand
der voorvleugels met zwarte schrapjes, hun midden zwart
bestoven, het punt-derde geheel zwart, doch de vleugel-
punt zelve in cel 7 en 8 zuiver geelwit. Achtervleugels
mede met gebogen zwarten band voor den achterrand, die
naar onderen verflaauwt, aan ader 2 ophoudt; de vleugel-
punt is in een deel van cel 6 en 7 zuiver geelwit. Franje-
lijn donker, in de cellen tot stippen verdikt. Franje lang,
onder en boven als de vleugels gekleurd; eene deelingslijn
en de spits donkerder. Pooten geelwit, de voorpooten met
zwart geteekend, de achterscheenen iets dikker, gewoon
gespoord.
Het exemplaar is met N° 64 gemerkt.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 35
Geheel anders gekleurd dan de soorten van Guenée’s
afdeeling I.
28 Fuscolimbaria m. — nov. sp. PI. 2, f. 8.
Alba, maculis duabus basalibus et quarta parte limbi
alarum anteriorum fuscis, costali tantum parte linearum
Iransversarum maculis migris recognoscenda ; alis poste-
rioribus sine puncto discoidali.
Een gaaf mannetje van 36 mm.
Om den zwarten rand der onderzijde tot ++ behoorende,
doch overigens zonder verwanten in deze sectie en meer
tot groep II naderende.
Sprieten kort gebaard, de tweede helft draadvormig.
Palpen grijs, donker gevlekt, weinig langer dan de kop.
Deze, de halskraag en de wortelhelft der schouderdeksels
wit, hunne tweede helft en de rug bruin. Achterlijf licht-
grijs, de rug met donkerbruinen dwarsband bij den wortel.
De vleugels zijn kort, afgerond; de achterrand der voor-
vleugels geheel effen, die der achtervleugels in cel 5—7
iets gegolfd, verder effen. Over het geheel zijn de vleu-
gels gevormd als bij de kleinere Boarmia glabraria Hübn.
waaraan de vlinder ook door kleur en teekening her-
innert.
Grondkleur wit, iets paarsachtig met enkele fijne zwarte
schubben; twee vlekken aan den wortel en het achterrands-
vierde der voorvleugels zijn licht koffijbruin, het laatste tegen
den binnenrandshoek iets versmald, wortelwaarts regelmatig
hol, op den achterrand in cel 3 en 7 vlekkig wit uitgesneden ;
op de achtervleugels is slechts een klein plekje aan het
eind van ader 6 bruin. Van de dwarslijnen loopt het
vlekkige, zwarte begin aan den fijn zwart gekrasten voor-
- vleugelvoorrand in het oog, doch overigens ziet men van
haar alleen eenige vlekjes op de aderen en aan den binnenrand.
Golflijn in den bruinen rand der voorvleugels vrij duide-
lijk, zwart, franjewaarts met enkele blaauwgrijze schubben ;
36 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
op de achtervleugels is zij grijs, flaauw, alleen het boogje
in cel 4, bij het bruine vlekje, is dik zwart. Franjelijn
gegolfd, zwart, doch afgebroken; in cel 4—6 der voor-
vleugels met drie dikke zwarte, wortelwaarts gerigte
streepjes. Franje wit, op de voorvleugels achter het bruin
zwartgrijs gevlekt.
Middenvlek op de voorvleugels grijs, doch geheel met iet-
wat opstaande witte schubben bedekt; achtervleugels zonder
middenvlek. |
Onderzijde wit met flaauwe sporen der teekening van
boven; de voorvleugels met groote zwarte middenvlek.
Zwarte achterrand naar onderen verflaauwende, bij ader
4 der achtervleugels ophoudende, op de voorvleugels aan
den achterrand op ader 3 en in cel 6 en 7 wit ingesneden.
Buik en pooten bruinachtig wit, de voorpooten aan de
voorzijde zwart gevlekt, de achterscheenen verdikt, eene
geelwitte pluim insluitende.
Het exemplaar heeft geene aanduiding van vangplaats.
IL.
29 Elongaria m. — nov. sp. PI 2, f. 9.
Alae elongatae, luteae, tenuiter nigro adspersae, unterio-
rum parte altera accurate variegata seriebus subincur-
vatis punctarum el denticularum migrarum; sublus
anteriores fuscescenti-cinereae, posteriores canae, mar-
ginem versus infuscalae; maris antenmis barbatis.
Drie mannetjes, waarvan een zeer gaaf en frisch; 26 mm.
Sprieten gebaard, het laatste zesde gekerfd. Palpen zwart
met lichte spits. Vleugels lang, de achterrand der voor-
vleugels zeer flaauw vlak gegolfd, die der achtervleugels
vrij diep, bijna stomp getand te noemen. Grondkleur der
bovenzijde grijsachtig geel, fijn zwart gesprenkeld en be-
stoven. Deze besprenkeling en bestuiving is vooral digt op
de voorvleugels die slechts tegen voor- en binnenrand van
het middenveld en in cel 2 en 3 van het franjeveld hel-
ST. THOMAS EN JAMAICA. 37
derder zijn, verder op de franjehelft der achtervleugels
en op het achterlijf waar ring 2 en 3 geheel zwart zijn;
de rug van dit laatste heeft buitendien 2 rijen driekante
zwarte stippen. Voorvleugels aan den wortel met een ge-
bogen donkerder dwarsband die uit zwarte lijntjes en stippen
bestaat. Middenlijn onduidelijk, op de voorvleugels uit zwarte
stippen op de aderen bestaande, op de achtervleugels eerst
tegen den binnenrand duidelijk. Middenstippen klein, zwart.
Tweede dwarslijn op de voorvleugels bijna ongebogen,
dubbel, uit eene rij dikke zwarte stippen en eene rij zwarte
pijlspitsen daar achter bestaande; op de achtervleugels is
zij flaauw geslingerd en getand met eene donkergrijze,
bijna zwarte schaduwlijn er digt achter. Golflijn op de
voorvleugels parallel met de tweede dwarslijn, juist in het
midden tusschen deze en den achterrand, zeer sterk ge-
tand, bijna wit; op de achtervleugels is zij zeer flaauw,
zwartgrijs afgezet. Franjeveld der voorvleugels met twee
rijen dikke zwarte stippen, de achterrand tusschen de tweede
rij met de grondkleur licht gevlekt. Franjelijn der achter-
vleugels dik zwart. Franje bruingrijs.
Onder zijn de voorvleugels zwartgrijs, met zwart mid-
denvlekje en in het midden gelen, zwart geschrapten voor-
rand; achtervleugels grijswit, tegen den achterrand zwart-
grijs bestoven. Franjelijn geheel zwart; franje grijsgeel.
Pooten grijsgeel, het voorpaar zwart gevlekt, de achter-
scheenen een weinig dikker, gewoon gespoord.
Een der exemplaren is den 30” Maart bij Ubaque ge-
vangen, de anderen den eersten April bij Cucqueta.
Geene van Guenée’s soorten dezer afdeeling heeft de
kleur en teekening van Elongaria.
30 Odysiata m. — nov. sp. Pl. 3, f. 1.
Alae elongatae, lucide canae, plagis ferruginosis et
fuscescentibus, lineis transversalibus hic illic e seriebus
punctarum fuscarum constantibus; subtus obscure cine-
reae, parle anteriore alarum poshcarum dilutiori.
38
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
Een gaaf wijfje van 24 mm.
Zeer aan Odysia Molaria Guenée herinnerend, doch
kleiner en scherper geteekend. Guenée beschrijft het wijfje
van die soort (de andere sekse kende hij niet) met lang
gebaarde sprieten; ik vermoed hier eene dwaling of ver-
valsching. Overigens houd ik zijne bovengenoemde Odysia
voor eene echte Boarmia, even als mijne nieuwe soort, niet-
tegenstaande haren Eupithecien-achtigen habitus, stellig is.
Palpen zwartbruin met witte schubben aan de spits.
Sprieten gekerfd. Lijf en de als bij de voorgaande soort
gevormde, slechts op ader 5 der achtervleugels iets dieper
uitgesneden achtervleugels heldergrijs; de voorvleugels in
in het midden van cel 1° en 4 en aan den wortel met
drie flaauwe roestkleurige plekken. Dwarslijnen door zwart-
bruine stippen op de aderen aangeduid, de tweede tegen
den binnenrand der voorvleugels en vooral op de achter-
vleugels, zamenhangend, donkergrijs. Golflijn door donker-
grijze plekken en eene rij van zwarte stippen aangeduid.
Franjelijn donkergrijs, in de cellen der voorvleugels tot
zwarte stippen, en die der achtervleugels tot zulke boogjes
verdigt. Middenpunten klein. Franje als de vleugels. Onder-
zijde ongeteekend donkergrijs, de binnenrandshelft der
achtervleugels lichter, de voorvleugels aan den voorrand
haarfijn geelachtig.
Verwanten ken ik niet in deze sectie.
Den 27” Maart bij Ubaque gevangen.
VS
31 Aguataria m. — nov. spec. pl. 3, f. 2.
Alae latae, supra luteae, punetis discoidalibus et fascia
transversal secunda indenlala non incurvata migris,
cellulis 4° et 5° alarum anteriorum nigro-punctatis ;
subtus cinereo-flavae, fuscedine adspersae, fascia ob-
fuscata prope marginem posteriorem.
Een gaaf mannetje van 38 mm. en een iets beschadigd
van 42 mm.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 39
| Sprieten met gekerfd puntvierde. Achterrand der vrij
breede voorvleugels bijna effen, die der achtervleugels
flaauw gegolfd, in het midden iets uitgesneden. Grondkleur
leemgrijs, grijsbruin gesprenkeld, tegen den achterrand der
vleugels iets digter. Eerste dwarslijn donkerbruin, rond
gegolfd; middenlijn der voorvleugels geslingerd, flaauw,
op de achtervleugels dik, ongebogen, zwartbruin; achter
haar eene grijsbruine schaduwstreep, op beiden vóór de
dikke zwarte middenstip. Tweede dwarslijn dik, kort ge-
tand, op de voorvleugels steil en daar in cel 6, 3 en 2
uitgewischt, in cel 1° met een rond boogje, op de achter-
vleugels aan ader 7 iets verder franjewaarts beginnende
en verder bijna ongebogen; hare kleur zwartbruin. Golflijn
uiterst flaauw, op de voorvleugels in cel 4 en 5 aan beide
zijden met twee zwarte stippen op donkerder bruinen grond,
op de achtervleugels wortelwaarts in alle cellen met ongelijke.
Franjelijn niet donkerder, op de voorvleugels in cel 3—6,
op de achtervleugels in cel 1°, 2 en 3 met grootere of
kleinere zwarte stippen. Franje als de vleugels.
Achterlijf bleekbruin; in de zijden met twee ten deele
zwarte pluimpjes. Onderzijde grijsgeel, met grove donker-
grijze, tegen den achterrand tot eene streep verdigte be-
sprenkeling. Men ziet verder eene flaauwe booglijn, zwarte
middenstippen en fijnere op de franjelijn. Pooten grijsgeel,
allen buitenwaarts zwart gevlekt, de achterscheenen veel
dikker, met eene lange pluim van half zwarte en gele
haren, de achtertarsen zeer kort.
Het boven beschreven voorwerp is met N° 63 gemerkt.
Het later ontvangen, minder gave, zonder aanduiding
van vangplaats, heeft op de franjelijn in alle cellen der
voor- en achtervleugels even groote, dikke zwarte stippen.
Door de grondkleur en vleugelvorm van de vier soorten
van Guenée’s afdeeling V onderscheiden.
40 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
FAMILIA VII, GEOMETRIDAE GUENEE.
Genus GEoMETRA L.
IV.
re
32 Iridaria Guenée.
Een mannetje, den 27° Maart bij Ubaque gevangen.
De voorrand der voorvleugels is voor een derde roodbruin.
Volgens Herrich-Schiffer zoude deze soort eene zuivere
Eucroshs zijn; ook volgens Lederer.
Genus Dvyspreris Hb. Gn.
33 Legitimaria Guenée.
Een afgevlogen wijfje zonder aanduiding van vangplaats.
Het genus Sparta Staud., Celenoptera Led. is zeer na aan
Dyspteris verwant en kon misschien wel vervallen. In Herrich-
Schäffer's tabel is Dyspleris verkeerd geplaatst, de vlinders
zijn Phytometrinen, verwant aan Lobophora, hetgeen de aderen
der voorvleugels ook aanwijzen, doch van alle mij bekende
Spanners verschillende door de ongewoon ver van den voorrand
der middencel verwijderde ader 8 der kleine achtervleugels,
welke ader met de middencel door eene zeer lange dwarsader
verbonden is.
Genus RacHEospiLa Guenée.
Volgens Herrich-Schäffer zouden de beide volgende soorten
tot zijn al te zeer gemengd genus Geometra behooren. Naar
Lederer’s en mijn eigen, in de Vlinders van Nederland gevolgd
systema moeten zij in het genus Phorodesma komen. Beiden
houd ik ze voor nieuw, de eene (Leucoceraria) onderscheidt
zich door de vier evengroote, ronde in het midden paarswitte
middenvlekken en de groote paarse vlek die cel 1° en 1° der
voorvleugels in den binnenrandshoek beslaat; de tweede (Rufi-
dorsaria) is aan Miccularia Guenée na verwant, doch heeft ook
groote, op de achtervleugels iets kleinere middenvlekken en
het achterlijf is op de bovenzijde rood.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 41
34 Leucoceraria m. — nov. spec. Pl. 3, f. 3.
Antennis albis; alae porriaceo-virides, maculis submagnis
discoidalibus et limbo purpureis, angulis posterioribus
violaceis.
Twee gave mannetjes van 19 mm. vlugt.
' Palpen purperrood; kop wit, een dwarsbandje boven
aan het gezigt en een in den nek purperrood; sprieten
wit. Thorax in het midden leemgeel; de schouderdeksels
groen; eene vlek op het schildje wit. Achterlijf roodbruin,
de zijden en pluimpjes op den rug wit. Voorvleugelpunt
duidelijk; achtervleugels met afgeronde punt en zeer duide-
lijken staarthoek; beschubbing dun, vrij grof. Grondkleur
lookgroen, het aderbeloop geelachtig; de voorvleugel-voor-
rand purperrood; eene uiterst flaauwe, aan den binnenrand
der achtervleugels met een paars vlekje eindigende getan-
de dwarslijn staat op twee derden en is bleek paars.
Middenvlekken vrij groot, rond, purperkleurig, in het
midden met paarswitte schubben. Franjelijn in alle cellen
met paarse, wit beschubde halvemaantjes, in cel 1° en 1°
van voor- en achtervleugels met eene groote, paarswitbe-
schubde, vervloeijend geel gezoomde vlek. Franje paars-
wit met paarse lijn over de wortelhelft. Onderzijde groen-
wit, als boven geteekend, doch de vlekken in de binnen-
randshoeken slechts van boven doorschijnend.
De exemplaren zijn met N° 62 gemerkt.
35 Rufidorsaria m. — nov. spec. Pl. 3, f. 4.
Antennis albis, flavobarbatis, abdomine purpureo ; alae
porriaceo-virides , maculıs discoidalibus et limbo quinquies
dilatato purpureis.
Een gaaf mannetje van 17 mm.
Vleugelvorm als bij Miccularia Guenée; d. i. de voor-
vleugels kort en breed driehoekig, de achtervleugels in de
rigting van het achterlijf verlengd.
Palpen en kop purperrood, enkele schubben onder aan
42 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
het gezigt, een streepje tusschen de geelgebaarde sprieten
en de schaft van deze wit. Thorax met groene schouder-
deksels, de rug vóór geelachtig, naar achteren in het
donkere purperrood van het witgepluimde en gebuikte
achterlijf overgaande. Grondkleur der vleugels lookgroen,
de voorvleugelvoorrand in het midden wit, middenvlekken
purperrood, op de achtervleugels kleiner; achterrand mede
purperrood, op de voorvleugels tweemaal, op de achter-
vleugels driemaal tot groote, paarswit beschubde vlekken
verbreed. Ook de binnenrand der achtervleugels is bijna
geheel purperrood. Franjelijn fijn wit. Franje bleek purper.
- Onderzijde als boven geteekend maar alles bleeker er flaauwer.
Het exemplaar is den 18° Januarij aan de Rio Magdalena
gevangen.
FAMILIA VII, MECOCERIDAE GUENEE.
Genus Mecoceras Guenée.
36 Nitocris Cramer (Nitocritaria Guenée).
Ken wijfje dat den 25” Januarij 1871 bij Conejo aan de
Rio Magdalena gevangen is.
Guenée verwijt aan Hiibner, dat hij eene fictieve varie-
teit heeft afgebeeld. Ik moet echter den laatsten van die
beschuldiging vrij pleiten, want op ’s Rijks Museum van
Natuurlijke Historie te Leiden bevindt zich een exemplaar
uit Suriname, dat ongeveer dezelfde kleur heeft als de
door Guenée gewraakte afbeelding van Hübner.
Nitocris Cramer behoort tot Herrich-Schäffer's genus
Ametris.
FAMILIA IX, PALYADAE GUENÉE.
Genus Panyas Guenée.
37 Fimbriaria Cramer — (Imperata Guenée).
Een wijfje met N° 63 gemerkt. Genus Chrysotaenia
Herrich-Schäffer. |
ST. THOMAS EN JAMAICA. 43
38 Prospectata m. — nov. sp. Pl. 3, f. 5.
Coerulescenti-grisea, subsericea, macula ocellata alarum
anticarum discoidali, lineola in vena transversali
posticarum et lineis duabus ante marginem posteriorem
ferruginosis, hic illie squamis mitentibus indutis, illa
exteriore alarum posticarum quatuor maculis nigro et
argenteo squamosis.
Een iets afgevlogen wijfje van 27 mm.
De voorvleugelpunt en de staarthoek der achtervleugels
zijn iets stomper dan bij Fimbriaria, doch overigens zijn
bouw en aderbeloop eveneens en behoort de vlinder dus
ook tot Chrysotaenia H. S.
Grondkleur van lijf en vleugels licht paarsgrijs, de
laatsten iets glanzig. Zij hebben bij den wortel sporen
eener eerste dwarslijn van dikke, zilvergrijze, blinkende
schubben, op de dwarsader der voorvleugels eene roest-
bruine O die mede met zulke schubben is versierd en op
die der achtervleugels een bruin streepje, waarop ik even-
eens blinkende schubben zie. Voor den achterrand ziet
men twee bruine dwarsstrepen die op de voorvleugels vrij
steil en geslingerd zijn en op de achtervleugels gebogen,
met den rand parallel. Aldaar draagt de laatste eene ri
van vier verheven stippen van blinkende schubben die aan
de franjezijde eenige zwarte hebben; enkele blinkende
schubben staan ook op de eerste streep tegen den binnen-
randshoek. Franje grijs, ongeteekend. Onderzijde grijswit,
de voorvleugels met eene roestbruine middenvlek en ach-
terrandsstreep die op ader 5 eenen tand heeft.
Geene aanduiding van vangplaats.
Genus OPHTHALMOPHORA Guenée.
39 Formosanta Cramer (Formosantata Guenée).
Twee wijfjes, op 20 en 21 Januarij bij Yondo en Badillo
aan de Rio Magdelena gevangen.
Dr. Herrich-Schäffer brengt ook deze soort tot zijn genus
44 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
Chrysolaenia, doch het verschil in vleugelvorm is te groot
om deze soorten bijeen te laten en dus kan het zeer
homogene genus Ophthalmophora van Guenée zeer wel
blijven bestaan. De nervuur is bij Fimbriaria en Formosanta
dezelfde.
Guenée’s Corinnaria houd ik voor synoniem met Formosanta.
Behalve de twee door hem vermelde Cramer’sche soorten
van dit genus vind ik er in het werk van mijn’ landgenoot
nog twee die mede blijkbaar daartoe behooren, namelijk
Hylaria pl. 113 F. en Corinna pl. 29 H.
De pooten zijn bij deze en de volgende soorten dun,
glad beschubd, gewoon gespoord en de achterscheenen
niet het minste verdikt.
40 Lyonetaria m. — nov. sp. PI. 3, fig. 6.
Alae anteriores fusco-griseae costa concolore, anguli pos-
lerioris cellulis 1a et 1b albescentibus ; posteriores fascia
basali incurvata flavescenti-alba et ocellula in cellula
quinta.
Een vrij gaaf mannetje van 30 mm.
Onderscheidt zich van al de bekend gemaakte soorten
door de zuiver donkergrijze voorvleugels met eenkleurigen
voorrand, die op het midden van dezen slechts een flaauw
spoor eener gezwaaide lichtere dwarslijn vertoonen. De
binnenrand is in de franjehelft van cel 12 en daarboven
in een even breed, doch korter streepje van cel 1b wit.
Franje als de vleugel. Op de achtervleugels is de wortel
eveneens gekleurd als de voorvleugels; het overige ach-
ter een franjewaarts vervloeïjend licht okergeel gezoomd,
tegen den voorrand iets verbreed dof wit dwarsbandje,
helderder grijs en van ader 5 af tot den binnenrand fijn
donker bestrooid. Verder ziet men bij den achterrand,
op twee derden van cel 5 een rond, zwart, geelgerand,
wortelwaarts ter halve breedte steenrood afgezet oog met
groenzilveren vlek in de franjehelft, dat slechts de halve
ST. THOMAS EN JAMAICA. 45
grootte heeft der oogvlek van Formosanta. De geheele
achterrand, doch tegen den binnenrandshoek in sterk af-
pemende mate, is met groenzilveren schubben gezoomd.
Zoodanigen vertoonen zich ook wortelwaarts van de roode
afzetting van het oogvlekje en franjewaarts van den witten
wortelband tegen den binnenrand. Franje bleek okergeel
tot ader 4; van daar tot den staarthoek grijs. Sprieten
gebaard met draadvormig puntvierde. Lijf donkergrijs met
grijsgele staartpluim. Onderzijde ongeteekend grijswit, het
achterrands-derde der voorvleugels donkergrijs,
Het voorwerp heeft geene aanduiding van vangplaats.
FAMILIA X, EPHYRIDAE GUENÉE.
Genus Zonosoma Lederer.
(Ephyra Dup. Gn.)
41 Conspicillaria m. — nov. sp. PI. 3, f. 7.
Alae subdentatae, pallide luteae, rude sed aequaliter
rufopunctatae, costa fusca, liners transversalibus et
lunulis marginalibus brunneis, maculis discoidalibus
ocelliformibus niveis, rufolimbatis.
Een gaaf mannetje van 19 mm.
Naar vleugeladeren, sprieten en pooten eene ware
Zonosoma doch met getand-gegolfden, op ader 5 der
achtervleugels zelfs iets uitgesneden achterrand. Ook zijn
de voorvleugels spitser en is het dier tengerder gebouwd dan
onze Europeanen. Grondkleur bleekgeel als bij Punctaria L.,
doch zeer sterk en grof rood bestoven; kop, halskraag en
de geheele voorrand. der voorvleugels zwartgrijs, de dwars-
lijnen en de halve maanvormige streepjes der franjelijn
zeer scherp, roodbruin. Vier vrij groote donkerrood ge-
rande, helderwitte middenvlekken. Onderzijde grijswit met
flaauw van boven doorschijnende teekening.
Van Guenée’s exotische soorten is geene zoo na met
Conspicillaria verwant dat het noodig zoude zijn het onder-
46 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
scheid nader te behandelen, doch Herrich-Schäffer beschrijft
in het Correspondenzblatt des Zool.-Min.-Vereins zu Regens-
burg 1870 p. 180 twee species die zeer nabij de mijne
komen Nanularia en Coecaria (in het voorbijgaan zij op-
gemerkt dat Guenée reeds eene Ephyra coecaria heeft en
Henrich-Schiffer’s soort dus anders moet heeten). Van de
genoemde 2 soorten wordt echter niet gezegd dat de
voorrand der voorvleugels zwartgrijs is, eene bijzonderheid
die aan Herrich-Schäffer niet ontgaan zoude zijn. Ook
noemt hij de grondkleur ,,weisslich”.
Het voorwerp is door Baron von Nolcken den 27” Maart
1871 bij Ubaque gevangen.
42 Olivaria m. nov. sp. Pl. 3, f. 8.
Alae anteriores integrae, posteriores subdentatae. Supra
obscure olivacea, lineis transversalibus intensioribus,
alis anterioribus macula nigra discoidali, posterioribus
bina alba; subtus anteriores rufae, posteriores albae.
Een iets afgevlogen mannetje van 21 mm.
Eveneens gebouwd als de voorgaande soort, de achter-
rand der voorvleugels echter geheel ongebogen en effen.
Bovenzijde donkergroen, iets olijfkleurig, de voorvleugels
met eene donkerder eerste dwarslijn. Middenschaduw even-
eens donkergroen, ongebogen, genoegzaam ongetand, naar
onderen ietwat verdikt, op de voorvleugels achter eene dikke
zwarte middenstip heengaande, op de achtervleugels over
eene dubbele witte donkergroen gerande. Tweede dwars-
lijn vrij digt bij den achterrand, daarmede parallel en fijn
getand. Franjelijn met donkergroene streepjes. Van de
franje zijn slechts weinige groene overblijfsels te zien.
Onderzijde ongeteekend; de achtervleugels groenwit,
hunne dikke franjelijn en de geheele voorvleugels steen-
rood. Gezigt en palpen roodbruin. Lijf boven ontschubd;
onder geelwit als de pooten.
Geene aanduiding van vangplaats.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 47
FAMILIA XI, ACIDALIDAE GUENEE.
Genus CamBocra Guenée.
Guenée plaatst dit genus in eene familie met Acidalia, doch
zeer ten onregte, want het heeft er niets mede gemeen, even-
min als zijn genus Asthena. Beiden zijn Phytometrina en wel
na aan Larentia H.S. verwant, waarvan zij naar de vleugel-
aderen niet eens scherp te scheiden zijn, omdat eene der soorten
van Asthena Guenée (Candidata W. V.) eene gedeelde aanhangcel
der voorvleugels bezit. De vleugelvorm levert echter een vol-
doend kenmerk op en ook de teekening heeft iets eigenaardigs.
Guenée merkt op dat de Cambogia’s zeer gemeen in Amerika
moeten zijn; de verzameling van den heer von Nolcken be-
vestigt dit, want daarin bevinden zich niet minder dan negen
soorten die tot Cambogia konden worden gebragt. De vlinders
echter ten opzigte der vleugeladeren onderzoekende, vind ik dat
een gedeelte eene ongedeelde aanhangcel der voorvleugels bezit
(even als onze europesche Asthena (= Hydrelia, Herr.-Sch) syl-
varia, luteata, obliterata, doch een ander in het geheel geene
aanhangcel heeft. De soorten met aanhangcel onderscheiden zich
voorts door den oorsprong van ader 11 der voorvleugels, die
boven aan den steel van 7—11 ontspringt in plaats van geheel
onderaan zoo als bij de Europeanen, en bij allen hebben de
mannetjes gebaarde sprieten. Het genus Cambogia zoude dus
behouden kunnen worden voor de species zonder aanhangcel en
Asthena (Hydrelia) in drie sectiën worden gesplitst, waarover
zie bij dat genus. Van Cambogia Gn. ontving ik 6 soorten waarvan
2 beschreven zijn en 4 nieuw; eene is evenwel niet voor
publicatie vatbaar. -
43 Meliadaria Guenée. — PI. 3, f. 9.
Een gaaf mannetje van 21 mm. dat tot Guenée s var. A
behoort, doch geene witte vlek op den als de vleugels ge-
kleurden fraai gelen kop tusschen de sprieten heeft. Ik zie
48 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
integendeel daar een paars vlekje. Overigens komt het
voorwerp met de beschrijving overeen.
Het is den 2° April 1871 bij Cucqueta gevangen.
44 Adimaria m. — nov. sp. PI. 3, f. 10.
Dilute flava, lineis undulatis gracilioribus canis subm-
fentibus novem in alis anticis, sex in posticis; subtus
e flavo alba, costa lata fusca.
Een gaaf mannetje van 21 mm.
Bovenzijde bleek groenachtig kanariegeel; het gezigt,
behalve geheel onderaan, kaneelbruin, de schedel tusschen
de sprieten wit, het achterhoofd geel. Voorvleugels met
bleek roodachtigen voorrand; vier paar fijne, gegolfde licht-
grijze iets glanzige lijnen staan even ver van elkander, en
voor den achterrand (dezen onder ader 3 volgende) ziet
men nog eene ongepaarde lijn. Achtervleugels met drie
paar lijnen. Geene middenpunten. Franjelijn met lange
donkerbruine stippen op de aderen. Onderzijde geelwit, iets
glanzig, de voorrand der voorvleugels donkerbruin, op de
wortelhelft zeer breed, onregelmatig, iets streeperig over
het vleugelvlak verbreid, overigens geene teekening. Voor-
pooten buitenwaarts bruin, de overigen geelwit.
Het exemplaar is met N° 20 gemerkt.
Aan Marcearia Guenée herinnerend, doch door de fijne
teekening en den onder breed donkeren voorvleugelvoorrand
onderscheiden.
45 Sagittaria m. — nov. sp. Pl. 3, f. 11.
Aurata, fusco adspersa, fascia lata arcuata purpureo-
brunnea, ex qua in vera quarta alarum anticarum
villa versus marginem.
Twee vrij gave mannetjes van 17 en 18 mm.
Herinnert aan Schidax Semissaria HS. (volgens dezen
eene Acidalia) doch is geel in plaats van grijs en de vleugels
hebben maar ééne dwarslijn, Bovenzijde goudgeel met roest-
| UITGEGEVEN DOOR
‚VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
oe PETS STREET TT
ST. THOMAS EN JAMAICA. 49
bruine schrapjes die zich voor doen als sporen van een
onregelmatig netwerk. De bovenhelft van het gezigt, de
halskraag, de voorhelft van den thorax en de voorrands-
wortel der voorvleugels zijn paarsbruin. Nog iets donkerder
is eene dikke, flaauw gebogen, aan den voorvleugel-
voorrand tot bijna aan de punt vlekkig verbreede boogstreep
der geheele bovenzijde waaruit over ader 4 der voorvleu-
gels eene dikke langsstreep naar den achterrand loopt;
deze streep vult ook den wortel van cel 3. Achter de
boogstreep ziet men nog eene hoekig geslingerde rij van
roestbruine vlekjes. Franjelijn met bruine vlekjes in de
cellen die naar den binnenrandshoek der achtervleugels
grooter worden. Franje als de vleugels; ongeteekend, op
ader 4 der voorvleugels paarsbruin. Middenpunten der
voorvleugels dik. Onderzijde als boven geteekend, doch de
grond bleeker, de lijnen en stippen vlekkiger.
De voorwerpen zijn met N° 63 geteekend.
Door de teekening der voorvleugels, die eenigzins op
eenen boog met pijl gelijkt, van de overige soorten onder-
scheiden.
46 Hyriata m. — nov. sp. PI. 3 f. 12.
Dilute fulva, alarum anticarum costa et fasciolis
duabus subincurvatis, posticarum fascia incurvata ante
medium et duabus angulalis post medium, dilute
purpureis.
Een gaaf mannetje van 13,5 mm.
lets lichter geel dan Sagittaria, meer aan de kleur van
chromaatgeel herinnerend. Kop geheel bleekbruin, slechts
een streepje tusschen de sprieten geel. Voorhelft van den
thorax en eene breede, vlekkige streep langs den voorrand
der voorvleugels bleek purperrood; deze streep verlaat den
voorrand even voor de helft en loopt uit in eene groote
driekante bleek purpere vlek, die bijna tot aan de vleugelpunt
komt en het uitgangspunt is eener breede, eveneens ge-
kleurde streep voor den achterrand; deze streep is onregel-
4
50 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
matig, vlekkig, in cel 3 tot aan den rand verbreed, op
ader 1 en bij het begin afgebroken; achter haar, doch nog
voor de franjelijn ziet men nog eene rij vlekjes. Over het
midden van den vleugel loopt eene dergelijke breede streep
als de beschrevene en op een derde van den binnenrand
staat een purperrood vlekje. Achtervleugels met drie strepen ;
eene gebogene, tegen den binnenrand verbreede op een
derde; twee bij den achterrand zijn parallel en op ader 4
gebroken; alle drie vlekkig, hier en daar afgebroken.
Franje iets donkerder dan de vleugels, ongeteekend. Geene
middenpunten. Aan de onderzijde is de grond bleeker en
de teekening als boven, doch zeer vervloeid en verstoven,
zoodat het geel bijna geheel bedekt is.
De sprieten zijn bijzonder fijn gebaard.
Verwant aan Cambogia gemellaria Guenée, doch geheel
anders geteekend.
Het exemplaar is op 24 Januarij 1871 bij Mochila gevangen.
47 Apyraria Guenée.
Drie mannetjes. Guenée’s beschrijving is goed en duidelijk.
De voorwerpen zijn met N° 34 gemerkt.
Genus AstHENA Hübn.
Guenée zegt dat dit genus „un facies particulier” heeft, dat
het „tres-soutenable à ses yeux” maakt. Het is waar, zijn oog
is te geoefend om niet te gevoelen dat het zeer van Acidaha
verschilt en het is jammer dat hij zich hier en in de meeste
andere dergelijke gevallen alleen door zijn instinct liet leiden,
in plaats van als een wetenschappelijk mensch naar de oorzaken
der ontvangene indrukken te vorschen en de kenmerken zijner
dikwijls zeer goede genera behoorlijk vast te stellen. Het onder-
scheid van Cambogia en Asthena heb ik bij de voorgaande -vijf
soorten besproken en aldaar aangemerkt, dat de mij bekende
soorten van Asthena tot drie sectiën konden gebragt worden en
wel aldus : |
ST. THOMAS EN JAMAICA. DI
I. Aanhangcel der voorvleugels gedeeld, ader 11 nabij den
wortel uit den steel van 7—11 ontspringende. Sprieten
van het mannetje stomp getand (Candidata W. Verz.).
II. Aanhangeel der voorvleugels ongedeeld.
A. Ader 11 der voorvleugels als bij I. Sprieten van het
mannetje gekerfd (Sylvaria HS, Obliterata Hfn.) of
draadvormig (Luteata W. Verz.).
B. Ader 11 der voorvleugels met 9 en 10 bij de vleugel-
punt ontspringende. Sprieten van het mannetje ge-
baard (Subcrocrearia m. en Relaxaria m).
Anseraria HS. en Nymphulata Gn. zijn mij onbekend, evenzoo
de drie exotische soorten van Guenée.
Blomeri Curtis is geene Asthena maar eene Cidaria. Asthena
ondinala Guenée is misschien wel eene aan mijne Thalassinata
verwante Acidalia.
48 Subcrocearia m. — nov. sp. Pl. 4, f. 1.
Fuscescenti-crocea, vittis multis indentatis fuscis, punclis
discoidalibus nigris et quatuor maculis griseis marginem
versus. Alarum anteriorum cellula appendiculata indivisa
et vena 11° perbrevi; maris antennis barbatis, migris.
Een gaaf mannetje van 23 mm.
Maakt den indruk als of het eene meer ontwikkelde,
sterker geprononceerde Luteata was. De grondkleur is
donkerder, onzuiver safraangeel en ook de teekening die
eveneens aangelegd, doch te gelijk scherper, meer getand
en vlekkiger is.
Sprieten grauwbruin; gezigt licht kaneelbruin; schedel
geel; halskraag paarsbruin, ook de voorvleugelwortels en
de teekening voor een gedeelte; hare fijnere lijnen zijn
meer kaneelbruin; eene vlek die de wortels van cel 3 en
4 beslaat, eene grootere onregelmatig vierkante op den
achterrand (ook op de achtervleugels) en eene kleine op
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
twee derden van den binnenrand zijn zwartgrijs. Nader
beschouwd, ziet men dat van den voorvleugel-voorrand
een aantal getande lijnen uitgaan, doch ongeveer halfweg
den vleugel verflaauwen. Vier duidelijkere in het midden,
waarvan de buitenste bijna zwart is, vormen eenen in cel 2
zeer flaauwen band, die aan den binnenrand en in cel 3 en 4,
als boven beschreven, zwartgrijs is. Bij de voorvleugelpunt
is het begin van drie of vier lijnen tot eene groote paars-
bruine vlek ineengevloeid; zij worden in cel 3 en 4 door
de vierkante zwartgrijze vlek afgebroken en zijn aan den
binnenrandshoek tot eenige halve-maantjes verbreed.
Achtervleugels bijna eveneens geteekend, alleen zijn eenige
lichtbruine lijntjes op de wortelhelft fijner en de middenste
donkere, ook hier bijna zwarte lijn aan den binnenrand het
dikst, zonder veel zwartgrijs. Voor- en achtervleugels hebben
zwarte middenpunten, het achterlijf eene zwarte vlek aan
den wortel.
Onderzijde als boven gekleurd en geteekend doch alles
veel flaauwer en bleeker. Franjelijn onder en boven met
lange bruine stippen.
Het voorwerp is met N° 63 gemerkt.
49 Relaxaria m. — nov. sp. PI. 4, f. 2.
Citrea, griseo et dilute brunneo picta, punctis discoida-
libus et marginalibus atris. Alarum anteriorum cellula
appendiculata indivisa et vena undecima perbrevi.
Antennae maris barbis griseis, caule albo.
Een vrij gaaf mannetje van 21 mm.
De teekening is weder ongeveer evenzoo aangelegd als
bij Luteata en Subcrocearia, doch hier veel flaauwer, als half
uitgewischt en vervloeid en ook bleeker.
Sprietschaft wit, de baarden donkergrijs; kop grijsbruin,
tusschen de sprieten bijna wit. Grondkleur der vleugels
eigenlijk citroengeel, doch zoo zeer door de vervloeide vuil
lichtbruine en donkergrijze teekening bedekt dat zij slechts
ST. THOMAS EN JAMAICA. 53
in eene smalle streep over het midden der vleugels zuiver
bovenkomt. Vooral de wortelhelft der voorvleugels van de
middenader tot den voorrand is verduisterd ; het midden wordt
ingenomen door eene breede donkergrijze en bruine streep,
welke franjewaarts vrij scherp begrensd, flaauw rand gegolfd
is. Op de achtervleugels is de wortel zuiverder, de midden-
streep is hier ongegolfd, smaller, wortelwaarts zeer vervloeid ,
franjewaarts onafgebroken geel afgezet. De tweede helft
der vleugels is met drie flaauw gegolfde bruingrijze lijnen
en vele bruine besprenkeling digt bedekt en de voorvleugels
hebben in cel 3, 6 en aan den voorrand drie grijsbruine
langsvegen, die van den middenband uitgaan. Middenpunten
duidelijk en zwart; evenzoo de fijne, scherpe, donkerbruine
franjelijn in de cellen met scherpe zwarte stippen. Franje
geel, met grijsbruine deelingslijn. Lijf bruingrijs, de rug
van den thorax donkerder.
Onder is de grond bleeker, doch de teekening zuiverder
en daardoor duidelijker.
Het voorwerp is den 1° April bij Cucqueta gevangen,
Genus AcipaLia Tr.
Veertien soorten die voorloopig tot dit cosmopolitische genus
gebragt kunnen worden, zijn door den heer von Nolcken ver-
zameld en ik moet allen voor onbeschreven houden; zes daarvan
zijn echter niet in goede exemplaren voorhanden en kunnen
dus met stilzwijgen worden voorbijgegaan. De anderen echter
hebben voor het meerendeel iets zeer karakteristieks, hetwelk
de herkenning gemakkelijk moet maken en ook wel later aan-
leiding zal geven tot generieke afscheiding.
Guenée heeft het genus in een aantal groepen verdeeld, doch
gemakshalve de kenmerken van deze maar niet vermeld; daar
evenwel de meesten eene of meer europesche soorten bevatten,
is het niet moeielijk voor mij mijne acht nieuwe soorten zoo
wat ongeveer op de juiste plaatsen in te voegen. Eene nieuwe
groep zoude echter moeten worden gevormd voor de eerste,
54
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
50 Thalassinata m. — nov. sp. Pl. 4, f. 3.
Supra glauca, vittis costaque albis, sublus umicolor costa
brunnea; alis posterioribus rotundatis, vemis 6° et 7°
petiolatis.
Drie exemplaren waarbij een gaaf paar. Twee mannetjes
van 15,5 en 17 mm., een wijfje van 20 mm.
Ondanks zijne groene kleur is deze vlinder eene echte
Acidalia want de voorvleugels hebben eene ongedeelde aan-
hangeel, ader 5 der achtervleugels staat juist in het midden
tusschen 4 en 6; 3 en 4 derzelfde vleugels zijn gescheiden,
de sprieten van het mannetje fijn bewimperd met gekerfden
schaft; de bij het wijfje gewoon gevormde achterpooten
hebben een paar sporen en zijn bij het mannetje korter,
ongespoord, aan de buitenzijde van den scheen van een
pluimpje voorzien en hebben vrij korte tarsen. Asthena —
ondinata Guenée is waarschijnlijk ook eene, aan mijne
soort na verwante Acidalia.
Palpen bruin; kop grijswit; lif en vleugels witgroen.
De halskraag en voorrand der voorvleugels zijn vrij scherp
wit; de vleugels hebben verder even voor het midden eene
en op de kleinere franjehelft nog vier flaauw getande dwars-
lijnen, die parallel met den achterrand loopen. Van deze
lijnen is de eerste der voorvleugels — op een derde — iets
donkerder groen dan de grond, de overigen wortelwaarts
zoo gekleurd, franjewaarts wit, de derde het meest getand.
De lijnen der achtervleugels zijn iets sterker getand en
niet merkbaar donkerder afgezet. Franjelijn wit. Franje
iets grijsachtig, ongeteekend. Middenpunten wit. Op de
bijna ongeteekende onderzijde is de voorrand der voor-
vleugels donkerbruin en ook hunne franjelijn; de franjelijn
der achtervleugels heeft daarentegen slechts roestkleurige
stippen. Ader 6 en 7 der afgeronde achtervleugeis zijn
gesteeld.
De soort behoort tot het geslacht Ptychopoda H.S.,
Acidalia Led.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 55
De exemplaren zijn 28 Januarij 1871 bij Honda aan de
Rio Magdalena gevangen.
F.
51 Computaria m. — nov. sp. PI. 4, f. 4.
Grisescenti-rufa, lineis transversalibus gracilibus nigris,
alis anterioribus puncto discoidali albo, posterioribus
rotundatis nigro ; anticarum cellula appendiculata divisa.
Een gaaf mannetje van 25 mm.
Het is alleen om de pooten en de gescheidene ader 3
en 4 der achtervleugels dat deze soort tot Acidalia kan
worden gerekend, want de voorvleugels hebben eene ge-
deelde aanhangcel even als Zonosoma, van welk genus deze
soort echter weder door de draadvormige, kort bewimperde
sprieten wordt verwijderd.
Palpen roodbruin, van voren lichtbruin als het gezigt ;
schedel zwart. Sprieten, bovenzijde van het lijf en der
vleugels bleek roodbruin met fijne dof zwarte schubben,
waardoor de algemeene kleur iets grijsachtigs krijgt. Voor-
vleugels met drie fijne, flaauwe, gegolfde zwartgrijze lijnen
en eene rij van zulke stippen op de plaats der golflijn;
de franjeliin met bijna zwarte. Achtervleugels met twee
lijnen. Op de dwarsader der voorvleugels, een weinig
verder van de eerste lijn dan van de bijzonder nevelachtige
schaduwlijn, staat eene witte middenstip met zwartgrijze
schubben omzet. Achtervleugels met zwarte middenstip.
Aan de onderzijde zijn de voorvleugels bleekgrijsrood, in
cel 1 grijswit; de achtervleugels zijn geelachtig wit met
bleekgrijsrooden achterrand; middenpunten en streepjes op
de franjelijn zwart. Lijf en pooten beenwit, de voorpooten
buitenwaarts roodgrijs. Achterpooten zeer kort, doch regel-
matig gevormd, ongespoord, met een pluimpje van witte
haren.
Ader 6 en 7 der achtervleugels komen uit één punt.
Het exemplaar is den 25°” Januarij bij Conejo gevangen.
56 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
G.
52 Chlorosata m. — nov. sp. Pl. 4, f. 5.
Viridescenti grisescens, lineis transversalibus medio gra-
cilioribus fuscis, punctis discoidalibus et marginalibus
mgris; venis 2° et 3° alarum posteriorum peliolatis.
Veertien meest zeer gave exemplaren van 14—16 mm.
Bij het onderzoeken dezer door kleur en teekening schijn-
baar tusschen Polilaria en Bisetata staande soort vond ik
eene zeer merkwaardige afwijking in het aderstelsel. Ader
2 en 3 der achtervleugels zijn namelijk gesteeld; 4 ontspringt
vrij ver daarvan verwijderd; 6 en 7 uiteen punt. Overigens
is de vlinder eene gewone Acidalia met zeer korte, onge-
spoorde achterpooten.
De bedoelde veertien voorwerpen zijn allen mannetjes
en in de nabijheid van Bogota gevangen gedurende de
maanden Februarij en Maart. Of hierbij twee wijfjes be-
hooren, die den 30°" Maart bij Ubaque zijn gevonden, zou
ik betwijfelen, ondanks de overeenkomende kleur en ook
eenigermate dezelfde teekening; want vooreerst is de vlieg-
plaats niet dezelfde, dan zijn de vleugels veel smaller en
spitser en eindelijk zijn niet ader 2 en 3 maar 5 en 4 der
achtervleugels gesteeld, even als 6 en 7.
Ik zal eerst de mannetjes beschrijven en dan de beide
wijfjes.
Grondkleur vuil groenachtig grijswit, als bij Acidalia
degeneraria Hbn. Gezigt zwart. Schedel en sprietschaft been-
wit. De vleugels zijn dun, doch gelijkmatig met fijne zwarte
schubben bezaaid ; het franjeveld , waarop men slechts sporen
eener lichtere golflijn vindt, is niet merkbaar donkerder.
Van eene eerste dwarslijn en de schaduwlijn ziet men
slechts sporen in donkergrijze vlekjes aan den voorvleugel-
voorrand; dat der schaduwlijn juist boven eene fijne zwarte
middenstip, die ook op de achtervleugels duidelijk is.
Een weinig meer geprononceerd is de fijn geslingerde tweede
dwarslijn, die aan den voorrand der voorvleugels en aan
ST. THOMAS EN JAMAICA. 57
den binnenrand van voor- en achtervleugels tot een zwart
vlekje is verdikt. Randstippen zwart, doch niet overal en
bij alle exemplaren duidelijk. Onderzijde als boven, met
grootere zwarte randstippen en sterk zwartgrijs bestoven
voorvleugels.
De beide vermelde wijfjes hebben 14 mm. vlugt, smaller
en spitser vleugels, digter zwart bestoven grond, vooral
op de wortelhelft van het franjeveld en duidelijker lijnen,
die echter aan oorsprong en eind niet verdikt zijn.
Q.
53 Convictorata m. — nov. sp. Pl. 4, f. 6.
Grisescenti-alba punctis discoidalibus et marginalibus migris,
lineis transversalibus denticulatis.
Drie gave exemplaren, twee mannetjes van 18 en 19,5,
een wijfje van 19 mm.
Eene zeer gewone Acidalia met ongesteelde ader 6 en
7 der achtervleugels, korte, ongespoorde en ongepluimde
mannelijke en tweeparig gespoorde vrouwelijke achterpooten.
Ook in kleur en teekening gelijkt deze vlinder op onze
gewoonste Acidalien, Virgularia Hübn. en Mutata Tr. Zij komt
in grootte met de eerste, doch in teekening met de tweede
zoozeer overeen dat zij wel als eene kleinere editie kan
beschouwd worden, met fijne, getande schaduw- of mid-
denlijn.
Voorvleugels vrij spits; achtervleugels afgerond. Gezigt
zwart; grondkleur van kop, lijf en vleugels grijswit, fijn
zwart bestoven, het meest bij het wijfje, waar ook het bij
allen flaauw grijs gewolkte franjeveld het donkerste is.
Eerste dwarslijn zeer fijn en flaauw; tweede of schaduwlijn
fijn getand, op de voorvleugels achter, op de achtervleugels
met een boogje voor de zwarte middenpunten heengaande.
Derde lijn (tweede dwarslijn) het duidelijkst, fijn getand.
Geene lijn aan begin of eind dikker. Golflijn in de blaauw-
grijze kleur van het franjeveld uitgespaard. Franjelijn met
zwarte streepjes, die tot ineenvloeïing neigen, Aan de
58 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
onderzijde de vleugels grijswit, slechts met fijne midden-
en randpunten; de voorrand der voorvleugels aan den
wortel zwartgrijs. Lijf en pooten beenwit; de voorpooten
zwart bestoven.
De exemplaren zijn op 27 en 30 Maart bij Ubaque
gevangen.
"È;
54 Collustrata m. — nov. sp. PI. 4, f. 7.
Eburnea lineis dentatis brunneis, sine punclis discoidahbus ;
costa supra flavescens, subtus latior fusca; venis 3° et 4°
alarum posticarum petiolatis. Maris pedibus posterioribus
sursum recurvalıs.
Twee mannetjes, waarvan een gaaf, van 17 mm.
Eene vrij karakteristieke soort en eigenlijk geene zuivere
Acidalia, daar ader 3 en 4 der achtervleugels gesteeld zijn.
De misvormde achterpooten, fijn bewimperde sprieten en de
ongedeelde aanhangcel verwijderen haar evenwel nog verder
van Zonosoma, zoo dat ten minste voorloopig de beste plaats
bij Acidalia is.
Gezigt zwart. Vleugelvorm wat afwijkend en in dit opzigt
nog iets meer naar Eupithecia overhellend dan bij Acidalia
elongaria en Pecharia; de achterrand der achtervleugels is
flaauw spits gegolfd, op ader 5 zigtbaar uitgesneden. Grond-
kleur satijnachtig beenwit; beschubbing fijn. Het lijf en
de voorrand der voorvleugels zijn iets geelachtig, de laatste
aan den wortel bovendien paarswit. Drie fijne bruine
dwarslijnen der voorvleugels ontstaan uit dikkere bruine
voorrandsstippen ; de eerste is slechts door drie in een boogje
staande stippen aangeduid, de tweede en derde zijn onaf-
gebroken, fijn getand, steil; eene zeer fijne golflijn loopt
tot de helft in dezelfde rigting als de gemelde lijnen en
stuit dus op ader 4 op den achterrand, waarmede zij verder
parallel is. Geene middenstippen. Achtervleugels met 4
bijna evenwijdige, fijn getande bruine dwarslijnen, die het
beloop van den achterrand volgen. Franjelijn tegen de
ST. THOMAS EN JAMAICA. 59
vleugelpunten met drie bruine stippen, verder ongeteekend.
Franje iets geelachtig. Onderzijde ongeteekend, zonder
midden- of randpunten, de voorrand der voorvleugels don-
kerder geel en bovendien tot drie vijfden breed grijsbruin.
Ader 6 en 7 der voorvleugels zijn gesteeld; de achter-
pooten dun, ongespoord, glad beschubd, sabelvormig naar
omhoog gebogen.
Beide voorwerpen zijn den 2°" April 1871 bij Cucqueta
gevangen.
U.
55 Leuculata m. — nov. sp. PI. 4, f. 8.
Nivea unicolor, costa antennisque nigris, capite, palpis
et prothorace flavis.
Twee mannetjes waarvan een zeer gaaf; 29—30 mm.
Deze soort bootst Leucula ablinearia Gn. na, heeft dezelfde
sneeuwwitte grondkleur der ongeteekende bovenzijde, gelen
kop, palpen, voorheupen en voorrug, zwarte, vrij sterk
bewimperde sprieten en eenen fijn zwarten, naar de punt
(en ook aan de onderzijde) iets breederen voorrand der
voorvleugels. Geene midden- of randpunten. Achterpooten
wit met gepluimde, platte scheenen zonder sporen, en met
korte tarsen. Middenpooten, voorscheenen en voortarsen
geelwit. Ader 6 en 7 der achtervleugels zijn ongesteeld.
De exemplaren zijn met N° 63 gemerkt.
56 Perlimbata m. — nov. sp. Pl. 4, f. 9.
Cinerascenti-alba, lineis punctisque grisescenti-brunneis,
margine exterior: fusco, fimbrüs rufo-violaceis.
Drie gave exemplaren; een mannetje en twee wijfjes van
24, 26 en 27 mm.
Weder eene zeer kenbare soort, die door den scherp
donkeren rand, welke over den halskraag langs de buitenzijde
der grijsachtig witte vleugels loopt, zeer in het oog valt.
Deze rand is langs den voorrand der voorvleugels donker-
bruin, de franjelijn is zeer donker paars, bijna zwart en
60 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
deze kleur iets over den vleugel en de overigens wat bleeker
paarsbruine franje gevloeid. Gezigt en sprieten zwart; deze
bij het mannetje gekerfd en vrij lang bewimperd. Schedel
grijswit. De vleugels zijn verder met enkele zwarte schubben
bezaaid en hebben de gewone, flaauw geslingerde dwars-
lijnen , doch slechts bleek grijsbruin gekleurd en daardoor
vrij onduidelijk. Zij beginnen aan den voorvleugelvoorrand
donkerder en de eerste en tweede dwarslijn (dus niet de
midden- of schaduwlijn) zijn door zwarte stippen op al de
aderen duidelijk gemaakt; de tweede bovendien in cel 4
der voorvleugels door een zwartgrijs halfmaantje; daarachter
staat in het franjeveld een donkergrijs vlekje op de overigens
bleek grijsbruine afzetting der flaauwe golflijn. Middenpunten
fijn zwart en onduidelijk. Onderzijde bijna ongeteekend ;
slechts de voorvleugels vertoonen sporen der tweede dwars-
lijn en eenige paarsgrijze bestuiving tegen den voorrand
der wortelhelft; de donkere rand ongeveer als boven.
Ader 6 en 7 der achtervleugels ongesteeld, het wijfje met
4 achtersporen, de platte achterscheenen van het mannetje
zonder sporen en de achtertarsen kort.
Twee der exemplaren zijn met N° 20 gemerkt, het derde in
het begin van Mei bij Barro Blanco gevangen.
57 Subnictata m. — nov. sp. PI. 4, f. 10.
Grisescenti-lutea, vittis fuscescentibus, alarum anticarum
linea transversali secunda migra in cellulis 1° et 4
latiore. Punetis discoidalibus et marginalibus migris.
Zes meest gave exemplaren van 20—23 mm.
Na verwant aan Acidalia nictala Guenée, doch nog vuiler
geelachtig grijswit gekleurd en alleen de tweede dwarslijn
der voorvlèugels in cel 1° en 4 dikker en zwart. Sprieten
grijsgeel, bij het mannetje kort bewimperd, draadvormig.
Gezigt zwart met eene geelwitte stip boven den mond.
Bovenzijde met fijne zwarte schubben en bruingrijze lijnen ;
de eerste dwarslijn flaauw gebogen, eerst onder den voor-
rand der middencel duidelijk. Evenzoo loopt de vrij dikke,
ST. THOMAS EN JAMAICA. 61
flaauw geslingerde middenschaduw niet tot den voorrand
door, gaat op de voorvleugels met eene flaauwe bogt achter,
op de achtervleugels geheel ongebogen voor het koolzwarte
middenpunt heen. Tweede dwarslijn op de achtervleugels
een weinig meer gebogen dan de middenschaduw en ook
daar in cel 1 en 4 wat donkerder doch niet geheel zwart.
Het franjeveld is grijsbruin gewolkt met eene vrij duidelijke
lichte golflijn. Randstippen fijn zwart. Onderzijde grijswit,
met zwartgrijs bestoven voorvleugels en dezelfde teekening
als boven, doch niet volledig.
Ader 6 en 7 der achtervleugels zijn ongesteeld; de achter-
pooten van het wijfje hebben vier sporen, die van het
mannetje zijn ongespoord, doeh met vrij lange tarsen.
Vier der exemplaren zijn met N° 20 gemerkt, een den
gien April 1871 bij Cucqueta, het zesde in het begin van Mei
bij Barro Blanco gevangen.
FAMILIA XII. MICRONIDAE GUENEE.
Gen. Farcinopes Gn.
58 Gonodontaria m. — nov. sp. PI. 4, f. 11.
Dilute violaceo-grisea, apice alarum anticarum valde
recurvato, lis linea discoidali abbreviata undulata
argentea; alis posticis dentatis in angulo anali, lineola
denticulata fuscomgra ad marginem posteriorem.
Een gaaf mannetje van 32 mm.
Het genus Falcinodes is, door de vleugeladeren en door de
gelijkvormigheid der voorvleugels bij deze nieuwe soort en
Guenée’s Corvinaria, nog het best geschikt tot opname van den
nu te beschrijven vlinder. Hij behoort tot geene van Herrich-
Schiffer‘s genera en kan, doch zeer gedwongen, nog het
best tot de verwantschap van Therapis en Plagodes Herr.
Sch. worden gebragt.
Palpen regt uitstekend, spits, een weinig langer dan de
kop. Gezigt met een kort, spits, lichtbruin kuifje. Sprieten
62
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
ter lengte van twee derden der voorvleugels, gebaard,
met gekerfd puntderde. Thorax vrij dik met lange fijne
haren bekleed. Voorvleugels met verlengde, sterk omgebogen
punt even als bij Platypleryx Sicula gevormd; evenzoo
in het midden van den achterrand met twee stompe punten.
De kleine, aan den voorrandshoek bijzonder afgeronde
achtervleugels hebben aan den staarthoek drie stompe tandjes.
De kleur der bovenzijde is een fraai licht paarsgrijs, op
het lijf en aan den voorvleugelwortel iets bleeker, nog
meer op de wortelhelft der achtervleugels en daar niet
meer dan witgrijs. De voorvleugels hebben geene andere
teekening dan eene fijne zwarte stip op de middenader en
eene rondgegolfde lichte lijn, die aan den voorrand ge-
broken begint, doch eerst bij ader 5 duidelijker wordt en
van daar af zilverwit is, wortelwaarts bleek leemgeel be-
schaduwd. De lichtere wortelhelft der achtervleugels wordt
van ader 4 tot den binnenrand door eene spits gegolfde
donkerbruine lijn afgescheiden van de franjehelft, die aan
den binnenrandshoek bijna paars is, daar een paar bruine
stippen en overigens eenige bruine schrapjes heeft. De zeer
korte franje donkerbruin, op de voorvleugels geheel, op
de achtervleugels alleen aan punt en staarthoek. Onderzijde
der voorvleugels paars, op de wortelhelft oranjegeel bestoven
en met fijne witte ongegolfde lijn; de achtervleugels tot
twee derden bleek geel, het overige licht oranjebruin met
paarse vlek aan den staarthoek. Middenstippen duidelijk.
Aderstelsel afwijkend ; ader 8 der achtervleugels geheel vrij,
voorbij den wortel gebogen en daar den mede gebogen
voorrand der korte middencel naderende, 7 uit het midden
van den voorrand, 6 uit de punt, 5 niet te zien, 4 uit
den binnenrandshoek der middencel, 2 en 3 uit haren
binnenrand. In de voorvleugels 2—4 als in de achtervleugels,
5 uit het midden der dwarsader, 6—10 gesteeld, 11 uit
de middencel; 10—12 verbonden door langsadertjes.
Vleugelhaakje en zuiger duidelijk; pooten glad beschubd,
de achterscheenen vrij dik, met vier sporen.
ST, THOMAS EN JAMAICA. 63
Het exemplaar is den 21% Januarij bij Jondo aan de Rio
Magdalena gevangen.
59 Suggillaria m. —- nov. sp. PI. 5, f. 1.
Ochracea subinfuscata, alis anterioribus in apice via cur-
valis, linea transversali abbreviata undulata argentea,
posterioribus tali linea non abbreviata ante dimidium
exterius violuceum.
Een gaaf mannetje van 28 mm.
Mede op eene Platypteryx (Binaria Hfn.) gelijkende en dus
met flaauwer omgebogen voorvleugelpunt dan bij Gonodon-
taria; de achterrand der voorvleugels is rond gebogen, die
der achtervleugels aan den binnenrandshoek zonder tanden.
Ader 6 der voorvleugels komt uit de spits der middencel en
3 en 4 der achtervleugels uit één punt, maar overigens is
het aderstelsel geheel als bij de voorgaande soort. Sprieten,
palpen en pooten zijn mede eveneens gebouwd; uit een
der verdikte achterscheenen komen eenige haren te voor-
schijn, zij zullen dus waarschijnlijk eene pluim insluiten
zoo als wel in den regel bij Geometriden met verdikte
achterscheenen het geval is; meestal is echter na den dood
die pluim zoo zorgvuldig in den poot verborgen dat men
haar naauwelijks vermoeden zou.
Grondkleur grijsachtig okergeel, fijn bruin besprenkeld.
Voorvleugels met eene gebogene, flaauwe, vervloeide eerste
dwarslijn op een derde, eene zwarte dwarsaderstip digt
daarbij en dan, even als bij de voorgaande soort, doch iets
meer naar achteren, met eene onvolledige, naar boven
verflaauwende, gegolfde witte dwarslijn van ader 5 tot den
binnenrand, Wortelwaarts is deze lijn bruingeel beschaduwd,
franjewaarts zeer bleek paars. Achtervleugels met eene
donkere stip op de dwarsader, en eene zeer flaauwe onge-
bogen, iets gegolfde witte lijn even voorbij de helft. Zij
is wortelwaarts olijfbruin afgezet en achter haar wordt de
vleugel vuil paars, vooral tegen den binnenrandshoek.
64 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
Franje licht olijfbruin en deze kleur iets over den vleugel
vervloeid. Onderzijde warm okergeel getint, de voorvleugels
met eene ongebogen donkerbruine lijn op twee derden, de
achterrand der achtervleugels oranjebruin met paars bij
den staarthoek.
Den 25% Januarij 1871 bij Conejo aan de Rio Magdalena.
Gen. Erosıa Guenée.
Zeer goed genus, dat ook in de europesche fauna door eene
soort is vertegenwoordigd (Exornata Gn.). Bij Herrich-Schäffer
kan ik het niet vinden; hij schijnt Exornata bij zijne bewerking
der Geometriden in het VI° deel der Syst. Bearbeitung vergeten
te hebben.
Bij de soorten, die ik ontving, is ader 8 der achtervleugels
geheel vrij, verwijdert zich dadelijk van de middencel en loopt dan
horizontaal; 5 is bijna even zoo dik als de andere aderen. De
vlinders hebben verder geene aanhangcel in de voorvleugels en
onderscheiden zich aldaar bijzonder door den toestand van ader
6—11. Door eene sterke ontwikkeling van den aan den voor-
rand rondgebogen vleugel is het aderstelsel namelijk geheel anders
dan doorgaans bij de spanners plaats vindt, de middencel
evenals bij de Tortricinen ongewoon ver van den voorrand
verwijderd; 6 en 7 komen lang gesteeld uit hare spits, de nog
langere steel van 8 en 9, benevens 10 en 11, digt opeengedrongen
en ver van 6 en 7 uit het midden van den voorrand der cel; de
laatste twee zijn mede ongewoon lang en geheel vrij van 12.
De achterrand der achtervleugels is min of meer uitgesneden
en getand; de palpen de helft langer dan de kop, dun, met
lang , duidelijk eindlid, regt uitstekend, glad beschubd; de zuiger
is lang, de pooten glad beschubd, de verdikte achterscheenen
viersporig.
Drie soorten zijn door Baron von Nolcken verzameld, twee
zijn na verwant aan Exornata, de derde hoewel naar Guenée’s
kenmerken mede eene Erosia, wijkt vrij sterk af. Ik houd alle
drie voor onbeschreven. |
ST. THOMAS EN JAMAICA. 65
60 Ochodontaria m. — nov. sp. PI. 5, f. 2.
Cervina, alarum anticarum disco fuscogriseo et lunula
nigrofusca in margine posteriori, alarum posticarum
rotundatarum in vena 5° subincisarum margine anali
ornato pilis flavis; antenms dentatis.
Een zeer gaaf mannetje van 24 mm.
Door den vleugelvorm iets aan Ochodontia adustaria F.d.W.
herinnerend. Sprieten met stompe, dikke, digt opeen staande
kamtanden, weinig langer dan één derde der voorvleugels.
Gezigt en palpen zwart. Schedel en lijf donkergrijs. Voor-
vleugels met omgebogen, kort gepunte spits en daaronder
uitgesneden later vrij vlakken achterrand; de binnenrand
regt. Wortelderde roodachtig grijs; het middenveld, gevormd
door eene sterkgebogen eerste dwarslijn vóór de helft en
eene in het midden met een’ stompen tand uitspringende
vrij regtstandige tweede dwarslijn op twee derden — beide
lijnen iets bleeker dan de grond — is zwartgrijs, in de
middencel met roodbruin gemengd. Het nu volgende derde
veld is vuil roodachtig wit, tegen de uitsnijding voor den
achterrand met eene groote roodbruine halve maan. Franjelijn
grijs, in de uitsnijding zwart, franje bruingrijs. Enkele
zwarte stippen ziet men overal.
Achtervleugels op ader 5 vlak uitgesneden, de achterrand
op ader 4 en 6 iets puntig, overigens rond gebogen. Zij
zijn ongeveer als de voorvleugels gekleurd en geteekend
doch het middenveld breeder, het derde veld paarsachtig
roodbruin, aan den staarthoek lichtgrijs. Op de franjelijn
enkele donkerbruine stippen. Onderzijde ongeteekend , zwart-
grijs, de franjehelft roodgrijs.
Ader 3 en 4 der achtervleugels uit éên punt, 6 en 7
gesteeld. In de voorvleugels ader 3 en 4 ver gescheiden,
5 uit de spits der middencel. Binnenrand der achtervleugels
met eene pluim van grove gele haren.
Den 2°" April bij Cucqueta gevangen,
ua
66 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
61 Nigrocapitata m. — nov. sp. PI. 5, f. 3.
Dilute cervina fusco adspersa, antennis setaceis, capite el
costae tertia parte nigris; alae anteriores duabus
lineolis obliquis e costa oriundis, punctis quatuor sub
apice et macula in margine posteriori brunneis; poste-
riores bis dentatae, emarginatae in vena 5*, linea
curvata semel dentata dilatata versus marginem analem.
Twee mannetjes en een wijfje, allen gaaf. 18—20 mm.
Zeer na verwant aan Incolorata Guenée en misschien
wel dezelfde, doch de grondkleur kan men niet wel wit
noemen, zij is grauwgeel, verder is de achterrand der achter-
vleugels duidelijk uitgesneden, de geheele kop en ook de
halskraag zwart, slechts het eerste derde van den voorrand
der voorvleugels zwartgrijs. Ook hebben mijne exemplaren
langs de bovenhelft van den achtterrand der voorvleugels
vier bruine stippen, waarvan Guenée niet spreekt. Overigens
past de beschrijving van Incolorata geheel. Onderzijde on-
geteekend, donker gesprenkeld, gekleurd als boven. Sprieten
draadvormig, zwart. Ader 6 en 7 der achtervleugels onge-
steeld uit één punt, overigens de nervuur als bij Ochodontaria.
Een der exemplaren is met N° 35, de anderen met N° 27
gemerkt.
62 Pauxillata m. — nov. sp. Pl. 5, f. 4.
Cinerea, fusco adspersa, antennis selaceis el fronte canis,
facie nigra; alae anteriores lineis transversalibus duabus
brunneis, in cellula 1” sese adpropinquantibus el punclis
fuseis quatuor sub apice; posteriores parvae, margine
et versus angulum analem dentatae, lineola incurvata
fuliginosa.
Een gaaf mannetje van 14 mm.
Wel de kleinste der beschrevene soorten en door de zeer
kleine achtervleugels opmerkelijk. Deze zijn afgerond, aan
den achtterrand niet uitgesneden, onregelmatig getand,
aan den staarthoek in een puntje verlengd. Voorvleugels
mis, 22)
ST. THOMAS EN JAMAICA. 67
naar achteren zeer verbreed, met effenen achterrand en hol.
gebogen binnenrand. Aangezigt zwart. Schedel en sprieten
witgrijs, even als de grond der geheele fijn bruin gesprenkelde
bovenzijde. Voorvleugels op den voorrand met eene bruine
stip, in het midden met een dus gekleurd schuin, op den
binnenrand met een regt streepje, als overblijfsels eener af-
gebroken eerste dwarslijn. Tweede dwarslijn alleen door de
aderen fijn licht afgebroken, met eene groote bogt, in cel
1° de eerste zeer naderende, dan divergeerend. Het midden-
veld onder en boven met eene donkergrijze vlek; boven
den binnenrandshoek eene dergelijke. Franjelijn bij de punt
met vier scherpe bruine stippen. Achtervleugels slechts met
eene fijne, roestbruine booglijn. Franje ongeveer als de
vleugel. Onderzijde geheel ongeteekend witgrijs. Ader 3 en
4 der achtervleugels uit één punt, 6 en 7 zeer. kort ge-
steeld; 2—4 der voorvleugels even ver van elkander, 5 onder
de spits der middencel.
Het voorwerp is den 2°" Januarij bij Barranquilla gevangen.
FAMILIA XIII. CABERIDAE GUENÉE.
Gen. Corycra Duponchel.
(Bapta Steph. Led. H. S.)
63 Micantaria m. — nov. sp. PI. 5, f. 5.
Margaritacea, dilute coeruleo adspersa, costa gracili brun-
neo-ochracea; alae anteriores duabus lineis transversa-
libus griseis, posteriores una; venis T—11 anteriorum
petiolatis.
Twee mannetjes waarvan een zeer gaaf; 25—26 mm.
Onderscheidt zich van de zes door Guenée opgenoemde
soorten door den fijn lichtbruin gekleurden voorrand der
voorvleugels en ten opzigte der nervuur van Punctata F.
68
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
(Temerata W. V.) en Bimaculata F. (Taminata W. V.) door
dat ader 7—11 der voorvleugels gesteeld zijn in plaats van
1—10 1.
Palpen, aangezigt en sprieten lichtbruin, even als de voor-
rand der voorvleugels. Grondkleur van onder- en bovenzijde
een paarlemoerachtig glanzig blaauwachtig wit, dat boven met
fijne blaauwgrijze schubben is bestrooid. Door opeenhooping
vormen zij op de voorvleugels twee steile, parallele lijnen,
ongeveer op een derde en twee derden, waarvan de eerste
eerst bij den binnenrand der middencel, de tweede, bovenaan
iets gebogene, eerst onder ader 6 duidelijk wordt. Deze
laatste lijn zet zich op de achtervleugels voort en is daar
in cel 3 gebogen. Middenpunten der voorvleugels duidelijk,
die der achtervleugels zeer fijn. Franjelijn met zwarte stippen
die zich naar onderen tot fijne streepjes verlengen. Franje
als de vleugel met donkere deelingslijn en spits. Aan de
onderzijde geene bestuiving , dwarslijnen of middenstippen der
achtervleugels doch verder als boven. Pooten bruin bestoven.
Het gave exemplaar is den 26° Februarij, het andere
den 19°" Maart bij Bogota gevangen.
64 Circumvallaria m. — nov. sp. PI. 5, f. 6.
Alba nitida, linea transversali curvata post alarum medium
grisea, fronte, collo et costa flavescentibus.
Twee mannetjes waarvan een gaaf; 25—26 mm.
Eene zuivere Corycia (Bapta) als Punctata, met geren
ader 7—10 der voorvleugels.
De grondkleur is bijna eveneens als bij Micantaria, doch
zonder den blaauwen schijn en is ook niet donker gesprenkeld.
Men ziet geene andere teekening dan eene fijne donker-
grijze lijn, die van het midden van ader 7 der vourvleugels
af bijna parallel met den achterrand loopt en in cel
1° der achtervleugels eindigt. Gezigt en sprieten bruingeel,
schedel en halskraag geelwit, Franjelijn zeer fijn donkergrijs.
1 Pictaria Curt. is geene Bapta,
ST. THOMAS EN JAMAICA. 69
Franje wit, ongeteekend. Onderzijde ongeteekend; het lijf,
de pooten en de voorrand der voorvleugels geelachtig.
De exemplaren hebben geene aanduiding van vangplaats.
FAMILIA XIV. MACARIDAE GUENÉE.
Gen. Macaria Curtis,
65 Rigidata Guenèe.
Een wijfje, zonder aanduiding van vangplaats.
66 Divergentata m. — nov. sp. PI. 5, f. 7.
Osseicolor, fusco punctata, lineis duabus divergentibus
fuscis; als anterioribus subemarginatis, posterioribus
rotundatis, subelongatis versus angulum analem.
Twee gave mannetjes van 26—27 mm.
Bij Madopata Guenée en van denzelfden vleugelvorm, doch
door de uiteenwijkende, fijne scherpe bruine dwarslijnen
verschillende.
Aangezigt bruingrijs. Beenwitte bovenzijde, sterk en bij-
zonder gelijkmatig met donkerbruine schubben bestrooid en met
fijn bruin aderbeloop. Voorvleugels met een in de middencel
en cel 1° gebogen lijntje bij den wortel en twee tegen den
binnenrand uiteenwijkende, waarvan de eerste, dikkere,
geheel ongebogen, de tweede onder ader 3 gevorkt is;
de wortelwaartsche tak is iets geslingerd, de tweede loopt
juist in den binnenrandshoek uit. Cel 3 met een bruin vlekje.
Achtervleugels met twee, zich bij die der voorvleugels
aansluitende lijnen, de tweede iets geslingerd. Franjelijn
scherp bruin. Onder is op voor- en achtervleugels de tweede
lijn gevorkt, ontbreekt het wortellijntje en heeft de dwars-
ader der voorvleugels een bruin streepje.
Geene aanduiding van vangplaats.
10
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
67 Adrasata m. — nov. sp. PI. 5, f. 8.
Alis anterioribus margine posteriore recto, posterioribus
angulatis; ferruginanti-cinerea, lineis transversalibus
parallelis brunneis, post illarum tertiam fascia lata
griseo-fusca, in anterioribus binis maculis obscuris notata.
Een gaaf mannetje van 21 mm.
Naast Abydata Guenée en van denzelfden vleugelvorm,
dus ook verwant aan Infusata en Diffusata. Van Abydata
verschilt zij naar de beschrijving : 1° door de mindere grootte
(30 mm. en 21) 2° door de grondkleur; hier vuil grijsgeel
als sommige exemplaren van Acidalia aversata, daar beenwit,
3° door den band achter de derde lijn der voorvleugels,
die aan den voorrand geene twee zwarte stippen heeft, maar
eene bruine vlek en buitendien eene zwartgrijze aan den
binnenrandshoek. Overigens is er veel overeenkomst.
Palpen, kop en onderhelft van den halskraag bleekbruin,
de bovenhelft zwartgrijs. Vleugelgrond met fijne flaauwe
dwarsschrapjes; eerste dwarslijn op de ondervoorrandsader,
tweede (over een flaauw middenpunt heengaande) op de
binnenrandsader, derde aldaar en op ader 6 flaauw gebroken.
Op de achtervleugels de dwarslijn en het middenpunt als
bij Abydata. Grijze band tegen den achterrand dunner
wordende, vooral aan de voorvleugelpunt. Franjelijn op de
voorvleugels in alle cellen met zwarte stippen, op de achter-
vleugels slechts met enkele flaauwe, grijsbruine. Franje iets
donkerder dan de vleugelgrond. Kleur van het achterlijf
tegen de punt okergeel wordende. Onderzijde meer geel,
de grijze band donkerder en tegen de getande (ook op de
achtervleugels duidelijke), dubbele laatste dwarslijn zamen-
getrokken; middenpunten duidelijk, franjelijn als boven.
Achterpooten als bij Abydata.
Het exemplaar is den 20** December 1871 bij Kingston
op Jamaica gevangen.
ST. THOMAS EN JAMAICA, 71
FAMILIA XV. FIDONIDAR GUENEE.
Gen. Cvcromra Guenée.
68 Endotrichiata m. — nov. sp. Pl. 5, f. 9.
Alis anticis fuscis, fascia basali grisescente, apice ferru-
ginoso sejuncto a disco linea obliqua denticulata nivea,
posterioribus rubido-canis, linea ineurvata alba.
Een vrij gaaf wijfje van 20 mm.
Deze vlinder, die door kleur en vleugelvorm aan het
Pyralidengenus Endotrichia herinnert, behoort duidelijk tot
het genus Cyclomia van Guenee. Herrich-Schäffer heeft dit
genus niet; het is het naast verwant aan Sarracena H.S.
waarvan het zich op het eerste gezigt door de afgeronde
achtervleugels onderscheidt. Cyclomia behoort dus tot de
Phytometrina met gedeelde aanhangcel.
Van de drie door Guenée beschreven soorten onderscheidt
Endotrichiata zich dadelijk door de paarsgrijze (bij de anderen
gele) achtervleugels met witte booglijn, verder hebben de
voorvleugels geen middenring.
Zuiger duidelijk. Palpen snuitvormig vooruitstekende,
bijna twee en een half maal zoo lang als de kop; zij
hebben op zijde een donkerbruin lijntje en zijn overigens
als kop en thorax helder oranjebruin. Sprieten draadvormig.
Vleugels langwerpig; de voorvleugels met uitstekende, iets
omgebogen punt; de achtervleugels afgerond. De teekening
rigt zich naar den type der Larentiën en vertoont een door
een lichten band gescheiden donker wortel- en middenveld ;
het laatsste weder tegen het franjeveld begrensd door
eene lichte lijn. Wortel- en middenveld chocolaadbruin,
eerste lichte band grijs, aan voor- en binnenrand met vier
witte vlekjes afgezet. Van den voorrandswortel loopt in cel
12 eene oranjebruine lijn horizontaal tot aan het witte
vlekje dat den grijzen band tegen het middenveld begrenst
en gaat dan, hare rigting veranderende, langs het midden-
12 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
veld naar beneden, waar zij even boven het witte vlekje
aan den binnenrand eindigt. Enkele oranjebruine schubben
zijn ook aan het begin van het middenveld langs den
voorrand te zien. Dit heeft verder eene flaauwe, donkerder
middenvlek en is franjewaarts begrensd door eene dikke
eerst helderwitte en dan bruine lijn, die zeer schuin, iets
gegolfd, van drie vierden van den voorrand in de rigting
van de helft des achterrands loopt, doch dien niet geheel
bereikt. De hierdoor afgesneden vleugelpunt is licht oranje-
bruin. De onderhelft van het franjeveld (hier zijn de schubben
iets afgewischt) is chocolaadbruin en alleen in cel 1° en
nog een weinig in 1° van het middenveld gescheiden door
een helderwit en oranjebruin lijntje. Van de franje’zijn slechts
overblijfsels te zien en deze gekleurd als de vleugels.
Onder is de teekening als boven doch de achtervleugels en
voorvleugelpunt bleek chocolaadbruin, het overige donker-
grijs. Op voor- en achtervleugels is de dwarsader regt, 5
ontspringt uit haar midden, 3 en 4 zijn gescheiden, 6 en
1 der achtervleugels gesteeld. Voorvleugels met eene ge-
deelde aanhangcel, 6 en de steel van 7—9 uit hare spits,
10 uit haren voorrand, 11 uit de middencel, 12 vrij.
Achterlijf zeer spits, grijsbruin, met langen, uitstekenden
eijerlegger. Pooten gewoon gevormd en gespoord, glad
beschubd.
Het exemplaar is in het begin van Mei bij Barro Blanco
gevangen.
FAMILIA XVII. ZERENIDAE GUENEE.
Genus PantHERODES Hübn.
69 Colubraria Guenée.
Zeer vele exemplaren (allen mannetjes) zonder aanduiding
van vangplaats en die dus waarschijnlijk in de omstreken
van Bogota zijn gevangen. Zij behooren allen tot den type
ST. THOMAS EN JAMAICA. 43
van Guende en varieëren naauwelijks. Pantherodes kan
naauwelijks van Abraxas Leach (Zerene Treits. Led.) worden
gescheiden. Ik vind alleen verschil in de sprieten, die
„uiterst kort behaard zijn en in de voorvleugeladeren. Pan-
therodes heeft er 12; 7—10 zijn gesteeld, 12 doorsnijdt
ader 11. Ook zijn de achterpooten dikker en hun scheen
sluit eene pluim van gele haren in.
Of Colubraria Guenée wel specifiek van Pardalaria Hübn.
verschilt, zou ik betwijfelen; het geheele onderscheid komt
daarop neder, dat bij de eerste de grond der voorvleugels
olijfgroen is en bij de tweede goudgeel; de vleugelvorm
en teekening zijn geheel dezelfde en de door Guenée af-
gebeelde varieteit van Pardalaria duidt op eenen overgang.
FAMILIA XX. LARENTIDAE GUENÉE.
Genus EuritHecıa Curtis.
Zeven soorten van dit genus zijn door den heer von Nolcken
in de omstreken van Bogota verzameld; drie daarvan hebben
eene gedeelde, vier eene ongedeelde aanhangcel; de eersten gaan
dus over op Larentia (Cidaria m.) doch de vleugels en hunne
teekening zijn zeer geprononceerd naar den type der Eupitheciën
gevormd.
Slechts drie der (allen onbeschrevene) soorten zijn voor be-
kendmaking vatbaar.
10 Rubigata m. — nov. sp. PI. 5, f. 10.
Alis elongatis canis, fusco undulatis, plaga discoidali
ochracea et post illam linea transversali fusca, dentata
in venis; collo obscuro.
Drie exemplaren waarvan twee gaaf; 20—22 mm.
Duidelijk in de groep van /nnotata Hfn. behoorende en
zelfs vrij na aan die soort verwant, doch zich duidelijk van
haar en van alle overige mij bekende europesche soorten
14
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
onderscheidende door de vuil roestbruine kleur, die op de
helder lichtgrijze voorvleugels den binnenrandshoek der
middencel en de wortelhelft van cel 4 en 5 beslaat. Ook
de voor- en binnenrand zijn aan den wortel zoo gekleurd.
Dwarsader der voorvleugels met eene dikke zwarte stip,
die der achtervleugels met eene kleine. Aan den voorrand
der voorvleugels ziet men tot tweederden het schuine
begin van zeven donkere lijnen, die ongeveer parallel en
op de onder-voorrandsader gebroken zijn; daaronder worden
de eerste zes zeer flaauw, verdeelen zich in twee groepen
van drie en loopen ongeveer parallel met den achterrand,
geslingerd naar den binnenrand; op de aderen en in cel
1° zijn zi) iets duidelijker. De zevende lijn is echter over
haar geheel beloop duidelijk, donkergrijs en heeft wortel-
waarts kleine zwarte tandjes op de aderen. Achter haar ver-
toont zich eene streep, die iets lichter dan de vleugelgrond
is en door twee op de aderen gegolfde en verdikte donkere
lijnen gedeeld en begrensd wordt. Het begin dezer streep
staat meer vertikaal dan dat der laatste van de zeven eerste
donkere lijnen, zoo dat het bij ader 7 daarop stuit; verder
loopt de lichte streep juist langs de vermelde lijn. Franjeveld
iets donkerder grijs, vooral aan de vleugelpunt, in cel 3 en 6
iets lichter, verder met eene fijne witte golflijn, die aan haar
begin getand, verder slechts gegolfd en wortelwaarts bruin-
achtig beschaduwd is. Franjelijn zwart, op de aderen fijn licht
afgebroken en de lichtgrijze franje daar met zwarte vlekjes.
Achtervleugels iets donkerder en vuiler grijs, bijna onge-
teekend; aan den binnenrand met zwarte en bruingrijze
sporen van lijnen.
Palpen tweemaal langer dan de kop, op zijde zwart-
grijs, boven meer lichtgrijs; kop bijna wit; halskraag
zwartgrijs, ook de wortel der overigens bijna witte schou-
derdeksels. Middengedeelte van den rug des grijzen achterlijfs
roestkleurig getint. |
Onderzijde donkergrijs, de achtervleugels met sporen van
donkere booglijnen, de middenvlekken en franje als boven.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 15
_Aamhangeel der voorvleugels gedeeld. Achterscheenen met
vier sporen.
De gave exemplaren zijn den 19° en 23°" Maart by
Bogota gevangen, het derde met N° 41 geteekend.
71 Indefinata m. — nov. sp. PL 5, f. 11.
Alis valde elongatis, pulveroso canis, anterioribus fascia
medio dilatata dilutiore, limbo posteriori obscuriori venis
albescentibus linea undulata minus distincta.
Twee gave exemplaren van 22 mm.
Mede uit de Innotata-groep, nog langvleugeliger dan de
voorgaande soort en zich onderscheidende door de flaauwe,
iets vervloeijende teekening. De lichte band is tusschen
ader 2 en 6 de helft breeder dan aan voor- en binnenrand
en heeft op ader 6 een naar de vleugelpunt gerigten tand.
Opmerkelijk zijn ook de lichte aderen van het donkergrijze
franjeveld en de flaauwe, vlekkige naauwelijks lichtere
golflijn.
Grondkleur der vleugels stofgrijs, achter den lichten band
donkergrijs en ook boven de ondervoorrandsader door het
aldaar vlekkig verbreede begin der dwarslijnen, die ten getale
van 5 of 6 zijn en onder den voorrand der middencel zeer
flaauw worden, zonder merkbare verdikking op de aderen
of in eel 1*; zij loopen overigens zeer schuins, parallel
met den achterrand. Voor- en binnenrand der middencel
afgebroken zwartgrijs. Zevende donkere lijn iets duidelijker
doch eerst aan ader 6, wortelwaarts met kleine tandjes op
de aderen. Geene middenvlek. De donker gedeelde lichte
band franjewaarts door eene zeer duidelijke, getande donkere
lijn begrensd, die op ader 2, bijna in den binnenrandshoek ,
merkbaar verdikt is. Golflijn digter bij den lichten band
dan bij den achterrand, vrij breed.
Achtervleugels lichter grijs, het achterrandsderde band-
vormig donkerder met flaauwe golflijn; fijne stippen op
ader 2—4 zijn zwartgrijs. Franjelijn in de cellen donker-
grijs; franje lichtgrijs, op de aderen lichter gedeeld. Onder-
16 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
zijde met dikke zwarte middenpunten en donkergrijzen
buitenrand. Aanhangcel ongedeeld. Pooten gewoon gespoord.
Achterlijf onder grijswit, boven donkergrijs, in het midden,
vooral tegen de punt bijna zwartgrijs. Palpen, kop en
halskraag lichtgrijs; de rug van den thorax zwartgrijs.
De exemplaren zijn den 23" Februarij en 19° Maart bij
Bogota gevangen.
12 Wermiculata m. — nov. sp. Pl. 6, f. 1.
Alis elongatis coerulescenti-cinereis, lineolis numerosis
nigris, punclo discoidali majore, linea undulata nulla.
Een zeer gaaf mannetje van 20 mm.
Onder de 75 europesche soorten, die ik van het genus
Eupithecia bezit is geene regte verwante van deze nieuwe
species te vinden. In kleur gelijkt zij Constrictata Gn. het best,
in vleugelvorm Pimpinellata Hübn., er is echter nog velerlei
belangrijk verschil op te merken.
Palpen niet ten volle tweemaal zoo lang als de kop, op
zijde zwartgrijs; boven, als gezigt en schedel, lif en
vleugels, fraai blaauwgrijs, in de tint van Scriplaria H.S.
doch helderder en frisscher. Teekening fijn, doch hier en
daar zeer flaauw en dus over het geheel niet duidelijk;
intusschen is de type der Eupithecien teekening — drie maal
drie aan den voorrand parallele dan gebrokene en zich in
drie groepen verdeelende, geslingerde, donkere lijnen, een
zwart middenpunt en eene golflijn achter het derde drietal
lijnen (waartusschen de grond merkbaar lichter is) zeer
goed te ontdekken.
Bij deze soort loopen de lijnen iets steiler dan de achterrand
der voorvleugels; het eerste drietal is boven de middencel
en in cel 1° duidelijk, fijn zwart, daar tusschen door zwarte
stippen op de middenader aangeduid. Tweede drietal alleen
aan den voorrand duidelijk, verder alleen de meest wortel-
waartsche zigtbaar, aan den wortel van ader 2 verdikt.
Van het derde drietal dat den lichten band insluit, is de
eersteonder den voorrand het scherpst gebroken, doch niet
ST. THOMAS EN JAMAICA. 2 id
zoo sterk als bij de beiden boven beschrevene soorten der
Innotata-groep en dus convergeert het begin der 8° en 9°
lijn minder sterk met haar. Zij is wortelwaarts op de aderen
een weinig zwart getand en in cel 2, 3 en 7 zijn lijnen
en lichte streep bijna geheel uitgewischt en afgebroken
zoo als meer, doch vooral duidelijk bij Eup. Abbreviata
voorkomt. Golflijn in het iets donkerder franjeveld hoogst
onduidelijk.
Achtervleugels iets bleeker, alleen aan den binnenrand
met sporen van lijnen, verder ongeteekend. Franjelijn op
de voorvleugels in de cellen met zwarte streepjes, franje
donker gevlekt; op de achtervleugels beiden zeer flaauw
donker geteekend. Achterlijf blaauwgrijs. Aan de onder-
zijde de voorvleugels zwartgrijs, aan den voorrand licht
gestippeld, de achtervleugels lichter met donkere boog-
lijnen. Franjelijn geheel donker, franje als boven.
Achterscheenen met 4 sporen. Aanhangcel gedeeld.
De heer von Nolcken ving het exemplaar den 14°" Febru-
arij bij Bogota.
Genus Raopatopes Guenée.
13 Patrata m. — nov. sp. Pl. 6, f. 2.
Alis anterioribus albis, mgro, fusco et viridi marmoratis ,
lunula discali atra, plaga obscuriori in cellulis 4° et 5*
ante lineam undulatam ; tibus posticis quadrispinosis.
Een mannetje, iets afgevlogen. 38 mm.
De merkwaardige sprietvorm waarop Guenée onze aan-
dacht vestigt, is niet alleen aan Rhopalodes eigen doch
komt ook bij het oostindische genus Remodes voor; daar
echter zijn de sprieten niet zoo in het oog loopend knods-
vormig als hier.
Palpen regt uitstekend, schraal tweemalen zoo lang als de
kop, met naar voren verbreed, buitenwaarts zwart tweede lid,
het derde leedje half lichtbruin en zwart. Gezigt oranjebruin,
18
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
Sprieten lichtbruin. Thorax met mosgroene schouderdek-
sels, naar achteren meer bruingeel, even als het lange
dunne achterlijf; dit op den rug van ring 1 met 4 zwarte
stippen, op ring 2 met twee, aan de punt met een zwart
vlekje.
De naar achteren zeer verbreede, bijna klaverbladvormige
voorvleugels hebben een witten grond en zijn met een groot
aantal gegolfde, onder de helft van cel 1° schuin loopende
donkere lijnen digt bedekt. Drie bij den wortel en twee
maal drie in het midden zijn duidelijker, zwart, en de
grond tuschen haar geelachtig mosgroen, de overige lijnen
zijn mosgroen of roestbruin. Zoodoende wordt een wortel-
veld, een breede eerste lichte band, en een in het midden
licht en met eene zwarte halve maan geteekend middenveld
afgescheiden. Achter het middenveld een roestbruin gedeelde
smalle tweede lichte band. Franjeveld voor de golflijn, die
uit ronde witte boogjes in alle cellen bestaat, mosgroen,
in cel 4 en 5 zwart, daar achter met bruine vlekjes.
Franjelijn met dubbele zwarte stippen bij de aderen.
Achtervleugels onder en boven ongeteekend, vuil wit.
Deze achtervleugels zijn zeer merkwaardig gevormd. Veel
kleiner dan de voorvleugels en wel de helft smaller, zijn
zij onder de middencel bijna tot aan den wortel gespleten,
het onderste gedeelte lobbig verbreed en rondom met franje
bekleed; tusschen beiden ziet men nog een met gele haren
digt bezet, donkerbruin steeltje. Zij vertoonen dus de
eigenaardigheden van Lobophora ten sterkste ontwikkeld.
Verder draagt hunne middencel boven in het midden eene
pluim van geelwitte haren en hunne ader 4 op de onderzijde
eene dergelijke,
Dat de nervuur mede afwijkt is te denken; zij is even-
wel omtrent gelijk aan die der Lobophora-mannetjes. Ader
8 is wel vrij, doch loopt digt langs den voorrand der
middencel en is daarmede aan het eind door een dwars-
adertje verbonden; vervolgens is zij sterk gebogen. Ader
6 en 7 komen ongesteeld uit een punt; 5 uit het midden
ST. THOMAS EN JAMAICA. 79
der steile dwarsader; 4 is eene voortzetting van den binnen-
rand der middencel: 2 en 3 niet te onderscheiden.
In de voorvleugels staan 2, 3 en de gebogene ader 4
bijna evenver van elkander, 5 komt uit het midden der
dwarsader, 6 uit het midden van den achterrand der ge-
deelde aanhangcel, 7 en de steel van 8—10 uit hare spits,
11 uit haren voorrand; 12 is geheel vrij.
Pooten lang, dun, glad beschubd, geel en wit, zwart
gevlekt, de middenscheenen met 2, de achterscheenen met
4 sporen (volgens Guenée bij zijne Castnata 2 de laatsten
slechts met één paar).
Het exemplaar is met N° 63 gemerkt.
Genus ScorpyLia Guenée.
Dit genus is synoniem met Baptria Hübn. en Herr.-Sch. Diplo-
chroa Herr.-Sch. kan er niet van gescheiden worden en ook
Guenée’s familie I en III van Krateina behooren daarbij, zoo dat
het genus tamelijk soortenrijk wordt. Onder de europesche is
Minoa het naast aan Baptria verwante genus en Herr.-Schäffer
vereenigt het er zelfs mede in zijn Syst. Verzeichniss der europ.
Schmett (zie Syst. Bearb. deel VI). De middencel der voorvleugels
is echter bij Baptria tusschen ader 5 en 6 niet geheel open,
verder is de aanhangcel der voorvleugels ongedeeld en zijn de
palpen veel langer.
Zeven soorten, die tot dit genus kunnen worden gebragt, zijn
door den heer von Nolcken verzameld en daarvan vijf onbe-
schreven.
5
(Geel gevlekte vlinders.)
74 Atalantata Guenée.
Vier exemplaren, met N° 63 geteekend.
Bij Guenée’s beschrijving heb ik nog te voegen, dat de
voorvleugels aan den wortel zwartgrijs bestoven zijn en de
80 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
voorrand op een derde zulk een vierkant vlekje heeft;
ook is de franje grijsbruin, tegen den binnenrandshoek der
voorvleugels zwart.
15 Hippomenata m. — nov. sp. PI. 6, f. 3.
Alis nigris plaga magna basali discalique fulva, maculis
costalibus alrıs, undulata in cellulis 2° et 3° alarum
anleriorum et crenulata versus marginem anteriorem
posticarum.
Een gaaf paar van 19,5— 20 mm.
Op dezelfde wijze geteekend als Atalantata, met goudgele
wortelhelft der voorvleugels en zich dus onderscheidende
van Partitata Guenée, waar de wortel , d’un jaune fauve”
is en van Quadruplicaria Hbn. (Discordata Gn.), Haemataria
H. S. en Melanicterata Led. die eenen grooten gelen dwars-
band of dwarsvlekken op de tweede helft hebben. Van
Alalantata onderscheidt haar de mindere grootte (30 tegen
20 mm.), de koolzwart gevlekte wortelhelft van den voor-
vleugelvoorrand, de ronde bogt waarmede het geel in cel
2 en 3 der voorvleugels in het zwart treedt, dat bij Atalaniata
op die plaats regt afgeneden is, de bijna geheel zwart-
gekleurde cel 1 dier vleugels, verder ook de verschillend
geteekende achtervleugels waar het geel niet op ader 1°
zwart gedeeld wordt maar het geheele midden der vleugels
beslaat en tegen den voorrand door een zwart vlekje is
ingesneden, terwijl het zwart aan den binnenrand met eene
gele lijn en een paar vlekjes is versierd. Eindelijk is het
geel donkerder en de franje zwart en witbont gevlekt.
Aan de onderzijde staat het lichte vlekje aan den voor-
rand van de donkere voorvleugelpunt nader bij het geel
dan bij de spits en niet juist in het midden, zoo als bij
Atalantata, en hebben de achtervleugels eenen geheel don-
keren, bogtigen achterrand.
De exemplaren zijn met N° 24 gemerkt.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 81
IT.
(Wit gevlekte vlinders.)
Deze soorten kunnen tot drie afdeelingen worden gebragt.
A. Voorvleugels met witte vlek op den binnenrand :
1. de punt ongevlekt: Basilata Gn., Conduplicaria Hübn.,
Conflictata Gn. en Gratulata Gn.
2. nog eene witte vlek tegen de punt: Cynthiata Doubd.
B. Met witte vlek tegen de punt der voorvleugels, hun binnen-
rand ongevlekt :
1. de achtervleugels zonder witte vlek, met witte boog-
lijn en aderloop : Radiaria H.S., Siliquata Gn.
2. de achtervleugels met witte vlek, zonder witte boog-
lijn; aderbeloop eenkleurig met den grond:
a. de vlek der voorvleugels dubbel: Fluminata m.
Dispilata m.
b. de vlek der voorvleugels enkel : Monospilata m.
C. Met witten dwarsband der voorvleugels : Tibialis Esp., Haber-
haueri Led., Kindermanni Brem. en Ambiguata m.
A.
16 Gratulata Guenée.
Zes exemplaren, waarvan twee in het begin van Maart bij
Tusagasuga gevangen zijn en de overigen met N° 20 en 64 zijn
gemerkt.
Guenée’s beschrijving past vrij wel, doch geloof ik niet sterk
aan het specifiek verschil zijner vier soorten; misschien is
Conflictata, die een vierde grooter is dan de anderen, eene goede
soort, maar dan zullen er nog wel andere verschilpunten zijn
6
82
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
B:
17 Fluminata m. — nov. sp. PI. 6, f. 4.
Nigra, alis anterioribus macula obliqua bipartita alba,
posterioribus plaga discoidah alba, his sublus fascia
fluminiformi undulata alba ostio permagno.
Drie exemplaren waarvan een vrij gaaf; 22 mm.
Deze en de volgende soort onderscheiden zich van Radiaria
H.S. en Siliquata Gn. hierdoor, dat de witte vlek der voor-
vleugels gedeeld is en de achtervleugels in plaats van een
tot drievierden wit aderbeloop dat door eene witte booglijn
begrensd wordt, eene groote witte middenvlek hebben.
Ook is hunne onderzijde zwart in plaats van kaneelbruin.
Voorrand der voorvleugels met drie geelwitte langslijntjes
op evenwijdigen afstand. Witte vlekken tegen het eind der
middencel en aan den wortel van cel 3 staande, beiden
slechts door eene haarfijne zwarte lijn gescheiden en cel
2 geheel zwart. Witte vlek der achtervleugels naar achteren
verbreed. Aan de onderzijde zijn de voorvleugels in cel 1
bleeker, zwartgrijs en voor zoover zij door de achtervleugels
bedekt worden, wit. Aan den voorrand ziet men eene onder-
aan spitse witte streep op een derde, die tot aan de midden-
ader komt, eene breedere op de helft, die uit de beide
vlekken der bovenzijde bestaat, verbonden met een wit
vlekje aan den voorrand en eene kleine geelwitte vlek bij
de punt. Achtervleugels met witte en gele vlekjes en schrapjes
en in het midden met eene gebogen witte teekening, die
eenigzins op eenen tegen zijnen mond zeer verbreeden stroom
gelijkt. Franje zwart en witbont. Buik en voorborst grijs-
wit, de pooten eveneens gevlekt. Palpen onder wit, boven
zwart. Aangezigt met geelwitte zijderanden.
Ader 6 der voorvleugels komt bij deze soort uit den
achterrand der middeneel.
Een der exemplaren is in het begin van Mei bij Barro
Blanco gevangen, het andere in Maart bij Muzo, het derde
met N° 64 geteekend.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 83
78 Dispilata m. — nov. sp. Pl. 6, f. 5,
Fusconigra, sublus fusca, alis anterioribus maculis duabus
divaricatis, oblique posilis, et posterioribus plaga discali
subrotundata, albıs.
Drie exemplaren waarvan een vrij gaaf; 20—22 mm.
Onderscheidt zich van Fluminata doordien de beide witte
vlekken der voorvleugels door eene breede zwarte tusschen-
ruimte gescheiden zijn. De bovenste staat op drievierden
der middencel vóór de dwarsader en heeft boven zich nog
een grijswit vlekje aan den voorrand, de onderste wordt
door ader 3 gedeeld in eene grootere, vierkante in het
midden van cel 2 en eene kleinere, driekante daarboven
aan den wortel van cel 3. Verder ziet men nog eene ronde
witte stip onder den voorrand in cel 7 en een fijn wit
langsstreepje daarboven op den voorrand. Witte vlek der
achtervleugels grooter dan bij Fluminata en ronder; in haar
een zwart vlekje boven aan de dwarsader; haar achter-
rand afgerond, gegolfd.
Op de als boven, doch scherper wit geteekende onderzijde
is de zwartgrijze grond aan den voorrand en op de punt-
helft der voorvleugels en op de achtervleugels zoo sterk
met okergele en bruinroode schubben bezet dat hij er ge-
heel door bedekt wordt.
Franje eenkleurig, als de vleugels, tegen de voorvleu-
gelpunt en in het midden der achtervlengels met witte spits.
Lijf en pooten als bij de voorgaande soort geteekend.
Ader 6 der voorvleugels uit de spits der middencel.
Een der exemplaren is in het begin van Mei bij Barro
Blanco gevangen, de anderen met N° 64 en 20 geteekend.
19 Monospilata m. — nov. sp. PI. 6, f. 6.
Nigra, alis anterioribus supra macula unica alba, subtus
basi ferruginosis, posterioribus plaga discoidali ovali
alba.
Een iets afgevlogen wijfje van 22 mm.
84
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
Het naast verwant aan Dispilata, doch slechts met eene,
ovale vlek der voorvleugels; ook is de vlek der achter-
vleugels bijna zuiver ovaal en haar achterrand geheel
ongegolfd.
Aan de onderzijde zijn de voorvleugels meer grijs dan
zwart, aan den wortel breed roestbruin, langs den voor-
rand evenzoo, iets donkerder bestoven.
Grond der achtervleugels zwartgrijs, doch tot tweederden
met dikke witte bestuiving, die zich in het midden tot
eene ronde vlek verdigt; verder is de geheele grond, be-
halve op de ronde witte vlek met roodbruine dwarsschrapjes
bedekt, die aan voor- en binnenrand op twee plaatsen op
een gehoopt zijn als begin en einde van twee boogstrepen.
Geene aanduiding van vangplaats.
C.
80 Ambiguata m. — nov. sp. PL 6, f. 7.
Alis anterioribus nigris fascia lata alba, posterioribus albis
limbo postico migro.
Een twintigtal, meest gave exemplaren; 17,5—18,5 mm.
Het is niet met volkomen zekerheid dat ik deze soort
tot het genus Scordylia breng, want ader 4 der voorvleugels
staat bijna nader bij 5 dan bij 3, de aanhangcel is zeer
grooten driekant, alleen ader 8 en 9 komen gesteeld daaruit
en de steel van ader 6 en 7 der achtervleugels is zeer lang.
Dit alles, gevoegd bij de sterk afgeronde korte breede
vleugels, doet zeer aan eene verwantschap met sommige
Lithosina, o.a. Nudaria denken, doch bij de mij bekende
europesche soorten van dat genus is geene aanhangcel aan-
wezig, en de toestand van ader 6—11 is bij Ambiguata
ongeveer dezelfde als bij de andere Scordylia- (Baptria)
soorten. Van bijoogen zie ik geen spoor, het wortellid
der sprieten is klein en de zuiger duidelijk.
Kop en halskraag zijn zwart, de schouderdeksels en het
achterlijf grijswit, het laatste op den rug en tegen de
ST. THOMAS EN JAMAICA. 85
punt donkergrijs. Het wortelderde der voorvleugels is van
den voorrand tot ader 1 dof zwart met een grijswit streepje
op de middenader; cel 1, tot drie vierden wit, dun beschubd
even als een witte band, die even voor de helft van den
voorrand begint, en van daar tot aan ader 2 verbreed,
het midden van den vleugel beslaat. Wortelwaarts is deze
band eenigszins hoekig, franjewaarts rond gegolfd. Het
overige der voorvleugels is weder zwart met twee witte
stippen in cel 6 en 7, die bij sommige exemplaren ont-
breken.
Achtervleugels wit met zwarten, aan de punt ruim 1 mm.
breeden, naar onderen versmallenden, voor den staarthoek
geheel ophoudenden achterrand.
Onderzijde als boven geteekend, doch het wortelderde der
voorvleugels slechts donkergrijs door het van boven door-
schijnende zwart. Lijf grijswit, ook de pooten, het gebrpaar
buitenwaarts zwartgrijs.
Twee der exemplaren zijn in het begin van Maart bij
Tusagasuga gevangen, een derde met N° 55 gemerkt, de
anderen zonder aanduiding van vangplaats of tijd.
ELE
(Roodgeel gekleurde, zwart gerande,
plompe vlinders. Genus DırrocHroA H.S.)
81 Chrysopterata m. — nov. spec. PI. 6, f. 8.
Miniatofulva, fascia incurvata et interrupta media, altera-
que marginali, nigris, alis posticis subtus brunneorufis ,
fasciis duabus denticulatis luteis, maculisque margi-
nalibus albis.
Vijf exemplaren waarvan twee geheel gaaf; 18— 19 mm.
De nervuur is bij deze soort geheel als bij de typische
Scordylia-soorten (Afalantata-Dispilata) doch de zeer plompe,
bijna Hercyna-achtige bouw, de breede, met lange grove
86
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
hare bekleede palpen en de mede ruigbehaarde thorax, kop
(met eene dikke pluim op het voorhoofd), dijen en scheenen
noodzaken mij, zooal niet tot de vorming van een nieuw
genus, dan toch tot de afscheiding in eene bijzondere af-
deeling. Een en ander toont duidelijk verwantschap met
Diplochroa bicentraria H.S. Exot. f. 540; bij deze is de
nervuur iets anders, doch niet genoeg afwijkende om de
vorming van een nieuw genus te wettigen.
Zuiger lang, opgerold. Palpen en voorhoofdskuif grijsbruin.
Sprieten draadvormig, zwart. Lijf kloek gebouwd, zwart,
grijsbruin behaard en beschubd. Vleugels klein; de voor-
vleugels met aan den wortel sterk gebogen, in het midden
geheel vlakken voorrand. Grond der bovenzijde vurig rood-
geel, een weinig glanzig en dus aan de schoone goud-
kleurige vlinders van het Lycaeninen-genus Polyommatus
herinnerende. Vleugelwortels en op de achtervleugels eene
iets getande streep langs den geheelen binnenrand zwart.
Eene op ader 2, 3 of 4 spits eindigende, min of meer
gezwaaide streep, die even voorbij de helft van den voor-
vleugelvoorrand begint en een in cel 3 scherp gebroken
dwarsband even voor het midden der achtervleugels zijn
mede zwart. Het kortst en ook het smalst is de streep der
voorvleugels bij een wijfje; de dwarsband der achtervleugels
is slechts bij twee mannetjes onafgebroken en te onder-
scheiden van het zwart aan den wortel, bij een exemplaar
is er slechts een vlekje aan den voorrand van overgebleven,
bij een tweede is bij in het midden afgebroken en bij het
vijfde exemplaar is het geheele wortelderde zwart met
vijf roodgele vlekjes der grondkleur. Achterrand zwart;
op de voorvleugels aan de punt zeer breed, bruinrood
bestoven en aan den binnenrandshoek in eene spitse punt
uitloopende, daar tusschen wortelwaarts rond uitgesne-
den, het beloop van de zwarte middenstreep volgende.
De rand der achtervleugels is in cel 4—6 verbreed, wor-
telwaarts flaauw getand.
Onder zijn de voorvleugels als boven geteekend, doch
ST. THOMAS EN JAMAICA, 87
de grondkleur iets bleeker, de voorrand en vleugelpunt
leemgeel bestoven. Achtervleugels roodbruin met geelach-
tig witte, ongelijke, ten deele wigvormige vlekken op
den achterrand en twee gebogen en getande, leemgele
dwarsbanden.
Franje roodgeel, met iets lichtere spits, op de boven-
zijde der voorvleugels tegen de punt grijsbruin. Ader 6
der voorvleugels ontspringt aan den wortel der aanhangeel.
Bicentraria Herr.-Sch. is grooter, heeft twee losse zwarte
vlekken in het midden der voorvleugels; verder is de
achtervleugelwortel niet zwart.
De exemplaren zijn op 10 en 27 Februarij en 4 en 9
Maart bij Bogota gevangen. Het eerst gevangen voorwerp
is het meest afgevlogen, die van 27 Februarij en 4 Maart
de gaafsten.
Genus PuipaLarTeryx Stephens.
Van dit genus dat ik, niettegenstaande het bijzondere in
kleur en teekening, dat de vlinders dadelijk doet herkennen,
niet van Larentia kan scheiden, heeft de heer von Nolcken
twee soorten medegebragt. Zij zijn beiden onbeschreven en
behooren tot afdeeling I van Guenée.
82 Lutulentata m. -— nov. sp. PI. 6, f. 9.
Cerina, abdomine et linea antemarginali nigropunctatis ,
alis anterioribus fuscogriseo irroratis, area mediana et
fascia altera transversali, definita serie punctarum
mgraram , concoloribus.
Vier en twintig exemplaren van beide seksen; 21—24 mm.
Deze soort heeft even als Vittata Bkh. (Lignata Hbn.) zwarte
stippen op het achterlijf doch onderscheidt zich van die
soort, hare naaste verwante, doordien op de voorvleugels
niet het middenveld onder de middenstip en de met eene
donkere schaduw uit de vleugelpunt overgoten tweede lichte
dwarsstreep het donkerst zijn, maar wel de donkere
88
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
lijnen, die zich achter het middenpunt en die dwarsstreep
bevinden. De laatste wordt ook franjewaarts begrensd door
eene regelmatig flaauw gebogen dwarsrij donkere stippen,
die bij Vittata niet aanwezig zijn. Het donkere streepje
in de vleugelpunt is zeer onbeduidend en niet tot eene
donkere schaduw verlengd. Ook is Lutulentata grooter dan
Vitlata.
Palpen tweemaal zoo lang als de kop, op zijde zwart,
boven geelachtig. Sprieten stomp getand, lang en fijn be-
haard. Kop licht bruingrijs, de thorax grijsbruin tot licht
kaneelbruin, altijd veel donkerder dan het boven op iederen
ring met twee zwarte stippen getcekende licht bruingrijze
achterlijf. De donkere kleur van den thorax is eenigszins
over den voorrandswortel der voorvleugels verstoven. Grond-
kleur van de bovenzijde der vleugels een licht geel als
bij Vittata, maar vuiler, meer leemkleurig en met eenigen
glans; bij sommige exemplaren, vooral op de steeds iets
donkerder franje, met een rooden schijn. De teekening is
bij alle exemplaren zeer flaauw, veel flaauwer dan bij de
andere soorten van Phibalapterya en ook zeer fijn, bruingrijs.
Zij bestaat uit 4—5 onder den voorrand rond gebogen
lijnen aan den wortel, waarop het naauwelijks afgescheiden,
alleen aan de zeer fijne middenstip herkenbare middenveld
volgt, dat wortelwaarts door eene rond gebogen lin is
begrensd, terwijl het franjewaarts weder 4—5 donkere
lijnen heeft, wier begin aan den voorrand zeer schuins
loopt; daarop zijn zij op de ondervoorrandsader en aan-
hangcel zeer scherp gebroken, eerst een klein weinig
gegolfd en loopen dan parallel (ook met den achterrand) bijna
geheel regt naar den binnenrand. De onderste convergeert
bij een paar exemplaren met de laatste gebogen lijn aan de
wortelzijde van het middenveld of vormt er eene reeks van
ringetjes mede, gelijk bij sommige stukken van Vittata.
Na de tweede lichte streep komt dan de vermelde rij donkere
stippen, die bij sommige exemplaren ineenvloeijen. Franje-
veld slechts met sporen van eene donkere lijn.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 89
_Achtervleugels tegen den binnenrand met sporen van
donkere lijnen, verder ongeteekend.
Franjelijn met in paren bijeenstaande, nooit geheel
ineengevloeide donkere stippen. Franje met twee donkere
deelingslijnen.
Onder zijn de voorvleugels als boven geteekend, de
achtervleugels veel sterker, onder anderen komen twee
boogrijen donkere stippen en een middenpunt zeer uit, alles
is echter digt grijsbruin of roodbruin bestoven.
Aderen der achtervleugels als bij Viltata, 3 en 4 wat
verder van een.
De exemplaren zijn op 11 en 27 Februarij, 9, 19, 23
en 25 Maart en 10 April bij Bogota gevangen, een exem-
plaar den 1** April bij Cucqueta een ander in het begin
van Mei bij Barro-Blanco. De overigen zijn met N° 20,
41, 62 en 64 gemerkt. De vlinder is dus van verschillende
plaatsen en schijnt niet zeldzaam.
13 Effluata m. — nov. sp. PI. 6, f. 10.
Cana, abdomine fuscofasciato, alis canis linea marginali
non interrupta nigrofusca, anterioribus costae parte
basali, lineola apicali et fascia altera transversal
flavescentibus, caeteris fascus fuscis.
Een gaaf mannetje van 18 mm. en een afgevlogen wijfje
van 19 mm.
Door de fijn donkere, onafgebroken franjelijn de naaste
verwante van: Polygrammata Bkh. en met eveneens getee-
kend achterlijf, doch op vuilwitten grond met donker hout-
bruine teekening.
Palpen slechts de helft langer dan de kop, donker grijs-
bruin als kop en thorax, de schouderdeksels naar achteren
vuilwit. Sprieten bijna draadvormig. Voorvleugels langs den
voorrand tot over de helft geelachtig, de voorrandswortel
grijsbruin. Wortelveld donkerbruin, door twee of drie lijnen
gevormd. Eerste lichte dwarsstreep bruingeel. Middenveld
90
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
wortelwaarts met eene aan den voorrand kort gebroken,
bijna loodregte, breede donkerbruine streep, in het midden
(behalve aan den voorrand) geheel grijswit met eene dikke
zwarte middenstip. Franjewaarts heeft het middenveld 4 of
5 onder den voorrand scherp gebroken, dan bijna regte
fijne donkerbruine dwarslijnen, die tot in cel 1° verduis-
terd worden door eene breede roodbruine schaduw, welke
van de vleugelpunt uitgaat. De vleugelpunt zelf wordt ge-
deeld door een bruinwit streepje, dat naar onderen tot een
lichten stroom verbreedt, die de tweede lichte dwarsstreep
verheldert en ook de wortelzijde van het overigens donker-
grijze, met sporen van eene fijn witte golflijn geteekende
franjeveld.
Achtervleugels alleen tegen den binnenrand met over-
blijfsels van ongebogen donkergrijze lijnen en met eene
zwarte middenstip. Achterrand der achtervleugels min of
of meer getand. Franjelijn donkerbruin. Wortelhelft der franje
bruingrijs, achter eene donkere deelingslijn helderder. Onder-
zijde als boven geteekend, doch grof zwartgrijs bestoven.
Aderstelsel als bij Vottata.
Op den rug van het grauwgele achterlijf hebben de ringen
donkerbruine achterranden, vooral de eerste.
Bij het wijfje is de voorrand der voorvleugels tot bij
de punt geheel okergeel, het middenveld in het midden
donkergrijs en alleen de tweede lichte streep helderder,
licht okergeel.
Het mannetje is den 1° April bij Cucqueta, het wijfje
in het begin van Mei bij Barro Blanco gevangen.
Genus Scorosia Steph.
Drie soorten zijn verzameld en daarvan twee onbeschreven ;
deze behooren tot de tweede groep van Guenée. Allen be-
hooren tot afdeeling B van mijn genus Cidaria, zoo als het in
de vlinders van Nederland is beschreven.
ST. THOMAS EN JAMAICA. 91
Brunette mie nors spr PL Ty) fe:
Alis unterioribus subobtusis ex griseo fuscis, area media
sine dentibus extensis in cellulas 3° et 6°", lineola
undulata alba; posterioribus dilute fuscis subconcoloribus.
Vijf exemplaren waarvan drie vrij gaaf; 34—36 mm.
Vleugelvorm dezelfde als bij Dubitata en de achtervleugels
lichter, slechts met sporen van teekening en zoodoende
van de spitsvleugelige Brujata en Haesitata en van de op
de achtervleugels even sterk als op de voorvleugels ge-
teekende Blosyrata dadelijk te onderscheiden. Wat het
onderscheid van Dubitata aangaat, zoo bestaat dit daarin
dat het middenveld in cel 3 en 6 geene uitstekende punten
heeft maar franjewaarts door eene naar gelang der cellen
groot of klein rondgegolfde, flaauw gebogen zwarte lijn
begrensd is, die nergens uitsteekt en zelfs tusschen ader
3 en 6 vlakker dan elders is. De golflijn is sneeuwwit, doch
niet overal duidelijk; even onder ader 2 is zij echter tot
eene dikke stip verdigt en in cel 3 heeft zij steeds het
duidelijkste, zuiverst witte boogje, dat wortelwaarts met
witte, bij twee exemplaren zelfs tot eene formeele vlek
verdigte schubben is gevuld.
Palpen anderhalf maal zoo lang als de kop, en, als deze,
bijna zwart. Thorax iets lichter, donker grijsbruin; evenzoo
ook de grond der voorvleugels. Deze tot aan het eind van
het middenveld met in de cellen rond gegolfde donkere
lijnen, die aan den voorrand allen en een paar buitendien
aan de toegewende zijden van wortel- en middenveld dui-
delijker, bijna zwart zijn. Middenveld aan het begin, op de
onderste aderen, in het midden van den voorrand en bovenaan
de zwarte grenslijn met grijze schubben. In het midden is
het niet lichter zoo als bij Dubitata, doch aan de zijranden
der bovenhelft, even als bij die soort, zwart berookt. Tweede
lichte dwarsstreep iets grijzer, franjewaarts vrij duidelijk
begrensd. Golflijn door bijna zwarte bewolking verduisterd
en wel over haar geheele beloop.
92 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
Achtervleugels lichter, donkergrijs, met licht gestippelde
aderen, sporen van donkere lijnen tegen den binnenrands-
hoek en eene fijne grijswitte golflijn. Franjelijn dik zwart,
op de aderen fijn houtgeel doorsneden, op de voorvleugels
de boogjes buitenwaarts met witte schubben. Lange franje
grijsbruin met lichte deelingslijn. Achterlijf op den rug
met dubbele zwarte stippen. Onderzijde bruingrijs, met vele
flaauwe donkere lijnen, licht en donker gestippelde aderen
en zwarte middenpunten. Aderen als bij Dubitata.
De exemplaren zijn allen met N° 20 gemerkt.
85 Pallidivittata m. — nov. sp. Pl. 7, f. 2.
Alis anterioribus apice subacuto, fusco marmoratis, fascia
lata costali lignea.
Zes gave exemplaren van 30—33 mm.
Zeer in het oog loopend door de ruim 2 mm. breede licht
‘ houtgele streep, die van den binnenrandswortel langs den
voorrand der donker en lichtbruin gemarmerde voorvleugels
loopt. De punt van deze is spits, iets omgebogen, de
achtervleugels lichter, bijna zuiver grijs, de zwarte, snuit-
vormige palpen ruim tweemalen zoo lang als de kop. Deze
en de halskraag zwart. Midden van den thorax en schouder-
deksels houtgeel als de voorrandsstrepen der voorvleugels
en deze verbindende. De wortel en ook iets verder de snede
van den voorrand zijn min of meer bruingrijs verduisterd
door het begin der gewone lijnen, die de verschillende
velden vormen; de lijnen van het wortelveld worden geheel
door de gele streep bedekt en slechts sporen van haar zijn
te zien. Middenveld wortelwaarts en boven de middenader
en ader 3 donkerbruin, verder bleekbruin, met flaauwe
gegolfde lijnen, franjewaarts door eene eerst iets geslingerde
dan sterk en ongeregeld gegolfde dikke zwartbruine lijn
begrensd en in de donkerbruine bovenhelft, tegen den
gelen voorrand stootende, met eene splintervormige, scherp
houtgeel gerande middenvlek. Tweede lichte dwarsstreep
ST. THOMAS EN JAMAICA. 93
min of meer bleeker, bruingrijs, door eene donkerder lijn
gedeeld. Franjeveld als het middenveld gekleurd met eene
onregelmatige, zwart verduisterde, in cel 2—4 tot eene dikke
streep verbreede geelwitte golflijn. Aan de vleugelpunt,
boven de gele voorrandsstreep, ziet men nog eene donker-
bruine vlek door het begin van houtgele lijnen doorsneden.
Achtervleugels als bij de voorgaande soort, doch nog flaauwer
geteekend, ook de franje en de franjelijn bijna eveneens,
doch van deze op de voorvleugels de vlakkere boogjes
wortelwaarts in cel 1, 2 en 3 bleekgeel afgezet. Achterlijf
aan den wortel met een zwartbruin bandje, verder grijs-
bruin, ongeteekend.
Onderzijde bruingrijs, met zwarte middenpunten en stippen
op de aderen en de vlekken van de golflijn der voorvleugels
als boven, maar grijswit. Aderen als bij Dubitata.
Een der exemplaren is in het begin van Mei bij Barro
Blanco gevangen, de anderen zijn met N° 20 gemerkt.
Ve
86 Affirmata Guenée.
Vier exemplaren waarvan een mannetje, dat den 8**
Februarij te Bogota ’s avonds in huis op het licht kwam
aanvliegen, vrij gaaf is; een tweede mannetje, den 4° Mei
te Bogota, mede in huis gevangen, is vrij slecht; evenzoo
twee wijfjes, met N° 20 gemerkt. Allen zijn even spits-
vleugelig, doch hebben niet meer dan 44—45 mm. vlugt
en zijn dus kleiner dan Guenée’s mannetjes.
Genus Ciparia Treitschke.
I.
87 Combustaria Herr.-Sch. Exot f. 355. — Jacintharia Gn.
Mya 45830 Pls 12 fis 2:
Een mannetje; zonder aanduiding van vangplaats. De
bouw is geheel zoo als Guenée dien beschrijft, doch de
94 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
vlinder wijkt in kleur en teekening eenigszins af. Zoo is
b. v. de eerste lichte band geheel groenachtig wit, het midden-
veld onderaan zeer verbreed, evenver franjewaarts strek-
kende als de tand in cel 2, het franjeveld voor de golflijn
niet roodbruin, maar geheel vuil lookgroen. Ik aarzel echter
om deze verschillen als specifiek aan te merken; mogt men ze
als zoodanig willen beschouwen, dan sla ik den naam van
Porraceata voor.
De vlinder is overigens eene Cidaria, afd. K, volgens
mij en aan Picata verwant, eveneens geaderd, doch wijkt
van al de europesche soorten af door de plooi der achter-
vleugels.
88 Subguttaria Herr.-Sch. Exot f. 406,7 — Guenée.
Vier exemplaren waarbij een zeer gaaf paar; het eene
gave exemplaar is den 17°" Februarij, het andere den 7°®
Maart bij Bogota gevangen. De slechte zijn met N° 62 en
65 gemerkt.
Het mannetje is volkomen gelijk aan Herrich-Schäffer’s
afbeelding, doch bij het wijfje slechts een klein plekje, in
cel 4 en 5 van den tweeden lichten band roodachtig, het
overige geheel donkergroen. Het beloop der teekening is
echter hetzelfde en de onderzijde geheel eveneens. Behoort
tot dezelfde afdeeling van Cidaria als Combustaria, doch het
mannetje is geheel normaal gevormd.
89 Circumeidata m. — nov. sp. Pl. 7, f. 3.
Alis anticis fuscocinereis, olivaceo tinetis, fascia media
exlus recta, intus angulata, coslam versus dilalata fusca,
marginem versus interiorem albo notata; alis posticis
et pagina inferiore dilute cervinis.
Een geheel gaaf paar; 27 en 32 mm.
Na verwant aan Subguttaria, doch de achtervleugels en
onderzijde zijn niet zwartgrijs, maar roodachtig en de lichte
plekken op de onderzijde der voorvleugels vuil okergeel in
ST. THOMAS EN JAMAICA. 95
stede van helderwit; de lichte plek aan den voorrand dier
vleugels is verder onder en boven even breed en niet onder
ader 6 tot het dubbele verbreed. In het oog loopend is ook eene
ovale, bleekere plek in de bovenhelft van het middenveld.
Sprieten draadvormig. Palpen weinig langer dan de kop,
dun, regtuitstekend, zwart. Groen en bruin gemengde thorax
met zwarte dwarsstreep over de voorhelft; aan het eind
van den rug twee dikke dotten van zwarte schubben, die
ik ook bij Subguttaria opmerk en welke mede bij een aantal
breedvleugelige europesche Cidarien voorkomen.
Aan den wortel der groen, grijs en bruin gemarmerde
voorvleugels ziet men een bandje van drie zwarte lijntjes,
dan volgt een breede band, die in het midden vuil zwartgrijs,
aan de randen groenachtig is. Middenveld wortelwaarts over
de middenader heen met eene diepe, stompe insnijding, in
cel 1° een weinig uitspringende. Franjewaarts ontbreekt de
gewone verbreeding in cel 3—5 geheel en het middenveld
isaldaar zoo vlak en geheel ongegolfd, als of de vermelde
verbreeding weggesneden was. Boven de middenader is het
veld donkerbruin met dikke, iets vervloeijende zwarte randen
en heeft in het midden de aan den voorrand hangende,
scherp omschreven ovale lichtere vlek. De onderhelft is bij
het wijfje bruin en mosgroen met twee ronde groenwitte
vlekjes in cel 1 en 1°, die door een donker lijntje gerand
zijn. Bij het mannetje is de onderhelft van het middenveld
sterk groenwit gemengd, bij beiden de franjewaartsche lijn
hier en daar verdikt zwart met een paar tandjes op ader
1 en 2. Tweede lichte dwarsstreep, groenwit bij den man,
vuilbruin bij het wijfje met bleek blaauwgroen boven en
mosgroen onder. Franjeveld voor de golflijn witgroen bij
den man, met donker kaneelbruine vlek aan voor- en
binnenrand, bij het wijfje bijna geheel vuil lichtbruin, onder
en boven naauwelijks donkerder. Golflijn alleen tegen den
voorrand wit, verder alleen te zien door de gegolfde afschei-
ding der geheel donkergroene, alleen op ader 5 zwart
bestoven tweede helft van het franjeveld.
96
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
Franjelijn met zwarte boogjes; franje roodgrijs. Rood-
achtige achtervleugels en lijf zwart bestoven. Aan de onder-
zijde de voorvleugels tegen de punt met het begin van een’
zwartgrijzen band die franjewaarts eene gebogen rij van
drie of vier lichte stippen heeft, de achtervleugels met
twee donkere booglijnen en eene boogstreep.
Het eene voorwerp is den 10° April bij Bogota gevangen,
het andere met N° 20 gemerkt.
X X
90 Emmelesiata m. — nov. sp. PI. 7, f. 4.
Alis posticis albis, anticis olivaceo-fuscis migro punctatis,
fascia cinerascente alba intus irregulariler denticulata
et undulata, exlus pone medium fortiter dilatata el
paene ad marginem extensa.
Een vrij gaaf mannetje van 29 mm.
Aan Cid. (Emmelesia) alchemillata L. herinnerend en met
Cidaria truncata Hfn. naauw verwant; misschien evenzoo
varieerende.
Sprieten draadvormig. Palpen weinig langer dan de kop,
regtuitstekend, zwart als kop en thorax; deze aan het
eind zonder verdikking door schubben. De voorvleugels
zijn tot twee derden ongeveer geheel eenkleurig dofzwart,
alleen de eerste lichte band is bleeker, grijsachtig, aan
den binnenrand met twee witte stippen, franjewaarts met
sporen van een gegolfd wit lijntje. Hij is sterk met olijf-
kleurig okergele schubben bestrooid, die men ook, doch
minder, op den geheelen middenband kan waarnemen en,
weder in meerdere mate, op de wortelhelft van het boven-
deel des franjevelds. De middenader draagt eene kool-
zwarte stip.
Franjewaarts wordt het middenveld begrensd door eene
helder witte lijn, die aan den voorrand twee kleine en
twee grootere tandjes heeft, op ader 5 iets verdikt eene
ST. THOMAS EN JAMAICA. 97
halvemaanvormige insnijding van het middenveld volgt en
verder rond gegolfd is; de ronde uitstekken zijn even als
bij Alchemillata gevormd en die in cel 2 en 3 de grootsten.
Franjewaarts heeft de lichte streep vervolgens eene donkere
lijn en eene onduidelijke witte. Het franjeveld is, als gezegd,
in zijne bovenhelft olijfkleurig geel bestoven, vertoont aldaar
twee zwarte langsstreepjes op ader 5 en 6, en heeft eenige
grijze stippen als sporen der golflijn, die in de wit bestoven
onderhelft zeer duidelijk en helder wit is. Franjelijn met
dubbele zwarte stippen, de franje zwartgrijs en witbont
met nog eene donkere lijn over de wortelhelft.
Achtervleugels wit, ongeteekend, ook de franje; franje-
lijn met eenige fijne, donkere stippen. Achterlijf grijs met
wit gerande ringen en eene zwarte vlek aan de basis.
Onder zijn de voorvleugels zwart met witte dwarsstreep,
de franje als boven, doch helderder, de achtervleugels vuil-
wit, donker besprenkeld, met middenstip. Aderen als bij
Cidaria truncata Hfn.
Het exemplaar is met N° 20 gemerkt.
91 Morbosata m. — nov. sp. PI. 7, £ 5.
Cinerascenti alba, fasciis undulatis et lunulis sparsis
cervinis, alarum anteriorum cellula mediana earum
medium non altingente, puncto discoidali in margine
basali fasciae medianae locato. Subtus alarum anteri-
orum linea longitudinali et posteriorum venis ochraceis;
palpis capite duplo longioribus, rostriformibus.
Een vrij gaaf wijfje van 29 mm.
Deze vlinder heeft langwerpiger voorvleugels dan de
voorgaande soort en is nader aan de groep van Caesiata
verwant doch van de soorten van deze onderscheiden door
de lange smalle palpen, die ruim tweemalen de lengte van
den kop hebben en snuitvormig regt uitsteken. Zij zijn
zwartbruin, de onderhelft op zijde met gele haren.
Rug bij dit voorwerp ontschubd ; schouderdeksels vuilwit
7
98
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
met donkergrijs streepje. Vuilwit is ook de grondkleur der
voorvleugels; hunne teekening donkergrijs. Wortelveld door
bestuiving zoo gekleurd; eerste lichte band in het midden op
den voorrand met eene zwartgrijze vlek, naar onderen met
drie donkergrijze lijnen en daarvan de middelste flaauw. De
middencel is korter dan gewoonlijk en daardoor staat de
gewone donkere vlek der dwarsader op den gegolfden, bijna
vertikalen wortelzoom van het middenveld. Dit aan de randen
met zwart grijze schubben, die alleen onder en boven, en
vooral aan den voorrand ineenvloeijen; franjewaarts is
het overal op de aderen licht afgebroken, rond gegolfd,
tusschen ader 2—5 het meest en daar een derde breeder.
Tweede lichte band met eene gegolfde, eveneens op de
aderen licht afgebroken, donkergrijze middenlijn en franje-
waartsche begrenzing. Franjeveld onregelmatig vuilwit en
donkergrijs geplekt; golflijn uit hoekige boogjes bestaande ,
in cel 3 bijna geheel uitgewischt, in 4—6 dikker, bijna
zwart, bovenaan met een donker streepje in de vleugelpunt
vereenigd. Franjelijn in de cellen met zwarte streepjes, die
verbonden worden door zwarte vlekjes op de wortelhelft
der iets geelwitte franje. Achterlijf en vleugels: grijs; deze
in het midden met drie naar boven verflaauwende, een
weinig gezwaaide wittere lijnen.
Onder zijn de voorvleugels zwartgrijs met sporen eener
witte dwarsstreep, de achtervleugels vuilwit met zwarte
middenvlek en getande donkergrijze middenlijn. Opmerke-
lijk is dat al de aderen der achtervleugels en eene lijn
onder den voorrand der voorvleugels okergeel zijn, vooral
wortelwaarts.
Vleugeladeren als bij Caesiata.
Het exemplaar is in het begin van Mei bij Barro Blanco
gevangen.
Genus Psazrones Guenée.
_ Dit genus is wel aan Cidaria verwant, maar de palpen zijn -
ST. THOMAS EN JAMAICA. 99
bijna twee en een halfmaal zoo lang als de kop, vervolgens is de
dwarsader der achtervleugels zeer steil zonder dat, gelijk bij de
Cidariën waar dit plaats heeft, ader 3 daarom met 4 uit één
punt ontspringt; zij komt uit den binnenrand der middencel, dui-
delijk vóór haren staarthoek; 6 en 7 der achtervleugels zijn
gesteeld; 3 en 4 der voorvleugels gelijk in de achtervleugels.
De steel van ader 8—10 der voorvleugels is zeer lang, en
komt met 7 uit de spits der gedeelde aanhangcel, 6 uit een
vierde van haren achterrand, 10 uit haren voorrand. De sprieten
zijn genoegzaam draadvormig, uiterst kort behaard, het voorhoofd
vlak (niet concaaf, zoo als Guenée zegt), de zuiger kort doch
. duidelijk spiraalvormig, de pooten gewoon gespoord. Het genus
zoude dus kunnen blijven bestaan.
De soorten schijnen in Zuid-Amerika niet zeldzaam te zijn;
ik ontving een dozijn exemplaren tot 7 soorten behoorende
waarvan echter slechts drie door goede voorwerpen zijn vertegen-
woordigd. Eene soort is nieuw.
92 Flavagata Guenée.
Drie exemplaren, waarvan een in het begin van Mei bij
Barro Blanco is gevangen en de anderen met N° 20 en 24
zijn gemerkt.
Het wortelveld is door eene boven de middenader stomp-
gebroken, ongetande geelwitte streep begrensd, het midden-
veld wortelwaarts door eene geheel vertikale en heeft in
de middencel aan de randen twee zwarte, ineenvloeijende _
vlekken, waaronder zich nog een geel vlekje vertoont. In cel
3 en 4 van den tweeden lichten band staat eene groote grauw-
bruine vlek, die franjewaarts de insnijding der groote donkere
vlek onder de vleugelpunt volgt en er door een halvemaan-
vormig geelwit streepje van is gescheiden. Dit streepje
wordt franjewaarts door een fijn donker lijntje begrensd.
Aan de onderzijde bemerkt men op de zwartgrijze voorvleugels
eene donker okergele langslijn onder den voorrand, die bijna
tot aan de punt doorloopt. De donkerbruine langsstreep der
bovenzijde, welke men op Guenée’s afbeelding opmerkt, doch
100 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
waarvan hij in zijne tekst niet spreekt, is mede bij geen
mijner exemplaren aanwezig.
93 Paleata Guenée.
Drie exemplaren en daarvan een in het begin van Mei bij
Barro Blanco gevangen, de anderen met N° 20 gemerkt.
Minder regelmatig, zeer vlekkig, stroogeel en donker
grauwbruin geteekend, is bij Paleata het donkere wortel-
veld in cel 1° het breedst en scherp hoekig; de eerste lichte
band aan den voorrand donker gewolkt en met een donker
streepje in de middencel geteekend, overigens geheel stroogeel
en onderaan veel smaller. Het middenveld is bij twee exem-
plaren zeer smal en door eene gele vlek in den binnen-
randshoek der middencel afgebroken. Bij het derde is die
vlek slechts eene stip en daar hangt het veld in cel 3 en
4 te zamen met de donkere vlek der tweede lichte streep.
Franjewaarts heeft die vlek een tot den achterrand strek-
kenden gelen driehoek. De lichte band heeft overigens
slechts aan voor- en binnenrand donkere bewolking, die
alleen tegen laatstgenoemden met de donkere vlek in cel
3 en 4 zamenhangt. Onderzijde geteekend als bij Flavagata.
94 @creata m. — nov. sp. PI. 7, £ 6.
Flavescenti-alba, fascüs transversis ferruginosis, macula
trigona subapicali fusca, fascia mediana in cellulis
2—4 non dilatata et supra venam quintam macula
caligulaeformi alba.
Een gaaf mannetje van 17,5 mm.
Zich van Flavagata en Paleata onderscheidende door de
witte grondkleur en door den middenband, die in cel 2--4
niet breeder is dan aan den voorrand. Voorts is deze op
ader 5 ingesneden door eene witte teekening, die den vorm
van eene laars of voetje heeft, terwijl de bruine band achter
de tweede lichte streep onafgebroken is, bijna overal even
breed en men onder de groote zwartbruine achterrandsvlek
slechts een onregelmatig licht plekje ziet,
ST. THOMAS EN JAMAICA. 101
Palpen en aangezigt donkerbruin, schedel wit. Thorax
bruin, de tweede helft der schouderdeksels wit. Wortelveld der
donker roestbruin geteekende voorvleugels alleen onder de
middenader door een wit steepje van den eersten lichten
band afgescheiden; deze bruin, in het midden met eene
scherp getande witte lijn, franjewaarts door eene bijna
verticale wilte streep, tegen het middenveld begrensd, dat
om het witte voetje het donkerst is en van de onderhelft
van cel 1° tot den binnenrand een derde versmalt. Tweede
lichte band met eene afgebroken fijne bruine lijn. Boven
en onder de driekante zwartbruine achterrandsvlek is de
grond vlekkig wit en in cel 1 en 2 ziet men sporen eener
golflijn. Achtervleugels wit met eene donkere middenstip
een vlekje in den staarthoek en sporen van zulk eene booglijn.
Franje geelwit, op de voorvleugels zwartbruin gevlekt, op
de achtervleugels met bruingrijze stippen.
Achterlijf geelwit, op den rug met bruine en witte
schubben.
Onder zijn de voorvleugels bruingrijs met flaauw van
boven doorschijnende teekening en tegen den voorrand met
gele schubben, die geene lijn vormen zoo als bij de voorgaande
soorten; de achtervleugels zijn wit, donker gesprenkeld
met dezelfde teekening als boven, doch sterker uitgedrukt.
Het exemplaar heeft geene aanduiding van vangplaats.
Het is mogelijk dat deze soort Inundulata van Guenée
zou kunnen zijn, maar ik merk verscheidene uitdrukkingen
in zijne beschrijving op, die op mijne soort niet passen.
Zoo zijn o.a. de banden niet „obliques” maar wel steil,
de derde is bovenaan niet , brisée en angle ouvert” en de
achtervleugels niet „amygdaliformes’’ ook spreekt hij niet
van het voet- of laarsvormige witte middenvlekje.
Genus OpPisocontA Herr.-Sch.
Dit genus hetwelk Herrich-Schäffer in zijne analytische tabel
karakteriseert, zonder evenwel de soort, welke hij er toe brengt,
102 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
nader te beschrijven (Hij zegt alleen „ Eine schöne Art aus Chile,
Vorderflügel wie bei Siona, Hinterflügel auf Rippe 6 spitz
vorgezogen), is door Guenée niet opgenomen en ik kan geen
zijner genera vinden dat er synoniem mede is. Het kan blijven
bestaan, hoewel de afwijking van Larentia (Cidaria Guenée)
wanneer men den vleugelvorm uitzondert, niet groot is.
Bij de onbeschreven soort, die ik tot dit genus breng, zijn
de vleugels als bij Siona decussata gevormd, doch nog scherp-
hoekiger, vooral bij het wijfje; de achterrand gegolfd, ader 3
en 4 der voorvleugels ontspringen verwijderd van elkander,
2—5 der achtervleugels op ongeveer evenwijdigen afstand om
den binnenrandshoek der middencel, 6 en 7 zijn lang gesteeld.
De sprieten zijn draadvormig, de zuiger lang, het voorhoofd vlak.
95 Herrichiata m. — nov. sp. Pl. 7, f. 7.
Lutea, griseo irrorala, alis anticis puncto discoidali nigro ,
fasciolisque transversalibus unaquaque e tribus constante
lineis, quarum illae secundae fasciolae a se invicem
disceduni.
Een vrij gaaf paar van 26 en 28 mm.
Palpen donkerbruin; kop, thorax en voorvleugels bruin-
achtig leemgeel, de laatsten met spitse, omgebogen punt en
in het midden rondgebogen, gegolfden achterrand. De tee-
kening is zwartgrijs en bestaat uit een gebogen bandje van
drie lijnen bij den wortel, een dergelijk doch in het mid-
den regter op twee derden, welks lijnen fijn gegolfd
zijn en aan voor- en binnenrand uiteenwijken, benevens
eene zwarte stip op de dwarsader met eene vlek er voor.
Tusschen de lijnen der banden is de grond grijs bestoven.
Golflijn uit eene gebogen rij zwarte stippen bestaande; het
franjeveld, vooral in cel 4—6, zwart beschubd. Zoo is de
teekening bij het wijfje; bij den man is de geheele vleugel
tot aan den tweeden dwarsband donkergrijs bestoven.
Achtervleugels bleeker met donkere middenstip en boog-
streep; hunne punt is spits, de iets gegolfde achterrand in
ST. THOMAS EN JAMAICA. 103
het midden stomphoekig. Franjelijn met dubbele zwarte
stippen op de aderen, de franje als de vleugels, met donkere
stippen en streepjes.
Onderzijde met de teekening als boven, doch grover en
vlekkig.
Pooten gewoon gevormd en gespoord. Ook in den vorm
van het lijf niets buitengewoons.
De exemplaren zijn op 12 Mei 1871 te Bogota gevangen,
waar zij op het licht kwamen aanvliegen.
FAMILIA XXL EUBOLIDAE GUENÉE.
Genus EusoLia Dup.
96 Momaria m. — nov. sp. Pl. 7, f. 9.
Sordide viridis, alarum anteriorum octo seriebus lineolarum
et lunularum nigrofuscarum saepe confluentium, quinta
sextaque angulosis, tertia inlus et septima extus cum
linea flava conjunctis.
Twee iets afgevlogen wijfjes van 32—42 mm.
Van al de soorten, die Guenée tot dit genus brengt,
afwijkende door kleur en teekening der voorvleugels. Deze
zijn namelijk donkergroen met acht dwarsrijen van dikke,
ongeveer driehoekige zwarte vlekken, die fijn bleek okergeel
gerand zijn en min of meer ineenvloeïjen. Vooral is dit het
geval met de vijfde en zesde rij. Deze zijn ook eenigszins
gebogen; de anderen meer vertikaal. De derde rij is franje-
waarts, de zevende wortelwaarts door eene smalle bleekgele
streep afgezet. Franje groen met zwarte stippen. Achter- —
vleugels en onderzijde donkergrijs, de laatste op de voor-
vleugels met sporen van de gele lijnen der bovenzijde.
Palpen tweemaal zoo lang als de oogen, regtuitstekende,
zwart met gele spits. Kop en thorax als de voorvleugels,
104 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
achterlijf als de achtervleugels gekleurd; de lange dunne
pooten bruin met zwartgrijze, geel gevlekte tarsen.
De voorscheenen zijn half zoo lang als hunne dijen, de
vleugeladeren als bij Luridata Hin. (Palumbaria W. V. Treits.)
doch de steel van ader 8—10 der voorvleugels is langer
en ader 2—5 der achtervleugels ontspringen meer op even-
wijdigen afstand.
De exemplaren zijn met N° 20 gemerkt.
97 Fulgurata m. — nov. sp. Pl, 7, f. 8.
Supra isabellina apice griseo albofasciato; subtus alis
anterioribus rufis apice umbrino albofasciato, posteri-
oribus umbrinis, margine, vittis duabus et fasciola
obliqua albis.
Vier exemplaren waarvan drie geheel gaaf; 30—32 mm.
Streng genomen behoort deze soort tot het genus Sarracena
Herr.-Sch. (Sybarites Guenée), doch het mannetje heeft niets
van de vele bijzonderheden, die Guenée bij zijne Leptaliaria
en Chlamydaria H.S. beschrijft en daarom plaats ik haar
liever voorloopig in het genus Zubolia van Guenée waar-
mede de vleugelvorm meer overeenkomt. Het aderbeloop en
de pooten zijn als bij Momaria.
Sprieten draadvormig, kort behaard. Zuiger opgerold.
Voorhoofd vlak. Palpen ruim anderhalf maal zoo lang als
de kop, half zoo breed als de oogen, aan het eind plotseling
toegespitst. De punt der voorvleugels is scherp, doch niet
omgebogen; de steile, effene achterrand flaauw gebogen.
De punt, maar vooral de staarthoek der achtervleugels,
duidelijk.
Bovenzijde licht roodachtig kaneelbruin, naar het steen-
roode overhellende, de voorvleugels aan den wortel licht
grijsachtig, hunne punt van ader 4 af en eene versmallende
streep, langs den achterrand zwartgrijs.
De donkere voorvleugelpunt is met eene lichte streep
geteekend, die tegen den voorrand geelwit is, naar onderen
ST, THOMAS EN JAMAICA, 105
de steenroode hoofdkleur der bovenzijde heeft en daarin
vervloeit. Achtervleugels met drie flaauwe bleekere strepen,
die van onderen doorschijnen en waarover zie lager. Franje
der voorvleugels wit met roodachtige wortelhelft, die der
achtervleugels tot ader 5 wit, van daar tot den staarthoek
steenrood.
Onder zijn de voorvleugels in het midden licht bruinrood,
iets donkerder dan boven, de randen en de punt omberbruin
en de dwarsstreep in de laatste helderwit, alleen onderaan
met eenige roode schubben. De achtervleugels zijn mede
omberbruin; twee langsstrepen uit den wortel, eene dwars-
streep van twee derden der bovenste naar den staarthoek
en de voorrand scherp wit, hier en daar iets bruinachtig.
De onderste langsstreep (in cel 1°) houdt vóór den binnen-
randshoek op; de tweede begint zeer spits, doch niet juist
aan den wortel en loopt over de lange as der middencel
en ader 5 en de witte voorrand heeft in cel 7 een wortel-
waarts gerigten spitsen zijtak. Franje der voorvleugels geheel
wit, die der achtervleugels half omberbruin en wit, de
witte bovenhelft aan ader 5 bij de middenstreep beginnende
en naar boven met den voorrand ineensmeltende. Pooten
bruinwit.
De exemplaren zijn met N° 20 geteekend.
FAMILIA XXI. SIONIDAE GUENEE.
Genus TERENODES Guenée.
98 Puncticulata Guenée.
Acht exemplaren, die op 7 en 22 Maart en 12 Mei bij
Bogota zijn gevangen of met 62 en 65 zijn gemerkt. Zij
vlogen des avonds naar het licht of werden aan beschaduwde
muren gevangen.
Het genus Terenodes van Guenée is overigens synoniem
106 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,
met Graphidipus Herr.-Sch. en de laatste benaming misschien
ouder en verkieslijk.
De palpen zijn opgerigt en gebogen, de nervuur als bij
Larentia en wel als bij Luridata (Palumbaria).
FAMILIA XXIV. ERATEINIDAE GUENEE.
Genns MeLAnoPTIıLon Herr.-Sch.
(Trochiodes Gn.)
Het is volstrekt niet noodig om, zoo als Guenée doet, dit
genus zoover van Fidonia te plaatsen, want het is daaraan naauw
verwant en niet eens gemakkelijk er van te scheiden, zelfs
wanneer men het laatste in den beperkten zin aanneemt zoo als
Lederer het beschrijft. Alleen de palpen zijn iets korter, de
voorvleugels hebben 12 aderen en ader 3 en 4 zijn verder van
elkander verwijderd.
Drie soorten zijn door den heer von Noleken verzameld.
99 Emplociaria m. — nov. sp. PI. 7, f. 10.
Nigra, alis supra nigris, macula discoiduli alba, in
anterioribus minore et ovali, in posterioribus majore
el basin versus extensa; sublus cinereis, maculis albis,
venis nigris.
Zeven exemplaren waarbij gave; 26—27 mm.
Zuiger duidelijk, hoorngeel. Kop met palpen en sprieten
zwart, het aangezigt met vuilwitte haren; een vlekje achter
de oogen, een op den schedel en twee stippen op den
halskraag helderwit. Thorax zwart met twee grijswitte lijntjes
en een bloedrood vlekje aan den wortel der schouderdeksels.
Bovenzijde der vleugels koolzwart met vier eironde witte
vlekken in het midden, waarvan die der voorvleugels kleiner
zijn. Onder hebben de voorvleugels de ronde witte vlek
der bovenzijde, doch zijn alleen in het midden zwart; de
ST. THOMAS EN JAMAICA. 107
zwartgeaderde punt is grijswit, aan den wortel van cel 6
en 7 bijna helderwit; cel 12 is aan den wortel grijswit,
in het midden helderwit, de vleugelwortel en cel 1° en 1°
bijna geheel heldergrijs.
De dik zwart geaderde achtervleugels zijn aan den wortel
donkergrijs, in het midden helderwit, dan, door eene op ader
5 zeer spits gebroken zwarte lijn van het wit afgescheiden
zwartgrijs, voor de franjelijn weder wit. Middenvlek driekant,
zwartgrijs; evenzoo de franje. Lijf boven zwart, onder en
op zijde grijswit, de ringen aldaar met zwarte randen.
Pooten grijswit, zwart gestreept.
Van Trochiodes lithosiata Guenée verschillende door de
geheel anders geteekende onderzijde (zie Guenée’s beschrij-
ving) en de vuilwitte lijn welke bij die soort op de boven-
zijde voor den achterrand loopt.
De vlinders zijn in het begin van Maart bij Tusagasuga
gevangen.
100 Timidaria Herr.-Sch. — Guenée var. ?
Twee mannetjes die op de bovenzijde van Herrich-Schäffer’s
afbeelding verschillen doordien de voorvleugels slechts ééne
vuurkleurige vlek vertoonen. De achtervleugels en onderzijde
komen overeen, behalve ten opzigte van de vlek der voor-
vleugels.
Mijne exemplaren vormen dus varieteit B dezer soort. _
Varieteit A, door Guenée beschreven heeft op de voor-
vleugels drie, op de achtervleugels twee vlekken.
De exemplaren zijn in het begin van Mei gevangen doch
dragen geene aanduiding van vangplaats.
101 Suavaria m. — nov. sp. PI. 7, f. 11.
Supra cyaneo atra, maculis quatuor mutantibus violaceis :
subtus alis anticis dimidio basali croceo, apicali nigro
fascia maculari alba, posticis croceis margine nigro
lineolis albis.
Twee gave mannetjes van 36—37 mm. vlugt.
108
GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA, ENZ,
Bovenzijde blaauwzwart met vier groote, vervloeïjende,
schitterend staalblaauwe plekken, die het midden der vleugels
beslaan. Die der voorvleugels hebben den vorm van een
breeden dwarsband en bezitten onder schuins opvallend
licht een sterken goudgroenen glans.
Onder zijn de achtervleugels en de kleinere wortelhelft
der voorvleugels geelachtig steenrood, de eersten langs
den achterrand twee millimeters breed koolzwart; deze rand
is op de aderen breed geelwit doorbroken. De tweede helft
der voorvleugels is koolzwart met donkerblaauwen weer-
schijn en aan de vieugelpunt in cel 2—6 met geelwit
geteekend, de twee onderste vlekjes rond, stipvormig, de
bovenste steeds langer wordende streepjes.
Lif zwart, de buik met twee rijen vierkante geelwitte
vlekken en eene streenroode zijdestreep. Pooten zwart,
geelwit gestreept. Palpen met geelwit wortellid. De ge-
baarde sprieten zwart.
Geene aanduiding van vangplaats.
De door mij in het Nederlandsch opgestelde diagnosen
zijn op mijn verzoek door Dr. Snellen van Vollenhoven in
het Latijn vertaald.
m nn nn ne
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
N°. 4.
(Vervolg van Deel Vi, 2e Serie, bla, 186.)
VII. CECIDOMYIDAE.
Mijne kennis van deze uitgebreide familie is, tot mijn leedwezen,
nog steeds zeer beperkt. Voor een deel is dit toe te schrijven
aan de moeijelijkheid, verbonden aan het determineren van zoo
kleine diertjes, die bovendien na den dood zeer onderhevig zijn
aan kleurverandering en door hunne teêrheid tot de meest ver-
gankelijke voorwerpen in de collectiën behooren. Vroeger heb
ik in de lijst der Bouwstoffen 1) eenige soorten opgenomen, die
ik toen naar mijn beste weten uit de werken van Meigen,
Macquart en Zetterstedt had bestemd. Later, nadat ik met de
geschriften van Löw en Winnertz over deze familie was bekend
geworden, heb ik zelf en hebben ook eenigen mijner entomo-
logische vrienden getracht de larven op te kweeken en de
Aanwezigheid van sommige soorten te constateren uit de mis-
vormingen die zij aan de planten veroorzaken, en is ons dit nu
en dan ook gelukt.
1) Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland, bijeenverzameld door Dr. J. As
Herklots, dl. III, blz. 1 en volg. — Overal waar in dit stuk van de lijst der Bouw-
stoffen of de lijst van inlandsche Diptera wordt gesproken, is de lijst in het genoemde
ge deel bedoeld.
110 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
Zoo werd mij eens door den heer Heylaerts te Breda een
geheelen wilgenknods ter hand gesteld, die aan alle kanten bezet
was met de verlaten pophulsels van Cecidomyia saliciperda
L. Duf., terwijl ik tevens een aantal der uitgekomen mugjes van
hem ontving. Later werden door de heeren Snellen van Vollen-
hoven en Ritsema, op eene wandeling buiten Leiden, mede
aan een wilgentak dergelijke poppen gevonden.
Zoo ontving ik van mijn vriend Snellen exemplaren van Cec.
inclusa Frauenf., door hem gekweekt uit rietstengels, waarin
de larve leeft. Van denzelfden kreeg ik ook voorwerpen van
Diplosis Pini DeG., die in ’t begin van Mei waren uitgekomen
uit kleine witte hars-cocons, op de naalden van Pinus sylvestris
voorkomende.
Hormomyia Millefolu Löw verkreeg Dr. Weyenbergh uit gallen
van Achillea nullefolium, door hem te Wijk verzameld. Het is
opmerkelijk dat zij hem, even als vroeger Löw, alleen vrouwelijke
exemplaren opleverden.
Van Cecidomyia salicina DeG. vind ik jaarlijks de larven in
grooten getale in vergroeide blaadjes van eene rij wilgenboomen
langs de aardappelvelden aan ’t begin der duinen van Meerder- —
voort bij den Haag.
Dat Cec. Urticae Perris tot onze inlandsehe soorten behoort,
is mij gebleken, omdat ik meermalen de larven in de gallen
aan de bladeren en bladstelen der brandnetels heb gevonden,
ofschoon het mij tot dusver niet is mogen gelukken het volkomen
insect daaruit te kweeken. Ook van Cec. Gal Winn. is mij het
voorkomen in ons land kenbaar geworden uit de gallen, die
deze soort aan den stengel van Galium Mollugo doet ontstaan,
en welke gallen ik meer dan eens in de duinen onder Wassenaar
aantrof. Hetzelfde geval bestaat met Hormomyia Fagi Hart. , waar-
van ik de zeer kenbare, peervormige en kaneelkleurige gallen
op de beukenbladeren eens in aantal bij Amersfoort en later
ook te Beek bij Nijmegen heb gevonden. In het Haagsche bosch,
dat voor een groot gedeelte uit beukenhout bestaat, heb ik
steeds te vergeefs naar deze uitwassen gezocht.
Overigens werden Diplosis coniophaga Winn. en Asphondyha
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 111
Verbasci Vallot door Dr. Snellen van Vollenhoven gevangen, de
eerste te Zundert, de tweede te Beek, beiden in Julij; Cecido-
myia Pyri Bouché door den heer Snellen in Mei bij Rotter-
dam; Cec. pavida Winn. onder Overveen door den heer Kinker;
Cec. albipennis Winn. door den heer Fransen bij Rotterdam; Hor-
momyia producta Meig. en elegans Winn. door den heer Six bij
Utrecht en Amerstoort; £pidosis analis Winn. in den Aerenhout
door Dr. Weyenbergh; Diplosis ochracea Winn. bij Middelburg
door den heer de Man. Epidosis venusta Winn. ving ik zelf in
eenige exemplaren in Mei bij den Haag. Clinorhyncha crassipes
Winn. eindelijk heb ik leeren kennen uit enkele voorwerpen,
door den heer Six te Beek en te Driebergen verzameld,
Behalve de opgenoemde soorten ontving ik dikwijls van ver-
schillende zijden en ving ik zelf ook meermalen Cecidomyiden,
die ik niet met zekerheid naar de bestaande beschrijvingen wist
te determineren. Een paar malen vond ik aanleiding, om de
soorten, wanneer zij tot een zeer beperkt geslacht behoorden
of zich door zeer bijzondere kenmerken onderscheidden, stellig
voor onbeschreven te houden. Als zoodanig beschouw ik Colpodia
pallidula en Epidosis mtida, waarvan de beschrijvingen aan het
slot dezer familie zullen volgen.
Tot zoover de eigenlijke Cecidomyiden. Wat de kleinere groep
der Lestreminen (de geslachten Campylomyza, Catocha en Les-
tremia) betreft, die als ’t ware den overgang vormt tot de
Mycetophiliden, ook van deze zijn mij nog eenige soorten als
inlandsch bekend geworden. Campylomyza halterata Zett., flavipes
Meig., Aceris Meig. en flavida Winn. ving ik zeif bij den Haag;
C. flavipes werd bovendien ook bij Amsterdam door den heer
Kinker en te Overveen door Dr. Weyenbergh aangetroffen. Van
C. aequalis Winn. werd het 4 in Maart te Haarlem door den
heer Ritsema gevangen; en C. bicolor Meig. te Leiden door
Dr. Snellen van Vollenhoven, te Driebergen door den heer Six
en te Middelburg door den heer de Man. Het geslacht Catocha
heb ik leeren kennen uit een exemplaar van Cat. latipes Hal.,
door den heer Ritsema in Maart bij Haarlem gevonden; eene
andere, nog onbeschreven soort van dit geslacht werd mij door
112 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
Dr. Piaget medegedeeld en wordt hierachter onder den naam
van C. crassitarsis beschreven.
Van de groep der Lestreminen werd ons door de meesterhand
van Winnertz eene keurige en volledige monographie geleverd
in den jaargang 1870 van de Verhandlungen der Zool. Bot.
Gesellschaft in Wien. Het geslacht Campylomyza beslaat daarin,
wat het aantal soorten betreft, de voornaamste plaats. Er waren
vroeger een zevental soorten door Meigen, voorts nog twee door
Zetterstedt en een door Walker, alzoo in ’t geheel tien soorten
beschreven. Wel zijn die beschrijvingen kort en onvolledig, doch
of zulks in die mate het geval is, dat zij allen als geheel
onbruikbaar moeten verworpen worden, schijnt toch te kunnen |
worden betwijfeld. Het verwondert mij althans, dat Winnertz
geen enkele dezer soorten zou hebben herkend onder de 22
soorten, die hij beschrijft en waarachter hij zonder uitzondering
het epitheton „n. sp.” heeft geplaatst. Zoo houd ik onder anderen
eene zwarte soort, die hier niet zeldzaam is en die ik vertrouw
óp goede gronden als C. halterata Zett. te bestemmen, voor
dezelfde als C. valida Winn.
Winnertz twijfel omtrent de toepassing der vroegere beschrij-
vingen schijnt vooral daaruit te ontstaan, dat vóór hem nergens
de gedaante der vleugels wordt aangegeven, terwijl hij zelf
daarin tweeërlei vorm heeft opgemerkt en daarnaar het geslacht
in twee afdeelingen splitst, al naar gelang de vleugels aan den
wortel zeer versmald (keilförmig) of eirond zijn. Dit kenmerk
is, zooveel ik heb kunnen nagaan, niet zeer scherp afscheidend,
en het schijnt zelfs, dat de eerste vorm meer aan de mannetjes,
de tweede meer aan de wijfjes eigen is. Dit vermoeden vindt
althans eenige bevestiging in de omstandigheid, dat in de eerste
afdeeling niet minder dan zeven soorten worden gebragt, waarvan
alleen het & bekend is, terwijl in de tweede afdeeling van tien
soorten alleen het 2 wordt beschreven. Onwillekeurig rijst daaruit
het denkbeeld op, dat sommigen als de beide sexen van dezelfde
soort zouden kunnen bijeenhooren.
UITGEGEVEN DOOR
_ ONDER REDACTIE VAN
An. W. ALBARDA
© Ma, 8. 0. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
E.M. VAN DER WULP
ZEVENTIENDE DEEL
J aargang 1873-74
f SnannanAnnAnann
n SRALLPASRRPRPRIIRA
EL dt dif
PORT 7
RS EPA BEN EE 2
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 113
BESCHRIJVING VAN NIEUWE SOORTEN.
1. CoLPODIA PALLIDULA n. Sp.
231 — Eenkleurig bleekgeel, ook de sprieten, palpen,
pooten en kolfjes; alleen de laatste sprietenleden eenigszins
bruinachtig en de oogen zwart. Sprieten iets korter dan het
ligchaam; de steel der geeselleden ongeveer de helft korter dan
de langwerpig ovale knoppen. Achterlijf met vrij lange witachtige
beharing; eïjerbuis kort, met een paar zeer kleine eindlamellen.
Vleugels glasachtig, met gele en paarsche irisering; aderen en
beharing bleekgeel; voor het aderbeloop zie pl. 8, fig. 1.
Een paar malen in het Scheveningsche bosch, in April en
Mei gevangen door den heer Snellen en door mij zelven.
2. EPIDOSIS NITIDA n. Sp.
o 11. — Glanzig zwart; onder den vleugelwortel eene roodgele
vlek. Sprieten zwart, half zoo lang als het ligchaam, achttien-
ledig; de geeselleden kort gesteeld. Eïjerbuis roodgeel, ter lengte
van een derde deel des achterlijfs. Pooten roodgeel met bruine
tarsen. Kolfjes geel. Vleugels grauwachtig, zeer glanzig en
iriserend, met grauwe bekaring; het wortelstuk der cubitaal-ader
zeer flaauw; de middeldwarsader slechts weinig gebogen.
Het 2 te Driebergen in Junij door den heer Six gevangen.
Deze soort is van Ep. analis door het glanzig zwarte lijf en
de roodgele pooten duidelijk onderscheiden.
3. CATOCHA GRASSITARSIS N. Sp.
g 14 1. — Kop met sprieten en monddeelen zwartbruin; de
sprieten naauwelijks zoo lang als de thorax, tienledig, snoervor-
mig, met twee dikkere wortelleden !). Thorax glanzig zwartbruin ;
1) De vorm der sprieten komt volkomen overeen met de afbeelding, door Winnertz
gegeven van Catocha (Macrostyla) latipes, in de Stettiner Entomol. Zeitung 1846.
Pl. II, fig. 1.
5
114 DIPTEROLOGISCHE AANTEERENINGEN.
achterlijf vuil geelbruin, beiden fijn behaard. Pooten bruingeel ;
de gewrichten iets donkerder; de voortarsen (pl. 8, fig. 3) ruim
zoo lang als de scheenen; het eerste lid een derde langer dan
het volgende; het tweede en derde sterk verbreed, het derde
half zoo lang als het tweede; de beide laatste leden kort, niet
verbreed, maar eenigszins platgedrukt; achterste tarsen korter
dan de scheenen en ook min of meer platgedrukt; beharing
der pooten gering. Kolfjes vuilgeel, de knop iets donkerder.
Vleugels (pl. 8, fig. 2) grauwachtig, met bleekbruine aderen;
de vork der discoidaal-ader ongeveer een vierde zoo lang als
haar steel.
Slechts eenmaal werd het 9 bij Rotterdam in April aange-
troffen door Dr. Piaget.
Door den vorm der voortarsen gemakkelijk te onderscheiden
van Cat. latipes Hal. ; bij deze namelijk zijn de drie laatste tarsen-
leden verbreed, bij Cat. crassitarsis daarentegen het tweede en
derde lid.
IX. MYCETOPHILIDAE.
Veel meer dan zulks het geval was met de Cecidomyiden ,
is mijne kennis van de inlandsche Mycetophiliden vooruitgegaan.
Niet weinig hebben daartoe bijgedragen de even uitvoerige als
uitmuntende monographiën van Winnertz 1), die mij voortdurend
bij de bestemming der soorten gewigtige diensten bewijzen.
Het aantal der als inlandsch bekende soorten, dat volgens de
laatste lijst 55 bedroeg, is op dit oogenblik dan ook reeds tot
130 gestegen.
Om met de Sciarinen te beginnen, van het geslacht Sciara
teekende ik een veertiental soorten aan, die tot onze Fauna
behooren, doeh niet op de lijst voorkomen. Bij den Haag ving
ik Sc. carbonaria Meig., analis Egger (die er niet zeldzaam is),
humeralis Zett., pilosa Staeg. en longiventris Zett. In de duinen
aldaar werden voorts nog door Dr. Piaget Sc. fucata Meig. en
1) Verhandl. der Zool. Bot. Gesellschaft in Wien, Jahrg. 1863 (Mycetophiliden) en
Jahrg. 1867 (Sciarinen).
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 115
Sc. quinquelineata Macq. (de laatste bij herhaling) gevangen, terwijl
dezelfde ook Sc. umbratica Zett. in de Oude plantage te Rotterdam
aantrof. Verder ontving ik Sc. annulata Meig. van Mr. J. H. Albarda
te Leeuwarden en zag ook exemplaren van die soort, door Dr.
Snellen van Vollenhoven te Leiden en door den heer de Man
te Middelburg verzameld. Van eene andere soort, Sc. nobilis Winn.,
zag ik een inlandsch voorwerp, door den heer Snellen van
Vollenhoven gevangen, doch waarvan de juiste vindplaats niet
zeker bekend is. Sc. scatopsoides Meig. werd mij door den heer
Six medegedeeld, die haar in April te Utrecht had gevangen ;
dezelfde soort werd ook bij Haarlem door den heer Ritsema
gevangen, die nog eene andere, Sc. villica Winn., reeds in
Februarij, op Frankendaal bij Amsterdam opdeed. Eindelijk werd
Sc. Giraudii Egger door den heer Fransen te Rotterdam gevangen
en Sc. sylvatica Meig. door Dr. Weyenbergh uit de larven gekweekt,
die van Overveen afkomstig waren, doch omtrent welker levens-
wijze hij mij geene bijzonderheden heeft kunnen mededeelen.
Ik teeken hier nog aan, dat Winnertz in zijne monographie
der Sciarinen als Sc. lugubris n. sp. eene soort beschrijft, die
vrij algemeen in de collectiën onder den naam van Sc. morio F.
voorkomt, maar volgens hem ten onregte dezen laatsten naam
draagt. Werkelijk bezit ik ook eenige voorwerpen, door mij als
Sc. morio bestemd, en bij vergelijking met Winnertz’ beschrijving
zijn zij blijkbaar de bedoelde soort. De redenen door hem aan-
gegeven ten betooge dat zij geenszins Sc. morio F. kan zijn,
komen mij zeer gegrond voor.
Het geslacht Trichosia Winn., dat zich van Sciara door de
digt behaarde vleugels onderscheidt, ken ik niet; doch eene
soort, door Winnertz in zijne monographie beschreven, Tr. modesta,
behoort tot onze Fauna, want zij is indertijd door den welbe-
kenden C. von Heyden, bij diens verblijf op het badhuis te
Scheveningen, in de duinen aldaar gevangen.
Gelijk reeds vroeger in dit Tijdschrift (DI. III 2° serie, blz. 224)
is vermeld, werd de eenige soort van het ongevleugelde Sciarinen-
geslacht Epidapus, E. venaticus Hal., voor eenige jaren door den
heer Six in het Rijzenburger bosch gevonden.
116 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
Thans tot de eigenlijke Mycetophiliden overgaande, zal ik
voor een aantal der daartoe behoorende geslachten een en ander
mededeelen, dat ik sedert mijne laatste opgaven daaromtrent
geleerd heb. f
Van het geslacht Glaphyroptera werd door mij eene soort,
onder den naam van Leia stigmatella, in het II“ deel van dit
Tijdschrift beschreven en afgebeeld. Later zijn exemplaren van
Gl. bimaculata Meig. onder mijne oogen gekomen en hebben
mij doen zien, dat mijne Gl. stigmatella bijna in niets van deze
verschilt, behalve in de onvolkomenheid van den dwarsband
op de vleugels, en daarom slechts als eene varieteit van bimaculata
is te beschouwen. Door Staeger en Zetterstedt wordt onder
laatstgemelden naam eene andere soort beschreven, bij welke
de kolfjes een zwarten knop hebben, en die door Winnertz als
Gl. borealis wordt beschreven. Behalve Gl. bimaculata en de
beide soorten, vroeger in de naamlijst der Bouwstoffen vermeld
(Gl. Winthemii Lehm. en fascipennis Meig.) heb ik nog eene vierde
soort van dit genus, Gl. subfasciata Meig., leeren kennen uit
exemplaren, door Dr. Piaget te Wolfheze gevangen.
Eene derde soort van het geslacht Boletina , — ik kende vroeger
alleen B. sciarina Staeg. en trivittala Meig., — namelijk B. basalis
Meig., heb ik een paar malen in het Haagsche bosch aange-
troffen en ook van den heer Six uit de omstreken van Utrecht
ontvangen.
Leia variegata Wied. werd mede door den heer Six in het
najaar te Driebergen verzameld.
In de lijst van Nederlandsche Diptera, in de Bouwstoffen op-
genomen, is onder n°. 248 vermeld Mycetophila nitida Meig.,
eene soort tot het geslacht Zygomyia behoorende; zij is mij later
gebleken Z. flavwentris Winn. te zijn. Bovendien zijn mij nog
als inlandsche soorten van dit geslacht bekend geworden Z. notata
Stann., pictipennis Staeg. en vara Staeg., waarvan de beide eersten
in den herfst te Driebergen door den heer Six, en de laatste
door mij zelven in April bij den Haag werden gevangen.
De Sceptonia-soort, door mij als Mycelophila costata in het
2° deel van dit Tijdschrift blz. 182 beschreven, zal toch wel
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 117
niet anders zijn dan Sc. nigra Meig. Aan bijna al mijne voor-
werpen, — ik kreeg er naderhand nog meer, — zijn de eerste
ringen van het achterlijf van onderen geel, iets waarvan Meigen
niet spreekt; ik hield ze toen om die afwijking voor eene af-
zonderlijke soort. Door Winnertz wordt ook van dergelijke
exemplaren melding gemaakt, doch hij beschouwt die slechts
als eene varieteit van Sc. nigra.
In het geslacht Docosia neemt Winnertz twee soorten op, D.
sciarina Meig. en valida Winn. Hij onderscheidt ze voornamelijk
naar de hulpader der vleugels, die bij de eerste regtuit loopt
en zich in de vleugelvlakte verliest, bij de tweede aan haar
uiteinde naar beneden is omgebogen en in de subeostaal-ader
uitmondt. De exemplaren, die ik gezien heb (een door mij bij
Haag, een ander te Voorst in April door den heer Snellen van
Vollenhoven, en een derde van het eiland Walcheren, door den
heer de Man gevangen) behooren allen zonder twijfel tot D.
sciarina, doch een er van, het Haagsche, heeft de hulpader
aan ’t eind duidelijk omgebogen en in de subcostaal-ader inge-
wricht, zoodat het, indien uitsluitend hierop acht wordt gegeven,
als D. valida zou moeten worden bestemd , waarmede het overigens
(door de zwarte borsteltjes aan het schildje en de gele heupen) toch
niet overeenkomt. Ik kom daardoor tot het besluit, dat, zoo er
al werkelijk hier twee afzonderlijke soorten zijn aan te nemen,
het voornaamste kenmerk niet in het genoemde verschil van
aderbeloop moet gezocht worden, wijl dit, wat de hulpader betreft,
bij D. sciarina niet geheel onwankelbaar schijnt te zijn.
Van het geslacht Phronia zijn mij de volgende soorten als
inlandsch bekend geworden. Behalve Phr. nitidiventris, die ik
in het 2° deel van dit Tijdschrift heb beschreven, en naderhand
ook te Wolfheze en te Driebergen heb aangetroffen, ving ik
bij den Haag nog Phr. vittata Winn., tarsata Staeg. en tenuis
Winn. ; terwijl Phr. rustica Winn. en truncata Winn. te Utrecht
en te Driebergen door den heer Six werden gevangen.
Slechts twee soorten, tot het geslacht Exechia behoorende,
zijn in de lijst der Bouwstoffen vermeld, namelijk £. lateralis Meig.
en tenwicornis, de laatste door mij in het 2° deel van het Tijd-
118 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
schrift beschreven en afgebeeld. Ik heb er nu nog de volgende
soorten bij te voegen, die mij sedert als inlandsch zijn bekend
geworden, te weten X. fungorum de G., cincta Winn. en interrupta
Winn., allen door mij bij den Haag gevangen; Schummeli Stann. ,
waarvan een d in Augustus te IJsselstein door den Heer Six
werd gevangen; contaminata Winn., waarvan mij een enkel
exemplaar werd ter hand gesteld door den heer Snellen, die
het in October te Rotterdam had gevangen en uit de beschrijving
van Winnertz zeer juist had gedetermineerd; voorts E. pallida
Staeg., waarvan de heer Six in ’t najaar te Driebergen enkele
exemplaren opdeed en die ook te Rotterdam voorkomt, blijkens
voorwerpen in de collectie van den heer Fransen berustende;
eindelijk nog eene soort, die ik niet in de bestaande beschrij-
vingen kan terugvinden, en die ik daarom als £. rufithorax
aan het slot dezer familie zal beschrijven.
Dat ik Mycetophila Schummeli Stann. tot het geslacht Execha
breng en niet tot Rymosia, waaronder zij door Dr. Schiner wordt
gerangschikt, vindt zijn grond in het aderbeloop der vleugels.
Schiner’s opvatting is waarschijnlijk het gevolg van de niet
volkomen juiste afbeelding, door Stannius van deze soort gegeven
(Observationes de species generis Mycetophila, fig. 6), alwaar de
wortel der onderste vorkcel nagenoeg onder dien der bovenste
wordt voorgesteld; de wortel der onderste vorkeel ligt intusschen
merkelijk meer naar het vleugeleinde, en het geheele aderbeloop
is duidelijk dat eener Exechia. Ik heb het daarom niet over-
bodig geacht, op pl. 8, fig. 5 eene afbeelding van den vleugel
van E. Schummeli te geven.
Rymosia fasciata Meig. is vroeger reeds in de naamlijst opge-
nomen onder den naam van Mycetophila discoidea Meig. Onge-
twijfeld zijn M. discoidea Meig. en fasciata Meig. eene en dezelfde
soort, doch de laatste naam verdient de voorkeur, omdat hij
ouder is, wijl hij reeds in het eerste werk van Meigen (Klassific. der
Zweifl.) voorkomt. Eene tweede inlandsche soort van dit geslacht
is R. signatipes, door mij in deel II van dit Tijdschrift beschreven
en afgebeeld, en waarvan mij later nog exemplaren , ook vrouwe-
like, onder de oogen kwamen uit Brummen, door den heer
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 119
Snellen van Vollenhoven, en uit Utrecht, door den heer Six
verzameld. Eene derde soort, AR. domestica Meig. is mij enkele
malen bij den Haag voorgekomen.
Behalve Mycetophila alternans Zett., onder n°. 237 in de lijst
der Bouwstoffen opgenomen en M. flaviventris, door mij in het
2° deel van dit Tijdschrift beschreven en afgebeeld, die beiden
tot het geslacht Brachycampta behooren en mij later nog meer-
malen in het eerste voorjaar bij den Haag zijn voorgekomen,
heb ik nog de volgende soorten van dat geslacht leeren kennen,
namelijk Br. bicolor Macq., griseicollis Staeg., amoena Winn. en
eene nieuwe soort, die ik hierna als Br. ruficauda zal beschrijven.
Allen werden door mij van tijd tot tijd bij den Haag en te
Scheveningen gevangen.
Van de zeven Europesche soorten van het geslacht Trichonta zijn
er twee in ons land aangetroffen, en wel Tr. submaculata Staeg.,
waarvan ik eens het 9 in April bij den Haag aantrof, en Tr.
melanura Staeg., waarvan de heer Six mij het ¢ uit Driebergen
mededeelde.
Allodia ornaticollis Meig. is in de omstreken van den Haag
en ook te Scheveningen een der meest gewone Mycetophiliden ;
ook ontving ik haar meermalen van den heer Six uit Utrecht
en Driebergen. Daar mij overigens van haar geene andere vind-
plaats bekend is, schijnt zij elders niet zoo veelvuldig voor te
komen. De vroeger door mij beschreven Mycetophila longicornis
(Tijdschr. deel II, blz. 178 n°. 18) zou volgens het aderbeloop ook
tot het geslacht Allodia behooren; zij schijnt zelfs niet van Alt.
ornaticollis onderscheiden te zijn. De beide zeer verwante soorten,
All. crassicornis Stann. en punctipes Staeg., waarvan het 2 zoo
kenbaar is aan de kegelvormige sprieten, zijn bij den Haag ook
niet zeldzaam; de eerste komt ook te Leiden, Noordwijk, Rot-
terdam en Utrecht voor.
Van het geslacht Mycetophila, zoo als dit door Winnertz in
zijne monographie beperkt is, waren vroeger door mij M. punctata
Meig., lineola Meig., cingulum Meig., lunata Fabr. en biusta Meig.
in de lijst der Bouwstoffen vermeld. Ik ben sedert nog in het
bezit gekomen van verscheidene andere soorten, als:
120 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
M. unicolor Stann., eens het 2 in het najaar te Driebergen (Six);
M. xanthopyga Winn., enkele malen door mij bij den Haag in
den herfst;
M. bimaculata Fabr. (= pictula Meig.), door mij bij den Haag
in September; ook te Haarlem (Weyenbergh), bij Utrecht
(Six), te Brummen en op Sterkenburg (Sn. v. Voll);
M. vittipes Zett., enkele malen door mij in het voorjaar bij
den Haag en te Scheveningen;
M. signata Meig. (= distigma Meig.) eene vrij gemeene soort bij
den Haag en te Scheveningen; ook ving ik haar te Amers-
foort en bezit ik exemplaren uit Driebergen (Six) en
zag er uit Brummen (Sn. v. Voll);
M. luctuosa Meig., in ’t voor- en najaar bij den Haag; ook in
den Aerenhout (Kinker) en te Driebergen (Six);
M. gratiosa Winn., een d door mij bij den Haag in Mei; een
2 te Driebergen in ’t najaar (Six);
alsmede eene nieuwe soort, hierna als M. sordida beschreven.
Ten aanzien. van M. vittipes Zett. wensch ik nog op te merken,
dat een mijner exemplaren (een d), ofschoon in andere opzigten
aan de overigen gelijk, onmiddellijk vóór de vleugelspits nog
een donkeren band heeft, die zoowel van boven als van onderen
met den voorafgaanden band zamenhangt en zoo een bruin
ovaal met ronde glasachtige middenvlek vormt ; de bruine streep op
de achterdijen valt zeer weinig in ’t oog, doch wel is de spits
der achterdijen en der achterscheenen bruin. Dit laatste houdt
mij terug, om het exemplaar als M. nebulosa Stann. te bestemmen,
waartoe de teekening der vleugels overigens alle regt zou geven.
Het schijnt dus een overgangsvorm tussehen de beide genoemde
soorten te zijn, en de vraag dringt zich daardoor aan mij op,
of beiden niet als varieteiten van eene en dezelfde soort moeten
worden beschouwd. |
Eene der beide soorten van het geslacht Dynafosoma, en wel
D. fuscicornis Meig. (waarvan Mycelophila praeusta Meig. niet te
onderscheiden is) is inlandsch; ik ving eens een exemplaar in
Mei bij den Haag en een tweede op de entomologische excursie
den 16 Junij 1872 te Velzen; beiden waren d; een ¢ werd in
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. EST
Augustus in de duinen onder Haarlem door den heer Kinker
gevangen.
Behalve Cordyla cinerea Zett., onder n°. 235 in de lijst der
Bouwstoffen vermeld, heb ik nog als inlandsche soorten aan-
geteekend : C. crassicornis Meig., door den heer Six bij Utrecht
aangetroffen ; C. flaviceps Staeg., waarvan dezelfde ijverige onder-
zoeker mij een d uit Driebergen mededeelde; en C. fusca Latr.,
die ik voor dezelfde houd als C. afra Meig., en die in 't najaar
niet zeldzaam is in het Haagsche bosch en te Scheveningen,
alsmede te Driebergen, waar alweder de heer Six haar in ver-
scheidene exemplaren ontmoette.
Onder de Seiophilinen, waartoe ik nu overga, schijnen de
soorten van het geslacht Tetragoneura uiterst zeldzaam te zijn.
Van 7. sylvatica Curt. heb ik na het eenige exemplaar, onder
n°. 263 als T. distincta Winn. in de lijst der Bouwstoffen vermeld,
nimmer een aangetroffen; van 7. hirta Winn. zag ik nog eenmaal
een voorwerp in de collectie van den heer Fransen te Rotterdam,
dat door hem aldaar in Junij was gevangen. De aanteekening
betreffende laatstgenoemde soort in de lijst der Bouwstoffen
(n°. 262) moet als vervallen worden beschouwd, wijl niet 7. hirta
Winn., maar 7. distincta Winn. = Sciophila sylvatica Curt. is.
Van het geslacht Sciophila in beperkten zin werden door mij
twee soorten in de lijst der Bouwstoffen opgenomen, namelijk
Sc. notabilis Staeg. en eingulata Meig. De laatste is mij sedert
gebleken niet juist bestemd te zijn en beter overeen te komen
met de beschrijving van Sc. incisurata Zett. Behalve Sc. fuscala,
die door Winnertz in zijne monographie naar Nederlandsche
exemplaren is beschreven, en waarvan het d door den heer Snellen
van Vollenhoven te Leiden en door mij bij den Haag is gevangen,
zijn mij nog de volgende inlandsche soorten bekend geworden :
Sc. limbata Winn., meermalen door mij bij den Haag in ’t voorjaar ;
Sc. maculata Meig. !) te Empe bij Zutphen (van Eyndhoven);
1) Ik twijfel of Zetterstedt’s beschrijving van Sc. maculata (Dipt. Scand. XI.
4109.7) niet op eene andere soort doelt, omdat volgens hem de vleugels grauwachtig
en ongevlekt zouden zijn, en de wortel der onderste vorkcel niet vóór, maar onder
de middendwarsader zou liggen.
122 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
Sc. punctata Latr., een d door mij in October bij den Haag;
Sc. nigricornis Zett., het 4 te Driebergen in October (Six);
Sc. flava Winn., als voren, een d, dat met Winnertz’ beschrijving
van het 2 overeenkomt;
Sc. ornata Meig., door mij in April en Mei bij den Haag; ook te
Utrecht, in Junij (Six);
Sc. apicalis Winn., door mij in April bij den Haag; voorts te
Rotterdam in Junij (Fransen) en in ’t najaar te Drie-
bergen (Six).
Lasiosoma hirta Meig. ving ik, na hare vermelding in de lijst der
Bouwstoffen, nog meermalen tegen vensters, vooral in het najaar ;
ook werd zij te Rotterdam door Fransen gevangen. L. nigriventris
Macq., waarvan Sciophila thoracica Staeg. wel niet te onder-
scheiden is, vond ik ook eens op de Bronsbergen bij Zutphen.
L. rufa heb ik zelf nooit levend gezien, maar ken ik alleen uit
de exemplaren, indertijd door wijlen van Eyndhoven uit de
larven gekweekt. Behalve de drie genoemde soorten, allen reeds
vroeger als inlandsch opgegeven, heb ik nog L. lutea Macq.
leeren kennen door een exemplaar, dat de heer Snellen in Julij
aan een venster te Rotterdam ving. Deze soort gelijkt zeer op
L. rufa, doeh de kop is zwartbruin en alleen de palpen zijn
geel; het achterlijf is van boven somwijlen bruinachtig; de sporen
der scheenen zijn geelachtig; de bovenste vorkeel is duidelijk,
ofschoon slechts kort gesteeld.
Van Lasiosoma hirta Meig. zag ik in de collectie van den heer
Fransen te Rotterdam een exemplaar, dat eene merkwaardige
afwijking vormt door het sterk vernaauwde vierhoekige celletje,
waarvan de beide dwarsaderen bijna zonder tusschenruimte nevens
elkander zijn geplaatst, zoodat er bij oppervlakkige beschouwing
slechts eene enkele, maar dikke dwarsader aanwezig schijnt; deze
afwijking is op beide vleugels dezelfde. De overige kenmerken
laten geen twijfel over omtrent de juistheid der determinatie.
Omtrent de verdere geslachten der Mycetophiliden heb ik slechts
weinig te vermelden.
Mycetobia pallipes Meig. werd door Dr. Weyenbergh uit de
larven gekweekt, die volgens hem in rottend hout leefden.
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 123
De beide soorten van het geslacht Plesiastina moeten tot de
Nederlandsche Fauna gerekend worden. Van Pl. annulata Meig.
ving ik eens het d in Juni} in het Scheveningsche bosch; van
PI. apicalis Winn. berust een 2 in de collectie van den heer
Fransen te Rotterdam.
De fraaije muggen van het geslacht Macrocera zijn allen nog
al zeldzaam. Behalve M. lutea Meig., angulata Meig. en fasciata
Meig., reeds vroeger in de Bouwstoffen vermeld, en waarvait
vooral de eerste mij sedert nog meermalen is voorgekomen,
heb ik als inlandsche soorten opgeteekend : M. centralis Meig.,
waarvan een d mij door den heer Snellen werd geschonken,
die het in Junij te Ruurlo had gevangen; M. vittata Meig.,
waarvan ik een 2 zag, door den heer Snellen van Vollenhoven
in October te Brummen aangetroffen, terwijl mij een d door
den heer Six werd medegedeeld, dat in Junij te Driebergen
was gevangen; M. phalerata Meig. (waartoe ik M. maculipennis
Macq. als synoniem reken), die de heer Six bij Utrecht en
ik zelf ook bij den Haag ving; eindelijk M. stigma Curt.,
waarvan mij een 4 uit Driebergen van den heer Six in handen
kwam.
Van het geslacht Platyura werden vijf soorten in de lijst der
Bouwstoffen opgenomen, namelijk Pl. atrata F., discoloria Meig.,
fulvipes Meig., bicolor Macq. en flavipes Meig. Bij de eerste dezer
soorten heb ik aldaar ook P/. marginata Meig. als synoniem
aangehaald, doch naar het oordeel van den heer Winnertz ten
onregte, wijl deze de beide soorten voor onderscheiden houdt.
De exemplaren van Pl. flavipes moeten, volgens de monographie
van Winnertz, eigenlijk bestemd worden als Pl. succineta Meig.
Het voorwerp, dat ik vroeger als Pl. fulvipes had bestemd en
onder dien naam in de lijst opgenomen, heeft mij bij nadere
vergelijking aanleiding gegeven tot twijfel over de juistheid dezer
determinatie; ongelukkig is het exemplaar niet meer gaaf genoeg
om het met zekerheid tot eene andere soort te brengen. P/.
succincta Meig. eindelijk, in het 2° deel van dit Tijdschrift door
mij beschreven en afgebeeld, schijnt mij toe beter overeen te
komen met PI. eincta Winn. (= Pl. flavipes Staeg. en Zett.).
124 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
Overigens zijn mij nog als inlandsche soorten bekend geworden:
PI. modesta Winn., door een exemplaar in de collectie van den
heer Fransen te Rotterdam; Pl. infuscata Winn., die door den
heer Snellen van Vollenhoven in Junij bij Leiden en ook door
mij by den Haag werd gevangen; Pl. nana Macq., die ik mede
in Junij bij den Haag ving; Pl. nemoralis Meig., die mij uit
Utrecht door den heer Six werd medegedeeld; en eindelijk eene
nieuwe soort, hierna onder den naam van Pl. concolor beschreven.
BESCHRIJVING VAN NIEUWE SOORTEN.
1. EXxECHIA RUFITHORAX D. Sp.
(Pl. 8, fig. 4.)
gd 21. — Voorhoofd en aangezigt bruin of bruingeel; palpen
en sprieten bruin; de laatsten iets langer dan kop en thorax,
met de wortelleden en ’t begin van den geesel geel. Thorax,
schildje en achterrug eenkleurig roodgeel; het schildje plat; op
den thorax eene platliggende gele beharing; aan de kanten enkele
gele borstels even als ook aan den rand van het schildje.
Achterlijf slank, zwartbruin, met platliggende gele beharing;
het eindlid half zoo lang als het voorgaande en even als de
kleine tang bruingeel. Pooten bleek roodgeel; de sporen der
scheenen en de tarsen naauwelijks iets donkerder; de sporen
der middenscheenen groot; aan de voorpooten de tarsen twee
en een half maal zoo lang als de scheenen, het eerste tarsenlid
een vierde langer dan de scheenen. Kolfjes geel. Vleugels met
bruingele tint en donkerbruine aderen; hulpader rudimentair ;
subeostaal-ader en cubitaal-ader regt; deze laatste uit het midden
der subcostaal-ader ontspringende; de beide armen der bovenste
vorkeel aan ’t eind iets uit elkander gebogen ; basis der bovenste
vorkeel merkelijk vóór, die der onderste vorkeel een goed eind
voorbij het wortelstuk der cubitaal-ader.
Het ¢ in Junij te Driebergen door den heer Six gevangen.
(SL
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 12
2 BRACHYCAMPTA RUFICAUDA N. Sp.
d2].— Aangezigt en palpen geel; voorhoofd grijs; sprieten
een vierde langer dan kop en thorax, bruin, grijsdonzig, met
de beide wortelleden en soms de eerste geeselleden geel. Thorax
donkerbruin met grijzen weerschijn; de schoudervlekken lichtgrijs;
borstels in de zijden van den thorax en aan den rand van het
schildje zwart. Achterlijf (pl. 8, fig. 6) zwartbruin, gewoonlijk
de buik aan de eerste ringen geel; eindlid geel, groot, langer
dan de zesde ring, ruig behaard, aan ’t einde van boven met
een paar haken, van onderen met een paar behaarde tepeltjes.
Pooten bleekgeel; de spits der heupen, de uiterste spits der
dijen en scheenen, de eindsporen der scheenen en de tarsen
bruinachtig; aan de voorpooten de scheenen een weinig korter
dan het eerste tarsenlid. Kolfjes geel. Vleugels (pl. 8, fig. 7)
grauwachtig, aan den voorrand met gele tint; de aderen
donkerbruin.
Het d werd door den heer Snellen van Vollenhoven op Sterken-
burg en ook door mij zelven enkele malen bij den Haag gevangen.
3. MYCETOPHILA SORDIDA n. Sp.
o 14 1. — Kop grijsachtig; palpen bruin; sprieten zoo lang
als kop en thorax, zwartbruin, met de beide wortelleden en
het eerste geesellid geel. Thorax grauwbruin, met korte geel-
grijze, platliggende beharing; in de schouders eene bruingele
vlek; schildje aan den rand met donkere borstels. Achterlijf
eenigszins platgedrukt, zwartbruin met eenigen glans en plat-
liggende gele beharing. Pooten bleek vuilgeel; de spits der
heupen en de uiterste spits der achterdijen bruin; de eindsporen
der scheenen en de eindleden der tarsen verdonkerd; achterste
scheenen met eene dubbele rij zwartachtige doornen; achtertarsen
van onderen, althans aan de eerste leden, stekelig; aan de voor-
pooten de scheenen en het eerste tarsenlid van gelijke lengte.
Kolfjes bleekgeel. Vleugels (pl. 8, fig. 8) met grauw bruine tint en
eene bruine centraal-vlek; aan de uitmonding der subcostaal-ader
tegen den voorrand eene donkere schaduwvlek, die zich tot de
126 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
uitmonding der cubitaal-ader uitstrekt, doch zich niet als een
scherp geteekende band vertoont en te minder in ’t oog valt,
wijl de geheele vleugelspits eenigszins verdonkerd is.
Ik ving eens het 9 bij den Haag; een tweede exemplaar, mede
een 9, werd in October bij Amsterdam door den heer Kinker
gevangen.
Deze soort is naauw verwant aan M. cinerea Zett. (Dipt. Scand.
XI. 4193.16), doch kan deze niet zijn wegens den gelen wortel der
sprieten (bij M. cinerea is alleen de basis van het derde lid geel)
en ook wegens de lichtere tarsen en de meer schaduwachtige
vlek aan den voorrand.
4. PLATYURA CONCOLOR n. Sp.
& 43 1. — Kop zwart; sprieten ongeveer zoo lang als de
thorax, zwartbruin met grijs dons bedekt, palpen geelbruin.
Thorax, schildje en achterlijf zwart; de thorax met flaauwen
glans en korte zwarte beharing; bij den vleugelwortel eenige
zwarte borstels; ter wederzijde achter den halskraag een rood-
geel vlekje, dat zich lijstvormig een eind naar boven uitbreidt;
achterlijf glanzig, met korte zwarte beharing; de tang matig
dik en bijna zoo breed als de laatste lijfsring. Pooten roodgeel ;
scheenen een weinig bruinachtig; tarsen zwartbruin; de achterste
heupen met zwartbruine wortelvlek en ook de verbinding met
de dijen bruinachtig; eerste lid der voortarsen ongeveer drie
vierden ter lengte der scheenen. Kolfjes zwartachtig met gelen
steel. Vleugels met bruingele tint, aan de spits naauwelijks iets
verdonkerd; de hulpader heeft hare uitmonding in den voorrand
even vóór den oorsprong der cubitaal-ader; de bovenste arm
der cubitaal-ader ligt schuin en heeft hare uitmonding in de
randader, zoodat de eerste subcostaal-cel open is; de randader
is weinig of niet voorbij de cubitaal-ader voortgezet; anaal-ader
even duidelijk als de overige aderen en bijna den achterrand
bereikende.
Ik bezit een 4, indertijd door wijlen Dr. Wttewaall in Juni)
te Voorst gevangen. |
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 127
X. BIBIONIDAE.
Omtrent deze familie heb ik zeer weinig te vermelden. De
als inlandsch bekende soorten van het geslacht Bibio zijn met
een, die van het geslacht Scatopse met vier vermeerderd , namelijk
Bibio hybridus Hal., waarvan ik eens het d in Mei bij den Haag
ving; Scatopse pulicaria Hal., die bij den Haag niet zeldzaam
is en waarvan ik, door de goedheid van Dr. Snellen van
Vollenhoven, Dr. Piaget en anderen, ook exemplaren zag uit
Leiden, Rotterdam, Haarlem en Utrecht; Sc. transversalis Löw,
waarvan een 2, vóór jaren te Empe door wijlen van Eynd-
hoven gevangen, vroeger in mijne collectie met eene andere
soort vermengd is geweest; Sc. albitarsis Zett. en flavitarsis Zett.,
die door mij in enkele exemplaren bij den Haag werden gevangen.
Daarentegen moeten de inlandsche soorten van het geslacht
Dilophus met één worden verminderd, omdat de voorwerpen , die ik
vroeger als D. albipennis Meig. had gedetermineerd, bij nader
onderzoek toch niet wel van D. femoratus Meig. kunnen worden
afgescheiden. Ik geloof zelfs dat het exemplaren van laatstge-
melde soort met bijzonder donkere pooten zijn geweest, welke
door Meigen afzonderlijk onder den naam albipennis zijn be-
schreven; overgangen toch van roestkleurige tot pekbruine en
zelfs tot zwarte pooten kwamen mij meermalen onder de oogen.
XI CHIRONOMIDAE.
Het geslacht Ceratopogon, waarvan ik reeds in de lijst der
Bouwstoffen eene tamelijk lange reeks van inlandsche soorten
heb kunnen geven, dank zij de voortreffelijke monographie van
Winnertz in deel VI der Linnaea Entomologica, heeft in dat
opzigt nog eenige vermeerdering ondergaan, wijl mij nog de
volgende soorten, in ons land voorkomende, zijn bekend geworden,
als: C. murinus Winn., door den heer Fransen te Rotterdam
gevangen; €. pavidus Winn., door den heer Kinker in October
bij Amsterdam aangetroffen; C. varius Winn., waarvan het 9 te’
Utrecht in Mei door den heer Six en te Amsterdam in November
door den heer Kinker werd verzameld; €. flavirostris Winn. , die ik
128 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
eenmaal in Julij te Zutphen ving; €. bicolor Meig., waarvan een
exemplaar door mij te ’s Gravenhage en een tweede door den
heer Piaget te Rotterdam werd gevangen; alsmede C. spinipes
Panz., die door den heer Piaget te Rotterdam werd aangetroffen.
C. trichopterus Meig., Winn. en C. geniculatus Guérin zullen wel,
even als C. costatus Zett., de soort zijn, die Linnaeus met zijne
Tipula bipunctata bedoelt. C. ferrugineus Meig. werd door Macquart
reeds vroeger in de Dipleres du nord de la France als C. fulvus
beschreven en moet dus den laatstgemelden naam dragen. Evenzeer
komt C. variegatus Winn. in hetzelfde werk van Macquart voor
als C. unimaculatus, welke naam derhalve moet blijven. Ook is
C. coprosus Winn. ongetwijfeld dezelfde als C. niveipennis Meig.
en leucopezz Meig., en zijn deze op hare beurt weêr niet te
onderscheiden van C. albitarsis, door Wiedemann in het Zoolo-
gisches Magazin (deel I, bl. 67) beschreven, zoodat de laatst-
gemelde naam de oudste is.
Van het geslacht Corynoneura heb ik twee soorten leeren kennen :
C. scutellata Winn., waarvan het 2, te Driebergen gevangen,
mij door den heer Six werd medegedeeld, en eene nieuwe soort, die
ik bij den Haag, ook alleen in 2, aantrof en die hieronder zal
worden beschreven.
Wat het geslacht Chironomus aangaat, op de vorige winter-
vergadering, te Leiden gehouden, heb ik voorgesteld dit, wegens
zijne groote uitgebreidheid, in eenige kleinere geslachten te
verdeelen '). Niet alleen dat het overzigt van het groote aantal
soorten door zulk eene splitsing gemakkelijker wordt gemaakt,
maar ook ter wille van eene wenschelijke gelijkvormigheid in
het systeem kon een zoo uitgebreid geslacht op den duur niet
wel blijven bestaan nevens zoovele geslachten van veel minderen
omvang, waarin zich reeds de verwante familiën hebben opge-
lost. Het zal niet ongepast zijn, wanneer hier nog eens op die
verdeeling wordt teruggekomen, en de voornaamste kenmerken
worden opgegeven , waardoor de zeven geslachten, uit Chironomus
gevormd, zich van elkander onderscheiden. Ik zal daarbij tevens
1) Zie het verslag van die vergadering, in deel VIII (2de serie) van dit Tijdschrift,
blz. LXIX. i
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 129
de inlandsche soorten opgeven, die tot ieder dezer geslachten be-
hooren en van sommigen nog het een en ander aanteekenen.
Te zamen komen zij in de volgende kenteekens overeen. Aange-
zigt naar onderen een weinig snuitvormig verlengd. Sprieten bij
het d veertienledig, tot aan het einde met eene lange, digte,
pluimvormige beharing; bij het ¢ zevenledig met eenige uitstaande
haren; bij beiden het eerste lid zeer kort, plat, schijfvormig.
Palpen vierledig, omgebogen. Thorax hoog gewelfd, van voren
over den kop reikende; borst en achterrug gewelfd. Achterlijf
in een weinig platgedrukt; de laatste of anale ring duidelijk
van den voorgaanden afgescheiden, met een paar uitstekende
tangarmen. Vleugels langwerpig, met een duidelijk, meestal
regthoekig vleugellapje: de cubitaal-ader en discoidaal-ader onge-
vorkt; de posticaal-ader gevorkt.
I. Curronomus Meig. Vleugels naakt; eerste lid der voortarsen
langer dan de scheenen of (bij uitzondering) ten minste even
lang als deze; anale ring d meer lang dan breed ; de tangarmen
in den regel vrij lang en draad- of tepelvormig.
Hiertoe behooren de grootste en tevens de meest gewone en
typische soorten van Meigen’s geslacht Chironomus. De grijze en
groene, soms ook de zwarte kleur heeft de overhand; de teekening
van den thorax bestaat uit drie vrij breede langsbanden , waarvan
de middenste vooruitgeschoven en van achteren afgeknot is, de
beide zijwaartschen daarentegen van voren verkort zijn; soms
is de middenband gespleten of door eene fijne lijn met het schildje
verbonden. Ik ken niet minder dan 41 inlandsche soorten, waarvan
er 32 reeds vroeger in de lijst der Bouwstoffen zijn opgenomen,
te weten : Ch. plumosus L., annularius de G., intermedius Staeg.,
riparius Meig., viridicollis v.d. Wulp, tendens F., flaveolus Meig.,
dorsalis Meig., scalaenus Schrank, rufipes L., flexilis L. (in de lijst
als Ch. gibbus F.), chloris Meig., dispar Meig., pedellus de G., psitta-
cinus Meig., viridis Macq., paganus Meig., monochromus v.d. Wulp!),
1) Deze soort was in de lijst opgenomen onder den naam van CA. unicolor. Ik heb
gemeend dien naam te moeten veranderen, omdat Walker reeds vroeger eene Noord-
Amerikaansche soort als CA. unicolor had beschreven (zie List of the Diptera in the
British Museum, I bla. 19). 29
130 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
nigrimanus Staeg., brevitibialis Zett., viridulus L., virescens Meig.,
pusillus L., blandus v. d. Wulp, tendens F., Histrio F., pictulus
Meig., marmoratus v.d. Wulp, fasciatus Meig., albimanus Meig.,
nubeculosus Meig. en niveipennis F.
Ik heb daar thars nog bij te voegen Ch. ferrugineovittatus Zett.,
dien ik meermalen in Juli} bij den Haag ving en die ook bij
Rotterdam door Dr. Piaget, bij Arnhem door wijlen Ver Huell,
bij Zutphen door wijlen van Eyndhoven en in Limburg door
den heer Maurissen is aangetroffen; voorts Ch. aprilinus Meig.,
dien ik mede bij den Haag en ook te Zutphen verzamelde en
van verschillende andere plaatsen, o. a. ook uit Friesland door de
- goedheid van den heer J. H. Albarda ontving; Ch. barbipes Staeg.,
merkwaardig wegens de zeer ruige voortarsen ind, en dien ik
eens in aantal in een tuin bij Amsterdam aantrof, terwijl hij
later ook door den heer Ritsema van het eiland Texel is mede-
gebragt; Ch. albipennis Meig., de eenige soort, waarbij het eerste
lid der voortarsen de scheenen niet in lengte te boven gaat;
zij werd te Rotterdam door Dr. Piaget, te Hillegom door den
heer Kinker en te Leeuwarden door Mr. J. H. Albarda gevangen ;
Ch. biannulatus Staeg., eene allerfraaiste groene soort met wit
en zwart geteekende pooten, die ik leerde kennen uit een 4 van
Driebergen, mij door den heer Six gezonden, terwijl ik zelf
later een 9 aan een venster in der Haag aantrof; Ch. prasinatus
Staeg., waarvan ik eens een d in Mei bij den Haag ving, terwijl
een tweede mannelijk exemplaar uit Zutphen zich in de collectie
van wijlen van Eyndhoven bevond; Ch. nubilus Meig., waarvan
ik het 2 het eerst heb leeren kennen uit een exemplaar, door
den heer Fransen bij Rotterdam gevangen, terwijl later Dr. Piaget
beide sexen mede aldaar en ook in het Overmaassche aantrof;
eindelijk nog twee nieuwe soorten, hierna als Ch. tricolor en
trinolatus beschreven.
Ten opzigte van Ch. riparius Meig. heb ik reeds vroeger (Bouwst.
dl. III, blz. 3) als mijne meening te kennen gegeven, dat daarbij
als synoniem behoort Ch. annularius Macq. (Dipt. du nord de la
France, 138. 2); de naakte voortarsen, dáár aan het d toegeschre-
ven, passen niet op annularius de G., maar wel op riparius Meig.
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 131
Ook Macquart’s Ch. viridipes (1. e. 139. 4) schijnt mij toe niet anders
te zijn dan de dikwijls voorkomende verscheidenheid van Ch.
riparius met groene dijen. Hiertegen zou alleen kunnen worden
aangevoerd, dat hij de vleugels zonder bruine stip, d.i. zonder
verdonkerde middendwarsader, noemt; doch dit laat zich ver-
klaren uit de omstandigheid, dat die vleugelstip dikwijls,
vooral bij pas uitgekomen voorwerpen, — en deze hebben juist
gewoonlijk groene dijen, — al zeer weinig in ’t oog valt. Mac-
quart heeft dan ook later in de Suites à Buffon zijn Ch. viridipes
niet weder opgenomen, terwijl hij overigens al zijne nieuwe
Chironomus-soorten daar weder eene plaats geeft.
Ch. dorsalis Meig. is eene in kleur en teekening zeer wissel-
vallige soort. Bij vergelijking van een groot aantal exemplaren,
is het mij dan ook voorgekomen, dat naarmate men de eene
of andere kleurverscheidenheid voor zieh heeft, de beschrijvingen
van Ch. dorsalis Meig., cingulatus Meig., wigroviridis Macq. en
venustus Zett. op haar toepasselijk zijn. Eerstgemelde naam, als
de oudste, dient behouden te blijven; die van venustus zou toch
moeten worden ingetrokken, omdat reeds lang vóór Zetterstedt,
eene Chinesche soort door Wiedemann zoo was genoemd. Schiner
onderscheidt Ch. dorsalis en venustus: het verschil zou hoofd-
zakelijk liggen in de middendwarsader, die bij de eerste soort
niet, bij de tweede wel verdonkerd zou zijn, en voorts daarin
dat Ch. dersalis op het achterlijf bruine dwarsbanden, Ch. venustus
slechts bruine rugvlekken zou hebben; wat de verdonkerde
dwarsader betreft, zij is ook hier dikwijls weinig in ’t oog vallend,
terwijl de vlekken des achterlijfs zich niet zelden tot dwarsbanden
en zelfs tot ringen uitbreiden; van een en ander zijn duidelijk
overgangsvormen aan te wijzen. De donkerste voorwerpen, met
zwartachtige banden op den thorax en in d met donkerbruine
sprietenpluim komen met Macquart’s beschrijving van Ch. nigro-
viridis overeen.
Zeer waarschijnlijk is de soort, door Meigen als Ch. viridulus
Linn. beschreven, dezelfde als Ch. viridis Maeq., doeh wijl
Meigen zoomin als zijne voorgangers melding maakt van de
lengteverhouding der scheenen en tarsenleden, zou die beschrij-
132 DIPTEROLOSISCHE AANTEEKENINGEN.
ving ook op Ch. brevitibialis Zett. van toepassing kunnen zijn;
dit laatste des te meer, omdat van de bewinpering der voortarsen
d niets gezegd wordt. Dat soorten, zoo gemeen als Ch. viridis
en brevitibialis Zett., aan Meigen onbekend zouden zijn gebleven,
is bijna niet aan te nemen. Zetterstedt acht het ook zeer mogelijk
dat zijn Ch. brevitibialis dezelfde zou zijn als Tipula virens Linn,
doch ook voor deze determinatie bestaat hetzelfde bezwaar als
hierboven voor Ch. viridulus is aangegeven.
II. Cricoropus n. g. (van zouzorós, geringd, en xovs (poot).
Vleugels naakt; pooten wit en zwart geteekend, als geringd;
eerste lid der voortarsen merkelijk korter dan de scheenen;
anale ring 4 korter dan de voorgaande lijfsring en meer breed
dan lang; de tangarmen kort en breed, bladachtig, sneeuw wit.
De soorten tot dit geslacht behoorende zijn allen klein (1—13
lin.) en geel en zwart geteekend; de drie banden op den thorax
glanzig zwart en soms zoo breed, dat er slechts een paar gele
schoudervlekken overblijven. Wijl de zwarte teekening nog al
aan verandering onderhevig is, zijn de soorten niet gemakkelijk
te onderscheiden. De bestaande beschrijvingen geven ook bijna
geen plastische kenteekenen aan, maar bepalen zich in den
regel tot verschillen in kleur en teekening. Waarschijnlijk zijn
dan ook sommige soorten slechts als varieteiten te beschouwen.
Ik meen de volgende soorten, die bij ons te lande voorkomen,
te kunnen onderscheiden: Cr. tibialis Meig., bicinctus Meig. (waar-
van dizonias Meig. var. is), /ricinctus Meig. (= trifasciatus Meig.
en misschien ook = (rannulatus Macq.), annulipes Meig., motitator
L., unifasciatus Macq., oscillator Meig., sylvestris Fabr. (verreweg
de meest gewone soort van dit geslacht) en ornatus Meig. (waarvan
marginatus Macq. niet verschilt), allen vroeger reeds in de lijst der
Bouwstoffen vermeld , de laatste onder den naam van marginatus.
ill. OrruocrAnıus n. g. (van 00005, regt, en xAadıov, tak).
Vleugels naakt; cubitaal-ader regt of slechts weinig opgebogen,
tot bij het eind van den voorrand reikende; onderarm der posticaal-
vork regt of naauwelijks even gebogen; pooten eenkleurig, hoog-
stens aan de gewrichten donker geteekend; eerste lid der voor-
tarsen merkelijk korter dan de scheenen; de tangarmen 4 slank,
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 133
Meerendeels zijn de soorten van dit geslacht nog kleiner dan
die van Cricotopus. Ook hier is de gele en zwarte kleur de
meest gewone, doch nimmer hebben de pooten de eigenaardig
witte en zwarte teekening, die bij het vorige geslacht zoo in ’t
oog valt. Ik ken een tiental inlandsehe soorten, waarvan alleen
O. stercorarius de G. en dilatatus v. à. Wulp in de lijst der Bouw-
stoffen zijn opgenomen, terwijl deze laatste en 0. nigriventris
v. d. Wulp in het 2° deel van dit Tijdschrift door mij zijn
beschreven. Later zijn mij nog als inlandsch bekend geworden
O. pygmaeus Meig., door mij in April bij den Haag gevangen;
O. sordidellus Zett. en 0. thoracicus Meig., door Dr. Piaget bij
Rotterdam en in het Overmaassche gevonden; 0. ictericus Meig.,
in Junij bij Amersfoort door den heer Six aangetroffen ; en eindelijk
drie nieuwe soorten, hierna als 0. diversus, nanulus en albinervis
beschreven.
Waarschijnlijk behoort tot het geslacht Orthocladius ook Chiro-
nomus lucens Zett., onder n°. 55 in de lijst der Bouwstoffen
opgenomen, en waarvan Ch. lucidus Staeg. synoniem is. Ik bezit
de exemplaren niet meer en heb geene aanteekening gehouden
van de lengteverhouding der tarsenleden en andere bijzonder-
heden, die evenzeer ontbreken in de beschrijving van Staeger,
door Zetterstedt overgenomen.
IV. CamPTOCLADIUS n. g. (van zauntos, gebogen, en xiudvov, tak).
Vleugels naakt; cubitaal-ader naar boven gebogen, soms kort
en merkelijk vóór het eind van den voorrand uitmondende of
voor een groot deel digt langs den voorrand loopende; de eerste
achtercel daardoor zeer breed; onderarm der posticaal-vork
S-vormig gebogen. Pooten eenkleurig, gewoonlijk zwart; eerste
lid der voortarsen merkelijk korter dan de scheenen. Anale ring 3
breed en kort; de tangarmen breed, wit of met witte beharing.
Tot dit geslacht behooren drie zeer kleine, zwarte soorten,
die reeds lang als inlandsch bekend zijn geweest, namelijk
C. byssinus Schrank, aterrimus Meig. en minimus Meig. Het is
opmerkelijk, dat bij de eenvormigheid, die bij de overige soorten
van het oude geslacht Chironomus in het aderbeloop wordt
waargenomen, hier integendeel het aderbeloop niet alleen als
134 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
generiek kenmerk dient, maar zelfs de onderscheiding der drie
genoemde soorten onderling daarop kan gegrond worden. Bij
VC byssinus toch is de cubitaal-ader bijzonder kort en van den
aanvang af opwaarts gebogen, waardoor zij ver vóór het eind
van den voorrand eindigt; bij de twee andere soorten is de
cubitaal-ader langer en hare uitmonding digt bij het eind van
den voorrand; zij loopt bij C. aterrimus voor een groot deel
evenwijdig, met den voorrand, maar is toch duidelijk daarvan
afgescheiden; bij C. minimus daarentegen is zij dadelijk tot den
voorrand opgebogen en loopt zoo digt nevens de randader , dat
zij moeijelijk te zien is en de randader voor dat gedeelte als
verdikt schijnt.
V. Tanvrarsus n. g. (van zavúo, ik steek uit, en zagoós, voet).
Vleugels behaard; cubitaal-ader regt of bijna regt, aan ’t eind
van den voorrand uitmondende; onderarm der posticaal-vork regt
of slechts zacht naar beneden gebogen. Eerste lid der voortarsen
langer dan de scheenen. Tangarmen & slank.
Dit geslacht bevat twaalf inlandsche soorten, waarvan T.
punctipes Wied., abdominalis Staeg., flavipes Meig., pusio Meig.,
tenuis Meig. en sylvaticus v. d. Wulp reeds in de lijst der Bouw-
stoffen zijn vermeld, en de laatstgenoemde, alsmede eene andere
nieuwe soort, 7. signatus, door mij in het 2 deel van dit Tijdschrift
zijn beschreven. Verder leerde ik nog kennen 7. gmundensis Egger,
Junci Meig., albipes Meig., flavellus Zett. en nog eene nieuwe
soort, waarvan hierna onder den naam van 7. sordens de be-
schrijving zal worden gegeven.
Ten aanzien van T. punctipes meen ik te mogen opmerken,
dat Schiner in de Fauna austriaca (deel II, blz. 597) bij deze
soort als synoniem aanhaalt Chironomus dimidiatus Meig., waarvan
door Meigen alleen het 9 wordt beschreven, dat werkelijk in
vele opzigten met 7. punctipes schijnt overeen te komen; doch
die beschrijving zou voor het minst even goed op Chironomus laetipes
Zett. kunnen passen, waarmede zelfs het witachtige, niet groene,
achterlijf overeenstemt. Schiner’s citatie van Ch. dimidiatus is
intusschen in tegenspraak met hetgeen hij een paar regels vroeger
zegt, dat namelijk het 9 van Ch. punctipes niet zou bekend zijn.
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 135
T. abdominalis Staeg. zou een’ anderen naam behooren te krijgen
want er bestond reeds een Chironomus abdominalis Meig. Wel
is waar is deze weder vervallen, omdat die soort dezelfde is als
Chir. tentans Fabr., maar het strijdt niettemin tegen de algemeen
aangenomen regelen van nomenclatuur, om op deze wijze een
ingetrokken ouderen naam in hetzelfde geslacht op nieuw aan
eene geheel andere soort te geven. Ik stel daarom voor, om de
soort van Staeger T. danicus te noemen.
Op T. flavipes Meig. schijnt mij Zetterstedt’s beschrijving van
Chironomus albipes *) bijna nog beter te passen dan die welke
hij van Chir. flavipes geeft. In de grootte (11—1! lin.) en de
lengte van het eerste lid der voortarsen (een wierde langer dan
de scheenen) vind ik althans meer overeenstemming met de
exemplaren, die ik als 7. flavipes meen te moeten bestemmen.
Van Ch. flavipes daarentegen heet het bij Zetterstedt: lengte 1
lin. en eerste lid der voortarsen een achtste langer dan de scheenen.
Schiner in zijne Fauna austriaca, ofschoon hij Zetterstedt’s be-
schrijving van Ch. flavipes aanhaalt, geeft aan de soort zelfs 2
lin. en zegt: Metatarsen der Vorderbeine merklich länger als die
Schienen. Overigens zou de naam albipes Zeit. toch moeten wijken,
omdat Meigen reeds vroeger een Chironomus daarmede heeft
aangeduid.
VI. Eurvenemus n.g. (van svovs, breed, en zvijug, scheen).
Vleugels behaard; cubitaal-ader aan ’t eind van den voorrand
uitmondende; onderarm der posticaal-vork regt of slechts even
naar beneden gebogen. Thorax van voren puntig toeloopende.
Pooten stevig; de achterste scheenen sterk verbreed en digt
behaard; eerste lid der voortarsen korter dan de scheenen.
In dit geslacht is slechts eene enkele soort opgenomen, en
wel Chironomus elegans Meig., waarbij als synoniem behooren
Ch. crassipes Panz., aestivus Curt. en hirtipes Macq. Zij schijnt
hoogst zelden voor te komen; ik leerde haar kennen uit een
enkel mannelijk exemplaar, door den heer Snellen van Vollen-
hoven in Junij te Heelsum gevangen.
1) Diptera Scandinaviae, IX. 3588. 124 (door eene drukfout staat: aldaar allipes
in plaats van albipes). ‘
136 DIPTEROLOGISCHE AANTEERENINGEN.
VII. METRIOCNEMUS n. g. (van wézevos, gewoon, gematigd, en
xvjuy, Scheen). Vleugels behaard; cubitaal-ader aan ’t eind van
den voorrand uitmondende; onderarm der posticaal-vork regt of
slechts even naar beneden gebogen. Thorax van voren niet puntig
toeloopende. Pooten slank; de scheenen niet verbreed; het eerste
lid der voortarsen korter dan de scheenen.
Van dit geslacht ken ik een zestal inlandsche soorten, namelijk
M. albolineatus Meig., fuscipes Meig. , incomptus Zett., nanus Meig.,
en pallidulus Meig., die allen reeds in de lijst der Bouwstoffen
zijn vermeld, en voorts nog eene nieuwe soort, die als M. ochraceus
hierna zal worden beschreven.
Nog was in de genoemde lijst opgenomen Chironomus picipes
Meig., die echter, althans in de exemplaren door mij als zoodanig
bestemd, niet wel van #. fuscipes te onderscheiden zijn.
Van het geslacht Diamesa Meig. heb ik twee soorten als in-
landsch leeren kennen, te weten : D. Gaedii Meig., waarvan een 9
in’t najaar te Driebergen door den heer Six werd gevangen; en
D. notata Staeg., waarvan Dr. Piaget een 9 in September aan
den Hoek van Holland ving; de laatste soort leerde ik ook in
beide sexen kennen uit voorwerpen, die door den heer Meyer
Dür uit Zwitserland aan ’s Rijks Museum te Leiden werden
gezonden.
Van het geslacht Tanypus heb ik in de lijst der Bouwstoffen
dertien soorten vermeld; later heb ik in het 2% deel van dit
Tijdschrift blz. 170 nog eene nieuwe soort, als T. griseipennis
beschreven, en in het 4° deel blz. 16 onder den naam van
T. guitipennis eene andere nieuwe soort aangeduid. Sedert zijn
door mij nog de volgenden als inlandsch aangeteekend: 7. nebu-
losus Meig., ornatus Meig., ferruginicollis Meig., melanops Meig.
en drie nieuwe soorten, die ik hierna als 7. rufovittatus , elegantulus
en pygmaeus zal beschrijven, even als de zoo even genoemde
T. guitipennis.
De exemplaren, die ik als 7. signatus Zett. heb bestemd,
komen met Zetterstedt’s beschrijving overeen; zij hebben de vork
der posticaal-ader gesteeld, een kenmerk waarvan Zetterstedt
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 137
gezwegen heeft. Daarentegen is de beschrijving van T. signatus,
door Schiner (Fauna austriaca IT 621) op mijne voorwerpen niet
van toepassing; de aldaar bedoelde soort zou 3 lin. lang zijn
en witachtige insnijdingen aan het achterlijf, alsmede eene onge-
steelde posticaal-vork hebben; terwijl mijne exemplaren slechts
1—2 lin. lengte hebben en geene witachtige insnijdingen ver-
toonen, waardoor zij beter aan de opgaven van Zetterstedt be-
antwoorden.
De beschrijving van T. maculatus door Macquart (Dipt. du nord
de la France, 131. 4) schijnt mij toe ten volle te passen op
T. punctatus Fabr. Ik vermoed dat Macquart zelf ook niet veel
vertrouwen op de zelfstandigheid zijner soort heeft gehad, wijl
hij haar in de Suites à Buffon niet weder heeft opgenomen.
Bij T. ferruginicollis Meig. zou, volgens Zetterstedt, de onder-
arm der posticaal-vork (bij hem de zesde langsader) minder sterk
naar den achterrand gebogen zijn dan bij andere soorten; bij
mijne exemplaren valt dit kenmerk niet in het oog; daar zij
echter overigens ook met zijne beschrijving overeenkomen, twijfel
ik geenszins aan de indentiteit. Door eene zonderlinge vergissing
heeft Macquart deze soort in zijne Diptères du nord de la France
tweemaal (onder N° 6 en 13) opgenomen; de beschrijving is bij
beiden volkomen gelijkluidend.
BESCHRIJVING VAN NIEUWE SOORTEN.
1. CORYNONEURA PUMILA n. Sp.
2 4 lin. — Heldergeel; voorhoofd en schedel donkerbruin.
Thorax met drie zwarte langsbanden ; schildje en achterrug
verdonkerd. Achterlijf van boven met zwartachtige insnijdingen.
Pooten bleekgeel, met de knieën en de spits der scheenen
zwartachtig; achterscheenen niet verdikt, aan het einde met een
klein uitstekend tandje. Kolfjes witachtig. Vleugels glasachtig.
Het 9 door mij in April bij den Haag gevangen.
Deze soort gelijkt op C. scutellata Winn., doch is door de
138 DIPTEROLOGISCHE AANTEERENINGEN.
zwartachtige knieën en scheenenspits van deze onderscheiden.
Bij C. celeripes Winn., die ook een gelen thorax met zwarte langs-
banden heeft, is het achterlijf zwart met fijne witachtige insnij-
dingen; bij de overige soorten is de thorax zwart.
2. CHIRONOMUS TRICOLOR N. Sp.
d 24 lin. — Kop geelachtig; sprieten en palpen bruin; het
wortellid der sprieten geel; de sprietenpluim bruinachtig geel.
Thorax en schildje heldergroen; de rugbanden op den thorax
en de borst licht roestkleurig; achterrug zwartachtig. Achterlijf
heldergroen; op den tweeden en ieder der volgende ringen eene
zwartachtige, bijna tot een dwarsband uitgebreide vlek; de
laatste ringen geheel verdonkerd; de anale ring half zoo lang
als de voorgaande en merkelijk smaller; de tangarmen klein,
tweeledig, een weinig verbreed; beharing des achterlijls witachtig.
Pooten bleekgeel, bijna wit; de dijen iets of wat groenachtig ;
de uiterste spits der scheenen en tarsenleden gebruind; de voor-
scheenen een derde korter dan de dijen; eerste lid der voortarsen
bijna dubbel zoo lang als de scheenen; de drie volgende, kortere
leden langzaam in lengte afnemende; de voortarsen naakt; de
achterste pooten met fijne witachtige beharing. Kolfjes bleekgeel.
Vleugels met witachtige tint en bleekgele aderen.
Van deze soort, die, hoe verwant ook, door het donker
geteekende achterlijf toch duidelijk van Ch. brevihibialis onder-
scheiden is, ving ik slechts eenmaal een paar mannelijke exem-
plaren bij Hilversum.
3. CHIRONOMUS TRINOTATUS N. Sp.
2 3 lin. — Kop met de palpen zwartbruin; sprieten geel. Thorax
flaauw-glanzig, donker vuilgroen, met witten weerschijn en drie
breede zwarte langsbanden ; borst, schildje, achterrug en achterlijf
zwart of bruinzwart; het achterlijf in sommige rigtingen met
grijsachtige insnijdingen. Pooten bleek roodgeel; de heupen
zwartachtig; de knieën, de spits der scheenen en de eerste
tarsenleden, alsmede het laatste tarsenlid donkerbruin; beharing
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 139
der pooten bleekgeel; eerste lid der voortarsen ongeveer dubbel
zoo lang als de scheenen; de volgende leden in lengte afnemende.
Kolfjes geelachtig. Vleugels met grauwachtige tint, eenigszins
gemarmerd, met drie donkergrauwe vlekken, ongeveer geplaatst
als bij Ch. scalaenus. |
Deze soort, waarvan de heer Six mij het 2 mededeelde, dat
door hem in Mei te Utrecht was gevangen, gelijkt zeer op Ch.
scalaenus, doch onderscheidt zich door de donkere gewrichten
aan de pooten.
4. ORTHOGLADIUS DIVERSUS n. Sp.
Naauwelijks 4 lin. — Het d zwart met eenigen glans. Sprieten
bruin; de pluim bruingrauw. Op den rug van den thorax een
lichtgrijze weerschijn. Achterlijf met niet altijd duidelijke, fijne
witachtige insnijdingen; de anale ring breeder dan de overigen;
tangarmen zwart, aan ’t eind met witte beharing. Pooten bleek
vuilgeel of lichtbruin; de beharing gering; eerste lid der voor-
tarsen half zoo lang als de scheenen; de volgende leden in
afnemende lengte. Kolfjes geelachtig. Vleugels met witachtige
tint en ongekleurde aderen; middendwarsader merkelijk vóór
het midden der vleugellengte; wortel der posticaal-vork voorbij
de middendwarsader.
Het 2 heldergeel; thorax met drie roodachtige, bruine of zelfs
bijna zwarte langsbanden; achterlijf van boven naauwelijks iets
verdonkerd; sprieten geelachtig. Pooten, kolfjes en vleugels als
bij het 4; de pooten helderder geel.
Deze uiterst kleine soort, merkwaardig wegens het sexuele
verschil in kleur, werd meermalen te Utrecht in April en Mei,
ook beide sexen te zamen, door den heer Six gevangen; de
heer Weyenbergh vond haar mede te Overveen.
Bij de bestemming konden, naar mijn inzien, alleen in aan-
merking komen Chironomus leucopogon Meig., minutus Zett. en
alomarıus Zett., allen even kleine soorten. Van de eerste en de
laatste is alleen het 4 bekend. Van Ch. leucopogon onderscheidt
zich mijne soort door de bruinachtige, niet witte sprietenpluim
140 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
bij het 4; van Ch. atomarius door de geheel zwarte kleur van
het 4; van Ch. minutus eindelijk door de bijna naakte pooten
en door de gele kleur van het g.
5. ORTHOCLADIUS NANULUS N. Sp.
4 Ongeveer 3 lin. — Zwartbruin. Sprieten langer dan kop en
thorax, lichtbruin met zuiver witte pluimharen. Thorax glanzig.
Achterlijf slank; de laatste ringen een weinig verbreed, met
bleekgelen achterzoom; anale ring breeder dan de voorgaande;
tangarmen kort, met witte beharing. Pooten wit; aan de voor-
pooten de dijen en de wortel der scheenen een weinig gebruind;
de uiterste spits der scheenen en van de eerste tarsenleden,
alsmede de beide laatste tarsenleden geheel zwartbruin; dezelfde
teekening bevindt zich ook, ofschoon flaauwer, aan de achterste
tarsen; achterste dijen vóór het midden met een’ zwartachtigen
of bruinen ring; eerste lid der voortarsen ruim half zoo lang als
de scheenen; achterste pooten met fiine beharing. Kolfjes wit-
achtig. Vleugels melkwit, met ongekleurde aderen ; middendwars-
ader op halve vleugellengte; wortel der posticaal-vork een weinig
meer naar de vleugelspits.
Het 3 ving de heer Piaget in Augustus aan de nu droog-
gemaakte Schielandsche plassen.
Deze soort schijnt in naauwe verwantschap te staan met Chiro-
nomus leucopogon Meig., doch ik kan haar niet als zoodanig
bestemmen, omdat Meigen de pooten als bleek bruingeel met
zwarte of donkerbruine dijen beschrijft; Zetterstedt en Schiner
noemen zelfs de pooten zwartbruin en voegen er alleen bij, dat
de scheenen en tarsen lichter zijn. Bij mijne soort daarentegen
valt de helderwitte kleur der pooten niet minder in ’t oog dan
die der sprietenpluim. Bij de bestemming van deze soort zou
voorts nog in aanmerking kunnen komen Ch. minutissimus Meig.
(Syst. Beschr. VII. 8. 137), maar bij deze zouden de schouders,
de worte! des achterlijis, de voorrand van den vierden ring en
de genitaliën geel zijn; ook wordt daar van geene teekening aan
de pooten gesproken, maar worden deze kortaf wit genoemd.
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 141
6. ORTHOCLADIUS ALBINERVIS N. Sp.
2 2lin. — Kop geel; sprieten en palpen bruin. Thorax glanzig,
bleekgeel met drie vrij breede, roestkleurige langsbanden; achter-
rug en achterlijf zwartachtig; de buik aan den wortel eenigszins
geel. Pooten bleekgeel; de voorpooten, vooral aan de knieën,
bruinachtig; aan de achterste pooten de spits der scheenen en
van het eerste tarsenlid zwartbruin; de overige tarsenleden
verdonkerd; de voordijen een weinig verbreed; eerste lid der
voortarsen ruim twee derden ter lengte der scheenen, de volgende
leden in afnemende lengte. Kolfjes bleekgeel. Vleugels met
geelachtige tint en bijna ongekleurde aderen; alleen de voorste
langsaderen bleekbruin ; middendwarsader vóór de halve vleugel-
lengte; wortel der posticaal-vork meer naar de vleugelspits.
ik ontving enkele vrouwelijke exemplaren van den heer Six,
die ze in October te Utrecht en te Driebergen had gevangen.
Veel overeenkomst bestaat met Chironomus bicolor Zett. (Ins.
Lapp. 813. 23 en Dipt. Scand. IX. 3544. 69), doch deze heeft aan
den wortel der achterste dijen een donker bandje.
7. TANYTARSUS SORDENS n. Sp.
11—12 lin. — Kop met sprieten en palpen zwartbruin; de
sprietenpluim ¢ lichtbruin. Thorax eenigszins glanzig, bij het d
donker- of vuilgroen, bij het g meer geelachtig; de breede
langsbanden, het achterste deel der borstzijden, de borst en de
achterrug zwart; schildje vuilgroen. Achterlijf van het ¢ zwart-
bruin, met den achterzoom der ringen, ongeveer voor een derde
der lengte, lichtgrijs; de anale ring (pl. 8, fig. 10) eirond, zoo lang
als de voorgaande en niet breeder; de tangarmen duidelijk twee-
ledig, in ’t midden een weinig verbreed en spits geëindigd, lang
behaard , vooral aan de buitenzijde; het geheele achterlijf overigens
mede met uitstaande grauwe beharing; bij het 9 het achterlijt
zwartachtig met witachtige insnijdingen. Pooten eenkleurig geel-
bruin; eerste lid der voortarsen ongeveer anderhalf maal zoo
lang als de scheenen; achterste pooten bij het 4 met grauwe
142 DIPTEROLOGISCHE AANTEERENINGEN.
beharing. Kolfjes zwartbruin, de steel iets lichter. Vleugels door
de digte beharing grauwachtig; wortel der posticaal-vork juist
onder de middendwarsader, die op het midden der vleugel-
lengte ligt.
Enkele malen in Juli} tot September door mij gevangen bij
den Haag en ook te Zutphen; voorts door den heer Piaget
aan de voormalige Schielandsche plassen.
Deze soort gelijkt zeer op Chironomus (Metriocnemus) incomptus
Zett., waarvan zij echter door het langere eerste lid der voortarsen
duidelijk is te onderscheiden.
8. METRIOCNEMUS OCHRACEUS n. sp.
9 Ruim 1 lin. — Okergeel; oogen zwart. Thorax van boven
met drie min of meer duidelijke, bruinachtige of roestkleurige
langsbanden, waarvan de middenste tot aan het schildje doorloopt;
achterrug ter wederzijde met zwartachtige vlek, soms geheel
zwartachtig; schildje met fijne beharing. Achterlijf van boven
lichtbruin, met bleekgele insnijdingen. Pooten bleekgeel; de spits
der iets verdikte voordijen bruin, welke kleur ‘zich streepvormig
aan de bovenzijde tot omstreeks het midden uitbreidt; de uiterste
spits van al de scheenen en van de tarsenleden zwart; somwijlen
de tarsen over ’t geheel iets verdonkerd; eerste lid der voor-
tarsen een derde korter dan de scheenen; beharing der pooten
zeer gering. Kolfjes bleekgeel. Vleugels witachtig, fijn be-
haard, met bleekbruine aderen; middendwarsader vóór het
midden der vleugellengte; wortel der posticaal-vork een klein
weinig meer naar de vleugelspits.
Ik ontving het ¢ uit Utrecht van den heer Six.
9. TANYPUS GUTTIPENNIS D. Sp.
11—15 lin. — Sprieten donkerbruin; de sprietenpluim d grauw.
Thorax zwartachtig met witten weerschijn, van voren en in de
zijden met witte stippen; ook de achterrug wit gevlekt. Achterlijf
donkergrauw, bij het 4 met bleekgelen achterzoom der ringen ;
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 143
de tangarmen breed, aan ’t eind met een naar binnen gebogen
haakje; bij het e de bleekgele ringzoomen zeer smal. Pooten
bleekbruin; de dijen en scheenen iets donkerder en vooral naar
de knieën verdonkerd; de knieën zelven wit; eerste lid der
voortarsen zoo lang als de scheenen. Kolfjes wit. Vleugels (pl.
8, fig. 11) behaard, donkergrauw met een aantal onregelmatige
doorschijnend witte vlekken, vooral tegen de spits en den achter-
rand; de dwarsaderen merkelijk vóór het midden der vleugel-
lengte; middendwarsader, vooral van boven, donker geteekend ;
vork der posticaal-ader ongesteeld.
Eens in Junij in aantal aan den zoom der Duinen bij den
Haag, tegen het mos van wilgenstammen.
Bij de bestemming dezer soort zou misschien in aanmerking
kunnen komen 7. obscurus Macq. (Dipt. du nord de la France,
133. 9), doeh behalve dat daar de grootte slechts op 1 lin. wordt
aangegeven, worden de borstzijden door Macquart bleek roest-
kleurig genoemd en de pooten donker met de heupen en de
wortel der dijen roestkleurig. Dit weérhoudt mij om in de boven-
beschreven voorwerpen zijne soort te erkennen, ofschoon zijne
opgaven ten aanzien van de vleugelteekening en het aderbeloop
wel toepasselijk zijn.
10. TANYPUS RUFOVITTATUS n. Sp.
2 1 lin. — Kop geel; sprieten naar het einde bruinachtig ; palpen
bruin. Thorax en schildje bleek stroogeel, met vier roestkleurige
langsbanden, de beide middensten van achteren, de zijwaartschen
van voren afgeknot; borst roestkleurig; achterrug donkerbruin,
in ’t midden met geelachtige langsstreep. Achterlijf roodgeel,
van boven afwisselend met bruinachtige en wit weerschijnende
dwarsbanden. Pooten bleek roodgeel; de voordijen aan de spits
roestkleurig ; spits der scheenen en der eerste tarsenleden , alsmede
de laatste tarsenleden geheel zwart; aan de voortarsen het zwart
verder uitgebreid, zoodat daar alleen de wortel van het eerste
lid geel blijft; dat lid naauwelijks half zoo lang als de scheenen,
de volgende leden in afnemende lengte; beharing der pooten
144 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
gering. Kolfjes bleekgeel. Vleugels naakt, met flaauwe gele
tint en zeer bleekbruine aderen; de vork der subcostaal-ader
onduidelijk; die der posticaal-ader gesteeld, de steel ongeveer
zoo lang als de onderarm.
Dr. Piaget vond het 2 in ’tlaatst van Junij aan de voormalige
Schielandsche plassen.
Deze soort gelijkt zeer op T. ferruginicollis Meig., waarvan
zij evenwel door de gesteelde posticaal-vork duidelijk onder-
scheiden is.
11 TANYPUS ELEGANTULUS n. Sp.
4 11 lin. — Kop okergeel met witten weerschijn; sprieten met
de pluim, zoomede de palpen bleekgeel. Thorax bleek okergeel,
met de langsbanden eenigszins roestkleurig; de schouders, de
borstzijden en de tusschenruimten tusschen de banden met witten
weerschijn; boven de middenheupen een zwart stipje. Achterlijf
witachtig, met smalle bruine insnijdingen; de tangarmen bruin,
kort maar vrij breed. Pooten bleekgeel; de uiterste knieën bruin
en de tarsen naar het einde iets verdonkerd; voorpooten een
weinig, achterste pooten sterker behaard; eerste lid der voortarsen
een vierde korter dan de scheenen. Kolfjes bleekgeel. Vleugels
glasachtig met bijna ongekleurde aderen; de dwarsaderen en
het uiteinde der subcostaal-ader donkerbruin; de uitmonding der
langsaderen aan de vleugelspits schaduwachtig gevlekt; vork
der posticaal-ader ongesteeld.
De heer Six deelde mij het & mede, door hem in Junij te
Beek gevangen.
12 TANYPUS PYGMAEUS N. Sp.
21 lin — Kop met sprieten en monddeelen donkergrauw ;
sprietenpluim & bruinachtig. Thorax lichtgrijs, met vier zwart-
achtige langsbanden; de beide middensten van achteren verkort;
schildje bleekbruin ; achterrug zwart. Achterlijf van het 4 slank,
van boven zwartbruin met witachtige insnijdingen, van onderen
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN. 145
geelachtig met bruinen voorzoom der ringen; de tangarmen breed
en dik, als geknopt; bij het ¢ het achterlijf kort en ineengedro igen,
zwartbruin, met de insnijdingen naauwelijks een weinig grijs-
achtig. Pooten bleekbruin; de voorknieën en het uiteinde van
al de tarsen een weinig verdonkerd; eerste lid der voortarsen
een vijfde korter dan de scheenen; achterste pooten bij het d met
bleekbruine beharing. Kolfjes bleekgeel. Vleugels eenkleurig
grauw, digt behaard; dwarsaderen een weinig vóór het midden
der vleugellengte; vork der posticaal-ader ongesteeld.
Beide sexen werden in October door den heer Six in het
Driebergsche bosch gevangen.
XIL TIPULIDAE.
Omtrent deze familie heb ik betrekkelijk slechts weinige aan-
teekeningen gemaakt sedert het verschijnen der laatste naamlijst
in de Bouwstoffen.
Onder de belangrijkste aanwinsten voor onze dipterologische
Fauna mag voorzeker gerekend worden die van Pedicia rivosa
L., waarvan een exemplaar te Beek door den zoon van den
heer Snellen van Vollenhoven werd gevangen; een tweede voor-
werp ving de heer Kinker op Beekhuizen; ook de heer Maurissen
bezit een exemplaar, in Limburg opgedaan. Behalve deze, heb
ik nog de volgende Tipuliden als nieuw voor de Nederlandsche
Fauna aangeteekend: Rhamphidia longirostris Meig., waarvan
een ¢ in de Plantagie te Rotterdam door den heer Fransen en
een tweede aan de Schielandsche plassen door Dr. Piaget werden
gevangen; Dicranoptycha fuscescens Schumm., waarvan ik eenmaal
een voorwerp aan het Jagthuis bij Zutphen aantrof; en Limnophila
dispar Meig., die ik in een enkel paar bezit, het 4 bij den
Haag, het 9 in het Ulvenhoutsche bosch bij Breda door mij
gevangen.
Pachyrhina fascipenms Zett. en Tipula dentata Meig. zullen
beiden wel dezelfde soort zijn als Tipula quadrifaria Meig., en
dan moet de laatste naam, als de oudste, behouden blijven.
Zetterstedt onderscheidt P. fascipennis en dentata daardoor, dat
10
146 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
bij de eerste de beide uiterste banden van den thorax naar
buiten uitgebogen, bij de laatste daarentegen regt zouden zijn,
en hij noemt overigens de beide soorten „uf ovum ovo similes.”
Bij het vergelijken van een aantal exemplaren is het mij gebleken,
dat bij sommigen het voorste uiteinde der banden verbleekt is
en zich in de grondkleur verliest, waardoor juist het omgebogen
einde ontbreekt en de banden regt schijnen; aan overgangen
tusschen de beide vormen ontbreekt het niet.
Pachyrhina Sannio Meig., die ongetwijfeld dezelfde is als P.
iridicolor Schumm., houd ik voor de echte Tipula cornicma L.
Wel is waar, de zeer korte beschrijving van Linnaeus zou bijna
even goed ook op P. analis Schumm. en zelfs op P. quadrifaria
Meig. kunnen worden toegepast; maar Linnaeus zegt: „als
hyalinis, puncto marginali fusco”, en daaruit blijkt dat bij zijne
soort de randvlek klein moet zijn, iets wat voorzeker meer bij
P. Sannio dan bij eene der beide andere soorten het geval is.
Zetterstedt heeft in zijne Insecta lapponica dezelfde opvatting,
doch later is hij daarvan teruggekomen en beschrijft in zijne
Diptera Scandinaviae als P. cornicina L. eene soort, die vol-
komen aan P. analis Schumm. beantwoordt, maar die in Zweden
vrij zeldzaam schijnt te wezen. Daarentegen is P. Sanmo Meig.
dáár zoowel als in Duitschland gemeen, hetgeen het vermoeden
versterkt, dat Linnaeus die soort voor oogen heeft gehad. Ein-
delijk heeft Haliday, bij zijn onderzoek der oude Linneaansche
collectie (thans te Londen bewaard wordende), onder het etiquet :
Tipula cornicina werkelijk Schummel’s 7. iridicolor gevonden. Op
grond van dit alles, laat het zich, dunkt mij, wel verdedigen,
P. Sannio Meig. (= iridicolor Schumm.) als P. cornicina L.
te bestemmen.
Het is wel aan geen twijfel onderhevig, dat Schrank met zijne
Tipula bifasciata dezelfde soort heeft bedoeld, welke later door
Meigen als Limnobia xanthoptera is beschreven. De eerstgemelde
naam, als de oudste, dient alzoo behouden te blijven.
Limnobia barbipes Meig. onderscheidt zich door hare grootte, haar
krachtigen bouw en dikke pooten zoozeer van alle Limnophilinen en
zelfs van alle Tipuliden, dat zij reeds alleen dáárom een afzon-
DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN, 147
derlijk geslacht dient uit te maken. Schiner heeft haar gebragt
onder zijn geslacht Poecilostola, maar er tevens bijgevoegd dat
zij welligt beter een afzonderlijk genus zou kunnen vormen. Dit
geslacht, waaraan ik den naam Eutonia (van svrovos, krachtig,
sterk) zou wenschen te geven, onderscheidt zich door de volgende
kenmerken.
EUTONIA.
Aangezigt in een korten snuit verlengd ; achterhoofd sterk ontwik-
keld ; oogen langwerpig rond, van boven door het breede voorhoofd
gescheiden; sprieten een weinig langer dan de kop; het eerste
lid groot, eylindrisch; het tweede bekervormig; de volgende vier
of vijf rondachtig; de laatsten dun en met uitstaande borstelharen.
Palpen vierledig, omgebogen, kort en dik. Thorax hoog gewelfd ,
met duidelijken dwarsnaad; ter wederzijde achter de schouders
eene driehoekige diepe groeve. Schildje halfrond; achterrug sterk
ontwikkeld. Achterlijf platgedrukt, achtringig ; bij het & de laatste
ring van onderen uitstekend; de tangarmen vrij kort; eijerbuis
van het 9 spits, een weinig opgebogen. Pooten voor eene Tipulide
bijzonder dik, digt en fijn behaard; scheenen met eindsporen ;
voethaken en voetballen duidelijk; bij het 4 het laatste lid der
tarsen aan de onderzijde met een haarbosje. Kolfjes vrijstaande.
Vleugels matig breed, naauwelijks zoo lang als het achterlijf ;
het vleugellapje duidelijk uitstekend; het dwarsadertje tusschen
de hulpader en subcostaal-ader niet of althans niet duidelijk
aanwezig; subcostaal-ader aan het einde door een kort dwars-
adertje met de radiaal-ader verbonden ; radiaal-ader vóór de
halve vleugellengte uit de subcostaal-ader ontspruitende, aan het
einde lang gevorkt; de wortel dezer vork iets vóór de middel-
dwarsader; cubitaal-ader ongevorkt; schijfcel onregelmatig zes-
hoekig, meer hoog dan breed, naar onderen versmald; uit haar
loopen naar den vleugelrand drie langsaderen, waarvan de
bovenste is gevorkt; achterdwarsader scheef; eerste en tweede
wortelcel van dezelfde lengte; de tweede niet door eene dwars-
ader gedeeld; posticaal-, anaal- en axillaar-ader lang, de beide
laatsten een weinig golvend gebogen.
148 DIPTEROLOGISCHE AANTEEKENINGEN.
Dit geslacht, waartoe alleen de bekende Limnobia barbipes Meig.
behoort, is het naast verwant aan Poecilostola Schin. , maar onder-
scheidt zich er van door merkelijk meerdere grootte, door dikker
en meer behaarde pooten; door het haarbosje aan het laatste
tarsenlid bij het 4; door hooger gewelfden thorax en korteren
hals; door korter en breeder vleugels; eindelijk door een
klein verschil in het aderbeloop der vleugels; de schijfcel
is namelijk niet zoo langwerpig als bij Poccilostola, meer hoog
dan breed en alleen naar onderen versmald; en de wortel
van de vork der radiaal-ader ligt niet voorbij, maar nog iets
vóór de middeldwarsader; eene vleugelafteekening van Eutonia
barbipes Meig. en Poecilostola angustipennis Meig. op pl. 8, fig.
11 en 12 moge deze verschillen ophelderen.
Verklaring der afbeeldingen.
Plaat 8.
Fig. 1. Colpodia pallidula n. sp. (vleugel).
» 2. Catocha crassitarsis n.sp. (id.)
po : M (voortars 2).
„ 4. Exechia rufithorax n. sp. 4.
ED, » Schummeli Stann. (vleugel).
„ 6. Brachycampta ruficauda n. sp. (achterlijf €).
” 7. ” 5 (vleugel).
» 8. Myeetophila sordida n. sp. (vleugel).
„ 9. Tanytarsus sordens n. sp. (anus d).
» 10. Tanypus guttipennis n. sp. (vleugel).
„ 11. Eutonia barbipes Meig. (vleugel).
„ 12. Poecilostola angustipennis Meig. (vleugel).
VARIA ENTOMOLOGICA
Dr. H WEIJANBERGH :).
Voor het vaderland te verlaten doorloop ik nog mijn dag-
boek en ligt er datgeene uit wat van entomologischen aard en
der mededeeling waardig is. Voor eenigen tijd heb ik het plan
gevormd — en ben door eenige opstellen in dit tijdschrift tot
de uitvoering overgegaan — om de Nederlandsche Diptera in
hunne metamorphose en levenswijze te beschrijven en aftebeel-
den; van toen af was mijne aandacht vooral op deze orde ge-
richt en daaraan is het toe te schrijven, dat deze aanteekeningen
grootendeels bestaan uit voltooide levensgeschiedenissen van
Diptera.
Ik ben nu in de noodzakelijkheid deze nauwelijks op mi
genomen taak te laten varen, maar kan dat niet doen zonder
den wensch te uiten dat een onzer vaderlandsche entomologen
dezen pas aangevangen arbeid weldra moge voortzetten; ik
durf hem daarbij uit eigen ervaring de zekerste voldoening en
de aangenaamste verrassingen voorspellen. Even als ik dat
ondervonden heb, zal ook mijn opvolger in dit onderdeel der
zoologie een onontgonnen terrein voor zich vinden, dat de
moeite der bearbeiding ruimschoots loont.
NB. Door eene onnauwkeurigheid in de verzending — het was één dag voor mijne
afreize toen ik de laatste woorden van dit opstel schreef en de drukten dus vele
en velerlei — is dit opstel eerst laat in den loop van 1873 in handen der redactie
van dit tijdschrift gekomen. W.
150 VARIA ENTOMOLOGICA.
In de eerste plaats maak ik dus gebruik van mijne aan-
teekeningen en doorloop daarbij nog even mijne dipteren-col-
lectie en schrijf het een en ander van de étiquetten af, voor
zoover ik het niet vermeld heb in mijne , metamorphose-ge-
schiedenissen” of elders gepubliceerde „aanteekeningen,” enz.
Chirenomus aunularius de G. De grauwachtige larven dezer
soort vond ik aan den kant van den vijver in mijn tuin in
den modder, reeds vroeg in het voorjaar. De eieren zijn
licht-groen.
Chironomus riparius Meig. De doorschijnende, zeer licht groene
larven dezer soort vond ik in stilstaand water, reeds zeer
vroeg in het voorjaar als nauwelijks het ijs verdwenen was. In
het laatst van Maart verpopten zij in mijn aquarium en het
mugjen verscheen binnen veertien dagen.
Chironomus tentans F. De larve dezer soort kwam veelvuldig
voor in onzen vijver, vooral in de op den bodem liggende
rotte bladeren. Ik vond er bij zacht winterweder reeds in De-
cember, maar dan dieper in den modder en veel kleiner nog.
Volwassen zijn zij in Maart of het begin van April. De kleur
is dan helder bloed-rood, de vorm lang en dun, de lengte
ruim 2 Centim. Het diertjen ligt meestal in een halven cirkel
gebogen en spartelt bij aanraking zeer sterk. Ik heb de ge-
heele metamorphose afgebeeld en beschreven, maar de aan-
teekeningen schijnen verloren gegaan, zoodat ik in mijne
| portefeuille nog slechts vind eene afbeelding der larf, eene
zeer vergroote afbeelding van de kaak en van de onderlip, be-
nevens van een der aanhangsels aan het achterlijfseinde der
made. De kaak is uit sterk donkerbruin chitinweefsel gevormd
en scherp getand, vooral de voorpunt is zeer scherp. De on-
derlip is ook scherp getand; deze tanden zijn, hoewel symme-
trisch geplaatst, onregelmatiger van vorm, zoo als figuur 3
te aanschouwen geeft.
Terzijde van het lichaamseinde ziet men een paar aanhangsels,
gelijk bij vele (alle?) Chironomus-larven voorkomen. Bij deze
soort is het echter vrij groot en daardoor valt het aanstonds
in het oog. Onder het mikroskoop gebracht, vertoonde het zich,
VARIA ENTOMOLOGICA. 151
zoo als figuur 4 voorstelt, eenigszins peervormig. De huid is
vrij dik en de inwendige holte wordt grootendeels ingenomen
door een klierachtig orgaan (g) eenigszins op een geisoleerd
gedeelte van het vetlichaam gelijkend. Meer er over dan wel
er doorheen, loopt een vrij dikke buis, waaraan ik behalve
eenige overlangsche strepen, niets bijzonders waarnam. Ik her-
inner mij niet meer of de breede overlangsche streep, die men
in het midden van mijne figuur ziet, werkelijk eene streep is,
of de grens waar de buizen tegen elkander aanliggen. Ik meen
het laatste, en in dit geval zou ik dus niet van eene buis,
maar van een paar buizen moeten spreken. Deze buis of buizen
komen aan het eind uit in een stervormig aanhangsel, dat
radiair gestreept is en zoodra men het dier weder in het water
legt, sterk in beweging komt. Dit stervormig orgaan is dubbel,
zoodat de punten van het onderliggende in de tusschenruimte
der punten van het bovenliggende te voorschijn komen. Het
schijnt mij toe dat de radiaire streepjens fijne mazen vormen
en het geheele orgaan als een zeeftoestel is te beschouwen,
terwijl de buis waarschijnlijk met de ademhaling in verband
staat.
In het laatst van Mei verkreeg ik de imagines en ook in
September; dus moet de soort twee generaties ’s jaars hebben,
van welke de laatste als jonge larf overwintert.
Chironomus chloris Meig. De bijna ongekleurde larven dezer
soort vond ik aan in het water hangende grashalmen terzelf-
der plaatse en tijd als de voorgaande soort. De imagines ver-
schenen reeds tegen het eind van April.
Chironomus virescens Meig. Van deze soort heb ik hetzelfde
aangeteekend als van de vorige. De larven zijn ietwat meer
groenachtig van kleur.
Chironomus sylvestris F. Dezelfde aanteekening. De larven
zijn troebel-wit.
Chironomus nubeculosus L. Dezelfde aanteekening. De larven
komen meer in het diepe en niet zoo aan de kanten van den
vijver voor; zij zijn moeilijk van die van 6. annularius de G.
te onderscheiden.
152 VARIA ENTOMOLOGICA.
Chironomus diversus 1). Onder eene menigte over het water
zwevende mugjens bemerkte ik, in Mei, ook deze soort en aan
het achterlijf van sommigen een vrij dikke draad. Na deze
diertjens eenigen tijd te hebben waargenomen, zag ik dat
bijna allen van zulk een draad voorzien waren, maar dat de
lengte verschilde van een bijna onmerkbaar pnntjen tot 8 of 9
decimeter, doch tevens bemerkte ik dat al de draden vrij snel
deze lengte bereikten. Wanneer de draad deze lengte bereikt
had, was het als of hare zwaarte de diertjes tot de oppervlakte
van het water deed naderen en nauwelijks bereikte haar onder-
einde het water of de geheele draad brak van het achterlijf af
en zonk. Daarna begon de vorming en verlenging van den
draad op nieuw en deze was na ongeveer drie minuten weder
even lang als te voren en verdween dan weder in de diepte
of in de maag van een er reeds op loerende visch.
Zooals ik aanstonds vermoedde, was de draad niets anders
dan door eene eigenaardige kleefstof tot eene reeks aan elkander
bevestigde eieren, die op deze wijze door het insekt werden
gelegd in het element, dat voor hunne ontwikkeling en het
leven der larven noodig is. Voor het ongewapend oog doet
zulk een voorwerp zich voor als een spiraalsgewijs gewonden,
ongeveer 1 Ned. streep dikke, eenigszins platte, vaalkleurige
draad, en eerst met eene loupe waren de eieren duidelijk te
onderscheiden; zij zijn plat-elliptisch en schuins aan elkander
bevestigd, hetgeen de schijnbaar spiraalsgewijze winding van
den draad veroorzaakt. De kleur van een geisoleerd eitjen is
porselein-blauw, onregelmatig donker-gevlamd. De excentriesch
geplaatste, heldere kern was duidelijk te onderscheiden.
Chironomus Junci Meig. De larven komen vrij talrijk onder de
vorige soorten voor. De imagines verschijnen iets later; + 6 mm.
Tipula oleracea L. Van deze algemeene soort, waarvan de
aardbewonende larf ook genoegzaam bekend is, heb ik het
langwerpige, zwarte ei bij figuur 9 afgebeeld.
1) Deze soort is in een voorgaand stuk van den heer van der Wulp (Dipterologische
aanteekeningen n° 4) onder den naam van Orthoeladius diversus beschreven.
Rep.
VARIA ENTOMOLOGICA. 153
Mycetobia pallipes Meig. In menigte in mijn tuin in rot wilgen-
hout. De lange, witte, hemicephale larven leven gezellig, in
April. De poppen zijn ook zeer lang en dun, en lichtbruin van
kleur, met korte vleugel- en pootscheeden. Op elke geleding,
vooral aan het staarteinde, heeft de pop zeer scherpe doorntjens.
De imago in het laatst van April.
Sciara Thomae L. (?). De larven vaak in den Haarlemmerhout
aan de wortels van het jonge groen, dat in het voorjaar tus-
schen het hakhout opslaat.
Sciara pallipes F. De larve leeft in het algemeen in rot hout,
vooral in wilgenhout. De kleur der larven is vuil wit.
Sciara quinquelineata Macq. De larve vindt men in het voor-
en najaar in distelstengels en andere planten met mergstengels.
Zij is oranjegeel van kleur, in het midden dikker dan aan de
uiteinden, en vertoont een donkerbrninen kop met twee sterke
kaken. Geene oogen. Het nekschild is vrij groot en donkerbruin.
Bibio ferruginatus F. Door den heer J. B. Boeke werd deze
soort den 28% Maart 1859 te Haarlemmermeer uit de larf ge-
kweekt (volgens een fleschje met voorwerpen uit de collectie
Wttewaall, in mijn bezit.) Het voedsel is niet aangegeven.
De larve heb ik bij figuur 15 afgebeeld.
Cecidomyia Crataegi Winn. In het najaar en gedurende den
winter, ook nog in het vroege voorjaar, vindt men in haag-
doornen aan het eind der jonge takjens bundeltjens verdorde
bladeren, die eenigszins tot rosetten vereenigd zijn. Daar als-
dan de boomen overigens geheel kaal zijn vallen deze rosetten
gemakkelijk in het oog. Opent men deze rosetten dan vindt
men één of meer hooggeele oranjekleurige larfjens er in, die
dezen ziekelijken groei veroorzaken. De twaalf min of meer dui-
delijke geledingen met de stigmataalstippen terzijde op den
vierden tot negenden ring, kenmerken haar als larven van het
geslacht Cecidomyia. Zij zijn eenigszins gedrongen van vorm,
zeer stomp aan het achtereind en zeer spits aan het vooreind.
Voor aan het kopeind staat een driepuntig orgaantjen, dat als
kaaktoestel te duiden is. De grootte van het volwassen diertjen
is 2,5 ad 2,75 mm,
154 VARIA ENTOMOLOGICA.
Zoodra in het voorjaar de knoppen der plant, die zij bewonen,
beginnen te werken, is de larve niet meer te vinden; waarschijnlijk
verlaat zij dan hare woning om te verpoppen in den grond.
Na ongeveer vier weken komt de imago uit het popjen te
voorschijn.
Ik vond deze soort bij Overveen en Elswout.
Cecidomyia heterobia Löw. De larve dezer soort vond ik in
Mei in de knoppen van Salix repens L. Zij is lichtgeel.
Cecidomyia rosaria Löw. Deze soort komt veel bij Haarlem
voor, waar ik ieder jaar eene menigte zoogenaamde wilgenrozen,
door hare larf veroorzaakt, aan de Brouwersvaart en het vaartjen
naar Kraantjelek vond.
Cecidomyia Cerris Koll. Uit eikengallen gekweekt in April.
Scatopse notata L. Onder eene menigte uit kippenmest bij mij
voortgekomen vliegjens dezer soort, kwam er een paar tot
paring, vier en twintig uren na beider geboorte. Ik zonderde
deze dadelijk van de overigen af en na ongeveer een etmaal in
copulatie te hebben doorgebracht, verwijderden zij zich van
elkaar, om evenwel den volgenden dag het minnespel weder
gedurende eenige uren voort te zetten. Eerst na tien dagen
legde het wijfjen eenige vuilwitte, niet volkomen ronde eieren.
De poptoestand dezer soort houd als ’t ware het midden tus-
schen de pupae obtectae en de pupae coarctatae. De lichtbruine
nimf toch vindt men slechts met een zeer dun huidjen bedekt.
Bij de echte pupae coarctatae is de larvenhuid pergamentachtig
geworden en zoo sterk en vast dat het meestal moeilijk is haar
te openen, zonder de in deze gevallen steeds zeer weeke, witte
nimf te beschadigen, terwijl daarentegen bij de andere afdeeling
de larvenhuid afgestroopt wordt en de nimf daardoor vrij en
harder van huid wordt dan zij ooit in de pupae coarctatae is.
Bij deze soort is de larvenhuid verre van pergamentachtig,
hoewel zij de nimf blijft omsluiten, maar uiterst broos en vliezig,
terwijl de daarin bevatte nimf harder van bekleedselen is. Bij
verscheidenen vond ik zelfs de larvenhuid bij grootere of kleinere
stukken afgevallen en steeds kwam bij eene ligte wrijving tus-
schen de vingers de nimf geheel bloot.
VARIA ENTOMOLOGICA. 155
Simulia maculata Löw. Bij mijne optelling der tot heden
waargenomen vliegenzwermen (zie dit tijdschrift 14° jaarg. p. 221)
heb ik, p. 229, van oneigenlijke opeenhoopingen van Svmulia-
soorten gesproken; ik vind echter ook van een’ waren zwerm
van bovengenoemde Simulia gewag gemaakt, en wel in A. A.
Berthold „ Der Heerwurm.” (Abh. d. K. Gesellsch. der Wissensch.
Göttingen. 6° B. S. 46), die dus, nevens de waarneming van
den heer Ritsema over Musca corvina F. (zie dit tijdschrift.
jaarg. 15, p. LX), in mijne lijst moet worden opgenomen. Bij
Berthold, t. a. p. lezen wij dat een zwerm van deze Sımulia in
1785 door een storm uit Servie naar Zevenbergen overwaaide,
daar in weinige uren elf stuks hoornvee door hare steken doodde
en spoedig daarop door een wolkbreuk verstrooid en vernietigd
werd.
Asilus cyanurus Löw. De eieren dezer soort zijn langwerpig
van vorm en oranjeachtig rood van kleur.
Eristalis tenax L. Het schijnt dat de made dezer soort — de
algemeen bekende „ver à queue de rat” van Lyonet — vaak,
hoewel niet steeds, het water (de riolen, enz.) verlaat om te
verpoppen en dan somtijds groote wandelingen maakt. Ik vond
zelfs verpoppende larven in de sponning van een raam op eene
derde verdieping.
Syrphus balteatus de G. De lichtgroene larven dezer soort
vindt men in Juni op riet, snel voortkruipend naar de buit van
eenig klein hemipteron of dipteron. De pop is als een druppel
aan de rietstengels bevestigd en hare kleur trekt naar het olijf-
groene. De vlieg verschijnt na veertien dagen uit de pop,
in Juli.
Syrphus Corollae F. Het lichtgele ei heb ik bij figuur 17 vergroot
afgebeeld.
Conops flaviceps L. is in Augustus gekweekt uit het nest van
Bombus lapidarius L. Het poptonnetjen is zeer regelmatig cylin-
drisch van vorm.
Sarcophaga carnaria L. De bij figuur 18 en 19 afgebeelde
larve en pop ontving ik door bemiddeling van den heer van
der Wulp uit de collectie Wttewaall, waarbij de aanteekening ; '
156 VARIA ENTOMOLOGICA.
„uitgekomen te Voorst 8 Juni.” De larf uit het ei gekomen 5
Mei (1858).
Exorista vulgaris Fall. Ik kweekte een exemplaar uit de rups
van Cucullia Verbasci L., in Juli.
Exorista fimbriata Meig. Van deze soort kweekte ik 1—5
exemplaren uit rupsen van Zerene grossulariata L.
Phorocera concinnata Meig. Meermalen, doch nooit meer dan
één exemplaar te gelijk, gekweekt uit rupsen van Zerene gros-
sulariata L.
Phorocera stupida Meig. Verkregen uit de rups van Porthesia
auriflua L. In het algemeen vertoonen de rupsen met Phorocera-
larven bezet, sterke hypernesis.
Aricia pallida F. Gekweekt uit rotte bladeren, in Juni.
Aricia lardaria F. Gekweekt uit rot hout, in April.
Anthomyia inams Fall. Deze soort heb ik dikwijls uit wespen-
nesten gekweekt, waarin vooral in het najaar de vraatzuchtige
geelwitte larven in menigte te vinden zijn. Het schijnt dat zij
zich met de maden (vooral de doode) der wespen voeden en
meermalen heb ik een wespennest van de wespen verlaten
gezien, wanneer deze larven de overhand hadden. De lang-
werpige porceleine eieren vindt men vaak op het buiten-omkleedsel
der wespennesten. Ik nam hen steeds waar bij de soorten, die
haar nest onder den grond maken, b.v. Vespa Germanica L.,
nooit bij die welke haar nest aan boomen maken, b. v. Polistes.
Het ei is afgebeeld in dit tijdschrift jaarg. 12, pl. 7, figuur 3 en 4.
Anthomyia nigritarsis Zett. In zuringbladen, zoowel van ge-
cultiveerde als wilde waterzuring, vond ik bij Haarlem de
geelwitte larven dezer soort. Zij mineeren in het blad, niet in
gangen, maar in plekken, die dan het voorkomen hebben als of
zich luchtblazen tusschen de bladplaten bevinden. De imagines
verschenen in Juli.
Anthomyia..... ? Op pl. 10, fig. 20 geef ik de afbeelding
der larf uit Bufo vulgaris Laur., beschreven door mij in dit
tijdschrift jaarg. 9, p. 94.
Anthomyia pluvialis L. In April vond ik de popjens in oude
vogelnesten.
VARIA ENTOMOLOGICA. 157
Sepedon sphegeus F. Op Polygonum amphibium L. vond ik vaak
de groene poppen dezer vlieg, vooral in de Groote of Nieuwe
Brouwerskolk bij Overveen. In Juni verschijnt de vlieg. Het
popjen ziet men bij figuur 21 afgebeeld.
Lonchaea tarsata Fall. In Mei vond ik het popjen in distel-
stengels van het vorige jaar. Het popjen is lichtbruin, lang en
smal, met een zeer puntig staarteinde.
Acidia Heraclei L. Deze fraaie vliegensoort kweekte ik uit
de bladen van een groote schermplant, die in mijn tuin opsloeg,
in Juli. De geelwitte ongeveer 8 mm. lange en vrij dikke lar-
ven mineerden in het blad bij plekken (niet in gangen). Het
poptonnetjen bleef tusschen de bladplaten bevestigd en vertoonde
even duidelijk de afscheiding in segmenten, ja duidelijker dan
de made. De kleur der pop is geelbruin.
Urophora stylata Löw. De popjens vond ik in het najaar in
galachtig vervormde distelkoppen. De popjens zijn eenigszins
plat, lichtbruin en breed.
Madiza sordida Fall. Bij het verzamelen van maden van
Phytomyza obscurella Fall., uit hulstbladeren vond ik in (aan)
een half vergaan blad eene larf die veel grooter was en een
eenigszins anderen vorm had. Sk verzuimde toen haar nauw-
keurig waar te nemen, hetgeen mij te meer speet omdat later
daaruit als imago de bovengenoemde soort voortkwam.
Limosina pullula Zett. De larve dezer soort leeft in Mei en
Juni in rozenbladeren.
Pelina aenea Fall. Terzelfder plaatse en tijd als Ephydra riparia
Fall. worden de popjens van deze soort in het water gevonden.
Zij onderscheiden zich van die van Ephydra door een regel-
matiger vorm, zijn langwerpig-plat en aan beide einden puntig
toeloopend en hebben ook aan het vooreind een paar uitsteeksels.
De imagines verschijnen te gelijk met de Ephydrae (zie figuur 22).
Ephydra breviventris Löw. Aan eendenkroos vond de heer
Groll bij Utrecht in eene sloot eenige groene dipteren-larven en
bewaarde ze in een fleschjen met water om mij te overhandigen.
Toen ik deze larven ontving, waren zij echter allen reeds ver-
popt, tot popjens van een zeer eigenaardigen vorm. De lengte
158 VARIA ENTOMOLOGICA.
is ongeveer 7 of 8 mm. Het staarteinde eindigt in een vrij-
scherp toeloopende, stevige punt; tusschen dit staarteinde en
het kopeinde ziet men zeven ringen, die elk op de zijde een
stigmataalstip vertoonen, met een klein borstelhaartjen voorzien;
de rugzijde is eenigszins hol, de buikzijde bol. Op dit lichaam
staat de kop als een bolvormig uitsteeksel (zie figuur 23 en 24);
Deze kop loopt uit in een vrij dik en stevig steeltjen, dat zich
ter helfte zijner lengte in tweeën deelt en aan de beide einden
een knopjen draagt. Onder het deel dat ik den kop heb ge-
noemd, is een stevige draad waar te nemen, waarmede, naar het
schijnt, de popjens aan omliggende voorwerpen bevestigd worden.
Na ongeveer veertien dagen komen de imagines te voorschijn.
Ephydra riparia Fall. Bij de vorige soort waren ook enkele
popjens van deze soort. Het verschil, hoewel niet groot, viel
toch duidelijk in ’t oog, hierin bestaande, dat zij kleiner,
slechts 5 mm. groot waren, meer buikig, en dat de kop eenigs-
zins anders gevormd was. Het bolvormig uitsteeksel was hier
namelijk meer van het vorig gedeelte des lichaams gescheiden
en als ’t ware rechthoekig tegen het bovenste puntige uitsteek-
sel aan geplaatst (zie figuur 25).
Drosophila transversa Fall. Uit fungi gekweekt in September.
Agromyza nigripes Meig. Het geele larfjen vindt men in
Mei, het popjen in Juni, in distelstengels.
Agromyza cunctans Meig. In Juli, Augustus en September
vindt men in distelstengels oranje-geele vliegenmaden, die zich
met het merg schijnen te voeden; zij zijn acephaal, rank van
vorm en ongeveer 8 mm. groot. In het late najaar gaan zij in
licht-geele poptonnetjens over. Op het kopeinde en het achter-
einde dezer popjens staan twee zeer kleine puntjens; de gele-
dingen zijn bijna niet waar te nemen. De popjens overwinteren
en leveren in het voorjaar de bovengenoemde soort van het
geslacht Agromyza (zie figuur 26 en 27).
Phytomyza albiceps Meig. Uit rotte kool gekweekt.
Phytomyza flavicornis Meig. Reeds vele jaren heeft het mijne
aandacht getrokken, dat op eene plaats in den Haarlemmerhout
(in de beukenlaan, waar zich de beukenboomen bevinden, in
VARIA ENTOMOLOGICA. 159
welker schors eenige fransche zinsneden gesneden staan, welke
aan de hand van Lodewijk Napoleon, den koning van Holland,
die veeltijds op het paviljoen in den Hout verblijf hield, wor-
den toegeschreven), waar veel lage kamperfoelie groeit, de
bladen dezer plant zeer door insekten-larven gemineerd zijn.
Ik herkende spoedig in deze larven eene phytomyza-soort, maar
bij herhaling mislukte het opkweeken, totdat ik eindelijk dit
jaar gelukkiger was. In Mei, bij koud voorjaar in Juni, ver-
toont zich de made in de jonge bladen en is in twee of drie
weken volwassen, zoodat, als men niet bij tijds er eenigen
verzamelt, slechts de ledige gangen in de bladen te vinden
zijn. Figuur 28 geeft eene voorstelling van een gang door deze
larf in het blad van Lonicera periclymenum L. gemaakt.
De volwassen made is ruim 2,5 mm. groot en de kleur licht-
(geelachtig) groen, het lichaam is vrij sterk afgeplat en als ’t
ware gecomprimeerd tusschen de beide bladplaten. Het kop-
einde en het achtereinde eindigen bijna even stomp, zoodat het
verschil moeilijk te zien is. In vergelijking met die der maden
van de reeds vroeger door mij beschreven phytomyza-soorten ,
zijn de klauwtjens dezer soort kort en breed. Het schijnt mij
toe, dat bij de groote eenvormigheid der maden van het ge-
slacht Phytomyza, de vorm der klauwtjens nog het grootste
verschil aanbiedt en ter onderscheiding der soorten zou kunnen
dienen. (Men vergelijke de vroeger beschrevene Ph. obscurella
Fall. en Ph. harlemensis Weyenb.) Tusschen de jonge en vol-
wassene maden is geen verschil dan het verschil in grootte
waar te nemen. Figuur 29 stelt de made voor van de rugzijde
gezien; het darmkanaal schijnt donker door; figuur 30 is een
klaauwtjen. —
De winter-generatie blijft als pop den winter over, de ima-
gines verschijnen ongeveer in Mei en leggen waarschijnlijk
eieren op de jonge bladeren. Het ei zag ik niet.
Slechts met zeldzame uitzonderingen verlaten de maden het
blad om op den bodem pop te worden. Reeds in het eind van
Juni of begin van Juli vindt men de lichtbruine popjens ; zij
vertoonen een breede donkere streep overlangs. Aan het achter-
160 VARIA ENTOMOLOGICA. |
einde en het vooreinde vindt men het gewone paar uitsteeksels,
de vervormde klauwtjens; aan het achtereinde staan deze iets
dichter bijeen, zijn minder gekromd en iets kleiner dan aan
het vooreinde.
Het schijnt dat deze maden sterker zijn dan die van Ph.
harlemensis, of dat het blad der Symphoricarpus racemosa harder
is dan dat der kamperfoelie, althands de gangen van deze
soort loopen in de kamperfoeliebladen ook dikwijls over de
bladnerven, zelfs over den hoofdnerf, wat bij de anderen niet
of zeer zelden het geval is. Dikwijls bewonen ook twee of
drie individuen één blad.
Op den rug van eene der larven, die ik voor de beschrijving
uit het blad had gehaald, bevond zich eene larve van Braco-
nide. Zij zat met den kop in de huid der Phytomyza-larf; het
kopeinde was iets spitser dan het achtereinde, de twaalf gele-
dingen sterk uitpuilend en de kleur van het diertjen was glazig
wit, eenigszins paarlemoer-glanzig. Op elk lid staat een borstel-
haartjen. Op den kop zag men een donkere vlek en daaronder
een paar min of meer gekromde kaakjens; de tractus intesti-
norum was door het doorschijnende der huid geheel te zien.
Bij sterkere vergrooting zag ik nog dat de ringen ter zijde fijn
gekarteld zijn en elk der borstelharen op een wratjen staat.
De grootte van dit diertjen was hoogstens 0.75 mm. (Zie figuur
31 a en b).
Daar ik twee soorten van Braconiden uit deze Phytomyza-
soort kweekte en de beschreven larf stierf, kan ik de soort
niet nader bepalen.
De vliegjens verschijnen in Juli of ’t begin van Augustus,
hetgeen van de min of meer gunstige weêrsgesteldheid afhangt.
Phytomyza...?... In Februari vond ik in de vrucht van
Juglans regia L. (okkernoot) eene menigte bruine vliegenpopjens
met spits staarteinde en ongeveer 3,5 mm. groot. Enkelen
waren reeds uitgekomen, de imagines zijn mij echter onbekend
gebleven, daar uit die, welke nog niet uitgekomen waren, zich
eene soort van Braconide ontwikkeld heeft. De vorm dezer
popjens geleek echter, vooral door de puntjens aan het kop-
VARIA ENTOMOLOGICA. 161
einde en achtereinde (de vervormde klauwtjens der made) vol-
komen op die van het geslacht Phytomyza. Is eene Phytomyza-
soort bekend, die in walnooten leeft?
_Phora opaca Meig. Uit een wespennest (Vespa germanica L.)
gekweekt in October. |
Stenopteryx Hirundinis L. De ronde, glinsterend zwarte, op
plantenzaden gelijkende popjens dezer soort vindt men in het
voorjaar in zwaluwnesten. De popjens hebben slechts 4 mm.
in middellijn. De vlieg verschijnt in Juli.
Enkele opmerkingen over het opkweeken en bewaren van
dipter-larven mogen hier eene plaats vinden.
Velen heb ik vaak hooren klagen over de schier onoverkome-
lijke moeilijkheden bij het opkweeken van dipteren-maden, en —
ik zelf heb die ook in ruime mate ondervonden; allengs echter
gelukte dit mij beter en beter, en daarom wil ik eenige metho-
den kortelijk mededeelen.
Wat de in bladeren levende maden betreft, zoo heb ik er
mij steeds wel bij bevonden, de bladeren bij droog weder en
als de dauw is opgedroogd te verzamelen en dan frisch en on-
verwelkt te houden, door hen in gesloten stopflesschen te be-
waren. Na eenige dagen beginnen zij dan meestal niet te
droogen of te verwelken, maar te schimmelen, en zouden gaan
rotten, als men hen niet tijdig aan de inwerking van versche
drooge lucht blootstelde. Door alzoo beurtelings de flesschen
eenige dagen met de stoppen te sluiten en dan weder eenige
dagen te openen, kan men de bladen zeer lang goed houden;
zijn de maden eenmaal verpopt, dan is het gevaar voor het
mislukken der teelt veel geringer; men neme dan de stoppen
weg en sluite de flesschen met kartonnen deksels, opdat de
imagines, als zij uitkomen, niet ontsnappen. Op dezelfde wijze
handelt men met de in stengels, wortels, knollen enz. levende
maden; daar deze plantendeelen over het algemeen vochtiger
zijn, doe men er niet veel bij elkander in ééne flesch en neme
nu en dan de knollen gedurende eenige uren er uit in karton-
nen doozen, om wat op te droogen. Daar velen der in knollen
levende maden zeer vraatzuchtig zijn, zal het goed zijn nu en
11
162 VARIA ENTOMOLOGICA.
dan een versche knol er bij te voegen, opdat zij des belust
daarin kunnen overkruipen.
Vleeschvretende maden voede men op in met papier gesloten
glazen; in stopflesschen wordt de lucht te zeer bedorven. Wegens
de onaangename uitwasemingen, doet men wel, die niet binnen-
’shuis te houden. In zulk een glas doet men eenige stukjens
fijn gehakt vleesch, opdat men het gemakkelijk met eene sonde
of pincet kunne doorwoelen, en doe er nu en dan, als de
voorraad verteerd is, wat versch vleesch bij. Geeft men echter
te veel in eens, dan rot het te sterk, en fijn gehakt vleesch
verdient de voorkeur boven grootere stukken, bijv. een doode
muis of vogel, daar de maden alsdan naar de binnenste deelen
kruipen en moeilijk zijn voor den dag te brengen. Mogt het te
sterk droogen, dan doe men er nu en dan enkele droppels
water op.
Maden, die in het water leven, kweekt men het best op in
opene suikerglazen, die men als ’t ware tot kleine aquaria in-
richt, door wat kroos en modder er in te doen en verversche
het water zoodra het begint te stinken; laat men den modder
en het kroos in het glas, dan blijven meestal bij het afgieten
ook de larven terug. Tegen het uitkomen der imagines be-
dekke men het glas met wit papier, waartegen zij zich gaarne
aanzetten. Neemt men geen wel-, maar slootwater, dan vinden
de larven van zelve daarin hun voedsel (infusorien, enz. of
plantendeelen). Ook doet men best slechts ééne soort in elk
glas te houden, opdat zij elkander niet verslinden, en zie toe,
met het slootwater geene roofdieren, Notonecta’s, waterkever-
larven , bloedzuigers of dergelijke in de kleine aquaria te bren-
gen, daar deze alsdan spoedig ontvolkt zouden zijn.
Wat het bewaren der Dipteren-larven in collectie aangaat ,
heb ik mij best bevonden bij kleine praeparaatbuisjens van 4
centim. lengte, met een kurk gesloten en geplaatst in een plank
van 5 centim. dikte, waarin op rijen regelmatige gaten geboord
zijn van 3 centim. diepte en met de diameter der buisjens over-
eenstemmende. Zulk eene plank voor honderd nommers is onge-
veer 3 decim. lang en 2 decim. breed en schuift gemakkelijk
VARIA ENTOMOLOGICA 163
in een kartonnen doos met lossen, neêrslaanden zijwand. Voor
zeer kleine larven is spiritus voldoende; beter, vooral voor
grootere, heb ik mij bevonden bij gezuiverde houtazijn, de
vormen blijven dan uitsteekend, hoewel na betrekkelijk geringen
tijd de larven alsdan voor anatomisch onderzoek volkomen on-
bruikbaar zijn. Wil men haar daartoe bewaren, zoo doet men
best gebruik te maken van eene geconcentreerde oplossing van
Acidum picricum, waarin zij slechts „iets minder dan eeuwig
verduurzaamd ” zijn.
Ik voeg hier nu nog eenige aanteekeningen over insekten
uit andere orden aan toe.
Vespa Germanica L. Om tot de kennis der levenswijze en
metamorphose der wespen te komen was het eene eerste ver-
eischte om de kolonien met hare geheele bevolking en toebehooren
over te brengen naar eene plaats, waar zij ongestoord in haren
arbeid konden voortgaan en de gelegenheid daar was om haar
van zoo nabij en gemakkelijk mogelijk, zonder vrees voor aan-
vallen te kunnen waarnemen. Aan het laatste nu zou wellicht
te voldoen zijn geweest, maar het eerste, de geheele over-
brenging der kolonie, bleek ons reeds bij het eerste nest
ondoenlijk te zijn, en zoowel bij het kleinste, dat slechts +
100 bewoners bevatte, als bij het grootste onpraktisch; zoodat
wij moesten besluiten de wespen eerst te dooden en dan de
nesten mede te voeren. Dit maakten wij ons gemakkelijk. Het
middel dat wij aanwendden ter dooding der wespen, bestond
uit een kwart kan petrolie, of hoogstens bij een zeer groot
nest, een halve kan. Des avonds omstreeks elf uren, als wij
zeker konden zijn alle bewoners te huis te vinden en in rust,
staken wij de flesch met petrolie met den hals in het gat dat
toegang tot het nest verleende en lieten het vocht er in loopen.
Het duurde dan niet lang of een gegons onder den grond ver-
wittigde ons dat de wespen de door ons gewenschte stoornis in
hare rust hadden ondervonden en wij haastten ons dan om door
een stevige plag of zode de opening goed te sluiten en haar
het ontsnappen onmogelijk te maken. Des anderen morgens
waren wij dan reeds vroeg bij het nest en vonden alles in de
164 VARIA ENTOMOLOGICA.
rust des doods, zoodat wij ons gemakkelijk van het nest kon-
den meester maken. Na een uur aan de lucht te hebben bloot-
gestaan, was de petrolie vervlogen en waren de doode wespen
gemakkelijk uit het nest te schudden. Daarenboven heeft de
petrolie nog het voordeel dat op plaatsen, die niet bijzonder
sterk er door getroffen zijn, de larven somtijds in het leven
bleven. Op deze wijze bemachtigden wij vele nesten. De alge-
meenste zijn die der bovengenoemde soort, waaraan ik de
volgende bijzonderheden ontleen.
De eieren schijnen het geheele saisoen door in de nesten
aanwezig te zijn, wij vonden er zoowel in het voor- als najaar.
De eerste eieren worden door de overwinterde moederwesp in
het voorjaar gelegd, waaruit dan de eerste arbeiders voortkomen,
terwijl eerst langzamerhand de andere sexen geboren worden.
Meestentijds wordt in elke cel slechts één ei gelegd, doch
somtijds ook twee in eene cel, waarvan dan echter het eene
meestal spoedig te gronde gaat. De eieren komen na zes of
zeven dagen uit. Het aantal eieren der verschillende leggen is
mij onbekend, doch uit de geringe bevolking der jonge kolonies,
meen ik te mogen opmaken, dat dit aantal bij den eersten leg
ongeveer 25 zal bedragen.
De eieren hebben een weinig weerstandbiedende, hoewel
eenigszins taaie schaal en een elliptischen vorm, zeer flauw
niervormig; de kleur is vuil wit en wordt kort na het leggen
wat geeler of eigenlijk troebel, minder doorschijnend en helder.
Het buitenste eivlies schijnt het ei los te omsluiten en wordt
als ’t ware gebruikt om het ei met het ondereinde tegen den
want niet ver van den bodem der cel vast te kleven. Uitwendig
waren verder geene bijzonderheden aan het ei waar te nemen
en gedurende de ontwikkeling nam het op sommige plaatsen
donkere, op andere lichte tinten aan, werd weeker en weeker,
en terwijl allengs de eihuid dunner werd nam het voorwerp
meer bestemde vormen aan. De grootte van het ei is 1 mm.
lengte bij 0,5 mm. breedte. Is het jonge dier 2,5 mm. groot,
dan begint zich de kop duidelijk te vertoonen; daarbij ziet men
in de linkerzijde des lichaams een donkere vlek ontstaan.
VARIA ENTOMOLOGICAL 165
Steeds nog omgeeft een vlies de made en de tusschenruimte is
met eene heldere vloeistof gevuld, die allengs verdwijnt, en
het vlies wordt dan bij de eerste vervelling afgestroopt, terwijl
het aan het achtereind der made bevestigd blijft en zoo de
made in de opene cel — de openingen zijn steeds naar beneden
gekeerd — daaraan gesuspendeerd blijft, met den kop naar
_ beneden.
Wij zien hier dus van zelf een natuurlijk suspensorium ont-
staan, dat het uit de cel vallen der made belet. De afdeeling
in geledingen wordt nu duidelijk zichtbaar en de kleur der larf
wordt allengs geel. Ook de donkergekleurde kaken zijn dan
waar te nemen, benevens het darmkanaal dat vooral na voedsel
opname recht duidelijk is te zien met het ongewapend oog.
Zij zijn nu 7,5 à 8 mm. groot en nu vooral begint hare vraat-
zucht zich te openbaren. Bij eene kleine kolonie die ik in huis
opkweekte, voedde ik, bij gebrek aan kleine vliegjens en
andere insekten, de grootere met de kleinere en dezen maaltijd
van hare soortgenooten lieten zij zich zeer wel smaken. Zoo-
dra ik slechts eenige beweging bij de cellen maakte, verhieven
allen dadelijk den kop, evenals jonge vogeltjens in een nest
op het aanvliegen der ouden doen, en begonnen dan met de
kaken te happen. Na weder eene vervelling waren zij 13 mm.
groot en ook de oogen waren nu duidelijk waarneembaar.
Eindelijk na weder verveld te zijn wordt de geheele larf meer
porceleinachtig , zelfs iets fluweelachtig en vooral in het oog
vallend is dan het groote, sterk kloppende ruggevat. Volwassen
is de lengte 20 à 22 mm. Voor de cel toe te spinnen eet zij
nog eens eene verbazende hoeveelheid en vangt dan aan eerst
de randen der cel te verlengen en dan haar koepelvormig met
een gewelf van wit spinsel te sluiten, hetgeen in een halven
dag gereed is. Reeds kort na het inspinnen is aan de larf eene
merkbare verandering te bespeuren, niet alleen verliest zij hare
beweeglijkheid, maar ook de kleur wordt vuil en ziekelijk op
het oog, zij worden rimpelig en weeker. Na een paar dagen
is de made in eene fraai wit gekleurde nimf veranderd, wier
oogen alleen lichtgrijs gekleurd zijn. Alle deelen van het vol-
166 VARIA ENTOMOLOGICA.
maakt insekt, de vleugels uitgezonderd, zijn dan reeds te
herkennen. Allengs neemt nu het achterlijf in omvang af, wordt
meer elliptisch, zoodat men zou kunnen zeggen „nu wordt het
dier gefatsoeneerd.”” De oogen en kaken worden donkerder en
midden op het voorhoofd begint zich een zwart vlekjen te ver-
toonen. Daarna begint ook het achterlijf, vooral boven het
ruggevat, zich te kleuren; vervolgens kleurt zich sterk de
thorax en de inplantingsplaats der pooten, het overige gedeelte
van den kop, zoodat na twee of drie weken (al naar de warmte)
de kleuring volkomen is en de pop geheel op de fraaie wesp
gelijkt; alleen de vleugels en de sierlijke vlugheid en bewege-
lijkheid der imago ontbreken haar nog. Eindelijk komt er be-
weging in de cel; opent men die dan, dan vindt men de vol-
maakte wesp, maar hare pooten, vleugels, enz. zijn nog z00
week en slap, dat zij voor haar tot elk doel onbruikbaar zijn;
eerst het toetreden der lucht en hare krachtige strooming door
het tracheen-net, geeft die kracht en vlugheid, die wij in de
werkzame en bedrijvige wesp bewonderen. Ook dan eerst wordt
de angel haar tot wapen.
De volwassen wespen hebben een uur noodig tot doorknaging
van het sluitend spinsel en laten, kort nadat zij uit de cel ge-
kropen zijn, eenige druppels helder of min of meer geel vocht
loopen, dat vele op houtzaagsel gelijkende vezeltjens bevat.
Eerst den volgenden dag vliegt de wesp de wereld in, om tot
het einde van het najaar zich in bedrijvige werkzaamheid te
verlustigen, te zorgen voor de uitbreiding van het nest en de
voedering der maden. Het aantal generaties in één zomer
schat ik op vijf tot acht. De wijfjes worden eerst laat in den
zomer geboren, verstrooien zich, overwinteren als in winter-
slaap hier of daar onder eene zode of in een reet en beginnen
in het volgende voorjaar eene nieuwe kolonie te stichten. De
eigenlijke arbeiders zijn de neutra en de niet talrijke manne-
tjens leven slechts voor hun genot. De 99 kan men reeds aan
de groote zware larven herkennen.
Eene beschrijving der algemeen bekende imagines te geven
is overtollig ; van de parasieten heb ik hierboven gesproken.
VARIA ENTOMOLOGICA. 167
Vespa vulgaris L. Komt in alles met de vorige overeen; wij
vonden echter de nesten veel zeldzamer. In ’t algemeen waren
de kolonien grooter 1). De nesten ook over het algemeen min-
der regelmatig rond.
Vespa rufa L. Van deze soort vonden wij slechts éénmaal
een klein nest, eenigszins omgekeerd pyramidaal van vorm.
Vespa Crabro L. Van deze soort vonden wij de nesten steeds
in holie boomen of onder daken van buitenhuizen.
Aylax Glechomae Htg. Op Glechoma hederacea L. komt som-
tijds een galveroorzakend insekt voor, bekend onder den naam
Aylax Glechomae Hart. of Diastrophus Glechomae Kaltb. De be-
schrijving van dit insekt vindt men in Hartig, über die Familie
der Gallwespen (in Germar’s Zeitschrift f. Entom. 1841, pag. 342
en Nachtrag, in eod. 1843, p. 412). Eene afbeelding der gal
geeft Malpighi, T. IX, f. 24. (Zie Taschenberg, Hymenopteren
Deutschlands, p. 132, Kircher, Catalogus Hymenopterorum Europae,
p- 27, n°. 2). Men vergelijke tevens Kircher, die Gallenauswüchse
des Budweiser Kreises, Angabe der Gallen-erzeuger und ihrer
Schmarotzer, Prag 1855.
Het geslacht Aylax behoort tot de familie der Cynipidae
Westw. en kenmerkt zich duidelijk. Hartig heeft het in tweeën
gesplitst; de eerste afdeeling, weinige soorten bevattende, is
volkomen glad en glanzig op den middenrug, de pooten en het
achterlijf zijn rood en het achterlijfseinde aan de rugzijde zeer
donker. De tweede afdeeling kenmerkt zich door een midden-
rug, die fijn gestipt is of eene lederachtige minder glanzende
oppervlakte vertoont, zonder dat die echter nog bepaald dof is
te noemen. Tot deze laatste behoort onze Aylax Glechomae
1) Ter vergelijking geef ik hier de bevolking op van eenige nesten: Vespa Gere
manica L. (uitgehaald 24 Juli) + 100 neutra, 1 9, 0 &. + 600 larven, waarvan
de helft ingesponnen en de: andere van zeer verschillenden leeftijd, de sterkte der
bevolking nam in de verdiepingen van beneden naar boven toe. De door de wespen
verlaten cellen der onderste laag bevatten reeds weder eieren, dan volgen de kleine
jonge larven, enz.; een ander van 17 Augustus telde met de larven mede slechts
300 individuen, terwijl weder een ander van 28 Augustus 2500 wespen en ongeveer
800 larven telde. Vespa vulgaris L., een nest telde 200 wespen en ongeveer even
zoovele larven; een ander + 3000 wespen en 600 larven.
168 VARIA ENTOMOLOGICA.
Hart. Aylax is later door Hartig zelven in Aulax veranderd,
daar evenwel geen geldige reden voor die naamsverandering is
op te geven, handhaaf ik de eerste spelling. Evenals van de
galwespen in ’t algemeen, is ook van deze soort het manlijk
geslacht nog niet bekend, zoodat de beschrijving alleen de
wijfjens geldt.
Van deze soort vond ik de gallen half Juni in den Haar-
lemmerhout ; de witte , glazige larven waren toen, hoewel vol-
wassen, nog niet verpopt en ongeveer 4 mm. groot. Monddeelen
bruin. Einde Juli verpopten zij. Prof. van Hall vond deze
soort in Groningen (Zie Bouwst. v. e. faun. v. Nederland, 1.
p. 233, n°. 167). De soort is niet algemeen en werd tot heden
in Holland niet gevonden (zie Nederl. Tijdschr. v. Entom. XII.
p. 115, n°. 261). De bewoonde plant, die ik vond, had twee
gallen, een aan den knop, met daardoor veroorzaakte vernieti-
ging der eindknop, en een midden in een blad (zie figuur 32).
De kleur der gallen is veel lichter groen dan die der bladen.
De bovenste was geheel rond met een diameter van 1 centimeter,
de andere was min of meer regelmatig vierkant en bol als een
kussentjen aan de bovenzijde. De bovenste had daarenboven
een roode blos en beiden waren met dons sterk bezet. De gal
bestond uit een buitenbekleedsel dat door vele vrij sterke tra-
beculae met de vrij groote kern verbonden was, overigens vulde
pulpa de tusschenruimte. De kern bevatte een viertal cellen,
door sterke tusschenschotten van elkander gescheiden (zie figuur
33). De tweede gal was minder regelmatig gebouwd, de tus-
schenruimte tusschen de buitenhuid en de kern was kleiner en
er waren een paar cellen meer in. De imagines verschenen in
het laatst van September en in October.
Kircher vond de gallen aan de bladstelen, stengels en knop-
pen, dus niet aan de bladen (bij Weenen). Hij kweekte er
twee soorten van parasieten uit, namelijk Pleromalus Glechomae
Först. en Torymus splendidus Först.
Acherontia Atropos L. Zoo als bekend is, tei ook de rups
van deze soort een geluid voort, dat met dat van den vlinder
overeenkomt, en naar mijne waarneming slechts iets minder
VARIA ENTOMOLOGICA. 169
gerekt is; zelfs bij de pop heeft de heer Ver Loren dit geluid,
hoewel zwak, waargenomen. Dat dit geluid van rups en pop
niet op dezelfde wijze kan onstaan als het bij den vlinder
ontstaat, is duidelijk, daar de organen daartoe, palpen en
zuiger, bij de rups en pop ontbreken (zie de laatste onderzoekingen
van Landois daaromtrent in Kölliker en Sieboldt’s Zeitschr. für
wissensch. Zool. Bd. 17, p. 55). Het zou m. i. dus nog kunnen
zijn dat bij de rups en pop de oorzaak van het geluid in de
zuigmaag en slokdarm gelegen is; gelijk Wagner ook van den
vlinder beweert. Landois spreekt dit wel ten stelligste tegen,
maar van de rups en pop zwijgt hij.
Taemiocampa stabilis W. V. Onder de voorwerpen van deze
soort door mij gevangen, kwamen enkele exemplaren der Var.
Juncta voor. Een dezer verdient bijzondere vermelding omdat
het zamenvloeien der niervlekken der bovenvleugels, dat hem
tot Var. Juncta Hw. maakt, aan de rechterzij zeer duidelijk
was, maar daarentegen de linker bovenvleugel volkomen gelijk
was aan 7. Stabilis W.V. type. Het exemplaar was volkomen
gaaf en goed ontwikkeld, en overigens geheel symmetrisch.
Carpocapsa grossana Haw. (Fagiglandana Zell.) Te gelijk met
rupsen van C. splendana Hübn. in aangestoken eikels, vond ik
in den Haarlemmer- en Aeren-hout de rupsen dezer soort in
beukenoten; doch zeldzamer.
De rups tast achtereenvolgens al de vruchten aan, die door
eenzelfde omhulsel omsloten zijn en verlaat om te verpoppen
de vrucht. Zij verpopt achter boomschors, enz. Volwassen is
zij 7 mm. lang. De twee eerste ringen zijn vuilgeel, het in
tweeën gedeelde schildjen en de oogen lichtbruin. Overigens is
de kleur roodachtig, eenigszins oranje, en het bovenste gedeelte
van elken ring lichter dan het onderste gedeelte. Op elken
ring staan twee puntjens op den rug en een terzijde en in elk
dezer zwarte puntjens een fijn baartjen. De buikvlakte en de
buikpooten zijn lichter, de borstpooten geelachtig (zie figuur 34).
Crambus Pratorum F. Het ei dezer soort is langwerpig, over-
langs gegroefd en oranjegeel van kleur (zie figuur 35).
Pterophorus pterodactylus L. De eieren dezer soort, eerst
170 VARIA ENTOMOLOGICA.
geelachtig en daarna donkergrijs, gelegd den 3°" Mei, kwamen
uit den 18% d. v. De rupsjens zijn grijsachtig met zwarten
kop, eenigszins ruig. Ik voedde hen op met gras.
Eenige kleinere en onbestemde aanteekeningen , waarbij ook
afbeeldingen ontbreken, vernietig ik, als m. i. niet van ge-
noegzaam belang om bewaard of gepubliceerd te worden.
En hiermede dus neem ik afscheid van mijne entomologische
vrienden in het vaderland en de vaderlandsche fauna.
Menige aangename herinnering komt mij daarbij voor den
geest; herinneringen aan de vergaderingen onzer vereeniging
en hare feestmaaltijden, waar hartelijkheid, gulle vriendschap
en gezelligheid, die alle onderscheid in jaren en maatschappe-
lijke positie als ’t ware wegnamen, steeds voorzaten ; herinne-
ringen aan excursies, die tot landelijke feesten werden; maar
vooral ook herinneringen aan hulp en onderstenning door raad
en daad ; — de laatste niet het minst, als de kunstvaardigheid van
het penseel van den eenen steeds bereid was voor anderen werk-
zaam te zijn; van der Wulp, Snellen van Vollenhoven en Brandts,
ontvangt daarvoor in ’t bijzonder nogmaals mijn hartelijken dank.
Ook gij, die zoo vaak mijne metgezellen waart op excursies om
Haarlem, Utrecht of Amsterdam, gedenk ik in ’t bijzonder, o. a.
Kinker, Lodeesen, Boogaard, onzen overleden Grebner, Hoff-
mann, Selenka, de beide Ritsema’s, Groll, Waalewijn, Sinia.
Het is mijn wensch in het verre westen ook voor onze weten-
schap, als tak der dierkunde, die 4/5 der geheele dierkunde
omvat, nuttig werkzaam te zijn, en daaraan de vereerende op-
dracht der regeering van Argentina in de eerste plaats dienstbaar
te maken. Al scheidt een groote afstand ons, toch kan het zamen-
werken voortgaan en zal ik door het toezenden van insekten, zoo-
veel mogelijk aan ieder in de afdeeling waarin hij zich specialiseert,
door het inwinnen van inlichting en inzenden van mededeelingen,
den vriendschapsband trachten aan te houden en te bestendigen.
Allen roep ik nog een hartelijk „ vaartwel” toe en.......
tot wederziens!
Rozenlust, 26 Juni 1872.
Figuur 1.
2.
3.
. Aanhangsel aan het staarteinde dezer larf (zeer vergroot).
24.
. Kop der pop van Ephydra riparia Fall. (vergroot, van
VARIA ENTOMOLOGICA. 171
Verklaring der Afbeeldingen.
De larf van Chironomus tentans F. (vergroot).
Kaak dezer larf (zeer vergroot).
Onderlip ” ( ” ” )
g. Klierachtig orgaan; c. luchtbuizen; s. stervormig
aanhangsel.
. De larf van Chironomus nubeculosus L. (vergroot).
De pop dezer soort (vergroot).
. Eierketen van Orthocladius diversus v. d. W. (vergroot).
. Een eitjen van dezen keten; geisoleerd (zeer vergroot).
. Ei van Tipula oleracea L. (vergroot).
. Pop van Mycetobia pallipes Meig. (vergroot).
. Pop van Sciara pallipes F. (zeer vergroot).
. Kop der larve van Sciara quinquelineata Macq. (ver-
groot, van voren).
. De larf dezer soort (vergroot).
. De eerste ringen dezer larf (vergroot van terzij).
. De larf van Bibio ferruginatus F. (vergroot).
. De larf van Cecidomyia Crataegi Winn. (zeer vergroot).
. Ei van Syrphus Corollae F. (vergroot).
. De larf van Sarcophaga carnaria L. (vergroot).
. Poptonnetjen van deze soort.
. Anthomyia-larf uit Bufo vulgaris Laur. (vergroot).
. Pop van Sepedon sphegeus F. (vergroot).
. Pop van Pelina aenea Fall. (vergroot).
. Pop van Ephydra brevwentris Fall. (vergroot, van de
rugzijde).
Pop van Ephydra breviventris Fall. (vergroot, van terzij)
terzij).
. Larven van Agromyza cunctans M. in een distelstengel.
172
Figuur 27.
28.
29.
30.
31.
32.
33.
34.
35.
VARIA ENTOMOLOGICA.
De pop dezer soort, vergroot.
Kamperfoelie-blad met gangen der larf van Phylomyza
flavicornis Meig.
De larf dezer soort, vergroot.
Een klauwtjen dezer larf, zeer vergroot.
De pop dezer soort, vergroot.
a. Braconide-larf parasiteerende op de voorgaande.
(vergroot).
b. Een segment dier Braconide-larf (zeer vergroot).
Glechoma hederacea met gallen van Aylax Glechomae
Hart.
a en b de gallen.
De bovenste gal, in doorsnede.
De rups van Carpocarpsa grossana Hw. (iets vergroot).
Ei van Crambus Pratorum F. (vergroot).
LES MACROLEPIDOPTERES DE BREDA ET
DE SES ENVIRONS.
LISTE SUPPLÉMENTAIRE N°. 4.
Captures de 1873
PAR
F. J. M. HEYLAERTS Fils.
580. Nola strigula Schiff. Une mâle fut pris par moi le
7 Juillet près du Speelhuis. L’espéce est nouvelle pour
notre Faune.
581. Psyche Graslinella Brd. Trouvée déjà en 1870 à
l’état de chenille et de femelle morte et sèche, ce
n’est qu'en 1873 que j'ai su élever les larves et
mener à bien leur entier développement. J’en possède
maintenant trois mâles superbes, éclos le 12, 19 et 25
Mai dernier, et le nom de l'espèce n’est donc plus
donteux. Les sacs se trouvent, en Avril, sur la bruyère
de Galder et en 1872 ils y furent assez communs, quoique
très-localisés.
582. Psyche plumifera O. J'avais cru toujours à l'existence
de cette Psychide dans nos environs, et, quoique j'aie
bien cherché chaque année, ce n’est que le 2 Mai der-
nier, que j'ai trouvé quelques mâles assez passés et un
seul fraichement éclos sur un point assez élevé de la
Bruyère de Galder.
583. Hadena basilinea F. Espèce très-connue et que pour-
tant je viens de découvrir ici, parce que je ne l’ai pas
cherchée dans les bonnes localités. Je la pris le 15 Mai
174 LES MACROLÉPIDOPTERES DE BRÉDA ET DE SES ENVIRONS.
sous les feuilles tombées d’une haie qui sépare un champ
cultivé de la bruyère de Galder.
584. Leucania impudens Hb. Les belles chenilles furent
trouvées par moi sur des graminées de la bruyère de
Galder. Chez moi elles n’ont mangé que les feuilles de
Holcus mollis; au commencement de Juin elles se
chrysalidèrent et le 27 du même mois la première femelle
apparut.
585. Leucania albipuncta F. Je pris, le 28 Août, un
beau mâle de cette espèce sur des fleurs de Lilium
lancifolium dans mon jardin.
REMARQUES.
1. En 1873 j'ai pu me procurer en abondance plusieurs espèces,
citées comme rares dans ma première liste. Ce sont:
1°. Psyche villosella O. environ 40 chenilles
dont j'ai eu plusieurs beaux mâles.
2, Agrotis neglecta Hb. Les chenilles presque
communes dans le Mastbosch en Avril.
3°. Mamestra contigua Vill. Les chenilles très-
communes en Octobre 1872 dans le Mastbosch.
4° Naenia typica L. Les chenilles extraordinai-
rement communes en Avril.
5°. Taeniocampa gracilis F. Le papillon très-
commun au commencement d'Avril.
6°. Bapta bimaculata F. Le papillon peu rare,
surtout les femelles, dans le Ulvenhoutsche bosch, etc.
2. J'ai pu m’assurer que la chenille figurée par Roesel (Tab
45 fig. 1) comme étant celle dAcronycta Euphrasiae
Brahm, n’est en réalité que celle d'Acronycta Euphorbiae
F., car en ayant trouvé sur la bruyère de Galder et espérant
en avoir l'espèce en question, j’eus la déception de voir ma
méprise. Le n°. 202 doit donc être rayé de ma liste.
AANTEEKENINGEN
BETREFFENDE EENE KLEINE COLLECTIE HYMENO-
PTERA VAN NEDER-GUINEA,
EN BESCHRIJVING VAN DE NIEUWE SOORTEN
DOOR
C. RITSEMA Cz.
Met eene welwillendheid waarvoor ik hem ten hoogste dank-
baar blijf, stond Dr. E. Piaget mij in het laatst van het vorig
jaar een 32-tal Hymenoptera, afkomstig van Neder-Guinea
(zuidwestelijk gedeelte van Afrika) ter bewerking af. Zij waren
in 1868 met insekten van andere orden verzameld door den
heer M. G. van Woerden, een ijverig entomoloog, die, hetgeen
voor onze wetenschap een waar verlies is, reeds in de zevende
maand van zijn verblijf in die gewesten als slagtoffer van het
ongezonde klimaat viel. !)
De Lepidoptera door van Woerden overgezonden hebben aan
den heer P. C. T. Snellen de stof geleverd voor een belangrijk
opstel, dat op blz. 1—110 van het zevende deel der tweede
serie van dit tijdschrift voorkomt, en waaraan ik de volgende
bijzonderheden ontleen betreffende de landstreek waar van
Woerden verzamelde.
Zij ligt in Neder-Guinea aan den mond der rivier Congo of
Zaïre op ongeveer 6 graden Zuiderbreedte. In den beginne hield
van Woerden zijn verblijf juist aan den mond der rivier op de
factorij Banana der Afrikaansche Handels-Vereeniging, later meer
landwaarts in, ongeveer (zooals hij schreef) veertien uren stoomens
de rivier op, te Loango. Langs de kust is het laag en zandig,
1) Nadat van Woerden den 1sten Mei 1868 op de plaats zijner bestemming was
aangekomen, overleed hij reeds in November daaraanvolgende.
176 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
binnenwaarts wordt het hooger; van Woerden ‘beschreef de streek
waar hij het laatst verzamelde als arm aan insekten, en den
grond als uit roodachtige, harde klei bestaande, zeer ongeschikt
voor insekten-larven om in te verpoppen.
De 32 mij ter hand gestelde Hymenoptera behooren tot 27
soorten, waarvan 2 tot de afdeeling der Ditrocha en 25 tot die
der Monotrocha. Ik trof onder hen 13 soorten aan die ik voor
onbeschreven meende te moeten houden, en daaronder eene
waarvoor ik zelfs een nieuw geslacht heb moeten oprigten. 1)
Van de 27 soorten zijn er 3 (n° 4, n° 8 en n° 14) ook in het
Zuidelijk gedeelte van Europa, en eveneens 3 (n° 3, n° 4 en
n°. 14) ook in den Oost-Indischen Archipel aangetroffen, zoodat
2 soorten (n° 4 en n° 14) in Zuid-Europa, in Afrika en in
den Oost-Indischen Archipel voorkomen.
I. DITROCHA. 11. Pompilus rutilus, Klug. 1 9.
Fam. BRACONIDAE. 12. „ ornatissimus,n.sp. 19.
1. Bracon maculifrons, n.sp. 1 2. Fam. SPHECIDAE.
» Corallinus, n. sp. 1d. 13. Ammophila Guineensis,
II. MONOTROCHA. I SD. Nee o:
FAM. CHRYSIDIDAE. 14. Pelopoeus spirifex, L. 14.
3. Pyria Iyneea, 2.22.0410. Fam. LARRIDAE.
4. Stilbum splendidum, F. 1p. 15. Larrada Vollenhovia, n.
Fam. DoRYLIDAE. SPIEL DE et eae 18.
5. Dorylus nigricans, Illig. 24. 16. Piagetia Woerdeni, n.
6. , Shuckardi,n.sp. 24. SRO Sp er 18.
FAM. SCOLIADAE. Fam. PHILANTHIDAE.
7. Elis(Dielis)ccelebs,Sich. 19. 17. Cerceris vidua, Klug . 19.
Fam. POMPILIDAE. Fam. EUMENIDAE.
8. Pompilus Bretonii, Guér. 14. 18. Eumenes Walkeri, n. sp. 2d.
9, , Taschenbergii, mihi. 19. 19. Synagris combusta, de
10. Pompilus elongatus, n. SASSI E 19.
1) Van dit genus is door mij ook reeds eene Javaansche soort beschreven. (zie
the Entomologist’s Monthly Magazine, vol. IX (Nov. 1872) p. 121.)
OLOGISCHE
C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
DER WULP
VENTIENDE DEEL
SOIA
RN
Ne
LINE
+
Ne
EE
SS BRA
=
N aes N
2 ve S
:)
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 177
Fam. VESPIDAE. Fam. APIDAE.
20. Belonogaster junceus 23. Megachile bombiformis ,
Me à ocre ie > RT 12
21. Belonogaster brunneus, 24. Megachile nigrocincta,
De RT NE a 19. ME SPs. eyes sie. Lo
22. Polistes inornatus, n. 25. XylocopacombustaSm. 1 9.
SINE NER er Rg. 2206. dons caca We Be LES:
27. , neglecta, n. sp. 29.
I. DITROCHA.
Fam. BRACONIDAE.
Genus Bracon, Fabricius.
1. Bracon maculifrons, nov. spec.
Na verwant aan Br. flagrator Gerst. (Peters, Reise nach Mossam-
bique, Insekten, S. 521, Taf. 32, Fig. 11) en dus even als deze
door vorm, sculptuur en kleur tot de groep van Brulle’s Br.
coccineus (volgens Gerstaecker in Peters’ Reise nach u. s. w.
synoniem met Br. fastidiator F.), incisus en pictus behoorende.
Van het wijfje door van Woerden overgezonden is het lig-
chaam 10, de legboor 3 mm. lang, terwijl het met uitgespreide
vleugels 22 mm. breed is.
De kleur is scharlakenrood; de zamengestelde oogen (de
enkelvoudigen zijn donkerbruin), de sprieten, op den schedel
eene ronde vlek, die juist de ocellen omvat, het einde der
bovenkaken, de scheedekleppen van den legboor, het laatste
lid der tarsen van de beide laatste pootenparen, benevens de
klaauwtjes en het daar tusschen liggende kussentje van de drie
paren zwart. Op het begin van de middellob en op de zijlobben van
den mesothorax schemert flaauw eenig zwart door. De tarsen der
pooten, vooral die van het eerste paar, (het laatste lid der beide
laatste paren uitgezonderd) zijn vuilgeel. Het aangezicht is mat
| glanzend, onmiddelijk boven de bovenkaken van eene kleine maar
diepe uitholling, en tusschen en beneden den grond der sprieten van
eene korte langsgroef voorzien. De glanzende schedel is tusschen
de ocellen en de bazis der sprieten diep en breed hartvormig
12
178 HYMENOPTERA VAN NEDER-SUINEA.
uitgehold, welke uitholling over het midden van eene fijne
langsgroef voorzien is. De mesothorax en het uitpuilende schildje
zijn zeer glad en glanzend, als het ware vernist, de metathorax
iets minder, daar deze met zeer fijne, verspreide puntjes bedekt is ;
over het midden echter is hij van een sterk glanzende en een
weinig verheven langsstreep voorzien. De groeven aan wederzijde
van de eenigszins boven de zijlobben uitstekende middellob des
mesothorax zijn niet diep.
De vleugels zijn donker zwartbruin; van het voorste paar zijn
de tegulae, de costa, de subcosta en het stigma koraalrood, de
beide costaaladeren door een zwart vlekje van het stigma ge-
scheiden, de overige aderen zwart; van het achterste paar zijn
de langsaderen rood, de vertakkingen zwart. In de voorvleugels
zijn bijna kleurloos: in de eerste cubitaalcel eene vlek langs
den achtterrand van het stigma, waarin eene andere vlek uit-
loopt, die als diagonaal genoemde cel in tweeën deelt; achter
de voorste discoïdaalcel, in het verlengde van genoemde diago-
naal en daarmede zamenhangende, eene driehoekige vlek, en
langs de beide zijden van den tweeden cubitaaldwarsader een
smal streepje. Voorts zijn in deze vleugels bruinachtig geel:
eene vlek in het voorste gedeelte van de apikaalcel, en in de
middelste humeraalcel langs den subcostaalader eene smalle
streep, die aan het eind der cel plotseling breeder wordt.
Van het breed eivormig achterlijf is de verhevenheid over het
midden van het eerste segment met onregelmatig geplaatste,
korte, overlangsche streepjes bedekt en daardoor lederachtig
gerimpeld en mat. Het vierkant dat deze verhevenheid als eene
lijst omgeeft, benevens de driehoekige lappen op de zijden
daarvan, zijn glad en glanzend. Het middenveld der volgende
segmenten is met puntjes digt bedekt en daardoor mat. De
diepe groef langs de bazis der segmenten is sterk overlangs
gestreept en evenals de puntjes op het middenveld fraai goud-
glanzend, waardoor de rug van het achterlijf eene vaalroode
kleur verkrijgt. De groef langs den achterrand van het derde
en de volgende segmenten, als ook de verhevenheden langs de
zijden van het achterlijf zijn echter helder rood en met puntjes
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 179
bedekt. De beide verhevenheden langs de bazis van het tweede
segment zijn helder rood, glad en glanzend.
De zwarte scheedekleppen van den legboor zijn flaa-1w gebogen
en naar het einde merkbaar verbreed; de legboor zelf is bruin-
rood. Het insekt is, vooral aan de onderzijde van den thorax,
spaarzaam met fijne witte haren bedekt.
2. Bracon corallinus, nov. spec. (Plaat 11, fig. 1.)
Van deze soort, die tot de groep van de voorgaande behoort,
heb ik een mannelijk voorwerp voor mij. Het heeft eene lengte
van 11 mm. en, met uitgestrekte vleugels, eene breedte van
24 mm.
De kleur is helder koraalrood; de kop bruinachtig geel; de
zamengestelde oogen (de enkelvoudigen zijn donkerbruin), de
sprieten met den top van de knobbels waarop zij zijn ingeplant,
op den schedel een vlek of band die digt achter den grond
der sprieten begint en daar breed afgerond is, juist de ocellen
in zich opneemt en zich over het achterhoofd tot aan de in-
planting van den hals uitstrekt en waarin zich achter de ocellen
eene V vormige figuur van de kleur van den kop vertoont, het
einde der bovenkaken en dat van de klaauwtjes der tarsen met
de daartusschen liggende kussentjes, zwart. Op het begin van
de middellob en op de zijlobben van den mesothorax schemert
flaauw eenig zwart door. Het laatste achterlijfssegment is bruin
rood. Het aangezicht is mat, onmiddelijk boven de bovenkaken
van een’ dwars-ovalen indruk en tusschen en beneden den grond
der sprieten van eene korte langsgroef voorzien. De sterk glan-
zende schedel is tusschen de ocellen en den grond der sprieten
diep en breed hartvormig uitgehold, welke uitholling over het
midden van eene fijne langsgroef voorzien is. De geheele thorax
met het uitpuilende schildje is glad en glanzend. De groeven
aan weerszijde van de eenigszins boven de zijlobben uitstekende
middellob des mesothorax zijn niet diep.
De vleugels zijn donker zwartbruin; van het voorste paar
zijn de tegulae, de costa, de subcosta en het stigma, welk
laatste in het midden doorschijnend en daardoor lichter gekleurd is,
180 HYMENOPTERÁ VAN NÉDER-GUINÉA.
helder koraalrood, de beide costaaladeren door een zwart vlekje
van het stigma gescheiden; de mediaal langs- en dwarsader
vuilrood, de overige aderen zwart; van het achterste paar zijn
de langsaderen rood, de vertakkingen zwart. In de voorvleugels
is bijna kleurloos: de binnenhoek van de radiaalcel tot aan de
eerste cubitaaldwarsader, het buitenste drie vierde gedeelte van
de eerste cubitaalcel, eene vlek achter de discoïdaalcellen en
het begin van de apicaalcel, welke vlekken met elkander
zamenhangen en zoodoende een’ onregelmatigen doch onafge-
broken band over de voorvleugels vormen; de aderen welke in
in dezen band liggen zijn geelachtig van kleur; voorts is kleurloos
een smal streepje langs beide zijden van den tweeden cubitaal-
dwarsader, terwijl de middelste humeraalcel, met uitzondering
evenwel van de bazis, bruinachtig geel van kleur is. In de
achtervleugels merkt men twee licht gekleurde vlekken op:
eene langwerpige op de hoogte van het frenum, en eene ronde
onmiddelijk achter en onder de plaats waar de tweede langsader
zich vertakt.
Het achterlijf is zooals gewoonlijk bij de mannetjes smal eivor-
mig. De verhevenheid op het midden van het eerste segment is
overlangs gestreept en mat, het vierkant dat haar omgeeft glan-
zend, de driehoekige lappen op de zijden van dit vierkant met grove
rimpels bedekt. Het middenveld van het tweede segment is met
overlangsche streepjes, dat der drie volgenden met puntjes digt
bezet en daardoor mat, het laatste segment is glad en glanzend.
De diepe groef langs de bazis der segmenten is sterk overlangs
gestreept en min of meer goudglanzig. De groef langs den achter-
rand van het derde segment en van de volgenden is van fijne
puntjes voorzien. De verhevenheden langs de zijden van het
achterlijf zijn glanzend, die langs de bazis van het tweede
segment mat. Waarschijnlijk door indrooging liggen de hoeken
aan wederzijde van den achterrand van het voorlaatste segment
geheel vrij. Het einde van de geledingen der tarsen is zwart-
achtig betint. Het geheele insekt is spaarzaam met fijne witte
haren bezet.
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 181
II. MONOTROCHA.
Fam. CHRYSIDAE.
Genus Pyria, Lepeletier et Serville.
3. Pyria lyncea. Fabricius, Syst. Piez. p. 172, n°. 8 (Chrysis).
Peters, Reise nach Mossambique, Insekten, S. 519.
Syn. Pyria armata. Lepeletier et Serville, Encycl. Méth. X,
p. 495. — Brullé, Suites à Buffon. Hymenopt. IV, p. 21, n°. 4.
Pyria Reichei. Spinola, Ann. Soc. Ent. France. VII, p. 448.
. Chrysis lyncea Fabr. Dahlbom, Hymenopt. Europ. II,
p-.339, n°. 191.
Van het wijfje dat ik voor mij heb valt niets bijzonders te
zeggen. ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden bezit
van deze soort, die over het grootste gedeelte van Afrika schijnt
voor te komen (volgens Gerstaecker in Peters’ Reise l.c. ook in
Arabië en op het Prinsen-eiland), behalve een exemplaar van
de Kaap de Goede Hoop, ook een dat volgens het etiquet van
Java afkomstig is.
Genus Stilbum, Spinola.
4. Stilbum splendidum. Fabricius, Syst. Piez. p. 170, n°. 1
(Chrysis). — Brullé, Suites a Buffon. Hyménopt. IV, p. 15.
n°. 1. — Dahlbom, Hymenopt. Europ. II, p. 358 n°. 199,
tab. XII. 114. — Peters, Reise nach Mossambique, Insekten,
S. 519.
Het mannetje door van Woerden overgezonden is 10 mm. lang
en behoort tot Dahlbom’s varieteit b. De kleur is nl. helder groen
met blaauwen weerschijn, met uitzondering evenwel van het
achterhoofd, de tegulae en het achterste gedeelte van den mid-
dellob des mesothorax tot en met het scutellum welke deelen
donkerblaauw zijn, en het laatste achterlijfssegment dat violet
gekleurd is.
Met Brullé en Gerstaecker geloof ik dat St. calens F. niet
als eene afzonderlijke soort van St. splendidum F. mag worden
afgescheiden, daar tusschen beide vormen (ook in het Leidsch
182 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
Museum) allerlei overgangen bestaan in grootte, in kleur en in
bestippeling van den thorax. Ä
Deze soort is over Zuidelijk Europa, Afrika en den Oost-
Indischen Archipel verbreid.
Fam. DoRYLIDAE.
Genus Dorylus, Fabricius.
5. Dorylus nigricans. Illiger, Magazin der Entomologie. Bd. I,
S. 188, n°. 18. — Fabricius, Syst. Piez. p. 427,
n°. 2. — Shuckard, Annals of Natural History. vol. V,
p. 271. sp. 1. — Gerstaecker, Beitrag zur Insektenfauna
von Zanzibar, in Troschel’s Archw für Naturgeschichle,
Jahrg. 37. Bd. I, S. 355, n°. 52.
‘ De beschrijving welke Illiger ter aangehaalde plaatse geeft,
past goed op mijne beide voorwerpen; alleen zegt hij: „die
Beine schwarz; die Kinnbacken braun,” terwijl bij mijne voor-
werpen én pooten én kaken (ook de schaft der sprieten) van
dezelfde kleur, en wel zeer donker kastanjebruin zijn, hetgeen
met Shuckard’s beschrijving volkomen overeenstemt.
’s Rijks Museum bezit een exemplaar dezer soort van de Gambia
herkomstig, dat over het geheel meer bruin van tint is. Illiger
en Shuckard hadden hunne exemplaren van Sierra Leona,
Fabricius van Guinea, Gerstaecker van de Bura-bergen.
6. Dorylus Shuckardi, 1) nov. spec.
Deze soort waarvan ik twee mannetjes voor mij heb, behoort
tot de vierde Shuckardsche groep, daar de achterlijfssteel vier-
kant is en de bovenkaken breed en bijna driehoekig zijn; zij
is het naast verwant aan D. atriceps Shuck. De mij bekende
soorten van deze groep zijn behalve de laatst genoemde soort:
D. orientalis Westw., D. longicornis Shuck., D. attenuatus Shuck.
en D. diadema Gerst.
De lengte der nieuwe soort bedraagt 21 mm., de breedte
met de vleugels uit 33 mm. De kleur is graauwachtig bruin,
1) Naar den schrijver van de » Monograph of the Dorylidae » in Annals of Natural
History, 1840. È
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 183
overeenkomende met die van D. helvolus L., de thorax donkerder
dan het abdomen. De kop is zwart, vooral op den schedel
met uiterst fijne zilverglanzige haartjes bedekt. De bovenkaken,
de schaft en de twee of drie eerste geledingen van den vlag
der sprieten, benevens de pooten zijn kastanjebruin, zeer glad
en sterk glanzend, het overige gedeelte van de sprieten licht
bruingeel. De onderrand van den kop langs en tusschen den
grond der bovenkaken, de onderzijde van den thorax en van
de steel van het achterlijf, de heupen, de achterzijde der dijen
van het eerste pootenpaar, de achterrand van den metathorax
en van de steel van het achterlijf, benevens de zijden van het
laatste achterlijfssegment zijn met overeindstaande lange fijne
aschgraauwe haren bezet. Voorts zijn thorax en achterlijf (behalve
het glanzende laatste segment) digt bedekt met korte fijne
aschgraauwe haartjes, die aan deze deelen (vooral aan het
achterlijf) eene zijdeachtige glans geven. Onbehaard zijn de
bovenkaken, de sprieten, de pooten (met uitzondering van de
heupen en van de achterzijde der dijen van het voorste paar)
en het laatste segment van het achterlijf met uitzondering van
de zijden. De kop met de kaken heeft van voren gezien de
vorm van een’ gelijkzijdigen driehoek; zonder de kaken is het
een dwars langwerpig vierkant, waarvan de zamengestelde oogen
de hoogte aangeven. Terwijl de schedel vlak, tusschen de beide
achterste ocellen zelfs eenigszins uitgehold is, puilt het voorhoofd
zeer sterk uit; het laatste bezit slechts een spoor van een langsgroef
onder het voorste bijoogje ; daarentegen bemerkt men onmiddellijk |
achter dit oogje eene fijne gleuf, die over den schedel ver naar
achteren loopt. De helder bruine ocellen zijn in een’ driehoek
geplaatst, met iets minder dan de middellijn van een hunner
als afstand tusschen het voorste en de beide achterste; tusschen
deze laatsten bedraagt de afstand iets meer dan de genoemde
middellijn. De zamengestelde oogen zijn zwart, rond en sterk
uitpuilend; zij nemen de zijden van den kop nagenoeg geheel
in, en stooten dan ook bijna op den grond der bovenkaken.
De lengte van den schaft der sprieten bedraagt een vierde ge-
deelte van de lengte van het geheele orgaan. De bovenkaken
184 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
zijn kort en breed (ongeveer anderhalf maal zoo lang als breed)
en bijna driehoekig; hun bazis strekt zich naar binnen tot
voorbij den grond der sprieten uit, zoodat zij hier zeer digt tot
elkander naderen. De mesothorax is op het midden ongeveer
zoo breed als de kop, ovaal en van voren sterk gewelfd, de
metathorax iets smaller en van achteren eenigszins ingebogen ;
het scutellum vertoont op het midden eene flaauwe langslijn ;
de achterrand van het zwart gekleurde postscutellum is gegolfd.
De vleugels zijn wit troebel, als met poeder bestoven; de aderen
zwart behalve de costa , die evenals het gewricht der vleugels
bruin gekleurd is; de radiaalcel is donkergrijs, zeer donker in
het naar de vleugelbazis gekeerde gedeelte; de terugloopende
ader is flaauw naar buiten gebogen en stoot op den cubitaal-
ader digt achter het midden van de eerste cubitaalcel; de cubi-
taalader ıs bijna regt, bij den cubitaal dwarsader eenigszins
naar boven gebogen. De dijen hebben in vereeniging met de
trochanters ongeveer de gedaante van een suikerbrood. Het
achterlijfssteeltje is vierkant met afgeronde hoeken, minder hoog
en iets smaller dan het klokvormige eerste achterlijfssegment ;
aan de onderzijde is het van een’ van den top naar de bazis
afloopenden glanzenden driehoekigen kiel voorzien, waarvan de
top naar den thorax, de bazis naar het achterlijf gekeerd is.
Het achterlijf is lang, bijna cilindrisch, doch naar achteren iets
in omvang toenemende.
Bij een mijner beide vonrwerpen bemerkt men in beide voor-
vleugels (in de regter evenwel sterker dan in de linker) het
begin van een’ tweeden terugloopenden ader, hetgeen echter
slechts voor eene individueele afwijking te houden is; Shuckard
heeft bij zijn Dorylus atriceps hetzelfde waargenomen in de
linker voorvleugel.
Bij het andere voorwerp, dat overigens geheel aan de hier
bovenstaande beschrijving beantwoordt, zijn de bovenkaken zeer
donker kastanje bruin van kleur,
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 185
FAM. SCOLIADAE.
Genus Els, Fabricius.
Subgenus Dielis, Sichel.
1. Elis celebs. Sichel et de Saussure, Catalogue des espèces
de Vancien genre Scoha. p. 184 et 297, sp. 193.
Het wijfje dat ik voor mij heb behoort tot de zeldzame varieteit
met bleek aschgrauwe beharing op kop en thorax.
FAM. POMPILIDAE.
Genus Pompilus, Fabricius.
8. Pompilus Bretomi. Guérin, Mag. de Zool. 1843. Insectes.
pl. 115. fig. 2. — Smith, Cat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus.
prt. III, p. 138, n°. 101. — Peters, Reise nach Mossambique.
Insekten. S. 485 (onjuist staat hier Brentonu). — Gerstaec-
ker, Beitrag zur Insectenfauna von Zanzibar, in Troschel’s
Archiv für Naturgeschichte. Jahrg. 37. Bd. I, S. 352,
n°. 25 (ten onregte brengt Gerstaecker hier tot deze soort
terug P. xanthocerus Dahlb. = P. ruficeps Taschenb.; zie
hiervoor echter het volgende nommer).
Syn. Pompilus croceicornis Klug. Dufour, Ann. Soc, Ent. France.
1861. p. 7. pl. 1, fig. 3. — Kirchner, Cat. Hym. Europae.
1867, p. 214, n°. 15.
Dat Pepsis flavicornis F. (Fabricius, Syst. Piez. p. 216, n°. 44)
= Cyphononyx flavicorms F. (Dahlbom, Hym. Europaea. t. I. p.
XXII et p. 462 : 4) = Mygnimia flavicornis F. (Smith, Cat. Hym.
Ins. Coll. Brit. Mus. prt. III, p. 185, n". 13 and p. 206) =
Priocnemis flavicornis F. (Taschenberg, die Pompiliden des Museums
der Universitit zu Halle, in Zeitschrift für die gesammten Natur-
wissenschaften. Herausgegeb. von dem naturwissensch. Vereine
für Sachsen und Thüringen in Halle, redigirt von Giebel und
Siewert. Jahrg. 1869, Bd. 34. S. 34) ook tot deze soort behoort
is wel zeer waarschijnlijk, maar nog niet met zekerheid aan-
getoond. — Zie over deze quaestie: von Kiesenwetter, Berliner
Entomologische Zeitschrift. Bd. V (1861) S. 404 en Gerstaecker,
186 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
Bericht über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiele der
Entomologie während des Jahres 1861. S. 150.
Het mannetje door van Woerden overgezonden, beantwoordt
zeer goed aan de beschrijving die Guerin van deze sexe geeft;
alleen merk ik nog langs den binnenrand der zamengestelde
oogen eene bruine streep op, terwijl niet de boven-, maar de
„onderzijde van den thorax het blaauwe waas van het achterlijf
bezit, en het zich ook, hoewel flaauw, over de beide achterste
pootenparen uitstrekt; het grootste gedeelte der voorpooten is
donker roestkleurig.
’s Rijks Museum te Leiden bezit van deze soort onder den
naam Crocicornis Klug vier vrouwelijke exemplaren uit Egypte,
afkomstig van het Berlijnsch Museum !), twee mannelijke exem-
plaren van Sierra Leona uit de collectie Hope, en een mannetje
van de Goudkust. Zij zijn in het geslacht Mygnimia Smith ge-
plaatst. De wijfjes zijn volkomen gelijk aan de mannetjes,
behalve de gewone sexueele verschillen, zooals: forscher gestalte,
omgekrulde sprieten, minder haren aan het eind van het achterlijf,
enz. Guérin's opgave als zouden de klaauwtjes der tarsen bij
de wijfjes niet gaffelvormig, maar op het midden slechts van
een kleinen tand voorzien zijn, moet ik na eigen onderzoek
voor onjuist verklaren. a
Pompilus Bretonii Guér. behoort in de aan het geslacht Cypho-
nonyx Dahlb. beantwoordende afdeeling A van Taschenberg’s
genus Priocnemis te huis. Tot dit genus, omdat de eerste
terugloopende ader tusschen het midden en het eind van de
tweede cubitaalcel uitmondt, terwijl de scherpkantige achter-
scheenen zaagtandig bedoornd zijn, en de submediaalcel in de
voorvleugels langer is dan de mediaalcel; tot de genoemde af-
deeling, wegens de gaffelvormige klaauwtjes der tarsen. (Zie
Taschenberg, die Pompiliden u. s. w.)
Volgens de verschillende opgaven is deze soort over Zuidelijk
Europa en het grootste gedeelte van Afrika verspreid.
1) Een vrouwelijk voorwerp dat in alle vopzigten met de Egyptische wijfjes zou
overeenstemmen indien niet de top der voorvleugels bijna ongekleurd ware, houd ik
_voor eene individueele afwijking. De plaats van herkomst van dit wijfje is onbekend.
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 187
9. Pompilus Taschenbergii, mihi (Plaat 11, fig. 2).
Syn. /ompilus ruficeps. Taschenberg, die Pompiliden des Museums
der Unwersität zu Halle. 1. e. S. 54.
? Pompilus æanthocerus. Dahlbom, Hym. Europaea. I.
p. 446. n°. 24.
Niet zonder eenig aarzelen breng ik het wijfje dat ik voor
mij heb tot Taschenberg’s P. ruficeps (daar echter reeds door
Eversmann in de Bulletins de Moscou voor 1849 (tome XXII.
pars II, p. 376, n°. 12) een Pompilus-soort uit Zuid-Rusland
als P. ruficeps beschreven is, stel ik voor, aan de soort waar-
van hier sprake is, den naam ‘te geven van den kundigen
hymenopteroloog uit Halle) aangezien het in de volgende opzigten
van diens beschrijving afwijkt.
Aan den kop, dien Taschenberg ,,schmutzigroth” noemt,
zie ik deze kleur alleen op het kopschild, even boven den grond
der sprieten, en rondom de zamengestelde oogen, het overige
is zwart; ook het pronotum is zwart in plaats van „ bràunlich-
roth,” terwijl het achterlijf niet blaauw maar groen berijpt is.
Omtrent dit laatste verschil moet ik echter doen opmerken dat
ook bij de voorgaande soort (P. Bretonn Guér.) het achterlijf
soms meer groen dan blaauw berijpt is, zoodat deze kleuren in
elkander schijnen over te gaan. Voorts zou ik nog bij de be-
schrijving willen voegen dat de tweede cubitaaldwarsader sterk
naar binnen gebogen, ja onder het midden bijna gebroken is,
terwijl de costa tot over de helft van de radiaalcel naar voren
gekromd is, en vervolgens plotseling bijna regt voortloopt,
waardoor eene merkbare inbuiging ontstaat.
Gerstaecker brengt in zijn Beitrag zur Insectenfauna von Zanzibar
l. c. S. 352, P. ruficeps Taschenb., dien hij zonder voorbehoud
synoniem rekent met P. zanthocerus Dahlb., tot P. Bretonu Guér.
terug. Dat hiervoor niet den minsten grond bestaat, blijkt reeds
voldoende uit de omstandigheid, dat Dahlbom zijn P. zanthocerus
niet in zijn geslacht Cyphononya, en Taschenberg zijn P. ruficeps
niet in de afdeeling A van zijn geslacht Priocnemis opneemt,
188 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
waarin zooals wij hierboven gezien hebben P. Breton Guér.
wel degelijk te huis behoort.
Het exemplaar door Taschenberg beschreven is afkomstig van
Chartum in Nubië, Dahlbom’s P. xanthocerus van den Senegal.
10. Pompilus elongatus, nov. spec. (Plaat 11, fig. 3.)
Deze soort, waarvan ik een mannelijk exemplaar voor mij heb,
behoort evenals n° 9, n° 11 en n° 12 tot het genus Pompilus
zooals dit door Taschenberg t. a. pl. begrensd is, !) en is na
verwant aan P. Capensis Dahlb. (Hym. Eur. I, p. 49).
De donkerbruine kop is meer hoog dan breed; de binnen-
rand der evenwijdig geplaatste zamengestelde oogen is boven
het midden eenigszins ingebogen ; het kopschild is aan den onder-
rand regt afgesneden, de hoeken echter zijn afgerond; ter
wederzijde van den grond der sprieten is het aangezicht met
zilverglanzige haartjes bedekt; de sprieten zijn bruin van kleur,
aan de onderzijde lichter dan aan de bovenzijde, slechts flaauw
gebogen (niet omgekruld) en in het midden eenigszins gezwol-
len; de bovenlip is donkerbruin, op het midden zwart; de
bovenkaken en de palpen zijn bruinachtig geel, de eerste met
donkerbruine uiteinden.
De prothorax, het mesonotum, het scutellum, het postscutel-
lum en de tegulae zijn donkerbruin, de achterrand van het pro-
notum bruinachtig geel, het overige gedeelte van den thorax
koolzwart met een’ flaauwen weerschijn; de gladde metathorax
is naar achteren afgerond en van een’ breeden dwarslijst voor-
zien. De vleugels zijn fraai geel met zwarten zoom, deze
strekt zich in de voorvleugels uit over de tweede helft van
de radiaalcel, over het grootste gedeelte van de derde cubitaal-
cel, over de tweede helft van de apicaalcel en over de geheele
1) De kenmerken die Taschenberg aan zijn geslacht Pompzlus toekent zijn: Spaar-
zaam bedoornde of beborstelde ronde achterscheenen, de doorns soms in rijen geplaatst.
De mediaal- en submediaalcel der voorvleugels van gelijke lengte, hetgeen echter niet
altijd volkomen het geval is. De discoïdaalader houdt meesta/ voor den vleugelzoom op.
Vervolgens deelt hij dit geslacht in tweeën, al naar gelang de klaauwtjes der tarsen
tot op het midden van een’ kleinen, of. tusschen het midden en het eind van een’
grooten tand voorzien zijn, in welk laatste geval de klaauwtjes gegaffeld zijn. Tot de
eerste afdeeling behoort n° 9, n° 10 en n°11, en tot de tweede n° 12 van deze collectie.
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 189
vierde cubitaal- en derde discoïdaalcel, welke beide laatste cellen
echter bij dit genus niet volkomen zijn; het donkerste gedeelte
van dezen zoom (dat wat het einde van de vierde cubitaal-,
derde discoidaal- en apicaalcel bedekt) is fijn gerimpeld en
fraai iriserend, hetgeen ook het geval is met den donkeren
zoom der achtervleugels, die niet aan het eind der mediaalcel
raakt, maar zich, hoewel flaauw en smal, langs den achter-
rand tot aan den vleugelbasis uitstrekt; de vleugeladeren zijn
geel, behalve de costa en de subcosta met de randen van het
stigma, en dat gedeelte der aderen wat zich in den zwarten
zoom bevindt; het laatste is zwart, de eerstgenoemde aderen
zijn bruin. In de voorvleugels zijn de mediaal- en submediaal-
cel even lang; de tweede cubitaalcel is niet verlengd, en
ongeveer even zoo groot als de derde, beiden zijn tegen de
radiaalcel vernaauwd; de tweede cubitaaldwarsader is regt, de
eerste en derde naar buiten gebogen; de discoïdaalader bereikt
den vleugelrand niet. In de achtervleugels ontspringt de cubi-
taalader onmiddelijk voor het einde der anaalcel. Van de
voorpooten zijn de heupen, de trochanters en de bazis der dijen
zwart, de heupen met enkele bruine vlekjes, het overige van
de kleur der sprieten. Van de beide laatste paren, die bijzonder
lang zijn, zijn de heupen, de trochanters en de dijen (met
uitzondering der donkerbruine knieën) zwart, de scheenen donker
bruin, de tarsen nog donkerder, bij zwart af. De doorns der
pooten zijn bruin, die der scheenen in rijen geplaatst. De
klaauwtjes der tarsen zijn op het midden van een’ kleinen tand
voorzien. Het achterlijf is zoo breed als de thorax, schijnbaar
ongesteeld, en dofzwart met een’ flaauwen blaauwachtig groenen
weerschijn. De anus is donkerbruin.
De lengte van het hier beschreven mannetje, dat over het
geheel eene zeer gestrekte gedaante bezit, bedraagt 15 mm.
11. Pompilus rutilus. Klug, Symbolae Physicae, decas IV,
n°. 4, tab. 38, fig. 4. — Smith, Cat. Hym. Ins. Coll.
Brit. Mus. prt III, p. 138, n°. 99.
Het wijfje, dat ik als tot deze soort behoorende beschouw,
190 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
zou volkomen aan Klug’s beschrijving en afbeelding (genomen
naar een voorwerp afkomstig van Ambukohl in Nubië) beant-
woorden, als niet de kleur bruinrood was en de voorvleugels
niet donkerbruin gekleurd en met een violetten weerschijn
voorzien waren. Voorzichtigheidshalve laat ik hier eene naauw-
keurige beschrijving van mijn voorwerp volgen.
De lengte bedraagt 14 mm. De kleur is bruinrood met uit-
zondering van de zij- en ondervlakte van den mesothorax en
den geheelen metathorax, welke deelen loodkleurig zijn. De
voorvleugels zijn donkerbruin (iets donkerder nog langs de
aderen en den zoom) met violetten weerschijn; de achtervleu-
gels zijn veel lichter gekleurd met donkeren top; de vleugel-
aderen en het stigma zijn zwart, de tegulae bruinachtig geel.
Het kopschild is aan den voorrand in het midden rond uit-
gesneden en bruinachtig geel van kleur, even als de palpen en
de bovenkaken, welke laatsten aan het einde zwart zijn. On-
middellijk boven den grond der sprieten bevindt zich op het
aangezicht eene kleine verhevenheid die van een langsgroef
voorzien is. Tusschen den grond der sprieten en den binnen-
rand der zamengestelde oogen is het aangezicht met zilver-
glanzige haartjes bedekt.
Het pronotum is in de schouders sterk gezwollen, de boven-
vlakte van het mesonotum afgeplat en het schildje aan weers-
zijde en van achteren stijl afloopende en daardoor stomp kiel-
vormig. Over het midden van den naar achteren afgeronden ,
en aan het eind van een’ zich naar voren ombuigenden dwarslijst
voorzienen metathorax loopt eene overlangsche groef. Het meta-
notum, dat lager ligt dan het mesonotum is fijn dwars gerim-
peld en eenigszins zilverglanzig; dit laatste is vooral eigen aan
het mesosternum.
In de voorvleugels is de submediaalcel iets langer dan de
mediaalcel; de 2de cubitaalcel niet verlengd en slechts zeer
weinig langer dan de derde; beide zijn tegen den radiaalader
vernaauwd; de discoïdaal-ader bereikt den vleugelzoom niet. In
de achtervleugels ontspringt de cubitaal-ader juist aan het eind
der anaalcel, zoodat hij zich als eene voortzetting van den
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINFA. 191
anaal-dwarsader voordoet. De klaauwtjes der tarsen zijn vóór
het midden met een’ kleinen tand gewapend; de doorns der
scheenen zijn in rijen geplaatst.
Van het achterlijf is het korte steeltje en de uitgestulpte
scheede van den angel zwart, en de segmenten langs hun
achterrand iets donkerder dan aan hun bazis. Het tweede segment
is op het midden van de buikzijde van een’ dwarschen indruk
voorzien.
’s Rijks Museum bezit een vrouwelijken Pompilus van de kust
van Guinea afkomstig, die slechts van bovenstaande beschrij-
ving afwijkt, doordien hij 18 mm. lang is, de cubitaalader in
den regter achtervleugel digt achter het eind der anaalcel ont-
springt , de achterrand der geledingen van het achterlijf don-
kerder is en op het midden naar voren uitspringt en deze
geledingen op de buikzijde zwartachtig geteekend zijn.
12. Pompilus ornatissimus, nov. spec. (Plaat 11, fig. 4.)
Zonder twijfel behoort deze soort in de nabijheid van P.
ornatus Klug (Symb. Phys. dec. IV, n°. 7, tab. 38, fig. 7)
geplaatst te worden, doch deze prijkt met minder bruin.
De lengte van P. ornatissimus (het exemplaar dat ik voor
mij heb is een wijfje) bedraagt 8.5 mm. De op het aangezicht
eenigszins gezwollen kop is bruinrood, de sprieten iets lichter.
Rondom de zamengestelde oogen loopt een smalle gele band.
Het kopschild is veel breeder dan hoog, aan den voorrand
regt afgesneden, de hoeken echter zijn afgerond; het is vuil-
geel gekleurd, even als de palpen en bovenkaken; de laatsten
echter zijn aan het eind donkerbruin. Onmiddelijk boven en
naast den grond van elken spriet bespeurt men een zwart vlekje.
De prothorax is aan de voorzijde zwart, daarachter en ter
weerszijde roodbruin, terwijl de achterrand van het pronotum
vuilgeel gekleurd is. De mesothorax met het scutellum en
postscutellum is zwart, met uitzondering van het roodbruine
mesonotum en eene gele vlek op het scutellum. Ook de meso-
thorax is zwart, met uitzondering van het gladde metanotum ,
dat roodbruin is. De pooten zijn bruin met eenigszins lichter
192 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
gekleurde tarsen, terwijl de heupen en trochanters voor het
grootste gedeelte zwart zijn. De eindsporen der scheenen zijn
lichtgeel, en de doorns in rijen geplaatst. De klaauwtjes der
tarsen zijn tusschen het midden en heteind van een sterken
tand voorzien.
De aan hun top zwart gekleurde vleugels vertoonen een
blaauwachtig witte troebeling, terwijl de voorvleugels langs den
mediaal-dwarsader geelachtig betint zijn. In de voorvleugels zijn
mediaal- en submediaalcel even lang; de 2de cubitaalcel heeft
de vorm van een regthoekig trapezium waarvan de bazis dub-
bel zoo lang is als de breedte aan den radiaalader; ook de 3de
cubitaalcel heeft eenigszins dezen vorm maar is korter dan de
tweede; de discoidaalader reikt niet tot aan den vleugelzoom.
In de achtervleugels ontspringt de cubitaalader vóór het einde
der anaalcel. De tegulae zijn vuilgeel, de vleugeladeren donker-
bruin, het stigma in het midden doorschijnend.
Het achterlijf is glad en glanzend, aan het laatste segment
met eenige haren voorzien. De buikzijde is donkerbruin, bijna
zwart, met helderbruinen anus, en op het eerste segment van
een ankervormig geel gekleurd figuur voorzien. Op de rugzijde
is het eerste segment zwart met een donkerbruine vlek aan
weerszijde van de bazis, het 2de en 3de zeer donkerbruin,
bijna zwart, met gelen band over de bazis, welke band op het
midden eenigszins zamengetrokken en door een bruin streepje
onderbroken is; op het 4de segment is het bruin lichter,
overigens als segment 2 en 3; de beide laatste segmenten zijn
geelachtig bruin.
FAM. SPHECIDAE.
Genus Ammophila, Kirby.
13. Ammophila Guineensis, nov. spec.
Deze soort behoort tot de afdeeling waarvan de steel van het
achterlijf door de beide eerste achterlijfssegmenten gevormd
wordt, terwijl de derde cubitaalcel tegen den radiaalader weinig
of niet versmald is. Zij is daardoor verwant aan A. rubiginosa
en rugicollis Lepel. en aan A. lugubris Gerst; van A. cyamiventris
.
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA, 193
Guér. (Mag. de Zool. 1843.) verschilt zij slechts weinig, doch
te veel om haar voor dezelfde soort te houden.
De kop is donkerbruinrood, van voren (op het aan den voor-
rand flaauw afgeronde kopschild en ter weerszijde van den grond
der sprieten) met fijne zilverglanzige haartjes bedekt; de uit-
einden der bovenkaken en op het voorhoofd een vlek die van
voren uitgesneden is, zich naar achteren tot over de ocellen !)
uitstrekt en verder langs den binnenrand der zamengestelde
oogen doorloopt, zwart. De sprieten zijn zwart, met uitzonde-
ring van den schaft en de onderzijde der beide eerste geledingen
van de vlag, welke deelen bruinrood zijn.
De prothorax die van grove dwarsche rimpels voorzien is,
is bruinrood, met uitzondering van de voorzijde en een over-
langschen band over het midden van ‘het pronotum, die zwart
zijn. Het overige gedeelte van den thorax is dof zwart en
dwars gerimpeld (met uitzondering van het scutellum dat over-
langs gestreept is) hetgeen aan deze deelen een lederachtig
aanzien geeft. Voorts is de thorax, vooral aan de zijden en het
achterste gedeelte van den metathorax digt met grauwe,
eenigszins glanzige haren bedekt. Het metanotum is voorzien
van eene figuur in de gedaante van een wapenschild, welke
onbehaard is.
De vleugels, die tot aan het eind van den achterlijfssteel
reiken, zijn eenigszins gebruind, donkerder aan den zoom, en
in den costaalstreek geelachtig. Terwijl voorts de vleugelzoom
een’ violetten weerschijn bezit, is die van het binnenste ge-
deelte eenigszins goudglanzig. De tegulae en de vleugeladeren
zijn bruin.
De pooten zijn roodbruin met een zwarten streep over de
boven- en onderzijde van de heupen, trochanters en dijen van
de beide laatste paren, van welke vok de tarsen donkerder zijn
dan van het voorste paar; van dit laatste is alleen de boven-
zijde van de trochanters en dijen van een zwarten streep voorzien,
—
1) Het exemplaar dat ik voor mij heb besit slechte twee goed ontwikkelde bij
oogjes, ul. het voorste en het regter achterste, terwijl naast het voorste cen spoor
van een derde gevonden wordt,
13
194 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA
De steel van het achterlijf is van boven zwart, van onderen
roodbruin, welke kleur zich eenigszins over de onderzijde van
het op den steel volgend achterlijfssegment uitbreidt, en zich
ook op de onderzijde van het laatste segment vertoont. Voor
het overige is het achterlijf zwart met een blaauw-groenen
metaalglans, en, vooral op de drie laatste segmenten, met zoo
fijne grijze haartjes bedekt, dat het als bestoven schijnt. Aan
den anus vertoonen zich eenige lange zwarte haren. De lengte
van het beschreven exemplaar bedraagt 19 mm.
Het Leidsch Museum bezit van deze soort twee exemplaren
van de kust van Guinea afkomstig. Zij stemmen met het door
van Woerden overgezonden exemplaar volkomen overeen, daar-
gelaten dat de vleugels iets donkerder betint zijn.
Genus PrLororus, Latreille.
14. Pelopoeus spirifer. Linnaeus, Syst. Nat. t. 1, pars U. p.
942. n° 9. (Sphex). — Fabricius, Syst. Piez. p. 202. n° 1. —
Latreille, Gen. Crust. et Ins. IV. p. 60 n° 1. — Lepeletier de
Saint Fargeau, Suites a Buffon. Hymenopteres. III. p. 305.
n‘. 1. — Dahlbom, Hymenopt. Europ. I. p. 22. n° 1. —
Peters, Reise nach Mossambique. Insekten. S. 481.
Van deze soort is door van Woerden een mannelijk. individu
overgezonden. Het Leidsch Museum bezit exemplaren uit Italië,
Arabié, Egypte, Algiers, Senegal en van de Kaap de Goede
Hoop. Volgens Smith (Journal of the Proceedings of the Linnean
Society. Zoology VII. (1864) p. 34) komt zij ook op Timor voor.
Fam. LARRIDAE.
Genus Larrada, Smith.
15, Larrada Vollenhovia, !) nov. spec. (Zie Plaat 11, fig. 5).
Deze soort is na verwant aan Larrada rubella Smith (Cat. Hym.
Ins. Coll. Brit. Mus. part IV, p. 280. n° 19), doeh gemakkelijk
1) Deze soort benoem ik naar mijn hooggeschatten vriend Dr. S. C. Snellen van
Vollenhoven. Ä
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 195
daarvan te onderscheiden door het gemis van den donkeren
vleugelzoom en van het zwart ter wederzijde van het eerste
achterlijfssegment. |
Het mannetje waaraan de volgende beschrijving ontleend is,
heeft eene lengte van ruim 9 mm. De kop is zwart, breeder
dan de thorax en digt met fijne puntjes en grove grijze , eenigs-
zins zilverglanzige haartjes bedekt. De bovenkaken zijn helder-,
de palpen vuil bruinrood, doeh aan de bazis zwart. De sprieten
zijn zwart, de schaft aan de voorzijde zilverglanzig behaard.
Het aangezicht en de schedel zijn van moeijelijk te beschrijven
indrukken voorzien.
De thorax is zwart; de pro- en mesothorax met het scutellum
en post-seutellum digt met fijne puntjes, en in frisschen toestand
waarschijnlijk geheel met grauwe eenigszins glanzige haartjes
bedekt, waarvan mijn exemplaar slechts hier en daar overblijf-
sels vertoont. De van achteren bijna loodregt afgesneden meta-
thorax is ongeveer zoo lang als pro- en mesothorax te zamen;
hij is van dwarsrimpels voorzien en vooral van achteren met
zilverglanzige haartjes bedekt; de zijden loopen parallel, terwijl
de achtervlakte over haar midden een’ fijnen langskiel draagt.
Het achterste gedeelte der tegulae, de vleugeladeren en het
stigma zijn bruin, de vleugels een weinig berookt. De pooten
en sporen der scheenen zijn zwart, zilverachtig berijpt; de
doorns en de klaauwtjes helder bruin.
Het achterlijf is korter dan de thorax, bruinrood van kleur,
en vooral aan den achterrand der segmenten fijn zilverglanzig
behaard.
Genus Piagetia, Ritsema. 1)
Kop iets breeder dan de thorax, aan de achterzijde regt
afgesneden en uitgehold ; het aangezicht eenigszins vooruitstekend.
De zamengestelde oogen groot en ovaal, de binnenoogrand regt;
slechts één goed ontwikkeld bijoogje. De sprieten draadvormig,
1) Zie ook voor dit geslacht, waaraan ik den naam van den bezitter dezer collectie
heb toegekend: the Entomologist’s Monthly Magazine vol. 1X (1872/73) p. 121.
196 HYMENOPTERÀ VAN NEDER-GUINEA.
digt bij elkander aan de bazis van het kopschild ingeplant; de
schaft ruim zoo lang als de beide eerste geledingen van den
vlag te zamen. De bovenkaken aan den buitenrand digt bij de
bazis diep uitgesneden, aan den binnenrand niet (?) getand.
De prothorax smaller dan de mesothorax, verlengd tot een
hals, die in de uitholling aan de achterzijde van den kop wordt
opgenomen; de achterrand op het midden naar achteren uitge-
bogen. De metathorax verlengd, ongeveer zoo lang als de
mesothorax, van achteren afgesneden, en naar achteren iets
smaller wordende. De scheenen der middelpooten van slechts
één eindspoor voorzien; de dijen der achterpooten aan de bazis
van een’ sterken, krommen, naar buiten gerigten doorn (3) of
van een knobbeltje (2) voorzien, aan de onderzijde afgeplat zoo
niet uitgehold. Voorvleugels met een radiaalcel die aan het eind
afgeknot en van een gesloten aanhangeel voorzien is, en drie
cubitaalcellen, de eerste langer dan de beide volgende te zamen,
de tweede, die beide terugloopende aderen vóór het midden
opneemt, tegen de radiaalcel vernaauwd, de derde eenigszins
halve-maanvormig.
Het achterlijf iets korter dan de thorax, hartvormig, gesteeld ;
het eerste segment kegelvormig, het tweede het grootst.
Het geslacht Piagetia komt met de geslachten Larrada en
eu Larrarena, Smith, voornamelijk overeen door het bezit van
slechts één goed ontwikkeld bijoogje (de beide achtersten zijn
rudimentair) en een’ verlengden, van achteren afgeknotten meta-
thorax, maar het verschilt daarvan doordien de eerste cubitaalcel
langer is dan de beide volgenden te zamen, een kenmerk
waarin het overeenstemt met het geslacht Morphota, Smith; het
laatste echter heeft de tweede cubitaalcel driehoekig, en drie
goed ontwikkelde bijoogjes. De halsvormige prothorax, het
gesteelde hartvormige achterlijf en de gewapende achterdijen,
verwijderen het geslacht Piagetia van al de tot nu toe beschre-
ven geslachten met drie cubitaalcellen van de familie der Larridae.
Het geslacht Aulacophilus, Smith, dat slechts twee cubitaalcellen
heeft, bezit ook een gesteeld hartvormig achterlijf, maar de steel
is langer dan bij Pragetia.
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 197
16. Piagetia Woerdeni, *) nov. spec. (Zie Plaat 11, fig. 6).
De lengte van het 3 waaraan ik deze beschrijving ontleen
bedraagt 8 mm. De kop is zwart; de sprieten, het kopschild,
de wangen en de bovenkaken roestkleurig, de laatsten aan het
einde zwart; het kopschild, de wangen, de grond der boven-
kaken en van den buitenoogrand schaars bedekt met korte
zilverglanzige haartjes, het aangezicht met grijze, en voorzien
van drie overlangsche groeven, één tusschen de sprieten en zich
uitstrekkende van de bazis van het kopschild tot het bijoogje,
de twee anderen, breeder en veel korter, ter wederzijde van de
eerste; het kopschild met een overlangsche kiel over het mid-
den, de voorrand op het midden vooruitstekende en diep inge-
sneden, de hoeken min of meer scherp.
De thorax roestkleurig, de achterrand van het scutellum,
het post-scutellum, de onderzijde van den mesothorax, en de
metathorax (met uitzondering van de zijden en twee groote -
driehoekige vlekken, die met hun top tusschen de boven- en
de achtervlakte te zamen komen) zwart; de metathorax van
boven zeer fijn lederachtig gerimpeld, van achteren glad en
met eene ovale groef over het midden. Vleugels helder, met
een fraaijen blaauwachtig witten weerschijn en een bruinen wolk
aan den top, welke wolk begint bij de radiaalcel, de tweede
cubitaalcel, enz.; de tegulae en de costa tot aan het zwarte
vleugelstigma bleek roestkleurig, de overige aderen donkerbruin.
Pooten roestkleurig, behalve de bovenzijde van de heupen en
trochanters van het middelste en achterste, en van de bazis
der dijen en metatarsen van het middelste paar, hetgeen zwart
is; ook is zwart de binnenzijde van de dijen, de bovenzijde
van de scheenen en de metatarsen van het achterste paar,
alsmede de eindsporen van de scheenen der beide laatste paren.
Het achterlijf is zwart en glanzend, het laatste segment don-
kerbruin; de achterrand der segmenten zeer dun bedekt met
korte grijze haartjes.
1) Naar den ons te vroeg ontvallen entomoloog M. G. van Woerden , verzamelaar
van deze collectie, |
198 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
Fam. PHILANTHIDAE.
Genus Cerceris, Latreille.
17. Cerceris vidua. Klug, Symbolae Physicae. Decas V,
tab. 47, fig. 11. d.
Deze soort behoort in de onmiddelijke nabijheid van C. varıa-
bis, Schrank, geplaatst te worden, ja is misschien zelfs eene
der talrijke varieteiten daarvan. Het wijfje dat ik voor mij
heb, wijkt in enkele opzichten van Klug’s beschrijving af, doch
daar deze naar een mannelijk voorwerp genomen is, zijn de
afwijkingen welligt slechts sexueel.
Het 9 dan is ruim 7 mm. lang, zwart en over het geheele
ligehaam met grove puntjes bedekt. Van den kop is het kop-
schild, het aangezicht tot even onder den grond der sprieten,
de scherpe kiel daartusschen, en de binnenoogrand tot even
boven den grond der sprieten geel; de voorrand van het kop-
schild is donkerbruin, welke kleur men ook aan het eind der
gele bovenkaken waarneemt. Eene zilverglanzige beharing treft
men tusschen het kopschild en den binnenoogrand, en achter de
zamengestelde oogen aan. Van de sprieten is de schaft, met
uitzondering van den lichtbruinen top, geel; het eerste lid van
de vlag glanzend donkerbruin, bijna zwart, de overigen aan
de onderzijde licht-, aan de bovenzijde donkerbruin.
Het pronotum is met twee gele vlekjes, het post-scutellum
met een geel dwarsstreepje voorzien; ook de tegulae zijn geel
doeh met een’ bruinen zoom. De hartvormige figuur op het
metanotum is even als bij C. variabilis glad, en over het mid-
den door een’ langsgroef in tweeën gedeeld. De top der voor-
vleugels, de vleugeladeren en het stigma zijn bruin. De pooten
zijn geel behalve: aan het voorste paar de heupen, de trochanters
en de bovenzijde der dijen; aan het middelste paar de bazis
der heupen en een vlek aan de achterzijde van de bazis der
dijen, en aan het achterste paar de bazis der heupen en de
achterzijde der dijen, hetgeen alles donkerbruin is; het laatste
paar heeft voorts een lichtbruine vlek aan de binnenzijde van
het eind der scheenen, terwijl de tarsen vuil geel zijn.
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 199
Het achterlijf is op de volgende wijze met geel geteekend ;
op de rugzijde: op het tweede segment de bazis en een kleine
vlek aan weerszijde van den achterrand; het derde segment ge-
heel met uitzondering van een boogvormige uitsnijding op het
midden; op het vijfde segment een’ op het midden zwak boog-
vormig uitgesneden band; op de buikzijde: op het tweede, vierde
en vijfde segment aan weerszijde van den achterrand een kleine
vlek, en op het derde segment een’ doorloopende band. Aan de
bazis van de buikzijde van het tweede achterlijfssegment bemerkt
men dezelfde halfeirkelvormige verhevenheid die zich op deze
plaats bij C. variabilis voordoet.
Het exemplaar door Klug t. a. pl. beschreven was afkomstig
uit de Arabische woestijn; Francis Walker (A List of Hyme-
noptera collected by J. K. Lord in Egypt, in the neighbourhood
of the Red Sea and in Arabia, p. 27, n°. 138) vermeldt de
soort behalve uit Arabie (Wady Ferran), ook uit Afrika in de
nabijheid van de Roode-zee (Harkeko en Tajura).
Fam. EUMENIDAE.
Genus Eumenes, Fabricius.
15. Eumene; Walkeri, 1) nov. spec. 3. (Plaat 11, fig. 7.)
Deze soort behoort tot de onderafdeeling B van de 3de afdee-
ling van de Saussure (Monogr. Guépes Solitaires, p. 61) en is
verwant aan zijn £. Aethiopica van Congo.
De lengte bedraagt 17 mm., de breedte met de vleugels uit-
gespreid. 24 mm. De kop is zwart, het kopschild, een vlek
tusschen den grond der sprieten en op het onderste gedeelte
van de insnijding der zamengestelde oogen, en een streep achter
de zamengestelde oogen geel; de bovenkaken aan den binnen-
rand geel, aan den buitenrand licht bruin; de sprieten op de
bovenzijde donkerbruin, op de onderzijde: de schaft geel en de
vlag geelachtig bruin.
De prothorax geel, de mesothorax zwart met eene groote
1) Naar den Engelschen entomoloog Francis Walker, die mij reeds iu meer dan
een opzigt aan zich verpligt heeft.
200 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA,
driehoekige geele vlek onder de vleugels; het scutellum en
postscutellum (met een fijn streepje aan weerszijde daarvan)
geel, door een zwarten dwarsband van elkander gescheiden.
De metathorax geel, door eene zwarte langsgroef in tweeën
gedeeld en door een boogvormig zwart streepje van het post-
scutellum gescheiden. De voorzijde van den prothorax, en de
zijden van den meso- en metathorax zijn zwart met bruin ge-
mengd. De tegulae en vleugeladeren zijn bruin, de vleugels
lichtbruin berookt en eenigszins goudglanzig. Van de voor-
pooten zijn de heupen, de trochanters en de bovenzijde der
dijen helder, de binnenzijde der scheenen en de tarsen zeer
licht bruin, het overige geel. Van de middelpooten is een
streepje aan het eind der dijen en de buitenzijde der scheenen
en van de achterpooten slechts de buitenzijde der scheenen geel ,
het overige helder bruin.
Van het achterlijf, dat met uitzondering van de onderzijde
van het steeltje geheel met fijne grauwe haartjes bekleed is,
is het steeltje aan de bazis en verder over de rugzijde zwart,
op de buikzijde helder bruin; aan het eind van het steeltje
vloeit het bruin over de rugzijde bijna te zamen, doch blijft
door de zwarte langsgroef gescheiden. Kort voor deze uitbrei-
ding van het bruin, verbreedt zich het zwart van de rugzijde
en hier treft men aan weerszijde van het steeltje een verlengd
ovaal geel vlekje aan; tusschen dit geele vlekje en het eind is
het steeltje met tamelijk grove puntjes bedekt. Het overige
gedeelte van het achterlijf is zwart, met op de rugzijde: van
het tweede segment (het steeltje als het eerste gerekend) 4
gele vlekjes, waarvan 2 ronde even voor het midden, en 2
sterk uitgerekte aan den achterrand, en van het derde, vierde
en vijfde 2 gele vlekjes aan den achterrand; op de buikzijde
loopt over den achterrand der segmenten een smalle vuilgele
band, terwijl de bazis van het tweede segment helder bruin is.
Genus Synagris, Fabricius.
19. Synagris combusta. de Saussure, Mélanges Hyménoptéro-
logiques. Fasc. II. p. 15, n°. 7,
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 201
Het wijfje door van Woerden overgezonden, komt zeer goed
met de Saussure’s beschrijving dezer soort overeen. Daar de
maxillaarpalpen slechts 3 geledingen vertoonen en de meta-
thorax van twee doorntjes voorzien is, terwijl het postscutel-
lum twee tandjes draagt, moet het tot de 2de afdeeling
(Antagris) gebragt worden, en verder tot de groep waar de
drie eerste segmenten van het achterlijf zwart, de volgenden
oranje gekleurd zijn. Hiertoe brengt de Saussure dan ook zijne
S. combusta, waarvan alleen het wijfje bekend is.
In de beschrijving zegt de Saussure: , Segments 3—6 orangés ,”
terwijl boven den groep staat: „Les trois premiers segments
de abdomen noirs; les derniers orangés”. Zonder twijfel
moet hier dus aan eene vergissing gedacht, en in de beschrij-
ving gelezen worden: „Segments 4-6 orangés,” te meer daar
hij aan zijne varieteit b behalve segment 4—6 ook een oranje
rood 3de segment toeschrijft.
Het wijfje van Congo, als ook een van St. George d’Elmina
in het Leidsch Museum aanwezig, heeft het kopschild, de
bovenkaken en de onderzijde der sprieten donker roodbruin,
de bovenzijde der sprieten zwart. Indien zij 4 leedjes in de
maxillaarpalpen vertoonden, en den ovalen indruk op de onder-
zijde van het tweede abdominaal segment misten, zou ik ze
voor 92 van S. bellicosa de Sauss. (l. e. p. 21, n° 14) gehou-
den hebben.
Fam. VESPIDAE.
Genus Belonogaster, de Saussure.
20. Belonogaster junceus. Olivier, Encycl. Method. Ins. VI. 673.
(Vespa). — Smith, Cat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus. prt.
V. p. 93, n° 1. — Peters, Reise nach Mossambique, Insekten.
S. 468. — Gerstaecker, Beitrag zur Insektenfauna von
Zanzibar 1. e. p. 351. n° 15. — Walker, List of Hyme-
noptera collected by J. K. Lord in Egypt, in the neigh-
bourhood of the Red-sea and in Arabia. p. 39. n° 189.
202 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
Syn. Vespa Guineensis. Fabricius, Ent. Syst. t. 2. p. 277. n° 85.
Vespa cinerea. *) Fabricius, Ent. Syst. t. 2. p. 279. n°. 92.
Zethus Guineensis. Fabricius, Syst. Piez. p. 283. n° 2.
Zethus cinereus. 1) Fabricius, Syst. Piez. p. 283. n° 3.
Raphigaster junceus, de Saussure, Monographie des Guépes
sociales. p. 14. n° 1.
De 2 99 uit van Woerden's collectie (waarvan een echter
sterk beschadigd is) en die volkomen overeenstemmen met een
van St. George d’Elmina afkomstig wijfje dat zich in het Leidsch
Museum bevindt, meen ik tot de bovengenoemde bijzonder sterk
varieerende soort te moeten brengen.
Mijne exemplaren behooren tot die varieteit welke de beide
geelachtig witte vlekken op het achterlijf missen, en komen
vrij wel met de Saussure’s beschrijving van het wijfje overeen.
Alleen teeken ik hier nog aan, dat de vlag der sprieten aan
de onderzijde en aan het eind roodbruin gekleurd is; dat van
de beide laatste pootenparen de buitenzijde der dijen en de
geheele scheen (met uitzondering van een goudkleurig behaard
vlekje aan de bazis en het eind) en tars gevoegelijk zwart zijn
te noemen, dat van de zwartbruine vleugels het stigma roest-
kleurig is en zich in den cubitaalstreek bijna kleurlooze vlekken
en streepen vertoonen, en dat van het tweede achterlijfssegment
(het steeltje als het eerste gerekend) alleen het steelvormige
gedeelte donkerbruin is.
Uit de opgaven der aangehaalde schrijvers blijkt, dat deze
soort over het grootste gedeelte van Afrika verspreid is.
21. Belonogaster brunneus, nov. spec.
Deze soort, waarvan ik een wijfje voor mij heb, is verwant
aan B. rufipennis de Geer. De lengte van mijn exemplaar bedraagt
25 mm., de breedte met de vleugels uit 35 mm.
De kop is roodbruin, met op het voorhoofd een zwarte vlek
die de ocellen in zich opneemt; de schaft der sprieten rood-
bruin, de bovenzijde van de vlag aan den grond zwart, aan het
1) De onderbavige varieteit zonder witte vlekken op hei achterlijf.
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 203
eind evenals aan de onderzijde roestkleurig. De prothorax is
roodbruin met een digte aschgraauwe beharing bedekt; de
mesothorax zwart, met uitzondering van een roodbruin vlekje
dat aan de tegulae grenst, vooral op de rugzijde digt met asch-
graauwe haartjes bedekt; scutellum en post-scutellum roodbruin ;
metathorax donker roodbruin, op het midden van den rug meer
zwart, een weinig behaard, De pooten zijn roodbruin; de
scheenen van het achterste paar aan de binnenzijde aan de
bazis en aan het einde van eene kleine verhevenheid voorzien
die met goudglanzige haartjes bedekt is. De vleugels zijn bruin-
achtig geel berookt, donker langs den voorrand, aan den top
eenigszins grijsachtig, en in den cubitaalstreek met bijna kleur-
looze vlekken en streepen voorzien. De tegulae zijn roodbruin
met een donker vlekje op het midden, de vleugeladeren bruin,
het stigma bruinachtig geel. De 4de cubitaalcel is niet dubbel
zoo groot als de 3de, deze ongeveer ruitvormig; de 2de cubi-
taalcel zeer sterk tegen de radiaalader vernaauwd, sterker dan
bij B. junceus Oliv. Van het achterlijf is de steel en het tweede
segment met uitzondering van den achterrand roodbruin, het
overige zwartachtig. Met uitzondering van den steel is het ge-
heel met graauwe glanzige haartjes bedekt.
Genus Polistes, Fabricius.
22. Polistes inornatus, nov. spec. $ (Plaat 11, fig. 8.)
Deze soort is van de aan haar verwante P. Smith de Sauss.
(Mon. Guep. Soc. p. 60, n°. 17; pl. 7, f. 3) dadelijk te onder-
scheiden door de kleur der vleugels.
De werkster, waaraan ik de volgende beschrijving ontleen,
is 13 mm. lang (de geledingen van het achterlijf zijn echter
eenigszins ingeschoven) en heeft een vlugt van bijna 24 mm.
Het geheele insekt is donker vuilbruin, (de onderzijde van
de vlag der sprieten meer roestkleurig) en digt met graauwe
haartjes bedekt. De voorrand van het kopschild is geelachtig,
als ook de achterrand der achterlijfssegmenten ; die van het
eerste segment duidelijk en tamelijk breed, die der overigen
204 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
zeer flaauw en smal; op het eerste segment buigt de geele
zoom zich. langs de zijden naar voren om. De voorrand van
den prothorax is fijn kielvormig opgebogen, de metathorax fijn
dwars gerimpeld. De vleugels zijn glas helder; de voorvleu-
gels langs den voorrand geelachtig bruin; de radiaalcel zwart
bewolkt, naar het einde donkerder; vervolgens verspreidt deze
wolk zich flaauw over den vleugelzoom. De vleugeladeren en
het stigma zijn geelachtig bruin,
Fam. APIDAE.
Genus Megachile, Latreille.
23. Megachile bombiformis. Gerstaecker, in Peters, Reise
nach Mossambique. Insekten. S. 455, Taf. XXIX, fig. 10 4.
De vrouwelijke Megachile die ik hier ga beschrijven, meen
ik als het aan Gerstaecker onbekend gebleven ¢ van bovenge-
noemde soort te moeten beschouwen.
Zij is 20 mm. lang, bij een vlugt van 36 mm. De kleur
is zwart. De bovenkaken zijn op het midden van een breed
afgestompten tand, en daarachter van twee toegespitste tanden
voorzien. Het kopschild is aan de voorzijde flaauw afgerond,
met grove puntjes digt bedekt, en over het midden van een
bijna onmerkbaren langskiel voorzien, terwijl het slechts enkele
stijve zwarte haren draagt. Het overige gedeelte van den kop
benevens de thorax is digt met fijne puntjes bedekt ; en behalve
den bijna kalen schedel gitzwart behaard; op den metathorax
zijn deze haren langer en vaalzwart van kleur. Van het begin
tot even over het midden van het mesonotum loopt een fijne
gladde langsstreep. De pooten zijn, behalve aan de onderzijde
die glad en bijna onbehaard is, met fijne puntjes en korte
zwarte haren digt bedekt; de onderzijde der heupen en dijen
is donkerbruin. De heupen van het voorste paar zijn aan de
voorzijde van een’ rudimentairen tand voorzien; de sporen der
scheenen zijn zwart. De vleugels zijn doorzichtig, maar, en
vooral langs de donkerbruine aderen, geelachtig bruin berookt;
in de radiaalcel merkt men langs den voorrand eene donkere
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 205
streep op; de zoom der vleugels, vooral die van het voorste
paar is donkergrijs. Het achterlijf is op de rugzijde met
oranje roode haren digt bedekt; de borstels op de buikzijde
hebben dezelfde kleur, maar komen voornamelijk slechts op de
grof gestipte tweede helft der segmenten voor, evenwel zoo,
dat zij steeds de eerste helft van het volgende segment bedek-
ken; de borstels van het eerste segment zijn echter zoo kort
en weinig talrijk, dat zij de bazis van het tweede segment
volkomen onbedekt laten. De aan het borststuk sluitende voor-
vlakte van het achterlijf is glad, bijna onbehaard en concave.
Het door Gerstaecker beschreven en afgebeelde d was van
Imhambane afkomstig.
24. Megachile nigracincta, nov. spec. 9. (Plaat 11, fig. 9.)
Het hier beschreven wijfje is van de grootte van dat der
vorige soort, en verwant aan M. combusta en coelocera Smith,
doch van deze gemakkelijk te onderscheiden door de lichtge-
kleurde en met een’ donkeren zoom voorziene vleugels.
De kleur is zwart. De bovenkaken zijn op het midden met
een’ breed afgeronden tand, en daarachter met twee spitse tanden
gewapend. Het digt met puntjes doch schaars met stijve zwarte
haren bedekte kopschild is aan de voorzijde regt afgesneden,
op het midden echter van een weinig uitstekend stomp tandje
voorzien, dat zich over het midden van het kopschild als een
flaauwen langskiel voortzet; even voor het eind van dezen kiel
bespeurt men eenen in het midden eenigszins verhreeden fijnen
gepolijsten dwarslijst. Het overige gedeelte van den kop be-
nevens de thorax is digt met fijne puntjes bedekt, en gitzwart
behaard; terwijl deze beharing op den schedel en op het meso-
notum minder digt is, is zij op den metathorax langer en
meer vaalzwart van kleur. Ook de pooten zijn, behalve aan
de onderzijde der heupen, dijen en scheenen, die donkerbruin,
glad en bijna onbehaard is, met fijne puntjes en korte zwarte
haren digt bedekt; de sporen der scheenen en de bazis der
klaauwtjes zijn roodbruin, de haren aan de onderzijde der
tarsen roodachtig; de heupen van het voorste paar zijn aan de
206 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
voorzijde van een zeer rudimentairen tand voorzien. De vleugels
zijn, vooral langs de donkerbruine aderen, geelachtig bruin
berookt ; in de radiaalcel merkt men een’ donkeren streep op;
de zoom der vleugels, vooral die van het voorste paar, is
donkergrijs. Op de rugzijde van het achterlijf is het eerste
segment digt met opstaande zwarte haren bedekt; op de vijf
volgende segmenten is de beharing donkerrood, en aan den
achterrand. digter dan aan de bazis; de borstels op de buik-
zijde hebben dezelfde donkerroode kleur, maar komen voor-
namelijk slechts op de grof gestipte tweede helft der segmenten
voor, evenwel zoo, dat zij steeds de eerste helft van het vol-
gende segment bedekken; van het eerste segment echter zijn
de borstels, waartusschen zich ook zwarte haren bevinden,
zoo kort en weinig talrijk, dat zij de bazis van het tweede
segment volkomen onbedekt laten. De aan het borststuk slui-
tende voorvlakte van het achterlijf is glad, bijna onbehaard en
concave.
Genus Xylocopa, Latreille.
25. Xylocopa combusta. Smith, Cat. Hym. Ins. Coll. Brit.
Mus. prt. II, p. 350, n°. 32.
Het wijfje dat ik voor mij heb beantwoordt zeer goed aan
de beschrijving die Smith t. a. pl. van deze sexe geeft. Alleen
schijnt bij mijn voorwerp de gladde verheven lijn over het
midden van het kopschild te ontbreken, terwijl ik nog bij de
beschrijving zou wenschen te voegen: bovenlip en bovenkaken
benevens de heupen en de onderzijde der tarsen van het eerste
pootenpaar van eenige bruinroode haren voorzien; de schaft en
de twee eerste geledingen van de vlag der sprieten glanzend
donker kastanjebruin; de overige geledingen op de bovenzijde
zwart, op de onderzijde roodbruin van kleur; over het midden
van het mesonotum loopt eene fijne, naar achteren evenwel iets
breeder wordende langsgroef die aan de bazis van het mesono-
tum ontspringt en even achter het midden eindigt.
De exemplaren door Smith beschreven waren even als het
mijne van Congo afkomstig.
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA. 207
26. Xylocopa caffra. Linnaeus, Systema naturae. ed. XII. p.
959, n° 39. (Apis). — Klug, in: Mliger’s Magazin der
Entomologie. Bd. VI, S. 209. — Lepeletier de St. Fargeau,
Suites à Buffon. Hyménoptères. t. II, p. 197 n° 41. —
Peters, Reise nach Mossambique. Insekten. S. 444. —
Gerstaecker, Beitrag zur Insektenfauna von Zanzibar, in
Troschel’s Archiv für Naturgeschichte. 3T*" Jahrg. 1°" Bd.
S. 349. n° 3.
Syn. Bombus caffrus. Fabricius, Syst. Piez. p. 346, n° 17.
Van deze soort, die reeds van Zanzibar (Mombas), Mozam-
bique (Tette) en van het Kaapland bekend was, heb ik een fraai
mannetje voor mij.
27. Xylocopa neglecta, nov. spec.
? Syn. Xylocopa albiceps, St. Fargeau (nec Fabricius) Suites
a Buffon. Hyménoptères. t. II, p. 139 n° 27.
Van deze soort zijn door van Woerden twee wijfjes over-
gezonden, terwijl het Leidsch Museum een wijfje bezit dat van
de kust van Guinea afkomstig is. Het mannetje is mij niet bekend.
Zij is verwant aan X. albiceps F. (Syst. Piez. p. 341 n° 13)
waarmede zij tot nu toe verward schijnt te zijn, en aan X. imitator
Smith (Gat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus. prt. II p. 351 n° 35). Van
de eerstgenoemde soort is zij gemakkelijk te onderscheiden
doordien de thorax en het abdomen zwart zijn, en niet, zooals
Fabricius van zijne soort zegt subvirida; van de laatstgenoemde
doordien de vleugels aan de bazis eenigszins lichter en dus niet
overal even donker gekleurd zijn, door het gemis van de helder
roestbruine haren aan de uiterste punt van het achterlijf en door
de geringere’ grootte.
De lengte van het wijfje bedraagt 18 mm. De kleur is zwart,
de kop met puntjes digt bedekt en op het aangezicht en den
schedel - met vuil witte, achter de zamengestelde oogen echter
met helder witte haren bekleed; tusschen den grond der sprie-
ion merkt men eene korte maar scherpe langskiel op, terwijl
het eenigszins verheven kopschild digt bij de bazis van eene
208 HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA,
gladde dwarsstreep voorzien is; de sprieten zijn zwart, de acht
laatste geledingen van de vlag aan de onderzijde helderbruin.
De mesothorax en het scutellum, van welk laatste de achter-
rand scherp is en eenigszins naar achteren uitsteekt, zijn op
het midden van de rugzijde glad, aan de zijden evenals de
geheele prothorax digt met puntjes en met meer of min vaal-
zwarte haren bedekt. De vleugels, die een’ fraai violetten weer-
schijn bezitten, zijn donkerbruin, naar den wortel echter eenigs-
zins lichter dan aan den zoom. De pooten zijn digt met zwarte
baren bezet; aan de buitenzijde der scheenen van het eerste
paar zijn zij echter met enkele grijze haren vermengd, terwijl
die van de onderzijde der tarsen van hetzelfde paar eenigszins
roodbruin gekleurd zijn. Het achterlijf, waarvan de zijden
evenwijdig aan elkander loopen en tamelijk lange zwarte haren
dragen, is voor het overige bijna onbehaard, doch digt met
puntjes bedekt; op het midden der rugzijde zijn zij echter iets
meer verspreid dan aan de zijden.
Leiden, 21 Augustus, 1873.
Eerst na het voleindigen van bovenstaand opstel ontving ik
het voor de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier aangekochte
werk van Dr. A. Gerstaecker, getiteld: „Die Gliederthier-Fauna
des Sansibar-Gebietes. Nach dem von Dr. O. Kersten während
der v. d. Decken’schen Ost-Afrikanischen Expedition im Jahre
1862 und von C. Cooke auf der Insel Sansibar im Jahre 1864
gesammelten Material”, welk werk mij heeft doen besluiten
eenige toevoegsels aan mijne „ Aanteekeningen” te geven. De
nommers hebben betrekking op de door mij behandelde verza-
meling, de bladzijden op het zooeven genoemde werk.
5. Dorylus nigricans Illig. Gerstaecker zegt (blz. 375) dat
het exemplaar van deze soort van de Bura-bergen, van
de exemplaren van West-Afrika afwijkt door de licht
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA, \ 209
pekbruine, in plaats van zwartachtige ligchaamskleur.
Het komt dus overeen met het exemplaar in ’s Rijks-
Museum dat van de Gambia afkomstig is. Behalve de
door mij genoemde vindplaatsen vermeldt Gerstaecker
nog als zoodanig het eiland St. Thomas in de Golf van
Guinea.
8 en 9. Pompilus (Prioenemis) Bretomi Guér. en Pompilus
Taschenbergu mihi (P. ruficeps Tasch.) Op blz. 330 tracht
Gerstaecker de onjuistheid te bewijzen van de bijeenvoeging
van P. Breton Guér. en P. croceicornis Duf. Mijns inziens
is hij hierin echter niet geslaagd. Hij zegt: „Der mit
deutlich blauem, seidenartig glänzendem Hinterleib ver-
sehene Pomp. croceicornis (Klug i. lit.) Duf. hat die Fuss-
klauen, bei beiden Geschlechtern in ühereinstimmender
Weise gespalten und im weiblichen Geschlechte gesägte
Hinterschienen, ausserdem auch ein deutlich querrieseliges
Metanotum. Durch alle diese Merkmale leicht von Pomp.
Bretoni, Guêr, zu unterscheiden, gehört er nach der
Bildung der weiblichen Schienen der Gattung Priocne-
mis an.”
Laat ons nu deze verschillen eens nagaan: het blaauwe
zijdeglanzige achterlijf is ook aan P. Breton Guér. eigen;
Guérin toch zegt van zijne soort: „L’abdomen est d’un
noir assez foncé, à reflets soyeux et bleus. ”” Hoewel Guérin
niet van gezaagde achterscheenen spreekt, doet de af-
beelding van het mannetje wel degelijk hieraan denken;
voorts is ook van P. Breton Guer. het metanotum niet
glad, maar gerimpeld, daar Guérin zegt: , Métathorax très
finement chagriné.’’ Op de vorige bladzijde zegt Gerstaec-
ker nog, dat bij P. #retonii de anaalcel in de achter-
vleugels ver over den oorsprong der cubitaalader verlengd
is; beschouwt men echter Guérin’s naauwkeurige af beel-
ding, dan ziet men dat deze soort ook in dit opzigt met
P. croceicornis Duf. overeenstemt, daar de cubitaalader
juist aan het eind der anaalcel ontspringt. Om deze
redenen meen ik /. Bretonù wel degelijk als identisch
14
210
20.
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA,
met P. croceicornis te moeten beschouwen, niettegenstaande
er omtrent één punt nog twijfel blijft bestaan, nl. dat
Guérin aan het wijfje van P. Bretonù klaauwtjes toekent
die op het midden slechts van een’ kleinen tand voor-
zien zijn, terwijl zi) bij P. croceicornis bij beide sexen
gaffelvormig zijn.
Dat Pompilus Breton Guér. in ieder geval niet iden-
tisch kan zijn met Pompilus Taschenbergu mihi (= P. rufi-
ceps Tasch.) moge door het volgende bewezen worden:
1° terwijl bij de eerste soort (volgens de beschrijving
van Guérin) het metanotum bij beide sexen gerimpeld is,
is dit bij de tweede soort (ten minste bij het wijfje) niet
het geval; 2° terwijl bij de eerste soort (volgens Guérin’s
afbeelding) in de voorvleugels de mediaalcel korter is dan
de sub-mediaalcel (ook hierin stemt zij met ?. croceicornis
Duf. overeen) en in de achtervleugels de cubitaalader
aan het eind der anaalcel ontspringt, is bij de tweede
soort de mediaal en submediaalcel even lang, en ont-
springt de cubitaalader ver vóór het eind der anaalcel;
3° terwijl bij de eerste soort (mede volgens de afbeel-
ding) de scheenen der achterpooten zaagtandig bedoornd
zijn, is dit bij de tweede niet het geval.
Belonogaster junceus Oliv. Op blz. 321 zegt Gerstaecker
dat de Saussure ten onregte Vespa Guineensis F. van
Eumenes tinctor Christ scheidt, en bij #elonogaster junceus
Oliv. voegt; ten onregte, daar de beschrijving van Fabricius
zeer goed en zelfs alleen op Eumenes tinctor Christ past,
maar daarentegen volstrekt niet op eene Belonogaster-soort,
bij welke meestal de grauwe zijde-glanzige beharing
door „ cinerea” wordt aangeduid. Ook dat Fabricius zijne
Vespa Guineensis door verscheidene Eumenes-soorten (V.
pomiformis, conica en petiolata) van de beide Belonogaster-
soorten (V. grisea en cinerea) scheidt, is voor Gerstaecker
een bewijs te meer tegen de meening van de Saussure.
Op blz. 324 geeft Gerstaeker als de verbreiding dezer
soort over Afrika aan, langs de westkust : van Senegambië
26.
tot Loanda, en langs de oostkust: van Abyssinië tot
Mozambique. Daar zij echter door J. K. Lord (zie de hier-
boven aangehaalde lijst van Francis Walker) ook in
Egypte (Caïro) aangetroffen is, breidt zij zich langs de
HYMENOPTERA VAN NEDER-GUINEA.
oostkust veel noordelijker uit.
Xylocopa caffra L. De gedetailleerde beschrijving die
Gerstaecker op blz. 315 van het mannetje van deze soort
geeft, past volkomen op mijn exemplaar, met uitzondering
van de tarsen der achterpooten, daar bij mijn voorwerp
ook de haren aan de buitenzijde zwart, en niet „ mehr
fuchsroth” zijn.
bo m
PE
© MH oI
Verklaring der Afbeeldingen.
Bracon corallinus, Rits.
Radiaal- en cubitaalstreek in den voorvleugel
van Pompilus Taschenbergii, Rits.
Pompilus elongatus, Rits.
5 ornatissimus, Rits.
Larrada Vollenhovia, Rits.
Piagetia Woerdeni, Rits.
Eumenes Walkeri, Rits.
Polistes inornatus, Rits.
Megachile nigrocincta, Rits.
EENE NIEUWE,
BIJ BREDA GEVONDEN, GRAPHOLITHA-SOORT,
GRAPHOLITHA CONICOLANA, Hey.
Diagnos. Conicolana, palpis canis, alis anterioribus nigro-
fuscis, basi plumbeo-mitilulis, strigis duabus coerulescenti-
plumbeis, in costa niveis, inferius divergentibus, strigulis
tribus costae posticae niveis, inferius plumbeis, speculo ob-
soleto, puncto marginali infra apicem nullo, ciliis plumbeis. à 2.
Expansio alarum mm. 9—12.
Habitat larva in conis Pini sylvestris.
De voorvleugels zijn langer gestrekt dan bij Graph. cosmo-
pharana Tr. en Scopariana Herr.-Schäff. (welke beide soorten
zij in teekening vrij nabij komt), de vóórrand is langer dan
de binnenrand, waardoor de achterrand, vooral bij het mannetje,
schuiner wordt. De vleugelpunt is duidelijk doch, even als
de staarthoek, afgerond. Het wijfje is oogenschijnlijk iets
breedvleugeliger. De kleur is een glanzig donker rosachtig
bruin, aan de vleugelbasis iets met metaalglans. Het tweederde
buitenste gedeelte is goudgeel bestoven en wel in regelmatige
buiten- en benedenwaarts loopende strepen, doch veel minder
sterk dan bij Graph. cosmophorana Tr., terwijl de tint van het
geel niet zoo helder is en er geene ophooping daarvan in en
op den spiegel, als bij laatstgenoemde soort, voorkomt. Aan
den voorrand zijn, achter het midden, vier haakjes, de drie
eerste op gelijken, doch het vierde van het derde op grooteren
afstand van elkander, terwijl een vijfde vóór het midden staat.
Allen zijn enkelvoudig en wit gekleurd. Uit vijf en vier loopen
van den vóór- naar den binnenrand twee flaauwe, de tweede
EENE NIEUWE GRAPHOLITHA, 213
het meest, gebroken potloodlijnen, met fraaïjen blaauwachtigen
weerschijn. Zij loopen slechts tot aan het midden evenwijdig,
doch van dáár wijkt de tweede meer naar buiten om de bin-
nengrens van den spiegel te vormen, terwijl de eerste zich,
wortelwaarts gebogen, naar den binnenrand wendt. Bij enkele
exemplaren is nu eens de eerste, dan weder de tweede dwars-
lijn iets afgebroken.
De spiegel is driehoekig, niet lichter dan de grondkleur, en
is zelden dwidelijk zwart gestreept; de onderste hoek is veel
scherper dan bij Graph. cosmophorana Tr.; de achterste potlood-
grens is dik, van den achterrand gescheiden en daarmede slechts
voor een gedeelte evenwijdig en zou, bij verlenging, loodregt
op den staarthoek vallen. Zij is overigens meer of minder
door eene potloodliin met het eerste costaalhaakje vereenigd.
Ook het tweede costaalhaakje verlengt zich soms door een
potloodlijntje tot digt bij den spiegel !).
De franjelijn is donker zwart zonder oogpunten, de franje
zelf metaalglanzig grauw, aan de punt iets donkerder.
De achtervleugels zijn bruinachtig grauw, aan den wortel
lichter. De franjelijn iets donkerder dan de grondkleur; de
franje zelf is vuil wit. De donkere bestuiving naar den omtrek
is bi) het wijfje meer uitgedrukt dan bij den man.
De onderzijde is glanzig grauw met doorschijning der haakjes
aan den voorrand der voorvleugels.
Aan den kop is het voorhoofd lichtgrauw, ruig behaard, het
achterhoofd donker.
De palpen zijn eveneens, vooral het tweede lid, zeer lang
licht grauw, het derde zeer korte lid daarentegen ook vrij kort
donker behaard.
De sprieten zijn draadvormig, aan de onderzijde licht grauw,
aan de bovenzijde donker getint.
De thorax is glad, neerliggend behaard, en, met de schou-
derdeksels, van de kleur der voorvleugels; het achterlijf is
1) Ik tel het buitenst gelegen haakje als I en zoo vervolgens opklimmend naar
de vleugelbasis.
214 EENE NIEUWE, BIJ BREDA GEVONDEN,
mede donker, doch aan de randen der segmenten iets lichter
even als de geheele onderzijde. Het mannetje heeft eene
staartpluim.
De pooten, glad behaard, zijn als de onderzijde gekleurd;
de tarsen licht en donker geringd, bij het mannetje de achter-
scheenen zonder haarkwast, overigens gewoon gevormd. De
vleugelspanning bedraagt 9—12 millim.
De rups leeft in de kegels van Pinus sylvestris en wel alleen,
ten minste naar mijne ondervinding, in die van hooge opgaande
boomen in het Mastbosch bij Breda, welks bodem grootendeels
uit heidegrond bestaat. Men kent de bewoonde kegels daaraan ,
dat zij aan eene zijde kromgegroeid en met hars en uitwerp-
selen der rups zijn bedekt.
De larve zelf, die ik alleen in December, tegen het ver-
poppen vond, is geelachtig groen, betrekkelijk kort met zwart
nekschildje en anaalklepje. Zij is met zeer korte, op wrat-
achtige verhevenheden staande, haren bedekt. (Vermoedelijk
zal bij mijn exemplaar, dat zich kort na het vinden verpopte,
kleur en vorm niet de normale zijn, doch het is mij, uit den
aard der zaak, niet mogelijk geweest betere exemplaren vroeger
magtig te worden). Zij voedt zich met het inwendige der
kegels, en maakt daarin willekeurige gangen.
De pop is geheel kastanje-bruin, vrij klein en heeft aan het
kopeind een spits hoorn-verlengsel, dat donkerder getint is,
terwijl alle achterlijfsringen op de rugzijde sterke doch korte
haakjes dragen. Beide laatste hulpmiddelen maken het haar
mogelijk zich uit haren gang, en door het afsluitende spinsel
en de bedekkende hars heen, naar buiten te boren voor het
uitkomen des vlinders, welke in het laatst van Mei en in het
begin van Juni} verschijnt.
Onze soort is stellig in Noordelijk Europa verspreid, doch
is vermoedelijk daardoor nog niet ontdekt geworden, omdat de
imago de toppen der hooge dennenboomen niet verlaat en dus
alleen bij kweeking wordt verkregen. In 1871 door mij ont-
dekt, wordt zij door mi jaarlijks in aantal gekweekt.
GRAPHOLITHA-SOORT, GRAPHOLITHA CONICOLANA, HEYL. 215
PS. Hoe naauwkeurig ook eene insektenbeschrijving is op-
gemaakt, weegt zij niet op tegen eene afbeelding naar de
natuur. Een miskennen der soort wordt dan onmogelijk. Dr.
S. C. Snellen van Vollenhoven heeft mij beloofd, zoo spoedig
doenlijk, eene afbeelding van Graph. comcolana m. te maken
en alzoo zijne meesterhand in dezen alweer voor de wetenschap
te willen leenen. Hem zij daarvoor mijn’ opregte dank gebragt,
even als aan Professor Zeller, die mij, bij de beschrijving
onzer nova species, menigen nuttigen wenk heeft gegeven.
Breda, 6 Februarÿ 1874. F.J. M. Heytaerts Jr.
ATI ERE en in ze
Tot beter en gemakkelijker overzigt laat
der vier volgende, digt bij
Gr. pinetana Schläger.
De voorvleugels vrij lang gestrekt,
doch tamelijk breed.
De haakjes zijn duidelijk dubbel.
De potloodlijnen met violetten weer-
schijn.
De twee dwarslijnen zijn zeer breed,
de eerste kennelijk dubbel en scherper
gebroken dan de tweede.
De spiegel is driehoekig en breed;
de onderste hoek is bijna afgerond.
De achtergrenslijn van den spiegel is
van den buitenrand des vleugels afge-
scheiden, en loopt alleen van onderen
met dezen evenwijdig.
De franje met een onduidelijk oogpunt.
De achtervleugels bruinachtig grauw,
aan den wortel lichter.
De franjelijn donkerder dan de grond-
kleur der achtervleugels.
De onderzijde glanzig grauw met sterke
afschijning der haakjes, waarvan het
verlengde eerste den vleugelpunt insluit.
Palpen penseelvormig, wit gestippeld
donkergrauw behaard.
Gr. scopariana Herr.-Schiff.
De voorvleugels kort en breed.
De haakjes zijn ongelijk en staan in!
ongelijke afstanden van elkander. |
De potloodlijnen met roodachtigen weer-
schijn. :
De twee dwarslijnen zijn scherpe
gebroken.
De spiegel is driehoekig; de punt
van den onderhoek staat op den bin-
nenrand en is scherper.
Als Cosmophorana , doch minder even”
wijdig met den buitenrand.
Als Cosmophorana.
De achtervleugels voor de punt wit-
achtig aan den voorrand donker gevlekt.
De franjelijn der achtervleugels dik
zwart.
De onderzijde glanzig grauw met
doorschijnende haakjes. Voorrand der
achtervleugels donker gevlekt.
Palpen penseelvormig ,
eenkleurig
grauw behaard.
kander komende soorten.
hier volgen eene differentieel diagnose
Gr. cosmophorana Tr,
De voorvleugels iets langer gestrekt
dan bij de vorige.
_ De vier haakjes achter het midden
staan op gelijken afstand van elkander.
De potloodlijnen met witachtig zilve-
ren weerschijn. —
De twee dwarslijnen zijn dik, flaauw
gebroken en loopen evenwijdig.
_ De spiegel is driehoekig en breed,
de onderhoek stomper.
| De achtergrenslijn van den spiegel
is van den buitenrand des vleugels ge-
scheiden en loopt met dezen evenwijdig.
De franje met een duidelijk oogpunt
in cel 6.
1 È De franjelijn niet donkerder dan de
grond der achtervleugels.
haak 1 verlengd tot aan den achterrand.
— Palpen niet zeer lang, ruig behaard,
derde lid donkerder en kort.
Gr. conicolana mihi.
De voorvleugels lang gestrekt en
smaller.
Haakje 4 staat van haakje 3 verder
dan 1 van 2 en 2 van 3.
De potloodlijnen met blauwachtigen
weerschijn.
De twee dwarslijnen zijn dik , loopen
tot op de helft parallel en wijken dan
van elkaâr af.
De spiegel is driehoekig; de punt van
den ondersten hoek blijft van den bin-
nenrand afgescheiden en is vrij scherp.
De achtergrenslijn van den spiegel
niet parallel met den buitenrand, doch
staat loodregt op den staarthoek.
De franje zonder oogpunt. !)
De achtervleugels bruinachtig grauw,
aan den wortel lichter.
De franjelijn der achtervleugels iets
donkerder dan de grondkleur.
De onderzijde glanzig grauw met door-
schijnende haakjes, in den omtrek don-
kerder bestoven, in het midden lichter.
Palpen zeer ruig behaard, licht grauw,
derde lid zeer donker en kort.
1) Bij een enkel 4 mijner drie opeenvolgende
| kweekingen komt er een spoor van oogvlek in
cel 6 voor.
OVER DE HAREN DER RUPSEN VAN
CALLIGENIA MINIATA Forst.
DOOR
J. VAN LEEUWEN Jr.
Op den 3den Augustus jl. ving ik een beschadigd wijfje van
Calligenia miniata Forst. (rosea F.), dat des nachts daarop 42
eitjes legde. De jonge rupsen kwamen 10 Augustus des avonds
uit, werden door mij met een penseel op eikenmos overgebragt,
doch verkozen dorre wilgen- en eikenbladeren tot voedsel,
waarmede ik ze verder opkweekte.
Reeds spoedig viel mij, bij een beschouwing met het ver-
grootglas, de eigenaardige vorm der beharing van den rug in
’t oog. Ring 2—11 zijn namelijk elk met 6 behaarde wratten
bedekt, waarvan de middelste vier bestaan uit haren, die met
dwarsvezels als pluimen zijn versierd. Ring 2—6 zijn het digtst,
7—9 iets dunner en korter, 10 en 11 het langst behaard, vefs
ijler dan de voorste ringen. De gevederde haren (zie plaat 12,
fig. 1) zijn kromgebogen met de kromming buitenwaarts, zoodat
de toppen van de haren der beide rugwratten van elken ring
naar elkaar zijn toegewend. — De dwarsvezels of baardjes zitten
in geledingen van vier, en worden naar boven toe iets korter,
dikker en digter naast elkaar ingeplant; aan den top schijnen
zij een knopje te vormen. Tusschen de gevederde haren in
zitten slechts enkele kortere gladde haren, alsmede eenige
geheel regte, die dikker dan de gekromde en met korte stijve
dwarsvezels bezet zijn (Zie plaat 12, fig. 2).
© OVER DE HAREN DER RUPSEN VAN CALLIGENIA MINITIA FORST. 219
De overige gedeelten der huid, namelijk de vier wratten op
ring 1 en 12, en de onderste twee wratten op elk der overige
ringen, zijn bekleed met haren die regt, vrij dun en met fijne
korte dwarsvezels zijn bezet, die, wegens haar groote teerheid,
eerst bij toenemenden wasdom der rups in ’t oog vallen. Deze
laatste haarvorm is, geloof ik, bij langharige rupsen niet on-
gewoon, althans de haren der rups van Fuliginosa hebben alle
dien vorm, en ook bij Caja zijn enkele dwarsvezels aan de
haren waar te nemen.
Eindelijk bevinden zich boven de pooten en aan den buik
nog eenige haarbosjes, uit gladde korte haren bestaande.
Verklaring der bovenste afbeeldingen op plaat 12.
Fig. 1. Een gebogen en gevederd haar.
2. Een regt en ongevederd haar.
3. Ring 2 of 3 van ter zijde gezien.
„ 4. Ring 7 of 8 of 9 van ter zijde gezien.
5. Ring 11 en 12 Een RA en
6. Rugwrat op ring 10 en 11 van voren gezien.
7 ” ” ” une ” ” ”
8
” ” ” 2—6 ” ” ”
Amsterdam, Mei 1874.
MAMILLO CURTISEA Wevens,
DOOR
Prof. Dr. H. WEYENBERGH.
Reeds kort na mijn aankomst te Buenos-Aires ontving ik van
Prof. Burmeister, mijn’ hooggeschatten begunstiger en bescher-
mer, eenige rupsen op een struik met veelknoopige, bijna
perpendiculaire takken en kleine elliptische vleezige, aan de
stengelknoopen tot bundels vereenigde bladen, gevonden. Deze
rupsen hadden zich reeds — het was in het laatst van Augustus —
spinsels vervaardigd, maar deze nog niet gesloten ; zij sluiten
de spinsels eerst een paar dagen voor de verpopping en waren
toen ik haar ontving nog zeer levendig. De spinsels zijn van
een harde substantie en gelijken eenigszins in vorm op de
kokertjens van jonge Coleophoren-rupsen. Figuur 2 stelt zulk
een spinsel in natuurlijke grootte voor; in het midden buikig,
zijn zij daar 1,1 à 1,2 centim. breed, de lengte is ongeveer
4,5 eentim. De beide einden zijn eenigszins toegespitst en aan
de bovenzijde zijn zij met een’ korten steel stevig aan den tak
bevestigd. Hier en daar ziet men eenige gekrulde of spiraal-
vormige aanhangsels van spinstof, vooral aan het ondereinde
en zoowel aan het onder- als aan het boveneinde eene opening
aan de binnen-(buik-)vlakte (naar de plant gekeerd), zoodat
de rugzijde van het spinsel als ’t ware een dak of gewelf over
de bovenopening vormde en aan de onderopening de rugzijde
zich er eenigzins schopvormig voor uitstrekte.
De rups is in ’talgemeen grauw, vuil-bruin van kleur; kop,
kaken en borstpooten zijn glimmend zwart. Het groote nekschild
MAMILLO CUPTISEA WEYENB. 221
op den tweeden ring is donkerbruin, bijna zwart en door eene
geele streep op het midden van den rug in tweeën gedeeld;
overigens is de tweede ring geel, even als de derde en vierde;
op deze beide laatsten bevindt zich ter zijde een breede, ge-
golfde donkerbruine band, die bijna de geheele zijvlakte in-
neemt en door een zeer, licht smal bandjen is afgezet. De
ruggestreep is breed en licht, en over de geheele lengte der
rups te zien. De overige segmenten zijn eenkleurig vuilbruin
en gelijken, met de loupe bezien, eenigszins op segrijn leder,
alleen aan de stigmataalplooi is de kleur iets lichter.
De negende ring is het lichtst en eenigszins doorschijnend;
het elfde segment en het staarteind zijn weder donkerbruin.
De buikvlakte is grauw met eene breede lichte streep in het
midden, ook de buikpooten zijn grauw, doch iets donkerder.
De segmenten, waaraan zich de borstpooten bevinden, zijn
zwart aan de onderzijde met eene witte streep in het midden.
Op den staartklep staan eenige kleine rosbruine borstelhaartjens
en de kop is met eenige lange stijve borstelharen versierd.
Aan de voorzijde van den kop o. a. staan er twee paren, helder
wit van kleur met zwarte eenigszins aangezwollen toppen; twee
fraaije witte haren staan ook op het nekschild en ter zijde staan
er hier nog eenige kortere. De stigmataalstippen zijn klein en
zwart.
De vorm dezer rups is lang en slank, van den kop af lang-
zaam tot aan den negenden ring in dikte toenemend; de drie
op den kop volgende ringen vormen als ’t ware een langen
hals; de drie laatste ringen zijn weder minder breed dan de
negende. De grootste breedte is 7 à 8 millim., de lengte der
volwassen rups is ongeveer 5 centim.
Volgens eene mededeeling van den heer C. Trieblnig , adsistent
aan het museum van natuurhistorie te Buenos-Aires en conser-
vator der gelede dieren aldaar, vervaardigt de rups haar spinsel
na de laatste vervelling, kruipt er dan mede op de takken
rond, overwintert er in en als zij gaat verpoppen bevestigt zij
het zeer vast aan een tak. Uitwendig is dit spinsel eenigszins
als segrijnleder gestippeld. Voor het verpoppen worden de
222 MAMILLO CURTISEA WEYENB.
boven- en onderopening met eenige losse draden digt gesponnen
en in het begin van. September veranderen zij in poppen, die
reeds weinige uren na de afstrooping der rupsenhuid donker-
bruin gekleurd zijn.
De pop kenmerkt zich door twee platte oorachtige uitsteek-
sels voor aan den kop, als twee plaatjens die met elkanders
binnenvlakten een hoek vormen; op den rug van den thorax
is een sterk uitpuilende lijn of kam, en met de loupe op het
midden van elken ring des achterlijfs een krans van weer-
haakjens te zien. De anaalring vertoont een zamengedrukt,
plat, eenigszins wigvormig staarteind en daarom heen enkele
kleine doorntjens of wratjens.
In het begin van October verschijnen de vlinders meest in
den morgen; bij het uitkomen wordt het kleine driehoekige
plaatjen, dat de beide hoorntjens draagt, van de poppenhuid
afgeligt. Eerst tegen den avond is de vlinder vliegvaardig.
De algemeene kleur van den vlinder is geelgrijs, min of
meer roomkleurig en hij is geheel met zwarte stippen bezaaid.
De kop is donkerder en het voorhoofd puilt als een driehoek
tusschen de groote zwarte oogen vrij sterk uit. De wortel der
sprieten is verdikt en de sprieten staan op dezen wortel geleed
en zijn fijn kamvormig, bij het mannetjen fijner dan bij het
wijfjen. De thorax is groot en zwaar bedonsd, grijsachtig-room-
kleurig, het achterlijf is grauw. De bovenvleugels zijn grijsachtig-
roomkleurig met vele zwarte stippen en vertoonen twee zwarte
lijnen, die iets beneden het midden van den binnenrand be-
ginnen en in den vleugelpunt uitloopen. Deze lijnen staan digt
nevens elkander, convergeeren in den vleugelpunt en de bovenste
is donkerder dan de tweede. Het gedeelte van den vleugel
dat onder deze lijnen ligt, is donkerder en wordt min of meer
potloodkleurig. De voorrand is donker, hetgeen vooral op het
achterste derde gedeelte zeer duidelijk is. Van het midden van
dit achterste derde gedeelte loopt een lijntjen in een kleinen
boog naar den vleugelpunt, welke door het te zamen loopen
dezer lijnen vrij donker wordt. Ongeveer in het midden van
den afstand tusschen den vleugelpunt en den vleugelwortel, op
MAMILLO CURTISEA WEYENB. 223
een afstand van drie millimeter van den voorrand, ziet men
eene ongeschubde plaats in den vorm van twee onregelmatige
driehoeken, die met een der zijden met elkander zijn vereenigd.
De ondervleugels zijn in twee helften door eene kromme donkere
lijn verdeeld; eigenlijk verdient deze lijn den naan van een
band, welks bovenrand eene zwarte lijn vormt; de kleinere
bovenhelft dezer vleugels is grauw, de grootere onderhelft heeft
de kleur der bovenvleugels. Overigens zijn onder- en boven-
_ vleugels vrij wel aan elkander gelijk. De franje is lichtgrijs.
De ondervlakte der vleugels is grauw met vele zwarte stippen
en aan den achtterrand eenigszins bruin bestoven. De dijen en
scheenen zijn zeer bedonsd en van de algemeene ligchaams-
kleur; de tarsen zijn onbedonsd en zwartachtig.
Het verschil tusschen den mannelijken en vrouwelijken vlinder
bestaat hierin, dat het mannetjen kleiner is, terwijl zijn achter-
lijf gepluimd eindigt en op den rug een weinig rood bestoven is.
Ook de vleugelpunt der bovenvleugels is een weinig rood be-
stoven en bepaald rozenrood gekleurd is de binnenrand der
voorvleugels, vooral onder den dwarsband. Deze roode teeke-
ning is bij de mannetjens zeer geprononceerd.
De lengte van het mannetjen is 15 millim., van het wijfjen
20 millim.; de vlucht is ongeveer d 35 millim., 2 55 millim.
De eijeren zijn lang met afgeronde uiteinden en hoog geel
van kleur; zij worden bij kleine hoopjens, van drie tot acht,
aan elkander gekleefd.
De eerste toestanden dezer soort waren reeds aan Curtis
bekend en hij heeft die afgebeeld en beschreven, de vlinder
bleef hem echter onbekend en daarom heeft hij de soort niet
benoemd. Het opstel van Curtis is mij echter niet toegankelijk
en bleef mij onbekend; de mededeeling er over dank ik aan
Prof. Burmeister.
Ik meende daarom reden te hebben de soort naar den ver-
dienstelijken zooloog Curtis te benoemen.
Buenos- Aires 1872.
RN rs
Verklaring der afbeeldingen.
De voedselplant der rups.
Het spinsel.
De rups.
Het voorste gedeelte van de rups, vergroot.
De kop der rups van de rugzijde gezien, vergroot.
De pop.
De oorachtige aanhangsels op den kop der pop, zeer
vergroot.
Staarteinde der pop, zeer vergroot.
Een ei, vergroot.
De vlinder 9 (a. afmeting).
De vlinder & (b. afmeting).
MICROLEPIDOPTERA,
is OF Shi {1 DSi SD JOVD) Son 894 1:9
NIEUW VOOR DE FAUNA VAN NEDERLAND,
SSU „DEAD DOOL IBF _-
MEDEGEDEELD DOOR DE HEEREN
DE GRAAF eù SNELLEN.
De vroegere aanvullingen van de list in de Bouwstoffen
vindt men in dit Tijdschrift, deel 8; bl. 36 en serie 2, deel 1,
bl. 42; deel 3, bl. 49; deel 4; bl. 203; deél 5, bl. 218;
deel 6; bl. 232 en deel 8, bl. 26 en 231.
PYRALIDINEN:
Diàsemia litteratá Scopoli. — Literata von Heine-
mann; Zünsler; p. 98. — Litteralis Hübú: fig. 86.
Noord-Brabant: Mr. Herman, Albarda heeft 8 Junij 1873 in
het Ulvenhoutsche bosch bij Breda een exemplaar dezer soort
gevängen.
Aep
1311132
Zuid-Holland: In September 1872 heb ik bij den Haag eenige
rupsen dezer soort tusschen plat op elkander gesponnen blade-
ren van Populus tremula gevonden, waarvan 16 en 27 Junij
1873 twee scherpgeteekende vlinders zijn voortgekomen. De
rups is grauw bruin (Snellen).
15
226 MICROLEPIDOPTER A,
Gymnancyla canella W.V. — v. Heinem. Zünsler,
p. 161, — Buckler, Entom. Monthly Mag. VIII, p. 163
(de rups). |
Zuid-Holland: In September 1872 heb ik bij Scheveningen
een aantal rupsen dezer soort in de stengels van eene Sa/sola
gevonden, die nog in diezelfde maand vrij diep in het zand
verpopten en in Julij 1874 ten deele vlinders opleverden, ter-
wijl enkele poppen, ofschoon levend, niet uitkwamen en dus
wel ten tweeden male zullen overwinteren. G. canella is ook
in Julij 1873 door den heer de Graaf gevangen bij het Pavil-
joen te Scheveningen, alwaar een menigte exemplaren bij het
vallen van den avond rondvlogen, die zich nu en dan tegen
het rasterwerk plaatsten, waarmede het terrein aan de zuidzijde
is afgesloten.
Tot in 1852 zijn onder den naam Canella twee sterk op
elkander gelijkende, doch inderdaad goed te onderscheiden
soorten verward. Lederer heeft toen eene der twee generiek
en specifiek gescheiden en als Spermatophthora Hormgù bekend
gemaakt. Bij v. Heinemann zijn beide species goed onderschei-
den, doch het komt mij voor dat Zeller (Isis 1848, p. 745)
ze vermeugt. Canella Hübn. fig. 289, eene zeer grove figuur,
schijnt mij toe Hormgù Led. voor te stellen (Snellen).
TORTRICINEN.
Lobesia littoralis Curtis. — Wilkinson, Brit. Tort.
p. 272.
Noord-Brabant: Bergen-op-Zoom 14 Junij 1873 (Heylaerts).
De door mij geziene exemplaren van den heer Heylaerts,
twee mannetjes, wijken door hunne grijsachtig okergele grond-
kleur met minder donkerder teekening zeer af van vier Engel-
sche voorwerpen in mijne collectie, waardoor Wilkinson’s op-
gaven omtrent het sterk varieeren dezer soort bevestigd worden.
Lob. litoralis schijnt, zoo als de naam ook aanduidt, een kust-
bewoner te zijn. Wilkinson zegt dat de rups op Statice armeria
leeft. In de Flora van Nederland vind ik opgeteekend dat
MICROLEPIDOPTER À. 221
onze beide inlandsche soorten van het geslacht Statice bij uit-
sluiting groeïjen aan zeedijken, op schorren en zilten zandgrond.
Volgens de laatste editie van Staudinger’s en Wocke’s Catalogus
komt de soort in Spanje en Engeland voor. Waarschijnlijk
komt het mij voor dat ook Lobesia porrectana Zell. uit Corsica,
Sardinië en Sicilië dezelfde soort is. Lobesia Indusiana Zell. is
mede, zoo niet dezelfde species (de witte ondervleugels schijnen
verschil aan te duiden), dan toch eene zeer na verwante (Snellen).
Grapholitha conicolana Heylaerts, nov. spec. Tijd-
schrift voor Entomologie, Jaargang 1873—74, bl. 212. PL 12.
Noord-Brabant. Zie verder t. a. p.
TINEINEN.
Tinea angustipennis Herr.-Schaeff. System. Bearb.
V. p. 73. Tin. fig. 601. — v. Heinem. Motten, p. 52. —
Staudinger, Berl. Ent. Zeitschr. 1810, p. 288 (nog eens
als nov. spec. beschreven !).
Gelderland: Arnhem, 13 Augustus 1873, een wijfje bij
Prunus spinosa (van Medenbach de Rooy Jr.).
Naar dit exemplaar te oordeelen is het voorrandsvlekje bij
de punt, en zijn de gele vlekken der franje op Herr.-Schaeffer’s
afbeelding te sterk uitgedrukt.
Nemotois minimellus W. V. — Zeller, Linn. Ent.
VII. p. 76. — Herr.-Schaeff. Syst. Bearb. V. p. 99, Tin.
fig. 235. — Staint. Nat. Hist. Tin. XIII (1873). p. 229.
pl. 5. fig. 3.
Noord-Brabant: Breda, 30 Julij (Heylaerts). Komt ook “fh
Limburg voor.
Nemotois cupriacellus Hübn. fig. 445. — Zell.
Linn. Entomol. VIII. p. 57.
Gelderland: Arnhem, 30 Julij 1873, een wijfje (van Medenbach
de Rooy Jr). — Noord-Brabant: Breda, 4 Augustus eenige
exemplaren op bloemen van Tanacetum vulgare (Heylaerts).
228 MICROLEPIDOPTERA.
Gelechia atrella Haworth. — v. Heinemann, Motten
p. 309.
Gelderland: Arnhem, 19 Julij 1873, een exemplaar (van
Medemb. de Rooy Jr.).
De rups leeft volgens Stainton in Mei in den stengel van
Hypericum. Zäe Entomol. Monthly Magazine, VI. p. 36.
Gracilaria Simploniella Fisch. v. Rösl. Abbildun-
gen, p. 197. pl. 70. fig. 3. — Zeller, Linn. Entomol. IT.
p. 345.
Noord-Brabant: Breda, 20 Julij 1873, een exemplaar uit
eiken hakhout geklopt (Heylaerts).
Deze zeldzame Gracilaria was tot dus verre alleen in het
kanton Wallis (Zwitserland) en in België gevonden.
Elachista pullicomella Zeller. — Herr.-Schaeffer,
Syst. Bearb. V. p. 805, Tin. fig. 947. — Frey, Linn.
Entomol. XIII. p. 248. — Furvicomella Herr.-Schaeffer.
fig. 945.
Gelderland: Arnhem, 20 Junij 1873 verscheidene exemplaren
tegen een raster zittende gevouden (v. Medenb. de Rooy Jr).
Lithocolletis Betulae Zeller, Isis 1839, p. 217;
Linn. Entomol. I. p. 222. fig. 24. — Herr.-Schaeff. Syst.
Bearb. Tin. fig. 744 en 780; Betulella p. 330.
Gelderland: Arnhem, 18 Mei 1873, een exemplaar op berk
(v. Medenb. de Rooy Jr.).
De vraag onbeslist latende of Betulae al dan niet specifiek
verschilt van Lith. Corylifoliella Haw. constateer ik alleen, dat
de kenmerken, die de aangehaalde schrijvers bij Lith. Betulae
Stellen, op het exemplaar van den heer de Rooy aanwezig zijn
(Snellen).
Maart 1874.
SUR DEUX NOUVELLES ESPÈCES DE
TRICHOPTERES D'EUROPE,
PAR
M. HERMAN ALBARDA.
1. NYCTIOPHYLAX STAGNALIS,
N. antennis testaceis, late fusco-annulatis; articulis basali et
secundo fuscis. Capite palpis et mesothoracis parte anteriori
lestaceo-pilosis. Alis anterioribus griseo-ochraceis, pallide
aureo-pilosis, maculis dilute griseo-fuscis, in fascias indistinctas
confluentibus, adspersis ; venis fuscis; ciliis concoloribus.
Alis posterioribus fumatis. Abdomine nigro-fusco. Pedibus tes-
laceis; coxis et femoribus fusco tinctis.
Exp. al. 14—16 mm.
Habitat in BATAVIA, prope Leovardiam, in uliginosis.
Antennes testacées, largement anneléés dé brun foncé; leurs
deux premiers articles entiérément bruñs. Tête, palpes et la
partie antérieure du mésothorax bruns, couverts de poils testa-
cés. Ailes antérieures d’un jaune d’ocre un peu grisätre, cou-
vertes de poils fins d’un fauve doré trés-pale et aspergées de
taches grisâtres, qui sont plus grandes vers les marges, sur-
tout vers la postérieure, et qui en se réunissant tendent à for-
mer sur la seconde moitié de l’aile deux ou trois bandes trans-
versales irrégulières et parfois indistinctes; nervures fines, mais
bien visibles, brunes; franges de la couleur des ailes; une
petite tache blanche et transparente au thyridium et à l’arculus.
Ailes postérieures d’un gris de fumée avec les franges plus
claires, surtout vers l’extrimité de l’aile; nervures brunatres ;
230 SUR DEUX NOUVELLES ESPÈCES DE TRICHOPTÈRES D EUROPE.
la sous-costale et le radius munis de poils d'un jaune d’ocre;
la nervule transversale, qui réunit le rameau subdiscoïdal au
cubitus, blanche et transparente.
Mésothorax, métathorax et abdomen d’un brun foncé et cou-
verts de quelques poils testacés. Pattes avec leurs éperons
fauves; tarses des antérieures un peu obscurcis; hauches et
fémurs bruns, à l’exception de leurs extrêmités, qui restent
fauves.
Les organes génitaux extérieurs du mâle sont jaunâtres et
ont, vus de face, beaucoup d’analogie avec ceux de Cyrnus
flavidus McLach.
Le segment terminal de l’abdomen est un peu prolongé et
couvre en partie les appendices supérieurs, qui sont petits et
arrondis. Les appendices intermédiaires manquent. Les infé-
rieurs sont grands, proéminents, obtus, recourbés en haut.
Au-dessus d’eux se trouve une petite pièce triangulaire, qui
couvre probablement le pénis.
La femelle a les tibias et tarses intermédiaires dilatés. Le
dernier segment de son abdomen porte deux valvules, couvertes
de poils jaunes, au-dessous desquelles se trouve encore une
petite pièce tuberculeuse, peu saillante.
J'ai pris cet insecte un mois de mai, en frappant les roseaux
et les pieds secs de Typha, qui se trouvent dans un petit ma-
rais près de Leeuwarde.
Il est très-alerte et a le vol si irrégulier et si rapide, qu'on
a de la peine à l’attraper au filet. Sa physionomie est celle
d'un Polycentropus du groupe de picicornis Steph., mais la
réticulation des ailes l'en éloigne suffisamment.
Le genre Nyctiophylax a été établi par M. Brauer, en 1866,
dans son travail sur les Névroptères recueillis pendant le voyage
de la frégate Novara, en faveur d’une seule espèce de Shanghai,
nommée par lui sinensis. Il est intermédiaire entre Polycentro-
pus et Cyrnus. Dans les ailes antérieures, il n’y a que quatre
fourches apicales, le ramule supérieur du rameau discoidal
étant simple. Cette disposition est analogue à celle qu’on trouve
dans le genre Cyrnus, mais celui-ci a la cellule discoïdale
SUR DEUX NOUVELLES ESPÈCES ‘DE TRICHOPTÈRES D EUROPE. 231
des postérieures ouverte, tandis qu’elle est fermée dans Nyctio-
phylax, comme dans le dernier groupe de Polycentropus. On
doit ajouter à la description des caractères du genre, qu'a
donnée M. Brauer, que l’abdomen a de chaque côté un petit
filament : caractère que possèdent probablement tous les genres
voisins de Polycentropus.
Vu la localité où j'ai pris l’insecte parfait, qui rend probable
que sa larve vit dans les eaux stagnantes, je lui ai donné le
nom de Stagnalis,
2. LEPTOCERUS RIPARIUS.
L. antennis totis fusco alboque annulatis; articulis basali et
secundo, capite, palpis et mesothoracis parte anteriore testa-
ceis, albo-pilosis. Alis anlerioribus dilute ochraceis griseo-
pilosis, apicem versus et pone anastomosin obscurioribus ;
cils concoloribus; venis saturate ochraceis. Alis posterioribus
albidis, iridicoloribus, tenuiter griseo-pilosis; cılus dilute
canis, apicalibus testaceis. Abdomine dilute migro-virescente.
Pedibus testaceis ; tarsis anterioribus fusco maculatis.
Exp. al. 3 19, 9 13—16 mm.
Habitat in BATAVIA ef in GERMANIA, in ripis fluminum.
Antennes annelées de brun et de blanc jusqu'au bout. Leur
premier article, ainsi que la téte, les palpes et la partie anté-
rieure du mesothorax, d’un jaune testacé roussâtre et couverts
de poils blancs. Le reste du mésothorax et le métathorax de
la même couleur, mais glabres.
Ailes antérieures ayant la membrane d’un ochracé un peu
roussâtre mais très-pale et couverte de poils grisâtres, qui sont
rares sur le disque, mais qui en s’accumulant produisent une
teinte plus foncée vers l’extrèmité et près de l’anastomose;
nervures un peu plus foncées, bien visibles, un peu saillantes;
franges de la couleur du bout de l'aile.
Ailes postérieures blanches, irisées, couvertes de poils fins
srisätres, leurs franges faiblement teintes de grisâtre, à l'ex-
ception de celles du bout de l’aile, qui sont testacées.
232 SUR DEUX NOUVELLES ESPÈCES DE TRICHOPTÈRES D EUROPE.
Abdomen d’un vert grisâtré en dessus et d’un jaune testacé,
en-dessous. Pieds dun testacé pale avec les tarses antérieurs
et intermédiaires faiblement tachés de brun.
Le segment terminal de l’abdomen du mâle a en-dessus un
prolongement triangulaire. Les appendices anals sont analogues
à ceux de L. dissimilis Steph. mais néanmoins bien distinctes.
Les inférieurs ont, comme chez les espèces voisines, la forme
de crochets, dont la pointe est recourbée en dedans et sont
munis de longs cils Ce qui les distingue, c’est qu'ils ont à
leur extrêmité deux ou trois dents assez fortes et quelquefois
encore quelques dents semblables en-dessous.
Pour le reste des appendices je me borne à renvoyer le lecteur
aux figures, que j'ai copiées d'après un dessin exact fait par
M. Mac Lachlan au moyen d’une Camera lucida, Vexplication
des diverses parties ne pouvant être faite avec précision avant
que les appendices de toutes les espèces de ce genre ne soient
étudiés.
La femelle est ordinairement de beaucoup plus petite. Elle a
les ailes antérieures un peu plus foncées, les inférieures un
peu plus grisâtres et abdomen d'un vert vif. Ses pattes sont
d'un testacé plus foncé et ses tarses sont tous faiblement mar-
qués de brun.
Le segment terminal de son abdomen a en-dessus un pro-
longement triangulaire beaucoup moindre que celui du mâle,
au-dessous duquel se trouve une profubérance, qui porte deux
appendices digitiformes larges, un peu courbés en-dedans. Entre
ces derniers on aperçoit encore une petite pièce triangulaire.
Ces organes sont d’un jaune testacé.
Ceste espèce a été prise dans les Pays-Bas à Arnheim, aux
mois de Juillet et de Septembre, par M. Medenbach de Rooy,
fils, et à Rotterdam, par M. Fransen. M. Snellen la prit à Bonn
en Juillet et j'ai trouvé moi même une femelle à Rudesheim,
en Août.
J'ai long-temps hésité de la publier comme nouvelle. La ques-
tion si une espèce de Trichoptère est nouvelle pour la science
ou déjà décrite, est souvent, à défaut d'exemplaires typiques ,
SUR DEUX NOUVELLES ESPÈCES DE TRICHOPTÈRES D EUROPE. 233
trés-difficile à résoudre, par le fait que la plupart des auteurs
se sont bornés à indiquer les couleurs, sans donner une des-
cription détaillée ou une bonne figure des appendices anals,
qui seuls peuvent servir à séparer sûrement les espèces voisines.
. M. Pictet a décrit un Leptocéride nommé par lui Mystacides
aureus et M. Kolenati a appliqué ce même nom à une espèce
évidemment différente, quoique voisine. À en juger d’après les
descriptions, ces deux espèces ont beaucoup de ressemblance
avec la mienne. Celle de M. Pictet a été long-temps dubieuse.
On présumait que c'était le mâle de Leptocerus dissimilis Steph.,
comme sa Mystacides uniguttata en est la femelle.
Or M. Mae Lachlan, qui inclinait aussi pour cette opinion,
me fit savoir récemment qu'il possède un mâle de Zurich, qui
répond parfaitement à la description de M. Pictet et dont les
ailes antérieures sont plus larges et plus courtes et sont couver-
tes d’un duvet serré d’un beau jaune; tandis que les inférieures
sont d'un gris de fumée et sont fortement irisées. De plus
jai pu me convaincre, par un dessin qu'il eut la complaisance
de me communiquer, que les appendices anals différent aussi
de ceux de L. dissimilis et également de ceux de mon espèce.
Restait done à savoir si M. Kolenati n'avait pas eu mon
espèce sous les yeux, lorsqu'il décrivit son M. aureus. Il est
vrai que les termes: margine suturali ad arculum stranuneo-piloso
ne l’indiquent pas, mais en revanche les mots: tegminibus tes-
iaceis, dense aureo-pilosis sy adaptent très-bien. De plus cet
auteur, tout en citant comme synonyme Leptocerus aureus Steph. ,
qui est sans contredit L. dissimilis Steph., nomme son espèce
M. aureus Pict. Il était done possible que deux espèces voisines
eussent été entremelées par lui. |
Pour élucider ce point autant que possible, j'ai prié M. le
docteur Stein de vouloir confronter une couple d'exemplaires de
mon espèce, que je lui avais communiquée, aux types de M,
aureus Kol, conservés au musée royal de Berlin. Je dois à
Fobligeance de ce Névroptéologue d’avoir acquis la certitude que
les deux espèces sont réellement distinctes. Les exemplaires de
M. Kolenati, qui proviennent de St. Petersbourg, sont d’une
234 SUR DEUX NOUVELLES ESPÈCES DE TRICHOPTÈRES D EUROPE.
taille un peu plus forte, ont les ailes antérieures brunâtres
(braun) avec une tache blanche distincte à l'arculus et ont les
tarses plus distinctement annelés de brun.
Ceci me semble prouver suffisamment, non seulement que
“mon espèce est une autre que Mystacides aureus Pict. et que
l'espèce décrite sous le même nom par M. Kolenati, mais en-
core que M. Mac Lachlan a très-bien vu en considérant celle-
ci comme identique avec Leptocerus dissimilis Steph.
Leeuwarden, Février 1874.
Explication de la planche.
Fig. 1. Nyctiophylax stagnalis, mâle.
» 2. Grandeur naturelle.
» 3. Appendices anals, vus de face.
„ 4 Les mêmes, vus de côté.
» ©. Palpe.
» 6. ‚Retieulation des ailes.
» 4 Bout de l’abdomen de la femelle vu de côté.
n 8. Leptocerus riparius, mâle.
„ 9. Grandeur naturelle.
» 10. Leptocerus riparius, femelle.
„ 11. Grandeur naturelle,
„ 12. Appendices anals du mâle, vus de face.
„ 13. Les mêmes, vus de côté.
„ 14. La partie terminale d’un appendice inférieur, beaucoup
grossie.
„ 15. Bout de l'abdomen de la femelle, vu de face.
» 16. Le même, vu de dessous.
» 17. Le même, vu de côté.
A J Wendel fac. & sculps.
1 Sabulodes Arenularia m 2Sab. Glaucularia m. 3. Oxydia Hypenariata m.40x.Hypopyrata mn.
_ 5. Apicia Prostypatam. 6. Ap. Phibalaria m. 7. Ap Plebejata m. 8.Epione Bogotata m.
9. Perusia Sulphurata m. 10. Per Tenerata m.
BA?”
UR
dr
I: DRS
a
AJ. Wendel Fec. & sculps.
1. Perusia Citrinatam. 2. Tetracis Brantsiata m. 3Azelina Nolckeniata m. 4. Az. Caninata Guenée .
5. Ddontopera Bistonaria m. 6, Crocallis Tropicaria m. 7. Boarmia Muscinaria m.
8.Boa. Fuscolimbaria m. 9.Boa.Elongaria m.
PLS.
AJ Wendel fec.& sculps.
_1-Boarmia Odysiata m. 2 Boa. Agnataria m. 3.Racheospila leucoceraria m. 4. Rach.rufidorsaria m.
>. Palyas prospectata m. 6 Ophthalmophora Lyonetaria m7 Zonosoma conspicillaria m. 8. Lon. olivaria m.
9. Cambo gia heliadaria Guenee. 10. Camb. adimaria m.11. Camb. sagittaria m. 12.Camb.Hyriata m.
AJ Wendel fec.& sculps.
1 Asthena subcrocearia m. 2.Asth.relaxatam. 3.Acidalia thalassmata m. 4 Acid. computaria m.
9. Acid. chlorosata m. 6. Acid. convictorata m. 7 Acid collustrata m.8. Acid. leuculata m.
8. Acid perlimbata m. 10 Acid. subnictata m. {l Falcino des Gonodontaria m.
We!
PL 5.
| A.J Wendel fec.& sculps. |
1 Falcinodes sug gillaria m. 2.Erosia ochodontaria m. 3.Er. nigrocapitata m. 4. Er. pauxillafa m.
DS Corycia micantariam. 6. Cor. circumvallaria m. 7. Macaria divergentata m. 8 Mac. adrasata m.
9. Cyclomia endotrichiata m. 10. Eupithecia rubigata m. 11.Eup.indefinata m.
all
LG.
A.J Wendel fec. & sculps.
1Eupithecia vermiculata m. 2 Rhopalodes patrata m. 3 Scordylia Hippomenata m. 4 Scord fluminata m.
5 Scord. dispilata m. 6 Scord monospilata m. 7 Scord. ambiguata m. 8 Scord. chrysopterata m.
9 Phibalapteryx lutulentata m. 10 Phib. effluata m.
AA
A J Wendel fec.& sculps.
1 Scotosia cunctata m. 2 Scot. pallivittatam. 3 Cidaria circumcidata 2m. 4 Cid. Emmelesiata m.
5 Cid morbosata m. 6 Psaliodes ocreata m. 7 Opisogonia Herrichiata m. 8 Eubolia fulgurata m.
9 Eubol. momaria m. 10 Melanoptilon Emplo ciaria m. 11 Mel. suavaria m.
FSI TEEN
Ù
Peal
a
EES.
e
vdW. Fec. AJW. sculps
1.Colpodia pallidula. 2,3. Catocha crassitarsis. 4 Exechia rufithorax. 5.Ex.Schummeh.
6,7.Brachycampta ruficauda. 8. Mycetophila sordida. 9. Tanytarsus sordens.
) 10.Tanypus guttipermis. 11. Eutonia barbipes. 1°. Poecilo stola angustipennis.
rie
RN
oi
RTE
avi
STO
vi
AN
nu en cog
RES YP OE bg
TI
2 en
PI. 9.
HWI fc. i Locale
Varia entomolo Sic a. i
ELIO)
Ss
=
S =
;
i
|
x
H. WJ? Fec. È A AJW. sculps.
Varia entomologica.
al, sul,
AJ.W sculps.
Hymenoptera van Neder - Guinea.
S.v.V. fec.
Al AL
ND
Sie
ZU
Uh
EST
ER
2
vL.fec.
SvVfec. > È Lith.v. Kuhn & de Bruyn Jannette, Rott”
Grapholitha conicolana, Heyl.
>
re
ar
a
I
P1.13.
AJMW. sculps.
Mamillo Curtisea, Weyenb.
PI. 14.
H.Alb.fec. 3 4 i AJW. sculps
Nouv. espèces de Trichopteres.
Pa
ns à
LT
Fa CN
RS
RA
AN
BALEN
DIGEST OF THE
N
LIBRARY REGULATIONS.
No book shall be taken a, the /Library without the
d of the Librarian. ff: A
5 d to retdin more than five vol-
ulöss/ by/ special vote of the
Council. {
Books may be
without renewal, and
twice. Va;
A fine of five
returned within/the time spe
The Librarjfin may demand Ah
expiration of ten days from
nl ooks, so desig
Library without special permission.
All books must be réturned at least two weeks previous
to the Annual Meeting?
Each member is pêsponsible for all injury or loss of books
charged to his narpe.